/ˌsxraːvə(n)ˈɦaːɣə/, /ˌsχravə(n)ˈɦaχə/
pronoun
1. een stad en gemeente in de Nederlandse provincie [[Zuid-Holland]]
Χάγη
noun
(informatica) een apparaat dat driedimensionale objecten kan maken door laagje voor laagje materiaal aan te brengen
τριδιάστατος εκτυπωτής
noun
  1. 4. de naam van een toon
  2. 5. afkorting van “a-mineur”
α
adverb
1. des te eerder, des te meer
και δη
noun
1. streling, liefkozing
κτύπημα
verb
1. zachtjes strelen
χαϊδεύω
noun
  1. 3. paling
  2. 4. kleine en jonge paling
χέλι
noun
1. bepaald soort struik met eetbare rode bessen Ribes rubrum
φραγκοστάφυλο
noun
1. benaming voor vogels uit het geslacht Phalacrocorax
κορμοράνος
noun
αμόνι
noun
2. knobbelachtige zwelling van aders in het onderste deel van de endeldarm en in de anus
αιμορροΐδες
adjective
1. (predicatief) actief, in bedrijf
αναμμένος
preposition
1. verbonden met, tegen, tegenaan
αναμμένος
noun
1. het smeedblok waarop de smid het gloeiend metaal smeedt
αμόνι
noun
1. een eerste betaling bij het kopen van iets op afbetaling of in termijnen
προκαταβολή
noun
  1. σύσταση
  2. υπόδειξη
noun
1. een brief waarin men iets of iemand aanbeveelt
συστατική επιστολή
noun
1. een verering, een eerbiedvolle bewondering
λατρεία
noun
1. iemand die beroepshalve een advies, dienst of een product ter beschikking stelt
παροχέας
verb
  1. 1. ergens naar blaffen
  2. 2. iemand toesnauwen
γαβγίζω
noun
1. een aanbieding
  1. εφοδιασμός
  2. παροχή
  3. προμήθεια
noun
1. gerichte belangstelling of interesse
προσοχή
adverb
1. met belangstelling, met aandacht, met interesse
προσεκτικός
noun
1. waardepapier
μετοχή
noun
1. een houder van één of meer bewijzen van aandeel
μέτοχος
noun
1. de handel in aandelen in het algemeen
χρηματιστήριο
noun
ενθύμημα
adjective
1. bij de geboorte verkregen eigenschappen
  1. συγγενής
  2. έμφυτος
conjunction
1. geeft onderschikkend een reden aan
αφού
noun
  1. αναγγελία
  2. ειδοποίηση
  3. κοινοποίηση
adjective
1. rechtstreeks grenzend aan iets anders
συνεχόμενος
noun
1. leesteken om geciteerde woorden van die van de auteur te onderscheiden
εισαγωγικά
noun
  1. 2. rijdend object dat achter de auto gehangen kan worden voor het vervoeren van goederen.
  2. 1. iemand die gelooft in een bepaald idee, of die een bepaalde groep of persoon steunt.
οπαδός
noun
ρυμούλκα
noun
σύλληψη
verb
1. een bestemming bereiken
φτάνω
noun
1. de bestemming bereiken, het aankomen
άφιξη
noun
3. een loop of tred voorafgaand aan een sprong, duik, enzovoort
ορμή
verb
1. moed inspreken
ενθαρρύνω
noun
1. het inspreken van moed
ενθάρρυνση
/ˈaːneːmər/
noun
1. iemand die een (bouw)werk uitvoert tegen een bepaalde prijs
εργολάβος
noun
1. manier van aanpakken
προσέγγιση
verb
3. een probleem oplossen
αντιμετωπίζω
adjective
1. in staat om zich aan te passen
ευπροσάρμοστος
/ˈanrakˌsxɛrm/, /ˈanrakˌsχɛrm/
noun
1. een beeldscherm dat ook als invoerapparaat voor een computer kan worden gebruikt door het scherm aan te raken.
οθόνη αφής
verb
1. fysiek contact maken met iets
αγγίζω
noun
1. het aanraken
επαφή
noun
3. een fysieke aanval op iemand met als doel seksuele handelingen af te dwingen
σεξουαλική επίθεση
noun
4. terroristische aanval
δολοφονία
adjective
1. verantwoordelijk, om vergoeding of betaling aangesproken kunnen worden
υπαίτιος
noun
  1. ευθύνη
  2. ενοχή
noun
1. apparaatje om vuur te maken
αναπτήρας
noun
1. een telbare hoeveelheid
αριθμός
verb
1. (langzaam) beschadigen, aangrijpen
βλάπτω
noun
σημείωση
adjective
1. bekoorlijk
ελκυστικός
verb
  1. 1. dankzij een kracht objecten naar zich toe doen bewegen
  2. 3. kleding aandoen
  3. 4. een opwaartse trend, een stijgende lijn vertonen
ελκύω
verb
2. accepteren, in bezit ontvangen
δέχομαι
noun
1. een poging de tegenpartij geweld aan te doen of van zijn positie te beroven
επίθεση
verb
επιτίθεμαι
noun
αρχή
verb
1. beginnen, starten
αρχίζω
adjective
1. in het begin
αρχικός
/ˈanvʏlə(n)/
verb
1. het ontbrekende bijvoegen
συμπληρώνω
adjective
1. die of dat aanvult
πρόσθετος
adjective
παρών
noun
1. het aanwezig zijn op een bepaald tijdstip en plaats
παρουσία
noun
  1. 1. het aanwijzen
  2. 2. vingerwijzing
  3. 3. inlichting of voorschrift over hoe men moet handelen
συμβουλή
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de orde der primaten
  1. πίθηκος
  2. μαϊμού
noun
  1. 1. bloeiwijze van granen
  2. 2. bovenste deel van de halm van gras- of graangewassen
στάχυ
noun
1. bepaald soort plant, Solanum tuberosum
  1. πατάτα
  2. γεώμηλο
/ˈardɑˌpəɫpyˈre/
noun
1. een puree van zeer fijn gemaakte, met melk aangemengde aardappels
  1. πουρές πατάτας
  2. πουρές
noun
1. een salade die gemaakt wordt uit aardappelen
πατατοσαλάτα
/\ˈaːrt.bɛi̯\/
noun
2. eetbare vrucht van planten uit het geslacht Fragaria
  1. φράουλα
  2. χαμοκέρασο
noun
1. bepaald soort plant, Arbutus unedo
κουμαριά
noun
1. een schokkende of trillende beweging van een gedeelte van de aardkorst, meestal te wijten aan ...
  1. σεισμός
  2. σεισμική δόνηση
/ˈardə/
pronoun
Γη
/ˈardə/
noun
  1. 1. planeet
  2. 2. grond
γη
noun
  1. κεραμική
  2. αγγειοπλαστική
/artxɑs/
noun
1. een gas dat uit de aarde komt en dat grotendeels uit methaan bestaat
φυσικό αέριο
noun
1. het ontginnen van aardgas
εξαγωγή φυσικού αερίου
/ˈart.kɔrst/
noun
1. het buitenste gedeelte van de planeet Aarde
γήινος φλοιός
noun
γεωλογία
noun
πετρέλαιο
/ˈardrɛiksˌkʏndə/
noun
γεωγραφία
adjective
1. betrekking hebbende op de aarde, tot de aarde behorend
γήινος
/ˈaːrtfɑrkə(n)/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Orycteropus afer
oρυκτερόπους
noun
1. het naar beneden schuiven van een grote massa grond
κατολίσθηση
noun
σκουληκαντέρα
pronoun
1. een Waalse provinciehoofdstad
Αρλόν
noun
1. en 2. (blaadjes van) de plant Mentha spicata
δυόσμος
noun
1. bepaald soort parasitaire, maar onschadelijke rondworm van ca. 5–10 mm lengte, Enterobius vermicularis
οξύουρος
prefix
αρχι-
/ˈaːrz.bɪz.dɔm/, /ˈaːrʦ.bɪs.dɔm/, /ˈaːrʦ.bɪz.dɔm/
noun
1. het belangrijkste gebied van een kerkprovincie, dat geleid wordt door de aartsbisschop.
αρχιεπισκοπία
/ˈaːrzbɪsxɔp/, /ˈaːrʦbɪsxɔp/, /ˈaːrʦbɪsχɔp/
noun
1. de voornaamste bisschop van een kerkprovincie.
αρχιεπίσκοπος
/ˈaːrz.di.jo.ˌses/, /ˈaːrʦ.di.ʲo.ˌses/
noun
1. het belangrijkste gebied van een kerkprovincie, dat geleid wordt door de aartsbisschop.
αρχιεπισκοπία
noun
1. een hemelgeest in een rang boven een engel
αρχάγγελος
noun
1. een keizerlijke prins in het vroegere Oostenrijk-Hongarije
αρχιδούκας
noun
αρχιδουκάτο
noun
1. adellijke titel, vrouw van een aartshertog
αρχιδούκισσα
/ˈarzələ(n)/
verb
1. onzeker zijn, twijfelen
διστάζω
noun
1. onzekerheid, twijfel, weifel
δισταγμός
noun
  1. 1. speelkaart
    άσος
  2. 1. lokmiddel
    δόλωμα
noun
νεκροφάγος
/'as.xir/
noun
2. iemand die profijt probeert te halen uit de tegenslag van iemand anders
άρπαγας
/ˈɑbɑkʏs/
noun
  1. 1. raam met staven
  2. 2. dekplaat van een kapiteel
άβακας
/a.bɑ.ˈtwaːr/, /ɑ.bɑ.ˈtβ̞ar/
noun
1. een bedrijf waar dieren geslacht worden
σφαγείο
noun
1. het inkorten van een woord of een frase
περιληψη
noun
1. een ophoping van pus in het lichaam, daarbij een onnatuurlijke holte vormend
απόστημα
/ɑpˈxazis/
pronoun
1. een taal die in Abchazië gesproken wordt
  1. αμπχαζική γλώσσα
  2. αβχαζιανά
noun
παραίτηση
/ɑbˈdɛɪ̯/, /ɑbˈdɛː/
noun
1. klooster met aan de leiding een abt of abdis
  1. αβαείο
  2. μοναστήρι
/ɑbˈdɪs/
noun
1. bestuurster van een abdij.
ηγουμένη
noun
κοιλιά
noun
wegvoering
απαγωγή
noun
εκκεντρικότητα
pronoun
Αβησσυνία
adjective
niet levend
αβιοτικός
/ˌɑb.la.ˈtif/, /ˌɑb.la.ˈtiːf/
noun
1. de zesde naamval die onder meer de instantie aangeeft waarvan iets uitgaat of vertrekt
αφαιρετική
/ˈɑb.laut/, /ˈɑp.lɔut/, /ˈɑp.lʌut/
noun
1. regelmatige, grammaticaal bepaalde klinkerwisseling
ετεροποίωση
/ɑbɔ'ne/
noun
1. iemand die op iets geabonneerd is
συνδρομητής
noun
συνδρομή
noun
1. oorspronkelijke bewoner van Australië
Αβορίγινας
/ɑ'bɔrtəs/
noun
έκτρωση
noun
βερίκοκο
pronoun
Αβρουζία
noun
1. de afstand tot de opstaande as van een coördinatenstelsel
τετμημένη
/ɑp'sɪnt/
noun
1. sterkedrank op basis van anijs
αψέντι
noun
bepaald soort plant, Artemisia absinthium
αρτεμισία
/ɑpso'lyt/
adjective
  1. 1. niet beschouwd in betrekking tot iets soortgelijks
  2. 2. volledig, volkomen
  3. 3. beslist, zeker
  4. 4. geheel onafhankelijk en zonder binding met iets of iemand anders
απόλυτος
/ɑpsɔr'berə(n)/
verb
απορροφώ
noun
απορρόφηση
/ɑp'strɑksi/
noun
1. een begrip dat los staat van de dagelijkse werkelijkheid
αφαίρεση
/ɑpsʏrt/
adjective
1. erg onlogisch, belachelijk
παράλογος
/ɑb/, /ɑpt/
noun
1. het hoofd van een abdij
ηγούμενος
adjective
αβυσσαλέος
noun
ακαδημία
/ɑkɑ'demis/
adjective
ακαδημαϊκός
noun
tak van de zoölogie die zich bezighoudt met de studie van mijten en teken
ακαρολογία
noun
  1. 1. de manier waarop iemand de klanken uitspreekt
    προφορά
  2. 2. een teken dat op een klinker kan worden geplaatst
    τόνος
/ɑk.sep.ˈtaː.tʃi/
noun
1.
αποδοχή
/ɑksɛp'terə/
verb
  1. 1. aanvaarden
  2. 2. aannemen, graag ontvangen
δέχομαι
/ˌɑsəˈswar/
noun
1. een attribuut dat als aanvulling dient
αξεσουάρ
noun
1. een muziekinstrument waarbij door trekken en duwen een toon wordt geproduceerd
ακορντεόν
noun
1. iemand die zijn beroep maakt van het inrichten en controleren van boekhoudingen en administraties
λογίστρια
noun
1. een toestel om elektriciteit op te slaan
  1. συσσωρευτής
  2. αποταμιευτής
noun
1. toestel dat de opeenhoping van elektrische lading mogelijk maakt
συσσωρευτής
/ˌɑkusaˈtif/, /ˌɑkyzaˈtiːf/
noun
1. naamval voor het lijdend voorwerp
αιτιατική
noun
1. kleurloze, vluchtige, sterk riekende vloeistof die als oplosmiddel wordt gebruikt met als chemische formule: C₃H₆O
ακετόνη
/ˌɑsəˈtilxoˌlinə/, /ˌɑsəˈtiɫχoˌlinə/, /ˌɑsɛˌtylxoˈlin(ə)/
noun
1. een neurotransmitter die vooral betrokken is bij de impulsoverdracht van de zenuw naar de skeletspiercellen
ακετυλοχολίνη
/ˌɑ.sə.ti.ˈlen/
noun
  1. 1. een verbinding van waterstof en koolstof met de samenstelling H₂C₂, die als gasvormige brandstof voor het vormen van hete vlammen gebruikt wordt
  2. 1&2.1. een verbinding van waterstof en koolstof met de samenstelling H₂C₂, die als gasvormige brandstof voor het vormen van hete vlammen gebruikt wordt
ακετυλένιο
/xxxx/
noun
1.
ακετυλοσαλικυλικό οξύ
pronoun
1. figuur uit de Griekse mythologie
Αχιλλέας
noun
1. kwetsbare plaats
Αχίλλειος πτέρνα
noun
Αχίλλειος τένοντας
cardinalNumeral
1. het getal 8
  1. οχτώ
  2. οκτώ
/ˈɑxtbaːn/
noun
1. een attractie met een karretje dat over een baan met bochten, stijgingen en dalingen rijdt
τρενάκι
cardinalNumeral
1. het getal 38
τριάντα οκτώ
cardinalNumeral
1. het getal 98
ενενήντα οκτώ
cardinalNumeral
1. het getal 88
ογδόντα οκτώ
cardinalNumeral
1. het getal 28
είκοσι-οκτώ
cardinalNumeral
1. het getal 48
σαράντα οκτώ
cardinalNumeral
1. het getal 58
πενήντα οκτώ
cardinalNumeral
1. het getal 68
εξήντα οκτώ
preposition
  1. πίσω
  2. πίσω από
noun
1. de indirecte oorzaak van actualiteiten
βάθος
/ˈɑxtərklɛɪŋkɪnt/
noun
1. het kind van iemands kleinkind
δισέγγονο
verb
1. dumpen, weggaan van, verlaten
αφήνω
noun
1. lamp(en) aan de achterkant van een voertuig
πισινό φανάρι
/ɑxtər'na/
adverb
1. iemand of iets volgend
από πίσω
noun
1. een naam die van geslacht op geslacht en indien gewenst door het huwelijk overgedragen wordt
επώνυμο
adjective
1. niet op tijd
ανεξόφλητος
noun
1. de achterzijde van een schip
πρύμνη
adverb
1. in achterwaartse richting
ανάποδος
/'ɑx.tər.vux.səl/
noun
1. een woorddeel dat achter de stam van een woord gevoegd wordt
επίθημα
noun
1. een zak aan de achterkant van een kledingstuk
κωλοτσέπη
noun
1. een vorm met acht hoeken
οκτάγωνο
/ɑxt'ɦukəx/
adjective
1.
οκτάγωνος
/ˈɑxtˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 800
οκτακόσια
noun
1. aanzien
εκτίμηση
noun
όγδοος
noun
1.
όγδοο
cardinalNumeral
1. "18", het getal tussen zeventien en negentien
  1. δεκαοκτώ
  2. δεκαοχτώ
noun
οξέωση
noun
ακμή
noun
1. in de Rooms-katholieke Kerk een misdienaar die ouder is dan 16 jaar
ακόλουθος
noun
1. gymnast
ακροβάτης
adjective
1. heel erg lenig, sterk en handig zodat je circuskunsten kunt doen
ακροβατικός
noun
ακρωνύμιο
noun
ακρυλαμίδιο
/ɑkˈtør/
noun
1. persoon
ηθοποιός
noun
δράση
adjective
1. met iets bezig zijnde
δραστήριος
noun
ομάδα δράσης
noun
1. Scheikundig element
ακτίνιο
noun
1. in geld uitgedrukte waarde van de bezittingen van een onderneming
ενεργητικό
noun
1. iets waarmee men actief is
δραστηριότητα
noun
1. bedrijvende vorm
ενεργητική φωνή
noun
1. vrouw
ηθοποιός
noun
αναλογιστής
/ɑktyˈwel/
adjective
επίκαιρος
noun
1.
βελονίστρια
noun
1. een Chinese behandelingsmethode waarbij, ter genezing van een kwaal...
βελονισμός
/aˈkyt/
adjective
1. plots ontstaan, op korte termijn verlopend
οξύς
pronoun
Αδάμ
/ˈadɑmzɑpəl/
noun
deel van het strottenhoofd bij de man
  1. καρύδι
  2. μήλο του Αδάμ
noun
προσαρμοστής
noun
1. bijlage
προσάρτημα
noun
  1. 1. gifslang
  2. 2. persoon
οχιά
noun
1. chemisch product
πρόσθετο
noun
1. bevoorrechte groep personen
αριστοκρατία
noun
1. benaming voor sommige soorten grote roofvogels
αετός
/adəm/
noun
ανάσα
/ˈa.də.mə(n)/
verb
1. de voor het leven nodige lucht inzuigen en weer uitdrijven
αναπνέω
noun
1. door levende wezens ingezogen en uitgeblazen lucht
αναπνοή
noun
1. (lymfe)klierontsteking
αδενίτιδα
noun
1. goedaardig klierweefselgezwel
αδένωμα
noun
αδενοσίνη
noun
1. bloedvat met zuurstofarm bloed
φλέβα
noun
1. de afkorting voor Attention Deficit Hyperactivity Disorder,...
ΔΕΠΥ
noun
αποχαιρετισμός
noun
1. een woordsoort dat wordt gebruikt om een eigenschap of hoedanigheid van een zelfstandig naamwoord te benoemen
επίθετο
noun
1. een woordsoort dat wordt gebruikt om een eigenschap of hoedanigheid van een zelfstandig naamwoord te benoemen
επίθετο
/ɑtmənɪstra'tør/
noun
  1. 1. iemand die de administratie
  2. 2. iemand die namens de eigenaar een onderneming o.i.d. beheert
διαχειριστής
/ˌɑtminɪsˈtrasi/, /ˌɑtminɪsˈtratsi/
noun
3. bestuur
διαχείριση
noun
διαχειριστής
noun
διαχειρίστρια
noun
1. opperbevelhebber van een oorlogsvloot
ναύαρχος
noun
ναυαρχείο
noun
1. jeugdig persoon, puber
έφηβος
pronoun
Αδόλφος
verb
1. een kind aannemen
υιοθετώ
noun
υιοθεσία
/aˈdrɛs/
noun
1. aanduiding van de plaats waar iemand woont of iets is gevestigd
διεύθυνση
pronoun
1. randzee van de Middellandse Zee, gelegen tussen Italië en het Balkanschiereiland
Αδριατική θάλασσα
noun
1. de afkorting voor Asymmetric Digital Subscriber Line, een zeer snelle internetverbinding via de telefoonlijn
ADSL
noun
1. een fenomeen dat optreedt aan het grensvlak van twee fasen, waarbij moleculen of atomen zich aan dit grensvlak hechten
προσρόφηση
/ɑtˈfɛnt/
noun
1. een periode van vier weken voor Kerstmis    2. de tijd waarin de komst en wederkomst van Jezus Christus worden verwacht
Έλευση
noun
διαφημιστής
noun
1. een aankondiging in een krant, reclameblad, tijdschrift ...
διαφήμιση
noun
1. een gegeven raad
συμβουλή
noun
1. raadgever, raadsman
σύμβουλος
noun
1. pleiter, verdediger in rechtszaken
  1. δικηγόρος
  2. συνήγορος
/eˈɛːa/
pronoun
1. mytisch eiland
  1. Αία
  2. Αιαία
  3. Αἰαία
  4. Αἶα
noun
αεροδυναμική
noun
1. een verzamelnaam voor muziekinstrumenten die een toon voortbrengen door een trillende luchtkolom
αερόφωνο
adjective
1.
αερόβιος
/ˌæːroˈzol/, /ˌɛːroˈzɔɫ/
noun
2. scheikunde
αεροζόλ
adverb
1. op onregelmatige tijden
κάπου κάπου
noun
1. het onvermogen te spreken
αφασία
noun
1.
αποφόρι
verb
1. door onderhandelen een prijs omlaag zien te krijgen
διαπραγματεύομαι
verb
1. verbranden van overtollig gas via een hoge fakkel
καύση ελέγχου σε πυρσό
noun
1. een gebonden morfeem dat aan een ander morfeem wordt toegevoegd om zo een nieuw woord te vormen
παράθημα
/ˌɑfriˈkat/
noun
1. een combinatie van twee medeklinkers, waarvan de eerste een plosief...
προστριβόμενο
noun
κιλλίβαντας
verb
2. afgeschoten worden
εκρήγνυμαι
noun
1. iemand die als officiële vertegenwoordiger naar een andere partij gestuurd wordt
αγγελιοφόρος
/ɑf.ˈxans/, /ɑf.ˈχans/, /ɑv.ˈɣaːns/
adjective
1. gerelateerd aan Afghanistan
αφγανικός
/ɑf.ˈɣa.nɪ.ˌstɑn/, /ɑf.ˈχa.nɪ.ˌstɑn/, /ɑv.ˈɣa.nɪ.ˌstɑn/
pronoun
1. een land gelegen in Centraal-Azië.
Αφγανιστάν
/'ɑfxɔt/
noun
ίνδαλμα
noun
1. een stuk land waarvan de grond verwijderd is, of waar men nog steeds aan het graven is
εκσκαφή
/ˈɑfxrɔnt/, /ˈɑfχrɔnt/, /ˈɑvɣrɔnd/
noun
1. een grote steile diepte
άβυσσος
adjective
εξαρτημένος
noun
εθισμός
verb
1. niet geschikt verklaren
αποδοκιμάζω
noun
1. het uitspreken van een negatief oordeel over iets
αποδοκιμασία
noun
1. het inkorten van een woord of een frase
συντομογραφία
/ˈɑflat/
noun
1. een kwijtschelding van tijdelijke straffen die men zou moeten ondergaan na het sterven..
συγχωροχάρτι
noun
2. een woord dat middels toevoeging van een voor-, in- of achtervoegsel gevormd wordt uit een ander
παράγωγο
verb
1. brengen naar en achterlaten op de plek van bestemming
παραδίδω
noun
1. elk onderdeel van een tv-serie dat op regelmatige tijden wordt uitgebracht of uitgezonden
επεισόδιο
verb
2. geheel of gedeeltelijk voldoen
αποπληρώνω
verb
1. ongemerkt luisteren naar de communicatie van anderen
κρυφακούω
noun
1. korte spreuk met een kernachtige boodschap
αφορισμός
/ˈɑf.pɛr.sɪŋ/
noun
1. mensen onder voor de buitenwereld onzichtbare bedreiging zaken tegen hun wil laten doen
εκβιασμός
pronoun
1. het continent ten zuiden van Europa, tussen de Indische en de Atlantische Oceaan.
Αφρική
/afriˈkaːns/
adjective
1. komende van of betreffende het continent Afrika
αφρικανικός
/afriˈkaːns/
pronoun
1. een van het Nederlands afstammende taal die wordt gesproken in Zuid-Afrika en Namibië
  1. αφρικάνικα
  2. Αφρικάνικα
noun
1.
αφροδισιακό
verb
1. tot een einde brengen
καταργώ
noun
1. een begroeting bij het elkaar verlaten
αποχαιρετισμός
noun
1. een overeenkomst
ραντεβού
noun
απόγονος
/ˈɑfstɑnt/
noun
1. de ruimte die zich ergens tussen bevindt
απόσταση
noun
een toestel dat vanaf afstand een ander toestel bestuurt
τηλεχειριστήριο
verb
1. ontdoen van stof
ξεσκονίζω
/ɑf/, /ɑft/
noun
1. een kleine zweer in de mond ten gevolge van een virus
άφθα
noun
1. het naar beneden tellen om aan te geven hoelang het nog duurt voordat iets gaat gebeuren
αντίστροφη μέτρηση
noun
1.
παραίτηση
verb
1. rekenkundige bewerking waarbij een getal met een getal verminderd wordt
αφαιρώ
/ˈɑftrɛkɪŋ/
noun
1. rekenkundige bewerking waarbij een getal van een ander getal afgetrokken wordt
αφαίρεση
noun
αποστάτης
noun
1. het ontrouw worden aan zijn geloof
αποστασία
noun
1. het sop waarin met het eetgerei schoonmaakt of -gemaakt heeft
απόνερα
/ɑfwɛrəkɪŋ/
noun
2
αποτελείωση
adjective
1. niet op een bepaald tijdstip en plaats zijn
απών
noun
1. het afwezig zijn op een bepaald tijdstip en plaats
απουσία
verb
1. niet de gangbare norm volgen
παρεκκλίνω
/'ɑfʋɛɪzɪŋ/
noun
1. een bericht dat op een voorstel of aanzoek niet ingegaan wordt
απάρνηση
noun
1. iemand die iets naar een adres verzendt
αποστολέας
/ˈɑfzwɪːrə(n)/
verb
αρνούμαι ενόρκως
noun
  1. 1. een doorzichtige, maar soms ook opake variëteit van trigonaal kwarts...
  2. 2. een stenen voorwerp bestaande of vervaardigd uit agaat
αχάτης
noun
1. een gebrek aan moedermelk
αγαλακτία
noun
επικαταλλαγή
noun
1. opwinding
αναβρασμός
noun
αγνωστικισμός
noun
1. iemand die ten aanzien van het bovennatuurlijke stelt dat dit niet te kennen valt
  1. αγνωστικίστρια
  2. αγνωστικιστής
adjective
αγνωστικιστής
noun
αγοραφοβία
noun
επιθετικότητα
adjective
1. aanvallend
  1. επιθετικός
  2. επιθετική
  3. επιθετικό
noun
1. de landbouwkunde
αγρονομία
interjection
αχά
noun
1. een virusziekte waarbij het natuurlijke afweersysteem van het lichaam steeds verder afgebroken wordt
AIDS
noun
1. beschermingssysteem in voertuigen
αερόσακος
adjective
ζοφερός
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noord-Rijnland-Westfalen, niet ver van Maastricht
Άαχεν
/'akər/
noun
2. vrucht van de eik
βeλανίδι
noun
αγροτική επιχείρηση
noun
2. samenklank van drie of meer, verschillende tonen
συγχορδία
/ˌakusˈtik/
noun
1. de voortplanting van klank in een besloten ruimte en de ervaring die deze voortplanting ...
ακουστική
noun
1. platte en rechthoekige tas
χαρτοφύλακας
adverb
1. reeds
ήδη
pronoun
1. Braziliaanse deelstaat gelegen in de Regio Noordoost van het land. Hoofdstad is Maceio
Αλαγκόας
/ɑɫbaˈneːs/
pronoun
1. taal die vooral in Albanië en Kosovo gesproken wordt
  1. αλβανικά
  2. Αλβανικά
/ɑlˈbaːni.jə/, /ɑɫˈbani.jə/
pronoun
1. een land in het westen van de Balkan, grenzend aan de Adriatische en de Ionische Zee en aan Griekenland, Macedonië, Kosovo en Montenegro
Αλβανία
noun
αλάβαστρο
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Diomedeidae
άλμπατρος
noun
στιχάριο
noun
het ontbreken van pigmentkleurstof in de huid
αλφισμός
noun
άλμπουμ
noun
1. vroegere occulte wetenschap, waarin o.a. werd geprobeerd om goud en edelmetalen uit andere elementen...
αλχημεία
noun
1. elk van de verbindingen uiteen groep koolwaterstoffen die gekenmerkt zijn...
αλκοόλ
noun
αλκοολισμός
noun
αλκοολικός
adjective
1. met een verwaarloosbaar alcoholgehalte
αλκοολούχος
noun
αλδεΰδη
adverb
1. zo, op deze manier
έτσι
/ˈɑlfa/
noun
1. een aanduiding of markering van "de eerste" van een reeks
άλφα
noun
de lettertekens van een taal
αλφάβητο
adjective
1. gerangschikt volgens de letters van het alfabet
αλφαβητικός
/ˈɑɫɣəbra/
noun
1. deel van de wiskunde dat zich bezighoudt met de betrekkingen van door letters...
  1. Άλγεβρα
  2. άλγεβρα
noun
γενικός
/ɑl.ɣə.'rɛɪ̯.jə/, /ɑɫ.ɣə.'rɛː.jə/, /ɑɫ.χə.'rɛɪ̯.jə/
pronoun
1. een land in Noord-Afrika, officieel de Democratische Volksrepubliek Algerije
Αλγερία
adjective
1. Uit/afkomstig van Algerije
αλγερινός
/ɑɫˈxiːrs/, /ɑɫˈɣiːrs/
pronoun
1. Hoofdstad van Algerije
Αλγέρι
noun
αλγόριθμος
adverb
1. in deze plaats
εδώ
/ˈaː.liˌbi/
noun
1. het kunnen aantonen dat men elders was tijdens het zich voltrekken van een misdaad,...
άλλοθι
noun
διατροφή
/aˈlinija/
noun
alinea
noun
αλκάνιο
noun
αλκαλίο
noun
1. een stikstof bevattende plantenbase
αλκαλοειδή
noun
1. een kleine raamloze zijkamer, vaak gebruikt als slaapkamer
κόγχη
pronoun
1. God in islamistisch of Arabische context
Αλλάχ
adjective
καθημερινός
/ɑl.ˈen/
adjective
1. zonder gezelschap
μόνος
noun
αλληγορία
adjective
1. betrekking hebbend op het uitbeelden van een abstract begrip
αλληγορικός
/ɑ.ˈlɛl/, /ɑ.ˈlɛɫ/
noun
1. elk van de alternatieve uitvoeringen van een gen, die allemaal in homologe chromosomen op dezelfde plaats liggen
  1. αλληλόμορφο γονίδιο
  2. αλλήλιο
  3. αλληλόμορφο
/ˌɑlɛrˈɣi/
noun
1. een reactie van het immuunsysteem op lichaamsvreemde stoffen (allergenen), die op zich helemaal niet schadelijk hoeven te zijn
αλλεργία
noun
wetenschap die allergieën bestudeert
αλλεργιολογία
indefinitePronoun
1. al het mogelijke, de gehele verzameling of hoeveelheid zonder uitzondering
πάντα
noun
παμφάγος
noun
1. een bondgenootschap
συμμαχία
noun
1. een grote krokodilachtige uit het geslacht Alligator
αλιγάτορας
noun
παρήχηση
adjective
1. uit een ander land of plaats afkomstig
αλλοδαπός
noun
1.
αλλόφωνο
/ɑɫmɑxt/
noun
1. absolute macht, macht over alles
παντοδυναμία
adjective
παντοδύναμος
noun
αλμανάκ
noun
πανταχού παρών
noun
benaming voor bloeiende, succulente planten uit het geslacht Aloe
αλόη
noun
1. bepaald soort zoogdier Vicugna pacos
αλπάκα
pronoun
1. een gebergte dat Italië van de rest van Europa scheidt
Άλπεις
noun
1. bepaald soort Zuid-Europese verdovende en bedwelmende overblijvende plant
μανδραγόρας
/ɑls/, /ɑs/
conjunction
  1. 2. indien
    αν
  2. 1. wanneer
    όταν
phraseologicalUnit
1. als de kat van huis is, dansen de muizen op tafel
όταν λείπει η γάτα χορεύουν τα ποντίκια
conjunction
1. luidt een vergelijking in
λες και
adverb
1. als beleefde aandrang bij een verzoek of versterking bij een bevel
παρακαλώ
noun
1. offertafel voor godsdienstige plechtigheden
  1. βωμός
  2. Αγία Τράπεζα
pronoun
1. Atair/Altair
Αλτάιρ
/ɑltərnaˈtif/
noun
1. een andere mogelijkheid of methode
εναλλακτικός
conjunction
1. geeft in het tweede gedeelte meer specifiek aan wat er bedoeld wordt
τουλάχιστον
adverb
  1. 3. in elk geval
    πάντα
    1. 1. op elk moment, blijvend
    2. 2. telkens opnieuw
    1. πάντοτε
    2. πάντα
noun
αλτρουισμός
adjective
1.
αλτρουιστικός
/ˈɑltfiˌjoːl/
noun
1. een muziekinstrument in de familie van de strijkinstrumenten, verwant aan maar groter en lager klinkend dan de viool
βιόλα
/alyˈminijʏm/
noun
1. scheikundig element met symbool Al en atoomnummer 13
  1. αλουμίνιο
  2. αργίλιο
noun
Χαλκοαλουμίνιο
noun
σίρκο
noun
1. een klier die enzymen afscheidt in de twaalfvingerige darm om de afbraak van zetmeel, vet en eiwitten te bevorderen
πάγκρεας
/amɑl'ɣaːm/
noun
1. kwiklegering
αμάλγαμα
noun
  1. 1. kleine bladverliezende loofboom, Amygdalus dulcis
  2. 1. eetbare pit van de amandelvrucht
αμύγδαλο
noun
αμυγδαλιά
noun
1. of 2. (zaden van) geslacht Amaranthus
αμάραντος
noun
σμύριδα
noun
1. een persoon die iets als hobby doet
ερασιτέχνης
pronoun
Αμαζόνιος
noun
2. een vrouwelijke ruiter
αμαζόνα
noun
1. een handwerkvak dat vaak aanzienlijke vaardigheden vereist
χειροτεχνία
noun
1. de officiële vertegenwoordiging van de ene regering in de hoofdstad van de andere.
πρεσβεία
noun
1. iemand die door de ene staat is aangesteld om deze staat bij een andere staat te vertegenwoordigen
  1. πρέσβης
  2. πρεσβευτής
/ɑmˈbi(t)si/
noun
φιλοδοξία
adjective
1. vol van de wens en het vertrouwen om iets te bereiken
φιλόδοξος
noun
1.
αμφιθυμία
noun
1. iemand die aangesteld is in een door de overheid beheerde dienst
δημόσιος υπάλληλος
noun
1. voertuig om gewonden of zieken van en naar het ziekenhuis te brengen
ασθενοφόρο
adjective
1. in staat om te lopen
περιπατητικός
noun
αμερίκιο
/aˈmɪːriˌka/
abbreviation
1 en 2
Αμερική
noun
  1. 2. een inwoner van de Verenigde Staten van Amerika
  2. 1. een persoon die in Amerika woont
Αμερικανός
adjective
1. betreffende of komende van Amerika
  1. αμερικανικός
  2. αμερικάνικος
noun
1. een vaak prachtig violet gekleurde vorm van kristallijn kwarts, die kleine hoeveelheden titaan en ijzer bevat
αμέθυστος
noun
stimulerend middel, uit de groep van de wekaminen
αμφεταμίνη
noun
1. in water en op land levend dier
αμφίβιο
adjective
1. geschikt zowel voor in het water als op het land
αμφίβιος
noun
αμφιθέατρο
noun
1. een door de oude Grieken en Romeinen gebruikte buikige kruik met twee oren
αμφορέας
noun
1. door de oude Grieken en Romeinen gebruikte buikige kruik met twee oren
αμφορέας
noun
αμινοξύ
noun
1. een chemische verbinding van stikstof en waterstof
αμμωνία
noun
αμμώνιο
noun
1. NH₄NO₃, het ammoniumzout van salpeterzuur
νιτρικό αμμώνιο
noun
πυρομαχικά
noun
1. geheugenverlies
αμνησία
noun
1. een verklaring dat afgezien zal worden van strafvervolging voor een bepaalde groep
αμνηστία
noun
1. eencellige eukaryoot die van vorm kan veranderen door het uitsteken en intrekken van schijnvoetjes
αμοιβάδα
/a.'mɔrf/
adjective
1. niet geordened
άμορφος
/aˈmɔs/
pronoun
1. en 3. profeet en jongensnaam
Αμώς
noun
πλάτος
noun
διαμόρφωση εύρους
noun
1. dichtgesmolten medicijnflesje, waarin steriele injectiestoffen worden afgeleverd
αμπούλα
noun
ακρωτηριασμός
verb
1. een lichaamsdeel chirurgisch verwijderen
ακρωτηριάζω
noun
αμπέρ
noun
1. stroommeter
αμπερόμετρο
/ɑmstər'dɑm/
pronoun
1. de hoofdstad van Nederland, gelegen in de provincie Noord-Holland
  1. Άμστερνταμ
  2. Αμστελόδαμο
noun
αμυλάση
adjective
1. met betrekking tot de darmuitgang van de mens
πρωκτικός
noun
1. opbouw bij de stofwisseling waarbij simpele stoffen omgezet worden tot chemisch ingewikkeldere stoffen
αναβολισμός
noun
αναχρονισμός
/ɑnakroˈnɪstis/
adjective
1. niet passend in de tijdsvolgorde of in de periode waarin het wordt gepresenteerd
αναχρονιστικός
/anaˈkɔnda/
noun
1. zeer grote en zware wurgslang uit het geslacht Eunectes
ανακόντα
/ˌa.na.fi.lɑkˈsi/
noun
1. een medische term voor een snelle systemische allergische reactie
αναφυλαξία
noun
ανάγραμμα
noun
1. seks waarbij de anus en het rectum een rol spelen
πρωκτική συνουσία
noun
1. iemand die niet kan lezen of schrijven
αναλφάβητος
noun
1. een overeenkomst tussen twee verschillende zaken die bijv. kan dienen als basis voor een bepaalde redenering of vergelijking
αναλογία
/ˌɑnəˈloːx/
adjective
  1. 2. tegenovergestelde van digitaal (geluidsopname, uurwerk)
    ανάλογος
  2. 1. overeenkomend met
    αναλογικός
/ɑnɐ'liːzə/
noun
ανάλυση
verb
1. gedetailleerd en nauwkeurig bekijken
αναλύω
noun
1. een vrucht van de ananasplant
ανανάς
noun
αναρχία
noun
αναρχισμός
noun
αναρχική
noun
ανατομία
adjective
1. met betrekking tot de anatomie
ανατομικός
noun
1. een persoon die kennis draagt van de (menselijke) anatomie
ανατόμος
pronoun
Ανδαλουσία
pronoun
Ανδαλουσία
adjective
1. niet deze
άλλος
cardinalNumeral
  1. ενάμισης
  2. ενάμισι
  3. μιάμιση
conjunction
1. leidt een zin in die een andere gang van zaken aangeeft
αλλιώς
pronoun
Άνδεις
noun
ανδεσίτης
noun
1. Cichorium endiva, een eetbaar eenjarig gewas dat nauw verwant is aan witlof
αντίβ
pronoun
1. een kleine staat in Europa die grenst aan Frankrijk en Spanje
  1. Ανδόρρα
  2. Ανδόρα
noun
1. kruis van twee even lange, schuingeplaatste balken
χίασμα
pronoun
  1. 1. mythologische figuur
  2. 2. sterrenbeeld
Ανδρομέδα
noun
ανδροειδές
/a.nɛg.ˈdo.tə/
noun
1. een amusant, kort verhaal
ανέκδοτο
adjective
ανεκδοτικός
noun
1.
αναιμία
adjective
1. aan bloedarmoede lijdend
αναιμικός
noun
1. zelfregistrerende windsnelheidsmeter
ανεμογράφος
/ɑnəmon/
noun
1. een plant van het geslacht Anemone
ανεμώνη
noun
1. leer van de Engelen
αγγελολογία
/ɑŋəl'sɑksis/
pronoun
1. een West-Germaanse taal die tussen ca. tussen 400 en 1100 werd gesproken en die geldt als de rechtstreekse voorloper van het Middelengels
αγγλοσαξονικός
noun
1. hartkramp, pijn op de borst
στηθάγχη
noun
1. zwelling veroorzaakt door (allergische) overgevoeligheid
αγγειοοίδημα
noun
αγγειοτασίνης
noun
αγγλικανισμός
noun
1. woord of uitdrukking overgenomen uit het Engels of gevormd naar Engels voorbeeld
αγγλισμός
/ɑŋ.ˈ(g)ɣo.la/, /ɑŋ.ˈgo.la/
pronoun
1. een land in Zuidwest-Afrika, officieel de Republiek Angola grenzend aan...
  1. Αγκόλα
  2. Ανγκόλα
noun
1. het gevoel dat er onheil of gevaar dreigt
φόβος
noun
αγχώδης διαταραχή
pronoun
Ανγκουίλα
noun
1. bepaald soort schermbloemige plant, Pimpinella anisum
γλυκάνισο
noun
1. het zaad van de anijsplant
γλυκάνισο
noun
ανιόν
noun
γαρίφαλο
/ˈɑ.nʲər.re.voˌly.si/, /ˈɑ.ɲər.re.voˌly.tsi/
pronoun
1. geweldloze militaire staatsgreep
Επανάσταση των Γαρυφάλλων
noun
  1. 1. onderdeel van een vaartuig
  2. 2. muuranker
  3. 3. onderdeel van een uurwerk
άγκυρα
pronoun
1. meisjesnaam
Άννα
/ˌɑnɛkˈsatsi/
noun
1. het verplicht of gedwongen toetreden tot een groep
προσάρτηση
/ɑny'lerə/
verb
1. iets afgelasten
  1. ακυρώσει
  2. ακυρώνω
noun
1. afwijking van organen
ανωμαλία
adjective
1. naamloos
ανώνυμος
noun
1. naamloosheid
ανωνυμία
noun
1. verlies van eetlust
ανορεξία
adjective
1. niet tot de koolstofverbindingen behorend
ανόργανος
/a.nɔsˈmi/
noun
ανοσμία
noun
ανοξία
noun
1. een postkaart met een afbeelding
κάρτα
noun
αντσούγια
noun
  1. 1. tegenwerkend middel of orgaan
  2. 2. belangrijkste tegenspeler
ανταγωνιστής
pronoun
1. het continent rond de zuidpool van de aarde
Ανταρκτική
noun
1. de naam voor het woord waarnaar een ander woord, meestal een betrekkelijk voornaamwoord, verwijst
υπόθεση
noun
1. een vrij opgestelde elektrische geleider voor het uitzenden en/of ontvangen van elektromagnetische straling
κεραία
noun
αντιβιοτικό
noun
αντίχριστος
noun
1. een weinig spannende, soms teleurstellende ontknoping van het verhaal
απροσδόκητη κατάπτωση
noun
1. een deeltje waarvan een aantal fysische eigenschappen dezelfde zijn, maar andere eigenschappen (waaronder de lading) precies tegengesteld
αντισωματίδιο
/ˌɑntideprɛˈsivʏm/
noun
1. een middel tegen ziekelijke neerslachtigheid
αντικαταθλιπτικό
noun
1. lichaamsvreemde afweeropwekkende stof
αντιγόνο
/ɑn.ˌti.(g)ɣ<sup>ʊ</sup>a.ɛn.bɑr.ˈbu.da/, /ɑn.ˌti.gwa.ɛn.bɑr.ˈbu.da/
pronoun
1. eilandstaat in het oostelijk deel van de Caribische Zee, op de grens met de Atlantische Oceaan
Αντίγκουα και Μπαρμπούντα
noun
1. een hoofdpersonage in een verhaal met niet de typerende positieve eigenschappen van een held
αντιήρωας
adjective
1.
αντικληρικός
noun
αντίσωμα
pronoun
1. eilandengroep in de Caribische Zee
Αντίλλες
/ɑnti'lopə/
noun
1. een verzamelnaam voor slanke holhoornige hoefdieren die voornamelijk in Afrika leven
αντιλόπη
noun
1.
αντιύλη
noun
αντιμόνιο
pronoun
1. een provinciehoofdstad in Turkije
Αντιόχεια
noun
1. stof die reacties tegengaat waarbij elektronen worden uitgewisseld
αντιοξειδωτικό
noun
iemand met antisemitische denkbeelden
αντισημίτης
noun
αντισηπτικόs
noun
1.een middel dat gebruikt worden om de natuurlijke stollingsneiging van het bloed te onderdrukken
αντιπηκτικό
noun
1. het tegenovergestelde
αντίθεση
noun
1. een stof die veelal aan koelwater wordt toegevoegd om het vriespunt ervan te verlagen om bevriezen ervan te voorkomen
αντιψυκτικό
adjective
1. tegengesteld van betekenis
αντίθετος
noun
1. woord met tegengestelde betekenis
  1. αντίθετος
  2. αντώνυμο
/an.tra.ˈsit/, /ɑn.tra.ˈsit/
adjective
ανθρακίτης
/an.tra.ˈsit/, /ɑn.tra.ˈsit/
noun
1. een vorm aan steenkopl die hoge temperatuur heeft gehad
ανθρακίτης
noun
1. een infectieziekte die wordt veroorzaakt door de bacterie Bacillus anthracis
άνθρακας
noun
1. het eten van mensen
ανθρωποφαγία
noun
ανθρωπολογία
noun
ανθρωπολόγος
verb
ανθρωπομορφίζω
noun
ανθρωπομορφισμός
/ˈantˌwɛrpə(n)/, /ˈɑntˌʋɛrpə(n)/, /ˈɑntˌβ̞ɛrpə(n)/
pronoun
  1. 2. een Belgische provincie
  2. 1. een provinciehoofdstad in België
Αμβέρσα
/ˈɑnt.ʋɔːrt/
noun
1. de reactie op een vraag, van repliek voorzien
απάντηση
noun
αυτόματος τηλεφωνητής
/ˈɑnt.ʋɔːr.də(n)/
verb
1. het geven van een antwoord
απαντώ
noun
1. opening aan het eind van de endeldarm en aan het eind van het spijsverteringskanaal
πρωκτός
noun
αγχολυτικό
/aˈɔrta/
noun
1. de slagader die van het hart naar het lichaam, behalve de longen, loopt
αορτή
adjective
  1. 1. op zichzelf, afzonderlijk van het andere
  2. 2. bijzonder, opmerkelijk
ιδιότροπος
noun
1. lusteloosheid
απάθεια
pronoun
1. gebergte
Απέννινα
noun
2. internetsymbool @
παπάκι
noun
1. een eetlust opwekkende alcoholische drank die voor de maaltijd genuttigd wordt
απεριτίφ
noun
1. einde van de wereld, zoals beschreven in het Bijbelboek Openbaringen
αποκάλυψη
adjective
αποκαλυπτικός
noun
1. wegval van slotklank
αποκοπή
noun
απόγειος
noun
1. geprogrammeerde celdood
απόπτωση
/ɑˈpɔstəl/
noun
  1. 1. leerling van Jezus
  2. 2. verkondiger van een nieuwe leer
απόστολος
noun
2. aanspreking van afwezige personen of zaken
αποστροφή
/apo'tek/
noun
1. plaats waar men geneesmiddel en en andere gezondheidsproducten kan kopen.
φαρμακείο
noun
φαρμακοποιός
noun
1. toepassing
εφαρμογή
noun
1. een door mensen gemaakt voorwerp dat is samengesteld uit verschillende onderdelen en een bepaalde functie heeft
συσκευή
noun
1. een afzonderlijke woning in een groter gebouw
διαμέρισμα
/ɑ.ˈpɛl/, /ɑ.ˈpɛɫ/, /ˈɑ.pəl/, /ˈɑ.pəɫ/, /ˈɑpəɫ/
noun
1. vrucht
μήλο
noun
1. boom waaraan appels groeien
μηλιά
noun
1. een moes van gekookte appels
πολτός
noun
1. een vruchtensap bereid uit appels
  1. χυμός μήλου
  2. μηλοχυμός
/ˌɑpəlˈsin/
noun
1. Vrucht van de appelsienboom
πορτοκάλι
noun
1. gebak gevuld met stukjes vruchten van de appelboom
μηλόπιτα
/ɑplɔudi'serə/
verb
1. in de handen klappen om goedkeuring of bewondering te tonen
χειροκροτώ
/ɑ'plɔus/
noun
1. geklap in de handen als teken van goedkeuring of bewondering
χειροκρότημα
/ɑˈprɪl/
noun
1. de vierde maand van het jaar
  1. Απρίλιος
  2. Απρίλης
pronoun
Απουλία
noun
nog uit te zoeken
υδατογραφία
/ɑˈkʋariˌʲʏm/
noun
1. een bak met water waarin onderwaterflora en -fauna gehouden wordt.
ενυδρείο
noun
1. grote bont gekleurde papegaai uit Zuid-Amerika
μακάο
/ˌɑ.ra.ˈbiːr/
noun
1. een persoon met het Arabisch als moedertaal
Άραβας
/ɑ'rabis/
adjective
1. verwijzend naar de Arabische taal,cultuur,het alfabet of Arabië
αραβικός
/ɑ'rabis/
pronoun
  1. 1. een taal oorspronkelijk van het Arabisch schiereiland en de taal waarin de Koran...
    1. αραβικά
    2. αραβικός
  2. 2. een van het Aramitisch afgeleid alfabet dat gebruikt wordt voor het schrijven van het Arabisch,...
    αραβικός
pronoun
Αραβία
noun
tak van de zoölogie die zich bezighoudt met de studie van de spinachtigen
αραχνολογία
pronoun
1. randzee van de Indische Oceaan, gelegen tussen Noord-Australië en de oostelijke eilanden van Indonesië
Θάλασσα της Αραφούρα
pronoun
Αραγονία
noun
1. Een inwoner van Aragon
αραγονέζικος
pronoun
1. taal gesproken in Aragon
αραγονέζικος
/araˈmes/
adjective
Αραμαϊκή
noun
1. energie die door een krachtbron geleverd wordt bij verplaatsing van een voorwerp
δουλειά
noun
1. iemand die voor een loon handmatige arbeid levert
εργάτης
adjective
έντασης εργασίας
noun
1. inkomsten die men ontvangt door het uitvoeren van werk
μισθός
noun
1. de interactie tussen vraag naar en aanbod van arbeid
αγορά εργασίας
noun
1. ongeval dat tijdens het werk (of onderweg van en naar het werk) optreedt, bedrijfsongeval
εργατικό ατύχημα
noun
δουλειά
noun
1. onderdeel van het privaatrecht m.b.t. de normen die het recht op arbeid als sociaal grondrecht tot voorwerp hebben
εργατικό δίκαιο
noun
διαιτητής
noun
resultaat van het handelen van een arbiter
απόφαση
adjective
αυθαίρετος
pronoun
Αρκαδία
adjective
1. behorend tot of betrekking hebbend op een zeer oud tijdperk
αρχαϊκός
noun
αρχαιοπρέπεια
/ˌɑr.xe.ˌjo.lo.ˈɣi/, /ˌɑr.xɛ.jo.lo.ˈɣi/, /ˌɑr.χe.ˌjo.lo.ˈχi/
noun
1. studie van de niet-geschreven overblijfselen van het verleden
αρχαιολογία
noun
αρχαιολόγος
noun
αρχέτυπο
noun
αρχείο
noun
1. een eilandengroep
αρχιπέλαγος
noun
1. iemand die gebouwen ontwerpt
αρχιτέκτονας
adjective
1. betrekking hebbend op de architectuur
αρχιτεκτονικός
adjective
1.
αρχιτεκτονικός
noun
1. de bouwstijl van een gebouw
αρχιτεκτονική
noun
επιστύλιο
/ɑrxivaːrɨs/
noun
1. een persoon die een archief beheert
αρχειοφύλακας
verb
1. iets geclassificeerd opslaan om het later gemakkelijk terug te vinden
αρχειοθετώ
adjective
1. extreem koud, behorend bij heel lage temperaturen
αρκτικός
pronoun
1. is de oceaan ten noorden van de continenten Azië en Noord-Amerika , waarin het grote ijsveld van de Noordpool ligt
Αρκτικός Ωκεανός
pronoun
1. middelgebergte in het zuidoosten van België, Noord-Luxemburg en een klein stuk Frankrijk
Αρδέννες
pronoun
1. een rivier in Frankrijk
Αρντές
noun
άρια
noun
1. roofvogel
αετός
adjective
1. zonder zich van mogelijk gevaar bewust te zijn
αγαθός
/ˌɑrɣɛnˈtɛɪ̯n/, /ˌɑrɣɛnˈtɛːn/, /ˌɑrχɛnˈtɛɪ̯n/
noun
1. iemand van Argentijnse komaf
  1. Αργεντινός
  2. Αργεντίνος
/ˌɑrɣɛnˈtini.jə/, /ˌɑrχɛnˈtini.jə/
pronoun
1. een Spaanstalig land in het zuiden van Zuid-Amerika tussen het Andesgebergte en de zuidelijke Atlantische Oceaan.
Αργεντινή
noun
αργινίνη
/ˈɑrɣɔn/
noun
1. een scheikundig element en kleurloos edelgas met het symbool Ar en het atoomnummer 18
αργό
/ˌɑrɣyˈmɛnt/
noun
1. een aangevoerd feit in een discussie om een zienswijze te ondersteunen
επιχείρημα
noun
άρια
/arijaˈnɪsmə/
noun
1.
αρειανισμός
noun
1. een persoon die lid is van de aristocratie
ευγενής
noun
1. een regeringsvorm waarbij de heerschappij in handen is van een kleine groep, de zogenaamde aristocraten
αριστοκρατία
adjective
1. volgens de principes van een aristocratie
ευγενής
noun
1. onregelmatige hartslag
αρρυθμία
/ɑrṃ/
adjective
  1. 1. weinig bezittend
  2. 2. beklagenswaardig
φτωχός
/ɑrṃ/
noun
1. lichaamsdeel
  1. χέρι
  2. βραχίονας
noun
1. sieraad of merkteken dat om de pols of arm gedragen wordt
βραχιόλι
/ɑrˈmen/, /ɑrˈmeːn/
noun
1. een inwoner van Armenië, of iemand afkomstig uit Armenië
  1. Αρμένιος
  2. Αρμένης
/ɑrˈmens/, /ɑrˈmeːns/
adjective
1. betreffende Armenië of het Armeens
αρμενικός
/ɑrˈmens/, /ɑrˈmeːns/
pronoun
1. een taal die wordt gesproken in Armenië
  1. αρμενικά
  2. αρμένικα
pronoun
γενοκτονία των αρμενίων
noun
1.
πτωχοκομείο
/ɑrˈmeni.jə/, /ɑrˈmeːni.jə/
pronoun
1. een GOS-lidstaat in de Kaukasus (Gemenebest van Onafhankelijke Staten). Het is een van de weinige landen die niet aan zee liggen. Het grenst in het oosten aan Azerbeidzjan, in het westen aan Turkije en de Naxçivan-exclave (Azer.), in het noorden aan Georgië en in het zuiden aan Iran
Αρμενία
noun
αποκούμπι
/ˈɑrəmude/
noun
1. de toestand waarin iemand leeft die zeer weinig middelen voor zijn levensonderhoud heeft.
  1. φτώχεια
  2. φτώχια
pronoun
Άρνεμ
noun
1. (aangename) geur van spijzen, dranken, genotmiddelen enz
άρωμα
/aroˈmans/
pronoun
1. een Romaanse taal die in de Balkan gesproken wordt
Αρωμανική γλώσσα
noun
αρπισμού
/ɑriveːrən/
verb
1. de bestemming bereiken
φτάνω
adjective
αλαζονικός
noun
αρσενικό
noun
1. stijlbeweging
Αρ Ντεκό
noun
    1. 4. een bewerkt voorwerp uit prehistorische tijd
    2. 5. een kunstmatig veroorzaakte misvorming; zelf toegebracht letsel
    τέχνημα
  1. 1. kunstvoorwerp of -product
    τεχνούργημα
verb
1. de uitspraakklanken zorgvuldig vormen
αρθρώνω
noun
καλλιτέχνης
adjective
1. kunstmatig
τεχνητός
/ɑrˈtiːkəl/
noun
4. staat voor een zelfstandig naamwoord, geeft de bepaaldheid aan en het woordgeslacht
άρθρο
noun
1. het wapen dat vuursteun geeft aan de eigen troepen
πυροβολικό
noun
1. de vlezige schutbladeren van de gesloten bloemknop worden als groente gegeten
αγκινάρα
noun
1. een aandoening van het gewrichtskraakbeen
οστεοαρθρίτιδα
noun
1. geneeskundige die bevoegd is een praktijk uit te oefenen
γιατρός
/a.ˈru.ba/, /a.ˈry.ba/
pronoun
1. een eiland in het zuidelijke gedeelte van de Caraïbische Zee
Αρούμπα
noun
  1. 2. lijn
    άξονας
  2. 1. verbrandingsrest
    στάχτη
/ˈɑzbɑk/
noun
1. opvangbak
  1. σταχτοδοχείο
  2. τασάκι
noun
1. verzamelnaam van een aantal silicaten met een vezelige structuur
αμίαντος
noun
ασεξουαλικότητα
noun
άσφαλτος
noun
άσυλο
pronoun
1. hoofdstad van Turkmenistan
Ασγκαμπάτ
pronoun
1.
Ασντόντ
pronoun
1.
Ασκαλώνα
adjective
1. zonder sociaal besef
αντικοινωνικός
noun
1. een kant of zijde
(ρηματική) όψη
noun
1. Asperagas officinalis, een plant waarvan de jonge scheuten geteeld worden als groente
  1. σπαράγγι
  2. ασπάραγος
noun
1. een middel tegen allerlei kwalen met als werkzame stof acetylsalicylzuur
ασπιρίνη
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het noordoosten van het land. Hoofdstad is Dispur
Άσαμ
/ˈɑsəˌpustər/
pronoun
1. het meisje dat hoofdpersoon is het het gelijknamige sprookje
Σταχτοπούτα
noun
1. een persoon die ondersteunt
βοηθός
noun
άστατο
noun
1. scheikundig element met symbool At en atoomnummer 85
άστατο
noun
2. een bloem van de aster
αστέρας
/ˈɑs.tə.ˌrɪs(x)/, /ˈɑs.tə.ˌrɪsk/
noun
1. typografisch symbool in de vorm van een sterretje
αστερίσκος
noun
1. een klein vast hemellichaam dat net als een planeet om de zon draait
αστεροειδής
noun
1. een ziekte die, door vernauwing van de luchtwegen, benauwdheid en hoestbuien veroorzaakt
άσθμα
noun
1
αστροφωτογραφία
/ɑstrolo'gi/
noun
1. de leer die gebeurtenissen aan het hemelgewelf in verband brengt met gebeurtenissen op aarde
αστρολογία
noun
1. een beoefenaar van de astrologie
αστρολόγος
/ˌɑstroˈnaʊ̯t/, /ˌɑstroˈnɔʊ̯t/, /ˌɑstroˈnʌʊ̯t/
noun
1. een Amerikaanse ruimtevaarder
αστροναύτης
noun
1. de wetenschap die de objecten in de ruimte bestudeert
αστρονομία
adjective
αστρονομικός
noun
αστρονόμος
pronoun
1. een taal die gesproken wordt in Asturië
αστουριανά
pronoun
1. een van de 17 autonome regio's van Spanje die in het noordwesten van het land ligt
Αστούριες
noun
1. eerste dag van de vastentijd
πρώτη Τετάρτη της Σαρακοστής
adverb
ασύμμετρος
/a.sɪmp.ˈtot/
noun
1. een lijn die door een kromme of functie willekeurig dicht benaderd wordt, maar deze nooit raakt
ασύμπτωτη
/atɑkˈsi/
noun
1. een onzekere gang bij het lopen
αταξία
noun
1. de werkruimte van een kunstenaar
εργαστήριο
pronoun
de hoofdstad van Griekenland
Αθήνα
/ˌa.te.ˈjɪsmə/, /ˌɑ.te.ˈjɪsmə/
noun
1. overtuiging dat goden niet bestaan
αθεϊσμός
/ˌa.te.ˈjɪst/, /ˌɑ.te.ˈjɪst/
noun
1. een persoon die niet gelooft in het bestaan van goden
άθεος
pronoun
1. mythologisch eiland
Ατλαντίδα
pronoun
1. de tweede grootste oceaan op aarde, gelegen tussen Europa en Afrika enerzijds en Noord- en Zuid-Amerika anderzijds
Ατλαντικός Ωκεανός
pronoun
  1. 1. figuur uit de Griekse mythologie
  2. 2. gebergte in Noord-Afrika
Άτλας
noun
  1. 1. een boek dat geografische kaarten bevat
  2. 2. een verzameling van prenten, kaarten, afbeeldingen, tekeningen en dergelijke
  3. 3. de bovenste wervel in de hals die het hoofd draagt
άτλαντας
/ɑtlet/
noun
1. iemand die grote prestaties op sportief gebied verricht
αθλήτρια
noun
sporttak waarin vooral lopen, springen en werpen aan bod komen
αθλητισμός
adjective
αθλητικός
noun
  1. 1. een gasvormig omhulsel van een planeet of maan.
  2. 2. een stemming.
  3. 2. eenheid.
ατμόσφαιρα
adjective
ατμοσφαιρικός
noun
ατόλλη
noun
άτομο
noun
ατομικός αριθμός
noun
πυρήνας ατόμου
noun
ατομικό ρολόι
noun
1. de kernlading van een atoom
ατομικός αριθμός
noun
  1. 2. centraal vertrek
    αίθριο
  2. 1. deel van het hart
    κόλπος
noun
1. verschrompeling van organen
ατροφία
noun
1. houding
στάση
adjective
ελκυστικός
/ɑtrɪbʏˈtif/
adjective
1. wanneer het voor een zelfstandig naamwoord geplaatst wordt
επίθετο
/obɛrˈʒinə/
noun
2. purperachtige, vlezige vrucht
μελιτζάνα
pronoun
1. grootste stad van Nieuw-Zeeland, gelegen op het Noordereiland
Όκλαντ
adjective
1. zichtbaar en hoorbaar
οπτικοακουστικός
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Άουγκσμπουργκ
/ʌuˈɣɵrk/, /ʌˈʝʏrk/
noun
1. kleine, in het zuur ingemaakte komkommer
αγγουράκι
/aʊ̯.ˈɣʏs.tʏs/, /ɔʊ̯.ˈɣʏs.təs/, /ʌʊ̯.ˈχʏs.təs/
noun
1. de achtste maand van het jaar
Αύγουστος
/ˈʌurɑ/
noun
  1. 1. energieveld
  2. 2. beginverschijnselen van een aanval
αύρα
pronoun
1. een stad in Polen
Οσβιέτσιμ
noun
1. luisteren naar lichaamsgeruis van bijv. hart of longen
ακρόαση
verb
1. luister naar de geluiden in het lichaam
ακροάζομαι
/aʊ̯ˈstraːlɪs/, /ɔʊ̯ˈstraːlis/, /ʌʊ̯ˈstralis/
adjective
1. van Australië
αυστραλιανός
/aʊ̯ˈstraːli.jə/, /ɔʊ̯ˈstrali.jə/, /ʌʊ̯ˈstrali.jə/
pronoun
1. een soevereine staat gelegen tussen de Indische Oceaan en de Grote Oceaan (officieel het Gemenebest van Australië) met de officiële taal Engels
Αυστραλία
/aʊ̯ˈstraːli.jər/, /ɔʊ̯ˈstraːli.jər/, /ʌʊ̯ˈstrali.jər/
noun
1. een inwoner van Australië
  1. Αυστραλός
  2. Αυστραλέζα
  3. Αυστραλέζος
  4. Αυστραλή
noun
αυτάρκεια
/oˈtør/
noun
1. persoon die aan de basis staat van een origineel geschreven werk
δημιουργός
adverb
αυθεντικός
/ʌuˈtɪsmə/, /ʌˈtɪsmə/
noun
1. ontwikkelingsstoornis
αυτισμός
/ʌuˈtɪstɪs/, /ʌˈtɪstɪs/
adjective
1. lijdend aan autisme
αυτιστικός
/ɑʊ̯to/
noun
1. voertuig met drie of meer wielen, een motor en een carrosserie
αυτοκίνητο
noun
αυτοβιογραφία
noun
1. een groot voertuig voor het vervoeren van een groot aantal passagiers
λεωφορείο
adjective
1. oorspronkelijk in een bepaald gebied thuishorend
αυτόχθονας
noun
1. de oorspronkelijke bewoner van een land
αυτόχθονας
noun
αυταρχία
adjective
αυταρχικός
noun
αυτόγραφο
noun
1. handtekening van een beroemd persoon
αυτόγραφο
adjective
  1. 1. niet bestuurd door de hand van de mens
  2. 2. vanzelfgaand
  3. 3. gedachteloos
αυτόματος
verb
1. automatisch doen werken
αυτοματοποιήστε
noun
αυτοματοποίηση
noun
1. een bestuurder van een auto
αυτοκινητιστής
/aʊ̯.to.no.ˈmi/, /ɔʊ̯.to.no.ˈmi/, /ʌʊ̯.to.no.ˈmi/
noun
αυτονομία
/ˌʌʊtoˈnom/
adjective
1. op zichzelf staand
αυτόνομος
noun
1. een lijkschouwing
νεκροτομή
adjective
απολυταρχικός
noun
1. de overheid
αυθεντία
noun
1. weg voor snelverkeer (dat sneller kan en mag rijden dan 60 km per uur), met gescheiden rijbanen en ongelijkvloerse kruisingen
αυτοκινητόδρομος
/ɑu̯ˈtri.sə/
noun
1. persoon die aan de basis staat van een origineel geschreven werk
συγγραφέας
pronoun
1. voormalige regio in Centraal-Frankrijk
Ωβέρνη
pronoun
1. een stad in Frankrijk
Αβινιόν
/ɑvoˈkado/
noun
1. een tropische vrucht van de avocadoboom
αβοκάντο
/ˌavoˈkadobom/
noun
1. immergroene boom uit Midden-Amerika die de avocadoperen voortbrengt
  1. αβοκάντο
  2. βουτυρόδεντρο
noun
1. de periode van de dag waarin het nacht wordt
  1. βράδυ
  2. εσπέρα
noun
1. een maaltijd die 's avonds genuttigd wordt
  1. δείπνο
  2. βραδινό
noun
1. verbod om zich op straat te begeven na een zekere tijd
απαγόρευση κυκλοφορίας
adjective
1. gedurende de avond
βραδινός
noun
1. iemand die graag het avontuur opzoekt
τυχοδιώκτης
noun
1. een onderneming waarvan de uitkomst niet bij voorbaat vaststaat
περιπέτεια
noun
1. een basisbegrip dat zonder bewijs aangenomen moet worden
αξίωμα
noun
1. de titel van een hoge sjiitische geestelijke
αγιατολάχ
pronoun
1. een Indiaanse taal die in Zuid-Amerika wordt gesproken
Αϊμαρά
noun
1. sierstruik van het geslacht rhododendron
αζαλέα
/ˌazərbɛɪ̯ˈdʒan/, /ˌazərbɛːˈdʒan/
pronoun
1 en 2. Aziatisch land grenzend aan Rusland, Iran, Armenië en Georgië
Αζερμπαϊτζάν
/aˈzeːri/, /aˈzɪːri/
pronoun
1. Turkse taal die door 22 miljoen mensen vooral in Azerbeidzjan, maar ook in Iran, Georgië en Turkije wordt gesproken
αζερικά
adjective
1. afkomstig uit of betreffend Azië
ασιατικός
/aˈzɛɪn/, /aˈzɛːn/
noun
1. en 2. verdund azijnzuur verkregen door oxidatie van verdund alcohol om voedsel te bereiden
  1. ξίδι
  2. ξύδι
noun
1. CH₃COOH
οξικό οξύ
/azimɵt/
noun
1. horizontale hoek
αζιμούθιο
pronoun
1. een continent ten oosten van Europa
Ασία
pronoun
Αζόρες
noun
1. een landinwaartse uitstulping van een zee of oceaan
κόλπος
noun
1. een stapel bijeengebonden plantaardig materiaal zoals hooi of tabak
δεμάτι
/baːn/
noun
1. het werk
δουλειά
/baːrt/
noun
1. gezichtsbeharing van de man
  1. γένι
  2. γενειάδα
noun
3. bepaald soort vogel, Panurus biarmicas
μουστακαλής
noun
1. voortplantingsorgaan van vrouwen waarin de vrucht zich ontwikkelt
μήτρα
noun
1. stekelvinnige riviervis
πέρκα
/baːs/
noun
1. overste, leider, chef
αφεντικό
noun
1. een mens in de allereerste fase van zijn/haar leven
μωρό
noun
μπιμπερό
noun
  1. βακτήριο
  2. βακτηρίδιο
noun
1. een wetenschap die zich bezighoudt met het bestuderen van bacteriën
βακτηριολογία
adjective
βακτηριολογικής
noun
2. een van de drie taxonomische domeinen, Bacteria
βακτήρια
/bɑt/
noun
1. voorwerp waarin men zich wast met water
λουτρό
verb
  1. 1. een bad nemen
  2. 3. in bad doen
μπάνιο
pronoun
1.
Μπάντεν-Μπάντεν
pronoun
1.
Βάδη-Βυρτεμβέργη
noun
μπουρνούζι
noun
1. een vertrek waar men zich kan wassen en verzorgen
  1. μπάνιο
  2. λουτρό
/ˈbɑtˌkœy̆p/
noun
1. een waterreservoir waarin één of enkele personen zich kunnen wassen en baden
μπανιέρα
noun
1. een sport waarbij een shuttle met behulp van een racket over een net geslagen moet worden
αντιπτέριση
noun
1. kledij bedoeld voor het baden en zwemmen
μαγιό
noun
1.
Κόλπος του Μπάφιν
/ba.ˈɣaːʃ/, /ba.ˈχa.zʲə/
noun
1. een verzameling van eigendommen
αποσκευές
/'begəɫ/
noun
1.
κουλούρι
/ba.ˈha.mas/, /ba.ˈɦa.mas/, /bɑ.ˈɦa.mas/
pronoun
1. een eilandengebied in het Caraïbische gebied
Μπαχάμες
/ba.ˈrɛɪ̯n/, /bɑx.ˈrɛːn/, /bɑχ.ˈrɛɪ̯n/
pronoun
1. eilandstaat in de Perzische Golf en de Golf van Bahrein. Het ligt ingeklemd tussen Saoedi-Arabië in het westen en Qatar in het oosten en zuiden
Μπαχρέιν
noun
1. een steekwapen bovenop de loop van een geweer
ξιφολόγχη
noun
1. de linkerzijde als men vanop een schip naar de boeg kijkt
αριστερή πλευρά
verb
1. voedsel bij hoge temperatuur in een oven of pan verhitten, meestal met wat olie of boter.
ψήνω
noun
1. iemand die brood en taarten bakt
  1. αρτοποιός
  2. φούρναρης
noun
een werkplaats waar men brood, koek, banket en dergelijke, bakt
  1. φούρνος
  2. αρτοποιείο
pronoun
1. de hoofdstad van Azerbeidzjan
Μπακού
noun
1. speciaal geprepareerd papier dat in de oven gebruikt wordt om te bakken etenswaar niet aan de bakplaat of de bakvorm te laten kleven
λαδόκολλα
noun
1. rijsmiddel op basis van natriumbicarbonaat
μπέικιν πάουντερ
noun
1. uit klei of leem gebakken steen
  1. τούβλο
  2. πλίνθος
noun
1. een object in de vorm van een bol dat gebruikt wordt bij balspelen
μπάλα
noun
1. een driesnarig Russisch tokkelinstrument
μπαλαλάικα
/balaˈnitɪs/
noun
1. ontsteking van de eikel bij de man.
βαλανίτις
noun
  1. 1. evenwicht
  2. 2. een meetapparaat met twee armen (bedoeld om het verschil te kunnen meten)
  3. 3. (economie) een volledige opsomming van de waarde van alle bezit en alle tegoeden en ...
ισοζύγιο
pronoun
1.
λίμνη Μπάλατον
noun
1. stoffen overdekking als ornament, meestal boven een troon, altaar of hemelbed
ουρανός
pronoun
Βαλεαρίδες Νήσοι
noun
  1. 1. hoornachtige stof uit de walvisbek
  2. 1. versterkingsstaafje voor corset of paraplu
μπαλένα
/bɑlk/, /bɑɫk/
noun
1. deel van een constructie met een lengte die veel groter is dan de breedte en de hoogte in doorsnede
δοκάρι
pronoun
1. gebied...
Βαλκάνια
verb
1. een land staatkundig in kleine, onderling vijandige, onderdelen versnipperen
βαλκανοποιώ
/ˈbɑlkə(n)/, /ˈbɑɫkə(n)/
verb
1. het geluid van een ezel maken
γκαρίζω
noun
1. een bouwkundig onderdeel
μπαλκόνι
noun
μπαλάντα
noun
1. vervanging van de nuttige lading door iets dat voldoende weegt om een schip te stabiliseren
έρμα
noun
1. een artistieke dansvorm
μπαλέτο
noun
1. gedwongen verblijf elders dan waar men thuis is
εξορία
noun
1. leer die de banen van projectielen bestudeert
βλητική
noun
1. een feestartikel bestaande uit een dun rubberen zakje dat met gas of lucht kan worden gevuld
μπαλόνι
noun
1. een pen die met een bal of kogel de inkt op het papier overbrengt
στυλό διαρκείας
noun
βαλσαμικό ξύδι
noun
βάλσαμο
verb
1. het prepareren van een stoffelijk overschot om het tegen ontbinding te beschermen
ταριχεύω
noun
παιχνίδι μπάλα
noun
1.huidplooi waarin de testikels liggen
όσχεο
pronoun
1. de nationale taal van Mali
μπαμπάρα
noun
1. een reuzengrassoort dat afkomstig is uit Azië
μπαμπού
noun
βλαστάρι μπαμπού
noun
1. een vrucht van de bananenboom
μπανάνα
noun
ψωμί μπανάνας
noun
  1. 1. een van de Midden-Amerikaanse staten zoals Honduras, Nicaragua, El Salvador of Guatemala, eens zo genoemd vanwege de bananenindustrie die daar alles overheerste
  2. 2. een in politiek en economisch opzicht corrupt en instabiel land, dat bovendien vaak rijk is aan grondstoffen
μπανανία
noun
1. de schil van een banaaan
μπανανόφλουδα
noun
1. ringvormige omhulling van iets anders, vooral dienend voor de uitwendige bescherming
λάστιχο
noun
1. een schurk of misdadiger
ληστής
noun
1. apparaat waarmee men geluid kan vastleggen op magnetische tape
μαγνητόφωνο
adjective
1. angst hebbend
φοβισμένος
/ˌbɑŋ.(g)ɣə.la.ˈdɛʃ/, /ˌbɑŋ.lɑ.ˈdɛʃ/
pronoun
1. land in het zuiden van Azië dat ligt op het Indische subcontinent en grenst voor het grootste gedeelte aan India en voor een klein stukje aan Myanmar/Birma grenst
  1. Μπανγκλαντές
  2. Μπαγκλαντές
noun
  1. 1. een meubelstuk met zitplaats voor meer dan één persoon
    καναπές
    1. 3. een financiële instelling
    2. 4. een ondiepte in het water
    τράπεζα
noun
1. een betaalmiddel van papier
χαρτονόμισμα
noun
1. een bakker die voornamelijk taarten, klein gebak en chocolade maakt
ζαχαροπλάστης
noun
1. een bedrijf dat zich toelegt op het vervaardigen van gebak, taart en andere lekkernijen
ζαχαροπλαστείο
noun
1. iemand die financiële diensten verleent
τραπεζίτης
noun
1. een rekening-courant bij een bank
τραπεζικός λογαριασμός
noun
1. toestand van iemand die niet in staat is aan zijn financiële verplichtingen te voldoen
πτώχευση
noun
ληστεία
noun
1. een handig hulpmiddel om werkstukken in vast te houden
μέγκενη
/ˈbɑnəlɪŋ/
noun
1. iemand die verbannen is
εξόριστος
noun
1. een kerkelijke straf
αφορισμός
noun
βάρβαρος
adjective
  1. 1. zonder beperkingen opgelegd door beschaafd gedrag
  2. 2. strijdig met zeden en gewoonten van de beschaafde, gecultiveerde samenleving
βάρβαρος
/ˈbɑr.ba.ˌdɔs/, /ˈbɑr.be.ˌdɔs/
pronoun
1. een eiland in het Caribisch gebied, dat behoort tot de Bovenwindse Eilanden van de Kleine Antillen
Μπαρμπάντος
/ˈbɑrbəkju/
noun
  1. 1. apparaat
  2. 2. bijeenkomst
ψησταριά
noun
1. een herenkapper die ook baarden bijwerkt
κουρέας
noun
1. Een slaapmiddel in de vorm van een barbituurzuur verbinding
βαρβιτουρικό
pronoun
Βαρκελώνη
/bɑrt/
noun
1. middeleeuws dichter en zanger bij de Kelten
βάρδος
verb
1. op de wereld brengen
γεννώ
noun
Θάλασσα Μπάρεντς
noun
1. plat hoofddeksel zonder klep
μπερέ
noun
βαρύτης
noun
βάριο
noun
κεχριμπάρι
noun
1. een 17e eeuwse kunststroming die er naar streeft grootste, dramatische momenten en beweging uit te drukken
μπαρόκ
/ˈbaroˌmetər/
noun
1. een instrument dat de luchtdruk meet
βαρόμετρο
noun
1. adellijke titel, in rang tussen jonkheer en burggraaf
βαρόνος
noun
1. vrouwelijke baron
βαρόνη
noun
βαρονία
noun
3. beslissingsronde
μπαράζ
noun
1. straatversperring die de doorgang door een straat onmogelijk maakt
οδόφραγμα
noun
1. begrenzing, bescherming
φράγμα
verb
1. heftig breken of uiteenspatten
εκρήγνυμαι
noun
βαρυόνιο
noun
χαμηλό ανάγλυφο
noun
1. een mafisch vulkanisch stollingsgesteente dat gevormd wordt door de stolling van lava of magma
βασάλτης
noun
  1. 1. stof die een of meer hydroxylgroepen bevat en in een waterige oplossing OH-ionen afsplitst
  2. 2. ion of molecuul dat de neiging heeft een proton op te nemen
βάση
verb
βασίζω
/baˈsilikəm/
noun
1. een keukenkruid
βασιλικός
noun
βασιλική
noun
1. grondslag
βάση
/ˈbazɪsxoɫ/
noun
1. een school voor lager onderwijs
δημοτικό
/'bɑskən,lɑnd/
pronoun
  1. 1. geografische regio bij de Spaans-Franse grens
  2. 3. Spaanse autonome regio
Χώρα των Βάσκων
noun
  1. 1. sport
  2. 2. bal
  1. καλαθοσφαίριση
  2. μπάσκετ
pronoun
1. taal die wordt gesproken door de Basken
  1. βασκικά
  2. Βασκικά
noun
1. contrabasspeler
μπασίστας
noun
1. een kind dat niet geboren is uit een wettig huwelijk
μπάσταρδος
noun
τάγμα
noun
1. een fijn, doorschijnend weefsel dat gemaakt kan zijn van linnen, wol, katoen, zijde of zelfs kunstzijde
βατίστα
noun
1. stokje dat een dirigent bij het dirigeren hanteert
μπαγκέτα
noun
1. een elektrotechnisch component waarin elektrische energie is opgeslagen
μπαταρία
noun
1. eenheid van snelheid van informatieoverdracht van een datatransmissiekanaal (modem, telefoonlijn etc.)
μπωντ
noun
1. een mineraal dat een belangrijk erts van aluminium vormt. Bauxiet bestaat voor een groot deel uit aluminiumoxide...
βωξίτης
noun
1. een aap met een korte staart en een vooruitstekende snuit
  1. βαβουίνος
  2. μπαμπουίνος
pronoun
1. stad in Zwitserland
Βασιλεία
/bə.ʔˈɑnt.ʋɔːr.də(n)/
verb
1. de reactie op een vraag geven
απαντώ
noun
Μπητ γενιά
adjective
1. voorzien van een (lange) baard
γενειοφόρος
adjective
1. brildragend
διοπτροφόρος
verb
1. van commentaar voorzien
σχολιάζω
/bɛd/, /bɛt/
noun
1. een meubel gemaakt om in te slapen
  1. κρεβάτι
  2. κλίνη
interjection
5. uitspraak om waardering en erkenning te tonen in dagelijks gebruik
ευχαριστώ
verb
1. iets over iets heen plaatsen zodat het niet zichtbaar is
καλύπτω
verb
1. om een aalmoes vragen
ζητιανεύω
verb
  1. 2. verpesten, verknoeien
  2. 3. te veel verwennen
  3. 4. verrotten, oneetbaar worden
αλλοιώνομαι
noun
προσκύνημα
noun
1. iemand die een apparaat op een goede manier laat functioneren
χειριστής
/bɛdleɣərəɣ/
adjective
1. niet in staat uit bed te komen
κλινήρης
verb
1. iemand met een mogelijk gevaar confronteren
απειλώ
noun
1. de tak van wetenschap die het samenspel in organisaties en hun relatie met hun omgeving bestudeert
διαχείριση επιχειρήσεων
/bek/
noun
1. stromend watertje
ρυάκι
noun
1. driedimensionaal kunstwerk
εικόνα
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Γλύπτης
noun
1. een beoefenaar van de beeldhouwkunst
γλύπτης
/'beltɦɑʊʋɛrk/
noun
1. een kunstwerk vervaardigd door het houwen van steen
γλυπτό
noun
οθόνη
/beːn/
noun
  1. 3. stof waaruit benen/botten bestaan
    κόκαλο
  2. 1. ledemaat waarop wordt gestaan en waarmee wordt gelopen
    πόδι
noun
1. een verkoper van vlees
κρεοπώλης
noun
1. een sponsachtige, rode substantie die zich in het binnenste van beenderen bevindt
μυελός των οστών
/beːr/, /bɪːr/
noun
1. groot viervoetig zoogdier uit de familie Ursidae
  1. αρκούδα
  2. άρκτος
noun
1. een put waarin fecaliën verzameld worden
βόθρος
/beːst/
noun
1. dier
κτήνος
/beɪt/, /beːt/
noun
1. samenklemming tussen de kaken
δάγκωμα
/bəˈxanə xrɔnt/
abbreviation
1. een bouwlaag van een gebouw die ter hoogte van het maaiveld ligt
ισόγειο
noun
1. verlangen
επιθυμία
/bə.ɣə.ˈlɛɪ̯.də(n)/, /bə.ɣə.ˈlɛː.də(n)/, /bə.χə.ˈlɛɪ̯.də(n)/
verb
1. vergezellen
συνοδεύω
verb
1. sterk verlangen om iets te bezitten
επιθυμώ
/bəˈχɪn/
noun
1. het eerste deel
  1. έναρξη
  2. αρχή
verb
1. aanvangen
αρχίζω
noun
1. regel waar je je in ieder geval aan wilt houden
αρχή
noun
1. (plantk.) Begonia, een geslacht bloeiende planten uit de begoniafamilie
βεγόνια
noun
1. een plaats waar overledenen begraven liggen
νεκροταφείο
noun
1. een ceremonie waarbij een overledene in een kist aan de aarde wordt toevertrouwd
κηδεία
/bəˈɣrafənɪsɔndərˌnemər/
noun
1. Een persoon die de begrafenis van overledenen verzorgt
εργολάβος κηδειών
verb
  1. 3. iets wegstoppen
    ενταφιάζω
    1. 2. een overledene begraven
    2. 1. iets onder de grond stoppen
    θάβω
verb
1. beperken, limiteren
περιορίζω
/bə.χrɛɪ.pə(n)/
verb
1. met het verstand vatten
  1. καταλαβαίνω
  2. περιλαμβάνω
verb
1. bij de ontmoeting een teken van erkenning en welwillendheid geven aan iemand
χαιρετώ
/bəˈɣrotɪŋ/
noun
1. raming van de te maken uitgaven voor de komende tijd
προϋπολογισμός
/beˈɦaː/
noun
1. een kledingstuk voor vrouwen dat de borsten ondersteunt
  1. σουτιέν
  2. στηθόδεσμος
verb
3. medisch verzorgen
αντιμετωπίζω
noun
2. een handeling gericht op herstel
αγωγή
noun
1. ter versiering op de muur aangebrachte papieren bedekking
ταπετσαρία
noun
1. een persoon om een bepaald geheel te regelen en te onderhouden of dit beroep
διαχειρίστρια
verb
3. verstaan
κατέχω
noun
ένδεια
/bəˈhuvə(n)/
verb
2. nodig hebben
χρειάζομαι
verb
  1. 2. onderdeel uitmaken van wat gebruikelijk is of tot de fatsoensnormen gerekend wordt
  2. 1. onderdeel zijn van
ανήκω
pronoun
Βαυαρία
pronoun
1. taal gesproken door ten minste 12 miljoen mensen in Oostenrijk...
βαυαρικός
adjective
μπεζ
/bɛɪrut/
pronoun
1. hoofdstad van Libanon
Βηρυτός
noun
1. een scherp stuk gereedschap met een wigvormige snede
καλέμι
noun
1. snavel van vogels
ράμφος
adjective
1. vertrouwd
  1. γνωστός
  2. γνώριμος
noun
γνωριμία
verb
1. toegeven
ομολογώ
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Κρατήρ
noun
1. het (doen) overgaan van iemand tot een bepaald geloof.
μεταστροφή
noun
1. een boete die wordt opgelegd voor het overtreden van een wet
πρόστιμο
noun
2. gebeente tussen beide heupen
λεκάνη
verb
1. de nadruk leggen op iets
τονίζω
verb
1. naar de top van iets, zoals een berg, klimmen
ανεβαίνω
verb
1. kritiek uiten op iets of iemand
επικρίνω
/bəˈlɑɣələk/, /bəˈlɑχələk/
adjective
1. lachwekkend, om uit te lachen
γελοίος
noun
1. iets wat belangrijk is voor een persoon
συμφέρον
/bəˈlɑŋəlos/
adjective
2. uit liefdadigheid
αφιλοκερδής
adjective
1. van grote betekenis
  1. σημαντικός
  2. σπουδαίος
noun
1. bereidheid en verlangen aandacht aan iets te schenken
ενδιαφέρον
noun
1. door de wet gedwongen betaling aan de overheid zonder individuele tegenprestatie
φόρος
noun
1. iemand die belasting betaalt
φορολογούμενος
noun
φορολογικός παράδεισος
verb
1. nare opmerkingen maken tegen of over een persoon
προσβάλλω
adjective
1.
προσβλητικός
noun
1. een krenking van iemands gevoel van eer of eigenwaarde
προσβολή
adjective
1. van goede omgangsvormen getuigend
ευγενικός
/bəˈlɛx/
noun
1. langdurige uitsluiting van de buitenwereld door een vijandige strijdmacht
πολιορκία
verb
1. met een leger omsingeld houden
πολιορκώ
noun
1. een plan van aanpak voor het oplossen van problemen in de meest ruime zin
πολιτική
/bɛlx/, /bɛɫx/, /bɛɫχ/
noun
1. een staatsburger van België
Βέλγος
/ˈbɛl.ɣɪs/, /ˈbɛɫ.ɣis/, /ˈbɛɫ.χis/
adjective
1. met betrekking tot België
βέλγικος
/ˈbɛlɣijə/, /ˈbɛɫɣijə/, /ˈbɛɫχijə/
pronoun
  1. Βέλγιο
  2. Βέλγιον
pronoun
1. de hoofdstad van Servië
Βελιγράδι
verb
1. een denkbeeld of gevoel vormgeven in iets tastbaars
ενσαρκώνω
noun
1. zichtbaar gemaakte vorm van een idee of begrip
ενσάρκωση
/be.ˈliː.zə/
pronoun
1. een Midden-Amerikaans land, en grenst aan Mexico in het noordwesten en Guatemala in het zuiden en westen. Aan het oosten grenst het aan de Caribische Zee
  1. Μπελίζε
  2. Μπελίζ
noun
1. tandwalvis die doorgaans bij volwassenheid melkwit van kleur is, Delphinapterus leucas
μπελούγκα
noun
1. een ondelinge of schriftelijke verklaring waarin men iets belooft
υπόσχεση
verb
1. een prestatie of goede daad met geld of anderszins erkennen
αμείβω
noun
ανταμοιβή
verb
1. toezeggen dat iets gedaan zal worden
τάζω
noun
1. de personen die het benodigde werk aan boord van een schip of vliegtuig verrichten
πλήρωμα
verb
1. het toevoegen van meststoffen aan de aarde
λιπαίνω
noun
1. het tussenbeide komen om tot een overeenkomst te komen
μεσολάβηση
verb
1. amoureuze gevoelens voor iemand koesteren
αγαπάω
noun
1. iemand die zich bemoeit met zaken van anderen
φιλοπράγμων
verb
1. iemand of iets nadeel toebrengen, iemand of iets schade toebrengen
αδικώ
adjective
1. te benaderen, makkelijk mee te praten
προσιτός
noun
2. gezichtspunt, de richting van waaruit men naar iets beschouwd .
προσέγγιση
/ˈbɛn.də/
noun
1. een informeel georganiseerde groep mensen, meestal met kwade of misdadige motieven
συμμορία
preposition
κάτω
adjective
1. dat iets de moeite waard is om benijd te worden
ζηλευτός
/be.ˈnin/, /ˈbe.nɪn/
pronoun
1. een land in Afrika dat in het westen aan Togo grenst, in het noordwesten aan Burkina Faso, in het noordnoordoosten aan Niger in het oosten aan Nigeria. In het zuiden ligt het aan de Golf van Guinee
Μπενίν
verb
1. nodig hebben
χρειάζομαι
noun
βενζόλη
/bɛn'zinə/
noun
1. een aardolieproduct bestaande uit een mengsel van alifatische koolwaterstoffen...
βενζίνη
/bə.ˈpɛr.kɪŋ/
noun
1. iets dat ervoor zorgt dat de mogelijkheden beperkt worden
περιορισμός
pronoun
βερβερικός
noun
1. de afstand die afgelegd kan worden
κλίμακα
/bə'rɛɪkən/
verb
  1. 1. fysiek bij de andere kant aankomen
  2. 2. het informeren van personen
φτάνω
/ˈberə(n)jɑxt/
noun
1. achter in het wild levende beren aangaan om ze te vangen of te doden
κυνήγι αρκούδας
/bɛrx/
noun
  1. 2. een grote hoeveelheid
    βουνό
  2. 1. hoge terreinverheffing
    1. βουνό
    2. όρος
adjective
1. met bergen
βουνίσιος
noun
1. (fruit) een kleine, peervormige en zure citrusvrucht
περγαμότο
noun
1. iemand die zich toelegt op het alpinisme
ορειβάτης
noun
1. Tadorna tadorna, een forse bijna gansachtige eend
αλάουρτος
pronoun
  1. 2. stad in België
    Μονς
  2. 1. stad in Noorwegen
    Μπέργκεν
noun
1. een langgerekt gebergte
οροσειρά
/'bɛrxtɔp/, /'bɛrχtɔp/
noun
1. de top van een berg
βουνοκορφή
noun
1. overgebrachte korte communicatie, meestal over een recente gebeurtenis
μήνυμα
noun
βήρυλλος
pronoun
1. de zeestraat tussen de Grote Oceaan en de Noordelijke IJszee
Βερίγγειος πορθμός
pronoun
1. is de zee in het noordelijk deel van de Grote Oceaan
Βερίγγειος θάλασσα
/bɛrk/
noun
1. een katjes dragende loofboom met witte bast
σημύδα
noun
μπερκέλιο
pronoun
  1. 1. de hoofdstad van Duitsland
  2. 2. een duitse deelstaat
Βερολίνο
pronoun
1. eilandengroep in de Atlantische Oceaan
Βερμούδες
pronoun
1. de hoofdstad van Zwitserland
Βέρνη
/bə'rumt/
adjective
1. onder velen bekend en bewonderd
  1. διάσημος
  2. περίφημος
noun
2. iemand die bekend is bij een groot publiek
διασημότητα
noun
  1. 2. dringend verzoek om bijstand
    έφεση
  2. 1. een bezigheid waarmee men de kost verdient
    επάγγελμα
noun
1. een acute beschadiging van de hersenen die veroorzaakt wordt door een bloeduitstorting in de hersenen
εγκεφαλικό
noun
1. het betreuren van een eerdere kwalijke daad
μετάνοια
/bəˈrilijʏm/
noun
1. een chemisch element en een donkergrijs aardalkalimetaal
  1. βιρύλλιο
  2. βηρύλλιο
/bɛs/
noun
1. kleine vrucht
μούρο
adverb
1. vol met de neiging zich te verbergen voor anderen
αισχρός
/bə.ˈsxa.vɪŋ/, /bə.ˈsχa.vɪŋ/
noun
1. de complexe maatschappij waarin veel van de mensen in steden leven en hun voedsel door middel van landbouw verkrijgen
πολιτισμός
/bə'sxɛi(d)ə/
adjective
  1. 1. geen te hoge verwachtingen van zichzelf hebbend
  2. 2. niet de indruk makend te hoge verwachtingen van zichzelf te hebben
  3. 3. niet groots of talrijk
ταπεινός
verb
1. er zo goed mogelijk voor zorgen dat er niets verkeerd gebeurt
προστατεύω
noun
1. een heilige onder wiens bescherming een bepaalde persoon of groep staat
προστάτης και πολιούχος άγιος
/bə.ˈsxɛr.mɪŋ/, /bə.ˈsχɛr.mɪŋ/
noun
1. een beveiliging
προστασία
/bə'sxɪkbar/
adjective
1. waarover beschikt kan worden
διαθέσιμος
verb
  1. 1. bekijken als
  2. 2. denken over
θεωρώ
verb
1. in woorden uitdrukken
περιγράφω
/bə.ˈsrɛɪ̯.vɪŋ/, /bə.ˈsxrɛɪ̯.vɪŋ/, /bə.ˈsxrɛː.vɪŋ/
noun
1. een op schrift gestelde kenmerken van iets of iemand
περιγραφή
/bə'sxœyt/
noun
1. een licht, tweemaal gebakken baksel van tarwe
παξιμάδι
adjective
1.
κατηγορητικός
/bə.ˈsxʏl.di.ɣɪŋ/, /bə.ˈsxʏɫ.də.ɣɪŋ/, /bə.ˈsχʏɫ.də.χɪŋ/
noun
1. het aangeven dat iemand iets moreel of gerechtelijk verkeerds heeft gedaan
κατηγορία
verb
2. een paard van een hoefijzer voorzien
πεταλώνω
noun
2. vloeibaar deeg
κουρκούτι
noun
1. gerechtelijke handeling waardoor iemand niet meer vrij over zijn eigendom kan beschikken
κατάσχεση
verb
1. vaststellen wat er gaat gebeuren
αποφασίζω
/bə.ˈslɪ.sɪŋ/
noun
απόφαση
verb
κυνηγάω
adjective
1. niet in staat een besluit te nemen.
άβουλος
verb
1. vaststellen hoe het moet
αποφασίζω
verb
1. de voorhuid van de penis wegsnijden
περιτέμνω
/bəˈsnɛidənɪs/
noun
περιτομή
/bə.ˈspre.kɪŋ/
noun
1. een mondeling overleg
συζήτηση
verb
1. druppels van een vloeistof ergens over strooien
καταβρέχω
pronoun
Βεσσαραβία
verb
1. daadwerkelijk in het universum voorkomen
υπάρχω
noun
1. een verzameling van gegevens die een eenheid vormen
αρχείο
noun
1.
μαχαιροπίρουνο
verb
1. afspreken dat goederen of diensten geleverd zullen worden
παραγγέλνω
/bə.ˈstɛ.lɪŋ/
noun
1. een verzoek of opdracht om diensten of goederen te leveren
παραγγελία
/bə.ˈstɛ.mɪŋ/
noun
1. het eindpunt van een route
προορισμός
noun
κτηνοβασία
/bəstɔrmə(n)/
verb
1. met een strijdmacht snel te voet een positie van de vijand trachten te overweldigen
εκπορθώ
noun
επικονίαση
noun
1. een geheel van systeemapplicaties dat de uitvoering van andere programma's bestuurt
λειτουργικό σύστημα
/bəˈstyrdər/
noun
1. een persoon die een voertuig of andere machine bestuurt
οδηγός
/bə.ˈtaː.lə(n)/
verb
1. geld (of andere zaken) geven aan iemand om de kosten te voldoen
πληρώνω
noun
1. iemand die betaalt
πληρωτής
/bə.ˈta.lɪŋ/
noun
1. het onderhandigen of overboeken van geld in ruil voor goed of dienst
πληρωμή
verb
1. met de handen iemands lichaam op verschillende plaatsen aanraken
πασπατεύω
verb
1. ergens voor staan
σημαίνω
noun
1. wat iets betekent, waar iets voor staat
  1. σημασία
  2. έννοια
/ˈbe.tɔɫ.ˌχø.zə/, /ˈbe.təl.ˌɣø.zə/, /ˈbe.təɫ.ˌɣø.zə/
pronoun
1. de één na helderste ster in het sterrenbeeld Orion, na Rigel
Μπετελγκέζ
/'beːtər/
adverb
κάλλιο
adjective
2. teleurgesteld
κατσούφης
pronoun
1. stad in Judea, bekend als de geboorteplaats van Jesus
Βηθλεέμ
verb
1. gaan over, als onderwerp hebben
αφορώ
/bə.ˈtrɛ.kɪŋ/
noun
1. band of relatie tussen personen of groepen
σχέση
verb
1. leedwezen tonen over iets
λυπάμαι
/bətrørən'swardəx/
adjective
1. waard betreurd te worden
λυπηρός
noun
ανάμειξη
noun
αξιοπιστία
noun
  1. 3. lange smalle centrale hal van een kruiskerk
    ναυς
  2. 1. boomsoort
    οξιά
verb
1. ergens fors op slaan
σφυροκοπώ
/bøːl/
noun
1. uitvoerder van lijfstraffen
δήμιος
noun
2. een houder voor munten en biljetten
χρηματιστήριο
/bøːrt/
noun
1. gelegenheid of opdracht die bewust telkens aan een andere persoon uit en groep gegeven wordt
γύρος
verb
2. het leven schenken aan een kind
γεννώ
verb
1. omvatten, in zich sluiten
περιέχω
/bə.ˈvɛɪ̯.lə.χɪŋ/, /bə.ˈvɛɪ̯.lɪ.ɣɪŋ/, /bə.ˈvɛː.lə.ɣɪŋ/
noun
1. de genomen maatregelen die er zo goed mogelijk voor zorgen dat er niets verkeerds gebeurt
προστασία
noun
1. verplicht uit te voeren opdracht zonder enige tegenspraak.
διαταγή
verb
1. hard en heftig trillen
τρέμω
noun
1. benaming voor zoogdieren uit het geslacht Castor
κάστορας
/bə.ˈvɛs.ti.ɣɪŋ(g)/, /bə.ˈvɛs.tə.ɣɪŋ/, /bə.ˈvɛs.tə.χɪŋ/
noun
1. het bevestigen, het mededelen aan iemand dat iets is zoals gevraagd is of verondersteld wordt
επιβεβαίωση
noun
1. alle inwoners van een bepaald land, staat of gebied gerekend
πληθυσμός
verb
  1. 1. een hogere rang verlenen aan iemand
  2. 2. aanmoedigen, promoten
προωθώ
noun
1. de beantwoording aan een sterk verlangen
ικανοποίηση
verb
1. iemand of een bevolking van gevangenschap of onderdrukking verlossen
ελευθερώνω
adjective
1. door afkoeling in vaste toestand gekomen; volledig met ijs bedekt
κατεψυγμένος
noun
1. handeling waarbij men een goed van een ander ter bewaring aanneemt onder teruggaveverplichting
παρακαταθήκη
verb
1. toezicht houden op de veiligheid van iets of iemand
  1. φρουρώ
  2. φυλάω
noun
1. een persoon die toezicht houdt op de veiligheid van iets of iemand
φρουρός
/bə.ˈwa.kɪŋ/, /bə.ˈʋa.kɪŋ/, /bə.ˈβ̞a.kɪŋ/
noun
επιτήρηση
/bə.ˈwaː.pə.nə(n)/
verb
1. iemand van wapens voorzien
οπλίζω
/bə.ˈwe.ɣɪŋ(g)/, /bə.ˈʋe.χɪŋ/, /bə.ˈβ̞e.ɣɪŋ/
noun
  1. 1. in de staat verkeren waarin de locatie steeds verandert
  2. 2. van plaats/positie veranderen
  3. 3. een organisatie
κίνημα
verb
1. iets met stelligheid verklaren waarvan het voor anderen niet duidelijk is of het waar is
προφασίζομαι
/bə'wɛrkə(n)/
verb
  1. 1. veranderen om iets voor een of ander doel geschikt te maken
  2. 4. iets met een mes anders maken
πλάθω
/bə.ˈwɛr.kɪŋ/, /bə.ˈʋɛr.kɪŋ/, /bə.ˈβ̞ɛr.kɪŋ/
noun
1. een verandering om iets voor een bepaald doel geschikt te maken
επεξεργασία
noun
1. datgene wat de juistheid van een bewering onweerlegbaar vast (kan) leggen
απόδειξη
verb
1. aantonen; staven
αποδεικνύω
/bəˈʋɔɫkt/
adjective
1. met wolken bedekt
συννεφιασμένος
verb
1. bekijken met respect
θαυμάζω
adjective
1. wat het verdient bewonderd te worden
αγαστός
/bə.ˈwɔn.də.rɪŋ/, /bə.ˈʋɔn.də.rɪŋ/, /bə.ˈβ̞ɔn.də.rɪŋ/
noun
1. het bekijken met enig ontzag
θαυμασμός
noun
1. iemand die in of op iets woont
κάτοικος
/[bəˈʋɵst]/
adjective
1. iets waarvan kennis is genomen
συνειδητός
/bəw'ɤstəlos/
adverb
1. in een toestand waarin men het bewustzijn voor de omgeving is verloren
αναίσθητος
noun
1. de staat van het bewusteloos zijn
λιποθυμία
/bə'wɤ(st)sɛin/
noun
1. een toestand waarin men gewaarwordingen uit zijn omgeving ondergaat
συνείδηση
noun
1. voorwerp om stof en vuil bij elkaar te vegen
σκούπα
noun
1. de lange stok waaraan de borstel van een bezem bevestigd is
σκουπόξυλο
/bə.ˈzɛ.tɪŋ/
noun
1. toestand waarbij het grondgebied van een land wordt bestuurd door een ander land
κατοχή
noun
1. een plaats die of een voorwerp dat door velen bezocht en bekeken wordt
αξιοθέατο
/bezəx/
adjective
1. aan het werken
πολυάσχολος
noun
1. iets waarmee men bezig is
δραστηριότητα
noun
2. het houden van een goed voor zichzelf
κατοχή
/bə'zɪtə(n)/
verb
1. iets in eigendom hebben
κατέχω
noun
1. de persoon die het bezit van iets heeft
κάτοχος
noun
1. dat wat iemand in eigendom heeft, dat wat van iemand is
απόκτημα
noun
  1. 1. het bezoeken
  2. 2. de personen die op visite zijn of komen
επίσκεψη
/bəˈzukə(n)/
verb
1. bij iemand langsgaan of langskomen
επισκέπτομαι
noun
1. een persoon die iemand of iets bezoekt
επισκέπτης
adjective
1. met zorgen beladen
αγχωμένος
noun
1. moeilijkheid, bedenking
ένσταση
adjective
1. met zweet op de huid
ιδρωμένος
verb
1. zwichten
υποκύπτω
verb
1. tot een afsluiting brengen
τελειώνω
pronoun
1.
Μπερ Σεβά
/bəˈɪnvludə(n)/
verb
1. iemand of iets proberen te veranderen, invloed nemen op
επηρεάζω
/bu.ˈtan/, /bu.ˈtɑn/
pronoun
1. een land in Azië dat in de Himalaya ingeklemd ligt tussen China, Tibet en India. Het zuidelijke gedeelte van Bhutan ligt op het Indisch subcontinent
Μπουτάν
noun
1. een skisport waarbij de deelnemers op bepaalde punten in een langlaufcircuit met een geweer...
δίαθλο
verb
1. hevig trillen van kou of angst
ριγώ
/ˌbiblijotekaˈrɛsə/
noun
1. beheerster van een bibliotheek
βιβλιοθηκάριος
/ˌbiblijote'kaːrɪs/
noun
1. beheerder van een bibliotheek
βιβλιοθηκάριος
/bib(l)ijo'tek/
noun
  1. 1. een plaats waar boeken verzameld staan
  2. 2. een instelling die boeken en andere media aan het publiek uitleent of ter inzage biedt
βιβλιοθήκη
noun
1.2 spier in de bovenarm
δικέφαλος
verb
1. in gebed zijn, een godheid iets vragen
προσεύχομαι
noun
1. soort van aan de muur bevestigde kom of bak voor het met behulp van water reinigen van de geslachtsdelen, billen en anus na gebruik van het toilet, of om de voeten te wassen
μπιντές
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Mantodea
αλογάκι της Παναγίας
noun
1. de erkenning van zonden aan een geestelijke
εξομολόγηση
verb
1. ten overstaan van een geestelijke bekennen welke religeuze wetten men overtreden heeft
εξομολογώ
noun
1. een meubelstuk dat bedoeld is voor het aanhoren en afleggen van de biecht
εξομολογητήριο
noun
1. een priester die biechten afneemt
πνευματικός
pronoun
1.
Μπίλεφελντ
noun
1. alcoholische drank die bereid is uit gefermenteerde mout
  1. ζύθος
  2. μπίρα
  3. μπύρα
noun
1. vette buik
προκοίλι
noun
1. en 2. (groene sprietjes van) looksoort Allium schoenoprasum
  1. σχοινόπρασο
  2. πρασουλίδα
noun
τεύτλο
/bɪx/, /bɪχ/
noun
1. een jong van het varken
γουρουνόπουλο
/bɛɪ̯/
noun
1. benaming vliegende insecten uit het geslacht Antophila
μέλισσα
noun
1. (de heilige tekst van) het heilige boek der christenen
Βίβλος
noun
1. een exemplaar van de originele Bijbel
Αγία Γραφή
/ˈbɛːdraʝə/, /ˈbɛːɪdraɣə/
noun
1. iemands aandeel
συνεισφορά
verb
1. een aandeel leveren
συμβάλλω
noun
1. benaming voor veelkleurige en insectenetende vogels die...
μελισσοφάγος
noun
1. kunstmatige behuizing waarbinnen een bijenvolk zijn raten kan bouwen, oorspronkelijk in de vorm van een gevlochten korf
κυψέλη
/ˈbɛɪ̯.ɣə.ˌlof/, /ˈbɛɪ̯.χə.ˌlof/, /ˈbɛː.ɣə.ˌlof/
noun
1. een geloof in iets extra's en onnatuurlijks
δεισιδαιμονία
adjective
1. iemand die gelooft in bijgeloof
προληπτικός
/bɛɪˈkɑns/
adverb
σχεδόν
/bɛɪ̯l/, /bɛːɫ/
noun
1. hakwerktuig met een smalle snee en een lange steel die vooral voor het kappen van bomen gebruikt
τσεκούρι
noun
2. een bestand dat bij een e-mail is meegezonden
επισύναψη
/'bɛɪ.na/
adverb
1. op zo'n manier dat het niet veel scheelt of iets is zo
  1. σχεδόν
  2. παραλίγο
abbreviation
1.
εμπειρία κοντά στον θάνατο
noun
1. breed bekende, niet-officiële naam van een persoon, een groep van personen of een zaak
  1. παρατσούκλι
  2. παρανόμι
  3. παρωνύμιο
  4. ψευδώνυμο
/ˈbɛi̯tə(n)/
verb
1. iets afsnijden of afscheuren door tanden tegen elkaar te duwen
δαγκώνω
/bɛɪ̯ˌvuχlək ˈnamʋo̞rt/, /bɛːˌvuxlək ˈnamβ̞oːrt/, /ˌbɛɪ̯vuɣ(ə)lɪk ˈnaːmwoːrd/
noun
1. een woordsoort die wordt gebruikt om een eigenschap of hoedanigheid van...
επίθετο
abbreviation
1. als voorbeeld, om tot voorbeeld te dienen
παραδείγματος χάριν
/bɛiʋɛrkɪŋ/
noun
παρενέργεια
noun
1. een woord dat een bijvoeglijk naamwoord, een werkwoord, een telwoord of een ander bijwoord nader bepaalt
επίρρημα
/bɛizɪn/
noun
1. een deel van een uiting dat een ondergeschikte rol speelt ten opzichte van de hoofdzin
δευτερεύουσα πρόταση
noun
1. tweedelige zwemkleding voor de vrouw
μπικίνι
noun
1. elk van beide lichaamsdelen gevormd door de grote spieren die het bekken ...
γλουτός
noun
1. spel
μπιλιάρδο
noun
1. een stuk van staatswege uitgegeven papier waaraan geldswaarde is toegekend
τραπεζογραμμάτιο
cardinalNumeral
1. 1.000.000.000.000
τρισεκατομμύριο
noun
1. bepaald soort inheemse gifplant, Hyoscyamus niger
δαιμοναριά
verb
1. vastmaken (evt. figuurlijk)
δένω
noun
1. en 2. (bladeren van) sla met een stevige rechte krop
μαρούλι ρωμάνα
noun
1.een ontsteking van het bindvlies dat de buitenkant van het oogwit en de binnenkant van de oogleden bekleedt
επιπεφυκίτιδα
/ˈbɪntˌʋeːf.səl/
noun
1. weefselsoort dat dient ter ondersteuning en verbinding
συνδετικός ιστός
preposition
μέσα
/ˈbɪnənˌbɑnt/
noun
1. binnenste band, de band waarin de lucht aanwezig is
σαμπρέλα
verb
1. ergens in gaan
μπαίνω
noun
binnenoor
έσω ους
noun
1. bepaalde soort vlinder, Vanessa atalanta
βιοηθική
noun
1. een wetenschapper die de biochemie beoefent
βιοχημικός
/'bioˌxemi/
noun
1. de wetenschap die de chemische processen van het leven op moleculair niveau bestudeert
βιοχημεία
/ˈbiodivɛrsiˌtɛɪt/
noun
1. soortenrijkdom, het aantal verschillende diersoorten
βιοποικιλότητα
noun
1. levensbeschrijver
βιογράφος
noun
βιογραφία
adjective
βιογραφικός
/ˌbiʲoloˈɣi/, /ˌbiʲoloˈχi/
noun
1. wetenschap van de levende wezens, levensvormen en levensverschijnselen
βιολογία
/ˌbijo'loːɣis/
adjective
  1. 1. te maken hebbend met de biologie
  2. 2. van gelijke afstamming
βιολογικός
/ˌbioˈlox/, /ˌbioˈloχ/
noun
1. een wetenschapper die de biologie beoefent
βιολόγος
noun
βιομάζα
noun
1. gebouw waarin mensen in stoelen naar een film geprojecteerd op een groot scherm kunnen kijken
σινεμά
noun
βιόσφαιρα
noun
1. een gebied met een uniform landschapstype waarin bepaalde organismen kunnen gedijen
βιότοπος
/ˈbɪzdɔm/
noun
1. kerkrechtelijk afgebakend gebied dat onder de bevoegdheid van een bisschop staat
επισκοπή
noun
αμφιφυλοφιλία
/bisɛksye:l/
adjective
1. seksueel gericht op beide geslachten
αμφιφυλόφιλος
pronoun
1. streek en provincie van Spanje rond de stad Bilbao
Βισκαϊκή
pronoun
1. de taal die naast Engels en Frans in de staat Vanuatu wordt gesproken
Μπισλάμα
noun
βισμούθιο
/bɪsxɔp/
noun
1. een christelijke geestelijke die aan het hoofd staat van een bisdom
  1. επίσκοπος
  2. δεσπότης
/bɪt/
abbreviation
1. in de informatica en de computertechnologie de kleinste eenheid van informatie
δυφίο
/bɪt/
noun
1. een metalen staaf die een paard in de bek gedaan wordt om het dier berijdbaar te maken.
δυαδικό ψηφίο
noun
μπίτκοϊν
adverb
1. een vaak als onaangenaam ervaren smaak, niet behorend tot zout, zuur of zoet
πικρός
noun
1. hol orgaan dat gevuld is met een hoeveelheid gas en/of vloeistof
  1. ουροδόχος κύστη
  2. κύστη
noun
1. een luchtzak die samengedrukt kan worden om een sterke luchtstroom te veroorzaken
φυσερό
noun
1. een muziekinstrument waarvan de klank wordt voortgebracht door een luchtstroom
πνευστό όργανο
noun
  1. 1. plat, groen onderdeel van planten
  2. 2. vel papier
φύλλο
noun
1. een dun folie van goud dat wordt gebruikt voor decoratieve doeleinden
λεπτό φύλλο χρυσού
/blɑt'xrun/
noun
χλωροφύλλη
noun
1. een schadelijk klein insect dat zich voedt met het sap van jonge plantenscheuten...
αφίδα
noun
  1. 1. hulpmiddel om bij te houden waar iemand is tijdens het lezen van een boek
  2. 2. bewaarde hyperlink
σελιδοδείκτης
/ˈblɑtsɛidɚ/
noun
1. elk van de beide zijden van een blad papier in boek, krant of tijdschrift
σελίδα
verb
1. geluid maken dat kenmerkend is voor een hond
γαβγίζω
noun
1. een afgang veroorzaakt door eigen falen
ντροπή
/blɑŋk/
adjective
1. met lichte huidskleur
άσπρος
noun
1. iemand met een van nature bleke (pigmentarme) huid
λευκός
noun
1. bepaald soort zoetwatervis, Rutilus rutilus
  1. tsironi
  2. Ασπρίτσα
  3. Πλατίκα Βεγορίτιδας
  4. Πλατίτσα
  5. Τσιρώνι
/ˈblatə(n)/
verb
het geluid van een schaap maken
βελάζω
/blʌʊ/
adjective
1. de kleur blauw hebbend
  1. γαλάζιος
  2. γαλανός
  3. μπλέ
  4. μπλε
/blʌʊ/
noun
1. primaire kleur die zich in het spectrum bevindt tussen cyaan en violet
  1. μπλε
  2. γαλάζιο
  3. γαλανό
  4. γλαυκό
  5. κυανό
pronoun
Κυανοπώγων
noun
1. bepaald soort visje van maximaal 11 cm dat van oorsprong uit Azië komt, Pseudorasbora parva
  1. psevdorasbora
  2. Ψευτορασμπόρα
noun
1. bepaald soort lijsterachtige, Luscinia svecica
γαλαζολαίμης
/blɑudrʏk/
noun
1. een directe fotografische kopie in witte lijnen op een achtergrond van Pruisisch blauw
κυανοτυπία
noun
1. bepaald soort vaste plant, Vaccinium myrtillus
μύρτιλο
noun
1. bepaald soort grote vogel, Ardea cinerea
σταχτοτσικνιάς
noun
1. Balaenoptera musculus, een baleinwalvis, de grootste van alle walvisachtige
γαλάζια φάλαινα
noun
1. bepaald soort karperachtige riviervis Vimba vimba
gadína mavromáta
adjective
1. met blauwe ogen
γαλανομάτης
noun
πρωσικό οξύ
/'bla.zə(n)/, /'ble.zə(n)/
verb
1. een luchtstroom veroorzaken
φυσώ
adjective
1. gering van kleur
χλωμός
noun
1.
ωχρότητα
noun
λευκαντικό
noun
1. ontsteking van een ooglid
βλεφαρίτιδα
verb
1. witter of lichter doen worden
λευκαίνω
/blɛi̯/
adjective
ευχαριστημένος
/blɛ.və(n)/
verb
  1. 3. ergens vertoeven
    διαμένω
  2. 1. niet veranderen
    μένω
noun
2.1 cilindervormig luchtdicht afgesloten vaatje van dun metaal
κονσέρβα
/blɪksəm/
noun
1. de lichtgevende stralen die uit de hemel barsten bij onweer
  1. κεραυνός
  2. αστραπή
noun
1. een metalen stang of constructie die de bliksem aantrekt en naar de grond afvoert.
