adverb
1. gedurende de avond
le soir
adverb
1. gedurende de middag
à midi
/'smɔr.ɣəns/
adverb
1. in de ochtenduren van de dag
le matin
pronoun
Braine-le-Comte
/ˌsxraːvə(n)ˈɦaːɣə/, /ˌsχravə(n)ˈɦaχə/
pronoun
1. een stad en gemeente in de Nederlandse provincie [[Zuid-Holland]]
La Haye
pronoun
Fouron-le-Comte
/ˌsɛrtoɣə(m)ˈbɔs/, /ˌsɛrtoχə(m)ˈbɔs/
pronoun
1. stad en gemeente in Noord-Brabant
Bois-le-Duc
noun
(informatica) een apparaat dat driedimensionale objecten kan maken door laagje voor laagje materiaal aan te brengen
imprimante 3D
noun
4. de naam van een toon
la
/aka'pɛla/
adverb
1. zonder instrumentale begeleiding
a cappella
adverb
1. des te eerder, des te meer
  1. a fortiori
  2. à plus forte raison
abbreviation
  1. 1. (muziek) het akkoord a - cis - e
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
La majeur
abbreviation
  1. 1. het akkoord a-c-e
  2. 2. de toonsoort
La mineur
adverb
  1. a priori
  2. à priori
noun
apriori
/aˈɣrot/
abbreviation
  1. 1. (muziek) het akkoord a - cis - e
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
La majeur
abbreviation
1. het akkoord a-cis-e
accord de la majeur
noun
1. een majeurtoonladder met “a” als grondtoon
gamme de la majeur
noun
1. een majeurtoonladder met “a” als grondtoon
gamme de la majeur
noun
1. een grotetertstoonladder met “a” als grondtoon
gamme de la majeur
noun
1. een majeurtoonladder met “a” als grondtoon
gamme de la majeur
abbreviation
  1. 1. het akkoord a-c-e
  2. 2. de toonsoort
La mineur
abbreviation
1. het akkoord a-c-e
accord de la mineur
noun
1. een mineurtoonladder met “a” als grondtoon
gamme de la mineur
noun
1. een kleinetertstoonladder met a als grondtoon
gamme de la mineure
noun
1. een mineurtoonladder met “a” als grondtoon
gamme de la mineur
/aˈɣrot/
abbreviation
  1. 1. (muziek) het akkoord a - cis - e
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
La majeur
abbreviation
1. het akkoord a-cis-e
accord de la majeur
noun
1. een grotetertstoonladder met “a” als grondtoon
gamme de la majeur
noun
1. een grotetertstoonladder met "a" als grondtoon
gamme de la majeur
noun
1. een grotetertstoonladder met “a” als grondtoon
gamme de la majeur
noun
1. een grotetertstoonladder met “a” als grondtoon
gamme de la majeur
abbreviation
  1. 1. het akkoord a-c-e
  2. 2. de toonsoort
La mineur
abbreviation
1. het akkoord a-c-e
accord de la mineur
noun
1. een kleinetertstoonladder met “a” als grondtoon
gamme de la mineur
noun
1. een kleinetertstoonladder met a als grondtoon
gamme de la mineure
noun
1. een kleinetertstoonladder met “a” als grondtoon
gamme de la mineure
noun
1. een grotetertstoonladder met a als grondtoon
gamme de la majeure
/aʔyˈbe/
interjection
s.v.p.
pronoun
1. een stad in Denemarken
Åbenrå
/axt/
noun
1. lichtzure appel
capendu
noun
capendu
noun
1. streling, liefkozing
caresse
noun
1. de mate waarin een mens of dier zich laat aaien of blij laat maken
coefficient de câlinerie
verb
1. zachtjes strelen
caresser
noun
caresse
noun
1. lang vaartuig met een platte bodem en een brede boeg
  1. chaland
  2. péniche
noun
  1. 3. paling
    anguille
  2. 4. kleine en jonge paling
    1. anguille
    2. civelle
  3. 1. mestvocht
    purin
noun
1. bepaald soort struik met eetbare rode bessen Ribes rubrum
  1. groseille
  2. groseille rouge
noun
1. een struikachtige plant waarvan de aalbes de vrucht is
groseillier
noun
1. geestelijke voor militairen, gevangenen en leden van jeugdbewegingen
aumônier
noun
fosse d'aisances
noun
1.bepaald soort plant, Artemisia absinthium
absinthe
noun
1. benaming voor vogels uit het geslacht Phalacrocorax
cormoran
pronoun
1. stad in de Belgische provincie Oost-Vlaanderen
Alost
noun
1. aalt
purin
noun
enclume
noun
1. knobbelachtige zwelling van aders in het onderste deel van de endeldarm en in de anus
hémorroïdes
noun
2. knobbelachtige zwelling van aders in het onderste deel van de endeldarm en in de anus
hémorroïdes
adjective
1. kortademig
  1. asthmatique
  2. poussif
adjective
1. (predicatief) actief, in bedrijf
à
phraseologicalUnit
1. aan de wind
bon plein
verb
1. kunnen laten doen wat je wilt
mener par le bout du nez
verb
1. de grond rondom ophogen
  1. butter
  2. terrer
verb
1. door het bakken aankoeken, vasthechten
attacher
noun
1. het smeedblok waarop de smid het gloeiend metaal smeedt
enclume
verb
1. ergens terechtkomen
  1. arriver
  2. se retrouver
noun
1. een kans om uitgekozen te worden voor een werk of levering
  1. appel d'offres
  2. adjudication
noun
1. een eerste betaling bij het kopen van iets op afbetaling of in termijnen
acompte
adjective
1. een aanbeveling verdienend
recommandable
noun
recommandation
noun
1. een brief waarin men iets of iemand aanbeveelt
lettre de recommandation
adjective
1. waard om aanbeden te worden
adorable
verb
1. vereren van een god of heilige door daar een gebed aan te richten
adorer
adjective
vénérable
noun
  1. 2. verliefd persoon, die een ander het hof maakt
    admirateur
  2. 1. vereerder van een goddelijk wezen
    adorateur
noun
1. een verering, een eerbiedvolle bewondering
adoration
noun
  1. 2. een vrouwelijk verliefd persoon, die een ander het hof maakt
    admiratrice
  2. 1. vereerster van een goddelijk wezen
    adoratrice
verb
  1. offrir
  2. proposer
  3. présenter
noun
1. iemand die beroepshalve een advies, dienst of een product ter beschikking stelt
  1. présentateur
  2. présentatrice
noun
1. iets voordelig te koop aanbieden
  1. offre
  2. promotion
noun
prix d'offre
verb
  1. 1. ergens naar blaffen
    aboyer après
  2. 2. iemand toesnauwen
    engueuler
verb
1. in dezelfde functie blijven
rester en place
noun
1. een aanbieding
  1. offre
  2. proposition
noun
  1. économie de l'offre
  2. politique de l'offre
/ˈambʌʊə(n)/
verb
1. ergens iets tegenaan bouwen
ajouter
/ˈambʌʊsəɫ/
noun
1. het aangebouwde
annexe
/ˈambradə(n)/
verb
1. even laten braden
saisir
verb
cramer
verb
2. beginnen van tijd
lever
noun
1. een beloning voor het aanwerven
prime d'embauche
noun
1. gerichte belangstelling of interesse
attention
adverb
1. met belangstelling, met aandacht, met interesse
attentif
noun
1. een gebied waaraan men bijzonder veel aandacht moet besteden
centre d'intérêt
noun
1. een onderwerp dat bijzondere aandacht verdient of krijgt
  1. question prioritaire
  2. élément de réflexion
noun
1. een streepje als leesteken om een tussenzin af te scheiden
tiret
noun
1. een streepje als leesteken om een tussenzin af te scheiden
tiret
noun
1. een onderwerp waaraan men bijzondere aandacht moet besteden
centre d'intérêt
noun
1. deel van een stad waar veel mensen met sociale, psychische en financiële problemen wonen
quartier défavorisé
verb
3. met een dam van het water scheiden
endiguer
noun
1. waardepapier
action
noun
1. eigenaar van aandelen, actionaris
actionnaire
noun
1. een houder van één of meer bewijzen van aandeel
actionnaire
noun
actionnaire
noun
indice boursier
noun
1. waarde van de aandelen bepaald door de vraag en het aanbod van de aandelen op de beurs
cours des actions
noun
1. de handel in aandelen in het algemeen
marché boursier
noun
1. het totaal van aandelen die iemand beheert
paquet d’actions
noun
  1. 1. een herinnering
    1. mémoire
    2. souvenir
  2. 2. een object ter herinnering ergens aan
    souvenir
verb
annoncer
adjective
  1. attendrissant
  2. touchant
verb
  1. 2. iets in werking stellen
    1. allumer
    2. tourner
  2. 1. vaster draaien
    1. serrer
    2. visser
noun
  1. impulsion
  2. incitation
noun
  1. arbre d'entraînement
  2. arbre moteur
verb
2. doen bewegen
  1. entraîner
  2. actionner
  3. propulser
noun
1.
propulsion
verb
  1. 1. doorgaan met verzoeken
  2. 2. iets proberen te verkrijgen
insister
verb
1. vaster drukken
  1. presser
  2. serrer
verb
1. aanwijzen
  1. indiquer
  2. désigner
/'ʔan.dɵr.və(n)/
verb
1. Moed hebben
oser
verb
1. vaster duwen
  1. presser
  2. serrer
noun
enchaînement
noun
1. iets dat belachelijk of schandelijk is
  1. dérision
  2. honte
  3. simulacre
adjective
1. bij de geboorte verkregen eigenschappen
inné
adjective
1. aangetrouwd; getrouwd met
apparenté par alliance
noun
affaire
adjective
1. een positief gevoel oproepend
agréable
adjective
2. een beetje dronken
éméché
adjective
1. met recht op schadeloosstelling bij het verloren gaan
recommandé
verb
2. aanduiden
indiquer
noun
visage
noun
1. hevige pijnen in het aangezicht
névralgie faciale
conjunction
1. geeft onderschikkend een reden aan
puisque
noun
  1. 1.2. het melden van inkomen bij de belastingen; aangifte doen
    1. déclaration de revenus
    2. déclarer ses revenus
  2. 2. formulier of schriftelijke verklaring waarmee werd aangegeven
    1. déclaration en douane
    2. déclaration de revenus
    3. déclaration d’impôt
    4. dépôt de plainte
  3. 1.3. het melden van goederen bij de douane; aangifte doen
    1. déclaration en douane
    2. déposer une déclaration en douane
  4. 1.1. het melden van een delict bij de politie; aangifte doen
    1. plainte
    2. déposer plainte
    3. porter plainte
/ˈanɣɔrdə(n)/
verb
1. om het middel binden
  1. ceindre
  2. ceinturer
adjective
1. rechtstreeks grenzend aan iets anders
  1. limitrophe
  2. voisin
  3. avoisinant
adjective
1. aandoenlijk, ontroerend
  1. attendrissant
  2. touchant
/aːnɣrɛipɪŋzpʏnt/
noun
  1. 1. een punt waar op een lichaam volgens natuurkundige berekening een kracht werkt
    point d'application
  2. 2. iets dat als basis dient
    point de départ
noun
1. toename
accroissement
verb
1. met een haak vastmaken
accrocher
noun
1. een letterlijke passage die door iemand anders aangehaald wordt uit een bron
citation
noun
1. leesteken om geciteerde woorden van die van de auteur te onderscheiden
guillemet
noun
  1. 1. iemand die gelooft in een bepaald idee, of die een bepaalde groep of persoon steunt.
    adhérent
  2. 2. rijdend object dat achter de auto gehangen kan worden voor het vervoeren van goederen.
    remorque
noun
remorque
noun
1. de mate waarin een mens of dier trouw en toegenegen is
attachement
noun
4. aanspreking aan het begin van een brief
appel
verb
1.horen naar iemand
  1. entendre
  2. écouter
noun
arrestation
noun
1. bij de rechtbank ingediende beschuldiging of klacht
charge
verb
1. iemands handelingen bij een hof aanhangig maken met een officiële beschuldiging
  1. accuser
  2. mettre en examen
noun
1. iemand die een proces aanspant
accusateur
verb
  1. 1. enteren
    aborder
  2. 2. aanspreken
    accoster
  3. 3. aanhaken, aansluiten
    1. accrocher
    2. rejoindre
verb
3. zijn kledij aantrekken
habiller
verb
1. kloppen om binnen te komen
frapper (à la porte)
noun
2. feit of gegeven op basis waarvan wordt voortgebouwd, verder geredeneerd enz.
  1. amorce
  2. clef
  3. piste
  4. point de départ
  5. point de repère
verb
  1. 1. een bestemming bereiken
    arriver
  2. 4. zwaarder worden
    gagner
  3. 6. aanraken
    toucher
noun
1. de bestemming bereiken, het aankomen
arrivée
verb
1. bekendmaken
annoncer
noun
  1. annonce
  2. faire part
noun
1. datgene wat men aankoopt
achat
/ˈankopsɔm/
noun
1. het geldbedrag waarvoor iets is aangekocht
prix d'achat
verb
1. door kopen verwerven
  1. acheter
  2. acquérir
verb
1. aan land gaan
atterrir
noun
embarcadère
noun
1. datgene wat iets tot gevolg heeft
raison
noun
  1. charme
  2. fascination
noun
    1. 1. het op gang komen
    2. 2. het op toeren komen van een aandrijfmotor, machine etc.
    démarrage
  1. 5. bezoek
    1. monde
    2. visiteurs
  2. 4. een inleiding
    préambule
  3. 3. een loop of tred voorafgaand aan een sprong, duik, enzovoort
    élan
noun
port de relâche
noun
frais de démarrage
noun
période de démarrage
verb
  1. 3. doen branden
    allumer
  2. 2. een nieuw exemplaar van iets maken, voornamelijk op een computer
    créer
  3. 1. een bepaalde substantie produceren
    fabriquer
noun
2. Waarschuwing dat men nog niet betaald heeft
mise en demeure
adjective
prétentieux
verb
amarrer
adjective
considérable
adjective
1. goed uitziend, van een zekere schoonheid
  1. aimablement
  2. amène
verb
1. moed inspreken
  1. encourager
  2. animer
noun
1. het inspreken van moed
encouragement
noun
1. prijs ter aanmoediging
prix d'encouragement
verb
s'enrôler
verb
1. door naaien vastmaken
coudre
noun
  1. supposition
  2. assertion
noun
1. de functie die bij een gegeven steekproefuitkomst als functie van een parameter de kansfunctie of kansdichtheid van die uitkomst aangeeft
fonction de vraisemblance
noun
entreprise de construction
noun
1. manier van aanpakken
approche
verb
  1. 3. een probleem oplossen
    résoudre
  2. 1. aanvatten
    saisir
noun
2. het zich aanpassen
  1. adaptation
  2. adjustement
noun
aanpassingsvermogen
capacité d'adaptation
noun
1. affiche
affiche
/ˈanrakˌsxɛrm/, /ˈanrakˌsχɛrm/
noun
1. een beeldscherm dat ook als invoerapparaat voor een computer kan worden gebruikt door het scherm aan te raken.
écran tactile
verb
1. fysiek contact maken met iets
toucher
noun
point de contact
verb
  1. 2. iemand dwingen tot ontuchtige handelingen (zonder penetratie)
    agresser sexuellement
  2. 3. aantasten
    enfreindre
noun
  1. 1. aanvaller
  2. 2. een persoon, in de regel van het mannelijke geslacht die iemand anders aanvalt om seksuele redenen
agresseur
noun
  1. 2. aanval
    agression
  2. 3. een fysieke aanval op iemand met als doel seksuele handelingen af te dwingen
    agression sexuelle
  3. 1. aantasting (van een verdrag, wet, de vrijheid, waardigheid)
    infraction
noun
1. vaste tafel met kastjes langs keukenwand
évier
verb
1. veroorzaken, met name van schade
causer
verb
2. tegen iets rijden, een botsing veroorzaken
heurter
verb
1. aan een draad rijgen
enfiler
noun
acquisition
verb
1. scherper maken
aiguiser
noun
  1. 4. terroristische aanval
    assaut
  2. 1,2 het aanslaan van iets
    frappe
noun
1. belastingsbrief
  1. avis d'imposition
  2. feuille de contributions
  3. feuille d’impôts
noun
1. heel buigzame buis bestemd om gas of vloeistof uit een bepaalde bron naar een toestel of andere bestemming over te brengen
tuyau de jonction
verb
  1. 1. besmeren
    crépir
  2. 2. agressief verkopen
    refiler
verb
1. het eerste stuk er afsnijden
entamer
noun
  1. 3. aanspraak maken
    1. prétendre
    2. revendiquer
  2. 1. het recht om het bezit of genot van iets te vorderen
    1. revendication
    2. prétention
noun
responsabilité
noun
1. overeenkomst waarbij je premie betaalt aan een verzekeraar zodat die zal betalen voor schade die je per ongeluk veroorzaakt of waarvoor je verantwoordelijk wordt gehouden
assurance de responsabilité
noun
croque-mort
verb
1. iets dicht op elkaar drukken door erop te stampen
  1. enfoncer
  2. tasser
verb
1. langdurig aankijken
regarder fixement
noun
1.
aiguille à enter
verb
  1. 1. doen ontbranden
    allumer
  2. 4. besmetten met een begin van rotting
    infecter
noun
1. apparaatje om vuur te maken
briquet
noun
1. iemand die zich aanstelt
  1. poseur
  2. cabotin
noun
  1. affectation
  2. chichi
noun
instigateur
verb
frôler
adverb
1. binnen zeer korte tijd
  1. aussitôt
  2. immédiatement
  3. sitôt
  4. tout de suite
adjective
scandaleux
noun
1. een telbare hoeveelheid
nombre
verb
1. (langzaam) beschadigen, aangrijpen
  1. atteindre
  2. nuire
noun
caenet de notes
verb
1. opschrijven om te onthouden
recommander
verb
1. aantrekken
  1. mettre
  2. revêtir
adjective
1. mogelijk om aan te tonen
  1. démontrable
  2. décelable
verb
  1. 2. aanstampen
    fouler
  2. 1. met een trapbeweging starten
    lancer au kick
adjective
1. bekoorlijk
attractif
noun
2. het vermogen van een persoon of zaak om iemand tot zich te trekken
attirance
adjective
1. te aanvaarden
acceptable
verb
2. accepteren, in bezit ontvangen
accepter
noun
acceptation
noun
  1. 2. een persoon in de voorste linie
  2. 1. iemand die aanvalt
attaquant
adjective
1. bekoorlijk
gentil
noun
arme offensive
noun
  1. commencement
  2. début
verb
1. beginnen, starten
  1. commencer
  2. débuter
adverb
1. in het begin
initialement
noun
1. werkwoordswijs van mogelijkheid
subjonctif
/ˈanvulə(n)/
verb
1. gevoel hebben voor, bij intuïtie begrijpen
sentir
noun
1. het aanbrengen
  1. adduction
  2. amenée
  3. arrivage
  4. carriage
  5. transport
verb
  1. 3. bijbrengen als bewijs
    alléguer
  2. 1. bevel voeren over
    commander
  3. 2. aanbrengen, naartoe transporteren
    véhiculer
noun
direction
noun
1. verzoek, vaak min of meer officieel
demande
noun
1. verzoek, vaak min of meer officieel
demande
verb
1. verzoeken, min of meer officieel
demander
adjective
1. die of dat aanvult
  1. supplémentaire
  2. additionnel
verb
2. sterker worden
s'élever
verb
embaucher
adjective
présent
noun
1. het aanwezig zijn op een bepaald tijdstip en plaats
présence
noun
3. inlichting of voorschrift over hoe men moet handelen
consigne
verb
1. ten laste leggen
imputer
/ˈanzuk/
noun
  1. 2. huwelijksaanzoek
    demande
  2. 1. verzoek
    requête
verb
  1. 4.1. ten huwelijk vragen
    1. demander en mariage
    2. demander la main de
  2. 1. een aanzoek doen
    1. prier
    2. solliciter
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de orde der primaten
singe
noun
  1. 1. bloeiwijze van granen
  2. 2. bovenste deel van de halm van gras- of graangewassen
épi
/aːrt/
noun
1. wezen, natuur, karakter
nature
noun
1. bepaald soort plant, Lathyrus tuberosus
gesse tubéreuse
noun
métal alcalino-terreux
noun
1. bepaald soort plant, Solanum tuberosum
  1. pomme de terre
  2. patate
/ˈar.dɑ.pɔɫ.ke.vər/, /ˈar.dɑ.pəɫ.ke.vər/, /ˈaːrd.ɑ.pəl.ke.vər/
noun
1. bepaald soort tor, Leptinotarsa decemlineata
doryphore
noun
fécule de pomme de terre
/ˈardɑpəɫˌmɛʃə/
noun
1. een mesje voor het schillen van aardappelen
éplucheur
noun
1. een aardappelziekte veroorzaakt door cysteaaltjes
maladie causée par les anguillules
/ˈardɑˌpəɫpyˈre/
noun
1. een puree van zeer fijn gemaakte, met melk aangemengde aardappels
purée de pommes de terre
noun
1. een salade die gemaakt wordt uit aardappelen
  1. salade de pommes de terre
  2. salade aux patates
  3. salade de patates
noun
1. soep op basis van blokjes aardappel
  1. potage aux pommes de terre
  2. potage de pommes de terre
noun
axe de la terre
noun
atmosphère terrestre
noun
1. een baan die de aarde rond de zon volgt
orbite terrestre
/\ˈaːrt.bɛi̯\/
noun
2. eetbare vrucht van planten uit het geslacht Fragaria
  1. fraise
  2. fraisier
noun
1. bepaald soort plant, Arbutus unedo
arbousier
noun
tarte aux fraises
adjective
rouge fraise
noun
1.
hespérie de la mauve
noun
1. een schokkende of trillende beweging van een gedeelte van de aardkorst, meestal te wijten aan ...
  1. tremblement de terre
  2. séisme
noun
onde sismique
noun
surface de la terre
/ʔardbɔl/
noun
globe
/ˈardə/
pronoun
Terre
/ˈardə/
noun
1. planeet
  1. terre
  2. sol
adjective
tout noir
pronoun
1.
Ardres
adjective
1. van aarde gemaakt
  1. de terre
  2. en terre
verb
  1. 1. zich thuis voelen, wennen, gewoon worden
    1. accoûtumer
    2. se plaire
  2. 4. met de aarde verbinden
    installer
  3. 5. ~ naar
    tenir de
noun
1. zandweg. Weg met onverhard wegdek
chemin sablonneux
noun
  1. poterie
  2. céramique
  3. faïence
/artxɑs/
noun
1. een gas dat uit de aarde komt en dat grotendeels uit methaan bestaat
gaz naturel
noun
1. het ontginnen van aardgas
extraction de gaz naturel
/ˈart.ɦɔ.mɔɫ/, /ˈart.ɦɔ.məɫ/, /ˈaːrd.hɔ.məl/
noun
1. benaming voor insecten uit vier nauw verwante soorten hommels, Bombus (Bombus), die hun nest onder de grond hebben
bourdon
/ˈar.dəx/, /ˈar.dəχ/, /ˈaːr.dɪx/
adjective
1. aangenaam in omgang
  1. gentil
  2. amical
  3. aimable
  4. bon
  5. plaisant
noun
1. het prettige, het bevallige
  1. plaisir
  2. pleasanterie
noun
prise de terre
noun
1. de aarde, de blauwe planeet
globe terrestre
/ˈart.kɔrst/
noun
1. het buitenste gedeelte van de planeet Aarde
  1. croûte terrestre
  2. écorce terrestre
noun
géologie
noun
1. een wetenschapper die de aarde, haar geschiedenis en de processen...
géologue
noun
  1. prise de terre
  2. fil de terre
noun
1. bepaling van de afmetingen van de aardbol
géodésie
noun
1. Microtus agrestus, een zoogdier uit de orde van knaagdieren
campagnol agreste
noun
1.
  1. cacahuète
  2. arachide
  3. cacahouète
noun
pétrole brute
/ˈaːrtoliproˌdʏkt/
noun
1. verhandelbaar resultaat van het bewerken van aardolie
produit de pétrole
/ˈartpɪːr/
noun
bepaald soort zonnebloem, Helianthus tuberosus
topinambour
/ˈardrɛiksˌkʏndə/
noun
géographie
adjective
1. met betrekking tot de aardrijkskunde
géographique
noun
géographe
adjective
1. betrekking hebbende op de aarde, tot de aarde behorend
terrestre
noun
  1. 1.
  2. 2.
paradis terrestre
noun
1.
géocroiseur
noun
1. een plotselinge aardbeving
secousse tellurique
noun
limace
/ˈaːrtfɑrkə(n)/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Orycteropus afer
  1. oryctérope
  2. cochon de terre
noun
1. bepaald soort altijd groene heester die zich met wortelvezels aan de omringende omgeving vasthecht, Glechoma hederacea
lierre terrestre
noun
1. het naar beneden schuiven van een grote massa grond
  1. éboulement
  2. glissement de terrain
noun
  1. lombric
  2. ver de terre
pronoun
1. deelstaat van Oostenrijk
Argovie
pronoun
1. een Waalse provinciehoofdstad
Arlon
noun
1. en 2. (blaadjes van) de plant Mentha spicata
menthe verte
noun
1. bepaald soort parasitaire, maar onschadelijke rondworm van ca. 5–10 mm lengte, Enterobius vermicularis
oxyure
/ˈaːrz.bɪz.dɔm/, /ˈaːrʦ.bɪs.dɔm/, /ˈaːrʦ.bɪz.dɔm/
noun
1. het belangrijkste gebied van een kerkprovincie, dat geleid wordt door de aartsbisschop.
  1. archidiocèse
  2. archevêché
/ˈaːrzbɪsxɔp/, /ˈaːrʦbɪsxɔp/, /ˈaːrʦbɪsχɔp/
noun
1. de voornaamste bisschop van een kerkprovincie.
archevêque
/ˈaːrz.di.jo.ˌses/, /ˈaːrʦ.di.ʲo.ˌses/
noun
1. het belangrijkste gebied van een kerkprovincie, dat geleid wordt door de aartsbisschop.
archidiocèse
noun
1. een keizerlijke prins in het vroegere Oostenrijk-Hongarije
archiduc
noun
archiduché
noun
1. adellijke titel, vrouw van een aartshertog
archiduchesse
noun
archiprêtre
/'artsvɛɪɑnd/
noun
ennemi suprême
noun
1. bepaald soort vaste waterplant, Myriophyllum spicatum
myriophylle en épis
/ˈarzələ(n)/
verb
1. onzeker zijn, twijfelen
hésiter
adjective
1. aarzelend
velléitaire
noun
1. onzekerheid, twijfel, weifel
hésitation
noun
  1. 1. speelkaart
    as
  2. 1. lokmiddel
    appât
noun
  1. saprophage
  2. charognard
/'as.xir/
noun
  1. 1. bepaald soort roofvogel, Neophron percnopterus
    1. charognard
    2. vautoure
  2. 2. iemand die profijt probeert te halen uit de tegenslag van iemand anders
    vautour
pronoun
1. een stad in de Belgische provincie Henegouwen
Ath
/ˌɑpɪntɛˈstat/
adjective
1. erven van iemand zonder testament
ab intestat
noun
  1. Bepaald soort bananenplant, Musa textilis
  2. Vezels van Musa textilis
abaca
/ˈɑbɑkʏs/
noun
  1. 1. raam met staven
    1. abaque
    2. boulier
  2. 2. dekplaat van een kapiteel
    1. abaque
    2. tailloir
/a.bɑ.ˈtwaːr/, /ɑ.bɑ.ˈtβ̞ar/
noun
1. een bedrijf waar dieren geslacht worden
abattoir
pronoun
1. West-Kaukasische taal gesproken in Rusland en Turkije
abaza
adjective
1. betrekking hebbend op een abt of een abdij
abbatial
noun
1. het inkorten van een woord of een frase
abréviation
noun
abbé
noun
1. het alfabet
a b c
noun
1. de afkorting voor atomaire, bacteriologische en chemische wapens
armes N.B.C.
noun
1. een ophoping van pus in het lichaam, daarbij een onnatuurlijke holte vormend
abcès
/ɑpˈxazis/
pronoun
1. een taal die in Abchazië gesproken wordt
  1. abkhaze
  2. abkhazien
noun
abdication
verb
1. afstand doen van de troon, aftreden als vorst
abdiquer
/ɑbˈdɛɪ̯/, /ɑbˈdɛː/
noun
1. klooster met aan de leiding een abt of abdis
abbaye
/ɑbˈdɛɪ.kɛrk/, /ɑbˈdɛː.kɛrk/
noun
1. een kerk die bij een abdij hoort
abbatiale
/ɑbˈdɪs/
noun
1. bestuurster van een abdij.
abbesse
noun
ventre
/ˌɑbdoʊmiˈnaːɫ/
adjective
1. de onderbuik betreffend
abdominal
noun
  1. wegvoering
  2. beweging vanuit neutrale uitgangshouding
abduction
noun
1. bepaald soort loofboom, Populus alba
  1. peuplier blanc
  2. peuplier de Hollande
  3. grisaille
noun
aberration
verb
abhorrer
adjective
niet levend
abiotique
adjective
1. volstrekt verachtelijk, zeer verwerpelijk
abject
noun
ablation
/ˌɑb.la.ˈtif/, /ˌɑb.la.ˈtiːf/
noun
1. de zesde naamval die onder meer de instantie aangeeft waarvan iets uitgaat of vertrekt
ablatif
/ˈɑb.laut/, /ˈɑp.lɔut/, /ˈɑp.lʌut/
noun
1. regelmatige, grammaticaal bepaalde klinkerwisseling
apophonie
adverb
1. ongewoon
anormal
noun
abolitionniste
/ɑbomɪˈnabəl/
adjective
bijzonder slecht
abominable
noun
abomination
adjective
abondant
noun
abondance
/ɑbɔ'ne/
noun
1. iemand die op iets geabonneerd is
  1. abonné
  2. abonnée
noun
abonnement
/ɑbɔ'nerə(n)/
verb
1. een abonnement aangaan
  1. souscrire
  2. s’abonner à
noun
1. oorspronkelijke bewoner van Australië
Aborigène
verb
1. een foetus weghalen
avorter
adjective
abortif
/ɑ'bɔrtəs/
noun
avortement
/abri/
noun
1. een wachthuisje bij een halte van het openbaar vervoer
abri
noun
  1. abricot
  2. abricotier
noun
1. bepaald soort boom waaraan abrikozen groeien, Prunus armeniaca
abricotier
pronoun
Abruzzes
noun
1. de afstand tot de opstaande as van een coördinatenstelsel
abscisse
/ɑp'sɛnt/
adjective
absent
/ɑp'sɛnsi/
noun
absence
/ɑp'sɪnt/
noun
1. sterkedrank op basis van anijs
absinthe
noun
bepaald soort plant, Artemisia absinthium
absinthe
noun
1. grootte van een reëel getal of lengte van een andere grootheid
valeur absolue
/ɑpso'lysi/
noun
1. het vergeven van de zonden
absolution
/ɑpso'lyt/
adjective
  1. 1. niet beschouwd in betrekking tot iets soortgelijks
  2. 2. volledig, volkomen
  3. 3. beslist, zeker
  4. 4. geheel onafhankelijk en zonder binding met iets of iemand anders
absolu
adjective
absorbable
/ɑpsɔr'berə(n)/
verb
absorber
noun
absorption
noun
1. absorptielijn
raie d'absorption
noun
abstinence
/ɑp'strɑksi/
noun
1. een begrip dat los staat van de dagelijkse werkelijkheid
abstraction
verb
1. concretiseren
abstraire
/ɑpsʏrt/
adjective
1. erg onlogisch, belachelijk
absurde
noun
absurdité
/ɑb/, /ɑpt/
noun
1. het hoofd van een abdij
abbé
/ˈɑpt.sχɑp/
noun
ambt of ambtsduur van een abt
abbatiat
noun
1. in ruime mate aanwezig of voorhanden zijn
abondance
adjective
abusif
noun
1. een vrouwelijk persoon met een academische opleiding
diplômée de l'enseignement supérieur
noun
1. een mannelijk persoon met een academische opleiding
diplômé de l'enseignement supérieur
noun
académie
/ɑkɑ'demis/
adjective
académique
noun
acanthe à feuilles molles
noun
acaricide
noun
tak van de zoölogie die zich bezighoudt met de studie van mijten en teken
acarologie
verb
accaparer
noun
1. toename van de snelheid
accélération
verb
accélérer
noun
  1. 1. de manier waarop iemand de klanken uitspreekt
  2. 2. een teken dat op een klinker kan worden geplaatst
accent
noun
accentuation
verb
accentuer
/ɑk.sep.ˈtaː.tʃi/
noun
1.
acceptation
/ɑksɛp'terə/
verb
  1. 1. aanvaarden
  2. 2. aannemen, graag ontvangen
accepter
/ˌɑsəˈswar/
noun
1. een attribuut dat als aanvulling dient
accessoire
/ɑksiˈdɛnt/
noun
  1. 1. ongeval, ongeluk
  2. 2. een incidentele wijziging van toonhoogte
accident
noun
1. belasting die direct geheven wordt bij de aan- en verkoop van verbruiksgoederen
accise
verb
1. aan een andere omgeving wennen
acclimater
noun
accolade
noun
  1. 1. voorzieningen ten behoeve van ...
  2. 2. aanpassing
accommodation
verb
1. begeleiden vooral in de muziek
accompagner
noun
acconsonance
noun
1. een muziekinstrument waarbij door trekken en duwen een toon wordt geproduceerd
accordéon
noun
accordeur
noun
1. iemand die zijn beroep maakt van het inrichten en controleren van boekhoudingen en administraties
expert-comptable
noun
een officieel stempel van goedkeuring
accréditation
noun
1. een toestel om elektriciteit op te slaan
  1. accumulateur
  2. accu
  3. batterie
noun
1. ophoping van stoffen
accumulation
verb
accumuler
noun
  1. 1. beschuldiging, aanklacht
    accusation
  2. 2. bericht van ontvangst
    accusé de réception
/ˌɑkusaˈtif/, /ˌɑkyzaˈtiːf/
noun
1. naamval voor het lijdend voorwerp
accusatif
noun
1. bepaald soort plant, Malpighia emarginata
acérola
noun
1. een ester of zout afgeleid van azijnzuur
acétate
/ˌɑ.sə.ti.ˈlen/
noun
1. een verbinding van waterstof en koolstof met de samenstelling H₂C₂, die als gasvormige brandstof voor het vormen van hete vlammen gebruikt wordt
acétylène
noun
1. acetyleenlamp
lampe (f) à acétylène
/xxxx/
noun
1.
acide acétylsalicylique
pronoun
1. figuur uit de Griekse mythologie
Achille
noun
1. kwetsbare plaats
talon d'Achille
noun
tendon d'Achille
cardinalNumeral
1. het getal 8
huit
/ˈɑxtbaːn/
noun
1. een attractie met een karretje dat over een baan met bochten, stijgingen en dalingen rijdt
montagnes russes
adjective
1. zonder de vereiste belangstelling of zorg
  1. distrait
  2. négligent
noun
1. gebrek aan aandacht voor mogelijke problemen
  1. désinvolture
  2. insouciance
cardinalNumeral
1. het getal 38
trente-huit
cardinalNumeral
1. het getal 98
quatre-vingt-dix-huit
adjective
1. respect verdienend
respectable
cardinalNumeral
1. het getal 88
quatre-vingt-huit
cardinalNumeral
1. het getal 28
vingt-huit
cardinalNumeral
1. het getal 48
quarante-huit
cardinalNumeral
1. het getal 58
cinquante-huit
cardinalNumeral
1. het getal 68
soixante-huit
/ˈɑxtənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 78
soixante-dix-huit
preposition
derrière
adverb
1. in de laatste of een van de laatste posities in een rangschikking, op een verder weg liggende plaats
derrière
noun
1. een afbeelding van iets zoals van achter bekeken
vue de derrière
adverb
1. na afloop
  1. après
  2. ensuite
/ɑxtər'bɑks/
adjective
1. stiekem, stom
sournois
noun
traînard
adjective
soupçonneux
noun
3. de tweede begiftigde, legataris
appelé
noun
1. een van de beenderen van de schedel
os occipital
noun
  1. 1. kamer gelegen langs de achterzijde van een gebouw
    1. arrière-boutique
    2. chambre de derrière
  2. 2. besloten ruimte op een weinig zichtbaree plaats die zich leent voor geheime bijeenkomsten
    1. arrière-cuisine
    2. coulisse
noun
1. besluitvorming zonder discussie in een volksvertegenwoordiging en met vermijding van openbaarheid
  1. politique d'antichambre
  2. politique menée en coulisses
noun
1. besluitvorming zonder discussie in een volksvertegenwoordiging en met vermijding van openbaarheid
  1. politique d'antichambre
  2. politique menée en coulisses
/ˈɑxtərkɑnt/
noun
derrière
/ˈɑxtərklɛɪŋkɪnt/
noun
1. het kind van iemands kleinkind
arrière-petit-enfant
/ˈɑxtərklɛɪ̯nzon/
noun
1. de zoon van iemands kleinkind
arrière-petit-fils
noun
1. streek die geografisch verder weg ligt, maar economisch verbonden is met een voorliggende streek of stad
arrière-pays
verb
1. dumpen, weggaan van, verlaten
  1. laisser
  2. abandonner
noun
1. lamp(en) aan de achterkant van een voertuig
feu arrière
adjective
3. afkeurenswaardig, stompzinnig
couillon
noun
1. achterste begrenzing van het speelveld
ligne de fond
/ɑxtər'na/
adverb
1. iemand of iets volgend
après
noun
1. een naam die van geslacht op geslacht en indien gewenst door het huwelijk overgedragen wordt
  1. nom de famille
  2. nom
noun
1. stag aan achterkant van zeil boot naar de top van de mast
pataras
noun
quartier défavorisé
noun
1.
arrière-train
noun
1. de achterzijde van een schip
poupe
verb
1. slechter worden
décliner
noun
1. een spiegel aan een auto of motorfiets waarmee men de situatie op de weg achter zich kan zien
rétroviseur
/'ɑx.tər.vux.səl/
noun
1. een woorddeel dat achter de stam van een woord gevoegd wordt
suffixe
noun
1. dubbelzijdig uitgevoerde achterwielophanging van een motorfiets
bras oscillant
noun
1. achterste deel
derrière
noun
roue arrière
noun
1. een zak aan de achterkant van een kledingstuk
poche revolver
/ˈɑxtˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 800
huit-cents
cardinalNumeral
1. het getal 808
huit-cent-huit
cardinalNumeral
1. het getal 838
huit-cent-trente-huit
cardinalNumeral
1. het getal 898
huit-cent-quatre-vingt-dix-huit
cardinalNumeral
1. het getal 888
huit-cent-quatre-vingt-huit
cardinalNumeral
1. het getal 828
huit-cent-vingt-huit
cardinalNumeral
1. het getal 848
huit-cent-quarante-huit
cardinalNumeral
1. het getal 858
huit-cent-cinquante-huit
cardinalNumeral
1. het getal 868
huit-cent-soixante-huit
/ˌɑxthɔndərtˈɑxtənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 878
huit-cent-soixante-dix-huit
cardinalNumeral
1. het getal 818
huit-cent-dix-huit
cardinalNumeral
1. het getal 813
huit-cent-treize
cardinalNumeral
1. het getal 830
huit-cent-trente
cardinalNumeral
1. het getal 803
huit-cent-trois
cardinalNumeral
1. het getal 833
huit-cent-trente-trois
cardinalNumeral
1. het getal 893
huit-cent-quatre-vingt-treize
cardinalNumeral
1. het getal 883
huit-cent-quatre-vingt-trois
cardinalNumeral
1. het getal 823
huit-cent-vingt-trois
cardinalNumeral
1. het getal 843
huit-cent-quarante-trois
cardinalNumeral
1. het getal 853
huit-cent-cinquante-trois
cardinalNumeral
1. het getal 863
huit-cent-soixante-trois
/ˌɑxthɔndərˈdrijənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 873
huit-cent-soixante-treize
cardinalNumeral
1. het getal 801
huit-cent-un
cardinalNumeral
1. het getal 831
huit-cent-trente-et-un
cardinalNumeral
1. het getal 891
huit-cent-quatre-vingt-onze
cardinalNumeral
1. het getal 881
huit-cent-quatre-vingt-un
cardinalNumeral
1. het getal 821
huit-cent-vingt-et-un
cardinalNumeral
1. het getal 841
huit-cent-quarante-et-un
cardinalNumeral
1. het getal 851
huit-cent-cinquante-et-un
cardinalNumeral
1. het getal 861
huit-cent-soixante-et-un
/ˌɑxthɔndərtˈenənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 871
huit-cent-soixante-et-onze
cardinalNumeral
1. het getal 811
huit-cent-onze
cardinalNumeral
1. het getal 809
huit-cent-neuf
cardinalNumeral
1. het getal 839
huit-cent-trente-neuf
cardinalNumeral
1. het getal 899
huit-cent-quatre-vingt-dix-neuf
cardinalNumeral
1. het getal 889
huit-cent-quatre-vingt-neuf
cardinalNumeral
1. het getal 829
huit-cent-vingt-neuf
cardinalNumeral
1. het getal 849
huit-cent-quarante-neuf
cardinalNumeral
1. het getal 859
huit-cent-cinquante-neuf
cardinalNumeral
1. het getal 869
huit-cent-soixante-neuf
/ˌɑxthɔndərtˈneɣənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 879
huit-cent-soixante-dix-neuf
cardinalNumeral
1. het getal 819
huit-cent-dix-neuf
cardinalNumeral
1. het getal 890
huit-cent-quatre-vingt-dix
cardinalNumeral
1. het getal 880
huit-cent-quatre-vingts
cardinalNumeral
1. het getal 810
huit-cent-dix
cardinalNumeral
1. het getal 812
huit-cent-douze
cardinalNumeral
1. het getal 802
huit-cent-deux
cardinalNumeral
1. het getal 832
huit-cent-trente-deux
cardinalNumeral
1. het getal 892
huit-cent-quatre-vingt-douze
cardinalNumeral
1. het getal 882
huit-cent-quatre-vingt-deux
cardinalNumeral
1. het getal 822
huit-cent-vingt-deux
cardinalNumeral
1. het getal 842
huit-cent-quarante-deux
cardinalNumeral
1. het getal 852
huit-cent-cinquante-deux
cardinalNumeral
1. het getal 862
huit-cent-soixante-deux
/ˌɑxthɔndərˈtwejənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 872
huit-cent-soixante-douze
cardinalNumeral
1. het getal 820
huit-cent-vingt
cardinalNumeral
1. het getal 814
huit-cent-quatorze
cardinalNumeral
1. het getal 840
huit-cent-quarante
cardinalNumeral
1. het getal 804
huit-cent-quatre
cardinalNumeral
1. het getal 834
huit-cent-trente-quatre
cardinalNumeral
1. het getal 894
huit-cent-quatre-vingt-quatorze
cardinalNumeral
1. het getal 884
huit-cent-quatre-vingt-quatre
cardinalNumeral
1. het getal 824
huit-cent-vingt-quatre
cardinalNumeral
1. het getal 844
huit-cent-quarante-quatre
cardinalNumeral
1. het getal 854
huit-cent-cinquante-quatre
cardinalNumeral
1. het getal 864
huit-cent-soixante-quatre
/ˌɑxthɔndərtˈfirənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 874
huit-cent-soixante-quatorze
cardinalNumeral
1. het getal 805
huit-cent-cinq
cardinalNumeral
1. het getal 835
huit-cent-trente-cinq
cardinalNumeral
1. het getal 895
huit-cent-quatre-vingt-quinze
cardinalNumeral
1. het getal 885
huit-cent-quatre-vingt-cinq
cardinalNumeral
1. het getal 825
huit-cent-vingt-cinq
cardinalNumeral
1. het getal 845
huit-cent-quarante-cinq
cardinalNumeral
1. het getal 855
huit-cent-cinquante-cinq
cardinalNumeral
1. het getal 865
huit-cent-soixante-cinq
/ˌɑxthɔndərtˈfɛifənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 875
huit-cent-soixante-quinze
cardinalNumeral
1. het getal 815
huit-cent-quinze
cardinalNumeral
1. het getal 850
huit-cent-cinquante
cardinalNumeral
1. het getal 806
huit-cent-six
cardinalNumeral
1. het getal 836
huit-cent-trente-six
cardinalNumeral
1. het getal 896
huit-cent-quatre-vingt-seize
cardinalNumeral
1. het getal 886
huit-cent-quatre-vingt-six
cardinalNumeral
1. het getal 826
huit-cent-vingt-six
cardinalNumeral
1. het getal 846
huit-cent-quarante-six
cardinalNumeral
1. het getal 856
huit-cent-cinquante-six
cardinalNumeral
1. het getal 866
huit-cent-soixante-six
/ˌɑxthɔndərtˈsɛsənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 876
huit-cent-soixante-seize
cardinalNumeral
1. het getal 816
huit-cent-seize
cardinalNumeral
1. het getal 860
huit-cent-soixante
/ˌɑxthɔndərtˈsøvən/
cardinalNumeral
1. het getal 807
huit-cent-sept
/ˌɑxthɔndərtˈsøvənənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 837
huit-cent-trente-sept
/ˌɑxthɔndərtˈsøvənəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 897
huit-cent-quatre-vingt-dix-sept
/ˌɑxthɔndərtˈsøvənənˌtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 887
huit-cent-quatre-vingt-sept
/ˌɑxthɔndərtˈsøvənənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 827
huit-cent-vingt-sept
/ˌɑxthɔndərtˈsøvənəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 847
huit-cent-quarante-sept
/ˌɑxthɔndərtˈsøvənəɱˌvɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 857
huit-cent-cinquante-sept
/ˌɑxthɔndərtˈsøvənənˌsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 867
huit-cent-soixante-sept
/ˌɑxthɔndərtˈsøvənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 877
huit-cent-soixante-dix-sept
/ˌɑxthɔndərtˈsøvənˌtin/
cardinalNumeral
1. het getal 817
huit-cent-dix-sept
/ˌɑxthɔndərtˈsøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 870
huit-cent-soixante-dix
suffix
âtre
noun
1. aanzien
  1. estime
  2. respect
noun
huitième
noun
1.
croche
noun
1.
demi-soupir
cardinalNumeral
1. "18", het getal tussen zeventien en negentien
dix-huit
/ˌasidiˈtɛɪt/
noun
1. de zuurgraad, geeft aan hoeveel H+ er in een oplossing voorkomt
acidité
noun
acidose
noun
acné
noun
  1. 1. in de Rooms-katholieke Kerk een misdienaar die ouder is dan 16 jaar
  2. 2. aanhanger
acolyte
pronoun
1. begripomschrijving
Aconcagua
verb
acquérir
noun
1. oude oppervlaktemaat
acre
noun
1. gymnast
acrobate
adjective
1. heel erg lenig, sterk en handig zodat je circuskunsten kunt doen
acrobatique
noun
acroléine
noun
acronyme
noun
1.
acrylique
noun
acrylonitrile butadiène styrène
verb
1. een rol vervullen in een toneelspel
acter
/ɑkˈtør/
noun
1. persoon
acteur
noun
action
adjective
1. met iets bezig zijnde
actif
noun
groupe d'action
noun
1. de afstand die iets af kan leggen
rayon d'action
noun
activiste
noun
1. Scheikundig element
actinide
noun
1. Scheikundig element
actinium
noun
1. apparaat voor het meten van actinestraling
actinographe
noun
1. in geld uitgedrukte waarde van de bezittingen van een onderneming
actif
verb
1. werkzaam maken
activer
noun
1. iets waarmee men actief is
activité
noun
1. bedrijvende vorm
voix active
noun
1. vrouw
actrice
verb
actualiser
noun
actualité
noun
actuaire
/ɑktyˈwel/
adjective
actuel
noun
1. een Chinese behandelingsmethode waarbij, ter genezing van een kwaal...
