noun
1. gedeelte van het voetbalveld
rangaistusalue
noun
1. gedeelte van het voetbalveld
rangaistusalue
noun
(informatica) een apparaat dat driedimensionale objecten kan maken door laagje voor laagje materiaal aan te brengen
3D-tulostin
/aka'pɛla/
adverb
1. zonder instrumentale begeleiding
a cappella
verb
1. zachtjes strelen
silittää
noun
  1. 3. paling
  2. 4. kleine en jonge paling
ankerias
noun
1. bepaald soort struik met eetbare rode bessen Ribes rubrum
  1. viinimarja
  2. herukka
  3. punaherukka
  4. punaviinimarja
noun
1. geestelijke voor militairen, gevangenen en leden van jeugdbewegingen
almujenjakaja
noun
1.bepaald soort plant, Artemisia absinthium
koiruoho
noun
1. benaming voor vogels uit het geslacht Phalacrocorax
merimetso
noun
alasin
noun
2. knobbelachtige zwelling van aders in het onderste deel van de endeldarm en in de anus
peräpukama
adjective
1. (predicatief) actief, in bedrijf
-lle
noun
1. het smeedblok waarop de smid het gloeiend metaal smeedt
alasin
noun
1. een eerste betaling bij het kopen van iets op afbetaling of in termijnen
käsiraha
verb
Nog na te kijken vertalingen
suositella
adjective
suositeltava
adjective
1. een aanbeveling verdienend
suositeltava
noun
suositus
noun
1. een brief waarin men iets of iemand aanbeveelt
suositus
noun
ihailija
verb
tarjota
noun
1. iets voordelig te koop aanbieden
tarjous
noun
1. een aanbieding
  1. tarjonta
  2. toimitus
  3. hankinta
noun
tarjonnan taloustiede
noun
1. gerichte belangstelling of interesse
huomio
noun
1. vrouw in de media die teveel belust is op aandacht
huomiohuora
noun
1. waardepapier
osake
noun
1. eigenaar van aandelen, actionaris
osakas
noun
1. een houder van één of meer bewijzen van aandeel
  1. osakas
  2. osakkeenomistaja
noun
1. de handel in aandelen in het algemeen
osakemarkkinat
noun
  1. 1. een herinnering
  2. 2. een object ter herinnering ergens aan
muisto
verb
2. doen bewegen
käyttää
verb
2. iets proberen te verkrijgen
kehottaa
verb
1. vaster drukken
painaa
verb
1. vaster duwen
painaa
adjective
1. bij de geboorte verkregen eigenschappen
synnynnäinen
adjective
1. een positief gevoel oproepend
miellyttävä
verb
2. aanduiden
vilkuttaa
noun
  1. ilmoittaminen
  2. ilmoitus
  3. tiedotus
adjective
1. rechtstreeks grenzend aan iets anders
naapuri-
noun
1. leesteken om geciteerde woorden van die van de auteur te onderscheiden
lainausmerkki
noun
2. rijdend object dat achter de auto gehangen kan worden voor het vervoeren van goederen.
kannattaja
noun
peräkärry
noun
1. iemand die een proces aanspant
syyttäjä
verb
2. aanspreken
tiukata
verb
1. een bestemming bereiken
saapua
noun
1. datgene wat men aankoopt
ostos
noun
3. talent
kyky
noun
1. datgene wat iets tot gevolg heeft
syy
noun
3. een loop of tred voorafgaand aan een sprong, duik, enzovoort
vauhdinotto
noun
määräsatama
adjective
julkea
verb
1. moed inspreken
rohkaista
noun
1. het inspreken van moed
rohkaisu
/ˈaːneːmər/
noun
1. iemand die een (bouw)werk uitvoert tegen een bepaalde prijs
rakennusurakoitsija
noun
1. manier van aanpakken
lähestymistapa
verb
3. een probleem oplossen
käydä käsiksi
adjective
1. in staat om zich aan te passen
sopeutuva
/ˈaːmpɑsə(n)/
verb
1. aansluiten, voegen naar, bruikbaar maken
sovittaa
noun
  1. 1. een verandering in een richting
  2. 2. het zich aanpassen
mukautuminen
/ˈanrakˌsxɛrm/, /ˈanrakˌsχɛrm/
noun
1. een beeldscherm dat ook als invoerapparaat voor een computer kan worden gebruikt door het scherm aan te raken.
kosketusnäyttö
verb
1. fysiek contact maken met iets
  1. koskea
  2. koskettaa
noun
  1. 1. aanvaller
  2. 2. een persoon, in de regel van het mannelijke geslacht die iemand anders aanvalt om seksuele redenen
hyökkääjä
noun
3. een fysieke aanval op iemand met als doel seksuele handelingen af te dwingen
  1. pakottaminen seksuaaliseen tekoon
  2. seksuaalinen kajoaminen
noun
1. vaste tafel met kastjes langs keukenwand
työtaso
verb
1.
pyytää
noun
1. de prijs die een koper daadwerkelijk betaalt bij de aanschaf van een product
ostohinta
noun
4. terroristische aanval
attentaatti
verb
3. passend maken
sitoa
noun
  1. vastuu
  2. velvoite
noun
1. overeenkomst waarbij je premie betaalt aan een verzekeraar zodat die zal betalen voor schade die je per ongeluk veroorzaakt of waarvoor je verantwoordelijk wordt gehouden
liikennevakuutus
noun
1. apparaatje om vuur te maken
sytytin
noun
1. benoeming in een functie, dienst etc.
nimittäminen
verb
1. veroorzaken
yllyttää
noun
aloittaja
noun
1. een telbare hoeveelheid
  1. luku
  2. lukumäärä
verb
1. (langzaam) beschadigen, aangrijpen
vahingoittaa
noun
1. de werkwoordsmodus die de gewone werkelijkheid aangeeft
indikatiivi
adjective
1. mogelijk om aan te tonen
osoitettavissa (oleva)
verb
1. dankzij een kracht objecten naar zich toe doen bewegen
vetää puoleensa
noun
hyväksyntä
noun
1. een poging de tegenpartij geweld aan te doen of van zijn positie te beroven
hyökkäys
verb
hyökätä
noun
  1. 2. een persoon in de voorste linie
  2. 1. iemand die aanvalt
hyökkääjä
verb
1. beginnen, starten
aloittaa
adverb
1. in het begin
aluksi
noun
1. werkwoordswijs van mogelijkheid
  1. subjunktiivi
  2. konjunktiivi
noun
1. een bevelhebber, een leider
pomo
noun
1. een papieren of elektronisch blad waarin men de benodigde informatie dient in te vullen voor het aanvragen ergens van
anomuslomake
/ˈanvʏlə(n)/
verb
1. het ontbrekende bijvoegen
täydentää
adjective
1. die of dat aanvult
lisä-
adjective
läsnä (oleva)
noun
  1. 3. inlichting of voorschrift over hoe men moet handelen
    käyttöohje
    1. 1. het aanwijzen
    2. 2. vingerwijzing
    osoitus
noun
maine
adjective
1. voornáám, groot
huomattava
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de orde der primaten
apina
noun
  1. 1. bloeiwijze van granen
  2. 2. bovenste deel van de halm van gras- of graangewassen
tähkä
/aːrt/
noun
1. wezen, natuur, karakter
luonne
noun
maamanteli
noun
1. bepaald soort plant, Solanum tuberosum
peruna
/ˈardɑˌpəɫpyˈre/
noun
1. een puree van zeer fijn gemaakte, met melk aangemengde aardappels
perunamuusi
noun
1. een salade die gemaakt wordt uit aardappelen
perunasalaatti
/\ˈaːrt.bɛi̯\/
noun
2. eetbare vrucht van planten uit het geslacht Fragaria
mansikka
noun
1. bepaald soort plant, Arbutus unedo
  1. lännenmansikkapuu
  2. mansikkapuu
noun
1. bepaald soort plant, Trifolium fragiferum
rakkoapila
noun
1. een schokkende of trillende beweging van een gedeelte van de aardkorst, meestal te wijten aan ...
maanjäristys
/ˈardə/
pronoun
Maa
/ˈardə/
noun
  1. 2. grond
    maa
  2. 1. planeet
    1. maa
    2. maapallo
verb
1. zich thuis voelen, wennen, gewoon worden
  1. maadoittaa
  2. maattaa
noun
keramiikka
/artxɑs/
noun
1. een gas dat uit de aarde komt en dat grotendeels uit methaan bestaat
maakaasu
noun
1. het ontginnen van aardgas
maakaasun talteenotto
/ˈar.dəx/, /ˈar.dəχ/, /ˈaːr.dɪx/
adjective
1. aangenaam in omgang
  1. ystävällinen
  2. kiva
  3. mukava
/ˈart.kɔrst/
noun
1. het buitenste gedeelte van de planeet Aarde
maan kuori
noun
geologia
noun
1. bepaling van de afmetingen van de aardbol
geodésia
noun
1. Microtus agrestus, een zoogdier uit de orde van knaagdieren
peltomyyrä
noun
raakaöljy
/ˈartpɪːr/
noun
bepaald soort zonnebloem, Helianthus tuberosus
maa-artisokka
/ˈardrɛiksˌkʏndə/
noun
maantiede
adjective
1. betrekking hebbende op de aarde, tot de aarde behorend
maa
noun
etana
/ˈaːrtfɑrkə(n)/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Orycteropus afer
maasika
noun
1. het naar beneden schuiven van een grote massa grond
maanvyöry
noun
kastemato
/ari/
pronoun
1. een taal die in Ethiopië gesproken wordt
aari
noun
1. en 2. (blaadjes van) de plant Mentha spicata
viherminttu
noun
1. bepaald soort parasitaire, maar onschadelijke rondworm van ca. 5–10 mm lengte, Enterobius vermicularis
kihomato
prefix
arkki-
/ˈaːrz.bɪz.dɔm/, /ˈaːrʦ.bɪs.dɔm/, /ˈaːrʦ.bɪz.dɔm/
noun
1. het belangrijkste gebied van een kerkprovincie, dat geleid wordt door de aartsbisschop.
arkkipiispan istuin
/ˈaːrzbɪsxɔp/, /ˈaːrʦbɪsxɔp/, /ˈaːrʦbɪsχɔp/
noun
1. de voornaamste bisschop van een kerkprovincie.
arkkipiispa
noun
1. een hemelgeest in een rang boven een engel
arkkienkeli
noun
1. een keizerlijke prins in het vroegere Oostenrijk-Hongarije
arkkiherttua
noun
arkkiherttuakunta
noun
1. adellijke titel, vrouw van een aartshertog
arkkiherttuatar
noun
arkkipappi
noun
1. bepaald soort vaste waterplant, Myriophyllum spicatum
tähkä-ärviä
/ˈarzələ(n)/
verb
1. onzeker zijn, twijfelen
epäröidä
noun
1. onzekerheid, twijfel, weifel
empiminen
noun
1. speelkaart
ässä
noun
haaskaeläin
/'as.xir/
noun
1. bepaald soort roofvogel, Neophron percnopterus
haaskalintu
/ˈɑbɑkʏs/
noun
  1. 1. raam met staven
  2. 2. dekplaat van een kapiteel
abakus
/a.bɑ.ˈtwaːr/, /ɑ.bɑ.ˈtβ̞ar/
noun
1. een bedrijf waar dieren geslacht worden
teurastamo
pronoun
1. West-Kaukasische taal gesproken in Rusland en Turkije
abazan kieli
adjective
1. betrekking hebbend op een abt of een abdij
luostari
noun
1. het inkorten van een woord of een frase
  1. lyhenne
  2. lyhennös
noun
1. een ophoping van pus in het lichaam, daarbij een onnatuurlijke holte vormend
paise
/ɑpˈxazis/
pronoun
1. een taal die in Abchazië gesproken wordt
  1. abhaasin kieli
  2. abhaasi
/ɑbˈdɛɪ̯/, /ɑbˈdɛː/
noun
1. klooster met aan de leiding een abt of abdis
luostari
/ɑbˈdɪs/
noun
1. bestuurster van een abdij.
abbedissa
noun
vatsa
/ˌɑbdoʊmiˈnaːɫ/
adjective
1. de onderbuik betreffend
abdominaali
noun
wegvoering
abduktiivinen päättely
noun
aberraatio
pronoun
Abessinia
/ˌɑb.la.ˈtif/, /ˌɑb.la.ˈtiːf/
noun
1. de zesde naamval die onder meer de instantie aangeeft waarvan iets uitgaat of vertrekt
  1. ablatiivi
  2. ulkoeronto
adverb
1. ongewoon
epänormaali
noun
abolitionisti
/ɑbomɪˈnabəl/
adjective
bijzonder slecht
inhottava
/ɑbɔ'ne/
noun
1. iemand die op iets geabonneerd is
tilaus
noun
jäsenmaksu
/ɑbɔ'nerə(n)/
verb
1. een abonnement aangaan
tilata
noun
1. oorspronkelijke bewoner van Australië
aboriginaali
/ɑ'bɔrtəs/
noun
abortti
noun
aborttiklinikka
noun
aprikoosi
noun
1. de afstand tot de opstaande as van een coördinatenstelsel
abskissa
/ɑp'sɪnt/
noun
1. sterkedrank op basis van anijs
absintti
noun
bepaald soort plant, Artemisia absinthium
  1. koiruoho
  2. mali
noun
1. grootte van een reëel getal of lengte van een andere grootheid
itseisarvo
/ɑpso'lysi/
noun
1. het vergeven van de zonden
synninpäästö
/ɑpso'lyt/
adjective
  1. 1. niet beschouwd in betrekking tot iets soortgelijks
  2. 2. volledig, volkomen
  3. 3. beslist, zeker
  4. 4. geheel onafhankelijk en zonder binding met iets of iemand anders
absoluuttinen
/ɑpsɔr'berə(n)/
verb
absorboida
noun
absorptio
/ɑp'strɑksi/
noun
1. een begrip dat los staat van de dagelijkse werkelijkheid
abstrahointi
verb
1. concretiseren
abstrahoida
/ɑpsʏrt/
adjective
1. erg onlogisch, belachelijk
järjetön
/ɑb/, /ɑpt/
noun
1. het hoofd van een abdij
apotti
adjective
abyssaalinen
noun
akatemia
/ɑkɑ'demis/
adjective
akateeminen
noun
tak van de zoölogie die zich bezighoudt met de studie van mijten en teken
akarologia
noun
1. de manier waarop iemand de klanken uitspreekt
aksentti
/ɑk.sep.ˈtaː.tʃi/
noun
1.
hyväksyminen
verb
1. aan een andere omgeving wennen
akklimatisoida
noun
aaltosulje
noun
  1. 1. voorzieningen ten behoeve van ...
  2. 2. aanpassing
akkommodaatio
noun
1. een muziekinstrument waarbij door trekken en duwen een toon wordt geproduceerd
  1. hanuri
  2. harmonikka
noun
1.
kasautumisteoria
noun
1. een toestel om elektriciteit op te slaan
  1. akku
  2. varaaja
noun
1. toestel dat de opeenhoping van elektrische lading mogelijk maakt
akku
/ˌɑkusaˈtif/, /ˌɑkyzaˈtiːf/
noun
1. naamval voor het lijdend voorwerp
  1. akkusatiivi
  2. kohdanto
noun
1. een ester of zout afgeleid van azijnzuur
asetaatti
noun
1. kleurloze, vluchtige, sterk riekende vloeistof die als oplosmiddel wordt gebruikt met als chemische formule: C₃H₆O
asetoni
/ˌɑsəˈtilxoˌlinə/, /ˌɑsəˈtiɫχoˌlinə/, /ˌɑsɛˌtylxoˈlin(ə)/
noun
1. een neurotransmitter die vooral betrokken is bij de impulsoverdracht van de zenuw naar de skeletspiercellen
asetyylikoliini
/ˌɑ.sə.ti.ˈlen/
noun
1. een verbinding van waterstof en koolstof met de samenstelling H₂C₂, die als gasvormige brandstof voor het vormen van hete vlammen gebruikt wordt
asetyleeni
/xxxx/
noun
1.
asetyylisalisyylihappo
pronoun
1. figuur uit de Griekse mythologie
  1. Akhilleus
  2. Akilles
noun
1. kwetsbare plaats
akilleenkantapää
noun
akillesjänne
cardinalNumeral
1. het getal 8
  1. kahdeksan
  2. kahdeksikko
/ˈɑxtbaːn/
noun
1. een attractie met een karretje dat over een baan met bochten, stijgingen en dalingen rijdt
vuoristorata
cardinalNumeral
1. het getal 38
kolmekymmentäkahdeksan
ordinalAdjective
1. nummer achtendertig in een rij
kolmaskymmeneskahdeksas
cardinalNumeral
1. het getal 88
kahdeksankymmentäkahdeksan
cardinalNumeral
1. het getal 28
kaksikymmentäkahdeksan
cardinalNumeral
1. het getal 48
neljäkymmentäkahdeksan
cardinalNumeral
1. het getal 58
viisikymmentäkahdeksan
cardinalNumeral
1. het getal 68
kuusikymmentäkahdeksan
preposition
takana
adverb
1. in de laatste of een van de laatste posities in een rangschikking, op een verder weg liggende plaats
taakse
noun
1. de bank in het achterste deel van een voertuig
takaistuin
noun
hidastelija
noun
1. het achterste deel van het dek van een schip
peräkansi
noun
1. de indirecte oorzaak van actualiteiten
tausta
noun
1. het achterste deel van het hoofd
takaraivo
/ˈɑxtərkɑnt/
noun
perä
/ˈɑxtərklɛɪŋkɪnt/
noun
1. het kind van iemands kleinkind
lapsenlapsenlapsi
verb
1. dumpen, weggaan van, verlaten
jättää
noun
1. lamp(en) aan de achterkant van een voertuig
takavalo
adjective
1. achterstand vertonend in de ontwikkeling
jälkeenjäänyt
/ɑxtər'na/
adverb
1. iemand of iets volgend
perään
noun
1. een naam die van geslacht op geslacht en indien gewenst door het huwelijk overgedragen wordt
sukunimi
noun
taka-
noun
1. de achterzijde van een schip
perä
adverb
1. in achterwaartse richting
peruuttava
noun
1. een spiegel aan een auto of motorfiets waarmee men de situatie op de weg achter zich kan zien
  1. peruuttaa
  2. taustapeili
/'ɑx.tər.vux.səl/
noun
1. een woorddeel dat achter de stam van een woord gevoegd wordt
jälkiliite
verb
1. iemand inhalen
ahdistaa
noun
1. een vorm met acht hoeken
kahdeksankulmio
/ɑxt'ɦukəx/
adjective
1.
kahdeksankulmioinen
/ˈɑxtˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 800
kahdeksansataa
noun
1. aanzien
kunnioitus
noun
kahdeksas
noun
1.
kahdeksasosanuotti
noun
1.
kahdeksasosatauko
cardinalNumeral
1. "18", het getal tussen zeventien en negentien
kahdeksantoista
ordinalAdjective
kahdeksastoista
adjective
1.voor de achtste keer
kahdeksankertaisesti
noun
asidoosi
noun
akne
noun
1. in de Rooms-katholieke Kerk een misdienaar die ouder is dan 16 jaar
akolyytti
pronoun
1. begripomschrijving
Aconcagua
pronoun
1. braziliaanse deelstaat gelegen in de Regio Noord van het land. Hoofdstad is Rio Branco
Acre
noun
1. gymnast
akrobaatti
noun
1. blauwkleuring van handen, voeten
akrosyanoosi
noun
  1. akronyymi
  2. kirjainsana
noun
akryyliamidi
noun
akryylinitriilibutadieenistyreeni
/ɑkˈtør/
noun
1. persoon
näyttelijä
noun
kyyti
adjective
1. met iets bezig zijnde
aktiivinen
noun
toimintaelokuva
noun
toimintaryhmä
noun
aktivisti
noun
1. Scheikundig element
aktinium
noun
1. in geld uitgedrukte waarde van de bezittingen van een onderneming
omaisuus
verb
1. werkzaam maken
aktivoida
noun
1. iets waarmee men actief is
aktiviteetti
noun
1. vrouw
näyttelijätär
noun
ajankohtaisuus
noun
aktuaari
/ɑktyˈwel/
adjective
  1. ajankohtainen
  2. tämänhetkinen
noun
1.
akupunktiohoitaja
noun
1. een Chinese behandelingsmethode waarbij, ter genezing van een kwaal...
akupunktio
/aˈkyt/
adjective
1. plots ontstaan, op korte termijn verlopend
akuutti
pronoun
Aadam
/ˈadɑmzɑpəl/
noun
deel van het strottenhoofd bij de man
aataminomena
noun
adapteri
noun
1. bijlage
liite
noun
  1. 1. gifslang
  2. 2. persoon
kyy
noun
käärmeenkielet
noun
1. chemisch product
lisäaine
noun
1. bevoorrechte groep personen
aateli
noun
1. benaming voor sommige soorten grote roofvogels
kotka
noun
sananjalka
/adəm/
noun
hengitys
/ˈa.də.mə(n)/
verb
1. de voor het leven nodige lucht inzuigen en weer uitdrijven
hengittää
noun
1. door levende wezens ingezogen en uitgeblazen lucht
hengitys
noun
1. (lymfe)klierontsteking
adeniitti
noun
1. goedaardig klierweefselgezwel
adenooma
noun
adenosiini
noun
1. virus dat verkoudheden veroorzaakt
adenovirus
/a.de.'kʋat/
adverb
1. correct en passend bij het beoogde doel
asianmukainen
noun
1. bloedvat met zuurstofarm bloed
  1. (veri)suoni
  2. laskimo
noun
1. de afkorting voor Attention Deficit Hyperactivity Disorder,...
ADHD
/ɑtˈhezi/
noun
  1. 1. een vergroeiing van organen
  2. 2. onderlinge aantrekkingskracht tussen ongelijke moleculen zonder dat er sprake is van een chemische binding
adheesio
noun
hyvästi
noun
1. een woordsoort dat wordt gebruikt om een eigenschap of hoedanigheid van een zelfstandig naamwoord te benoemen
  1. adjektiivi
  2. laatusana
noun
1. een woordsoort dat wordt gebruikt om een eigenschap of hoedanigheid van een zelfstandig naamwoord te benoemen
adjektiivi
noun
adjutantti
/ɑtmənɪstra'tør/
noun
1. iemand die de administratie
hallintomies
/ˌɑtminɪsˈtrasi/, /ˌɑtminɪsˈtratsi/
noun
  1. 1. de plaats waar gegevens zorgvuldig worden vastgelegd zodat ze later terug te vinden of te controleren zijn
  2. 3. bestuur
hallinto
noun
ylläpitäjä
noun
1. opperbevelhebber van een oorlogsvloot
amiraali
noun
1. de reciproke complexe impedantie
admittanssi
noun
1. jeugdig persoon, puber
nuori
pronoun
Adolf
verb
1. een kind aannemen
adoptoida
noun
adoptio
/aˈdrɛs/
noun
1. aanduiding van de plaats waar iemand woont of iets is gevestigd
osoite
noun
1. een boek met alfabetisch en/of systematisch geordende adressen
osoitekirja
pronoun
1. randzee van de Middellandse Zee, gelegen tussen Italië en het Balkanschiereiland
Adrianmeri
noun
1. een fenomeen dat optreedt aan het grensvlak van twee fasen, waarbij moleculen of atomen zich aan dit grensvlak hechten
adsorptio
/ɑtˈfɛnt/
noun
1. een periode van vier weken voor Kerstmis    2. de tijd waarin de komst en wederkomst van Jezus Christus worden verwacht
adventti
noun
1. de kalender bestaat vaak uit een platte kartonnen doos waarin 24 genummerde vakjes zijn aangebracht
joulukalenteri
noun
mainostaja
noun
1. een aankondiging in een krant, reclameblad, tijdschrift ...
ilmoitus
noun
1. een gegeven raad
neuvo
noun
1. pleiter, verdediger in rechtszaken
asianajaja
noun
1. vrouwelijke advocaat
asianajaja
noun
aerodynamiikka
adjective
1.
aerobinen
/ˌæːroˈzol/, /ˌɛːroˈzɔɫ/
noun
2. scheikunde
aerosoli
adverb
1. op onregelmatige tijden
silloin tällöin
noun
1. het onvermogen te spreken
afasia
/ˈɑfdelɪŋ/
noun
1. groep van werknemers die aan soortgelijke taken werken
osasto
verb
1. door onderhandelen een prijs omlaag zien te krijgen
tinkiä
noun
1. resultaat van het afdrukken
kopio
verb
1. het juiste pad kwijt raken
harhailla
verb
1. verbranden van overtollig gas via een hoge fakkel
  1. käyristyvä
  2. loimuava
noun
1. een gebonden morfeem dat aan een ander morfeem wordt toegevoegd om zo een nieuw woord te vormen
affiksi
/ˌɑfriˈkat/
noun
1. een combinatie van twee medeklinkers, waarvan de eerste een plosief...
affrikaatta
noun
lavetti
verb
2. afgeschoten worden
räjähtää
noun
1. iemand die als officiële vertegenwoordiger naar een andere partij gestuurd wordt
lähettiläs
/ɑf.ˈxans/, /ɑf.ˈχans/, /ɑv.ˈɣaːns/
adjective
1. gerelateerd aan Afghanistan
afganistanilainen
/ɑf.ˈɣa.nɪ.ˌstɑn/, /ɑf.ˈχa.nɪ.ˌstɑn/, /ɑv.ˈɣa.nɪ.ˌstɑn/
pronoun
1. een land gelegen in Centraal-Azië.
Afganistan
noun
valos
/'ɑfxɔt/
noun
epäjumala
noun
1. een stuk land waarvan de grond verwijderd is, of waar men nog steeds aan het graven is
kaivaminen
/ˈɑfxrɔnt/, /ˈɑfχrɔnt/, /ˈɑvɣrɔnd/
noun
1. een grote steile diepte
horna
adjective
riippuvainen
noun
riippuvuus
verb
1. geleidelijk land verliezen doordat de oever in het water verzakt
poikia
verb
1. het afwerken van de zijkant van een breiwerk
päätellä
verb
1. niet geschikt verklaren
tuomita
/ˌɑfkørənsˈʋardəx/
adjective
1. afkeuring verdienend
moitittava
noun
1. het uitspreken van een negatief oordeel over iets
vastustus
noun
1. het inkorten van een woord of een frase
  1. lyhenne
  2. lyhennös
/ˈɑflat/
noun
1. een kwijtschelding van tijdelijke straffen die men zou moeten ondergaan na het sterven..
ane
verb
1. de aandacht opvragen
harhauttaa
noun
  1. 1. een gebeurtenis of activiteit die de gedachten op iets anders richt
    häiriö
  2. 2. een woord dat middels toevoeging van een voor-, in- of achtervoegsel gevormd wordt uit een ander
    johdos
  3. 3. een serie logisch uit elkaar volgende uitdrukkingen die laten zien hoe een bepaalde formule volgt uit definities en axioma's
    johtaminen
verb
1. brengen naar en achterlaten op de plek van bestemming
toimittaa
noun
1. elk onderdeel van een tv-serie dat op regelmatige tijden wordt uitgebracht of uitgezonden
jakso
/ˈɑflop/, /ˈɑfloːp/
noun
6. Rand in drukwerk
leikkausvara
verb
  1. 1. de plaats innemen van
    helpottaa
  2. 2. geheel of gedeeltelijk voldoen
    kannattaa
verb
1. ongemerkt luisteren naar de communicatie van anderen
kuunnella
verb
1. de sessie binnen een programma beëindigen
kirjautua ulos
noun
1. korte spreuk met een kernachtige boodschap
aforismi
/ˈɑf.pɛr.sɪŋ/
noun
1. mensen onder voor de buitenwereld onzichtbare bedreiging zaken tegen hun wil laten doen
kiristys
verb
1. een pak slaag geven
pieksää
pronoun
1. het continent ten zuiden van Europa, tussen de Indische en de Atlantische Oceaan.
Afrikka
/afriˈkaːns/
adjective
1. komende van of betreffende het continent Afrika
afrikkalainen
/afriˈkaːns/
pronoun
1. een van het Nederlands afstammende taal die wordt gesproken in Zuid-Afrika en Namibië
  1. afrikaans
  2. afrikaansin kielinen
noun
1.
afrodisiaka
verb
1. tot een einde brengen
lakkauttaa
noun
1. een begroeting bij het elkaar verlaten
jäähyväiset
verb
1. het schuin afwerken van de rand van een materiaal.
viistota
noun
1. een overeenkomst
aika
noun
jälkeläinen
/ˈɑfstɑnt/
noun
1. de ruimte die zich ergens tussen bevindt
  1. etäisyys
  2. välimatka
noun
een toestel dat vanaf afstand een ander toestel bestuurt
kaukosäädin
verb
1. ontdoen van stof
pyyhkiä pölyt
/ɑf/, /ɑft/
noun
1. een kleine zweer in de mond ten gevolge van een virus
afta
noun
1.
ero
verb
1. rekenkundige bewerking waarbij een getal met een getal verminderd wordt
vähentää
/ˈɑftrɛkɪŋ/
noun
1. rekenkundige bewerking waarbij een getal van een ander getal afgetrokken wordt
vähentäminen
noun
1. onbruikbare resten die weggegooid worden
detritus
noun
luopio
noun
1. het ontrouw worden aan zijn geloof
  1. luopuminen
  2. luopumus
noun
1. water dat gebruikt is in de industrie of in het huishouden en dat na gebruik geloosd wordt
jätevesi
noun
1. een apparaat om automatisch de afwas te doen
astianpesukone
noun
1. een apparaat om automatisch de afwas te doen
astianpesukone
noun
1. het sop waarin met het eetgerei schoonmaakt of -gemaakt heeft
tiskivesi
/ɑfˈwerə(n)/
verb
1. een aanval neutraliseren
torjua
adjective
1. niet op een bepaald tijdstip en plaats zijn
poissaoleva
noun
1. het afwezig zijn op een bepaald tijdstip en plaats
poissaolo
verb
1. niet de gangbare norm volgen
poiketa
/'ɑfʋɛɪzɪŋ/
noun
1. een bericht dat op een voorstel of aanzoek niet ingegaan wordt
hylkäys
noun
1. iemand die iets naar een adres verzendt
lähettäjä
verb
9. tot afstand dwingen
suistaa vallasta
/ˈɑfˌsɔnd(ə)rən/
verb
2. afscheiden
eristää
/ˈɑfzœʏχkɑp/, /ˈɑfzœːxkɑp/
noun
1. een huishoudelijk apparaat in de keuken dat de kookluchtjes moet afvoeren
liesituuletin
/ˈɑfzwɪːrə(n)/
verb
kieltää
noun
  1. 1. een doorzichtige, maar soms ook opake variëteit van trigonaal kwarts...
  2. 2. een stenen voorwerp bestaande of vervaardigd uit agaat
akaatti
noun
1.
kaijanen
/a.ˈɣɛn.da/, /a.ˈχɛn.da/
noun
  1. 1. een notitieboek waarin afspraken genoteerd worden
    kalenteri
  2. 2. een lijst van te bespreken punten op een vergadering
    ohjelma
noun
1. persoon belast met de handhaving van de openbare orde
toimija
noun
agglomeraatio
noun
1. elk van de toestanden, afhankelijk van druk en temperatuur, waarin een stof kan voorkomen
faasi
noun
agio
noun
agnostisismi
noun
1. iemand die ten aanzien van het bovennatuurlijke stelt dat dit niet te kennen valt
agnostikko
adjective
agnostinen
noun
1. benaming voor Zuid-Amerikaans knaagdieren uit het geslacht Dasyprocta
aguti
noun
  1. agorafobia
  2. torikammo
noun
1.
  1. agrafia
  2. kirjoituskyvyttömyys
noun
hyökkäys
adjective
1. aanvallend
  1. aggressiivinen
  2. hyökkäävä
noun
  1. 1. de neiging tot agressie
  2. 2. het agressief zijn
aggressiivisuus
/aɣriˈmoni/
noun
1. benaming voor overblijvende, kruidachtige planten uit het geslacht Agrimonia
verijuuri
noun
1. de landbouwkunde
agronomia
interjection
ahaa
noun
vaahterasiirappi
noun
1. een virusziekte waarbij het natuurlijke afweersysteem van het lichaam steeds verder afgebroken wordt
AIDS
noun
koppavuus
noun
1. beschermingssysteem in voertuigen
turvatyyny
pronoun
1. hoofdstad van de Franse regio Corsica
Ajaccio
adjective
ankea
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noord-Rijnland-Westfalen, niet ver van Maastricht
Aachen
/'akər/
noun
2. vrucht van de eik
tammenterho
/ˈɑ.kər.ˌbo.tər.ˌblum/
noun
1. bepaald soort plant, Ranunculus arvensis
peltoleinikki
noun
1. bepaald soort tweejarige- of meerjarige plant, Melilotus officinalis
rohtomesikkä
noun
1. bepaald soort vaste plant, Cerastium arvense
ketohärkki
noun
1. bepaald soort plant, Rorippa sylvestris
rikkanenätti
noun
1. bepaald soort plant, Lapsana communis
linnunkaali
noun
peltokorte
noun
peltokierto
noun
2. samenklank van drie of meer, verschillende tonen
sointu
/ˌakusˈtik/
noun
1. de voortplanting van klank in een besloten ruimte en de ervaring die deze voortplanting ...
akustiikka
noun
1. platte en rechthoekige tas
asiakirjasalkku
adverb
1. reeds
jo
phraseologicalUnit
valheella on lyhyet jäljet
pronoun
1. Braziliaanse deelstaat gelegen in de Regio Noordoost van het land. Hoofdstad is Maceio
Alagoas
/ɑɫbaˈneːs/
pronoun
1. taal die vooral in Albanië en Kosovo gesproken wordt
albania
/ɑlˈbaːni.jə/, /ɑɫˈbani.jə/
pronoun
1. een land in het westen van de Balkan, grenzend aan de Adriatische en de Ionische Zee en aan Griekenland, Macedonië, Kosovo en Montenegro
Albania
noun
alabasteri
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Diomedeidae
albatrossi
noun
alba
noun
het ontbreken van pigmentkleurstof in de huid
albinismi
noun
albumi
noun
1. vroegere occulte wetenschap, waarin o.a. werd geprobeerd om goud en edelmetalen uit andere elementen...
alkemia
noun
1. elk van de verbindingen uiteen groep koolwaterstoffen die gekenmerkt zijn...
alkoholi
noun
alkoholismi
noun
alkoholisti
noun
1. de overmatige consumptie van alcoholhoudende drank
alkoholin väärinkäyttö
adjective
1. met een verwaarloosbaar alcoholgehalte
alkoholiton
noun
aldehydi
pronoun
1. keten van vulkanische eilanden in Alaska ,die zich boogvormig uitstrekt en een scheiding vormt tussen de Grote Oceaan en de Beringzee
Aleutit
noun
aleksandriini
/ˈɑlfa/
noun
1. een aanduiding of markering van "de eerste" van een reeks
alfa
noun
de lettertekens van een taal
  1. aakkoset
  2. aakkosto
adjective
1. gerangschikt volgens de letters van het alfabet
aakkosellinen
noun
1. ontkiemde zaden van luzerne
sinimailanen
noun
1.
alfasäteily
/ˈɑɫɣəbra/
noun
1. deel van de wiskunde dat zich bezighoudt met de betrekkingen van door letters...
algebra
noun
yleinen
/ɑl.ɣə.'rɛɪ̯.jə/, /ɑɫ.ɣə.'rɛː.jə/, /ɑɫ.χə.'rɛɪ̯.jə/
pronoun
1. een land in Noord-Afrika, officieel de Democratische Volksrepubliek Algerije
Algeria
adjective
1. Uit/afkomstig van Algerije
algerialainen
/ɑɫˈxiːrs/, /ɑɫˈɣiːrs/
pronoun
1. Hoofdstad van Algerije
Alger
noun
algoritmi
/ˈaː.liˌbi/
noun
1. het kunnen aantonen dat men elders was tijdens het zich voltrekken van een misdaad,...
alibi
noun
1. eetbare zeeslak
rantakotilo
/aˈlinija/
noun
alinea
/ɑlk/
noun
1. bepaald soort zeevogel die veel op de zeekoet lijkt, maar een dikkere snavel heeft
ruokki
noun
alkaani
noun
alkali
adjective
met betrekking tot alkali
alkalinen
noun
1. een stikstof bevattende plantenbase
alkaloidi
noun
1. een kleine raamloze zijkamer, vaak gebruikt als slaapkamer
alkovi
pronoun
1. God in islamistisch of Arabische context
Allah
adjective
arkinen
/ɑl.ˈen/
adverb
1. slechts
  1. vain
  2. ainoastaan
noun
alegoria
adjective
1. betrekking hebbend op het uitbeelden van een abstract begrip
allegorinen
/ɑ.ˈlɛl/, /ɑ.ˈlɛɫ/
noun
1. elk van de alternatieve uitvoeringen van een gen, die allemaal in homologe chromosomen op dezelfde plaats liggen
alleeli
noun
1. stof die overgevoeligheid veroorzaakt
allergeeni
/ˌɑlɛrˈɣi/
noun
1. een reactie van het immuunsysteem op lichaamsvreemde stoffen (allergenen), die op zich helemaal niet schadelijk hoeven te zijn
  1. allergia
  2. herkistymä
adjective
1. overgevoelig
allerginen
noun
wetenschap die allergieën bestudeert
allergologia
pronoun
1. een rooms-katholieke feestdag op 1 november ter gezamenlijke verering van alle heiligen van de Kerk
pyhäinpäivä
indefinitePronoun
1. al het mogelijke, de gehele verzameling of hoeveelheid zonder uitzondering
kaikki
noun
1. een bondgenootschap
allianssi
noun
1. een grote krokodilachtige uit het geslacht Alligator
alligaattori
adjective
  1. 1. uit een ander land of plaats afkomstig
  2. 2. (van gesteenten) zich bevindend op een andere tectonische plaat na een overschuiving
vierasperäinen
noun
1.
allofoni
adjective
alluviaalinen
/ɑˈlʏvijʏm/
noun
1. los materiaal (regoliet) dat als sediment door een rivier is afgezet
alluuvi
/ɑɫmɑxt/
noun
1. absolute macht, macht over alles
kaikkivoipaisuus
adjective
kaikkivaltias
noun
almanakka
noun
alnico
noun
läsnäolo kaikkialla
noun
benaming voor bloeiende, succulente planten uit het geslacht Aloe
  1. aaloet
  2. aaloe
noun
1. bepaald soort succulent, Aloe vera
lääkeaaloe
noun
  1. 1. bepaald soort zoogdier Vicugna pacos
  2. 2. zilverkleurige metaallegering
alpakka
pronoun
1. een gebergte dat Italië van de rest van Europa scheidt
Alpit
noun
sembramänty
noun
1. een van hout vervaardigd blaasinstrument met een lengte tot vier meter
alppitorvi
verb
1. sport waarbij men op ski's een heuvel of berg afdaalt.
alppihiihto
noun
1. bepaald soort Zuid-Europese verdovende en bedwelmende overblijvende plant
rohtomandrake
/ɑls/, /ɑs/
conjunction
2. indien
jos
phraseologicalUnit
1. als de kat van huis is, dansen de muizen op tafel
kun kissa on poissa, hiiret hyppivät pöydällä
conjunction
1. en ook
samoin kuin
conjunction
1. luidt een vergelijking in
niin kuin
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Alttari
noun
1. offertafel voor godsdienstige plechtigheden
alttari
pronoun
1. Atair/Altair
Altair
/ɑltərnaˈtif/
noun
1. een andere mogelijkheid of methode
  1. vaihtoehto
  2. vaihtoehtoinen
adverb
  1. 1. op elk moment, blijvend
  2. 2. telkens opnieuw
  3. 3. in elk geval
aina
noun
altruismi
adjective
1.
altruistinen
noun
1. altsaxofoon
alttosaksofoni
noun
1. een teken geplaatst op de derde lijn van een balk dat aangeeft dat deze een c weergeeft
alttoavain
/ˈɑltfiˌjoːl/
noun
1. een muziekinstrument in de familie van de strijkinstrumenten, verwant aan maar groter en lager klinkend dan de viool
alttoviulu
/alyˈminijʏm/
noun
1. scheikundig element met symbool Al en atoomnummer 13
alumiini
noun
salakka
noun
1. een klier die enzymen afscheidt in de twaalfvingerige darm om de afbraak van zetmeel, vet en eiwitten te bevorderen
haima
/amɑl'ɣaːm/
noun
1. kwiklegering
amalgaami
noun
  1. 1. kleine bladverliezende loofboom, Amygdalus dulcis
    1. mantelipuu
    2. manteli
  2. 1. eetbare pit van de amandelvrucht
    1. manteli
    2. mantelipuu
noun
mantelipuu
noun
1. een melkachtige drank die uit fijngemalen amandelen en water bereid kan worden
mantelimaito
noun
mantelityräkki
noun
1. of 2. (zaden van) geslacht Amaranthus
  1. amarantti
  2. revonhännät
  3. meksikonrevonhäntä
noun
smirgeli
noun
1. een persoon die iets als hobby doet
harrastaja
noun
1. vrouw die iets als hobby doet en dus niet beroepsmatig
harrastaja
pronoun
Amazon
noun
1. een handwerkvak dat vaak aanzienlijke vaardigheden vereist
käsityötaito
noun
1. de officiële vertegenwoordiging van de ene regering in de hoofdstad van de andere.
suurlähetystö
noun
1. iemand die door de ene staat is aangesteld om deze staat bij een andere staat te vertegenwoordigen
suurlähettiläs
adjective
1. vol van de wens en het vertrouwen om iets te bereiken
kunnianhimoinen
noun
1.
ambivalenssi
noun
1.
virkavala
adverb
1. vanwege het ambt
viran puolesta
noun
1. voertuig om gewonden of zieken van en naar het ziekenhuis te brengen
  1. ambulanssi
  2. sairaankuljetusauto
/ɑˈmɛxtəx/
adjective
1. sterk hijgend
hengästynyt
noun
amerikium
/aˈmɪːriˌka/
abbreviation
1 en 2
Amerikka
noun
  1. 1. een persoon die in Amerika woont
    amerikkalainen
  2. 2. een inwoner van de Verenigde Staten van Amerika
    1. amerikkalainen
    2. yhdysvaltalainen
    3. jenkki
adjective
1. betreffende of komende van Amerika
  1. amerikkalainen
  2. yhdysvaltalainen
noun
1. bepaald soort snelgroeiende boom, Quercus rubra
punatammi
noun
1. oorspronkelijk uit Amerika afkomstige soort zoetwatervis die ook in de Benelux voorkomt, Umbra pygmaea
pikkukoitakala
noun
1. Bubo virginianus
amerikanhuuhkaja
noun
1. bepaald soort struik, Hamamelis virginiana
amerikantaikapähkinä
noun
1. bepaald soort plant, Prunus serotina
kiiltotuomi
noun
1. een vaak prachtig violet gekleurde vorm van kristallijn kwarts, die kleine hoeveelheden titaan en ijzer bevat
ametisti
noun
kalusteet
noun
stimulerend middel, uit de groep van de wekaminen
amfetamiini
noun
1. in water en op land levend dier
sammakkoeläin
adjective
1. geschikt zowel voor in het water als op het land
amfibinen
noun
amfiteatteri
noun
1. een door de oude Grieken en Romeinen gebruikte buikige kruik met twee oren
amfora
adjective
1.
amfoteerinen
pronoun
1. een taal die in Ethiopië gesproken wordt
amhara
pronoun
1. een taal die in Ethiopië gesproken wordt
amhara
noun
1. een organische verbinding die kan worden beschouwd afgeleid te zijn van ammoniak...
amiini
noun
aminohappo
noun
1. een chemische verbinding van stikstof en waterstof
ammoniakki
noun
ammoniumioni
noun
1. NH₄NO₃, het ammoniumzout van salpeterzuur
ammoniumnitraatti
noun
1. een verklaring dat afgezien zal worden van strafvervolging voor een bepaalde groep
amnestia
noun
1. lamsvlies, het binnenste der eivliezen van het embryo in het moederlichaam
vesikalvo
noun
1. eencellige eukaryoot die van vorm kan veranderen door het uitsteken en intrekken van schijnvoetjes
  1. ameebat
  2. ameba
/a.'mɔrf/
adjective
1. niet geordened
amorfinen
/aˈmɔs/
pronoun
1. en 3. profeet en jongensnaam
Aamos
noun
laajuus
noun
amplitudimodulaatio
noun
1. dichtgesmolten medicijnflesje, waarin steriele injectiestoffen worden afgeleverd
ampulli
noun
amputaatio
noun
ampeeri
noun
1. stroommeter
ampeerimittari
/ɑmstər'dɑm/
pronoun
1. de hoofdstad van Nederland, gelegen in de provincie Noord-Holland
Amsterdam
verb
1. op aangename wijze een indruk op iemand maken, iemand doen (glim)lachen
huvittaa
noun
amylaasi
adjective
1. met betrekking tot de darmuitgang van de mens
anaalinen
noun
1. opbouw bij de stofwisseling waarbij simpele stoffen omgezet worden tot chemisch ingewikkeldere stoffen
anabolia
noun
anakronismi
/ɑnakroˈnɪstis/
adjective
1. niet passend in de tijdsvolgorde of in de periode waarin het wordt gepresenteerd
anakronistinen
/anaˈkɔnda/
noun
1. zeer grote en zware wurgslang uit het geslacht Eunectes
anakonda
/ˌa.na.fi.lɑkˈsi/
noun
1. een medische term voor een snelle systemische allergische reactie
anafylaksia
noun
1. seks waarbij de anus en het rectum een rol spelen
anaaliseksi
noun
1. het voorkomen van mensen die niet kunnen lezen of schrijven
lukutaidottomuus
noun
1. een pijnstiller
analgeetti
noun
analyytikko
noun
1. een overeenkomst tussen twee verschillende zaken die bijv. kan dienen als basis voor een bepaalde redenering of vergelijking
analogia
/ˌɑnəˈloːx/
adjective
  1. 1. overeenkomend met
  2. 2. tegenovergestelde van digitaal (geluidsopname, uurwerk)
analoginen
/ɑnɐ'liːzə/
noun
analyysi
verb
1. gedetailleerd en nauwkeurig bekijken
analysoida
noun
1. een vraaggesprek naar de ziektegeschiedenis
anamneesi
noun
1. een vrucht van de ananasplant
ananas
noun
karviaiskoiso
noun
anarkia
noun
anarkismi
noun
anarkisti
adjective
1. betrekking hebbend op anarchisme
anarkinen
noun
anatomia
adjective
1. met betrekking tot de anatomie
anatominen
noun
1. een persoon die kennis draagt van de (menselijke) anatomie
anatomi
pronoun
Andalusia
pronoun
Andalusia
adjective
1. niet deze
muu
noun
1. diegene die je niet zelf bent
muu
cardinalNumeral
puolitoista
/'ɑndərmɑns/
indefinitePronoun
1. genitief van een andere man, wordt gebruikt in bezittelijke zin
vieras
pronoun
Andit
noun
andesiitti
noun
1. Cichorium endiva, een eetbaar eenjarig gewas dat nauw verwant is aan witlof
endiivi
pronoun
1. een kleine staat in Europa die grenst aan Frankrijk en Spanje
Andorra
adjective
1. van/uit Andorra
andorralainen
noun
1. kruis van twee even lange, schuingeplaatste balken
Pyhän Andreaan risti
pronoun
  1. 1. mythologische figuur
  2. 2. sterrenbeeld
Andromeda
noun
androidi
/a.nɛg.ˈdo.tə/
noun
1. een amusant, kort verhaal
anekdootti
adjective
anekdoottinen
noun
1.
anemia
adjective
1. aan bloedarmoede lijdend
aneeminen
/ɑnəmon/
noun
1. een plant van het geslacht Anemone
vuokko
noun
anestesia
noun
een medisch vakgebied
anestesiologia
noun
1. leer van de Engelen
enkelioppi
/ɑŋəl'sɑksis/
pronoun
1. een West-Germaanse taal die tussen ca. tussen 400 en 1100 werd gesproken en die geldt als de rechtstreekse voorloper van het Middelengels
anglosaksilainen
noun
1. hartkramp, pijn op de borst
angina pectoris
noun
1. zwelling veroorzaakt door (allergische) overgevoeligheid
angioödeema
noun
angiotensiini
noun
anglikaanisuus
noun
1. woord of uitdrukking overgenomen uit het Engels of gevormd naar Engels voorbeeld
anglismi
noun
1.
anglisti
/ɑŋ.ˈ(g)ɣo.la/, /ɑŋ.ˈgo.la/
pronoun
1. een land in Zuidwest-Afrika, officieel de Republiek Angola grenzend aan...
Angola
noun
1. het gevoel dat er onheil of gevaar dreigt
pelko
noun
ahdistuneisuushäiriö
pronoun
Anguilla
noun
1. bepaald soort schermbloemige plant, Pimpinella anisum
  1. anisruoho
  2. anis
noun
1. het zaad van de anijsplant
anis
noun
anioni
noun
neilikka
/ˈɑ.nʲər.re.voˌly.si/, /ˈɑ.ɲər.re.voˌly.tsi/
pronoun
1. geweldloze militaire staatsgreep
neilikkavallankumous
noun
    1. 1. onderdeel van een vaartuig
    2. 3. onderdeel van een uurwerk
    3. 2. muuranker
    ankkuri
  1. 6. onderdeel van een elektromotor/dynamo
    1. ankkuri
    2. roottori
pronoun
1. meisjesnaam
Anna
noun
annaali
/ˌɑnɛkˈsatsi/
noun
1. het verplicht of gedwongen toetreden tot een groep
liittäminen
/ɑny'lerə/
verb
1. iets afgelasten
kumota
noun
1. afwijking van organen
anomalia
noun
1. naamloosheid
  1. anonymiteetti
  2. nimettömyys
noun
1. magerzucht, eetstoornis
anoreksia
noun
1. verlies van eetlust
anoreksia
adjective
1. niet tot de koolstofverbindingen behorend
epäorgaaninen
/a.nɔsˈmi/
noun
anosmia
noun
anoksia
noun
1. een postkaart met een afbeelding
maisemakortti
noun
  1. anjovis
  2. sardelli
pronoun
1. het continent rond de zuidpool van de aarde
  1. Etelämanner
  2. Antarktis
  3. Etelänapamanner
noun
1. de naam voor het woord waarnaar een ander woord, meestal een betrekkelijk voornaamwoord, verwijst
etujäsen
noun
1. een vrij opgestelde elektrische geleider voor het uitzenden en/of ontvangen van elektromagnetische straling
antenni
noun
antibiootti
noun
antikristus
noun
1. een weinig spannende, soms teleurstellende ontknoping van het verhaal
antikliimaksi
noun
1. een deeltje waarvan een aantal fysische eigenschappen dezelfde zijn, maar andere eigenschappen (waaronder de lading) precies tegengesteld
antihiukkanen
/ˌɑntideprɛˈsivʏm/
noun
1. een middel tegen ziekelijke neerslachtigheid
masennuslääke
noun
1. een tegengif
antidootti
adjective
1. oud, maar waardevol
antiikkinen
noun
1. oude kunst-, sier- en gebruiksvoorwerpen, die verzameld en verhandeld worden
antiikkinen
noun
1. vers dat gezongen wordt als inleiding of afsluiting van een psalm
antifoni
noun
1. lichaamsvreemde afweeropwekkende stof
antigeeni
/ɑn.ˌti.(g)ɣ<sup>ʊ</sup>a.ɛn.bɑr.ˈbu.da/, /ɑn.ˌti.gwa.ɛn.bɑr.ˈbu.da/
pronoun
1. eilandstaat in het oostelijk deel van de Caribische Zee, op de grens met de Atlantische Oceaan
Antigua ja Barbuda
noun
1. een hoofdpersonage in een verhaal met niet de typerende positieve eigenschappen van een held
antisankari
noun
vasta-aine
pronoun
1. eilandengroep in de Caribische Zee
Antillit
/ɑnti'lopə/
noun
1. een verzamelnaam voor slanke holhoornige hoefdieren die voornamelijk in Afrika leven
antilooppi
noun
1.
antiaine
noun
antimoni
noun
1. stof die reacties tegengaat waarbij elektronen worden uitgewisseld
antioksidantti
noun
1. geneesmiddel dat wanen vermindert
antipsykootti
noun
antiikkikauppias
noun
iemand met antisemitische denkbeelden
antisemitisti
noun
antiseptiikka
noun
1.een middel dat gebruikt worden om de natuurlijke stollingsneiging van het bloed te onderdrukken
antikoagulantti
noun
1. het tegenovergestelde
antiteesi
noun
1. een stof die veelal aan koelwater wordt toegevoegd om het vriespunt ervan te verlagen om bevriezen ervan te voorkomen
pakkasneste
adjective
1. tegengesteld van betekenis
antonyymi
noun
1. woord met tegengestelde betekenis
antonyymi
/an.tra.ˈsit/, /ɑn.tra.ˈsit/
adjective
antrasiitti
/an.tra.ˈsit/, /ɑn.tra.ˈsit/
noun
1. een vorm aan steenkopl die hoge temperatuur heeft gehad
antrasiitti
noun
1. een infectieziekte die wordt veroorzaakt door de bacterie Bacillus anthracis
pernarutto
noun
1. het eten van mensen
anthropofagi
noun
antropologia
noun
antropologi
verb
antropomorfisoida
noun
antropomorfismi
noun
antroposofia
/ˈantˌwɛrpə(n)/, /ˈɑntˌʋɛrpə(n)/, /ˈɑntˌβ̞ɛrpə(n)/
pronoun
  1. 1. een provinciehoofdstad in België
  2. 2. een Belgische provincie
Antwerpen
/ˈɑnt.ʋɔːrt/
noun
1. de reactie op een vraag, van repliek voorzien
vastaus
noun
  1. puhelinvastaaja
  2. vastaaja
/ˈɑnt.ʋɔːr.də(n)/
verb
1. het geven van een antwoord
vastata
noun
1. opening aan het eind van de endeldarm en aan het eind van het spijsverteringskanaal
peräaukko
/aˈɔrta/
noun
1. de slagader die van het hart naar het lichaam, behalve de longen, loopt
aortta
adjective
2. bijzonder, opmerkelijk
erittäin
noun
1. lusteloosheid
apatia
pronoun
1. gebergte
Apenniinit
noun
1. een eetlust opwekkende alcoholische drank die voor de maaltijd genuttigd wordt
aperitiivi
adjective
1. de punt, de kop, de kruin betreffende
apikaalinen
noun
1. einde van de wereld, zoals beschreven in het Bijbelboek Openbaringen
  1. maailmanloppu
  2. apokalypsi
adjective
apokalyptinen
noun
1. wegval van slotklank
apokopee
noun
apogeum
noun
1. geprogrammeerde celdood
apoptoosi
/ɑˈpɔstəl/
noun
1. leerling van Jezus
apostoli
noun
  1. 2. aanspreking van afwezige personen of zaken
    apostrofi
  2. 1. afkappings- of weglatingsteken
    1. heittomerkki
    2. apostrofi
/apo'tek/
noun
1. plaats waar men geneesmiddel en en andere gezondheidsproducten kan kopen.
  1. apteekki
  2. farmasia
noun
apteekkari
noun
1. toepassing
sovellus
pronoun
1. gebergte in het oostelijk deel van Noord-Amerika
Appalakit
noun
1. een door mensen gemaakt voorwerp dat is samengesteld uit verschillende onderdelen en een bepaalde functie heeft
laite
/ɑ.ˈpɛl/, /ɑ.ˈpɛɫ/, /ˈɑ.pəl/, /ˈɑ.pəɫ/, /ˈɑpəɫ/
noun
1. vrucht
omena
noun
omenasiiderietikka
noun
1. boom waaraan appels groeien
omenapuu
noun
omenapora
/ˈɑpəɫflɑp/
noun
  1. 1. lekkernij gemaakt van bladerdeeg, driehoekig van vorm en gevuld met een mengsel van in blokjes gesneden appel en kaneel
  2. 2. lekkernij bestaande uit een schijf appel en gefrituurd deeg dat met oud en nieuw gegeten wordt
taitettu omenatorttu
noun
1. een moes van gekookte appels
omenasose
noun
1. een vruchtensap bereid uit appels
  1. omenamehu
  2. omenatäysmehu
/ˌɑpəlˈsin/
noun
1. Vrucht van de appelsienboom
appelsiini
noun
1. gebak gevuld met stukjes vruchten van de appelboom
  1. omenapiirakka
  2. omenapiiras
noun
1. Campaea margaritaria
kalvasmittari
/ɑ'plɔus/
noun
1. geklap in de handen als teken van goedkeuring of bewondering
suosionosoitus
/ɑˈprɪl/
noun
1. de vierde maand van het jaar
huhtikuu
noun
1.
aprillinarri
pronoun
Apulia
noun
akvedukti
noun
nog uit te zoeken
akvarelli
/ɑˈkʋariˌʲʏm/
noun
1. een bak met water waarin onderwaterflora en -fauna gehouden wordt.
akvaario
noun
1. een sterkedrank, op basis van karwij, uit Scandinavië
akvaviitti
noun
1. grote bont gekleurde papegaai uit Zuid-Amerika
ara
/ˌɑ.ra.ˈbiːr/
noun
1. een persoon met het Arabisch als moedertaal
arabi
/ɑ'rabis/
adjective
1. verwijzend naar de Arabische taal,cultuur,het alfabet of Arabië
arabialainen
/ɑ'rabis/
pronoun
  1. 1. een taal oorspronkelijk van het Arabisch schiereiland en de taal waarin de Koran...
  2. 2. een van het Aramitisch afgeleid alfabet dat gebruikt wordt voor het schrijven van het Arabisch,...
  1. arabia
  2. arabialainen
pronoun
Arabia
noun
tak van de zoölogie die zich bezighoudt met de studie van de spinachtigen
araknologia
pronoun
1. randzee van de Indische Oceaan, gelegen tussen Noord-Australië en de oostelijke eilanden van Indonesië
Arafuranmeri
pronoun
Aragonia
noun
1. Een inwoner van Aragon
Aragonia
pronoun
1. taal gesproken in Aragon
Aragonia
/araˈmes/
adjective
aramea
noun
1. energie die door een krachtbron geleverd wordt bij verplaatsing van een voorwerp
työ
noun
1. iemand die voor een loon handmatige arbeid levert
  1. työntekijä
  2. työläinen
noun
työväenliike
adjective
työintensiivinen
noun
1. ongeval dat tijdens het werk (of onderweg van en naar het werk) optreedt, bedrijfsongeval
työtapaturma
noun
1. onderdeel van het privaatrecht m.b.t. de normen die het recht op arbeid als sociaal grondrecht tot voorwerp hebben
työoikeus
noun
1. het plezier dat men aan zijn werk beleeft
työtyytyväisyys
noun
sovittelija
noun
  1. handelen van een scheidsrechter
  2. resultaat van het handelen van een arbiter
  3. systeem van gelijktijdige prijsbepaling
arbitraatio
pronoun
Arkadia
noun
1.
viivoitus
noun
arkaismi
/ˌɑr.xe.ˌjo.lo.ˈɣi/, /ˌɑr.xɛ.jo.lo.ˈɣi/, /ˌɑr.χe.ˌjo.lo.ˈχi/
noun
1. studie van de niet-geschreven overblijfselen van het verleden
arkeologia
noun
arkeologi
noun
  1. perikuva
  2. arkkityyppi
noun
arkisto
noun
1. een eilandengroep
saaristo
noun
1. iemand die gebouwen ontwerpt
arkkitehti
noun
1. de bouwstijl van een gebouw
arkkitehtuuri
noun
arkkitraavi
/ɑrxivaːrɨs/
noun
1. een persoon die een archief beheert
arkistonhoitaja
verb
1. iets geclassificeerd opslaan om het later gemakkelijk terug te vinden
arkistoida
adjective
arktinen
adjective
1. extreem koud, behorend bij heel lage temperaturen
arktinen
pronoun
1. is de oceaan ten noorden van de continenten Azië en Noord-Amerika , waarin het grote ijsveld van de Noordpool ligt
Pohjoinen jäämeri
pronoun
1. een rivier in Frankrijk
Ardèche
noun
aari
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Kotka
noun
1. roofvogel
kotka
adjective
1. zonder zich van mogelijk gevaar bewust te zijn
lapsellinen
/ˌɑrɣɛnˈtɛɪ̯n/, /ˌɑrɣɛnˈtɛːn/, /ˌɑrχɛnˈtɛɪ̯n/
noun
1. iemand van Argentijnse komaf
argentiinalainen
/ˌɑrɣɛnˈtini.jə/, /ˌɑrχɛnˈtini.jə/
pronoun
1. een Spaanstalig land in het zuiden van Zuid-Amerika tussen het Andesgebergte en de zuidelijke Atlantische Oceaan.
Argentiina
noun
arginiini
/ˈɑrɣɔn/
noun
1. een scheikundig element en kleurloos edelgas met het symbool Ar en het atoomnummer 18
argon
/ˌɑrɣyˈmɛnt/
noun
1. een aangevoerd feit in een discussie om een zienswijze te ondersteunen
argumentti
noun
argumentointi
noun
aaria
/arijaˈnɪsmə/
noun
1.
areiolaisuus
noun
1. een persoon die lid is van de aristocratie
  1. ylimys
  2. aristokraatti
noun
1. een regeringsvorm waarbij de heerschappij in handen is van een kleine groep, de zogenaamde aristocraten
aristokratia
adjective
1. volgens de principes van een aristocratie
aristokraattinen
/ɑrṃ/
adjective
1. weinig bezittend
köyhä
/ɑrṃ/
noun
1. lichaamsdeel
  1. käsivarsi
  2. käsi
noun
1. sieraad of merkteken dat om de pols of arm gedragen wordt
rannerengas
/ɑrˈmen/, /ɑrˈmeːn/
noun
1. een inwoner van Armenië, of iemand afkomstig uit Armenië
armenialainen
/ɑrˈmens/, /ɑrˈmeːns/
adjective
1. betreffende Armenië of het Armeens
  1. armeinalainen
  2. armenialainen
/ɑrˈmens/, /ɑrˈmeːns/
pronoun
1. een taal die wordt gesproken in Armenië
  1. armenia
  2. armenialainen
/ɑrˈmensə/, /ɑrˈmeːnsə/
noun
armenialainen
pronoun
armenialaisten kansanmurha
noun
1.
köyhäintalo
/ɑrˈmeni.jə/, /ɑrˈmeːni.jə/
pronoun
1. een GOS-lidstaat in de Kaukasus (Gemenebest van Onafhankelijke Staten). Het is een van de weinige landen die niet aan zee liggen. Het grenst in het oosten aan Azerbeidzjan, in het westen aan Turkije en de Naxçivan-exclave (Azer.), in het noorden aan Georgië en in het zuiden aan Iran
Armenia
noun
käsinoja
/ˈɑrəmude/
noun
1. de toestand waarin iemand leeft die zeer weinig middelen voor zijn levensonderhoud heeft.
köyhyys
noun
1. een hoeveelheid die men in één keer in zijn armen kan dragen
sylillinen
pronoun
Arnhem
noun
1. (aangename) geur van spijzen, dranken, genotmiddelen enz
aromi
/aroˈmans/
pronoun
1. een Romaanse taal die in de Balkan gesproken wordt
aromania
adjective
  1. 1. met geurstof
  2. 2. voldoende aan de regel van Hückel
aromaattinen
/ɑrpiˈtaːns/
pronoun
1. een Romaanse taal die wordt gesproken in Frankrijk, Italië en Zwitserland
Arpitaani
noun
2. muziekbewerking
sovitus
noun
1. een aanhouding
pidätys
verb
1. van overheidswege in hechtenis nemen
pidättää
/ɑriveːrən/
verb
1. de bestemming bereiken
  1. saapua
  2. tulla perille
adjective
ylimielinen
noun
arseeni
noun
1. stijlbeweging
art deco
noun
1. kunstvoorwerp of -product
artefakti
adjective
1. met betrekking tot de arteriën
arteriaalinen
noun
valtimonkovettumatauti
verb
1. de uitspraakklanken zorgvuldig vormen
niveltyä
noun
taitaja
/ɑrˈtiːkəl/
noun
4. staat voor een zelfstandig naamwoord, geeft de bepaaldheid aan en het woordgeslacht
artikkeli
noun
1. het wapen dat vuursteun geeft aan de eigen troepen
tykistö
noun
1. de vlezige schutbladeren van de gesloten bloemknop worden als groente gegeten
  1. latva-artisokka
  2. artisokka
noun
1. gewrichtsontsteking
niveltulehdus
noun
1. een aandoening van het gewrichtskraakbeen
nivelrikko
noun
1. geneeskundige die bevoegd is een praktijk uit te oefenen
lääkäri
/a.ˈru.ba/, /a.ˈry.ba/
pronoun
1. een eiland in het zuidelijke gedeelte van de Caraïbische Zee
Aruba
noun
    1. 2. lijn
    2. 1. centrale staaf
    akseli
    1. nader uit te zoeken
    2. 1. verbrandingsrest
    tuhka
/ˈɑzbɑk/
noun
1. opvangbak
tuhkakuppi
noun
1. verzamelnaam van een aantal silicaten met een vezelige structuur
asbesti
noun
askeesi
noun
askorbiinihappo
noun
aseksuaalisuus
noun
asfaltti
noun
turvapaikka
pronoun
1. hoofdstad van Turkmenistan
Ašgabat
adjective
1. zonder sociaal besef
asosiaalinen
noun
aspartaami
noun
1. een kant of zijde
aspekti
noun
1. Asperagas officinalis, een plant waarvan de jonge scheuten geteeld worden als groente
parsa
noun
1. een middel tegen allerlei kwalen met als werkzame stof acetylsalicylzuur
aspiriini
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het noordoosten van het land. Hoofdstad is Dispur
Assam
pronoun
1. een taal die in Assam, een staat in India, gesproken wordt
assami
/ˈɑsəˌpustər/
pronoun
1. het meisje dat hoofdpersoon is het het gelijknamige sprookje
Tuhkimo
noun
1.
maalisyöttö
noun
1. een persoon die ondersteunt
  1. assistentti
  2. avustaja
  3. apulainen
  4. aputyöntekijä
verb
1. tot compagnon maken of nemen
assosioida
noun
assonanssi
noun
1. aanbod van producten
joukko
noun
astatiini
noun
1. scheikundig element met symbool At en atoomnummer 85
astatiini
noun
2. een bloem van de aster
asteri
/ˈɑs.tə.ˌrɪs(x)/, /ˈɑs.tə.ˌrɪsk/
noun
1. typografisch symbool in de vorm van een sterretje
asteriski
noun
1. een klein vast hemellichaam dat net als een planeet om de zon draait
asteroidi
noun
1. een ziekte die, door vernauwing van de luchtwegen, benauwdheid en hoestbuien veroorzaakt
astma
noun
1
tähtivalokuvaus
/ɑstrolo'gi/
noun
1. de leer die gebeurtenissen aan het hemelgewelf in verband brengt met gebeurtenissen op aarde
astrologia
noun
1. een beoefenaar van de astrologie
astrologi
noun
astrometria
/ˌɑstroˈnaʊ̯t/, /ˌɑstroˈnɔʊ̯t/, /ˌɑstroˈnʌʊ̯t/
noun
1. een Amerikaanse ruimtevaarder
astronautti
noun
1. de wetenschap die de objecten in de ruimte bestudeert
tähtitiede
adjective
tähtitieteellinen
noun
tähtitieteilijä
pronoun
1. een taal die gesproken wordt in Asturië
asturia
pronoun
1. een van de 17 autonome regio's van Spanje die in het noordwesten van het land ligt
Asturia
noun
1. eerste dag van de vastentijd
tuhkakeskiviikko
adverb
epäsymmetrinen
adjective
1. zonder ziekteverschijnselen
oireeton
/a.sɪmp.ˈtot/
noun
1. een lijn die door een kromme of functie willekeurig dicht benaderd wordt, maar deze nooit raakt
asymptootti
adjective
asynkroninen
noun
1. bepaalde soort vlinder, Vanessa atalanta
amiraaliperhonen
/atɑkˈsi/
noun
1. een onzekere gang bij het lopen
ataksia
noun
1. de werkruimte van een kunstenaar
ateljee
pronoun
de hoofdstad van Griekenland
Ateena
/ˌa.te.ˈjɪsmə/, /ˌɑ.te.ˈjɪsmə/
noun
1. overtuiging dat goden niet bestaan
ateismi
/ˌa.te.ˈjɪst/, /ˌɑ.te.ˈjɪst/
noun
1. een persoon die niet gelooft in het bestaan van goden
ateisti
pronoun
1. mythologisch eiland
Atlantis
pronoun
1. de tweede grootste oceaan op aarde, gelegen tussen Europa en Afrika enerzijds en Noord- en Zuid-Amerika anderzijds
  1. Atlantin valtameri
  2. Atlantti
pronoun
  1. 1. figuur uit de Griekse mythologie
  2. 2. gebergte in Noord-Afrika
Atlas
noun
    1. 1. een boek dat geografische kaarten bevat
    2. 3. de bovenste wervel in de hals die het hoofd draagt
    1. atlas
    2. kannattajanikama
  1. 2. een verzameling van prenten, kaarten, afbeeldingen, tekeningen en dergelijke
    1. kannattajanikama
    2. kartasto
/ɑtlet/
noun
1. iemand die grote prestaties op sportief gebied verricht
atleetti
noun
sporttak waarin vooral lopen, springen en werpen aan bod komen
yleisurheilu
adjective
atleettien
noun
  1. 1. een gasvormig omhulsel van een planeet of maan.
  2. 2. een stemming.
  3. 2. eenheid.
  1. atmosfääri
  2. ilmakehä
adjective
atmofäärinen
noun
atolli
adjective
atonaalinen
noun
atonaalisuus
noun
atomi
noun
atomiydin
noun
atomikello
noun
1. de massa van een atoom, uitgedrukt in de atomaire massa-eenheid u
atomimassa
noun
1. de kernlading van een atoom
  1. atomiluku
  2. järjestysluku
noun
atomiteoria
noun
1. abnormale aanleg om allergisch te reageren
atopia
noun
1. verschrompeling van organen
atrofia
noun
attasea
noun
1. het afleggen van een formele verklaring; het afleggen van een formele getuigenis
laillistus
noun
1.
attometri
/ɑtrɪbʏˈtif/
adjective
1. wanneer het voor een zelfstandig naamwoord geplaatst wordt
attributiivinen
noun
4. tot het wezen (de entiteit) behorende eigenschap
attribuutti
noun
aamukonsertti
/obɛrˈʒinə/
noun
2. purperachtige, vlezige vrucht
munakoiso
pronoun
1. grootste stad van Nieuw-Zeeland, gelegen op het Noordereiland
Auckland
adjective
1. zichtbaar en hoorbaar
audiovisuaalinen
noun
1. een examen waarbij iemand zijn muzikale vaardigheden in klank bewijst.
koe-esiintyminen
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Augsburg
/ʌuˈɣɵrk/, /ʌˈʝʏrk/
noun
1. kleine, in het zuur ingemaakte komkommer
cocktailkurkku
/aʊ̯.ˈɣʏs.tʏs/, /ɔʊ̯.ˈɣʏs.təs/, /ʌʊ̯.ˈχʏs.təs/
noun
1. de achtste maand van het jaar
elokuu
/ˈʌurɑ/
noun
1. energieveld
aura
noun
1. luisteren naar lichaamsgeruis van bijv. hart of longen
auskultaatio
verb
1. luister naar de geluiden in het lichaam
auskultoida
/aʊ̯ˈstraːlɪs/, /ɔʊ̯ˈstraːlis/, /ʌʊ̯ˈstralis/
adjective
1. van Australië
australialainen
pronoun
1. Australisch territorium waarin de federale hoofdstad Canberra gelegen is
Australian pääkaupunkiterritorio
/aʊ̯ˈstraːli.jə/, /ɔʊ̯ˈstrali.jə/, /ʌʊ̯ˈstrali.jə/
pronoun
1. een soevereine staat gelegen tussen de Indische Oceaan en de Grote Oceaan (officieel het Gemenebest van Australië) met de officiële taal Engels
Australia
/aʊ̯ˈstraːli.jər/, /ɔʊ̯ˈstraːli.jər/, /ʌʊ̯ˈstrali.jər/
noun
1. een inwoner van Australië
australialainen
/ɑustro'nezis/
adjective
behorend tot groep van talen
austronesialainen
noun
autarkia
/oˈtør/
noun
1. persoon die aan de basis staat van een origineel geschreven werk
tekijä
/ʌuˈtɪsmə/, /ʌˈtɪsmə/
noun
1. ontwikkelingsstoornis
autismi
/ʌuˈtɪstɪs/, /ʌˈtɪstɪs/
adjective
1. lijdend aan autisme
autistinen
/ɑʊ̯to/
noun
1. voertuig met drie of meer wielen, een motor en een carrosserie
auto
adjective
1. met betrekking tot afweerstoffen gericht tegen de eigen lichaamsweefsels
autoimmuuni
noun
omaelämäkerta
adjective
omaelämäkerrallinen
noun
1. auto geladen met explosieven gebruikt als wapen bij terroristische aanslagen
autopommi
noun
1. een groot voertuig voor het vervoeren van een groot aantal passagiers
linja-auto
adjective
1. oorspronkelijk in een bepaald gebied thuishorend
autoktoninen
noun
1. de oorspronkelijke bewoner van een land
alkuasukas
noun
autokratia
adjective
autokraattinen
noun
1. handtekening van een beroemd persoon
nimikirjoitus
noun
autogynefilia
adjective
automaaginen
adjective
  1. 1. niet bestuurd door de hand van de mens
  2. 2. vanzelfgaand
  3. 3. gedachteloos
automaattinen
verb
1. automatisch doen werken
automaattistaa
noun
automatisointi
noun
1. een bestuurder van een auto
autoilija
/aʊ̯.to.no.ˈmi/, /ɔʊ̯.to.no.ˈmi/, /ʌʊ̯.to.no.ˈmi/
noun
  1. autonomia
  2. itsehallinto
/ˌʌʊtoˈnom/
adjective
1. op zichzelf staand
autonominen
noun
potkulauta
noun
1. een lijkschouwing
ruumiinavaus
noun
autoradio
adjective
autoritaarinen
noun
1. de overheid
asiantuntija
noun
autonavain
noun
1. weg voor snelverkeer (dat sneller kan en mag rijden dan 60 km per uur), met gescheiden rijbanen en ongelijkvloerse kruisingen
moottoritie
noun
1. een chromosoom dat geen geslachtschromosoom (heterosoom) is; homoloog chromosoom
autosomi
/ ˈɑutospɔrt /
noun
1. verzamelnaam voor wedstrijden die verreden worden met een gemotoriseerd voertuig met vier of meer wielen
autourheilu
noun
1. een zitplaats in een auto
autonpenkki
/'avatɑr/
noun
2. (informatica) een kleine afbeelding die een bepaalde gebruiker symboliseert
avatar
adjective
2. breien met de draad aan de voorkant van het breiwerk
nurja silmukka
pronoun
1. een stad in Frankrijk
Avignon
/ɑvoˈkado/
noun
1. een tropische vrucht van de avocadoboom
avokado
/ˌavoˈkadobom/
noun
1. immergroene boom uit Midden-Amerika die de avocadoperen voortbrengt
avokadopuu
noun
1. de periode van de dag waarin het nacht wordt
  1. ilta
  2. ehtoo
noun
1. een maaltijd die 's avonds genuttigd wordt
  1. illallinen
  2. iltapala
noun
1. verbod om zich op straat te begeven na een zekere tijd
ulkonaliikkumiskielto
adjective
1. gedurende de avond
illan
noun
1. rode kleur van het hemelgewelf
iltarusko
noun
1. een school waarin in de avonduren lesgegeven wordt
iltakoulu
noun
1. iemand die graag het avontuur opzoekt
seikkailija
noun
1. een onderneming waarvan de uitkomst niet bij voorbaat vaststaat
seikkailu
noun
1. een basisbegrip dat zonder bewijs aangenomen moet worden
aksiomi
noun
1. de titel van een hoge sjiitische geestelijke
ajatollah
pronoun
1. een Indiaanse taal die in Zuid-Amerika wordt gesproken
aimara
noun
1. sierstruik van het geslacht rhododendron
atsalea
/ˌazərbɛɪ̯ˈdʒans/, /ˌazərbɛɪ̯ˈdʒaːns/, /ˌazərbɛːˈdʒaːns/
adjective
1. op Azerbeidzjan betrekking hebbend
azerbaidžanilainen
/ˌazərbɛɪ̯ˈdʒan/, /ˌazərbɛːˈdʒan/
pronoun
1 en 2. Aziatisch land grenzend aan Rusland, Iran, Armenië en Georgië
Azerbaidžan
/aˈzeːri/, /aˈzɪːri/
pronoun
1. Turkse taal die door 22 miljoen mensen vooral in Azerbeidzjan, maar ook in Iran, Georgië en Turkije wordt gesproken
azeri
noun
aasialainen
adjective
1. afkomstig uit of betreffend Azië
aasialainen
noun
1. Vespa velutina, een wesp die behoort tot het geslacht van de hoornaars
aasianherhiläinen
/aˈzɛɪn/, /aˈzɛːn/
noun
1. en 2. verdund azijnzuur verkregen door oxidatie van verdund alcohol om voedsel te bereiden
etikka
noun
samettisumakki
noun
1. CH₃COOH
etikkahappo
noun
etikkahappoanhydridi
/azimɵt/
noun
1. horizontale hoek
atsimuutti
pronoun
1. een continent ten oosten van Europa
Aasia
pronoun
Azorit
noun
sininen
noun
1. een landinwaartse uitstulping van een zee of oceaan
lahti
noun
1. een stapel bijeengebonden plantaardig materiaal zoals hooi of tabak
paali
/baːn/
noun
  1. 1. het werk
    erä
  2. 3. traject van een projectiel/hemellichaam
    kiertorata
/baːrt/
noun
1. gezichtsbeharing van de man
parta
noun
3. bepaald soort vogel, Panurus biarmicas
viiksitimali
noun
1. voortplantingsorgaan van vrouwen waarin de vrucht zich ontwikkelt
kohtu
noun
1. smal en buisvormig gedeelte van de baarmoeder dat aan een kant in de vagina eindigt ...
kohdunkaula
noun
1. een vorm van kanker die zich in de baarmoederhals ontwikkelt
kohdunkaulansyöpä
noun
1. stekelvinnige riviervis
ahven
/baːs/
noun
1. overste, leider, chef
pomo
verb
1. gezellig praten over zaken van weinig belang
juoruta
noun
valkometalli
pronoun
1. een vrijwel uitgestorven Austronesische taal die gesproken wordt in Taiwan
babuza
noun
1. een mens in de allereerste fase van zijn/haar leven
vauva
/ˈbe.bi.buːm/
noun
1. een periode waarin ongewoon veel kinderen geboren worden
vauvabuumi
noun
tuttipullo
noun
1. elektronisch afluisterapparaat om geluid uit de kinderkamer elders op te vangen
itkuhälytin
noun
  1. 2. een woest drinkgelag, een losbandige drinkpartij
  2. 1. een feest ter ere van Bacchus
bakkanaalit
noun
  1. 1. een toets die op een typemachine het wissen van eerder geschreven tekst mogelijk maakt
    askelpalautin
  2. 2. een soortgelijke toets op het toetsenbord van een computer
    1. askelpalautin
    2. backspace-näppäin
noun
bakteeri
noun
plantenziekte veroorzaakt door de bacterie
tulipolte
/bɑkteriɔfaɣ/
noun
1.
bakteriofagi
noun
1. een wetenschap die zich bezighoudt met het bestuderen van bacteriën
bakteriologia
adjective
bakteriologinen
noun
1. een wetenschapper die zich bezighoudt met de bacteriologie
bakteriologi
noun
2. een van de drie taxonomische domeinen, Bacteria
  1. bakteerikanta
  2. bakteerit
/bɑt/
noun
1. voorwerp waarin men zich wast met water
kylpy
pronoun
1.
Baden-Württemberg
noun
1. grote handdoek gemaakt van badstof om (delen van) het lichaam af te drogen na het wassen
kylpypyyhe
noun
kylpytakki
noun
1. een vertrek waar men zich kan wassen en verzorgen
kylpyhuone
noun
1. kledij bedoeld voor het baden en zwemmen
uimapuku
/ˈbɑtˌkœy̆p/
noun
1. een waterreservoir waarin één of enkele personen zich kunnen wassen en baden
kylpyamme
noun
1.
kylpymatto
noun
uimavalvoja
noun
1. een sport waarbij een shuttle met behulp van een racket over een net geslagen moet worden
sulkapallo
noun
sulkapallomaila
noun
1. kledij bedoeld voor het baden en zwemmen
uimapuku
noun
1.
Baffininlahti
/ba.ˈɣaːʃ/, /ba.ˈχa.zʲə/
noun
1. een verzameling van eigendommen
matkatavarat
noun
tavarateline
verb
1. iets ernstigs onbelangrijk doen voorkomen
vähätellä
/'begəɫ/
noun
1.
bagel
/ba.ˈha.mas/, /ba.ˈɦa.mas/, /bɑ.ˈɦa.mas/
pronoun
1. een eilandengebied in het Caraïbische gebied
  1. Bahama
  2. Bahamasaaret
/ba.ˈrɛɪ̯n/, /bɑx.ˈrɛːn/, /bɑχ.ˈrɛɪ̯n/
pronoun
1. eilandstaat in de Perzische Golf en de Golf van Bahrein. Het ligt ingeklemd tussen Saoedi-Arabië in het westen en Qatar in het oosten en zuiden
Bahrain
noun
1. een steekwapen bovenop de loop van een geweer
  1. pistin
  2. bajonetti
noun
1. de linkerzijde als men vanop een schip naar de boeg kijkt
paapuuri
noun
bakeliitti
noun
1. een markering, meer in het bijzonder gebruikt in de lucht- en scheepvaart...
loisto
noun
1. een driewielige fiets die voorzien is van een laadbak
kolmipyöräinen polkupyörä
noun
1. deel van het baardhaar dat groeit vanaf de kaaklijnen tot aan de haargrens boven de oren.
pulisongit
verb
1. voedsel bij hoge temperatuur in een oven of pan verhitten, meestal met wat olie of boter.
  1. leipoa
  2. paistaa
noun
1. iemand die brood en taarten bakt
leipuri
noun
een werkplaats waar men brood, koek, banket en dergelijke, bakt
leipomo
pronoun
1. de hoofdstad van Azerbeidzjan
Baku
noun
1. speciaal geprepareerd papier dat in de oven gebruikt wordt om te bakken etenswaar niet aan de bakplaat of de bakvorm te laten kleven
leivinpaperi
noun
1. rijsmiddel op basis van natriumbicarbonaat
leivinjauhe
noun
1. uit klei of leem gebakken steen
tiili
adjective
tiilinen
noun
1. een object in de vorm van een bol dat gebruikt wordt bij balspelen
pallo
noun
1. een driesnarig Russisch tokkelinstrument
balalaikka
/balaˈnitɪs/
noun
1. ontsteking van de eikel bij de man.
  1. balaniitti
  2. terskatulehdus
noun
  1. 1. evenwicht
    tasapaino
  2. 2. een meetapparaat met twee armen (bedoeld om het verschil te kunnen meten)
    1. vaaka
    2. varsivaaka
noun
1. stoffen overdekking als ornament, meestal boven een troon, altaar of hemelbed
katos
pronoun
Baleaarit
noun
  1. 1. hoornachtige stof uit de walvisbek
  2. 1. versterkingsstaafje voor corset of paraplu
hetula
/bɑlk/, /bɑɫk/
noun
1. deel van een constructie met een lengte die veel groter is dan de breedte en de hoogte in doorsnede
palkki
pronoun
1. gebied...
Balkan
verb
1. een land staatkundig in kleine, onderling vijandige, onderdelen versnipperen
balkanisoida
/ˈbɑlkə(n)/, /ˈbɑɫkə(n)/
verb
1. het geluid van een ezel maken
hirnua
noun
1. een bouwkundig onderdeel
parveke
noun
balladi
noun
1. vervanging van de nuttige lading door iets dat voldoende weegt om een schip te stabiliseren
elektroninen virranrajoitin
noun
1. speeltoestel voor kinderen
pallomeri
noun
1.
pallopoika
noun
1.
pallotyttö
noun
1. een artistieke dansvorm
  1. balleti
  2. baletti
noun
1. leer die de banen van projectielen bestudeert
ballistiikka
noun
1. een feestartikel bestaande uit een dun rubberen zakje dat met gas of lucht kan worden gevuld
ilmapallo
noun
1. een pen die met een bal of kogel de inkt op het papier overbrengt
kuulakärkikynä
noun
  1. balsamiviinietikka
  2. balsamietikka
  3. balsamico
noun
palsami
verb
1. het prepareren van een stoffelijk overschot om het tegen ontbinding te beschermen
palsamoida
noun
pallopeli
noun
1. het paargedrag van met name vogels
soidinmenot
pronoun
1. de nationale taal van Mali
  1. bamanankan
  2. bambara
noun
1. een reuzengrassoort dat afkomstig is uit Azië
bambu
noun
bambunversoja
noun
1. een vrucht van de bananenboom
banaani
noun
banaanileipä
noun
  1. 1. een van de Midden-Amerikaanse staten zoals Honduras, Nicaragua, El Salvador of Guatemala, eens zo genoemd vanwege de bananenindustrie die daar alles overheerste
  2. 2. een in politiek en economisch opzicht corrupt en instabiel land, dat bovendien vaak rijk is aan grondstoffen
  1. banaanitasavalta
  2. banaanivaltio
noun
1. de schil van een banaaan
banaaninkuori
noun
  1. 3. groep muzikanten die een bepaald muzikaal repertoire ten gehore brengt
    1. bändi
    2. yhtye
    3. soittokunta
  2. 1. ringvormige omhulling van iets anders, vooral dienend voor de uitwendige bescherming
    rengas
noun
1. een schurk of misdadiger
  1. bandiitti
  2. rosvo
noun
1. apparaat waarmee men geluid kan vastleggen op magnetische tape
nauhuri
/ˌbɑŋ.(g)ɣə.la.ˈdɛʃ/, /ˌbɑŋ.lɑ.ˈdɛʃ/
pronoun
1. land in het zuiden van Azië dat ligt op het Indische subcontinent en grenst voor het grootste gedeelte aan India en voor een klein stukje aan Myanmar/Birma grenst
Bangladesh
noun
    1. 3. een financiële instelling
    2. 4. een ondiepte in het water
    3. 5. gebouw waarin een financiële instelling gevestigd is
    4. 6. een opslagsysteem voor gegevens of voorwerpen b.v. beeldbank, bloedbank, boekenbank, kennisbank, spermabank
    pankki
  1. 1. een meubelstuk met zitplaats voor meer dan één persoon
    sohva
noun
1. een betaalmiddel van papier
seteli
noun
1. een bakker die voornamelijk taarten, klein gebak en chocolade maakt
kondiittori
/bɑŋkˈɦɑŋər/
noun
1. iemand die bankhangt
sohvaperuna
noun
1. iemand die financiële diensten verleent
pankkiiri
noun
1. een rekening-courant bij een bank
pankkitili
noun
pankkiryöstö
noun
1. verschijnsel waarbij een groot aantal klanten hun geld van hun bankrekening halen
talletuspako
/ˈbɑnəlɪŋ/
noun
1. iemand die verbannen is
maanpakolainen
noun
banshee
/ˈbɑntu/
noun
  1. 1. lid van een volk
  2. 2. groep talen
bantu
noun
1. een kerkelijke straf
anateema
noun
benaming voor dikstammige bomen uit droge, warme gebieden uit het geslacht Adansonia
baobabpuu
noun
barbaari
adjective
1. zonder beperkingen opgelegd door beschaafd gedrag
barbaarinen
/ˈbɑr.ba.ˌdɔs/, /ˈbɑr.be.ˌdɔs/
pronoun
1. een eiland in het Caribisch gebied, dat behoort tot de Bovenwindse Eilanden van de Kleine Antillen
Barbados
noun
1. bepaalde vissoort die voorkomt in de middenlopen van rivieren, Barbus barbus
barbi
noun
1. een herenkapper die ook baarden bijwerkt
parturi
noun
1. Een slaapmiddel in de vorm van een barbituurzuur verbinding
barbituraatti
pronoun
Barcelona
noun
1. (informatica) een op artikelen, verpakkingen afgedrukte reeks smalle en brede streepjes waarmee in gecodeerde vorm productinformatie is vastgelegd die met een scanner kan worden gelezen
viivakoodi
/bɑrt/
noun
1. middeleeuws dichter en zanger bij de Kelten
bardi
verb
1. op de wereld brengen
synnyttää
noun
Barentsinmeri
noun
1. plat hoofddeksel zonder klep
baretti
/bɑrx/
noun
1. gecastreerd mannetjesvarken
kaltti
noun
1. een mannenstem tussen bas en tenor
baritoni
noun
1. baritonsaxofoon
baritonisaksofoni
noun
barium
noun
1. iemand die achter de bar staat en drankjes voor de gasten inschenkt
baarimestari
noun
1. een 17e eeuwse kunststroming die er naar streeft grootste, dramatische momenten en beweging uit te drukken
barokki
/ˈbaroˌmetər/
noun
1. een instrument dat de luchtdruk meet
barometri
noun
1. adellijke titel, in rang tussen jonkheer en burggraaf
paroni
noun
1. vrouwelijke baron
  1. paronitar
  2. vapaaherratar
noun
3. beslissingsronde
pato
noun
1. straatversperring die de doorgang door een straat onmogelijk maakt
  1. barrikadi
  2. katusulku
noun
1. begrenzing, bescherming
este
verb
1. heftig breken of uiteenspatten
haljeta
noun
baryoni
noun
reliefi
adjective
  1. 1. fundamenteel
  2. 2. aan de basis liggend
basaali
noun
1. een mafisch vulkanisch stollingsgesteente dat gevormd wordt door de stolling van lava of magma
basaltti
noun
  1. 1. stof die een of meer hydroxylgroepen bevat en in een waterige oplossing OH-ionen afsplitst
  2. 2. ion of molecuul dat de neiging heeft een proton op te nemen
emäs
/baˈsilikəm/
noun
1. een keukenkruid
  1. basilika
  2. maustebasilika
noun
basilika
noun
1. grondslag
kanta
noun
1. scholing voor kinderen van 4 tot 12 jaar
perusopetus
noun
1.
korkopiste
/ˈbazɪsxoɫ/
noun
1. een school voor lager onderwijs
  1. ala-aste
  2. alakoulu
/'bɑskən,lɑnd/
pronoun
    1. 1. geografische regio bij de Spaans-Franse grens
    2. 3. Spaanse autonome regio
    Baskimaa
  1. 2. regio waar Baskisch gesproken wordt
    baskialue
noun
  1. 2. bal
    koripallo
  2. 1. sport
    1. koripallo
    2. koripalloilu
adjective
  1. 1. met betrekking tot de Basken
  2. 2. met betrekking tot de Baskische taal
  1. baski
  2. baskilainen
pronoun
1. taal die wordt gesproken door de Basken
  1. baski
  2. baskin kieli
noun
1. geurige rijstzaden
basmatiriisi
noun
1. bassaxofoon
bassosaksofoni
noun
1. contrabasspeler
basisti
noun
1. een kind dat niet geboren is uit een wettig huwelijk
äpärä
noun
pataljoona
noun
1. een fijn, doorschijnend weefsel dat gemaakt kan zijn van linnen, wol, katoen, zijde of zelfs kunstzijde
batisti
noun
1. een elektrotechnisch component waarin elektrische energie is opgeslagen
  1. akku
  2. paristo
noun
1. eenheid van snelheid van informatieoverdracht van een datatransmissiekanaal (modem, telefoonlijn etc.)
baudi
noun
1. een mineraal dat een belangrijk erts van aluminium vormt. Bauxiet bestaat voor een groot deel uit aluminiumoxide...
bauksiitti
noun
1.
baijerinvanukas
noun
1. een aap met een korte staart en een vooruitstekende snuit
paviaani
pronoun
1. stad in Zwitserland
Basel
noun
hengityskone
noun
1. kleine hond van een bepaald ras
beagle
/bə.ʔˈɑnt.ʋɔːr.də(n)/
verb
1. de reactie op een vraag geven
avata
noun
Beat-sukupolvi
adjective
1. voorzien van een (lange) baard
  1. parraka
  2. parrakas
verb
1. met bomen bedekken
metsittää
adjective
1. brildragend
silmälasipäinen
noun
1. becijferde bas
kenraalibasso
verb
1. van commentaar voorzien
huomauttaa
noun
becquerel
/bɛd/, /bɛt/
noun
1. een meubel gemaakt om in te slapen
  1. vuode
  2. sänky
verb
1. erkentelijkheid tot uitdrukking brengen
kiittää
interjection
5. uitspraak om waardering en erkenning te tonen in dagelijks gebruik
kiitos
/bə'darə(n)/
verb
1. tot rust komen
  1. tyyntyä
  2. rauhoittua
noun
lakana
verb
1. iets over iets heen plaatsen zodat het niet zichtbaar is
peittää
noun
1. een persoon die vraagt om geld zonder daar iets voor te doen
kerjäläinen
verb
1. om een aalmoes vragen
kerjätä
adjective
1. dat iets kan verrotten of vergaan en daardoor niet meer bruikbaar of eetbaar is
pilaantuva
verb
    1. 2. verpesten, verknoeien
    2. 3. te veel verwennen
    hapantua
  1. 4. verrotten, oneetbaar worden
    mädätä
noun
1.
petikaveri
noun
1. iemand die een apparaat op een goede manier laat functioneren
koneenkäyttäjä
/bɛdleɣərəɣ/
adjective
1. niet in staat uit bed te komen
vuoteenoma
adjective
  1. 2. mogelijk op het punt staand van uitsterving
    erittäin uhanalainen
  2. 1. dreigend bejegend
    uhanalainen
verb
1. iemand met een mogelijk gevaar confronteren
uhkailla
adjective
taidokas
noun
1.
hämäys
adjective
erheellinen
/bəˈdrɛɪ̯f/, /bəˈdrɛːf/
noun
1. organisatie, samenspel van mensen en middelen om producten en of diensten te leveren
yritys
noun
1. de tak van wetenschap die het samenspel in organisaties en hun relatie met hun omgeving bestudeert
liiketaloustiede
verb
1. triest stemmen
tehdä murheelliseksi
verb
1. druppelsgewijs vochtig houden
valella
/bek/
noun
1. stromend watertje
  1. puro
  2. oja
noun
1. bepaalde ondersoort van vissen die voorkomt in stromend water, Salmo trutta fario
purotaimen
noun
1. zeldzaam visje dat inheems voorkomt in de Benelux, Lampetra planeri
pikkunahkiainen
noun
1. driedimensionaal kunstwerk
kuva
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Kuvanveistäjä
noun
1. een beoefenaar van de beeldhouwkunst
kuvanveistäjä
noun
kuvaruutu
/beːn/
noun
  1. 1. ledemaat waarop wordt gestaan en waarmee wordt gelopen
    1. jalka
    2. sääri
  2. 3. stof waaruit benen/botten bestaan
    luu
noun
1. een verkoper van vlees
teurastaja
noun
1. een sponsachtige, rode substantie die zich in het binnenste van beenderen bevindt
luuydin
/beːr/, /bɪːr/
noun
1. groot viervoetig zoogdier uit de familie Ursidae
karhu
noun
1. een put waarin fecaliën verzameld worden
likakaivo
/beːst/
noun
1. dier
peto
/beɪt/, /beːt/
noun
1. samenklemming tussen de kaken
puraisu
/ˈbeːtʃjə/
noun
1. kleine hoeveelheid
hieman
verb
1. het oraal bevredigen van een vrouw door haar geslachtsdelen te likken of met de tong te 'betasten'
nuolla vittua
noun
1. bepaald soort lijster, Turdus torquatus
sepelrastas
noun
1. verlangen
himo
/bə.ɣə.ˈlɛɪ̯.də(n)/, /bə.ɣə.ˈlɛː.də(n)/, /bə.χə.ˈlɛɪ̯.də(n)/
verb
1. vergezellen
saattaa
noun
1. personen die iemand vergezellen of bewaken
komppi
verb
1. een gift geven
antaa
/bəˈχɪn/
noun
1. het eerste deel
  1. alku
  2. alkaminen
verb
1. aanvangen
  1. alkaa
  2. aloittaa
noun
lähtöpaikka
noun
1. (plantk.) Begonia, een geslacht bloeiende planten uit de begoniafamilie
begonia
noun
1. een plaats waar overledenen begraven liggen
hautausmaa
noun
1. een ceremonie waarbij een overledene in een kist aan de aarde wordt toevertrouwd
hautajaiset
/bəˈɣrafənɪsɔndərˌnemər/
noun
1. Een persoon die de begrafenis van overledenen verzorgt
hautausurakoitsija
verb
  1. 1. iets onder de grond stoppen
  2. 2. een overledene begraven
  3. 3. iets wegstoppen
haudata
adjective
ymmärrettävä
/bə.χrɛɪ.pə(n)/
verb
1. met het verstand vatten
ymmärtää
noun
1. het verstaan of begrijpen van iets
ymmärrys
/bəˈɣrotɪŋ/
noun
1. raming van de te maken uitgaven voor de komende tijd
talousarvio
/beˈɦaː/
noun
1. een kledingstuk voor vrouwen dat de borsten ondersteunt
rintaliivit
preposition
1. met uitzondering van
paitsi
verb
  1. 3. medisch verzorgen
  2. 1. verwerken
  3. 2. bespreken, spreken of schrijven over
kohdella
noun
2. een handeling gericht op herstel
hoito
noun
1. ter versiering op de muur aangebrachte papieren bedekking
tapetti
verb
1. het bedekken van wanden met een laag papier
tapetoida
noun
1. een persoon om een bepaald geheel te regelen en te onderhouden of dit beroep
hallinnoija
verb
  1. 3. verstaan
  2. 1. meester zijn, het gezag uitoefenen
hallita
adjective
2.
jäntevä
/ˈbə'huftə/
noun
1. iets wat benodigd is
tarve
noun
varattomuus
/bəˈhuvə(n)/
verb
  1. 2. nodig hebben
    tarvita
  2. 1. moeten
    täytyy
adjective
1. iets niet verliezen
pysyä
adjective
auttavainen
pronoun
Baijeri
pronoun
1. taal gesproken door ten minste 12 miljoen mensen in Oostenrijk...
Baijerin kieli
adjective
  1. beige
  2. beesi
noun
1. gebak gemaakt van gefrituurd beslag dat ook wel gevuld kan worden met een vrucht, groente, vlees of vis zit
friteerattu
/bɛɪrut/
pronoun
1. hoofdstad van Libanon
Beirut
noun
1. een scherp stuk gereedschap met een wigvormige snede
taltta
verb
1. iets met een beitel (be)werken, met een scherp voorwerp steen bewerken
siselöidä
noun
  1. 5. deel van een bankschroef
    leuka
  2. 1. snavel van vogels
    nokka
adjective
1. vertrouwd
tuttu
noun
tuttavasuhde
verb
1. toegeven
tunnustaa
noun
1. een verklaring waarin men toegeeft een bepaalde daad gepleegd te hebben
tunnustus
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Malja
verb
1. tot een bepaald geloof overhalen
kääntyä
noun
dekantterilasi
noun
1. het (doen) overgaan van iemand tot een bepaald geloof.
käännyttäminen
noun
  1. 1. vrij ondiepe maar brede schaal
  2. 2. gebeente tussen beide heupen
  3. 3. (muziekinstrument) slaginstrument bestaande uit een metalen schaalvormige voorwerp
allas
noun
lantionpohja
verb
1. de nadruk leggen op iets
painottaa
verb
1. naar de top van iets, zoals een berg, klimmen
kavuta
verb
1. belonen voor uitmuntendheid
kruunata
verb
1. iemand agressief/intimiderend benaderen
kiusata
noun
1. iets wat belangrijk is voor een persoon
intressi
/bəˈlɑŋəlos/
adjective
2. uit liefdadigheid
puolueeton
noun
1. het zich inzetten voor iets dat belangrijk is voor iemand
kannattaminen
adjective
1. van grote betekenis
tärkeä
noun
1. de daad van het belasteren.
  1. herjaus
  2. kunnianloukkaus
  3. solvaus
noun
1. door de wet gedwongen betaling aan de overheid zonder individuele tegenprestatie
vero
noun
1. iemand die belasting betaalt
veronmaksaja
noun
verokeidas
verb
1. nare opmerkingen maken tegen of over een persoon
loukata
adjective
1.
loukkaava
noun
1. een krenking van iemands gevoel van eer of eigenwaarde
loukkaus
adjective
1. van goede omgangsvormen getuigend
kohtelias
/bəˈlɛx/
noun
1. langdurige uitsluiting van de buitenwereld door een vijandige strijdmacht
piiritys
verb
1. met een leger omsingeld houden
piirittää
verb
1. geld steken in een naar verwacht winstgevende onderneming
investoida
noun
1. een plan van aanpak voor het oplossen van problemen in de meest ruime zin
käytäntö
adjective
lukenut
noun
1. een stedelijke wachttoren met een stormklok
kellotorni
/bɛlx/, /bɛɫx/, /bɛɫχ/
noun
1. een staatsburger van België
belgialainen
/ˈbɛl.ɣɪs/, /ˈbɛɫ.ɣis/, /ˈbɛɫ.χis/
adjective
1. met betrekking tot België
belgialainen
pronoun
Belgian Kongo
/ˈbɛlɣijə/, /ˈbɛɫɣijə/, /ˈbɛɫχijə/
pronoun
Belgia
pronoun
1. de hoofdstad van Servië
Belgrad
/bɛlhaməl/
noun
1. een gecastreerd mannelijk schaap dat met een bel om zijn nek vaak de kudde leidt
kellokas
verb
1. een denkbeeld of gevoel vormgeven in iets tastbaars
ilmentää
noun
1. zichtbaar gemaakte vorm van een idee of begrip
ruumiillistuma
/bə.ˈlɪx.tə(n)/, /bə.ˈlɪχ.tə(n)/
verb
1. licht schijnen op iets
valaista
/be.ˈliː.zə/
pronoun
1. een Midden-Amerikaans land, en grenst aan Mexico in het noordwesten en Guatemala in het zuiden en westen. Aan het oosten grenst het aan de Caribische Zee
Belize
noun
1. tandwalvis die doorgaans bij volwassenheid melkwit van kleur is, Delphinapterus leucas
beluga
pronoun
1.
Belutšistan
noun
1. een ondelinge of schriftelijke verklaring waarin men iets belooft
lupaus
verb
1. een prestatie of goede daad met geld of anderszins erkennen
palkita
noun
  1. palkkio
  2. palkinto
verb
1. toezeggen dat iets gedaan zal worden
luvata
noun
soittoääni
noun
1. de personen die het benodigde werk aan boord van een schip of vliegtuig verrichten
  1. miehistö
  2. ryhmä
noun
1. de personen die het benodigde werk aan boord van een schip of vliegtuig verrichten
  1. miehistö
  2. ryhmä
verb
1. het toevoegen van meststoffen aan de aarde
lannoittaa
noun
1. iemand die zich bemoeit met zaken van anderen
touhuaja
adjective
1. te benaderen, makkelijk mee te praten
helposti lähestyttävä
verb
1. naartoe gaan en aanspreken
lähestyä
noun
2. gezichtspunt, de richting van waaruit men naar iets beschouwd .
lähestyminen
/ˈbɛn.də/
noun
1. een informeel georganiseerde groep mensen, meestal met kwade of misdadige motieven
katujengi
preposition
alapuoli
noun
1. je eigen benen als vervoersmiddel, te voet gaan, te voet ergens heen gaan
apostolinkyyti
pronoun
1. een taal die in Bangladesh en West-Bengalen gesproken wordt
bengali
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera tigris tigris
bengalintiikeri
adjective
luinen
adjective
1. dat iets de moeite waard is om benijd te worden
kadehdittava
/be.ˈnin/, /ˈbe.nɪn/
pronoun
1. een land in Afrika dat in het westen aan Togo grenst, in het noordwesten aan Burkina Faso, in het noordnoordoosten aan Niger in het oosten aan Nigeria. In het zuiden ligt het aan de Golf van Guinee
Benin
noun
bentseeni
/bɛn'zinə/
noun
1. een aardolieproduct bestaande uit een mengsel van alifatische koolwaterstoffen...
bensiini
noun
ammatinharjoittaja
verb
1. tot een oordeel komen over iets
arvioida
adjective
  1. määräinen
  2. määrätty
verb
  1. 2. vaststellen, voorschrijven, regelen
  2. 3. beslissend beïnvloeden
määrittää
noun
5. woordgroep die een van de delen van een zin nader bepaalt
adverbiaalilauseke
/bə.ˈpɛr.kɪŋ/
noun
1. iets dat ervoor zorgt dat de mogelijkheden beperkt worden
rajoittaminen
verb
puuteroida
pronoun
berberi
adjective
1. akkoord gaand, instemmend: bereid tot actie
halukas
noun
1. de afstand die afgelegd kan worden
ääniala
/bə'rɛɪkən/
verb
1. fysiek bij de andere kant aankomen
saavuttaa
/bə.ˈre.kə.nɪŋ/
noun
1. een numerieke uitwerking ergens van
laskeminen
/ˈberə(n)jɑxt/
noun
1. achter in het wild levende beren aangaan om ze te vangen of te doden
karhunmetsästys
/bɛrx/
noun
  1. 1. hoge terreinverheffing
  2. 2. een grote hoeveelheid
vuori
adjective
1. met bergen
vuoristoinen
noun
1. (fruit) een kleine, peervormige en zure citrusvrucht
bergamotti
noun
1. iemand die zich toelegt op het alpinisme
vuorikiipeilijä
noun
1. Tadorna tadorna, een forse bijna gansachtige eend
ristisorsa
noun
1. een soort geit die leeft op rotsachtige ondergrond in de bergen.
lumivuohi
noun
vuoristo-opas
/'bɛrxtɔp/, /'bɛrχtɔp/
noun
1. de top van een berg
vuorenhuippu
noun
1. ziekte veroorzaakt door een tekort aan vitamine B1 (thiamine)
beriberi
noun
berylli
noun
1. vrouwelijk dier van de berenfamilie, Ursidae
naaraskarhu
pronoun
1. de zeestraat tussen de Grote Oceaan en de Noordelijke IJszee
Beringinsalmi
pronoun
1. is de zee in het noordelijk deel van de Grote Oceaan
Beringinmeri
verb
1. streng zeggen dat het gedrag wordt afgekeurd
moittia
/bɛrk/
noun
1. een katjes dragende loofboom met witte bast
  1. koivu
  2. koivupuu
noun
berkelium
pronoun
  1. 1. de hoofdstad van Duitsland
  2. 2. een duitse deelstaat
Berliini
noun
2. een van de drie in de Benelux inheemse modderkruipers, Barbatula barbatula
kivennuoliainen
pronoun
1. eilandengroep in de Atlantische Oceaan
Bermuda
pronoun
1. de hoofdstad van Zwitserland
Bern
/bə'rumt/
adjective
1. onder velen bekend en bewonderd
kuuluisa
noun
2. iemand die bekend is bij een groot publiek
julkisuuden henkilö
noun
  1. 1. een bezigheid waarmee men de kost verdient
    ammatti
  2. 2. dringend verzoek om bijstand
    valitus
noun
1. dat deel van iemands leven dat te maken heeft met het werk dat men verricht
työelämä
noun
1. een acute beschadiging van de hersenen die veroorzaakt wordt door een bloeduitstorting in de hersenen
aivoinfarkti
noun
1. het betreuren van een eerdere kwalijke daad
katumus
/bəˈrilijʏm/
noun
1. een chemisch element en een donkergrijs aardalkalimetaal
beryllium
/bɛs/
noun
1. kleine vrucht
marja
adverb
1. vol met de neiging zich te verbergen voor anderen
häpeissään
verb
1. het toebrengen van schade
vahingoittaa
/bə.ˈsxa.vɪŋ/, /bə.ˈsχa.vɪŋ/
noun
1. de complexe maatschappij waarin veel van de mensen in steden leven en hun voedsel door middel van landbouw verkrijgen
  1. sivilisaatio
  2. sivistys
/bə'sxɛi(d)ə/
adjective
1. geen te hoge verwachtingen van zichzelf hebbend
vaatimaton
verb
1. er zo goed mogelijk voor zorgen dat er niets verkeerd gebeurt
suojella
noun
1. een heilige onder wiens bescherming een bepaalde persoon of groep staat
suojeluspyhimys
/bə.ˈsxɛr.mɪŋ/, /bə.ˈsχɛr.mɪŋ/
noun
1. een beveiliging
suojelu
/bə'sxɪkbar/
adjective
1. waarover beschikt kan worden
käsillä oleva
noun
1.e mogelijkheid om, indien nodig te kunnen beschikken over mensen, diensten of hulpmiddelen
vaihtoehto
adjective
1. onderhevig aan schimmelgroei
homeinen
verb
  1. 1. bekijken als
  2. 2. denken over
pitää jonakin
verb
1. in woorden uitdrukken
kuvailla
/bə.ˈsrɛɪ̯.vɪŋ/, /bə.ˈsxrɛɪ̯.vɪŋ/, /bə.ˈsxrɛː.vɪŋ/
noun
1. een op schrift gestelde kenmerken van iets of iemand
kuvaus
/bəˈsxʌldəgə/
verb
1. iemand de schuld geven van iets
syyttää
adjective
1.
syyttelevä
/bə.ˈsxʏl.di.ɣɪŋ/, /bə.ˈsxʏɫ.də.ɣɪŋ/, /bə.ˈsχʏɫ.də.χɪŋ/
noun
1. het aangeven dat iemand iets moreel of gerechtelijk verkeerds heeft gedaan
syyttäminen
verb
2. een paard van een hoefijzer voorzien
kengittää
noun
2. vloeibaar deeg
taikina
noun
1. gerechtelijke handeling waardoor iemand niet meer vrij over zijn eigendom kan beschikken
ulosotto
verb
vaania
adjective
1. niet in staat een besluit te nemen.
epävarma
adjective
1. blootgesteld aan een ziektekiem of radioactief materiaal
infektoitunut
/bə'smɛtələk/
adjective
1. het vermogen hebbend gemakkelijk van persoon op persoon overgedragen te worden
tartuntavaarallinen
/bəˈsnewt/
adjective
1. bedekt met sneeuw
lumessa
verb
1. de voorhuid van de penis wegsnijden
ympärileikata
/bəˈsnɛidənɪs/
noun
ympärileikkaus
/bə.ˈspre.kɪŋ/
noun
1. een mondeling overleg
keskustelu
verb
1. druppels van een vloeistof ergens over strooien
pirskottaa
pronoun
Bessarabia
verb
  1. 2.~ uit samengesteld zijn uit bepaalde delen
    koostua
  2. 1. daadwerkelijk in het universum voorkomen
    olla olemassa
noun
1. een verzameling van gegevens die een eenheid vormen
tiedosto
noun
1.
aterimet
verb
1. iemand iets wederrechtelijk ontnemen
varastaa
verb
1. afspreken dat goederen of diensten geleverd zullen worden
tilata
/bə.ˈstɛ.mɪŋ/
noun
1. het eindpunt van een route
kohde
noun
eläimeen sekaantuminen
/bəstɔrmə(n)/
verb
1. met een strijdmacht snel te voet een positie van de vijand trachten te overweldigen
rynnäköidä
noun
pölytys
noun
1. een geheel van systeemapplicaties dat de uitvoering van andere programma's bestuurt
käyttöjärjestelmä
/bəˈstyrdər/
noun
1. een persoon die een voertuig of andere machine bestuurt
  1. kuski
  2. kuljettaja
  3. ajaja
noun
1. de zitting waarop de chauffeur van een voertuig zit
kuljettajan istuin
noun
hallinto-oikeus
noun
1.
hallituksen kokous
adjective
1. niet te duur om te betalen
kohtuuhintainen
/bə.ˈta.kə.lɪŋ/
noun
1. een methode om het uitrafelen van de einden van een touw of lijn te voorkomen
rihmos
/bə.ˈtaː.lə(n)/
verb
1. geld (of andere zaken) geven aan iemand om de kosten te voldoen
maksaa
noun
1. iemand die betaalt
maksaja
/bə.ˈta.lɪŋ/
noun
1. het onderhandigen of overboeken van geld in ruil voor goed of dienst
maksu
noun
maksutase
verb
1. met de handen iemands lichaam op verschillende plaatsen aanraken
hipelöidä
verb
  1. 1. ergens voor staan
  2. 1. ergens toe doen
merkitä
noun
1. wat iets betekent, waar iets voor staat
merkitys
/ˈbe.tɔɫ.ˌχø.zə/, /ˈbe.təl.ˌɣø.zə/, /ˈbe.təɫ.ˌɣø.zə/
pronoun
1. de één na helderste ster in het sterrenbeeld Orion, na Rigel
Betelgeuze
/'beːtər/
adverb
paremmin
pronoun
1. stad in Judea, bekend als de geboorteplaats van Jesus
Betlehem
verb
2. een politieke demonstratie houden
  1. osoittaa
  2. demonstroida
noun
betonimylly
noun
1. vader van een overgrootouder
isoisoisoisä
verb
1. leedwezen tonen over iets
murehtia
/bətrørən'swardəx/
adjective
1. waard betreurd te worden
harmillinen
noun
osallistuminen
noun
luotettavuus
/bə.ˈtraʊ̯.bar.hɛɪ̯ds.ˌɪn.tər.ˌvɑl/, /bə.ˈtrɔʊ̯β̞.bar.ɦɛːts.ˌɪn.tər.ˌvɑɫ/, /bə.ˈtrʌʊ̯.bar.ɦɛɪ̯ts.ˌɪn.tər.ˌvɑɫ/
noun
1. een statistische intervalschatting voor een parameter
luottamusväli
noun
1. boomsoort
pyökki
adjective
1. hout van de beuk, een Europese hardhoutboom
pyökkinen
verb
1. ergens fors op slaan
rusikoida
noun
2. vrucht van de beuk, Fagus sylvatica
pyökinpähkinä
/bøːl/
noun
1. uitvoerder van lijfstraffen
pyöveli
noun
  1. 2. een houder voor munten en biljetten
    kukkaro
  2. 4. bijeenkomst waar producenten van een bepaald vakgebied meest nieuwe producten tentoonspreiden
    messut
  3. 1. het beursgebouw waar aandelen gekocht en verkocht worden
    pörssi
/bøːrt/
noun
1. gelegenheid of opdracht die bewust telkens aan een andere persoon uit en groep gegeven wordt
vuoro
adjective
1. breed, diep en stromingsarm genoeg om bevaren te worden
purjehduskelpoinen
verb
  1. 2. begrijpen
    käsittää
  2. 1. omvatten, in zich sluiten
    sisältää
verb
1. hard en heftig trillen
väristä
noun
1. benaming voor zoogdieren uit het geslacht Castor
majava
noun
1. Myocastor coypus, een schadelijk knaagdier, leeft vooral in moerassige omgeving
nutria
verb
1. zeggen dat iets is zoals gevraagd is of verondersteld wordt
konfirmoida
/bə.ˈvɛs.ti.ɣɪŋ(g)/, /bə.ˈvɛs.tə.ɣɪŋ/, /bə.ˈvɛs.tə.χɪŋ/
noun
1. het bevestigen, het mededelen aan iemand dat iets is zoals gevraagd is of verondersteld wordt
vahvistus
adjective
toimivaltainen
noun
1. alle inwoners van een bepaald land, staat of gebied gerekend
väestö
verb
2. aanmoedigen, promoten
edistää
/bə'vrizə(n)/
verb
1. door afkoeling in vaste toestand komen
jähmettyä
verb
1. iemand of een bevolking van gevangenschap of onderdrukking verlossen
vapauttaa
noun
1. persoon die andere bevrijdt
liberaattori
/bə.ˈvrɛɪ̯.dɪŋ/, /bə.ˈvrɛː.dɪŋ/
noun
1. het vrij maken van mensen die gevangen gehouden of onderdrukt worden
vapautus
adjective
1. door afkoeling in vaste toestand gekomen; volledig met ijs bedekt
jäädytetty
verb
1. vuil maken; verontreinigen
liata
noun
1. handeling waarbij men een goed van een ander ter bewaring aanneemt onder teruggaveverplichting
depositio
verb
1. toezicht houden op de veiligheid van iets of iemand
vartioida
/bə.ˈwaː.pə.nə(n)/
verb
1. iemand van wapens voorzien
aseistaa
/bə.ˈweː.ɣə(n)/, /bə.ˈʋe.χə(n)/, /bə.ˈβ̞e.ɣə(n)/
verb
1. van plaats veranderen
liikkua
/bə.ˈwe.ɣɪŋ(g)/, /bə.ˈʋe.χɪŋ/, /bə.ˈβ̞e.ɣɪŋ/
noun
  1. 1. in de staat verkeren waarin de locatie steeds verandert
  2. 2. van plaats/positie veranderen
  3. 3. een organisatie
liike
verb
1. iets met stelligheid verklaren waarvan het voor anderen niet duidelijk is of het waar is
väittää
/bə'wɛrkə(n)/
verb
  1. 1. veranderen om iets voor een of ander doel geschikt te maken
    mukauttaa
    1. 4. iets met een mes anders maken
    2. 2. een bestand of map wijzigen om voor een ander doel geschikt te maken
    muokata
verb
1. wierookdampen over iets of iemand aanbrengen
suitsuttaa
noun
1. datgene wat de juistheid van een bewering onweerlegbaar vast (kan) leggen
koe
adjective
todistettavissa oleva
/bəˈʋɔɫkt/
adjective
1. met wolken bedekt
pilvinen
verb
1. bekijken met respect
ihailla
adjective
1. wat het verdient bewonderd te worden
ihailtava
/bə.ˈwɔn.də.rɪŋ/, /bə.ˈʋɔn.də.rɪŋ/, /bə.ˈβ̞ɔn.də.rɪŋ/
noun
1. het bekijken met enig ontzag
ihailu
noun
1. iemand die in of op iets woont
asukas
/bə.ˈwo.nɪŋ/, /bə.ˈʋo.nɪŋ/, /bə.ˈβ̞o.nɪŋ/
noun
1. de permanente aanwezigheid van een bepaalde plaats
asuminen
/bə.ˈwoːr.dɪŋ/, /bə.ˈʋo̝ːr.dɪŋ/, /bə.ˈβ̞oːr.dɪŋ/
noun
1. een beschrijving in woorden
sanamuoto
/[bəˈʋɵst]/
adjective
1. iets waarvan kennis is genomen
tietoinen
/bəw'ɤstəlos/
adverb
1. in een toestand waarin men het bewustzijn voor de omgeving is verloren
tajuton
noun
1. de staat van het bewusteloos zijn
tajuttomuus
/bə'wɤ(st)sɛin/
noun
1. een toestand waarin men gewaarwordingen uit zijn omgeving ondergaat
tietoisuus
abbreviation
1. de achterste mast van een zeilschip
mesaani
noun
1. voorwerp om stof en vuil bij elkaar te vegen
  1. luuta
  2. katuharja
adjective
1. gedomineerd door de aanwezigheid van...
miehitetty
adjective
1. onder de invloed van een boze geest zijn
riivattu
verb
1. in gebruik nemen
miehittää
noun
1. iemand die bezet, meer in het bijzonder de bezetter van een overwonnen natie in oorlogstijd
miehittäjä
/bə.ˈzɛ.tɪŋ/
noun
1. toestand waarbij het grondgebied van een land wordt bestuurd door een ander land
miehitys
adjective
1. interessant om naar te kijken
näkemisen arvoinen
noun
1. een plaats die of een voorwerp dat door velen bezocht en bekeken wordt
nähtävyys
/bezəx/
adjective
1. aan het werken
kiireinen
noun
2. het houden van een goed voor zichzelf
hallinta
/bə'zɪtə(n)/
verb
1. iets in eigendom hebben
omistaa
noun
1. de persoon die het bezit van iets heeft
haltija
noun
1. dat wat iemand in eigendom heeft, dat wat van iemand is
omaisuus
noun
1. het bezoeken
käynti
/bəˈzukə(n)/
verb
1. bij iemand langsgaan of langskomen
käydä
noun
1. een persoon die iemand of iets bezoekt
kävijä
adjective
1. met zorgen beladen
ahdistunut
noun
1. moeilijkheid, bedenking
vastalause
adjective
1. met zweet op de huid
hikinen
verb
1. zwichten
antaa periksi
verb
1. tot een afsluiting brengen
  1. päättyä
  2. lopettaa
/bəˈɪnvludə(n)/
verb
1. iemand of iets proberen te veranderen, invloed nemen op
vaikuttaa
/bu.ˈtan/, /bu.ˈtɑn/
pronoun
1. een land in Azië dat in de Himalaya ingeklemd ligt tussen China, Tibet en India. Het zuidelijke gedeelte van Bhutan ligt op het Indisch subcontinent
Bhutan
pronoun
Biafra
noun
1. een skisport waarbij de deelnemers op bepaalde punten in een langlaufcircuit met een geweer...
ampumahiihto
noun
1.
kirjastoauto
/ˌbiblijote'kaːrɪs/
noun
1. beheerder van een bibliotheek
kirjastonhoitaja
/bib(l)ijo'tek/
noun
1. een plaats waar boeken verzameld staan
kirjasto
noun
bikarbonaatti
noun
  1. 1. tweehoofdige spier
  2. 1.2 spier in de bovenarm
hauis
verb
1. in gebed zijn, een godheid iets vragen
  1. rukoilla
  2. anoa
noun
1. soort van aan de muur bevestigde kom of bak voor het met behulp van water reinigen van de geslachtsdelen, billen en anus na gebruik van het toilet, of om de voeten te wassen
bidee
noun
1.
juomapullo
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Mantodea
rukoilijasirkka
noun
1. de erkenning van zonden aan een geestelijke
rippi
noun
1. de verplichting om datgene wat de priester tijdens de biecht verneemt geheim te houden
rippisalaisuus
noun
1. een meubelstuk dat bedoeld is voor het aanhoren en afleggen van de biecht
rippituoli
noun
1. een priester die biechten afneemt
rippi-isä
noun
1. dunne lap vlees van de bovenbil van een rund
pihvi
noun
1. alcoholische drank die bereid is uit gefermenteerde mout
  1. olut
  2. kalja
  3. mallasjuoma
noun
1. vette buik
kaljamaha
noun
leivinhiiva
noun
1. een glas dat speciaal ontworpen is om bier uit te drinken
olutlasi
noun
1. en 2. (groene sprietjes van) looksoort Allium schoenoprasum
  1. ruohosipuli
  2. käärmeenlaukka
/bist/
noun
1. colostrum van koe
ensimaito
noun
  1. juurikas
  2. punajuuri
  3. punajuurikas
  4. lehtijuurikas
  5. lehtimangoldi
  6. sokerijuurikas
noun
bifobia
/bɪx/, /bɪχ/
noun
1. een jong van het varken
porsas
/bɛɪ̯/
noun
1. benaming vliegende insecten uit het geslacht Antophila
mehiläinen
noun
1. (de heilige tekst van) het heilige boek der christenen
Raamattu
noun
1. een exemplaar van de originele Bijbel
  1. Raamattu
  2. raamattu
verb
1. zorgen dat men niet achterblijft bij de voortgang van iets
pysyä mukana
/ˈbɛːdraʝə/, /ˈbɛːɪdraɣə/
noun
1. iemands aandeel
lisä
verb
1. een aandeel leveren
antaa osansa
/bɛi'embrɛŋə(n)/
verb
1. bij elkaar brengen
kerätä
noun
1. benaming voor veelkleurige en insectenetende vogels die...
mehiläissyöjä
noun
1. kunstmatige behuizing waarbinnen een bijenvolk zijn raten kan bouwen, oorspronkelijk in de vorm van een gevlochten korf
mehiläispesä
/ˈbɛɪ̯.ɣə.ˌlof/, /ˈbɛɪ̯.χə.ˌlof/, /ˈbɛː.ɣə.ˌlof/
noun
1. een geloof in iets extra's en onnatuurlijks
taikausko
adjective
1. iemand die gelooft in bijgeloof
taikauskoinen
/bɛɪˈkɑns/
adverb
  1. melkein
  2. lähes
/bɛɪ̯l/, /bɛːɫ/
noun
1. hakwerktuig met een smalle snee en een lange steel die vooral voor het kappen van bomen gebruikt
kirves
/'bɛɪ.na/
adverb
1. op zo'n manier dat het niet veel scheelt of iets is zo
  1. melkein
  2. lähes
abbreviation
1.
kuolemanrajakokemus
noun
1. breed bekende, niet-officiële naam van een persoon, een groep van personen of een zaak
lempinimi
noun
lisämunuainen
/ˈbɛi̯tə(n)/
verb
1. iets afsnijden of afscheuren door tanden tegen elkaar te duwen
  1. purra
  2. haukata
noun
1. een werkwoordswijs waarmee men een wens of onzekerheid tot uitdrukking kan brengen.