αλεξικέραυνο
noun
1.
κεραυνός
adjective
1. niet in staat te zien
τυφλός
/'blɪndɦɛɪt/
noun
1. een toestand waarin men niet in staat is te zien
  1. τύφλωση
  2. τυφλότητα
noun
1. rood lichaamsvocht in aderen
αίμα
noun
αναιμία
noun
1. het gesloten systeem van hart en vaten waardoor bloed stroomt
κυκλοφορία του αίματος
/'bludbrudər/
noun
1.
αδελφοποιτός
noun
  1. 2. afgestaan bloed
  2. 1. daad
αιμοδοσία
noun
πίεση του αίματος
verb
1. het vloeien van bloed
αιμορραγώ
noun
1. Brits hondenras met grote kop, lange hangende oren en een lange staart
λαγωνικό
noun
αιμορραγία
noun
1. de vloeistof van het bloed waar geen bloedlichaampjes meer in zitten maar nog wel stollingseiwitten
πλάσμα αίματος
adjective
1. rood als de kleur van bloed
κατακόκκινος
noun
μετάγγιση αίματος
noun
1. bloeduitstorting in de huid
αιμάτωμα
noun
1. een bloedader
αγγείο
noun
1. het genetisch aan elkaar verwant zijn
συγγένεια εξ αίματος
/'blutʋɔrst/
noun
1. vleeswaar vervaardigd van het bloed en het vet van een varken
λουκάνικο αίματος
noun
1. een worm die bloed zuigt uit mens en dier
βδέλλα
verb
  1. 1. het dragen van open, actieve bloeiwijzen
  2. 2. het bijzonder goed maken
ανθίζω
noun
1. een deel van plant met zaden
  1. λουλούδι
  2. άνθος
noun
1. een tuin met veel bloemen
ανθόκηπος
pronoun
1.
Μπλουμφοντέιν
noun
1. bloemenverkoper
ανθοπώλης
noun
1. een kool met vlezige bleekgele bloemstengels die als groente gegeten wordt
κουνουπίδι
noun
ανθολογία
noun
1. pot waarin men een plant kweekt
γλάστρα
noun
1. kledingstuk
μπλούζα
/blusəm/
verb
1. het bloemengeheel van een vruchtboom
άνθηση
noun
1.
ιστογράφος
noun
1. een vaak hoekig massief stuk materiaal
μπλοκ
noun
1. een eenvoudig houten blaasinstrument
φλάουτο
noun
αποκλεισμός
noun
1. een werktuig om hout glad, vlak of dunner te maken
  1. πλάνη
  2. ροκάνι
  3. ρυκάνη
/blɔnd/, /blɔnt/
adjective
1.
ξανθός
verb
1.in aanraking doen komen met
εκθέτω
noun
1. kledingstuk
μπλούζα
verb
rood worden in het gezicht, bijvoorbeeld van verlegenheid of schaamte
κοκκινίζω
noun
1.
πυροσβεστικό σκάφος
verb
1. het doven van een brand
σβήνω
/blɵt/
adjective
1. geen geld meer hebbend
άφραγκος
noun
1. zeer grote wurgslang
βόας
noun
2. een brede baai aan de kustlijn
κόλπος
pronoun
1.
Μπόχουμ
noun
1. een onderkant
πάτος
/ˈbodəmˌkʏndə/
noun
εδαφολογία
interjection
μπου
pronoun
1. de hoofdstad van Hongarije
Βουδαπέστη
pronoun
Βούδας
noun
1. volger van de leer van Boeddha
βουδιστής
noun
1. de voorkant van een schip
πρώρα
noun
1. een beeld dat ter versiering aangebracht werd op de voorsteven van een schip
ακρόπρωρο
noun
1. uitstekend rondhout aan de voorsteven van een zeilschip
μπομπρέσο
noun
1. een drijvend en verankerd voorwerp om de vaargeul in ondiepe wateren aan te geven
σημαδούρα
noun
1. een ingebonden bundel bedrukte of beschreven vellen papier
  1. βιβλίο
  2. τόμος
pronoun
1. de hoofdstad van Roemenië
Βουκουρέστι
noun
βιβλιοδέτης
/ˈbuɡdel/
noun
1. drukwerk dat zoveel bladzijden heeft dat het in aparte band kan worden gebonden, maar waarvan de inhoud onderdeel is van een groter werk
τόμος
/ˈbukən/
verb
1. reserveren van bijvoorbeeld een hotelkamer
(λογιστικά) βιβλία
/ˈbu.kə.ˌkɑs/, /ˈbu.kə.ˌkɑst/
noun
1. een kast voor de opslag en het laten zien van boeken
βιβλιοθήκη
noun
1. hulpmiddel om bij te houden waar iemand is tijdens het lezen van een boek
σελιδοδείκτης
noun
1. boekwinkel
βιβλιοπωλείο
noun
1. iemand die de inkomsten en uitgaven van een organisatie bijhoudt
λογιστής
noun
bijhouden van gegevens
λογιστήριο
noun
1. verkleinwoord enkelvoud van boek
φυλλάδιο
noun
1. en 2. (gepelde zaden van) plant Fagopyrum esculentum
φαγόπυρο
noun
fijn gemalen zaden van boekweit
αλέυρι φαγόπυρου
/ˈbuk.wɪŋ.kəl/, /ˈbuk.ʋɪŋ.kɔɫ/, /ˈbuk.β̞ɪŋ.kəɫ/
noun
1. een winkel waar boeken verkocht worden
βιβλιοπωλείο
noun
1. een gebogen werpstok die de neiging heeft terug te keren naar de werper
μπούμερανγκ
/buːr/
noun
1. landbouwer
αγρότης
noun
1. een woning met bedrijfsruimte van een boer
αγρόκτημα
/buːrən/
verb
3. een boer laten
ρεύομαι
/burə'kol/
noun
1. en 2. (gekrulde bladeren van) bladgewas (kool)
λαχανίδα
noun
1. de klasse van de boeren
αγροτιά
/ˈburə(n)ˈzwalyw/
noun
1. een kleine trek- en zangvogel
σταβλοχελίδονο
noun
1. het gehele lichaam, inclusief gezicht en ogen, verhullend gewaad gedragen door (streng) islamitische vrouwen
μπούρκα
noun
μπουρκίνι
noun
1. een bedrag dat je moet betalen als je een overtreding hebt begaan
πρόστιμο
noun
1.
στήθος
/bɔf/
noun
2. ziekte
παρωτίτιδα
pronoun
1. historische landstreek in de Tsjechische Republiek
Βοημία
noun
1. scheikundig element met symbool Bh en atoomnummer 107
μπόριο
noun
1. een gevechtswapen bestaande uit een stuk ijzer dat men gebruikt om mee te slaan
σιδηρογροθιά
noun
1. een tactische vechtsport
  1. μποξ
  2. πυγμαχία
noun
1. handschoen gedragen tijdens het boksen
γάντι μποξ
noun
straalvinnige vis (Boops boops) uit de familie van zeebrasems
γόπα
noun
1. een driedimensionaal rond lichaam zie sfeer
σφαίρα
/boˈlivi.ja/
pronoun
1. een republiek in Zuid-Amerika die grenst aan Peru, Brazilië, Paraguay, Argentinië en Chili
Βολιβία
pronoun
1. een stad in Italië
Μπολόνια
noun
1. lid van een factie van de marxistische Russische Sociaaldemocratische Arbeiderspartij (RSDAP) die zich ...
μπολσεβίκος
noun
μπολσεβικισμός
/bɔm/
noun
1. vernietigingstuig dat gevuld is met explosieven
βόμβα
noun
1. beschieting met bommen, het werpen van bommen
βομβαρδισμός
verb
1. bommen of andere projectielen afvuren op iets of iemand
βομβαρδίζω
noun
1. een militair vliegtuig dat is ontworpen voor het werpen van bommen op gronddoelen
βομβαρδιστικό
pronoun
1. eiland in het zuidelijke gedeelte van de Caraïbische Zee
Μποναίρ
noun
θρούμπι
pronoun
1.
Βόννη
/bɔnt/
adjective
1. met veel verschillende felle kleuren
πολύχρωμος
noun
1. overgebracht bericht
μήνυμα
/ˈbotsxɑpər/
noun
1. berichtenoverbrenger
αγγελιοφόρος
noun
  1. 3. deel van bouwwerk
    αψίδα
  2. 1. wapen
    1. τόξο
    2. αψίδα
noun
1. een sport waarbij pijlen worden weggeschoten naar een doel met behulp van een boog
τοξοβολία
pronoun
2. teken van de dierenriem van 22 november tot 22 december
Τοξότης
noun
1. iemand die schiet met een boog
τοξότης
noun
1. meerjarige plant met houten stam
  1. δέντρο
  2. δένδρο
noun
1. Hyla arborea, klein kikkertje dat zich in bomen en heesters kan begeven
δενδροβάτραχος
noun
1. bepaald soort vogeltje, Sitta europaea
δενδροτσοπανάκος
noun
1. een rechtop gaande houten schacht van een boom
κορμός
noun
1. kleine sierlijke valk, familie van de torenvalk, Falco subbuteo
δεντρογέρακο
noun
1. zaadje uit de peulvrucht van enige vlinderbloemige planten,...
φασόλι
noun
B. chemisch element en een zwart metalloïde
βόριο
/ˈbormɑˌʃinə/
noun
1. machine om te boren
τρυπάνι
noun
1. de hoedanigheid van het boos zijn
θυμός
/boʊt/, /boːt/
noun
1. klein vaartuig
καράβι
noun
1. een rang gelijk aan sergeant bij de marine en de hoogste onderofficier bij de koopvaardij
λοστρόμος
/bɔRd/, /bɔrt/
noun
  1. 2. Vlak voorwerp aan een muur
    πίνακας
  2. [1] Schijfvormig voorwerp
    πιάτο
noun
επιτραπέζιο παιχνίδι
verb
1. met naald en draad versieringen aanbrengen op een stuk weefsel
κεντάω
noun
1. iets wat men geborduurd heeft op aan het borduren is
κέντημα
verb
1. met een werktuig dat om zijn as draait een gat in iets maken
τρυπώ
noun
2.
εγγύηση
noun
1. een chemisch element en een zwart metalloïde
βόριο
pronoun
Βόρνεο
noun
1. drankje
ρακί
noun
2. elk van de twee vooruitstekende klieren bij vrouwen waaruit zich de moedermelk afscheidt
  1. στήθος
  2. μαστός
noun
plat been waaraan de ribben aan de voorzijde vastgehecht zijn
στέρνο
noun
1. schoonmaakgereedschap met bos haren
βούρτσα
noun
1. geraamte van de borst
θώρακας
noun
θηλασμός
noun
1. een groep bomen
δάσος
noun
αγριοφράουλα
noun
2. plant Vaccinium myrtillus
Μύρτιλο
noun
1. brand van of in een bos
πυρκαγιά δασών
/ˈbɔsnis/, /ˈbɔsnɪs/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Bosnië
  1. βοσνιακός
  2. βοσνιακά
/ˈbɔsni.jə ɛn ˌhɛrtsəɣoˈviːna/, /ˈbɔsni.jə ɛn ˌɦɛrtsəɣoˈvina/, /ˈbɔsni.jə ɛn ˌɦɛrtsəχo(ʊ̯)ˈvina/
pronoun
1. republiek in het zuidoosten van Europa die ontstaan is bij het uiteenvallen van het voormalige Joegoslavië
  1. Βοσνία και Ερζεγοβίνη
  2. Βοσνία-Ερζεγοβίνη
pronoun
1. zeestraat tussen de Zee van Marmara en de Zwarte Zee
Βόσπορος
noun
1. jonge, onvolgroeide geboste ui met blad
φρέσκο κρεμμυδακι
noun
1. bepaald soort vogel, Strix aluco
χουχουριστής
noun
1. een beheerder van een boswachterij
δασονόμος
noun
3. onderdeel van het skelet
οστό
noun
βοτανολόγος
adjective
βοτανικός
/ˈbotər/
noun
1. zuivelproduct
βούτυρο
noun
1. een aantal planten uit het geslacht Ranunculus behorende tot de familie Ranunculaceae
νεραγκούλα
noun
2. een belegde snee brood
σάντουιτς
pronoun
1.
Βοθνιακός κόλπος
/ˈbɔt.sə(n)/
verb
1. met een flinke snelheid tegen elkaar aankomen
προσκρούω
/ˈbɔt.sɪŋ/
noun
1. het botsen
σύγκρουση
/bɔ.ˈts<sup>ʊ</sup>a.na/, /bɔts.ˈʋa.na/, /bɔts.ˈβ̞a.na/
pronoun
1. een land dat geheel door land is omgeven in het zuiden van Afrika met ruim 1,5 miljoen inwoners, grenzend aan Namibië, Zimbabwe en Zuid-Afrika
Μποτσουάνα
/ˈbʌʊdəˌʋɛɪn/, /ˈbʌːdəˌβ̞ɛːn/
pronoun
1. een jongensnaam
Βαλδουίνος
adverb
1. zelfverzekerd, gedurfd
τολμηρά
noun
1. het onderdeel van een verbrandingsmotor dat door een vonk het mengsel van brandstofdamp en lucht in de cilinder tot ontploffing brengt
αναφλεκτήρας
noun
1. een aftreksel van magere vleesresten, beenderen of vis
ζωμός
noun
psychologische toestand waarin een persoon terugkerende eetbuien heeft
βουλιμία
noun
μπουρζουαζία
pronoun
1. een van de 26 regio's van Frankrijk
Βουργουνδία
/ˈbɑu̯ə(n)/
verb
1. een constructie oprichten door het samenvoegen van onderdelen
  1. χτίζω
  2. οικοδομώ
noun
οικοδόμος
noun
άδεια
/ˈboː.vən/
preposition
1. op een plaats hoger gelegen dan
  1. πάνω
  2. επάνω
noun
1.bovenbeen
μηρός
/bovənˈdin/
adverb
1. op de koop toe, daarenboven
επιπλέον
noun
1. een hooggeplaatst raam, boven een deur of in het dak
φεγγίτης
adjective
1. behorende tot een orde van dingen die buiten het menselijke ligt
υπερφυσικός
noun
1.
εμετικό
noun
1. struik & 2. vrucht
  1. μούρο
  2. βατόμουρο
verb
1. vlees bereiden door het in vet te verhitten
τηγανίζω
noun
κώδικας Μπράιγ
/ˈbrɑnd/, /ˈbrɑnt/
noun
1. verbranding met vuur
φωτιά
noun
1. een draagbaar toestel dat dient om een kleine of een beginnende brand te bestrijden
πυροσβεστήρας
verb
1. verteerd worden door vuur
καίω
pronoun
1. een deelstaat in het oosten van Duitsland
  1. Βραδεμβούργο
  2. Βρανδεμβούργο
noun
1. een soort sterke drank
μπράντι
noun
1. bepaald soort gans, Branta leucopsis
αγριόχηνα
noun
1. hout dat gebruikt wordt om te verbranden
καυσόξυλα
noun
2-3. een harige plant die bij aanraking een brandend gevoel en zwelling veroorzaakt
τσουκνίδα
noun
1. iemand die expres brand veroorzaakt
εμπρηστής
noun
εμπρησμός
noun
1. stof waaruit door middel van verbranding of een ander chemisch proces energie wordt gewonnen
καύσιμο
noun
πυροσβεστική
noun
πυροσβεστικός σταθμός
noun
1. lid van de brandweer
πυροσβέστης
noun
1. bepaalde karperachtige vissoort Abramis brama
αβραμίδα
/braˈzili.jə/
pronoun
1. een soevereine staat in Zuid-Amerika (officieel de Federale Repuliek van Brazilië, 'República Federativa do Brasil'), met als officiële taal het Portugees
Βραζιλία
/ˈbred.bɑnd/, /ˈbred.bɑnt/
noun
1. een internetverbinding met een hoog debiet
ευρυζωνική
noun
1. afmeting loodrecht op de hoogte of de lengte
πλάτος
noun
1. cirkel van gelijke geografische breedten
γεωγραφικό πλάτος
verb
1.
καλαφατίζω
/ˈbrɛ.jə(n)/
verb
1. een weefsel vervaardigen uit een gesponnen draad met behulp twee of meer pennen
πλέκω
/brɛi̯n/
noun
1. orgaan
εγκέφαλος
/ˈbrɛɪ̯nald/, /ˈbrɛɪ̯naɫt/, /ˈbrɛːnalt/
noun
1. een naald die gebruikt kan worden bij het breien
βελόνα πλεξίματος
verb
  1. 1. in stukken uiteenvallen
  2. 5. in stukken uiteen doen vallen
  1. σπάζω
  2. σπάω
noun
Δείκτης διάθλασης
pronoun
Βρέμη
pronoun
1.
Μπρεμερχάφεν
/ˈbrɛŋ.ə(n)/
verb
1. ergens heen gaan om iets of iemand daar af te geven
φέρνω
pronoun
1. een schiereiland in het noordwesten van Frankrijk
Βρετάνη
pronoun
1. een Keltische taal die wordt gesproken in Bretagne
βρετονικά
noun
1. de uitkomst (quotiënt) van een deling van twee of meer gehele getallen
κλάσμα
noun
3. noot die twee- of driemaal de lengte van een hele noot had
βραχεία
noun
1. mogelijk vertrek van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie
μπρέξιτ
noun
  1. 1. een spel gespeeld door vier spelers, verdeeld in twee paren en gespeeld in dertien slagen
  2. 2. de kam van een elektrische gitaar
μπριτζ
noun
1. zachte Franse schimmelkaas
μπρι
noun
1. verzonden geschreven boodschap
  1. γράμμα
  2. επιστολή
noun
1. een korte brief in de vorm van een kaart
καρτ ποστάλ
noun
1. een doorgaans sierlijk mesje dat men gebruikt om briefomslagen met te openen
χαρτοκόπτης
/bris/
noun
1. zachte frisse wind
αεράκι
noun
γραμματοκιβώτιο
noun
πολτός
noun
1. een optisch instrument dat gebruikt wordt om de scherpte van het zicht te verbeteren
  1. γυαλιά
  2. ματογυάλια
/ˈbrɪl.beːr/, /ˈbrɪɫ.beːr/, /ˈbrɪɫ.bɪːr/
noun
1. een beer met grote cirkels rond de ogen, als een bril
αρκούδα των Άνδεων
adjective
1. buitengewoon slim
μπριγιάν
noun
1. slijpvorm voor onder andere diamant
μπριγιάν
pronoun
1. hoofdstad van de Australische deelstaat Queensland
Μπρίσμπαν
noun
Βρετανή
/brɪts/
adjective
1. gerelateerd aan Groot-Brittannië
βρετανικός
pronoun
Βρετανικές Παρθένοι Νήσοι
pronoun
Βρετανία
/ˈbrɔkɔlɪ/
noun
1. groente
μπρόκολο
/brudər/
noun
1. een broer
αδελφός
adjective
αδελφικός
noun
1. moord van de ene broer op een andere broer, ook figuurlijk gebruikt
αδελφοκτονία
noun
  1. 1. kerkelijk goedgekeurde vereniging
  2. 1. vriendschappelijke betrekking als tussen broers
αδελφότητα
noun
φαινόμενο του θερμοκηπίου
noun
αέριο θερμοκηπίου
noun
1. kledingstuk dat het onderlichaam en beide benen, elk met een afzonderlijke pijp omhult
παντελόνι
/bruːr/
noun
1. een mannelijk kind van dezelfde ouders
αδελφός
noun
μοτοποδήλατο
noun
μοτοποδήλατο
noun
  1. 1. daar waar men informatie vandaan haalt
  2. 2. begin van een waterloop
πηγή
noun
1. ontsteking van de luchtpijptak
βρογχίτιδα
noun
  1. kρατέρωμα
  2. μπρούντζος
adjective
1.van brons gemaakt
μπρούντζινος
verb
1.
μπρούντζινος
/broːt/
noun
1. een meelproduct dat gemaakt wordt door meeldeeg te bakken, te koken of te stomen
  1. ψωμί
  2. άρτος
noun
2. klein brood, vaak versierd, belegd of in een speciale vorm, voor één persoon
ψωμάκι
noun
τρίμμα
noun
φρυγανιέρα
noun
βρώμιο
adjective
1. niet stevig
εύθραυστος
verb
1. (bier) brouwen
ζυθοποιώ
noun
1. iemand die bier maakt om te verhandelen
ζυθοποιός
/brɔuə'rɛi/
noun
1. een bedrijf dat zich toelegt op het brouwen van bier
ζυθοποιείο
/brʏx/, /brʏχ/
noun
kunstmatige weg over een diepte
γέφυρα
pronoun
1. een Vlaamse provinciehoofdstad
Μπρυζ
noun
προγεφύρωμα
/brœy̯t/
noun
1. vrouw in tijd van de huwelijksplechtigheden
νύφη
noun
1. man die in het huwelijk treedt
γαμπρός
noun
1. een gift die een meisje van haar ouders meekrijgt als ze in het huwelijk treedt
προίκα
adjective
1. een kleur zoals die van walnoten, chocola of koffie hebbend
  1. καφέ
  2. καφετής
noun
1. kleur zoals die van koffie of chocola
  1. καφέ
  2. καστανό
/ˌbrœʏnəˈbeːr/
noun
1. Ursus arctos, een beer die in Europa, Azië en Amerika voorkomt.
καφέ αρκούδα
noun
1. bepaald soort roofvogel, Circus aeruginosus
καλαμόκιρκος
noun
λιγνίτη
/ˈbrœy̯nvɪs/
noun
1. familie Phocoenidae van kleine rondsnuitige tandwalvissen
γουρουνόψαρο
verb
1. het overvloedig vormen van gasbelletjes in een vloeistof
αφρίζω
/bry.ˈnɛɪ̯/, /bry.ˈnɛː/
pronoun
2. een land op op het eiland Borneo, in Zuidoost-Azië. Het ligt aan de Zuid-Chinese Zee, en wordt verder geheel omringd door Maleisië
Μπρουνέι
noun
1. een vrouw met (donker)bruin (of zwart) haar en soms ook met een donkere gelaatstint
καστανή
pronoun
Μπράουνσβαϊχ
/brʏs/
noun
1. een ander kind van dezelfde ouders (zonder de connotatie met zorg)
αδέλφι
pronoun
1. de hoofdstad van België
  1. Βρυξέλλες
  2. Βρυξέλλαι
adjective
βρυξελλιώτικος
adjective
  1. 2.
    αυθάδης
  2. 3. vrijpostig
    θρασύς
noun
ακαθάριστο εγχώριο προϊόν
adjective
1. nietsontziend en gewelddadig
ζωώδης
noun
1. de afkorting voor belasting over de toegevoegde waarde
Φ.Π.Α.
/'bɵfəl/
noun
1. verzamelnaam voor een aantal zware rundersoorten met vaak forse hoorns
βουβάλι
noun
3. tijdelijk geheugen in rekenmachines...
ενδιάμεση μνήμη
noun
1. een gebied dat op een of andere manier als buffer dient
νεκρή ζώνη
noun
1. zoogdier dat het jong in een buidel draagt
μαρσιποφόρο
/bœʏ̯χə(n)/, /bœːɣə(n)/
verb
  1. 2. krom worden
    κάμπτώ
    1. 3. een buiging maken, zich buigen
    2. 4. aandacht besteden aan iets
    κυρτώνω
noun
1. nijging als beleefde groet
υπόκλιση
noun
1. spier die zorgt dat het tussenliggende gewricht buigt
καμπτήρας
adjective
εύκαμπτος
/bœʏ̯k/, /bœːk/
noun
1. het onderste deel van de voorkant van de romp van mens of dier dat van boven door het middenrif en van onderen door de bekkengordel begrenst is
κοιλιά
noun
χορός της κοιλιάς
noun
διάρροια
noun
εγγαστρίμυθος
noun
1.
περιτόναιο
noun
1. de meest voorkomende vorm van pest en wordt veroorzaakt door de
βουβωνική πανώλη
noun
1. een hol, cilindrisch voorwerp
σωλήνας
/bœʏ̯t/, /bœːt/
noun
goederen gewonnen door diefstaf of verovering
λεία
/ˈbœʏ̯tə(n)/, /ˈbœːtə(n)/
adverb
έξω
adjective
1. niet binnen het raamwerk van het huwelijk
εξωσυζυγικός
noun
1. ieder land buiten het eigene
εξωτερικό
/ˈbœytə(n)lɑndər/
noun
1. iemand die in het buitenland woont, of iemand afkomstig uit het buitenland
αλλοδαπός
adjective
1. op het buitenland betrekking hebbend
αλλοδαπός
noun
1.
προφυλακή
noun
1.
εκτός παιδιάς
noun
1. bepaald soort middelgrote roofvogel, Buteo buteo
γερακίνα
/ˈbɵkən/
verb
1. het lichaam geheel vooroverbuigen om bij iets lagers te komen
σκύβω
/bʏl/
noun
1. mannelijk rund en het mannetje van sommige andere zoogdieren en zeezoogdieren
ταύρος
noun
1. een stevig gebouwde hond met een grote kop en afhangende liphoeken...
μπουλντόγκ
/bɵɫˈγ̊aːrs/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Bulgarije
  1. βουλγαρικά
  2. βουλγαρικός
noun
Βουλγάρα
pronoun
1. een land in Zuidoost-Europa
Βουλγαρία
noun
1. gestoomde, daarna gedroogde en vervolgens grof gemalen of gebroken tarwekorrels, meestal durumtarwe
πλιγούρι
noun
1. zware van rupsbanden voorziene machine om terreinen te egaliseren
μπουλντόζα
noun
καμπούρα
/ˈbʏltrʏx/
noun
1. benaming voor een van de grotere baardwalvissen met lange borstvinnen
μεγάπτερη
noun
1. stootstang
προφυλακτήρας
noun
1. woning of vakantiehuis zonder bovenverdieping
μπανγκαλόου
noun
1. zwaar versterkte verdedigingsstelling
καταφύγιο
noun
1. gasbrander met regelbare luchttoevoer die men gebruikt in een laboratorium
Μπούνσεν
noun
  1. 1. een werkmeubel voor administratief- en studiewerk
    Γραφείο
  2. 2. een (politie)kantoor
    γραφείο
noun
γραφειοκρατία
noun
1.
προχοΐδα
noun
1. hoofd van het gemeentebestuur
δήμαρχος
noun
δημαρχίνα
pronoun
1. deelstaat van Oostenrijk
Μπούργκενλαντ
noun
  1. 1. inwoner van een stad of staat die bepaalde wettelijke rechten en plichten heeft
  2. 2. lid van de burgerbevolking, in tegenstelling tot een strijdende partij of ordedienst
πολίτης
/ˈbʏrɣərlək/
adjective
1. tot de burgers behorend, tot de middenstand behorend
αστικός
noun
1. alle niet-militaire luchtvaart, en wordt verdeeld in de particuliere luchtvaart en de commerciële luchtvaart
πολιτική αεροπορία
noun
1. een gewapende strijd tussen twee of meer bevolkingsgroepen binnen hetzelfde land, waarbij soms ook het leger betrokken is
εμφύλιος πόλεμος
noun
ιθαγένεια
noun
1. edelman
υποκόμης
/bur.ˌki.na.ˈfa.so/, /bur.ˌki.na.ˈfɑ.so/
pronoun
1. een republiek in West-Afrika voorheen Opper-Volta genaamd.
Μπουρκίνα Φάσο
/bu.ˈrun.di/
pronoun
1. een land in Afrika dat grenst aan Democratische Republiek Congo, Rwanda en Tanzania
Μπουρούντι
/bɵs/
noun
1. vervoermiddel op de weg voor een aanzienlijk aantal passagiers
λεωφορείο
noun
1. iemand die beroepsmatig reizigers vervoert in een bus
αυτοκινητιστής
/ˈbʏshɑltə/, /ˈbʏshɑɫtə/
noun
1. een plek waar een bus stopt
στάση λεωφορείου
noun
1. een ontplofbaar mengsel van fijngepoederde kool, zwavel en salpeter
μπαρούτι
noun
  1. 1. boezem
  2. 2. borstbeeld
προτομή
noun
1. kledingstuk voor vrouwen.
  1. σουτιέν
  2. στηθόδεσμος
noun
1. C₄H10
βουτάνιο
noun
1. een man naast wie men woont
γείτονας
noun
1. een (deel van een) wijk
συνοικία
noun
1. vrouw woonachtig in het belendende huis
γειτόνισσα
noun
Βυζαντινή
adjective
βυζαντινός
noun
βήτα
symbol
1. akkoordsymbool
C
/ˌkɑbɑˈrɛ(t)/
noun
1. een kleinkunst, vermaak met toneel, zang, dans, en voordracht
καμπαρέ
/kakaˈoː/, /kaˈkɑu/
noun
1. product verkregen uit de bonen van de cacaoboom dat onder andere wordt gebruikt...
κακάο
noun
1. een vetplant met stekels
κάκτος
noun
1. een stekelige vrucht van de Opuntia
φραγκόσυκο
/kaˈdoː/
noun
1. iets dat men aan iemand geeft, meestal ter gelegenheid van een speciale gebeurtenis
δώρο
noun
1. scheikundig element met symbool Cd en atoomnummer 48
κάδμιο
noun
1. een eenvoudige eetgelegenheid, waar men een snelle hap kan nuttigen
καφετέρια
noun
1. een alkaloïde met structuurformule C₈H10N₄O₂ die van nature wordt aangetroffen in koffiebonen en theebladeren
καφεΐνη
noun
1. een uitgaansgelegenheid waar men dranken kan nuttigen
καφενείο
pronoun
Καλαβρία
noun
1. scheikundig element met symbool Ca en atoomnummer 20
ασβέστιο
pronoun
Καληδονία
noun
1. een scheikundig element en vermoedelijk een grijs of zilverkleurig actinide met het symbool Cf en het atoomnummer 98
καλιφόρνιο
pronoun
1. een van de vijftig deelstaten van de Verenigde Staten. De staat grenst aan de Pacifische Oceaan en aan de Mexicaanse deelstaat Baja California, alsmede aan de Amerikaanse deelstaten Nevada, Oregon en Arizona.
  1. καλιφόρνια
  2. Καλιφόρνια
pronoun
  1. 1. nimf uit de Griekse mythologie
  2. 2. een van de vier grote manen van Jupiter
Καλλιστώ
noun
1. een eenheid van warmte, gelijk aan de warmte benodigd om een gram water een graad C in temperatuur te doen stijgen
θερμίδα
noun
1. gereformeerde substroming binnen het Christendom waarin o.a. het voorbestemd zijn centraal staat
καλβινισμός
/kɑm.ˈbɔ.dja/, /kɑm.ˈbɔ.tʃa/
pronoun
1. een land in Zuidoost-Azië dat in het noorden grenst aan Laos, in het noordwesten en westen aan Thailand en in het oosten en zuidoosten aan Vietnam
Καμπότζη
pronoun
Κέιμπριτζ
/ˈkɑmbrijʏm/
noun
Κάμβρια
/ˈkaməˌra/
noun
1. een apparaat om beelden mee te registreren
καμερά
noun
1.
εικονολήπτης
/kɑmuflerən/
verb
1. een voorwerp onopvallend maken
αποκρύπτω
/kɑmˈpɑɲə/
noun
εκστρατεία
pronoun
Καμπανία
/ˈkɑmpɪŋ/, /ˈkɛmpɪŋ/
noun
1. een terrein met voorzieningen om te kamperen
κάμπινγκ
/ˈkɑmpʏs/
noun
1. universiteitsterrein
πανεπιστημιούπολη
/ˈka.na.da/, /ˈkɑ.nɑ.da/
pronoun
1. een soevereine staat in de noordelijke helft van Noord-Amerika
Καναδάς
pronoun
  1. Κανάριες Νήσοι
  2. Κανάριοι Νήσοι
pronoun
1. de federale hoofdstad van Australië, gelegen in het Australisch Hoofdstedelijk Territorium
Καμπέρα
noun
καντέλα
pronoun
1. een van de 17 autonome regio’s en provincie in het noorden van Spanje gelegen ten oosten van Asturië en ten westen van Baskenland met de hoofdstad Santander
Κανταβρία
noun
1. en 2. (vrucht van) plant Cucumis melo var. cantalupensis
κανταλουπένσιος
noun
καναβάτσο
adjective
1. rubber
καουτσούκ
noun
1. mogelijkheid om iets te bevatten
ικανότητα
/ˌkapiˈbaːra/
noun
1. Hydrochoerus hydrochaeris, een groot knaagdier...
υδρόχοιρος
/ˌka.pɪ.la.ri.ˈtɛɪ̯t/
noun
τριχοειδή δράσις
noun
1. internationaalrechtelijke verklaring dat een partij de strijd tijdens een oorlog opgeeft
συνθηκολόγηση
verb
1. het verzet staken, zich overgeven
συνθηκολογώ
noun
1. kopje koffie dat uit gelijke delen espresso, melk en melkschuim bestaat
καπουτσίνο
pronoun
Κάπρι
/ˌka.py.ˈʃɔ̃ː/, /ˌkɑ.py.ˈʃɔn/
noun
1. hoofdkap bevestigd aan een kledingstuk
κουκούλα
/karákas/
pronoun
1. de hoofdstad van de Zuid-Amerikaanse staat Venezuela
Καράκας
noun
1. kampeerwagen, woonwagen, aanhangwagen die kan dienen als woonst
τροχόσπιτο
noun
1. een organische verbinding die de functionele groep -COOH bezit
καρβονικό οξύ
/kɑrˈbon/
noun
Λιθανθρακοφόρος
noun
1. kankergezwel
καρκίνωμα
/ˈkɑrdɪɡən/
noun
1. vest met V-hals dat met knoopjes aan de voorkant wordt gesloten
ζακέτα
/kɑrdijolo'xi/
noun
1. een medisch specialisme dat zich bezighoudt met het opsporen, diagnosticeren en behandelen van hartziekten
καρδιολογία
adjective
1. met betrekking tot hartziekten
καρδιολογικός
/kɑrdijo'lox/
noun
καρδιολόγος
/ˌkɑr­.di­.jo­ˌmi­.jo­.pa­ˈti/
noun
1. hartspierziekte
καρδιομυοπάθεια
adjective
1. met betrekking tot hart en bloedvaten
καρδιαγγειακός
noun
1. volksfeest waarbij onder meer grote verkleedpartijen plaatsvinden,...
  1. καρναβάλι
  2. απόκριες
/kɑrniˈvor/
noun
1. een vleesetend dier
σαρκοβόρος
pronoun
Καρχηδόνα
noun
1. iemand die land-, zee- en/of luchtkaarten maakt
χαρτογράφος
noun
1. de kunst en wetenschap van het vervaardigen van land-, zee- en/of luchtkaarten
χαρτογραφία
noun
1. een gelegenheid waar in een luxe omgeving gegokt wordt
καζίνο
noun
1. een behuizing voor video- en audiobanden
κασέτα
noun
specerij
κιννάμωμον η κασσία
pronoun
1. landstreek in Spanje
Καστίλλη
pronoun
Καστίλλη και Λεόν
pronoun
Καστίλλη-Λα Μάντσα
noun
1. ontmanning, het volledig verwijderen van de teelballen bij de man
ευνουχισμός
verb
1. een sterilisatie uitvoeren van een man of mannelijk dier door verwijdering van de zaadballen
ευνουχίζω
noun
1. een naamval
πτώση
noun
1. onderaardse ruimte, onderaards gangenstelsel in het algemeen
κατακόμβη
noun
1.
Καταλανός
pronoun
1. een Romaanse taal die wordt gesproken in Catalonië, Valencia, Aragón, Balearen, Andorra, Frankrijk en Italië
  1. καταλανικά
  2. Καταλανικά
pronoun
1. een van de 17 autonome regio’s van Spanje, gelegen in het noordoosten van het Iberisch Schiereiland; de twee officiële talen zijn Catalaans en Spaans
  1. Καταλωνία
  2. Καταλονία
noun
1. grijze staar, een troebeling van de ooglens die het zien verstoort
καταρράκτης
noun
1. een algemene ramp
καταστροφή
noun
1. de leer van een godsdienst in de vorm van vragen en antwoorden gebruikt in het godsdienstonderwijs...
κατήχηση
noun
1. onderdeel van een rangschikking, rang, groep.
κατηγορία
noun
1. strijdmacht te paard
ιππικό
noun
1. benaming voor knaagdieren uit het geslacht Cavia
ινδικό χοιρίδιο
noun
1. en 2. een peper, een scherp specerij
  1. πιπέρι καγιέν
  2. καγιέν
pronoun
1. de hoofdstad van Egypte
Κάιρο
noun
1. compact disc
CD
/ˈsedər/
noun
1. benaming voor bomen uit het geslacht Cedrus
κέδρος
noun
    1. 1. een kleine ruimte waar iemand voor straf moet zitten (in een gevangenis)
    2. 2. een kleine ruimte (in een klooster)
    3. 4. een zeshoekige opslagplaats in een bijenraat
    1. κελί
    2. κύτταρο
  1. 3. de kleinste eenheid binnen een levend organisme waarin alle genetische informatie vervat zit
    κύτταρο
noun
1. slagwerkinstrument met een klavier
τσελέστα
/sɛlkɛrən/
noun
1.
πυρήνας
noun
1. een viersnarig strijkinstrument dat tijdens het bespelen door de cellist tussen de knieën wordt gehouden
βιολοντσέλο
/ˌsɛ.ly.ˈlo.zə/
noun
1. een polysacharide die door nagenoeg alle planten wordt gemaakt en die de plant stevigheid geeft
κυτταρίνη
/sɛlʋɑnd/
noun
1.
κυτταρικό τοίχωμα
noun
1. een bouwmateriaal bestaande uit kalk, zand en grind
τσιμέντο
noun
1. hoge ambtenaar in de Romeinse republiek
λογοκρίτρια
/sɛnˈsyr/
noun
1. de controle van de kant van de overheid op alles wat de media uitbrengen
λογοκρισία
noun
σεντ
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Κένταυρος
noun
1.
κένταυρος
noun
εκατοστόγραμμο
/'sɛntiˌmetər/
noun
1. een lengtemaat die gelijk is aan één honderdste van een meter
  1. εκατοστόμετρο
  2. εκατοστό
adjective
1. in het midden gelegen
κεντρικός
noun
Κεντροαφρικανή
/sɛn.ˌtral.a.fri.ˌkan.sə.re.py.ˈblik/, /sɛn.ˌtral.ɑ.fri.ˌkans.re.pʏ.ˈbliːk/, /sɛn.ˌtraɫ.a.fri.ˌkan.sə.re.py.ˈblik/
pronoun
1. een land in Midden-Afrika, officieel de Centraal-Afrikaanse Republiek, dat geheel door land wordt omsloten
Κεντροαφρικανική Δημοκρατία
pronoun
Κεντρική Ασία
pronoun
Κεντρική Ευρώπη
pronoun
1. Iraanse taal gesproken door 6 miljoen mensen in Irak en Iran
Κουρδικά
noun
1. centrifugaalmachine
φυγοκεντρική μηχανή
noun
1. middelpunt
κέντρο
adjective
1. met betrekking tot de grote hersenen
εγκεφαλικός
noun
1. een plechtige aangelegenheid
τελετή
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Δήμητρα
noun
δημήτριο
noun
καίσιο
noun
1. overdracht van schuldvordering
παραχώρηση
pronoun
Θέουτα
pronoun
Κεϋλάνη
/ʃɑmˈpɑɲə/
noun
1. een schuimwijn uit de champagnestreek in Frankrijk
σαμπάνια
/xɑnuˈka/
noun
1. feest van de herinwijding van de tempel
Χανουκά
noun
Σανσόν
noun
1. mensen onder voor de buitenwereld onzichtbare bedreiging zaken tegen hun wil laten doen
εκβιασμός
verb
1. onder bedreiging een schandaal te veroorzaken iemand geld afhandig maken
εκβιάζω
noun
1. grote wanorde
χάος
noun
1. deelgebied van de wiskunde en natuurwetenschappen dat zich bezighoudt met het gedrag van dynamische systemen zoals dat sterk door hun begintoestand wordt bepaald.
θεωρία του χάους
noun
1. uitstraling
χάρισµα
/ˈʃar.la.tan/
noun
αγύρτης
pronoun
1. grootste stad van Henegouwen
Σαρλρουά
/sjarme/
noun
1. de eigenschappen van iemand waardoor die persoon aardig, leuk en vriendelijk wordt gevonden
γοητεία
/χɑsiˈdɪsmə/
noun
1.
χασιδισμός
/ˈtʃɑtə(n)/, /ˈtʃɛtə(n)/
verb
1. op synchrone wijze met elkaar korte tekstberichten uitwisselen
τηλεσυνδιασκέπτομαι
/ʃaʊ̯.ˈføːr/, /ʃo.ˈføːr/, /ʃo.ˈfʏːr/
noun
1. de bestuurder van een motorvoertuig
οδηγός
noun
σωβινισμός
noun
1. Acinonyx jubatus, een zeer snel Afrikaans katachtig roofdier
γατόπαρδος
noun
χημικός
noun
1. wetenschap die zich bezig houdt met de kennis van de stoffen ...
χημεία
adjective
1. dat wat tot de chemie behoort, volgens de chemie
χημικός
pronoun
1.
Κέμνιτς
noun
1. behandeling van kanker met medicijnen
χημειοθεραπεία
pronoun
1. hoofdstad van de Indiase deelstaat Tamil Nadu. De voormalige naam van de stad was Madras
Τσεννάι
/ʃɛk/
noun
επιταγή
/tʃɛ.ˈrɔ.ki/, /ˈtʃeː.ro.keː/
pronoun
1. inheemse taal gesproken door enkele duizenden mensen in Noord-Amerika
Τσερόκι
/ˈxerʏp/
noun
1.
χερουβίμ
noun
χι
pronoun
Σικάγο
adjective
χιλιανός
/ˈʃi.li/
pronoun
1. een land in Zuid-Amerika, grenzend aan Peru, Bolivia en Argentinië en ingeklemd liggend tussen de Stille Zuidzee en het Andesgebergte
Χιλή
/'ʃílipepər/
noun
1.
πιπεριά καυτερί
noun
χίμαιρα
/ˌʃɪm.pɑn.ˈse/
noun
1. Pan troglodytes, de meest aan de mens verwante mensaap, leeft in Centraal-Afrika
χιμπατζής
noun
χίμαιρα
/ˈʃi.na/
pronoun
1. een land in Oost-Azië, officieel de Volksrepubliek China
Κίνα
noun
τσιντσιλά
/ʃi.ˈnes/
adjective
1. betreffende China
κινέζικα
/ʃi.ˈnes/
pronoun
  1. 2. persoon
    κινέζικα
  2. 1. de voornaamste taal die in China gesproken wordt
    1. κινέζικα
    2. Κινέζικα
noun
(bladeren van) Brassica rapa subsp. pekinensis
kινέζικο λάχανο
noun
2. een klein stukje halfgeleiderkristal waarop geïntegreerde circuits zijn aangebracht
πλακίδιο ολοκληρωμένου κυκλώματος
/ʃi'rʏr(ə)x/
noun
1. specialist
χειρουργός
noun
1. de wetenschap van en de vaardigheid in het opereren
χειρουργική
noun
χλώριο
noun
χλωροφόρμιο
/ˌʃo.ko.ˈla/
noun
1. een lekkernij die gemaakt is van cacao, suiker en cacaoboter
σοκολάτα
/ˌʃo.ko.ˈla.də/, /ˌʃɔko.ˈla.də/
noun
1. een lekkernij die gemaakt is van cacao, suiker en cacaoboter
σοκολάτα
noun
1. een veelal ronde, bruingekleurde taart, waarin chocolade of cacao verwerkt is
κέικ σοκολάτας
noun
εμφράκτης
/χoləra/
noun
1. een zeer besmettelijke infectieziekte die de darmen aantast
χολέρα
noun
1. vet dat in je lichaamscellen zit, zoals galvet, lichaamsvet
  1. χοληστερίνη
  2. χοληστερόλη
/ˌɣɔndroˈsit/, /ˌχɔndroˈsit/
noun
1. een cel die kraakbeen om zich heeft aangemaakt en daar nu door omgeven wordt
χονδροκύτταρο
noun
χορογράφος
noun
χορογραφία
pronoun
Κράιστσερτς
adjective
1. te maken hebbend met het christendom
χριστιανικός
/ˈkrɪs.tən/
noun
1. een belijder van de christelijke godsdienst
  1. χριστιανός
  2. χριστιανή
  3. Χριστιανός
/ˈkrɪ.stən.ˌdɔm/
noun
1. een religie gebaseerd op het evangelie en leven van Jezus zoals beschreven in het Nieuwe Testament
χριστιανισμός
/ˈxrɪstʏs/
pronoun
Χριστός
/ˌχroʊmoʊˈsoʊm/
noun
1. staafachtig lichaampje
χρωμόσωμα
/ˈkronis/
adjective
1. voortdurend, aanhoudend
χρόνιος
/xrono.lo'ɣiː/
noun
1. de wetenschap die zich bezig houdt met het rangschikken in de tijd van historische gebeurtenissen
χρονολογία
adjective
1. naar tijdstip gerangschikt
χρονολογικός
noun
χρώμιο
noun
1.
χρυσάνθεμο
noun
1. groot, halfvleugelig insect, leeft in Zuid-Europa en in de tropen (Cicadidae)
τζιτζίκι
/ˌsikoˈrɛɪ/
noun
πικραλίδα
noun
1. vruchtenwijn uit gegist appelsap of perensap
μηλίτης
noun
ξύδi απó μήλiτή
noun
1. een enkelvoudig symbool om een telbaar aantal aan te duiden
  1. ψηφίο
  2. αριθμός
noun
κύλινδρος
adjective
1. zoals een cilinder, cilindervormig, buisvormig
κυλινδρικός
noun
1.
σινεμά
noun
1. iemand die gevangenen bewaakt en verzorgt
δεσμοφύλακας
noun
1. bepaald soort naaldboom, Cupressus sempervirens
κυπαρίσσι
noun
  1. 1. attractie
  2. 2. chaotische toestand
τσίρκο
/ˈsɪrkəɫ/
noun
  1. kyklo
  2. κύκλος
/ˈsɪrkəlzax/
noun
1. motorzaag met een rond zaagblad
δισκοπρίονο
noun
1.
κίρρωση
noun
1. aanhaling, ontleende passage
παράθεμα
noun
1. een snaarinstrument dat voornamelijk gebruikt wordt in het Duitstalige deel van Europa
τσίτερ
noun
1. ovale, gele zure vrucht van de citroenboom
λεμόνι
noun
1. uit China afkomstige boomsoort waarvan de citroen de vrucht is, Citrus limon
λεμονιά
noun
κιτρικό οξύ
noun
1. Viverra, een geslacht van kleine slank gebouwde roofdieren dat ---
μοσχογαλή η κιβέττη
noun
1. artistieke techniek
κιαροσκούρο
noun
ταξινόμηση
/klʌstrofoˈbiː/, /klʌustrofoˈbiː/
noun
1. vrees voor afgesloten ruimten
κλειστοφοβία
/klʌʊˈsylə/
noun
1. een extra bepaling in een ambtelijke brief.
ρήτρα
noun
1.
κλάξον
noun
1. klimplant uit de ranonkel familie met veel bloemen
κληματίδα
noun
1. de leiders van een kerkgenootschap
κλήρος
noun
1. te veel gebruikte uitdrukking
κλισέ
noun
1. gevoelig orgaan bovenaan de schaamspleet van de vrouw dat voor de seksuele opwinding zorgt
κλειτορίδα
noun
1. de gecombineerde darm- en urineuitgang bij bepaalde diersoorten
αμάρα
noun
een verwijzing naar het internet
νέφος
/kloːn/, /klʌːun/
noun
  1. 2. bespottelijk iemand
    1. γελωτοποιός
    2. κλόουν
  2. 1. komische artiest
    1. κλόουν
    2. γελωτοποιός
/klɵp/
noun
  1. 1. besloten gemeenschap
  2. 3. golfstok
λέσχη
noun
συνένζυμο
/kowaˈli(t)si/
noun
1. verbond van twee of meer partijen, mogendheden of staten om een gemeenschappelijk doel te bereiken
συνασπισμός
noun
1. vrachtschip kleiner dan 1800 Brut Register Ton (1 BRT = 2,83 m³)
ακτοπλοϊκό
noun
1. gevaarlijke gifslang
κόμπρα
noun
1. een drug die bereid wordt uit de bladeren van de coca die euforie en ongevoeligheid voor pijn veroorzaakt en leidt tot verslaving
κοκαΐνη
noun
1. drankje bestaande uit gemixte alcoholische dranken
κοκτέιλ
noun
Σέικερ
noun
κουκούλι
/'kodə/
noun
  1. κωδικός
  2. κώδικας
verb
1. in een code brengen
κωδικογραφώ
noun
κωδίκελος
/kɔxniˈtif/
adjective
1. met betrekking tot het leerproces
γνωσιακός
noun
1. ontgaste steenkool
οπτάνθρακας/κωκ/κοκαΐνη
noun
2. koolzuurhoudende frisdrank
κόλα
verb
1. met de vijand samenwerken
συνεργάζομαι
noun
κολάζ
/ˌkɔlɑˈɣen/
noun
1.
κολλαγόνο
noun
1. meerdere groepen die onder één noemer worden aangesproken
συλλογικότητα
noun
1. stellen van het belang van de gemeenschap boven dat van het individu
κολεκτιβισμός
/kɔˈleɣa/, /kɔˈleχa/
noun
  1. 1. een persoon die voor hetzelfde bedrijf werkt
  2. 2. een vak- of ambtgenoot
συνάδελφος
noun
1. cellulosenitraat met een lage nitreringsgraad, opgelost in een mengsel van ethanol en di-ethylether
κολλώδιο
noun
κολλοειδής
/ko.ˈlɔm.bi.ja/
pronoun
1. een land in het noordwesten van Zuid-Amerika
Κολομβία
noun
1. een inwoner van Colombia of persoon die de Colombiaanse nationaliteit bezit
Κολομβιανός
noun
1. dikke darmonderzoek waarbij men met een endoscoop het darmslijmvlies onderzoekt en zonodig een biopsie kan nemen
κολονοσκόπηση
noun
1. een kever die op de aardappelplant leeft van ongeveer 1 cm lang en met een geel...
δορυφόρος της πατάτας
noun
1. de eerste, gelige moedermelk
πρωτόγαλα
/ˈkoːmaː/
noun
1. volkomen bewusteloosheid
κώμα
adjective
1. in volkomen bewusteloosheid
κωματώδης
noun
συνδυασμός
verb
συνδυάζω
noun
επιτροπή
/kɔ.ˈmɑn.do/
noun
  1. 2. speciaal getrainde groep militairen voor speciale missies
  2. 1. iemand uit een eenheid die extra getraind wordt voor speciale missies
δύναμη καταδρομών
/kɔmən'tar/
noun
  1. 1. toelichting of verklaring
    1. σχολιάζω
    2. σχόλιο
  2. 2. kritiek
    σχόλιο
noun
σχολιαστής
/kɔmərˈʃel/, /kɔmɛrˈsjel/
adjective
1. zakelijk
εμπορικός
noun
1. een groep personen aan wie een bepaalde opdracht wordt gegeven of die voor een bepaald doel bijeenkomen
επιτροπή
/ˌkɔ.my.nɪ.ˈkaː.si/, /ˌkɔmyniˈkasi/, /ˌkɔmyniˈkaʦi/
noun
1. het uitwisselen van informatie
επικοινωνία
verb
2. met elkaar in contact komen
επικοινωνώ
noun
ανακοινωθέν
/kɔmyˈnɪsmə/
noun
1. ideologie die gericht is op gemeenschappelijk bezit van productiemiddelen en verbruiksgoederen
κομμουνισμός
noun
κομμουνίστρια
noun
1. Comorbiditeit is het tegelijkertijd hebben van twee of meer stoornissen of aandoeningen bij een patiënt
συννοσηρότητα
pronoun
1. Bantoetaal gesproken op de Comoren, Madagaskar, Mayotte en Réunion
κομορικά
/ko.ˈmoː.rə(n)/, /ko.ˈmo̝ː.rə(n)/
pronoun
2. staat gevestigd op de gelijknamige eilanden
Κομόρες
adjective
1. ruimte beperkende uitvoering, gedrongen
συμπαγής
noun
2. vennootschap
λόχος
noun
1. verschijning in rechte
εμφάνιση
noun
1. iets wat minder is uitvallen, weer goed (proberen te) maken (met een extra toegift)
αντιστάθμιση
noun
1. wedijver, concurrentie
ανταγωνισμός
/kɔmplɛks/
adjective
1. ingewikkeld
μιγαδικός
noun
1. een lovende of vleiende opmerking
φιλοφρόνηση
noun
1. iemand die muziekstukken schrijft
συνθέτης
noun
  1. 1. een muziekstuk, werkstuk van een componist
  2. 2. samenstelling
σύνθεση
noun
1. is het residu dat ontstaat na ontbinding van organisch materiaal (d.w.z. van plantaardige of dierlijke oorsprong)
κοπρόχωμα
/kɔmproˈmi/
noun
1. overeenkomst waarbij de betrokken partijen concessies doen...
συμβιβασμός
/kɔm.ˈpju.tər/, /kɔm.ˈpɪ̯uː.tər/
noun
1. informatieverwerkende machine
  1. υπολογιστής
  2. κομπιούτερ
  3. ηλεκτρονικός
noun
1. een programma dat geïnstalleerd en gebruikt kan worden op een computer
υπολογιστικό πρόγραμμα
noun
1. een spel dat via of met de computer gespeeld wordt
παιχνίδι υπολογιστών
noun
1.
ιός υπολογιστή
noun
επιστήμη υπολογιστών
noun
αυτοσυγκέντρωση
verb
  1. 1. op één plek samenbrengen
  2. 2. zich ~ op één zaak toespitsen
συγκεντρώνομαι
noun
1. een muziekuitvoering door een orkest etc.
  1. ενορχήστρωση
  2. συναυλία
/kɔn.si.ˈjɛr.ʒə/, /kɔn.ˈʒɛr.ʒə/
noun
1. een huisbewaarder, een toezichter in een gebouw
θυρωρίνα
noun
1. een besloten kerkvergadering van kardinalen waarbij een paus gekozen wordt
κονκλάβιο
/ˌkɔŋklyˈderən/
verb
2. (overgankelijk) tot een besluit komen
συμπεραίνω
/kɔŋˈklyzi/
noun
συμπέρασμα
/kɔnˈkret/
adjective
2. in realiteit bestaand
συγκεκριμένος
noun
1. mededinger, wedijveraar
ανταγωνιστής
noun
1.
ανταγωνισμός
/kɔndɛn'zasi/
noun
συμπύκνωση
noun
1. elektrische component
πυκνωτής
noun
  1. 1. gezondheidstoestand
  2. 2. voorwaarde
κατάσταση
noun
προφυλακτικό
noun
ηλεκτρική αγωγιμότητα
noun
1. een medewerker van de spoorwegen die reizigers op vervoersbewijzen controleert en de orde in de trein of tram dient te bewaren
εισπράκτορας
/kɔnfedə'ral/
adjective
1.
συνομοσπονδιακός
noun
συνομοσπονδία
noun
διάσκεψη
noun
1. felgekleurde papiersnippers
κομφετί
/kɔnfixy'rerə(n)/
verb
1. opbouwen en aanpassen aan eigen behoefte
διαμορφώνω
verb
1. van staatswege in beslag nemen
κατάσχω
noun
διαμάχη
noun
ευπείθεια
noun
κομφουκιανισμός
/kɔŋˈɣrɛs/, /kɔŋˈχrɛs/
noun
1. een grote vergadering van deskundigen op een bepaald vakgebied
συνέδριο
adjective
1. de vorm hebbend van een (afgeknotte) kegel
κωνικός
noun
1. binding
συζυγία
noun
σύνδεσμος
verb
1. consecratie verrichten
αγιάζω
/kɔnˈsɛnzʏs/
noun
συναίνεση
noun
1. een noodzakelijk gevolg
συνέπεια
/kɔnsɛrvaˈtif/
adjective
1. vasthoudend aan het oude en vertrouwde
συντηρητικός
noun
συντηρητισμός
noun
1. een school in het hoger onderwijs waar men zich kan laten opleiden tot professioneel musicus, acteur/actrice of danser(es)
ωδείο
adjective
1. Altijd onveranderlijk
σταθερός
pronoun
Κωνσταντινούπολη
noun
1. verstopping, harde of uitblijvende ontlasting
δυσκοιλιότητα
noun
  1. 1. Romeins overheidspersoon
  2. 1. vertegenwoordiger
πρόξενος
noun
1.
προξενείο
noun
1. een deskundige raadgever
σύμβουλος
verb
  1. 1. verorberen
  2. 2. verbruik van goederen en diensten in de economie
καταναλώνω
noun
  1. 1. het nuttigen van voedsel
  2. 2. het verbruiken van goederen
ανάλωση
/kɔn.ˈtɑk/, /kɔn.ˈtɑkt/
noun
  1. 1. een toestand waarbij twee voorwerpen elkaar raken
  2. 2. onderlinge communicatie
  3. 3. een contactpersoon
  4. 4. een verbinding van twee elektrische geleidingen
  5. 5. een elektrische schakelaar
  6. 6. de grens tussen stollings- en nevengesteente
επαφή
noun
1. een zeer kleine glazen of kunststof lens die men direct op de oogbol plaatst ter vervanging van een bril
φακός επαφής
noun
κοντέινερ
noun
εμπορευματοκιβωτιοφόρο
noun
1. verontreiniging of besmetting met chemische stof of bacterie
μόλυνση
/ˈkɔntɛkst/
noun
1. verband waarin iets zich voordoet
πλαίσιο
noun
1. een werelddeel
ήπειρος
/ˌkɔntinyˈweːrə(n)/
verb
1. voortzetten
συνεχίζω
noun
συνέχεια
noun
1. het laagstklinkende muziekinstrument van de strijkinstrumenten
κοντραμπάσο
/kɔnˈtrɑkt/
noun
1. een schriftelijk vastgelegde overeenkomst
συμβόλαιο
noun
1. (muziekinstrument) fagot waarvan de noten een octaaf lager klinken dan de gewone fagot
κόντρα φαγκότο
adjective
αντιπαραγωγικός
noun
έλεγχος
verb
1. inspecteren, toezicht houden, onderzoeken, nazien
ελέγχω
/ˌkɔnvɛrˈɣɛnt/
adjective
1. in één punt samenkomend
συγκλίνων
/kɔn.vɛr.ˈsa.tsi/
noun
κουβέντα
noun
1. scheikundig element met symbool Cn en atoomnummer 112
κοπερνίκιο
pronoun
1. schiereiland in het zuidwesten van Engeland
Κορνουάλη
adjective
1. met betrekking tot de krans-slagaders van het hart
στεφανιαίος
adjective
1.
σωστός
noun
1. samenhang
συσχέτιση
noun
αλληλογραφία
verb
αλληλογραφώ
/ˌkɔriˈʒeːrə(n)/, /ˌkɔriˈʒɪːrə(n)/
verb
1. iets van fouten ontdoen
διορθώνω
noun
1. roest, een langzame verbinding met zuurstof
διάβρωση
noun
1. bedrog vanwege oneerlijkheid
διαφθορά
/'kɔrsɪkɑ/
pronoun
1. Frans eiland
Κορσική
pronoun
1. een taal die op Corsica gesproken wordt
  1. κορσικανικός
  2. κορσικανικά
noun
συνημίτονο
/ˌkɔs.ta.ˈri.ka/
pronoun
1. een staat in Midden-Amerika, tussen Panama en Nicaragua
Κόστα Ρίκα
noun
εφαπτομένη
noun
κουλόμπ
/kup/
noun
1. staatsgreep
πραξικόπημα
noun
στροφή
noun
1. massamedium
εφημερίδα
noun
1. Cucurbita pepo, een groente uit de komkommerfamilie
κολοκυθάκι
noun
κουσκούς
noun
1. iemand die tijdens de coronapandemie de maatregelen tegen de verspreiding...
κορονοβλάκας
noun
1. hoed gedragen door een cowboy
καουμπόικο καπέλο
noun
1. bepaald soort zoogdier, Canis latrans
κογιότ
noun
1. een constante factor van een onbekende of van een veranderlijke grootheid
συντελεστής
noun
1. seks waarbij de man met zijn penis het lichaam van de partner binnengaat
συνουσία
noun
2. op samenwerking gegronde vereniging of bedrijf
συνεταιρισμός
noun
1. een schepping, iets totaal nieuw
δημιουργία
/krejaˈtif/
adjective
1. scheppend vermogen bezittend, met een scheppende geest
δημιουργικός
noun
1.
κρεατίνη
noun
δημιουργισμός
noun
1. gedrevenheid of vaardigheid om iets oorspronkelijks te maken
δημιουργικότητα
noun
1. schepsel; iets dat gemaakt is
δημιούργημα
noun
πιστωτική κάρτα
verb
αποτεφρώ
/krɛˈʃɛndo/
noun
κρεσέντο
noun
1. een uit Engeland afkomstig slagbalspel in de open lucht
κρίκετ
noun
1. de misdadigheid, het begaan van misdaden
εγκληματικότητα
adjective
1. met betrekking tot misdaad
εγκληματικός
noun
1. iemand door zich onderhoudt door de wet te breken
εγκληματικός
noun
1. sociologie van misdaad en misdadigheid
εγκληματολογία
noun
1. beoefenaar van de criminologie
εγκληματολόγος
noun
1. een zware noodsituatie waarbij het functioneren van een stelsel ernstig verstoord raakt
κρίση
/kriˈterijʏm/
noun
1. toets, een doorslag gevende reden
κριτήριο
/krʋɑˈsɑ̃/
noun
1. halvemaanvormig broodje
κρουασάν
noun
1. vakantie op een varend schip met uitgebreide voorzieningen voor de passagiers
κρουαζιέρα
noun
1. een passagierschip dat gebouwd en uitgerust wordt om er cruises mee te maken.
κρουαζιερόπλοιο
/krio'ɣenijʏm/
noun
Κρυογενής
noun
κρυπτανάλυση
noun
1.
χαρτί κρεπ
noun
1.
κρεπερί
/ˈky.ba/
pronoun
eiland en land in het Caribisch gebied
Κούβα
adjective
κουβανικός
adjective
1. met betrekking tot de kookkunst
εδεσματολογικός
/kʏltyˈrel/
adjective
1.met betrekking tot cultuur
πολιτιστικός
noun
δόγμα
/kɵl'tyːr/
noun
1. het patroon van menselijke activiteit en de symbolische structuren,...
πολιτισμός
/kymylaˈtif/
adjective
1. opstapelend, gesommeerd over alle bijdragen tot heden
αθροιστικός
noun
σωρειτομελανίας
/ky.ra.ˈsʌʊ̯/, /kyː.ra.ˈzaʊ̯/
pronoun
1. een eiland en 2. een land
Κουρασάο
noun
2. gele voedselkleurstof
κουρκουμινη
noun
1. uitkrabbing
απόξεση
noun
κιούριο
noun
1. een precisiesport die lijkt op bowls, jeu de boules en bocce, die op ijs gespeeld wordt gespeeld met zware stenen in plaats van metalen (of plastic) ballen
κέρλινγκ
noun
καμπύλη
adjective
1. met betrekking tot de huid
δερματικός
noun
κυβερνοεπίθεση
noun
1. wetenschap van de besturing van systemen
κυβερνητική
noun
1. oorlogvoering waarbij hackers staten aanvallen om te trachten systemen te saboteren of te spioneren
κυβερνοπόλεμος
/ˈsiklis/
adjective
1. regelmatig terugkerend
κυκλικός
noun
2.
kyklonas
noun
κύκλωπας
noun
1. terugkerende, regelmatige reeks
κύκλος
/ˈsinis/
adjective
  1. κυνικός
  2. ωμός
noun
1. inwoner van Cyprus
Κύπριος
adjective
1. op Cyprus betrekking hebbend
κυπριακός
/ˈki.prʏs/, /ˈsi.prʏs/
pronoun
land in de Middellandse Zee, tussen Europa en Azië, officieel de Republiek Cyprus, eiland in de Middellandse Zee
Κύπρος
/sɪˈrɪlɪs/
adjective
1. betrekking hebbend op een alfabet
κυριλλικός
noun
1. een alfabet dat geschreven wordt in het cyrillisch schrift
κυριλλικό αλφάβητο
/ˈkɪstə/
noun
1. holte gevuld met vocht
κύστη
noun
1. kijkonderzoek van de blaas
κυστεοσκόπηση
/ˌsitɔˈplɑsma/
noun
κυτταρόπλασμα
/daːr/
adverb
1. op die plaats
εκεί
/daːr/
conjunction
1. omdat
αφού
verb
1. vingerafdrukken afnemen
δακτυλοσκοπώ
noun
ντανταϊσμός
noun
1. zoete bruine vrucht van de dadelpalm
χουρμάς
noun
1. palm waaraan dadels groeien
χουρμαδιά
noun
1. iemand die iets (slechts) gedaan heeft
δράστης
/dɑx/, /dɑχ/
noun
  1. 1. tijd waarin een hemellichaam volledig om zijn as draait
  2. 2. tijd tussen zonsop- en zonsondergang
  1. μέρα
  2. ημέρα
noun
1. klassiek massamedium, gedrukt op papier en gericht op het verspreiden van nieuws
εφημερίδα
noun
ημερολόγιο
adverb
1. iedere dag
  1. καθημερινά
  2. καθημερινός
noun
1. het aanbreken van de nieuwe dag, de tijd net voor zonopkomst
αυγή
/'dɑxlɪxt/
noun
1. licht van de zon
φως
noun
1. een oproep om voor een rechtbank te verschijnen
κλήση
noun
1.
ντάλια
pronoun
Δαχομέη
noun
1. deel dat een gebouw aan de bovenkant bedekt en bescherming biedt tegen het weer
  1. στέγη
  2. σκεπή
noun
1. een langgerekte bakvormige of halfronde constructie voor het afvoeren van (regen)water dat van het dak komt
υπόνομος
noun
1. elkaar overlappende stenen of betonnen elementen waarmee een schuin dak lekdicht gedekt wordt
κεραμίδι
/dɑl/
noun
1. een laagte in een heuvel- of bergstreek
  1. κοιλάδα
  2. λεκάνη ποταμού
  3. υδρορρόη
/dɑl'matis/
adjective
δαλματικός
noun
1. weeftechniek, waarbij tekeningen aangebracht worden op een achtergrond van dezelfde kleur
δαμάσκο
/daːmə/
noun
  1. 3. koningin in het schaakspel
    βασίλισσα
  2. 1. beschaafde vrouw
    κυρία
noun
1.
κυρίες και κύριοι
noun
1. Dama dama, behoort tot de familie Cervidae, hert met een breed plat gewei...
πλατώνι
verb
1. het damspel spelen
ντάμα
/dɑmp/
noun
1. de gasvormige toestand van een stof, de toestand die ontstaan is door verdamping
ατμός
conjunction
1. na een vergrotende trap van een bijvoeglijk naamwoord of van een bijwoord.
από
pronoun
3. jongensnaam
Ντάνιελ
noun
1. een goede gezindheid jegens iemand voor bewezen diensten
ευγνωμοσύνη
interjection
1. uitdrukking van dankbaarheid
ευχαριστώ
adjective
1. erkentelijk voor ontvangen hulp
ευγνώμων
noun
1. het dankbaar zijn
ευγνωμοσύνη
verb
ευγνωμονώ
preposition
1. door de positieve werking van
χάρη σε
noun
1. een verzameling sierlijke bewegingen, meestal op basis van een muzikaal ritme
χορός
verb
1. ritmisch bewegen
χορεύω
noun
1. mannelijk persoon die danst
χορευτής
/dɑnsə'rɛs/
noun
1. een vrouwelijk persoon die danst
χορεύτρια
noun
πίστα
/ˈdɑpər/
adjective
geen angst voor gevaar tonend
  1. γενναίος
  2. ανδρείος
noun
1. mannelijke bij
κηφήνας
/dɑrm/
noun
1. onderdeel van het spijsverteringsstelsel tussen de maag en de anus
έντερο
noun
νταρμστάντιο
/dɑs/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Meles meles
ασβός
conjunction
1. een voegwoord dat een lijdend-voorwerpszin inluidt
  1. ότι
  2. πως
noun
de derde van de acht naamvallen van de Indo-Europese talen
δοτική
noun
1. Russisch buitenverblijf
ντάτσα
noun
1. een tijdsaanduiding die bestaat uit een dag(nummer), een maand en een jaar
ημερομηνία
noun
δροσιά
noun
1. elk van de talrijke bolletjes gecondenseerd water die op het koudst van de nacht, net voor zonsopgang, uit de lucht neerslaan op voorwerpen
δροσοσταλίδα
noun
σημείο δρόσου
pronoun
Δαβίδ
article
1. (de) wordt gebruikt voor mannelijke en vrouwelijke zelfstandige naamwoorden in het enkelvoud en altijd voor het meervoud, waarbij het een specifieke persoon of ding aanduidt in plaats van het algemene geval
ο
interjection
1. er is een onomkeerbare stap gezet
ο κύβος ερρίφθη
noun
1. Verkoper
έμπορος
noun
συζήτηση
/deˈbil/
noun
  1. 1. iemand die min of meer zwakzinnig is
  2. 2. bespottelijk iemand, halve gare, idioot
καθυστερημένος
noun
αποσφαλματωτής
noun
  1. 1. C10H22
  2. 2. hoofd van een faculteit
κοσμήτορ
noun
1.
δεκάμετρο
noun
1. een reactie waarbij een carboxylgroep afsplitst van de rest van het molecuul in de vorm van een koolstofdioxidemolecuul (CO₂)
αποκαρβοξυλίωση
noun
1. de twaalfde en tevens laatste maand van het jaar
  1. Δεκέμβριος
  2. Δεκέμβρης
noun
δεκατοστόγραμμα
verb
1.sterk in aantal terugbrengen, gewoonlijk door afslachting
αποδεκατίζω
noun
1. een lengtemaat met een waarde van één tiende meter
δεκατόμετρο
/dekliˈna(t)si/
noun
1, 2
απόκλιση
noun
1.
αποκωδικοποιητής
noun
1. ongebakken kneedbare uitgangsmateriaal voor het bakken van diverse broden en gebak
  1. ζυμάρι
  2. ζύμη
noun
1. rol om deeg uit te rollen
πλάστης
/ˈdeːl/
noun
  1. 1. een afsplitsing van een geheel
  2. 2. één uit een reeks
μέρος
verb
1. meedoen, meevoelen
συμμετέχω
noun
διαιρετέος
noun
1. symbool om deling aan te duiden
διά
noun
2. onderdeel van een atoom
σωματίδιο
noun
σωματιδιακή φυσική
noun
επιταχυντής σωματιδίων
noun
μετοχή
/den/, /deːn/
noun
1. een inwoner van Denemarken
Δανός
/dens/, /deːns/
adjective
1. betreffende Denemarken of het Deens
  1. δανικός
  2. δανικά
/dens/, /deːns/
pronoun
1. een Germaanse taal die wordt gesproken in Denemarken
  1. δανικά
  2. δανέζικα
/ˈdensə/, /ˈdeːnsə/
noun
Δανή
noun
1. ongeloof in het eigen succes.
ηττοπάθεια
adjective
1. van iets dat het gebreken vertoont
ελλειπτικός
noun
1. een apparaat waarmee met behulp van stroomstoten het normale hartritme hersteld kan worden
απινιδωτής
noun
1. begripsbepaling
ορισμός
noun
  1. 1. het vallen van het prijspeil waardoor het geld in waarde toeneemt
  2. 2. proces waarbij gesteenten door de wind worden afgesleten
αποπληθωρισμός
noun
ανασυγκρότηση
noun
6. verwijzing naar een lagere speelklasse
υποβιβασμός
noun
αποανάπτυξη
pronoun
  1. 1. Griekse god van de paniek
  2. 2. kleinste van de twee manen van Mars
Δείμος
noun
1. een verdieping op een schip
κατάστρωμα
noun
1. dikke deken gevuld met isolerend materiaal
πάπλωμα
/dekə(n)/
noun
1. een (vaak dikke) doek, met de functie om iemand te bedekken en daarmee warm te houden (tijdens de slaap)
κουβέρτα
noun
1. een voorwerp om een hol open lichaam mee af te dekken
καπάκι
noun
  1. 1. afvaardiging
  2. 3. schuldoverneming
αντιπροσωπεία
verb
  1. 1. samen met een ander gebruiken
    μοιράζομαι
  2. 2. in meer dan één stuk snijden of hakken
    μοιράζω
noun
διαιρέτης
pronoun
1. het nationaal hoofdstedelijk territorium van India waarin de nationale hoofdstad New Delhi gelegen is. Het territorium is gesitueerd in het noorden van het land
Δελχί
noun
1. waanzinnigheid, acuut psychische stoornis ten gevolge van lichamelijke aandoening, vergiftiging...
παραλήρημα
noun
δέλτα
noun
δημαγωγία
noun
1. een aandoening van de hersenen waardoor de verstandelijke en cognitieve vermogens verminderen
άνοια
noun
1. het tonen en uitleggen van iets
ντέμο
noun
δημοκρατία
adjective
1. in overeenstemming met de principes van een democratie
δημοκρατικός
noun
1.
δημογράφος
noun
1. de studie van alles wat de omvang, samenstelling en spreiding van een bepaalde bevolkingsgroep en de veranderingen hierin betreft
δημογραφία
/ˌde.mo.ˈnim/
noun
1. naamwoord dat betrekking heeft op een bepaald land of volk
πατριδωνυμικό
verb
δείχνω
pronoun
1. de hoofdstad van de provincie Zuid-Holland en tevens de stad waar de Nederlandse regering zetelt
Χάγη
noun
δενδρίτης
/ˈdenəˌmɑrkə(n)/, /ˈdeːnəˌmɑrkə(n)/
pronoun
1. een Scandinavisch land in Noord-Europa
  1. Δανία
  2. Δανιμαρκία
verb
  1. 1. een oplossing zoeken
  2. 3. een bepaalde mening toegedaan zijn
σκέφτομαι
/ˈdejo/
noun
1. een middel dat gebruikt wordt om de geur van transpiratie weg te nemen of te voorkomen
αποσμητικό
/ˌdejodɔːˈrɑnt/
noun
1. een middel dat gebruikt wordt om de geur van transpiratie weg te nemen of te voorkomen
αποσμητικό
noun
δεοντολογία
noun
απέλαση
noun
απόσβεση
noun
  1. 1. ziekelijke neerslachtigheid
    1. Μείζων καταθλιπτική διαταραχή
    2. κατάθλιψη
    1. 2. gebied met lage luchtdruk
    2. 3. langdurige inzinking in de economische ontwikkeling
    κατάθλιψη
adjective
1. somber makend; depressie veroorzakend
καταθλιπτικός
/ˈdɛrdə/
noun
  1. 1. door drie gedeeld iets
    τρίτο
  2. 1. nummer drie in een rij
    τρίτος
/ˈdɛrdə/
ordinalAdjective
1. betrekking hebbend op nummer drie in een rij
τρίτος
noun
τρίτο πρόσωπο
noun
1. huidontsteking
δερματίτιδα
noun
1. een specialisme binnen de geneeskunde dat zich bezighoudt met aandoeningen van de huid, de nagels en het haar, samen huidziekten genoemd
δερματολογία
noun
1. Huidspecialist
δερματολόγος
cardinalNumeral
1. het getal 13
  1. δεκατρία
  2. δεκατρείς
ordinalAdjective
δέκατος τρίτος
cardinalNumeral
1. het getal 30
τριάντα
verb
1. eenduidig maken, van zijn dubbelzinnigheid ontdoen
αποσαφηνίζω
verb
λιποτακτώ
noun
1.
λιποτάκτης
noun
σχεδιαστής
noun
1. onjuiste of misleidende informatie, die bewust verstrekt wordt met het oogmerk...
παραπληροφόρηση
noun
1. een specialist
ειδικός
adverb
1. geeft een tegenstelling aan met het voorafgaande
ωστόσο
noun
1. proces waarin een specifieke soort atomen of moleculen wordt losgemaakt uit een vaste stof en daaruit verdwijnt
εκρόφηση
noun
  1. DNA
  2. δεσοξυριβοζονουκλεϊνικό οξύ
noun
δεσποτισμός
noun
γλυκό
noun
1. onderdeel, kleinigheid
λεπτομέρεια
/detɛkˈtivə/
noun
2. speurder die tracht misdaden op te lossen of bewijsmateriaal te verzamelen
ντετέκτιβ
verb
1. iemand van staatswege gevangen houden
κρατώ
noun
1. iets dat goed is in zedelijk opzicht
αρετή
adjective
1. bereid zich te gedragen in overeenstemming met algemeen aanvaarde waarden
ενάρετος
/døːr/
noun
1. een afsluiting van een toegang tot een ruimte, gemaakt van hout, metaal of kunststof
  1. πόρτα
  2. θύρα
noun
1. een handvat waarmee een deur wordt geopend of gesloten
πόμολο
noun
1. een kleine mat, waarop men bij de deur de schoenen kan afvegen
πατάκι
/dœyˈterijʏm/
noun
1. een isotoop van waterstof
δευτέριο
/dewteɾoˈnomjum/
pronoun
Δευτερονόμιο
demonstrativePronoun
ίδιος
/deʲɪsmə/
noun
ντεϊσμός
noun
ντάρμα
noun
1. stofwisselingsziekte waarbij het lichaam geen of te weinig insuline produceert
διαβήτης
adjective
διαβητικός
noun
διαγένεση
noun
1. vaststelling van een ziekte
διάγνωση
/'dɪɑɣnɔstɪ'seːrə(n)/
verb
1. aan de hand van verschijnselen de ziekte bepalen
διαγιγνώσκω
adjective
διαγνωστικός
adjective
διαγώνιος
noun
1. een symbolische en grafische voorstelling van een aantal zaken en hun onderling verband
διάγραμμα
noun
διάκονος
/diaˈlɛkt/
noun
1. een variant van een taal met kenmerkende grammaticale, fonologische en andere kenmerken
διάλεκτος
/ˌdi.ja.ˌlɛk.to.lo.ˈɣi/, /ˌdi.ja.ˌlɛk.to.lo.ˈχi/
noun
1. de wetenschap die regionale verschillen tussen taalvariëteiten bestudeert
διαλεκτολογία
noun
διάλογος
noun
  1. 1. een uiterst hard, doorzichtig mineraal met kubische symmetrie dat uit koolstof bestaat
  2. 2. een edelsteen gesneden uit [1]
διαμάντι
noun
1. middellijn
διάμετρος
/diɑ're/
noun
1. darmstoornis die dunne ontlasting veroorzaakt
διάρροια
/diˈjaspora/
noun
διασπορά
adjective
diatonisch
διατονικός
adjective
1. compact
πυκνός
preposition
1. op een korte afstand van
κοντά
noun
1. iemand die poëtische kunst voortbrengt
ποιητής
noun
1. compactheid
πυκνότητα
noun
1. iemand die als enige de macht in een land in handen heeft
δικτάτορας
noun
1. staatsvorm waarbij de macht vrijwel volledig in handen van één of enkele personen ligt
δικτατορία
/dɪk'te/
noun
1. een tekst die wordt gedicteerd en door andere personen wordt opgeschreven als toets in het correct spellen
ορθογραφία
noun
2. een aanpassing in het eet- en voedingspatroon
δίαιτα
/dif/
noun
1. iem. die steelt
κλέφτης
noun
1. het zich onrechtmatig toe-eigenen van goederen of andere bezittingen die aan een ander toebehoren
κλοπή
noun
δίσκος
/ˈdinən/
verb
1. werken voor; in dienst zijn van
υπηρετώ
noun
  1. 1.
  2. 4. kerkdienst
υπηρεσία
/ˈdinst.plɪxt/
noun
1. verplichting om ergens te werken
στρατολόγηση
adjective
1. waar de bodem ver naar beneden is
βαθύς
/'diptə/
noun
1. de mate waarin iets diep is
βάθος
/diːr/
noun
1. met zintuigen uitgerust meercellig organisme dat zijn energie verkrijgt uit andere dierlijke of plantaardige organismen
ζώο
adjective
1. waaraan men grote waarde hecht
αγαπητός
noun
1. arts voor dieren, met name kleine huisdieren
κτηνίατρος
noun
1. de verzameling van alle diersoorten
ζωικό βασίλειο
/ˈdiːrə(n)ˌtœʏ̯n/, /ˈdiːrə(n)ˌtœːn/
noun
1. een verzameling levende, oorspronkelijk wilde dieren.
ζωολογικός κήπος
noun
1. de wetenschap die de dieren bestudeert.
ζωολογία
noun
1. dieselmotor
ντίζελ
noun
κινητήρας ντίζελ
noun
1. infectieziekte
διφθερίτιδα
/ˈdɪftɔŋ/
noun
1. een foneem dat uit twee klinkers bestaat die binnen één lettergreep in elkaar overgaan
δίφθογγος
noun
1. het verschijnsel dat een diftong overgaat in een monoftong
διφθογγισμός
/dɛj/
noun
1. het deel van het menselijk been tussen heup en knie
μηρός
noun
1. een waterkering ter bescherming van het achterliggende land
ανάχωμα
/dɪk/
adjective
    1. 1. een naar verhouding grote dwarsdoorsnede hebbend
    2. 6. nauw aaneengesloten
    3. 7. weinig vloeibaar
    4. 5. hecht
    παχύς
    1. 2. de genoemde dwarsdoorsnede hebbend
    2. 3. een naar verhouding grote lichaamsomvang hebbend
    χοντρός
adverb
συχνά
/dɪ'lɛmɑ/
noun
moeilijke keuze
δίλημμα
noun
1. de plant en de bladeren van het kruid
  1. άνηθος
  2. άνηθο
noun
  1. 1. afmeting in een bepaalde richting
  2. 2. parameter van een wiskundige ruimte
  3. 3. categorie waarin een fysische grootheid valt
διάσταση
pronoun
1. Noordwest-Iraanse taal gesproken door 2,5 miljoen Koerden uit Turkije
Ζαζαϊκή
noun
διμορφισμός
noun
1. warme maaltijd
δείπνο
verb
1. het diner gebruiken
δειπνώ
noun
1. voorwerp
πράγμα
noun
1. Canis lupus dingo, een Australische wilde hond
ντίγκο
/ˌdinoˈsʌʊriər/
noun
1. een lid van een uitgestorven groep van reptielen, waartoe de grootste landdieren behoren die ooit bestaan hebben
δεινόσαυρος
/ˌdinoˈsʌʊrəs/
noun
1. een lid van een uitgestorven groep van reptielen, waartoe de grootste landdieren behoren die ooit bestaan hebben
δεινόσαυρος
noun
1. dag van de week die na maandag en voor woensdag komt
Τρίτη
noun
1. bestuurlijk gebied in de rooms-katholieke Kerk of andere Kerken
επισκοπή
noun
δίοδος
noun
διοξείδιο
noun
1. een bewijs van bevoegdheid
δίπλωμα
noun
1. de kunst en de kunde van het voeren van overleg
διπλωματία
adjective
1. betrekking hebbende op de diplomatie
διπλωματικός
adjective
1. zonder te wachten, zonder iets daartussen
άμεσος
noun
1. staafje dat een dirigent bij het dirigeren hanteert
μπαγκέτα
noun
1. een leider van een orkest, koor of ander muziekgezelschap
μαέστρος
/dɪs/
noun
1. gedekte tafel
τραπέζι
noun
1. beschrijvend overzicht van de elpee's of cd's van een artiest of muziekgroep
Δισκογραφία
noun
δισκοθήκη
adjective
1. zonder aandacht te trekken, onopvallend
διακριτικός
noun
1. onverwachte onderlinge afwijking
ασυμφωνία
noun
  1. 1. bescheidenheid of kiesheid
  2. 2. geheimhouding
διακριτικότητα
noun
διάκριση
/ˈdɪskʏs/
noun
1. een zware werpschijf die gebruikt wordt bij de atletische sport discuswerpen.
δίσκος
noun
1. een gedachtewisseling waarbij doorgaans verschillende meningen worden uitgewisseld
συζήτηση
verb
συζητώ
noun
1. een atletiekdiscipline waarbij men een discus zo ver mogelijk probeert te werpen
δισκοβολία
noun
ανικανότητα
/dɪsəl/
noun
3. houtbewerkingsbijl
σκεπάρνι
adjective
1. naar het einde van de ledematen toe
άπω
noun
γαϊδουράγκαθο
noun
1. verdeling, verspreiding
διανομή
noun
1. het gebied van een lokale overheid
δήμος
demonstrativePronoun
αυτό
noun
1. urinedrijvend middel
διουρητικό
/(d)ʒi.ˈbu.ti/, /dji.ˈbu.ti/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika 2. de hoofdstad van
Τζιμπουτί
pronoun
1.
Δνείπερος
noun
1. kubusvormig voorwerp met op elk van de zijden een van de ogenaantallen één tot en met zes
ζάρι
noun
1. een vrouwelijk kind
  1. κόρη
  2. θυγατέρα
/ˈdɔktɔr/
abbreviation
1. een academicus die een goedgekeurd proefschrift heeft geschreven
διδάκτωρ
noun
1. een verzameling leerstellingen of dogmas die niet ter discussie staan
δόγμα
noun
1. een verzameling gegevens
έγγραφο
noun
1. een op waarheid beruste film
ντοκιμαντέρ
/dokymɛn'taʦi/
noun
1. geschreven materiaal dat een bepaald onderwerp om- en beschrijft
τεκμηρίωση
verb
1. onderbouwen, staven
τεκμηριώνω
/'do:dələk/
adjective
1. de dood veroorzakend
θανατηφόρος
/ˈdo.də(n)/
verb
1. iemand van het leven beroven.
σκοτώνω
noun
1. een afgietsel van het gelaat van een dood persoon, gewoonlijk gemaakt van was of gips
νεκρική μάσκα
/ˈdodə(n)ˌmɪs/
noun
1. een mis opgedragen voor een overledene
μνημόσυνο
/ˈdudɔɫˌzɑk/, /ˈdudəlˌzɑk/
noun
1. een rietinstrument waarbij het riet indirect bespeeld wordt via een luchtzak
  1. γκάιντα
  2. άσκαυλος
  3. ασκομαντούρα
  4. τσαμπούνα
noun
1. bepaald soort in het water levend zoogdier, Dugong dugon
ντιγκόνγκ
noun
4. gordijn
αυλαία
noun
1. een van de twee gemarkeerde ruimten op een sportveld
γκολ
noun
1. de balk aan de bovenkant van een (voetbal)doel
οριζόντιο δοκάρι
adjective
1.
στόχος
noun
τερματοφύλακας
noun
γκολ
verb
1. een actie ondernemen
κάνω
noun
1. een boom met zeer smakelijke maar stinkende vruchten
δούριο
noun
δόγης
/'dɔɣma/
noun
1. een vastomlijnd geloofsartikel dat aan geen beredenering meer is onderworpen
δόγμα
adjective
δογματικός
noun
1. kamer zonder daglicht waarin foto's kunnen worden ontwikkeld en afgedrukt
σκοτεινός θάλαμος
noun
γιατρός
/dɔl/
noun
1. roeipen
σκαρμός
noun
ντόλτσε φαρ νιέντε
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Δελφίν
/dɔlˈfɛɪ̯n/, /dɔlˈfɛːn/, /dɔɫˈfɛɪ̯n/, /ˈdɔlfɛɪ̯n/, /ˈdɔlfɛːn/, /ˈdɔɫfɛɪ̯n/
noun
1. familie Delphinidae van mittelgrote tandwalvissen met vooruitstekende snuit
δελφίνι
noun
  1. ξιφίδιο
  2. στιλέτο
/ ˈdɔlɑr /
noun
1. munt en munteenheid
  1. δολάριο
  2. δολλάριο
adjective
1. van weinig verstand getuigend
χαζός
noun
επικράτεια
noun
1. temming tot huisdier of cultuurgewas
εξημέρωση
verb
1. tot huisdier of cultuurgewas temmen
εξημερώνω
noun
2. vijfde trede van toonladder
δεσπόζουσα
/ˌdo.mi.ni.ˌkan.sə.re.py.ˈblik/, /ˌdo.mi.ni.ˌkans.re.pʏ.ˈbliːk/
pronoun
1. een land in het Caribisch gebied dat ten westen aan Haïti grenst en daarmee...
Δομινικανή Δημοκρατία
noun
1.
φαινόμενο ντόμινο
verb
1. half in slaap zijn
νυστάζω
noun
1. een schenking
δωρεά
pronoun
1. een rivier in Europa die in het Zwarte Woud in Duitsland ontspringt en naar de Zwarte Zee stroomt.
Δούναβης
noun
1. een zeer luid geluid bij onweer
βροντή
noun
1. een dag van de week die na woensdag en voor vrijdag komt
Πέμπτη
adjective
1. zonder licht
σκοτεινός
noun
1. toestand dat er geen licht is
σκοτάδι
noun
1. fijne veren die onder de taaiere buitenveren zitten, vaak gebruikt als vulstof voor kussens, dekbedden en slaapzakken
πούπουλα
/doːt/
adjective
1. niet meer levend
  1. νεκρός
  2. πεθαμένος
/doːt/
noun
  1. 2. skeletvormige figuur, vaak met zeis, die bovengenoemde toestand personifieert
    θάνατος
  2. 1. de toestand na het leven
    1. θάνατος
    2. θανατάς
/ˈdotxan/
verb
1. het leven verlaten
πεθαίνω
adjective
1. bij de geboorte al overleden
θνησιγενής
noun
1. (beroep) persoon
νεκροθάφτης
noun
φέρετρο
/dotslɑx/
noun
1. het iemand anders opzettelijk, maar zonder voorbedachten rade van het leven beroven
ανθρωποκτονία
noun
1. als straf gedood worden
  1. Θανατική ποινή
  2. θανατική ποινή
noun
1.de periode van het getij waarin het verschil tussen hoog- en laagwater minimaal is
χαμηλή παλίρροια
/doːf/
adjective
1. niet of minder goed tot horen in staat zijn
κουφός
noun
κώφωση
noun
1. smelten
απόψυξη
noun
κρόκος
noun
  1. 1. stelsel van paden of dwaalwegen, zodanig aangelegd dat men daarin moeilijk de weg kan vinden
  2. 2. ingewikkelde zaak
λαβύρινθος
noun
1. plechtige besprenkeling of onderdompeling waarmee iemand tot een kerk gaat behoren
βάπτισμα
noun
1. de doop
βάπτιση
/ˈdop.vɔnt/
noun
1. een bekken voor de bediening van de doop en het bewaren van het doopwater in een kerkgebouw
κολυμβήθρα
/ˈdoːr/, /[doːr]/, /[dʊːr]/
preposition
  1. 1. bij lijdende vorm
  2. 2. oorzaak
  3. 3. in
  4. 6. als achterzetsel: doorheen
από
noun
πέρασμα
noun
1. scherp uitsteeksel aan een plant
  1. αγκάθι
  2. αγκίδα
noun
1. Datura stramonium, een zeer giftige plant die hallucinogene alkaloïden bevat
Στραμώνιο
/ˈdornəkron/
noun
1. van doorntakken gevlochten kroon als symbool van het martelaarschap
ακάνθινο στεφάνι
adjective
αποφασιστικός
noun
2. diameter
διάμετρος
/dɔːrˈstan/
verb
1. ondanks moeilijkheden er nog goed voorstaan
αντέχω
verb
1. volhouden
αντέχω
/doːrˈzɪxtəx/, /doːrˈzɪxtɪx/, /do̝ːrˈzɪχtəχ/
adjective
[1] waar licht zo ongehinderd door kan treden dat het zicht erdoor niet belemmerd wordt
διαφανής
/doʊs/, /doːs/
noun
1. een veelal kartonnen balkvormig opslagmiddel
  1. κουτί
  2. κιβώτιο
noun
1.
ντοπαμίνη
verb
2. iemand ritueel met water besprenkelen of erin onderdompelen en zodoende tot een geloof toelaten
βαπτίζω
noun
1. stimulerende (genees)middelen
ντοπάρισμα
/dɔrp/
noun
1. kleine, permanente nederzetting
χωριό
noun
1. inwoner van een kleine plaats op het platteland
χωριάτης
verb
αλωνίζω
noun
1. toestel dat de graankorrels uit de korenaren slaat
αλωνιστική μηχανή
noun
δίψα
noun
κόπανος
noun
1. vloer waarop gedorst wordt
αλώνι
noun
1. (medisch) verstrekte hoeveelheid
δοσολογία
noun
1. hoeveelheid van een geneesmiddel die je per keer moet innemen
δόση
noun
1. een overheidsdienst die belast is met de controle op het internationaal goederenverkeer
τελωνείο
/duʃ/
noun
1. stortbad
ντους
verb
1. een bestand van een computer of server op afstand naar een lokale computer of server overbrengen
κατεβάζω
noun
1. een set van twaalf
δωδεκάδα
/draːt/
noun
3. elektrisch verbindingsmateriaal
σύρμα
/drat.los/, /ˈdraːd.loːs/
adjective
1. waarbij geen draden nodig zijn voor de overdracht van een signaal
ασύρματος
/ˈdraxbar/, /ˈdraχbar/
adjective
1. te dragen, met de mogelijkheid gedragen te worden
φορητός
noun
1. ongemoduleerde elektromagnetische radiogolf
φέρον σήμα
/ˈdraːɣ.mudər/
noun
αναπληρωματική μητέρα
noun
1. een machine die een ingeklemd werkstuk ronddraait zodat dit met beitels en boren kan worden bewerkt
τόρνος
/ˈdraːi̯ən/
verb
  1. Vertalingen: na te kijken
  2. 1. om een middelpunt bewegen
γυρίζω
noun
1. iemand die met een draaibank werkt
τορναδόρος
noun
στροφή
noun
1. een mechanisch bediend of automatisch spelend orgel, meestal op straat spelend
λατέρνα
pronoun
sterrenbeeld nabij de noordelijke hemelpool
Δράκων
/draːk/
noun
1. fabeldier
  1. δράκος
  2. δράκοντας
verb
1. al van de vloer houdend vervoeren
κουβαλώ
noun
1. een persoon die (letterlijk) draagt
κομιστής
/ˈdraɣɔn/
noun
2. kruid
εστραγκόν
noun
1.
δραγόνος
noun
  1. 1. een droevige of aangrijpende gebeurtenis
  2. 2. een bepaald soort film of toneelstuk
δράμα
/drɑŋk/
noun
  1. 2. vloeistof om de dorst te lessen
  2. 1. alcoholhoudende vloeistof
ποτό
/ˈdrɑs.tis/, /ˈdrɑs.tɪs/
adjective
1. doelgericht zeer ingrijpend
δραστικός
noun
1. grassoort
βρόμος
verb
1. een bestraffende handeling in het vooruitzicht stellen
απειλώ
noun
1. onderdorpel van een kozijn
κατώφλι
/ˈdrɛntə/
pronoun
1. provincie in het noorden van Nederland, die door Friesland, Groningen, Overijssel en het Duitse Nedersaksen wordt begrensd
Ντρέντε
pronoun
1.
Δρέσδη
cardinalNumeral
1. telwoord
  1. τρία
  2. τρεις
noun
1. het cijfer 3
τρία
adjective
1. met drie afmetingen, hoogte, breedte en diepte
τρισδιάστατος
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Τρίγωνον
noun
1. tweedimensionale geometrische vorm, bestaande uit 3 hoeken en 3 zijden
τρίγωνο
noun
1. (romantische) verhouding waarbij drie mensen zijn betrokken
ερωτικό τρίγωνο
adjective
met drie koppen
τρικέφαλος
noun
τρίαινα
noun
1.
ρίσσα
noun
τρίκυκλο
cardinalNumeral
1. het getal 33
τριάντα τρείς
cardinalNumeral
1. het getal 93
ενενήντα τρείς
cardinalNumeral
1. het getal 83
ογδόντα τρείς
cardinalNumeral
1. het getal 23
είκοσι τρείς
cardinalNumeral
1. het getal 43
σαράντα τρείς
cardinalNumeral
1. het getal 53
πενήντα τρείς
cardinalNumeral
1. het getal 63
εξήντα τρείς
/ˈdrijənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 73
εβδομήντα τρείς
noun
1. gas dat in spuitbussen gebruikt wordt om de inhoud onder druk te zetten
  1. προωθητικό (μέσο)
  2. προωστική ύλη
noun
1. bodem bestaand uit heel kleine korreltjes vergruisd gesteente, verzadigd met zoveel water dat alles wat zwaar is er in wegzakt
κινούμενη άμμος
adjective
επείγων
/'drɪŋkə(n)/
noun
πίνω
noun
water dat geschikt is om gedronken te worden
πόσιμο νερό
verb
1. vocht laten of doen verdampen
στεγνώνω
noun
winkel van een drogist
φαρμακοπωλείο
noun
1. uitwerpsel, ontlasting
κουράδα
noun
1. Camelus dromedarius, herkauwer uit Afrika met vetbult op de rug
  1. δρομάς
  2. δρομάδα
verb
  1. je een voorstelling maken van wat je graag wil
    ονειρεύομαι
  2. 1. ervaren van een reeks gebeurtenissen of beelden tijdens de slaap
    1. ονειρεύομαι
    2. ονειροπολώ
noun
ονειροπόλος
/drɔŋkə(n)/
adjective
1. onder invloed van alcohol
μεθυσμένος
noun
het zwaar onder invloed van alcohol zijn
μεθύσι
/droːx/
adjective
1. geen of zeer weinig vocht bevattend.
στεγνός
noun
1. lange periode zonder of met minder neerslag
  1. ανομβρία
  2. ξηρασία
noun
  1. 1. beelden die men ziet wanneer men slaapt
  2. 2. een gedachte waarvan met graag had gehad dat ze werkelijkheid werd
όνειρο
noun
1. het duiden van de betekenis van de dromen die iemand heeft
ονειρομαντεία
noun
ναρκωτικό
noun
διακίνηση ναρκωτικών
/'drɵksfər'slaːfdə/
noun
1. Verslaafd persoon
τοξικομανής
noun
2. vrucht van de wijnstok
σταφύλι
noun
1. pressie, kracht die over een oppervlakte uitgeoefend wordt
πίεση
noun
1. een persoon die afdrukken maakt
τυπογράφος
/drɵ.pəl/
noun
σταγόνα
noun
δρυίδης
noun
1. mythologisch, vrouwelijk wezen dat in een bos of boom leeft
δρυάς
/ˈdʏbəl/
adjective
1. tweemaal voorhanden
διπλός
/ˈdʏ.bəl.ˌstɛr/, /ˈdʏ.bəɫ.ˌstɛr/
noun
1. twee sterren die om elkaar heen bewegen
διπλός αστέρας
/ˈdɵbəlcə/
noun
3. benaming voor muntstuk met de waarde van een tiende van een munteenheid
δεκάρα
adjective
αμφίβολος
noun
1. een scheikundig element met het symbool Db
ντούμπνιο
noun
1. een subgenre van elektronische dansmuziek dat eind jaren negentig is ontstaan in Engeland
dubstep
/dʏf/
adjective
1. saai, doods
τρυπώντας
/dœʏ̯f/, /dœːf/
noun
1. vogel die een koerend geluid maakt, uit de familie Columbidae
περιστέρι
noun
βουτιά
noun
υποβρύχιο
/ˈdœy̯kə(n)/
verb
    1. 1. het zich onder water voortbewegen (van bijvoorbeeld duikboten) of zwemmen (van mensen)
    2. 2.in het water springen zodat de armen eerst het water in gaan
    βουτώ
    1. 3. snel naar beneden gaan
    2. 4. snel verbergen of ontwijken
    κατάδυση
noun
1. iemand die voor beroep of plezier zich onder de waterspiegel begeeft
δύτης
/dœy̯m/
noun
  1. 2. lengtemaat
    1. ίντσα
    2. αντίχειρας
  2. 1. eerste, kortste en dikste vinger
    αντίχειρας
/dœʏ̯n/, /dœːn/
noun
  1. αμμόλοφος
  2. αμμοθίνα
  3. θίνα
pronoun
1.
Ντούισμπουργκ
noun
1. een toestand van weinig of geen verlichting
σκοτάδι
/dœʏ̯ts/, /dœːts/
adjective
1. betreffende Duitsland of het Duits
  1. γερμανικός
  2. γερμανικά
/dœʏ̯ts/, /dœːts/
pronoun
1. een taal die gesproken wordt in Duitsland, Oostenrijk, Zwitserland, Italië en België
  1. γερμανικά
  2. γερμανικός
/ˈdœʏ̯tsə/, /ˈdœːtsə/
noun
1. een vrouw van Duitse komaf
Γερμανίδα
pronoun
Λαϊκή Δημοκρατία της Γερμανίας
noun
1. hond uit een oorspronkelijk in Duitsland gefokt ras
γερμανικός ποιμενικός
/ˈdœʏ̯tsər/, /ˈdœːtsər/
noun
1. een inwoner van Duitsland
Γερμανός
/ˈdœʏ̯tslɑnt/, /ˈdœːtslɑnd/, /ˈdœːtslɑnt/
pronoun
1. een Midden-Europese staat die wordt gevormd door een federatie van 16 deelstaten en die het Duits als officiële taal heeft
Γερμανία
noun
διάβολος
noun
1. het gevoel zijn evenwicht te verliezen
ίλιγγος
/ˈdœy̆zənt/
noun
1000
χίλια
noun
αγριαψιθιά
noun
1. geleedpotig dier met een groot aantal poten uit de klasse Chilopoda
  1. σαραντοποδαρούσα
  2. σαρανταποδαρούσα
ordinalAdjective
χιλιοστός
/dʏn/
adjective
2. van geringe dikte
αδύνατος
noun
1. bepaalde soort vis, Chelon ramada
Τζεράνι
noun
1. deel van het spijsverteringskanaal tussen de maag en de dikke darm
λεπτό έντερο
/dywoˈdenʏm/
noun
1. twaalfvingerige darm
δωδεκαδάκτυλο
/'dyːrə(n)/
verb
1. een bepaalde tijd in beslag nemen
διαρκώ
noun
1. enige tetraploïde tarwesoort die nog veel wordt verbouwd
  1. σιτάρι Durum
  2. σκληρός σίτος
conjunction
1.om die reden, daarom
άρα
verb
niet goedkoop
ακριβός
/ˈdyːr.zam/
adjective
1. lang meegaand
ανθεκτικός
noun
2.
αειφορία
/dy.ʋǝⁿ/
verb
1. door druk uit te oefenen doen voortbewegen
σπρώχνω
noun
1. iemand die onverstandig denkt en/of handelt
κάρτα ταρό
/dʋɑŋ/
noun
εξαναγκασμός
noun
1. werk dat onder dwang gedaan moet worden
καταναγκαστική εργασία
noun
1. een kledingstuk dat de drager bewegingsvrijheid van de armen en handen ontneemt
ζουρλομανδύας
noun
1. psychische stoornis die gekenmerkt wordt door dwanggedachten en dwanghandelingen
ιδεοψυχαναγκαστική διαταραχή
/dʋɑrs/
adverb
1.
δια μέσου
/ˈdwɑrzbomə(n)/
verb
1. tegenwerken, moeilijkheden geven
ματαιώνω
/dʋɛi̯l/
noun
1. een stuk weefsel in natte vorm gebruikt om een gladde vloer te reinigen
σφουγγαρίστρα
noun
1. een buitengewoon klein mens
νάνος
noun
1.
πλανήτης νάνος
noun
1. zeer kleine staat
μικροκράτος
noun
springstof waarin nitroglycerine door een poreuze stof wordt vastgehouden
δυναμίτης
noun
δυναμό
noun
1. uitspraakgebrek
δυσαρθρία
noun
1. rode loop, bloeddiarree
δυσεντερία
noun
1. slikstoornis
δυσκαταποσία
noun
1.
δυσφημισμός
/dɪslɛkˈsi/
noun
1. het onvermogen om woorden, waarvan men wel de letters ziet, in hun betekenis te vatten
δυσλεξία
noun
1. scheikundig element met symbool Dy en atoomnummer 66
δυσπρόσιο
noun
δυσθυμία
pronoun
1.
Ντύσσελντορφ
/ˈiːmeːɫ/, /ˈiːmɪːɫ/
noun
  1. 1. systeem voor het verzenden van berichten via een computernetwerk
  2. 2. bericht dat verstuurd is via e-mail
ημέιλ
noun
1. adres voor het ontvangen en verzenden van e-mail
διεύθυνση ηλεκτρονικού ταχυδρομείου
noun
1, edele houtsoort
έβενος
/ˈɛ.xo/, /ˈɛ.χo/
noun
1. een hoorbare terugkaatsing van een gemaakt geluid
ηχώ
noun
1. het dwangmatig herhalen van woorden of zinnen, zonder de betekenis ervan daadwerkelijk te doorgronden
ηχολαλία
adjective
2. waarachtig, juist, niet vervalst
αυθεντικός
noun
1. mensen die met elkaar getrouwd zijn
σύζυγοι
conjunction
1. een beperkende tegenwerping, introduceert een zin(sdeel) dat het voorgaande zin(sdeel) beperkt
μα
/ˈɛxtxəˌnot/
noun
1. een mannelijke huwelijkspartner
σύζυγος
/ˈɛxtxəˌnotə/, /ˈɛχtχəˌnotə/
noun
1. een vrouwelijke huwelijkspartner
η σύζυγος
noun
1. twee mensen die met elkaar getrouwd zijn
αντρόγυνο
noun
1. formele verbreking van een huwelijksband
διαζύγιο
noun
1.
εκλέρ
adjective
εκλεκτικός
/ˌe.ko.lo.ˈɣi/, /ˌe.ko.lo.ˈχi/
noun
1. de tak van wetenschap die het samenspel tussen organismen onderling en hun relatie met hun omgeving bestudeert
οικολογία
adjective
οικολογικός
noun
2. het geheel van productie, handelsverkeer en diensten binnen een bepaalde regio
  1. οικονομία
  2. οικονομικά
adjective
1. betreffende economie
οικονομικός
noun
1. deskundige op het gebied van de economie
οικονομολόγος
noun
1. alle organismen in hun leefomgeving.
  1. Οικοσύστημα
  2. οικοσύστημα
noun
εκτόπλασμα
noun
1. de naam voor elk element uit de achtste chemische reeks van het periodiek systeem
ευγενές αέριο
noun
1. Cervus elaphus, hertensoort
ελάφι
noun
1. een metaal dat niet licht aan corrosie of oxidatie ten prooi valt
ευγενές μέταλλο
adjective
μεγαλόφρων
noun
1. een stuk edelgesteente
πολύτιμος λίθος
/ˌedijaˈkarijʏm/
noun
Εδιακαρανική
noun
έκδοση
/et/
noun
1. een plechtige verzekering dat men de waarheid spreekt of een belofte zal nakomen
όρκος
/ˈekˌhoːrn/
noun
1. benaming voor knaagdieren uit de familie Sciuridae
σκίουρος
noun
1. verdikking van de huid
κάλος
adjective
ένας
verb
του χαρίζανε γάιδαρο και τον κοίταζε στα δόντια
phraseologicalUnit
1. iets kopen zonder te weten wat de koopwaar is
αγοράζω γουρούνι στο σακί
/eːnt/
noun
1. benaming voor veel watervogels uit de familie Anatidae
  1. πάπια
  2. νήσσα
noun
1. insect uit de orde Ephemeroptera
εφήμερος
/enˈdœydəx/
adjective
1. zonder twijfel
μονοσήμαντος
cardinalNumeral
1. het getal 31
τριάντα έν
cardinalNumeral
1. het getal 91
ενενήντα έν
cardinalNumeral
1. het getal 81
ογδόντα έν
/ˌe.nən.ˈtʋɪn.təχ/
cardinalNumeral
1. het getal 21
είκοσι ένα
cardinalNumeral
1. het getal 41
σαράντα έν
cardinalNumeral
1. het getal 51
πενήντα έν
cardinalNumeral
1. het getal 61
εξήντα έν
/ˈenənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 71
εβδομήντα έν
noun
  1. 1. bij elkaar horend geheel met kenmerkende eigenschappen
    ενότητα
  2. 2. maat waarin hoeveelheden worden uitgedrukt
    μονάδα
noun
μονόκερως
adjective
1.
μονοσυλλαβικός
adverb
1. een enkele keer
άπαξ
adjective
1. in het bezit van (slechts) één oog
μονόφθαλμος
noun
1. kamer voor het verblijf van één persoon (bijvoorbeeld in een hotel of ziekenhuis)
μονόκλινο
adjective
μονόγλωσσος
noun
μονώνυμο
/eːnˈvɑudəx/, /eːnˈvɑudəχ/
adjective
  1. 1. niet ingewikkeld
  2. 2. zonder overdaad of vertoon
απλός
noun
1. de hoedanigheid van het eenzaam zijn
μοναξιά
adjective
1. met of aan één kant, belang, partij etc.
μονομερής
/er/
noun
1. aanzien, roem
τιμή
/ˈeːrɣɪstər/, /ˈɪːrχɪstər/
adverb
1. de voorlaatste dag die voltooid is
προχθές
/ˈɪːrɣɪstərə(n)/, /ˈɪːrχɪstərə(n)/
adverb
1. de voorlaatste dag die voltooid is
προχθές
/ˈeːrlək/
adverb
1. vrij van leugen en bedrog
τίμιος
noun
1. het vertellen van de waarheid
ειλικρίνεια
noun
1. nummer één in een volgorde
πρώτος
noun
ονομαστική
phraseologicalUnit
1. grammaticale term die de spreker of sprekers aanduidt.
πρώτο πρόσωπο
pronoun
1. een militair conflict op wereldschaal, dat van 28 juli 1914 tot 11 november 1918 plaatsvond
Α΄ Παγκόσμιος Πόλεμος
noun
1. de medische zorg die direct toegankelijk is voor patiënten
πρωτοβάθμια περίθαλψη
noun
1. verlangen naar eer of roem
φιλοδοξία
/ˈeːitbaːr/, /ˈeːtbaːr/
adjective
1. geschikt om gegeten te worden
εδώδιμος
/ˈetkamər/
noun
1. een kamer waar maaltijden worden genuttigd
τραπεζαρία
/etlepəl/
noun
1.
κουταλιά
noun
1. de behoefte om voedsel tot zich te nemen.
όρεξη
noun
ξυλάκι
noun
διαταραχή σίτισης
/eːu̯/
noun
1. een periode van 100 jaar
αιώνας
noun
1. een feestelijke herdenking naar aanleiding van het honderdjarig bestaan van iets
εκατονταετηρίδα
/eːwɪx/, /eːʋəχ/, /eːβ̞əx/
adjective
1. voortdurend, zonder einde
  1. αιώνιος
  2. παντοτινός
/ɪːβ̞əχɛɪ̯t/
noun
1. alle tijd die nog zal komen
αιωνιότητα
/e.ˈfe.zə/
pronoun
1. in de oudheid een grote Ionische haven- en handelsstad
Έφεσος
pronoun
1. boek in het Nieuwe Testament
Εφεσίους
adverb
1. doeltreffend
αποτελεσματικός
adjective
1. nuttig effect hebbend
αποτελεσματικός
/ɛx/, /ɛχ/
noun
1. een landbouw- of tuinbouwwerktuig dat gebruikt wordt voor het zaaiklaar maken van de grond
σβάρνα
verb
ισοπεδώνω
/ˈexəl/
noun
1. bepaald soort zoogdier Erinaceus europaeus
  1. σκατζόχοιρος
  2. σκαντζόχοιρος
pronoun
Αιγαίο πέλαγος
/xxxx/
noun
1. het uitsluitend op eigen belangen en gewin uit zijn
εγωισμός
/e.ˈɣɪp.tə/, /e.ˈχɪp.tə/
pronoun
1. een Arabisch land op de grens van Afrika en Azië
Αίγυπτος
noun
αιγυπτιολογία
/ɛɪ/, /ɛɪ̯/, /ɛː/
noun
1. dierlijk voedingsmiddel voor de mens in een schaal
  1. αβγό
  2. αυγό
noun
1. bepaald soort zeevogel, Somateria mollissima
σωματερία
/ˈɛi̯ɣə(n)/
adjective
δικός
noun
1. iemand die iets in eigendom heeft
ιδιοκτήτης
/'ʔɛɪɣəndɔm/
noun
1. eigendomsrecht
ιδιοκτησία
noun
1. een naam waardoor men een mens, dier of ding zich van andere van dezelfde soort onderscheidt
κύριο όνομα
noun
1. een gegeven karakteristiek die eigen is aan een bepaalde persoon of zaak
ιδιότητα
adjective
ιδιότροπος
/ɛi̯k/, /ɛːk/
noun
1. Quercus, een geslacht van loofbomen
  1. βελανιδιά
  2. δρυς
/ˈɛɪkəɫ/
noun
  1. 1. vrucht van de eik
    1. βeλανίδι
    2. βελανίδι
  2. 2. top van een penis
    1. βάλανος
    2. βελανίδι
/ɛɪ̯kə(n)/, /ɛːkə(n)/
adjective
1. vervaardigd van het hout van de eik
δρύινος
/ɛilɑnt/
noun
1. een stuk land dat omringd is door water
  1. νησί
  2. Νησί
  3. νήσος
/ˌɛilɑnt ˈmɛn/
pronoun
Νήσος του Μαν
noun
1. iemand die op een eiland woont
νησιώτης
noun
1. deel van de geslachtsorganen van de vrouw
σάλπιγγα
phraseologicalUnit
1.
τέλος καλό, όλα καλά
/ˈɛɪ̯ndə/, /ˈɛːndə/
noun
1. het punt in ruimte of tijd waar iets ophoudt
τέλος
adjective
1. een einde hebbende
πεπερασμένος
noun
1.
πεπερασμένη
noun
1. scheikundig element met symbool Es en atoomnummer 99
αϊνστάνιο
/ɛɪ̯s/
noun
1. een dwingende vraag
απαίτηση
/ˈɛi̯sə(n)/
verb
1. zeer dringend vragen, vaak met een sanctie op het niet beantwoorden ervan
απαιτώ
pronoun
1.
Άιζεναχ
/ɛiwɪt/
noun
2. een tot een klasse van polymere stoffen met een hoog moleculair gewicht...
πρωτεΐνη
noun
εκσπερμάτιση
verb
sperma uitwerpen
εκσπερματώνω
noun
1. bepaald soort zwartwitte kraaiachtige vogel, Pica pica
  1. κίσσα
  2. καρακάξα
noun
1. een oude lengtemaat gebaseerd op de lengte van de menselijke ellepijp, gewoonlijk 60 à 70 cm
αρσίν
/ɛl.ˈsɑl.va.dɔr/, /ɛɫ.ˈsɑɫ.va.dɔr/
pronoun
1. land in Midden-Amerika dat grenst aan Guatemala, Honduras en de Stille Oceaan
Ελ Σαλβαδόρ
noun
1. een groot hert uit de poolstreken met een opvallend groot en breed vertakt gewei
  1. άλκη
  2. αμερικανική έλαφος
adverb
1.
αλλού
/eləˈɣɑnt/
adverb
1. een prettige uitstraling hebbend door de subtiele afwerking
κομψός
noun
1. vakman op gebied van elektriciteit
ηλεκτρολόγος
/eˌlɛktrɪsiˈtɛɪt/
noun
2. de elektrische stroom als energiedrager
  1. ηλεκτρισμός
  2. ηλεκτρικό ρεύμα
  3. φορτίο
noun
1. een krachtcentale waar elektriciteit wordt opgewekt
μονάδα (σταθμός) παραγωγής ηλεκτρικής ενέργειας (ισχύος)
adjective
1. door middel van elektriciteit
ηλεκτρικός
abbreviation
1. hersenfilm
ηλεκτροεγκεφαλογράφημα
noun
ηλεκτροχημεία
verb
1. doden of ter dood brengen door elektrische stroom
ηλεκτρίζω
noun
ηλεκτροπληξία
noun
ηλεκτρόδιο
noun
  1. 1. chemische verbinding die in waterige oplossing in ionen wordt gesplitst
  2. 2. een stof of mengsel van stoffen gekenmerkt door het bezit van uitsluitend ionische geleidbaarheid
ηλεκτρολύτης
noun
1. een magneet waarvan het veld door een elektrische stroom veroorzaakt wordt
ηλεκτρομαγνήτης
adjective
ηλεκτρομαγνητικός
noun
ηλεκτρομαγνητισμός
noun
1. een van de elementaire deeltjes, het lichtste deeltje met een elektrische lading
ηλεκτρόνιο
noun
1. de tak van elektrotechniek die zich bezighoudt met het gedrag van elektronen...