  1. acupuncture
  2. acuponcture
/aˈkyt/
adjective
1. plots ontstaan, op korte termijn verlopend
aigu
/aˈdaɣijʏm/
noun
1.
adage
/ˈadɑmzɑpəl/
noun
deel van het strottenhoofd bij de man
pomme d'Adam
noun
adaptateur
verb
adapter
noun
1. bijlage
apostille
noun
  1. 1. gifslang
  2. 2. persoon
vipère
noun
ophioglossum
noun
addition
noun
1. chemisch product
additif
adjective
1. toegevoegd
additionnel
noun
1. bevoorrechte groep personen
noblesse
noun
1. benaming voor sommige soorten grote roofvogels
aigle
noun
fougère aigle
verb
1. in de adelstand verheffen
anoblir
noun
1. kleine geheel zwart-witte pinguïnsoort Pygoscelis adeliae
manchot Adélie
/adəm/
noun
souffle
/ˈa.də.mə(n)/
verb
1. de voor het leven nodige lucht inzuigen en weer uitdrijven
respirer
/ˈa.də.ˌma.lə(n)/
verb
1. door levende wezens inblazen en uitblazen van lucht om zuurstof te krijgen
respirer
noun
1. door levende wezens ingezogen en uitgeblazen lucht
  1. respiration
  2. haleine
noun
1. het systeem van luchtopname via de neus of mondholte, door de luchtpijp (trachea) met zijn vertakkingen naar de longen waardoor een organisme van zuurstof wordt voorzien
  1. appareil respiratoire
  2. système respiratoire
/a.de.'kʋat/
adverb
1. correct en passend bij het beoogde doel
adéquat
noun
1. bloedvat met zuurstofarm bloed
  1. veine
  2. filon
/ɑtˈhezi/
noun
  1. 1. een vergroeiing van organen
    1. adhérence
    2. adhésion
  2. 2. onderlinge aantrekkingskracht tussen ongelijke moleculen zonder dat er sprake is van een chemische binding
    adhésion
noun
1. een woordsoort dat wordt gebruikt om een eigenschap of hoedanigheid van een zelfstandig naamwoord te benoemen
adjectif
noun
1. een woordsoort dat wordt gebruikt om een eigenschap of hoedanigheid van een zelfstandig naamwoord te benoemen
adjectif
noun
ajustage
/ˌɑtminɪsˈtrasi/, /ˌɑtminɪsˈtratsi/
noun
  1. 3. bestuur
    administration
  2. 1. de plaats waar gegevens zorgvuldig worden vastgelegd zodat ze later terug te vinden of te controleren zijn
    documents
noun
administratrice
noun
1. opperbevelhebber van een oorlogsvloot
amiral
noun
amirauté
noun
admiration
noun
1. de reciproke complexe impedantie
admittance
noun
1. jeugdig persoon, puber
adolescent
verb
1. een kind aannemen
adopter
noun
adoption
adjective
adoptif
verb
1. aanbidden, verafgoden, vereren
adorer
/aˈdrɛs/
noun
1. aanduiding van de plaats waar iemand woont of iets is gevestigd
adresse
noun
1. een boek met alfabetisch en/of systematisch geordende adressen
répertoire d' adresses
verb
  1. 1. Iets toezenden
  2. 2. adres in een computergeheugen benaderen
adresser
noun
changement d'adresse
pronoun
1. randzee van de Middellandse Zee, gelegen tussen Italië en het Balkanschiereiland
mer Adriatique
/ɑd.zɔr.ˈbeː.rə(n)/, /ɑt.sɔr.ˈbɪː.rə(n)/
verb
1. aantrekken, aan de oppervlakte binden
adsorber
noun
1. een fenomeen dat optreedt aan het grensvlak van twee fasen, waarbij moleculen of atomen zich aan dit grensvlak hechten
adsorption
/a.ˈdu.ki.ˌbon/
noun
1. bepaald soort kleine, rode sojaboon, Phaseolus angularis
haricot azuki
adjective
adulte
/ɑtˈfɛnt/
noun
1. een periode van vier weken voor Kerstmis    2. de tijd waarin de komst en wederkomst van Jezus Christus worden verwacht
  1. Avent
  2. avent
noun
1. de kalender bestaat vaak uit een platte kartonnen doos waarin 24 genummerde vakjes zijn aangebracht
calendrier de l'avent
noun
annonceur
noun
1. een aankondiging in een krant, reclameblad, tijdschrift ...
annonce
noun
agence de publicité
/ɑtfiˈzerə(n)/
verb
1. raad geven aan
  1. conseiller
  2. aviser
noun
1. raadgever, raadsman
conseiller
noun
1. pleiter, verdediger in rechtszaken
  1. avocat
  2. avocate
noun
1. vrouwelijke advocaat
avocate
noun
bureau d'avocats
/eˈɛːa/
pronoun
1. mytisch eiland
  1. Ééa
  2. Éée
  3. Eee
noun
1. vliegveld
aérodrome
noun
aérodynamique
adjective
aérodynamique
noun
1. een verzamelnaam voor muziekinstrumenten die een toon voortbrengen door een trillende luchtkolom
aérophone
noun
een kleine, op basis van lucht werkende verfspuit
aérographe
/ˌæːroˈzol/, /ˌɛːroˈzɔɫ/
noun
2. scheikunde
aérosol
adverb
1. op onregelmatige tijden
  1. quelquefois
  2. de temps en temps
noun
1. het onvermogen te spreken
aphasie
noun
1. een grafisch beeld
image
verb
1. een besteld iets afzeggen
décommander
verb
1. geheel door brand teloorgaan
brûler
verb
1. van richting veranderen
tourner
noun
descente
verb
1. een water met een dam of damwand afsluiten
endiguer
/ˈɑf.dɛ.kə(n)/, /ˈɑv.dɛ.kə(n)/
verb
1. iets over iets anders heen plaatsen
couvrir
verb
  1. 2. overdragen
    1. remettre
    2. verser
  2. 1. door dragen afslijten
    1. user
    2. finir
verb
1. het vocht wegnemen
  1. essuyer
  2. sécher
/ˈɑfdroxduk/
noun
1. een doek waarmee men kan afdrogen
torchon
/ˈɑfdrœʏpˌrɛk/, /ˈɑfdrœːpˌrɛk/
noun
1. een open raamwerk waarin pasgewassen vaatwerk gezet wordt om het aanhangende vocht af te laten vloeien
égouttoir
verb
2. (op papier) weergeven d.m.v. een printer of een drukpers
imprimer
verb
  1. 2. via de wet of regels iets bewerkstelligen
    faire appliquer
  2. 2. onweerlegbaar iets bewerkstelligen
    imposer
  3. 1. onder dwang iets verkrijgen
    1. obtenir par force
    2. extorquer
    3. arracher
noun
affaire
verb
1. verbranden van overtollig gas via een hoge fakkel
brûlage à la torche
noun
  1. 1. een schijnbare gemoedsgesteldheid die niet met de werkelijkheid overeenstemt
  2. 3. het toewijzen van een baan
affectation
verb
affecter
adjective
1. van de gevoelens uitgaand en/of hiermee verbonden
affectif
noun
1. een vrij fors stuk drukwerk dat op muren of ramen aangebracht kan worden
affiche
/ˌɑfiliˈja(t)si/
noun
2. acceptatie als lid van een vereniging of verbond
affiliation
verb
affilier
verb
1. zuiveren, louteren
affiner
/ɑfiniˈtɛit/
noun
  1. 1. een geestelijk verwantschap
  2. 2.
  3. 3.
affinité
adjective
affirmatif
verb
affirmer
noun
1. een gebonden morfeem dat aan een ander morfeem wordt toegevoegd om zo een nieuw woord te vormen
affixe
adjective
affreux
/ˌɑfriˈkat/
noun
1. een combinatie van twee medeklinkers, waarvan de eerste een plosief...
affriquée
verb
affronter
noun
  1. affût
  2. fût
noun
affûtage
verb
  1. 3. een slechte indruk nalaten
    chuter
  2. 1. naar beneden gaan
    descendre
  3. 2. afgeschoten worden
    partir
noun
annulation
noun
dérivée
/ˈɑfɣevə(n)/
verb
  1. 2. bij aanraking een substantie afscheiden
    1. déteindre
    2. déteindre sur
  2. 1. achterlaten op de plek van bestemming
    remettre
preposition
1. buiten beschouwing latend
à part ça
/ɑf.ˈxan/, /ɑf.ˈχan/
noun
  1. 1. Afghaanse windhond
    (lévrier) afghan
  2. 2. Afghaans tapijt
    tapis afghan
/ɑf.ˈxans/, /ɑf.ˈχans/, /ɑv.ˈɣaːns/
adjective
1. gerelateerd aan Afghanistan
afghan
/ɑf.ˈxans/, /ɑf.ˈχans/, /ɑv.ˈɣaːns/
pronoun
1. oneigenlijke naam voor het Pasjtoe
pachto
/ɑf.ˈɣa.nɪ.ˌstɑn/, /ɑf.ˈχa.nɪ.ˌstɑn/, /ɑv.ˈɣa.nɪ.ˌstɑn/
pronoun
1. een land gelegen in Centraal-Azië.
Afghanistan
noun
moulage
/'ɑfxɔt/
noun
divinité
/ɑfxodə'rɛi/
noun
idolâtrie
noun
simulacre
/ˈɑfxrɔnt/, /ˈɑfχrɔnt/, /ˈɑvɣrɔnd/
noun
1. een grote steile diepte
  1. gouffre
  2. abîme
/ˈɑfxɵnst/, /ˈɑfxʏnst/
noun
1. gevoel
jalousie
noun
1. restaurant waar maaltijden afgehaald kunnen worden
restaurant proposant des plats à emporter
verb
1. goederen die klaargelegd zijn in bezit komen nemen
emporter
verb
1. ~ van: naargelang iets verandert mee veranderen
dépendre
noun
dépendance
interjection
enfin
verb
1. een voorstel verwerpen
rejeter
verb
1. niet geschikt verklaren
désapprouver
/ˌɑfkørənsˈʋardəx/
adjective
1. afkeuring verdienend
  1. condamnable
  2. répréhensible
noun
1. het uitspreken van een negatief oordeel over iets
désapprobation
verb
1. een idee stelen van iemand
copier
verb
1. soort van ritueel waarbij men door op iets te kloppen, het lot probeert te sturen
toucher du bois
verb
1. door kluiven alle vlees van een bot verwijderen
ronger
verb
s'avancer vers
adjective
1. komende van
  1. originaire
  2. venant de
noun
1.
  1. infusion
  2. tisane
noun
dédit
noun
1. het inkorten van een woord of een frase
abréviation
verb
1. vernietigend beoordelen
éreinter
/ˈɑflat/
noun
1. een kwijtschelding van tijdelijke straffen die men zou moeten ondergaan na het sterven..
indulgence
/ˈɑflatˌbrif/
noun
1. een papier waarmee officieel een aflaat verleend wordt
lettre d'indulgence
verb
1. vrachtgoed van een dek of van open wagen lossen
décharger
noun
  1. 1. een gebeurtenis of activiteit die de gedachten op iets anders richt
    distraction
  2. 2. een woord dat middels toevoeging van een voor-, in- of achtervoegsel gevormd wordt uit een ander
    dérivé
/ˈɑflopə(n)/, /ˈɑfloːpə(n)/
verb
1. eindigen
  1. finir
  2. terminer
verb
  1. 2. geheel of gedeeltelijk voldoen
    1. amortir
    2. rembourser
  2. 1. de plaats innemen van
    relayer
verb
  1. 2. doden, euthanasie bedrijven op een dier
    1. abattre
    2. achever
  2. 1. iets tot voltooiing brengen
    1. achever
    2. terminer
verb
épuiser
noun
1. korte spreuk met een kernachtige boodschap
aphorisme
verb
1. ontnemen
prendre
/'ɑfpɑsə(n)/
verb
1. nauwkeurig afmeten
mesurer
/ˈɑf.pɛr.sɪŋ/
noun
1. mensen onder voor de buitenwereld onzichtbare bedreiging zaken tegen hun wil laten doen
chantage
verb
déconseiller
noun
1.
brossée
verb
1. een aankoop of schuld betalen
régler
verb
1. door middel van oefening voor iets geschikt maken
dresser
pronoun
1. het continent ten zuiden van Europa, tussen de Indische en de Atlantische Oceaan.
  1. Afrique
  2. l’Afrique
noun
1. benaming voor planten uit het geslacht Tagetes
  1. tagette
  2. tagète
/afriˈkaːns/
adjective
1. komende van of betreffende het continent Afrika
africain
/afriˈkaːns/
pronoun
1. een van het Nederlands afstammende taal die wordt gesproken in Zuid-Afrika en Namibië
afrikaans
noun
1. bepaalde soort vlinder, Vanessa atalanta
grand-duc africain
noun
1. een verkeersweg waarlangs men naar beneden van een autoweg of autosnelweg af kan rijden
sortie
pronoun
1. taalfamilie van ongeveer 370 talen die in Noord-Afrika en het westen van Azië worden gesproken
langues afro-asiatiques
noun
1.
aphrodisiaque
verb
  1. 2. vervolmaken, afmaken
    1. achever
    2. finir
    3. terminer
    4. boucler
    5. finaliser
    1. 1. het vervangen van een getal met te veel decimalen door het meest dichtbije getal met het gewenste aantal decimalen
    2. 3. scherpe hoeken rond maken
    arrondir
verb
1. een pak ransel geven, afranselen
banke opp
verb
1. tot een einde brengen
  1. abolir
  2. abroger
  3. supprimer
  4. congédier
  5. défaire de
  6. renoncer à
noun
1. een begroeting bij het elkaar verlaten
adieu
noun
séparation
verb
  1. 2. met een scheurbeweging losmaken
    1. arracher
    2. déchirer
  2. 1. door een scheurbeweging van een groter geheel losraken
    se déchirer
/af.sχɾɪft/
noun
transcription
verb
1. doen weggaan door angst aan te jagen
effrayer
verb
1. het schuin afwerken van de rand van een materiaal.
biseauter
noun
1. hevige afkeer
aversion
verb
  1. 1. afdraaien
    jouer
  2. 2. tot het einde toe spelen
    jouer jusqu'au bout
  3. 4. zich ~: gebeuren
    se produire
  4. 3. iets door veelvuldig bespelen bederven en onbruikbaar maken
    user
noun
réflexion
noun
1. een overeenkomst
accord
noun
2. belofte van twee verliefde mensen om elkaar op een bepaalde tijd en plaats te ontmoeten
rendez-vous
noun
  1. descendant
  2. descendante
verb
1. ~ van: een nakomeling zijn van
descendre
noun
1. de genetische voorgescheidenis van een individu, volk of soort
ascendance
/ˈɑfstɑnt/
noun
1. de ruimte die zich ergens tussen bevindt
distance
noun
een toestel dat vanaf afstand een ander toestel bestuurt
télécommande
/'ɑfstɛlə(n)/
verb
1. regelbare parameters zo kiezen dat een toestel voor een bepaald doel gereed is
régler
verb
3. iemands tegenwoordigheid van geest nadelig beïnvloeden
abêtir
verb
repousser
adjective
1. van iets dat men het liever op afstand houdt
repoussant
noun
1. een kracht die twee voorwerpen zich van elkaar doet verwijderen.
répulsion
/ɑf/, /ɑft/
noun
1. een kleine zweer in de mond ten gevolge van een virus
aphte
noun
boîte de branchement
verb
  1. 1. slechter worden
    1. baisser
    2. décliner
    3. dépérir
    4. gâtifier
  2. 2. een schip van zijn takelage of tuig ontdoen
    1. dégréer
    2. désarmer
noun
1. het weggaan
retraite
noun
1. de eerste trap vanuit de middencirkel bij het begin van speeltijd van een voetbalwedstrijd
engagement
verb
  1. 8. (een man) seksueel bevredigen, aftrekken
    1. branler
    2. tirer
  2. 7.
    1. se branler
    2. se tirer
  3. 1. rekenkundige bewerking waarbij een getal met een getal verminderd wordt
    soustraire
/ˈɑftrɛkɪŋ/
noun
1. rekenkundige bewerking waarbij een getal van een ander getal afgetrokken wordt
soustraction
/ˈɑftrɛksəɫ/
noun
1. een vloeistof waarin men de oplosbare delen van iets heeft laten oplossen
infusion
/ˈɑˌfaːrdəɣə(n)/
verb
1. iemand machtigen om iets te vertegenwoordigen, meestal een vereniging of een staat
déléguer
noun
délégation
noun
1. bak waar het afval in wordt gedeponeerd totdat de vuilnisdienst het ophaalt
poubelle
/ ˈɑfɑlə(n) /
verb
  1. 2. de koers van een schip in de richting van de lijzijde wijzigen
    abattre
  2. 1. gewicht verliezen.
    maigrir
adjective
1. niet trouw of loyaal aan
infidèle
noun
1. het ontrouw worden aan zijn geloof
  1. apostasie
  2. défection
noun
1. water dat gebruikt is in de industrie of in het huishouden en dat na gebruik geloosd wordt
  1. eaux usées
  2. eaux residuaires
verb
1. met een doekje of papiertje vuil weghalen
essuyer
verb
  1. 1. zich ~: zichzelf een vraag stellen
    s'interroger sur
  2. 2. zich ~: vraagtekens plaatsen bij
    se demander
/ˈɑfwɑxtə(n)/, /ˈɑfʋɑxtə(n)/, /ˈɑfʋɑχtə(n)/
verb
1. wachten op wat er gaat gebeuren
attendre
noun
attente
noun
vaisselle
noun
1. een apparaat om automatisch de afwas te doen
lave-vaisselle
noun
1. zeepproduct voor de afwas
détergent à vaisselle
noun
1. een apparaat om automatisch de afwas te doen
lave-vaisselle
noun
1. het sop waarin met het eetgerei schoonmaakt of -gemaakt heeft
eau de vaisselle
verb
1. overtollig water afvoeren
évacuer
noun
1. de paden waarlangs water uit een stuk land afgevoerd kan worden
écoulement
/ɑfwergəsxʌt/
noun
1. verzamelterm voor vuurwapens waarmee verdedigers aanvallende vliegtuigen kunnen bestoken
défense antiaérienne
noun
anticorps
/ɑfˈwerə(n)/
verb
1. een aanval neutraliseren
parer
adjective
1. niet op een bepaald tijdstip en plaats zijn
absent
noun
1. het afwezig zijn op een bepaald tijdstip en plaats
absence
verb
1. niet de gangbare norm volgen
dévier
noun
  1. 2. lichamelijk gebrek of het niet volledig bij het verstand zijn
    1. aberration
    2. fêlure
  2. 1. niet goed afgesteld staan en naar een bepaalde kant neigen
    déviation
/'ɑfʋɛɪzɪŋ/
noun
1. een bericht dat op een voorstel of aanzoek niet ingegaan wordt
rejet
noun
2. afhandeling van een bepaald zakelijk of technisch proces
règlement
/ˈɑfʋɪsələ(n)/
verb
1. om en om plaatsvinden
alterner
verb
1. met een vegende beweging verwijderen of schoonmaken
essuyer
noun
1. een termijn mondeling afbestellen
annulation
noun
1. iemand die iets naar een adres verzendt
expéditeur
noun
1. iemand die door misleiding een buitensporige betaling voor iets weet te verkrijgen
escroc
noun
arnaque
verb
  1. 2. lijden, ongemak doorstaan
    1. en baver
    2. en voir de dures
  2. 1. besluiten iets niet te doen
    renoncer à
/ˈɑfsɔndərɪŋ/
noun
1. het afzonderen
  1. isolement
  2. separation
/ˈɑfzœʏχkɑp/, /ˈɑfzœːxkɑp/
noun
1. een huishoudelijk apparaat in de keuken dat de kookluchtjes moet afvoeren
hotte
adjective
gris agate
noun
1.
inséparable
/a.ˈɣɛn.da/, /a.ˈχɛn.da/
noun
  1. 1. een notitieboek waarin afspraken genoteerd worden
    agenda
  2. 2. een lijst van te bespreken punten op een vergadering
    1. ordre du jour
    2. calendrier
noun
agglutination
noun
1. elk van de toestanden, afhankelijk van druk en temperatuur, waarin een stof kan voorkomen
état de la matière
verb
agioter
verb
agiter
noun
agnosticisme
noun
1. iemand die ten aanzien van het bovennatuurlijke stelt dat dit niet te kennen valt
agnostique
noun
1. benaming voor Zuid-Amerikaans knaagdieren uit het geslacht Dasyprocta
agouti
noun
agonie
noun
agoraphobie
noun
agriculteur
noun
agression
adjective
1. aanvallend
  1. agressif
  2. agressive
noun
  1. 1. de neiging tot agressie
  2. 2. het agressief zijn
agressivité
noun
. iemand die zich bezig houdt met bodemkunde op landbouwkundig gebied
agrologue
noun
1. de landbouwkunde
agronomie
pronoun
aguacatèque
/a.ˈhɔrn/
noun
1. een boom of heester van het geslacht Acer.
  1. érable
  2. érablier
noun
1. een virusziekte waarbij het natuurlijke afweersysteem van het lichaam steeds verder afgebroken wordt
  1. SIDA
  2. sida
noun
1. bepaald soort watervogel, Egretta garzetta
  1. aigrette garzette
  2. petite aigrette
adjective
1. aardig
aimable
noun
air
noun
1. een apparaat dat voor airconditioning zorgt
climatiseur
noun
1. de regeling van de temperatuur en de vochtigheidsgraad van de lucht in een ruimte
climatisation
pronoun
1. hoofdstad van de Franse regio Corsica
Ajaccio
/aʔyˈbe/
interjection
s.v.p.
adjective
  1. lugubre
  2. dégoûtant
  3. glauque
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noord-Rijnland-Westfalen, niet ver van Maastricht
Aix-la-Chapelle
/'akər/
noun
2. vrucht van de eik
gland
noun
1. plant
aki
/ɑkəˈfitɕə/
noun
1. karweitje
  1. bagatelle
  2. broutille
/ˈɑ.kər.ˌbo.tər.ˌblum/
noun
1. bepaald soort plant, Ranunculus arvensis
renoncule des champs
noun
entreprise agraire
noun
  1. agriculteur
  2. cultivateur
noun
1. bepaald soort plant, Cirsium arvense
cirse des champs
noun
1. bepaald soort tweejarige- of meerjarige plant, Melilotus officinalis
mélilot jaune
noun
1. bepaald soort vaste plant, Cerastium arvense
céraiste des champs
noun
1. bepaald soort plant, Lapsana communis
lampsane commune
noun
prêle des champs
noun
liseron des champs
noun
1. bepaald soort eenjarige plant, Ajuga chamaepitys
  1. ive
  2. ivette
noun
2. samenklank van drie of meer, verschillende tonen
accord
/ˌakusˈtik/
noun
1. de voortplanting van klank in een besloten ruimte en de ervaring die deze voortplanting ...
acoustique
noun
1. officieel schriftelijk stuk
acte
adverb
1. reeds
déjà
phraseologicalUnit
le singe est-il vêtu de pourpre, est toujours singe
phraseologicalUnit
  1. le menteur ne va pas loin
  2. les mensonges ont les jambes courtes
pronoun
1. taalfamilie van een drietal, merendeels uitgestorven talen die in Chili worden gesproken
langues alacalufanes
pronoun
1. Braziliaanse deelstaat gelegen in de Regio Noordoost van het land. Hoofdstad is Maceio
Alagoas
noun
1. het niet kunnen spreken
alalie
/ɑlɑr'merən/
verb
1. door alarm oproepen of bijeenroepen
alarmer
/ɑˈlɑrmsiˌstem/
noun
1.
système d’alarme
pronoun
1. Austronesische taal gesproken door 80 duizend personen in Atjeh op Sumatra
batak alas-kluet
pronoun
1. taalfamilie van het Albanees, of de daarbinnen onderscheiden talen die in Albanië en naburige landen worden gesproken
langues albanaises
/ɑɫbaˈneːs/
adjective
1. gerelateerd aan of afkomstig uit Albanië
albanais
/ɑɫbaˈneːs/
noun
1. (mannelijke) inwoner van Albanië, of iemand afkomstig uit Albanië
Albanais
/ɑɫbaˈneːs/
pronoun
1. taal die vooral in Albanië en Kosovo gesproken wordt
albanais
/ɑlˈbaːni.jə/, /ɑɫˈbani.jə/
pronoun
1. een land in het westen van de Balkan, grenzend aan de Adriatische en de Ionische Zee en aan Griekenland, Macedonië, Kosovo en Montenegro
Albanie
noun
albâtre
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Diomedeidae
albatros
pronoun
canal Albert
noun
het ontbreken van pigmentkleurstof in de huid
albinisme
noun
1. in water oplosbaar eiwit dat veel in bloed voorkomt
albumune
noun
1. vroegere occulte wetenschap, waarin o.a. werd geprobeerd om goud en edelmetalen uit andere elementen...
alchimie
noun
1. elk van de verbindingen uiteen groep koolwaterstoffen die gekenmerkt zijn...
  1. alcool
  2. alcohol
verb
1. met alcohol vermengen of behandelen
alcooliser
noun
alcoolisme
noun
alcoolique
noun
alcoolisme
noun
1. aldislamp
  1. lampe Aldis
  2. lampe à signaux
adverb
1. zo, op deze manier
ainsi
noun
Engels bier
ale
adjective
aléatoire
pronoun
1. verzamelnaam voor een groep Duitse dialecten die gesproken worden door ongeveer zes miljoen mensen in Zuid-Duitsland, Zwitserland, Oostenrijk, Liechtenstein en Oost-Frankrijk
alémanique
pronoun
1. keten van vulkanische eilanden in Alaska ,die zich boogvormig uitstrekt en een scheiding vormt tussen de Grote Oceaan en de Beringzee
Île Aléoutiennes
/aˈlɛrt/, /əˈlʏːrt/
adjective
1. oplettend
vigilant
verb
alerter
noun
vigilance
/ˈɑlfa/
noun
1. een aanduiding of markering van "de eerste" van een reeks
alpha
noun
de lettertekens van een taal
alphabet
adjective
1. gerangschikt volgens de letters van het alfabet
alphabétique
/ɑl.fa.bæː.tɪ.ˈzeː.rə(n)/, /ɑɫ.fa.be.ti.ˈzɪː.rə(n)/
verb
1. lezen en schrijven aanleren
alphabétiser
noun
1. ontkiemde zaden van luzerne
luzerne cultivée
noun
1.
  1. rayonnement alpha
  2. radioactivité alpha
noun
1. Oryx dammah, een antilope van de droge streken in het midden-Oosten en Noord-Afrika
  1. oryx algazelle
  2. oryx de Libye
/ˈɑɫɣəbra/
noun
1. deel van de wiskunde dat zich bezighoudt met de betrekkingen van door letters...
algèbre
/ɑl.ɣə.'rɛɪ̯.jə/, /ɑɫ.ɣə.'rɛː.jə/, /ɑɫ.χə.'rɛɪ̯.jə/
pronoun
1. een land in Noord-Afrika, officieel de Democratische Volksrepubliek Algerije
Algérie
adjective
1. Uit/afkomstig van Algerije
algérien
/ɑɫˈxiːrs/, /ɑɫˈɣiːrs/
pronoun
1. Hoofdstad van Algerije
Alger
pronoun
1. taalfamilie van ongeveer 45 talen die in Noord-Amerika worden gesproken
langues algiques
pronoun
1. verzamelnaam van ongeveer 40 talen die in Noord-Amerika worden gesproken
langues algonquines
noun
algorithme
noun
1. vizierliniaal
alidade
adverb
1. in deze plaats
  1. ici
  2. en ce lieu
/aliɑs/
adverb
1. anders gezegd, ook wel genaamd
  1. alias
  2. autrement nommé
/aliɑs/
noun
1. een bijnaam
  1. alias
  2. sobriquet
  3. surnom
/ˈaː.liˌbi/
noun
1. het kunnen aantonen dat men elders was tijdens het zich voltrekken van een misdaad,...
alibi
verb
1. met elkaar in overeenstemming brengen; zorgen dat iedereen op één lijn zit
aligner
noun
1. eetbare zeeslak
bigorneau
adjective
1. met betrekking tot de voeding
alimentaire
noun
pension alimentaire
/aˈlinija/
noun
alinéa
/ɑlk/
noun
1. bepaald soort zeevogel die veel op de zeekoet lijkt, maar een dikkere snavel heeft
  1. pingouin
  2. pingouin torda
noun
alcane
/ˈɑlkalimeˌtal/
noun
1. de naam voor elk element uit de eerste chemische reeks van het periodiek systeem
métal alcalin
verb
1. een oplossing meer basisch en dus minder zuur maken
alcaliser
noun
1. een stikstof bevattende plantenbase
alcaloïde
noun
alcène
noun
1. een kleine raamloze zijkamer, vaak gebruikt als slaapkamer
alcôve
adverb
1.
  1. forfait
  2. forfaitaire
  3. tout compris
pronoun
1. God in islamistisch of Arabische context
Allah
/ˈɑlə/
indefinitePronoun
1. elke, geen, uitgezonderd
tous
/ɑl.ˈen/
adverb
1. slechts
seulement
noun
1.
pouvoir absolu
noun
allégorie
/ɑ.ˈlɛl/, /ɑ.ˈlɛɫ/
noun
1. elk van de alternatieve uitvoeringen van een gen, die allemaal in homologe chromosomen op dezelfde plaats liggen
allèle
noun
allemande
/ˈɑlən/
cardinalNumeral
hoofdtelwoord
tous (les)
/ˈɑlən/
indefinitePronoun
1. alle
  1. tout
  2. tout le monde
noun
1. stof die overgevoeligheid veroorzaakt
allergène
/ˌɑlɛrˈɣi/
noun
1. een reactie van het immuunsysteem op lichaamsvreemde stoffen (allergenen), die op zich helemaal niet schadelijk hoeven te zijn
allergie
adjective
1. overgevoelig
allergique
pronoun
1. een rooms-katholieke feestdag op 1 november ter gezamenlijke verering van alle heiligen van de Kerk
Toussaint
adjective
  1. holy
  2. sanctissime
indefinitePronoun
  1. de toute espèce
  2. de toute sorte
indefinitePronoun
1. al het mogelijke, de gehele verzameling of hoeveelheid zonder uitzondering
  1. tout
  2. toute
noun
omnivore
noun
alliage
noun
1. een bondgenootschap
alliance
noun
1. een grote krokodilachtige uit het geslacht Alligator
alligator
noun
allitération
verb
allitérer
verb
allier
adjective
  1. 2. (van gesteenten) zich bevindend op een andere tectonische plaat na een overschuiving
    allochtone
  2. 1. uit een ander land of plaats afkomstig
    1. allochtone
    2. immigré
noun
1. iemand die van elders afkomstig is
  1. étranger
  2. étrangère
noun
1.
allophone
noun
1.een geneesmiddel dat de aanmaak van urinezuur tegengaat
allopurinol
verb
  1. faire allusion
  2. alluder
noun
allure
adjective
alluvial
/ɑˈlʏvijʏm/
noun
1. los materiaal (regoliet) dat als sediment door een rivier is afgezet
alluvion
/ɑɫmɑxt/
noun
1. absolute macht, macht over alles
omnipotence
noun
almanach
noun
alnico
noun
ubiquité
noun
1. haaruitval
alopécie
noun
benaming voor bloeiende, succulente planten uit het geslacht Aloe
aloès
noun
1. bepaald soort succulent, Aloe vera
aloe vera
noun
  1. 1. bepaald soort zoogdier Vicugna pacos
    alpaga
  2. 2. zilverkleurige metaallegering
    maillechort
pronoun
1. een gebergte dat Italië van de rest van Europa scheidt
Alpes
noun
1. bepaald soort overblijvende plant die te vinden is in de meeste Europese gebergtes, Pulsatilla alpina
pulsatille des Alpes
noun
pin cembro
noun
1. een van hout vervaardigd blaasinstrument met een lengte tot vier meter
cor des Alpes
noun
1. bepaald soort plant, Myosotis alpestris
myosotis nain, myosotis des Alpes
adjective
alpin
verb
1. sport waarbij men op ski's een heuvel of berg afdaalt.
ski alpin
noun
alpinisme
noun
1. iemand die de bergsport beoefent
alpiniste
noun
1.
alpiniste
noun
1. bepaald soort Zuid-Europese verdovende en bedwelmende overblijvende plant
mandragore
/ɑls/, /ɑs/
conjunction
  1. 3. in de hoedanigheid van
    en tant que
  2. 1. wanneer
    quand
  3. 2. indien
    si
phraseologicalUnit
1. als de kat van huis is, dansen de muizen op tafel
quand le chat n’est pas là, les souris dansent
phraseologicalUnit
  1. 1. als mensen gretig aan het eten zijn, wordt er niet zo veel gepraat
    brebis qui bêle perd sa goulée
  2. 2. iemand die druk is met winstgevende bezigheden praat daar niet over
    1. chat miauleur n'attrape pas de souris
    2. on n'attrape pas de lièvre avec un tambour
phraseologicalUnit
1. iemand die te veel heeft gedronken is niet meer in staat goede beslissingen te nemen
  1. le vin entre et la raison sort
  2. quand le vin entre dans le corps, le jugement s'en va dehors
  3. quand le vin entre, la raison sort
noun
1. benaming voor planten van het composietengeslacht Artemisia
armoise
noun
ambroisie à feuilles d'armoise
adverb
1. als beleefde aandrang bij een verzoek of versterking bij een bevel
s'il te plaît
conjunction
1. en ook
ainsi que
adverb
1. toch nog
encore
conjunction
1. luidt een vergelijking in
comme si
adverb
1. als beleefde aandrang bij een verzoek of versterking bij een bevel
  1. s'il vous plaît
  2. s'il vous plait
noun
  1. 3. bespeler van een altinstrument
    altiste
    1. 1. lage vrouwenstem
    2. 4. altzangeres
    contralto
noun
1. offertafel voor godsdienstige plechtigheden
autel
pronoun
1. Atair/Altair
Altaïr
pronoun
1. taalfamilie van ongeveer 65 talen die in het midden en westen van Azië worden gesproken
langues altaïques
noun
1. een eenvoudig houten blaasinstrument
flûte à bec alto
noun
1. toonverandering
altération
verb
altérer
noun
alternance
/ɑltərnaˈtif/
noun
1. een andere mogelijkheid of methode
  1. alternative
  2. variante
noun
alternateur
verb
1. (elkaar) min of meer regelmatig afwisselen
alterner
conjunction
1. geeft in het tweede gedeelte meer specifiek aan wat er bedoeld wordt
au moins
adverb
  1. 1. op elk moment, blijvend
  2. 2. telkens opnieuw
  3. 3. in elk geval
toujours
phraseologicalUnit
1.
frapper toujours sur la même enclume
noun
1. alt-instrumentalist
altiste
noun
een vorm van bewolking op middelbare hoogte
altocumulus
noun
altruisme
noun
1. altsaxofoon
saxophone alto
noun
1. een teken geplaatst op de derde lijn van een balk dat aangeeft dat deze een c weergeeft
clef d'ut 3e
noun
1. altviolist
altiste
/ˈɑltfiˌjoːl/
noun
1. een muziekinstrument in de familie van de strijkinstrumenten, verwant aan maar groter en lager klinkend dan de viool
  1. alto
  2. violon alto
/alyˈminijʏm/
noun
1. scheikundig element met symbool Al en atoomnummer 13
aluminium
noun
cuproaluminium
noun
papier d'aluminium
adverb
déjà
/ˌɑɫveˈol(ə)/
noun
1. wetenschappelijke benaming voor longblaasje
alvéole
noun
1. ontsteking van de longblaasjes
alvéolite
noun
ablette
noun
1. een klier die enzymen afscheidt in de twaalfvingerige darm om de afbraak van zetmeel, vet en eiwitten te bevorderen
pancréas
adverb
de nouveau
/amɑl'ɣaːm/
noun
1. kwiklegering
amalgame
noun
  1. 1. kleine bladverliezende loofboom, Amygdalus dulcis
    1. amandier
    2. amande
  2. 1. eetbare pit van de amandelvrucht
    1. amande
    2. amandier
  3. 3. klier in de neus-keelholte
    amygdale
noun
amandier
noun
1. een melkachtige drank die uit fijngemalen amandelen en water bereid kan worden
  1. lait d'amande
  2. lait d'amandes
noun
1. een mengsel van amandelen en suiker dat wordt gebruikt in o.a. gevulde speculaas en boterletters
pâte d'amandes
noun
euphorbe des bois
noun
1. of 2. (zaden van) geslacht Amaranthus
amarante
noun
émeri
noun
1. een persoon die iets als hobby doet
  1. amateur
  2. dillettante
noun
astronomie amateur
noun
amateurisme
noun
1. vrouw die iets als hobby doet en dus niet beroepsmatig
amatrice
pronoun
Amazone
noun
2. een vrouwelijke ruiter
amazone
noun
1. een handwerkvak dat vaak aanzienlijke vaardigheden vereist
métier
adjective
1. volgens de methoden van het oude ambacht
artisanal
noun
prunier de cythère
noun
1. de officiële vertegenwoordiging van de ene regering in de hoofdstad van de andere.
ambassade
noun
1. iemand die door de ene staat is aangesteld om deze staat bij een andere staat te vertegenwoordigen
ambassadeur
adjective
1. vervelend, onprettig
  1. désagréable
  2. embêtant
noun
ambiguïté
/ɑmˈbi(t)si/
noun
ambition
adjective
1. op hetzelfde moment twee verschillende, meestal positieve en negatieve, waardes hebbend
ambivalent
noun
1.
ambivalence
verb
1. naar iets streven
ambitionner
noun
1. iemand die aangesteld is in een door de overheid beheerde dienst
fonctionnaire
noun
1. een vrouwelijk persoon die aangesteld is in een door de overheid beheerde dienst
fonctionnaire
noun
1. voertuig om gewonden of zieken van en naar het ziekenhuis te brengen
ambulance
pronoun
Ameland
noun
1.een zoete likeur met amandelsmaak uit Italië
amaretto
noun
américium
/aˈmɪːriˌka/
abbreviation
1 en 2
Amérique
noun
2. een inwoner van de Verenigde Staten van Amerika
  1. Américain
  2. États-Unien
adjective
1. betreffende of komende van Amerika
  1. américain
  2. états-unien
noun
1. bepaald soort snelgroeiende boom, Quercus rubra
chêne rouge d'amérique
noun
1. oorspronkelijk uit Amerika afkomstige soort zoetwatervis die ook in de Benelux voorkomt, Umbra pygmaea
petit poisson-chien
noun
1. bepaald soort eenjarige plant, Lepidium virginicum
passerage de virginie
noun
1. bepaald soort plant, Mammea americana
abricotier des antilles
noun
1. Bubo virginianus
grand-duc d'Amérique
noun
1. bepaald soort plant, Prunus serotina
cerisier tardif
noun
1. Ursus americanus, een zwarte berensoort die in Noord - Amerika leeft.
ours noir
verb
américaniser
noun
1. in water en op land levend dier
  1. amphibien
  2. amphibie
noun
1.
amphisbène
noun
1. een door de oude Grieken en Romeinen gebruikte buikige kruik met twee oren
amphore
noun
1. door de oude Grieken en Romeinen gebruikte buikige kruik met twee oren
amphore
adjective
1.
amphotère
pronoun
1. een taal die in Ethiopië gesproken wordt
amharique
pronoun
1. een taal die in Ethiopië gesproken wordt
amharique
adjective
amical
noun
1. een organische verbinding die kan worden beschouwd afgeleid te zijn van ammoniak...
amine
noun
acide aminé
noun
1. een chemische verbinding van stikstof en waterstof
ammoniac
noun
ammonite
noun
munitions
noun
1. geheugenverlies
amnésie
noun
1. eencellige eukaryoot die van vorm kan veranderen door het uitsteken en intrekken van schijnvoetjes
amibe
verb
amortir
/aˈmɔs/
pronoun
1. en 3. profeet en jongensnaam
Amos
adjective
amoureux
/ˈɑmpəɫ/
adjective
1. omstandig, meer dan genoeg
ample
noun
1. uitbreiding
amplification
verb
amplifier
noun
amplitude
noun
4. schenkkannetje voor wijn of water, gebruikt bij de mis
burette
verb
1. een lichaamsdeel chirurgisch verwijderen
amputer
noun
ampère
noun
1. stroommeter
ampèremètre
noun
moutarde brune
/ɑmstər'dɑm/
pronoun
1. de hoofdstad van Nederland, gelegen in de provincie Noord-Holland
Amsterdam
noun
1. iets waarmee men zich vermaakt
amusement
verb
  1. 1. op aangename wijze een indruk op iemand maken, iemand doen (glim)lachen
    1. amuser
    2. divertir
  2. 2. zich ~ met genoegen scheppen in een activiteit
    1. s'amuser
    2. se divertir
noun
1. opbouw bij de stofwisseling waarbij simpele stoffen omgezet worden tot chemisch ingewikkeldere stoffen
anabolisme
noun
anachorète
noun
anachronisme
/ɑnakroˈnɪstis/
adjective
1. niet passend in de tijdsvolgorde of in de periode waarin het wordt gepresenteerd
anachronique
/anaˈkɔnda/
noun
1. zeer grote en zware wurgslang uit het geslacht Eunectes
anaconda
adjective
1.
anaérobie
noun
1. de concretisering van spirituele fenomen in teksten of toespraken
anagogie
noun
anagramme
noun
1. iemand die niet kan lezen of schrijven
analphabète
noun
1. het voorkomen van mensen die niet kunnen lezen of schrijven
analphabétisme
noun
1. een pijnstiller
analgésique
noun
analyste
noun
1. een overeenkomst tussen twee verschillende zaken die bijv. kan dienen als basis voor een bepaalde redenering of vergelijking
analogie
/ˌɑnəˈloːx/
adjective
2. tegenovergestelde van digitaal (geluidsopname, uurwerk)
analogique
/ɑnɐ'liːzə/
noun
analyse
verb
1. gedetailleerd en nauwkeurig bekijken
analyser
noun
1. een vraaggesprek naar de ziektegeschiedenis
anamnèse
noun
1. een vrucht van de ananasplant
ananas
noun
coqueret du Pérou
noun
anarchisme
noun
anatomie
verb
anatomiser
noun
1. een persoon die kennis draagt van de (menselijke) anatomie
anatomiste
adjective
ancestral
noun
1.
Ancien Régime
noun
1. de periode dat iemand verbonden is aan een bepaalde organisatie
ancienneté
adjective
andalou
pronoun
Andalousie
pronoun
Andalousie
adjective
1. niet deze
autre
pronoun
Anderlecht
conjunction
1. leidt een zin in die een andere gang van zaken aangeeft
sinon
adverb
1. (maar) aan de andere kant
de l'autre côté
pronoun
  1. Cordillère des Andes
  2. Andes
noun
1. Cichorium endiva, een eetbaar eenjarig gewas dat nauw verwant is aan witlof
  1. chicorée frisée
  2. scarole
noun
Épiaire
pronoun
1. een kleine staat in Europa die grenst aan Frankrijk en Spanje
Andorre
adjective
1. van/uit Andorra
andorran
noun
1. iemand die afkomstig is uit Andorra
Andorran
noun
1. kruis van twee even lange, schuingeplaatste balken
  1. sautoir
  2. croix de Saint-André
noun
1. mannelijk geslachtshormoon
androgène
noun
androgynie
noun
andrologie
noun
andrologue
pronoun
    1. 1. mythologische figuur
    2. 2. sterrenbeeld
    Andromède
  1. 3. melkwegstelsel
    galaxie d'Andromède
noun
1. een sterrenstelsel met een spiraalvormige structuur in het sterrenbeeld Andromeda
  1. galaxie d'Andromède
  2. nébuleuse d'Andromède
/a.nɛg.ˈdo.tə/
noun
1. een amusant, kort verhaal
anecdote
noun
1.
anémie
noun
1. zelfregistrerende windsnelheidsmeter
anémographe
/ɑnəmon/
noun
1. een plant van het geslacht Anemone
anémone
noun
1. een medisch specialist die zich bezig houdt met het geven van anesthesie aan patiënten die een operatie of een pijnlijk, belastend onderzoek moeten ondergaan
anesthésiste
noun
1. geneeskundige die is gespecialiseerd in het verdoven van patiënten die een operatie of een pijnlijk, belastend onderzoek moeten ondergaan
anesthésiste
noun
een apolaire aromatische onverzadigde ether
anéthol
pronoun
1. een taal die op het Palauaanse eiland Angaur gesproken wordt
  1. angaur
  2. anguar
  3. ngeaur
noun
  1. 1. het orgaan waarmee wespen, bijen en soortgelijke dieren steken
    dard
  2. 2. een vishaak
    hameçon
noun
1. leer van de Engelen
angelologie
/ɑŋəl'sɑksis/
pronoun
1. een West-Germaanse taal die tussen ca. tussen 400 en 1100 werd gesproken en die geldt als de rechtstreekse voorloper van het Middelengels
anglo-saxon
noun
anglicanisme
noun
1. woord of uitdrukking overgenomen uit het Engels of gevormd naar Engels voorbeeld
anglicisme
pronoun
1. een taalvariëteit van de Normandische taal die werd gebruikt in Engeland en, in mindere mate, elders in de Britse eilanden tijdens de Anglo-Normandische periode
anglo-normand
/ɑŋ.ˈ(g)ɣo.la/, /ɑŋ.ˈgo.la/
pronoun
1. een land in Zuidwest-Afrika, officieel de Republiek Angola grenzend aan...