  1. konjunktiivi
  2. subjunktiivi
/bɛɪ̯ˌvuχlək ˈnamʋo̞rt/, /bɛːˌvuxlək ˈnamβ̞oːrt/, /ˌbɛɪ̯vuɣ(ə)lɪk ˈnaːmwoːrd/
noun
1. een woordsoort die wordt gebruikt om een eigenschap of hoedanigheid van...
adjektiivi
noun
1. Artemisia vulgaris, een plant uit de composietenfamilie Asteraceae
pujo
abbreviation
1. als voorbeeld, om tot voorbeeld te dienen
esimerkiksi
/bɛiʋɛrkɪŋ/
noun
sivuvaikutus
noun
1. een woord dat een bijvoeglijk naamwoord, een werkwoord, een telwoord of een ander bijwoord nader bepaalt
  1. adverbi
  2. seikkasana
/bɛizɪn/
noun
1. een deel van een uiting dat een ondergeschikte rol speelt ten opzichte van de hoofdzin
sivulause
noun
1. tweedelige zwemkleding voor de vrouw
  1. bikini
  2. bikinit
noun
1. elk van beide lichaamsdelen gevormd door de grote spieren die het bekken ...
pakara
adjective
1. aan twee kanten, in twee richtingen (buitenkanten)
bilateraalinen
noun
1. spel
biljardi
noun
1. gladde, massieve en vrijwel perfect bolvormige bal gebruikt in het biljartspel
biljardipallo
noun
1. een stuk van staatswege uitgegeven papier waaraan geldswaarde is toegekend
seteli
cardinalNumeral
1. 1.000.000.000.000
biljoona
noun
1. bepaald soort inheemse gifplant, Hyoscyamus niger
hullukaali
verb
1. vastmaken (evt. figuurlijk)
sitoa
noun
sidos
noun
sidosaine
noun
1. en 2. (bladeren van) sla met een stevige rechte krop
roomansalaatti
/ˈbɪntˌʋeːf.səl/
noun
1. weefselsoort dat dient ter ondersteuning en verbinding
sidekudos
interjection
1. een uitroep gebruikt door spelers van bingo om aanspraak te maken op een overwinning
bingo
noun
1. kansspel
bingo
preposition
sisällä
/ˈbɪnənˌbɑnt/
noun
1. binnenste band, de band waarin de lucht aanwezig is
sisäkumi
verb
1. ergens in gaan
astua
noun
binnenoor
sisäkorva
adjective
1. met meest aan de binnenkant gelegen
sisimmäinen
/ˈbɪnə(n)ˌstɑt/
noun
1. een, meestal oud, stadscentrum
keskusta
noun
povitasku
noun
bioenergia
noun
1. een wetenschapper die de biochemie beoefent
biokemisti
/'bioˌxemi/
noun
1. de wetenschap die de chemische processen van het leven op moleculair niveau bestudeert
biokemia
adjective
1. met betrekking tot de chemische omzetting van stoffen in levende wezens
biokemiallinen
/bio:sidə/
noun
biosidi
noun
1.
biodiesel
/ˈbiodivɛrsiˌtɛɪt/
noun
1. soortenrijkdom, het aantal verschillende diersoorten
biodiversiteetti
noun
1. levensbeschrijver
elämäkerran kirjoittaja
noun
elämäkerta
adjective
elämäkerrallinen
/ˌbiʲoloˈɣi/, /ˌbiʲoloˈχi/
noun
1. wetenschap van de levende wezens, levensvormen en levensverschijnselen
biologia
/ˌbijo'loːɣis/
adjective
  1. 1. te maken hebbend met de biologie
  2. 2. van gelijke afstamming
  3. 3. van dier en plantvriendelijke landbouw en veeteeld
biologinen
/ˌbioˈlox/, /ˌbioˈloχ/
noun
1. een wetenschapper die de biologie beoefent
biologi
noun
biomassa
noun
1. gebouw waarin mensen in stoelen naar een film geprojecteerd op een groot scherm kunnen kijken
elokuvateatteri
noun
biosfääri
noun
1. een gebied met een uniform landschapstype waarin bepaalde organismen kunnen gedijen
biotooppi
pronoun
1. een taal die in Myanmar gesproken wordt, een minderheidstaal in Bangladesh, Maleisië en Thailand is...
burma
/bis/
noun
1. verhoogde toon b
his
noun
1. middelgroot waterbewonend zoogdier
piisami
adjective
1. nieuwsgierig naar een relatie of seksuele activiteit met een persoon waarvan het geslacht niet hun voorkeur heeft
bi-utelias
/ˈbɪzdɔm/
noun
1. kerkrechtelijk afgebakend gebied dat onder de bevoegdheid van een bisschop staat
hiippakunta
noun
biseksuaalisuus
/bisɛksye:l/
adjective
1. seksueel gericht op beide geslachten
biseksuaali
pronoun
1. streek en provincie van Spanje rond de stad Bilbao
Vizcaya
pronoun
1. de taal die naast Engels en Frans in de staat Vanuatu wordt gesproken
bislama
noun
vismutti
/bɪsxɔp/
noun
1. een christelijke geestelijke die aan het hoofd staat van een bisdom
piispa
/bɪt/
abbreviation
1. in de informatica en de computertechnologie de kleinste eenheid van informatie
bitti
noun
bitcoin
adverb
1. een vaak als onaangenaam ervaren smaak, niet behorend tot zout, zuur of zoet
  1. karvas
  2. katkera
  3. kitkerä
/ˈbɪtərkrœʏt/
noun
1. naam voor planten uit het geslacht Picris
kitkerö
noun
1. bepaalde vissoort die voorkomt in schoon stilstaand of langzaam stromend water Rhodeus amarus
  1. katkerokala
  2. amurinkatkerokala
noun
1. een viskeuze vloeistof die van nature voorkomt als de minst vluchtige fractie van ruwe aardolie
bitumi
adjective
eriskummallinen
noun
1. Noord-Amerikaans zoogdier, Bison bison
biisoni
noun
1. hol orgaan dat gevuld is met een hoeveelheid gas en/of vloeistof
rakko
noun
1. een luchtzak die samengedrukt kan worden om een sterke luchtstroom te veroorzaken
palkeet
noun
1. een muziekinstrument waarvan de klank wordt voortgebracht door een luchtstroom
puhallinsoitin
noun
  1. 1. plat, groen onderdeel van planten
  2. 2. vel papier
lehti
noun
1. een deegsoort die in rechthoekige plakken wordt gebruikt
voitaikina
adjective
zonder bladeren
lehdetön
noun
1. een dun folie van goud dat wordt gebruikt voor decoratieve doeleinden
lehtikulta
/blɑt'xrun/
noun
lehtivihreä
/ˈblɑdɣrunˌkɔrəl/
noun
1
viherhiukkanen
noun
1. een schadelijk klein insect dat zich voedt met het sap van jonge plantenscheuten...
kirva
noun
lehtikanta
noun
1. hulpmiddel om bij te houden waar iemand is tijdens het lezen van een boek
kirjanmerkki
/ˈblɑtsɛidɚ/
noun
1. elk van de beide zijden van een blad papier in boek, krant of tijdschrift
sivu
verb
1. geluid maken dat kenmerkend is voor een hond
haukkua
noun
1. een afgang veroorzaakt door eigen falen
häpeä
verb
1. het gedurende zeer korte tijd in kokend water gaar laten worden van voedingsmiddelen, zodat geur, smaak en uiterlijk optimaal behouden blijven
kaltata
/blɑŋk/
adjective
1. met lichte huidskleur
valkoinen
noun
1. iemand met een van nature bleke (pigmentarme) huid
valkoihoinen
noun
1. bepaald soort zoetwatervis, Rutilus rutilus
särki
/ˈblatə(n)/
verb
het geluid van een schaap maken
määkiä
/blʌʊ/
adjective
1. de kleur blauw hebbend
sininen
/blʌʊ/
noun
1. primaire kleur die zich in het spectrum bevindt tussen cyaan en violet
  1. sininen
  2. sini
pronoun
Ritari Siniparta
noun
1. bepaald soort visje van maximaal 11 cm dat van oorsprong uit Azië komt, Pseudorasbora parva
saharasbora
noun
1. bepaald soort lijsterachtige, Luscinia svecica
sinirinta
/blɑudrʏk/
noun
1. een directe fotografische kopie in witte lijnen op een achtergrond van Pruisisch blauw
sinikopio
noun
1. Vaccinium corymbosum, een plant uit de heifamilie Ericaceae
pensasmustikka
noun
1. bepaald soort vaste plant, Vaccinium myrtillus
mustikka
noun
1.
sulkakoipikorento
noun
1. witte kraaiachtige met lavendelblauw verenkleed op de rug en kop Cyanocitta cristata
sinitöyhtönärhi
noun
1. bepaalde soort roofvogel uit de familie van de arendachtigen, Circus cyaneus
sinisuohaukka
noun
1. bepaald soort grote vogel, Ardea cinerea
harmaahaikara
noun
1. Balaenoptera musculus, een baleinwalvis, de grootste van alle walvisachtige
sinivalas
noun
1. bepaald soort vaste plant, Eryngium maritimum
meripiikkiputki
/ˈblʌʊəχ/, /ˈblʌːβ̞əx/
adjective
2. op blauw lijkend
sinertävä
noun
1. bepaald soort karperachtige riviervis Vimba vimba
vimpa
adjective
1. met blauwe ogen
sinisilmäinen
noun
1. bepaald soort groenblijvende boom met scherp gepunte naalden uit de Rocky Mountains, Picea pungens
oksakuusi
noun
sinihappo
noun
1.
sinirautamehilainen
/'bla.zə(n)/, /'ble.zə(n)/
verb
1. een luchtstroom veroorzaken
puhaltaa
adjective
1. gering van kleur
kalpea
noun
1.
kalpeus
noun
valkaisuaine
noun
1. ontsteking van een ooglid
blefariitti
verb
1. witter of lichter doen worden
valkaista
/blɛi̯/
adjective
iloinen
noun
1. een aangename stemming
iloisuus
noun
1. opvanghuizen voor vrouwen, kinderen en tegenwoordig ook mannen die slachtoffer zijn van of bedreigd...
turvakoti
verb
ilmestyä
/blɛ.və(n)/
verb
1. niet veranderen
jäädä
noun
2.1 cilindervormig luchtdicht afgesloten vaatje van dun metaal
  1. säilykepurkki
  2. säilyketölkki
/blɪksəm/
noun
1. de lichtgevende stralen die uit de hemel barsten bij onweer
salama
adjective
1. niet in staat te zien
sokea
noun
1.
sokkotreffit
noun
1. over de ogen gebonden reep ondoorzichtige stof om het zien te verhinderen
silmäside
noun
umpisuoli
/'blɪndɦɛɪt/
noun
1. een toestand waarin men niet in staat is te zien
sokeus
noun
1. rood lichaamsvocht in aderen
veri
noun
1. het gesloten systeem van hart en vaten waardoor bloed stroomt
verenkierto
noun
veripankki
/'bludbrudər/
noun
1.
veriveli
noun
verisolu
adjective
1. vooral van de ogen dat er bloedvaatjes op het oogwit te zien zijn (door huilen, ouderdom of ontsteking)
verestävä
noun
verenpaine
verb
1. het vloeien van bloed
vuotaa verta
noun
veriryhmä
noun
1. Brits hondenras met grote kop, lange hangende oren en een lange staart
vihikoira
noun
verenvuoto
noun
verikoe
noun
1. de vloeistof van het bloed waar geen bloedlichaampjes meer in zitten maar nog wel stollingseiwitten
verineste
noun
1. onderzoek van bloed met name naar de aanwezigheid van alcohol of drugs
verinäyte
adjective
1. rood als de kleur van bloed
verenpunainen
noun
verenkierto
noun
verensokeri
noun
verensiirto
noun
1. een bloedader
verisuoni
noun
vergiftiging door ziekteverwekkende bacteriën in het bloed
verenmyrkytys
noun
1. het genetisch aan elkaar verwant zijn
veriheimolaisuus
/'blutʋɔrst/
noun
1. vleeswaar vervaardigd van het bloed en het vet van een varken
mustamakkara
noun
verikosto
noun
1. een worm die bloed zuigt uit mens en dier
iilimato
verb
1. het dragen van open, actieve bloeiwijzen
kukkia
noun
  1. 2. fijngemalen poeder, meestal van granen
    fauhot
  2. 1. een deel van plant met zaden
    kukka
noun
1. een tuin met veel bloemen
kukkatarha
noun
1. bloemenverkoper
kukkakauppias
noun
1. een kool met vlezige bleekgele bloemstengels die als groente gegeten wordt
kukkakaali
noun
antologia
noun
1. pot waarin men een plant kweekt
kukkaruukku
noun
paašikampaus
noun
1. kledingstuk
paita
noun
1.
bloggaaja
noun
bloggari
noun
  1. 1. een vaak hoekig massief stuk materiaal
  2. 3. een onderdeel van een fluit
kortteli
noun
1. een eenvoudig houten blaasinstrument
nokkahuilu
noun
saarto
noun
1. een werktuig om hout glad, vlak of dunner te maken
höylä
/blɔnd/, /blɔnt/
adjective
1.
vaalea
noun
1. cocktail van wodka en tomatensap
bloody mary
adverb
paljas
verb
1.in aanraking doen komen met
valottaa
verb
rood worden in het gezicht, bijvoorbeeld van verlegenheid of schaamte
punastua
noun
1.
palovene
/blɵt/
adjective
1. geen geld meer hebbend
auki
noun
1. zeer grote wurgslang
boa
verb
1. een sport waarbij een bochtig ijsparcours wordt afgelegd in een bestuurbare slee
rattikelkkailu
noun
  1. 1. gebogen weg of pad
    kaarre
  2. 2. een brede baai aan de kustlijn
    lahti
noun
tarjous
noun
1. een onderkant
pohja
/ˈbodəmˌkʏndə/
noun
maaperätiede
noun
1. bodhran
bodhrán
noun
1. kort, warm jasje zonder mouwen
toppaliivi
interjection
buu
pronoun
1. de hoofdstad van Hongarije
Budapest
pronoun
Buddha
noun
1. volger van de leer van Boeddha
buddhalainen
noun
1. de voorkant van een schip
keula
noun
1. een beeld dat ter versiering aangebracht werd op de voorsteven van een schip
keulakuva
noun
1. uitstekend rondhout aan de voorsteven van een zeilschip
  1. keulapuomi
  2. kokkapuu
noun
1. een drijvend en verankerd voorwerp om de vaargeul in ondiepe wateren aan te geven
  1. poiju
  2. reimari
/bujə(n)/
verb
1. kluisteren
kahle
noun
1. een ingebonden bundel bedrukte of beschreven vellen papier
kirja
pronoun
1. de hoofdstad van Roemenië
Bukarest
noun
kirjansitoja
/ˈbuɡdel/
noun
1. drukwerk dat zoveel bladzijden heeft dat het in aparte band kan worden gebonden, maar waarvan de inhoud onderdeel is van een groter werk
nide
noun
1. de in de 15de eeuw ontwikkelde kunst om teksten door middel van een drukpers te vermenigvuldigen
kirjapainotaito
/ˈbukən/
verb
1. reserveren van bijvoorbeeld een hotelkamer
  1. varata
  2. tehdä
  3. varaus
/ˈbu.kə.ˌkɑs/, /ˈbu.kə.ˌkɑst/
noun
1. een kast voor de opslag en het laten zien van boeken
  1. kirjahylly
  2. kirjakaappi
noun
1. hulpmiddel dat ervoor zorgt dat boeken rechtop blijven staan op een niet geheel gevulde boekenplank
kirjatuki
noun
1. boekwinkel
kirjakauppa
noun
1. iemand die de inkomsten en uitgaven van een organisatie bijhoudt
kirjanpitäjä
noun
bijhouden van gegevens
kirjanpito
/ˈbu.klɔŋ(g)/, /ˈbu.klɔŋ/
noun
1. een long die gestapeld en gevouwen is in weefsel, zo dat de gevouwen...
kirjakeuhko
noun
satakerta
noun
kirjarovio
noun
1. en 2. (gepelde zaden van) plant Fagopyrum esculentum
  1. tattari
  2. viljatar
noun
fijn gemalen zaden van boekweit
tattarijauho
noun
1. geplette granen van Fagopyrum esculentum
tattarihiutale
/ˈbuk.wɪŋ.kəl/, /ˈbuk.ʋɪŋ.kɔɫ/, /ˈbuk.β̞ɪŋ.kəɫ/
noun
1. een winkel waar boeken verkocht worden
kirjakauppa
/bumɑn/
noun
1. een denkbeeldig wezen dat als schrikbeeld dient
mörkö
noun
1. een gebogen werpstok die de neiging heeft terug te keren naar de werper
bumerangi
/buːr/
noun
1. landbouwer
maanviljelijä
noun
1. een woning met bedrijfsruimte van een boer
maatila
/buːrən/
verb
3. een boer laten
röyhtäistä
/burə'kol/
noun
1. en 2. (gekrulde bladeren van) bladgewas (kool)
lehtikaali
noun
1. de klasse van de boeren
maalaisköyhälistö
noun
1. bepaald soort samengesteldbloemige plant Tanacetum vulgare
pietaryrtti
/ˈburə(n)ˈzwalyw/
noun
1. een kleine trek- en zangvogel
haarapääsky
noun
1. het gehele lichaam, inclusief gezicht en ogen, verhullend gewaad gedragen door (streng) islamitische vrouwen
burka
noun
burkini
noun
1.
burnuusi
noun
boutique
noun
1.
rinta
/bɔf/
noun
2. ziekte
sikotauti
pronoun
1. historische landstreek in de Tsjechische Republiek
Böömi
noun
1. scheikundig element met symbool Bh en atoomnummer 107
bohrium
/ˈbɔkə(n)/
verb
2. (van paarden) de achterhand in de lucht gooien
vikuroida
noun
1. gerookte en gezouten haring
savusilli
pronoun
1. meest gebruikte schrijfwijze van het Noors
kirjanorja
noun
1. een gevechtswapen bestaande uit een stuk ijzer dat men gebruikt om mee te slaan
nyrkkirauta
noun
1. een tactische vechtsport
nyrkkeily
noun
1. handschoen gedragen tijdens het boksen
  1. nyrkkeilyhansikas
  2. nyrkkeilyhanska
noun
straalvinnige vis (Boops boops) uit de familie van zeebrasems
boga
noun
1. een driedimensionaal rond lichaam zie sfeer
pallo
noun
1. een helder oplichtend bolvormig object met een diameter van maximaal 40 centimeter, dat soms waargenomen wordt in de buurt van een blikseminslag en dan gedurende meerdere seconden zichtbaar is
pallosalama
noun
1. Agrostemma githago
aurankukka
noun
1. een vierwielige ongemotoriseerde bak die wordt voortgetrokken aan een hendel vooraan
kärry
noun
1. hoed
knallihattu
/boˈlivi.ja/
pronoun
1. een republiek in Zuid-Amerika die grenst aan Peru, Brazilië, Paraguay, Argentinië en Chili
Bolivia
pronoun
1. een stad in Italië
Bologna
noun
1. lid van een factie van de marxistische Russische Sociaaldemocratische Arbeiderspartij (RSDAP) die zich ...
bolševikki
noun
bolševismi
/bɔm/
noun
1. vernietigingstuig dat gevuld is met explosieven
pommi
noun
1. auto geladen met explosieven gebruikt als wapen bij terroristische aanslagen
autopommi
noun
1. beschieting met bommen, het werpen van bommen
pommitus
verb
1. bommen of andere projectielen afvuren op iets of iemand
pommittaa
noun
1. een brief die explodeert wanneer men hem opent
kirjepommi
noun
1. een mededeling dat er een bom gaat ontploffen
pommiuhka
noun
1. een militair vliegtuig dat is ontworpen voor het werpen van bommen op gronddoelen
pommittaja
pronoun
1. eiland in het zuidelijke gedeelte van de Caraïbische Zee
Bonaire
pronoun
1.
liittopäivät
noun
kynteli
noun
1. Pan paniscus, een mensaap, staat samen met de chimpansee van alle diersoorten...
  1. kääpiösimpanssi
  2. bonobo
/bɔnt/
adjective
1. met veel verschillende felle kleuren
kirjava
noun
1. bepaalde vogelsoort uit de familie van plevieren, Charadrius hiaticula
tylli
noun
turkki
noun
1. overgebracht bericht
sanoma
noun
(huishouden) lijst waarop staat welke inkopen gedaan moeten worden
ostoslista
noun
1. een tas waarin men de boodschappen kan doen bij het winkelen
kauppakassi
noun
  1. 1. wapen
    1. jousi
    2. kaari
    1. 2. cirkelboog
    2. 3. deel van bouwwerk
    kaari
noun
holvisilta
noun
1.
kaarilamppu
noun
1. een sport waarbij pijlen worden weggeschoten naar een doel met behulp van een boog
jousiammunta
pronoun
2. teken van de dierenriem van 22 november tot 22 december
Jousimies
noun
1. iemand die schiet met een boog
  1. jousiampuja
  2. jousimies
noun
1. meerjarige plant met houten stam
puu
noun
1. een stuk grond met vruchtbomen
hedelmätarha
/ˈbom.ɣrɛns/, /ˈbom.χrɛns/
noun
1. een grens waarboven geen bomen meer groeien
puuraja
/ˈbom.kɑn.ɣə.ru/, /ˈbom.kɑn.χə.ru/
noun
1. een dier uit het geslacht der boomkangoeroes
puukenguru
noun
1. Hyla arborea, klein kikkertje dat zich in bomen en heesters kan begeven
lehtisammakko
noun
1. bepaald soort vogeltje, Sitta europaea
pähkinänakkeli
/ˈbom.leː.β̞əˌrɪk/, /ˈbom.lɪː.β̞əˌrɪk/
noun
1. een vogelsoort die inheems is in Nederland en België
kangaskiuru
/ˈbom.mɑr.tər/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Martes martes
mäntynäätä
/ˈbom.pi.pər/
noun
1. een vogelsoort die inheems is vrijwel geheel europa
metsäkirvinen
/'bomslɑŋ/
noun
2. bepaald landdier zonder poten Dispholidus typus
boomslang
noun
1. een rechtop gaande houten schacht van een boom
puun runko
noun
1. kleine sierlijke valk, familie van de torenvalk, Falco subbuteo
nuolihaukka
noun
1. zaadje uit de peulvrucht van enige vlinderbloemige planten,...
papu
noun
  1. A. rond zijn as ronddraaiend werktuig om gaten mee te maken
    pora
  2. B. chemisch element en een zwart metalloïde
    boori
noun
poranterä
/ˈbormɑˌʃinə/
noun
1. machine om te boren
pora
/boʊs/, /boːs/
adjective
1. kwaad, woedend
vihainen
/boʊt/, /boːt/
noun
1. klein vaartuig
vene
noun
laivamatka
noun
1. een rang gelijk aan sergeant bij de marine en de hoogste onderofficier bij de koopvaardij
pursimies
/bɔRd/, /bɔrt/
noun
  1. [1] Schijfvormig voorwerp
    lautanen
  2. 2. Vlak voorwerp aan een muur
    liitutaulu
noun
1. een huis waarin tegen betaling seksuele diensten worden aangeboden
bordelli
noun
lautapeli
verb
1. met naald en draad versieringen aanbrengen op een stuk weefsel
kirjailla
noun
1. iets wat men geborduurd heeft op aan het borduren is
kirjontatyö
verb
1. met een werktuig dat om zijn as draait een gat in iets maken
  1. porata
  2. kairata
noun
1. iemand die garant staat voor een eventueel te betalen bedrag
takaaja
/'bɔrxsɔm/
noun
1.
takuu
noun
1. overeenkomst waarbij een borg zich garant stelt
takaus
noun
1. een chemisch element en een zwart metalloïde
boori
pronoun
Borneo
noun
1. drankje
viina
noun
2. elk van de twee vooruitstekende klieren bij vrouwen waaruit zich de moedermelk afscheidt
rinta
noun
plat been waaraan de ribben aan de voorzijde vastgehecht zijn
rintalasta
noun
1. schoonmaakgereedschap met bos haren
harja
verb
1. schoonmaken met behulp van een borstel
harjata
noun
1. geraamte van de borst
rintakehä
noun
1. ingreep waarbij de vrouwenborst operatief wordt verkleind
rintojen pienennysleikkaus
noun
1.
rintaevä
noun
imetys
noun
1. een groep bomen
metsä
noun
ahomansikka
noun
valkovuokko
noun
1. Calopteryx virgo, een bepaald soort van de beekjuffers.
neidonkorento
noun
  1. 2. plant Vaccinium myrtillus
    1. mustikka
    2. kangasmustikka
  2. 1. en 3. plant, en bessen, uit geslacht Vaccinium
    puolukat
/ˈbɔsbɑuw/
noun
1. het systematisch bosbeheer (teelt en verzorging van bossen) voor de productie van hout
metsätalous
noun
1. brand van of in een bos
metsäpalo
/ˈbɔsnis/, /ˈbɔsnɪs/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Bosnië
bosnia
/ˈbɔsni.jə ɛn ˌhɛrtsəɣoˈviːna/, /ˈbɔsni.jə ɛn ˌɦɛrtsəɣoˈvina/, /ˈbɔsni.jə ɛn ˌɦɛrtsəχo(ʊ̯)ˈvina/
pronoun
1. republiek in het zuidoosten van Europa die ontstaan is bij het uiteenvallen van het voormalige Joegoslavië
Bosnia ja Hertsegovina
pronoun
1. zeestraat tussen de Zee van Marmara en de Zwarte Zee
Bosporinsalmi
noun
luhtakerttunen
noun
bossa nova
noun
lehto
noun
1. Sorex araneus, een dier in de familie van de spitsmuizen
metsäpäästäinen
noun
1. jonge, onvolgroeide geboste ui met blad
vihersipuli
noun
1. bepaald soort vogel, Strix aluco
lehtopöllö
noun
1. een beheerder van een boswachterij
metsänhoitaja
noun
1. bepaald soort loofboom Salix caprea
raita
noun
  1. 1. platvis
    kampela
  2. 3. onderdeel van het skelet
    luu
/ˈbotər/
noun
1. zuivelproduct
voi
noun
1. een aantal planten uit het geslacht Ranunculus behorende tot de familie Ranunculaceae
leinikki
noun
1. CH₃(CH₂)₂COOH
butyyrihappo
pronoun
1.
Pohjanlahti
/ˈbɔt.sə(n)/
verb
1. met een flinke snelheid tegen elkaar aankomen
törmätä
/ˈbɔt.sɪŋ/
noun
1. het botsen
kolari
/bɔ.ˈts<sup>ʊ</sup>a.na/, /bɔts.ˈʋa.na/, /bɔts.ˈβ̞a.na/
pronoun
1. een land dat geheel door land is omgeven in het zuiden van Afrika met ruim 1,5 miljoen inwoners, grenzend aan Namibië, Zimbabwe en Zuid-Afrika
Botswana
noun
1. bedrijf waar men flessen vult met drank
pullottamo
noun
  1. 2. een wegvernauwing, in het bijzonder een die voor vertraging zorgt
  2. 3. iets dat het tot stand komen van een bepaald proces bemoeilijkt
pullonkaula
/ˈbʌʊdəˌʋɛɪn/, /ˈbʌːdəˌβ̞ɛːn/
pronoun
1. een jongensnaam
Baldwin
adverb
1. zelfverzekerd, gedurfd
rohkeasti
noun
1. het onderdeel van een verbrandingsmotor dat door een vonk het mengsel van brandstofdamp en lucht in de cilinder tot ontploffing brengt
sytytystulppa
noun
1. een aftreksel van magere vleesresten, beenderen of vis
liemi
noun
psychologische toestand waarin een persoon terugkerende eetbuien heeft
bulimia
noun
bouquet
pronoun
1. een van de 26 regio's van Frankrijk
Burgundi
/ˈbɑu̯ə(n)/
verb
1. een constructie oprichten door het samenvoegen van onderdelen
rakentaa
noun
1. (wetenschap)
rakennussuunnittelu
noun
rakennusmies
noun
rakennuslupa
/ˈboː.vən/
preposition
1. op een plaats hoger gelegen dan
ylhäällä
noun
1. het bovenste gedeelte van de arm tussen de schouder en de elleboog
olkavarsi
noun
1. een hooggeplaatst raam, boven een deur of in het dak
yläikkuna
noun
ylähuuli
adjective
1. behorende tot een orde van dingen die buiten het menselijke ligt
yliluonnollinen
noun
1. een sport waarbij de speler door middel van een bowlingbal moet proberen om alle tien de pins omver te gooien
keilailu
noun
boikotti
verb
1. iemand uitsluiten, niet meer willen werken voor, leveren aan of kopen bij
boikotoida
adjective
derivoituva
noun
2. werktuig om vlas of hennep te braken of te kneden.
lihta
noun
oksennuspallo
noun
1.
emeetti
noun
1. struik & 2. vrucht
karhunvatukka
/ˈbramslœʏpər/
noun
1. bepaald soort zangvogel, Sylvia curruca
hernekerttu
verb
1. slecht en onduidelijk praten met name van baby's
jokeltaa
pronoun
1.
Brackenheim
verb
1. vlees bereiden door het in vet te verhitten
paistaa
noun
pistekirjoitus
/ˈbrɑnd/, /ˈbrɑnt/
noun
1. verbranding met vuur
tulipalo
noun
1. bom die als doel heeft het getroffen object in brand te steken
palopommi
verb
1. verteerd worden door vuur
palaa
pronoun
1. een deelstaat in het oosten van Duitsland
Brandenburg
noun
1. een soort sterke drank
  1. brandy
  2. paloviina
noun
1. bepaald soort gans, Branta leucopsis
valkoposkihanhi
noun
1. hout dat gebruikt wordt om te verbranden
klapi
/ˈbrɑntkran/
noun
1. aansluitpunt voor een brandslang aan het waterleidingnet
vesiposti
verb
1. (vee) merken door het inbranden van een teken
polttomerkitä
noun
2-3. een harige plant die bij aanraking een brandend gevoel en zwelling veroorzaakt
nokkonen
noun
tarkennus
noun
1. iemand die expres brand veroorzaakt
tuhopolttaja
noun
tuhopoltto
noun
1. stof waaruit door middel van verbranding of een ander chemisch proces energie wordt gewonnen
polttoaine
noun
een elektrochemisch toestel
polttokenno
noun
palokunta
noun
paloasema
noun
1. lid van de brandweer
palomies
noun
1. bepaalde karperachtige vissoort Abramis brama
lahna
/braˈʃɛːrə/
noun
1. dameskledingstuk
rintaliivit
noun
1. Portugees zoals dat in Brazilië gesproken en geschreven wordt
brasilianportugali
/braˈzili.jə/
pronoun
1. een soevereine staat in Zuid-Amerika (officieel de Federale Repuliek van Brazilië, 'República Federativa do Brasil'), met als officiële taal het Portugees
Brasilia
adjective
leveä
/ˈbred.bɑnd/, /ˈbred.bɑnt/
noun
1. een internetverbinding met een hoog debiet
laajakaista
adjective
1. breed van borst en schouders, breedgebouwd
harteikas
noun
1. afmeting loodrecht op de hoogte of de lengte
leveys
noun
1. cirkel van gelijke geografische breedten
leveyspiiri
noun
1. stevige metalen stang, meestal voorzien van een gespleten einde, de koevoet, gebruikt om zaken open te breken.
sorkkarauta
verb
1.
tilkitä
/ˈbrɛ.jə(n)/
verb
1. een weefsel vervaardigen uit een gesponnen draad met behulp twee of meer pennen
kutoa
/brɛi̯n/
noun
1. orgaan
aivot
/ˈbrɛɪ̯nald/, /ˈbrɛɪ̯naɫt/, /ˈbrɛːnalt/
noun
1. een naald die gebruikt kan worden bij het breien
neulepuikko
verb
  1. 1. in stukken uiteenvallen
  2. 5. in stukken uiteen doen vallen
  1. murtaa
  2. rikkoa
noun
taitekerroin
pronoun
Bremen
/ˈbrɛŋ.ə(n)/
verb
1. ergens heen gaan om iets of iemand daar af te geven
tuoda
pronoun
1. een schiereiland in het noordwesten van Frankrijk
Bretagne
noun
1. broekophouder
henkselit
pronoun
1. een Keltische taal die wordt gesproken in Bretagne
bretoni
noun
  1. 2. een gebroken gedeelte van een object
    murros
  2. 1. de uitkomst (quotiënt) van een deling van twee of meer gehele getallen
    murtoluku
noun
3. noot die twee- of driemaal de lengte van een hele noot had
breve
noun
breviario
noun
1. mogelijk vertrek van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie
brexit
noun
  1. 1. een spel gespeeld door vier spelers, verdeeld in twee paren en gespeeld in dertien slagen
  2. 2. de kam van een elektrische gitaar
bridge
noun
1. zachte Franse schimmelkaas
brie
noun
1. verzonden geschreven boodschap
kirje
noun
1. een korte brief in de vorm van een kaart
postikortti
noun
1. een doorgaans sierlijk mesje dat men gebruikt om briefomslagen met te openen
paperiveitsi
/bris/
noun
1. zachte frisse wind
  1. tuulenhenki
  2. tuulenvire
noun
  1. kirjelaatikko
  2. postilaatikko
noun
brigantiini
noun
1. een optisch instrument dat gebruikt wordt om de scherpte van het zicht te verbeteren
  1. silmälasit
  2. lasit
/ˈbrɪl.beːr/, /ˈbrɪɫ.beːr/, /ˈbrɪɫ.bɪːr/
noun
1. een beer met grote cirkels rond de ogen, als een bril
silmälasikarhu
noun
1. Bucephala clangula, een vogel uit de familie Anatidae
telkkä
adjective
1. buitengewoon slim
briljantti
noun
1. slijpvorm voor onder andere diamant
briljantti
noun
1. reptiel, gevaarlijke gifslang
silmälasikäärme
pronoun
1. hoofdstad van de Australische deelstaat Queensland
Brisbane
noun
britti
/brɪts/
adjective
1. gerelateerd aan Groot-Brittannië
brittiläinen
pronoun
Brittiläiset Neitsytsaaret
pronoun
Britannia
/ˈbrɔkɔlɪ/
noun
1. groente
parsakaali
noun
esite
/'bru.də(n)/
verb
1. een gelegd ei met lichaamswarmte warm houden
hautoa
/brudər/
noun
1. een broer
veli
adjective
veljellinen
noun
1. moord van de ene broer op een andere broer, ook figuurlijk gebruikt
veljensurma
noun
  1. 1. kerkelijk goedgekeurde vereniging
  2. 1. vriendschappelijke betrekking als tussen broers
veljeys
noun
parvi
noun
1. bouwsel met glazen wanden voor het opkweken van gewassen
kasvihuone
noun
kasvihuoneilmiö
noun
kasvihuonekaasu
noun
1. kledingstuk dat het onderlichaam en beide benen, elk met een afzonderlijke pijp omhult
housut
noun
lahje
/bruːr/
noun
1. een mannelijk kind van dezelfde ouders
veli
noun
1. zijdeweefsel met ingeweven, meestal grote figuren, vaak met goud- of zilverdraad doorweven
brokadi
noun
1.
roska
noun
mopedi
noun
bromidi
noun
mopedi
noun
  1. 1. daar waar men informatie vandaan haalt
  2. 2. begin van een waterloop
lähde
noun
1. ontsteking van de luchtpijptak
keuhkoputkentulehdus
noun
1. medisch onderzoek van de luchtpijp d.m.v. een bronchoscoop
bronkoskopia
noun
1. een meest door inhaleren ingenomen medicament dat vernauwing in de luchtwegen bestrijdt
bronkodilaattori
noun
pronssi
noun
paartijd
kiima
noun
1. water dat uit de grond is gehaald, gebruikt als drinkwater of geneeskrachtig water
lähdevesi
adjective
1.van brons gemaakt
pronssinen
verb
1.
pronssinen
/broːt/
noun
1. een meelproduct dat gemaakt wordt door meeldeeg te bakken, te koken of te stomen
leipä
noun
1. boom Artocarpus altilis
leipäpuu
noun
2. klein brood, vaak versierd, belegd of in een speciale vorm, voor één persoon
sämpylä
noun
korppujauho
noun
leivänpaahdin
noun
bromi
verb
1. (bier) brouwen
panna
noun
1. iemand die bier maakt om te verhandelen
oluenpanija
/brɔuə'rɛi/
noun
1. een bedrijf dat zich toelegt op het brouwen van bier
panimo
noun
1.
mokkapala
/brʏx/, /brʏχ/
noun
kunstmatige weg over een diepte
silta
pronoun
1. een Vlaamse provinciehoofdstad
Brugge
noun
sillanpää
/brœy̯t/
noun
1. vrouw in tijd van de huwelijksplechtigheden
morsian
noun
1. man die in het huwelijk treedt
sulhanen
noun
1. De twee mensen die met elkaar in het huwelijk treden
hääpari
noun
1. een gift die een meisje van haar ouders meekrijgt als ze in het huwelijk treedt
myötäjäiset
noun
1. huwelijks-, trouwfeest
häät
adjective
1. een kleur zoals die van walnoten, chocola of koffie hebbend
ruskea
noun
1. kleur zoals die van koffie of chocola
ruskea
/ˌbrœʏnəˈbeːr/
noun
1. Ursus arctos, een beer die in Europa, Azië en Amerika voorkomt.
karhu
noun
1. hemellichaam met een massa tussen die van een gasreus en een ster, onvoldoende voor kernfusie tussen protonen
ruskea kääpiö
noun
1. bepaalde soort zoetwatervis Ameiurus nebulosus
piikkimonni
noun
1. bepaald soort roofvogel, Circus aeruginosus
ruskosuohaukka
noun
1.
sorjahukankorento
noun
1. grijsbruin knaagdier met een kale geringde staart Rattus norvegicus
isorotta
noun
1. lid van de SA in Nazi-Duitsland
ruskeapaita
/ˈbrœʏnəχ/, /ˈbrœːnəx/, /ˈbrœːnɪx/
adjective
2. op bruin lijkend
ruskehtava
noun
ruskohiili
/ˈbrœy̯nvɪs/
noun
1. familie Phocoenidae van kleine rondsnuitige tandwalvissen
pyöriäinen
verb
1. het overvloedig vormen van gasbelletjes in een vloeistof
poreilla
noun
Amerikaanse apen die een brullend lawaai kunnen produceren
mölyapina
/bry.ˈnɛɪ̯/, /bry.ˈnɛː/
pronoun
2. een land op op het eiland Borneo, in Zuidoost-Azië. Het ligt aan de Zuid-Chinese Zee, en wordt verder geheel omringd door Maleisië
Brunei
noun
1. een vrouw met (donker)bruin (of zwart) haar en soms ook met een donkere gelaatstint
tummaverikkö
pronoun
Braunschweig
/brʏs/
noun
1. een ander kind van dezelfde ouders (zonder de connotatie met zorg)
sisarus
pronoun
1. de hoofdstad van België
Bryssel
adjective
  1. 2.
    loukkaava
  2. 3. vrijpostig
    näsäviisas
adjective
1. nietsontziend en gewelddadig
brutaali
noun
1. de afkorting voor belasting over de toegevoegde waarde
ALV
/'bɵfəl/
noun
1. verzamelnaam voor een aantal zware rundersoorten met vaak forse hoorns
puhveli
noun
3. tijdelijk geheugen in rekenmachines...
puskuri
noun
1. een gebied dat op een of andere manier als buffer dient
puskurivyöhyke
/ˈby.χəɫ/, /ˈbyː.ɣəl/
noun
1. een koperen blaaasinstrument.
flygari
noun
1. zoogdier dat het jong in een buidel draagt
pussieläin
/bœʏ̯χə(n)/, /bœːɣə(n)/
verb
    1. 3. een buiging maken, zich buigen
    2. 4. aandacht besteden aan iets
    kaartua
    1. 1. krom maken
    2. 2. krom worden
    taivuttaa
noun
1. nijging als beleefde groet
kumarrus
noun
1. spier die zorgt dat het tussenliggende gewricht buigt
koukistajalihas
noun
1.
taivutin
adjective
joustava
/bœʏ̯k/, /bœːk/
noun
1. het onderste deel van de voorkant van de romp van mens of dier dat van boven door het middenrif en van onderen door de bekkengordel begrenst is
  1. maha
  2. vatsa
noun
vatsatanssi
noun
vatsaontelo
/ˈbœʏ̯k.pɛɪ̯n/, /ˈbœːk.pɛɪ̯n/, /ˈbœːk.pɛːn/
noun
1. pijn in de buik
vatsakipu
noun
vatsastapuhuja
noun
1. de meest voorkomende vorm van pest en wordt veroorzaakt door de
paiserutto
noun
1. een hol, cilindrisch voorwerp
putki
noun
2. buisklokken
putkikellot
/ˈbœʏ̯tə(n)/, /ˈbœːtə(n)/
adverb
ulos
adjective
1. niet binnen het raamwerk van het huwelijk
avioliiton ulkopuolinen
noun
1. ieder land buiten het eigene
ulkomaa
/ˈbœytə(n)lɑndər/
noun
1. iemand die in het buitenland woont, of iemand afkomstig uit het buitenland
ulkomaalainen
adjective
1. op het buitenland betrekking hebbend
ulkomainen
noun
1.
syrjäasutus
noun
1.
paitsio
verb
  1. 1. een buis in de school geven
  2. 2. een buis in de school krijgen
pysäyttää
noun
1. bepaald soort middelgrote roofvogel, Buteo buteo
hiirihaukka
/ˈbɵkən/
verb
  1. 1. het lichaam geheel vooroverbuigen om bij iets lagers te komen
    kumartua
  2. 2. het lichaam geheel voorover buigen
    kyykistyä
/bʏl/
noun
1. mannelijk rund en het mannetje van sommige andere zoogdieren en zeezoogdieren
härkä
noun
1. een gestroomlijnde boeg in de vorm van een bulb, om via de daardoor verminderde waterweerstand het brandstofverbruik te laten dalen
keulabulbi
noun
1. een stevig gebouwde hond met een grote kop en afhangende liphoeken...
buldogi
/bɵɫˈγ̊aːrs/
adjective
1. met betrekking tot Bulgarije of de Bulgaarse taal
bulgarialainen
/bɵɫˈγ̊aːrs/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Bulgarije
  1. bulgaria
  2. bulgarialainen
noun
bulgarialainen
pronoun
1. een land in Zuidoost-Europa
Bulgaria
noun
1. gestoomde, daarna gedroogde en vervolgens grof gemalen of gebroken tarwekorrels, meestal durumtarwe
  1. bulgur
  2. bulgurvehnä
noun
1. zware van rupsbanden voorziene machine om terreinen te egaliseren
puskutraktori
noun
kumpu
/ˈbʏltrʏx/
noun
1. benaming voor een van de grotere baardwalvissen met lange borstvinnen
ryhävalas
noun
1. stootstang
puskuri
noun
1. zijdelings bijeengehouden verzameling langwerpige voorwerpen
kimppu
noun
1. woning of vakantiehuis zonder bovenverdieping
pientalo
noun
1. zwaar versterkte verdedigingsstelling
bunkkeri
noun
1. gasbrander met regelbare luchttoevoer die men gebruikt in een laboratorium
bunsenlamppu
noun
1. bepaald soort zoogdier, Mustela putorius
hilleri
noun
1. kasteel
linna
noun
  1. 1. een werkmeubel voor administratief- en studiewerk
    1. kirjoituspöytä
    2. työpöytä
  2. 2. een (politie)kantoor
    1. toimisto
    2. konttori
    3. virasto
    4. liikehuoneisto
    5. toimipaikka
noun
  1. byrokratia
  2. hallintokoneisto
noun
1. een stoel die ontworpen is om in een kantooromgeving gebruikt te worden
toimistotuoli
noun
1.
byretti
noun
1. hoofd van het gemeentebestuur
pormestari
noun
1. inwoner van een stad of staat die bepaalde wettelijke rechten en plichten heeft
kansalainen
/ˈbʏrɣərlək/
adjective
1. tot de burgers behorend, tot de middenstand behorend
keskiluokkainen
noun
1. alle niet-militaire luchtvaart, en wordt verdeeld in de particuliere luchtvaart en de commerciële luchtvaart
siviili-ilmailu
noun
1.
kansalaisyhteiskunta
noun
1. een gewapende strijd tussen twee of meer bevolkingsgroepen binnen hetzelfde land, waarbij soms ook het leger betrokken is
sisällissota
noun
1. een recht dat men geniet als staatsburger van een land
kansalaisoikeudet
noun
kansalaisuus
noun
1. edelman
varakreivi
noun
varakreivitär
/bur.ˌki.na.ˈfa.so/, /bur.ˌki.na.ˈfɑ.so/
pronoun
1. een republiek in West-Afrika voorheen Opper-Volta genaamd.
Burkina Faso
/bu.ˈrun.di/
pronoun
1. een land in Afrika dat grenst aan Democratische Republiek Congo, Rwanda en Tanzania
Burundi
/bɵs/
noun
1. vervoermiddel op de weg voor een aanzienlijk aantal passagiers
bussi
noun
1. iemand die beroepsmatig reizigers vervoert in een bus
bussinkuljettaja
/ˈbʏshɑltə/, /ˈbʏshɑɫtə/
noun
1. een plek waar een bus stopt
  1. bussipysäkki
  2. linja-autopysäkki
noun
1. een ontplofbaar mengsel van fijngepoederde kool, zwavel en salpeter
ruuti
noun
  1. 1. boezem
  2. 2. borstbeeld
pysti
noun
1. kledingstuk voor vrouwen.
rintaliivit
noun
1. C₄H10
butaani
noun
1. en 2. (vruchtvlees) van plant Cucurbita moschata
myskikurpitsa
noun
1. een man naast wie men woont
naapuri
noun
2. de nabijheid
läheisyys
noun
ohitusleikkaus
/bɑjt/
noun
1. het kleinste adresseerbare gedeelte van een computergeheugen
tavu
noun
bysanttilainen
adjective
bysanttilainen
noun
beeta
/ˈbɛːtaˌdeltʲə/
noun
beetahiukkanen
pronoun
1. en 2.
Böblingen
symbol
1. akkoordsymbool
C
/ˌkɑbɑˈrɛ(t)/
noun
1. een kleinkunst, vermaak met toneel, zang, dans, en voordracht
kabaree
/kakaˈoː/, /kaˈkɑu/
noun
1. product verkregen uit de bonen van de cacaoboom dat onder andere wordt gebruikt...
kaakao
/kɑˈkʌʊbom/
noun
1. een boom waarvan uit de vruchten de cacao wordt gewonnen
kaakaopuu
noun
1. zaad dat zich in de peulvrucht van de cacaoboom bevindt
kaakaopapu
noun
1.
kaakaovoi
noun
1. een poederachtige substantie die wordt verkregen door het uitpersen van de cacaomassa van cacaobonen
kaakaojauhe
noun
1. een vetplant met stekels
kaktus
noun
1. een stekelige vrucht van de Opuntia
kaktusviikuna
/kaˈdoː/
noun
1. iets dat men aan iemand geeft, meestal ter gelegenheid van een speciale gebeurtenis
lahja
noun
1. als geschenk gegeven bon, die recht geeft op aankoop tot het bedrag dat op de bon vermeld wordt
lahjakortti
noun
kadetti
noun
1. scheikundig element met symbool Cd en atoomnummer 48
kadmium
noun
1. een eenvoudige eetgelegenheid, waar men een snelle hap kan nuttigen
kafeteria
noun
1. een alkaloïde met structuurformule C₈H10N₄O₂ die van nature wordt aangetroffen in koffiebonen en theebladeren
kofeiini
pronoun
Calabria
noun
1. scheikundig element met symbool Ca en atoomnummer 20
kalsium
noun
kalsiumkarbonaatti
/kɑlkʏˈlatɔr/
noun
1. machine
laskin
verb
1. rekenen
laskea
pronoun
Kaledonia
noun
1. fijn katoenen weefsel
kaliko
adjective
kalifornialainen
noun
1. een scheikundig element en vermoedelijk een grijs of zilverkleurig actinide met het symbool Cf en het atoomnummer 98
kalifornium
pronoun
1. een van de vijftig deelstaten van de Verenigde Staten. De staat grenst aan de Pacifische Oceaan en aan de Mexicaanse deelstaat Baja California, alsmede aan de Amerikaanse deelstaten Nevada, Oregon en Arizona.
Kalifornia
pronoun
  1. 1. nimf uit de Griekse mythologie
  2. 2. een van de vier grote manen van Jupiter
Kallisto
noun
1. een eenheid van warmte, gelijk aan de warmte benodigd om een gram water een graad C in temperatuur te doen stijgen
kalori
noun
1.een sterke alcoholische drank
calvados
noun
1. gereformeerde substroming binnen het Christendom waarin o.a. het voorbestemd zijn centraal staat
kalvinismi
/kɑm.ˈbɔ.dja/, /kɑm.ˈbɔ.tʃa/
pronoun
1. een land in Zuidoost-Azië dat in het noorden grenst aan Laos, in het noordwesten en westen aan Thailand en in het oosten en zuidoosten aan Vietnam
Kambodža
pronoun
Cambridge
/ˈkɑmbrijʏm/
noun
kambrikausi
/ˈkaməˌra/
noun
1. een apparaat om beelden mee te registreren
kamera
/kɑmuflerən/
verb
1. een voorwerp onopvallend maken
naamioida
/ˈkɑmpʏs/
noun
1. universiteitsterrein
kampus
/ˈka.na.da/, /ˈkɑ.nɑ.da/
pronoun
1. een soevereine staat in de noordelijke helft van Noord-Amerika
Kanada
noun
1. bewust vervalst nieuwsbericht; valse hype
uutisankka
pronoun
Kanariansaaret
pronoun
1. de federale hoofdstad van Australië, gelegen in het Australisch Hoofdstedelijk Territorium
Canberra
noun
kandela
noun
1. schimmelziekte van huid en slijmvliezen
hiivasienitulehdus
/'ka.nɔn/
noun
1. de strengste vorm van een meerstemmige compositie, waarin de stemmen elkaar in de tijd verschoven imiteren
kaanon
pronoun
1. een van de 17 autonome regio’s en provincie in het noorden van Spanje gelegen ten oosten van Asturië en ten westen van Baskenland met de hoofdstad Santander
Kantabria
noun
1. en 2. (vrucht van) plant Cucumis melo var. cantalupensis
  1. cantaloupe
  2. cantaloupe-meloni
noun
kantaatti
/ˌkɑntaˈrɛɫ/
noun
1. bepaald soort eetbare paddenstoel met een lichte pepersmaak, Cantharellus cibarius
kanterelli
noun
kanvaasi
adjective
1. rubber
kautsu
noun
1. mogelijkheid om iets te bevatten
kyky
/ˌka.pɪ.la.ri.ˈtɛɪ̯t/
noun
kapillaari-ilmiö
noun
1. internationaalrechtelijke verklaring dat een partij de strijd tijdens een oorlog opgeeft
antautuminen
noun
capo
noun
1. kopje koffie dat uit gelijke delen espresso, melk en melkschuim bestaat
cappuccino
pronoun
Capri
/ˌka.py.ˈʃɔ̃ː/, /ˌkɑ.py.ˈʃɔn/
noun
1. hoofdkap bevestigd aan een kledingstuk
huppu
noun
1. bepaald soort zoogdier, Profelis caracal
aavikkoilves
/karákas/
pronoun
1. de hoofdstad van de Zuid-Amerikaanse staat Venezuela
Caracas
noun
1. kampeerwagen, woonwagen, aanhangwagen die kan dienen als woonst
  1. asuntovaunu
  2. matkailuvaunu
noun
1. carbidgas/acetyleen
asetyleeni
noun
karbonaatti
verb
1. omzetten van organische stof in koolstof
hiiltyä
noun
1. een organische verbinding die de functionele groep -COOH bezit
karboksyylihappo
/kɑrˈbon/
noun
hiilikausi
adjective
1. kankerverwekkend
karsinogeeni
noun
1. kankergezwel
karsinooma
/ˈkɑrdɪɡən/
noun
1. vest met V-hals dat met knoopjes aan de voorkant wordt gesloten
villatakki
/kɑrdijolo'xi/
noun
1. een medisch specialisme dat zich bezighoudt met het opsporen, diagnosticeren en behandelen van hartziekten
kardiologia
/kɑrdijo'lox/
noun
  1. kardiologi
  2. sydänlääkäri
/ˌkɑr­.di­.jo­ˌmi­.jo­.pa­ˈti/
noun
1. hartspierziekte
kardiomyopatia
noun
1. volksfeest waarbij onder meer grote verkleedpartijen plaatsvinden,...
karnevaali
/kɑrniˈvor/
noun
1. een vleesetend dier
lihansyöjä
noun
karoteeni
/ˈkɑ:rpu:lən/
verb
1. samen in één auto naar het werk rijden
mennä kimppakyydillä
pronoun
Karthago
noun
1. de kunst en wetenschap van het vervaardigen van land-, zee- en/of luchtkaarten
  1. kartanpiirustus
  2. kartografia
noun
munuaispuu
noun
1. Manihot esculenta, een eetbare wortelknol
maniokki
noun
1. een behuizing voor video- en audiobanden
kasetti
noun
specerij
kassiakaneli
pronoun
1. landstreek in Spanje
Kastilia
pronoun
Kastilia ja León
pronoun
Kastilia- La Mancha
noun
1. ontmanning, het volledig verwijderen van de teelballen bij de man
kastraatio
verb
1. een sterilisatie uitvoeren van een man of mannelijk dier door verwijdering van de zaadballen
  1. kastroida
  2. kuohia
noun
1. een naamval
sijamuoto
noun
1. onderaardse ruimte, onderaards gangenstelsel in het algemeen
katakombi
pronoun
1. een Romaanse taal die wordt gesproken in Catalonië, Valencia, Aragón, Balearen, Andorra, Frankrijk en Italië
katalaani
verb
1. in een register onderbrengen
luetteloida
pronoun
1. een van de 17 autonome regio’s van Spanje, gelegen in het noordoosten van het Iberisch Schiereiland; de twee officiële talen zijn Catalaans en Spaans
Katalonia
noun
1. vaartuig met twee drijvende delen (de rompen), die boven de waterlijn parallel aan elkaar gemonteerd zijn
katamaraani
noun
1. de leer van een godsdienst in de vorm van vragen en antwoorden gebruikt in het godsdienstonderwijs...
katekismus
noun
1. onderdeel van een rangschikking, rang, groep.
  1. kategoria
  2. luokka
adjective
1. oorzakelijk
kausaalinen
noun
1. strijdmacht te paard
ratsuväki
noun
1. benaming voor knaagdieren uit het geslacht Cavia
marsu
pronoun
Cayenne
noun
1. en 2. een peper, een scherp specerij
  1. cayennepippuri
  2. cayenne
pronoun
1. de hoofdstad van Egypte
Kairo
noun
1. compact disc
CD
pronoun
1. een taal die op de Filipijnen en met name op het eiland Cebu gesproken wordt
cebuano
/ˈsedər/
noun
1. benaming voor bomen uit het geslacht Cedrus
setri
noun
  1. 2. een kleine ruimte (in een klooster)
    1. kammio
    2. solu
  2. 4. een zeshoekige opslagplaats in een bijenraat
    1. kenno
    2. solu
  3. 1. een kleine ruimte waar iemand voor straf moet zitten (in een gevangenis)
    1. selli
    2. solu
  4. 3. de kleinste eenheid binnen een levend organisme waarin alle genetische informatie vervat zit
    1. solu
    2. selli
noun
1.de wetenschap van organische cellen.
solubiologia
noun
1. slagwerkinstrument met een klavier
celesta
/sɛlkɛrən/
noun
1.
tuma
noun
1. een viersnarig strijkinstrument dat tijdens het bespelen door de cellist tussen de knieën wordt gehouden
sello
noun
1. ontsteking van het onderhuidse bindweefsel
selluliitti
/ˌsɛ.ly.ˈlo.zə/
noun
1. een polysacharide die door nagenoeg alle planten wordt gemaakt en die de plant stevigheid geeft
selluloosa
noun
1. een omhulsel van de cel bestaande uit fosfolipiden en eiwitten
solukalvo
/sɛlʋɑnd/
noun
1.
soluseinä
noun
1. een bouwmateriaal bestaande uit kalk, zand en grind
sementti
noun
1. hoge ambtenaar in de Romeinse republiek
sensori
verb
1. bewust informatie uit de media weghalen
sensuroida
/sɛnˈsyr/
noun
1. de controle van de kant van de overheid op alles wat de media uitbrengen
sensuuri
noun
sentti
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Kentauri
noun
1.
kentauri
noun
senttigramma
/'sɛntiˌmetər/
noun
1. een lengtemaat die gelijk is aan één honderdste van een meter
  1. centtimetri
  2. senttimetri
adjective
1. in het midden gelegen
keski-
adjective
keskiafrikkalainen
noun
keskiafrikkalainen
/sɛn.ˌtral.a.fri.ˌkan.sə.re.py.ˈblik/, /sɛn.ˌtral.ɑ.fri.ˌkans.re.pʏ.ˈbliːk/, /sɛn.ˌtraɫ.a.fri.ˌkan.sə.re.py.ˈblik/
pronoun
1. een land in Midden-Afrika, officieel de Centraal-Afrikaanse Republiek, dat geheel door land wordt omsloten
Keski-Afrikan tasavalta
pronoun
Keski-Aasia
pronoun
Keski-Eurooppa
pronoun
1. regio van Finland
Keski-Suomi
pronoun
1. Iraanse taal gesproken door 6 miljoen mensen in Irak en Iran
  1. kurdi
  2. kurdin kieli
noun
1. een verwarmingssysteem, waarbij de warmte centraal wordt opgewekt
keskuslämmitys
noun
1. pomp die een vloeistof verpompt door het met een draaiend rad naar buiten te slingeren
kiertovesipumppu
noun
1. centrifugaalmachine
sentrifugi
verb
1. met een centrifuge scheiden, zuiveren of drogen
lingota
noun
1. middelpunt
  1. keskus
  2. keskipiste
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Kefeus
adjective
1. met betrekking tot de grote hersenen
aivoperäinen
noun
1. een plechtige aangelegenheid
seremonia
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Ceres
noun
cerium
/ˌsɛrtifiˈkat/
noun
1. een schriftelijk bewijs
todistus
noun
cesium
noun
1. overdracht van schuldvordering
oikeuden luovutus
pronoun
Ceuta
pronoun
Ceylon
noun
kaneel gemaakt van Cinnamomum verum
ceyloninkaneli
noun
1.
chakra
pronoun
Kaldea
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Champagne
/ʃɑmˈpɑɲə/
noun
1. een schuimwijn uit de champagnestreek in Frankrijk
samppanja
noun
1. bepaald soort eetbare en speciaal gekweekte witte paddenstoel, Agaricus bisporus
herkkusieni
noun
sienikeitto
/xɑnuˈka/
noun
1. feest van de herinwijding van de tempel
hanukka
/xanukiˈja/
noun
1.
hanukia
noun
chanson
noun
1. mensen onder voor de buitenwereld onzichtbare bedreiging zaken tegen hun wil laten doen
kiristys
verb
1. onder bedreiging een schandaal te veroorzaken iemand geld afhandig maken
kiristää
noun
1. grote wanorde
  1. kaaos
  2. sekasorto
  3. epäjärjestys
noun
1. deelgebied van de wiskunde en natuurwetenschappen dat zich bezighoudt met het gedrag van dynamische systemen zoals dat sterk door hun begintoestand wordt bepaald.
kaaosteoria
adjective
kaoottinen
noun
1. uitstraling
karisma
/ˈʃar.la.tan/
noun
huijari
adjective
1. aangenaam in omgang
hurmaava
/sjarme/
noun
1. de eigenschappen van iemand waardoor die persoon aardig, leuk en vriendelijk wordt gevonden
viehätysvoima
/χɑsiˈdɪsmə/
noun
1.
hasidilaisuus
/ˈtʃɑtə(n)/, /ˈtʃɛtə(n)/
verb
1. op synchrone wijze met elkaar korte tekstberichten uitwisselen
tsättäillä
/ʃaʊ̯.ˈføːr/, /ʃo.ˈføːr/, /ʃo.ˈfʏːr/
noun
1. de bestuurder van een motorvoertuig
  1. kuljettaja
  2. autonkuljettaja
noun
sovinismi
noun
sovinisti
/ˈtʃɛkən/
verb
1. controleren, nakijken
tutkia
noun
1. Acinonyx jubatus, een zeer snel Afrikaans katachtig roofdier
gepardi
noun
1. de baas, iemand die de leiding heeft
  1. päällikkö
  2. johtaja
noun
kemiallinen aine
noun
1. wetenschap die zich bezig houdt met de kennis van de stoffen ...
kemia
adjective
1. dat wat tot de chemie behoort, volgens de chemie
kemiallinen
noun
alkuaine
noun
1. behandeling van kanker met medicijnen
kemoterapia
pronoun
1. hoofdstad van de Indiase deelstaat Tamil Nadu. De voormalige naam van de stad was Madras
Chennai
/ʃɛk/
noun
  1. shekki
  2. sekki
/tʃɛ.ˈrɔ.ki/, /ˈtʃeː.ro.keː/
pronoun
1. inheemse taal gesproken door enkele duizenden mensen in Noord-Amerika
cherokee
/ˈxerʏp/
noun
1.
kerubi
noun
khii
/sʲik/
noun
1. modieus verfijnd
  1. tyylikäs
  2. elegantti
pronoun
Chicago
adjective
chileläinen
/ˈʃi.li/
pronoun
1. een land in Zuid-Amerika, grenzend aan Peru, Bolivia en Argentinië en ingeklemd liggend tussen de Stille Zuidzee en het Andesgebergte
Chile
/'ʃílipepər/
noun
1.
chilipippuri
/ˈtʃɪlə(n)/
verb
1. tot rust komen, ontspannen
ottaa rennosti
noun
harhama
/ˌʃɪm.pɑn.ˈse/
noun
1. Pan troglodytes, de meest aan de mens verwante mensaap, leeft in Centraal-Afrika
simpanssi
noun
harha
/ˈʃi.na/
pronoun
1. een land in Oost-Azië, officieel de Volksrepubliek China
  1. Kiina
  2. Kiinan kansantasavalta
noun
chinchilla
/ʃi.ˈnes/
adjective
1. betreffende China
  1. kiinalainen
  2. kiina
/ʃi.ˈnes/
pronoun
  1. 1. de voornaamste taal die in China gesproken wordt
    1. kiina
    2. kiinalainen
  2. 2. persoon
    1. kiinalainen
    2. kiina
noun
(bladeren van) Brassica rapa subsp. pekinensis
kiinankaali
noun
1. bepaald soort grasachtige plant, Eleocharis dulcis
vesikastanja
noun
2. een klein stukje halfgeleiderkristal waarop geïntegreerde circuits zijn aangebracht
piisiru
/ʃi'rʏr(ə)x/
noun
1. specialist
kirurgi
noun
1. de wetenschap van en de vaardigheid in het opereren
kirurgia
noun
kloori
noun
kloridi
noun
kloroformi
/ˌʃo.ko.ˈla/
noun
1. een lekkernij die gemaakt is van cacao, suiker en cacaoboter
suklaa
/ˌʃo.ko.ˈla.də/, /ˌʃɔko.ˈla.də/
noun
1. een lekkernij die gemaakt is van cacao, suiker en cacaoboter
suklaa
noun
1. een veelal ronde, bruingekleurde taart, waarin chocolade of cacao verwerkt is
suklaakakku
noun
rikastin
/χoləra/
noun
1. een zeer besmettelijke infectieziekte die de darmen aantast
kolera
noun
1. vet dat in je lichaamscellen zit, zoals galvet, lichaamsvet
kolesteroli
/ˌɣɔndroˈsit/, /ˌχɔndroˈsit/
noun
1. een cel die kraakbeen om zich heeft aangemaakt en daar nu door omgeven wordt
kondrosyytti
noun
1. muziekinstrumenten waarbij de toon wordt geproduceerd door een trillende snaar
kielisoitin
noun
koreografi
noun
koreografia
adjective
1. te maken hebbend met het christendom
kristitty
/ˈkrɪs.tən/
noun
1. een belijder van de christelijke godsdienst
kristitty
/ˈkrɪ.stən.ˌdɔm/
noun
1. een religie gebaseerd op het evangelie en leven van Jezus zoals beschreven in het Nieuwe Testament
kristinusko
/ˈxrɪstʏs/
pronoun
Kristus
/ˌɣro.mo.zo.ˈmal/, /ˌɣro.mo.zo.ˈmaɫ/, /ˌχro.mo.zo.ˈmaɫ/
adjective
1. met betrekking tot de chromosomen, de eiwitten die erfelijke informatie bevatten
kromosomaalinen
/ˌχroʊmoʊˈsoʊm/
noun
1. staafachtig lichaampje
kromosomi
noun
1. theoretisch geluidssegment dat fonemen die alleen in duur verschillen van elkaar onderscheidt
kroneemi
/xrono.lo'ɣiː/
noun
1. de wetenschap die zich bezig houdt met het rangschikken in de tijd van historische gebeurtenissen
kronologia
adjective
1. naar tijdstip gerangschikt
kronologinen
noun
1. een uurwerk waarop zeer kleine tijdsdelen kunnen worden afgelezen
kello
noun
kromi
noun
1.
krysanteemi
/ˌxi.lo.mi.ˈkrɔn/, /ˌχi.lo.mi.ˈkrɔn/
noun
1. een grote door darmwandcellen geproduceerde lipoproteïne, waarin lipiden uit het voedsel van de darmwandcellen naar andere weefsels worden getransporteerd
kylomikroni
noun
1. groot, halfvleugelig insect, leeft in Zuid-Europa en in de tropen (Cicadidae)
kaskas
/ˌsikoˈrɛɪ/
noun
sikuri
noun
1. vruchtenwijn uit gegist appelsap of perensap
siideri
noun
siiderietikka
noun
1. een enkelvoudig symbool om een telbaar aantal aan te duiden
numero
noun
  1. lieriö
  2. sylinteri
noun
1. de inhoud van het deel van de cilinder waarlangs de zuiger zich verplaatst, het slagvolume
iskutilavuus
noun
1.
elokuvaintoilija
noun
1.
elokuva
noun
1.
sinooperinpunainen
noun
1. bepaald soort naaldboom, Cupressus sempervirens
sypressi
noun
  1. 1. attractie
  2. 2. chaotische toestand
sirkus
/ˈsɪrkəɫ/
noun
ympyrä
/ˈsɪrkəlzax/
noun
1. motorzaag met een rond zaagblad
  1. sirkkeli
  2. pyörösaha
noun
1.
pensassirkku
noun
1.
kirroosi
/'sɪrɵs/
noun
1. een zeer hoog drijvende wolk die eruitziet als katoenvlokken, pluimen of veren, in regelmatige strepen aan de hemel verdeeld
cirrus
adjective
1.
cisalppinen
adjective
1.
sisterssiläinen
noun
1. monnik uit de Cisterciënzers
sisterssiläinen
noun
1. aanhaling, ontleende passage
lainaus
noun
1. een snaarinstrument dat voornamelijk gebruikt wordt in het Duitstalige deel van Europa
sitra
verb
1. eigen of andermans woorden ontlenen
siteerata
noun
1. ovale, gele zure vrucht van de citroenboom
sitruuna
noun
1. uit China afkomstige boomsoort waarvan de citroen de vrucht is, Citrus limon
sitruunapuu
noun
1. en 2. schil van een citroen
sitruunankuori
noun
1. dagvlinder van de Pieridaefamilie
sitruunaperhonen
noun
sitruunahappo
noun
1. Viverra, een geslacht van kleine slank gebouwde roofdieren dat ---
sivettikissa
noun
yhdyskuntatekniikka
noun
1. artistieke techniek
chiaroscuro
noun
luokittelu
/klʌstrofoˈbiː/, /klʌustrofoˈbiː/
noun
1. vrees voor afgesloten ruimten
klaustrofobia
/klʌʊˈsylə/
noun
1. een extra bepaling in een ambtelijke brief.
ehto
noun
1.
äänitorvi
noun
1. klimplant uit de ranonkel familie met veel bloemen
kärhö
noun
1. de leiders van een kerkgenootschap
papisto
noun
1. gevoelig orgaan bovenaan de schaamspleet van de vrouw dat voor de seksuele opwinding zorgt
klitoris
noun
1. de gecombineerde darm- en urineuitgang bij bepaalde diersoorten
kloaakki
noun
een verwijzing naar het internet
pilvi
/kloːn/, /klʌːun/
noun
  1. 1. komische artiest
  2. 2. bespottelijk iemand
  1. pelle
  2. klovni
/klɵp/
noun
  1. 3. golfstok
    1. kerho
    2. klubi
  2. 1. besloten gemeenschap
    1. klubi
    2. kerho
noun
koentsyymi
/kowaˈli(t)si/
noun
1. verbond van twee of meer partijen, mogendheden of staten om een gemeenschappelijk doel te bereiken
  1. hallituskoalitio
  2. koalitio
noun
1. vrachtschip kleiner dan 1800 Brut Register Ton (1 BRT = 2,83 m³)
rannikkoalus
noun
1.
kokapensas
noun
1. een drug die bereid wordt uit de bladeren van de coca die euforie en ongevoeligheid voor pijn veroorzaakt en leidt tot verslaving
kokaiini
noun
1. heel stevig apparaat dat de gesprekken in de cockpit opneemt en bewaart, ook als het vliegtuig neerstort
ohjaamon ääninauhuri
noun
1. drankje bestaande uit gemixte alcoholische dranken
cocktail
noun
ravistin
noun
  1. kokongi
  2. kotelo
/'kodə/
noun
  1. koodi
  2. avain
verb
1. in een code brengen
koodata
noun
kodisilli
noun
1. (geneeskunde) een ongeneeslijke stofwisselingsziekte die veroorzaakt wordt door een glutenintolerantie
keliakia
noun
konjakki
/kɔxniˈtif/
adjective
1. met betrekking tot het leerproces
kognitiivinen
noun
koherenssi
noun
1. ontgaste steenkool
koksi
noun
2. koolzuurhoudende frisdrank
kokis
noun
1. ontsteking van de dikke darm
paksunsuolen tulehdus
noun
2
kollaboraattori
verb
1. met de vijand samenwerken
olla yhteistoiminnassa
noun
kollaasi
/ˌkɔlɑˈɣen/
noun
1.
kollageeni
noun
1. meerdere groepen die onder één noemer worden aangesproken
kollektiivi
noun
1. stellen van het belang van de gemeenschap boven dat van het individu
kollektivismi
noun
1. een ruimte waarin les wordt gegeven aan studenten
luentosali
noun
kolloidi
noun
1. opsomming van de manier waarop een boek tot stand is gekomen
kolofoni
/ko.ˈlɔm.bi.ja/
pronoun
1. een land in het noordwesten van Zuid-Amerika
Kolumbia
noun
1. een inwoner van Colombia of persoon die de Colombiaanse nationaliteit bezit
kolumbialainen
/ko'lɔnə/
noun
1. rij van militairen of voertuigen in een groot aantal gelederen van kleine frontbreedte
kolonna
noun
1. dikke darmonderzoek waarbij men met een endoscoop het darmslijmvlies onderzoekt en zonodig een biopsie kan nemen
kolonoskopia
noun
1. een kever die op de aardappelplant leeft van ongeveer 1 cm lang en met een geel...
koloradonkuoriainen
adjective
1. met betrekking tot de karteldarm en de endeldarm
[[paksusuoli|paksu-]] ja peräsuolen
noun
1. de eerste, gelige moedermelk
ternimaito
noun
koltaani
/ˈkoːmaː/
noun
1. volkomen bewusteloosheid
kooma
adjective
1. in volkomen bewusteloosheid
komatoosinen
noun
yhdistelmä
noun
komitea
verb
2. bevelen
  1. komentaa
  2. käskeä
/kɔ.ˈmɑn.do/
noun
  1. 2. speciaal getrainde groep militairen voor speciale missies
  2. 1. iemand uit een eenheid die extra getraind wordt voor speciale missies
sissipartio
/kɔmən'tar/
noun
  1. 1. toelichting of verklaring
  2. 2. kritiek
kommentti
noun
kommentaattori
/kɔmərˈʃel/, /kɔmɛrˈsjel/
adjective
1. zakelijk
kaupallinen
noun
1. een groep personen aan wie een bepaalde opdracht wordt gegeven of die voor een bepaald doel bijeenkomen
  1. komissio
  2. toimikunta
adjective
1. betrekking hebbend op de gemeenschap
yhteisöllinen
/ˌkɔ.my.nɪ.ˈkaː.si/, /ˌkɔmyniˈkasi/, /ˌkɔmyniˈkaʦi/
noun
1. het uitwisselen van informatie
kommunikaatio
noun
viestintätieteet
verb
2. met elkaar in contact komen
ilmaista
noun
kommunikea
/kɔmyˈnɪsmə/
noun
1. ideologie die gericht is op gemeenschappelijk bezit van productiemiddelen en verbruiksgoederen
kommunismi
noun
kommunisti
noun
kommunitarismi
noun
1. Comorbiditeit is het tegelijkertijd hebben van twee of meer stoornissen of aandoeningen bij een patiënt
komorbiditeetti
pronoun
1. Bantoetaal gesproken op de Comoren, Madagaskar, Mayotte en Réunion
komorilainen
/ko.ˈmoː.rə(n)/, /ko.ˈmo̝ː.rə(n)/
pronoun
2. staat gevestigd op de gelijknamige eilanden
Komorit
adjective
1. ruimte beperkende uitvoering, gedrongen
  1. kompakti
  2. tiivis
noun
2. vennootschap
komppania
noun
1. verschijning in rechte
ilmestyminen
noun
1. iets wat minder is uitvallen, weer goed (proberen te) maken (met een extra toegift)
  1. hyvitys
  2. kompensaatio
  3. korvaus
  4. palkka
  5. vastike
noun
1. wedijver, concurrentie
kilpailu
adjective
1. gewend aan en in staat om strijd te leveren
kilpailuhenkinen
noun
attribuutti
noun
komplementaarisuus
/kɔmplɛks/
adjective
1. ingewikkeld
kompleksi
noun
1. de mate waarin iets complex is
kompleksisuus
noun
1. de studie van de complexiteit en mate van oplosbaarheid van wiskundige vraagstukken binnen het kader van...
aikavaativuusluokka
noun
1. bijkomende ziekte (verergering)
komplikaatio
noun
1. een lovende of vleiende opmerking
kohteliaisuus
noun
1. iemand die muziekstukken schrijft
säveltäjä
noun
een samengesteld materiaal dat is opgebouwd uit verschillende componenten
komposiittimateriaali
noun
  1. 1. een muziekstuk, werkstuk van een componist
  2. 2. samenstelling
sommittelu
noun
1. is het residu dat ontstaat na ontbinding van organisch materiaal (d.w.z. van plantaardige of dierlijke oorsprong)
komposti
verb
1. tot compost verwerken
kompostoida
noun
1. samendrukking
pakkaus
verb
1. samenpersen, compact maken
pakata
/kɔmproˈmi/
noun
1. overeenkomst waarbij de betrokken partijen concessies doen...
kompromissi
/kɔm.ˈpju.tər/, /kɔm.ˈpɪ̯uː.tər/
noun
1. informatieverwerkende machine
tietokone
noun
1. een programma dat geïnstalleerd en gebruikt kan worden op een computer
tietokoneohjelma
noun
1. een spel dat via of met de computer gespeeld wordt
tietokonepeli
noun
1. de taal waarin computerprogramma's worden geschreven, de programmeertaal.
tietokonekieli
noun
1.
tietokonevirus
noun
tietojenkäsittelytiede
noun
  1. keskittyminen
  2. keskitys
verb
1. op één plek samenbrengen
keskittyä
adjective
1. van cirkels of bollen dat ze het zelfde middelpunt hebben (maar niet dezelfde straal)
samankeskinen
noun
1. een muziekuitvoering door een orkest etc.
konsertti
/kɔn.si.ˈjɛr.ʒə/, /kɔn.ˈʒɛr.ʒə/
noun
1. een huisbewaarder, een toezichter in een gebouw
vahtimestari
noun
1. een besloten kerkvergadering van kardinalen waarbij een paus gekozen wordt
konklaavi
/ˌkɔŋklyˈderən/
verb
2. (overgankelijk) tot een besluit komen
tehdä johtopäätös
/kɔŋˈklyzi/
noun
johtopäätös
/kɔnˈkret/
adjective
2. in realiteit bestaand
konkreettinen
noun
1.
kilpailu
noun
1. het voordeel dat ontstaat wanneer een onderneming op een bepaalde markt een product kan aanbieden dat zich op een positieve manier onderscheidt van andere producten
kilpailuetu
noun
1. (vloei)stof die ontstaat bij het afkoelen en verhogen van de druk van een gas
kondensaatti
/kɔndɛn'zasi/
noun
tiivistyminen
noun
1. elektrische component
kondensaattori
noun
  1. 2. voorwaarde
  2. 1. gezondheidstoestand
ehto
noun
1. leerproces waarbij een organisme zich aanpast aan de omgeving
ehdollistaminen
noun
kondomi
noun
1. benaming voor sommige roofvogels uit de Amerikaanse tak (Cathartidae) van de gierenfamilie
kondori
noun
konduktanssi
noun
1. een medewerker van de spoorwegen die reizigers op vervoersbewijzen controleert en de orde in de trein of tram dient te bewaren
konduktööri
/kɔnfedə'ral/
adjective
1.
konfederatiivinen
noun
konferenssi
noun
1. felgekleurde papiersnippers
konfetti
/kɔnfixy'rerə(n)/
verb
1. opbouwen en aanpassen aan eigen behoefte
konfiguroida
verb
1. van staatswege in beslag nemen
takavarikoida
noun
ristiriita
verb
  1. 1. (onovergankelijk) gelijkvormig maken, naar iets inrichten
  2. 2. (wederkerend) zich aanpassen aan
noudattaa
noun
yhdenmukaisuus
noun
konfrontaatio
verb
1.iemand laten zien wat diegene heeft gedaan
kohdata
noun
konfutselaisuus
noun
1. samenklontering van verschillende bedrijven
kasauma
/kɔŋˈɣrɛs/, /kɔŋˈχrɛs/
noun
1. een grote vergadering van deskundigen op een bepaald vakgebied
kongressi
adjective
1. de vorm hebbend van een (afgeknotte) kegel
kartio
noun
1. binding
yhdistyminen
/ˈkɔn.jʏŋk.tif/
noun
1. aanvoegende wijs
  1. subjunktiivi
  2. konjunktiivi
noun
1. een werkloosheid die veroorzaakt wordt door vermindering van de bestedingen
suhdannetyöttömyys
/kɔnsɛrvaˈtif/
adjective
1. vasthoudend aan het oude en vertrouwde
  1. konservatiivi
  2. vanhoillinen
noun
konservatiivisuus
noun
1. een school in het hoger onderwijs waar men zich kan laten opleiden tot professioneel musicus, acteur/actrice of danser(es)
konservatorio
noun
konsortio
adjective
1. Altijd onveranderlijk
luja
noun
konstantaani
pronoun
Konstantinopoli
noun
1. een situatie waarin men zich geen raad meer weet
tyrmistys
noun
1. verstopping, harde of uitblijvende ontlasting
ummetus
/ˌkɔnstrʏkˈtif/
adjective
1. opbouwend
rakentava
noun
  1. 1. Romeins overheidspersoon
  2. 1. vertegenwoordiger
konsuli
noun
1.
konsulaatti
noun
1. een deskundige raadgever
konsultti
verb
  1. 1. verorberen
  2. 2. verbruik van goederen en diensten in de economie
kuluttaa
/kɔn.ˈtɑk/, /kɔn.ˈtɑkt/
noun
  1. 1. een toestand waarbij twee voorwerpen elkaar raken
  2. 2. onderlinge communicatie
  3. 3. een contactpersoon
  4. 4. een verbinding van twee elektrische geleidingen
  5. 5. een elektrische schakelaar
  6. 6. de grens tussen stollings- en nevengesteente
kosketus
verb
1. contact opnemen met
ottaa yhteys
noun
1. een zeer kleine glazen of kunststof lens die men direct op de oogbol plaatst ter vervanging van een bril
piilolinssi
noun
1. een sleutel waarmee men een motor kan starten en dus onontbeerlijk is voor het gebruik van het voertuig
käynnistysavain
noun
kontti
noun
konttialus
noun
1. verontreiniging of besmetting met chemische stof of bacterie
saastuminen
/ˈkɔntɛkst/
noun
1. verband waarin iets zich voordoet
  1. asiayhteys
  2. konteksti
noun
1. een werelddeel
  1. maanosa
  2. manner
adverb
jatkuva
/ˌkɔntinyˈweːrə(n)/
verb
1. voortzetten
  1. jatkaa
  2. kestää
noun
jatkuvuus
noun
1. het laagstklinkende muziekinstrument van de strijkinstrumenten
kontrabasso
/kɔnˈtrɑkt/
noun
1. een schriftelijk vastgelegde overeenkomst
urakka
noun
1. (muziekinstrument) fagot waarvan de noten een octaaf lager klinken dan de gewone fagot
kontrafagotti
verb
1. een tegenstelling vormen
muodostaa vastakohta
noun
tarkastus
noun
valvomo
verb
1. inspecteren, toezicht houden, onderzoeken, nazien
  1. tarkistaa
  2. tutkia
noun
1.
pad-ohjain
noun
konvektio
/ˌkɔnvɛrˈɣɛnt/
adjective
1. in één punt samenkomend
konvergentti
adjective
1.
makee
noun
1. scheikundig element met symbool Cn en atoomnummer 112
kopernikium
noun
1. het eten van ontlasting
koprofagia
/ˈkɔrnis/, /ˈkɔrnɪs/
pronoun
1. een Keltische taal die gesproken wordt in Cornwall
korni
pronoun
1. schiereiland in het zuidwesten van Engeland
Cornwall
adjective
1. met betrekking tot de krans-slagaders van het hart
sepel
adjective
1.
oikea
noun
1. samenhang
korrelaatio
verb
1. in onderling verband staan van twee of meer variabelen
korreloida
verb
olla kirjeenvaihdossa
/ˌkɔriˈʒeːrə(n)/, /ˌkɔriˈʒɪːrə(n)/
verb
1. iets van fouten ontdoen
korjata
noun
1. roest, een langzame verbinding met zuurstof
korroosio
noun
1. bedrog vanwege oneerlijkheid
korruptio
/'kɔrsɪkɑ/
pronoun
1. Frans eiland
Korsika
pronoun
1. een taal die op Corsica gesproken wordt
  1. korsika
  2. korsikalainen
noun
1.
korsikanrusakko
noun
kosini
/ˌkɔs.ta.ˈri.ka/
pronoun
1. een staat in Midden-Amerika, tussen Panama en Nicaragua
Costa Rica
noun
coulombi
noun
säkeistö
noun
1. massamedium
sanomalehti
noun
1. Cucurbita pepo, een groente uit de komkommerfamilie
kesäkurpitsa
noun
kuskus
noun
1. modeontwerper,ontwerper en maker van modieuze kledij
räätäli
noun
1. iemand die tijdens de coronapandemie de maatregelen tegen de verspreiding...
koronaidiootti
noun
1. hoed gedragen door een cowboy
cowboyhattu
noun
1. bepaald soort zoogdier, Canis latrans
  1. kojootti
  2. preeriasusi
noun
1. een constante factor van een onbekende of van een veranderlijke grootheid
kerroin
noun
1. seks waarbij de man met zijn penis het lichaam van de partner binnengaat
sukupuoliyhdyntä
noun
2. op samenwerking gegronde vereniging of bedrijf
osuuskunta
adjective
op samenwerking gebaseerd
  1. yhteistoiminnallinen
  2. yhteistyöhaluinen
  3. yhteistyökykyinen
noun
1. iemand die zorgt dat de dingen in hun samenhang geregeld worden
koordinaattori
verb
1. zo organiseren dat alles en iedereen goed kan samenwerken
koordinoida
noun
1. bepaald soort struik en 2. vrucht daarvan, Vaccinium macrocarpon
  1. karpalo
  2. amerikankarpalo
/krejaˈtif/
adjective
1. scheppend vermogen bezittend, met een scheppende geest
luova
noun
1.
kreatiini
noun
1. gedrevenheid of vaardigheid om iets oorspronkelijks te maken
luovuus
noun
luottokortti
verb
1. als tegoed boeken
hyvittää
noun
cree
verb
krematoida
noun
1. in Latijns-Amerika geboren nazaten van een samensmelting van Afrikaanse slaven...)
kreoli
noun
1. een taal die is ontstaan doordat bevolkingsgroepen die twee verschillende talen spraken met elkaar in contact kwamen en een nieuwe taal ontwikkelden
kreolikieli
noun
1. een uit Engeland afkomstig slagbalspel in de open lucht
kriketti
noun
1. de misdadigheid, het begaan van misdaden
rikollisuus
adjective
1. met betrekking tot misdaad
rikollinen
noun
1. sociologie van misdaad en misdadigheid
  1. kriminologia
  2. rikosoppi
noun
1. beoefenaar van de criminologie
kriminologi
noun
1. een zware noodsituatie waarbij het functioneren van een stelsel ernstig verstoord raakt
kriisi
/kriˈterijʏm/
noun
1. toets, een doorslag gevende reden
kriteeri
/krʋɑˈsɑ̃/
noun
1. halvemaanvormig broodje
  1. kroissantti
  2. voisarvi
noun
krupieeri
noun
krutonki
noun
1. vakantie op een varend schip met uitgebreide voorzieningen voor de passagiers
risteily
noun
1. een uit de auto-industrie afkomstig middel om de snelheid van een voertuig vast te zetten, zodat men zelf geen gas hoeft te geven
vakionopeudensäädin
noun
1. een passagierschip dat gebouwd en uitgerust wordt om er cruises mee te maken.
risteilyalus
noun
kryptoanalyysi
noun
1. een oppascentrum voor kinderen
päiväkoti
noun
1.
kreppiravintola
/ˈky.ba/
pronoun
eiland en land in het Caribisch gebied
Kuuba
adjective
kuubalainen
adjective
1. met betrekking tot de kookkunst
kulinaarinen
noun
1. film die populair is bij een kleine maar betrokken groep fans
kulttielokuva
/kʏltyˈrel/
adjective
1.met betrekking tot cultuur
kulttuurinen
noun
kultti
/kɵl'tyːr/
noun
1. het patroon van menselijke activiteit en de symbolische structuren,...
kulttuuri
/kymylaˈtif/
adjective
1. opstapelend, gesommeerd over alle bijdragen tot heden
kasaantuva
noun
kuuropilvi
noun
1.
kuppikakku
adjective
1. heilzaam, genezend
parantava
/ky.ra.ˈsʌʊ̯/, /kyː.ra.ˈzaʊ̯/
pronoun
1. een eiland en 2. een land
Curaçao
noun
2. gele voedselkleurstof
kurkumiini
noun
1. uitkrabbing
kaavinta
noun
1.iets merkwaardigs
kuriositeetti
noun
curium
noun
1. een precisiesport die lijkt op bowls, jeu de boules en bocce, die op ijs gespeeld wordt gespeeld met zware stenen in plaats van metalen (of plastic) ballen
curling
adjective
1.
kursiivi
verb
1. met schuine letters drukken
kursivoida
noun
käyrä
adjective
1. met betrekking tot de huid
kutaaninen
noun
  1. 3. cyanogeen
    syaani
  2. 1. een blauwgroene kleur
    syanni
noun
1. wetenschap van de besturing van systemen
kybernetiikka
noun
1. oorlogvoering waarbij hackers staten aanvallen om te trachten systemen te saboteren of te spioneren
kybersodankäynti
/ˈsiklis/
adjective
1. regelmatig terugkerend
syklinen
noun
2.
sykloni
noun
kyklooppi
noun
1. terugkerende, regelmatige reeks
polkupyörä
/ˈsinis/
adjective
kyyninen
noun
1. inwoner van Cyprus
kyproslainen
adjective
1. op Cyprus betrekking hebbend
kyproslainen
/ˈki.prʏs/, /ˈsi.prʏs/
pronoun
land in de Middellandse Zee, tussen Europa en Azië, officieel de Republiek Cyprus, eiland in de Middellandse Zee
Kypros
/sɪˈrɪlɪs/
adjective
1. betrekking hebbend op een alfabet
kyrillinen
noun
1. een alfabet dat geschreven wordt in het cyrillisch schrift
kyrillinen kirjaimisto
/ˈkɪstə/
noun
1. holte gevuld met vocht
kysta
noun
1. kijkonderzoek van de blaas
kystoskopia
/ˌsitɔˈplɑsma/
noun
solulima
/ˈsitoskəˌlɛt/
noun
1.
sytoskeletoni
/ˈsitɔzɔl/
noun
1
sytosoli
/dar.ˈχɪn(t)s/, /ˈdar.ɣɪn(t)s/
adverb
1. op een plaats in de verte
tuolla
adverb
niillä main
/daˈsit/
noun
1. vulkanisch stollingsgesteente.
daciitti
noun
1. een inwoner van het voormalige rijk Dacië
daaki
noun
dadaismi
noun
1. zoete bruine vrucht van de dadelpalm
taateli
noun
1. palm waaraan dadels groeien
taatelipalmu
noun
1. iemand die iets (slechts) gedaan heeft
tekijä
/dɑx/, /dɑχ/
noun
  1. 2. tijd tussen zonsop- en zonsondergang
    päivä
  2. 1. tijd waarin een hemellichaam volledig om zijn as draait
    1. päivä
    2. vuorokausi
noun
1. klassiek massamedium, gedrukt op papier en gericht op het verspreiden van nieuws
sanomalehti
noun
päiväkirja
adverb
1. iedere dag
  1. päivittäin
  2. päivittäinen
noun
1. het aanbreken van de nieuwe dag, de tijd net voor zonopkomst
aamunkoitto
/'dɑxlɪxt/
noun
1. licht van de zon
päivänvalo
noun
1. bepaalde soort dagvlinder, Aglais io
neitoperhonen
noun
1. een oproep om voor een rechtbank te verschijnen
haaste
noun
1.
daalia
pronoun
Dahomey
noun
1. deel dat een gebouw aan de bovenkant bedekt en bescherming biedt tegen het weer
  1. katto
  2. ulkokatto
noun
1.
olkikaton tekijä
noun
1. een langgerekte bakvormige of halfronde constructie voor het afvoeren van (regen)water dat van het dak komt
sadevesikouru
pronoun
1. Sioux-Catawbataal gesproken door 290 mensen in het Midden-Westen van de VS
dakota
noun
1. elkaar overlappende stenen of betonnen elementen waarmee een schuin dak lekdicht gedekt wordt
kattotiili
noun
1. raam dat in een dak zit
kattolyhty
/dɑl/
noun
1. een laagte in een heuvel- of bergstreek
laakso
/dɑl'matis/
adjective
dalmatialainen
pronoun
1.
Dalmatia
noun
dalmatiankoira
noun
1. (bij het damspel) twee gestapelde schijven
tammi
noun
1. weeftechniek, waarbij tekeningen aangebracht worden op een achtergrond van dezelfde kleur
damasti
/daːmə/
noun
3. koningin in het schaakspel
kuningatar
noun
1.
hyvät naiset ja herrat
phraseologicalUnit
1. etiquetteregel
naiset ensin
noun
1. Dama dama, behoort tot de familie Cervidae, hert met een breed plat gewei...
kuusipeura
verb
1. het damspel spelen
tammipeli
/dɑmp/
noun
1. de gasvormige toestand van een stof, de toestand die ontstaan is door verdamping
höyry
adverb
1. toekomstig tijdstip
niin
conjunction
1. na een vergrotende trap van een bijvoeglijk naamwoord of van een bijwoord.
kuin
conjunction
vai
pronoun
3. jongensnaam
Taneli
noun
1. een goede gezindheid jegens iemand voor bewezen diensten
kiitokset
interjection
1. uitdrukking van dankbaarheid
kiitos
adjective
1. erkentelijk voor ontvangen hulp
kiitollinen
noun
1. het dankbaar zijn
kiitollisuus
verb
kiittää
preposition
1. door de positieve werking van
ansiosta
noun
1. een verzameling sierlijke bewegingen, meestal op basis van een muzikaal ritme
tanssi
verb
1. ritmisch bewegen
tanssia
noun
1. mannelijk persoon die danst
tanssija
/dɑnsə'rɛs/
noun
1. een vrouwelijk persoon die danst
tanssijatar
noun
1. iemand die op een dansschool dansles geeft
tanssinopettaja
noun
parketti
/ˈdɑpər/
adjective
geen angst voor gevaar tonend
rohkea
noun
1. mannelijke bij
kuhnuri
/dɑrm/
noun
1. onderdeel van het spijsverteringsstelsel tussen de maag en de anus
suoli
noun
darmstadtium
noun
1. evolutieleer die het ontstaan van de soorten verklaart door natuurlijke selectie uit varianten die bij reproductie optreden
darwinismi
/dɑs/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Meles meles
  1. mäyrä
  2. metsäsika
noun
1. paneel met instrumenten waarmee een voertuig of installatie kan worden bestuurd of bediend
kojelauta
/ˈdɑs.lok/
noun
1. sterk riekende, eetbare plant uit de lookfamilie
karhunlaukka
conjunction
1. een voegwoord dat een lijdend-voorwerpszin inluidt
että
noun
1.
datakeskus
verb
1. meerdere dates, afspraakjes maken met iemand.
seurustella
verb
1. de datum van ontstaan bepalen
ajoittaa
noun
de derde van de acht naamvallen van de Indo-Europese talen
datiivi
noun
1. Russisch buitenverblijf
datša
noun
1. een tijdsaanduiding die bestaat uit een dag(nummer), een maand en een jaar
päiväys
noun
dauphin
noun
kaste
noun
1. elk van de talrijke bolletjes gecondenseerd water die op het koudst van de nacht, net voor zonsopgang, uit de lucht neerslaan op voorwerpen
kastepisara
noun
kastepiste
pronoun
Daavid
article
1. (de) wordt gebruikt voor mannelijke en vrouwelijke zelfstandige naamwoorden in het enkelvoud en altijd voor het meervoud, waarbij het een specifieke persoon of ding aanduidt in plaats van het algemene geval
se
phraseologicalUnit
1. het opgeven
heittää pyyhe kehään
verb
1. een lastige kwestie voortvarend en vastberaden aanpakken
ottaa härkää sarvista
verb
1. iets heel treffend verwoorden
osua naulan kantaan
interjection
1. er is een onomkeerbare stap gezet
arpa on heitetty
noun
  1. 1. Verkoper
  2. 2. Drugshandelaar
jälleenmyyjä
noun
1. extreme subgenre van heavy metal
death metal
noun
  1. väittely
  2. debatti
/deˈbil/
adjective
  1. bespottelijk, ridicuul
  2. in lichte mate zwakzinnig
heikko
/deˈbil/
noun
  1. 1. iemand die min of meer zwakzinnig is
  2. 2. bespottelijk iemand, halve gare, idioot
debiili
noun
debuggeri
noun
1. een mannelijk persoon die voor de eerste maal in het openbaar optreedt, speelt of publiceert
debytantti
noun
  1. 2. hoofd van een faculteit
  2. 1. C10H22
dekaani
noun
1.
dekametri
noun
1. de twaalfde en tevens laatste maand van het jaar
joulukuu
noun
desigramma
verb
1.sterk in aantal terugbrengen, gewoonlijk door afslachting
desimoida
noun
1. een lengtemaat met een waarde van één tiende meter
desimetri
verb
1. letterkundige werken mondeling voordragen
deklamoida
/dekliˈna(t)si/
noun
1, 2
deklinaatio
noun
1.
dekooderi
noun
1. laag uitgesneden halslijn bij vrouwenkleding
dekoltee
verb
1. methoden en technieken gebruikt om bouwwerken, meubels of andere objecten te verfraaien
koristaa
noun
1. ongebakken kneedbare uitgangsmateriaal voor het bakken van diverse broden en gebak
  1. taikina
  2. tahdas
noun
1. rol om deeg uit te rollen
kaulin
/ˈdeːl/
noun
  1. 1. een afsplitsing van een geheel
  2. 2. één uit een reeks
osa
verb
1. meedoen, meevoelen
  1. osallistua
  2. ottaa osaa
noun
1. iemand die meedoet aan een wedstrijd of ander evenement
osallistuja
noun
jaettava
noun
1. symbool om deling aan te duiden
  1. jakolaskumerkki
  2. kauttamerkki
noun
2. onderdeel van een atoom
hiukkanen
noun
hiukkasfysiikka
noun
hiukkaskiihdytin
noun
partisiippi
/den/, /deːn/
noun
1. een inwoner van Denemarken
tanskalainen
/dens/, /deːns/
adjective
1. betreffende Denemarken of het Deens
  1. tanskalainen
  2. tanska
/dens/, /deːns/
pronoun
1. een Germaanse taal die wordt gesproken in Denemarken
  1. tanska
  2. tanskalainen
noun
1. ongeloof in het eigen succes.
defaitismi
verb
1. uit het raam gooien
heittää ikkunasta ulos
noun
1. begripsbepaling
määritelmä
verb
määritellä
noun
1. het vallen van het prijspeil waardoor het geld in waarde toeneemt
deflaatio
noun
eheytys
noun
6. verwijzing naar een lagere speelklasse
alennus
verb
1. in rang verlagen
alentaa
pronoun
  1. 1. Griekse god van de paniek
  2. 2. kleinste van de twee manen van Mars
Deimos
noun
1. een verdieping op een schip
kansi
noun
1. dikke deken gevuld met isolerend materiaal
täkki
/dekə(n)/
noun
1. een (vaak dikke) doek, met de functie om iemand te bedekken en daarmee warm te houden (tijdens de slaap)
viltti
verb
  1. 1.
  2. 5. paren
kattaa
noun
piilo
/'dɛk.pɵnt/
noun
1.
kiintopiste
noun
1. een voorwerp om een hol open lichaam mee af te dekken
kansi
noun
  1. 1. afvaardiging
  2. 3. schuldoverneming
valtuuskunta
verb
1. taken en verantwoordelijkheden doorgeven
antaa tehtäväksi
verb
2. in meer dan één stuk snijden of hakken
jakaa
noun
jakaja
pronoun
1. het nationaal hoofdstedelijk territorium van India waarin de nationale hoofdstad New Delhi gelegen is. Het territorium is gesitueerd in het noorden van het land
Delhi
noun
delta
noun
demagogia
noun
1. een aandoening van de hersenen waardoor de verstandelijke en cognitieve vermogens verminderen
dementia
noun
  1. demokratia
  2. kansanvalta
adjective
1. in overeenstemming met de principes van een democratie
demokraattinen
noun
1. de studie van alles wat de omvang, samenstelling en spreiding van een bepaalde bevolkingsgroep en de veranderingen hierin betreft
  1. väestötiede
  2. demografia
adjective
demoninen
verb
demonstroida
/dɛmpən/
verb
1. zwakker maken, de kracht verminderen van
hiljentää
verb
1. minder geheimzinnig maken
demystifioida
pronoun
1. de hoofdstad van de provincie Zuid-Holland en tevens de stad waar de Nederlandse regering zetelt
Haag
noun
tuojahaarake
pronoun
1.
Deneb
/ˈdenəˌmɑrkə(n)/, /ˈdeːnəˌmɑrkə(n)/
pronoun
1. een Scandinavisch land in Noord-Europa
Tanska
verb
  1. 1. een oplossing zoeken
    ajatella
  2. 3. een bepaalde mening toegedaan zijn
    1. luulla
    2. olla
noun
männynkäpy
noun
ketunlieko
/ˈdejo/
noun
1. een middel dat gebruikt wordt om de geur van transpiratie weg te nemen of te voorkomen
deodorantti
/ˌdejodɔːˈrɑnt/
noun
1. een middel dat gebruikt wordt om de geur van transpiratie weg te nemen of te voorkomen
deodorantti
noun
deontologia
noun
karkottaminen
noun
arvon aleneminen
noun
    1. 2. gebied met lage luchtdruk
    2. 3. langdurige inzinking in de economische ontwikkeling
    1. depressio
    2. masennus
  1. 1. ziekelijke neerslachtigheid
    1. masennus
    2. depressio
verb
ahdistaa
adjective
1. somber makend; depressie veroorzakend
masentava
/ˈdɛrdə/
noun
1. door drie gedeeld iets
kolmas
/ˈdɛrdə/
ordinalAdjective
1. betrekking hebbend op nummer drie in een rij
kolmas
noun
kolmas persoona
pronoun
Kolmas maailmansota
noun
1. huidontsteking
ihotulehdus
noun
1. een specialisme binnen de geneeskunde dat zich bezighoudt met aandoeningen van de huid, de nagels en het haar, samen huidziekten genoemd
dermatologia
noun
1. Huidspecialist
ihotautilääkäri
cardinalNumeral
1. het getal 13
kolmetoista
ordinalAdjective
kolmastoista
cardinalNumeral
1. het getal 30
kolmekymmentä
noun
1. ruimtelijke figuur met dertig vlakken
30[[-tahokas]]
verb
1. eenduidig maken, van zijn dubbelzinnigheid ontdoen
yksikäsitteistää
verb
karata
noun
1.
sotilaskarkuri
noun
1. onjuiste of misleidende informatie, die bewust verstrekt wordt met het oogmerk...
disinformaatio
noun
1. een specialist
asiantuntija
noun
1.
vesikontiainen
noun
  1. dNA
  2. deoksiribonukleiinihappo
adjective
1.
despoottinen
noun
itsevaltius
noun
jälkiruoka
noun
1. legereenheid die om een bepaalde taak uit te voeren van het groter geheel is afgezonderd
komennus
noun
1. onderdeel, kleinigheid
yksityiskohta
verb
2. ergens een signaal van door middel van apparatuur opvangen
havaita
verb
1. iemand van staatswege gevangen houden
pidättää
noun
1. iets dat goed is in zedelijk opzicht
hyve
adjective
1. bereid zich te gedragen in overeenstemming met algemeen aanvaarde waarden
hyveellinen
/døːr/
noun
1. een afsluiting van een toegang tot een ruimte, gemaakt van hout, metaal of kunststof
  1. ovi
  2. uksi
noun
1. een handvat waarmee een deur wordt geopend of gesloten
ovenkahva
noun
1. een kleine mat, waarop men bij de deur de schoenen kan afvegen
kynnysmatto
/dœyˈterijʏm/
noun
1. een isotoop van waterstof
raskas vety
/dewteɾoˈnomjum/
pronoun
5. Mooseksen kirja
/'devəntər/
adjective
1. gemeente en oudste stad in de provincie Overijssel
Deventer
noun
1. woord of korte tekst die snel en tegelijkertijd duidelijk een bepaalde boodschap moet overbrengen
motto
noun
dekstriini
demonstrativePronoun
sama
/deʲɪsmə/
noun
deismi
noun
dharma
noun
1. stofwisselingsziekte waarbij het lichaam geen of te weinig insuline produceert
diabetes
adjective
diabeetikoille sopiva
noun
diabolo
noun
1. band (met edelstenen versierd) voor om het hoofd
diadeemi
noun
1.
sinimarakatti
noun
diageneesi
noun
1. vaststelling van een ziekte
diagnoosi
/'dɪɑɣnɔstɪ'seːrə(n)/
verb
1. aan de hand van verschijnselen de ziekte bepalen
  1. diagnosoida
  2. diagnostisoida
adjective
diagnostinen
adjective
lävistäjä
noun
een vierkante matrix waarvan alle elementen buiten de hoofddiagonaal (↘) 0 zijn
diagonaalimatriisi
noun
1. een symbolische en grafische voorstelling van een aantal zaken en hun onderling verband
diagrammi
noun
diakoni
/dijaˈkritis/
adjective
diakriittinen
/diaˈlɛkt/
noun
1. een variant van een taal met kenmerkende grammaticale, fonologische en andere kenmerken
  1. murre
  2. aluemurre
/ˌdi.ja.ˌlɛk.to.lo.ˈɣi/, /ˌdi.ja.ˌlɛk.to.lo.ˈχi/
noun
1. de wetenschap die regionale verschillen tussen taalvariëteiten bestudeert
dialektologia
noun
  1. dialogi
  2. vuoropuhelu
adjective
1. de eigenschap bezittend door een magnetisch veld afgestoten te worden doordat alle inwendige spins gepaard zijn
diamagneettinen
noun
  1. 1. een uiterst hard, doorzichtig mineraal met kubische symmetrie dat uit koolstof bestaat
  2. 2. een edelsteen gesneden uit [1]
timantti
noun
1. middellijn
halkaisija
noun
diapaussi
/diɑ're/
noun
1. darmstoornis die dunne ontlasting veroorzaakt
ripuli
/diˈjaspora/
noun
diaspora
adjective
  1. 1. compact
  2. 2. gesloten
tiheä
/dɪxtˈbɛː/, /dɪɣ.ˈbɛɪ̯/, /dɪχˈbɛɪ/
adjective
1. op heel korte afstand
läheinen
noun
1. iemand die poëtische kunst voortbrengt
runoilija
noun
1. compactheid
tiheys
noun
1. iemand die als enige de macht in een land in handen heeft
diktaattori
noun
1. staatsvorm waarbij de macht vrijwel volledig in handen van één of enkele personen ligt
diktatuuri
/dɪk'te/
noun
1. een tekst die wordt gedicteerd en door andere personen wordt opgeschreven als toets in het correct spellen
sanelu
verb
sanella
noun
1. Australisch, houten blaasinstrument afkomstig van de Aboriginals
didgeridoo
demonstrativePronoun
1. wijst iets aan dat zich niet in de onmiddellijke nabijheid van de spreker bevindt
he
/di'jen/
noun
1.
dieeni
noun
2. een aanpassing in het eet- en voedingspatroon
  1. dieetti
  2. ruokavalio
/dif/
noun
1. iem. die steelt
varas
noun
1. het zich onrechtmatig toe-eigenen van goederen of andere bezittingen die aan een ander toebehoren
varkaus
noun
kehikko
/ˈdinən/
verb
1. werken voor; in dienst zijn van
palvella
noun
  1. 4. kerkdienst
    asepalvelus
  2. 1.
    palvelus
/ˈdinst.plɪxt/
noun
1. verplichting om ergens te werken
asevelvollisuus
adjective
1. waar de bodem ver naar beneden is
syvä
adjective
1. van iets dat het al lange tijd tot de kern van iemands identiteit hoort
syväjuurinen
/'diptə/
noun
1. de mate waarin iets diep is
syvyys
/diːr/
noun
1. met zintuigen uitgerust meercellig organisme dat zijn energie verkrijgt uit andere dierlijke of plantaardige organismen
eläin
noun
1. arts voor dieren, met name kleine huisdieren
eläinlääkäri
noun
1.
eläinpuisto
noun
1. de verzameling van alle diersoorten
eläinkunta
/ˈdiːrə(n)ˌtœʏ̯n/, /ˈdiːrə(n)ˌtœːn/
noun
1. een verzameling levende, oorspronkelijk wilde dieren.
eläintarha
noun
1. wetenschap die zich richt op de aard, de oorzaken en de geneesmiddelen van dierziektes
eläinlääketiede
noun
1. de wetenschap die de dieren bestudeert.
eläintiede
noun
1. dieselmotor
diesel
noun
dieselmoottori
noun
  1. herjaus
  2. kunnianloukkaus
  3. solvaus
noun
differentiaalilaskenta
noun
vergelijking voor een functie waarin een of meer van de afgeleiden van die functie voorkomen
differentiaaliyhtälö
noun
tasauspyörästö
noun
1. de vermenging van twee ongelijksoortige stoffen
diffuusio
noun
1. infectieziekte
kurkkumätä
adjective
digitaalinen
noun
digrafi
/dɛj/
noun
1. het deel van het menselijk been tussen heup en knie
reisi
noun
1. een waterkering ter bescherming van het achterliggende land
tulvapato
/dɪk/
adjective
  1. 1. een naar verhouding grote dwarsdoorsnede hebbend
  2. 2. de genoemde dwarsdoorsnede hebbend
  3. 4. ruim
  4. 5. hecht
  5. 6. nauw aaneengesloten
  6. 7. weinig vloeibaar
paksuna
noun
3. kleine bruine motachtige dagvlindersoorten met een snelle schietvlucht
paksupää
adverb
usein
/dɪ'lɛmɑ/
noun
moeilijke keuze
dilemma
noun
1. de plant en de bladeren van het kruid
tilli
noun
  1. 1. afmeting in een bepaalde richting
  2. 2. parameter van een wiskundige ruimte
  3. 3. categorie waarin een fysische grootheid valt
dimensio
noun
1. warme maaltijd
illallinen
verb
1. het diner gebruiken
aterioida
noun
1. voorwerp
esine
/ˈdɪ.ŋəs/
noun
härveli
noun
1. Canis lupus dingo, een Australische wilde hond
dingo
noun
1. stam van eencelligen met een tweetal zweepstaartjes die in water leven, Dinoflagellata
  1. dinoflagellaatit
  2. dinoflagellata
/ˈdinoflɑɣɛˌlatə(n)/
noun
1. stam van eencelligen met een tweetal zweepstaartjes die in water leven, Dinoflagellata
panssarilevät
/ˌdinoˈsʌʊriər/
noun
1. een lid van een uitgestorven groep van reptielen, waartoe de grootste landdieren behoren die ooit bestaan hebben
dinosaurus
/ˌdinoˈsʌʊrəs/
noun
1. een lid van een uitgestorven groep van reptielen, waartoe de grootste landdieren behoren die ooit bestaan hebben
  1. dinosaurus
  2. hirmulisko
noun
1. dag van de week die na maandag en voor woensdag komt
tiistai
noun
diodi
noun
dioksidi
noun
1. een bewijs van bevoegdheid
diplomi
noun
1. iemand die in het buitenland zorgt voor de politieke relaties met zijn eigen land
diplomaatti
noun
1. de kunst en de kunde van het voeren van overleg
diplomatia
adjective
1. betrekking hebbende op de diplomatie
diplomaattinen
adjective
1. zonder te wachten, zonder iets daartussen
suora
noun
1. een leider van een orkest, koor of ander muziekgezelschap
kapellimestari
noun
1. beschrijvend overzicht van de elpee's of cd's van een artiest of muziekgroep
diskografia
noun
diskoteekki
adjective
1. zonder aandacht te trekken, onopvallend
tahdikas
noun
1. onverwachte onderlinge afwijking
  1. epäjohdonmukaisuus
  2. eroavuus
noun
  1. 1. bescheidenheid of kiesheid
  2. 2. geheimhouding
hienotunteisuus
noun
syrjintä
/ˈdɪskʏs/
noun
1. een zware werpschijf die gebruikt wordt bij de atletische sport discuswerpen.
kiekko
noun
1. een gedachtewisseling waarbij doorgaans verschillende meningen worden uitgewisseld
keskustelu
verb
keskustella
noun
1. een atletiekdiscipline waarbij men een discus zo ver mogelijk probeert te werpen
kiekonheitto
noun
1. Magneetschijf
disketti
noun
diskvalifiointi
/dɪsəl/
noun
3. houtbewerkingsbijl
kourukirves
adjective
toisinajattelija
noun
1. uiteenval
dissosiaatio
noun
dissonanssi
adjective
1. naar het einde van de ledematen toe
distaalinen
noun
ohdake
noun
1. Vanessa cardui
ohdakeperhonen
noun
1. het gebied van een lokale overheid
alue
demonstrativePronoun
tämä
noun
1. urinedrijvend middel
diureetti
adjective
  1. 1. onderling duidelijk verschillend
  2. 2. gekenmerkt door de aanwezigheid van mensen met een verschillend achtergrond
erilainen
noun
1. uitkering van (een deel van de) winst aan de aandeelhouders van een onderneming
osinko
noun
1. (weinig gebruikte) scheikundige term voor water (H2O)
divetymonoksidi
noun
1. verplaatsbaar tijdelijk toilet
bajamaja
noun
1. leer over gezonde voeding en de toepassing van die leer in de gezondheidszorg
ravitsemusoppi
/(d)ʒi.ˈbu.ti/, /dji.ˈbu.ti/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika 2. de hoofdstad van
Djibouti
pronoun
1.
Dnepr
noun
1. kubusvormig voorwerp met op elk van de zijden een van de ogenaantallen één tot en met zes
noppa
noun
1. een vrouwelijk kind
tytär
/ˈdɔktɔr/
abbreviation
1. een academicus die een goedgekeurd proefschrift heeft geschreven
tohtori
noun
1.het hoogste diploma dat aan een universiteit behaald kan worden
tohtorintutkinto
noun
1. een verzameling leerstellingen of dogmas die niet ter discussie staan
doktriini
noun
1. een verzameling gegevens
asiakirja
adjective
dokumentaarinen
noun
1. een op waarheid beruste film
dokumentaari
/dokymɛn'taʦi/
noun
1. geschreven materiaal dat een bepaald onderwerp om- en beschrijft
dokumentaatio
verb
1. onderbouwen, staven
dokumentoida
noun
1. iemand die dood is, een gestorvene, overledene
kuollut
noun
kuollut kirjain
/'do:dələk/
adjective
1. de dood veroorzakend
  1. tappava
  2. kuolettava
/ˈdo.də(n)/
verb
1. iemand van het leven beroven.
  1. tappaa
  2. surmata
noun
1. dans van De Dood
kuolemantanssi
noun
1. een afgietsel van het gelaat van een dood persoon, gewoonlijk gemaakt van was of gips
kuolinnaamio
/ˈdudɔɫˌzɑk/, /ˈdudəlˌzɑk/
noun
1. een rietinstrument waarbij het riet indirect bespeeld wordt via een luchtzak
säkkipilli
noun
4. gordijn
esirippu
noun
1. het punt waarop men zich richt
maali
noun
1. de balk aan de bovenkant van een (voetbal)doel
poikkipalkki
noun
1. de lijn die het doel scheidt van de rest van het veld
maaliraja
adjective
1.
suunnaton
noun
maalivahti
noun
maali
verb
1. een actie ondernemen
tehdä
noun
1. een boom met zeer smakelijke maar stinkende vruchten
durio
noun
doge
/'dɔɣma/
noun
1. een vastomlijnd geloofsartikel dat aan geen beredenering meer is onderworpen
dogmi
adjective
dogmaattinen
noun
2. droogzetinrichting voor schepen
satama-allas
noun
1. kamer zonder daglicht waarin foto's kunnen worden ontwikkeld en afgedrukt
pimiö
noun
lääkäri
/dɔl/
noun
  1. 1. roeipen
  2. 2. U-vormig steunpunt waarin een roeispaan rust
hankain
noun
1. bovenste rand van een (roei)boot
reelinki
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Delfiini
/dɔlˈfɛɪ̯n/, /dɔlˈfɛːn/, /dɔɫˈfɛɪ̯n/, /ˈdɔlfɛɪ̯n/, /ˈdɔlfɛːn/, /ˈdɔɫfɛɪ̯n/
noun
1. familie Delphinidae van mittelgrote tandwalvissen met vooruitstekende snuit
delfiini
noun
tikari
/ ˈdɔlɑr /
noun
1. munt en munteenheid
dollari
adjective
1. van weinig verstand getuigend
tyhmä
noun
  1. 2. bolvormig dak
    kupu
  2. 1. hoofdkerk van een bisdom
    1. tuomiokirkko
    2. katedraali
noun
alue
noun
1. temming tot huisdier of cultuurgewas
domestikaatio
verb
1. tot huisdier of cultuurgewas temmen
kesyttää
noun
2. vijfde trede van toonladder
  1. dominantti
  2. huippusävel
noun
1. overheersing
dominoivuus
/domiˈnɪːrə(n)/
verb
1. het meest nadrukkelijk op de voorgrond treden
dominoida
/ˌdo.mi.ni.ˌkan.sə.re.py.ˈblik/, /ˌdo.mi.ni.ˌkans.re.pʏ.ˈbliːk/
pronoun
1. een land in het Caribisch gebied dat ten westen aan Haïti grenst en daarmee...
Dominikaaninen tasavalta
noun
1.
dominoefekti
verb
1. half in slaap zijn
nuokkua
noun
1. een schenking
lahja
pronoun
1. een rivier in Europa die in het Zwarte Woud in Duitsland ontspringt en naar de Zwarte Zee stroomt.
Tonava
noun
1. een zeer luid geluid bij onweer
  1. ukkonen
  2. jyrinä
noun
1. een dag van de week die na woensdag en voor vrijdag komt
torstai
/ˈdɔndərə(n)/
verb
  1. 1. het weerklinken van luid gerommel ten gevolge van bliksemontlading.
  2. 2. op luide en barse toon een bevel geven of zijn ongenoegen uiten.
jyristä
adjective
1. zonder licht
tumma
noun
1. fijne veren die onder de taaiere buitenveren zitten, vaak gebruikt als vulstof voor kussens, dekbedden en slaapzakken
untuva
adjective
1.
höyheninen
/doːt/
adjective
1. niet meer levend
kuollut
/doːt/
noun
  1. 2. skeletvormige figuur, vaak met zeis, die bovengenoemde toestand personifieert
    kuolema
  2. 1. de toestand na het leven
    1. kuolema
    2. kuollut
/ˈdotxan/
verb
1. het leven verlaten
kuolla
adjective
1. bij de geboorte al overleden
kuolleena syntynyt
/ˈdoːts.ɛsˌka.dər/
noun
1. bende die gevormd is om een of meerdere personen te doden
kuolemanpartio
noun
ruumisarkku
noun
1.
kuolemansyy
adjective
1. erg stil
haudanhiljainen
noun
1. als straf gedood worden
kuolemanrangaistus
noun
1.de periode van het getij waarin het verschil tussen hoog- en laagwater minimaal is
vajaavuoksi
noun
  1. 1. juridisch
  2. 2. figuurlijk
kuolemantuomio
/doːf/
adjective
1. niet of minder goed tot horen in staat zijn
kuuro
noun
kuurous
noun
1. smelten
suojailma
noun
keltuainen
noun
  1. 1. stelsel van paden of dwaalwegen, zodanig aangelegd dat men daarin moeilijk de weg kan vinden
  2. 2. ingewikkelde zaak
labyrintti
noun
1. plechtige besprenkeling of onderdompeling waarmee iemand tot een kerk gaat behoren
kaste
noun
1. de doop
kaste
/ˈdop.vɔnt/
noun
1. een bekken voor de bediening van de doop en het bewaren van het doopwater in een kerkgebouw
kastemalja
/ˈdoːr/, /[doːr]/, /[dʊːr]/
preposition
  1. 3. in
  2. 6. als achterzetsel: doorheen
  3. 1. bij lijdende vorm
  4. 2. oorzaak
kautta
adverb
1. volkomen, volledig
henkeen ja vereen
noun
2. een cruciale ontdekking
läpimurto
/ˈdoːrɣan/, /ˈdɔːrχan/
verb
1. tot het einde meemaken
jatkua
noun
käytävä
noun
1. scherp uitsteeksel aan een plant
piikki
noun
1. Datura stramonium, een zeer giftige plant die hallucinogene alkaloïden bevat
hulluruoho
/ˈdornəkron/
noun
1. van doorntakken gevlochten kroon als symbool van het martelaarschap
piikkikruunu
noun
1. bepaalde soort vis, Squalus acanthias
piikkihai
/dɔːrˈstan/
verb
1. ondanks moeilijkheden er nog goed voorstaan
kärsiä
noun
1. het door een plaats, rivier of gebied trekken zonder dat deze plaats, rivier of dat gebied de reisbestemming is
kauttakulku
/doʊs/, /doːs/
noun
1. een veelal kartonnen balkvormig opslagmiddel
laatikko
/dɔp/
noun
2. kapje ter afsluiting van iets
kansi
noun
1.
dopamiini
verb
2. iemand ritueel met water besprenkelen of erin onderdompelen en zodoende tot een geloof toelaten
kastaa
noun
1. en 2. (zaden uit / peulen van) het gewas Pisum sativum L. subsp. sativum var. sativum
tarhaherneet
noun
1. stimulerende (genees)middelen
doping
noun
1. schijnbare frequentieverschuiving als de zender en ontvanger bewegen ten opzichte van elkaar
Doppler-ilmiö
/dɔrp/
noun
1. kleine, permanente nederzetting
kylä
verb
puida
noun
1. toestel dat de graankorrels uit de korenaren slaat
puimakone
noun
jano
noun
varsta
noun
1. vloer waarop gedorst wordt
puimatanner
noun
1. (medisch) verstrekte hoeveelheid
annostus
noun
1. hoeveelheid van een geneesmiddel die je per keer moet innemen
  1. annos
  2. lääkeannos
verb
1.
doupata
noun
1. weduwe van een edelman
perijätär
noun
1. een overheidsdienst die belast is met de controle op het internationaal goederenverkeer
tulli
/duʃ/
noun
1. stortbad
suihku
noun
1.
suihkugeeli
noun
1.
suihkukappale
/ˈdovə(n)/
verb
1. een vlam uit doen gaan
sammuttaa
noun
1. een lipbloemige plant met bladeren die op die van de brandnetel lijken maar die niet branden.
peippi
noun
1. een set van twaalf
tusina
/draːt/
noun
  1. 1. in elkaar gesponnen vezels
  2. 3. elektrisch verbindingsmateriaal
lanka
/drat.los/, /ˈdraːd.loːs/
adjective
1. waarbij geen draden nodig zijn voor de overdracht van een signaal
langaton
/ˈdraxbar/, /ˈdraχbar/
adjective
1. te dragen, met de mogelijkheid gedragen te worden
kannettava
noun
1. ongemoduleerde elektromagnetische radiogolf
kantoaalto
/ˈdraːɣ.mudər/
noun
sijaissynnyttäjä
noun
1. stok waaraan men iets draagt
ämmänlänget
noun
1. een machine die een ingeklemd werkstuk ronddraait zodat dit met beitels en boren kan worden bewerkt
sorvi
noun
1. constructie van drie of vier deurbladen die rondom een gezamenlijke verticale as kunnen draaien, ter vervanging van een gewone deur m.n. gebruikt in winkels, ziekenhuizen enz.
pyöröovi
/ˈdraːi̯ən/
verb
Vertalingen: na te kijken
kääntää
noun
1. iemand die met een draaibank werkt
sorvari
noun
pyörähdys
noun
1. iemand die voortdurend van mening verandert
takinkääntäjä
noun
1. strijkinstrument met strijkwiel
kampiliira
noun
karuselli
noun
1. een mechanisch bediend of automatisch spelend orgel, meestal op straat spelend
posetiivi
pronoun
sterrenbeeld nabij de noordelijke hemelpool
Lohikäärme
/draːk/
noun
1. fabeldier
lohikäärme
noun
2. draagtijd van een zwanger wijfjesdier
tiineys
/drɑf/
noun
1. draf bij viervoeters
ravi
verb
1. al van de vloer houdend vervoeren
kantaa
noun
5. voorwerp dat iets ondersteund
tuki
/ˈdraɣɔn/
noun
2. kruid
rakuuna
noun
1.
rakuuna
noun
1. vochtafvoering
ojitus
noun
  1. 1. een droevige of aangrijpende gebeurtenis
  2. 2. een bepaald soort film of toneelstuk
draama
/drɑŋk/
noun
  1. 2. vloeistof om de dorst te lessen
  2. 1. alcoholhoudende vloeistof
juoma
/ˈdrɑs.tis/, /ˈdrɑs.tɪs/
adjective
1. doelgericht zeer ingrijpend
drastinen
verb
1. van paarden
ravata
noun
1. grassoort
kattara
noun
1.
rastat
noun
1. onderdorpel van een kozijn
kynnys
/ˈdrɛntə/
pronoun
1. provincie in het noorden van Nederland, die door Friesland, Groningen, Overijssel en het Duitse Nedersaksen wordt begrensd
Drenthe
cardinalNumeral
1. telwoord
kolme
noun
1. het cijfer 3
  1. kolmonen
  2. kolme
noun
kolmen vallin kara
noun
1. vliegtuig met drie vleugels
kolmitaso
adjective
1. met drie afmetingen, hoogte, breedte en diepte
kolmiulotteinen
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Kolmio
noun
1. tweedimensionale geometrische vorm, bestaande uit 3 hoeken en 3 zijden
kolmio
adjective
kolmikulmainen
noun
1. kleine tweekleppige zoetwaterschelp, oorspronkelijk uit het bekken van de Kaspische ...
vaeltajasimpukka
noun
1. (romantische) verhouding waarbij drie mensen zijn betrokken
kolmiodraama
/ˈdriˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 300
kolmesataa
adjective
met drie koppen
kolmipäinen
noun
1. plek waar de grenzen van drie landen elkaar treffen
trelandsgrense
noun
1. politiek leiderschap dat uit drie gelijkwaardige personen bestaat
triumviraatti
noun
atrain
noun
1.
pikkukajava
noun
kolmipyörä
cardinalNumeral
1. het getal 33
kolmekymmentäkolme
cardinalNumeral
1. het getal 93
yhdeksänkymmentäkolme
cardinalNumeral
1. het getal 83
kahdeksankymmentäkolme
cardinalNumeral
1. het getal 23
kaksikymmentäkolme
cardinalNumeral
1. het getal 43
neljäkymmentäkolme
cardinalNumeral
1. het getal 53
viisikymmentäkolme
cardinalNumeral
1. het getal 63
kuusikymmentäkolme
/ˈdrijənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 73
seitsemänkymmentäkolme
noun
1. gas dat in spuitbussen gebruikt wordt om de inhoud onder druk te zetten
  1. ponnekaasu
  2. raketin ajoaine
noun
kanki
noun
1. bodem bestaand uit heel kleine korreltjes vergruisd gesteente, verzadigd met zoveel water dat alles wat zwaar is er in wegzakt
juoksuhiekka
verb
e1. op het oppervlak van een vloeistof rusten
kellua
adjective
kiireellinen
/'drɪŋkə(n)/
noun
juoda
noun
water dat geschikt is om gedronken te worden
juomavesi
noun
3. paardenziekte
pääntauti
verb
1. vocht laten of doen verdampen
  1. kuivua
  2. kuivata
noun
1. een toestel dat natte voorwerpen, bijvoorbeeld wasgoed droogmaakt
kuivain
noun
1. uitwerpsel, ontlasting
kikale
noun
1. Camelus dromedarius, herkauwer uit Afrika met vetbult op de rug
  1. dromedaari
  2. yksikyttyräinen kameli
verb
  1. 1. ervaren van een reeks gebeurtenissen of beelden tijdens de slaap
    haaveilla
  2. je een voorstelling maken van wat je graag wil
    1. haaveilla
    2. uneksia
/drɔŋkə(n)/
adjective
1. onder invloed van alcohol
juopunut
noun
het zwaar onder invloed van alcohol zijn
humalatila
/droːx/
adjective
1. geen of zeer weinig vocht bevattend.
kuiva
noun
1. lange periode zonder of met minder neerslag
kuivuus
noun
  1. 2. een gedachte waarvan met graag had gehad dat ze werkelijkheid werd
    uni
  2. 1. beelden die men ziet wanneer men slaapt
    1. uni
    2. unelma
noun
1. het duiden van de betekenis van de dromen die iemand heeft
oneiromantia
noun
zwart gekleurd snoepgoed
lakritsi
noun
1. uit een vliegtuig werpen van bepaalde goederen, bijvoorbeeld medicijnen of voedsel,...
ilmapudotus
noun
huumausaine
noun
huumausainekauppa
/'drɵksfər'slaːfdə/
noun
1. Verslaafd persoon
narkomaani
noun
2. vrucht van de wijnstok
viinirypäle
verb
tiputtaa
noun
viinirypäleensiemenöljy
noun
1. een vruchtensap bereid uit druiven
rypälemehu
noun
1. pressie, kracht die over een oppervlakte uitgeoefend wordt
paine
verb
  1. 1. kracht uitoefenen op
  2. 3. verkort voor afdrukken
painaa
noun
1. een persoon die afdrukken maakt
painaja
noun
1. papier gevuld door een printer of een drukpers
painotuote
noun
1. iemand die (beroepshalve) slagwerk speelt
rumpali
noun
rummut
/drɵ.pəl/
noun
  1. pisara
  2. tippa
noun
druidi
noun
1. mythologisch, vrouwelijk wezen dat in een bos of boom leeft
dryadi
noun
kaksitaso
verb
1. twee keer, snel achterelkaar, met de muisknop op iets klikken
kaksoisklikata
noun
1. dubbele toonverlaging
kaksoisalennusmerkki
/ˈdʏ.bəl.ˌstɛr/, /ˈdʏ.bəɫ.ˌstɛr/
noun
1. twee sterren die om elkaar heen bewegen
kaksoistähti
/ˈdɵbəlcə/
noun
3. benaming voor muntstuk met de waarde van een tiende van een munteenheid
10 sentin kolikko
noun
1. een scheikundig element met het symbool Db
dubnium
/dʏf/
adjective
1. saai, doods
  1. tylsä
  2. tylsistyttävä
/ˈdœy̯dələk/
adverb
  1. 1. niet mis te verstaan
  2. 2. goed te herkennen
  1. selkeä
  2. selvä
/dœʏ̯f/, /dœːf/
noun
1. vogel die een koerend geluid maakt, uit de familie Columbidae
  1. kyyhky
  2. pulu
  3. kyyhkynen
noun
1. wandplank van een vat
tynnyrilauta
noun
sukellus
/ˈdœy̯kə(n)/
verb
  1. 2.in het water springen zodat de armen eerst het water in gaan
  2. 1. het zich onder water voortbewegen (van bijvoorbeeld duikboten) of zwemmen (van mensen)
sukeltaa
noun
1. iemand die voor beroep of plezier zich onder de waterspiegel begeeft
sukeltaja
noun
1. een masker gebruikt bij het duiken
sukellusnaamari
/'dœykspɔrt/
noun
1. langdurige onderwater verblijven en zwemmen
laitesukellus
noun
pystysyöksy
/dœy̯m/
noun
  1. 1. eerste, kortste en dikste vinger
    peukalo
  2. 2. lengtemaat
    tuuma
noun
1. het hoornen gedeelte van de eerste vinger van de hand
peukalonkynsi
/dœʏ̯n/, /dœːn/
noun
  1. dyyni
  2. lentohiekka
adjective
1. in weinig of geen licht badend
hämärä
noun
1. een toestand van weinig of geen verlichting
pimeys
/dœʏ̯ts/, /dœːts/
adjective
1. betreffende Duitsland of het Duits
  1. saksalainen
  2. saksa
/dœʏ̯ts/, /dœːts/
pronoun
1. een taal die gesproken wordt in Duitsland, Oostenrijk, Zwitserland, Italië en België
  1. saksa
  2. saksalainen
/ˈdœʏ̯tsə/, /ˈdœːtsə/
noun
1. een vrouw van Duitse komaf
  1. saksalainen
  2. saksatar
pronoun
Saksan demokraattinen tasavalta
noun
1. hond uit een oorspronkelijk in Duitsland gefokt ras
saksanpaimenkoira
/ˈdœʏ̯tsər/, /ˈdœːtsər/
noun
1. een inwoner van Duitsland
saksalainen
/ˈdœʏ̯tslɑnt/, /ˈdœːtslɑnd/, /ˈdœːtslɑnt/
pronoun
1. een Midden-Europese staat die wordt gevormd door een federatie van 16 deelstaten en die het Duits als officiële taal heeft
Saksa
noun
  1. perkele
  2. paholainen
  3. sielunvihollinen
noun
1. het gevoel zijn evenwicht te verliezen
huimaus
/ˈdœy̆zənt/
noun
1000
tuhat
noun
siankärsämö
noun
1. geleedpotig dier met een groot aantal poten uit de klasse Chilopoda
juoksujalkainen
ordinalAdjective
tuhannes
noun
1. oude munt
dukaatti
/dʏn/
adjective
2. van geringe dikte
ohut
noun
2. magerheid
laihuus
verb
1. voorkomen
näyttää
noun
1. bepaalde soort vis, Chelon ramada
ohuthuulikeltti
noun
1. deel van het spijsverteringskanaal tussen de maag en de dikke darm
ohutsuoli
noun
2. duozitting
takasatula
noun
1. 1075
tuhat duodekiljoonaa
/'dyːrə(n)/
verb
1. een bepaalde tijd in beslag nemen
kestää
noun
1. enige tetraploïde tarwesoort die nog veel wordt verbouwd
durumvehnä
conjunction
1.om die reden, daarom
siksi
adverb
1. tot op dit moment
tähän asti
verb
niet goedkoop
kallis
/ˈdyːr.zam/
adjective
  1. 1. lang meegaand
  2. 2. aansluitend op de behoeften van het heden zonder in de toekomst tot complicaties te leiden
kestävä
/dy.ʋǝⁿ/
verb
1. door druk uit te oefenen doen voortbewegen
työntää
noun
1. een vogel die slechts zelden, vaak door verdwalen, in een gebied aangetroffen wordt
vierailija
noun
1.
aarnituli
noun
1. iemand die onverstandig denkt en/of handelt
narri
/dʋɑŋ/
noun
pakko
noun
1. werk dat onder dwang gedaan moet worden
pakkotyö
noun
1. een kledingstuk dat de drager bewegingsvrijheid van de armen en handen ontneemt
pakkopaita
adjective
pakonomainen
noun
1. psychische stoornis die gekenmerkt wordt door dwanggedachten en dwanghandelingen
pakko-oireinen häiriö
/dʋɑrs/
adverb
1.
poikki
/ˈdwɑrzbomə(n)/
verb
1. tegenwerken, moeilijkheden geven
pysäyttää
/ˈdʋɑrsflœʏt/
noun
1. een blaasinstrument dat dwars op de lippen geblazen wordt
poikkihuilu
adjective
kyljittäin
/dʋɛi̯l/
noun
1. een stuk weefsel in natte vorm gebruikt om een gladde vloer te reinigen
lattiarätti
noun
1. een buitengewoon klein mens
kääpiö
noun
1. Anser erythropus
kiljuhanhi
noun
1. kleinste soort knaagdier van Europa Micromys minutus
vaivaishiiri
noun
1.
kääpiöplaneetta
noun
1. zeer kleine staat
kääpiövaltio
noun
1. kleinste soort van de vinvissen, Balaenoptera acutorostrata
lahtivalas
verb
1. iemand tegen zijn wil iets opleggen
pakottaa
noun
springstof waarin nitroglycerine door een poreuze stof wordt vastgehouden
dynamiitti
noun
  1. dynamo
  2. tasavirtageneraattori
adjective
1. betrekking hebbend op een erfelijke heerser
dynastinen
noun
1. uitspraakgebrek
dysartria
noun
1. rode loop, bloeddiarree
punatauti
noun
1. slikstoornis
dysfagia
/ˌdɪsfaˈzi/
noun
1. een ontwikkelingsstoornis bij kinderen
dysfasia
noun
1.
dysfemismi
/dɪslɛkˈsi/
noun
1. het onvermogen om woorden, waarvan men wel de letters ziet, in hun betekenis te vatten
dysleksia
noun
1. scheikundig element met symbool Dy en atoomnummer 66
dysprosium
noun
dystymia
pronoun
  1. 1. een district in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
  2. 1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Düren
/ˈiːmeːɫ/, /ˈiːmɪːɫ/
noun
  1. 1. systeem voor het verzenden van berichten via een computernetwerk
  2. 2. bericht dat verstuurd is via e-mail
sähköposti
noun
1. adres voor het ontvangen en verzenden van e-mail
sähköpostiosoite
noun
1. een getijde waarbij het water van de zee zakt, in tegenstelling tot vloed, waarbij het water stijgt
laskuvesi
noun
1, edele houtsoort
eebenpuu
/ˈɛ.xo/, /ˈɛ.χo/
noun
1. een hoorbare terugkaatsing van een gemaakt geluid
kaiku
noun
1. het dwangmatig herhalen van woorden of zinnen, zonder de betekenis ervan daadwerkelijk te doorgronden
kaikupuhe
adjective
2. waarachtig, juist, niet vervalst
aito
conjunction
1. een beperkende tegenwerping, introduceert een zin(sdeel) dat het voorgaande zin(sdeel) beperkt
kuitenkin
/ˈɛxtxəˌnot/
noun
1. een mannelijke huwelijkspartner
  1. aviomies
  2. mies
/ˈɛxtxəˌnotə/, /ˈɛχtχəˌnotə/
noun
1. een vrouwelijke huwelijkspartner
vaimo
noun
1. twee mensen die met elkaar getrouwd zijn
aviopari
noun
1. formele verbreking van een huwelijksband
avioero
noun
1.
eclair
adjective
eklektinen
/ˌe.ko.lo.ˈɣi/, /ˌe.ko.lo.ˈχi/
noun
1. de tak van wetenschap die het samenspel tussen organismen onderling en hun relatie met hun omgeving bestudeert
  1. ekologia
  2. ympäristötiede
adjective
ekologinen
/ˌe.ko.ˈlox/, /ˌe.ko.ˈloχ/
noun
1. een wetenschapper die het samenspel tussen organismen onderling en hun relatie met hun omgeving bestudeert
ekologi
noun
  1. 2. het geheel van productie, handelsverkeer en diensten binnen een bepaalde regio
    1. talous
    2. taloustiede
  2. 1. de leer die zich bezighoudt met de voortbrenging en verdeling van schaarse goederen en diensten
    taloustiede
adjective
1. betreffende economie
taloudellinen
noun
1. deskundige op het gebied van de economie
ekonomi
noun
1. alle organismen in hun leefomgeving.
ekosysteemi
noun
ekomatkailu
noun
ektoplasma
noun
1. de naam voor elk element uit de achtste chemische reeks van het periodiek systeem
jalokaasu
noun
1. Cervus elaphus, hertensoort
saksanhirvi
noun
1. een metaal dat niet licht aan corrosie of oxidatie ten prooi valt
jalometalli
adjective
jalosydäminen
noun
1. een stuk edelgesteente
jalokivi
/ˌedijaˈkarijʏm/
noun
ediacarakausi
noun
painos
/et/
noun
1. een plechtige verzekering dat men de waarheid spreekt of een belofte zal nakomen
vala
/ˈekˌhoːrn/
noun
1. benaming voor knaagdieren uit de familie Sciuridae
orava
noun
1. Bolletus edulis, een eetbare paddenstoel
herkkutatti
noun
1. verdikking van de huid
kovettuma
adjective
yksi
verb
lahjahevosen suuhun ei saa katsoa
phraseologicalUnit
1. iets kopen zonder te weten wat de koopwaar is
ostaa sika säkissä
noun
sudenmarja
/eːnt/
noun
1. benaming voor veel watervogels uit de familie Anatidae
  1. ankka
  2. sorsa
noun
1. insect uit de orde Ephemeroptera
päivänkorento
noun
ankanmaksa
/enˈdœydəx/
adjective
1. zonder twijfel
yksiselitteinen
cardinalNumeral
1. het getal 31
kolmekymmentäyksi
cardinalNumeral
1. het getal 91
yhdeksänkymmentäyksi
cardinalNumeral
1. het getal 81
kahdeksankymmentäyksi
/ˌe.nən.ˈtʋɪn.təχ/
cardinalNumeral
1. het getal 21
kaksikymmentäyksi
cardinalNumeral
1. het getal 41
neljäkymmentäyksi
cardinalNumeral
1. het getal 51
viisikymmentäyksi
cardinalNumeral
1. het getal 61
kuusikymmentäyksi
/ˈenənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 71
seitsemänkymmentäyksi
noun
  1. 2. maat waarin hoeveelheden worden uitgedrukt
    osasto
  2. 1. bij elkaar horend geheel met kenmerkende eigenschappen
    yhtenäisyys
noun
1. een matrix waarvan alle diagonale elementen 1 zijn en alle andere 0
identiteettimatriisi
noun
yksisarvinen
adjective
1.
yksitavuinen
adjective
1. in het bezit van (slechts) één oog
yksisilmäinen
noun
1. kamer voor het verblijf van één persoon (bijvoorbeeld in een hotel of ziekenhuis)
yhden hengen huone
adjective
1. dezelfde mening hebbend
yksimielinen
adjective
yksikielinen
noun
yksikielisyys
noun
monomi
/eːnˈvɑudəx/, /eːnˈvɑudəχ/
adjective
2. zonder overdaad of vertoon
selvä
noun
1.
yksipyöräinen
noun
1. de hoedanigheid van het eenzaam zijn
yksinäisyys
adjective
1. met of aan één kant, belang, partij etc.
yksipuolinen
noun
1. de mate waarin iets maar van een kant bezien wordt
puolueellisuus
/er/
noun
1. aanzien, roem
kunniakirja
/ˈɪːrɣɪstərə(n)/, /ˈɪːrχɪstərə(n)/
adverb
1. de voorlaatste dag die voltooid is
toissapäivänä
/ˈeːrlək/
adverb
1. vrij van leugen en bedrog
rehellinen
noun
1. het vertellen van de waarheid
rehellisyys
noun
1. nummer één in een volgorde
  1. ensimmäinen
  2. ykkönen
phraseologicalUnit
1. grammaticale term die de spreker of sprekers aanduidt.
ensimmäinen persoona
pronoun
1. een militair conflict op wereldschaal, dat van 28 juli 1914 tot 11 november 1918 plaatsvond
Ensimmäinen maailmansota
noun
1. de medische zorg die direct toegankelijk is voor patiënten
perusterveydenhuolto
/ˈeːitbaːr/, /ˈeːtbaːr/
adjective
1. geschikt om gegeten te worden
  1. syötävä
  2. syömäkelpoinen
/ˈetkamər/
noun
1. een kamer waar maaltijden worden genuttigd
ruokasali
/etlepəl/
noun
1.
ruokalusikallinen
noun
1. de behoefte om voedsel tot zich te nemen.
ruokahalu
noun
syömäpuikko
noun
syömishäiriö
/eːu̯/
noun
1. een periode van 100 jaar
vuosisata
noun
1. een feestelijke herdenking naar aanleiding van het honderdjarig bestaan van iets
satavuotispäivä
/eːwɪx/, /eːʋəχ/, /eːβ̞əx/
adjective
1. voortdurend, zonder einde
ikuinen
/ɪːβ̞əχɛɪ̯t/
noun
1. alle tijd die nog zal komen
  1. ikuisuus
  2. iäisyys
/e.ˈfe.zə/
pronoun
1. in de oudheid een grote Ionische haven- en handelsstad
Efesos
pronoun
1. boek in het Nieuwe Testament
Efesolaiskirje
adverb
1. doeltreffend
todellinen
noun
1. het effectief zijn
teho
adjective
1. nuttig effect hebbend
tehokas
noun
1. de mate waarin nuttig gebruik gemaakt wordt van het beschikbare bij een bepaald proces
tehokkuus
/ɛx/, /ɛχ/
noun
1. een landbouw- of tuinbouwwerktuig dat gebruikt wordt voor het zaaiklaar maken van de grond
äes
verb
hävittää
adjective
egalitaarinen
/ˈexəl/
noun
1. bepaald soort zoogdier Erinaceus europaeus
siili
pronoun
  1. Aigeianmeri
  2. Egeanmeri
/xxxx/
noun
1. het uitsluitend op eigen belangen en gewin uit zijn
itsekkyys
adjective
1. zelfzuchtig, gefocust op eigen voordeel
egoistinen
/e.ˈɣɪp.tə/, /e.ˈχɪp.tə/
pronoun
1. een Arabisch land op de grens van Afrika en Azië
Egypti
noun
egyptologia
/ɛɪ/, /ɛɪ̯/, /ɛː/
noun
1. dierlijk voedingsmiddel voor de mens in een schaal
  1. muna
  2. kananmuna
noun
1. bepaald soort zeevogel, Somateria mollissima
haahka
adjective
1. betrekking hebbend op de visuele vermogens
eideettinen
noun
1. pasta bereid met ei
munapasta
noun
1. het geslachtsorgaan van de vrouw waarin eicellen gevormd worden
munasarja
/ˈɛi̯ɣə(n)/
adjective
oma
noun
1. iemand die iets in eigendom heeft
omistaja
/'ʔɛɪɣəndɔm/
noun
1. eigendomsrecht
omistus
noun
1. een naam waardoor men een mens, dier of ding zich van andere van dezelfde soort onderscheidt
  1. erisnimi
  2. propri
noun
1. een gegeven karakteristiek die eigen is aan een bepaalde persoon of zaak
ominaisuus
adjective
kuriton
/ɛi̯k/, /ɛːk/
noun
1. Quercus, een geslacht van loofbomen
tammi
/ˈɛɪkəɫ/
noun
  1. 1. vrucht van de eik
    tammenterho
  2. 2. top van een penis
    1. terska
    2. tammenterho
noun
1.
tammihiiri
/ɛilɑnt/
noun
1. een stuk land dat omringd is door water
saari
/ˌɛilɑnt ˈmɛn/
pronoun
Mansaari
noun
1. iemand die op een eiland woont
saarelainen
noun
1. deel van de geslachtsorganen van de vrouw
  1. munanjohdin
  2. munatorvi
phraseologicalUnit
1.
loppu hyvin, kaikki hyvin
/ˈɛɪ̯ndə/, /ˈɛːndə/
noun
1. het punt in ruimte of tijd waar iets ophoudt
  1. pää
  2. loppu
adjective
1. een einde hebbende
päättyvä
noun
1. scheikundig element met symbool Es en atoomnummer 99
einsteinium
/ɛɪ̯s/
noun
1. een dwingende vraag
vaatimus
/ɛiwɪt/
noun
  1. 1. het deel van een ei waarin de dooier ligt
    munanvalkuainen
  2. 2. een tot een klasse van polymere stoffen met een hoog moleculair gewicht...
    1. valkuaisaine
    2. proteiini
noun
ejakulaatio
verb
sperma uitwerpen
  1. ejakuloida
  2. saada
  3. siemensyöksy
noun
1. bepaald soort zwartwitte kraaiachtige vogel, Pica pica
harakka
noun
1. een oude lengtemaat gebaseerd op de lengte van de menselijke ellepijp, gewoonlijk 60 à 70 cm
kyynärä
/ɛl.ˈsɑl.va.dɔr/, /ɛɫ.ˈsɑɫ.va.dɔr/
pronoun
1. land in Midden-Amerika dat grenst aan Guatemala, Honduras en de Stille Oceaan
El Salvador
noun
1. een groot hert uit de poolstreken met een opvallend groot en breed vertakt gewei
hirvi
noun
elastisuus
adjective
1. van elastiek gemaakt
elastinen
noun
elastomeeri
noun
1.
valitsijakunta
/eləˈɣɑnt/
adverb
1. een prettige uitstraling hebbend door de subtiele afwerking
elegantti
noun
1. vakman op gebied van elektriciteit
  1. sähköasentaja
  2. sähkömies
/eˌlɛktrɪsiˈtɛɪt/
noun
2. de elektrische stroom als energiedrager
sähkö
noun
1. een krachtcentale waar elektriciteit wordt opgewekt
sähkölaitos
adjective
1. door middel van elektriciteit
sähköinen
abbreviation
1. hersenfilm
elektroenkefalogrammi
noun
sähkökemia
verb
1. doden of ter dood brengen door elektrische stroom
kuolla sähköiskuun
noun
sähkökuolema
noun
elektrodi
noun
  1. 1. chemische verbinding die in waterige oplossing in ionen wordt gesplitst
  2. 2. een stof of mengsel van stoffen gekenmerkt door het bezit van uitsluitend ionische geleidbaarheid
elektrolyytti
noun
1. een magneet waarvan het veld door een elektrische stroom veroorzaakt wordt
sähkömagneetti
adjective
sähkömagneettinen
noun
sähkömagnetismi
noun
sähkömoottori
noun
1. een van de elementaire deeltjes, het lichtste deeltje met een elektrische lading
elektroni
noun
1. de tak van elektrotechniek die zich bezighoudt met het gedrag van elektronen...