ηλεκτρονική
adjective
ηλεκτρονικός
noun
1. de studie en praktische toepassing van alles wat met elektriciteit en elektromagnetisme te maken heeft
Ηλεκτρολόγος μηχανικός
noun
ηλεκτροθεραπεία
noun
στοιχείο
adjective
στοιχειώδης
noun
στοιχειώδες σωματίδιο
cardinalNumeral
1. het getal 11
  1. έντεκα
  2. ένδεκα
/ˈɛlf.də/, /ˈɛlv.də/
ordinalAdjective
1. nummer elf in een rij
ενδέκατος
adjective
1.
ελισαβετιανός
/ɛlk/
indefinitePronoun
1. ieder afzonderlijk
κάθε
noun
1. Gewricht
αγκώνας
noun
1. armoedige, beklagenswaardige omstandigheden
αθλιότης
/ˈɛləpɛɪp/, /ˈɛləpɛːp/
noun
bot in de onderarm
ωλένη
noun
  1. 2. een stijlfiguur waarbij een lopende zin wordt afgebroken, die echter door...
  2. 1. twee-dimensionale figuur die wordt gevormd door alle punten waarvoor de som ...
έλλειψη
noun
1. boomsoort
  1. σκλήθρα
  2. άλνος
/ˈɛlzɑs/
pronoun
1. regio in Frankrijk
Αλσατία
/ɛlˈzɑsis/
noun
1. Een verzameling Alemannische dialecten die in de Elzas (Frankrijk) gesproken worden
αλσατικός
noun
  1. 3. ontvoogding, gelijkstelling voor de wet
  2. 1. streven naar gelijkgerechtigdheid
  3. 2. vrijlating van slaven
χειραφέτηση
noun
1. concrete figuur voor een abstract begrip
έμβλημα
noun
εμβολή
noun
1. een organisme in het eerste ontwikkelingsstadium na de bevruchting
έμβρυο
noun
1. de wetenschap die zich met het ongeboren leven bezighoudt
εμβρυολογία
adjective
2. betrekking hebbend op de ongeboren vrucht van een organisme
εμβρυϊκός
noun
1. longaandoening
εμφύσημα
/ˌemiˈχrɪːrə(n)/
verb
1. naar het buitenland verhuizen
μεταναστεύω
/emɪˈraːt/
noun
1. gebied van een emir
εμιράτο
/ˈɛmər/
noun
1. busvormig vat (met hengsel), waarin men vloeistoffen of vaste stoffen kan verplaatsen
κουβάς
noun
1. bepaalde soort drietenige vogel Dromaius novaehollandiae
  1. εμού
  2. δρομαίος
noun
1. ideogrammen die worden gebruikt in Japanse elektronische berichten en webpagina's
εμότζι
noun
1. hevig gevoel, sterke gemoedsbeweging
συναίσθημα
adjective
1. zeer vatbaar voor gevoelens
συναισθηματικός
noun
ενσυναίσθηση
adjective
1. wat op ervaring of proefneming berust
εμπειρικός
noun
εμπύημα
noun
stof die helpt bij het mengen van twee stoffen die normaal gesproken niet of moeilijk mengbaar zijn
γαλακτωματοποιητής
verb
1. een melkachtige oplossing vormen
γαλακτωματοποιώ
noun
γαλάκτωμα
conjunction
  1. και
  2. κι
conjunction
1. zowel afzonderlijk van als gezamenlijk met elkaar
και/ή
noun
εγκεφαλοπάθεια
/ˌɛnsiklopeˈdi/
noun
1. een gestructureerde en geschreven verzameling van menselijke kennis, in boekvorm of digitaal
εγκυκλοπαίδεια
noun
medewerker aan een encyclopedie
εγκυκλοπαιδιστής
noun
1. laatste deel van het spijsverteringskanaal vlak voor de anus
ορθό
adjective
1. van nature alleen in een specifiek gebied voorkomend
ενδημικός
adjective
1. met inwendige afscheiding in de bloedstroom, hormonaal
ενδοκρινής
noun
1. de wetenschap die zich bezighoudt met de afscheidingen van klieren in het lichaam
ενδοκρινολογία
noun
ενδοκρινολόγος
adjective
1. van binnen uit
τοπικός
noun
1. baarmoederslijmvlies buiten baarmoeder
ενδομητρίωση
noun
ενδοσκόπιο
adjective
1. waarbij warmte opgenomen wordt
ενδοθερμικός
/enər'ʒi/, /enɛr'ʒi/
noun
1. het vermogen iets te doen
ενέργεια
adverb
1. aan de ene kant
αφενός
adjective
1. angst veroorzakend
τρομακτικός
noun
1. hemels wezen
άγγελος
noun
1. deel van het Verenigd Koninkrijk
Αγγλία
/ˈɛ.ŋ(g)əls/, /ˈɛ.ŋɔɫs/, /ˈɛ.ŋəɫs/
adjective
1. als van, in of betrekking hebbend op Engelsen, Engeland of het Engels
  1. αγγλικός
  2. αγγλικά
/ˈɛ.ŋ(g)əls/, /ˈɛ.ŋɔɫs/, /ˈɛ.ŋəɫs/
pronoun
1. de taal
  1. αγγλικά
  2. αγγλικός
noun
1. een grotere en lagere uitvoering van de hobo
αγγλικό κόρνο
/ɛ.ŋɔɫs.mɑn/, /ɛ.ŋəls.man/, /ɛ.ŋəɫs.mɑn/
noun
1. iemand die in Engeland woont
Άγγλος
adjective
2. uniek
μοναδικός
noun
1. gewricht dat de voet met het been verbindt
αστράγαλος
noun
1. een woord dat in die vorm naar één voorwerp of mens verwijst of dat aanduidt dat slechts één persoon de handeling uitvoert
ενικός
/eˈnɔrm/
adjective
1. buitensporig groot
τεράστιος
/ɑŋ.ˈkɛː.tə/, /ɑ̃.ˈkɛt/
noun
1. een vragenlijst die aan meerdere personen wordt voorgelegd
δημοσκόπηση
noun
1. ontsteking van zowel de dikke als de dunne darm
εντεροκολίτιδα
/ɛntuˈʒɑs/, /ˌɑn.ty.ˈʒɑst/
adjective
1. hartstochelijk, met geestdrift
ενθουσιαστικός
/ɛntuˈʒɑs/, /ˌɑn.ty.ˈʒɑst/
noun
1. iemand die over iets of iemand geestdriftig is (vaak gebruikt als tweede deel van een samengesteld begrip
ενθουσιώδης
noun
εντομολογία
noun
1. een getal evenredig met de logaritme van het aantal realiseringmogelijkheden, ook wel gedefinieerd als de reversibele warmte gedeeld door de temperatuur
εντροπία
noun
1. papieren omslag voor brieven
φάκελος
/ɛnˈzim/
noun
1. een organische molecuul dat biologische reacties mogelijk maakt of versnelt zonder daarbij zelf...
ένζυμο
adjective
Ηώκαινος
noun
1. het punt op het aardoppervlak loodrecht boven de haard van de aardbeving
επίκεντρο
/epideˈmi/
noun
1. besmettelijke ziekte die zich snel verspreidt onder een groep van mensen
επιδημία
noun
επιδημιολογία
adjective
επιδημικός
/epidyraɫ/
adjective
1. buiten het harde hersenvlies en de ruimte aan de buitenzijde van het harde ruggenmergvlies
επισκληρίδιος
/ˌepiˈfizə/
noun
1. een klier die onderdeel is van de epithalamus en melatonine uitscheidt
  1. επίφυση
  2. κωνάριον
noun
έπιγάστριον
noun
επιγραφική
noun
1. vallende ziekte, toevallen
επιληψία
adjective
επικός
noun
1. neusbloeding
επίσταξη
noun
1. dekweefsel, bovenste laag van de huid en slijmvliezen
επιθήλιο
noun
1. vijfde letter uit het Griekse alfabet ε
έψιλον
noun
1. een denkbeeldige cirkel die op een hemellichaam het noordelijk van het zuidelijk halfrond scheidt
ισημερινός
/ˌe.kwa.toː.ri.al.ɣi.ˈne.ja/, /ˌe.kʋa.to̝ː.ri.aɫ.χi.ˈne.ja/, /ˌe.kβ̞a.toː.ri.aɫ.ɣi.ˈne.ja/
pronoun
1. een land in Afrika grenzend aan Gabon en Kameroen
Ισημερινή Γουινέα
noun
1. passage van de zon door het vlak van de evenaar
ισημερία
noun
1. een scheikundig element en zilverwit lanthanide met het symbool Er en het atoomnummer 68
έρβιο
noun
1. oprichting van het mannelijk lid
στύση
noun
1. een groot geslacht van planten waarvan er 23 wilde soorten bekend zijn in Nederland
βερνίκι
adjective
  1. 1. wat op genetische wijze door nazaten verkregen kan worden
  2. 2. overdraagbaar op de oudste zoon, of meestal bij het ontbreken daarvan op de oudste dochter
κληρονομικός
noun
1. wat door de erflater bij zijn overlijden wordt nagelaten
κληρονομιά
noun
1. degene die andermans nalatenschap erft
κληρονόμος
noun
2. regeling voor troonwisseling
διαδοχή
noun
1. een veelal kostbaar goed van van generatie op generatie door vererving overgegeven wordt
κειμήλιο
pronoun
1.
Ερφούρτη
noun
1. schending van Gods regels door de eerste mens Adam als last die op ieder mens rust
προπατορικό αμάρτημα
adverb
1. in hoge mate
πολύ
adverb
κάπου
noun
een zaak die gevoelens van onvrede oproept
ενόχληση
noun
εργονομία
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Έρις
/ˌeː.ri.ˈtre.ja/, /ˌɪː.ri.ˈtre.ja/
pronoun
1. een Afrikaans land grenzend aan Soedan, Ethiopië, Djibouti en de Rode Zee
Ερυθραία
/eriˈtres/
adjective
1. met betrekking tot of afkomstig van Eritrea
ερυθραϊκός
verb
  1. 1. inzien, toegeven
  2. 2. als wettig, echt, juist aanvaarden
αναγνωρίζω
pronoun
1. + 2. stad en stadsdistrict
Έρλαγκεν
noun
1. stemming waarin men de dingen in hun wezenlijke waarde wil zien
σοβαρότητα
adjective
1.
ερωτογενός
noun
1-2. beschadiging en afslijting
Αποσάθρωση
adjective
ερωτικός
noun
1. steen
μετάλλευμα
adjective
1. bekwaam door ervaring
έμπειρος
noun
1. een vorm van kennis
εμπειρία
/ˈʔɛr.və(n)/
verb
1. de eigendommen van een overledene, meestal een familielid, rechtens verkrijgen
κληρονομώ
noun
1. een bepaalde peulvrucht, een groentesoort
  1. μπιζέλι
  2. αρακάς
noun
1. de vorming van rode bloedlichaampjes
ερυθροποίηση
/\ˈɛs\/
suffix
ισσα
noun
1. bepaald soort loofboom Fraxinus excelsior
  1. μελιά
  2. φράξος
noun
κλιμάκωση
noun
1. dwaze (jongens) streek
περιπέτεια
/ɛsˌxatolo'gi/
noun
εσχατολογία
/ˈɛzdorᵊn/
noun
1. boom of heester uit het geslacht (
σφενδάμι
noun
1. een kleine tactische eenheid bij de cavalerie (tegenwoordig gemechaniseerd of gemotoriseerd) of ...
μοίρα
adjective
εσωτερικός
pronoun
1. een internationale kunsttaal die oorspronkelijk ontworpen is door Ludovico Zamenhof
  1. εσπεράντο
  2. Εσπεράντο
noun
1. geconcentreerde koffie
εσπρέσο
adjective
1. zeer belangrijk
ουσιώδης
/ɛsˈter/
pronoun
3. meisjesnaam
Εσθήρ
noun
1. een koolstofverbinding met de functionele groep -C(=O)-O-C-
εστέρας
/ɛsˈtetiˌka/
noun
1. het filosofisch discours over het wezen van kunst of het wezen van schoonheid
αισθητική
adjective
αισθητικός
/ˈɛstis/, /ˈɛstɪs/
pronoun
1. een taal die vooral wordt gesproken in Estland
  1. εσθονικά
  2. Εσθονικά
/ˈɛslɑnd/, /ˈɛstlɑnt/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa dat grenst aan Letland en Rusland
Εσθονία
noun
1. een vrouwelijk hormoon
οιστρογόνο
noun
εκβολή
noun
πάτωμα
noun
1. dat wat iemand tot zich neemt om diens metabolisme in werking te houden
τρώω
verb
1. het nuttigen van voedsel
  1. τρώω
  2. τρώγω
noun
1. C₂H₆
αιθάνιο
/etaˈnɔl/
noun
1. een chemische verbinding met twee koolstofatomen en een alcoholgroep
αιθανόλη
noun
1. een organische verbinding met de functionele groep R-O-R'
αιθέρας
noun
1. een praktische wijsbegeerte die zich bezighoudt met wat goed en kwaad is
ηθική
adjective
1.
αιθιοπικός
/ˌe.ti.ˈjo.pi.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika grenzend aan Eritrea, Djibouti, Somalië, Kenia en Soedan
Αιθιοπία
adjective
ηθικός
noun
ηθολογία
noun
1. onderdeel van de pathologie dat zich bezighoudt met de oorzaken van ziekten
αιτιολογία
noun
1. tijdseenheid bestaande uit 24 uren
εικοσιτετράωρο
adjective
εθνικός
noun
εθνογραφία
adjective
1. betrekking hebbend op de beschrijving van volkeren
εθνογραφικός
/ɛtnoːloːɣi/, /ɛtnoːloːʝi/
noun
εθνολογία
/ɛtər/
noun
1. wittig vocht met witte bloedlichaampjes en bacteriën dat bij een ontsteking afgescheiden wordt
πύον
noun
  1. 1. woordherkomst
  2. 2. studie naar oorsprong en verandering van vorm en betekenis van woorden
ετυμολογία
adjective
1.
ετυμολογικά
noun
1-2.
ευφημισμός
/ˌø.fo̝.ˈri/
noun
1. verhoogd gevoel van welzijn
ευφορία
/œykɑriotən/
noun
2. een van de drie taxonomische domeinen, Eukaryota
ευκαρυώτης
noun
  1. ευνυχός
  2. ευνούχος
pronoun
1. de naam van de grootste landmassa op aarde die de continenten Europa en Azië omvat
Ευρασία
interjection
1.
εύρηκα
/'øː.ro/, /'ɵː.ro/
abbreviation
1. munt en munteenheid
ευρώ
/øːˈroːpa/, /ʏːˈropa/
pronoun
1. een continent op het noordelijk halfrond, dat ten noorden van Afrika en ten westen van Azië ligt
Ευρώπη
noun
1.
ευρωβουλευτής
/ˌøːropeˈjaːn/, /ˌʏːropeˈjan/
noun
1. bewoner van het Europese continent of iemand die daarvan afkomstig is
Ευρωπαίος
/øːroˈpeːs/, /ʏːroˈpes/
adjective
1. afkomstig van of betreffend het continent Europa
ευρωπαϊκός
pronoun
Ευρωπαϊκό Δικαστήριο Ανθρωπίνων Δικαιωμάτων
pronoun
Ευρωπαϊκό Κοινοβούλιο
pronoun
Ευρωπαϊκή Κεντρική Τράπεζα
pronoun
Ευρωπαϊκή Επιτροπή
pronoun
Ευρωπαϊκό Δικαστήριο Ανθρωπίνων Δικαιωμάτων
pronoun
Ευρωπαϊκή Τράπεζα Επενδύσεων
pronoun
Ευρωπαίος Διαμεσολαβητής
pronoun
Ευρωπαϊκό Συμβούλιο
pronoun
Ευρωπαϊκό Ελεγκτικό Συνέδριο
/ˌøː.ro.ˌpe.sə.ˈy.ni/, /ˌʏː.ro.ˌpe.sə.ˈy.ni/
pronoun
unie van 27 Europese staten
Ευρωπαϊκή Ένωση
noun
1. scheikundig element met symbool Eu en atoomnummer 63
ευρώπιο
pronoun
Εουροπόρτ
noun
1. handelingen die iemands leven beëindigen of het sterven bespoedigen, om pijn en lijden te verkorten
ευθανασία
noun
ευτροφισμός
pronoun
1. eerste vrouw door God geschapen
Εύα
noun
εκκένωση
/evɑky'erə(n)/
verb
εκκενώνω
noun
ευαγγέλιο
adjective
1. Deelbaar door twee
ζυγός
/evəˈnar/, /ˈevənar/
noun
1. denkbeeldige cirkel die op een hemellichaam het noordelijk van het zuidelijk halfrond scheidt
ισημερινός
noun
1. belangrijke gebeurtenis
γεγονός
noun
1.
ισορροπία
noun
1. een turntoestel dat bij het damesturnen wordt gebruikt
δοκός ισορροπίας
adjective
1. in alle punten even ver in loodrechte zin verwijderd zijnde
παράλληλος
noun
1. in het wild levende voorouder van het varken Sus scrofa
  1. αγριόχοιρος
  2. αγριογούρουνο
noun
1. wild varken
  1. αγριογούρουνο
  2. αγριόχοιρος
/ˌevoˈlysi/, /ˌevoˈlytsi/
noun
1. ontwikkeling, verandering
εξέλιξη
prefix
πρώην
noun
1. onderzoek naar de kennis of vaardigheden van iemand door middel van ondervraging of opgedragen verrichtingen
διαγώνισμα
noun
1.
παράξενος
adjective
1. wat andere mogelijkheden uitsluit
αποκλειστικός
noun
αφορισμός
verb
εκτελώ
noun
εξήγηση
noun
επιδειξίας
noun
υπαρξισμός
adjective
1. afscheidend door middel van een afvoerbuis
εξωκρινής
pronoun
Έξοδος
noun
εξωγαμία
adjective
1. door oorzaken van buitenaf
εξωγενής
noun
ενδώνυμο
noun
εξωπλανήτης
noun
εξορκισμός
noun
εξώσφαιρα
adjective
1. vanuit verre vreemde landen
εξωτικός
noun
διαστολή
noun
πείραμα
adjective
1.
πειραματικός
verb
1.
πειραματίζομαι
/ɛkˈspɛːr/
noun
1. iemand die bijzonder goed bekend is met een bepaald onderwerp
ειδικός
verb
ανατινάζω
noun
έκρηξη
adjective
1. ontplofbaar
εκρηκτικός
noun
1. ontplofbare stof of voorwerp
εκρηκτικός
verb
1. goederen aan een afnemer in het buitenland verhandelen
εξάγω
noun
εξαγωγέας
noun
εξπρεσιονισμός
/ɛk'stazə/
noun
1. een toestand van buiten zichzelf zijn door verrukking
έκσταση
adjective
2.
εξωκοινοβουλευτικός
noun
ακροδεξιά
pronoun
Εξτρεμαδούρα
noun
1. iemand met radicale, extremistische standpunten, een aanhanger van een ideologie die ver van het politieke of maatschappelijke centrum ligt
εξτρεμιστής
pronoun
Ιεζεκιήλ
/ˈezəɫ/
noun
1. bepaald paardachtig zoogdier, Equus asinus
  1. γάιδαρος
  2. γαϊδούρι
noun
1. vrouwelijke ezel
γαϊδούρα
pronoun
Έσδρας
/ˈfabəl/
noun
1. een kort moraliserend verhaal met dieren of zaken als handelende personen
μύθος
noun
1. plaats waar op industriële schaal productie bedreven wordt
εργοστάσιο
noun
κατασκευαστής
pronoun
1. wereldwijd veel gebruikte netwerksite voor sociale contacten
φέισμπουκ
noun
3. product van een reeks factoren
παραγοντικό
/ˈfæːrøːə̯r/, /ˈfɛːrʏːr/
pronoun
1. en 2., eilandengroep, land
Νήσοι Φερόες
noun
1. (muziekinstrument) een houten blaasinstrument met dubbelriet
φαγκότο
noun
1. staaf of stok die aan de bovenkant in een brandbare stof gedrenkt is, brandend zorgt het voor verlichting
πυρσός
/fa'lɑfəl/
noun
ρεβιθοκεφτέδες
/ˈfaːlən/
verb
1. niet bereiken van doelen
αποτυχαίνω
pronoun
Νήσοι Φώκλαντ
adjective
1. met betrekking tot het mannelijk lid
φαλλικό
/fa.ˈmi.li/, /fa.ˈmiː.lɪ̯ə/
noun
1. (bloed)verwantschap door een gemeenschappelijke oorsprong
  1. oικογένεια
  2. οικογένεια
noun
1. naam die van generatie op generatie en indien gewenst door het huwelijk overgedragen wordt
επώνυμο
noun
φανατισμός
noun
1. vermogen om nieuwe gedachten te kunnen vormen, mogelijk niet altijd op waarheid berust
φαντασία
adjective
φανταστικός
noun
φαράντ
/ˈfarao/
noun
1.
φαραώ
noun
  1. 3. vulling in voedsel
  2. 2. klucht
γέμιση
noun
1.
Φαρισαίος
adjective
1. uit de farmacie, met betrekking tot de productie van geneesmiddelen
φαρμακευτικός
noun
φαρμακευτική
noun
φαρμακολογία
verb
1. iemands aandacht vasthouden
συναρπάζω
/fɑˈsʲɪsmə/
noun
ideologie
φασισμός
noun
1. periode als onderdeel van een langere ontwikkeling
φάση
/fɑt'sun/
noun
1. goede manieren
αιδώς
noun
φαύνος
/ˈfʌʊna/, /ˈfʌːna/
noun
1. het geheel aan dieren in een gebied
πανίδα
/fo.tœj/
noun
1. Soort stoel
πολυθρόνα
adjective
προτίμηση
noun
1. bepaald soort kleurrijke vogel, Phasianus colchicus
  1. φασιανόs
  2. φασιανός
/fa.ˈsa.də/
noun
1. de zichtbare buitenmuur van een gebouw, specifiek die aan de voorkant
πρόσοψη
/febryˈwaːri/
noun
1. de tweede maand van het jaar
  1. Φεβρουάριος
  2. Φλεβάρης
adjective
1. met betrekking tot de ontlasting
περιττωματικός
noun
1. een verbond van samenwerkende staten of lichamen die hun zelfstandigheid behouden
ομοσπονδία
/fe:/
noun
1.
νεράιδα
noun
1. een vermakelijke en vreugdevolle sociale gelegenheid
γιορτή
noun
  1. αργία
  2. γιορτή
adjective
1.
εορταστικός
noun
1. een extra lekkere, uitgebreide maaltijd die men met meerdere mensen gebruikt als een feestelijke gebeurtenis
γιορτή
/fɛi̯t/
noun
1. een gebeurtenis of omstandigheid die werkelijk gebeurd is
γεγονός
verb
1. iemand geluk toewensen
συγχαίρω
noun
1. het stimuleren van de penis met de mond, tong of keel
πεοθηλασμός
noun
1. een zeilschip
φελούκα
noun
1. streven naar het opheffen van de achterstelling van vrouwen en vrouwelijke eigenschappen door een gelijkwaardige behandeling van mannen en vrouwen
  1. Φεμινισμός
  2. φεμινισμός
noun
1. vrouw die streeft naar gelijke rechten voor vrouwen
φεμινίστρια
noun
plant en plantdelen van Trigonella foenum-graecum
τριγωνίσκος
noun
plant, en zaad van, Trigonella foenum-graecum
  1. σπόρος μοσχοσίταρου
  2. σπόρος τριγωνέλλας
adjective
Φοίνικας
noun
φοίνικας
noun
φαινολογία
/fenoˈmen/
noun
1. een verschijnsel
φαινόμενο
adjective
2.
φαινομενικός
noun
φαινομενολογία
noun
1. gisting
ζύμωση
noun
1.
φερμιόνιο
noun
1. scheikundig element met symbool Fm en atoomnummer 100
φέρμιο
/ˈfɛstiˌvɑɫ/
noun
  1. 2. een groot evenement met zang en dans en muzikale optredens
  2. 1. een reeks optredens
φεστιβάλ
/fɛs/
noun
1. bepaald soort hoed van Turkse oorsprong
φέσι
noun
μυθιστόρημα
/fits/
noun
1. tweewielig vervoermiddel dat door middel van spierkracht middels pedalen wordt voortbewogen
ποδήλατο
/ˈfits.brɵχ/, /ˈfits.brʏx/
noun
1. een brug voor fietsers
ποδηλατογέφυρα
/ˈfitspɑt/
noun
1. een weggedeelte of vrijliggend pad dat is gereserveerd voor het gebruik door fietsers en snorfietsers.
ποδηλατόδρομος
/ˈfi.(d)ʒi/, /ˈfi.dʒi/
pronoun
1. een land in Oceanië op het zuidelijk halfrond. Het bestaat uit 332 eilanden waarvan ongeveer 110 bewoond zijn
Φίτζι
phraseologicalUnit
1. kerstwens
καλές γιορτές
noun
φιλοτελισμός
/faɪl/
noun
1. lange rij met stilstaande of langzaam voortbewegende voertuigen of personen
μποτιλιάρισμα
pronoun
3. naam van een boek uit het Nieuwe Testament
Φιλήμων
/filiˈjal/
noun
1. een pand in een reeks van panden
υποκατάστημα
/ˌfi.li.ˈpɛɪ̯.nə(n)/, /ˌfi.lɪ.ˈpɛɪ̯.nə(n)/, /ˌfi.lɪ.ˈpɛː.nə(n)/
pronoun
1. republiek in Oost-Azië bestaande uit een archipel van 7107 eilanden
Φιλιππίνες
/fili'pɛɪns/
pronoun
1. de officiële taal van de Filipijnen
Φιλιππινικός
pronoun
Φιλιππησίους
noun
  1. 1. een dunne laag
    1. Μεμβράνη
    2. ταινία
  2. 3. een opname van bewegende beelden die een verhaal vertelt
    1. ταινία
    2. φιλμ
    1. 2. een dun en oprolbaar medium om beelden op te nemen in een camera
    2. 4. de filmindustrie
    φιλμ
verb
1. beelden van iets vastleggen op film
κινηματογραφώ
noun
  1. Φιλολογία
  2. φιλολογία
/filozoˈfi/
noun
1. de oudste theoretische discipline die het verlangen heeft en streeft naar kennis en wijsheid
φιλοσοφία
adjective
1.
φιλοσοφικός
noun
φιλόσοφος
/fɪltər/
noun
1. een voorwerp met kleine gaatjes waar water of gassen doorheen kunnen om gezuiverd te worden
φίλτρο
noun
1.
διήθημα
noun
1. filtrering
διήθηση
noun
1. de beslissende wedstrijd in een toernooi tussen de laatste twee deelnemers
τελικό
verb
1. voorzien van de benodigde geldmiddelen
χρηματοδοτώ
verb
προσποιούμαι
/ˈfɪnlɑnd/, /ˈfɪnlɑnt/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa
  1. Φινλανδία
  2. Φιλλανδία
/fɪns/
adjective
1. betreffende Finland of het Fins
φινλανδικός
/fɪns/
pronoun
1. een taal die wordt gesproken in Finland
  1. φινλανδικά
  2. φινλανδικός
pronoun
1.
Φινλανδικός κόλπος
noun
(informatica) hardware of software die een computer of netwerk beschermt tegen misbruik van buitenaf
τείχος προστασίας
adjective
δημοσιονομικός
noun
1. een kanaalvormige zweer
συρίγγιο
/fjɔrd/, /fjɔrt/
noun
1. een bepaald type van inham in een bergachtige kust, gekenmerkt door steile wanden die door gletsjerwerking zijn uitgesleten
φιόρδ
noun
1. bepaald soort roze reigerachtige waadvogel met een haakvormige snavel...
φλαμίνγκο
/flɑt/
noun
πολυκατοικία
adjective
2. in overdrachtelijke zin smakeloos
αστήρικτος
noun
1. een in de breedte uitbreidende, maar moeilijk te begrenzen weefselontsteking die gepaard gaat met ettervorming
πλαστρόν
noun
1. scheikundig element met symbool Fl en atoomnummer 114
φλερόβιο
noun
1. een langgerekt, cilindrisch en meestal van glas vervaardigd vat met een nauwe hals die met een dop of kurk af te sluiten is
  1. μπουκάλι
  2. φιάλη
  3. μποτίλια
  4. βύτη
  5. μπουκάλα
  6. φλασκί
/ˈflevoˌlɑnt/, /ˈfleːvoˌlɑnd/, /ˈfleːvoˌlɑnt/
pronoun
1. een provincie in het midden van Nederland, die door het IJsselmeer...
Φλέβολαντ
/flɛkˈsibəl/
adjective
1. het vermogen hebbend gebogen te worden
ευέλικτος
/ˈflɛk.si/
noun
2. vormverandering van een woord
κλίση
/floˈrɑ/
noun
1. plantenrijk in een bepaalde streek of periode
χλωρίδα
/ˈflɔrəns/
pronoun
2. de hoofdstad van Toscane
Φλωρεντία
pronoun
1.
Φλόριντα
verb
1. spreken met gedempte stem
ψιθυρίζω
noun
  1. 1. buisvormig blaasinstrument
  2. 3. een scheepstype
  3. 4. een slank drinkglas
φλάουτο
verb
1. een fluit bespelen
σφυρίζω
noun
1. musicus die een fluit bespeelt
αυλητής
noun
1.
σφυριξιά
noun
1. een chemisch element en een geelgroen halogeen
φθόριο
noun
1. het uitzenden van licht ...
φθορισμός
noun
1. een zachte, fijngeweven stof, waarbij rechtopstaande pluizen, de zg. pool van zijde...
βελούδο
noun
1. een vidaduct ter voorkoming van een gelijkvloerse kruising
ανισόπεδη διάβαση
noun
1. een ziekelijke vrees
φοβία
/ˈfu.li/
noun
1. Myristica fragrans
μασίς
noun
1. een nog niet voldragen menselijke of dierlijke vrucht
έμβρυο
noun
A 1. driehoekig zeil bevestigd aan de voorstag
φλόκος
noun
1.
έλασμα
noun
1. alles wat een volk creëert of heeft gecreëerd
λαογραφία
noun
1.
λαογράφος
noun
1. een voor een bepaald doel vastgelegd kapitaal
απόθεμα
noun
φοντύ
noun
1.
φώνημα
/ˌfoneˈtik/
noun
1.
φωνητική
adjective
φωνητικός
noun
1. een visuele weergave van klanken
φωνόγραμμα
/ˌfonoloˈɣi/
noun
  1. 1.
  2. 2.
φωνολογία
/fɔnˈtɛɪn/, /fɔnˈtɛːn/
noun
1. kunstmatige bron, aangelegd om water omhoog te spuiten
σιντριβάνι
noun
πιπίλα
noun
1. benaming voor zalmachtige zoetwatervissen uit de geslachten Salmo, Salvelinus en Oncorhynchus
πέστροφα
noun
1.
φορμαλδεΰδη
verb
2. de harde schijf of een verwisselbare schijf volledig leeghalen
διαμόρφωση
/fɔrˈmel/
adjective
1. met inachtneming van strikte omgangsvormen
επίσημος
noun
τύπος
pronoun
1. categorie in de autosport
Τύπος 1
/fɔrmyˈlir/
noun
1. een stuk papier waarop voorgedrukte vragen kunnen worden beantwoord
έντυπο
noun
κουζίνα
noun
1. met symbool P en atoomnummer 15
  1. φωσφόρος
  2. φώσφορος
verb
1.langdurig licht afgeven na belichting door het bestaan van een langlevende aangeslagen toestand
φωσφορίζω
noun
1 en 2
φωτογραφία
noun
1. lichtschuwheid
φωτοφοβία
adjective
1.op foto's een voordelige indruk makend
φωτογενής
noun
1. iemand die fotos maakt
φωτογράφος
verb
1. een afbeelding maken door de projectie van beeld op een lichtgevoelige laag
φωτογραφίζω
noun
1. de kunst om door chemische inwerking van licht op een gevoelige plaat afbeeldingen te maken
φωτογραφία
noun
1. een fotografisch gemaakte kopie
φωτοτυπία
noun
1. een elementair deeltje waaruit elektromagnetische straling is samengesteld
φωτόνιο
noun
1.
φωτοσύνθεση
noun
1. een toestel om mee te fotograferen
φωτογραφική μηχανή
verb
1. iemand aftasten of er iets op het lijf gedragen wordt
κάνω σωματική έρευνα
/fɑut/
noun
1. vergissing, onjuistheid
  1. σφάλμα
  2. λάθος
noun
1. mate van onzekerheid bij de uitslag van een steekproef, statistische meting enz.
περιθώριο σφάλματος
/fwɑ.ˈjeː(r)/, /fʋa.ˈje/
noun
1. verzamelplaats, zaal voor de verpozing (bijvoorbeeld in een hotel of schouwburg)
φουαγιέ
/ˈfrɑksi/
noun
2. gezamenlijke vertegenwoordigers van een politieke partij in een volksvertegenwoordiging
κοινοβουλευτική ομάδα
adjective
1. kwetsbaar, breekbaar
εύθραυστος
noun
θραύσμα
noun
θρυμματισμός
noun
2. vrucht van de frambozenstruik
  1. σμέουρο
  2. φραμπουάζ
noun
1. een scheikundig element met symbool Fr en atoomnummer 87
φράγκιο
/frɑŋk/
noun
munteenheid
φράγκο
pronoun
Φραγκφούρτη
/ˈfrɑŋkrɛɪ̯k/, /ˈfrɑŋkrɛːk/
pronoun
1. een West-Europees land, grenzend aan België, Luxemburg, Duitsland, Zwitserland, Italië, Monaco, Spanje en Andorra
Γαλλία
/frɑns/
adjective
1. betreffende Frankrijk of het Frans
  1. γαλλικός
  2. γαλλικά
/frɑns/
pronoun
1. een Gallo-Romaanse taal die vooral gesproken wordt in Frankrijk, België, Luxemburg...
  1. γαλλικά
  2. γαλλικός
pronoun
Γαλλική Γουιάνα
pronoun
Γαλλική Πολυνησία
/ˈfrɑns.man/, /ˈfrɑns.mɑn/
noun
1. iemand uit Frankrijk
Γάλλος
adjective
1. de Franse taal sprekend
γαλλόφωνος
noun
1. een aantal woorden die een begrip uitdrukken, vaak een zinsdeel, soms een hele zin
φράση
noun
1.
δωρισμικό
noun
  1. 1. Oorlogsschip
  2. 2. Driemaster
φρεγάτα
noun
φρεγάτα
noun
1,2. aantal keren of herhalingen per tijdseenheid
συχνότητα
noun
1. bepaald soort klein marterachtig zoogdier, Mustela putorius furo
κουνάβι
/frɔɪdɪˈaːns/
adjective
1. volgens de leer van Sigmund Freud of zoals men vindt in diens geschriften en leerstellingen
φροϋδικός
pronoun
2. benaming voor een Germaanse taal
φριζιακά
/ˈfrislɑnd/, /ˈfrislɑnt/
pronoun
1. provincie in het nooren van Nederland
Φρίσλαντ
adjective
1. zojuist schoongemaakt, prettig ruikend
δροσερός
noun
ελαφρότητα
noun
  1. 2. gevechtslinie
  2. 1. voorkant
  3. 2. begrenzing tussen twee luchtmassa's
μέτωπο
noun
1.
μέτωπο
noun
bepaalde suiker die veel in zoete vruchten voorkomt
φρουκτόζη
/frœʏ̯t/, /frœːt/
noun
1. voedsel dat bestaat uit eetbare vruchten
  1. καρπός
  2. φρούτον
noun
1.
οπωροφόρο
noun
1. koude schotel met verschillende soorten fruit
φρουτοσαλάτα
verb
ματαιώνω
noun
φούγκα
/fœyf/
noun
πάρτι
noun
  1. 1. taak
  2. 2. positie binnen een bedrijf of organisatie
  3. 3. (wiskunde) afhankelijkheid tussen een element en een veranderlijke
  4. 4. (informatica) onderdeel van de broncode van een computerprogramma
  1. λειτούργημα
  2. συνάρτηση
noun
1. een orthodoxe, antiliberale godsdienstige richting
φονταμενταλισμός
adjective
1. aan de basis staande
θεμελιώδης
noun
συγχώνευση
noun
1. bepaald soort watervogel, Podiceps cristatus
βουτηχτάρα
/ˈfizika/
noun
1. de wetenschap van de materie en de bestudering van het gedrag en de interactie in ruimte en tijd
φυσική
noun
φυσικός
noun
φυσιολογία
adjective
1. door de natuur bepaald, de natuurlijke verrichtingen van levende wezens of hun organen betreffend
φυσιολογικός
noun
φυσιοθεραπεία
noun
φυτοπαθολογία
/føn/
noun
1. een toestel dat een warme luchtstroom voortbrengt voor het drogen en opmaken van het kapsel
σεσουάρ
/ɣaːj/
noun
1. middelgrote, gewoonlijk vrij kleurrijke zangvogel met een vrij lange staart, Garrulus glandarius
κίσσα
/ɣaːn/, /χaːn/
verb
1. zich in een bepaalde richting bewegen
  1. πάω
  2. πηγαίνω
/'ɣa.bɔn/, /ɣa.'bɔn/, /χa.'bɔn/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Gabonese Republiek
Γκαμπόν
noun
1. echtgenoot, echtgenote
  1. σύζυγος
  2. σύντροφος
  3. ταίρι
/ɣadoˈlinijʏm/
noun
1. een scheikundig element met symbool Gd en atoomnummer 64
γαδολίνιο
noun
[A] 1. uit de lever afkomstig vocht dat een rol speelt in de spijsvertering, met name van vet
χολή
pronoun
1. boek van het Nieuwe Testament
Γαλάτες
noun
1. een peervormig hol orgaan dat aan de rechterkant van het lichaam, achter (d.w.z. meer naar binnen) en onder de lever ligt
χοληδόχος κύστη
noun
1. een loodsulfide met de chemische formule PbS
γαληνίτης
noun
γκαλερί
/χɑlx/
noun
1. houten constructie bestaande uit één of meer staande balken met een horizontale balk haaks daarop en één of meer diagonale balken ter ondersteuning, in het verleden veel gebruikt om mensen door ophanging ter dood te brengen
  1. αγχόνη
  2. κρεμάλα
pronoun
1. Romaanse taal gesproken in Galicië
γαλικιακά
/ɣɑˈlisɪə/, /ʝɑˈlisɪə/
pronoun
1. Spaanse regio
Γαλικία
pronoun
Γαλιλαία
noun
1. historisch zeilschip
γαλιόνι
pronoun
1. uitgestorven taal
γαλατικός
noun
1. een scheikundig element met symbool Ga en atoomnummer 31
γάλλιο
pronoun
Γαλατία
noun
Γαλάτης
noun
1. streektaal die gesproken wordt in Frankrijk
γκαλό
noun
1. Angelsaksische inhoudsmaat
γαλόνι
noun
1. een vaste structuur in de galwegen of de galblaas bestaande uit neergeslagen cholesterol, bilirubine of kalkzouten
χολόλιθος
adjective
1. door een elektrochemisch proces aangebracht
γαλβανικός
/ˌɣɑɫvaniˈzeːrə(n)/
verb
1. een laag zink opbrengen
γαλβανίζω
/'ɣɑm.bi.ja/, /'χɑm.bi.ja/
pronoun
1. een land in West-Afrika
Γκάμπια
noun
1-2
γάμμα
noun
  1. 1. lange smalle ruimte
  2. 3. onderdeel van een maaltijd
διάδρομος
/ˈɣɑŋ(g).pɑd/, /ˈɣɑŋ.pɑt/, /ˈχɑŋ.pɑt/
noun
1. een pad voor wandelaars, voetpad
διάδρομος
/gɑŋ'gren/
noun
1. de afsterving en ontbinding van een levend organisme
γάγγραινα
/ ˈgɛŋstər /
noun
1. een lid van een criminele organisatie
γκάνγκστερ
noun
1. benaming voor vogels uit de geslachten Anser en Branta
  1. χήνα
  2. εταχτόχηνα
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Γανυμήδης
/ˈɣa.pə(n)/, /ˈɣaː.pə(n)/, /ˈχa.pə(n)/
verb
1. heel diep inademen met de mond ver open, moeilijk om bewust tegen te gaan
χασμουριέμαι
/ɣa.ˈra.zʲǝ/
noun
  1. 1. een overdekte autostalling
  2. 2. een bedrijf dat reparatieservices aan motorvoertuigen verricht
γκαράζ
/ɣarɑndɪːrə(n)/
verb
1. de uitkomst ergens van verzekeren
βεβαιώνω
noun
ιπποσκευή
noun
1. samengebonden bundel halmen
δεμάτι
noun
γαρίδα
pronoun
1.
Γαρούνας
/ɣɑs/, /χɑs/
noun
1. aggregatietoestand
  1. αέριο
  2. ατμός
noun
1. een buis waardoor verschillende materialen in gasvorm vervoerd kunnen worden
αεριαγωγός
/ɣɑst/, /χɑst/
noun
1. iemand die als bezoeker ergens wordt ontvangen, verwelkomd of op een bijzondere wijze behandeld
επισκέπτης
noun
1. iemand die tijdeljk naar een ander land komt om daar arbeid te verrichten
ξένος εργάτης
noun
1.
ξενώνας
noun
  1. 1. een man
  2. 2. (biologie) een organisme
ξενιστής
noun
1. maagwandontsteking
γαστρίτιδα
noun
γαστρεντερίτιδα
adjective
1. met betrekking tot maag en darm
γαστρεντερικός
adjective
γαστροδωδεκαδακτυλικός
noun
γαστρονομία
/ɣɑstˈfrɛɪ/, /ʝɑstˈfrɛː/
adjective
1. gul in het onthalen of herbergen van gasten
φιλόξενος
noun
φιλοξενία
/ɣɑt/, /χɑt/
noun
  1. 1. opening
  2. 4. een geval van tandwolf
τρύπα
noun
  1. 1. een bijzondere aanleg
  2. 2. een geschenk
ταλέντο
noun
γαβιάλης
pronoun
1. exclave van Palestina tussen Egypte, Israël en de Middellandse Zee
Λωρίδα της Γάζας
noun
1. benaming voor slanke hoefdieren
γαζέλα
noun
1. onderhouden, kort gemaaid grasveld bij een huis
γκαζόν
noun
1. meestal zoet, gebakken voedsel specifiek gemaakt om van te genieten
αρτοσκεύασμα
noun
νοηματική γλώσσα
/ɣə'bɛt/
noun
1. het bidden
προσευχή
noun
1. een verzameling van bergen die met elkaar een groter geheel vormen
οροσειρά
/ɣə'bɵːrə(n)/
verb
1. plaatshebben, werkelijkheid worden
γίνομαι
noun
1. iets dat zich voordoet
γεγονός
noun
1. de vorm waarin een werkwoord gebruikt wordt als iets zeker gedaan moet worden
προστακτική
/xəˈblat/
noun
1. het blaten van een schaap
βέλασμα
/ɣəˈbladərtə/, /χəˈbladərtə/
noun
1. een verzameling van bladeren van één of meer bomen
φύλλωμα
noun
εντολή
/ɣəˈboːrtə/, /χəˈbo̝ːrtə/
noun
1. actie waarbij een organisme uit zijn/haar moeder komt en aan zijn zelfstandige leven begint
γέννα
noun
1. een getal dat aangeeft hoeveel geboorten er in een gebied in een bepaalde tijd hebben plaatsgevonden
γεννητικότητα
adjective
  1. 1. ter wereld gebracht, gebaard
  2. 2. begonnen, ontstaan
  3. 3. door herkomst of natuurlijke aanleg
γεννημένος
noun
1. een constructie waarin men kan wonen of werken
  1. κτίριο
  2. κτίσμα
noun
1. een tekort
έλλειψη
/ɣəˈbroːkən/, /χəˈbroːkən/
adjective
σπαστά
noun
2. toepassen van iets
χρήση
adjective
1. naar gewoonte, zoals men regelmatig doet
συνηθισμένος
/ɣəˈbrœʏkən/, /χəˈbrœʏkən/
verb
1. zich bedienen van, toepassen
χρησιμοποιώ
/ɣə'brœːkər/, /χə'brœʏkər/
noun
1. iemand die iets gebruikt
  1. xρήστης
  2. χρήστης
noun
1.
χρηστώνυμο
noun
1. meestal schriftelijke instructie die bij een product wordt gegeven
οδηγία
/ɣə'dɑɣdə/, /ɣəˈdɑxtə/
noun
1. het nadenken, idee
σκέψη
/ˌɣədɛŋkˈʋaːrdʏɣ/
adjective
1. een herinnering waard zijn
αξιομνημόνευτος
noun
απεσταγμένο νερό
noun
1. een in versmaat of in dichterlijke stijl opgesteld stuk
ποίημα
noun
1. de manier waarop iemand optreedt of iets ergens op reageert
συμπεριφορά
/ɣədʏɫt/
noun
1. de rust en bereidheid om te wachten
υπομονή
/gə'dʌldəx/
adjective
1. bereid te wachten en tegenslagen te verdragen
υπομονετικός
preposition
tijdens
κατά τη διάρκεια
/ɣeːl/, /ɣeːɫ/, /χeɪɫ/
adjective
1. citroen-, goudkleurig
  1. κίτρινος
  2. κίτρινο
/ɣeːl/, /ɣeːɫ/, /χeɪɫ/
noun
1. kleur tussen oranje en groen
  1. κίτρινος
  2. κίτρινο
noun
ίκτερος
indefinitePronoun
1. ontkennend onbepaald lidwoord: tegenovergestelde van één, niet een
κανένας
/ɣeːst/, /χeːst/
noun
  1. 1. dat wat zich afspeelt in iemands gedachten
  2. 2. een onsubstantieel wezen
πνεύμα
/ɣ̟eːβ̞/, /χeːu/
noun
1. het zich uitrekken, meestal met open mond, bij slaperigheid, ontspanning of verveling
χασμουρητό
/ɣɪːwə(n)/
verb
1. gapen
χασμουριέμαι
noun
μουρμούρισμα
noun
κρεατομηχανή
/xəˈɦɛndiˌkɛpt/, /ɣəˈɦɑndiˌkɑpt/
adjective
1. met een lichamelijke afwijking
ανάπηρος
noun
1.
εξάρτηση
/ɣəɦɛɪm/
adverb
1. opzettelijk verborgen
μυστικός
/ɣəɦɛɪm/
noun
1. informatie die verborgen wordt en bestemd is om dat te blijven
μυστικός
noun
  1. 1. het deel van de hersenen waarin herinneringen worden opgeslagen
  2. 2. snel toegankelijke plaats om data op te slaan
μνήμη
noun
αμνησία
noun
1. het organische systeem om geluiden waar te nemen
ακοή
adjective
1. voorzien van horens
κερασφόρος
/ɣə'hoːrzam/, /ɣə'ɦoːrzam/, /χə'ɦo̝ːrzam/
adjective
1. bereid gehoor te geven aan regels of bevelen
υπάκουος
verb
1. gevolg geven aan een opdracht of bevel
υπακούω
/ˈɣɛɪ̯t/, /ˈɣɛːt/, /ˈχɛɪ̯t/
noun
1. bepaald soort zoogdier Capra aegagrus hircus
  1. κατσίκα
  2. γίδα
noun
κατσικίσιο τυρί
noun
voedzaam vocht dat tepels van een geit afscheiden
κατσικίσιο γάλα
/ɣɛk/, /χɛk/
adjective
  1. 2. bezittende een zeer lage intelligentie, krankzinnig
  2. 4. knettergek
τρελός
noun
1. gekko
σαμιαμίδι
noun
  1. 2. een product om haar mee in model te houden
    γέλη
  2. 1. een gecrosslinkt polymeer van voldoende verdunning om vervormbaar te zijn zonder spontaan te vloeien
    ζελέ
adjective
1.
διαστρωματωμένος
noun
πρόσωπο
/ɣəˈlɑx/
noun
1. het lachen
γέλιο
/ˈɣɛlt/, /ˈχɛlt/
noun
1. een ruilmiddel dat gegarandeerd wordt door een land waarmee goederen en diensten kunnen worden gekocht
  1. χρήματα
  2. χρήμα
/ˈɣɛldərˌlɑnd/, /ˈɣɛɫdərˌlɑnt/, /ˈχɛɫdərˌlɑnt/
pronoun
1. provincie in het oosten van Nederland, die door de Flevoland, Overijssel, Limburg, Noord-Brabant, Zuid-Holland, Utrecht en het Duitse Noord-Rijnland-Westfalen wordt omringd
Χέλντερλαντ
adjective
1. waarvan de waarde of wettigheid erkend wordt
έγκυρος
noun
1. straf die bestaat uit het betalen van een geldbedrag
πρόστιμο
noun
νόμισμα
/ɣəˈledə(n)/, /χəˈledə(n)/
adverb
1. een woord om aan te duiden dat iets zich in het verleden af heeft gespeeld
πριν
/ɣə.let.ˈpo.tə.ɣə/, /ɣə.ˈleːd.ˌpoː.ti.ɣə/, /χə.let.ˈpo.tə.χə/
noun
1. een dier met een uitwendig skelet van chitine
αρθρόποδο
adjective
1. zich veel aan studie gewijd hebbend
εγγράμματος
noun
1. iemand die onderricht en bekwaam is in een bepaalde tak van de wetenschap
λόγιος
/ɣǝ.'le.ɣǝn.ɦɛjt/
noun
1. mogelijkheid tot
ευκαιρία
noun
  1. 1. elektrische stroomgeleider
  2. 2. warmtegeleider
αγωγός
noun
1. de mate waarin iets of iemand aan een ander doet denken
ομοιότητα
noun
ισότητα
adjective
1.
ομόηχος
noun
ανορθωτής
noun
συνεχές ρεύμα
adjective
1. alle zijden gelijk in lengte
ισόπλευρος
/ɣə'lɔftə/
noun
1. een plechtige verklaring iets voortaan te zullen doen of na te zullen laten
όρκος
/ɣəˈlof/, /χəˈlof/
noun
1. godsdienst
θρησκεία
noun
1. de mate waarin iets of iemand verdient geloofd te worden
αξιοπιστία
verb
1. overtuigd zijn dat iets waar is
πιστεύω
/ɣə.ˈlo.vi.ɣə/, /ɣə.ˈlo.və.ɣə/, /χə.ˈlo.və.χə/
noun
1. iemand die een bepaald geloof aanhangt
πιστός
/ɣəˈlɵk/, /χəˈlɵk/
noun
1. prettige loop van de omstandigheden
  1. τύχη
  2. γούρι
adjective
1. in een tevredene toestand zijn, zich goed voelen
ευτυχισμένος
noun
1. Zingiber officinale, een specerij met een scherpe smaak
  1. πιπερόριζα
  2. τζίντζερ
noun
  1. 1. het met één of meer andere deel hebben aan iets
  2. 2. samenleving
  3. 3. geheel van personen of zaken die tot elkaar in een bepaald opzicht in een geregelde betrekking staan
κοινότητα
/ɣəˈmentə/, /ɣəˈmeɪntə/, /ʝəˈmentə/
noun
1. bestuurlijke eenheid
δήμος
noun
1. gemeenschap van onafhankelijke landen
κοινοπολιτεία
noun
1. de som van een aantal getallen gedeeld door het aantal ervan
μέσος όρος
noun
1. in de Alpen levende soort berggeit
αγριόγιδο
noun
1. drager van informatie van de erfelijke eigenschappen
γονίδιο
noun
παραχώρηση
adjective
αλύπητος
noun
1. de laatste slag toegebracht aan een zwaargewonde vijand om hem uit zijn lijden te helpen
χαριστική βολή
noun
χωροφύλακας
noun
1. een discipline van de geschiedkunde die zich bezighoudt met voorouderonderzoek dan wel de afstamming van de familienaam
γενεαλογία
/γ̊əˈneːskʏndə/
noun
1. de wetenschap die zich richt op de aard, de oorzaken en de geneesmiddelen van ziekten
ιατρική
noun
1. iemand die het bevel heeft over een leger
στρατηγός
noun
1. alle personen die min of meer tegelijkertijd geboren zijn
γενιά
/ˌɣenəˈratɔr/, /ˌχenəˈratɔr/
noun
1. een apparaat of persoon die iets genereert (doet ontstaan)
γεννήτρια
adjective
2. algemeen
γενικός
pronoun
Γένεση
noun
1.de wetenschap van alles wat de werking van genen betreft, in het bijzonder erfelijke overdracht
γενετική
noun
1.
αερολογίες
noun
1. iemand die buitengewoon slim is of die ergens uitzonderlijk goed in is
ιδιοφυία
noun
1. naamval als aanduiding van bezit, oorsprong of hoeveelheid
γενική
noun
1. stelselmatige uitroeiing van een volk
γενοκτονία
indefinitePronoun
αρκετός
/xəˈnom/
noun
1. een verzameling van alle genen van de chromosomen van een organisme
γονιδίωμα
noun
1. het geheel van genetische kenmerken dat een soort onderscheidt
γονότυπος
noun
1. categorie in een kunstvorm
ύφος
pronoun
1. Vlaamse provinciehoofdstad van Oost-Vlaanderen, België
Γάνδη
/ˈɣɛn.teː.ra.ˌpi/, /ˈχɛn.tɪː.ra.ˌpi/
noun
1. het inbrengen van genetisch materiaal in (menselijke) cellen in het kader van een geneeskundige behandeling
γονιδιοθεραπεία
noun
ανάπλαση, εξευγενισμός
pronoun
1. een stad in Noordwest-Italië
Γένοβα
noun
1. Grammaticaal geslacht
γένος
pronoun
2. stad in Zwitserland
Γενεύη
adjective
γεωκεντρικός
noun
γεωδαισία
noun
γεώφονο
noun
γεωφυσική
adjective
γεωφυσικός
noun
1. aardrijkskunde
γεωγραφία
adjective
1. aardrijkskundig, met betrekking tot de aardrijkskunde
γεωγραφικός
noun
1. aardkunde
γεωλογία
adjective
1. op de geologie betrekking hebbend
γεωλογικός
noun
γεωλόγος
noun
1. een tak van de wiskunde die zich bezighoudt met ruimtelijke figuren
γεωμετρία
/ɣeˈjɔrɣis/, /ɣeˈjɔrɣɪs/, /χeˈjɔrχis/
pronoun
1. de taal die in Georgië gesproken wordt
  1. γεωργιανά
  2. γεωργιανός
/ɣeˈjɔrɣi.jə/, /χeˈjɔrχi.jə/
pronoun
1. een soevereine staat in West-Azië, gelegen in de Kaukasus. De officiële taal is het Georgisch
Γεωργία
/ˈɣeː.rɑrd/, /ˈɣeː.rɑrt/, /ˈχɪː.rɑrt/
pronoun
1. jongensnaam
Γεράρδος
noun
1. een bepaald soort voedsel op een bepaalde wijze bereid
πιάτο
noun
δικαιοσύνη
noun
1. afsluitbare bak waarin gereedschap opgeborgen en bijeengehouden wordt
εργαλειοθήκη
noun
γηριατρική
noun
1. een scheikundig element met symbool Ge en atoomnummer 32
γερμάνιο
noun
1. tak van wetenschap die het "ouder worden" bestudeert
γεροντολογία
noun
2. en 3. (zaad van de) plant Hordeum vulgare
κριθάρι
/ɣə'rɵxt/
noun
  1. 2. een mededeling of nieuwtje dat de ronde doet maar nog niet bevestigd is, zodat je niet zeker bent of het waar is
  2. 1. lawaai; een klein geluid
φήμη
noun
1. zelfstandig gebruikte verbogen infinitief
γερούνδιο
/ɣəˈsxɛŋk/, /ʝəˈsçɛŋk/
noun
1. iets dat men geeft
δώρο
/ɣəˈsxidəˌnɪs/
noun
2. de gebeurtenissen van het verleden
  1. ιστορία
  2. Ιστορία
noun
ιστοριογραφία
adjective
1. met de juiste eigenschappen
κατάλληλος
noun
καταλληλότητα
/ˈɣeː.zəl/, /ˈχe.səɫ/
noun
1. werktuig van touwen of riempjes met knopen of stukjes metaal, waarmee men ter bestraffing op iemands lichaam slaat
μαστίγιο
/ɣesələ(n)/
verb
1. iemand met een zweep of gesel tuchtigen
μαστιγώνω
/χəˈslɑχt/
noun
4. grammaticaal geslacht
Γραμματικό γένος
noun
1. seks waarbij de man met zijn penis het lichaam van de partner binnengaat
συνουσία
/ɣəˈslɑxtsɔrɣaːn/, /ʝəˈslɑxtsɔrʝaːn/
noun
1. lichaamsdeel
αναπαραγωγικό όργανο
adjective
1.technisch hoogstaand
εκλεπτυσμένος
/ɣɛsp/
noun
1. sluitmechanisme aan riemen e.d.
αγκράφα
adjective
1. met sterk ontwikkelde stevige spieren
μυώδης
noun
1. een mondelinge conversatie waarbij informatie uitgewisseld wordt
  1. συνομιλία
  2. συζήτηση
noun
1. een persoon die deelneemt aan een gesprek
συνομιλητής
/ɣəˈstentə/
noun
1. het materiaal waaruit de aardkorst bestaat, bestaande uit mineralen
πέτρωμα
noun
αριθμός
adjective
1. talent hebbend
προικισμένος
noun
1. een elektrische centrale die functioneert op het verschil tussen eb en vloed
παλιρροϊκός σταθμός
noun
1. de periodieke verandering van de waterstand ten gevolge van de stand van de maan
παλίρροια
noun
1. (elektrotechniek) (werktuigbouwkunde) elektrische centrale die werkt door middel van getijdenstromen ontstaan door het hoogteverschil tussen eb en vloed
παλιρροϊκός σταθμός
adjective
πιστός
adjective
1. voltooid deelwoord van trouwen
παντρεμένος
noun
1. iemand die een gebeurtenis heeft meegemaak of op andere wijze, veelal onder ede, een verklaring kan geven ten aanzien van de ware toedracht van een zaak
μάρτυρας
noun
μαρτυρία
/ɣøːr/, /χøːr/
noun
1. gewaarwording met de neus van de aanwezigheid van een gasvormige uitwaseming
ντορός
/ɣəˈvar/
noun
1. groot risico
κίνδυνος
/ɣəˈvarlək/, /ɣəˈvaːrlɪk/, /χəˈvarlək/
adjective
1. gevaar met zich meebrengend
επικίνδυνος
noun
1.
περίπτωση
noun
1. iemand die gevangen genomen is
  1. κρατούμενος
  2. φυλακισμένος
/ɣǝvɑŋǝnis/
noun
1. een gebouw waarin personen gevangen worden gehouden vanwege hun misdaden
  1. φυλακή
  2. δεσμωτήριο
/ɣəˈvɛxt/, /χəˈvɛxt/
noun
1. een handgemeen
αγώνας
/ˈɣevə(n)/, /ˈχevə(n)/
verb
1. overdragen van het bezit van iets aan iemand anders
δίνω
noun
1. gewaarwording
συναίσθημα
noun
  1. 1. een aandoenlijkheid
  2. 2. de nauwkeurigheid van instrumenten
ευαισθησία
noun
1. een verzamelnaam voor vogels die gekweekt worden als voedsel
πουλερικό
/ɣəˈvɔlx/, /ɣəˈvɔɫx/, /χəˈvɔɫχ/
noun
1. iets dat voortkomt uit iets anders
συνέπεια
noun
τουφέκι
noun
1. een stel uit been bestaande hoorns van herten; al dan niet vertakt
κέρατο
noun
1. elke kracht van meer dan geringe betekenis uitgeoefend op personen, goederen of zaken
βία
/ɣəˈʋetə(n)/
noun
1. het deel van iemand waarmee die persoon zijn daden op goed en kwaad beoordeelt
συνείδηση
/ɣəˈʋɪxt/, /χəˈʋɪxt/
noun
1. de kracht die dat voorwerp op zijn ondersteuning of ophanging uitoefent
βάρος
noun
1. een sport waarbij de beoefenaars proberen om zware gewichten op te heffen die aan stalen staven zijn bevestigd
άρση βαρών
/xə'wɪxthɛfər/
noun
1.
αρσιβαρίστας
noun
1. het minder worden van de massa van een persoon of voorwerp
αδυνάτισμα
/ɣəˈwoːn/, /ɣəˈβ̞oːn/, /χəˈʋon/
adjective
αγελαίος
/ɣəˈwoːntə/, /ɣəˈβ̞oːntə/, /χəˈʋontə/
noun
1. vaste wijze om dingen te doen
συνήθεια
noun
1. verbinding
  1. άρθρωση
  2. κλείδωση
noun
αντιπρόσωπος
noun
2. alle zinsdelen behalve het onderwerp
κατηγόρημα
/ɣə'zɛlsxɑp/
noun
  1. 3. een vereniging met een bepaald doel
    κοινωνία
  2. 1. een groep mensen die iets gemeen hebben
    παρέα
noun
1. de voorkant van een menselijk hoofd
πρόσωπο
noun
1. huishouden bestaande uit een of meer ouders en hun kinderen
οικογένεια
/xə.ˈzɔnt/, /ɣə.ˈzɔnt/
adjective
  1. 1. vrij van ziektes en zeertes
  2. 2. bevorderlijk voor een goede conditie
  1. υγιής
  2. υγιεινός
noun
1. welbevinden, in goede staat zijn
υγεία
noun
1. een onnatuurlijke verdikking in het weefsel
όγκος
noun
1.
κόπος
noun
ολοκληρωμένο κύκλωμα
/'ɣa.na/, /'χa.na/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Ghana
Γκάνα
adjective
1. op Ghana betrekking hebbend
γκανέζικη
pronoun
Γιβραλτάρ
/ɣɪts/, /χɪts/
noun
persoon die een groep begeleid en uitleg geeft
εγχειρίδιο
/ˈɣixələ(n)/
verb
1. een snelle, wat ingehouden vorm van lachen
χαχανίζω
/ɣiːr/, /χiːr/
noun
1. benaming voor grote aasetende roofvogels met een kale kop en machtige vleugels
  1. όρνιο
  2. γύπας
adjective
1. geen geld of bezit aan een ander willende geven
τσιγκούνης
noun
2. en 3. (zaden van) de graansoort Panicum miliaceum
κεχρί
/ˈɣirˌzʋalyw/
noun
1. bepaald soort vogel, Apus apus
μαυροσταχτάρα
noun
1. een soort emmer met sproeibuis om de planten te begieten
ποτιστήρι
noun
1. een bedrijf dat zich toelegt op het gieten van metalen voorwerpen
χυτήριο
noun
χυτοσίδηρος
/ɣɪf/, /χɪf/
noun
1. substantie die in kleine hoeveelheden schadelijk of dodelijk is
δηλητήριο
/ˈɣɪftəx/, /ˈχɪftəx/
adjective
  1. 1. gif bevattend
  2. 2. zeer nijdig
δηλητηριώδης
noun
  1. γιγαδυφιοσυλλαβή
  2. γκιγκαμπάιτ
noun
1.
γιγάμετρο
adjective
γιγάντειος
/ɣɛɪ̯/, /ɣɛː/, /χɛɪ̯/
personalPronoun
εσύ
/ˈɣɛɪ̯zəlaːr/, /ˈɣɛːzəlaːr/, /ˈχɛɪ̯zəlaːr/
noun
1. een veelal onschuldig persoon die tegen de eigen wil door een gijzelnemer gevangen wordt gehouden en die bedreigd wordt met het doel iets van derden gedaan te krijgen
όμηρος
noun
τζιν
noun
1. tandvleesontsteking
ουλίτιδα
noun
1.
τζίνσενγκ
noun
1. (scheikunde) een uit calciumsulfaat en water uithardende witte vaste stof: CaSO₄·2H₂O
γύψος
/ʒi'rɑf/
noun
1. Herkauwend dier
καμηλοπάρδαλη
noun
1. herkauwend dier dat in Midden-Afrika leeft met een zeer lange hals, Giraffa camelopardalis
καμηλοπάρδαλη
noun
1. de naam voor een aantal soorten micro-organismen
  1. ζύμη
  2. μαγιά
verb
αναβράζω
/ˈɣɪstər/, /ˈχɪstər/
adverb
1. de laatste dag die voltooid is
χθες
/ˈɣɪstərə(n)/, /ˈχɪstərə(n)/
adverb
1. de laatste dag die voltooid is
  1. χθες
  2. χτες
noun
1.
γνώμη
/ɣi'tar/
noun
1. een muziekinstrument
κιθάρα
pronoun
1. stad in Armenië
  1. Γκιουμρί
  2. Γκουμρί
adjective
λείος
noun
μονομάχος
/ɣlɑs/, /χlɑs/
noun
  1. 2. op basis van SiO₂
  2. 3. om uit te drinken
  3. 1. niet-kristallijne vaste stof
  1. γυαλί
  2. ποτήρι
noun
υαλοειδές σώμα
noun
γκλάσνοστ
noun
isolatiemateriaal gemaakt van glas
υαλοβάμβακας
noun
1. een aandoening waarbij een verhoging van de druk in de oogbol onbehandeld...
γλαύκωμα
noun
1-2
αδαμαντίνη
noun
1. een ijsmassa die gevormd wordt op land en dik en groot genoeg is om bergafwaarts te stromen
παγετώνας
adjective
1. glad, moeilijk houvast op te krijgen
γλιστερός
noun
1. een gelaatsuitdrukking die een geluidloze lach verraadt
χαμόγελο
/'ɣlɪmlɑχən/
verb
1. zacht onhoorbaar lachen
χαμογελώ
noun
1. een nachtelijk lichtgevend kevertje uit de familie Lampyridae
πυγολαμπίδα
noun
1. een voortgaand proces van wereldwijde economische, culturele en politieke integratie
παγκοσμιοποίηση
/ɣlut/
noun
θράκα
/ˈɣluilɑmp/
noun
1. een lamp die licht produceert met een gloeidraadje
γλόμπος
noun
γλωσσάριο
noun
1. druivensuiker
γλυκόζη
/'ɣly.tə(n)/
noun
  1. γλουταμίνη
  2. γλουτένη
/ˌɣlikɔˈɣen/
noun
1. een opvanghuis voor wezen
γλυκογόνο
noun
1. een metamorf gesteente met verschillend gekleurde banden of aders
γνεύσιος
noun
1. Connochaetes, een dier behorende tot de familie Bovidae...
γκνου
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het westen van het land
Γκόα
noun
2. doelpunt
τέρμα
pronoun
1. bovennatuurlijk en volmaakt wezen, dat beschikt over superieure krachten en dat onsterfelijk is
Θεός
/ɣɔd/, /ɣɔt/, /χɔt/
noun
1. hypothetisch bovennatuurlijk wezen dat verantwoordelijk wordt geacht...
θεός
adjective
θεϊκός
noun
1.
θεότητα
noun
1. een hypothetisch bovennatuurlijk wezen dat verantwoordelijk wordt geacht voor (bepaalde aspecten van) de werkelijkheid
θεότητα
pronoun
1. benaming voor het vrouwelijk opperwezen
Θεά
noun
1. een vrouwelijke godheid
θεά
noun
1. een geloof en alle daar bij horende rituelen en doctrines
θρησκεία
noun
1.
ανεξιθρησκία
noun
1. belediging of bespotting van God/een godheid
βλασφημία
adjective
1. lasterlijk ten opzichte van God
βλάσφημος
adjective
1.
θεοφοβούμενος
adjective
1. kwaliteit bezittend
  1. καλός
  2. αγαθός
adverb
1. op goede wijze
καλά
/ˌɣudə.ˈvrɛɪ̯.dɑx/
pronoun
1. de vrijdag voor Pasen
Μεγάλη Παρασκευή
/ˌɣudəˈmɔrɣə(n)/
interjection
groet
καλημέρα
interjection
avondwens
  1. καληνύχτα
  2. καλό βράδυ
interjection
1. een groet die in de avond gebruikt wordt
  1. καλησπέρα
  2. καλό βράδυ
noun
1. trein die uitsluitend is bestemd om goederen te vervoeren
εμπορική αμαξοστοιχία
noun
1. de hoedanigheid van het goed zijn
καλοσύνη
verb
1. toestemming verlenen
εγκρίνω
adjective
1. laag in prijs
φτηνός
noun
γκουρού
/ɣɔk/, /χɔk/
noun
2. een keuze zonder het juiste antwoord te weten
στοίχημα
/ˈɣɔkən/, /ˈχɔkən/
verb
1. iets van waarde, veelal geld, inzetten op de mogelijke uitkomst van iets onzekers
στοιχηματίζω
/gɔlf/, /χɔl(ə)f/
noun
  1. 4. grote baai
    κόλπος
  2. 1, 2 en 3
    κύμα
  3. 1. balspel waarbij een golfbal met een golfclub in een aantal slagen in de hole moet worden geslagen.
    γκολφ
pronoun
1. zee die begrenst wordt door Mexico, de Verenigde Staten van Amerika en Cuba
Κόλπος του Μεξικού
pronoun
1.
κόλπος της Λιβονίας
noun
1. constructie om de kracht van watergolven te weerstaan
κυματοθραύστης
noun
μήκος κύματος
/ˈɣɔndəl/
noun
1. een pleziervaartuig in Venetië
γόνδολα
noun
1. een hangend slagwerk
γκονγκ
noun
1. een geslachtziekte die veroorzaakt wordt door de bacterie Neisseria gonorrhea
γονόρροια
/ˈgu:gələ(n)/, /ˈɡu.ɡə.lə(n)/, /ˈɣu.ɣə.lə(n)/
verb
1. naar informatie zoeken op het internet, m.n. met Google
γκουγκλάρω
noun
googol
/ˈɣoːi̯ən/, /ˈχoːi̯ən/
verb
1. het door de lucht verplaatsen van een voorwerp, al dan niet naar een doelwit
ρίχνω
/χot/
noun
1. lid van een Oost-Germaans volk
Γότθος
/ˈɣotsten/
noun
1. een bak, meestal ingebouwd in een aanrecht, onder een kraan en met een afvoer
νεροχύτης
noun
1. een band die om het middel gedragen wordt
ζώνη
noun
1. zoogdier met pantser van beweegbare schubben uit de familie Dasipodidae
αρμαντίλλο
/ɣɔrˈdɛːn/, /χɔrˈdɛɪn/
noun
1. doek ter afdekking
κουρτίνα
noun
1. Afrikaanse mensaap uit het geslacht Gorilla
γορίλας
noun
Γκόσπελ
/ˈɣɔtlɑnt/, /ˈʝɔtlɑnt/
pronoun
1. Zweeds eiland
Γκότλαντ
/χɔtspə/
noun
μαγκιά
/ɣʌʊt/
noun
1. een edelmetaal met atoomnummer 79 dat wordt aangegeven met het symbool Au, het is een geel metalliek overgangsmetaal
  1. χρυσάφι
  2. χρυσός
phraseologicalUnit
χρυσό μετάλλιο
noun
1. bepaald soort klein vogeltje met een goudkleurig kruintje Regulus regulus
χρυσοβασιλίσκος
noun
Χρυσή Ακτή
noun
1.
Γκούντα
noun
1. een smid die met goud werkt
χρυσοχόος
/ˈɣaʊ̯d.vɪs/, /ˈɣɔʊ̯t.fɪs/, /ˈχʌʊ̯t.fɪs/
noun
1. bepaald soort kleine goudkleurige of rode vis die uit China afkomstig is en die door veel mensen thuis gehouden wordt, Carassius auratus auratus
χρυσόψαρο
noun
1. een stoofschotel van o.a. rundvlees, paprika en uien, tevens het nationale gerecht van Hongarije
γκούλας
noun
1. het hoofd van een regering, van een kolonie, staat of andere subnationale staatseenheid
κυβερνήτης
noun
1. eenheid om hoeken te meten
βαθμός
noun
1. geschiedkundige term voor een landsheer, oorspronkelijk belast met de rechtspraak...
κόμης
noun
επαρχία
/ɣrax/, /χraχ/
adverb
1. met plezier, met graagte; dat doe ik graag
ευχαρίστως
noun
  1. δημητριακά
  2. σιτηρά
noun
ψαροκόκκαλο
noun
1. een instrument waarmee een hoek van een gekende grote uitgezet of gemeten kan worden
μοιρογνωμόνιο
/ɣrɑf/, /χrɑf/
noun
  1. 1. ruimte om één of meer lijken in te begraven
  2. 2. plaats waar één of meer lijken begraven liggen
τάφος
noun
in plaatjes gekristalliseerde koolstof
γραφίτης
noun
1. een rechtopstaande gebeeldhouwde steen die de aanwezigheid van een graf markeert
ταφόπετρα
noun
1. een afgeleide eenheid voor massa in het SI-stelsel (éénduizendste van een kilogram, 0,001 kg)
γραμμάριο
noun
1. een systeem van regels en principes voor het schrijven en spreken van een taal.
γραμματική
adjective
γραμματικός
noun
2. met springlading gevuld projectiel
χειροβομβίδα
noun
2. vrucht
  1. ρόδι
  2. ροδιά
noun
1. Punica granatum, een tot zes meter hoge struik uit de kattenstaartfamilie (Lythraceae)...
ροδιά
/ɣɾaˈni:t/
noun
1. stollingsgesteente bestaande uit lichtgekleurde, met het blote oog onderscheidbare mineralen.
γρανίτης
noun
1. een gele of rode, enigszins bitter smakende citrusvrucht
γκρέιπφρουτ
noun
1. sap van de vrucht van de boom Citrus paradisi
χυμός γκρέιπφρουτ
noun
1.een Italiaanse alcoholische drank
γκράπα
/ˈɣrɑpəχ/
adjective
1. de lust tot (glim-) lachen opwekkend
κωμικός
noun
  1. 1.1 benaming voor planten uit de familie Poaceae die een oppervlak met sprietvormige groene bladeren begroeien
    χορτάρι
  2. 1. benaming voor planten uit de familie Poaceae
    χόρτο
noun
χλοοτάπητας
adjective
1. wat zonder betaling verkregen wordt
δωρεάν
adjective
1. donkergrijs, kleurloos
γκρίζος
noun
1. bepaalde soort grijsbruine vogel met oranje snavel, Anser anser
σταχτόχηνα
verb
1. een gat in de grond maken met de handen of met een graafwerktuig
σκάβω
verb
1. met een scherp gereedschap iets krassen in glas of metaal
χαράσσω
noun
χαράκτρια
noun
1. vrouwelijke graaf
κόμισσα
noun
1. de kracht die de wederzijdse aantrekking van massa veroorzaakt
βαρύτητα
pronoun
1.
Γκρατς
/'χrazə(n)/
verb
1. het eten van gras en andere bodemvegetatie zoals bijvoorbeeld runderen dit doen
βόσκω
/ɣre.ˈna.da/, /ɣrɛ.ˈna.da/, /χre.ˈna.da/
pronoun
land in het Caribisch gebied
Γρενάδα
noun
2. de raaklijn tussen twee landen
  1. μεθόριος
  2. άκρο
  3. ανάχωμα
  4. παρυφή
/ɣrik/, /χrik/
noun
1. inwoner van Griekenland
Έλληνας
/ˈɣrikə(n)ˌlɑnd/, /ˈɣrikə(n)ˌlɑnt/, /ˈχrikə(n)ˌlɑnt/
pronoun
1. een land in het zuidoosten van Europa
  1. Ελλάδα
  2. Ελλάς
/ɣriks/, /χriks/
pronoun
1. een taal die vooral wordt gesproken in Griekenland en op Cyprus
  1. ελληνικά
  2. ελληνικός
verb
1. grienen
κλαψουρίζω
/ɣrip/
noun
1. een vierusziekte die jaarlijks vele mensen ziek maakt en die voor ouderen gevaarlijk kan zijn
γρίπη
noun
1. grof gemalen meel
σιμιγδάλι
/ɣrit/, /χrit/
noun
  1. A. jonge vrouw, meisje
    γκόμενα
  2. C. vissoort
    πισί
noun
1. Oudgrieks fabeldier met de kop, voorpoten en vleugels van een adelaar en de romp, achterpoten en staart van een leeuw
γρύπας
adjective
1. de kleur grijs hebbend
γκρίζος
noun
1. vertrokken gelaat, grijns, frats
μορφασμός
noun
χαλίκι
/ˈgrɪzliˌbeːr/, /ˈɣrɪzliˌbeːr/
noun
1. Ursus arctos horribilis, een Amerikaanse ondersoort van de bruine beer.
αρκούδα γκρίζλι
/ˈɣrui̯ə(n)/
verb
groter worden
μεγαλώνω
adjective
1. met de kleur zoals bladeren van planten die meestal hebben
  1. πράσινος
  2. πράσινο
noun
1. kleur zoals bladeren van planten die meestal hebben, geel met blauw gemengd
  1. πράσινο
  2. πράσινος
noun
  1. 1. groen verkeerslicht
  2. 2. toestemming
πράσινο
noun
1. Picus viridis
δρυοκολάπτης
/ˈɣrun.lɑnd/, /ˈɣrun.lɑnt/, /ˈχrun.lɑnt/
pronoun
1. een groot eiland ten noordoosten van Canada, deel uitmakend van het koninkrijk Denemarken
Γροιλανδία
adjective
γροιλανδικός
noun
1. eetbare planten of delen daarvan
  1. λαχανικά
  2. λαχανικó
noun
1.
μανάβης
/ɣrup/, /ʝrup/
noun
1. uit meerdere personen of eenheden bestaand geheel
ομάδα
verb
1. in groepen stellen
ομαδοποιώ
noun
ανοσία αγέλης
noun
1. verkrachting door een groep personen
ομαδικός βιασμός
/ˈɣrut/, /ˈχrut/
noun
1. een uiting waarbij men elkaars aanwezigheid erkent wanneer men elkaar ontmoet
χαιρετισμός
noun
1. mijnbouw) een mijn waar delfstoffen gewonnen worden, onderaards of dagbouw
λάκκος
noun
1.
γαιοκτήμονας
noun
ιδρυτής
noun
πρώτη ύλη
noun
1. al het water dat zich in de aardbodem bevindt
εδαφικό νερό
noun
1. wet die de principes van een staat definieert
σύνταγμα
/ˈɣroːˌnɪŋə(n)/, /ˈχroˌnɪŋə(n)/
pronoun
  1. 1. hoofdstad van de provincie Groningen
  2. 2. gemeente in de provincie Groningen waarin de stad Groningen ligt
  3. 3. provincie in het noorden van Nederland, die door Friesland, Drenthe en het Duitse Oost-Friesland wordt begrensd
Χρόνινγκεν
/ɣroːt/
adjective
  1. 1. meer dan normaal in formaat
  2. 2. bewonderenswaardig, goed
  3. 3. machtig, belangrijk
μεγάλος
/ˌɣroːd brɪˈtɑni.jə/, /ˌχrot brɪˈtɑni.jə/
pronoun
1. benaming voor het '[[Verenigd Koninkrijk|Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland]]', dat officieel met Verenigd Koninkrijk wordt aangeduid.
Μεγάλη Βρετανία
noun
1. bedrijf dat in het groot handelt, dat aan de detailhandel levert
χονδρική
noun
1. een moeder van een ouder
  1. γιαγιά
  2. μάμμη
noun
1. op een krachtige manier heel gul zijn
μεγαλοψυχία
/ˈɣroːtˌfaːdər/
noun
1. de vader van een ouder
παππούς
noun
  1. 1. in de klassieke zeilvaart de onderste, grootste zeil aan de grote mast
  2. 2. in de moderne zeilvaart het zeil bevestigd met het voorlijk aan de achterkant van de (grootste) mast
μαΐστρα
/ɣrɔt/
noun
1. een onderaardse holte
σπήλαιο
pronoun
1. hoog aan het noordelijk halfrond duidelijk zichtbaar sterrenbeeld
Μεγάλη Άρκτος
noun
παπαρούνα
pronoun
1. de naam voor de 5 grote meren op of nabij de grens tussen de Verenigde Staten en Canada
Μεγάλες Λίμνες
phraseologicalUnit
1. een interval dat vier halve tonen omvat
τρίτη μεγάλη
/ˈxrʏto/, /ˈɣrʏto/
noun
1. bepaald soort weidevogel en een van de grootste steltlopers
λιμόζη
noun
1.
γραβιέρα
pronoun
Γουαδελούπη
noun
γκουανό
/ˌgʋɑ.tə.ˈma.la/, /ˌgβ̞ɑ.tə.ˈma.la/, /ˌɣ<sup>ʊ</sup>a.tə.ˈma.la/
pronoun
land in Midden-Amerika, officieel de Republiek Guatemala
Γουατεμάλα
noun
Γουατεμαλτέκος
noun
1. inwoner van Guatemala
Γουατεμαλτέκος
noun
1. en 2. (vrucht van) Psidium guajava
  1. γουάβα
  2. γκουαγιάβα
pronoun
Γκέρνσεϊ
/ɣi.ˈne/, /χi.ˈne/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Guinee
Γουινέα
/ˌɣi.ne.bɪ.ˈsaʊ̯/, /ˌɣi.ne.ˈbɪ.sɔʊ̯/, /ˌχi.ne.ˈbɪ.sʌʊ̯/
pronoun
1. bepaalde soort vlinder, Vanessa atalanta
Γουινέα-Μπισσάου
pronoun
1. een taal die oorspronkelijk in Gujerat gesproken wordt. De taal wordt nu ook in Uganda, Tanzania, Kenia en Pakistan gesproken
γκουτζαρατικά
adjective
1. vrijgevig
γενναιόδωρος
/ɣɵlp/
noun
1. een door een strook stof afgesloten opening aan de voorzijde van een broek van de man,...
πατ
/ɣɵnst/, /χɵnst/
noun
1. het vrijwillig verlenen van een dienst of goed aan iemand om iemand ter wille te zijn
εύνοια
adjective
ευνοϊκός
adjective
λαρυγγικός
/ɣi.ˈja.na/, /ɣβ̞i.ˈja.na/, /χi.ˈja.na/
pronoun
1. een land in Zuid Amerika, officieel de Coöperatieve Republiek Guyana
Γουιάνα
noun
1. oefeningen voor de gezondheid van een mens
γυμναστική
noun
γυναικολογία
/ˌɣiroˈskop/
noun
γυροσκόπιο
/ˈgœtɪŋən/
pronoun
1. + 2. stad en district
Γκέττινγκεν
noun
1. een afscheiding bestaande uit kreupelhout of struikgewas
φράχτης
noun
1. bepaald soort loofboom, Carpinus betulus
γάβρος
/haːɪ̯/, /ɦaɪ̯/
noun
1. benaming voor roofvissen uit de superorde Selachimorpha
  1. καρχαρίας
  2. σκυλόψαρο
noun
1.
σούπα από πτερύγια καρχαρία
/haːk/
noun
γάντζος
noun
2. elk van de tekens, rond of met hoeken, gebruikt in paren om woorden of getallen af te zonderen
  1. άγκιστρο
  2. αγκύλη
/ɦan/
noun
1. mannelijk dier bij de hoenderachtige vogels
  1. κόκορας
  2. πετεινός
noun
1.1 hoofdhaar, uitgroeisel van de epidermis dat delen van het hoofd bedekt
  1. μαλλιά
  2. τρίχα
personalPronoun
2. datief van zij, derde persoon enkelvoud
της
possessivePronoun
1. bezit aanduidend door een 3e persoon vrouwelijk enkelvoud
της
noun
1. plaats in de woning bedoeld om er een vuur te branden
τζάκι
noun
1. een doorgaans dunne speld waarmee het haar kan worden opgestoken.
  1. φουρκέτα
  2. διχαλωτή καρφίδα
noun
1. Lepus eropaeus, een konijnachtig zoogdier met lange achterpoten een gespleten lip en lange oren
λαγός
/hast/
adverb
1. bijna
σχεδόν
/ɦaːt/
noun
1. sterk gevoel van vijandschap
μίσος
pronoun
2. boek in de Bijbel
Αββακούμ
noun
1. iemand die zich onbevoegd toegang verschaft tot een computersysteem
χάκερ
/haˈdejikʏm/
noun
Καταρχαιοζωικός
noun
1. verzamelde mondelinge overleveringen van de uitspraken en instructies van Mohammed
χαντίθ
noun
1. bepaalde soort vlinder, Vanessa atalanta
αδρόνιο
noun
1. scheikundig element met symbool Hf en atoomnummer 72
άφνιο
noun
1. langstaartig, geschubd reptiel uit de onderorde Lacertilia
σαύρα
/haɣəɫ/
noun
1. bolvormig ijs dat als neerslag uit de hemel valt
χαλάζι
verb
1. het uit de hemel neerkomen van hagelstenen
πέφτει χαλάζι
pronoun
2. boek in de Bijbel
Αγγαίος
noun
1. hiel van de voet
τακούνι
verb
3. bevestigen d.m.v. een haak
αγκιστρώνω
/ˈhaː.kə(n)ˌkrœys/
noun
σβάστικα
verb
2. moeilijk en onzeker spreken met herhaling van klanken
τραυλίζω
/ˈɦɑkə(n)/
verb
κόβω
/ɦɑl/
noun
  1. 1. ruimte achter de voordeur
  2. 3. een grote overdekte ruimte gericht op het uitvoeren van activiteiten
διάδρομος
/ɦɑlf/
adjective
1. de helft zijnde
ήμισυς
noun
1-2
  1. hμιαγωγός
  2. ημιαγωγός
noun
ημίθεος
noun
ημίφωνο
noun
1. het oppervlak van een halve bol, met name van de aarde
ημισφαίριο
adverb
1. halverwege de vlaggenstok
μεσίστια
adjective
2. waaruit de helft van de vetten verwijderd is
  1. ημιαποβουτυρωμένο
  2. ημιαποκορυφωμένο
interjection
1. groet
γειά σου
noun
παραίσθηση
adjective
παραισθησιογόνος
noun
παραισθησιογόνο
noun
αλογόνο
noun
λαιμός
noun
1. het te vasthoudend zijn
γινάτι
noun
καπίστρι
/ˈhɑɫtə/
noun
  1. 1. een plaats waar gestopt wordt
  2. 2. een plaats waar een bus stopt
στάση
noun
αλτήρας
noun
1.
ημιτελικός
noun
1.
μισό
/ɦɑm/
noun
1. vlees van de achterkant van een varken
ζαμπόν
noun
Αμβούργο
/ˈham.bʏr.ɣər/, /ˈhɑm.bʏr.ɣər/, /ˈhɑm.bʏr.χər/
noun
1. schijf gebraden gehakt
χάμπουργκερ
noun
  1. 1. werktuig dat kan worden gebruikt om te slaan
  2. 2. een van de gehoorsbeentjes in het oor
  1. σφυρί
  2. σφύρα
noun
1. klein knaagdiertje dat als huisdier gehouden kan worden
  1. χάμστερ
  2. κρικετόμυς
  3. κρικητός
/ɦɑnt/
noun
1. uiterste deel van de arm, voorbij de pols
χέρι
noun
  1. χάντμπολ
  2. χειροσφαίριση
/ˈɦɑnt.buj/
noun
1. een paar aan elkaar verbonden afsluitbare ringen
χειροπέδα
/ˈɦɑnt.buk/
noun
1. een boek waarin getracht wordt alle informatie nuttig voor een bepaalde bezigheid bijeen te brengen
εγχειρίδιο
noun
1. een doek waarmee men zich afdroogt
πετσέτα
noun
χειραψία
/ˈɦɑndəl/
noun
1. de in- en verkoop van goederen
εμπόριο
verb
1. iets doen, al of niet met de handen, optreden
δρω
noun
1. datgene dat gedaan is
πράξη
pronoun
Πράξεις των Αποστόλων
noun
εμπορικό σήμα
noun
2. deel van het privaatrecht m.b.t. handelszaken
εμπορικό δίκαιο
noun
1.
πρόβλημα του πλανόδιου πωλητή
noun
1. groep schepen waarmee handel wordt gedreven
εμπορικός στόλος
adjective
1.
χειρόγραφος
verb
1. iets doen voortbestaan, aan iets vasthouden
διατηρώ
noun
1. binnenzijde van de hand
παλάμη
noun
1. met de hand bediende rem
χειρόφρενο
/hɑnd.sxun/, /ɦɑnt.sxun/, /ɦɑnt.sχun/
noun
1. een handkledingstuk met aparte vingers
γάντι
noun
υπογραφή
noun
2. klein aantal
χούφτα
/ˈhanə(n)kɑm/
noun
2.
λειρί
noun
1. brug die is opgebouwd uit twee (soms één) hoge pijlers of pylonen waartussen een dikke kabel gespannen is...
κρεμαστή γέφυρα
/ˈɦɑŋə(n)/
verb
κρεμώ
/ˈɦɑŋmɑt/
noun
1. een doek dat aan de uiteinden opgehangen wordt en waarin personen kunnen liggen
αιώρα
noun
1. een slot dat aan een beugel hangt
λουκέτο
pronoun
1. stad in Duitsland
Αννόβερο
noun
1. voedsel of iets anders dat je door het openen en sluiten van je lippen in je mond krijgt
μπουκιά
adjective
1. betrekking hebbend op de tastzin
απτικός
noun
1. en 2 grof gemalen meel van harde tarwe (Triticum durum)
σιμιγδάλισκληρού σιταριού
/'ɦɑrdər/
noun
1. Mugil curema, een straalvinnige vissoort
κέφαλος
adjective
1.
βαρήκοος
noun
1. elektronische en mechanische delen in en om computersystemen
υλικό υπολογιστών
/ˈɦarɪŋ/
noun
1. zoutwatervis
  1. ρέγγα
  2. ρέγκα
noun
1. tuingereedschap aan lange steel, met een reeks tanden aan de onderzijde
τσουγκράνα
noun
2. een grappig, koddig persoon in het algemeen
αρλεκίνος
noun
αρμονία
noun
εναρμόνιση
noun
1.
άρπα
noun
3. feeks
άρπυια
/hɑrˈpun/, /ɦɑrˈpun/
noun
  1. 2. een speer met weerhaken
  2. 1. een grote pijl met weerhaken aan een touw
καμάκι
/ɦɑrs/
noun
1. het stroeve en plakkerige product van boomsappen, met name van naaldbomen
  1. ρετσίνι
  2. ρητίνη
/ɦɑrt/
noun
καρδιά
noun
1.
καρδιακή ανεπάρκεια
adjective
αλμυρός
noun
1. hartweefsel in de vorm van een vlies dat samengetrokken door een spiertje terugstromen van het verder gepompte bloed tegengaat
καρδιακή βαλβίδα
noun
καρδιοπαλμός
/ˈhɑrtstɪlstand/, /ˈhɑrtstɪlstɑnt/, /ˈhɑrtstɪɫstɑnt/
noun
1. het stoppen van het kloppen van een hart
καρδιακή ανακοπή
noun
1. scheikundig element met symbool Hs en atoomnummer 108
χάσιο
/'ɦatə(n)/
verb
kwade gevoelens jegens iemand koesteren
μισώ
interjection
αψιου
/ˌotkuˈtyr/
noun
υψηλή ραπτική
/ɦavə(n)/
noun
1. natuurlijke of aangelegde aanlegplaats voor schepen.
  1. λιμάνι
  2. λιμένας
noun
1. en 2. (zaden van) eenjarig graangewas Avena sativa
  1. βρώμη
  2. βρόμη
/ˈhavərˌmɪːɫ/
noun
zeer fijn gemalen haver
βρμης αλεύρρυζού
noun
met de zaadhuiden vergroeide vruchtwanden en kiemen van haverkorrels
εδώδιμες ινες βρώμης
noun
havervlokken
νιφάφες βρώμης
/ˈɦavɪk/
noun
  1. 2. iemand die graag oorlog wil voeren
    γεράκι
  2. 1. Accipiter gentilis, een roofvogel die op kleine zoogdieren en vogels jaagt
    διπλοσάινο
noun
ιεράκιο
pronoun
1. Polynesische taal gesproken in de Amerikaanse staat Hawaï
χαβανέζικα
noun
1. een heester waaraan hazelnoten groeien
φουντουκιά
/ˈɦa.zəlˌmœːs/, /ˈɦa.zəɫˌmœʏ̯s/
noun
1. knaagdier in de familie van slaapmuizen, Muscardinus avellanarius
δασομυωξός
/ˈhazəɫˌnot/
noun
1. een vrucht van de hazelaar
φουντούκι
/ha.ˈhi.ti/, /ɦa.ˈi.ti/, /ɦɑ.ˈi.ti/
pronoun
1. een land in het Caribisch gebied bezettend de westelijk derde van het eiland Hispaniola
Αϊτή
/ˈɦɛbə(n)/
verb
    1. 1. bezitten
    2. 1. voor voltooide tijd
    έχω
  1. 2. moeten
    πρέπει να
pronoun
1. officiële taal van Israël, de heilige taal van de Joden en de taal van de Tenach
  1. εβραϊκά
  2. εβραϊκός
adjective
1. blijk gevend van hebzucht, hebberig
άπληστος
adjective
1. zeer druk en chaotisch
εκστατικός
noun
1. 100 liter
εκατόλιτρο
noun
1.
εκατόμετρο
/ˈɦeː.də/
noun
1. werk, afval van vlas of hennep
τριχιά
noun
μπακαλιάρος
/heːl/
adjective
1. niet stuk
ολόκληρος
/he.ˈlal/, /ɦe.ˈlaɫ/
noun
[1] het gehele tijd-ruimtecontinuüm waarin wij bestaan, samen met alle materie en energie
σύμπαν
noun
1. de tak van de geneeskunde die met operatie probeert te genezen
χειρουργική
noun
1. de christelijke aanduiding voor God
Κύριος
/ɦɪːr/
noun
1.
κύριος
noun
1. iemand die de macht uitoefent
ηγεμόνας
noun
θάμνος
/ɦeːt/
adjective
1.
  1. ζεστός
  2. θερμός
noun
1.
μοχλός
noun
1. een (meestal lijnvormige) aanplanting van struiken en/of bomen die dient om ruimten te scheiden
φράχτης
noun
ηγεμονία
noun
1. een zangvogel ter grootte van een huismus met opvallend grijs op de kop
θαμνοψάλτης
/ˈhɛɪ̯də/, /ˈhɛːdə/
noun
1. een met heidekruid begroeide vlakte
ρεικότοπος
noun
1. mensen die geen jood of christen zijn
παγανιστής
adjective
1. van de heidenen
ειδωλολατρικός
noun
1. bepaald soort grote schol, reus onder de platvissen en consumptievis, Hippoglossus hippoglossus
ιππόγλωσσα
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
  3. 3.
Χαϊλμπρόν
/ɦɛj.ləɣ/
adjective
1. door wijding aan het goddelijke bijzonder gemaakt
άγιος
noun
1. plaats of gebouw gewijd aan een god of godin
άδυτο
noun
άγιος
noun
1.
Άγιο Πνεύμα
noun
1.
ιερή ίβιδα
noun
1. de pauselijke regering
Αγία Έδρα
noun
vergrijp aan iets heiligs
ιεροσυλία
adjective
ευεργετικός
/'hɛɪmʋe/
noun
1. sterk verlangen naar een plek die als thuis ervaren wordt
νοσταλγία
/ɦɛks/
noun
1. een over het algemeen vrouwelijk persoon aan wie bovennatuurlijke krachten worden toegeschreven
μάγισσα
/ˈhɛksə(n)ˌjɑxt/
noun
1. het jagen op vermeende heksen
κυνήγι μαγισσών
noun
μαγεία
/'ɦɛl/
noun
1. een plek waar de ziel van daartoe veroordeelde overledenen naar toe gaan
  1. κόλαση
  2. Κόλαση
adverb
1. jammer genoeg, spijtig genoeg
δυστυχώς
interjection
1. een uitroep van spijt, ontgoocheling, verdriet
αλίμονο
/ɦɛlt/
noun
ήρωας
noun
1. de durf en de kracht van mensen, die zich, met gevaar voor eigen leven, voor de goede zaak inzetten
ηρωισμός
noun
1.
ολόκληρο
/'ɦelə(n)/
verb
1. gezond worden
γιατρεύω
/ɦɛlft/
noun
μισό
/ɦelɪˈkɔptər/
abbreviation
1. luchtvaartuig dat d.m.v. een hefschroef verticaal kan opstijgen en landen
ελικόπτερο
adjective
ηλιοκεντρικός
noun
1. een chemisch element en een inert edelgas
ήλιο
noun
1. lang middeleeuws wapen
αλεβάρδα
noun
1. inwoner van het oude Griekenland of persoon die de oud-Griekse nationaliteit bezit
Έλληνας
noun
1. een glooiing in het landschap
  1. κλιτύς
  2. πρανές
/ɦɛlm/
noun
1. beschermend hoofddeksel
  1. κράνος
  2. κάσκα
noun
πηδάλιο
noun
γραφείο πληροφοριών
/ˈɦɛlpə(n)/
verb
1. iemand bijstaan
βοηθώ
pronoun
1. de hoofdstad van Finland
Ελσίνκι
/ɦɛm/
personalPronoun
1.
αυτόν
noun
1. roodkleurig mineraal dat ferri-oxidekristallen bevat
αιματίτης
/ˈɦeːməl/
noun
  1. 1. lucht, onmetelijke ruimte die overal op aarde bovenaan zichtbaar is
  2. 2. het hiernamaals, leven na de dood
ουρανός
noun
ουράνιο σώμα
adjective
ουράνιος
adjective
γαλάζιος
adjective
2. in rechte lijn gemeten
σε ευθεία γραμμή
noun
ανάβαση
noun
1. christelijke feestdag waarin gevierd wordt dat Jezus na de opstanding naar de Hemel ging
Ανάληψη
noun
1. halfzijdige verlamming
ημιπληγία
noun
ημισφαίριο
/ɦɛn/
noun
1. vrouwtje van hoenderachtige vogels
κότα
/ˈhɛndrɪk/
pronoun
  1. 1. mannelijke voornaam
  2. 2. spelwoord voor de letter h
Ερρίκος
pronoun
1. Belgische provincie
Αινώ
noun
1. visserswerktuig
καλάμι ψαρέματος
/ɦɛŋst/
noun
1. mannelijk paard
επιβήτορας
/ˈɦɛ.nəp/
noun
κάνναβη
adjective
1. met betrekking tot de lever
ηπατικός
noun
1. leverontsteking
ηπατίτιδα
/herɑl'dik/
noun
1. de wetenschap die zich bezighoudt met de wapenkunde
εραλδική
noun
1. eet- en overnachtingsgelegenheid die kleiner, goedkoper en eenvoudiger is dan een hotel
πανδοχείο
noun
1. dier dat zich met plantaardig voedsel voedt
φυτοφάγο
pronoun
  1. 1. Romeinse halfgod
  2. 2. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Ηρακλής
verb
1. plechtig aandacht schenken aan een gebeurtenis uit het verleden
εορτάζω τη μνήμη
/'ɦɛrdər/
noun
1. begeleider en bewaker van een kudde
βοσκός
noun
1. hond die een kudde bewaakt
τσοπανόσκυλο
noun
1. een kreeftachtige (Eupagurus bernhardus) uit de orde van tienpotigen, die in de schelp van een zeeslak woont
πάγουρος
verb
1. opnieuw tot een eenheid maken
επανενώνω
noun
αίρεση
verb
1. iets op een nieuwe wijze in woorden uitdrukken
αναδιατυπώνω
noun
1. derde jaargetijde
φθινόπωρο
adjective
bijvoeglijk naamwoord
αλλεπάλληλος
verb
1. iets opnieuw zeggen
επαναλαμβάνω
noun
1. het nogmaals plaatsvinden
επανάληψη
/ɦɛr.'ɪ.nə.rə(n)/
verb
1. opnieuw in gedachte brengen
  1. θυμίζω
  2. υπενθυμίζω
noun
ανάμνηση
noun
1. een herbivoor die zijn voedsel herkauwt
μηρυκαστικό
noun
αναγνώριση
noun
ετυμολογία
verb
1. een wapen opnieuw vullen met ammunitie
αναγομώνω
verb
1. opnieuw lezen
ξαναδιαβάζω
/ˈɦɛr.mɑn/
pronoun
1. een jongensnaam
Αρμάνδος
noun
1. bepaald klein wezelachtig zoogdier, Mustela erminea
ερμίνα
pronoun
Ερμής
adjective
1. luchtdicht
ερμητικός
noun
een verdovend middel
ηρωίνη
noun
ερπετολογία
verb
1. opnieuw oprijzen, opnieuw gaan leven of functioneren
ανασταίνω
noun
εγκεφαλικός θάνατος
noun
1. brein
εγκέφαλος
noun
1. de buitenste laag van de grote hersenen
εγκεφαλικός φλοιός
noun
1. schade aan de hersenen door uitwendig geweld
διάσειση
noun
indoctrinatietechniek
πλύση εγκεφάλου
noun
αποζημίωση
verb
1. terug werkend krijgen, repareren
επισκευάζω
noun
1. benaming voor herkauwende zoogdieren uit de familie Cervidae
  1. ελάφι
  2. ζαρκάδι
noun
1. een landsheer, oorspronkelijk van een hoger hiërarchisch niveau dan de markies
δούκας
noun
1. het gebied dat onder leiding staat of stond van een hertog
δουκάτο
noun
1. adellijke titel, vrouw van een hertog
δούκισσα
noun
1. de eenheid voor frequentie van trillingen
χερτζ
verb
1.
υποτροπιάζω
noun
1. de verkiezing van een persoon in een functie die hij al eerder heeft bekleed
επανεκλογή
pronoun
Έσση
/(ɦ)ət/, /hɛt/
personalPronoun
1. 3e persoon enkelvoud onzijdig
το
/'he.tə(n)/, /'ɦe.tə(n)/
verb
1. de naam dragen
  1. λέγομαι
  2. ονομάζομαι
adjective
ετερογενής
noun
ανομοιογένεια
adjective
1. gericht op het andere geslacht of betrekking hebbend op liefde voor mensen met een ander geslacht
ετεροφυλόφιλος
relativePronoun
1. wat
αυτό που
noun
deel van beide zijkanten van het menselijk lichaam ter hoogte van het heupgewricht, waar het been met de romp verbonden is
  1. ισχίο
  2. γοφός
adjective
1. betrekking op het vinden van iets
ευρετικός
/ˈhøvəɫ/
noun
1. verhoging in het landschap die wat lager is dan een berg
  1. λόφος
  2. γήλοφος
  3. ύψωμα
/'ɦøvəlɑxtəx/
adjective
1. met aanzienlijke hellingen en hoogteverschillen
λοφώδης
noun
1.
χασμωδία
noun
1. een enigszins uitstekend deel achteraan de voet
φτέρνα
noun
1. iemand die overdreven kruiperig en onderdanig jegens iemand anders is
γλείφτης
/ɦiːr/
adverb
1. op deze plaats
εδώ
/hɑj/
adjective
1. in een euforische toestand van veranderd bewustzijn verkerend
μαστουρωμένος
/hɛɪ̯/, /ɦɛɪ̯/, /ɦɛː/
personalPronoun
1. Nominatief mannelijk derde persoon enkelvoud
αυτός
verb
1. zwaar ademhalen ten gevolge van een lichamelijke inspanning
λαχανιάζω
noun
1. een constructie om zware lasten op te tillen
γερανός
noun
1. een periodiek optredende, spontane, onwillekeurige samentrekking van het middenrif tijdens inademing...
  1. λόξυγκας
  2. λόξιγκας
/ˈɦɪkə(n)/
verb
1
έχω λόξιγκα
pronoun
1. + 2. stad en district
Χιλντεσχάιμ
pronoun
Χίλφερσουμ
/ˈhɪndə/
noun
1. een vrouwelijk hert
ελαφίνα
noun
ενέδρα
pronoun
1 taal die vooral gesproken wordt in de noordelijke staten van India
  1. χίντι
  2. χιντού
noun
ινδουισμός
noun
2. kinderspel, waarbij men zich deels op één been verplaatst
κουτσό
verb
κουτσαίνω
verb
1. het geluid van een paard voortbrengen
χλιμιντρίζω
noun
Χίπις
adjective
1. betrekking hebbend op de paardensport
ιππικός
noun
1. ovale paardenrenbaan
ιπποδρόμιο
pronoun
Ισπανιόλα
noun
ιστόγραμμα
noun
ιστορικός
noun
  1. 2. geschiedenis van een volk, een land enz
  2. 1. verhaal
ιστορία
adjective
ιστορικός
/ˈhɪtə/
noun
ζέστη
/hɪ.tə.bə.stɛn.dɪx/, /ɦɪ.tə.bə.stɛn.dəx/, /ɦɪ.tə.bə.stɛn.dəχ/
adjective
1. bestand tegen hitte; kan na contact met hitte nog even goed functioneren
ανεξίθερμος
noun
  1. κύμα καύσωνα
  2. καύσωνας
noun
1. rangorde
ιεραρχία
adjective
1. van of volgens de opeenvolging van rangen
ιεραρχικός
pronoun
1. hoofdstad van de Australische deelstaat Tasmanië
Χόμπαρτ
noun
1.
Χόμπιτ
/hɔbi/
noun
1. een liefhebberij of bezigheid ter ontspanning voor in de vrije tijd
χόμπι
noun
1. orkestinstrument, behoort tot de houtblazers, het wordt met een dubbelriet aangeblazen
  1. όμποε
  2. οξύαυλος
noun
1. balspel waarbij twee elftallen de bal met een hockeystick in elkaars doel proberen te slaan
χόκεϊ
/ɦu/
adverb
1. op welke wijze
πώς
phraseologicalUnit
Πώς σε λένε;
/hud/, /ɦut/
noun
1. een hoofddeksel
  1. καπέλο
  2. πίλος
noun
een functie die men vervult
ιδιότητα
/ɦuf/
noun
1. hoornachtig omhulsel aan de teentop
οπλή
noun
1. plant met grote bladeren die aan de rand van wateren groeit
πετασίτης
noun
1. hoefdragend zoogdier
οπληφόρο
noun
πέταλο
noun
πεταλωτής
/ɦuk/
noun
1. een punt waar twee benen of halve rechten samenkomen
γωνία
/ˈhuk.steːn/
noun
  1. 1. een steen die gebruikt wordt om de hoekpunten van bouwwerken te verstevigen
  2. 2.
ακρογωνιαίος λίθος
/ɦur/
noun
1. vrouw die tegen betaling seksuele diensten verricht
πουτάνα
noun
1.
μαντάμ
noun
πουτάνας γιός
noun
1. reflexmatige explosieve uitademing
βήχας
verb
1. reflexmatige explosief uitademen bij prikkeling van de luchtwegen
βήχω
interrogativeCardinalNumeral
1. welk aantal?
  1. πόσο
  2. πόσος
/huˈvɪ:ɫhɛɪt/
noun
1. de kwantiteit waarin iets aanwezig is
ποσότητα
conjunction
1. drukt een tegenstelling uit
αν και
/ɦɔf/
noun
  1. 1. de uitgebreide huishouding van een vorstelijke, bijvoorbeeld koninklijke familie
  2. 3. een stuk bebouwd land of tuin
  3. 2. een instelling waar recht gesproken wordt
αυλή
pronoun
Δικαστήριο της Ευρωπαϊκής Ένωσης
noun
1. een gebied waar relatief een hogere druk heerst dan elders, term uit de meteorologie
αντικυκλώνας
noun
1. hoge cilindervormige hoed
ημίψηλο
noun
1. grot, spelonk
σπήλαιο
noun
1. bepaald soort vogel, Columba oenas
φασσοπερίστερο
/ˈɦɔlɑnt/
pronoun
  1. 1. een gedeelte van het westen van Nederland dat de provincies Noord-
  2. 2. heel Nederland
Ολλανδία
noun
1. scheikundig element met symbool Ho en atoomnummer 67
όλμιο
/ˈholokaust/
pronoun
Ολοκαύτωμα
/ˈholokaust/
noun
1. massale vernietiging van mensen of dieren
ολοκαύτωμα
noun
Ολόκαινο
noun
1. techniek waarmee een afbeelding in een plat vlak diepte of verschillende beelden lijkt weer te geven als je er onder uiteenlopende hoeken naar kijkt
ολογραφία
noun
ομοιομορφισμός
noun
ομοιοπαθητική
adjective
1.volgens de homeopathie
ομοιοπαθητικός
noun
1. zelfregulering, chemisch en fysiologisch evenwicht
ομοιόσταση
/ˈhɔməɫ/
noun
1. insect uit het geslacht Bombus dat in de taxonomie wordt beschouwd als een grote harige bij
  1. βομβίνος
  2. βόμβος
noun
ομοφοβία
noun
1. gelijkklinkend woord
ομόφωνος
adjective
ομογενής
noun
1.
ομογένεια
noun
1. op dezelfde manier gespeld woord
ομοιογράφος
noun
1. een huwelijk tussen twee mensen van hetzelfde geslacht
γάμος ομοφυλόφιλων
noun
1. een woord dat hetzelfde wordt uitgesproken als een ander woord maar in betekenis verschilt
ομώνυμο
noun
ομοφυλοφιλία
adjective
1. betrekking hebbend op de liefde voor geslachtsgenoten
ομοφυλοφιλικός
noun
1. man met seksuele voorkeur voor mannen of vrouw met seksuele voorkeur voor vrouwen
πούστης
/ˈhɔnd/, /ˈɦɔnt/
noun
1. Canis lupus familiaris, een zoogdier dat tot huisdier getemd is
  1. σκύλος
  2. σκυλί
/ˈɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 100
  1. εκατό
  2. εκατόν
pronoun
1.
Εκατονταετής πόλεμος
noun
λύσσα
/hɔn.ˈdyː.rɑs/, /ɦɔn.ˈduː.rɑs/
pronoun
1. een land in Centraal Amerika, officieel de Republiek Honduras
Ονδούρα
adjective
1. inwoner van Honduras
ονδουρανός
/hɔŋ(g).ˈɣar/, /ɦɔŋ.ˈɣar/, /ɦɔŋ.ˈχar/
noun
1. iemand afkomstig uit Hongarije
Ούγγρος
/hɔŋ(g).ˈɣaːrs/, /ɦɔŋ.ˈɣars/, /ɦɔŋ.ˈχars/
adjective
1. betreffende Hongarije of het Hongaars
ουγγρικός
/hɔŋ(g).ˈɣaːrs/, /ɦɔŋ.ˈɣars/, /ɦɔŋ.ˈχars/
pronoun
1. een Finoegrische taal die voornamelijk wordt gesproken in Hongarije
ουγγρικά
/hɔŋ(g).ˈɣar.sə/, /ɦɔŋ.ˈɣar.sə/, /ɦɔŋ.ˈχar.sə/
noun
Ουγγαρέζα
/ˌhɔŋ(g)ɣaˈrɛɪ̯.jə/, /ˌɦɔŋɣaˈrɛː.jə/, /ˌɦɔɴχaˈrɛɪ̯.jə/
pronoun
1. land in het midden van Europa
Ουγγαρία
/ˈɦɔŋər/
noun
1. behoefte aan voedsel
πείνα
noun
1. een wijdverspreide honger als gevolg van voedselschaarste
  1. λιμός
  2. πείνα
noun
1. het weigeren van voedsel uit protest
απεργία πείνας
/hɔŋˈkɔŋ/
pronoun
1. een speciale administratieve regio van de Volksrepubliek China
Χονγκ Κονγκ
noun
1. een zoete stof die door bijen en enkele andere insecten uit bloemennectar wordt gewonnen
μέλι
noun
1. en 2. (vrucht van) plant Cucumis melo var. inodorus
Χάνεϊντιου
noun
κηρήθρα
noun
1. balsport waarbij de bal met een knuppel geslagen wordt en de spelers langs een drietal honken trachten rond te lopen tot zij weer de thuisplaat bereiken
μπέιζμπολ
/ɦoːft/
noun
1. een belangrijk lichaamsdeel, helemaal bovenaan het lichaam, waarin zich de hersenen...
κεφάλι
/'ɦovduk/
noun
1. een vierkante lap stof die vooral door vrouwen driehoekig samengevouwen over het hoofd gedragen wordt
μαντίλι
noun
1.
κύριο πιάτο
noun
προσκέφαλο
noun
1. een letter die een groter formaat en meestal ook een andere vorm heeft dan een kleine letter
κεφαλαίο
noun
1. klein, vleugelloos en bloedzuigend insect dat parasiterend leeft in het hoofdhaar
ψείρα
noun
1. de voorste pagina van een website
Κύρια Σελίδα
noun
1. pijn in het hoofd
πονοκέφαλος
noun
1. iemand die eindverantwoordelijkheid draagt voor de inhoud van een krant of dergelijke publicatie
αρχισυντάκτης
noun
1.
αρχικό κεφάλαιο
/'ɦof(t).stɑt/
noun
1. een belangrijke stad waarvandaan het land, de staat, deelstaat of provincie wordt bestuurd
πρωτεύουσα
noun
1. het tuig dat een paard om het hoofd gedaan wordt om het dier berijdbaar te maken
χαλινάρι
noun
bepaalde opdeling van tekst of beeld in een boek
κεφάλαιο
/ɦoʊ̯χ/ /'ɦoʊ̯χə/ /ˈɦoʊ̯χst/, /ɦoːx/ /'ɦoːɣə/ /ˈɦoːxst/
adjective
1, 2, 3, 4
ψηλός
pronoun
1. boek in de Bijbel met liefdespoëzie
Άσμα Ασμάτων
noun
  1. 2. niveau
    ύψος
  2. 1. een verheffing van de aardkorst
    1. ύψος
    2. υψόμετρο
noun
εσχάτη προδοσία
noun
2. hoge waterstand in 't algemeen
πλημμύρα
noun
1. gedroogd gras
  1. χόρτο
  2. σανός
/ɦoːp/
noun
3. verwachting van iets wenselijks
ελπίδα
adjective
1.
ακουστός
/horn/
noun
1. hard en meestal gebogen uitsteeksel aan de kop van verschillende dieren
γαλλικό κόρνο
pronoun
Κέρας της Αφρικής
/hoːrnar/, /ho̝ːrnar/
noun
1. Vespa crabro, een soort grote wesp
  1. σερσένι
  2. σκούρκος
noun
1.
κερατάς
noun
  1. 1. bepaald soort vogel, Upupa epops
    τσαλαπετεινός
  2. 1. bepaalde plant die onder andere wordt gebruikt bij de bereiding van bier
    λυκίσκος
/ˈɦoːpə(n)/
verb
1. wensen, graag zien dat er iets wel of niet voorvalt
ελπίζω
/hɔː.rən/
verb
1. waarnemen met het oor zonder er noodzakelijkerwijs aandacht aan te besteden
ακούω
noun
ορίζοντας
noun
ορίζοντας
adjective
1. in de richting die haaks staat op die van de zwaartekracht van de aarde
οριζόντιος
noun
1. een draagbaar voorwerp waarop de tijd kan worden afgelezen
ρολόι
noun
1. een stof die door een endocriene klier wordt afgescheiden ...
ορμόνη
noun
ωροσκόπιο
noun
τρόμος
noun
1.
ορεκτικό
noun
1.
ορτανσία
/ˈɦɔrzəɫ/
noun
1. parasitaire vliegsoort
οίστρος
pronoun
Ωσηέ
noun
1.
άσυλο ανιάτων
/ˈhɔs.pi.ˌta/, /ˈɦɔs.pi.ˌta/
noun
1. een vrouw die een of meer kamers in haar eigen woonhuis ter beschikking stelt aan een kostganger of commensaal
σπιτονοικοκυρά
noun
1. opneming in een ziekenhuis
νοσηλεία
noun
1. offerbrood
αντίδωρο
/hoˈtɛl/, /ɦoˈtɛɫ/
noun
1. gebouw waar men tegen betaling kan eten en overnachten,...
ξενοδοχείο
/ˈɦɑʊdə(n)/
verb
1. niet laten varen, het bezit ervan niet verliezen
κρατώ
noun
  1. 2. gedragslijn, opstelling
  2. 1. een pose
στάση
/ɦɑʊ̯t/, /[ɦʌ̞̈ʊt]/
noun
1. het materiaal in het binnenste van houtige planten
  1. ξύλο
  2. ξυλεία
noun
1. houtblaasinstrument
όργανο καλάμων
noun
1. bepaalde soort wilde duif, Columba palumbus
φάσσα
/ˈhɑutə(n)/
adjective
ξύλινος
verb
1. het met een bijl in houtblokken hakken van boomstammen
υλοτομώ
noun
1. iemand die beroepsmatig houthakt
ξυλοκόπος
noun
1. verkoold hout
κάρβουνο
noun
1.
πριστήριο
noun
1.