Angola
noun
1. het gevoel dat er onheil of gevaar dreigt
peur
noun
1. een angst veroorzakende droom
  1. rêve angoissant
  2. rêve anxieux
  3. rêve terrifiant
pronoun
Anguilla
adjective
angulaire
noun
1. bepaald soort schermbloemige plant, Pimpinella anisum
anis
noun
is een bloemdragende plant die behoort tot de schermbloemenfamilie Umbelliferae of Apiaceae
anis vert
noun
animalité
verb
1. opmonteren, opvrolijken
animer
noun
envie
noun
1. vijandigheid
animosité
noun
  1. oeillet
  2. œillet
/ˈɑ.nʲər.re.voˌly.si/, /ˈɑ.ɲər.re.voˌly.tsi/
pronoun
1. geweldloze militaire staatsgreep
révolution des Œillets
noun
    1. 1. onderdeel van een vaartuig
    2. 3. onderdeel van een uurwerk
    ancre
  1. 2. muuranker
    1. ancre
    2. ancre de façade
  2. 6. onderdeel van een elektromotor/dynamo
    1. rotor
    2. ancre
noun
1. een drijver om aan te geven waar het anker van een geankerd schip ligt
bouée d'ancre
verb
1. het anker uitgooien met de bedoeling het schip hiermede aan de bodem van het vaarwater vast te leggen, voor anker gaan, voor anker leggen
ancrer
pronoun
2. spelwoord voor de letter a
Anatole
/ˌɑnɛkˈsatsi/
noun
1. het verplicht of gedwongen toetreden tot een groep
  1. annexion
  2. annexion à
/ˌɑnɛkˈsɪːrə(n)/
verb
1. het toeëigenen van een grondgebied
  1. annexer
  2. annexer à
noun
2. aankondiging
annonce
noun
annotation
verb
1. van kanttekeningen voorzien
annoter
/ɑny'lerə/
verb
1. iets afgelasten
annuler
noun
1. een uit de Bijbel afkomstige aankondiging van een engel aan de maagd Maria dat zij de zoon van God zou baren
Annonciation
noun
1. afwijking van organen
anomalie
adjective
1. naamloos
anonyme
noun
1. naamloosheid
anonymat
adjective
1. niet tot de koolstofverbindingen behorend
inorganique
noun
anchois
noun
  1. 1. tegenwerkend middel of orgaan
  2. 2. belangrijkste tegenspeler
antagoniste
pronoun
1. het continent rond de zuidpool van de aarde
Antarctique
adjective
antarctique
verb
2. een eerdere datum op een document schrijven dan die van de huidige dag
antidater
noun
  1. 1. een vrij opgestelde elektrische geleider voor het uitzenden en/of ontvangen van elektromagnetische straling
  2. 2. een voelspriet bij dieren
  3. 3. een staafje aan een dobber
antenne
noun
1. antennekring
circuit antenna
noun
1. hoge antenne-ondersteuningsconstructie
pylône
noun
antologie
adverb
1. tegen
anti
noun
1. de tegenstander
anti
noun
1. geneesmiddel dat hartritmestoornis tegengaat
agent antiarythmique
noun
antibiotique
noun
système antiblocage
noun
antichambre
noun
antéchrist
verb
anticiper
noun
1. een weinig spannende, soms teleurstellende ontknoping van het verhaal
déception
noun
1. een stof die de bloedstolling vertraagt of tegengaat
anticoagulant
noun
anticommunisme
noun
1. technieken voor het voorkomen van zwangerschap na geslachtsgemeenschap
contrôle des naissances
noun
contraceptif
noun
1. middel tegen stuipen, toevallen (bij epilepsie)
  1. anticonvulsif
  2. anticonvulsivant
noun
anticyclone
verb
1. voorzien van een te vroege datum
antidater
noun
1. een deeltje waarvan een aantal fysische eigenschappen dezelfde zijn, maar andere eigenschappen (waaronder de lading) precies tegengesteld
antiparticule
/ˌɑntideprɛˈsivʏm/
noun
1. een middel tegen ziekelijke neerslachtigheid
antidépresseur
noun
1. geneesmiddel ter behandeling van suikerziekte
antidiabétique
noun
1. een tegengif
antidote
adjective
  1. 1. oud, maar waardevol
  2. 2. met betrekking tot de klassiek Grieks-Romeinse oudheid
antique
noun
1. oude kunst-, sier- en gebruiksvoorwerpen, die verzameld en verhandeld worden
antiquité
noun
  1. antiquaire
  2. marchand d'antiquités
adjective
1.
antiféministe
noun
1. een middel tegen oplossing van fibrine bij de bloedstolling
antifibrinolytique
noun
1.
antiphonaire
noun
1. vers dat gezongen wordt als inleiding of afsluiting van een psalm
antienne
noun
antiphrase
/ɑn.ˌti.(g)ɣ<sup>ʊ</sup>a.ɛn.bɑr.ˈbu.da/, /ɑn.ˌti.gwa.ɛn.bɑr.ˈbu.da/
pronoun
1. eilandstaat in het oostelijk deel van de Caribische Zee, op de grens met de Atlantische Oceaan
Antigua-et-Barbuda
noun
1. een hoofdpersonage in een verhaal met niet de typerende positieve eigenschappen van een held
  1. antihéros
  2. anti-héros
noun
1. vrouwelijk hoofdpersonage in een verhaal die niet de typische positieve eigenschappen heeft van een held
  1. anti-héroïne
  2. antihéroïne
noun
1. stof die de werking van de weefselstof histamine vermindert
antihistaminique
noun
1. bloeddrukverlagend middel
antihypertenseur
adjective
1.
anticlérical
noun
anticorps
pronoun
1. eilandengroep in de Caribische Zee
Antilles
/ɑnti'lopə/
noun
1. een verzamelnaam voor slanke holhoornige hoefdieren die voornamelijk in Afrika leven
antilope
adjective
1. (medisch) tegen ziekteverwekkers gericht
antimicrobien
noun
antimoine
pronoun
1. een provinciehoofdstad in Turkije
Antioche
noun
1. stof die reacties tegengaat waarbij elektronen worden uitgewisseld
antioxydant
noun
1.
antipyrétique
noun
antiquaire
noun
1. een oud kunst-, sier- of gebruiksvoorwerp, voorwerp uit de oude tijd
antiquité
noun
iemand met antisemitische denkbeelden
antisémite
adjective
1. anti-Joods, tegen het Joodse volk
  1. antisémite
  2. antisémitique
noun
antiseptique
noun
antiseptique
noun
1.een middel dat gebruikt worden om de natuurlijke stollingsneiging van het bloed te onderdrukken
anticoagulant
noun
1. het tegenovergestelde
  1. contraste
  2. opposition
noun
antitoxine
noun
1. een stof die veelal aan koelwater wordt toegevoegd om het vriespunt ervan te verlagen om bevriezen ervan te voorkomen
antigel
adjective
1. tegengesteld van betekenis
antinomique
noun
1. woord met tegengestelde betekenis
antonyme
/an.tra.ˈsit/, /ɑn.tra.ˈsit/
noun
1. een vorm aan steenkopl die hoge temperatuur heeft gehad
anthracite
adjective
gris anthracite
noun
1. een infectieziekte die wordt veroorzaakt door de bacterie Bacillus anthracis
charbon
noun
1. het eten van mensen
anthropophagie
noun
anthropologie
noun
anthropologue
adjective
1.
anthropomorphe
verb
anthropomorphiser
noun
anthropomorphisme
noun
1. de studie naar de oorsprong van de voor- en familienamen van mensen.
anthroponymie
/ˈantˌwɛrpə(n)/, /ˈɑntˌʋɛrpə(n)/, /ˈɑntˌβ̞ɛrpə(n)/
pronoun
  1. 1. een provinciehoofdstad in België
  2. 2. een Belgische provincie
Anvers
noun
1. een inwoner van Antwerpen
Anversois
/ˈantwɛrps/, /ˈɑntʋɛrps/, /ˈɑntβ̞ɛrps/
adjective
1. van, uit, betreffende of als in Antwerpen.
anversois
/ˈant.wɛrp.sə/, /ˈɑnt.ʋɛrp.sə/, /ˈɑnt.β̞ɛrp.sə/
noun
1. een vrouwelijke inwoner van de stad of provincie Antwerpen
Anversoise
/ˈɑnt.ʋɔːrt/
noun
1. de reactie op een vraag, van repliek voorzien
réponse
noun
  1. répondeur téléphonique
  2. répondeur
/ˈɑnt.ʋɔːr.də(n)/
verb
1. het geven van een antwoord
répondre
noun
1. opening aan het eind van de endeldarm en aan het eind van het spijsverteringskanaal
anus
/aˈɔrta/
noun
1. de slagader die van het hart naar het lichaam, behalve de longen, loopt
aorte
pronoun
Vallée d'Aoste
pronoun
1. verzamelnaam van een zevental talen die in het zuidwesten van de VS worden gesproken
langues apaches
noun
apartheid
noun
1. lusteloosheid
apathie
adjective
apathique
pronoun
1. gebergte
  1. Apennin
  2. Apennins
noun
2. internetsymbool @
arobase
noun
1. een eetlust opwekkende alcoholische drank die voor de maaltijd genuttigd wordt
  1. apéritif
  2. apéro
adjective
1. de punt, de kop, de kruin betreffende
apical
noun
1. stam van eencelligen, Apicomplexa
apicomplexa
noun
1. einde van de wereld, zoals beschreven in het Bijbelboek Openbaringen
apocalypse
noun
1. wegval van slotklank
apocope
adjective
1. niet als gezaghebbend erkend
apocryphe
adjective
apodictique
noun
1. handschrift dat vanaf het origineel van de eigenlijke auteur door een kopiist of secretaris is overgeschreven naar een voorbeeldtekst
apographe
adjective
1.
apolitique
noun
1. een mondelinge of schriftelijke verdediging van een persoon, zaak of leer tegen onrechtvaardige aanvallen
apologie
noun
apologue
noun
1. geprogrammeerde celdood
apoptose
noun
aporophobie
/ɑˈpɔstəl/
noun
  1. 1. leerling van Jezus
  2. 2. verkondiger van een nieuwe leer
apôtre
verb
apostiller
noun
  1. 1. afkappings- of weglatingsteken
  2. 2. aanspreking van afwezige personen of zaken
apostrophe
/apo'tek/
noun
1. plaats waar men geneesmiddel en en andere gezondheidsproducten kan kopen.
pharmacie
noun
pharmacien
noun
1. een meetkundige term die zowel op een cirkel als een regelmatige veelhoek kan worden toegepast
apothème
noun
apothéose
noun
1. toepassing
  1. appli
  2. app
pronoun
1. gebergte in het oostelijk deel van Noord-Amerika
Appalaches
noun
1. een door mensen gemaakt voorwerp dat is samengesteld uit verschillende onderdelen en een bepaalde functie heeft
appareil
noun
1. het geheel aan toestellen en toebehoor dat men voor een bepaalde taak benodigt
appareillage
noun
1. een afzonderlijke woning in een groter gebouw
appartement
/ɑ.ˈpɛl/, /ɑ.ˈpɛɫ/, /ˈɑ.pəl/, /ˈɑ.pəɫ/, /ˈɑpəɫ/
noun
1. vrucht
pomme
noun
vinaigre de cidre de pomme
noun
1. een bananenras met banaantjes van ongeveer 9 cm lang, die een beetje naar appels smaken
figue pomme
noun
1. boom waaraan appels groeien
pommier
noun
vide-pomme
/ˈɑpəɫflɑp/
noun
  1. 1. lekkernij gemaakt van bladerdeeg, driehoekig van vorm en gevuld met een mengsel van in blokjes gesneden appel en kaneel
  2. 2. lekkernij bestaande uit een schijf appel en gefrituurd deeg dat met oud en nieuw gegeten wordt
chausson aux pommes
noun
appellation
verb
appeler
noun
1. een moes van gekookte appels
compote de pommes
noun
1. een vruchtensap bereid uit appels
jus de pomme
/ˌɑpəlˈsin/
noun
1. Vrucht van de appelsienboom
orange
noun
1. een moes van gekookte appels
compote de pommes
noun
1. gebak gevuld met stukjes vruchten van de appelboom
tarte aux pommes
noun
1. Campaea margaritaria
céladon
noun
appendage
/ɑˈpɛndɪks/
noun
2. wormvormig aanhangsel
appendice
noun
1. eetlust
appétit
/ɑplɔudi'serə/
verb
1. in de handen klappen om goedkeuring of bewondering te tonen
applaudir
/ɑ'plɔus/
noun
1. geklap in de handen als teken van goedkeuring of bewondering
applaudissement
verb
apporter
verb
apprécier
noun
apprêtage
verb
apprêter
noun
approbation
noun
approximation
verb
approximer
/ɑˈprɪl/
noun
1. de vierde maand van het jaar
avril
pronoun
Pouilles
noun
  1. 2. schildertechniek
  2. 3. schilderij
  3. nog uit te zoeken
aquarelle
/ˌa.kʋa.ˈrɪst/
noun
1. iemand die een aquarium beheert en onderhoudt
aquariste
/ɑˈkʋariˌʲʏm/
noun
1. een bak met water waarin onderwaterflora en -fauna gehouden wordt.
aquarium
noun
1. een sterkedrank, op basis van karwij, uit Scandinavië
aquavit
noun
1. grote bont gekleurde papegaai uit Zuid-Amerika
ara
noun
arabesque
/ˌɑ.ra.ˈbiːr/
noun
1. een persoon met het Arabisch als moedertaal
Arabe
/ɑ'rabis/
adjective
1. verwijzend naar de Arabische taal,cultuur,het alfabet of Arabië
arabe
/ɑ'rabis/
pronoun
  1. 1. een taal oorspronkelijk van het Arabisch schiereiland en de taal waarin de Koran...
  2. 2. een van het Aramitisch afgeleid alfabet dat gebruikt wordt voor het schrijven van het Arabisch,...
arabe
verb
arabiser
pronoun
Arabie
noun
huile d’arachide
noun
tak van de zoölogie die zich bezighoudt met de studie van de spinachtigen
arachnologie
pronoun
Aragon
noun
1. Een inwoner van Aragon
  1. aragonais
  2. aragonaise
pronoun
1. taal gesproken in Aragon
aragonais
pronoun
1.
aranais
pronoun
1. taalfamilie van ongeveer 8 talen die worden gesproken
langues arauanes
pronoun
1. taalfamilie van ongeveer 55 talen die in Zuid-Amerika worden gesproken
langues arawak
noun
1. energie die door een krachtbron geleverd wordt bij verplaatsing van een voorwerp
travail
noun
1. iemand die voor een loon handmatige arbeid levert
  1. ouvrier
  2. ouvrière
noun
mouvement ouvrier
noun
quartier ouvrier
noun
maison d'ouvrier
noun
1. het totaal aan beschikbare arbeidskrachten op de arbeidsmarkt
potentiel de main d'oeuvre
noun
analyse du travail
noun
auditorat du travail
noun
placement
noun
Agence National Pour l'Emploi
noun
conflit du travail
adjective
1.zonder arbeid
en chômage
noun
1. de interactie tussen vraag naar en aanbod van arbeid
  1. marché du travail
  2. marché de l' emploi
noun
1. verzekering tegen de financiële gevolgen van arbeidsongeschiktheid
  1. assurance contre l'invalidité
  2. assurance invalidité
  3. assurance-invalidité
noun
1. ongeval dat tijdens het werk (of onderweg van en naar het werk) optreedt, bedrijfsongeval
accident du travail
noun
emploi
noun
1. onderdeel van het privaatrecht m.b.t. de normen die het recht op arbeid als sociaal grondrecht tot voorwerp hebben
droit du travail
noun
division du travail
adjective
arbitraire
verb
arbitrer
verb
arquer
adjective
1. behorend tot of betrekking hebbend op een zeer oud tijdperk
archaïque
/ɑrxai'zerən/
verb
archaïser
noun
archaïsme
/ˌɑr.xe.ˌjo.lo.ˈɣi/, /ˌɑr.xɛ.jo.lo.ˈɣi/, /ˌɑr.χe.ˌjo.lo.ˈχi/
noun
1. studie van de niet-geschreven overblijfselen van het verleden
archéologie
adjective
1.
archéologique
noun
archéologue
noun
archétype
noun
archives
noun
1. een fonetisch element dat meerdere fonemen vertegenwoordigt die in een bepaalde fonologische context dezelfde oppervlaktevorm hebben
archiphonème
noun
1. een eilandengroep
archipel
noun
1. iemand die gebouwen ontwerpt
architecte
adjective
1. betrekking hebbend op de architectuur
architectural
adjective
1.
architectural
noun
1. de bouwstijl van een gebouw
architecture
/ɑrxivaːrɨs/
noun
1. een persoon die een archief beheert
archiviste
verb
1. iets geclassificeerd opslaan om het later gemakkelijk terug te vinden
archiver
noun
1. beheerder van een archief
archiviste
noun
arcologie
pronoun
1. naam voor het noordpoolgebied
Arctique
adjective
arctique
pronoun
1. is de oceaan ten noorden van de continenten Azië en Noord-Amerika , waarin het grote ijsveld van de Noordpool ligt
Océan Arctique
noun
1. bepaald soort grote massief zeezoogdier met een kolossale kop, Balaena mysticetus
  1. baleine de grande baie
  2. baleine du Groenland
pronoun
1. middelgebergte in het zuidoosten van België, Noord-Luxemburg en een klein stuk Frankrijk
  1. Ardennes
  2. Ardenne
adjective
1. van, uit de streek der Ardennen
ardennais
noun
1.
pierre bleue
pronoun
1. een rivier in Frankrijk
Ardèche
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Aigle
noun
1. roofvogel
aigle
noun
aréomètre
/ˌɑrɣɛnˈtɛɪ̯n/, /ˌɑrɣɛnˈtɛːn/, /ˌɑrχɛnˈtɛɪ̯n/
noun
1. iemand van Argentijnse komaf
Argentin
noun
Argentine
/ˌɑrɣɛnˈtini.jə/, /ˌɑrχɛnˈtini.jə/
pronoun
1. een Spaanstalig land in het zuiden van Zuid-Amerika tussen het Andesgebergte en de zuidelijke Atlantische Oceaan.
Argentine
noun
1. het plegen van bedrog of misleiding
dol
adjective
sournois
/ˈɑrɣɔn/
noun
1. een scheikundig element en kleurloos edelgas met het symbool Ar en het atoomnummer 18
argon
/ˌɑrɣyˈmɛnt/
noun
  1. 1. een aangevoerd feit in een discussie om een zienswijze te ondersteunen
    argument
  2. 2. een reden om iets te doen
    raison
noun
argumentation
verb
1. met argumenten tot een conclusie trachten te komen
argumenter
noun
1. gekoesterd gevoel van verdenking
suspicion
noun
aria
/arijaˈnɪsmə/
noun
1.
arianisme
adjective
1. dor en droog
aride
noun
1. een regeringsvorm waarbij de heerschappij in handen is van een kleine groep, de zogenaamde aristocraten
aristocratie
noun
arche
noun
arquebusier
/ɑrṃ/
adjective
  1. 1. weinig bezittend
    pauvre
  2. 2. beklagenswaardig
    pitoyable
/ɑrṃ/
noun
1. lichaamsdeel
bras
noun
1.een Franse brandewijn
armagnac
noun
1. sieraad of merkteken dat om de pols of arm gedragen wordt
bracelet
/ɑrˈmen/, /ɑrˈmeːn/
noun
1. een inwoner van Armenië, of iemand afkomstig uit Armenië
  1. Arménien
  2. Arménienne
/ɑrˈmens/, /ɑrˈmeːns/
adjective
1. betreffende Armenië of het Armeens
arménien
/ɑrˈmens/, /ɑrˈmeːns/
pronoun
1. een taal die wordt gesproken in Armenië
arménien
/ɑrˈmensə/, /ɑrˈmeːnsə/
noun
Arménienne
pronoun
génocide arménien
pronoun
1. taalfamilie van het Armeens, of de daarbinnen onderscheiden talen die ten zuiden van de Kaukasus worden gesproken
arménien
/ɑrˈmeni.jə/, /ɑrˈmeːni.jə/
pronoun
1. een GOS-lidstaat in de Kaukasus (Gemenebest van Onafhankelijke Staten). Het is een van de weinige landen die niet aan zee liggen. Het grenst in het oosten aan Azerbeidzjan, in het westen aan Turkije en de Naxçivan-exclave (Azer.), in het noorden aan Georgië en in het zuiden aan Iran
Arménie
pronoun
1.
Armentières
noun
accoudoir
/ˈɑrəmude/
noun
1. de toestand waarin iemand leeft die zeer weinig middelen voor zijn levensonderhoud heeft.
pauvreté
pronoun
Arnhem
/aruˈmens/
pronoun
1. een Romaanse taal die in de Balkan gesproken wordt
aroumain
/aroˈmans/
pronoun
1. een Romaanse taal die in de Balkan gesproken wordt
aroumain
adjective
  1. 1. met geurstof
  2. 2. voldoende aan de regel van Hückel
aromatique
verb
1. geur geven aan
aromatiser
noun
arpège
/ɑrpiˈtaːns/
pronoun
1. een Romaanse taal die wordt gesproken in Frankrijk, Italië en Zwitserland
arpitan
noun
2. muziekbewerking
arrangement
verb
arranger
noun
1. document
mandat d'arrêt
verb
1. van overheidswege in hechtenis nemen
arrêter
/ɑriveːrən/
verb
1. de bestemming bereiken
arriver
noun
arrogance
noun
1. onderdeel van een bestuurlijk gebied, o.a. in België en Frankrijk
arrondissement
noun
arsenic
noun
    1. 4. een bewerkt voorwerp uit prehistorische tijd
    2. 5. een kunstmatig veroorzaakte misvorming; zelf toegebracht letsel
    artefact
  1. 1. kunstvoorwerp of -product
    objet d'art
adjective
1. met betrekking tot de arteriën
artériel
pronoun
1.
Artois
verb
1. de uitspraakklanken zorgvuldig vormen
articuler
noun
artiste
noun
artiste
adjective
1. kunstmatig
artificiel
phraseologicalUnit
intelligence artificielle
noun
1. de vlezige schutbladeren van de gesloten bloemknop worden als groente gegeten
artichaut
noun
1. gewrichtsontsteking
arthrite
noun
1. een aandoening van het gewrichtskraakbeen
arthrose
noun
1. geneeskundige die bevoegd is een praktijk uit te oefenen
  1. médecin
  2. docteur
/a.ˈru.ba/, /a.ˈry.ba/
pronoun
1. een eiland in het zuidelijke gedeelte van de Caraïbische Zee
Aruba
noun
    1. 2. lijn
    2. 1. centrale staaf
    axe
  1. 1. verbrandingsrest
    cendre
  2. 3. verlaagde toon a
    la bémol
  3. 5. as-mineurgrondakkoord
    la bémol mineur
  4. 4. as-kleinetertstoonladder
    la bémol mineure
abbreviation
  1. 1. het akkoord as - c - es
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
La bémol majeur
abbreviation
  1. 1. het akkoord as - ces - es
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
La bémol mineur
/(ʔ)ɑs'xrot/
abbreviation
  1. 1. het akkoord as - c - es
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
La bémol majeur
abbreviation
1. het akkoord as-c-es
accord de la bémol majeur
noun
1. een grotetertstoonladder met “as” als grondtoon
gamme de la bémol majeure
noun
1. een grotetertstoonladder met “as” als grondtoon
gamme de la bémol majeure
/(ʔ)ɑs'klɛɪn/
abbreviation
  1. 1. het akkoord as - ces - es
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
La bémol mineur
abbreviation
1. het akkoord as-ces-es
accord de la bémol mineur
noun
1. een mineurtoonladder met “as” als grondtoon
gamme de la bémol mineur
noun
1. een kleinetertstoonladder met as als grondtoon
gamme de la bémol mineure
/(ʔ)ɑsˌmaˈʒør/
abbreviation
  1. 1. het akkoord as - c - es
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
La bémol majeur
abbreviation
1. het akkoord as-c-es
accord de la bémol majeur
noun
1. een grotetertstoonladder met “as” als grondtoon
gamme de la bémol majeure
noun
1. een grotetertstoonladder met "as" als grondtoon
gamme de la bémol majeure
noun
1. een grotetertstoonladder met “as” als grondtoon
gamme de la bémol majeur
/(ʔ)ɑsˌmi'nør/
abbreviation
  1. 1. het akkoord as - ces - es
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
La bémol mineur
abbreviation
1. het akkoord as-ces-es
accord de la bémol mineur
noun
1. een kleinetertstoonladder met as als grondtoon
gamme de la bémol mineure
noun
1. een kleinetertstoonladder met as als grondtoon
gamme de la bémol mineure
conjunction
1. dan en slechts dan als, enkel wanneer
ssi
/ˈɑzbɑk/
noun
1. opvangbak
cendrier
noun
1. verzamelnaam van een aantal silicaten met een vezelige structuur
amiante
noun
asexualité
noun
1. dubbel verlaagde toon a
la double bémol
abbreviation
1. het akkoord ases-ces-eses
accord de la double bémol majeur
noun
1. een grotetertstoonladder met “ases” als grondtoon
gamme de la double bémol majeure
noun
1. “Ases-majeur”
la double bémol majeur
abbreviation
1. het akkoord ases-ces-eses
accord de la double bémol majeur
noun
1. een grotetertstoonladder met “ases” als grondtoon
gamme de la double bémol majeure
noun
1. een grotetertstoonladder met “ases” als grondtoon
gamme de la double bémol majeure
verb
1. bedekken met een mengsel van bitumen, steentjes en andere stoffen
asphalter
adjective
1. de grauwe kleur van as hebbend
cendré
noun
1. de kleur van de resten van verbrand materiaal
gris cendré
pronoun
1. hoofdstad van Turkmenistan
  1. Achgabat
  2. Achkhabad
pronoun
1.
  1. Ashdod
  2. Asdod
pronoun
1.
  1. Ascalon
  2. Ashkelon
/ɑʃkə'nazi/
noun
1. Hoogduitse jood, jood afkomstig uit Midden- of Oost-Europa
ashkénaze
/ɑʃkə'nazis/
noun
1. meervoud van Asjkenazi
ashkénazes
/ɑʃkə'nazim/
noun
1. meervoud van Asjkenazi
ashkénazes
adjective
1. zonder sociaal besef
asocial
noun
aspartame
noun
1. Asperagas officinalis, een plant waarvan de jonge scheuten geteeld worden als groente
asperge
verb
1.-3.
aspirer
noun
1. een middel tegen allerlei kwalen met als werkzame stof acetylsalicylzuur
aspirine
pronoun
1. een taal die in Assam, een staat in India, gesproken wordt
assamais
noun
1. zwarte thee uit de Indiase regio Assam
thé d’Assam
noun
assertion
/ɑsɛrˈtif/
adjective
  1. assertif
  2. asertivo
noun
1. het opkomen voor jezelf zonder agressief over te komen
assertivité
verb
1. doen opgaan van een minderheidsgroep in een gevestigde gemeenschap
assimiler
noun
  1. assistance
  2. aide
  3. secours
noun
association
verb
1. tot compagnon maken of nemen
associer
noun
assonance
noun
1. aanbod van producten
  1. collection
  2. gamme
noun
1. een onderneming die verzekeringen afsluit
  1. assureur
  2. assureuse
noun
assurance
verb
assurer
noun
1. de wetenschappelijke studie van het oude Mesopotamië
assyriologie
noun
1. iemand die zich bezig houdt met de de wetenschappelijke studie van het oude Mesopotamië
assyriologiste
noun
astate
noun
1. scheikundig element met symbool At en atoomnummer 85
astate
noun
2. een bloem van de aster
aster
/ˈɑs.tə.ˌrɪs(x)/, /ˈɑs.tə.ˌrɪsk/
noun
1. typografisch symbool in de vorm van een sterretje
astérisque
noun
1. een klein vast hemellichaam dat net als een planeet om de zon draait
astéroïde
noun
1. een ziekte die, door vernauwing van de luchtwegen, benauwdheid en hoestbuien veroorzaakt
asthme
noun
astreinte
noun
1
astrophotographie
noun
astrographe
noun
1. een beoefenaar van de astrologie
astrologue
noun
astrométrie
/ˌɑstroˈnaʊ̯t/, /ˌɑstroˈnɔʊ̯t/, /ˌɑstroˈnʌʊ̯t/
noun
1. een Amerikaanse ruimtevaarder
astronaute
noun
astronome
noun
1. de wetenschap die de objecten in de ruimte bestudeert
astronomie
adjective
astronomique
noun
astronome
noun
astroïde
pronoun
1. een taal die gesproken wordt in Asturië
  1. asturien
  2. Asturien
pronoun
1. een van de 17 autonome regio's van Spanje die in het noordwesten van het land ligt
Asturies
noun
1. eerste dag van de vastentijd
mercredi des Cendres
adverb
asymétrique
/a.sɪmp.ˈtot/
noun
1. een lijn die door een kromme of functie willekeurig dicht benaderd wordt, maar deze nooit raakt
asymptote
adjective
asynchrone
pronoun
1. Atair/Altair
Altaïr
noun
1. bepaalde soort vlinder, Vanessa atalanta
vulcain
/atɑkˈsi/
noun
1. een onzekere gang bij het lopen
ataxie
noun
1. de werkruimte van een kunstenaar
atelier
pronoun
1. verzamelnaam van ongeveer 55 talen die in Noord-Amerika worden gesproken
langues athapascanes
pronoun
de hoofdstad van Griekenland
Athènes
/ˌa.te.ˈjɪsmə/, /ˌɑ.te.ˈjɪsmə/
noun
1. overtuiging dat goden niet bestaan
athéisme
/ˌa.te.ˈjɪst/, /ˌɑ.te.ˈjɪst/
noun
1. een persoon die niet gelooft in het bestaan van goden
  1. athée
  2. athéiste
/ɑtˈlɑntikʏm/
noun
Atlantique
pronoun
1. taalfamilie van bijna 1500 talen die in Afrika ten zuiden van de Sahara worden gesproken
langues atlantique-congo
pronoun
1. de tweede grootste oceaan op aarde, gelegen tussen Europa en Afrika enerzijds en Noord- en Zuid-Amerika anderzijds
  1. océan Atlantique
  2. Atlantique
  3. Océan Atlantique
noun
1. anadrome vis die tot 4 meter lang en 250 kg zwaar kan worden, Acipenser oxyrinchus
esturgeon d'Europe
noun
    1. 1. een boek dat geografische kaarten bevat
    2. 3. de bovenste wervel in de hals die het hoofd draagt
    3. 2. een verzameling van prenten, kaarten, afbeeldingen, tekeningen en dergelijke
    4. 4. atlasvlinder
    atlas
  1. 1. satijn
    1. satin
    2. atlas
noun
sporttak waarin vooral lopen, springen en werpen aan bod komen
athlétisme
noun
    1. 1. een gasvormig omhulsel van een planeet of maan.
    2. 2. eenheid.
    atmosphère
  1. 2. een stemming.
    1. atmosphère
    2. ambiance
adjective
atmosphérique
noun
atoll
adjective
1.
atomique
verb
atomiser
adjective
atonal
noun
atonalité
noun
atome
noun
1. een bom waarvan de vernietigingskracht berust op het vrijkomen van energie door de splitsing van atomen
bombe atomique
noun
numéro atomique
noun
noyau atomique
noun
horloge atomique
noun
1. de massa van een atoom, uitgedrukt in de atomaire massa-eenheid u
masse atomique
noun
1. de kernlading van een atoom
numéro atomique
noun
1.een groep geneesmiddelen die cholesterolsyntheseremmers of statinen worden genoemd
atorvastatine
pronoun
1. een stad in Frans-Vlaanderen
Arras
noun
2. centraal vertrek
atrium
verb
attacher
noun
attention
noun
1. schriftelijk bewijs
certificat
noun
  1. 1. formele getuigenverklaring
  2. 2. bewijsplaats voor het bestaan van een woord in het verleden
attestation
verb
attester
noun
1. houding
attitude
noun
1.
attomètre
noun
attraction
adjective
attractif
verb
attribuer
noun
attribution
/ɑtrɪbʏˈtif/
adjective
1. wanneer het voor een zelfstandig naamwoord geplaatst wordt
épithète
noun
4. tot het wezen (de entiteit) behorende eigenschap
attribut
adjective
1. afwijkend van het gemiddelde
atypique
noun
aubade
/obɛrˈʒinə/
noun
2. purperachtige, vlezige vrucht
aubergine
adjective
onversaagd, durf, overmoed tonend
audacieux
noun
livre audio
noun
1.
amplificateur
adjective
1. zichtbaar en hoorbaar
audiovisuel
verb
1.
audit
verb
auditer
noun
1. een examen waarbij iemand zijn muzikale vaardigheden in klank bewijst.
audition
adjective
1. met betrekking tot het gehoor
auditif
noun
pierre à briquet
noun
augmentation
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Augsbourg
noun
1.
augure
/ʌuˈɣɵrk/, /ʌˈʝʏrk/
noun
1. kleine, in het zuur ingemaakte komkommer
cornichon
/aʊ̯.ˈɣʏs.tʏs/, /ɔʊ̯.ˈɣʏs.təs/, /ʌʊ̯.ˈχʏs.təs/
noun
1. de achtste maand van het jaar
août
verb
1. luister naar de geluiden in het lichaam
ausculter
noun
1. ondersteuning, goedkeuring, toezicht
  1. auspices
  2. sous les auspices de
pronoun
  1. îles Australes
  2. îles Tubuai
/aʊ̯ˈstraːlɪs/, /ɔʊ̯ˈstraːlis/, /ʌʊ̯ˈstralis/
adjective
1. van Australië
australien
pronoun
1. Australisch territorium waarin de federale hoofdstad Canberra gelegen is
Territoire de la Capitale australienne
pronoun
1. verzamelnaam van honderden inheemse talen die in Australië worden gesproken
langues australiennes
/aʊ̯ˈstraːli.jə/, /ɔʊ̯ˈstrali.jə/, /ʌʊ̯ˈstrali.jə/
pronoun
1. een soevereine staat gelegen tussen de Indische Oceaan en de Grote Oceaan (officieel het Gemenebest van Australië) met de officiële taal Engels
Australie
/aʊ̯ˈstraːli.jər/, /ɔʊ̯ˈstraːli.jər/, /ʌʊ̯ˈstrali.jər/
noun
1. een inwoner van Australië
  1. Australien
  2. Australienne
pronoun
1. taalfamilie van ongeveer 170 talen die in Oost-Azië worden gesproken
langues austro-asiatiques
/ɑustro'nezis/
adjective
behorend tot groep van talen
austronésien
pronoun
1. taalfamilie van ongeveer 1260 talen die in het gebied van de Indische en de Stille Oceaan worden gesproken
langues austronésiennes
noun
autarcie
/oˈtør/
noun
1. persoon die aan de basis staat van een origineel geschreven werk
auteur
noun
droit d'auteur
noun
1. (telecommunicatie) (informatica) het proces waarbij iemand nagaat of een gebruiker,...
authentification
adverb
authentique
verb
1. echtheid, oorsprong of rechtsgeldigheid vaststellen
authentifier
/ʌuˈtɪsmə/, /ʌˈtɪsmə/
noun
1. ontwikkelingsstoornis
autisme
/ʌuˈtɪst/
noun
1. iemand die autisme heeft
autiste
/ʌuˈtɪstɪs/, /ʌˈtɪstɪs/
adjective
1. lijdend aan autisme
  1. autiste
  2. autistique
/ɑʊ̯to/
noun
1. voertuig met drie of meer wielen, een motor en een carrosserie
  1. voiture
  2. auto
  3. automobile
noun
autobiographie
adjective
autobiographique
noun
1. een groot voertuig voor het vervoeren van een groot aantal passagiers
autobus
adjective
1. oorspronkelijk in een bepaald gebied thuishorend
autochtone
noun
1. de oorspronkelijke bewoner van een land
autochtone
noun
autocrate
noun
autocratie
adjective
autocratique
noun
autodafé
noun
autographe
noun
autographie
noun
autogynéphilie
noun
controle van een auto op technische en milieu-aspecten
contrôle technique
noun
autolyse
adjective
automagique
noun
1. zelfstandige handelingen en verrichtingen die gebeuren zonder zich dit bewust te zijn
automation
adjective
  1. 1. niet bestuurd door de hand van de mens
  2. 2. vanzelfgaand
  3. 3. gedachteloos
automatique
verb
1. automatisch doen werken
automatiser
noun
  1. automation
  2. automatisation
noun
automatisme
noun
1. een bestuurder van een auto
automobiliste
noun
automobiliste
noun
1. vakman die beroepshalve reparaties verricht aan en onderhoud doet van auto's
mécanicien
/aʊ̯.to.no.ˈmi/, /ɔʊ̯.to.no.ˈmi/, /ʌʊ̯.to.no.ˈmi/
noun
autonomie
/ˌʌʊtoˈnom/
adjective
1. op zichzelf staand
autonome
noun
autopède
noun
1. een lijkschouwing
autopsie
/ɑʊ̯torɛi(d)ə(n)/
verb
1. zich voortbewegen door een auto te besturen
conduire une voiture
/ˈɑʊ̯.to.ˌrɛɪ.sxol/
noun
auto-école
adjective
autoritaire
noun
1. weg voor snelverkeer (dat sneller kan en mag rijden dan 60 km per uur), met gescheiden rijbanen en ongelijkvloerse kruisingen
autoroute
/ ˈɑutospɔrt /
noun
1. verzamelnaam voor wedstrijden die verreden worden met een gemotoriseerd voertuig met vier of meer wielen
compétition automobile
noun
autotransformateur
noun
1. een weg waarop alleen gemotoriseerd verkeer zoals autos, motorfietsen en vrachtautos wordt toegelaten en waar voor dat verkeer toepasselijke voorzieningen zijn aangebracht
autoroute
/ɑu̯ˈtri.sə/
noun
1. persoon die aan de basis staat van een origineel geschreven werk
autrice
pronoun
1. voormalige regio in Centraal-Frankrijk
Auvergne
adjective
auxiliaire
/'avatɑr/
noun
2. (informatica) een kleine afbeelding die een bepaalde gebruiker symboliseert
avatar
/ˈavəˌɣar/
noun
1. een boor voor gebruik in een booromslag, het boorsel wordt afgevoerd volgens het principe van de...
tarière
noun
aversion
adjective
aviaire
noun
aviateur
pronoun
1. een stad in Frankrijk
Avignon
pronoun
1. Atlantische Congotaal gesproken door 20 duizend mensen in het zuiden van Ivoorkust
Avikam
noun
avivage
/ɑvoˈkado/
noun
1. een tropische vrucht van de avocadoboom
  1. avocat
  2. avocatier
/ˌavoˈkadobom/
noun
1. immergroene boom uit Midden-Amerika die de avocadoperen voortbrengt
avocatier
noun
1. de periode van de dag waarin het nacht wordt
soir
noun
tenue de soirée
noun
1. verbod om zich op straat te begeven na een zekere tijd
couvre-feu
noun
crépuscule
noun
1. iemand die graag het avontuur opzoekt
aventurier
noun
1. een onderneming waarvan de uitkomst niet bij voorbaat vaststaat
aventure
adjective
1. de as betreffend of volgend, behorend tot de as
axial
adjective
axillaire
noun
1. een basisbegrip dat zonder bewijs aangenomen moet worden
axiom
noun
1. de titel van een hoge sjiitische geestelijke
ayatollah
pronoun
1. een Indiaanse taal die in Zuid-Amerika wordt gesproken
aymara
noun
CHU
noun
1. behoort tot de groep geneesmiddelen die ontstekingsremmende pijnstillers worden genoemd
azapropazone
/ˌazərbɛɪ̯ˈdʒan/, /ˌazərbɛːˈdʒan/
pronoun
1 en 2. Aziatisch land grenzend aan Rusland, Iran, Armenië en Georgië
Azerbaïdjan
/aˈzeːri/, /aˈzɪːri/
pronoun
1. Turkse taal die door 22 miljoen mensen vooral in Azerbeidzjan, maar ook in Iran, Georgië en Turkije wordt gesproken
azerbaïdjanais
adjective
1. afkomstig uit of betreffend Azië
asiatique
noun
1. Harmonia axyridis, een kever
coccinelle asiatique
noun
1. Vespa velutina, een wesp die behoort tot het geslacht van de hoornaars
frelon asiatique
/aˈzɛɪn/, /aˈzɛːn/
noun
1. en 2. verdund azijnzuur verkregen door oxidatie van verdund alcohol om voedsel te bereiden
vinaigre
noun
sumac de Virginie
noun
1. CH₃COOH
acide acétique
/azimɵt/
noun
1. horizontale hoek
azimut
pronoun
1. een continent ten oosten van Europa
Asie
pronoun
1.
Côte d'Azur
adjective
bleu azur
noun
  1. 3. aïs-mineurgrondakkoord
    fa dièse mineur
  2. 1. verhoogde toon a
    la dièse
  3. 2. aïs-kleinetertstoonladder
    la dièse mineure
abbreviation
  1. 1. het akkoord aïs - cisis - eis
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
La dièse majeur
abbreviation
  1. 1. een akkoord aïs - cis - eis
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
La dièse mineur
abbreviation
  1. 1. het akkoord aïs - cisis - eïs
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
La dièse majeur
abbreviation
1. het akkoord aïs-cisis-eïs
accord de la dièse majeur
noun
1. een majeurtoonladder met “aïs” als grondtoon
gamme de la dièse majeur
noun
1. een majeurtoonladder met “aïs” als grondtoon
gamme de la dièse majeur
noun
1. een majeurtoonladder met “aïs” als grondtoon
gamme de la dièse majeur
noun
1. een majeurtoonladder met “aïs” als grondtoon
gamme de la dièse majeur
abbreviation
  1. 1. een akkoord aïs - cis - eïs
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
La dièse mineur
abbreviation
1. het akkoord aïs-cis-eïs
accord de la dièse mineur
noun
1. een mineurtoonladder met “aïs” als grondtoon
gamme de la dièse mineur
noun
1. een kleinetertstoonladder met “aïs” als grondtoon
gamme de la dièse mineure
abbreviation
  1. 1. het akkoord aïs - cisis - eis
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
La dièse majeur
abbreviation
1. het akkoord aïs-cisis-eïs
accord de la dièse majeur
noun
1. een grotetertstoonladder met “aïs” als grondtoon
gamme de la dièse majeur
noun
1. een grotetertstoonladder met "aïs" als grondtoon
gamme de la dièse majeur
noun
1. een grotetertstoonladder met “aïs” als grondtoon
gamme de la dièse majeur
noun
1. een grotetertstoonladder met “aïs” als grondtoon
gamme de la dièse majeur
abbreviation
  1. 1. een akkoord aïs - cis - eis
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
La dièse mineur
abbreviation
1. het akkoord aïs-cis-eïs
accord de la dièse mineur
noun
1. een kleinetertstoonladder met “aïs” als grondtoon
gamme de la dièse mineure
noun
1. een kleinetertstoonladder met “aïs” als grondtoon
gamme de la dièse mineure
noun
1. tweemaal verhoogde toon “a”
la double dièse
noun
2. de toonnaam
si
abbreviation
  1. 1. het akkoord b - dis - fis
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Si majeur
abbreviation
  1. 1. het akkoord b-d-fis
  2. 2. de toonsoort
Si mineur
/be'ɣrot/
abbreviation
  1. 1. het akkoord b - dis - fis
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Si majeur
abbreviation
1. het akkoord b-dis-fis
accord de si majeur
noun
1. een majeurtoonladder met “b” als grondtoon
gamme de si majeur
noun
1. een majeurtoonladder met “b” als grondtoon
gamme de si majeur
noun
1. een majeurtoonladder met “b” als grondtoon
gamme de si majeur
noun
1. een majeurtoonladder met “b” als grondtoon
gamme de si majeur
abbreviation
  1. 1. het akkoord b-d-fis
  2. 2. de toonsoort
Si mineur
abbreviation
1. het akkoord b-d-fis
accord de si mineur
noun
1. een mineurtoonladder met “b” als grondtoon
gamme de si mineur
noun
1. een kleinetertstoonladder met “b” als grondtoon
gamme de si mineure
noun
1. een mineurtoonladder met “b” als grondtoon
gamme de si mineur
/be'ɣrot/
abbreviation
  1. 1. het akkoord b - dis - fis
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
si majeur
abbreviation
1. het akkoord b-dis-fis
accord de si majeur
noun
1. een grotetertstoonladder met “b” als grondtoon
gamme de si majeur
noun
1. een grotetertstoonladder met "b" als grondtoon
gamme de si majeur
noun
1. een grotetertstoonladder met “b” als grondtoon
gamme de si majeur
noun
1. een majeurtoonladder met “b” als grondtoon
gamme de si majeur
abbreviation
  1. 1. het akkoord b-d-fis
  2. 2. de toonsoort
Si mineur
abbreviation
1. het akkoord b-d-fis
accord de si mineur
noun
1. een kleinetertstoonladder met “b” als grondtoon
gamme de si mineur
noun
1. een kleinetertstoonladder met “b” als grondtoon
gamme de si mineure
noun
1. een kleinetertstoonladder met “b” als grondtoon
gamme de si mineure
noun
1. een grotetertstoonladder met b als grondtoon
gamme de si majeure
noun
1. een landinwaartse uitstulping van een zee of oceaan
baie
pronoun
1.
baie d'Algésiras
noun
1. een stapel bijeengebonden plantaardig materiaal zoals hooi of tabak
  1. balle
  2. bâle
/baːn/
noun
  1. 5. strook materiaal
    1. bande
    2. lé
  2. 4. sportterrein
    1. circuit
    2. court
  3. 1. het werk
    1. emploi
    2. boulot
  4. 3. traject van een projectiel/hemellichaam
    1. orbite
    2. trajectoire
  5. 7. schietterrein
    stand (m) de tir
  6. 6. bovenblad van aambeeld
    table
  7. 2. verkeersweg
    1. voie
    2. chaussée
adjective
1. nieuwe wegen openend, innoverend
d'avant-garde
noun
vélo de piste
noun
cyclisme sur piste
noun
1. iemand die aan baanwielrennen doet
cycliste sur piste
adjective
1. in gereed geld, cash
comptant
/baːrt/
noun
1. gezichtsbeharing van de man
barbe
noun
1. een alleen in India voorkomende zwarte aap met een kwastachtige staart en een opvallende grijze kraag
ouandérou
noun
3. bepaald soort vogel, Panurus biarmicas
mésange à moustaches
noun
1. bepaalde soort paardenmossel met een behaarde schelp, Modiolus barbatus
modiole barbue
noun
1. Myotis mystacinus, kleine vleermuis met behaarde bovenlip...
vesperitilion à moustaches
noun
1. voortplantingsorgaan van vrouwen waarin de vrucht zich ontwikkelt
  1. utérus
  2. matrice
noun
1. smal en buisvormig gedeelte van de baarmoeder dat aan een kant in de vagina eindigt ...
col de l'utérus
noun
1. een vorm van kanker die zich in de baarmoederhals ontwikkelt
  1. cancer du col utérin
  2. cancer cervical
  3. cancer du col de l'utérus
noun
1. stekelvinnige riviervis
perche
/baːs/
noun
1. overste, leider, chef
  1. chef
  2. patron
  3. patronne
noun
1. iets met een gunstig effect
avantage
adjective
1. inhalig
egoïste
verb
1. gezellig praten over zaken van weinig belang
  1. bavarder
  2. papoter
  3. deviser
  4. causer
noun
pipelette
noun
régule
noun
1. een mens in de allereerste fase van zijn/haar leven
  1. bébé
  2. nourrisson
/ˈbebibɑt/
noun
1. kuip bedoeld om heel jonge kinderen in te wassen
baignoire bébé
/ˈbe.bi.buːm/
noun
1. een periode waarin ongewoon veel kinderen geboren worden
  1. baby-boom
  2. baby boom
  3. baby boum
noun
biberon
noun
1. elektronisch afluisterapparaat om geluid uit de kinderkamer elders op te vangen
babyphone
noun
1.
baby-sitter
noun
1. een feest ter ere van Bacchus
bacchanales
adjective
1.
bachique
noun
1. benaming voor soorten uit de klasse Bacilli
bacille
adjective
bacillaire
noun
1. een reservekopie van bestanden en andere gegevens die wordt gemaakt voor het geval het origineel verloren gaat
sauvegarde
noun
1. een parlementslid zonder bijzondere verantwoordelijkheden
  1. député de l'arrière-ban
  2. député sans portefeuille
  3. simple député
noun
bactérie
noun
plantenziekte veroorzaakt door de bacterie
feu bactérien
/bɑkteriɔfaɣ/
noun
1.
bactériophage
noun
1. een wetenschapper die zich bezighoudt met de bacteriologie
bactériologiste
noun
2. een van de drie taxonomische domeinen, Bacteria
bactéries
/bɑt/
noun
1. voorwerp waarin men zich wast met water
bain
pronoun
1.
Baden-Baden
pronoun
1.
Bade-Wurtemberg
noun
badinage
verb
1. een spottende opmerking maken
badiner
noun
sortie de bain
noun
1. een vertrek waar men zich kan wassen en verzorgen
salle de bains
noun
1. kledij bedoeld voor het baden en zwemmen
maillot de bain
/ˈbɑtˌkœy̆p/
noun
1. een waterreservoir waarin één of enkele personen zich kunnen wassen en baden
baignoire
noun
maître nageur
noun
1. een sport waarbij een shuttle met behulp van een racket over een net geslagen moet worden
badminton
noun
1. kledij bedoeld voor het baden en zwemmen
maillot de bain
/bɑtplaːts/
noun
1. aan zee gelegen plaats waar mensen vaak gaan zwemmen
  1. station balnéaire
  2. station thermale
noun
1.
baie de Baffin
pronoun
1.