  1. elektroniikka
  2. sähköoppi
adjective
elektroninen
noun
1. de studie en praktische toepassing van alles wat met elektriciteit en elektromagnetisme te maken heeft
  1. Sähkötekniikka
  2. sähkötekniikka
noun
elektroterapia
noun
1. legering van goud en zilver
elektrum
noun
alkuaine
adjective
alkeellinen
noun
alkeishiukkanen
cardinalNumeral
1. het getal 11
yksitoista
/ˈɛlf.də/, /ˈɛlv.də/
ordinalAdjective
1. nummer elf in een rij
yhdestoista
noun
1. haringachtige, die paait in de bovenloop van rivieren en beken en ooit inheems was in de Benelux, Alosa alosa
silli
verb
  1. 1. verwijderen uit de vergelijking
  2. 2. verwijderen uit de bevolking, doden
eliminoida
adjective
1.
elisabetiaaninen
noun
1. Gewricht
  1. kyynärpää
  2. kyynärnivel
noun
1. armoedige, beklagenswaardige omstandigheden
kurjuus
adjective
1. erg onaangenaam
onneton
/ˈɛləpɛɪp/, /ˈɛləpɛːp/
noun
bot in de onderarm
kyynärluu
noun
1. twee-dimensionale figuur die wordt gevormd door alle punten waarvoor de som ...
ellipsi
noun
1. boomsoort
leppä
noun
1. uitspoeling van een stof uit een andere stof met een geschikt oplosmiddel
eluutio
/ˈɛlzɑs/
pronoun
1. regio in Frankrijk
Elsass
/ɛlˈzɑsis/
noun
1. Een verzameling Alemannische dialecten die in de Elzas (Frankrijk) gesproken worden
elsassi
noun
1. concrete figuur voor een abstract begrip
  1. embleemi
  2. tunnus
noun
embolia
noun
1. een organisme in het eerste ontwikkelingsstadium na de bevruchting
alkio
noun
1. de wetenschap die zich met het ongeboren leven bezighoudt
embryologia
adjective
2. betrekking hebbend op de ongeboren vrucht van een organisme
embryonaalinen
noun
1. longaandoening
keuhkolaajentuma
noun
siirtolaisuus
/ˌemiˈχrɪːrə(n)/
verb
1. naar het buitenland verhuizen
emigroitua
/emɪˈraːt/
noun
1. gebied van een emir
emiraatti
/ˈɛmər/
noun
1. busvormig vat (met hengsel), waarin men vloeistoffen of vaste stoffen kan verplaatsen
  1. ämpäri
  2. sanko
noun
1. bepaalde soort drietenige vogel Dromaius novaehollandiae
emu
noun
1. ideogrammen die worden gebruikt in Japanse elektronische berichten en webpagina's
emoji
noun
1.weergave van emoties door middel van een afbeelding, een teken of een combinatie van lees- en lettertekens
hymiö
noun
1. hevig gevoel, sterke gemoedsbeweging
tunne
adjective
1. zonder gevoelens
tunteeton
adjective
1. zeer vatbaar voor gevoelens
tunteellinen
adjective
1. wat op ervaring of proefneming berust
empiirinen
noun
empyeema
noun
stof die helpt bij het mengen van twee stoffen die normaal gesproken niet of moeilijk mengbaar zijn
emulgaattori
verb
1. een melkachtige oplossing vormen
emulgoida
noun
emulsio
conjunction
  1. ja
  2. sekä
conjunction
1. zowel afzonderlijk van als gezamenlijk met elkaar
ja/tai
noun
1. een stereo-isomeer dat het spiegelbeeld is van zijn tegenvoeter
enantiomeeri
noun
aivosairaus
/ɛn.'kla.və/
noun
1. omsloten gebied
enklaavi
/ˌɛnsiklopeˈdi/
noun
1. een gestructureerde en geschreven verzameling van menselijke kennis, in boekvorm of digitaal
  1. tietosanakirja
  2. ensyklopedia
noun
1. laatste deel van het spijsverteringskanaal vlak voor de anus
peräsuoli
adjective
1. van nature alleen in een specifiek gebied voorkomend
endeeminen
adjective
1. met inwendige afscheiding in de bloedstroom, hormonaal
endokriininen
noun
1. de wetenschap die zich bezighoudt met de afscheidingen van klieren in het lichaam
endokrinologia
noun
endokrinologi
noun
1. baarmoederslijmvlies buiten baarmoeder
endometrioosi
noun
endoskooppi
noun
1. (kijk)onderzoek van lichaamsholten of inwendige kanalen
tähystys
adjective
1. waarbij warmte opgenomen wordt
endoterminen
/enər'ʒi/, /enɛr'ʒi/
noun
1. het vermogen iets te doen
energia
adverb
1. aan de ene kant
yhtäältä
noun
1. een jong en excentriek persoon die veel last en verlegenheid veroorzaakt
kauhukakara
adjective
1. angst veroorzakend
pelottava
noun
1. hemels wezen
enkeli
noun
1. deel van het Verenigd Koninkrijk
Englanti
/ˈɛ.ŋ(g)əls/, /ˈɛ.ŋɔɫs/, /ˈɛ.ŋəɫs/
adjective
1. als van, in of betrekking hebbend op Engelsen, Engeland of het Engels
  1. englantilainen
  2. englanti
/ˈɛ.ŋ(g)əls/, /ˈɛ.ŋɔɫs/, /ˈɛ.ŋəɫs/
pronoun
1. de taal
  1. englanti
  2. englantilainen
noun
1. een grotere en lagere uitvoering van de hobo
Englannintorvi
/ɛ.ŋɔɫs.mɑn/, /ɛ.ŋəls.man/, /ɛ.ŋəɫs.mɑn/
noun
1. iemand die in Engeland woont
englantilainen
adjective
2. uniek
ainoa
noun
1. gewricht dat de voet met het been verbindt
nilkka
noun
  1. 2. een band die om de enkel wordt gedragen
    nilkkakoru
  2. 3. een band om de enkel met een zendertje
    nilkkapanta
noun
1. een woord dat in die vorm naar één voorwerp of mens verwijst of dat aanduidt dat slechts één persoon de handeling uitvoert
yksikkö
/ɑŋ.ˈkɛː.tə/, /ɑ̃.ˈkɛt/
noun
1. een vragenlijst die aan meerdere personen wordt voorgelegd
kysely
verb
1.
lavastaa
noun
1. ontsteking van de ingewanden
enteriitti
/ɛntuˈʒɑs/, /ˌɑn.ty.ˈʒɑst/
adjective
1. hartstochelijk, met geestdrift
innostunut
noun
entiteetti
noun
  1. entomologia
  2. hyönteistiede
noun
1. een getal evenredig met de logaritme van het aantal realiseringmogelijkheden, ook wel gedefinieerd als de reversibele warmte gedeeld door de temperatuur
entropia
noun
1. papieren omslag voor brieven
kirjekuori
/ɛnˈzim/
noun
1. een organische molecuul dat biologische reacties mogelijk maakt of versnelt zonder daarbij zelf...
entsyymi
adjective
eoseenikausi
noun
1. het punt op het aardoppervlak loodrecht boven de haard van de aardbeving
episentri
/epideˈmi/
noun
1. besmettelijke ziekte die zich snel verspreidt onder een groep van mensen
  1. epidemia
  2. kulkutauti
noun
epidemiologia
adjective
1. met betrekking tot verspreiding van ziekten onder (delen) van de bevolking
epidemiologinen
adjective
epideeminen
/epidyraɫ/
adjective
1. buiten het harde hersenvlies en de ruimte aan de buitenzijde van het harde ruggenmergvlies
epiduraalinen
/ˌepiˈfizə/
noun
1. een klier die onderdeel is van de epithalamus en melatonine uitscheidt
käpyrauhanen
noun
päällyskasvi
noun
1. het vakgebied binnen de genetica dat de invloed bestudeert van de omkeerbare erfelijke veranderingen in de genexpressie die optreden zonder wijzigingen in de sequentie (volgorde van de basenparen) van het DNA in de celkern
epigeneettinen periytyminen
noun
epigrafia
noun
1. vallende ziekte, toevallen
epilepsia
noun
1. een naschrift toegevoegd aan een boek of film
  1. epilogi
  2. loppusanat
  3. jälkikirjoitus
adjective
eeppinen
noun
1. neusbloeding
epistaksis
noun
  1. epistemologia
  2. tietoteoria
noun
1. dekweefsel, bovenste laag van de huid en slijmvliezen
epiteelikudos
/eˈpitetɔn/
noun
alalajinimi
noun
1. kunsthars dat veel wordt gebruikt als tweecomponentenlijm
epoksi
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Eppingen
noun
1. vijfde letter uit het Griekse alfabet ε
epsilon
noun
1. een denkbeeldige cirkel die op een hemellichaam het noordelijk van het zuidelijk halfrond scheidt
päiväntasaaja
/ˌe.kwa.toː.ri.al.ɣi.ˈne.ja/, /ˌe.kʋa.to̝ː.ri.aɫ.χi.ˈne.ja/, /ˌe.kβ̞a.toː.ri.aɫ.ɣi.ˈne.ja/
pronoun
1. een land in Afrika grenzend aan Gabon en Kameroen
Päiväntasaajan Guinea
adjective
1. betrekking hebbend op de evenaar
päiväntasaus
noun
1. passage van de zon door het vlak van de evenaar
päiväntasaus
noun
1. een scheikundig element en zilverwit lanthanide met het symbool Er en het atoomnummer 68
erbium
noun
1. oprichting van het mannelijk lid
erektio
noun
1. een groot geslacht van planten waarvan er 23 wilde soorten bekend zijn in Nederland
tädyke
noun
1. grond behorend bij boerderijhuis
piha
adjective
1. wat op genetische wijze door nazaten verkregen kan worden
perinnöllinen
noun
1. degene die andermans nalatenschap erft
perijä
noun
2. regeling voor troonwisseling
kruununperimys
noun
1. een veelal kostbaar goed van van generatie op generatie door vererving overgegeven wordt
perintökalleus
noun
1. schending van Gods regels door de eerste mens Adam als last die op ieder mens rust
perisynti
adverb
jossain
noun
een zaak die gevoelens van onvrede oproept
kiusa
noun
ergonomia
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Eris
/ˌeː.ri.ˈtre.ja/, /ˌɪː.ri.ˈtre.ja/
pronoun
1. een Afrikaans land grenzend aan Soedan, Ethiopië, Djibouti en de Rode Zee
Eritrea
/eriˈtres/
adjective
1. met betrekking tot of afkomstig van Eritrea
eritrealainen
verb
  1. 1. inzien, toegeven
  2. 2. als wettig, echt, juist aanvaarden
tunnustaa
noun
1. een bevestiging van de juistheid of geldigheid van iets
  1. tunnustaminen
  2. tunnustus
/ˈɛrkər/
noun
1. uitbouw aan een gevel
erkkeri
pronoun
1. + 2. stad en stadsdistrict
Erlangen
noun
1. stemming waarin men de dingen in hun wezenlijke waarde wil zien
vakavuus
adjective
1. zonder grappen en serieus
vakava
adjective
1.
erogeeninen
noun
1-2. beschadiging en afslijting
eroosio
noun
1. kunst die nadrukkelijk seksuele activiteiten laat zien
eroottinen kirjallisuus
adjective
aistillinen
noun
1. steen
malmi
adjective
1. bekwaam door ervaring
kokenut
noun
1. een vorm van kennis
kokemus
/ˈʔɛr.və(n)/
verb
1. de eigendommen van een overledene, meestal een familielid, rechtens verkrijgen
periä
noun
1. een bepaalde peulvrucht, een groentesoort
herne
noun
1. speelgoedpistool, bestaande uit een buis waardoor erwten of kleine voorwerpen worden geblazen
hernepyssy
noun
1. een groenige, lobbige soep vervaardigd van erwten
hernekeitto
noun
ruusu
pronoun
1. taal vooral in het oosten van Mordovië gesproken wordt
ersä
noun
1. bepaald soort loofboom Fraxinus excelsior
saarni
noun
eskalaatio
verb
1. stapsgewijs toenemen in omvang, intensiteit
eskaloitua
noun
1. dwaze (jongens) streek
tempaus
/ɛsˌxatolo'gi/
noun
eskatologia
/ˈɛzdorᵊn/
noun
1. boom of heester uit het geslacht (
vaahtera
noun
1. een kleine tactische eenheid bij de cavalerie (tegenwoordig gemechaniseerd of gemotoriseerd) of ...
eskadroona
adjective
esoteerinen
noun
1. bepaald soort loofboom, Populus tremula
haapa
pronoun
1. een internationale kunsttaal die oorspronkelijk ontworpen is door Ludovico Zamenhof
esperanto
noun
1. geconcentreerde koffie
espresso
noun
1. het meeste belangrijke
olemus
adjective
1. zeer belangrijk
olennainen ainesosa
/ɛsˈter/
pronoun
3. meisjesnaam
Ester
noun
1. een koolstofverbinding met de functionele groep -C(=O)-O-C-
esteri
/ɛsˈtetiˌka/
noun
1. het filosofisch discours over het wezen van kunst of het wezen van schoonheid
estetiikka
adjective
esteettinen
/ˈɛstis/, /ˈɛstɪs/
pronoun
1. een taal die vooral wordt gesproken in Estland
  1. viron kieli
  2. viro
/ˈɛslɑnd/, /ˈɛstlɑnt/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa dat grenst aan Letland en Rusland
  1. Viro
  2. Eesti
noun
1. een vrouwelijk hormoon
estrogeeni
noun
estuaari
noun
lasikaappi
noun
1. dat wat iemand tot zich neemt om diens metabolisme in werking te houden
  1. ruoka
  2. syödä
  3. ravinto
verb
1. het nuttigen van voedsel
  1. syödä
  2. ruokailla
noun
ruoka-aika
noun
1. C₂H₆
etaani
/etaˈnɔl/
noun
1. een chemische verbinding met twee koolstofatomen en een alcoholgroep
etanoli
noun
eteeni
noun
1. een organische verbinding met de functionele groep R-O-R'
eetteri
noun
1. een praktische wijsbegeerte die zich bezighoudt met wat goed en kwaad is
etiikka
adjective
1.
etiopialainen
/ˌe.ti.ˈjo.pi.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika grenzend aan Eritrea, Djibouti, Somalië, Kenia en Soedan
Etiopia
adjective
eettinen
noun
1. onderdeel van de pathologie dat zich bezighoudt met de oorzaken van ziekten
etiologia
adjective
etninen
noun
etnografia
adjective
1. betrekking hebbend op de beschrijving van volkeren
etnografinen
/ɛtnoːloːɣi/, /ɛtnoːloːʝi/
noun
kansatiede
/ɛtər/
noun
1. wittig vocht met witte bloedlichaampjes en bacteriën dat bij een ontsteking afgescheiden wordt
märkä
noun
  1. 1. woordherkomst
  2. 2. studie naar oorsprong en verandering van vorm en betekenis van woorden
etymologia
adjective
1.
etymologinen
noun
1-2.
kiertoilmaus
noun
  1. 1. eufonium
  2. 2. een instrument van gestemde glazen
eufonium
/ˌø.fo̝.ˈri/
noun
1. verhoogd gevoel van welzijn
euforia
noun
eugeniikka
/œykɑriotən/
noun
2. een van de drie taxonomische domeinen, Eukaryota
  1. aitotumainen
  2. aitotumallinen
  3. eukaryootti
noun
eunukki
adjective
1.
euraasialainen
pronoun
1. de naam van de grootste landmassa op aarde die de continenten Europa en Azië omvat
Euraasia
interjection
1.
heureka
/'øː.ro/, /'ɵː.ro/
abbreviation
1. munt en munteenheid
euro
/øːˈroːpa/, /ʏːˈropa/
pronoun
1. een continent op het noordelijk halfrond, dat ten noorden van Afrika en ten westen van Azië ligt
  1. Eurooppa
  2. Europa
noun
1.
euroedustaja
/ˌøːropeˈjaːn/, /ˌʏːropeˈjan/
noun
1. bewoner van het Europese continent of iemand die daarvan afkomstig is
eurooppalainen
/øːroˈpeːs/, /ʏːroˈpes/
adjective
1. afkomstig van of betreffend het continent Europa
eurooppalainen
pronoun
Euroopan ihmisoikeustuomioistuin
pronoun
Euroopan parlamentti
noun
1. Castor fiber, een knaagdier dat in Europa voorkomt
Euroopanmajava
pronoun
Euroopan keskuspankki
pronoun
Euroopan komissio
pronoun
Euroopan ihmisoikeustuomioistuin
pronoun
Euroopan investointipankki
noun
1. bepaald soort zoogdier, Mustela lutreola
vesikko
pronoun
Euroopan oikeusasiamies
pronoun
Eurooppa-neuvosto
pronoun
Euroopan tilintarkastustuomioistuin
/ˌøː.ro.ˌpe.sə.ˈy.ni/, /ˌʏː.ro.ˌpe.sə.ˈy.ni/
pronoun
unie van 27 Europese staten
Euroopan unioni
noun
1. scheikundig element met symbool Eu en atoomnummer 63
europium
pronoun
Europoort
noun
1. handelingen die iemands leven beëindigen of het sterven bespoedigen, om pijn en lijden te verkorten
eutanasia
noun
rehevöityminen
pronoun
1. eerste vrouw door God geschapen
Eeva
noun
evakuointi
/evɑky'erə(n)/
verb
evakuoida
noun
evankeliumi
noun
1. volgeling van Jesus die het verhaal van zijn leven en sterven op schrift gesteld heeft
matkasaarnaaja
adjective
1. Deelbaar door twee
parillinen
/evəˈnar/, /ˈevənar/
noun
1. denkbeeldige cirkel die op een hemellichaam het noordelijk van het zuidelijk halfrond scheidt
päiväntasaaja
adjective
1. evenredig
verrannollinen
noun
1.
tasapaino
noun
1. een turntoestel dat bij het damesturnen wordt gebruikt
puomi
noun
1. in het wild levende voorouder van het varken Sus scrofa
villisika
noun
1. wild varken
villisika
verb
1. aan een proces van geleidelijke veranderingen onderhevig zijn
kehittyä
/ˌevoˈlysi/, /ˌevoˈlytsi/
noun
1. ontwikkeling, verandering
evoluutio
noun
1. theorie over de stapsgewijze ontwikkeling van het leven
evoluutioteoria
prefix
entinen
noun
1.
eksentrikko
adjective
1. wat andere mogelijkheden uitsluit
eksklusiivinen
noun
ekskommunikaatio
noun
1. de verontschuldiging
anteeksipyyntö
verb
teloittaa
noun
eksegetiikka
noun
itsensäpaljastaja
noun
eksistentialismi
adjective
1. afscheidend door middel van een afvoerbuis
avoeritteinen
pronoun
2. Mooseksen kirja
noun
eksogamia
noun
eksonyymi
noun
eksoplaneetta
noun
eksosfääri
adjective
1. vanuit verre vreemde landen
eksoottinen
noun
laajennus
noun
tutkimusmatka
noun
koe
verb
1.
kokeilla
/ɛkˈspɛːr/
noun
1. iemand die bijzonder goed bekend is met een bepaald onderwerp
asiantuntija
verb
räjähtää
noun
räjähdys
adjective
1. ontplofbaar
räjähdysherkkä
noun
1. ontplofbare stof of voorwerp
räjähdysherkkä
verb
1. goederen aan een afnemer in het buitenland verhandelen
viedä
noun
maastaviejä
noun
ekspressionismi
/ɛk'stazə/
noun
1. een toestand van buiten zichzelf zijn door verrukking
ekstaasi
/ɛkˈstɛnsi/
noun
1. het strekken van ledematen
laajennus
noun
1. uittrekking
uuttaminen
adjective
1. uiterst, uitzonderlijk
äärimmäinen
noun
äärioikeisto
pronoun
Extremadura
noun
ekstremismi
noun
1. iemand met radicale, extremistische standpunten, een aanhanger van een ideologie die ver van het politieke of maatschappelijke centrum ligt
ekstremisti
noun
1. vloeibaar make-up-product om lijnen rondom, boven of onder de ogen aan te brengen
rajauskynä
pronoun
Hesekiel
/ˈezəɫ/
noun
1. bepaald paardachtig zoogdier, Equus asinus
aasi
noun
1. vrouwelijke ezel
aasintamma
pronoun
Esra
noun
1. verhoogde toon e
eis
noun
1. een der herautstukken; een horizontale band die het middelste derde deel van het veld van het wapen beslaat
hirsi
/ˈfabəl/
noun
  1. 1. een kort moraliserend verhaal met dieren of zaken als handelende personen
    1. eläinsatu
    2. satu
  2. 2. een verzinsel
    satu
noun
rakentaminen
verb
1. een product door middel van werktuigen bewerken of vervaardigen
valmistaa
noun
1. plaats waar op industriële schaal productie bedreven wordt
tehdas
noun
valmistaja
pronoun
1. wereldwijd veel gebruikte netwerksite voor sociale contacten
Facebook
noun
1. document met een beschrijving van goederen die een bedrijf (aan een ander bedrijf) geleverd heeft
lasku
noun
  1. 3. product van een reeks factoren
    kertoma
  2. 1. hoofdafdeling van een universiteit
    tiedekunta
/ˈfæːrøːə̯r/, /ˈfɛːrʏːr/
pronoun
1. en 2., eilandengroep, land
Färsaaret
pronoun
1. een Germaanse taal die wordt gesproken op de Faeröer
fääri
noun
1. vernietiging door een cel van schadelijke bestanddelen
fagosytoosi
noun
1. (muziekinstrument) een houten blaasinstrument met dubbelriet
fagotti
noun
fajanssi
pronoun
Falklandinsaaret
adjective
1. met betrekking tot het mannelijk lid
fallinen
adjective
liian tuttavallinen
/fa.ˈmi.li/, /fa.ˈmiː.lɪ̯ə/
noun
1. (bloed)verwantschap door een gemeenschappelijke oorsprong
  1. perhe
  2. suku
noun
1. naam die van generatie op generatie en indien gewenst door het huwelijk overgedragen wordt
sukunimi
noun
1. onderdeel van het burgerlijk recht m.b.t. de familiale verhoudingen tussen personen
perheoikeus
noun
  1. fanaattisuus
  2. fanatismi
/foɱ.ˈfaːr/, /fɑn.ˈfa.rə/
noun
fanfaari
noun
1. vermogen om nieuwe gedachten te kunnen vormen, mogelijk niet altijd op waarheid berust
kuvitelma
noun
faradi
/ˈfarao/
noun
1.
faarao
noun
faaraomuurahainen
noun
1.
fariseus
noun
farmasian opiskelija
noun
farmasia
noun
farmakologia
adjective
1. leer van de geneesmiddelen en de interactie tussen deze en een levend biologisch systeem betreffende
farmakologinen
noun
hurma
verb
1. iemands aandacht vasthouden
viehättää
/fɑˈsʲɪsmə/
noun
ideologie
fasismi
noun
1. periode als onderdeel van een langere ontwikkeling
vaihe
noun
faasiavaruus
adjective
1. noodlottig
fataali
noun
1. iemand die gelooft dat de mens machteloos is t.o.v. het noodlot
fatalisti
/fɑt'sun/
noun
1. goede manieren
esiintymistaito
/ˈfʌʊna/, /ˈfʌːna/
noun
1. het geheel aan dieren in een gebied
  1. eläimet
  2. eläimistö
/fo.tœj/
noun
1. Soort stoel
nojatuoli
adjective
ennakkosuosikki
noun
1. bepaald soort kleurrijke vogel, Phasianus colchicus
fasaani
/fa.ˈsa.də/
noun
1. de zichtbare buitenmuur van een gebouw, specifiek die aan de voorkant
julkisivu
/febryˈwaːri/
noun
1. de tweede maand van het jaar
helmikuu
pronoun
  1. 2. Franse revolutie
    Helmikuun vallankumous (Ranska)
  2. 1. Russische revolutie
    helmikuun vallankumous
noun
federalismi
noun
1. een verbond van samenwerkende staten of lichamen die hun zelfstandigheid behouden
liitto
/fe:/
noun
1.
  1. keiju
  2. haltija
noun
1. een vermakelijke en vreugdevolle sociale gelegenheid
juhla
noun
  1. juhlapäivä
  2. pyhäpäivä
noun
1. een extra lekkere, uitgebreide maaltijd die men met meerdere mensen gebruikt als een feestelijke gebeurtenis
juhlat
/fɛi̯t/
noun
1. een gebeurtenis of omstandigheid die werkelijk gebeurd is
tosiasia
verb
1. iemand geluk toewensen
onnitella
noun
1. het stimuleren van de penis met de mond, tong of keel
fellaatio
noun
1. een zeilschip
felukka
noun
1. streven naar het opheffen van de achterstelling van vrouwen en vrouwelijke eigenschappen door een gelijkwaardige behandeling van mannen en vrouwen
feminismi
noun
plant en plantdelen van Trigonella foenum-graecum
rohtosarviapila
noun
blad van de plant Trigonella foenum-graecum
sarviapilan lehdet
noun
plant, en zaad van, Trigonella foenum-graecum
sarviapilan siemen
adjective
foinikia
noun
feeniks
noun
1. Fennecus zerda, leeft in de woestijn en is de kleinste van alle vossen
aavikkokettu
noun
fenologia
/fenoˈmen/
noun
1. een verschijnsel
ilmiö
noun
fenomenologia
/fenilɑlɑninə/
noun
1. aminozuur
fenyylialaniini
noun
1.
fermioni
noun
1. scheikundig element met symbool Fm en atoomnummer 100
fermium
noun
1. vervolgverhaal in een krant of tijdschrift, dan wel op de radio of televisie
följetongi
/fɛs/
noun
1. bepaald soort hoed van Turkse oorsprong
fetsi
noun
1.
fibrinogeeni
noun
fiktio
adjective
fiktiivinen
adjective
luottamukseen perustuva
/fits/
noun
1. tweewielig vervoermiddel dat door middel van spierkracht middels pedalen wordt voortbewogen
  1. polkupyörä
  2. pyörä
verb
1. op een fiets rijden
pyöräillä
/ˈfitsərɛk/
noun
1. rek om fietsen te parkeren
polkupyöräteline
/ˈfiːtsər/
noun
1. iemand die met een fiets rijdt
pyöräilijä
noun
pyöräilykypärä
/ˈfitspɑt/
noun
1. een weggedeelte of vrijliggend pad dat is gereserveerd voor het gebruik door fietsers en snorfietsers.
pyörätie
noun
polkupyörän pumppu
/fi.ˈɣyːr/, /fi.ˈχyːr/
noun
figuuri
noun
1. een heel fijn zaagje in de vorm van een dun zaagblad dat verticaal wordt gespannen in een lange horizontale beugel
kuviosaha
/ˈfi.(d)ʒi/, /ˈfi.dʒi/
pronoun
1. een land in Oceanië op het zuidelijk halfrond. Het bestaat uit 332 eilanden waarvan ongeveer 110 bewoond zijn
Fidži
adjective
  1. 1. van geringe dikte
  2. 3. leuk
hieno
phraseologicalUnit
1. kerstwens
  1. hyviä pyhiä
  2. hyvää lomaa
noun
pienhiukkanen
adjective
1.
filantropinen
noun
  1. filatelia
  2. postimerkkeily
/faɪl/
noun
  1. 1. lange rij met stilstaande of langzaam voortbewegende voertuigen of personen
    ruuhka
  2. 1. bestand op de computer
    tiedosto
pronoun
3. naam van een boek uit het Nieuwe Testament
Filemon
/ˌfi.li.ˈpɛɪ̯.nə(n)/, /ˌfi.lɪ.ˈpɛɪ̯.nə(n)/, /ˌfi.lɪ.ˈpɛː.nə(n)/
pronoun
1. republiek in Oost-Azië bestaande uit een archipel van 7107 eilanden
Filippiinit
/fili'pɛɪns/
pronoun
1. de officiële taal van de Filipijnen
filippiiniläinen
pronoun
Filippiläiskirje
noun
    1. 3. een opname van bewegende beelden die een verhaal vertelt
    2. 1. een dunne laag
    elokuva
  1. 4. de filmindustrie
    filmi
verb
1. beelden van iets vastleggen op film
elokuvata
noun
1. feestelijk evenement waarbij het tonen van films centraal staat
elokuvajuhlat
/'fɪlmkɵnst/
noun
1. kunstvorm die gebruikt maak van het verfilmen als medium
elokuvataide
noun
filologia
/filozoˈfi/
noun
1. de oudste theoretische discipline die het verlangen heeft en streeft naar kennis en wijsheid
filosofia
adjective
1.
filosofinen
noun
filosofi
/fɪltər/
noun
1. een voorwerp met kleine gaatjes waar water of gassen doorheen kunnen om gezuiverd te worden
  1. suodatin
  2. suodin
noun
1.
filtraatti
noun
2. het slotstuk van een meerdelig toneel- of muziekstuk
finaali
verb
1. voorzien van de benodigde geldmiddelen
rahoittaa
verb
teeskennellä
/ˈfɪnlɑnd/, /ˈfɪnlɑnt/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa
Suomi
/fɪns/
adjective
1. betreffende Finland of het Fins
  1. suomalainen
  2. suomenkielinen
/fɪns/
pronoun
1. een taal die wordt gesproken in Finland
  1. suomi
  2. suomen kieli
pronoun
1.
Suomenlahti
noun
  1. 1. een handelsvennootschap waarbij de vennoten hoofdelijk voor het geheel aansprakelijk zijn
  2. 2. een zaak of bedrijf
firma
adjective
budjetti-
noun
1. een kanaalvormige zweer
fisteli
noun
  1. pajulintu
  2. uunilintu
/fjɔrd/, /fjɔrt/
noun
1. een bepaald type van inham in een bergachtige kust, gekenmerkt door steile wanden die door gletsjerwerking zijn uitgesleten
vuono
noun
1. bepaald soort roze reigerachtige waadvogel met een haakvormige snavel...
flamingo
noun
1. een textielsoort van los gesponnen garen, gewoonlijk van geruwde wollen of katoenen stof, ...
flanelli
adjective
flanellinen
adjective
2. in overdrachtelijke zin smakeloos
heikko
noun
1. scheikundig element met symbool Fl en atoomnummer 114
flerovium
noun
1. een langgerekt, cilindrisch en meestal van glas vervaardigd vat met een nauwe hals die met een dop of kurk af te sluiten is
pullo
/ˈflevoˌlɑnt/, /ˈfleːvoˌlɑnd/, /ˈfleːvoˌlɑnt/
pronoun
1. een provincie in het midden van Nederland, die door het IJsselmeer...
Flevoland
/flɛkˈsibəl/
adjective
1. het vermogen hebbend gebogen te worden
joustava
/ˈflɛk.si/
noun
2. vormverandering van een woord
taivutus
/ˈflɔrəns/
pronoun
2. de hoofdstad van Toscane
Firenze
pronoun
1.
Florida
/floˈem/
noun
1. het levende gedeelte van de vaatbundels in planten
nila
verb
1. spreken met gedempte stem
kuiskata
noun
  1. 1. buisvormig blaasinstrument
  2. 3. een scheepstype
  3. 4. een slank drinkglas
huilu
verb
1. een fluit bespelen
viheltää
noun
1. Anthriscus sylvestris, plant uit de schermbloemen familie
koiranputki
noun
2.
sirittäjä
noun
1.
pika
noun
1. musicus die een fluit bespeelt
huilisti
noun
1.
vihellys
noun
1. een chemisch element en een geelgroen halogeen
fluori
noun
1. het uitzenden van licht ...
fluoresenssi
noun
fluoridi
noun
1. een zachte, fijngeweven stof, waarbij rechtopstaande pluizen, de zg. pool van zijde...
sametti
noun
1. een vidaduct ter voorkoming van een gelijkvloerse kruising
ylikulku
noun
1. een ziekelijke vrees
fobia
/ˈfokʏs/
noun
2. een punt of verzameling van punten waar alle stralengangen samenkomen
keskittyminen
/ˈfu.li/
noun
1. Myristica fragrans
muskottikukka
noun
1. een nog niet voldragen menselijke of dierlijke vrucht
sikiö
noun
A 1. driehoekig zeil bevestigd aan de voorstag
fokka
verb
1. dieren houden om ze te laten voortplanten
jalostaa
noun
1. voorste mast van een driemastschip
keulamasto
noun
1.
folio
noun
1. alles wat een volk creëert of heeft gecreëerd
kansanperinne
noun
1.
folkloristi
noun
1. een ontsteking van de haarzakjes
karvatupentulehdus
noun
3. effect (waardepapier)
sijoitusrahasto
noun
fondyy
noun
1.
foneemi
/ˌfoneˈtik/
noun
1.
fonetiikka
adjective
foneettinen
/ˌfonoloˈɣi/
noun
1.
fonologia
/ˌfonɔˈloɣ/
noun
1. een persoon die fonologie gestudeerd heeft
fonologi
noun
  1. 1. nog niet verbeende plek in de schedel van een baby
  2. 2. beschermkoker bij sommige oude muziekinstrumenten
aukile
/fɔnˈtɛɪn/, /fɔnˈtɛːn/
noun
  1. 2. omhoogspuitende waterstraal
    suihkulähde
  2. 1. kunstmatige bron, aangelegd om water omhoog te spuiten
    1. suihkulähde
    2. suihkukaivo
noun
  1. tutti
  2. huvitutti
noun
1. benaming voor zalmachtige zoetwatervissen uit de geslachten Salmo, Salvelinus en Oncorhynchus
  1. purotaimen
  2. taimen
noun
1.
formaldehydi
noun
1. een resonantie (een significante smalle piek) op een bepaalde frequentie
formantti
verb
2. de harde schijf of een verwisselbare schijf volledig leeghalen
alustaa
/fɔrˈmel/
adjective
1. met inachtneming van strikte omgangsvormen
formaali
noun
kaava
/fɔrmyˈlir/
noun
1. een stuk papier waarop voorgedrukte vragen kunnen worden beantwoord
lomake
noun
liesi
noun
1. vroeg in het voorjaar geel bloeiende sierheester / chinees klokje
onnenpensas
noun
1. een zout van een van de vormen van fosforzuur
fosfaatti
noun
1. met symbool P en atoomnummer 15
fosfori
noun
fosforihappo
noun
1 en 2
  1. valokuva
  2. kuva
noun
valokuvakansio
noun
1. lichtschuwheid
valonarkuus
adjective
1.op foto's een voordelige indruk makend
valokuvauksellinen
noun
1. iemand die fotos maakt
valokuvaaja
verb
1. een afbeelding maken door de projectie van beeld op een lichtgevoelige laag
valokuvata
noun
1. de kunst om door chemische inwerking van licht op een gevoelige plaat afbeeldingen te maken
valokuvaus
noun
1. een fotografisch gemaakte kopie
valokopio
noun
1. een elementair deeltje waaruit elektromagnetische straling is samengesteld
fotoni
verb
1. bewerken van foto's en ander digitaal beeldmateriaal via de computer
photoshopata
noun
1.
  1. fotosynteesi
  2. yhteyttäminen
noun
1. een toestel om mee te fotograferen
kamera
verb
1. iemand aftasten of er iets op het lijf gedragen wordt
tehdä henkilöntarkastus
/fɑut/
noun
1. vergissing, onjuistheid
  1. virhe
  2. erehdys
noun
1. mate van onzekerheid bij de uitslag van een steekproef, statistische meting enz.
virhemarginaali
noun
1. naam voor twee verschillende hondenrassen n.l. de gladharige foxterriër...
foksi
/fwɑ.ˈjeː(r)/, /fʋa.ˈje/
noun
1. verzamelplaats, zaal voor de verpozing (bijvoorbeeld in een hotel of schouwburg)
lämpiö
/ˈfrɑksi/
noun
  1. 2. gezamenlijke vertegenwoordigers van een politieke partij in een volksvertegenwoordiging
    eduskuntaryhmä
  2. 1. een klein deel
    murto-osa
noun
fragmentti
noun
fragmentaatio
noun
2. vrucht van de frambozenstruik
  1. vadelma
  2. vattu
noun
2. een stilstaand beeld uit een bewegende film
erä
noun
1. een scheikundig element met symbool Fr en atoomnummer 87
frankium
noun
1. reeks afhangende draden die ter versiering aan de rand van een kleed of kledingstuk gehangen worden
hapsu
noun
1. benaming voor vogels uit het geslacht Phalaropus
vesipääsky
/frɑŋk/
noun
munteenheid
frangi
pronoun
Frankfurt am Main
/ˈfrɑŋkrɛɪ̯k/, /ˈfrɑŋkrɛːk/
pronoun
1. een West-Europees land, grenzend aan België, Luxemburg, Duitsland, Zwitserland, Italië, Monaco, Spanje en Andorra
Ranska
/frɑns/
adjective
1. betreffende Frankrijk of het Frans
  1. ranskalainen
  2. ranska
/frɑns/
pronoun
1. een Gallo-Romaanse taal die vooral gesproken wordt in Frankrijk, België, Luxemburg...
  1. ranska
  2. ranskalainen
pronoun
Ranskan Guayana
pronoun
Ranskan Polynesia
/ˈfrɑns.man/, /ˈfrɑns.mɑn/
noun
1. iemand uit Frankrijk
ranskalainen
adjective
1. de Franse taal sprekend
ranskankielinen
noun
1. een aantal woorden die een begrip uitdrukken, vaak een zinsdeel, soms een hele zin
fraasi
/fratər/
noun
1. bepaald soort vogel, Linaria flavirostris
vuorihemppo
noun
1. bedrog of gesjoemel door valsheid in geschrifte
petos
verb
1. gelden wederrechtelijk ontvreemden
huijata
noun
1. graanproduct gemaakt van geroosterde groene tarwe
freekeh
noun
jyrsin
noun
1.
freeware
noun
  1. 1. Oorlogsschip
  2. 2. Driemaster
fregatti
noun
fregattilintu
noun
1,2. aantal keren of herhalingen per tijdseenheid
taajuus
noun
taajuusmodulaatio
noun
1. bepaald soort klein marterachtig zoogdier, Mustela putorius furo
fretti
/frɔɪdɪˈaːns/
adjective
1. volgens de leer van Sigmund Freud of zoals men vindt in diens geschriften en leerstellingen
freudilainen
noun
1. en 2.
friisi
pronoun
  1. 2. benaming voor een Germaanse taal
    friisi
  2. 1. Westerlauwers Fries
    länsifriisi
/ˈfrislɑnd/, /ˈfrislɑnt/
pronoun
1. provincie in het nooren van Nederland
Friesland
adjective
1. zojuist schoongemaakt, prettig ruikend
raikas
noun
kevytmielisyys
noun
  1. 1. voorkant
  2. 2. gevechtslinie
rintama
noun
1.
etulinja
noun
bepaalde suiker die veel in zoete vruchten voorkomt
  1. fruktoosi
  2. hedelmäsokeri
/frœʏ̯t/, /frœːt/
noun
1. voedsel dat bestaat uit eetbare vruchten
hedelmä
noun
1.
hedelmäpuu
noun
1. koude schotel met verschillende soorten fruit
hedelmäsalaatti
/ˈfrœʏtsɑp/, /ˈfrœːtsɑp/
noun
1. sap gewonnen uit fruit
hedelmämehu
noun
1. een gevoel van ongenoegen omdat verwachte voortgang uitblijft
turhauttaminen
verb
estää
adjective
1. van iets waarvan de verwachtingen in het geheel niet zijn uitgekomen
turhauttava
noun
  1. 1. een zout afgeleid van een ftaalzuur
  2. 2. een ester afgeleid van een ftaalzuur
ftalaatti
noun
fuuga
noun
  1. 1. taak
  2. 2. positie binnen een bedrijf of organisatie
  3. 3. (wiskunde) afhankelijkheid tussen een element en een veranderlijke
  4. 4. (informatica) onderdeel van de broncode van een computerprogramma
funktio
noun
funktiosana
noun
1. een orthodoxe, antiliberale godsdienstige richting
fundamentalismi
adjective
1. aan de basis staande
fundamentaalinen
noun
fungisidi
noun
fuusio
/fʏt/
noun
1. de benodigde energie en zin ergens voor
energia
noun
1. bepaald soort watervogel, Podiceps cristatus
uikku
/ˈfizika/
noun
1. de wetenschap van de materie en de bestudering van het gedrag en de interactie in ruimte en tijd
fysiikka
noun
fyysikko
noun
fysiologia
adjective
1. door de natuur bepaald, de natuurlijke verrichtingen van levende wezens of hun organen betreffend
fysiologinen
noun
fysioterapia
phraseologicalUnit
fysikaalinen kemia
noun
kasvipatologia
noun
1. plantaardig plankton
kasviplankton
/føn/
noun
1. een toestel dat een warme luchtstroom voortbrengt voor het drogen en opmaken van het kapsel
föhn
/ɣaːj/
noun
1. middelgrote, gewoonlijk vrij kleurrijke zangvogel met een vrij lange staart, Garrulus glandarius
närhi
/ɣaːn/, /χaːn/
verb
1. zich in een bepaalde richting bewegen
mennä
noun
1. instelling die gratis voedsel beschikbaar stelt
kansankeittiö
/ɣas/
noun
1. een uit dunne gevlochten metalen draadjes gemaakte mat
kudottu metalliverkko
/'ɣa.bɔn/, /ɣa.'bɔn/, /χa.'bɔn/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Gabonese Republiek
Gabon
adjective
1. op Gabon betrekking hebbend
gabonilainen
noun
1. echtgenoot, echtgenote
  1. puoliso
  2. aviopuoliso
  3. siippa
/ɣadoˈlinijʏm/
noun
1. een scheikundig element met symbool Gd en atoomnummer 64
gadolinium
/ˈɣɑ.fəl/, /ˈɣɑ.fəɫ/, /ˈχɑ.fəɫ/
noun
1. rondhout
kahveli
noun
1. een trapeziumvormig zeil dat aan de bovenkant uitgehouden wordt door een gaffel
haarukkapurje
noun
1.
valaistusmestari
noun
[A] 1. uit de lever afkomstig vocht dat een rol speelt in de spijsvertering, met name van vet
sappi
adjective
linnunrata
pronoun
1. boek van het Nieuwe Testament
Galatalaiskirje
noun
1. een peervormig hol orgaan dat aan de rechterkant van het lichaam, achter (d.w.z. meer naar binnen) en onder de lever ligt
sappirakko
noun
1. een loodsulfide met de chemische formule PbS
lyijyhohde
noun
galleria
/χɑlx/
noun
1. houten constructie bestaande uit één of meer staande balken met een horizontale balk haaks daarop en één of meer diagonale balken ter ondersteuning, in het verleden veel gebruikt om mensen door ophanging ter dood te brengen
hirsipuu
/'ɣɑlɣə(n)strɔp/
noun
1. een tot strop geknoopt touw zoals dat aan een galg gehangen wordt ter verhanging van een veroordeelde
  1. hirttosilmukka
  2. juoksusilmukka
pronoun
1. Romaanse taal gesproken in Galicië
galicia
/ɣɑˈlisɪə/, /ʝɑˈlisɪə/
pronoun
  1. 1. Spaanse regio
    Galicia
  2. 2. historische landstreek
    Galitsia
pronoun
Galilea
noun
1. historisch zeilschip
galeoni
pronoun
1. uitgestorven taal
galli
noun
1. een scheikundig element met symbool Ga en atoomnummer 31
gallium
pronoun
Gallia
noun
1. streektaal die gesproken wordt in Frankrijk
Gallo
noun
1. Angelsaksische inhoudsmaat
gallona
noun
1. de snelste gang van een paard
laukka
verb
1.
laukata
noun
1. een vaste structuur in de galwegen of de galblaas bestaande uit neergeslagen cholesterol, bilirubine of kalkzouten
sappikivi
adjective
1. door een elektrochemisch proces aangebracht
galvaaninen
/'ɣɑm.bi.ja/, /'χɑm.bi.ja/
pronoun
1. een land in West-Afrika
Gambia
adjective
gambialainen
noun
1. lange smalle ruimte
käytävä
noun
1. smalle strook aan de zijkant van het dek van een schip direct naast de reling
kävelykansi
noun
  1. 1. zenuwknoop
    hermosolmu
  2. 2. pijnlijke met vocht gevulde holte
    hyytelörakko
/ˈɣɑŋ(g).pɑd/, /ˈɣɑŋ.pɑt/, /ˈχɑŋ.pɑt/
noun
1. een pad voor wandelaars, voetpad
hyllyväli
/gɑŋ'gren/
noun
1. de afsterving en ontbinding van een levend organisme
kuolio
/ ˈgɛŋstər /
noun
1. een lid van een criminele organisatie
gangsteri
noun
1. benaming voor vogels uit de geslachten Anser en Branta
hanhi
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Ganymedes
noun
1. orgaan dat een grote rol speelt in de stofwisseling van een gans (Anser anser), na het slachten vaak gegeten als delicatesse
hanhenmaksa
noun
1.
hanhenrasva
/ˈɣa.pə(n)/, /ˈɣaː.pə(n)/, /ˈχa.pə(n)/
verb
    1. 2. met open mond vol verwondering ergens naar kijken
    2. 3. wijd openstaan
    avata ammolleen
  1. 1. heel diep inademen met de mond ver open, moeilijk om bewust tegen te gaan
    haukotella
/ɣa.ˈra.zʲǝ/
noun
  1. 2. een bedrijf dat reparatieservices aan motorvoertuigen verricht
    autokorjaamo
  2. 1. een overdekte autostalling
    autotalli
/ɣarɑndɪːrə(n)/
verb
1. de uitkomst ergens van verzekeren
taata
/ɣa'rɑn(t)si/, /ɣa'rɑnsi/
noun
1. verklaring waarin men verklaart voor bepaalde gevolgen in te staan
lupaus
noun
valjaat
noun
1. samengebonden bundel halmen
lyhde
noun
katkarapu
pronoun
1.
Garonne
/ɣɑs/, /χɑs/
noun
1. aggregatietoestand
kaasu
noun
1. een buis waardoor verschillende materialen in gasvorm vervoerd kunnen worden
kaasujohto
noun
het rechter pedaal van een auto waarmee de brandstoftoevoer naar de motor geregeld wordt
kaasupoljin
/ɣɑst/, /χɑst/
noun
1. iemand die als bezoeker ergens wordt ontvangen, verwelkomd of op een bijzondere wijze behandeld
vieras
noun
1. iemand die tijdeljk naar een ander land komt om daar arbeid te verrichten
vierastyöläinen
noun
1. een boek of elektronische versie daarvan waarin bezoekers hun opmerkingen achter kunnen laten
vieraskirja
noun
1.
vierasmaja
noun
  1. 1. een man
  2. 2. (biologie) een organisme
isäntä
noun
1. maagwandontsteking
gastriitti
noun
oksennustauti
adjective
1. met betrekking tot maag en darm
gastrointestinaalinen
noun
gastronomia
/ɣɑstˈfrɛɪ/, /ʝɑstˈfrɛː/
adjective
1. gul in het onthalen of herbergen van gasten
vieraanvarainen
noun
vieraanvaraisuus
noun
emäntä
noun
1. politieke beweging in Frankrijk ontstaan na de Tweede Wereldoorlog gekenmerkt door een sterke nationale republiek, eenheid en een sterk presidentschap
Gaullismi
noun
1. een curve
Gaussin käyrä
/ɣʌu/, /ʝʌu/
adverb
  1. 1. binnen een kort tijdsbestek
    nopeasti
  2. 2. zeer binnenkort
    pian
noun
  1. 2. een geschenk
    kyky
  2. 1. een bijzondere aanleg
    lahja
noun
gaviaali
noun
homotutka
pronoun
1. exclave van Palestina tussen Egypte, Israël en de Middellandse Zee
Gazan kaista
noun
1. benaming voor slanke hoefdieren
gaselli
adjective
hyväksytty
/xəˈbar/
noun
  1. 2. een handeling waarmee men iets wil uitdrukken
  2. 1. een beweging waarmee men iets wil zeggen
ele
verb
1. communiceren door het maken van gebaren
elehtiä
noun
viittomakieli
/ɣə'bɛt/
noun
1. het bidden
rukous
noun
1. een verzameling van bergen die met elkaar een groter geheel vormen
  1. vuoristo
  2. vuorijono
/ɣə'bɵːrə(n)/
verb
1. plaatshebben, werkelijkheid worden
tapahtua
noun
1. iets dat zich voordoet
tapahtuma
/ɣəˈbit/, /χəˈbit/
noun
1. een deel van het aardoppervlak
alue
adjective
1. bedekt met bladeren
lehtevä
noun
määräys
/ɣəˈboːrtə/, /χəˈbo̝ːrtə/
noun
1. actie waarbij een organisme uit zijn/haar moeder komt en aan zijn zelfstandige leven begint
syntymä
noun
1. een getal dat aangeeft hoeveel geboorten er in een gebied in een bepaalde tijd hebben plaatsgevonden
syntyvyys
noun
1. een opvallende tijdelijke toename in het aantal geboorten
syntyvyyden nousu
adjective
  1. 1. ter wereld gebracht, gebaard
  2. 2. begonnen, ontstaan
  3. 3. door herkomst of natuurlijke aanleg
syntynyt
noun
1. een constructie waarin men kan wonen of werken
rakennus
noun
  1. 1. een tekort
  2. 2. een defect
puute
/ɣəˈbroːkən/, /χəˈbroːkən/
adjective
murrettu
noun
1. een dof trillend geluid
hurina
noun
2. toepassen van iets
käyttö
adjective
1. naar gewoonte, zoals men regelmatig doet
tavanomainen
/ɣəˈbrœʏkən/, /χəˈbrœʏkən/
verb
1. zich bedienen van, toepassen
käyttää
/ɣə'brœːkər/, /χə'brœʏkər/
noun
1. iemand die iets gebruikt
käyttäjä
noun
1.
  1. käyttäjänimi
  2. käyttäjätunnus
/ɣə'dɑɣdə/, /ɣəˈdɑxtə/
noun
1. het nadenken, idee
ajatus
noun
1. een reeks op elkaar volgende denkstappen
ajatuskulku
noun
tislattu vesi
noun
1. een in versmaat of in dichterlijke stijl opgesteld stuk
runo
/ɣə'dɛɪə(n)/
verb
1. voorspoedig groeien
viihtyä
noun
1. de manier waarop iemand optreedt of iets ergens op reageert
käytös
verb
1. zich ~: de manieren die iemand meest in de omgang met anderen aan de dag legt
käyttäytyä
noun
1.
ohje
/xə'drɑxswɛizə/
noun
1.
käyttäytyminen
/ɣədʏɫt/
noun
1. de rust en bereidheid om te wachten
  1. kärsivällisyys
  2. maltti
/gə'dʌldəx/
adjective
1. bereid te wachten en tegenslagen te verdragen
kärsivällinen
preposition
tijdens
ajan
/ɣeːl/, /ɣeːɫ/, /χeɪɫ/
adjective
1. citroen-, goudkleurig
keltainen
/ɣeːl/, /ɣeːɫ/, /χeɪɫ/
noun
1. kleur tussen oranje en groen
  1. keltainen
  2. kelta
noun
keltasirkku
noun
keltatauti
indefinitePronoun
1. ontkennend onbepaald lidwoord: tegenovergestelde van één, niet een
ei mitään
/ɣer/
noun
1. heraldisch element
viiri
/ɣeːst/, /χeːst/
noun
  1. 2. een onsubstantieel wezen
  2. 1. dat wat zich afspeelt in iemands gedachten
henki
adjective
1. met humor, gevat
naseva
/ɣ̟eːβ̞/, /χeːu/
noun
1. het zich uitrekken, meestal met open mond, bij slaperigheid, ontspanning of verveling
haukotus
/ɣɪːwə(n)/
verb
1. gapen
haukotella
noun
kuiskaus
adjective
1. met geren bezet
viirijakoinen
noun
1. bepaalde soort dagvlinder, Polygonia c-album
herukkaperhonen
noun
1.
riippuvuus
/ɣəɦɛɪm/
adverb
1. opzettelijk verborgen
salainen
/ɣəɦɛɪm/
noun
1. informatie die verborgen wordt en bestemd is om dat te blijven
salainen
adjective
1. met een helm op
kypäräpäinen
noun
  1. 1. het deel van de hersenen waarin herinneringen worden opgeslagen
  2. 2. snel toegankelijke plaats om data op te slaan
muisti
noun
muistimetalli
noun
amnesia
noun
1. het organische systeem om geluiden waar te nemen
  1. kuulo
  2. kuuloaisti
adjective
1. voorzien van horens
sarvekas
noun
1.
kuuloetäisyys
/ɣə'hoːrzam/, /ɣə'ɦoːrzam/, /χə'ɦo̝ːrzam/
adjective
1. bereid gehoor te geven aan regels of bevelen
kuuliainen
verb
1. gevolg geven aan een opdracht of bevel
  1. noudattaa
  2. totella
/ˈɣɛɪ̯t/, /ˈɣɛːt/, /ˈχɛɪ̯t/
noun
1. bepaald soort zoogdier Capra aegagrus hircus
vuohi
noun
vuohenjuusto
noun
voedzaam vocht dat tepels van een geit afscheiden
  1. vuohenmaito
  2. kutunmaito
/ɣɛk/, /χɛk/
adjective
  1. 2. bezittende een zeer lage intelligentie, krankzinnig
  2. 4. knettergek
hullu
noun
1. gekko
gekko
noun
2. een product om haar mee in model te houden
geeli
adjective
1.
kerroksinen
/ɣəˈlɑx/
noun
1. het lachen
nauru
/ˈɣɛlt/, /ˈχɛlt/
noun
1. een ruilmiddel dat gegarandeerd wordt door een land waarmee goederen en diensten kunnen worden gekocht
raha
/ˈɣɛldərˌlɑnd/, /ˈɣɛɫdərˌlɑnt/, /ˈχɛɫdərˌlɑnt/
pronoun
1. provincie in het oosten van Nederland, die door de Flevoland, Overijssel, Limburg, Noord-Brabant, Zuid-Holland, Utrecht en het Duitse Noord-Rijnland-Westfalen wordt omringd
Gelderland
adjective
1. waarvan de waarde of wettigheid erkend wordt
  1. voimassa oleva
  2. pätevä
  3. kelpaava
  4. voimassaoleva
noun
rahamarkkinat
noun
1. bepaalde infectieziekte, veroorzaakt door het gelekoortsvirus
keltakuume
/ɣəˈledə(n)/, /χəˈledə(n)/
adverb
1. een woord om aan te duiden dat iets zich in het verleden af heeft gespeeld
sitten
/ɣə.let.ˈpo.tə.ɣə/, /ɣə.ˈleːd.ˌpoː.ti.ɣə/, /χə.let.ˈpo.tə.χə/
noun
1. een dier met een uitwendig skelet van chitine
niveljalkainen
adjective
1. zich veel aan studie gewijd hebbend
oppinut
noun
1. iemand die onderricht en bekwaam is in een bepaalde tak van de wetenschap
tiedemies
/ɣǝ.'le.ɣǝn.ɦɛjt/
noun
1. mogelijkheid tot
mahdollisuus
noun
hyty
verb
johtaa
noun
  1. 1. elektrische stroomgeleider
  2. 2. warmtegeleider
johdatin
/ɣəlɛɪgˈbenəx/
adjective
1 & 2.
tasakylkinen
noun
1. de mate waarin iets of iemand aan een ander doet denken
samankaltaisuus
noun
samanvertaisuus
noun
tasasuuntaaja
noun
tasavirta
noun
1. het op hetzelfde moment plaatsvinden van meerdere gebeurtenissen
samanaikaisuus
adjective
1. alle zijden gelijk in lengte
tasasivuinen
/ɣə'lɔftə/
noun
1. een plechtige verklaring iets voortaan te zullen doen of na te zullen laten
lupaus
/ɣəˈlof/, /χəˈlof/
noun
2. de overtuiging dat iets zo is
  1. luottamus
  2. usko
noun
1. aanstellingsbrief
valtakirja
noun
1. de mate waarin iets of iemand verdient geloofd te worden
uskottavuus
verb
1. overtuigd zijn dat iets waar is
  1. uskoa
  2. luulla
/ɣə.ˈlo.vi.ɣə/, /ɣə.ˈlo.və.ɣə/, /χə.ˈlo.və.χə/
noun
1. iemand die een bepaald geloof aanhangt
uskova
adjective
1. zodanig geïsoleerd dat geluiden niet binnen kunnen dringen of de ruimte verlaten
äänieristetty
noun
1. Geluidsoverlast
melusaaste
noun
1. Geluidsoverlast
melusaaste
noun
melusaaste
/ɣəˈlɵk/, /χəˈlɵk/
noun
1. prettige loop van de omstandigheden
  1. onni
  2. tuuri
adjective
1. in een tevredene toestand zijn, zich goed voelen
onnellinen
adjective
maltillinen
noun
1. Zingiber officinale, een specerij met een scherpe smaak
inkivääri
noun
1. fijngemalen gedroogde wortels van Zingiber officinale
  1. inkiväärijauhe
  2. jauhettu inkivääri
adjective
1. beneden de gordel, buiten alle regels
paha
noun
  1. 1. het met één of meer andere deel hebben aan iets
  2. 2. samenleving
  3. 3. geheel van personen of zaken die tot elkaar in een bepaald opzicht in een geregelde betrekking staan
eliöyhteisö
/ɣəmenˈsxɑpələk/, /χəmenˈsχɑpələk/
adjective
3. gerelateerd aan meer dan een entiteit
yhteinen
/ɣəˈmentə/, /ɣəˈmeɪntə/, /ʝəˈmentə/
noun
1. bestuurlijke eenheid
kunta
noun
1. gemeenschap van onafhankelijke landen
kansainyhteisö
/ɣəˈmɪdəld/, /ɣəˈmɪdəlt/, /χəˈmɪdəɫt/
adverb
1. in de meeste gevallen
keskimäärin
noun
1. de som van een aantal getallen gedeeld door het aantal ervan
keskiarvo
noun
1. in de Alpen levende soort berggeit
gemssi
noun
1. drager van informatie van de erfelijke eigenschappen
  1. geeni
  2. perintötekijä
noun
armo
adjective
armoton
noun
1. de laatste slag toegebracht aan een zwaargewonde vijand om hem uit zijn lijden te helpen
armonisku
noun
santarmi
/ˈdʒɛndər/
noun
1. sekse
sosiaalinen sukupuoli
adjective
sukupuolineutraali
noun
1. een discipline van de geschiedkunde die zich bezighoudt met voorouderonderzoek dan wel de afstamming van de familienaam
sukututkimus
adjective
genealoginen
/γ̊əˈneːskʏndə/
noun
1. de wetenschap die zich richt op de aard, de oorzaken en de geneesmiddelen van ziekten
lääketiede
noun
1. iemand die het bevel heeft over een leger
kenraali
noun
1. alle personen die min of meer tegelijkertijd geboren zijn
sukupolvi
/ˌɣenəˈratɔr/, /ˌχenəˈratɔr/
noun
1. een apparaat of persoon die iets genereert (doet ontstaan)
generaattori
adjective
2. algemeen
geneerinen
pronoun
1. Mooseksen kirja
noun
1.de wetenschap van alles wat de werking van genen betreft, in het bijzonder erfelijke overdracht
perinnöllisyystiede
/ɣəˈnetis/
adjective
1. gerelateerd aan de erfelijkheid
geneettinen
noun
1.
hölynpöly
noun
1. iemand die buitengewoon slim is of die ergens uitzonderlijk goed in is
nero
verb
1. voordeel hebben van iets
nauttia
noun
1. naamval als aanduiding van bezit, oorsprong of hoeveelheid
  1. genetiivi
  2. omanto
indefinitePronoun
tarpeeksi
/xəˈnom/
noun
1. een verzameling van alle genen van de chromosomen van een organisme
  1. genomi
  2. perimä
pronoun
Seurasaaret
noun
1. het geheel van genetische kenmerken dat een soort onderscheidt
genotyyppi
noun
1. categorie in een kunstvorm
genre
pronoun
1. Vlaamse provinciehoofdstad van Oost-Vlaanderen, België
Gent
/ˈɣɛn.teː.ra.ˌpi/, /ˈχɛn.tɪː.ra.ˌpi/
noun
1. het inbrengen van genetisch materiaal in (menselijke) cellen in het kader van een geneeskundige behandeling
geeniterapia
noun
katkero
noun
keskiluokkaistuminen
pronoun
1. een stad in Noordwest-Italië
Genova
pronoun
2. stad in Zwitserland
Geneve
adjective
geosentrinen
noun
1. iemand die de geodesie beoefent
geodeetti
noun
geodesia
noun
geofysiikka
adjective
geofysikaalinen
noun
1. aardrijkskunde
maantiede
adjective
1. aardrijkskundig, met betrekking tot de aardrijkskunde
maantieteellinen
noun
1. aardkunde
geologia
adjective
1. op de geologie betrekking hebbend
geologinen
noun
geologi
noun
1. een tak van de wiskunde die zich bezighoudt met ruimtelijke figuren
geometria
noun
geomorfologia
noun
1. futensoort met zwarte nek, zwarte kop en een goudgele oorpluim, Podiceps nigricollis
mustakaulauikku
/ɣeˈjɔrɣis/, /ɣeˈjɔrɣɪs/, /χeˈjɔrχis/
pronoun
1. de taal die in Georgië gesproken wordt
  1. georgia
  2. georgialainen
/ɣeˈjɔrɣi.jə/, /χeˈjɔrχi.jə/
pronoun
1. een soevereine staat in West-Azië, gelegen in de Kaukasus. De officiële taal is het Georgisch
  1. Georgia
  2. Gruusia
adjective
1.
geostationaarinen
noun
2. rechtbank, de rechter
tuomioistuin
noun
oikeudenmukaisuus
noun
1. afsluitbare bak waarin gereedschap opgeborgen en bijeengehouden wordt
työkalupakki
noun
geriatria
noun
1.
vähättely
/ɣɛrˈmaːns/, /χɛrˈmans/
adjective
  1. 1. betrekking hebbend op de taal der Germanen of de talen die er van afstammen
  2. 1. op de Germanen betrekking hebbend
germaaninen
/ɣɛrˈmaːns/, /χɛrˈmans/
pronoun
1. taal zoals die eertijds door de Germanen gesproken werd
germaaninen
noun
1. woord of uitdrukking overgenomen uit het Duits of gevormd naar het Duits
germanismi
noun
1. een scheikundig element met symbool Ge en atoomnummer 32
germanium
noun
1. tak van wetenschap die het "ouder worden" bestudeert
gerontologia
noun
2. en 3. (zaad van de) plant Hordeum vulgare
ohra
noun
2. wit korreltje op het ooglid
luufinni
/ɣə'rɵxt/
noun
  1. 2. een mededeling of nieuwtje dat de ronde doet maar nog niet bevestigd is, zodat je niet zeker bent of het waar is
  2. 1. lawaai; een klein geluid
huhu
noun
1. zelfstandig gebruikte verbogen infinitief
gerundi
verb
1. iemands angst of zorgen ontzenuwen of minder aannemelijk maken
rauhoittaa
/ɣəˈsxɛŋk/, /ʝəˈsçɛŋk/
noun
1. iets dat men geeft
lahja
/ɣəˈsxidəˌnɪs/
noun
2. de gebeurtenissen van het verleden
historia
noun
historiografia
noun
1.
ampuminen
adjective
1. met de juiste eigenschappen
sopiva
/ˈɣeː.zəl/, /ˈχe.səɫ/
noun
1. werktuig van touwen of riempjes met knopen of stukjes metaal, waarmee men ter bestraffing op iemands lichaam slaat
piiska
/ɣesələ(n)/
verb
1. iemand met een zweep of gesel tuchtigen
piiskata
/χəˈslɑχt/
noun
    1. 3. (biologisch) genus
    2. 4. grammaticaal geslacht
    suku
  1. 5. afstammelingen van één persoon
    1. suku
    2. sukulinja
  2. 2. geslachtsorganen
    sukuelimet
noun
[[sukupuoli-identiteetin]] häiriö
/ɣəˈslɑxtsɔrɣaːn/, /ʝəˈslɑxtsɔrʝaːn/
noun
1. lichaamsdeel
sukupuolielin
/ɣɛsp/
noun
1. sluitmechanisme aan riemen e.d.
solki
adjective
1. met sterk ontwikkelde stevige spieren
lihaksikas
noun
1. een mondelinge conversatie waarbij informatie uitgewisseld wordt
keskustelu
noun
1. een persoon die deelneemt aan een gesprek
keskustelukumppani
adjective
1. geleidelijk maar persistent
vakaa
/ɣəˈstentə/
noun
1. het materiaal waaruit de aardkorst bestaat, bestaande uit mineralen
kivi
noun
  1. numero
  2. luku
adjective
1. talent hebbend
etevä
noun
1. een elektrische centrale die functioneert op het verschil tussen eb en vloed
vuorovesivoimalaitos
noun
1. de periodieke verandering van de waterstand ten gevolge van de stand van de maan
aika
noun
1. (elektrotechniek) (werktuigbouwkunde) elektrische centrale die werkt door middel van getijdenstromen ontstaan door het hoogteverschil tussen eb en vloed
vuorovesivoimalaitos
noun
1.
raksutus
noun
1.
köydenveto
noun
1.
tepsutus
adjective
uskollinen
adjective
1. voltooid deelwoord van trouwen
naimisissa
noun
1. iemand die een gebeurtenis heeft meegemaak of op andere wijze, veelal onder ede, een verklaring kan geven ten aanzien van de ware toedracht van een zaak
todistaja
verb
1. een veelal beëdigde verklaring afleggen ten aanzien van de ware toedracht van een zaak
todistaa
noun
todistajanlausunto
/ɣøːr/, /χøːr/
noun
1. gewaarwording met de neus van de aanwezigheid van een gasvormige uitwaseming
haju
/ɣəˈvar/
noun
1. groot risico
vaara
/ɣəˈvarlək/, /ɣəˈvaːrlɪk/, /χəˈvarlək/
adjective
1. gevaar met zich meebrengend
vaarallinen
noun
1.
case
noun
1. iemand die gevangen genomen is
vanki
/ɣǝvɑŋǝnis/
noun
1. een gebouw waarin personen gevangen worden gehouden vanwege hun misdaden
vankila
noun
1een driehoekige rode reflector
varoituskolmio
/ɣəˈvɛxt/, /χəˈvɛxt/
noun
1. een handgemeen
kamppailu
/ˈɣevə(n)/, /ˈχevə(n)/
verb
1. overdragen van het bezit van iets aan iemand anders
antaa
noun
1. bepaald soort plant, Conium maculatum
myrkkykatko
adjective
1. met vleugels
siivekäs
noun
1. gewaarwording
tunne
noun
    1. 1. een aandoenlijkheid
    2. 2. de nauwkeurigheid van instrumenten
    arkailu
  1. 3. de spanning van een film
    havaintokyky
noun
1. een verzamelnaam voor vogels die gekweekt worden als voedsel
siipikarja
/ɣəˈvɔlx/, /ɣəˈvɔɫx/, /χəˈvɔɫχ/
noun
1. iets dat voortkomt uit iets anders
seuraus
noun
1. dat wat aanwast op het veld, maar nog niet geoogst is.
  1. satokasvi
  2. viljelykasvi
  3. viljelyskasvi
noun
kivääri
noun
1. een stel uit been bestaande hoorns van herten; al dan niet vertakt
sarvi
noun
1. elke kracht van meer dan geringe betekenis uitgeoefend op personen, goederen of zaken
väkivalta
noun
holvi
/ɣəˈʋetə(n)/
noun
1. het deel van iemand waarmee die persoon zijn daden op goed en kwaad beoordeelt
omatunto
/ɣəˈʋɪxt/, /χəˈʋɪxt/
noun
1. de kracht die dat voorwerp op zijn ondersteuning of ophanging uitoefent
paino
noun
1. een sport waarbij de beoefenaars proberen om zware gewichten op te heffen die aan stalen staven zijn bevestigd
painonnosto
/xə'wɪxthɛfər/
noun
1.
painonnostaja
noun
1. het minder worden van de massa van een persoon of voorwerp
painonmenetys
noun
1. bepaald soort loofboom, Acer pseudoplatanus
vuorivaahtera
noun
1. Balaenoptera physalus, een groot zeezoogdier, lang en gestroomlijnd met puntige kop
sillivales
noun
de vrucht van de gewone walnoten- of okkernotenboom
saksanpähkinä
/ɣəˈwoːn/, /ɣəˈβ̞oːn/, /χəˈʋon/
adjective
tavallinen
noun
1. Galanthus nivalis, een vroegbloeiend bolgewas met witte bloempjes
lumikello
adverb
1. zoals de ervaring leert dat het meestal is
tavallisesti
/ɣəˈwoːntə/, /ɣəˈβ̞oːntə/, /χəˈʋontə/
noun
1. vaste wijze om dingen te doen
tapa
noun
1. verbinding
nivel
noun
edustaja
noun
2. alle zinsdelen behalve het onderwerp
predikaatti
noun
2. middeleeuwse ambachtsman in een gilde die nog niet de rang van meester of baas had verworven
kisälli
/χəˈzɛləx/
adjective
  1. 3. knus
  2. 2. sociaal aangenaam
  3. 4. leuk, onderhoudend
mukava
/ɣə'zɛlsxɑp/
noun
  1. 1. een groep mensen die iets gemeen hebben
    kumppanuus
  2. 3. een vereniging met een bepaald doel
    yhteisö
noun
1. de voorkant van een menselijk hoofd
kasvot
noun
1. de ruimtelijke hoek waaronder beeldschermen en displays van apparaten zijn af te lezen
näkökulma
/xə.ˈzɔnt/, /ɣə.ˈzɔnt/
adjective
  1. 1. vrij van ziektes en zeertes
  2. 2. bevorderlijk voor een goede conditie
  1. terve
  2. terveellinen
noun
1. welbevinden, in goede staat zijn
terveys
noun
1. het volledige fysieke, spirituele en sociale welzijn
terveydentila
noun
1.
ahkerointi
noun
integroitu piiri
/'ɣa.na/, /'χa.na/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Ghana
Ghana
adjective
1. op Ghana betrekking hebbend
ghanalainen
pronoun
Gibraltar
/ɣɪts/, /χɪts/
noun
persoon die een groep begeleid en uitleg geeft
kuljettaa
noun
1. rondhout bevestigd aan het onderlijk van een zeil
puomi
/ɣiːr/, /χiːr/
noun
1. benaming voor grote aasetende roofvogels met een kale kop en machtige vleugels
korppikotka
adjective
1. geen geld of bezit aan een ander willende geven
  1. saita
  2. pihi
noun
2. en 3. (zaden van) de graansoort Panicum miliaceum
hirssi
/ˈɣirˌzʋalyw/
noun
1. bepaald soort vogel, Apus apus
tervapääsky
noun
1. een soort emmer met sproeibuis om de planten te begieten
kastelukannu
noun
1. een bedrijf dat zich toelegt op het gieten van metalen voorwerpen
valimo
noun
valurauta
/ɣɪf/, /χɪf/
noun
1. substantie die in kleine hoeveelheden schadelijk of dodelijk is
myrkky
/ˈɣɪftəx/, /ˈχɪftəx/
adjective
1. gif bevattend
myrkyllinen
noun
gigatavu
adjective
jättiläismäinen
/ˈɣɛɪ̯zəlaːr/, /ˈɣɛːzəlaːr/, /ˈχɛɪ̯zəlaːr/
noun
1. een veelal onschuldig persoon die tegen de eigen wil door een gijzelnemer gevangen wordt gehouden en die bedreigd wordt met het doel iets van derden gedaan te krijgen
panttivanki
/'ɣɛɪzələ(n)/
verb
1. iemand gevangen nemen om daarmee een losprijs te bedingen
ottaa panttivangiksi
/ɣɪɫ/
noun
1. een harde schelle ongearticuleerde uitroep
kirskahdus
/ˈɣɪldə/, /ˈχɪɫdə/
noun
kilta
noun
gini
adverb
tuolla
noun
neidonhiuspuu
noun
1.
  1. ginseng
  2. ginsengjuuri
noun
1. (scheikunde) een uit calciumsulfaat en water uithardende witte vaste stof: CaSO₄·2H₂O
kipsi
/ʒi'rɑf/
noun
1. Herkauwend dier
kirahvi
noun
1. herkauwend dier dat in Midden-Afrika leeft met een zeer lange hals, Giraffa camelopardalis
kirahvi
verb
1. een vermoeden uitspreken over iets
arvella
noun
1. de naam voor een aantal soorten micro-organismen
  1. hiiva
  2. hiivasieni
verb
käyttää
/ˈɣɪstər/, /ˈχɪstər/
adverb
1. de laatste dag die voltooid is
eilen
/ˈɣɪstərə(n)/, /ˈχɪstərə(n)/
adverb
1. de laatste dag die voltooid is
  1. eilen
  2. eilinen
  3. eilispäivä
noun
1.
arvailu
/ɣi'tar/
noun
1. een muziekinstrument
kitara
noun
glasiologia
adjective
tasainen
noun
gladiaattori
noun
1. betoverend uiterlijk, schone schijn
glamour
noun
1. Poecile palustris, een zangvogel uit de familie van echte mezen (Paridae)
viitatiainen
verb
1. in zekere mate licht weerspiegelen of voortbrengen
kiiltää
/ɣlɑs/, /χlɑs/
noun
  1. 2. op basis van SiO₂
  2. 3. om uit te drinken
  3. 1. niet-kristallijne vaste stof
lasi
noun
lasiainen
noun
1. een container voor het gescheiden inzamelen van glasafval
lasinkeräysastia
noun
glasnost
noun
isolatiemateriaal gemaakt van glas
lasivilla
noun
1. een aandoening waarbij een verhoging van de druk in de oogbol onbehandeld...
glaukooma
verb
  1. 1. met een laag glazuur bedekken
  2. 2. met een laag glanzende suiker bedekken
lasittaa
noun
1-2
hammaskiille
noun
1. een ijsmassa die gevormd wordt op land en dik en groot genoeg is om bergafwaarts te stromen
jäätikkö
adjective
1. glad, moeilijk houvast op te krijgen
liukas
noun
liukumäki
/ˈxlɛɪdə(n)/, /ˈɣlɛːdə(n)/
verb
1. met geringe wrijving gericht voortschuiven
  1. liukua
  2. liitää
  3. lipua
noun
1. een gelaatsuitdrukking die een geluidloze lach verraadt
hymy
/'ɣlɪmlɑχən/
verb
1. zacht onhoorbaar lachen
hymyillä
noun
1. een nachtelijk lichtgevend kevertje uit de familie Lampyridae
kiiltomato
/ɣlut/
noun
hehku
/ˈɣluilɑmp/
noun
1. een lamp die licht produceert met een gloeidraadje
hehkulamppu
noun
asiasanasto
/ˈɣlɔtɪˌslɑx/
noun
1. een klank die met de stembanden in de keel geproduceerd wordt en tot de plosieven gerekend wordt
glottaaliklusiili
/ˈɣlyː.rə(n)/
verb
1. in het geheim aandachtig naar iemand kijken
kurkistaa
/'ɣly.tə(n)/
noun
gluteeni
/ˌɣlikɔˈɣen/
noun
1. een opvanghuis voor wezen
glykogeeni
noun
1. een metamorf gesteente met verschillend gekleurde banden of aders
gneissi
noun
1. Connochaetes, een dier behorende tot de familie Bovidae...
  1. gnuu
  2. gnu
noun
1. mythologisch wezen dat lelijk, klein van stuk is en meestal een baard heeft
gnoomi
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het westen van het land
Goa
pronoun
1. bovennatuurlijk en volmaakt wezen, dat beschikt over superieure krachten en dat onsterfelijk is
  1. Jumala
  2. jumala
/ɣɔd/, /ɣɔt/, /χɔt/
noun
1. hypothetisch bovennatuurlijk wezen dat verantwoordelijk wordt geacht...
jumala
adjective
taivaallinen
noun
1. een hypothetisch bovennatuurlijk wezen dat verantwoordelijk wordt geacht voor (bepaalde aspecten van) de werkelijkheid
jumala
noun
1. een vrouwelijke godheid
jumalatar
noun
1. een geloof en alle daar bij horende rituelen en doctrines
uskonto
noun
1.
uskonnonvapaus
noun
1. belediging of bespotting van God/een godheid
jumalanpilkka
adjective
1. lasterlijk ten opzichte van God
pilkkaava
adjective
1.
jumalaapelkäävä
adjective
1. kwaliteit bezittend
hyvä
adverb
1. op goede wijze
hyvin
noun
1. iets concreets of abstracts dat men in bezit kan hebben
hyvä
/ˌɣudə.ˈvrɛɪ̯.dɑx/
pronoun
1. de vrijdag voor Pasen
pitkäperjantai
/ˌɣudəˈmɔrɣə(n)/
interjection
groet
  1. hyvää huomenta
  2. huomenta
interjection
avondwens
hyvää yötä
interjection
1. een groet die in de avond gebruikt wordt
  1. hyvää iltaa
  2. iltaa
noun
1. trein die uitsluitend is bestemd om goederen te vervoeren
tavarajuna
noun
1. de hoedanigheid van het goed zijn
hyvyys
verb
1. toestemming verlenen
hyväksyä
adjective
1. laag in prijs
  1. halpa
  2. edullinen
noun
gulag
/ɣɔk/, /χɔk/
noun
2. een keuze zonder het juiste antwoord te weten
uhkapeli
/gɔlf/, /χɔl(ə)f/
noun
  1. 1, 2 en 3
    aalto
  2. 4. grote baai
    lahti
  3. 1. balspel waarbij een golfbal met een golfclub in een aantal slagen in de hole moet worden geslagen.
    golf
pronoun
1. zee die begrenst wordt door Mexico, de Verenigde Staten van Amerika en Cuba
Meksikonlahti
pronoun
1.
Riianlahti
noun
golfpallo
noun
verpakkingsmateriaal, bestaande uit één of meer lagen dun, gegolfd karton
aaltopahvi
noun
aallonpituus
/ˈɣɔndəl/
noun
1. een pleziervaartuig in Venetië
gondoli
noun
1. een hangend slagwerk
gongi
noun
1. een geslachtziekte die veroorzaakt wordt door de bacterie Neisseria gonorrhea
tippuri
/ˈgu:gələ(n)/, /ˈɡu.ɡə.lə(n)/, /ˈɣu.ɣə.lə(n)/
verb
1. naar informatie zoeken op het internet, m.n. met Google
  1. googlata
  2. googlettaa
noun
googol
noun
googolplex
/χot/
noun
1. lid van een Oost-Germaans volk
gootti
noun
oja
/ˈɣotsten/
noun
1. een bak, meestal ingebouwd in een aanrecht, onder een kraan en met een afvoer
pesuallas
noun
1. een band die om het middel gedragen wordt
vyöhyke
noun
1. zoogdier met pantser van beweegbare schubben uit de familie Dasipodidae
vyötiäinen
noun
vyöruusu
/ɣɔrˈdɛːn/, /χɔrˈdɛɪn/
noun
1. doek ter afdekking
verho
noun
1. Afrikaanse mensaap uit het geslacht Gorilla
gorilla
/ɣɔrs/, /χɔrs/
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Emberizidae
sirkku
noun
gospel
pronoun
1. de uit de oostelijke tak van de Germaanse talen stammende en uitgestorven taal der Goten uit de eerste...
goottilainen
/ˈɣɔtlɑnt/, /ˈʝɔtlɑnt/
pronoun
1. Zweeds eiland
Gotlanti
/χɔtspə/
noun
kantti
/ɣʌʊt/
noun
1. een edelmetaal met atoomnummer 79 dat wordt aangegeven met het symbool Au, het is een geel metalliek overgangsmetaal
kulta
noun
1.
emosuoni
noun
1. Physalis peruviana
karviaiskoiso
phraseologicalUnit
  1. kultamitali
  2. kulta
noun
1. bepaald soort klein vogeltje met een goudkleurig kruintje Regulus regulus
hippiäinen
noun
Kultarannikko
noun
1. soort plevier, Pluvialis apricaria
kapustarinta
noun
kehäkukka
noun
1.
goudajuusto
noun
1. een smid die met goud werkt
kultaseppä
noun
1. bepaald soort vogel, Pyrrhul pyrrhula
punatulkku
/ˈɣaʊ̯d.vɪs/, /ˈɣɔʊ̯t.fɪs/, /ˈχʌʊ̯t.fɪs/
noun
1. bepaald soort kleine goudkleurige of rode vis die uit China afkomstig is en die door veel mensen thuis gehouden wordt, Carassius auratus auratus
kultakala
noun
1. een stoofschotel van o.a. rundvlees, paprika en uien, tevens het nationale gerecht van Hongarije
gulassi
noun
1. het hoofd van een regering, van een kolonie, staat of andere subnationale staatseenheid
kuvernööri
noun
1. eenheid om hoeken te meten
aste
noun
1. geschiedkundige term voor een landsheer, oorspronkelijk belast met de rechtspraak...
kreivi
noun
kreivikunta
/ɣrax/, /χraχ/
adverb
1. met plezier, met graagte; dat doe ik graag
mielellään
noun
vilja
noun
kalanruoto
noun
1. een instrument waarmee een hoek van een gekende grote uitgezet of gemeten kan worden
astelevy
/ɣrɑf/, /χrɑf/
noun
  1. 1. ruimte om één of meer lijken in te begraven
  2. 2. plaats waar één of meer lijken begraven liggen
hauta
noun
1. kunstmatige heuvel die is opgeworpen om als graf te dienen
hautakumpu
noun
in plaatjes gekristalliseerde koolstof
grafiitti
adjective
graafinen
noun
  1. 1. het binnengaan van een graf of tombe met als doel er artefacten...
  2. 2. het binnengaan van een graf of tombe om het lichaam van een begravene te onteren...
haudanryöstö
noun
1. op een grafsteen gegraveerde korte tekst, gewijd aan de overledene
muistokirjoitus
noun
1. een rechtopstaande gebeeldhouwde steen die de aanwezigheid van een graf markeert
hautakivi
noun
1. een afgeleide eenheid voor massa in het SI-stelsel (éénduizendste van een kilogram, 0,001 kg)
gramma
noun
1. een systeem van regels en principes voor het schrijven en spreken van een taal.
kielioppi
adjective
kieliopillinen
/ɣṛɑm.ˌpo.zi.ˈtiː.və.bɑk.ˈteːri.jə(n)/, /χrɑm.ˌpo.zi.ˈti.və.bɑk.ˈtɪː.ri.jə(n)/
noun
1. verzamelnaam voor soorten met een dikke laag peptidoglycaan in hun celwand
grampositiivinen bakteeri
noun
5. groep kubische mineralen
granaatti
noun
  1. 2. vrucht
  2. 1. boom
granaattiomena
noun
1. wapen, of deel van een wapen, bestemd voor het lanceren van stuwloze ontploffende projectielen
kranaattiampumalaite
/ɣɾaˈni:t/
noun
1. stollingsgesteente bestaande uit lichtgekleurde, met het blote oog onderscheidbare mineralen.
graniitti
/ɣrɑp/, /χrɑp/
noun
1. verhaal dat of handeling die erop gericht is om de lachlust op te wekken
pila
noun
1. een gele of rode, enigszins bitter smakende citrusvrucht
greippi
noun
1. sap van de vrucht van de boom Citrus paradisi
greippimehu
noun
1.een Italiaanse alcoholische drank
grappa
/ˈɣrɑpəχ/
adjective
1. de lust tot (glim-) lachen opwekkend
koominen
noun
  1. 1. benaming voor planten uit de familie Poaceae
  2. 1.1 benaming voor planten uit de familie Poaceae die een oppervlak met sprietvormige groene bladeren begroeien
ruoho
/ɣrɑsmajər/
noun
ruohonleikkuri
noun
1. Sylvia communis, een zangvogel uit de familie zangers Syviidae
pensaskerttu
noun
1. Anthus pratensis, een zangvogel uit de familie Motacillidae
niittykirvinen
noun
nurmi
noun
1. het afzien van de uitvoering van een straf
armahdus
adjective
1. wat zonder betaling verkregen wordt
  1. ilmaiseksi
  2. ilmainen
noun
1. bepaalde soort grijsbruine vogel met oranje snavel, Anser anser
merihanhi
noun
1. bepaalde soort roofvogel, Circus pygargus
niittysuohaukka
verb
1. een gat in de grond maken met de handen of met een graafwerktuig
kaivaa
verb
1. met een scherp gereedschap iets krassen in glas of metaal
kaivertaa
noun
1. vrouwelijke graaf
kreivitär
noun
1. de kracht die de wederzijdse aantrekking van massa veroorzaakt
painovoima
noun
2. decoratie in metaal, glas of edelsteen gesneden
kaiverrus
/'χrazə(n)/
verb
1. het eten van gras en andere bodemvegetatie zoals bijvoorbeeld runderen dit doen
laiduntaa
noun
graani
/ɣre.ˈna.da/, /ɣrɛ.ˈna.da/, /χre.ˈna.da/
pronoun
land in het Caribisch gebied
Grenada
adjective
op Grenada betrekking hebbend
grenadalainen
noun
  1. 2. de raaklijn tussen twee landen
  2. 1. een al dan niet denkbeeldige scheidingslijn
raja
/ɣrik/, /χrik/
noun
1. inwoner van Griekenland
kreikkalainen
/ˈɣrikə(n)ˌlɑnd/, /ˈɣrikə(n)ˌlɑnt/, /ˈχrikə(n)ˌlɑnt/
pronoun
1. een land in het zuidoosten van Europa
Kreikka
/ɣriks/, /χriks/
pronoun
1. een taal die vooral wordt gesproken in Griekenland en op Cyprus
  1. kreikka
  2. kreikkalainen
verb
1. grienen
vetistellä
/ɣrip/
noun
1. een vierusziekte die jaarlijks vele mensen ziek maakt en die voor ouderen gevaarlijk kan zijn
influenssa
/ˈɣriprɪk/, /ˈχriprɪk/
noun
1. een vaccinatie tegen een griepvirus
influenssarokote
noun
1. grof gemalen meel
mannasuurimo
/ɣrit/, /χrit/
noun
C. vissoort
silokampela
adjective
kammottava
noun
1. Oudgrieks fabeldier met de kop, voorpoten en vleugels van een adelaar en de romp, achterpoten en staart van een leeuw
aarnikotka
noun
virne
noun
1. een pijnlijke, hatelijke, satirische vertrekking van het gelaat
omahyväinen hymy
verb
1. plotseling iets of iemand beetpakken
tarttua
adjective
1. de kleur grijs hebbend
harmaa
adjective
1. gelijkend op, of eigenschappen hebbend van grijs
harmahtava
/ɣrɛɪsˈɦarəx/
adjective
1. met grijs haar
harmaahapsinen
noun
1. stevige zwarte walvis, met bolvormig voorhoofd en een heel kleine snuit
harmaavalas
noun
1.
liitohaukka
noun
onredelijk en willekeurig gedrag
oikku
adjective
synkeä
noun
sora
noun
grisaille
/ˈgrɪzliˌbeːr/, /ˈɣrɪzliˌbeːr/
noun
1. Ursus arctos horribilis, een Amerikaanse ondersoort van de bruine beer.
harmaakarhu
/ɣruj/, /χruj/
noun
1. het groter worden
kasvu
/ˈɣrui̯ə(n)/
verb
groter worden
kasvaa
adjective
1. met de kleur zoals bladeren van planten die meestal hebben
vihreä
noun
1. kleur zoals bladeren van planten die meestal hebben, geel met blauw gemengd
vihreä
noun
  1. 1. groen verkeerslicht
  2. 2. toestemming
vihreä valo
noun
1. de jonge scheuten van Asparagus officinalis
vihreä parsa
noun
1. benaming voor dieren uit het geslacht Pelophylax
vihersammako
noun
1. Picus viridis
vihertikka
/ˈɣrun.lɑnd/, /ˈɣrun.lɑnt/, /ˈχrun.lɑnt/
pronoun
1. een groot eiland ten noordoosten van Canada, deel uitmakend van het koninkrijk Denemarken
Grönlanti
adjective
grönlantilainen
pronoun
1. de zee ten westen van Groenland
Grönlanninmeri
noun
1.
patina
noun
1. eetbare planten of delen daarvan
vihannes
noun
1.
vihanneskauppias
/ɣrup/, /ʝrup/
noun
1. uit meerdere personen of eenheden bestaand geheel
ryhmä
verb
1. in groepen stellen
luokitella
noun
1. sociale druk
ryhmäpaine
noun
laumasuoja
noun
1.
kimppakiva
noun
1. verkrachting door een groep personen
joukkoraiskaus
/ˈɣrut/, /ˈχrut/
noun
1. een uiting waarbij men elkaars aanwezigheid erkent wanneer men elkaar ontmoet
tervehdys
noun
1. mijnbouw) een mijn waar delfstoffen gewonnen worden, onderaards of dagbouw
kuoppa
verb
1. een dreigend geluid voortbrengen
murista
noun
1.
maanomistaja
verb
ruokailla pää veden alla
noun
raaka-aine
noun
1. al het water dat zich in de aardbodem bevindt
pohjavesi
noun
1. wet die de principes van een staat definieert
  1. perustuslaki
  2. valtiosääntö
/ˈɣroːˌnɪŋə(n)/, /ˈχroˌnɪŋə(n)/
pronoun
  1. 1. hoofdstad van de provincie Groningen
  2. 2. gemeente in de provincie Groningen waarin de stad Groningen ligt
  3. 3. provincie in het noorden van Nederland, die door Friesland, Drenthe en het Duitse Oost-Friesland wordt begrensd
Groningen
/ɣroːt/
adjective
    1. 2. bewonderenswaardig, goed
    2. 3. machtig, belangrijk
    1. iso
    2. suuri
  1. 1. meer dan normaal in formaat
    1. suuri
    2. iso
/ˌɣroːd brɪˈtɑni.jə/, /ˌχrot brɪˈtɑni.jə/
pronoun
1. benaming voor het '[[Verenigd Koninkrijk|Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland]]', dat officieel met Verenigd Koninkrijk wordt aangeduid.
Iso-Britannia
noun
1. bedrijf dat in het groot handelt, dat aan de detailhandel levert
tukkukauppa
noun
suuruudenhulluus
noun
1. adellijke titel die hoger is dan die van hertog maar lager dan die van koning
suurherttua
noun
1.
suurherttuakunta
noun
laajakulmaobjektiivi
noun
1. een moeder van een ouder
  1. isoäiti
  2. isänäiti
  3. mummo
  4. mummi
noun
1. op een krachtige manier heel gul zijn
yltäkylläisyys
noun
korvakoira
/ˈɣrotˌʌʊdər/
noun
1. de ouder van een ouder
isovanhempi
noun
suuruus
/ˈɣroːtˌfaːdər/
noun
1. de vader van een ouder
  1. isoisä
  2. vaari
  3. pappa
  4. ukki
noun
3. groothertog
suuriruhtinas
noun
  1. 1. in de klassieke zeilvaart de onderste, grootste zeil aan de grote mast
  2. 2. in de moderne zeilvaart het zeil bevestigd met het voorlijk aan de achterkant van de (grootste) mast
isopurje
pronoun
1. hoog aan het noordelijk halfrond duidelijk zichtbaar sterrenbeeld
Iso karhu
noun
1. bepaald soort vrij grote vogel met zwarte rug- en lichtere buikzijde, Dendrocopos major
käpytikka
noun
1. soort zeevogel van ongeveer 70 centimeter groot, Larus hyperboreus
isolokki
noun
1. Limenitis populi, een dagvlinder uit de familie Nymphalisdae
haapaperhoner
noun
isokihu
noun
silkkiunikko
noun
1. soort zeevogel, Larus marinus
merilokki
pronoun
1. de naam voor de 5 grote meren op of nabij de grens tussen de Verenigde Staten en Canada
Suuret järvet
noun
1. bepaald soort overblijvende plant, Sanguisorba officinalis
punaluppio
noun
1. bepaalde soort zeevogel, te herkennen aan zijn zwarte kuif en snavel met een klein geel puntje, Sterna sandvicensis
riuttatiira
phraseologicalUnit
1. een interval dat vier halve tonen omvat
suuri terssi
noun
isokoskelo
noun
1. Melanitta fusca, een vrijwel geheel zwarte eendensoort die voornamelijk op zee voorkomt
pilkkasiipi
adjective
1. op afschrikwekkende wijze buitenissig
groteski
pronoun
1.
Groznyi
noun
kivipöly
/ˈxrʏto/, /ˈɣrʏto/
noun
1. bepaald soort weidevogel en een van de grootste steltlopers
mustapyrstökuiri
noun
1.
gruyère
/'ɣryzələ'mɛntə(n)/
noun
1. stukken die ontstaan wanneer een voorwerp breekt
murska
noun
een dipsaus uit Midden-Amerika
guacamole
pronoun
Guadeloupe
noun
guano
/ˌgʋɑ.tə.ˈma.la/, /ˌgβ̞ɑ.tə.ˈma.la/, /ˌɣ<sup>ʊ</sup>a.tə.ˈma.la/
pronoun
land in Midden-Amerika, officieel de Republiek Guatemala
Guatemala
noun
1. en 2. (vrucht van) Psidium guajava
  1. guava
  2. hedelmäguava
pronoun
Guernsey
noun
sissisota
/ɣi.ˈne/, /χi.ˈne/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Guinee
Guinea
/ˌɣi.ne.bɪ.ˈsaʊ̯/, /ˌɣi.ne.ˈbɪ.sɔʊ̯/, /ˌχi.ne.ˈbɪ.sʌʊ̯/
pronoun
1. bepaalde soort vlinder, Vanessa atalanta
Guinea-Bissau
adjective
1. op Guinee betrekking hebbend
guinealainen
pronoun
1. een taal die oorspronkelijk in Gujerat gesproken wordt. De taal wordt nu ook in Uganda, Tanzania, Kenia en Pakistan gesproken
gudžarati
adjective
1. vrijgevig
antelias
noun
piisku
/ɣɵlp/
noun
1. een door een strook stof afgesloten opening aan de voorzijde van een broek van de man,...
sepalus
/ɣɵnst/, /χɵnst/
noun
1. het vrijwillig verlenen van een dienst of goed aan iemand om iemand ter wille te zijn
suosio
/ɣi.ˈja.na/, /ɣβ̞i.ˈja.na/, /χi.ˈja.na/
pronoun
1. een land in Zuid Amerika, officieel de Coöperatieve Republiek Guyana
Guyana
noun
1. oefeningen voor de gezondheid van een mens
voimistelu
noun
naistentautioppi
/ˌɣiroˈskop/
noun
gyroskooppi
/ˈgœtɪŋən/
pronoun
1. + 2. stad en district
Göttingen
noun
1. een afscheiding bestaande uit kreupelhout of struikgewas
pensasaita
noun
1. bepaald soort loofboom, Carpinus betulus
valkopyökki
/haːɪ̯/, /ɦaɪ̯/
noun
1. benaming voor roofvissen uit de superorde Selachimorpha
hai
noun
1.
haineväkeitto
/haːk/
noun
koukku
noun
hakapyssy
noun
2. elk van de tekens, rond of met hoeken, gebruikt in paren om woorden of getallen af te zonderen
  1. sulku
  2. sulje
noun
1. een naald die wordt gebruikt bij haakwerk
virkkuukoukku
/ɦan/
noun
1. mannelijk dier bij de hoenderachtige vogels
  1. kukko
  2. hana
noun
1.1 hoofdhaar, uitgroeisel van de epidermis dat delen van het hoofd bedekt
  1. hius
  2. tukka
possessivePronoun
1. bezit aanduidend door een 3e persoon vrouwelijk enkelvoud
  1. hän
  2. hänen
noun
1. plaats in de woning bedoeld om er een vuur te branden
arina
noun
1. alle haren die boven op de schedel van een mens zitten
hiukset
noun
2. verticaal rooster om vonken en kooltjes die van een brandend haardvuur kunnen komen tegen te houden
kipinäsuoja
noun
1. een doorgaans dunne speld waarmee het haar kan worden opgestoken.
hiusneula
noun
1. Lepus eropaeus, een konijnachtig zoogdier met lange achterpoten een gespleten lip en lange oren
  1. jänis
  2. metsäjänis
/hast/
adverb
1. bijna
  1. melkein
  2. lähes
/'ɦastən/
verb
1. trachten om dat wat men te doen heeft snel af te maken
kiiruhtaa
adjective
1. zich niet de tijd nemend
hätiköity
/ɦaːt/
noun
1. sterk gevoel van vijandschap
viha
pronoun
2. boek in de Bijbel
Habakukin kirja
/ˈhabiˌtɑt/
noun
1. het natuurlijke leefgebied van een organisme
  1. asuinpaikka
  2. elinpiiri
/haˈdejikʏm/
noun
hadeeinen aioni
noun
1. verzamelde mondelinge overleveringen van de uitspraken en instructies van Mohammed
hadith
noun
1. bepaalde soort vlinder, Vanessa atalanta
hadroni
noun
1. scheikundig element met symbool Hf en atoomnummer 72
hafnium
noun
1. langstaartig, geschubd reptiel uit de onderorde Lacertilia
  1. lisko
  2. sisilisko
/haɣəɫ/
noun
1. bolvormig ijs dat als neerslag uit de hemel valt
  1. rakeet
  2. rae
  3. raesade
verb
1. het uit de hemel neerkomen van hagelstenen
rakeet
noun
1. een vuurwapen om voornamelijk hagelpatronen mee af te schieten
haulipyssy
/ˈhaɣəlˌsten/
noun
1. een klontje ijs dat als neerslag uit de lucht komt
rae
pronoun
2. boek in de Bijbel
Haggain kirja
noun
hagiografia
noun
1.
haiku
noun
1. hiel van de voet
  1. kanta
  2. korko
verb
3. bevestigen d.m.v. een haak
ripustaa koukkuun
/ˈhaː.kə(n)ˌkrœys/
noun
hakaristi
noun
1. houtgewas dat ieder 6-10 jaar gekapt wordt meestal om te gebruiken als brandhout
pensaikko
/ˈɦɑkə(n)/
verb
hakata
/ˈɦalə(n)/
verb
1. ergens heengaan met als doel om iets of iemand mee terug te brengen
hakea
/ɦɑlf/
adjective
1. de helft zijnde
puoleksi
noun
1-2
puolijohde
noun
puolijumala
adverb
1. halverwege de vlaggenstok
puolitanko
interjection
1. groet
terve
verb
1. zinsbegoochelingen hebben
hallusinoida
adjective
hallusinogeeni
noun
hallusinogeeni
noun
halogeeni
noun
halidi
noun
kaula
noun
1.
kaulalaskimo
noun
1. een om de hals en nek gesnoerde band
kaulus
noun
1.
kauluskaija
noun
1. het te vasthoudend zijn
itsepäisyys
noun
riimu
/ˈhɑɫtə/
noun
1. een plaats waar gestopt wordt
pysäkki
noun
käsipaino
noun
1.
semifinaali
noun
1.
puolinuotti
/ɦɑm/
noun
1. vlees van de achterkant van een varken
kinkku
noun
Hampuri
/ˈham.bʏr.ɣər/, /ˈhɑm.bʏr.ɣər/, /ˈhɑm.bʏr.χər/
noun
1. schijf gebraden gehakt
hampurilainen
noun
1. gecastreerde ram
oinas
noun
  1. 1. werktuig dat kan worden gebruikt om te slaan
  2. 2. een van de gehoorsbeentjes in het oor
vasara
noun
1.
vasarahai
noun
1. klein knaagdiertje dat als huisdier gehouden kan worden
hamsteri
/ɦɑnt/
noun
1. uiterste deel van de arm, voorbij de pols
käsi
noun
käsimatkatavara
noun
käsipallo
/ˈɦɑnt.buj/
noun
1. een paar aan elkaar verbonden afsluitbare ringen
käsirauta
/ˈɦɑnt.buk/
noun
1. een boek waarin getracht wordt alle informatie nuttig voor een bepaalde bezigheid bijeen te brengen
käsikirja
noun
1. een doek waarmee men zich afdroogt
  1. pyyhe
  2. pyyheliina
noun
kättely
/ˈɦɑndəl/
noun
1. de in- en verkoop van goederen
kauppa
verb
  1. 2. handel drijven
    käydä kauppaa
  2. 1. iets doen, al of niet met de handen, optreden
    tehdä
noun
1. datgene dat gedaan is
teko
pronoun
Apostolien teot
noun
1.
kaupan este
noun
tavaramerkki
noun
1. verhandelbaar waardepapier aan toonder of aan order
jälkimarkkinakelpoinen rahoitusväline
noun
2. deel van het privaatrecht m.b.t. handelszaken
kauppaoikeus
noun
1.
kauppamatkustajan ongelma
noun
1. groep schepen waarmee handel wordt gedreven
kauppalaivasto
adjective
1.
käsinkirjoitettu
verb
  1. 1. iets doen voortbestaan, aan iets vasthouden
    hoitaa
  2. 2. krachtdadig in standhouden, naleving afdwingen
    valvoa
/ˈɦɑndɪɣ/, /ˈɦɑndɪχ/
adjective
1. goed met de handen om kunnen gaan
taitava
noun
1. een 2 wielige kar die met menskracht wordt bewogen
käsikärry
noun
1. met de hand bediende rem
käsijarru
/hɑnd.sxun/, /ɦɑnt.sxun/, /ɦɑnt.sχun/
noun
1. een handkledingstuk met aparte vingers
  1. käsine
  2. hansikas
noun
allekirjoitus
noun
2. klein aantal
kourallinen
noun
1. door mensen georganiseerd gevecht tussen kamphanen waarbij de toeschouwers kunnen wedden op de uitkomst van het gevecht
kukkotappelu
/ˈhanə(n)kɑm/
noun
1. Cantharellus cibarius, een eetbare paddenstoel met een lichte pepersmaak
  1. kantarelli
  2. keltavahvero
noun
1. brug die is opgebouwd uit twee (soms één) hoge pijlers of pylonen waartussen een dikke kabel gespannen is...
riippusilta
/ˈɦɑŋmɑt/
noun
1. een doek dat aan de uiteinden opgehangen wordt en waarin personen kunnen liggen
riippumatto
noun
1. een slot dat aan een beugel hangt
  1. munalukko
  2. riippulukko
pronoun
1. stad in Duitsland
Hannover
noun
1. stad die deel uitmaakt van de Hanze
hansakaupunki
noun
1. voedsel of iets anders dat je door het openen en sluiten van je lippen in je mond krijgt
suupala
verb
toimia huonosti
adjective
1. betrekking hebbend op de tastzin
haptinen
/haˈram/
adjective
haraam
phraseologicalUnit
1. (informatica) Vooralsnog het meest gebruikte externe geheugen in een computer
kiintolevy
noun
1. en 2 grof gemalen meel van harde tarwe (Triticum durum)
durumvehnäsuurimo
/'ɦɑrdər/
noun
1. Mugil curema, een straalvinnige vissoort
keltti
adjective
1. door koken stijf geworden (met name van eieren)
kovaksikeitetty
adjective
1.
heikkokuuloinen
noun
1. een mannelijke beoefenaar van de hardloopsport
juoksija
noun
1. elektronische en mechanische delen in en om computersystemen
laitteisto
/ˈɦarɪŋ/
noun
1. zoutwatervis
  1. silakka
  2. silli
noun
1. bepaalde middelgrote haai en consumptievis, Lamna nasus
sillihai
noun
1. tuingereedschap aan lange steel, met een reeks tanden aan de onderzijde
harava
noun
2. een grappig, koddig persoon in het algemeen
harlekiini
noun
1. (muziekinstrument) een toetsinstrument dat gerekend wordt tot de aerofonen
harmoni
noun
1.
harppu
noun
3. feeks
harppu
/hɑrˈpun/, /ɦɑrˈpun/
noun
  1. 2. een speer met weerhaken
  2. 1. een grote pijl met weerhaken aan een touw
harppuuna
verb
1. het vangen van vissen door middel van een harpoen
harppunoida
/ɦɑrs/
noun
1. het stroeve en plakkerige product van boomsappen, met name van naaldbomen
pihka
/ɦɑrt/
noun
sydän
noun
1. het afsterven van hartspierweefsel door afsluiting van een kransslagader of een tak hiervan
sydänkohtaus
noun
1.
herttasotilas
noun
1.
sydämen vajaatoiminta
adjective
suolainen
noun
1. verstopping van een kransslagader of een tak hiervan, leidend tot het afsterven van hartspierweefsel
sydäninfarkti
noun
1. hartweefsel in de vorm van een vlies dat samengetrokken door een spiertje terugstromen van het verder gepompte bloed tegengaat
sydänläppä
noun
sydämenlyönti
/ˈhɑrtstɪlstand/, /ˈhɑrtstɪlstɑnt/, /ˈhɑrtstɪɫstɑnt/
noun
1. het stoppen van het kloppen van een hart
sydämenpysähdys
noun
hukari
/ˈɦɑrtsiktə/
noun
1. kwaal aan het hart
sydänsairaus
noun
1. grafisch symbool #
aihetunniste
noun
1. scheikundig element met symbool Hs en atoomnummer 108
hassium
/'ɦatə(n)/
verb
kwade gevoelens jegens iemand koesteren
vihata
interjection
  1. ätsii
  2. ätsiih
pronoun
1. taal die wordt gesproken door meer dan 85 miljoen mensen, vooral in Niger en Nigeria
hausan kieli
/ˌotkuˈtyr/
noun
haute couture
noun
1. een droge doosvrucht, die minstens driemaal zo lang als breed is, zoals bij koolzaad en pinksterbloem.
litu
/ɦavə(n)/
noun
1. natuurlijke of aangelegde aanlegplaats voor schepen.
satama
noun
1. en 2. (zaden van) eenjarig graangewas Avena sativa
kaura
/ˈhavərˌmɪːɫ/
noun
zeer fijn gemalen haver
kaurajauho
noun
plantaardige melk op basis van hele haverkorrels
kauramaito
noun
met de zaadhuiden vergroeide vruchtwanden en kiemen van haverkorrels
kaurakuitu
noun
havervlokken
kaurahiutale
noun
met de zaadhuiden vergroeide vruchtwanden en kiemen van haverkorrels
kauralese
/ˈɦavɪk/
noun
  1. 2. iemand die graag oorlog wil voeren
    haukka
  2. 1. Accipiter gentilis, een roofvogel die op kleine zoogdieren en vogels jaagt
    kanahaukka
noun
keltano
pronoun
1. Polynesische taal gesproken in de Amerikaanse staat Hawaï
havaiji
noun
1. een heester waaraan hazelnoten groeien
pähkinäpensas
/ˈɦa.zəlˌmœːs/, /ˈɦa.zəɫˌmœʏ̯s/
noun
1. knaagdier in de familie van slaapmuizen, Muscardinus avellanarius
pähkinähiiri
/ˈhazəɫˌnot/
noun
1. een vrucht van de hazelaar
hasselpähkinä
/ˈhaː.zə(n)ˌlɪp/
noun
huulihalkio
noun
1. snelle hond wordt ingezet voor wedrennen of jacht op hazen
  1. englanninvinttikoira
  2. greyhound
/ha.ˈhi.ti/, /ɦa.ˈi.ti/, /ɦɑ.ˈi.ti/
pronoun
1. een land in het Caribisch gebied bezettend de westelijk derde van het eiland Hispaniola
Haiti
adjective
haitilainen
/haʔitiˈjanskreˌjols/
pronoun
1. taal gesproken door 6 000 000 mensen
haiti
noun
1. hoofdtelefoon met ingebouwde microfoon
kuulokemikrofoni
/ˈɦɛbə(n)/
verb
  1. 1. bezitten
  2. 1. voor voltooide tijd
olla
interjection
1. een uitroep geuit wanneer men iets heeft weten te vangen
jäädä kiinni
pronoun
1. officiële taal van Israël, de heilige taal van de Joden en de taal van de Tenach
  1. heprea
  2. heprealainen
adjective
1. blijk gevend van hebzucht, hebberig
ahne
adjective
1. zeer druk en chaotisch
hektinen
noun
1. 100 liter
hehtolitra
noun
1.
hehtometri
noun
kummeliturska
/heːl/
adjective
1. niet stuk
koko
/he.ˈlal/, /ɦe.ˈlaɫ/
noun
[1] het gehele tijd-ruimtecontinuüm waarin wij bestaan, samen met alle materie en energie
  1. maailmankaikkeus
  2. universumi
noun
1. de christelijke aanduiding voor God
Herra
/ɦɪːr/
noun
    1. 4. welgemanierd persoon
    2. 5. heerser
    aatelinen
  1. 1.
    herra
noun
peltokorte
noun
1. iemand die de macht uitoefent
hallitsija
/ɦeːt/
adjective
1.
kuuma
noun
1.
vipu
noun
1. een (meestal lijnvormige) aanplanting van struiken en/of bomen die dient om ruimten te scheiden
pensaikko
noun
hegemonia
noun
1. een zangvogel ter grootte van een huismus met opvallend grijs op de kop
rautiainen
/ˈhɛɪ̯də/, /ˈhɛːdə/
noun
1. een met heidekruid begroeide vlakte
  1. nummi
  2. kangas
noun
1. mensen die geen jood of christen zijn
pakana
adjective
1. van de heidenen
  1. pakana
  2. pakanallinen
verb
1. het in de grond drijven van een lange houten of betonnen paal als de fundering voor een gebouw of kunstwerk
paalutus
noun
1. bepaald soort grote schol, reus onder de platvissen en consumptievis, Hippoglossus hippoglossus
  1. ruijanpallas
  2. pallas
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
  3. 3.
Heilbronn
/ɦɛj.ləɣ/
adjective
1. door wijding aan het goddelijke bijzonder gemaakt
pyhä
noun
1. plaats of gebouw gewijd aan een god of godin
pyhäkkö
noun
pyhimys
noun
1.
Pyhä Henki
noun
1.
pyhäiibis
noun
1. de pauselijke regering
Pyhä istuin
noun
vergrijp aan iets heiligs
pyhäinhäväistys
/'hɛɪmʋe/
noun
1. sterk verlangen naar een plek die als thuis ervaren wordt
koti-ikävä
/ɦɛk/
noun
  1. 1. omheining, afscheiding
    aita
  2. 2. draaibaar deel van een omheining, het deel dat als toegang gebruikt wordt
    portti
noun
1. werktuig gebruikt bij het verwerken van hennep of vlas
häkilöin
/ɦɛks/
noun
1. een over het algemeen vrouwelijk persoon aan wie bovennatuurlijke krachten worden toegeschreven
noita
/ˈhɛksə(n)ˌjɑxt/
noun
1. het jagen op vermeende heksen
noitavaino
noun
noituus
/'ɦɛl/
noun
1. een plek waar de ziel van daartoe veroordeelde overledenen naar toe gaan
helvetti
adverb
1. jammer genoeg, spijtig genoeg
valitettavasti
/ɦɛlt/
noun
sankari
noun
1. de durf en de kracht van mensen, die zich, met gevaar voor eigen leven, voor de goede zaak inzetten
sankaruus
adjective
  1. 1. duidelijk en zuiver
  2. 1. klaar, doorzichtig
selvä
noun
1. het heel moedig en dapper zijn
uljaus
noun
1.
kokonuotti
/'ɦelə(n)/
verb
1. gezond worden
parantaa
/ɦɛlft/
noun
  1. puolikas
  2. puoli
/ɦelɪˈkɔptər/
abbreviation
1. luchtvaartuig dat d.m.v. een hefschroef verticaal kan opstijgen en landen
helikopteri
noun
1. overbezorgde vader of moeder die te veel wil nagaan en regelen wat een kind doet
hanhiemo
adjective
aurinkokeskinen
noun
1. een chemisch element en een inert edelgas
helium
noun
1. lang middeleeuws wapen
hilpari
noun
1. inwoner van het oude Griekenland of persoon die de oud-Griekse nationaliteit bezit
helleeni
/ɦɛlə(n)/
verb
1. schuin staan
kallistua
noun
1. een glooiing in het landschap
  1. rinne
  2. mäki
/ɦɛlm/
noun
1. beschermend hoofddeksel
kypärä
noun
peräsinkampi
noun
neuvonta
/ˈɦɛlpə(n)/
verb
1. iemand bijstaan
  1. auttaa
  2. opastaa
pronoun
1. de hoofdstad van Finland
Helsinki
/ɦɛm/
personalPronoun
1.
hänet
noun
1. roodkleurig mineraal dat ferri-oxidekristallen bevat
hematiitti
/ˈɦeːməl/
noun
  1. 1. lucht, onmetelijke ruimte die overal op aarde bovenaan zichtbaar is
  2. 2. het hiernamaals, leven na de dood
taivas
noun
taivaankappale
adjective
taivaallinen
adjective
2. in rechte lijn gemeten
linnuntietä
noun
nouseminen
noun
1. halfzijdige verlamming
toispuolihalvaus
noun
puolipallo
noun
1. stofwisselingsziekte waarbij het lichaam teveel ijzer uit het voedsel opneemt
raudanvarastoitumistauti
noun
1. bloederziekte
hemofilia
/ɦɛn/
noun
1. vrouwtje van hoenderachtige vogels
kana
/ˈhɛndrɪk/
pronoun
1. mannelijke voornaam
Heikki
/ɦɛŋst/
noun
1. mannelijk paard
ori
/ˈɦɛ.nəp/
noun
hamppu
noun
1. C₇H16
heptaani
/herɑl'dik/
noun
1. de wetenschap die zich bezighoudt met de wapenkunde
heraldiikka
noun
1. eet- en overnachtingsgelegenheid die kleiner, goedkoper en eenvoudiger is dan een hotel
majatalo
noun
1. dier dat zich met plantaardig voedsel voedt
kasvinsyöjä
pronoun
  1. 1. Romeinse halfgod
  2. 2. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Herkules
verb
1. plechtig aandacht schenken aan een gebeurtenis uit het verleden
muistella
noun
muistotilaisuus
/'ɦɛrdər/
noun
1. begeleider en bewaker van een kudde
paimen
noun
1. hond die een kudde bewaakt
lammaskoira
noun
1. Geronticus eremita
töyhtöiibis
noun
1. een kreeftachtige (Eupagurus bernhardus) uit de orde van tienpotigen, die in de schelp van een zeeslak woont
erakkorapu
verb
1. opnieuw tot een eenheid maken
yhdistyä uudelleen
verb
1. iets op een nieuwe wijze in woorden uitdrukken
ilmaista toisin sanoin
noun
1. derde jaargetijde
syksy
noun
1. een zeer dunne draad spinrag
harso
noun
1. bepaald soort plant, Colchicum autumnale
syysmyrkkylilja
verb
  1. 1. iets opnieuw zeggen
  2. 1. iets opnieuw doen
toistaa
noun
1. het nogmaals plaatsvinden
kertaus
/ɦɛr.'ɪ.nə.rə(n)/
verb
1. opnieuw in gedachte brengen
muistuttaa
noun
muistelma
noun
1. een herbivoor die zijn voedsel herkauwt
märehtijä
verb
1. waarnemen en beseffen wie het is
tuntea
noun
tunnistaminen
verb
1. opnieuw verwerven
saada takaisin
verb
1. een wapen opnieuw vullen met ammunitie
ladata uudelleen
/ˈɦɛr.mɑn/
pronoun
1. een jongensnaam
Hermanni
noun
1. bepaald klein wezelachtig zoogdier, Mustela erminea
  1. kärppä
  2. portimo
adjective
1. de uitleg van een (religieuze) tekst betreffend
hermeneuttinen
pronoun
Hermes
/ɦɛr'nemə(n)/
verb
  1. 1. opnieuw krijgen, opnieuw verkrijgen
  2. 4. opnieuw innemen
ottaa uudelleen
verb
1. opnieuw ontdekken
löytää uudelleen
noun
1.
uudelleen löytäminen
verb
avata uudelleen
verb
1. opnieuw op details bezien
harkita uudelleen
noun
een verdovend middel
heroiini
noun
herpetologia
pronoun
1.
Herrenberg
verb
1. opnieuw oprijzen, opnieuw gaan leven of functioneren
elvyttää
noun
aivokuolema
noun
1. brein
aivot
noun
1. de buitenste laag van de grote hersenen
aivokuori
noun
1. schade aan de hersenen door uitwendig geweld
aivotärähdys
noun
indoctrinatietechniek
aivopesu
noun
1.
aivokalvo
noun
korvaus
noun
1. benaming voor herkauwende zoogdieren uit de familie Cervidae
  1. hirvi
  2. hirvieläin
noun
1. een landsheer, oorspronkelijk van een hoger hiërarchisch niveau dan de markies
herttua
noun
1. het gebied dat onder leiding staat of stond van een hertog
herttuakunta
noun
1. adellijke titel, vrouw van een hertog
herttuatar
verb
1. opnieuw in het huwelijk treden
mennä uudestaan naimisiin
noun
1. de eenheid voor frequentie van trillingen
hertsi
verb
1.
kokea takaisku
pronoun
Hessen
/(ɦ)ət/, /hɛt/
personalPronoun
1. 3e persoon enkelvoud onzijdig
se
verb
heittää lapsi pesuveden mukana
/'he.tə(n)/, /'ɦe.tə(n)/
verb
1. de naam dragen
kutsutaan
adjective
heterogeeninen
noun
heterogeenisyys
noun
heteroseksuaalisuus
adjective
1. gericht op het andere geslacht of betrekking hebbend op liefde voor mensen met een ander geslacht
heteroseksuaalinen
pronoun
1. een dode taal die in het huidige Turkije werd gesproken
heetit
demonstrativePronoun
1. de gelijke identiteit bezittend; onzijdig enkelvoud, zowel zelfstandig als bijvoeglijk gebruikt
sama
noun
deel van beide zijkanten van het menselijk lichaam ter hoogte van het heupgewricht, waar het been met de romp verbonden is
lonkka
noun
een kleine platte fles
XXXfins
noun
1. tasje dat je om je heupen als een riem kan dragen
vyölaukku
adjective
1. betrekking op het vinden van iets
heuristinen
/ˈhøvəɫ/
noun
1. verhoging in het landschap die wat lager is dan een berg
  1. kukkula
  2. kumpu
/'ɦøvəlɑxtəx/
adjective
1. met aanzienlijke hellingen en hoogteverschillen
kukkulainen
noun
1. hoogste punt van een heuvel
mäenharja
/'ɦevəl/
noun
2. een geheel met vloeistof gevulde pijp of slang waarvan het ene einde lager gehouden wordt dan de andere, waardoor vloeistof van de laatste mond naar de eerste stroomt
lappo
noun
1. C₆H14
heksaani
adjective
1. als hoofdas van de rotatiesymmetrie een zestallige as bezittend
kuusikulmainen
noun
1.
hiatus
noun
1. een enigszins uitstekend deel achteraan de voet
  1. kantapää
  2. kanta
/ɦiːr/
adverb
1. op deze plaats
tässä
adverbialPronoun
2. in deze buurt, in deze contreien
näillä main
/hɑj/
adjective
1. in een euforische toestand van veranderd bewustzijn verkerend
pilvessä
/hɛɪ̯/, /ɦɛɪ̯/, /ɦɛː/
personalPronoun
1. Nominatief mannelijk derde persoon enkelvoud
hän
verb
1. zwaar ademhalen ten gevolge van een lichamelijke inspanning
huohottaa
noun
1. een constructie om zware lasten op te tillen
nostokurki
noun
1. een periodiek optredende, spontane, onwillekeurige samentrekking van het middenrif tijdens inademing...
  1. hikka
  2. nikotus
/ˈɦɪkə(n)/
verb
1
nikotella
pronoun
1. + 2. stad en district
Hildesheim
/ˈhɪndə/
noun
1. een vrouwelijk hert
naarashirvi
/'ɦɪndərə(n)/
verb
estää
noun
tuliylläkkö
pronoun
1 taal die vooral gesproken wordt in de noordelijke staten van India
hindi
noun
hindulaisuus
noun
2. kinderspel, waarbij men zich deels op één been verplaatst
ruutuhyppely
verb
nilkuttaa
verb
1. het geluid van een paard voortbrengen
  1. hirnua
  2. hirnahtaa
noun
hippiliike
adjective
1. betrekking hebbend op de paardensport
ratsastaja-
pronoun
Hispaniola
noun
histogrammi
noun
historiallisuus
noun
historioitsija
adjective
historiallinen
adjective
1.
Hitleriin liittyvä
/ˈhɪtə/
noun
kuumuus
/hɪ.tə.bə.stɛn.dɪx/, /ɦɪ.tə.bə.stɛn.dəx/, /ɦɪ.tə.bə.stɛn.dəχ/
adjective
1. bestand tegen hitte; kan na contact met hitte nog even goed functioneren
kuumankestävä
noun
helleaalto
noun
1. voorziening die een ruimtevaartuig tijdens de afdaling in een atmosfeer beschermt tegen thermische beschadiging
lämpökilpi
noun
1. menselijk immuundeficiëntievirus
HI-virus
noun
1. rangorde
hierarkia
adjective
1. van of volgens de opeenvolging van rangen
hierarkkinen
noun
keinuhevonen
noun
1.
hobitti
/hɔbi/
noun
1. een liefhebberij of bezigheid ter ontspanning voor in de vrije tijd
harrastus
noun
1. orkestinstrument, behoort tot de houtblazers, het wordt met een dubbelriet aangeblazen
oboe
noun
1. balspel waarbij twee elftallen de bal met een hockeystick in elkaars doel proberen te slaan
hoki
noun
maahockeymaila
/ɦu/
adverb
1. op welke wijze
  1. miten
  2. kuinka
/hud/, /ɦut/
noun
  1. 1. een hoofddeksel
  2. 2. deel van een zwam
hattu
noun
een functie die men vervult
asema
noun
1. iemand die hoofddeksels voor mensen maakt
hatuntekijä
/ɦuf/
noun
1. hoornachtig omhulsel aan de teentop
  1. kavio
  2. sorkka
noun
kaviokuume
noun
1. plant met grote bladeren die aan de rand van wateren groeit
ruttojuuri
noun
1. hoefdragend zoogdier
sorkka- ja kavioeläin
noun
hevosenkenkä
noun
  1. hevosenkengittäjä
  2. kengittäjä
/ɦuk/
noun
1. een punt waar twee benen of halve rechten samenkomen
  1. kulma
  2. nurkka
adjective
kulma
noun
kulmanopeus
/ˈhuk.steːn/
noun
  1. 1. een steen die gebruikt wordt om de hoekpunten van bouwwerken te verstevigen
  2. 2.
peruskivi
/ɦur/
noun
1. vrouw die tegen betaling seksuele diensten verricht
huora
noun
1.
hurraa
noun
poka
noun
1.
matami
noun
1. een laken dat als een hoes om een matras past en door de elastieken hoeken niet verschuift
muotoiltu aluslakana
noun
1. reflexmatige explosieve uitademing
yskä
verb
1. reflexmatige explosief uitademen bij prikkeling van de luchtwegen
yskiä
interrogativeCardinalNumeral
1. welk aantal?
  1. kuinka paljon
  2. montako
/huˈvɪ:ɫhɛɪt/
noun
1. de kwantiteit waarin iets aanwezig is
määrä
indefiniteOrdinalNumeral
kuinka mones
conjunction
1. drukt een tegenstelling uit
vaikka
pronoun
Euroopan unionin tuomioistuin
noun
polymerisatieproduct van etheen
suurtiheyspolyeteeni
noun
1. een gebied waar relatief een hogere druk heerst dan elders, term uit de meteorologie
korkeapaine
noun
painekattila
noun
1. hoge cilindervormige hoed
silinterihattu
noun
instelling waar hoger onderwijs wordt gegeven in bepaalde vakken
ammattikorkeakoulu
noun
1. bepaald soort vis, Macruronus novaezelandiae
hoki
noun
1. en 2. (vruchtvlees van) plant Cucurbita maxima var. hubbaridianna
hokkaidokurpitsa
noun
  1. 1. grot, spelonk
  2. 2. ondergrondse woning of schuilplaats van een dier
luola
noun
1. bepaald soort vogel, Columba oenas
uuttukyyhky
noun
1. een dier dat tot de Bovidae gerekend wordt
nautaeläin
/ˈɦɔlɑnt/
pronoun
  1. 1. een gedeelte van het westen van Nederland dat de provincies Noord-
  2. 2. heel Nederland
Hollanti
noun
1. scheikundig element met symbool Ho en atoomnummer 67
holmium
/ˈholokaust/
pronoun
holokausti
/ˈholokaust/
noun
1. massale vernietiging van mensen of dieren
holokausti
noun
holoseeni
noun
1. techniek waarmee een afbeelding in een plat vlak diepte of verschillende beelden lijkt weer te geven als je er onder uiteenlopende hoeken naar kijkt
holografia
noun
1. een term die het geheel van iets weergeeft, terwijl in werkelijkheid slechts een deel wordt bedoeld
holonyymi
noun
homeomorfismi
noun
aanhanger of beoefenaar van de homeopathische geneeswijze
homeopaatti
noun
homeopatia
adjective
1.volgens de homeopathie
homeopaattinen
noun
1. zelfregulering, chemisch en fysiologisch evenwicht
homeostaasi
/ˈhɔməɫ/
noun
1. insect uit het geslacht Bombus dat in de taxonomie wordt beschouwd als een grote harige bij
kimalainen
noun
  1. homofobia
  2. homokammo
noun
1. gelijkklinkend woord
homofoni
adjective
homogeeninen
noun
1.
homogeenisuus
noun
1. op dezelfde manier gespeld woord
homografi
noun
1. een huwelijk tussen twee mensen van hetzelfde geslacht
homoavioliitto
noun
1. een woord dat hetzelfde wordt uitgesproken als een ander woord maar in betekenis verschilt
homonymia
noun
homoseksuaalisuus
/ˈhɔnd/, /ˈɦɔnt/
noun
1. Canis lupus familiaris, een zoogdier dat tot huisdier getemd is
koira
noun
koiratappelu
/ˈhɔn.də.ˌʋer/
noun
koiranilma
/ˈɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 100
sata
pronoun
1.
Satavuotinen sota
ordinalAdjective
sadas
noun
vesikauhu
noun
koiranruusu
/hɔn.ˈdyː.rɑs/, /ɦɔn.ˈduː.rɑs/
pronoun
1. een land in Centraal Amerika, officieel de Republiek Honduras
Honduras
adjective
1. inwoner van Honduras
hondurasilainen
/hɔŋ(g).ˈɣar/, /ɦɔŋ.ˈɣar/, /ɦɔŋ.ˈχar/
noun
1. iemand afkomstig uit Hongarije
  1. unkarilainen
  2. madjaari
/hɔŋ(g).ˈɣaːrs/, /ɦɔŋ.ˈɣars/, /ɦɔŋ.ˈχars/
adjective
1. betreffende Hongarije of het Hongaars
  1. unkarilainen
  2. unkari
/hɔŋ(g).ˈɣaːrs/, /ɦɔŋ.ˈɣars/, /ɦɔŋ.ˈχars/
pronoun
1. een Finoegrische taal die voornamelijk wordt gesproken in Hongarije
  1. unkari
  2. unkarilainen
/hɔŋ(g).ˈɣar.sə/, /ɦɔŋ.ˈɣar.sə/, /ɦɔŋ.ˈχar.sə/
noun
unkarilainen
/ˌhɔŋ(g)ɣaˈrɛɪ̯.jə/, /ˌɦɔŋɣaˈrɛː.jə/, /ˌɦɔɴχaˈrɛɪ̯.jə/
pronoun
1. land in het midden van Europa
Unkari
/ˈɦɔŋər/
noun
1. behoefte aan voedsel
nälkä
noun
1. een wijdverspreide honger als gevolg van voedselschaarste
nälänhätä
noun
1. het weigeren van voedsel uit protest
  1. nälkälakko
  2. syömälakko
/hɔŋˈkɔŋ/
pronoun
1. een speciale administratieve regio van de Volksrepubliek China
Hongkong
noun
1. een zoete stof die door bijen en enkele andere insecten uit bloemennectar wordt gewonnen
hunaja
noun
1. een bij van de soort Apis mellifera die honing maakt uit nectar en bloemen bestuift
tarhamehiläinen
noun
1. bepaald soort zoogdier, Mellivora capensis
mesimäyrä
noun
1. en 2. (vrucht van) plant Cucumis melo var. inodorus
hunajameloni
noun
1. balsport waarbij de bal met een knuppel geslagen wordt en de spelers langs een drietal honken trachten rond te lopen tot zij weer de thuisplaat bereiken
amerikkalainen pesäpallo
/ɦoːft/
noun
1. een belangrijk lichaamsdeel, helemaal bovenaan het lichaam, waarin zich de hersenen...
  1. pää
  2. päällikkö
noun
1. een kledingstuk dat (een deel van) het hoofd bedekt
päähine
/'ɦovduk/
noun
1. een vierkante lap stof die vooral door vrouwen driehoekig samengevouwen over het hoofd gedragen wordt
päähuivi
noun
1. erläuterung
päärakennus
noun
1.
pääruoka
noun
1. een letter die een groter formaat en meestal ook een andere vorm heeft dan een kleine letter
iso kirjain
/'ɦo:ftlɛtərɣə'vu:ləx/, /'ɦo:ftlɛtərʝə'vu:ləx/
adjective
1. woorden geschreven met een hoofdletter anders verwerkend dan dezelfde woorden zonder hoofdletter
aakkoskoosta riippuvainen
noun
1. klein, vleugelloos en bloedzuigend insect dat parasiterend leeft in het hoofdhaar
täi
noun
1. de voorste pagina van een website
etusivu
noun
1. pijn in het hoofd
päänsärky
noun
1.
pääoma
/'ɦof(t).stɑt/
noun
1. een belangrijke stad waarvandaan het land, de staat, deelstaat of provincie wordt bestuurd
pääkaupunki
noun
1. een telwoord dat een hoeveelheid of aantal aanduidt
kardinaaliluku
/ɦoʊ̯χ/ /'ɦoʊ̯χə/ /ˈɦoʊ̯χst/, /ɦoːx/ /'ɦoːɣə/ /ˈɦoːxst/
adjective
1, 2, 3, 4
korkea
pronoun
1. boek in de Bijbel met liefdespoëzie
Laulujen laulu
noun
suurjännite
noun
1. atletiekdiscipline waarbij het de bedoeling is over een tussen twee staanders bevestigde lat of touw te springen
korkeushyppy
noun
1. een verheffing van de aardkorst
korkeus
noun
korkeusperäsin
/ˈɦoxtəvres/, /ˈɦoçtəvres/
noun
1. angst voor hoogten
akrofobia
noun
maanpetos
noun
2. hoge waterstand in 't algemeen
tulva
noun
1. gedroogd gras
heinä
noun
2.1. bepaald soort kleine standvlinder, Coenonympha pamphilus
keltaniittyperhonen
/ˈɦojbɛrx/
noun
1. een ter bewaring opgestapelde hoeveelheid gedroogd gras
heinäsuova
noun
heinänuha
/ɦoːp/
noun
3. verwachting van iets wenselijks
toivo
adjective
1.
kuuluva
/horn/
noun
1. hard en meestal gebogen uitsteeksel aan de kop van verschillende dieren
puhallin
pronoun
Afrikan sarvi
/hoːrnar/, /ho̝ːrnar/
noun
1. Vespa crabro, een soort grote wesp
herhiläinen
noun
1.
aisankannattaja
noun
  1. 1. bepaald soort vogel, Upupa epops
    harjalintu
  2. 1. bepaalde plant die onder andere wordt gebruikt bij de bereiding van bier
    humala
adjective
1. waaraan hoop op succes ontbreekt
toivoton
/ˈɦoːpə(n)/
verb
1. wensen, graag zien dat er iets wel of niet voorvalt
toivoa
/hɔː.rən/
verb
1. waarnemen met het oor zonder er noodzakelijkerwijs aandacht aan te besteden
kuulla
noun
1. onderdanige en onvrije gehoorzaamheid
maaorjuus
noun
horisontti
adjective
1. in de richting die haaks staat op die van de zwaartekracht van de aarde
vaakasuora
noun
1. een draagbaar voorwerp waarop de tijd kan worden afgelezen
kello
adjective
1. met betrekking tot hormonen
hormonaalinen
noun
1. een stof die door een endocriene klier wordt afgescheiden ...
hormoni
noun
horoskooppi
noun
kauhu
noun
1.
alkupala
noun
1.
hortensia
/ˈɦɔrzəɫ/
noun
1. parasitaire vliegsoort
  1. kiiliäinen
  2. saivartaja
pronoun
Hoosea
noun
1.
saattokoti
/ˈhɔs.pi.ˌta/, /ˈɦɔs.pi.ˌta/
noun
1. een vrouw die een of meer kamers in haar eigen woonhuis ter beschikking stelt aan een kostganger of commensaal
vuokraemäntä
noun
1. opneming in een ziekenhuis
sairaalahoito
noun
1. offerbrood
ehtoollisleipä
/hoˈtɛl/, /ɦoˈtɛɫ/
noun
1. gebouw waar men tegen betaling kan eten en overnachten,...
hotelli
noun
1. een kamer die voor gasten per nacht te huur is in een hotel
hotellihuone
/ˈɦɑʊdə(n)/
verb
  1. 1. niet laten varen, het bezit ervan niet verliezen
  2. 2. huisdieren verzorgen
pitää
noun
haltija
noun
  1. 1. een pose
  2. 2. gedragslijn, opstelling
asenne
/ɦɑʊ̯t/, /[ɦʌ̞̈ʊt]/
noun
1. het materiaal in het binnenste van houtige planten
  1. puuaines
  2. puu
/ɦɑʊ̯tbɛi̯/
noun
1. enige bij onder de geslachtengroep Xylocopini
rautamehiläinen
noun
1. houtblaasinstrument
puupuhallin
noun
1. bepaalde soort wilde duif, Columba palumbus
sepelkyyhky
/ˈhɑutə(n)/
adjective
puinen
verb
1. het met een bijl in houtblokken hakken van boomstammen
hakata
noun
1. iemand die beroepsmatig houthakt
metsuri
adjective
1.
puuvartinen
noun
q. bepaald soort zoutwatervis, Coregonus oxyrinchus
siika
noun
1. verkoold hout
  1. hiili
  2. puuhiili
noun
1. een vogel uit de familie van snipachtigen, Scolopacidae
lehtokurppa
noun
1. benaming voor verschillende in hout levende insectenlarven
jumi
noun
1.
saha
verb
1. iets met een scherp werktuig trachten af te hakken
hakata
noun
1.
haupitsi
/hovəlɪŋ/
noun
1. een onderdaan die tot het dagelijkse gezelschap van een vorst behoort
hoviherra
noun
puutarhuri
pronoun
1. bepaalde telescoop die als een kunstmaan rond de aarde draait
Hubble-avaruusteleskooppi
pronoun
1. binnenzee in Noordoost-Canada
Hudsoninlahti
/hœːd/, /ɦœʏ̯t/, /ɦœːt/
noun
1. vel, de buitenste laag weefsel die het lichaam bedekt
  1. iho
  2. nahka
noun
ihotautilääkäri
/hœytsiktə/
noun
1. aandoening van de huid
ihotauti
/hœːx/, /ɦœʏ̯χ/, /ɦœːx/
noun
1. een lapje afhangend weefsel aan het uiteinde van het zachte verhemelte, waarmee onder andere het neuskanaal afgesloten kan worden
kitakieleke
noun
1.
itkupilli
/ɦœy̯lə(n)/
verb
1. traanvocht uitscheiden door emotie
itkeä
/hœːs/, /ɦœʏ̯s/, /ɦœːs/
noun
1. gebouw bestemd om in te wonen
  1. talo
  2. koti
noun
1. strafbepaling
kotiaresti
noun
talonomistaja
/ˈɦœyzdiːr/
noun
1. een dier dat in het huis of om het huis woont en leeft
kotieläin
noun
1. vrouw die andermans huishouden verzorgt
emäntä
noun
1. bepaald soort knaagdier dat vaak in en rond gebouwen voorkomt, Mus domesticus
kotihiiri
noun
1. kleine zangvogel die liefst in de buurt van de mensen leeft
varpunen
noun
osoitenumero
/ˈhœysfredəbrøk/
noun
1. zonder toestemming binnendringen of aanwezig zijn in iemands woning
kotirauhan rikkominen
noun
1. een vrouw die thuisblijft om het huishouden te doen
  1. kotirouva
  2. emäntä
noun
1. schoolwerk dat thuis verricht moet worden
kotitehtävä
noun
1. een machtiging, uitgegeven door justitie, voor het binnentreden van de woning
kotietsintälupa
noun
1. Delichon urbica, een zwaluw die zijn nest tegen de huizen aanbouwt
räystäspääsky
/ɦʏlp/
noun
1. handeling om iemand steun of bijstand te verlenen
apu
noun
1. een werkwoord dat samen met een ander werkwoord de tijd of de hoedanigheid van het werkwoord vaststelt
apuverbi
noun
1. bepaald soort groenblijvende boom of heester met stekelige leerachtige bladeren en rode bessen, Ilex aquifolium
  1. orjanlaakeri
  2. piikkipaatsama
noun
1.aanhanger van het humanisme
humanisti
noun
1.
kashmirinuunilintu
noun
1. puree van o.m. gekookte kikkererwten
hummus
noun
huumori
adjective
humoristinen
/ˈɦynəbɛt/
noun
1. neolithische begraafplaats
dolmen
verb
hyppiä vuorotellen kummallakin jalalla
verb
1. opspringen
hyppiä
/ɦyrə(n)/
verb
1. tegen betaling gebruiken
vuokrata
verb
1. op de onderbenen gaan zitten
kyykistyä
/ɦʏt/
noun
1. een primitieve woning
maja
/ɦyr/
noun
1. tijdelijk gebruik van goederen of diensten tegen betaling
vuokra
noun
1. de wettelijke bescherming die een huurder heeft in zijn relatie met de verhuurder
vuokrasäännöstely
noun
palkkamurhaaja
adjective
1. geschikt om in het huwelijk te treden
avioliittokelpoinen
/ɦiu̯ələk/
noun
1. ambtelijke of kerkelijke verbintenis tussen twee personen
avioliitto
noun
1. akte van de burgerlijke stand waarin staat dat twee mensen met elkaar getrouwd zijn
avioliittotodistus
noun
1.
deittipalvelu
noun
1.
kosiskelija
noun
1. een getrouwd persoon
  1. aviopuoliso
  2. puoliso
/ˈɦiu̯ələksˌrɛɪ̯s/
noun
1. de reis die een pasgetrouwd stel gewoonlijk onmiddellijk na hun trouwen onderneemt
häämatka
/hʊ.ˈzaːʁ/
noun
1. een ruiterijsoldaat.
husaari
noun
3. bolgewas
hyasintti
/hi'drat/
noun
1.
hydraatti
adjective
hydraulinen
adjective
1.
vesivoima
noun
hydrografia
noun
  1. hydrologia
  2. vesitiede
noun
1. de splitsing van scheikundige verbindingen door opneming van water
hydrolyysi
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de onderfamilie Hyaeninae
hyeena
noun
hygienia
adjective
1. schoon, gezond
hygieeninen
noun
1.een instrument om vochtigheid van de lucht te meten
kosteusmittari
noun
hypetys
adjective
1. overactief
hyperaktiivinen
noun
hyperbeli
noun
hyperkorjaus
noun
1. een gekleurd en/of onderstreept tekstgedeelte dat een onderliggende verwijzing bevat
hyperlinkki
noun
1. een woord dat een verzameling van verwante specifiekere woorden samenvoegt, een overkoepelende term
  1. yläkäsite
  2. hyperonyymi
noun
1. bovenmatige vermeerdering van weefsel
hyperplasia
noun
1. verhoogde bloeddruk
hypertensio
noun
hypertermia
noun
1. bovenmatige groei
hypertrofia
noun
hyperurikemia
noun
1. het sneller-dan-normaal ademhalen, ofwel oppervlakkig ofwel diep
hyperventilaatio
noun
1.
hypnoosi
adjective
luulosairas
noun
1. overdreven bezorgdheid om de eigen gezondheid
hypokondria
adjective
1. onder de huid toegediend
hypodermi-
/ˌhipoˈfizə/
noun
1. een klier aan de onderzijde van de hersenen, die o.a. groeihormoon produceert en de schildklier aanstuurt
aivolisäke
noun
1. lichte vorm van ziekelijke aandrift (psychische opwindingstoestand)
hypomania
noun
1. term die een subcategorie van een algemenere klasse aanduidt
alakäsite
noun
1. lage bloeddruk
hypotensio
noun
1. deel van de hersenen dat een directe verbinding heeft met het hormonale systeem
hypotalamus
noun
1. bezitloos bezwaren van een onroerend goed als onderpand
asuntolaina
noun
1. onderkoeling
hypotermia
noun
hypoteesi
noun
1. zuurstoftekort in de weefsels
hapenpuute
noun
1. Hyssopus officinalis, een gewas met geneeskundige kracht
lisoppi
adjective
hysteerinen
noun
bepaalde suiker die veel in zoete vruchten voorkomt
raejuusto
adjective
1. door medisch ingrijpen veroorzaakt
hoidosta johtuva
pronoun
1. een Europees schiereiland dat zich ten zuiden van de Pyreneeën bevindt...