οβιδοβόλο
/hovəlɪŋ/
noun
1. een onderdaan die tot het dagelijkse gezelschap van een vorst behoort
αυλικός
noun
κηπουρός
pronoun
1. binnenzee in Noordoost-Canada
κόλπος Χάντσον
/hœːd/, /ɦœʏ̯t/, /ɦœːt/
noun
1. vel, de buitenste laag weefsel die het lichaam bedekt
  1. δέρμα
  2. πετσί
noun
δερματολόγος
/hœːx/, /ɦœʏ̯χ/, /ɦœːx/
noun
1. een lapje afhangend weefsel aan het uiteinde van het zachte verhemelte, waarmee onder andere het neuskanaal afgesloten kan worden
σταφυλή
/ɦœy̯lə(n)/
verb
1. traanvocht uitscheiden door emotie
κλαίω
/hœːs/, /ɦœʏ̯s/, /ɦœːs/
noun
1. gebouw bestemd om in te wonen
  1. σπίτι
  2. οίκος
noun
σπιτονοικοκύρης
/ˈɦœyzdiːr/
noun
1. een dier dat in het huis of om het huis woont en leeft
κατοικίδιο ζώο
noun
1. vrouw die andermans huishouden verzorgt
νοικοκυρά
noun
  1. 1. kleine zangvogel die liefst in de buurt van de mensen leeft
    σπιτοσπουργίτι
  2. 2. iemand die het liefst thuis blijft
    σπιτόγατος
noun
1. een vrouw die thuisblijft om het huishouden te doen
νοικοκυρά
noun
1. schoolwerk dat thuis verricht moet worden
άσκηση
/ɦʏlp/
noun
  1. 1. handeling om iemand steun of bijstand te verlenen
    βοήθεια
  2. 2. iemand die ondersteuning of bijstand geeft
    βοηθός
noun
1. een werkwoord dat samen met een ander werkwoord de tijd of de hoedanigheid van het werkwoord vaststelt
βοηθητικό ρήμα
noun
1. bepaald soort groenblijvende boom of heester met stekelige leerachtige bladeren en rode bessen, Ilex aquifolium
ίλεξ
noun
1.
πουρνάρι
noun
1.aanhanger van het humanisme
ανθρωπιστής
adjective
ανθρωπιστικός
noun
1. puree van o.m. gekookte kikkererwten
χούμους
noun
το χιούμορ
adjective
αστείος
/ˈɦynəbɛt/
noun
1. neolithische begraafplaats
ντολμέν
verb
χοροπηδώ
/ɦyrə(n)/
verb
1. tegen betaling gebruiken
αγκαζάρω
pronoun
1.
Χουργκάντα
verb
1. op de onderbenen gaan zitten
κάθομαι σταυροπόδι
/ɦyr/
noun
1. tijdelijk gebruik van goederen of diensten tegen betaling
εωοικίαση
noun
μισθωτής
/ɦiu̯ələk/
noun
1. ambtelijke of kerkelijke verbintenis tussen twee personen
γάμος
noun
1.
γραφείο γνωριμιών
noun
1. notarieel contract waarin de vermogenspositie van beide huwelijkspartners wordt geregeld
συμβόλαιο γάμου
noun
1.
μνηστήρας
/ˈɦiu̯ələksˌrɛɪ̯s/
noun
1. de reis die een pasgetrouwd stel gewoonlijk onmiddellijk na hun trouwen onderneemt
μήνας του μέλιτος
noun
1. notarieel contract waarin de vermogenspositie van beide huwelijkspartners wordt geregeld
συμβόλαιο γάμου
/hʊ.ˈzaːʁ/
noun
1. een ruiterijsoldaat.
ουσάρος
noun
3. bolgewas
  1. ζουμπούλι
  2. υάκινθος
/hi'drat/
noun
1.
ένυδρο άλας
verb
ενυδατώνω
adjective
1.
υδροηλεκτρικός
noun
υδρογραφία
noun
υδρολογία
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de onderfamilie Hyaeninae
ύαινα
noun
υγιεινή
adjective
1. schoon, gezond
υγιεινός
noun
1.een instrument om vochtigheid van de lucht te meten
υγρόμετρο
noun
1. een verheven loflied op een bepaald onderwerp (zoals een land, God ...)
ύμνος
adjective
1. overactief
υπερδραστήριος
noun
υπερβολή
noun
υπερδιόρθωση
noun
1. een gekleurd en/of onderstreept tekstgedeelte dat een onderliggende verwijzing bevat
υπερζεύξη
noun
1. een woord dat een verzameling van verwante specifiekere woorden samenvoegt, een overkoepelende term
υπερώνυμο
adjective
υπερηχητικός
noun
1. verhoogde bloeddruk
υπέρταση
noun
1. bovenmatige groei
υπερτροφία
noun
1.
ύπνωση
adjective
υποχόνδριος
/ˌhipoˈfizə/
noun
1. een klier aan de onderzijde van de hersenen, die o.a. groeihormoon produceert en de schildklier aanstuurt
υπόφυση
noun
1. te weinig glucose in het bloed
υπογλυκαιμία
noun
1. term die een subcategorie van een algemenere klasse aanduidt
υπώνυμο
noun
1. lage bloeddruk
υπόταση
noun
1. deel van de hersenen dat een directe verbinding heeft met het hormonale systeem
υποθάλαμος
noun
1. bezitloos bezwaren van een onroerend goed als onderpand
υποθήκη
noun
1. onderkoeling
Υποθερμία
noun
υπόθεση
noun
1. tekortschietende ademhaling
υποαερισμός
noun
1. zuurstoftekort in de weefsels
υποξία
adjective
υστερικός
noun
bepaalde suiker die veel in zoete vruchten voorkomt
τυρί κότατζ
adjective
1. door medisch ingrijpen veroorzaakt
ιατρογενής
pronoun
1. een Europees schiereiland dat zich ten zuiden van de Pyreneeën bevindt...
Ιβηρική Χερσόνησος
noun
1. een vogel met een lange gebogen snavel behorend tot de familie Threskiornithidae
ίβις
noun
1.
ιβουπροφαίνη
noun
1. een iconenwand die het altaar van het schip scheidt in de Russisch-orthodoxe kerk
εικονοστάσιο
noun
  1. 1. heiligenafbeelding, zoals vereerd in de kerken van het oosten
  2. 2.
εικόνα
/iˈde/
noun
1. gedachte, plan
ιδέα
noun
1. een dwangmatige gedachte
έμμονη ιδέα
noun
1. geheel van eigenschappen dat je onderscheidt van anderen en bepaalt wie je bent
ταυτότητα
noun
1. een woordsoort van woorden die de associatie met een klank, kleur, gevoel, smaak of andere gewaarwoording oproepen
ιδιόφωνο
/ˌideo'ɣrɑm/
noun
1. een grafisch teken dat een voorwerp symboliseert
ιδεόγραμμα
/ˌideoloˈɣi/
noun
1. het geheel van ideeën dat ten grondslag ligt aan een wijsgerig stelsel, m.b.t. hun maatschappelijke of politieke strekking
  1. Ιδεολογία
  2. ιδεολογία
adjective
1. van, betreffend of volgens een ideologie
ιδεολογικός
noun
1. iemand die een ideologie opstelt
ιδεολόγος
adjective
1. het idioom betreffend
ιδιωματικός
noun
1. een bijzondere uitdrukking in een bepaalde taal die samengesteld is door eigenaardig taalgebruik
ιδίωμα
/idi'ot/
noun
1. iemand die een grote maat van zwakzinnigheid heeft
ηλίθιος
adjective
1. van onbekende oorzaak
ιδιοπαθής
adjective
1. bekoorlijk door landelijke eenvoud en liefelijkheid
ειδυλλιακός
indefinitePronoun
1.
κάθε
indefinitePronoun
κάποιος
noun
1. een loofboomsoort uit het geslacht Ulmus ...
λεύκα
pronoun
Υπρ
/iːr/
noun
1. inwoner van Ierland, of iemand afkomstig uit Ierland
Ιρλανδός
/ˈiːrlɑnd/, /ˈiːrlɑnt/
pronoun
1. een groot eiland in Noordwest-Europa
Ιρλανδία
/iːrs/
pronoun
1. een Keltische taal die wordt gesproken in Ierland
ιρλανδικά
/ˈiːrsə/
noun
Ιρλανδή
pronoun
1.
Ιρλανδική θάλασσα
suffix
  1. 1. anion in submaximale oxidatietoestand
  2. 2. mineraal
ίτης
indefinitePronoun
1. een of ander ding
κάτι
/ˈiɣlo/
noun
1. sneeuwhut
ιγκλού
adjective
1. vol van zelfbewondering, een te hoge dunk hebbend van het eigen voorkomen en/of de eigen bekwaamheden
ματαιόδοξος
noun
1. het zich toeleggen op betekenisloze uiterlijkheden
ματαιοδοξία
/ɛɪ̯s/, /ɛːs/
noun
  1. 1. de vaste vorm van water, bevroren water
  2. 2. een lekkernij die in bevroren toestand wordt gegeten
πάγος
noun
1. bepaald soort zoogdier, Ursus maritimus
πολική αρκούδα
noun
1. een zeer groot brok ijs dat in de zee drijft
παγόβουνο
noun
1. een sterk, krachtig schip dat speciaal gebouwd en uitgerust wordt om zich een weg door het ijs te banen en alzo een vaargeul voor andere schepen te openen.
παγοθραυστικό
noun
1. bepaald soort vogel Gavia immer
παγοβούτι
noun
1. ijssport waarbij twee teams van ieder vijf personen plus goalie met behulp van een stick een schijfje (puck) in het doel van de tegenstander proberen te schieten
χόκεϋ επί πάγου
/ˈɛɪʃə/
noun
1. portie van een uit roomijs of waterijs vervaardigde lekkernij
παγωτό
/ˈɛɪ̯slɑnd/, /ˈɛɪ̯slɑnt/, /ˈɛːslɑnt/
pronoun
1.een Europees land, dat omgeven is door de Atlantische Oceaan en tussen Groenland en Europa in ligt. Tot 1944 behoorde IJsland bij Denemarken, maar tegenwoordig is het zelfstandig. De officiële naam is Lýðveldið Ísland.
Ισλανδία
/ˈɛɪ̯slɑnds/, /ˈɛɪ̯slɑnts/, /ˈɛːslɑnts/
pronoun
1. een Germaanse taal die wordt gesproken op IJsland
  1. ισλανδικά
  2. Ισλανδικά
/ˈɛɪ̯sfoχɔɫ/, /ˈɛɪ̯zvoːɣəl/, /ˈɛːsfoːɣəl/
noun
1. bepaald soort blauwgroen vogeltje met oranje borst en spitse snavel, Alcedo atthis
αλκυόνη
/ˈɛi̯zər/
noun
1. een scheikundig element met het symbool Fe en het atoomnummer 26
  1. σίδηρος
  2. σίδερο
adjective
1. het element ijzer bevattend
σιδηρούχος
noun
Εποχή του Σιδήρου
noun
1. eenvoudige handelswaren gemaakt van metaal
δομικά υλικά
personalPronoun
1.
εγώ
phraseologicalUnit
1. een verklaring van liefde aan iemand
σ’ αγαπώ
adjective
1. in weerwil van de wet
αθέμιτος
noun
1. een buitenlander die zonder werk- en verblijfsvergunning in een land verblijft
αθέμιτος
noun
παραίσθηση
noun
εικονογράφηση
noun
εικονογράφος
adjective
φανταστικός
noun
iemand die een ander persoon nadoet
μιμητής
/ˈɪmiɣrɑnt/
noun
μετανάστης
noun
1. het zich metterwoon vestigen van vreemdelingen in een land
  1. Μετανάστευση
  2. μετανάστευση
noun
1. de leer van het afweersysteem dat verantwoordelijk is voor: afweer tegen besmettelijke ziekten...
ανοσολογία
adjective
1. met betrekking tot onvatbaarheid voor schadelijke invloeden
ανοσολογικός
noun
1. de tijdsafhankelijke mate waarin een materiaal het passeren van elektrische lading bemoeilijkt
εμπέδηση
noun
ιμπεριαλισμός
/ɪmˈperijʏm/
noun
αυτοκρατορία
adjective
1. te intiem en niet ter zake doende
αγενής
noun
1. een stof, voorwerp, toestel etc. dat in een lichaam wordt aangebracht
εμφύτευμα
noun
1. verwikkeling
υποκείμενη συνέπεια
verb
1.stilzwijgend ten gevolge hebben
υπονοώ
noun
1. zeer snel ineenklappen van een holle ruimte
ενδόρρηξη
noun
αυτοσχεδιαστής
verb
1. iets bedenken zonder vooropgesteld plan
αυτοσχεδιάζω
/ɪmˈpʏls/
noun
2. product van massa en snelheid
oρμή
preposition
  1. 2. in (tijdelijk)
    σε
  2. 1.-12. in (ruimtelijk)
    1. σε
    2. में
adverb
1. snel doordat het weinig moeite kost, vlot alsof het gemakkelijk is
εν ριπή οφθαλμού
phraseologicalUnit
1. in een omgeving waar weinig gepresteerd wordt...
  1. στη χώρα των τυφλών, ο μονόφθαλμος είναι βασιλιάς
  2. στους τυφλούς, βασιλεύει ο μονόφθαλμος
adverb
1. werkelijk aanwezig, in het echt
με σάρκα και οστά
preposition
1. als vervanger van, als vervanging voor
αντί
verb
1. lucht uit de omgeving opnemen
εισπνέω
adjective
1. erbij horend, erbij geteld
συμπεριλαμβανόμενος
noun
1. het inbreken
διάρρηξη
noun
1. iemand die inbreekt
διαρρήκτης
/ˌɪŋkɑˈseːrə(n)/, /ˌɪŋkɑˈsɪːrə(n)/
verb
  1. 2. te verduren krijgen.
    δέχομαι
  2. 1. (geld) in ontvangst nemen.
    εισπράττω
/ˈɪntʃɛˌkə(n)/
verb
1. zich aanmelden aan een balie om een instapkaart te krijgen en eventueel bagage af te geven.
κάνω check-in
noun
1. het onvermogen om urine of ontlasting op te houden
ακράτεια
noun
1. #
περίοδος επώασης
/ˈɪn.di.ja/
pronoun
1. soeverein land in het zuiden van Azië
Ινδία
noun
1. inwoner van Amerika voor de komst van de Europeanen
  1. Ινδιάνα
  2. Ινδιάνος
adjective
ινδιάνικος
noun
1. aanwijzing
ένδειξη
adjective
ενδεικτικός
noun
1. de vorm van het werkwoord die de werkelijkheid aangeeft
ενδεικτικός
adjective
έμμεσος
/ˌɪndisəˌosiˈan/, /ˌɪndisˌə̯osejˈaːn/
pronoun
1. de oceaan die tussen Oost-Afrika en Zuid-Azië ligt
Ινδικός Ωκεανός
noun
1. een scheikundig element en zilvergrijs overgangsmetaal met het symbool In en het atoomnummer 49
ίνδιο
adjective
1. afzonderlijk, op zichzelf
προσωπικός
noun
κατήχηση
verb
1. dwingen om bepaalde opvattingen te aanvaarden
δογματίζω
/ɪndo'nezis/
pronoun
1. een taal die voornamelijk in Indonesië gesproken wordt
ινδονησιακά
/ˌɪn.do.ˈne.zi.jə/
pronoun
1. een land dat bestaat uit een groot eilandengebied tussen Zuidoost-Azië en Australië
Ινδονησία
noun
αυτεπαγωγή
noun
1. Nijverheid
βιομηχανία
noun
1. de soldaten die te voet vechten
πεζικό
noun
1. een besmetting van lichaamsweefsel met ziekteverwekkers als bacteriën, virussen, schimmels of...
μόλυνση
noun
διείσδυση
verb
διεισδύω
/ɪɱfinitif/
noun
1. het hele werkwoord
απαρέμφατο
noun
1. stijging van het prijspeil waardoor het geld in waarde daalt
πληθωρισμός
noun
1.
επηρεάστρια
noun
1. de leer van de mechanische verzameling en verwerking van informatie
πληροφορική
noun
1.
  1. πληροφορία
  2. πληροφορίες
adjective
υπέρυθρος
/ˈɪɱfrastrʏktyr/
noun
1. het totaal van onroerende voorzieningen zoals (spoor)wegen, vliegvelden,...
υποδομή
noun
2. een opening waar iets doorheen kan
είσοδος
/ˌɪŋʒeˈɲør/
noun
1. iemand die is opgeleid in het hoger onderwijs om allerhande technische problemen op te lossen
μηχανικός
noun
2. verzamelnaam voor de inwendige organen van het darmkanaal
έντερο
pronoun
1.
Ίνγκολστατ
noun
1.
πλάγιο
noun
συστατικό
/ˈɪŋɣrep/
verb
επέμβαση
/'ɪnɦɑm/
noun
ορμίσκος
/ɪnˈhems/
adjective
1. van oorsprong ergens voorkomend
ιθαγενής
/ˈɪnhɑut/
noun
1. datgene wat bevat is in een ander lichaam
περιεχόμενο
noun
1. overzicht van de onderwerpen of hoofdstukken in een boek
πίνακας περιεχομένων
/ˌiniˈtʃalwort/
noun
1. en 2.
αρκτικόλεξο
/ini(t)ʃali'zerə(n)/
verb
1.
αρχικοποιώ
noun
ένεση
noun
σύριγγα
noun
1.
αυλάκωση
noun
1. regelmatig verkregen som geld
  1. εισόδημα
  2. έσοδα
noun
1. een gekleurde vloeistof waarmee geschreven wordt
μελάνι
/ˈɪŋtpot/
noun
1. een meestal glazen of plastic vaatje waar inkt in bewaard wordt
  1. μελανοδοχείο
  2. καλαμάρι
/ˈɪŋktfɪs/
noun
1. een koppotig weekdier met vangarmen dat een inktachtig vocht afscheidt ter verdediging
καλαμάρι
/ˈɪn.lɛxˌkrœy.ʃə/
noun
1.
σερβιετάκι
/ˈɪnlɛɪdɪŋ/, /ˈɪnlɛːdɪŋ/
noun
1. een tekst waarmee men een indruk probeert te geven van de inhoud van een langere tekst
εισαγωγή
verb
1. verschuldigd geld in ontvangst nemen
εξαργυρώνω
pronoun
1.
Ίνσμπρουκ
/ˈɪmpɑkə(n)/
verb
2. in een omhulsel doen
αμπαλάρω
/ɪ'mplɛnə(n)/
verb
1.
προγραμματίζω
verb
1. vragen of iemand tussenbeide of te hulp komt
επικαλούμαι
noun
1. geleedpotige met drie paar poten en geen, één of twee paar vleugels
έντομο
adverb
επίσης
verb
υπαινίσσομαι
noun
1. horizontale draden die tijdens het weven tussen de opgespannen draden van de schering worden ingebracht
υφάδι
verb
2. zich ~: moeite doen
ασκώ
noun
1. de fysieke moeite die men voor iets doet
προσπάθεια
noun
επιθεωρητής
/ɪnspi'rasi/
noun
1. een gevoel over hoe men een klus kan aanpakken
έμπνευση
verb
1. de geest gaande maken
εμπνέω
noun
8. een kunstvorm
εγκατάσταση
verb
μπαίνω μέσα
noun
2. organisatie, die vaak subsidie van de overheid krijgt en geen geld wil verdienen
ίδρυμα
verb
1. het eens zijn
συγκατατίθεμαι
noun
1. gedrag dat geheel genetisch bepaald is
ένστικτο
adjective
ενστικτώδης
verb
1. zwichten voor de zwaartekracht
καταπίπτω
noun
1. het kapot gaan van een constructie door naar beneden vallen
κατάρρευση
noun
1. een order, een aanwijzing
εντολή
noun
  1. 1. werktuig
    εργαλείο
  2. 2. verkort voor muziekinstrument
    1. όργανο
    2. εργαλείο
adjective
οργανικός
/ˌɪnzyˈlinə/
noun
1. een hormoon gemaakt in de bètacellen van de pancreas in de zogenaamde eilandjes van Langerhans, dat de lever aanzet bloedglucose op te nemen en op te slaan in de vorm van glycogeen
ινσουλίνη
adjective
1. in goede staat, onaangetast
άθικτος
/ɪnˈtexə(n)del/
adverb
αντίθετα
adjective
αναπόσπαστος
noun
ολοκλήρωμα
/ɪntəɣriˈtɛit/
noun
1. onschendbaarheid, eerlijkheid, oprechtheid
ακεραιότητα
/ɪntɛli'xɛnt/
adjective
1. met een goed verstand of daarvan blijk gevend
έξυπνος
noun
een eigenschap van de werking van de hersenen
νοημοσύνη
noun
δείκτης νοημοσύνης
noun
1.
ιντελιγκέντσια
noun
1. onderlinge beïnvloeding
αλληλεπίδραση
/ɪntərɑk'tif/
adjective
διαδραστικός
adjective
διεπιστημονικός
adjective
1. wekt interesse
ενδιαφέρων
noun
  1. 1. belang
  2. 2. belangstelling
  3. 3. iets waar belangstelling voor is
ενδιαφέρον
verb
1. nieuwsgierig maken
ενδιαφέρω
noun
τόκος
noun
διεπαφή
adjective
1. inwendig, binnen
εσωτερικός
/ɪntərnɑ(t)ʃo'nal/
adjective
1. meer dan één land
διεθνής
pronoun
Διεθνές Νομισματικό Ταμείο
pronoun
Διεθνές Γραφείο Μέτρων και Σταθμών
noun
1. een wereldwijd netwerk van computers
  1. Διαδίκτυο
  2. διαδίκτυο
noun
1.
ίντερνετ καφέ
noun
1. Arts
παθολόγος
noun
1. uitlegging, vertaling
ερμηνεία
verb
1. uitleggen of opvatten
ερμηνεύω
/'ɪntɛrpɵŋktsi/
noun
στίξη
noun
  1. 1. tussenperiode
  2. 3. de afstand tussen twee verschillende tonen
απόσταση
noun
1. vraaggesprek met iemand over diens opvattingen en ervaringen
συνέντευξη
verb
1.een vraaggesprek met iemand houden
παίρνω συνέντευξη
/ɪntimi'dɪːrə(n)/
verb
1. iemands gedrag beïnvloeden door hem angst aan te jagen
εκφοβίζω
noun
1. vergiftiging
μέθη
adjective
1. in de spier
ενδομυϊκός
adjective
1. zonder de mogelijkheid van een lijdend of meewerkend voorwerp
αμετάβατος
noun
  1. 2.
  2. 3.
δολοπλοκία
adjective
εγγενής
/ɪntroˈdʏksi/
noun
de presentatie van iets nieuws, of de inleiding van een nieuwkomer
εισαγωγή
verb
ακυρώνω
noun
1. een opoffering in tijd, geld of mankracht ten behoeve van een doel dat pas op lange termijn wordt behaald
επένδυση
/ˈɪnvluːt/
noun
  1. 1. inwerking van een persoon, zaak of omstandigheid op een andere
  2. 2. het vermogen om op anderen in te werken
επιρροή
adjective
ισχυρός
/ɪɱ.'wɛn.dɪx/, /ɪɱ.'ʋɛn.dəχ/, /ɪɱ.'β̞ɛn.dəx/
adjective
εσωτερικός
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Ιώ
/jɔn/
noun
ιόν
pronoun
1. randzee van de Middellandse Zee, gelegen tussen Zuid-Italië en West-Griekenland
Ιόνιο Πέλαγος
noun
ιονόσφαιρα
/i'peʔadrɛs/
noun
1. een combinatie van getallen waarmee een computer in een IP-netwerk kan worden herkend
διεύθυνση IP
pronoun
1.
ιρανικός
/i.ˈrɑk/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten dat voor een groot deel in en rond het stroomgebied van de rivieren de Eufraat en de Tigris ligt
Ιράκ
/i.ˈrɑn/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten met als hoofdstad Teheran
Ιράν
noun
Ιρανός
noun
1. een scheikundig element met symbool Ir
ιρίδιο
noun
  1. 1. orgaan in het oog van vele organismen
  2. 2. benaming voor planten uit het geslacht Iris
ίριδα
/ɪroˈniː/
noun
1. vorm van spot
ειρωνία
adjective
1.
ειρωνικός
adjective
1. van geen belang voor de huidige zaak
άσχετος
adjective
1. in hoge mate vervelend
εκνευριστικός
verb
1. op onaangename wijze prikkelen
εκνευρίζω
noun
1. godsdienst die na alle profeten uit het jodendom en Christus, Mohammed ...
μουσουλμανισμός
pronoun
Ισλαμαμπάντ
noun
1. een verzameling punten onder constant houden van de druk gemeten
ισοβαρής
noun
1. ruimtelijke afzondering
απομόνωση
verb
  1. 1. persoonlijk
  2. 2. chemisch
  3. 3. elektrisch
  4. 4. warmte
απομονώνω
noun
1. een verzameling punten constante temperatuur gemeten of waar de temperatuur dezelfde waarde heeft
ισόθερμος
noun
ισότοπο
/ˈɪs.ra.hɛl/, /ˈɪs.ra.ɛɫ/
pronoun
1. land in het Midden-Oosten, gelegen aan de Middellandse Zee
Ισραήλ
noun
1. een smalle strook land die twee grotere landmassa's verbindt
ισθμός
/italiˈjaːn/
noun
1. een persoon die uit Italië komt
  1. Ιταλός
  2. Ιταλιάνος
/italiˈjaːns/
pronoun
1. een Romaanse taal die wordt gesproken in Italië, San Marino, Vaticaanstad, Slovenië en Zwitserland
ιταλικά
/italiˈjaːnsə/
noun
1. vrouwelijke persoon die uit Italië komt
Ιταλίδα
/iˈtaːli.jə/
pronoun
1. een land
Ιταλία
noun
  1. φίλντισι
  2. ελεφαντόδοντο
noun
1. gebroken witte kleur zoals de slagtanden van de olifant
ιβουάρ
/i.ˈvoːr.kʏs/, /i.ˈvoːr.kʏst/, /i.ˈvo̝ːr.kʏst/
pronoun
een land in West-Afrika, officieel de Republique de Côte d'Ivoir
Ακτή Ελεφαντοστού
/jaː/
adverb
1. duidt bevestiging of instemming aan
  1. ναι
  2. ναί
/jaː/
interjection
1. kreet van opwinding
ναι
/ja:r/
noun
1. de duur van een omloop van de aarde om de zon van circa 365 dagen.
  1. χρόνος
  2. έτος
/ˈjar.ɣə.ˌtɛɪ̯.də/, /ˈjar.ɣə.ˌtɛː.də/, /ˈjar.χə.ˌtɛɪ̯.də/
noun
1. een deel van een jaar met unieke eigenschappen
εποχή
/ˈjar.ləks/, /ˈjar.lɪks/
adjective
1. eenmaal per jaar
ετήσιος
/jɑxt/
noun
  1. 3. een snel vaartuig
    1. γιοτ
    2. θαλαμηγός
  2. 1. het achtervolgen van wild
    1. κυνήγι
    2. θήρα
noun
1. hond die speciaal gefokt wordt voor de jacht
  1. κυνηγόσκυλο
  2. λαγωνικό
noun
1. zeer snel, betrekkelijk groot Afrikaans katachtig roofdier, Acinonyx jubatus
γατόπαρδος
/ˈjaːɣə(n)/
verb
1. bewegende wezens proberen te vangen
κυνηγώ
noun
1. iemand die op jacht gaat
κυνηγός
noun
κυνηγός-συλλέκτης
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera onca
ιαγουάρος
pronoun
1. hoofdstad van de Indiase deelstaat Rajasthan
Τζαϊπούρ
noun
γιακ
noun
1. Canis aureus, hondachtig roofdier
τσακάλι
pronoun
Ιακώβ
noun
1. benaming voor bepaald soort mosselachtig schelpdier
χτένι
/jaˈkobʏs/
pronoun
  1. Ιάκωβος
  2. Ιακώβ
adjective
1. een negatief gevoel veroorzaakt doordat iemand iets heeft of kan krijgen wat je ook wilt hebben of reeds hebt
ζηλιάρης
/ʃɛm/
noun
1. een gelei van suiker en gekookt fruit, onder andere gebruikt als broodbeleg
μαρμελάδα
/(d)ʒa.mɛɪ̯.ka/, /dʒɑ.mɑɪ̯.ka/
pronoun
1. een eiland in de Grote Antillen ten zuiden van Cuba en ten westen van het eiland Hispaniola
Τζαμάικα
adjective
1. met het ritme van een jambe
ιαμβικός
noun
1. een grote bijeenkomst van scouts in de leeftijd van 14 tot 17 jaar uit landen verspreid over de gehele wereld die eens per 4 jaar wordt georganiseerd
τζάμπορι
interjection
1. uitroep van teleurstelling
κρίμα
noun
1. bepaalde zeevogel, Morus bassanus
σούλα
/jɑnyˈwaːri/
noun
1. de eerste maand van het jaar
  1. Ιανουάριος
  2. Γενάρης
pronoun
  1. 2. Romeinse god
  2. 3. maan
Ιανός
/jaˈpɑn/, /jɑˈpɑn/
pronoun
1. een land in het oosten van Azië
Ιαπωνία
noun
  1. Ιάπωνας
  2. Γιαπωνέζος
/jɑ'pɑns/
pronoun
1. een taal die in Japan gesproken wordt
  1. ιαπωνικά
  2. Ιαπωνικά
pronoun
1. taalfamilie van Japans en een tiental verwante talen die in Japan worden gesproken
Ιαπωνικές γλώσσες
/jɑr.ˈɣɔn/
noun
2. vaktaal, taalgebruik binnen een bepaalde groep, vaak moeilijk te volgen voor een buitenstaander
αργκό
noun
1.
  1. ζακέτα
  2. σακάκι
noun
ίασπις
noun
1.
γιαταγάνι
/jeˈhova/
pronoun
Γιεχωβά
/ˈjemən/, /ˈjeːmən/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel de Republiek Jemen
Υεμένη
pronoun
1. en 2.
Ιένα
noun
1. Juniperus communis
άρκευθος
pronoun
Ιερεμίας
noun
1.
κάνιστρο
pronoun
Ησαΐας
noun
1.
τζετ σετ
/ˈjøːxt/
noun
1. het jong zijn
  1. νεότητα
  2. νιάτα
noun
ξενώνας νεότητας
noun
1. kriebel
κνησμός
/ˈje.zʏs/
pronoun
1. centrale figuur in het Nieuwe Testament
Ιησούς
pronoun
1. Jezus van Nazareth
Ιησούς Χριστός
/je.zy.ˈit/
noun
1. een lid van de Sociëteit van Jezus
ιησουίτης
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het oosten van het land
Τζαρκάντ
noun
1. een pijnlijke ontsteking als gevolg van gekristalliseerd uraat in een gewricht
ουρική αρθρίτιδα
pronoun
1. Germaanse taal die door de Joden in West-Europa gesproken werd
γίντις
noun
τζιχάντ
/jEi/, /jɛɪ̯/, /jɛː/
personalPronoun
1. aangesproken persoon enkelvoud informeel
εσύ
/'jɔb/
pronoun
Ιώβ
/ˈjodələ(n)/
verb
1. zingen met een snelle wisseling van borst- naar keelstem
λαρυγγίζω
/joˈdin/
noun
1.
Ιουδαία
noun
1. scheikundig element met symbool I en atoomnummer 53
ιώδιο
pronoun
Γιουγκοσλαβία
pronoun
2.1 een van de vier Evangeliën
Ιωάννης
noun
χαρουπιά
noun
1. speelgoed
γιογιό
verb
μπαλαντέρ
adjective
1. van geringe leeftijd
νεαρός
noun
1. onvolwassen man
αγόρι
/jɔŋˈle.rə(n)/
verb
ζογκλάρω
/jɔŋˈlør/
noun
  1. 2. rondreizend artiest
  2. 1. rondreizend kunstenaar
  3. 3. de artiest die zo veel mogelijk objecten weet op te gooien...
ζογκλέρ
/jot/
noun
Εβραίος
noun
  1. 1. aanhanger van het joodse geloof
    Εβραίος
  2. 1. element jodium
    ιώδιο
adjective
1. te maken hebbend met het joodse geloof, het jodendom
ιουδαϊκός
phraseologicalUnit
1.
ένας θεός ξέρει
/jɔr.ˈda.ni.jə/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië
Ιορδανία
noun
3. een kleinigheid, helemaal niets
γιώτα
noun
verslaggever, iemand die nieuwsfeiten publiceert
δημοσιογράφος
noun
δημοσιογράφος
/jɑu̯/
possessivePronoun
1.
σου
adjective
1. opgewekt en tegelijk aardig en vriendschappelijk in de omgang
εγκάρδιος
/joˈʔel/
pronoun
Ιωήλ
noun
1. feestelijke herdenking van de dag waarop iets gebeurde of begon
ιωβηλαίο
pronoun
2. boek in de Bijbel
Ιούδας
noun
1. vriendelijk gebaar van een iemand die veinst een vriend te zijn, kort voordat zijn ware bedoelingen duidelijk worden
φιλί του Ιούδα
noun
1. naam voor planten uit het geslacht Lunaria
σεληνιακός
/'jy.do/
noun
1. een Japanse vechtsport
τζούντο
/jʏˈfrɑu/
noun
δεσποινίς
adjective
1. zoals het moet, waar
σωστός
noun
1. houten pasvorm die op de schouders gedragen wordt en twee te dragen gewichten verbindt
ζυγός
noun
1. een van de beenderen van de schedel
ζυγωματικό
/jyˈlɛi/
noun
1. de zevende maand van het jaar
Ιούλιος
/ˈjʏli/
personalPronoun
  1. 1.
  2. 2.
  3. 3.
εσείς
noun
1. de zesde maand van het jaar
  1. Ιούνιος
  2. Ιούνης
noun
1. een verzamelnaam voor snel bereid en geserveerd voedsel dat vaak ongezond is
έτοιμο ανθυγιεινό φαγητό
noun
1. groep hoge militairen die samen de baas zijn over het bestuur van een land
χούντα
/ˈjypiˌtɛr/
pronoun
Δίας
noun
  1. 1. kanton
  2. 2. gebergte
Ιουράς
adjective
1. betrekking hebbend op het recht en de rechtsleer
νομικός
noun
1. een deskundige op het gebied van rechtsleer
νομικός
/jʌrək/
noun
1. een kledingstuk voor vrouwen dat van de schouders tot op de benen reikt
φόρεμα
noun
1. saus voor spijzen, bereid uit vleesnat
ζωμός
adjective
de bastvezels
γιούτα
noun
1. sieraad van grote schoonheid en hoge waarde
πετράδι
noun
1. iemand die juwelen vervaardigt en erin handelt
κοσμηματοπώλης
noun
1. deel van schedel waarin tanden en kiezen zitten
σαγόνι
noun
1. een mogelijk dodelijke infectieziekte veroorzaakt door Colistridium tetani
τέτανος
adjective
1. zonder of met heel weinig hoofdhaar, veren, bladeren, begroeiing, enzovoort
φαλακρός
noun
1. het kaal zijn
φαλάκρα
noun
1. een in zee vooruitstekende landpunt
ακρωτήρι
pronoun
1. de naam van de zuidwestelijkste punt van Afrika
Ακρωτήριο της Καλής Ελπίδος
pronoun
Ακρωτήριο Χορν
pronoun
1. een kaap in Zuidwest-Spanje, bekend om de gelijknamige zeeslag die er uitgevochten werd
Ακρωτήριο Τραφάλγκαρ
pronoun
1. een van de hoofdsteden van Zuid-Afrika, gelegen bij de Kaap de Goede Hoop
Κέιπ Τάουν
/kab.ˈvɛr.di.jə/, /kap.ˈfɛr.di.jə/
pronoun
1. een land in West-Afrika
Πράσινο Ακρωτήριο
verb
1. het behandelen van ruwe katoen of wol met behulp van een kaard
ξαίνω
/kars/
noun
1. een staaf of klomp van brandbaar materiaal met een lont
κερί
noun
    1. 2. bedrukt kartonnen vel dat met de post verstuurd kan worden
    2. 3. kartonnen of plastic vel uit een kaartspel, om mee te spelen
    κάρτα
  1. nog in te delen vertalingen
    χάρτης
/kartspɛl/
noun
  1. 1. een spel met speelkaarten
    χαρτιά
  2. 2. een spel kaarten
    χαρτοπαίγνιο
noun
1. voedingsproduct gemaakt van gestremde melk
  1. τυρί
  2. τυρός
noun
1.
τουλουπάνι
noun
μολόχα
noun
1. lijn van 3 tot 6 ineengedraaide touwen van hennep, kunststof, staal of ander materiaal
καλώδιο
noun
τελεφερίκ
noun
1. Gadus morhua, middelgrote zoutwatervis
μπακαλιάρος
noun
υπουργικό συμβούλιο
/'kabul/
pronoun
1. Afghaanse stad/provincie
Καμπούλ
/ˈkɑ.xəl/, /ˈkɑ.xəɫ/, /ˈkɑ.χɔɫ/
noun
1. een apparaat waarin energie wordt omgezet in warmte met de bedoeling een ruimte te verwarmen
θερμάστρα
/ˈkɑxtəl/, /ˈkɑxtəɫ/, /ˈkɑχtəɫ/
noun
1. een jong van een paard.
  1. πουλάρι
  2. ολίσθηση
noun
1. dood lichaam van een dier
κουφάρι
noun
1. beschoeide of gemetselde oeverstrook waaraan de schepen kunnen aanleggen
προκυμαία
noun
1.
καφτάνι
noun
1. een gesloten kano om in wild water of op zee te varen
καγιάκ
noun
1. overdekte gemeenschappelijke verblijfplaats op schepen
καμπίνα
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Blattodea
  1. κατσαρίδα
  2. βλάττη
  3. βρομομαμούνα
  4. κανθαρίδα
  5. μαυρομαμούνα
noun
1. rommelig geheel van vele klanken door elkaar
κακοφωνία
noun
1. tabel die de verdeling van het jaar in dagen, weken of jaren aangeeft, evt. met feestdagen enz.
ημερολόγιο
noun
1. jong van het rund en sommige andere zoogdieren.
μοσχάρι
noun
μοσχάρι
noun
χαλίφης
noun
χαλιφάτο
noun
1. scheikundig element met symbool K en atoomnummer 19
κάλιο
noun
1. bepaald soort gedomesticeerde vogel, Meleagris gallopavo
  1. γαλοπούλα
  2. διάνος
  3. κούρκος
noun
ασβεστόλιθος
/ˌkɑ.lɪ.ˈpi.ɣɪs/
adjective
1. met een mooi achterste
καλλίπυγος
/kɑlm/
adjective
1. weinig in beroering, zonder opwinding
ήρεμος
verb
1. kalm worden
ηρεμώ
noun
ηρεμία
/kɑm/
noun
1. getand object om haren mee te verzorgen
χτένα
/kɑ'mel/
noun
1. bepaald soort hoefdier met twee bulten op de rug, Camelus bactrianus
καμήλα
noun
καμηλών
/ka'melejɔn/
noun
  1. 1. tropische hagedis vooral bekend voor zijn snelle kleurveranderingen
    1. χαμαιλέοντας
    2. χαμαιλέων
  2. 2. veranderlijk persoon
    χαμαιλέων
noun
1. deel van een huis
δωμάτιο
noun
σύντροφος
noun
1. een lange huisjas
ρόμπα
/ka.mər.lɪt/
noun
1. iemand die een zetel in een der kamers van de volksvertegenwoordiging bekleedt
βουλευτής
noun
μουσική δωματίου
/ˌka.mə.ˈrun/
pronoun
1. een land in Midden-Afrika, officieel de Republiek Kameroen
Καμερούν
noun
1.
ορχήστρα δωματίου
noun
θερμοκρασία δωματίου
noun
καμφορά
noun
1. elk van de planten van het geslacht Matricaria
χαμομήλι
/kɑmə(n)/
verb
1. met een kam haar in orde brengen
χτενίζω
noun
1. een plaats waar een aantal troepen geruime tijd of permanent gehuisvest zijn
  1. κατασκήνωση
  2. στρατόπεδο
verb
1. een vorm van openluchtrecreatie
κατασκηνώνω
noun
1. geslacht van klimstruiken (Lonicera)
αγιόκλημα
/kɑmpiun/
noun
1. de winnaar van een kampioenschap
πρωταθλητής
noun
1. wedstrijd waar bepaald wordt wie de kampioenstitel mag dragen
πρωτάθλημα
noun
1. serviesgoed om vloeistoffen uit te schenken
κουτάκι
pronoun
Μάγχη
/ka'naːl/
noun
κανάλι
noun
1.1 bepaald soort vogel Serinus canarius
καναρίνι
pronoun
1. een stad gelegen in Zuid-Afghanistan en de hoofdstad van de gelijknamige provincie
Κανταχάρ
noun
κηροπήγιο
/kɑˈnel/
noun
1. een specerij van de gedroogde binnenbast van de kaneelboom,...
  1. κανέλα
  2. κανέλλη
noun
1. benaming voor zoogdieren uit het geslacht Macropus
καγκουρό
noun
1.
κάντζι
noun
1. een aandoening die gekenmerkt wordt door het ongecontroleerd vermenigvuldigen van cellen
καρκίνος
noun
1. mens die of dier dat vlees van zijn eigen soort eet
κανίβαλος
noun
1.
ανθρωποφαγία
noun
1. een instrument om explosieve projectielen weg te schieten
κανόνι
noun
1.
κανονιοφόρος
noun
  1. 1. mogelijkheid dat er iets gaat gebeuren
    1. πιθανότητα
    2. ενδεχόμενο
  2. 2. een mooie gelegenheid
    1. πιθανότητα
    2. ευκαιρία
noun
1. eerste minister
καγκελάριος
/kɑnt/
noun
1. een vorm van vlechtwerk
δαντέλα
noun
1. eetgelegenheid in bedrijven, scholen, verenigingen
καντίνα
pronoun
een Chinese taal gesproken door ongeveer 54 miljoen mensen in het zuiden van China en ook buiten het land
καντονέζικα
noun
1. een instelling waar allerlei administratieve handelingen worden uitgevoerd
γραφείο
/kɑp/
noun
2. een bedekking van het hoofd
κουκούλα
noun
1. klein kerkgebouw
παρεκκλήσι
verb
καταλαμβάνω
verb
1. kapitaal laten aangroeien
κεφαλαιοποιώ
noun
1.
κιονόκρανο
noun
1. (beroep) (scheepvaart) gezagvoerder van een schip [1], bijv. van een koopvaardijschip
  1. λοχαγός
  2. πλοίαρχος
/'kɑpmɛs/
noun
1. stevig mes
ματσέτα
noun
καπόνι
adjective
  1. 1. gebroken
  2. 2. niet meer goed functionerend
χαλασμένος
noun
κάπα
noun
κομμωτής
/'kɑ.pər.tʲə/
noun
2. klein groen bloemknopje van de kappertjesplant, Capparis spinosa, dat meestal op zuur bewaard wordt en dat als kruiderij gebruikt wordt
κάππαρη
noun
1. de manier waarop het haar geknipt is
κόμμωση
noun
1. een geweer met ingekorte loop en soms ook ingekorte schoudersteun
καραμπίνα
noun
1. aard
χαρακτήρας
verb
χαρακτηρίζω
noun
1. gebrande suiker
καραμέλα
noun
1. vorm van vermaak, waarbij muziek wordt afgespeeld van een lied, en de amateur zanger in een microfoon de tekst (die op een televisiescherm te lezen is) live zingt
καραόκε
noun
1. japanse gevechtsport
καράτε
noun
1.
καραβάνι
/kɑrboˈnadə/
noun
1. een stuk vlees van een varken, kalf of lam
κοψίδι
noun
plant en zaad
  1. κακουλέ
  2. κάρδαμο
noun
1. hoge geestelijke in de hiërarchie van de Rooms-Katholieke Kerk,...
καρδινάλιος
noun
1. en 2. bladeren van Cynara cardunculus
αγριοαγκινάρα
/kɑˈrelɪə/
pronoun
1. deel van Rusland
Καρελία
noun
1. een zoogdier uit de familie der hertachtigen
καναδικός τάρανδος
noun
1.
γελοιογραφία
pronoun
1.
Καρινθία
noun
1. een rode kleurstof die wordt gewonnen uit een soort schildluis, de Cochenilleluis, Dactylopius coccus Costa
καρμίνη
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het zuiden van het land
Καρνάτακα
noun
1. gefermenteerde melk
βουτυρόγαλα
pronoun
Καρπάθια Όρη
noun
1. bepaald soort grote zoetwatervis met een hoge rug, die van oorsprong uit Azië komt, Cyprinus carpio
  1. κυπρίνος
  2. σαζάνι
noun
κόλον
/kɑrˈtɔn/
noun
  1. 1. bordpapier
  2. 2. verpakking
χαρτόνι
noun
καραβέλα
noun
plant, zaad en specerij
  1. αγριοκύμινο
  2. κιουμέλ
/'kɑs/
noun
3. een doorzichtige -meest glazen- constructie...
θερμοκήπιο
pronoun
Κασμίρ
noun
1.
μπλοκμπάστερ
pronoun
1. een grote door land omsloten zoutwatervlakte op de grens van Europa en Azië
Κασπία Θάλασσα
noun
1. plaats waar men aankopen betaalt in een winkel
ταμείο
pronoun
1. Duitse stad
Κάσσελ
noun
1. iemand die het beheer heeft over de kas en de mutaties ervan bijhoudt
ταμίας
/kɑs/, /kɑst/
noun
1. een meubel om gebruiksvoorwerpen in op te bergen, meestal voorzien van horizontale schappen
  1. ντουλάπα
  2. ντουλάπι
noun
  1. 1. de vrucht
    κάστανο
  2. 1. de boom
    καστανιά
adjective
καστανός
noun
1. streng gescheiden stand binnen de hindoeïstische samenleving
κάστα
noun
1. een middeleeuwse versterkte woning
κάστρο
noun
1. benaming voor vogels uit het geslacht Casuarius
κασουάριο
noun
1. bepaald soort zoogdier, Felis sylvestris catus
γάτα
noun
καταλύτης
noun
    1. 1. belegeringswapen
    2. 3. lanceerinrichting voor vliegtuigen
    καταπέλτης
  1. 2. speeltuig
    1. σφεντόνα
    2. καταπέλτης
noun
  1. 1. mannetje van de kat
  2. 2. gevolgen van alcoholgebruik
γάτος
/kɑtədral/
noun
1. een hoofdkerk van een bisdom
  1. καθεδρικός ναός
  2. μητρόπολη
noun
1. buisje dat tijdelijk in een lichaamsholte wordt aangebracht, bijv. om lichaamsvocht op te vangen of een medicijn toe te dienen
καθετήρας
noun
1-2 scheikunde + elektronica
κάθοδος
/ˌka.to.ˈlik/
adjective
  1. 1. overeenkomstig de geloofsleer van de Katholieke Kerk
  2. 2. te maken hebbend met de Katholieke Kerk
καθολικός
noun
κατιόν
/kɑˈtun/
noun
1. een zachte vezel die uit de opperhuid (epidermis) van de zaden van de katoenplant groeit
βαμβάκι
noun
1. een werktuig dat het mogelijk maakt een last met een beperkte kracht te verplaatsen
τροχαλία
pronoun
Κάτεγατ
noun
1. bepaald soort loofboom Salix viminalis
λυγαριά
pronoun
1. gebergte
Καύκασος
noun
1. Corvus monedula, eem zwarte kraaiachtige zangvogel met een grijze nek
κάργια
verb
μασάω
noun
1. een zacht samenhangend snoepgoed dat niet bedoeld is om in te slikken
τσίχλα
noun
χαβιάρι
pronoun
1. een taal die van oorsprong door de Kazachen in Kazachstan gesproken werd
κοζάκικα
/ˈka.zɑx.stɑn/, /ˈka.zɑχ.stɑn/
pronoun
1. een land in Centraal-Azië en het uiterste oosten van Europa
  1. Καζαχστάν
  2. Καζακστάν
noun
1. inwoner van Kazachstan
Καζάκα
noun
1. een mouwloos opperkleed dat door een priester gedragen wordt bij het lezen van de mis
ράσο
pronoun
1. oudste zoon van Adam en Eva
Κάιν
/keːl/
noun
1. voorste, uitwendige gedeelte van de hals
λαιμός
noun
1. pijnlijke irritatie van het slijmvlies in de keelholte, meestal door een ontsteking ervan
λαιμά
/keːp/
noun
2. kleurrijke vinkensoort
χειμωνόσπινος
/ˈkipər/
noun
τερματοφύλακας
noun
1. telkens terugkerend tijdstip waarop iets gebeurt
φορά
noun
τροπικός
/ˈke.xəl/
noun
1. een meetkundig lichaam met een cirkel als grondvlak en uitlopend in een punt
κώνος
noun
1. een kromme gevormd door het snijden van een kegel met een plat vlak
κωνική τομή
noun
1. een monarch van de allerhoogste rang, oorspronkelijk die van het Romeinse rijk
αυτοκράτορας
noun
1. een vrouwelijke monarch van de allerhoogste rang, oorspronkelijk die van het Romeinse rijk
αυτοκράτειρα
adjective
αυτοκρατορικός
noun
1. een gebied waar een keizer het staatshoofd is
αυτοκρατορία
noun
1. operatieve verlossing
καισαρική
noun
1. een ondergrondse bergruimte
  1. κελάρι
  2. υπόγειο
noun
δισκοπότηρο
noun
Σερβιτόρος
/kɛɫt/
noun
1. lid van een Indo-Europees volk waarvan na de Romeinse tijd de meeste leden op de Britse eilanden en in Bretagne leven
Κέλτης
/kɛɫtən/
noun
2. Indo-Europees volk waarvan de meeste leden op de Britse eilanden en in Bretagne leven
Κέλτες
/ˈkɛl.tis/, /ˈkɛɫ.tis/
adjective
1. met betrekking tot Kelten
κελτικός
noun
1. bepaald soort vogel, Calidris pugnax
ψευτομαχητής
/ˈke.ni.ja/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika, de Republiek Kenia, grenzend aan Somalië, Ethiopië, Oeganda, Tanzania en de Indische Oceaan
Κένυα
verb
  1. 1. bekend, vertrouwd zijn met
  2. 2. door studie of oefening geleerd hebben
γνωρίζω
noun
κονεσέρ
/ˈkɛnɪs/
noun
  1. 1. wat je weet of hebt geleerd
    γνώση
  2. 1. iemand met wie men bekend is
    γνωστός
noun
1. militair hoofddeksel met klep
πηλήκιο
/ˈkɛpəl/
noun
1. hoofddeksel in de vorm van een ondiep bolsegment
σκούφος
noun
κεραμική
/kɛrk/
noun
  1. 2. Christelijke organisatie voor beleving van een specifieke christelijke godsdienst
    1. Εκκλησία
    2. εκκλησία
    3. ναός
    1. 1. openbaar gebouw voor religieuze handelingen of samenkomsten
    2. 3. Georganiseerde groep die bepaalde christelijke standpunten aanhangt
    1. εκκλησία
    2. ναός
noun
1. bijeenkomst van een christelijke gemeente waarin God vereerd wordt
εκκλησιαστική λειτουργία
/kɛrkər/
noun
1. een ondergrondse ruimte die bestemd is voor het opsluiten van gevangenen
μπουντρούμι
/ ˈkɛrkχɑŋər /
noun
1. een gelovige die zich naar de kerk begeeft om de kerkdienst bij te wonen
εκκλησιασμός
noun
1. terrein waar overledenen begraven worden
νεκροταφείο
/ˈkɛrgœːl/, /ˈkɛrkœʏ̯ɫ/, /ˈkɛrkœːl/
noun
1. bepaald soort vogel, Tyto alba
πεπλόγλαυκα
noun
πυρηνικός αντιδραστήρας
noun
1. een rampzalige gebeurtenis waarbij de brandstof van een kernreactor smelt door het wegvallen van de koeling
τήξη
noun
1. een vrij zware fractie alkanen die met name als vliegtuigbrandstof gebruikt wordt
κηροζίνη
noun
specerij
Κάρυ
noun
1. steenvrucht van een kersenboom, Prunus subg. Cerasus
κεράσι
noun
1. benaming voor bomen waaraan kleine ronde vruchten groeien, uit het ondergeslacht Prunus subg. Cerasus
κερασιά
/kɛr.ˈsta.vɔnt/, /kɛr.ˈz(d)a.vɔnd/
noun
Παραμονή Χριστουγέννων
/ˈkɛrsd.bom/, /ˈkɛrz.bom/
noun
1. rond Kerstmis opgestelde naaldboom met allerlei versieringen
  1. χριστουγεννιάτικο δέντρο
  2. δένδρο των Χριστουγέννων
/ˈkɛrs.dɑx/, /ˈkɛrs.dɑχ/, /ˈkɛrz.dɑx/
noun
ημέρα Χριστουγέννων
/ˈkɛr.stə.ˌnə(n)/
verb
2. heidense volkeren, al dan niet massaal, tot het christendom bekeren; veelal in historische context
εκχριστιανίζω
/ˈkɛr.stə.ˌnɪŋ/
noun
1. het proces waarbij heidense volkeren zich, al dan niet massaal, tot het christendom bekeren
εκχριστιανισμός
/ˈkɛrs.kart/, /ˈkɛrst.kart/
noun
1. een wenskaart die wordt gekenmerkt door een kerstgroet en wensen voor het komende nieuwe jaar
χριστουγεννιάτικη κάρτα
/ˈkɛrs.lid/, /ˈkɛrst.lit/
noun
1. een op Kerstmis betrekking hebbend lied
κάλαντα
/ˈkɛrs(t)məs/, /ˈkɛrsmɪs/, /ˈkɛrstmɪs/
noun
1. een feest ter herinnering van de geboorte van Jezus met een vieringsdatum die verschilt per christelijke traditie
Χριστούγεννα
/ˈkɛr.stɑl/, /ˈkɛr.stɑɫ/
noun
1. een voorstelling van de geboorte van Jezus met figuren van hout of gips, die vooral in katholieke gezinnen rond Kerstmis in huis te vinden is, vaak onder de kerstboom
φάτνη
/ˈkɛrstɛr/
noun
Αλεξανδρινό
noun
2. keukenkruid
  1. σκαντζίκι
  2. ανθρίσκος
noun
1. een saus op basis van tomaten
κέτσαπ
noun
  1. 1. meestal rond metalen vat, vaak geschikt om onder druk gezet te worden
    ατμολέβητας
  2. 2. waterketel
    κατσαρόλα
/ˈke.təl.dɑl/, /ˈke.təɫ.dɑɫ/, /ˈkeː.təl.dɑl/
noun
1. een half cirkelvormige vallei gevormd door de erosie die een gletsjer veroorzaakt
λεκανοπέδιο
noun
1. uit losse, vaak metalen, schakels in een enkele rij aaneengeregen voorwerp
αλυσίδα
noun
1. iemand die vanwege afwijking van de katholieke leer tot misdadiger verklaard was
αιρετική
/ˌkɛtəˈrɛɪ/
noun
1. het ingaan in woord of gedachte tegen de doctrines van de kerk
αίρεση
noun
    1. 2. een stevige, maar buigzame verbinding van in elkaar grijpende ringen of achtvormige schakels
    2. 1. een aaneengesloten reeks van gelijksoortige elementen, gebeurtenissen etc.
    3. 5. schering, de rechte draden waartussen de inslag ingeweven wordt
    αλυσίδα
  1. 4. een snoer bestaande uit een draad die door doorboorde kralen of andere voorwerpen gevoerd is
    περιδέραιο
noun
1. een aanrijding van vanachter waarbij de aangereden auto doorschiet tegen zijn voorligger aan
καραμπόλα
noun
1. motorzaag die een ketting met getande schakels heeft
αλυσοπρίονο
/ˈkøːkə(n)/
noun
  1. 2. de wijze waarop in een land of streek gekookt wordt
    κουζίνα
  2. 1. een plaats waar gekookt wordt, ruimte waarin mensen hun voedsel bereiden
    1. κουζίνα
    2. μαγειρείο
noun
1. alle gebruiksvoorwerpen in de keuken
μαγειρικά σκεύη
pronoun
Κολωνία
noun
ελέκτορας
noun
1. het besluit om uit verschillende mogelijkheden er één te nemen
επιλογή
/ˈkevər/, /ˈkɛvər/
noun
1. bepaald insect
σκαθάρι
/ˈkiːbɔː(r)d/, /ˈkiːbɔː(r)t/
noun
  1. 1. een elektronisch muziekinstrument met een toetsenbord
    κλαβιέ
  2. 2. een apparaat waarmee, door toetsen in te drukken, gegevens in een computer ingevoerd kunnen worden
    πληκτρολόγιο
pronoun
1. taal die in Cambodja gesproken wordt
χμερ
/ˈkɪbuts/
noun
κιμπούτς
noun
μικρόβιο
adjective
1. een vrij grote tand die achter in de mond staat
τραπεζίτης
adjective
1.
εκλεκτικός
noun
δικαίωμα ψήφου
verb
1. het prikkelen van gevoelige stukken huid bij anderen door middel van licht aanraken
γαργαλώ
noun
1. ademhalingsorgaan van vele in water levende dieren
βράγχιο
pronoun
1. de hoofdstad van Oekraïne
Κίεβο
verb
  1. κοιτάζω
  2. βλέπω
noun
1. iemand die kijkt
τηλεθεάτρια
noun
1. benaming voor amfibieën uit de orde Anura
βάτραχος
noun
1. legsel
αβγά βατράχου
noun
1. en 2. (zaden van) de plant Cicer arietinum
  1. ρεβίθι
  2. ρεβιθιά
noun
1. fijn gemalen kikkererwten
ρεβυθάλευρο
noun
1. kikker- of paddenlarve
γυρίνος
abbreviation
1. kilogram
  1. Χιλιόγραμμο
  2. χιλιόγραμμο
  3. κιλό
noun
1. duizend meter
χιλιόμετρο
noun
1. meetinstrument dat de totaal afgelegde afstand in kilometers aangeeft
οδόμετρο
noun
1. het vooruitstekende deel van de onderkaak
  1. πηγούνι
  2. σαγόνι
noun
  1. 1. mens tussen 0 en 18 jaar
  2. 2. persoon voortkomend uit
  1. παιδί
  2. τέκνο
noun
παιδική εργασία
noun
1. een arts die gespecialiseerd is in de behandeling van kinderen
παιδίατρος
noun
1. een kamer die speciaal is ingericht voor kinderen
παιδικό
noun
1. alle kleren die speciaal gemaakt zijn voor kinderen
παιδικά
adjective
1. wat beweging veroorzaakt
κινητικός
/kɪŋk(h)ust/
noun
1. een bepaalde kinderziekte die veroorzaakt wordt door de bacterie Bordetella pertussis
κοκκύτης
/kɪp/
noun
1. Gallus gallus domesticus, gedomesticeerde vogel uit de familie van de hoenderachtigen
  1. κότα
  2. κοτόπουλο
noun
1.
αυγό κότας
noun
hok voor kippen
κοτέτσι
/ˈkɪpəvɛɫ/
noun
1. het verschijnsel waarbij als gevolg van kou de huid gaat kleine bubbeltjes vertoont
ανατριχίλα
noun
λίπος κότας
/kɪr.ˈɣi.zi.jə/, /kɪr.ˈχi.zi.jə/
pronoun
1. een land in Centraal Azië, officieel de Kirgizische Republiek, dat geheel door land omsloten is
  1. Κιργιζία
  2. Κιργιζιστάν
/ˌki.ri.ˈbɑs/
pronoun
1. land in Oceanië, officieel de Republiek Kiribati
Κιριμπάτι
/kɪts/
adjective
1. een zeiljacht met twee langsgetuigde masten
δικάταρτο
noun
1. schijnkunst die niet aanslaat met veel versieringen en/of de verkeerde materialen waarvan de meeste mensen denken dat het wansmaak is
κιτς
noun
2. vrucht van plantengeslacht Actinidia
ακτινίδιο
noun
ελεγεία
pronoun
Θρήνοι
/klaːr/
adjective
  1. 1. in staat van gereedheid gebracht, gereed
    έτοιμος
  2. 2. helder, duidelijk
    αίθριος
verb
  1. 1. voorbereiden
  2. 2. uit ingrediënten klaarmaken
ετοιμάζω
verb
1. ongenoegen uiten
παραπονιέμαι
noun
1. fijn net waaronder men slaapt om muggen buiten te houden
κουνουπιέρα
noun
1. in het algemeen wordt hiermee het totaal aan eigenschappen van een geluid aangeduid
ήχος
/ˈklɑŋknabotsɪŋ/
noun
  1. 1. het (proberen) een zelfde geluid te produceren
  2. 2. een woord dat is ontstaan uit het proberen een geluid na te doen
ονοματοποιία
noun
1. afnemer van een product of dienst van een leverancier
πελάτης
noun
παράσιτο
noun
1. Papaver rhoeas, een plant met een felrode bloem uit de familie Papaveraceae
παπαρούνα
/ˈklɑpstuːl/
noun
stoel met opklapbare zitting
πτυσσόμενη
noun
1. een houten blaasinstrument waarop de melodie wordt gespeeld in een harmonie
  1. κλαρινέτο
  2. κλαρίνο
noun
1. het helder maken van een vloeistof
διαύγαση
/klɑs/
noun
  1. 1. een groep leerlingen die een tijdlang gezamenlijk les krijgen
  2. 2. een leerjaar op school
  3. 3. een klaslokaal
τάξη
noun
1. een ruimte in een school voor het geven van les aan scholieren
αίθουσα διδασκαλίας
noun
τάξη
/ˈklʌʊtərə(n)/
verb
1. klimmen, zich verticaal verplaatsen met behulp van alle vier de ledematen
σκαρφαλώνω
/klʌu/
noun
  1. 1. poot van een roofdier
  2. 2. hand
νύχι
noun
1. klauwplaat
τσοκ
noun
1. toetsinstrument
τσέμπαλο
noun
τριφύλλι
noun
1. kaartkleur
σπαθιά
noun
1. het textiel voor de bedekking van het lichaam
ρούχα
noun
1.
ένδυμα
noun
ντουλάπα
noun
1. iemand wiens beroep bestaat uit het maken van kleding.
ράφτης
/klɛɪ̯/, /klɛː/
noun
1. zeer fijne, vochthoudende grondsoort
  1. άργιλος
  2. πηλός
adjective
1. van geringe grootte
μικρός
pronoun
Κοντορεβιθούλης
pronoun
Μικρά Ασία
/ˈklɛɪndɔxtər/
noun
1. een dochter van iemands kind, een vrouwelijk kleinkind
εγγονή
pronoun
1. een hoog aan het noordelijk halfrond duidelijk sterrenbeeld
Μικρά Άρκτος
noun
1. bepaald soort meeuw, Larus glaucoides
ισλανδόγλαρος
/ˈklɛːŋkɪnt/, /ˈklɛːɪŋkɪnt/
noun
1. kind van zoon of dochter
εγγόνι
noun
1. het bekrompen en benepen zijn van opvattingen en uitingen
μικρότητα
noun
1. een zoon van iemands kind, een mannelijk kleinkind
εγγονός
noun
1.
αργιλορυχείο
noun
1. verstelbare afsluiting
βαλβίδα
noun
κλεπτοκρατία
noun
1. de onweerstaanbare drang om te stelen
κλεπτομανία
/ˈkleː.rən/
noun
1. kleding of kledingstukken
ρούχο
verb
2. praten, babbelen
ψιλοκουβεντιάζω
noun
πολυλογάς
/kløːr/
noun
1. het onderscheid dat gemaakt wordt op basis van het verschil in golflengte van licht
χρώμα
verb
1. van kleur voorzien met potloden, stiften, wasko etc.
χρωματίζω
adjective
1. zonder kleur
άχρωμος
noun
ξυλομπογιά
adjective
1. vol opvallende kleuren
πολύχρωμος
/ˈkleːvərɪx/
adjective
1. vasthechtend bij aanraking
κολλώδης
noun
κλίκα
noun
2. opgewarmd voedsel dat overgebleven is van een eerdere maaltijd
υπόλοιπα
noun
2. orgaan
αδένας
/ˈklivə(n)/
verb
1. langs een scherp breukvlak in tweeën hakken
σκίζω
noun
1. steile hoge rots
κρημνός
verb
1. een klikkend geluid maken
κλικ
noun
1. de gemiddelde natuurlijke gesteldheid van de lucht en het weer in een gebied op een planeet
κλίμα
noun
1. de verandering van het klimaat in een bepaald gebied over een bepaalde periode, m.n. de wereldwijde opwarming sinds de 19e eeuw
κλιματική αλλαγή
noun
κλιματική ζώνη
verb
1. het bewegen in een omhooggaande richting dan wel over obstakels
ανεβαίνω
/'klɪ.mɔp/
noun
1. Hedera helix, een groenblijvende houtige plant
κισσός
pronoun
1. een kunsttaal die uitgevonden is door Marc Okrand voor Star Trek-films
Κλίγκον
noun
1. een inrichting waar patiënten worden verpleegd
κλινική
/klɪŋk/
noun
  1. 1. handvat om de deur te openen of te sluiten
    λαβή
  2. 2. constructie om een deur gesloten te houden
    μάνταλο
verb
1. een bepaalde klank voortbrengen
ακούγομαι
/ˈklɪŋkər/
noun
1. een klank van de menselijke spraak waarbij geen obstructie in de ademstroom aangebracht wordt.
φωνήεν
noun
1. een metalen verbinding tussen twee platen bestaande uit twee cilidrische delen die van weerszijden,...
πριτσίνι
adverb
1. zo duidelijk dat een misverstand uitgesloten is
καθαρά και ξάστερα
noun
1., 2. plant met kleverige bloemknoppen
κολλητσίδα
noun
  1. 2. een belvormige idiofoon, vooral bekend van kerktorens en carillons
    καμπάνα
  2. 1. een instrument dat de tijd bijhoudt
    ρολόι
/ˈklɔkɦœs/, /ˈklɔkɦœʏs/
noun
1. binnenste van een vrucht
πυρήνας
noun
καμπανούλα
/klɔmp/
noun
1. schoeisel van hout, eventueel in combinatie met leer
ξυλοπάπουτσο
verb
1. een identieke kopie van een levend wezen maken
κλωνοποιούμαι
noun
1. een ten gevolge van erosie, diep uitgesleten rivierdal, met steile wanden
  1. φαράγγι
  2. χάσμα
/klon/
noun
1. een levend wezen dat een exacte genetische kopie is van een ander wezen
κλώνος
/klostər/
noun
  1. 1. een gebouw waarin een kloostergemeenschap gevestigd is
  2. 2. een kloostergemeenschap als zodanig
  1. μοναστήρι
  2. μονή
noun
1. iemand die alleen en in afzondering leeft
ερημίτης
/klyt/
noun
1. bepaald soort watervogel, Recurvirostra avosetta
αβοκέτα
noun
1. tot een bol opgewonden draad
κουβάρι
/ˈknaxdiːr/, /ˈknaɣdiːr/
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Rodentia
τρωκτικό
verb
περιτρώγω
verb
1. met de tanden aanvreten
ροκανίζω
verb
1. een hard geluid of knal geven
χτυπώ
adjective
2. aantrekkelijk
ωραίος
verb
1. een massa soepel maken door er steeds in te knijpen
ζυμώνω
/ˈknɛsɛt/
noun
1.
Κνέσετ
/ˈknøzɪŋ/
noun
1. een onderhuidse beschadiging van het zachte weefsel, veelal veroorzaakt door een bot voorwerp of een val
θλάση
verb
1. binden, boeien
φιμώνω
noun
1. gewricht in het midden van het been dat het bovenbeen met het onderbeen verbindt
γόνατο
noun
1.1. buiging als eerbetoon
γονυκλισία
verb
1. op de knieën gaan
γονατίζω
noun
1. het schijfvormige bot in de knie
επιγονατίδα
noun
1.
τανάλια
noun
1. balletje van glas, marmer, steen, hout of klei
βόλος
verb
  1. 1. met een schaar uitsnijden
  2. 3. (informatica) overnemen van informatie
αποκοπή
noun
1.
κόμπος
noun
1. looksoort Allium sativa met samengevouwen bol
σκόρδο
noun
1. verdikte plantenwortel.
κόνδυλος
noun
γογγύλι
noun
  1. 3. aan een jas e.d.
    1. κουμπί
    2. κουμπι
  2. 2. snelheidsmaat
    1. κόμβος
    2. κόμπος
  3. 1. in een draad
    1. κόμπος
    2. κόμβος
noun
1. spleet die in een stuk stof is gemaakt zodat een ander stuk stof daaraan kan worden vastgemaakt
κουμπότρυπα
verb
1. een vastzittende lus in een koord, draad of touw maken
δένω
noun
1. een Australisch buideldier
κοάλα
noun
1. scheikundig element met symbool Co en atoomnummer 27
κοβάλτιο
adjective
βαθυκύανο
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Araneae
αράχνη
noun
1. vrouwelijk rund
αγελάδα
noun
κέικ
noun
1. een platte pan met een lang handvat
τηγάνι
/[ˈkuc̠͡ç̠jø̜]/
noun
2. klein baksel dat meestal bij de koffie of thee genuttigd wordt
  1. μπισκότο
  2. βούτημα
noun
1.
μπισκοτιέρα
noun
1. bepaald soort vogel, Cuculus canorus
κούκος
noun
klok
ρολόι κούκου
/ˈku:li/
noun
κούλης
noun
1. een huishoudelijk apparaat voorzien van een koelinstallatie,...
ψυγείο
noun
κουμίς
noun
  1. 2. een ruimtelijke figuur, veelvlak
    θόλος
  2. 1. een gewelf in de vorm van een halve bol of een halve ellipsoïde
    1. θόλος
    2. τρούλος
pronoun
1. een taal die door de Koerden gesproken wordt
  1. κουρδικά
  2. Κουρδικά
noun
1. kleine witte reigersoort
γελαδάρης
noun
1. overdekte ruimte waarin koeien kunnen verblijven
βουστάσιο
verb
1. iets geliefds nauw aan het hart houden
αγαπώ
/ˌku.tər.ˈʋaːls/
noun
1. aanduiding voor een onverstaanbare taal
αλαμπουρνέζικα
noun
1. vierwielig rijtuig met vering, vaak gesloten, dat getrokken wordt door paarden
άμαξα
noun
1. iemand die de paarden van een koets ment
αμαξάς
/ˈkuwɛɪ̯t/, /ˈkuʋɛɪ̯t/, /ˈkuβ̞ɛ:t/
pronoun
1. een kleine olierijke monarchie op het Arabische schiereiland in Azië aan de kust van de Perzische Golf
Κουβέιτ
noun
1. draagbare bergruimte van stevig materiaal met een handvat, waarin spullen kunnen worden meegenomen tijdens het reizen
βαλίτσα
noun
1. het gedeelte van een auto waar de bagage in geplaatst wordt
πορτμπαγκάζ
noun
1. drank uit koffiebonen
καφές
noun
1. een uitspanning waar men koffie kan nuttigen
καφενείο
noun
1. een huishoudelijk apparaat waarin koffiebonen kunnen worden gemalen
μύλος καφέ
noun
Καφεόδεντρο
noun
1-2. munitie
βόλι
adjective
1. kogelvrij
αλεξίσφαιρος
noun
  1. μάγειρος
  2. μάγειρας
verb
  1. 1. vloeistof verwarmen totdat er zich in de hele vloeistof bellen vormen die naar boven stijgen en openspringen
    βράζω
  2. 2. met behulp van ingrediënten een maaltijd klaarmaken
    μαγειρεύω
/'kokɔsnot/
noun
1. holle vrucht van de kokospalm met wit vruchtvlees en een vezelige bast
καρύδα
/ˈko.kɔsˌpɑlm/, /ˈko.kɔsˌpɑɫm/
noun
1. een palm die tot 30 m hoog kan worden en 4-6 m lange bladeren heeft
κοκοφοίνικας
noun
1. een zeer klein vogeltje met een zeer snelle vleugelslag van de familie Trochilidae uit de orde der grootvleugeligen
κολιμπρί
noun
κολόνα
noun
1. een hoge militaire rang
συνταγματάρχης
adjective
1. betrekking hebbend op koloniën en het hebben van koloniën
αποικιακός
/'kolonijaˌlismə/
noun
1.
αποικιοκρατία
/koˈloni/
noun
1. een vestiging van een deel van een bevolking, buiten het eigenlijke territorium van dat volk
αποικία
noun
αποικισμός
verb
1. koloniën vormen
αποικίζω
noun
1. iemand die zich in een kolonie heeft gevestigd
άποικος
noun
κολοσσός
adjective
κολοσσιαίος
pronoun
Κολοσσαείς
noun
1. eetgerei zoals een bord, maar dan dieper
μπολ
/koˈmedi/
noun
1. een blijspel
κωμωδία
noun
1. een licht hemellichaam van ijs, gas en stof, zich in een baan ver buiten die van de planeten bewegend, dat bij het naderen van de zon een wolk van gas en gruis in de vorm van een staart ontwikkelt
κομήτης
verb
  1. 1. bewegen van verder weg naar dichterbij
  2. 2. een orgasme hebben
έρχομαι
noun
plant, zaden en specerij
κύμινο
adjective
κωμικός
/kɔm.ˈkɔ.mər/
noun
1. Cucumis sativus, een langwerpige vrucht die men vooral rauw als salade eet
αγγούρι
/ˈkɔma/
noun
1. een leesteken dat een pauze aangeeft
κόμμα
noun
1. instrument waarvan de naald het magnetische noorden aanwijst
πυξίδα
noun
άφιξη
/kɔˈnɛɪn/, /kɔˈnɛːn/
noun
1. zoogdier dat ook gedomesticeerd kan worden gehouden
κουνέλι
/ˈkonɪŋ/, /ˈkoːnɪŋ/
noun
  1. 2. speelkaart waarvan de waarde meestal tussen die van de vrouw en de aas ligt
    βασιλιάς
  2. 1. het mannelijk hoofd van een koninkrijk
    1. βασιλιάς
    2. ρήγας
pronoun
Βασιλείς
/konɪˈŋɣɪn/, /konɪˈŋɪn/, /koʊnɪˈŋɪn/
noun
βασίλισσα
noun
1. een bewuste moord op een koning.
βασιλοκτονία
/ˈkonɪŋklək/
adjective
1. betrekking hebbend op een koning, koningin, aan of bij hem, haar behorend, van hem, haar uitgaand
βασιλικός
/ˈkonɪŋkˌrɛɪ̯k/, /ˈkoːnɪŋkˌrɛɪ̯k/, /ˈkoːnɪŋkˌrɛːk/
noun
1. staatsvorm met een koning aan het hoofd
βασίλειο
noun
1. de billen, het achterwerk
κώλος
noun
1.
κονβόι
/koːɪ/
noun
1. een uit tralies of gaas gemaakt voorwerp dat een ruimte omsluit
κλουβί
noun
boek waaruit men leert koken
τσελεμεντές
noun
κουζίνα
noun
1.
μαγειρική
noun
σημείο βρασμού
noun
  1. 2. een zwarte brandstof die voornamelijk uit koolstof bestaat
    1. κάρβουνο
    2. άνθρακας
  2. 1. een eetbare plant met veel ondersoorten uit de kruisbloemfamilie
    1. λάχανο
    2. κράμβη
noun
1. reukloos gas dat ontstaat bij volledige verbranding van koolstof
διοξείδιο του άνθρακα
noun
1. een bepaald type verbinding van koolstof-, waterstof- en zuurstofatomen
υδατάνθρακας
noun
καλόγερος
noun
γουλί
noun
γογγυλοκράμβη
/ˈkol.stɔf/
noun
2. een chemisch element en een kleurloos niet-metaal
  1. άνθρακας
  2. κάρβουνο
noun
1. verbinding met moleculen van één atoom zuurstof en één atoom koolstof (CO)
μονοξείδιο του άνθρακα
/kol'watərstɔf/
noun
1. een verbinding die uit koolstof en waterstof is opgebouwd
υδρογονάνθρακας
/'kolzyr/
noun
1. H₂CO₃
ανθρακικό οξύ
noun
1. de hoeveelheid goederen of diensten die gekocht kan worden met een bepaald geldbedrag
αγοραστική δύναμη
noun
έμπορος
noun
1. zeeschip voor het vervoer van handelsgoederen
εμπορικό πλοίο
noun
1. een groep mensen die samen zingen
  1. χορός
  2. χορωδία
noun
1. rechte tussen twee cirkelpunten
χορδή
noun
1. (medisch) verhoging van de lichaamstemperatuur
πυρετός
adjective
καθαρός
noun
1. beentje van vinger of teen
φάλαγγα
noun
  1. 1. hoofd van een dier
  2. 2. hoofd van een mens
κεφάλι
noun
1.
κεφαλιά
verb
1. in ruil voor geld iets in bezit krijgen
αγοράζω
pronoun
1.
Κοπεγχάγη
noun
2. scheikundig element met symbool Cu en atoomnummer 29
  1. χαλκός
  2. μπακίρι
  3. bakır
noun
1. een afschrift of andere reproductie van een document of ander voorwerp
αντίγραφο
/kopi<sup>j</sup>'ɪːrə(n)/
verb
1. een duplicaat maken van
αντιγράφω
/ˈkɔplɑmp/
noun
1. een witte of gele lamp aan de voorzijde van een voertuig
προβολέας
noun
1. iemand die probeert mensen van verschillende groepen met elkaar in contact te brengen (met name voor een huwelijk)
προξενητής
noun
  1. 1. een constructie die in een motor of voertuig mechanische krachten op een te onderbreken wijze overbrengt
  2. 3. een verbindingsstuk
συμπλέκτης
noun
1. een streepje om twee of meer woorden een eenheid te laten vormen
ενωτικό
noun
1. een werkwoord dat een eigenschap koppelt aan het onderwerp
συνδετικό ρήμα
noun
1. iemand die tot een stam behoort die aan koppensnellen doet
κρανιοθήρας
/ˈkɔpəx/, /ˈkɔpəç/
adjective
1. vasthoudend aan eigen wil of inzicht
πεισματάρης
noun
1. stel van twee kleine luidsprekers die men tegen of in de oren plaatst
ακουστικό
noun
1. skelet van de koraalpoliep
κοράλλι
pronoun
1. randzee van de Grote Oceaan
Θάλασσα των Κοραλλίων
pronoun
1. (de tekst van) het heilig boek van de islam
Κοράνιο
/koˈre.ja/
pronoun
1. een schiereiland in Oost-Azië
Κορέα
/koreˈjaːns/
pronoun
1. taal die in Korea gesproken wordt
  1. κορεατικά
  2. Κορεατικά
noun
1. een mand van vlechtwerk
καλάθι
noun
1. en 2. (gedroogde) zaden van Coriandrum sativum
κόλιαντρος
/korijɑndərzaːt/
noun
1. gedroogde zaden van Coriandrum sativum
σπέρμα κορίανδρου
pronoun
Κορινθίους
noun
  1. op een bugel gelijkend koperen blaasinstrument
  2. 1. rang van vaandrig bij de cavalerie en de artillerie bij de Koninklijke Landmacht
κορνέτα
noun
κρανιά
noun
1. een enkele zaad van graan
κόκκος
/kɔrst/
noun
1. een harde buitenste laag om iets dat verder relatief zacht is
  1. φλοιός
  2. επίπαγος
noun
λειχήνα
adverb
  1. 1. van geringe duur
  2. 2. van geringe lengte
  1. κοντός
  2. σύντομος
noun
1. verlaging van een te betalen bedrag
έκπτωση
noun
κορούνδιο
noun
1.
κορβέττα
noun
κοσμολογία
noun
κοσμοναύτης
adjective
1. op Kosovo betrekking hebbend
κοσοβάρικος
/ˈkɔsɔˌvo/
pronoun
1. land op het Balkanschiereiland dat volgens Servië een provincie van Servië is, maar dat zichzelf als een onafhankelijke staat beschouwt
  1. Κόσοβο
  2. Κοσσυφοπέδιο
adjective
πολύτιμος
verb
1. als te betalen prijs hebben
  1. κοστίζω
  2. στοιχίζω
noun
1. kerkelijke bediende, die met de zorg van het kerkgebouw, en het vlot verloop van de kerkdiensten belast is
εκκλησάρης
noun
1. iemand die (tegen betaling) bij iemand anders voeding en onderdak ontvangt
τρόφιμος
noun
1. een school waar de leerlingen vijf dagen per week niet alleen les volgen, maar ook maar ook kost en inwoning krijgen
οικοτροφείο
noun
κοστούμι
pronoun
1. internationale kunsttaal ontworpen om cultureel zo neutraal mogelijk te zijn
κοτάβα
/kotəˈlɛt/
noun
1. een stuk vlees van een varken, kalf of lam
παϊδάκι
noun
κότερο
/kʌʊt/
adverb
1. niet warm, fris, kil, koel
κρύος
/ˈkɑu̯də/
noun
1. het koud zijn
  1. κρύο
  2. ψύξη
  3. ψύχος
/kaʊ̯s/, /kɔʊ̯s/, /kʌʊ̯s/
noun
1. een aansluitend, meer of minder elastisch kledingstuk dat de voet en (een deel van) het been bedekt
κάλτσα
noun
1. lid van een hoofdzakelijk Slavisch ruitervolk
Κοζάκος
noun
1. zoon van oom of tante
ξάδερφος
/kraɪ̯/, /kraːɪ̯/
noun
1.1 bepaald soort zwarte vogel, Corvus corone
  1. κουρούνα
  2. καρακάξα
/ˈkraɪ̯.jə/, /ˈkraː.jə/
verb
1. het voor de haan kenmerkende geluid voortbrengen
κράζω
noun
  1. 1. nest van een kraai
  2. 2. uitkijkplaats in de mast van een schip
παρατηρητήριο
/ˈkrakben/
noun
1. een speciale vorm van bindweefsel met een elastisch karakter als gevolg van eigenschappen van de extracellulaire matrix
χόνδρος
noun
  1. 3. mechanisme waarmee de stroming van vloeistof of gas geregeld kan worden
    βρύση
    1. 4. werktuig om voorwerpen in de hoogte te verplaatsen
    2. 2. iemand die op een bepaald gebied uitblinkt
    γερανός
noun
1. bepaald soort grote vogel, Grus grus
γερανός
noun
1. kreeftachtige die leeft in de nabijheid van water
καβούρι
noun
1.
ονυχοδρόμιο
noun
1. vermogen om iets te verrichten
  1. δύναμη
  2. ισχύς
pronoun
1. na Warschau en Łódź de op twee na grootste stad van Polen
Κρακοβία
noun
1. een toestand van onwillekeurige en aanhoudende samentrekking van een spier
κράμπα
noun
1. twee uit de aorta ontspringende slagaders die de hartspier van bloed voorzien
στεφανιαία αρτηρία
noun
1. klassiek massamedium, gedrukt op papier en gericht op het verspreiden van nieuws
εφημερίδα
noun
1. een lot waarbij men direct weet of men wel of niet gewonnen heeft als men een beschermfolie wegkrast
ξυστό
noun
κρατήρας
pronoun
2. teken van de dierenriem van 21 juni tot 23 juli
Καρκίνος
/kreːft/
noun
1. zeekreeft, hommer
αστακός
noun
1. de hoogste breedtegraad van ca. 23,5 ° noorderbreedte waarboven de zon bij zonnestilstand in het zenit staat
Τροπικός του Καρκίνου
noun
1. Gryllidae
  1. γρύλος
  2. τριζόνι
pronoun
Κρεμλίνο
noun
1. druif
κορινθιακή σταφίδα
pronoun
1. bij Griekenland behorend eiland in de Egeïsche Zee
Κρήτη
verb
2. gekreukt raken
ζαρώνω
noun
1. voederbak
παχνί
/ˈkrɛɪ.ɣə(n)/
verb
1. verwerven, ontvangen
παίρνω
noun
1. iemand die zich toelegt op het voeren van oorlog, met name tussen stammen
μαχητής
noun
Πολέμαρχος
noun
1. een handeling die erop gericht is om door list en bedrog de vijand te misleiden, zoals het verspreiden van valse geruchten
στρατήγημα
noun
1. een olifant die vroeger tijdens op het land uitgevochten oorlogen werd ingezet als strijddier
πολεμικός ελέφαντας
verb
1. luidkeels schreeuwend een hoog geluid voortbrengen
κραυγάζω οξέως
noun
  1. 1. wit mineraal dat uit calciumcarbonaat bestaat
  2. 2. schrijfmateriaal uit dat materiaal vervaardigd
κιμωλία
/krɪm/
pronoun
een schiereiland aan de noordkust van de Zwarte Zee
Κριμαία
pronoun
1. een van de Turkse talen, gesproken door ongeveer een half miljoen mensen, oorspronkelijk van de Krim afkomstig, maar door een deportatie in 1944, nu vooral in Oezbekistan en Kirgizië, maar ook in Moldavië, Roemenië en Turkije gesproken
Κριμαϊκή Ταταρική γλώσσα
noun
1. een ronde figuur zoals een cirkel
κύκλος
noun
1. een hoeveelheid ordelijk gerangschikte atomen of moleculen in vaste vorm
  1. κρύσταλλο
  2. κρύσταλλος
/krɪsta'lɛɪn/
adjective
1. een inwendige structuur bezittend die zichzelf eindeloos herhaalt
κρυσταλλικός
noun
1. kristalvorming
κρυστάλλωση
noun
κρυσταλλογραφία
adjective
1. leer der kristallen
κρυσταλλογραφικός
noun
  1. 1. uitingen waarmee bepaald gedrag, een bepaalde zienswijze e.d. van anderen worden veroordeeld of in twijfel getrokken
  2. 2. een document dat kunstzinnig commentaar levert op een optreden, tentoonstelling, boek , film of andere kunstuiting
κριτική
adjective
  1. 1. ernaar geneigd vraagtekens te plaatsen achter iets
  2. 2. onder zulke omstandigheden dat er meer neutronen geproduceerd dan geabsorbeerd worden, waardoor een nucleaire kettingreactie op gang kan komen
επικριτικός
/kroˈwatis/, /kroˈwaːtɪs/
pronoun
1. een taal die vooral in Kroatië gesproken wordt
  1. κροατικά
  2. κροατικός
/kroˈwatsi.jə/, /kroˈwaːsi.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Europa ten zuiden van Hongarije
Κροατία
/krux/
noun
1. publieke drinkgelegenheid
παμπ
/krokoˈdɪl/
noun
1. een groot, in het water levend reptiel dat behoort tot de familie der Crocodylidae
κροκόδειλος
noun
1. irisachtige lentebloem
κρόκος
verb
1. iemand tot koning of koningin maken door hem of haar in een ceremonie een kroon op het hoofd te zetten
στέφω
noun
χρονικό
noun
Παραλειπομένων
/ˈkronɪŋ/
noun
ceremonie
στέψη
noun
1. hoofddeksel dat door een vorst gedragen wordt
  1. κορώνα
  2. στέμμα
noun
1. en 2. (bladeren van) éénjarige plant Cichorium endiva var. latifolia
αντίδι πλατύφυλλο
/krœʏ̯t/, /krœːd/, /krœːt/
noun
χόρτο
verb
1. specerij bij een gerecht doen
καρυκεύω
noun
  1. 1. winkelier in levensmiddelen
    μπακάλης
  2. 2. winkel met levensmiddelen
    μπακάλικο
noun
1. specerij van de kruidnagelboom
γαρύφαλλο
/krœyjər/
noun
1. iemand die bagage vervoert op o.a. stations en vliegvelden
αχθοφόρος
noun
κάνθαρος
/ˈkrœy.məl/
noun
τρίμμα
/'krʌʏ.pə(n)/
verb
έρπω
noun
  1. 1. geometrisch figuur
  2. 4. symbool
σταυρός
noun
1. kleine vinkachtige zangvogel
σταυρομύτης
noun
1. Ribes uva-crispa
λαγοκέρασο
/ˈkrœʏsər/
noun
1. een oorlogsschip dat hoge snelheden kan halen
καταδρομικό
verb
1. een vorm van executeren: aan het kruis hangen tot de dood erop volgt
σταυρώνω
noun
1. een plaats waar twee of meer wegen elkaar kruisen
σταυροδρόμι
noun
1. ondernemingen van de westerse christenen tussen 1095 en 1271 in Palestina
σταυροφορία
noun
1.
σταυροφόρος
/krœʏ̯sˈvɔr.məχ/, /krœːsˈvɔr.məx/
adjective
1. de vorm van een kruis hebbend
σταυροειδής
noun
σταυρόλεξο
noun
1. kruiswoordpuzzel
σταυρόλεξο
noun
1. een eenwielige kar met twee lange handgrepen voor het transport van zware, meestal losse lading
καροτσάκι
noun
  1. 4. dwarsstaafje dat als handgreep dient
    αξονίσκος
  2. 2. hulpmiddel bij het lopen
    δεκανίκι
/ˈkrʏl.spɛlt/
noun
1. hulpmiddel waarom je een haarlok kunt wikkelen om krullen te maken in stijlhaar
μπικουτί
noun
1. scheikundig element met symbool Kr en atoomnummer 36
κρυπτό
noun
1. 20-eeuwse stroming binnen de beeldende kunst waarin de werkelijkheid op een sterk vereenvoudigde manier wordt weergegeven
κυβισμός
noun
1. een regelmatig zesvlakkig lichaam, begrensd door zes gelijke vierkanten
κύβος
/'kɵdə/
noun
1. een groep samenlevende (zoog)dieren
αγέλη
/ˈkœʏ̯kə(n)/, /ˈkœːkə(n)/
noun
donzig jong vogeltje
  1. κοτοπουλάκι
  2. νεοσσός
adjective
αγνός
noun
  1. 2. visseneitjes
    αυγοτάραχα
  2. 1. deel van het been
    γάμπα
noun
1. het achterste van beide botten in het onderbeen van de mens
περόνη
/kykələky/
interjection
1. het geluid van een haan
  1. κουκουρίκου
  2. κικιρίκου
noun
1. en 2. (citrusvrucht van) plant Citrus japonica
κουμκουάτ
verb
1. in staat zijn om, het vermogen hebben om
μπορώ
noun
1. toepassing van opvallende vaardigheid en verbeelding om iets moois of betekenisvols te scheppen
  1. τέχνη
  2. επιτηδειότητα
noun
1. iemand die zijn creatieve talenten gebruikt om kunst te maken
καλλιτέχνης
noun
1. iemand die voor zijn beroep kunst koopt en verkoopt
έμπορος τέχνης
adjective
1. door menselijk, moedwillig ingrijpen tot stand gekomen
τεχνητός
noun
1. een combinatie van chemische stoffen die aan de aarde wordt toegevoegd ter bemesting daarvan
λίπασμα
noun
1. sport waarbij individuelen, paren en groepen schaatsers rotaties, sprongen en andere bewegingen op het ijs maken, die vaak met muziek wordt uitgevoerd
καλλιτεχνική παγοδρομία
noun
1. een schilder van kunstwerken
ζωγράφος
/ˈkʏns.tal/, /ˈkʏns.taɫ/
noun
1. een artificiële of geconstrueerde taal is een taal waarvan de structuur, vocabulair en grammatica speciaal ontworpen is door een individu of een kleine groep, inplaats van op een natuurlijke wijze geëvolueerd in een cultuur
τεχνητή γλώσσα
/kʌnstwɛrk/
noun
1. resultaat van een inspanning om iets te maken dat bijzonder mooi of indringend is
έργο τέχνης
/kʏrk/
noun
  1. 1. afdichting voor flessen, gemaakt uit de veerkrachtige schors van een bepaalde boomsoort, Quercus suber
  2. 1. licht, poreus materiaal, afkomstig van de kurkeik
φελλός
noun
1. een werktuig om flessen te ontkurken
τιρμπουσόν
noun
plant en specerij
κουρκουμάς
noun
1. het de lippen ergens tegenaandrukken om affectie uit te drukken
φιλί
noun
1. een met zacht materiaal gevulde zak, dienende om het (slaap)comfort van de gebruiker te verbeteren
μαξιλάρι
verb
1. een kus geven
φιλώ
noun
1.
μαξιλαροπόλεμος
/'kɵst/
noun
1. de waterkant langs de zee
  1. ακτή
  2. παραλία
/kɵt/
noun
vrouwelijk schaamdeel
μουνί
/ˈkɵtwɛɪf/
noun
1.
μαλακισμένη
adjective
1. schade aanrichtend
κακοήθης
noun
1. het innerlijk slecht zijn
εμπάθεια
/kʋɑp/
noun
2. een gedeelte van lever, longen of hersenen
λοβός
noun
1. langwerpige, op de bodem levende zoetwatervis, Lota lota
λότα η ποταμία
/kʋɑk/
noun
2. bepaalde reigersoort, Nycticorax nycticorax
νυχτοκόρακας
verb
1. witter
κοάζω
/kʋɑl/
noun
1. vrijzwemmend, voornamelijk in zee levend ongewerveld dier met een geleiachtig lichaam in de vorm van een klok of paraplu
  1. μέδουσα
  2. τσούχτρα
/kvalitɑ'tif/
adjective
1. naar de hoedanigheid, betreffende de kwaliteit
ποιοτικός
noun
  1. 1. een peil van uitmuntendheid
  2. 2. eigenschap
ποιότητα
adjective
1. met betrekking tot de hoeveelheid
ποσοτικός
noun
ποσότητα
noun
1. de kleinste natuurlijke eenheid die in onze kosmos voorkomt
κβάντο
noun
κβαντικός υπολογιστής
noun
getal dat in de kwantummechanica wordt gebruikt voor het beschrijven van de eigenschappen van bepaalde deeltjes
κβαντικός αριθμός
noun
1. studie en beschrijving van het gedrag van de kleinste deeltjes
κβαντομηχανική
noun
een theoretisch kader voor de constructie van kwantummechanische modellen van veld-achtige systemen of, equivalent, veeldeeltjessystemen
κβαντική θεωρία πεδίου
noun
κβαντική διεμπλοκή
noun
1. een vierde deel
τέταρτο
noun
een kwart van een kalenderjaar
τρίμηνο
noun
1. Coturnix coturnix, vederwild en hoendervogel
ορτύκι
noun
1. bepaald soort vogel, Crex crex
ορτυκομάνα
noun
1. (in een toernooi) een van de vier wedstrijden waarin gestreden wordt voor een plaats in de halve finale(s)
προημιτελικός
noun
1.
τέταρτο
noun
een vorm van siliciumdioxide
χαλαζίας
/kʋɑst/
noun
5. Limonade
λεμονάδα
/ˈkwe.peːr/, /ˈkʋe.pɪːr/, /ˈkβ̞e.peːr/
noun
1. een peervormige vrucht van de Cydonia oblonga
  1. κυδωνιά
  2. κυδώνι
verb
1. het doorsijpelen van water onder een dijklichaam door
φουσκώνω
adjective
1. weinig beschermd tegen beschadiging
ευάλωτος
noun
ευπάθεια
verb
  1. 1. beschadigen, schaden
  2. 2. beledigen, schofferen
τραυματίζω
/kʋɛi̯t/
adjective
kwijt zijn
χαμένος
noun
1. een scheikundig element en zilverwit overgangsmetaal met symbool Hg en atoomnummer 80
υδράργυρος
noun
1. benaming voor vogels uit de geslachten Motacilla en Dendronanthus
σουσουράδα
noun
1. een metaal dat vloeibaar is bij kamertemperatuur
υδράργυρος
noun
1. een pot bestemd voor het opvangen van sputum
πτυελοδοχείο
verb
1. druk met de staart zwaaien.
κουνώ
pronoun
1. de hoofdstad van Oekraïne
Κίεβο
noun
1. muzieknoot
λα
pronoun
Λα Μάντσα
pronoun
Λα Ριόχα
/lax/
adjective
  1. 5. gemeen
    ποταπός
    1. 1. niet ver boven iets anders zijn
    2. 2. niet vergevorderd zijn in een rangorde of volgorde
    3. 3. geluid met een klein aantal trillingen per tijdseenheid
    4. 4. met een beperkt aanzien
    χαμηλός
/lax/
noun
1. iets dat zich in twee richtingen uitstrekt maar in de derde een beperkte dikte heeft
στρώμα
noun
1. weg die aan beide kanten wordt geflankeerd door bomen
λεωφόρος
noun
1. een schoen met een hoge schacht die een deel van het been bedekt
μπότα
adjective
2. 's avonds, 's nachts
αργά
adjective
1. overtreffende trap van laat
τελευταίος
adjective
χειλικός
noun
1. met de lippen gevormde medeklinker, lipklank
χειλικός
noun
1. ruimte voor wetenschappelijk onderzoek
εργαστήριο
noun
1. een stelsel van paden of dwaalwegen, zodanig aangelegd dat men daarin moeilijk de weg kan vinden
λαβύρινθος
/lɑx/, /lɑχ/
noun
1. een vrolijkheidsuiting door middel van het optrekken van de mondhoeken en vaak...
γέλιο
verb
1. zichtbaar en/of hoorbaar blij zijn met iets of iets grappig vinden
γελώ
adjective
λακωνικός
noun
is een suiker die o.a. in melk voorkomt
λακτόζη
noun
1. iets dat ontbreekt
κενό
noun
1. houten of metalen voorwerp met treden om makkelijk op hoger gelegen plaatsen te komen
σκάλα
noun
1. uitschuifbare bergplaats
συρτάρι
/ˈlaːdə(n)/
verb
1. van een lading voorzien
γεμίζω
noun
    1. 1. goederen die vervoerd worden
    2. 2. een grote hoeveelheid
    φορτίο
  1. 3. opeengehoopte elektriciteit
    φόρτιση
/lɑf/
adjective
1. een gebrek aan moed tonend
φοβιτσιάρης
/ˈlɑfɦɛit/
noun
1. de neiging keuzes te maken die van weinig moed getuigen
δειλία
noun
1. ondiep meer
  1. λιμνοθάλασσα
  2. δεξαμενή
/ˈlakə(n)/
noun
2. een rechthoekig stuk stof dat ter bedekking dient, m.n. bij het slapen
σεντόνι
noun
ηλιοτρόπιο
noun
1. jong van het schaap
αρνί
noun
1. soort Zuid-Amerikaans eeltpotig zoogdier Lama glama
λάμα
noun
1. in het water levende zoogdieren uit het geslacht Trichechus
μανάτος
/lɑmp/
noun
1. een voorwerp gemaakt om licht te geven
λάμπα
noun
1. kap over een lamp om het licht af te schermen
αμπαζούρ
noun
1. een kan met waswater, vaak samen met een ondiepe teil, de waskom, bedoeld om zich in de morgen...
λαγήνι
noun
1. een dubbelsnedig operatiemes
αμφίστομο νυστέρι
noun
    1. 1. gedeelte van het aardoppervlak dat boven water uitsteekt
    2. 2. dat deel van de aardbodem dat geschikt is voor bebouwing...
    1. γη
    2. ξηρά
  1. 5. het eigen land, het land waar men geboren is
    πατρίδα
    1. 3. een geografisch gebied aan één bepaald gezag onderworpen
    2. 4. niet verstedelijkt gebied
    χώρα
/ˈlɑntbɑuw/
noun
1. het cultiveren van land voor de voortbrengst van voedsel en andere nuttige producten
γεωργία
noun
1.
χερσαία γέφυρα
adjective
2. met betrekking tot minder bevolkte, niet-stedelijke gebieden
αγροτικός
verb
1. vanuit de zee, de lucht of de ruimte voet op vaste bodem zetten
προσγειώνομαι
noun
1. iemand uit hetzelfde land
συμπατριώτης
noun
2. vlucht van vliegtuigen...
προσγείωση
noun
1. een abstracte weergave van (een stuk van) de aarde
χάρτης
noun
τοπίο
noun
1. smalle strook land die zich in zee of meer uitstrekt
ακρωτήριο
adjective
1. van grote duur
μακρύς
noun
1.
αστακός
noun
1. benaming voor muggen met opvallend lange broze poten, die de familie Tipulidae vormen
σιλφίδες
preposition
1. terzijde van, evenwijdig aan
κατά μήκος
/lɑŋskomə(n)/
verb
2. langsgaan, op bezoek komen
έρχομαι
/ˈlɑŋzam/
adjective
1. met weinig snelheid
αργός
noun
1. een lang steekwapen met een metalen punt
λόγχη
noun
1. Chemisch element
λανδάνιο
noun
λανθανιδών
noun
1. Chemisch element
λανθάνιο
/ˈla.ɔs/
pronoun
1. een land in Azië grenzend aan Myanmar, China, Vietnam, Cambodja en Thailand
Λάος
noun
1. een stuk van iets
μπάλωμα
noun
1. met een kijkbuis in de buikholte kijken en opereren
λαπαροσκοπία
pronoun
Λαπωνία
noun
1. kleine draagbare computer
φορητός υπολογιστής
noun
1. benaming voor naaldbomen uit het geslacht Larix
λάρικας
noun
1. jeugdstadium van de meeste insecten en veel amfibieën
προνύμφη
noun
1. lichtbron die uiterst intense lichtstraal van één kleur uitzendt
λέιζερ
verb
1. door plaatselijke sterke verhitting van de voeg twee metalen voorwerpen met elkaar verbinden
συγκολλώ
noun
1. een gedomesticeerd dier dat men gebruikt om vracht te vervoeren
υποζύγιο
noun
1. onterechte beweringen die iemand in een kwaad daglicht stellen
συκοφαντία
noun
2. gever van een lastgeving
εντολέας
noun
1. latei
ανώφλι
verb
  1. 3. niet doen
  2. 4. niets veranderen
  3. 5. vertrekken
  4. 6. aansporing
  5. 2. toestaan
αφήνω
adjective
1. sluimerend
λανθάνων
/ˈlaː.tər/
adjective
έπειτα
/'la.tɛks/
noun
κόμμι
pronoun
1. taal van de Romeinen in de oudheid, die later in gebruik bleef in religie en wetenschap
λατινικά
pronoun
Λατινική Αμερική
noun
1. de reeks lettertekens oorspronkelijk gebruikt om teksten in het Latijn te schrijven en tegenwoordig met aanpassingen voor veel talen gebruikt
λατινικό αλφάβητο
noun
boom en kruid
δάφνη
noun
2. (gedroogde) bladeren van Laurus nobilis
δάφνη
pronoun
1.
Λωζάνη
/laʊ̯/, /lʌʊ̯/, /lʌː/
adjective
1. een temperatuuraanduiding die tussen warm en koud ligt
χλιαρός
noun
1. vloeibaar gesteente dat uit een vulkaan tevoorschijn komt
λάβα
noun
1. bepaald kruid, Levisticum officinale, dat zowel in de keuken als in de geneeskunde gebruikt wordt
λεβιστικό
noun
1. Lavandula, een struik uit de lipbloemenfamilie Lamiaceae
λεβάντα
verb
1-2 bij tegenwind zigzagsgewijs opzeilen
λοξοδρομώ
/la'ʋaj/
noun
1. luid en storend geluid
θόρυβος
/la'ʋinə/
noun
1. een sneeuwverschuiving op een berghelling
κατολίσθηση
noun
1. Chemisch element
  1. λωρέντσιο
  2. λωρένσιο
noun
καθαρτικό
noun
1. fosfatidylcholine, een fosfolipide die de hoofdmoot uitmaakt van een fosfatidefractie die uit eidooier
λεκιθίνη
noun
λέκτορας
/ˈledəmat/
noun
1. een aan de romp aanhangend onderdeel van het lichaam dat door spieren bewogen kan worden...
άκρο
noun
1. het genoegen scheppen in het leed van een ander
χαιρεκακία
noun
1. de tijd dat iemand leeft of geleefd heeft, het totaal aantal levensjaren
ηλικία
/lex/
adjective
1. zonder inhoud
  1. άδειος
  2. κενός
/lek/
noun
1. iemand die niet deskundig is op een bepaald gebied
ερασιτέχνης
/lem/, /leɪm/
noun
1. kleihoudende grondsoort
λάσπη
/len/
noun
1. leengoed; vastgoed dat door de heer aan zijn vazal ten gebruike werd afgestaan
φέουδο
/ˈlenvərˌtalɪŋ/
noun
1. woord dat aan een vreemde taal is ontleend in letterlijke vertaling en analoge constructie
μεταφραστικό δάνειο
/ˈlenʋɔːrt/
noun
1. een woord dat door een taal aan een andere taal ontleend is
δάνειο
noun
1. stof vervaardigd door het looien van een dierenhuid
δέρμα
noun
1. een boek bedoeld om er iets uit te leren
  1. εγχειρίδιο
  2. βιβλίο
  3. διδακτικό βιβλίο
adjective
1.
μελετηρός
noun
1.
μαθητευόμενος
noun
1. iemand die onderwijs volgt
μαθήτρια
noun
1. stoornis bij het leren
μαθησιακές δυσκολίες
adjective
αναγνώσιμος
/lest/
noun
1. schoenvorm
καλαπόδι
noun
1. conventioneel symbool in interpunctie
σημείο στίξης
pronoun
2. teken van de dierenriem van 23 juli tot 23 augustus
Λέων
noun
1. Panthera leo een groot katachtig roofdier met lange manen
λιοντάρι
noun
1. plant van het geslacht Antirrhinum waarvan de bloem lijkt op de muil van een leeuw
σκυλάκι
noun
μερίδα του λέοντος
noun
κορυδαλλός
noun
1. vrouwtje van de leeuw
λιονταρίνα
adjective
branie, moed
άντερα
adjective
1. wettig, rechtmatig
νόμιμος
noun
1. testamentaire beschikking
κληροδοσία
noun
1. de uitleg over de gebruikte symbolen
επεξήγηση
/ˈleːɣər/, /ˈleːχər/
noun
1. een militaire strijdmacht
  1. στρατός
  2. στράτευμα
noun
1. Metaalverbinding van twee of meer elementen
κράμα
noun
λεγεώνα
/ˌleɣyˈwan/
noun
1. hagedis
ιγκουάνα
noun
3. daklei
πλακίδιο
pronoun
Λέιντεν
noun
νερό της βρύσης
noun
Καθοδηγητικό μοτίβο
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Λειψία
noun
1. opening waardoor een vloeistof of een gas in of uit kan
διαρροή
noun
διαρροή
verb
1. vloeistof laten ontsnappen
διαρρέω
adjective
1. aangenaam van smaak
νόστιμος
noun
κρίνο
/ˈleːlək/
adjective
1. onprettig om naar te kijken, niet mooi
άσχημος
noun
3. een hulpstelling waarvan de juistheid in afwachting van nader bewijs wordt aangenomen
λήμμα
noun
1. laagste deel van de rug voor het kruis
λαγόνες
verb
  1. 1. iets wat eigendom is van een ander tijdelijk gebruiken, al dan niet in ruil voor een kleine vergoeding
    δανείζομαι
  2. 2. iets aan iemand anders te leen geven
    δανείζω
noun
  1. 1. ontlener, leningnemer
    δανειολήπτης
  2. 2. uitlener, leninggever
    δανειστής
/ˈlɛŋktə/
noun
  1. 1. afmeting van een voorwerp
  2. 2. tijdsduur
μήκος
noun
γεωγραφικό μήκος
noun
δάνειο
noun
λενινισμός
noun
  1. 1. een geslepen stuk transparant materiaal dat lichtstralen breekt
  2. 2. een stelsel van lenzen of lensdelen dat op een camera zit zodat er een scherp beeld op de film of CCD wordt geprojecteerd
  3. 3. een zeer kleine glazen of kunststof lens die men direct op de oogbol plaatst ter vervanging van een bril
φακός
noun
1. seizoen
άνοιξη
pronoun
. spelwoord voor de letter l
Λέων
/ˈlepəɫ/
noun
1. een voorwerp bestaande uit een greep en een kom(metje), waarmee vloeibaar voedsel wordt gegeten
  1. κουτάλι
  2. χουλιάρι
noun
1. een steltloper ter grootte van een ooievaar met een lepelvormige snavel
Χουλιαρομύτα
noun
λέπρα
/ˈleːraˑr/
noun
1. iemand die lesgeeft
δάσκαλος
noun
δασκάλα
/ˈleːrə/, /ˈlɪːrə/
verb
  1. 2. kennis of vaardigheid doen verwerven
    1. διδάσκω
    2. μαθαίνω
  2. 1. kennis of vaardigheid verwerven
    μαθαίνω
/lɛs/
noun
1. onderricht gedurende een korte tijd
μάθημα
/le.'sɔ.to/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel het Koninkrijk Lesotho
  1. Λεσόθο
  2. Λεσότο
/ˈlɛsə(n)/
verb
1. met vocht de dorst beëindigen
ξεδιψώ
/lɛt/
noun
1. een inwoner van Letland, of iemand afkomstig uit Letland
Λετονός
noun
  1. 1. een toestand van geestelijke ongevoeligheid
  2. 2.
λήθαργος
/ˈlɛtlɑnd/, /ˈlɛtlɑnt/
pronoun
1. een Europees land aan de Oostzee
Λεττονία
/lɛts/
pronoun
1. de officiële taal van Letland
λεττονικά
noun
1. een teken om in geschreven taal een klank van de gesproken taal weer te geven
γράμμα
/ˈlɛtərˌxrep/, /ˈlɛtərˌɣrep/
noun
1. elk van de groepen waarin een woord kan worden verdeeld
συλλαβή
/'lɛtərzɛtər/
noun
1. tekstopmaker
στοιχειοθέτης
/ˈløːɣən/, /ˈlʏːχən/
noun
1. mededeling die niet waar is, met de bedoeling om anderen te misleiden
ψέμα
noun
1. iemand die bewust dingen zegt die niet waar zijn
ψεύτης
noun
1. bloedkanker
λευχαιμία
/ˈløːˌvə(n)/
pronoun
1. de provinciehoofdstad van Vlaams-Brabant in België
Λέουβεν
/'levən/
noun
  1. 1. een voortbestaan van organismen, gericht op groei en/of vermenigvuldiging
  2. 2. de tijdsspanne die men levend doorbrengt
  1. ζωή
  2. βίος
/'levən/
verb
1. het doormaken van het leven
ζω
adjective
ζωντανός
adjective
1. tot de dood durend
ισόβιος
noun
τρόπος ζωής
noun
1. een bruinkleurig orgaan dat gal produceert
  1. ήπαρ
  2. συκώτι
noun
προμηθευτής
noun
μουρουνέλαιο
/leˈvijatɑn/
noun
1. reusachtige waterslang
λεβιάθαν
pronoun
Λευϊτικό
noun
λέξημα
verb
1. zien en interpreteren van geschreven tekst
διαβάζω
noun
1. iemand die (een bepaald geschrift) leest
αναγνώστης
/ˈli.ba.nɔn/, /ˈli.bɑ.nɔn/
pronoun
land in het Midden-Oosten, grenzend met Israël en Syrië, officieel de Libanese Republiek
Λίβανος
/li.ˈbɛl/, /li.ˈbɛɫ/
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Odonata
λιβελλούλη
/libəˈral/
adjective
φιλελεύθερος
noun
φιλελευθερισμός
/li.'beː.ri.ja/, /li.'bɪː.ri.ja/
pronoun
land in West-Afrika, officieel de Republiek Liberia
Λιβερία
/'libido/
noun
1. geslachtsdrift
λίμπιντο
/ˈli.bi.jə/
pronoun
1. een land in Noord-Afrika, officieel de Staat Libië
Λιβύη
noun
1.de gangbare benaming voor het tekstboekje van een opera, operette, ballet of musical
λιμπρέτο
noun
  1. 1. een geheel van botten, vlees en organen van een mens of dier
  2. 3. een hoeveelheid materie met een bepaalde vorm
  1. σώμα
  2. κορμί
/ˈlɪxamsbəˌweɣɪŋ/
noun
1. bezigheden die bijdragen aan de lichamelijke fitheid
γυμναστική
noun
αορτή
adjective
  1. 1. helder van kleur
    1. ανοιχτός
    2. αχνός
  2. 2. van een gewicht
    1. ελαφρύς
    2. ελαφρός
noun
  1. 1. Elektromagnetische golven
  2. 2. lichtbron
φως
noun
1. de afstand die het licht in één jaar aflegt, ongeveer 9460 miljard kilometer
έτος φωτός
noun
1. de snelheid waarmee het licht zich voortplant in het luchtledige (ongeveer 299792 km/s)
ταχύτητα του φωτός
noun
φωτορύπανση
noun
1. iemand die behoort tot een groep, organisatie of sekte
μέλος
noun
1. de status van iemand als lid van een organisatie
ιδιότητα του μέλους
noun
1. een staat die toegetreden is tot een inter- of supranationale organisatie
κράτος μέλος
noun
άρθρο
/ˈlixtə(n)ˌstɛɪ̯n/, /ˌlixtə(n)ˈstɛːn/, /ˌliχtə(n)ˈstɛɪ̯n/
pronoun
1. een klein land in Europa gelegen tussen Zwitserland en Oostenrijk
  1. Λιχτενστάιν
  2. Λίχτενσταϊν
noun
1. muzikale vorm waarin tekst op muziek wordt verklankt
τραγούδι
noun
1.het geven van hulp
αγαθοεργία
noun
1. uiting of gevoel van grote genegenheid en/of het zich aangetrokken voelen
  1. αγάπη
  2. έρωτας
noun
1. brief waarin men zijn liefde betuigt
ερωτικό γράμμα
verb
1. liefde voelen tot iemand of iets
αγαπώ
verb
θωπεύω
verb
1. met opzet feiten vertellen die niet de waarheid zijn maar wel als dusdanig worden gepresenteerd
ψεύδομαι
/lir/
noun
1. een Grieks snaarinstrument
λύρα
noun
1. anatomie
βουβώνας
noun
1. benaming voor kevertje van de familie Coccinellidae
πασχαλίτσα
noun
1. een verticaal transportsysteem voor goederen en mensen
  1. ασανσέρ
  2. ανελκυστήρας
noun
έπαθλο
noun
1. bindweefselband
σύνδεσμος
verb
1. zich horizontaal in toestand van rust gelegd hebben
κείτομαι
/lɪχ.ˈni.nə/
noun
1. een aromatische verbinding die door nagenoeg alle planten wordt gemaakt en die de plant stevigheid geeft
λιγνίνη
noun
1. een stoel waarin men gemakkelijk kan liggen
ανάκλιντρο
pronoun
Λιγουρία
noun
1. olijfachtige heester veel gebruikt voor het maken van heggen
λιγούστρο
verb
1. smart en ellende ondergaan
υποφέρω
noun
1. het stelsel vormen van een werkwoord dat aangeeft dat het onderwerp...
παθητική φωνή
/lɛi̯f/
noun
1. lichaam
κορμί
noun
1. een straf waarbij iemand lijfelijk pijn gedaan wordt
σωματική ποινή
/ˈlɛɪfʋɑxt/
noun
  1. 2. een lid van een lijfwacht
  2. 1. de wacht die met de bewaking van een vorst of aanzienlijk persoon belast is
σωματοφύλακας
noun
1. dood lichaam
πτώμα
/ˈlɛi.kə(n)/
verb
  1. 2. naar aanschijn zijn
  2. 1. uitzien als
φαίνομαι
/ˈlɛɪkxeˌʋat/
noun
1. de kleding waarin een overledene begraven wordt
σάβανο
/ˈlɛɪ̯.kɪs/, /ˈlɛɪ̯k.kɪst/, /ˈlɛːk.kɪst/
noun
1. de kist waarin een overledene ter aarde besteld wordt
φέρετρο
noun
1. textiel waarin een overledene begraven wordt
σάβανο
noun
1. een voortuig ingericht om een stoffelijk overschot te vervoeren
νεκροφόρα
noun
1. plakmiddel
κόλλα
verb
1. twee of meer delen aan elkaar bevestigen met behulp van een kleefstof
κολλάω
/lɛi̯n/
noun
    1. 1. een streep
    2. 2.
    γραμμή
  1. 11. een band, riem om een huisdier in te tomen
    λουρί
/ˈlɛɪnzat/
noun
1.