île de Baffin
/ba.ˈɣaːʃ/, /ba.ˈχa.zʲə/
noun
1. een verzameling van eigendommen
  1. bagages
  2. bagage
noun
porte-bagages
noun
1. stokbrood
baguette
/ba.ˈha.mas/, /ba.ˈɦa.mas/, /bɑ.ˈɦa.mas/
pronoun
1. een eilandengebied in het Caraïbische gebied
Bahamas
/ba.ˈrɛɪ̯n/, /bɑx.ˈrɛːn/, /bɑχ.ˈrɛɪ̯n/
pronoun
1. eilandstaat in de Perzische Golf en de Golf van Bahrein. Het ligt ingeklemd tussen Saoedi-Arabië in het westen en Qatar in het oosten en zuiden
  1. Bahreïn
  2. Bahrayn
noun
baisse
/ˈbajəs/
noun
1. een gevangenis
  1. cabane
  2. taule
  3. trou
  4. tôle
noun
1. een steekwapen bovenop de loop van een geweer
baïonnette
noun
1. de linkerzijde als men vanop een schip naar de boeg kijkt
bâbord
noun
bakélite
noun
1. een markering, meer in het bijzonder gebruikt in de lucht- en scheepvaart...
amer
/'bakərə(n)/
verb
1. het strak inwikkelen van een baby in een deken of lappen.
mailloter
noun
berceau
noun
conte de bonne femme
noun
1. een driewielige fiets die voorzien is van een laadbak
triporteur
noun
1. deel van het baardhaar dat groeit vanaf de kaaklijnen tot aan de haargrens boven de oren.
rouflaquettes
verb
1. voedsel bij hoge temperatuur in een oven of pan verhitten, meestal met wat olie of boter.
cuire
noun
1. iemand die brood en taarten bakt
boulanger
noun
een werkplaats waar men brood, koek, banket en dergelijke, bakt
boulangerie
pronoun
1. de hoofdstad van Azerbeidzjan
Bakou
noun
1. speciaal geprepareerd papier dat in de oven gebruikt wordt om te bakken etenswaar niet aan de bakplaat of de bakvorm te laten kleven
  1. papier sulfurisé
  2. papier cuisson
  3. papier parchemin
noun
1. uit klei of leem gebakken steen
brique
noun
midinette
noun
  1. 1. een object in de vorm van een bol dat gebruikt wordt bij balspelen
    1. balle
    2. ballon
  2. 1. een danspartij
    bal
noun
1. een driesnarig Russisch tokkelinstrument
balalaïka
verb
1. evenwicht behouden om er niet vanaf te vallen
équilibrer
/balaˈnitɪs/
noun
1. ontsteking van de eikel bij de man.
balanite
noun
  1. 2. een meetapparaat met twee armen (bedoeld om het verschil te kunnen meten)
    balance
  2. 1. evenwicht
    équilibre
noun
1. stoffen overdekking als ornament, meestal boven een troon, altaar of hemelbed
baldaquin
pronoun
Îles Baléares
verb
  1. het is flink balen
    ben, quelle déception!
  2. 1. gevoelens van groot ongenoegen koesteren
    en avoir marre
pronoun
1. Austronesische taal die wordt gesproken door 3,3 miljoen mensen op of afkomstig van Bali
balinais
/bɑlk/, /bɑɫk/
noun
  1. 2. veelvlak met 6 rechthoekige zijvlakken, 8 hoekpunten en 12 ribben
    cuboïde
  2. 1. deel van een constructie met een lengte die veel groter is dan de breedte en de hoogte in doorsnede
    poutre
pronoun
1. gebied...
Balkans
noun
1. wildgroei van cellen die leidt tot een of meer gezwellen in een testikel
cancer du testicule
/ˈbɑlkə(n)/, /ˈbɑɫkə(n)/
verb
1. het geluid van een ezel maken
braire
noun
1. een bouwkundig onderdeel
balcon
noun
ballade
noun
1. vervanging van de nuttige lading door iets dat voldoende weegt om een schip te stabiliseren
lest
/ˈbɑ.lə/
noun
branie, moed
couilles
noun
1.
ramasseur de balles
noun
2. een damesschoen zonder sluiting en zonder hak
ballerine
noun
1. een artistieke dansvorm
ballet
noun
ballerine
noun
!. gokspelletje
bonneteau
noun
comédie-ballet
noun
1. leer die de banen van projectielen bestudeert
balistique
noun
1. een feestartikel bestaande uit een dun rubberen zakje dat met gas of lucht kan worden gevuld
ballon
/bɑlɔ'terə(n)/
verb
1. stemmen over iemands toelating bij een sociëteit of vereniging
balloter
noun
1. een pen die de inkt met een bal of kogel op het papier overbrengt.
  1. stylo-bille
  2. bic
  3. pointe-bille
  4. stylo à bille
noun
1. leer van de geneeskrachtige baden
balnéologie
noun
1. een pen die met een bal of kogel de inkt op het papier overbrengt
  1. stylo-bille
  2. bic
  3. stylo à bille
noun
vinaigre balsamique
noun
baume
verb
1. het prepareren van een stoffelijk overschot om het tegen ontbinding te beschermen
embaumer
noun
menthe-coq
noun
jeu de balle
pronoun
1. taalfamilie van een tiental talen die in Noordoost-Europa worden gesproken
langues baltes
noun
1.huidplooi waarin de testikels liggen
scrotum
pronoun
1. de nationale taal van Mali
bambara
noun
1. een reuzengrassoort dat afkomstig is uit Azië
bambou
noun
pousse de bambou
noun
pousse de bambou
pronoun
1. verzamelnaam van een elftal talen die in Kameroen worden gesproken
langues bamiléké
noun
2. uitsluiting uit de kerkgemeenschap
  1. anathème
  2. excommunication
adjective
1. gewoontjes, saai en voorspelbaar, weinig verheven of de zintuigen prikkelend
banal
noun
1. een vrucht van de bananenboom
  1. banane
  2. bananier
noun
banalité
noun
1.
bananeraie
noun
  1. 1. een van de Midden-Amerikaanse staten zoals Honduras, Nicaragua, El Salvador of Guatemala, eens zo genoemd vanwege de bananenindustrie die daar alles overheerste
  2. 2. een in politiek en economisch opzicht corrupt en instabiel land, dat bovendien vaak rijk is aan grondstoffen
république bananière
adjective
bancaire
noun
1. ringvormige omhulling van iets anders, vooral dienend voor de uitwendige bescherming
pneu
noun
bandage
pronoun
1. verzamelnaam van een zestal talen die in Congo en Zuid-Soedan worden gesproken
langues banda
noun
bandeau
noun
démonte-pneu
noun
1. een schurk of misdadiger
bandit
noun
1. apparaat waarmee men geluid kan vastleggen op magnetische tape
magnétophone
noun
1. een toestel dat geluid opnam op een band magnetiseerbaar materiaal
magnétophone
noun
1. bepaald soort zoogdier, Phoca fasciata
histriophoca fasciata
verb
1. zich een weg ~: een pad maken waar er geen was, resoluut doordringen in iets
se frayer
/ˈbɑŋɦɛːt/, /ˈbɑŋɦɛːɪt/
noun
  1. 1. toestand van schrik
  2. 2. het gauw bang zijn
peur
/ˌbɑŋ.(g)ɣə.la.ˈdɛʃ/, /ˌbɑŋ.lɑ.ˈdɛʃ/
pronoun
1. land in het zuiden van Azië dat ligt op het Indische subcontinent en grenst voor het grootste gedeelte aan India en voor een klein stukje aan Myanmar/Birma grenst
Bangladesh
/ˈbɑŋmaːkʏˌrɛi/
noun
intimidation
noun
    1. 3. een financiële instelling
    2. 4. een ondiepte in het water
    3. 5. gebouw waarin een financiële instelling gevestigd is
    4. 6. een opslagsysteem voor gegevens of voorwerpen b.v. beeldbank, bloedbank, boekenbank, kennisbank, spermabank
    banque
  1. 1. een meubelstuk met zitplaats voor meer dan één persoon
    canapé
noun
1. een betaalmiddel van papier
billet de banque
noun
banqueroute
noun
1. een bakker die voornamelijk taarten, klein gebak en chocolade maakt
pâtissier
noun
1. een bedrijf dat zich toelegt op het vervaardigen van gebak, taart en andere lekkernijen
pâtisserie
noun
1. een stuk banket dat gemaakt is van bladerdeeg, gevuld is met amandelspijs, de vorm heeft van een letter (vaak de 'S') en vooral populair is rond Sinterklaas
gâteau en forme de lettre
noun
caution bancaire
noun
1. iemand die financiële diensten verleent
banquier
noun
1. een rekening-courant bij een bank
compte bancaire
noun
1. toestand van iemand die niet in staat is aan zijn financiële verplichtingen te voldoen
  1. banqueroute
  2. faillite
noun
cambriolage d'une banque
noun
1. een handig hulpmiddel om werkstukken in vast te houden
étau
/ˈbɑnəlɪŋ/
noun
1. iemand die verbannen is
exilé
noun
1. bansuri
bansurî
/ˈbɑntu/
noun
1. lid van een volk
  1. Bantou
  2. Bantoue
/ˈbɑntutaːl/
noun
1. een taal die tot de Bantoetak van de Niger-Congotalen behoort
langue bantoue
pronoun
1. taalfamilie van honderden talen die in Afrika worden gesproken
langues bantou
noun
1. een kerkelijke straf
anathème
noun
benaming voor dikstammige bomen uit droge, warme gebieden uit het geslacht Adansonia
baobab
noun
1. tijdelijk onderkomen voor een groep soldaten of andere personen
baraque
noun
barbare
adjective
1. zonder beperkingen opgelegd door beschaafd gedrag
barbare
/ˈbɑr.ba.ˌdɔs/, /ˈbɑr.be.ˌdɔs/
pronoun
1. een eiland in het Caribisch gebied, dat behoort tot de Bovenwindse Eilanden van de Kleine Antillen
Barbade
/bɑrbɑˈrɪzmə/
noun
1. woord of uitdrukking uit een andere taal
barbarisme
/ˈbɑrbəkju/
noun
  1. 1. apparaat
  2. 2. bijeenkomst
barbecue
noun
1. bepaalde vissoort die voorkomt in de middenlopen van rivieren, Barbus barbus
barbeau
noun
1. een herenkapper die ook baarden bijwerkt
barbier
noun
1. Een slaapmiddel in de vorm van een barbituurzuur verbinding
barbiturique
pronoun
Barcelone
noun
1. (informatica) een op artikelen, verpakkingen afgedrukte reeks smalle en brede streepjes waarmee in gecodeerde vorm productinformatie is vastgelegd die met een scanner kan worden gelezen
code-barres
/bɑrt/
noun
1. middeleeuws dichter en zanger bij de Kelten
barde
verb
barder
verb
1. op de wereld brengen
  1. mettre au monde
  2. accoucher
noun
mer de Barents
noun
1. plat hoofddeksel zonder klep
béret
/bɑrx/
noun
1. gecastreerd mannetjesvarken
castrat
noun
1. baritonsaxofoon
saxophone baryton
noun
baryum
noun
carbonate de baryum
noun
1. bepaald type zeilschip met drie of meer masten
trois-mâts
noun
1. iemand die achter de bar staat en drankjes voor de gasten inschenkt
barman
/bɑrn/
noun
1&2.1. eenheid van oppervlakte in de atoomfysica, 10−28 m²
barn
noun
1. door een barograaf opgetekende registratie van de luchtdruk
barogramme
adjective
baroque
noun
1. een 17e eeuwse kunststroming die er naar streeft grootste, dramatische momenten en beweging uit te drukken
baroque
/ˈbaroˌmetər/
noun
1. een instrument dat de luchtdruk meet
baromètre
noun
1. adellijke titel, in rang tussen jonkheer en burggraaf
baron
noun
1. vrouwelijke baron
baronne
noun
baronnie
noun
lichamelijk letsel door snel veranderende atmosferische druk
barotraumatisme
noun
1. benaming voor baarsachtige zeeroofvissen uit het geslacht Sphyraena
barracuda
noun
    1. 3. beslissingsronde
    2. 2. dam
    barrage
  1. 1. versperring
    1. barrage
    2. barricade
noun
1. begrenzing, bescherming
barrière
pronoun
2. apocrief boek uit de Bijbel
Baruch
noun
bas-relief
adjective
  1. 2. aan de basis liggend
    basal
  2. 1. fundamenteel
    basique
noun
1. een mafisch vulkanisch stollingsgesteente dat gevormd wordt door de stolling van lava of magma
basalte
adjective
gris basalte
noun
1. een eenvoudig houten blaasinstrument
flûte à bec basse
noun
bascule
noun
  1. 1. stof die een of meer hydroxylgroepen bevat en in een waterige oplossing OH-ionen afsplitst
  2. 2. ion of molecuul dat de neiging heeft een proton op te nemen
base
verb
baser
noun
basicité
pronoun
Basilicate
/baˈsilikəm/
noun
1. een keukenkruid
basilic
noun
basilique
noun
1.
notion
noun
1. scholing voor kinderen van 4 tot 12 jaar
enseignement primaire
/ˈbazɪsxoɫ/
noun
1. een school voor lager onderwijs
école primaire
/'bɑskən,lɑnd/
pronoun
  1. 1. geografische regio bij de Spaans-Franse grens
  2. 3. Spaanse autonome regio
Pays basque
noun
1. doel
panier
noun
1. sport
  1. basket-ball
  2. basketball
adjective
  1. 1. met betrekking tot de Basken
  2. 2. met betrekking tot de Baskische taal
basque
pronoun
1. taal die wordt gesproken door de Basken
basque
pronoun
1. taalfamilie van het Baskisch en verder wellicht enkele uitgestorven talen in Europa
langues basques
noun
1. geurige rijstzaden
riz Basmati
noun
1. bassaxofoon
saxophone basse
noun
1. contrabasspeler
  1. bassiste
  2. contrebassiste
noun
1. een teken geplaatst op de vierde lijn van een balk dat aangeeft dat deze lijn een d weergeeft
clef de fa 4e
abbreviation
1. continu voortgaande bas- en/of begeleidingspartij
  1. basse continue
  2. continuo
noun
2. fluweelachtige huid rond een nieuw gewei
velours
noun
1. een kind dat niet geboren is uit een wettig huwelijk
bâtard
noun
corniaud
pronoun
1. een stad in de Belgische provincie Luxemburg
Bastogne
pronoun
1. verzamelnaam van een vijftal talen die op Sumatra worden gesproken
langues batak
verb
1. helpen
servir
noun
1. een fijn, doorschijnend weefsel dat gemaakt kan zijn van linnen, wol, katoen, zijde of zelfs kunstzijde
batiste
noun
1. stokje dat een dirigent bij het dirigeren hanteert
baguette
verb
2. geslachtsgemeenschap hebben
  1. botter
  2. ken
  3. ziguer
noun
1. een elektrotechnisch component waarin elektrische energie is opgeslagen
  1. pile
  2. batterie
noun
1. eenheid van snelheid van informatieoverdracht van een datatransmissiekanaal (modem, telefoonlijn etc.)
baud
noun
1. een mineraal dat een belangrijk erts van aluminium vormt. Bauxiet bestaat voor een groot deel uit aluminiumoxide...
bauxite
noun
1.
bavarois
noun
1. een aap met een korte staart en een vooruitstekende snuit
babouin
/ˈbɑks.tər/
noun
1. vochttoediening in de bloedvaten
  1. perfusion
  2. goutte-à-goutte
pronoun
1. stad in Zwitserland
Bâle
noun
ventilation artificielle
noun
respirateur
/'biːmən/, /bə'amən/
verb
1. bevestigen dat men het eens is met iets
approuver
verb
1.
  1. effrayer
  2. angoisser
/bə.ʔˈɑnt.ʋɔːr.də(n)/
verb
1. de reactie op een vraag geven
répondre à
noun
Beat Generation
pronoun
1. deel van de Noordelijke IJszee, ten noordwesten van Canada en ten noorden van Alaska
Mer de Beaufort
adjective
1. voorzien van een (lange) baard
barbu
verb
1. van bakens voorzien
baliser
verb
1.
beurrer
verb
  1. 1. vullen met gebouwen
    1. bâtir
    2. urbaniser
  2. 2. landbouwgrond bewerken
    cultiver
noun
1. becijferde bas
basse chiffrée
verb
    1. 2. door cijfers aanwijzen
    2. 3. (muziek) notaties door cijfers aangeven
    chiffrer
  1. 1. uitrekenen
    1. chiffrer
    2. calculer
noun
becquerel
/bɛd/, /bɛt/
noun
1. een meubel gemaakt om in te slapen
lit
adjective
1. goed doordacht iets doen
pensif
verb
  1. 3. een lidmaatschap of abonnement opzeggen
    démissionner
  2. 2. weigeren aan te nemen
    refuser
  3. 1. erkentelijkheid tot uitdrukking brengen
    remercier
interjection
5. uitspraak om waardering en erkenning te tonen in dagelijks gebruik
merci
noun
literie
verb
1. iets over iets heen plaatsen zodat het niet zichtbaar is
couvrir
noun
breloque
verb
1. om een aalmoes vragen
mendier
verb
  1. 2. door nadenken vinden
    1. inventer
    2. trouver
  2. 3. iets schenken aan
    1. oublier
    2. penser
  3. 1. gedachten laten gaan over, denken over
    réfléchir à
  4. 4. zich ~: op een besluit terugkomen, van gedachten veranderen
    se raviser
verb
  1. 1. iets kapot maken, beschadigen
    1. abîmer
    2. ruiner
  2. 2. verpesten, verknoeien
    gâcher
  3. 3. te veel verwennen
    gâter
  4. 4. verrotten, oneetbaar worden
    1. gâter
    2. pourrir
noun
pèlerinage
noun
pèlerin
/bəˈdinə(n)/
verb
1. eten en of drinken brengen in een horecagelegenheid
servir
noun
1. de groep van personen die eten en of drinken brengen in een horecagelegenheid
service
verb
1. door onderhandeling een toezegging verkrijgen
  1. stipuler
  2. négocier
verb
  1. 2. iets met een bepaald oogmerk doen
    avoir en vue
  2. 1. met een woord of toespeling iets of iemand aanduiden of proberen aan te duiden
    vouloir dire
noun
  1. 1. het doel van een actie, dat wat men wil gaan doen of wil bereiken
    intention
  2. 2. de zin of strekking
    sens
noun
montant
adjective
  1. 2. mogelijk op het punt staand van uitsterving
    1. danger
    2. menacé
  2. 1. dreigend bejegend
    menacé
noun
1. een mogelijk gevaar
menace
adjective
habile (dans)
phraseologicalUnit
banqueroute frauduleuse
/bəˈdrɛɪ̯f/, /bəˈdrɛːf/
noun
1. organisatie, samenspel van mensen en middelen om producten en of diensten te leveren
entreprise
noun
1. een specialist die een bedrijf adviseert in zaken de bedrijfvoering
conseiller en stratégie
noun
médecin d'entreprise
adjective
1. klaar om in bedrijf genomen te worden
opérationnel
noun
1. de tak van wetenschap die het samenspel in organisaties en hun relatie met hun omgeving bestudeert
microéconomie
noun
chef d'entreprise
noun
direction de l'entreprise
noun
1. het geheel aan bedrijven in een bepaalde samenleving
entreprises
verb
1. aan iets doen
  1. faire
  2. commettre
/bəˈdrɛɪ̯vəχ/, /bəˈdrɛɪ̯vɪx/, /bəˈdrɛːvəx/
adjective
tot hard werken geneigd
actif
verb
1. triest stemmen
  1. attrister
  2. chagriner
  3. affliger
verb
2. zich ~: zich redden, voor zichzelf zorgen
se suffrire
noun
heure du coucher
noun
1.1 Cimex lectularius, een parasitair insect
punaise des lits
noun
1. aandoening waarbij men tijdens de slaap urineert
énurésie
verb
1. iemands bewustzijn verminderen of laten verliezen door blootstelling aan een bepaalde stof
étourdir
verb
  1. 2. in bedwang houden
    contraindre
  2. 1. onderwerpen of onderdrukken
    soumettre
/bek/
noun
1. stromend watertje
ruisseau
noun
1. bepaalde ondersoort van vissen die voorkomt in stromend water, Salmo trutta fario
truite de rivière
noun
1. zeldzaam visje dat inheems voorkomt in de Benelux, Lampetra planeri
  1. lamproie de Planer
  2. lamproie de rivière
  3. petite lamproie
noun
1.
gomphe vulgaire
noun
1. driedimensionaal kunstwerk
image
noun
analyse d'image
verb
1. uit steen een beeld vervaardigen
sulpter
noun
1. een beoefenaar van de beeldhouwkunst
sculpteur
/'beltɦɑʊʋɛrk/
noun
1. een kunstwerk vervaardigd door het houwen van steen
sculpture
noun
imagerie
noun
1.
marque
noun
langage figuré
/beːn/
noun
  1. 1. ledemaat waarop wordt gestaan en waarmee wordt gelopen
    1. jambe
    2. patte
  2. 3. stof waaruit benen/botten bestaan
    os
noun
1. een verkoper van vlees
boucher
noun
1. Het bedrijf van een beenhouwer
boucherie
noun
1. een sponsachtige, rode substantie die zich in het binnenste van beenderen bevindt
moelle osseuse
noun
espace pour les jambes
noun
périoste
/beːr/, /bɪːr/
noun
  1. 1. groot viervoetig zoogdier uit de familie Ursidae
    ours
  2. 1. mannetjesvarken
    verrat
  3. 1. gier, mensendrek
    1. purin
    2. gadoue
noun
1. een put waarin fecaliën verzameld worden
  1. fosse d'aisances
  2. merdier
/beːst/
noun
1. dier
  1. bête
  2. animale
/beɪt/, /beːt/
noun
1. samenklemming tussen de kaken
morsure
/ˈbeːtʃjə/
noun
1. kleine hoeveelheid
peu
verb
1. het oraal bevredigen van een vrouw door haar geslachtsdelen te likken of met de tong te 'betasten'
brouter
noun
1. bepaald soort lijster, Turdus torquatus
merle à plastron
noun
1. een bijzondere aanleg, een gave
  1. talent
  2. dons
noun
1. verlangen
désir
/bə.ɣə.ˈlɛɪ̯.də(n)/, /bə.ɣə.ˈlɛː.də(n)/, /bə.χə.ˈlɛɪ̯.də(n)/
verb
  1. 2. een partij spelen die een harmonische aanvulling is van de solopartij
    accompagner
  2. 1. vergezellen
    1. accompagner
    2. escorter
noun
1. personen die iemand vergezellen of bewaken
accompagnement
verb
1. sterk verlangen om iets te bezitten
  1. désirer
  2. convoîter
verb
1. een gift geven
doter
noun
béguine
noun
1. een hofje waar vrouwen als geestelijke zusters tezamen leefden, zonder een kloostergelofte af te leggen
béguinage
/bəˈχɪn/
noun
1. het eerste deel
  1. commencement
  2. début
verb
1. aanvangen
  1. commencer
  2. débuter
noun
point de départ
noun
1. begintoon
fondamentale
verb
  1. lorgner
  2. reluquer
noun
1. (plantk.) Begonia, een geslacht bloeiende planten uit de begoniafamilie
bégonia
noun
1. een plaats waar overledenen begraven liggen
cimetière
noun
1. een ceremonie waarbij een overledene in een kist aan de aarde wordt toevertrouwd
  1. enterrement
  2. inhumation
/bəˈɣrafənɪsɔndərˌnemər/
noun
1. Een persoon die de begrafenis van overledenen verzorgt
entrepreneur des pompes funèbre
verb
  1. 3. iets wegstoppen
    enfouir
  2. 2. een overledene begraven
    enterrer
  3. 1. iets onder de grond stoppen
    1. enterrer
    2. enfouir
verb
1. beperken, limiteren
limiter
noun
délimitation
/bə.χrɛɪ.pə(n)/
verb
1. met het verstand vatten
comprendre
/bəˈɣrotɪŋ/
noun
1. raming van de te maken uitgaven voor de komende tijd
budget
verb
1. iemand al dan niet financieel voordeel schenken
favoriser
/beˈɦaː/
noun
1. een kledingstuk voor vrouwen dat de borsten ondersteunt
soutien-gorge
/bə'haxsik/
adjective
coquet
adjective
1. bedekt met haren
poilu
/bə.ˈhaː.ɣə(n)/
noun
1. aan iemand welgevallig zijn
  1. plaire
  2. être agréable
verb
1. een diploma of certificaat verwerven
obtenir
preposition
1. met uitzondering van
  1. sauf
  2. excepté
verb
  1. 1. verwerken
    s'occuper
  2. 3. medisch verzorgen
    1. soigner
    2. traiter
  3. 2. bespreken, spreken of schrijven over
    traiter
noun
2. een handeling gericht op herstel
traitement
noun
1. iemand die beroepsmatig behangsel op de muren aanbrengt
tapissier
noun
1. muurbedekking
papier peint
/bə'her/
noun
1. het beheren van, de zorg en verantwoording voor eigendommen van derden
  1. administration
  2. gestion
  3. management
verb
  1. 1. meester zijn, het gezag uitoefenen
    1. contrôler
    2. dominer
  2. 3. verstaan
    maîtriser
verb
1. zich ~: een provisorische oplossing bedenken voor een probleem dat men heeft bij gebrek aan middelen
se débrouiller
verb
  1. 1. het beheer hebben over iets
  2. 2. iets leiden, besturen
administrer
/ˈbə'huftə/
noun
1. iets wat benodigd is
  1. besoin
  2. nécessité
/bəˈhuvə(n)/
verb
  1. 2. nodig hebben
    1. avoir besoin de
    2. falloir que
  2. 1. moeten
    devoir
adjective
2. net, fatsoenlijk
  1. convenable
  2. convenablement
verb
2. onderdeel uitmaken van wat gebruikelijk is of tot de fatsoensnormen gerekend wordt
faire partie
noun
1. muziekinstrument met klokken
carillon
noun
1. iemand die een beiaard of carillon bespeelt
carillonneur
cardinalNumeral
1. alle twee
  1. tous les deux
  2. à la fois
pronoun
Bavière
pronoun
1.
forêt de Bavière
adjective
beige
adjective
brun beige
adjective
gris beige
adjective
rouge beige
/bɛɪrut/
pronoun
1. hoofdstad van Libanon
Beyrouth
noun
1. een scherp stuk gereedschap met een wigvormige snede
ciseau
adjective
  1. vieux
  2. âgé
noun
1.
maison de retraite
verb
1. iemand op een bepaalde wijze behandelen
traiter
noun
  1. 1. snavel van vogels
    bec
    1. 2. mond van dieren
    2. 3. mond van een mens
    gueule
  2. 5. deel van een bankschroef
    1. mordache
    2. mors
verb
1. van kabels voorzien
câbler
adjective
1. vertrouwd
connu
verb
1. openbaar maken
publier
verb
  1. 1. toegeven
    avouer
  2. 3.
    connaître
verb
1. tot een bepaald geloof overhalen
convertir
noun
bécher
noun
1. het (doen) overgaan van iemand tot een bepaald geloof.
conversion
noun
1. een boete die wordt opgelegd voor het overtreden van een wet
amende
noun
plancher pelvien
noun
2. metalen kapje dat onder of in plaats van een echte helm werd gedragen
cervelière
verb
2. iemands goede naam schaden
diffamer
noun
protesta
verb
  1. 2. iemands leed bejammeren
    plaindre
  2. 1. ontevredenheid uiten, klachten indienen
    se plaindre
adjective
1. zielig
  1. déplorable
  2. misérable
verb
  1. 2. een ambt vervullen
    1. exercer
    2. occuper
    3. remplir
  2. 1. met stof bedekken
    revêtir
/bəˈkledɪŋ/
noun
1. een laag stof ter versiering en berscherming aangebracht op een hard oppervlak of een meubelstuk
revêtement
/bə'klɛmə(n)/
verb
2. een bedrukt gevoel geven
oppresser
verb
1. de nadruk leggen op iets
accentuer
adjective
1. tot het belangrijkste en noodzakelijkste teruggebracht
concis
verb
1. op listige wijze weten te regelen
  1. manigancer
  2. mijoter
verb
  1. 1. een goede of slechte uitwerking hebben
    1. affecter
    2. marquer
  2. 3. in eigendom krijgen
    obtenir
  3. 2. herstellen (van de schrik e.d.)
    remettre
/bəˈkopə(n)/
verb
1. iets ~ met een prijs ergens voor betalen
payer
verb
1. aantrekkingskracht uitoefenen
  1. enchanter
  2. charmer
  3. séduire
verb
1. ervoor zorgen dat de kosten betaald worden
payer
verb
2. kracht van wet geven
confirmer
noun
ratification
verb
1. kritiek uiten op iets of iemand
critiquer
verb
1. belonen voor uitmuntendheid
  1. couronner
  2. primer
/ˈbɛkfɛxtə/, /ˈbɛkfɛχtə/
verb
1. ruzie maken
se chamailler
/bəˈlɑɣələk/, /bəˈlɑχələk/
adjective
1. lachwekkend, om uit te lachen
  1. ridicule
  2. saugrenu
  3. ubuesque
verb
1. een lading aanbrengen op een lastdier of een voer- of vaartuig
charger
verb
1. iemand agressief/intimiderend benaderen
harceler
noun
1. iets wat belangrijk is voor een persoon
importance
/bəˈlɑŋəlos/
adjective
  1. 2. uit liefdadigheid
    1. désintéressé
    2. bénévole
  2. 1. zonder geldelijke belangen
    1. gracieux
    2. gratuit
noun
groupe d'intérêt
noun
conflit d'intérêts
/bəlɑŋˈhɛbənt/
adjective
1. er belang bij hebben
intéressé
adjective
1. van grote betekenis
important
verb
  1. 1. gewichten plaatsen op
    charger
  2. 5. zich ~ met: de verantwoordelijkheid of uitvoering van iets op zich nemen
    1. prendre en charge
    2. se charger de
verb
1. iemands goede naam geweld aandoen met onware aantijgingen
  1. diffamer
  2. calomnier
  3. médire
  4. salir
noun
1. de daad van het belasteren.
diffamation
noun
1. door de wet gedwongen betaling aan de overheid zonder individuele tegenprestatie
taxe
noun
1. overheidsdienst die de heffing en inning van belasting voor een staat verzorgt
fisc
noun
1. iemand die wettelijk verplicht is om belastingen te betalen
contribuable
/be.ˈlaʊ̯/, /be.ˈlɔʊ̯/, /be.ˈlʌʊ̯/
pronoun
1. een eilandenstaat in Oceanië
Palaos
verb
1. nare opmerkingen maken tegen of over een persoon
  1. insulter
  2. offenser
  3. injurier
noun
1. een krenking van iemands gevoel van eer of eigenwaarde
  1. insulte
  2. offense
  3. outrage
noun
1. beleefde aanspreekvorm, gebruikt tegen iemand die men niet tutoyeert.
forme de politesse
/bəˈlɛx/
noun
  1. 2. voedzame en smakelijke bedekking van een boterham
    garniture
  2. 3. afgewerkte tegenkant van naaiwerk
    renfort
  3. 1. langdurige uitsluiting van de buitenwereld door een vijandige strijdmacht
    siège
verb
1. met een leger omsingeld houden
assiéger
verb
1. geld steken in een naar verwacht winstgevende onderneming
investir
noun
1. geld besteed aan iets waarvan men verwacht dat het later meer waarde zal hebben
placement
noun
1. een plan van aanpak voor het oplossen van problemen in de meest ruime zin
  1. politique
  2. stratégie
/bəˈlɛmərə(n)/
verb
1. een factor vormen die een gebeurtenis of handeling (bijna) onmogelijk maakt
  1. entraver
  2. gêner
  3. embarrasser
  4. incommoder
verb
jouxter
verb
1. als onderpand voor een lening gebruiken
engager
noun
1. leesteken bestaand uit drie puntjes (…)
points de suspension
noun
1. een stedelijke wachttoren met een stormklok
beffroi
/bɛlx/, /bɛɫx/, /bɛɫχ/
noun
1. een staatsburger van België
Belge
noun
1. woord of uitdrukking die alleen voorkomt in het Nederlands of Frans zoals dat in België wordt gesproken
belgicisme
/ˈbɛl.ɣɪs/, /ˈbɛɫ.ɣis/, /ˈbɛɫ.χis/
adjective
1. met betrekking tot België
belge
pronoun
Congo belge
/ˈbɛlɣijə/, /ˈbɛɫɣijə/, /ˈbɛɫχijə/
pronoun
Belgique
pronoun
1. de hoofdstad van Servië
Belgrade
/bɛlhaməl/
noun
  1. 2. ondeugende jongen
    petit chenapan
  2. 1. een gecastreerd mannelijk schaap dat met een bel om zijn nek vaak de kudde leidt
    sonnailler
noun
1. zichtbaar gemaakte vorm van een idee of begrip
incarnation
/be.ˈliː.zə/
pronoun
1. een Midden-Amerikaans land, en grenst aan Mexico in het noordwesten en Guatemala in het zuiden en westen. Aan het oosten grenst het aan de Caribische Zee
Belize
noun
belle-dame
verb
  1. 3. iemand opbellen, telefoneren naar iemand
    1. appeler
    2. téléphoner
    1. 1. de deurbel over laten gaan
    2. 2. door middel van een bel een signaal geven
    3. 4. door middel van een bel roepen
    sonner
noun
chambre à bulles
noun
1. tandwalvis die doorgaans bij volwassenheid melkwit van kleur is, Delphinapterus leucas
  1. béluga
  2. dauphin blanc
  3. marsouin blanc
  4. delphinoptère blanc
pronoun
1.
Baloutchistan
noun
1. een ondelinge of schriftelijke verklaring waarin men iets belooft
promesse
verb
1. een prestatie of goede daad met geld of anderszins erkennen
récompenser
noun
récompense
verb
1. toezeggen dat iets gedaan zal worden
promettre
noun
forfait mobile
noun
sonnerie
verb
1. aandachtig naar iets luisteren
écouter
verb
1. met moeite in handen krijgen
obtenir
noun
1. de personen die het benodigde werk aan boord van een schip of vliegtuig verrichten
équipage
noun
1. de personen die het benodigde werk aan boord van een schip of vliegtuig verrichten
équipage
verb
1. het toevoegen van meststoffen aan de aarde
  1. engraisser
  2. fumer
verb
1. trachten overeenstemming tussen twee partijen tot stand te brengen
intervenir
verb
1. amoureuze gevoelens voor iemand koesteren
  1. aimer
  2. chérir
verb
1. als een moeder verzorgen, optreden voor
materner
verb
1.iemand een positievere kijk op de kansen geven
encourager
noun
1. iemand die zich bemoeit met zaken van anderen
  1. touche-à-tout
  2. Quelqu'un qui se mêle d'autres
verb
  1. 2. zich bekommeren om iemand
    s'occuper de
  2. 1. zich inlaten met zaken waar men niets mee te maken heeft
    se mêler de
/bəmujləkə(n)/, /bəmujləkən/
verb
1. moeilijker maken
compliquer
verb
1. iemand of iets nadeel toebrengen, iemand of iets schade toebrengen
  1. faire tort à
  2. nuire à
noun
  1. 2. buitengewoon onevenwicht tussen de contractuele prestaties van de betrokken partijen
    lésion
  2. 1. het ondervonden verlies of nadeel
    préjudice
adjective
1. te benaderen, makkelijk mee te praten
approchable
noun
  1. 2. gezichtspunt, de richting van waaruit men naar iets beschouwd .
    aborder
  2. 1. getalswaarde die voor een bepaald praktisch doel voldoende dicht in de buurt ligt van de exacte waarde van die grootheid.
    approximation
/bəˈnadrʏkə(n)/
verb
  1. accentuer
  2. faire valoir
adjective
  1. 2. angstig
    angoissé
  2. 1. moeilijk ademend
    1. oppressant
    2. oppressé
    3. suffocant
/ˈbɛn.də/
noun
1. een informeel georganiseerde groep mensen, meestal met kwade of misdadige motieven
bande criminelle
adjective
bénéficiaire
adjective
2. bekrompen
mesquin
pronoun
1. een taal die in Bangladesh en West-Bengalen gesproken wordt
bengali
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera tigris tigris
Tigre du Bengal
verb
1. wensen dat men zelf mocht hebben wat een ander heeft
envier
adjective
1. dat iets de moeite waard is om benijd te worden
enviable
/be.ˈnin/, /ˈbe.nɪn/
pronoun
1. een land in Afrika dat in het westen aan Togo grenst, in het noordwesten aan Burkina Faso, in het noordnoordoosten aan Niger in het oosten aan Nigeria. In het zuiden ligt het aan de Golf van Guinee
Bénin
verb
1. nodig hebben
avoir besoin de
noun
benzène
/bɛn'zinə/
noun
1. een aardolieproduct bestaande uit een mengsel van alifatische koolwaterstoffen...
essence
/bɛnˈzinəˌtɑŋk/, /bɛnˈzinəˌtɛŋk/
noun
réservoir d'essence
noun
1. een druklamp die op vergaste benzine brandt
lampe à pression à essence
noun
benzodiazépine
noun
mainate
verb
1. tot een oordeel komen over iets
juger
adjective
  1. certainement
  2. déterminé
verb
2. vaststellen, voorschrijven, regelen
  1. déterminer
  2. stipuler
noun
  1. 1. een voorwaarde
    condition
  2. 5. woordgroep die een van de delen van een zin nader bepaalt
    locution adverbiale
/bə.ˈplɑn.tə(n)/
verb
1. bezetten met de geschikte planten
  1. boiser
  2. planter
verb
plâtrer
verb
1. onderzoeken of het de juiste is
  1. essayer
  2. tester
  3. éprouver
verb
1. overleg plegen over de gezamenlijk te voeren actie
délibérer
pronoun
1. taalfamilie van een aantal talen die in het oordwesten van Afrika worden gesproken
langues berbères
pronoun
1.
Berdorf
verb
1. in staat zijn zelfstandig dagelijkse dingen te doen
arranger
adjective
1. akkoord gaand, instemmend: bereid tot actie
disposé (à)
noun
1. de wil om iets te doen
bonne volonté
adjective
1. tot hulp en dienst bereid zijn of daarvan blijk geven
obligeant
adjective
1. iets dat gemaakt werd na berekeningen
fait
noun
2. bepaald soort schermbloemige plant met ruw behaarde bladeren en witte bloemen
berce
/bɛrx/
noun
1. hoge terreinverheffing
  1. montagne
  2. mont
adjective
1. met bergen
montagneux
noun
1. (fruit) een kleine, peervormige en zure citrusvrucht
bergamote
noun
1. iemand die zich toelegt op het alpinisme
alpiniste
noun
1. Tadorna tadorna, een forse bijna gansachtige eend
tadorne de Belon
pronoun
  1. 1. stad in Noorwegen
    Bergen
  2. 2. stad in België
    Mons
verb
  1. 1. het ergens plaatsen van iets om het te bewaren
    ranger
  2. 2. het in de haven brengen van een schip met problemen
    renflouer
  3. 3. in veiligheid brengen
    sauver
noun
étape de montagne
noun
1. een soort geit die leeft op rotsachtige ondergrond in de bergen.
chamois
noun
  1. guide de montagne
  2. guide de haute montagne
noun
classement de la montagne
noun
1. een lager
col
/'bɛrxrɪt/
noun
étape de montagne
/ˈbɛrxrʏx/, /ˈbɛrχrʏχ/
noun
1. een langgerekte bergachtige hoogte
crête
pronoun
1. een regio in de Duitse deelstat Noordrijn-Westfalen
pays de Berg
noun
contre-la-montre de montagne
noun
maillot de la montagne
noun
1. de steile zijkant van een berg
paroi
verb
1. van nieuws voorzien over iets
communiquer
noun
informations
noun
1. vrouwelijk dier van de berenfamilie, Ursidae
ourse
pronoun
1. de zeestraat tussen de Grote Oceaan en de Noordelijke IJszee
  1. Détroit de Béring
  2. détroit de Béring
pronoun
1. is de zee in het noordelijk deel van de Grote Oceaan
Mer de Béring
/bɛrk/
noun
1. een katjes dragende loofboom met witte bast
bouleau
noun
berkélium
noun
1.
boulaie
pronoun
  1. 1. de hoofdstad van Duitsland
  2. 2. een duitse deelstaat
Berlin
noun
2. een van de drie in de Benelux inheemse modderkruipers, Barbatula barbatula
  1. dormille
  2. loche franche
  3. schmerlé
pronoun
1. eilandengroep in de Atlantische Oceaan
Bermudes
pronoun
1. de hoofdstad van Zwitserland
Berne
noun
1. Borago officinalis, een kruid dat zowel in de keuken als in de geneeskunde gebruikt wordt
bourrache
pronoun
2. spelwoord voor de letter b
Berthe
/bə'rumt/
adjective
1. onder velen bekend en bewonderd
  1. fameux
  2. célèbre
  3. renommé
noun
2. iemand die bekend is bij een groot publiek
célébrité
/beˈrumə(n)/
verb
1. zich ~ op: krediet opeisen op basis van beweringen van verworvenheden of kunde
  1. se vanter
  2. se glorifier
noun
1. een bezigheid waarmee men de kost verdient
profession
noun
  1. code de conduite
  2. déontologie
noun
1. de plicht om te zwijgen over feiten en gegevens van derden, die iemand bij het uitoefenen van zijn beroep te weten is gekomen
secret professionnel
noun
groupe professionnel
noun
vêtement de travail
noun
enseignement professionel
noun
1. een acute beschadiging van de hersenen die veroorzaakt wordt door een bloeduitstorting in de hersenen
attaque cérébrale
noun
1. een toestel dat rook produceert waarmee de imker zijn bijenvolk rustig kan houden
enfumoir
verb
1. de oorzaak zijn van
causer
/bəˈrojt/
adjective
1. zonder geld of andere bezittingen
vide
noun
1. het betreuren van een eerdere kwalijke daad
contrition
adjective
1. met spijt vervuld
repentant
verb
1. iemand met geweld zijn bezit ontnemen
dérober
/'bɛrstə(n)/
verb
1. onder inwendige druk uit elkaar breken
éclater
/bə.ˈrʏs.tɪŋ/
noun
résignation
/bəˈrilijʏm/
noun
1. een chemisch element en een donkergrijs aardalkalimetaal
béryllium
/bɛs/
noun
  1. 1. kleine vrucht
    baie
  2. 2. (muziek) verlaagde b
    si bémol
  3. 4. bes-mineurgrondakkoord
    si bémol mineur
  4. 3. bes-kleinetertstoonladder
    si bémol mineure
abbreviation
  1. 1. het akkoord bes - d - f
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Si bémol majeur
abbreviation
  1. 1. het akkoord bes - des - f
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Si bémol mineur
/bɛs'xrot/
abbreviation
  1. 1. het akkoord bes - d - f
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Si bémol majeur
abbreviation
1. het akkoord bes-d-f
accord de si bémol majeur
noun
1. een grotetertstoonladder met “bes” als grondtoon
gamme de si bémol majeure
abbreviation
  1. 1. het akkoord bes - des - f
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Si bémol mineur
abbreviation
1. het akkoord bes-des-f
accord de si bémol mineur
noun
1. een mineurtoonladder met “bes” als grondtoon
gamme de si bémol mineur
noun
1. een kleinetertstoonladder met “bes” als grondtoon
gamme de si bémol mineure
/bɛs'xrot/
abbreviation
  1. 1. het akkoord bes - d - f
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Si bémol majeur
abbreviation
1. het akkoord bes-d-f
accord de si bémol majeur
noun
1. een grotetertstoonladder met “bes” als grondtoon
gamme de si bémol majeure
noun
1. een grotetertstoonladder met "bes" als grondtoon
gamme de si bémol majeure
noun
1. een grotetertstoonladder met “bes” als grondtoon
gamme de si bémol majeure
abbreviation
  1. 1. het akkoord bes - des - f
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Si bémol mineur
abbreviation
1. het akkoord bes-des-f
accord de si bémol mineur
noun
1. een kleinetertstoonladder met “bes” als grondtoon
gamme de si bémol mineure
noun
1. een kleinetertstoonladder met “bes” als grondtoon
gamme de si bémol mineure
adjective
1. net en goed opgevoed
  1. civilisé
  2. poli
verb
1. het toebrengen van schade
endommager
verb
1. verlegen maken
  1. faire rougir
  2. rendre honteux
/bəˈsxaːvə(n)/
verb
  1. 2. civiliseren
    civiliser
  2. 1. glad maken (met een schaaf)
    1. raboter
    2. polir
/bə.ˈsxa.vɪŋ/, /bə.ˈsχa.vɪŋ/
noun
1. de complexe maatschappij waarin veel van de mensen in steden leven en hun voedsel door middel van landbouw verkrijgen
civilisation
/bə'sxɛi(d)ə/
adjective
  1. 1. geen te hoge verwachtingen van zichzelf hebbend
  2. 2. niet de indruk makend te hoge verwachtingen van zichzelf te hebben
  3. 3. niet groots of talrijk
  1. modeste
  2. humble
noun
1. iemand die geregeld door iemand anders gesteund of in bescherming genomen wordt
protégé
verb
1. er zo goed mogelijk voor zorgen dat er niets verkeerd gebeurt
protéger
noun
  1. mécène
  2. protecteur
noun
1. een heilige onder wiens bescherming een bepaalde persoon of groep staat
  1. saint patron
  2. patron
/bə.ˈsxɛr.mɪŋ/, /bə.ˈsχɛr.mɪŋ/
noun
1. een beveiliging
protection
verb
1. met geschut- of geweervuur bestoken
tirer sur
/bə'sxɪkbar/
adjective
1. waarover beschikt kan worden
disponible
noun
1.e mogelijkheid om, indien nodig te kunnen beschikken over mensen, diensten of hulpmiddelen
disponibilité
verb
1. beslissen, regelen
décider
adjective
1. onderhevig aan schimmelgroei
moisi
/bəˈsxɪmələ(n)/
verb
1. aangevreten worden door schimmels
moisir
verb
1. met scheldwoorden overladen
  1. insulter
  2. injurier
verb
  1. 1. bekijken als
  2. 2. denken over
considérer
verb
1. in woorden uitdrukken
décrire
/bə.ˈsrɛɪ̯.vɪŋ/, /bə.ˈsxrɛɪ̯.vɪŋ/, /bə.ˈsxrɛː.vɪŋ/
noun
1. een op schrift gestelde kenmerken van iets of iemand
description
/bə'sxœyt/
noun
1. een licht, tweemaal gebakken baksel van tarwe
biscotte
noun
1. een persoon die de schuld heeft gekregen van iets
  1. accusé
  2. accusée
/bəˈsxʌldəgə/
verb
1. iemand de schuld geven van iets
accuser
/bə.ˈsxʏl.di.ɣɪŋ/, /bə.ˈsxʏɫ.də.ɣɪŋ/, /bə.ˈsχʏɫ.də.χɪŋ/
noun
1. het aangeven dat iemand iets moreel of gerechtelijk verkeerds heeft gedaan
  1. accusation
  2. imputation
  3. attaque
  4. incrimination
verb
1. beschermen, met name tegen weer en wind
protéger
noun
1. een reëel bewustzijn
notion
verb
1. het reëel bewust worden van iets
  1. réaliser
  2. se rendre compte
noun
1. dubbel verlaagde toon b
si double bémol
abbreviation
1. het akkoord beses-des-fes
accord de si double bémol majeur
noun
1. een grotetertstoonladder met “beses” als grondtoon
gamme de si double bémol majeure
abbreviation
1. het akkoord beses-deses-feses
accord de si double bémol mineur
noun
1. een mineurtoonladder met “beses” als grondtoon
gamme de si double bémol mineur
noun
1. “Beses-majeur”
si double bémol majeur
abbreviation
1. het akkoord beses-des-fes
accord de si double bémol majeur
noun
1. een grotetertstoonladder met “beses” als grondtoon
gamme de si double bémol majeure
noun
1. een grotetertstoonladder met “beses” als grondtoon
gamme de si double bémol majeure
abbreviation
1. het akkoord beses-deses-feses
accord de si double bémol mineur
verb
2. een paard van een hoefijzer voorzien
  1. ferrer
  2. chausser
verb
1. vaststellen wat er gaat gebeuren
décider
/bə.ˈslɪ.sɪŋ/
noun
décision
adjective
1. niet in staat een besluit te nemen.