Pyreneiden niemimaa
noun
1. een vogel met een lange gebogen snavel behorend tot de familie Threskiornithidae
iibis
noun
1.
ibuprofeeni
noun
ikonografia
noun
1. een iconenwand die het altaar van het schip scheidt in de Russisch-orthodoxe kerk
ikonostaasi
noun
  1. 1. heiligenafbeelding, zoals vereerd in de kerken van het oosten
  2. 2.
ikoni
/idiˈjal/
adjective
1. zo gunstig mogelijk
ideaali
/idiˈjal/
noun
1. iets wat men zich voorstelt als het hoogste en dat men wil verwezenlijken
ideaali
verb
1. iets gunstiger of zelfs als ideaal beoordelen
ihannoida
/iˈde/
noun
1. gedachte, plan
  1. idea
  2. ajatus
noun
1. een dwangmatige gedachte
pakkomielle
adjective
1. volledig hetzelfde, van dezelfde oorsprong
identtinen
noun
tunnistaminen
verb
identifioida
noun
1. geheel van eigenschappen dat je onderscheidt van anderen en bepaalt wie je bent
  1. identiteetti
  2. henkilöllisyys
noun
1. een woordsoort van woorden die de associatie met een klank, kleur, gevoel, smaak of andere gewaarwoording oproepen
ideofoni
/ˌideo'ɣrɑm/
noun
1. een grafisch teken dat een voorwerp symboliseert
ideogrammi
/ˌideoloˈɣi/
noun
1. het geheel van ideeën dat ten grondslag ligt aan een wijsgerig stelsel, m.b.t. hun maatschappelijke of politieke strekking
  1. ideologia
  2. aatemaailma
adjective
1. van, betreffend of volgens een ideologie
ideologinen
noun
1. iemand die een ideologie opstelt
ideologi
adjective
1. het idioom betreffend
idiomaattinen
noun
1. een bijzondere uitdrukking in een bepaalde taal die samengesteld is door eigenaardig taalgebruik
idiomi
/idi'ot/
noun
1. iemand die een grote maat van zwakzinnigheid heeft
idiootti
pronoun
ido
adjective
1. bekoorlijk door landelijke eenvoud en liefelijkheid
idyllinen
personalPronoun
1. clitische vorm van de 3e persoon enkelvoud mannelijk nominatief
hän
/i.də.ˈreːn/
indefinitePronoun
1. elke persoon
jokainen
indefinitePronoun
joku
/iːr/
noun
1. inwoner van Ierland, of iemand afkomstig uit Ierland
irlantilainen
/ˈiːrlɑnd/, /ˈiːrlɑnt/
pronoun
1. een groot eiland in Noordwest-Europa
Irlanti
/iːrs/
pronoun
1. een Keltische taal die wordt gesproken in Ierland
  1. iiri
  2. irlantilainen
/ˈiːrsə/
noun
irlantilainen
pronoun
1.
Irlanninmeri
suffix
  1. 1. anion in submaximale oxidatietoestand
  2. 2. mineraal
iitti
indefinitePronoun
1. een of ander ding
  1. jokin
  2. jotakin
/ˈiɣlo/
noun
1. sneeuwhut
iglu
adjective
1. vol van zelfbewondering, een te hoge dunk hebbend van het eigen voorkomen en/of de eigen bekwaamheden
turhamainen
noun
1. het zich toeleggen op betekenisloze uiterlijkheden
turhamaisuus
/ɛɪ̯s/, /ɛːs/
noun
  1. 1. de vaste vorm van water, bevroren water
  2. 2. een lekkernij die in bevroren toestand wordt gegeten
jää
noun
1. bepaald soort zoogdier, Ursus maritimus
jääkarhu
noun
1. een zeer groot brok ijs dat in de zee drijft
jäävuori
noun
1. en 2 (bladeren van) Lactuca sativa var. capitata
jäävuorisalaatti
noun
1. een sterk, krachtig schip dat speciaal gebouwd en uitgerust wordt om zich een weg door het ijs te banen en alzo een vaargeul voor andere schepen te openen.
jäänmurtaja
verb
1. een discipline van het kunstschaatsen
jäätanssi
noun
1. bepaald soort vogel Gavia immer
  1. Amerikanjääkuikka
  2. amerikanjääkuikka
noun
1. ijssport waarbij twee teams van ieder vijf personen plus goalie met behulp van een stick een schijfje (puck) in het doel van de tegenstander proberen te schieten
  1. jääkiekko
  2. lätkä
/ˈɛɪʃə/
noun
1. portie van een uit roomijs of waterijs vervaardigde lekkernij
jäätelö
/ˈɛɪ̯slɑnd/, /ˈɛɪ̯slɑnt/, /ˈɛːslɑnt/
pronoun
1.een Europees land, dat omgeven is door de Atlantische Oceaan en tussen Groenland en Europa in ligt. Tot 1944 behoorde IJsland bij Denemarken, maar tegenwoordig is het zelfstandig. De officiële naam is Lýðveldið Ísland.
Islanti
/ˈɛɪ̯slɑnds/, /ˈɛɪ̯slɑnts/, /ˈɛːslɑnts/
pronoun
1. een Germaanse taal die wordt gesproken op IJsland
islanti
noun
1. ijspriem
naskali
noun
1.een theevariant
jäätee
/ˈɛɪ̯sfoχɔɫ/, /ˈɛɪ̯zvoːɣəl/, /ˈɛːsfoːɣəl/
noun
1. bepaald soort blauwgroen vogeltje met oranje borst en spitse snavel, Alcedo atthis
kuningaskalastaja
noun
1
jäävesi
/'ɛɪ̯zəl/, /'ɛɪ̯zəɫ/, /'ɛːzəɫ/
noun
1. onderkoelde regen die in ijs overgaat eenmaal in aanraking met de grond
iljanne
/ˈɛi̯zər/
noun
1. een scheikundig element met het symbool Fe en het atoomnummer 26
rauta
noun
rautamalmi
noun
rohtorautayrtti
noun
1. een verbinding van ijzer en zuurstof, waarin zuurstof de oxidatietoestand -2 bezit
rautaoksidi
noun
rautakausi
noun
1. eenvoudige handelswaren gemaakt van metaal
rakennustarvikkeet
adjective
jäinen
personalPronoun
1.
  1. minä
  2. mä
phraseologicalUnit
1. een verklaring van liefde aan iemand
rakastan sua
noun
illuusio
noun
kuva
noun
kuvittaja
verb
kuvittaa
adjective
imaginaarinen
/ˌimiˈtasi/, /ˌimiˈtatsi/
noun
1. nabootsing
  1. imitaatio
  2. jäljittely
noun
iemand die een ander persoon nadoet
matkija
/ˌimiˈterən/
verb
1. doen wat iemand anders doet
imitoida
noun
1. iemand die bijen houdt voor het verkrijgen van honing
mehiläishoitaja
/ˈɪmatəriˌjel/
adjective
aineeton
adjective
1.
suunnaton
/ˈɪmiɣrɑnt/
noun
maahanmuuttaja
noun
1. het zich metterwoon vestigen van vreemdelingen in een land
maahanmuutto
verb
1. een land binnenkomen om zich er te vestigen
muuttaa maahan
verb
1. beschermen tegen een infectieziekte door het geven van een ongevaarlijke vorm van een micro-organisme dat wel het immuunsysteem stimuleert maar geen ziekte veroorzaakt
immunisoida
noun
1. onvatbaarheid voor een ziekte
immuniteetti
noun
1. de leer van het afweersysteem dat verantwoordelijk is voor: afweer tegen besmettelijke ziekten...
immunologia
noun
pala-antilooppi
noun
1. de tijdsafhankelijke mate waarin een materiaal het passeren van elektrische lading bemoeilijkt
impedanssi
noun
brittiläinen
noun
imperialismi
/ɪmˈperijʏm/
noun
imperiumi
adjective
1. te intiem en niet ter zake doende
asiaton
noun
1. etterige huidontsteking
märkärupi
noun
1. een stof, voorwerp, toestel etc. dat in een lichaam wordt aangebracht
  1. implantti
  2. istute
verb
1.stilzwijgend ten gevolge hebben
antaa ymmärtää
noun
1. zeer snel ineenklappen van een holle ruimte
imploosio
noun
1. onvermogen tot geslachtsgemeenschap
impotenssi
noun
1. een organisator van toneeluitvoeringen, concerten enz.
impressaari
noun
impressionismi
noun
1. ter plekke verbeterde versie van een muziekstuk, voorlezing enz.
  1. improvisaatio
  2. improvisointi
noun
improvisoija
verb
1. iets bedenken zonder vooropgesteld plan
improvisoida
/ɪmˈpʏls/
noun
2. product van massa en snelheid
liikemäärä
preposition
1.-12. in (ruimtelijk)
  1. -ssa
  2. -ssä
phraseologicalUnit
1. in een omgeving waar weinig gepresteerd wordt...
sokeiden maassa yksisilmäinen on kuningas
adverb
1. werkelijk aanwezig, in het echt
veressä ja lihassa
preposition
1. als vervanger van, als vervanging voor
asemesta
/ˌɪnɑkˈtif/
adjective
1. onwerkzaam, niks aan het doen
ei toiminnassa oleva
verb
1. lucht uit de omgeving opnemen
hengittää
noun
1.
sisäänhengitys
pronoun
1. meer in Finland
Inarijärvi
/ˌɪnʌʊɣyˈratsi/
noun
1. de feestelijke of plechtige inwijding in een ambt
virkaan
verb
1. een zuigeling geheel in windselen inwikkelen
kapaloida
noun
1. het inbreken
murto
noun
kuusiokoloavain
noun
1. iemand die onvoldoende of nooit seks heeft ondanks dit wel te willen
incel
noun
insesti
/ˈɪntʃɛˌkə(n)/
verb
1. zich aanmelden aan een balie om een instapkaart te krijgen en eventueel bagage af te geven.
kirjautua sisään
preposition
1. met inbegrip van
kattava
/ˌiŋkɔmpəˈtɛn(t)si/
noun
  1. epäpätevyys
  2. taitamattomuus
noun
1. het onvermogen om urine of ontlasting op te houden
inkontinenssi
noun
1. #
itämisaika
/ɪndeklɪˈnaːbəl/
adjective
1. onmogelijk te verbuigen
taipumaton
/ˈɪn.di.ja/
pronoun
1. soeverein land in het zuiden van Azië
Intia
noun
1. inwoner van Amerika voor de komst van de Europeanen
intiaani
adjective
intiaani
noun
1. de vorm van het werkwoord die de werkelijkheid aangeeft
indikatiivi
noun
indikaattori
noun
2.
dyspepsia
/ˌɪndisəˌosiˈan/, /ˌɪndisˌə̯osejˈaːn/
pronoun
1. de oceaan die tussen Oost-Afrika en Zuid-Azië ligt
Intian valtameri
noun
1. een scheikundig element en zilvergrijs overgangsmetaal met het symbool In en het atoomnummer 49
indium
adjective
1. afzonderlijk, op zichzelf
yksilöllinen
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Indokiina
noun
indoktrinaatio
verb
1. dwingen om bepaalde opvattingen te aanvaarden
aivopestä
/ɪndo'nezis/
pronoun
1. een taal die voornamelijk in Indonesië gesproken wordt
indonesia
/ˌɪn.do.ˈne.zi.jə/
pronoun
1. een land dat bestaat uit een groot eilandengebied tussen Zuidoost-Azië en Australië
Indonesia
adjective
1. binnen een gebouw beoefend; overdekt plaatsvindend
sisällä
noun
induktanssi
verb
1. het veranderen van de economie door het vergroten van de nijverheid
teollistaa
noun
1. Nijverheid
teollisuus
noun
1.
  1. inessiivi
  2. sisäolento
/ɪnfɛk'terən/
verb
tartuttaa
noun
1. een besmetting van lichaamsweefsel met ziekteverwekkers als bacteriën, virussen, schimmels of...
  1. infektio
  2. tartunta
noun
soluttautuminen
verb
infiltroitua
noun
1. tussengevoegd morfeem
sisäliite
noun
1. stijging van het prijspeil waardoor het geld in waarde daalt
inflaatio
noun
1.
somevaikuttaja
noun
1. de leer van de mechanische verzameling en verwerking van informatie
  1. tietojenkäsittelytiede
  2. informatiikka
noun
1. beoefenaar van de informatica
tietojenkäsittelytieteilijä
noun
1.
  1. informaatio
  2. tieto
noun
tietoturva
noun
1. samenleving, waarin informatie als de belangrijkste productiefactor gezien wordt.
tietoyhteiskunta
noun
1.
tietojärjestelmä
adjective
infrapuna
/ˈɪɱfrastrʏktyr/
noun
1. het totaal van onroerende voorzieningen zoals (spoor)wegen, vliegvelden,...
infrastruktuuri
noun
2. een opening waar iets doorheen kan
sisäänkäynti
/ˌɪŋʒeˈɲør/
noun
1. iemand die is opgeleid in het hoger onderwijs om allerhande technische problemen op te lossen
insinööri
noun
2. verzamelnaam voor de inwendige organen van het darmkanaal
suolisto
noun
1.
rajaheitto
noun
aines
/ˈɪŋɣrep/
verb
toimenpide
pronoun
1. Finoegrische taal die door ongeveer 300 Ingriërs gesproken wordt
inkeroinen
noun
inhalaattori
/'ɪnɦɑm/
noun
  1. avoin satama
  2. lahdelma
/ɪnˈhems/
adjective
1. van oorsprong ergens voorkomend
paikallinen
/ˈɪnhɑut/
noun
  1. 1. datgene wat bevat is in een ander lichaam
  2. 3. alles wat in een geschrift of ander medium staat
sisältö
noun
1. feestelijke gelegenheid waarbij iemand wordt gehuldigd, zoals een koning/vorst door diens onderdanen, bij aanvaarding van diens ambt
virkaan
/ˌiniˈtʃalwort/
noun
1. en 2.
kirjainlyhenne
/ini(t)ʃali'zerə(n)/
verb
1.
asettaa alkuarvo
noun
initiaatio
noun
1.
ura
noun
1. regelmatig verkregen som geld
ansiot
noun
1. een gekleurde vloeistof waarmee geschreven wordt
muste
/ˈɪŋtpot/
noun
1. een meestal glazen of plastic vaatje waar inkt in bewaard wordt
  1. mustepullo
  2. musteastia
/ˈɪŋktfɪs/
noun
1. een koppotig weekdier met vangarmen dat een inktachtig vocht afscheidt ter verdediging
mustekala
/ˈɪn.lɛxˌkrœy.ʃə/
noun
1.
pikkuhousunsuoja
verb
suolata
verb
1. verschuldigd geld in ontvangst nemen
lunastaa
/ˈɪmpɑkə(n)/
verb
2. in een omhulsel doen
kääriä
verb
1. vragen of iemand tussenbeide of te hulp komt
vedota
/'ɪnsxepə(n)/
verb
1. aan boord gaan van een schip voor een reis ermee
  1. nousta
  2. embarquer
noun
1. geleedpotige met drie paar poten en geen, één of twee paar vleugels
  1. hyönteinen
  2. itikka
adverb
samoin
verb
vihjata
noun
1. horizontale draden die tijdens het weven tussen de opgespannen draden van de schering worden ingebracht
kude
verb
2. zich ~: moeite doen
paneutua
noun
1. de fysieke moeite die men voor iets doet
  1. ponnistus
  2. vaiva
  3. yritys
noun
tarkastaja
/ɪnspi'rasi/
noun
1. een gevoel over hoe men een klus kan aanpakken
innoitus
verb
1. de geest gaande maken
elähdyttää
noun
1. onbestendigheid
epätasapaino
noun
8. een kunstvorm
asennus
verb
astua
noun
2. organisatie, die vaak subsidie van de overheid krijgt en geen geld wil verdienen
instituutio
noun
1. gedrag dat geheel genetisch bepaald is
vaisto
adjective
vaistomainen
verb
1. zwichten voor de zwaartekracht
luhistua
noun
1. een order, een aanwijzing
käsky
verb
opettaa
noun
  1. 2. verkort voor muziekinstrument
    1. instrumentti
    2. soitin
  2. 1. werktuig
    1. väline
    2. instrumentti
adjective
instrumentaali
/ˌɪnzyˈlinə/
noun
1. een hormoon gemaakt in de bètacellen van de pancreas in de zogenaamde eilandjes van Langerhans, dat de lever aanzet bloedglucose op te nemen en op te slaan in de vorm van glycogeen
insuliini
adjective
1. in goede staat, onaangetast
eheä
/ɪnˈtexə(n)del/
adverb
kun taas
adjective
integraali
noun
integraali
/ɪntəˈɣra(t)si/
noun
integraatio
/ɪntɛli'xɛnt/
adjective
1. met een goed verstand of daarvan blijk gevend
älykäs
noun
een eigenschap van de werking van de hersenen
älykkyys
noun
älykkyysosamäärä
noun
1.
intelligentsia
adjective
1. zeer krachtig, hevig
intensiivinen
noun
1. een verklaring van een partij omtrent een bedoeling (intentie)
aiesopimus
noun
1. onderlinge beïnvloeding
vuorovaikutus
adjective
monitieteinen
adjective
1. wekt interesse
mielenkiintoinen
noun
  1. 1. belang
  2. 2. belangstelling
  3. 3. iets waar belangstelling voor is
  1. mielenkiinto
  2. kiinnostus
verb
1. nieuwsgierig maken
kiinnostaa
noun
käyttöliittymä
noun
2. letterafstand
riviväli
adjective
1. inwendig, binnen
sisäinen
/ɪntərnɑ(t)ʃo'nal/
adjective
1. meer dan één land
kansainvälinen
pronoun
Kansainvälinen valuuttarahasto
verb
1. een verplichte verblijfplaats aanwijzen
internoida
noun
1. een wereldwijd netwerk van computers
  1. internet
  2. Internet
noun
1.
nettikahvila
noun
1. Arts
sisätautilääkäri
noun
1. uitlegging, vertaling
tulkkaaminen
verb
1. uitleggen of opvatten
tulkita
/'ɪntɛrpɵŋktsi/
noun
välimerkit
adjective
1. tussenliggend
välisijavirhe
noun
  1. 1. tussenperiode
  2. 3. de afstand tussen twee verschillende tonen
intervalli
verb
1.een vraaggesprek met iemand houden
haastatella
noun
1. onverdraagzaamheid
intoleranssi
noun
1. vergiftiging
alkoholimyrkytys
adjective
1. in de spier
intramuskulaarinen
adjective
1. zonder de mogelijkheid van een lijdend of meewerkend voorwerp
intransitiivinen
adjective
1. in de ader gelegen of plaatvindend
intravenoosinen
noun
  1. 2.
  2. 3.
juoni
verb
  1. 1. interesse wekken, fascineren
  2. 2. met slinkse streken te werk gaan
juonitella
adjective
erottamaton
verb
  1. 1. iets nieuws inbrengen of invoeren
  2. 2. een nieuw persoon toegang verschaffen
  3. 3. iemand voor het eerst voorstellen
ottaa käyttöön
noun
1.
introitus
adjective
tungetteleva
pronoun
inuktitut
noun
inventaari
noun
1. een mengsel van gelijke delen druivensuiker en vruchtensuiker
inverttisokeri
noun
1. een opoffering in tijd, geld of mankracht ten behoeve van een doel dat pas op lange termijn wordt behaald
investointi
/ˈɪnvluːt/
noun
  1. 1. inwerking van een persoon, zaak of omstandigheid op een andere
  2. 2. het vermogen om op anderen in te werken
vaikutusvalta
adjective
vaikutusvaltainen
noun
1.
kiihdytyskaista
noun
syöte
/ˈɪnvurə(n)/
verb
1. iets nieuws introduceren
ottaa
/ɪɱ.'wɛn.dɪx/, /ɪɱ.'ʋɛn.dəχ/, /ɪɱ.'β̞ɛn.dəx/
adjective
sisäinen
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Io
/jɔn/
noun
ioni
pronoun
1. randzee van de Middellandse Zee, gelegen tussen Zuid-Italië en West-Griekenland
Joonianmeri
noun
ionosfääri
/i'peʔadrɛs/
noun
1. een combinatie van getallen waarmee een computer in een IP-netwerk kan worden herkend
IP-osoite
pronoun
1.
iranilainen
/i.ˈrɑk/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten dat voor een groot deel in en rond het stroomgebied van de rivieren de Eufraat en de Tigris ligt
Irak
/i.ˈrɑn/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten met als hoofdstad Teheran
Iran
noun
iranilainen
noun
1. een scheikundig element met symbool Ir
iridium
/ɪroˈniː/
noun
1. vorm van spot
ironia
adjective
1.
ironinen
adjective
1. van geen belang voor de huidige zaak
epäolennainen
adjective
1. in hoge mate vervelend
harmittava
verb
1. op onaangename wijze prikkelen
ärsyttää
noun
1. plaatselijk tekort aan bloedtoevoer
iskemia
noun
1. godsdienst die na alle profeten uit het jodendom en Christus, Mohammed ...
islam
pronoun
Islamabad
noun
1. een verzameling punten onder constant houden van de druk gemeten
isobaari
noun
1. ruimtelijke afzondering
eristyneisyys
verb
  1. 3. elektrisch
  2. 4. warmte
  3. 1. persoonlijk
  4. 2. chemisch
eristää
noun
isomorfismi
noun
isopleetti
noun
1. een verzameling punten constante temperatuur gemeten of waar de temperatuur dezelfde waarde heeft
isotermi
noun
isotooppi
/ˈɪs.ra.hɛl/, /ˈɪs.ra.ɛɫ/
pronoun
1. land in het Midden-Oosten, gelegen aan de Middellandse Zee
Israel
/italiˈjaːn/
noun
1. een persoon die uit Italië komt
italialainen
/italiˈjaːns/
pronoun
1. een Romaanse taal die wordt gesproken in Italië, San Marino, Vaticaanstad, Slovenië en Zwitserland
italia
/iˈtaːli.jə/
pronoun
1. een land
Italia
adjective
toistuva
suffix
  1. 1.
  2. 2.
iitti
noun
norsunluu
/i.ˈvoːr.kʏs/, /i.ˈvoːr.kʏst/, /i.ˈvo̝ːr.kʏst/
pronoun
een land in West-Afrika, officieel de Republique de Côte d'Ivoir
Norsunluurannikko
adjective
norsunluinen
/jaː/
adverb
1. duidt bevestiging of instemming aan
  1. kyllä
  2. joo
/jaː/
interjection
1. kreet van opwinding
kyllä
/'jaxpɑt/
noun
1. een pad langs de kant van een kanaal of vaart waarover eertijds de trekdieren van de trekschuit werden voortgedreven
hinauspolku
/ja:r/
noun
1. de duur van een omloop van de aarde om de zon van circa 365 dagen.
vuosi
/ˈjar.ɣə.ˌtɛɪ̯.də/, /ˈjar.ɣə.ˌtɛː.də/, /ˈjar.χə.ˌtɛɪ̯.də/
noun
1. een deel van een jaar met unieke eigenschappen
vuodenaika
/ˈjar.ləks/, /ˈjar.lɪks/
adjective
1. eenmaal per jaar
vuotuinen
/ˈjar.ləks/, /ˈjar.lɪks/
adverb
vuosittain
noun
1.
vuosikas
/jɑxt/
noun
  1. 3. een snel vaartuig
    1. jahti
    2. huvipursi
  2. 1. het achtervolgen van wild
    1. jahti
    2. metsästys
noun
1. hond die speciaal gefokt wordt voor de jacht
  1. ajokoira
  2. metsästyskoira
noun
1. een hoorn als signaalinstrument op de jacht
metsästystorvi
noun
1. zeer snel, betrekkelijk groot Afrikaans katachtig roofdier, Acinonyx jubatus
gepardi
noun
1. wettelijke toestemming om te jagen
metsästyskortti
/ˈjaːɣə(n)/
verb
1. bewegende wezens proberen te vangen
  1. metsästää
  2. jahdata
noun
1. iemand die op jacht gaat
metsästäjä
noun
metsästäjä-keräilijä
noun
1. een vrouw die jaagt
metsästäjätär
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera onca
jaguaari
noun
jakki
noun
1. Canis aureus, hondachtig roofdier
sakaali
pronoun
Jaakob
noun
3. plant
lehtosinilatva
noun
1. benaming voor bepaald soort mosselachtig schelpdier
kampasimpukka
/jaˈkobʏs/
pronoun
Jaakob
adjective
1. een negatief gevoel veroorzaakt doordat iemand iets heeft of kan krijgen wat je ook wilt hebben of reeds hebt
mustasukkainen
/ʃɛm/
noun
1. een gelei van suiker en gekookt fruit, onder andere gebruikt als broodbeleg
hillo
/(d)ʒa.mɛɪ̯.ka/, /dʒɑ.mɑɪ̯.ka/
pronoun
1. een eiland in de Grote Antillen ten zuiden van Cuba en ten westen van het eiland Hispaniola
Jamaika
noun
jambi
noun
1. een grote bijeenkomst van scouts in de leeftijd van 14 tot 17 jaar uit landen verspreid over de gehele wereld die eens per 4 jaar wordt georganiseerd
jamboree
noun
1. bepaalde zeevogel, Morus bassanus
suula
/jɑnyˈwaːri/
noun
1. de eerste maand van het jaar
tammikuu
pronoun
  1. 2. Romeinse god
  2. 3. maan
Janus
/jaˈpɑn/, /jɑˈpɑn/
pronoun
1. een land in het oosten van Azië
Japani
noun
japanilainen
/jɑ'pɑns/
adjective
1. betreffende Japan of het Japans
japanilainen
/jɑ'pɑns/
pronoun
1. een taal die in Japan gesproken wordt
  1. japani
  2. japanin kieli
noun
1.
japanintatar
pronoun
1. taalfamilie van Japans en een tiental verwante talen die in Japan worden gesproken
japanilaiset kielet
/jɑr.ˈɣɔn/
noun
2. vaktaal, taalgebruik binnen een bepaalde groep, vaak moeilijk te volgen voor een buitenstaander
mongerrus
noun
1.
  1. takki
  2. pusakka
noun
jaspis
adjective
jaava
pronoun
1. een taal die door meer dan 75 miljoen mensen op Java en Bali gesproken wordt
  1. jaava
  2. jaavan kieli
noun
1. Rhinoceros sondaicus, neushoornsoort levend op West-Java en in Vietnam
Jaavansarvikuono
/jeˈhova/
pronoun
Jehova
/ˈjemən/, /ˈjeːmən/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel de Republiek Jemen
Jemen
pronoun
1. en 2.
Jena
/jə'nevər/
noun
1. gedestilleerde alcoholische drank vervaardigd op basis van graan (mout)
genever
noun
  1. 1. Juniperus communis
    kataja
  2. 2. vrucht
    katajanmarja
pronoun
  1. Jeremia
  2. Jeremias
noun
1.
jerrykannu
pronoun
Jesaja
/dʒɛt/
noun
1. een straalvliegtuig
suihkukone
noun
1.
suihkuseurapiiri
/ˈjøːxt/
noun
1. het jong zijn
  1. nuoruus
  2. nuoriso
noun
retkeilymaja
noun
1. kriebel
kutina
/ˈje.zʏs/
pronoun
1. centrale figuur in het Nieuwe Testament
Jeesus
pronoun
1. Jezus van Nazareth
Jeesus Kristus
/je.zy.ˈit/
noun
1. een lid van de Sociëteit van Jezus
jesuiitta
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het oosten van het land
Jharkhand
noun
1. een pijnlijke ontsteking als gevolg van gekristalliseerd uraat in een gewricht
kihti
pronoun
1. Germaanse taal die door de Joden in West-Europa gesproken werd
jiddiš
noun
jihad
/jEi/, /jɛɪ̯/, /jɛː/
personalPronoun
1. aangesproken persoon enkelvoud informeel
sinä
/'jɔb/
pronoun
Job
/ˈjodələ(n)/
verb
1. zingen met een snelle wisseling van borst- naar keelstem
jodlata
/joˈdin/
noun
1.
juutalaisnainen
noun
1. scheikundig element met symbool I en atoomnummer 53
jodi
pronoun
Jugoslavia
noun
collegehousut
pronoun
2.1 een van de vier Evangeliën
Johannes
noun
johanneksenleipäpuu
noun
pilvi
noun
1. speelgoed
jojo
verb
jokeri
adjective
1. van geringe leeftijd
  1. nuoriso
  2. nuori
noun
1. onvolwassen man
poika
/ˈjɔŋə(n)sˌnam/
noun
[1] een voornaam die doorgaans gegeven wordt aan kinderen van het vrouwelijk geslacht
pojan nimi
/jɔŋˈle.rə(n)/
verb
jongleerata
noun
1. schip
džonkki
/jot/
noun
juutalainen
noun
1. aanhanger van het joodse geloof
juutalainen
adjective
1. te maken hebbend met het joodse geloof, het jodendom
juutalainen
phraseologicalUnit
1.
Luoja tietää
/jɔr.ˈda.ni.jə/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië
Jordania
noun
3. een kleinigheid, helemaal niets
hitunen
noun
verslaggever, iemand die nieuwsfeiten publiceert
  1. lehtimies
  2. toimittaja
/jɑu̯/
possessivePronoun
1.
sinun
/joˈʔel/
pronoun
Joel
/jybələ/
verb
1. juichen
riemuita
noun
1. feestelijke herdenking van de dag waarop iets gebeurde of begon
hääpäivä
pronoun
2. boek in de Bijbel
Juudas
noun
1. vriendelijk gebaar van een iemand die veinst een vriend te zijn, kort voordat zijn ware bedoelingen duidelijk worden
Juudaksen suudelma
noun
1. naam voor planten uit het geslacht Lunaria
kesäkuuruoho
/'jy.do/
noun
1. een Japanse vechtsport
judo
//
noun
1. een van de twee houten blokken van een wantspanner
jumpru
noun
1. bepaald soort eenjarige plant met sterk greduceerde veerdelige bladeren, Nigella damascena
tarhaneito
/jʏˈfrɑu/
noun
neiti
noun
1. houten pasvorm die op de schouders gedragen wordt en twee te dragen gewichten verbindt
ies
noun
1. een van de beenderen van de schedel
poskiluu
/jyˈlɛi/
noun
1. de zevende maand van het jaar
heinäkuu
pronoun
Heinäkuun vallankumous
/ˈjʏli/
personalPronoun
1.
te
noun
1. de zesde maand van het jaar
kesäkuu
noun
1. een verzamelnaam voor snel bereid en geserveerd voedsel dat vaak ongezond is
roskaruoka
/ˈjypiˌtɛr/
pronoun
  1. Jupiter
  2. Juppiter
noun
  1. 1. kanton
  2. 2. gebergte
Jura
adjective
1. betrekking hebbend op het recht en de rechtsleer
  1. juridinen
  2. oikeudellinen
/jʌrək/
noun
1. een kledingstuk voor vrouwen dat van de schouders tot op de benen reikt
  1. mekko
  2. leninki
noun
1. een groep mensen die oordeelkundig geacht wordt en gevraagd een oordeel ergens over uit te spreken
raati
noun
1. saus voor spijzen, bereid uit vleesnat
kastike
adjective
de bastvezels
juutti
noun
1. sieraad van grote schoonheid en hoge waarde
jalokivi
noun
1. iemand die juwelen vervaardigt en erin handelt
kultaseppä
noun
1. krokodilachtige uit de onderfamilie Caimaninae van de familie alligators
kaimaani
noun
1. deel van schedel waarin tanden en kiezen zitten
leuka
noun
1. een mogelijk dodelijke infectieziekte veroorzaakt door Colistridium tetani
jäykkäkouristus
adjective
1. zonder of met heel weinig hoofdhaar, veren, bladeren, begroeiing, enzovoort
kalju
noun
1. het kaal zijn
kaljuus
adjective
1.
kaljupäinen
noun
1. een in zee vooruitstekende landpunt
niemi
pronoun
1. de naam van de zuidwestelijkste punt van Afrika
Hyväntoivonniemi
pronoun
Kap Horn
pronoun
1. een van de hoofdsteden van Zuid-Afrika, gelegen bij de Kaap de Goede Hoop
Kapkaupunki
/ˈkaːp.stɑn.dər/
noun
1. kaapstander
ankkuripeli
/kab.ˈvɛr.di.jə/, /kap.ˈfɛr.di.jə/
pronoun
1. een land in West-Afrika
Kap Verde
verb
1. het behandelen van ruwe katoen of wol met behulp van een kaard
karstata
/kars/
noun
1. een staaf of klomp van brandbaar materiaal met een lont
kynttilä
noun
1. het schijnsel van een brandende kaars
kynttilänvalo
noun
  1. nog in te delen vertalingen
    kartta
    1. 2. bedrukt kartonnen vel dat met de post verstuurd kan worden
    2. 3. kartonnen of plastic vel uit een kaartspel, om mee te spelen
    kortti
/kartspɛl/
noun
  1. 1. een spel met speelkaarten
  2. 2. een spel kaarten
korttipeli
noun
1. voedingsproduct gemaakt van gestremde melk
juusto
noun
1.
juustoharso
/ˈkasfɔndy/
noun
1. een gerecht waarbij etenswaren in een saus van kaas gedompeld worden
fondue
noun
malva
/ˈkasxaf/, /ˈkasχaf/
noun
1. een gebruiksvoorwerp waarmee een dun plakje van een stuk kaas kan worden gesneden
juustohöylä
/'kɑbələ(n)/
verb
1. zacht stromen en geluid maken
karehtia
noun
1. lijn van 3 tot 6 ineengedraaide touwen van hennep, kunststof, staal of ander materiaal
kaapeli
noun
1. Gadus morhua, middelgrote zoutwatervis
turska
noun
kaapelitelevisio
noun
esikunta
/'kabul/
pronoun
1. Afghaanse stad/provincie
Kabul
noun
1. sprookjesfiguur
gnoomi
pronoun
1. Tibeto-Birmaanse taal gesproken door 900 duizend mensen in Myanmar
Kachin
/ˈkɑxtəl/, /ˈkɑxtəɫ/, /ˈkɑχtəɫ/
noun
1. een jong van een paard.
varsa
/ˈkɑdiʃ/
noun
1. een joods gebed waarin Gods naam wordt geheiligd
kaddiš
noun
1. beschoeide of gemetselde oeverstrook waaraan de schepen kunnen aanleggen
laituri
noun
1. rand die om iets (m.n. een afbeelding of schilderij) heen wordt aangebracht
kaaderi
adjective
1. iets is zo beschadigd dat het zijn functie niet meer kan uitoefenen
surkea
/kɑf/
noun
1. de vliezen rondom de graankorrels
ruumen
noun
1.
kaftaani
noun
1. een gesloten kano om in wild water of op zee te varen
kajakki
/kaki/
noun
kaki
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Blattodea
torakka
noun
1. rommelig geheel van vele klanken door elkaar
kakofonia
noun
1. tabel die de verdeling van het jaar in dagen, weken of jaren aangeeft, evt. met feestdagen enz.
  1. kalenteri
  2. almanakka
noun
1. jong van het rund en sommige andere zoogdieren.
vasikka
noun
vasikanliha
noun
kalifi
noun
kalifaatti
noun
1. scheikundig element met symbool K en atoomnummer 19
kalium
noun
kaliumkloridi
/ˈkɑl(ə)k/
noun
aanduiding voor een aantal alkalische zouten van calcium
kalkki
noun
1. bepaald soort gedomesticeerde vogel, Meleagris gallopavo
  1. kalkkuna
  2. kalkkunanliha
noun
kalkkikivi
/ˌkɑ.lɪ.ˈpi.ɣɪs/
adjective
1. met een mooi achterste
kaunispakarainen
/ˈkɑlmus/, /ˈkɑɫmus/
noun
kalmojuuri
noun
tyyneys
verb
1. een jong baren bij runderen
poikia
/kɑm/
noun
1. getand object om haren mee te verzorgen
kampa
pronoun
1. Austronesische taal, gesproken door 250.000 personen in het oosten van Soemba (Indonesië)
kambera
/kɑ'mel/
noun
1. bepaald soort hoefdier met twee bulten op de rug, Camelus bactrianus
kameli
noun
kamelinkasvatus
/ka'melejɔn/
noun
  1. 1. tropische hagedis vooral bekend voor zijn snelle kleurveranderingen
  2. 2. veranderlijk persoon
kameleontti
noun
1. deel van een huis
kamari
noun
toveri
adjective
1. zo breed als een kamer, vooral van tapijt dat 400 cm breed is
kokolattia-
noun
1. een lange huisjas
aamutakki
/ka.mər.lɪt/
noun
1. iemand die een zetel in een der kamers van de volksvertegenwoordiging bekleedt
MEP
noun
kamarimusiikki
/ˌka.mə.ˈrun/
pronoun
1. een land in Midden-Afrika, officieel de Republiek Kameroen
Kamerun
noun
1.
kamariorkesteri
noun
huonekasvi
noun
huoneenlämpö
noun
kamferi
noun
1.
kamferipuu
noun
1. elk van de planten van het geslacht Matricaria
kamomillasaunio
/kɑmə(n)/
verb
1. met een kam haar in orde brengen
kammata
noun
1. een plaats waar een aantal troepen geruime tijd of permanent gehuisvest zijn
leiri
verb
1. een vorm van openluchtrecreatie
telttailla
noun
1. geslacht van klimstruiken (Lonicera)
kuusama
noun
1. wedstrijd waar bepaald wordt wie de kampioenstitel mag dragen
loppuottelu
noun
vuur in een kamp waaromheen mensen zich (ter gezelligheid) verzamelen
nuotio
noun
1. serviesgoed om vloeistoffen uit te schenken
kannu
pronoun
Englannin kanaali
/ka'naːl/
noun
kanava
noun
1.1 bepaald soort vogel Serinus canarius
kanarianhemppo
pronoun
1. een stad gelegen in Zuid-Afghanistan en de hoofdstad van de gelijknamige provincie
Kandahar
noun
kynttilänjalka
/kɑndiˈdat/
noun
  1. 1. iemand die zich verkiesbaar gesteld heeft voor een politiek ambt
  2. 2. iemand die zich beschikbaar gesteld heeft voor een baan of functie
ehdokas
/kɑˈnel/
noun
1. een specerij van de gedroogde binnenbast van de kaneelboom,...
kaneli
noun
1. tot poeder vermalen kaneel
kanelijauhe
noun
1. benaming voor zoogdieren uit het geslacht Macropus
  1. kengurut
  2. kenguru
noun
1.
kanji
noun
1. een aandoening die gekenmerkt wordt door het ongecontroleerd vermenigvuldigen van cellen
syöpä
pronoun
1. taal die in de Indische staat Karnataka gesproken wordt
kannada
noun
1. mens die of dier dat vlees van zijn eigen soort eet
kannibaali
noun
1.
kannibalismi
noun
kanootti
noun
1. een instrument om explosieve projectielen weg te schieten
  1. kanuuna
  2. tykki
noun
1.
tykkivene
noun
  1. 2. een mooie gelegenheid
    1. mahdollisuus
    2. tilaisuus
  2. 1. mogelijkheid dat er iets gaat gebeuren
    1. mahdollisuus
    2. todennäköisyys
noun
  1. 1. eerste minister
  2. 2. hoofd van een kanselarij
kansleri
noun
uhkapeli
/kɑnt/
noun
1. een vorm van vlechtwerk
pitsi
noun
1. eetgelegenheid in bedrijven, scholen, verenigingen
ruokala
pronoun
een Chinese taal gesproken door ongeveer 54 miljoen mensen in het zuiden van China en ook buiten het land
kantonilainen
noun
1. een instelling waar allerlei administratieve handelingen worden uitgevoerd
konttori
noun
1. een gebouw waarin één of meer organisaties hun kantoor hebben ondergebracht
toimistorakennus
noun
1. een titel die aan bepaalde geestelijken wordt verleend binnen enkele christelijke kerkgemeenschappen.
kaniikki
noun
kaoliini
/kɑp/
noun
2. een bedekking van het hoofd
huppu
noun
1. klein kerkgebouw
  1. kappeli
  2. rukoushuone
noun
1. een priester van de katholieke kerk, werkzaam in een parochie
kappalainen
verb
kaapata
noun
1. vroegere zeerover...
kaapparit
/ˈka.pər.ˌbrif/
noun
1. een brief door de overheid of koning werd geschreven, waarmee een schip dat die brieven aan boord had het recht werd gegeven om schepen van vijandelijke mogendheden aan te vallen en leeg te roven
kaapparikirja
noun
1. markt waarop vermogenstitels worden verhandeld met een onbepaalde looptijd, of met looptijden vanaf circa twee jaar
pääomamarkkinat
noun
1. persoon die fanatiek met geld bezig is
kapitalisti
noun
1.
kapiteeli
noun
1. (beroep) (scheepvaart) gezagvoerder van een schip [1], bijv. van een koopvaardijschip
kapteeni
/'kɑpmɛs/
noun
1. stevig mes
viidakkoveitsi
noun
kapuuni
adjective
  1. 3. erg verdrietig of geschokt
    järkyttynyt
  2. 4. erg moe
    poikki
noun
kappa
noun
  1. kampaaja
  2. parturi
/'kɑ.pər.tʲə/
noun
2. klein groen bloemknopje van de kappertjesplant, Capparis spinosa, dat meestal op zuur bewaard wordt en dat als kruiderij gebruikt wordt
kapris
/kɑpsɛɪ̯zə(n)/, /kɑpsɛːzə(n)/
verb
1. ondersteboven komen liggen
kaatua
noun
1. de manier waarop het haar geknipt is
hiustenleikkuu
noun
1. een geweer met ingekorte loop en soms ook ingekorte schoudersteun
karbiini
noun
1. tafelfles met wijde buik en smalle hals
karahvi
noun
  1. 1. aard
  2. 2. letter
luonne
verb
luonnehtia
noun
1. gebrande suiker
karamelli
noun
1. vorm van vermaak, waarbij muziek wordt afgespeeld van een lied, en de amateur zanger in een microfoon de tekst (die op een televisiescherm te lezen is) live zingt
karaoke
noun
1. japanse gevechtsport
karate
noun
1.
karavaani
/kɑrboˈnadə/
noun
1. een stuk vlees van een varken, kalf of lam
kyljys
noun
plant en zaad
kardemumma
noun
1. hoge geestelijke in de hiërarchie van de Rooms-Katholieke Kerk,...
kardinaali
noun
1. en 2. bladeren van Cynara cardunculus
kardoni
noun
1. benaming voor vogels uit het geslacht Acrocephalus
ruokokerttunen
pronoun
1. een aan het Fins verwante taal die wordt gesproken in Karelië, Rusland en Finland
karjala
/kɑˈrelɪə/
pronoun
1. deel van Rusland
Karjala
noun
1. een zoogdier uit de familie der hertachtigen
karibu
noun
1.
  1. irvikuva
  2. karikatyyri
pronoun
1.
Kärnten
noun
1. een rode kleurstof die wordt gewonnen uit een soort schildluis, de Cochenilleluis, Dactylopius coccus Costa
karmiini
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het zuiden van het land
Karnataka
noun
1. gefermenteerde melk
  1. kirnupiimä
  2. piimä
  3. kirnumaito
pronoun
Karpaatit
noun
1. bepaald soort grote zoetwatervis met een hoge rug, die van oorsprong uit Azië komt, Cyprinus carpio
karppi
noun
1. de verzameling verschijnselen die samenhangen met de oplosbaarheid van kalksteen onder invloed van koolzuur in de atmosfeer
karsti
noun
lynkkysuoli
/kɑrˈtɔn/
noun
  1. 2. verpakking
    kartonki
  2. 1. bordpapier
    1. kartonki
    2. pahvi
noun
karavelli
noun
plant, zaad en specerij
kumina
/'kɑs/
noun
3. een doorzichtige -meest glazen- constructie...
kasvihuone
pronoun
Kashmir
pronoun
1. een Westslavische taal die gesproken wordt in het oosten van Pommeren
kašubi
noun
1.
jymymenestys
pronoun
1. een grote door land omsloten zoutwatervlakte op de grens van Europa en Azië
  1. Kaspian meri
  2. Kaspianmeri
noun
1. plaats waar men aankopen betaalt in een winkel
kassa
noun
1. iemand die het beheer heeft over de kas en de mutaties ervan bijhoudt
kassa
/kɑs/, /kɑst/
noun
1. een meubel om gebruiksvoorwerpen in op te bergen, meestal voorzien van horizontale schappen
  1. kaappi
  2. komero
noun
  1. 1. de vrucht
  2. 1. de boom
kastanja
adjective
kastanjanruskea
noun
1. streng gescheiden stand binnen de hindoeïstische samenleving
kasti
noun
1. een middeleeuwse versterkte woning
linna
noun
1. benaming voor vogels uit het geslacht Casuarius
kasuaari
noun
1. bepaald soort zoogdier, Felis sylvestris catus
kissa
noun
katafalkki
noun
katalyytti
noun
    1. 1. belegeringswapen
    2. 3. lanceerinrichting voor vliegtuigen
    1. katapultti
    2. heittokone
  1. 2. speeltuig
    1. katapultti
    2. ritsa
noun
2. gevolgen van alcoholgebruik
  1. krapula
  2. kankkunen
  3. pohmelo
  4. kohmelo
/kɑtədral/
noun
1. een hoofdkerk van een bisdom
  1. katedraali
  2. tuomiokirkko
noun
1. buisje dat tijdelijk in een lichaamsholte wordt aangebracht, bijv. om lichaamsvocht op te vangen of een medicijn toe te dienen
katetri
noun
1-2 scheikunde + elektronica
katodi
/ˌka.to.ˈlik/
adjective
  1. 1. overeenkomstig de geloofsleer van de Katholieke Kerk
  2. 2. te maken hebbend met de Katholieke Kerk
katolinen
noun
kationi
/kɑˈtun/
noun
1. een zachte vezel die uit de opperhuid (epidermis) van de zaden van de katoenplant groeit
  1. puuvilla
  2. pumpuli
noun
1. een werktuig dat het mogelijk maakt een last met een beperkte kracht te verplaatsen
  1. väkipyörä
  2. talja
noun
1. bepaald soort loofboom Salix viminalis
koripaju
pronoun
1. gebergte
Kaukasus
noun
1. Corvus monedula, eem zwarte kraaiachtige zangvogel met een grijze nek
naakka
verb
pureskella
noun
1. een zacht samenhangend snoepgoed dat niet bedoeld is om in te slikken
purukumi
noun
kaviaari
pronoun
1. een taal die van oorsprong door de Kazachen in Kazachstan gesproken werd
kazakki
/ˈka.zɑx.stɑn/, /ˈka.zɑχ.stɑn/
pronoun
1. een land in Centraal-Azië en het uiterste oosten van Europa
Kazakstan
noun
1. inwoner van Kazachstan
kazakki
noun
1. een tegen vijandelijk vuur gedekte en van schietgaten voorziene ruimte voor de opstelling...
kasematti
noun
1. gebouw waar soldaten gelegerd zijn
kasarmi
noun
1. een mouwloos opperkleed dat door een priester gedragen wordt bij het lezen van de mis
kasukka
pronoun
1. oudste zoon van Adam en Eva
Kain
/keːl/
noun
1. voorste, uitwendige gedeelte van de hals
kurkku
noun
1. pijnlijke irritatie van het slijmvlies in de keelholte, meestal door een ontsteking ervan
kurkkukipu
/keːp/
noun
2. kleurrijke vinkensoort
järripeippo
/ˈkipər/
noun
maalivahti
noun
1. telkens terugkerend tijdstip waarop iets gebeurt
kerta
noun
kääntöpiiri
noun
käännekohta
noun
1.
klaava
noun
kefiiri
/ˈke.xəl/
noun
1. een meetkundig lichaam met een cirkel als grondvlak en uitlopend in een punt
kartio
noun
1. een kromme gevormd door het snijden van een kegel met een plat vlak
kartioleikkaus
noun
1. een monarch van de allerhoogste rang, oorspronkelijk die van het Romeinse rijk
keisari
noun
1. een vrouwelijke monarch van de allerhoogste rang, oorspronkelijk die van het Romeinse rijk
keisarinna
adjective
keisarillinen
noun
1. een gebied waar een keizer het staatshoofd is
keisarikunta
noun
1. operatieve verlossing
keisarileikkaus
noun
1. een ondergrondse bergruimte
kellari
noun
saunamaija
noun
kalkki
noun
tarjoilija
/kɛɫt/
noun
1. lid van een Indo-Europees volk waarvan na de Romeinse tijd de meeste leden op de Britse eilanden en in Bretagne leven
Keltti
/ˈkɛl.tis/, /ˈkɛɫ.tis/
adjective
1. met betrekking tot Kelten
kelttiläinen
noun
1. bepaald soort vogel, Calidris pugnax
suokukko
/ˈke.ni.ja/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika, de Republiek Kenia, grenzend aan Somalië, Ethiopië, Oeganda, Tanzania en de Indische Oceaan
Kenia
verb
  1. 1. bekend, vertrouwd zijn met
  2. 2. door studie of oefening geleerd hebben
tuntea
noun
tuntija
/ˈkɛnɪs/
noun
1. wat je weet of hebt geleerd
tieto
noun
  1. 1. een teken waaraan iets of iemand herkenbaar is
  2. 2. een identificatienummer van een (gemotoriseerd) voertuig
rekisterikilpi
noun
polviorsi
/ˈkɛpəl/
noun
1. hoofddeksel in de vorm van een ondiep bolsegment
kipa
noun
keramiikka
noun
1. een ingesneden groef
lovi
/kɛrk/
noun
  1. 3. Georganiseerde groep die bepaalde christelijke standpunten aanhangt
    kirkko
    1. 1. openbaar gebouw voor religieuze handelingen of samenkomsten
    2. 2. Christelijke organisatie voor beleving van een specifieke christelijke godsdienst
    1. kirkko
    2. seurakunta
/ˈkɛrk.bɑŋk/
noun
1. harde langwerpige constructie waar in een kerkgebouw waarop gelovigen tijdens een dienst kunnen zitten
kirkonpenkki
noun
1. bijeenkomst van een christelijke gemeente waarin God vereerd wordt
jumalanpalvelus
/kɛrkər/
noun
1. een ondergrondse ruimte die bestemd is voor het opsluiten van gevangenen
tyrmä
noun
1. terrein waar overledenen begraven worden
hautausmaa
/ˈkɛr.klɔk/
noun
1. een bel in de toren van een kerk
kirkonkello
noun
1. een toren bij een kerk
kirkontorni
/ˈkɛrgœːl/, /ˈkɛrkœʏ̯ɫ/, /ˈkɛrkœːl/
noun
1. bepaald soort vogel, Tyto alba
tornipöllö
noun
1. een feest met attracties
kiertävä tivoli
noun
1. energie geproduceerd door kernfusie of kernsplijting, waarmee in een kerncentrale elektriciteit wordt opgewekt
ydinenergia
noun
1. het proces waarbij twee atoomkernen botsen en één zwaardere kern vormen waarbij energie vrij komt
ydinfuusio
noun
1. ouders en hun minderjarige kinderen
ydinperhe
noun
ydinreaktori
noun
1. een rampzalige gebeurtenis waarbij de brandstof van een kernreactor smelt door het wegvallen van de koeling
reaktoriytimen sulaminen
noun
1. een vrij zware fractie alkanen die met name als vliegtuigbrandstof gebruikt wordt
kerosiini
noun
specerij
  1. kurry
  2. curry
noun
1. steenvrucht van een kersenboom, Prunus subg. Cerasus
kirsikka
noun
1. benaming voor bomen waaraan kleine ronde vruchten groeien, uit het ondergeslacht Prunus subg. Cerasus
kirsikkapuu
/kɛr.ˈsta.vɔnt/, /kɛr.ˈz(d)a.vɔnd/
noun
jouluaatto
/ˈkɛrsd.bɑɫ/, /ˈkɛrz.bɑl/
noun
1. een bal die men als versiering ophangt aan de takken van een kerstboom
joulupallo
/ˈkɛrsd.bom/, /ˈkɛrz.bom/
noun
1. rond Kerstmis opgestelde naaldboom met allerlei versieringen
  1. joulukuusi
  2. joulupuu
noun
joululahja
/ˈkɛrs.dɑx/, /ˈkɛrs.dɑχ/, /ˈkɛrz.dɑx/
noun
joulupäivä
/ˈkɛrs.kart/, /ˈkɛrst.kart/
noun
1. een wenskaart die wordt gekenmerkt door een kerstgroet en wensen voor het komende nieuwe jaar
joulukortti
/ˈkɛrs.lid/, /ˈkɛrst.lit/
noun
1. een op Kerstmis betrekking hebbend lied
joululaulu
/ˈkɛrs(t)məs/, /ˈkɛrsmɪs/, /ˈkɛrstmɪs/
noun
1. een feest ter herinnering van de geboorte van Jezus met een vieringsdatum die verschilt per christelijke traditie
  1. joulu
  2. Joulu
/ˈkɛr.sto.ˌmat/
noun
1. een trostomaat zo groot als een kers
kirsikkatomaatti
noun
1.
vaaleajouluruusu
/ˈkɛr.stɑl/, /ˈkɛr.stɑɫ/
noun
1. een voorstelling van de geboorte van Jezus met figuren van hout of gips, die vooral in katholieke gezinnen rond Kerstmis in huis te vinden is, vaak onder de kerstboom
  1. jouluseimi
  2. seimi
/ˈkɛrstɛr/
noun
joulutähti
noun
1. tijd rond kerstmis
joulunaika
noun
  1. 2. keukenkruid
    kirveli
  2. 1. plant
    maustekirveli
verb
1. met een scherp voorwerp een insnijding trachten te maken in een hard oppervlak
kaivertaa
noun
1. een saus op basis van tomaten
  1. ketsuppi
  2. mausteketsuppi
  3. tomaattiketsuppi
noun
1. meestal rond metalen vat, vaak geschikt om onder druk gezet te worden
höyrykattila
/ˈke.təl.dɑl/, /ˈke.təɫ.dɑɫ/, /ˈkeː.təl.dɑl/
noun
1. een half cirkelvormige vallei gevormd door de erosie die een gletsjer veroorzaakt
onsilo
noun
1.een goederenwagon waarop een ketel gemonteerd is, geschikt voor het vervoer van vloeibare producten
tankkiauto
noun
1. uit losse, vaak metalen, schakels in een enkele rij aaneengeregen voorwerp
ketju
noun
zuurvergiftiging bij suikerziekte
ketoasidoosi
noun
1. iemand die vanwege afwijking van de katholieke leer tot misdadiger verklaard was
harhaoppinen
/ˌkɛtəˈrɛɪ/
noun
1. het ingaan in woord of gedachte tegen de doctrines van de kerk
kerettiläisyys
noun
4. een snoer bestaande uit een draad die door doorboorde kralen of andere voorwerpen gevoerd is
kaulakoru
noun
1. motorzaag die een ketting met getande schakels heeft
ketjusaha
/ˈkøːkə(n)/
noun
  1. 2. de wijze waarop in een land of streek gekookt wordt
    keittiö
  2. 1. een plaats waar gekookt wordt, ruimte waarin mensen hun voedsel bereiden
    1. keittiö
    2. kyökki
noun
1. alle gebruiksvoorwerpen in de keuken
keittiöväline
pronoun
Köln
noun
vaaliruhtinas
noun
1. het besluit om uit verschillende mogelijkheden er één te nemen
valinta
/ˈkevər/, /ˈkɛvər/
noun
1. bepaald insect
kovakuoriainen
/ˈkiːbɔː(r)d/, /ˈkiːbɔː(r)t/
noun
  1. 1. een elektronisch muziekinstrument met een toetsenbord
    1. koskettimisto
    2. koskettimet
  2. 2. een apparaat waarmee, door toetsen in te drukken, gegevens in een computer ingevoerd kunnen worden
    näppäimistö
adjective
1. volgens de economische leer van John Maynard Keynes waarbij de regering een anticyclische begrotingspolitiek zou moeten voeren: veel tekorten maken als er crisis is en bezuinigen als de economie groeit
keynesiläinen
pronoun
1. taal die in Cambodja gesproken wordt
khmer
/ˈkɪbuts/
noun
kibbutsi
noun
1.1 benaming voor roofvogels uit het geslacht Circus
suohaukka
noun
1. verlenging van de onderzijde van een (zeil)schip
köli
noun
1. spoor van waterstroom (achter een schip)
peräaalto
noun
siemen
noun
1. het proces, waarbij het in een zaad aanwezige embryo of kiem door de zaadhuid heenbreekt en vervolgens tot een kiemplant uitgroeit
itäminen
adjective
1.
nirso
noun
1. een gebied, waar bij verkiezingen op dezelfde kandidaten kan worden gestemd
vaalipiiri
noun
1. de wijze waarop de volksvertegenwoordiging bij verkiezingen wordt gekozen.
vaalitapa
noun
1. ademhalingsorgaan van vele in water levende dieren
  1. kidus
  2. kidukset
pronoun
1. de hoofdstad van Oekraïne
Kiova
noun
töyhtöhyyppä
noun
1. (scheikunde) een zwak zuur dat is afgeleid van siliciumdioxide
piihappo
verb
katsoa
noun
1. iemand die kijkt
katsoja
noun
1. benaming voor amfibieën uit de orde Anura
sammakko
noun
1. legsel
sammakonkutu
noun
1. en 2. (zaden van) de plant Cicer arietinum
  1. kikherne
  2. kahviherne
noun
1. fijn gemalen kikkererwten
kikhernejauho
noun
1. kikker- of paddenlarve
nuijapää
abbreviation
1. kilogram
kilogramma
noun
1. duizend meter
kilometri
noun
1. meetinstrument dat de totaal afgelegde afstand in kilometers aangeeft
matkamittari
noun
1. het vooruitstekende deel van de onderkaak
leuka
noun
  1. 1. mens tussen 0 en 18 jaar
  2. 2. persoon voortkomend uit
lapsi
noun
lapsityö
noun
1. een arts die gespecialiseerd is in de behandeling van kinderen
lastenlääkäri
noun
lastenkirja
noun
1. een kamer die speciaal is ingericht voor kinderen
lastenhuone
noun
1. alle kleren die speciaal gemaakt zijn voor kinderen
lasten vaatteet
noun
lastenloru
noun
1. een voertuig waarin zuigelingen of kleuters met de hand verreden kunnen worden
lastenvaunut
noun
1. een ziekenhuis gespecialiseerd in de behandeling van kinderen
lastensairaala
noun
  1. 1. ziekte bij kinderen
  2. 2. fout, tekortkoming bij een nieuw voorwerp, project of plan
lastentauti
noun
1. kind dat deelneemt aan een gewapend conflict
lapsisotilas
adjective
1. wat beweging veroorzaakt
kineettinen
noun
kiniini
noun
1. bepaald soort zoogdier, Potos flavus
kierteishäntäkarhu
/kɪŋk(h)ust/
noun
1. een bepaalde kinderziekte die veroorzaakt wordt door de bacterie Bordetella pertussis
hinkuyskä
pronoun
1. officiële taal van Ruanda, behoort tot de Bantoe-talen
ruanda
/kɪp/
noun
  1. 2. kippenvlees
    broileri
  2. 1. Gallus gallus domesticus, gedomesticeerde vogel uit de familie van de hoenderachtigen
    kana
noun
1.
kananmuna
noun
hok voor kippen
kanakoppi
noun
1. orgaan dat een grote rol speelt in de stofwisseling van een hoen, na het slachten vaak gegeten als delicatesse
kananmaksa
/ˈkɪpəvɛɫ/
noun
1. het verschijnsel waarbij als gevolg van kou de huid gaat kleine bubbeltjes vertoont
kananliha
noun
kananrasva
noun
1. voer speciaal geschikt voor kippen
kananrehu
pronoun
1. de taal die in Kirgizië gesproken wordt
kirgiisi
/kɪr.ˈɣi.zi.jə/, /kɪr.ˈχi.zi.jə/
pronoun
1. een land in Centraal Azië, officieel de Kirgizische Republiek, dat geheel door land omsloten is
Kirgisia
/ˌki.ri.ˈbɑs/
pronoun
1. land in Oceanië, officieel de Republiek Kiribati
Kiribati
noun
2. een tijdelijke omsluiting gebouwd in het water
arkkupato
/kɪts/
adjective
1. een zeiljacht met twee langsgetuigde masten
ketsi
noun
1. schijnkunst die niet aanslaat met veel versieringen en/of de verkeerde materialen waarvan de meeste mensen denken dat het wansmaak is
  1. kitsch
  2. kitsi
  3. rihkama
noun
2. vrucht van plantengeslacht Actinidia
kiivi
noun
elegia
pronoun
Valitusvirret
/ˈklaːr ɪs kes/
interjection
se on siinä
pronoun
1. denkbeeldig mannetje dat mensen 's nachts iets in de ogen strooit zodat ze kunnen slapen
nukkumatti
noun
1. een aanklacht
vaiva
verb
1. ongenoegen uiten
valittaa
adjective
1. een beetje vochtig aanvoelend
nihkeä
noun
1. fijn net waaronder men slaapt om muggen buiten te houden
hyttysverkko
noun
fonetiikka
/ˈklɑŋk.və.ˌrɑn.də.rɪŋ/
noun
1. het verschijnsel dat een klank in een taal in de loop van de tijd vervangen wordt door een andere klank
äännemuutos
noun
1. afnemer van een product of dienst van een leverancier
asiakas
noun
siipeilijä
noun
1. bepaald soort zoogdier, Cystophora cristata
kuplahylje
verb
1. applaudisseren
taputtaa
noun
1. speelgoed pistool dat door kleine hoeveelheid kruit een hard geluid kan maken
nallipyssy
noun
1. Papaver rhoeas, een plant met een felrode bloem uit de familie Papaveraceae
  1. unikko
  2. unikukka
/ˈklɑpstuːl/
noun
stoel met opklapbare zitting
saranatuoli
noun
1. ± stuk rundvlees van de borst of klaprib, dat langdurig in een oven gebraden wordt
brisketti
noun
1. een houten blaasinstrument waarop de melodie wordt gespeeld in een harmonie
klarinetti
noun
1. het helder maken van een vloeistof
selkeytys
/klɑs/
noun
  1. 1. een groep leerlingen die een tijdlang gezamenlijk les krijgen
  2. 2. een leerjaar op school
  3. 3. een klaslokaal
luokka
noun
1. een ruimte in een school voor het geven van les aan scholieren
luokkahuone
noun
luokka
/ˈklʌʊtərə(n)/
verb
1. klimmen, zich verticaal verplaatsen met behulp van alle vier de ledematen
kavuta
/klʌu/
noun
  1. 1. poot van een roofdier
  2. 2. hand
kynsi
noun
puusepän vasara
noun
1. klauwplaat
istukka
noun
1. toetsinstrument
  1. cembalo
  2. klavesiini
noun
apila
noun
  1. autosnelwegknooppunt
  2. blad van klaver
apilanlehti
noun
1.
ristisotilas
noun
1. kaartkleur
risti
verb
1. kleren aandoen
pukea ylleen
noun
1. het textiel voor de bedekking van het lichaam
vaatteet
noun
1.
asu
noun
pukuhuone
noun
1. rijstsoort die veel zetmeel bevat
tahmea riisi
noun
vaatekaappi
noun
1. iemand wiens beroep bestaat uit het maken van kleding.
räätäli
/klɛɪ̯/, /klɛː/
noun
1. zeer fijne, vochthoudende grondsoort
savi
adjective
1. van geringe grootte
pieni
noun
2. niet veel, onbelangrijk
hiluja
pronoun
Peukaloinen
noun
peltovillakko
pronoun
Vähä-Aasia
/ˈklɛɪndɔxtər/
noun
1. een dochter van iemands kind, een vrouwelijk kleinkind
  1. pojantytär
  2. tyttärentytär
pronoun
1. een hoog aan het noordelijk halfrond duidelijk sterrenbeeld
Pieni karhu
noun
1. roestbruine nachtvlinder met weinig kleur, Phragmatobia fuliginosa
ruostesiipi
noun
1. bepaald soort meeuw, Larus glaucoides
grönlanninlokki
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Pieni koira
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Pieni leijona
noun
1.
selkälokki
noun
1. bepaald soort zoetwatervis, Cobitis taenia
rantaneula
phraseologicalUnit
1. een interval dat drie halve tonen omvat
pieni terssi
noun
1. bepaald soort vlinder, Aglais urticae
nokkosperhonen
/ˈklɛːnɣɛlt/
noun
1. geld in kleine coupures, vooral in munten
taskuraha
noun
1. de handel die tatbare producten direct aan consumenten verkoopt
vähittäiskauppa
/ˈklɛːŋkɪnt/, /ˈklɛːɪŋkɪnt/
noun
1. kind van zoon of dochter
lapsenlapsi
noun
1. een zoon van iemands kind, een mannelijk kleinkind
lapsenlapsi
noun
1. kleisteen
savikivi
noun
paino
noun
1. verstelbare afsluiting
läppä
/ˈklepəl/
noun
peervormige staaf in een klok
kieli
noun
kleptokratia
noun
1. de onweerstaanbare drang om te stelen
kleptomania
/ˈkleː.rən/
noun
1. kleding of kledingstukken
vaate
verb
2. praten, babbelen
  1. lörpötellä
  2. jutella
noun
hölösuu
/kløːr/
noun
1. het onderscheid dat gemaakt wordt op basis van het verschil in golflengte van licht
väri
verb
1. van kleur voorzien met potloden, stiften, wasko etc.
värittää
adjective
1. zonder kleur
väritön
noun
värikynä
adjective
1. vol opvallende kleuren
värikäs
noun
1. stof waarmee men iets kleurt
värjäysaine
verb
liimata
/ˈkleːvərɪx/
adjective
1. vasthechtend bij aanraking
tahmea
noun
kuppikunta
noun
2. opgewarmd voedsel dat overgebleven is van een eerdere maaltijd
tähteeksi jäänyt
noun
2. orgaan
rauhanen
/ˈklivə(n)/
verb
1. langs een scherp breukvlak in tweeën hakken
halkaista
noun
1. steile hoge rots
  1. kallio
  2. rantatörmä
verb
1. een klikkend geluid maken
klikkaus
noun
1. de gemiddelde natuurlijke gesteldheid van de lucht en het weer in een gebied op een planeet
ilmasto
noun
ilmastodenialisti
noun
1. de verandering van het klimaat in een bepaald gebied over een bepaalde periode, m.n. de wereldwijde opwarming sinds de 19e eeuw
ilmastonmuutos
noun
ilmastovyöhyke
/klɪmɑtoloˈɣi/
noun
1. leer van de lucht- en weersgesteldheid.
  1. ilmastotiede
  2. klimatologia
verb
1. het bewegen in een omhooggaande richting dan wel over obstakels
kiivetä
/'klɪ.mɔp/
noun
1. Hedera helix, een groenblijvende houtige plant
muratti
noun
1. sport- of speeltoestel waarop men klimt
kiipeilyteline
pronoun
1. een kunsttaal die uitgevonden is door Marc Okrand voor Star Trek-films
klingon
noun
1. een inrichting waar patiënten worden verpleegd
klinikka
adjective
1. direct voor de arts (hulpverlener) zichtbaar
kliininen
/klɪŋk/
noun
  1. 1. handvat om de deur te openen of te sluiten
    kahva
  2. 2. constructie om een deur gesloten te houden
    salpa
verb
1. een bepaalde klank voortbrengen
soida
/ˈklɪŋkər/
noun
1. een klank van de menselijke spraak waarbij geen obstructie in de ademstroom aangebracht wordt.
vokaali
noun
1. een metalen verbinding tussen twee platen bestaande uit twee cilidrische delen die van weerszijden,...
  1. niittaus
  2. niitti
noun
1., 2. plant met kleverige bloemknoppen
takiainen
noun
  1. 1. een instrument dat de tijd bijhoudt
  2. 2. een belvormige idiofoon, vooral bekend van kerktorens en carillons
kello
/ˈklɔkɦœs/, /ˈklɔkɦœʏs/
noun
1. binnenste van een vrucht
kara
noun
kello
noun
  1. 2. smal hoog bouwwerk met bovenin een of meer wijzerplaten van een uurwerk
  2. 1. smal hoog bouwwerk met bovenin een of meer lui- of slagklokken of een carillon
kellotorni
/klɔmp/
noun
1. schoeisel van hout, eventueel in combinatie met leer
puukenkä
verb
1. een identieke kopie van een levend wezen maken
kloonata
verb
1. klonten vormen
hyydyttää
noun
1. een ten gevolge van erosie, diep uitgesleten rivierdal, met steile wanden
kanjoni
/klon/
noun
1. een levend wezen dat een exacte genetische kopie is van een ander wezen
klooni
/klostər/
noun
  1. 1. een gebouw waarin een kloostergemeenschap gevestigd is
  2. 2. een kloostergemeenschap als zodanig
luostari
noun
ajometsästys
verb
  1. 2. hoorbaar bewegen
  2. 5. verslaan
lyödä
/klœʏs/, /klœːs/
noun
1. een tegen inbraak en brand beveiligde kist of kast
kassakaappi
noun
1. iemand die alleen en in afzondering leeft
erakko
/klyt/
noun
1. bepaald soort watervogel, Recurvirostra avosetta
avosetti
noun
1. tot een bol opgewonden draad
kerä
/ˈknaxdiːr/, /ˈknaɣdiːr/
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Rodentia
jyrsijä
noun
1. jongen, jongeman
hovipoika
verb
näykkiä
verb
1. met de tanden aanvreten
  1. jyrsiä
  2. kalvaa
verb
1. een hard geluid of knal geven
pamahdella
adjective
2. aantrekkelijk
kaunis
verb
1. een massa soepel maken door er steeds in te knijpen
vaivata
/ˈknɛsɛt/
noun
1.
knesset
noun
1. bepaald soort vinkachtige, Carduelis cannabina
hemppo
verb
1. binden, boeien
suukapuloida
noun
1. gewricht in het midden van het been dat het bovenbeen met het onderbeen verbindt
polvi
noun
1.1. buiging als eerbetoon
polvistuminen
verb
1. op de knieën gaan
polvistua
noun
1. het schijfvormige bot in de knie
polvilumpio
verb
1. tussen twee punten druk uitoefenen
nipistää
noun
1.
hohtimet
/'knɪkə(n)/
verb
1. een verticale beweging met het hoofd maken
  1. nyökätä
  2. nyökyttää
noun
1. balletje van glas, marmer, steen, hout of klei
marmorikuula
noun
1. teken in de vorm van het kort toeknijpen van een oog om verstandhouding of waardering uit te drukken
silmänisku
verb
  1. 1. met een schaar uitsnijden
  2. 3. (informatica) overnemen van informatie
leikata
noun
kyhmyjoutsen
noun
1.
oksa
noun
1. looksoort Allium sativa met samengevouwen bol
  1. valkosipuli
  2. kynsilaukka
noun
1. vingergewricht
rystynen
verb
1. vechten
  1. taistella
  2. tapella
noun
1. verdikte plantenwortel.
mukula
noun
mukulaselleri
noun
  1. 3. aan een jas e.d.
    nappi
    1. 1. in een draad
    2. 2. snelheidsmaat
    solmu
noun
1. spleet die in een stuk stof is gemaakt zodat een ander stuk stof daaraan kan worden vastgemaakt
napinläpi
verb
1. een vastzittende lus in een koord, draad of touw maken
solmia
noun
pamppu
noun
  1. 1. omhelzing
    halaus
  2. 2. speelgoed
    pehmolelu
verb
1. omhelzen
halailla
noun
1. korte dikke stok, bedoeld om lijfstraf mee uit te delen
nuija
noun
1.
polttiainen
noun
1. een Australisch buideldier
  1. koala
  2. pussikarhu
noun
1. scheikundig element met symbool Co en atoomnummer 27
koboltti
adjective
koboltinsininen
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Araneae
hämähäkki
noun
1. Ursus arctos middendorffi, de grootste beer en het grootste bekende landroofdier
kodiakinkarhu
noun
1. vrouwelijk rund
lehmä
noun
pikkuleipä
noun
1. een platte pan met een lang handvat
paistinpannu
/[ˈkuc̠͡ç̠jø̜]/
noun
2. klein baksel dat meestal bij de koffie of thee genuttigd wordt
keksi
noun
1.
keksipurkki
noun
1. bepaald soort vogel, Cuculus canorus
käki
noun
klok
käkikello
adjective
1. met een naar verhouding lagere temperatuur dan de warme of hete omgeving
kylmä
/ˈku:li/
noun
kuli
noun
1. een huishoudelijk apparaat voorzien van een koelinstallatie,...
jääkaappi
noun
1.
jäähdytystorni
/ˈkuːmɛlk/
noun
lehmänmaito
noun
kumissi
noun
  1. 1. een gewelf in de vorm van een halve bol of een halve ellipsoïde
  2. 2. een ruimtelijke figuur, veelvlak
kupoli
noun
1. een vereniging of stichting waarin een aantal belangenorganisaties vertegenwoordigd zijn
katto-organisaatio
pronoun
1. een taal die door de Koerden gesproken wordt
  1. kurdi
  2. kurdin kieli
noun
1. kleine witte reigersoort
lehmähaikara
noun
reitti
noun
1. overdekte ruimte waarin koeien kunnen verblijven
navetta
verb
1. iets geliefds nauw aan het hart houden
vaalia
/ˌku.tər.ˈʋaːls/
noun
1. aanduiding voor een onverstaanbare taal
siansaksa
noun
1. vierwielig rijtuig met vering, vaak gesloten, dat getrokken wordt door paarden
  1. vaunut
  2. kärryt
noun
1. stevige metalen stang voorzien van een gespleten einde, gebruikt om er zaken mee open te breken
sorkkarauta
/ˈkuwɛɪ̯t/, /ˈkuʋɛɪ̯t/, /ˈkuβ̞ɛ:t/
pronoun
1. een kleine olierijke monarchie op het Arabische schiereiland in Azië aan de kust van de Perzische Golf
Kuwait
noun
1. draagbare bergruimte van stevig materiaal met een handvat, waarin spullen kunnen worden meegenomen tijdens het reizen
matkalaukku
noun
1. het gedeelte van een auto waar de bagage in geplaatst wordt
tavaratila
noun
1. drank uit koffiebonen
kahvi
noun
café au lait
noun
1. sterk geconcentreerd aftreksel van koffie
kahviuute
noun
kahvipapu
noun
1. het donkere bezinksel van gemalen koffiebonen dat overblijft na het zetten van koffie
kahvinporot
noun
suodatinpussi
noun
1. een uitspanning waar men koffie kan nuttigen
kahvila
noun
1. een huishoudelijk apparaat waarin koffiebonen kunnen worden gemalen
kahvimylly
noun
kahvipensaat
noun
kahvipöytäkirja
noun
  1. 3. metalen bal gebruikt bij kogelstaten
    kuula
  2. 1-2. munitie
    1. kuula
    2. luoti
noun
1. een gat ontstaan door doorboring door een kogel
ampumahaava
noun
1.
kuulalaakeri
adjective
1. kogelvrij
luodinkestävä
noun
1. middeleeuws vrachtschip dat vooral door de Hanze werd gebruikt
koggi
noun
kokki
verb
  1. 2. met behulp van ingrediënten een maaltijd klaarmaken
  2. 1. vloeistof verwarmen totdat er zich in de hele vloeistof bellen vormen die naar boven stijgen en openspringen
keittää
noun
sydänsimpukka
noun
1. bepaald soort zeevogel met een gekleurde kop en een lachende roep, Chroicocephalus ridibundus
naurulokki
/ˈko.kɔsˌbom/
noun
1. een palm die tot 30 m hoog kan worden en 4-6 m lange bladeren heeft
kookospalmu
/ˈko.kɔsˌmɛlk/, /ˈko.kɔsˌmɛɫk/
noun
1. vocht verkregen door het kiemwit van een kokosnoot met water te vermengen en uit te knijpen
kookosmaito
/'kokɔsnot/
noun
1. holle vrucht van de kokospalm met wit vruchtvlees en een vezelige bast
kookospähkinä
/ˈko.kɔsˌo.li/
noun
1. een soort olie gewonnen uit kokosnoten
kookosöljy
/ˈko.kɔsˌpɑlm/, /ˈko.kɔsˌpɑɫm/
noun
1. een palm die tot 30 m hoog kan worden en 4-6 m lange bladeren heeft
kookospalmu
noun
hoge witte muts
kokinhattu
noun
kolhoosi
noun
1. ganzensoort
tundrahanhi
noun
1. een zeer klein vogeltje met een zeer snelle vleugelslag van de familie Trochilidae uit de orde der grootvleugeligen
kolibri
noun
pylväs
noun
1. een hoge militaire rang
eversti
noun
1. een rang in het Pruisische leger, het Duitse keizerlijke leger en de Wehrmacht, het leger van nazi-Duitsland
kenraalieversti
adjective
1. betrekking hebbend op koloniën en het hebben van koloniën
siirtomaa
/'kolonijaˌlismə/
noun
1.
kolonialismi
/koˈloni/
noun
1. een vestiging van een deel van een bevolking, buiten het eigenlijke territorium van dat volk
siirtomaa
noun
asutus
verb
1. koloniën vormen
asuttaa
noun
1. iemand die zich in een kolonie heeft gevestigd
siirtolainen
adjective
jättiläismäinen
pronoun
Kolossalaiskirje
noun
1. eetgerei zoals een bord, maar dan dieper
kulho
/koˈmedi/
noun
1. een blijspel
komedia
noun
1. een licht hemellichaam van ijs, gas en stof, zich in een baan ver buiten die van de planeten bewegend, dat bij het naderen van de zon een wolk van gas en gruis in de vorm van een staart ontwikkelt
komeetta
verb
  1. 1. bewegen van verder weg naar dichterbij
  2. 2. een orgasme hebben
tulla
pronoun
1. macrotaal die door 220 duizend mensen in Rusland gesproken wordt
komi
noun
1. iemand die een publiek vermaakt door ze aan het lachen te brengen
koomikko
noun
plant, zaden en specerij
  1. juustokumina
  2. roomankumina
noun
bepaalde suiker die veel in zoete vruchten voorkomt
juustokuminansiemen
adjective
komedia
/kɔm.ˈkɔ.mər/
noun
1. Cucumis sativus, een langwerpige vrucht die men vooral rauw als salade eet
kurkku
/ˈkɔma/
noun
1. een leesteken dat een pauze aangeeft
pilkku
noun
1. instrument waarvan de naald het magnetische noorden aanwijst
kompassi
pronoun
Kongon vapaavaltio
/kɔˈnɛɪn/, /kɔˈnɛːn/
noun
1. zoogdier dat ook gedomesticeerd kan worden gehouden
  1. kaniini
  2. kani
/ˈkonɪŋ/, /ˈkoːnɪŋ/
noun
  1. 1. het mannelijk hoofd van een koninkrijk
  2. 2. speelkaart waarvan de waarde meestal tussen die van de vrouw en de aas ligt
kuningas
pronoun
  1. kuningasten kirjat
  2. kuninkaiden kirjat
/konɪˈŋɣɪn/, /konɪˈŋɪn/, /koʊnɪˈŋɪn/
noun
kuningatar
noun
kuninkuus
noun
1. een bewuste moord op een koning.
kuninkaanmurha
noun
1.
kuningasvesi
/ˈkonɪŋklək/
adjective
1. betrekking hebbend op een koning, koningin, aan of bij hem, haar behorend, van hem, haar uitgaand
kuninkaallinen
/ˈkonɪŋkˌrɛɪ̯k/, /ˈkoːnɪŋkˌrɛɪ̯k/, /ˈkoːnɪŋkˌrɛːk/
noun
1. staatsvorm met een koning aan het hoofd
kuningaskunta
noun
1. de billen, het achterwerk
perse
noun
1.
autosaattue
/koːɪ/
noun
1. een uit tralies of gaas gemaakt voorwerp dat een ruimte omsluit
häkki
noun
boek waaruit men leert koken
keittokirja
noun
1.
keittotaito
noun
kiehumispiste
noun
  1. 2. een zwarte brandstof die voornamelijk uit koolstof bestaat
    1. hiili
    2. kivihiili
  2. 1. een eetbare plant met veel ondersoorten uit de kruisbloemfamilie
    kaali
noun
1. reukloos gas dat ontstaat bij volledige verbranding van koolstof
hiilidioksidi
noun
1. een bepaald type verbinding van koolstof-, waterstof- en zuurstofatomen
hiilihydraatti
noun
talitiainen
noun
lanttu
noun
  1. kyssäkaali
  2. kaalirapi
/ˈkol.stɔf/
noun
2. een chemisch element en een kleurloos niet-metaal
hiili
noun
hiilikierto
noun
1. verbinding met moleculen van één atoom zuurstof en één atoom koolstof (CO)
hiilimonoksidi
noun
1. bepaald soort vis met donker gekleurde mondholte en rug die voorkomt in het hoge noorden van de Atlantische Oceaan, Pollachius virens
seiti
/kol'watərstɔf/
noun
1. een verbinding die uit koolstof en waterstof is opgebouwd
hiilivety
noun
rapsi
/'kolzyr/
noun
1. H₂CO₃
hiilihappo
noun
1. de hoeveelheid goederen of diensten die gekocht kan worden met een bepaald geldbedrag
ostovoima
noun
1. zeeschip voor het vervoer van handelsgoederen
kauppalaiva
noun
1. een groep mensen die samen zingen
kuoro
noun
1. rechte tussen twee cirkelpunten
jänne
noun
1. (medisch) verhoging van de lichaamstemperatuur
kuume
adjective
košer
noun
1. hielbeentje van het paard
vuohinen
noun
1. beentje van vinger of teen
sormiluu
noun
  1. 1. hoofd van een dier
  2. 2. hoofd van een mens
pää
noun
1.
pukkaus
noun
pähkinä
verb
1. in ruil voor geld iets in bezit krijgen
ostaa
pronoun
1.
Kööpenhamina
noun
2. scheikundig element met symbool Cu en atoomnummer 29
  1. kupari
  2. vaski
/kopi<sup>j</sup>'ɪːrə(n)/
verb
  1. 2. imiteren
    jäljitellä
  2. 1. een duplicaat maken van
    1. kopioida
    2. jäljentää
/ˈkɔplɑmp/
noun
1. een witte of gele lamp aan de voorzijde van een voertuig
valonheitin
noun
1. voetbediening om de verbinding tussen de motor van een voertuig en de wielen te verbreken
kytkinpoljin
noun
1. een streepje om twee of meer woorden een eenheid te laten vormen
yhdysmerkki
noun
1. een werkwoord dat een eigenschap koppelt aan het onderwerp
kopula
noun
1. iemand die tot een stam behoort die aan koppensnellen doet
kykyjenmetsästäjä
/ˈkɔpəx/, /ˈkɔpəç/
adjective
1. vasthoudend aan eigen wil of inzicht
itsepäinen
noun
1. een meestal dodelijk schot in het hoofd
pääosuma
noun
1. skelet van de koraalpoliep
koralli
pronoun
1. randzee van de Grote Oceaan
Korallimeri
pronoun
1. (de tekst van) het heilig boek van de islam
Koraani
/koˈre.ja/
pronoun
1. een schiereiland in Oost-Azië
Korea
/koreˈjaːns/
pronoun
1. taal die in Korea gesproken wordt
korea
noun
1. een balsport waarbij een bal door een mand (korf) moet worden gegooid
korfpallo
noun
1. en 2. (gedroogde) zaden van Coriandrum sativum
korianteri
/korijɑndərblɑt/
noun
1. (gedroogd) blad van Coriandrum sativum
korianterinlehdet
noun
1. gemalen gedroogde zaden van Coriandrum sativum
korianterijauhe
/korijɑndərzaːt/
noun
1. gedroogde zaden van Coriandrum sativum
korianterinsiemen
pronoun
Korinttolaiskirje
noun
  1. op een bugel gelijkend koperen blaasinstrument
  2. 1. rang van vaandrig bij de cavalerie en de artillerie bij de Koninklijke Landmacht
kornetti
noun
kanukka
noun
  1. 1. een enkele zaad van graan
    jyvä
  2. 2. basisdeeltje waaruit een granulair, korrelig materiaal bestaat
    rae
noun
korsetti
/kɔrst/
noun
1. een harde buitenste laag om iets dat verder relatief zacht is
kuori
noun
jäkälä
adverb
  1. 2. van geringe lengte
  2. 1. van geringe duur
lyhyt
noun
1. verlaging van een te betalen bedrag
alennus
noun
2. bijziendheid
lyhytnäköisyys
noun
korundi
noun
1.
korvetti
noun
kosmologia
noun
kosmonautti
adjective
1. op Kosovo betrekking hebbend
kosovolainen
/ˈkɔsɔˌvo/
pronoun
1. land op het Balkanschiereiland dat volgens Servië een provincie van Servië is, maar dat zichzelf als een onafhankelijke staat beschouwt
Kosovo
verb
1. als te betalen prijs hebben
maksaa
noun
1. kerkelijke bediende, die met de zorg van het kerkgebouw, en het vlot verloop van de kerkdiensten belast is
lukkari
noun
1. iemand die (tegen betaling) bij iemand anders voeding en onderdak ontvangt
alivuokralainen
noun
puku
noun
palkansaaja
/kotəˈlɛt/
noun
1. een stuk vlees van een varken, kalf of lam
kyljys
noun
kutteri
/kʌʊt/
adverb
1. niet warm, fris, kil, koel
kylmä
/ˈkɑu̯də/
noun
1. het koud zijn
kylmä
/kaʊ̯s/, /kɔʊ̯s/, /kʌʊ̯s/
noun
1. een aansluitend, meer of minder elastisch kledingstuk dat de voet en (een deel van) het been bedekt
sukka
noun
2. extreem lange peulvrucht
parsapapu
adjective
1. van een persoon dat hij het sneller dan de meeste andere mensen koud heeft...
kylmänarka
noun
1. lid van een hoofdzakelijk Slavisch ruitervolk
kasakka
/kraɪ̯/, /kraːɪ̯/
noun
1.1 bepaald soort zwarte vogel, Corvus corone
  1. varis
  2. varislintu
/ˈkraɪ̯.jə/, /ˈkraː.jə/
verb
1. het voor de haan kenmerkende geluid voortbrengen
kiekua
noun
  1. 1. nest van een kraai
  2. 2. uitkijkplaats in de mast van een schip
märssykori
/ˈkrakben/
noun
1. een speciale vorm van bindweefsel met een elastisch karakter als gevolg van eigenschappen van de extracellulaire matrix
rusto
noun
helmi
noun
lapsivuodekuume
noun
  1. 2. iemand die op een bepaald gebied uitblinkt
    1. hana
    2. kraana
  2. 3. mechanisme waarmee de stroming van vloeistof of gas geregeld kan worden
    1. kraana
    2. nostokurki
noun
1. bepaald soort grote vogel, Grus grus
kurki
noun
1. kreeftachtige die leeft in de nabijheid van water
  1. taskurapu
  2. rapu
noun
1.
raapimapuu
noun
1. vermogen om iets te verrichten
voima
pronoun
1. na Warschau en Łódź de op twee na grootste stad van Polen
Krakova
noun
1. een toestand van onwillekeurige en aanhoudende samentrekking van een spier
  1. kramppi
  2. kouristus
noun
1. twee uit de aorta ontspringende slagaders die de hartspier van bloed voorzien
sepelvaltimo
noun
1. klassiek massamedium, gedrukt op papier en gericht op het verspreiden van nieuws
sanomalehti
/'krɑntəpaˌpir/
noun
1. een soort papier zoals waarop de kranten gedrukt worden
sanomalehtipaperi
noun
1. een lot waarbij men direct weet of men wel of niet gewonnen heeft als men een beschermfolie wegkrast
raaputusarpa
noun
1. houten of plastic doos met openingen in de zijkanten in een standaardformaat, vaak gebruikt voor opslag en het vervoer van flessen, fruit of andere waren
kori
noun
aukko
pronoun
2. teken van de dierenriem van 21 juni tot 23 juli
Krapu
/kreːft/
noun
1. zeekreeft, hommer
hummeri
noun
1. de hoogste breedtegraad van ca. 23,5 ° noorderbreedte waarboven de zon bij zonnestilstand in het zenit staat
Kravun kääntöpiiri
noun
1. Gryllidae
  1. sirkka
  2. heinäsirkka
pronoun
Kreml
noun
1. druif
korintti
pronoun
1. bij Griekenland behorend eiland in de Egeïsche Zee
Kreeta
verb
2. gekreukt raken
kurtistaa
/krønə(n)/
verb
1. ongearticuleerde geluiden maken, vaak van pijn of ander leed
voihkia
noun
1.laag stuikgewas waarbij de takken van de boompjes door elkaar heen groeien
pensaikko
noun
1. voederbak
kaukalo
noun
hapankirsikka
noun
1. iemand die zich toelegt op het voeren van oorlog, met name tussen stammen
sotilas
noun
sotaherra
noun
1. een handeling die erop gericht is om door list en bedrog de vijand te misleiden, zoals het verspreiden van valse geruchten
juoni
noun
1. een olifant die vroeger tijdens op het land uitgevochten oorlogen werd ingezet als strijddier
sotanorsu
verb
1. luidkeels schreeuwend een hoog geluid voortbrengen
kirkaista
noun
1. wit mineraal dat uit calciumcarbonaat bestaat
liitu
noun
2. een textielpatroon bestaande uit dunne, parallel lopende lijnen
liituraita
/krɪm/
pronoun
een schiereiland aan de noordkust van de Zwarte Zee
Krim
pronoun
1. een van de Turkse talen, gesproken door ongeveer een half miljoen mensen, oorspronkelijk van de Krim afkomstig, maar door een deportatie in 1944, nu vooral in Oezbekistan en Kirgizië, maar ook in Moldavië, Roemenië en Turkije gesproken
krimintataari
noun
1. een ronde figuur zoals een cirkel
ympyrä
noun
1. een hoeveelheid ordelijk gerangschikte atomen of moleculen in vaste vorm
kide
/krɪsta'lɛɪn/
adjective
1. een inwendige structuur bezittend die zichzelf eindeloos herhaalt
kiteinen
noun
1. kristalvorming
kiteytyminen
verb
  1. 1. ordeningsproces
  2. 2. doen ordenen
kiteyttää
noun
kristallografia
noun
kidekone
noun
kidesokeri
noun
  1. 1. uitingen waarmee bepaald gedrag, een bepaalde zienswijze e.d. van anderen worden veroordeeld of in twijfel getrokken
  2. 2. een document dat kunstzinnig commentaar levert op een optreden, tentoonstelling, boek , film of andere kunstuiting
kritiikki
adjective
  1. 1. ernaar geneigd vraagtekens te plaatsen achter iets
  2. 2. onder zulke omstandigheden dat er meer neutronen geproduceerd dan geabsorbeerd worden, waardoor een nucleaire kettingreactie op gang kan komen
arvosteleva
/kroˈwatis/, /kroˈwaːtɪs/
adjective
kroatia
/kroˈwatis/, /kroˈwaːtɪs/
pronoun
1. een taal die vooral in Kroatië gesproken wordt
  1. kroatia
  2. kroatialainen
/kroˈwatsi.jə/, /kroˈwaːsi.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Europa ten zuiden van Hongarije
Kroatia
/krux/
noun
1. publieke drinkgelegenheid
kapakka
noun
1. een rol ragout die gepaneerd en gefrituurd wordt
kroketti
/krokoˈdɪl/
noun
1. een groot, in het water levend reptiel dat behoort tot de familie der Crocodylidae
krokotiili
/kroko'dɪlwɑxtər/
noun
1.
krokotiilinvartija
noun
1. irisachtige lentebloem
krookus
verb
1. iemand tot koning of koningin maken door hem of haar in een ceremonie een kroon op het hoofd te zetten
kruunata
noun
kronikka
noun
Aikakirjat
/ˈkronɪŋ/
noun
ceremonie
kruunajaiset
noun
1. hoofddeksel dat door een vorst gedragen wordt
kruunu
noun
1. een metalen dopje voor het afsluiten van flessen
kruunukorkki
noun
1. opstapeling van bladeren
mykerö
noun
1. en 2. (bladeren van) éénjarige plant Cichorium endiva var. latifolia
  1. lehtisikuri
  2. siloendiivi
/krœʏ̯t/, /krœːd/, /krœːt/
noun
yrtti
verb
1. specerij bij een gerecht doen
  1. höystää
  2. maustaa
noun
2. winkel met levensmiddelen
ruokakauppa
noun
1. specerij van de kruidnagelboom
  1. mausteneilikka
  2. neilikka
/krœyjər/
noun
1. iemand die bagage vervoert op o.a. stations en vliegvelden
kantaja
/ˈkrœy.məl/
noun
murunen
noun
1. een soort braam
hilla
/'krʌʏ.pə(n)/
verb
ryömiä
noun
  1. 4. symbool
    risti
  2. 1. geometrisch figuur
    1. risti
    2. rasti
noun
1. kleine vinkachtige zangvogel
käpylintu
noun
1. Ribes uva-crispa
karviainen
noun
1.
ristipölytys
/ˈkrœʏsər/
noun
  1. 1. een oorlogsschip dat hoge snelheden kan halen
  2. 2. een type jacht
risteilijä
noun
1. een door een blok hout verschuifbare liniaal, die is voorzien van een ijzeren punt
työntöpiirtopuikko
verb
1. een vorm van executeren: aan het kruis hangen tot de dood erop volgt
ristiinnaulita
/krœʏ̯s.kɛrk/, /krœːs.kɛrk/
noun
1. een kerkgebouw waarvan de plattegrond een kruisvorm heeft
ristikirkko
noun
1. een plaats waar twee of meer wegen elkaar kruisen
risteys
noun
1.
matkanopeus
noun
1. ondernemingen van de westerse christenen tussen 1095 en 1271 in Palestina
ristiretki
noun
1.
ristiretkeilijä
/krœʏ̯sˈvɔr.məχ/, /krœːsˈvɔr.məx/
adjective
1. de vorm van een kruis hebbend
ristinmuotoinen
noun
sanaristikko
noun
1. kruiswoordpuzzel
sanaristikko
noun
1. een eenwielige kar met twee lange handgrepen voor het transport van zware, meestal losse lading
kottikärry
noun
  1. 1. simpel zitmeubel zonder leuningen
    1. jakkara
    2. palli
  2. 2. hulpmiddel bij het lopen
    kainalosauva
noun
1. en 2. (bladeren van) éénjarige plant Cichorium endiva
friseesalaatti
/ˈkrʏl.spɛlt/
noun
1. hulpmiddel waarom je een haarlok kunt wikkelen om krullen te maken in stijlhaar
papiljotti
noun
kiharrin
noun
1. scheikundig element met symbool Kr en atoomnummer 36
krypton
adjective
1. als hoofdassen vier gelijkwaardige drietallige assen bezittend in de richting van de lichaamsdiagonaal van een kubus samen met drie gelijkwaardige assen in de richting van de ribben van de kubus die ten minste twee- en ten hoogste viertallig zijn
kuutiollinen
noun
1. 20-eeuwse stroming binnen de beeldende kunst waarin de werkelijkheid op een sterk vereenvoudigde manier wordt weergegeven
kubismi
noun
1. een regelmatig zesvlakkig lichaam, begrensd door zes gelijke vierkanten
kuutio
/'kɵdə/
noun
  1. een kudde schapen
    katras
  2. 1. een groep samenlevende (zoog)dieren
    lauma
noun
1.
töyhtötiainen
/ˈkœʏ̯kə(n)/, /ˈkœːkə(n)/
noun
donzig jong vogeltje
untuvikko
adjective
siveä
noun
  1. 2. visseneitjes
    mäti
  2. 1. deel van het been
    pohje
/kykələky/
interjection
1. het geluid van een haan
kukkokiekuu
noun
1. en 2. (citrusvrucht van) plant Citrus japonica
  1. kumkvatti
  2. kääpiöpomeranssi
verb
1. in staat zijn om, het vermogen hebben om
  1. voida
  2. osata
noun
1. toepassing van opvallende vaardigheid en verbeelding om iets moois of betekenisvols te scheppen
taide
noun
1. iemand die voor zijn beroep kunst koopt en verkoopt
taidekauppias
adjective
1. door menselijk, moedwillig ingrijpen tot stand gekomen
keinotekoinen
noun
1. een combinatie van chemische stoffen die aan de aarde wordt toegevoegd ter bemesting daarvan
apulanta
noun
1. sport waarbij individuelen, paren en groepen schaatsers rotaties, sprongen en andere bewegingen op het ijs maken, die vaak met muziek wordt uitgevoerd
taitoluistelu
/ˈkʏns.tal/, /ˈkʏns.taɫ/
noun
1. een artificiële of geconstrueerde taal is een taal waarvan de structuur, vocabulair en grammatica speciaal ontworpen is door een individu of een kleine groep, inplaats van op een natuurlijke wijze geëvolueerd in een cultuur
  1. tekokieli
  2. keinotekoinen kieli
/kʌnstwɛrk/
noun
1. resultaat van een inspanning om iets te maken dat bijzonder mooi of indringend is
taideteos
/kʏrk/
noun
1. licht, poreus materiaal, afkomstig van de kurkeik
korkki
/kʏr.kɛi̯k/, /kʏr.kɛːk/, /kʏrk.ʔɛi̯k/
noun
1. Quercus suber; een boom uit de napjesdragersfamilie
korkkitammi
noun
1. een werktuig om flessen te ontkurken
korkkiruuvi
noun
plant en specerij
  1. kurkuma
  2. maustekurkuma
noun
1. het de lippen ergens tegenaandrukken om affectie uit te drukken
suudelma
noun
1. een met zacht materiaal gevulde zak, dienende om het (slaap)comfort van de gebruiker te verbeteren
  1. tyyny
  2. pehmuste
verb
1. een kus geven
suudella
noun
1.
tyynysota
/'kɵst/
noun
1. de waterkant langs de zee
  1. rannikko
  2. ranta
noun
merivartiosto
/kɵt/
noun
vrouwelijk schaamdeel
vittu
noun
1. een oord met geneeskrachtige baden
  1. kylpylä
  2. terveyskylpylä
adjective
1. schade aanrichtend
pahanlaatuinen
noun
1. het innerlijk slecht zijn
ilkeys
/kʋɑp/
noun
2. een gedeelte van lever, longen of hersenen
aivolohko
noun
1. langwerpige, op de bodem levende zoetwatervis, Lota lota
made
/kʋɑk/
noun
2. bepaalde reigersoort, Nycticorax nycticorax
yöhaikara
verb
1. witter
kurnuttaa
/kʋɑl/
noun
1. vrijzwemmend, voornamelijk in zee levend ongewerveld dier met een geleiachtig lichaam in de vorm van een klok of paraplu
meduusa
noun
kvalifikaatio
/kvalitɑ'tif/
adjective
1. naar de hoedanigheid, betreffende de kwaliteit
laadullinen
noun
  1. 1. een peil van uitmuntendheid
  2. 2. eigenschap
laatu
adjective
1. met betrekking tot de hoeveelheid
kvantitatiivinen
noun
määrä
noun
1. de kleinste natuurlijke eenheid die in onze kosmos voorkomt
kvantti
noun
kvanttikemia
noun
kvanttitietokone
noun
vorm van onkraakbare beveiliging voor elektronische communicatie
kvanttisalaus
noun
getal dat in de kwantummechanica wordt gebruikt voor het beschrijven van de eigenschappen van bepaalde deeltjes
kvanttiluku
noun
1. studie en beschrijving van het gedrag van de kleinste deeltjes
kvanttimekaniikka
noun
een theoretisch kader voor de constructie van kwantummechanische modellen van veld-achtige systemen of, equivalent, veeldeeltjessystemen
kvanttikenttäteoria
noun
lomittuminen
noun
3,4
kvartti
noun
1. Coturnix coturnix, vederwild en hoendervogel
viiriäinen
noun
1. bepaald soort vogel, Crex crex
ruisrääkkä
noun
1. een groep van vier muzikanten
kvartetti
noun
1. (in een toernooi) een van de vier wedstrijden waarin gestreden wordt voor een plaats in de halve finale(s)
neljännesfinaali
noun
1.
neljäsosanuotti
noun
een vorm van siliciumdioxide
kvartsi
/kʋɑst/
noun
  1. 5. Limonade
    sitruunamehu
  2. 1. Versiering
    tupsu
noun
1.
nelisäe
noun
1.
hyötöreaktori
/ˈkwe.peːr/, /ˈkʋe.pɪːr/, /ˈkβ̞e.peːr/
noun
1. een peervormige vrucht van de Cydonia oblonga
kvitteni
verb
1. pijn of ergernis bezorgen
kiusata
adjective
1. weinig beschermd tegen beschadiging
haavoittuvainen
noun
haavoittuvuus
/kʋɛi̯t/
adjective
kwijt zijn
hukassa
noun
1. een scheikundig element en zilverwit overgangsmetaal met symbool Hg en atoomnummer 80
elohopea
noun
1. benaming voor vogels uit de geslachten Motacilla en Dendronanthus
västäräkki
noun
1. een metaal dat vloeibaar is bij kamertemperatuur
elohopea
noun
1.
sukkeluus
noun
1.
kvintti
noun
1. een pot bestemd voor het opvangen van sputum
sylkykuppi
verb
1. druk met de staart zwaaien.
heilua
/ˈkʋɪstəx/, /ˈkβ̞istəç/
adjective
1. op lichtzinnige wijze verbruikend
tuhlaavainen
noun
kuitti
pronoun
1. de hoofdstad van Oekraïne
Kiova
noun
1. muzieknoot
la
pronoun
La Mancha
pronoun
La Rioja
/lax/
adjective
  1. 1. niet ver boven iets anders zijn
    1. alhainen
    2. matala
    1. 2. niet vergevorderd zijn in een rangorde of volgorde
    2. 3. geluid met een klein aantal trillingen per tijdseenheid
    3. 4. met een beperkt aanzien
    matala
noun
alanko
noun
1. weg die aan beide kanten wordt geflankeerd door bomen
puistokatu
noun
1. een schoen met een hoge schacht die een deel van het been bedekt
saapas
adjective
  1. 2. 's avonds, 's nachts
    myöhäinen
  2. 1. na het voorziene ogenblik
    myöhässä
adjective
1. overtreffende trap van laat
viimeinen
adjective
huuli
noun
1. met de lippen gevormde medeklinker, lipklank
huuli
noun
1. ruimte voor wetenschappelijk onderzoek
laboratorio
noun
1. een stelsel van paden of dwaalwegen, zodanig aangelegd dat men daarin moeilijk de weg kan vinden
labyrintti
/lɑx/, /lɑχ/
noun
1. een vrolijkheidsuiting door middel van het optrekken van de mondhoeken en vaak...
nauru
verb
1. zichtbaar en/of hoorbaar blij zijn met iets of iets grappig vinden
nauraa
noun
1. vluchtige verbinding, N₂O
ilokaasu
noun
1. enzym dat in de dunne darm lactose kan afbreken
laktaasi
noun
is een suiker die o.a. in melk voorkomt
laktoosi
noun
het niet kunnen verdragen van melksuiker
laktoosi-intoleranssi
noun
1. iets dat ontbreekt
aukko
noun
1. houten of metalen voorwerp met treden om makkelijk op hoger gelegen plaatsen te komen
  1. tikapuut
  2. tikkaat
noun
1. uitschuifbare bergplaats
vetolaatikko
noun
1. bergmeubel met een of meer platte bakken
lipasto
/ˈlaːdə(n)/
verb
1. van een lading voorzien
ladata
noun
    1. 1. goederen die vervoerd worden
    2. 2. een grote hoeveelheid
    kuorma
  1. 3. opeengehoopte elektriciteit
    lataus
pronoun
1. Romaanse taal gesproken door 35 duizend mensen in Italië en de Verenigde Staten
ladino
noun
1. beschadiging van het weefsel in een organisme
leesio
/lɑf/
adjective
1. een gebrek aan moed tonend
pelkurimainen
/ˈlɑfart/
noun
1. iemand die door zijn angst wegvlucht uit gevaarlijke situaties.
pelkuri
/ˈlɑfɦɛit/
noun
1. de neiging keuzes te maken die van weinig moed getuigen
pelkuruus
noun
1. ondiep meer
laguuni
pronoun
1. stad in Pakistan
Lahore
noun
1. stof die een dunne beschermlaag vormt nadat ze opgelost in een vluchtig oplosmiddel...
lakka
/ˈlakə(n)/
noun
2. een rechthoekig stuk stof dat ter bedekking dient, m.n. bij het slapen
lakana
noun
lakmus
/ˈlɑk.mus.ˌpruf/
noun
lakmustesti
noun
1. jong van het schaap
karitsa
noun
1. soort Zuid-Amerikaans eeltpotig zoogdier Lama glama
  1. laama
  2. lama
noun
1. in het water levende zoogdieren uit het geslacht Trichechus
manaatti
noun
1.
laminaatti
/lɑmp/
noun
1. een voorwerp gemaakt om licht te geven
  1. lamppu
  2. valaisin
noun
1. kap over een lamp om het licht af te schermen
lampunvarjostin
noun
1. een kan met waswater, vaak samen met een ondiepe teil, de waskom, bedoeld om zich in de morgen...
kannu
noun
1. benaming voor vissen uit de familie Petromyzontidae
  1. nahkiainen
  2. nahkiaiset
noun
1. een dubbelsnedig operatiemes
lansetti
noun
    1. 1. gedeelte van het aardoppervlak dat boven water uitsteekt
    2. 2. dat deel van de aardbodem dat geschikt is voor bebouwing...
    maa
  1. 4. niet verstedelijkt gebied
    1. maa
    2. maaseutu
  2. 3. een geografisch gebied aan één bepaald gezag onderworpen
    1. maa
    2. valtio
/ˈlɑntbɑuw/
noun
1. het cultiveren van land voor de voortbrengst van voedsel en andere nuttige producten
  1. maatalous
  2. maanviljely
noun
1.
kannas
adjective
2. met betrekking tot minder bevolkte, niet-stedelijke gebieden
maalais-
verb
1. vanuit de zee, de lucht of de ruimte voet op vaste bodem zetten
laskeutua
noun
2. vlucht van vliegtuigen...
laskeutuminen
noun
maisema
noun
1. schildpad uit de familie Testudinidae
kilpikonna
noun
1. smalle strook land die zich in zee of meer uitstrekt
niemi
adjective
1. van grote duur
pitkä
adjective
1.
pitkäsäärinen
noun
kissankieli
adjective
1.lang en smal
pitkulainen
noun
1. een manier van voortbewegen op latten door de sneeuw
maastohiihto
noun
1.
langusti
noun
1. benaming voor muggen met opvallend lange broze poten, die de familie Tipulidae vormen
  1. vaaksiainen
  2. vaapsahainen
preposition
1. terzijde van, evenwijdig aan
pitkin
adjective
1. waar al lang naar uitgekeken werd
kauan odotettu
/lɑŋ.ʋɛr.pəx/
adjective
1. lang en smal van vorm
pidennetty
/ˈlɑŋzam/
adjective
1. met weinig snelheid
hidas
noun
1. een lang steekwapen met een metalen punt
keihäs
noun
1. Chemisch element
lantaani
noun
lantanoidi
/ˈla.ɔs/
pronoun
1. een land in Azië grenzend aan Myanmar, China, Vietnam, Cambodja en Thailand
Laos
pronoun
1. een taal die in Laos gesproken wordt
lao
noun
1. een stuk van iets
paikka
noun
1. met een kijkbuis in de buikholte kijken en opereren
laparoskopia
pronoun
Lappi
noun
1. een tijdelijke oplossing die geen definitieve oplossing is
hätävara
noun
1. een deken gemaakt uit verschillende losse delen die aan elkaar gestikt zijn
palapeli
noun
1. kleine draagbare computer
kannettava tietokone
noun
1. jeugdstadium van de meeste insecten en veel amfibieën
toukka
noun
lasagna
noun
1. lichtbron die uiterst intense lichtstraal van één kleur uitzendt
laser
noun
1. krachtige geconcentreerde lichtstraal met licht van maar één golflengte
lasersäde
verb
1. door plaatselijke sterke verhitting van de voeg twee metalen voorwerpen met elkaar verbinden
hitsata
noun
1. iemand die stukken metaal op een naad door sterke plaatselijke verhitting verbindt
hitsari
noun
1. een gedomesticeerd dier dat men gebruikt om vracht te vervoeren
  1. juhta
  2. kantojuhta
noun
1. onterechte beweringen die iemand in een kwaad daglicht stellen
herjaus
noun
1. actie met als doel iets of iemand in de goede naam aan te tasten
loanheitto
verb
1. ten onrechte kwaadspreken over iemand
loata
noun
1. latei
kamana
adjective
1. sluimerend
latentti
/ˈlaː.tər/
adjective
katsellaan myöhemmin
/'la.tɛks/
noun
lateksi
pronoun
1. taal van de Romeinen in de oudheid, die later in gebruik bleef in religie en wetenschap
latina
pronoun
Latinalainen Amerikka
noun
1. de reeks lettertekens oorspronkelijk gebruikt om teksten in het Latijn te schrijven en tegenwoordig met aanpassingen voor veel talen gebruikt
latinalaiset aakkoset
noun
1.
ristikko
noun
boom en kruid
laakeri
noun
2. (gedroogde) bladeren van Laurus nobilis
laakerinlehti
pronoun
1.
Lausanne
/laʊ̯/, /lʌʊ̯/, /lʌː/
adjective
1. een temperatuuraanduiding die tussen warm en koud ligt
haalea
noun
1. vloeibaar gesteente dat uit een vulkaan tevoorschijn komt
laava
noun
1. bepaald kruid, Levisticum officinale, dat zowel in de keuken als in de geneeskunde gebruikt wordt
liperi
noun
1. Lavandula, een struik uit de lipbloemenfamilie Lamiaceae
laventeli
verb
1-2 bij tegenwind zigzagsgewijs opzeilen
luovia
/la'ʋaj/
noun
1. luid en storend geluid
melu
/la'ʋinə/
noun
1. een sneeuwverschuiving op een berghelling
lumivyöry
noun
1. Chemisch element
lawrencium
noun
laksatiivi
noun
1. de vierde maag van een herkauwer, zoals een rund
juoksutusmaha
noun
1. fosfatidylcholine, een fosfolipide die de hoofdmoot uitmaakt van een fosfatidefractie die uit eidooier
lesitiini
noun
luennoija
/lɛt/
noun
1. elektronische lichtbron in de vorm van een diode die licht uitstraalt
ledi
/ˈledəmat/
noun
1. een aan de romp aanhangend onderdeel van het lichaam dat door spieren bewogen kan worden...
raaja
noun
1. het niets doen, het niets te doen hebben
joutilaisuus
noun
1. het genoegen scheppen in het leed van een ander
vahingonilo
noun
1. een langwerpig fijnmazig net met als doel de gevangen vis een poosje te bewaren, rond of vierkant van vorm met een gesloten bodem en een vernauwing aan de bovenzijde
kalakori
noun
1. de tijd dat iemand leeft of geleefd heeft, het totaal aantal levensjaren
ikä
/lex/
adjective
1. zonder inhoud
tyhjä
/lek/
noun
1. iemand die niet deskundig is op een bepaald gebied
maallikko
/lem/, /leɪm/
noun
1. kleihoudende grondsoort
hiue
/len/
noun
1. leengoed; vastgoed dat door de heer aan zijn vazal ten gebruike werd afgestaan
läänitys
noun
1.
feodaaliherra
/ˈlenvərˌtalɪŋ/
noun
1. woord dat aan een vreemde taal is ontleend in letterlijke vertaling en analoge constructie
käännöslaina
/ˈlenʋɔːrt/
noun
1. een woord dat door een taal aan een andere taal ontleend is
lainasana
noun
1. stof vervaardigd door het looien van een dierenhuid
nahka
noun
1. een boek bedoeld om er iets uit te leren
oppikirja
noun
1.
oppipoika
noun
1. iemand die onderwijs volgt
oppilas
noun
1. stoornis bij het leren
oppimisvaikeus
adjective
luettava
noun
1. een bril die op leesafstand een scherp beeld geeft
lukulasit
/lest/
noun
1. schoenvorm
lesti
noun
1. conventioneel symbool in interpunctie
välimerkki
pronoun
2. teken van de dierenriem van 23 juli tot 23 augustus
Leijona
noun
1. Panthera leo een groot katachtig roofdier met lange manen
leijona
noun
1. plant van het geslacht Antirrhinum waarvan de bloem lijkt op de muil van een leeuw
leijonankita
noun
leijonanosa
noun
  1. leivo
  2. kiuru
noun
1. vrouwtje van de leeuw
naarasleijona
adjective
branie, moed
sisu
adjective
1. wettig, rechtmatig
  1. laillinen
  2. lainmukainen
noun
1. testamentaire beschikking
lahjoitus
noun
1. de uitleg over de gebruikte symbolen
selite
/ˈleːɣər/, /ˈleːχər/
noun
1. een militaire strijdmacht
  1. armeija
  2. maavoimat
noun
1. Metaalverbinding van twee of meer elementen
  1. metalliseos
  2. lejeerinki
noun
legioona
verb
legitimoida
/ˌleɣyˈwan/
noun
1. hagedis
iguaani
pronoun
Leiden
verb
  1. 1. een leidinggevende functie hebben
  2. 2. iets tot gevolg hebben
johtaa
noun
johtoaihe
pronoun
1.
Leingarten
noun
1. blauwgrijs gesteente
saviliuske
noun
1. opening waardoor een vloeistof of een gas in of uit kan
vuoto
noun
vuoto
verb
1. vloeistof laten ontsnappen
vuotaa
adjective
1. aangenaam van smaak
hemaiseva
noun
lilja
/le.li.tʲə.vɑn.da.ləⁿ/
noun
1. bepaald soort kleine tot 30 centimeter hoge vaste plant, Convallaria majalis
kielo
/ˈleːlək/
adjective
1. onprettig om naar te kijken, niet mooi
ruma
noun
  1. 3. een hulpstelling waarvan de juistheid in afwachting van nader bewijs wordt aangenomen
    apulause
  2. 1. het eerste woord van een artikel in een woordenboek of encyclopedie
    hakusana
noun
1. een knaagdier dat vooral in het hoge noorden op de toendra's voorkomt
sopuli
noun
1. laagste deel van de rug voor het kruis
kuve
verb
1. iets wat eigendom is van een ander tijdelijk gebruiken, al dan niet in ruil voor een kleine vergoeding
lainata
noun
1. ontlener, leningnemer
lainaaja
noun
1. kabeljauwachtige zoutwatervis, Molva molva
molva
/ˈlɛŋktə/
noun
  1. 1. afmeting van een voorwerp
  2. 2. tijdsduur
pituus
noun
pituus
noun
laina
noun
leninismi
noun
  1. 1. een geslepen stuk transparant materiaal dat lichtstralen breekt
  2. 2. een stelsel van lenzen of lensdelen dat op een camera zit zodat er een scherp beeld op de film of CCD wordt geprojecteerd
  3. 3. een zeer kleine glazen of kunststof lens die men direct op de oogbol plaatst ter vervanging van een bril
linssi
noun
1. seizoen
kevät
pronoun
. spelwoord voor de letter l
Leo
/ˈlepəɫ/
noun
1. een voorwerp bestaande uit een greep en een kom(metje), waarmee vloeibaar voedsel wordt gegeten
lusikka
noun
1. een steltloper ter grootte van een ooievaar met een lepelvormige snavel
kapustahaikara
noun
2. benaming voor kruisbloemige planten van het geslacht Cochlearia
kuirimot
noun
lepra
/ˈleːraˑr/
noun
1. iemand die lesgeeft
opettaja
/ˈleːrə/, /ˈlɪːrə/
verb
1. kennis of vaardigheid verwerven
oppia
/lɛs/
noun
1. onderricht gedurende een korte tijd
oppitunti
verb
1. de taak van een leraar op zich nemen
opettaa
/le.'sɔ.to/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel het Koninkrijk Lesotho
Lesotho
/ˈlɛsə(n)/
verb
1. met vocht de dorst beëindigen
sammuttaa
noun
1. een standaard om bladmuziek op te plaatsen
lehteri
/lɛt/
noun
1. een inwoner van Letland, of iemand afkomstig uit Letland
latvialainen
/ˈlɛtlɑnd/, /ˈlɛtlɑnt/
pronoun
1. een Europees land aan de Oostzee
Latvia
/ˈlɛtlɑnds/, /ˈlɛtlɑnts/
adjective
1. betreffende Letland
latvialainen
/lɛts/
adjective
1. betreffende Letland
  1. latvialainen
  2. latviankielinen
/lɛts/
pronoun
1. de officiële taal van Letland
  1. latvia
  2. latvian kieli
noun
1. lichamelijke schade met name aangericht in een ongeluk of gevecht
vamma
noun
1. een teken om in geschreven taal een klank van de gesproken taal weer te geven
  1. kirjain
  2. aakkonen
/ˈlɛtərˌxrep/, /ˈlɛtərˌɣrep/
noun
1. elk van de groepen waarin een woord kan worden verdeeld
tavu
noun
1. een stylistisch samenhangende set tekens die meestal letters, cijfers en leestekens uitbeelden
kirjasintyyppi
/'lɛtərzɛtər/
noun
2. Ips typographus, een schorskever die vooral leeft op de spar
kirjanpainaja
/ˈløːɣən/, /ˈlʏːχən/
noun
1. mededeling die niet waar is, met de bedoeling om anderen te misleiden
  1. valhe
  2. vale
noun
1. iemand die bewust dingen zegt die niet waar zijn
valehtelija
noun
1. bloedkanker
leukemia
noun
1. witte vlekken, plekvormige witte verkleuring van slijmvlies door chronische ontsteking
leukoplakia
verb
1. steunen, het evenwicht bewaren door het eigen gewicht deels door iets anders te laten steunen
nojata
/ˈløːˌvə(n)/
pronoun
1. de provinciehoofdstad van Vlaams-Brabant in België
Leuven
/'levən/
noun
  1. 2. de tijdsspanne die men levend doorbrengt
  2. 1. een voortbestaan van organismen, gericht op groei en/of vermenigvuldiging
  1. elämä
  2. elo
/'levən/
verb
1. het doormaken van het leven
  1. elää
  2. olla elossa
adjective
elossa oleva
adjective
1. vol opgewekte drukte
reipas
adjective
1. tot de dood durend
elinikäinen
noun
1. de kwaliteit van de omgeving die er voor zorgt dat men in leven kan blijven
elinolosuhteet
noun
elämäntapa
noun
1. het kunnen gaan leven
toteuttamiskelpoisuus
noun
1. de manier van leven van een levend wezen
elämänmuoto
noun
1. een bruinkleurig orgaan dat gal produceert
maksa
noun
1.
maksapaise
noun
hankkija
/ˈlevərˌblumpʲə/
noun
1. Hepatica nobilis, een plant uit de ranonkelfamilie
  1. sinivuokko
  2. lehtosinivuokko
noun
kalanmaksaöljy
noun
maksamakkara
/leˈvijatɑn/
noun
1. reusachtige waterslang
leviatan
pronoun
3. Mooseksen kirja
noun
lekseemi
verb
1. zien en interpreteren van geschreven tekst
lukea
noun
1. iemand die (een bepaald geschrift) leest
lukija
noun
lukema
/ˈli.ba.nɔn/, /ˈli.bɑ.nɔn/
pronoun
land in het Midden-Oosten, grenzend met Israël en Syrië, officieel de Libanese Republiek
Libanon
/li.ˈbɛl/, /li.ˈbɛɫ/
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Odonata
  1. korento
  2. sudenkorento
/libəˈral/
adjective
liberaali
noun
liberalismi
/li.'beː.ri.ja/, /li.'bɪː.ri.ja/
pronoun
land in West-Afrika, officieel de Republiek Liberia
Liberia
/'libido/
noun
1. geslachtsdrift
libido
adjective
1. op Libië betrekking hebbend
libyalainen
/ˈli.bi.jə/
pronoun
1. een land in Noord-Afrika, officieel de Staat Libië
Libya
noun
libraatio
noun
1.de gangbare benaming voor het tekstboekje van een opera, operette, ballet of musical
libretto
noun
    1. 3. een hoeveelheid materie met een bepaalde vorm
    2. 2. een instantie
    ruumis
  1. 1. een geheel van botten, vlees en organen van een mens of dier
    1. ruumis
    2. keho
/ˈlɪxamsbəˌweɣɪŋ/
noun
1. bezigheden die bijdragen aan de lichamelijke fitheid
harjoittelu
/ˈlɪxaːmzdeːl/
noun
1. onderdeel van een lichaam
ruumiinjäsen
noun
kehonkieli
/ˈlɪxaːmstɛmpɛrɑˌtyːr/
noun
1. temperatuur van een lichaam
ruumiinlämpö
adjective
  1. 2. van een gewicht
    kevyt
  2. Vertalingen: na te kijken en onderverdelen per verklaring
    1. kevyt
    2. vaalea
  3. 1. helder van kleur
    1. vaalea
    2. valo
noun
  1. 2. lichtbron
    valo
  2. 1. Elektromagnetische golven
    1. valo
    2. vaalea
adjective
vaalean harmaa
noun
1. de afstand die het licht in één jaar aflegt, ongeveer 9460 miljard kilometer
  1. valouuosi
  2. valovuosi
noun
1. de snelheid waarmee het licht zich voortplant in het luchtledige (ongeveer 299792 km/s)
  1. valonnopeus
  2. valon nopeus
noun
valosaaste
noun
1. iemand die behoort tot een groep, organisatie of sekte
jäsen
noun
1. de status van iemand als lid van een organisatie
jäsenyys
noun
1. Equisetum palustre
suokorte
noun
1. een staat die toegetreden is tot een inter- of supranationale organisatie
jäsenvaltio
noun
artikkeli
/ˈlixtə(n)ˌstɛɪ̯n/, /ˌlixtə(n)ˈstɛːn/, /ˌliχtə(n)ˈstɛɪ̯n/
pronoun
1. een klein land in Europa gelegen tussen Zwitserland en Oostenrijk
Liechtenstein
noun
1. muzikale vorm waarin tekst op muziek wordt verklankt
laulu
noun
1. een boek met een verzameling (kerkelijke) liederen
laulukirja
noun
1.het geven van hulp
hyväntekeväisyys
noun
1. uiting of gevoel van grote genegenheid en/of het zich aangetrokken voelen
  1. rakkaus
  2. lempi
adjective
1. niet getuigend van enige vorm van liefde
rakkaudeton
noun
1. brief waarin men zijn liefde betuigt
rakkauskirje
noun
1. roman met liefdesperikelen als hoofdonderwerp
rakkausromaani
noun
1. min of meer plechtige bekendmaking van de liefde of bewondering die men voor iets of iemand voelt
rakkaudenosoitus
verb
1. liefde voelen tot iemand of iets
rakastaa
noun
harrastaja
verb
hyväillä
verb
1. met opzet feiten vertellen die niet de waarheid zijn maar wel als dusdanig worden gepresenteerd
valehdella
/lir/
noun
1. een Grieks snaarinstrument
lyyra
noun
1. anatomie
nivunen
noun
1. benaming voor kevertje van de familie Coccinellidae
leppäkerttu
/ˌlivə'vraʊ̯wəˌbɛtstro/, /ˌlivəˌvrɔʊ̯β̞ə'bɛtstro/, /ˌlivəˌvrʌʊ̯β̞ə'bɛtstro/
noun
1.
tuoksumatara
noun
1. een verticaal transportsysteem voor goederen en mensen
hissi
verb
1. liften (meerijden)
liftata
noun
1. opwaartse kracht
nostovoima
noun
liiga
noun
1. bindweefselband
nivelside
noun
nojapyörä
verb
1. zich horizontaal in toestand van rust gelegd hebben
maata
/lɪχ.ˈni.nə/
noun
1. een aromatische verbinding die door nagenoeg alle planten wordt gemaakt en die de plant stevigheid geeft
ligniini
/'lɪxplats/
noun
2. een plaats waar een boot kan liggen
laituripaikka
pronoun
Liguria
noun
1. olijfachtige heester veel gebruikt voor het maken van heggen
likusteri
verb
1. smart en ellende ondergaan
kärsiä
phraseologicalUnit
1. zinsdeel waarop de actie die wordt uitgedrukt door een overgankelijk werkwoord rechtstreeks van toepassing is
objekti
/lɛi̯f/
noun
1. lichaam
vartalo
noun
maaorjuus
pronoun
1. een Finoegrische taal die in Estland en Letland gesproken wordt
liivi
noun
1. levenslange rente
elinkorko
noun
1. een straf waarbij iemand lijfelijk pijn gedaan wordt
ruumiinrangaistus
/ˈlɛɪfʋɑxt/
noun
  1. 2. een lid van een lijfwacht
  2. 1. de wacht die met de bewaking van een vorst of aanzienlijk persoon belast is
henkivartija
noun
1. hybride kruising tussen een mannetjesleeuw en een vrouwtjestijger
liikeri
noun
1. dood lichaam
  1. ruumis
  2. kalmo
/ˈlɛi.kə(n)/
verb
2. naar aanschijn zijn
näyttää
/ˈlɛɪkxeˌʋat/
noun
1. de kleding waarin een overledene begraven wordt
käärinliina
noun
1. doek waarin men een overledene wikkelt; kleed dat men over een lijkkist legt tijdens de begrafenis
arkkuvaate
noun
1. textiel waarin een overledene begraven wordt
kuolinvaate
noun
1. een voortuig ingericht om een stoffelijk overschot te vervoeren
ruumisauto
noun
1.
ruumispussi
noun
1. plakmiddel
liima
verb
1. twee of meer delen aan elkaar bevestigen met behulp van een kleefstof
liimata
/lɛi̯n/
noun
    1. 1. een streep
    2. 2.
    liina
  1. 11. een band, riem om een huisdier in te tomen
    talutushihna
/ˈlɛɪnzat/
noun
1.
pellavansiemen
/lɛist/
noun
1. een opsomming van zaken die onder elkaar staan
lista
noun
1. benaming voor zangvogels uit de familie Turdidae
rastas
noun
1. geslacht van loofbomen, Sorbus
pihlajat
noun
liikavarvas
noun
tykkäys
verb
tykätä
noun
1. een drank bereid met gestookte alcohol, aangevuld met smaakstoffen en veelal ook suiker
likööri
verb
1. met de tong aanraken
nuolla
noun
1. lichte tint van paars
violetti
noun
1. en 2. (zaden van) plant Phaseolus lunatus
  1. limanpapu
  2. voipapu
  3. valkoinen voipapu
/ˈlɪm.bʏrx/, /ˈlɪm.bʏrχ/
pronoun
1. provincie in het zuidoosten van Nederland
Limburg
/ˈlɪm.bʏrxs/, /ˈlɪm.bʏrχs/
pronoun
1. verzamelnaam van een reeks variëteiten van de Germaanse taalfamilie
  1. limburgi
  2. limburg
noun
een dichtvorm van 5 regels met een vrij strak metrum
limerikki
noun
limnologia
noun
1. Een citrusvrucht
  1. limetti
  2. lime
noun
1. een drank die vervaardigd is van citroensap, suiker en water
  1. limonadi
  2. sitruunasooda
/ˈlɪndə/
noun
loofboom
lehmus
adjective
1. lijnvormig
lineaarinen
noun
1. beoefenaar van de taalkunde
kielitieteilijä
noun
1. wetenschap die taal als onderzoeksobject heeft
kielitiede
/ˌliniˈ<sup>ʲ</sup>aɫ/
noun
1. een meetinstrument waarmee lengtes kunnen worden opgemeten
viivain
noun
2. een verwijzing
linkki
noun
1.
vasen ranta
adjective
1. tegenovergestelde van rechts
vasen
adjective
1. wanneer men de linkerhand verkiest boven de rechter voor alledaagse handelingen
vasenkätinen
noun
1. product afkomstig uit vlas
pellava
noun
1.
linolihappo
noun
1. lange, smalle strook stof
nauha
noun
1. een platte worm die parasiteert in de darm bij mens en dier
heisimato
noun
vannesaha
noun
linssi
noun
1. anatomie
huuli
/liˈpidə/
noun
1. vetten en vetachtige stoffen die in de biochemie een belangrijke rol spelen
lipidi
noun
tyhjä puhe
noun
  1. 1. stift met zacht materiaal dat op de lippen opgebracht wordt om de kleur daarvan beter te laten uitkomen
  2. 2. zacht materiaal dat op de lippen opgebracht wordt om de kleur daarvan beter te laten uitkomen
huulipuna
noun
1. soort baars, vis behorend tot de familie van lipvissen
huulikala
noun
1. Typha
osmankäämi
/ˈlɪspələ(n)/
verb
sammaltaa
pronoun
1.