λιναρόσπορο
/lɛist/
noun
1. een opsomming van zaken die onder elkaar staan
  1. κατάλογος
  2. λίστα
noun
1. benaming voor zangvogels uit de familie Turdidae
τσίχλα
noun
1. geslacht van loofbomen, Sorbus
Σόρβον
noun
αγαπημένο
verb
βάζω λάικ
noun
1. een drank bereid met gestookte alcohol, aangevuld met smaakstoffen en veelal ook suiker
ηδύποτο
verb
1. met de tong aanraken
γλείφω
noun
1. lichte tint van paars
λιλά
noun
1. en 2. (zaden van) plant Phaseolus lunatus
φασόλι της Lima
/ˈlɪm.bʏrx/, /ˈlɪm.bʏrχ/
pronoun
1. provincie in het zuidoosten van Nederland
Λιμβουργία
/ˈlɪm.bʏrxs/, /ˈlɪm.bʏrχs/
pronoun
1. verzamelnaam van een reeks variëteiten van de Germaanse taalfamilie
λιμβουργιανά
noun
1. Een citrusvrucht
  1. μοσχολέμονο
  2. λάιμ
noun
1. een drank die vervaardigd is van citroensap, suiker en water
λεμονάδα
/ˈlɪndə/
noun
loofboom
  1. φιλύρα
  2. φλαμουριά
noun
1. beoefenaar van de taalkunde
γλωσσολόγος
noun
1. wetenschap die taal als onderzoeksobject heeft
γλωσσολογία
/ˌliniˈ<sup>ʲ</sup>aɫ/
noun
1. een meetinstrument waarmee lengtes kunnen worden opgemeten
κανόνας
adjective
1. aan die zijde van het lichaam waar gewoonlijk het hart zit
αριστερός
adjective
1. tegenovergestelde van rechts
  1. αριστερός
  2. αριστερά
adjective
1. wanneer men de linkerhand verkiest boven de rechter voor alledaagse handelingen
αριστερόχειρας
noun
1. lange, smalle strook stof
κορδέλα
noun
1. een platte worm die parasiteert in de darm bij mens en dier
ταινία
noun
πριονοκορδέλα
noun
φακή
noun
1. anatomie
  1. χείλος
  2. χείλι
/liˈpidə/
noun
1. vetten en vetachtige stoffen die in de biochemie een belangrijke rol spelen
λιπίδιο
noun
  1. 1. stift met zacht materiaal dat op de lippen opgebracht wordt om de kleur daarvan beter te laten uitkomen
  2. 2. zacht materiaal dat op de lippen opgebracht wordt om de kleur daarvan beter te laten uitkomen
κραγιόν
noun
1. soort baars, vis behorend tot de familie van lipvissen
λαπίνα
/ˈlɪspələ(n)/
verb
ψευδίζω
pronoun
1.
  1. Λισαβόνα
  2. Λισαβώνα
noun
1.
λιτανεία
/litər/
noun
1. een inhoudsmaat voor voornamelijk vloeistoffen en gassen
λίτρο
adjective
λογοτεχνικός
noun
  1. 2. het geheel van als kunstzinnig beschouwde geschreven werken, m.n. proza of poëzie
  2. 3. de verzameling geschreven en na controle door vakgenoten gepubliceerde mededelingen van een vakgebied
λογοτεχνία
/ˈlitiˌʲʏm/
noun
1. chemisch element en een zilverwit alkalimetaal
λίθιο
noun
λιτότητα
/liˈtaʊ̯.wə(n)/, /liˈtɑuwə(n)/, /liˈtɔʊ̯.β̞ə(n)/, /ˈliˌtʌʊ̯.β̞ə(n)/
pronoun
1. een Europees land ter hoogte van Wit-Rusland
Λιθουανία
/liˈtaʊ̯.wər/, /ˈlitɔʊ̯.β̞ər/, /ˈlitʌʊ̯.β̞ər/
noun
1. inwoner van Litouwen
Λιθουανός
/liˈtaʊ̯s/, /ˈlitɔʊ̯β̞s/, /ˈlitʌʊ̯s/
pronoun
1. een Baltische taal die wordt gesproken in Litouwen
  1. λιθουανικά
  2. λιθουανικός
/liˈtaʊ̯sə/, /ˈlitɔʊ̯β̞sə/, /ˈlitʌʊ̯sə/
noun
1. vrouwelijke inwoner van Litouwen
Λιθουανή
noun
1. zichtbaar overblijfsel van een oude verwonding
ουλή
noun
1. eertijds een dienst ten bate aan de gemeenschap waartoe de rijken verplicht waren...
λειτουργία
noun
1. scheikundig element met symbool Lv en atoomnummer 116
λιβερμόριο
noun
1. vloeibaar gemaakt aardgas
ΥΦΑ
noun
λοβοτομή
pronoun
1. eigennaam van Frankische herkomst
Λουδοβίκος
/ˈlu.jə(n)/
verb
1. een langgerekt klagend geluid voortbrengen
μουγκανίζω
noun
1. met vlees en groente gevulde en gefrituurde lap deeg
ρολό της άνοιξης
noun
μεγεθυντικός φακός
noun
1. prijzen
έπαινος
noun
1. de exponent van de macht waartoe een gegeven getal verheven moet worden om een ander getal te krijgen
λογάριθμος
noun
1. boek met gegevens over de navigatie
ημερολόγιο
noun
λογική
adverb
1. op een logische manier
λογικά
adjective
επιμελητεία
noun
1. beeldmerk, logogram, naambeeld
λογότυπο
noun
1. het woord, de taal in het algemeen
λόγος
/ˈloʒban/
pronoun
1. een kunsttaal ontwikkeld door James Cooke Brown
Λόζμπαν
/lɔk/
noun
1. haarlok, pluk haar
μπούκλα
/loˈkal/
adjective
1. plaatselijk, van beperkte omvang
τοπικός
noun
1. stuk vlees of vis bedoeld om een dier mee te kunnen vangen.
δόλωμα
noun
1. plaatsbepaling
εντοπισμός
verb
2. als eerste deel van samenstellingen
δελεάζω
noun
διασκέδαση
/ˈlɔlɪ/
noun
snoepje
γλειφιτζούρι
pronoun
Λομβαρδία
/ˈlɔndən/
pronoun
1 en 2
Λονδίνο
noun
een inwoner van Londen
Λονδρέζα
noun
1. orgaan waarin gaswisseling plaatsvindt tussen lucht en bloed ten behoeve van het metabolisme.
πνεύμονας
/'lɔŋɔntsteːkɪŋ/
noun
1. een ontsteking in de longen
πνευμονία
noun
1. koord voor ontsteking
εμπύρευμα
noun
1. een scheikundig element met symbool Pb en atoomnummer 82
μόλυβδος
noun
1. vakman die zich bezighoudt met de aanleg en het onderhoud van sanitair, verwarmingsinstallaties, waterleidingen en/of riolering
υδραυλικός
adjective
2. in een rechte hoek
κάθετος
/loːts/
noun
2. iemand die schepen als stuurman begeleidt bij het varen van en naar een haven
πλοηγός
/lo:f/
noun
φύλλωμα
noun
  1. 1. gebladerde boom
  2. 2. bladverliezend boom
φυλλοβόλο
/loːx/
noun
een alkalische substantie
αλισίβα
adjective
van groot gewicht
βαρύς
/loːn/
noun
1. financiële vergoeding voor geleverde arbeid
μισθός
noun
μισθοδοσία
/loːp/
noun
voorste deel van een wapen
κάννη
/ˈlopχraf/
noun
1. een uitgegraven geul, diep en breed genoeg dat men er in kan lopen...
όρυγμα
verb
  1. 1. stappen, gaan
    1. βαδίζω
    2. περπατώ
  2. 2. rennen
    τρέχω
noun
4. schaakstuk dat zich slechts diagonaal verplaatsen mag
αξιωματικός
noun
  1. 1. een fruitboom van de rozenfamilie
    μουσμουλιά
  2. 2. de oranje vrucht van de Eriobotrya japonica
    μούσμουλο
noun
1. geld betaald voor iemands vrijlating
λύτρα
verb
1. ervoor zorgen dat iets of iemand los wordt
ελευθερώνω
noun
2. noodlot, wat het toeval iemand toebedenkt
μοίρα
pronoun
Λωρραίνη
pronoun
1.
Λουιζιάνα
pronoun
1. naam van een van Jezus' discipelen
Λουκάς
/lʏxt/
noun
1. mengsel van gassen waaruit de afmosfeer bestaat
  1. αέρας
  2. αήρ
noun
1. een aanval vanuit de lucht op een grondpositie
αεροπορική επιδρομή
noun
επεξεργασία αέρος
noun
φίλτρο αέρα
noun
fotografie vanuit de lucht
αεροφωτογράφηση
noun
1. een vliegveld voor verkeersvliegtuigen met accommodatie voor ontvangst en vertrek van passagiers
  1. αεροδρόμιο
  2. αερολιμένας
adjective
2. zorgeloos
ελαφρός
noun
  1. 1.
  2. 2.
αερογραμμή
/ˈlʏxmɑxt/, /ˈlʏχmɑχt/
noun
1. een krijgsmacht in de lucht die bestaant uit vliegtuigen, raketten, projectielen en personeel
πολεμική αεροπορία
noun
τραχεία
noun
1. de luchtlagen boven een bepaald grondgebied
(εθνικός) εναέριος χώρος
noun
1. verkeer in de lucht
αεροπορία
noun
1. een bedrijf dat vervoer door de lucht aanbiedt
αερογραμμή
noun
1.
ελεγκτής εναέριας κυκλοφορίας
noun
έλεγχος εναέριας κυκλοφορίας
noun
1. een stokje met een zwavelkopje, dienende om vuur te maken
σπίρτο
/lœʏ/, /lœː/
adjective
1. werkschuw, niet houden van inspanning of werk
τεμπέλης
noun
2. benaming voor zoogdieren uit de onderorde Folivora
βραδύπους
/lœʏ̯t/, /lœːd/, /lœːt/
adjective
δυνατός
noun
μεγάφωνο
noun
πάνα
noun
1. het ontbreken van de wil iets te doen
οκνηρία
/lœʏ̯k/, /lœːk/
pronoun
  1. 1. een provinciehoofdstad in België
  2. 2. een Belgische provincie
Λιέγη
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera pardus
  1. λεοπάρδαλη
  2. πάνθηρας
/lœʏ̯s/, /lœːs/
noun
1. benaming voor verschillende meestal vleugelloze insecten die parasiteren op dieren en planten
ψείρα
/'lœstərə(n)/
verb
1. gericht waarnemen met het oor
ακούω
noun
1. luit
λαούτο
noun
1. rang in het leger
ανθυπολοχαγός
/ˈlykɑs/
pronoun
Λουκάς
noun
1. geslachtsdeel van de man
πούτσος
noun
1.
φωταύγεια
adjective
σεληνιακός
noun
1. en 2. (zaden van) geslacht Lupinus
λούπινο
noun
1. scheikundig element met symbool Lu en atoomnummer 71
λουτήτιο
/lyks/
noun
1. niet alledaagse dingen die gebruikt worden voor het persoonlijk genot
πολυτέλεια
/ˈlyksəmˌbʏrx/, /ˈlyksəmˌbʏrχ/
pronoun
1.-3.
Λουξεμβούργο
adjective
πολυτελής
pronoun
Λβιβ
noun
λέμφωμα
verb
1. iemand executeren zonder rechtsgeldig proces, met name door opknoping
αυτοδικώ
noun
1. bepaald soort zoogdier, Lynx lynx
λύγκας
pronoun
1.
Λυών
noun
λυρισμός
adjective
λυρικός
/maːx/
noun
1. Orgaan
  1. στομάχι
  2. στόμαχος
pronoun
  1. 1. sterrenbeeld van de dierenriem
  2. 2. teken van de dierenriem waar de zon in staat van ca. 23 augustus tot ca. 23 september
Παρθένος
/maːxt/, /maːçt/
noun
1. ongerepte jonge vrouw
παρθένα
adjective
παρθενικός
noun
1. eigenschap dat je niet eerder geslachtsverkeer hebt gehad
παρθενία
pronoun
Μαγδεβούργο
pronoun
Παρθένοι Νήσοι
noun
γαστρικό οξύ
/ma:l/
verb
1 1. telkens terugkerend tijdstip waarop iets gebeurt
φορά
/ˈmaɫtekə(n)/
noun
1. het symbool × of · of * om een vermenigvuldiging aan te duiden
επί
noun
1. een hoeveelheid toebereid voedsel die voldoende is geruime tijd de lichamelijke behoefte te bevredigen
γεύμα
/maːn/
noun
  1. φεγγάρι
  2. σελήνη
/maːnt/
noun
1. elk van de twaalf met een eigen naam onderscheiden tijdvakken van 28, 30 of 21 dagen waarin een jaar verdeeld wordt
μήνας
/ˈmaːndɑx/
noun
1. een dag van de week, de eerste dag na het weekeinde
Δευτέρα
/ˈman.də.ləks/, /ˈmaːn.də.lɪks/
adjective
1. iedere maand een keer
μηνιαίος
/ˈman.də.ləks/, /ˈmaːn.də.lɪks/
adverb
1. iedere maand een keer
μηνιαίος
noun
1. het loon dat men met arbeid in één maand verdient
μηνιάτικο
noun
προσσελήνωση
/ˈmansvərˌdœʏ̯stərɪŋ/, /ˈmansvərˌdœːstərɪŋ/
noun
1. het verschijnsel dat de maan verduisterd raakt doordat ze in de schaduw...
έκλειψη Σελήνης
/maːr/
conjunction
1. tegenwerping, introduceert een zin(sdeel) dat het voorgaande zin(sdeel) tegenspreekt of er mee contrasteert
  1. αλλά
  2. όμως
/maːrt/
noun
1. derde maand van het jaar
  1. Μάρτιος
  2. Μάρτης
pronoun
Γερμανικές επαναστάσεις 1848-1849
/mas/
pronoun
1. een rivier die onspringt in Frankrijk en door België en Nederland stroomt
  1. Μεύσης
  2. Μόσας
/maːt/
noun
3. eenheid van lengte enz.
μέτρο
noun
1. een glazen kolf met een geijkte maatstreep voor het nauwkeurig bepalen van een volume vloeistof
ογκομετρική φιάλη
noun
1. iets dat wordt beslist om een doel te treffen
μέτρο
noun
  1. 2. de wereld, omgang en verkeer der mensen
  2. 1. vereniging tot het drijven van handel
κοινωνία
adjective
μακάβριος
noun
2. gerecht op basis van gebogen pijpjes van deeg
κοφτό μακαρονάκι
pronoun
1. een stad op een eiland aan de zuidkust van China, ten westen van Hong Kong
Μακάου
pronoun
1. Slavische taal die vooral wordt gesproken in de Noord-Macedonië
Μακεδονικά
/ˌmasəˈdoni.jə/, /ˌmasəˈdoːni.jə/
pronoun
  1. 1. historisch Grieks koninkrijk
  2. 2. regio in Griekenland
  3. 3. land
  1. Μακεδονία
  2. Σκόπια
/ˌmasəˈdoni.jər/, /ˌmasəˈdoːni.jər/
noun
1. inwoner van Macedonië
Μακεδόνας
/mɑˈʃinə/
noun
μηχανή
noun
1. geweer waarmee kort na elkaar meerdere schoten kunnen worden afgevuurd, ...
πολυβόλο
noun
1. het vermogen om elders de eigen wil op te leggen
εξουσία
/ˈmɑxtəx/, /ˈmɑxtɪx/, /ˈmɑχtəχ/
adjective
1. meer invloed hebben dan anderen
ισχυρός
/ma.da.'ɣɑs.kɑr/, /ˌma.dɑ.'χɑs.kɑr/
pronoun
2. staat op het bovengenoemde eiland, de Republiek Madagaskar
Μαδαγασκάρη
noun
1. Pootloze larve
σκουλήκι
noun
1. Bellis perennis
μαργαρίτα
pronoun
Μαδρίτη
noun
1. criminele organisatie, oorspronkelijk van Sicilië
μαφία
noun
1. kleur tussen rood en blauw
ματζέντα
/ˈma.ɣər/, /ˈma.χər/
adjective
1.
ισχνός
noun
1. toverkunst; kracht waar een tovenaar over beschikt om dingen te verwezenlijken die een bovennatuurlijke indruk maken
μαγεία
adjective
1.met een bijzondere, bovennatuurlijke betekenis
μαγικός
noun
1. een persoon die rechtspreekt
δικαστής
noun
  1. 1. gemagnetiseerd metaal
  2. 2. persoon, zaak of plaats
μαγνήτης
noun
μαγνητικό πεδίο
noun
1. Chemisch element
μαγνήσιο
noun
1. magnetisch, ijzer bevattend mineraal; magnetisch erts
μαγνητίτης
adjective
1. verschijnselen vertonend die toegeschreven kunnen worden aan een kringstroom...
μαγνητικός
verb
μαγνητίζω
noun
μαγνητισμός
/ˈmɑɣ.nə.trɔn/, /ˈmɑχ.nə.trɔn/
noun
1. een toestel waarin met zeer korte en gerichte golven voedsel in zeer korte tijd warm kan worden gemaakt
φούρνος μικροκυμάτων
noun
1. boom met tulpachtige bloemen
μαγνόλια
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het westen van het land
Μαχαράστρα
/mɑjs/
noun
1. een graansoort afkomstig uit Midden-Amerika
καλαμπόκι
noun
1. en 2. verbinding van glucose en koolhydraten of bindmiddel dat uit maiskorrels wordt gewonnen
άμυλο αραβοσίτου
noun
1.
μεγαλειότητα
noun
1. majeur
μείζων
noun
επισμηναγός
/ma'kak/
noun
1. een aap behorende tot een geslacht (Macaca) van apen van de Oude Wereld
μακάκος
noun
1. schoonheidsproducten
μέικ απ
/ˈmaːkən/
verb
κάνω
noun
1. iemand die iets maakt of gemaakt heeft
δημιουργός
adjective
1. niet moeilijk, waar weinig moeite en inspanning voor vereist is
εύκολος
noun
1. bepaalde soort zeevis, Scomber scomber
σκουμπρί
noun
1. infectieziekte die veroorzaakt wordt door eencellige parasieten van het geslacht Plasmodium
ελονοσία
/ma.'la.wi/, /ma.'la.ʋi/, /ma.'la.β̞i/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel de Republiek Zambia, dat niet aan de zee grenst
Μαλάουι
pronoun
1. Dravidische taal die wordt gesproken door 47 miljoen mensen, vooral in de Indiase deelstaat Kerala
μαλαγιαλαμικά
/mɑl.ˈdi.və(n)/, /mɑɫ.ˈdi.və(n)/
pronoun
1. land in de Indische Oceaan
Μαλδίβες
pronoun
Μαλαχίας
/mɑ.ˈlɛɪs/
pronoun
1. een Austronesische taal en de officiële taal van Maleisië, Brunei en Singapore die ook in delen van...
μαλαϊκά
/maˈlɛ:zi.jə/, /maˈlɛɪ̯zi.jə/
pronoun
1. een land in het zuidoosten van Azië dat bestaat uit twee afzonderlijke delen die gescheiden worden door de Zuid-Chinese Zee
Μαλαισία
/'ma.li/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Mali
  1. Μάλι
  2. Μαλί
noun
1.
αλυσιδωτή πανοπλία
/ˈmɑlta/, /ˈmɑɫta/
pronoun
  1. 1. eiland in de Middellandse Zee
  2. 2. land in de Middellandse Zee
Μάλτα
/mɑlˈteːs/, /mɑɫˈtes/
noun
1. inwoner van Malta of iemand die van Malta afkomstig is
Μαλτέζος
/mɑlˈteːs/, /mɑɫˈtes/
pronoun
1. Semitische taal die wordt gesproken door 570 duizend mensen op Malta
  1. μαλτέζικα
  2. μαλτεζικά
/mɑlˈteːsə/, /mɑɫˈtesə/
noun
1. vrouwelijke inwoner van Malta
Μαλτέζα
/ˈmɑmaː/
noun
1.
μαμά
noun
1. benaming voor zoogdieren uit het geslacht Mammuthus
μαμούθ
noun
  1. 3. een mens
    άνθρωπος
  2. 1. persoon van het mannelijk geslacht
    1. άντρας, άνδρας
    2. άνδρας
  3. 2. een echtgenoot, een getrouwde man
    σύζυγος
pronoun
Μανάους
noun
1. een dubbele of stevige stof aan rond de opening van de mouw of hals
μανσέτα
noun
1. een sierknoop die de manchet aan de mouw van een overhemd sluit
μανικετόκουμπο
noun
1. een bak gemaakt van gevlochten rotan of tenen voorzien van een handvat
καλάθι
noun
εντολή
noun
1. Een citrusvrucht
μανταρίνι
noun
1. schil van Citrus reticulata, Citrus reticulata var. 'mandarine' of Citrus × tangerina
φλούδα μανταμινού
noun
1. een klein, luitvormig tokkelinstrument met vier paar snaren waarop met een plectrum getokkeld wordt
μαντολίνο
/manəsxɛɪn/
noun
1. Het door de maan weerkaatste licht dat op de aarde schijnt, maanlicht
σεληνόφως
/ˈmɑŋɣa/
noun
1. Japans stripboek
μάνγκα
noun
1. Chemisch element
μαγγάνιο
noun
μαγκρόβιο
noun
μανιακός
noun
1. ziekelijke neiging (opgewonden psychische toestand)
μανία
/ mɑˈniːr/
noun
τρόπος
noun
1. openlijke bekendmaking van een staatshoofd, regering, leider of politieke partij
μανιφέστο
noun
  1. 1.
  2. 2. openbare gebeurtenis
εκδήλωση
verb
  1. 3. waarneembaar worden
  2. algemeen bekend maken, aan iedereen laten blijken
διαδηλώνω
noun
1. en 2. (wortel van) de plant Manihot esculenta
Κασάβα
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het noordoosten van het land
Μανιπούρ
adjective
  1. 1. tot geslacht behorend dat voor bevruchting zorgt
  2. 2. behorend tot het mannelijke woordgeslacht
αρσενικός
pronoun
1.
Μάνχαϊμ
noun
ελιγμός
noun
μανόμετρο
noun
1. hoeveelheid werk die één persoon in één uur kan verrichten
ανθρωποώρα
noun
1. variant van het communisme zoals uitgedragen en toegepast in China gedurende het derde kwart van de 20e eeuw
μαοϊσμός
noun
1. communist die zich vooral heeft laten inspireren door Mao Zedong
μαοΐστρια
adjective
1.
μαοϊκός
/mɑp/
noun
  1. 2. een gebundelde verzameling gegevens
  2. 3. deel van het bestandssysteem
φάκελος
pronoun
1. taal die met name in Maharashtra, een staat in India gesproken wordt, onder andere in Mumbai (Bombay)
μαραθικά
noun
μαραθώνιος
noun
1. Viscum album
ιξός
noun
μαργαρίνη
noun
1. bepaald soort zoogdier, Leopardus wiedii
µάργκεϊ
pronoun
Μαρία
noun
1. het hoogfeest ter gedachtenis van de aankondiging (annunciatie) van de geboorte van Jezus aan Maria
Ευαγγελισμός της Θεοτόκου
/maːˈrinə/
noun
1. zeemacht
ναυτικό
adjective
1. donkerblauw
μπλε μαρέν
noun
1. lid van een goed getrainde, gespecialiseerde militaire eenheid
πεζοναύτης
noun
2. kruid
ματζουράνα
/mɑr.ˈkeːr.stɪft/
noun
1. een viltstift waarmee met stukken tekst doet opvallen
υπογραμμιστής
noun
adellijke titel, lager dan een hertog maar hoger dan een graaf
μαρκήσιος
noun
  1. warenverkoop op pleinen en straten
  2. geheel van omstandigheden waaronder hoeveelheden van producten of diensten verhandeld worden
αγορά
/mɑremər/
noun
1. een fijnkorrelige getransformeerde kalksteen dat gepolijst gebruikt wordt in de bouw- en de beeldhouwkunst
μάρμαρο
noun
1. knaagdier dat vooral in het hooggebergte leeft maar ook veel als huisdier wordt gehouden
  1. αρμότες
  2. μαρμότα
adjective
1.
μαροκινός
/ma.ˈrɔ.ko/
pronoun
1. land in het uiterste noordwesten van Afrika
Μαρόκο
pronoun
Άρης
noun
  1. 1. regelmatige manier van lopen met afgemeten passen, vooral gebruikt door soldaten...
  2. 2. een wandeltocht
  3. 3. een mand of bak die op de rug gedragen wordt
εμβατήριο
noun
1. een Italiaanse versterkte wijn die gemaakt wordt in de omgeving van Marsala op het westelijk deel van Sicilië
κρασί Μαρσάλα
noun
1.
  1. αμυγδαλόπαστα
  2. μάρτσιπαν
/mɑr.ʃəl.ɛɪ̯.lɑn.də(n)/, /mɑr.ʃəl.ɛː.lɑn.də(n)/, /mɑr.ʃəɫ.ɛɪ̯.lɑn.də(n)/
pronoun
1. een land in Oceanië
Νήσοι Μάρσαλ
noun
1. iemand die voor een zaak lijdt of sterft en daarmee tot symbool wordt gezien van de strijd voor die zaak
μάρτυρας
verb
1. een gevangene onderwerpen aan lichamelijke en/of geestelijke pijniging, voornamelijk teneinde informatie los te krijgen
βασανίζω
noun
1. benaming voor zoogdieren uit het geslacht Martes
κουνάβι
pronoun
Μαρτινίκα
noun
1. de socialistische ideologie van de volgelingen van Karl Marx
μαρξισμός
noun
1. schoonheidsmiddel
μάσκαρα
pronoun
1. eilandengroep in de Indische Oceaan
Νησιά Μασκαρέν
noun
1.
  1. μάσκα
  2. προσωπείο
  3. προσωπίδα
noun
1.
μαζοχισμός
/ˈmɑsaː/
noun
  1. 1. totale hoeveelheid materie in een object
  2. 3. menigte
μάζα
noun
μάλαξη
noun
1. een wapen dat zeer velen doodt
όπλο μαζικής καταστροφής
verb
1. het toepassen van uitwendige druk op de zachte weefsels
μαλάσσω
noun
1. lange, rechtop staande paal midden op het schip
κατάρτι
noun
мαστεκτομία
noun
  1. 1. ontsteking van de borstklier
  2. 2. ontsteking van de uier
μαστίτιδα
noun
1. het stimuleren van de eigen geslachtsdelen
μαλακία
adjective
1.
αυνανιστικός
verb
αυνανίζομαι
noun
επιστήμη των υλικών
noun
ύλη
/mɑtrɑs/
noun
1. lichaamsondersteunend onderdeel van een bed
στρώμα
noun
1. een rechthoekig blok getallen waaraan bepaalde rekenregels toegekend worden
μήτρα
noun
1. een zeeman van de laagste rang
ναύτης
pronoun
Ματθαίος
/ˌmaʊ̯.ri.ˈta.ni.jə/, /ˌmɔʊ̯.ri.ˈta.ni.jə/, /ˌmʌʊ̯.ri.ˈta.ni.jə/
pronoun
1. een land in Noord-Afrika, officieel de Islamitische Republiek Mauritanië
Μαυριτανία
/maʊ̯.'ri.si.jəs/, /mɔʊ̯.'ri.si.jəs/, /mʌʊ̯.'ri.tsi.jəs/
pronoun
1. een land in de Indische Oceaan, officieel de Republiek Mauritius
Μαυρίκιος
noun
1. groot en rijk versierd graf
μαυσωλείο
/ˌmajoˈnɛːzə/
noun
1. een saus op basis van eieren
μαγιονέζα
pronoun
Μαγιότ
noun
1. kinderziekte die veroorzaakt wordt door het Morbillivirus en gekenmerkt wordt door rode stipjes op de huid
ιλαρά
noun
1. een vrouw die een relatie heeft met een getrouwde man
ερωμένη
/ˈmaʲɪs/, /ˈmɛɪ̯s/
noun
1. bepaalde graansoort afkomstig uit Midden-Amerika, Zea mays
καλαμπόκι
adjective
1. met betrekking op de mechanica, machinaal, automatisch zonder na te denken
μηχανικός
noun
1. machinerie
μηχανισμός
noun
1. metalen schijf, in het bijzonder als onderscheidingsteken na bepaalde prestaties
μετάλλιο
noun
1. iemand die burger is van dezelfde stad of hetzelfde land
συμπολίτης
/ˈme.dəˌklɪŋ.kər/
noun
1. een klank waarbij de lucht niet ongehinderd door de mond naar buiten kan
σύμφωνο
noun
1. verdriet over het leed van anderen
συμπόνια
adjective
1. bewust bijgedragen hebbend tot een wandaad
συνεργός
noun
1. iemand die met anderen in hetzelfde bedrijf, organisatie of vestiging werkt
συνεργάτης
noun
2.
διάμεσος
noun
1. het voorschrijven van geneesmiddelen
φαρμακευτική αγωγή
noun
1. een chemische stof die een bepaalde, gewenste werking op het (dierlijk of menselijk) lichaam uitoefent
φάρμακο
adjective
1. op de geneeskunde betrekking hebbend
ιατρικός
noun
1. spirituele bezigheid
  1. Διαλογισμός
  2. διαλογισμός
/ˈmeɣevə(n)/, /ˈmeχevə(n)/
verb
υποχωρώ
noun
1. Rubia tinctorum
  1. ερυθρόδανο
  2. ριζάρι
/mel/, /meɫ/, /mɪːɫ/
noun
1. gemalen graan
αλεύρι
/meːr/
noun
1. groot water dat helemaal omringd is door land
λίμνη
pronoun
1.
Λίμνη της Γενεύης
noun
1. een groep die binnen een groter geheel in aantal meer dan de helft uitmaakt
πλειοψηφία
adjective
1. de leeftijd bereikt hebbend dat men alle rechten en plichten van een volwassene heeft
ενήλικος
noun
1. bepaald soort watervogel, Fulica atra
φαλαρίδα
adjective
  1. 2. (persoon) meerdere talen sprekend
  2. 1. gerelateerd aan meerdere talen
πολύγλωσσος
/ˈmeːrvɑɫ/
noun
1. benaming voor grote roofvissen uit het geslacht Siluris
γατόψαρο
noun
1. Woord dat in die vorm aan meerdere voorwerpen, mensen of dieren refereert
πληθυντικός
noun
1. baas, heer, patroon
μάστορας
adjective
1.
μετρήσιμος
/'metkɵndə/
noun
1. tak van de wiskunde
γεωμετρία
/meːβ̞/, /mɪːβ̞/
noun
1. benaming voor zeevogels uit de familie Laridae
γλάρος
noun
μεγαλομανία
noun
1. de vijfde maand van het jaar
  1. Μάιος
  2. Μάϊος
/mɛi̯t/
noun
κορίτσι
/ˈmɛɪ̯.dorn/
noun
1.
κράταιγος
noun
1. Melolontha melolontha, schildvleugelig insect dat in mei te voorschijn komt
μηλολόνθη
noun
1. de verkondiging van één of meerdere leugens terwijl men heeft gezworen de waarheid te vertellen
ψευδορκία
/mɛɪˈozə/
noun
1.
  1. μείωση
  2. μείωσις
/ˈmɛɪ̯ʃə/, /ˈmɛːsjə/
noun
1. jonge vrouw
κορίτσι
/ˈmɛɪ̯ʃəsˌnam/, /ˈmɛːsjəsˌnam/
noun
2. eigen achternaam van een vrouw die de naam van haar echtgenoot of geregistreerd partner voert
πατρικό όνομα
noun
1. scheikundig element met symbool Mt en atoomnummer 109
μαϊτνέριο
pronoun
1. geboorteplaats van Mohammed en bedevaartplaats voor islamieten
Μέκκα
/me'latshɛɪt/
noun
1. besmettelijke ziekte veroorzaakt door een bacteriële infectie van de huid
λέπρα
noun
μελαγχολία
adjective
met droevige gedachten aan de dagen van weleer
μελαγχολικός
pronoun
Μελανησία
noun
1. een groep van organische pigmenten
μελανίνη
noun
μελάνωμα
noun
1. een restproduct bij de suikerproductie
μελάσσα
pronoun
1. tweede grootste stad van Australië en hoofdstad van de deelstaat Victoria
Μελβούρνη
pronoun
Μελίγια
/mɛlk/
noun
γάλα
noun
γαλατάς
noun
1. chocolade die bereid is met room of melk
σοκολάτα γάλακτος
noun
Ζοχός
/mɛlkə(n)/
verb
1.
  1. αρμέγω
  2. αμέλγω
noun
1.het orgaan dat bij het zoogdier de melk produceert
μαζικός αδένας
pronoun
1. het sterrenstelsel waarin wij ons bevinden en dat op donkere nachten als lichtende band aan de hemel te zien is.
Γαλαξίας
noun
1. organisch zuur
γαλακτικό οξύ
noun
1. een opeenvolging van toonhoogtes die een bepaald muzikaal gestalte vormt
μελωδία
adjective
aangenaam klinkend
μελωδικός
noun
πεπόνι
noun
1. iemand die heel veel van muziek houdt
μελομανής
/mɛmbran/
noun
2. een omhulsel van de cel bestaande uit fosfolipiden en eiwitten
μεμβράνη
/ˈme:mə/
noun
μιμίδιο
adjective
1. iets waarvan het de moeite waard is om het te herinneren
αξιομνημόνευτος
noun
1. eerste maandstonden, de eerste keer dat er een menstruatie is en daarmee de puberteit
εμμηναρχή
/ˌmɛndeˈleviʏm/
noun
μεντελέβιο
/məˈneːr/, /məˈnɪːr/
noun
  1. 2. een nette man
  2. in te delen
κύριος
verb
1. het homogeniseren van twee of meer zaken
αναμιγνύω
noun
κράμα
noun
1.
μενίρ
noun
μηνίσκος
noun
1. levensfase waarin vrouwen niet langer menstrueren
εμμηνόπαυση
/məno'ra/
noun
1. kandelaar met zeven armen
επτάφωτος λυχνία
noun
1. de Homo sapiens, het zoogdier waar wij toe gerekend worden
άνθρωπος
adjective
  1. 1. zoals de mens
  2. 2. goed voor de medemens
ανθρώπινος
noun
τράφικινγκ
noun
2. geheel van de fundamentele rechten en vrijheden die ieder mens toekomen
ανθρώπινα δικαιώματα
noun
1. een verzamelnaam voor alle mensen ter wereld met al hun onderlinge sociale relaties
ανθρωπότητα
noun
1. maandelijkse bloeding bij vrouwen en geslachtsrijpe meisjes
εμμηνόρροια
noun
1.
έμμηνος κύκλος
/ˌmɛn.taː.liˈtɛit/
noun
νοοτροπία
noun
1. vluchtige olie die een belangrijk bestanddeel is van pepermuntolie,...
μενθόλη
noun
μέντορας
noun
εδεσματολόγιο
noun
1.
μενουέτο
pronoun
  1. Ερμής
  2. Μερκούριους
/meːrəl/, /ˈmɪːrəɫ/
noun
1. bepaald soort zwarte vogel met een gele snavel, Turdus merula
κότσυφας
noun
1. zacht weefsel in de kern van een bot
μεδούλι
noun
1. halve cirkel die de beide polen met elkaar verbindt
μεσημβρινός
noun
αξιοκρατία
noun
2. een herkenbaar product door een bepaalde producent vervaardigd
μάρκα
noun
1. vrouwelijk paard
φοράδα
noun
1. snijwerktuig
μαχαίρι
noun
1.
μεσόνιο
noun
1. historische land tussen de rivieren Eufraat en Tigris, het huidige Irak
Μεσοποταμία
noun
μεσόσφαιρα
/mɛˈsijɑs/
pronoun
1. de in de joodse Tenach voorspelde Redder die door God gezonden zal worden en die door de christenen met Jezus gelijkgesteld wordt
Μεσσίας
adjective
ορείχαλκος
noun
1. uitwerpselen van sommige dieren waarmee men land vruchtbaar maakt
  1. λίπασμα
  2. κοπριά
/mɛd/, /mɛt/
preposition
με
noun
1. ieder element dat gekenmerkt wordt door glans en het vermogen om warmte en elektriciteit te geleiden
μέταλλο
noun
1. stofwisselprodukt
μεταβολίτης
noun
1. het geheel van de biochemische processen op celniveau
μεταβολισμός
/me.ta.ˈfɔːr/, /mæː.ta.ˈfoːr/
noun
1. beeldspraak waarbij men een woord B zegt in plaats van het woord A terwijl er tussen A en B een verband is van gelijkenis
μεταφορά
noun
1. de wijsgerige leer die niet de werkelijkheid onderzoekt zoals ze ons gegeven wordt uit zintuiglijke ervaring, maar op zoek gaat naar het wezen van die werkelijkheid en wat haar constitueert
μεταφυσική
noun
μεταλλουργία
noun
μεταμόρφωση
noun
1. taal met behulp waarvan dezelfde of een andere taal wordt beschreven
μεταγλώσσα
verb
1. de waarde van een bepaalde grootheid bepalen door deze te vergelijken met een ijkwaarde
μετρώ
noun
1. een kortstondig lichtspoor aan de hemel door de verbranding van een uit de ruimte vallende meteoriet
μετέωρο
/meteˌjoroloˈɣi/
noun
1. de studie van het weer en het klimaat
μετεωρολογία
noun
1. de SI-eenheid van lengte
μέτρο
noun
σύντροφος
noun
1. CH₄
μεθάνιο
/meˈtodə/
noun
μέθοδος
noun
1. Een stroming in het protestantisme
μεθοδισμός
/ˌmetodoloˈɣi/, /ˌmetodoloˈχi/
noun
μεθοδολογία
noun
διαστάσεις
/mæː.to.ˈny.mi.ja/
noun
μετωνυμία
/mæː.to.ny.ˈmiː/
noun
μετωνυμία
adjective
μετρικός
noun
1. ondergronds openbaar vervoer
μετρό
noun
μετρονόμος
noun
1. wereldstad
μητρόπολη
noun
διαβήτης
noun
1. bouwvakker gespecialiseerd in metselen
χτίστης
noun
1. stuk huisraad
έπιπλο
noun
  1. 1. groep (jacht)honden, e.d.
  2. 2. (onbeheersbare) groep mensen, menigte
αγέλη
noun
1. formele manier om een vrouw aan te spreken
κυρία
adjective
μεξικάνικος
/ˈmɛg.zi.ˌko/, /ˈmɛk.si.ˌko/
pronoun
1. een land in Amerika, officieel de Verenigde Mexicaanse Staten grenzend aan de Verenigde Staten, Belize en Guatemala, de Grote Oceaan en de Golf van Mexico
Μεξικό
/mə'zuza/
noun
1.
μεζουζά
/ˈmɛtsə/
noun
1.
μεζές
interjection
1. het geluid van een kat
νιάου
verb
1. het geluid maken dat kenmerkend is voor een kat
νιαουρίζω
noun
μικκύλιο
/miˈxa/, /ˈmiʃa/
pronoun
Μιχαίας
/ˈmiːkroʔɔrɣaːnɪzmə/, /ˈmiːkroʔɔrʝaːnɪzmə/
noun
1. meestal eencellig wezen
μικροοργανισμός
noun
1. een levend micro-organisme
μικρόβιο
noun
1. de tak van de biologie die zich bezighoudt met micro-organismen en hun effecten op de mens en andere levende organismen
μικροβιολογία
noun
μικροελεγκτής
/ˈmik.ro.χɔl(ə)f/, /ˈmɪk.ro.ɣɔlf/
noun
2. elektromagnetische golf van 0,1 mm tot 1 cm lengte
μικροκύμα
noun
2.
μικρόμετρο
/ˌmi.kro.ˈne.zi.ja/
pronoun
1. een land in Oceanië, officieel de Federale Staten van Micronesia
Μικρονησία
/mɪkroˈskoːp/
noun
1. instrument dat het beeld van heel kleine dingen sterk vergroot
μικροσκόπιο
adjective
1. zeer klein, voor het blote oog onzichtbaar
μικροσκοπικός
noun
μικροδευτερόλεπτο
noun
1. het midden van de dag, 12.00
μεσημέρι
noun
1. een maaltijd die tussen de ochtend en de middag genuttigd wordt
γεύμα
/ˈmɪdəɫ/
noun
1. middendeel van het lichaam
μέση
/ˈmɪdəɫe:wə(n)/
noun
1. de periode tussen ongeveer 300 n.Chr. tot 1500 n.Chr.
Μεσαίωνας
/ˈmɪdəɫɪ:ws/
adjective
1. gerelateerd aan de middeleeuwen
μεσαιωνικός
pronoun
1.
μέση γαλλική
pronoun
1. randzee van de Atlantische Oceaan, gelegen tussen Zuid-Europa, Noord-Afrika en West-Azië
  1. Μεσόγειος Θάλασσα
  2. Μεσόγειος
noun
1. een lijn die loodrecht op het midden van een lijnstuk staat
μεσοκάθετος
/ˌmɪdəɫˈmatəx/
adjective
2. niet in positieve zin opvallen
μέτριος
noun
1. van een cirkel of bol is het punt dat tot alle punten op de omtrek dezelfde afstand heeft
κέντρο
noun
  1. 2. als beledigend gebaar
    κωλοδάχτυλο
  2. 1. vinger
    μέσος
noun
1. het centrale deel
μέση
noun
1. regio die bestaat uit Zuidwest-Azië en het noordoosten van Afrika
Μέση Ανατολή
noun
1. maatschappelijke, economische klasse
αστική τάξη
noun
μέσο ους
noun
spier- en peesachtig tussenschot tussen borstholte en buikholte
διάφραγμα
/ˌmɪdərˈnɑxt/, /ˌmɪdərˈnɑχt/
noun
1. het midden van de nacht, twaalf tot één uur 's nachts
μεσάνυχτα
noun
ήλιος του μεσονυκτίου
noun
1. een kruipend, in grote kolonies levend omnivoor insect
μυρμήγκι
noun
1. benaming voor tandloze zoogdieren uit de onderorde Vermilingua
μυρμηγκοφάγος
noun
1. HCOOH
μυρμηκικός
noun
2. wortel
Χραίνα
noun
1. schele hoofdpijn
ημικρανία
noun
μετανάστευση
verb
  1. 1. trekken, verhuizen, zich verplaatsen
  2. 2. gegevens zoals een bestand of code overzetten naar een ander computersysteem en/of netwerk
αποδημώ
verb
1. ontwijken, trachten niet in aanraking te komen met iets of iemand
αποφεύγω
/mɛi̯l/
abbreviation
μίλι
/mɛi̯n/
noun
1. onderaardse plaats waar delfstoffen gewonnen worden
ορυχείο
/mɛi̯n/
possessivePronoun
1. van mij
μου
noun
1. het bedrijven van winning van delfstoffen
εξόρυξη
noun
  1. 1. een aanspreektitel voor een man
  2. 2. de heer des huizes
κύριε
noun
1. een persoon die werkzaam is in de mijnbouw
μεταλλωρύχος
noun
1. benaming voor dieren uit de superorde Acariformes
σκουληκάκι
noun
1. hoofddeksel voor kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders
μίτρα
pronoun
1. stad in het noordwesten van Italië
Μιλάνο
/mi.li.ˈjøː/, /mɪɫˈjø/
noun
2. de wereldwijde natuurlijke omgeving
περιβάλλον
/ˌmiliˈtæːr/, /ˌmiliˈtɛːr/
adjective
1. met het leger te maken hebbend
στρατιωτικός
/ˌmiliˈtæːr/, /ˌmiliˈtɛːr/
noun
1. lid van een leger
στρατιώτης
noun
μιλιταρισμός
noun
1. 1.000.000.000 (= 10⁹)
δισεκατομμύριο
noun
1. iemand die een vermogen heeft van meer dan een miljoen eenheden van een bepaalde valuta (bijvoorbeeld euro, dollar)
δισεκατομμυριούχος
noun
1. 1.000.000
εκατομμύριο
noun
1. iemand die een vermogen heeft van meer dan een miljoen eenheden van een bepaalde valuta (bijvoorbeeld euro, dollar)
εκατομμυριούχος
noun
1. dikke koude drank
μιλκσέικ
noun
1. een periode van 1000 jaar
χιλιετία
noun
1. een lengtemaat ter grootte van een duizendste meter
χιλιοστόμετρο
noun
μιλιδευτερόλεπτο
/mɪlt/
noun
1. een klier in de buikholte die een rol speelt bij het zuiveren en de opslag van bloed
  1. σπλήνα
  2. σπλήνας
/ˈmɪltfyr/
noun
1. een infectieziekte, die wordt veroorzaakt door de bacterie Bacillus anthracis
άνθρακας
noun
1.
μιμόζα
adverb
1. minus, verminderd met (-)
μείον
/ˈmɪnɑxtɪŋ/
noun
1. het minderwaardig vinden, het geen gunstige mening hebben over
περιφρόνηση
noun
μιναρές
/ˈmɪndər/
indefiniteCardinalNumeral
1. vergrotende trap onverbogen vorm van weinig
λιγότερο
noun
1. een groep die binnen een groter geheel in aantal minder dan de helft uitmaakt
μειονότητα
/minəˈral/
noun
ορυκτό
noun
1. water dat mineralen bevat die de smaak veranderen of het water een (vermeende) therapeutische waarde geven
μεταλλικό νερό
noun
ορυκτολογία
adjective
1. mineur
μινόρε
noun
1. een persoon die deelneemt aan de regering van een land
υπουργός
noun
1. de minister die het kabinet aanvoert
πρωθυπουργός
/ˌminɪsˈtɪːri/
noun
1. een afdeling van een overheid waar het beleid van de regering wordt uitgevoerd
υπουργείο
noun
πλην
noun
  1. 1. tijdeenheid
  2. 2. hoek
λεπτό
noun
Μειόκαινο
noun
1. een godsdienstoefening in de katholieke kerk, een eucharistieviering
λειτουργία
/'mɪsbrʌʏk/
noun
κατάχρηση
noun
1. een handeling die een ernstig vergrijp tegen het wetboek van strafrecht is
έγκλημα
noun
1. is iemand die de priester helpt tijdens het opdragen van de mis
παπαδάκι
noun
1. een misdaad of delict
κακούργημα
verb
1. iemand slecht behandelen en pijn doen of verwonden
κακοποιώ
noun
1. het moedwillig toebrengen...
κακομεταχείριση
verb
παραγνωρίζω
noun
αποβολή
adjective
1.
παραπλανητικός
noun
1. iets dat niet goed is gegaan
αποτυχία
noun
  1. 1. bepaald soort loofboom Mespilus germanica
  2. 2. vrucht van de mispelboom
μούσμουλο
/məˈsxin/
adverb
1. duidt aan dat er een bepaalde kans bestaat dat de uitspraak waar is
ίσως
noun
ναυτία
/ˈmɪsə(n)/
verb
  1. 1. niet raken, niet treffen
  2. 6. de afwezigheid voelen van
αστοχώ
noun
1. een doeleind dat verwezenlijkt dient te worden
αποστολή
noun
1. laaghangende bewolking die het zicht belemmert
ομίχλη
/ˈmɪsfərstɑnt/
noun
1. het verkeerd begrijpen van elkaars bedoelingen
παρεξήγηση
/ˌmito'xɔndriɵm/
noun
1.
μιτοχόνδριο
/miˈtozə/
noun
1.
  1. Μίτωση
  2. μίτωση
interjection
1. uitroep van verrukking
μμμ
/moˈbilcə/
noun
1. draagbare telefoon
κινητό τηλέφωνο
noun
κινητοποίηση
noun
1. mengsel van aarde, vuil en water
λάσπη
/ˈmodə/
noun
μόδα
noun
μακέτα
/moˈdɛrn/
adjective
1. van deze tijd, volgens de laatste mode
μοντέρνος
/mo.dɛr.ni.ˈzɪː.rə(n)/, /mo.dɛr.nɪ.ˈzeː.rə(n)/
verb
1. modern maken
εκμοντερνίζω
noun
νεωτερισμός
noun
νεωτερικότητα
adjective
1. volgens de mode
μοδάτος
noun
τροποποίησης
adjective
δομοστοιχειακός
noun
διαμόρφωση
noun
δομοστοιχείο
/muː/
adjective
1. geneigd tot rusten of slapen
κουρασμένος
/mud/, /mut/
noun
1. dapperheid, lef, branie
θάρρος
noun
1. een vrouwelijke ouder
  1. μητέρα
  2. μάνα
adjective
1.met de liefde en zorg van een moeder
μητρικός
noun
1. het fungeren als moeder
μητρότητα
noun
μητρική γλώσσα
/ˈmuːdəx/, /ˈmuːdəç/
adjective
1. geen angst voor gevaar tonend
  1. θαρραλέος
  2. γενναίος
noun
1. de diersoort waartoe het tamme schaap behoort, Ovis gmelini
μουφλόν
noun
1. toestand waarin je door afmatting behoefte hebt om uit te rusten
κούραση
/mu<sup>ɪ</sup>lɛ<sup>ɪ</sup>k/
adjective
1. niet gemakkelijk, waar moeite, geduld en inspanning voor vereist is
δύσκολος
noun
1. iets dat moeilijk of lastig is
δυσκολία
/ˈmuitə/
noun
1. een grote inspanning
κόπος
noun
[A]
παξιμάδι
noun
έλος
noun
μούρο
noun
μουριά
noun
1. de regentijd in tropische gebieden met een droge tijd en een regentijd
μουσώνας
verb
1. gedwongen zijn
πρέπει
pronoun
1. een rivier die ontspringt in de Vogezen en na 544 kilometer bij Koblenz in de Rijn uitmondt
Μοζέλλας
adjective
1. een keuze om iets te doen
δυνατός
noun
1. iets wat gedaan kan worden of kan gebeuren
δυνατότητα
/'mo.χə(n)/
verb
1. toegestaan zijn
επιτρέπεται
noun
1. drinkbeker
κούπα
noun
1. zware hamer met korte steel
ματρακάς
noun
  1. 1. bepaald soort zoogdier, Talpa europaea
    1. τυφλοπόντικας
    2. ασπάλακας
  2. 3. hoeveelheid van een stof die net zo veel deeltjes bevat als er atomen...
    γραμμομόριο
/mɔlˈdaːvi.jə/, /mɔɫˈdavi.jə/
pronoun
1. een land en regio in Zuidoost-Europa grenzend aan Oekraïne en Roemenië
Μολδαβία
adjective
1. bestaande uit moleculen
μοριακός
/moləˈkyle/
noun
1. het kleinste deeltje van een stof dat nog alle eigenschappen van die stof bezit
μόριο
/moləˈkyɫ/
noun
1. het kleinste deeltje van een stof dat nog alle eigenschappen van die stof bezit
μόριο
noun
1. installatie die de stroming van lucht of water gebruikt als energiebron
μύλος
/ˈmolənar/
noun
1. iemand die het werken in een molen als beroep heeft
μυλωνάς
noun
1. een ronde steen die onder andere in windmolens en watermolens wordt gebruikt voor het malen van granen en andere producten, zoals boekweit, erwten en bonen, lijnkoeken en eikenschors
μυλόπετρα
noun
1. met brandbare stof gevulde glazen fles die via een lont of lap stof wordt ontstoken
κοκτέιλ μολότοφ
pronoun
Μολούκες
noun
1. Chemisch element
  1. μολυβδένιο
  2. μολυβδαίνιο
noun
1. zeer korte tijd
στιγμή
verb
1. geluiden maken die moeilijk te verstaan zijn
μουρμουρίζω
/moˈnako/, /ˈmo.na.ko/
pronoun
  1. 1. een dwergstaatje in Zuid-Europa, officieel het Vorstendom Monaco, dat aan Frankrijk grenst
  2. 2. de hoofdstad van Monaco
Μονακό
noun
μονάρχης
noun
1. is van origine een regeringsvorm waarbij alle macht bij één persoon berust
μοναρχία
/[mɔnt]/
noun
1. ingang van het spijsverteringskanaal
στόμα
abbreviation
1. een zeer besmettelijke virusziekte (Aphtae epizooticae) die evenhoevige dieren, vooral runderen treft
αφθώδης πυρετός
adjective
1. via het gesproken woord
προφορικός
noun
1. instrument met doorslaande tongen dat met de mond bespeeld wordt
φυσαρμόνικα
/ˈmɔndɪŋ/
noun
1. plaats waar een rivier uitkomt in zee of meer
εκβολές
noun
1. dat deel van een blaasinstrument dat in de mond genomen wordt of aan de lippen gezet
επιστόμιο
/mɔŋ.ˈ(g)ɣo.li.jə/, /mɔŋ.ˈɣo.li.jə/, /mɔŋ.ˈχo.li.jə/
pronoun
1. een land in Azië en omringd door China in het zuiden en Rusland in het noorden
Μογγολία
pronoun
1. macrotaal die de officiële taal van Mongolië is en die ook in China en Rusland gesproken wordt
  1. μογγολικά
  2. μογγολικός
/ˈmoniˌtɔr/
noun
beeldscherm
οθόνη
noun
1. een man die uit religieuze overwegingen teruggetrokken leeft, voornamelijk in een klooster
μοναχός
noun
1. een bril voor één oog
μονόκλ
/ˈmonokʏɫˌtyːr/
noun
  1. 1. landbouw met één gespecialiseerd gewas
  2. 2. eenzijdige samenstelling van mensen, producten of diensten binnen een samenleving.
μονοκαλλιέργεια
noun
1. het verschijnsel dat een diftong overgaat in een monoftong.
μονοφθογγισμός
noun
1. het samenleven of getrouwd zijn met één persoon
μονογαμία
noun
1. figuur met initialen
μονόγραμμα
noun
μονόλιθος
adjective
2. van iets dat het kolossaal groot is en uit één massief brok bestaat
μονολιθικός
/ˌmonoˈlox/
noun
1. een gesprek gevoerd door één persoon, meestal op toneel
μονόλογος
noun
2. te eenzijdige fixatie op één zaak
μονομανία
noun
1. het geheel beheersen van een markt door een enkele leverancier
μονοπώλιο
noun
1.
μονοτροχιόδρομος
noun
μονοξείδιο
noun
1. schrikwekkend wezen
θηρίο
noun
1.een overeenkomst waarin partijen die normaal elkaars tegenstrever zijn hun tegenstellingen opzij leggen en een verbond sluiten tegen een andere, machtiger partij
ανίερη συμμαχία
/ˌmɔntəˈnegro/, /ˌmɔntəˈneːɣro/
pronoun
1. land in Zuidoost-Europa gelegen aan de Adriatische Zee en grenzend aan Kroatië, Bosnië en Herzegovina, Servië en Albanië
Μαυροβούνιο
/mɔnsɛ'rɑ/
pronoun
  1. Μοντσερράτ
  2. Μοντσεράτ
  3. Μονσερράτ
noun
1. een groot gedenkteken
μνημείο
/moːj/
adjective
1. prettig in voorkomen, aangenaam om naar te kijken, schoon
  1. όμορφος
  2. ωραίος
/ˈmoːrd/, /ˈmoːrt/, /ˈmʊːrt/
noun
1. handeling met het doel en het gevolg dat iemand dood gaat
  1. φόνος
  2. ανθρωποκτονία
verb
1. rondgaan om moorden te plegen
δολοφονώ
/mordənar/
noun
1. iemand die een moord gepleegd heeft
δολοφόνος
noun
σφαγή
noun
1. anekdote met een verrassend en komisch slot
ανέκδοτο
noun
1.
ηθικολόγος
pronoun
Μοραβία
/moˈrel/
adjective
ηθικός
noun
1. de kleinst mogelijke morfosyntactische eenheid in een taal
μόρφημα
/ˌmɔr.fo.lo.ˈɣi/, /ˌmɔr.fo.lo.ˈχi/
noun
1. de wetenschap die het vormgeven van woorden bestudeert
μορφολογία
/ˈmɔrxə(n)/, /ˈmɔrɣə(n)/
adverb
1. eerstvolgende dag na vandaag
αύριο
/ˈmɔrxə(n)/, /ˈmɔrɣə(n)/
noun
1. eerste deel van de dag
πρωί
noun
1. benaming voor de planeet Venus
Εωσφόρος
noun
1. pejoratieve benaming voor een hond, bastaardhond
κοπρίτης
noun
1. bijnaam van een lid van de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen
μορμόνος
adjective
1. behorend tot, passend bij de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen
μορμονικός
adjective
νεκρός
noun
1. weergave van letters, leestekens en cijfers door patronen van korte en lange signalen met tussenpozen
κώδικας Μορς
/'mɔrsə(n)/
verb
1.
χύνω
noun
  1. 1. een kom waarin met een stamper allerlei stoffen fijn gestampt of fijngewreven worden
  2. 2,3 korte kanontypen
όλμος
noun
  1. βρύο
  2. μούσκλο
noun
1. een scheikundig element met het symbool Mc en het atoomnummer 115
μοσκόβιο
noun
1. gebedshuis
  1. τζαμί
  2. τέμενος
pronoun
1.
Μόσχα
noun
1. een geloofsaanhanger van de islam
μουσουλμάνος
noun
1. Mytilus edulis, een eetbaar tweekleppig schelpdier
μύδι
noun
1. gistend vruchtensap, meestal van druiven
μούστος
noun
1. een in de keuken gebruikte kruidenpasta
μουστάρδα
noun
αέριο μουστάρδας
noun
1. een vlinderachtig insect
νυχτοπεταλούδα
noun
1.
μοτέτο
noun
πρόταση
noun
2.3.
μοτίβο
noun
προθυμία
/'mo.tɔr/
noun
1. krachtbron
κινητήρας
noun
μοτοσικλέτα
noun
ναφθαλίνη
noun
ποδήλατο βουνού
noun
1. de grondstof voor bier, jenever en whisky,...
βύνη
noun
1. dat deel van een kledingstuk dat de armen omvat
μανίκι
adjective
1. zonder mouw
αμάνικος
/ˌmo.zɑm.ˈbik/, /ˌmo.zɑm.ˈbɪk/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel de republiek Mozambique
Μοζαμβίκη
noun
  1. μωσαϊκό
  2. ψηφιδωτό
noun
1. Italiaanse kaas
μοτσαρέλα
/ˈmysli/, /ˈmyə̯zli/
noun
1. eten gemaakt van graanvlokken, zuivel, fruit en noten
μούσλι
noun
1. de persoon die vanuit een minaret van de moskee oproept tot de dagelijkse gebeden
μουεζίνης
noun
1. kleine, vliegende insecten van de onderorde Nematocera
κουνούπι
noun
1. een kruising van een ezelhengst en een paardenmerrie
μουλάρι
noun
1. een kruising van een paardenhengst en een ezelin
γίννος
noun
1.een leren of metalen korf die voor de bek van een dier gespannen wordt om bijten onmogelijk te maken
φίμωτρο
verb
2. beletten te spreken
φιμώνω
/mœʏ̯s/, /mœːs/
noun
  1. 3. computermuis
    1. ποντίκι
    2. ποντικός
  2. 1. klein zoogdier, meestal van het geslacht "Mus"
    1. ποντίκι
    2. σταχτοποντικός
    3. ποντικός
/ˈmœʏsmɑt/, /ˈmœːsmɑt/
noun
1. een onderlegger voor een computermuis
mouse pad
verb
1. in opstand komen tegen wettige autoriteit
στασιάζω
noun
ανταρσία
noun
1.
ποντικοπαγίδα
adjective
1. met, of aan veel kanten, belangen, partijen etc.
πολυμερής
noun
1. composietplaat die bestaat uit meer dan 3 gelijmde laagjes hout
κοντραπλακέ
noun
1. een door balseming en uitdroging geconserveerd lichaam van een dode
μούμια
verb
1.van een overledene een mummie maken
ταριχεύω
noun
1. en 2. (boon van) eenjarige plant Vigna radiata
ροβίτσα
/mʏˈnitsi/, /mʏˈnisi/
noun
schietbenodigdheden
πυρομαχικά
noun
1. en 2. (blaadjes van) het plantengeslacht Mentha
μέντα
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Passeridae
  1. σπουργίτης
  2. σπουργίτι
adjective
1. met betrekking tot de spieren
μυϊκός
noun
1. een gebouw waarin voorwerpen van culturele waarde tentoongesteld worden
μουσείο
noun
μιούζικαλ
noun
1. iemand die muziek maakt en ten gehore brengt
μουσικός
noun
1.
σωματοφύλακας
noun
1. plomp hoefdier met grote kop en brede snuit
μοσχόβους
noun
1. Ondatra zibethicus, een soort waterrat
μοσχοπόντικας
noun
1. stof
μεταλλαξιγόνο
noun
1. een sprongsgewijze verandering
  1. Μετάλλαξη
  2. μετάλλαξη
noun
1. onvermogen om te spreken
αφωνία
/myːr/
noun
1. verticale vlakke constructie van metselwerk
  1. τοίχος
  2. τείχος
noun
τοιχογραφία
noun
μούσα
/my'zik/
noun
1. een akoestisch fenomeen
μουσική
/myˈzikˌɪnstrymɛnt/
noun
1. instrument om muziek mee te spelen
μουσικό όργανο
noun
1. iemand die muziek maakt
μουσικός
/ˌmikoloˈɣi/
noun
1. de wetenschap die zich bezig houdt met het bestuderen van schimmels
μυκητολογία
noun
1. afwijking in de brandpuntsafstand van het oog waardoor alles op grotere afstand wazig gezien wordt
μυωπία
noun
μυοσίτιδα
noun
1. een grote groep mensen, een ontelbare menigte
μυριάδα
/miˈstɪːri/
noun
μυστήριο
noun
μυστηριακή λατρεία
noun
μυστικίστρια
/ˈmitə/
noun
μύθος
adjective
μυθικός
/mi.tɔ.lɔ.ɣi/
noun
μυθολογία
noun
1. ernstige konijnenziekte die verspreid wordt door vectoren (dragers) zoals muggen, konijnenvlooien...
μυξωμάτωση
preposition
1. in tijd volgend op
μετά
/naf/
noun
1. centrale as of middenstuk van een wiel of rad
αφαλός
/ˈnaːi̯ə(n)/
verb
1. naaldwerk verrichten
ράβω
noun
ραπτομηχανή
/naːkt/
adjective
1. zonder beharing of andere fysieke bescherming van de huid, ontkleed
γυμνός
noun
1. het naakt zijn
γυμνότητα
/nald/, /naɫt/
noun
1. gereedschap voor naaien
  1. βελόνα
  2. πευκοβελόνα
noun
κωνοφόρο
noun
  1. 1. kort stukje tekst dat een persoon, instelling of object bijna identiek kan benoemen
  2. 2. bekendheid, reputatie
όνομα
noun
1. een dag waarop een heilige wordt herdacht
ονομαστική γιορτή
noun
ονοματοχώρος
noun
1. elk der buigingsvormen van een naamwoord
πτώση
/namwort/
noun
1. een woord dat een persoon of zaak noemt, bepaalt of aanduidt
όνομα
/naːr/
adverb
1. in de richting van
  1. σε
  2. προς
preposition
1. aan de zijkant van
δίπλα
noun
1. liefde jegens de medemens
καλοσύνη
noun
γειτνίαση
adjective
1. in de buurt ervan gelegen
γειτονικός
/nɑx/, /nɑxt/, /nɑχt/
noun
1. de tijd tussen zonsondergang en zonsopkomst
νύχτα
noun
1. het onvermogen te zien bij geringe belichting
νυχταλωπία
noun
1. een uitgaansgelegenheid voor volwassenen
νυχτερινό κέντρο
noun
1. een dier dat overdag slaapt en 's nachts actief is
νυκτόβιο ζώο
noun
1. lijsterachtige zangvogel met een rossig bruine staart die heel mooi kan zingen
  1. αηδόνι
  2. μπιρμπίλι
adjective
νυχτερινός
noun
κομοδίνο
noun
  1. 1. een zeer angstige droom
  2. 2. een schrikbeeld
εφιάλτης
noun
1.
σολάνο
noun
1. vlinder die 's nachts actief is
ψυχάρι
/na'dɑt/
conjunction
αφού
noun
1. ongunstige eigenschap
μειονέκτημα
noun
1. denkbeeldig punt aan de sterrenhemel loodrecht onder de waarnemer
ναδίρ
/'nadrɵk/
noun
1. een bijzondere aandacht die besteed wordt
έμφαση
/ˈnaː.ɣəˌbor.tə/
noun
3. de moederkoek, navelstreng en vliezen die het lichaam van de moeder verlaten nadat de baby is geboren
ύστερο
noun
  1. 3. spijker
    1. καρφί
    2. νύχι
  2. 1. hoornplaat op laatste teen- en vingerkootjes
    νύχι
/ˈnahʏm/
pronoun
2. boek in de Bijbel
Ναούμ
noun
1. herfst
φθινόπωρο
noun
ναϊάδα
noun
1. wat door de erflater bij zijn overlijden overgedragen wordt
κληρονομιά
/ˈnamələk/
abbreviation
δηλαδή
pronoun
1. provincie in het oosten van België
Ναμύρ
preposition
1.
εκ μέρους
/na.'mi.bi.jə/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika
Ναμίμπια
noun
1. tijd aan het einde van de middag
απόγευμα
noun
νανοτεχνολογία
pronoun
1. stad in Italië
  1. Νάπολη
  2. Νεάπολη
adjective
1. een taal die in Napels, Campanië, Basilicata en noordelijk Calabrië gesproken wordt
ναπολιτάνικος
noun
νάρκισσος
noun
ναρκισσισμός
noun
1. bepaald soort zeezoogdier, Monodon monoceros
φάλαινα νάρβαλ
/naˈsal/
adjective
1. met betrekking tot de neus
έρρινος
/ˈna.slɑx.ˌwɛrk/, /ˈna.slɑx.ˌβ̞ɛrk/, /ˈna.slɑχ.ˌʋɛrk/
noun
1. een boek dat dient om iets in op te zoeken
εγκυκλοπαίδεια
noun
επακόλουθο
noun
1. een veranderde smaak van iets dat men al heeft doorgeslikt heeft en in het begin anders smaakte
επίγευση
adjective
1. gedrenkt in een vloeistof, meestal water
υγρός
noun
1. een groep mensen die zich door gemeenschappelijke taal, cultuur of politieke geschiedenis verbonden voelt
  1. Έθνος
  2. έθνος
noun
εθνικό κράτος
adjective
1. op een volk met een eigen land betrekking hebbend
εθνικός
noun
εθνικοσοσιαλισμός
noun
1. voorliefde voor het vaderlandse
εθνικισμός
noun
  1. εθνικίστρια
  2. εθνικιστής
noun
εθνικότητα
noun
νάτριο
verb
πολιτογραφώ
noun
1.2.3. stroming in de literatuur aan het eind van de 19e eeuw, die de mens beschouwt als bepaald door milieu en erfelijkheid en leer die de natuur boven alles stelt
φυσιοκρατία
noun
überhaupt
φύση
/naˈtyrkʏndə/, /naˈtyːrkʏndə/
noun
1. subdiscipline binnen de natuurwetenschap die zich bezighoudt met de bestudering van materie en
φυσική
noun
φυσικός
adjective
1. uit de natuur afkomstig
φυσικός
adverb
1. vanzelfsprekend
φυσικά
noun
1. mens van vlees en bloed die kan deelnemen aan het rechtsverkeer
φυσικό πρόσωπο
noun
1. een ongelukkige gebeurtenis die door de natuur veroorzaakt wordt
φυσική καταστροφή
/na.ˈu.ru/, /naˈuru/, /ˈnaʊ̯.ru/
pronoun
1. een land in de Stille Oceaan
Ναουρού
adjective
1. een geringe breedte hebbend
στενός
adverb
1. slechts in geringe mate
μόλις
noun
1. de mate waarin men zaken tot in de puntjes behandelt
ακρίβεια
pronoun
1. taal die het zuidwesten van de Verenigde Staten wordt gesproken door 170 duizend Navajo's
ναβάχο
pronoun
Ναβάρρα
/'navəl/
noun
ομφαλός
verb
1. overmatig bezig zijn met zichzelf
ομφαλοσκόπηση
/ˈnavəlstrɛŋ/
noun
snoer dat de vrucht aan de moederkoek verbindt
ομφάλιος λώρος
noun
ναυσιπλοΐα
noun
1. NAVO
ΟΒΣ
adjective
αφελής
pronoun
1.
Νέκαρζουλμ
noun
1. een biografie van een overleden persoon en/of een bespreking van diens werk
νεκρολογία
noun
1. de afsterving van weefsel
νέκρωση
noun
2. een perzikachtige vrucht van boom Prunus persica var. nucipersica
νεκταρίνι
pronoun
1. deelstaat van Oostenrijk
Κάτω Αυστρία
noun
1. het aannemen van een houding waarbij geen aanspraak gemaakt wordt op macht of eer
ταπεινότητα
noun
1. het verlies van een strijd
ήττα
/ˈnedərˌlɑnt/, /ˈneːdərˌlɑnd/, /ˈneːdərˌlɑnt/
pronoun
1. land in het westen van Europa, grenzend aan Duitsland en België, belangrijkste deel van het Koninkrijk der Nederlanden
  1. Κάτω Χώρες
  2. Ολλανδία
/ˈne.dər.ˌlɑn.dər/
noun
1. inwoner van Nederland of persoon die de Nederlandse nationaliteit bezit
Ολλανδός
/ˈne.dər.ˌlɑnds/, /ˈne.dər.ˌlɑnts/
adjective
1. met betrekking tot Nederland of de Nederlandse taal
  1. Ολλανδική
  2. Ολλανδικό
  3. Ολλανδικός
/ˈne.dər.ˌlɑnds/, /ˈne.dər.ˌlɑnts/
pronoun
1. een West-Germaanse taal die als officiële taal gesproken wordt in Nederland, Vlaanderen, Suriname en op de Nederlandse Antillen
  1. ολλανδικά
  2. ολλανδικός
/ˈne.dər.ˌlɑn.tsə/, /ˈne.dər.ˌlɑnd.sə/
noun
1. vrouwelijke inwoner van Nederland, vrouw uit Nederland
Ολλανδή
/ˌne.dər.lɑnt.sə.ɑn.ˈtɪ.lə(n)/, /ˌneː.dər.lɑnt.sə̯an.ˈtɪ.lə(n)/
pronoun
1. voormalig land binnen het Koninkrijk der Nederlanden
Ολλανδικές Αντίλλες
pronoun
Κάτω Σαξωνία
noun
1. een vestiging, een bewoonde plaats
αποικισμός
/neː/
interjection
1. ontkenning
  1. όχι
  2. δεν
noun
  1. 1. mannelijke oomzegger
    1. ανιψιός
    2. ανεψιός
  2. 2. kozijn
    1. ξάδερφος
    2. ξάδελφος
/nen/
interjection
nee
όχι
noun
1. hemelwater
υετός
verb
1. het vliegvermogen verliezen en onzacht op de aarde terugvallen
πλακώνω
noun
νεφρολογία
adjective
1. ontkennend, afwijzend
αρνητικός
noun
1. een in het kader van een fotografisch procédé ontwikkelde plaat of film met een lichtgevoelige laag, waarop de lichtwaarden omgekeerd zijn t.o.v. de werkelijkheid
αρνητικός
/ˈne.ɣə(n)/, /ˈne.χə(n)/
cardinalNumeral
1. het getal 9
  1. εννιά
  2. εννέα
/ˈne.ɣən.də/, /ˈne.χən.də/
ordinalAdjective
1. nummer negen in een rij
ένατος
cardinalNumeral
1. het getal 39
τριάντα εννέα
cardinalNumeral
1. het getal 99
ενενήντα εννέα
cardinalNumeral
1. het getal 89
ογδόντα εννέα
cardinalNumeral
1. het getal 29
είκοσι εννέα
cardinalNumeral
1. het getal 49
σαράντα εννέα
cardinalNumeral
1. het getal 59
πενήντα εννέα
cardinalNumeral
1. het getal 69
εξήντα εννέα
/ˈneɣənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 79
εβδομήντα εννέα
noun
εννεάγωνο
/ˈne.ɣə(n).ˌhɔn.dərd/, /ˈne.ɣə(n).ˌɦɔn.dərt/, /ˈne.χə(n).ˌɦɔn.dərt/
cardinalNumeral
1. het getal 900
  1. εννιακόσια
  2. εννεακόσια
cardinalNumeral
1. het getal 19
  1. δεκαεννιά
  2. δεκαεννέα
/ˈne.ɣə(n).təx/, /ˈne.ɣə(n).tɪx/, /ˈne.χə(n).təχ/
cardinalNumeral
1. het getal 90
ενενήντα
noun
1. iemand met voorouders uit Afrika bezuiden de Sahara met lichamelijke kenmerken daarvan
νέγρος
verb
1. doen alsof iemand of iets niet bestaat
αγνοώ
pronoun
Νεεμίας
/nɛk/
noun
1. achterste gedeelte van de hals
  1. αυχένας
  2. σβέρκος
/ˈne.mə(n)/
verb
1. iets vastpakken met de handen
παίρνω
noun
1. kunststroming
νεοκλασικισμός
noun
νεοδύμιο
/nejoˈɣen/
noun
geologisch tijdperk
Νεογενής
noun
νεοφιλελευθερισμός
/nejoˈlitikʏm/
noun
Νεολιθική
/ˌne.jo.lo.ˈχɪs.mə/, /ˌne.jo.loː.ˈɣɪz.mə/
noun
1. een woord dat nieuw is of nieuw gevormd is
νεολογισμός
noun
1. een chemisch element en een kleurloos edelgas
  1. νέον
  2. νέο
noun
νεοναζισμός
noun
νεόπλασμα
noun
νεόπλασμα
/ˌnejoˌprotəroˈzowikʏm/
noun
Νεοπροτεροζωικός
/ˈnepɑɫ/, /ˈneːpɑl/
pronoun
1. een land in Azië, gelegen in de Himalaya tussen India en China (Tibet)
Νεπάλ
pronoun
1. een taal die vooral in Nepal gesproken wordt
νεπαλικά
/nepo'tɨzmə/
noun
1.
νεποτισμός
noun
1. Chemisch element
ποσειδώνιο
pronoun
Ποσειδώνας
noun
1. iemand die sociaal en seksueel weinig in trek is en een grote voorliefde voor intellectuele zaken aan de dag legt
σπασίκλας
noun
νεύρο
adverb
πουθενά
noun
  1. 1. benaming voor bepaalde pelsdieren uit de familie der marterachtigen
  2. 1. pels van een nerts
βιζόν
adverb
1. lijdend aan gespannen zenuwen
νευρικός
/nɛst/
noun
1. de verblijfplaats van een dier
φωλιά
/ˈnɛstələ(n)/
verb
1. het bouwen van een nest en het grootbrengen van jongen erin, gewoonlijk van vogels
φωλιάζω
noun
1. een geheel van fijne draden
δίχτυ
pronoun
1.
Νετάνια
noun
3. sport die veel lijkt op korfbal en basketbal
νέτμπολ
noun
1. plant
τσουκνίδα
/ˈnɛcəs/
adjective
1. net, schoon
συγυρισμένος
/ˈnɛcəs/
adverb
1. op een nette manier
συγυρισμένος
noun
1. tweede maag van herkauwers
δίκτυο
adverb
καθάρο κέρδος
noun
1. een vlies aan de binnenkant van het oog waarop een beeld wordt gevormd
αμφιβληστροειδής
noun
δίκτυο
verb
1. geslachtsgemeenschap hebben met
γαμώ
pronoun
Νυρεμβέργη
noun
1. een discipline binnen de biologie en geneeskunde die zich bezighoudt met alles wat aandoeningen van het centrale zenuwstelsel betreft
νευρολογία
noun
een zeer belangrijke cel in het zenuwstelsel
νευρώνας
noun
νευροψυχολογία
adjective
1. met betrekking tot een ziekelijke houding
νευρωτικός
/ˈnøːrotransˌmɪtər/, /ˈnøːrotrɑnsˌmɪtər/, /ˈnʏːrotrɑnsˌmɪtər/
noun
1. een chemische stof die fungeert als overbrenger van de zenuwprikkel
νευροδιαβιβαστής
noun
νευροεπιστήμη
/nøʏs/, /nøːs/
noun
1. een orgaan dat gebruikt wordt bij de ademhaling en om te ruiken
μύτη
noun
ρουθούνι
noun
1. het eerste stuk van het luchtwegstelsel waar de ingeademde lucht doorheen gaat
ρινική κοιλότητα
noun
1. een groot en zwaar zoogdier uit de familie van de Rhinocerotidae dat in Afrika en Azië leeft...
  1. ρινόκερος
  2. ρινόκερως
/nøˈtral/
adjective
  1. 1. geen partij kiezend in een conflict
  2. 2. natuurkunde: noch een positieve noch een negatieve lading dragend
  3. 4. scheikunde: noch zuur noch alkaline
ουδέτερος
noun
1. een onpartijdige houding aanhouden ten opzichte van twee partijen met een geschil
ουδετερότητα
noun
νετρίνο
noun
νετρόνιο
noun
αστέρας νετρονίων
noun
2. wolken in de nabijheid van de grond, ontstaan door plaatselijke oorzaken zoals door afkoeling of door menging van koude met warme vochtige lucht
νεφέλωμα
/nuˈjɔːrk/
pronoun
1. deelstaat van de Verenigde Staten
Νέα Υόρκη
pronoun
1.
Νέα Γη
/ˌni.ka.ˈra.gβ̞a/, /ˌni.ka.ˈra.ɣuwa/, /ˌni.kɑ.ˈra.gʋa/
pronoun
1. een staat in Midden-Amerika, tussen Honduras en Costa Rica
Νικαράγουα
noun
  1. 1. dochter van iemands broer of zus
    ανιψιά
  2. 3. dochter van iemands oom of tante
    1. ξαδέρφη
    2. ξαδέλφη
noun
νικοτίνη
indefinitePronoun
1. geen enkel persoon
κανένας
noun
1. een van beide organen in de onderrug die het bloed zuiveren van afvalstoffen en deze uitscheiden in de urine.
νεφρό
noun
1.
φτάρνισμα
noun
1. giftige plant die vroeg in het voorjaar bloeit
ελλέβορος
adverb
1. ontkenning, tegenovergestelde van 'wel'
  1. δεν
  2. δε
noun
1. klein, vaak beugelvormig, metalen voorwerp met twee spitse uiteinden
καρφίτσα
noun
1.
μη καπνιστής
noun
1. klein, vaak beugelvormig, metalen voorwerp met twee spitse uiteinden
καρφίτσα
indefinitePronoun
1. geen enkel ding, geen enkele zaak
  1. τίποτα
  2. τίποτε
noun
1. iemand die voor niets deugt
χαραμοφάης
adjective
1. zonder argwaan, argeloos
ανυποψίαστος
/niβ̞/, /nyʊ̯/
adjective
  1. 6. vreemd, onbekend
    νέος
    1. 1. recentelijk gemaakt
    2. woorden die in een of meer van de bovenstaande categorieën horen, maar waarvan niet bekend is in welke (voel u vrij deze woorden in de juiste categorie in te voegen)
    3. 4. onderscheidt nieuwere namen van oudere
    4. 7. recentelijk aangekomen of opgedoken
    1. νέος
    2. καινούργιος
  2. 2. recentelijk ontdekt
    1. νέος
    2. πρόσφατος
  3. 5. in originele staat
    1. πρωτότυπος
    2. νέος
  4. 3. huidige
    1. σημερινός
    2. νέος
pronoun
Νέα Καληδονία
pronoun
1.
Νέα Γουινέα
/niβ̞.ˈze.lɑnt/, /nyʊ̯.ˈze.lɑnd/
pronoun
1. een land in het zuidwesten van de Grote Oceaan, gelegen naast Australië
Νέα Ζηλανδία
pronoun
1. Australische deelstaat gelegen in het zuidoosten van het land
Νέα Νότια Ουαλία
noun
1. nieuwe maan
νέα σελήνη
pronoun
1. samenstelling van Bijbelboeken
Καινή Διαθήκη
noun
1. feestdag ter gelegenheid van het begin van een nieuw jaar van de gebruikte kalender
Πρωτοχρονιά
/niu̯s/
noun
  1. 1. actuele ontwikkelingen
  2. 2. een uitzending in de media waarin berichten over actuele ontwikkelingen worden verspreid aan het publiek
ειδήσεις
/ˈniu̯sˌɣirəx/
adjective
1. verlangend om iets te weten of waar te nemen
περίεργος
/niu'sxirəxɛit/
noun
1. het verlangen naar kennis
περιέργεια
verb
1. plotselinge, krachtige uitademing om de neus te reinigen van prikkelende stoffen
  1. φτερνίζομαι
  2. φταρνίζομαι
/'ni.ɣər/, /'ni.χər/
pronoun
  1. 2. een rivier in West-Afrika
    Νίγηρας
  2. 1. land in West-Afrika
    1. Νίγηρας
    2. Νίγηρ
/ni.'ɣeː.ri.ja/, /ni.'χɪː.ri.ja/
pronoun
1. een land in West-Afrika
Νιγηρία
noun
1. binnen de filosofie een begrip dat wordt gebruikt om de ontkenning van het bestaan van betekenis...
μηδενισμός
noun
1. zelfstandig denker die vindt dat voor werkelijke verbetering dingen die nu...
μηδενιστής
/nɛɪt/
noun
1. grondige afkeer
φθόνος
pronoun
1.
Νείλος
noun
1. groot en zwaar in Afrika levend zoogdier, Hippopotamus amphibius
ιπποπόταμος
pronoun
Ναϊμέχεν
noun
1. Chemisch element
νικέλιο
noun
  1. 1. wezen dat rivieren, bossen enz. bewoont
  2. 2. bekoorlijk meisje
  3. 4. insect in de tweede toestand van gedaanteverwisseling
νύμφη
adverb
1. op geen enkel moment
ποτέ
/niˈjobijʏm/
noun
1. Chemisch element
νιόβιο
noun
1. de hoogste staat die door de mens bereikt kan worden, en waardoor heiligheid behaald wordt; toestand van volkomen rust
νιρβάνα
noun
1. een verbinding van stikstof waarin dit element in de oxidatietoestand -3 optreedt
νιτρίδιο
pronoun
Νιούε
noun
1. de rang in een hiërarchie, stadium van ontwikkeling, enzovoort
επίπεδο
verb
1. gelijk maken, op gelijk niveau brengen
ισοπεδώνω
noun
1. scheikundig element
νομπέλιο
noun
1. een jaarlijkse geldprijs voor wetenschappers en anderen die een opmerkelijke prestatie hebben geleverd
βραβείο Νόμπελ
conjunction
ούτε
/'no.dəx/
adjective
1. waar behoefte aan is
απαραίτητος
verb
  1. 1. met een naam aanduiden
  2. 2. vermelden door het uitspreken van de naam
λέω
noun
1. het getal onder de streep van een breuk
παρονομαστής
noun
νομάδας
noun
νομενκλατούρα
noun
αναγόρευση
noun
1. een eerste van de 8 naamvallen van de Indo-Europese talen
  1. Ονομαστική
  2. ονομαστική
/nɔn/
noun
inwoonster van een vrouwenklooster
μοναχή
noun
1. nonius
βερνιέρος
/ˈnɔŋkəɫ/
noun
1. broer of zwager van iemands vader of moeder
μπάρμπας
noun
ανάγκη
noun
1. datgene wat het toeval iemand doet overkomen
μοίρα
noun
κατάσταση έκτακτης ανάγκης
noun
1. noodzakelijke verdediging van zichzelf of iemand anders, diens eerbaarheid of bezittingen
αυτοάμυνα
adjective
1. erg nodig
απαραίτητος
/ˈnoːit/
adverb
1. op geen enkel moment
ποτέ
/noːr/, /no̝ːr/
noun
1. een inwoner van Noorwegen
Νορβηγός
/nɔːrt ˈafrɪkɑ/, /nɔːrt ˈɑfrɪkɑ/
pronoun
gedeelte van het Afrikaanse continent ten noorden van de Sahara
Βόρεια Αφρική
pronoun
het continent dat ten noorden van [[Zuid-Amerika]] ligt, tussen de Grote, Arctische en de Atlantische Oceaan
Βόρεια Αμερική
/noːrd.ˈbra.bɑnt/, /no̝ːrd.ˈbra.bɑnt/, /ˌnoːrd.bra.bɑnd/
pronoun
1. een provincie in het zuiden van Nederland, die aan Gelderland, Limburg, Zeeland, Zuid-Holland en België grenst
Βόρεια Βραβάντη
pronoun
het noordelijk deel van Europa
Βορειά Ευρώπη
/noːrt.ˈɦɔ.lɑnt/, /no̝ːr.ˈtɔ.lɑnt/, /ˈnoːrd.hɔ.lɑnd/
pronoun
1. een provincie in het noordwesten van Nederland, ...
Βόρεια Ολλανδία
/ˈɛlzɑs/
pronoun
1.
Βόρεια Ιρλανδία
pronoun
1. regio van Finland
Βόρεια Καρελία
/ˌnoːrt koˈre.ja/, /ˌno̝ːrt koˈre.ja/
pronoun
1. een land in Oost-Azië, officieel de Democratische Volksrepubliek Korea
Βόρεια Κορέα
pronoun
1.
Βόρεια Μακεδονία
pronoun
1. Australisch territorium gelegen in het noorden van het land
Βόρεια Επικράτεια
noun
1. windrichting
βορράς
pronoun
Βόρειο Νησί
noun
1. sterrenbeeld, bestaande uit zeven sterren die in een halve cirkel staan
Βόρειος Στέφανος
pronoun
1. Noordpool
Βόρειος Πόλος
/ˈnoːrdzeː/, /ˈnoːrtseː/, /ˈno̝ːrtse/
pronoun
1. zee tussen Groot-Brittannië, Noorwegen, Denemarken, Duitsland, Nederland en België
Βόρεια Θάλασσα
/noːrs/, /no̝ːrs/
adjective
1. betreffende Noorwegen en/of het Noors
  1. νορβηγικός
  2. νορβηγικά
/noːrs/, /no̝ːrs/
pronoun
1. de taal die wordt gesproken in Noorwegen
  1. νορβηγικά
  2. νορβηγικός
/ˈnoːrˌweɣə(n)/, /ˈnoːrˌβ̞eɣə(n)/, /ˈno̝ːrˌʋeχə(n)/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa
Νορβηγία
/noːt/
noun
  1. 1. (kookkunst) eetbaar, oliehoudend zaad, kern of pit met harde dop
    καρύδι
  2. 3. (muziek) een geluid van zekere tijdsduur
    νότα
noun
2. gepeld zaad van de nootmuskaatboom Myristica fragrans
μοσχοκαρυδιά
noun
κριτήριο
/nɔrˈmaɫ/
adjective
2. als norm dienend
κανονικός
noun
1. in overeenstemming brengen met een norm
κανονικοποίηση
noun
κανονικότητα
adverb
1. in het normale geval
κανονικά
/nɔrˈmɑndɪə/
pronoun
1. streek in het noorden van Frankrijk
Νορμανδία
noun
1. de studie van het ontstaan en verloop van ziekten
νοσολογία
noun
νοσταλγία
noun
1. jurist die bevoegd is om authentieke akten op te maken
συμβολαιογράφος
noun
σημειογραφία
noun
καρυοθραύστης
verb
1. aantekeningen maken
επισημειώνω
noun
1. een verslag van een bijeenkomst
πρακτικά
noun
1. de elfde maand van het jaar
  1. Νοέμβριος
  2. Νοέμβρης
adverb
1. op het huidige tijdstip
τώρα
/nɵxtər/
adjective
1. niet onder de invloed van iets bedwelmends, vooral alcohol
εγκρατής
/nykleʏs/
noun
1.
πυρήνας
noun
1.
γυμνισμός
/nɵl/
cardinalNumeral
1. getal
μηδέν
/ˈnumeɾi/
pronoun
Αριθμοί
adjective
1.
αριθμητικός
/ˈnʏmər/
abbreviation
1. een aanduiding met een getal
  1. νούμερο
  2. αριθμός
noun
1.
νούντσιος
/nʏt/
noun
1. baat, voordeel
χρησιμότητα
adjective
χρήσιμος
pronoun
1.
Νουούκ
adjective
νάιλον
/o'azə/
noun
1. plek in een woestijn waar water voorhanden is en vegetatie groeit.
όαση
/oˈbɑtja/
pronoun
2. boek in de Bijbel
Οβδιού
noun
1. een bediende in een restaurant of café
Σερβιτόρος
noun
1. vetzucht
παχυσαρκία
/ˈɔpjɛkt/
noun
  1. 1. voorwerp
  2. 2. grammaticaal voorwerp
  3. 3. filosofische entiteit en 4. informaticacomponent
αντικείμενο
noun
1. lens
αντικειμενικός
adjective
αισχρός
verb
1.gericht via de zintuigen van iets kennis nemen
παρατηρώ
noun
1. (muziekinstrument) een fluit die veelal gemaakt wordt van gebakken klei
οκαρίνα
pronoun
1. een taal die in het zuiden van Frankrijk gesproken wordt
  1. οσιτανικά
  2. οξιτανικά
noun
1.
αποκρυφισμός
noun
1. een zeer grote zee tussen verschillende werelddelen
ωκεανός
adjective
1.
ωκεάνιος
/oseˈjani.jə/, /oseˈjaːni.jə/
pronoun
1. de collectieve naam voor een groot aantal eilanden in de Stille Oceaan...
Ωκεανία
noun
1. bepaald soort zoogdier, Leopardus pardalis
αιλουρότιγρη
noun
1. eerste deel van de dag, tussen ca. 6.00 en 12.00 uur
πρωί
noun
1,2,3. toontrap, interval en toonhoogtereeks
οκτάβα
noun
1. C₈H18
οκτάνιο
noun
1. achtarmige inktvis
χταπόδι
noun
1. machtiging om een bepaalde tijd als enige, met uitsluiting van anderen, van een uitvinding te kunnen profiteren
ευρεσιτεχνία
adjective
1. met betrekking tot het oog
οφθαλμικός
noun
1. lens waar men inkijkt
οφθαλμικός
noun
1. een slavin of concubine in de harem van de Turkse sultan
οδαλίσκη
noun
Ωδή
pronoun
Οδησσός
noun
οδομετρία
noun
1. (medisch) waterzucht
οίδημα
verb
1. proberen zonder fouten uit te voeren
κάνω εξάσκηση
noun
1. test om de kennis te peilen
άσκηση
/u.'ɣɑn.da/, /u.'χɑn.da/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika, officieel de Republiek Oeganda
Ουγκάντα
noun
1.
μπούφος
/ukraˈɦins/, /ukraˈʔins/
pronoun
1. een Slavische taal die in Oekraïne gesproken wordt
  1. ουκρανικά
  2. ουκρανικός
/ukraˈɦinsə/, /ukraˈʔinsə/
noun
1. een inwoonster van Oekraïne
Ουκρανή
/ukraˈɦinə/, /ukraˈʔinə/
pronoun
1. een land in Oost-Europa met als hoofdstad Kiev
Ουκρανία
/ˌenoloˈɣi/
noun
1. de wetenschap van de wijnbereiding
οινολογία
/ˈuːrknɑl/
noun
1. de volgens de bigbangtheorie enorme explosie waaruit het heelal zo'n 13,7 miljard jaar geleden zou zijn ontstaan
Μεγάλη Έκρηξη
/ˈuː.rɔs/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Bos primigenius
ούρος
noun
ζούγκλα
noun
1. tweekleppig weekdier uit de familie Ostreidae met onregelmatige schelpkleppen
στρείδι
noun
1. een vrouwelijk hormoon
οιστρογόνο
noun
1. waterkant
όχθη
pronoun
1. een taal die verwant is aan het Turks en die door de Oezbeken gesproken wordt
ουζμπεκικά
/us.ˈbe.kɪ.stɑn/, /uz.ˈbe.kɪ.stɑn/
pronoun
1. een land in centraal Azië, officieel de Republiek Oezbekistan, dat geheel door land wordt omsloten
Ουζμπεκιστάν
conjunction
1. keuze
  1. ή
  2. είτε
adjective
1. aanvallend
επιθετικός
noun
1.
επιθετικός
noun
1. een gave aan een godheid
θυσία
verb
1. wijden aan
θυσιάζω
adjective
1. erkend door bevoegd gezag
επίσημος
adjective
ανεπίσημος
noun
1. de tak van de medische wetenschap die zich met het oog en het zicht bezig houdt
οφθαλμολογία
noun
1. een scheikundig element met het symbool Og en het atoomnummer 118
ογκανέσσιο
noun
1. Een bepaald tijdstip
στιγμή
noun
1. ohm
ωμ
noun
1. groot zoogdier dat nauw verwant is aan de giraffe
οκάπι
noun
1. een mineraal dat als gele of oranje kleurstof gebruikt wordt
ώχρα
pronoun
1. een van de vijftig deelstaten van de Verenigde Staten van Amerika.
Οκλαχόμα
noun
μπάμια
noun
1. holte tussen de arm en de romp
μασχάλη
noun
1. de tiende maand van het jaar
  1. Οκτώβριος
  2. Οκτώβρης
interjection
1. goed, in orde
εντάξει
adjective
1. betrekking hebbend op het reukzintuig
οσφρητικός
noun
1. vettige vloeistof
  1. λάδι
  2. έλαιο
noun
1. fabriek waar ruwe aardolie wordt verwerkt tot aardolieproducten
διυλιστήριο πετρελαίου
noun
1. groot dikhuidig en veelhoevig zoogdier met een lange slurf
ελέφαντας
noun
ολιγαρχικός
noun
ολιγαρχία
/ˌoliɣoˈsen/
noun
Ολιγόκαινο
noun
1. stof met beperkt aantal gelijke delen
ολιγομερές
noun
ολιγοπώλιο
/oˈlɛɪf/, /oˈlɛːf/
noun
1. een vrucht van de olijfboom
ελιά
noun
1. bepaald soort boom, Olea europaea
  1. ελιά
  2. ελαιόδεντρο
/oˈlɛɪ̯fkløːrɪx/, /oˈlɛɪ̯fklʏːrəχ/, /oˈlɛːfkløːrəx/
adjective
1. de kleur van olijven hebbend
  1. κιτρινοπράσινο
  2. λαδί
  3. σταχτοπράσινο
noun
1. fijne spijsolie verkregen door persing uit olijven
  1. ελαιόλαδο
  2. λάδι
noun
  1. 1.
  2. 2.
  3. 3.
ολυμπιάδα
adjective
ολύμπιος
adjective
1. verband houdend met de Olympische Spelen
ολυμπιακός
/o.ˌlɪm.pi.sə.ˈspe.lə(n)/
pronoun
1. een vierjaarlijks sportevenement dat zijn oorsprong in de stad Olympia in de Griekse landstreek Elis heeft
Ολυμπιακοί Αγώνες
pronoun
1. evenement dat eens in de vier jaar wordt gehouden waarbij allerlei wintersporten competitief beoefend worden
Χειμερινοί Ολυμπιακοί Αγώνες
pronoun
Όλυμπος
noun
1. moeder van een ouder
  1. γιαγιά
  2. μάμμη
/o.ˈman/, /ˈo.mɑn/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel het Sultanaat Oman
Ομάν
verb
1. de armen om iemand heen slaan
ασπάζομαι
/ɔm.'dɑt/
conjunction
1. geeft onderschikkend een reden aan
διότι
noun
ωμέγα
noun
1. een gerecht dat bereid wordt door geklutste eieren te bakken
ομελέτα
noun
1. de nabijheid
περιβάλλον
verb
1. de armen om iemand slaan
  1. ασπάζομαι
  2. αγκαλιάζω
/ˈɔmkopə(n)/
verb
1. (iemand ~) met behulp van geschenken, geld e.d. overhalen om van zijn plicht, partij, overtuiging te verzakent
δωροδοκώ
adverb
1. in neerwaartse richting
κάτω
noun
κυκλοφορία
noun
1. iets dat totaal anders is geworden
αλλαγή
noun
1. alleseter, zowel plantaardig als dierlijk voedsel
παμφάγος
noun
1. de lengte van een gesloten kromme
περίμετρος
verb
2. een einde maken aan een bewind
ανατρέπω
noun
1. het afzetten van een regering, overheid of regime
υπονόμευση
noun
  1. 1. politieke revolutie
  2. 2. algemene grootscheepse verandering
  3. 3. volledige draaiing
περιστροφή
noun
1.
πρόληψη
prefix
1. toegevoegd aan een bijvoeglijk naamwoord drukt dit voorvoegsel het tegendeel uit.
  1. α-
  2. αντι-
adjective
1. geen verbinding hebbend met
ανεξάρτητος
noun
διακήρυξη ανεξαρτησίας
adjective
1. niet mogelijk om te kunnen veranderen of vermijden
αναπόφευκτος
adverb
1. niet of zeer moeilijk te begrijpen, rationeel niet te volgen, onlogisch
ακατανόητος
adjective
1. van delen van het lichaam dat er geen haar op zit, dat het niet met haar bedekt is
σπανός
adjective
1. niet behorend tot de kennis
άγνωστος
noun
1. gedrag dat schaamte op zou moeten roepen maar het bij die persoon niet doet
αδιαντροπιά
adjective
απερίγραπτα
adjective
1. niet te vertrouwen
αναξιόπιστος
adjective
αναποδείξιμος
adjective
1.
ακατοίκητος
adjective
ακατοίκητος
noun
1. een medisch specialist die zich bezighoudt met de gezwelgroei, in het bijzonder met kanker
ογκολόγος
adjective
1. zonder erkentelijk te zijn voor ontvangen hulp of producten
αγνώμων
preposition
  1. 1. ook al is het zo dat
  2. ondanks dat
παρά
/ˈɔn.dər/
preposition
1. niet gesorteerd
κάτω από
/ˌɔndərˈɑrṃ/
noun
1. gedeelte van de arm tussen de elleboog en de hand
πήχης
/ɔn.dər.ˈbre.kɪŋ/, /ɔn.dər.ˈbreː.kɪŋ(g)/
noun
1. een tijdelijk staken van activiteit door een onverwachte gebeurtenis
διακοπή
noun
1. kledingstuk dat onder de gewone broek wordt gedragen
σώβρακο
noun
υποτελής
/ˌɔndərˈdanəx/
adjective
1. gehoorzaam aan een leider
υποτακτικός
noun
2-3.
παρακμή
noun
1.
υπογένος
/ˈɔn.dər.ˌɣud/, /ˈɔn.dər.ˌɣut/, /ˈɔn.dər.ˌχut/
noun
1. kleding die direct op het lichaam gedragen wordt, doorgaans nog onder andere kleding
εσώρουχο
adjective
λαθραίος
verb
1. overleggen om tot een afspraak te komen
διαπραγματεύομαι
/ɔndər'ɦɑndəlɪŋ/
noun
1. een proces van overleg waarbij partijen trachten tot een voor beiden aanvaardbare afspraak te komen
διαπραγμάτευση
noun
1. handelingen verricht om iets in goede staat te houden.
συντήρηση
noun
1. de onderste kaak
κάτω γνάθος
noun
κάτω χείλος
noun
1.
εργολάβος
noun
επιχειρηματικό σχέδιο
noun
1. de onderste delen van de rug; lumbale wervelkolom
μέση
verb
1. iets kleiner of van kleiner belang inschatten dan het in werkelijkheid blijkt
υποτιμώ
verb
1. een verschil in aanmerking nemen
διακρίνω
noun
2.
υποείδος
verb
1. een streep onder een woord of passage zetten
υπογραμμίζω
verb
υπογράφω
noun
1. een geschreven vertaling die bij een film(pje) in beeld wordt gebracht
υπότιτλος
verb
υποδιαιρώ
noun
1. het relatief weinig voorkomen van bepaalde delen van de bevolking in bepaalde functies
υποεκπροσώπηση
/ˌɔndərˈwɛx/, /ˌɔndərˈʋɛχ/, /ˌɔndərˈβ̞ɛx/
adverb
1. bezig zijn zich van plek A naar plek B te verplaatsen
καθ' οδόν
noun
  1. 1. waar iets over gaat, een thema
    1. θέμα
    2. υποκείμενο
  2. 2. zinsdeel waarnaar de persoonsvorm zich richt en dat bijv. de handelende persoon of zaak beschrijft
    1. υποκείμενο
    2. θέμα
noun
1. de voorziening van opleidingen
  1. Εκπαίδευση
  2. εκπαίδευση
noun
1. iemand die lesgeeft
Διδασκαλία
noun
υποβρύχιο
/ɔndərˈzes/
adjective
υποβρύχιος
noun
1. een vaartuig dat onder het wateroppervlak kan varen
υποβρύχιο
/ɔndər'zuːk/
noun
1. het onderzoeken van iets
έρευνα
noun
1. iemand die een onderzoek uitvoert
ερευνητής
adjective
1. niet mis de verstaan, met slechts één betekenis
αναμφίβολος
adjective
1. zonder einde
άπειρο
noun
έριδα
noun
1. het nog niet veel ondervinding hebben
απειρία
adjective
1. Niet deelbaar door twee
μονός
noun
ανυπομονησία
noun
1. het niet opvolgen van opgelegde regels
ανυπακοή
adjective
2. niet onderricht in lezen en schrijven
αγράμματος
/ˌɔnɣəˈlɛi̯k/, /ˌɔnχəˈlɛi̯k/
adjective
1. niet met elkaar overeenstemmend
διάφορος
adjective
  1. 1. onmogelijk om geloof aan te schenken
  2. 2. bijzonder, uitzonderlijk
απίστευτος
noun
1.het niet geloven
δυσπιστία
/ˈɔnɣəˌlɵk/, /ˈɔnɣəˌlʏk/
noun
1. een onvoorziene gebeurtenis met negatieve en soms zelfs fatale gevolgen
ατύχημα
adverb
άβολος
adjective
1. niet gepast, niet geschikt
ακατάλληλος
adjective
1.
άγραφος
noun
2. lichte ziekte
αδιαθεσία
/ɔnɣəvɑl/
noun
1. een ongeluk
ατύχημα
abbreviation
bij benadering
περίπου
adjective
1. zonder verandering
αμετάβλητος
adjective
αόρατος
adjective
1.
αλαγάριστος
adjective
1. niet goed met de handen om kunnen gaan
αδέξιος
adjective
1. zonder mogelijkheid om ongedaan gemaakt te worden
αμετάκλητος
adjective
1. helemaal niet boeiend; niet belangwekkend; niet de moeite waard om over na te denken
αδιάφορος
adjective
1. niet vatbaar voor omkoping en corruptie
αδιάφθορος
noun
1. planten die voorkomen op plekken waar ze niet gewenst zijn
ζιζάνιο
phraseologicalUnit
1. het slechte is moeilijk uit te roeien
ψόφος
noun
1. gif of andere methode om planten die op de verkeerde plaats staan uit te roeien
ζιζανιοκτόνο
adjective
1. niet te verwezenlijken
αδύνατος
noun
1. iets dat niet kan gebeuren
αδυναμία
/ˌonomatoˈpe/
noun
1. door klanknabootsing gevormd woord
ονοματοποιία
adjective
1.
αναντικατάστατος
/ˌɔnɔntˈsɛɪ̯fərbar/, /ˌɔnɔntˈsɛːfərbar/
adjective
1. niet de eigenschap bezittend qua betekenis geduid te kunnen worden
δυσερμήνευτος
adjective
1.
αξεδιάλυτος
noun
1. een werkwoord dat niet vergezeld kan worden door een lijdend voorwerp of een meewerkend voorwerp in een zin
αμετάβατο ρήμα
adjective
1.van iets of iemand dat er nog nooit een betere is geweest
απροσπέραστος
adjective
αήττητος
adjective
niet partijdig , niet bij een bepaalde stelling of kant aansluiten
αμερόληπτος
noun
1. schadeverwekkende inbreuk op een zorgvuldigheids- of rechtsnorm waardoor burgerrechtelijke aansprakelijkheid ontstaat
αδικοπραξία
noun
1. niet-verplaatsbare zaak, bijv. grond, delfstoffen, beplantingen en opstallen
ακίνητη περιουσία
possessivePronoun
1. van de 1e persoon meervoud
μας
/ɔnˈsxʏɫdəx/
adjective
1. niet schuldig
αθώος
adjective
αθάνατος
noun
1. de eigenschap niet te zullen sterven
αθανασία
adjective
1. moeilijk in toom te houden
χειμαρρώδης
noun
1. de mate waarin men op een wilde manier enthousiast is
ορμητικότητα
noun
1. eerste maaltijd van de dag
  1. πρωΐνό
  2. πρωινό
verb
1. de eerste maaltijd van de dag nuttigen
προγευματίζω
noun
αποψίλωση
verb
1. niet aanwezig zijn terwijl dit wel zou moeten of verwacht wordt
χάνω
/ɔntˈsɛɪ̯fərə(n)/, /ɔntˈsɛːfərə(n)/
verb
1. qua betekenis duiden
αποκρυπτογραφώ
/ɔnˈdɛ.kə(n)/
verb
1. ergens achter komen
ανακαλύπτω
noun
1. het vinden van iets nieuws
ανακάλυψη
noun
απαλλοτρίωση
adjective
αναρίθμητος
verb
1.
αποκληρώνω
/ɔntəˈvredənɦɛɪt/
noun
1. het gevoel niet genoeg te hebben en onvoldaan te zijn
δυσαρέσκεια
verb
1. iemand doden door het hoofd van de romp te scheiden
αποκεφαλίζω
/ɔnt'ɦɑʊdɪŋ/
noun
1. het bewust niet een gewoonte of behoefte volgen
εγκράτεια
/ɔntˈɦɵlə(n)/, /ɔntˈɦʏlə(n)/
verb
  1. 1. van het hulsel ontdoen
  2. 2. openbaren van onbekende feiten
αποκαλύπτω
verb
1. verklaren dat het gestelde niet waar is
αρνούμαι
verb
αποφορτίζω
verb
1. anatomiseren, analyseren
ανατέμνω
noun
ανατομία
verb
1. een geheel dusdanig in delen uiteennemen dat het niet meer als geheel fuctioneert
αποσυναρμολογώ
verb
1. de moed ontnemen
αποθαρρύνω
adjective
1. van iets dat je daardoor de hoop verliest
αποθαρρυντικός
noun
αποθάρρυνση
verb
1. terugbrengen uit een waan of roes
ξεμεθώ
noun
έκρηξη
verb
1. arbeidsovereenkomst beëindigen
απολύω
/ɔnt'slɑx/
noun
  1. 1. het verbreken van het dienstverband met een werknemer
  2. 2. beëindiging van een ziekenhuisopname
απόλυση
verb
1. aan gevangenschap, dreigende gevangenneming of ander gevaar ontkomen
δραπετεύω
verb
1.
φυτρώνω
/ɔnt.ˈstan/
verb
1. de verandering ondergaan van niet bestaan naar wel bestaan
ανακύπτω
noun
1. (medisch) ontsteking
φλεγμονή
/ɔn'tronə(n)/
verb
1. iemand van de macht beroven
εκθρονίζω
/ɔntʌxt/
noun
1. seks die tegen de heersende moraal ingaat
ασέλγεια
/ɔndˈvaŋ(g)ə(n)/, /ɔntfɑŋə(n)/
verb
  1. 2. het op bezoek krijgen van gasten
    δέχομαι
  2. 1. het verkrijgen van zaken zoals loon en berichten
    λαμβάνω
adjective
εύφλεκτος
noun
1. het, tegen iemands zin, wederrechtelijk verplaatsen van een persoon
απαγωγή
verb
ξεμπερδεύω
/ɔntˈʋɛrpə(n)/
verb
1. bedenken en uitwerken op papier
σχεδιάζω
/ɔntʋɪkələ(n)/
verb
  1. 1. iets ~ een aanwezige aanleg tot bloei brengen
  2. 3. een film ~ het latente beeld van een belicht fotografisch materiaal chemisch zichtbaar maken
  3. 4. ontwerpen en uitvoeren op basis van onderzoek
  4. 2. zich ~ tot geleidelijk iets worden
αναπτύσσω
noun
1. geleidelijke verandering in een zekere richting
ανάπτυξη
verb
εξαρθρώνω
noun
1.
αφαλάτωση
adjective
1.
αμετάβλητος
adjective
ανεύθυνος
/ɔnvərˈbœxbaːr/, /ɔnvərˈbœyxbaːr/
adjective
1. onmogelijk te verbuigen
άκλιτος
adjective
1. niet te vergelijken
ασύγκριτος
adjective
1.
αξέχαστος
adjective
αναπόφευκτος
/ɔnvɛrˈsxɪləɣˌɦɛit/
noun
1. houding waarbij men zich niets aantrekt van omstandigheden en de opvattingen van anderen
αδιαφορία
adjective
1. van een drank: zonder toevoegingen van mindere kwaliteit
αμιγής
adjective
1. niet in de doeltaal omgezet
αμεταγλώττιστος
adjective
1. niet van tevoren zien aankomen
απροσδόκητος
adverb
αναπάντεχα
/ˌɔn.vərˈʋust.bar/, /ˌɔn.vərˈβ̞ust.bar/
adjective
1. niet stuk te krijgen, buitengewoon robuust
άφθαρτος
noun
μετοχή του ενεστώτα
noun
παρατατικός
noun
1. het zo jong zijn dat men nog niet meerderjarig is
ανωριμότητα
adjective
1. bij verrassing optredend
  1. απρόβλεπτος
  2. απρόοπτος
adjective
άγονος
adjective
1. een geringe kans bezittend om waar te worden of te blijken
απίθανος
/ɔnʋɪːr/
noun
1. meteorologisch verschijnsel waarbij regen gepaard gaat met donder en bliksem
καταιγίδα
adjective
ακαταμάχητος
pronoun
1. christelijk gebed
Κυριακή προσευχή
adjective
αόρατος
noun
1.
αναισθησία
/ɔn'zɛidəx/
adjective
ουδέτερος
/ox/, /oːx/, /oχ/
noun
1. gezichtsorgaan voor het waarnemen van lichtprikkels
  1. μάτι
  2. οφθαλμός
noun
οφθαλμίατρος
noun
1. ooggetuige
αυτόπτης μάρτυρας
noun
οφθαλμικός κόγχος
/ˈoχ.lɪt/
noun
1. een beschermend vlies van huid dat over de ogen bewogen kan worden
βλέφαρο
verb
1. het van het land halen van het rijpe gewas
σοδειά
verb
1. het volgroeide gewas van het veld halen
θερίζω
noun
1. vrouwelijk schaap
  1. προβατίνα
  2. αρνάδα
noun
1. bepaald soort grote witte vogel met zwarte vleugelranden en rode poten, Ciconia ciconia
  1. πελαργός
  2. λελέκι
/oːɪt/
adverb
  1. 1. op een zeker tijdstip in het verleden
    κάποτε
  2. 2. een mogelijk tijdstip in de toekomst
    ποτέ
/oːk/
adverb
1. daarnaast; verder; tevens
  1. επίσης
  2. και
noun
1. broer of zwager van iemands vader of moeder
θείος
/oːr/
noun
1. het lichaamsdeel waarmee geluiden kunnen worden gehoord
  1. αυτί
  2. αφτί
noun
1. een ornament dat in of op het oor aangebracht wordt
σκουλαρίκι
/ort/
noun
1. een bepaalde plaats
τόπος
noun
κρίση
noun
1. klein voorwerp om de gehoorgang te blokkeren zodat je niet door lawaai gehinderd wordt
ωτασπίδα
noun
1. een gewapende strijd tussen twee of meer bevolkingsgroepen en/of tussen twee of meer landen
πόλεμος
noun
1. een daad in tijd van oorlog die het oorlogsrecht of -gebruik schendt
έγκλημα πολέμου
/ 'orlɔxsmɪsdadəxər/
noun
1. iemand die een oorlogsmisdaad pleegt of heeft gepleegd en daarvoor individueel aansprakelijk gesteld...
εγκληματίας πολέμου
noun
μνημείο του αγνώστου στρατιώτη
noun
πολεμικό πλοίο
/'orlɔxsfərklarɪŋ/
noun
1. een officiële mededeling van een land dat het oorlog gaat voeren
κήρυξη πολέμου
/ˈorɔntˌstekɪŋ/
noun
1. een ontsteking van het oor
ωτίτιδα
/orsxɛlp/, /o̝rsχɛɫp/
noun
1. het uit het hoofd stekende deel van een oor
πτερύγιο ωτός
noun
προέλευση
adjective
1. zoals het in begin was
αρχικός
adverb
ανατολή
pronoun
Ανατολική Ασία
pronoun
1.
Ανατολικό Βερολίνο
pronoun
Ανατολική Γερμανία
pronoun
Ανατολική Ευρώπη
/os.ˈti.mɔr/
pronoun
1. een land in Zuidoost-Azië, bestaande uit een gedeelte van het eiland Timor en de kleinere eilandjes Atauro en Jaco in het geheel
  1. Ανατολικό Τιμόρ
  2. Ανατολικό Τίμορ
adjective
ανατολικός
/ˈostə(n)/
noun
1. een van de windstreken, die op landkaarten overeenkomt met de rechterkant
ανατολή
pronoun
1. een gemeente in de Belgische provincie West-Vlaanderen
Οστένδη
/ˈostə(n)ˌrɛɪ̯k/, /ˈoːstə(n)ˌrɛɪ̯k/, /ˈoːstə(n)ˌrɛːk/
pronoun
1. een republiek in Midden-Europa grenzend aan Zwitserland en Liechtenstein in het westen, aan Duitsland...
Αυστρία
/ˈo.stə.ˌrɛɪ̯.kər/, /ˈo.stə.ˌrɛː.kər/, /ˈos.tə(n).ˌrɛɪ̯.kər/
noun
1. een inwoner van Oostenrijk of persoon die de Oostenrijkse nationaliteit bezit
  1. Αυστριακός
  2. Αυστριακή
noun
1. oostelijke zeeoever
ανατολική ακτή
pronoun
1. zee die tussen Zweden en de Baltische staten ligt
Βαλτική Θάλασσα
preposition
  1. 1. aan de bovenkant aanrakend, rustend op
  2. 3. omhoog
πάνω
noun
1. de vader van een ouder
παππούς
/o'pal/
noun
1. een halfedelsteen en een amorfe variëteit van kwarts, SiO₂·nH₂O, gehydrateerd siliciumdioxide met een waterpercentage van soms wel 20%
οπάλι
/ˈɔˌbɛlə(n)/
verb
1. iemand telefonisch proberen te bereiken
καλώ
/'ɔp.bla.zə(n)/
verb
2. een gas in een uitzetbare ruimte pompen
φουσκώνω
noun
1. een te verrichten werk
εντολή
/ˈoː.pə(n)/
adverb
1. niet gesloten
ανοιχτός
adjective
1. vrij toegankelijk
δημόσιος
noun
1. laatste boek van de Bijbel
Αποκάλυψη
verb
  1. 2. ontsluiten, openmaken wat afsluit of wat gesloten is
  2. 3. openstellen, toegankelijk maken
  3. 1. laten beginnen, in bedrijf brengen
  4. 4. (informatica) een bestand inladen
ανοίγω
/ˈoː.pə(n).ɣaːn/
verb
1. zich openen
ανοίγω
noun
1. een in hoofdzaak gezongen en orkestraal begeleid muziekdrama, gewoonlijk van ernstige aard
όπερα
noun
  1. 1. aantal gecoördineerde acties
  2. 2. een chirurgische ingreep
  3. 3. een bewerking op een object
εγχείρηση
noun
τελεστικός ενισχυτής
noun
1.
οπερέτα
noun
1.