indécis
verb
1. insmeren met iets om vies te maken
souiller
/bəˈsnewt/
adjective
1. bedekt met sneeuw
enneigé
verb
enneiger
verb
1. de voorhuid van de penis wegsnijden
circoncire
/bəˈsnujə(n)/
verb
1. in aantal doen verminderen
  1. restreindre
  2. réduire
verb
  1. 1. minder van iets gebruiken of verbruiken
  2. 2. minder geld uitgeven, bezuinigen
  1. épargner
  2. économiser
adjective
jouable
verb
1. met aanzienlijke moeite waarnemen
  1. apercevoir
  2. découvrir
  3. entrevoir
verb
1. iemand onopgemerkt in de gaten houden
  1. guetter
  2. épier
  3. espionner
adjective
1. uitermate vreemd
dérisoire
verb
  1. 1. een gesprek over een bepaald onderwerp voeren
    discuter
  2. 3. vooruit bestellen
    réserver
/bə.ˈspre.kɪŋ/
noun
1. een mondeling overleg
  1. discussion
  2. entretien
verb
1. druppels van een vloeistof ergens over strooien
asperger
pronoun
Bessarabie
noun
Samenstelling van bessen en sap
jus de groseilles
verb
1. daadwerkelijk in het universum voorkomen
exister
noun
  1. 1. een verzameling van gegevens die een eenheid vormen
    fichier
  2. 3. een wapenstilstand
    trêve
/bəˈstedə(n)/
verb
1. schaarse middelen een bestemming geven
  1. dépenser
  2. dépenser à
noun
1.
couvert
noun
1. voor-geformatteerd formulier waarop een bestelling ingevuld kan worden
bon de commande
verb
1. afspreken dat goederen of diensten geleverd zullen worden
commander
noun
1. auto die structureel ingericht is voor het vervoer van goederen
camionnette
/bə.ˈstɛ.mɪŋ/
noun
1. het eindpunt van een route
destination
noun
bestiaire
/bəstɔrmə(n)/
verb
1. met een strijdmacht snel te voet een positie van de vijand trachten te overweldigen
se ruer sur
noun
assaut
verb
1. het wegdek verharden met klinkers of andere middelen om er een straat van de maken
paver
verb
1. de strijd aanbinden met iets of iemand
combattre
verb
1. van struiken voorzien
broussailler
noun
1.een aanduiding voor een werk dat op korte termijn uitzonderlijk goed verkoopt
bestseller
verb
1. je er grondig in verdiepen
étudier
noun
pollinisation
noun
1. een geheel van systeemapplicaties dat de uitvoering van andere programma's bestuurt
  1. système d'exploitation
  2. système d’exploitation
/bəˈstyrdər/
noun
1. een persoon die een voertuig of andere machine bestuurt
  1. chauffeur
  2. conducteur
noun
appareil administratif
noun
1. (financieel) bankrekening waarmee alle betalingen gedaan worden, dit is meestal ook de rekening waarop het loon wordt ontvangen
  1. compte courant
  2. compte à vue
/bə.ˈtaː.lə(n)/
verb
1. geld (of andere zaken) geven aan iemand om de kosten te voldoen
payer
noun
1. iemand die betaalt
payeur
/bə.ˈta.lɪŋ/
noun
1. het onderhandigen of overboeken van geld in ruil voor goed of dienst
paiement
noun
balance des paiements
noun
fraude aux paiements
noun
délai de paiement
verb
1. met de handen iemands lichaam op verschillende plaatsen aanraken
  1. tripoter
  2. attoucher
verb
1. een vloer of wand van tegels voorzien
daller
verb
1. ergens voor staan
signifier
noun
1. wat iets betekent, waar iets voor staat
  1. sens
  2. acception
/ˈbe.tɔɫ.ˌχø.zə/, /ˈbe.təl.ˌɣø.zə/, /ˈbe.təɫ.ˌɣø.zə/
pronoun
1. de één na helderste ster in het sterrenbeeld Orion, na Rigel
Bételgeuse
adjective
2. teleurgesteld
  1. déconfit
  2. penaud
pronoun
1. stad in Judea, bekend als de geboorteplaats van Jesus
Bethléem
verb
1. het aanbrengen van sierhout
boisser
noun
manifestant
/bə.ˈto.ɣɪŋ/, /bə.ˈto.χɪŋ/
noun
1. een samenkomst van velen, meestal op straat, met als doel een protest te laten horen
manifestation
verb
  1. 2. ergens blijk van geven
    démontrer
  2. 1. ergens de aandacht op vestigen
    souligner
adjective
gris béton
noun
bétonnière
verb
1. getuige worden van het feit dat iemand iets (verbodens) doet
surprendre
verb
1. gaan over, als onderwerp hebben
concerner
noun
relativité
verb
5. bewolkt raken
couvrir
/bə.ˈtrɛ.kɪŋ/
noun
  1. 2. bezigheid waarvoor je een geregeld inkomen krijgt
    1. emploi
    2. office
    3. poste
  2. 1. band of relatie tussen personen of groepen
    relation
verb
1. leedwezen tonen over iets
  1. déplorer
  2. regretter
adjective
  1. 1. die erbij horen
    impliqué
  2. betrokken zijn bij
    être impliqué dans
noun
fiabilité
/bə.ˈtraʊ̯.bar.hɛɪ̯ds.ˌɪn.tər.ˌvɑl/, /bə.ˈtrɔʊ̯β̞.bar.ɦɛːts.ˌɪn.tər.ˌvɑɫ/, /bə.ˈtrʌʊ̯.bar.ɦɛɪ̯ts.ˌɪn.tər.ˌvɑɫ/
noun
1. een statistische intervalschatting voor een parameter
intervalle de confiance
/bɛtwetər/
noun
1. iemand die meent alles beter te weten dan anderen
je-sais-tout
verb
1. iemand iets ~ iemand het recht ergens toe trachten te ontzeggen
contester
/bø/
adjective
1. niet langer iets onaangenaams door de vingers willen zien
marre
noun
  1. 1. boomsoort
    hêtre
  2. 3. lange smalle centrale hal van een kruiskerk
    nef
verb
1. ergens fors op slaan
pilonner
noun
1.
hêtraie
noun
1. hout afkomstig van een beuk
hêtre
noun
2. vrucht van de beuk, Fagus sylvatica
faîne
/bøːl/
noun
  1. 2. wreedaard
    1. bourreau
    2. boucher
  2. 1. uitvoerder van lijfstraffen
    1. bourreau
    2. bourrelle
adjective
1. overrijp, buikziek
blet
noun
  1. 2. een houder voor munten en biljetten
    bourse
  2. 3. toelage voor iemand die studeren wil
    bourse d'étude
  3. 1. het beursgebouw waar aandelen gekocht en verkocht worden
    1. bourse des valeurs
    2. bourse
  4. 4. bijeenkomst waar producenten van een bepaald vakgebied meest nieuwe producten tentoonspreiden
    foire
noun
1. een makelaar aan de beurs
  1. agent de change
  2. boursier
noun
1. bericht over de beurskoersen
bulletin de la Bourse
noun
1. een makelaar aan de beurs
  1. agent de change
  2. boursier
noun
het op een beurs genoteerd staan van een bedrijf
cotation en Bourse
/bøːrt/
noun
1. gelegenheid of opdracht die bewust telkens aan een andere persoon uit en groep gegeven wordt
tour
noun
1. eigendoms- en ontvangstbewijs waarin zeevrachtbrief en vervoersovereenkomst worden gecombineerd
connaissement
adjective
1. breed, diep en stromingsarm genoeg om bevaren te worden
navigable
verb
  1. 2. het leven schenken aan een kind
    accoucher
  2. 1. iets als aangenaam ervaren
    plaire
adjective
1. -gewoonlijk vrouwelijke- schoonheid bezittend die bij anderen -gewoonlijk mannen- in de smaak valt
  1. charmant
  2. gracieux
/bə.ˈvɑ.lɪŋ/
noun
1. het baren van een kind
accouchement
noun
timidité
verb
  1. 2. begrijpen
    concevoir
  2. 1. omvatten, in zich sluiten
    contenir
pronoun
1. Belgische plaats en gemeente in de provincie Waals-Brabant
Beauvechain
noun
1. verplicht uit te voeren opdracht zonder enige tegenspraak.
ordre
verb
1. een dwingende opdracht geven.
commander
verb
1. hard en heftig trillen
trembler
pronoun
Biévène
noun
1. benaming voor zoogdieren uit het geslacht Castor
  1. castor
  2. bièvre
noun
1. Myocastor coypus, een schadelijk knaagdier, leeft vooral in moerassige omgeving
ragondin
verb
  1. 1. zeggen dat iets is zoals gevraagd is of verondersteld wordt
    1. confirmer
    2. accepter
    3. affirmer
    4. ratifier
  2. 2. vastmaken
    1. fixer
    2. attacher
/bə.ˈvɛs.ti.ɣɪŋ(g)/, /bə.ˈvɛs.tə.ɣɪŋ/, /bə.ˈvɛs.tə.χɪŋ/
noun
1. het bevestigen, het mededelen aan iemand dat iets is zoals gevraagd is of verondersteld wordt
confirmation
verb
2. op een bepaalde plaats zijn
se trouver
/bə.ˈvli.ɣɪŋ/, /bə.ˈvli.χɪŋ/
noun
1. een zomaar opkomende lust
coup de tête
verb
1. (iets) een beetje nat maken
  1. humecter
  2. mouiller
  3. abreuver
/bə'vuxtɛit/
noun
autorité
noun
1. alle inwoners van een bepaald land, staat of gebied gerekend
population
noun
1. de toename van de hoeveelheid bevolking
croissance démographique
noun
1. de toename van de hoeveelheid bevolking
accroissement démographique
noun
1. een bepaald deel van de bevolking in een samenleving of gebied
groupe de la population
verb
1. iemand ~: aan iemand bijzondere gunsten verlenen
  1. favoriser
  2. avantager
verb
1. voorzien van benodigdheden
  1. approvisionner
  2. ravitailler
verb
  1. 2. aanmoedigen, promoten
    promouvoir
  2. 1. een hogere rang verlenen aan iemand
    1. promouvoir
    2. faire passer
verb
1. beantwoorden aan een sterk verlangen
satisfaire
noun
1. de beantwoording aan een sterk verlangen
satisfaction
/bə'vrizə(n)/
verb
1. door afkoeling in vaste toestand komen
congeler
verb
1. iemand of een bevolking van gevangenschap of onderdrukking verlossen
libérer
/bə.ˈvrɛɪ̯.dɪŋ/, /bə.ˈvrɛː.dɪŋ/
noun
1. het vrij maken van mensen die gevangen gehouden of onderdrukt worden
libération
adjective
fertilisé
verb
1. vuil maken; verontreinigen
  1. salir
  2. souiller
noun
1. persoon die een goed ter bewaring toevertrouwt
déposant
noun
1. handeling waarbij men een goed van een ander ter bewaring aanneemt onder teruggaveverplichting
dépôt
noun
1. persoon die een goed voor een ander ter bewaring aanneemt
dépositaire
verb
1. toezicht houden op de veiligheid van iets of iemand
garder
/bə.ˈwa.kɪŋ/, /bə.ˈʋa.kɪŋ/, /bə.ˈβ̞a.kɪŋ/
noun
surveillance
/bə.ˈwaː.pə.nə(n)/
verb
1. iemand van wapens voorzien
armer
/bə.ˈwa.pə.nɪŋ/, /bə.ˈʋa.pə.nɪŋ/, /bə.ˈβ̞a.pə.nɪŋ/
noun
armement
verb
1. ervoor zorgen dat iets niet verloren raakt
  1. conserver
  2. garder
  3. préserver
/bə.ˈweː.ɣə(n)/, /bə.ˈʋe.χə(n)/, /bə.ˈβ̞e.ɣə(n)/
verb
  1. 1. van plaats veranderen
    bouger
  2. 3. zich bewegen
    se mouvoir
verb
1. iets met stelligheid verklaren waarvan het voor anderen niet duidelijk is of het waar is
prétendre
/bə'wɛrkə(n)/
verb
  1. 1. veranderen om iets voor een of ander doel geschikt te maken
    1. adapter
    2. travailler
  2. 3. proberen iemand van mening te laten veranderen
    disposer
  3. 4. iets met een mes anders maken
    1. façonner
    2. travailler
  4. 2. een bestand of map wijzigen om voor een ander doel geschikt te maken
    éditer
verb
  1. 1. wierookdampen over iets of iemand aanbrengen
  2. 2. iemand lof toezwaaien
encenser
noun
1. datgene wat de juistheid van een bewering onweerlegbaar vast (kan) leggen
preuve
adjective
prouvable
noun
1.
force probante
noun
1. een stuk waarin iets als waar wordt gesteld
  1. document justificatif
  2. justificatif
verb
  1. 1. aantonen; staven
    prouver
  2. 2. betuigen; een dienst bewijzen
    rendre service à
verb
1. met wolken bedekt worden
  1. ennuager
  2. nuager
/bə.ˈwɔl.kɪŋ/, /bə.ˈʋɔɫ.kɪŋ/, /bə.ˈβ̞ɔɫ.kɪŋ/
noun
1. het geheel aan wolken dat in de lucht aanwezig is
nébulosité
/bəˈʋɔɫkt/
adjective
1. met wolken bedekt
  1. couvert
  2. nuageux
noun
1. een persoon die iemand bewondert
admirateur
verb
1. bekijken met respect
admirer
adjective
1. positief, enthousiast
admiratif
/bə.ˈwɔn.də.rɪŋ/, /bə.ˈʋɔn.də.rɪŋ/, /bə.ˈβ̞ɔn.də.rɪŋ/
noun
1. het bekijken met enig ontzag
admiration
noun
1. iemand die in of op iets woont
habitant
/[bəˈʋɵst]/
adjective
1. iets waarvan kennis is genomen
conscient
/bəw'ɤstəlos/
adverb
1. in een toestand waarin men het bewustzijn voor de omgeving is verloren
inconscient
noun
1. de staat van het bewusteloos zijn
inconscience
/bə'wɤ(st)sɛin/
noun
1. een toestand waarin men gewaarwordingen uit zijn omgeving ondergaat
  1. conscience
  2. connaissance
verb
2.
joncher
noun
  1. 1. de achterste mast van een zeilschip
    mât d'artimon
  2. 1. het zeil in de bezaansmast
    voile d'artimon
abbreviation
1. de achterste mast van een zeilschip
mât d'artimon
noun
1. voorwerp om stof en vuil bij elkaar te vegen
balai
verb
1. zich pijn doen
se blesser
adjective
1. gedomineerd door de aanwezigheid van...
occupé
adjective
1. onder de invloed van een boze geest zijn
possédé
noun
1. iemand die bezet, meer in het bijzonder de bezetter van een overwonnen natie in oorlogstijd
occupant
/bə.ˈzɛ.tɪŋ/
noun
1. toestand waarbij het grondgebied van een land wordt bestuurd door een ander land
occupation
verb
1. inspireren
inspirer
/bezəx/
adjective
1. aan het werken
occupé
verb
1. gebruik maken van iets
employer
noun
1. iets waarmee men bezig is
activité
/ˈbe.zəx.ɦʌː.də(n)/, /ˈbe.zəχ.ɦʌʊ.də(n)/, /ˈbeː.zɪx.haʊ̯.də(n)/
verb
  1. 1. de aandacht afleiden
  2. 2. iets te doen geven
occuper
noun
2. het houden van een goed voor zichzelf
possession
/bə'zɪtə(n)/
verb
1. iets in eigendom hebben
posséder
noun
1. de persoon die het bezit van iets heeft
possesseur
verb
  1. 1. te schande maken
    1. déshonorer
    2. souiller
  2. 2. vuil maken
    salir
noun
  1. 1. het bezoeken
  2. 2. de personen die op visite zijn of komen
visite
/bəˈzukə(n)/
verb
1. bij iemand langsgaan of langskomen
visiter
noun
1. een persoon die iemand of iets bezoekt
visiteur
verb
1. salaris geven aan
  1. appointer
  2. rémunérer
  3. rétribuer
adjective
1. bijzonder dronken
  1. soûl
  2. bourré
noun
inquiétude
verb
1. iemand iets ~: bij iemand aan huis afleveren
  1. livrer
  2. porter
noun
livreur
/bə'zʌʏniɣə(n)/
verb
1. door zuinig met geld of iets anders om te gaan de uitgaven verminderen
économiser
verb
1. zwichten
céder
verb
1. het bewustzijn verliezen
évanouir
adjective
1. heraldisch attribuut
pamé
verb
1. iemand installeren in een ambt door de ambtseed af te nemen
faire prêter serment à
verb
1. tot een afsluiting brengen
  1. finir
  2. terminer
pronoun
1.
  1. Be'er Sheva
  2. Beersheba
  3. Bersabée
/bəˈɪnvludə(n)/
verb
1. iemand of iets proberen te veranderen, invloed nemen op
  1. influencer
  2. influer
pronoun
1. taal die in de Indiase staten Bihar and Jharkhand gesproken wordt
bhojpuri
/bu.ˈtan/, /bu.ˈtɑn/
pronoun
1. een land in Azië dat in de Himalaya ingeklemd ligt tussen China, Tibet en India. Het zuidelijke gedeelte van Bhutan ligt op het Indisch subcontinent
Bhoutan
pronoun
Biafra
noun
1. een skisport waarbij de deelnemers op bepaalde punten in een langlaufcircuit met een geweer...
biathlon
verb
1. hevig trillen van kou of angst
  1. frissonner
  2. trembloter
/ˌbi.bəˈlo/
noun
1. klein decoratief voorwerp
bibelot
noun
1. theologische stroming die de teksten uit de Bijbel zeer letterlijk opvat
biblicisme
noun
1.
bibliobus
noun
bibliophile
noun
1. het voorspellen van de toekomst door het op een willekeurige plek openslaan van een (meestal heilig) boek
bibliomancie
/ˌbiblijotekaˈrɛsə/
noun
1. beheerster van een bibliotheek
bibliothécaire
/ˌbiblijote'kaːrɪs/
noun
1. beheerder van een bibliotheek
bibliothécaire
/bib(l)ijo'tek/
noun
1. een plaats waar boeken verzameld staan
  1. librairie
  2. bibliothèque
noun
1.
bibliobus
noun
  1. 1. tweehoofdige spier
  2. 1.2 spier in de bovenarm
biceps
adjective
1. met betrekking tot twee gemeenschappen met verschillende talen, in het bijzonder de Nederlands- en Franstalige Belgen
bicommunautaire
verb
  1. 1. in gebed zijn, een godheid iets vragen
  2. 2. dringend iets vragen, smeken
prier
noun
1. soort van aan de muur bevestigde kom of bak voor het met behulp van water reinigen van de geslachtsdelen, billen en anus na gebruik van het toilet, of om de voeten te wassen
bidet
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Mantodea
mante religieuse
/ˈbɪt.stul/, /ˈbɪt.stuɫ/
noun
prie-dieu
noun
1. de erkenning van zonden aan een geestelijke
  1. pénitence
  2. confession
verb
1. ten overstaan van een geestelijke bekennen welke religeuze wetten men overtreden heeft
confesser
noun
1. een meubelstuk dat bedoeld is voor het aanhoren en afleggen van de biecht
confessionnal
noun
1. een priester die biechten afneemt
confesseur
noun
1. dunne lap vlees van de bovenbil van een rund
bifteck
/bjɛnetɔnedəsətruveɑ͂ː'sɑ͂ːblə/
phraseologicalUnit
bien étonnés de se trouver ensemble
noun
1. alcoholische drank die bereid is uit gefermenteerde mout
bière
/birbrɔuə'rɛi/
noun
1. een bedrijf dat zich toelegt op het brouwen van bier
brasserie
noun
1. vette buik
bedaine
noun
  1. levure boulangère
  2. levure bourgeonnante
  3. levure de bière
  4. levure de boulanger
  5. levure à bourgeon
noun
1. een glas dat speciaal ontworpen is om bier uit te drinken
verre à bière
/bis/
noun
4. een smalle en rechte versieringslijn
passepoil
noun
1. en 2. (groene sprietjes van) looksoort Allium schoenoprasum
  1. ciboulette
  2. cive
noun
betterave
verb
quémander
noun
quémandeur
noun
  1. biphényle
  2. diphényle
  3. phénylbenzène
adjective
bifilaire
noun
biphobie
/bɪx/, /bɪχ/
noun
1. een jong van het varken
  1. porcelet
  2. goret
  3. cochonnnet
noun
1. de volgens de bigbangtheorie enorme explosie waaruit het heelal zo'n 13,7 miljard jaar geleden zou zijn ontstaan
big bang
noun
bigamie
pronoun
1. taalfamilie van ongeveer 20 talen die in het noordwesten van India en in Nepal...
langues biharis
/bɛɪ̯/
noun
1. benaming vliegende insecten uit het geslacht Antophila
  1. abeille
  2. mouche à miel
verb
1. door gebruik te maken van goedgelovigheid misleiden
mener en bateau
noun
1. (de heilige tekst van) het heilige boek der christenen
Bible
noun
1. een exemplaar van de originele Bijbel
  1. bible
  2. Bible
verb
suivre
verb
2. zorgen dat iemand iets leert
apprendre
/ˈbɛːdraʝə/, /ˈbɛːɪdraɣə/
noun
1. iemands aandeel
contribution
verb
1. een aandeel leveren
contribuer
/bɛi'embrɛŋə(n)/
verb
1. bij elkaar brengen
  1. réunir
  2. rassembler
noun
1. het bij elkaar komen van een groep van personen
réunion
noun
1. benaming voor veelkleurige en insectenetende vogels die...
guêpier
/ˈbɛɪ̯.jə(n).ˌɦaʊ̯.dər/, /ˈbɛɪ̯.jə(n).ˌɦʌʊ̯.dər/, /ˈbɛː.jə(n).ˌɦɔʊ̯.dər/
noun
1. iemand die bijen houdt voor het verkrijgen van honing
apiculteur
noun
1. moeder van alle bijen in een bijenkorf
reine des abeilles
noun
ophrys abeille
/ˈbɛː.jə(n)ˌteɫt/
noun
1. het houden van bijen
apiculture
/ˈbɛɪ̯.ɣə.ˌlof/, /ˈbɛɪ̯.χə.ˌlof/, /ˈbɛː.ɣə.ˌlof/
noun
1. een geloof in iets extra's en onnatuurlijks
superstition
noun
klein, licht gerecht dat als begeleiding bij een andere maaltijdgang
plat d'accompagnement
/ˌbɛɪχəˈvɔɫχ/, /ˌbɛːɣəˈvɔlx/
adverb
1. daardoor
par conséquent, conséquemment, de ce fait
/bɛɪˈkɑns/
adverb
presque
noun
1. een vertrek aangebouwd aan de eigenlijke keuken dat voor ondersteunende huishoudelijke handelingen gebruikt wordt
arrière-cuisine
/bɛɪ̯l/, /bɛːɫ/
noun
1. hakwerktuig met een smalle snee en een lange steel die vooral voor het kappen van bomen gebruikt
  1. hache
  2. cognée
noun
  1. 2. een bestand dat bij een e-mail is meegezonden
  2. 1. geschrift ter aanvulling
pièce jointe
verb
  1. 1. toevoegen
    ajouter
  2. 2. meningsverschil of ruzie oplossen.
    1. arranger
    2. régler
verb
1. licht laten schijnen op de handen van iemand die ergens mee bezig is
éclairer
/'bɛɪ.na/
adverb
1. op zo'n manier dat het niet veel scheelt of iets is zo
presque
noun
1. breed bekende, niet-officiële naam van een persoon, een groep van personen of een zaak
surnom
noun
glande surrénale
adjective
1. goed staan bij elkaar
conforme
noun
notice d'emploi
verb
1. een naar verhouding kleine verandering aanbrengen in de instelling van iets
ajuster
/bɛi̯t/
noun
1. gat dat geslagen werd door een mens in het ijs van een bevroren wateroppervlak
trou dans la glace
/ˈbɛi̯tə(n)/
verb
1. iets afsnijden of afscheuren door tanden tegen elkaar te duwen
mordre
noun
approbation
verb
1. als extra ergens aan toevoegen
  1. ajouter
  2. joindre
noun
1. een werkwoordswijs waarmee men een wens of onzekerheid tot uitdrukking kan brengen.
subjonctif
/bɛɪ̯ˌvuχlək ˈnamʋo̞rt/, /bɛːˌvuxlək ˈnamβ̞oːrt/, /ˌbɛɪ̯vuɣ(ə)lɪk ˈnaːmwoːrd/
noun
1. een woordsoort die wordt gebruikt om een eigenschap of hoedanigheid van...
adjectif
noun
1. Artemisia vulgaris, een plant uit de composietenfamilie Asteraceae
armoise
abbreviation
1. als voorbeeld, om tot voorbeeld te dienen
par exemple
/'bɛɪʋɛrkə(n)/
verb
1.
actualiser
/bɛiʋɛrkɪŋ/
noun
effet secondaire
adverb
1. soms, geregeld, van tijd tot tijd
parfois
/ˈbɛɪ̯.wo.nə(n)/, /ˈbɛɪ̯.ʋo.nə(n)/, /ˈbɛː.β̞o.nə(n)/
verb
1. opzettelijk aanwezig zijn bij iets
assister
noun
1. een woord dat een bijvoeglijk naamwoord, een werkwoord, een telwoord of een ander bijwoord nader bepaalt
adverbe
noun
détail
/bɛizɪn/
noun
1. een deel van een uiting dat een ondergeschikte rol speelt ten opzichte van de hoofdzin
  1. proposition subordonnée
  2. subordonnée
noun
1.vrouw met wie een man in ongehuwde staat...
concubine
/biˈzɔndər/, /bɛ<sup>ɪ</sup>ˈzɔndər/
adjective
1. een hoogst eigenaardige kwaliteit of eigenschap hebbend
  1. particulier
  2. particulière
noun
1. tweedelige zwemkleding voor de vrouw
  1. bikini
  2. deux-pièces
noun
1. klein klompje hard materiaal
osselet
verb
2. het nuttigen van voedsel
  1. bouffer
  2. grailler
noun
1. elk van beide lichaamsdelen gevormd door de grote spieren die het bekken ...
fesse
adjective
1. aan twee kanten, in twee richtingen (buitenkanten)
bilatéral
adjective
1. met betrekking tot gal
biliaire
noun
1. spel
  1. billard
  2. billards
noun
1. gladde, massieve en vrijwel perfect bolvormige bal gebruikt in het biljartspel
bille
noun
billon (alliage)
noun
1. de scheiding of spleet tussen beide billen
raie des fesses
noun
1. bepaald soort inheemse gifplant, Hyoscyamus niger
jusquiame
noun
bilame
adjective
binaire
verb
1. vastmaken (evt. figuurlijk)
  1. lier
  2. attacher
noun
1. boekbinder
relieur
noun
1. en 2. (bladeren van) sla met een stevige rechte krop
laitue romaine
noun
1. een slijmvlies dat de sclera en de binnenste zijde van de oogleden bedekt
conjonctive
noun
1.een ontsteking van het bindvlies dat de buitenkant van het oogwit en de binnenkant van de oogleden bekleedt
conjonctivite
/ˈbɪntˌʋeːf.səl/
noun
1. weefselsoort dat dient ter ondersteuning en verbinding
tissu conjonctif
verb
1. meerdere afleveringen van een tv-serie na elkaar bekijken
binge-watcher
interjection
1. een uitroep gebruikt door spelers van bingo om aanspraak te maken op een overwinning
bingo
noun
1. kansspel
bingo
preposition
dedans
/ˈbɪnənˌbɑnt/
noun
1. binnenste band, de band waarin de lucht aanwezig is
chambre à air
noun
1. binnendraad
filet interne
verb
1. ergens in gaan
entrer
adverb
au dedans
noun
  1. intérieur
  2. dedans
verb
1. een ruimte betreden
entrer
adverb
1. binnen afzienbare tijd
bientôt
noun
1. een deel van een land dat ver van kust of grens gelegen is
arrière-pays
noun
binnenoor
oreille interne
noun
1. een open ruimte omringd door gebouwen, vaak tussen voor- en achterhuis
cour intérieure
noun
1. (langwerpig) schip dat hoofdzakelijk dient voor goederenvervoer op de binnenwateren.
péniche
noun
1. binnenschroefdraad
filet interne
/ˈbɪnə(n)ˌstɑt/
noun
1. een, meestal oud, stadscentrum
coeur de la ville
noun
1. een minder belangrijke en meestal kortere weg
raccourci
noun
poche intérieure
noun
1. een band parallel aan de omtrek van een wapenschild
orle
noun
1. een knijpbril of binoculaire verrekijker, onder meer gebruikt om toneelvoorstellingen beter te zien
binocle
adjective
1. voor twee ogen
binoculaire
noun
bioénergie
noun
1. bepaalde soort vlinder, Vanessa atalanta
bioéthique
adjective
1.
biodégradable
noun
1. een wetenschapper die de biochemie beoefent
biochimiste
/'bioˌxemi/
noun
1. de wetenschap die de chemische processen van het leven op moleculair niveau bestudeert
biochimie
/bio:sidə/
noun
biocide
/ˈbiodivɛrsiˌtɛɪt/
noun
1. soortenrijkdom, het aantal verschillende diersoorten
biodiversité
noun
  1. biographie
  2. vie
/ˌbiʲoloˈɣi/, /ˌbiʲoloˈχi/
noun
1. wetenschap van de levende wezens, levensvormen en levensverschijnselen
biologie
/ˌbijo'loːɣis/
adjective
  1. 1. te maken hebbend met de biologie
  2. 2. van gelijke afstamming
  3. 3. van dier en plantvriendelijke landbouw en veeteeld
biologique
/ˌbioˈlox/, /ˌbioˈloχ/
noun
1. een wetenschapper die de biologie beoefent
biologiste
noun
1.
biomarqueur
noun
biomasse
noun
  1. 2. verzameling technieken gericht op het meten en vaststellen van alle meetbare eigenschappen van levende wezens
  2. 1. wiskundige-statistische kant van de biologie
biométrie
noun
bionique
noun
bioremédiation
noun
1. gebouw waarin mensen in stoelen naar een film geprojecteerd op een groot scherm kunnen kijken
cinéma
noun
1.
film cinématographique
noun
1. een gebied met een uniform landschapstype waarin bepaalde organismen kunnen gedijen
biotope
adjective
1. waarin slechts twee toestanden of posities kunnen voorkomen
bipolaire
pronoun
1. een taal die in Myanmar gesproken wordt, een minderheidstaal in Bangladesh, Maleisië en Thailand is...
birman
/bis/
noun
  1. 1. verhoogde toon b
    si dièse
  2. 3. bis-mineurgrondakkoord
    si dièse mineur
  3. 2. bis-kleinetertstoonladder
    si dièse mineure
abbreviation
  1. 1. het akkoord bis - disis - fisis
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
si dièse majeur
noun
  1. 1. het akkoord bis-dis-fisis
  2. 2. de mineur toonsoort op bis
si dièse mineur
abbreviation
1. Bis-groot
ré dièse majeur
abbreviation
1. het akkoord bis-disis-fisis
accord de si dièse majeur
noun
1. een majeurtoonladder met “bis” als grondtoon
gamme de si dièse majeur
noun
1. een grotetertstoonladder met “bis” als grondtoon
gamme de si dièse majeur
noun
1. een majeurtoonladder met “bis” als grondtoon
gamme de si dièse majeur
noun
1. een majeurtoonladder met “bis” als grondtoon
gamme de si dièse majeur
abbreviation
1. bis-klein
si dièse mineur
abbreviation
1. het akkoord bis-dis-fisis
accord de si dièse mineur
noun
1. een mineurtoonladder met “bis” als grondtoon
gamme de si dièse mineur
noun
1. een kleinetertstoonladder met “bis” als grondtoon
gamme de si dièse mineure
abbreviation
1. Bis-majeur
si dièse majeur
abbreviation
1. het akkoord bis-disis-fisis
accord de si dièse majeur
noun
1. een grotetertstoonladder met “bis” als grondtoon
gamme de si dièse majeur
noun
1. een grotetertstoonladder met "bis" als grondtoon
gamme de si dièse majeur
noun
1. een grotetertstoonladder met “bis” als grondtoon
gamme de si dièse majeure
noun
1. een grotetertstoonladder met “bis” als grondtoon
gamme de si dièse majeur
abbreviation
1. bis-mineur
si dièse mineur
abbreviation
1. het akkoord bis-dis-fisis
accord de si dièse mineur
noun
1. een kleinetertstoonladder met “bis” als grondtoon
gamme de si dièse mineure
noun
1. een kleinetertstoonladder met “bis” als grondtoon
gamme de si dièse mineure
noun
1. middelgroot waterbewonend zoogdier
rat musqué
/ˈbɪzdɔm/
noun
1. kerkrechtelijk afgebakend gebied dat onder de bevoegdheid van een bisschop staat
  1. évêché
  2. diocèse
noun
bisexualité
/bisɛksye:l/
adjective
1. seksueel gericht op beide geslachten
bisexuel
noun
1. tweemaal verhoogde toon “b”
si double dièse
pronoun
1. streek en provincie van Spanje rond de stad Bilbao
Biscaye
noun
bismuth
noun
1.een lipofiele selectieve bètablokker
bisoprolol
/bɪsxɔp/
noun
1. een christelijke geestelijke die aan het hoofd staat van een bisdom
évêque
adjective
1. op het ambt van bisschop betrekking hebbend
épiscopal
verb
1. een studiejaar overdoen na gezakt te zijn
redoubler
verb
bisser
noun
1. & 2. donkerbruine kleurstof, gewonnen uit roet of verkoold beukenhout; roetbruin
bistre
/bɪt/
abbreviation
1. in de informatica en de computertechnologie de kleinste eenheid van informatie
bit
pronoun
1.
Bitbourg
noun
bitcoin
pronoun
1. Belgische plaats en gemeente in het noorden van de provincie Luik
Bassenge
adverb
1. een vaak als onaangenaam ervaren smaak, niet behorend tot zout, zuur of zoet
amer
noun
  1. 1. de mate waarin iets een bittere smaak heeft
  2. 2. de mate waarin iets een bittere gevoelens nalaat
amertume
noun
1. bepaalde vissoort die voorkomt in schoon stilstaand of langzaam stromend water Rhodeus amarus
bouvière
verb
bituminer
/bivɑ'kerən/
verb
in de open lucht een kamp hebben
bivouaquer
noun
1. muts die tot onder de kin doorloopt met openingen om door te kijken en te ademen
cagoule
adjective
bizarre
noun
1. Noord-Amerikaans zoogdier, Bison bison
bison
noun
blâme
/blaːr/
noun
1. onderhuidse vochtophoping
  1. ampoule
  2. cloque
  3. phlyctène
  4. cloche
noun
1. hol orgaan dat gevuld is met een hoeveelheid gas en/of vloeistof
vessie
noun
1. een muziekinstrument waarvan de klank wordt voortgebracht door een luchtstroom
instrument à vent
noun
1. een meetapparaat dat het alcoholpromillage in iemands bloed via de adem bepaalt
éthylotest
noun
  1. 1. plat, groen onderdeel van planten
  2. 2. vel papier
feuille
noun
écaillure
noun
1. een deegsoort die in rechthoekige plakken wordt gebruikt
pâte feuilletée
/blɑt'xrun/
noun
chlorophylle
noun
1.beschrijvende plantkunde: het onderste deel van een blad dat de overgang naar de steel vormt
coussinet foliaire
noun
1. een schadelijk klein insect dat zich voedt met het sap van jonge plantenscheuten...
puceron
noun
1. muziek die in notenschrift op papier is gezet
musique
noun
pétiole
adjective
caducifolié
noun
  1. 1. hulpmiddel om bij te houden waar iemand is tijdens het lezen van een boek
  2. 2. bewaarde hyperlink
marque-page
/ˈblɑtsɛidɚ/
noun
1. elk van de beide zijden van een blad papier in boek, krant of tijdschrift
page
noun
1. het geluid van een hond
aboiement
verb
1. geluid maken dat kenmerkend is voor een hond
aboyer
noun
bougeoir
noun
1. een afgang veroorzaakt door eigen falen
  1. honte
  2. déshonneur
verb
1. onteren
compromettre
verb
1. het gedurende zeer korte tijd in kokend water gaar laten worden van voedingsmiddelen, zodat geur, smaak en uiterlijk optimaal behouden blijven
blanchir
noun
vote blanc
/blɑŋk/
adjective
  1. 1. met lichte huidskleur
    blanc
  2. 2. onbeschreven
    1. blanc
    2. vierge
  3. 4. overspoeld
    inondé
noun
1. tint grijs met RAL-nummer 9006
aluminium blanc
noun
1. bepaald soort zoetwatervis, Rutilus rutilus
  1. gardon
  2. gardon blanc
  3. gardon commun
  4. roche
  5. rousse
verb
1. godslasteringen uiten
blasphémer
/ˈblatə(n)/
verb
het geluid van een schaap maken
bêler
/blʌʊ/
adjective
1. de kleur blauw hebbend
bleu
/blʌʊ/
noun
1. primaire kleur die zich in het spectrum bevindt tussen cyaan en violet
bleu
/ˈblʌʊɑɫɣə(n)/
noun
2. taxonomisch rijk binnen het domein van de bacteriën waarvan de leden zich met behulp van oxynogene fotosynthese voeden.
  1. cyanobactéries
  2. cyanophycées
pronoun
Barbe-bleue
noun
1. bepaald soort visje van maximaal 11 cm dat van oorsprong uit Azië komt, Pseudorasbora parva
pseudorasbora
noun
1. bepaald soort lijsterachtige, Luscinia svecica
  1. gorgebleue à miroir
  2. gorge-bleue à miroir
noun
1. Vaccinium corymbosum, een plant uit de heifamilie Ericaceae
  1. bleuet en corymbes
  2. myrtille américaine
noun
1. bepaald soort vaste plant, Vaccinium myrtillus
  1. myrtille
  2. myrtille commune
noun
1.
pennipatte bleuâtre
noun
1. witte kraaiachtige met lavendelblauw verenkleed op de rug en kop Cyanocitta cristata
geai bleu
noun
1. bepaalde soort roofvogel uit de familie van de arendachtigen, Circus cyaneus
  1. busard Saint-Martin
  2. busard saint-martin
noun
1. bepaald soort grote vogel, Ardea cinerea
héron cendré
noun
1. Balaenoptera musculus, een baleinwalvis, de grootste van alle walvisachtige
baleine bleue
noun
1. bepaald soort vaste plant, Eryngium maritimum
panicaut maritime
/ˈblɑuɣrɛis/
adjective
gris bleu
/ˈblɑuɣrun/
adjective
vert bleu
noun
1. soldaat of burger die lid is van de VN-vredesmacht
  1. Casque bleu
  2. casco azul
  3. casque bleu
/ˈblʌʊəχ/, /ˈblʌːβ̞əx/
adjective
2. op blauw lijkend
  1. bleuâtre
  2. bleuté
adjective
lilas bleu
noun
1. bepaald soort karperachtige riviervis Vimba vimba
  1. vimbe
  2. brème de la mer Noire
  3. serte
noun
2. blauw gekleurde vlindersoorten uit het ondergeslacht Polyommatinae
azuré
/ˈblʌʊʋirə(n)/
noun
2. taxonomisch rijk binnen het domein van de bacteriën waarvan de leden zich met behulp van oxynogene fotosynthese voeden.
  1. cyanobactéries
  2. cyanophycées
noun
  1. cyanure d'hydrogène
  2. acide prussique
/'bla.zə(n)/, /'ble.zə(n)/
verb
1. een luchtstroom veroorzaken
souffler
adjective
1. gering van kleur
  1. pâle
  2. blafard
noun
1. bepaald soort eenjarige plant, Alyssum alyssoides
  1. alysson calicinal
  2. alysson à calice persistant
adjective
brun pâle
/ˈblekɣrun/
adjective
vert pâle
adjective
rosé
noun
eau de javel
verb
1. witter of lichter doen worden
blanchir
noun
mixeur
noun
1. een verwonding die men door sportbeoefening heeft gekregen
blessure
pronoun
1. samenwerkingsverband tussen België en Luxemburg
UEBL
/blɛi̯/
adjective
  1. content
  2. heureux
  3. heureuse
noun
1. een aangename stemming
joie
/ˈblɛɪ̯ɦɛɪ̯t/, /ˈblɛːɦɛːt/
noun
1. een positieve stemming
joie
verb
il apparaît que
noun
1. een toneelstuk, film of boek dat het doel heeft het publiek te vermaken en aan het lachen te maken
  1. comédie
  2. farce
/blɛ.və(n)/
verb
  1. 1. niet veranderen
    rester
  2. 3. ergens vertoeven
    séjourner
noun
  1. 2.1 cilindervormig luchtdicht afgesloten vaatje van dun metaal
    boite de conserve
  2. 1.1 vertind dun plaatstaal
    fer blanc
noun
ouvre-boîtes
/blɪksəm/
noun
1. de lichtgevende stralen die uit de hemel barsten bij onweer
  1. foudre
  2. éclair
adjective
1. niet in staat te zien
aveugle
noun
1. over de ogen gebonden reep ondoorzichtige stof om het zien te verhinderen
bandeau
verb
1. iemand de ogen afdekken om het zien te verhinderen
bander
noun
cæcum
adverb
aveuglément
noun
1.
chien guide d'aveugle
/'blɪndɦɛɪt/
noun
1. een toestand waarin men niet in staat is te zien
cécité
noun
1. een klinknagel voor plaatwerk dat slechts eenzijdig bereikbaar is
rivet aveugle
noun
1. een tang waarmee de zogenaamde pop- of blindklinknagels kunnen worden vastgeklemd
pince à riveter
noun
1. een tang waarmee de zogenaamde pop- of blindklinknagels kunnen worden vastgeklemd
pince à riveter
verb
1. in opvallende mate licht weerkaatsen of uitzenden
briller
noun
1. rood lichaamsvocht in aderen
sang
noun
analyse de sang
noun
anémié
/ˈblutbɑt/
noun
1. een gebeurtenis waarbij op grote schaal bloed vergoten wordt
massacre
noun
banque du sang
noun
sédimentation sanguine
noun
cellule sanguine
noun
2. afgestaan bloed
don de sang
noun
donneur de sang
noun
tension artérielle
verb
1. het vloeien van bloed
saigner
noun
1. een ziekte waarbij het bloed moeilijk stolt
hémophilie
noun
glucose du sang
noun
groupe sanguin
noun
1. Brits hondenras met grote kop, lange hangende oren en een lange staart
limier
noun
  1. saignement
  2. hémorragie
noun
prise de sang
pronoun
1. bijnaam voor de Raad van Beroerten
Conseil des Troubles
noun
sérum
noun
circulation sanguine
noun
glucose du sang
noun
glycémie
noun
transfusion sanguine
noun
1. bloeduitstorting in de huid
hématome
noun
1. een bloedader
vaisseau sanguin
noun
vergiftiging door ziekteverwekkende bacteriën in het bloed
septicémie
noun
hématophobie
/'blutʋɔrst/
noun
1. vleeswaar vervaardigd van het bloed en het vet van een varken
boudin noir
noun
vendetta
noun
1. een worm die bloed zuigt uit mens en dier
sangsue
/bluj/, /bluɪ̯/
noun
1. toestand waarin een plant bloemen draagt
floraison
verb
  1. 1. het dragen van open, actieve bloeiwijzen
    fleurir
  2. 2. het bijzonder goed maken
    1. fleurir
    2. prospérer
noun
  1. 2. fijngemalen poeder, meestal van granen
    farine
  2. 1. een deel van plant met zaden
    fleur
noun
lit de fleurs
/bluməkɔrso/
noun
1. optocht van met bloemen versierde voertuigen
corso fleuri
/bluməkɔrso/
noun
1. een geur afkomstig van bloemen of die aan bloemen doet denken
parfum de fleurs
noun
fleuriste
noun
fleuriste
noun
  1. 1. bloemenverkoper
    fleuriste
  2. 2. bloemenkweker
    floriculteur
noun
1. een kool met vlezige bleekgele bloemstengels die als groente gegeten wordt
chou-fleur
noun
feuille de chou-fleur
noun
florilège
noun
1. pot waarin men een plant kweekt
pot de fleurs
noun
coupe au bol
noun
sucre en poudre
noun
1.
blogueur
noun
blogueuse
noun
  1. 1. een vaak hoekig massief stuk materiaal
    bloc
  2. 2. een katrol
    poullie
noun
1. een eenvoudig houten blaasinstrument
flûte à bec
noun
  1. blocus
  2. blocage
/ˈblɔkə(n)/
verb
  1. 1. heel hard studeren
    1. bachoter
    2. potasser
    3. bloquer
    4. piocher
  2. 2.
    bloquer
verb
1.de toe- of doorgang versperren
bloquer
noun
1. een werktuig om hout glad, vlak of dunner te maken
rabot
/blɔnd/, /blɔnt/
adjective
1.
blond
/blɔnˈdiːnə/
noun
1. blond meisje, blonde vrouw
  1. blonde
  2. blondine
verb
1.in aanraking doen komen met
exposer à
noun
1. het ongewapend, onbeschermd in contact komen met een gevaar
exposition
noun
een rode kleur op de konen
teint
noun
1. kledingstuk
chemisier
verb
rood worden in het gezicht, bijvoorbeeld van verlegenheid of schaamte
rougir
noun
1. een melancholieke muziekstijl
blues
/blʏf/
noun
1. poging tot intimidatie
bluff
noun
1.
bateau-pompe
verb
1. het doven van een brand
éteindre
/blɵt/
adjective
1. geen geld meer hebbend
fauché
verb
  1. 1. heel hard huilen
    brailler
  2. 2. blaten
    bêler
noun
2. de afkorting voor Bollack, Netter & Co, een voormalig Frans automerk
BNC
noun
sneetje brood
tartine
noun
1. zeer grote wurgslang
boa
pronoun
1. tweede grootste stad van Burkina Faso, gelegen in het westen van het land
Bobo Dioulasso
verb
1. een sport waarbij een bochtig ijsparcours wordt afgelegd in een bestuurbare slee
bobsleigh
noun
1.
bobeur
noun
  1. 2. een brede baai aan de kustlijn
    baie
  2. 1. gebogen weg of pad
    courbe
pronoun
1.
Bochum
noun
1. iemand die gezonden wordt om een bericht, dienst, voorwerp enz. af te leveren
messager
noun
analyse du sol
/ˈbodəmˌkʏndə/
noun
pédologie
adjective
sans fond
noun
1. .
pollution de sol
noun
acidification de sol
pronoun
1.