Lissabon
noun
1.
litania
/litər/
noun
1. een inhoudsmaat voor voornamelijk vloeistoffen en gassen
litra
adjective
kaunokirjallinen
noun
  1. 2. het geheel van als kunstzinnig beschouwde geschreven werken, m.n. proza of poëzie
  2. 3. de verzameling geschreven en na controle door vakgenoten gepubliceerde mededelingen van een vakgebied
kirjallisuus
/ˈlitiˌʲʏm/
noun
1. chemisch element en een zilverwit alkalimetaal
litium
noun
litoteesi
/liˈtaʊ̯.wə(n)/, /liˈtɑuwə(n)/, /liˈtɔʊ̯.β̞ə(n)/, /ˈliˌtʌʊ̯.β̞ə(n)/
pronoun
1. een Europees land ter hoogte van Wit-Rusland
Liettua
/liˈtaʊ̯.wər/, /ˈlitɔʊ̯.β̞ər/, /ˈlitʌʊ̯.β̞ər/
noun
1. inwoner van Litouwen
liettualainen
/liˈtaʊ̯s/, /ˈlitɔʊ̯β̞s/, /ˈlitʌʊ̯s/
adjective
1. betreffende Litouwen of het Litouws
liettualainen
/liˈtaʊ̯s/, /ˈlitɔʊ̯β̞s/, /ˈlitʌʊ̯s/
pronoun
1. een Baltische taal die wordt gesproken in Litouwen
  1. liettua
  2. liettualainen
noun
1. zichtbaar overblijfsel van een oude verwonding
arpi
noun
1. eertijds een dienst ten bate aan de gemeenschap waartoe de rijken verplicht waren...
liturgia
noun
1. scheikundig element met symbool Lv en atoomnummer 116
livermorium
verb
1. poging de besluitvorming te beïnvloeden
lobata
noun
lobotomia
noun
1.
veturi
verb
1. van lood vervaardigd
lyijyinen
pronoun
1. eigennaam van Frankische herkomst
Ludvig
noun
1. de kant waar de wind vandaan komt
etuliikki
/ˈlu.jə(n)/
verb
1. een langgerekt klagend geluid voortbrengen
ammua
noun
1. met vlees en groente gevulde en gefrituurde lap deeg
kevätrulla
verb
1. scheel kijken
vilkaista sivulle
noun
suurennuslasi
noun
musanki
noun
1. de exponent van de macht waartoe een gegeven getal verheven moet worden om een ander getal te krijgen
logaritmi
noun
1. boek met gegevens over de navigatie
laivapäiväkirja
noun
1. een vissersschip, tegenwoordig met een motor aangedreven, dat vroeger een loggergetuigd zeilschip was
loggerttipurje
noun
logiikka
/ˈloɣis/
adjective
  1. 1. natuurlijk, voor de hand liggend
  2. 2. betrekking hebbend op de logica
johdonmukainen
adjective
logistiikka
noun
1. beeldmerk, logogram, naambeeld
logo
noun
puheterapeutti
noun
1. het woord, de taal in het algemeen
järkeen vetoaminen
/ˈloʒban/
pronoun
1. een kunsttaal ontwikkeld door James Cooke Brown
lojban
/lɔk/
noun
1. haarlok, pluk haar
kihara
noun
1. plaatsbepaling
kotoistus
verb
2. de plaats vaststellen van
paikallistaa
noun
hupi
/ˈlɔlɪ/
noun
snoepje
tikkari
noun
1. zeevis, behorende tot de dorsvissen
keila
pronoun
Lombardia
adjective
zich op een onwellevende en onbehouwen manier gedragend
karkea
/ˈlɔndən/
pronoun
1 en 2
Lontoo
noun
1. orgaan waarin gaswisseling plaatsvindt tussen lucht en bloed ten behoeve van het metabolisme.
keuhko
noun
imikkä
/'lɔŋɔntsteːkɪŋ/
noun
1. een ontsteking in de longen
keuhkokuume
noun
1. vis met kieuwen én longen
keuhkokala
noun
1. koord voor ontsteking
sytytyslanka
noun
1. een scheikundig element met symbool Pb en atoomnummer 82
lyijy
noun
1. vakman die zich bezighoudt met de aanleg en het onderhoud van sanitair, verwarmingsinstallaties, waterleidingen en/of riolering
  1. putkiasentaja
  2. putkimies
adjective
  1. 1. verticaal, in één lijn met het middelpunt van de aarde
  2. 2. in een rechte hoek
suorakulmainen
/loːts/
noun
2. iemand die schepen als stuurman begeleidt bij het varen van en naar een haven
luotsi
noun
1. een witte verfstof met bestanddelen van lood
lyijyvalkoinen
noun
1. gebladerde boom
lehtipuu
/loːx/
noun
een alkalische substantie
lipeä
adjective
van groot gewicht
  1. raskas
  2. painava
noun
palkkalista
/loːp/
noun
voorste deel van een wapen
piippu
/ˈlopχraf/
noun
1. een uitgegraven geul, diep en breed genoeg dat men er in kan lopen...
ampumahauta
verb
1. stappen, gaan
kävellä
noun
  1. 4. schaakstuk dat zich slechts diagonaal verplaatsen mag
    lähetti
  2. 2. sleutel waarmee een hele serie verschillende sloten geopend kan worden
    yleisavain
noun
1. geld betaald voor iemands vrijlating
lunnaat
verb
1. ervoor zorgen dat iets of iemand los wordt
irrottaa
noun
arpapeli
pronoun
Lothringen
noun
lootusasento
pronoun
1.
Louisiana
verb
1. blijk geven van bewondering
ylistää
pronoun
1. naam van een van Jezus' discipelen
Luukas
/lʏxt/
noun
1. mengsel van gassen waaruit de afmosfeer bestaat
ilma
noun
1. een aanval vanuit de lucht op een grondpositie
ilmahyökkäys
noun
ilmankäsittely
noun
1. stroom van transportvliegtuigen
ilmasilta
noun
ilmansuodatin
noun
fotografie vanuit de lucht
ilmakuvaus
noun
1.
ilmakitara
noun
1. een vliegveld voor verkeersvliegtuigen met accommodatie voor ontvangst en vertrek van passagiers
  1. lentokenttä
  2. lentoasema
adjective
2. zorgeloos
hilpeä
/ˈlʏxmɑxt/, /ˈlʏχmɑχt/
noun
1. een krijgsmacht in de lucht die bestaant uit vliegtuigen, raketten, projectielen en personeel
ilmavoimat
noun
henkitorvi
noun
ilmapumppu
noun
1. de luchtlagen boven een bepaald grondgebied
ilmatila
noun
1. verkeer in de lucht
ilmailu
noun
1. een bedrijf dat vervoer door de lucht aanbiedt
lentoyhtiö
noun
1.
lennonjohtaja
noun
lennonjohto
noun
1. een stokje met een zwavelkopje, dienende om vuur te maken
tulitikku
/lœʏ/, /lœː/
adjective
1. werkschuw, niet houden van inspanning of werk
laiska
noun
2. benaming voor zoogdieren uit de onderorde Folivora
laiskiainen
noun
kovaääninen
noun
vaippa
noun
1. het ontbreken van de wil iets te doen
laiskuus
/lœʏ̯k/, /lœːk/
pronoun
  1. 1. een provinciehoofdstad in België
  2. 2. een Belgische provincie
Liège
/lœʏ̯k/, /lœːk/
noun
1. openklappend vlak, klapdeur
luukku
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera pardus
leopardi
/lœʏ̯s/, /lœːs/
noun
1. benaming voor verschillende meestal vleugelloze insecten die parasiteren op dieren en planten
täi
/'lœstərə(n)/
verb
1. gericht waarnemen met het oor
kuunnella
noun
1. luit
luuttu
noun
1. rang in het leger
luutnantti
/ˈlykɑs/
pronoun
Luukas
noun
1. geslachtsdeel van de man
mulkku
noun
luminanssi
noun
1.
luminesenssi
adjective
kuu-
verb
1. de lunch gebruiken
  1. lounastaa
  2. syödä lounasta
noun
1. en 2. (zaden van) geslacht Lupinus
  1. lupiinit
  2. lupiini
noun
1. tot meel vermalen zaden van de plant Lupinus
lupiinijauho
noun
1. scheikundig element met symbool Lu en atoomnummer 71
lutetium
/'lywtə/
noun
1. een windloze plek
suojasatama
/lyks/
adjective
1. duur, exclusief
ylellisyys
/lyks/
noun
1. niet alledaagse dingen die gebruikt worden voor het persoonlijk genot
luksus
/ˈlyksəmˌbʏrx/, /ˈlyksəmˌbʏrχ/
pronoun
1.-3.
  1. Luxemburg
  2. Luxembourg
/ˈlyksəmˌbʏrɣər/, /ˈlyksəmˌbʏrχər/
noun
1. een inwoner of iemand die afkomstig is van het Groothertogdom Luxemburg
luxemburgilainen
/ˈlyksəmˌbʏrxs/, /ˈlyksəmˌbʏrχs/
pronoun
1. een taal die in Luxemburg gesproken wordt
luxemburg
pronoun
Lviv
noun
1.
litsi
adjective
1.
lymfaattinen
noun
imuneste
noun
imusolmukesyöpä
verb
1. iemand executeren zonder rechtsgeldig proces, met name door opknoping
lynkata
noun
1. bepaald soort zoogdier, Lynx lynx
ilves
pronoun
1.
Lyon
adjective
lyyrinen
/maːx/
noun
1. Orgaan
  1. mahalaukku
  2. maha
pronoun
  1. 2. teken van de dierenriem waar de zon in staat van ca. 23 augustus tot ca. 23 september
  2. 1. sterrenbeeld van de dierenriem
Neitsyt
/maːxt/, /maːçt/
noun
1. ongerepte jonge vrouw
neitsyt
adjective
koskematon
noun
1. eigenschap dat je niet eerder geslachtsverkeer hebt gehad
neitsyys
pronoun
Neitsytsaaret
/ˈmaɣdəˌvlis/, /ˈmaʝdəˌvlis/
noun
vlies
immenkalvo
noun
mahaneste
/ˈmaɪ̯ə(n)/
verb
1. met een werktuig het bovengrondse deel ergens van verwijderen
niittää
/ma:l/
verb
1 1. telkens terugkerend tijdstip waarop iets gebeurt
kerta
/ˈmaɫtekə(n)/
noun
1. het symbool × of · of * om een vermenigvuldiging aan te duiden
  1. kertolaskumerkki
  2. kertomerkki
noun
1. een hoeveelheid toebereid voedsel die voldoende is geruime tijd de lichamelijke behoefte te bevredigen
ateria
/maːn/
noun
  1. kuu
  2. Kuu
/maːnt/
noun
1. elk van de twaalf met een eigen naam onderscheiden tijdvakken van 28, 30 of 21 dagen waarin een jaar verdeeld wordt
  1. kuukausi
  2. kuu
/ˈmaːndɑx/
noun
1. een dag van de week, de eerste dag na het weekeinde
maanantai
noun
1. een publicatie die wekelijks verschijnt
kuukausijulkaisu
/ˈman.də.ləks/, /ˈmaːn.də.lɪks/
adverb
1. iedere maand een keer
kuukausittainen
noun
1. het loon dat men met arbeid in één maand verdient
kuukausipalkka
noun
ensimmäinen kuukävely
noun
kuunsirppi
/ˈmansvərˌdœʏ̯stərɪŋ/, /ˈmansvərˌdœːstərɪŋ/
noun
1. het verschijnsel dat de maan verduisterd raakt doordat ze in de schaduw...
kuunpimennys
noun
unikonsiemen
adjective
kuuhullu
/maːr/
conjunction
1. tegenwerping, introduceert een zin(sdeel) dat het voorgaande zin(sdeel) tegenspreekt of er mee contrasteert
  1. mutta
  2. vaan
noun
marsalkka
/maːrt/
noun
1. derde maand van het jaar
maaliskuu
/mas/
pronoun
1. een rivier die onspringt in Frankrijk en door België en Nederland stroomt
Maas
/mas/
noun
1. een van de geknoopte ringen waaruit een net bestaat
reikä
/maːt/
noun
3. eenheid van lengte enz.
  1. mitta
  2. määrä
noun
1. een glazen kolf met een geijkte maatstreep voor het nauwkeurig bepalen van een volume vloeistof
mittapullo
noun
1. iets dat wordt beslist om een doel te treffen
toimenpide
/matsxɑpələk/
adjective
1. op de maatschappij betrekking hebbend
yhteiskunnallinen
noun
  1. 1. vereniging tot het drijven van handel
    firma
  2. 2. de wereld, omgang en verkeer der mensen
    yhteiskunta
adjective
kalmankatkuinen
noun
2. gerecht op basis van gebogen pijpjes van deeg
makaroni
pronoun
1. een stad op een eiland aan de zuidkust van China, ten westen van Hong Kong
Macao
pronoun
1. Slavische taal die vooral wordt gesproken in de Noord-Macedonië
makedonia
/ˌmasəˈdoni.jə/, /ˌmasəˈdoːni.jə/
pronoun
  1. 3. land
  2. 1. historisch Grieks koninkrijk
  3. 2. regio in Griekenland
Makedonia
/ˌmasəˈdoni.jər/, /ˌmasəˈdoːni.jər/
noun
1. inwoner van Macedonië
makedonialainen
/mɑˈʃinə/
noun
kone
noun
1. een ruimte voor machines
konehuone
/mɑˈʃinəˈri/
noun
1. geheel van machines
koneisto
noun
1. het vermogen om elders de eigen wil op te leggen
valta
/ˈmɑxtəx/, /ˈmɑxtɪx/, /ˈmɑχtəχ/
adjective
1. meer invloed hebben dan anderen
voimakas
verb
1. aan iemand anders het recht overdragen in je naam te handelen
antaa lupa
noun
1.
voimatasapaino
noun
1. gevecht om de macht
valtataistelu
noun
1. een handwerktechniek om decoraties of weefsel te maken, door het met de hand knopen van draden
makramee
/ma.da.'ɣɑs.kɑr/, /ˌma.dɑ.'χɑs.kɑr/
pronoun
2. staat op het bovengenoemde eiland, de Republiek Madagaskar
Madagaskar
noun
1. Pootloze larve
  1. kärpäsentoukka
  2. toukka
noun
1. Bellis perennis
kaunokainen
pronoun
1. een Indiase deelstaat gelegen in het centrum van het land met de hoofdstad Bhopal
Madhya Pradesh
pronoun
Madrid
noun
1. criminele organisatie, oorspronkelijk van Sicilië
mafia
/ˈmafis/
adjective
1. arm aan silica of silicahoudende mineralen
emäksinen
noun
2. winkel met groot assortiment
varasto
noun
1. kleur tussen rood en blauw
aniliininpunainen
/ˈma.ɣər/, /ˈma.χər/
adjective
1.
laiha
adjective
1.met een bijzondere, bovennatuurlijke betekenis
maaginen
noun
1. een persoon die rechtspreekt
maistraatti
noun
  1. 1. gemagnetiseerd metaal
  2. 2. persoon, zaak of plaats
magneetti
noun
magneettikenttä
noun
1. Chemisch element
magnesium
noun
1. magnetisch, ijzer bevattend mineraal; magnetisch erts
magnetiitti
adjective
1. verschijnselen vertonend die toegeschreven kunnen worden aan een kringstroom...
magneettinen
noun
magnetismi
/ˈmɑɣ.nə.trɔn/, /ˈmɑχ.nə.trɔn/
noun
1. een toestel waarin met zeer korte en gerichte golven voedsel in zeer korte tijd warm kan worden gemaakt
mikroaaltouuni
noun
1. boom met tulpachtige bloemen
magnolia
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het westen van het land
Maharashtra
/ˈmelə(n)/
verb
1. per elektronische post verzenden
meilata
/mɑjs/
noun
1. een graansoort afkomstig uit Midden-Amerika
maissi
noun
1. en 2. verbinding van glucose en koolhydraten of bindmiddel dat uit maiskorrels wordt gewonnen
maissitärkkelys
noun
1.
majesteettisuus
noun
majuri
/ma'kak/
noun
1. een aap behorende tot een geslacht (Macaca) van apen van de Oude Wereld
makaki
noun
1. schoonheidsproducten
pakkeli
/ˈmaːkən/
verb
  1. 1. in elkaar zetten
    tehdä
  2. valmistaa
noun
1. iemand die iets maakt of gemaakt heeft
luoja
noun
1. bepaalde soort zeevis, Scomber scomber
makrilli
pronoun
1. macrotaal die op Madagaskar gesproken wordt
malagassi
noun
1. infectieziekte die veroorzaakt wordt door eencellige parasieten van het geslacht Plasmodium
  1. malaria
  2. horkka
/ma.'la.wi/, /ma.'la.ʋi/, /ma.'la.β̞i/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel de Republiek Zambia, dat niet aan de zee grenst
Malawi
pronoun
1. Dravidische taal die wordt gesproken door 47 miljoen mensen, vooral in de Indiase deelstaat Kerala
malajalam
/mɑl.ˈdi.və(n)/, /mɑɫ.ˈdi.və(n)/
pronoun
1. land in de Indische Oceaan
Malediivit
pronoun
Malakia
/mɑ.ˈlɛɪs/
pronoun
1. een Austronesische taal en de officiële taal van Maleisië, Brunei en Singapore die ook in delen van...
malaiji
/maˈlɛ:zi.jə/, /maˈlɛɪ̯zi.jə/
pronoun
1. een land in het zuidoosten van Azië dat bestaat uit twee afzonderlijke delen die gescheiden worden door de Zuid-Chinese Zee
Malesia
/malə(n)/
verb
1. tussen twee harde voorwerpen fijnwrijven
jauhaa
/'ma.li/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Mali
Mali
noun
1.
rengashaarniska
/ˈmɑlta/, /ˈmɑɫta/
pronoun
  1. 1. eiland in de Middellandse Zee
  2. 2. land in de Middellandse Zee
Malta
/mɑlˈteːs/, /mɑɫˈtes/
pronoun
1. Semitische taal die wordt gesproken door 570 duizend mensen op Malta
malta
/mɑlˈteːsə/, /mɑɫˈtesə/
noun
1. vrouwelijke inwoner van Malta
maltalainen
noun
1. schadelijke software
haittaohjelma
/ˈmɑmaː/
noun
1.
äiti
noun
1. benaming voor zoogdieren uit het geslacht Mammuthus
mammutti
noun
1.
jättitankkeri
noun
1. persoon van het mannelijk geslacht
mies
noun
1. een persoon die de leiding heeft over een afdeling binnen een organisatie
päällikkö
pronoun
Manaus
noun
2. hulpstuk om een granaat op zijn plaats te houden in een kanonloop
hivakka
noun
1. een sierknoop die de manchet aan de mouw van een overhemd sluit
kalvosinnappi
noun
1. een bak gemaakt van gevlochten rotan of tenen voorzien van een handvat
  1. kori
  2. ostoskori
noun
mandaatti
noun
1. Een citrusvrucht
mandariini
noun
1. vloeistof uit een geperste mandarijn
mandariinimehu
noun
1. schil van Citrus reticulata, Citrus reticulata var. 'mandarine' of Citrus × tangerina
mandariinin kuoret
noun
1. een klein, luitvormig tokkelinstrument met vier paar snaren waarop met een plectrum getokkeld wordt
mandoliini
noun
1. bepaald soort zoogdier, Otaria flavescens, zeeroofdier dat leeft aan de kusten van het zuidelijk deel...
harjasmerileijona
noun
1. Chrysocyon brachyurus, Zuid-Amerikaanse wilde hondachtige, meer verwant met de vos dan met de wolf
harjasusi
/manəsxɛɪn/
noun
1. Het door de maan weerkaatste licht dat op de aarde schijnt, maanlicht
kuunvalo
/ˈmɑŋɣa/
noun
1. Japans stripboek
manga
noun
1. Chemisch element
mangaani
/'mɑnɣɑt/
noun
1.
katukaivo
/ˈmɑŋələ(n)/
verb
3. door de mangel halen, met een mangel glad maken
mankeloida
noun
1. soort oranje-groene sappige tropische vrucht
mango
noun
1. onderfamilie van de civetkatten, zeer snelle en behendige roofdiertjes...
mungo
noun
mangrove
noun
fanaatikko
noun
1. ziekelijke neiging (opgewonden psychische toestand)
mania
/ mɑˈniːr/
noun
tapa
noun
1. openlijke bekendmaking van een staatshoofd, regering, leider of politieke partij
manifesti
noun
1. en 2. (wortel van) de plant Manihot esculenta
  1. maniokki
  2. kassava
noun
manipulointi
verb
käsitellä
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het noordoosten van het land
Manipur
adjective
  1. 2. behorend tot het mannelijke woordgeslacht
    1. maskuliininen
    2. miespuolinen
  2. 1. tot geslacht behorend dat voor bevruchting zorgt
    miespuolinen
noun
miehenkämmekkä
noun
liike
noun
painemittari
pronoun
1. taal die door de Mantsjoes gesproken werd.
mantšu
/ˌmanɵsʲəvɑnˈɑləs/
noun
1. iemand die bekwaam is in het doen van allerlei verschillende klusjes
nikkari
noun
1. hoeveelheid werk die één persoon in één uur kan verrichten
henkilötyötunti
pronoun
1. een Keltische taal die (als tweede taal) wordt gesproken op het eiland Man
manksi
pronoun
1. taal die door de Maori's wordt gesproken
maori
noun
1. variant van het communisme zoals uitgedragen en toegepast in China gedurende het derde kwart van de 20e eeuw
maolaisuus
noun
1. communist die zich vooral heeft laten inspireren door Mao Zedong
maolainen
adjective
1.
maolainen
/mɑp/
noun
  1. 1. een stevig omhulsel voor papieren
  2. 3. deel van het bestandssysteem
  3. 2. een gebundelde verzameling gegevens
kansio
pronoun
1. inheemse taal gesproken door 440 duizend mensen in Chili en Argentinië
mapudungun
noun
marabu
pronoun
1. taal die met name in Maharashtra, een staat in India gesproken wordt, onder andere in Mumbai (Bombay)
marathi
noun
maraton
verb
marssia
noun
1. Viscum album
misteli
noun
margariini
pronoun
Maria
noun
1. het hoogfeest ter gedachtenis van de aankondiging (annunciatie) van de geboorte van Jezus aan Maria
Marian ilmestyspäivä
/mɑˈrɪmba/
noun
1. een zeer grote houten xylofoon uit Guatemala met onder elke toets een resonator van houtsnijwerk
marimba
noun
marinadi
/maːˈrinə/
noun
1. zeemacht
merivoimat
adjective
1. donkerblauw
laivastonsininen
noun
1. lid van een goed getrainde, gespecialiseerde militaire eenheid
merijalkaväen sotilas
noun
2. kruid
meirami
/mɑr.ˈkeːr.stɪft/
noun
1. een viltstift waarmee met stukken tekst doet opvallen
korostuskynä
/mɑr.kɪː.rə(n)/
verb
1. het afbakenen van een grens
merkitä
noun
adellijke titel, lager dan een hertog maar hoger dan een graaf
markiisi
noun
warenverkoop op pleinen en straten
tori
/'mɑrk.dɑx/
noun
1. dag waarop markt gehouden wordt
toripäivä
noun
markkinatalous
noun
2.
käypä hinta
/mɑremər/
noun
1. een fijnkorrelige getransformeerde kalksteen dat gepolijst gebruikt wordt in de bouw- en de beeldhouwkunst
marmori
noun
1. knaagdier dat vooral in het hooggebergte leeft maar ook veel als huisdier wordt gehouden
murmeli
adjective
1.
marokkolainen
/ma.ˈrɔ.ko/
pronoun
1. land in het uiterste noordwesten van Afrika
Marokko
pronoun
Mars
noun
  1. 1. regelmatige manier van lopen met afgemeten passen, vooral gebruikt door soldaten...
  2. 2. een wandeltocht
  3. 3. een mand of bak die op de rug gedragen wordt
marssi
noun
1. een Italiaanse versterkte wijn die gemaakt wordt in de omgeving van Marsala op het westelijk deel van Sicilië
  1. Marsala
  2. marsala-viini
noun
1.
marsipaani
pronoun
1. een taal die op de Marshalleilanden gesproken wordt
marshalli
/mɑr.ʃəl.ɛɪ̯.lɑn.də(n)/, /mɑr.ʃəl.ɛː.lɑn.də(n)/, /mɑr.ʃəɫ.ɛɪ̯.lɑn.də(n)/
pronoun
1. een land in Oceanië
Marshallinsaaret
noun
1. sponzig snoepje
vaahtokarkki
noun
1. iemand die voor een zaak lijdt of sterft en daarmee tot symbool wordt gezien van de strijd voor die zaak
marttyyri
noun
1. benaming voor zoogdieren uit het geslacht Martes
näätä
noun
1. cocktail van gin en droge witte vermout
martini
pronoun
Martinique
noun
1. de socialistische ideologie van de volgelingen van Karl Marx
marxilaisuus
noun
1. schoonheidsmiddel
maskara
pronoun
1. eilandengroep in de Indische Oceaan
Maskareenien saaret
noun
1.
  1. naamari
  2. naamio
noun
1.
masokismi
/ˈmɑsaː/
noun
  1. 1. totale hoeveelheid materie in een object
  2. 2. grote hoeveelheid
joukko
noun
hieronta
noun
1. moord op een groot aantal personen
joukkomurha
noun
1. een wapen dat zeer velen doodt
joukkotuhoase
verb
1. het toepassen van uitwendige druk op de zachte weefsels
hieroa
adjective
mahtava
noun
  1. 1. lange, rechtop staande paal midden op het schip
  2. 4. hoge antenne
  3. 5. varkensvoer
masto
noun
rinnanpoisto
noun
1. grote hond met een heel los rimpelig vel bij het hoofd
mastiffi
noun
  1. 1. ontsteking van de borstklier
  2. 2. ontsteking van de uier
mastiitti
noun
1. het stimuleren van de eigen geslachtsdelen
itsetyydytys
verb
masturboida
noun
siansorkka
noun
1. een tastbare stof
aineisto
noun
materiaalitiede
verb
aineellistaa
noun
aine
/mɑtrɑs/
noun
1. lichaamsondersteunend onderdeel van een bed
patja
noun
1. een rechthoekig blok getallen waaraan bepaalde rekenregels toegekend worden
matriisi
noun
1.
emäntä
noun
1. een zeeman van de laagste rang
matruusi
pronoun
Matteus
/ˌmaʊ̯.ri.ˈta.ni.jə/, /ˌmɔʊ̯.ri.ˈta.ni.jə/, /ˌmʌʊ̯.ri.ˈta.ni.jə/
pronoun
1. een land in Noord-Afrika, officieel de Islamitische Republiek Mauritanië
Mauritania
/maʊ̯.'ri.si.jəs/, /mɔʊ̯.'ri.si.jəs/, /mʌʊ̯.'ri.tsi.jəs/
pronoun
1. een land in de Indische Oceaan, officieel de Republiek Mauritius
Mauritius
noun
1. groot en rijk versierd graf
mausoleumi
adjective
1. het grootst mogelijk
mahdollisimman suuri
noun
1.
maksikortti
/ˌmajoˈnɛːzə/
noun
1. een saus op basis van eieren
majoneesi
pronoun
Mayotte
noun
1. kinderziekte die veroorzaakt wordt door het Morbillivirus en gekenmerkt wordt door rode stipjes op de huid
tuhkarokko
/ˈmaʲɪs/, /ˈmɛɪ̯s/
noun
1. bepaalde graansoort afkomstig uit Midden-Amerika, Zea mays
maissi
noun
mekaanikko
noun
1. iemand die kunstenaars en wetenschappers financieel ondersteunt
mesenaatti
noun
mekaniikka
adjective
1. met betrekking op de mechanica, machinaal, automatisch zonder na te denken
mekaaninen
noun
1. machinerie
mekanismi
noun
1. metalen schijf, in het bijzonder als onderscheidingsteken na bepaalde prestaties
mitali
noun
1. informatie die bekend wordt gemaakt
ilmoitus
/ˈme.dəˌklɪŋ.kər/
noun
  1. 2. een letter die zo'n klank in schrift weergeeft
    kerake
  2. 1. een klank waarbij de lucht niet ongehinderd door de mond naar buiten kan
    konsonantti
noun
1. verdriet over het leed van anderen
myötätunto
adjective
1. bewust bijgedragen hebbend tot een wandaad
avustava
noun
1. het mede schuld hebben aan een misdrijf
osallisuus
noun
2.
mediaani
noun
1. iemand die zich bezighoudt met het onderzoek naar en de beschrijving van de geschiedenis van de media
mediahistorioitsija
noun
sovittelu
noun
1. het voorschrijven van geneesmiddelen
lääke
noun
1. een chemische stof die een bepaalde, gewenste werking op het (dierlijk of menselijk) lichaam uitoefent
lääke
adjective
1. geneeskrachtig
lääke
adjective
1. op de geneeskunde betrekking hebbend
lääketieteellinen
noun
1. spirituele bezigheid
meditaatio
verb
meditoida
/ˈmeɣevə(n)/, /ˈmeχevə(n)/
verb
antaa periksi
noun
1. Rubia tinctorum
värimatara
/mel/, /meɫ/, /mɪːɫ/
noun
1. gemalen graan
jauho
/meːr/
noun
1. groot water dat helemaal omringd is door land
järvi
pronoun
1.
Genevejärvi
noun
1. een groep die binnen een groter geheel in aantal meer dan de helft uitmaakt
enemmistö
noun
1. één van een aantal Afrikaanse apensoorten uit de Cercopithecus-familie
marakatti
noun
1. bepaald soort koudbloedige groene waterdieren Pelophylax ridibundus
möllysammakko
noun
1. bepaald soort watervogel, Fulica atra
nokikana
adjective
  1. 2. (persoon) meerdere talen sprekend
  2. 1. gerelateerd aan meerdere talen
monikielinen
noun
1. de staat van meerdere talen te kunnen spreken
monikielisyys
/ˈmeːrvɑɫ/
noun
1. benaming voor grote roofvissen uit het geslacht Siluris
monni
noun
1. Woord dat in die vorm aan meerdere voorwerpen, mensen of dieren refereert
monikko
noun
1. benaming voor kleine weinig schuwe vogels uit de familie Paridae
tiainen
indefiniteCardinalNumeral
1. de grootste hoeveelheid, het hoogste aantal
enemmistö
noun
1. baas, heer, patroon
mestari
noun
valtiatar
noun
1. eenheid die gebruikt wordt om meetresultaten in uit te drukken
mittayksikkö
/'metkɵndə/
noun
1. tak van de wiskunde
geometria
/ˈmetlɑt/
noun
1. een langwerpig voorwerp waarmee maten opgenomen worden
viivain
/meːβ̞/, /mɪːβ̞/
noun
1. benaming voor zeevogels uit de familie Laridae
lokki
/'mezɪŋə(n)/
verb
1. gezamenlijk met anderen zingen
laulaa mukana
noun
megalomania
noun
1. de vijfde maand van het jaar
toukokuu
noun
1.
juhannussalko
/mɛi̯t/
noun
piika
/ˈmɛɪ̯.dorn/
noun
1.
orapihlaja
noun
1. Melolontha melolontha, schildvleugelig insect dat in mei te voorschijn komt
turilas
noun
1. Convallaria majalis
kielo
/mɛɪˈozə/
noun
1.
meioosi
/ˈmɛɪ̯ʃə/, /ˈmɛːsjə/
noun
1. jonge vrouw
tyttö
/ˈmɛɪ̯ʃəsˌnam/, /ˈmɛːsjəsˌnam/
noun
2. eigen achternaam van een vrouw die de naam van haar echtgenoot of geregistreerd partner voert
tyttönimi
noun
1. scheikundig element met symbool Mt en atoomnummer 109
meitnerium
pronoun
1. geboorteplaats van Mohammed en bedevaartplaats voor islamieten
Mekka
noun
1.
melamiini
adjective
met droevige gedachten aan de dagen van weleer
melankolinen
pronoun
Melanesia
noun
1. een groep van organische pigmenten
melaniini
noun
melanooma
noun
1. een restproduct bij de suikerproductie
melassi
pronoun
1. tweede grootste stad van Australië en hoofdstad van de deelstaat Victoria
Melbourne
noun
1. Atriplex sp, een geslacht van meer dan tweehonderd soorten plantjes...
maltsa
verb
1. iets rapporteren, bekendmaken
ilmoittaa
pronoun
Melilla
/mɛlk/
noun
maito
noun
maitomies
noun
1. chocolade die bereid is met room of melk
maitosuklaa
noun
valvatit
/mɛlkə(n)/
verb
1.
lypsää
noun
1.het orgaan dat bij het zoogdier de melk produceert
maitorauhanen
/mɛlkku/
noun
1. een soort koe die gekweekt wordt voor haar melkproductie
lypsylehmä
noun
1. een tand uit de eerste set tijdelijke tanden van de mens en sommige andere dieren (zoals de hond of de koe), die na verloop van tijd worden vervangen door de permanente tanden
maitohammas
pronoun
1. het sterrenstelsel waarin wij ons bevinden en dat op donkere nachten als lichtende band aan de hemel te zien is.
linnunrata
noun
1. organisch zuur
maitohappo
noun
1. een opeenvolging van toonhoogtes die een bepaald muzikaal gestalte vormt
melodia
adjective
aangenaam klinkend
melodinen
adjective
1.
melodinen
noun
meloni
noun
1. iemand die heel veel van muziek houdt
melomaanikko
/mɛmbran/
noun
2. een omhulsel van de cel bestaande uit fosfolipiden en eiwitten
kalvo
noun
pomp waar de pompwerking ontstaat door een membraan te laten trillen
kalvopumppu
noun
1. een verzamelnaam voor muziekinstrumenten die toon/geluid voortbrengen door een trillend vel
membranofoni
/ˈme:mə/
noun
meemi
noun
1. eerste maandstonden, de eerste keer dat er een menstruatie is en daarmee de puberteit
menarke
/ˌmɛndeˈleviʏm/
noun
mendelevium
/məˈneːr/, /məˈnɪːr/
noun
    1. 1. een formele manier om een man aan te spreken
    2. in te delen
    herra
  1. 2. een nette man
    herrasmies
/menə(n)/
verb
1. de bedoeling hebben
meinata
verb
1. het homogeniseren van twee of meer zaken
sekoittaa
noun
sekoitus
noun
1.
megaliitti
noun
kierukka
noun
1. levensfase waarin vrouwen niet langer menstrueren
menopaussi
/məno'ra/
noun
1. kandelaar met zeven armen
menora
noun
1. de Homo sapiens, het zoogdier waar wij toe gerekend worden
ihminen
adjective
  1. 1. zoals de mens
  2. 2. goed voor de medemens
inhimillinen
noun
ihmiskauppa
noun
2. geheel van de fundamentele rechten en vrijheden die ieder mens toekomen
ihmisoikeudet
pronoun
1. benaming voor Jezus Christus als eerder door Daniël aangekondigde verlosser
Ihmisen Poika
noun
1. een verzamelnaam voor alle mensen ter wereld met al hun onderlinge sociale relaties
ihmiskunta
noun
1. maandelijkse bloeding bij vrouwen en geslachtsrijpe meisjes
kuukautiset
noun
1.
kuukautiskierto
/ˌmɛn.taː.liˈtɛit/
noun
mentaliteetti
noun
1. vluchtige olie die een belangrijk bestanddeel is van pepermuntolie,...
mentoli
noun
mentor
noun
menu
noun
1.
valikkopalkki
noun
1.
menuetti
pronoun
1. een stad in de Italiaanse autonome provincie Zuid-Tirol
Merano
pronoun
Merkurius
/meːrəl/, /ˈmɪːrəɫ/
noun
1. bepaald soort zwarte vogel met een gele snavel, Turdus merula
mustarastas
verb
ankkuroida
noun
  1. 1. zacht weefsel in de kern van een bot
  2. 2.
ydin
noun
1. halve cirkel die de beide polen met elkaar verbindt
  1. meridiaani
  2. pituuspiiri
noun
meritokratia
noun
2. een herkenbaar product door een bepaalde producent vervaardigd
brändi
noun
1. vrouwelijk paard
tamma
noun
1. snijwerktuig
  1. veitsi
  2. puukko
noun
1.
mesoni
noun
1. historische land tussen de rivieren Eufraat en Tigris, het huidige Irak
Mesopotamia
noun
mesosfääri
/mɛˈsijɑs/
pronoun
1. de in de joodse Tenach voorspelde Redder die door God gezonden zal worden en die door de christenen met Jezus gelijkgesteld wordt
Messias
noun
1. uitwerpselen van sommige dieren waarmee men land vruchtbaar maakt
  1. lanta
  2. lannoite
/mɛd/, /mɛt/
preposition
  1. kanssa
  2. kera
noun
1. ieder element dat gekenmerkt wordt door glans en het vermogen om warmte en elektriciteit te geleiden
metalli
noun
1. instrument om metalen voorwerpen op te sporen
metallinpaljastin
noun
1. stofwisselprodukt
aineenvaihduntatuote
noun
1. het geheel van de biochemische processen op celniveau
aineenvaihdunta
/me.ta.ˈfɔːr/, /mæː.ta.ˈfoːr/
noun
1. beeldspraak waarbij men een woord B zegt in plaats van het woord A terwijl er tussen A en B een verband is van gelijkenis
metafora
noun
1. de wijsgerige leer die niet de werkelijkheid onderzoekt zoals ze ons gegeven wordt uit zintuiglijke ervaring, maar op zoek gaat naar het wezen van die werkelijkheid en wat haar constitueert
metafysiikka
/ˌmetaˈfizis/
adjective
1. bovennatuurlijk; (nog) niet met de gangbare wetenschap te verklaren
metafyysinen
noun
metallurgia
noun
muodonvaihdos
noun
1. taal met behulp waarvan dezelfde of een andere taal wordt beschreven
metakieli
noun
1. wetenschappelijke theorie waarmee een of meerdere andere theorieën beschreven worden
metateoria
verb
1. de waarde van een bepaalde grootheid bepalen door deze te vergelijken met een ijkwaarde
mitata
noun
1. een kortstondig lichtspoor aan de hemel door de verbranding van een uit de ruimte vallende meteoriet
  1. meteori
  2. tähdenlento
/meteˌjoroloˈɣi/
noun
1. de studie van het weer en het klimaat
ilmatiede
noun
1. de SI-eenheid van lengte
metri
noun
kumppani
noun
1. CH₄
metaani
/meˈtodə/
noun
metodi
noun
1. Een stroming in het protestantisme
metodismi
/ˌmetodoloˈɣi/, /ˌmetodoloˈχi/
noun
menetelmäoppi
noun
arviointi
/mæː.to.ˈny.mi.ja/
noun
metonymia
adjective
metrinen
noun
1. ondergronds openbaar vervoer
  1. metro
  2. maanalainen
/ˌmetroloˈɣi/
noun
1. de studie van het weer en het klimaat
metrologia
noun
metronomi
noun
1. bouwvakker gespecialiseerd in metselen
muurari
verb
1. losse stenen met voegspecie samenvoegen om zo een muur te bouwen.
muurata
/ˌmɛ.tər.ˈtɛɪ̯t/
adverb
1. na verloop van (een zekere) tijd
ajan mittaan
noun
1. stuk huisraad
huonekalu
noun
1. groep (jacht)honden, e.d.
lauma
noun
1. formele manier om een vrouw aan te spreken
rouva
adjective
meksikolainen
/ˈmɛg.zi.ˌko/, /ˈmɛk.si.ˌko/
pronoun
1. een land in Amerika, officieel de Verenigde Mexicaanse Staten grenzend aan de Verenigde Staten, Belize en Guatemala, de Grote Oceaan en de Golf van Mexico
Meksiko
/mə'zuza/
noun
1.
mezuza
interjection
1. het geluid van een kat
  1. miau
  2. mau
verb
1. het geluid maken dat kenmerkend is voor een kat
naukua
noun
miselli
/miˈxa/, /ˈmiʃa/
pronoun
Miika
/ˈmiːkroʔɔrɣaːnɪzmə/, /ˈmiːkroʔɔrʝaːnɪzmə/
noun
1. meestal eencellig wezen
mikro-organismi
noun
1. een levend micro-organisme
mikrobi
noun
1. de tak van de biologie die zich bezighoudt met micro-organismen en hun effecten op de mens en andere levende organismen
mikrobiologia
/ˌmɪkrobɪoˈloɣɪs/
adjective
1. met betrekking tot de microbiologie
mikrobiologinen
noun
mikrokontrolleri
noun
1.
filmikortti
noun
mikrofoni
/ˈmik.ro.χɔl(ə)f/, /ˈmɪk.ro.ɣɔlf/
noun
2. elektromagnetische golf van 0,1 mm tot 1 cm lengte
mikroaalto
noun
  1. 2.
  2. 1. een meetinstrument waarmee zeer nauwkeurig dikten, afstanden en diepten kunnen worden gemeten
mikrometri
/ˌmi.kro.ˈne.zi.ja/
pronoun
1. een land in Oceanië, officieel de Federale Staten van Micronesia
Mikronesia
noun
geïntegreerde schakeling die de hele CVE van een computer bevat op één enkele chip
mikroprosessori
/mɪkroˈskoːp/
noun
1. instrument dat het beeld van heel kleine dingen sterk vergroot
mikroskooppi
adjective
1. zeer klein, voor het blote oog onzichtbaar
mikroskooppinen
noun
mikrosekunti
noun
1. het midden van de dag, 12.00
keskipäivä
noun
1. een maaltijd die tussen de ochtend en de middag genuttigd wordt
lounas
/ˈmɪdəɫ/
noun
    1. 2. iets met behulp waarvan een doel bereikt kan worden
    2. 4. geld, bezit
    väline
  1. 1. middendeel van het lichaam
    1. vyötärö
    2. uuma
/ˈmɪdəɫe:wə(n)/
noun
1. de periode tussen ongeveer 300 n.Chr. tot 1500 n.Chr.
keskiaika
/ˈmɪdəɫɪ:ws/
adjective
1. gerelateerd aan de middeleeuwen
keskiaikainen
pronoun
1.
keskiranska
pronoun
1. Hoogduitse dialecten uit de periode 1050-1350
keskiyläsaksa
pronoun
1. randzee van de Atlantische Oceaan, gelegen tussen Zuid-Europa, Noord-Afrika en West-Azië
Välimeri
noun
1. middellijn
halkaisija
/ˌmɪdəɫˈmatəx/
adjective
  1. 2. niet in positieve zin opvallen
  2. 1. zich rond het gemiddelde bevinden
keskinkertainen
noun
1. van een cirkel of bol is het punt dat tot alle punten op de omtrek dezelfde afstand heeft
keskipiste
noun
tukkakoskelo
noun
1. vinger
keskisormi
noun
1. het centrale deel
keskipiste
pronoun
1. het gebied tussen Noord-Amerika en Zuid-Amerika
Keski-Amerikka
pronoun
1. regio van Finland
Keski-Suomi
noun
1. regio die bestaat uit Zuidwest-Azië en het noordoosten van Afrika
Lähi-itä
noun
1. maatschappelijke, economische klasse
keskiluokka
noun
välikorva
noun
spier- en peesachtig tussenschot tussen borstholte en buikholte
pallea
noun
1.
jälleenmyyjä
noun
1.
keskikenttäpelaaja
/ˌmɪdərˈnɑxt/, /ˌmɪdərˈnɑχt/
noun
1. het midden van de nacht, twaalf tot één uur 's nachts
keskiyö
noun
keskiyön aurinko
noun
keski-iän kriisi
verb
1. via de blaas als vloeistof lozen van lichamelijke afvalstoffen
  1. pissata
  2. kusta
noun
1. een kruipend, in grote kolonies levend omnivoor insect
muurahainen
noun
nokkasiilit
noun
1. benaming voor tandloze zoogdieren uit de onderorde Vermilingua
muurahaiskarhu
noun
1. HCOOH
muurahaishappo
noun
2. wortel
piparjuuri
noun
1. slapjanus, kleinzerig persoon
hintti
noun
1. schele hoofdpijn
migreeni
noun
muutto
/mi.ˈɣra.si.ˌru.tə/, /mi.ˈχra.tsi.ˌru.tə/
noun
1. een route die tijdens een migratie gevolgd wordt
muuttoreitti
verb
  1. 1. trekken, verhuizen, zich verplaatsen
  2. 2. gegevens zoals een bestand of code overzetten naar een ander computersysteem en/of netwerk
muuttaa
verb
1. ontwijken, trachten niet in aanraking te komen met iets of iemand
  1. karttaa
  2. välttää
/mɛi̯l/
abbreviation
maili
/mɛi̯n/
noun
1. onderaardse plaats waar delfstoffen gewonnen worden
kaivos
/mɛi̯n/
possessivePronoun
1. van mij
  1. -ni
  2. minun
noun
1. het bedrijven van winning van delfstoffen
kaivostoiminta
noun
1. brandbaar, giftig, reukloos gas dat in steenkoolmijnen voor kan komen vooral bestaande uit methaan (CH₄)
kaivoskaasu
noun
1. een verticale, meestal cilindervormige toegangsweg tussen het aardoppervlak en plaatsen...
kaivoskuilu
noun
1. een persoon die werkzaam is in de mijnbouw
kaivosmies
noun
1. benaming voor dieren uit de superorde Acariformes
punkki
noun
1. hoofddeksel voor kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders
hiippa
pronoun
1. stad in het noordwesten van Italië
Milano
/mi.li.ˈjøː/, /mɪɫˈjø/
noun
2. de wereldwijde natuurlijke omgeving
ympäristö
noun
1. alle maatregelen die gericht zijn op de instandhouding van een leefbare leefomgeving
ympäristönsuojelu
/ˌmiliˈtæːr/, /ˌmiliˈtɛːr/
adjective
1. met het leger te maken hebbend
  1. sotilaallinen
  2. sota
  3. sotilas
noun
militarismi
noun
1. 1.000.000.000 (= 10⁹)
miljardi
noun
1. iemand die een vermogen heeft van meer dan een miljoen eenheden van een bepaalde valuta (bijvoorbeeld euro, dollar)
miljardööri
noun
1. 1.000.000
miljoona
noun
1. iemand die een vermogen heeft van meer dan een miljoen eenheden van een bepaalde valuta (bijvoorbeeld euro, dollar)
miljonääri
noun
1. dikke koude drank
pirtelö
noun
1. een periode van 1000 jaar
vuosituhat
noun
1. een duizendste ampère
milliampeeri
noun
1. een lengtemaat ter grootte van een duizendste meter
millimetri
noun
millisekunti
/mɪlt/
noun
1. een klier in de buikholte die een rol speelt bij het zuiveren en de opslag van bloed
perna
/ˈmɪltfyr/
noun
1. een infectieziekte, die wordt veroorzaakt door de bacterie Bacillus anthracis
pernarutto
noun
1.
mimoosa
adverb
1. minus, verminderd met (-)
miinus
/ˈmɪnɑxtɪŋ/
noun
1. het minderwaardig vinden, het geen gunstige mening hebben over
  1. ylenkatse
  2. halveksinta
noun
minareetti
/ˈmɪndər/
indefiniteCardinalNumeral
1. vergrotende trap onverbogen vorm van weinig
harvempi
noun
1. een groep die binnen een groter geheel in aantal minder dan de helft uitmaakt
vähemmistö
noun
vähemmistökieli
noun
alemmuuskompleksi
pronoun
1. wereldwijd veel gebruikte netwerksite voor sociale contacten
Minecraft
/minəˈral/
noun
  1. mineraali
  2. kivennäinen
noun
1. water dat mineralen bevat die de smaak veranderen of het water een (vermeende) therapeutische waarde geven
  1. kivennäisvesi
  2. mineraalivesi
noun
mineralogia
/ˈminimal/
adjective
1. het kleinst mogelijk
mahdollisimman pieni
noun
1.
minihame
noun
1. een persoon die deelneemt aan de regering van een land
ministeri
noun
1. de minister die het kabinet aanvoert
pääministeri
/ˌminɪsˈtɪːri/
noun
1. een afdeling van een overheid waar het beleid van de regering wordt uitgevoerd
ministeriö
adjective
ministeri
/mɪnst/
indefiniteCardinalNumeral
pienin
noun
miinusmerkki
adjective
tarkka
noun
  1. 1. tijdeenheid
    minuutti
  2. 2. hoek
    1. minuutti
    2. kulmaminuutti
noun
1. neerbuigende vriendelijkheid als karakter eigenschap
hellävaraisuus
noun
mioseenikausi
noun
1. een godsdienstoefening in de katholieke kerk, een eucharistieviering
messu
noun
1. haat tegen mannen
miesviha
adjective
1.
ihmisiä vihaava
/'mɪsbrʌʏk/
noun
  1. väärinkäyttö
  2. väärinkäytös
noun
1. een handeling die een ernstig vergrijp tegen het wetboek van strafrecht is
rikos
noun
1. is iemand die de priester helpt tijdens het opdragen van de mis
kuoripoika
noun
1. een misdaad of delict
rikos
verb
1. iemand slecht behandelen en pijn doen of verwonden
kohdella kaltoin
noun
1. het moedwillig toebrengen...
pahoinpitely
noun
keskenmeno
adjective
1.
erehdyttävä
noun
1. iets dat niet goed is gegaan
häiriö
noun
  1. 1. bepaald soort loofboom Mespilus germanica
  2. 2. vrucht van de mispelboom
mispeli
/məˈsxin/
adverb
1. duidt aan dat er een bepaalde kans bestaat dat de uitspraak waar is
  1. ehkä
  2. mahdollisesti
adjective
1. tot braken geneigd
oksettaa
noun
pahoinvointi
/ˈmɪsə(n)/
verb
  1. 6. de afwezigheid voelen van
    ampua ohi
    1. 1. niet raken, niet treffen
    2. 2. niet halen
    myöhästyä
noun
1. laaghangende bewolking die het zicht belemmert
sumu
adjective
1. met mist
sumuinen
/ˈmɪsfərstɑnt/
noun
1. het verkeerd begrijpen van elkaars bedoelingen
väärinkäsitys
/ˌmito'xɔndriɵm/
noun
1.
mitokondrio
/miˈtozə/
noun
1.
mitoosi
/ˈmɪksə(n)/
verb
1. door elkaar mengen
koostaa
/moˈbilcə/
noun
1. draagbare telefoon
  1. matkapuhelin
  2. kännykkä
noun
liikekannallepano
noun
1. mengsel van aarde, vuil en water
muta
/ˈmodə/
noun
muoti
noun
malli
/mo.dɛr.ni.ˈzɪː.rə(n)/, /mo.dɛr.nɪ.ˈzeː.rə(n)/
verb
1. modern maken
modernisoida
noun
modernismi
noun
nykyaikaisuus
adjective
1. volgens de mode
muodikas
noun
muutos
adjective
modulaarinen
noun
modulaatio
noun
moduuli
/muː/
adjective
1. geneigd tot rusten of slapen
väsynyt
/mud/, /mut/
noun
1. dapperheid, lef, branie
rohkeus
noun
1. een vrouwelijke ouder
äiti
noun
emolevy
noun
1. een dag ter ere van de moeders
äitienpäivä
/ˈmudər.kuk/
noun
alternatieve benaming van placenta
istukka
adjective
1.met de liefde en zorg van een moeder
äidillinen
noun
1. het fungeren als moeder
äitiys
noun
äidinkieli
/ˈmuːdəx/, /ˈmuːdəç/
adjective
1. geen angst voor gevaar tonend
  1. rohkea
  2. reipas
noun
1. de diersoort waartoe het tamme schaap behoort, Ovis gmelini
mufloni
noun
touhuaja
/mu<sup>ɪ</sup>lɛ<sup>ɪ</sup>k/
adjective
1. niet gemakkelijk, waar moeite, geduld en inspanning voor vereist is
hankala
noun
1. iets dat moeilijk of lastig is
vaikeus
adjective
1. geen moeite kostend
vaivaton
noun
  1. [A]
    mutteri
  2. [C] 1. drassig land, vooral gebruikt voor natte veengebieden
    marskimaa
noun
marskimaa
noun
silkkiäismarja
noun
1. de regentijd in tropische gebieden met een droge tijd en een regentijd
monsuuni
verb
1. gedwongen zijn
  1. täytyä
  2. pitää
noun
1. huwelijk ingegeven door zwangerschap
haulikkohäät
noun
  1. 1. scheldnaam voor een Duitser
    hunni
  2. 1. met bont gevoerde koker om de handen warm te houden
    kaulus
adjective
1. een keuze om iets te doen
mahdollinen
noun
1. iets wat gedaan kan worden of kan gebeuren
mahdollisuus
/'mo.χə(n)/
verb
1. toegestaan zijn
saada
noun
  1. 1. drinkbeker
  2. 2. paardenziekte
muki
noun
1. zware hamer met korte steel
moska
pronoun
1. een taal die in het zuiden van Mordovië gesproken wordt
mokša
noun
  1. 1. bepaald soort zoogdier, Talpa europaea
    1. maamyyrä
    2. kontiainen
  2. 3. hoeveelheid van een stof die net zo veel deeltjes bevat als er atomen...
    mooli
/mɔlˈdaːvi.jə/, /mɔɫˈdavi.jə/
pronoun
1. een land en regio in Zuidoost-Europa grenzend aan Oekraïne en Roemenië
Moldova
/mɔlˈdaːvi.jər/, /mɔɫˈdavi.jər/
noun
1. inwoner van Moldavië
moldovalainen
/moləˈkyle/
noun
1. het kleinste deeltje van een stof dat nog alle eigenschappen van die stof bezit
molekyyli
/moləˈkyɫ/
noun
1. het kleinste deeltje van een stof dat nog alle eigenschappen van die stof bezit
molekyyli
noun
1. installatie die de stroming van lucht of water gebruikt als energiebron
mylly
/ˈmolənar/
noun
1. iemand die het werken in een molen als beroep heeft
mylläri
noun
1. een ronde steen die onder andere in windmolens en watermolens wordt gebruikt voor het malen van granen en andere producten, zoals boekweit, erwten en bonen, lijnkoeken en eikenschors
myllynkivi
adjective
1. een beetje dik, volslank
pullea
noun
1. met brandbare stof gevulde glazen fles die via een lont of lap stof wordt ontstoken
  1. Molotovin cocktail
  2. polttopullo
noun
1.
myyränmätäs
noun
1. Chemisch element
molybdeeni
noun
1. zeer korte tijd
hetki
adverb
1. op dit moment
parhaillaan
verb
1. geluiden maken die moeilijk te verstaan zijn
mumista
/moˈnako/, /ˈmo.na.ko/
pronoun
  1. 1. een dwergstaatje in Zuid-Europa, officieel het Vorstendom Monaco, dat aan Frankrijk grenst
  2. 2. de hoofdstad van Monaco
Monaco
noun
monarkki
noun
1. is van origine een regeringsvorm waarbij alle macht bij één persoon berust
monarkia
/[mɔnt]/
noun
1. ingang van het spijsverteringskanaal
suu
abbreviation
1. een zeer besmettelijke virusziekte (Aphtae epizooticae) die evenhoevige dieren, vooral runderen treft
suu- ja sorkkatauti
adjective
1. via het gesproken woord
suullinen
noun
1. instrument met doorslaande tongen dat met de mond bespeeld wordt
huuliharppu
noun
1. een klein tokkelinstrument en lamellofoon waarbij de klank gevormd wordt door een dunne lamel aan te tokkelen waarbij het frame tussen de tanden of tegen de lippen wordt gehouden
munniharppu
noun
1.
hammashygienisti
/ˈmɔndɪŋ/
noun
1. plaats waar een rivier uitkomt in zee of meer
suu
noun
1. dat deel van een blaasinstrument dat in de mond genomen wordt of aan de lippen gezet
suukappale
/ˈmɔntwatər/
noun
1. vloeistof waarmee de mondholte kan worden gespoeld
suuvesi
/mɔŋ.ˈ(g)ɣo.li.jə/, /mɔŋ.ˈɣo.li.jə/, /mɔŋ.ˈχo.li.jə/
pronoun
1. een land in Azië en omringd door China in het zuiden en Rusland in het noorden
Mongolia
pronoun
1. macrotaal die de officiële taal van Mongolië is en die ook in China en Rusland gesproken wordt
  1. mongoli
  2. mongolia
noun
1. een man die uit religieuze overwegingen teruggetrokken leeft, voornamelijk in een klooster
munkki
noun
3. plant
ukonhattu
noun
1. een bril voor één oog
monokkeli
/ˈmonokʏɫˌtyːr/
noun
1. landbouw met één gespecialiseerd gewas
monokulttuuri
/ˈmonɔfˌtɔŋ/
noun
1. de benaming voor één enkele klinker die de nucleus vormt van een lettergreep
monoftongi
noun
1. het verschijnsel dat een diftong overgaat in een monoftong.
monoftongiutuminen
noun
1. het samenleven of getrouwd zijn met één persoon
monogamia
noun
1. figuur met initialen
monogrammi
noun
monoliitti
adjective
2. van iets dat het kolossaal groot is en uit één massief brok bestaat
monoliittinen
/ˌmonoˈlox/
noun
1. een gesprek gevoerd door één persoon, meestal op toneel
yksinpuhelu
noun
2. te eenzijdige fixatie op één zaak
monomania
noun
1. het geheel beheersen van een markt door een enkele leverancier
monopoli
noun
1.
kohorata
noun
monoteismi
noun
monoksidi
noun
1. schrikwekkend wezen
hirviö
noun
hyökyaalto
noun
1.een overeenkomst waarin partijen die normaal elkaars tegenstrever zijn hun tegenstellingen opzij leggen en een verbond sluiten tegen een andere, machtiger partij
epäpyhä allianssi
/ˌmɔntəneˈgrɛɪ̯ns/, /ˌmɔntəneˈgrɛːns/, /ˌmɔntəneˈɣrɛɪ̯ns/
adjective
1. op Montenegro betrekking hebbend
montenegrolainen
/ˌmɔntəneˈgrɛɪ̯ns/, /ˌmɔntəneˈgrɛːns/, /ˌmɔntəneˈɣrɛɪ̯ns/
pronoun
1. vorm van het Servo-Kroatisch, gesproken in Montenegro
montenegrolainen
/ˌmɔntəˈnegro/, /ˌmɔntəˈneːɣro/
pronoun
1. land in Zuidoost-Europa gelegen aan de Adriatische Zee en grenzend aan Kroatië, Bosnië en Herzegovina, Servië en Albanië
Montenegro
verb
1. de juiste beelden achter elkaar zetten
asemtaa
/mɔnsɛ'rɑ/
pronoun
Montserrat
noun
1. een groot gedenkteken
monumentti
/moːj/
adjective
1. prettig in voorkomen, aangenaam om naar te kijken, schoon
  1. kaunis
  2. nätti
/ˈmoːrd/, /ˈmoːrt/, /ˈmʊːrt/
noun
1. handeling met het doel en het gevolg dat iemand dood gaat
murha
/mordənar/
noun
1. iemand die een moord gepleegd heeft
murhaaja
noun
verilöyly
noun
murha-ase
noun
1. anekdote met een verrassend en komisch slot
vitsi
/moˈral/
noun
moraali
noun
1.
moralisti
noun
1. een uitstel van betaling
moratorio
pronoun
Määri
pronoun
1. autonome republiek van Rusland
Mordva
/moˈrel/
adjective
moraalinen
noun
1. de kleinst mogelijke morfosyntactische eenheid in een taal
morfeemi
/ˌmɔr.fo.lo.ˈɣi/, /ˌmɔr.fo.lo.ˈχi/
noun
1. de wetenschap die het vormgeven van woorden bestudeert
morfologia
/ˈmɔrxə(n)/, /ˈmɔrɣə(n)/
adverb
1. eerstvolgende dag na vandaag
  1. huomenna
  2. huominen
/ˈmɔrxə(n)/, /ˈmɔrɣə(n)/
noun
1. eerste deel van de dag
aamu
noun
1. een bruidsschat die binnen het Morganatische huwelijk door een man aan zijn vrouw wordt gegeven de ochtend na de huwelijksnacht
huomenlahja
noun
1. benaming voor de planeet Venus
aamutähti
noun
1. pejoratieve benaming voor een hond, bastaardhond
piski
noun
1. bijnaam van een lid van de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen
mormoni
adjective
1. behorend tot, passend bij de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen
mormonilainen
/'mɔrsə(n)/
verb
1.
kaataa
noun
  1. 1. een kom waarin met een stamper allerlei stoffen fijn gestampt of fijngewreven worden
  2. 2,3 korte kanontypen
  1. mörssäri
  2. heitin
noun
sammal
noun
1. een scheikundig element met het symbool Mc en het atoomnummer 115
moskovium
noun
1. een boom uit de napjesdragersfamilie
turkintammi
noun
1. gebedshuis
moskeija
pronoun
1.
Moskova
noun
1. een geloofsaanhanger van de islam
muslimi
noun
1. Mytilus edulis, een eetbaar tweekleppig schelpdier
simpukka
adjective
1. met mos bedekt
sammaleinen
noun
1. gistend vruchtensap, meestal van druiven
puristemehu
noun
1. een in de keuken gebruikte kruidenpasta
sinappi
noun
sinappikaasu
adjective
1. met de gele kleur van mosterd
sinapinkeltainen
noun
1.
sinapinsiemen
noun
1. een vlinderachtig insect
yöperhonen
noun
1.
motetti
noun
aloite
noun
  1. 2.3.
  2. 1. de reden om iets te doen
aihe
noun
motivaatio
/moːtiˈveːrə(n)/
verb
1. met redenen omkleden
perustella
/'mo.tɔr/
noun
1. krachtbron
moottori
noun
1. een klein tot middelgroot bootje dat voortbewogen wordt door middel van een motor
moottorivene
noun
moottoripyörä
noun
spoorvoertuig
moottorijuna
noun
1. lichte neerslag in de vorm van heel kleine druppeltjes water
tihkusade
noun
koinmyrkky
noun
krossipyörä
noun
1. de grondstof voor bier, jenever en whisky,...
mallas
noun
1. fabriek waar van granen mout wordt gemaakt, door het in water te weken waardoor het onkiemt, en het daarna te drogen
mallastamo
noun
1. dat deel van een kledingstuk dat de armen omvat
hiha
adjective
1. zonder mouw
hihaton
/ˌmo.zɑm.ˈbik/, /ˌmo.zɑm.ˈbɪk/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel de republiek Mozambique
Mosambik
noun
mosaiikki
noun
1. Italiaanse kaas
mozzarella
/ˈmysli/, /ˈmyə̯zli/
noun
1. eten gemaakt van graanvlokken, zuivel, fruit en noten
mysli
noun
1. de persoon die vanuit een minaret van de moskee oproept tot de dagelijkse gebeden
muessin
/mɵf/
adjective
1. onaangenaam en bedorven ruikend
ummehtunut
noun
1. kleine, vliegende insecten van de onderorde Nematocera
  1. kaksisiipisten
  2. sääsket
  3. hyttynen
adjective
1. al te zeurderig en precies
pikkumainen
noun
1. een kruising van een ezelhengst en een paardenmerrie
muuli
noun
1. een kruising van een paardenhengst en een ezelin
muuliaasi
verb
2. beletten te spreken
estää
/mœʏ̯s/, /mœːs/
noun
  1. 3. computermuis
    hiiri
  2. 1. klein zoogdier, meestal van het geslacht "Mus"
    1. hiiri
    2. kotihiiri
/ˈmœʏʃjə/
noun
1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord muis
hiirulainen
/ˈmœʏsmɑt/, /ˈmœːsmɑt/
noun
1. een onderlegger voor een computermuis
hiirimatto
verb
1. in opstand komen tegen wettige autoriteit
kapinoida
noun
kapina
noun
1.
hiirenloukku
pronoun
1.
Mulhouse
adjective
1. met, of aan veel kanten, belangen, partijen etc.
monenkeskinen
noun
multimedia
noun
monikansallinen yritys
noun
MS-tauti
noun
1. composietplaat die bestaat uit meer dan 3 gelijmde laagjes hout
vaneri
noun
1. een door balseming en uitdroging geconserveerd lichaam van een dode
muumio
verb
1.van een overledene een mummie maken
muumioida
noun
1. en 2. (boon van) eenjarige plant Vigna radiata
  1. mungopapu
  2. mungpapu
noun
1. en 2. (blaadjes van) het plantengeslacht Mentha
minttu
noun
1. benaming voor kleine hertachtigen uit het geslacht Muntiacinae
muntjakki
pronoun
Murcia
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Passeridae
varpunen
noun
1. een gebouw waarin voorwerpen van culturele waarde tentoongesteld worden
museo
noun
musikaali
noun
1.
musiikkitieteilijä
noun
1. iemand die muziek maakt en ten gehore brengt
muusikko
noun
1. en 2. (vruchtvlees) van plant Cucurbita moschata
myskikurpitsa
noun
1. en 2. (vruchtvlees) van plant Cucurbita moschata
myskikurpitsa
noun
1.
muskettisoturi
/'mɵskɵs/
noun
1. de geurstof uitgescheiden door de geurklieren van bepaalde zoogdieren
myski
noun
1. plomp hoefdier met grote kop en brede snuit
myskihärkä
noun
1. en 2. (vruchtvlees) van plant Cucurbita moschata
myskikurpitsa
noun
1. Ondatra zibethicus, een soort waterrat
piisami
noun
1. stof
mutageeni
noun
1. een sprongsgewijze verandering
mutaatio
noun
1. onvermogen om te spreken
mutismi
/mʏʦ/
noun
1. hoofddeksel van textiel zonder harde rand.
hilkka
/myːr/
noun
1. verticale vlakke constructie van metselwerk
  1. seinä
  2. muuri
noun
muraali
noun
jänönsalaatti
noun
muusa
/my'zik/
noun
1. een akoestisch fenomeen
musiikki
/myˈzikˌɪnstrymɛnt/
noun
1. instrument om muziek mee te spelen
  1. soitin
  2. musiikki-instrumentti
noun
1.een school waar men muziek leert maken
musiikkikoulu
noun
1. de leer van systematiek in muziek
musiikinteoria
noun
1. iemand die muziek maakt
muusikko
/ˌmikoloˈɣi/
noun
1. de wetenschap die zich bezig houdt met het bestuderen van schimmels
  1. sienitiede
  2. mykologia
/miˈkozə/
noun
1. een door een schimmel veroorzaakte ziekte
sammas
noun
1. afwijking in de brandpuntsafstand van het oog waardoor alles op grotere afstand wazig gezien wordt
likinäköisyys
noun
1. een grote groep mensen, een ontelbare menigte
myriadi
/miˈstɪːri/
noun
salaisuus
noun
mystikko
/ˈmitə/
noun
jumalaistaru
adjective
myyttinen
/mi.tɔ.lɔ.ɣi/
noun
  1. mytologia
  2. jumalaistarusto
noun
1. ernstige konijnenziekte die verspreid wordt door vectoren (dragers) zoals muggen, konijnenvlooien...
myksomatoosi
preposition
1. in tijd volgend op
jälkeen
noun
1.
sauma
/'natlos/
adjective
1. zonder naad aan elkaar bevestigd
saumaton
/naf/
noun
1. centrale as of middenstuk van een wiel of rad
napa
/ˈnaːi̯ə(n)/
verb
1. naaldwerk verrichten
ommella
noun
ompelukone
noun
1. het naakt zijn
alastomuus
noun
etana
/nald/, /naɫt/
noun
1. gereedschap voor naaien
  1. neula
  2. neulanen
noun
havupuu
noun
1.
piikkikorko
noun
hapsiluikka
noun
  1. 2. bekendheid, reputatie
    1. maine
    2. kunnia
    3. nimi
  2. 1. kort stukje tekst dat een persoon, instelling of object bijna identiek kan benoemen
    nimi
noun
1. een dag waarop een heilige wordt herdacht
nimipäivä
noun
1. iets of iemand met dezelfde naam
kaima
noun
nimiavaruus
noun
1. elk der buigingsvormen van een naamwoord
sijamuoto
/namwort/
noun
1. een woord dat een persoon of zaak noemt, bepaalt of aanduidt
nomini
/naːr/
adverb
1. in de richting van
luo
/naːr/
preposition
1. in de richting van
mukaan
preposition
1. aan de zijkant van
...[[-n]] vierellä
noun
1. liefde jegens de medemens
armeliaisuus
adjective
1. zich in de onmiddellijke omgeving bevindend
läheinen
noun
läheisyys
/ˈnabotsɪŋ/
noun
1. imitatie, het nadoen
  1. imitaatio
  2. jäljittely
adjective
1. in de buurt ervan gelegen
läheinen
/nɑx/, /nɑxt/, /nɑχt/
noun
1. de tijd tussen zonsondergang en zonsopkomst
yö
noun
1. een uitgaansgelegenheid voor volwassenen
yökerho
noun
1. een dier dat overdag slaapt en 's nachts actief is
yöeläin
noun
1. lijsterachtige zangvogel met een rossig bruine staart die heel mooi kan zingen
  1. etelänsatakieli
  2. satakieli
noun
1. kleding die men in bed aanheeft tijdens het slapen
yöasu
noun
yöpöytä
noun
  1. 1. een zeer angstige droom
  2. 2. een schrikbeeld
painajainen
noun
1.
koiso
noun
1. vlinder die 's nachts actief is
yöperhonen
noun
1.
yötyö
noun
kehrääjä
/na'dɑt/
conjunction
kun
noun
1. ongunstige eigenschap
haitta
noun
1. denkbeeldig punt aan de sterrenhemel loodrecht onder de waarnemer
nadiiri
/'nadrɵk/
noun
1. een bijzondere aandacht die besteed wordt
painottaa
/ˈnaː.ɣəˌbor.tə/
noun
3. de moederkoek, navelstreng en vliezen die het lichaam van de moeder verlaten nadat de baby is geboren
jälkeiset
noun
  1. 1. hoornplaat op laatste teen- en vingerkootjes
    kynsi
  2. 3. spijker
    1. naula
    2. kynsi
noun
1. schoonheidsmiddel
kynsilakka
noun
1.
naulain
noun
jälkiruoka
noun
jälkeläiset
/ˈna.wɑtl̥̩/, /ˈna.wɑtl̩/
pronoun
1. benaming voor de talen die door de oorspronkelijke bewoners van Mexico gesproken worden
nahuatl
/ˈnahʏm/
pronoun
2. boek in de Bijbel
Nahum
noun
1. herfst
syksy
verb
1.
pyrkiä
verb
  1. 1. iets niet doen, dat men had zullen of moeten doen
    jättää tekemättä
  2. 2. in een testament toebedelen
    testamentata
noun
compliance
/ˈnamələk/
abbreviation
nimittäin
pronoun
1. provincie in het oosten van België
Namur
preposition
1.
nimessä
/na.'mi.bi.jə/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika
Namibia
noun
1. tijd aan het einde van de middag
iltapäivä
noun
nandu
noun
1.
nanometri
noun
nanosekunti
noun
nanoteknologia
adjective
1. van na de oorlog
sodanjälkeinen
pronoun
1. stad in Italië
Napoli
adjective
1. een taal die in Napels, Campanië, Basilicata en noordelijk Calabrië gesproken wordt
napoli
noun
  1. narsissit
  2. narsissi
noun
narsismi
noun
1. bepaald soort zeezoogdier, Monodon monoceros
sarvivalas
/naˈsal/
adjective
1. met betrekking tot de neus
nasaali
/ˈna.slɑx.ˌwɛrk/, /ˈna.slɑx.ˌβ̞ɛrk/, /ˈna.slɑχ.ˌʋɛrk/
noun
1. een boek dat dient om iets in op te zoeken
lähdeteos
noun
jäljet
noun
1. een veranderde smaak van iets dat men al heeft doorgeslikt heeft en in het begin anders smaakte
jälkimaku
adjective
1. gedrenkt in een vloeistof, meestal water
märkä
noun
1. een groep mensen die zich door gemeenschappelijke taal, cultuur of politieke geschiedenis verbonden voelt
kansakunta
noun
kansallisvaltio
adjective
1. op een volk met een eigen land betrekking hebbend
kansallinen
noun
kansallissosialismi
noun
1. voorliefde voor het vaderlandse
  1. nationalismi
  2. kansallismielisyys
noun
nationalisti
noun
kansallisuus
verb
1.
kastella
noun
natrium
noun
natriumvetykarbonaatti
noun
1.2.3. stroming in de literatuur aan het eind van de 19e eeuw, die de mens beschouwt als bepaald door milieu en erfelijkheid en leer die de natuur boven alles stelt
naturalismi
noun
1.
naturisti
noun
überhaupt
luonto
noun
1. een buiten de mens om werkende kracht
luonnonvoima
/naˈtyrkʏndə/, /naˈtyːrkʏndə/
noun
1. subdiscipline binnen de natuurwetenschap die zich bezighoudt met de bestudering van materie en
fysiikka
adjective
1. uit de natuur afkomstig
luonnollinen
noun
1. mens van vlees en bloed die kan deelnemen aan het rechtsverkeer
luonnollinen henkilö
noun
luonnonmuistomerkki
noun
1. een ongelukkige gebeurtenis die door de natuur veroorzaakt wordt
luonnonmullistus
noun
2. in de natuurlijke orde van de dingen gefundeerd
luonnonoikeus
/na'tyrʋetənsxɑp/, /na'tyrʋetənsçɑp/
noun
luonnontiede
noun
1. wetenschapper die zich bezighoudt met natuurwetenschap
luonnontieteilijä
/na.ˈu.ru/, /naˈuru/, /ˈnaʊ̯.ru/
pronoun
1. een land in de Stille Oceaan
Nauru
/nɑuruˈwans/
pronoun
1. taal die door 6 000 mensen wordt gesproken in Nauru
nauru
noun
kiipeli
adverb
1. slechts in geringe mate
tuskin
pronoun
1. taal die het zuidwesten van de Verenigde Staten wordt gesproken door 170 duizend Navajo's
navaho
pronoun
Navarra
/'navəl/
noun
napa
noun
1. opeenhoping van wollig materiaal in iemands navel
napanöyhtä
verb
1. overmatig bezig zijn met zichzelf
omaan napaan tuijottaminen
/ˈnavəlstrɛŋ/
noun
snoer dat de vrucht aan de moederkoek verbindt
napanuora
noun
navigointi
verb
ohjata
noun
1. NAVO
NATO
adjective
1. opnieuw te vullen
täytettävä
pronoun
1.
Neckarsulm
noun
nekrofilia
noun
1. een biografie van een overleden persoon en/of een bespreking van diens werk
muistokirjoitus
noun
1. de afsterving van weefsel
nekroosi
noun
2. een perzikachtige vrucht van boom Prunus persica var. nucipersica
nektariini
pronoun
1. deelstaat van Oostenrijk
Ala-Itävalta
pronoun
1. een in Noord-Duitsland en Nederland gesproken West-Germaanse taal...
alasaksa
noun
1. het aannemen van een houding waarbij geen aanspraak gemaakt wordt op macht of eer
nöyryys
noun
1. het verlies van een strijd
  1. tappio
  2. häviö
/ˈnedərˌlɑnt/, /ˈneːdərˌlɑnd/, /ˈneːdərˌlɑnt/
pronoun
1. land in het westen van Europa, grenzend aan Duitsland en België, belangrijkste deel van het Koninkrijk der Nederlanden
  1. Alankomaat
  2. Hollanti
/ˈne.dər.ˌlɑn.dər/
noun
1. inwoner van Nederland of persoon die de Nederlandse nationaliteit bezit
  1. alankomaalainen
  2. hollantilainen
/ˈne.dər.ˌlɑnds/, /ˈne.dər.ˌlɑnts/
adjective
1. met betrekking tot Nederland of de Nederlandse taal
  1. alankomaalainen
  2. hollantilainen
/ˈne.dər.ˌlɑnds/, /ˈne.dər.ˌlɑnts/
pronoun
1. een West-Germaanse taal die als officiële taal gesproken wordt in Nederland, Vlaanderen, Suriname en op de Nederlandse Antillen
  1. hollanti
  2. alankomaalainen
/ˈne.dər.ˌlɑn.tsə/, /ˈne.dər.ˌlɑnd.sə/
noun
1. vrouwelijke inwoner van Nederland, vrouw uit Nederland
alankomaalainen
/ˌne.dər.lɑnt.sə.ɑn.ˈtɪ.lə(n)/, /ˌneː.dər.lɑnt.sə̯an.ˈtɪ.lə(n)/
pronoun
1. voormalig land binnen het Koninkrijk der Nederlanden
Alankomaiden Antillit
pronoun
Ala-Saksi
pronoun
1. een in Noord-Duitsland en Nederland gesproken West-Germaanse taal zonder Hoogduitse klankverschuiving
alasaksa
noun
1. een vestiging, een bewoonde plaats
siirtokunta
/neː/
interjection
1. ontkenning
ei
noun
  1. 2. kozijn
    serkku
  2. 1. mannelijke oomzegger
    1. sisarenpoika
    2. veljenpoika
/nen/
interjection
nee
ei
noun
1. hemelwater
sade
verb
1. het vliegvermogen verliezen en onzacht op de aarde terugvallen
kolaroida
verb
1. te snel naar beneden verplaatsen
pudota
adjective
1. ontkennend, afwijzend
negatiivi
/ˈne.ɣə(n)/, /ˈne.χə(n)/
cardinalNumeral
1. het getal 9
yhdeksän
/ˈne.ɣən.də/, /ˈne.χən.də/
ordinalAdjective
1. nummer negen in een rij
yhdeksäs
cardinalNumeral
1. het getal 39
kolmekymmentäyhdeksän
cardinalNumeral
1. het getal 99
yhdeksänkymmentäyhdeksän
cardinalNumeral
1. het getal 89
kahdeksankymmentäyhdeksän
cardinalNumeral
1. het getal 29
kaksikymmentäyhdeksän
cardinalNumeral
1. het getal 49
neljäkymmentäyhdeksän
cardinalNumeral
1. het getal 59
viisikymmentäyhdeksän
cardinalNumeral
1. het getal 69
kuusikymmentäyhdeksän
/ˈneɣənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 79
seitsemänkymmentäyhdeksän
noun
yhdeksänkulmio
/ˈne.ɣə(n).ˌhɔn.dərd/, /ˈne.ɣə(n).ˌɦɔn.dərt/, /ˈne.χə(n).ˌɦɔn.dərt/
cardinalNumeral
1. het getal 900
yhdeksänsataa
cardinalNumeral
1. het getal 19
yhdeksäntoista
ordinalAdjective
yhdeksästoista
/ˈne.ɣə(n).təx/, /ˈne.ɣə(n).tɪx/, /ˈne.χə(n).təχ/
cardinalNumeral
1. het getal 90
yhdeksänkymmentä
ordinalAdjective
yhdeksäskymmenes
noun
1. iemand met voorouders uit Afrika bezuiden de Sahara met lichamelijke kenmerken daarvan
neekeri
verb
1. doen alsof iemand of iets niet bestaat
sivuuttaa
pronoun
Nehemia
/nɛk/
noun
1. achterste gedeelte van de hals
niska
/ˈne.mə(n)/
verb
1. iets vastpakken met de handen
ottaa
noun
1. kunststroming
uusklassismi
noun
neodyymi
/nejoˈɣen/
noun
geologisch tijdperk
neogeenikausi
adjective
1.
uusliberalisti
noun
neoliberalismi
/nejoˈlitikʏm/
noun
neoliittinen kausi
/ˌne.jo.lo.ˈχɪs.mə/, /ˌne.jo.loː.ˈɣɪz.mə/
noun
1. een woord dat nieuw is of nieuw gevormd is
uudissana
noun
1. een chemisch element en een kleurloos edelgas
neon
noun
uusnatsismi
noun
1. bepaalde kleurrijke kleine vissoort uit Zuid-Amerika, Paracheirodon innesi
neontetra
/ˌnejoˌprotəroˈzowikʏm/
noun
myöhäisproterotsooinen
/ˈnepɑɫ/, /ˈneːpɑl/
pronoun
1. een land in Azië, gelegen in de Himalaya tussen India en China (Tibet)
Nepal
pronoun
1. een taal die vooral in Nepal gesproken wordt
nepali
/nepo'tɨzmə/
noun
1.
nepotismi
noun
1. Chemisch element
neptunium
pronoun
Neptunus
noun
1. iemand die sociaal en seksueel weinig in trek is en een grote voorliefde voor intellectuele zaken aan de dag legt
nörtti
noun
lehtisuoni
adverb
ei missään
noun
  1. 1. benaming voor bepaalde pelsdieren uit de familie der marterachtigen
  2. 1. pels van een nerts
minkki
adverb
1. lijdend aan gespannen zenuwen
hermostunut
/nɛst/
noun
1. de verblijfplaats van een dier
pesä
/ˈnɛstələ(n)/
verb
1. het bouwen van een nest en het grootbrengen van jongen erin, gewoonlijk van vogels
kotiutua
noun
  1. 1. een geheel van fijne draden
    haavi
  2. 2-6. netwerk enz.
    verkko
noun
3. sport die veel lijkt op korfbal en basketbal
verkkopallo
noun
1. plant
nokkonen
/ˈnɛcəs/
adjective
1. net, schoon
puhdas
/ˈnɛcəs/
adverb
1. op een nette manier
puhdas
noun
1. tweede maag van herkauwers
verkkomaha
adverb
netto
/'nɛtolon/
noun
1.
nettopalkka
noun
1. een vlies aan de binnenkant van het oog waarop een beeld wordt gevormd
verkkokalvo
noun
verkko
/ˈnøːk.bar/
adjective
naitava
verb
1. geslachtsgemeenschap hebben met
  1. naida
  2. nussia
adjective
1. met betrekking tot de zenuwen
hermostollinen
pronoun
Nürnberg
noun
1. zenuwontsteking
hermotulehdus
noun
1. de studie van alles wat met de ontwikkeling en werking van het zenuwstelsels te maken heeft.
neurobiologia
noun
1.
neurokirurgi
noun
1.
hermokirurgia
noun
1. een discipline binnen de biologie en geneeskunde die zich bezighoudt met alles wat aandoeningen van het centrale zenuwstelsel betreft
  1. neurologia
  2. hermotautioppi
adjective
1. met betrekking tot de zenuwen
neurologinen
noun
een zeer belangrijke cel in het zenuwstelsel
hermosolu
noun
1. zenuwziekte
hermosairaus
noun
neuropsykologia
adjective
1. met betrekking tot een ziekelijke houding
neuroottinen
/ˈnøːrotransˌmɪtər/, /ˈnøːrotrɑnsˌmɪtər/, /ˈnʏːrotrɑnsˌmɪtər/
noun
1. een chemische stof die fungeert als overbrenger van de zenuwprikkel
aivojen välittäjäaine
noun
neurotiede
/nøʏs/, /nøːs/
noun
1. een orgaan dat gebruikt wordt bij de ademhaling en om te ruiken
nenä
noun
1.
nenäapina
noun
1. een van de beenderen van de schedel
nenäluu
noun
sierain
noun
1. het eerste stuk van het luchtwegstelsel waar de ingeademde lucht doorheen gaat
nenäontelo
noun
1. een groot en zwaar zoogdier uit de familie van de Rhinocerotidae dat in Afrika en Azië leeft...
sarvikuono
noun
1.
sarvinokka
/ˈnøsklɑŋk/
noun
1. een medeklinker die geproduceerd wordt met een gedeeltelijke obstructie ergens in het spraakkanaal
nasaali
noun
1.
nenäkuorikko
/nøˈtral/
adjective
  1. 1. geen partij kiezend in een conflict
  2. 2. natuurkunde: noch een positieve noch een negatieve lading dragend
  3. 4. scheikunde: noch zuur noch alkaline
liittoutumaton
noun
1. een onpartijdige houding aanhouden ten opzichte van twee partijen met een geschil
puolueettomuus
noun
neutriino
noun
neutroni
noun
1.
neutronipommi
noun
neutronitähti
noun
2. wolken in de nabijheid van de grond, ontstaan door plaatselijke oorzaken zoals door afkoeling of door menging van koude met warme vochtige lucht
sumu
noun
1. bepaald soort zoogdier, Neofelis nebulosa
puuleopardi
noun
pilvimetsä
/nuˈjɔːrk/
pronoun
1. deelstaat van de Verenigde Staten
New York
pronoun
1.
Newfoundland
noun
1. een van de voor de mens noodzakelijke vitaminen, een wateroplosbaar microvoedingsmiddel dat van belang is voor de menselijke gezondheid
niasiini
noun
Nibelungein laulu
/ˌni.ka.ˈra.gβ̞a/, /ˌni.ka.ˈra.ɣuwa/, /ˌni.kɑ.ˈra.gʋa/
pronoun
1. een staat in Midden-Amerika, tussen Honduras en Costa Rica
Nicaragua
noun
  1. 3. dochter van iemands oom of tante
    serkku
  2. 1. dochter van iemands broer of zus
    sisarentytär
noun
nikotiini
indefinitePronoun
1. geen enkel persoon
ei kukaan
/nimən'dɑl/
indefinitePronoun
ei mitään
noun
1. een van beide organen in de onderrug die het bloed zuiveren van afvalstoffen en deze uitscheiden in de urine.
munuainen
noun
1. een samengroeisel in het nierbekken dat meestal uit urinezuur en urinezure zouten bestaat
munuaiskivi
noun
1. glibberige stof, gewonnen uit het weefsel rond de beide organen die bij zoogdieren het bloed zuiveren
munuaisrasva
noun
1.
aivastus
noun
1. giftige plant die vroeg in het voorjaar bloeit
jouluruusu
adverb
1. ontkenning, tegenovergestelde van 'wel'
ei
noun
1.
tupakoimaton
noun
1. klein, vaak beugelvormig, metalen voorwerp met twee spitse uiteinden
nitomanasta
indefinitePronoun
1. geen enkel ding, geen enkele zaak
  1. ei mitään
  2. mitään
noun
1. iemand die voor niets deugt
hanttapuli
adjective
1. zonder argwaan, argeloos
pahaa-aavistamaton
postposition
huolimatta
adverb
  1. silti
  2. kuitenkin
/niβ̞/, /nyʊ̯/
adjective
    1. 1. recentelijk gemaakt
    2. woorden die in een of meer van de bovenstaande categorieën horen, maar waarvan niet bekend is in welke (voel u vrij deze woorden in de juiste categorie in te voegen)
    3. 4. onderscheidt nieuwere namen van oudere
    4. 7. recentelijk aangekomen of opgedoken
    5. 3. huidige
    6. 5. in originele staat
    7. 6. vreemd, onbekend
    uusi
  1. 2. recentelijk ontdekt
    1. uusi
    2. tuore
pronoun
Uusi-Kaledonia
pronoun
1.
Uusi-Guinea
/niβ̞.ˈze.lɑnt/, /nyʊ̯.ˈze.lɑnd/
pronoun
1. een land in het zuidwesten van de Grote Oceaan, gelegen naast Australië
Uusi-Seelanti
pronoun
1. Australische deelstaat gelegen in het zuidoosten van het land
Uusi Etelä-Wales
noun
1. nieuwe maan
uusikuu
pronoun
1. samenstelling van Bijbelboeken
Uusi testamentti
noun
1. iets dat nieuw is
uutuus
noun
1. feestdag ter gelegenheid van het begin van een nieuw jaar van de gebruikte kalender
uusivuosi
/niu̯s/
noun
  1. 1. actuele ontwikkelingen
  2. 2. een uitzending in de media waarin berichten over actuele ontwikkelingen worden verspreid aan het publiek
uutinen
noun
1.een regelmatige publicatie
uutiskirje
/ˈniu̯sˌɣirəx/
adjective
1. verlangend om iets te weten of waar te nemen
utelias
/niu'sxirəxɛit/
noun
1. het verlangen naar kennis
uteliaisuus
noun
1. een televisiezender die de gehele dag nieuws en achtergrondinformatie uitzendt
uutiskanava
verb
1. plotselinge, krachtige uitademing om de neus te reinigen van prikkelende stoffen
aivastaa
/'ni.ɣər/, /'ni.χər/
pronoun
  1. 1. land in West-Afrika
  2. 2. een rivier in West-Afrika
Niger
/ni.'ɣeː.ri.ja/, /ni.'χɪː.ri.ja/
pronoun
1. een land in West-Afrika
Nigeria
noun
1. binnen de filosofie een begrip dat wordt gebruikt om de ontkenning van het bestaan van betekenis...
nihilismi
noun
1. zelfstandig denker die vindt dat voor werkelijke verbetering dingen die nu...
nihilisti
pronoun
1.
Niili
noun
1. groot en zwaar in Afrika levend zoogdier, Hippopotamus amphibius
virtahepo
pronoun
Nijmegen
noun
niqab
noun
1. Chemisch element
nikkeli
noun
  1. 1. stralenkrans
  2. 3. wolk
nimbus
noun
  1. 1. wezen dat rivieren, bossen enz. bewoont
  2. 2. bekoorlijk meisje
  3. 4. insect in de tweede toestand van gedaanteverwisseling
nymfi
/niˈjobijʏm/
noun
1. Chemisch element
  1. niobium
  2. niobi
noun
  1. 1. een tepel
  2. 2. een hol koppelstukje
liitin
noun
1. de hoogste staat die door de mens bereikt kan worden, en waardoor heiligheid behaald wordt; toestand van volkomen rust
autuus
/nɪs/
noun
1. een inham in een muur
rako
noun
  1. 1. een zout van salpeterzuur dat het ion NO₃− bevat
  2. 2, een ester van salpeterzuur
nitraatti
noun
1. een verbinding van stikstof waarin dit element in de oxidatietoestand -3 optreedt
nitridi
pronoun
Niue
noun
1. de rang in een hiërarchie, stadium van ontwikkeling, enzovoort
kenttä
verb
1. gelijk maken, op gelijk niveau brengen
tasoittaa
noun
1. scheikundig element
nobelium
noun
1. een jaarlijkse geldprijs voor wetenschappers en anderen die een opmerkelijke prestatie hebben geleverd
Nobel-palkinto
/'no.dəx/
adjective
1. waar behoefte aan is
tarpeellinen
noun
1. het getal onder de streep van een breuk
nimittäjä
pronoun
1. Turkse taal gesproken door 87 duizend mensen in het zuiden van Rusland
nogai
noun
3. uitstulpingen aan as
epäkesko
noun
1. as met nokken
nokka-akseli
noun
nomadi
adjective
1.
paimentolainen
noun
nimistö
adjective
nimellinen
noun
1. een eerste van de 8 naamvallen van de Indo-Europese talen
  1. nominatiivi
  2. nimentö
/nɔn/
noun
inwoonster van een vrouwenklooster
nunna
adjective
ei-binäärinen
adjective
1. achteloos, onbekommerd
välinpitämätön
/ˈnɔŋkəɫ/
noun
1. broer of zwager van iemands vader of moeder
  1. eno
  2. setä
noun
2. soort eend, Mergellus albellus
uivelo
noun
hölynpöly
noun
2.
köyhyys
noun
hätätilanne
adjective
kohtalokas
noun
poikkeustila
noun
1. noodzakelijke verdediging van zichzelf of iemand anders, diens eerbaarheid of bezittingen
hätäpuolustus
/ˈnoːit/
adverb
1. op geen enkel moment
ei koskaan
/noːr/, /no̝ːr/
noun
1. een inwoner van Noorwegen
norjalainen
/nɔːrt ˈafrɪkɑ/, /nɔːrt ˈɑfrɪkɑ/
pronoun
gedeelte van het Afrikaanse continent ten noorden van de Sahara
Pohjois-Afrikka
pronoun
het continent dat ten noorden van [[Zuid-Amerika]] ligt, tussen de Grote, Arctische en de Atlantische Oceaan
Pohjois-Amerikka
/noːrd.ˈbra.bɑnt/, /no̝ːrd.ˈbra.bɑnt/, /ˌnoːrd.bra.bɑnd/
pronoun
1. een provincie in het zuiden van Nederland, die aan Gelderland, Limburg, Zeeland, Zuid-Holland en België grenst
Pohjois-Brabant
pronoun
1.
Pohjois-Dakota
pronoun
het noordelijk deel van Europa
Pohjois-Eurooppa
/noːrt.ˈɦɔ.lɑnt/, /no̝ːr.ˈtɔ.lɑnt/, /ˈnoːrd.hɔ.lɑnd/
pronoun
1. een provincie in het noordwesten van Nederland, ...
Pohjois-Hollanti
/ˈɛlzɑs/
pronoun
1.
Pohjois-Irlanti
pronoun
1. regio van Finland
Pohjois-Karjala
/ˌnoːrt koˈre.ja/, /ˌno̝ːrt koˈre.ja/
pronoun
1. een land in Oost-Azië, officieel de Democratische Volksrepubliek Korea
Pohjois-Korea
pronoun
1.
Pohjois-Makedonia
abbreviation
1. een van de Samitalen die in Scandinavië gesproken wordt
pohjoissaame
pronoun
1. Australisch territorium gelegen in het noorden van het land
Pohjoisterritorio
noun
1. windrichting
pohjoinen
pronoun
Pohjoissaari
noun
1. sterrenbeeld, bestaande uit zeven sterren die in een halve cirkel staan
Pohjan kruunu
noun
1.
revontulet
/ˈnoːrtkrɔmp/
noun
1. bepaalde soort in zee levend schelpdier, Arctica islandica
islanninsimpukka
pronoun
1. Noordpool
pohjoisnapa
noun
1,2,3. noordpool
pohjoisnapa
pronoun
1. een vorm van skisport waarbij de twee onderdelen van het Noords skiën, schansspringen en langlaufen, gecombineerd worden
yhdistetty
/ˈnoːrdzeː/, /ˈnoːrtseː/, /ˈno̝ːrtse/
pronoun
1. zee tussen Groot-Brittannië, Noorwegen, Denemarken, Duitsland, Nederland en België
Pohjanmeri
/noːrs/, /no̝ːrs/
adjective
1. betreffende Noorwegen en/of het Noors
  1. norjalainen
  2. norja
/noːrs/, /no̝ːrs/
pronoun
1. de taal die wordt gesproken in Noorwegen
  1. norja
  2. norjan kieli
  3. norjalainen
/ˈnoːrˌweɣə(n)/, /ˈnoːrˌβ̞eɣə(n)/, /ˈno̝ːrˌʋeχə(n)/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa
Norja
/noːt/
noun
  1. 3. (muziek) een geluid van zekere tijdsduur
    nuotti
  2. 1. (kookkunst) eetbaar, oliehoudend zaad, kern of pit met harde dop
    pähkinä
noun
  1. 2. gepeld zaad van de nootmuskaatboom Myristica fragrans
    muskotti
  2. 1. en 2. (gepeld) zaad van de nootmuskaatboom Myristica fragrans
    muskottipähkinä
noun
1. sport waarbij gelopen wordt met aangepaste skistokken
sauvakävely
noun
normi
/nɔrˈmaɫ/
adjective
2. als norm dienend
  1. säännöllinen
  2. normaali
noun
1. oude eenheid van lichtsterkte
kynttilä
noun
1. in overeenstemming brengen met een norm
normalisointi
noun
normaalitila
/nɔrˈmɑndɪə/
pronoun
1. streek in het noorden van Frankrijk
Normandia
noun
haikeus
noun
1. jurist die bevoegd is om authentieke akten op te maken
notaari
noun
merkintä
noun
1. set van vijf lijnen
nuottiviivasto
noun
1. een boomsoort uit het geslacht Juglans
saksanpähkinä
noun
pähkinänsärkijä
noun
1. muzieknotatiesysteem
nuottikirjoitus
verb
1. aantekeningen maken
huomauttaa
noun
1. een verslag van een bijeenkomst
pöytäkirja
noun
1. de elfde maand van het jaar
marraskuu
adverb
1. op het huidige tijdstip
nyt
verb
2. in een discussie aangeven dat de waarheid meer in het midden ligt
nyansoida
/nɵxtər/
adjective
1. niet onder de invloed van iets bedwelmends, vooral alcohol
raitis
/nykleʏs/
noun
1.
tuma
noun
1.
nudismi
/nɵl/
cardinalNumeral
1. getal
nolla
noun
1. de meridiaan die gebruikt wordt in de landmeetkunde als referentie voor het bepalen van de lengte van een punt op de aarde of een ander hemellichaam
nollameridiaani
/ˈnumeɾi/
pronoun
4. Mooseksen kirja
adjective
1.
lukumääräinen
noun
1. de munt- en penningkunde
numismatiikka
/ˈnʏmər/
abbreviation
1. een aanduiding met een getal
numero
noun
1.
nuntius
/nʏt/
noun
1. baat, voordeel
hyödyllisyys
adjective
hyödyllinen
pronoun
1.
Nuuk
adjective
nailon
noun
2. afwijking van de normale stand van de benen, waarbij de knieën naar buiten staan
länkisääret
/o'azə/
noun
1. plek in een woestijn waar water voorhanden is en vegetatie groeit.
keidas
/oˈbɑtja/
pronoun
2. boek in de Bijbel
Obadja
noun
1. een bediende in een restaurant of café
tarjoilija
noun
1. vetzucht
ylipaino
/ˈɔpjɛkt/
noun
  1. 2. grammaticaal voorwerp
    objekti
  2. 1. voorwerp
    1. objekti
    2. esine
  3. 3. filosofische entiteit en 4. informaticacomponent
    olio
noun
1. lens
  1. objektiivi
  2. objektiivinen
adjective
hävytön
verb
1. in buitensporige, ziekelijke mate boeien
olla koukussa
noun
1. (beroep) iemand die observeert (waarnemingen doet)
tähystäjä
noun
1. dwangvoorstelling
pakkomielle
noun
1. (muziekinstrument) een fluit die veelal gemaakt wordt van gebakken klei
okariina
pronoun
1. een taal die in het zuiden van Frankrijk gesproken wordt
oksitaani
adjective
salattu
noun
1. een zeer grote zee tussen verschillende werelddelen
valtameri
adjective
1.
merellinen
/oseˈjani.jə/, /oseˈjaːni.jə/
pronoun
1. de collectieve naam voor een groot aantal eilanden in de Stille Oceaan...
Oseania
noun
1. bepaald soort zoogdier, Leopardus pardalis
oselotti
noun
1. eerste deel van de dag, tussen ca. 6.00 en 12.00 uur
aamu
noun
1. een persoon die meestal vroeg opstaat en zich `s morgens het meest fit voelt en reeds vroeg actief is
aamuvirkku
noun
1,2,3. toontrap, interval en toonhoogtereeks
oktaavi
noun
1. C₈H18
oktaani
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Oktantti
noun
1. hoekmeetinstrument
oktantti
/ɔkta'ʔedər/
noun
1. een regelmatig achtvlak, een ruimtelijke figuur begrensd door acht gelijkzijdige driehoeken
oktaedri
noun
1. lens waar men inkijkt
okulaari
noun
oodi
pronoun
Odessa
/ˌø.kyˈme.nis/
adjective
1. tussen kerken, van meerdere kerkgenootschappen
ekumeeninen
noun
1. (medisch) waterzucht
ödeema
verb
1. proberen zonder fouten uit te voeren
harjoitella
noun
1. test om de kennis te peilen
harjoitus
/u.'ɣɑn.da/, /u.'χɑn.da/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika, officieel de Republiek Oeganda
Uganda
noun
1.
huuhkaja
/ukraˈɦins/, /ukraˈʔins/
pronoun
1. een Slavische taal die in Oekraïne gesproken wordt
  1. ukraina
  2. ukrainalainen
/ukraˈɦinə/, /ukraˈʔinə/
pronoun
1. een land in Oost-Europa met als hoofdstad Kiev
Ukraina
/ukraˈɦinər/, /ukraˈʔinər/
noun
1. een inwoner van Oekraïne
ukrainalainen
/ˌenoloˈɣi/
noun
1. de wetenschap van de wijnbereiding
enologia
noun
een bos dat van oudsher bestaat
aarniometsä
/ˈuːrknɑl/
noun
1. de volgens de bigbangtheorie enorme explosie waaruit het heelal zo'n 13,7 miljard jaar geleden zou zijn ontstaan
alkuräjähdys
/ˈuː.rɔs/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Bos primigenius
alkuhärkä
noun
viidakko
/uˈsʲɑŋka/
noun
1. muts
turkislakki
pronoun
OECD
noun
1. ontsteking van de slokdarm
esofagiitti
noun
1. tweekleppig weekdier uit de familie Ostreidae met onregelmatige schelpkleppen
osteri
noun
1. bepaald soort eetbare paddenstoel die meestal groeit op de stam van een loofboom, Pleurotus ostreatus
osterivinokas
noun
1. een vrouwelijk hormoon
estrogeeni
noun
1. waterkant
ranta
noun
törmäpääsky
pronoun
1. een taal die verwant is aan het Turks en die door de Oezbeken gesproken wordt
  1. uzbekki
  2. uzbekinkielinen
/us.ˈbe.kɪ.stɑn/, /uz.ˈbe.kɪ.stɑn/
pronoun
1. een land in centraal Azië, officieel de Republiek Oezbekistan, dat geheel door land wordt omsloten
Uzbekistan
conjunction
1. keuze
  1. tai
  2. vai
verb
1. wijden aan
uhrata
/ɔ'fɛrtə/
noun
1. een aanbieding van goederen of diensten tegen een vaste prijs
tarjous
adjective
1. erkend door bevoegd gezag
virallinen
noun
1. iemand die een rang in het leger bekleedt die hem of haar het bevel over...
upseeri
adjective
epävirallinen
noun
1. een scheikundig element met het symbool Og en het atoomnummer 118
oganesson
noun
1. Een bepaald tijdstip
hetki
noun
2. plant die men gebruikt bij oogziekten
silmäruoho
noun
1. ohm
ohmi
noun
1. groot zoogdier dat nauw verwant is aan de giraffe
okapi
noun
1. een mineraal dat als gele of oranje kleurstof gebruikt wordt
okra
adjective
1. met betrekking tot Okinawa of de Okinawaanse taal
okinawa
pronoun
  1. 1. een streektaal in Okinawa
  2. 2. streektaalen van Okinawa
  3. 3. dialect van het Japans
okinawa
pronoun
1. een van de vijftig deelstaten van de Verenigde Staten van Amerika.
Oklahoma
noun
okra
noun
1. holte tussen de arm en de romp
  1. kainalo
  2. kainalokuoppa
noun
1. de tiende maand van het jaar
lokakuu
pronoun
Lokakuun vallankumous
interjection
1. goed, in orde
OK
adjective
1. betrekking hebbend op het reukzintuig
haju
noun
1. vettige vloeistof
öljy
noun
1. fabriek waar ruwe aardolie wordt verwerkt tot aardolieproducten
öljynjalostamo
noun
1. een sedimentair fijnkorrelig gesteente dat organische en chemische stoffen bevat en waar synthetisch olie en gas uit gewonnen kan worden
öljyliuske
noun
1. groot dikhuidig en veelhoevig zoogdier met een lange slurf
  1. norsu
  2. elefantti
noun
oligarkki
noun
  1. harvainvalta
  2. oligarkia
/ˌoliɣoˈsen/
noun
oligoseenikausi
noun
1. stof met beperkt aantal gelijke delen
oligomeeri
noun
oligopoli
/oˈlɛɪf/, /oˈlɛːf/
noun
1. een vrucht van de olijfboom
oliivi
noun
1. bepaald soort boom, Olea europaea
öljypuu
/oˈlɛɪ̯fkløːrɪx/, /oˈlɛɪ̯fklʏːrəχ/, /oˈlɛːfkløːrəx/
adjective
1. de kleur van olijven hebbend
oliivinvihreä
noun
1. fijne spijsolie verkregen door persing uit olijven
oliiviöljy
verb
1. met olie bewerken
öljytä
noun
  1. 1.
  2. 2.
  3. 3.
olympiadi
adjective
olympolainen
adjective
1. verband houdend met de Olympische Spelen
olympialainen
/o.ˌlɪm.pi.sə.ˈspe.lə(n)/
pronoun
1. een vierjaarlijks sportevenement dat zijn oorsprong in de stad Olympia in de Griekse landstreek Elis heeft
  1. olympiakisat
  2. Olympialaiset
pronoun
1. evenement dat eens in de vier jaar wordt gehouden waarbij allerlei wintersporten competitief beoefend worden
talviolympialaiset
pronoun
Olympos
noun
1. moeder van een ouder
  1. isoäiti
  2. mummo
  3. isänäiti
  4. mummi
/o.ˈman/, /ˈo.mɑn/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel het Sultanaat Oman
Oman
verb
1. de armen om iemand heen slaan
omaksua
/ˈɔmbʏdsˌmɑn/, /ˈɔmbʏtsˌmɑn/
noun
1. een ambtenaar die de taak heeft om als onpartijdige instantie klachten van individuele burgers tegen de overheid, instellingen en bedrijven te onderzoeken
oikeusasiamies
/ɔm.'dɑt/
conjunction
1. geeft onderschikkend een reden aan
koska
noun
oomega
noun
1. een gerecht dat bereid wordt door geklutste eieren te bakken
  1. munakas
  2. omeletti
noun
1. een techniek, waarin de richting van de natuurlijke osmose omgekeerd wordt om uit zout water zoet te produceren
käänteisosmoosi
noun
1. de nabijheid
ympäristö
verb
1. aan alle kanten omsluiten
aidata
verb
1. de armen om iemand slaan
  1. halata
  2. syleillä
adverb
1. omhoog
korkeammaksi
verb
1.
kouristaa
/ˈɔmkopə(n)/
verb
1. (iemand ~) met behulp van geschenken, geld e.d. overhalen om van zijn plicht, partij, overtuiging te verzakent
lahjoa
adverb
1. in neerwaartse richting
alas
noun
kierto
noun
hoe de zaken er voorliggen
olosuhteet
noun
1. de lengte van een gesloten kromme
ympärysmitta
verb
2. een einde maken aan een bewind
kaataa
noun
1. het afzetten van een regering, overheid of regime
kumouksellisuus
noun
  1. 1. politieke revolutie
  2. 2. algemene grootscheepse verandering
  3. 3. volledige draaiing
kierros
prefix
1. toegevoegd aan een bijvoeglijk naamwoord drukt dit voorvoegsel het tegendeel uit.
-ton
adjective
1. geen verbinding hebbend met
riippumaton
noun
itsenäisyysjulistus
noun
aasialainen villiaasi
adverb
1. niet of zeer moeilijk te begrijpen, rationeel niet te volgen, onlogisch
ei ymmärrettävä
adjective
1. van delen van het lichaam dat er geen haar op zit, dat het niet met haar bedekt is
karvaton
adjective
1. niet behorend tot de kennis
tuntematon
adjective
1. slecht gemanierd
epäkohtelias
noun
1. gedrag dat schaamte op zou moeten roepen maar het bij die persoon niet doet
häpeämättömyys
adjective
kuvaamattomasti
adjective
pelauskelvoton
adjective
1. niet te vertrouwen
epäluotettava
adjective
todistettavissa olematon
adjective
1.
asumiskelvoton
adjective
asumaton
noun
1. een medisch specialist die zich bezighoudt met de gezwelgroei, in het bijzonder met kanker
onkologi
preposition
1. ook al is het zo dat
huolimatta
/ˈɔn.dər/
preposition
1. niet gesorteerd
  1. alla
  2. alapuolella
verb
juoda pöydän alle
/ˌɔndərˈɑrṃ/
noun
1. gedeelte van de arm tussen de elleboog en de hand
kyynärvarsi
verb
1. te weinig betalen
maksaa liian pientä palkkaa
verb
1. actie ondernemen om een in gang zijnd proces tot staan te brengen
keskeyttää
/ɔn.dər.ˈbre.kɪŋ/, /ɔn.dər.ˈbreː.kɪŋ(g)/
noun
1. een tijdelijk staken van activiteit door een onverwachte gebeurtenis
keskeytys
noun
1. kledingstuk dat onder de gewone broek wordt gedragen
alushousut
noun
alamainen
/ˌɔndərˈdanəx/
adjective
1. gehoorzaam aan een leider
alistuva
noun
1.
upottaminen
verb
1. onderhevig gemaakt worden
läpikäydä
noun
4.
kohtalo
noun
1.
alasuku
noun
2. (schertsend) in verwijzing naar zichzelf
allekirjoittanut
/ˈɔn.dər.ˌɣud/, /ˈɔn.dər.ˌɣut/, /ˈɔn.dər.ˌχut/
noun
1. kleding die direct op het lichaam gedragen wordt, doorgaans nog onder andere kleding
alusvaatteet
verb
de basis waarop iets rust eronder vandaan halen
kumota
adjective
maan alla
verb
1. overleggen om tot een afspraak te komen
myödä
/ɔndər'ɦɑndəlɪŋ/
noun
1. een proces van overleg waarbij partijen trachten tot een voor beiden aanvaardbare afspraak te komen
neuvottelu
noun
aluspaita
noun
1. handelingen verricht om iets in goede staat te houden.
hoito
noun
1. de onderste kaak
alaleuanluu
verb
1. bewust worden van iets
oivaltaa
noun
1. gouverneur van een land of een provincie die als vervanger van de monarch optreedt
varakunigas
noun
alahuuli
verb
1. een bedrijf of actie in werking stellen
ruveta
noun
1. een organisatie
yritys
noun
liiketoimintasuunnitelma
noun
1. de onderste delen van de rug; lumbale wervelkolom
alaselkä
verb
1. iets kleiner of van kleiner belang inschatten dan het in werkelijkheid blijkt
aliarvioida
verb
1. een verschil in aanmerking nemen
erottaa
/ɔndər'sxɛpə(n)/
verb
1. ervoor zorgen dat iets dat onderweg is zijn bestemming niet haalt
katkaista
noun
1. handtekening
allekirjoitus
noun
2.
alalaji
noun
allekirjoittaja
verb
allekirjoittaa
noun
1. een geschreven vertaling die bij een film(pje) in beeld wordt gebracht
tekstitys
verb
1. iets dat al gehuurd is, verhuren aan iemand anders
alivuokrata
adjective
1.
aliedustettu
/ɔndərˈvraxə(n)/
verb
1. iemand aan een intensieve reeks vragen onderwerpen
kuulustella
/ˌɔndərˈwɛx/, /ˌɔndərˈʋɛχ/, /ˌɔndərˈβ̞ɛx/
adverb
1. bezig zijn zich van plek A naar plek B te verplaatsen
matkalla
noun
  1. 1. waar iets over gaat, een thema
    1. aihe
    2. subjekti
  2. 2. zinsdeel waarnaar de persoonsvorm zich richt en dat bijv. de handelende persoon of zaak beschrijft
    subjekti
verb
1. gezag opleggen
alistaa
noun
1. de voorziening van opleidingen
  1. koulutus
  2. opetus
noun
1. iemand die lesgeeft
opettaja
noun
1. een oude benaming voor een vrouwelijke leraar op een lagere school of basisschool
opettajatar
noun
sukellusvene
/ɔndər'zuːk/
noun
1. het onderzoeken van iets
tutkimus
verb
tutkia
noun
1. iemand die een onderzoek uitvoert
tutkija
adjective
1. niet mis de verstaan, met slechts één betekenis
yksikäsitteinen
adjective
1. zonder einde
ääretön
noun
epäsopu
noun
1.
yhden yön juttu
noun
1. het nog niet veel ondervinding hebben
kokemattomuus
adjective
1. Niet deelbaar door twee
pariton
noun
1. de mate waarin iets of iemand geen fouten kan maken
erehtymättömyys
preposition
1. los van
piittaamaton
noun
1. ongewenste dieren, die de mens op een of andere manier last bezorgen
tuholainen
noun
kärsimättömyys
/ɔnɣə'hoːrzam/, /ɔnɣə'ɦoːrzam/, /ɔnχə'ɦo̝ːrzam/
adjective
1. niet bereid gehoor te geven aan gestelde regels
tottelematon
adjective
2. niet onderricht in lezen en schrijven
lukutaidoton
adjective
2. bijzonder, uitzonderlijk
uskomaton
noun
1.het niet geloven
epäusko
/ˈɔnɣəˌlɵk/, /ˈɔnɣəˌlʏk/
noun
1. een onvoorziene gebeurtenis met negatieve en soms zelfs fatale gevolgen
onnettomuus
adverb
epämukava
adjective
1. niet gepast, niet geschikt
asiaton
adjective
1.
kirjoittamaton
noun
2. lichte ziekte
huonovointisuus
/ɔnɣəvɑl/
noun
1. een ongeluk
tapaturma
adjective
1. zonder verandering
entisellään
adjective
epäsuosiollinen
adjective
1. niet goed met de handen om kunnen gaan
kömpelö
adjective
1. zonder mogelijkheid om ongedaan gemaakt te worden
peruuttamaton
adjective
1. niet met de oren waarneembaar
kuulumaton
adjective
1. helemaal niet boeiend; niet belangwekkend; niet de moeite waard om over na te denken
ikävystyttävä
/ˈɔŋkəɫ/
noun
1. broer of zwager van iemands vader of moeder
  1. setä
  2. eno
noun
1. planten die voorkomen op plekken waar ze niet gewenst zijn
rikkaruoho
phraseologicalUnit
1. het slechte is moeilijk uit te roeien
mikäs pahan tappaisi
noun
1. gif of andere methode om planten die op de verkeerde plaats staan uit te roeien
kasvimyrkky
adjective
lukukelvoton
adjective
1.
epämiehekäs
adjective
1. waarover geen twijfel kan bestaan
josta ei voi erehtyä
adjective
1. niet volgens de laatste mode
epämuodikas
adjective
1. niet te verwezenlijken
mahdoton
noun
1. iets dat niet kan gebeuren
mahdottomuus
/ˌonomatoˈpe/
noun
1. door klanknabootsing gevormd woord
onomatopoeettisuus
adjective
1.
olennainen
adjective
1.
liukenematon
noun
1. een werkwoord dat niet vergezeld kan worden door een lijdend voorwerp of een meewerkend voorwerp in een zin
intransitiivinen verbi
adjective
1.van iets of iemand dat er nog nooit een betere is geweest
vertaansa vailla
adjective
voittamaton
adjective
niet partijdig , niet bij een bepaalde stelling of kant aansluiten
reilu
noun
1. schadeverwekkende inbreuk op een zorgvuldigheids- of rechtsnorm waardoor burgerrechtelijke aansprakelijkheid ontstaat
delikti
adjective
  1. onzuiver, onkuis
  2. vuil
epäpuhdas
noun
1. het verstoord zijn van de maatschappelijke of sociale orde, rust
levottomuus
personalPronoun
1. 1e persoon meervoud als (direct of indirect) object of na een voorzetsel
meidät
/ɔnˈsxʏɫdəx/
adjective
1. niet schuldig
  1. syytön
  2. viaton
  3. harmiton
adjective
kuolematon
noun
1. de eigenschap niet te zullen sterven
kuolemattomuus
noun
1. de mate waarin men op een wilde manier enthousiast is
kiihkeys
verb
1. overgaan in iets verkeerds
degeneroida
noun
1. eerste maaltijd van de dag
  1. aamiainen
  2. aamupala
verb
1. de eerste maaltijd van de dag nuttigen
aamiaistaa
verb
  1. 2. het uiteen (laten) vallen van een chemische stof in een aantal andere
    hajottaa
  2. 1. een organisatie opheffen
    lakkauttaa
noun
metsän hävittäminen
/ɔntˈsɛɪ̯fərə(n)/, /ɔntˈsɛːfərə(n)/
verb
1. qua betekenis duiden
avata (viesti)
/ɔnˈdɛ.kə(n)/
verb
  1. 1. ergens achter komen
  2. 2. een onbekend gebied verkennen en onderzoeken
keksiä
noun
1. het vinden van iets nieuws
löydös
noun
pakkoluovutus
adjective
lukematon
verb
1.
jättää perinnöttä
noun
1.
perinnöttömäksi jättäminen
/ɔntəˈvredənɦɛɪt/
noun
1. het gevoel niet genoeg te hebben en onvoldaan te zijn
tyytymättömyys
verb
1. iemand doden door het hoofd van de romp te scheiden
mestata
noun
4. iemand die iets niet vergeet
muistaja
/ɔnt'ɦɑʊdɪŋ/
noun
1. het bewust niet een gewoonte of behoefte volgen
kieltäytyminen
/ɔntˈɦɵlə(n)/, /ɔntˈɦʏlə(n)/
verb
  1. 2. openbaren van onbekende feiten
  2. 1. van het hulsel ontdoen
paljastaa
/ɔnt.ˈkɑl.kɪŋ/, /ɔnt.ˈkɑɫ.kɪŋ/
noun
1. het verwijderen van kalk van een metalen oppervlak
kalkinpoisto
verb
1. verklaren dat het gestelde niet waar is
  1. kiistää
  2. kieltää
verb
vapauttaa
verb
purkaa
verb
1. anatomiseren, analyseren
eritellä
verb
1.
poistaa täit
verb
1. een geheel dusdanig in delen uiteennemen dat het niet meer als geheel fuctioneert
hajottaa
verb
1. de ware aard laten zien van iets of iemand
paljastaa
verb
1. de moed ontnemen
lannistaa
adjective
1. van iets dat je daardoor de hoop verliest
lannistava
verb
1. terugbrengen uit een waan of roes
selvitä
/ɔntolo'gi/
noun
ontologia
noun
räjähdys
verb
1. arbeidsovereenkomst beëindigen
antaa potkut
verb
1. aan gevangenschap, dreigende gevangenneming of ander gevaar ontkomen
karata
/ɔnt.ˈstan/
verb
1. de verandering ondergaan van niet bestaan naar wel bestaan
syntyä
noun
1. (medisch) ontsteking
tulehdus
/ɔndˈvaŋ(g)ə(n)/, /ɔntfɑŋə(n)/
verb
1. het verkrijgen van zaken zoals loon en berichten
saada
adjective
helposti syttyvä
noun
1. het, tegen iemands zin, wederrechtelijk verplaatsen van een persoon
  1. sieppaus
  2. ihmisryöstö
  3. kidnappaus
verb
1. niet meer abonneren
lopettaa seuraaminen
verb
laskea aseensa
verb
1. draineren
kuivattaa
/ɔntˈʋɛrpə(n)/
verb
1. bedenken en uitwerken op papier
suunnitella
/ɔntʋɪkələ(n)/
verb
  1. 1. iets ~ een aanwezige aanleg tot bloei brengen
  2. 2. zich ~ tot geleidelijk iets worden
  3. 3. een film ~ het latente beeld van een belicht fotografisch materiaal chemisch zichtbaar maken
  4. 4. ontwerpen en uitvoeren op basis van onderzoek
kehittää
noun
1. geleidelijke verandering in een zekere richting
kehitys
noun
1.
suolanpoisto
adjective
1.
muuttumaton
adjective
vastuuton
adjective
1. niet geneigd om zich door smeekbeden tot andere handelwijze te laten bewegen
heltymätön
/ɔnvərˈbœxbaːr/, /ɔnvərˈbœyxbaːr/
adjective
1. onmogelijk te verbuigen
taipumaton
adjective
1. niet te vergelijken
verraton
adjective
1.
ikimuistoinen
/ɔnvɛrˈsxɪləɣˌɦɛit/
noun
1. houding waarbij men zich niets aantrekt van omstandigheden en de opvattingen van anderen
penseys
adjective
1. van een drank: zonder toevoegingen van mindere kwaliteit
puhdas
adjective
1. duidt de onmogelijkheid aan de plaats van iets door iets anders in te laten nemen
korvaamaton
adjective
1. niet van tevoren zien aankomen
odottamaton
adverb
yllättäen
/ˌɔn.vərˈʋust.bar/, /ˌɔn.vərˈβ̞ust.bar/
adjective
1. niet stuk te krijgen, buitengewoon robuust
tuhoutumaton
noun
preesens
noun
imperfekti
noun
1. het zo jong zijn dat men nog niet meerderjarig is
epäkypsyys
adjective
1. waarvan de uitkomst niet bij voorbaat te kennen is
ennalta-arvaamaton
noun
1. het niet kunnen weten wat de toekomst brengen zal
ennalta-arvaamattomuus
adjective
1. bij verrassing optredend
aavistamaton
adjective
hedelmätön
adjective
1. een geringe kans bezittend om waar te worden of te blijken
epätodennäköinen
/ɔnʋɪːr/
noun
1. meteorologisch verschijnsel waarbij regen gepaard gaat met donder en bliksem
  1. ukkosmyrsky
  2. ukkonen
noun
1. iets dat men niet met bewijzen kan ontkennen
kiistämättömyys
adjective
vastustamaton
adjective
1. zich niet gezond voelend
huonovointinen
noun
een variëteit van kwarts
onyksi
noun
1. benaming voor torren uit de familie Coccinellidae
leppäkerttu
pronoun
1. christelijk gebed
Herran rukous
adjective
näkymätön
noun
1.
näkymättömyys
/ɔn'zɛidəx/
adjective
suvuton
noun
tuuba
/ox/, /oːx/, /oχ/
noun
1. gezichtsorgaan voor het waarnemen van lichtprikkels
silmä
/ˌox.ɔm.ˌox, ˌtɑnt.ɔm.ˈtɑnt/, /ˌoɣ.ɔm.ˌox, ˌtɑnd.ɔm.ˈtɑnd/, /ˌoχ.ɔm.ˌoχ, ˌtɑnt.ɔm.ˈtɑnt/
interjection
1. benadrukt volledige vergelding
silmä silmästä
noun
silmälääkäri
noun
1. ooggetuige
silminnäkijä
/ˈoχ.lɪt/
noun
1. een beschermend vlies van huid dat over de ogen bewogen kan worden
silmäluomi
verb
1. het van het land halen van het rijpe gewas
korjuu
verb
1. het volgroeide gewas van het veld halen
korjata
noun
1. vrouwelijk schaap
  1. uuhi
  2. lammas
/'oɪ̯.bɔs/
noun
rantametsä
noun
1. bepaald soort grote witte vogel met zwarte vleugelranden en rode poten, Ciconia ciconia
  1. kattohaikara
  2. haikara
/oːɪt/
adverb
2. een mogelijk tijdstip in de toekomst
ikinä
/oːk/
adverb
1. daarnaast; verder; tevens
  1. myös
  2. -kin
noun
1. broer of zwager van iemands vader of moeder
  1. setä
  2. eno
/oːr/
noun
1. het lichaamsdeel waarmee geluiden kunnen worden gehoord
korva
noun
1. een ornament dat in of op het oor aangebracht wordt
korvakoru
/ort/
noun
1. een bepaalde plaats
paikka
noun
arviointi
noun
1. klein voorwerp om de gehoorgang te blokkeren zodat je niet door lawaai gehinderd wordt
korvatulppa
noun
1. wetenschap die oorkonden typeert en beschrijft naar hun vorm
diplomatiikka
noun
1. een gewapende strijd tussen twee of meer bevolkingsgroepen en/of tussen twee of meer landen
sota
noun
1. een daad in tijd van oorlog die het oorlogsrecht of -gebruik schendt
sotarikos
/ 'orlɔxsmɪsdadəxər/
noun
1. iemand die een oorlogsmisdaad pleegt of heeft gepleegd en daarvoor individueel aansprakelijk gesteld...
sotarikollinen
noun
sotamuistomerkki
noun
  1. sotalaiva
  2. sota-alus
/'orlɔxsfərklarɪŋ/
noun
1. een officiële mededeling van een land dat het oorlog gaat voeren
sodanjulistus
noun
sotaleski
/ˈorɔntˌstekɪŋ/
noun
1. een ontsteking van het oor
korvatulehdus
/orsxɛlp/, /o̝rsχɛɫp/
noun
1. het uit het hoofd stekende deel van een oor
korvalehti
noun
alkuperä
noun
1.1 gewone oorworm (Forficula auricularia)
pihtihäntäinen
noun
korvamato
noun
juuri
adverb
itä
pronoun
Itä-Aasia
pronoun
1.
Itä-Berliini
pronoun
Itä-Saksa
pronoun
Itä-Eurooppa
/os.ˈti.mɔr/
pronoun
1. een land in Zuidoost-Azië, bestaande uit een gedeelte van het eiland Timor en de kleinere eilandjes Atauro en Jaco in het geheel
Itä-Timor
adjective
itä
/ˈostə(n)/
noun
1. een van de windstreken, die op landkaarten overeenkomt met de rechterkant
itä
/ˈostə(n)ˌrɛɪ̯k/, /ˈoːstə(n)ˌrɛɪ̯k/, /ˈoːstə(n)ˌrɛːk/
pronoun
1. een republiek in Midden-Europa grenzend aan Zwitserland en Liechtenstein in het westen, aan Duitsland...
Itävalta
/ˈo.stə.ˌrɛɪ̯.kər/, /ˈo.stə.ˌrɛː.kər/, /ˈos.tə(n).ˌrɛɪ̯.kər/
noun
1. een inwoner van Oostenrijk of persoon die de Oostenrijkse nationaliteit bezit
itävaltalainen
pronoun
1. zee die tussen Zweden en de Baltische staten ligt
Itämeri
preposition
  1. 1. aan de bovenkant aanrakend, rustend op
    -na
  2. 3. omhoog
    hereillä
noun
1. de vader van een ouder
  1. pappa
  2. vaari
  3. isoisä
  4. ukki
/o'pal/
noun
1. een halfedelsteen en een amorfe variëteit van kwarts, SiO₂·nH₂O, gehydrateerd siliciumdioxide met een waterpercentage van soms wel 20%
opaali
/ˈɔˌbɛlə(n)/
verb
1. iemand telefonisch proberen te bereiken
soittaa
/'ɔp.bla.zə(n)/
verb
2. een gas in een uitzetbare ruimte pompen
täyttää
/ˈɔpbɑu(w)ə(n)/
verb
  1. 1. maken uit losse onderdelen
  2. 2. laten ontstaan
rakentaa
/'ɔbrɛŋə(n)/
verb
1. als batig resultaat leveren
tuottaa
/'ɔbrɛŋs/, /'ɔbrɛŋst/
noun
1. dat wat opgebracht wordt, de baat die men heeft van zijn activiteiten
sato
conjunction
jotta
verb
  1. 1. iemand iets te doen geven
    käskeä
  2. 2. als eerbewijs iets wijden aan iemand
    omistaa
/ˈɔpɛːsə(n)/
verb
eisen dat iets of iemand waarop men recht heeft, wordt overgegeven
vaatia
/ˈoː.pə(n)/
adverb
1. niet gesloten
  1. avoin
  2. avonainen
adjective
1. vrij toegankelijk
julkinen
noun
1. laatste boek van de Bijbel
Johanneksen ilmestys
verb
  1. 2. ontsluiten, openmaken wat afsluit of wat gesloten is
  2. 3. openstellen, toegankelijk maken
  3. 1. laten beginnen, in bedrijf brengen
  4. 4. (informatica) een bestand inladen
avata
/ˈoː.pə(n).ɣaːn/
verb
1. zich openen
aueta
noun
  1. 1. een plaats die toegang biedt tot iets dat is afgesloten
  2. 2. het openstellen van iets wat nog niet toegankelijk of in functie was
avaus
noun
1. plechtigheid als opening van een evenement
avajaiset
/ˈopə(n)lək/
adjective
1. zonder te verbergen, in het openbaar
  1. avoin
  2. julkinen
  3. peittelemätön
noun
1. plaats waar toneel- en andere voorstellingen plaatshebben in de openlucht
ulkoilmateatteri
noun
1. een in hoofdzaak gezongen en orkestraal begeleid muziekdrama, gewoonlijk van ernstige aard
ooppera
noun
  1. 1. aantal gecoördineerde acties
  2. 2. een chirurgische ingreep
  3. 3. een bewerking op een object
leikkaus
noun
1. ruimte waar heelkundige bewerkingen uitgevoerd worden
leikkaussali
noun
1.
leikkauspöytä
noun
1.
operetti
noun
1. enthousiaste stemming, houding, instelling
riemu
noun
1. het seksueel of emotioneel (te) gespannen zijn
innostus
noun
1.
kaivaus
verb
1.de tijd tot de volwassenheid doorbrengen
kasvaa aikuiseksi
/'ɔpɦɑŋə(n)/
verb
  1. 3. aan de galg opknopen
    hirttää
  2. 1. iets in een hangende positie bevestigen
    riippua
/'ɔphoxə(n)/
verb
1.iets hoger maken dat het was
korottaa
verb
2. een activiteit beëindigen
lopettaa
noun
1. opiumbevattend geneesmiddel
opiaatti
noun
1. een steekproefsgewijs onderzoek naar de mening van de bevolking
  1. mielipidekysely
  2. mielipidemittaus
noun
1. het ingedroogde melksap van de opiumpapaver of slaapbol (Papaver somniferum), een pijnstillend, verdovend en verslavend middel
oopiumi
/'ɔpkɛɪkə(n)/, /'ɔpkɛːkə(n)/
verb
1. de blik omhoog richten
katsella (ylös)
verb
1. zorgen dat iemands stemming verbeterd
ilahduttaa
/'ɔpklarə(n)/
verb
1. het ontstaan van open plekken in wat een gesloten wolkendek was
kirkastua
noun
1. totaal aantal afdrukken van een drukwerk dat in één keer wordt vervaardigd
painos
verb
1. iets een liggende plaats geven op iets anders
langettaa
noun
1. schip dat gebruikt wordt voor onderwijs (aan zeevarenden)
koululaiva
verb
1. bij voortduring aandachtig zijn
huomioida
verb
3. een probleem ophelderen
ratkaista
noun
  1. 1. een mengsel
    liuos
  2. 2. een manier om van een probleem af te komen
    ratkaisu
/ɔ'plʏxtə(n)/
verb
1.
helpottaa
noun
1.het gevoel bevrijd te zijn van iets dat dreigde
helpotus
noun
kohotahti
verb
  1. 1. bemerken, waarnemen
  2. 2. een waarneming of opinie meedelen aan anderen, met een zekere nadruk
havainto
noun
1. een uiting van een gedachte
huomautus
/'ɔpnam(ə)/
noun
2. geluid
levytys
verb
7. (beeld, geluid) registreren, vastleggen
levyttää
pronoun
Ylä-Volta
noun
1. bot in de bovenarm
olkaluu
/ˈɔpərvlɑk/
noun
1. vlak dat iets naar boven begrenst
pinta
/ɔpər'vlɑkəx/
adjective
  1. 1. niet diepgaand of niet grondig
  2. 2. zich aan de oppervlakte bevindend
pinnallinen
noun
  1. 1. vlak dat iets naar boven begrenst
    pinta
  2. 2. uitgebreidheid
    pinta-ala
noun
pintavesi
/ɔ'pərwezə(n)/
noun
1.
kaikkivaltias
adjective
1.
vastakkainen
/ˌɔpoˈzitsi/
noun
2. mensen en partijen die niet tot de regeringspartijen horen
oppositio
verb
3. iets in orde brengen, netjes maken
siivota
verb
2. aangedikte beweringen doen
kerskailla
noun
luettelu
verb
1. gaan staan
nousta
/ˈɔpstɑnt/
noun
1. een massale, vaak gewelddadige, poging het heersende gezag af te schudden
kansannousu
noun
1. verrijzenis
ylösnousemus
/ˈɔpstɛːɣə(n)/, /ˈɔpstɛːɪχə(n)/
verb
1. in de lucht stijgen
nousta
verb
1. nauwkeurig omschrijven en schriftelijk vastleggen zodat men het later nog kan raadplegen
merkitä
verb
1. bij elkaar tellen; het samenvoegen van twee of meer termen tot een totaal, de som genoemd
laskea yhteen
noun
1. het samenvoegen van een of meer termen tot een totaal, de som
lisäys
noun
optiikka
noun
1. iemand die kundig is in de optica
optikko
verb
1. met spierkracht iets van de grond opheffen
nostaa
noun
1. de verwachting dat gebeurtenissen gunstig gaan uitvallen
optimismi
noun
1. iemand die alles van de positieve kant beschouwt
optimisti
adjective
1. van het positieve uitgaand
optimistinen
adjective
valinnainen
/ˈɔp.tre.də(n)/
verb
1. voor een publiek bepaalde handelingen verrichten, bijvoorbeeld in kunstzinnige zin
esittää
verb
kasvattaa
noun
  1. 1. het proces waarin iemand wordt gevormd naar de normen van diens opvoeders, en daarmee meestal de samenleving waarin hij leeft
  2. 2. iemands algemene vorming en ontwikkeling
kasvatus
verb
2. iemands functie overnemen
seurata
noun
2. het proces van temperatuursverhoging
lämpeneminen
verb
  1. 3. in staat van agitatie brengen
    kiihottaa
  2. 2. draaiend onder spanning zetten
    vetää
adverb
1. bewust op deze manier
tarkoituksellinen
verb
5. taxidermie bedrijven
täyttää
noun
1. mensaap met lange armen en roodbruinachtig haar
orangit
adjective
1. de kleur oranje hebbend
oranssi
noun
1.
eelänkeltaperhonen
pronoun
Oranjen vapaavaltio
noun
1. de witte bloemen van de sinaasappelboom
appelsiininkukka
noun
1. plant van de talrijke orchideeënfamilie, m.n. benaming voor de kleurrijke bloemen
orkidea
noun
  1. 3. (biologie) een groep verwante organismen, onderdeel van een klasse en bestaande uit families
  2. 1. gewenste regelmaat
  3. 2. een hiërarchische organisatie
lahko
noun
  1. 1. ruwe indicatie van de omvang, met weinig precisie aangeduide hoeveelheid
  2. 2. aanduiding om de grootte van een getal mee uit te drukken, uitgedrukt als de exponent van de dichtstbijzijnde macht van 10
kertaluokka
adjective
järjestynyt
noun
1.
tilauskirja
/ɔrdoˈvisijʏm/
noun
ordoviikkikausi
noun
  1. 1. Origanum vulgare
    1. mäkimeirami
    2. oregano
  2. 2. keukenkruid
    oregano
noun
  1. 1. Onderdeel van het organisme
    1. elin
    2. toimielin
  2. 2. Communicatiemiddel
    1. äänenkannattaja
    2. elin
noun
1. het afstaan van een orgaan (tijdens het leven of na het overlijden) voor medische doeleinden
elimenluovutus
noun
soluelin
noun
1.
organisaatiokaavio
/ˌɔrɣɑniˈzasi/, /ˌɔrχɑniˈzaʦi/
noun
    1. 1. het organiseren
    2. 2. de manier waarop iets georganiseerd is
    1. järjestö
    2. organisaatio
  1. 3. een groep die een bepaald doel of of bepaalde rol heeft
    1. organisaatio
    2. järjestö
pronoun
Euroopan turvallisuus- ja yhteistyöjärjestö
noun
1. iemand die organiseert of die organisatietalent heeft
  1. järjestäjä
  2. organisaattori
  3. organisoija
  4. kämmentietokone
/ɔr.ˈɣa.nɪs/, /ɔr.ˈχa.nɪs/
adjective
1. met betrekking tot een orgaan of de organen
orgaaninen
/ˌɔrɣɑniˈzeːrə(n)/, /ˌɔrχɑniˈzɪːrə(n)/
verb
  1. 1. een bepaalde structuur aanbrengen
  2. 2. iets, vaak een evenement, tot stand brengen
  1. järjestää
  2. järjestellä
noun
1. een afzonderlijk en volledig levend wezen dat voor zijn voortbestaan afhankelijk is van zijn eigen metabolisme en bestaat uit verschillende organen
  1. eliö
  2. organismi
/ɔr.ˈɣaː.no.ɣe.ˌneːzə/
noun
1. het zich ontwikkelen van organen uit enkele typen weefsel
organogeneesi
adjective
1. werking op een orgaan uitoefenend
aistinvarainen
/ˈɔrɣəɫ/
noun
1. een muziekinstrument dat bestaat uit meerdere losse pijpen waardoor lucht stroomt op een labium en dat ingedeeld wordt bij de aerofonen
  1. urku
  2. urut
/ˈɔrxi/
noun
orgiat
adjective
  1. 1. enige of zeer zeldzaam in zijn soort
  2. 2. gemaakt door de eerste en oorspronkelijke maker
alkuperäiskappale
noun
1. voorwerp, gemaakt door de eerste en oorspronkelijke maker, waarvan een of kopieën zijn gemaakt
alkuperäiskappale
pronoun
1. de officiële taal van de Indiase staat Orissa
orija
/ɔrk/
noun
1. fictieve wezentjes die in groepsverband leven en gewoonlijk de vijand van de mensen zijn
örkki
/ˈɔr.ka/
noun
1. Orcinus orca, een walvissoort die vrij gedrongen van bouw is...
tapajavalas
noun
1. een bijzonder hevige storm
  1. pyörremyrsky
  2. trooppinen hirmumyrsky
  3. hurrikaani
/ɔrˈkɛst/
noun
1. een groep musici
orkesteri
adjective
koristeellinen
noun
lintutiede
noun
1. de tandheelkunde die gericht is op de vorming van een regelmatig gebit
ortodontia
/ɔrtodɔk'si/
noun
ortodoksisuus
noun
ortopedi
adjective
1. drie onderling loodrechte spiegelvlakken of tweetallige assen bezittend
ortorombinen
noun
peltosirkku
noun
1. gecastreerde stier
härkä
noun
oskilloskooppi
pronoun
  1. 1. de hoofdstad en grootste stad van Noorwegen en is gelegen in het zuidoosten van het land
  2. 2. een provincie in Noorwegen
Oslo
noun
1. Chemisch element
osmium
noun
1.
häräntalja
noun
1.
härkäkärryt
pronoun
Ossetia
/ˈɔstejoˌblɑs/, /ˌɔstejoˈblɑst/, /ˌɔsteoˈblɑst/
noun
1. een cel die bot aanmaakt
luunemosolu
/ˈɔstejoˌklɑs/, /ˌɔstejoˈklɑst/, /ˌɔsteoˈklɑst/
noun
1. een gespecialiseerde witte bloedcel die bot kan afbreken en opruimen
luunsyöjäsolu
/ˌɔstejoˈsit/, /ˌɔstejoˈsyt/, /ˌɔsteoˈsit/
noun
1. een cel die bot om zich heeft aangemaakt en daar nu door omgeven wordt
luusolu
/oˈtitəs/
noun
1.
korvatulehdus
noun
1. een structuur in het binnenoor van gewervelden en een rolspelen in het waarnemen van geluid,...
otoliitti
pronoun
1. de hoofdstad van Canada
Ottawa
noun
1.1 bepaald soort zoogdier Lutra lutra
saukko
/aʊ̯d/, /ɔʊ̯t/, /ʌʊ̯t/
adjective
  1. 2. oud ding, concept
  2. 1. oud mens, dier
vanha
noun
1. reeks boeken in de christelijke Bijbel die zijn ontleend aan de joodse Tenach
Vanha testamentti
/ˈaʊ̯.dər/, /ˈɔʊ̯.dər/, /ˈʌʊ̯.dər/
noun
1. de moeder of vader van een kind
vanhempi
adjective
vanhempi
noun
1.
vanhin
/ˈaʊ̯.dərs/, /ˈɔʊ̯.dərs/, /ˈʌʊ̯.dərs/
noun
1. meervoud van het zelfstandig naamwoord ouder
vanhemmat
noun
1. alles wat met het ouder zijn te maken heeft
vanhemmuus
adjective
1. niet langer gebruikt of in de mode
vanhanaikainen
pronoun
1. het Frans zoals dat in het noorden van Frankrijk gesproken werd van de 10e tot de 14e eeuw
muinaisranska
pronoun
1. een nu dode taal die werd gesproken in Griekenland
muinaiskreikka
/ɑʊ̭tɦɛɪ̭t/
noun
  1. 2. een overblijfsel uit
    antiikki
  2. 1. het tijdperk van de geschiedenis vóór de middeleeuwen
    muinaisaika
noun
arkeologia
pronoun
1. de voorloper van het huidige Duits in de periode 700-1050
muinaisyläsaksa
pronoun
1. de Slavische taal die rond de negende eeuw rond Thessaloniki gesproken werd
muinaiskirkkoslaavi
pronoun
1. een West-Germaanse taal die gesproken werd tussen ongeveer 800 en 1150 in delen van Nederland, België, Frankrijk en Duitsland en die de voorloper was van het Middelnederlands en vervolgens het huidige Nederlands.
muinaishollanti
pronoun
1. een taal die de voorganger van de Scandinavische talen was
muinaisnorja
/'ʌʊtom/
noun
1.
isoeno
/ɑutˈsɑksis/
pronoun
1. de voorloper van het huidige Nedersaksisch in de periode 650-1100
muinaissaksi
/'ʌʊtɑntə/
noun
1.
isotäti
/ɑʊ̯tˈzʋets/, /ɔʊ̯tˈzβ̞ets/
noun
1. een taal die in de middeleeuwen in Zweden werd gesproken
muinaisruotsi
noun
1. een meestal instrumentaal muziekstuk dat als opening fungeert van een opera of operette
alkusoitto
noun
1. bekende Griekse alcoholische drank
ouzo
/o'val/
adjective
1. in vorm gelijkend op een ei
ovaali
/o'val/
noun
1. een figuur in de vorm van een ei
ovaali
noun
munasarja
noun
suosionosoitukset
/ovə/
noun
1. besloten ruimte die verhit wordt om er voorwerpen in te smelten, te bakken enz.
uuni
adverb
  1. 2. nog resterend
    jäljelle
  2. 1. voorbij, gedaan
    kuuntelen
preposition
    1. 2. op of langs de oppervlakte van
    2. 5. naar de andere kant van
    kuuntelen
  1. 6. meer dan
    ohi
adverb
1.