ανασκαφή
verb
1.de tijd tot de volwassenheid doorbrengen
μεγαλώνω
/'ɔpɦɑŋə(n)/
verb
3. aan de galg opknopen
κρεμώ
noun
1. opiumbevattend geneesmiddel
οπιοειδές
noun
1. een steekproefsgewijs onderzoek naar de mening van de bevolking
δημοσκόπηση
noun
1. het ingedroogde melksap van de opiumpapaver of slaapbol (Papaver somniferum), een pijnstillend, verdovend en verslavend middel
όπιο
verb
1. zorgen dat iemands stemming verbeterd
ενθαρύνω
noun
2. de mate waarin de kiesgerechtigden gebruik maken van hun stemrecht in een verkiezing
συμμετοχή
noun
εκπαίδευση
verb
1. bij voortduring aandachtig zijn
προσέχω
verb
    1. 1. een homogeen mengsel gaan vormen
    2. 2. een homogeen mengsel doen vormen
    διαλύομαι
  1. 3. een probleem ophelderen
    λύνω
noun
1. een mengsel
  1. διάλυμα
  2. λύση
noun
1.het gevoel bevrijd te zijn van iets dat dreigde
ανακούφιση
verb
1. bemerken, waarnemen
παρατήρηση
/'ɔpnam(ə)/
noun
2. geluid
ηχογράφηση
verb
7. (beeld, geluid) registreren, vastleggen
γράφω
/ˈɔpniu/
adverb
1. nog een keer, een vorige gebeurtenis herhalend
ξανά
pronoun
Άνω Βόλτα
noun
1. bot in de bovenarm
βραχιόνιο οστό
/ɔpər'vlɑkəx/
adjective
  1. 1. niet diepgaand of niet grondig
  2. 2. zich aan de oppervlakte bevindend
αβαθής
noun
2. uitgebreidheid
εμβαδό
adjective
1. de waarheid sprekend
ειλικρινής
/ˈɔprɔlə(n)/
verb
  1. 1. zich ~, tot een rol vormen
  2. 2. ergens een rol van maken
τυλίγω
verb
3. iets in orde brengen, netjes maken
  1. συμμαζεύω
  2. τακτοποιώ
noun
απαρίθμηση
verb
  1. 1. gaan staan
  2. 2. het bed verlaten
σηκώνομαι
/ˈɔpstɑnt/
noun
1. een massale, vaak gewelddadige, poging het heersende gezag af te schudden
εξέγερση
/ˈɔpstɛːɣə(n)/, /ˈɔpstɛːɪχə(n)/
verb
1. in de lucht stijgen
απογειώνω
verb
1. nauwkeurig omschrijven en schriftelijk vastleggen zodat men het later nog kan raadplegen
αναγράφω
verb
1. bij elkaar tellen; het samenvoegen van twee of meer termen tot een totaal, de som genoemd
αθροίζω
noun
οπτική
noun
1. iemand die kundig is in de optica
οπτικός
verb
1. met spierkracht iets van de grond opheffen
εγείρω
noun
1. de verwachting dat gebeurtenissen gunstig gaan uitvallen
αισιοδοξία
noun
1. iemand die alles van de positieve kant beschouwt
αισιόδοξος
adjective
1. van het positieve uitgaand
αισιόδοξος
adjective
προαιρετικός
verb
ανατρέφω
noun
1. het proces waarin iemand wordt gevormd naar de normen van diens opvoeders, en daarmee meestal de samenleving waarin hij leeft
ανατροφή
verb
  1. 2. iemands functie overnemen
  2. 1. uitvoeren wat een ander aangeraden of bevolen heeft
ακολουθώ
noun
1. iemand die een ambt bekleedt na iemand anders
διάδοχος
verb
  1. 3. in staat van agitatie brengen
    διεγείρω
  2. 2. draaiend onder spanning zetten
    κουρδίζω
verb
  1. 1. in hoog aanzien hebben, van hogere status achten
  2. 2. iets met angst en vrees bekijken
φοβάμαι
adjective
1. met betrekking tot de mond
προφορικός
noun
1. mensaap met lange armen en roodbruinachtig haar
ουρακοτάγκος
adjective
1. de kleur oranje hebbend
  1. πορτοκαλί
  2. πορτοκαλής
noun
1. bepaald soort vlinder, Pyronia tithonus
αμαρυλλίδα
noun
1. de witte bloemen van de sinaasappelboom
άνθος πορτοκαλιάς
noun
1. plant van de talrijke orchideeënfamilie, m.n. benaming voor de kleurrijke bloemen
ορχιδέα
noun
  1. 3. (biologie) een groep verwante organismen, onderdeel van een klasse en bestaande uit families
  2. 1. gewenste regelmaat
  3. 2. een hiërarchische organisatie
σειρά
/ɔrdoˈvisijʏm/
noun
Ορδοβίκια
noun
  1. 1. Origanum vulgare
    ρίγανη
  2. 2. keukenkruid
    1. ρίξανη
    2. ρίγανη
noun
1. Onderdeel van het organisme
όργανο
noun
1.
οργανόγραμμα
/ˌɔrɣɑniˈzasi/, /ˌɔrχɑniˈzaʦi/
noun
    1. 1. het organiseren
    2. 2. de manier waarop iets georganiseerd is
    1. οργάνωση
    2. οργανισμός
  1. 3. een groep die een bepaald doel of of bepaalde rol heeft
    1. οργανισμός
    2. οργάνωση
pronoun
Οργανισμός Οικονομικής Συνεργασίας και Ανάπτυξης
pronoun
Οργανισμός για την Ασφάλεια και τη Συνεργασία στην Ευρώπη
noun
1. iemand die organiseert of die organisatietalent heeft
  1. διοργανωτής
  2. διοργανώτρια
  3. οργανωτής
/ɔr.ˈɣa.nɪs/, /ɔr.ˈχa.nɪs/
adjective
  1. 1. met betrekking tot een orgaan of de organen
  2. 2. koolstof bevattend
  3. 3. niet werkend met of vervaardigd kunstmatige stoffen
οργανικός
/ˌɔrɣɑniˈzeːrə(n)/, /ˌɔrχɑniˈzɪːrə(n)/
verb
  1. 1. een bepaalde structuur aanbrengen
  2. 2. iets, vaak een evenement, tot stand brengen
οργανώνω
noun
1. een afzonderlijk en volledig levend wezen dat voor zijn voortbestaan afhankelijk is van zijn eigen metabolisme en bestaat uit verschillende organen
οργανισμός
adjective
1. werking op een orgaan uitoefenend
οργανοληπτικός
/ˈɔrɣəɫ/
noun
1. een muziekinstrument dat bestaat uit meerdere losse pijpen waardoor lucht stroomt op een labium en dat ingedeeld wordt bij de aerofonen
όργανο
/ˈɔrxi/
noun
όργιο
adjective
  1. 1. enige of zeer zeldzaam in zijn soort
  2. 2. gemaakt door de eerste en oorspronkelijke maker
πρωτότυπο
noun
1. voorwerp, gemaakt door de eerste en oorspronkelijke maker, waarvan een of kopieën zijn gemaakt
πρωτότυπο
/ɔrk/
noun
1. fictieve wezentjes die in groepsverband leven en gewoonlijk de vijand van de mensen zijn
ορκ
/ˈɔr.ka/
noun
1. Orcinus orca, een walvissoort die vrij gedrongen van bouw is...
όρκα
noun
1. een bijzonder hevige storm
  1. ανεμοστρόβιλος
  2. κυκλώνας
/ɔrˈkɛst/
noun
1. een groep musici
ορχήστρα
noun
1. de tandheelkunde die gericht is op de vorming van een regelmatig gebit
ορθοδοντική
/ɔrtodɔk'si/
noun
ορθοδοξία
noun
κριθολόγος
noun
1. gecastreerde stier
βόδι
noun
παλμογράφος
noun
1. Chemisch element
όσμιο
pronoun
Οσσετία
/ˈɔstejoˌblɑs/, /ˌɔstejoˈblɑst/, /ˌɔsteoˈblɑst/
noun
1. een cel die bot aanmaakt
οστεοβλάστη
/oˈtitəs/
noun
1.
ωτίτιδα
pronoun
1. de hoofdstad van Canada
Οττάβα
noun
1.1 bepaald soort zoogdier Lutra lutra
  1. βίδρα
  2. ενυδρίδα
/aʊ̯d/, /ɔʊ̯t/, /ʌʊ̯t/
adjective
  1. 1. oud mens, dier
    1. ηλικιωμένος
    2. γέρος
    3. παλιός
  2. 2. oud ding, concept
    1. παλιός
    2. αρχαίος
  3. 3. vorige
    1. πρώην
    2. τέως
/ˈaʊ̯.dər/, /ˈɔʊ̯.dər/, /ˈʌʊ̯.dər/
noun
1. de moeder of vader van een kind
γονέας
adjective
γονεϊκός
/ˈaʊ̯.dərs/, /ˈɔʊ̯.dərs/, /ˈʌʊ̯.dərs/
noun
1. meervoud van het zelfstandig naamwoord ouder
γονείς
adjective
1. niet langer gebruikt of in de mode
παλιομοδίτικος
noun
1. periode van eind september tot half november waarin het nog zomerachtig weer kan zijn
ινδιάνικο καλοκαίρι
pronoun
1. het Frans zoals dat in het noorden van Frankrijk gesproken werd van de 10e tot de 14e eeuw
αρχαία γαλλική
pronoun
1. een nu dode taal die werd gesproken in Griekenland
αρχαία ελληνικά
/ɑʊ̭tɦɛɪ̭t/
noun
1. het tijdperk van de geschiedenis vóór de middeleeuwen
αρχαιότητα
noun
αρχαιολόγος
pronoun
1. de voorloper van het huidige Duits in de periode 700-1050
αρχαία άνω γερμανική
pronoun
1. de Slavische taal die rond de negende eeuw rond Thessaloniki gesproken werd
παλαιά εκκλησιαστική σλαβονική γλώσσα
noun
1. bekende Griekse alcoholische drank
ούζο
/o'val/
adjective
1. in vorm gelijkend op een ei
ωόδης
/o'val/
noun
1. een figuur in de vorm van een ei
ωόδης
/ovə/
noun
1. besloten ruimte die verhit wordt om er voorwerpen in te smelten, te bakken enz.
φούρνος
adverb
2. nog resterend
έμεινα
preposition
    1. 6. meer dan
    2. 4. via, langs
    μέσω
  1. 1. wat betreft
    περί
adverb
1.
παντού
adjective
περιττός
noun
1. excessief verbruik van goederen en/of diensten
υπερκατανάλωση
/ˌovərˈdɑx/
adverb
1. tijdens de uren van de dag
την ημέρα
verb
1. de feiten groter, kleiner, mooier of slechter voorstellen dan ze zijn
υπερβάλλω
noun
1.
υπερβολή
noun
2. een bindende afspraak waarmee alle partijen instemmen
συμβόλαιο
verb
2. in overeenstemming brengen
συμφωνώ
verb
3. veranderen in
γίνομαι
noun
2. het van een toestand in een andere geraken
μετάβαση
noun
1. reeks handelingen die gedaan wordt bij een belangrijke gebeurtenis in het leven
διαβατήρια τελετή
noun
1. een werkwoord dat vergezeld wordt door een lijdend voorwerp in een zin, dat gewoonlijk in de lijdende vorm het onderwerp kan worden
μεταβατικό ρήμα
/'ovərɣavə/
noun
1. het opgeven van de strijd en zich aan de wijand onderwerpen
συνθηκολόγηση
verb
1. braken
  1. ξερνώ
  2. κάνω εμετό
  3. εμώ
noun
1. moeder van de grootvader of van de grootmoeder
προγιαγιά
/ˈovərɣrotˌvadər/
noun
1. een vader van een grootouder
  1. προπαππούς
  2. προπάππος
adverb
κατά πλάτος
/ˌovəˈrɛɪ̯sɔɫ/, /ˌovəˈrɛɪ̯səl/, /ˌovəˈrɛːsəɫ/
pronoun
1. provincie in het oosten van Nederland
Οφεράισσελ
noun
1. een jas die hoofdzakelijk als bescherming van de kleding eronder wordt gedragen
παλτό
noun
εκλιπούσα
noun
1. organisatie waarbij verschillende partijen op een regelmatige basis met elkaar overleggen, onderhandelen en informatie uitwisselen
συμβουλευτικό όργανο
/ˌovərˈlevə(n)/
verb
1. in leven blijven ondanks levensbedreigende omstandigheden of gebeurtenissen
  1. επιβιώνω
  2. επιζώ
noun
1. iemand die een levensbedreigende situatie overleefd heeft
επιζών
adjective
1. buitensporig
υπέρμετρος
adverb
μεθαύριο
verb
1. ergens de nacht doorbrengen
διανυκτερεύω
verb
1. met de wielen van een voertuig over iets of iemand heen rijden
πατάω
verb
1. iets groter of van groter belang inschatten dan het in werkelijkheid blijkt
υπερεκτιμώ
noun
1.
υπερεκτίμηση
noun
έμβασμα
noun
1. seks hebben met een ander dan de echtgenoot of vaste partner
μοιχεία
noun
2. verandering van vervoermiddel
ανταπόκριση
verb
1. doorkruisen om de overzijde te bereiken
διασχίζω
verb
1. het onder water komen staan van een laaggelegen gebied
πλημμυρίζω
/ˌovərˈstromɪŋ/
noun
1. het binnenlopen van water in doorgaans droog gebied
πλημμύρα
noun
1.
υπερτουρισμός
noun
1. een relatief licht strafbaar feit
παράβαση
/ˌo.vər.ˌtrɛ.fən.də.ˈtrɑp/
noun
υπερθετικός βαθμός
verb
1. een denkbeeld doen aanvaarden
πείθω
noun
1. sterke mening of geloof
πεποίθηση
verb
1. een tegenstander of zwakte onder de knie krijgen
νικώ
noun
νίκη
noun
1. toestand dat je het geheel kunt duidelijk overzien
επισκόπηση
noun
1. het gereedkomen van een eicel uit de eierstok.
ωορρηξία
pronoun
Οξφόρδη
noun
oξείδωση
noun
οξείδιο
noun
1. (scheik.) een vorm van zuurstof met drie zuurstofatomen inplaats van twee
όζον
/ozɔnlax/
noun
1. laag in de atmosfeer die veel ozon bevat
οζονόσφαιρα
/ˌooˈsit/
noun
1. een eicel voordat het eerste poollichaampje gevormd wordt
ωοκύτταρο
noun
  1. 3. een doelpaal
    δοκάρι
    1. 1. een langwerpig stuk materiaal dat in de grond staat
    2. 4. (heraldiek) een loodrechte band midden over een wapenschild
    πάσσαλος
noun
2. bepaald soort Europese kleine zangvogel, Saxicola rubetra
καστανολαίμης
/paːr/
noun
  1. 1. twee van een soort die bij elkaar horen
  2. 2. twee geliefden die een relatie hebben
ζευγάρι
/paːrt/
noun
  1. 1. tam hoefdier met manen
    1. άλογο
    2. ίππος
  2. 3. schaakstuk
    1. ίππος
    2. άλογο
noun
  1. 1. en 2. (bladeren of bloemen van) plant Taraxacum officinale
    κοινός δανδελίων
  2. 1. samengesteldbloemige plant Taraxacum officinale
    ταράξακος ο φαρμακευτικός
noun
Κουκιά
/'pardə(n)krɑxt/
abbreviation
maat voor arbeidsvermogen
ιπποδύναμη
noun
  1. 2. haardracht
    αλογοουρά
    1. 1. sporenplant
    2. 3. staart van een paard
    εκουιζέτο
/ˈpardəˌstɑɫ/
noun
1. een stal bedoeld om paarden te huisvesten
σταύλος
/ˈpaːrt.rɛidə(n)/
noun
het rijden op een paard, ter ontspanning of als sportbeoefening
ιππασία
adjective
1. met een kleur tussen rood en blauw
πορφυρός
noun
1. diverse kleurschakeringen tussen blauw en rood.
πορφυρός
noun
  1. 1. ei van chocolade of suiker dat op of omstreeks Pasen gegeten wordt
  2. 2. ter gelegenheid van Pasen gekleurd en versierd kippenei
πασχαλινό
pronoun
Νησί του Πάσχα
noun
πασχαλινό λαγουδάκι
noun
1. de dag die volgt op paaszondag
Δευτέρα του Πάσχα
noun
1. de dag waarop christenen vieren dat Jezus opgestaan is uit de dood, op de derde dag na zijn kruisiging
Κυριακή του Πάσχα
noun
ενοικιαστής
/pɑsiˈfɪsmə/
noun
1. een wereldbeschouwing die duurzame vrede nastreeft en tegen oorlog en geweld is
πασιφισμός
/pɛːt/
noun
  1. 1. een kikker met een gedrongen lichaamsbouw en ruwe huid die een orgaan van Bidder bezit
    φρύνος
  2. 1. een smalle weg of voetweg
    μονοπάτι
noun
1. vruchtlichaam van een doorgaans onder de grond levende schimmel of zwam
  1. μανιτάρι
  2. μύκης
  3. μύκητας
  4. αμανίτης
/paˈeʎa/
noun
1. gerecht
παέγια
noun
σελίδα
/pɑk/
noun
  1. 1. pakket
    δέμα
  2. 3. een stel bovenkleren
    κοστούμι
/ˈpa.kɪ.ˌstɑn/
pronoun
1. een land in het zuiden van Azië grenzend aan India, Afghanistan, Iran en China. De officiële naam is de Islamitische Republiek
Πακιστάν
noun
1. Aziatische groene koolsoort met witte stelen Brassica rapa subsp. chinensis
mποκ τσόι
/palaˈdɛin/
noun
  1. 1. een slaafse aanhanger
  2. 2. een ridder of hofdienaar
ιππότης
/pa.ˈlaʊ̯/, /pa.ˈlɔʊ̯/, /pa.ˈlʌʊ̯/
pronoun
1. een eilandenstaat in Oceanië
Παλάου
noun
1. een aanzienlijk gebouw dat een openbare functie heeft of een (woon)huis voor een staatshoofd is
παλάτι
noun
Παλαιόκαινος
/palejoˈɣen/
noun
1.
Παλαιογενής
/ˈpalejoˌlitikʏm/
noun
1. eerste periode van de steentijd
Παλαιολιθική
adjective
παλαιολιθικός
noun
1. aardkunde die gericht is op de bestudering van fossielen
παλαιοντολογία
/ˌpalejoˈzowikʏm/
noun
Παλαιοζωικός αιώνας
pronoun
Παλέρμο
adjective
1.
παλαιστινιακός
pronoun
Παλαιστίνη
noun
παλέτα
noun
παλίμψηστο
noun
1. een symmetrisch woord dat van links naar rechts gelezen hetzelfde is als van rechts naar links gelezen. Voorbeelden: lepel en parterretrap maar ook kok en lol
καρκινική γραφή
noun
1. bepaald soort langwerpige consumptievis, Anguilla anguilla
χέλι
noun
1. chemisch element
παλλάδιο
noun
  1. 2. binnenzijde van de hand
    παλάμη
  2. 1. (sub-)tropisch gewas
    φοίνικας
noun
φοίνικας
noun
φοινικέλαιο
pronoun
1. de zondag voor Pasen
Κυριακή των Βαΐων
/pɑn/
noun
1. keukengereedschap om in te koken of braden
  1. τηγάνι
  2. ταψί
adjective
1.
πανευρωπαϊκός
noun
1. geneesmiddel dat alle kwalen zou verhelpen
πανάκεια
/ˈpa.na.ma/, /ˈpɑ.nə.ma/
pronoun
1. een land Centraal-Amerika
Παναμάς
pronoun
Διώρυγα Παναμά
noun
2. een gebouw
κτήριο
noun
1. (zoogdieren) een beerachtig dier uit het Himalayagebied
πάντα
/ˌpɑndeˈmi/
noun
1. een epidemie op wereldwijde schaal
πανδημία
/pɑn.deʲ'ɪsmə/
noun
1. een theologische positie
παντεϊσμός
noun
1. blaasinstrument dat is samengesteld uit een reeks van eentonige fluiten
σύριγγα
noun
πανικός
noun
1. een platte, ronde koek die in een pan gebakken is
  1. τηγανίτα
  2. τηγανόψωμο
noun
1. benaming voor verschillende grote katachtige roofdieren
πάνθηρας
noun
1.
πάνθεον
/pɑn.teʲ'ɪsmə/
noun
πανθεϊσμός
noun
παντόφλα
noun
1. gerecht dat meestal bestaat uit melk die is gebonden met een zetmeelproduct zoals meel
νιανιά
/paˈpa.ja/
noun
1. en 2. (vrucht van) de boom Carica papaya
παπάγια
noun
1. benaming voor vogels uit de orde Psittaciformes
παπαγάλος
noun
1.1 bepaald soort opvallende zeevogel die zelfs onder water kan vliegen, Fratercula arctica
φρατέρκουλα
noun
συνδετήρας
/pɑ'pir/
noun
1. een dun vezelachtig beschrijfbaar materiaal
χαρτί
noun
1. bouwmateriaal dat gemaakt wordt door papier te vermengen met natte lijm
παπιέ μασέ
/ˌpa.pu.wa.niβ̞.ɣi.ˈne.ja/, /ˌpa.pu.wa.niβ̞.χi.ˈne.ja/, /ˌpa.pu.wa.nyʊ̯.ɣi.ˈne.ja/
pronoun
land en staat in Oceanië
  1. Παπουασία-Νέα Γουινέα
  2. Παπούα-Νέα Γουινέα
/ˈpaprika/, /ˈpɑprika/
noun
2. vrucht van een bepaalde gekweekte vorm van een peperplant, Capsicum annuum
πιπεριά
noun
παραβολή
/ˌparaˈboɫ/
noun
1. kegelsnede waarbij het snijvlak parallel loopt met een lijn die aan de kegel raakt en tevens het toppunt snijdt.
παραβολή
noun
αλεξίπτωτο
noun
παράδεισος
noun
παραδοξολογία
/ˌparadɔkˈsal/
adjective
1. tegenstrijdig lijkend
παράδοξος
noun
παραφίνη
/ˈpa.ra.gʋɑɪ̯/, /ˈpa.ra.gβ̞ɑɪ̯/, /ˈpa.ra.ɣ<sup>ʊ</sup>ɛɪ̯/, /ˈparaˌɡwe/
pronoun
Παραγουάη
noun
παράλλαξη
adjective
1. evenwijdig
παράλληλος
noun
  1. Παραλληλεπίπεδο
  2. παραλληλεπίπεδο
/paralɛloˈɣrɑm/, /pɑrɑlɛloˈʝrɑm/
noun
1. (wiskunde) een vierhoek waarvan de overstaande zijden evenwijdig zijn
παραλληλόγραμμο
noun
1. achtervolgingswaanzin
παράνοια
/ˌpa.ra.ˈply/
noun
1. een scherm waarover een waterdichte stof is gespannen om zich te beschermen tegen de regen
ομπρέλα
noun
παραψυχολογία
noun
1. klaploper, iemand die ten koste van een ander leeft, een profiteur
παράσιτο
noun
1. leer en studie van de parasieten en het parasitisme
παρασιτολογία
noun
αλεξήλιο
noun
παρειδωλία
noun
1. een hard, rond voorwerp dat door bepaalde weekdieren wordt gemaakt,...
μαργαριτάρι
noun
1. rond gepolijste gepelde gerst
  1. κριθάρι περλέ
  2. μαργαριταρώδης κριθή
noun
1. benaming voor vogels uit het geslacht Numididae
φραγκόκοτα
/parəl'mur/
noun
1. het glanzende mineraal dat de binnenzijde van bepaalde schelpen bedekt
φίλντισι
noun
παρένθεση
noun
άρωμα
verb
αρωματίζω
noun
1. winkel waar men parfums verkoopt
αρωματοπωλείο
pronoun
1. de hoofdstad van Frankrijk
Παρίσι
/pɑrᵊk/
noun
1. een groengebied bedoeld voor recreatie of natuurbehoud
πάρκο
noun
1. plek waar auto's of andere voertuigen geparkeerd kunnen worden
πάρκινγκ
verb
1. (een voertuig) tijdelijk ergens laten staan
παρκάρω
noun
  1. 1. Openbaar Ministerie
  2. 2. afzonderlijke ruimte in gerechtszalen
  3. 3. parketvloer
γιοσέγκι
noun
vogel
παπαγαλίνα
noun
  1. κοινοβούλιο
  2. βουλή
adjective
κοινοβουλευτικός
noun
1. gemeenschap van gelovigen in de katholieke kerk die bij één kerkgebouw hoort
ενορία
/pa.ˈrɔ.xiˌkɛrk/, /pa.ˈrɔ.χiˌkɛrk/
noun
1. een lokaal kerkgebouw dat het religieuze centrum van een parochie vormt
  1. ενοριακός ναός
  2. ενοριακή εκκλησία
verb
παρωδώ
noun
1. woord dat een of meerdere morfemen met een ander woord deelt en daardoor soms met dat andere woord verward kan worden
παρώνυμο
noun
παρσέκ
noun
1. klein deeltje
μόριο
noun
    1. 3. iemand met wie men gehuwd of niet een relatie heeft
    2. 2. deelgenoot in spelen, speelgenoot, mededanser
    συνέταιρος
  1. 1. iemand met wie men gezamenlijk iets onderneemt of handel drijft
    σύντροφος
/pɑr.və.'ny/
noun
νεόπλουτος
noun
  1. 3. identiteitsbewijs
  2. 4. doorgang tussen bergtoppen
  3. 5. schot naar een medespeler
διάβαση
noun
1. eenheid voor druk (symbool: Pa)
πασκάλ
noun
1. het belangrijkste feest van het christendom, waarbij de Opstanding van Jesus centraal staat
Πάσχα
adjective
1. kort geleden geboren
νεογέννητος
noun
διαβατήριο
noun
1. de vaste oostelijke wind die waait tussen de 30 graden noorderbreedte en 30 graden zuiderbreedte en het reizen met zeilschepen over de oceaan aanzienlijk eenvoudiger maakt
αληγείς άνεμοι
noun
5. ontlasting, doorgang
απόσπασμα
noun
1. iemand die al of niet tegen betaling meereist met een voer-, vaar- of vliegtuig
αργόμισθος
noun
αεροπλάνο της γραμμής
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Πάσσαου
verb
1. precies de goede maat zijn, erin kunnen
κάνω
noun
1
πάθη
noun
1. (eetbare) vrucht van het plantengeslacht Passiflora
  1. μαρακούγια
  2. φρούτο του πάθους
verb
παστεριώνω
noun
1. een document of ander kunstwerk zoals een toneel- of muziekstuk dat is gemaakt via nabootsing en/of het combineren van bepaalde kenmerken van een of meerdere originelen
παστίτσιο
noun
1. bepaald circa 20 cm lang knolgewas, Pastinaca sativa
  1. παστινάκη
  2. παστινάκα
noun
πάστορας
pronoun
1. benaming voor het zuidelijke deel van Zuid-Amerika, tussen de Colorado en de Straat van Magellaan
Παταγονία
adjective
1. & 2. vaderlijk
πατρικός
adjective
1. de eigenschap bezittend om een ziekte te veroorzaken
παθογόνος
noun
1. de tak van de geneeskunde die het ontstaan en verloop van ziektes bestudeert
παθολογία
adjective
1. ziekte betreffend
παθολογικός
noun
1. een al dan niet omheinde binnenplaats bij een huis of ander pand
αίθριο
/pɑˈsʲɛnt/
noun
iemand die medische hulp krijgt
ασθενής
noun
1.
πατριάρχης
noun
1. aanzienlijk persoon, burger, rijke koopman, regent, ...
πατρίκιος
noun
1. een vogel uit de familie van de fazanten
πέρδικα
noun
1. klein rond raam in een scheepswand dat waterdicht kan worden afgesloten
φινιστρίνι
noun
1. goede vaderlander
πατριώτης
noun
περίπολος
verb
περιπολώ
noun
1. wagen waarmee de politie rondrijdt om inspecties uit te voeren
περιπολικό
noun
1. stevig, maar smeerbaar mengsel van fijngemalen vlees
πατέ
noun
1. een grote verstembare keteltrommel zoals gebruikt in een orkest
τυμπάνια
/'pɑupər/
noun
1. iemand die heel arm is
πένης
/pɑu̯s/
noun
1. hoofd van de katholieke kerk
πάπας
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Ταώς
noun
1. benaming voor siervogels uit het geslacht Pavo
παγώνι
/ˈpɑʊzə/
noun
1. tijd waarin de hoofdactiviteit wordt onderbroken
παύση
noun
περίπτερο
/pɛx/, /pɛχ/
noun
1. de conditie waarin er tegenslag te verwerken is die niet door eigen schuld veroorzaakt is
ατυχία
adjective
νομισματικός
noun
παιδιατρική
adjective
1. behorende tot het verlangen van een volwassene naar seksueel contact met kinderen
παιδεραστής
noun
1. een volwassene die verlangt naar seksueel contact met kinderen
παιδοφῐ́λης
noun
1.
παιδοφιλία
noun
1. vrucht
αχλάδι
adjective
1. de vorm hebbend van een peer, dus rond met één enkele uitloper
αχλαδόσχημος
/pes/
noun
1. een uitloper van spierweefsel die de spier aanhecht aan het bot
τένοντας
noun
1.
βαφτισιμιός
pronoun
2. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Πήγασος
/pɛːl/, /pɛːɫ/
noun
1. niveau of stand van bijvoorbeeld water
στάθμη
noun
πίσσα
/pɛlgrɪm/
noun
προσκυνητής
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Pelecanidae
πελεκάνος
noun
1. instrument om met inkt te schrijven of te tekenen
  1. στυλό
  2. στιλό
noun
1. een directe vrije trap voor de aanvallende partij na een zware overtreding van de verdedigende partij binnen het strafschopgebied
πέναλτι
noun
πενικιλίνη
noun
1. het mannelijke geslachtsdeel
πέος
noun
πινέλο
noun
1. loon uitgesteld tot de tijd dat iemand niet langer actief is op de arbeidsmarkt
σύνταξη
/pɛnʃo'nerɪŋ/
noun
1.
συνταξιοδότηση
noun
1. C₅H12
πεντάνιο
pronoun
1.
Πεντάγωνο
noun
πεντάλφα
noun
1. een specerij van gemalen peperkorrels met een scherpe, hete smaak
πιπέρι
/'pepərkɔrəl/
noun
1.
πιπερόκοκκος
noun
1. en 2. (bladeren van) de plant Mentha × piperita
  1. ηδύοσμος ο πεπερώδης
  2. μέντα η πεπερώδης
/pɛpˈsinə/
noun
1. een verteringsenzym dat in de maag eiwitten in kleine stukken breekt
πεψίνη
preposition
3. over een periode van, over een afstand van.
για κάθε
/pɛrsɛnˈtaʒə/
noun
1. een percentsgewijze berekend bedrag of hoeveelheid
εκατοστιαία αναλογία
/perə(n)bom/
noun
1. een boom met peren als vrucht
αχλαδιά
noun
1. hervormingen zoals deze door Gorbatsjov werden voorgesteld in de Sovjet-Unie
περεστρόικα
/pɛrˈfɛkt/
adjective
1. zonder enig gebrek
τέλειος
noun
τελειότητα
verb
1. meer perfect of volmaakt maken
τελειοποιώ
noun
1.
πέργκολα
adjective
1. aan de buitenzijde
περιφερειακός
noun
περιφέρεια
noun
περίνεο
/pɪri'jodɘ/
noun
1. tijdperk
περίοδος
noun
περιοδικός πίνακας των χημικών στοιχείων
noun
1. een dun schrijfmateriaal, gemaakt van huid van kalveren, koeien, geiten, schapen, konijnen of ezels
περγαμηνή
adjective
1. voortdurend
περμανάντ
/pɛˈrɔn/
noun
1. een hoge, lange zijstoep of verhoogde vrije stoep aan een station om in en uit te stappen
αποβάθρα
noun
2. journalistieke media
τύπος
noun
1. samengeperste lucht onder een bepaalde druk
πεπιεσμένο αέριο
noun
  1. 2. grammaticaal begrip
    1. άτομο
    2. πρόσωπο
  2. 1. menselijk individu
    1. άτομον
    2. άτομο
adjective
1. betrekking hebbend of uitgevoerd door de persoon zelf
προσωπικός
noun
1. een voornaamwoord dat in de plaats komt van een zelfstandig naamwoord of eigennaam en hiernaar verwijst
προσωπική αντωνυμία
noun
1. het geheel van kenmerken en gedragingen dat iemand uniek maakt
προσωπικότητα
noun
διαταραχή προσωπικότητας
pronoun
1. hoofdstad van de Australische deelstaat West-Australië
Περθ
/peˈru/
pronoun
1. een land in Zuid-Amerika
Περού
verb
1. iets bederven, slecht maken
διαστρέφω
noun
1. sappige vrucht van de perzikboom
ροδάκινο
pronoun
1. een Indo-Iraanse taal die gesproken wordt in Iran, Afghanistan en Tadzjikistan
  1. περσικά
  2. περσικός
pronoun
1.
Περσικός Κόλπος
pronoun
Πεσαβάρ
noun
1. de verwachting dat gebeurtenissen ongunstig gaan uitvallen
απαισιοδοξία
noun
απαισιόδοξος
noun
(medisch) Dodelijke en besmettelijke ziekten veroorzaakt door de bacterie Yersinia pestis
πανούκλα
noun
1. bepaald soort vogel, Bombycilla garrulus
βομβυκίλα
/petəkɪnt/
noun
αναδεκτός
noun
2. kruid
  1. μαϊντανός
  2. πετροσέλινο
noun
1. een symbool, figuur of andere afbeelding die in de rotsen is gekrast, gekerfd of gehakt
πετρογλυφικό
noun
1. gesteentekunde
πετρολογία
pronoun
1. discipel van Jezus
Πέτρος
noun
1. overblijfsel van een opgerookte sigaret of sigaar
αποτσίγαρο
noun
2. en 3. (peulen van) Pisum sativum var. saccharatum
  1. γλυκομπίζελα
  2. ζαχαρομπίζελο
noun
1. een jong kind in de leeftijd van een tot vier jaar
νήπιο
pronoun
1.
Πφόρτσχαϊμ
pronoun
  1. 1. Griekse god van de paniek
  2. 2. grotere van de twee manen van Mars
Φόβος
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Φοίνιξ
noun
1. musicus die een piano bespeelt
πιανίστας
noun
1. groot snaarinstrument met klavier (algmeen)
  1. πιάνο
  2. κλειδοκύμβαλο
/pɪˈkɑrdɪʲə/
pronoun
regio in Noord-Frankrijk
Πικαρδία
noun
1. piccolofluit
πίκολο
noun
1. een maaltijd in de vrije natuur
πικνίκ
noun
πικοδευτερόλεπτο
noun
1. geslachtsdeel van de man, penis gebruikt voor onvolgroeide jongens
πουλί
verb
1.4 het fijn schril geluid van een krakende scharnier
τρίζω
noun
3. aardappel
πατάτα
adjective
1. bijzonder klein
μικροσκοπικός
noun
φελιζόλ
/piːr/
noun
2. een in een zee of rivier uitstekende brug, dam of golfbreker
προβλήτα
pronoun
1. jongensnaam
Πέτρος
noun
1. een organische of minerale stof met een vaste kleur
χρωστική ουσία
noun
1. projectiel
  1. βέλος
  2. σαΐτα
noun
μαραντία
/pɛɪ̯n/, /pɛːn/
noun
1. lichamelijk leed
πόνος
/ˈpɛɪ̯nɑpəɫˌkliːr/, /ˈpɛːnɑpəlˌkliːr/
noun
1. klier in de hersenen, die melatonine uitscheidt
  1. επίφυση
  2. κωνάριο
/ˈpɛːinlək/, /ˈpɛːnlək/
adjective
1. pijn gevend
επώδυνος
/'pɛːinstɪlər/
noun
1. middel
παυσίπονο
/pɛi̯p/
noun
1. buis
πίπα
noun
3. pek
πίσσα
/ˈpɪkhʌʊʋɪ:ɫ/
noun
1. hakwerktuig met steel, voorzien van een punt aan de ene zijde en een beitelachtige voorziening aan de andere zijde
αξίνα
verb
4. (met de snavel) prikken
τσιμπολογώ
adjective
1. heel zwart
κατάμαυρος
noun
  1. 1
  2. 2
χάπι
noun
1. een bestuurder van een vliegtuig, luchtschip of race-auto
πιλότος
noun
1. bepaalde mezensoort, Cyanistes caeruleus
γαλαζοπαπαδίτσα
/pɪn.ˈsɛt/
noun
1. een gevorkt werktuig bestaande uit twee armen waarvan de punt bijeengeknepen kan worden
λαβίδα
noun
  1. 2. een vrucht van deze plant
  2. 1. een tot de vlinderbloemenfamilie behorende plant
φυστίκι
adjective
1. een soort broodbeleg dat bestaat uit een pasta van pinda's, slaolie en zout
φυστικοβούτυρο
/ˈpɪŋɡwɪn/
noun
1. benaming voor niet-vliegende zeevogels uit de orde
πιγκουίνος
noun
1. de vijfde, kleinste en buitenste vinger
μικρός
pronoun
1. Christelijk feest
Πεντηκοστή
/piˈɔn/
noun
1. een schaakstuk dat alleen recht vooruit kan lopen en schuin vooruit slaan
  1. πιόνι
  2. στρατιώτης
noun
1.
πειρατής
noun
1. met een vorm die van een breed, wat hoekig grondvlak uitloopt in een punt
πυραμιδοειδής
noun
1.
  1. Πυραμίδα
  2. πυραμίδα
noun
  1. 1. het beroven of plunderen van een schip op open zee
  2. 2. opzettelijke schending van het auteursrecht door het ongeoorloofd namaken van goederen of ...
πειρατεία
noun
φιστίκι
noun
1. een semi-automatisch handvuurwapen met een langwerpig magazijn in het handvat
πιστόλι
pronoun
1. groep van vijf eilanden halverwege Paaseiland en Tahiti
Νησιά Πιτκαϊρν
noun
1. een beeldpunt
εικονοστοιχείο
/ˈpidza/, /ˈpitsa/
noun
1. gerecht van een belegde broodbodem
πίτσα
noun
1. restaurant
πιτσαρία
pronoun
Πεδεμόντιο
pronoun
1. taal gesproken door 3 106 620 mensen in Italië, Argentinië, Australië en de Verenigde Staten
πιεμοντέζικα
noun
πιεζοηλεκτρισμός
noun
1. vlak, plat en vrij dun stuk materiaal
έλασμα
/plaːts/
noun
1. een bepaalde ruimte of een bepaald punt in de ruimte
  1. τόπος
  2. θέση
noun
1. geneesmiddel zonder werkzame stof
πλασέμπο
noun
1. moederkoek, orgaan dat verbinding vormt tussen moeder en de zich ontwikkelende vrucht in de buik van de moeder.
πλακούντας
/plɑˈfɔnt/
noun
  1. 1. de bovenkant van een ruimte in een gebouw
  2. 2. hoogste niveau
ταβάνι
verb
1. iemand (goedmoedig) pesten
πειράζω
noun
λογοκλοπία
noun
1. een voorgenomen handelswijze
σχέδιο
noun
1. een groot, rond en massief hemellichaam dat zelf geen licht geeft en in een vaste baan rond een ster draait
πλανήτης
adjective
πλανητικός
noun
1. een toestel om de bewegingen van planeten voor te stellen
πλανητάριο
noun
1. stelsel van planeten om de zon of een ster
πλανητικό σύστημα
noun
1. een brok vaste materie die net als een planeet in een baan rond de zon draait, maar kleiner is dan een planeet
αστεροειδής
/plɑŋk/
noun
1. een plat en langwerpig stuk hout
σανίδα
noun
άγχος
noun
  1. 1. organisme dat kooldioxide opneemt en zuurstof afgeeft
  2. 2. van stengel en bladeren voorzien gewas dat zijn voedsel uit de aarde opneemt
φυτό
/plɑntˈaːr.dəx/
adjective
1. tot de planten behorend, uit planten bestaand of daarvan afkomstig
φυτικός
verb
1. (een plant) in de aarde zetten om te laten groeien of bloeien
φυτεύω
noun
1. het onderdeel van de biologie dat zich bezighoudt met de studie van de planten
φυτολογία
noun
βοτανολόγος
noun
1. een verzameling van vocht
λακκούβα με νερό
noun
1.
πλάσμα
/'plɑstik/, /'plɛstɪk/
noun
plastisch vervormbare polymere kunststof
πλαστικό
noun
1. een chirurgisch specialisme waarin men zich richt op het uit esthetisch en/of functioneel oogpunt aanpassen van het uiterlijk
πλαστική χειρουργική
adverb
1. vlak van vorm met verwaarloosbare hoogteverschillen
επίπεδος
noun
1. benaming voor loofbomen uit het geslacht Platanus
πλάτανος
noun
1. scheikundig element met symbool Pt en atoomnummer 78
  1. λευκόχρυσος
  2. πλατίνα
noun
1. het landelijke gebied buiten de steden
εξοχή
/ˈplɑtvɪs/
noun
1. een orde van vissoorten die op hun zijde op de bodem leven, en geheel plat zijn
πλατύψαρο
noun
1. het plaatje waarmee snaren worden aangeslagen
πέννα
noun
πλατεία
/ˈplɛinˌvreːs/
noun
αγοραφοβία
noun
2. zelfklevend verband
λευκοπλάστης
noun
Πλειστόκαινο
adjective
1. in aanwezigheid van allen
ολομελής
/plejoˈnɑsmə/
noun
1.
πλεονασμός
noun
1. machine die wegen effent
οδοστρωτήρας
noun
1. een taak die men op zich genomen heeft of opgelegd heeft gekregen
  1. καθήκον
  2. υποχρέωση
/ˌplijoˈsen/
noun
Πλειόκαινο
noun
1. landbouwgereedschap om de grond om te woelen
  1. άροτρο
  2. αλέτρι
verb
2. land met de ploeg bewerken
οργώνω
noun
1. snijdend deel van ploeg
αλετροπόδα
verb
1. iets in losse vouwen opstapelen
διπλώνω
adjective
1. snel en onverwacht
ξαφνικός
noun
1. vlok droge, lichte stof met een open structuur
χνούδι
verb
1. met geweld zich roerende goederen toeëigenen uit de woning van iemand anders
λεηλατώ
noun
συν
pronoun
1.
Πλούτωνας
noun
1. Chemisch element
πλουτώνιο
noun
1. longontsteking
πνευμονία
noun
1. digitale radio-uitzending waarbij een audiobestand op internet wordt gezet...
πόντκαστ
noun
1. Frans krulharig hondenras
κανίς
noun
σκόνη
noun
1. zeer fijn gemalen suiker
ζάχαρη άχνη
noun
1. bepaald soort zoogdier, Felis concolor
πούμα
noun
1. uitgescheiden vaste afvalstoffen van mens of dier
κακά
noun
1. een van de oudste huisdieren van de mens
γάτα
noun
1. sociaal-economische en politieke praktijk in Rusland in het begin van de 21 eeuw
πουτινισμός
verb
1. in eigen vocht gaar laten worden
καβουρντίζω
noun
  1. 1. razzia tegen joden
  2. 2. gewelddadige aanvallen...
πογκρόμ
noun
  1. 1. staande jachthond
  2. 2. een variabele waar een geheugenadres in staat
δείκτης
noun
1.kaartspel
πόκερ
noun
1. emotieloos gezicht
ανέκφραστος
noun
2. epidemische huidziekte
ευλογιά
pronoun
1. Polaris
Κυνόσουρα
/ˈpɔldəʀ/
noun
1. een bedijkt stuk land waarin de waterstand kunstmatig geregeld wordt
πόλντερ
/ˈpolə(n)/, /ˈpoːlə(n)/
pronoun
1. een land in het midden van Europa met de officiële naam Republiek Polen (Rzeczpospolita Polska)
Πολωνία
noun
πολύποδας
/poˈlɛɪstə(n)/
verb
1. een stenen of glazen oppervlak bijzonder glad slijpen met steeds fijnere slijpmiddelen
γυαλίζω
noun
1. een discipline
πολιτική επιστήμη
noun
1. iemand die zich beroepsmatig met politiek bezighoudt
πολιτικός
noun
1. een overheidsdienst die belast is met de handhaving van de openbare orde...
αστυνομία
noun
αστυνομικό τμήμα
/poliˈtik/
adjective
1. betreffende de politiek
πολιτικός
/poliˈtik/
noun
1. datgene dat gerelateerd is aan het besturen van een land
πολιτική
noun
  1. 2.(België) een diepe, grote lepel met een lange steel gebruikt voor het opdienen van soepen, sauzen e.d.
  2. 1.(Nederland) een vrij vlakke, houten of kunststoffen lepel gebruikt voor het roeren van voedsel dat toebereid wordt
κουτάλα
noun
1. Chemisch element
πολώνιο
noun
anatomie: 1. gewricht
καρπός
noun
πολυαμίδιο
noun
πολυσυντροφικότητα
noun
πολυανδρία
noun
2. thermoplastisch polymeer
πολυανθρακικό
adjective
πολυεστέρας
noun
πολυφωνία
noun
πολυγαμία
noun
πολύγλωσσος
noun
1. een gesloten stelsel lijnsegmenten die samen een plat vlak omsluiten
πολύγωνο
noun
1.
πολυμερές
noun
πολυγαλακτικό οξύ
noun
πολυμεθακρυλικό μεθύλιο
noun
πολυμορφισμός
pronoun
1. eilanden in de Grote Oceaan of Stille Oceaan die samen Oceanië vormen
Πολυνησία
noun
thermoplastische kunststof, bereid door polymerisatie van propeen
πολυπροπυλένιο
noun
1. het kunnen hebben van meerdere (verwante) betekenissen
πολυσημία
noun
1. godsdienst met meer dan één god
πολυθεϊσμός
noun
1. en 2. (vrucht van de) boom Citrus maxima × Citrus ×paradisi
φράπα
pronoun
1. historische regio in het zuiden van de Oostzee
Πομερανία
noun
  1. αντλία
  2. τρόμπα
/ˈpɔmpəlˌmus/, /ˈpɔmpəɫˌmus/
noun
2. een vrucht van deze boom
φράπα
verb
1. vloeistof of gas met behulp van een pomp verplaatsen
αντλώ
pronoun
1.
Πομπηία
noun
1. een zeer oud cultuurgewas uit Midden- en Zuid-Amerika
  1. κολοκύθα
  2. κολοκυθιά
noun
1. naam voor verschillende munteenheden die in het Verenigd Koninkrijk en sommige Engelstalige landen worden gebruikt
λίρα
noun
1. paard uit een ras met een schofthoogte tot ongeveer anderhalve meter
πόνι
/'poːjər/
noun
1. een man die prostituees tegen betaling beschermt en helpt.
προστάτης γυναικών
/pol/, /poɫ/, /po̝ɫ/
noun
1. een inwoner van Polen, of iemand afkomstig uit Polen
Πολωνός
noun
A 1. uiteinde van een draaiingsas
πόλος
noun
1. de begrenzing van het gebied waar 's zomer de middernachtszon gezien kan worden en 's winters de nacht een heel etmaal kan duren
πολικός κύκλος
noun
1.
σέλας
/poɫs/, /poːls/, /po̝ɫs/
pronoun
1. een taal die in Polen gesproken wordt
  1. πολωνικά
  2. πολωνικός
/pol.sə/, /poɫ.sə/, /po̝ɫ.sə/
noun
1. een vrouw van Poolse komaf
Πολωνίδα
/poːrt/
noun
1. met deuren afsluitbare doorgang door een muur
  1. πύλη
  2. εξώπορτα
noun
πόδι
noun
1. speeltuig
κούκλα
noun
  1. 1. een in het klein uitgevoerde versie
  2. 2. popperig huisje
κουκλόσπιτο
noun
1. kunstenaar achter poppenspel
κουκλοπαίχτης
adjective
δημοφιλής
noun
  1. 1.
  2. 3. een groep organismen
πληθυσμός
noun
1.
λεύκα
noun
1. politieke stroming die vindt dat een maatschappelijke elite de belangen van het volk verwaarloost...
λαϊκισμός
noun
πορνογραφία
/pɔrsəlɛːn/, /pɔrsəˈlɛɪn/
noun
1. fijn, geglazuurd aardewerk
πορσελάνη
noun
1,2 portaal (entree)
πυλώνας
noun
1. geldbuidel
χαρτοφύλακας
noun
1.schilderij, foto of andere artistieke voorstelling van een persoon
  1. προσωπογραφία
  2. πορτραίτο
/'pɔrtyɣɑl/
pronoun
1. een land in het zuidwesten van Europa, officieel de Portugese Republiek
Πορτογαλία
/ˌpɔr.ty.ˈɣes/, /ˌpɔr.ty.ˈχes/
adjective
1. verwijzend naar Portugal of naar de Portugese taal
  1. πορτογαλικός
  2. πορτογαλικά
/ˌpɔr.ty.ˈɣes/, /ˌpɔr.ty.ˈχes/
noun
1. inwoner van Portugal
  1. πορτογαλικός
  2. πορτογαλικά
/ˌpɔr.ty.ˈɣes/, /ˌpɔr.ty.ˈχes/
pronoun
2. taal gesproken in Portugal
πορτογαλικά
noun
1. bepaald soort vis, Gymnocephalus cernuus
περκάκι
/po'zisi/
noun
  1. 1. een stand van het lichaam
  2. 2. een innerlijke houding
  3. 3. een plaats van waaruit men iets onderneemt
  4. 4. een toestand waarin iemand zich bevindt
  5. 6. een maatschappelijke stand
  6. 7. de ligging van de hand
  7. 8. een opstelling van troepen en materieel
  8. 5. een vaste betrekking
θέση
adjective
θετικός
noun
  1. 1. de opvatting dat alleen de empirische wetenschappen geldige kennis opleveren
  2. 2. een levensinstelling waarbij je ervan uitgaat dat alles goed komt
θετικισμός
noun
ποζιτρόνιο
/pɔs/, /pɔst/
noun
1. toegezonden materiaal, zoals brieven; poststuk - poststukken
ταχυδρομείο
noun
1. postbeambte
ταχυδρόμος
noun
ταχυδρομικός κώδικας
noun
1. kantoor dat zich bezighoudt met de bezorging van post en vaak ook andere diensten levert ...
ταχυδρομείο
noun
1.
μεταμοντερισμός
adjective
1. na een letsel
μετατραυματικός
/ˈpɔseɣəl/, /ˈpɔseχəɫ/
noun
1. betalingsmiddel voor het verzenden van post
γραμματόσημο
verb
1. ondiep in de aarde stoppen, met name van bollen, wortels, zaden e.d. om deze te laten groeien
φυτεύω
adjective
1. mogelijkheid
δυνητικός
noun
1. schrijfgerei met een zachte stift vervaardigd van klei en grafiet ingebed in een houten huls
μολύβι
pronoun
1.
Πότσδαμ
noun
1. bepaald soort zeezoogdier, Physeter macrocephalus
φυσητήρας
noun
πουτίν
/po.ˈwe.tɪs/, /po.ˈβ̞e.tis/
adjective
1. uit de poëzie, gelijkend op poëzie
ποιητικός
noun
1. in ritme, maat en klank verwoorden
ποίηση
/prax/, /praç/
pronoun
hoofdstad van Tsjechië
Πράγα
/prɑkˈtɛɪ̯k/, /prɑkˈtɛːk/
noun
  1. 1. ruimte waarin een arts zijn beroep uitoefent
  2. 2. hoe dingen werkelijk gaan...
  3. 4. gewoonte(n), manier van doen
πράξη
adjective
1. op een manier die ook echt uitgevoerd kan worden
πρακτικός
/ˌprazejoˈdimijʏm/
noun
1. Chemisch element
πρασεοδύμιο
/ˈpraː.tə(n)/
verb
1. zich met behulp van de stem uiten
μιλώ
adjective
επισφαλής
/presəˈdɛnt/
noun
  1. 2. bestaande jurisprudentie die dient ter beslechting van een vergelijkbaar geschil
    δεδικασμένο
  2. 1. eerder plaatsgevonden hebbend geval
    προηγούμενο
noun
μετάπτωση
adjective
ακριβής
noun
3. (grammaticaal) gezegde
κατηγόρημα
/ˌpredikaˈtif/
adjective
κατηγορηματικός
pronoun
Εκκλησιαστής
noun
κήρυγμα
noun
2. bureau van een prefect
νομός
noun
προϊστορία
noun
1. en 2 (bladeren van) plant Allium porrum
πράσο
noun
κυνηγός επικυρηγμένων
noun
1. hoedanigheid van eerste minister, periode dat iemand eerste minister is
πρωθυπουργία
noun
1. de eerste vaak feestelijke vertoning van een film, toneelstuk of een andere vorm van entertainment
πρεμιέρα
noun
εικονογραφημένο βιβλίο
noun
1. het staatshoofd van een republiek
πρόεδρος
noun
1. het bestuur van een vereniging (vooral van studentenverenigingen en politieke organisaties)
προεδρείο
noun
1. vaak fraai gevormd, zwaar voorwerp dat men boven op een stapel losse papieren kan leggen zodat de papieren niet kunnen wegwaaien
πρες παπιέ
noun
απόδοση
noun
3. iemand die preuts is
σεμνότυφος
/prøts/
adjective
1. zeer ingetogen, overdreven kuis
σεμνότυφος
/prəˈvɛn(t)si/
noun
1. voorkoming (van ziekte, brand, etc)
αποτροπή
noun
1. ongezond langdurige erectie van de penis
πριαπισμός
noun
1. priemgetal
πρώτος αριθμός
noun
1. iemand die de religieuze (offer) rituelen verzorgt
  1. παπάς
  2. παππάς
noun
1. een vrouw die de taak heeft religieuze rituelen te verzorgen
  1. ιέρεια
  2. ιέρισσα
noun
κουραφέξαλα
noun
1. de gevraagde geldsom bij verkoop
τιμή
noun
1. materiaal bestaande uit een dubbele, in elkaar gedraaide metalen draad...
αγκαθωτό σύρμα
noun
  1. 1. benaming voor zoogdieren uit de orde Primates
  2. 2. kerkelijke titel
πρωτεύον
adjective
  1. 1. alle kortste translatievectors in de richting van de hoofdassen van de rotatiesymmetrie hebbend.
  2. 2. de drie kortste niet in hetzelfde vlak liggende translatievectors als ribben van de eenheidscel hebbend.
πρωτόγονος
/prɪnˈsipə/
noun
αρχή
noun
  1. 1. hoogste adellijke titel van een man of jongen
  2. 2. laagste koninklijke titel van een man of jongen
  1. πρίγκιπας
  2. βασιλόπουλο
adjective
1. als horend of passend bij een prins of prinses, bestaand uit prinsen of prinsessen
πριγκιπικός
noun
  1. 1. de hoogste adellijke titel van een vrouw of meisje
  2. 2. de laagste koninklijke titel van een vrouw of meisje
βασιλοπούλα
/ˈprɪntər/
noun
1. toestel om gegevens af te drukken onder andere op papier.
εκτυπωτής
noun
πρίσμα
verb
1. omvormen van staatsbedrijven, overheidsdiensten tot particuliere, private bedrijven
αποκρατικοποιώ
/proˈberə(n)/
verb
  1. 3. iets met succes trachten te beëindigen waarvan men niet weet of het gaat lukken
  2. 1. testen
  3. 2. onderzoeken
προσπαθώ
noun
1. iets dat schade teweegbrengt of de voortgang van iets anders in de weg staat
πρόβλημα
adjective
1. een probleem vormend
προβληματικός
/prosəˈdyrə/, /proseˈdyrə/
noun
  1. 1.
  2. 4.
διαδικασία
/pro'sɛnt/
noun
1. een honderdste deel
τοις εκατό
/proˈsɛs/
noun
2. opeenvolging van gebeurtenissen, gang van zaken
διαδικασία
/proˈsɛˌsi/
noun
λιτανεία
noun
παραγωγός
verb
1. bij voortduring vervaardigen
παράγω
noun
1. het resultaat van een bewerking
προϊόν
noun
1. voortbrenging
παραγωγή
adjective
1. vruchten afwerpend
παραγωγικός
noun
2. proefpersoon
πειραματόζωο
noun
δοκιμασία
verb
  1. 2. smaak waarnemen
    γεύομαι
  2. 1. onderzoeken hoe iets smaakt
    δοκιμάζω
noun
1. een persoon die boodschappen van een godheid aan de mensen doorgeeft
προφήτης
/pro'fɛsi/
noun
1. het beroep dat iemand uitoefent om geld mee te verdienen, met kennis van zaken en met betrokkenheid
ομολογία
/proˈfɛsɔr/
noun
1. de aanspreektitel voor een hoogleraar
καθηγητής
noun
1. een applicatie voor de computer
πρόγραμμα
noun
γλώσσα προγραμματισμού
/proˈjɛkt/
noun
1. een zaak die men denkt uit te voeren of te onderzoeken
έργο
noun
προβολή
noun
toestel om een afbeelding op een scherm te projecteren
προβολέας
noun
προλεταριάτο
noun
προλετάριος
noun
1. snelle vermenigvuldiging
πολλαπλασιασμός
noun
περίπατος
noun
1. verhandelbare schuldbekentenis
  1. γραμμάτιο
  2. υποσχετικό γραμμάτιο
noun
1. een scheikundig element met het symbool Pm en het atoomnummer 61; een zilverwit à grijs lanthanide
  1. προμήθειο
  2. προμήθιο
/proˈmotsi/
noun
  1. 1. een verhoging in rang
  2. 2. bevordering naar een hogere speelklasse
προαγωγή
noun
1. en 2. (peulvrucht van) Phaseolus coccineus
αμπελοφάσουλο
noun
1. dat wat door een dier wordt buitgemaakt
λεία
/prost/
interjection
1. heildronk
εις υγείαν
noun
1. C₃H₈
προπάνιο
noun
1. activiteiten of materiaal gericht op het beïnvloeden van de mening of het gedrag...
προπαγάνδα
noun
προπένιο
noun
1. CH₃CH₂COOH
προπανικό οξύ
noun
1.een klier tussen de blaas en de penis van de man
προστάτης
noun
καρκίνος προστάτη
verb
1. iemand dwingen tot het aanbieden van seksuele diensten
πορνεύω
noun
1. het tegen betaling ter beschikking stellen van het lichaam voor het seksuele genot van een ander
πορνεία
noun
1. scheikundig element met symbool Pa en atoomnummer 91
πρωτακτίνιο
noun
1.
πρωταγωνιστής
noun
2.
προστατευτισμός
/ˌprotəroˈzowikʏm/
noun
Προτεροζωικός
noun
1. een uiting van ontevredenheid met het gevolgde beleid
διαμαρτυρία
verb
1. grote bezwaren uiten
διαμαρτύρομαι
noun
1.
πρωτεΐνη
noun
1. een kunstmatig lichaamsdeel
πρόθεση
pronoun
1. hypothetische, gereconstrueerde taal waar vele Europese talen, waaronder het Nederlands en het Frans, van afstammen
πρωτοϊνδοευρωπαϊκά
noun
4. geheel van voorschriften en afspraken in de internationale diplomatieke omgang
πρωτόκολλο
/'protɔn/
noun
πρωτόνιο
noun
1.
πρωτόπλασμα
noun
1. oorspronkelijk model, eerste model van een product
πρωτότυπο
/pro.ˈvɪn.si/
noun
1. een staatkundig onderdeel van een land
επαρχία
noun
προβοκάτσια
adjective
  1. 1. niet dichterlijk, in gewone taal
  2. 2. weinig opmerkelijk, saai
κοινότοπος
noun
1. een kunstmatig haarstuk waarmee het hoofd bedekt wordt
περούκα
noun
2. vrucht van de pruimenboom
δαμάσκηνο
pronoun
Πρωσία
/psɑlm/
noun
1. elk van honderdvijftig gezangen uit de Tenach en het Oude Testament
ψαλμός
pronoun
1. boek in de Bijbel met lofliederen op God
Ψαλμοί
/psœydoˈnim/
noun
1. een aangenomen naam waaronder men iets publiceert
ψευδώνυμο
noun
ψευδοεπιστήμη
/ˌpsɪxeˈdelɪs/
adjective
1. de werking van het bewustzijn verruimend
ψυχεδελικός
noun
ψυχίατρος
noun
ψυχιατρική
adjective
1. met betrekking tot de behandeling van geestelijke stoornissen
ψυχιατρικός
adjective
1. geestelijk
ψυχικός
/psixoloˈɣi/, /psiχoloˈχi/
noun
1. de wetenschap die zich bezighoudt met het onderzoek naar bewustzijnsverschijnselen
ψυχολογία
adjective
1. met betrekking tot het gevoelsleven.
ψυχολογικός
/ˌpsi.χo.ˈloχ/, /ˌpsɪ.xo.ˈlox/
noun
1. een beoefenaar van de psychologie
ψυχολόγος
noun
1.
ψυχωτικός
noun
1.iemand die lijdt aan een persoonlijkheidsstoornis die antisociaal gedrag veroorzaakt
ψυχοπαθής
/psi'xozə/
noun
1. een geestesziekte waarbij men wanen heeft
ψύχωση
adjective
1. met betrekking tot het verband tussen geest en lichaam
ψυχοσωματικός
noun
1. stroming in de psychologie
ψυχοθεραπεία
noun
1. het proces van seksuele rijping van kind naar volwassene en het gedrag dat daar bij hoort
εφηβεία
noun
δημοσιότητα
/pyˈblik/
adjective
  1. 1. vrij toegangelijk , openbaar
    δημόσιος
  2. 2. wat het publiek aangaat
    1. δημόσιος
    2. κοινός
/pyˈblik/
noun
1. een groep toeschouwers
  1. ακροατήριο
  2. κοινό
noun
gangbare benaming voor de status van werken die geheel vrij zijn van auteursrechten en naburige rechten
κοινό κτήμα
noun
1. schroom
αιδώς
pronoun
1. een met de Verenigde Staten geassocieerde vrijstaat in het oostelijk deel van de Caribische Zee
Πουέρτο Ρίκο
noun
ελαφρόπετρα
noun
1. een damesschoen zonder sluiting en met hoge hak
γόβα
pronoun
1. taal die in de Punjab, zowel in India als in Pakistan gesproken wordt
παντζαπικά
noun
  1. 1. een spits toelopend uiteinde
  2. 1. een positie in de ruimte
αιχμή
noun
1. taps toelopende houder met een mesje dat bedoeld is voor het aanslijpen van een verse punt aan een potlood
ξύστρα
noun
1. een leesteken dat twee nauw aan elkaar gerelateerde zinnen tot een geheel verbindt (;)
άνω τελεία
noun
  1. 2. leerling
  2. 1. oogappel
κόρη
noun
1. pasgeboren hond, jonge hond
κουτάβι
noun
1. chocolade van zuivere cacaopasta plus suiker
μαύρη σοκολάτα
noun
1. streven naar puurheid
καθαρισμός
/pɵt/
noun
1. een pijpvormige uitholling in een oppervlak
πηγάδι
noun
2. distelvink
καρδερίνα
/pyzəl/, /pʏzɔl/
noun
1. een raadsel of moeilijke opgave die men als tijdverdrijf probeert op te lossen
παζλ
noun
acroniem van polyvinylchloride
πολυβινυλοχλωρίδιο
noun
1.
πυγμαίος
noun
1. gemakkelijk zittende hemd en broek die 's nachts in bed kunnen worden gedragen
πυτζάμα
pronoun
1. een gebergte op de grens van Frankrijk en Spanje
Πυρηναία
noun
  1. 1. een kubisch mineraal met de samenstelling FeS₂
    πυρίτης
  2. 2. een vaste stof die het structuurtype heeft waarvan [1] het archetype is
    σιδηροπυρίτης
noun
1.
πυρομανής
/piˈrozɪs/
noun
1. een brandend gevoel ten gevolge van oprisping van maagzuur
πύρωση
noun
1. een niet-giftige en grote wurgslang
πύθωνας
/ka'tar/, /ka'tɑr/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten
Κατάρ
noun
1. een motorfiets of brommer op vier wielen
γουρούνα
noun
1. volgeling van een religieuze beweging gekend onder de naam Genootschap der Vrienden
Κουάκερος
noun
1. tijdelijke afzondering van personen, dieren of zaken die besmet zouden kunnen zijn met ziektekiemen
απομόνωση
/kwɑrk/
noun
κουάρκ
noun
κβάζαρ
noun
τετράνιο
pronoun
1. Australische deelstaat gelegen in het noordoosten van het land
Κουίνσλαντ
pronoun
1. een door de schrijver J.R.R. Tolkien bedachte kunsttaal die toegeschreven is aan de Elven
Κουένυα
/kwiˈnowa/
noun
1. Zuid-Amerikaanse plant (Chenopodium quinoa) en 2. zaden van die plant
κινόα
noun
1. spel waarbij de deelnemers vragen moeten proberen te beantwoorden
κουίζ
noun
1. resultaat van de deling van het deeltal door de deler
πηλίκο
/rat/, /raːd/
noun
2. een orgaan dat bestaat uit leden die raadgevende of beslissende bevoegdheden bezitten
συμβούλιο
pronoun
Συμβούλιο της Ευρωπαϊκής Ένωσης
pronoun
Συμβούλιο της Ευρώπης
noun
1. iets waarnaar men moet raden
  1. αίνιγμα
  2. γρίφος
/ratsəlɑxtəx/
adjective
1. onbegrijpelijk door dubbelzinnige of verborgen informatie
αινιγματικός
/raːf/
noun
1. grootste van alle zangvogels, met flinke snavel, Corvus corax
  1. κοράκι
  2. κόρακας
noun
1.
εφαπτομένη
noun
1. venster: muuropening om lucht en licht door te laten
παράθυρο
noun
1. en 2. (stengels van) plant Rheum rhabarbarum
ραβέντι
/rɑˈbɛin/
noun
  1. ραβίνος
  2. ραββίνος
noun
  1. ρατσισμός
  2. φυλετισμός
adjective
1. voortkomend uit de opvatting dat mensen door afstamming kunnen worden ingedeeld in grote groepen...
ρατσιστικός
noun
ρακέτα
noun
1. techniek
ραδιοεντοπιστής
verb
1. een gissing maken naar iets
μαντεύω
noun
1. de SI-eenheid voor een hoek
ακτίνιο
noun
1. een toestel dat door straling warmte afgeeft, ofwel ter verwarming van een ruimte, ofwel ter koeling van bijvoorbeeld een motor
καλοριφέρ
verb
ριζοσπαστικοποιώ
noun
1. bepaalde soort uit de kruisbloemfamilie, Raphanus sativus
  1. ρεπάνι
  2. ραπάνι
/ˈradijo/
noun
  1. 1. toestel
  2. 2. medium
  1. ραδιόφωνο
  2. ράδιο
adjective
ραδιενεργός
noun
1.
ραδιενέργεια
noun
1. frequentie van radiogolven
ραδιοσυχνότητα
noun
radiologos
noun
1. scheikundig element met symbool Ra en atoomnummer 88
ράδιο
noun
1. met symbool Rn en atoomnummer 86
ραδόνιο
noun
διυλιστήριο
verb
ραφινάρω
noun
1. een metalen staaf waar het wiel van een railvoertuig op rijdt
ράγα
noun
1. cilindervormig projectiel dat door een naar achteren gerichte ontploffing wordt voortbewogen
πύραυλος
pronoun
2. teken van de dierenriem van 21 maart tot 20 april
Κριός
noun
1. mannelijk schaap
  1. κριάρι
  2. κριός
noun
1.
τροχιά σύγκρουσης
verb
1. een botsing op een vijandelijk schip veroorzaken
βροντώ
noun
1. een grote catastrofale gebeurtenis met ernstige gevolgen
καταστροφή
adjective
1. op een ramp uitdraaiend
καταστροφικός
/rɑnt/
noun
1. de bovenkant van een bak of vat
γείσο
noun
βαθμός
noun
1. bepaald soort vogel, Asio otus
νανόμπουφος
noun
1. iemand die ritmisch teksten voordraagt op muziek, meestal hiphop
ράπερ
noun
1. een muziek of dichtwerk dat contrasterende delen bevat en toch een eenheid vormt
ραψωδία
noun
ράτσα
noun
1. een grofgetande vijl die wordt gebruikt om rondingen aan hout te maken
τρίφτης
verb
1. met een rasp afvijlen en fijnmaken
τρίβω
/rɑt/
noun
1. een muisachtig knaagdier uit het geslacht Rattus
  1. αρουραίος
  2. ποντικός
noun
1. gifslang uit het geslacht Crotalus
κροταλίας
noun
ορθολογισμός
noun
1.
τρωκτικοκτόνο
adverb
1. ongekookt en vers
ωμός
adjective
1.
κορακί
noun
1. een diepe, steile insnijding in een terrein
φαράγγι
noun
άεργη αντίσταση
noun
1. een actie die een gevolg is van een stimulus
αντίδραση
adjective
αντιδραστικός
noun
δοκιμαστικός σωλήνας
verb
1. op een nieuwe situatie actie ondernemen
αντιδρώ
noun
πραγματισμός
noun
1. een televisieserie met echte mensen en echt drama, soms worden waargebeurde zaken nagespeeld, minder zakelijke weergave dan bij een documentaire
τηλεοπτική πραγματικότητα
noun
1. soort raadsel
εικονόγριφος
adjective
1. een korte tijd geleden gebeurd of begonnen
πρόσφατος
noun
1. voorschrift voor de bereiding van een gerecht
συνταγή
noun
ύφεση
noun
1. het geheel van rechtsregels en instituties van het recht
δίκαιο
noun
1. hoek van 90 graden
ορθή γωνία
noun
2. geheel van de fundamentele rechten en vrijheden die ieder mens toekomen
ανθρώπινα δικαιώματα
/ˈrɛxtər/
noun
1. persoon die rechtspreekt, persoon die een oordeel velt
δικαστής
pronoun
Κριτές
/'rɛxtuk/
noun
1. een vierhoek met vier rechte hoeken
ορθογώνιο παραλληλόγραμμο
adjective
1. tegenovergestelde van links
  1. δεξιός
  2. δεξιά
noun
1. doelgerichte wilsuiting die rechtsgevolgen heeft
έννομη πράξη
/ɾɛχts.pɛɾ.soːn/
noun
1. groepering van goederen of natuurlijke personen die kan deelnemen aan het rechtsverkeer
νομικό πρόσωπο
noun
1. staat waarvan de macht gereguleerd en beperkt wordt door het geldende recht
κράτος δικαίου
adjective
1. in overeenstemming met bepaalde ethische beginselen
δίκαιος
verb
1. onderbouwen volgens bepaalde ethische beginselen
δικαιολογώ
noun
1. de overeenstemming met bepaalde ethische beginselen
δικαιοσύνη
verb
1.
επαναλαμβάνομαι
adjective
1. een dimensie bezittend die de omgekeerde is van een andere dimensie
αμοιβαίος
noun
1. uitvoering met meerdere muziekstukken uitgevoerd door één solist
ρεσιτάλ
noun
ρετσιτατίβο
verb
απαγγέλλω
noun
1,2 informatie over, en aanprijzing van diensten, producten en ideeën
διαφήμιση
/rəˈkɔrt/
noun
  1. 1. beste prestatie
  2. 3. bij elkaar behorende gegevens
ανώτατη επίδοση
verb
1. na verbruik weer omzetten in iets bruikbaars
ανακυκλώνω
noun
1. iemand die berichten verzamelt en bewerkt voor publicatie
συντάκτης
verb
1. actie ondernemen om iets of iemand uit de moeilijkheden te halen
σώζω
noun
διάσωση
noun
3. een ankerplaats buitengaats
ράδα
/ˈre.də(n)/
noun
1. een motivatie door iemand bedacht of beredeneerd
λόγος
/ˌredəˈnɪːrɪŋ/
noun
1. het proces waarmee men van een aantal argumenten, premissen of axioma's tot een standpunt of conclusie komt
σκεπτικό
noun
1. eigenaar van een schip
εφοπλιστής
noun
εφοπλιστικός
noun
1. sierlijk slank hert, komt bijna in heel Europa voor
ζαρκάδι
adverb
1. al
ήδη
noun
1. een opeenvolgende rij van gebeurtenissen
σύνολο
noun
1. een glycoproteïne dat vooral een belangrijke rol speelt bij het sturen van de neuronale migratie...
ρεελίνη
noun
2. kont, billen
κώλος
noun
1. een stemming over een wetsvoorstel, waarbij gestemd wordt door het volk zelf...
δημοψήφισμα
noun
1. verwijzing
πηγές
noun
αντανάκλαση
noun
1. een onwillekeurige reactie op bepaalde prikkels
αντανακλαστικό
noun
διάθλαση
noun
επωδός
/ˈreɣəɫ/
noun
3. een voorschrift, richtlijn, norm
κανόνας
noun
2. ordelijke schikking in de ruimte
συχνότητα
adjective
1. aan een bepaalde regel gehoorzamend
ομαλός
/reχən/
noun
1. neerslag van tot druppels gecondenseerde waterdamp
βροχή
adjective
1. regelmatig regenend of neigend naar regen
βροχερός
/ˈreːχənboːx/
noun
1. een natuurfenomeen dat na regen als een verschijnende veelkleurige boog te zien is
ουράνιο τόξο
noun
1. het gekleurde vlies in het oog waarin de pupil zich bevindt
ίρις
noun
1. een tijdelijke periode van regen tengevolge van het overtrekken van een wolkenveld
μπόρα
/ˈreɣə(n)ˌdrʏpəɫ/
noun
1. een druppel die als regen uit de lucht naar beneden valt
στάλα
/ˈreɣənə(n)/
verb
1. het vallen van neerslag in de vorm van waterdruppels
βροχή
noun
1. een waterdichte overjas die geschikt is voor regenachtig weer
αδιάβροχο
noun
1. toestel dat de hoeveelheid gevallen neerslag in een bepaalde periode op een bepaalde plaats meet
βροχόμετρο
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Ρέγκενσμπουργκ
noun
1. een paraplu
ομπρέλα
noun
αντιβασιλεία
noun
βρόχινο νερό
/'reɣəʋɔrm/
noun
1. benaming voor dieren uit de familie Lumbricidae
σκουληκαντέρα
noun
1. een bos in een klimaat met het hele jaar door neerslag
τροπικό δάσος
noun
θαλασσομπεκάτσα
verb
1. het uitoefenen van de politieke macht...
διευθύνω
/re.'ɣeː.rɪŋ(g)/, /rə.'ɣeː.rɪŋ/, /rə.'χɪː.rɪŋ/
noun
1. een groep van personen die een land bestuurt, specifiek het staatshoofd en alle ministers
κυβέρνηση
/ˌreɣiˈsidə/
noun
1. een bewuste moord op een koning.
βασιλοκτονία
noun
1. bestuur van een land, vaak onderdrukkend, dwingend, alles omvattend
  1. καθεστώς
  2. πολίτευμα
noun
σύνταγμα
adjective
1. op de streek betrekking hebbend
τοπικός
noun
αποκατάσταση
noun
1. benaming voor ooievaarachtige watervogels uit de familie Ardeidae
  1. τσικνιάς
  2. ερωδιός
  3. αρδέα
/rɛɪ̯s/
noun
1. grote, lange tocht of trip
ταξίδι
noun
πρακτορείο ταξιδιών
verb
1. onderweg zijn
ταξιδεύω
/ˈrɛɪzəɣər/
noun
  1. 1. persoon op reis
  2. 2. persoon die vaak reist
ταξιδιώτης
/ˈre.kə.nə(n)/
verb
1. getallen manipuleren
βασίζομαι
noun
  1. 1. de optelsom van te betalen bedragen
  2. 2. mogelijkheid om bij een bank onder een eigen nummer betalingen te doen en te ontvangen en geld te sparen of te lenen
λογαριασμός
noun
de leer van de operaties die op getallen worden uitgevoerd (optellen, aftrekken, vermenigvuldigen, delen, ...)
αριθμητική
/rəlaˈtif/
adverb
1. betrekkelijk
σχετικός
noun
συνάφεια
/rə'liɣi/
noun
1. een godsdienst
  1. Θρησκεία
  2. θρησκεία
/relɪˈɣɪøs/, /relɪˈʝɪøs/
adjective
1. te maken hebbend met godsdienst of geloof
θρησκευτικός
noun
1. een overblijfsel van het lichaam van een heilige of een voorwerp dat...
κειμήλιο
/relɪŋ/
noun
1. een leuning boven de verschansing die een scheepsdek omgeeft
παραπέτο
noun
ανάγλυφο
noun
1. een mechanisme dat iets vertraagt of tot stilstand brengt
φρένο
/rəˈmedi/, /reˈmedi/
noun
1. een medicijn of een op genezing gerichte behandeling
γιατρικό
verb
1. snelheid doen verminderen
φρενάρω
noun
2. geremdheid, belemmering
αναστολή
adjective
1. met betrekking tot de nier
Greek: νεφρικός
noun
1. een hertachtig zoogdier met een breed uitlopend gewei
τάρανδος
noun
1. Chemisch element
ρήνιο
/ˈrɛn.ku.kuk/
noun
1. benaming voor vogels uit het geslacht Geococcyx
γεωκόκκυγας
noun
[A] 1. zeer snel lopen
τρέχω
/rənoˈverə(n)/
verb
1. opknappen, repareren, vernieuwen
ανακαινίζω
noun
1. op geregelde tijden te betalen geldbedrag voor het vruchtgebruik van een geleende som geld
τόκος
noun
επιδιόρθωση
verb
1. iets weer in werkende staat brengen
επισκευάζω
verb
1.
επαναπατρίζω
noun
δραματολόγιο
noun
ρεπορτάζ
/rɛp'til/
noun
1.
ερπετό
/repʏˈbliːk/
noun
1. staatsvorm
δημοκρατία
pronoun
Ολλανδική Δημοκρατία
noun
ρεπουμπλικάνος
adjective
δημοκρατικός
noun
1. de manier waarop iemand bekend is
φήμη
noun
1. mis opgedragen voor een overledene
μνημόσυνο
noun
1.
ρεζέρβα
noun
1. iemand die oproepbaar is voor militaire dienst in tijden van oorlog, oorlogsdreiging of andere situaties waarin inzet van het leger nodig is
έφεδρη
/resər'vʷar/
noun
1. plaats waar water of een andere vloeistof bewaard kan worden
δεξαμενή
noun
κατοικία
noun
ηλεκτρική αντίσταση
noun
  1. ιδιοσυχνότητα
  2. απήχηση
/rɛsˈpɛkt/
noun
eerbied uit hoogachting of angst
σεβασμός
verb
  1. 1. iemand in aanzien houden
  2. 2. iets naleven
σέβομαι
noun
het restant — 1. wat is overgebleven
ρετάλι
noun
εστιατόριο
noun
2. het minitieus herstellen van een voorwerp van kunstzinnig of historisch belang
αναστήλωση
/rezɵl'tat/
noun
1. een uitkomst
αποτέλεσμα
noun
1. een verouderd toestel voor het destilleren bestaande uit een vat met een neergebogen tuit
αποστακτήρας
noun
3. vergoeding aan de grondeigenaar voor opstalrecht
αμοιβή
/ˈre.tro.ˌflɛks/
noun
1. een medeklinkerklank die gevormd wordt door de tong om te buigen zodat het met de onderkant naar het verhemelte staat
ανάστροφο
noun
  1. 1. geur
  2. 2. gewaarwording van geur via de neus
μυρωδιά
noun
1. een buitengewoon grote man
γίγαντας
noun
1. verkregen door uitsmelting van varkensvet
λαρδί
noun
1-3. streven naar herziening (van het marxisme, de geschiedenis)
αναθεωρητισμός
noun
1.
  1. Επανάσταση
  2. επανάσταση
adjective
επαναστάτης
noun
1. een handvuurwapen met een roterende trommel met kogels
περίστροφο
noun
μετενσάρκωση
pronoun
1. een rivier van 812 km lengte die ontspringt in Zwitserland, door Frankrijk naar het zuiden stroomt en uitmondt in de Middellandse Zee
Ροδανός
noun
1. elk van de platte, boogvormige beenderen die de borstkas omsluiten
πλευρό
noun
RNA
noun
1.
ριβόσωμα
/ˈrɪxtɪŋ/, /ˈrɪχtɪŋ/
preposition
1. de kant op van
κατεύθυνση
noun
1. een systeem om richting aan te geven in een voertuig
δείκτης
noun
1. aanwijzing voor een te volgen gedrag
νόρμα
noun
1. oorspronkelijk een bereden en bepantserde ruiter die de ridderslag ontvangen had
ιππότης
noun
δελφίνιο
/ridiˈkyl/
adjective
γραφικός
/rim/
noun
1. een band van leer of een ander materiaal
ιμάντας
/rit/
noun
2. onderdeel muziekinstrument
  1. γλωττίδα
  2. καλάμι
noun
2. drinkbuisje
καλαμάκι
noun
suiker, verkregen uit het sap van suikerriet
καλαμοσάκχαρο
noun
1. een ondiepte in water, koraalbank, klip
  1. ύφαλος
  2. ξέρα
pronoun
1.
Ρίγα
/rɛɪ̯/, /rɛː/
noun
  1. 2. een opeenvolging van elementen
    ακολουθία
  2. 1. geordende opstelling van een aantal eenheden in één richting
    στοίχος
/ˈrɛɪ̯bəˌwɛɪ̯s/, /ˈrɛɪ̯bəˌʋɛɪ̯s/, /ˈrɛːbəˌβ̞ɛːs/
noun
1. een officieel document waarmee de bezitter bevoegd is om een motorvoertuig te besturen
άδεια οδήγησης
/ˈrɛɪ̯də(n)/, /ˈrɛːdə(n)/
verb
  1. 1. zich verplaatsen met behulp van een voertuig
  2. 2. iemand met een voertuig ergens heen brengen
οδηγώ
pronoun
1.
Ριέκα
/rɛɪ̯k/, /rɛːk/
adjective
1. veel geld en/of eigendommen hebbend
  1. πλούσιος
  2. εύπορος
/ˈrɛik.dɔm/
noun
1. het bezitten van veel geld en goud
πλούτος
noun
  1. 1. bevroren dauw
    1. πάχνη
    2. δροσόπαγος
  2. 1. gelijkheid van klank in een vers
    ομοιοκαταληξία
/rɛɪ̯n/, /rɛːn/
pronoun
1. een van de langste en belangrijkste rivieren van Europa die op de grens ligt tussen Midden- en West-Europa.
Ρήνος
pronoun
Ρηνανία
pronoun
Ρηνανία-Παλατινάτο
adjective
1. geschikt voor de oogst
ώριμος
noun
1. bevroren dauw
  1. πάχνη
  2. δροσόπαγος
pronoun
1. stad in Noord-Frankrijk nabij de Belgische grens
Λιλ
/rɛi̯st/
noun
1. graan van het geslacht Oryza
  1. ρύζι
  2. όρυζα
noun
1. ingrediënt dat bestaat uit met de zaadhuiden vergroeide vruchtwanden en kiemen
πίτυρο ρυζιού
verb
  1. 1. opstijgen
  2. 2. uitzetten en luchtig worden
φουσκώνω
noun
1.Aziatisch twee- of driewielig karretje voor personen vervoer
δίτροχη χειράμαξα
verb
τρέμω
noun
1. een oppervlakkige vouw of golving, in het bijzonder van de menselijke huid
ρυτίδα
noun
1. cirkelvormig sieraad voor om de vinger
δαχτυλίδι
noun
1. een zangvogel uit de familie van mussen en sneeuwvinken
δενδροσπουργίτι
noun
1. Natrix natrix
νεροφίδα
noun
1. vierde vinger gerekend vanaf de duim
παράμεσος
noun
1. een mogelijk gevaar voor schade
κίνδυνος
noun
1. een zich in de tijd herhalend patroon van geluiden
ρυθμός
noun
2. ritssluiting
φερμουάρ
adjective
τελετουργικό
/riːˈviːr/
noun
1. een natuurlijke waterstroom
  1. ποταμός
  2. ποτάμι
noun
1. bepaald soort slanke eetbare Euraziatisch zoetwatervis, Gobio gobio
γυφτόψαρο
noun
1. een soort kreeft die in riviertjes leeft
καραβίδα
noun
ρουμπίνι
/ˈro.bɔt/
noun
1. machine die beschikt over een stoffelijke vorm en een beslissingsmodel
ρομπότ
noun
1. muziek- en dansstijl
ροκ εντ ρολ
verb
1. op een vervelende manier over anderen praten
κουτσομπολεύω
noun
παντζάρι
pronoun
Ερυθρός Σταυρός
noun
1. bepaald soort zoogdier, Lynx rufus
ερυθρός λύγκας
noun
1. een alcoholhoudende drank die verkregen wordt door de gisting van rode druiven
κόκκινο κρασί
noun
1.
ψαλιδιάρης
pronoun
1. langgerekte binnenzee, gelegen tussen Azië en Afrika
Ερυθρά Θάλασσα
/ˌro.də.ˈhɔnt/
noun
1. een infectieziekte waarbij het gehele lichaam met rode plekken en bulten bedekt is
ερυθρά
noun
1. en 2. donkerrood sluitkoolgewas
κόκκινο λάχανο
noun
1. chemisch element met symbool Rh
ρόδιο
noun
ροδόδενδρο
/ˈrubəl/
noun
ρούβλι
verb
1.zich met behulp van roeispanen in een boot ergens begeven
κωπηλατώ
noun
1. iemand die roeit
κωπηλάτης
noun
1. bepaalde soort kraaiachtige vogel, Corvus frugilegus
χαβαρόνι
adjective
1. zonder zorg over de gevolgen of het gevaar van een handeling
απερίσκεπτος
noun
1. eer en glorie
δόξα
/ruˈmens/, /ruˈmeːns/
pronoun
1. een Romaanse taal die wordt gesproken in Roemenië
ρουμανικά
/ruˈmeni.jə/, /ruˈmeːni.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Europa ten noorden van Bulgarije
Ρουμανία
noun
ρεντγκένιο
/rup/
noun
1. een vrij harde klank geproduceerd met stemgeluid
κραυγή
/'ru.pə(n)/
verb
1. met verheffing van stem de aandacht van iemand trachten te verkrijgen
φωνάζω
/'rupi/
noun
1.
ρουπία
/'rupɪŋ/
noun
1. een taak waarvoor een persoon zich verplicht voelt, vaak met religieuze invloed
κλίση
noun
1. vlak waarmee gestuurd wordt
πηδάλιο
/rurɛi/
noun
1. een gerecht van gebakken eieren en losgeklopte melk
αβγά
noun
1. beweegbare, stoffelijke zaak
κινητή περιουσία
noun
1. geoxideerd ijzer
σκουριά
verb
1. het langzaam oxideren van ijzerhoudende materialen
σκουριάζω
adjective
ξεπερασμένος
adjective
1. roestbestendig
ανοξείδωτος
/rut/
noun
1. koolstofneerslag die ontstaat door onvolledige verbanding van koolstofhoudende stoffen
αιθάλη
noun
1. benaming voor brede, platte vissen met een smalle staart uit de superorde Rajomorphii
  1. μουδιάστρα
  2. νάρκη
noun
1. en 2. (zaden van) plant Secale cereale
σίκαλη
noun
1. buis- of kegelvormig kledingstuk
φούστα
/ˈroːkə(n)/
verb
  1. 2. nuttigen door het inhaleren van de rook ervan
  2. 1. rook afgeven
  3. 3. conserveren door langdurige blootstelling aan rook
καπνίζω
noun
1. een gordijn dat bij het sluiten van een ronde stok wordt afgerold
ρολό
noun
1. vervoermiddel voor mensen die slecht ter been zijn
αναπηρικό καροτσάκι
noun
1. trap met bewegende treden
κυλιόμενες σκάλες
noun
B 1. volk in Europa en Azië dat traditioneel een zwervend bestaan leidt
Ρομ
adjective
1.
ρομανικός
noun
1. een lang soort verhaal in boekvorm
μυθιστόρημα
/romaˈnɛs/
pronoun
Taal door veel zigeuners gesproken
Ρομανί γλώσσα
/roˈmɑns(x)rɛɪvər/
noun
1. een mannelijke persoon die romans schrijft
μυθιστοριογράφος
adjective
ρομαντικός
/ˈro:mə/
pronoun
1. de hoofdstad van Italië
Ρώμη
adjective
1. met betrekking tot Rome
ρωμαϊκός
/roˈmɛɪnsə rɛɪk/
pronoun
1. een historisch rijk dat op zijn hoogtepunt de gehele Middellandse Zeeregio in handen had
  1. Ρωμαϊκή Αυτοκρατορία
  2. Βασιλεία Ρωμαίων
noun
1. het lichaam van een mens of dier zonder ledematen, kop of staart
κορμός
adjective
1. cirkelvormig
στρογγυλός
adverb
ειλικρινά
/rod/, /rot/
adjective
1. de kleur rood hebbend
  1. κόκκινος
  2. κόκκινο
/rod/, /rot/
noun
1. een primaire kleur zoals die van licht met een golflengte tussen de ca. 620 en 740 nm.
  1. κόκκινος
  2. ερυθρό
adjective
κοκκινωπός
noun
2. bepaald soort vrij gedrongen vogeltje met opvallende bruinrode keel, Erithacus rubecula
κοκκινολαίμης
pronoun
1. sprookjesfiguur
Κοκκινοσκουφίτσα
noun
1. Falco vespertinus
µαυροκιρκίνεζο
/ˈrovdir/
noun
1. dier dat zijn prooi bejaagt en doodt
κτήνος
/ˈroˌfoχɔɫ/, /ˈroːˌfoːɣəl/, /ˈroːˌvoːɣəl/
noun
1. eierleggend dier met veren, twee vleugels, twee klauwen en een snavel dat zijn prooi bejaagt en doodt
αρπακτικό
/roːk/
noun
1. damp, zichtbaar gas
καπνός
noun
1. de vette delen van melk waarvan boter gemaakt wordt
κρέμα γάλακτος
/roːs/
noun
1. bloem
  1. ρόδο
  2. τριαντάφυλλο
noun
ροσμπίφ
pronoun
1.
Ρόστοκ
noun
περιστροφή
verb
1. vlas blootstellen aan fermentatie om het pectine te verwijderen dat de stengel samenhoudt
μουσκεύω
noun
2. bepaald soort vuurwerk dat na het aansteken van de lont wordt weggegooid en dan een harde knal geeft
κροτίδα
noun
1. een grote ruwe steen
βράχος
/ˈrɔtstœʏn/, /ˈrɔtstœːn/
noun
1. een tuin met rotspartijen en rotsplanten
βραχόκηπος
/ra<sup>ʊ</sup>/, /rʌʊβ̞/, /rʌːβ̞/
noun
1. grote smart of droefenis na een verlies
πένθος
/rʌʊβ̞ə(n)/, /rʌːβ̞ə(n)/
verb
1. de emotionele nasleep van het overlijden van een geliefd persoon
πενθώ
noun
1. iemand die door geweldpleging iemand besteelt
ληστής
/roːzə/, /rɔːs/, /rɔːzə/
adjective
1. heel bleke of lichte rode kleur, met soms ook blauwe tinten
ροζ
noun
2. keukenkruid
δενδρολίβανο
noun
1. schijnvrucht van wilde rozen
κυνόροδο
noun
1. een gebedssnoer met 165 kralen
ροζάριο
noun
1.
ροδόκηπος
noun
ροδόνερο
noun
1. kleine gedroogde vruchtjes van Vitis vinifera
σταφίδα
/ˈrɵ.bər/
noun
καουτσούκ
noun
1. Chemisch element
ρουβίδιο
noun
1. en 2. (bladeren van) eenjarige plant Eruca sativa
ρόκα
adjective
στοιχειώδης
/rɵx/
noun
1. zijde van de romp tegenover de buik en borst gelegen
  1. πλάτη
  2. ράχη
noun
ράγκμπι
noun
σπονδυλική στήλη
noun
νωτιαίος μυελός
noun
1. pijn in de rug
οσφυαλγία
noun
σακίδιο
pronoun
1. een regio in de Duitse deelstat Noordrijn-Westfalen
κοιλάδα του Ρουρ
/rœʏkə(n)/, /rœːkə(n)/
verb
1. een geur waarnemen
μυρίζω
noun
1. een boeket
ανθοδέσμη
/rœʏl/, /rœːl/
noun
αλλαγή
noun
αντιπραγματισμός
/rœy̯m/
noun
1. de laadruimte van een schip
αμπάρι
noun
3. heelal
  1. διάστημα
  2. χώρος
noun
1. vaartuig geschikt om zich buiten de aardse atmosfeer te begeven
διαστημόπλοιο
noun
2. een vierhoek waarvan de zijden gelijk in lengte zijn
ρόμβος
noun
1. een apparaatje dat de ruiten van een auto automatisch wist met een bewegende arm met wisserblad
υαλοκαθαριστήρας
noun
  1. 1. berijder van een rijdier
    ιππέας
  2. 2. uitstekend stukje
    καβαλάρης
noun
een sterkedrank die bereid wordt uit het sap van suikerriet
ρούμι
/rʏnd/, /rʏnt/
noun
1. holhoornig herkauwend zoogdier
βόδι
/ˈrʏntfleːs/
noun
1. het vlees van een volwassen rund
βοδινό κρέας
/ˈrynə/
noun
1. een schriftteken van het Oud-Germaanse alfabet
ρούνος
noun
1. vlinderlarve
κάμπια
noun
1. een inwoner van Rusland
Ρώσος
/'rʏs/
noun
plant
βούρλο
pronoun
1. een soevereine staat met het Russisch als officiële taal die zich uitstrekt van het oosten van Europa tot het oosten van Azië
  1. Ρωσία
  2. Ρωσσία
/ˈrʏsis/
adjective
1. betreffende Rusland of het Russisch
ρωσικός
/ˈrʏsis/
pronoun
1. een Slavische taal die gesproken wordt in Rusland
  1. ρωσικά
  2. ρώσικα
/rɵst/
noun
2. tijdelijke toestand van ontspanning na arbeid, moeite of inspanning
ανάπαυση
verb
1. werk of andere activiteit staken om het lichaam in staat te stellen weer op krachten te komen
αναπαύομαι
adjective
1. kalm, weinig sensorische prikkels creërend
ήρεμος
noun
1. scheikundig element met symbool Ru en atoomnummer 44
ρουθήνιο
noun
1. scheikundig element met symbool Rf en atoomnummer 104
ραδερφόρντιο
adjective
2. grof, onbesuisd
ανεπεξέργαστος
noun
1. toestand waarin men in ernstig conflict is met anderen
καβγάς
/ryˈinə/
noun
1. een zeer vervallen gebouw
ερείπιο
/ˌryiˈnerə(n)/
verb
  1. 1. helemaal kapotmaken
  2. 2. iemand financieel te gronde richten
καταστρέφω
/ru.ˈwɑn.da/, /ru.ˈʋɑn.da/, /ˈrβ̞ɑn.da/
pronoun
1. een land in Oost Afrika, officieel de Rwandese Republiek, dat geheel door land omsloten wordt
Ρουάντα
noun
1.
ακτίνα Χ
/saɪ̯/, /saːɪ̯/
adjective
  1. πληκτικός
  2. πληχτικός
pronoun
1. zijrivier van de Moezel
Σάαρ
pronoun
1.
Σάαρ
pronoun
Σάμπα
noun
1. bepaald soort zoogdier, Marter zibellina
ζιβελίνα
noun
1. een vijandige ingreep op zaken om deze te laten mislukken of te vernielen
  1. δολιοφθορά
  2. σαμποτάζ
verb
σαμποτάρω
noun
δολιοφθορέας
noun
σακχαρίτης
noun
1. caloriearme kunstmatige zoetstof die geen directe invloed heeft het bloedsuikergehalte
σακχαρινες
noun
1. een disacharide, bestaande uit een glucose-eenheid en een fructose-eenheid
σακχαρόζη
noun
1. plechtige gebeurtenis in de katholieke kerk
μυστήριο
noun
1. een ruimte in een rooms-katholieke kerk, waarin men alles bewaart dat nodig kan zijn om een kerkdienst te houden.
σκευοφυλάκιο
noun
σαδισμός
adjective
σαδιστής
/sɑˈfarɪ/
noun
1. expeditie in de wildgebieden in Afrika
σαφάρι
noun
1. een kostbare, transparante blauwe edelsteensoort die een variant is van korund (α-Al₂O₃)
ζαφείρι
noun
1. specerij bereid uit de saffraankrokus Crocus sativus
  1. σαφράνι
  2. κρόκος
  3. ζαφορά
/ˈsaɣə/
noun
σάγκα
pronoun
1. zandwoestijn in Noord-Afrika
Σαχάρα
/sent.ˌvɪn.sɛnt.ɛn.də.χre.na.ˈdi.nəs/
pronoun
1. land in het Caraïbisch gebied
Άγιος Βικέντιος και Γρεναδίνες
pronoun
Άγιος Πέτρος και Μικελόν
pronoun
1. Duitse deelstaat
Σαξωνία
pronoun
Σαξωνία-Άνχαλτ
noun
σαλάτα
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Caudata
σαλαμάνδρα
/ˈsalami/
noun
1. Italiaanse worst
σαλάμι
noun
1. regelmatige, meestal maandelijkse beloning voor werk verricht in een werkverband
μισθός
noun
gedroogde stukjes van de echte salie
  1. φασκόμηλο
  2. φασκομηλιά
noun
1.
σαλμονέλα
pronoun
1. koning van Israël
Σολομών
/ˈsa.lo.mɔns.ˌɛɪ̯.lɑn.də(n)/, /ˈsa.lo.mɔns.ˌɛː.lɑn.də(n)/
pronoun
1. land in Melanesië
Νήσοι Σολομώντος
noun
1. een sterk zure chemische verbinding met de formule HNO₃ of een waterige oplossing daarvan
νιτρικό οξύ
pronoun
Σαμάρεια
noun
1. scheikundig element met symbool Sm en atoomnummer 62
σαμάριο
noun
Σάμι
adverb
μαζί
noun
1. gezin met kinderen van één of beide partners uit een eerdere relatie met een ander
αναδημιουργημένη οικογένεια
verb
1. meerdere uitgekozen zaken tot een geheel maken
συνθέτω
noun
1. het samenstellen
μείγμα
verb
1. met een of meer aan hetzelfde werken
συνεργάζομαι
noun
1. het samenwerken van meerdere personen
συνεργασία
/ˈsamə(n)ˌzʋɪːrə(n)/
verb
1. geheimelijk met anderen samenwerken ten nadele van een derde partij
συνωμοτώ
pronoun
1. een verzameling talen die gesproken worden in Noorwegen, Zweden, Finland en Rusland door de Saami
Σάμι
/sa.ˈmo.wa/
pronoun
1. een land in Oceanië ten noorden van Nieuw-Zeeland en ten oosten van Australië...
Σαμόα
pronoun
1. een taal die gesproken wordt door 370.337 mensen in Samoa, Amerikaans-Samoa, Fiji, Nieuw-Zeeland, Tonga en de Verenigde Staten
σαμοανικά
/ˈsɑmuˌrɑɪ/
noun
1. een lid van de vroegere Japanse krijgsstand
σαμουράι
pronoun
Σαμουήλ
/ˌsan maˈrino/
pronoun
1. een dwergstaat in Italië met republikeinse staatsinrichting.
Άγιος Μαρίνος
/'sɑŋksi/
noun
1. strafmaatregel
κύρωση
/sɑnˈdal/
noun
1. schoeisel
πέδιλο
noun
1. een bepaald houtsoort (Santalum album of verwante soorten)
σανταλόξυλο
noun
1. een Spaanse licht-alcoholische drank
  1. σαγκρία
  2. σανγκρία
pronoun
1. klassieke taal en een van de officiële talen van India
σανσκριτικά
/saʊ̯.to.ˌme.je̞n.prɪn.ˈtsi.pə/, /ˌsa.o.to.me.ʔɛn.ˈprɪn.si.pə/, /ˌsʌu.to.me.ɛn.ˈprɪn.si.pə/
pronoun
1. land en eilandengroep aan de westkust van Afrika in de Golf van Guinee
  1. Σάο Τομέ και Πρίνσιπε
  2. Σαν Τομέ και Πρίντσιπε
/sa.ˌu.di.ɑ.ˈra.bi.jə/, /zaʊ̯.di.ja.ˈra.bi.jə/
pronoun
1. en 2., land en staat in Azië
Σαουδική Αραβία
noun
1. plantenvocht
χυμός
noun
1. soldaat die loopgraven maakt
σκαπανέας
adjective
1. vol met sap
χυμώδης
noun
1.
σαρκασμός
adjective
1.
σαρκαστικός
noun
1. een stenen doodskist
σαρκοφάγος
noun
σάρκωμα
noun
1. klein zilverkleurig haringachtig visje, Sardina pilchardus
σαρδέλα
noun
1. straalvinnige visSardina pilchardus, uit de familie van haringen
σαρδέλα
noun
1. een Italiaans eiland in de Middellandse Zee
Σαρδηνία
/sɑr'donis/
adjective
1. op een bittere manier grijnzen of lachen
σαρδόνιος
/ˈsatɑn/
pronoun
Σατανάς
noun
1. aanbidding van Satan
σατανισμός
/sɑtɛ'lit/
noun
δορυφόρος
noun
σάτυρος
noun
  1. Σάτιρα
  2. σάτιρα
pronoun
1.
Κρόνος
/saˌudiaˈrabijə/
pronoun
1. en 2., land en staat in Azië
Σαουδική Αραβία
/saˈul/
pronoun
2. jongensnaam
Σαούλ
/'saʊna/
noun
1. een ruimte waarvan de temperatuur verhoogd wordt, zodat het lichaam begint te zweten (een zweetbad)
σάουνα
/sɑu̯s/
noun
1. een vloeibare substantie die meestal over een gerecht wordt gedaan voor extra smaak
σάλτσα
/ˈsa.va/
pronoun
1. een rivier in Zuidoost-Europa met een lengte van 940 km.
Σάβα
noun
1. en 2. (bladeren van) Brassica oleracea convar. capitata var. sabauda)
  1. κράμβη του μιλάνου
  2. λάχανο μιλάνου
  3. λάχανο σαβοΐας
noun
1. iemand die (beroepshalve) saxofoon speelt
σαξοφωνίστας
/sɑkso'fon/
noun
1. een metalen blaasinstrument met een enkel riet
σαξόφωνο
adjective
σκανδιναβικός
pronoun
1. Denemarken, Noorwegen en Zweden.
Σκανδιναβία
noun
1. scheikundig element met symbool Sc en atoomnummer 21
σκάνδιο
noun
ανιχνευτής
/sə.ˈna.ri.jo/
noun
1. een kort uitgewerkt schema voor de handeling van een dramatisch werk
σενάριο
noun
1. sierlijk bewerkte staf, symbool voor het gezag van een regerende vorst
σκήπτρο
noun
1. een werktuig om hout glad, vlak of dunner te maken
  1. πλάνη
  2. ροκάνι
  3. ρυκάνη
noun
γρατζουνιά
interjection
σαχ
noun
2. het schaakspel als zodanig
σκάκι
/ˈsxagbɔrt/, /ˈsχagbɔrt/
noun
1. een vierkant bord met 64 donkere en lichte vakjes waarop schaak gespeeld wordt
σκακιέρα
adverb
ματ
noun
1. een spel met verschillende stukken op een schaakbord
σκάκι
/ˈsxakstʌk/
noun
1. een onderdeel van het schaken dat over het schaakbord bewogen wordt.
πεσσός
noun
  1. 3. verhouding van de grootte tussen een model en een echt voorwerp
  2. 4. bepaalde ijking op een grafiek, as of eenheid
έκταση
/sxaːldir/
noun
1. een dier met een schaal als uitwendig skelet
μαλακόστρακο
noun
1.
εφήβαιο
/'sxa:m.tə/
noun
1. eerste betekenisomschrijving
ντροπή
adjective
1. zonder schaamte
ξεδιάντροπος
noun
1. Ovis aries, een holhoornige herkauwer waarvan de gedomesticeerde soort wol levert
πρόβατο
noun
1. werktuig om te knippen
ψαλίδι
/'sxarstə/
noun
1. eerste betekenisomschrijving
έλλειψη
noun
1. een ijzer dat onder de schoenen wordt gebonden of aan de schoenen is vastgemaakt, om zich daarmee over het ijs te verplaatsen
παγοπέδιλο
verb
1. zich voortbewegen op schaatsen
πατινάρω
/ˈsxɑxt/
noun
1. (holle) buis
πηγάδι
noun
1. geheel van beschadigingen
ζημιά
/ˈsxadələk/
adjective
1. schade toebrengend
βλαβερός
/ˈsxaː.dyu̯/
noun
1. een slechts door indirect zonlicht beschenen oppervlak
  1. σκιά
  2. ίσκιος
verb
1. iemand ongemerkt volgen
γίνομαι σκιά
verb
1. blaasinstrument met een rechte conische boring en een los dubbel riet dat de toon vormt
ζουρνάς
/ˈsxaː.mə(n)/, /ˈsχa.mə(n)/
verb
1. schaamte voelen
ντρέπομαι
noun
1. een zaak die iemand in opspraak brengt en waarvan mensen schande spreken
σκάνδαλο
noun
1. iets wat bij het publiek minachting oproept, iets oneervols
ντροπή
noun
1. een paal op een plein, waaraan mensen bij wijze van straf werden vastgemaakt om vernederd...
κύφωνας
noun
1. een wintersport waarbij op skis van een helling (de schans) gesprongen wordt. Het doel daarbij is om zowel zo ver als zo mooi mogelijk te springen
Άλμα με σκι
noun
1. een plank om iets op te zetten
ράφι
/sxɑrˈnir/
noun
1. draaiverbinding
μεντεσές
noun
3. vogel uit de familie van de scharrelaars
ευρωπαϊκή χαλκοκουρούνα
noun
1. verzamelde rijkdom
θησαυρός
/'sxɑtə(n)/, /'sχɑtə(n)/
verb
2. benaderen van een waarde door berekening
εκτιμώ
verb
1. gladmaken door middel van een schaaf.
πλανίζω
noun
1. een stellage voorzien van een galg of een valbijl waar veroordeelden terechtgesteld worden
ικρίωμα
noun
1. houder waarin men een zwaard of mes kan steken
  1. θήκη
  2. θηκάρι
/'sχedəl/
noun
κρανίο
noun
1. voorkant van het onderbeen van de mens tussen de knie en de enkel
κνήμη
/ˈsxenben/
noun
καλάμι
noun
μούτσος
noun
1. (scheepvaart) een werkgebied
ναυπηγείο
/ˈsxɪːrkʋɑst/
noun
1. een dikke kwast waarmee men scheerzeep aanbrengen
πινέλο
/sxeːrmɛs/, /sχɪːrmɛs/
noun
1. een bijzonder scherp mes waarmee men zich kan scheren
ξυράφι
noun
  1. 1. het uiteenhalen van iets in zijn onderdelen
  2. 3. het verbreken van een huwelijk
χωρισμός
/'sxɛɪtsrɛxtər/
noun
1. iemand die tijdens een spel de spelregels toepast
διαιτητής
noun
1. wetenschap die zich bezig houdt met de studie van de samenstelling en de bouw van de stoffen
χημεία
adjective
1. dat wat tot de scheikunde behoort, volgens de scheikunde
χημικός
noun
χημικός
/sxɛlp/
noun
1. een uit kalk gewoonlijk uitwendig skelet, dat door een weekdier wordt aangemaakt
όστρακο
noun
1. bepaald soort kabeljauwachtige consumptievis, Melanogrammus aeglefinus
βακαλάος
noun
σχήμα
noun
2. de tijd van de dag waarop het licht dan wel donker wordt
λυκόφως
/sxɛndə(n)/
verb
1. iets niet in acht nemen
παραβιάζω
noun
1. het schenden van iets
παραβίαση
pronoun
Σένγκεν
noun
1. lepelvormig werktuig
φτυάρι
noun
1. iets nieuws dat uit het niets gemaakt is
πλάση
noun
1. creatuur; iets dat gemaakt is
δημιούργημα
/sxeːrə(n)/, /sχɪːrə(n)/
verb
  1. 1. baard afsnijden
  2. 2. zich de baard kort afsnijden
ξυρίζω
/sxɛr'mɵʦəlɪŋ/
noun
αψιμαχία
adjective
1. goed snijdend
  1. οξύς
  2. κοφτερός
noun
άριστος σκοπευτής
noun
οξυδέρκεια
noun
σκίτσο
verb
  1. 1. met een minimum van pennenstreken een voorlopige en gewoonlijk uitwisbare afbeelding van iets maken
  2. 2. in overdrachtelijke zin: een korte maar rake beschrijving van iets geven
ιχνογραφώ
noun
1. ziekte ten gevolge van ascorbinezuurdeficiëntie
σκορβούτο
/sxʏːrə(n)/
verb
1. in twee of meer delen trekken
σκίζω
adverb
σχεδόν
noun
1. een landmassa die voor het grootste deel door water omgeven wordt, en slechts op (relatief) smalle verbinding heeft met het vasteland.
χερσόνησος
/ˈsxi.tə(n)/, /ˈsχi.tə(n)/
verb
1. een projectiel afvuren met een wapen
πυροβολώ
noun
1. gat om door te schieten
μασγάλι
adjective
1.iemand die snel een vuurwapen wil gebruiken
αψίθυμος
noun
1. een draad met loden balletje om de loodrechte stand van iets te onderzoeken
αλφάδι
/sxɛi̯f/
noun
1. plat en rond voorwerp
δίσκος
noun
1. een rem, waarbij op de as van het af te remmen toestel een schijf meedraait, die door middel van remblokken afgeremd kan worden.
δισκόφρενο
verb
  1. 1. zich voordoen, vaak op bedrieglijke wijze
  2. 2. naar verluidt
  3. 3. straling uitzenden
λάμπω
/sxɛɪ̯nˈhɛɪ̯lɪx/, /sxɛːnˈhɛːləx/, /sχɛɪ̯nˈhɛɪ̯ləχ/
adjective
1. tegen beter weten in de schijn van goedheid of onschuld ophoudend
ψευδευλαβής
/sxɛɪt/
noun
1. vaste uitwerpselen
σκατά
/sxɛɪtə(n)/, /sxɛːtə(n)/, /sχɛɪtə(n)/
verb
1. poepen
χέζω
noun
1. buitenste bekleding van een vrucht
φλούδα
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Ασπίς
/sxɪlt/
noun
1. (militair) een voorwerp dat als afweer tegen de aanval van de vijand voor zich gehouden wordt
ασπίδα
noun
1. een kunstenaar die geschilderde afbeeldingen maakt
ζωγράφος
verb
    1. 1. een kunstwerk vervaardigen door met verf een beeld op een oppervlak te maken
    2. 2. een bouwwerk of voorwerp van een beschermend laag verf voorzien
    απεικονίζω
  1. 1-2.
    ζωγραφίζω
/ˌsxɪldə'rɛː/, /ˌsχɪɫdə'rɛɪ/
noun
1. een met verf op doek of andere achtergrond gemaakte afbeelding
πίνακας
/sxɪldkliːr/, /sxɪɫtkliːr/, /sχɪɫtkliːr/
noun
1. klier
θυρεοειδής αδένας
noun
υπηρέτης
noun
1. orde van reptielen waarvan het voornaamste kenmerk is dat het lichaam omsloten wordt door een verhard rug- en buikschild
χελώνα
verb
1. de schil van een vrucht verwijderen
ξεφλουδίζω
noun
  1. 1. paardenras met een grotendeels witte vacht met fijne grijze of blauwige tekening
  2. 2. zwamsoort of substantie die op dode of levende organismen groeit.
μούχλα
noun
2. rijk binnen de eukaryoten, Fungi
μύκητας
noun
  1. 2. grootste ruimte in de lengterichting van een kruiskerk
    1. ναυς
    2. καράβι
  2. 1. groot zeewaardig vaartuig
    1. πλοίο
    2. σκάφος
    3. καράβι
/sxɪbrøk/
noun
1. een gebeurtenis waarbij een schip zinkt of op de klippen loopt
ναυάγιο
noun
1. uit elkaar vallen van een kerkgenootschap in twee delen door sterk verschillende opvattingen
σχίσμα
noun
1. een chronische geestesziekte met perioden van verwardheid en psychose
σχιζοφρένεια
/sxun/
noun
1. voetbekleedsel
  1. παπούτσι
  2. υπόδημα
noun
1.
φαλαινοκέφαλος
noun
1. een 18e eeuws langsgetuigd zeilschip met oorspronkelijk 2, maar later ook meer masten
  1. γολέτα
  2. ημιολία
noun
1. iemand die als vak schoenen repareert
τσαγκάρης
noun
  1. τσαγκάρης
  2. υποδηματοποιός
noun
1. veter om een schoen of laars dicht te rijgen
κορδόνι
/'sxunzol/
noun
1. zool van een schoen
σόλα
noun
1. schouder van paard of rund
ακρωμία
noun
1. mechanisme om schokken te dempen
αμορτισέρ
noun
1. bepaald soort platvis, Pleuronectus platessa
πλατέσσα
verb
1. aan een opleiding onderwerpen
εκπαιδεύω
noun
1. iemand die basisonderwijs of voortgezet onderwijs volgt
μαθητής
noun
1. een hangend speeltuig bestaande uit touw en een zitje, vooral gebruikt in kinderspeeltuinen
κούνια
/ˈsxɔməlstul/
noun
1. een stoel, gewoonlijk op gebogen staanders, waarop men heen en weer kan schommelen
κουνιστή καρέκλα
noun
  1. 1. samengebonden bundel halmen
  2. 2. wiskundige structuur
δεμάτι
/sxoːl/, /sxoːɫ/, /sχoːɫ/
noun
  1. 1. een onderwijsinstelling waar les wordt gegeven aan leerlingen
  2. 2. een zwemmende groep gelijksoortige vissen
σχολείο
noun
πίνακας
noun
διευθυντής
noun
μαθήτρια
/sxols/, /sχo̝ɫs/
adjective
1. zoals op school
σχολικός
/sxoːn/
adjective
2. proper
καθαρός
/ˈsxombruːr/
noun
1. de echtgenoot van iemands broer of zus, of de broer van iemands echtgenoot of echtgenote.
γαμπρός
noun
1. de vrouw van een zoon of dochter
νύφη
/ˈsxoːn·hɛɪt/
noun
1. de hoedanigheid prachtig en aantrekkelijk te zijn
ομορφιά
noun
1. klein foutje
ατέλεια
noun
διαγωνισμός ομορφιάς
/ˈsxonmudər/
noun
1. de moeder van de huwelijkspartner
πεθερά
noun
1. de vader van de huwelijkspartner
πεθερός
noun
1. de man van een dochter of zoon
γαμπρός
/ˈsxonzʉs/
noun
1. de echtgenote van iemands broer of zus, of de zus van iemands echtgenoot of echtgenote.
κουνιάδα
noun
1. de echtgenote van broer of zus, of de zus van de echtgenoot of echtgenote
κουνιάδα
noun
1. rookkanaal boven een stookplaats
καπνοδόχος
noun
1. een persoon wiens werk het verwijderen van roet uit schoorstenen is
καπνοδοχοκαθαριστής
noun
  1. 1. graafwerktuig
    φτυάρι
  2. 1. trappende aanraking met de voet
    κλοτσιά
/'sxɔ.pə(n)/
verb
1. een trap geven
πατώ
noun
1.
φάντης μπαστούνι
pronoun
2. teken van de dierenriem van 23 oktober tot 22 november
Σκορπιός
noun
1. spinachtige met scharen en gifstekel
σκορπιός
noun
1. een lap stof die voorgebonden wordt gewoonlijk rond de middel om de kleding te beschermen ...
ποδιά
noun
1. afvuren
βολή
noun
3. kop en schotel
πιατάκι
/ˈsxɔtlɑnt/, /ˈsçɔtlɑnt/
pronoun
1. deel van het Verenigd Koninkrijk
Σκωτία
noun
1. deel van romp tussen arm en hals
ώμος
noun
1. het vlakke driehoekige bot dat de achterzijde van de schouder vormt
ωμοπλάτη
noun
1. tas die aan de schouder hangt
γυλιός
verb
φίλαθλος
verb
ξύνω
/sxreu̯/, /sχrɪːu̯/
noun
1. een luide (uit)roep
κραυγή
/ˈsxreːʋə(n)/
verb
1. luid en geforceerd gebruiken van het stemgeluid
αντηχώ
/srɪft/, /sxrɪf/, /sxrɪft/
noun
  1. 3. de letter- en cijfertekens van een taal
  2. 4. de lettersoort gebruikt in boeken, teksten en inscripties
γραφή
noun
1. een mechanisch apparaat, voorzien van druktoetsen waarmee schrifttekens op papier gezet kunnen worden
γραφομηχανή
/sxrɛɪn/, /sçrɛːn/
noun
kistje
βωμός
/ˈsxrɛ(i)və(n)/
verb
1. tekst in tekens vastleggen
γράφω
/ˈs(x)rɛɪvər/
noun
2. een persoon die beroepsmatig schrijft
συγγραφέας
noun
1. een jaar met 366 dagen
δίσεκτο έτος
noun
1. voorwerp dat wordt gebruikt om andere voorwerpen vast te zetten
βίδα
noun
1. een werktuig om schroeven vast of los te draaien
κατσαβίδι
/sxʏp/
noun
1. een van meerdere overlappende plaatjes van keratine die aan een kant vastzitten...
λέπι
adjective
ντροπαλός
verb
1. snel heen en weer bewegen om iets te mengen
σείω
noun
καταφύγιο
/sxʌʏm/
noun
1. iets dat veel luchtbellen bevat
αφρός
verb
αφρίζω
noun
δεξιότροπη κάθετος
noun
  1. 2. een verantwoordelijkheid die iemand wordt toegeschreven voor een laakbare gebeurtenis of toestand
    ενοχή
  2. 1. een geldbedrag dat ondanks de verplichting daartoe niet betaald wordt
    χρέος
/'sxɵldəx/
adverb
ένοχος
/sxɵrk/
noun
1. persoon die kwaad in de zin heeft en/of bedrijft
παλιάνθρωπος
noun
2. een blad dat in de oksel van een bloem of bloeiwijze onmiddellijk daaronder staat
βράκτιο
/sxyːr/, /sχyːr/
noun
1. een opslagplaats voor veldvruchten en gereedschappen
αχυρώνας
pronoun
1.