  1. lac de Constance
  2. Bodan
noun
1. bodhran
bodhrán
pronoun
1. de hoofdstad van Hongarije
Budapest
pronoun
Bouddha
noun
1. volger van de leer van Boeddha
bouddhiste
noun
1. iemand die zich onbehoorlijk of misdadig gedraagt
  1. bandit
  2. voyou
noun
1. de voorkant van een schip
  1. proue
  2. étrave
noun
  1. 1. een beeld dat ter versiering aangebracht werd op de voorsteven van een schip
    figure de proue
  2. 2. als voorbeeld, uithangbord of visitekaartje fungeren
    égérie
noun
1. een geleider voor kabel of touw
chaumard
noun
1. uitstekend rondhout aan de voorsteven van een zeilschip
beaupré
noun
1. een drijvend en verankerd voorwerp om de vaargeul in ondiepe wateren aan te geven
bouée
/bujə(n)/
verb
  1. 2. fascineren
    1. captiver
    2. fasciner
  2. 1. kluisteren
    enchaîner
noun
1. een ingebonden bundel bedrukte of beschreven vellen papier
  1. livre
  2. bouquin
noun
boucanier
pronoun
1. de hoofdstad van Roemenië
Bucarest
noun
relieur
noun
1. de in de 15de eeuw ontwikkelde kunst om teksten door middel van een drukpers te vermenigvuldigen
imprimerie
/ˈbukən/
verb
1. reserveren van bijvoorbeeld een hotelkamer
réserver
noun
1.
bibliobus
/ˈbu.kə.ˌkɑs/, /ˈbu.kə.ˌkɑst/
noun
1. een kast voor de opslag en het laten zien van boeken
bibliothèque
noun
1. hulpmiddel om bij te houden waar iemand is tijdens het lezen van een boek
marque-page
noun
1. een bos snijbloemen, vaak sierlijk gerangschikt
bouquet
noun
1. boekwinkel
librairie
noun
1. iemand die de inkomsten en uitgaven van een organisatie bijhoudt
comptable
noun
bijhouden van gegevens
comptabilité
noun
omasum
noun
1. en 2. (gepelde zaden van) plant Fagopyrum esculentum
sarrasin
noun
fijn gemalen zaden van boekweit
  1. farine de blé noir
  2. farine de sarrasin
noun
1. geplette granen van Fagopyrum esculentum
  1. flocons de sarrasin
  2. pétales de sarrasin
/ˈbuk.wɪŋ.kəl/, /ˈbuk.ʋɪŋ.kɔɫ/, /ˈbuk.β̞ɪŋ.kəɫ/
noun
1. een winkel waar boeken verkocht worden
librairie
/bumɑn/
noun
1. een denkbeeldig wezen dat als schrikbeeld dient
croque-mitaine
/'bunən/
verb
  1. 2.Inwrijven met was tot het glanst.
    cirer
  2. 1. schrobben tot het glanst
    récurer
/buːr/
noun
  1. 1. landbouwer
    1. paysan
    2. fermier
    3. campagnard
  2. 4. speelkaart
    valet
noun
  1. 2. een onderneming van een boer
    1. exploitation agricole
    2. ferme
  2. 1. een woning met bedrijfsruimte van een boer
    ferme
noun
1. een lomperd
  1. pécore
  2. péquenaud
  3. péquenot
/burə'kol/
noun
  1. 1. en 2. (gekrulde bladeren van) bladgewas (kool)
    chou frisé
  2. 2. een stamppot van boerenkool met aardappelen
    potée de chou frisé
/ˈbuː.rə(n).fər.ˌstɑnt/
noun
1. gezond verstand
  1. bon sens
  2. jugeote
noun
1. bepaald soort samengesteldbloemige plant Tanacetum vulgare
tanaisie commune
/ˈburə(n)ˈzwalyw/
noun
1. een kleine trek- en zangvogel
hirondelle rustique
pronoun
1. een van de 26 regio's van Frankrijk
Bourgogne
noun
1. het gehele lichaam, inclusief gezicht en ogen, verhullend gewaad gedragen door (streng) islamitische vrouwen
burqa
noun
burquini
adjective
1. weinig beschaafd, weinig verfijnd
  1. grossier
  2. beauf
  3. quétaine
noun
pénitence
noun
boutique
noun
1. klei waarmee je een voorbeeld voor een beeldhouwwerk kunt maken, klei die op school gebruikt wordt bij handenarbeid
  1. pâte à modeler
  2. argile à modeler
noun
ami de coeur
/bɔf/
noun
  1. 2. ziekte
    oreillons
  2. 1. geluk, mazzel
    veine
verb
1. geluk hebben
avoir de la chance
noun
1. iemand die onwaarschijnlijk veel geluk heeft, een boffer
veinard
pronoun
1. historische landstreek in de Tsjechische Republiek
Bohême
noun
1. scheikundig element met symbool Bh en atoomnummer 107
bohrium
noun
  1. 1. mannelijke geit
    bouc
  2. 1. platform waarop een dirigent voor het orkest staat
    1. estrade
    2. podium
/ˈbɔkə(n)/
verb
1. mokken omdat men zich verongelijkt voelt
faire la tête
noun
1. gerookte en gezouten haring
hareng saur
pronoun
1. meest gebruikte schrijfwijze van het Noors
bokmål
noun
1. een tactische vechtsport
boxe
verb
1. vuistvechten als sport
boxer
noun
1. een persoon die het boksen beoefent
boxeur
noun
1. handschoen gedragen tijdens het boksen
gant de boxe
noun
coup-de-poing
/ˈbɔksmɑtʃ/
noun
1.
  1. boxing match
  2. match de boxe
noun
straalvinnige vis (Boops boops) uit de familie van zeebrasems
bogue
adverb
1. een glooiende uitstulping in een oppervlak vormend
convexe
noun
1. een driedimensionaal rond lichaam zie sfeer
  1. sphère
  2. boule
noun
1. bolder
  1. bollard
  2. poteau d'amarrage
noun
1. gewas dat overwintert door in een al of niet ondergrondse bol, in feite een bolvormige ophoping van vlezige bladeren, voedsel op te slaan
plante bulbeuse
noun
1. hoed
  1. chapeau melon
  2. melon
noun
1. een bolvormige groep sterren zoals die in galactische halo's kunnen worden aangetroffen
amas
/boˈlivi.ja/
pronoun
1. een republiek in Zuid-Amerika die grenst aan Peru, Brazilië, Paraguay, Argentinië en Chili
Bolivie
noun
1. bergtrui in de Ronde van Frankrijk
  1. maillot à pois
  2. maillot à pois rouges
pronoun
1. een stad in Italië
Bologne
noun
bolchévisme
noun
brou
/bɔm/
noun
1. vernietigingstuig dat gevuld is met explosieven
  1. bombe
  2. explosif
noun
1. beschieting met bommen, het werpen van bommen
bombardement
verb
1. bommen of andere projectielen afvuren op iets of iemand
bombarder
verb
bomber
noun
1. een brief die explodeert wanneer men hem opent
lettre piégée
noun
1. een mededeling dat er een bom gaat ontploffen
alerte à la bombe
noun
1. een militair vliegtuig dat is ontworpen voor het werpen van bommen op gronddoelen
bombardier
pronoun
1. eiland in het zuidelijke gedeelte van de Caraïbische Zee
Bonaire
noun
1.
bonbon de chocolat
noun
1. een andere macht waarmee een afspraak gemaakt is aan dezelfde zijde te zullen strijden
allié
noun
  1. alliance
  2. coalition
pronoun
1.
Bundestag
noun
sarriette
noun
seconde de bonfication
noun
courbe de Bonjean
pronoun
1.
Bonn
noun
1. Pan paniscus, een mensaap, staat samen met de chimpansee van alle diersoorten...
bonobo
/bɔnt/
adjective
1. met veel verschillende felle kleuren
bigarré
/bɔnt/
noun
fourrure
noun
1. soort dagvlinder, Pararge aegeria
tircis
noun
1. bepaalde vogelsoort uit de familie van plevieren, Charadrius hiaticula
grand gravelot
noun
manteau de fourrure
noun
1. van bont gemaakte jas
manteau de fourrure
noun
3. (eufemisme) kleine ~ "plassen", grote ~ "poepen"
commission
noun
(huishouden) lijst waarop staat welke inkopen gedaan moeten worden
liste des courses
/ˈbotsxɑpər/
noun
1. berichtenoverbrenger
messager
noun
1. vrouwelijke persoon die een bericht overbrengt
messagère
noun
    1. 3. deel van bouwwerk
    2. 2. cirkelboog
    arc
  1. 1. wapen
    1. arc
    2. arche
noun
pont en arc
noun
1.
lampe à arc
noun
1. een sport waarbij pijlen worden weggeschoten naar een doel met behulp van een boog
tir à l'arc
pronoun
2. teken van de dierenriem van 22 november tot 22 december
Sagittaire
noun
1. iemand die schiet met een boog
archer
noun
seconde d’arc
noun
1. meerjarige plant met houten stam
arbre
/ˈbom.bɑst/
noun
écorce
/ˈbom.blɑt/
noun
1. een blad van een boom
feuille d'arbre
/ˈbom.blɑʊ̯.cə/, /ˈbom.blɔʊ̯.tʲə/
noun
1. bepaald soort dagvlinder, Celastrina argiolus
  1. Argus à bande noire
  2. Azuré des nerpruns
noun
1. een stuk grond met vruchtbomen
verger
/ˈbom.ɣrɛns/, /ˈbom.χrɛns/
noun
1. een grens waarboven geen bomen meer groeien
limite des arbres
noun
  1. bruyère arborescente
  2. bruyère blanche
noun
1. Bombus hypnorum, vrij grote soort hommel
bourdon des arbres
/ˈbom.kɑp/
noun
1. het rooien van bomen
exploitation forestière
noun
1. Hyla arborea, klein kikkertje dat zich in bomen en heesters kan begeven
rainette
noun
1. bepaald soort vogeltje, Sitta europaea
  1. sittelle
  2. torchepot
/ˈbom.krœʏ̯.pər/, /ˈbom.krœː.pər/
noun
1. eepaald soort bruin vogeltje, Certhia brachydactyla
grimpereau des jardins
/ˈbom.kɵn.də/, /ˈbom.kʏn.də/
noun
dendrologie
/ˈbom.leː.β̞əˌrɪk/, /ˈbom.lɪː.β̞əˌrɪk/
noun
1. een vogelsoort die inheems is in Nederland en België
  1. alouette lulu
  2. trädlärka
/ˈbom.mɑr.tər/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Martes martes
martre des pins
/ˈbom.mes.tər/
noun
1. een persoon die de slagboom naar de haven beheert en havengelden in ontvangst neemt
officier de port
/ˈbo.məˌlun/
noun
1. de vrucht van de meloenboom
Papayafrukt
/ˈbo.mɛs/
noun
1. een groot mes om bomen mee te schillen
  1. plane
  2. plane de menuisier
/ˈbomnɪmf/
noun
  1. 2. soort vlinder Idea leuconoe uit Zuidoost-Azië
    Grand Planeur
  2. 1. vrouwelijke halfgoden, sterk verbonden met een boom in de Griekse mythologie
    dryade
/ˈbom.pi.pər/
noun
1. een vogelsoort die inheems is vrijwel geheel europa
  1. pipit des arbres
  2. trädpiplärka
/ˈbom.sxɔrs/, /ˈbom.sχɔrs/
noun
1. het dode buitenste deel van de bast van een boom
écorce
/ˈbom.slɑk/
noun
1. een veelvoorkomende Europese slak
hélice des bois
/'bomslɑŋ/
noun
2. bepaald landdier zonder poten Dispholidus typus
boomslang
noun
1. een rechtop gaande houten schacht van een boom
tronc
/ˈbom.sœʏ̯.kər/, /ˈbom.sœː.kər/
noun
1. suiker gewonnen uit het sap van bomen
sucre d'érable
noun
1. kleine sierlijke valk, familie van de torenvalk, Falco subbuteo
  1. hobereau
  2. faucon hobereau
noun
1. zaadje uit de peulvrucht van enige vlinderbloemige planten,...
haricot
noun
  1. A. rond zijn as ronddraaiend werktuig om gaten mee te maken
    foret
  2. B. chemisch element en een zwart metalloïde
    bore
noun
trépan
/bɔːrt/
noun
  1. 1. het dek van een schip
  2. 4. rand
bord
noun
réseau de bord
noun
mécanicien navigant
noun
mandrin
noun
trépan
/ˈbormɑˌʃinə/
noun
1. machine om te boren
perceuse
noun
1. een schelpdier dat zich in hout, veen of zachte steensoorten ingraaft
pholade
noun
1. boorolie
huile (f) de coupe
noun
navire de forage
noun
1. hoge boorinstallatie
  1. tour de forage
  2. derrick
noun
eau boriquée
/boʊs/, /boːs/
adjective
1. kwaad, woedend
fâché
/bo'zardəx/
adverb
1. met de intentie om kwaad te doen
  1. méchant
  2. malin
noun
méchanceté
noun
malfaiteur
/boʊt/, /boːt/
noun
1. klein vaartuig
  1. bateau
  2. barque
noun
voyage en bateau
noun
1. een rang gelijk aan sergeant bij de marine en de hoogste onderofficier bij de koopvaardij
  1. second-maître
  2. bosco
noun
borage
noun
borax
noun
1. darmgeruis
borborygme
/bɔRd/, /bɔrt/
noun
  1. [1] Schijfvormig voorwerp
    assiette
  2. 2. Vlak voorwerp aan een muur
    tableau
adjective
violet bordeaux
noun
1. een huis waarin tegen betaling seksuele diensten worden aangeboden
  1. bordel
  2. foutoir
/bɔrdəˈles/
adjective
1.
bordelais
/bɔrdəˈles/
noun
1.
Bordelais
/ˈbɔr.də(n).ˌwɑr.mər/, /ˈbɔr.də(n).ˌβ̞ɑr.mər/, /ˈbɔr.də.ˌʋɑr.mər/
noun
1. een toestel om borden voor het eten te verwarmen
chauffe-assiettes
noun
carton
noun
jeu de société
verb
1. met naald en draad versieringen aanbrengen op een stuk weefsel
broder
noun
1. weefselversiering aangebracht met naaldwerk
broderie
/boreˈjal/
noun
Boréal
verb
1. met een werktuig dat om zijn as draait een gat in iets maken
  1. forer
  2. percer
noun
  1. 1. iemand die garant staat voor een eventueel te betalen bedrag
  2. 2. borgsom, borgtocht, waarborgsom, cautie
caution
pronoun
1. stadje in het zuiden van Belgisch-Limburg
Looz
noun
rondelle grower
noun
1. overeenkomst waarbij een borg zich garant stelt
cautionnement
pronoun
1. stad en gemeente in het noorden van de Belgische provincie Luik
Waremme
noun
1. een chemisch element en een zwart metalloïde
bore
pronoun
Bornéo
verb
borner
noun
  1. 1. drankje
  2. 2. gezellige samenkomst met een drankje en een hapje
apéro
noun
  1. 1. bovenste deel van de voorkant van de romp van mens of dier
    poitrine
  2. 2. elk van de twee vooruitstekende klieren bij vrouwen waaruit zich de moedermelk afscheidt
    1. sein
    2. poitrine
noun
plat been waaraan de ribben aan de voorzijde vastgehecht zijn
sternum
noun
1. schoonmaakgereedschap met bos haren
brosse
verb
1. schoonmaken met behulp van een borstel
brosser
noun
lichaamsholte, gevormd door de 12 paar ribben, de 12 borstwervels en het borstbeen
cavité thoracique
noun
1. is een vorm van kanker die uitgaat van het melkklierweefsel in de borst, meestal (maar niet altijd) bij vrouwen
cancer du sein
noun
1. geraamte van de borst
  1. thorax
  2. cage thoracique
noun
1.
nageoire pectorale
noun
allaitement
noun
  1. 1. een groep bomen
    1. bois
    2. forêt
  2. 2. een bundel stelen of vezels
    bouquet
noun
  1. fraise des bois
  2. fraisier des bois
noun
anémone sylvie
noun
1. Calopteryx virgo, een bepaald soort van de beekjuffers.
caloptéryx vierge
noun
  1. 1. en 3. plant, en bessen, uit geslacht Vaccinium
    myrtille
  2. 2. plant Vaccinium myrtillus
    1. myrtille commune
    2. myrtille sauvage
/ˈbɔsbɑuw/
noun
1. het systematisch bosbeheer (teelt en verzorging van bossen) voor de productie van hout
sylviculture
noun
1. bepaald soort knaagdier, Apodemus sylvaticus
mulot
/ˈbɔsnis/, /ˈbɔsnɪs/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Bosnië
  1. bosniaque
  2. bosnien
/ˈbɔsni.jə ɛn ˌhɛrtsəɣoˈviːna/, /ˈbɔsni.jə ɛn ˌɦɛrtsəɣoˈvina/, /ˈbɔsni.jə ɛn ˌɦɛrtsəχo(ʊ̯)ˈvina/
pronoun
1. republiek in het zuidoosten van Europa die ontstaan is bij het uiteenvallen van het voormalige Joegoslavië
  1. Bosnie-Herzégovine
  2. Bosnie-et-Herzégovine
pronoun
1. zeestraat tussen de Zee van Marmara en de Zwarte Zee
Bosphore
noun
rousserolle verderolle
noun
bocage
noun
1. Sorex araneus, een dier in de familie van de spitsmuizen
musaraigne carrelet
pronoun
1. een stuwmeer in de Duitse deelstaat Saarland
Lac de Bostal
noun
1. jonge, onvolgroeide geboste ui met blad
  1. ciboule
  2. oignon vert
noun
1. bepaald soort vogel, Strix aluco
  1. hulotte
  2. chouette hulotte
noun
1. Nyctalus leislen, een vleermuis van de gladneuzen
noctule de leisler
noun
1. een beheerder van een boswachterij
garde forestier
/ˈbɔs.ʋɑn.də.lɪŋ/, /ˈbɔs.β̞ɑn.də.lɪŋ/
noun
1. een wandeling door het bos
  1. promenade dans les bois
  2. promenade sylvestre
noun
1. bepaald soort loofboom Salix caprea
saule marsault
adjective
  1. 2. onbeleefd
    1. grossier
    2. balourd
    3. malotru
  2. 1. stomp
    émoussé
noun
  1. 1. platvis
    flet
  2. 3. onderdeel van het skelet
    os
noun
botaniste
noun
1. een onderdeel van de biologie dat zich bezighoudt met de studie van planten
botanique
noun
1.
botaniste
/ˈbotər/
noun
1. zuivelproduct
beurre
noun
1. een aantal planten uit het geslacht Ranunculus behorende tot de familie Ranunculaceae
  1. renoncule
  2. bouton d'or
noun
1. gele variant van de sperzieboon
haricot beurre
noun
  1. 2. een belegde snee brood
    sandwich
  2. 1. een snee brood
    tartine
/ˈbotərhɑm/
noun
1. meestal plastic doosje met daarin gesmeerde boterhammen voor de lunch, meegenomen naar school, op het werk enz.
  1. boîte à casse-croûte
  2. boîte à sandwichs
noun
1. een banketletter met roomboter en amandelen
gâteau en forme de lettre
noun
1. een bakje om boter in te bewaren
beurrier
noun
1. CH₃(CH₂)₂COOH
acide butanoïque
pronoun
1.
golfe de Botnie
/ˈbɔt.sə(n)/
verb
  1. 1. met een flinke snelheid tegen elkaar aankomen
    heurter
  2. 2. in een conflict of ruzie geraken
    se heurter
/ˈbɔt.sɪŋ/
noun
  1. 1. het botsen
  2. 2. een conflict of ruzie
collision
/bɔ.ˈts<sup>ʊ</sup>a.na/, /bɔts.ˈʋa.na/, /bɔts.ˈβ̞a.na/
pronoun
1. een land dat geheel door land is omgeven in het zuiden van Afrika met ruim 1,5 miljoen inwoners, grenzend aan Namibië, Zimbabwe en Zuid-Afrika
Botswana
adjective
  1. audacieux
  2. hardi
/ˈbʌʊdəˌʋɛɪn/, /ˈbʌːdəˌβ̞ɛːn/
pronoun
1. een jongensnaam
Baudouin
noun
1. het onderdeel van een verbrandingsmotor dat door een vonk het mengsel van brandstofdamp en lucht in de cilinder tot ontploffing brengt
  1. bougie d'allumage
  2. bougie
noun
1. een aftreksel van magere vleesresten, beenderen of vis
bouillon
noun
psychologische toestand waarin een persoon terugkerende eetbuien heeft
boulimie
noun
bouquet garni
noun
bourdon
noun
bourgeois
noun
bourgeoisie
adjective
1. op Bourgondië betrekking hebbend
bourguignon
pronoun
1. een van de 26 regio's van Frankrijk
Bourgogne
noun
bourrée
noun
boutade
noun
entrepreneur de bâtiments
/ˈbɑu̯ə(n)/
verb
1. een constructie oprichten door het samenvoegen van onderdelen
  1. construire
  2. édifier
  3. bâtir
noun
1. een persoon die dingen bouwt
constructeur
noun
terres arables
noun
  1. entreprise de construction
  2. entreprise de bâtiment
  3. firme de construction
noun
projet de construction
noun
ouvrier du bâtiment
noun
permis de construire
noun
1. een constructie van enige omvang die verbonden is met de grond en waarin men kan wonen of werken
bâtiment
/ˈboː.vən/
preposition
1. op een plaats hoger gelegen dan
  1. haut
  2. en haut
adjective
1. niet van deze aarde
surnaturel
adverb
surtout
noun
1.bovenbeen
cuisse
/bovənˈdin/
adverb
1. op de koop toe, daarenboven
  1. en outre
  2. en plus
adjective
1. verwijzend naar iets wat eerder in dezelfde tekst genoemd was
susdit
noun
1. een van de beenderen van de schedel
os maxillaire
/ˈbo.vəˌkɛrk/
pronoun
1. dorp in de provincie Noord-Holland
Bovenkerk
noun
1. een hooggeplaatst raam, boven een deur of in het dak
vasistas
noun
  1. buste
  2. torse
noun
lèvre supérieure
adjective
1. behorende tot een orde van dingen die buiten het menselijke ligt
surnaturel
noun
1. subtonica
sus-tonique
adjective
1. wat eerder in een geschreven tekst is genoemd
ci-dessus
noun
côté supérieur
verb
1. iemand uitsluiten, niet meer willen werken voor, leveren aan of kopen bij
boycotter
adjective
sage
noun
2. werktuig om vlas of hennep te braken of te kneden.
  1. broie
  2. brisoir
noun
pelote de réjection
noun
1.
friche
noun
  1. 3. beschadiging op een (metaal)oppervlak
    1. morfil
    2. bavure
  2. 1. struik & 2. vrucht
    1. ronce
    2. mûre
noun
1.
  1. mûre
  2. ronce
noun
1. inwoner van de provincie Noord-Brabant, Vlaams-Brabant of Waals-Brabant
Brabançon
pronoun
Brabançonne
verb
1. slecht en onduidelijk praten met name van baby's
  1. babiller
  2. bafouiller
noun
1. snelschrijfkunst met verkortingen
brachygraphie
noun
1. ongewoon langzame hartslag
bradycardie
noun
braille
verb
1.
braiser
adjective
1. met een zoutgehalte dat tussen zout en zoet in ligt
saumâtre
verb
  1. 2. vlas of hennep breken
    1. broyer
    2. teiller
    3. tiller
  2. 1. genuttigd voedselwaar ongewild door de mond naar buiten brengen
    1. vomir
    2. gerber
    3. rendre
noun
1.
coque glauque
noun
1. een draagbaar bedoeld om patiënten te vervoeren die niet ambulant zijn
  1. brancard
  2. civière
noun
1. bedrijfstak
branche
/ˈbrɑnd/, /ˈbrɑnt/
noun
1. verbranding met vuur
  1. incendie
  2. feu
noun
1. een draagbaar toestel dat dient om een kleine of een beginnende brand te bestrijden
extincteur
verb
  1. 1. verteerd worden door vuur
    brûler
  2. 2.
    torréfier
pronoun
1. een deelstaat in het oosten van Duitsland
Brandebourg
noun
1. een soort sterke drank
eau-de-vie
noun
1. bepaald soort gans, Branta leucopsis
bernache nonnette
noun
1. een lens die het opvallende zonlicht op een klein oppervlak concentreert dat daardoor sterk verhit wordt
loupe
noun
2-3. een harige plant die bij aanraking een brandend gevoel en zwelling veroorzaakt
ortie
noun
foyer
noun
tuyau de refoulement
noun
1. iemand die expres brand veroorzaakt
incendiaire
noun
incendie criminel
noun
1. stof waaruit door middel van verbranding of een ander chemisch proces energie wordt gewonnen
  1. combustible
  2. carburant
noun
een elektrochemisch toestel
pile à combustible
noun
1. pomp die bij verbrandingsmotoren...
pompe à carburant
noun
reservoir de carburant
noun
pompiers
noun
voiture de pompiers
noun
1. lid van de brandweer
  1. pompier
  2. sapeur
noun
véhicules d’incendie
noun
brûlure
noun
bras
noun
1. bepaalde karperachtige vissoort Abramis brama
  1. brème
  2. brème commune
/braˈʃɛːrə/
noun
1. dameskledingstuk
soutien-gorge
noun
1. Portugees zoals dat in Brazilië gesproken en geschreven wordt
portugais du Brésil
/braˈzili.jə/
pronoun
1. een soevereine staat in Zuid-Amerika (officieel de Federale Repuliek van Brazilië, 'República Federativa do Brasil'), met als officiële taal het Portugees
Brésil
noun
1. bepaald soort orchidee, Epipactis helleborine
épipactis à larges feuilles
adjective
ample
/ˈbred.bɑnd/, /ˈbred.bɑnt/
noun
1. een internetverbinding met een hoog debiet
haut débit
adjective
1. breed van borst en schouders
large d'épaules
adjective
1. breed van borst en schouders, breedgebouwd
large d'épaules
noun
  1. 1. afmeting loodrecht op de hoogte of de lengte
    largeur
  2. 2. deel van een meridiaan vanaf evenaar
    latitude
noun
1. een cirkel parallel aan de evenaar
parallèle
noun
1. cirkel van gelijke geografische breedten
latitude
noun
1. een cirkel parallel aan de evenaar
parallèle
interjection
ne me lance pas sur
/ˈbreːɡbaːr/
adjective
fragile
noun
1. stevige metalen stang, meestal voorzien van een gespleten einde, de koevoet, gebruikt om zaken open te breken.
  1. pied-de-biche
  2. pince-monseigneur
noun
point de rupture
verb
1.
calfater
/ˈbrɛ.jə(n)/
verb
1. een weefsel vervaardigen uit een gesponnen draad met behulp twee of meer pennen
tricoter
/ˈbrɛɪ̯nald/, /ˈbrɛɪ̯naɫt/, /ˈbrɛːnalt/
noun
1. een naald die gebruikt kan worden bij het breien
aiguille à tricoter
noun
1.
  1. casse-tête
  2. casse-tête chinois
noun
tricot
verb
  1. 5. in stukken uiteen doen vallen
  2. 1. in stukken uiteenvallen
  1. briser
  2. casser
/ˈbre.kənt/
adjective
  1. 3. overslaand (van stem)
    1. cassé
    2. rauqué
  2. 3. brekend (van neergaande zeegolven)
    déferlant
noun
1. richtingverandering van stralen
réfraction
noun
indice de réfraction
pronoun
Brême
adjective
jaune genêt
/ˈbrɛŋ.ə(n)/
verb
1. ergens heen gaan om iets of iemand daar af te geven
apporter
noun
1.
tarte brésilienne
pronoun
1. een schiereiland in het noordwesten van Frankrijk
Bretagne
noun
1. broekophouder
bretelle
pronoun
1. een Keltische taal die wordt gesproken in Bretagne
breton
noun
1. de uitkomst (quotiënt) van een deling van twee of meer gehele getallen
fraction
noun
3. noot die twee- of driemaal de lengte van een hele noot had
carrée
noun
1. diploma waarbij een bevoegdheid tot het uitoefenen van een functie wordt verleend
brevet
noun
1. mogelijk vertrek van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie
Brexit
noun
1. zachte Franse schimmelkaas
brie
noun
1. verzonden geschreven boodschap
lettre
noun
Épître de Jérémie
noun
secret postal
noun
1. tekst bovenaan een brief met gegevens van de afzender en de geadresseerde en de datum van verzending
en-tête
noun
1. een korte brief in de vorm van een kaart
carte postale
noun
1. een doorgaans sierlijk mesje dat men gebruikt om briefomslagen met te openen
  1. coupe papier
  2. coupe-papier
noun
papier à lettres
/bris/
noun
1. zachte frisse wind
brise
noun
boîte aux lettres
noun
brigantine
noun
bouillie
noun
1. een optisch instrument dat gebruikt wordt om de scherpte van het zicht te verbeteren
lunettes
/ˈbrɪl.beːr/, /ˈbrɪɫ.beːr/, /ˈbrɪɫ.bɪːr/
noun
1. een beer met grote cirkels rond de ogen, als een bril
ours à lunettes
noun
1. Bucephala clangula, een vogel uit de familie Anatidae
garrot à œil d'or
noun
1. slijpvorm voor onder andere diamant
brillant
noun
bleu brillant
adjective
orangé clair rillant
adjective
rouge clair brillant
adjective
orangé brillant
adjective
bleu brillant
adjective
jaune brillant
adjective
vert brillant
adjective
rouge brillant
/ˈbrɪlə(n)ˌkokər/
noun
1. een stevige, beschermende huls voor een bril
étui à lunettes
noun
1. reptiel, gevaarlijke gifslang
  1. cobra indien
  2. serpent à lunettes
noun
brisance
pronoun
1. hoofdstad van de Australische deelstaat Queensland
Brisbane
/brɪts/
adjective
1. gerelateerd aan Groot-Brittannië
britannique
noun
1. een provisorisch bed, een houten veldbed
bat-flanc
/ˈbrɔkɔlɪ/
noun
1. groente
brocoli
noun
potage de broccoli
noun
brochure
/'bru.də(n)/
verb
1. een gelegd ei met lichaamswarmte warm houden
couver
adjective
fraternel
noun
  1. 1. kerkelijk goedgekeurde vereniging
  2. 1. vriendschappelijke betrekking als tussen broers
fraternité
noun
couvée
noun
1. bouwsel met glazen wanden voor het opkweken van gewassen
serre
noun
effet de serre
noun
gaz à effet de serre
noun
1. kledingstuk dat het onderlichaam en beide benen, elk met een afzonderlijke pijp omhult
pantalon
/bruːr/
noun
1. een mannelijk kind van dezelfde ouders
frère
noun
  1. mob
  2. mobylette
noun
bromure
noun
1. wetenschappelijke naam voor het scheikundig element Broom
brome
noun
  1. mob
  2. mobylette
noun
1. grote dikke blauwe vlieg die een brommend geluid maakt
mouche bleue
noun
  1. 1. daar waar men informatie vandaan haalt
  2. 2. begin van een waterloop
  1. source
  2. fontaine
noun
1. ontsteking van de luchtpijptak
bronchite
noun
1. bepaalde vissoort, Salvelinus fontinalis
omble de fontaine
noun
  1. bronze
  2. airain
noun
paartijd
rut
noun
1. water dat uit de grond is gehaald, gebruikt als drinkwater of geneeskrachtig water
eau de source
adjective
1.van brons gemaakt
de bronzen
verb
1.
bronzer
/broːt/
noun
1. een meelproduct dat gemaakt wordt door meeldeeg te bakken, te koken of te stomen
pain
/ˈbrod.bə.ˌlɛx/, /ˈbrod.bə.ˌlɛχ/
noun
1. eetbare waar die gebruikt wordt om brood te beleggen
garniture
noun
1. boom Artocarpus altilis
arbre à pain
noun
robot boulanger
noun
  1. grille-pain
  2. toasteur
noun
1. vrucht van de broodboom Artocarpus altilis
fruit à pain
noun
1. lid van een huishouding met betaald werk
gagne-pain
noun
brome
adjective
1. niet stevig
fragile
verb
1. in ruzie zijn, elkaar niet meer willen zien
brouiller
verb
1. (bier) brouwen
brasser
noun
1. iemand die bier maakt om te verhandelen
brasseur
/brʏx/, /brʏχ/
noun
kunstmatige weg over een diepte
pont
pronoun
1. een Vlaamse provinciehoofdstad
Bruges
noun
1.
Brugeois
noun
tête de pont
noun
1. onderdeel van de brug bij sommige gitaren, waarover de snaren op vaste onderlinge afstand naar hun bevestigingspunt in de brug lopen
sillet de chevalet
adjective
brugeois
noun
1.
Brugeoise
noun
beambte die een beweegbare brug bedient
pontier
noun
1. onderdeel van de brug bij sommige gitaren, waarover de snaren op vaste onderlinge afstand naar hun bevestigingspunt in de brug lopen
sillet de chevalet
/brœy̯t/
noun
1. vrouw in tijd van de huwelijksplechtigheden
mariée
noun
1. jurk gedragen door een bruid
  1. robe de mariée
  2. robe nuptiale
noun
1. een gift die een meisje van haar ouders meekrijgt als ze in het huwelijk treedt
dot
adjective
1. nuttig, eenvoudig in het gebruik
  1. utile
  2. pratique
noun
1. kosteloze lening voor tijdelijk gebruik onder voorwaarde van teruggave
  1. prêt à usage
  2. commodat
noun
1. huwelijks-, trouwfeest
festin de mariage
adjective
1. een kleur zoals die van walnoten, chocola of koffie hebbend
  1. brun
  2. marron
noun
1. kleur zoals die van koffie of chocola
  1. brun
  2. marron
noun
Maniola jurtina, een dagvlinder uit de Satyrinae
myrtil
adjective
beige brun
/ˌbrœʏnəˈbeːr/
noun
1. Ursus arctos, een beer die in Europa, Azië en Amerika voorkomt.
ours brun
noun
1. hemellichaam met een massa tussen die van een gasreus en een ster, onvoldoende voor kernfusie tussen protonen
naine brune
noun
1. bepaalde soort zoetwatervis Ameiurus nebulosus
  1. barbotte brune
  2. poisson chat
noun
1. bepaald soort roofvogel, Circus aeruginosus
busard des roseaux
noun
1.
libellule fauve
noun
1. grijsbruin knaagdier met een kale geringde staart Rattus norvegicus
rat brun
noun
1.
leste brun
verb
  1. 1. bruin worden
  2. 1. iets bruin maken
bronzer
verb
brunir
noun
1. soort schildwants, Halyomorpha halys
  1. punaise diabolique
  2. punaise marbrée
/ˈbrœyŋɣrɛis/
adjective
gris brun
adjective
vert brun
/ˈbrœʏnəχ/, /ˈbrœːnəx/, /ˈbrœːnɪx/
adjective
2. op bruin lijkend
brunâtre
noun
lignite
adjective
1. brood van tarwemeel dat nog zemelen bevat
rouge brun
/ˈbrœy̯nvɪs/
noun
1. familie Phocoenidae van kleine rondsnuitige tandwalvissen
marsouin
noun
1.
  1. eau gazeuse
  2. eau pétillante
noun
Amerikaanse apen die een brullend lawaai kunnen produceren
singe hurleur
/bry.ˈnɛɪ̯/, /bry.ˈnɛː/
pronoun
2. een land op op het eiland Borneo, in Zuidoost-Azië. Het ligt aan de Zuid-Chinese Zee, en wordt verder geheel omringd door Maleisië
Brunei
pronoun
Brunswick
/brʏs/
noun
1. een ander kind van dezelfde ouders (zonder de connotatie met zorg)
adelphe
pronoun
1. de hoofdstad van België
Bruxelles
noun
1. inwoner van Brussel
Bruxellois
adjective
bruxellois
pronoun
1. een van de drie gewesten van België rond de hoofdstad Brussel
Région de Bruxelles-Capitale
noun
1. vrouwelijke inwoner van Brussel
Bruxelloise
adjective
  1. 3. vrijpostig
    1. effronté
    2. franc
    3. hardi
  2. 2.
    1. insolent
    2. impertinent
    3. effronté
verb
1. met grofheid of geweld bejegenen
  1. embêter
  2. maltraiter
noun
brutalité
noun
produit intérieur brut
verb
1. nors en ruw bejegenen
brusquer
noun
1. de afkorting voor belasting over de toegevoegde waarde
TVA
adjective
1. van de wang
buccal
/ˈbʏdʒɛt/
noun
budget
adjective
1. met betrekking tot een budget, begroting
budgétaire
/'bɵfəl/
noun
1. verzamelnaam voor een aantal zware rundersoorten met vaak forse hoorns
buffle
noun
1. een gebied dat op een of andere manier als buffer dient
zone tampon
/ˈby.χəɫ/, /ˈbyː.ɣəl/
noun
1. een koperen blaaasinstrument.
bugle
noun
2. huidplooi bij buideldieren ...
poche
noun
1. zoogdier dat het jong in een buidel draagt
marsupial
/bœʏ̯χə(n)/, /bœːɣə(n)/
verb
  1. 1. krom maken
    1. courber
    2. plier
  2. 3. een buiging maken, zich buigen
    1. faire une révérence
    2. s'incliner
  3. 2. krom worden
    1. se courber
    2. ployer
    3. se plier
noun
  1. 6. vormverandering van woorden
    flexion
  2. 1. nijging als beleefde groet
    révérence
/bœʏ̯k/, /bœːk/
noun
1. het onderste deel van de voorkant van de romp van mens of dier dat van boven door het middenrif en van onderen door de bekkengordel begrenst is
ventre
noun
diarrhée
/ˈbœʏ̯k.pɛɪ̯n/, /ˈbœːk.pɛɪ̯n/, /ˈbœːk.pɛːn/
noun
1. pijn in de buik
mal de ventre
noun
1.
gastéropode
noun
1.de kunst van het buikspreken
ventriloquie
noun
1.
péritoine
noun
1. een hol, cilindrisch voorwerp
  1. tube
  2. tuyau
noun
2. buisklokken
carillon tubulaire
noun
1. buisklokkenspel
carillon tubulaire
/bœʏ̯t/, /bœːt/
noun
goederen gewonnen door diefstaf of verovering
butin
/ˈbœʏ̯tə(n)/, /ˈbœːtə(n)/
adverb
dehors
/ˈbœʏ̯tə(n)/, /ˈbœːtə(n)/
preposition
  1. en dehors de
  2. à l'extérieur de
noun
1. buitendraad
filet externe
adjective
1. niet binnen het raamwerk van het huwelijk
  1. extraconjugal
  2. extra-conjugal
noun
1. een tweede woning in een landelijke of natuurrijke omgeving
maison de campagne
adjective
  1. excentrique
  2. dépaysant
noun
extérieur
noun
1. buitenschroefdraad
filet externe
noun
1.
hors-jeu
/ˈbœy̯.tə(n)ˌsta:n.dər/
noun
iemand buiten de groep, van buiten
  1. tiers
  2. personne extérieure
noun
1. een tweede woning in een landelijke of natuurrijke omgeving
maison de campagne
noun
1. bepaald soort middelgrote roofvogel, Buteo buteo
  1. buse
  2. buse variable
/ˈbɵkən/
verb
1. het lichaam geheel vooroverbuigen om bij iets lagers te komen
  1. baisser
  2. pencher
/bʏl/
noun
  1. 1. mannelijk rund en het mannetje van sommige andere zoogdieren en zeezoogdieren
    taureau
  2. 2. pauselijke oorkonde
    bulle
  3. 1. oorkonde bij het behalen van een academische graad
    diplôme
noun
1. een gestroomlijnde boeg in de vorm van een bulb, om via de daardoor verminderde waterweerstand het brandstofverbruik te laten dalen
bulbe d'étrave
noun
1. een stevig gebouwde hond met een grote kop en afhangende liphoeken...
bouledogue
/bɵɫˈγ̊aːrs/
adjective
1. met betrekking tot Bulgarije of de Bulgaarse taal
bulgare
/bɵɫˈγ̊aːrs/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Bulgarije
bulgare
noun
Bulgare
pronoun
1. een land in Zuidoost-Europa
Bulgarie
noun
1. gestoomde, daarna gedroogde en vervolgens grof gemalen of gebroken tarwekorrels, meestal durumtarwe
  1. boulghour
  2. boulgour
noun
1. een schip dat speciaal gebouwd en uitgerust wordt om droge stortgoederen zoals ertsen, kolen, graan, enz, te vervoeren.
vraquier
noun
  1. 4. zegel van paus, of van een keizer uit de oudheid
  2. 5. amulet van welgestelde kinderen in het Romeinse rijk
  1. bulla
  2. bulle
noun
1. zware van rupsbanden voorziene machine om terreinen te egaliseren
bulldozer
/bʏ.lə.ˈtɛ̃/
noun
bulletin
noun
1. stootstang
  1. pare-chocs
  2. pare-choc
noun
bonnier
noun
1. woning of vakantiehuis zonder bovenverdieping
bungalow
noun
1. bepaald soort zoogdier, Mustela putorius
putois
noun
1. een krachtige narcotische pijnstiller
buprénorphine
noun
  1. 2. een (politie)kantoor
  2. 1. een werkmeubel voor administratief- en studiewerk
bureau
noun
bureaucratie
verb
bureaucratiser
noun
1. een stoel die ontworpen is om in een kantooromgeving gebruikt te worden
chaise de bureau
noun
1. overlast uit nabuurschap
trouble de voisinage
noun
1. onderdeel van het burgerlijk recht m.b.t. rechten, plichten en hinder uit de nabuurschap
droit de voisinage
noun
1. hoofd van het gemeentebestuur
  1. maire
  2. bourgmestre
noun
mairesse
noun
1.
  1. mayorat
  2. maïorat
pronoun
1. deelstaat van Oostenrijk
Burgenland
noun
1. inwoner van een stad of staat die bepaalde wettelijke rechten en plichten heeft
citoyen
noun
1. gewone kleding in plaats van een uniform
vêtements de ville
noun
1. een gewapende strijd tussen twee of meer bevolkingsgroepen binnen hetzelfde land, waarbij soms ook het leger betrokken is
  1. guerre civile
  2. guerre intestine
noun
1. een recht dat men geniet als staatsburger van een land
droit civil
noun
1. een recht dat men geniet als staatsburger van een land
droits civils
noun
citoyenneté
noun
1. edelman
vicomte
noun
vicomtesse
noun
1. beitel met ruitvormige punt
burin
/bur.ˌki.na.ˈfa.so/, /bur.ˌki.na.ˈfɑ.so/
pronoun
1. een republiek in West-Afrika voorheen Opper-Volta genaamd.
Burkina Faso
verb
1.
bramer
adjective
burlesque
/bu.ˈrun.di/
pronoun
1. een land in Afrika dat grenst aan Democratische Republiek Congo, Rwanda en Tanzania
Burundi
noun
1. iemand die beroepsmatig reizigers vervoert in een bus
chauffeur d'autobus
/ˈbʏshɑltə/, /ˈbʏshɑɫtə/
noun
1. een plek waar een bus stopt
  1. arrêt d'autobus
  2. arrêt de bus
pronoun
1. een Austronesische taal die gesproken wordt in Mayotte
shibushi
noun
1. een ontplofbaar mengsel van fijngepoederde kool, zwavel en salpeter
  1. poudre
  2. poudre noire
noun
restauration bus
noun
1. kledingstuk voor vrouwen.
soutien-gorge
noun
bustier
noun
1. C₄H10
butane
noun
butène
noun
1. en 2. (vruchtvlees) van plant Cucurbita moschata
  1. courge butternut
  2. courge musquée
/byr/
noun
1. een persoon die in andermans omgeving woont
voisin
noun
1. land dat grenst aan een bepaald land
pays voisin
noun
1. een man naast wie men woont
voisin
noun
  1. 1. een (deel van een) wijk
    quartier
  2. 2. de nabijheid
    voisinage
noun
1. vrouw woonachtig in het belendende huis
voisine
noun
buis
noun
pontage
/bɑjt/
noun
1. het kleinste adresseerbare gedeelte van een computergeheugen
octet
noun
Byzantin
adjective
byzantin
/ˈbɛːtaˌdeltʲə/
noun
particule bêta
noun
1. de toonnaam
do
abbreviation
  1. 1. het akkoord c - e - g
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
  1. Do majeur
  2. Ut majeur
abbreviation
  1. 1. het akkoord c - es - g
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Do mineur
/se'ɣrot/
abbreviation
  1. 1. het akkoord c - e - g
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
  1. Do majeur
  2. Ut majeur
abbreviation
1. het akkoord c-e-g
  1. accord de do majeur
  2. accord de ut majeur
noun
1. een majeurtoonladder met “c” als grondtoon
gamme de do majeur
noun
1. een majeurtoonladder met c als grondtoon
  1. gamme de do majeur
  2. gamme de ut majeur
noun
1. een majeurtoonladder met “c” als grondtoon
gamme de do majeur
noun
1. een majeurtoonladder met “c” als grondtoon
gamme de do majeur
/se'klɛɪn/
abbreviation
  1. 1. het akkoord c - es - g
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
do mineur
abbreviation
1. het akkoord c-es-g
  1. accord de do mineur
  2. accord de ut mineur
noun
1. een mineurtoonladder met “c” als grondtoon
gamme de do mineur
noun
1. een kleinetertstoonladder met “c” als grondtoon
  1. gamme de do mineure
  2. gamme de ut mineure
noun
1. een mineurtoonladder met “c” als grondtoon
  1. gamme d'ut mineur
  2. gamme de do mineur
/se'ɣrot/
abbreviation
  1. 1. het akkoord c - e - g
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
  1. Do majeur
  2. Ut majeur
abbreviation
1. het akkoord c-e-g
  1. accord de do majeur
  2. accord de ut majeur
noun
1. een grotetertstoonladder met “c” als grondtoon
gamme de do majeur
noun
1. een grotetertstoonladder met c als grondtoon
  1. gamme de do majeur
  2. gamme de ut majeur
noun
1. een grotetertstoonladder met "c" als grondtoon
  1. gamme de do majeur
  2. gamme de ut majeur
noun
1. een majeurtoonladder met “c” als grondtoon
gamme de do majeur
/se'klɛɪn/
abbreviation
  1. 1. het akkoord c - es - g
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Do mineur
abbreviation
1. het akkoord c-es-g
  1. accord de do mineur
  2. accord de ut mineur
noun
1. een kleinetertstoonladder met “c” als grondtoon
  1. gamme de do mineur
  2. gamme de ut mineur
noun
1. een kleinetertstoonladder met d als grondtoon
  1. gamme de do mineure
  2. gamme de ut mineure
noun
1. een kleinetertstoonladder met “c” als grondtoon
  1. gamme d'ut mineur
  2. gamme de do mineur
noun
1. c-sleutel
clef d'ut
noun
1. een grotetertstoonladder met c als grondtoon
  1. gamme de do majeure
  2. gamme de ut majeure
/ˌkɑbɑˈrɛ(t)/
noun
1. een kleinkunst, vermaak met toneel, zang, dans, en voordracht
cabaret
noun
1. een beoefenaar van de cabaretkunst
  1. animateur
  2. cabaretier
  3. comique
noun
cabotage
/kakaˈoː/, /kaˈkɑu/
noun
1. product verkregen uit de bonen van de cacaoboom dat onder andere wordt gebruikt...
cacao
/kɑˈkʌʊbom/
noun
1. een boom waarvan uit de vruchten de cacao wordt gewonnen
cacaoyer
noun
1. zaad dat zich in de peulvrucht van de cacaoboom bevindt
fève de cacao
noun
1.
beurre de cacao
noun
1. bepaald soort nachtvlinder, Ephestia elutella
mite de cacao
noun
1. een poederachtige substantie die wordt verkregen door het uitpersen van de cacaomassa van cacaobonen
poudre de cacao
noun
cabosse
noun
1. een suikerrietdistillaat afkomstig uit Brazilië
cachaça
verb
1. iets bijv. met lak verzegelen
cacheter
noun
cadence
pronoun
1. taalfamilie van een vijftal talen die in de VS worden gesproken
langues caddoanes
/kaˈdoː/
noun
1. iets dat men aan iemand geeft, meestal ter gelegenheid van een speciale gebeurtenis
cadeau
noun
cadence
noun
1. scheikundig element met symbool Cd en atoomnummer 48
cadmium
pronoun
1. het sterrenbeeld “Graveerstift“
Burin
noun
1. een eenvoudige eetgelegenheid, waar men een snelle hap kan nuttigen
  1. cafétéria
  2. cafet'
  3. cafèt'
noun
1. een alkaloïde met structuurformule C₈H10N₄O₂ die van nature wordt aangetroffen in koffiebonen en theebladeren
caféine
noun
1. een uitgaansgelegenheid waar men dranken kan nuttigen
café
/kɛˈsɔn/
noun
1. doosvormige constructie
caisson
noun
maladie des caissons
pronoun
Calabre
noun
calamité
noun
1. verkalking
calcification
noun
calcination
noun
1. scheikundig element met symbool Ca en atoomnummer 20
calcium
noun
1.een geneesmiddel dat de calciumkanaaltjes in het celmembraan van spiercellen blokkeert
antigoniste du calcium
noun
1. calciumcarbid
carbure de calcium
noun
1. berekening
calcul
/kɑlkʏˈlatɔr/
noun
  1. 1. machine
  2. 2. persoon
calculateur
verb
1. rekenen
calculer
adjective
californien
noun
1. een scheikundig element en vermoedelijk een grijs of zilverkleurig actinide met het symbool Cf en het atoomnummer 98
californium
pronoun
1. een van de vijftig deelstaten van de Verenigde Staten. De staat grenst aan de Pacifische Oceaan en aan de Mexicaanse deelstaat Baja California, alsmede aan de Amerikaanse deelstaten Nevada, Oregon en Arizona.