  1. kaikkialla
  2. kaikkialle
noun
1. toestand waarbij een ruimte, gebied of land zo dichtbevolkt is dat het problemen geeft
liikakansoitus
verb
1. een hoger bod uitbrengen dan een ander
tarjota enemmän
noun
1. excessief verbruik van goederen en/of diensten
liikakulutus
/ˌovərˈdɑx/
adverb
1. tijdens de uren van de dag
päivällä
noun
yliannos
verb
1. de feiten groter, kleiner, mooier of slechter voorstellen dan ze zijn
  1. liioitella
  2. suurennella
noun
1.
liioittelu
noun
2. een bindende afspraak waarmee alle partijen instemmen
sopimus
verb
2. in overeenstemming brengen
täsmätä
/ˌovərˈʔetə(n)/
verb
1. uit gulzigheid te veel eten
ylensyödä
verb
  1. 3. veranderen in
  2. 4. van eigenaar veranderen
  3. 6. minder worden en uiteindelijk weggaan
muuttua
noun
2. het van een toestand in een andere geraken
muutos
noun
1. reeks handelingen die gedaan wordt bij een belangrijke gebeurtenis in het leven
siirtymäriitti
/'ovərɣavə/
noun
1. het opgeven van de strijd en zich aan de wijand onderwerpen
antautuminen
verb
  1. 2. capituleren
    antautua
  2. 1. braken
    oksentaa
noun
1. moeder van de grootvader of van de grootmoeder
isoisoäiti
/ˈovərɣrotˌʌʊdər/
noun
1. een ouder van een grootouder
isoisovanhempi
/ˈovərɣrotˌvadər/
noun
1. een vader van een grootouder
  1. isoisoisä
  2. isoisän
verb
1. in de handen van een ander geven
antaa
adverb
halki
/ˌovəˈrɛɪ̯sɔɫ/, /ˌovəˈrɛɪ̯səl/, /ˌovəˈrɛːsəɫ/
pronoun
1. provincie in het oosten van Nederland
Overijssel
noun
1. een jas die hoofdzakelijk als bescherming van de kleding eronder wordt gedragen
päällystakki
verb
2. meest onbedoeld een bepaalde indruk wekken op iemand anders
vaikuttaa
noun
kuollut
noun
1. een pagina bestemd voor overleg
keskustelusivu
/ˌovərˈlevə(n)/
verb
1. in leven blijven ondanks levensbedreigende omstandigheden of gebeurtenissen
elää kauemmin
noun
1. iemand die een levensbedreigende situatie overleefd heeft
selviytyjä
/ˈovərlevərɪŋ/
noun
1.
perimätieto
verb
2. in de strijd van zijde wisselen
loikata
adjective
  1. 1. buitensporig
  2. 2. een halve toon groter dan een rein of groot interval
liiallinen
adverb
  1. ylihuominen
  2. ylihuomenna
verb
1. ergens de nacht doorbrengen
yöpyä
verb
1., 2.
ottaa haltuunsa
verb
1. met de wielen van een voertuig over iets of iemand heen rijden
ajaa päälle
adjective
1.
ylikypsä
verb
1. iets domineren, naar de achtergrond drukken
jättää varjoonsa
verb
1. iets groter of van groter belang inschatten dan het in werkelijkheid blijkt
yliarvioida
noun
1.
yliarvio
noun
maksuosoitus
verb
1. een beurt doen missen
hypätä yli
noun
  1. 3. trapje, laddertje om over een heining te komen
    aitaporras
  2. 2. verandering van vervoermiddel
    jatkoyhteys
verb
1. doorkruisen om de overzijde te bereiken
ylittää
verb
1. het onder water komen staan van een laaggelegen gebied
tulvia
/ˌovərˈstromɪŋ/
noun
1. het binnenlopen van water in doorgaans droog gebied
tulva
noun
1. een relatief licht strafbaar feit
  1. rike
  2. rikkomus
verb
1.een voorheen behaald niveau te boven gaan
päihittää
/ˌo.vər.ˌtrɛ.fən.də.ˈtrɑp/
noun
superlatiivi
verb
1. een denkbeeld doen aanvaarden
vakuuttaa
noun
1. sterke mening of geloof
vakaumus
noun
runsaus
verb
1. aan iets een te hoge geldelijke waarde geven
yliarvostaa
/'ovərʋɛx/, /ovər'ʋɛx/
noun
1. een kruising van een weg met een spoorbaan
tasoristeys
/ovər'ʋeɣən/, /ˈovərʋeɣən/
verb
de voor- en nadelen bezien alvorens een beslissing te nemen
harkita
noun
1.
voittaja
noun
voitto
verb
1. de winter doorbrengen
talvehtia
adjective
merentakainen
noun
1. toestand dat je het geheel kunt duidelijk overzien
yleiskatsaus
noun
1. het gereedkomen van een eicel uit de eierstok.
ovulaatio
pronoun
Oxford
noun
hapetus
noun
oksidi
noun
1. (scheik.) een vorm van zuurstof met drie zuurstofatomen inplaats van twee
otsoni
/ozɔnlax/
noun
1. laag in de atmosfeer die veel ozon bevat
otsonikerros
/ˌooˈsit/
noun
1. een eicel voordat het eerste poollichaampje gevormd wordt
oosyytti
/pajə(n)/
verb
1. het leggen en bevruchten van eieren door vissen
lisääntyä
noun
4. (heraldiek) een loodrechte band midden over een wapenschild
paalu
noun
1. in zee levend weekdier dat zich in hout boort, Teredo navalis
laivamato
noun
2. bepaald soort Europese kleine zangvogel, Saxicola rubetra
pensastasku
/paːr/
noun
1. twee van een soort die bij elkaar horen
pari
/paːrt/
noun
  1. 2. turntoestel
    hevonen
    1. 1. tam hoefdier met manen
    2. 3. schaakstuk
    1. hevonen
    2. ratsu
noun
  1. 1. en 2. (bladeren of bloemen van) plant Taraxacum officinale
  2. 1. samengesteldbloemige plant Taraxacum officinale
voikukka
noun
härkäpapu
/'pardə(n)krɑxt/
abbreviation
maat voor arbeidsvermogen
hevosvoima
noun
1. voedzaam vocht uit de melkklieren van een merrie
tammanmaito
noun
    1. 1. sporenplant
    2. 3. staart van een paard
    korte
  1. 2. haardracht
    poninhäntä
/ˈpardəˌstɑɫ/
noun
1. een stal bedoeld om paarden te huisvesten
  1. hevostalli
  2. talli
noun
1. paardenzuring is een vaste plant die behoort tot de duizendknoopfamilie Polygonaceae
hevonhierakka
/ˈpaːrt.rɛidə(n)/
noun
het rijden op een paard, ter ontspanning of als sportbeoefening
ratsastus
noun
  1. 2. ter gelegenheid van Pasen gekleurd en versierd kippenei
  2. 1. ei van chocolade of suiker dat op of omstreeks Pasen gegeten wordt
pääsiäismuna
pronoun
Pääsiäissaari
noun
pääsiäispupu
noun
sydämentahdistin
noun
torppari
/pɑsiˈfɪsmə/
noun
1. een wereldbeschouwing die duurzame vrede nastreeft en tegen oorlog en geweld is
pasifismi
/pɛːt/
noun
  1. 1. een kikker met een gedrongen lichaamsbouw en ruwe huid die een orgaan van Bidder bezit
    1. rupikonna
    2. konna
  2. 1. een smalle weg of voetweg
    polku
noun
1. vruchtlichaam van een doorgaans onder de grond levende schimmel of zwam
  1. sieni
  2. itiöemä
/paˈeʎa/
noun
1. gerecht
paella
noun
1. persoonlijke dienaar van iemand
paaši
noun
sivu
noun
1. de meest voorkomende vorm van zee-ijs en bestaat uit op elkaar geschoven ijsschollen; opeengepakt drijfijs
ahtojää
/ˈpa.kɪ.ˌstɑn/
pronoun
1. een land in het zuiden van Azië grenzend aan India, Afghanistan, Iran en China. De officiële naam is de Islamitische Republiek
Pakistan
/'pɑkpapir/
noun
1. papier men gebruikt voor het (feestelijk) inpakken van voorwerpen
käärepaperi
noun
1. Aziatische groene koolsoort met witte stelen Brassica rapa subsp. chinensis
  1. paksoi
  2. pinaattikiinankaali
  3. bok choy
  4. pak choi
/pa.ˈlaʊ̯/, /pa.ˈlɔʊ̯/, /pa.ˈlʌʊ̯/
pronoun
1. een eilandenstaat in Oceanië
Palau
noun
1. een aanzienlijk gebouw dat een openbare functie heeft of een (woon)huis voor een staatshoofd is
palatsi
noun
paleoseeni
/palejoˈɣen/
noun
1.
Paleogeenikausi
/ˈpalejoˌlitikʏm/
noun
1. eerste periode van de steentijd
paleoliittinen kausi
adjective
paleoliittinen
noun
1. aardkunde die gericht is op de bestudering van fossielen
paleontologia
/ˌpalejoˈzowikʏm/
noun
Paleotsooinen maailmankausi
pronoun
Palermo
adjective
1.
palestiinalainen
pronoun
Palestiina
noun
paletti
noun
1. een spatelvormig stuk gereedschap dat de kunstschilder gebruikt om op het palet een gebruikshoeveelheid verf van de juiste kleur te mengen
palettiveitsi
noun
palimpsesti
noun
1. een symmetrisch woord dat van links naar rechts gelezen hetzelfde is als van rechts naar links gelezen. Voorbeelden: lepel en parterretrap maar ook kok en lol
palindromi
noun
1. bepaald soort langwerpige consumptievis, Anguilla anguilla
ankerias
noun
1. chemisch element
palladium
noun
  1. 2. binnenzijde van de hand
    kämmen
  2. 1. (sub-)tropisch gewas
    1. palmu
    2. palmupuu
noun
palmu
noun
palmitiinihappo
noun
palmuöljy
pronoun
1. de zondag voor Pasen
  1. Palmusunnuntai
  2. palmusunnuntai
adjective
1. met betrekking tot het ooglid
palpebraalinen
/pɑn/
noun
1. keukengereedschap om in te koken of braden
  1. paistinpannu
  2. pannu
adjective
1.
yleiseurooppalainen
/ˈpa.na.ma/, /ˈpɑ.nə.ma/
pronoun
1. een land Centraal-Amerika
Panama
pronoun
Panaman kanava
noun
1. iemand afkomstig uit Panama
panamalainen
noun
  1. 4. kanaaldeel
    alue
  2. 2. een gebouw
    kiinteistö
noun
1. (zoogdieren) een beerachtig dier uit het Himalayagebied
panda
/ˌpɑndeˈmi/
noun
1. een epidemie op wereldwijde schaal
pandemia
/pɑn.deʲ'ɪsmə/
noun
1. een theologische positie
pandeismi
verb
1.met geklopt ei bestrijken en daarna bestrooien met paneermeel
leivittää
noun
1. blaasinstrument dat is samengesteld uit een reeks van eentonige fluiten
panhuilu
noun
paniikki
noun
paniikkihäiriö
noun
1. een platte, ronde koek die in een pan gebakken is
  1. pannukakku
  2. ohukainen
noun
panseksuaalisuus
noun
housut
noun
1. benaming voor verschillende grote katachtige roofdieren
pantteri
noun
1.
pantheon
/pɑn.teʲ'ɪsmə/
noun
panteismi
/pɑnte'jɪstis/
adjective
1.
panteistinen
noun
tohveli
/pɑnˈtɔfəldirtʲə/
noun
1. eencellig diertje
tohvelieläin
noun
1. toneelspel alleen maar met gebaren en lichaamsuitdrukkingen dus zonder woorden
pantomiimi
noun
1. een beschermende laag om dieren of voorwerpen
panssari
noun
1. een voertuig op wielen dat uitgerust is met een verstevigde buitenzijde om gewelddadige aanvallen te kunnen weerstaan
panssaroitu auto
noun
1. stam van eencelligen met een tweetal zweepstaartjes die in water leven, Dinoflagellata
panssarilevät
/ˈpɛnti/
noun
1. kledingstuk
sukkahousut
noun
1. gerecht dat meestal bestaat uit melk die is gebonden met een zetmeelproduct zoals meel
mössö
noun
1.
papabile
/paˈpa.ja/
noun
1. en 2. (vrucht van) de boom Carica papaya
  1. papaija
  2. tarhapapaija
noun
1. benaming voor vogels uit de orde Psittaciformes
papukaija
noun
1.1 bepaald soort opvallende zeevogel die zelfs onder water kan vliegen, Fratercula arctica
lunni
noun
  1. paperiliitin
  2. klemmari
pronoun
1. een taal die wordt gesproken op een aantal eilanden in het Caribisch gebied, waaronder de Benedenwindse Eilanden Aruba, Bonaire en Curaçao en daar officiële status heeft
papiamento
/pɑ'pir/
noun
1. een dun vezelachtig beschrijfbaar materiaal
paperi
noun
1. bouwmateriaal dat gemaakt wordt door papier te vermengen met natte lijm
paperimassa
/ˌpa.pu.wa.niβ̞.ɣi.ˈne.ja/, /ˌpa.pu.wa.niβ̞.χi.ˈne.ja/, /ˌpa.pu.wa.nyʊ̯.ɣi.ˈne.ja/
pronoun
land en staat in Oceanië
Papua-Uusi-Guinea
/ˈpaprika/, /ˈpɑprika/
noun
2. vrucht van een bepaalde gekweekte vorm van een peperplant, Capsicum annuum
  1. paprika
  2. makea paprika
noun
paraabeli
/ˌparaˈboɫ/
noun
1. kegelsnede waarbij het snijvlak parallel loopt met een lijn die aan de kegel raakt en tevens het toppunt snijdt.
paraabeli
noun
laskuvarjo
verb
1. het uitvoeren van een sprong uit een vliegtuig of ballon...
olla vapaassa pudotuksessa
adjective
1. tot een paradigma behorend
paradigmaattinen
noun
paratiisi
/ˌpɑrɑˈdɛɪ̯svoɣəl/, /ˌpɑrɑˈdɛɪ̯svoχəɫ/, /ˌpɑrɑˈdɛːsvoɣəl/
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Paradisaeidae
paratiisilintu
noun
paradoksi
/ˌparadɔkˈsal/
adjective
1. tegenstrijdig lijkend
paradoksaalinen
noun
alkaani
/ˈpa.ra.gʋɑɪ̯/, /ˈpa.ra.gβ̞ɑɪ̯/, /ˈpa.ra.ɣ<sup>ʊ</sup>ɛɪ̯/, /ˈparaˌɡwe/
pronoun
Paraguay
noun
parallaksi
noun
suuntaissärmiö
/paralɛloˈɣrɑm/, /pɑrɑlɛloˈʝrɑm/
noun
1. (wiskunde) een vierhoek waarvan de overstaande zijden evenwijdig zijn
suunnikas
noun
1. achtervolgingswaanzin
paranoia
/ˌpa.ra.ˈply/
noun
1. een scherm waarover een waterdichte stof is gespannen om zich te beschermen tegen de regen
sateenvarjo
noun
parapsykologia
noun
1. klaploper, iemand die ten koste van een ander leeft, een profiteur
loinen
noun
1. leer en studie van de parasieten en het parasitisme
loisoppi
noun
auringonvarjo
noun
1. in het kaf voorgekookte rijst
parboil-käsitelty riisi
noun
1. een hard, rond voorwerp dat door bepaalde weekdieren wordt gemaakt,...
helmi
noun
1. rond gepolijste gepelde gerst
ohraryyni
noun
1. benaming voor vogels uit het geslacht Numididae
helmikana
/parəl'mur/
noun
1. het glanzende mineraal dat de binnenzijde van bepaalde schelpen bedekt
helmiäinen
/ˌparɛntəˈral/
adjective
1. niet via het maag-darmkanaal het lichaam binnenkomend
parenteraalinen
noun
parenteesi
noun
hajuaine
verb
hajustaa
noun
1. winkel waar men parfums verkoopt
hajuvesikauppa
pronoun
1. de hoofdstad van Frankrijk
Pariisi
noun
een inwoner van Parijs
pariisilainen
/pɑrᵊk/
noun
1. een groengebied bedoeld voor recreatie of natuurbehoud
puisto
noun
1. lang warm jack met een met bont gevoerde capuchon oorspronkelijk kledingstuk van de Inuits
anorakki
noun
1. garage voor het parkeren van motorvoertuigen
pysäköintitalo
noun
1. een installatie met klok die na de muntinworp de toegestane parkeertijd aangeeft
pysäköintimittari
noun
1. plek waar auto's of andere voertuigen geparkeerd kunnen worden
parkkipaikka
noun
pysäköintikiekko
noun
pysäköinninvalvoja
verb
1. (een voertuig) tijdelijk ergens laten staan
pysäköidä
noun
  1. 1. Openbaar Ministerie
  2. 2. afzonderlijke ruimte in gerechtszalen
  3. 3. parketvloer
lattia
noun
vogel
aratti
noun
1. risicosport waarbij een traject met obstakels zo snel en vloeiend mogelijk moet worden afgelegd
Parkour
noun
  1. parlamentti
  2. eduskunta
noun
1.
seurakuntalainen
noun
1. gemeenschap van gelovigen in de katholieke kerk die bij één kerkgebouw hoort
seurakunta
/pa.ˈrɔ.xiˌkɛrk/, /pa.ˈrɔ.χiˌkɛrk/
noun
1. een lokaal kerkgebouw dat het religieuze centrum van een parochie vormt
seurakunna kirkko
verb
parodioida
noun
1. woord dat een of meerdere morfemen met een ander woord deelt en daardoor soms met dat andere woord verward kan worden
kaltaissana
noun
1. bof, ontsteking van de parotis (speekselklier in mond)
parotiitti
noun
parsek
noun
  1. 1. persoon of groep die een overeenkomst of strijd aangaat met een andere persoon of groep
  2. 2. vereniging van gelijkgezinden die binnen een bepaald gebied hun politieke doelstellingen...
  3. 6. feestje, party
osapuoli
adjective
bij een bepaalde stelling of kant aansluiten
puolueellinen
noun
1. klein deeltje
partikkeli
noun
  1. 1. iemand met wie men gezamenlijk iets onderneemt of handel drijft
  2. 2. deelgenoot in spelen, speelgenoot, mededanser
  3. 3. iemand met wie men gehuwd of niet een relatie heeft
avomies
/pɑr.və.'ny/
noun
nousukas
noun
1. eenheid voor druk (symbool: Pa)
pascal
noun
1. het belangrijkste feest van het christendom, waarbij de Opstanding van Jesus centraal staat
pääsiäinen
adjective
1. kort geleden geboren
vastasyntynyt
pronoun
1. taal die vooral in Afghanistan en Pakistan door 50 tot 60 miljoen Pathanen wordt gesproken
paštu
noun
passi
noun
1. pop waarop men gemaakte kleren past
mallinukke
noun
1. de vaste oostelijke wind die waait tussen de 30 graden noorderbreedte en 30 graden zuiderbreedte en het reizen met zeilschepen over de oceaan aanzienlijk eenvoudiger maakt
pasaatituuli
noun
5. ontlasting, doorgang
jae
noun
1. iemand die al of niet tegen betaling meereist met een voer-, vaar- of vliegtuig
matkustaja
noun
1. stoel in een vervoersmiddel voor iemand die het voertuig niet bestuurt; stoel naast de chauffeur
matkustajan istuin
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Passau
verb
1. precies de goede maat zijn, erin kunnen
sopia
noun
harppi
noun
1
kärsimys
adjective
1. niet zelfstandig werkzaam
koroton
noun
1. (eetbare) vrucht van het plantengeslacht Passiflora
  1. passiohedelmä
  2. passionhedelmä
  3. kärsimyshedelmä
verb
pastöroida
noun
1. een document of ander kunstwerk zoals een toneel- of muziekstuk dat is gemaakt via nabootsing en/of het combineren van bepaalde kenmerken van een of meerdere originelen
pastissi
noun
1. bepaald circa 20 cm lang knolgewas, Pastinaca sativa
palsternakka
noun
pastori
noun
1. model van kledingstuk precies aansluitend op het lichaam
sopia
adjective
1. in een toestand waarin een speler geen enkele zet meer kan doen
pattitilanne
noun
1. remise doordat een speler geen zet meer kan doen
pattitilanne
pronoun
1. benaming voor het zuidelijke deel van Zuid-Amerika, tussen de Colorado en de Straat van Magellaan
Patagonia
noun
1. gefrituurde aardappelreepjes
ranskalaiset perunat
noun
1. schotel voor de hostie
pateeni
verb
1.
patentoida
adjective
1. & 2. vaderlijk
isänpuoleinen
noun
1. zich te pas en vooral te onpas als een zorgzame vader gedragen
isällisyys
noun
1. de tak van de geneeskunde die het ontstaan en verloop van ziektes bestudeert
  1. patologia
  2. tautioppi
adjective
1. ziekte betreffend
patologinen
noun
paatos
/pɑˈsʲɛnt/
noun
iemand die medische hulp krijgt
potilas
noun
1.
patriarkka
noun
1. een vogel uit de familie van de fazanten
  1. peltopyy
  2. punapyy
noun
patronyymi
noun
partio
verb
partioida
noun
1. wagen waarmee de politie rondrijdt om inspecties uit te voeren
partioauto
noun
1. stevig, maar smeerbaar mengsel van fijngemalen vlees
patee
noun
1. een grote verstembare keteltrommel zoals gebruikt in een orkest
patarummut
/'pɑupər/
noun
1. iemand die heel arm is
keppikerjäläinen
/pɑu̯s/
noun
1. hoofd van de katholieke kerk
paavi
adjective
1. betrekking hebbend op de paus, het hoofd van de rooms-katholieke kerk
paavillinen
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Riikinkukko
noun
1. benaming voor siervogels uit het geslacht Pavo
riikinkukko
noun
1. bepaald soort tropische struik met prachtige bloemen, Caesalpinia pulcherrima
riikinkukkokesalpinia
/ˈpɑʊzə/
noun
1. tijd waarin de hoofdactiviteit wordt onderbroken
tauko
verb
2. even stoppen
pitää tauko
noun
paviljonki
adjective
monetaarinen
noun
  1. 1. met de voet te bedienen hefboom
  2. 3. met de voet te bedienen hefboom van een muziekinstrument
pedaali
noun
lastentaudit
adjective
1. behorende tot het verlangen van een volwassene naar seksueel contact met kinderen
pedofiili
noun
1. een volwassene die verlangt naar seksueel contact met kinderen
pedofiili
noun
1.
pedofilia
noun
1. studie van de bovenste aardlaag
pedologia
noun
1. vrucht
  1. päärynä
  2. päärynäpuu
/pes/
noun
1. een uitloper van spierweefsel die de spier aanhecht aan het bot
jänne
/ˈpɛɪ̯nzə(n)/, /ˈpɛːnzə(n)/
verb
1. heel diep nadenken
murehtia
/'pejorɑ'tif/
adjective
haukkumasana
noun
piki
/pɛlgrɪm/
noun
pyhiinvaeltaja
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Pelecanidae
pelikaani
noun
1. instrument om met inkt te schrijven of te tekenen
  1. mustekynä
  2. kynä
noun
penisilliini
noun
1. het mannelijke geslachtsdeel
penis
noun
1. kleinste Britse munt, Engelse stuiver
penny
noun
2. een gerecht bereid van (1)
sisälmykset
noun
sivellin
noun
työeläkevakuutusyhtiö
noun
1. een gelegenheid waar men kan overnachten
kotimajoitus
/pɛnʃo'nerɪŋ/
noun
1.
eläkeläisyys
noun
1. C₅H12
pentaani
pronoun
1.
Pentagon
noun
pentagrammi
noun
1. een specerij van gemalen peperkorrels met een scherpe, hete smaak
  1. pippuri
  2. mustapippuri
/'pepərkɔrəl/
noun
1.
pippuri
noun
pippurimylly
noun
1. en 2. (bladeren van) de plant Mentha × piperita
piparminttu
noun
1. vluchtige olie, uit de bladeren en bloesemtoppen van de pepermuntstruik Mentha × piperita bereid
piparminttuöljy
/pɛpˈsinə/
noun
1. een verteringsenzym dat in de maag eiwitten in kleine stukken breekt
pepsiini
preposition
3. over een periode van, over een afstand van.
jokainen
/pɛrsɛnˈtaʒə/
noun
1. een percentsgewijze berekend bedrag of hoeveelheid
prosenttiosuus
adjective
1. door de huid heen
perkutaaninen
/perə(n)bom/
noun
1. een boom met peren als vrucht
päärynäpuu
noun
1. hervormingen zoals deze door Gorbatsjov werden voorgesteld in de Sovjet-Unie
perestroika
/pɛrˈfɛkt/
adjective
1. zonder enig gebrek
täydellinen
noun
täydellisyys
verb
1. meer perfect of volmaakt maken
tehdä täydelliseksi
/ˌpɛrfoˈratɔr/
noun
1. een apparaat om gaten te maken in papier, karton, kunststof folie of metaalplaat.
rei'itin
noun
1.
pergola
adjective
1. aan de buitenzijde
reuna
noun
periheli
noun
väliliha
/pɪri'jodɘ/
noun
1. tijdperk
  1. jakso
  2. ajanjakso
noun
alkuaineiden jaksollinen järjestelmä
noun
1. een dun schrijfmateriaal, gemaakt van huid van kalveren, koeien, geiten, schapen, konijnen of ezels
pergamentti
adjective
1. voortdurend
kestokiharat
noun
1. populistische en nationalistische politieke stroming in Argentinië
peronismi
noun
peroksidi
/pɛˈrɔn/
noun
1. een hoge, lange zijstoep of verhoogde vrije stoep aan een station om in en uit te stappen
asemalaituri
noun
  1. 2. journalistieke media
  2. 1. instrument waarmee druk uitgeoefend kan worden
lehdistö
noun
1. samengeperste lucht onder een bepaalde druk
paineilma
noun
  1. 1. menselijk individu
  2. 2. grammaticaal begrip
  1. henkilö
  2. ihminen
adjective
1. betrekking hebbend of uitgevoerd door de persoon zelf
henkilökohtainen
noun
1. een voornaamwoord dat in de plaats komt van een zelfstandig naamwoord of eigennaam en hiernaar verwijst
persoonapronomini
noun
1. het geheel van kenmerken en gedragingen dat iemand uniek maakt
  1. luonne
  2. persoonallisuus
noun
persoonallisuushäiriö
/pɛrspɛkˈtif/
noun
näkymä
pronoun
1. hoofdstad van de Australische deelstaat West-Australië
Perth
/peˈru/
pronoun
1. een land in Zuid-Amerika
Peru
noun
1. sappige vrucht van de perzikboom
persikka
noun
1. gepureerde vruchten van de perzikenboom
persikkapyree
pronoun
1. een Indo-Iraanse taal die gesproken wordt in Iran, Afghanistan en Tadzjikistan
  1. persia
  2. farsi
pronoun
1.
Persianlahti
pronoun
Peshawar
noun
1. een anticonceptiemiddel waarbij een rubberen kapje in de vagina de baarmoedermond afsluit
vagitorio
noun
1. de verwachting dat gebeurtenissen ongunstig gaan uitvallen
pessimismi
noun
pessimisti
noun
(medisch) Dodelijke en besmettelijke ziekten veroorzaakt door de bacterie Yersinia pestis
rutto
verb
1. jennen, treiteren
kiusata
noun
torjunta-aine
noun
1. bepaald soort vogel, Bombycilla garrulus
tilhi
noun
1. tamelijk plat hoofddeksel met een klep
lakki
/petəkɪnt/
noun
kummilapsi
noun
2. kruid
persilja
noun
1. laag plat ronde bakje van glas of kunststof met een ruim eroverheen passend deksel
elatusmalja
adjective
betrekking hebbend op de industrie die aardolie als grondstof verwerkt
petrokemiallinen
noun
1. een symbool, figuur of andere afbeelding die in de rotsen is gekrast, gekerfd of gehakt
kalliopiirros
noun
1. gesteentekunde
petrologia
pronoun
1. discipel van Jezus
  1. Pietari
  2. Pekka
noun
1. overblijfsel van een opgerookte sigaret of sigaar
tumppi
noun
2. en 3. (peulen van) Pisum sativum var. saccharatum
sokeriherne
noun
1. een jong kind in de leeftijd van een tot vier jaar
taapero
noun
1.
khalastelu
pronoun
  1. 1. Griekse god van de paniek
  2. 2. grotere van de twee manen van Mars
Phobos
noun
1. musicus die een piano bespeelt
pianisti
noun
1. groot snaarinstrument met klavier (algmeen)
  1. piano
  2. flyygeli
/pɪˈkɑrdɪʲə/
pronoun
regio in Noord-Frankrijk
Picardie
noun
1. piccolofluit
piccolo
noun
1. een maaltijd in de vrije natuur
eväsretki
noun
1.
pikometri
noun
pikosekunti
noun
1. geslachtsdeel van de man, penis gebruikt voor onvolgroeide jongens
kikkeli
verb
  1. 1.1 het geluid van een muisje
    kitistä
  2. 1.4 het fijn schril geluid van een krakende scharnier
    narista
  3. 3. stiekem, snel of oppervlakkig naar iets kijken
    piipittää
noun
  1. 1. benaming voor vogels uit het geslacht Anthus
    kirvinen
  2. 3. aardappel
    pottu
adjective
1. bijzonder klein
pikkuinen
noun
styroksi
/piːr/
noun
2. een in een zee of rivier uitstekende brug, dam of golfbreker
laituri
noun
ringetje, staafje enz.
lävistys
noun
1. ondiep zwembad geschikt voor heel kleine kinderen die nog niet kunnen zwemmen
kahluuallas
pronoun
1. jongensnaam
  1. Pietari
  2. Pekka
noun
1. een organische of minerale stof met een vaste kleur
pigmentti
noun
1. projectiel
nuoli
noun
arrowjuuri
/pɛɪ̯n/, /pɛːn/
noun
  1. 1. lichamelijk leed
  2. 2. geestelijk leed
  1. kipu
  2. särky
/ˈpɛɪ̯nɑpəɫˌkliːr/, /ˈpɛːnɑpəlˌkliːr/
noun
1. klier in de hersenen, die melatonine uitscheidt
käpyrauhanen
/ˈpɛːinlək/, /ˈpɛːnlək/
adjective
1. pijn gevend
kivulias
/'pɛːinstɪlər/
noun
1. middel
särkylääke
noun
1.
pilliurut
/ˈpɪkhʌʊʋɪ:ɫ/
noun
1. hakwerktuig met steel, voorzien van een punt aan de ene zijde en een beitelachtige voorziening aan de andere zijde
hakku
verb
4. (met de snavel) prikken
nokkia
adjective
1. heel zwart
pikimusta
noun
  1. 1
  2. 2
pilleri
noun
1. een bestuurder van een vliegtuig, luchtschip of race-auto
lentäjä
noun
1. bepaalde mezensoort, Cyanistes caeruleus
sinitiainen
/pɪn.ˈsɛt/
noun
1. een gevorkt werktuig bestaande uit twee armen waarvan de punt bijeengeknepen kan worden
pinsetit
noun
  1. 2. een vrucht van deze plant
  2. 1. een tot de vlinderbloemenfamilie behorende plant
maapähkinä
adjective
1. een soort broodbeleg dat bestaat uit een pasta van pinda's, slaolie en zout
maapähkinävoi
/ˈpɪŋɡwɪn/
noun
1. benaming voor niet-vliegende zeevogels uit de orde
pingviini
noun
1. de vijfde, kleinste en buitenste vinger
  1. pikkurilli
  2. pikkusormi
pronoun
1. Christelijk feest
helluntai
/piˈɔn/
noun
1. een schaakstuk dat alleen recht vooruit kan lopen en schuin vooruit slaan
  1. sotilas
  2. moukka
noun
pioneeri
/pi.ˈpɛt/
noun
1. een instrument waarmee heel precieze hoeveelheden vloeistof kunnen worden afgemeten door de vloeistof erin op te zuigen, meestal een in het midden verwijde en spits uitlopende glazen buis
pipetti
/ˌpi.pɛ.ˈteː.rə(n)/, /ˌpi.pɛ.ˈtɪː.rə(n)/, /ˌpɪ.pɛ.ˈteː.rə(n)/
verb
1. met een pipet vloeistof overbrengen
pipetoida
noun
1.
merirosvo
noun
1. met een vorm die van een breed, wat hoekig grondvlak uitloopt in een punt
pyramidinmuotoinen
noun
1.
pyramidi
noun
  1. 1. het beroven of plunderen van een schip op open zee
  2. 2. opzettelijke schending van het auteursrecht door het ongeoorloofd namaken van goederen of ...
piratismi
noun
1. een ornament op een markant punt van een bouwwerk
päätykoriste
verb
1. plassen
  1. pissata
  2. kusta
noun
pistaasipähkinä
noun
1. een semi-automatisch handvuurwapen met een langwerpig magazijn in het handvat
pistooli
pronoun
1. groep van vijf eilanden halverwege Paaseiland en Tahiti
Pitcairnsaaret
noun
1. een beeldpunt
pikseli
/ˈpidza/, /ˈpitsa/
noun
1. gerecht van een belegde broodbodem
  1. pizza
  2. pitsa
noun
1. bodem van een pizza
pizzapohja
noun
1. deeg voor de bodem van een pizza
pizzataikina
noun
1. restaurant
pizzeria
pronoun
Piemonte
pronoun
1. taal gesproken door 3 106 620 mensen in Italië, Argentinië, Australië en de Verenigde Staten
piemonte
noun
1. vlak, plat en vrij dun stuk materiaal
laatta
/plaːts/
noun
1. een bepaalde ruimte of een bepaald punt in de ruimte
  1. paikka
  2. tila
noun
1. precieze plek waar een misdaad is gebeurd
rikospaikka
verb
1. op een bepaalde plaats zetten
asettaa
/platsˈvɪndə(n)/
verb
1. gebeuren, geschieden, plaatshebben
tapahtua
noun
1. geneesmiddel zonder werkzame stof
lumelääke
/plɑˈfɔnt/
noun
1. de bovenkant van een ruimte in een gebouw
katto
verb
1. iemand (goedmoedig) pesten
kiusoitella
noun
plagionti
/ˈplɑg.bɑnt/
noun
1. een lintvormige drager die aan één of beide zijden bedekt is met kleefstoffen
teippi
noun
2.
juliste
noun
1. een stift voor het aanelkaar lijmen van bijvoorbeeld papier of (dun) karton
liimapuikko
verb
1. steenachtige, houten of andere ondergronden met plamuur egaliseren of repareren
silottaa
noun
1. een voorgenomen handelswijze
suunnitelma
noun
1. een groot, rond en massief hemellichaam dat zelf geen licht geeft en in een vaste baan rond een ster draait
planeetta
adjective
planetaarinen
noun
1. een toestel om de bewegingen van planeten voor te stellen
planetaario
noun
1. stelsel van planeten om de zon of een ster
planeettakunta
noun
1. een brok vaste materie die net als een planeet in een baan rond de zon draait, maar kleiner is dan een planeet
asteroidi
/plɑŋk/
noun
1. een plat en langwerpig stuk hout
lauta
noun
ramppikuume
noun
  1. 1. organisme dat kooldioxide opneemt en zuurstof afgeeft
  2. 2. van stengel en bladeren voorzien gewas dat zijn voedsel uit de aarde opneemt
kasvi
/plɑntˈaːr.dəx/
adjective
1. tot de planten behorend, uit planten bestaand of daarvan afkomstig
kasvi
noun
2. taxonomisch rijk
kasvi
verb
1. (een plant) in de aarde zetten om te laten groeien of bloeien
istuttaa
noun
1. dier dat uitsluitend plantaardig voedsel eet
kasvinsyöjä
noun
1. het onderdeel van de biologie dat zich bezighoudt met de studie van de planten
kasvitiede
noun
kasvitieteilijä
noun
  1. 1. een verzameling van vocht
  2. 2. een door veenafgraving ontstaan meer
lammikko
noun
1.
plasma
noun
1. immunoglobulinen producerende cellen
plasmasolu
/plɑs.ˈmi.də/
noun
1. een ringvormig DNA-molecuul dat voornamelijk voorkomt voor bij bacteriën
plasmidi
verb
1. via de urinebuis vloeibare lichamelijke afvalstoffen lozen
pissata
/'plɑstik/, /'plɛstɪk/
noun
plastisch vervormbare polymere kunststof
muovi
adjective
3. kneedbaar
muovailtava
noun
1. een chirurgisch specialisme waarin men zich richt op het uit esthetisch en/of functioneel oogpunt aanpassen van het uiterlijk
plastiikkakirurgia
noun
1. benaming voor loofbomen uit het geslacht Platanus
plataani
noun
1. bepaalde omgeving waarin een computer werkt
alusta
noun
1. scheikundig element met symbool Pt en atoomnummer 78
platina
noun
1. platte of afgezaagde zinsnede
latteus
noun
1. het landelijke gebied buiten de steden
maalaismaisema
/ˈplɑtvɪs/
noun
1. een orde van vissoorten die op hun zijde op de bodem leven, en geheel plat zijn
kampela
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Saksen
Plauen
pronoun
1. taal die tegenwoordig gesproken wordt in Canada en in dertien andere landen van mennonieten of menisten
plautdietsch
adjective
met ceremonieel
juhlallinen
noun
1. het plaatje waarmee snaren worden aangeslagen
plektra
noun
1. een volwassene die in zijn/haar eigen gezin het kind van iemand anders opvoedt, zonder dit kind echter te adopteren
kasvatusvanhempi
noun
1.
perhehoito
noun
  1. tori
  2. aukio
/ˈplɛinˌvreːs/
noun
agorafobia
noun
2. zelfklevend verband
laastari
noun
pleistoseenikausi
adjective
1. in aanwezigheid van allen
täys-
/plejoˈnɑsmə/
noun
1.
pleonasmi
noun
1.
kurmitsa
noun
punos
noun
1. een taak die men op zich genomen heeft of opgelegd heeft gekregen
velvollisuus
/ˌplijoˈsen/
noun
plioseenikausi
noun
  1. 1. landbouwgereedschap om de grond om te woelen
    1. kyntö
    2. aura
  2. 2. groep personen
    tiimi
verb
2. land met de ploeg bewerken
kyntää
noun
1.
kyntäjä
/ˈplɔfklɑŋk/
noun
1. een medeklinker die geproduceerd wordt met een volledige obstructie ergens in het spraakkanaal
klusiili
noun
1. geluid van iets dat in een vloeistof valt
loiskahdus
verb
1. een geluid voortbrengen zoals dat van iets dat luidruchtig in een vloeistof ondergedompeld wordt
  1. loiskia
  2. loiskuttaa
verb
1. iets in losse vouwen opstapelen
laskostaa
noun
1.
poksahdus
/ploˈsif/
noun
1. medeklinker die geproduceerd wordt met een volledige obstructie...
klusiili
noun
tulppa
noun
1. vlok droge, lichte stof met een open structuur
höttö
/'plʌʏ.zəx/
adjective
1. vol met pluizen
ilmava
/'plɵkə(n)/
verb
  1. 1. (bloemen) afbreken of oogsten
  2. 2. ontdoen van de veren
  3. 4. (sport) een door de lucht vliegende bal grijpen
näppäillä
noun
1.
ryöstö
conjunction
ja
noun
plusmerkki
pronoun
1.
Pluto
noun
1. Chemisch element
plutonium
noun
1. longontsteking
  1. keuhkokuume
  2. pneumonia
/po/
pronoun
1. stroom in Italië
Po
verb
1. bereiden in warm maar niet kokend water
hauduttaa
noun
1. digitale radio-uitzending waarbij een audiobestand op internet wordt gezet...
  1. podcast
  2. ääniohjelma
pronoun
1.
Podolia
noun
1. verouderde Russische eenheid van massa
puuta
noun
1. Frans krulharig hondenras
villakoira
noun
1. een troostprijs voor iemand die (bijna) als laatste is geëindigd in een wedstrijd
lohdutuspalkinto
noun
jauhe
/pudərsnew/
noun
1. fijne sneeuw
puuterilumi
noun
1. zeer fijn gemalen suiker
tomusokeri
noun
1. bepaald soort zoogdier, Felis concolor
puuma
noun
1. uitgescheiden vaste afvalstoffen van mens of dier
paska
noun
1. een van de oudste huisdieren van de mens
kissa
noun
1. Hongaarse boomloze grasvlakte
pusta
noun
1. sociaal-economische en politieke praktijk in Rusland in het begin van de 21 eeuw
putinismi
noun
  1. 1. razzia tegen joden
  2. 2. gewelddadige aanvallen...
pogromi
pronoun
1. taal gesproken op het Micronesische eiland Pohnpei en vele gebieden daarbuiten
ponape
noun
1. staande jachthond
pointteri
noun
1.kaartspel
pokeri
noun
1. emotieloos gezicht
pokerinaama
noun
2. epidemische huidziekte
isorokko
pronoun
1. Polaris
Pohjantähti
noun
poolisuus
/ˈpɔldəʀ/
noun
1. een bedijkt stuk land waarin de waterstand kunstmatig geregeld wordt
polderi
/ˈpolə(n)/, /ˈpoːlə(n)/
pronoun
1. een land in het midden van Europa met de officiële naam Republiek Polen (Rzeczpospolita Polska)
Puola
noun
polyyppi
noun
1.
poliitikko
noun
1. een discipline
valtiotiede
noun
1. iemand die zich beroepsmatig met politiek bezighoudt
poliitikko
noun
1. een overheidsdienst die belast is met de handhaving van de openbare orde...
poliisi
noun
1. een persoon die belast is met hulpverlening en met de handhaving van de openbare orde en veiligheid
poliisi
noun
poliisiasema
/poliˈtik/
adjective
1. betreffende de politiek
poliittinen
/poliˈtik/
noun
1. datgene dat gerelateerd is aan het besturen van een land
politiikka
noun
1. Chemisch element
polonium
noun
anatomie: 1. gewricht
ranne
noun
polyamidi
noun
monisuhteisuus
noun
polyandria
noun
2. thermoplastisch polymeer
polykarbonaatti
noun
1. een polyamoreuze groep van personen die met elkaar verbonden zijn door hun overlappende romantische, seksuele of platonische relaties
moniskunta
adjective
polyesteri
noun
  1. moniäänisyys
  2. polyfonia
noun
polygamia
noun
kielitaituri
noun
1. een gesloten stelsel lijnsegmenten die samen een plat vlak omsluiten
monikulmio
noun
1.
polymeeri
noun
polylaktidi
noun
polymerisaatio
noun
monimuotoisuus
pronoun
1. eilanden in de Grote Oceaan of Stille Oceaan die samen Oceanië vormen
Polynesia
noun
thermoplastische kunststof, bereid door polymerisatie van propeen
polypropeeni
noun
polysakkaridi
noun
1. het kunnen hebben van meerdere (verwante) betekenissen
polysemia
noun
1. godsdienst met meer dan één god
polyteismi
noun
1. vermeerderde urinelozing
polyuria
noun
  1. 1.
  2. 2.
nuppi
pronoun
1. historische regio in het zuiden van de Oostzee
Pommeri
noun
pumppu
/ˈpɔmpəlˌmus/, /ˈpɔmpəɫˌmus/
noun
2. een vrucht van deze boom
  1. pomelo
  2. pummelo
verb
1. vloeistof of gas met behulp van een pomp verplaatsen
pumpata
pronoun
1.
Pompeji
noun
1. een zeer oud cultuurgewas uit Midden- en Zuid-Amerika
kurpitsa
noun
1. naam voor verschillende munteenheden die in het Verenigd Koninkrijk en sommige Engelstalige landen worden gebruikt
  1. punta
  2. naula
noun
reikänauha
noun
kaart die tot de jaren 80 werd gebruikt voor het vastleggen van gegevens d.m.v. erin geponste gaatjes
reikäkortti
adjective
1. heel uitdrukkelijk, heel erg op de voorgrond staand
paavillinen
noun
1.
paavius
noun
1. een brug die bestaat uit op het water drijvende elementen
ponttoonisilta
noun
1. paard uit een ras met een schofthoogte tot ongeveer anderhalve meter
poni
/'poːjər/
noun
1. een man die prostituees tegen betaling beschermt en helpt.
sutenööri
/pok/
noun
1. stang om het vuur op te porren
hiilihanko
/pol/, /poɫ/, /po̝ɫ/
noun
1. een inwoner van Polen, of iemand afkomstig uit Polen
puolalainen
noun
A 1. uiteinde van een draaiingsas
napa
noun
1. de begrenzing van het gebied waar 's zomer de middernachtszon gezien kan worden en 's winters de nacht een heel etmaal kan duren
napapiiri
noun
1.
revontulet
/poɫs/, /poːls/, /po̝ɫs/
pronoun
1. een taal die in Polen gesproken wordt
  1. puola
  2. puolalainen
noun
napatähti
noun
1. bepaald soort zoogdier, Alopex lagopus
  1. naali
  2. napakettu
noun
1. benaming voor zeevissen uit familie Triglidae
kurnusimppu
/poːrt/
noun
1. met deuren afsluitbare doorgang door een muur
portti
noun
  1. tassu
  2. käpälä
noun
1. speeltuig
nukke
noun
1. een in het klein uitgevoerde versie
nukkekoti
noun
  1. 1.
  2. 3. een groep organismen
perusjoukko
noun
1.
poppeli
noun
1. politieke stroming die vindt dat een maatschappelijke elite de belangen van het volk verwaarloost...
populismi
noun
pornografia
/pɔrsəlɛːn/, /pɔrsəˈlɛɪn/
noun
1. fijn, geglazuurd aardewerk
posliini
noun
1,2 portaal (entree)
portaali
noun
1. portaalkraan
pukkinosturi
noun
1. geldbuidel
lompakko
noun
2. zuilengalerij
portiikki
noun
1.schilderij, foto of andere artistieke voorstelling van een persoon
muotokuva
/'pɔrtyɣɑl/
pronoun
1. een land in het zuidwesten van Europa, officieel de Portugese Republiek
Portugali
/ˌpɔr.ty.ˈɣes/, /ˌpɔr.ty.ˈχes/
adjective
1. verwijzend naar Portugal of naar de Portugese taal
  1. portugalilainen
  2. portugali
/ˌpɔr.ty.ˈɣes/, /ˌpɔr.ty.ˈχes/
noun
1. inwoner van Portugal
  1. portugalilainen
  2. portugali
/ˌpɔr.ty.ˈɣes/, /ˌpɔr.ty.ˈχes/
pronoun
2. taal gesproken in Portugal
portugali
noun
1. bepaald soort vis, Gymnocephalus cernuus
kiiski
verb
poseerata
/po'zisi/
noun
  1. 5. een vaste betrekking
    asema
  2. 7. de ligging van de hand
    asento
    1. 1. een stand van het lichaam
    2. 2. een innerlijke houding
    3. 3. een plaats van waaruit men iets onderneemt
    4. 4. een toestand waarin iemand zich bevindt
    5. 6. een maatschappelijke stand
    6. 8. een opstelling van troepen en materieel
    paikka
adjective
positiivinen
noun
  1. 1. de opvatting dat alleen de empirische wetenschappen geldige kennis opleveren
  2. 2. een levensinstelling waarbij je ervan uitgaat dat alles goed komt
positivismi
noun
positroni
/pɔs/, /pɔst/
noun
1. toegezonden materiaal, zoals brieven; poststuk - poststukken
posti
noun
1. postbeambte
  1. postimies
  2. postinkantaja
noun
postinumero
noun
1. een afgerichte duif die berichten kan overbrengen
kirjekyyhky
noun
1. bepaalde soort eenjarige groene plant, Portulaca oleracea
vihannesportulakka
/pɔs'terə(n)/
verb
1. ergens neerzetten
asettaa
noun
1. posthoorn
postitorvi
noun
1. kantoor dat zich bezighoudt met de bezorging van post en vaak ook andere diensten levert ...
postitoimisto
noun
1.
postmodernismi
adjective
1. na een letsel
trauman jälkeinen
/ˈpɔseɣəl/, /ˈpɔseχəɫ/
noun
1. betalingsmiddel voor het verzenden van post
  1. postimerkki
  2. merkki
noun
kattila
/ˈpɔ.dɑs/
noun
potaska
adjective
1. mogelijkheid
mahdollinen
/'potəx/
adjective
1. stevig uit de kluiten gewassen, weerbaar, ruig
vankka
noun
1. schrijfgerei met een zachte stift vervaardigd van klei en grafiet ingebed in een houten huls
  1. lyijykynä
  2. kynä
noun
1. iets wat bestaat uit een samenraapsel van fragmenten uit andere werken
potpuri
noun
1. deel van een gebroken pot van aardewerk
ruukunsirpale
noun
1. bepaald soort zeezoogdier, Physeter macrocephalus
kaskelotti
noun
poutine
/prax/, /praç/
pronoun
hoofdstad van Tsjechië
Praha
noun
2. een hulpmiddel in de vorm van een stuk hout en een lus die om de bovenlip aangebracht wordt om een paard rustig te houden
huulipuristin
noun
1.
pragmaattisuus
noun
1. Cynomys, een eekhoornachtig zoogdier uit Noord-Amerika dat een scherp blaffend geluid maakt
preeriakoira
/ˈprɑkə(n)/
verb
1. eten fijndrukken
soseuttaa
/prɑkˈtɛɪ̯k/, /prɑkˈtɛːk/
noun
  1. 1. ruimte waarin een arts zijn beroep uitoefent
  2. 2. hoe dingen werkelijk gaan...
  3. 4. gewoonte(n), manier van doen
käytäntö
adjective
1. op een manier die ook echt uitgevoerd kan worden
käytännöllinen
/ˌprazejoˈdimijʏm/
noun
1. Chemisch element
praseodyymi
/ˈpraː.tə(n)/
verb
1. zich met behulp van de stem uiten
puhua
/preˈkɑmbrijʏm/
noun
prekambri
/presəˈdɛnt/
noun
  1. 1. eerder plaatsgevonden hebbend geval
  2. 2. bestaande jurisprudentie die dient ter beslechting van een vergelijkbaar geschil
ennakkotapaus
noun
prekessio
/pre'kɵrsɔr/
noun
1. een voorloper
esiaste
noun
1. het vangen, doden en opeten door een organisme, meestal een dier, van een ander dier, het prooidier
saalistus
noun
3. (grammaticaal) gezegde
predikaatti
noun
predikatiivinen adjektiivi
/ˌpredikaˈtif/
adjective
predikatiivinen
pronoun
  1. Saarnaaja
  2. Saarnaajan kirja
  3. Salomon Saarnaaja
noun
saarna
noun
2. bureau van een prefect
prefektuuri
noun
1. een gebonden morfeem dat voor een ander woord geplaatst wordt om iets aan de betekenis toe te voegen
etuliite
noun
esihistoria
noun
1. en 2 (bladeren van) plant Allium porrum
  1. purjo
  2. purjosipuli
noun
1. de betaling aan een verzekeringsmaatschappij voor een verzekering
vakuutusmaksu
noun
palkkionmetsästäjä
noun
1. de eerste vaak feestelijke vertoning van een film, toneelstuk of een andere vorm van entertainment
ensi-ilta
noun
kuvakirja
noun
1. bereiding van chemische stof, geneesmiddel e.d
preparaatti
noun
1. het staatshoofd van een republiek
presidentti
noun
1. het bestuur van een vereniging (vooral van studentenverenigingen en politieke organisaties)
puheenjohtajisto
noun
1. vaak fraai gevormd, zwaar voorwerp dat men boven op een stapel losse papieren kan leggen zodat de papieren niet kunnen wegwaaien
paperipaino
noun
saavutus
noun
1.
arvovalta
noun
3. iemand die preuts is
sievistelijä
/prøts/
adjective
1. zeer ingetogen, overdreven kuis
kainosteleva
/prəˈvɛn(t)si/
noun
1. voorkoming (van ziekte, brand, etc)
ehkäiseminen
noun
1. ongezond langdurige erectie van de penis
priapismi
noun
1. priemgetal
alkuluku
noun
1. iemand die de religieuze (offer) rituelen verzorgt
pappi
noun
1. een vrouw die de taak heeft religieuze rituelen te verzorgen
papitar
noun
hölynpöly
noun
  1. 1. de gevraagde geldsom bij verkoop
    1. hinta
    2. palkinto
  2. 2. een uitzonderlijke beloning, bijvoorbeeld voor een bepaalde prestatie
    palkinto
verb
1. iemand lof toezwaaien
ylistää
noun
1. een bord (vaak van vilt) waar met behulp van punaises foto's en andere papierwerken op kunnen worden opgespeld
ilmoitustaulu
noun
ärtyvän suolen oireyhtymä
noun
1. materiaal bestaande uit een dubbele, in elkaar gedraaide metalen draad...
piikkilanka
noun
  1. 2. kerkelijke titel
  2. 1. benaming voor zoogdieren uit de orde Primates
kädellinen
noun
primatologia
adjective
  1. 1. alle kortste translatievectors in de richting van de hoofdassen van de rotatiesymmetrie hebbend.
  2. 2. de drie kortste niet in hetzelfde vlak liggende translatievectors als ribben van de eenheidscel hebbend.
alkeellinen
noun
  1. 1. hoogste adellijke titel van een man of jongen
  2. 2. laagste koninklijke titel van een man of jongen
  1. prinssi
  2. ruhtinas
adjective
1. als horend of passend bij een prins of prinses, bestaand uit prinsen of prinsessen
prinssillinen
noun
  1. 1. de hoogste adellijke titel van een vrouw of meisje
  2. 2. de laagste koninklijke titel van een vrouw of meisje
prinsessa
/ˈprɪntər/
noun
1. toestel om gegevens af te drukken onder andere op papier.
  1. tulostin
  2. printteri
noun
1. (elektrotechniek) plaat waarop elektronische bedrading aanwezig is, aangebracht met frees- of etstechnieken
piirilevy
noun
luostari
noun
prisma
/pri'vatrɛxt/
noun
1. vakgebied van het recht m.b.t. de onderlinge verhoudingen tussen private personen, maar ook hun privébelangen
yksityisoikeus
verb
1. omvormen van staatsbedrijven, overheidsdiensten tot particuliere, private bedrijven
yksityistää
noun
1. de tijd die besteed wordt aan persoonlijke bezigheden
yksityiselämä
/proˈberə(n)/
verb
kokeilla
noun
1. iets dat schade teweegbrengt of de voortgang van iets anders in de weg staat
  1. ongelma
  2. probleema
adjective
1. met problemen behept
ongelmakenttä
adjective
1. een probleem vormend
kyseenalainen
/prosəˈdyrə/, /proseˈdyrə/
noun
  1. 1.
  2. 4.
  1. menettelytapa
  2. proseduuri
/pro'sɛnt/
noun
1. een honderdste deel
prosentti
/proˈsɛs/
noun
2. opeenvolging van gebeurtenissen, gang van zaken
menetelmä
noun
prosessioikeus
/proˈsɛˌsi/
noun
kulkue
noun
julistus
noun
tuottaja
noun
1. het resultaat van een bewerking
tuote
noun
1. voortbrenging
tuotanto
adjective
1. vruchten afwerpend
hedelmällinen
noun
2. proefpersoon
koekaniini
noun
koeaika
verb
  1. 1. onderzoeken hoe iets smaakt
  2. 2. smaak waarnemen
maistaa
noun
1. een persoon die boodschappen van een godheid aan de mensen doorgeeft
profeetta
/pro'fɛsi/
noun
1. het beroep dat iemand uitoefent om geld mee te verdienen, met kennis van zaken en met betrokkenheid
julistus
/proˈfɛsɔr/
noun
1. de aanspreektitel voor een hoogleraar
professori
noun
profiili
noun
  1. keltarauhashormoni
  2. progesteroni
noun
1. een applicatie voor de computer
ohjelma
noun
1. tijdschrift waarin staat geschreven op welke tijd en op welke zenders televisie- en radioprogramma's bekeken kunnen worden
ohjelmaopas
noun
ohjelmointikieli
adjective
  1. 1. vooruitstrevend
  2. 2-3
edistyksellinen
/proˈjɛkt/
noun
1. een zaak die men denkt uit te voeren of te onderzoeken
hanke
verb
projisoida
noun
heijastaminen
noun
toestel om een afbeelding op een scherm te projecteren
projektori
noun
alaluokka
noun
proletaari
noun
1. snelle vermenigvuldiging
lisääntyminen
noun
  1. 1. inleidende rede van een tekst
  2. 3. de inleiding tot een theaterstuk
  3. 2. een korte tijdrit die als openingsrit wordt verreden
prologi
noun
promenadi
noun
1. verhandelbare schuldbekentenis
velkakirja
noun
1. een scheikundig element met het symbool Pm en het atoomnummer 61; een zilverwit à grijs lanthanide
prometium
/proˈmotsi/
noun
  1. 1. een verhoging in rang
  2. 2. bevordering naar een hogere speelklasse
promo
noun
1. en 2. (peulvrucht van) Phaseolus coccineus
ruusupapu
noun
1. dat wat door een dier wordt buitgemaakt
saalis
/prost/
interjection
1. heildronk
kippis
noun
1. C₃H₈
propaani
noun
1. activiteiten of materiaal gericht op het beïnvloeden van de mening of het gedrag...
propaganda
noun
propeeni
noun
1. CH₃CH₂COOH
propionihappo
noun
1.een klier tussen de blaas en de penis van de man
eturauhanen
noun
eturauhassyöpä
noun
1. het tegen betaling ter beschikking stellen van het lichaam voor het seksuele genot van een ander
prostituutio
noun
1. scheikundig element met symbool Pa en atoomnummer 91
protaktinium
noun
1.
päähenkilö
noun
2.
protektionismi
/ˌprotəroˈzowikʏm/
noun
proterotsooinen aioni
noun
1. een uiting van ontevredenheid met het gevolgde beleid
mielenosoitus
verb
1. grote bezwaren uiten
protestoida
noun
protestilaulu
noun
1.
  1. proteiini
  2. valkuaisaine
noun
1. een kunstmatig lichaamsdeel
proteesi
pronoun
1. hypothetische, gereconstrueerde taal waar vele Europese talen, waaronder het Nederlands en het Frans, van afstammen
indoeurooppalainen kantakieli
adjective
protokolla-
/'protɔn/
noun
protoni
noun
1.
alkulima
noun
1. oorspronkelijk model, eerste model van een product
prototyyppi
adjective
1. met betrekking tot de Provence
provensaali
/pro.ˈvɪn.si/
noun
1. een staatkundig onderdeel van een land
  1. maakunta
  2. provinssi
noun
provokaatio
adjective
  1. 1. niet dichterlijk, in gewone taal
  2. 2. weinig opmerkelijk, saai
arkipäiväinen
noun
1. een kunstmatig haarstuk waarmee het hoofd bedekt wordt
peruukki
verb
2. droevig zijn zonder geluid te maken
jurottaa
noun
2. vrucht van de pruimenboom
luumu
noun
kuivattu luumu
noun
1. kerftabak die geschikt is om gepruimd te worden (om op te kauwen)
purutupakka
pronoun
Preussi
noun
1. iemand die slecht werk levert
mogari
/psɑlm/
noun
1. elk van honderdvijftig gezangen uit de Tenach en het Oude Testament
virsi
pronoun
1. boek in de Bijbel met lofliederen op God
  1. Psalmit
  2. Psalmien kirja
noun
onechte programmeertaal
pseudokoodi
noun
  1. näennäistiede
  2. pseudotiede
noun
1. schubziekte met overmatige vette schilfers van de huid
psoriasis
/ˌpsɪxeˈdelɪs/
adjective
1. de werking van het bewustzijn verruimend
psykedeelinen
noun
psykiatri
noun
psykiatria
adjective
1. met betrekking tot de behandeling van geestelijke stoornissen
psykiatrinen
adjective
1. geestelijk
psykologinen
/psixoloˈɣi/, /psiχoloˈχi/
noun
1. de wetenschap die zich bezighoudt met het onderzoek naar bewustzijnsverschijnselen
psykologia
adjective
1. met betrekking tot het gevoelsleven.
psykologinen
/ˌpsi.χo.ˈloχ/, /ˌpsɪ.xo.ˈlox/
noun
1. een beoefenaar van de psychologie
psykologi
noun
1.
psykootikko
noun
1.iemand die lijdt aan een persoonlijkheidsstoornis die antisociaal gedrag veroorzaakt
psykopaatti
/psi'xozə/
noun
1. een geestesziekte waarbij men wanen heeft
psykoosi
adjective
1. met betrekking tot het verband tussen geest en lichaam
psykosomaattinen
noun
1. stroming in de psychologie
psykoterapia
noun
1. het proces van seksuele rijping van kind naar volwassene en het gedrag dat daar bij hoort
murrosikä
noun
julkaisu
/pyˈblik/
adjective
2. wat het publiek aangaat
  1. julkinen
  2. yleisö
/pyˈblik/
noun
1. een groep toeschouwers
  1. yleisö
  2. katsoja
noun
gangbare benaming voor de status van werken die geheel vrij zijn van auteursrechten en naburige rechten
tekijänoikeudeton
noun
1. nagerecht, vaak zoet, koud en op basis van melk
vanukas
pronoun
1. een met de Verenigde Staten geassocieerde vrijstaat in het oostelijk deel van de Caribische Zee
Puerto Rico
noun
hohkakivi
/pœʏ̯n/, /pœːn/
noun
1. een massa vergruizelde steen
rauniot
pronoun
1. taal die in de Punjab, zowel in India als in Pakistan gesproken wordt
pandžabi
noun
  1. 1. een spits toelopend uiteinde
    piste
  2. 1. een positie in de ruimte
    1. piste
    2. kärki
noun
1. een leesteken dat twee nauw aan elkaar gerelateerde zinnen tot een geheel verbindt (;)
puolipiste
noun
  1. 2. leerling
    mustuainen
  2. 1. oogappel
    pupilli
noun
1. pasgeboren hond, jonge hond
  1. penikka
  2. pentu
noun
1. chocolade van zuivere cacaopasta plus suiker
tumma suklaa
noun
1. streven naar puurheid
puhdas
noun
1.
puhdasoppinen
/pyri'tɛins/
adjective
1. (te) vroom, sober, ingetogen en streng
puristinen
noun
1.
ruskohaikara
/pɵt/
noun
1. een pijpvormige uitholling in een oppervlak
kaivo
noun
2. distelvink
tikli
/pyzəl/, /pʏzɔl/
noun
1. een raadsel of moeilijke opgave die men als tijdverdrijf probeert op te lossen
palapeli
noun
acroniem van polyvinylchloride
polyvinyylikloridi
noun
1.
kääpiö
noun
1. gemakkelijk zittende hemd en broek die 's nachts in bed kunnen worden gedragen
  1. pyjama
  2. yöpuku
pronoun
1. een gebergte op de grens van Frankrijk en Spanje
Pyreneet
noun
  1. 1. een kubisch mineraal met de samenstelling FeS₂
    pyriitti
  2. 2. een vaste stof die het structuurtype heeft waarvan [1] het archetype is
    rikkikiisu
noun
1.
pyromaani
noun
1. onweerstaanbare drang om brand te stichten
pyromania
/piˈrozɪs/
noun
1. een brandend gevoel ten gevolge van oprisping van maagzuur
närästys
noun
1. een niet-giftige en grote wurgslang
pyton
/kɑt/
noun
1. blad van een bedektzadige plant Catha edulis
  1. kati
  2. khat
/ka'tar/, /ka'tɑr/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten
Qatar
noun
1. een motorfiets of brommer op vier wielen
mönkijä
noun
1. volgeling van een religieuze beweging gekend onder de naam Genootschap der Vrienden
kveekari
noun
1. tijdelijke afzondering van personen, dieren of zaken die besmet zouden kunnen zijn met ziektekiemen
karanteeni
/kwɑrk/
noun
kvarkki
noun
kvasaari
noun
kvaternio
pronoun
1. macrotaal die door indianen in Ecuador, Peru en Bolivia wordt gesproken
ketšua
pronoun
1.
Quedlinburg
pronoun
1. Australische deelstaat gelegen in het noordoosten van het land
Queensland
/kwiˈnowa/
noun
1. Zuid-Amerikaanse plant (Chenopodium quinoa) en 2. zaden van die plant
kvinoa
noun
1. spel waarbij de deelnemers vragen moeten proberen te beantwoorden
tietokilpailu
noun
1. resultaat van de deling van het deeltal door de deler
osamäärä
interjection
1. horizontaal draaibare boom aan mast
raaka
/rat/, /raːd/
noun
  1. 1. aanbeveling hoe om te gaan met een probleem
  2. 2. een orgaan dat bestaat uit leden die raadgevende of beslissende bevoegdheden bezitten
neuvo
pronoun
Euroopan unionin neuvosto
pronoun
Euroopan neuvosto
adjective
1.
neuvoa-antava
verb
1. een bron van informatie of ervaring aanspeken
keskustella
noun
1. iets waarnaar men moet raden
arvoitus
/ratsəlɑxtəx/
adjective
1. onbegrijpelijk door dubbelzinnige of verborgen informatie
mystinen
adjective
suositeltava
/raːf/
noun
1. grootste van alle zangvogels, met flinke snavel, Corvus corax
korppi
noun
1.
sivuaja
noun
1. venster: muuropening om lucht en licht door te laten
ikkuna
noun
1. en 2. (stengels van) plant Rheum rhabarbarum
raparperi
noun
1. vocht uit de stengels van Rheum rhabarbarum
raparperimehu
/rɑˈbɛin/
noun
  1. rabbi
  2. rabbiini
adjective
1. met gelijke concentraties van beide optische isomeren
raseeminen
noun
rasismi
adjective
1. voortkomend uit de opvatting dat mensen door afstamming kunnen worden ingedeeld in grote groepen...
rasistinen
noun
maila
noun
1. wielvormig voorwerp dat kracht overbrengt binnen een machine of op het water
ratas
noun
1. techniek
tutka
verb
1. een gissing maken naar iets
ratkaista
noun
1. de SI-eenheid voor een hoek
radiaani
noun
1. een toestel dat door straling warmte afgeeft, ofwel ter verwarming van een ruimte, ofwel ter koeling van bijvoorbeeld een motor
lämpöpatteri
adverb
radikaali
noun
3.
radikaali
verb
radikalisoida
noun
radikalismi
noun
1. bepaalde soort uit de kruisbloemfamilie, Raphanus sativus
retiisi
/ˈradijo/
noun
  1. 1. toestel
  2. 2. medium
radio
adjective
radioaktiivinen
noun
1.
radioaktiivisuus
noun
1. radiozendstation voor de navigatie
radiomajakka
noun
1. het medisch specialisme...
radiologia
noun
radiologi
noun
1. scheikundig element met symbool Ra en atoomnummer 88
radium
noun
1. met symbool Rn en atoomnummer 86
radon
noun
jalostamo
verb
puhdistaa
noun
höystö
noun
  1. 1. een metalen staaf waar het wiel van een railvoertuig op rijdt
  2. 2. een baan waar een railvoertuig over rijdt
kisko
pronoun
1. Indische taal gesproken door 50 miljoen mensen in de staat Rajasthan in India
radžastani
/rakəl/
noun
1. werktuig in de vorm van een wisser waarmee inkt door een zeefraam gedrukt wordt
lasta
noun
1. cilindervormig projectiel dat door een naar achteren gerichte ontploffing wordt voortbewogen
  1. raketti
  2. ohjus
pronoun
2. teken van de dierenriem van 21 maart tot 20 april
oinas
noun
1. mannelijk schaap
  1. pässi
  2. oinas
noun
1. een harige vrucht uit de zeepboomfamilie
rambutani
noun
1.
törmäyskurssi
verb
1. een botsing op een vijandelijk schip veroorzaken
iskeä
noun
1. een grote catastrofale gebeurtenis met ernstige gevolgen
katastrofi
/rɑnt/
noun
1. de bovenkant van een bak of vat
reuna
noun
1. grote inham van een continent die grenst aan een oceaan
reunameri
noun
arvo
noun
1. een telwoord dat een rangorde of volgorde aanduidt
järjestysluku
noun
1. ranket
ranketti
noun
1. bepaald soort vogel, Asio otus
sarvipöllö
noun
1.
rapiiri
verb
1. ritmisch uitspreken van een tekst begeleid door een beat
räpätä
noun
1. iemand die ritmisch teksten voordraagt op muziek, meestal hiphop
rappari
verb
1. het uitbrengen van een verslag of rapport
  1. raportoida
  2. kertoa
  3. selostaa
  4. selvittää
noun
1. een muziek of dichtwerk dat contrasterende delen bevat en toch een eenheid vormt
rapsodia
noun
rotu
noun
1. een grofgetande vijl die wordt gebruikt om rondingen aan hout te maken
raastin
/rɑt/
noun
1. een muisachtig knaagdier uit het geslacht Rattus
rotta
noun
2. een mechaniek met kamrad en pal, dat een asdraaiing slechts in één richting toelaat
räikkä
noun
1. bepaald soort loofboom, Populus tremula
haapa
noun
1. gifslang uit het geslacht Crotalus
kalkkarokäärme
noun
rationaalistaminen
noun
rationalismi
noun
1.
järkevyys
noun
1.
rotanmyrkky
adverb
1. ongekookt en vers
raaka
adjective
1.
korpinmusta
noun
1. vierhoekig zeil dat met de bovenkant aan een ronde houten balk is vastgemaakt
raakapurje
verb
  1. 1. heel snel rijden
    kiitää
  2. 2. voortbewegen of overtrekken van een natuurverschijnsel ...
    raivota
noun
reaktanssi
noun
1. een actie die een gevolg is van een stimulus
reaktio
adjective
taantumuksellinen
noun
koeputki
/'reʲaɣɛns/
noun
1. een chemische stof die deelneemt aan een reactie
reaktanssi
verb
1. op een nieuwe situatie actie ondernemen
reagoida
adjective
1. van iets dat het werkelijkheid kan worden
toteuttamiskelpoinen
noun
realismi
noun
1. een televisieserie met echte mensen en echt drama, soms worden waargebeurde zaken nagespeeld, minder zakelijke weergave dan bij een documentaire
tosi-tv
noun
1. soort raadsel
kuva-arvoitus
verb
1. een beoordelend verslag schrijven, meestal van een culturele gebeurtenis
arvostella
adjective
1. een korte tijd geleden gebeurd of begonnen
tuore
noun
  1. 1. voorschrift voor de bereiding van een gerecht
    resepti
  2. 2. doktersvoorschrift voor (de bereiding van) een geneesmiddel
    1. resepti
    2. lääkemääräys
noun
  1. laskusuhdanne
  2. taantuma
noun
1. het geheel van rechtsregels en instituties van het recht
  1. oikeus
  2. suora
noun
1. hoek van 90 graden
suora kulma
/ˈrɛxtə ˈklɪɯɪŋ/
noun
1. lengtegraad op de hemelbol
rektaskensio
noun
2. geheel van de fundamentele rechten en vrijheden die ieder mens toekomen
ihmisoikeudet
/ˈrɛxtər/
noun
1. persoon die rechtspreekt, persoon die een oordeel velt
tuomari
noun
1.
oikea ranta
pronoun
Tuomarien kirja
/'rɛxtuk/
noun
1. een vierhoek met vier rechte hoeken
suorakulmio
adjective
1. tegenovergestelde van links
  1. oikea
  2. oikeisto
noun
1. het voeren van een gerechtszaak
oikeudenkäynti
noun
1. doelgerichte wilsuiting die rechtsgevolgen heeft
oikeustoimi
verb
1. rechterknop van een computermuis gebruiken
napsauttaa hiiren kakkospainiketta
/ɾɛχts.pɛɾ.soːn/
noun
1. groepering van goederen of natuurlijke personen die kan deelnemen aan het rechtsverkeer
oikeushenkilö
noun
1. staat waarvan de macht gereguleerd en beperkt wordt door het geldende recht
laillisuusperiaate
adjective
1. in overeenstemming met bepaalde ethische beginselen
oikeudenmukainen
verb
1. onderbouwen volgens bepaalde ethische beginselen
perustella
verb
1.
toistua
noun
1. uitvoering met meerdere muziekstukken uitgevoerd door één solist
konsertti
noun
resitatiivi
verb
lausua
noun
1,2 informatie over, en aanprijzing van diensten, producten en ideeën
mainos
/rəˈkɔrt/
noun
  1. 1. beste prestatie
  2. 3. bij elkaar behorende gegevens
ennätys
adjective
1. met betrekking tot de endeldarm
peräsuoli-
noun
1. iemand die berichten verzamelt en bewerkt voor publicatie
muokkaaja
verb
1. actie ondernemen om iets of iemand uit de moeilijkheden te halen
pelastaa
noun
pelastaminen
noun
1. een speciaal gebouwde en uitgeruste boot om het schip in geval van nood veilig te kunnen verlaten.
pelastusvene
noun
3. een ankerplaats buitengaats
reti
adverb
1. op een beredeneerde wijze
järkevästi
/ˈre.də(n)/
noun
1. een motivatie door iemand bedacht of beredeneerd
syy
/ˌredəˈnɪːrɪŋ/
noun
1. het proces waarmee men van een aantal argumenten, premissen of axioma's tot een standpunt of conclusie komt
järkeily
noun
1. eigenaar van een schip
laivanvarustaja
noun
laivanvarustamo
noun
redundanssi
noun
1. sierlijk slank hert, komt bijna in heel Europa voor
metsäkauris
adverb
1. al
  1. jo
  2. vielä
noun
1. een opeenvolgende rij van gebeurtenissen
sarja
noun
1. verwijzing
lähde
noun
heijastuminen
noun
1. een onwillekeurige reactie op bepaalde prikkels
heijaste
noun
taittuminen
noun
kertosäe
/ˈreɣəɫ/
noun
3. een voorschrift, richtlijn, norm
  1. ohje
  2. sääntö
verb
1. zorgen dat het gebeurt
säätää
noun
1. een combinatie van afspraken voor een bepaalde groep
järjestely
noun
2. ordelijke schikking in de ruimte
yleisyys
adjective
1. aan een bepaalde regel gehoorzamend
heikko
/reχən/
noun
1. neerslag van tot druppels gecondenseerde waterdamp
sade
adjective
1. regelmatig regenend of neigend naar regen
sateinen
/ˈreːχənboːx/
noun
1. een natuurfenomeen dat na regen als een verschijnende veelkleurige boog te zien is
sateenkaari
noun
1. een trui voor de wereldkampioen wielrennen
sateenkaaripaita
noun
1. het gekleurde vlies in het oog waarin de pupil zich bevindt
värikalvo
noun
1. een tijdelijke periode van regen tengevolge van het overtrekken van een wolkenveld
sadekuuro
/ˈreɣə(n)ˌdrʏpəɫ/
noun
1. een druppel die als regen uit de lucht naar beneden valt
sadepisara
/ˈreɣənə(n)/
verb
1. het vallen van neerslag in de vorm van waterdruppels
  1. sade
  2. sataa
noun
2. herstelgroei
regeneraatio
noun
1. een waterdichte overjas die geschikt is voor regenachtig weer
sadetakki
noun
1. toestel dat de hoeveelheid gevallen neerslag in een bepaalde periode op een bepaalde plaats meet
sademittari
noun
1. een verticale buis die aan een dakgoot is bevestigd en dient om het hemelwater dat op het dak valt, af te voeren
syöksytorvi
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Regensburg
noun
1. een paraplu
sateenvarjo
noun
sadevesi
/'reɣəʋɔrm/
noun
1. benaming voor dieren uit de familie Lumbricidae
kastemato
noun
1. een bos in een klimaat met het hele jaar door neerslag
sademetsä
noun
pikkukuovi
verb
1. het uitoefenen van de politieke macht...
hallita
/re.'ɣeː.rɪŋ(g)/, /rə.'ɣeː.rɪŋ/, /rə.'χɪː.rɪŋ/
noun
1. een groep van personen die een land bestuurt, specifiek het staatshoofd en alle ministers
hallitus
/ˌreɣiˈsidə/
noun
1. een bewuste moord op een koning.
kuninkaanmurha
noun
1. bestuur van een land, vaak onderdrukkend, dwingend, alles omvattend
hallinto
noun
1. geografisch gebied
alue
noun
elokuvaohjaaja
noun
kuntouttaminen
noun
1. benaming voor ooievaarachtige watervogels uit de familie Ardeidae
haikara
/rɛɪ̯s/
noun
1. grote, lange tocht of trip
matka
noun
matkatoimisto
noun
matkavakuutus
verb
1. onderweg zijn
matkustaa
/ˈrɛɪzəɣər/
noun
1. persoon op reis
matkustaja
noun
  1. 1. uitrekking
    kimmoisuus
  2. 2. raamwerk
    naulakko
/ˈre.kə.nə(n)/
verb
2. in rekening brengen
laskuttaa
noun
  1. 1. de optelsom van te betalen bedragen
    lasku
  2. 2. mogelijkheid om bij een bank onder een eigen nummer betalingen te doen en te ontvangen en geld te sparen of te lenen
    tili
noun
de leer van de operaties die op getallen worden uitgevoerd (optellen, aftrekken, vermenigvuldigen, delen, ...)
  1. aritmetiikka
  2. laskuoppi
noun
1. apparaat dat rekenkundige berekeningen kan uitvoeren
laskin
noun
1. een verstoring van de openbare orde door een menigte, meestal gepaard gaand met geweld en politieoptreden
mellakka
noun
1. een min of meer vast verband
relaatio
verb
suhteellistaa
noun
1. een natuurkundige theorie die ervan uitgaat dat de tijd een relatief begrip is
suhteellisuusteoria
/rəlɛksə(n)/
verb
1. de tijd nemen zich te ontspannen
rentoutua
adjective
1. van toepassing
asiaankuuluva
noun
asiaankuuluvuus
/rə'liɣi/
noun
1. een godsdienst
uskonto
/relɪˈɣɪøs/, /relɪˈʝɪøs/
adjective
1. te maken hebbend met godsdienst of geloof
uskonnollinen
noun
1. een overblijfsel van het lichaam van een heilige of een voorwerp dat...
pyhäinjäännös
noun
kohokuva
noun
1. een mechanisme dat iets vertraagt of tot stilstand brengt
jarru
noun
1. de afstand die een rijdend voertuig nodig heeft om tot stilstand te komen
jarrutusmatka
/rəˈmedi/, /reˈmedi/
noun
  1. 1. een medicijn of een op genezing gerichte behandeling
    1. lääke
    2. hoito
    3. parannuskeino
  2. 2. iets dat iets anders corrigeert of iets schadelijks wegwerkt
    1. lääke
    2. parannuskeino
verb
1. snelheid doen verminderen
jarruttaa
noun
2. geremdheid, belemmering
estäminen
noun
1. deel van een rem waar een bewegend en een stilstaand deel tegen elkaar drukken
jarrukenkä
/ˈrɛm.spor/
noun
  1. 1. spoor van een rubberband
  2. 2.
vauhtiraita
adjective
1. met betrekking tot de nier
munuainen
noun
1. een hertachtig zoogdier met een breed uitlopend gewei
  1. poro
  2. peura
noun
1. Chemisch element
renium
/ˈrɛn.ku.kuk/
noun
1. benaming voor vogels uit het geslacht Geococcyx
juoksukäki
noun
[A] 1. zeer snel lopen
juosta
noun
peruskorjaus
/rənoˈverə(n)/
verb
1. opknappen, repareren, vernieuwen
peruskorjata
noun
1. paard dat gefokt is met het doel om aan paardenrennen deel te nemen
kilpahevonen
/ˌrejo'loːɣis/
adjective
1. op de reologie betrekking hebbend
reologinen
noun
korjaus
verb
1.
kotiuttaa
noun
ohjelmisto
/rɛp'til/
noun
1.
matelija
/repʏˈbliːk/
noun
1. staatsvorm
tasavalta
pronoun
Yhdistyneet provinssit
noun
tasavaltalainen
adjective
tasavaltainen
noun
1.
vararengas
noun
1. iemand die oproepbaar is voor militaire dienst in tijden van oorlog, oorlogsdreiging of andere situaties waarin inzet van het leger nodig is
reserviläinen
/resər'vʷar/
noun
1. plaats waar water of een andere vloeistof bewaard kan worden
varasto
noun
koti
noun
resistanssi
noun
2. pixeldichtheid
resoluutio
noun
resonanssi
verb
  1. 1. iemand in aanzien houden
  2. 2. iets naleven
kunnioittaa
/rɛst/
noun
1. wat er overblijft
loppu
noun
het restant — 1. wat is overgebleven
jätepala
noun
ravintola
noun
2. het minitieus herstellen van een voorwerp van kunstzinnig of historisch belang
restaurointi
/rezɵl'tat/
noun
1. een uitkomst
tulos
noun
1. apensoort waarbij de resusfactor het eerst ontdekt werd
bunderi
noun
1. ophouding, het vertraagd afgeven of vasthouden van iets
ummetus
pronoun
1. Romaanse taal die gesproken wordt door 40.000 mensen in Zwitserland
retoromaani
noun
1. een verouderd toestel voor het destilleren bestaande uit een vat met een neergebogen tuit
retortti
/rəturˈnerən/
verb
1. iets of iemand naar het punt van vertrek terugbrengen of terugzenden
palauttaa
noun
1. jachthond die het geschoten wild apporteert (naar de jager brengt)
noutaja
/ˈre.tro.ˌflɛks/
noun
1. een medeklinkerklank die gevormd wordt door de tong om te buigen zodat het met de onderkant naar het verhemelte staat
retrofleksi
noun
1. een buitengewoon grote man
  1. jättliläinen
  2. jättiläinen
noun
1. verkregen door uitsmelting van varkensvet
ilava
noun
1. bepaald soort vaste plant, Equisetum telmateia
jättikorte
noun
1. een beer die leeft in de hooggelegen hellingen van berggebieden in centraal China
jättiläispanda
noun
1. en 2. (vruchtvlees) van plant Cucurbita maxima
  1. jättikurpitsa
  2. talvisquash
noun
1. kermisattractie
maailmanpyörä
noun
1-3. streven naar herziening (van het marxisme, de geschiedenis)
revisionismi
noun
1.
vallankumous
adjective
vallankumouksellinen
noun
1. een handvuurwapen met een roterende trommel met kogels
revolveri
noun
  1. 2. tijdschrift
    katsaus
  2. 1. theatershow
    revyy
adjective
reaalinen
noun
  1. jälleensyntyminen
  2. reinkarnaatio
verb
1.
syntyä uudelleen
noun
  1. 1. (verouderd) hereniging
  2. 3. het weerzien van voormalige studenten, collega's, enz.
jälleennäkeminen
pronoun
Rhodesia
pronoun
1. een rivier van 812 km lengte die ontspringt in Zwitserland, door Frankrijk naar het zuiden stroomt en uitmondt in de Middellandse Zee
Rhône
noun
1. elk van de platte, boogvormige beenderen die de borstkas omsluiten
kylkiluu
noun
1. een van de platte, dunne, boogvormige beenderen die de borstkas omsluiten
kylkiluu
noun
1. het geraamte van de borst
rintakehä
noun
rNA
noun
1.
ribosomi
/ˈrɪxtɪŋ/, /ˈrɪχtɪŋ/
preposition
1. de kant op van
suunta
noun
1. een systeem om richting aan te geven in een voertuig
indikaattori
noun
1. aanwijzing voor een te volgen gedrag
suuntaviiva
noun
1. oorspronkelijk een bereden en bepantserde ruiter die de ridderslag ontvangen had
ritari
noun
ritarinkannus
/rim/
noun
1. een band van leer of een ander materiaal
vyö
/rit/
noun
1. plantensoort
ruoko
noun
2. drinkbuisje
pilli
noun
suiker, verkregen uit het sap van suikerriet
ruokosokeri
noun
1. karperachtige zoetwatervis
sorva
noun
ruokokerttunen
noun
1. een ondiepte in water, koraalbank, klip
riutta
pronoun
1.
Riika
/rɛɪ̯/, /rɛː/
noun
  1. 2. een opeenvolging van elementen
    jono
  2. 1. geordende opstelling van een aantal eenheden in één richting
    rivi
/ˈrɛɪ̯bəˌwɛɪ̯s/, /ˈrɛɪ̯bəˌʋɛɪ̯s/, /ˈrɛːbəˌβ̞ɛːs/
noun
1. een officieel document waarmee de bezitter bevoegd is om een motorvoertuig te besturen
ajokortti
/ˈrɛɪ̯də(n)/, /ˈrɛːdə(n)/
verb
1. zich verplaatsen met behulp van een voertuig
ajaa
pronoun
1.
Rijeka
/rɛɪ̯k/, /rɛːk/
adjective
1. veel geld en/of eigendommen hebbend
rikas
/rɛɪ̯k/, /rɛːk/
noun
1. een staat of natie onder een vorst of heerser
valtakunta
/ˈrɛik.dɔm/
noun
1. het bezitten van veel geld en goud
rikkaus
noun
1. fraai uitgevoerde bol met bovenop een kruis die symbolisch de wereld voorstelt
valtakunnanomena
noun
1. gelijkheid van klank in een vers
riimi
/rɛɪ̯n/, /rɛːn/
pronoun
1. een van de langste en belangrijkste rivieren van Europa die op de grens ligt tussen Midden- en West-Europa.
Rein
pronoun
Reininmaa
adjective
1. geschikt voor de oogst
kypsä
noun
1. voor rijden geschikt paard
ratsu
pronoun
1. stad in Noord-Frankrijk nabij de Belgische grens
Lille
noun
maapuu
/rɛi̯st/
noun
1. graan van het geslacht Oryza
  1. riisi
  2. riisikasvi
noun
1. een alcoholische drank met als basis rijst
riisiviini
noun
1. ingrediënt dat bestaat uit met de zaadhuiden vergroeide vruchtwanden en kiemen
riisilese
verb
  1. 1. opstijgen
  2. 2. uitzetten en luchtig worden
nousta
/ˈrɛːzəx/, /ˈrɛːɪzəx/
adjective
1. erg groot
kauan
noun
1.Aziatisch twee- of driewielig karretje voor personen vervoer
riksa
verb
väristä
noun
1. een oppervlakkige vouw of golving, in het bijzonder van de menselijke huid
ryppy
noun
1. cirkelvormig sieraad voor om de vinger
rengas
noun
1. een zangvogel uit de familie van mussen en sneeuwvinken
pikkuvarpunen
noun
1. Natrix natrix
rantakäärme
noun
1. vierde vinger gerekend vanaf de duim
nimetön
noun
2. huidziekte door een schimmel veroorzaakt
silsa
noun
1. bruine rat, rioolrat,
viemärirotta
noun
1. apparatuur die het mogelijk maakt water uit de riolen weer voor gebruik gereed te maken
vedenpuhdistuslaitos
noun
1. een mogelijk gevaar voor schade
riski
/rɪt/
noun
1. een reis in een voertuig
ajelu
noun
1. een zich in de tijd herhalend patroon van geluiden
  1. rytmi
  2. tahti
noun
1. deel van een bandje of orkest dat het ritme van een muziekstuk aangeeft
rytmiryhmä
adjective
rytmikäs
noun
2. ritssluiting
vetoketju
adjective
rituaali
/riːˈviːr/
noun
1. een natuurlijke waterstroom
  1. joki
  2. virta
noun
1. bepaald soort slanke eetbare Euraziatisch zoetwatervis, Gobio gobio
törö
noun
1. een soort kreeft die in riviertjes leeft
rapu
noun
1. afkorting van ribo nucleic acid (ribonucleïnezuur), een hoogmoleculaire verbinding...
RNA
noun
rubiini
/ˈro.bɔt/
noun
1. machine die beschikt over een stoffelijke vorm en een beslissingsmodel
robotti
/roˈbyst/
adjective
jämerä
noun
1. kwaadsprekerij, achterklap
juoru
verb
1. op een vervelende manier over anderen praten
juoruta
noun
punajuuri
noun
1.
punainen kääpiö
noun
1. Trifolium pratense, een overblijvend kruid uit de vlinderbloemenfamilie
puna-apila
pronoun
Punainen Risti
noun
1. bepaald soort zoogdier, Lynx rufus
punailves
noun
1. rossig gekleurde zaden (zemel en kern) van aan gewone rijst (Oryza sativa) verwante planten
  1. punainen riisi
  2. punariisi
noun
1. een alcoholhoudende drank die verkregen wordt door de gisting van rode druiven
punaviini
noun
1.
isohaarahaukka
pronoun
1. langgerekte binnenzee, gelegen tussen Azië en Afrika
Punainenmeri
/ˌro.də.ˈhɔnt/
noun
1. een infectieziekte waarbij het gehele lichaam met rode plekken en bulten bedekt is
vihurirokko
noun
1. en 2. donkerrood sluitkoolgewas
punakaali
noun
1. chemisch element met symbool Rh
rodium
noun
alppiruusu
/ˈrubəl/
noun
rupla
verb
1.zich met behulp van roeispanen in een boot ergens begeven
soutaa
noun
1. bepaalde soort kraaiachtige vogel, Corvus frugilegus
mustavaris
adjective
1. zonder zorg over de gevolgen of het gevaar van een handeling
harkitsematon
noun
1. eer en glorie
kunnia
/ruˈmens/, /ruˈmeːns/
adjective
1. betreffende Roemenië of het Roemeens
  1. romanialainen
  2. romania
/ruˈmens/, /ruˈmeːns/
pronoun
1. een Romaanse taal die wordt gesproken in Roemenië
romania
/ruˈmeni.jə/, /ruˈmeːni.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Europa ten noorden van Bulgarije
Romania
noun
röntgenium
/rup/
noun
1. een vrij harde klank geproduceerd met stemgeluid
huuto
/'rupi/
noun
1.
rupia
/'rupɪŋ/
noun
1. een taak waarvoor een persoon zich verplicht voelt, vaak met religieuze invloed
kutsumus
noun
  1. 2. stuurmiddel
    kippari
  2. 1. vlak waarmee gestuurd wordt
    peräsin
/ˈrur.bɑ.kə(n)/
verb
1. een kooktechniek voor het bereiden van voedsel in een wok
wokata
/rurɛi/
noun
1. een gerecht van gebakken eieren en losgeklopte melk
munakokkeli
verb
  1. 1. een vloeistof met een spaan in ronde beweging brengen
  2. 4. in opstand komen
hämmentää
noun
1. beweegbare, stoffelijke zaak
irtaimisto
noun
1. geoxideerd ijzer
ruoste
adjective
ruosteinen
adjective
1. roestbestendig
ruostumaton
/rut/
noun
1. koolstofneerslag die ontstaat door onvolledige verbanding van koolstofhoudende stoffen
noki
noun
1. benaming voor brede, platte vissen met een smalle staart uit de superorde Rajomorphii
rausku
noun
1. en 2. (zaden van) plant Secale cereale
ruis
/ˈrɔɣəbrod/
noun
1. een van rogge gebakken brood
ruisleipä
noun
1. gekiemde en gedroogde granen van rogge
ruismallas
noun
1. plat gewalste granen van rogge
ruishiutale
noun
1. met de zaadhuiden vergroeide vruchtwanden en kiemen van roggekorrels
ruislese
pronoun
1.
rohinga
noun
1. buis- of kegelvormig kledingstuk
hame
noun
1. zet in een schaakspel
tornitus
/ˈroːkə(n)/
verb
  1. 3. conserveren door langdurige blootstelling aan rook
    polttaa
    1. 2. nuttigen door het inhaleren van de rook ervan
    2. 1. rook afgeven
    1. polttaa
    2. savuta
verb
1.1. het doen van een zet waarbij de koning en een toren elkaar passeren
linnoittautua
noun
hameheikki
noun
1. een gordijn dat bij het sluiten van een ronde stok wordt afgerold
rullaverho
noun
1. looprek op wieltjes
rollaattori
verb
1. zich wentelend over een oppervlak bewegen
kierittää
noun
1. vervoermiddel voor mensen die slecht ter been zijn
  1. pyörätuoli
  2. rullatuoli
noun
1. trap met bewegende treden
  1. liukuportaat
  2. rullaportaat
noun
B 1. volk in Europa en Azië dat traditioneel een zwervend bestaan leidt
romanit
adjective
1.
romaaninen
noun
1. een lang soort verhaal in boekvorm
romaani
/romaˈnɛs/
pronoun
Taal door veel zigeuners gesproken
romani
adjective
romanttinen
verb
1. iets mooier en rooskleuriger voorstellen dan het in werkelijkheid is
romantisoida
/ˈro:mə/
pronoun
1. de hoofdstad van Italië
Rooma
adjective
1. met betrekking tot Rome
roomalainen
/roˈmɛɪnsə rɛɪk/
pronoun
1. een historisch rijk dat op zijn hoogtepunt de gehele Middellandse Zeeregio in handen had
  1. Rooman valtakunta
  2. Rooman imperiumi
noun
kirpputori
noun
1. het lichaam van een mens of dier zonder ledematen, kop of staart
  1. torso
  2. vartalo
noun
1. het belangrijkste centrale deel van een land zonder de randgebieden
tynkävaltio
adjective
1. cirkelvormig
pyöreä
noun
2. een wedstrijd in de vorm van een rondrit
aplodit
verb
1. op een plaats langdurig verblijven zonder iets te doen te hebben
maleksia
adverb
sanalla sanottuna
/rod/, /rot/
adjective
1. de kleur rood hebbend
punainen
/rod/, /rot/
noun
1. een primaire kleur zoals die van licht met een golflengte tussen de ca. 620 en 740 nm.
punainen
noun
1. bepaald soort struik, Daphne mezereum
näsiä
adjective
punertava
noun
2. bepaald soort vrij gedrongen vogeltje met opvallende bruinrode keel, Erithacus rubecula
punarinta
noun
1. Turdus migratorius, een in Noord-Amerika veel voorkomende lijstersoort
punarintarastas
noun
1.
punakaulahanhi
adjective
1. met rood gekleurde haren
punatukkainen
noun
1.
punaisuus
pronoun
1. sprookjesfiguur
Punahilkka
noun
1. en 2. (bladeren van) Cichorium intybus var. foliosum
  1. punasikuri
  2. punasalaatti
noun
punavarpunen
noun
1. Falco vespertinus
punajalkahaukka
noun
1. exotische roof- en zoetwatervis die voorkomt in de wateren van de Benelux, Leuciscus aspius
toutain
/ˈrovdir/
noun
1. dier dat zijn prooi bejaagt en doodt
petoeläin
noun
1. benaming voor gewervelde waterdieren met kieuwen die hun prooi bejagen en doden
petokala
/ˈroˌfoχɔɫ/, /ˈroːˌfoːɣəl/, /ˈroːˌvoːɣəl/
noun
1. eierleggend dier met veren, twee vleugels, twee klauwen en een snavel dat zijn prooi bejaagt en doodt
petolintu
/roːk/
noun
1. damp, zichtbaar gas
savu
noun
1. apparaat dat een zeer luid signaal afgeeft als er rook aanwezig is
savuhälytin
noun
1. een verbod om te roken
tupakointikielto
noun
1. de vette delen van melk waarvan boter gemaakt wordt
kerma
/roːs/
noun
1. bloem
ruusu
noun
paahtopaisti
/'rɔskɑm/
noun
1. een grof soort kam die voor het verzorgen van paarden of het schoonmaken van andere borstels gebruikt wordt
suka
verb
1. een paard met borstel en kam reinigen
sukia
pronoun
1.
Rostock
noun
kierto
verb
1. vlas blootstellen aan fermentatie om het pectine te verwijderen dat de stengel samenhoudt
liottaa
noun
1. kleine wit-zwarte gans met een ver klinkende rott-rott roep, Branta bernicla
sepelhanhi
noun
2. bepaald soort vuurwerk dat na het aansteken van de lont wordt weggegooid en dan een harde knal geeft
papattimatto
noun
1. een grote ruwe steen
kallio
/ˈrɔtstœʏn/, /ˈrɔtstœːn/
noun
1. een tuin met rotspartijen en rotsplanten
kivikkoistutus
noun
1. Duits hondenras, stevig gebouwd, kortharig met brede kop, korte snuit en hangoren
rottweiler
noun
2. iemand die zich eropuit is anderen ergernis te bezorgen
konna
noun
reittisuunnittelija
/ra<sup>ʊ</sup>/, /rʌʊβ̞/, /rʌːβ̞/
noun
1. grote smart of droefenis na een verlies
suru
noun
1. iemand die door geweldpleging iemand besteelt
  1. ryöstäjä
  2. ryöväri
/roːzə/, /rɔːs/, /rɔːzə/
adjective
1. heel bleke of lichte rode kleur, met soms ook blauwe tinten
vaaleanpunainen
noun
2. keukenkruid
rosmariini
noun
1. schijnvrucht van wilde rozen
ruusunmarja
noun
1. Rosaceae
ruusukasvit
noun
1. een gebedssnoer met 165 kralen
  1. rukousnauha
  2. ruusukko
noun
1.
ruusutarha
noun
ruusuvesi
noun
1. kleine gedroogde vruchtjes van Vitis vinifera
rusina
/ˈrɵ.bər/
noun
  1. kumi
  2. kautsu
noun
1. Chemisch element
rubidium
noun
1. en 2. (bladeren van) eenjarige plant Eruca sativa
  1. sinappikaali
  2. rucola
adjective
alkeellinen
/rɵx/
noun
1. zijde van de romp tegenover de buik en borst gelegen
selkä
noun
rugby
noun
selkäranka
noun
selkäydin
noun
1. pijn in de rug
selkäkipu
noun
1.
selkäevä
noun
  1. reppu
  2. selkäreppu
pronoun
1. een regio in de Duitse deelstat Noordrijn-Westfalen
Ruhrin alue
noun
1. traliewerk waarachter hooi ligt
haasia
/rœʏkə(n)/, /rœːkə(n)/
verb
  1. 2. een geur verspreiden
    1. haista
    2. tuoksua
  2. 1. een geur waarnemen
    haistaa
/rœʏl/, /rœːl/
noun
vaihto
noun
vaihtokauppa
noun
stuk gereedschap waarmee men een boorgat iets ruimer kan maken
aarpora
noun
3. heelal
  1. avaruus
  2. tila
noun
avaruuspuku
noun
1. vaartuig geschikt om zich buiten de aardse atmosfeer te begeven
avaruusalus
noun
avaruusluotain
noun
avaruusasema
noun
avaruussukkula
/ˈrœʏ̯m.tə.ˌʋɑn.də.lɪŋ/, /ˈrœːm.tə.ˌβ̞ɑn.də.lɪŋ/
noun
1. het uitvoeren van een activiteit buiten een ruimteschip
avaruuskävely
noun
avaruussairaus
/rœʏn/
noun
1. gecastreerde hengst
  1. ruuna
  2. valakka
noun
1. structuurloos en voortdurend geluid dat een continuüm van toonhoogten bevat
kohina
noun
1. bepaald soort zoetwatervis die zich graag tussen het riet ophoudt, Scardinius erythrophtalmus
sorva
noun
  1. 2. een vierhoek waarvan de zijden gelijk in lengte zijn
    neljäkäs
    1. 1. een glazen plaat in een venster
    2. 5. figuur uit een kaartspel
    ruutu
noun
1.
ruutusotilas
noun
1. een apparaatje dat de ruiten van een auto automatisch wist met een bewegende arm met wisserblad
tuulilasinpyyhin
noun
1. berijder van een rijdier
ratsastaja
noun
een sterkedrank die bereid wordt uit het sap van suikerriet
rommi
/rʏnd/, /rʏnt/
noun
1. holhoornig herkauwend zoogdier
nauta
/ˈrʏntfleːs/
noun
1. het vlees van een volwassen rund
naudanliha
/ˈrynə/
noun
1. een schriftteken van het Oud-Germaanse alfabet
riimu
noun
1. vlinderlarve
  1. toukka
  2. perhostoukka
noun
1. een inwoner van Rusland
venäläinen
/'rʏs/
noun
plant
  1. kaisla
  2. vihvilä
pronoun
1. een soevereine staat met het Russisch als officiële taal die zich uitstrekt van het oosten van Europa tot het oosten van Azië
Venäjä
/ˈrʏsis/
adjective
1. betreffende Rusland of het Russisch
  1. venäläinen
  2. venäjä
/ˈrʏsis/
pronoun
1. een Slavische taal die gesproken wordt in Rusland
  1. venäjä
  2. venäjän kieli
/rɵst/
noun
1. voortdurende toestand van kalmte
levollisuus
verb
1. werk of andere activiteit staken om het lichaam in staat te stellen weer op krachten te komen
huilata
adjective
1. kalm, weinig sensorische prikkels creërend
rauhallinen
noun
1. scheikundig element met symbool Ru en atoomnummer 44
rutenium
noun
1. scheikundig element met symbool Rf en atoomnummer 104
rutherfordium
noun
1. toestand waarin men in ernstig conflict is met anderen
riita
/ryˈinə/
noun
1. een zeer vervallen gebouw
raunio
/ˌryiˈnerə(n)/
verb
  1. 1. helemaal kapotmaken
  2. 2. iemand financieel te gronde richten
pilata
/ru.ˈwɑn.da/, /ru.ˈʋɑn.da/, /ˈrβ̞ɑn.da/
pronoun
1. een land in Oost Afrika, officieel de Rwandese Republiek, dat geheel door land omsloten wordt
Ruanda
noun
1. scheikundig element met symbool Rg en atoomnummer 111
röntgenium
noun
1.
röntgensäteily
/saɪ̯/, /saːɪ̯/
adjective
ikävystyttävä
pronoun
Saba
noun
1. een vijandige ingreep op zaken om deze te laten mislukken of te vernielen
sabotaasi
verb
sabotoida
noun
sabotoija
noun
sakkaridi
noun
1. caloriearme kunstmatige zoetstof die geen directe invloed heeft het bloedsuikergehalte
sakariini
noun
1. een disacharide, bestaande uit een glucose-eenheid en een fructose-eenheid
sakkaroosi
noun
1. plechtige gebeurtenis in de katholieke kerk
sakramentti
noun
1. een ruimte in een rooms-katholieke kerk, waarin men alles bewaart dat nodig kan zijn om een kerkdienst te houden.
sakasti
noun
sadismi
noun
1. iemand die bevrediging zoekt in het pijnigen van een ander
sadisti
adjective
sadistinen
/sɑˈfarɪ/
noun
1. expeditie in de wildgebieden in Afrika
safari
noun
1. een kostbare, transparante blauwe edelsteensoort die een variant is van korund (α-Al₂O₃)
safiiri
noun
1. specerij bereid uit de saffraankrokus Crocus sativus
sahrami
/ˈsaɣə/
noun
saaga
pronoun
1. zandwoestijn in Noord-Afrika
Sahara
pronoun
1. meer in Finland
Saimaa
/sent.ˌvɪn.sɛnt.ɛn.də.χre.na.ˈdi.nəs/
pronoun
1. land in het Caraïbisch gebied
Saint Vincent ja Grenadiinit
pronoun
Saint-Pierre ja Miquelon
noun
1. Falco cherrug
aavikkohaukka
pronoun
1. Duitse deelstaat
Saksi
noun
salaatti
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Caudata
salamanteri
/ˈsalami/
noun
1. Italiaanse worst
salami
noun
gedroogde stukjes van de echte salie
salvia
noun
1.
salmonella
pronoun
1. koning van Israël
Salomo
/ˈsa.lo.mɔns.ˌɛɪ̯.lɑn.də(n)/, /ˈsa.lo.mɔns.ˌɛː.lɑn.də(n)/
pronoun
1. land in Melanesië
Salomonsaaret
noun
1. een lage tafel die in een woonkamer staat
sohvapöytä
/sɑlpetər/
noun
1. een mineraal bestaande uit kaliumnitraat
salpietari
noun
1. een sterk zure chemische verbinding met de formule HNO₃ of een waterige oplossing daarvan
typpihappo
noun
1. scheikundig element met symbool Sm en atoomnummer 62
samarium
noun
saamelainen
adverb
yhdessä
verb
1. meerdere uitgekozen zaken tot een geheel maken
koostaa
noun
1. het samenstellen
kokoonpano
/ˈsaːməvɑtɪŋ/
noun
1. een beknopte beschrijving van een inhoud
yhteenveto
verb
1. met een of meer aan hetzelfde werken
tehdä yhteistyötä
noun
1. het samenwerken van meerdere personen
yhteistoiminta
/ˈsamə(n)ˌzʋɪːrə(n)/
verb
1. geheimelijk met anderen samenwerken ten nadele van een derde partij
juonitella
pronoun
1. een verzameling talen die gesproken worden in Noorwegen, Zweden, Finland en Rusland door de Saami
saamelaiskielet
pronoun
1. een verzameling talen die gesproken worden in Noorwegen, Zweden, Finland en Rusland door de Saami
saamelaiskielet
/sa.ˈmo.wa/
pronoun
1. een land in Oceanië ten noorden van Nieuw-Zeeland en ten oosten van Australië...
Samoa
pronoun
1. een taal die gesproken wordt door 370.337 mensen in Samoa, Amerikaans-Samoa, Fiji, Nieuw-Zeeland, Tonga en de Verenigde Staten
samoa
/ˈsɑmuˌrɑɪ/
noun
1. een lid van de vroegere Japanse krijgsstand
samurai
pronoun
  1. Samuel
  2. Samuli
/ˌsan maˈrino/
pronoun
1. een dwergstaat in Italië met republikeinse staatsinrichting.
San Marino
/'sɑŋksi/
noun
1. strafmaatregel
pakote
/sɑnˈdal/
noun
1. schoeisel
sandaali
noun
1. een bepaald houtsoort (Santalum album of verwante soorten)
santelipuu
/ˈsɑndiˌɣemiˈnasi/, /ˈsɑndiˌχemiˈnaʦi/
noun
1. fonetisch procedé in het Fins en Italiaans, waarbij de beginklinker van een morfeem verdubbeld...
  1. loppukahdennus
  2. rajageminaatio
/ˈsɑntwɪtʃ/
noun
kerrosvoileipä
noun
1. een Spaanse licht-alcoholische drank
sangria
pronoun
1. klassieke taal en een van de officiële talen van India
  1. sanskrit
  2. sanskriitti
/saʊ̯.to.ˌme.je̞n.prɪn.ˈtsi.pə/, /ˌsa.o.to.me.ʔɛn.ˈprɪn.si.pə/, /ˌsʌu.to.me.ɛn.ˈprɪn.si.pə/
pronoun
1. land en eilandengroep aan de westkust van Afrika in de Golf van Guinee
São Tomé ja Príncipe
/sa.ˌu.di.ɑ.ˈra.bi.jə/, /zaʊ̯.di.ja.ˈra.bi.jə/
pronoun
1. en 2., land en staat in Azië
Saudi-Arabia
noun
1. plantenvocht
mehu
noun
1. soldaat die loopgraven maakt
pioneeri
adjective
1. vol met sap
mehukas
noun
1. plant die van organisch afval leeft
saprofyyti
noun
sarabande
noun
1.
pistopuhe
adjective
1.
sarkastinen
noun
1. een stenen doodskist
sarkofagi
noun
sarkooma
noun
1. klein zilverkleurig haringachtig visje, Sardina pilchardus
sardiini
noun
1. straalvinnige visSardina pilchardus, uit de familie van haringen
sardiini
noun
1. een Italiaans eiland in de Middellandse Zee
Sardinia
pronoun
1. Romaanse taal die wordt gesproken door 1,3 miljoen mensen op Sardinië
sardi
/sɑr'donis/
adjective
1. op een bittere manier grijnzen of lachen
häijy
/ˈsatɑn/
pronoun
Saatana
noun
1. aanbidding van Satan
satanismi
noun
satiiri
pronoun
1.
Saturnus
/saˌudiaˈrabijə/
pronoun
1. en 2., land en staat in Azië
Saudi-Arabia
/saˈul/
pronoun
2. jongensnaam
Saul
/'saʊna/
noun
1. een ruimte waarvan de temperatuur verhoogd wordt, zodat het lichaam begint te zweten (een zweetbad)
sauna
verb
1. in een sauna gaan
saunoa
/sɑu̯s/
noun
1. een vloeibare substantie die meestal over een gerecht wordt gedaan voor extra smaak
kastike
/ˈsa.va/
pronoun
1. een rivier in Zuidoost-Europa met een lengte van 940 km.
Sava
noun
1. een grasland met verspreid voorkomende bomengroei
savanni
noun
1. en 2. (bladeren van) Brassica oleracea convar. capitata var. sabauda)
kurttukaali
noun
kurttukaali
noun
1. iemand die (beroepshalve) saxofoon speelt
saksofonisti
/sɑkso'fon/
noun
1. een metalen blaasinstrument met een enkel riet
saksofoni
adjective
pohjoisgermaaninen
pronoun
1. Denemarken, Noorwegen en Zweden.
Skandinavia
noun
1. scheikundig element met symbool Sc en atoomnummer 21
skandium
noun
kuvanlukija
/sə.ˈna.ri.jo/
noun
1. een kort uitgewerkt schema voor de handeling van een dramatisch werk
käsikirjoitus
noun
1. sierlijk bewerkte staf, symbool voor het gezag van een regerende vorst
valtikka
/ˈskɛptɪs/
adjective
1. geneigd tot twijfel
skeptinen
noun
1. een werktuig om hout glad, vlak of dunner te maken
höylä
noun
hiertymä
interjection
  1. shakki
  2. šakki
noun
2. het schaakspel als zodanig
  1. shakki
  2. šakki
/ˈsxagbɔrt/, /ˈsχagbɔrt/
noun
1. een vierkant bord met 64 donkere en lichte vakjes waarop schaak gespeeld wordt
  1. šakkilauta
  2. shakkilauta
adverb
shakki ja matti
noun
1. een spel met verschillende stukken op een schaakbord
shakki
/ˈsxakstʌk/
noun
1. een onderdeel van het schaken dat over het schaakbord bewogen wordt.
  1. shakkinappula
  2. šakkinappula
noun
  1. 3. verhouding van de grootte tussen een model en een echt voorwerp
  2. 4. bepaalde ijking op een grafiek, as of eenheid
asteikko
/sxaːldir/
noun
1. een dier met een schaal als uitwendig skelet
äyriäinen
noun
1.
häpyluu
noun
1. huidplooi bij de opening van de vulva, aan beide zijden van de vagina
häpyhuulet
noun
1. kleine parasieten die voorkomen in het schaamhaar, maar ook op wimpers...
satiainen
/'sxa:m.tə/
noun
1. eerste betekenisomschrijving
häpeä
adjective
1. zonder schaamte
häpeilemätön
noun
1. Ovis aries, een holhoornige herkauwer waarvan de gedomesticeerde soort wol levert
lammas
noun
lammaspaimen
noun
1. werktuig om te knippen
sakset
adjective
1. weinig in aantal of hoeveelheid
harvinainen
/'sxarstə/
noun
1. eerste betekenisomschrijving
vähyys
noun
1. een ijzer dat onder de schoenen wordt gebonden of aan de schoenen is vastgemaakt, om zich daarmee over het ijs te verplaatsen
luistin
verb
1. zich voortbewegen op schaatsen
luistella
noun
2. bepaald soort insect, Gerris lacustris
vesimittarit
/ˈsxɑxt/
noun
1. (holle) buis
hissikuilu
noun
1. geheel van beschadigingen
vahinko
/ˈsxaː.dyu̯/
noun
1. een slechts door indirect zonlicht beschenen oppervlak
  1. varjo
  2. katve
verb
1. iemand ongemerkt volgen
varjostaa
verb
1. een verbinding tot stand brengen
vaihtaa
noun
1. een sedimentair gesteente
savikivi
noun
1. gas uit schalie
liuskekaasu
verb
1. blaasinstrument met een rechte conische boring en een los dubbel riet dat de toon vormt
skalmeija
/ˈsxaː.mə(n)/, /ˈsχa.mə(n)/
verb
1. schaamte voelen
hävetä
verb
1.
hipaista
noun
1. een zaak die iemand in opspraak brengt en waarvan mensen schande spreken
skandaali
noun
1. iets wat bij het publiek minachting oproept, iets oneervols
häpeä
noun
1. een paal op een plein, waaraan mensen bij wijze van straf werden vastgemaakt om vernederd...
häpeäpaalu
noun
1. een wintersport waarbij op skis van een helling (de schans) gesprongen wordt. Het doel daarbij is om zowel zo ver als zo mooi mogelijk te springen
mäkihyppy
noun
1. een plank om iets op te zetten
hylly
noun
1. bepaald soort platvis Limanda limanda
hietakampela
verb
5. Seksuele handeling
saksitus
/sxɑr'mɪŋkɛl/
noun
1. te mager iemand
luukasa
/sxɑrˈnir/
noun
1. draaiverbinding
sarana
noun
3. vogel uit de familie van de scharrelaars
sininärhi
noun
1. verzamelde rijkdom
  1. aarre
  2. kulta
/'sxɑtə(n)/, /'sχɑtə(n)/
verb
  1. 2. benaderen van een waarde door berekening
  2. 1. op prijs stellen
arvioida
verb
  1. 1. gladmaken door middel van een schaaf.
  2. 3. door middel van een schaaf in plakjes snijden.
höylätä
noun
1. een stellage voorzien van een galg of een valbijl waar veroordeelden terechtgesteld worden
mestauslava
noun
1. houder waarin men een zwaard of mes kan steken
  1. tuppi
  2. huotra
/'sχedəl/
noun
  1. kallo
  2. pääkallo
/sxeːl/
adjective
1. het gebrek hebbend dat de oogassen niet op eenzelfde punt gericht kunnen worden
kierosilmäinen
noun
1. voorkant van het onderbeen van de mens tussen de knie en de enkel
sääri
/ˈsxenben/
noun
sääriluu
/'sxenbəsxɛrmər/
noun
1. beschermer van scheenbeen
säärisuoja
noun
hyttipoika
noun
1. (scheepvaart) een werkgebied
telakka
noun
1. het verkeer op het water
merenkulku
noun
partakone
/ˈsxɪːrkʋɑst/
noun
1. een dikke kwast waarmee men scheerzeep aanbrengen
partasuti
/sxeːrmɛs/, /sχɪːrmɛs/
noun
1. een bijzonder scherp mes waarmee men zich kan scheren
partaveitsi
noun
  1. 1. het uiteenhalen van iets in zijn onderdelen
  2. 2. de lijn aan weerszijden waarvan haar naar de ene of de andere kant valt
erottaminen
/'sxɛɪtsrɛxtər/
noun
1. iemand die tijdens een spel de spelregels toepast
erotuomari
noun
1. wetenschap die zich bezig houdt met de studie van de samenstelling en de bouw van de stoffen
kemia
adjective
1. dat wat tot de scheikunde behoort, volgens de scheikunde
kemiallinen
noun
kemisti
adjective
kimakka
/ˈsχɛldə/
pronoun
1.een rivier die ontspringt in de gemeente Gouy in noordelijk Frankrijk
Schelde
/'sxɛltwoːrt/
noun
1. een term die bedoeld is om iets of iemand te beledigen
kirosana
/sxɛlp/
noun
1. een uit kalk gewoonlijk uitwendig skelet, dat door een weekdier wordt aangemaakt
kilpi
noun
1. bepaald soort kabeljauwachtige consumptievis, Melanogrammus aeglefinus
kolja
noun
skeema
noun
2. de tijd van de dag waarop het licht dan wel donker wordt
hämärä
/sxɛndə(n)/
verb
1. iets niet in acht nemen
rikkoa
pronoun
Schengen
noun
1-2
kinner
/'sxɛŋ.kə(n)/
verb
1. geven
antaa
noun
1. lepelvormig werktuig
lapio
/ˈsxɛpə(n)/
verb
1. met bijv. een lepel of spaan een hoeveelheid van een bep. materiaal uit iets (bijv. een vat) naar boven halen, of het juist daarin doen
  1. kaapia
  2. kauhoa
noun
1. iets nieuws dat uit het niets gemaakt is
luomakunta
/sxeːrə(n)/, /sχɪːrə(n)/
verb
  1. 1. baard afsnijden
  2. 2. zich de baard kort afsnijden
ajaa
/sxɛrf/, /sχɛrf/
noun
1. een onregelmatig gevormd stuk materie dat deel heeft uitgemaakt van een groter geheel
pirstale
noun
1. verticale draden van het weefgetouw
loimi
/sxɛr'mɵʦəlɪŋ/
noun
jupakka
adjective
1. goed snijdend
terävä
noun
1. gestolde zure lava die vele scherpe randen vertoont
aa-laava
noun
tarkka-ampuja
noun
terävyys
adjective
neuvokas
noun
1.
nolla
noun
hahmotelma
noun
1. tekenboek
luonnoskirja
verb
  1. 1. met een minimum van pennenstreken een voorlopige en gewoonlijk uitwisbare afbeelding van iets maken
  2. 2. in overdrachtelijke zin: een korte maar rake beschrijving van iets geven
luonnostella
/sxøːr/, /sχʏːr/
noun
1. een kloof in een vlies of weefsel
reikä
noun
1. ziekte ten gevolge van ascorbinezuurdeficiëntie
keripukki
/sxʏːrə(n)/
verb
1. in twee of meer delen trekken
repiä
adverb
  1. melkein
  2. lähes
noun
1. een landmassa die voor het grootste deel door water omgeven wordt, en slechts op (relatief) smalle verbinding heeft met het vasteland.
  1. niemimaa
  2. niemi
pronoun
Schiermonnikoog
/ˈsxi.tə(n)/, /ˈsχi.tə(n)/
verb
1. een projectiel afvuren met een wapen
ampua
noun
1. gat om door te schieten
ampuma-aukko
adjective
1.iemand die snel een vuurwapen wil gebruiken
liipaisinherkkä
noun
1. een draad met loden balletje om de loodrechte stand van iets te onderzoeken
luotilanka
noun
1. een confrontatie waarbij partijen elkaar beschieten
ampuminen
/sxɛi̯f/
noun
1. plat en rond voorwerp
kiekko
noun
1. een rem, waarbij op de as van het af te remmen toestel een schijf meedraait, die door middel van remblokken afgeremd kan worden.
levyjarru
/sxɛjn.vrɵxt/
noun
epähedelmä
/sxɛɪt/
noun
1. vaste uitwerpselen
paska
/sxɛɪtə(n)/, /sxɛːtə(n)/, /sχɛɪtə(n)/
verb
1. poepen
paskantaa
noun
1. buitenste bekleding van een vrucht
kuori
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Kilpi
/sxɪlt/
noun
1. (militair) een voorwerp dat als afweer tegen de aanval van de vijand voor zich gehouden wordt
kilpi
noun
1. een kunstenaar die geschilderde afbeeldingen maakt
  1. maalari
  2. taidemaalari
verb
  1. 2. een bouwwerk of voorwerp van een beschermend laag verf voorzien
  2. 1. een kunstwerk vervaardigen door met verf een beeld op een oppervlak te maken
maalata
/ˌsxɪldə'rɛː/, /ˌsχɪɫdə'rɛɪ/
noun
1. een met verf op doek of andere achtergrond gemaakte afbeelding
  1. maalaus
  2. taulu
noun
1. een van beide figuren -menselijk of anderszins- die het wapen flankeren
kilvenkannattaja
/sxɪldkliːr/, /sxɪɫtkliːr/, /sχɪɫtkliːr/
noun
1. klier
kilpirauhanen
noun
aseenkantaja
noun
1. orde van reptielen waarvan het voornaamste kenmerk is dat het lichaam omsloten wordt door een verhard rug- en buikschild
kilpikonna
noun
1. een band langs de omtrek van een wapenschild
reunus
verb
1. de schil van een vrucht verwijderen
kuoria
noun
2. rijk binnen de eukaryoten, Fungi
sieni
noun
1. schaduwspel
varjoteatteri
noun
  1. 2. grootste ruimte in de lengterichting van een kruiskerk
    laiva
  2. 1. groot zeewaardig vaartuig
    1. laiva
    2. alus
/sxɪbrøk/
noun
1. een gebeurtenis waarbij een schip zinkt of op de klippen loopt
haaksirikko
noun
1. uit elkaar vallen van een kerkgenootschap in twee delen door sterk verschillende opvattingen
skisma
noun
1. gesteente
liuske
noun
1. een chronische geestesziekte met perioden van verwardheid en psychose
  1. skitsofrenia
  2. jakomielisyys
noun
1. Duitse sentimentele muziek
iskelmä
noun
1. gepaneerd kalfsvlees
vasikanleike
noun
1. alles wat men om de voeten heen kan dragen, zoals schoenen en laarzen
jalkine
noun
1. een vervelend iemand
kusipää
/sxun/
noun
1. voetbekleedsel
kenkä
noun
1.
kenkänokka
noun
1. een 18e eeuws langsgetuigd zeilschip met oorspronkelijk 2, maar later ook meer masten
kuunari
noun
suutari
noun
1. veter om een schoen of laars dicht te rijgen
kengännauha
noun
1. schouder van paard of rund
säkä
noun
1. mechanisme om schokken te dempen
iskunvaimennin
noun
1. heftige uitwerking
vaikutus
noun
1. bepaald soort platvis, Pleuronectus platessa
punakampela
noun
1. zwart-witte waadvogel met luide roep, Haematopus ostralegus
meriharakka
verb
1. aan een opleiding onderwerpen
kouluttaa
noun
1. iemand die basisonderwijs of voortgezet onderwijs volgt
  1. koululainen
  2. oppilas
noun
1. een hangend speeltuig bestaande uit touw en een zitje, vooral gebruikt in kinderspeeltuinen
keinu
verb
1. op een schommel heen en weer bewegen
heilahtaa
/ˈsxɔməlstul/
noun
1. een stoel, gewoonlijk op gebogen staanders, waarop men heen en weer kan schommelen
keinutuoli
noun
  1. 2. wiskundige structuur
    kupo
  2. 1. samengebonden bundel halmen
    lyhde
/sxoːl/, /sxoːɫ/, /sχoːɫ/
noun
  1. 1. een onderwijsinstelling waar les wordt gegeven aan leerlingen
  2. 2. een zwemmende groep gelijksoortige vissen
koulu
noun
  1. liitutaulu
  2. mustataulu
noun
johtajaopettaja
noun
koululainen
/ˈsxoːl.tɑs/
noun
koulureppu
/ˈsxombruːr/
noun
1. de echtgenoot van iemands broer of zus, of de broer van iemands echtgenoot of echtgenote.
lanko
noun
1. de vrouw van een zoon of dochter
miniä
/ˈsxoːn·hɛɪt/
noun
1. de hoedanigheid prachtig en aantrekkelijk te zijn
kauneus
noun
1. klein foutje
puute
noun
kauneuskilpailu
/ˈsxonmudər/
noun
1. de moeder van de huwelijkspartner
anoppi
noun
1. de vader van de huwelijkspartner
appi
noun
1. de man van een dochter of zoon
vävy
/ˈsxonzʉs/
noun
1. de echtgenote van iemands broer of zus, of de zus van iemands echtgenoot of echtgenote.
käly
noun
1. rookkanaal boven een stookplaats
  1. savupiippu
  2. korsteeni
noun
1. een persoon wiens werk het verwijderen van roet uit schoorstenen is
  1. nuohooja
  2. nokikolari
/sxot/, /sχot/
noun
1. de bovenkant van de dijen van iemand die zit
syli
/ˈsxotkɔmˌpjutər/
noun
1. een invouwbare, draagbare computer
kannettava tietokone
noun
1. graafwerktuig
lapio
/'sxɔ.pə(n)/
noun
1. kaartkleur
pata
noun
1. aas van schoppen
pataässä
noun
1.
patasotilas
pronoun
2. teken van de dierenriem van 23 oktober tot 22 november
Skorpioni
noun
1. spinachtige met scharen en gifstekel
skorpioni
/sxɔrs/
noun
1. buitenste laag van (boom)stam
kaarna
noun
mustajuuri
noun
1. een lap stof die voorgebonden wordt gewoonlijk rond de middel om de kleding te beschermen ...
esiliina
noun
1. een persoon afkomstig uit Schotland
skotti
noun
  1. 1. afvuren
    iskemä
  2. 2. tussenwand
    vaimennin
noun
3. kop en schotel
aluslautanen
/ˈsxɔtlɑnt/, /ˈsçɔtlɑnt/
pronoun
1. deel van het Verenigd Koninkrijk
Skotlanti
/ˌsxɔts.ɣa.ˈe.lis/, /ˌsxɔts.ɣa.ˈe.lɪs/, /ˌsχɔts.χa.ˈe.lis/
pronoun
1. Keltische taal die door ongeveer 60.000 personen wordt gesproken op de Schotse eilanden ...
gaeli
noun
1. deel van romp tussen arm en hals
  1. olkapää
  2. hartia
noun
1. het vlakke driehoekige bot dat de achterzijde van de schouder vormt
lapaluu
noun
1. het naar boven bewegen van de schouders als teken dat iemand het niet weet of niet interesseert is, soms is het een uitdrukking van machteloosheid
olankohautus
noun
1. tas die aan de schouder hangt
olkalaukku
noun
1. schouderopvulling
olkatoppaus
verb
raaputtaa
/'srɑpə(n)/, /'sxrɑpə(n)/
verb
2. doorhalen, verwijderen van een lijst
hylätä
/sxreu̯/, /sχrɪːu̯/
noun
1. een luide (uit)roep
kirkuna
/ˈsxreːʋə(n)/
verb
1. luid en geforceerd gebruiken van het stemgeluid
huutaa
/srɪft/, /sxrɪf/, /sxrɪft/
noun
    1. 3. de letter- en cijfertekens van een taal
    2. 4. de lettersoort gebruikt in boeken, teksten en inscripties
    kirjoitus
  1. 1. een dun boekje met lege bladzijden om in te schrijven
    vihko
noun
1. een mechanisch apparaat, voorzien van druktoetsen waarmee schrifttekens op papier gezet kunnen worden
kirjoituskone
/ˈsrɛɪ̯fstər/, /ˈsxrɛɪ̯fstər/, /ˈsxrɛːfstər/
noun
1. een persoon van het vrouwelijk geslacht die op professionele manier boeken of verhalen schrijft
kirjailija
/'srɛɪ̯fʋɛɪ̯zə/, /'sxrɛɪ̯fwɛɪ̯zə/, /'sxrɛːfβ̞ɛːzə/
noun
1. spelling
  1. oikeinkirjoitus
  2. tavaus
/sxrɛɪn/, /sçrɛːn/
noun
kistje
alttari
/ˈsxrɛ(i)və(n)/
verb
1. tekst in tekens vastleggen
kirjoittaa
/ˈs(x)rɛɪvər/
noun
2. een persoon die beroepsmatig schrijft
kirjailija
/'sxrɪkbəwɪnt/
noun
1. heersen door schrik aan te jagen
hirmuvalta
noun
karkauspäivä
noun
1. een jaar met 366 dagen
karkausvuosi
noun
1. voorwerp dat wordt gebruikt om andere voorwerpen vast te zetten
  1. ruuvi
  2. potkuri
noun
1.
kierrekorkki
noun
1. een werktuig om schroeven vast of los te draaien
  1. ruuvimeisseli
  2. ruuvitaltta
/sxʏp/
noun
1. een van meerdere overlappende plaatjes van keratine die aan een kant vastzitten...
suomu
verb
1. snel heen en weer bewegen om iets te mengen
ravistaa
noun
työntömitta
/sxʌʏm/
noun
1. iets dat veel luchtbellen bevat
vaahto
verb
vaahdota
noun
kuorin
adjective
1. niet-loodrecht
vino
noun
kauttaviiva
verb
1. over de grond verplaatsen
tuupata
noun
  1. 2. een verantwoordelijkheid die iemand wordt toegeschreven voor een laakbare gebeurtenis of toestand
    syyllisyys
  2. 1. een geldbedrag dat ondanks de verplichting daartoe niet betaald wordt
    velka
/'sxɵldəx/
adverb
syyllinen
noun
1. langdurig verlies van vrijheid als gevolg van een schuld die niet kan worden afgelost
velkaorjuus
noun
1.
pelleily
/sxyrə(n)/
verb
1. een oppervlak glad maken door wrijving met een ruw oppervlak van grotere hardheid
hioa (hiekkapaperilla)
adjective
1. met veel wrijving; beetje vervelend
hankaava
/sxɵrft/
noun
1. een huidaandoening veroorzaakt door de schurftmijt
kapi
noun
syyhypunkki
/sxɵrk/
noun
1. persoon die kwaad in de zin heeft en/of bedrijft
  1. lurjus
  2. kelmi
  3. konna
  4. roisto
noun
1. onfatsoenlijke staat
roistovaltio
noun
  1. 2. een blad dat in de oksel van een bloem of bloeiwijze onmiddellijk daaronder staat
    suojuslehti
  2. 1. een vel papier dat het boekblok beschut
    tyhjä sivu
/sxyːr/, /sχyːr/
noun
1. een opslagplaats voor veldvruchten en gereedschappen
lato
noun
1. ziekelijke verharding
kovettuminen
noun
1. een zijdelingse verkromming van de rug (wervelkolom), waardoor één of twee bochten ontstaan
skolioosi
noun
1.
sähkömopedi
verb
maalata
noun
1. scouting
partiolaisuus
/ˈskrɪp.si/
noun
1. een werkstuk over een (literatuur-) onderzoek dat gemaakt wordt om een opleiding te kunnen voltooien
  1. väitöskirja
  2. opinnäytetyö
verb
1. scrollen
vierittää
noun
kulissi
noun
1. scheikundig element met symbool Sg en atoomnummer 106
seaborgium
noun
separatismi
noun
  1. 1. SI-grondeenheid van tijd
    1. kulmasekuntti
    2. sekuntti
    3. sekunti
  2. 5. een interval met een toonafstand
    sekunti
    1. 2. eenheid voor hoeken
    2. 3. een korte hoeveelheid tijd
    sekuntti
noun
1. hoge functionaris binnen grote organisaties, zoals de Verenigde Naties, NAVO, FIFA
pääsihteeri
noun
1. afscheiding
eritys
/'sɛktɔr/
noun
  1. 1. een deel van een cirkel in de vorm van een taartpunt
  2. 3. de kleinste eenheid van een harddisk die in één bewerking door een lees/schrijfkop kan verwerkt worden
sektori
adjective
vähän liikkuva
adjective
kerrostunut
pronoun
Sedna
pronoun
Sefanja
noun
1. onderdeel
pätkä
/sɛɪn/
noun
1. een betekenisvolle beweging
  1. merkki
  2. ele
pronoun
1. een rivier in Frankrijk
Seine
noun
1. een toestel dat beweging en of trillingen van de aardkorst waarneemt en registreert
seismografi
noun
1. de wetenschap van de aardbevingen
seismologia
/sɛɪ̯.ˈzun/, /sɛː.ˈzun/
noun
1. elk van de vier periodes waarin het jaar verdeeld wordt
vuodenaika
/sɛks/
noun
2. geslachtsgemeenschap
seksi
noun
1. sekse
sukupuoli
noun
seksismi
adjective
1.
seksistinen
noun
1.
seksilelu
noun
seksuaalisuus
/sɛksy'el/
adjective
1. op de geslachtsdrift betrekking hebbend
seksuaalinen
noun
1.
seksuaalinen hyväksikäyttö
noun
1. infectieziekte die vooral wordt overgedragen door seksueel contact
sukupuolitauti
noun
1. ziekten die vooral worden overgedragen door seksueel contact.
sukupuolitaudit
/ˌsɛksʏwolo'ɣi/
noun
seksologia
/ˈsɛks.wɛr.kər/
noun
seksityöntekijä
/ˈsɛktə/
noun
1. religieuze groepering die opziet naar een bepaald mens als leider
lahko
noun
1. bepaald soort plant, Apium graveolens
selleri
noun
valintaruutu
noun
1. Scheikundig element met symbool Se en atoomnummer 34
seleeni
noun
seleeni
/sɛlfi/
noun
1. een foto die iemand van zichzelf heeft genomen
meitsie
pronoun
Sellafield
noun
1. taalkunde
  1. merkitysoppi
  2. semantiikka
/se'mɑntis/
adjective
1. de semantiek betreffend
merkitysopillinen
noun
een half jaar
lukukausi
noun
semiotiikka
adjective
1.
seemiläinen
noun
senaatti
noun
senaattori
/ˈse.ne.ˌɣɑl/, /ˈse.ne.ˌχɑɫ/
pronoun
1. land in West-Afrika
Senegal
/seˈnil/
adjective
1. aan de ouderdom eigen, door de ouderdom afgetakeld
seniili
noun
1. geestelijke en lichamelijke ouderdomsverschijnselen
seniiliys
noun
1. sterke beroering door een verrassend voorval of bericht
kohu
/sɛnzitiviˈtɛit/
noun
1.
herkkyys
noun
separatismi
noun
1. ernstige onstekingsreactie
sepsis
noun
1. negende maand van het jaar
syyskuu
adjective
1.vredig en kalm
rauhallinen
noun
1. muzikaal eerbetoon
serenadi
noun
1.
serendipisyys
noun
1. het helder en kalm zijn
tyyneys
noun
1. een rang onder de onderofficieren
kersantti
noun
1. serialisme
sarjallisuus
noun
1. een aantal elementen op volgorde
sarja
adverb
1. ernstig
vakava
/sə.'rɪŋ/
noun
1. boomsoort met welriekende bloesem, meest paars of wit in de vorm van een kaars
syreeni
noun
1. een slang
  1. käärme
  2. serpentti
noun
1. de vloeibare stof die overblijft als bloed is gestold
seerumi
noun
1. een computer die of computerprogramma dat diensten verleent aan andere programma's
palvelin
verb
1. iets op tafel opdienen
tarjoilla
/sɛrˈvɛt/
noun
1. een doek die men aan tafel gebruikt om er de mond en vingers mee af te vegen
  1. lautasliina
  2. servetti
/ˈsɛrvis/, /ˈsɛrvɪs/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Servië
  1. serbia
  2. serbialainen
/ˈsɛrvi.jə/
noun
1. een land in Zuidoost-Europa.