Σβέριν
noun
1. ziekelijke verharding
σκλήρυνση
noun
1. scouting
προσκοπισμός
noun
σκηνή
noun
1. scheikundig element met symbool Sg en atoomnummer 106
σιμπόργκιο
noun
  1. 1. SI-grondeenheid van tijd
  2. 5. een interval met een toonafstand
δευτερόλεπτο
noun
1. schrijfmeubel met laatjes
σκρίνιο
/səkre'tarəs/
noun
1. functie in organisatie
γραμματεύς
noun
1. hoge functionaris binnen grote organisaties, zoals de Verenigde Naties, NAVO, FIFA
γενικός γραμματέας
noun
1. afscheiding
έκκριση
/səkʏnˈdɛːr/
adjective
δευτερεύων
adjective
ιζηματογενής
pronoun
Σέντνα
pronoun
Σοφονίας
noun
1. onderdeel
τμήμα
pronoun
1. een rivier in Frankrijk
Σηκουάνας
noun
1. een toestel dat beweging en of trillingen van de aardkorst waarneemt en registreert
σεισμογράφος
noun
1. de wetenschap van de aardbevingen
σεισμολογία
/sɛɪ̯.ˈzun/, /sɛː.ˈzun/
noun
  1. 1. elk van de vier periodes waarin het jaar verdeeld wordt
    εποχή
  2. 2. een jaarlijks terugkerende periode
    σεζόν
noun
1. sekse
Φύλο
noun
σεξισμός
noun
1.
ερωτικό βοήθημα
noun
σεξουαλικότητα
/sɛksy'el/
adjective
1. op de geslachtsdrift betrekking hebbend
σεξουαλικός
noun
1. infectieziekte die vooral wordt overgedragen door seksueel contact
σεξουαλικά μεταδιδόμενη ασθένεια
noun
1. ziekten die vooral worden overgedragen door seksueel contact.
σεξουαλικώς μεταδιδόμενα νοσήματα
/ˌsɛksʏwolo'ɣi/
noun
σεξολογία
/ˈsɛks.wɛr.kər/
noun
σεξεργάτης
/ˈsɛktə/
noun
1. religieuze groepering die opziet naar een bepaald mens als leider
σέχτα
noun
1. bepaald soort plant, Apium graveolens
σέλινο
noun
1. Scheikundig element met symbool Se en atoomnummer 34
σελήνιο
noun
σελήνιο
/sɛlfi/
noun
1. een foto die iemand van zichzelf heeft genomen
αυτοφωτογράφιση
/se'mɑntis/
adjective
1. de semantiek betreffend
σημασιολογικός
noun
een half jaar
εξάμηνο
noun
1. halve cirkel
ημικύκλιο
noun
σημειωτική
adjective
1.
σημιτικός
noun
γερουσία
noun
γερουσιαστής
/ˈse.ne.ˌɣɑl/, /ˈse.ne.ˌχɑɫ/
pronoun
1. land in West-Afrika
Σενεγάλη
/seˈnil/
adjective
1. aan de ouderdom eigen, door de ouderdom afgetakeld
ξεμωραμένος
noun
1. geestelijke en lichamelijke ouderdomsverschijnselen
γεροντική άνοια
noun
1. ernstige onstekingsreactie
σήψη
noun
1. negende maand van het jaar
  1. Σεπτέμβριος
  2. Σεπτέμβρης
noun
1.
τυχαιότητα
noun
1. het helder en kalm zijn
γαλήνη
noun
1. een rang onder de onderofficieren
λοχίας
noun
1. een aantal elementen op volgorde
σειρά
adverb
1. ernstig
σοβαρός
/sə.'rɪŋ/
noun
1. boomsoort met welriekende bloesem, meest paars of wit in de vorm van een kaars
πασχαλιά
noun
1. een slang
φίδι
noun
2. gebouw(tje) met veel glas voor het kweken van planten
θερμοκήπιο
noun
1. de vloeibare stof die overblijft als bloed is gestold
ορός
noun
1. een computer die of computerprogramma dat diensten verleent aan andere programma's
εξυπηρετητής
/sɛrˈvɛt/
noun
1. een doek die men aan tafel gebruikt om er de mond en vingers mee af te vegen
πετσέτα
/ˈsɛrvis/, /ˈsɛrvɪs/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Servië
  1. σερβικά
  2. σερβικός
/ˈsɛrvi.jə/
noun
1. een land in Zuidoost-Europa.
Σερβία
/ˈsɛrvi.jər/
noun
1. een inwoner van Servië, of iemand afkomstig uit Servië
Σέρβος
noun
1. een uit Afrika afkomstige plant uit de familie Pedaliaceae
σουσαμιά
noun
σησαμέλαιο
noun
1. verzameling
σετ
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Εξάς
/se.ˈʃɛ.lə(n)/, /sɛɪ̯.ˈʃɛ.lə(n)/
pronoun
1. een land in de Indische Oceaan, officieel de Republiek der Seychellen
Σεϋχέλλες
noun
1. het geheel van gedachten en gevoelens die de gemoederen in een bepaalde omgeving bezighouden
ατμόσφαιρα
noun
1.
σφαίρωμα
noun
1.
σφίγγα
/ˈʃɑm.po/
noun
1. product, meestal in vloeibare vorm, dat bedoeld is om het haar te wassen.
σαμπουάν
noun
1. een Spaanse versterkte wijn
σέρι
noun
1.
σιτάκε
noun
σιντοϊσμός
/ˈʃo.pro.sɛs/
noun
δίκη-παρωδία
abbreviation
1. Internationaal Stelsel van Eenheden
  1. Διεθνές σύστημα μονάδων
  2. Διεθνές Σύστημα Μονάδων
pronoun
Σιβηρία
adverb
2. het staat zo letterlijk in de brontekst
αυτολεξεί
pronoun
1. Romaanse taal die wordt gesproken door 10 miljoen mensen op Sicilië, in Zuid-Calabrië en Salento
σικελικά
/sɪˈsɪlɪʲə/
pronoun
Italiaans eiland ten zuiden van het Italiaanse schiereiland
Σικελία
noun
1. bepaald soort grote, palingachtige vis die zware stroomstoten kan afgeven, Electrophorus electricus
ηλεκτροφόρο χέλι
verb
διακοσμώ
/ˌsʲɛ.rɑ.le.ˈjo.ne/, /ˌʃæː.ra.le.ˈjo.nə/, /ˌʃɛ.ra.le.ˈjo.nə/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Sierra Leone
  1. Σιέρρα Λεόνε
  2. Σιέρα Λεόνε
noun
1.
ανθοκομία
noun
πούρο
/sɪɣɑˈrɛt/, /sɪʝɑˈrɛt/
noun
in papier gerolde tabak
τσιγάρο
noun
1.
σίγμα
/ˈsɪkəl/
noun
1. maaiwerktuig met halvemaanvormig lemmet
δρεπάνι
/siˈleziˌʲə/
pronoun
1. een historische regio in Midden-Europa
Σιλεσία
noun
1. afbeelding van een ondoorzichtig object dat sterk contrasteert met de achtergrond en zo een duidelijke vorm heeft, maar verder egaal van kleur is
σιλουέτα
noun
1. Scheikundig element met symbool Si en atoomnummer 14
πυρίτιο
/sɪmpəł/
adjective
1. zonder veel complicaties
απλός
noun
1. Vrucht van de sinaasappelboom
πορτοκάλι
noun
1. boom van de Citrus sinensis
πορτοκαλιά
pronoun
1.
Ζίντελφιγκεν
noun
1. makkelijk baantje, taak
αργομισθία
/sɪŋ.(g)ɣa.poːr/, /sɪŋ.gɑ.poːr/, /sɪŋ.gɑ.po̝ːr/
pronoun
1. een stadstaat in Zuidoost-Azië
Σιγκαπούρη
/ˌsɪntøˈsta(t)sijʏs/
pronoun
Άγιος Ευστάθιος
pronoun
Αγία Ελένη
noun
1. Pecten jakobeus
χτένι
noun
Βάλσαμο
pronoun
1.
Άγιος Λαυρέντιος
pronoun
1. een stad in Rusland, het voormalige Leningrad
Αγία Πετρούπολη
noun
  1. Ημίτονο
  2. ημίτονο
noun
1. een ontsteking van een bijholte van de neusholte
ιγμορίτιδα
noun
φλεβόκομβος
noun
1. een toestel om een akoestisch alarmsignaal weer te geven
  1. Σειρήνα
  2. σειρήνα
pronoun
1. Sirius
Σείριος
noun
σιρόκος
noun
1.
σιτάρ
/sity'waː(t)si/
noun
1. hoe de zaken er voorliggen
κατάσταση
noun
1. een langwerpige lap stof die om de hals gedragen wordt
κασκόλ
/ʃɑ'blo:n/
noun
πρότυπο
noun
1.
σάχης
noun
1. een kleine uiensoort
ασκαλώνιο
noun
1. aan een spit geroosterde stukjes vlees en paprika
σασλίκ
/'ʃɛkɛl/
noun
1.
σίκλος
noun
1. een brede, gekleurde band die vaak gedragen wordt als een waardigheidsteken
ζώνη
noun
Σιίτες
noun
σκέιτμπορντ
noun
1. samenstel van onderdelen dat het lichaam stevigheid geeft
σκελετός
noun
σκι
noun
1.
σκίγκος
verb
1. zich over sneeuw voortbewegen op twee aan de voeten bevestigde lange latten
χιονοδρομώ
/ˈskɔp.jə/
pronoun
1. de hoofdstad van Noord-Macedonië
Σκόπια
noun
  1. 2. plant Lactuca sativa
    Λακτούκη η ήμερος
  2. 2 en 3. (bladeren van) Lactuca sativa
    1. Μαρούλι
    2. μαρούλι
/slaːf/
noun
1. een persoon die het bezit is van een ander
  1. δούλος
  2. σκλάβος
/slap/
noun
  1. 3. zijvlak van het hoofd
    κρόταφος
  2. 1. periode van inactiviteit
    ύπνος
noun
1. een kamer die hoofdzakelijk gebruikt wordt om in te slapen
  1. κρεββατοκάμαρα
  2. κρεβατοκάμαρα
  3. υπνοδωμάτιο
noun
1. meestal in een punt uitlopend hoofdbedekking van textiel, gedragen tijdens de nachtrust
νυχτικός σκούφος
noun
1. iemand die loopt in een toestand van verminderd bewustzijn
υπνοβάτης
noun
υπνόσακος
/slɑxtə(n)/
verb
1. een dier doden voor het vlees of als offer
σφάζω
noun
μακελάρης
/ˈslɑx.hœːs/, /ˈslɑxt.ɦœːs/, /ˈslɑχ.tœʏ̯s/
noun
1. een bedrijf waar dieren geslacht worden
σφαγείο
noun
2. iets of iemand die kwalijke gevolgen ondervindt van een gebeurtenis
θύμα
noun
1. een ader die van het hart af stroomt
αρτηρία
/ˈslaːɣə(n)/, /ˈslaːχə(n)/
verb
2. het examen succesvol beëindigen
περνάω
noun
1. een verkoper van vlees
κρεοπώλης
noun
σαντιγί
noun
1. groot schip met zware bewapening
θωρηκτό
noun
1. buitengewoon lange tand van bepaalde soorten zoogdieren
χαυλιόδοντας
/ˈslaxfɛlt/
noun
1. een gebied waarop een militair treffen tussen twee legers plaatsvindt of plaatsgevonden heeft
πεδίο μάχης
noun
  1. 1. een buikpotig weekdier (huisjesslak)
  2. 1. een buikpotig weekdier (wijngaardslak)
σαλιγκάρι
noun
1. benaming voor geschubde dieren met langgerekt lijf en een vaak glad lichaam zonder ledematen, die de onderorde Serpentes vormen
φίδι
adjective
1. met de vorm of het gedrag van een langgerekt reptiel zonder poten
οφιοειδής
noun
γητευτής φιδιών
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Οφιούχος
adjective
λεπτός
noun
αϋπνία
verb
1. in een toestand van lichamelijke rust verkeren
  1. κοιμάμαι
  2. κοιμούμαι
/ˈsla.pə.rəx/, /ˈsla.pə.rəχ/, /ˈsla.pə.rɪx/
adjective
1. behoefte tot slaap vertonend
νυσταγμένος
noun
δουλεμπόριο
noun
1.
δουλεία
adjective
σλαυικός
pronoun
Σλάβος
/slɛçt/
adjective
1. niet goed
κακός
/slɛçt/
adverb
1. niet goed
κακώς
adjective
χειρότερος
adverb
1. alleen maar, vervoeging van slecht
μόνο
noun
1. Falco peregrinus, een roofvogel en de snelst vliegende vogel ter wereld
πετρίτης
noun
1. een voertuig dat wordt voortgetrokken en dat voorzien is van twee glijders
έλκηθρο
noun
1. een krachtige boot die andere vaartuigen versleept
ρυμουλκό πλοίο
pronoun
Σλέσβιχ-Χολστάιν
verb
1. (langzaam) ergens heen lopen, futloos of lusteloos
σουλατσάρω
verb
1. trekkend over de grond of het wateroppervlak verplaatsen
σέρνω
/sløːtəl/, /sløːtəɫ/, /ˈslø.tɔɫ/
noun
  1. 2. moer- of Engelse sleutel
    γερμανικό κλειδί
    1. 1. werktuig om te (ont)sluiten
    2. 4. een aanwijzing of code waarmee een raadsel kan worden opgelost, een geheim(schrift) ontcijferd, een cijferslot geopend of toegang kan worden verkregen
    3. 3. een voorwerp bedoeld om er een mechaniek zoals van een klok of speeldoos mee op te winden, een kraan open te draaien e.d.
    κλειδί
noun
1. het bot dat het borstbeen met de schouder verbindt
κλείδα
/ˈsløtəɫχɑt/, /ˈsløːtəlɣɑt/
noun
1. een gat in een slot waardoor een sleutel moet worden gestoken om hem te openen
κλειδαρότρυπα
/ˈsløtəɫˌɦɑŋər/
noun
1. ring om sleutels aan te hangen, vaak voorzien van een logo of label.
κλειδοθήκη
noun
1.
κλειδολέξη
/slɛɪm/
noun
1. kleverige stof die door slijmvliezen uitgescheiden wordt
βλέννα
noun
1. slijm afscheidend membraan
βλεννογόνος
noun
ακόνι
verb
  1. 1. de slokdarm in
  2. 2. verdragen
καταπίνω
/slɪpə(n)/
verb
1. door gladheid over de weg schuiven
γλιστρώ
noun
1. een brandewijn gedestilleerd uit gefermenteerde pruimen
σλιβοβίτσα
noun
οισοφάγος
/sloːt/
noun
1. smal watergang om of tussen weilanden
τάφρος
verb
1. een structuur ontmantelen, afbreken
κατεδαφίζω
/slopə'rɛi/
noun
1. sloopbedrijf
μάντρα
noun
  1. 1. mechanisme waarmee in combinatie met bijvoorbeeld een sleutel een deur of een raam kan worden afgesloten
    κλειδαριά
  2. 2. een middeleeuwse versterkte woning
    1. κλειδαριά
    2. λουκέτο
noun
κλειδαράς
/sloˈvens/, /sloˈveːns/, /sloˈweːns/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Slovenië
σλοβενικά
/sloˈveni.jə/, /sloˈveːni.jə/, /sloˈweːni.jə/
pronoun
1. een land in Centraal-Europa
Σλοβενία
noun
1. film met vertraagde beelden
αργή κίνηση
/slo.ˈwaks/, /slo.ˈʋaks/, /slo.ˈβ̞aks/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Slowakije
  1. σλοβακικά
  2. σλοβακικός
/ˌslowaˈkɛɪ̯.jə/, /ˌsloʋaˈkɛɪ̯.jə/, /ˌsloβ̞aˈkɛː.jə/
pronoun
1. een land in Midden-Europa; het oostelijke deel van het voormalige Tsjechoslowakije.
Σλοβακία
noun
βέλο
noun
1. het in een lichte slaap verkeren
νύστα
noun
1. Alternatieve route die meestal gebruikt wordt om files te mijden
παράκαμψη
noun
1.
ελεύθερος σκοπευτής
noun
υδατοφράκτης
verb
1. toedoen, dichtmaken
κλείνω
/ˈslœʏ̯.tər/, /ˈslœː.tər/
noun
1. een element van een fotocamera
διάφραγμα
noun
1. verlengde snuit
προβοσκίδα
noun
  1. 2. gewaarwording bij het proeven van eten en drank
  2. 3. bepaalde subjectieve voorkeur
γεύση
adjective
1. goed van smaak zijnd of van een goede smaak genietend
νόστιμος
/ˈsmaː.kə.los/
adjective
  1. 1. (van voedsel) geen smaak hebbend
  2. 2. (figuurlijk) geen fatsoen of gevoel voor esthetiek of mode hebbend, vulgair
άγευστος
noun
σμαράγδι
verb
1. het bewerken van metalen door deze heet te maken en met een hamer te slaan om het materiaal de gewenste vorm te geven
σφυρηλατώ
noun
στεκούλι
noun
1. afscheiding die men onder de voorhuid van de penis kan aantreffen
σμήγμα
/smekə(n)/
verb
1. nederig om een gunst verzoeken
ικετεύω
noun
  1. νανογέρακο
  2. νανοφάλκονο
verb
1. van vaste in vloeibare vorm overgaan
λιώνω
/ˈsmɛltkrus/
noun
1. vuurvaste pot voor het mengen van gesmolten metaal
χωνευτήρι
/ˈsmø.lə(n)/
verb
  1. 1. zacht en langzaam branden zonder vlammen
  2. 2. verborgen aanwezig zijn
καίω χωρίς φλόγα
noun
1. iemand die gloeiend metaal bewerkt met een hamer op een aambeeld
  1. σιδεράς
  2. σιδηρουργός
noun
1. smient
σφυριχτάρι
noun
1.
φατσοβιβλίο
noun
σμόκιν
noun
λαθρέμπορος
noun
1. strip- en tekenfilmfiguur in de vorm van een soort blauwe kabouter met een wit mutsje
στρουμφάκι
noun
2. lang zeer dun rond en flexibel voorwerp
χορδή
noun
1. muziekinstrument met snaren
έγχορδο
noun
θεωρία χορδών
/ˈsnavəɫ/
noun
1. bek van een vogel of schildpad
ράμφος
/sneʊ̯/, /sneːβ̞/, /snɪːβ̞/
noun
1. in kristallen bevroren water
χιόνι
/ˈsneʊ̯bɑl/, /ˈsnɪːwbɑɫ/
noun
1. een tot een bal samengepakte hoeveelheid sneeuw, vaak bedoeld voor een speels sneeuwballengevecht
χιονόμπαλα
verb
1. het vallen van hemelwater onder de vorm van sneeuwvlokken
χιονίζω
noun
1.
χιονοτσίχλονο
noun
1. patrijsachtige vogel uit koude streken, die in de zomer een bruinig...
βουνοχιονόκοτα
/'snewjɑxt/
noun
1. sneeuwval bij harde wind
χιονοθύελλα
noun
1. een pop die gemaakt is van sneeuw
χιονάνθρωπος
noun
1. een pop die gemaakt is van sneeuw
χιονάνθρωπος
/ˈsneʊ̯.sxœː.vər/, /ˈsneːβ̞.sxœː.vər/, /ˈsnɪːβ̞.sχœʏ̯.vər/
noun
2. een voertuig dat is uitgerust met een mechaniek waarmee het sneeuw kan verplaatsen
εκχιονιστήρας
/'snew.stɔrm/
noun
χιονοθύελλα
noun
1. bepaald soort vogel, Bubo scandiacus
αρκτική κουκουβάγια
noun
χιονόπτωση
/'snewvlɔk/
noun
1. een kleine massa aaneengehechte sneeuwkristallen
νιφάδα
pronoun
Χιονάτη
/snɛɫ/
adjective
γρήγορος
noun
1. de verandering in de tijd van de plaats van een voorwerp
ταχύτητα
noun
σέσκουλο
/ˈsnɛɪdə(n)/
verb
1. met een scherp voorwerp in stukken delen
κόβω
noun
τομή
noun
σέλινο
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Scolopacidae
μπεκατσίνι
noun
1. verwaandheid
ακαταδεξιά
/ˈsnujə(n)/
verb
1. terugbrengen op gewenste lengte
κλαδεύω
noun
1. bepaald soort roofvis die in zoete wateren voorkomt, Esox lucius
λούτσος
noun
1. bepaald soort zoetwaterroofvis, Sander lucioperca
ποτάμια πέρκη
noun
1. een meestal grotendeels van suiker vervaardigde lekkernij
ζαχαρωτό
noun
1. beharing
μουστάκι
noun
1. een slijmerige afscheiding uit de neusholte
μύξα
noun
1. reukorgaan van dieren
ρύγχος
verb
1. ademen met een niet goed geopende luchtpijp, waardoor een rochelend geluid ontstaat
ροχαλίζω
noun
1. infectieziekte die vooral wordt overgedragen door seksueel contact
ΣΜΝ
/soʃal/
adjective
  1. 1. betrekking hebbend op de menselijke samenleving
  2. 2. geneigd om in groepen te leven
  3. 3. gevoel hebbend voor de nood van de medeleden van de samenleving
κοινωνικός
noun
κοινωνική τάξη
noun
1.
κοινωνική απομάκρυνση
noun
1. aanzien dat of voorname positie die iemand heeft in een groep of samenleving
κοινωνική θέση
noun
σοσιαλισμός
noun
σοσιαλίστρια
pronoun
1. officiële naam van Joegoslavië van 1963 tot 1992
Σοσιαλιστική Ομοσπονδιακή Δημοκρατία της Γιουγκοσλαβίας
noun
1. wetenschap
κοινωνιολογία
noun
κοινωνιολόγος
noun
1.iemand die lijdt aan een persoonlijkheidsstoornis die antisociaal gedrag veroorzaakt
κοινωνιοπαθής
pronoun
Σοκότρα
/su.ˈdɑn/, /zu.ˈdaːn/
pronoun
1. land in Noordoost Afrika dat voor een groot deel in en rond het stroomgebied van de rivier Nijl ligt, officieel de Republiek Sudan
Σουδάν
noun
Σουνίτες
noun
1. vloeibaar gerecht
σούπα
noun
κυριαρχία
noun
σόφισμα
noun
1. de verzamelnaam voor besturings- en toepassingsprogramma's,...
λογισμικό
noun
1. kous die tot net boven de enkel komt
κάλτσα
/sɔlˈdaːt/
noun
1. krijgsman met de laagste rang binnen een strijdmacht
στρατιώτης
noun
1. een stuk gereedschap om mee te solderen
κολλητήρι
noun
1. brander waarmee men kan solderen
καμινέτο
noun
1. metaalmengsel waarmee men
καλάι
verb
1. een door verhitting vloeibare tussenstof aanbrengen tussen losse metaaldelen waardoor deze na afkoeling vast verbonden blijven
συγκολλώ
noun
σολφέζ
noun
αλληλεγγύη
noun
  1. εγωμονισμός
  2. σολιψισμός
/ˈsolo/
noun
σόλο
/sɔm/
noun
1. resultaat van een optelling
άθροισμα
pronoun
1. een taal die vooral wordt gesproken in Somalië
σομαλικά
/so.'ma.li.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika, officieel de Somalische Republiek
Σομαλία
/ˈsɔːrt/
noun
2. een groep levende wezens die een bepaald aantal kenmerken gemeenschappelijk heeft en...
είδος
noun
2. de naam van de groep waartoe iets behoort
κοινό ουσιαστικό
noun
1. klein voorwerp dat helpt om aan een prettige ervaring met een plaats of persoon terug te denken
σουβενίρ
pronoun
Σοβιετική Ένωση
noun
1. een staaf die de naaf en de velg van een wiel verbindt
ακτίνα
/spaːns/
adjective
1. met betrekking tot Spanje of het Spaans
  1. ισπανικά
  2. ισπανικός
/spaːns/
pronoun
1. een taal die oorspronkelijk werd gesproken in (het centrale deel van) Spanje,...
ισπανικά
/ˈspan.sə/
noun
1.
Ισπανίδα
adjective
1.
ισπανόφωνο
noun
1. brede, zware schep, bedoeld voor het spitten van grond
φτυάρι
noun
  1. μακαρόνια
  2. σπαγγέτι
/ˈspɑ.ɲard/, /ˈspɑɲ.jart/
noun
1. een inwoner van Spanje, of iemand afkomstig uit Spanje
  1. Ισπανός
  2. Σπανιόλος
/ˈspɑ.ɲə/, /ˈspɑɲ.jə/
pronoun
1. een land in het zuidwesten van Europa op het Iberisch Schiereiland
Ισπανία
noun
  1. 1. mechanische spanning
  2. 2. emotionele spanning
εφελκυσμός
noun
2. benaming voor een naaldboom uit het geslacht Picea
ερυθρελάτη
/ˈspa.rə(n)/
verb
  1. 1. geld niet uitgeven
  2. 3. ontzien
αποθηκεύω
noun
1.
προφυλακτήρας
noun
1. spaan, lepel, e.d. met plat, bot uiteinde om mee te smeren
σπάτουλα
noun
1. tussenruimte tussen twee woorden
διάστημα
noun
1. een gedroogd plantendeel, anders dan een groen blad of stengel, dat als geur-, kleur- of smaakstof aan voedsel wordt toegevoegd
καρύκευμα
noun
1. benaming voor middelgrote robuuste vogels behorende tot de familie Picidae
δρυοκολάπτης
/spe.si.ˈjal/, /spe.ˈsjaːl/, /spe.ˈʃaːl/
adjective
1. op een positieve manier anders dan het andere
έκτακτος
/ˈspesɪɑlɪst/
noun
  1. 1. persoon die ergens veel verstand van heeft
  2. 2. arts die een bepaald onderdeel van de geneeskunde beoefent
ειδικός
noun
1. specificatie
προδιαγραφή
verb
1. in details beschrijven
προσδιορίζω
adjective
1. kenmerkend
συγκεκριμένος
adverb
1. in het bijzonder
συγκεκριμένος
adjective
θεαματικός
noun
1. kleurenband
  1. φάσμα
  2. φωτόφασμα
adjective
αναπόδεικτος
noun
1. vocht dat in de mond vloeit uit de speekselklieren
  1. σάλιο
  2. σίελος
/ˈspelɣud/, /ˈspelɣut/, /ˈspɪːɫχut/
noun
1. één of meer voorwerpen voor kinderen om mee te spelen
  1. παιχνίδι
  2. άθυρμα
noun
τραπουλόχαρτο
noun
1. een omheinde plek grond met speelobjecten voor kinderen
παιδική χαρά
noun
  1. 2. tepel van een zoogdier
    θηλή
  2. 1. rubber of plastic afsluiting op een zuigfles
    πιπίλα
/spɪːr/
noun
1. lange stok met een punt eraan, (werd) gebruikt voor de jacht of oorlogvoering
ακόντιο
noun
1. opzienbarend schouwspel
θέαμα
noun
1. bezigheid ter ontspanning volgens vaste regels met elementen als competitie, behendigheid, inzicht en kans
παιχνίδι
/'spɛldə(n)prɪk/
noun
2. kleine prikjes
βελονιά
/ˈspeːlə(n)/
verb
παίζω
/spelejo'lox/
noun
1. holen en grotten onderzoeker
σπηλαιολόγος
noun
  1. 1. deelnemer aan een spel
  2. 2. een partij
παίκτης
verb
1. letters in de juiste volgorde plaatsen
γράφω ορθογραφημένα
/ˈspɛlɪŋ/
noun
1. de al dan niet vastgelegde manier waarop de woorden van een taal geschreven worden
ορθογραφία
noun
1. grove tarwesoort
όλυρα
noun
1. een tak van de wiskunde waarin het nemen van beslissingen centraal staat
θεωρία παιγνίων
noun
σπέρμα
noun
1.
σπερματοζωάριο
noun
1. Accipiter nisus, een kleine snelle roofvogel
ξεφτέρι
noun
1. en 2. (peul van) cultivar van Phaseolus vulgaris
  1. πράσινα φασόλια
  2. χλωρά φασόλια
noun
1. beelden terugkaatsend voorwerp
  1. καθρέφτης
  2. κάτοπτρο
noun
1. een orgaan
μυς
verb
2. ter dood brengen door doorboring met een spies
ανασκολοπίζω
verb
1.
κάνω κοπάνα
noun
1. metalen pin waarmee twee voorwerpen door doorboring vast verbonden kunnen worden
καρφί
noun
σφηνοειδής γραφή
noun
1. geleedpotig dier met acht poten
αράχνη
noun
1. bepaald soort snelgroeiende, eenjarige plant, Spinacia oleracea
σπανάκι
verb
2. snorren, een brommend geluid maken
γουργουρίζω
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Araneae
αράχνη
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Araneae
αράχνη
noun
1. een door een spin gemaakt net om insecten te vangen
ιστός
noun
κατάσκοπος
noun
1. de handeling van het spioneren
κατασκοπία
verb
1. voor concurrentie of vijand geheime informatie trachten te verwerven
κατασκοπεύω
noun
1. een kromme lijn
έλικα
noun
1. draaiende staak waarop men vlees of een geslacht dier spietst en boven of naast een hittebron roostert
σούβλα
adjective
1. in een punt uitkomend
μυτερός
pronoun
1. een Noorse eilandengroep
Αρχιπέλαγος Σβάλμπαρντ
noun
1. klein muisachtig diertje met spitse snuit en korte poten, behorend tot de familie Soricidae
μυγαλή
/splet/
noun
χαραμάδα
/'splɪntər/
noun
1. klein puntig scherfje
ακίδα
noun
  1. 1. een cilindrische vorm
  2. 2. een element van zelfinductie
  3. 3. fotografische
πηνίο
verb
ξεπλένω
noun
1.
σπούτνικ
noun
1. versvoet met twee beklemtoonde lettergrepen
σπονδείος
noun
σφουγγάρι
noun
ανάδοχος
adjective
αυθόρμητος
adjective
σπογγώδης
noun
1. een geestverschijning die een bepaald gebouw of bepaalde locatie onveilig maakt
φάντασμα
noun
1. een legendarisch schip dat zonder bemanning eeuwig blijft rondvaren
πλοίο φάντασμα
noun
1. verspreking door verwisseling van klanken van verschillende woorden
παραδρομή γλώσσας
noun
    1. 8. hol uitsteeksel aan de voet van een kelkblad, kroonblad of vergroeide kroon
    2. 9. metalen punt of getand wieltje aan de hiel van de rijlaars
    σπιρούνι
  1. 2. spore
    σπόριο
  2. 1. twee met elkaar verbonden ijzeren staven waarover een trein rijdt
    τροχιά
noun
σιδηρόδρομος
adjective
σποραδικά
/spɔrt/
noun
1. lichaamsbeweging
  1. άθλημα
  2. αθλητισμός
noun
1. beoefenaar van een sport
αθλητής
adjective
2.
αθλητής
noun
iemand die zich toelegt op het bedrijven van sport
αθλητής
noun
1. vrouw die sport op een hoog niveau beoefent
αθλήτρια
/sprak/
noun
1. het vermogen om te spreken
λόγος
/'sprakhɛrkɛnɪŋ/
noun
1. het omzetten van geluiden in taal
φωνητική αναγνώριση
noun
1. een systeem van regels en principes voor het schrijven en spreken van een taal
γραμμματική
noun
1. geneigdheid om veel te praten
αδολεσχία
noun
παροιμία
noun
1. Sturnus vulgaris, een middelgrote zangvogel
ψαρόνι
/ˈspreːkə(n)/
verb
1. zich met behulp van de stem uiten
  1. μιλώ
  2. μιλάω
/ˈspɾøkə(n)/
noun
Παροιμίες
verb
1. na zich tegen de zwaartekracht afgezet te hebben een korte vrije val door de lucht maken
  1. σαλτάρω
  2. πηδώ
noun
1. een insect van de Orthoptera-orde
ακρίδα
noun
1. een bruin vlekje op de huid dat veroorzaakt wordt door ultraviolet licht
φακίδα
noun
άλμα
noun
1. verzonnen vertelling
παραμύθι
noun
Sprattus sprattus
παπαλίνα
noun
2. een uitloper van de spruitkool
λαχανάκι Βρυξελλών
noun
1. slijmvliesontsteking in mond of darmen
άφτρα
/'spy.ɣə(n)/
verb
1. speeksel uit de mond doen uitschieten
φτύνω
noun
1. spuigat
μπούνια
noun
σκουός
/sri.ˈlɑŋ.ka/
pronoun
1. een republiek in Azië gelegen op een eiland ten zuiden van India
Σρι Λάνκα
noun
1. overeenkomst voorlopig een einde te maken aan de gevechtshandelingen
πυρ
/staːɫ/
noun
1. een legering van ijzer en koolstof
  1. χάλυβας
  2. ατσάλι
adjective
μπλε ατσαλιού
/stalwɔl/
noun
ατσαλόμαλλο
/staːn/
verb
1. zich in verticale toestand van rust bevinden
στέκομαι
noun
  1. 1. een verlengstuk van de ruggengraat bij sommige dieren
  2. 2. het achterste stuk van een vliegtuig of een auto
ουρά
noun
αιγίθαλος
noun
κομήτης
noun
  1. 1. een land
  2. 1. toestand
  1. κράτος
  2. καθεστώς
noun
1. iemand die burgerrechten in een staat heeft
πολίτης
noun
1. illegale afzetting van een regering
πραξικόπημα
noun
1. iemand die in een staat het hoogste gezag bekleedt of personifieert
επικεφαλής του κράτους
adjective
1. standvastig, duurzaam
ευσταθής
noun
σταθεροποιητής
noun
σταθερότητα
/stɑd/, /stɑt/
noun
Woonplaats
  1. πόλη
  2. κωμόπολη
  3. κώμη
  4. πολίχνη
/ˈstɑdhœːs/, /ˈstɑthœʏs/, /ˈstɑthœːs/
noun
1. een gebouw waar de stadsdiensten gehuisvest zijn
δημαρχείο
noun
στάδιο
/ˈstɑt.stat/
noun
1. staatsvorm
πόλη-κράτος
noun
1. een stok bedoeld voor ondersteuning of onderscheiding van een persoon
ράβδος
noun
1.
στασιμοπληθωρισμός
verb
1. een werkonderbreking of (ludieke) actie houden voor betere arbeidsvoorwaarden of meer loon
απεργώ
noun
1. iemand die niet werkt als protest
απεργός
/'stakɪŋ/
noun
1. het neerleggen van de werkzaamheden, meest uit protest of om verbeteringen af te dwingen
απεργία
/stɑl/
noun
1. ruimte bestemd voor de huisvesting van dier(en)
  1. σταύλος
  2. στάβλος
noun
σταλακτίτης
noun
σταλαγμίτης
noun
1. variant van het marxisme-leninisme gekenmerkt door een totalitair nationalistisch...
σταλινισμός
verb
in een stal zetten
σταβλίζω
noun
  1. 2. deel van de boom tussen de wortels en de kruin
    κορμός
  2. 4. op verwantschap berustende samenlevingsvorm van meer families in beschavingen met weinig verstedelijking
    1. φυλή
    2. φύλο
/'stɑmbom/
noun
1-2
γενεαλογικό δέντρο
noun
βλαστοκύτταρο
noun
2. vijzelstamper
γουδοχέρι
noun
1. een kunstzinnige afbeelding vaak van een persoon in drie dimensies, meestal gehouwen in steen of gegoten in metaal
άγαλμα
noun
1. een sterke, stinkende geur
μπόχα
/stɑp/
noun
1. het plaatsen van de ene voet voor de andere bij het gaan
βήμα
noun
1. een gestructureerde hoop spullen
στοίβα
/ˈstɑ.pə(n)/
verb
1. het lichaam vooruit bewegen door een of meer keer een voet naar voren te zetten
βηματίζω
noun
1. een begin ergens van
ξεκίνημα
/sta.ˈsʲɔn/
noun
1. plaats waar voertuigen kunnen stoppen
  1. σταθμός
  2. σιδηροδρομικός σταθμός
noun
στατιστική
noun
  1. 1. plaats in een vast geheel of een bepaald proces
  2. 1.1 aanzien in de maatschappij
θέση
noun
1. huidige stand van zaken
καθεστώς
adjective
καταστατικός
noun
αστός
adverb
1. voortdurend
πάντα
noun
1. zeer smal straatje
σοκάκι
/steːk/
noun
3. een eenmalige doorvoering van een draad door een weefsel, meestal met behulp van een naald
βελονιά
noun
κατσαρoλάκι
/sten/, /steːn/
noun
1. een harde stof, vaak op kiezel gebaseerd maar omvattende vele soorten
  1. λίθος
  2. πέτρα
noun
1. vogel uit de familie der arendachtigen
χρυσαετός
pronoun
2. teken van de dierenriem van 22 december tot 20 januari
Αιγόκερως
noun
1.1 bepaald soort zoogdier, Capra ibex
ίβηξ
noun
Τροπικός του Αιγόκερω
noun
1.
λατομείο
noun
χτίστης
noun
1. zwart-bruine stof die ontstaan is door plantenafzettingen en gebruikt wordt als energiebron
λιθάνθρακας
noun
1. bepaald soort zoogdier, Martes foina
κουνάβι
adjective
ζάπλουτος
/ˈstentɛit/
noun
Εποχή του Λίθου
/ˈstenœʏ̯ɫ/, /ˈsteːnœːl/
noun
1. bepaald soort vogel, Athene noctua
κουκουβάγια
noun
vlezige vrucht waarvan het binnenste deel steenhard is
δρύπη
noun
1. hardloopwedstrijd met hindernissen
στιπλ
noun
2. werkvloerconstructie in de bouw
ικρίωμα
/stɛil/, /stɛːl/
adjective
1.
απότομος
noun
1. een groot knaagdier met stekelige vacht
ακανθόχοιρος
verb
1. doorboren, prikken
μαχαιρώνω
noun
1. stekker
φις
verb
1. iets wegnemen van iemand en het zich wederrechtelijk toe-eigenen
κλέβω
noun
1. een bewering die men als waarheid aangenomen wil zien worden
θεώρημα
/stɛlsəl/
noun
  1. 1. een geordend geheel, samenstel van delen
  2. 2. een systeem
σύστημα
noun
    1. 1. het geluid dat door het trillen van de menslijke stembanden wordt geproduceerd
    2. 2. het geluid dat een mens bij het spreken voortbrengt
    3. 3. het geluid dat een mens bij het zingen voortbrengt
    1. φωνή
    2. ψήφος
  1. 6. een keuze gemaakt door een stemmer (kiezer) bij een stemming (verkiezing)
    ψηφοφορία
noun
1. geluidvoortbrengende plooien in het strottenhoofd
φωνητική χορδή
/ˈstɛmbɪljɛt/
noun
1. formulier om te stemmen
ψηφοδέλτιο
/stεmə(n)/
verb
1. deelnemen aan een verkiezing
ψηφίζω
/ˈstɛmpəl/, /ˈstɛmpəɫ/
noun
  1. A3. beschrijvende plantkunde: bovenste gedeelte van de stamper in een bloem
    στίγμα
    1. A2. een afdruk van [1]
    2. A:1. voorwerp met een ingesneden oppervlak waarmee afdrukken gemaakt kunnen worden met inkt of in lak
    σφραγίδα
/stɛmvɔrək/
noun
1. stemvork
διαπασών
verb
1. met steenworpen doden
λιθοβολώ
noun
Λιθοβολισμός
noun
1. vervoermiddel op twee wielen, (gedeeltelijk) met de voet aangedreven
πατίνι
noun
  1. 2. een beroemdheid
    1. αστέρι
    2. αστέρας
  2. 1. een hemellichaam, een gasbol die licht uitzendt door kernfusie
    1. αστέρι
    2. αστέρας
    3. άστρο
    4. άστερας
    5. αστήρ
    6. αστρί
noun
στερακτίνιο
noun
στερεότυπο
/ˈstɛrvbɛt/
noun
1. het bed waarop men sterft
νεκρική κλίνη
adjective
θανάσιμος
adjective
  1. 1. zonder microbiële besmetting, heel schoon
  2. 2. onvruchtbaar
στείρος
verb
  1. 1. iets vrij maken van micro-organismen
  2. 2. onvruchtbaar maken
στειρώνω
noun
1. onvruchtbaarheid
αγονία
/stɛrk/
adjective
1. krachtig
ισχυρός
/'stɛrktə/
noun
1. de mate waarin iets sterk is
δύναμη
noun
1. benaming voor slanke meeuwachtige vogels uit de familie Sternidae
στέρνα
noun
1. wetenschap die de objecten in de ruimte bestudeert
αστρονομία
/stɛrən'kʏndəɣə/
noun
αστρονόμος
noun
γαλαξίας
noun
αστρολόγος
noun
1. een sterfelijk wezen
θνητός
verb
1. overgaan van levende toestand naar dode toestand
πεθαίνω
noun
καραμπόλα
/steto'skop/
noun
1. een medisch instrument waarmee men geluiden in het lichaam kan beluisteren
στηθοσκόπιο
/'stønə(n)/
verb
1. een deel van de last op zich nemen, hulp verlenen
υποστηρίζω
noun
1. bepaald soort anadrome vis, Acipenser sturio
  1. οξύρρυγχος
  2. στουριόνι
noun
αεροσυνοδός
verb
1. de grondslag voor iets leggen, iets instellen
ιδρύω
noun
2. zelfstandig vermogen met rechtspersoonlijkheid opgericht op de verwezenlijking...
ίδρυμα
/ˈstif.mu.dər/
noun
1. latere levenspartner van vader dan de eigen moeder
μητριά
noun
1. echtgenoot van iemands moeder, die niet de eigenlijke vader is
πατριός
pronoun
  1. 1. sterrenbeeld van de dierenriem
  2. 2. astrologisch teken
Ταύρος
/stiːr/
noun
ταύρος
pronoun
1. deelstaat van Oostenrijk
Στυρία
/ˈstɛi̯xˌbøː.ɣəl/
noun
1. voetsteun voor de ruiter
αναβολέας
/ˈstɛi̯ɣə(n)/
verb
1. naar boven gaan, toenemen
αυξάνω
/stɛi̯l/
noun
  1. 1. handelswijze
  2. 3. beschrijvende plantkunde: buisvormige, middelste gedeelte van de stamper
ύφος
noun
σχήμα λόγου
noun
1. leer van de uitdrukkingswijze en zijn middelen
υφολογία
noun
καύλα
/ˈstɪkstɔf/
noun
1. een chemisch element en een kleurloos niet-metaal
άζωτο
/[stɪɫ]/
adjective
  1. 1. geen of weinig geluid producerend
  2. 2. onbeweeglijk
  3. 3. rustig, kalm
ακούνητος
pronoun
1. de oceaan die ligt tussen Oost-Azië, Noord- en Zuid-Amerika en Australië
Ειρηνικός Ωκεανός
noun
νεκρή φύση
/'stɪl.tə/
noun
  1. σιωπή
  2. ησυχία
noun
1. bepaald soort zoogdier, Mephitis mephitis
μεφίτιδα
verb
1. een onaangename geur hebben
βρομάω
adjective
  1. 1. precies op tijd komend
  2. nauwgezet
ακριβώς
adverb
1. met grote precisie
ακριβώς
pronoun
1. de hoofdstad van Zweden
Στοκχόλμη
/stul/, /stuɫ/
noun
1. zitmeubel
καρέκλα
/'stulɣɑŋ/
noun
  1. 1.
    αφόδευση
  2. 2.
    κόπρανα
noun
2. trottoir
πεζοδρόμιο
noun
1. heel kleine deeltjes
σκόνη
/'stɔfʋɪsəlɪɳ/
noun
1. het geheel van chemische processen dat gepaard gaat met het in leven zijn van een wezen
μεταβολισμός
noun
1. een elektrisch toestel dat stof en kleine deeltjes opzuigt
ηλεκτρική σκούπα
noun
στοιχειομετρία
/stɔk/
noun
ραβδί
noun
1.Suricata suricatta, roofdier behorend tot de mangoesten
σουρικάτα
adjective
  1. 1. geluidloos
  2. 2. niet in staat te spreken
άλαλος
noun
ατμός
noun
1. een schip dat met behulp van stoom wordt voortbewogen
ατμόπλοιο
noun
1. een locomotief die wordt aangedreven door een stoommachine
ατμάμαξα
noun
1. een machine die door middel van stoom drijfkracht ontwikkelt
ατμομηχανή
noun
1. een schip dat voortgedreven wordt middels een stoommachine
ατμόπλοιο
noun
ατμάμαξα
noun
ατμοστρόβιλος
/'stɔbɔrt/
noun
1.
στοπ
/ˈstɔplɪxt/
noun
1. een installatie die middels gekleurde lichten het verkeer op een kruispunt regelt
φανάρι
/ˈstorə(n)/
verb
1.het functioneren nadelig beïnvloeden
ενοχλώ
noun
1. erg harde wind
  1. θύελλα
  2. καταιγίδα
noun
een toestel, balk, e.d. om een deur, poort te forceren
κριάρι
noun
1. benaming voor zeevogels uit de familie Procellariidae
θαλασσοβάτης
verb
2. geld in een rekening inbrengen
δίνω εγγύηση
noun
1. het storten van geld op een bankrekening
κατάθεση
verb
1. dezelfde lettergreep een aantal malen herhalend moeilijk uit zijn woorden komen
τραύλισμα
noun
1. een wijsbegeerte die leert slechts de rede te volgen en de hartstochten uit te bannen
στωικισμός
adjective
1. berustend, gevoelloos
στωικός
/straɫ/, /ˈstral/
noun
  1. 2. een bundel elektromagnetische straling
  2. 1. de lijn van middelpunt naar omtrek
ακτίνα
/strat/
noun
  1. 1. een weg tussen de huizen in een bewoonde plaats
    1. οδός
    2. δρόμος
  2. 2. een smalle doorgang tussen twee zeeën
    πορθμός
pronoun
1. zeestraat tussen het Australisch vasteland en Papoea-Nieuw-Guinea
Πορθμός Τόρες
pronoun
1.
Στενό του Γιβραλτάρ
noun
1. hoofdstad van de Franse regio Grand Est
Στρασβούργο
noun
  1. 1. soep
  2. 2. zuivelproduct
στρατσιατέλα
noun
1. onprettige maatregel of behandeling ter vergelding van een misdaad of overtreding
  1. τιμωρία
  2. ποινή
noun
1.
ατιμωρησία
/ˈstrɑfə(n)/
verb
1. negatieve consequenties verbinden aan een als verkeerd geziene daad
τιμωρώ
noun
1. directe vrije trap
πέναλτι
adjective
1. nauwzittend
σφιχτός
noun
ακτινοβολία
pronoun
1.
Στράλσουντ
noun
1. Strook land langs de kust
  1. παραλία
  2. ακτή
  3. αμμουδιά
noun
1. een plan om iets te bereiken
στρατηγική
noun
στρατόσφαιρα
noun
1. een kegelvormige vulkaan met traagvloeibare lava
στρωματοηφαίστειο
noun
2. lijnvormig patroon
λωρίδα
verb
τείνω
verb
1. zachtjes met de hand over iets of iemand strijken
χαϊδεύω
noun
1. een uiting van tederheid
κτύπημα
noun
oplossing die spijsverteringsenzymen bevat
πυτιά
noun
1. spanning, geestelijke druk.
άγχος
noun
  1. 1. een handgemeen
  2. 2. een militair treffen
αγώνας
noun
1. een slagwapen in de vorm van een metalen staf met een versterkte kop
απελατίκι
noun
άρμα
verb
2. wasgoed desinfecteren en gladmaken met hulp van een heet ijzer, een strijkijzer
σιδερώνω
/ˈstrɛɪ̯.gɛɪ̯zər/, /ˈstrɛɪ̯k.ʔɛɪ̯zər/, /ˈstrɛː.kɛːzər/
noun
1. een huishoudelijk gereedschap dat gebruikt wordt om textiel glad te strijken
σίδερο
noun
1. gestreken snaarinstrument
έγχορδο όργανο με δοξάρι
noun
1. een plankvormig voorwerp, gewoonlijk op een inklapbaar onderstel, bedoeld als ondergrond waarop kleding gestreken kan worden
σιδερώστρα
noun
1. een constructie waarmee de snaren van een strijkinstrument in trilling gebracht worden
δοξάρι
noun
1. een boek met een verhaal in beeldvorm
σκίτσα συνέχειας
/stro/
noun
1. droge bloeistengels van graangewassen
άχυρο
/'stromɪŋ/
noun
  1. 1. voortbewegen van een vloeistof
  2. 2. bepaalde beweging die zekere denkbeelden gemeen heeft
ρεύμα
noun
1. scheikundig element met symbool Sr en atoomnummer 38
στρόντιο
noun
1. zweertje op het ooglid
κριθαράκι
/stroːm/
noun
  1. 2. elektriciteit
    εντάση
  2. 1. rivier, beek
    ροή
noun
  1. λεκάνη απορροής
  2. υδρολογική λεκάνη
noun
1. dikke, viskeuze, geconcentreerde vloeistof waarin een grote hoeveelheid suikers zijn opgelost
σιρόπι
noun
1. lus van stevig touw
θηλιά
noun
γραβάτα
noun
λάρυγγας
adjective
1. met betrekking tot de opbouw van een geheel
δομικός
/strʏkˈtyr/
noun
de interne opmaak van een geheel
δομή
noun
1. heester
θάμνος
verb
1. het evenwicht verliezen doordat men met de voet verstrikt raakt
σκοντάφτω
noun
1. iemand die vanuit een hinderlaag reizigers berooft
ληστής
/ˈstrœʏ̯sˌfoχɔɫ/, /ˈstrœːsˌfoːɣəl/, /ˈstrœːzˌvoːɣəl/
noun
1. Struthio camelus, grote loopvogel, die niet kan vliegen
στρουθοκάμηλος
noun
1. zeer vergiftig alkaloïde
στρυχνίνη
noun
1. iemand die hoger onderwijs volgt
φοιτητής
verb
1. het volgen van een opleiding en verwerven van kennis als voornaamste bezigheid
σπουδάζω
noun
1.
διάβασμα
noun
  1. 1. werkplaats van een beeldend kunstenaar
  2. 2. plaats waar geluidsopnamen, films of televisie- of radioprogramma's gemaakt worden
  3. 3. een eenkamerappartement
γκαρσονιέρα
/stɵx/
adverb
1 weerbarstig
σκληρός
noun
1. onderste deel van de ruggengraat, de laatste vier vergroeide ruggenwervels
κόκκυξ
/stɵk/
noun
  1. 1. deel
  2. 2. kunst/nijverheid
κομμάτι
noun
1. Soort bouwvakker
σοβατζής
noun
κασκαντέρ
pronoun
1. hoofdstad van de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Στουτγκάρδη
noun
1. de rechterzijde als men vanop een schip naar de boeg kijkt
δεξιά πλευρά πλοίου
noun
1. een stuk software dat een verbinding legt tussen de hardware en het besturingssysteem
οδηγός
noun
1. kunstmatig meer
υδροταμιευτήρας
adjective
υποκειμενικός
noun
υποκειμενικότητα
verb
1. van overheidswege financiële hulp voor een bepaalde activiteit, ver- of aankoop verlenen
επιδοτώ
noun
1. stof (stoffen)
ουσία
noun
1. zelfstandig naamwoord
ουσιαστικό
noun
1. gewenste resultaat van een opzet
επιτυχία
/suˈdɑn/
pronoun
land in Noordoost Afrika, officieel de Republiek Sudan
Σουδάν
noun
1. een woorddeel dat achter de stam van een woord gevoegd wordt
επίθημα
noun
1. zoetstof
ζάχαρη
noun
1. bepaalde ondersoort van de biet waaruit bietsuiker gewonnen wordt
ζαχαρότευτλο
noun
1. een rietsoort die verbouwd wordt vanwege zijn suikergehalte en waaruit rietsuiker gewonnen wordt
ζαχαροκάλαμο
/ˈsœʏkərˌspɪn/, /ˈsœːkərˌspɪn/
noun
1. lekkernij bestaande uit een hoeveelheid gesponnen suiker aan een stokje
μαλλί της γριάς
noun
1. stofwisselingsziekte waarbij het bloed een te hoog gehalte aan suiker bevat
διαβήτης
noun
θειικός
noun
1., 2. en 3. (gedroogde vrycht van) een variëteit van de druif Vitis vinifera
σουλτανίνα
pronoun
Σουμάτρα
noun
υπέρ
noun
1. fictieve figuur uit een stripverhaal of een film die over bovenmenselijke krachten beschikt
υπερήρωας
adjective
ανώτερος
noun
  1. σουπερμάρκετ
  2. υπεραγορά
noun
het verschijnsel waarbij een ster op spectaculaire wijze explodeert
υπερκαινοφανής
adjective
υπερηχητικός
noun
1. iets dat als aanvulling toegevoegd wordt
παραπλήρωμα
/ˌsy.ri.ˈna.mə/
pronoun
1. een land in Zuid-Amerika
Σουρινάμ
noun
υπερρεαλισμός
noun
αιώρημα
pronoun
1. een Bantoetaal die veel gesproken wordt in Oost-Afrika
σουαχίλι
noun
σβάστικα
/ˈswa.zi.ˌlɑnd/, /ˈsʋa.zi.ˌlɑnt/, /ˈsβ̞a.zi.ˌlɑnt/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel het Koninkrijk Swaziland
Σουαζιλάνδη
/'swɛtʃʏːrt/
noun
1.
φούτερ
pronoun
1. de grootste stad van Australië en de hoofdstad van de deelstaat Nieuw-Zuid-Wales
Σίδνεϊ
noun
σύφιλη
adjective
συλλαβικός
noun
1. een logische redenering waaruit een conclusie afgeleid wordt
συλλογισμός
adjective
1.samenlevend en samenwerkend
συμβιωτικός
verb
1. een betekenis hebben die verwijst naar
συμβολίζω
noun
1. Teken
σύμβολο
noun
συμφωνία
adjective
1.
συμφωνικός
noun
συμμετρία
/si'metris/
adjective
1. aan twee zijden, bijvoorbeeld spiegelbeeldig gelijk
συμμετρικός
noun
1. een gevoel van toegenegenheid
συμπόνια
/sɪmˈpoziəm/
noun
1. een wetenschappelijke samenkomst waarop verschillende wetenschappers een lezing houden over een bepaald onderwerp
συμπόσιο
adjective
1. met betrekking tot ziekteverschijnselen
συμπτωματικός
noun
συμπτωματολογία
noun
1. ziekteverschijnsel
σύμπτωμα
noun
1. gebedshuis van joden.
συναγωγή
adjective
σύγχρονος
noun
  1. 1. plotseling bewustzijnsverlies
  2. 3. wegval van middenklank
λιποθυμία
noun
συνδικάτο
/sɪnˈdrom/
noun
1. ziektebeeld
σύνδρομο
noun
1. gelijkbetekenend woord
συνώνυμο
adjective
συντακτικός
/sɪnˈtɑksəs/
noun
  1. 1.
  2. 2.
σύνταξη
adjective
1. op kunstmatige manier gefabriceerd
συνθετικός
/ˈsi.ri.jə/, /ˈzi.ri.jə/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel de Arabische Republiek Syrië
Συρία
/siˈstem/
noun
1. een uit meerdere interagerende onderdelen bestaand stelsel...
σύστημα
noun
1. dun kledingstuk voor het bovenlichaam met korte mouwen en zonder kraag
κοντομάνικο
pronoun
1.
Τάγος
adjective
  1. 1. moeizaam en plastisch vervormend onder mechanische belasting
  2. 2. moeilijk te snijden, kauwen (van vlees)
σκληρός
/taːk/
noun
1. een te verrichten werk
εργασία
/taːl/
noun
1. systeem van spraakklanken door middel waarvan mensen met elkaar communiceren en de schriftelijke...
γλώσσα
noun
1. talengroepen die een zelfde voorgeschiedenis hebben
γλωσσική οικογένεια
/talfɔut/
noun
1. een fout tegen de grammatica van een taal
γλωσσικό σφάλμα
/ˈtalklɑŋk/
noun
1.
φώνημα
noun
1. wetenschap
γλωσσολογία
noun
1. een beoefenaar van de taalkunde
γλωσσολόγος
/taːrt/
noun
1. cirkelvormig zoet gebak
πίτα
noun
1. een genotsmiddel afkomstig van de bladeren van de tabaksplant, wordt gerookt, gekauwd en gesnoven
καπνός
noun
πίπα
noun
1. een geordende lijst met gegevens
πίνακας
noun
αρτοφόριο
noun
1. pastille
δισκίο
noun
1. een algemeen aanvaard moreel verbod; iets dat onbespreekbaar of ondenkbaar is
ταμπού
cardinalNumeral
1. het getal 80
ογδόντα
pronoun
Ογδοηκονταετής Πόλεμος
noun
ταχυκαρδία
noun
1. kleine, gevouwen tortilla, gevulde mexicaanse maïspannenkoek
τάκο
/tɑkˈtik/
noun
1. een manier om onder gegeven omstandigheden een doel te bereiken
τακτική
pronoun
1. de officiële taal van Tadzjikistan en een variant van het Perzisch
τατζίκ
/taˈdʒikɪˌstɑn/
pronoun
1. een land in een land in Centraal-Azië met als hoofdstad Doesjanbe
Τατζικιστάν
/ˈtafəɫ/
noun
1. een meubelstuk met poten, bedoeld om dingen op te zetten of te leggen
  1. τραπέζι
  2. τράπεζα
noun
1. (sport) een spel waarbij twee spelers, ieder met een batje, een pingpongbal op tafel houden
επιτραπέζια αντισφαίριση
pronoun
1. taal die op de Filipijnen gesproken wordt
ταγαλογικά
noun
1. een soort van pasta, gemaakt van gemalen sesamzaad met toevoeging van o.a. citrussap, knoflook, peterselie...
ταχίνι
pronoun
1. een Polynesche taal uit de Oceanische tak van de Austronesische talen gesproken op Tahiti
ταϊτιανά
/tɑjˈfuːn/
noun
1. een hevige wervelstorm in de Chinese Zee en de Stille Oceaan die ontstaat uit een tropische depressie.
τυφώνας
noun
1. naaldbossen in koude streken
τάιγκα
/tɑj'ʋɑn/
pronoun
Ταϊβάν
noun
ταϊβανικά
/tɑk/
noun
1. een deel van een boom of struik
  1. κλαδί
  2. κλάδος
noun
1. bijzondere aanleg
ταλέντο
noun
1.een klier om de haarzakjes, die talg afgeeft
σμηγματογόνος αδένας
noun
1. benaming voor kleine vogels uit het geslacht Anas of het geslacht Callonetta
αγριόπαπια
/tɑlk/
noun
τάλκης
/'tɑlɪn/
pronoun
1. de hoofdstad van Estland
  1. Ταλίν
  2. Ταλλίν
/ˈtɑlmut/
noun
1.
Ταλμούδ
adjective
1. groot in aantal
πολυάριθμος
noun
  1. 1. en 2. (vruchten van de) tamarindeboom
    ταμάρινδος
  2. 1. bepaald soort tropische boom, Tamarindus indica
    ταμαρίνδος ο φαρμακευτικός
noun
1. muziekinstrument
ντέφι
pronoun
1. taal die gesproken wordt in India, Sri Lanka, Singapore, en Maleisië
ταμιλικά
noun
  1. 1. hard en wittige gecalcificeerde structuur in de mond
  2. 2. scherp uitsteeksel
  1. δόντι
  2. οδούς
noun
1. een medisch specialist op het gebied van de tandheelkunde
οδοντίατρος
noun
1. fiets
τάντεμ
noun
1. borsteltje om de tanden mee te reinigen
οδοντόβουρτσα
noun
1. puntig instrumentje om etensresten tussen de tanden te verwijderen
οδοντογλυφίδα
noun
1. wetenschap voor de verzorging van de tanden
οδοντιατρική
/ˈtand.pɑs.taː/, /ˈtɑnt.pɑs.ta/
noun
1. een poetsmiddel voor de tanden
  1. οδοντόκρεμα
  2. οδοντόπαστα
/ˈtɑntfles/
noun
1. deel van het mondslijmvlies waarin de tanden vastzitten
ούλο
noun
1. een zijden draad waarmee men de ruimte tussen de tanden reinigt
οδοντικό νήμα
/tɑŋ/
noun
1. een uit twee delen opgebouwd gereedschap waarvan de beide delen op één punt aan elkaar vastzitten...
λαβίδες
pronoun
Ταγγέρη
/tɑŋk/, /tɛŋk/
noun
1. een groot vat
δεξαμενή
noun
τανίνη
noun
1. scheikundig element met symbool Ta en atoomnummer 73
ταντάλιο
noun
1. scheikundig element met symbool Ta en atoomnummer 73
ταντάλιο
noun
1. zus of schoonzus van iemands vader of moeder
θεία
/ˌtɑn.za.ˈni.ja/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika
Τανζανία
noun
1. een Chinese filosofische en religieuze stroming
ταοϊσμός
noun
τάπητας
noun
1. zetmeel verkregen uit de wortelknol van Manihot esculenta
  1. ταπιόκα
  2. άμυλο ταπιόκαζ
/ˈtapɪr/
noun
1. hoefdier, zo groot als een ezel en met een kleine beweeglijke slurf
τάπιρος
noun
1. militair afsluitend signaal
τυμπανοκρουσία
noun
1. gifspin
ταραντούλα
/tɑˈrif/
noun
1. een vastgesteld bedrag per eenheid
δασμολόγιο
noun
απόβαρο
pronoun
1. taal uit de Turkse talen met ongeveer anderhalf miljoen sprekers die vooral wordt gesproken in Tatarstan, een deelrepubliek van Rusland maar ook in andere delen van de vroegere Sovjet-Unie en daarbuiten
ταταρικά
/ˈtɑrʋə/
noun
  1. 3. zaad van tarwe
  2. 2. meest verbouwde tarwe soort (Triticum aestivum)
σιτάρι
noun
1. en 2 grof gemalen meel van (gewone) tarwe (Triticum)
σιμιγδάλι σίτου
noun
zemelen van tarwekorrels
πίτουρο σταριού
noun
1. zak die men meeneemt om er zaken in te bergen die men bij zich wil hebben
τσάντα
pronoun
Τασμανία
pronoun
1. randzee van de Grote Oceaan, gelegen tussen Australië en Nieuw-Zeeland
Θάλασσα της Τασμανίας
pronoun
1. taal uit de Turkse talen met ongeveer anderhalf miljoen sprekers die vooral wordt gesproken in Tatarstan, een deelrepubliek van Rusland maar ook in andere delen van de vroegere Sovjet-Unie en daarbuiten
ταταρικά
noun
1. een tekening die met naald en inkt blijvend in de huid is aangebracht
κατάστιξη
/tatuʷ'erə(n)/
verb
1. met een naald en inkt een blijvende tekening in de huid inbrengen
στίζω
noun
ταυτολογία
/tɑk.si/
noun
1. een voertuig bestemd om tegen betaling klanten van de ene plaats naar de andere te brengen
ταξί
/'tɑksimetər/
noun
1.
ταξίμετρο
noun
1. een opstelplaats voor taxi's waar zij wachten op passagiers
πιάτσα των ταξί
verb
1. over de grond op wielen voortbewegen van vliegtuigen
τροχοδρομώ
noun
ταξινομία
noun
1. scheikundig element met symbool Tc en atoomnummer 43
τεχνήτιο
noun
1. De bewerkingen en verrichtingen die nodig zijn om iets tot stand te brengen
τεχνική
adjective
1. op techniek betrekking hebbend
τεχνικός
noun
τεχνοκρατία
noun
τεχνολογία
/tef/
noun
1. wijfjeshond
σκύλα
noun
1. achtpotige parasiet uit de orde Ixodida
τσιμπούρι
noun
1. vingers van de voet
δάκτυλο
/ter/
noun
1. olieachtige vloeistof met een zeer hoge viscositeit
πίσσα
noun
1. kubusvormig voorwerp met op elk van de zijden een van de ogenaantallen één tot en met zes
ζάρι
noun
1. een bouwvakker die wandtegels zet en vloertegels legt
πλακάς
/teːɣən/, /teːχən/
preposition
1. zijdelings aanleunend
κατά
verb
1. proberen iets te stoppen of te verhinderen
αντενεργώ
noun
1. een middel dat de werking van een gif neutraliseert of afzwakt
αντίδοτο
noun
1. handeling gericht op het bestrijden van de effecten van een andere handeling
αντίμετρο
preposition
1. aan de overzijde van
απέναντι
noun
1. hetgeen wat precies voorstelt wat iets helemaal niet is
αντίθετο
noun
1. iemand die de pauselijke titel opeist zonder door het Vaticaan als paus erkent te zijn
αντίπαπας
noun
1. vijand, rivaal
αντίπαλος
noun
1. voorbeeld dat aantoont dat iets niet juist is
αντιπαράδειγμα
noun
αντίρρηση
noun
1. wind tegen
αντίθετος άνεμος
adjective
  1. 2. aanwezig
  2. 1. huidig
τωρινός
noun
1. vorm die aangeeft dat het huidige moment bedoeld wordt
ενεστώτας
noun
1. aanwezigheid
παρουσία
noun
1. het geen zin hebben in iets
επιφυλακτικότητα
noun
1. symbool, signaal, aanduiding
σημάδι
verb
een tekening maken
σχεδιάζω
noun
  1. 1. een door tekenen ontstane afbeelding of voorstelling
  2. 4. een bouwkundig ontwerp
σχέδιο
noun
1. verzameling letters en/of woorden
κείμενο
adjective
κειμενικός
noun
1. een computerprogramma waarmee teksten kunnen worden geschreven en bewerkt
επεξεργαστής κειμένου
noun
1. natuurlijke processen
τεκτονική
/ˌtelefoˈneːrən/
verb
1. een telefoon gebruiken
τηλεφωνώ
noun
τηλεφωνία
/ˌtelə'fon/, /ˌteːlə'foːn/
noun
1. een toestel waarmee men geluid over kan brengen door middel van galvanische stroom
τηλέφωνο
noun
τηλέγραφος
verb
1. per telegraaf berichten
τηλεγραφώ
noun
τηλεγράφημα
noun
τηλεμετρία
noun
1. een optisch instrument, waarmee ver verwijderde objecten bekeken kunnen worden
τηλεσκόπιο
adverb
1. een onaangenaam gevoel hebbend omdat een verwachting of hoop niet uitgekomen is
απογοητευμένος
verb
1. iemand op onaangename wijze verrassen, vaak door een belofte niet na te komen
απογοητεύω
adjective
1.
απογοητευτικός
noun
1. een emotie opgeroepen door het niet uitkomen van een verwachting
απογοήτευση
noun
  1. 2. medium
  2. 1. elektrisch apparaat
τηλεόραση
/tɛlx/
noun
1. lid van een familie
βλαστός
/ˈtɛɫkəns/
adverb
2. steeds
διαρκής
verb
1. aantal bepalen
μετρώ
/ˈtɛlər/
noun
1. het getal boven de streep van een breuk
αριθμητής
noun
1. scheikundig element met symbool Te en atoomnummer 52
τελλούριο
pronoun
1. een Dravidische taal met ongeveer 70 miljoen sprekers
τελουγκουικά
noun
αριθμητικό
verb
1. tam maken
δαμάζω
/ˈtɛm.pəl/, /ˈtɛm.pəɫ/
noun
1. een gebouw voor godsverering
ναός
noun
τέμπερα
noun
ιδιοσυγκρασία
/ˈtɛmpɛrɑtyːr/
noun
1. grootheid die de warmte weergeeft
θερμοκρασία
pronoun
1. het grootste eiland van de Canarische Eilanden, een tot Spanje behorende eilandengroep
Τενερίφη
noun
1. een scheikundig element met het symbool Ts en het atoomnummer 117
τενέσιο
noun
1. balsport
  1. αντισφαίριση
  2. τένις
noun
1. verplaatsbare constructie van over stokken of buizen gespannen doek die als (tijdelijk) onderdak dient
σκηνή
noun
πλοκάμι
/tɛnˈtonstɛlə(n)/
verb
1. voor een publiek toonbaar maken
εκθέτω
/tɛnˈtonstɛlɪŋ/
noun
1. een uitstalling van voorwerpen om door het grote publiek bekeken te worden
έκθεση
/ˈtɛn.zɛɪ/
conjunction
1. behalve wanneer
εκτός αν
noun
1. een gepigmenteerd knopvormig uitsteeksel op de borst van de mens
  1. ρώγα
  2. θηλή
noun
1. scheikundig element met symbool Tb en atoomnummer 65
τέρβιο
noun
εκτέλεση
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Isoptera
τερμίτες
/tɛrˈmɛin/
noun
1. een vast tijdstip waarop iets gaat gebeuren of iets gebeurd moet zijn
διορία
noun
ορολογία
noun
1. een vetoplossend oplosmiddel dat uit de sappen van bepaalde dennensoorten gewonnen kan worden
νέφτι
noun
1. grondgebied
έδαφος
noun
het ontwrichten van een samenleving door terreurdaden tegen burgers, vaak met een politiek of religieus oogmerk
τρομοκρατία
noun
1. iemand die terroristische aanslagen beraamt, pleegt of wil plegen met een godsdienstig of politiek doel
τρομοκράτης
/tɛrsjɛːr/
adjective
τριτοβάθμιος
/trʏχ/, /təˈrʏx/
adverb
terug van weggeweest
πίσω
noun
1.
οπισθοδρόμηση
verb
επιστρέφω
verb
1. gaan naar een plaats waar men eerder vandaan kwam
γυρίζω
/tə'rʌxkomə/
verb
1. opnieuw naar een plaats komen waar men eerder geweest is
γυρίζω
noun
ανάδραση
noun
1. ontstaan van een nieuw woord doordat een bestaand woord van een vermeend voorvoegsel, achtervoegsel of uitgang wordt ontdaan
αναδρομικός σχηματισμός
/tɛr.ˈwɛɪ̯l/, /tɛr.ˈʋɛɫ/
conjunction
  1. 1. gedurende de periode dat nog een andere actie aan de gang is
  2. 2. hoewel
  1. ενώ
  2. καθώς
pronoun
1. naam van twee boeken uit het Nieuwe Testament
Θεσσαλονικείς
/tɛst/
noun
3. toets
εξέταση
noun
  1. 1. akte met een wilsbeschikking voor na de dood
  2. 1. gedeelte van de bijbel
διαθήκη
noun
1. een infectieziekte die door een gifstof leidt tot spierspasmen
τέτανος
/ˈtøɣəl/, /ˈtøʝəl/
noun
1. stuurriem van rijdier
ηνίο
noun
1. datgene wat over is boven de gewenste hoeveelheid
υπερβολή
/təvərˈɣefs/
adverb
μάταια
/təˈvredə(n)/
adjective
1. geen behoefte voelend om aanmerkingen te maken
ευχαριστημένος
/təvredənɦɛɪt/
noun
1. het gevoel genoeg te hebben en voldaan te zijn
ικανοποίηση
verb
1. een arbeidsbetrekking verlenen aan iemand
απασχολώ
noun
1. een inwoner van Texas, of iemand afkomstig uit Texas
Τεξανός
pronoun
1. de officiële taal van Thailand
  1. ταϊλανδικά
  2. ταϋλανδικά
/ˈtɑɪ̯.lɑnt/, /ˈtɛɪ̯.lɑnd/
pronoun
1. een land in Azië dat vroeger Siam heette
Ταϊλάνδη
noun
1. grijze stof van de tussenhersenen
θάλαμος
noun
1. scheikundig element met symbool Tl en atoomnummer 81
θάλλιο
noun
1. een uitgaansgelegenheid waar theatervoorstellingen gegeven worden
θέατρο
/teː/
noun
τσάι
noun
1. een kleine lepel om thee mee te roeren
κουταλάκι
pronoun
1.de grootste rivier van Engeland
Τάμεσης
noun
1. kan met deksel en schenktuit waarin een warme drank wordt bereid door bladeren in heet water te laten trekken
τσαγιέρα
/tema/
noun
1. een onderwerp dat behandelt wordt
θέμα
noun
1. staatsvorm die gebaseerd is op goddelijke
θεοκρατία
noun
1. leer over God, het goddelijke en de godsdienst
θεολογία
noun
1. een beoefenaar van de theologie
θεολόγος
noun
θεώρημα
/ˌteɔːˈretis/
adjective
1. wat niet perse in de werkelijkheid voorkomt, m.b.t. feiten en wetten berustende ...
θεωρητικός
noun
1. een wetenschappelijk model of uitspraak over waarnemingen in de empirie
θεωρία
noun
iemand die een patiënt behandelt
θεραπευτής
noun
1. een methode om aan de genezing van zieken te werken
θεραπεία
noun
1. elektronisch muziekinstrument
θέρεμιν
adjective
1. met betrekking tot warmte
θερμικός
noun
1. de leer van warmte en arbeid
θερμοδυναμική
/ˈtɛrmoˌmetər/
noun
1. een meetinstrument om temperaturen te meten
θερμόμετρο
noun
θερμόσφαιρα
noun
θερμοστάτης
noun
1. synoniemenwoordenboek
θησαυρός
/ˈtora/
pronoun
1.-3.
Πεντάτευχος
noun
1. scheikundig element met symbool Th en atoomnummer 90
θόριο
/tœʏs/, /tœːs/
noun
1. een plek waar iemand woont en zich veilig voelt
στο σπίτι
noun
1. scheikundig element met symbool Tm en atoomnummer 69
θούλιο
noun
θυρίστορ
noun
θυροξίνη
pronoun
Θουριγγία
pronoun
2. de rivier die stroomt door Rome
Τίβερης
pronoun
  1. 1. autonome regio
  2. 1. voormalig land
Θιβέτ
pronoun
1. een taal die wordt gesproken in Tibet en buiten Tibet door een grote groep vluchtelingen
θιβετανικά
cardinalNumeral
1. het getal 10
δέκα
ordinalAdjective
1. nummer tien in een rij
δέκατος
noun
δέκα χιλιάδες
noun
δεκάγωνο
noun
  1. 1. met het aantal van tien
  2. 2. ongeveer tien
δεκάδα
noun
1. vrouwelijke borst
θήλη
/tɛit/, /tɛɪ̯d/, /tɛːt/
noun
1. onstuitbare gang der dingen van toekomst door het heden naar het verleden
  1. χρόνος
  2. καιρός
adjective
1. voor een beperkte tijd, niet permanent
προσωρινός
preposition
1. gedurende de tijd dat
κατά τη διάρκεια
noun
Τσάιτγκαϊστ
noun
1. iemand die in dezelfde historische periode leefde
σύγχρονος
adjective
1.
διαχρονικός
/ˈtɛːtmɑˌʃinə/, /ˈtɛːɪtmɑˌʃinə/
noun
1. machine om mee door de tijd te reizen
χρονομηχανή
noun
εποχή
adjective
1. een aanzienlijke hoeveelheid tijd vereisend
χρονοβόρος
noun
1. blad waarvan met vaste tussenpozen afleveringen verschijnen
περιοδικό
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera tigris
  1. τίγρη
  2. τίγρης
noun
3. kruid gebruikt in de keuken
θυμάρι
/ˈtɪkə(n)/
verb
3. typen
δακτυλογραφώ
noun
ξυλεία
noun
1. iemand die zich beroepsmatig vooral met houtbewerking bezighoudt
  1. μαραγκός
  2. ξυλουργός
pronoun
1. randzee van de Indische Oceaan, gelegen tussen Noordwest-Australië en Timor
Θάλασσα του Τιμόρ
pronoun
Τιμόθεος
noun
scheikundig element
κασσίτερος
noun
1.
βάμμα
noun
εμβοές
noun
1. prikkelend gevoel
μυρμήγκιασμα
/ˈtɪ.pə.lar.stər/
noun
2. prostituée op straat
τροτέζα
noun
1. Italiaans dessert
τιραμισού
noun
τύραννος
/tirɑ'nik/
adjective
1.
τυραννικός
pronoun
  1. 1. regio
  2. 2. deelstaat van Oostenrijk
Τιρόλο
/ti'tan/
noun
τιτάνιο
pronoun
1.
Τιτάνας
noun
1. scheikundig element met symbool Ti en atoomnummer 22
τιτάνιο
noun
  1. 1. opschrift van een document
  2. 2. aanduiding van een persoon
τίτλος
verb
τιτλοδοτώ
/ˈtitʏs/
pronoun
Τίτος
noun
1. een kleine zangvogel uit de Zangers Sylviidae
δενδροφυλλοσκόπος
noun
2. activiteit waarbij men naar een of meer bestemmingen gaat
ταξίδι
verb
1. het eigendom zijn van
ανήκω
noun
1. plaats waarlangs men ergens binnen kan gaan
είσοδος
adjective
1.te bereiken
προσιτός
verb
2. erkennen
παραδέχομαι
noun
1. benaming voor tropische vogels uit de familie Ramphastidae
τουκάν
noun
1.
μέλλοντας
noun
μέλλον
adjective
1. van de tijd die komen gaat
  1. μελλοντικός
  2. μέλλων
verb
  1. 1. niet onmogelijk maken of verbieden
  2. 2. toegang verschaffen
επιτρέπω
/tun/
adverb
1. op of na dat tijdstip
τότε
/tun/
conjunction
1. op het tijdstip dat
όταν
noun
1. het groter worden in aantal of maat
αύξηση
noun
1. grote moerassige en boomloze vlakte in de noordelijke poolstreken
  1. τούνδρα
  2. τούντρα
noun
  1. 1. een computerprogramma
  2. 2. het in de practijk brengen van iets
εφαρμογή
noun
1. het reizen voor ontspanning
τουρισμός
noun
1. een mannelijk persoon die voor zijn plezier reist
τουρίστας
noun
1. een vrouwelijk persoon die voor haar plezier reist
τουρίστρια
/tusxɔuər/
noun
1. iemand die naar iets kijkt
θεατής
/ˈtuspra:k/
noun
1. een voordracht voor een groter publiek
ομιλία
verb
1. iets niet verbieden, iets mogelijk maken
επιτρέπω
/'tustɑnt/
noun
  1. geheel van omstandigheden
  2. een ongelukkige situatie
κατάσταση
noun
  1. 1. een werktuig dat uit meer dan één onderdeel bestaat
  2. 2. vliegtuig
  3. 3. telefoontoestel
συσκευή
noun
een toezegging dat iets geoorloofd is
συναίνεση
noun
3. een knop op het bedieningspaneel van een schrijfmachine of computer die het mogelijk maakt een symbool in te typen
πλήκτρο
/ˈtutsə(m)ˌbɔrt/
noun
1,2 een apparaat waarmee, door toetsen in te drukken, gegevens in een computer e.d. ingevoerd kunnen worden
πληκτρολόγιο
noun
1. steen voor het bepalen van het goudgehalte
λυδία λίθος
/ˈtuːvɑl/
noun
1. een gebeurtenis of omstandigheid die vooraf niet te voorzien of niet te berekenen is geweest
σύμπτωση
adjective
συμπτωματικός
verb
εμπιστεύομαι
/'tuvlut/
noun
1.
εισροή
verb
1. tot vermeerdering bijvoegen
προσθέτω
noun
1. datgene wat met een groter geheel verenigd wordt
πρόσθεση
/'to.ɣo/, /ˈto.χo/
pronoun
1. een land in West-Afrika
Τόγκο
/tʋɑ'lɛt/
noun
  1. 1. een plaats waar men zich kan ontlasten
    αποχωρητήριο
  2. 3. persoonlijke verzorging
    τουαλέτα
pronoun
1. de hoofdstad van Japan
Τόκιο
noun
1. snaarinstrument waarvan de snaren worden getokkeld
έγχορδα νυκτά
/tɔl/
noun
    1. 3. plaats waar men slechts tegen betaling mag passeren
    2. 4. geld dat men bij een tol geheven wordt
    διόδια
  1. 1. om zijn as draaiend voorwerp
    σβούρα
noun
1. de bereidheid ander gedrag dan het eigen te dulden
ανοχή
noun
1. een persoon die gesproken tekst (meteen) vertaalt naar gesproken tekst in een andere taal
διερμηνέας
noun
1. weg voor het gebruik waarvan betaald moet worden
αυτοκινητόδρομος με διόδια
/toˈmat/
noun
1. een eetbare vrucht van de tomatenplant
  1. ντομάτα
  2. ντομάτα ή τομάτα
noun
κέτσαπ
noun
3. een gewichteenheid van 1000 kilogram
τόνος
noun
1. iemand die een toneelstukken schrijft
δραματουργός
/tonə(n)/
verb
2. laten zien
δείχνω
noun
  1. 1. beweeglijk lichaamsdeel in de mond van mensen en veel dieren
  2. 2. wat gesproken wordt
γλώσσα
pronoun
Τόνγκα
noun
1. benaming voor snelle oceaanvissen uit het geslacht Thunnus
τόνος
/'tonijʏm/
noun
Τόνια
noun
αμυγδαλεκτομή
noun
αμυγδαλίτιδα
noun
συνθέτης
noun
1. toonhoogte
ύψος
noun
1. een stijgende of dalende opeenvolging van tonen
κλίμακα
noun
1. woede, gram
θυμός
noun
πυρσός
noun
1. hoogste punt, (bovenste) uiteinde
κορυφή
noun
  1. τοπάζι
  2. τοπάζιο
noun
τοπολογία
noun
1. een eigennaam die een geografisch begrip benoemt
τοπωνύμιο
/tɔːrə(n)/
noun
  1. 2. een bepaald schaakstuk in de vorm van een toren
  2. 1. een hoog bouwwerk
πύργος
noun
1. meest algemene Europese valk die vaak in nestkasten en gebouwen nestelt, Falco tinnunculus
βραχοκιρκίνεζο
noun
1. een draaiende, trechtervormige uitstulping onder een wolk tijdens een onweersbui
σίφουνας
noun
τορπίλη
noun
τόρος
pronoun
Τοσκάνη
interjection
1. een groet bij het vertrek die de hoop uitspreekt elkaar weer te zien
εις το επανιδείν
noun
1. alle onderdelen tezamen
σύνολο
adjective
1.
ολοκληρωτικός
noun
ολοκληρωτισμός
conjunction
ωσότου
/tɑu̯/
noun
1. een middel om zaken bij elkaar te binden
σχοινί
noun
1. een mannelijk iemand die kan toveren
μάγος
noun
1. een vrouwelijk iemand die kan toveren
γητεύτρα
noun
1. magisch handboek
γριμόριο
/ˌtɔk.si.ˌko.lo.ˈɣi/, /ˌtɔk.si.ˌko.lo.ˈχi/
noun
1. de wetenschap die de werking van giftige stoffen op biologische systemen bestudeert
τοξικολογία
/traːx/
adjective
1. met geringe snelheid
αργός
noun
1. het langzaam zijn
βραδύτητα
noun
1. vocht dat uit klieren bij de ogen vloeit
δάκρυ
noun
1.
δακρυγόνο
/ˈtrɑktɔr/
noun
motorvoertuig
τρακτέρ
/tradisʲoˈnel/
adjective
1. zoals de gewoonte dat meebrengt, van oudsher
παραδοσιακός
adjective
τραγικός
verb
1. het doen van lichamelijke oefeningen
γυμνάζομαι
noun
1. een oefening
προπόνηση
noun
1. de af te leggen of afgelegde weg van een voorwerp door de ruimte
δρόμος
verb
κερνάω
/tram/, /trɑm/, /trɛm/
noun
1. railvoertuig dat meestal in steden voor personenvervoer gebruikt wordt
τραμ
noun
τραμπολίνο
adjective
1.
υπεράλπειος
noun
συναλλαγή
noun
υπεροχή
/trɑnsˈkrɪpsi/
noun
  1. 1. de conversie naar een geschreven tekst van een andere geschreven, getypte of gedrukte tekst.
  2. 2. het vastleggen van de uitspraak van een gesproken tekst op schrift.
  3. 3.
  4. 4. het omzetten van een muziekstuk naar een andere vorm of bezetting.
μεταγραφή
noun
τρανσφοβία
abbreviation
μετασχηματιστής
noun
1. het inbrengen van bloed in het bloedvatenstelsel
μετάγγιση
adjective
1.
διαγενετικός
noun
  1. Τρανζίστορ
  2. τρανζίστορ
/'trɑnzitif/
adjective
μεταβατικός
noun
μετάφραση
noun
1.
μεταγραμματισμός
noun
τράνσμαν
noun
Μεταστοιχείωση
pronoun
1.
Υπερδνειστερία
adjective
1. lichtdoorlatend
διαφανής
noun
1. doorzichtbaarheid
διαφάνεια
noun
μεταφορά
verb
1. personen of objecten naar een andere plek brengen
μεταφέρω
pronoun
Τρανσυλβανία
pronoun
Τράνσβααλ
noun
  1. 1. verbinding tussen twee op verschillende hoogte liggende vloeren of terreinen,...
    σκάλα
  2. 1. benaming voor vogels uit de familie Otididae
    αγριόγαλος
noun
θαλάσσιο ποδήλατο
/trɑˈpezɪʏm/
noun
1. een vierhoek waarvan twee zijden evenwijdig lopen
τραπέζιο
noun
psychische stoornis, ontstaan door een schokkende ervaring
τραύμα
adjective
1. door een letsel ontstaan
τραυματικός
noun
τραβεστί
noun
1. taps toelopende buis, gebruikt voor het vullen van vaten
χοάνη
/tre/
noun
1. opstapje dat deel uitmaakt van een trap
σκαλί
noun
1. een titelwoord van een stuk tekst in een catalogus, woordenboek of encyclopedie
λήμμα
noun
1. een rij wagons die door een krachtvoertuig (bijvoorbeeld een locomotief) voortbewogen wordt
  1. τρένο
  2. αμαξοστοιχία
verb
nog te sorteren
τραβώ
/trɛkzɑk/
noun
1. een instrument met een blaasbalg die een wisseltonig stelsel doorslaande tongen bedient in diatonische stemming
αρμόνικα
noun
1. diakritisch teken
διαλυτικά
noun
τρέμολο
noun
ontwikkeling in een bepaalde richting
τάση
verb
1. verdrietige gevoelens koesteren, vaak na het verlies van iemand of iets
θρηνώ
noun
λύπη
noun
1. bepaald soort boom met dunne neerhangende takken, Salix babylonica
ιτιά η κλαίουσα
noun
1. een slaginstrument in de vorm van een vrijhangende metalen driehoek
τρίγωνο
noun
1. meetmethode die gebruikmaakt van het feit dat een driehoek volledig bepaald is als...
τριγωνισμός
noun
δικαστήριο
pronoun
1.
Τριέρη
adjective
1. somber stemmend
θλιβερός
/ˈtrɪf.tɔŋ/
noun
1. een foneem dat uit drie klinkers bestaat die binnen één lettergreep in elkaar overgaan
τρίφθογγος
/ˈtrɪlɦarˌdirtʲə/
noun
1. eencellig organisme
βλεφαριδοφόρο
cardinalNumeral
πεντάκις εκατομμύριο
noun
1.
τριλοβίτης
/ˌtrinidɑd ɛn toˈbaːɣo/, /ˌtrinidɑt ɛn toˈbaːɣo/, /ˌtrinidɑt ɛn toˈbaχo/
pronoun
1. een land in het Caribisch gebied bestatend uit twee eilanden, officieel de Republiek Trinidad en Tobago
  1. Τρινιντάντ και Τομπάγκο
  2. Τρινιδάδ και Τομπάγκο
noun
  1. 1. feestelijke intocht
  2. 2. grootse overwinning of prestatie
θρίαμβος
verb
θριαμβεύω
noun
1. triool
τρίηχο
noun
τρισκαιδεκαφοβία
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Τρίτων
noun
1. politiek leiderschap dat uit drie gelijkwaardige personen bestaat
τριανδρία
pronoun
Τεργέστη
noun
1. duurzaam voorwerp dat na een overwinning als symbool daarvan aan de winnaar wordt uitgereikt
τρόπαιο
noun
1. een driekantige platte schep met handvat voor het opbrengen van metselspecie
μυστρί
pronoun
Τροία
/'trɔ.li.bɵs/
noun
τρόλεϊ
noun
1. een koperen blaasinstrument
τρομπόνι
noun
1. de vorming van een bloedprop in een bloedvat of het hart
θρόμβος
noun
1. een cilindervormig, met een vel bespannen slaginstrument
τύμπανο
noun
τυμπανικός υμένας
noun
1. een koperen blaasinstrument met ventielen
  1. τρομπέτα
  2. σάλπιγγα
/troːn/
noun
1. zetel waar een vorst op zit tijdens formele plechtigheden
θρόνος
noun
1. steun bij verdriet of pijn
παρηγοριά
verb
1. als iemand verdriet of pijn heeft deze persoon geestelijke steun geven
παρηγορώ
noun
1. streken tussen beide keerkringen
τροπικός
noun
τροπόσφαιρα
noun
2. de bundel vruchten die uit een dergelijke bloeiwijze voortkomen
όγκος
adjective
1. erg blij met wat men (bereikt) heeft
περήφανος
noun
2. het gevoel dat men wil pronken met wat men heeft of doet
περηφάνια
noun
1. stroming binnen het leninisme, die Stalins politiek te weinig marxistisch vindt en een minder autoritaire en meer internationalistische benadering voorstaat
τροτσκισμός
/trɔˈtʋar/
noun
1. een opvanghuis voor wezen
πεζοδρόμιο
noun
  1. 1. rondreizend kunstenaar
  2. 2. rondreizend artiest
τροβαδούρος
verb
1. het aangaan van een officiële verplichting tussen twee personen om voor elkaar te zorgen
παντρεύομαι
/ˈtrɑuwəns/
adverb
1. overigens
παρεμπιπτόντως
noun
βέρα
/tryk/
noun
1. een handeling om op een slimme manier een doel te bereiken
κατεργαριά
noun
  1. τρούφα
  2. ύτανο
noun
1. een warm kledingstuk voor over het bovenlichaam
πουλόβερ
/tsaːr/
noun
1. vroegere Russische keizer
τσάρος
pronoun
1. Helleense taal gesproken door 1500 mensen in het oosten van de Peloponnesos in Griekenland
τσακώνικα
noun
1.
τσαρίνα
/tʃad/, /tʃat/
pronoun
1. een land in Centraal-Afrika, officieel de Republiek Tsjaad
Τσαντ
/tʃɛx/, /tʃɛχ/
noun
1. een inwoner van Tsjechië, of iemand afkomstig uit Tsjechië.
Τσέχα
/ˈtʃɛxis/, /ˈtʃɛxɪs/, /ˈtʃɛχis/
pronoun
1. Slavische taal die vooral wordt gesproken in de Tsjechische Republiek
  1. τσεχικά
  2. τσέχικος
pronoun
1. een land in [[Midden-Europa]].
  1. Τσεχική Δημοκρατία
  2. Δημοκρατία της Τσεχίας
/ˈtʃɛxi.jə/, /ˈtʃɛχi.jə/
pronoun
1. een land in Midden-Europa, officieel de Tsjechische Republiek, en is het westelijke deel van het voormalige Tsjecho-Slowakije.
Τσεχία
pronoun
1. een vroegere staat in Europa, ten zuiden van Polen (van 1918 tot 1993)
Τσεχοσλοβακία
/tʃɛnobil/
pronoun
Τσερνόμπιλ
pronoun
1. een taal die in Tsjetsjenië gesproken wordt
τσετσενικά
pronoun
1.
Τσετσενία
/tsuˈnami/
noun
1. een grote vloedgolf
τσουνάμι
pronoun
1. Bantoetaal die wordt gesproken door 4,5 miljoen mensen in Botswana en Zuid-Afrika
τσουάνα
/ˌtybɛrky'løs/
adjective
1. met betrekking tot tuberculose
φυματικός
/ˌtybɛrkyˈlozə/
noun
1. een ziekte veroorzaakt de de tuberculosebacterie Mycobacterium tuberculosis
φυματίωση
noun
1.
τόφφος
/tœy̯x/
noun
4. harnas
ιπποσκευή
/tœy̯n/
noun
1. begrensd stuk grond waarop gewassen worden geplant of verbouwd
κήπος
noun
1. vorm van gewassenkwekerij die zich specifiek toelegt op het intensief telen van groenten, bloemen, planten, bomen, bollen of zaden
κηπευτική
/'tœn.bruk/
noun
1. een mouwloze overal met gespen
σαλοπέτα
noun
1.
φυτοκομία
noun
1. en 2. cultuurplant en eetbaar kruid Lepidum sativum
κάρδαμο
noun
κηπουρός
noun
1. hoofddeksel
σαρίκι
noun
1. plant
τουλίπα
noun
1. een gezwel
όγκος
/ty.ˈne.zi.jə/, /tʏ.ˈne.zi.jə/
pronoun
land in Noord-Afrika, officieel de Republiek Tunesië
Τυνησία
noun
1. lange bloes of korte jurk vaak gedragen over een lange broek door vrouwen
αμπέχονο
noun
1. een kunstmatige ondergrondse doorgang
σήραγγα
noun
1. een schoepenrad als energieopwekker
στρόβιλος
verb
1. veen als brandstof
  1. τύρφη
  2. ποάνθρακας
noun
1. het delven en gebruiksklaar maken van turf
εξόρυξη τύρφης
pronoun
1. de hoofdstad van de regio Piëmont en de provincie Turijn
  1. Τορίνο
  2. Τουρίνο
/tʏrk/
noun
1. Inwoner van Turkije
Τούρκος
/tʏrˈkɛɪ̯.jə/, /tʏrˈkɛː.jə/
pronoun
1. land in Europa en Azië
Τουρκία
pronoun
1. de taal die door de Turkmenen in Turkmenistan en Afghanistan gesproken wordt
τουρκμενικός
pronoun
Τουρκμενιστάν
/tʏrˈkojs/, /tʏrˈko̝js/
noun
1. een steen bestaande uit het mineraal turkoois
περουζές
/tʏrks/
pronoun
1. een taal die vooral in Turkije gesproken wordt
  1. τουρκικά
  2. τούρκικος
noun
1.
δεκαοχτούρα
/ˈtʏ.sən/
preposition
1. met iets aan minimaal twee kanten het kind staat tussen haar ouders
  1. ανάμεσα
  2. μεταξύ
/ˌtʏsənˈdoːrtjə/
noun
1. een versnapering, iets te eten tussen de maaltijden door
κολατσιό
noun
παρέμβαση
/ˈtʏsə(n).ʋɛrpsəɫ/
noun
1. een uitroep, een woord, een frase of een zin die een expressie van emotie is
επιφώνημα
verb
1. elkaar met jij en jou aanspreken
μιλώ στον ενικό
/ˌtu.va.ˈlu/
pronoun
1. een land in Oceanië
Τουβαλού
/twaːlf/, /tʋaːl(ə)f/
cardinalNumeral
1. het getal 12
δώδεκα
ordinalAdjective
1. nummer twaalf in een rij
δωδέκατος
/tʋeː/
cardinalNumeral
1. het getal 2
  1. δύο
  2. δυο
/tʋeː/
noun
1. het cijfer twee
δύο
noun
1. geribbeld wollen weefsel
τουίντ
/ˈtʋeːdə/
ordinalAdjective
δεύτερος
noun
1. naamval als aanduiding van bezit, oorsprong of hoeveelheid
γενική
noun
δεύτερο πρόσωπο
pronoun
1. het geheel van afzonderlijke militaire conflicten die van 1939 tot 1945...
Β' Παγκόσμιος Πόλεμος
/ˈtweːˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 200
διακόσια
/ˈtʋeklɑŋk/
noun
1. een foneem dat uit twee klinkers bestaat die binnen één lettergreep in elkaar overgaan
δίφθογγος
/ˈtwelɪŋ/, /ˈtʋelɪŋ/, /ˈtβ̞elɪŋ/
noun
1. twee wezens die met zijn tweeën tegelijk in één buik ontwikkeld zijn
δίδυμος
pronoun
2. teken van de dierenriem, traditioneel behorend bij geboortedata van ongeveer 21 mei tot 21 juni
Δίδυμοι
noun
2.iets met belangrijke, duidelijke voordelen maar met minstens even belangrijke, vaak minder duidelijke nadelen.
δίκοπο μαχαίρι
adjective
δίγλωσσος
adjective
1. met, of aan twee kanten, belangen, partijen etc.
αμφίπλευρος
noun
1. voertuig geschikt voor twee personen
διθέσιο
cardinalNumeral
1. het getal 32
τριάντα δύο
cardinalNumeral
1. het getal 92
ενενήντα δύο
cardinalNumeral
1. het getal 82
ογδόντα δύο
cardinalNumeral
1. het getal 22
είκοσι δύο
cardinalNumeral
1. het getal 42
σαράντα δύο
cardinalNumeral
1. het getal 52
πενήντα δύο
cardinalNumeral
1. het getal 62
εξήντα δύο
/ˈtwejənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 72
εβδομήντα δύο
/ˈtʋɛɪfəɫ/
noun
1. gevoel van onzekerheid ten aanzien van wat men in een gegeven situatie moet doen, geloven e.d.
αμφιβολία
/twɛɪ̯x/, /tʋɛɪ̯χ/, /tβ̞ɛːx/
noun
1. een dun buigzaam takje van een boom of struik
κλαδἁκι
/ˈtʋɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 20
είκοσι
ordinalAdjective
εικοστός
noun
1.
μήλο της έριδας
/tiˈfon/, /tɑjˈfuːn/
noun
1. een hevige wervelstorm in de Chinese Zee en de Stille Oceaan die ontstaat uit een tropische depressie.
τυφώνας
noun
τύφος
noun
1. door bepaalde karakteristieken herkenbare soort
τύπος
/ˈtɛɪ̯.pə(n)/
verb
1. gegevens invoeren
δακτυλογραφώ
noun
2. grafische vorm van tekst
τυπογραφία
noun
τυροσίνη
pronoun
1. randzee van de Middellandse Zee, gelegen tussen het Italiaans vasteland, Sicilië, Sardinië en Corsica
Τυρρηνική θάλασσα
/yː/
personalPronoun
u (pers.vnw.)
εσείς
/ˈyfo/
noun
1. vliegend voorwerp waarvan de identiteit niet bekend is, meestal in verband met een (vermeende) buitenaardse oorsprong
ΑΤΙΑ
/œʏ̯/, /œː/
noun
1. Allium cepa, een eetbaar bolgewas
κρεμμύδι
noun
1. de melkklier van een herkauwer
μαστάρι
/œʏ̯ɫ/, /œːl/
noun
1. benaming voor vogels uit de orde Strigiformes
  1. κουκουβάγια
  2. γλαύκα
/œʏ̯t/, /œːt/
preposition
1. geeft aan van welke plaats iets komt
από
/ˈœytˌadəmən/
verb
εκπνέω
noun
2. het uitstoten van gassen, rook en lava door een vulkaan
έκρηξη
verb
1. iemand met woord of daad tot actie prikkelen
προκαλώ
/ˈœʏdaχɪŋ/, /ˈœːdaɣɪŋ/
noun
1. taak die moeilijk te verwezenlijken valt
πρόκληση
verb
1. uitschakelen
σβήνω
verb
1. een gevoel of gedachte in taal verwoorden
εκφράζω
/ˈœytrʏkɪŋ/, /ˈœːdrʏkɪŋ(g)/, /ˈœːtrʏkɪŋ/
noun
  1. 2. verbinding van woorden
  2. 3. geheel van sprekende gelaatstrekken
  3. 4. het uitdrukken, uiting
διατύπωση
/ˈœʏ.tεɪn.ˌdә/, /ˈœː.tεːn.ˌdə/
noun
άκρο
/œʏˈtɛɪndələk/
adverb
1. na een hele tijd
τελικά
/ˈœʏ̯tə(n)/, /ˈœːtə(n)/
verb
2. zeggen
απόλυτος
verb
4. naar buiten gaan
βγάζω
/'œʏtχɑŋ/, /'œːtɣaŋ/
noun
έξοδος
/'œytxəmɛrxəlt/
adjective
1.
αδυνατισμένος
adverb
1. dodelijk vermoeid
εξαντλημένος
verb
  1. 2. een geschrift in drukvorm verspreiden
    εκδίδω
  2. 1. financiële middelen aanspreken
    ξοδεύω
verb
  1. 3. iets leggend uitspreiden
    απλώνω
  2. 1. iets doen begrijpen
    εξηγώ
  3. 2. iets groter, langer of ruimer maken
    τσοντάρω
verb
1. iets voor tijdelijk gebruik aan een ander afstaan
δανείζω
/'ʌʏt.no.də.ɣə(n)/
verb
1. iemand verzoeken iets bij te wonen
προσκαλώ
noun
1. een verzoek om iets bij te wonen
πρόσκληση
verb
1. in praktijk brengen
μεταχειρίζομαι
noun
1. de toestand waarin iets of iemand aan het eind van zijn of haar krachten is
εξάντληση
noun
1. uitputtende oorlog, oorlogsvoering
πόλεμος της φθοράς
/ˈœtruːp/, /ˈœytruːp/
noun
1. wat men uitroept, luid geuite woorden of klanken
αναφώνηση
verb
2. uit emotie luid roepen
αναφωνώ
noun
1. !, een leesteken dat uitdrukt dat de zin een uitroep, bevel of uitdrukking van verbazing is
θαυμαστικό
verb
2.door andere schakeling deactiveren
σβήνω
/œytspra:k/
noun
  1. 3. veroordeling
    ετυμηγορία
  2. 1. manier waarop iets ten gehore gebracht wordt
    προφορά
  3. 2. woord of zin
    φράση
noun
2. kort plezierreisje
εκδρομή
verb
1. naar een later tijdstip verschuiven
αναβάλλω
verb
1.
απαριθμώ
noun
1. persoon die uitvindingen doet
εφευρέτης
noun
1. de daad van het uitvinden, het ontdekken van een nieuwe methode of een nieuw toestel
εφεύρεση
noun
υπεκφυγή
adjective
1. zich aan de buitenkant bevindend
εξωτερικός
noun
2. vaste uitgescheiden afvalstoffen van een mens of dier
περίττωμα
noun
αντάλλαγμα
noun
μετάσταση
noun
1. wat men van de omgeving vanaf een bepaalde plek kan zien
θέα
/œytsɔndərɪŋ/
noun
1. een geval waarbij men iets niet onder een regel laat vallen
εξαίρεση
noun
1. een lichtbewapende bereden soldaat in enkele Europese legers
ουλάνος
/ʏltɪˈmatʏm/
noun
1. laatste eis
τελεσίγραφο
pronoun
Ουμβρία
/ˈumlʌʊt/
noun
  1. 1. trema dat een vocaalwijziging aangeeft
    διαλυτικά
  2. 2. vocaalwijziging o.i.v. een klinker in de volgende lettergreep
    μεταφωνία
/ʏnɑˈnim/
adjective
1. met eenheid van stemmen
ομόφωνος
/y.ˈnik/
adjective
1. enige in zijn soort
μοναδικός
adjective
1. alom bekend, vertegenwoordigd of erkend
παγκόσμιος
adjective
ακαδημαϊκός
/ynivɛrzitɛɪt/
noun
1. een instelling voor hoger onderwijs, wetenschappelijk onderzoek en dienstverlening
πανεπιστήμιο
noun
1. het gehele tijd-ruimtecontinuüm waarin wij bestaan, samen met alle materie en energie
σύμπαν
noun
1. een scheikundig element met het symbool Uup en het atoomnummer 115
ουνουνπέντιο
noun
1. een gemoderniseerde versie van een computerprogramma
ενημέρωση
verb
1. een bestand van een lokale computer of server naar een computer of server op afstand overbrengen
ανέβασμα
noun
1. scheikundig element met symbool U en atoomnummer 92
ουράνιο
noun
1. scheikundig element met symbool U en atoomnummer 92
ουράνιο
pronoun
  1. Uranos
  2. Ουρανός
pronoun
1. de officiële taal van Pakistan en een van de officiële talen van India
  1. ουρντού
  2. Ούρντου
noun
ουρία
noun
1. een vloeistof die bij dieren door de nieren wordt geproduceerd en periodiek wordt geloosd
ούρο
noun
1. een lange cilindrische holte die de blaas verbindt met de buitenkant van het lichaam
ουρήθρα
/ˌyriˈnɪːrə(n)/
verb
1. het via de blaas lozen van lichamelijke afvalstoffen in de vorm van vloeistof
ουρώ
noun
ουρολογία
/ˈu.ru.ˌgʋɑɪ̯/, /ˈu.ru.ˌgβ̞ɑɪ̯/, /ˈuruˌɡwe/, /ˌu.ru.ˈɣ<sup>ʊ</sup>ɛɪ̯/
pronoun
1. en 2. land en staat in Zuid-Amerika
Ουρουγουάη
/yʔɛsˈbeʔport/
noun
1. aansluitmogelijkheid waardoor apparaten gegevens uit kunnen wisselen volgens de USB-standaard
θύρα USB
/yʔɛsˈbeʔstɪk/
noun
μνήμη USB
noun
σφετεριστής
/ˌytoˈpi/
noun
1. een volmaakte toestand die niet te bereiken is
ουτοπία
adjective
ουτοπικός
/ˈytrɛx/, /ˈytrɛxt/, /ˈytrɛχt/
pronoun
2. de hoofdstad van de provincie Utrecht
Ουτρέχτη
/yːr/
noun
1. een eenheid van tijd die bestaat uit 60 minuten
ώρα
noun
1. een mechaniek dat de tijd bijhoudt of aangeeft
ωρολόγιο
adjective
ασαφής
/vaːk/
adverb
1. vele malen
συχνά
noun
± onderscheidende vlag van een schip en/of militaire eenheid
λάβαρο
noun
1. een aspirant-reserveofficier
σημαιοφόρος
/ˈvaːrdəxɦɛːt/, /ˈvaːrdəxɦɛːɪt/
noun
1. het vermogen om een handeling bekwaam uit te voeren of een probleem juist op te lossen
επιδεξιότητα
noun
δαμαλίδα
noun
1. opgebouwde snelheid
ταχύτητα
noun
1. een aardewerken of glazen kruik, vooral bedoeld voor het in het water zetten van bloemen
βάζο
/vakˈsæː/, /vɑkˈsɛː/
noun
1. uit verzwakte ziekteverwekkers bestaande entstof om afweer op te bouwen
εμβόλιο
noun
1. een inenting
εμβολιασμός
noun
1. materievrije ruimte
κενό
noun
1.
οργιά
noun
1. een mannelijke ouder
πατέρας
noun
1. een dag waarop vaders extra verwend worden
ημέρα του πατέρα
noun
1. een land of staat waar iemand geboren en opgegroeid is
πατρίδα
/ˈva.ɣə.ˌvyːr/, /ˈva.χə.ˌvyːr/
noun
1. een toestand waar de zielen van gestorven personen gereinigd worden.
καθαρτήριο
noun
1. het vrouwelijke geslachtsorgaan
κόλπος
adjective
κολπικός
/vɑˈkɑn(t)si/
noun
  1. 1. jaarlijks terugkerende periode waarin leerlingen en personen vrijaf hebben
  2. 2. reis in een jaarlijks terugkerende periode waarin je vrijaf hebt
διακοπές
noun
1. vakvereniging van arbeiders ter verdediging van hun belangen
συνδικάτο
noun
1. een man die zijn vak of professie verstaat
τεχνίτης
/vɑɫ/
noun
10. apparaat met een vallende deur of klem met als doel dieren te vangen
παγίδα
pronoun
Βαλένθια
noun
σθένος
noun
1. 14 februari, de dag van de verliefden
ημέρα του Αγίου Βαλεντίνου
noun
βαλίνη
/vɑlk/
noun
1. roofvogel
  1. πετρίτης
  2. γεράκι
noun
1. bedrijver van valkerij
γερακάρης
noun
1. een laagte tussen bergen
κοιλάδα
verb
1. vrijelijk onder invloed van de zwaartekracht naar de aarde bewegen
πέφτω
noun
1.
παραχαράκτης
noun
1. mythologisch ondood wezen
  1. βρικόλακας
  2. βαμπίρ
preposition
1. geeft bezit aan
από
phraseologicalUnit
1. oprecht en onvoorwaardelijk
ολόψυχα
noun
1. scheikundig element met symbool V en atoomnummer 23
βανάδιο
adverb
απόψε
adverb
1. op deze dag
σήμερα
noun
1. moedwillige en nodeloze beschadiging of vernietiging van andermans of openbaar eigendom
βανδαλισμός
verb
  1. 1. te pakken krijgen
  2. 2. onderscheppen
πιάνω
/ˈvɑŋ.re(i)l/
noun
1. metalen stroken langs autowegen, die dient om te voorkomen dat auto's van de rijbaan raken
κιγκλίδωμα
/vɑ'nijə/
noun
een smaak- en geurstof geëxtraheerd van de vanilleplant
βανίλια
noun
1. vloeistof onttrokken aan vanillestokjes in een ethanol oplossing
απόσταγμα βανίλιας
adverb
1. de komende nacht
απόψε
/va.nu.ˈwa.tu/
pronoun
1. een land in Oceanië, officieel de Republiek Vanuatu
Βανουάτου
preposition
1. door een bepaalde reden
εξαιτίας
noun
1. Varanidae, de grootste levende hagedis
βαράνος
noun
1. een sporenplant
φτέρη
noun
παραλλαγή
noun
παραλλαγή
noun
  1. 2.
    γουρούνι
  2. 1. een tam zwijn, gehouden voor zijn vet en vlees
    1. γουρούνι
    2. χοίρος
noun
onder-/zijkant van de buik van een varken
χοιρινό στήθος
noun
  1. 1. overdekt verblijf voor varkens
  2. 2. een zeer smerig huis
χοιροστάσιο
noun
χοιρινό λίπος
noun
χοιρινό
noun
βαζελίνη
noun
1. vaatvernauwing
αγγειοσυστολή
/vɑstə'lɑnt/
noun
1. land in verbinding met continentale landmassa
  1. ηπειρωτική χώρα
  2. ξηρά
  3. στεριά
verb
1. zich onthouden van voedsel
νηστεύω
verb
1. bevestigen dat iets zo is.
καθορίζω
noun
  1. 3. ader
    αγγείο
  2. 1. ronde ton waar allerhande vloeistoffen in opgeslagen worden
    βαρέλι
/vatiˈkanstɑt/, /vatiˈkaːnstɑd/, /vatiˈkaːnstɑt/
pronoun
1. land in Europa, het kleinste onafhankelijke land ter wereld, het territorium van de Heilige Stoel.
Βατικανό
verb
1. strijd leveren
παλεύω
noun
καυγάς
noun
διάνυσμα
/veː/
noun
1. door de mens om economische redenen gehouden dieren
κοπάδι
/feɪɫ/, /veːl/
indefiniteCardinalNumeral
1. groot in hoeveelheid
πολύ
noun
1. een gesloten stelsel lijnsegmenten die samen een plat vlak omsluiten
πολύγωνο
adjective
1.
πολυγωνικός
noun
1. bepaald soort zoogdier, Gulo gulo
αδηφάγος
/veːr/, /vɪːr/
noun
2. mechanische tong of spiraal waarop door buiging spanning gezet kan worden
  1. Ελατήριο
  2. ελατήριο
noun
2. herstellingsvermogen van iemands gestel of gemoed
ανακαμψιμότητα
noun
1. een persoon die een veer bedient
πορθμέας
/ˈvɪːrtin/
cardinalNumeral
1. het getal 14
δεκατέσσερα
ordinalAdjective
δέκατος τέταρτος
/ˈfɪːrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 40
σαράντα
noun
ακραιφνής χορτοφαγία
verb
1. zonder water schoonmaken met een borstel
σκουπίζω
adjective
1. als of voor vegetariërs
χορτοφαγικός
noun
χορτοφάγος
/ˈvɛilə(n)/
verb
1. verkopen op een openbare verkoping waar een prijs vastgesteld wordt
πλειστηριάζω
adjective
1. niet aan gevaar blootstaand
ασφαλής
noun
1. een situatie waarin een bepaald gevaar niets kan aanrichten
ασφάλεια
noun
1. een stevige band die iemand in een voer- of vliegtuig vasthoudt in zijn zetel ter bescherming tegen onverhoedse bewegingen
ζώνη ασφαλείας
pronoun
1. orgaan van de Verenigde Naties met als primaire verantwoordelijkheid ...
Συμβούλιο Ασφαλείας Ηνωμένων Εθνών
noun
1. een afsluitbare gebogen pin waarmee men twee stukken stof bijeen kan houden, voorzien van een veiligheidskapje dat voorkomt dat men zich eraan bezeren kan
παραμάνα
/ˈvɛɪ̯.lɪŋ/, /ˈvɛː.lɪŋ/
noun
1. een plaats waar goederen bij opbod of afslag verkocht worden
πλειστηριασμός
noun
  1. 2. afgestroopte huid
    πέτσα
  2. 1. dunne laag
    φύλλο
/vɛlt/
noun
  1. 1. open stuk land
  2. 2. stuk land voor het bedrijven van een sport
  3. nog na te kijken
αγρός
/ ˈvɛltflɛs /
noun
1. een afsluitbare en draagbare fles, meestal uit metaal of plastic vervaardigd, die gebruikt wordt om de drager buitenshuis van vocht te voorzien
παγούρι
noun
σιταρήθρα
noun
1. en 2. (bladeren van) kruidachtige plant Valerianella locusta
λυκοτρίβολο
noun
άστριος
/ˈvɛld.zyː.rɪŋ/, /ˈvɛɫ.tsyː.rɪŋ/
noun
1. en 2. (bladeren van) de plant Rumex acetosa
λάπαθο
/vɛlx/, /vɛlχ/
noun
1. de buitenrand van een wiel waar de band omheen zit
ζάντα
pronoun
1. een taal die in de Veneto-regio gesproken wordt
βενετικός
//
pronoun
1. provincie in Italië
Βενετία
/ˌvenəzoˈlan/, /ˌvenəzoˈlaːn/
noun
1. een inwoner van Venezuela
Βενεζουελανός
/ˌvenəzyˈweːla/, /ˌvenəzyˈβ̞ela/, /ˌvenəzyˈβ̞eːla/
pronoun
1. een land in het noorden van Zuid-Amerika
Βενεζουέλα
noun
1. soort naaldboom (Taxus baccata)
  1. ίταμος
  2. τάξος
noun
1., 2., 3. of 3. (zaad, bladeren of knol van) plant Foeniculum vulgare
  1. μάραθος
  2. μάραθο
  3. φινόκιο
noun
1. onderneming of bedrijf met meerdere aandeelhouders
εταιρεία
noun
1. muuropening om lucht en licht door te laten
παράθυρο
noun
βαλβίδα
noun
εξαερισμός
noun
ανεμιστήρας
pronoun
1. planeet
  1. Αφροδίτη
  2. Βένους
noun
διωναία
adverb
1. op grote afstand
μακριά
/vərˈɑxtə(n)/, /vərˈɑçtə(n)/
verb
  1. 1. in hoge mate minachten
  2. 2. trotseren
περιφρονώ
noun
περιφρόνηση
/vɛ.ˈrɑf.sxy.wə(n)/
verb
1. afschuw hebben voor
απεχθάνομαι
verb
1. zodanig aan iets werken of iets behandelen dat het anders wordt
αλλάζω
noun
1. iets dat anders is geworden
αλλαγή
adjective
  1. 1. iets met extra verplichtingen of moeilijkheden om het goed te laten lopen
  2. 2. de verantwoordelijkheid hebbend
υπεύθυνος
noun
1. de verplichting om ervoor te zorgen dat iets goed verloopt
  1. ευθύνη
  2. υπευθυνότητα
verb
1. armer worden
φτωχαίνω
adjective
1. met woorden
λεκτικός
adverb
1. als je iets vreemd vindt omdat je het niet verwacht had
έκπληκτος
verb
1. iemand van regeringswege dwingen een bepaald gebied te verlaten
εξορίζω
verb
1. door iets onverwachts gevoelsmatig treffen
εκπλήσσω
noun
1. grote verwondering
έκπληξη
/vər.ˈbeːɫ.dɪŋ/, /vər.ˈbɪːɫ.dɪŋ/, /vɛr.ˈbeːl.dɪŋ(g)/
noun
2. iets visualiseren, ergens een beeld bij maken
φαντασίωση
verb
1. iets ergens plaatsen waar het niet gemakkelijk door anderen gevonden wordt
κρύβω
/vərˈbetərə/
verb
  1. 1. (iets) beter maken, de kwaliteit verhogen
    βελτιώνω
  2. 2. van fouten ontdoen
    διορθώνω
/vər.ˈbe.tə,rɪŋ/
noun
1. een verandering ten goede
βελτίωση
/vɛɾ.'bi:.dǝ(n)/
verb
1. een bepaalde handeling strafbaar stellen
απαγορεύω
verb
  1. 1. twee of meer onderdelen aan elkaar vastmaken
  2. 2. met iets of iemand contact maken via de telefoonlijn
συνδέω
/vər.ˈbɪn.dɪŋ/, /vɛr.ˈbɪn.dɪŋ(g)/
noun
1. verbinden of samenvoegen
σύνδεση
noun
2. twee-personen-verhouding waarbij de ene tot een prestatie gerechtigd, de andere tot dezelfde verplicht is
υποχρέωση
verb
1. verstomd doen staan van verbazing
μπερδεύω
/vərˈbɔt/
noun
1. strafmaatregel
απαγόρευση
verb
1. verteerd worden door vuur of hitte
καίω
noun
ανάφλεξη
verb
1. breder maken
πλαταίνω
noun
2. de totale verbruikte hoeveelheid
κατανάλωση
verb
2. het stelselmatig veranderen van de uitgang van een naamwoord al naargelang de functie van het woord in de zin
κλίνω
/vər.ˈbœʏ̯.χɪŋ/, /vər.ˈbœː.ɣɪŋ/
noun
1. naamwoordsflexie
κλίση
verb
1. met een laagje chroom bedekken
επιχρωμιώνω
adverb
ύποπτος
noun
1. iemand die verdacht wordt
ύποπτη
verb
1. overgaan van een gecondenseerde fase, vast of vloeibaar, naar de gasfase
εξατμίζω
verb
1. beschermen tegen een aanval
υπερασπίζομαι
noun
άμυνα
verb
1. in kleinere stukken uiteendoen
  1. διαιρώ
  2. κατανέμω
verb
1. het vermoeden hebben van iets slechts
υποπτεύομαι
/vər.ˈdɛŋ.kɪŋ/
noun
1. het vermoeden van het uitvoeren van een (strafbaar) feit
υπόνοια
verb
  1. 1. het recht op een beloning of bestraffing verwerven
    αξίζω
  2. 2. geld verkrijgen door arbeid of een andere prestatie
    κερδίζω
/vər.ˈdi.pɪŋ/
noun
3. alle ruimten op één hoogte in een gebouw
πάτωμα
adjective
διεφθαρμένος
verb
1. de pijnprikkel onderdrukken, bijvoorbeeld door het toedienen van een medicijn
αναισθητοποιώ
noun
1. bereidheid om te aanvaarden dat anderen zich gedragen op een manier die je niet goed vindt
ανοχή
verb
1. bestand zijn tegen
αντέχω
noun
1. een gevoel van droefheid
λύπη
adjective
1. in sombere stemming
θλιμμένος
verb
  1. 1. driemaal zo groot maken
  2. 2. driemaal zo groot worden
τριπλασιάζω
noun
πνίξιμο
verb
2. iets (m.n. geld) ontvreemden/stelen
υπεξαιρώ
/vər.ˈdœʏ̯.stə.rɪŋ/, /vər.ˈdœː.stə.rɪŋ/, /vɛr.ˈdœːs.tə.rɪŋ(g)/
noun
έκλειψη
verb
2. door toevoeging van oplosmiddel de concentratie verlagen
αραιώνω
/vərˈdʋɛɪnə(n)/
verb
1. wegraken
εξαφανίζομαι
noun
1. het verdwijnen
εξαφάνιση
/vərenˈvʌʊdəχtʃiˌnes/, /vərenˈvʌːdəxtʃiˌnes/
phraseologicalUnit
1. het schrift waarmee het Chinees met name op het vasteland van China geschreven wordt
τα απλουστευμένα κινέζικα
/vɛrɛɪsə(n)/
verb
1. nodig hebben
χρειάζομαι
/vəˈrenəχt ˈkonɪŋkˌrɛɪ̯k/, /vəˈreːnəxt ˈkoːnɪŋkˌrɛːk/, /vəˈreːnɪx ˈkoːnɪŋkˌrɛɪ̯k/
pronoun
Ηνωμένο Βασίλειο
/vɛrenəɣdə arabisə emiratən/
pronoun
land in het Midden-Oosten, officieel de Verenigde Arabische Emiraten, vaak afgekord tot V.A.E.