Californie
pronoun
  1. 1. nimf uit de Griekse mythologie
  2. 2. een van de vier grote manen van Jupiter
Callisto
noun
1. een eenheid van warmte, gelijk aan de warmte benodigd om een gram water een graad C in temperatuur te doen stijgen
calorie
adjective
1. weinig calorieën bevattend, light
pauvre en calories
noun
meting van hoeveelheden vrijgekomen warmte
calorimétrie
noun
2. een woord of woordgroep die is gevormd door middel van een één-op-één vertaling...
calque
verb
1. op doorschijnend papier of linnen overtrekken
calquer
noun
1.een sterke alcoholische drank
calvados
noun
1. gereformeerde substroming binnen het Christendom waarin o.a. het voorbestemd zijn centraal staat
calvinisme
/kɑm.ˈbɔ.dja/, /kɑm.ˈbɔ.tʃa/
pronoun
1. een land in Zuidoost-Azië dat in het noorden grenst aan Laos, in het noordwesten en westen aan Thailand en in het oosten en zuidoosten aan Vietnam
Cambodge
pronoun
Cambridge
/ˈkɑmbrijʏm/
noun
Cambrien
/ˈkaməˌra/
noun
1. een apparaat om beelden mee te registreren
  1. caméra
  2. appareil-photo
noun
1.
cadreur
noun
1.
camionnette
noun
camouflage
/kɑmuflerən/
verb
1. een voorwerp onopvallend maken
camoufler
/kɑmˈpɑɲə/
noun
campagne
pronoun
Campanie
pronoun
1. Sardisch zoals gesproken door 500 duizend mensen in het zuiden van Sardinië
sarde-campidanese
pronoun
1. taal gesproken in Zuid-Sardinië; de taal omvat ook de dialecten Cagliare, Arborense, Sub-Barbaricino, West-Campidanesisch, Centraal-Campidanesisch, Ogliastrino, Sulcitano, Meridionale en Sarrabense
  1. sarde
  2. sarde-campidanese
  3. sardenais
/ˈkɑmpɪŋ/, /ˈkɛmpɪŋ/
noun
1. een terrein met voorzieningen om te kamperen
camping
/ˈkɑmpʏs/
noun
1. universiteitsterrein
campus
/ˈka.na.da/, /ˈkɑ.nɑ.da/
pronoun
1. een soevereine staat in de noordelijke helft van Noord-Amerika
Canada
noun
1.
vergerette du Canada
adjective
canarien
pronoun
  1. Îles Canaries
  2. Canaries
  3. îles Canaries
pronoun
1. de federale hoofdstad van Australië, gelegen in het Australisch Hoofdstedelijk Territorium
Canberra
noun
  1. candela
  2. candéla
verb
1. van groeven voorzien
canneler
noun
1. elk van de (verticale) groeven op zuilen en pilasters
cannelure
/'ka.nɔn/
noun
1. de strengste vorm van een meerstemmige compositie, waarin de stemmen elkaar in de tijd verschoven imiteren
canon
noun
1. de waardigheid en taken van een kanunnik
  1. canonicat
  2. chanoinie
/ˌka.no.ˈnik/
adjective
  1. 2. kerkrechtelijk
  2. 1. standaard deel uitmakend van of overeenstemmend met een bepaalde canon.
  3. 3. standaard voorgeschreven
canonique
verb
1. tot canon maken
canoniser
noun
1. het tot een canon maken
canonisation
adjective
1.
cantabrique
pronoun
1. een van de 17 autonome regio’s en provincie in het noorden van Spanje gelegen ten oosten van Asturië en ten westen van Baskenland met de hoofdstad Santander
Cantabrie
noun
1. en 2. (vrucht van) plant Cucumis melo var. cantalupensis
melon cantaloup
noun
cantate
/ˌkɑntaˈrɛɫ/
noun
1. bepaald soort eetbare paddenstoel met een lichte pepersmaak, Cantharellus cibarius
chanterelle
/kɑˈpabəl/
adjective
1. kundig, bekwaam
capable
noun
impedantie
capacitance
noun
1. mogelijkheid om iets te bevatten
capacité
pronoun
1. Capella
Capella
/ˌkapiˈbaːra/
noun
1. Hydrochoerus hydrochaeris, een groot knaagdier...
capybara
adjective
1. de dikte van een haar(vat) hebben
capillaire
noun
1. een haarvat, het kleinste vat van de bloedsomloop
capillaire
verb
1. meubels of wanden bekleden met een verende laag
capitonner
noun
1. internationaalrechtelijke verklaring dat een partij de strijd tijdens een oorlog opgeeft
capitulation
verb
1. het verzet staken, zich overgeven
capituler
noun
1. kopje koffie dat uit gelijke delen espresso, melk en melkschuim bestaat
cappuccino
pronoun
Capri
adjective
bleu capri
adjective
capricieux
//
noun
1. paardensprong
cabriole
noun
2.een omhulsel, veelal van gelatine met een medicijn erin
gélule
verb
1. opvangen van signalen, zenders, stroom enz...
capter
/ˌka.py.ˈʃɔ̃ː/, /ˌkɑ.py.ˈʃɔn/
noun
1. hoofdkap bevestigd aan een kledingstuk
  1. capuchon
  2. capuche
noun
1. bepaald soort zoogdier, Profelis caracal
  1. caracal
  2. lynx de Perse
  3. lynx du désert
/karákas/
pronoun
1. de hoofdstad van de Zuid-Amerikaanse staat Venezuela
Caracas
/karɑm'bol/
noun
1. een beoogde botsing van twee biljartballen
carambole
noun
1. kampeerwagen, woonwagen, aanhangwagen die kan dienen als woonst
caravane
/karaˈʔibə(n)/
pronoun
Caraïbes
noun
1.een anti-epilepticum
carbamazépine
noun
1. carbid
carbure de calcium
noun
1. carbide
carbure
noun
1. carbidgas/acetyleen
acétylène
noun
1. carbidlamp
lampe (f) à acétylène
noun
carbonate
verb
1. omzetten van organische stof in koolstof
carboniser
/kɑrˈbon/
noun
Carbonifère
noun
1. carborundum
carbure de silicium
noun
carburateur
noun
1. toestel dat vloeibare brandstof (bv. benzine) in fijn verdeelde toestand vermengt met lucht
carburateur
verb
carburer
noun
1. carbuur
carbure de calcium
adjective
1. kankerverwekkend
  1. carcinogène
  2. cancérigène
noun
1. aandrijfas die tevens de versnellingsbak van een auto met het differentieel verbindt
arbre à cardan
adjective
1. met betrekking tot het hart
cardiaque
/kɑrdijo'lox/
noun
cardiologue
adjective
1. met betrekking tot hart en bloedvaten
  1. cardiovasculaire
  2. cardio-vasculaire
noun
1.
  1. affrêteur
  2. chargeur
pronoun
1. de zee ten westen van de Atlantische Oceaan, begrensd door de Kleine en de Grote Antillen, de noordkust van Zuid-Amerika en de oostkust van Midden-Amerika
  1. mer des Antilles
  2. mer des Caraïbes
noun
1. muziekinstrument met klokken
carillon
noun
1. iemand die een beiaard of carillon bespeelt
carillonneur
noun
carie
adjective
charnel
noun
1. volksfeest waarbij onder meer grote verkleedpartijen plaatsvinden,...
carnaval
/kɑrniˈvor/
noun
1. een vleesetend dier
carnivore
/ˈkɑ:rpu:lən/
verb
1. samen in één auto naar het werk rijden
faire du covoiturage
noun
1. lifter
covoitureur
noun
1. carpoolplaats
aire de covoiturage
noun
1. loopbaan, werkgerelateerde maatschappelijke positie
carrière
noun
1. koetswerk van een voertuig
carrosserie
noun
1. iemand die land-, zee- en/of luchtkaarten maakt
cartographe
noun
1. de kunst en wetenschap van het vervaardigen van land-, zee- en/of luchtkaarten
cartographie
noun
1. omlijst schild met tekst of een wapen op een kaart of gebouw
cartouche
noun
anacardier
noun
1.eetbaar zaadje van de cashew
anacarde
noun
1. een gelegenheid waar in een luxe omgeving gegokt wordt
casino
noun
cassation
noun
1. Manihot esculenta, een eetbare wortelknol
manioc
verb
casser
noun
1. een behuizing voor video- en audiobanden
cassette
noun
specerij
  1. cannelle de chine
  2. cinnamomum cassia
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Cassiopée
pronoun
1. landstreek in Spanje
Castille
pronoun
Castille-et-León
pronoun
Castille-La Manche
noun
castrat
verb
1. een sterilisatie uitvoeren van een man of mannelijk dier door verwijdering van de zaadballen
  1. castrer
  2. châtrer
conjunction
2.
le cas échéant
noun
casualité
noun
  1. 1. een naamval
    cas
  2. 2. concrete voorbeeld(en) van iets in de praktijk, vooral gebruikt in wetenschappelijke uitleg en cursussen
    exemple
noun
1.
casuistique
noun
1. CAT
CAT
noun
1. onderaardse ruimte, onderaards gangenstelsel in het algemeen
catacombe
noun
1.
Catalan
pronoun
1. een Romaanse taal die wordt gesproken in Catalonië, Valencia, Aragón, Balearen, Andorra, Frankrijk en Italië
  1. catalan
  2. Catalan
verb
1. in een register onderbrengen
cataloguer
pronoun
1. een van de 17 autonome regio’s van Spanje, gelegen in het noordoosten van het Iberisch Schiereiland; de twee officiële talen zijn Catalaans en Spaans
Catalogne
noun
1.
catalogue
noun
1. grijze staar, een troebeling van de ooglens die het zien verstoort
cataracte
noun
1. aandoening van het slijmvlies waarbij het veel vocht verliest
catarrhe
noun
1. een algemene ramp
catastrophe
verb
catéchiser
noun
1. onderdeel van een rangschikking, rang, groep.
catégorie
noun
catégorisation
verb
catégoriser
adjective
1. oorzakelijk
causal
noun
causalité
noun
cautérisation
verb
1. uitbranden van wonden
cautériser
/ˈkava/
noun
1. Spaanse mousserende wijn
cava
noun
1. benaming voor knaagdieren uit het geslacht Cavia
  1. cobaye
  2. cochon d'Inde
noun
1. een gat of ruimte bijv. gaatje door tandbederf
cavité
pronoun
Cayenne
noun
1. en 2. een peper, een scherp specerij
poivre de Cayenne
pronoun
1. de hoofdstad van Egypte
  1. Le Caire
  2. Il Cairo
noun
1. compact disc
CD
pronoun
1. een taal die op de Filipijnen en met name op het eiland Cebu gesproken wordt
cebuano
noun
1. persoon die een vordering overdraagt
cédant
/ˈsedər/
noun
1. benaming voor bomen uit het geslacht Cedrus
cèdre
verb
céder
noun
  1. 3. de kleinste eenheid binnen een levend organisme waarin alle genetische informatie vervat zit
  2. 4. een zeshoekige opslagplaats in een bijenraat
  3. 1. een kleine ruimte waar iemand voor straf moet zitten (in een gevangenis)
  4. 2. een kleine ruimte (in een klooster)
cellule
noun
1.de wetenschap van organische cellen.
biologie cellulaire
verb
1. plechtig herdenken
célébrer
noun
1. slagwerkinstrument met een klavier
célesta
noun
1.
célestin
noun
1. de wetenschap van functies en processen binnen organische cellen
physiologie cellulaire
adjective
célibataire
noun
1.
béton cellulaire
noun
1. musicus die een violoncello of kortweg een cello bespeelt
violoncelliste
noun
1. een viersnarig strijkinstrument dat tijdens het bespelen door de cellist tussen de knieën wordt gehouden
violoncelle
/sɛ.ly.ˈlɛːr/
adjective
cellulaire
/ˌsɛ.ly.ˈlo.zə/
noun
1. een polysacharide die door nagenoeg alle planten wordt gemaakt en die de plant stevigheid geeft
cellulose
noun
1. een omhulsel van de cel bestaande uit fosfolipiden en eiwitten
membrane plasmique
/sɛlʋɑnd/
noun
1.
paroi cellulaire
noun
1. een bouwmateriaal bestaande uit kalk, zand en grind
ciment
verb
  1. 1. met cement bestrijken
    cimenter
  2. 2. metaal gloeien met kool
    cémenter
noun
1. een fabriek waar cement geproduceerd wordt
usine de ciment
adjective
gris ciment
noun
1. een toestel voor het mengen van de bestanddelen van de mortel of beton
bétonnière
/senoˈzowikʏm/
noun
Cénozoïque
noun
1. hoge ambtenaar in de Romeinse republiek
censeur
/sɛnˈsyr/
noun
1. de controle van de kant van de overheid op alles wat de media uitbrengen
censure
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Centaure
noun
1.
centaure
noun
centigramme
/'sɛntiˌmetər/
noun
1. een lengtemaat die gelijk is aan één honderdste van een meter
centimètre
adjective
1. in het midden gelegen
central
pronoun
1. bergmassief in het centraal-zuidelijke deel van Frankrijk
Massif Central
adjective
centrafricain
noun
Centrafricaine
/sɛn.ˌtral.a.fri.ˌkan.sə.re.py.ˈblik/, /sɛn.ˌtral.ɑ.fri.ˌkans.re.pʏ.ˈbliːk/, /sɛn.ˌtraɫ.a.fri.ˌkan.sə.re.py.ˈblik/
pronoun
1. een land in Midden-Afrika, officieel de Centraal-Afrikaanse Republiek, dat geheel door land wordt omsloten
République centrafricaine
pronoun
Amérique centrale
pronoun
1. verzamelnaam van vele tientallen talen die in Midden-Amerika worden gesproken
langues amérindiennes de l'Amérique centrale
pronoun
Asie centrale
pronoun
bikol central
pronoun
Europe centrale
adjective
1. afkomstig uit of betrekking hebbend op het middelste deel van het continent Europa
d'Europe centrale
pronoun
1. regio van Finland
Finlande centrale
pronoun
1. Iraanse taal gesproken door 6 miljoen mensen in Irak en Iran
kurde
pronoun
1. taalfamilie van meer dan 170 talen die in het oosten van Indonesië worden gesproken
langues malayo-polynésiennes centrales
pronoun
1. taalfamilie van ongeveer 60 talen die in het midden van Afrika worden gesproken
langues soudaniques centrales
noun
1. een verwarmingssysteem, waarbij de warmte centraal wordt opgewekt
chauffage central
verb
1. op één punt samenbrengen
centraliser
verb
1. in het middelpunt brengen
centrer
adjective
1.
centrifuge
noun
embrayage centrifuge
noun
1. pomp die een vloeistof verpompt door het met een draaiend rad naar buiten te slingeren
pompe centrifuge
noun
1. centrifugaalmachine
  1. centrifugeuse
  2. appareil centrifuge
verb
1. met een centrifuge scheiden, zuiveren of drogen
centrifuger
noun
1.
centriste
noun
1. middelpunt
centre
/siːˈjo/
noun
1.
PDG
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Céphée
noun
céramique
noun
1. een plechtige aangelegenheid
cérémonie
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Cérès
adjective
cerise
noun
cérium
/ˌsɛrtifiˈkat/
noun
1. een schriftelijk bewijs
certificat
verb
1. het officieel verklaren dat iets geldig is of voldoet aan een norm (zwart op wit geven)
certifier
/səˈrymɛn/
noun
1. oorsmeer
cerumen
noun
  1. 3. ces-mineurgrondakkoord
    1. do bémol mineur
    2. ut bémol mineur
  2. 2. ces-kleinetertstoonladder
    1. do bémol mineure
    2. ut bémol mineure
  3. 1. verlaagde c
    1. do bémol
    2. ut bémol
abbreviation
  1. 1. het akkoord ces - es - ges
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
  1. do bémol majeur
  2. ut bémol majeur
noun
  1. 1. het akkoord ces - eses - ges
  2. 2. de mineur toonsoort op ces
do bémol mineur
abbreviation
1. het akkoord ces-es-ges
  1. accord de do bémol majeur
  2. accord de ut bémol majeur
noun
1. een grotetertstoonladder met “ces” als grondtoon
gamme de do bémol majeure
abbreviation
1. het akkoord ces - eses - ges
accord de do bémol mineur
noun
1. een mineurtoonladder met “ces” als grondtoon
gamme de do bémol mineur
noun
1. een kleinetertstoonladder met ces als grondtoon
  1. gamme de do bémol mineure
  2. gamme de ut bémol mineure
abbreviation
1. het akkoord ces-es-ges
  1. accord de do bémol majeur
  2. accord de ut bémol majeur
noun
1. een grotetertstoonladder met “ces” als grondtoon
gamme de do bémol majeure
noun
1. een grotetertstoonladder met "ces" als grondtoon
gamme de do bémol majeure
noun
1. een grotetertstoonladder met “ces” als grondtoon
gamme de do bémol majeure
abbreviation
1. het akkoord ces - eses - ges
accord de do bémol mineur
noun
1. een kleinetertstoonladder met ces als grondtoon
  1. gamme de do bémol mineure
  2. gamme de ut bémol mineure
noun
1. een kleinetertstoonladder met ces als grondtoon
  1. gamme de do bémol mineure
  2. gamme de ut bémol mineure
noun
1. tweemaal verlaagde toon “c”
  1. do double bémol
  2. ut double bémol
noun
  1. césium
  2. cæsium
verb
cesser
noun
1. overdracht van schuldvordering
cession
noun
1. persoon die een vordering verkrijgt
cessionnaire
pronoun
Ceuta
noun
kaneel gemaakt van Cinnamomum verum
cannelle de ceylan
adjective
1. in slechte stemming, slecht gehumeurd
hargneux
verb
  1. 1. het op kamertemperatuur komen van (met name rode) wijn
  2. 1. het op kamertemperatuur laten komen van (met name rode) wijn
chambrer
pronoun
1. verzamelnaam van een tiental talen die in Atjeh en Zuidoost-Azië worden gesproken
langues chames
pronoun
  1. 1.
    Champagne
  2. 2.
    1. Champagne
    2. vignoble de Champagne
/ʃɑmˈpɑɲə/
noun
1. een schuimwijn uit de champagnestreek in Frankrijk
champagne
noun
1.
  1. brède mafane
  2. cresson de Para
pronoun
1.
champenois
noun
1. bepaald soort eetbare en speciaal gekweekte witte paddenstoel, Agaricus bisporus
champignon de Paris
noun
chanson française
noun
1. mensen onder voor de buitenwereld onzichtbare bedreiging zaken tegen hun wil laten doen
chantage
noun
1. grote wanorde
chaos
noun
1. deelgebied van de wiskunde en natuurwetenschappen dat zich bezighoudt met het gedrag van dynamische systemen zoals dat sterk door hun begintoestand wordt bepaald.
théorie du chaos
adjective
chaotique
noun
zandcementvloer
chape
noun
1. oudere vrouw die een jonge ongehuwde vrouw begeleidt
chaperon
verb
chaperonner
noun
1. en 2. (vrucht van) een cultivar van de cantaloupe
  1. melon charentais
  2. melon de cavaillon
noun
1. volksgericht waarbij een of enkele personen die de sociale normen hadden overtreden publiekelijk werden gestraft
charivari
/ˈʃar.la.tan/
noun
charlatan
pronoun
1. grootste stad van Henegouwen
Charleroi
pronoun
1.
Charles Darwin
adjective
1. aangenaam in omgang
charmant
/sjarme/
noun
1. de eigenschappen van iemand waardoor die persoon aardig, leuk en vriendelijk wordt gevonden
charme
verb
1. bekoren
charmer
noun
1. iemand die vrouwen weet te bekoren
charmeur
noun
  1. 2. handvest, beperkte grondwet
    charte
  2. 3. charterpartij
    charte-partie
  3. 4. chartervlucht
    vol charter
noun
1. vlucht met afgehuurd vliegtuig
vol nolisé
/χɑˈsit/
noun
2. aanhanger van het chassidisme
hassid
/ˈtʃɑtə(n)/, /ˈtʃɛtə(n)/
verb
1. op synchrone wijze met elkaar korte tekstberichten uitwisselen
  1. chatter
  2. tchatter
  3. cyberbavarder
verb
chauffer
/ʃaʊ̯.ˈføːr/, /ʃo.ˈføːr/, /ʃo.ˈfʏːr/
noun
1. de bestuurder van een motorvoertuig
  1. chauffeur
  2. conducteur
noun
chauvin
adjective
  1. 1. behept met een overdreven vorm van vaderlandsliefde
    chauvin
  2. 2. met betrekking tot het chauvinisme
    chauviniste
/ˈtʃɛkən/
verb
1. controleren, nakijken
vérifier
noun
1. Acinonyx jubatus, een zeer snel Afrikaans katachtig roofdier
guépard
noun
1. de baas, iemand die de leiding heeft
chef
noun
chimiste
noun
1. wetenschap die zich bezig houdt met de kennis van de stoffen ...
chimie
noun
élément chimique
/ʃɛk/
noun
chèque
noun
2. eetbare hartvormige vrucht van Annona cherimola
chérimolier
/tʃɛ.ˈrɔ.ki/, /ˈtʃeː.ro.keː/
pronoun
1. inheemse taal gesproken door enkele duizenden mensen in Noord-Amerika
cherokee
noun
1. een rode wijn uit een gelijknamig wijnbouwgebied in Toscane
chianti
noun
chiasme
pronoun
1. taalfamilie van ongeveer 20 talen die in Brazilië en Peru worden gesproken
langues chibcha
/sʲik/
noun
  1. 1. modieus verfijnd
  2. 2. uit de hoge stand
chic
noun
chicane
verb
chicaner
adjective
chicaneur
noun
chiffon
noun
1. een monogram van een functionaris, vorst etc. of het naambeeld van een persoon of bedrijf
chiffre
/xɛil/
noun
1. lymfe met veel vet zoals de darmvlokken die bij de spijsvertering uit de darminhoud opnemen en in de chylusvaten afscheiden
chyle
adjective
chilien
/ˈʃi.li/
pronoun
1. een land in Zuid-Amerika, grenzend aan Peru, Bolivia en Argentinië en ingeklemd liggend tussen de Stille Zuidzee en het Andesgebergte
Chili
/ˌʃɪm.pɑn.ˈse/
noun
1. Pan troglodytes, de meest aan de mens verwante mensaap, leeft in Centraal-Afrika
chimpanzé
noun
chimère
/ˈʃi.na/
pronoun
1. een land in Oost-Azië, officieel de Volksrepubliek China
Chine
noun
chinchilla
/ʃi.ˈnes/
adjective
1. betreffende China
  1. chinois
  2. chinoise
  3. chinoises
/ʃi.ˈnes/
pronoun
  1. 1. de voornaamste taal die in China gesproken wordt
    chinois
  2. 2. persoon
    1. chinois
    2. chinoise
    3. chinoises
noun
(bladeren van) Brassica rapa subsp. pekinensis
  1. chou chinois
  2. pe-tsaï
pronoun
1. taalfamilie van 10 tot honderden varianten van het Chinees talen die in China worden gesproken
langues chinoises
noun
1. bepaald soort grasachtige plant, Eleocharis dulcis
châtaigne d’eau
noun
2. een klein stukje halfgeleiderkristal waarop geïntegreerde circuits zijn aangebracht
  1. puce
  2. circuit intégré
/tʃɪps/, /ʃips/, /ʃɪps/
noun
1. dunne aardappelschijfjes, gebakken in vet of olie
chips
noun
1. niet bezegelde, door identieke gedeeltes bevestigde oorkonde
charte-partie
/ʃi'rʏr(ə)x/
noun
1. specialist
chirurgien
noun
1. de wetenschap van en de vaardigheid in het opereren
chirurgie
noun
chlore
noun
1. een bacteriostatisch antibioticum dat de synthese van eiwitten in bacteriën remt
chloramphénicol
/ˈχlɔːr.zyr/
noun
1.
acide chlorique
verb
1. chloor toevoegen aan
chlorer
noun
chlorure
noun
chlorite
noun
  1. chloroforme
  2. trichlorométhane
verb
1. gevoelloos maken met chloroform
chloroformer
noun
1. taxonomische groep, Choanoflagellata
  1. choanoflagellata
  2. choanoflagellés
  3. choanomonada
/xoˈanoflɑɣɛˌlatə(n)/
noun
1. taxonomische groep, Choanoflagellata
  1. choanoflagellata
  2. choanoflagellés
  3. choanomonada
/ˌʃo.ko.ˈla/
noun
1. een lekkernij die gemaakt is van cacao, suiker en cacaoboter
chocolat
/sʲoko'latʲə/
noun
2. stukje chocola
chocolat
/ˌʃo.ko.ˈla.də/, /ˌʃɔko.ˈla.də/
noun
1. een lekkernij die gemaakt is van cacao, suiker en cacaoboter
chocolat
adjective
brun chocolat
noun
1.
chocolatière
noun
1.
lettre au chocolat
noun
1. drank gemaakt van cacao, suiker en melk
  1. chocolat au lait
  2. chocolat chaud
noun
1.
páte à tartiner au chocolat
noun
pudding au chocolat
noun
1. chocoladewinkel, chocoladefabriek
chocolaterie
noun
1.
chocolatier
noun
starter
/χoləra/
noun
1. een zeer besmettelijke infectieziekte die de darmen aantast
choléra
noun
1. vet dat in je lichaamscellen zit, zoals galvet, lichaamsvet
cholestérol
noun
1.
taux de cholestérol
noun
1. muziekinstrumenten waarbij de toon wordt geproduceerd door een trillende snaar
chordophone
noun
chorégraphe
noun
chorégraphie
noun
hormone chorionique gonadotrope
adjective
1. te maken hebbend met het christendom
chrétien
/ˈkrɪs.tən/
noun
1. een belijder van de christelijke godsdienst
  1. chrétien
  2. Chrétien
  3. Chrétienne
/ˈkrɪ.stən.ˌdɔm/
noun
1. een religie gebaseerd op het evangelie en leven van Jezus zoals beschreven in het Nieuwe Testament
christianisme
/ˈxrɪstʏs/
pronoun
Christ
/ˌxromatisiˈtɛɪt/, /ˌɣromatisiˈtɛɪt/, /ˌχromatisiˈtɛɪt/
noun
1. de kwaliteit van een kleur zoals gedefinieerd door zijn kleurvolheid en helderheid
chromaticité
noun
  1. 1. de kleurenleer
    chromatique
  2. 2. de kleuring van de standaardtreden van een toonladder door incidentele toonverhogingen of -verlagingen
    chromatisme
adjective
1. “kleuring” van standaardtreden van een toonladder door incidentele toonverhogingen of - verlagingen
chromatique
verb
chromer
noun
chrome
/ˌɣro.mo.zo.ˈmal/, /ˌɣro.mo.zo.ˈmaɫ/, /ˌχro.mo.zo.ˈmaɫ/
adjective
1. met betrekking tot de chromosomen, de eiwitten die erfelijke informatie bevatten
chromosomique
/ˌχroʊmoʊˈsoʊm/
noun
1. staafachtig lichaampje
chromosome
noun
1. theoretisch geluidssegment dat fonemen die alleen in duur verschillen van elkaar onderscheidt
chronème
noun
1. iemand die kronieken schrijft
chroniqueur
/ˈkronis/
adjective
1. voortdurend, aanhoudend
chronique
/xrono.lo'ɣiː/
noun
1. de wetenschap die zich bezig houdt met het rangschikken in de tijd van historische gebeurtenissen
chronologie
adjective
1. naar tijdstip gerangschikt
chronologique
noun
1. een uurwerk waarop zeer kleine tijdsdelen kunnen worden afgelezen
chronomètre
noun
chrome
adjective
vert oxyde chromique
noun
1.
chrysanthème
/ˌxi.lo.mi.ˈkrɔn/, /ˌχi.lo.mi.ˈkrɔn/
noun
1. een grote door darmwandcellen geproduceerde lipoproteïne, waarin lipiden uit het voedsel van de darmwandcellen naar andere weefsels worden getransporteerd
chylomicron
/ˈxilʏs/
noun
1. lymfe met veel vet zoals de darmvlokken die bij de spijsvertering uit de darminhoud opnemen en in de chylusvaten afscheiden
chyle
noun
1. groot, halfvleugelig insect, leeft in Zuid-Europa en in de tropen (Cicadidae)
cigale
noun
1. littekenvorming
cicatrisation
adjective
cicéronien
noun
1. vruchtenwijn uit gegist appelsap of perensap
cidre
noun
vinaigre de cidre
noun
1. een enkelvoudig symbool om een telbaar aantal aan te duiden
chiffre
noun
2. een aan onroerend goed gerelateerde jaarlijkse uitkering aan de leen- of grondheer
cens
noun
cylindre
noun
1. tot één blok verenigde cilinders, motorblok
bloc-moteur
adjective
1. zoals een cilinder, cilindervormig, buisvormig
cylindrique
pronoun
1. een taal die tegenwoordig gesproken wordt in de gemeente Lusern in Trentino in Italië
cimbrien
adjective
1.
cinéphile
noun
1.
cinéma
noun
1. vroege stroming gericht op een waarheidsgetrouwe, documentaire weergave van de werkelijkheid met een grotere diepgang dan televisie
cinema verité
noun
1. voorloper van de filmprojector
cinématographe
noun
1.
cinématographie
noun
1. iemand die gevangenen bewaakt en verzorgt
  1. gardien de prison
  2. agente di custodia
  3. geôliern
noun
1. bepaald soort naaldboom, Cupressus sempervirens
cyprès
noun
cirage
noun
  1. 1. omloop voor snelheidswedstrijden
    circuit
  2. 2. elektronisch netwerk
    circuit électrique
adjective
circulaire
noun
  1. circulaire
  2. lettre circulaire
noun
circulation
noun
1.
pomp de circulation
noun
1.
pomp de circulation
verb
1. in omloop zijn
circuler
noun
1. een woorddeel dat rondom een ander woord geplaatst wordt om iets aan de betekenis toe te voegen
circonfixe
noun
  1. 1. attractie
    cirque
  2. 2. chaotische toestand
    1. cirque
    2. cinéma
/ˈsɪrkəɫ/
noun
cercle
verb
1. in cirkels ronddraaien of rondvliegen
  1. tourner en rond
  2. tournoyer
/ˈsɪrkəlzax/
noun
1. motorzaag met een rond zaagblad
scie circulaire
noun
1.
  1. bruant zizi
  2. zizi
noun
1.
cirrhose
/'sɪrɵs/
noun
1. een zeer hoog drijvende wolk die eruitziet als katoenvlokken, pluimen of veren, in regelmatige strepen aan de hemel verdeeld
cirrus
noun
  1. 3. cis-mineurgrondakkoord
    1. do dièse mineur
    2. ut dièse mineur
  2. 2. cis-kleinetertstoonladder
    1. do dièse mineure
    2. ut dièse mineure
  3. 1. verhoogde toon c
    1. do dièse
    2. ut dièse
abbreviation
  1. 1. het akkoord cis - f - gis
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Do dièse majeur
abbreviation
  1. 1. een akkoord cis - e - gis
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Do dièse mineur
adjective
1.
cisalpin
abbreviation
  1. 1. het akkoord cis - f - gis
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Do dièse majeur
abbreviation
1. het akkoord cis-eïs-gis
  1. accord de do dièse majeur
  2. accord de ut dièse majeur
noun
1. een majeurtoonladder met “cis” als grondtoon
gamme de do dièse majeur
noun
1. een majeurtoonladder met “cis” als grondtoon
gamme de do dièse majeur
noun
1. een majeurtoonladder met “cis” als grondtoon
gamme de do dièse majeur
noun
1. een majeurtoonladder met “cis” als grondtoon
gamme de do dièse majeur
abbreviation
  1. 1. een akkoord cis - e - gis
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Do dièse mineur
abbreviation
1. het akkoord cis-e-gis
  1. accord de do dièse mineur
  2. accord de ut dièse mineur
noun
1. een mineurtoonladder met “cis” als grondtoon
  1. gamme de do dièse mineur
  2. gamme de ut dièse mineur
noun
1. een kleinetertstoonladder met “cis” als grondtoon
  1. gamme de do dièse mineure
  2. gamme de ut dièse mineure
abbreviation
  1. 1. het akkoord cis - f - gis
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Do dièse majeur
abbreviation
1. het akkoord cis-eïs-gis
  1. accord de do dièse majeur
  2. accord de ut dièse majeur
noun
1. een grotetertstoonladder met “cis” als grondtoon
gamme de do dièse majeur
noun
1. een grotetertstoonladder met "cis" als grondtoon
gamme de do dièse majeur
noun
1. een grotetertstoonladder met “cis” als grondtoon
gamme de do dièse majeure
noun
1. een majeurtoonladder met “cis” als grondtoon
gamme de do dièse majeur
abbreviation
  1. 1. een akkoord cis - e - gis
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Do dièse mineur
abbreviation
1. het akkoord cis-e-gis
  1. accord de do dièse mineur
  2. accord de ut dièse mineur
noun
1. een kleinetertstoonladder met “cis” als grondtoon
  1. gamme de do dièse mineure
  2. gamme de ut dièse mineure
noun
1. een kleinetertstoonladder met “cis” als grondtoon
  1. gamme de do dièse mineure
  2. gamme de ut dièse mineure
/si'zel/
noun
1.
cerceau
verb
1. heel fijne reliëfversieringen in metalen voorwerpen maken
  1. bosseler
  2. ciseler
noun
  1. 1. tweemaal verhoogde toon “c”
    Do double dièse
  2. 3. cisis-mineurgrondakkoord
    do double dièse mineur
  3. 2. cisis-kleinetertstoonladder
    do double dièse mineure
abbreviation
1. het akkoord cisis-eïs-gisis
  1. accord de do double dièse mineur
  2. accord de ut double dièse mineur
noun
1. een kleinetertstoonladder met “cisis” als grondtoon
  1. gamme de do double dièse mineure
  2. gamme de ut double dièse mineure
abbreviation
1. het akkoord cisis-eïs-gisis
  1. accord de do double dièse mineur
  2. accord de ut double dièse mineur
noun
1. een kleinetertstoonladder met “cisis” als grondtoon
  1. gamme de do double dièse mineure
  2. gamme de ut double dièse mineure
noun
1. een kleinetertstoonladder met “cisis” als grondtoon
  1. gamme de do double dièse mineure
  2. gamme de ut double dièse mineure
adjective
1.
cistercien
noun
1. monnik uit de Cisterciënzers
cistercien
noun
1. aanhaling, ontleende passage
citation
noun
1. versterking die een vestingstad domineert, hetzij om de inwoners van die stad onder bedwang te houden,...
citadelle
noun
1. een snaarinstrument dat voornamelijk gebruikt wordt in het Duitstalige deel van Europa
cithare
verb
1. eigen of andermans woorden ontlenen
citer
noun
citoyen
noun
1. ovale, gele zure vrucht van de citroenboom
citron
noun
1. uit China afkomstige boomsoort waarvan de citroen de vrucht is, Citrus limon
citronnier
adjective
jaune citron
noun
1.
requin-citron
noun
1. Melissa officinalis, een vaste plant die naar citroen ruikt; van de bladeren kan thee gezet worden
mélisse
noun
2. raspsel van de schil van een citroen
zeste de citron
noun
1. en 2. schil van een citroen
écorce de citron
noun
1. dagvlinder van de Pieridaefamilie
citron
noun
acide citrique
noun
agrume
noun
1. Viverra, een geslacht van kleine slank gebouwde roofdieren dat ---
civette
noun
génie civil
noun
civilisation
verb
1. beschaving bijbrengen
civiliser
noun
clandestinité
noun
clarisse
noun
classicisme
verb
classifier
noun
1. pijn en kramp in de benen als gevolg van een slagaderlijke vaatafwijking
claudication
/klʌstrofoˈbiː/, /klʌustrofoˈbiː/
noun
1. vrees voor afgesloten ruimten
claustrophobie
/klʌʊˈsylə/
noun
1. een extra bepaling in een ambtelijke brief.
  1. clause
  2. stipulation
noun
1. afsluiting van bepaalde delen van een klooster
clôture
noun
acide clavulanique
noun
1.
klaxon
adjective
cléistogame
adjective
1. het toegevend zijn van een gezagdrager ten opzichte van de minderen
clément
noun
1. Gonepteryx cleopatra
citron de Provence
noun
1. de leiders van een kerkgenootschap
clergé
noun
1. te veel gebruikte uitdrukking
cliché
noun
clientèle
noun
1. gevoelig orgaan bovenaan de schaamspleet van de vrouw dat voor de seksuele opwinding zorgt
clitoris
noun
clivage
noun
clientélisme
noun
1. een Franse en m.n. Parijse dronken, dakloze zwerver
clochard
noun
1. een medicijn dat onder andere de bloedvaten verwijdt en de bloeddruk verlaagt
clonidine
/kloːn/, /klʌːun/
noun
  1. 2. bespottelijk iemand
    1. bouffon
    2. bouffonne
  2. 1. komische artiest
    clown
/klɵp/
noun
  1. 1. besloten gemeenschap
    club
  2. 3. golfstok
    1. club
    2. crosse
    3. crosse de golf
  3. 2. gemakkelijke stoel
    fauteuil club
noun
    1. 1. een compacte groep van gelijksoortige objecten, verschijnselen, klanken etc
    2. 2. een dissonant akkoord van meerdere opeenvolgende tonen
    cluster
  1. 3. een groep sterrenstelsels
    groepe de galaxies
noun
1.
coparentalité
/kowaˈli(t)si/
noun
1. verbond van twee of meer partijen, mogendheden of staten om een gemeenschappelijk doel te bereiken
coalition
noun
1.
  1. coalition gouvernementale
  2. gouvernement de coalition
adjective
1.
coaxial
noun
câble coaxial
noun
1. gevaarlijke gifslang
cobra
noun
1.
coca
noun
1. een drug die bereid wordt uit de bladeren van de coca die euforie en ongevoeligheid voor pijn veroorzaakt en leidt tot verslaving
cocaïne
adjective
1. met betrekking tot het slakkehuis onderdeel van het binnenoor
cochléaire
noun
1. heel stevig apparaat dat de gesprekken in de cockpit opneemt en bewaart, ook als het vliegtuig neerstort
enregistreur phonique
noun
1. drankje bestaande uit gemixte alcoholische dranken
  1. cocktail
  2. coquetel
noun
shaker
noun
cocon
noun
coda
/'kodə/
noun
code
noun
1. een machine om een boodschap in geheimschrift te coderen
encodeur
verb
1. in een code brengen
  1. coder
  2. chiffrer
/kɔχ'nat/
noun
  1. bloedverwant
    cognat
  2. woord van zelfde afstamming
    mot apparenté
noun
1. eigendoms- en ontvangstbewijs waarin zeevrachtbrief en vervoersovereenkomst worden gecombineerd
connaissement
verb
cohabiter
noun
  1. cohérence
  2. cohésion
noun
2. een onderlinge aantrekking van moleculen van een zelfde stof
cohésion
verb
coiffer
noun
1. ontgaste steenkool
coke
noun
1. fabriek waar steenkool wordt omgezet in hoogwaardiger cokes
cokerie
noun
2. koolzuurhoudende frisdrank
coca
noun
veste
noun
1. staafvormige darmbacterie
colibactérie
noun
2
  1. collaborateur
  2. collabo
verb
1. met de vijand samenwerken
collaborer
noun
collage
/ˌkɔlɑˈɣen/
noun
1.
collagène
verb
collationner
noun
boîte à collecte
verb
collecter
noun
collection
adverb
collectif
noun
1. meerdere groepen die onder één noemer worden aangesproken
collectif
verb
collectionner
verb
collectiviser
/kɔˈleɣa/, /kɔˈleχa/
noun
1. een persoon die voor hetzelfde bedrijf werkt
collègue
noun
  1. 1. scholengemeenschap
    collège
  2. 1. de tijd waarin een docent een bepaald onderwerp uitlegt aan studenten
    cours
noun
1.
minerval
noun
1. naam voor Schotse langharige herdershond
colley
noun
collimateur
noun
collision
noun
collocation
verb
colloquer
noun
colloïde
noun
1,2. collusie
collusion
pronoun
1.
Colmar
/ko.ˈlɔm.bi.ja/
pronoun
1. een land in het noordwesten van Zuid-Amerika
Colombie
noun
1. een inwoner van Colombia of persoon die de Colombiaanse nationaliteit bezit
Colombien
/ko'lɔnə/
noun
  1. 2. vijfde colonne: een groep mensen die zich voordoet als loyaal, maar die in dienst staat van de vijand en in het geheim ondermijnende acties uitvoert
    cinquième colonne
  2. 1. rij van militairen of voertuigen in een groot aantal gelederen van kleine frontbreedte
    colonne
noun
1. een kever die op de aardappelplant leeft van ongeveer 1 cm lang en met een geel...
doryphore
noun
1. dikke darmonderzoek waarbij men met een endoscoop het darmslijmvlies onderzoekt en zo nodig een biopsie kan nemen
coloscopie
noun
1. de eerste, gelige moedermelk
colostrum
verb
colporter
noun
1. koker van soepel textiel die men om de hals kan dragen
  1. cache-cou
  2. buff
  3. cache col
  4. cache-col
noun
coltan
/ˈkoːmaː/
noun
1. volkomen bewusteloosheid
coma
noun
combinaison
noun
1. werktuig waarmee je zowel op verschillende manieren kan vastknijpen als afknippen
pince universelle
verb
combiner
/kɔnˈfɔrt/
noun
1. een toestand waarin men zonder onrust, vrees of verlegenheid is
confort
noun
1. een installatie voor de regeling van de temperatuur en de vochtigheidsgraad van de lucht in een ruimte
climatisation
verb
2. bevelen
commander
adjective
commanditaire
/kɔ.ˈmɑn.do/
noun
  1. 3. opdracht om een bepaald proces uit te voeren
    commande
  2. 1. bevel, leiding
    commandement
    1. 2. speciaal getrainde groep militairen voor speciale missies
    2. 1. iemand uit een eenheid die extra getraind wordt voor speciale missies
    commando
/kɔmən'tar/
noun
  1. 1. toelichting of verklaring
  2. 2. kritiek
commentaire
verb
1. van commentaar voorzien
commenter
noun
commentateur
verb
commercialiser
noun
commercialité
noun
commerce
/kɔmərˈʃel/, /kɔmɛrˈsjel/
adjective
1. zakelijk
commercial
noun
commisération
noun
commisariat
noun
2. een hoge rang bij de politie
commissaire
noun
1. een groep personen aan wie een bepaalde opdracht wordt gegeven of die voor een bepaald doel bijeenkomen
commission
noun
1. een kast met veel laatjes op werkhoogte om een baby aan te kleden
commode
noun
1. onrust bij een groep mensen
agitation
adjective
1. betrekking hebbend op de gemeenschap
  1. communautaire
  2. communal
noun
communautarisme
noun
commune
noun
communiant
/ˌkɔ.my.nɪ.ˈkaː.si/, /ˌkɔmyniˈkasi/, /ˌkɔmyniˈkaʦi/
noun
1. het uitwisselen van informatie
communication
noun
1.
erreur de communication
noun
sciences de l'information et de la communication
/ˌkɔmyniˈkatsiˌmɪdəɫ/
noun
2. een apparaat dat communicatie vergemakkelijkt of onder nieuwe omstandigheden mogelijk maakt
moyen de communication
verb
  1. 1. ter communie gaan
    communier
  2. 2. met elkaar in contact komen
    communiquer
/kɔ.ˈmy.ni/, /kɔ.ˈmyː.nɪə̯/
noun
1. de gemeenschap met lichaam en bloed van Jezus Christus in de vorm van brood en wijn
communion
noun
communiqué
/kɔmyˈnɪsmə/
noun
1. ideologie die gericht is op gemeenschappelijk bezit van productiemiddelen en verbruiksgoederen
communisme
noun
communiste
noun
communautarisme
noun
communité
noun
commutation
pronoun
1. Bantoetaal gesproken op de Comoren, Madagaskar, Mayotte en Réunion
comorien
/ko.ˈmoː.rə(n)/, /ko.ˈmo̝ː.rə(n)/
pronoun
2. staat gevestigd op de gelijknamige eilanden
Comores
adjective
1. ruimte beperkende uitvoering, gedrongen
compact
verb
1. het volume van iets kleiner maken
compacter
noun
2. vennootschap
compagnie
noun
1. iemand die voor een notaris verschijnt om een akte op te maken
comparant
noun
comparateur
verb
2. voor rechter of notaris verschijnen
comparaître
noun
1. verschijning in rechte
comparution
adjective
1. op elkaar aansluitend, met elkaar in overeenstemming te brengen
compatible
//
noun
1. verenigbaarbeid van elektronische apparaten, softwareprogramma's, enz
compatibilité
noun
1. iets wat minder is uitvallen, weer goed (proberen te) maken (met een extra toegift)
compensation
verb
1. iets goed (proberen te) maken, terug in balans brengen
compenser
adjective
1. bevoegd; bekwaam
compétent
noun
1. een ontwikkelbaar vermogen van mensen waarmee ze in voorkomende situaties adequaat, gemotiveerd, proces- en resultaatgericht kunnen handelen
compétence
verb
1. rechtmatig toekomen
compéter
noun
1. wedijver, concurrentie
  1. compétition
  2. concurrence
noun
1. (informatica) computerprogramma dat een in een brontaal geschreven programma (broncode) vertaalt in een semantisch equivalent programma in een doeltaal (objectcode) (en meestal tegelijk met andere programma´s 'linkt')
compilateur
verb
compiler
adjective
1. volledig, voltallig
  1. complètement
  2. plein
  3. complet
adjective
1. aanvullend
complémentaire
noun
complémentarité
noun
1. de mate waarin iets complex is
complexité
noun
1. de studie van de complexiteit en mate van oplosbaarheid van wiskundige vraagstukken binnen het kader van...
théorie de la complexité des algorithmes
noun
complaisance
verb
1.(nodeloos) ingewikkeld maken
compliquer
noun
1. een lovende of vleiende opmerking
compliment
verb
complimenter
noun
1. geheime samenwerking van meerdere personen om een bepaald (verboden of slecht) doel te bereiken
complot
verb
composer
noun
1. iemand die muziekstukken schrijft
compositeur
noun
een samengesteld materiaal dat is opgebouwd uit verschillende componenten
composites multicouches
noun
1. een muziekstuk, werkstuk van een componist
composition
noun
1. is het residu dat ontstaat na ontbinding van organisch materiaal (d.w.z. van plantaardige of dierlijke oorsprong)
compost
verb
1. tot compost verwerken
composter
noun
compressibilité
noun
1. samendrukking
compression
noun
compreseur
verb
1. samenpersen, compact maken
comprimer
/kɔmproˈmi/
noun
1. overeenkomst waarbij de betrokken partijen concessies doen...
compromis
verb
compromettre
/kɔm.ˈpju.tər/, /kɔm.ˈpɪ̯uː.tər/
noun
1. informatieverwerkende machine
ordinateur
/kɔmˈpjutərə(n)/
verb
1. gebruikmaken van de computer
travailler sur l'ordinateur
noun
1. een spel dat via of met de computer gespeeld wordt
  1. jeu électronique
  2. logiciel de loisir
noun
1. de taal waarin computerprogramma's worden geschreven, de programmeertaal.
langage informatique
noun
1.
virus informatique
noun
informatique
noun
1. afgesloten terrein met barakken waar machthebbers bepaalde groepen mensen zonder rechtsgang onder dwang van de samenleving afgezonderd houden
camp de concentration
verb
  1. 1. op één plek samenbrengen
    concentrer
  2. 2. zich ~ op één zaak toespitsen
    se concentrer
noun
1. een ontwerp, een project
  1. projet
  2. esquisse
noun
1. bevruchting
conception
adjective
conceptif
noun
1. een muziekuitvoering door een orkest etc.
concert
noun
1. concertmeester
premier violon
noun
2-3
concession
noun
concessionnaire
noun
concessionnaire
verb
1. mengen bij een temperatuur van 80° C van cacaoboter, suiker en andere ingrediënten bij de bereiding van chocola
concher
adjective
concis
adjective
conciliaire
noun
concile
verb
concilier
/kɔn.si.ˈjɛr.ʒə/, /kɔn.ˈʒɛr.ʒə/
noun
1. een huisbewaarder, een toezichter in een gebouw
concierge
noun
1. een besloten kerkvergadering van kardinalen waarbij een paus gekozen wordt
conclave
/ˌkɔŋklyˈderən/
verb
2. (overgankelijk) tot een besluit komen
conclure
/kɔŋˈklyzi/
noun
conclusion
noun
concordance
verb
concorder
noun
cours
/kɔnˈkret/
adjective
2. in realiteit bestaand
concret
verb
1. een gegeven) concreet maken
concrétiser
noun
1.vrouw met wie een man in ongehuwde staat...
concubine
adjective
1. gelijkgerechtigd, noch zekerheid noch voorrang hebbend
chirographaire
noun
1. mededinger, wedijveraar
concurrent
noun
1.
concurrence
/kɔndɛn'zasi/
noun
condensation
noun
1. elektrische component
condensateur
noun
capacité électrique
verb
1. overgaan van gasvormige naar vloeibare toestand
condenser
noun
  1. 2. voorwaarde
  2. 1. gezondheidstoestand
condition
verb
  1. 1. als voorwaarde stellen, bedingen
  2. 2. in zekere toestand brengen of houden
conditionner
noun
1. een blijk van medeleven aan de nabestaanden van een overledene
condoléances
noun
préservatif
noun
1. benaming voor sommige roofvogels uit de Amerikaanse tak (Cathartidae) van de gierenfamilie
condor
noun
conductance électrique
noun
1. een medewerker van de spoorwegen die reizigers op vervoersbewijzen controleert en de orde in de trein of tram dient te bewaren
  1. contrôleur
  2. receveur
noun
1.
confection
verb
confectionner
noun
confédération
verb
confédérer
noun
conférence
noun
1. felgekleurde papiersnippers
confetti
adjective
confidentiel
noun
1.
confirmation
adjective
confirmatif
verb
confirmer
noun
confiseur
verb
1. van staatswege in beslag nemen
confisquer
noun
conflit
noun
conformité
noun
affrontement
verb
1.iemand laten zien wat diegene heeft gedaan
confronter
noun
verwardheid
confusion
noun
congénialité
noun
congrégation
/kɔŋˈɣrɛs/, /kɔŋˈχrɛs/
noun
1. een grote vergadering van deskundigen op een bepaald vakgebied
congrès
noun
congruence
noun
1. "ontslag"
congé
noun
1. binding
conjugaison
noun
conjonction
/ˈkɔn.jʏŋk.tif/
noun
1. aanvoegende wijs
subjonctif
noun
1. een werkloosheid die veroorzaakt wordt door vermindering van de bestedingen
chômage conjoncturel
noun
1.een ontsteking van het bindvlies dat de buitenkant van het oogwit en de binnenkant van de oogleden bekleedt
conjonctivite
verb
connecter
noun
connexion
noun
connecteur
noun
connexité
noun
1. de bijklank of gevoelswaarde van een woord of woordgroep, die tot op zekere hoogte losstaat van de letterlijke betekenis
connotation
verb
1. consecratie verrichten
consacrer
adjective
1. grondig, zorgvuldig, nauwgezet
consciencieux
adjective
consécutif
/kɔnˈsɛnzʏs/
noun
consensus
noun
1. een noodzakelijk gevolg
conséquence
/kɔnsɛrvaˈtif/
adjective
1. vasthoudend aan het oude en vertrouwde
  1. conservateur
  2. conservatif
noun
conservatisme
noun
conservateur
noun
1. een school in het hoger onderwijs waar men zich kan laten opleiden tot professioneel musicus, acteur/actrice of danser(es)
conservatoire
noun
conservatrice
noun
2. ingeblikt voedsel ter bewaring tegen bederf
conserve
verb
1.
conserver
verb
consigner
verb
1. vast en duurzaam maken
consolider
noun
consommé
/kɔnso'nɑnt/
adjective
consonant
noun
consonance
noun
conspiration
verb
1. samenzweren
conspirer
adjective
1. Altijd onveranderlijk
constant
noun
constantan
noun
constance
/kɔnsta'terə(n)/
verb
1. vaststellen
constater
noun
2,3 sterrenbeeld, configuratie, onderlinge stand van hemellichamen
constellation
noun
1. een situatie waarin men zich geen raad meer weet
  1. consternation
  2. sidération
verb
constituer
noun
2. grondwet
constitution
adjective
constitutionnel
noun
1. een ontwerper van constructies
constructeur
/xxxx/
noun
construction
/ˌkɔnstrʏkˈtif/
adjective
1. opbouwend
constructif
verb
construire
noun
  1. 1. Romeins overheidspersoon
  2. 1. vertegenwoordiger
consul
noun
1.
consulat
adjective
consulaire
noun
1. een deskundige raadgever
consultant
noun
1. een adviesgesprek met een arts of rechtsgeleerde
consultation
adjective
consultatif
verb
1. raadplegen, advies vragen
consulter
/kɔnzyˈmɛnt/, /kɔnsyˈmɛnt/
noun
1. algemene term voor personen, huishoudens die goederen en diensten verbruiken ...
consommateur
verb
  1. 1. verorberen
    consommer
  2. 2. verbruik van goederen en diensten in de economie
    consumer
verb
1.
consommer
adjective
consomptif
/kɔn.ˈtɑk/, /kɔn.ˈtɑkt/
noun
  1. 1. een toestand waarbij twee voorwerpen elkaar raken
  2. 2. onderlinge communicatie
  3. 3. een contactpersoon
  4. 4. een verbinding van twee elektrische geleidingen
  5. 5. een elektrische schakelaar
  6. 6. de grens tussen stollings- en nevengesteente
contact
verb
1. contact opnemen met
contacter
noun
intermédiaire
noun
conteneur
noun
  1. navire porte-conteneurs
  2. porte-conteneurs
verb
contaminer
adjective
1.
comptant
adjective
contemplatif
verb
contempler
adjective
1.
contemporain
noun
contenance
adjective
contentieux
noun
1. betwisting
contestation
verb
contester
/ˈkɔntɛkst/
noun
1. verband waarin iets zich voordoet
contexte
noun
contiguité
noun
1. een werelddeel
continent
verb
contingenter
adverb
continu
/ˌkɔntinyˈweːrə(n)/
verb
1. voortzetten
continuer
noun
1. continuo
continuo
noun
continuité
noun
1.