Serbia
/ˈsɛrvi.jər/
noun
1. een inwoner van Servië, of iemand afkomstig uit Servië
Serbialainen
/sɛrvoːkroːˈaːtis/
pronoun
serbokroaatin
noun
1. een uit Afrika afkomstige plant uit de familie Pedaliaceae
seesami
noun
seesamiöljy
noun
1. verzameling
erä
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Sekstantti
/se.ˈʃɛ.lə(n)/, /sɛɪ̯.ˈʃɛ.lə(n)/
pronoun
1. een land in de Indische Oceaan, officieel de Republiek der Seychellen
Seychellit
noun
1. het geheel van gedachten en gevoelens die de gemoederen in een bepaalde omgeving bezighouden
henki
noun
1.
sfinksi
/ˈʃɑm.po/
noun
1. product, meestal in vloeibare vorm, dat bedoeld is om het haar te wassen.
  1. sampoo
  2. šampoo
noun
1. een Spaanse versterkte wijn
sherry
noun
1.
shiitake
noun
šillinki
noun
šintolaisuus
/ʃɔk/
noun
1. een toestand die ontstaat door acute te geringe bloedtoevoer naar weefsels door ondervulling van het slagaderlijk systeem
shokki
pronoun
1. een taal die gesproken wordt door ongeveer 11.000.000 mensen in Zimbabwe, Botswana, Malawi en Zambia
shona
noun
1. een schaatsdiscipline waarbij op een baan van 111,12 meter op diverse afstanden geschaatst wordt door meerdere rijders tegelijk
kaukalopikaluistelu
/ˈʃo.pro.sɛs/
noun
näytösoikeudenkäynti
abbreviation
1. Internationaal Stelsel van Eenheden
  1. Kansainvälinen yksikköjärjestelmä
  2. SI-järjestelmä
noun
sinikka
pronoun
Siperia
adverb
2. het staat zo letterlijk in de brontekst
juuri näin
pronoun
1. Romaanse taal die wordt gesproken door 10 miljoen mensen op Sicilië, in Zuid-Calabrië en Salento
sisilia
/sɪˈsɪlɪʲə/
pronoun
Italiaans eiland ten zuiden van het Italiaanse schiereiland
Sisilia
noun
1. bepaald soort grote, palingachtige vis die zware stroomstoten kan afgeven, Electrophorus electricus
sähköankerias
verb
komistaa
/ˌsʲɛ.rɑ.le.ˈjo.ne/, /ˌʃæː.ra.le.ˈjo.nə/, /ˌʃɛ.ra.le.ˈjo.nə/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Sierra Leone
Sierra Leone
noun
1.
kukkaviljely
noun
sikari
/sɪɣɑˈrɛt/, /sɪʝɑˈrɛt/
noun
in papier gerolde tabak
  1. savuke
  2. tupakka
noun
1.
sigma
/sɪɲˈaːl/
noun
1,2,3,4,5,6. vorm van informatie
signaali
noun
sikhi
/ˈsɪkəl/
noun
1. maaiwerktuig met halvemaanvormig lemmet
sirppi
/siˈleziˌʲə/
pronoun
1. een historische regio in Midden-Europa
Sleesia
noun
1. afbeelding van een ondoorzichtig object dat sterk contrasteert met de achtergrond en zo een duidelijke vorm heeft, maar verder egaal van kleur is
siluetti
noun
silikaatti
noun
1. Scheikundig element met symbool Si en atoomnummer 14
pii
noun
1. organische silicium verbinding
silikoni
/sɪm'plɪstis/
adjective
1.
simplistinen
noun
1. Vrucht van de sinaasappelboom
appelsiini
noun
1. vruchtvlees van een sinaasappel, nadat het sap verwijderd is
appelsiinihedelmäliha
pronoun
1.
Sindelfingen
preposition
1. sedert, vanaf het moment dat
lähtien
noun
1. makkelijk baantje, taak
laiskanvirka
/sɪŋ.(g)ɣa.poːr/, /sɪŋ.gɑ.poːr/, /sɪŋ.gɑ.po̝ːr/
pronoun
1. een stadstaat in Zuidoost-Azië
Singapore
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Sinsheim
/ˌsɪntøˈsta(t)sijʏs/
pronoun
Sint Eustatius
/sɪnt.'maːr.tən/
pronoun
1. eiland in het noordoostelijke gedeelte van de Caraïbische Zee
Saint-Martin
pronoun
Pyhä Helena
noun
1. Pecten jakobeus
kampasimpukka
noun
mäkikuisma
pronoun
1.
Saint Lawrence
pronoun
1. een stad in Rusland, het voormalige Leningrad
Pietari
noun
sini
noun
eteissolmuke
noun
1. een toestel om een akoestisch alarmsignaal weer te geven
seireeni
pronoun
1. Sirius
Sirius
noun
širokko
noun
1.
sitar
/sity'waː(t)si/
noun
1. hoe de zaken er voorliggen
tilanne
noun
1. een langwerpige lap stof die om de hals gedragen wordt
hartiahuivi
noun
1.
šaahi
noun
1. een kleine uiensoort
salottisipuli
noun
1. aan een spit geroosterde stukjes vlees en paprika
saslik
/'ʃɛkɛl/
noun
1.
sekeli
noun
1. een brede, gekleurde band die vaak gedragen wordt als een waardigheidsteken
nauha
noun
Šiialaisuus
/ʃul/
noun
synagoga
verb
1. lopen met een zware lading
hilata
/ʃʋɑ/
noun
1. toonloze klinker
švaa
noun
  1. rullalauta
  2. skeittilauta
verb
1. zich voortbewegen op een skateboard
rullalautailla
noun
1. samenstel van onderdelen dat het lichaam stevigheid geeft
luuranko
noun
suksi
noun
1.
kaivajalisko
verb
1. zich over sneeuw voortbewegen op twee aan de voeten bevestigde lange latten
  1. hiihtää
  2. lasketella
/ˈskɔp.jə/
pronoun
1. de hoofdstad van Noord-Macedonië
Skopje
noun
  1. 2 en 3. (bladeren van) Lactuca sativa
    lehtisalaatti
  2. 1. plant van de soort Lactuca
    salaatit
  3. 4. salade
    salaatti
/slaːf/
noun
1. een persoon die het bezit is van een ander
orja
verb
  1. 1. een klap uitdelen; met de arm of een vastgehouden voorwerp een snelle, rakende beweging maken
  2. 2. het voorbrengen van geluid door ergens op te slaan
lyödä
/slap/
noun
  1. 3. zijvlak van het hoofd
    ohimo
  2. 1. periode van inactiviteit
    uni
noun
1.
vuodesohva
noun
1. een van de beenderen van de schedel
ohimoluu
noun
1. een kamer die hoofdzakelijk gebruikt wordt om in te slapen
makuuhuone
noun
1. meestal in een punt uitlopend hoofdbedekking van textiel, gedragen tijdens de nachtrust
yömyssy
noun
3. glaasje sterke drank dat men 's avonds voor het slapen gaan drinkt
yömyssy
noun
1.
lepotila
noun
1. iemand die loopt in een toestand van verminderd bewustzijn
unissakävelijä
noun
makuupussi
noun
unitauti
/slɑp/
noun
1. doekje om op te morsen
ruokalappu
/slɑxtə(n)/
verb
1. een dier doden voor het vlees of als offer
lahdata
noun
teurastaja
noun
1. slachthuis
lihakauppa
noun
2. iets of iemand die kwalijke gevolgen ondervindt van een gebeurtenis
uhri
noun
2. het opzettelijk doen belanden van een hand of een voorwerp op iemand
isku
noun
1. een ader die van het hart af stroomt
valtimo
/ˈslɑxbom/, /ˈslɑçbom/
noun
balk die dwars over een weg kan worden neergelaten als afsluiting
puomi
/ˈslaːɣə(n)/, /ˈslaːχə(n)/
verb
2. het examen succesvol beëindigen
läpäistä
noun
1. een verkoper van vlees
teurastaja
noun
1. muziekinstrument waarop wordt geslagen
lyömäsoitin
noun
1. slagpen
iskuri
noun
kermavaahto
noun
1. groot schip met zware bewapening
taistelulaiva
/ˈslaxfɛlt/
noun
1. een gebied waarop een militair treffen tussen twee legers plaatsvindt of plaatsgevonden heeft
  1. taistelukenttä
  2. taistelutanner
noun
    1. 1. een buikpotig weekdier (huisjesslak)
    2. 1. een buikpotig weekdier (wijngaardslak)
    etana
  1. 2. een onoplosbaar afvalproduct bij het smelten van metaal
    kuona
noun
1. met een ~: erg langzaam
etanan vauhti
noun
1. benaming voor geschubde dieren met langgerekt lijf en een vaak glad lichaam zonder ledematen, die de onderorde Serpentes vormen
käärme
noun
käärmeenlumooja
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Käärmeenkantaja
noun
käärmeenmyrkky
adjective
hoikka
noun
unettomuus
verb
1. in een toestand van lichamelijke rust verkeren
nukkua
noun
nukkuja
/ˈsla.pə.rəx/, /ˈsla.pə.rəχ/, /ˈsla.pə.rɪx/
adjective
1. behoefte tot slaap vertonend
uninen
/ˈsla.pə.rəx.ˌɦɛːt/, /ˈsla.pə.rəχ.ˌɦɛɪ̯t/, /ˈsla.pə.rɪx.ˌhɛɪ̯d/
noun
2. de neiging te gaan slapen
uneliaisuus
noun
orjakauppa
/ˈslaː.və(n)ˌsxɪp/
noun
orjalaiva
noun
1.
orjuus
pronoun
Slaavi
pronoun
1.
Slavonia
/slɛçt/
adjective
1. niet goed
  1. huono
  2. paha
adjective
huonompi
noun
1. iemand die kwaad doet of in de zin heeft
pahis
adverb
1. alleen maar, vervoeging van slecht
vain
noun
1. Falco peregrinus, een roofvogel en de snelst vliegende vogel ter wereld
muuttohaukka
noun
1. een voertuig dat wordt voortgetrokken en dat voorzien is van twee glijders
  1. reki
  2. kelkka
noun
1. bepaald soort plant met blauwe vruchten, Prunus spinosa
oratuomi
noun
1. een krachtige boot die andere vaartuigen versleept
hinaaja
noun
1. vlechtwerk van touw dat over een waterbodem gesleept kan worden om zo waterdieren te vangen
pohjatrooli
pronoun
Schleswig-Holstein
noun
2. kloof
vajoama
verb
1. (langzaam) ergens heen lopen, futloos of lusteloos
käyskennellä
verb
1. trekkend over de grond of het wateroppervlak verplaatsen
kiskoa
/sløːtəl/, /sløːtəɫ/, /ˈslø.tɔɫ/
noun
  1. 1. werktuig om te (ont)sluiten
  2. 4. een aanwijzing of code waarmee een raadsel kan worden opgelost, een geheim(schrift) ontcijferd, een cijferslot geopend of toegang kan worden verkregen
  3. 3. een voorwerp bedoeld om er een mechaniek zoals van een klok of speeldoos mee op te winden, een kraan open te draaien e.d.
avain
noun
1. het bot dat het borstbeen met de schouder verbindt
solisluu
/ˈsløtəɫˌbɔs/
noun
1. aantal sleutels dat aan eenzelfde ring of band hangt
avainnippu
/ˈsløtəɫχɑt/, /ˈsløːtəlɣɑt/
noun
1. een gat in een slot waardoor een sleutel moet worden gestoken om hem te openen
avaimenreikä
/ˈsløtəɫˌɦɑŋər/
noun
1. ring om sleutels aan te hangen, vaak voorzien van een logo of label.
avaimenperä
noun
1.
avainsana
/slɛɪm/
noun
1. kleverige stof die door slijmvliezen uitgescheiden wordt
lima
noun
1. slijm afscheidend membraan
limakalvo
noun
hiomakivi
verb
  1. 1. de slokdarm in
  2. 2. verdragen
niellä
adjective
1. intelligent, snel van begrip
  1. fiksu
  2. terävä
/slɪp/
noun
1. kort, strak onderbroekje zonder pijpen
alushousut
/slɪpə(n)/
verb
1. door gladheid over de weg schuiven
liirata
noun
1. een brandewijn gedestilleerd uit gefermenteerde pruimen
slivovits
noun
1. een klein scheepstype dat op het dek van een groter schip wordt meegevoerd
sluuppi
noun
1. een mondvol vloeistof die ingeslikt wordt
ryyppy
noun
ruokatorvi
noun
murskauspallo
/sloːt/
noun
1. smal watergang om of tussen weilanden
oja
verb
1. een structuur ontmantelen, afbreken
hajottaa
noun
  1. 1. mechanisme waarmee in combinatie met bijvoorbeeld een sleutel een deur of een raam kan worden afgesloten
  2. 2. een middeleeuwse versterkte woning
lukko
noun
lukkoseppä
/sloˈvens/, /sloˈveːns/, /sloˈweːns/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Slovenië
  1. sloveeni
  2. slovenialainen
/sloˈveni.jə/, /sloˈveːni.jə/, /sloˈweːni.jə/
pronoun
1. een land in Centraal-Europa
Slovenia
noun
1. film met vertraagde beelden
hidastus
/slo.ˈwaks/, /slo.ˈʋaks/, /slo.ˈβ̞aks/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Slowakije
  1. slovakki
  2. slovakialainen
/ˌslowaˈkɛɪ̯.jə/, /ˌsloʋaˈkɛɪ̯.jə/, /ˌsloβ̞aˈkɛː.jə/
pronoun
1. een land in Midden-Europa; het oostelijke deel van het voormalige Tsjechoslowakije.
Slovakia
noun
huntu
verb
torkkua
noun
1. het in een lichte slaap verkeren
torkkuminen
noun
1. Alternatieve route die meestal gebruikt wordt om files te mijden
oikopolku
noun
sulku
noun
1. symbool voor een verticaal streepje
pystyviiva
verb
1. toedoen, dichtmaken
sulkea
/ˈslœʏ̯.tər/, /ˈslœː.tər/
noun
1. een element van een fotocamera
suljin
noun
1. het tijdstip dat een winkel, horecazaak gaat sluiten
sulkemisaika
adjective
hoikka
noun
1. verlengde snuit
kärsä
/slyw/
adjective
1. op een doortrapte wijze slim
viekas
noun
  1. 2. gewaarwording bij het proeven van eten en drank
  2. 3. bepaalde subjectieve voorkeur
maku
noun
makusilmu
verb
1. ~ naar een bijzonder sterk verlangen hebben naar iets dat men ontbeert
ikävöidä
/ˈsmaː.kə.los/
adjective
  1. 1. (van voedsel) geen smaak hebbend
  2. 2. (figuurlijk) geen fatsoen of gevoel voor esthetiek of mode hebbend, vulgair
mauton
adjective
1. met een geringe breedte
kapea
noun
smaragdi
noun
1. harde slag
iskulyönti
verb
1. het bewerken van metalen door deze heet te maken en met een hamer te slaan om het materiaal de gewenste vorm te geven
takoa
noun
1. atelier, werkplaats van een smid, smederij
paja
noun
1. is ijzer dat wordt gemaakt door het te smeden
kankirauta
noun
raunioyrtti
noun
1. afscheiding die men onder de voorhuid van de penis kan aantreffen
esinahkatali
/smekə(n)/
verb
1. nederig om een gunst verzoeken
  1. kerjätä
  2. pyytää
noun
ampuhaukka
verb
1. van vaste in vloeibare vorm overgaan
  1. sulaa
  2. sulattaa
/ˈsmɛltkrus/
noun
  1. 2.
    sulatusuuni
  2. 1. vuurvaste pot voor het mengen van gesmolten metaal
    upokas
/smɛltpʌnt/
noun
1. de temperatuur waarbij iets gaat smelten
sulamispiste
noun
1. water dat afkomstig is van gesmolten sneeuw of ijs
sulavesi
/ˈsmø.lə(n)/
verb
  1. 1. zacht en langzaam branden zonder vlammen
  2. 2. verborgen aanwezig zijn
kyteä
noun
1. iemand die gloeiend metaal bewerkt met een hamer op een aambeeld
seppä
noun
1. smient
haapana
noun
smokki
noun
salakuljettaja
verb
3. iets in enig vet aanbraden, vervolgens vocht toevoegen en afdekken om het zachtjes gaar te laten worden
breseerata
/ɛsɛˈmɛsə(n)/
verb
1. een sms-bericht versturen
lähettää tekstiviesti
noun
1. strip- en tekenfilmfiguur in de vorm van een soort blauwe kabouter met een wit mutsje
smurffi
noun
2. lang zeer dun rond en flexibel voorwerp
kieli
noun
1. muziekinstrument met snaren
kielisoitin
noun
säieteoria
/ˈsnavəɫ/
noun
1. bek van een vogel of schildpad
nokka
/sne/
noun
  1. 1. inkeping gemaakt door het snijden met een mes of ander scherp voorwerp
  2. 2. een afgeneden plak, meestal van brood
haava
noun
1. bepaald soort vis die in de middenloop van een rivier leeft, Chondrostoma nasus
Chondrostoma -suvun kala
/sneʊ̯/, /sneːβ̞/, /snɪːβ̞/
noun
1. in kristallen bevroren water
  1. lumi
  2. lumisade
/ˈsneʊ̯bɑl/, /ˈsnɪːwbɑɫ/
noun
  1. 1. een tot een bal samengepakte hoeveelheid sneeuw, vaak bedoeld voor een speels sneeuwballengevecht
    lumipallo
  2. 2. kamperfoelieachtige heester
    pallohortensia
noun
lumipalloefekti
adjective
1. verblind door de hevige schittering van de sneeuw
lumisokea
verb
1. het vallen van hemelwater onder de vorm van sneeuwvlokken
  1. sataa lunta
  2. pyryttää
noun
lumihanhi
noun
1.
pulmunen
noun
1. patrijsachtige vogel uit koude streken, die in de zomer een bruinig...
kiiruna (lintu)
/'snewjɑxt/
noun
1. sneeuwval bij harde wind
lumimyrsky
noun
1. een pop die gemaakt is van sneeuw
lumiukko
noun
1. een pop die gemaakt is van sneeuw
lumiukko
/ˈsneʊ̯.sxœː.vər/, /ˈsneːβ̞.sxœː.vər/, /ˈsnɪːβ̞.sχœʏ̯.vər/
noun
2. een voertuig dat is uitgerust met een mechaniek waarmee het sneeuw kan verplaatsen
lumiaura
/'snew.stɔrm/
noun
  1. lumimyrsky
  2. myräkkä
noun
1. bepaald soort vogel, Bubo scandiacus
tunturipöllö
noun
lumisade
/'snewvlɔk/
noun
1. een kleine massa aaneengehechte sneeuwkristallen
lumihiutale
pronoun
Lumikki
/snɛɫ/
adjective
nopea
noun
1. de verandering in de tijd van de plaats van een voorwerp
  1. nopeus
  2. vauhti
noun
lehtimangoldi
noun
1. en 2. (peulvrucht van) ras van Phaseolus vulgaris
romanopapu
/ˈsnɛɪdə(n)/
verb
1. met een scherp voorwerp in stukken delen
leikata
noun
1. iets dat of iemand die snijdt
leikkaaja
noun
2. met een mes gemaakte snee
leike
noun
leikkuulauta
noun
leikkauspiste
verb
nyyhkyttää
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Scolopacidae
sirriäinen
noun
1. verwaandheid
snobbailu
/ˈsnujə(n)/
verb
1. terugbrengen op gewenste lengte
karsia
noun
1. bepaald soort roofvis die in zoete wateren voorkomt, Esox lucius
hauki
noun
1. bepaald soort zoetwaterroofvis, Sander lucioperca
kuha
noun
1. een meestal grotendeels van suiker vervaardigde lekkernij
karkki
noun
  1. 2. vogel
    ruokosirkkalintu
  2. 1. beharing
    viikset
noun
1. een slijmerige afscheiding uit de neusholte
räkä
noun
1. jonge onverlaat, iemand die nog niet meetelt
räkänokka
noun
1. soort skiplank
lumilauta
verb
1. met een snowboard van een berghelling of piste afglijden
lumilautailla
noun
1. reukorgaan van dieren
kärsä
verb
2.
nuuskata
verb
1. ademen met een niet goed geopende luchtpijp, waardoor een rochelend geluid ontstaat
kuorsata
noun
1. infectieziekte die vooral wordt overgedragen door seksueel contact
sp-tauti
noun
yhteiskuntaluokka
noun
1.
sosiaalinen etäännyttäminen
noun
1. aanzien dat of voorname positie die iemand heeft in een groep of samenleving
sosiaalinen status
noun
sosialismi
noun
sosialisti
pronoun
1. officiële naam van Joegoslavië van 1963 tot 1992
Jugoslavian sosialistinen liittotasavalta
noun
1. wetenschap
sosiologia
noun
sosiologi
noun
1.iemand die lijdt aan een persoonlijkheidsstoornis die antisociaal gedrag veroorzaakt
sosiopaatti
/su.ˈdɑn/, /zu.ˈdaːn/
pronoun
1. land in Noordoost Afrika dat voor een groot deel in en rond het stroomgebied van de rivier Nijl ligt, officieel de Republiek Sudan
Sudan
/sundaˈnes/
pronoun
1. taal die vooral in het westen van Java gesproken wordt
sunda
noun
sunnalaisuus
noun
1. vloeibaar gerecht
  1. keitto
  2. soppa
/'supəł/
adjective
1. Yodio buigend en zich aanpassend
notkea
noun
2. lepel waarmee soep gegeten wordt
keittolusikka
noun
suura
noun
suvereenisuus
noun
1. de verzamelnaam voor besturings- en toepassingsprogramma's,...
  1. ohjelmisto
  2. ohjelma
noun
1. eiwitrijke boon van de sojaplant
soijapapu
noun
1. kous die tot net boven de enkel komt
sukka
noun
1. een voetstuk, voornamelijk voor beelden
jaluskivi
noun
2. extra online identiteit
käsinukke
/sɔlˈdaːt/
noun
1. krijgsman met de laagste rang binnen een strijdmacht
  1. sotilas
  2. sotamies
noun
1. een stuk gereedschap om mee te solderen
kolvi
noun
1. brander waarmee men kan solderen
puhalluslamppu
noun
1. metaalmengsel waarmee men
juote
noun
1. soldeertin
juotostina
verb
1. een door verhitting vloeibare tussenstof aanbrengen tussen losse metaaldelen waardoor deze na afkoeling vast verbonden blijven
juottaa
noun
solfeesi
noun
solidaarisuus
noun
solipsismi
noun
työpaikkahakemus
/ˈsolo/
noun
soolo
/sɔm/
noun
1. resultaat van een optelling
summa
pronoun
1. een taal die vooral wordt gesproken in Somalië
somali
/so.'ma.li.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika, officieel de Somalische Republiek
Somalia
adjective
1. met betrekking tot het lichaam
somaattinen
adjective
  1. 1. in neergeslagen stemming
  2. 2. een neergeslagen stemming veroorzakend
ankea
noun
1. instrumentaal muziekstuk
sonaatti
noun
  1. 1. een peilstift om de ruimte binnen een lichaam te verkennen, of om er gegevens op te nemen
  2. 3. een onbemand ruimtevaartuig
  3. 2. een instrument om voeding in vloeibare vorm toe te dienen
luotain
/ˈsɔːrt/
noun
2. een groep levende wezens die een bepaald aantal kenmerken gemeenschappelijk heeft en...
laji
noun
2. de naam van de groep waartoe iets behoort
appellatiivi
noun
1. sopraansaxofoon
sopraanosaksofoni
pronoun
1. een groep Slavische talen die wordt gesproken in het oosten van Saksen en het zuidoosten van Brandenburg
sorbi
noun
durra
verb
1. orde in een verzameling aanbrengen door soort bij soort te leggen
aakkostus
verb
1. zijn rol zachtjes voorzeggen
kuiskata
noun
1. klein voorwerp dat helpt om aan een prettige ervaring met een plaats of persoon terug te denken
matkamuisto
pronoun
Neuvostoliitto
noun
1. een staaf die de naaf en de velg van een wiel verbindt
  1. pinna
  2. puola
/ˈspakbeɪn/
noun
bot in de onderarm
värttinäluu
/spaːns/
adjective
1. met betrekking tot Spanje of het Spaans
  1. espanjalainen
  2. espanja
/spaːns/
pronoun
1. een taal die oorspronkelijk werd gesproken in (het centrale deel van) Spanje,...
  1. espanja
  2. espanjalainen
adjective
1.
espanjankielinen
noun
1. afgesloten voorwerp waarin contant geld opgespaard wordt
säästöpossu
noun
1. brede, zware schep, bedoeld voor het spitten van grond
lapio
noun
spagetti
noun
1. plankje e.d. om arm of been rust te geven
lasta
verb
1. fixeren van een gewricht
lastoittaa
noun
1. hondenras
spanieli
/ˈspɑ.ɲard/, /ˈspɑɲ.jart/
noun
1. een inwoner van Spanje, of iemand afkomstig uit Spanje
espanjalainen
/ˈspɑ.ɲə/, /ˈspɑɲ.jə/
pronoun
1. een land in het zuidwesten van Europa op het Iberisch Schiereiland
Espanja
noun
  1. 1. mechanische spanning
  2. 2. emotionele spanning
jännite
noun
1. afstand tussen uiteinden
kärkiväli
noun
2. benaming voor een naaldboom uit het geslacht Picea
kuusi
/ˈspa.rə(n)/
verb
1. geld niet uitgeven
säästää
/spɑr'tans/
adjective
1.zonder luxe
askeettinen
noun
1. verhoogde spierspanning, continue kramp
spastisuus
noun
1.
lokasuoja
noun
1. spaan, lepel, e.d. met plat, bot uiteinde om mee te smeren
lasta
noun
1. tussenruimte tussen twee woorden
sanaväli
noun
spationautti
noun
1. een gedroogd plantendeel, anders dan een groen blad of stengel, dat als geur-, kleur- of smaakstof aan voedsel wordt toegevoegd
mauste
noun
1. benaming voor middelgrote robuuste vogels behorende tot de familie Picidae
tikka
/spe.si.ˈjal/, /spe.ˈsjaːl/, /spe.ˈʃaːl/
adjective
1. op een positieve manier anders dan het andere
erikoinen
/ˈspesɪɑlɪst/
noun
  1. 1. persoon die ergens veel verstand van heeft
  2. 2. arts die een bepaald onderdeel van de geneeskunde beoefent
erikoislääkäri
noun
1. specificatie
määrittely
verb
1. in details beschrijven
eritellä
adjective
1. kenmerkend
ominainen
adverb
1. in het bijzonder
erityinen
adjective
loistava
noun
1. kleurenband
  1. kirjo
  2. spektri
adjective
järkeilevä
verb
1. inzetten op een bepaalde kans, meestal met hoog risico
keinotella
noun
1. vocht dat in de mond vloeit uit de speekselklieren
sylki
noun
1. een klier die speeksel produceert en naar de mondholte afscheidt
sylkirauhanen
/ˈspelɣud/, /ˈspelɣut/, /ˈspɪːɫχut/
noun
1. één of meer voorwerpen voor kinderen om mee te spelen
  1. leikkikalu
  2. lelu
noun
pelikortti
noun
  1. 1. rubber of plastic afsluiting op een zuigfles
  2. 2. tepel van een zoogdier
tutti
noun
1.1 bepaald soort plant met niervormige bladeren, botergele bloemen en wortelknolletjes, Ficaria verna
mukulaleinikki
/spɪːr/
noun
1. lange stok met een punt eraan, (werd) gebruikt voor de jacht of oorlogvoering
keihäs
noun
1. opzienbarend schouwspel
spektaakkeli
noun
1. bezigheid ter ontspanning volgens vaste regels met elementen als competitie, behendigheid, inzicht en kans
  1. peli
  2. leikki
/ˈspeːlə(n)/
verb
  1. soittaa
  2. leikkiä
/spelejo'lox/
noun
1. holen en grotten onderzoeker
luolatutkija
noun
  1. 1. deelnemer aan een spel
  2. 2. een partij
pelaaja
verb
1. letters in de juiste volgorde plaatsen
kirjoittaa
/ˈspɛlɪŋ/
noun
1. de al dan niet vastgelegde manier waarop de woorden van een taal geschreven worden
  1. oikeinkirjoitus
  2. tavaus
noun
1. grove tarwesoort
  1. spelttivehnä
  2. speltti
noun
1. een tak van de wiskunde waarin het nemen van beslissingen centraal staat
peliteoria
noun
siemenneste
noun
1.
siittiö
noun
1. Accipiter nisus, een kleine snelle roofvogel
varpushaukka
pronoun
1.
Speyer
noun
1. beelden terugkaatsend voorwerp
  1. peili
  2. kuvastin
noun
1. een orgaan
  1. lihas
  2. lihaskudos
noun
1. bepaald soort klein zilverwit visje, Osmerus eperlanus
kuore
verb
2. ter dood brengen door doorboring met een spies
seivästää
verb
1.
lintsata
noun
1. metalen pin waarmee twee voorwerpen door doorboring vast verbonden kunnen worden
naula
noun
nuolenpääkirjoitus
noun
1. geleedpotig dier met acht poten
hämähäkki
noun
1. bepaald soort snelgroeiende, eenjarige plant, Spinacia oleracea
pinaatti
noun
1. voorlichter
PR-konsultti
verb
  1. 1. een lange draad vervaardigen door enkele vezels in elkaar te vervlechten
    johtaa harhaan
  2. 2. snorren, een brommend geluid maken
    kehrätä
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Araneae
hämähäkki
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Araneae
hämähäkki
noun
1. een door een spin gemaakt net om insecten te vangen
hämähäkinseitti
noun
vakooja
noun
1. de handeling van het spioneren
vakoilu
noun
1. een kromme lijn
kierukka
noun
hengellisyys
noun
1. draaiende staak waarop men vlees of een geslacht dier spietst en boven of naast een hittebron roostert
varras
noun
1. grote drukte in het verkeer op terugkerende tijdstippen
ruuhka-aika
pronoun
1. een Noorse eilandengroep
Huippuvuoret
noun
1. klein muisachtig diertje met spitse snuit en korte poten, behorend tot de familie Soricidae
päästäinen
/splet/
noun
halkeama
/'splɪntər/
noun
1. klein puntig scherfje
sirpale
noun
2. een element van zelfinductie
kela
noun
1.
sputnik
noun
1. versvoet met twee beklemtoonde lettergrepen
kaksipitkä
noun
pesusieni
noun
tukihenkilö
adjective
spontaani
noun
1. een geestverschijning die een bepaald gebouw of bepaalde locatie onveilig maakt
kummitus
noun
1. een legendarisch schip dat zonder bemanning eeuwig blijft rondvaren
aavelaiva
noun
1. verspreking door verwisseling van klanken van verschillende woorden
sananmuunnos
noun
1. twee met elkaar verbonden ijzeren staven waarover een trein rijdt
  1. jälki
  2. raide
noun
rautatie
adjective
  1. harvinainen
  2. satunnainen
noun
1. bepaald soort loofboom, Frangula alnus
  1. korpipaatsama
  2. paatsama
/spɔrt/
noun
1. lichaamsbeweging
  1. urheilu
  2. urheilulaji
noun
1. beoefenaar van een sport
urheilija
adjective
2.
urheilija
noun
iemand die zich toelegt op het bedrijven van sport
urheilija
noun
1. vrouw die sport op een hoog niveau beoefent
urheilija
noun
1. toneellamp
kohdevalo
verb
1. zich met belachelijk makende of oneerbiedige scherts uiten
nauraa ivaten
noun
1. een zangvogel die geluiden kan nabootsen
kultarinta
/sprak/
noun
1. het vermogen om te spreken
kieli
/'sprakhɛrkɛnɪŋ/
noun
1. het omzetten van geluiden in taal
puheentunnistus
noun
1. een systeem van regels en principes voor het schrijven en spreken van een taal
kielioppi
adjective
snel geneigd tot spreken
puhelias
noun
1. geneigdheid om veel te praten
puheliaisuus
/ˈsprekyːr/
noun
1. de tijd waarin een hulpverlener patiënten te woord staat
vastaanottoaika
noun
sananlasku
noun
1. Sturnus vulgaris, een middelgrote zangvogel
kottarainen
/ˈspreːkə(n)/
verb
1. zich met behulp van de stem uiten
puhua
/ˈspɾøkə(n)/
noun
Sananlaskut
verb
1. na zich tegen de zwaartekracht afgezet te hebben een korte vrije val door de lucht maken
hypätä
noun
1. stuk touw
hyppynaru
noun
1. een insect van de Orthoptera-orde
heinäsirkka
noun
1. bepaald soort vrij kleine vogel met gestreepte bovenzijde en monotone zang, Locustella naevia
pensassirkkalintu
noun
1. een bruin vlekje op de huid dat veroorzaakt wordt door ultraviolet licht
  1. pisama
  2. kesakko
noun
hyppy
noun
1. verzonnen vertelling
satu
noun
Sprattus sprattus
  1. kilohaili
  2. anjovis
noun
2. een uitloper van de spruitkool
  1. ruusukaali
  2. brysselinkaali
noun
1. koolsoort waarvan de gekookte okselknoppen als spruitjes gegeten worden
ruusukaali
noun
1. slijmvliesontsteking in mond of darmen
hiivasienitulehdus
/'spy.ɣə(n)/
verb
1. speeksel uit de mond doen uitschieten
sylkeä
noun
1. spuigat
nieluaukko
verb
2. ergatief: snel stromen
suihkuttaa
noun
vakoiluohjelma
noun
squash
noun
1.
squash-kenttä
/sri.ˈlɑŋ.ka/
pronoun
1. een republiek in Azië gelegen op een eiland ten zuiden van India
Sri Lanka
/ˈstaf.kɛrk/
noun
1. een geheel uit hout opgetrokken kerkgebouw, met een typische bouwstijl die voornamelijk in Scandinavië wordt aangetroffen
sauvakirkko
noun
sauvasekoitin
/staːɫ/
noun
1. een legering van ijzer en koolstof
teräs
/stalwɔl/
noun
teräsvilla
/staːn/
verb
1. zich in verticale toestand van rust bevinden
  1. seisoa
  2. seistä
noun
  1. 1. een verlengstuk van de ruggengraat bij sommige dieren
  2. 2. het achterste stuk van een vliegtuig of een auto
  1. häntä
  2. pyrstö
/ˈstaːr.de.lɪŋ/
noun
1. een algoritme om een getal door een ander te delen op papier
jakokulma
noun
pyrstötiainen
noun
komeetta
noun
1.
pyrstöevä
noun
  1. 1. een land
  2. 1. toestand
  1. valtio
  2. maa
noun
1.overheidsbedrijf
valtionyhtiö
noun
1. iemand die burgerrechten in een staat heeft
kansalainen
noun
1. iemand die in een staat het hoogste gezag bekleedt of personifieert
valtionpäämies
noun
1.
valtion vihollinen
adjective
1. standvastig, duurzaam
vakaa
noun
stabilaattori
noun
vakaus
noun
1. de vleugel op de staart van een vliegtuig
korkeusvakain
/'stakɛrəvɛn/
noun
1. caravan met vaste staplaats
siirrettävä talo
/stɑd/, /stɑt/
noun
Woonplaats
  1. kaupunki
  2. kunta
/ˈstɑdhœːs/, /ˈstɑthœʏs/, /ˈstɑthœːs/
noun
1. een gebouw waar de stadsdiensten gehuisvest zijn
kaupungintalo
noun
stadion
/ˈstɑt.stat/
noun
1. staatsvorm
kaupunkivaltio
noun
1. een vernieuwing van verpauperde stadswijken
kaupunkirakenteen kehittäminen
noun
1. een stok bedoeld voor ondersteuning of onderscheiding van een persoon
sauva
noun
1. een touw of kabel waarmee een mast stabiel wordt gehouden
harus
noun
1.
stagflaatio
verb
1. een werkonderbreking of (ludieke) actie houden voor betere arbeidsvoorwaarden of meer loon
lakkoilla
/'stakɪŋ/
noun
1. het neerleggen van de werkzaamheden, meest uit protest of om verbeteringen af te dwingen
lakko
/stɑl/
noun
1. ruimte bestemd voor de huisvesting van dier(en)
talli
noun
1. variant van het marxisme-leninisme gekenmerkt door een totalitair nationalistisch...
stalinismi
noun
1.
tallirenki
noun
1. hinderlijk volgen
piinaaminen
verb
in een stal zetten
pitää tallissa
noun
  1. 4. op verwantschap berustende samenlevingsvorm van meer families in beschavingen met weinig verstedelijking
    heimo
  2. 2. deel van de boom tussen de wortels en de kruin
    1. runko
    2. puunrunko
  3. 1. dikke houtige stengel van een struik
    1. runko
    2. varsi
  4. 7.
    vartalo
/'stɑmbom/
noun
1-2
kantakirja
noun
kantasolu
noun
2. vijzelstamper
petkel
/ˈstɑn.dard.ˌɑf.wɛɪ̯.kɪŋ/, /ˈstɑn.dart.ˌɑf.ʋɛɪ̯.kɪŋ/, /ˈstɑn.dart.ˌɑf.β̞ɛː.kɪŋ/
noun
1. spreidingsmaat
keskihajonta
/ˈstɑn.dar.de.vi.ˈja.si/, /ˈstɑn.dar.de.vi.ˈja.tsi/, /ˈstɑn.dar.te.vi.ˈja.si/
noun
1. spreidingsmaat
keskihajonta
noun
1. officieel vastgelegde taalvorm die binnen een bepaald gebied als de voorgeschreven norm geldt.
  1. kirjakieli
  2. yleiskieli
noun
1. een kunstzinnige afbeelding vaak van een persoon in drie dimensies, meestal gehouwen in steen of gegoten in metaal
  1. kuvapatsas
  2. patsas
/stɑmplats/
noun
1. een vaste plaats waar iemand zich bevindt
asema
noun
1. een sterke, stinkende geur
  1. lemu
  2. löyhkä
/stɑp/
noun
1. het plaatsen van de ene voet voor de andere bij het gaan
askel
noun
1. een gestructureerde hoop spullen
  1. pino
  2. kasa
noun
1.Twee bedden op elkaar
kerrossänky
noun
1. cumulus
kumpupilvi
/ˈstɑ.pə(n)/
verb
1. het lichaam vooruit bewegen door een of meer keer een voet naar voren te zetten
astella
verb
tuijotella
noun
1. een begin ergens van
alku
noun
1. reeds betaalde bijdrage die men weer terugkrijgt bij de inlevering van de verpakking (of een gebruiksvoorwerp)
pantti
adjective
arvokas
/sta.ˈsʲɔn/
noun
1. plaats waar voertuigen kunnen stoppen
  1. asema
  2. rautatieasema
noun
tilasto
adjective
1. cijfermatig berekend
tilastollinen
noun
1. plaats in een vast geheel of een bepaald proces
asema
noun
1. huidige stand van zaken
nykyinen tilanne
adjective
lakimääräinen
adverb
1. voortdurend
aina
noun
1. zeer smal straatje
kuja
/steːk/
noun
  1. 1. een penetratie met een scherp puntig voorwerp
  2. 3. een eenmalige doorvoering van een draad door een weefsel, meestal met behulp van een naald
pisto
noun
1. een spel waarbij twee ridders elkaar met lansen trachtten uit het zadel te werpen
peitsiottelu
noun
1.
nokkakärry
noun
kasari
/sten/, /steːn/
noun
1. een harde stof, vaak op kiezel gebaseerd maar omvattende vele soorten
kivi
noun
1. vogel uit de familie der arendachtigen
maakotka
pronoun
2. teken van de dierenriem van 22 december tot 20 januari
Kauris
noun
1.1 bepaald soort zoogdier, Capra ibex
vuorikauris
noun
Kauriin kääntöpiiri
noun
rikko
/ste.nɛi̯k/, /ste.nɛːk/, /sten.ʔɛi̯k/
noun
1. Quercus ilex; een boom uit de napjesdragersfamilie
rautatammi
noun
1.
louhos
noun
kivenhakkaaja
noun
1. zwart-bruine stof die ontstaan is door plantenafzettingen en gebruikt wordt als energiebron
kivihiili
noun
1. bepaald soort zoogdier, Martes foina
kivinäätä
adjective
upporikas
/ˈstentɛit/
noun
Kivikausi
/ˈstenœʏ̯ɫ/, /ˈsteːnœːl/
noun
1. bepaald soort vogel, Athene noctua
minervanpöllö
noun
vlezige vrucht waarvan het binnenste deel steenhard is
luumarja
noun
1. hardloopwedstrijd met hindernissen
estejuoksu
noun
1. de kennis van het op verborgen wijze overbrengen van informatie
steganografia
noun
2. werkvloerconstructie in de bouw
rakennusteline
/stɛil/, /stɛːl/
adjective
1.
jyrkkä
noun
1. benaming voor kleine vissen met puntige doorns op de rug en de buik uit de familie Gasterosteidae
piikkikala
noun
1. een groot knaagdier met stekelige vacht
piikkisika
verb
1. doorboren, prikken
pistää
noun
1. stekker
  1. pistoke
  2. pistotulppa
verb
1. iets wegnemen van iemand en het zich wederrechtelijk toe-eigenen
varastaa
noun
1.
perusaste
/stɛlsəl/
noun
  1. 1. een geordend geheel, samenstel van delen
  2. 2. een systeem
elimistö
/stɛlt/
noun
puujalka
noun
  1. 6. een keuze gemaakt door een stemmer (kiezer) bij een stemming (verkiezing)
    äänestys
    1. 1. het geluid dat door het trillen van de menslijke stembanden wordt geproduceerd
    2. 2. het geluid dat een mens bij het spreken voortbrengt
    3. 3. het geluid dat een mens bij het zingen voortbrengt
    ääni
noun
1. geluidvoortbrengende plooien in het strottenhoofd
äänihuuli
/ˈstɛmbɪljɛt/
noun
1. formulier om te stemmen
vaalilippu
/stεmə(n)/
verb
1. deelnemen aan een verkiezing
äänestää
/ˈstɛmpəl/, /ˈstɛmpəɫ/
noun
    1. A2. een afdruk van [1]
    2. A:1. voorwerp met een ingesneden oppervlak waarmee afdrukken gemaakt kunnen worden met inkt of in lak
    leima
  1. A3. beschrijvende plantkunde: bovenste gedeelte van de stamper in een bloem
    luotti
/stɛmvɔrək/
noun
1. stemvork
äänirauta
noun
märssytanko
verb
1. met steenworpen doden
kivittää
noun
kivitys
noun
  1. 2. een beroemdheid
    tähti
  2. 1. een hemellichaam, een gasbol die licht uitzendt door kernfusie
    1. tähti
    2. täht
noun
steradiaani
noun
rusotähtianis
noun
stereotyyppi
/ˈstɛrvbɛt/
noun
1. het bed waarop men sterft
kuolinvuode
adjective
kuolevainen
noun
1. een getal dat aangeeft hoeveel sterfgevallen er in een gebied in een bepaalde tijd hebben plaatsgevonden
kuolleisuus
/ˌsteriliˈzasi/, /ˌsterəliˈzatsi/
noun
1. een handeling waarmee alle ziektekiemen worden gedood
sterilisaatio
verb
  1. 1. iets vrij maken van micro-organismen
  2. 2. onvruchtbaar maken
steriloida
/stɛrk/
adjective
1. krachtig
vahva
noun
1. benaming voor slanke meeuwachtige vogels uit de familie Sternidae
tiira
noun
1. verzameling dicht bijeen staande sterren
tähtijoukko
noun
1. wetenschap die de objecten in de ruimte bestudeert
tähtitiede
/stɛrən'kʏndəɣə/
noun
tähtitieteilijä
noun
galaksi
noun
tähdistäennustaja
verb
1. overgaan van levende toestand naar dode toestand
kuolla
noun
karambola
/steto'skop/
noun
1. een medisch instrument waarmee men geluiden in het lichaam kan beluisteren
stetoskooppi
noun
tukimuuri
/'stønə(n)/
verb
1. een deel van de last op zich nemen, hulp verlenen
  1. kannattaa
  2. tukea
noun
1. bepaald soort anadrome vis, Acipenser sturio
sampi
adjective
4. voedzaam (zonder verfijning)
vankka
noun
lentoemäntä
verb
1. de grondslag voor iets leggen, iets instellen
perustaa
noun
2. zelfstandig vermogen met rechtspersoonlijkheid opgericht op de verwezenlijking...
säätiö
/ˈstif.mu.dər/
noun
1. latere levenspartner van vader dan de eigen moeder
äitipuoli
noun
1. echtgenoot van iemands moeder, die niet de eigenlijke vader is
isäpuoli
pronoun
  1. 2. astrologisch teken
  2. 1. sterrenbeeld van de dierenriem
Härkä
/stiːr/
noun
sonni
pronoun
1. deelstaat van Oostenrijk
Steiermark
/stɛif/
adjective
kankea
noun
tärkki
/ˈstɛi̯xˌbøː.ɣəl/
noun
1. voetsteun voor de ruiter
jalustin
/ˈstɛi̯ɣə(n)/
verb
1. naar boven gaan, toenemen
kasvaa
/stɛi̯l/
noun
  1. 1. handelswijze
  2. 3. beschrijvende plantkunde: buisvormige, middelste gedeelte van de stamper
tyyli
noun
kielikuva
noun
heijari
/ˈstɪkstɔf/
noun
1. een chemisch element en een kleurloos niet-metaal
typpi
/[stɪɫ]/
adjective
  1. 1. geen of weinig geluid producerend
  2. 2. onbeweeglijk
  3. 3. rustig, kalm
liikkumaton
pronoun
1. de oceaan die ligt tussen Oost-Azië, Noord- en Zuid-Amerika en Australië
Tyynimeri
pronoun
1. dag na Goede Vrijdag en voor Pasen
lankalauantai
noun
asetelma
/'stɪl.tə/
noun
  1. hiljaisuus
  2. äänettömyys
noun
1. bepaald soort zoogdier, Mephitis mephitis
haisunäätä
verb
1. een onaangename geur hebben
haista
adjective
  1. 1. precies op tijd komend
  2. nauwgezet
täsmällinen
adverb
1. met grote precisie
täsmällinen
pronoun
1. de hoofdstad van Zweden
Tukholma
/stul/, /stuɫ/
noun
1. zitmeubel
tuoli
/'stulɣɑŋ/
noun
2.
uloste
noun
1. een kabelbaan waarin je zittend een hoogte overbrugt
tuolihissi
noun
1. een boeddhistisch bouwwerk dat de relieken van een boeddhistische heilige bevat
stupa
adjective
1. indruk makend
rohkea
noun
1. heel kleine deeltjes
pöly
/'stɔfʋɪsəlɪɳ/
noun
1. het geheel van chemische processen dat gepaard gaat met het in leven zijn van een wezen
aineenvaihdunta
noun
1. een elektrisch toestel dat stof en kleine deeltjes opzuigt
pölynimuri
noun
stoikiometria
/stɔk/
noun
tikku
noun
1.Suricata suricatta, roofdier behorend tot de mangoesten
nelisormimangusti
noun
1. gedroogde kabeljauw of kabeljauwachtige vis, zoals heek, leng, lom, schelvis en koolvis
kapakala
/ˈstɔlɪŋsɣəˌstentə/
noun
1. gesteente bestaande uit gestolde lava of gestold magma.
  1. magmakivi
  2. magmakivilaji
adjective
  1. 1. geluidloos
  2. 2. niet in staat te spreken
mykkä
noun
1.
mykkä
noun
höyry
noun
1. een schip dat met behulp van stoom wordt voortbewogen
  1. höyryalus
  2. höyrylaiva
noun
1. een locomotief die wordt aangedreven door een stoommachine
höyryveturi
noun
1. een machine die door middel van stoom drijfkracht ontwikkelt
höyrykone
noun
1. een schip dat voortgedreven wordt middels een stoommachine
höyrylaiva
noun
höyryjuna
noun
höyryturbiini
noun
1. grote slagtand
syöksyhammas
/'stɔbɔrt/
noun
1.
stop-merkki
noun
1. naald die men gebruikt bij het repareren van weefsels of breiwerk
parsinneula
noun
1
harjas
/ˈstorə(n)/
verb
1.het functioneren nadelig beïnvloeden
häiritä
noun
1. erg harde wind
myrsky
/ˈstɔr.mə(n)/
verb
1. bijzonder sterk waaien
rynnistää
noun
een toestel, balk, e.d. om een deur, poort te forceren
muurinmurtaja
noun
1. benaming voor zeevogels uit de familie Procellariidae
ulappaliitäjä
noun
kuuro
verb
2. geld in een rekening inbrengen
uskoa jonkun haltuun
noun
1. het storten van geld op een bankrekening
talletus
verb
1. dezelfde lettergreep een aantal malen herhalend moeilijk uit zijn woorden komen
änkytys
noun
1. een wijsbegeerte die leert slechts de rede te volgen en de hartstochten uit te bannen
stoalaisuus
adjective
1. berustend, gevoelloos
stoalainen
/straɫ/, /ˈstral/
noun
  1. 2. een bundel elektromagnetische straling
    puolisuora
  2. 3. spuitend gas of vloeistof
    suihku
  3. 1. de lijn van middelpunt naar omtrek
    säde
noun
1. jachtvliegtuig met straalmotor
suihkuhävittäjä
/strat/
noun
1. een weg tussen de huizen in een bewoonde plaats
  1. katu
  2. tie
pronoun
1. zeestraat tussen het Australisch vasteland en Papoea-Nieuw-Guinea
Torresinsalmi
pronoun
1.
Bonifacionsalmi
pronoun
1.
Gibraltarinsalmi
noun
1. muzikant die in de openbare ruimte optreedt
katusoittaja
noun
1. hoofdstad van de Franse regio Grand Est
Strasbourg
noun
1. onprettige maatregel of behandeling ter vergelding van een misdaad of overtreding
rangaistus
adjective
1.
rangaistava
noun
jäähyaitio
noun
1.
rankaisemattomuus
/ˈstrɑfə(n)/
verb
1. negatieve consequenties verbinden aan een als verkeerd geziene daad
rangaista
/'strɑfrɛxt/
noun
1. het geheel van rechtsregels waarmee bepaalde handelingen strafbaar worden gesteld
rikosoikeus
noun
1. directe vrije trap
rangaistuspotku
noun
1. gedeelte van het voetbalveld
rangaistusalue
adjective
3. streng
tiukka
noun
säteily
pronoun
1.
Stralsund
noun
1. Strook land langs de kust
  1. ranta
  2. hiekkaranta
  3. uimaranta
noun
rantapallo
noun
1. Mya arenaria
hietasimpukka
noun
1. strandkrab
rantataskurapu
/straˈteɣ/
noun
1. een persoon die strategieën uitwerkt
strategi
noun
1. een plan om iets te bereiken
toimintasuunnitelma
noun
stratosfääri
noun
1. een kegelvormige vulkaan met traagvloeibare lava
kerrostulivuori
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Straubing
noun
3. een veeg of streep met een werktuig
piirto
noun
2. lijnvormig patroon
raita
verb
venyttää
verb
1. zachtjes met de hand over iets of iemand strijken
hyväillä
verb
1. neerslaan van opgeloste eiwitten
juoksettaa
noun
oplossing die spijsverteringsenzymen bevat
juoksute
noun
4. riem waarmee een trekdier voor een wagen wordt gespannen
hinausköysi
noun
1. spanning, geestelijke druk.
stressi
verb
1. een doel willen bereiken
ponnistella
noun
  1. 1. een handgemeen
  2. 2. een militair treffen
taistelu
noun
1. een slagwapen in de vorm van een metalen staf met een versterkte kop
rautanuija
noun
sotavaunut
verb
2. wasgoed desinfecteren en gladmaken met hulp van een heet ijzer, een strijkijzer
silittää
/ˈstrɛɪ̯.gɛɪ̯zər/, /ˈstrɛɪ̯k.ʔɛɪ̯zər/, /ˈstrɛː.kɛːzər/
noun
1. een huishoudelijk gereedschap dat gebruikt wordt om textiel glad te strijken
silitysrauta
noun
1. gestreken snaarinstrument
jousisoitin
noun
1. een plankvormig voorwerp, gewoonlijk op een inklapbaar onderstel, bedoeld als ondergrond waarop kleding gestreken kan worden
silityslauta
noun
1. een constructie waarmee de snaren van een strijkinstrument in trilling gebracht worden
jousi
noun
1. een boek met een verhaal in beeldvorm
sarjakuvastrippi
verb
1. het zich ontdoen van alle kleding of een groot deel van de kleding die het lichaam bedekt, vaak met een erotische bijbedoeling
poistaa
/stro/
noun
1. droge bloeistengels van graangewassen
olki
noun
1. hoed
olkihattu
noun
1. scheikundig element met symbool Sr en atoomnummer 38
strontium
noun
1. zweertje op het ooglid
näärännäppy
/stroːm/
noun
2. elektriciteit
  1. virta
  2. sähkövirta
noun
1. elekriciteitsdraad
sähköjohto
noun
  1. sadealue
  2. valuma-allas
  3. vesialue
noun
1. dikke, viskeuze, geconcentreerde vloeistof waarin een grote hoeveelheid suikers zijn opgelost
siirappi
noun
1. lus van stevig touw
hirttosilmukka
noun
kravatti
noun
kurkunpää
adjective
1. met betrekking tot de opbouw van een geheel
rakenteellinen
/strʏkˈtyr/
noun
de interne opmaak van een geheel
rakenne
noun
1. heester
pensas
verb
1. het evenwicht verliezen doordat men met de voet verstrikt raakt
kompastua
noun
1. bepaald soort in heel Europa voorkomende plant, Calluna vulgaris
kanerva
noun
1. iemand die vanuit een hinderlaag reizigers berooft
maantierosvo
/ˈstrœʏ̯sˌfoχɔɫ/, /ˈstrœːsˌfoːɣəl/, /ˈstrœːzˌvoːɣəl/
noun
1. Struthio camelus, grote loopvogel, die niet kan vliegen
strutsi
noun
1. zeer vergiftig alkaloïde
strykniini
noun
1. iemand die hoger onderwijs volgt
opiskelija
verb
1. het volgen van een opleiding en verwerven van kennis als voornaamste bezigheid
opiskella
noun
1.
opiskelu
noun
  1. 1. werkplaats van een beeldend kunstenaar
  2. 2. plaats waar geluidsopnamen, films of televisie- of radioprogramma's gemaakt worden
  3. 3. een eenkamerappartement
studio
/stɵx/
adverb
1 weerbarstig
kova
noun
1.
siitepöly
noun
1. onderste deel van de ruggengraat, de laatste vier vergroeide ruggenwervels
häntäluu
/'stœytlɪxɪŋ/
noun
1.
perätilasynnytys
/stɵk/
noun
1. deel
nappula
noun
1. Soort bouwvakker
rappari
noun
stunt-esiintyjä
pronoun
1. hoofdstad van de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Stuttgart
/styːr/
noun
1. een hulpmiddel waarmee een bestuurder richting kan geven aan een voertuig
ratti
/ˈstyrbəkrɑxtəxɪŋ/
noun
1. ondersteuning bij het sturen
ohjaustehostin
noun
1. de rechterzijde als men vanop een schip naar de boeg kijkt
  1. tyyrpuuri
  2. styyrpuuri
noun
1. een stuk software dat een verbinding legt tussen de hardware en het besturingssysteem
ajuri
noun
1. kunstmatig meer
allas
noun
alakulttuuri
noun
subdominant
subdominantti
adjective
subjektiivinen
noun
subjektiivisuus
noun
1. een werkwoordswijs waarmee men een wens of onzekerheid tot uitdrukking kan brengen.
  1. subjunktiivi
  2. konjunktiivi
noun
2. het proces waarbij een vaste stof overgaat in zijn dampfase
sublimoituminen
noun
aliohjelma
noun
läheisyysperiaate
verb
1. van overheidswege financiële hulp voor een bepaalde activiteit, ver- of aankoop verlenen
subventoida
noun
1. stof (stoffen)
aine
noun
1. zelfstandig naamwoord
substantiivi
noun
1. vervanging
korvaaminen
noun
1. ondergrond
aluskerros
/sʌp'til/
adjective
  1. 1. alleen bij nauwkeurig toezien of voor fijn gevoel waar te nemen of te begrijpen
  2. 2. fijn onderscheidend, scherpzinnig
hienoinen
noun
1. een luidspreker die speciaal is ontworpen voor het weergeven van lage tot zeer lage tonen
alaäänikaiutin
noun
1. gewenste resultaat van een opzet
menestys
noun
1.
perimyssota
/suˈdɑn/
pronoun
land in Noordoost Afrika, officieel de Republiek Sudan
Sudan
noun
1. een woorddeel dat achter de stam van een woord gevoegd wordt
pääte
noun
1. zoetstof
sokeri
noun
1. bepaalde ondersoort van de biet waaruit bietsuiker gewonnen wordt
sokerijuurikas
noun
1. Coereba flaveola, een klein zangvogeltje uit de tropische delen van de Amerika's...
banaanikerttuli
noun
1. blokvormig stukje kristalsuiker
sokeripala
noun
1. een rietsoort die verbouwd wordt vanwege zijn suikergehalte en waaruit rietsuiker gewonnen wordt
sokeriruoko
/ˈsœʏkərˌspɪn/, /ˈsœːkərˌspɪn/
noun
1. lekkernij bestaande uit een hoeveelheid gesponnen suiker aan een stokje
hattara
noun
sokerivesi
noun
1. stofwisselingsziekte waarbij het bloed een te hoog gehalte aan suiker bevat
diabetes
noun
1.gezoete schil van de vrucht van de sukadeboom
sukkatti
noun
sulfaatti
noun
sulfidi
noun
1. zouten die het sulfiet-ion SO₃2- bevatten
sulfiitti
noun
1., 2. en 3. (gedroogde vrycht van) een variëteit van de druif Vitis vinifera
sulttaanirusina
pronoun
Sumatra
noun
1. afwezigheid van elektrische weerstand
suprajohtavuus
noun
1. fictieve figuur uit een stripverhaal of een film die over bovenmenselijke krachten beschikt
supersankari
adjective
parempi
noun
  1. valintamyymälä
  2. supermarketti
noun
het verschijnsel waarbij een ster op spectaculaire wijze explodeert
supernova
noun
1. iets dat als aanvulling toegevoegd wordt
suplementti
/ˌsy.ri.ˈna.mə/
pronoun
1. een land in Zuid-Amerika
  1. Surinam
  2. Suriname
noun
surrealismi
noun
suspensio
adjective
1. geneigd zijn om zelfmoord te plegen
itsetuhoinen
pronoun
1. een Bantoetaal die veel gesproken wordt in Oost-Afrika
swahili
noun
hakaristi
/ˈswa.zi.ˌlɑnd/, /ˈsʋa.zi.ˌlɑnt/, /ˈsβ̞a.zi.ˌlɑnt/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel het Koninkrijk Swaziland
Swazimaa
/'swɛtʃʏːrt/
noun
1.
collegepaita
verb
jorata
pronoun
1. de grootste stad van Australië en de hoofdstad van de deelstaat Nieuw-Zuid-Wales
Sydney
noun
kuppa
adjective
tavu-
adjective
1.samenlevend en samenwerkend
symbioottinen
verb
1. een betekenis hebben die verwijst naar
merkitä
noun
1. Teken
symboli
noun
sinfonia
adjective
1.
sinfoninen
noun
symmetria
/si'metris/
adjective
1. aan twee zijden, bijvoorbeeld spiegelbeeldig gelijk
symmetrinen
noun
1. een gevoel van toegenegenheid
sympatia
adjective
myötätuntoinen
/sɪmˈpoziəm/
noun
1. een wetenschappelijke samenkomst waarop verschillende wetenschappers een lezing houden over een bepaald onderwerp
esitelmäkokous
adjective
1. met betrekking tot ziekteverschijnselen
leimallinen
noun
oireoppi
noun
1. ziekteverschijnsel
oire
noun
1. gebedshuis van joden.
synagoga
noun
synkronisiteetti
adjective
samanaikainen
verb
taitouinti
noun
  1. 1. plotseling bewustzijnsverlies
  2. 3. wegval van middenklank
pyörtyminen
/sɪnˈdrom/
noun
1. ziektebeeld
  1. oireyhtymä
  2. syndrooma
noun
1. situatie waarbij het samengaan van delen groter is dan de som der delen
synergia
noun
1. gelijkbetekenend woord
synonyymi
adjective
syntaktinen
/sɪnˈtɑksəs/
noun
  1. 2.
    1. lauseoppi
    2. syntaksi
  2. 1.
    1. syntaksi
    2. lauseoppi
/ˈsi.ri.jə/, /ˈzi.ri.jə/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel de Arabische Republiek Syrië
Syyria
/siˈstem/
noun
1. een uit meerdere interagerende onderdelen bestaand stelsel...
  1. järjestelmä
  2. systeemi
noun
1. de theorie over de systematische beschouwing van systemen in de natuur, wetenschap en of maatschappij
systeemiteoria
noun
1. dun kledingstuk voor het bovenlichaam met korte mouwen en zonder kraag
t-paita
pronoun
1.
Tagus
adjective
  1. 1. moeizaam en plastisch vervormend onder mechanische belasting
  2. 2. moeilijk te snijden, kauwen (van vlees)
sitkeä
/taːk/
noun
1. een te verrichten werk
tehtävä
/taːl/
noun
1. systeem van spraakklanken door middel waarvan mensen met elkaar communiceren en de schriftelijke...
  1. kieli
  2. puhe
/ˈtaːlbəˌɦeːrsɪŋ/
noun
1. het vermogen zich te kunnen uitdrukken in een of meer talen
kielitaito
noun
1. talengroepen die een zelfde voorgeschiedenis hebben
kieliheimo
/talfɔut/
noun
1. een fout tegen de grammatica van een taal
kielivirhe
/ˈtalɣəˌvul/, /ˈtaɫχəˌvuɫ/
noun
1. het vermogen om het juiste gebruik van een taal aan te voelen
kielikorva
noun
1. grens van een taalgebied
kieliraja
/ˈtalklɑŋk/
noun
1.
foneemi
noun
1. wetenschap
kielitiede
noun
1. een beoefenaar van de taalkunde
kielitieteilijä
noun
pilkunnussija
noun
1. de wetenschap die taal als onderzoeksobject heeft
kielitiede
noun
1. een beoefenaar van de taalkunde
kielitieteilijä
/taːrt/
noun
1. cirkelvormig zoet gebak
kakku
noun
1. een genotsmiddel afkomstig van de bladeren van de tabaksplant, wordt gerookt, gekauwd en gesnoven
tupakka
noun
piippu
noun
1. een geordende lijst met gegevens
taulukko
noun
ilmestysmaja
noun
1. pastille
tabletti
noun
1. een algemeen aanvaard moreel verbod; iets dat onbespreekbaar of ondenkbaar is
tabu
cardinalNumeral
1. het getal 80
kahdeksankymmentä
pronoun
Kahdeksankymmenvuotinen sota
noun
  1. takykardia
  2. tiheälyöntisyys
noun
1. kleine, gevouwen tortilla, gevulde mexicaanse maïspannenkoek
taco
/tɑkˈtik/
noun
1. een manier om onder gegeven omstandigheden een doel te bereiken
taktiikka
/ˈtɑkt.fɔɫ/
adjective
hienotunteinen
pronoun
1. de officiële taal van Tadzjikistan en een variant van het Perzisch
tadžikki
/taˈdʒikɪˌstɑn/
pronoun
1. een land in een land in Centraal-Azië met als hoofdstad Doesjanbe
Tadžikistan
noun
1. taf
tafti
/ˈtafəɫ/
noun
1. een meubelstuk met poten, bedoeld om dingen op te zetten of te leggen
pöytä
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Pöytä
/ˈtafəlˌklet/
noun
kleed dat als bescherming of versiering over een tafel ligt
pöytäliina
noun
1. (sport) een spel waarbij twee spelers, ieder met een batje, een pingpongbal op tafel houden
pöytätennis
noun
1. voetbal op een tafel met opstaande randen
pöytäjalkapallo
pronoun
1. taal die op de Filipijnen gesproken wordt
tagalog
pronoun
Tahiti
pronoun
1. een Polynesche taal uit de Oceanische tak van de Austronesische talen gesproken op Tahiti
tahiti
noun
1. naaldbossen in koude streken
boreaalinen vyöhyke
/ˌtɑjkoˈnaʊ̯t/, /ˌtɑjkoˈnɔʊ̯t/, /ˌtɑjkoˈnʌʊ̯t/
noun
1. een Chinese ruimtevaarder.
taikonautti
/tɑj'ʋɑn/
pronoun
Taiwan
/tɑk/
noun
1. een deel van een boom of struik
oksa
noun
1. bijzondere aanleg
lahjakkuus
/tɑɫx/
noun
2. het harde vet van sommige herkauwers
tali
noun
1.een klier om de haarzakjes, die talg afgeeft
talirauhanen
noun
1. benaming voor kleine vogels uit het geslacht Anas of het geslacht Callonetta
tavi
/tɑlk/
noun
talkki
noun
1. van personen dat ze niet erg meegaand zijn
talkkijauhe
/'tɑlɪn/
pronoun
1. de hoofdstad van Estland
  1. Tallinna
  2. Rääveli
/ˈtɑlmut/
noun
1.
Talmud
adjective
1. groot in aantal
lukuisa
noun
  1. 1. en 2. (vruchten van de) tamarindeboom
    tamarindi
  2. 1. bepaald soort tropische boom, Tamarindus indica
    tamarindipuu
noun
1. muziekinstrument
tamburiini
pronoun
1. taal die gesproken wordt in India, Sri Lanka, Singapore, en Maleisië
tamili
noun
  1. 1. hard en wittige gecalcificeerde structuur in de mond
  2. 2. scherp uitsteeksel
hammas
noun
1. een medisch specialist op het gebied van de tandheelkunde
hammaslääkäri
noun
1. fiets
tandem
noun
1. borsteltje om de tanden mee te reinigen
hammasharja
noun
1. puntig instrumentje om etensresten tussen de tanden te verwijderen
hammastikku
noun
1. wetenschap voor de verzorging van de tanden
hammaslääketiede
/ˈtand.pɑs.taː/, /ˈtɑnt.pɑs.ta/
noun
1. een poetsmiddel voor de tanden
hammastahna
/tɑntpɛin/
noun
1. pijn in één of meerdere tanden
hammassärky
/ˈtɑntfles/
noun
1. deel van het mondslijmvlies waarin de tanden vastzitten
ien
/'tɑntʋil/
noun
1. een wiel met een gekartelde rand bedoeld om in te grijpen in die van een ander ter overdracht van aandrijfkracht
hammaspyörä
noun
1. een zijden draad waarmee men de ruimte tussen de tanden reinigt
hammaslanka
/tɑŋ/
noun
1. een uit twee delen opgebouwd gereedschap waarvan de beide delen op één punt aan elkaar vastzitten...
  1. pihdit
  2. hohtimet
pronoun
Tanger
/tɑŋk/, /tɛŋk/
noun
  1. 2. een oorlogsvoertuig
    panssarivaunu
  2. 1. een groot vat
    tankki
noun
tanniini
noun
1. scheikundig element met symbool Ta en atoomnummer 73
tantaali
noun
1. scheikundig element met symbool Ta en atoomnummer 73
tantaali
noun
1. zus of schoonzus van iemands vader of moeder
täti
/ˌtɑn.za.ˈni.ja/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika
Tansania
noun
1. een Chinese filosofische en religieuze stroming
taoismi
noun
matto
noun
1. zetmeel verkregen uit de wortelknol van Manihot esculenta
  1. tapioka
  2. tapiokatärkkelys
/ˈtapɪr/
noun
1. hoefdier, zo groot als een ezel en met een kleine beweeglijke slurf
tapiiri
noun
1. militair afsluitend signaal
hiljaisuus
noun
1. gifspin
provencentaranteli
noun
1. grote eetbare platvis
piikkikampela
/tɑˈrif/
noun
1. een vastgesteld bedrag per eenheid
hinnasto
noun
taara
verb
1. het bepalen van het niet bruikbare gewicht
taarata
pronoun
1. taal uit de Turkse talen met ongeveer anderhalf miljoen sprekers die vooral wordt gesproken in Tatarstan, een deelrepubliek van Rusland maar ook in andere delen van de vroegere Sovjet-Unie en daarbuiten
tataari
pronoun
1. stad in Estland
Tartto
/ˈtɑrʋə/
noun
  1. 2. meest verbouwde tarwe soort (Triticum aestivum)
    vehnä
  2. 3. zaad van tarwe
    1. vehnä
    2. vehnät
noun
1. en 2 grof gemalen meel van (gewone) tarwe (Triticum)
  1. mannasuurimo
  2. vehnäsuurimo
noun
1. (voorgekookte) geplette tarwegranen
vehnähiutale
noun
zemelen van tarwekorrels
vehnälese
noun
1. zak die men meeneemt om er zaken in te bergen die men bij zich wil hebben
laukku
pronoun
Tasmania
pronoun
1. randzee van de Grote Oceaan, gelegen tussen Australië en Nieuw-Zeeland
Tasmaninmeri
verb
käsitellä
pronoun
1. taal uit de Turkse talen met ongeveer anderhalf miljoen sprekers die vooral wordt gesproken in Tatarstan, een deelrepubliek van Rusland maar ook in andere delen van de vroegere Sovjet-Unie en daarbuiten
tataari
pronoun
1. de autonome republiek van Rusland met de hoofdstad Kazan
Tatarstan
noun
1. een tekening die met naald en inkt blijvend in de huid is aangebracht
tatuointi
/tatuʷ'erə(n)/
verb
1. met een naald en inkt een blijvende tekening in de huid inbrengen
tatuoida
noun
tautologia
/tɑk.si/
noun
1. een voertuig bestemd om tegen betaling klanten van de ene plaats naar de andere te brengen
taksi
/'tɑksimetər/
noun
1.
taksamittari
noun
1. een opstelplaats voor taxi's waar zij wachten op passagiers
taksiasema
verb
1. over de grond op wielen voortbewegen van vliegtuigen
rullata
noun
taksonomia
preposition
1. in het midden van
keskellä
noun
1. scheikundig element met symbool Tc en atoomnummer 43
teknetium
noun
1. iemand die techniek toepast
teknikko
noun
1. De bewerkingen en verrichtingen die nodig zijn om iets tot stand te brengen
tekniikka
adjective
1. op techniek betrekking hebbend
tekninen
noun
teknokratia
adjective
1.
teknokraattinen
noun
teknologia
adjective
murea
/tef/
noun
1. wijfjeshond
narttu
noun
1. achtpotige parasiet uit de orde Ixodida
  1. punkki
  2. puutiainen
noun
1. vingers van de voet
varvas
noun
kynsi
noun
varvastossu
/ter/
noun
1. olieachtige vloeistof met een zeer hoge viscositeit
terva
noun
1. kubusvormig voorwerp met op elk van de zijden een van de ogenaantallen één tot en met zes
noppa
/ˈteɣəɫ/
noun
1. een rechthoekig stenen voorwerp dat meestal wordt gebruikt voor het bedekken van oppervlakten
tiili
noun
1. een bouwvakker die wandtegels zet en vloertegels legt
laatoittaja
/teːɣən/, /teːχən/
preposition
1. zijdelings aanleunend
vastaan
/ˌteɣə(n)ˈdrats/
adjective
1. tegen de draad, weerspannig
vastarintainen
verb
1. proberen iets te stoppen of te verhinderen
vastustaa
noun
1. een middel dat de werking van een gif neutraliseert of afzwakt
vastalääke
noun
1. handeling gericht op het bestrijden van de effecten van een andere handeling
vastatoimi
preposition
1. aan de overzijde van
vastapäätä
noun
1. hetgeen wat precies voorstelt wat iets helemaal niet is
vastakohta
noun
1. iemand die de pauselijke titel opeist zonder door het Vaticaan als paus erkent te zijn
vastapaavi
verb
1. zich met woorden verzetten
kiistää
noun
1. vijand, rivaal
vastustaja
noun
1. voorbeeld dat aantoont dat iets niet juist is
vastaesimerkki
noun
1. wind tegen
vastatuuli
noun
1. vorm die aangeeft dat het huidige moment bedoeld wordt
preesens
noun
1. het geen zin hebben in iets
haluttomuus
noun
1. symbool, signaal, aanduiding
  1. merkki
  2. osoitus
verb
een tekening maken
piirtää
/ˈtekə(n)ˌfɪlm/, /ˈtekə(n)ˌfɪɫm/
noun
1. een film waarin een getekende realiteit wordt verbeeld
piirretty
noun
  1. 1. een door tekenen ontstane afbeelding of voorstelling
  2. 3. een wijze waarop iets van figuren is voorzien of zich in figuren vertoont
piirros
noun
1. een ontbrekende hoeveelheid
alijäämä
noun
1. verzameling letters en/of woorden
teksti
adjective
tekstuaalinen
noun
1. een computerprogramma waarmee teksten kunnen worden geschreven en bewerkt
tekstinkäsittelyohjelma
noun
1. natuurlijke processen
tektoniikka
adjective
1. betrekking hebbend op de aardplaten, de breuken in de aardplaten en hun verschuivingen
tektoninen
/ˌtelefoˈneːrən/
verb
1. een telefoon gebruiken
soittaa
noun
puhelintekniikka
/ˌtelə'fon/, /ˌteːlə'foːn/
noun
1. een toestel waarmee men geluid over kan brengen door middel van galvanische stroom
puhelin
noun
puhelinkeskus
noun
lennätin
verb
1. per telegraaf berichten
sähköttää
noun
sähke
noun
telemetria
verb
1. door nauwgezette verzorging doen groeien
harjoittaa
noun
1. een optisch instrument, waarmee ver verwijderde objecten bekeken kunnen worden
  1. kaukoputki
  2. teleskooppi
adverb
1. een onaangenaam gevoel hebbend omdat een verwachting of hoop niet uitgekomen is
pettynyt
verb
1. iemand op onaangename wijze verrassen, vaak door een belofte niet na te komen
tuottaa pettymys
adjective
1.
epätyydyttävä
noun
1. een emotie opgeroepen door het niet uitkomen van een verwachting
pettymys
noun
  1. 2. medium
    televisio
  2. 1. elektrisch apparaat
    1. televisio
    2. televisiovastaanotin
/tɛlx/
noun
1. lid van een familie
perillinen
verb
1. aantal bepalen
laskea
/ˈtɛlər/
noun
1. het getal boven de streep van een breuk
osoittaja
noun
1. scheikundig element met symbool Te en atoomnummer 52
telluuri
pronoun
1. een Dravidische taal met ongeveer 70 miljoen sprekers
telugu
noun
  1. numeraali
  2. lukusana
verb
1. tam maken
kesyttää
/ˈtɛm.pəl/, /ˈtɛm.pəɫ/
noun
1. een gebouw voor godsverering
temppeli
noun
temperamaalaus
noun
luonne
/ˈtɛmpɛrɑtyːr/
noun
1. grootheid die de warmte weergeeft
lämpötila
noun
1. blauwdruk
malli
adverb
1. luidt het eerste lid van een opsomming van minstens twee argumenten in
ensiksi
noun
1. beweging in bepaalde richting, neiging
  1. suunta
  2. taipumus
adjective
1. gekleurd door bijbedoelingen
tarkoitusperäinen
noun
1. wagen achter een locomotief
tenderi
noun
1. een peesontsteking
jännetulehdus
pronoun
1. het grootste eiland van de Canarische Eilanden, een tot Spanje behorende eilandengroep
Teneriffa
noun
1. een scheikundig element met het symbool Ts en het atoomnummer 117
tennessiini
noun
1. balsport
tennis
noun
1.een frame met een open ring waarover een netwerk van snaren is gespannen en een handvat waarmee men tennis kan spelen
tennismaila
noun
1. een teken geplaatst op de vierde lijn van een balk dat aangeeft dat deze een c weergeeft
tenoriavain
noun
1. verplaatsbare constructie van over stokken of buizen gespannen doek die als (tijdelijk) onderdak dient
teltta
noun
lonkero
/tɛnˈtonstɛlə(n)/
verb
1. voor een publiek toonbaar maken
esitellä
/tɛnˈtonstɛlɪŋ/
noun
1. een uitstalling van voorwerpen om door het grote publiek bekeken te worden
näyttely
/ˈtɛn.zɛɪ/
conjunction
1. behalve wanneer
ellei
noun
1. een gepigmenteerd knopvormig uitsteeksel op de borst van de mens
nänni
noun
1. bedekking op de tepel voor erotische of artistieke doeleinden
nännisuoja
noun
1. scheikundig element met symbool Tb en atoomnummer 65
terbium
verb
1. het beëindigen van een mensenleven op gerechtelijk bevel
teloittaa
/tɛrəm/
noun
1. een woord of uitdrukking
termi
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Isoptera
termiitti
noun
  1. terminologia
  2. termistö
noun
terpeeni
noun
1. een vetoplossend oplosmiddel dat uit de sappen van bepaalde dennensoorten gewonnen kan worden
tärpätti
noun
1. grondgebied
maa-alue
noun
het ontwrichten van een samenleving door terreurdaden tegen burgers, vaak met een politiek of religieus oogmerk
terrorismi
noun
1. iemand die terroristische aanslagen beraamt, pleegt of wil plegen met een godsdienstig of politiek doel
terroristi
pronoun
Terschelling
/tɛrsjɛːr/
adjective
tertiaarinen
noun
1.
terssi
/trʏχ/, /təˈrʏx/
adverb
terug van weggeweest
takaisin
/təˈrʏxbrɛŋə(n)/
verb
  1. 1. naar het punt van vertrek brengen
  2. 2. naar de eigenaar brengen
palauttaa
/t(ə)ˈrʏɣ.drɪŋə(n)/
verb
1. dringen naar de oorspronkelijke richting
hylätä
/təˈrʏχaːn/
verb
1. naar de punt van vertrek gaan
mennä takaisin
noun
1.
regressio
verb
palauttaa
noun
palaute
/tə'rɵxnemə(n)/
verb
  1. 1. een voorwerp opnieuw in bezit terugontvangen
  2. 2. terugkomen op en/of zich excuseren voor een eerder gedane uitspraak
ottaa takaisin
noun
1. ontstaan van een nieuw woord doordat een bestaand woord van een vermeend voorvoegsel, achtervoegsel of uitgang wordt ontdaan
takaperoisjohto
/tɛr.ˈwɛɪ̯l/, /tɛr.ˈʋɛɫ/
conjunction
  1. 2. hoewel
    aikana
  2. 1. gedurende de periode dat nog een andere actie aan de gang is
    1. sillä aikaa kun
    2. aikana
pronoun
1. naam van twee boeken uit het Nieuwe Testament
Tessalonikalaiskirje
/tɛst/
noun
  1. 1. probeersel
    testi
  2. 3. toets
    1. testi
    2. käyttökoe
noun
1. akte met een wilsbeschikking voor na de dood
testamentti
noun
1. een infectieziekte die door een gifstof leidt tot spierspasmen
jäykkäkouristus
adjective
1. als hoofdas van de rotatiesymmetrie een viertallige as bezittend
tetragoninen
/ˈtøɣəl/, /ˈtøʝəl/
noun
1. stuurriem van rijdier
ohja
noun
1. datgene wat over is boven de gewenste hoeveelheid
kohtuuttomuus
/təˈvredə(n)/
adjective
1. geen behoefte voelend om aanmerkingen te maken
tyytyväinen
/təvredənɦɛɪt/
noun
1. het gevoel genoeg te hebben en voldaan te zijn
mielihyvä
pronoun
Texel
noun
kangas
noun
1. de manier waarop iets is samengesteld, hoe het materiaal aanvoelt en hoe de structuur eruit ziet
kuviointi
pronoun
1. de officiële taal van Thailand
thai
/ˈtɑɪ̯.lɑnt/, /ˈtɛɪ̯.lɑnd/
pronoun
1. een land in Azië dat vroeger Siam heette
Thaimaa
noun
1. grijze stof van de tussenhersenen
talamus
noun
1. scheikundig element met symbool Tl en atoomnummer 81
tallium
noun
1. een uitgaansgelegenheid waar theatervoorstellingen gegeven worden
teatteri
/teː/
noun
tee
noun
1. blad van de theestruik
teelehti
noun
1. een kleine lepel om thee mee te roeren
teelusikka
pronoun
1.de grootste rivier van Engeland
Thames
noun
1. een gevoerde kap om de thee warm te houden
pannumyssy
noun
1. namiddagsepauze
teetauko
noun
1. kan met deksel en schenktuit waarin een warme drank wordt bereid door bladeren in heet water te laten trekken
teekannu
noun
1. theeplant
teepensas
/tema/
noun
1. een onderwerp dat behandelt wordt
aihe
noun
1. aanhanger van het politieke stelsel waarbij men God ziet als de uiteindelijke heerser
teokraatti
noun
1. staatsvorm die gebaseerd is op goddelijke
teokratia
noun
1. leer over God, het goddelijke en de godsdienst
teologia
adjective
1.
teologinen
noun
1. een beoefenaar van de theologie
teologi
/ˌteɔːˈretis/
adjective
1. wat niet perse in de werkelijkheid voorkomt, m.b.t. feiten en wetten berustende ...
teoreettinen
noun
1. een wetenschappelijk model of uitspraak over waarnemingen in de empirie
teoria
noun
iemand die een patiënt behandelt
terapeutti
adjective
1. genezend; op de geneeswijze betrekking hebbend
terapeuttinen
noun
1. een methode om aan de genezing van zieken te werken
terapia
noun
1. elektronisch muziekinstrument
theremin
noun
1. opstijgende warme luchtbellen in de atmosfeer
termiikki
noun
1. een poedermengsel van een onedel metaal, gewoonlijk aluminium, en een oxide van een edeler metaal, vaak ijzer of koper
termiitti
noun
1. de leer van warmte en arbeid
termodynamiikka
adjective
termodynaaminen
/ˈtɛrmoˌmetər/
noun
1. een meetinstrument om temperaturen te meten
lämpömittari
noun
termosfääri
noun
termostaatti
noun
1. synoniemenwoordenboek
tesaurus
noun
1.
teesi
/ˈtiosɵlˌfat/
noun
1.
tiosulfaatti
/ˈtora/
pronoun
1.-3.
pentateukki
noun
1. scheikundig element met symbool Th en atoomnummer 90
torium
pronoun
1. uitgestorven Indo-Europese taal uit de Balkan
traakia
/tœʏs/, /tœːs/
noun
1. een plek waar iemand woont en zich veilig voelt
kotona
noun
1. multimedia opstelling die van een huiskamer een bioscoopzaak maakt
kotiteatteri
noun
1. geheel van organisaties en activiteiten waarmee de burgerbevolking een bijdrage aan de oorlog levert
kotirintama
noun
1. scheikundig element met symbool Tm en atoomnummer 69
tulium
noun
tyristori
noun
tyroksiini
pronoun
2. de rivier die stroomt door Rome
Tiber
pronoun
  1. 1. autonome regio
  2. 1. voormalig land
Tiibet
pronoun
1. een taal die wordt gesproken in Tibet en buiten Tibet door een grote groep vluchtelingen
  1. tiibet
  2. tiibetiläinen
noun
1. zenuwtrek
nykimisoire
pronoun
  1. 1. Zwitsers kanton
  2. 1. zijrivier van de Po
Ticino
cardinalNumeral
1. het getal 10
kymmenen
noun
2. kerkbelasting
  1. kirkollisvero
  2. kymmenykset
ordinalAdjective
1. nummer tien in een rij
kymmenes
noun
kymmenentuhatta
noun
10000[[-kulmio]]
noun
kymmenkulmio
noun
  1. 1. met het aantal van tien
  2. 2. ongeveer tien
kymmenkunta
noun
1. biljet van tien euro
kymppi
noun
1. vrouwelijke borst
maitorauhanen
pronoun
1. taal gesproken door meer dan 5 miljoen mensen in Eritrea, Ethiopië, Duitsland en Israël
tigrinja
/tɛit/, /tɛɪ̯d/, /tɛːt/
noun
1. onstuitbare gang der dingen van toekomst door het heden naar het verleden
aika
adjective
1. voor een beperkte tijd, niet permanent
hetkellinen
noun
zeitgeist
noun
1. iemand die in dezelfde historische periode leefde
aikalainen
adjective
1.
ajaton
/ˈtɛːtmɑˌʃinə/, /ˈtɛːɪtmɑˌʃinə/
noun
1. machine om mee door de tijd te reizen
aikakone
noun
aikakausi
adjective
1. een aanzienlijke hoeveelheid tijd vereisend
aikaavievä
noun
1. blad waarvan met vaste tussenpozen afleveringen verschijnen
aikakauslehti
noun
1.verschil in tijd van de dag
aikaväli
noun
ajanhukka
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera tigris
tiikeri
noun
1.
tiikerihai
noun
3. kruid gebruikt in de keuken
timjami
/ˈtɪkə(n)/
verb
1. een of meer keren een niet harde slag of klap geven
kopauttaa
pronoun
Tilburg
noun
puutavara
noun
1. iemand die zich beroepsmatig vooral met houtbewerking bezighoudt
  1. kirvesmies
  2. puuseppä
noun
1. plat potlood van stevige constructie dat toch dunne lijntjes kan trekken
timpurinkynä
pronoun
1. randzee van de Indische Oceaan, gelegen tussen Noordwest-Australië en Timor
Timorinmeri
pronoun
  1. Timoteus
  2. Timo
noun
scheikundig element
tina
noun
1.
tinktuura
adjective
1.van tin vervaardigd
tinainen
noun
tinnitus
noun
1. prikkelend gevoel
kihelmöinti
noun
1. een tent tent met een puntdak die o.a. gebruikt wordt door de Noord-Amerikaanse indianen
tiipii
noun
1. Italiaans dessert
tiramisu
noun
tyranni
/tirɑ'nik/
adjective
1.
tyrannimainen
/ti'tan/
noun
titaani
noun
titaanivalkoinen
pronoun
1.
Titan
pronoun
1.
Titania
noun
1. scheikundig element met symbool Ti en atoomnummer 22
titaani
noun
  1. 2. aanduiding van een persoon
    1. arvonimi
    2. titteli
  2. 1. opschrift van een document
    1. nimike
    2. nimi
verb
titrata
/ˈtitʏs/
pronoun
Titus
noun
1. Chinees gerecht met groenten, rijst en vlees
chop suey
noun
1. een kleine zangvogel uit de Zangers Sylviidae
tiltaltti
verb
1. brood roosteren
esittää malja
verb
1. het doen opnemen van bijvoorbeeld een medicijn door iemand
annostella
noun
1. plaats waarlangs men ergens binnen kan gaan
haku
adjective
1.te bereiken
helppopääsyinen
noun
1. benaming voor tropische vogels uit de familie Ramphastidae
tukaani
noun
tulevaisuus
adjective
1. van de tijd die komen gaat
tuleva
/tun/
adverb
1. op of na dat tijdstip
sitten
noun
1. grote moerassige en boomloze vlakte in de noordelijke poolstreken
tundra
noun
1. de mate waarin iets praktisch te gebruiken is
soveltuvuus
verb
1. in de praktijk brengen
käyttää
noun
  1. 1. een computerprogramma
    käyttö
    1. 2. het in de practijk brengen van iets
    2. 1. een manier waarop iets gebruikt wordt
    sovellus
noun
1.
turako
noun
1. het reizen voor ontspanning
  1. matkailu
  2. turismi
noun
1. een mannelijk persoon die voor zijn plezier reist
matkailija
noun
1.
turistipyydys
adjective
1. een plaats die veel toeristen aantrekt
matkailullinen
verb
1. het auteurschap of de eigenaar van iets associëren met iemand
liittää
verb
1. iets niet verbieden, iets mogelijk maken
sallia
/'tustɑnt/
noun
geheel van omstandigheden
tila
noun
een toezegging dat iets geoorloofd is
suostumus
verb
1. iemand zo mishandelen dat hij of zij zichtbaar lichamelijk letsel heeft
pahoinpidellä
noun
1. gerecht waarmee een maaltijd kan worden afgesloten
jälkiruoka
noun
3. een knop op het bedieningspaneel van een schrijfmachine of computer die het mogelijk maakt een symbool in te typen
kosketin
/ˈtutsə(m)ˌbɔrt/
noun
1,2 een apparaat waarmee, door toetsen in te drukken, gegevens in een computer e.d. ingevoerd kunnen worden
näppäimistö
noun
1. steen voor het bepalen van het goudgehalte
koetinkivi
/ˈtuːvɑl/
noun
1. een gebeurtenis of omstandigheid die vooraf niet te voorzien of niet te berekenen is geweest
sattuma
adjective
satunnainen
noun
sattuma
verb
antaa hoidettavaksi
verb
1. tot vermeerdering bijvoegen
lisätä
noun
1. datgene wat met een groter geheel verenigd wordt
additio
noun
2. een gebonden morfeem dat aan een ander morfeem wordt toegevoegd om zo een nieuw woord te vormen
affiksi
/'to.ɣo/, /ˈto.χo/
pronoun
1. een land in West-Afrika
Togo
/tʋɑ'lɛt/
noun
  1. 3. persoonlijke verzorging
    kaunistautuminen
  2. 1. een plaats waar men zich kan ontlasten
    käymälä
noun
1. papier om zich af te vegen na gebruik van het toilet
vessapaperi
/ˈtɔki ˈpoːnaː/
pronoun
1. bepaalde minimalistische kunsttaal
toki pona
pronoun
1. de hoofdstad van Japan
Tokio
noun
1. snaarinstrument waarvan de snaren worden getokkeld
näppäilysoitin
/tɔl/
noun
2. kinderspeeltuig
hyrrä
noun
1. een persoon die gesproken tekst (meteen) vertaalt naar gesproken tekst in een andere taal
tulkki
noun
1. weg voor het gebruik waarvan betaald moet worden
maksullinen moottoritie
/toˈmat/
noun
1. een eetbare vrucht van de tomatenplant
tomaatti
noun
1. strijdbijl van de Noord-Amerikaanse indianen
tomahawk
noun
ketsuppi
noun
1. een vruchtensap dat uit tomaten is bereid
tomaattimehu
noun
1. naam voor koperlegeringen met zink
tompakki
noun
3. een gewichteenheid van 1000 kilogram
tonni
noun
1. iemand die een toneelstukken schrijft
dramaturgi
/tonə(n)/
verb
2. laten zien
näyttää
noun
  1. 2. wat gesproken wordt
    kieli
  2. 1. beweeglijk lichaamsdeel in de mond van mensen en veel dieren
    1. kieli
    2. meriantura
pronoun
Tonga
noun
1. een gewelf in de vorm van een halve cilinder
tynnyriholvi
noun
1. benaming voor snelle oceaanvissen uit het geslacht Thunnus
tonnikala
noun
nielurisojen typistysleikkaus
noun
angiina
/ton/
noun
een geluid met een bepaalde herkenbare hoogte
sävelkorko
noun
1. toonhoogte
sävelkorkeus
noun
1. een stijgende of dalende opeenvolging van tonen
asteikko
noun
1. hoogste punt, (bovenste) uiteinde
huippu
noun
topaasi
noun
topologia
/tɔːrə(n)/
noun
  1. 2. een bepaald schaakstuk in de vorm van een toren
  2. 1. een hoog bouwwerk
torni
noun
1. meest algemene Europese valk die vaak in nestkasten en gebouwen nestelt, Falco tinnunculus
tuulihaukka
noun
1. een draaiende, trechtervormige uitstulping onder een wolk tijdens een onweersbui
  1. tornado
  2. trombi
noun
torpedo
noun
1. snel, wendbaar oorlogsschip dat torpedo's kan afvuren
torpedovene
noun
torus
pronoun
Toscana
interjection
1. een groet bij het vertrek die de hoop uitspreekt elkaar weer te zien
näkemiin
noun
1. alle onderdelen tezamen
kokonaismäärä
noun
totalitarismi
conjunction
kunnes
noun
toteemi
/ˈtoːtɘmˌpaːl/
noun
1. een houten standbeeld
toteemipaalu
/tɑu̯/
noun
1. een middel om zaken bij elkaar te binden
köysi
noun
1. een mannelijk iemand die kan toveren
velho
noun
1. een vrouwelijk iemand die kan toveren
velhotar
noun
1. magisch handboek
loitsukirja
verb
taikoa
/ˌtɔk.si.ˌko.lo.ˈɣi/, /ˌtɔk.si.ˌko.lo.ˈχi/
noun
1. de wetenschap die de werking van giftige stoffen op biologische systemen bestudeert
  1. toksikologia
  2. myrkkyoppi
/ˌtɔk.si.ko.ˈlox/, /ˌtɔk.si.ko.ˈloχ/
noun
1. een wetenschapper die de werking van giftige stoffen op biologische systemen bestudeert
toksikologi
noun
  1. 1. het langzaam zijn
  2. 2. ook inertie genoemd
hitaus
noun
1. vocht dat uit klieren bij de ogen vloeit
kyynel
noun
1.
kyynelkaasu
noun
trakeiitti
noun
1. ruw, grijs uitvloeiingsgesteente
trakyytti
/ˈtrɑktɔr/
noun
motorvoertuig
traktori
/tradisʲoˈnel/
adjective
1. zoals de gewoonte dat meebrengt, van oudsher
perinteinen
/traˈxedi/
noun
  1. 1. een toneelspel dat handelt over een bedroevende gebeurtenis
  2. 2. gebeurtenis met een droevige of rampzalige afloop
  1. murhenäytelmä
  2. tragedia
adjective
1.met een lach en een tran
surkuhupaisa
adjective
traaginen
verb
1. het doen van lichamelijke oefeningen
harjoitella
noun
valmentaja
noun
1. een oefening
valmennus
verb
kestitä
/tram/, /trɑm/, /trɛm/
noun
1. railvoertuig dat meestal in steden voor personenvervoer gebruikt wordt
  1. raitiovaunu
  2. ratikka
noun
trampoliini
/ˈtra.nə(n).ˌdɑl/, /ˈtra.nə(n).ˌdɑɫ/
noun
  1. 1. plek van enorm verdriet
  2. 2. alle verdriet en smart gevoeld in het leven
murheen laakso
noun
1.
nyyhkyleffa
adjective
1.
alppientakainen
noun
transaktio
noun
transsendenssi
/trɑnsˈkrɪpsi/
noun
  1. 1. de conversie naar een geschreven tekst van een andere geschreven, getypte of gedrukte tekst.
  2. 2. het vastleggen van de uitspraak van een gesproken tekst op schrift.
  3. 3.
  4. 4. het omzetten van een muziekstuk naar een andere vorm of bezetting.
tarkekirjoitus
noun
transfobia
abbreviation
muuntaja
noun
1. het inbrengen van bloed in het bloedvatenstelsel
verensiirto
adjective
1.
siirtogeeninen
noun
transistori
noun
translaatio
noun
1.
translitterointi
noun
1. verplaatsing, overplaatsing
translokaatio
noun
transmies
noun
transmutaatio
pronoun
1.
Transnistria
adjective
1. lichtdoorlatend
  1. läpinäkyvä
  2. kuulas
noun
1. folie uit plastiek waarop tekst, figuren en foto's worden aangebracht ter ondersteuning van...
  1. dia
  2. diapositiivi
  3. kuultokuva
noun
1.
toisiotutkavastain
noun
kuljetus
pronoun
Transilvania
pronoun
Transvaal
noun
transnainen
noun
  1. 2. stoot met de voet
    potku
  2. 1. verbinding tussen twee op verschillende hoogte liggende vloeren of terreinen,...
    1. rappu
    2. portaat
  3. 1. benaming voor vogels uit de familie Otididae
    trappi
/trɑˈpezɪʏm/
noun
1. een vierhoek waarvan twee zijden evenwijdig lopen
puolisuunnikas
noun
psychische stoornis, ontstaan door een schokkende ervaring
  1. trauma
  2. vamma
adjective
1. door een letsel ontstaan
traumaattinen
noun
tiitti
noun
1. taps toelopende buis, gebruikt voor het vullen van vaten
suppilo
noun
1. 1081
tuhat tredekiljoonaa
noun
1. 1078
tredekiljoona
verb
astua
noun
1.
polkumylly
/tre/
noun
1. opstapje dat deel uitmaakt van een trap
porras
noun
1. een titelwoord van een stuk tekst in een catalogus, woordenboek of encyclopedie
hakusana
noun
1. een rij wagons die door een krachtvoertuig (bijvoorbeeld een locomotief) voortbewogen wordt
juna
verb
  1. nog te sorteren
  2. 1. op een voorwerp een kracht uitoefenen in een richting die ervan wegvoert
  3. 2. een lijn aanbrengen
vetää
noun
1. benaming voor sprinkhanen die normaal gesproken solitair leven,...
kulkusirkka
noun
1. een vogel die 's winters een andere verblijfplaats kiest dan in de broedtijd
muuttolintu
noun
1. diakritisch teken
treema
noun
suru
noun
1. bepaald soort boom met dunne neerhangende takken, Salix babylonica
itkupaju
noun
2. overlegprocedure, in het wetgevend proces, tussen Parlement, Commissie en Raad van de EU
trialogi
noun
1. een slaginstrument in de vorm van een vrijhangende metalen driehoek
triangeli
noun
tribunaali
adjective
1. somber stemmend
surullinen
/ˈtrɪf.tɔŋ/
noun
1. een foneem dat uit drie klinkers bestaat die binnen één lettergreep in elkaar overgaan
triftongi
adjective
1. als hoofdas van de rotatiesymmetrie ten hoogste een drietallige as bezittend, in welke richting ook een van de primitieve translaties zich bevindt indien er sprake is een van een ruimtegroep
trigoninen
noun
1. naam van een grassengeslacht
räpelö
/ˈtrɪlɦarˌdirtʲə/
noun
1. eencellig organisme
ripsieläin
cardinalNumeral
1. 1.000.000.000.000.000.000.000 (1021)
triljardi
cardinalNumeral
triljoona
/'trɪlə(n)/
verb
1. snel heen een weer bewegen
väristä
noun
1.
trilobiitti
noun
1.
trimaraani
noun
1. een periode van drie maanden
lukukausi
/ˌtrinidɑd ɛn toˈbaːɣo/, /ˌtrinidɑt ɛn toˈbaːɣo/, /ˌtrinidɑt ɛn toˈbaχo/
pronoun
1. een land in het Caribisch gebied bestatend uit twee eilanden, officieel de Republiek Trinidad en Tobago
Trinidad ja Tobago
noun
  1. 3. seksuele activiteit met drie personen
    kolmen henkilön välinen seksi
  2. 1. een muziekstuk voor drie spelers
    trio
noun
triodi
noun
  1. 1. feestelijke intocht
  2. 2. grootse overwinning of prestatie
riemuvoitto
verb
menestyä
noun
1. triool
trioli
noun
triskaidekafobia
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Triton
noun
1.
tritonus
pronoun
Trieste
noun
1. duurzaam voorwerp dat na een overwinning als symbool daarvan aan de winnaar wordt uitgereikt
palkinto
noun
1. een driekantige platte schep met handvat voor het opbrengen van metselspecie
lasta
noun
1. een langgerekte voederbak.
kaukalo
pronoun
Troija
/'trɔ.li.bɵs/
noun
johdinauto
noun
1. een koperen blaasinstrument
  1. pasuuna
  2. vetopasuuna
noun
1. de vorming van een bloedprop in een bloedvat of het hart
veritulppa
noun
1. een cilindervormig, met een vel bespannen slaginstrument
rumpu
noun
rumpumuisti
noun
1. onderdeel van een wiel, waarin twee halfcirkelvormige lichamen van binnenuit tegen de wand van een cilinder rond de as worden gedrukt
rumpujarru
noun
1. het strakgespannen vel van een trommel dat geluid maakt als erop wordt geslagen
rumpukalvo
noun
tärykalvo
noun
trompe l’œil
noun
1. een koperen blaasinstrument met ventielen
  1. torvi
  2. vaskitorvi
  3. trumpetti
noun
1. Psophia crepitans
kyssäkurki
/troːn/
noun
1. zetel waar een vorst op zit tijdens formele plechtigheden
valtaistuin
noun
1. steun bij verdriet of pijn
lohtu
verb
1. als iemand verdriet of pijn heeft deze persoon geestelijke steun geven
lohduttaa
noun
  1. alailmakehä
  2. troposfääri
noun
  1. 2. de bundel vruchten die uit een dergelijke bloeiwijze voortkomen
    koko joukko
  2. 1.
    terttu
noun
1. stroming binnen het leninisme, die Stalins politiek te weinig marxistisch vindt en een minder autoritaire en meer internationalistische benadering voorstaat
trotskilaisuus
/trɔˈtʋar/
noun
1. een opvanghuis voor wezen
jalkakäytävä
noun
  1. 1. rondreizend kunstenaar
  2. 2. rondreizend artiest
trubaduuri
/trʌʊ/
adjective
1. op wie men steeds opnieuw een beroep kan doen
uskollinen
verb
1. het aangaan van een officiële verplichting tussen twee personen om voor elkaar te zorgen
mennä naimisiin
noun
vihkisormus
/tryk/
noun
1. een handeling om op een slimme manier een doel te bereiken
temppu
noun
tryffeli
noun
1. een warm kledingstuk voor over het bovenlichaam
villapaita
/tsaːr/
noun
1. vroegere Russische keizer
tsaari
pronoun
1. Helleense taal gesproken door 1500 mensen in het oosten van de Peloponnesos in Griekenland
tsakonia
noun
1.
tsaarinna
/tʃad/, /tʃat/
pronoun
1. een land in Centraal-Afrika, officieel de Republiek Tsjaad
Tšad
/ˈtʃɛxis/, /ˈtʃɛxɪs/, /ˈtʃɛχis/
adjective
1. op Tsjechië betrekking hebbend
tšekkiläinen
/ˈtʃɛxis/, /ˈtʃɛxɪs/, /ˈtʃɛχis/
pronoun
1. Slavische taal die vooral wordt gesproken in de Tsjechische Republiek
  1. tšekki
  2. tšekkiläinen
pronoun
1. een land in [[Midden-Europa]].
Tšekin tasavalta
/ˈtʃɛxi.jə/, /ˈtʃɛχi.jə/
pronoun
1. een land in Midden-Europa, officieel de Tsjechische Republiek, en is het westelijke deel van het voormalige Tsjecho-Slowakije.
  1. Tšekki
  2. Tšekinmaa
pronoun
1. een vroegere staat in Europa, ten zuiden van Polen (van 1918 tot 1993)
Tšekkoslovakia
/tʃɛnobil/
pronoun
Tšernobyl
pronoun
1. een taal die in Tsjetsjenië gesproken wordt
tšetšeeni
pronoun
1.
Tšetšenia
/tsuˈnami/
noun
1. een grote vloedgolf
  1. tsunami
  2. hyökyaalto
pronoun
1. Bantoetaal die wordt gesproken door 4,5 miljoen mensen in Botswana en Zuid-Afrika
tswana
noun
1. een koperen blaasinstrument met lage toon
tuuba
/ˌtybɛrky'løs/
adjective
1. met betrekking tot tuberculose
tuberkuloottinen
/ˌtybɛrkyˈlozə/
noun
1. een ziekte veroorzaakt de de tuberculosebacterie Mycobacterium tuberculosis
tuberkuloosi
noun
1.
tuffi
/tœy̯x/
noun
4. harnas
valjaat
noun
1. het geheel van masten, bomen, zeilen en touwwerk van moderne zeilschepen
takila
noun
1. Tursiops truncatus, dolfijnsoort met robuust gestroomlijnd lichaam
pullokuonodelfiini
/tœy̯n/
noun
1. begrensd stuk grond waarop gewassen worden geplant of verbouwd
puutarha
noun
1. vorm van gewassenkwekerij die zich specifiek toelegt op het intensief telen van groenten, bloemen, planten, bomen, bollen of zaden
puutarhanhoito
noun
1.
kauppapuutarha
noun
1. Sylvia borin, een zangvogel ...
lehtokerttu
/ˈtœʏnhœʏs/
noun
1. een gebouwtje in een tuin voor recreatief gebruik
huvimaja
noun
1. en 2. cultuurplant en eetbaar kruid Lepidum sativum
vihanneskrassi
noun
puutarhuri
noun
puutarhaletku
noun
kolmisädetyräkki
verb
schenkpijp aan een kan of ketel
nokka
noun
1. hoofddeksel
turbaani
noun
1. plant
tulppaani
/tyˈmʏlt/
noun
1.
hulina
/ty.ˈne.zi.jə/, /tʏ.ˈne.zi.jə/
pronoun
land in Noord-Afrika, officieel de Republiek Tunesië
Tunisia
noun
1. lange bloes of korte jurk vaak gedragen over een lange broek door vrouwen
asetakki
noun
1. een kunstmatige ondergrondse doorgang
tunneli
noun
1. een schoepenrad als energieopwekker
turbiini
/ˌtyːrəˈlyːr/
noun
1. een weidevogel
punajalkaviklo
verb
1. veen als brandstof
turve
noun
1. het delven en gebruiksklaar maken van turf
  1. turpeenkaivu
  2. turpeenpoisto
pronoun
1. de hoofdstad van de regio Piëmont en de provincie Turijn
Torino
/tʏrk/
noun
1. Inwoner van Turkije
turkkilainen
/tʏrˈkɛɪ̯.jə/, /tʏrˈkɛː.jə/
pronoun
1. land in Europa en Azië
Turkki
pronoun
1. de taal die door de Turkmenen in Turkmenistan en Afghanistan gesproken wordt
turkmeeni
pronoun
Turkmenistan
/tʏrˈkojs/, /tʏrˈko̝js/
noun
1. een steen bestaande uit het mineraal turkoois
turkoosi
/tʏrks/
pronoun
1. een taal die vooral in Turkije gesproken wordt
  1. turkki
  2. turkkilainen
noun
1. bepaald soort tuinplant, Lilium martagon
varjolilja
noun
1.
turkinkyyhky
pronoun
1. stad in Finland
Turku
/ˈtʏ.sən/
preposition
1. met iets aan minimaal twee kanten het kind staat tussen haar ouders
keskellä
/ˌtʏsənˈdoːrtjə/
noun
1. een versnapering, iets te eten tussen de maaltijden door
  1. välipala
  2. pikkupurtava
adverb
1.
välissä
noun
interventio
/ˈtʏsə(n).ʋɛrpsəɫ/
noun
1. een uitroep, een woord, een frase of een zin die een expressie van emotie is
  1. huudahdussana
  2. interjektio
verb
1. elkaar met jij en jou aanspreken
sinutella
/ˌtu.va.ˈlu/
pronoun
1. een land in Oceanië
Tuvalu
pronoun
1. Austronesische taal, gesproken door 13.080 mensen in Tuvalu, Fiji, Kiribati, Nauru en Nieuw-Zeeland
tuvalu
noun
2. een elektrisch apparaat om bewegende beelden en geluid te ontvangen
televisiovastaanotin
/twaːlf/, /tʋaːl(ə)f/
cardinalNumeral
1. het getal 12
kaksitoista
ordinalAdjective
1. nummer twaalf in een rij
kahdestoista
/tʋeː/
cardinalNumeral
1. het getal 2
  1. kaksi
  2. kakkonen
/tʋeː/
noun
1. het cijfer twee
  1. kakkonen
  2. kaksi
noun
1. geribbeld wollen weefsel
tweed
/ˈtʋeːdə/
ordinalAdjective
  1. toinen
  2. kakkonen
noun
1. 26 december
tapani
noun
toinen persoona
pronoun
1. het geheel van afzonderlijke militaire conflicten die van 1939 tot 1945...
Toinen maailmansota
/ˈtweːˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 200
kaksisataa
/ˈtwelɪŋ/, /ˈtʋelɪŋ/, /ˈtβ̞elɪŋ/
noun
1. twee wezens die met zijn tweeën tegelijk in één buik ontwikkeld zijn
kaksonen
pronoun
2. teken van de dierenriem, traditioneel behorend bij geboortedata van ongeveer 21 mei tot 21 juni
Kaksoset
noun
1.
parivuode
noun
1. kamer waar twee personen kunnen slapen
kahden hengen huone
noun
2.iets met belangrijke, duidelijke voordelen maar met minstens even belangrijke, vaak minder duidelijke nadelen.
kaksiteräinen miekka
noun
1. een voorgestelde manier om het Israëlisch-Palestijns conflict te beëindigen, door twee onafhankelijke staten op te richten op het grondgebied van het voormalige mandaatgebied Palestina (historisch Palestina)
kahden valtion malli
adjective
kaksikielinen
noun
kaksikielisyys
noun
1. een uitdrukking, bestaande uit twee eentermen, die gescheiden worden door het optelteken (+) of aftrekteken (-)
binominen
noun
1. wezen dat op twee voeten loopt
kaksijalkainen eläin
adjective
1. met, of aan twee kanten, belangen, partijen etc.
kaksipuolinen
noun
1. voertuig geschikt voor twee personen
kaksipaikkainen kulkuneuvo
cardinalNumeral
1. het getal 32
kolmekymmentäkaksi
cardinalNumeral
1. het getal 92
yhdeksänkymmentäkaksi
cardinalNumeral
1. het getal 82
kahdeksankymmentäkaksi
cardinalNumeral
1. het getal 22
kaksikymmentäkaksi
cardinalNumeral
1. het getal 42
neljäkymmentäkaksi
cardinalNumeral
1. het getal 52
viisikymmentäkaksi
cardinalNumeral
1. het getal 62
kuusikymmentäkaksi
/ˈtwejənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 72
seitsemänkymmentäkaksi
/ˈtʋɛɪfəɫ/
noun
1. gevoel van onzekerheid ten aanzien van wat men in een gegeven situatie moet doen, geloven e.d.
  1. epäily
  2. epäröinti
/twɛɪ̯x/, /tʋɛɪ̯χ/, /tβ̞ɛːx/
noun
1. een dun buigzaam takje van een boom of struik
varpu
/ˈtʋɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 20
kaksikymmentä
ordinalAdjective
kahdeskymmenes
noun
1.
kiistakapula
/tiˈfon/, /tɑjˈfuːn/
noun
1. een hevige wervelstorm in de Chinese Zee en de Stille Oceaan die ontstaat uit een tropische depressie.
taifuuni
noun
pilkkukuume
noun
1. door bepaalde karakteristieken herkenbare soort
laji
adjective
2. kenmerkend
tyypillinen
noun
2. grafische vorm van tekst
typografia
noun
tyrosiini
pronoun
1. randzee van de Middellandse Zee, gelegen tussen het Italiaans vasteland, Sicilië, Sardinië en Corsica
Tyrrhenanmeri
/yː/
personalPronoun
u (pers.vnw.)
Te
noun
1. bocht van 180°
U-käännös
/ˈyfo/
noun
1. vliegend voorwerp waarvan de identiteit niet bekend is, meestal in verband met een (vermeende) buitenaardse oorsprong
UFO
/œʏ̯/, /œː/
noun
1. Allium cepa, een eetbaar bolgewas
sipuli
noun
1. de melkklier van een herkauwer
utare
/œʏ̯ɫ/, /œːl/
noun
1. benaming voor vogels uit de orde Strigiformes
pöllö
/œʏ̯t/, /œːt/
adverb
  1. 2. balsport term voor als de bal buiten de lijnen van het speelveld is geraakt
    ilmestynyt
  2. 1. niet aan, stand van een apparaat
    pois
/œʏ̯t/, /œːt/
preposition
1. geeft aan van welke plaats iets komt
ilmestynyt
adverb
1. op uitputtende wijze
kattavasti
/ˈœytˌadəmən/
verb
hengittää ulos
noun
1. het uitademen
uloshengitys
noun
2. het uitstoten van gassen, rook en lava door een vulkaan
purkaus
/ˈœʏtbenə(n)/, /ˈœːdbeːnə(n)/, /ˈœːtbenə(n)/
verb
1. het been uit (het vlees) halen
poistaa luut
verb
ulkoistaa
noun
2.
ulkoistaminen
noun
poikkeama
verb
1. iets een groter oppervlak laten innemen
laajentaa
/ˈœʏdaχɪŋ/, /ˈœːdaɣɪŋ/
noun
1. taak die moeilijk te verwezenlijken valt
haaste
verb
1. een gevoel of gedachte in taal verwoorden
ilmaista
/ˈœytrʏkɪŋ/, /ˈœːdrʏkɪŋ(g)/, /ˈœːtrʏkɪŋ/
noun
  1. 2. verbinding van woorden
  2. 3. geheel van sprekende gelaatstrekken
  3. 4. het uitdrukken, uiting
lauseke
/œʏˈtɛɪndələk/
adverb
1. na een hele tijd
lopulta
/ˈœʏ̯tə(n)/, /ˈœːtə(n)/
verb
2. zeggen
täydellinen
verb
1. plotseling en ongewenst iets doms zeggen
höläyttää
verb
  1. 1. ophouden met branden
  2. 3. naar de bar, disco of restaurant gaan
lähteä ulos
/'œʏtχɑŋ/, /'œːtɣaŋ/
noun
uloskäynti
noun
1. de aannames en veronderstellingen waar men van uitgaat
aloitus
/'œytxəmɛrxəlt/
adjective
1.
aliravittu
adverb
1. dodelijk vermoeid
poikki
noun
  1. 1. het dusdanig weinig voedsel laten nuttigen dat dit op den duur verhongering tot gevolg heeft, meestal doelbewust
  2. 2. het uitgehongerd/verhongerd zijn
nälkiintyminen
verb
haravoida
verb
  1. 1. naar buiten komen
  2. 3. tevoorschijn komen
ilmestyä
/ˈœʏ̯tlat/, /ˈœːtlaːt/
noun
1. een opening waardoor iets als afvalproducten naar buiten kan treden
poistohöyry
noun
1. plantkunde
rönsy
noun
1. een verzoek om iets bij te wonen
kutsu
verb
1. in praktijk brengen
käyttää
/ˈœʏtpɑkə(n)/, /ˈœːtpɑkə(n)/
verb
  1. 1. uit een verpakking halen
  2. 2. uit een omhulsel halen
purkaa
noun
1. de toestand waarin iets of iemand aan het eind van zijn of haar krachten is
uupumus
noun
1. uitputtende oorlog, oorlogsvoering
kulutussota
/ˈœtruːp/, /ˈœytruːp/
noun
1. wat men uitroept, luid geuite woorden of klanken
huudahdus
verb
  1. 2. uit emotie luid roepen
    huudahtaa
  2. 1. officieel verklaren
    julistaa
noun
1. !, een leesteken dat uitdrukt dat de zin een uitroep, bevel of uitdrukking van verbazing is
huutomerkki
verb
1. uitrusten
varustaa
noun
1. benodigdheden voor een taak
varustus
verb
1. niet langer tot de mogelijkheden rekenen
hylätä
/œytspra:k/
noun
1. manier waarop iets ten gehore gebracht wordt
  1. ääntämys
  2. ääntäminen
noun
1. woordenboek dat ook aangeeft hoe de woorden uitgesproken moeten worden
ääntämissanakirja
noun
2. biologisch materiaal van de baarmoedermond dat op een objectglaasje wordt uitgesmeerd
irtosolukoe
verb
1.
luetella
verb
hyväksyttää
noun
1. persoon die uitvindingen doet
keksijä
noun
1. de daad van het uitvinden, het ontdekken van een nieuwe methode of een nieuw toestel
keksintö
adjective
1. mogelijk om uitgevoerd te worden
käyttökelpoinen
verb
  1. 2. afhandelen, voltrekken, ten uitvoer brengen
  2. 3. software runnen
ajaa
noun
1.
poikkeama
noun
2. vaste uitgescheiden afvalstoffen van een mens of dier
lanta
noun
vaihtaminen
noun
etäpesäke
noun
1. complete uitrusting van kleren, linnengoed, borden, etc. van een bruid of bruidspaar
kapiot
/œytsɔndərɪŋ/
noun
1. een geval waarbij men iets niet onder een regel laat vallen
poikkeus
/œʏtˈzɔndərlək/
adjective
1. niet alledaags, niet gewoon
poikkeuksellinen
noun
1. een lichtbewapende bereden soldaat in enkele Europese legers
ulaani
/ʏltɪˈmatʏm/
noun
1. laatste eis
uhkavaatimus
noun
1. blauwe verfstof, blauw pigment dat van nature wordt aangetroffen in het mineraal lazuriet
merensininen
adjective
1. van elektromagnetische straling, net buiten het gebied van het spectrum dat met het menselijk oog zichtbaar is
ultravioletti
pronoun
Umbria
/ˈumlʌʊt/
noun
  1. 1. trema dat een vocaalwijziging aangeeft
  2. 2. vocaalwijziging o.i.v. een klinker in de volgende lettergreep
treema
/ʏnɑˈnim/
adjective
1. met eenheid van stemmen
yksimielinen
/y.ˈnik/
adjective
1. enige in zijn soort
ainutlaatuinen
adjective
1. alom bekend, vertegenwoordigd of erkend
yleis-
adjective
akateemikko
/ynivɛrzitɛɪt/
noun
1. een instelling voor hoger onderwijs, wetenschappelijk onderzoek en dienstverlening
yliopisto
noun
1.
yliopistokaupunki
noun
1. het gehele tijd-ruimtecontinuüm waarin wij bestaan, samen met alle materie en energie
  1. maailmankaikkeus
  2. universumi
  3. maailma
  4. kaikki
  5. runsaus
/ʌnstər/
noun
1. een eenvoudig weegtoestel gebaseerd op een balans met ongelijke armen
käsipuntari
noun
1. scheikundig element met symbool Uub en atoomnummer 112
ununbium
noun
1. een scheikundig element met het symbool Uuo en het atoomnummer 118
ununoktium
noun
1. een scheikundig element met het symbool Uup en het atoomnummer 115
ununpentium
noun
1. een gemoderniseerde versie van een computerprogramma
päivitys
verb
1. een bestand van een lokale computer of server naar een computer of server op afstand overbrengen
ladata
noun
1. scheikundig element met symbool U en atoomnummer 92
uraani
noun
1. scheikundig element met symbool U en atoomnummer 92
uraani
pronoun
  1. Uranus
  2. Uranos
pronoun
1. de officiële taal van Pakistan en een van de officiële talen van India
urdu
noun
urea
noun
1. de mate waarin iets dringend gewenst of nodig is
kiireellisyys
noun
1. een vloeistof die bij dieren door de nieren wordt geproduceerd en periodiek wordt geloosd
virtsa
noun
1.bij zoogdieren een orgaan dat de urine uit de nieren verzamelt en deze opslaat tot het moment van urineren
virtsarakko
noun
1. een lange cilindrische holte die de blaas verbindt met de buitenkant van het lichaam
virtsaputki
noun
1. de buis die loopt tussen het nierbekken en de blaas
virtsanjohdin
/ˌyriˈnɪːrə(n)/
verb
1. het via de blaas lozen van lichamelijke afvalstoffen in de vorm van vloeistof
  1. virtsata
  2. pissata
noun
1.
virtsahappo
noun
1. eerste betekenisomschrijving
vaaliuurna
noun
urologia
/ˈu.ru.ˌgʋɑɪ̯/, /ˈu.ru.ˌgβ̞ɑɪ̯/, /ˈuruˌɡwe/, /ˌu.ru.ˈɣ<sup>ʊ</sup>ɛɪ̯/
pronoun
1. en 2. land en staat in Zuid-Amerika
Uruguay
/yʔɛsˈbeʔport/
noun
1. aansluitmogelijkheid waardoor apparaten gegevens uit kunnen wisselen volgens de USB-standaard
USB-portti
/yʔɛsˈbeʔstɪk/
noun
USB-muisti
/ˌytoˈpi/
noun
1. een volmaakte toestand die niet te bereiken is
utopia
/ˈytrɛx/, /ˈytrɛxt/, /ˈytrɛχt/
pronoun
2. de hoofdstad van de provincie Utrecht
Utrecht
/yːr/
noun
1. een eenheid van tijd die bestaat uit 60 minuten
tunti
noun
1. een mechaniek dat de tijd bijhoudt of aangeeft
kello
adjective
epätarkka
/vaːk/
adverb
1. vele malen
usein
noun
± onderscheidende vlag van een schip en/of militaire eenheid
lippu
noun
1. een aspirant-reserveofficier
aliluutnantti
noun
hieho
noun
  1. 3. het varen, het bedrijven van scheepvaart als beroep
    laivamatka
  2. 1. opgebouwde snelheid
    vauhti
/ˈvaːrtœx/, /ˈvaːrtœyx/
noun
1. vervoermiddel op water
alus
noun
1. een aardewerken of glazen kruik, vooral bedoeld voor het in het water zetten van bloemen
maljakko
pronoun
1. stad in Finland
Vaasa
noun
1. een apparaat om automatisch de afwas te doen
astianpesukone
noun
1. een apparaat om automatisch de afwas te doen
astianpesukone
noun
avoin virka
/vakˈsæː/, /vɑkˈsɛː/
noun
1. uit verzwakte ziekteverwekkers bestaande entstof om afweer op te bouwen
rokote
noun
1. een inenting
rokotus
noun
1. een litteken veroorzaakt door een vaccinatie
rokotusarpi
noun
1. materievrije ruimte
  1. tyhjiö
  2. vakuumi
  3. tyhjö
noun
1.
syli
noun
1.
käsikirja
noun
1. een mannelijke ouder
isä
noun
1. een dag waarop vaders extra verwend worden
  1. Isänpäivä
  2. isänpäivä
noun
1. een land of staat waar iemand geboren en opgegroeid is
isänmaa
adjective
1. met betrekking tot de tiende hersenzenuw, de vaguszenuw
vagus
/ˈva.ɣə.ˌvyːr/, /ˈva.χə.ˌvyːr/
noun
1. een toestand waar de zielen van gestorven personen gereinigd worden.
kiirastuli
noun
1. het vrouwelijke geslachtsorgaan
emätin
adjective
emätin
/vɑˈkɑn(t)si/
noun
  1. 1. jaarlijks terugkerende periode waarin leerlingen en personen vrijaf hebben
  2. 2. reis in een jaarlijks terugkerende periode waarin je vrijaf hebt
loma
noun
1. vakvereniging van arbeiders ter verdediging van hun belangen
  1. ammattiliitto
  2. ammattiyhdistys
noun
1. een man die zijn vak of professie verstaat
käsityöläinen
noun
1. vaardigheid in een beroep of handel, de vaardigheid om hoog kwalitatief werk af te leveren
käsityöläisyys
/vɑɫ/
noun
10. apparaat met een vallende deur of klem met als doel dieren te vangen
ansa
pronoun
Valencia
noun
valenssi
noun
1. 14 februari, de dag van de verliefden
ystävänpäivä
noun
valiini
/vɑlk/
noun
1. roofvogel
  1. jalohaukka
  2. haukka
noun
1. bedrijver van valkerij
haukankasvattaja
/vɑlkə'rɛɪ/
noun
1. africhten van roofvogels
haukkametsästys
noun
1. een laagte tussen bergen
laakso
verb
1. vrijelijk onder invloed van de zwaartekracht naar de aarde bewegen
  1. pudota
  2. kaatua
adverb
1. op basis van onwaarheden
valheellisesti
noun
1.
väärentäjä
noun
1. mythologisch ondood wezen
vampyyri
preposition
1. geeft bezit aan
-kuinen
phraseologicalUnit
1. oprecht en onvoorwaardelijk
täysin rinnoin
noun
1. scheikundig element met symbool V en atoomnummer 23
vanadiini
adverb
tänä iltana
adverb
1. op deze dag
  1. tänään
  2. tämä päivä
noun
1. moedwillige en nodeloze beschadiging of vernietiging van andermans of openbaar eigendom
ilkivalta
verb
  1. 1. te pakken krijgen
  2. 2. onderscheppen
  1. pyydystää
  2. ottaa kiinni
noun
turvaverkko
/ˈvɑŋ.re(i)l/
noun
1. metalen stroken langs autowegen, die dient om te voorkomen dat auto's van de rijbaan raken
suojakaide
/vɑŋs/, /vɑŋst/
noun
saalis
/vɑ'nijə/
noun
een smaak- en geurstof geëxtraheerd van de vanilleplant
vanilja
noun
1. vloeistof onttrokken aan vanillestokjes in een ethanol oplossing
vaniljauute
adverb
1. de komende nacht
tänä yönä
/va.nu.ˈwa.tu/
pronoun
1. een land in Oceanië, officieel de Republiek Vanuatu
Vanuatu
noun
1. Varanidae, de grootste levende hagedis
varaani
noun
1. een sporenplant
saniainen
noun
muunnelma
/ˌva.ri.ˈjɑn.si/, /ˌva.ri.ˈjɑn.tsi/
noun
1. een maat voor de spreiding van een variabele of van een verdeling gedefinieerd als de wortel uit de variantie
varianssi
noun
muuntelu
noun
suonikohju
verb
vaihdella
noun
kielimuoto
noun
1. een tam zwijn, gehouden voor zijn vet en vlees
sika
pronoun
1. baai op de Cubaanse kust
Sikojenlahti
noun
onder-/zijkant van de buik van een varken
porsaankylki
noun
2. lever van een varken
sianmaksa
noun
2. lever van een varken
sian kieli
noun
sianliha
noun
vaseliini
noun
1. vaatvernauwing
verisuonten supistuminen
adverb
1. zeker van wat te doen
määrätietoisesti
/vɑstə'lɑnt/
noun
1. land in verbinding met continentale landmassa
manner
noun
paasto
verb
1. zich onthouden van voedsel
paastota
verb
1. bevestigen dat iets zo is.
päättää
noun
1. ronde ton waar allerhande vloeistoffen in opgeslagen worden
tynnyri
noun
1. het gevoelig zijn voor iets; het kunnen overnemen van een eigenschap
alttius
/vatiˈkanstɑt/, /vatiˈkaːnstɑd/, /vatiˈkaːnstɑt/
pronoun
1. land in Europa, het kleinste onafhankelijke land ter wereld, het territorium van de Heilige Stoel.
Vatikaanivaltio
noun
vasalli
adjective
1.
sotaisa
noun
joukkotappelu
noun
vektori
noun
1. middeleeuws, meestal vijfsnarig strijkinstrument
fiideli
/veː/
noun
1. door de mens om economische redenen gehouden dieren
karja
noun
1. iemand die zich specialiseert in de geneeskunst van dieren
eläinlääkäri
/feɪɫ/, /veːl/
indefiniteCardinalNumeral
1. groot in hoeveelheid
paljon
noun
1. een gesloten stelsel lijnsegmenten die samen een plat vlak omsluiten
  1. monikulmio
  2. polygoni
adjective
1.
monikulmio
noun
monikerta
noun
1. bepaald soort zoogdier, Gulo gulo
ahma
noun
1. het veel mogelijkheden of kwaliteiten hebben; het geschikt zijn voor veel taken
monipuolisuus
noun
1.
maamyyräsirkka
/veːr/, /vɪːr/
noun
2. mechanische tong of spiraal waarop door buiging spanning gezet kan worden
  1. vieteri
  2. jousi
noun
2. herstellingsvermogen van iemands gestel of gemoed
elastisuus
noun
1. een persoon die een veer bedient
lautturi
noun
1. een overzetvaartuig
autolautta
/ˈvɪːrtin/
cardinalNumeral
1. het getal 14
neljätoista
ordinalAdjective
neljästoista
/ˈfɪːrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 40
neljäkymmentä
noun
karja
noun
veganismi
verb
1. zonder water schoonmaken met een borstel
harjata
adjective
1. als of voor vegetariërs
kasvis
noun
kasvissyöjä
/ˈvɛilə(n)/
verb
1. verkopen op een openbare verkoping waar een prijs vastgesteld wordt
huutokaupata
adjective
1. niet aan gevaar blootstaand
turvallinen
noun
1. een situatie waarin een bepaald gevaar niets kan aanrichten
turva
pronoun
1. orgaan van de Verenigde Naties met als primaire verantwoordelijkheid ...
Yhdistyneiden kansakuntien turvallisuusneuvosto
noun
1. een afsluitbare gebogen pin waarmee men twee stukken stof bijeen kan houden, voorzien van een veiligheidskapje dat voorkomt dat men zich eraan bezeren kan
hakaneula
/ˈvɛɪ̯.lɪŋ/, /ˈvɛː.lɪŋ/
noun
1. een plaats waar goederen bij opbod of afslag verkocht worden
huutokauppa
noun
  1. 1. dunne laag
    arkki
  2. 2. afgestroopte huid
    kalvo
adjective
velaari
/vɛlt/
noun
  1. 2. stuk land voor het bedrijven van een sport
  2. nog na te kijken
kenttä
/ ˈvɛltflɛs /
noun
1. een afsluitbare en draagbare fles, meestal uit metaal of plastic vervaardigd, die gebruikt wordt om de drager buitenshuis van vocht te voorzien
kenttäpullo
noun
kenttäsairaala
noun
  1. kiuru
  2. leivonen
noun
1. en 2. (bladeren van) kruidachtige plant Valerianella locusta
vuonankaali
noun
1. een treffen tussen twee of meer legers
taistelu
noun
maasälpä
noun
1.
suopöllö
/ˈvɛld.zyː.rɪŋ/, /ˈvɛɫ.tsyː.rɪŋ/
noun
1. en 2. (bladeren van) de plant Rumex acetosa
niittysuolaheinä
/vɛlx/, /vɛlχ/
noun
1. de buitenrand van een wiel waar de band omheen zit
vanne
verb
1. neer doen komen, doen vallen
hakata
pronoun
1. een Bantoetaal die in Zuid-Afrika gesproken wordt
venda
adjective
1. met betrekking tot de geslachtsziekten
veneerinen
pronoun
1. een taal die in de Veneto-regio gesproken wordt
venetsia
//
pronoun
1. provincie in Italië
Venetsia
pronoun
Veneto
/ˌvenəzyˈweːla/, /ˌvenəzyˈβ̞ela/, /ˌvenəzyˈβ̞eːla/
pronoun
1. een land in het noorden van Zuid-Amerika
Venezuela
noun
1. soort naaldboom (Taxus baccata)
  1. marjakuusi
  2. euroopanmarjakuusi
noun
1., 2., 3. of 3. (zaad, bladeren of knol van) plant Foeniculum vulgare
fenkoli
noun
1. gedroogde zaden van Foeniculum vulgare
fenkolinsiemen
noun
1. onderneming of bedrijf met meerdere aandeelhouders
yhtiö
noun
1. muuropening om lucht en licht door te laten
ikkuna
noun
venttiili
noun
  1. tuuletin
  2. puhallin
pronoun
1. planeet
Venus
noun
kärpäsloukku
adverb
1. op grote afstand
kaukainen
/vərˈɑxtə(n)/, /vərˈɑçtə(n)/
verb
  1. 1. in hoge mate minachten
  2. 2. trotseren
halveksia
/vərˈadəmɪŋ/
noun
1.
lepotauko
verb
1. een overdreven bewondering koesteren
ihannoida
/vɛ.ˈrɑf.sxy.wə(n)/
verb
1. afschuw hebben voor
inhota
verb
    1. 1. zodanig aan iets werken of iets behandelen dat het anders wordt
    2. 2. zodanig aan zichzelf werken of zichzelf behandelen dat men anders wordt
    muuttaa
  1. 3. anders worden
    vaihtaa
noun
1. iets dat anders is geworden
muutos
adjective
  1. 1. iets met extra verplichtingen of moeilijkheden om het goed te laten lopen
  2. 2. de verantwoordelijkheid hebbend
vastuussa
adverb
1. er op aangesproken kunnen worden als het niet goed gaat
vastuussa
noun
1. de verplichting om ervoor te zorgen dat iets goed verloopt
vastuu
verb
1. armer worden
köyhtyä
adjective
1. met woorden
sana-
adverb
1. als je iets vreemd vindt omdat je het niet verwacht had
hämmästynyt
verb
1. iemand van regeringswege dwingen een bepaald gebied te verlaten
ajaa maanpakoon
/vər.ˈbɑ.nɪŋ/
noun
1. het verbod opgelegd krijgen naar een bepaalde plaats terug te keren
karkotus
verb
1. door iets onverwachts gevoelsmatig treffen
hämmästyttää
noun
1. grote verwondering
yllätys
/vər.ˈbeːɫ.dɪŋ/, /vər.ˈbɪːɫ.dɪŋ/, /vɛr.ˈbeːl.dɪŋ(g)/
noun
2. iets visualiseren, ergens een beeld bij maken
mielikuvitus
verb
1. iets ergens plaatsen waar het niet gemakkelijk door anderen gevonden wordt
kätkeä
/vər.ˈbe.tə,rɪŋ/
noun
1. een verandering ten goede
parannus
/vɛɾ.'bi:.dǝ(n)/
verb
1. een bepaalde handeling strafbaar stellen
kieltää
verb
  1. 1. twee of meer onderdelen aan elkaar vastmaken
  2. 2. met iets of iemand contact maken via de telefoonlijn
yhdistää
/vər.ˈbɪn.dɪŋ/, /vɛr.ˈbɪn.dɪŋ(g)/
noun
  1. 2. scheikunde
    yhdiste
    1. 3. communicatie
    2. 1. verbinden of samenvoegen
    yhteys
verb
1. alle kleur verliezen
kalveta
noun
käynti
noun
1. een plaats waar men, al dan niet noodgedwongen, verblijft
olinpaikka
verb
1. verstomd doen staan van verbazing
hämmentää
/vərˈbɔt/
noun
1. strafmaatregel
kielto
adjective
pökerryksissä
verb
1. verteerd worden door vuur of hitte
hapettaa
noun
palaminen
noun
1. motor waarbij de kracht wordt opgewekt door verbranding van een brandstof
polttomoottori
noun
2. de totale verbruikte hoeveelheid
kulutus
verb
2. het stelselmatig veranderen van de uitgang van een naamwoord al naargelang de functie van het woord in de zin
taivuttaa
/vər.ˈbœʏ̯.χɪŋ/, /vər.ˈbœː.ɣɪŋ/
noun
1. naamwoordsflexie
taivutusluokka
verb
1. met een laagje chroom bedekken
kromata
adverb
epäilyttävä
noun
1. iemand die verdacht wordt
epäilty
verb
1. overgaan van een gecondenseerde fase, vast of vloeibaar, naar de gasfase
haihtua
noun
1.
haihtuminen
verb
1. beschermen tegen een aanval
puolustaa
verb
1. in kleinere stukken uiteendoen
jakaa
verb
1. het vermoeden hebben van iets slechts
epäillä
/vər.ˈdɛŋ.kɪŋ/
noun
1. het vermoeden van het uitvoeren van een (strafbaar) feit
epäily
adverb
kauemmaksi
verb
  1. 2. geld verkrijgen door arbeid of een andere prestatie
  2. 1. het recht op een beloning of bestraffing verwerven
ansaita
noun
2. goede, opbouwende daad
ansio
/vɛr.ˈdi.pə(n)/
verb
1. dieper maken
syventää
/vər.ˈdi.pɪŋ/
noun
3. alle ruimten op één hoogte in een gebouw
kerros
verb
  1. 1. dikker worden
  2. 2. dikker doen worden
paksuuntua
interjection
hitto
verb
1. de pijnprikkel onderdrukken, bijvoorbeeld door het toedienen van een medicijn
nukuttaa
noun
1. een gevoel van droefheid
suru
verb
  1. 1. driemaal zo groot maken
  2. 2. driemaal zo groot worden
kolminkertaistaa
noun
hukkuminen
verb
2. iets (m.n. geld) ontvreemden/stelen
kavaltaa
/vər.ˈdœʏ̯.stə.rɪŋ/, /vər.ˈdœː.stə.rɪŋ/, /vɛr.ˈdœːs.tə.rɪŋ(g)/
noun
pimennys
verb
2. door toevoeging van oplosmiddel de concentratie verlagen
laimentaa
/vərˈdʋɛɪnə(n)/
verb
1. wegraken
kadota
noun
1. het verdwijnen
katoaminen
/vərenˈvʌʊdəχtʃiˌnes/, /vərenˈvʌːdəxtʃiˌnes/
phraseologicalUnit
1. het schrift waarmee het Chinees met name op het vasteland van China geschreven wordt
yksinkertaistettu kiina
verb
ikuistaa
/vɛrɛɪsə(n)/
verb
1. nodig hebben
  1. vaatia
  2. tarvita
/vəˈrenəχt ˈkonɪŋkˌrɛɪ̯k/, /vəˈreːnəxt ˈkoːnɪŋkˌrɛːk/, /vəˈreːnɪx ˈkoːnɪŋkˌrɛɪ̯k/
pronoun
  1. Yhdistynyt kuningaskunta
  2. Iso-Britannia
/vɛrenəɣdə arabisə emiratən/
pronoun
land in het Midden-Oosten, officieel de Verenigde Arabische Emiraten, vaak afgekord tot V.A.E.