Ηνωμένα Αραβικά Εμιράτα
pronoun
1. unie van Egypte en Syrië van 1958 tot 1961, en de officiële naam van Egypte van 1961 tot 1971
Ηνωμένη Αραβική Δημοκρατία
noun
  1. Οργανισμός Ηνωμένων Εθνών
  2. Ηνωμένα Έθνη
pronoun
1. een land dat een groot deel van het Noord-Amerikaanse continent beslaat en opgedeeld is in vijftig staten
Ηνωμένες Πολιτείες
/və.ˌre.nəx.də.ˈsta.tə(n).vɑn.ɑ.ˈmeː.ri.ka/, /və.ˌreɪ̯.nəχ.də.ˌsta.tə(n).vɑn.ɑ.ˈmɪː.ri.ka/, /vɛ.ˌʁe.nɪx.də.ˈsta.tə(n).va.na.ˈmeː.ʁi.ka/
pronoun
1. een land dat een groot deel van het Noord-Amerikaanse continent beslaat en opgedeeld is in vijftig staten
  1. Ηνωμένες Πολιτείες
  2. Ηνωμένες Πολιτείες της Αμερικής
verb
1. afzonderlijke delen tot één geheel maken
ενώνω
/və.ˈre.nə.ɣɪŋ/, /və.ˈre.nə.χɪŋ/, /vər.ˈe.ni.ɣɪŋ(g)/
noun
  1. 3. een operatie die twee of meer verzamelingen samenvoegt
    ένωση
  2. 1. groepering van mensen die op een bepaald doel gericht is
    σύνδεσμος
/vɛrf/
noun
1. de algemene benaming voor een product dat bedoeld is om voorwerpen te beschermen...
χρώμα
verb
1. mooier maken
διακοσμώ
verb
ανανεώνω
/vər.ˈɣa.də.rə(n)/, /vər.ˈχa.də.rə(n)/, /vɛr.ˈɣa.də.rə(n)/
verb
1. in vergadering bijeenkomen, een vergadering bijwonen
συνεδριάζω
/vərˈɣadəˌrɪŋ/, /vərˈχadəˌrɪŋ/
noun
1. een georganiseerde bijeenkomst voor bespreking en overleg
συνεδρίαση
noun
μη με λησμόνει
noun
ανταπόδοση
adjective
1. goed te vergelijken
συγκρίσιμος
verb
1. de overeenkomsten en verschillen van twee zaken in beschouwing nemen
  1. συγκρίνω
  2. παραβάλλω
/vɛrɣə'lɛɪkɪŋ/
abbreviation
2. wiskundige uitdrukking
εξίσωση
verb
1. uit het geheugen verloren gaan
  1. ξεχνώ
  2. λησμονώ
verb
1. vergiffenis schenken
συγχωρώ
/'vɛrxəvɔrdərt/
adjective
1.
προηγμένος
/vərˈxit/
noun
1. teiltje met gaten
τρυπητό
verb
χύνω
/vərˈɣɪf/
noun
1. iets dat levende wezens schaadt
  1. δηλητήριο
  2. φαρμάκι
  3. ιός
  4. φόλα
noun
1. het iemand niet kwalijk nemen van iets; het kwijtschelden van een schuld
συγγνώμη
verb
1. blootstellen aan een voor het lichaam schadelijke vreemde stof
δηλητηριάζω
/vər.ˈɣɪ.sɪŋ/, /vər.ˈχɪ.sɪŋ/, /vɛr.ˈɣɪ.sɪŋ(g)/
noun
1. iets doen dat niet juist is, of een verkeerde conclusie trekken
λάθος
noun
1. een toename in grootte
διεύρυνση
noun
1. een officiële (noodzakelijke) toestemming om een bepaalde activiteit uit te voeren
άδεια
/vər'ɦal/
noun
1. verslag (mondeling of schriftelijk) van een waargebeurde of verzonnen gebeurtenis
παραμύθι
noun
1.
ουρανίσκος
verb
1. heviger worden
εντατικοποιώ
noun
1. een indringende ondervraging van een gevangene of verdachte
ανάκριση
/vərˈɦɔʊ̯.dɪŋ/, /vərˈɦʌʊ̯.dɪŋ/, /vɛrˈhaʊ̯.dɪŋ/
noun
  1. 1.
  2. 2. de betrekking van personen onderling
  3. 3. een intieme, duurzame relatie tussen twee personen
αναλογία
verb
  1. 1. van woonplaats veranderen
  2. 2. de inboedel van een ander overbrengen
μετακομίζω
/vərˈhœʏzɪŋ/, /vərˈhœːzɪŋ/
noun
1. de verwisseling van één (semi-) permanente woonplaats voor een andere
μετακόμιση
noun
1. de dag waarop iemand viert dat hij of zij geboren werd
γενέθλια
verb
1. jonger maken
ξανανιώνω
/vər'jɔŋɪŋ/
noun
2. vernieuwen van de (levens)krachten
αναζωογόνηση
noun
1. het geheel van verplaatsingen waarbij goederen of personen vervoerd worden
κίνηση
noun
1. gestandaariseerd bord met aanwijzingen voor mensen in het verkeer
πινακίδα
noun
1. een installatie die middels gekleurde lichten het verkeer op een kruispunt regelt
φανάρι
noun
2. militaire verkenning
αναγνώριση
/vər'kislək/
adjective
1.
προτιμητέος
verb
1. iemand door een stemming een ambt doen toekomen
εκλέγω
/vər.ˈki.zɪŋ/, /vɛr.ˈki.zɪŋ(g)/
noun
1. het kiezen door middel van stemming
εκλογή
adjective
ευεξήγητος
/vɛrˈklarə(n)/
verb
  1. 2. een officieel standpunt uitspreken
    αγγέλω
  2. 1. duidelijk maken
    εξηγήσει
/vərˈklɛɪ̯nʋɔːrt/
noun
1. woord waardoor iets als klein of weinig wordt voorgesteld
υποκοριστικό
noun
1. het verkopen (voor geld aan een ander geven)
πώληση
/vərˈkopə(n)/
verb
1. goederen tegen betaling aan een nieuwe eigenaar geven
  1. πουλώ
  2. πουλάω
noun
1. iemand die goederen of diensten verkoopt
πωλητής
noun
1. een virusinfectie aan keel of neus
κρυολόγημα
verb
1. iemand met geweld tot seksueel verkeer dwingen
βιάζω
noun
1. een seksuele daad onder dwang
βιασμός
verb
1. in bezit krijgen, verwerven
αποκτώ
/vər'lɑmə(n)/
verb
1. van het vermogen zich te bewegen beroven
παραλύω
noun
1. toestand waarin men niet is staat is zich te bewegen
παράλυση
noun
1. iets willen hebben
επιθυμία
verb
1. iets erg graag willen hebben
  1. επιθυμώ
  2. θέλω
verb
  1. 2. in de steek laten
    εγκαταλείπω
  2. 1. weggaan
    φεύγω
noun
1. de voorafgaande tijd
παρελθόν
noun
1. het woord dat deel heeft aan het werkwoord en aan het naamwoord en als afgesloten gezien wordt
παρελθοντική μετοχή
noun
αόριστος
/vər.ˈlɛɪ̯.dɪŋ/, /vər.ˈlɛː.dɪŋ/, /vɛr.ˈlɛɪ̯.dɪŋ/
noun
1. het verleiden van iets of iemand
αποπλάνηση
/vərˈlɛŋə(n)/
verb
  1. 1. langer maken
  2. 2. langer laten duren
παρατείνω
/vər.ˈlɛ.ŋɪŋ/, /vɛr.ˈlɛ.ŋɪŋ/
noun
  1. 3. extra speeltijd
  2. 2. het verlengen
παράταση
verb
1. iets kwijt raken
χάνω
noun
1. iemand die in een spel, wedstrijd, onderhandeling of oorlog verliest
χαμένος
verb
1. tot kwaad brengen
γοητεύω
noun
1. iets wat heel aantrekkelijk is, maar verkeerd en zondig is
πειρασμός
noun
1. iemand die toegezegd heeft met een partner in het huwelijk te willen treden
  1. αρραβωνιαστικιά
  2. αρραβωνιαστικός
/vər.ˈlɔ.sɪŋ/, /vɛr.ˈlɔ.sɪŋ/
noun
1. de bevrijding van de gevolgen van de zonden van de mens door het geloof in Jesus
λύτρωση
verb
1.aan lichaamsgewicht verliezen
αδυνατίζω
verb
1. een feit noemen in een verhaal of tekst
αναφέρω
noun
αναφορά
verb
1. het herhaald optellen van een getal; een rekenkundige bewerking waarvan de uitkomst het product wordt genoemd
πολλαπλασιάζω
/vər.ˌme.nəx.ˈvʏɫ.də.ɣɪŋ/, /vər.ˌme.nəχ.ˈvʏɫ.də.χɪŋ/, /vɛr.ˌme.nɪx.ˈvʏl.di.ɣɪŋ(g)/
noun
1 .een vermeerdering tot een veelvoud van het oorspronkelijke aantal
πολλαπλασιασμός
/vərˈmɛi̯də(n)/
verb
1. trachten te ontwijken
αποφεύγω
adjective
2. in een tint rood met RAL-nummer 2002
κιννάβαρι
noun
  1. 2. naar oranje zwemende dieprode kleur
  2. 3. tint rood met RAL-nummer 2002
κιννάβαρι
verb
2. doen afnemen in aantal, kleiner maken
μειώνω
noun
1. verkleining
ελάττωση
noun
1. een waarschijnlijke waarheid
εικασία
verb
1. een gedachte koesteren waarvan men niet zeker is maar die een zekere waarschijnlijkheid inhoudt
υποθέτω
noun
καταπόνηση
/vərˈmoχə(n)/
noun
2. de kwaliteiten om iets te kunnen doen
ισχύς
verb
1. gewelddadig van het leven beroven
εκτελώ
noun
1. versterkte wijn, op smaak gebracht met aromatische planten en kruiden
βερμούτ
verb
1. een einde maken aan, het bestaan uitwissen van, volledig tenietdoen
καταστρέφω
noun
1. einde maken aan het bestaan van iets
αφανισμός
noun
υπόθεση
noun
μόλυνση
verb
1. in een rechtszaak een oordeel uitspreken
καταδικάζω
verb
1. de oorzaak zijn van
προκαλώ
noun
κανονισμός
adjective
παρωχημένος
/vərovərə(n)/
verb
1. een gebied door een militaire operatie in zijn macht nemen
κατακτώ
noun
κατάκτηση
noun
1. het materiaal waarin iets verpakt is
αμπαλάρισμα
noun
  1. 1. iemand die beroepshalve patiënten verpleegt
  2. 2. een deskundige in de verpleegkunde
νοσοκόμος
verb
1. een zieke verzorgen
γιατροκομώ
adjective
  1. 1. vernietigend
  2. 2. overweldigend
συντριπτικός
adjective
1. door iets of iemand gedwongen
υποχρεωτικός
verb
1. tot regel maken dat iets moet
υποχρεώνω
/vər.ˈplɪx.tɪŋ/, /vər.ˈplɪχ.tɪŋ/, /vɛr.ˈplɪx.tɪŋ(g)/
noun
1. iets dat moet
υποχρέωση
/vəˈraːt/
noun
1. het schenden van trouw
προδοσία
verb
2. een geheim prijsgeven
προδίδω
noun
1. iemand die verraad pleegt
προδότης
adjective
δόλιος
verb
  1. 1. iemand onverwachts met iets confronteren
  2. 2. iemand onverwachts verblijden
αιφνιδιάζω
/və.ˈra.sɪŋ/, /və.ˈrɑ.sɪŋ/, /vɛ.ˈrɑ.sɪŋ(g)/
noun
1. een geheel onverwachte gebeurtenis
έκπληξη
/ˈvɛrəˌkɛːkər/, /ˈvɛrəˌkɛːɪkər/
noun
1. een optisch instrument om voorwerpen op grote afstand te kunnen waarnemen door het vergrotend effect van het instrument
  1. κυάλια
  2. κανοκιάλι
noun
  1. 2. dichtregel
  2. 3. couplet
στίχος
/vər'sxɛɪnə(n)/
verb
  1. 1. aan het licht treden, zichtbaar worden
  2. 3. voor het gerecht verschijnen
εμφανίζομαι
noun
εμφάνιση
/vɛrsxɛɪnsəɫ/
noun
1. iets dat zich voordoet
φαινόμενο
noun
1. een aspect dat bij vergelijking anders is
διαφορά
verb
1. in bepaalde opzichten niet hetzelfde zijn
διαφέρω
adverb
1. zo erg dat men er van schrikt
τρομερός
/ˈfɛrsi/
noun
  1. 1. specifieke vorm of variant van een uitgave
  2. 2. bepaalde verklaring of interpretatie van een gebeurtenis
εκδοχή
noun
1. iets aangebracht om het uiterlijk fraaier te maken
εξωραϊσμός
verb
1. een definitieve overwinning boeken op een tegenstander
νικώ
verb
1. te lang blijven slapen met als gevolg dat men een afspraak mist
παρακοιμάμαι
verb
1. slechter worden
χειροτερεύω
noun
3. mechaniek voor overdracht van aandrijving
ταχύτητα
noun
1. een schakelinrichting aan een motorvoertuig om van de ene naar de andere versnelling te gaan
κιβώτιο ταχυτήτων
/vər.ˈstaːn/
verb
1. begrijpen van een uiting
κατανοώ
noun
te controlerende vertalingen
λογική
verb
1.
απολιθώνω
verb
  1. 1. sterker maken
    ενισχύω
  2. 2. het aantal vergroten
    στερεώνω
/vər.ˈstɛr.kɪŋ/, /vɛr.ˈstɛr.kɪŋ(g)/
noun
  1. 2. extra hulp in probleemsituaties
    ενίσχυση
  2. 1. het versterken
    ενδυνάμωση
noun
1.
πνίξιμο
/vər'stɔpə(n)/
verb
1. iets stoppen waar het niet gemakkelijk gevonden zal worden
κρύβω
/vərˈstɔ.pər.tjə/
noun
κρυφτό
verb
1. ter beschikking stellen
αποκτώ
noun
1.
αφηρημάδα
noun
  1. 1. amusement
  2. 2. verspreiding over een groter gebied dan oorspronkelijk het geval was
διασκέδαση
noun
1.
διάστρεμμα
verb
1. omzetten van geschreven of gesproken informatie naar een andere taal
μεταφράζω
noun
μεταφραστής
/vərˈtalɪŋ/
noun
1. iets dat vertaald is
μετάφραση
noun
1. iemand die de plaats van een ander inneemt
εκπρόσωπος
noun
1. een verhaal dat bedoeld is om verteld te worden
αφήγηση
adverb
κατακόρυφος
verb
1. een voorwerp bedekken met een dun laagje tin
γανώνω
noun
2. de actie van het vertrekken of weggaan
αναχώρηση
verb
1. weggaan
αναχωρώ
noun
παρηγοριά
noun
1. het geloof in betrouwbaarheid van een persoon
εμπιστοσύνη
verb
1. maken, samenstellen
παρασκευάζω
noun
1 verslechteren
σήψη
/vər'vɑŋə(n)/
verb
1. het ene de plaats doen innemen van het andere
αντικαθιστώ
verb
1. met verf bestrijken
βάφω
verb
1. iets viermaal zo groot maken
τετραπλασιάζω
noun
κολασμός
verb
A.1 omvormen van een werkwoord om wijze, tijd en persoon uit te drukken
κλίνω
/vər.ˈvu.ɣɪŋ/, /vər.ˈvu.χɪŋ/, /vɛr.ˈvu.ɣɪŋ(g)/
noun
1. werkwoordsflexie
συζυγία
noun
1. voorwerp bestemd om personen of goederen naar een andere plaats te brengen
μεταφορικό μέσο
/vər'vɔlɣən/
verb
2. niet rusten voor iemand bestraft of geweld aangedaan is
διώκω
noun
2. het vervolgen of vervolgd worden
δίωξη
verb
1. vreemd maken, van eigenaar doen wisselen
αποξενώνω
verb
1. vrouwelijk maken
εκθηλύνομαι
adjective
1. zich boven anderen verheven voelend
ματαιόδοξος
verb
1.
καταδέχομαι
adjective
1. niet de moeite om zich met iets bezig te houden
αμελητέος
verb
1. iets niet de benodigde verzorging schenken
παραμελώ
verb
1. ergens van uitgaan
αναμένω
/vər.ˈʋɑχ.tɪŋ/, /vər.ˈβ̞ɑx.tɪŋ/, /vɛr.ˈwɑx.tɪŋ(g)/
noun
datgene wat verwacht wordt
προσδοκία
adjective
  1. 1. geparenteerd, familie zijnd
  2. 2. op een of andere wijze gerelateerd
συγγενικός
noun
2. overeenkomst, affiniteit
σχέση
/vər.ˈʋɑr.mɪŋ/, /vər.ˈβ̞ɑr.mɪŋ/, /vɛr.ˈwɑr.mɪŋ(g)/
noun
  1. 1. het proces van verwarmen
  2. 2. een installatie die voor het verwarmen zorgt
θέρμανση
/və(r).ˈʋɛ.kə(n)/
verb
doen ontstaan (ook in biologische zin)
γεννώ
adjective
κακομαθημένος
/vərˈʋɛrkə(n)/
verb
1. een grondstof of halffabrikaat gebruiken om een eindproduct te vervaardigen
επεξεργάζομαι
verb
1. afwijzen
απορρίπτω
/vər'wɛift/
adjective
1.
θηλυπρεπής
/vər'ʋɛɪzə(n)/
verb
1. naar iets of iemand anders wijzen of sturen
αναφέρω
verb
1. lichamelijk letsel veroorzaken
πληγώνω
noun
1. lichamelijk letsel
τραύμα
noun
αποθησαυριστής
/vər.ˈza.mə.lɪŋ/, /vɛr.ˈza.mə.lɪŋ(g)/
noun
  1. 1. meerdere voorwerpen...
    συλλογή
  2. 2. wiskundige verzameling
    σύνολο
verb
  1. 2. tegen betaling van een premie ...
    ασφαλίζω
  2. 1. verklaren dat iets ...
    διαβεβαιώνω
/vər.ˈze.kə.rɪŋ/, /vɛr.ˈze.kə.rɪŋ(g)/
noun
1. overeenkomst waarmee men zorgt voor vergoeding van schade, diefstal e.d...
ασφάλιση
noun
1. handelingen gericht tegen de heersende macht of de aanvallende vijand
αντίσταση
verb
4. met een laag zink afdekken
γαλβανίζω
verb
1. aan iemand vragen iets al dan niet te doen
ζητώ
verb
1. vrede laten sluiten
συμβιβάζω
noun
1.zuur worden van het milieu
οξίνιση
noun
φρούριο
adjective
1. dik, vet inhoudend
χοντρός
noun
  1. 1. gladde, zeer vette vloeistoffen, smeermiddelen
  2. 2. gespecialiseerd dierlijk weefsel
λίπος
noun
κορδόνι
noun
  1. 1. een voormalig militair die gevochten heeft, een uitgediend krijgsman
  2. 2. een ervaren en oud persoon in een bepaald onderwerpgebied, zoals een sporter, geleerde, etc.
απόστρατος
verb
1. een dier/persoon overvloedig en calorierijk voedsel aanbieden zodat deze in gewicht aankomt
παχαίνω
noun
1. veto
  1. αρνησικυρία
  2. βέτο
noun
λιπώδης ιστός
/ˈvɛtzyr/
noun
1. een keten van ten minste twee koolstofatomen en een carboxylgroep
λιπαρό οξύ
noun
1. jong van bepaalde hoefdieren als het paard, de ezel, de kameel en de zebra
  1. πουλάρι
  2. ολίσθηση
noun
1.
σημαιολογία
noun
φαύλος κύκλος
pronoun
1. Australische deelstaat gelegen in het zuidoosten van het land
Βικτόρια
/viːr/
noun
1. het getal tussen de drie en de vijf
  1. τέσσερα
  2. τέσσερις
/ˈviːrdə/
ordinalAdjective
1. nummer vier in een rij
τέταρτος
verb
1. een feest vieren
γιορτάζω
cardinalNumeral
1. het getal 34
τριάντα τέσσαρες
cardinalNumeral
1. het getal 84
ογδόντα τέσσαρες
cardinalNumeral
1. het getal 24
είκοσι τέσσερα
cardinalNumeral
1. het getal 44
σαράντα τέσσαρες
cardinalNumeral
1. het getal 54
πενήντα τέσσαρες
cardinalNumeral
1. het getal 64
εξήντα τέσσαρες
/ˈvirənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 74
εβδομήντα τέσσαρες
noun
1. een geometrische tweedimensionale vorm, bestaande uit vier hoeken en derhalve ook vier zijden
τετράγωνο
/ˈviːrˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 400
τετρακόσιοι
adjective
1. met de vorm van een vierkant
τετράγωνο
noun
1. geometrische tweedimensionale vorm, bestaande uit 4 gelijke hoeken van 90 graden en 4 zijden met gelijke lengte
τετράγωνο
noun
1.
τετραγωνικό μέτρο
noun
1. dat getal dat met zichzelf vermenigvuldigd een gegeven getal oplevert
τετραγωνική ρίζα
pronoun
Βιετνάμ
pronoun
1. de officiële taal van Vietnam
βιετναμέζικα
noun
1. iemand met wie men op voet van oorlog leeft
εχθρός
noun
1. een vijandige daad
εχθροπραξία
adjective
1. zich als een vijand gedragend
εχθρικός
noun
1. het vijandig zijn
εχθροπραξία
noun
1. een toestand van op voet van oorlog zijn
εχθρότητα
/vɛi̯f/
cardinalNumeral
1. het getal 5
  1. πέντε
  2. ε΄
/ˈvɛɪ̯f.də/, /ˈvɛɪ̯v.də/, /ˈvɛːv.də/
ordinalAdjective
1. nummer vijf in een rij
πέμπτος
cardinalNumeral
1. het getal 35
τριάντα πέντε
cardinalNumeral
1. het getal 95
ενενήντα πέντε
cardinalNumeral
1. het getal 85
ογδόντα πέντε
cardinalNumeral
1. het getal 25
είκοσι πέντε
cardinalNumeral
1. het getal 45
σαράντα πέντε
cardinalNumeral
1. het getal 55
πενήντα πέντε
cardinalNumeral
1. het getal 65
εξήντα πέντε
/ˈvɛifənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 75
εβδομήντα πέντε
noun
1. een geometrische tweedimensionale vorm, bestaande uit vijf hoeken en derhalve ook vijf zijden
πεντάγωνο
/ˈvɛi̯fˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 500
πεντακόσια
noun
1. atletiekmeerkamp met vijf onderdelen
πένταθλο
/ˈvɛi ̯ftin/
cardinalNumeral
15
δεκαπέντε
noun
δεκαπεντάγωνο
/ˈfɛi̯ftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 50
πενήντα
noun
1. vrucht van de vijgenboom
σύκο
noun
συκή
noun
1. een werktuig met een ruw, gegroefd of gekerfd oppervlak dat het mogelijk maakt dunne lagen van een voorwerp te verwijderen
λίμα
noun
1. tamelijk klein door de mens aangelegd water
λιμνούλα
noun
A 1. een vat waarin met een stamper stoffen fijngestampt kunnen worden
γουδί
noun
1. een groot en vrijstaand huis
βίλα
noun
door langdurig bewerken verdichte wol
κετσές
noun
1. een pen met een poreuze kern
μαρκαδόρος
/vɪn/
noun
1. uitstekend lichaamsdeel van vissen en andere aquatische dieren
πτερύγιο
/'vɪndə(n)/
verb
  1. 1. iets aantreffen nadat ernaar gezocht is
    βρίσκω
  2. 3. iets op een bepaalde wijze beschouwen of ervaren
    νομίζω
noun
1. de mate waarin iemand goed is in het vinden van nieuwe oplossingen
επινοητικότητα
noun
1. extremiteiten van de hand
  1. δάχτυλο
  2. δάκτυλος
/ˈvɪ.ŋər.ˌɑf.drʏk/, /ˈvɪ.ŋər.ˌɑv.drʏk/
noun
1. een afdruk op een oppervlak van een vinger met meestal de unieke, persoonsgebonden figuur...
δακτυλικό αποτύπωμα
/'vɪŋərə(n)/
verb
1. met de hand of vinger bevredigen
βάζω δάχτυλο
/'vɪŋərˌɦut/
noun
1. hard dopje dat het eerste kootje van de vinger beschermt bij het naaien
δαχτυλίθρα
noun
χελιδονόχορτο
noun
1. het heel snel zaken met de vingers kunnen verrichten
ταχυδακτυλουργία
noun
κοινός σπίνος
noun
1. knie- of beenviool
βιόλα ντα γκάμπα
noun
1. (kleur) een kleur tussen blauw en ultraviolet, met een golflengte tussen de 430 en 380 nm
βιολετής
noun
1. musicus die een viool bespeelt
βιολονίστας
noun
1. een viersnarig strijkinstrument dat tijdens het bespelen door de violoncellist of cellist tussen de knieën wordt gehouden
βιολοντσέλο
noun
1. strijkinstrument
βιολί
noun
1. benaming voor planten uit het geslacht Viola
μενεξές
noun
1.
ιολογία
adjective
1.
εικονικός
noun
βιρτουόζος
/virəs/
noun
  1. 1.
  2. 2.
ιός
noun
  1. 1. Pisces, gewerveld dier met kieuwen, levend in water
  2. 2. het vlees van een vis
  1. ψάρι
  2. ιχθύς
noun
1. Pandion haliaetus, een vooral visetende roofvogel die de enige soort uit de familie Pandionidae is
αλιάετος
noun
1. stroperigheid van een vloeistof of gas
ιξώδες
noun
αγκίστρι
noun
1. een droombeeld
όραμα
pronoun
2. teken van de dierenriem, traditioneel behorend bij geboortedata van ongeveer 19 februari tot 21 maart
Ιχθύες
verb
1. proberen te vangen
ψαρεύω
noun
1. iemand die beroepsmatig vist
ψαράς
noun
ψαρόβαρκα
/vizyʋel/
adjective
1. betreffende het zicht, betreffende het zienbare
οπτικός
noun
βίζα
noun
ζωντάνια
noun
1. een stof die het lichaam in kleine hoeveelheden nodig heeft, maar niet of bijna niet door het lichaam zelf aangemaakt kan worden en derhalve in voldoende mate via voedsel of supplement ingenomen moet worden
βιταμίνη
noun
  1. 1. een richttoestel op de loop van een vuurwapen
    στόχαστρο
  2. 1. minister of hoog staatsdienaar
    βεζίρης
pronoun
1. Nederlands zoals dat in Vlaanderen gesproken wordt
φλαμανδική
noun
1. bepaald soort kraaiachtige vogel, Garrulus glandarius
κίσσα
pronoun
1. de noordelijke deelstaat van België
Φλάνδρα
/vlɑχ/
noun
1. lap stof met een vast patroon van kleuren die gevoerd wordt als symbool van een organisatie, beweging of natie
  1. σημαία
  2. λάβαρο
/ˈvlɑɣəˌsxɪp/
noun
1. schip waarop zich de bevelvoerder over een vloot of eskader bevindt
ναυαρχίδα
noun
1. bepaald soort vis, Thymallus thymallus
θύμαλλος
/vlɑk/
adjective
1. zonder bergen of dalen
επίπεδο
noun
stuk rubber dat door wrijven potloodschrift van papier kan verwijderen
γομολάστιχα
noun
1. gebied met weinig of geen hoogteverschillen
πεδιάδα
noun
1. kleinste vorm van vuur
φλόγα
noun
λινάρι
noun
1. een gebonden pluk haar
κοτσίδα
/ˈvlɛx.tə(n)/, /ˈvlɛχ.tə(n)/
verb
1. in elkaar strengelen
πλέκω
noun
1. klein vliegend zoogdier
  1. νυχτερίδα
  2. νυκτερίδα
noun
  1. 2. spierweefsel van dieren dat opgegeten kan worden als onderdeel van de voeding
    1. κρέας
    2. σάρκα
  2. 1. spierweefsel van bepaalde organen
    1. σάρκα
    2. κρέας
noun
1. dorswerktuig
κόπανος
verb
1. (onoprechte) complimenten geven, meestal om bij iemand in de gunst te komen
κολακεύω
adjective
1. te vriendelijk
κολακευτικός
noun
κόλακας
noun
1. een vieze plek
κηλίδα
noun
  1. 1. lichaamsdeel van bepaalde diersoorten
  2. 5. een deel van een leger
φτερό
noun
1.iemand die bevelen van een hoger geplaatst persoon overbrengt
υπασπιστής
/vlix/, /vliχ/
noun
1. tweevleugelig insect
μύγα
noun
1. groot vaartuig dat is ingericht voor het opstijgen, landen, vervoer en onderhoud van meerdere vliegtuigen
αεροπλανοφόρο
/ˈvli.ɣə(n)/, /ˈvli.χə(n)/
verb
1. zich door de lucht voortbewegen
πετώ
noun
1. bepaald soort paddenstoel, Amanita muscaria
Αμανίτης ο μυγοκτόνος
noun
1. een voorwerp dat door de wind aan een draad in de lucht opgelaten kan worden
χαρταετός
/ˈvlixtœːx/, /ˈvliχtœʏχ/
noun
1. vervoermiddel dat speciaal ontworpen is voor het reizen door de lucht
  1. αεροπλάνο
  2. αεροσκάφος
/ˈvlixfɛɫt/
noun
1. een terrein waar vliegtuigen kunnen landen en opstijgen
αεροδρόμιο
noun
1. sneldraaiend wiel met grote massa
βολάν
noun
σαμπούκος
noun
σαμπούκος
noun
1. benaming voor nectar etende insecten uit de orde Lepidoptera
πεταλούδα
noun
παπιγιόν
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Siphonaptera
ψύλλος
noun
1. verhoging van de waterstand
πλημμυρίδα
adjective
1. in staat te vloeien, gezegd van de aggregatietoestand van stoffen die niet vast en niet gasvormig zijn
υγρός
/ˈvlujə(n)/
verb
1. zacht stromen
ρέω
adjective
2. zonder haperingen een taal kunnen spreken
άπταιστα
noun
1. een stof in die aggregatietoestand waarin het geen eigen vorm heeft, maar wel een eigen volume
υγρό
noun
1. bewust uitgesproken wens om iemand kwaad of leed aan te doen
κατάρα
verb
1. uitroepen van vloekwoorden, beledigende taal gebruiken
βρίζω
/vlur/
noun
  1. δάπεδο
  2. πάτωμα
adjective
1.
λεπιοειδής
/vloːt/
noun
1. bij elkaar horende schepen
στόλος
noun
1. een drijvende constructie
σχεδία
noun
1. het zich door luchtruim bewegen
πέταγμα
/'vlɵxtəlɪŋ/
noun
1.
πρόσφυγας
/vlɵxtə(n)/
verb
1. (onovergankelijk) trachten te ontkomen aan dreigend gevaar
ξεφεύγω
noun
1.
αριθμός πτήσης
noun
1. snel en oppervlakkig seksueel contact
ξεπέτα
pronoun
1. wereldwijde organisatie waarin alle landen kunnen samenwerken
Ο.Η.Ε.
noun
1. de vijfde naamval waarin een naamwoord staat dat aanduidt tot wie het woord wordt gericht
κλητική
adjective
υγρός
verb
1. van voedsel voorzien
τρέφω
/ˈvu.dɪŋ(g)/, /ˈvu.dɪŋ/
noun
1. voedsel
διατροφή
noun
1. toevoeging aan voeding
πρόσθετο τροφίμων
noun
1. voedingsmiddel dat bedoeld is als aanvulling op de normale voeding
συμπλήρωμα διατροφής
noun
1. alles wat een organisme tot zich neemt om het metabolisme in werking te houden
τροφή
adjective
1.
θρεπτικός
/ˈvuxʋoːrt/
noun
σύζευξη
verb
1. gewaarworden door aanraking, meestal met betrekking tot temperatuur of druk
αισθάνομαι
/ˈvuː.rɪŋ(g)/, /ˈvuː.rɪŋ/
noun
1. de binnenbekleding van een voorwerp
φόδρα
/ˈvuːrtœx/, /ˈvuːrtœyx/
noun
1. vervoermiddel over land
όχημα
noun
  1. 1. voortzetting van het been beneden de enkel
  2. 3. oude lengtemaat
πόδι
/ˈvut.bɑɫ/
noun
1. een balsport waarbij twee teams van 11 spelers met hun voeten (of hoofd) een bal in het doel van de tegenstander proberen te krijgen
  1. ποδόσφαιρο
  2. μπάλα ποδοφαίρου
noun
1. een persoon die de sport voetbal beoefent
ποδοσφαιριστής
noun
1. iemand die zich te voet door het verkeer verplaatst
πεζός
/'vutpɑt/
noun
1. een pad voor voetgangers
μονοπάτι
noun
ίχνος
noun
ίχνος
noun
1. de onderzijde van de voet
πέλμα
/ˈvoːɣəl/, /ˈvoχɔɫ/
noun
1. een gewerveld dier (Aves) met twee vleugels, twee poten, een snavel en veren...
  1. πουλί
  2. πτηνό
noun
1. enige zoogdier met een snavel, Ornithorhynchus anatinus
  1. πλατύποδας
  2. πλατύπους
noun
1. gezien vanuit de lucht; gezien vanuit de positie van een vliegende vogel
εναέρια άποψη
noun
1. grote behaarde spin die leeft in de tropische streken
ταραντούλα
noun
1. manshoge pop
σκιάχτρο
noun
1. het geluid dat vogels maken
κελάδημα
pronoun
1.
Βοϊβοντίνα
/vɔl/, /vɔɫ/
adjective
1. geheel gevuld
  1. γεμάτος
  2. πλήρης
pronoun
1. een kunstmatige taal die in 1880 door Johann Martin Schleyer gemaakt werd
βολαπούκ
verb
1. geheel uitvoeren
επιτυγχάνω
indefinitePronoun
1. toereikend, genoeg
αρκετός
/vɔl.ˈdu.nɪŋ(g)/, /vɔɫ.ˈdu.nɪŋ/
noun
1. tevredenheid
ικανοποίηση
/'vɔlxə(n)/
verb
1. achterna gaan
ακολουθώ
adjective
1. dat later komt
επόμενος
preposition
1. geeft een bron aan voor de gegeven redenering
σύμφωνα με
adjective
1.
υπάκουος
/vɔlk/
noun
  1. 1. een groep mensen die een aantal dingen gemeenschappelijk hebben, zoals afstamming, taal, gewoontes of overlevering
  2. 2. de inwoners van een land
λαός
pronoun
Κοινωνία των Εθνών
noun
γενοκτονία
noun
1. brood van meel met zemelen
ψωμί ολικής άλεσης
noun
1. tarwe met zemelen en kiem
σίτος ολικής αλέσεως
noun
1.
παρετυμολογία
noun
1. lied dat dienst doet als symbool voor een volk of een natie
εθνικός ύμνος
noun
λαϊκή δημοκρατία
/'vɔlkstɛlɪŋ/
noun
1.
απογραφή
noun
1. fase of schijngestalte van de maan, waarbij de naar de aarde gekeerde zijde, geheel door de zon wordt verlicht en daardoor zichtbaar is
πανσέληνος
noun
1. de fase of schijngestalte van de maan, waarbij de naar de aarde gekeerde zijde, geheel door de zon wordt verlicht en daardoor zichtbaar is
πανσέληνος
noun
  1. 2. bal
    1. βόλεϊ
    2. πετοσφαίριση
  2. 1. spel
    1. πετοσφαίριση
    2. βόλεϊ
/vɔlˈmaːkt/
adverb
1. zonder enig gebrek
τέλειος
noun
1. rechtsbevoegdheid om namens een ander te handelen
πληρεξούσιο
noun
βολτ
noun
1. spanningmeter
βολτόμετρο
noun
1. het woord dat deel heeft aan het werkwoord en aan het naamwoord en als afgesloten gezien wordt
παρελθοντική μετοχή
noun
παρακείμενος
verb
1. ten einde brengen
  1. ολοκληρώνω
  2. αποπερατώνω
noun
  1. 1. ruimtelijke capaciteit
  2. 3. fysieke informatiedrager
ένταση
noun
1. iemand die volgroeid is
  1. ενήλικος
  2. ενήλικας
noun
έκθετο
noun
1. een gloeiend korreltje of brokstukje
σπίθα
noun
1. een beslissing van een rechter in dagvaardingsprocedures
καταδίκη
/voːxt/
noun
1. belangenbehartiger van minderjarige
κηδεμόνας
/vor/
noun
1. ploegsnede
αυλάκι
/vor/
preposition
4. eerder in tijd
πριν
conjunction
1. in die mate als
τόσο όσο
noun
2. periode voorafgaand aan een bepaalde gebeurtenis of datum
παραμονή
noun
1. iets ter navolging
παράδειγμα
verb
1. handelingen verrichten die een latere gebeurtenis mogelijk moeten maken
ετοιμάζω
/ˈvor.bə.rɛɪ̯.dɪŋ(g)/, /ˈvor.bə.rɛː.dɪŋ/, /ˈvo̝r.bə.rɛɪ̯.dɪŋ/
noun
1. het voorbereiden
παρασκευή
adjective
1. wat al in het verleden ligt
επέκεινα
/vorˈbɛɪ̯ɣan/, /vorˈbɛːɣan/, /vo̝rˈbɛɪ̯χan/
verb
  1. 1. langs een bepaald punt gaan.
  2. 2. tot verleden gaan behoren
περνάω
/ˈvorbodə/
noun
1. vooruitgestuurde bode (letterlijk)
προάγγελος
noun
  1. 3. (tennis)
  2. 1. profijt
  3. 2. aangename eigenschap
πλεονέκτημα
noun
1. de persoon die voorafgaand aan een zeker persoon dezelfde positie bekleedde
προκάτοχος
noun
προαίσθημα
adverb
για τα καλά
noun
βαριά
noun
1. het deel van het gezicht tussen de wenkbrauwen, de normale haarlijn en de slapen
μέτωπο
noun
1. voorhuid van penis
ακροβυστία
/vorɪ'nxənomə(n)/
adjective
1.
προκατειλημμένος
noun
1. de lente
άνοιξη
noun
1. het opruimen en poetsen van een woning in het voorjaar
ανοιξιάτικο καθάρισμα
verb
1. hardop een tekst lezen ten aanhoren van anderen
διαβάζω
noun
1. naam die bij de geboorte aan een persoon wordt gegeven, en die aan de familienaam voorafgaat.
όνομα
/ˈvɔːr.nam.ˌʋɔːrt/
noun
1. een woord dat verwijst naar iets anders zonder ze te noemen
αντωνυμία
adverb
1. in hogere mate
κυρίως
verb
1. vooraf voor waar aannemen van een stelling om hiermee tot een conclusie te komen
προϋποθέτω
noun
προκατάληψη
noun
1. iemand van wie afgestammen wordt
πρόγονος
noun
1. glazen vlak aan de voorkant van een voertuig dat zorgt voor zicht op de weg en bescherming tegen weer en wind
παρμπρίζ
/'vɔːrsxrɛɪvə(n)/
verb
1. een schriftelijke opdracht geven
υπαγορεύω
adjective
1. van tevoren te verwachten
προβλέψιμος
verb
1. een uitspraak doen over toekomstige gebeurtenissen
προβλέπω
noun
ευημερία
noun
1. iemand die voor iets is
υποστηρικτής
noun
1. hetgeen dat voorgesteld wordt
πρόταση
verb
1. een plan voorleggen
προτείνω
noun
  1. 1. signaal dat aan een gebeurtenis voorafgaat
  2. 2. plus- of minteken voor een getal
οιωνός
noun
1. het proces van technologische en economische groei van een samenleving
πρόοδος
noun
1.
πρόγονος
noun
1. iemand die ergens een voorstander van is en zich daarvoor actief inzet
υπέρμαχος
verb
1.
προθερμαίνω
noun
1. omstandigheid die noodzakelijk is of gemaakt wordt wil iets anders plaats of...
προϋπόθεση
noun
1. een object, iets dat fysiek bestaat
αντικείμενο
noun
1. een onverbuigbaar woord dat de aard van de relatie tussen verschillende elementen in de zin aangeeft
πρόθεση
/vɔːrˈzɪxtəx/
adverb
1. op een oplettende manier
προσεκτικός
noun
1. hoofd van een bestuur, leider van een vergadering
πρόεδρος
/vɔɾ.dǝ.ɾɪŋ/
noun
1. vooruitgang, progressie
πρόοδος
/'vɔː.rə/
noun
1. ploegsnede
αυλάκι
indefiniteOrdinalNumeral
1. degene die of datgene dat eerder een positie innam
προηγούμενος
noun
  1. 1. aftakking van een boomtak of van een weg
    1. πηρούνι
    2. πιρούνι
  2. 5. (schaak) situatie waarbij één eigen stuk tegelijkertijd twee of meer vijandelijke stukken aanvalt
    πιρούνι
  3. 2. voorwerp bestaande uit een greep en (meestal 3 of 4) tanden, waarmee vast voedsel wordt gegeten
    1. πιρούνι
    2. πηρούνι
noun
1. ruimtelijke begrenzing van een voorwerp
μορφή
/vɔrst/
noun
2. weersomstandigheden
  1. παγετός
  2. παγωνιά
noun
1.
ηγεμονία
noun
1. bepaald zoogdier, Vulpes vulpes
αλεπού
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Αλώπηξ
verb
διπλώνω
noun
ηδονοβλεψία
/vra:x/, /vra:χ/
noun
1. een verzoek om inlichting
  1. ερώτηση
  2. ερώτημα
noun
1. een gesprek waarin iemand een aantal vragen beantwoordt
συνέντευξη
noun
1. een leesteken (?) dat men aan het eind van een zin plaatst om deze vragend te maken
ερωτηματικό
/vrɑxt/, /vrɑχt/
noun
1. de lading van een vervoermiddel
φορτίο
noun
1. een schip dat uitsluitend bedoeld is voor het vervoer van goederen
φορτηγό πλοίο
noun
1. een wagen voor goederenvervoer
φορτηγό
noun
νταλικέρης
/ˈvraɣə(n)/, /ˈvraχə(n)/
verb
  1. 2. mondeling of schriftelijk actie verzoeken
    1. ζητώ
    2. παρακαλώ
  2. 1. mondeling of schriftelijk informatie verzoeken
    ρωτώ
noun
1. ontbreken van oorlog
ειρήνη
noun
1.
πίπα της ειρήνης
adjective
1. van buiten, niet van hier
ξένος
noun
1. iemand die afkomstig is uit een ander gebied of land dan dat waar hij verblijft
αλλοδαπός
noun
1. het gevoel dat iets gevaarlijk is of kan zijn
φόβος
verb
1. het nuttigen van voedsel op een meestal onbeleefde wijze
τρώω
noun
1. een blij gevoel
χαρά
/ˈvrezə(n)/
verb
1. bang zijn, angst hebben
φοβάμαι
noun
1. een persoon met wie je een speciale persoonlijke band hebt
φίλος
adjective
1. met het nodige respect
φιλικός
noun
  1. 1. een vrouwelijk persoon met wie je een speciale persoonlijke band hebt
  2. 2. de vrouwelijke persoon met wie je verkering hebt
φίλη
noun
1. gelijkwaardige relatie tussen personen die elkaar wederzijds genegen zijn en een vergelijkbare relatie tegelijkertijd ook met anderen kunnen hebben
φιλία
verb
παγώνω
noun
1. een toestel bedoeld om voedingsmiddelen in bevroren toestand gebracht, te bewaren
καταψύκτης
adjective
1. ongebonden, niet in beweging beperkt
ελεύθερος
noun
1. een dag van de week die na donderdag en voor zaterdag komt
Παρασκευή
adjective
1. een ongehuwde man of vrouw
ανύπαντρος
noun
1. een ongehuwde man of vrouw
εργένης
noun
ελεύθερο εμπόριο
/ˈvrɛi̯ɦɛi̯t/
noun
1. het vrij zijn
ελευθερία
adjective
1. niet gedwongen
  1. εθελοντικός
  2. προαιρετικός
/ˈvrud.vrɑu/
noun
1. een vrouw die een bevalling begeleidt
μαία
adjective
  1. 1. aan het begin
  2. 2. eerder dan verwacht
νωρίς
noun
1. een aangename stemming waarin men veel lacht, zich goed voelt en het leven optimistisch bekijkt
ευωχία
noun
1.
ευσέβεια
noun
  1. 1. een volwassen vrouwelijke mens
    γυναίκα
  2. 2. de vrouwelijke partner in een huwelijk
    1. γυναίκα
    2. σύζυγος
adjective
  1. θηλυκός
  2. γυναικείος
noun
1.
θηλυκότητα
noun
1. volgroeid vruchtbeginsel
καρπός
/'vrɵɣbar/
adjective
2. tot resultaat leidend
εύφορος
/'vrʏxt.bar.ɦɛɪ̯t/, /'vrʏxt.bar.ɦɛːt/, /'vrʏɣ.ba.rɛɪ̯d/
noun
1. het vermogen vrucht te dragen
γονιμότητα
/ˈvrʏxtə(n)ˌsɑp/, /ˈvrʏχtə(n)ˌsɑp/
noun
1. sap gewonnen uit fruit
φρουτοχυμός
noun
1.
επικαρπία
/vœy̯l/
adjective
1. niet schoon
ακάθαρτος
/vœy̯l/
noun
viezigheid, onreine materie
ακαθαρσία
/'vœylnɪsbɑk/
noun
1. een bak waarin men huisvuil verzamelt
σκουπιδοτενεκές
noun
1. gebalde hand
γροθιά
adjective
χυδαίος
noun
ηφαίστειο
noun
1. de vaak explosieve activiteit waarmee in een vulkaan opgebouwde spanningen zich ontladen
έκρηξη
adjective
1. betrekking hebbend op de processen die in een vulkaan plaatsvinden
ηφαιστειακός
noun
1. bepaalde soort vlinder, Vanessa atalanta
ηφαιστειολογία
verb
1. vol maken
σφραγίζω
noun
het materiaal waarmee iets opgevuld is
γέμιση
/ˈvʏl.pɛn/, /ˈvʏɫ.pɛn/
noun
1. een schrijfpen met holle houder waarin zich een inktreservoir bevindt
πένα
noun
1. de schaamspleet, de ingang tot de vagina
αιδοίο
/vyːr/
noun
1. lichtverschijnsel bij brand
φωτιά
pronoun
1. een archipel aan de zuidpunt van Zuid-Amerika
Γη του Πυρός
noun
1. een hoog lichtbaken aan de kust
φάρος
noun
1. een wapen dat een kogel schiet met behulp van een chemische ontploffing
πυροβόλο όπλο
noun
1. voorwerpen die gevuld zijn met ontploffende, brandbare en lichtgevende stofmengsels
πυροτέχνημα
noun
1. een Zuid-Afrikaans blaasinstrument
βουβουζέλα
noun
1. iemand die veel durft
ριψοκίνδυνος
noun
1. scherm in halve schijfvorm
βεντάλια
pronoun
1. een taal die verwant is aan het Frans en die in Wallonië gesproken wordt
βαλλωνικά
noun
1. het lijden aan een geestesstoornis
τρέλα
/ʋar/
adverb
1. op welke plaats
  1. όπου
  2. πού
noun
αξία
/ˈʋardəˌlos/
adjective
1. geen waarde hebbend
άχρηστος
noun
1. document met geldswaarde
αξιόγραφο
/'ʋardəˌvɔl/
adjective
1. een grote waarde hebbend
πολύτιμος
noun
1. dat wat waar is
αλήθεια
verb
1. iets via de zintuigen in zich opnemen
αντιλαμβάνομαι
noun
  1. 1. iemand die iets waarneemt
  2. 3. een persoon die aanwezig is bij een gebeurtenis om de gang van zake in de gaten te houden
παρατηρήτρια
noun
1. iets via de zintuigen registreren
παρατήρηση
/ʋarˈɔm/
noun
1. door welke oorzaak?
γιατί
adjective
1. aannemelijk, iets dat vermoedelijk zo is
πιθανός
/ˈʋaːrsxyu̯ə(n)/
verb
1. iemand verwittigen dat er mogelijke gevaren, problemen of gevolgen zijn
προειδοποιώ
/'ʋaːr.sχy.ʋɪŋ/
noun
1. een mededeling dat er onaangename gevolgen op til zijn
προειδοποίηση
/ʋɑxt/
noun
1. iemand die tot taak heeft iets te bewaken
φρουρός
/ˈʋɑx.tə(n)/, /ˈβɑx.tə(n)/
verb
1. op dezelfde plaats of in dezelfde situatie blijven tot iemand komt of iets gebeurt
περιμένω
/ˈʋɑxtlɛɪst/
noun
1. een lijst met wachtenden
λίστα αναμονής
noun
1. een aantal elementen die in een bepaalde volgorde op een gebeurtenis wachten
σειρά
noun
1. een geheim woord dat men moet produceren om ergens toegelaten te worden
  1. κωδικός
  2. κωδικός πρόσβασης
pronoun
1. een binnenzee die aan de ene kant grenst aan de Waddeneilanden en de Noordzee en aan de andere kant begrensd wordt door het vasteland van Nederland, Duitsland en Denemarken
θάλασσα Wadden
interjection
1. krachtig geluid met korte tussenpozen, zoals een hond dat kan uitstoten
γαβ
noun
1. plat gebak dat vervaardigd wordt in een wafelijzer
βάφλα
noun
1. een toestel waarin wafels gebakken worden
βαφλιέρα
/ˈʋaːɣə(n)/, /ˈʋaːχə(n)/
noun
2. een auto
άμαξα
noun
1. reisziekte
ναυτία
/ˈwa.kə(n)/, /ˈʋa.kə(n)/, /ˈβ̞a.kə(n)/
verb
  1. 1. opzettelijk wakker zijn
  2. 4. letten op, beschermen
αγρυπνώ
pronoun
1. een van de delen van het Verenigd Koninkrijk, gelegen op een groot eiland in het noordwesten van Europa.
Ουαλία
pronoun
1. een speciale hemel in de Noorse mythologie, voorbehouden voor de gesneuvelden in de strijd
Βαλχάλλα
noun
1. een draagbare radio en/of CD-speler met koptelefoon
γουόκμαν
/ʋɑˈlonɪə/
pronoun
Βαλλωνία
/wɑlrʌs/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Odobenus rosmarus
  1. θαλάσσιος ίππος
  2. οδόβαινος
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de onderorde Cetacea
φάλαινα
/ʋɑnt/
noun
τοίχος
noun
1. een misdaad, een slechte of gruwelijke handeling
έκτροπο
/ˈʋɑn.də.ˌlar/, /ˈβ̞ɑn.də.ˌlar/
noun
1. iemand die buitenshuis een stuk loopt
περιπατητής
noun
1.
κοριός
noun
1. zijkant van het gezicht onder het oog
μάγουλο
noun
1. een slecht en lelijk mens of dier
τερατούργημα
noun
1. flexibel deel van de huid aan de zijkanten van de kop dat door bepaalde zoogdieren wordt gebruikt om voedsel op te slaan
γναθοθύλακας
/ˈʋɑnɦop/
noun
1. een ellendige toestand waarin men geen uitkomst meer ziet
απελπισία
verb
απελπίζομαι
/ˈʋɑŋkəɫˌmotɔr/
noun
1. een verbrandingsmotor die niet met heen en weer gaande zuigers werkt, maar met een roterende zuiger.
κινητήρας Βάνκελ
/ʋɑ.ˈneːr/
adverb
1. op welke tijd
πότε
/ʋɑnt/
conjunction
1. geeft nevenschikkend een reden aan
γιατί
verb
1. niet vertrouwen
καχυποψία
/ˈʋaːpən/
noun
  1. 2. een wapenschild
    1. οικόσημο
    2. εθνόσημο
  2. 1. een werktuig van geweld
    1. όπλο
    2. εθνόσημο
noun
έμπορος όπλων
noun
θυρεός
noun
1. een overeenkomst met de vijand om de vijandelijkheden op te schorten
εκεχειρία
noun
ανταγωνισμός εξοπλισμών
noun
1. een grote winkel die een uitgebreid assortiment aan goederen verkoopt
πολυκατάστημα
/ʋɑrṃ/
adjective
Na te kijken en uit te splitsen vertalingen
  1. ζεστός
  2. θερμός
noun
2. de hoeveelheid thermische energie.
θερμότητα
noun
1. een front waar een luchtmassa met relatief warme lucht over een gebied schuift waar koude lucht ligt
θερμό μέτωπο
noun
1. een verwarmingsinstallatie die via mechanische arbeid warmte onttrekt aan een koude omgeving en deze toevoert aan een warmere omgeving
αντλία θερμότητας
noun
εναλλάκτης θερμότητας
pronoun
1. hoofdstad van Polen
Βαρσοβία
/ʋɑs/
noun
1. weke laagsmeltende en waterafstotende stof
  1. κερί
  2. κηρός
noun
1. klein Noord-Amerikaans zoogdier, Procyon lotor
ρακούν
noun
1. een toestel om de kleding die uit de wasmachine komt te drogen
στεγνωτήριο
/ˈwɑs.knɛɪ̯.pər/, /ˈʋɑs.knɛɪ̯.pər/, /ˈβ̞ɑs.knɛː.pər/
noun
1. een knijper die gemaakt is van hout of plastic om nat wasgoed aan een waslijn te klemmen
μανταλάκι
noun
1. een apparaat dat op automatische wijze wasgoed reinigt
  1. πλυντήριο
  2. πλυντήριο ρούχων
noun
1. zeep in een vorm om kleding en ander textiel in water te reinigen
απορρυπαντικό
/'ʋɑsə(n)/
verb
1. iets schoonmaken
πλένω
noun
1. een bak waarin men zich of iets wast
νιπτήρας
/ʋɑt/
interrogativePronoun
vragend voornaamwoord
ίντα
noun
υδρατμός
adjective
1. ondoordringbaar voor water
αδιάβροχος
/ˈʋaːtərən/
verb
3. waterachtig vocht afscheiden
θάλασσα
noun
1. een vaartuig met een aandrijving zoals op fietsen waarmee men zich over het water kan voortbewegen door middel van het trappen op pedalen
θαλάσσιο ποδήλατο
noun
1. benaming voor planten uit het geslacht Rorippa
κάρδαμο
/ˈwatərˌlɛin/
noun
2. de grens tussen onderwaterschip en bovenwaterschip
ίσαλος γραμμή
pronoun
1. gemeente en plaats in Waals-Brabant
Βατερλό
pronoun
2. teken van de dierenriem van 20 januari tot 19 februari
Υδροχόος
/ˈʋaːtərməˌlun/
noun
1. Citrullus vulgaris, een grote vrucht met vochtig en rood vruchtvlees
  1. καρπούζι
  2. υδροπέπων
noun
υδατογράφημα
noun
υδρόμετρο
noun
2. een molen die door stromend water aangedreven wordt
νερόμυλος
noun
1. een werktuig dat gebruikt wordt om zeker te stellen dat iets loodrecht op de richting van de zwaartekracht komt te staan
αλφάδι
noun
ναργιλές
noun
1. pistool waaruit een straal water kan spuiten
νεροπίστολο
noun
1. een balsport waarbij twee ploegen van zeven spelers elkaar in het water bestrijden
υδατοσφαίριση
noun
1. put waaruit men water haalt
πηγάδι
noun
1. ski voor het waterskiën
θαλάσσιο σκι
/ˈʋatərˌstɔf/
noun
1. een chemisch element en een kleurloos niet-metaal
υδρογόνο
noun
δεσμός υδρογόνου
noun
1. een toren die zorgt voor een gelijkmatige waterdruk in het waterleidingnet
υδατόπυργος
noun
κλεψύδρα
noun
1. plaats waar stromend water bij een hoogteverschil zijn weg al vallend voortzet
καταρράκτης
noun
1. een vliegtuig dat kan opstijgen en landen op het water
υδροπλάνο
noun
δάφνια
noun
υδρόβια πουλιά
noun
ύδρευση
noun
υδροφοβία
noun
1. plukje watten bevestigd op een houten of plastic stokje, gebruikt voor bepaalde medische doeleinden...
μπατονέτα
pronoun
1. hoofdstad van Waals-Brabant
Βαβρ
verb
1. ontharen
αποτριχώνω
noun
  1. 1. computerprogramma
  2. 2. server waarop de
εξυπηρετητής περιεχομένου
noun
1. plaats waar zich informatie bevindt op het internet, aangeduid met een URL
ιστοχώρος
noun
στοίχημα
adjective
2. bekering tot het christelijke geloof
γεννηθη ανωθεν
noun
αυτοπαθής αντωνυμία
/wedərˈzɛits/
adjective
αμοιβαίος
noun
1. een strijd van twee of meer personen om uit te maken wie op een bepaald gebied de beste is
διαγωνισμός
/ˈʋeːdyʋə/
noun
vrouw
χήρα
/'ʋedyʋnar/
noun
man
χήρος
/ˈʋeːf.xəˌtɑu̯/
noun
1. toestel waarmee garen tot weefsel gevlochten wordt
αργαλειός
noun
  1. 2. een groep van gelijkaardige lichaamscellen die dezelfde functie in een levend organisme vervullen
    1. ιστός
    2. ύφασμα
  2. 1. een dunne geweven stof of textiel
    1. ύφασμα
    2. ιστός
noun
αρνόγλωσσο
pronoun
teken van de dierenriem van 23 september to 23 oktober
Ζυγός
noun
1. een meetinstrument waarmee het gewicht kan worden bepaald
ζυγαριά
/wek/, /ʋek/, /β̞ek/
noun
1. tijdseenheid van 7 dagen
  1. εβδομάδα
  2. βδομάδα
noun
μαλάκιο
noun
1. periode van vrijdagavond tot en met zondagnacht
σαββατοκύριακο
/ˈʋikɛnt/
noun
1. periode van vrijdagavond tot en met zondagnacht
σαββατοκύριακο
/weːr/, /ʋɪːr/, /β̞eːr/
noun
1. atmosferische gesteldheid
καιρός
verb
1. door elastische botsing van richting veranderen
ανακλώ
verb
1. stand houden, weerstand bieden aan
αντέχω
noun
  1. 3. een elektronica-onderdeel
    1. αντίσταση
    2. αντιστάτης
    1. 1. een reactie die poogt een bepaalde actie tegen te werken
    2. 2. de tegenstand die een stroom in een geleider ondervindt
    αντιστάτης
noun
. een mythisch wezen dat bij volle maan van mens in wolf verandert
λυκάνθρωπος
/ʋes/
noun
ορφανός
/ˈʋeshœʏs/
noun
1. een opvanghuis voor wezen
ορφανοτροφείο
/ˈʋesjɔŋə(n)/
noun
1. een jongen van wie beide ouders overleden zijn
ορφανός
/ʋɛχ/, /β̞ɛx/
noun
1. smalle strook grond voor het verkeer
  1. δρόμος
  2. οδός
verb
1. geleidelijk afnemen, verdwijnen
άμπωτη
/ˈʋeχə(n)/, /β̞eɣə(n)/
verb
  1. 1. het gewicht/de massa bepalen
  2. 2. een bepaald gewicht/massa als eigenschap hebben
ζυγίζω
noun
οδικός χάρτης
/ˈʋeːɣəns/, /ˈʋeːχəns/
preposition
1. een reden inleidend
εξαιτίας
/ˈwɛ.ɣaːn/, /ˈʋɛ.χan/
verb
  1. 1. zich ergens vandaan begeven
  2. 3. uit een relatie stappen
φεύγω
verb
1. te midden van andere informatie iets niet insluiten
παραλείπω
/ʋɛɪ/
noun
2. een vloeistof die ontstaat als restproduct bij het kaasmaken
τυρόγαλα
pronoun
1. de grootste rivier van Polen
Βιστούλας
noun
λιβάδι
verb
1. niet voldoen aan een verzoek of opdracht
αρνιέμαι
noun
1. het niet voldoen aan een verzoek of opdracht
άρνηση
/'ʋɛɪlɑnt/
noun
1. een stuk grasland in gebruik voor de begrazing door vee
βοσκότοπος
pronoun
Δημοκρατία της Βαϊμάρης
/ˈwɛɪ̯nɪx/, /ˈʋɛɪ̯nəχ/, /ˈβ̞ɛːnəx/
noun
1. in een kleine hoeveelheid, niet veel
λίγο
/ˈʋɛkər/
noun
1. een apparaat dat gebruikt wordt om de tijd bij te houden en een functie heeft die veel geluid produceert op een ingestelde tijd
ξυπνητήρι
noun
1. de kunst om iets goed te kunnen verwoorden
ευγλωττία
adjective
1. financieel goed gesitueerd
εύπορος
/ʋɛlk/
relativePronoun
ποιος
/ˈʋɛɫkɔm/
interjection
1. begroeting
  1. καλωσήρθατε
  2. καλώς ορίσατε
/ʋɛˈlɪxt/
adverb
1. mogelijk, misschien
ίσως
pronoun
1. hoofdstad van Nieuw-Zeeland, gelegen op het Noordereiland
Ουέλλινγκτον
noun
1.
ακολασία
/wɛlp/
noun
1. jong van hond, wolf, leeuw e.d.
σκυλάκι
pronoun
1. een Keltische taal die wordt gesproken in Wales
  1. ουαλικά
  2. ουαλλικά
/ˌʋɛltə'rʏstə(n)/
interjection
καληνύχτα
verb
ευημερώ
adjective
1.
καλόβουλος
noun
1. het welwillend zijn
ευμένεια
/'wɛlzɛin/
noun
1. wanneer een individu of maatschappij zich in een goede toestand bevindt ...
ευζωία
noun
1. het gemak waarin iets of iemand van richting kan veranderen
ευκινησία
pronoun
1. de hoofdstad van Oostenrijk
Βιέννη
noun
1. knokige rand boven het oog, meestal begroeid met haar
φρύδι
/ʋεns/
noun
  1. επιθυμία
  2. ευχή
noun
ευσεβείς πόθοι
adjective
1. wat men zou wensen
επιθυμητός
/'ʋɛnsən/
verb
εύχομαι
/ˈweː.ʁəlt/, /ˈʋɪː.rɔɫt/, /ˈβ̞eː.rəɫt/
noun
1. de aarde
  1. κόσμος
  2. ντουνιάς
noun
1. een kaart van het oppervlak van de aarde in de vorm van een bol
υδρόγειος
pronoun
Παγκόσμια Οργάνωση Υγείας
pronoun
1. intergouvernementele organisatie die toeziet op de naleving van afspraken over de handel tussen landen
Παγκόσμιος Οργανισμός Εμπορίου
noun
1. persoon die of team dat tijdens een toernooi of competitie om de wereldtitel in een bepaalde tak van sport winnaar is
πρωταθλητής
noun
1. een gewapende strijd tussen een zeer groot aantal landen, met name gebruikt voor de Eerste en de Tweede Wereldoorlog.
παγκόσμιος πόλεμος
adjective
1. onbekend buiten de eigen leefruimte
εκτός πραγματικότητας
/wɛr(ə)f/
noun
1. een scheepswerf
ναυπηγείο
/ʋɛrk/
noun
1. dat wat gedaan moet worden
εργασία
noun
1. werkbank
πάγκος
adjective
1. niet verbeeld
πραγματικός
/'ʋɛrkələkɦɛɪt/
noun
1. de omstandigheden zoals deze daadwerkelijk bestaan
πραγματικότητα
/ʋɛrkən/
verb
  1. 1. arbeid verrichten, lichte vorm van zwoegen
    1. εργάζομαι
    2. λειτουργώ
  2. 2. functioneren, draaien
    λειτουργώ
noun
1. persoon die of bedrijf dat werk verschaft aan anderen
εργοδότης
noun
1.
κυκλοφορούν ενεργητικό
adjective
άνεργος
/wɛrkˈloshɛit/
noun
  1. 1. het werkloos zijn
  2. 2. het aandeel van de beroepsbevolking zonder betaalde baan
ανεργία
noun
1. uitkering voor iemand die buiten zijn of haar schuld om werkloos is
επίδομα ανεργίας
noun
1.
άνεργος
noun
2. krachtige computer die men voornamelijk gebruikt voor applicaties die veel rekenkracht vereisen
σταθμός εργασίας
noun
1. een stuk gereedschap om een taak eenvoudiger en/of lichter te maken
εργαλείο
noun
1. woordsoort die in de eerste plaats een handeling of toestand uitdrukt
ρήμα
adjective
1.
ρηματικός
verb
1. met een krachtige zwaai van de arm iets uit de hand naar iets of iemand heen laten gaan
ρίχνω
noun
1. bot van de wervelkolom
σπόνδυλος
noun
σπονδυλική στήλη
noun
1. een zwart-geel gestreept vliesvleugelig insect
σφήκα
noun
1.
σφηκιάρης
/ʋɛst/
adverb
δύση
pronoun
1. grootste van de Australische deelstaten, gelegen in het westen van het land
Δυτική Αυστραλία
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het oosten van het land
Δυτική Βεγγάλη
pronoun
1.
Δυτικό Βερολίνο
pronoun
Δυτική Γερμανία
pronoun
1. het westelijk deel van Europa
Δυτική Ευρώπη
adjective
1. op West-Europa betrekking hebbend
δυτικοευρωπαϊκός
adjective
δυτικός
pronoun
Δυτική Σαχάρα
/ˈʋɛs.tə(n)/
noun
δύση
pronoun
Βεστφαλία
noun
1.
πυρετός του Δυτικού Νείλου
adverb
Δυτικός-Βορειοδυτικός
/wɛt/
noun
1. een door de overheid opgestelde regel
νόμος
/ˈʋeː.tə(n)/
verb
1. ergens kennis van hebben
  1. ξέρω
  2. γνωρίζω
/'ʋetənsxɑp/
noun
  1. 2. georganiseerde activiteit
  2. 1. het weten van de mens
επιστήμη
/,ʋetən'sxapələk/
adjective
επιστημονικός
/ˈʋetəˌsxɑpər/
noun
1. iemand die de wetenschap beoefent
επιστήμονας
noun
1. het geheel aan wetten die in een land gelden
νομοθεσία
noun
1. door de regering uitgaand voorstel tot wet
νομοσχέδιο
/ˈwɛtələk/
adjective
2. tot de wet behorend
νομικός
/'ʋɛtəxhɛɪt/
noun
1. het in overeenkomst met de wet zijn
νομιμότητα
/ˈweː.və(n)/, /ˈʋe.və(n)/
verb
1. draden e.d. dooreenvlechten
υφαίνω
noun
1. bepaald soort zoogdier, Mustela nivales
νυφίτσα
/ˈʋeː.zə(n)/
noun
1. individu
πλάσμα
pronoun
1.
Βέζερ
noun
1. het op één wiel rijden van een motor
σούζα
noun
1. een sterke drank die uit gerst of uit maïs en rogge gestookt is
ουίσκι
noun
1. een glad, wit gekleurd metalen bord waarop men met behulp van een viltstift met uitwisbare inkt kan schrijven of tekenen en waarop men met een magneet voorwerpen kan klemmen
λευκοπίνακας
/wiː/, /ʋiː/, /β̞iː/
relativePronoun
  1. 1. vragend voornaamwoord
  2. 2. betrekkelijk voornaamwoord
ποιος
interjection
degene die aan het eind het beste uit de strijd komt is de daadwerkelijke winnaar
γελάει καλύτερα όποιος γελάει τελευταίος
noun
1. een bedje voor een pasgeboren zuigeling, vaak met een hemel van fijn gaas en soms met de mogelijkheid het kind zachtjes heen en weer te bewegen
κούνια
noun
1. ronddraaiende schijf
  1. τροχός
  2. ρόδα
noun
1. de sport van het wielrennen
ποδηλασία
/'wiː.lə.wal/
noun
1. zwart-gele zangvogel
συκοφάγος
/ˈʋiː.roːk/
noun
1. gomhars, gebruikt als reukoffer
λιβάνι
pronoun
1.
Βίζμπαντεν
/ʋit/
noun
1. een softdrug die bestaat uit gedroogde hennep
μαύρο
noun
1. een metalen of houten voorwerp in de vorm van een driehoekig blok met een scherpe hoek van 5 to 20 graden
σφήνα
adjective
1. vorm van een wig hebbend
σφηνοειδής
/wɛɪ̯/, /ʋɛɪ̯/, /β̞ɛː/
personalPronoun
1. 1e persoon meervoud nominatief
εμείς
adjective
1. overal aanwezig, vindbaar
διαδεδομένος
/ʋɛi̯k/
noun
1. een bewoond deel van een stad of een gemeente
συνοικία
/wɛɪ̯n/, /ʋɛɪ̯n/, /β̞ɛːn/
noun
1. sterke drank van gegiste druiven
  1. κρασί
  2. οίνος
noun
1. een druif die wordt gebruikt om wijn van te maken
σταφύλια
noun
1. een glas dat speciaal ontworpen is om wijn uit te drinken
κρασοπότηρο
adjective
μπορντό
/ˈʋɛi̯n.stɔk/
noun
1. klimplant waaraan druiven groeien
άμπελος
/wɛɪ̯s/, /ʋɛɪ̯s/, /β̞ɛːs/
adjective
1. van groot inzicht getuigend
σοφός
adverb
σοφά
noun
1. gerijpt inzicht
σοφία
noun
1. tweede vinger, gelegen tussen de middelvinger en de duim
δείκτης
noun
1. gewijd water
αγίασμα
noun
1. steel met slappe borstel waarmee in de liturgie van de Rooms-Katholieke Kerk de priester wijwater over de gelovigen heen sprenkelt
αγιαστήρα
noun
1. manier
μέθοδος
verb
δείχνω
noun
1. een constructiesysteem voor internetpagina's waar, in het algemeen, iedereen alle pagina's kan wijzigen
βίκι
pronoun
1. een door de Wikimedia Foundation gecreëerde rechtenvrije encyclopedie op het internet...
Βικιπαίδεια
/ˈwikʃoˌnɛri/, /ˈʋɪkʃəˌnɛri/
pronoun
1. deelproject van de Wikimedia Foundation met als doel het produceren van een compleet ...
Βικιλεξικό
/ʋɪl/
noun
1. de bereidheid of zin om iets te doen
βούληση
adjective
3. onbeschaafd, bruusk
άγριος
noun
1. bepaald soort zoogdier, Sus scrofa
  1. αγριόχοιρος
  2. αγριογούρουνο
noun
1. een bosachtig gebied dat weinig door de mens geregeld is
ερημιά
noun
1. Salix sp.
ιτιά
pronoun
1.
Βιλχελμσχάφεν
adjective
αυθαίρετος
/ˈwɪləm/, /ˈʋɪləm/, /ˈβ̞ɪləm/
pronoun
1. een jongensnaam
Γουλιέλμος
/ˈʋɪ.lən/
verb
1. iets als verlangen of voorkeur hebben
θέλω
adverb
1. met opzet
επίτηδες
noun
1. onvermogen om te handelen, ook al weet je wat je moet doen
αβουλία
noun
1. eenzijdige wilsuiting die gericht is op het tot stand brengen van rechtsgevolgen
δήλωση βούλησης
noun
βλεφαρίδα
/ʋɪnt/
noun
1. stroming van lucht veroorzaakt door luchtdrukverschillen
  1. άνεμος
  2. αέρας
adjective
1. weerstoestand waarbij er veel wind aanwezig is
ανεμώδης
noun
ανεμοδείκτης
noun
1.
αντιανεμικό
noun
1. molen die door de wind gedreven wordt
ανεμόμυλος
noun
1. periode met geen of weinig wind
άπνοια
noun
1.
ανεμοδείκτης
noun
1. ronde open zak, meestal is de zak in het rood en wit, die de richting en de sterkte van de wind aangeeft
ανεμούριο
noun
1. plaats waar koopwaar wordt verkocht
  1. μαγαζί
  2. κατάστημα
noun
1. gebied of overdekte galerij waar meerdere winkels en horecazaken zijn gevestigd
εμπορικό κέντρο
noun
1. een wagentje dat in winkels wordt gebruikt om tijdens het winkelen producten in te verzamelen
καροτσάκι
noun
1. degene die een strijd of wedstrijd in zijn voordeel beslist
νικητής
/ˈwɪnə(n)/, /ˈʋɪnə(n)/, /ˈβ̞ɪnə(n)/
verb
  1. 1. als beste partij uit een wedstrijd komen
  2. 2. iets verkrijgen voor een goede prestatie bij een wedstrijd
  3. 4. iemand bereid vinden zich ergens voor in te zetten
κερδίζω
/ʋɪnst/
noun
1. datgene wat men meer heeft dan voordat men investeerde
κέρδος
/ʋɪntər/
noun
1. seizoen
χειμώνας
noun
1. klein gedrongen vogeltje met opgewipt staartje,
τσίχλα
noun
1. een toestand van hypothermie en inactiviteit bij sommige warmbloedige dieren in de winter
χειμερία νάρκη
noun
χειμερινό άθλημα
noun
κιρκίρι
/ʋɪp/
noun
1. een speeltuig bestaande uit een balk die in het midden op een verhoogde steun rust
τραμπάλα
noun
1. bepaald soort zooɡdier, Bison bonasus
ευρωπαϊκός βίσονας
noun
1. de formele studie van patronen en structuren.
μαθηματικά
/ʋɪsˈkʏndəx/
adjective
1. op wiskunde betrekking hebbend of er gebruik van makend
μαθηματικός
pronoun
1.
Βίσμαρ
noun
1. het op een onvoorspelbare manier steeds weer veranderen
ιδιοτροπία
/ʋɪsəl/
noun
2. handelspapier voor de overdracht van geld
συναλλαγματική
noun
ρέστα
noun
1. wisselstroom
εναλλασσόμενο ρεύμα
/ʋɪt/
adverb
1. kleur
  1. άσπρος
  2. λευκός
/ʋɪt/
noun
1. lichtst mogelijke kleur
  1. άσπρος
  2. λευκός
  3. λευκό
/wɪt.ˈrʏs.lɑnd/, /ʋɪt.ˈrʏs.lɑnt/, /β̞ɪt.ˈrʏs.lɑnt/
pronoun
land in Oost-Europa.
Λευκορωσία
/ˌwɪtˈrʏsɪs/, /ˌʋɪtˈrʏsis/, /ˌβ̞ɪtˈrʏsis/
pronoun
1. een Slavische taal die vooral in Wit-Rusland wordt gesproken
  1. λευκορωσικά
  2. λευκορωσικός
noun
1.
ασβεστόνερο
pronoun
1. dag voor Goede Vrijdag
Μεγάλη Πέμπτη
noun
1.
λευκός νάνος
noun
1. Carcharodon carcharias, de bekendste en de meest gevreesde haai
λευκός καρχαρίας
pronoun
Λευκός Οίκος
noun
1. gepelde en gepolijste rijst
λευκό ρύζι
noun
1. alcoholhoudende drank die verkregen wordt door de gisting van voornamelijk witte druiven
λευκό κρασί
pronoun
Λευκή Θάλασσα
noun
1. en 2. (bladeren van) sluitkoolgewas dat lichtgroen tot wit van kleur is
λάχανο
noun
1. een heldere, kleurloze en nagenoeg geurloze sterkedrank
βότκα
/ˈʋudə/
noun
1. een gevoel van erge kwaadheid
θυμός
verb
1. met veel geweld gaande zijn van een natuurverschijnsel
λυσσομανώ
/'ʋudənt/
adjective
1. bijzonder boos
μανιασμένος
interjection
1. krachtig geluid met korte tussenpozen, zoals een hond dat kan uitstoten
γαβ
noun
1. iemand die woeker drijft
τοκογλύφος
noun
τοκογλυφία
/ˈʋunzdɑx/
noun
1. een dag van de week die na dinsdag en voor donderdag komt
Τετάρτη
noun
1.mannetjeseend
νήσσα
noun
1. grote dorre vlakte, met weinig neerslag en weinig vegetatie
έρημος
/ˈvɔɪ̯vɔtsxɑp/
noun
1. naam voor bepaalde bestuurlijke gebieden in Oost-Europa
βοεβοδάτο
/ʋɔl/
noun
1. weefsel van wollen garens
μαλλί
/wɔlf/, /ʋɔlf/
noun
1. bepaald zoogdier, Canis lupus
λύκος
noun
1. scheikundig element met symbool W en atoomnummer 74
βολφράμιο
/ˈwɔlᵊfsbʏrᵊx/
pronoun
1.
Βόλφσμπουργκ
noun
μπελαντόνα
noun
1. bepaalde soort vlinder, Vanessa atalanta
μαλλιαρός ρινόκερος
noun
1. samenhangende verzameling van merendeels zwevende waterdruppeltjes
  1. νέφος
  2. σύννεφο
/ˈwɔlkə(n)ˌkrɑbər/, /ˈʋɔɫkə(ŋ)ˌkrɑbər/, /ˈβ̞ɔɫkə(ŋ)ˌkrɑbər/
noun
1. een zeer hoog gebouw dat met bewolkt weer zichtbaar in de wolken kan steken
  1. ουρανοχύστης
  2. ουρανοξύστης
/wɔlə(n)/
adjective
1. gemaakt van wol
μάλλινος
/wɔlˈvɪn/, /ʋɔlˈvɪn/
noun
vrouwelijke wolf
λύκαινα
noun
φασκωλόμυς
noun
1. een gebeurtenis waaraan een bovennatuurlijke oorsprong toegeschreven wordt
θαύμα
noun
παιδί-θαύμα
/ˈwo.nə(n)/, /ˈʋo.nə(n)/, /ˈβ̞o.nə(n)/
verb
1. een permanente behuizing hebben
  1. κατοικώ
  2. μένω
noun
1. een kamer ingericht om in te wonen en gasten te ontvangen
σαλόνι
noun
κατοικία
/ʋoːrt/, /ˈʋʊːrt/, /ˈβoːrd/, /ˈβoːrt/
noun
  1. 3. het woord van god of de inhoud van de bijbel
    1. Λόγος
    2. λέξη
  2. 4. de natuurlijke eenheid van informatie voor een bepaalde computerarchitectuur
    1. λέξη
    2. λόγος
  3. 1. spraakklank of betekeniseenheid die bestaat uit minimaal één vrij morfeem en minimaal nul gebonden morfemen
    1. λέξη
    2. λόγος
    3. κουβέντα
  4. 2. belofte
    1. λόγος
    2. λέξη
/ˈwoːrtˌɑvbreːkɪŋ/, /ˈʋo̝ːrtˌɑvbreɪ̯kɪŋ/, /ˈβ̞oːrtˌɑvbreːkɪŋ/
noun
συλλαβισμός
/ˈʋɔːrdə(n)ˌbuk/
noun
1. een boek waarin de woorden en uitdrukkingen van een taal zijn gerangschikt met hun...
λεξικό
noun
λεξιλόγιο
noun
1. categorie waarin bepaalde woorden naar gelang het grammaticale gebruik in onderverdeeld worden
μέρος του λόγου
noun
1. persoon
εισηγητής
/ˈwɔrdə(n)/, /ˈʋɔrdə(n)/, /ˈβ̞ɔrdə(n)/
verb
  1. 1. vormt de lijdende vorm
  2. 2. gaan zijn, zich ontwikkelen tot
γίνομαι
noun
1.
εργασιομανής
/ʋɔrm/
noun
1. een betrekkelijk klein, lang, ongewerveld dier met een zacht lichaam
σκουλήκι
noun
1. een toegebonden eind darm of vlies dat gevuld is met vleeswaar
λουκάνικο
verb
παλεύω
/ˈʋɔrtəl/
noun
  1. 1. Groente peen
    καρότο
    1. 2. Ondergronds gedeelte van een plant
    2. 3. Getal
    3. 4. Woord
    ρίζα
/ʋʌːt/, /ʋʌːut/
noun
1. groot bos
δάσος
/ʋʌʊ̯/, /β̞ʌːβ̞/
noun
A 1. benaming voor roofvogels uit het geslacht Milvus
τσίφτης
noun
1. het vergelden van doorgemaakt lijden
εκδίκηση
noun
ναυάγιο
verb
juridisch
εξαιρώ
noun
1. knobbeltje
  1. κρεατοελιά
  2. μαντραβίτσα
adjective
1. heel onvriendelijk
στυγνός
noun
1. bovenkant van de voet tussen tenen en enkel
κουντεπιέ
verb
1.
εκδικούμαι
noun
εκδικητής
verb
1. handeling
τρίβω
noun
τριβή
noun
μνησικακία
noun
1. Buccinum undatum
φουσκαλίδα
noun
1. Numenius arquata, een vogel uit de familie van de snipachtigen (Scolopacidae)
τουρλίδα
noun
2. afwijking van de normale stand van de benen, waarbij de knieën naar binnen gericht zijn.
στραβοπόδαρα
adjective
1. welgezind jegens vreemdelingen en/of buitenlanders
ξενόφιλος
/ksenofɪˈli/
noun
1. het welgezind zijn jegens vreemdelingen of buitenlanders
ξενοφιλία
/ksenofoˈbi/
noun
1. een afkeer van alles wat vreemd of buitenlands is
ξενοφοβία
adjective
1. een sterke afkeer van vreemdelingen hebbend
ξενοφοβικός
noun
1. iemand die een sterke afkeer van vreemdelingen heeft
ξενόφοβος
/ˈksenɔn/
noun
1. een scheikundig element en kleurloos edelgas met het symbool Xe en het atoomnummer 54
  1. ξένο
  2. ξένον
/ˈksenotrɑnsplɑnˌtatsi/
noun
1. een transplantatie van dierlijke organen bij de mens
ξενομεταμόσχευση
noun
ξηρόφυτο
/ˌksiliˈtɔl/
noun
1. een zoetstof die bereid is door hydrogenatie van xylose
ξυλιτόλη
noun
1. melodisch slaginstrument dat bestaat uit een reeks op toon gestemde hardhouten staafjes waar met kleine hamertjes op geslagen wordt
ξυλόφωνο
/ˌksiloɣraˈfi/
noun
  1. 1. houtsnijkunst
  2. 2. houtsnede of houtgravure
ξυλογραφία
pronoun
1. de hoofdstad van Ivoorkust
Γιαμουσσούκρο
noun
1. de munteenheid van Japan
γιεν
/ˈjeti/
noun
1. een legendarisch monster met de bijnaam 'de verschrikkelijke sneeuwman' die voor zou komen in de Himalaya
γέτι
/ˈjoxa/
noun
1. het streven om door lichamelijke en geestelijke methoden van concentratie...
γιόγκα
/ˈjɔxərt/, /ˈjɔχərt/
noun
1. lichtzuur en enigszins lobbig zuivelproduct,...
γιαούρτι
noun
  1. 1. de letter y
  2. 2. spelwoord voor de letter y
ύψιλον
noun
1. scheikundig element met symbool Yb en atoomnummer 70
υττέρβιο
noun
1.
ύττριο
noun
1. een jong, kindloos persoon die snel carrière gemaakt heeft en een exclusieve, trendgevoelige levensstijl heeft
γιάπης
noun
1. jong, kindloos persoon die snel carrière gemaakt heeft en een exclusieve, trendgevoelige levensstijl heeft
γιάπης
/zaːt/
noun
  1. 1. een bevruchte kiem waaruit een nieuwe plant van dezelfde soort groeit
  2. 2. zaadcellen uit de mannelijke geslachtsorganen van een mens of een dier
σπόρος
/ˈzatsɛl/
noun
1. de mannelijke geslachtscel
σπερματοζωάριο
noun
κοτυληδόνα
/zax/
noun
1. een stuk gereedschap met een scherp getand metalen blad om voorwerpen in stukken te verdelen
πριόνι
/'zaxsəl/
noun
1. een uit houtvezels bestaande stof die ontstaat bij het zagen van hout
πριονίδι
verb
1. zaad strooien
σπέρνω
/zal/
noun
σαλόνι
pronoun
2. boek in de Bijbel
Ζαχαρίας
adverb
1. gemakkelijk samen te drukken en/of te buigen
μαλακός
noun
zitplaats op dier of fiets
  1. σέλα
  2. σέλλα
/ˈza.ɣə(n)/, /ˈza.χə(n)/
verb
1. in stukken delen door middel van een zaag
πριονίζω
/[ˈzɑː.greb]/
pronoun
1. hoofdstad van Kroatië
Ζάγκρεμπ
noun
  1. 1. slappe, vormeloze tas
    1. σάκκος
    2. σακί
  2. 2. een plek in kleding waarin kleine spullen kunnen worden meegedragen
    1. τσέπη
    2. βαλάντιο
    3. θυλάκιο
/ˈzɑgduk/
noun
1. een doek om de neus in te snuiten
μαντήλι
/'zakəmɑn/
noun
1. iemand die met zakendoen zijn brood verdient
επιχειρηματίας
noun
χαρτζιλίκι
noun
1. iemand die ongemerkt waardevolle zaken steelt
πορτοφολάς
noun
1. lamp op zakformaat
φακός
/ˈzɑkmɛs/
noun
1. een klein invouwbaar mes, vaak met extra gereedschappen
σουγιάς
noun
smeerbare massa om op de huid aan te brengen
αλοιφή
/zɑlm/, /zɑɫm/
noun
1. benaming voor een aantal vissoorten uit de familie Salmonidae
σολομός
/zɑlvə(n)/
verb
2. het aanbrengen van een welriekende olie, meestal als inhuldiging in een politieke of religieuze hoedanigheid
επαλείφω
/'zɑm.bi.ja/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel de Republiek Zambia, dat geheel door land wordt omsloten
Ζάμπια
noun
1. losse massa die bestaat uit miljoenen stukjes steen en schelpen
άμμος
noun
1. een bak gevuld met zand om in te spelen
αμμοδόχος
noun
1. toestel waarmee de tijd wordt gemeten door zand uit het bovenste reservoir via een smalle doorgang naar het onderste reservoir te laten lopen
κλεψύδρα
noun
ψαμμίτης
/ˈzɑŋər/
noun
1. een mannelijk iemand die zingt
  1. τραγουδιστης
  2. τραγουδιστής
noun
1. een vrouwelijk iemand die zingt
τραγουδίστρια
noun
1. Turdus philomelos, een lijstersoort die algemeen is in Nederland en Vlaanderen
κελαηδότσιχλα
pronoun
1.
Σαραγόσα
noun
1. een dag van de week die na vrijdag en voor zondag komt
Σάββατο
/za.ˈiː.rə/
pronoun
Ζαΐρ
noun
1. Bos taurus indicus een rund dat in het Indische subcontinent en Afrika wordt...
ζεμπού
noun
1. zwart-wit gestreepte paardachtige
  1. ζέβρα
  2. ζέβρος
adjective
1. zoals het volgens normen en waarden behoort
ηθικός
/ze/, /zeː/
noun
1. uitgestrektheid zoutwater
  1. θάλασσα
  2. πέλαγος
noun
1. op de zeebodem levend bolvormig stekelig ongewerveld diertje
αχινός
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Actiniaria
θαλάσσια ανεμώνη
noun
1. bepaald soort roofvogel die in kustgebieden leeft, Haliaeetus albicilla
θαλασσαετός
noun
1. baarsachtige zeevis, Dicentrarchus labrax
λαβράκι
noun
1. het grondvlak van een zee
βυθός
noun
1. bepaald soort grote zeevis, Lophius piscatorius
μελανόκητος
noun
1. werktuig om grovere van fijnere bestanddelen te scheiden
κόσκινο
noun
1. de deining van de zee
τρικυμιώδης θάλασσα
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de familie Phocidae
φώκια
noun
1. benaming voor op de op komkommers lijkende zeedieren uit de klasse Holothuroidea
αγγούρι της θάλασσας
noun
1. in zee levende kreeft
αστακός
/ˈzelɑnt/, /ˈzeːlɑnd/, /ˈzeːlɑnt/
pronoun
1. een provincie in het zuidwesten van Nederland, die aan Noord-Brabant, Zuid-Holland, België en de Noordzee grenst
Ζηλανδία
noun
1. grote oorrob
θαλάσσιο λιοντάρι
noun
ναύτης
noun
1. mythisch zeewezen
γοργόνα
noun
1. afstandsmaat, in gebruik op zee, 1852m
ναυτικό μίλι
noun
1. rob uit het geslacht Mirounga
θαλάσσιος ελέφαντας
/ˈzeʔɔtər/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Enhydra lutris
θαλάσσια ενυδρίδα
noun
1. schuimverwerkend reinigingsmiddel
σαπούνι
/ˈzepaːrtʲə/
noun
2. benaming voor zeevisjes waarvan de kop op een paardenkop lijkt en die rechtopstaand zwemmen, uit het geslacht Hippocampus
ιππόκαμπος
noun
1. bolvormig vlies van water en zeep dat een hoeveelheid gas (meestal lucht) omringt
σαπουνόφουσκα
noun
1. luchtige massa die bij heftige beweging van golven in zeewater ontstaat
αλισάχνη
noun
2. bordspel
ναυμαχία
noun
1. benaming voor schijfvormige zeedieren met vijf armen uit de klasse Asteroidea
αστερίας
noun
1. bepaald soort platvis, Solea solea
γλώσσα
noun
2. allerlei eetbare schaal- en schelpdieren
θαλασσινά
/ˈzeʋatər/
noun
1. water waarin diverse zouten zijn opgelost en waarmee de zeeën gevuld zijn
θαλάσσια ύδατα
noun
1. in zee levend wier
φύκι
noun
1. misselijkheid als gevolg van de onregelmatige beweging van een schip
ναυτία
noun
θαλάσσιο θηλαστικό
noun
1.
νίκη
/ˈzexəl/
noun
1. een middel om een voorwerp zodanig af te sluiten dat er later nagegaan kan worden of het geopend is
βούλα
verb
1. de zegen geven
ευλογώ
verb
1. mededelen
  1. λέω
  2. λέγω
/ˈzεɣə(n)ˌsxɑp/, /ˈzεχə(n)ˌsχɑp/
noun
1. het recht om over iets te beslissen
  1. δικαίωμα έκφρασης γνώμης
  2. λόγος
noun
1. doek dat in een mast gehesen is met als doel wind te vangen
  1. πανί
  2. ιστίο
noun
1. een boot waarmee gezeild kan worden
  1. κότερο
  2. ιστιοφόρο
/ˈzɛɪlə(n)/
noun
1. wedstrijdsport met zeilvaartuigen
αρμενίζω
/ˈzɛɪlə(n)/
verb
  1. 1. voortgestuwd worden door de druk van de wind tegen een opgehouden zeil
    αρμενίζω
  2. 2. zich in een zeilboot met behulp van de wind over het water voortbewegen
    ιστιοπλοΐα
noun
1. een schip waarmee gezeild kan worden
ιστιοφόρο
noun
1. maaiwerktuig met gebogen snijblad en lange stok
κόσα
/ˈze.kər/
adjective
1. waaraan niet getwijfeld hoeft te worden
ασφαλής
/'zekərɦɛɪt/
noun
βεβαιότητα
noun
1. elektronisch element ter voorkoming van een te grote stroom
τηκτασφάλεια
adverb
1. bijzonder weinig voorkomend
σπάνια
adjective
1. naar verhouding gering in aantal
σπάνιες
noun
2. de mogelijkheid voor een volk om te bepalen onder welke soevereiniteit het wil vallen
αυτοδιάθεση
demonstrativePronoun
ίδιος
noun
1. Het zich benemen van het leven
αυτοκτονία
/ˈzɛɫfmoːrt/
noun
1. handeling waarbij men een einde maakt aan zijn eigen leven.
αυτοκτονία
/'zɛlfpɔrtrɛt/
noun
1. een kunstwerk gebaseerd op de afbeelding van het eigen gezicht
  1. αυτοπροσωπογραφία
  2. αυτοπορτρέτο
adjective
αυτοεξαρτώμενος
adverb
μάλιστα
adjective
1. op zichzelf staand
ανεξάρτητος
noun
1. woordsoort die een zekere mate van zelfstandigheid van het genoemde uitdrukt, in veel talen standaard gecombineerd met een lidwoord
ουσιαστικό
noun
ανεξαρτησία
noun
1. verbranding van zichzelf
αυτοπυρπόληση
noun
1. verdediging van zichzelf
αυτοάμυνα
noun
1. de opoffering van de eigenbelangen ten gunste van een ander
αυταπάρνηση
noun
1. het zichzelf in een oneervolle, schaamte veroorzakende positie brengen
αυτοταπείνωση
noun
1.
αυτοφροντίδα
noun
B 1. ingrediënt dat bestaat uit met de zaadhuiden vergroeide vruchtwanden en kiemen
πίτουρο
/'zɛndəlɪŋ/
noun
1. persoon die uitgezonden wordt om mensen tot het geloof in het protestantse christendom te bekeren
ιεραπόστολος
/zenɪt/
noun
1. het denkbeeldige punt loodrecht omhoog aan de hemelkoepel
ζενίθ
noun
1. een onderdeel van het perifeer zenuwstelsel, bestaande uit gebundelde uitlopers van zenuwcellen
νεύρο
noun
1. het gehele zenuwsysteem
νευρικό σύστημα
verb
σαπουνίζω
noun
1. het getal 6
  1. έξι
  2. στ΄
/ˈzɛs.də/, /ˈzɛz.də/
ordinalAdjective
nummer zes in een rij
έκτος
cardinalNumeral
1. het getal 36
τριάντα έξ
cardinalNumeral
1. het getal 86
ογδόντα έξ
cardinalNumeral
1. het getal 26
είκοσι έξι
cardinalNumeral
1. het getal 46
σαράντα έξ
cardinalNumeral
1. het getal 56
πενήντα έξ
cardinalNumeral
1. het getal 66
εξήντα έξ
/ˈzɛsənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 76
εβδομήντα έξ
/zɛsɦuk/
noun
1. een geometrische tweedimensionale vorm, bestaande uit zes hoeken en derhalve ook zes zijden
εξάγωνο
cardinalNumeral
1. het getal 16
  1. δεκαέξι
  2. δεκάξι
noun
1.
δέκατο έκτο
cardinalNumeral
1. het getal 60
εξήντα
ordinalAdjective
εξηκοστός
/zɛt/
noun
handeling gedurende een spelbeurt
κίνηση
noun
  1. 1. constructie bestemd om prettig op te zitten
  2. 2. lidmaatschap van een raad of vergadering met een beperkt aantal leden
  3. 3. plaats waar een organisatie gevestigd is
έδρα
noun
άμυλο
noun
1. een medicament in de vorm van een pil die via de anus toegediend wordt
υπόθετο
noun
1. vrouwelijk varken of everzwijn
γουρούνα
/zœys/
pronoun
1. Griekse oppergod
  1. Δίας
  2. Ζευς
/ˈzøvən/
cardinalNumeral
1. het getal 7
  1. εφτά
  2. επτά
/ˈze.vən.də/
ordinalAdjective
έβδομος
/ˈzøvənənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 37
τριάντα επτά
/ˈzøvənəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 97
ενενήντα επτά
/ˈzøvənənˌtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 87
ογδόντα επτά
/ˈzøvənənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 27
είκοσι επτά
/ˈzøvənəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 47
σαράντα επτά
/ˈzøvənəɱˌvɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 57
πενήντα επτά
/ˈzøvənənˌsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 67
εξήντα επτά
noun
plant en kruid
τριγωνέλλα η κυανή
/ˈzøvənˌtin/
cardinalNumeral
1. het getal 17
  1. δεκαεπτά
  2. δεκαεφτά
/ˈzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 70
εβδομήντα
noun
1. wat gezien kan worden
θέα
adjective
1. lichamelijke toestand
άρρωστος
/ˈzi.kǝn.ˌɦœʏs/
noun
1. instelling voor onderzoek, behandeling en verpleging van zieken
νοσοκομείο
noun
  1. αρρώστια
  2. ασθένεια
noun
1. ziekte die het centrale zenuwstelsel steeds verder aantast
νόσος του Πάρκινσον
/zil/
noun
1. het veronderstelde wezen van het niet-stoffelijke van de mens
ψυχή
verb
1. waarnemen met het oog
βλέπω
/siˈɣønər/
noun
τσιγγάνος
/sɛɪ̯/, /zɛɪ̯/, /zɛː/
personalPronoun
  1. 1. 3e persoon enkelvoud vrouwelijk
    αυτή
  2. 2. 3e persoon meervoud
    αυτοί
noun
  1. 1. kant
  2. 2. vezel van de cocon van de zijdevlinder
μετάξι
possessivePronoun
1. derde persoon enkelvoud m/o
του
verb
  1. 5. gelijk zijn aan.
  2. 1. bestaan
  3. 6. tot de groep behoren van
  4. 3. zich bevinden.
  5. 11. zijn + voltooid deelwoord: hulpwerkwoord van de voltooide tijd van de lijdende vorm
  6. 7. de eigenschap hebben.
  7. 10. zijn + voltooid deelwoord: hulpwerkwoord van de voltooide tijd van ergatieven
είμαι
noun
1. een rivier die niet in zee maar in een andere rivier uitmondt
παραπόταμος
noun
  1. άργυρος
  2. ασήμι
adjective
αργυρός
phraseologicalUnit
αργυρό μετάλλιο
noun
1. grote meeuwensoort
ασημόγλαρος
noun
1. benaming voor naaldbomen uit het geslacht Abies
έλατο
/zɪm.ˈbɑ.b<sup>ʊ</sup>ə/, /zɪm.ˈbɑp.wə/
pronoun
land in zuidelijk Afrika, officieel de Republiek Zimbabwe
Ζιμπάμπουε
noun
1. een serie woorden die gezamenlijk in syntactisch verband een afgerond geheel vormen
πρόταση
verb
1. het musiceren met de menselijke stem
  1. τραγουδώ
  2. τραγουδάω
noun
1. , een scheikundig element met symbool Zn en atoomnummer 30. Het is een blauw/wit overgangsmetaal
  1. ψευδάργυρος
  2. τσίγκος
verb
1. in een vloeistof, meestal water, traag naar beneden zakken
  1. βυθίζω
  2. βουλιάζω
noun
1.syntactische eenheid binnen een zin
σύνταγμα
/ˈzɪntœx/, /ˈzɪntœyx/
noun
1. orgaan
  1. νόημα
  2. αίσθηση
/zijoˈnɪsmə/
noun
Σιωνισμός
noun
1. scheikundig element met symbool Zr en atoomnummer 40
ζιρκόνιο
/zɪr'koːn/
noun
1. een mineraal
ζιρκόνιο
noun
1. een plaats waar men kan zitten
κάθισμα
/ˈzɪ.tə(n)/
verb
1. op het zitvlak rusten
κάθομαι
adverb
1. net, even tevoren
μόλις
conjunction
2. bijvoorbeeld
όπως
conjunction
1. geeft aan welke gebeurtenis eerst moe(s)t plaatsvinden
μόλις
verb
1. proberen te vinden
ψάχνω
noun
2. een richtmiddel op een camera of vuurwapen
πεδιοσκόπιο
noun
1. een reis die men onderneemt op zoek naar iets
αναζήτηση
pronoun
1. Bantoetaal die door 12 miljoen mensen in Zuid-Afrika wordt gesproken
  1. ζουλού
  2. Ζουλού
noun
1. het met de lippen aanraken van een persoon of een voorwerp
φιλί
verb
1. met de mond liefkozen
φιλώ
/ˈzut/
adjective
1. ter omschrijving van een vaak als aangename ervaren smaak zoals die van suiker
γλυκός
noun
1.
γλυκό νερό
noun
1. een zetmeel houdende knol behorend tot dezelfde orde van planten als de aardappel
γλυκοπατάτα
noun
γλυκύτητα
/ˈzuthʌʊt/
noun
1. Glycyrrhiza glabra, een plant die tot de vlinderbloemigen behoort
γλυκόριζα
noun
2. zoetstof zonder suiker
γλυκαντικές ουσίες
noun
zoetwater
γλυκό νερό
/ˈzoːɣ.ə(n)/
verb
1. moedermelk geven
θηλάζω
/ˈzɔldər/
noun
3. ruimte onder een (schuin) dak
σοφίτα
/zolə(n)/
verb
1.
σολιάζω
noun
1. door magie uit de dood teruggebracht persoon
ζόμπι
noun
καλοκαίρι
/ˈzo.mər.ˌhœʏ̯s/, /ˈzo.mər.ˌhœːs/
noun
1. huis om de zomer en de vakanties door te brengen
εξοχικό
adjective
1. typerend voor de zomer
καλοκαιριάτικος
noun
1. Anas querquedula
σαρσέλα
noun
1. regeling waarbij de klok gedurende de lente- en zomermaanden een uur vooruit wordt gezet
θερινή ώρα
noun
1. de ster waar de planeet aarde omheen draait, hemellichaam dat de aarde overdag verlicht
ήλιος
noun
1. een dag van de week die na zaterdag en voor maandag komt
Κυριακή
adverb
κυριακάτικος
noun
1. overtreding van een goddelijke wet of regel
  1. αμαρτία
  2. αμάρτημα
noun
  1. 1.
  2. 2.
αποδιοπομπαίος τράγος
preposition
1. In afwezigheid van
  1. χωρίς
  2. άνευ
/zɔndəɣə(n)/
verb
1. het overtreden van een religieuze wet
αμαρτάνω
noun
1. een catostrofale Bijbelse vloed
κατακλυσμός
/ˈzoːnə/
noun
1. bepaald gebied dat is afgebakend van aangrenzend gebied
ζώνη
/'zɔnəʔenɛr'ɣi/
noun
1. energie die gewonnen wordt uit de straling van de zon
ηλιακή ενέργεια
/ˈzɔnəˌblum/
noun
1. bepaald soort tot 3 meter hoge plant met een grote gele bloem, Helianthus annuus
  1. ηλίανθος
  2. ηλιοτρόπιο
noun
1.
ηλιέλαιο
noun
1. de pit van een zonnebloem
ηλιόσπορος
noun
1. de vaak pijnlijke gevolgen van een blootstelling van de huid aan een te grote dosis ultraviolet licht
ηλίαση
noun
1. een bril met speciale glazen (dikwijls polaroid) om de ogen tegen het zonlicht te beschermen
γυαλιά ηλίου
/ˈzɔnəpɑˌnel/, /ˈzɔnəpɑˌnɪːɫ/
noun
1. een paneel dat stralingsenergie van de zon omzet in elektriciteit
ηλιακό πάνελ
noun
1. het licht dat van de zon afkomstig is
φως του ήλιου
noun
1.
ηλιακό σύστημα
noun
ηλιαχτίδα
noun
1. bepaald soort eetbare vis, Zeus faber
χριστόψαρο
noun
ηλιακή έκλαμψη
noun
1. magnetische onregelmatigheid aan de oppervlakte van de zon die vanaf de aarde te zien is als een wat donkere vlek
ηλιακή κηλίδα
/ˈzɔnəˌwɛndə/, /ˈzɔnəˌʋɛndə/, /ˈzɔnəˌβ̞ɛndə/
noun
1. de gebeurtenis waarbij de zon, vanuit de aarde gezien, de meest noordelijke of zuidelijke positie (de keerkringen) bereikt
ηλιοστάσιο
noun
ηλιακό ρολόι
adjective
1. zonovergoten, met zonneschijn
ηλιόλουστος
/zɔn'zɔndərχɑŋ/
noun
1. het ondergaan van de zon
  1. δύση του ηλίου
  2. ηλιοβασίλεμα
noun
1. het opkomen van de zon
ανατολή
/ˈzɔnsvərˌdœʏ̯stərɪŋ/, /ˈzɔnsvərˌdœːstərɪŋ/
noun
1. het verschijnsel dat de maan voor de zon langstrekt, waardoor het zonlicht geblokkeerd wordt
έκλειψη ηλίου
/ˈzox.diːr/, /ˈzoːɣ.diːr/, /ˈzoχ.diːr/
noun
1. werveldier dat zijn jongen zoogt
  1. θηλαστικό
  2. θηλαστικά
noun
  1. 1. onderkant van de voet
    πέλμα
  2. 3. onderkant van een schaaf
    σόλα
/zoːn/
noun
1. een mannelijk kind
  1. γιος
  2. υιός
noun
1. behoedzame overweging
ανησυχία
verb
1. zorg dragen
φροντίζω
adjective
1. met de nodige zorg
νοιάξιμο
/zɑu̯t/
adjective
1. zout bevattend of zout smakend
αλμυρός
/zɑu̯t/
noun
1. alledaagse naam voor keukenzout
  1. αλάτι
  2. άλας
verb
1. met zout conserveren
αλατίζω
/ˈzɑutˌvacə/
noun
2. tafelgereedschap dat het zout bevat en strooit
αλατιέρα
noun
1. een oplossing
υδροχλωρικό οξύ
/ˈzo.zo/
adjective
έτσι κι έτσι
noun
ζωοφιλία
noun
1. de wetenschap die de dieren bestudeert.
ζωολογία
noun
1. hoorbare uitademing
αναστεναγμός
verb
1. hoorbaar diep uitademen, meestal als uiting van frustratie
αναστενάζω
/zœʏ̯t/, /zœːd/, /zœːt/
adverb
νότος
/zœʏ̯t.'a.fri.ka/, /zœː'.dɑ.fri.ka/, /zœːt.'a.fri.ka/
pronoun
land in het zuiden van Afrika
Νότια Αφρική
/ˌzœʏ̯t aˈmɪːrika/, /ˌzœːd aˈmeːrika/
pronoun
een continent dat ten zuiden van Noord-Amerika ligt, tussen de Grote en de Atlantische Oceaan
Νότια Αμερική
pronoun
1. Australische deelstaat in het zuiden
Νότια Αυστραλία
pronoun
1.
Νότια Καρολίνα
pronoun
1. is een randzee van de Grote Oceaan en ligt ten zuiden van China
Θάλασσα της Νότιας Κίνας
pronoun
het zuidelijk deel van Europa
Νότια Ευρώπη
/zœʏ̯.ˈtɔ.lɑnt/, /zœːt.ˈɦɔ.lɑnt/, /ˈzœːd.hɔ.lɑnd/
pronoun
1. een provincie in het zuidwesten van Nederland, die aan Noord-Holland, Utrecht, Gelderland, Noord-Brabant, Zeeland en de Noordzee grenst
Νότια Ολλανδία
/ˌzœʏ̯t koˈre.ja/, /ˌzœːt koˈre.ja/
pronoun
1. en 2., land en republiek in Azië
Νότια Κορέα
/ˌzœʏ̯t koreˈjans/, /ˌzœːt koreˈjaːns/
adjective
1.
νοτιοκορεατικός
adjective
1.
νότιος
/ˈzœy̯.də(n)/
noun
νότος
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Νότιον Τρίγωνον
pronoun
1. grootste eiland van Nieuw-Zeeland
Νότιο Νησί
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Νότιος Στέφανος
adverb
νοτιοανατολικά
pronoun
1. Noordpool
Νότιος Πόλος
adjective
1. op het zuidwesten betrekking hebbend
νοτιοδυτικός
/ˈzœy̯.ɣə(n)/
verb
1. (met de mond) naar zich toe trekken
βυζαίνω
noun
πιστόνι
verb
1. van verontreinigingen ontdoen
καθαρίζω
noun
1. en 2. een geslacht van meest overblijvende, kruidachtige planten uit de duizendknoopfamilie...
λάπατο
noun
1. een ander kind van dezelfde ouders van het vrouwelijk geslacht
αδελφή
noun
1. vrouwelijk kind van dezelfde ouders
αδελφή
/zyːr/
adjective
1. een smaak hebbend zoals van citroensap of azijn
ξινός
/zyːr/
noun
1. zure vloeistof
  1. οξύ
  2. ξινός
noun
1. fijngesneden en licht gezouten kool die enige tijd gefermenteerd is
λαχανάλμη
/ˈzyːrstɔf/
noun
1. een scheikundig element en een bij kamertemperatuur kleurloos twee-atomig gas O₂
οξυγόνο
noun
2. vrucht
γουανάμπανα
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Κύκνος
/zʋan/
noun
1. benaming voor watervogels met lange sierlijke hals uit het geslacht Cygnus
κύκνος
adjective
van groot gewicht
βαρύς
noun
1. een lang, scherp wapen
  1. ξίφος
  2. σπαθί
noun
1.1 bepaald soort zeevis, Xiphias gladius
ξιφίας
noun
1. Orcinus orca, een soort van walvis, vrij gedrongen van bouw en een opvallende rugvin
όρκα
noun
1. de kracht die de wederzijdse aantrekking van massa veroorzaakt
βαρύτητα
pronoun
Σουηβία
/ˈzʋa.ɣər/
noun
  1. γαμπρός
  2. κουνιάδος
/zʋɑk/
adjective
  1. αδύνατος
  2. αδύνατη
  3. αδύνατο
noun
1. benaming voor trekvogels uit de familie Hirundinidae
χελιδόνι
adjective
1. de toestand waarin een vrouw verkeert wanneer er in de baarmoeder een bevruchting heeft plaatsgevonden
έγκυος
noun
1. de tijd dat een vrouw een ongeboren kind met zich draagt
εγκυμοσύνη
noun
2. produkt dat via de urine tekenen van een zwangerschap onthult
τεστ εγκυμοσύνης
adjective
1. kleur die wordt waargenomen als iets helemaal geen licht weerkaatst of uitstraalt
  1. μαύρος
  2. μέλας
noun
1. gebied van de ruimte-tijd waaruit niets, zelfs geen licht kan ontsnappen omdat de zwaartekracht te sterk is
  1. μαύρη τρύπα
  2. μελανή οπή
noun
1. vruchtje van Ribes nigrum
φραγκοστάφυλο
noun
1./2. plant, zaden en zaaddoos Amomum subulatum
mαύρο κάρδαμο
phraseologicalUnit
μαύρη αγορά
noun
μαύρος ρινόκερος
noun
1.
μαυροπελαργός
noun
1.
μαυροτσικλιτάρα
pronoun
1. gebergte in het zuidwesten van Duitsland
Μέλανας Δρυμός
pronoun
1. de zee die ligt ingeklemd tussen Europa en Klein-Azië
Μαύρη Θάλασσα
noun
1. pessimist
απαισιόδοξος
/zʋavəl/
noun
1. scheikundig element met symbool S en atoomnummer 16
θείο
noun
1. een sterk zuur bestaande uit zwavel, waterstof en zuurstof met een wateronttrekende en bijtende werking
θειικό οξύ
/ˈzweːdə(n)/, /ˈzʋedə(n)/, /ˈzβ̞eːdə(n)/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa, grenzend aan Noorwegen en Finland. De officiële naam is het Koninkrijk Zweden (Konungariket Sverige)
Σουηδία
/zweds/, /zʋets/, /zβ̞ets/
adjective
1. betreffende Zweden of het Zweeds
  1. σουηδικά
  2. σουηδικός
/zweds/, /zʋets/, /zβ̞ets/
pronoun
1. een Germaanse taal die wordt gesproken in Zweden en Finland
σουηδικά
noun
1. toestel met vleugels dat zich ongemotoriseerd door de lucht verplaatst door gebruik te maken van opstijgende luchtstromingen
ανεμόπτερο
noun
1. een handwapen in de vorm van een lang ineengedraaid stuk leer dat met een zwiepende beweging pijnlijke slagen uit kan delen
μαστίγιο
noun
1.
έλκος
noun
1. vocht dat door de huid wordt uitgescheiden als koeling en middel om sommige afvalstoffen kwijt te raken
ιδρώτας
/ˈzwɛmbɑd/, /ˈzʋɛmbɑt/, /ˈzβ̞ɛmbɑt/
noun
1. een bassin om in te zwemmen
κολυμβητήριο
noun
1. kledingstuk voor mannen dat gebruikt wordt om in te zwemmen
μαγιό
verb
1. zich gecoördineerd door het water voortbewegen
  1. κολυμβώ
  2. κολυμπάω
/'zʋɪːrə(n)/
verb
1. met een eed bekrachtigen
ορκίζομαι
/zʋɛrm/
noun
1. een grote groep gezamenlijk op- en rondtrekkende personen, dieren of zaken, gewoonlijk vogels of insecten
σμήνος
/'zʋevɪŋ/
noun
1. een geluidsverschijnsel dat veroorzaakt wordt door de interferentie van twee tonen met een gering verschil in toonhoogte
διακρότημα
noun
1. klierachtig, hormoonvormend orgaan
θύμος
verb
1. ervan afzien te spreken
  1. σιωπώ
  2. σωπαίνω
adjective
1. weinig sprekend
ολιγόλογος
noun
εχεμύθεια
noun
1. een varken
  1. γουρούνι
  2. χοίρος
/ˈzʋɛinəstɑl/
noun
1. ruimte bestemd voor de huisvesting van varkens; 2. (figuurlijk) vuile boel
χοιροστάσιο
/ˈzwɪtsər/, /ˈzʋɪtsər/, /ˈzβ̞ɪtsər/
noun
1. een inwoner van Zwitserland, of iemand afkomstig uit Zwitserland
Ελβετός
/ˈzwɪtsərˌlɑnd/, /ˈzʋɪtsərˌlɑnt/, /ˈzβ̞ɪtsərˌlɑnt/
pronoun
1. een soeverein land in het zuiden van Centraal-Europa met als hoofdstad Bern en als officiële talen het Duits, het Frans, het Italiaans en het Reto-Romaans
Ελβετία
pronoun
Ζβόλε
pronoun
Ζυρίχη
pronoun
1. een groep eilanden in de Oostzee die tot Finland behoren, maar geheel Zweedstalig zijn
νήσοι Άαλαντ
/ˈɔŋstrøm/
noun
1. lengtemaat met een waarde van 10-10 m
Άνγκστρομ
/eːn/
cardinalNumeral
1. de inhoud van de kleinste niet-lege verzameling
  1. ένα
  2. ένας