  1. Arabiemiirikunnat
  2. Yhdistyneet arabiemiirikunnat
pronoun
1. unie van Egypte en Syrië van 1958 tot 1961, en de officiële naam van Egypte van 1961 tot 1971
Yhdistynyt arabitasavalta
noun
Yhdistyneet kansakunnat
pronoun
1. een land dat een groot deel van het Noord-Amerikaanse continent beslaat en opgedeeld is in vijftig staten
Yhdysvallat
/və.ˌre.nəx.də.ˈsta.tə(n).vɑn.ɑ.ˈmeː.ri.ka/, /və.ˌreɪ̯.nəχ.də.ˌsta.tə(n).vɑn.ɑ.ˈmɪː.ri.ka/, /vɛ.ˌʁe.nɪx.də.ˈsta.tə(n).va.na.ˈmeː.ʁi.ka/
pronoun
1. een land dat een groot deel van het Noord-Amerikaanse continent beslaat en opgedeeld is in vijftig staten
Yhdysvallat
verb
1. afzonderlijke delen tot één geheel maken
liittyä yhteen
/və.ˈre.nə.ɣɪŋ/, /və.ˈre.nə.χɪŋ/, /vər.ˈe.ni.ɣɪŋ(g)/
noun
1. groepering van mensen die op een bepaald doel gericht is
yhdistys
verb
1. tot onderwerp van aanbidding hebben, eer bewijzen
arvostaa
verb
1. erger worden of maken
pahentaa
/vɛrf/
noun
1. de algemene benaming voor een product dat bedoeld is om voorwerpen te beschermen...
maali
verb
1. mooier maken
kaunistaa
verb
elvyttää
/vərˈɣadəˌrɪŋ/, /vərˈχadəˌrɪŋ/
noun
1. een georganiseerde bijeenkomst voor bespreking en overleg
kokous
noun
lemmikki
noun
kosto
adjective
1. goed te vergelijken
verrattavissa oleva
verb
1. de overeenkomsten en verschillen van twee zaken in beschouwing nemen
verrata
/vɛrɣə'lɛɪkɪŋ/
abbreviation
  1. 1. relatie tussen twee zaken
    vertailu
  2. 2. wiskundige uitdrukking
    yhtälö
noun
1. het geel worden, m.n. door veroudering
kellastuminen
verb
1. uit het geheugen verloren gaan
unohtaa
verb
1. vergiffenis schenken
antaa anteeksi
/'vɛrxəvɔrdərt/
adjective
1.
myöhäinen
/vərˈxit/
noun
1. teiltje met gaten
lävikkö
verb
valaa
/vərˈɣɪf/
noun
1. iets dat levende wezens schaadt
myrkky
noun
1. het iemand niet kwalijk nemen van iets; het kwijtschelden van een schuld
anteeksipyyntö
verb
1. blootstellen aan een voor het lichaam schadelijke vreemde stof
myrkyttää
noun
de toestand van vergiftigd worden
myrkyttäminen
noun
1. bolle lens waardoor de voorwerpen die men bekijkt groter lijken
suurennuslasi
verb
1. groter doen worden
suurentaa
/vərˈɣrotəndə trɑp/
noun
1. de vorm die het bijvoeglijk naamwoord aanneemt in vergelijkingen
komparatiivi
noun
1. een toename in grootte
suurennus
/vər'xœyzə(n)/
verb
1.
herjata
verb
1. een voorwerp bedekken met een dun laagje goud
kullata
noun
1. een officiële (noodzakelijke) toestemming om een bepaalde activiteit uit te voeren
ajokortti
/vər'ɦal/
noun
1. verslag (mondeling of schriftelijk) van een waargebeurde of verzonnen gebeurtenis
tarina
noun
kaltevuus
noun
1. het onjuiste gebruik van een woord of uitdrukking
malapropismi
verb
1. voorkomen, ervoor zorgen dat iets niet gebeurt
estää
noun
1. een indringende ondervraging van een gevangene of verdachte
kuulustelu
verb
  1. 1. van woonplaats veranderen
  2. 2. de inboedel van een ander overbrengen
muuttaa
/vərˈhœʏzɪŋ/, /vərˈhœːzɪŋ/
noun
1. de verwisseling van één (semi-) permanente woonplaats voor een andere
muutto
noun
1. de dag waarop iemand viert dat hij of zij geboren werd
syntymäpäivä
noun
1.
syntymäpäiväkakku
verb
1. jonger maken
nuorentaa
/vər'jɔŋɪŋ/
noun
2. vernieuwen van de (levens)krachten
nuorentuminen
noun
1. het geheel van verplaatsingen waarbij goederen of personen vervoerd worden
liikenne
noun
1. gestandaariseerd bord met aanwijzingen voor mensen in het verkeer
liikennemerkki
noun
1. een installatie die middels gekleurde lichten het verkeer op een kruispunt regelt
liikennevalo
noun
2. militaire verkenning
tiedustelu
verb
1. iemand door een stemming een ambt doen toekomen
valita
/vər.ˈki.zɪŋ/, /vɛr.ˈki.zɪŋ(g)/
noun
1. het kiezen door middel van stemming
  1. vaali
  2. vaalit
/vɛrˈklarə(n)/
verb
1. duidelijk maken
selittää
/vər.ˈkla.rɪŋ/, /vɛr.ˈkla.rɪŋ(g)/
noun
  1. 1 het verklaren
  2. 3. opheldering
selitys
verb
2. zich vermommen door andere kleren aan te trekken
pukeutua
/vərˈklɛɪ̯nʋɔːrt/
noun
1. woord waardoor iets als klein of weinig wordt voorgesteld
  1. deminutiivi
  2. diminutiivi
noun
ilmiantaja
verb
mämmätä
verb
hutiloida
noun
1. het verkopen (voor geld aan een ander geven)
myynti
/vərˈkopə(n)/
verb
1. goederen tegen betaling aan een nieuwe eigenaar geven
myydä
noun
1. iemand die goederen of diensten verkoopt
myyjä
verb
1. iemand met geweld tot seksueel verkeer dwingen
raiskata
noun
1. een seksuele daad onder dwang
raiskaus
verb
1. in bezit krijgen, verwerven
hankkia
/vər'lɑmə(n)/
verb
1. van het vermogen zich te bewegen beroven
halvaannuttaa
noun
1. toestand waarin men niet is staat is zich te bewegen
halvaus
verb
1. weggaan
lähteä
noun
1. de voorafgaande tijd
menneisyys
noun
imperfekti
verb
1. tot kwaad brengen
viekoitella
/vər.ˈlɛɪ̯.dɪŋ/, /vər.ˈlɛː.dɪŋ/, /vɛr.ˈlɛɪ̯.dɪŋ/
noun
1. het verleiden van iets of iemand
houkuttelu
/vərlenə(n)/
verb
1. iemand begunstigen met iets, iemand iets toestaan
myöntää
/vərˈlɛŋə(n)/
verb
1. langer maken
pidentää
/vər.ˈlɛ.ŋɪŋ/, /vɛr.ˈlɛ.ŋɪŋ/
noun
1. dat waarmee iets verlengd is
pidennys
noun
elektrisch snoer voorzien van stekker en contrastekker
jatkojohto
verb
2. minder zwaar maken
keventää
adjective
rakastunut
noun
1. het teloorgaan, kwijtraken
tappio
verb
  1. 2. niet winnen
    hävitä
  2. 1. iets kwijt raken
    kadottaa
noun
1. iemand die in een spel, wedstrijd, onderhandeling of oorlog verliest
häviäjä
noun
loma
adjective
1.
houkutteleva
noun
1. iets wat heel aantrekkelijk is, maar verkeerd en zondig is
houkuttelu
adjective
kihloihin
noun
1. iemand die toegezegd heeft met een partner in het huwelijk te willen treden
kihlattu
noun
2. de beroepsmatige begeleiding tijdens iemands zwangerschap en de bevalling
kätilöys
/vər.ˈlɔ.sɪŋ/, /vɛr.ˈlɔ.sɪŋ/
noun
1. de bevrijding van de gevolgen van de zonden van de mens door het geloof in Jesus
pelastaminen
verb
1. iemand een (informele) belofte om te trouwen geven
kihlata
verb
1.aan lichaamsgewicht verliezen
laihtua
verb
  1. 1. iemand prettig en leuk bezighouden
    huvittaa
  2. 3. iets in een testament toebedelen
    testamentata
verb
1. een feit noemen in een verhaal of tekst
mainita
noun
maininta
verb
sekoittaa
verb
1. het herhaald optellen van een getal; een rekenkundige bewerking waarvan de uitkomst het product wordt genoemd
kertoa
/vər.ˌme.nəx.ˈvʏɫ.də.ɣɪŋ/, /vər.ˌme.nəχ.ˈvʏɫ.də.χɪŋ/, /vɛr.ˌme.nɪx.ˈvʏl.di.ɣɪŋ(g)/
noun
1 .een vermeerdering tot een veelvoud van het oorspronkelijke aantal
kertolasku
/vərˈmɛi̯də(n)/
verb
1. trachten te ontwijken
välttää
noun
2. naar oranje zwemende dieprode kleur
tulipunainen
verb
1. iemands lichaam blijvend en misvormend letsel toebrengen
pahoinpidellä
noun
1. een waarschijnlijke waarheid
konjektuuri
verb
1. een gedachte koesteren waarvan men niet zeker is maar die een zekere waarschijnlijkheid inhoudt
olettaa
noun
uupuminen
/vərˈmoχə(n)/
noun
2. de kwaliteiten om iets te kunnen doen
teho
verb
1. gewelddadig van het leven beroven
murhata
noun
1. versterkte wijn, op smaak gebracht met aromatische planten en kruiden
vermutti
verb
1. iemand zo behandelen dat hij zich minderwaardig voelt
nöyryyttää
adjective
1. van iets dat het je eer aantast
nöyryyttävä
noun
1. einde maken aan het bestaan van iets
hävittäminen
verb
1. een bepaalde aanname maken
olettaa
noun
oletus
/və.rɔn.ˈtʋar.də.χɪŋ/, /və.rɔn.ˈtβ̞ar.də.ɣɪŋ/, /vɛr.ɔnt.ˈwar.di.ɣɪŋ(g)/
noun
1. boosheid
närkästys
verb
1. in een rechtszaak een oordeel uitspreken
tuomita
verb
1. de oorzaak zijn van
aiheuttaa
noun
asetus
adjective
vanhentunut
/vərovərə(n)/
verb
1. een gebied door een militaire operatie in zijn macht nemen
  1. voittaa
  2. valloittaa
  3. vallata
noun
valloitus
noun
1. het materiaal waarin iets verpakt is
pakkausmateriaali
noun
  1. 1. iemand die beroepshalve patiënten verpleegt
  2. 2. een deskundige in de verpleegkunde
hoitaja
noun
1. vrouw die zorg verleent aan zieken of gewonden
hoitaja
verb
1. een zieke verzorgen
hoitaa
adjective
1. vernietigend
murskaava
adjective
1. door iets of iemand gedwongen
pakollinen
verb
1. tot regel maken dat iets moet
tyrkyttää
/vər.ˈplɪx.tɪŋ/, /vər.ˈplɪχ.tɪŋ/, /vɛr.ˈplɪx.tɪŋ(g)/
noun
1. iets dat moet
velvollisuus
/vəˈraːt/
noun
1. het schenden van trouw
petos
verb
2. een geheim prijsgeven
pettää
noun
1. iemand die verraad pleegt
maanpetturi
adjective
petollinen
verb
  1. 1. iemand onverwachts met iets confronteren
  2. 2. iemand onverwachts verblijden
yllättää
/və.ˈra.sɪŋ/, /və.ˈrɑ.sɪŋ/, /vɛ.ˈrɑ.sɪŋ(g)/
noun
1. een geheel onverwachte gebeurtenis
yllätys
/ˈvɛrəˌkɛːkər/, /ˈvɛrəˌkɛːɪkər/
noun
1. een optisch instrument om voorwerpen op grote afstand te kunnen waarnemen door het vergrotend effect van het instrument
  1. kiikari
  2. kaukoputki
verb
1. rijker maken
lannoittaa
adjective
  1. 2. niet ingeblikt, niet diepgevroren
  2. 1. nieuw, net gemaakt
tuore
noun
  1. 1. gedicht
    jae
    1. 2. dichtregel
    2. 3. couplet
    säkeistö
noun
  1. 1. militaire versterking
  2. 2. reling van een schip
lisälaita
/vər'sxɛɪnə(n)/
verb
  1. 1. aan het licht treden, zichtbaar worden
  2. 3. voor het gerecht verschijnen
ilmestyä
noun
ilmaantuminen
/vɛrsxɛɪnsəɫ/
noun
1. iets dat zich voordoet
ilmiö
noun
1. een aspect dat bij vergelijking anders is
erotus
adjective
1. niet op elkaar lijkend
erilainen
adverb
1. zo erg dat men er van schrikt
kauhea
verb
1. het verbranden van materiaal zonder aanwezigheid van vuur
polttaa
verb
1. door uitdroging rimpelig en klein worden
romahtaa
adjective
1. verplicht om aan iemand te geven
velka
/ˈfɛrsi/
noun
  1. 1. specifieke vorm of variant van een uitgave
  2. 2. bepaalde verklaring of interpretatie van een gebeurtenis
versio
/vɛrˈsi:rə(n)/
verb
1. iets meer aantrekkelijk of mooier maken
  1. koristaa
  2. koristella
  3. ihailla
noun
1.iemand die verslaafd is aan iets
-himoinen
verb
1. te lang blijven slapen met als gevolg dat men een afspraak mist
nukkua pommiin
verb
1. slechter worden
heiketä
verb
1. door veelvuldig gebruik onbruikbaar worden of maken
rasittaa
verb
1. een grotere snelheid (doen) bereiken
kiihdyttää
noun
  1. 1. toename van het tempo
    kiihdytys
  2. 2. tweede tijdsafgeleide van de positie
    kiihtyvyys
noun
1. een schakelinrichting aan een motorvoertuig om van de ene naar de andere versnelling te gaan
vaihdelaatikko
verb
1. tot splinters maken
lyödä säpäleiksi
verb
1. in omloop brengen, over een groter oppervlak uitbreiden
hajottaa
/vər.ˈstaːn/
verb
1. begrijpen van een uiting
ymmärtää
noun
te controlerende vertalingen
järkevyys
verb
1.
kivettää
verb
2. het aantal vergroten
vahvistaa
noun
1. signaalversterker
vahvari
/vər.ˈstɛr.kɪŋ/, /vɛr.ˈstɛr.kɪŋ(g)/
noun
    1. 1. het versterken
    2. 2. extra hulp in probleemsituaties
    lujike
  1. 3,4. signaalversterking
    vahvistaminen
verb
1. doen stikken
tukehduttaa
noun
1.
asfyksia
/vərˈstɔ.pər.tjə/
noun
kuurupiilo
noun
1.
hajamielisyys
noun
1.
nyrjähdys
noun
1. in de poëzie gebruikte term voor een combinatie van beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen
poljento
verb
1. omzetten van geschreven of gesproken informatie naar een andere taal
kääntää
noun
kääntäjä
/vərˈtalɪŋ/
noun
1. iets dat vertaald is
  1. käännös
  2. kääntäminen
/ˈvɛrtə/
noun
1. het gebied dat nog net binnen zichtsafstand is
kaukaa
adjective
1.
hellyttävä
noun
1. iemand die de plaats van een ander inneemt
edustaja
verb
1. een al of niet ware gebeurtenis verhalen
kertoa
noun
1. een verhaal dat bedoeld is om verteld te worden
kertomus
verb
1. voedsel afbreken
sulattaa
adverb
pystysuora
verb
1. een voorwerp bedekken met een dun laagje tin
tinata
verb
1. langzamer doen worden
hidastaa
/vər.ˈtra.ɣɪŋ/, /vər.ˈtra.χɪŋ/, /vɛr.ˈtra.ɣɪŋ(g)/
noun
1. het langzamer gaan
viivästys
noun
2. de actie van het vertrekken of weggaan
lähtö
verb
1. weggaan
lähteä
noun
lähtöaika
noun
1. het geloof in betrouwbaarheid van een persoon
luottamus
verb
hämärtyä
noun
  1. 3 verschil in waterstand
    alasmeno
  2. 1 verslechteren
    laho
/vər.ˈvɑɫ.sɪŋ/, /vɛr.ˈvɑl.sɪŋ(g)/
noun
1. een artefact opzettelijk nagemaakt om mensen in de waan te brengen dat het echt is
jäljitelmä
/vər'vɑŋə(n)/
verb
1. het ene de plaats doen innemen van het andere
korvata
noun
tylsyys
verb
1. met verf bestrijken
maalata
verb
1. iets viermaal zo groot maken
nelinkertaistaa
noun
kadotus
verb
A.1 omvormen van een werkwoord om wijze, tijd en persoon uit te drukken
taivuttaa
/vər.ˈvu.ɣɪŋ/, /vər.ˈvu.χɪŋ/, /vɛr.ˈvu.ɣɪŋ(g)/
noun
1. werkwoordsflexie
konjugaatio
noun
1. voorwerp bestemd om personen of goederen naar een andere plaats te brengen
  1. ajoneuvo
  2. kulkuväline
/vər'vɔlɣən/
verb
2. niet rusten voor iemand bestraft of geweld aangedaan is
ahdistaa
noun
2. het vervolgen of vervolgd worden
sorto
noun
1. een ongeplande verandering van de oorspronkelijke vorm
venymä
verb
1. vreemd maken, van eigenaar doen wisselen
vieraannuttaa
noun
2. overdracht van het eigendom
luovutus
verb
1. het (doen) uitkomen van een voorspelling of belofte
täyttää
adjective
1. zich boven anderen verheven voelend
itsekäs
verb
1.
alentua
adjective
1. niet de moeite om zich met iets bezig te houden
  1. merkityksetön
  2. mitätön
  3. vähäpätöinen
verb
1. iets niet de benodigde verzorging schenken
lyödä laimin
verb
1. ergens van uitgaan
ajatella
/vər.ˈʋɑχ.tɪŋ/, /vər.ˈβ̞ɑx.tɪŋ/, /vɛr.ˈwɑx.tɪŋ(g)/
noun
datgene wat verwacht wordt
odotus
adjective
  1. 1. geparenteerd, familie zijnd
  2. 2. op een of andere wijze gerelateerd
sukua oleva
noun
2. overeenkomst, affiniteit
suhde
/vər.ˈʋɑr.mɪŋ/, /vər.ˈβ̞ɑr.mɪŋ/, /vɛr.ˈwɑr.mɪŋ(g)/
noun
2. een installatie die voor het verwarmen zorgt
lämmitys
/vɛrˈʋɑrən/
verb
2. door elkaar halen
  1. sekoittaa
  2. erehtyä
noun
puolustelu
/və(r).ˈʋɛ.kə(n)/
verb
doen ontstaan (ook in biologische zin)
siittää
adjective
hemmoteltu
/vərˈʋɛrkə(n)/
verb
1. een grondstof of halffabrikaat gebruiken om een eindproduct te vervaardigen
käsitellä
noun
1. het verkrijgen van iets
hankinta
noun
1. het verwijderen
poistaminen
/vər'wɛift/
adjective
1.
epämiehekäs
/vər'ʋɛɪzə(n)/
verb
1. naar iets of iemand anders wijzen of sturen
neuvoa
verb
1. ~ van iemand ergens van op de hoogte brengen
ilmoittaa
noun
1.
aavikoituminen
noun
1. lichamelijk letsel
vamma
verb
1. minder erg maken
pehmentää
noun
kyllästäminen
noun
kerääjä
/vər.ˈza.mə.lɪŋ/, /vɛr.ˈza.mə.lɪŋ(g)/
noun
2. wiskundige verzameling
joukko
/vərzekərar/
noun
1. een bedrijf dat tegen betaling van een premie een bepaald risico voor een klant dekt
vakuuttaja
verb
  1. 2. tegen betaling van een premie ...
  2. 1. verklaren dat iets ...
vakuuttaa
/vər.ˈze.kə.rɪŋ/, /vɛr.ˈze.kə.rɪŋ(g)/
noun
1. overeenkomst waarmee men zorgt voor vergoeding van schade, diefstal e.d...
vakuutus
noun
1. handelingen gericht tegen de heersende macht of de aanvallende vijand
vastarintaliike
noun
1. beweging van het verzet, de gezamenlijke mensen die zich verzetten tegen een overheerser
vastarintaliike
verb
4. met een laag zink afdekken
galvanoida
verb
1. aan iemand vragen iets al dan niet te doen
  1. pyytää
  2. anoa
verb
1. vrede laten sluiten
täsmäyttää
noun
1.
välittäjä
verb
1. de zool van een schoen vervangen
vaihtaa kengänpohja uuteen
verb
1. zuur (doen) worden
hapottaa
noun
1.zuur worden van het milieu
happamoittaminen
/vɛrzʋɑkə(n)/
verb
  1. 1. zwakker maken
  2. 1. zwakker worden
heikentyä
noun
1. een mouwloos jasje, te dragen onder de jas van het kostuum
liivi
noun
linnoitus
adjective
1. dik, vet inhoudend
  1. lihava
  2. paksu
  3. läski
noun
  1. 1. gladde, zeer vette vloeistoffen, smeermiddelen
  2. 2. gespecialiseerd dierlijk weefsel
rasva
/vɛtblɑt/
noun
1.1 bepaald soort vleesetende plant, Pinguicula vulgaris
siniyökönlehti
adjective
eläinlääketieteellinen
verb
1. een dier/persoon overvloedig en calorierijk voedsel aanbieden zodat deze in gewicht aankomt
lihottaa
noun
1. veto
veto
noun
rasvakudos
/ˈvɛtzyr/
noun
1. een keten van ten minste twee koolstofatomen en een carboxylgroep
rasvahappo
noun
1. jong van bepaalde hoefdieren als het paard, de ezel, de kameel en de zebra
varsa
noun
1.
  1. lipputiede
  2. veksillologia
noun
1. een vezel is een lang, dun filament waarvan de lengte ten minste drie keer groter is dan de doorsnede
kuitu
noun
1. marimba met metalen toetsen en vibratosysteem
vibrafoni
pronoun
1. Australische deelstaat gelegen in het zuidoosten van het land
Victoria
/viːr/
noun
1. het getal tussen de drie en de vijf
  1. neljä
  2. nelonen
/ˈviːrdə/
ordinalAdjective
1. nummer vier in een rij
neljäs
verb
1. een feest vieren
juhlia
cardinalNumeral
1. het getal 34
kolmekymmentäneljä
cardinalNumeral
1. het getal 84
kahdeksankymmentäneljä
cardinalNumeral
1. het getal 24
kaksikymmentäneljä
cardinalNumeral
1. het getal 44
neljäkymmentäneljä
cardinalNumeral
1. het getal 54
viisikymmentäneljä
cardinalNumeral
1. het getal 64
kuusikymmentäneljä
/ˈvirənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 74
seitsemänkymmentäneljä
noun
1. een geometrische tweedimensionale vorm, bestaande uit vier hoeken en derhalve ook vier zijden
nelikulmio
/ˈviːrˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 400
neljäsataa
/ˈviː.rɪŋ(g)/, /ˈviː.rɪŋ/
noun
1. het vieren
juhla
adjective
1. met de vorm van een vierkant
neliö
noun
1. geometrische tweedimensionale vorm, bestaande uit 4 gelijke hoeken van 90 graden en 4 zijden met gelijke lengte
neliö
noun
1.
neliömetri
noun
1. dat getal dat met zichzelf vermenigvuldigd een gegeven getal oplevert
neliöjuuri
adjective
1. van een dier of voorwerp dat het vier voeten heeft
nelijalkainen
pronoun
Vierwaldstätterjärvi
pronoun
Vietnam
pronoun
1. de officiële taal van Vietnam
  1. vietnam
  2. vietnamin kieli
noun
1. iemand met wie men op voet van oorlog leeft
vihollinen
adjective
1. van de vijand
vihollis-
adjective
1. zich als een vijand gedragend
vihamielinen
noun
1. het vijandig zijn
vašálašvuohta
/vɛi̯f/
cardinalNumeral
1. het getal 5
viisi
/ˈvɛɪ̯f.də/, /ˈvɛɪ̯v.də/, /ˈvɛːv.də/
ordinalAdjective
1. nummer vijf in een rij
viides
cardinalNumeral
1. het getal 35
kolmekymmentäviisi
ordinalAdjective
1. nummer vijfendertig in een rij
kolmaskymmenesviides
cardinalNumeral
1. het getal 95
yhdeksänkymmentäviisi
cardinalNumeral
1. het getal 85
kahdeksankymmentäviisi
cardinalNumeral
1. het getal 25
kaksikymmentäviisi
cardinalNumeral
1. het getal 45
neljäkymmentäviisi
cardinalNumeral
1. het getal 55
viisikymmentäviisi
cardinalNumeral
1. het getal 65
kuusikymmentäviisi
/ˈvɛifənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 75
seitsemänkymmentäviisi
noun
1. een geometrische tweedimensionale vorm, bestaande uit vijf hoeken en derhalve ook vijf zijden
  1. viisikulmio
  2. pentagoni
/ˈvɛi̯fˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 500
viisisataa
noun
1. atletiekmeerkamp met vijf onderdelen
nykyaikainen viisiottelu
/ˈvɛi ̯ftin/
cardinalNumeral
15
viisitoista
ordinalAdjective
viidestoista
noun
viisitoistakulmio
/ˈfɛi̯ftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 50
viisikymmentä
noun
1. vrucht van de vijgenboom
  1. taateli
  2. viikuna
noun
viikunanlehti
noun
1. tropische boom
aitoviikuna
noun
1. een werktuig met een ruw, gegroefd of gekerfd oppervlak dat het mogelijk maakt dunne lagen van een voorwerp te verwijderen
viila
noun
1. tamelijk klein door de mens aangelegd water
lampi
verb
1. in- of uitdraaien van een schroef
ruuvata
/ˈvikɪŋ/
noun
1. Scandinavische krijger, behorend tot de noordelijke tak van de Germanen
viikingit
noun
1. een groot en vrijstaand huis
erillistalo
verb
1. van het vel ontdoen
nylkeä
noun
door langdurig bewerken verdichte wol
huopa
/ˈvɪltə(n)/
adjective
1. van vilt gemaakt
huovuttaa
/ˈvɪltə(n)/
verb
1. tot vilt maken
huovuttaa
/vɪn/
noun
1. uitstekend lichaamsdeel van vissen en andere aquatische dieren
evä
/'vɪndə(n)/
verb
1. iets aantreffen nadat ernaar gezocht is
löytää
noun
1. de mate waarin iemand goed is in het vinden van nieuwe oplossingen
kekseliäisyys
noun
1. extremiteiten van de hand
  1. sormi
  2. varvas
/ˈvɪ.ŋər.ˌɑf.drʏk/, /ˈvɪ.ŋər.ˌɑv.drʏk/
noun
1. een afdruk op een oppervlak van een vinger met meestal de unieke, persoonsgebonden figuur...
sormenjälki
/'vɪŋərə(n)/
verb
1. met de hand of vinger bevredigen
sormettaa
/'vɪŋərˌɦut/
noun
1. hard dopje dat het eerste kootje van de vinger beschermt bij het naaien
sormustin
noun
sormustinkukka
noun
topje van een vinger
sormenpää
noun
1. het heel snel zaken met de vingers kunnen verrichten
sorminäppäryys
noun
sormijärjestys
noun
peippo
noun
1. knie- of beenviool
viola da gamba
noun
1. (kleur) een kleur tussen blauw en ultraviolet, met een golflengte tussen de 430 en 380 nm
violetti
noun
1. musicus die een viool bespeelt
viulisti
noun
1. strijkinstrument
viulu
noun
1. benaming voor planten uit het geslacht Viola
orvokki
noun
1. toetsinstrument
virginaali
noun
1.
virologia
adjective
1.
  1. virtuaalinen
  2. näennäinen
noun
virtuoosi
/virəs/
noun
  1. 1.
  2. 2.
virus
noun
  1. 1. Pisces, gewerveld dier met kieuwen, levend in water
  2. 2. het vlees van een vis
kala
noun
1. Pandion haliaetus, een vooral visetende roofvogel die de enige soort uit de familie Pandionidae is
  1. kalasääski
  2. sääksi
adjective
1. met betrekking tot de ingewanden
sisäelin-
noun
1.
viskoosi
noun
1. stroperigheid van een vloeistof of gas
viskositeetti
noun
ongenkoukku
noun
1. een droombeeld
ilmestys
adjective
näkemyksellinen
noun
1. vlechtwerk van touw om zeedieren te vangen of in water te bewaren
kalaverkko
noun
1. vloeibare substantie gemaakt van vergiste vis
kalakastike
pronoun
2. teken van de dierenriem, traditioneel behorend bij geboortedata van ongeveer 19 februari tot 21 maart
Kalat
verb
  1. 1. proberen te vangen
    1. kalastaa
    2. kaivaa esille
  2. 2. proberen te weten te komen
    1. kalastaa
    2. onkia
noun
1. iemand die beroepsmatig vist
kalastaja
noun
kalastajavene
noun
1. de hoeveelheid en variatie van vissen die in een bepaald water aanwezig zijn
kalakanta
noun
kalapuikko
/vizyʋel/
adjective
1. betreffende het zicht, betreffende het zienbare
visuaalinen
noun
viisumi
noun
1. een stof die het lichaam in kleine hoeveelheden nodig heeft, maar niet of bijna niet door het lichaam zelf aangemaakt kan worden en derhalve in voldoende mate via voedsel of supplement ingenomen moet worden
vitamiini
noun
  1. 2. klep aan een hoofddeksel
    silmikko
  2. 1. een richttoestel op de loop van een vuurwapen
    tähtäin
  3. 1. minister of hoog staatsdienaar
    visiiri
adjective
1. betrekking hebbende op Vlaanderen of de Vlamingen
flaami
pronoun
1. Nederlands zoals dat in Vlaanderen gesproken wordt
  1. flaami
  2. flaamilainen
pronoun
1. Belgische provincie
Flanderin Brabant
noun
1. bepaald soort kraaiachtige vogel, Garrulus glandarius
närhi
pronoun
1. de noordelijke deelstaat van België
Flanderi
/vlɑχ/
noun
1. lap stof met een vast patroon van kleuren die gevoerd wordt als symbool van een organisatie, beweging of natie
lippu
/ˈvlɑɣəˌsxɪp/
noun
1. schip waarop zich de bevelvoerder over een vloot of eskader bevindt
lippulaiva
noun
1. bepaald soort vis, Thymallus thymallus
harjus
/vlɑk/
adjective
1. zonder bergen of dalen
suora
noun
stuk rubber dat door wrijven potloodschrift van papier kan verwijderen
kumi
noun
1. bepaald soort giftige vaste plant die sporen vormt, Diphasiastrum complanatum
keltalieko
noun
1. een belastingsvorm waarbij ieder inkomen met eenzelfde percentage wordt belast
tasavero
noun
1. gebied met weinig of geen hoogteverschillen
tasanko
noun
1. kleinste vorm van vuur
liekki
noun
valokaariuuni
/'vlamɪŋ/
noun
1. een inwoner van Vlaanderen of iemand afkomstig uit Vlaanderen
flaami
noun
pellava
adjective
1. lichtgeel blond met name van haar
pellavapäinen
noun
1. een gebonden pluk haar
letti
/ˈvlɛx.tə(n)/, /ˈvlɛχ.tə(n)/
verb
1. in elkaar strengelen
letittää
noun
1. klein vliegend zoogdier
  1. lepakko
  2. yölepakko
noun
  1. 1. spierweefsel van bepaalde organen
  2. 2. spierweefsel van dieren dat opgegeten kan worden als onderdeel van de voeding
liha
verb
1. (onoprechte) complimenten geven, meestal om bij iemand in de gunst te komen
imarrella
adjective
1. te vriendelijk
imarteleva
noun
1. een vieze plek
jälki
noun
1. een hoeveelheid gasvormige substantie die men ruikend waarneemt
tuoksahdus
noun
  1. 3. muziekinstrument
    flyygeli
    1. 1. lichaamsdeel van bepaalde diersoorten
    2. 5. een deel van een leger
    siipi
noun
1.iemand die bevelen van een hoger geplaatst persoon overbrengt
adjutantti
noun
1. gevleugelde vrucht
pallepähkylä
/'vløxəlspelər/
noun
1.
laitahyökkääjä
/vlix/, /vliχ/
noun
1. tweevleugelig insect
kärpänen
noun
lentotuhka
noun
1. groot vaartuig dat is ingericht voor het opstijgen, landen, vervoer en onderhoud van meerdere vliegtuigen
lentotukialus
/ˈvli.ɣə(n)/, /ˈvli.χə(n)/
verb
1. zich door de lucht voortbewegen
lentää
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Lentokala
noun
1. benaming voor zeevissen uit de familie Exocoetidae
lentokala
noun
1. een apparaat om een vlieg mee dood te slaan
kärpäslätkä
noun
1. bepaald soort paddenstoel, Amanita muscaria
punakärpässieni
noun
1. een voorwerp dat door de wind aan een draad in de lucht opgelaten kan worden
leija
/ˈvlixtœːx/, /ˈvliχtœʏχ/
noun
1. vervoermiddel dat speciaal ontworpen is voor het reizen door de lucht
lentokone
noun
modo avião
/ˈvlixfɛɫt/
noun
1. een terrein waar vliegtuigen kunnen landen en opstijgen
lentoasema
noun
1. sneldraaiend wiel met grote massa
tasauspyörä
pronoun
Vlieland
noun
saksanheisi
/'vlirbɛs/
noun
1. bessen van de gewone vlier
seljanmarja
noun
1. dunne laag op een oppervlak
kelmu
noun
1. benaming voor nectar etende insecten uit de orde Lepidoptera
perhonen
noun
rusetti
noun
1.
perhoshaavi
pronoun
1.
Vlissingen
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Siphonaptera
kirppu
noun
1. verhoging van de waterstand
vuoksi
noun
1.
hyöky
adjective
1. in staat te vloeien, gezegd van de aggregatietoestand van stoffen die niet vast en niet gasvormig zijn
nestemäinen
/ˈvlujə(n)/
verb
1. zacht stromen
virrata
adjective
2. zonder haperingen een taal kunnen spreken
sujuva
noun
2.
imupaperi
noun
1. een stof in die aggregatietoestand waarin het geen eigen vorm heeft, maar wel een eigen volume
neste
noun
1. bewust uitgesproken wens om iemand kwaad of leed aan te doen
kirous
verb
1. uitroepen van vloekwoorden, beledigende taal gebruiken
kiroilla
/vlur/
noun
lattia
adjective
1.
hilseilevä
noun
kirpputori
/vloːt/
noun
1. bij elkaar horende schepen
ajokalusto
noun
1. een drijvende constructie
lautta
noun
1. het zich door luchtruim bewegen
lento
/'vlɵxtəlɪŋ/
noun
1.
pakolainen
/vlɵxtə(n)/
verb
1. (onovergankelijk) trachten te ontkomen aan dreigend gevaar
paeta
noun
1.
lennon numero
noun
1. snel en oppervlakkig seksueel contact
pikaiset
pronoun
1. wereldwijde organisatie waarin alle landen kunnen samenwerken
YK
noun
1. de vijfde naamval waarin een naamwoord staat dat aanduidt tot wie het woord wordt gericht
vokatiivi
adjective
kostea
noun
1. de mate van vocht
märkyys
verb
1. van voedsel voorzien
ravita
/ˈvu.dɪŋ(g)/, /ˈvu.dɪŋ/
noun
1. voedsel
ravinto
noun
1. toevoeging aan voeding
lisäaine
noun
1. voedingsmiddel dat bedoeld is als aanvulling op de normale voeding
  1. lisäravintoaine
  2. ravintolisät
noun
1. alles wat een organisme tot zich neemt om het metabolisme in werking te houden
ruoka
adjective
1.
ravinteikas
/ˈvuxʋoːrt/
noun
  1. konjunktio
  2. sidesana
verb
1. gewaarworden door aanraking, meestal met betrekking tot temperatuur of druk
tuntea
/ˈvuː.rɪŋ(g)/, /ˈvuː.rɪŋ/
noun
1. de binnenbekleding van een voorwerp
vuori
pronoun
sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Ajomies
/ˈvuːrtœx/, /ˈvuːrtœyx/
noun
1. vervoermiddel over land
  1. ajoneuvo
  2. kulkuneuvo
noun
  1. 3. oude lengtemaat
    jalka
  2. 1. voortzetting van het been beneden de enkel
    1. jalkaterä
    2. jalka
/ˈvut.bɑɫ/
noun
1. een balsport waarbij twee teams van 11 spelers met hun voeten (of hoofd) een bal in het doel van de tegenstander proberen te krijgen
  1. jalkapallo
  2. futis
noun
jalkapallokenttä
noun
1. iemand die zich te voet door het verkeer verplaatst
jalankulkija
noun
1. kus op de voet als teken van onderdanigheid
jalan suutelu
/'vutpɑt/
noun
1. een pad voor voetgangers
polku
noun
jalanjälki
noun
askel
noun
1. de onderzijde van de voet
jalkapohja
/ˈvoːɣəl/, /ˈvoχɔɫ/
noun
1. een gewerveld dier (Aves) met twee vleugels, twee poten, een snavel en veren...
lintu
noun
1. enige zoogdier met een snavel, Ornithorhynchus anatinus
vesinokkaeläin
noun
pihatähtimö
noun
1. gezien vanuit de lucht; gezien vanuit de positie van een vliegende vogel
lintuperspektiivi
noun
1. grote behaarde spin die leeft in de tropische streken
  1. tarenteli
  2. tarentella
noun
1. manshoge pop
linnunpelätin
noun
1. het geluid dat vogels maken
linnunlaulu
noun
selostettu ohjelma
pronoun
1.
Vojvodina
/vɔl/, /vɔɫ/
adjective
1. geheel gevuld
täysi
pronoun
1. een kunstmatige taal die in 1880 door Johann Martin Schleyer gemaakt werd
volapük
verb
1. geheel uitvoeren
saada aikaan
indefinitePronoun
1. toereikend, genoeg
riittävä
/'vɔlxə(n)/
verb
1. achterna gaan
seurata
adjective
1. dat later komt
seuraava
preposition
1. geeft een bron aan voor de gegeven redenering
mukaan
adjective
1.
tottelevainen
/vɔlk/
noun
  1. 4. een aantal mensen
    ihmiset
  2. 1. een groep mensen die een aantal dingen gemeenschappelijk hebben, zoals afstamming, taal, gewoontes of overlevering
    kansa
  3. 2. de inwoners van een land
    1. kansa
    2. väestö
pronoun
Kansainliitto
noun
kansanmurha
noun
1. brood van meel met zemelen
kokojyväleipä
noun
1. tarwe met zemelen en kiem
täysjyvävehnä
noun
1.
kansanetymologia
noun
1. lied dat dienst doet als symbool voor een volk of een natie
  1. kansallislaulu
  2. kansallishymni
noun
kansantasavalta
/'vɔlkstɛlɪŋ/
noun
1.
väestönlaskenta
/ˈvɔlks.tœʏn/
noun
2. moestuin beschikbaar gesteld aan stadsbewoners
siirtolapuutarha
noun
1. verhaal dat (ook) mondeling wordt overgedragen
kansantaru
noun
1. fase of schijngestalte van de maan, waarbij de naar de aarde gekeerde zijde, geheel door de zon wordt verlicht en daardoor zichtbaar is
täysikuu
noun
  1. 1. spel
  2. 2. bal
lentopallo
/vɔlˈmaːkt/
adverb
1. zonder enig gebrek
täydellinen
noun
1. rechtsbevoegdheid om namens een ander te handelen
valtakirja
verb
1. overvol maken door er nog iets bij te duwen
ahtaa
noun
voltti
adverb
1.
kokopäivä-
noun
1. spanningmeter
jännitemittari
noun
passato prossimo
noun
pluskvamperfekti
verb
1. ten einde brengen
  1. saada valmiiksi
  2. suorittaa loppuun
noun
aikaansaanti
noun
  1. 1. ruimtelijke capaciteit
  2. 3. fysieke informatiedrager
äänenvoimakkuus
adjective
1. een leeftijd bereikt hebbend waarop men volgroeid en onafhankelijk kan zijn
aikuinen
noun
1. iemand die volgroeid is
aikuinen
noun
löytölapsi
noun
1. een gloeiend korreltje of brokstukje
kipinä
noun
1. een beslissing van een rechter in dagvaardingsprocedures
tuomio
noun
1. Haïtiaanse religie
voodoo
/voːxt/
noun
1. belangenbehartiger van minderjarige
huoltaja
/vor/
preposition
  1. 4. eerder in tijd
    1. ennen
    2. aikaisemmin
  2. 7. ten behoeve van, ten gunste van
    varten
conjunction
1. in die mate als
yhtä paljon kuin
noun
1. iets ter navolging
esimerkki
verb
1. handelingen verrichten die een latere gebeurtenis mogelijk moeten maken
laittaa
/ˈvor.bə.rɛɪ̯.dɪŋ(g)/, /ˈvor.bə.rɛː.dɪŋ/, /ˈvo̝r.bə.rɛɪ̯.dɪŋ/
noun
1. het voorbereiden
valmistelu
adjective
1. wat al in het verleden ligt
ohi
/vorˈbɛɪ̯ɣan/, /vorˈbɛːɣan/, /vo̝rˈbɛɪ̯χan/
verb
  1. 1. langs een bepaald punt gaan.
  2. 2. tot verleden gaan behoren
kulkea
/ˈvorbodə/
noun
1. vooruitgestuurde bode (letterlijk)
airut
noun
  1. 1. profijt
  2. 3. (tennis)
  3. 2. aangename eigenschap
etu
noun
1.
etukansi
/'voːrdøːr/
noun
1. de hoofddeur aan de voorzijde van een woning
ulko-ovi
/ˈvoːrˌdrɪ.ŋə(n)/
verb
etuilla
noun
1. de persoon die voorafgaand aan een zeker persoon dezelfde positie bekleedde
edeltäjä
noun
1. eerste, meestal lichte gang van een maaltijd
alkuruoka
noun
ennakkoaavistus
adverb
lopullisesti
noun
leka
/vɔːr.'ɦɑn.də(n)/
adjective
1. beschikbaar, voorradig
käsillä
noun
1. het deel van het gezicht tussen de wenkbrauwen, de normale haarlijn en de slapen
otsa
noun
1. voorhuid van penis
esinahka
/vorɪ'nxənomə(n)/
adjective
1.
ennakkoluuloinen
noun
1. het opruimen en poetsen van een woning in het voorjaar
kevätsiivous
noun
ennakkotieto
/ˈvoːrkør/
noun
1. de neiging tot kiezen van het één boven het ander
preferenssi
/'vɔːr.ko.mə(n)/, /vɔːr.'ko.mə(n)/
verb
1. met regelmaat ergens te vinden zijn
esiintyä
verb
1. hardop een tekst lezen ten aanhoren van anderen
lukea
noun
1. naam die bij de geboorte aan een persoon wordt gegeven, en die aan de familienaam voorafgaat.
etunimi
/ˈvɔːr.nam.ˌʋɔːrt/
noun
1. een woord dat verwijst naar iets anders zonder ze te noemen
  1. pronomini
  2. asemosana
noun
1. een bijwoord ter vervanging van de combinatie voorzetsel met voornaamwoord,...
pronominaaliadverbi
adverb
1. in hogere mate
enimmäkseen
verb
1. vooraf voor waar aannemen van een stelling om hiermee tot een conclusie te komen
olettaa
noun
ennakkoluulo
noun
1. iemand van wie afgestammen wordt
esi-isä
noun
etusivu
noun
arvojärjestys
noun
1. glazen vlak aan de voorkant van een voertuig dat zorgt voor zicht op de weg en bescherming tegen weer en wind
tuulilasi
/'vɔːrsxrɛɪvə(n)/
verb
1. een schriftelijke opdracht geven
kirjoittaa resepti
noun
3. liefdesspel als opmaat voor seks
esileikki
adjective
1. van tevoren te verwachten
ennalta arvattava
noun
1. de mate waarin het mogelijk is betrouwbare voorspellingen te doen
ennakoitavuus
verb
1. een uitspraak doen over toekomstige gebeurtenissen
ennustaa
noun
vauraus
/'vorsprɔŋ/
noun
1. de mate waarin men verder gevorderd is dan anderen
etumatka
noun
1. hetgeen dat voorgesteld wordt
ehdotus
verb
1. een plan voorleggen
ehdotella
adverb
1. van nu af aan, in het vervolg
tästä puolin
noun
1. signaal dat aan een gebeurtenis voorafgaat
enne
noun
1. het proces van technologische en economische groei van een samenleving
edistys
noun
1.
esi-isä
noun
1. iemand die ergens een voorstander van is en zich daarvoor actief inzet
esitaistelija
noun
1.
esivaali
verb
1.
esilämmittää
noun
1.
touhutippa
/ˈvoːrvuxsəɫ/
noun
1. een gebonden morfeem dat voor een ander woord geplaatst wordt om iets aan de betekenis toe te voegen
etuliite
noun
1. omstandigheid die noodzakelijk is of gemaakt wordt wil iets anders plaats of...
ehto
noun
1. een object, iets dat fysiek bestaat
  1. esine
  2. objekti
noun
1. een soort van aandrijfmechanisme, waarbij de motorkracht op de voorwielen wordt uitgeoefend
etuveto
noun
1. een onverbuigbaar woord dat de aard van de relatie tussen verschillende elementen in de zin aangeeft
prepositio
/vɔːrˈzɪxtəx/
adverb
1. op een oplettende manier
varovainen
/vɔːr.'zin/
verb
  1. 1. herkennen als toekomstige ontwikkeling
    aavistaa
  2. 2. beschikbaar maken, voorzorgen treffen voor
    varustaa
noun
1. hoofd van een bestuur, leider van een vergadering
puheenjohtaja
/vɔɾ.dǝ.ɾɪŋ/
noun
1. vooruitgang, progressie
edistys
indefiniteOrdinalNumeral
1. degene die of datgene dat eerder een positie innam
aiempi
noun
  1. 2. voorwerp bestaande uit een greep en (meestal 3 of 4) tanden, waarmee vast voedsel wordt gegeten
  2. 1. aftakking van een boomtak of van een weg
  3. 5. (schaak) situatie waarbij één eigen stuk tegelijkertijd twee of meer vijandelijke stukken aanvalt
  4. 3. bepaald landbouwwerktuig (vergelijk met hooivork, mestvork)
  5. 4. fietsonderdeel waarin het wiel wordt bevestigd: telescopische vork, voorvork en achtervork
haarukka
noun
1. ruimtelijke begrenzing van een voorwerp
kuvio
/vɔrst/
noun
2. weersomstandigheden
  1. pakkanen
  2. halla
noun
1.
ruhtinaskunta
adjective
1. van het weer dat het koud en vriezend is
jääkylmä
noun
1. bepaald zoogdier, Vulpes vulpes
  1. kettu
  2. repo
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Kettu
noun
1. bepaald soort plant, Vaccinium vitis-idaea
puolukka
noun
tirkistely
/vra:x/, /vra:χ/
noun
1. een verzoek om inlichting
  1. kysymys
  2. kysymyslause
noun
1. een leesteken (?) dat men aan het eind van een zin plaatst om deze vragend te maken
kysymysmerkki
noun
1.
rahtikirja
noun
1. een schip dat uitsluitend bedoeld is voor het vervoer van goederen
  1. rahtialus
  2. rahtilaiva
noun
1. een wagen voor goederenvervoer
kuorma-auto
noun
rekkakuski
/ˈvraɣə(n)/, /ˈvraχə(n)/
verb
  1. 1. mondeling of schriftelijk informatie verzoeken
    kysyä
  2. 2. mondeling of schriftelijk actie verzoeken
    pyytää
noun
1. ontbreken van oorlog
rauha
noun
1.
rauhanpiippu
noun
1.
rauhanaika
adjective
1. van buiten, niet van hier
vieras
noun
  1. kitupiikki
  2. saituri
verb
1. het nuttigen van voedsel op een meestal onbeleefde wijze
ahmia
noun
1. een blij gevoel
ilo
/ˈvrøx.də.ˌvyːr/, /ˈvrøɣ.də.ˌvyːr/, /ˈvrøχ.də.ˌvyːr/
noun
1. een groots door mensen opgebouwd en gecontroleerd vuur om iets te vieren
kokko
noun
1. een persoon met wie je een speciale persoonlijke band hebt
ystävä
adjective
1. met het nodige respect
ystävällinen
noun
1.
ystäväpiiri
noun
  1. 2. de vrouwelijke persoon met wie je verkering hebt
    1. tyttöystävä
    2. ystävätär
  2. 1. een vrouwelijk persoon met wie je een speciale persoonlijke band hebt
    ystävätär
noun
1. gelijkwaardige relatie tussen personen die elkaar wederzijds genegen zijn en een vergelijkbare relatie tegelijkertijd ook met anderen kunnen hebben
ystävyys
noun
1. schade aangebracht aan smaak zowel als structuur van bevroren voedsel
jääpolte
/vrispʌnt/
noun
jähmettymispiste
verb
olla pakkasta
noun
1. een toestel bedoeld om voedingsmiddelen in bevroren toestand gebracht, te bewaren
pakastin
adjective
1. ongebonden, niet in beweging beperkt
vapaa
noun
1. een dag van de week die na donderdag en voor zaterdag komt
perjantai
adjective
1. een ongehuwde man of vrouw
poikamies
noun
1. een ongehuwde man of vrouw
poikamies
noun
vapaakauppa
/ˈvrɛi̯ɦɛi̯t/
noun
1. het vrij zijn
vapaus
noun
1. krijger, rebel of activist die zich inzet voor de vrijheid van zijn of haar onderdrukte volk, en door de vijand vaak gezien als terrorist of militant
vapaustaistelija
verb
1. toestaan om uit gevangenschap weg te gaan
vapauttaa
noun
vapaamuurari
noun
vapauttava tuomio
noun
vapaavaltio
adjective
1. niet gedwongen
vapaaehtoinen
/ˈvrud.vrɑu/
noun
1. een vrouw die een bevalling begeleidt
kätilö
/ˈvruxlaˌtɛin/
pronoun
1. de voorganger van het klassiek Latijn
  1. arkaainen latina
  2. varhaislatina
/ˈvruxər/, /ˈvruɣər/
adverb
1. (zoals) in het verleden
ennen vanhaan
/ˈvruxlaˌtɛin/
pronoun
1. de voorganger van het klassiek Latijn
  1. arkaainen latina
  2. varhaislatina
adjective
1. in goede stemming
hauska
noun
1. een aangename stemming waarin men veel lacht, zich goed voelt en het leven optimistisch bekijkt
ilo
noun
1.
hurskaus
noun
  1. 1. een volwassen vrouwelijke mens
    nainen
  2. 2. de vrouwelijke partner in een huwelijk
    1. rouva
    2. nainen
adjective
feminiini
noun
1.
feminiinisyys
noun
2. grootste in Europa voorkomende orchideeënsoort, Cypripedium calceolus
tikankontti
noun
1. een man die veel vrouwen verleidt
auervaara
noun
1. volgroeid vruchtbeginsel
hedelmä
/'vrɵɣbar/
adjective
  1. 2. tot resultaat leidend
    antoisa
  2. 1. in staat vrucht af te werpen
    hedelmällinen
/'vrʏxt.bar.ɦɛɪ̯t/, /'vrʏxt.bar.ɦɛːt/, /'vrʏɣ.ba.rɛɪ̯d/
noun
1. het vermogen vrucht te dragen
hedelmällisyys
/ˈvrʏxtə(n)ˌsɑp/, /ˈvrʏχtə(n)ˌsɑp/
noun
1. sap gewonnen uit fruit
hedelmämehu
noun
1. wijn van vergist sap van andere vruchten dan druiven
hedelmäviini
noun
1.
nautintaoikeus
noun
lapsivesi
/vœy̯l/
noun
viezigheid, onreine materie
  1. lika
  2. loka
/'vœylnɪsbɑk/
noun
1. een bak waarin men huisvuil verzamelt
  1. jäteastia
  2. roskasäiliö
/ˈvœʏɫnɪsˌʋaxə(n)/, /ˈvœːɫnɪsˌβaɣə(n)/
noun
1. een auto van de vuilophaaldienst
jäteauto
noun
1. gebalde hand
  1. nyrkki
  2. koura
/ˈvœʏ̯sbɛːɫ/, /ˈvœːstbɛːɫ/, /ˈvœːzbɛɪ̯l/
noun
1. een kerngereedschap uit het paleolithicum, het Acheuléen en het Moustérien
käsikirves
adjective
rahvaanomainen
noun
tulivuori
noun
1. de vaak explosieve activiteit waarmee in een vulkaan opgebouwde spanningen zich ontladen
tulivuorenpurkaus
verb
vulkanoida
noun
1. natuurlijke processen
vulkanismi
noun
1. bepaalde soort vlinder, Vanessa atalanta
tulivuoritiede
verb
1. vol maken
täyttää
noun
het materiaal waarmee iets opgevuld is
täyte
/ˈvʏl.pɛn/, /ˈvʏɫ.pɛn/
noun
1. een schrijfpen met holle houder waarin zich een inktreservoir bevindt
täytekynä
noun
1. de schaamspleet, de ingang tot de vagina
  1. häpy
  2. vulva
/vyːr/
noun
1. lichtverschijnsel bij brand
  1. tuli
  2. tulipalo
pronoun
1. een archipel aan de zuidpunt van Zuid-Amerika
Tulimaa
noun
1. soort godsoordeel
tulikoe
adjective
tulipunainen
noun
1.
piikivi
noun
1. een hoog lichtbaken aan de kust
majakka
noun
1. een wapen dat een kogel schiet met behulp van een chemische ontploffing
tuliase
noun
1. voorwerpen die gevuld zijn met ontploffende, brandbare en lichtgevende stofmengsels
  1. ilotulitus
  2. ilotulite
noun
1. een Zuid-Afrikaans blaasinstrument
vuvuzela
pronoun
1. meer in Zweden
Venneri
pronoun
1. meer in Zweden
Venneri
noun
1. iemand die veel durft
huimapää
noun
1. scherm in halve schijfvorm
viuhka
/ˈʋakɦɔnt/
noun
1. een hond die het huis of een erf bewaakt
vahtikoira
noun
1. een klein vlammetje dat continu brandt in een geiser, gaskachel, gasfornuis of cv-ketel, dat ervoor zorgt dat het gas vrijwel direct ontbrandt wanneer de gaskraan van een brander wordt geopend
sytytysliekki
adjective
1. betrekking hebbend op Wallonië of de Walen
valloni
pronoun
1. een taal die verwant is aan het Frans en die in Wallonië gesproken wordt
  1. valloni
  2. vallonilainen
pronoun
1. Belgische provincie
Vallonian Brabant
/ʋar/
adverb
1. op welke plaats
  1. missä
  2. jossa
verb
taata
noun
arvo
/ˈʋardəˌlos/
adjective
1. geen waarde hebbend
arvoton
/'wardəordel/
noun
1.
arvovalinta
noun
1. document met geldswaarde
arvopaperi
noun
1. het hechten van een waarde aan iets of het tonen daarvan
arvostus
/'ʋardəˌvɔl/
adjective
1. een grote waarde hebbend
arvokas
/'ʋar.dəx/
adjective
1. op een wijze die in overeenstemming met het eergevoel is
  1. arvokas
  2. kunnioitus
noun
1. dat wat waar is
totuus
verb
1. iets via de zintuigen in zich opnemen
hahmottaa
noun
  1. 1. iemand die iets waarneemt
  2. 3. een persoon die aanwezig is bij een gebeurtenis om de gang van zake in de gaten te houden
tarkkailija
noun
1. iets via de zintuigen registreren
havainnointi
/ʋarˈɔm/
noun
1. door welke oorzaak?
miksi
adverb
missä päin
adjective
1. aannemelijk, iets dat vermoedelijk zo is
  1. todennäköinen
  2. luultava
adverb
1. aannemelijk, iets dat vermoedelijk zo is
  1. luultavasti
  2. todennäköisesti
/ˈʋaːrsxyu̯ə(n)/
verb
1. iemand verwittigen dat er mogelijke gevaren, problemen of gevolgen zijn
varoittaa
adjective
1. wijzend op een gevaar of nadeel
varoittava
/'ʋaːr.sχy.ʋɪŋ/
noun
1. een mededeling dat er onaangename gevolgen op til zijn
varoitus
noun
1. een schot ter waarschuwing
varoituslaukaus
noun
1. nevelsluier
sekavuus
/ˈʋɑx.tə(n)/, /ˈβɑx.tə(n)/
verb
1. op dezelfde plaats of in dezelfde situatie blijven tot iemand komt of iets gebeurt
odottaa
noun
1. ruimte of vertrek voor wachtenden, bijvoorbeeld bij een arts of op een station
odotushuone
/ˈʋɑxtlɛɪst/
noun
1. een lijst met wachtenden
jonotuslista
noun
1. een aantal elementen die in een bepaalde volgorde op een gebeurtenis wachten
jono
noun
1. een geheim woord dat men moet produceren om ergens toegelaten te worden
salasana
pronoun
1. een binnenzee die aan de ene kant grenst aan de Waddeneilanden en de Noordzee en aan de andere kant begrensd wordt door het vasteland van Nederland, Duitsland en Denemarken
vattialue
verb
1. door ondiep water lopen
kahlata
interjection
1. krachtig geluid met korte tussenpozen, zoals een hond dat kan uitstoten
  1. hau
  2. vuh
noun
1. plat gebak dat vervaardigd wordt in een wafelijzer
vohveli
noun
1. een toestel waarin wafels gebakken worden
vohvelirauta
/ˈʋaːɣə(n)/, /ˈʋaːχə(n)/
noun
2. een auto
auto
noun
1. het houten wiel van een wagen of kar
kärrynpyörä
noun
1. reisziekte
matkapahoinvointi
/ˈwa.kə(n)/, /ˈʋa.kə(n)/, /ˈβ̞a.kə(n)/
verb
2. wakker zijn
olla hereillä
/'ʋɑkflɑktə/
noun
1. groot ijsvrij gebied te midden van pakijs
polinja
pronoun
1. een van de delen van het Verenigd Koninkrijk, gelegen op een groot eiland in het noordwesten van Europa.
  1. Wales
  2. Kymrinmaa
pronoun
1. een speciale hemel in de Noorse mythologie, voorbehouden voor de gesneuvelden in de strijd
Valhalla
noun
1. een draagbare radio en/of CD-speler met koptelefoon
korvalappustereot
pronoun
1. Germaanse strijdgodin
valkyria
noun
kenguru
/ʋɑˈlonɪə/
pronoun
Vallonia
/wɑlrʌs/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Odobenus rosmarus
mursu
noun
4. dans
valssi
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de onderorde Cetacea
valas
/ʋɑnt/
noun
seinä
noun
1. een misdaad, een slechte of gruwelijke handeling
hirmuteko
/ˈʋɑn.də.ˌlar/, /ˈβ̞ɑn.də.ˌlar/
noun
1. iemand die buitenshuis een stuk loopt
kulkija
/ˈʋɑn.də.lə(n)/, /ˈβ̞ɑn.də.lə(n)/
verb
1. een wandeling maken
kävellä
/ˈʋɑn.də.lɪŋ/
noun
1. het lopend afleggen van een bepaalde afstand
kävely
/ˈʋɑn.dəɫ.ˌsχun/, /ˈβ̞ɑn.dəɫ.ˌsxun/
noun
1. een schoeisel dat speciaal geschikt is om grote wandelingen mee te maken
vaelluskenkä
/ˈʋɑn.dəɫ.ˌstrat/, /ˈβ̞ɑn.dəɫ.ˌstrat/
noun
1. een straat die alleen voor voetgangers en bestemmingsverkeer toegankelijk is
kävelykatu
noun
1. zijkant van het gezicht onder het oog
poski
noun
1. een slecht en lelijk mens of dier
hirvitys
/ˈʋɑnɦop/
noun
1. een ellendige toestand waarin men geen uitkomst meer ziet
epätoivo
verb
luopua toivosta
verb
1. onvast op de voeten staan, dreigen te vallen
horjua
/ˈʋɑŋkəɫˌmotɔr/
noun
1. een verbrandingsmotor die niet met heen en weer gaande zuigers werkt, maar met een roterende zuiger.
wankelmoottori
/ʋɑ.ˈneːr/
adverb
1. op welke tijd
  1. kun
  2. koska
verb
1. graan zuiveren van kaf door het in de wind op te werpen of te laten vallen
tuultaa
noun
1. het niet nakomen van een overeenkomst
sopimusrikkomus
/ʋɑnt/
noun
2. scheepvaart
vantti
verb
1. niet vertrouwen
epäluottamus
noun
luteet
/ˈʋaːpən/
noun
  1. 1. een werktuig van geweld
    1. ase
    2. vaakuna
  2. 2. een wapenschild
    vaakuna
noun
1. een fabriek of werkplaats waar men wapens maakt
asetehdas
noun
asekauppias
noun
vaakuna
noun
1. een korte tekst die de bedoeling van iets weergeeft
motto
noun
1. een overeenkomst met de vijand om de vijandelijkheden op te schorten
aselepo
noun
kilpavarustelu
noun
1. een grote winkel die een uitgebreid assortiment aan goederen verkoopt
tavaratalo
/ʋɑrṃ/
adjective
Na te kijken en uit te splitsen vertalingen
lämmin
noun
  1. 1. de mate waarin het weer warm is.
  2. 2. de hoeveelheid thermische energie.
lämpö
noun
1. een front waar een luchtmassa met relatief warme lucht over een gebied schuift waar koude lucht ligt
lämmin rintama
noun
1. een verwarmingsinstallatie die via mechanische arbeid warmte onttrekt aan een koude omgeving en deze toevoert aan een warmere omgeving
lämpöpumppu
pronoun
1. hoofdstad van Polen
Varsova
/ʋɑs/
noun
1. weke laagsmeltende en waterafstotende stof
vaha
noun
1. klein Noord-Amerikaans zoogdier, Procyon lotor
  1. pesukarhu
  2. supi
noun
1. Nyctereutes procyonoides, een zoogdier en roofdier uit de familie Canidae
supikoira
noun
geribbeld bord waarop men de was kan doen
pyykkilauta
noun
1. een toestel om de kleding die uit de wasmachine komt te drogen
kuivausrumpu
noun
1. een apparaat dat op automatische wijze wasgoed reinigt
  1. pesukone
  2. pyykinpesukone
/'ʋɑsə(n)/
verb
1. iets schoonmaken
pestä
noun
1. een plaats waar men kleding en textiel kan (laten) wassen (zonder personeel)
pesula
noun
1. een bak waarin men zich of iets wast
pesuallas
/ʋɑt/
interrogativePronoun
vragend voornaamwoord
  1. mikä
  2. mitä
phraseologicalUnit
1.
  1. Mikä sinun nimesi on?
  2. Mikä teidän nimenne on?
noun
1. een bed waarvan het matras gevuld is met water
vesisänky
noun
1. wetenschap die zich richt op ontwerp en beheer van waterbouwkundige werken
vesitekniikka
noun
vesihöyry
adjective
1. ondoordringbaar voor water
vedenkestävä
noun
raate
/ˈʋaːtərən/
verb
1. urine uitscheiden
  1. virtsata
  2. pissata
/ˈwatərˌɣlɑtɦɛɪ̯t/, /ˈʋatərˌχlɑtɦɛɪ̯t/, /ˈβ̞atərˌɣlɑtɦɛːt/
noun
1. verschijnsel waarbij een dunne waterfilm ontstaat.
vesiliirto
noun
1.1 bepaald soort watervogel, Gallinula chloropus
liejukana
adjective
2. uitziend alsof men tranen in de ogen heeft
läpimärkä
noun
1. benaming voor planten uit het geslacht Rorippa
vesikrassi
noun
vesivoima
noun
veden kiertokulku
noun
1. een leidingnetwerk om drinkwater vanuit een waterreservoir naar de verbruiker te vervoeren
vesilaitos
/ˈwatərˌlɛin/
noun
2. de grens tussen onderwaterschip en bovenwaterschip
vesilinja
pronoun
1. gemeente en plaats in Waals-Brabant
Waterloo
pronoun
2. teken van de dierenriem van 20 januari tot 19 februari
Vesimies
/ˈʋaːtərməˌlun/
noun
1. Citrullus vulgaris, een grote vrucht met vochtig en rood vruchtvlees
  1. vesimeloni
  2. arbuusi
noun
vesileima
noun
vesimittari
noun
2. een molen die door stromend water aangedreven wordt
vesimylly
noun
vesiminttu
noun
bepaald soort eenjarige waterplant met eetbare knollen, Trapa natans
vesipähkinä
noun
1. een werktuig dat gebruikt wordt om zeker te stellen dat iets loodrecht op de richting van de zwaartekracht komt te staan
vatupassi
noun
katkeratatar
noun
  1. hooka
  2. vesipiippu
noun
1. pistool waaruit een straal water kan spuiten
vesipyssy
noun
vesikasvi
noun
1. een balsport waarbij twee ploegen van zeven spelers elkaar in het water bestrijden
vesipallo
noun
1. platte grijptang met verstelbaar scharnier
siirtoleukapihdit
noun
1. een schoepenrad dat draait door de stroming van het water
vesipyörä
noun
1. bepaald soort watervogel, Rallus aquaticus
luhtakana
noun
sarakerttunen
noun
1. ski voor het waterskiën
vesihiihto
noun
1. in Nederland en Vlaanderen voorkomende soort waterjuffer, Enallagma cyathigerum
okatytönkorento
noun
1. Argyroneta aquatica, middelgrote spin die in stilstaande wateren leeft
vesihämähäkki
noun
1. bepaald soort bruine, bolle vogel met witte borst, Cinclus cinclus
koskikara
noun
gargoili
/ˈʋatərˌstɔf/
noun
1. een chemisch element en een kleurloos niet-metaal
vety
noun
1. een atoom van het chemisch element waterstof.
vetyatomi
noun
vetysidos
noun
1. een toren die zorgt voor een gelijkmatige waterdruk in het waterleidingnet
vesitorni
noun
vesikello
noun
1. plaats waar stromend water bij een hoogteverschil zijn weg al vallend voortzet
vesiputous
noun
veden saastuminen
noun
vesisulka
noun
1. een vliegtuig dat kan opstijgen en landen op het water
vesilentokone
noun
vesikirppu
noun
vesilintu
noun
vesihuolto
noun
hydrofobia
noun
1. plukje watten bevestigd op een houten of plastic stokje, gebruikt voor bepaalde medische doeleinden...
pumpulipuikko
verb
1. ontharen
poistaa vahalla
/ʋese/
noun
1. toilet
WC
noun
1.
verkkosivujen suunnittelu
noun
1. een dienst die particulieren of bedrijven ruimte aanbiedt voor het opslaan van informatie, afbeeldingen, of andere inhoud die toegankelijk is via een website
verkkopalvelu
noun
1. iemand die een website ontwerpt en/of beheert
sivustovastaava
noun
  1. 1. computerprogramma
  2. 2. server waarop de
verkkopalvelin
noun
1. plaats waar zich informatie bevindt op het internet, aangeduid met een URL
verkkosivu
verb
1. geld wagen op een toekomstige gebeurtenis
lyödä vetoa
noun
vedonlyönti
noun
1.
renessanssi
noun
refleksiivipronomini
noun
1. een werkwoord waarbij de handelende persoon tevens het voorwerp van de handeling is
refleksiiviverbi
noun
1. periode waarin de oorlogsschade door de Tweede Wereldoorlog werd hersteld
jälleenrakentaminen
/wedərˈzɛits/
adjective
keskinäinen
verb
kilpailla
noun
1. een strijd van twee of meer personen om uit te maken wie op een bepaald gebied de beste is
kilpailu
/ˈʋeːdyʋə/
noun
vrouw
leski
/'ʋedyʋnar/
noun
man
  1. leski
  2. leskimies
/ʋeː/
noun
1. pijnlijke samentrekking die het barensproces inleidt
supistus
/ˈʋeːf.xəˌtɑu̯/
noun
1. toestel waarmee garen tot weefsel gevlochten wordt
kangaspuut
noun
  1. 1. een dunne geweven stof of textiel
    kudos
  2. 2. een groep van gelijkaardige lichaamscellen die dezelfde functie in een levend organisme vervullen
    1. kudos
    2. solukko
noun
ratamo
pronoun
teken van de dierenriem van 23 september to 23 oktober
Vaaka
noun
1. een meetinstrument waarmee het gewicht kan worden bepaald
vaaka
/wek/, /ʋek/, /β̞ek/
adjective
1. slap
  1. heikko
  2. pehmeä
/wek/, /ʋek/, /β̞ek/
noun
1. tijdseenheid van 7 dagen
viikko
/'ʋekblɑt/
noun
1. een publicatie die wekelijks verschijnt
viikkolehti
noun
nilviäinen
noun
1. periode van vrijdagavond tot en met zondagnacht
viikonloppu
/ˈʋikɛnt/
noun
1. periode van vrijdagavond tot en met zondagnacht
viikonloppu
/weːr/, /ʋɪːr/, /β̞eːr/
noun
  1. 1. atmosferische gesteldheid
    1. sää
    2. ilma
  2. 1. hamel, gesneden ram
    oinas
  3. 2. gecastreerde bok
    salvupukki
  4. 1. visweer
    kalapato
noun
väkänen
noun
1. kaart van een bepaald gebied waarop de weerssituatie is weergegeven
sääkartta
verb
1. door elastische botsing van richting veranderen
heijastaa
noun
  1. 1. het weerkaatsen
  2. 2. datgene wat weerkaatst wordt (licht, beeld, warmte of geluid)
heijastus
verb
1. stand houden, weerstand bieden aan
kestää
noun
3. een elektronica-onderdeel
vastus
noun
. een mythisch wezen dat bij volle maan van mens in wolf verandert
ihmissusi
/ʋes/
noun
orpo
/ˈʋeshœʏs/
noun
1. een opvanghuis voor wezen
orpokoti
/ʋɛχ/, /β̞ɛx/
noun
1. smalle strook grond voor het verkeer
tie
/ˈʋeχə(n)/, /β̞eɣə(n)/
verb
  1. 1. het gewicht/de massa bepalen
  2. 2. een bepaald gewicht/massa als eigenschap hebben
painaa
noun
tiekartta
verb
1. afstand nemen van iets door het aan iemand te geven
antaa
verb
1. te midden van andere informatie iets niet insluiten
jättää pois
noun
1.
tiellä pysyminen
/ʋɛɪ/
noun
  1. 2. een vloeistof die ontstaat als restproduct bij het kaasmaken
    hera
  2. 1. een stuk grasland voor begrazing door vee
    1. laidun
    2. laidunmaa
pronoun
1. de grootste rivier van Polen
Veiksel
noun
heinämaa
noun
1.
immenkorento
verb
1. niet voldoen aan een verzoek of opdracht
kieltäytyä
noun
1. het niet voldoen aan een verzoek of opdracht
  1. kieltäytyminen
  2. torjuminen
/'ʋɛɪlɑnt/
noun
1. een stuk grasland in gebruik voor de begrazing door vee
laidun
pronoun
Weimarin tasavalta
/ˈwɛɪ̯nɪx/, /ˈʋɛɪ̯nəχ/, /ˈβ̞ɛːnəx/
noun
  1. 2. in een klein aantal
    muutama
  2. 1. in een kleine hoeveelheid, niet veel
    vähän
/ˈwe.kə(n)/, /ˈʋe.kə(n)/, /ˈβ̞e.kə(n)/
verb
1. door langdurig in een vloeistof te leggen zacht, plooibaar of beter wasbaar maken
liottaa
/ˈʋɛkər/
noun
1. een apparaat dat gebruikt wordt om de tijd bij te houden en een functie heeft die veel geluid produceert op een ingestelde tijd
herätyskello
adjective
1. financieel goed gesitueerd
varakas
/ʋɛlk/
relativePronoun
mikä
/ˈʋɛɫkɔm/
adjective
1. gewenst zijn te blijven
vastaanotto
/ˈʋɛɫkɔm/
interjection
1. begroeting
  1. tervetuloa
  2. tervetullut
pronoun
1. hoofdstad van Nieuw-Zeeland, gelegen op het Noordereiland
Wellington
interjection
njää
/wɛlp/
noun
1. jong van hond, wolf, leeuw e.d.
pentu
pronoun
1. een Keltische taal die wordt gesproken in Wales
kymri
noun
1. een vrouwelijke inwoner van Wales
kymri
/ˌʋɛltə'rʏstə(n)/
interjection
hyvää yötä
verb
menestyä
adjective
1.
hyväntahtoinen
/'wɛlzɛin/
noun
1. wanneer een individu of maatschappij zich in een goede toestand bevindt ...
hyvinvointi
noun
1. het gemak waarin iets of iemand van richting kan veranderen
ketteryys
pronoun
1. de hoofdstad van Oostenrijk
Wien
noun
1. knokige rand boven het oog, meestal begroeid met haar
  1. kulmakarva
  2. kulma
verb
tottua
/ʋεns/
noun
toive
noun
toiveajattelu
adjective
1. wat men zou wensen
haluttava
/'ʋɛnsən/
verb
toivoa
pronoun
1. de Fins-Oegrische taal met circa 8000 sprekers gesproken in het noordwesten van Rusland
vepsä
/ˈweː.ʁəlt/, /ˈʋɪː.rɔɫt/, /ˈβ̞eː.rəɫt/
noun
1. de aarde
maailma
pronoun
Maailmanpankki
noun
1. een kaart van het oppervlak van de aarde in de vorm van een bol
maapallo
/ˈweːrəlˌdeːl/, /ˈʋɪːrəɫˌdeːɫ/, /ˈβ̞eːrəlˌdel/
noun
1. een groot boven de zee uitstekend stuk droog land en de omringende eilanden die op hetzelfde continentale plat liggen
maanosa
noun
1. geheel van activiteiten die de mensheid onderneemt om schaarste op te heffen
maailmantalous
pronoun
Maailman terveysjärjestö
pronoun
1. intergouvernementele organisatie die toeziet op de naleving van afspraken over de handel tussen landen
Maailman kauppajärjestö
noun
1. persoon die of team dat tijdens een toernooi of competitie om de wereldtitel in een bepaalde tak van sport winnaar is
maailmanmestari
noun
1. een gewapende strijd tussen een zeer groot aantal landen, met name gebruikt voor de Eerste en de Tweede Wereldoorlog.
maailmansota
/'werəltal/
noun
1.
maailmankieli
noun
1. een tentoonstelling waaraan landen uit de wereld aan kunnen deelnemen
maailmannäyttely
adjective
1. onbekend buiten de eigen leefruimte
irrallaan
/wɛr(ə)f/
noun
1. een scheepswerf
telakka
/ʋɛrk/
noun
  1. 1. dat wat gedaan moet worden
  2. 2. beroep
työ
noun
1. werkbank
höyläpenkki
noun
1 een dag waarop gewerkt wordt
työpäivä
adjective
1. niet verbeeld
todellinen
/'ʋɛrkələkɦɛɪt/
noun
1. de omstandigheden zoals deze daadwerkelijk bestaan
todellisuus
/ʋɛrkən/
verb
1. arbeid verrichten, lichte vorm van zwoegen
  1. työskennellä
  2. tehdä työtä
noun
1. persoon die of bedrijf dat werk verschaft aan anderen
työnantaja
noun
1. een hond die men gebruikt bij de jacht, het hoeden van een kudde, het speuren naar mensen of drugs etc.
käyttökoira
noun
1.
käyttöpääoma
/ˈʋɛrkrɑxt/
noun
1. een persoon die gewoonlijk tegen betaling werk verricht
työvoima
adjective
työtön
/wɛrkˈloshɛit/
noun
  1. 1. het werkloos zijn
  2. 2. het aandeel van de beroepsbevolking zonder betaalde baan
työttömyys
noun
1. uitkering voor iemand die buiten zijn of haar schuld om werkloos is
työttömyysetuus
noun
työttömyysvakuutus
noun
1.
työtön
noun
1. fysieke en sociale omgeving waarin men arbeid verricht
työolot
noun
2. krachtige computer die men voornamelijk gebruikt voor applicaties die veel rekenkracht vereisen
työasema
noun
1.
työkieli
noun
1.
työnimi
noun
1.
työstökone
noun
  1. 1.dagen per week waarop er gewerkt wordt
  2. 2.het totaal aantal arbeidsuren per week
työviikko
noun
1. woordsoort die in de eerste plaats een handeling of toestand uitdrukt
  1. verbi
  2. teonsana
adjective
1.
verbaalinen
verb
1. met een krachtige zwaai van de arm iets uit de hand naar iets of iemand heen laten gaan
heittää
noun
3. bij honkbal
lukkari
noun
1. bot van de wervelkolom
nikama
noun
selkäranka
noun
1. een zwart-geel gestreept vliesvleugelig insect
ampiainen
noun
1.
mehiläishaukka
noun
2. (figuurlijk) netelige situatie, waar men beter niet in verzeild raakt
ampiaispesä
noun
neidonvaippa
noun
1. een zeer smalle taille
ampiaisvyötärö
/ʋɛst/
adverb
länsi
pronoun
Länsi-Afrikka
pronoun
1. grootste van de Australische deelstaten, gelegen in het westen van het land
Länsi-Australia
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het oosten van het land
Länsi-Bengali
pronoun
1.
Länsi-Berliini
pronoun
Länsi-Saksa
pronoun
1. het westelijk deel van Europa
Länsi-Eurooppa
adjective
1. op West-Europa betrekking hebbend
länsieurooppalainen
pronoun
Länsi-Intia
adjective
läntinen
pronoun
Länsi-Sahara
/ˈʋɛs.tə(n)/
noun
länsi
pronoun
Westfalen
/wɛt/
noun
1. een door de overheid opgestelde regel
laki
phraseologicalUnit
Murphyn laki
/ˈʋeː.tə(n)/
verb
1. ergens kennis van hebben
tietää
/'ʋetənsxɑp/
noun
  1. 2. georganiseerde activiteit
  2. 1. het weten van de mens
tiede
/,ʋetən'sxapələk/
adjective
tieteellinen
/ˈʋetəˌsxɑpər/
noun
1. iemand die de wetenschap beoefent
tiedemies
noun
tieteenfilosofia
noun
1. door de regering uitgaand voorstel tot wet
lakiehdotus
/ˈwɛtələk/
adjective
  1. 2. tot de wet behorend
  2. 1. in overeenstemming met de wet
laillinen
/'ʋɛtəxhɛɪt/
noun
1. het in overeenkomst met de wet zijn
laillisuus
/ˈweː.və(n)/, /ˈʋe.və(n)/
verb
1. draden e.d. dooreenvlechten
kutoa
noun
1. bepaald soort zoogdier, Mustela nivales
lumikko
/ˈʋeː.zə(n)/
noun
  1. 2. aard
    olemus
  2. 1. individu
    olento
noun
1. het op één wiel rijden van een motor
keulinta
noun
1. een sterke drank die uit gerst of uit maïs en rogge gestookt is
viski
noun
1. een glad, wit gekleurd metalen bord waarop men met behulp van een viltstift met uitwisbare inkt kan schrijven of tekenen en waarop men met een magneet voorwerpen kan klemmen
valkotaulu
/wiː/, /ʋiː/, /β̞iː/
relativePronoun
  1. 1. vragend voornaamwoord
  2. 2. betrekkelijk voornaamwoord
kuka
interjection
degene die aan het eind het beste uit de strijd komt is de daadwerkelijke winnaar
joka viimeksi nauraa, se parhaiten nauraa
noun
1. een bedje voor een pasgeboren zuigeling, vaak met een hemel van fijn gaas en soms met de mogelijkheid het kind zachtjes heen en weer te bewegen
kehto
/ˈwiɣə(n)/
verb
1. zachtjes heen en weer bewegen, gewoonlijk om een zuigeling in slaap te brengen
keinua
noun
1. het plotseling zonder duidelijke oorzaak overlijden van een zuigeling
kätkytkuolema
noun
1. ronddraaiende schijf
  1. pyörä
  2. ratas
noun
1. de sport van het wielrennen
pyöräily
/'wiː.lə.wal/
noun
1. zwart-gele zangvogel
kuhankeittäjä
noun
rengaslukko
/ˈʋiː.roːk/
noun
1. gomhars, gebruikt als reukoffer
suitsuke
/ʋit/
noun
1. een softdrug die bestaat uit gedroogde hennep
blossi
noun
1. koepelvormig huis gebruikt door de Noord-Amerikaanse indianen
wigwam
/wɛɪ̯/, /ʋɛɪ̯/, /β̞ɛː/
personalPronoun
1. 1e persoon meervoud nominatief
me
verb
1. geheel voor een bepaald doel bestemmen
omistautua
adjective
1. overal aanwezig, vindbaar
laaja
/wɛɪ̯n/, /ʋɛɪ̯n/, /β̞ɛːn/
noun
1. sterke drank van gegiste druiven
viini
noun
1. azijn uit wijn bereid
viinietikka
noun
1.
viinibaari
noun
het verbouwen van druiven voor de productie van wijn
viininviljely
noun
1. een druif die wordt gebruikt om wijn van te maken
viinirypäle
noun
1. een glas dat speciaal ontworpen is om wijn uit te drinken
viinilasi
noun
1.
vuosikerta
noun
1. een lijst waarop men de wijnen die te verkrijgen zijn in een restaurant, wijnhuis, enz... vermeldt in soorten, jaartallen en prijzen
viinilista
noun
1.
viinikellari
adjective
Bordeaux'n punainen
noun
ruuta
/ˈʋɛi̯n.stɔk/
noun
1. klimplant waaraan druiven groeien
viiniköynnös
/wɛɪ̯s/, /ʋɛɪ̯s/, /β̞ɛːs/
adjective
1. van groot inzicht getuigend
viisas
adverb
viisaasti
noun
1. gerijpt inzicht
viisaus
noun
1. tweede vinger, gelegen tussen de middelvinger en de duim
etusormi
/ˈʋɛi.tɪŋ/
noun
1. bepaald soort straalvinnige vis, Merlangius merlangus
valkoturska
noun
1. gewijd water
vihkivesi
noun
1. manier
tapa
verb
osoittaa
noun
1. de plaat van een klok waarop de wijzers de tijd aangeven
kellotaulu
noun
1. een constructiesysteem voor internetpagina's waar, in het algemeen, iedereen alle pagina's kan wijzigen
wiki
/ʋɪkifiˈsɪːrə(n)/
verb
1. een tekst aanpassen aan het wikisysteem
wikittää
pronoun
1. een door de Wikimedia Foundation gecreëerde rechtenvrije encyclopedie op het internet...
Wikipedia
noun
1. een gebruiker op Wikipedia
wikipedisti
/ˈwikʃoˌnɛri/, /ˈʋɪkʃəˌnɛri/
pronoun
1. deelproject van de Wikimedia Foundation met als doel het produceren van een compleet ...
Wiki-sanakirja
/ʋɪl/
noun
1. de bereidheid of zin om iets te doen
tahto
adjective
3. onbeschaafd, bruusk
hillitön
noun
  1. 1. dieren die niet onder menselijke beheersing zijn opgegroeid
  2. 3. vlees van een wild dier
riista
noun
1. bepaald soort zoogdier, Sus scrofa
villisika
noun
1. (onevenhoevigen) Equus africanus
villiaasi
noun
3. graan van Zizania palustris, die worden gegeten als rijst
villiriisi
noun
1. een bosachtig gebied dat weinig door de mens geregeld is
erämaa
noun
1. Salix sp.
paju
adjective
mielivaltainen
/ˈwɪləm/, /ˈʋɪləm/, /ˈβ̞ɪləm/
pronoun
1. een jongensnaam
Vilho
/ˈʋɪ.lən/
verb
1. iets als verlangen of voorkeur hebben
  1. tahtoa
  2. haluta
noun
1. onvermogen om te handelen, ook al weet je wat je moet doen
abulia
noun
1. eenzijdige wilsuiting die gericht is op het tot stand brengen van rechtsgevolgen
tahdonilmaisu
noun
vimpa
/ˈʋɪmpəɫ/
noun
viiri
noun
silmäripsi
/xxxx/
noun
1. klein, tangachtig voorwerp om de bovenste wimpers mee om te buigen zodat ze gaan krullen
ripsientaivutin
/ʋɪnt/
noun
1. stroming van lucht veroorzaakt door luchtdrukverschillen
tuuli
noun
  1. 2. benaming voor slingerende planten met kegelvormige bloemen uit het geslacht Convolvus
    kiertokasvi
  2. 3. bepaald soort karperachtige zoetwatervis, Leuciscus idus
    säyne
adjective
1. weerstoestand waarbij er veel wind aanwezig is
tuulinen
noun
1.
tuulitakki
noun
1. molen die door de wind gedreven wordt
tuulimylly
noun
1. een gebied waar windenergie gewonnen wordt met behulp van een aantal molens
tuulipuisto
noun
1.
tuulensuoja
noun
1. periode met geen of weinig wind
pläkä
noun
1.
tuuliviiri
noun
1. ronde open zak, meestal is de zak in het rood en wit, die de richting en de sterkte van de wind aangeeft
tuulipussi
noun
1. plaats waar koopwaar wordt verkocht
  1. kauppa
  2. myymälä
noun
1. gebied of overdekte galerij waar meerdere winkels en horecazaken zijn gevestigd
ostoskeskus
noun
1. iemand die iets steelt in een winkel
myymälävaras
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Kulmaviivoitin
noun
kauppias
noun
1. een wagentje dat in winkels wordt gebruikt om tijdens het winkelen producten in te verzamelen
  1. ostoskärryt
  2. ostoskärry
noun
1. degene die een strijd of wedstrijd in zijn voordeel beslist
voittaja
/ˈwɪnə(n)/, /ˈʋɪnə(n)/, /ˈβ̞ɪnə(n)/
verb
  1. 1. als beste partij uit een wedstrijd komen
  2. 2. iets verkrijgen voor een goede prestatie bij een wedstrijd
voittaa
/ʋɪnst/
noun
1. datgene wat men meer heeft dan voordat men investeerde
voitto
/ʋɪntər/
noun
1. seizoen
talvi
noun
1.
talvirengas
noun
1. bepaald soort loofboom, Quercus petrae
talvitammi
noun
1. klein gedrongen vogeltje met opgewipt staartje,
peukaloinen
adjective
1. typerend voor de winter
talvinen
noun
1. een toestand van hypothermie en inactiviteit bij sommige warmbloedige dieren in de winter
talvihorros
noun
talviurheilu
noun
tavi
/ʋɪp/
noun
1. een speeltuig bestaande uit een balk die in het midden op een verhoogde steun rust
keinulauta
noun
1. bepaald soort zooɡdier, Bison bonasus
visentti
noun
1. de formele studie van patronen en structuren.
matematiikka
/ʋɪsˈkʏndəx/
adjective
1. op wiskunde betrekking hebbend of er gebruik van makend
matemaattinen
noun
1. het op een onvoorspelbare manier steeds weer veranderen
päähänpisto
/ʋɪsəl/
noun
  1. 1. speciale constructie in een spoorweg om een voertuig naar een ander spoor te leiden
    vaihde
  2. 2. handelspapier voor de overdracht van geld
    vekseli
noun
vaihtoraha
noun
wisselkoers
vaihtokurssi
/'wɪsəlslɑx/
noun
1.
sekauinti
noun
1. wisselstroom
vaihtovirta
/ʋɪt/
adverb
1. kleur
  1. valkoinen
  2. valkea
/ʋɪt/
noun
1. lichtst mogelijke kleur
  1. valkoinen
  2. valkea
/wɪt.ˈrʏs.lɑnd/, /ʋɪt.ˈrʏs.lɑnt/, /β̞ɪt.ˈrʏs.lɑnt/
pronoun
land in Oost-Europa.
Valko-Venäjä
/ˌwɪtˈrʏsɪs/, /ˌʋɪtˈrʏsis/, /ˌβ̞ɪtˈrʏsis/
pronoun
1. een Slavische taal die vooral in Wit-Rusland wordt gesproken
  1. valkovenäjä
  2. valkovenäläinen
noun
1.
vehnäolut
noun
1. een document dat beschrijft hoe overheidsbeleid, een technologie, en/of product een specifiek probleem oplost
valkoinen kirja
adjective
1. van een metaal dat het zo heet is dat het een wit licht uitstraalt
hehkuva
noun
1. een legering van goud en palladium
valkokulta
noun
1.
valkoisuus
noun
1.
kalkkivelli
noun
witte wijnazijn met toegevoegde druivenmost
  1. vaalea balsamietikka
  2. valkoinen balsamiviinietikka
pronoun
1. dag voor Goede Vrijdag
kiirastorstai
noun
1.
valkoinen kääpiö
noun
1. Carcharodon carcharias, de bekendste en de meest gevreesde haai
valkohai
pronoun
Valkoinen talo
noun
1. zangvogel (Motacilla alba)
västäräkki
noun
1. gepelde en gepolijste rijst
valkoinen riisi
noun
1. halfvleugelige uit de familie
jauhiainen
noun
1. alcoholhoudende drank die verkregen wordt door de gisting van voornamelijk witte druiven
valkoviini
pronoun
Vienanmeri
noun
valkokaulusrikollisuus
noun
1. en 2. (bladeren van) sluitkoolgewas dat lichtgroen tot wit van kleur is
  1. keräkaali
  2. valkokaali
  3. kupukaali
/we.ˈka/, /ʋe.ˈka/, /β̞e.ˈka/
noun
1. een kampioenschap waarin de besten van de wereld het tegen elkaar opnemen
MM
noun
1. een heldere, kleurloze en nagenoeg geurloze sterkedrank
  1. vodka
  2. votka
/ˈʋudə/
noun
1. een gevoel van erge kwaadheid
viha
verb
1. met veel geweld gaande zijn van een natuurverschijnsel
raivota
/'ʋudənt/
adjective
1. bijzonder boos
raivoisa
interjection
1. krachtig geluid met korte tussenpozen, zoals een hond dat kan uitstoten
  1. hau
  2. vuh
noun
kiskurikorko
/ˈʋunzdɑx/
noun
1. een dag van de week die na dinsdag en voor donderdag komt
keskiviikko
noun
1. een onherbergzaam gebied dat door niemand verzorgd wordt
autiomaa
noun
1. grote dorre vlakte, met weinig neerslag en weinig vegetatie
  1. aavikko
  2. autiomaa
/ˈvɔɪ̯vɔtsxɑp/
noun
1. naam voor bepaalde bestuurlijke gebieden in Oost-Europa
voivodikunta
noun
1. ronde pan die wordt gebruikt in de oosterse keuken, vooral om te roerbakken
vokkipannu
/ʋɔl/
noun
1. weefsel van wollen garens
villa
/wɔlf/, /ʋɔlf/
noun
1. bepaald zoogdier, Canis lupus
  1. susi
  2. hukka
noun
1. scheikundig element met symbool W en atoomnummer 74
volframi
noun
belladonna
noun
tyräkki
noun
1. bepaalde soort vlinder, Vanessa atalanta
villasarvikuono
noun
1. samenhangende verzameling van merendeels zwevende waterdruppeltjes
  1. pilvi
  2. sumu
/ˈwɔlkə(n)ˌkrɑbər/, /ˈʋɔɫkə(ŋ)ˌkrɑbər/, /ˈβ̞ɔɫkə(ŋ)ˌkrɑbər/
noun
1. een zeer hoog gebouw dat met bewolkt weer zichtbaar in de wolken kan steken
pilvenpiirtäjä
/wɔlə(n)/
adjective
1. gemaakt van wol
villainen
/wɔlˈvɪn/, /ʋɔlˈvɪn/
noun
vrouwelijke wolf
naarassusi
pronoun
1.
Volynia
noun
vompatti
/wɔnd/, /ʋɔnt/, /β̞ɔnt/
noun
1. een beschadiging in of aan het lichaam
haava
noun
1. een gebeurtenis waaraan een bovennatuurlijke oorsprong toegeschreven wordt
ihme
noun
ihmelapsi
/ˈwo.nə(n)/, /ˈʋo.nə(n)/, /ˈβ̞o.nə(n)/
verb
1. een permanente behuizing hebben
asua
noun
asuntovene
noun
1. een kamer ingericht om in te wonen en gasten te ontvangen
olohuone
noun
asuinpaikka
/ʋoːrt/, /ˈʋʊːrt/, /ˈβoːrd/, /ˈβoːrt/
noun
  1. 1. mannetjeseend
    sorsa
    1. 1. spraakklank of betekeniseenheid die bestaat uit minimaal één vrij morfeem en minimaal nul gebonden morfemen
    2. 2. belofte
    3. 3. het woord van god of de inhoud van de bijbel
    4. 4. de natuurlijke eenheid van informatie voor een bepaalde computerarchitectuur
    sana
/ˈʋɔːrdə(n)ˌbuk/
noun
1. een boek waarin de woorden en uitdrukkingen van een taal zijn gerangschikt met hun...
sanakirja
/ˈʋɔːrdə(n)ˌlɛɪst/
noun
1. een lijst bestaande uit woorden
sanalista
noun
sanavarasto
noun
1. categorie waarin bepaalde woorden naar gelang het grammaticale gebruik in onderverdeeld worden
sanaluokka
noun
1. persoon
edustaja
noun
1. volgorde van woorden in een zin
sanajärjestys
/ˈwɔrdə(n)/, /ˈʋɔrdə(n)/, /ˈβ̞ɔrdə(n)/
verb
  1. 1. vormt de lijdende vorm
  2. 2. gaan zijn, zich ontwikkelen tot
tulla
noun
1.
työnarkomaani
/ʋɔrm/
noun
1. een betrekkelijk klein, lang, ongewerveld dier met een zacht lichaam
mato
/ʋɔrp/
noun
  1. 1. de handeling van het werpen van iets
    heitto
  2. 2. het aantal jonge dieren dat een moederdier bij één dracht op de wereld zet
    pesue
noun
1. een toegebonden eind darm of vlies dat gevuld is met vleeswaar
makkara
verb
paini
noun
1. aftreksel van mout
vierre
/ˈʋɔrtəl/
noun
    1. 2. Ondergronds gedeelte van een plant
    2. 3. Getal
    3. 4. Woord
    juuri
  1. 1. Groente peen
    porkkana
noun
porkkanakakku
pronoun
1. Finoegrische taal die door de Woten in Ingrië gesproken werd
vatja
/ʋʌːt/, /ʋʌːut/
noun
1. groot bos
metsä
noun
1. kleinste reigersoort die in Nederland voorkomt
pikkuhaikara
/ʋʌʊ̯/, /β̞ʌːβ̞/
noun
  1. A 1. benaming voor roofvogels uit het geslacht Milvus
    haukka
  2. B 1. bepaald soort plant, Reseda luteola
    värireseda
noun
1. het vergelden van doorgemaakt lijden
kosto
noun
hylky
verb
juridisch
jäävätä
noun
1. knobbeltje
syylä
adjective
1. heel onvriendelijk
julma
noun
1. bovenkant van de voet tussen tenen en enkel
jalkapöytä
verb
1.
kostaa
noun
kostaja
verb
1. handeling
hangata
noun
kitka
noun
kauna
noun
1. oorspronkelijk een rol van twee ineengedraaide repen stof, gevuld met haar of wol, aangebracht bovenop de helm om vijandelijke slagen te breken
lakipunos
noun
1. Buccinum undatum
kuningaskotilo
noun
1. Numenius arquata, een vogel uit de familie van de snipachtigen (Scolopacidae)
kuovi
verb
1. iets of iemand vermoorden door het dichtknijpen van de keel
kuristaa
/ˈɪksɑs/
noun
1.
x-akseli
noun
2. afwijking van de normale stand van de benen, waarbij de knieën naar binnen gericht zijn.
pihtipolvet
/ksɑnˈtinə/
noun
1. een organische stof die in vlees, urine en andere dierlijke stoffen voorkomt
  1. dioksipuriini
  2. ksantiini
/ksenofɪˈli/
noun
1. het welgezind zijn jegens vreemdelingen of buitenlanders
ksenofilia
/ksenofoˈbi/
noun
1. een afkeer van alles wat vreemd of buitenlands is
ksenofobia
noun
1. iemand die een sterke afkeer van vreemdelingen heeft
muukalaisvihaaja
/ˈksenɔn/
noun
1. een scheikundig element en kleurloos edelgas met het symbool Xe en het atoomnummer 54
ksenon
/ˈksenotrɑnsplɑnˌtatsi/
noun
1. een transplantatie van dierlijke organen bij de mens
ksenotransplantaatio
noun
kserofyytti
/ˈkoːsa/
pronoun
1. een taal die in Zuid-Afrika gesproken wordt
Xhosan kieli
/ksiˈlem/
noun
1.
ksyleemi
/ˌksiliˈtɔl/
noun
1. een zoetstof die bereid is door hydrogenatie van xylose
ksylitoli
noun
1. melodisch slaginstrument dat bestaat uit een reeks op toon gestemde hardhouten staafjes waar met kleine hamertjes op geslagen wordt
ksylofoni
/ˌksiloɣraˈfi/
noun
  1. 1. houtsnijkunst
  2. 2. houtsnede of houtgravure
ksylografia
noun
1.
y-akseli
noun
1. een tropisch voedselgewas
jamssi
noun
  1. 1. een Angelsaksische lengtemaat (3 voet is 0,9144 m)
  2. 2. een Engelse vlaktemaat (12,14 ha)
jaardi
noun
1. de munteenheid van Japan
jeni
/ˈjeti/
noun
1. een legendarisch monster met de bijnaam 'de verschrikkelijke sneeuwman' die voor zou komen in de Himalaya
  1. jeti
  2. lumimies
/ˈjoxa/
noun
1. het streven om door lichamelijke en geestelijke methoden van concentratie...
jooga
/ˈjɔxərt/, /ˈjɔχərt/
noun
1. lichtzuur en enigszins lobbig zuivelproduct,...
  1. jugurtti
  2. jogurtti
noun
1. een beoefenaar van de yoga
joogi
pronoun
1. taal die door de Yoruba in Nigeria, Benin, Togo en Sierra Leone gesproken wordt
joruba
noun
1. scheikundig element met symbool Yb en atoomnummer 70
ytterbium
noun
1.
yttrium
noun
1. een ronde nomadentent
jurtta
/zaːt/
noun
1. een bevruchte kiem waaruit een nieuwe plant van dezelfde soort groeit
siemen
/ˈzatsɛl/
noun
1. de mannelijke geslachtscel
siittiö
noun
1. een klein knopje in het vruchtbeginsel waaruit na bevruchting een zaadje groeit
siemenaihe
/'zadlɛɪdər/
noun
siemenjohdin
noun
sirkkalehti
/zax/
noun
1. een stuk gereedschap met een scherp getand metalen blad om voorwerpen in stukken te verdelen
saha
noun
1. een uit houtvezels bestaande stof die ontstaat bij het zagen van hout
sahanpuru
/'zaxsəl/
noun
1. een uit houtvezels bestaande stof die ontstaat bij het zagen van hout
sahanpuru
/'zaxtɑnt/
noun
1. scherpe tandvormige karteling aangebracht op de rand van een zaagblad
sahanhammas
noun
1. benaming voor haaiachtige vissen met aan de kop een zaagvormig uitsteeksel uit de familie Pristidae
saharausku
verb
1. zaad strooien
kylvää
/zal/
noun
salonki
pronoun
2. boek in de Bijbel
Sakarja
adverb
1. gemakkelijk samen te drukken en/of te buigen
pehmeä
noun
zitplaats op dier of fiets
satula
verb
1. een zadel plaatsen op
satuloida
noun
1. een persoon die zadels maakt
satulaseppä
/ˈzadənbɑŋk/
noun
1.bewaarplaats voor zaden van veel verschillende planten
siemenholvi
/ˈza.ɣə(n)/, /ˈza.χə(n)/
verb
1. in stukken delen door middel van een zaag
sahata
/[ˈzɑː.greb]/
pronoun
1. hoofdstad van Kroatië
Zagreb
noun
  1. 1. slappe, vormeloze tas
    säkki
  2. 2. een plek in kleding waarin kleine spullen kunnen worden meegedragen
    tasku
/ˈzɑgduk/
noun
1. een doek om de neus in te snuiten
nenäliina
/zaːkən/
noun
2. commerciële activiteiten
asia
/'zakəmɑn/
noun
1. iemand die met zakendoen zijn brood verdient
  1. liikemies
  2. bisnesmies
noun
liikematka
noun
taskuraha
noun
1. iemand die ongemerkt waardevolle zaken steelt
taskuvaras
noun
1. lamp op zakformaat
taskulamppu
/ˈzɑkmɛs/
noun
1. een klein invouwbaar mes, vaak met extra gereedschappen
  1. linkkuveitsi
  2. taskuveitsi
noun
1. een woordenboek in klein formaat
taskusanakirja
noun
smeerbare massa om op de huid aan te brengen
balsami
phraseologicalUnit
1. een uitdrukking om iemand een gelukkige paasviering te wensen
  1. Hauskaa pääsiäistä
  2. Hyvää pääsiäistä
noun
1. dwarshout dat het want spreidt
saalinki
/zɑlm/, /zɑɫm/
noun
1. benaming voor een aantal vissoorten uit de familie Salmonidae
  1. lohikala
  2. lohi
noun
1. consumptievis, meestal regenboogforel (Oncorhynchus mykiss), met zalmkleurig vlees
taimen
/zɑlvə(n)/
verb
2. het aanbrengen van een welriekende olie, meestal als inhuldiging in een politieke of religieuze hoedanigheid
voidella
/'zɑm.bi.ja/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel de Republiek Zambia, dat geheel door land wordt omsloten
Sambia
noun
1. losse massa die bestaat uit miljoenen stukjes steen en schelpen
hiekka
noun
1. een bak gevuld met zand om in te spelen
hiekkalaatikko
noun
1. benaming voor de zoetwatervis Sander lucioperca
kuha
noun
1. bepaalde vaste plant die van nature in Noord-Europa en aan de West-Europese kusten voorkomt, Leymus arenarius
rantavehnä
noun
1. een van zand gebouwd miniatuurkasteel
hiekkalinna
noun
1. toestel waarmee de tijd wordt gemeten door zand uit het bovenste reservoir via een smalle doorgang naar het onderste reservoir te laten lopen
tiimalasi
noun
hiekkakivi
noun
een harde, droge wind die boven een woestijngebied een grote hoeveelheid zand en stof doet opwaaien
hiekkamyrsky
/ˈzɑŋər/
noun
1. een mannelijk iemand die zingt
laulaja
noun
1. een vrouwelijk iemand die zingt
laulajatar
noun
1. Turdus philomelos, een lijstersoort die algemeen is in Nederland en Vlaanderen
laulurastas
pronoun
1.
Zaragoza
adjective
1. verzadigd, vol, met name van alcoholische drank
kännissä
noun
1. een dag van de week die na vrijdag en voor zondag komt
lauantai
/za.ˈiː.rə/
pronoun
Zaire
noun
1. Bos taurus indicus een rund dat in het Indische subcontinent en Afrika wordt...
seebu
noun
1. zwart-wit gestreepte paardachtige
seepra
noun
1. een patroon van witte strepen aangebracht op het wegdek ter aanduiding van een beschermde voetgangersoversteekplaats
suojatie
adjective
1. zoals het volgens normen en waarden behoort
moraalinen
/ze/, /zeː/
noun
1. uitgestrektheid zoutwater
meri
noun
1. op de zeebodem levend bolvormig stekelig ongewerveld diertje
merisiili
noun
1. smalle doorgang tussen twee zeeën
salmi
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Actiniaria
merivuokko
noun
1. bepaald soort roofvogel die in kustgebieden leeft, Haliaeetus albicilla
merikotka
noun
1. baarsachtige zeevis, Dicentrarchus labrax
meriahven
noun
1. aardbeving waarvan het epicentrum op de bodem van de zee ligt
vedenalainen maanjäristys
noun
1. het grondvlak van een zee
merenpohja
noun
1. bepaald soort grote zeevis, Lophius piscatorius
krotti
noun
1. werktuig om grovere van fijnere bestanddelen te scheiden
  1. siivilä
  2. seula
noun
1. de deining van de zee
merenkäynti
noun
1. haven die in verbinding staat met de zee
merisatama
/ˈzekut/
noun
1. zwart-witte zeevogel, Uria aalge
etelänkiisla
noun
1. benaming voor op de op komkommers lijkende zeedieren uit de klasse Holothuroidea
merimakkara
noun
1. benaming voor planten uit het geslacht Salicornia
suolayrtti
noun
1. in zee levende kreeft
hummeri
/ˈzelɑnt/, /ˈzeːlɑnd/, /ˈzeːlɑnt/
pronoun
1. een provincie in het zuidwesten van Nederland, die aan Noord-Brabant, Zuid-Holland, België en de Noordzee grenst
Zeeland
noun
1. grote oorrob
korvahylje
/ˈze.le.li/
noun
1. benaming voor de sessiele zeedieren uit de klasse Crinoidea
merililja
noun
1. bepaald soort karperachtiɡe zoetwatervis, Tinca tinca
suutari
noun
merimies
noun
1. vaardigheid in het bedienen, onderhouden en het besturen van een schip
merimiestaito
noun
1. mythisch zeewezen
merenneito
noun
1. afstandsmaat, in gebruik op zee, 1852m
  1. meripeninkulma
  2. merimaili
noun
1. rob uit het geslacht Mirounga
merinorsu
/ˈzeʔɔtər/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Enhydra lutris
merisaukko
noun
1. schuimverwerkend reinigingsmiddel
saippua
/ˈzepaːrtʲə/
noun
2. benaming voor zeevisjes waarvan de kop op een paardenkop lijkt en die rechtopstaand zwemmen, uit het geslacht Hippocampus
merihevoset
noun
1. bolvormig vlies van water en zeep dat een hoeveelheid gas (meestal lucht) omringt
saippuakupla
noun
2. inwendige schelp van een zeekat (een tienarmige inktvis)
valaansuomu
noun
2. bordspel
laivanupotus
noun
1. benaming voor schijfvormige zeedieren met vijf armen uit de klasse Asteroidea
meritähti
noun
1. iemand die voor zijn beroep de zee bevaart
merenkulkija
noun
1. de mate waarin een schip of bemanning zeewaardig is
merikelpoisuus
/ˈzeʋatər/
noun
1. water waarin diverse zouten zijn opgelost en waarmee de zeeën gevuld zijn
merivesi
noun
1. in zee levend wier
merilevä
adjective
merisairas
noun
1. misselijkheid als gevolg van de onregelmatige beweging van een schip
merisairaus
noun
merinisäkäs
noun
1. zout, uit zeewater gewonnen
merisuola
noun
1.
voitto
/ˈzexəl/
noun
1. een middel om een voorwerp zodanig af te sluiten dat er later nagegaan kan worden of het geopend is
sinetti
/ˈzeɣəɫˌrɪŋ/
noun
1. een ring die aan de rugzijde voorzien is van een gravure, waarmee een zegel kan worden gestempeld
sinettisormus
/ˈzeːɣə(n)/, /ˈzeːχə(n)/
noun
4. breed en naar verhouding niet erg hoog sleepnet
nuotta
verb
1. de zegen geven
siunata
noun
1. een geslacht van zowel bladverliezende als groenblijvende kruidachtige planten
sara
verb
1. mededelen
sanoa
/ˈzεɣə(n)ˌsxɑp/, /ˈzεχə(n)ˌsχɑp/
noun
1. het recht om over iets te beslissen
  1. sananvalta
  2. määräysvalta
noun
1. doek dat in een mast gehesen is met als doel wind te vangen
purje
noun
1. een boot waarmee gezeild kan worden
purjevene
/ˈzɛɪlə(n)/
noun
1. wedstrijdsport met zeilvaartuigen
liitää
/ˈzɛɪlə(n)/
verb
1. voortgestuwd worden door de druk van de wind tegen een opgehouden zeil
liitää
noun
1. iemand die het zeilen beoefent
purjehtija
noun
1. surfplank
purjelauta
noun
1. een schip waarmee gezeild kan worden
  1. purjealus
  2. purjelaiva
noun
luonnonmagneetti
noun
1. maaiwerktuig met gebogen snijblad en lange stok
viikate
/ˈze.kər/
adjective
1. waaraan niet getwijfeld hoeft te worden
varma
/'zekərɦɛɪt/
noun
varmuus
noun
1. elektronisch element ter voorkoming van een te grote stroom
sulake
adverb
1. bijzonder weinig voorkomend
harvoin
adjective
1. naar verhouding gering in aantal
harvinainen
/zɛlf/, /zɛɫf/
demonstrativePronoun
  1. 1. in eigen persoon
  2. 2. in tegenstelling met iets anders
itse
noun
2. de mogelijkheid voor een volk om te bepalen onder welke soevereiniteit het wil vallen
itsemääräämisoikeus
demonstrativePronoun
sama
noun
itseriittoisuus
noun
1. elk van de meestal versterkt geweven zijkanten van een weefsel in de lengterichting van het doek
hulpio
noun
1. beoordeling van het zelf, meestal gericht op dat wat verbeterd zou moeten worden
itsekritiikki
adjective
1. zichzelf beoordelend, meestal gericht op dat wat verbeterd zou moeten worden
itsekriittinen
/ˈzɛɫfmoːrt/
noun
1. handeling waarbij men een einde maakt aan zijn eigen leven.
itsemurha
noun
1. brief die als verklaring of afscheid achtergelaten wordt door iemand die zelfmoord pleegt
itsemurhaviesti
/'zɛlfpɔrtrɛt/
noun
1. een kunstwerk gebaseerd op de afbeelding van het eigen gezicht
omakuva
adjective
itseluottavainen
noun
1. het zichzelf sturen en controleren
itsesäätely
adverb
jopa
noun
1. jezelf belachelijk maken met humoristische intentie
itseironia
noun
1. woordsoort die een zekere mate van zelfstandigheid van het genoemde uitdrukt, in veel talen standaard gecombineerd met een lidwoord
  1. substantiivi
  2. nimisana
noun
1. verbranding van zichzelf
polttoitsemurha
noun
1. verdediging van zichzelf
itsepuolustus
/ˌzɛlᵊfɛrˈnitəxənt/
adjective
1. zo ontworpen dat er na afloop praktisch niets van overblijft
itsetuhoinen
noun
1.
itsestään huolehtiminen
noun
1.
lähetysaika
/zenɪt/
noun
1. het denkbeeldige punt loodrecht omhoog aan de hemelkoepel
zeniitti
noun
1. een onderdeel van het perifeer zenuwstelsel, bestaande uit gebundelde uitlopers van zenuwcellen
hermo
noun
1.
hermosota
noun
1. het gehele zenuwsysteem
hermojärjestelmä
noun
1. klasse silicaat-mineralen met een kristalstructuur die kanalen en holtes bevat in de grootteorde van nanometers
zeoliitti
verb
saippuoida
noun
1. het getal 6
kuusi
/ˈzɛs.də/, /ˈzɛz.də/
ordinalAdjective
nummer zes in een rij
kuudes
cardinalNumeral
1. het getal 36
kolmekymmentäkuusi
cardinalNumeral
1. het getal 86
kahdeksankymmentäkuusi
cardinalNumeral
1. het getal 26
kaksikymmentäkuusi
cardinalNumeral
1. het getal 46
neljäkymmentäkuusi
cardinalNumeral
1. het getal 56
viisikymmentäkuusi
cardinalNumeral
1. het getal 66
kuusikymmentäkuusi
/ˈzɛsənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 76
seitsemänkymmentäkuusi
/zɛsɦuk/
noun
1. een geometrische tweedimensionale vorm, bestaande uit zes hoeken en derhalve ook zes zijden
  1. kuusikulmio
  2. heksagoni
/ˈzɛsˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 600
kuusisataa
cardinalNumeral
1. het getal 16
kuusitoista
ordinalAdjective
kuudestoista
noun
1.
kuudestoistaosatauko
noun
1. gedeelte van het voetbalveld
rangaistusalue
cardinalNumeral
1. het getal 60
kuusikymmentä
ordinalAdjective
kuudeskymmenes
/zɛt/
noun
handeling gedurende een spelbeurt
siirto
noun
  1. 1. constructie bestemd om prettig op te zitten
  2. 2. lidmaatschap van een raad of vergadering met een beperkt aantal leden
  3. 3. plaats waar een organisatie gevestigd is
istuinosa
noun
tärkkelys
noun
1. een medicament in de vorm van een pil die via de anus toegediend wordt
peräpuikko
noun
ladonta
noun
1. vrouwelijk varken of everzwijn
  1. emakko
  2. emäsika
/ˈsʏː.rə(n)/, /ˈzøː.rə(n)/
verb
1. veelvuldig en langdurig klagen over weinig belangrijke zaken
kitistä
/zœys/
pronoun
1. Griekse oppergod
Zeus
/ˈzøvən/
cardinalNumeral
1. het getal 7
  1. seitsemän
  2. seiska
/ˈze.vən.də/
ordinalAdjective
seitsemäs
/ˈzøvənənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 37
kolmekymmentäseitsemän
/ˈzøvənəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 97
yhdeksänkymmentäseitsemän
/ˈzøvənənˌtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 87
kahdeksankymmentäseitsemän
/ˈzøvənənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 27
kaksikymmentäseitsemän
/ˈzøvənəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 47
neljäkymmentäseitsemän
/ˈzøvənəɱˌvɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 57
viisikymmentäseitsemän
/ˈzøvənənˌsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 67
kuusikymmentäseitsemän
noun
plant en kruid
sinisarviapila
/ˈzeːvə(n)ˌɦɔndərt/, /ˈzøvənˌhɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 700
seitsemänsataa
/ˈzøvənˌtin/
cardinalNumeral
1. het getal 17
seitsemäntoista
ordinalAdjective
seitsemästoista
/ˈzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 70
seitsemänkymmentä
adjective
1. voor de zevende keer
seitsemänkertainen
noun
1. wat gezien kan worden
näköala
adjective
näkyvä
adjective
1. lichamelijke toestand
sairas
adjective
1. geneigd om vaak ziek te zijn
sairaalloinen
/ˈzi.kǝn.ˌɦœʏs/
noun
1. instelling voor onderzoek, behandeling en verpleging van zieken
sairaala
noun
sairaus
noun
Crohnin tauti
noun
1. ziekte die het centrale zenuwstelsel steeds verder aantast
Parkinsonin tauti
/zil/
noun
1. het veronderstelde wezen van het niet-stoffelijke van de mens
  1. sielu
  2. henki
verb
1. waarnemen met het oog
  1. nähdä
  2. katsoa
/ˈzɪftə(n)/
verb
1. de grote van de kleine deeltjes scheiden met behulp van een zeef
seuloa
/siˈɣønər/
noun
Mustalainen
/sɛɪ̯/, /zɛɪ̯/, /zɛː/
personalPronoun
  1. 2. 3e persoon meervoud
    he
  2. 1. 3e persoon enkelvoud vrouwelijk
    hän
noun
  1. 2. vezel van de cocon van de zijdevlinder
    silkki
  2. 1. kant
    sivu
/zɛɪkɑnt/
noun
1. datgene dat de zijde vormt
puoli
possessivePronoun
1. derde persoon enkelvoud m/o
hänen
verb
  1. 5. gelijk zijn aan.
  2. 6. tot de groep behoren van
  3. 3. zich bevinden.
  4. 11. zijn + voltooid deelwoord: hulpwerkwoord van de voltooide tijd van de lijdende vorm
  5. 7. de eigenschap hebben.
  6. 1. bestaan
  7. 10. zijn + voltooid deelwoord: hulpwerkwoord van de voltooide tijd van ergatieven
olla
noun
1. een rivier die niet in zee maar in een andere rivier uitmondt
sivujoki
/'zɛɪspɑn/
noun
1. karretje dat naast een motorfiets bevestigd is voor het vervoer van een passagier
sivuvaunu
noun
laitaköli
noun
hopea
adjective
hopeinen
phraseologicalUnit
hopeamitali
noun
1. grote meeuwensoort
harmaalokki
noun
1
tundrakurmitsa
noun
1.
hopeaselkä
noun
1. benaming voor naaldbomen uit het geslacht Abies
pihdat
noun
1.1 bepaald soort insect Lepisma saccharina
sokeritoukka
/'zɪlvərvlisrɛist/
noun
rijst waarvan de zemelen en de kiem niet verwijderd zijn
  1. ruskea riisi
  2. tumma riisi
/zɪm.ˈbɑ.b<sup>ʊ</sup>ə/, /zɪm.ˈbɑp.wə/
pronoun
land in zuidelijk Afrika, officieel de Republiek Zimbabwe
Zimbabwe
noun
1. een serie woorden die gezamenlijk in syntactisch verband een afgerond geheel vormen
lause
adjective
1.2 van huisdieren: alleen buitenshuis of binnenshuis op een daarvoor bestemde plaats poepend en plassend
sisäsiisti
noun
1. een jong kind leren om de natuurlijke behoeften te beheersen en alleen uit te oefenen op een aangewezen plek
pottaharjoittelu
verb
1. het musiceren met de menselijke stem
laulaa
noun
1. , een scheikundig element met symbool Zn en atoomnummer 30. Het is een blauw/wit overgangsmetaal
sinkki
verb
1. in een vloeistof, meestal water, traag naar beneden zakken
  1. upota
  2. vajota
noun
1. ZnO
sinkkioksidi
adjective
1. iets dat geen zin (nut) heeft
järjetön
/ˈzɪntœx/, /ˈzɪntœyx/
noun
1. orgaan
aisti
/zijoˈnɪsmə/
noun
sionismi
noun
1. computerbestand waarin één of meerdere gecomprimeerde bestanden verpakt zitten
ZIP-pakkaus
noun
1. scheikundig element met symbool Zr en atoomnummer 40
zirkonium
/zɪr'koːn/
noun
1. een mineraal
zirkoni
noun
1. een plaats waar men kan zitten
istumapaikka
/ˈzɪ.tə(n)/
verb
1. op het zitvlak rusten
istua
noun
1. zitmeubel
säkkituoli
conjunction
  1. 1. in die mate als
  2. 2. bijvoorbeeld
kuin
conjunction
1. geeft aan welke gebeurtenis eerst moe(s)t plaatsvinden
heti kun
verb
1. proberen te vinden
  1. etsiä
  2. hakea
noun
2. een richtmiddel op een camera of vuurwapen
etsin
noun
hakuvalo
noun
1.
hakukoneoptimointi
verb
1. zo behandelen dat iets niet meer terug te vinden is
menettää
noun
1. deel van een computerscherm waar je een zoekopdracht kunt invullen
hakukenttä
pronoun
1. Bantoetaal die door 12 miljoen mensen in Zuid-Afrika wordt gesproken
zulu
verb
1. een vrij zacht continu geluid voortbrengen dat op de z-klank lijkt
surista
verb
1. met de mond liefkozen
suudella
/ˈzut/
adjective
1. ter omschrijving van een vaak als aangename ervaren smaak zoals die van suiker
  1. makea
  2. imelä
noun
1.
makea vesi
noun
1. een zetmeel houdende knol behorend tot dezelfde orde van planten als de aardappel
bataatti
noun
herttaisuus
/ˈzuthʌʊt/
noun
1. Glycyrrhiza glabra, een plant die tot de vlinderbloemigen behoort
lakritsikasvi
noun
2. zoetstof zonder suiker
makeutusaine
adjective
hapanimelä
/ˈzoːɣ.ə(n)/
verb
1. moedermelk geven
imettää
/ˈzɔldər/
noun
3. ruimte onder een (schuin) dak
  1. ullakko
  2. vintti
/zolə(n)/
verb
1.
anturoida
noun
1. door magie uit de dood teruggebracht persoon
zombi
verb
1. van zomen voorzien
paltata
noun
  1. kesä
  2. suvi
noun
1. bepaald soort loofboom, Quercus robur
  1. metsätammi
  2. tammi
/ˈzo.mər.ˌhœʏ̯s/, /ˈzo.mər.ˌhœːs/
noun
1. huis om de zomer en de vakanties door te brengen
kesämökki
adjective
1. typerend voor de zomer
kesäinen
noun
1. Anas querquedula
heinätavi
noun
1. regeling waarbij de klok gedurende de lente- en zomermaanden een uur vooruit wordt gezet
kesäaika
noun
1. de ster waar de planeet aarde omheen draait, hemellichaam dat de aarde overdag verlicht
  1. aurinko
  2. auringonpaiste
noun
1. een dag van de week die na zaterdag en voor maandag komt
sunnuntai
noun
1. overtreding van een goddelijke wet of regel
synti
noun
  1. 1.
  2. 2.
syntipukki
preposition
1. In afwezigheid van
ilman
adjective
syntinen
/zɔndəɣə(n)/
verb
1. het overtreden van een religieuze wet
tehdä syntiä
noun
1. een catostrofale Bijbelse vloed
vedenpaisumus
/ˈzoːnə/
noun
1. bepaald gebied dat is afgebakend van aangrenzend gebied
alue
noun
1. de zichtbare elektromagnetische straling van de ster waarrond onze aarde draait
auringonvalo
/'zɔnəʔenɛr'ɣi/
noun
1. energie die gewonnen wordt uit de straling van de zon
aurinkoenergia
/zɔnəbɑt/
noun
het doelbewust de huid aan de stralen van de zon blootstellen om bruin te worden
aurinkokylpy
/ˈzɔnəˌblum/
noun
1. bepaald soort tot 3 meter hoge plant met een grote gele bloem, Helianthus annuus
auringonkukka
noun
1.
auringonkukkaöljy
noun
1. de pit van een zonnebloem
auringonkukansiemen
noun
1. de vaak pijnlijke gevolgen van een blootstelling van de huid aan een te grote dosis ultraviolet licht
auringonpolttama
noun
1. substantie tegen verbranding van de huid
aurinkosuoja
noun
1. een bril met speciale glazen (dikwijls polaroid) om de ogen tegen het zonlicht te beschermen
aurinkolasit
noun
aurinkokenno
noun
3. de tijd tussen het weer even hoog aan de hemel staan van de zon
aurinkovuorokausi
/ˈzɔ.nə.ˌjar/
noun
1. de tijd die het de aarde kost één keer rond de zon te draaien
aurinkovuosi
/ˈzɔnəpɑˌnel/, /ˈzɔnəpɑˌnɪːɫ/
noun
1. een paneel dat stralingsenergie van de zon omzet in elektriciteit
aurinkokennosto
noun
1. het licht dat van de zon afkomstig is
auringonpaiste
noun
1.
  1. aurinkokunta
  2. Aurinkokunta
noun
aurinkotorni
noun
1. bepaald soort eetbare vis, Zeus faber
pietarinkala
noun
auringonpurkaus
noun
1. magnetische onregelmatigheid aan de oppervlakte van de zon die vanaf de aarde te zien is als een wat donkere vlek
auringonpilkku
noun
2. auto
aurinkoauto
/ˈzɔnəˌwɛndə/, /ˈzɔnəˌʋɛndə/, /ˈzɔnəˌβ̞ɛndə/
noun
1. de gebeurtenis waarbij de zon, vanuit de aarde gezien, de meest noordelijke of zuidelijke positie (de keerkringen) bereikt
päivänseisaus
noun
aurinkokello
noun
1. de stroom deeltjes die de zon uitstraalt
aurinkotuuli
adjective
1. zonovergoten, met zonneschijn
aurinkoinen
/zɔn'zɔndərχɑŋ/
noun
1. het ondergaan van de zon
  1. auringonlasku
  2. illansuu
noun
1. het opkomen van de zon
auringonnousu
/ˈzɔnsvərˌdœʏ̯stərɪŋ/, /ˈzɔnsvərˌdœːstərɪŋ/
noun
1. het verschijnsel dat de maan voor de zon langstrekt, waardoor het zonlicht geblokkeerd wordt
auringonpimennys
/zuː/
noun
1. verzameling levende, oorspronkelijk wilde dieren.
eläintarha
/ˈzox.diːr/, /ˈzoːɣ.diːr/, /ˈzoχ.diːr/
noun
1. werveldier dat zijn jongen zoogt
nisäkäs
/zoːn/
noun
1. een mannelijk kind
poika
noun
1. behoedzame overweging
huoli
adjective
1. onbekommerd, zonder zorgen
huoleton
verb
1. zorg dragen
huolehtia
adjective
1. met de nodige zorg
huolehtivainen
/zɑu̯t/
adjective
1. zout bevattend of zout smakend
suolainen
/zɑu̯t/
noun
1. alledaagse naam voor keukenzout
suola
verb
1. met zout conserveren
suolata
/ˈzɑutˌvacə/
noun
2. tafelgereedschap dat het zout bevat en strooit
suolasirotin
noun
suolavesi
noun
1. een oplossing
suolahappo
/ˈzo.zo/
adjective
niin ja näin
noun
eläimiin sekaantuminen
noun
eläinmaantiede
noun
1. de wetenschap die de dieren bestudeert.
eläintiede
/zoʔo'lox/
noun
1. een wetenschapper die zich bezig houdt met de studie van dieren.
eläintieteilijä
noun
1. hoorbare uitademing
huokaus
verb
1. hoorbaar diep uitademen, meestal als uiting van frustratie
huoata
/zœʏ̯t/, /zœːd/, /zœːt/
adverb
etelä
/zœʏ̯t.'a.fri.ka/, /zœː'.dɑ.fri.ka/, /zœːt.'a.fri.ka/
pronoun
land in het zuiden van Afrika
Etelä-Afrikka
adjective
1.
eteläafrikkalainen
noun
Merluccius capensis
rantakummeli
/ˌzœʏ̯t aˈmɪːrika/, /ˌzœːd aˈmeːrika/
pronoun
een continent dat ten zuiden van Noord-Amerika ligt, tussen de Grote en de Atlantische Oceaan
Etelä-Amerikka
pronoun
1. Australische deelstaat in het zuiden
Etelä-Australia
pronoun
1.
Etelä-Carolina
pronoun
1. is een randzee van de Grote Oceaan en ligt ten zuiden van China
Etelä-Kiinanmeri
pronoun
1.
Etelä-Dakota
pronoun
het zuidelijk deel van Europa
Etelä-Eurooppa
/zœʏ̯.ˈtɔ.lɑnt/, /zœːt.ˈɦɔ.lɑnt/, /ˈzœːd.hɔ.lɑnd/
pronoun
1. een provincie in het zuidwesten van Nederland, die aan Noord-Holland, Utrecht, Gelderland, Noord-Brabant, Zeeland en de Noordzee grenst
Etelä-Hollanti
pronoun
1. regio van Finland
Etelä-Karjala
/ˌzœʏ̯t koˈre.ja/, /ˌzœːt koˈre.ja/
pronoun
1. en 2., land en republiek in Azië
  1. Korean tasavalta
  2. Etelä-Korea
/ˌzœʏ̯t koreˈjans/, /ˌzœːt koreˈjaːns/
adjective
1.
eteläkorealainen
pronoun
1. Oeralische taal gesproken door 600 mensen in Noorwegen en Zweden
eteläsaame
/ˈzœy̯.də(n)/
noun
etelä
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Etelän kolmio
pronoun
1. grootste eiland van Nieuw-Zeeland
Eteläsaari
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Etelän kruunu
noun
revontulet
adverb
kaakko
pronoun
1. Noordpool
etelänapa
noun
1,2,3. zuidpool
etelänapa
adverb
lounas
pronoun
1. regio van Finland
Varsinais-Suomi
adjective
1. op het zuidwesten betrekking hebbend
lounainen
noun
1. hoofddeksel
lounas
/ˈzœy̯.ɣə(n)/
verb
1. (met de mond) naar zich toe trekken
imeä
noun
mäntä
noun
1. platworm met zuignappen waarmee hij zich aan zijn gastheer kan vastzuigen
lampaan maksamato
noun
1. voedingsmiddel op basis van melk
maitotuote
verb
1. van verontreinigingen ontdoen
kirkastaa
/ˈzʏ.lə(n)/
verb
aikoa
noun
1. en 2. een geslacht van meest overblijvende, kruidachtige planten uit de duizendknoopfamilie...
  1. suolaheinä
  2. suolaheinät
noun
1. een ander kind van dezelfde ouders van het vrouwelijk geslacht
sisko
noun
1. vrouwelijk kind van dezelfde ouders
  1. sisko
  2. sisar
noun
2. de gemeenschap van vrouwen in algemene of meer beperkte zin
sisaruus
/zyːr/
adjective
1. een smaak hebbend zoals van citroensap of azijn
hapan
/zyːr/
noun
1. zure vloeistof
  1. happo
  2. hapan
noun
1.
hapokkuus
noun
1. fijngesneden en licht gezouten kool die enige tijd gefermenteerd is
hapankaali
/ˈzyːrstɔf/
noun
1. een scheikundig element en een bij kamertemperatuur kleurloos twee-atomig gas O₂
happi
noun
1. snoep in de vorm van een gekleurde staaf met een zoetzure smaak
karkkitanko
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Joutsen
/zʋan/
noun
1. benaming voor watervogels met lange sierlijke hals uit het geslacht Cygnus
joutsen
adjective
van groot gewicht
  1. painava
  2. raskas
noun
1. water waarin de waterstofatomen vervangen zijn door de waterstofisotoop deuterium
raskasvesi
noun
1. een lang, scherp wapen
miekka
noun
1.1 bepaald soort zeevis, Xiphias gladius
miekkakala
noun
1. Orcinus orca, een soort van walvis, vrij gedrongen van bouw en een opvallende rugvin
  1. tapajavalas
  2. miekkavalas
noun
1. de kracht die de wederzijdse aantrekking van massa veroorzaakt
painovoima
pronoun
1. bepaalde Opperduitse streektaal
schwabilainen
/ˈzʋa.ɣər/
noun
lanko
/zʋɑk/
adjective
heikko
noun
1. benaming voor trekvogels uit de familie Hirundinidae
  1. pääskynen
  2. pääsky
adjective
1. de toestand waarin een vrouw verkeert wanneer er in de baarmoeder een bevruchting heeft plaatsgevonden
raskaana
noun
1. de tijd dat een vrouw een ongeboren kind met zich draagt
raskaus
noun
raskauspahoinvointi
noun
2. produkt dat via de urine tekenen van een zwangerschap onthult
raskaustesti
adjective
1. kleur die wordt waargenomen als iets helemaal geen licht weerkaatst of uitstraalt
musta
noun
1. gebied van de ruimte-tijd waaruit niets, zelfs geen licht kan ontsnappen omdat de zwaartekracht te sterk is
musta aukko
noun
1. betaalmiddelen die afkomstig zijn uit belastingontduiking of onwettige handel
likainen raha
noun
1. een publicatie van gegevens over een misstand
musta kirja
noun
1. vruchtje van Ribes nigrum
  1. mustaherukka
  2. mustaviinimarja
noun
  1. 1. systeem, apparaat of voorwerp waarvan bekend is wat het doet maar niet hoe het werkt
  2. 2. crashbestendig apparaat met vluchtgegevens
musta laatikko
noun
1. Plegadis falcinellus
pronssi-iibis
phraseologicalUnit
harmaa talous
noun
1.
kuusitiainen
noun
suippohuulisarvikuono
noun
1.
mustahaikara
noun
1. gepelde, ongepolijste zaden van specifieke rijstsoorten (Oryza sativa), met een heel donkere kleur
אורז שחור
noun
1.
palokärki
noun
1.
mustatiira
pronoun
1. gebergte in het zuidwesten van Duitsland
Schwarzwald
pronoun
1. de zee die ligt ingeklemd tussen Europa en Klein-Azië
Mustameri
noun
1. bepaald soort zee-eend, Melanitta nigra
mustalintu
noun
1. Capaea nemoralis
tummatarhakotilo
noun
1. bepaald soort vogel, Sylvia atricapilla
mustapääkerttu
/zʋavəl/
noun
1. scheikundig element met symbool S en atoomnummer 16
rikki
noun
rikkidioksidi
noun
1. een sterk zuur bestaande uit zwavel, waterstof en zuurstof met een wateronttrekende en bijtende werking
  1. rikkihappo
  2. vihtrilliöljy
/ˈzweːdə(n)/, /ˈzʋedə(n)/, /ˈzβ̞eːdə(n)/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa, grenzend aan Noorwegen en Finland. De officiële naam is het Koninkrijk Zweden (Konungariket Sverige)
Ruotsi
/zweds/, /zʋets/, /zβ̞ets/
adjective
1. betreffende Zweden of het Zweeds
  1. ruotsalainen
  2. ruotsi
/zweds/, /zʋets/, /zβ̞ets/
pronoun
1. een Germaanse taal die wordt gesproken in Zweden en Finland
  1. ruotsi
  2. ruotsalainen
verb
1. vlieg uit de familie
kukkakärpänen
noun
1. toestel met vleugels dat zich ongemotoriseerd door de lucht verplaatst door gebruik te maken van opstijgende luchtstromingen
  1. purjelentokone
  2. liitokone
noun
1. een handwapen in de vorm van een lang ineengedraaid stuk leer dat met een zwiepende beweging pijnlijke slagen uit kan delen
piiska
noun
1.
haava
noun
1. vocht dat door de huid wordt uitgescheiden als koeling en middel om sommige afvalstoffen kwijt te raken
hiki
noun
1.een klier in het lichaam dat zweet produceert
hikirauhanen
verb
1. in volume toenemen
  1. turvota
  2. paisua
/ˈzwɛmbɑd/, /ˈzʋɛmbɑt/, /ˈzβ̞ɛmbɑt/
noun
1. een bassin om in te zwemmen
allas
noun
uimalasit
noun
1. kledingstuk voor mannen dat gebruikt wordt om in te zwemmen
uimahousut
noun
1. kledij bedoeld voor het baden en zwemmen
uimapuku
verb
1. zich gecoördineerd door het water voortbewegen
  1. uida
  2. uinti
/zʋɛrm/
noun
1. een grote groep gezamenlijk op- en rondtrekkende personen, dieren of zaken, gewoonlijk vogels of insecten
parvi
/'zʋetə(n)/
verb
1. transpireren
hikoilla
verb
leijua
/'zʋevɪŋ/
noun
1. een geluidsverschijnsel dat veroorzaakt wordt door de interferentie van twee tonen met een gering verschil in toonhoogte
huojunta
noun
1. klierachtig, hormoonvormend orgaan
kateenkorva
verb
1. ervan afzien te spreken
vaieta
/'zʋɛɪxɛlt/
noun
vaikenemisraha
adjective
1. weinig sprekend
hiljainen
noun
1. een varken
sika
/ˈzʋɛinəstɑl/
noun
1. ruimte bestemd voor de huisvesting van varkens; 2. (figuurlijk) vuile boel
läävä
/'zʋɪŋəl/
noun
1. houten werktuig om vlas- en hennepvezels van de scheven te bevrijden
vidin
/zʋɪŋələ(n)/
verb
1. van vlas- of hennepvezels de aanhangende houtdeeltjes met een zwingel verwijderen
vitoa
/ˈzwɪtsər/, /ˈzʋɪtsər/, /ˈzβ̞ɪtsər/
noun
1. een inwoner van Zwitserland, of iemand afkomstig uit Zwitserland
sveitsiläinen
pronoun
1. verzamelnaam voor een groep Duitse dialecten die gesproken worden door ongeveer zes miljoen mensen in Zuid-Duitsland, Zwitserland, Oostenrijk, Liechtenstein en Oost-Frankrijk
sveitsinsaksa
/ˈzwɪtsərˌlɑnd/, /ˈzʋɪtsərˌlɑnt/, /ˈzβ̞ɪtsərˌlɑnt/
pronoun
1. een soeverein land in het zuiden van Centraal-Europa met als hoofdstad Bern en als officiële talen het Duits, het Frans, het Italiaans en het Reto-Romaans
Sveitsi
pronoun
Zwolle
noun
tsygootti
pronoun
Zürich
noun
ahvenanmaalainen
/ˈɔŋstrøm/
noun
1. lengtemaat met een waarde van 10-10 m
ångström
/eːn/
cardinalNumeral
1. de inhoud van de kleinste niet-lege verzameling
yksi
/eːn/
noun
1. het getal 1
ykkönen