  1. contour
  2. isoplèthe
noun
1. een aanval tegen een aanval
  1. contre-attaque
  2. contrattaque
/kɔntrabɑndə/
noun
contrabande
noun
1. het laagstklinkende muziekinstrument van de strijkinstrumenten
contrebasse
noun
1. contrabassaxofoon
saxophone contrebasse
/kɔnˈtrɑkt/
noun
1. een schriftelijk vastgelegde overeenkomst
contrat
verb
1. een contract sluiten
  1. contracter
  2. engager
noun
1. samentrekking van orgaan of spieren
contraction
noun
1. vrijheid van rechtssubjecten om inhoud, werking en vorm van een overeenkomst te bepalen
liberté contractuelle
noun
1. vrijheid van rechtssubjecten om inhoud, werking en vorm van een overeenkomst te bepalen
liberté contractuelle
noun
1. een tegenstrijdigheid in de woorden, een innerlijke tegenspraak
contradiction dans les termes
noun
1. een tegenstrijdigheid in de woorden, een innerlijke tegenspraak
contradiction dans les termes
adjective
contradictoire
noun
1. (muziekinstrument) fagot waarvan de noten een octaaf lager klinken dan de gewone fagot
contrebasson
adjective
contraire
adjective
contre-productif
noun
1. leer der meerstemmigheid
contrepoint
verb
contrarier
noun
1. opvallende tegenstelling
  1. contraste
  2. opposition
verb
1. een tegenstelling vormen
contraster
verb
contribuer
noun
cotisation
noun
contrôle
verb
1. inspecteren, toezicht houden, onderzoeken, nazien
  1. contrôler
  2. vérifier
noun
1. iemand die belast is met de controle
contrôleur
noun
1.
manette
noun
convection
noun
convenience
noun
convent
noun
conventionnalité
adjective
1. wat door het vaste gebruik bepaald is
conventionnel
/ˌkɔnvɛrˈɣɛnt/
adjective
1. in één punt samenkomend
convergent
verb
converger
/kɔn.vɛr.ˈsa.tsi/
noun
conversation
verb
1. een gesprek voeren
converser
adjective
convertible
adjective
1. bolrond, met een gebogen oppervlak
convexe
verb
convoquer
noun
1. stuip, toeval
convulsion
noun
2.
cookie
adjective
1.
cool
noun
1. scheikundig element met symbool Cn en atoomnummer 112
copernicium
adjective
1. rijkelijk, overvloedig
copieux
adjective
coplanaire
noun
1. een gezamenlijke productie
coproduction
verb
1. geslachtsgemeenschap hebben
copuler
pronoun
1. een rivier op de grens van Guyana en Suriname
Corentyne
pronoun
Cordoue
noun
cornage
pronoun
2. spelwoord voor de letter c
Célestin
/ˈkɔrnis/, /ˈkɔrnɪs/
pronoun
1. een Keltische taal die gesproken wordt in Cornwall
cornique
pronoun
1. schiereiland in het zuidwesten van Engeland
Cornouailles
noun
instrument dat gebruikt wordt voor het waarnemen van verschijnselen in de ijle atmosfeer rond de zon
coronographe
adjective
1. met betrekking tot de krans-slagaders van het hart
coronaire
noun
corporation
adjective
corporatif
adjective
1. lichamelijk
corporel
adjective
corpusculaire
adjective
1.
correct
noun
1. verbetering
correction
verb
correctionaliser
adjective
correctionnel
noun
correspondance
verb
correspondre
/ˌkɔriˈʒeːrə(n)/, /ˌkɔriˈʒɪːrə(n)/
verb
1. iets van fouten ontdoen
corriger
verb
corroder
noun
1. roest, een langzame verbinding met zuurstof
corrosion
adjective
1. met behulp van geschenken, geld e.d. over te halen om zijn plicht, partij, of overtuiging te verzaken
corrompu
noun
1. bedrog vanwege oneerlijkheid
corruption
noun
corsage
/'kɔrsɪkɑ/
pronoun
1. Frans eiland
Corse
pronoun
1. een taal die op Corsica gesproken wordt
corse
noun
1.
lièvre corse
noun
1. bijnierschorshormoon
corticoïde
noun
cosinus
noun
1. schoonheidsmiddel
cosmétique
/ˌkɔs.ta.ˈri.ka/
pronoun
1. een staat in Midden-Amerika, tussen Panama en Nicaragua
Costa Rica
noun
cotangente
noun
coulage
noun
coulomb
/kup/
noun
1. staatsgreep
  1. coup d'État
  2. putsch
verb
couper
noun
couperose
noun
courage
noun
1. massamedium
journal
noun
1. Cucurbita pepo, een groente uit de komkommerfamilie
courgette
noun
1. beloning voor de tussenpersoon
courtage
noun
couscous
noun
1. modeontwerper,ontwerper en maker van modieuze kledij
  1. couturier
  2. couturière
noun
1. iemand die tijdens de coronapandemie de maatregelen tegen de verspreiding...
  1. covidiot
  2. covidiote
noun
1. veedrijver/veehoeder
cow-boy
noun
1. bepaald soort zoogdier, Canis latrans
coyote
noun
1. een constante factor van een onbekende of van een veranderlijke grootheid
  1. coefficient
  2. facteur
noun
coïncidence
verb
1. samenvallen in ruimte of tijd
coïncider
verb
coïter
noun
1. seks waarbij de man met zijn penis het lichaam van de partner binnengaat
coït
noun
2. op samenwerking gegronde vereniging of bedrijf
coopérative
verb
coopérer
noun
cooptation
noun
1. onderlinge afstemming, het coördineren
coordination
noun
1. iemand die zorgt dat de dingen in hun samenhang geregeld worden
coordinateur
verb
1. zo organiseren dat alles en iedereen goed kan samenwerken
coordonner
adverb
1. koste wat het kost
coûte que coûte
noun
1. bepaald soort struik en 2. vrucht daarvan, Vaccinium macrocarpon
  1. canneberge
  2. airelle
  3. airelle à gros fruits
  4. cranberry
noun
  1. 1. ernstig verkeersongeluk
    crash
  2. 2. ineenstorting van de aandelenmarkt
    krach
noun
2. stropdas
cravate
verb
1. zwemmen met de crawlslag
crawler
noun
1. een schepping, iets totaal nieuw
création
/krejaˈtif/
adjective
1. scheppend vermogen bezittend, met een scheppende geest
créatif
noun
créationnisme
noun
1. gedrevenheid of vaardigheid om iets oorspronkelijks te maken
créativité
noun
1. schepsel; iets dat gemaakt is
créature
noun
carte de crédit
verb
1. als tegoed boeken
créditer
noun
1. iemand aan wie iemand iets (meestal geld) verschuldigd is
créancier
noun
Cris
noun
1. de lijkverbranding, de verassing
crémation
noun
1. centrum voor lijkverbranding
crématorium
verb
  1. incinérer
  2. crématiser
noun
1. stam van oerbacteriën, Crenarchaeota
  1. crenarchaeota
  2. crénarchées
noun
1. iemand die zich bezighoudt met de studie van pidgin- en creooltalen
créoliste
noun
1. de wetenschap die pidgin- en creooltalen bestudeert.
créolistique
noun
1. in Latijns-Amerika geboren nazaten van een samensmelting van Afrikaanse slaven...)
créole
adjective
1.
Créole
noun
1. een taal die is ontstaan doordat bevolkingsgroepen die twee verschillende talen spraken met elkaar in contact kwamen en een nieuwe taal ontwikkelden
  1. langue créole
  2. langage créole
verb
créosoter
verb
(dysfemisch) doodgaan, omkomen
crever
/krɛˈʃɛndo/
noun
crescendo
/kreˈjeːrə(n)/
verb
1. iets nieuws maken, iets scheppen
créer
noun
1. een uit Engeland afkomstig slagbalspel in de open lucht
cricket
verb
1. in de criminele sfeer plaatsen
  1. criminaliser
  2. faire passer pour de la délinquance
noun
1. de misdadigheid, het begaan van misdaden
  1. délinquance
  2. criminalité
adjective
1. met betrekking tot misdaad
criminel
noun
1. iemand door zich onderhoudt door de wet te breken
criminel
noun
1. sociologie van misdaad en misdadigheid
criminologie
noun
1. beoefenaar van de criminologie
criminologue
noun
1. een zware noodsituatie waarbij het functioneren van een stelsel ernstig verstoord raakt
crise
/kriˈterijʏm/
noun
  1. 1. toets, een doorslag gevende reden
    critère
  2. 2. een wielerwedstrijd van zelden langer dan 100 kilometer, die bestaat uit zeer veel korte plaatselijke ronden
    critérium
/krʋɑˈsɑ̃/
noun
1. halvemaanvormig broodje
croissant
noun
crompouce
noun
1. tosti met ham en kaas
croquemonsieur
noun
croupier
noun
croûton
adverb
cru
adjective
1. beslissend, doorslaggevend
crucial
noun
1. beeldhouwwerk bestaande uit Christus aan het kruis
crucifix
noun
1. vakantie op een varend schip met uitgebreide voorzieningen voor de passagiers
croisière
noun
1. een passagierschip dat gebouwd en uitgerust wordt om er cruises mee te maken.
navire de croisière
noun
1. een uitvaart waarbij het lijk tot stof wordt verpulverd door toepassing van vriesdrogen
promession
noun
cryptanalyse
noun
cryptanalyse
noun
cryptogramme
noun
1.
  1. cryptomonnaie
  2. crypto-monnaie
noun
1. een oppascentrum voor kinderen
crèche
adjective
blanc crème
noun
1. CT
TDM
noun
1. CT-scan
CT-scan
/ˈky.ba/
pronoun
eiland en land in het Caribisch gebied
Cuba
adjective
cubain
adjective
1. met betrekking tot de kookkunst
culinaire
verb
1. in cultuur brengen
cultiver
/kʏltyˈrel/
adjective
1.met betrekking tot cultuur
culturel
noun
1. taal die de standaardtaal is in een gebied waar ook dialecten worden gesproken
langue nationale
noun
société à histoire
noun
1. een welriekende organische verbinding
coumarine
/kymyˈlerə(n)/
verb
cumuler
noun
cumulonimbus
/'kymylɵs/
noun
1. scherp afgelijnde wolken waarvan de basis donkerder, ...
cumulus
noun
1. belangenbehartiging van meerderjarige
curatelle
noun
curateur
/ky.ra.ˈsʌʊ̯/, /kyː.ra.ˈzaʊ̯/
pronoun
1. een eiland en 2. een land
Curaçao
noun
2. gele voedselkleurstof
  1. curcumine
  2. extrait de curcuma
verb
curer
noun
1. uitkrabbing
curetage
noun
1. het bestuursorgaan van de Heilige Stoel ten behoeve van de gehele Rooms-katholieke Kerk
gouvernement de l'Église catholique romaine
adjective
curieux
noun
1.iets merkwaardigs
  1. curiosité
  2. bizarrerie
  3. singularité
noun
curium
noun
1. een precisiesport die lijkt op bowls, jeu de boules en bocce, die op ijs gespeeld wordt gespeeld met zware stenen in plaats van metalen (of plastic) ballen
curling
adjective
1.
italique
/ˈkʏrsʏs/
noun
cours
noun
courbe
noun
cuvelage
noun
1. een blauwgroene kleur
cyan
noun
cyanure de potassium
/siˈanobɑkˌtɪ:riə(n)/
noun
1. benaming voor de groep Cyanobacteria
  1. cyanobactéries
  2. cyanophycées
noun
cyberattaque
noun
cybercafé
noun
1. wetenschap van de besturing van systemen
cybernétique
/ˈsiklis/
adjective
1. regelmatig terugkerend
cyclique
noun
cyclo-cross
noun
1. een kankerremmende stof
cyclophosphamide
noun
een cycloalkaan
cyclohexane
noun
2.
cyclone
noun
cyclope
noun
cyclothymie
noun
1. terugkerende, regelmatige reeks
cycle
noun
1. inwoner van Cyprus
Chypriote
adjective
1. op Cyprus betrekking hebbend
chypriote
noun
1. vrouwelijke inwoner van Cyprus
Chypriote
/ˈki.prʏs/, /ˈsi.prʏs/
pronoun
land in de Middellandse Zee, tussen Europa en Azië, officieel de Republiek Cyprus, eiland in de Middellandse Zee
Chypre
/sɪˈrɪlɪs/
adjective
1. betrekking hebbend op een alfabet
cyrillique
/ˈkɪstə/
noun
1. holte gevuld met vocht
kyste
noun
cystéine
/ˌsitɔˈplɑsma/
noun
cytoplasme
/ˈsitɔzɔl/
noun
1
  1. cytosol
  2. hyaloplasme
noun
cérémonie protocolaire
noun
1. de toonnaam
ré
abbreviation
  1. 1. het akkoord d - fis - a
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Ré majeur
abbreviation
  1. 1. een akkoord d - f - a
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Ré mineur
pronoun
1. een gehucht in de provincie Henegouwen
La Houppe
/de'ɣrot/
abbreviation
  1. 1. het akkoord d - fis - a
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Ré majeur
abbreviation
1. het akkoord d-fis-a
accord de ré majeur
noun
1. een majeurtoonladder met “d” als grondtoon
gamme de ré majeur
noun
1. een majeurtoonladder met d als grondtoon
gamme de ré majeur
noun
1. een majeurtoonladder met “d” als grondtoon
gamme de ré majeur
noun
1. een majeurtoonladder met “d” als grondtoon
gamme de ré majeur
abbreviation
  1. 1. een akkoord d - f - a
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Ré mineur
abbreviation
1. het akkoord d-f-a
accord de ré mineur
noun
1. een mineurtoonladder met “d” als grondtoon
gamme de ré mineur
noun
1. een kleinetertstoonladder met d als grondtoon
gamme de ré mineure
noun
1. een mineurtoonladder met “d” als grondtoon
gamme de ré mineur
/de'ɣrot/
abbreviation
  1. 1. het akkoord d - fis - a
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Ré majeur
abbreviation
1. het akkoord d-fis-a
accord de ré majeur
noun
1. een grotetertstoonladder met “d” als grondtoon
gamme de ré majeur
noun
1. een grotetertstoonladder met "d" als grondtoon
gamme de ré majeur
noun
1. een grotetertstoonladder met "d" als grondtoon
gamme de ré majeur
noun
1. een majeurtoonladder met “d” als grondtoon
gamme de ré majeur
abbreviation
  1. 1. een akkoord d - f - a
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Ré mineur
abbreviation
1. het akkoord d-f-a
accord de ré mineur
noun
1. een kleinetertstoonladder met “d” als grondtoon
gamme de ré mineur
noun
1. een kleinetertstoonladder met d als grondtoon
gamme de ré mineure
noun
1. een kleinetertstoonladder met “d” als grondtoon
gamme de ré mineure
noun
1. een grotetertstoonladder met d als grondtoon
gamme de ré majeure
/daːt/
noun
1. bewust gepleegde handeling
  1. action
  2. acte
adjective
1. ook echt plaats vindend
  1. effectif
  2. réel
adverb
1. echt plaats vindend
effectivement
/daːr/
adverb
1. op die plaats
là, là-bas
/ˈdarɑxtər/
adverbialPronoun
1. vervangt achter dat, achter die
  1. derrière
  2. par derrière
adverbialPronoun
1. als gevolg van
par conséquent, conséquemment, de ce fait
conjunction
  1. en revanche
  2. par contre
/dar.ˈχɪn(t)s/, /ˈdar.ɣɪn(t)s/
adverb
1. op een plaats in de verte
là-bas
adverbialPronoun
1. met die reden
donc
noun
taon
/daˈsit/
noun
1. vulkanisch stollingsgesteente.
dacite
noun
dadaïsme
noun
1.
dadaïste
adjective
1.
dadaïste
noun
1. zoete bruine vrucht van de dadelpalm
datte
/dɑx/, /dɑχ/
interjection
  1. 1. ontmoetingsgroet
  2. 2. afscheidsgroet
salut
/dɑx/, /dɑχ/
noun
  1. 1. tijd waarin een hemellichaam volledig om zijn as draait
  2. 2. tijd tussen zonsop- en zonsondergang
  1. jour
  2. journée
/ˌdɑɣɛˈnɑxtevəˌnɪŋ/, /ˌdɑɣɛˈnɑɣevəˌnɪŋ/, /ˌdɑχɛˈnɑχtevəˌnɪŋ/
noun
1. een dag waarop de dag en de nacht even lang duren
équinoxe
noun
1. klassiek massamedium, gedrukt op papier en gericht op het verspreiden van nieuws
  1. quotidien
  2. journal
adverb
1. iedere dag
jour après jour
noun
  1. 1. gedeelte van de dag
    1. demi-journée
    2. jour
    3. journée
  2. 2. halve dag
    mi-journée
/ˈdaɣə(n)/, /ˈdaχə(n)/
verb
1. dag worden
  1. apparaître
  2. luire
noun
1. het aanbreken van de nieuwe dag, de tijd net voor zonopkomst
aube
noun
2. zeer kortlopende lening die bovendien op elk moment opeisbaar is
  1. avance à vue
  2. crédit journalier
/'dɑxlɪxt/
noun
1. licht van de zon
  1. jour
  2. lumière du jour
noun
1. een reglementair teken dat op vaartuigen in bepaalde situaties bij daglicht moet worden getoond
marque de jour
noun
1. bepaalde soort dagvlinder, Aglais io
paon du jour
noun
daguerréotype
noun
daguerréotypie
verb
1. voor een rechtszitting oproepen
  1. citer
  2. convoquer
noun
1. een oproep om voor een rechtbank te verschijnen
  1. citation à comparaître
  2. assignation
adjective
jaune dahlia
pronoun
1. verzamelnaam van een tiental talen die op Borneo worden gesproken
langues dayak
noun
1. deel dat een gebouw aan de bovenkant bedekt en bescherming biedt tegen het weer
toit
/'dɑkbədɛkɪŋ/
noun
1.
  1. revêtement de toit
  2. toiture
noun
1. een langgerekte bakvormige of halfronde constructie voor het afvoeren van (regen)water dat van het dak komt
gouttière
noun
2. accentteken ^ dat vooral uit het Frans bekend is
accent circonflexe
noun
1. iemand die op de straat leeft, zonder vaste verblijfplaats
  1. SDF
  2. sans-abri
  3. itinérant
noun
1. elkaar overlappende stenen of betonnen elementen waarmee een schuin dak lekdicht gedekt wordt
tuile
noun
1. taal die sterk lijkt op een andere taal die wordt gesproken binnen hetzelfde gebied maar door een kleiner deel van de bevolking.
langue-toit
/dɑl/
noun
1. een laagte in een heuvel- of bergstreek
vallée
verb
1. naar beneden gaan
descendre
noun
1. het dalen, het lager worden
  1. diminution
  2. baisse
  3. descente
/dɑl'matis/
adjective
dalmate
pronoun
1.
Dalmatie
noun
dalmatien
noun
1. (bij het damspel) twee gestapelde schijven
dame
noun
1. een inwoner van Damascus
Damascène
adjective
1. op Damascus betrekking hebbend
damascène
noun
1. een inwoonster van Damascus
Damascène
adjective
1. op Damascus betrekking hebbend
damascène
noun
1. een inwoner van Damascus
Damascène
noun
1. bepaald soort vlinder, Melanargia galathea
demi-deuil
/daːmə/
noun
  1. 1. beschaafde vrouw
  2. 3. koningin in het schaakspel
dame
noun
toilettes pour dames
noun
1. Dama dama, behoort tot de familie Cervidae, hert met een breed plat gewei...
  1. daim
  2. daine
verb
1. het damspel spelen
jouer aux dames
/dɑmp/
noun
1. de gasvormige toestand van een stof, de toestand die ontstaan is door verdamping
vapeur
noun
1. het geleiden van damp of uitwaseming van warme geneesmiddelen naar een ziekelijk deel des lichaams voor inhalatie, huidreiniging
inhalation
noun
2. huishoudelijk apparaat in de keuken dat de kookluchtjes moet afvoeren
hotte
noun
1. een bordspel gespeeld op een bord met honderd vlakken met stenen die alleen diagonaal verzet kunnen worden
jeu de dames
noun
1. de damwand
mur de soutènement
noun
1. een, speciaal geprofileerde, ijzeren plank waarmee damwanden worden samengesteld
palplanche
adverb
1. dan ook
quelconque
/'danəx/
adjective
1. in aanmerkelijke mate
considérable
/'danəx/
adverb
1. in aanzienlijke mate
énormément
pronoun
3. jongensnaam
Daniel
interjection
1. uitdrukking van dankbaarheid
merci
adjective
1. erkentelijk voor ontvangen hulp
reconnaisant
noun
1. het dankbaar zijn
  1. gratitude
  2. reconnaissance
noun
1. een gezongen dankbetuiging
cantique
noun
1. een dankbetuiging
remerciement
preposition
1. door de positieve werking van
grâce à
noun
1. een verzameling sierlijke bewegingen, meestal op basis van een muzikaal ritme
danse
verb
1. ritmisch bewegen
danser
noun
1. mannelijk persoon die danst
danseur
/dɑnsə'rɛs/
noun
1. een vrouwelijk persoon die danst
danseuse
/ˈdɑpər/
adjective
geen angst voor gevaar tonend
  1. courageux
  2. vaillant
noun
1. mannelijke bij
  1. faux bourdon
  2. abeillaud
/dɑrm/
noun
1. onderdeel van het spijsverteringsstelsel tussen de maag en de anus
intestin
noun
1. een bacterie die zich in het maag-darmkanaal ophoudt
bactérie intestinale
noun
1. de micro-organismen in het maag-darmkanaal
flore intestinale
noun
  1. cancer colorectal
  2. cancer du côlon
noun
darmstadtium
verb
  1. folâtrer
  2. gambader
  3. batifoler
pronoun
1. hoofdstad van het Australische Noordelijk Territorium
Darwin
noun
1. evolutieleer die het ontstaan van de soorten verklaart door natuurlijke selectie uit varianten die bij reproductie optreden
darwinisme
/dɑs/
noun
  1. 1. bepaald soort zoogdier, Meles meles
    blaireau
  2. 1. lange, smalle reep stof die onder de kraag van het overhemd wordt vastgeknoopt
    cravate
noun
1. paneel met instrumenten waarmee een voertuig of installatie kan worden bestuurd of bediend
tableau de bord
noun
  1. teckel
  2. basset
/ˈdɑs.lok/
noun
1. sterk riekende, eetbare plant uit de lookfamilie
  1. ail des ours
  2. ail sauvage
conjunction
1. een voegwoord dat een lijdend-voorwerpszin inluidt
que
demonstrativePronoun
1. wijst iets aan dat zich in een afstand van de spreker bevindt
  1. cela
  2. ça
relativePronoun
1. beperkend in een bijzin die het nog niet geheel bekende antecedent nader bepaalt
  1. qui
  2. que
phraseologicalUnit
1. dat maakt veel verschil
ce n’est pas de la petite bière
noun
base de données
noun
1. een plaats waar informatie over bepaalde onderwerpen in digitale vorm verzameld,...
base de données
noun
1.
  1. centre de données
  2. datacenter
verb
1. de datum van ontstaan bepalen
dater
noun
de derde van de acht naamvallen van de Indo-Europese talen
datif
noun
1. Russisch buitenverblijf
datcha
noun
1. een tijdsaanduiding die bestaat uit een dag(nummer), een maand en een jaar
date
noun
dauphin
noun
point de rosée
article
1. (de) wordt gebruikt voor mannelijke en vrouwelijke zelfstandige naamwoorden in het enkelvoud en altijd voor het meervoud, waarbij het een specifieke persoon of ding aanduidt in plaats van het algemene geval
  1. le
  2. la
  3. les
phraseologicalUnit
1. wanneer iemand met verachting van datgene spreekt, wat hij graag zou willen hebben, maar niet kan krijgen
les raisins sont trop verts
phraseologicalUnit
1. het opgeven
jeter l'éponge
/də ˌɦœy̯t ˈnit fɛrˈkoː.pə(n) ˌvoːr də ˈbeːr ɣəˈsxoː.tə(n) ˌɪs/
phraseologicalUnit
il ne faut pas vendre la peau de l'ours avant de l'avoir tué.
/dəˌkɑdəˈbɛlamˌbɪndə(n)/
verb
1. als eerste iets moeilijks doen dat nodig is om een resultaat te bereiken
attacher le grelot
verb
1. een lastige kwestie voortvarend en vastberaden aanpakken
prendre le taureau par les cornes
phraseologicalUnit
1. mensen zijn de belangrijkste vijanden van mensen
l'homme est un homme pour l'homme
/xxxx/
verb
clouer le bec
pronoun
1.
La Panne
verb
2. overlijden, doodgaan, sterven
passer l'arme à gauche
phraseologicalUnit
1. iets lijkt in het begin altijd erger dan het is
on ne mange pas la bouillie bouillante
interjection
1. er is een onomkeerbare stap gezet
  1. le sort en est jeté
  2. alea jacta est
verb
désactiver
noun
  1. 1. Verkoper
    concessionnaire
  2. 2. Drugshandelaar
    trafiquant
/de'bakəl/
noun
débâcle
noun
débat
/deˈbil/
adjective
  1. bespottelijk, ridicuul
  2. in lichte mate zwakzinnig
débile
/deˈbil/
noun
  1. 1. iemand die min of meer zwakzinnig is
  2. 2. bespottelijk iemand, halve gare, idioot
débile
verb
1. als vordering boeken
débiter
noun
débiteur
/de.blɔ.ˈkeː.rə(n)/
verb
débloquer
verb
débrayer
noun
1. een mannelijk persoon die voor de eerste maal in het openbaar optreedt, speelt of publiceert
débutant
noun
1. een vrouwelijk persoon die voor de eerste maal in het openbaar optreedt, speelt of publiceert
débutante
verb
1. voor de eerste keer doen
débuter
noun
  1. 1. C10H22
    decane
  2. 2. hoofd van een faculteit
    doyen
noun
décade
noun
1. verwildering van zeden
décadence
noun
1.
décamètre
verb
1. het afgieten van een vloeistof nadat de vaste stof in de vloeistof bezonken is
décanter
noun
1. een reactie waarbij een carboxylgroep afsplitst van de rest van het molecuul in de vorm van een koolstofdioxidemolecuul (CO₂)
décarboxylation
noun
1. het langzamer voortbewegen dan voorheen; het remmen
décélération
noun
1. de twaalfde en tevens laatste maand van het jaar
décembre
noun
décentralisation
verb
décentraliser
verb
décharger
verb
décider
noun
décigramme
noun
1. 1060
décillion
/desi'mal/
noun
décimal
noun
1.
dixième
verb
1.sterk in aantal terugbrengen, gewoonlijk door afslachting
décimer
noun
1. een lengtemaat met een waarde van één tiende meter
décimètre
noun
décision
verb
1. letterkundige werken mondeling voordragen
  1. déclamer
  2. réciter
noun
1. iemand die iets declareert
  1. déclarant
  2. déclarante
noun
déclaration
verb
déclarer
verb
2. overtroeven, vernederen
déclasser
/dekliˈna(t)si/
noun
1, 2
déclinaison
verb
décliner
noun
1. een machine om een boodschap die gecodeerd is (in geheimschrift) te decoderen
décodeur
verb
1. uit code overbrengen in gewone taal
décoder
noun
1. laag uitgesneden halslijn bij vrouwenkleding
décolleté
verb
1. minder ingewikkeld maken
decompliquer
noun
décompression
verb
décomprimer
noun
  1. 2. faillissement, bankroet
    1. faillite
    2. cessation de paiements
  2. 1. mislukking
    échec
noun
décoration
verb
1. methoden en technieken gebruikt om bouwwerken, meubels of andere objecten te verfraaien
décorer
verb
découper
verb
1. bij decreet vaststellen
décréter
adjective
dédaigneux
verb
déduire
noun
1. ongebakken kneedbare uitgangsmateriaal voor het bakken van diverse broden en gebak
pâte
noun
1. rol om deeg uit te rollen
rouleau à pâtisserie
noun
1. rol om deeg uit te rollen
rouleau à pâtisserie
noun
1. deel van een gemeente
section de commune
noun
bissectrice
verb
1. meedoen, meevoelen
participer
noun
1. iemand die meedoet aan een wedstrijd of ander evenement
participant
adverb
1. voor een bepaald deel
en partie
noun
dividende
noun
1. symbool om deling aan te duiden
signe de division
noun
travail à temps partiel
noun
physique des particules
noun
accélérateur de particules
noun
participe
noun
2. de tijd van de dag waarop het licht dan wel donker wordt
  1. crépuscule
  2. aube
/den/, /deːn/
noun
1. een inwoner van Denemarken
Danois
/dens/, /deːns/
adjective
1. betreffende Denemarken of het Deens
  1. danois
  2. danoise
/dens/, /deːns/
pronoun
1. een Germaanse taal die wordt gesproken in Denemarken
danois
/ˈdensə/, /ˈdeːnsə/
noun
Danoise
noun
1. Duits hondenras dat gefokt werd als waakhond
danois
noun
1. ongeloof in het eigen succes.
défaitisme
noun
1. iemand die zich bij voorbaat neerlegt bij een mislukking
défaitiste
verb
1. uit het raam gooien
défenestrer
adjective
déficitaire
noun
1. begripsbepaling
définition
/definitif/
adjective
définitif
verb
définir
noun
  1. 1. het vallen van het prijspeil waardoor het geld in waarde toeneemt
  2. 2. proces waarbij gesteenten door de wind worden afgesleten
déflation
verb
déflorer
verb
déformer
noun
défragmentation
verb
défragmenter
adjective
  1. 2. (van personen) eerlijk, oprecht, net in zijn manieren
    1. fiable
    2. sérieux
  2. 1. goed tegen een stootje kunnend
    1. robuste
    2. solide
noun
dégénération
verb
dégénérer
verb
déglacer
adjective
1.
dégoûtant
noun
6. verwijzing naar een lagere speelklasse
relégation
verb
1. in rang verlagen
dégrader
noun
déguster
pronoun
  1. 1. Griekse god van de paniek
  2. 2. kleinste van de twee manen van Mars
Déimos
noun
1. een verdieping op een schip
pont
noun
1. dikke deken gevuld met isolerend materiaal
couette
/dekə(n)/
noun
1. een (vaak dikke) doek, met de functie om iemand te bedekken en daarmee warm te houden (tijdens de slaap)
couverture
noun
étalon
verb
1. koloniën vormen
décoloniser
/'dɛk.pɵnt/
noun
1.
point fixe
adverb
1.
sacré
noun
1.
table
noun
1. ordinaire vrouw
  1. garce
  2. salope
/ˌdɛɫ.krə.ˈdɪː.rə/
noun
ducroire
noun
  1. 1. afvaardiging
  2. 3. schuldoverneming
délégation
verb
1. taken en verantwoordelijkheden doorgeven
déléguer
verb
  1. 2. in meer dan één stuk snijden of hakken
    1. diviser
    2. partager
  2. 1. samen met een ander gebruiken
    partager
noun
diviseur
noun
minerai
noun
délibération
verb
délibérer
adjective
1.
delicieux
noun
1. een wiskundige bewerking op twee getallen
division
adjective
1.
délinquant
noun
1. waanzinnigheid, acuut psychische stoornis ten gevolge van lichamelijke aandoening, vergiftiging...
délirium
noun
2.
délocalisation
verb
1. gravend iets winnen
creuser
verb
het magnetisme opheffen van
démagnétiser
noun
démagogie
noun
démaquillage
verb
démasquer
noun
1. een aandoening van de hersenen waardoor de verstandelijke en cognitieve vermogens verminderen
démence
pronoun
1.
Démer
noun
1.
démilitarisation
verb
démilitariser
verb
déminéraliser
adjective
  1. démissionnaire
  2. sortant
noun
het tot vredessterkte terugbrengen van een leger
demobilisation
verb
démobiliser
noun
démocratie
adjective
1. in overeenstemming met de principes van een democratie
démocratique
verb
démocratiser
noun
1.
démographe
noun
1. de studie van alles wat de omvang, samenstelling en spreiding van een bepaalde bevolkingsgroep en de veranderingen hierin betreft
démographie
noun
démon
/ˌde.mo.ˈnim/
noun
1. naamwoord dat betrekking heeft op een bepaald land of volk
gentilé
noun
  1. 1. het tonen en uitleggen van iets
    démonstration
  2. 3. een protestmars
    manifestation
adjective
démonstratif
verb
démontrer
adjective
uit elkaar te halen
démontable
adjective
uit elkaar te halen
démontable
verb
démonter
verb
démoraliser
verb
démotiver
/dɛmpən/
verb
  1. 1. zwakker maken, de kracht verminderen van
    amortir
  2. 1. dichtgooien met grond of ander vast materiaal
    combler
pronoun
1. de hoofdstad van de provincie Zuid-Holland en tevens de stad waar de Nederlandse regering zetelt
La Haye
verb
dénaturaliser
verb
dénaturer
verb
dénazifier
noun
dendrite
/ˌdɛn.dro.loˈɣi/, /ˌdɛn.dro.loˈχi/
noun
1. de studie van bomen, heesters en andere houtachtige planten
dendrologie
pronoun
1.
Déneb
/ˈdenəˌmɑrkə(n)/, /ˈdeːnəˌmɑrkə(n)/
pronoun
1. een Scandinavisch land in Noord-Europa
Danemark
verb
1. op spottende en laatdunkende wijze bekritiseren
dénigrer
verb
déniveler
verb
  1. 3. een bepaalde mening toegedaan zijn
    penser
  2. 1. een oplossing zoeken
    1. penser
    2. réfléchir
noun
pomme de pin
adjective
vert sapin
noun
1.
nématode du pin
noun
1. Hyloicus pinastri, een donkergrijze nachtvlinder
sphinx du pin
noun
processionnaires du pin
verb
dénoncer
noun
dénotation
adjective
1. medeklinker
dental
noun
  1. consonne dentale
  2. dentale
noun
1. het been waaruit tanden bestaan
dentine
/ˈdejo/
noun
1. een middel dat gebruikt wordt om de geur van transpiratie weg te nemen of te voorkomen
  1. déodorant
  2. désodorisant
/ˌdejodɔːˈrɑnt/
noun
1. een middel dat gebruikt wordt om de geur van transpiratie weg te nemen of te voorkomen
  1. déodorant
  2. désodorisant
noun
déontologie
verb
  1. 1.
  2. 2.
dépanner
noun
  1. 1. ministerie
  2. 3. bestuurlijk gewest in sommige landen
département
verb
dépénaliser
noun
  1. dependence
  2. dépendence
verb
dépolariser
verb
dépolitiser
/ˌdepoˈneːrə(n)/
verb
2. registreren zodat het niet door een ander gebruikt kan worden
registrer
noun
déportation
verb
1. onder dwang wegvoeren uit een gebied
déporter
noun
  1. 1. bewaarplaats
    dépôt
  2. 1. bezinksel
    1. dépôt
    2. lie
verb
dépouiller
noun
dépréciation
verb
déprécier
noun
  1. 1. ziekelijke neerslachtigheid
  2. 2. gebied met lage luchtdruk
  3. 3. langdurige inzinking in de economische ontwikkeling
dépression
/ˌdeprɛˈsif/
adjective
dépressif
verb
déprimer
verb
déprogrammer
verb
députer
/dər/, /dɛr/
article
1. genitief meervoud van het bepaalde lidwoord de, het
des
verb
dérailler
verb
déranger
/ˈdɛrdə/
noun
  1. 1. door drie gedeeld iets
    tiers
  2. 1. nummer drie in een rij
    troisième
/ˈdɛrdə/
ordinalAdjective
1. betrekking hebbend op nummer drie in een rij
troisième
noun
troisième personne
noun
1. overeenkomst ten gunste van een derde die normaal erbuiten blijft
stipulation pour autrui
verb
déréguler
noun
dérivation
verb
dériver
noun
1. huidontsteking
  1. dermatites
  2. dermatite
noun
1. Huidspecialist
dermatologue
verb
déroger
cardinalNumeral
1. het getal 13
treize
ordinalAdjective
treizième
noun
1. ruimtelijke figuur met dertien vlakken
tridécaèdre
cardinalNumeral
1. het getal 30
trente
article
1.genitief van de of het
  1. de l'
  2. de la
  3. du
noun
  1. 1,2. verlaagde toon d
    ré bémol
  2. 4. des-mineurgrondakkoord
    ré bémol mineur
  3. 3. des-kleinetertstoonladder
    ré bémol mineure
abbreviation
  1. 1. het akkoord des - f - as
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Ré bémol majeur
abbreviation
  1. 1. het akkoord des - fes - as
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Ré bémol mineur
/dɛs'xrot/
abbreviation
  1. 1. het akkoord des - f - as
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Ré bémol majeur
abbreviation
1. het akkoord des-f-as
accord de ré bémol majeur
noun
1. een grotetertstoonladder met “des” als grondtoon
gamme de ré bémol majeure
/dɛs'klɛɪn/
abbreviation
  1. 1. het akkoord des - fes - as
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Ré bémol mineur
abbreviation
1. het akkoord des - fes - as
accord de ré bémol mineur
noun
1. een mineurtoonladder met “des” als grondtoon
gamme de ré bémol mineur
noun
1. een kleinetertstoonladder met des als grondtoon
gamme de ré bémol mineure
/dɛs'xrot/
abbreviation
  1. 1. het akkoord des - f - as
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
ré bémol majeur
abbreviation
1. het akkoord des-f-as
accord de ré bémol majeur
noun
1. een grotetertstoonladder met “des” als grondtoon
gamme de ré bémol majeure
noun
1. een grotetertstoonladder met "des" als grondtoon
gamme de ré bémol majeure
noun
1. een grotetertstoonladder met “des” als grondtoon
gamme de ré bémol majeure
/dɛs'klɛɪn/
abbreviation
  1. 1. het akkoord des - fes - as
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Ré bémol mineur
abbreviation
1. het akkoord des - fes - as
accord de ré bémol mineur
noun
1. een kleinetertstoonladder met des als grondtoon
gamme de ré bémol mineure
noun
1. een kleinetertstoonladder met des als grondtoon
gamme de ré bémol mineure
verb
désacraliser
verb
1. inactief maken
déactiver
verb
1. eenduidig maken, van zijn dubbelzinnigheid ontdoen
  1. désambiguïser
  2. désambigüiser
adjective
désastreux
verb
désavouer
noun
description
verb
désensibiliser
verb
déserter
noun
1.
déserteur
noun
1. het permanent verlaten van een krijgsmacht zonder toestemming
désertion
noun
1. dubbel verlaagde toon d
ré double bémol
abbreviation
1. het akkoord deses-fes-ases
accord de ré double bémol majeur
noun
1. een grotetertstoonladder met “deses” als grondtoon
gamme de ré double bémol majeure
noun
1. “Deses-majeur”
ré double bémol majeur
abbreviation
1. het akkoord deses-fes-ases
accord de ré double bémol majeur
noun
1. een grotetertstoonladder met “deses” als grondtoon
gamme de ré double bémol majeure
noun
1. een grotetertstoonladder met “deses” als grondtoon
gamme de ré double bémol majeure
noun
créateur
noun
1. onjuiste of misleidende informatie, die bewust verstrekt wordt met het oogmerk...
désinformation
noun
désintégration
verb
désister
adjective
1. met kennis van zaken
compétant
noun
1. een specialist
expert
noun
1.
desman
adverb
1. geeft een tegenstelling aan met het voorafgaande
  1. néanmoins
  2. pourtant
  3. malgré cela
noun
1. proces waarin een specifieke soort atomen of moleculen wordt losgemaakt uit een vaste stof en daaruit verdwijnt
désorption
noun
acide désoxyribonucléique
verb
désespérer
noun
despote
noun
despotisme
noun
1. vervelling
desquamation
noun
dessert
verb
dessiner
verb
déstabiliser
verb
déstaliniser
noun
destruction
adjective
destructif
noun
1. legereenheid die om een bepaalde taak uit te voeren van het groter geheel is afgezonderd
détachement
verb
détacher
noun
1. onderdeel, kleinigheid
détail
noun
1. de handel die tastbare producten direct aan consumenten verkoopt
commerce de détail
verb
1.
détailler
adjective
1. mogelijk instrumenteel waar te nemen
détectable
verb
  1. 2. ergens een signaal van door middel van apparatuur opvangen
  2. 1. iets of iemand zoeken en vinden
détecter
noun
1. opsporing, ontdekking
détection
noun
1. detector
détecteur
verb
déterminer
noun
détonateur
verb
détoner
noun
1. iets dat goed is in zedelijk opzicht
vertu
adjective
1. bereid zich te gedragen in overeenstemming met algemeen aanvaarde waarden
vertueux
noun
1. ondeugend kind
  1. chenapan
  2. coquin
  3. vaut-rien
verb
1. een deuk of deuken maken in iets
  1. cabosser
  2. bosseler
/døːr/
noun
1. een afsluiting van een toegang tot een ruimte, gemaakt van hout, metaal of kunststof
  1. porte
  2. huis
noun
1. een instrument waarmee bezoekers aangeven dat ze aan de deur staan
heurtoir
noun
1. een handvat waarmee een deur wordt geopend of gesloten
  1. bouton de porte
  2. bec-de-cane
noun
1. handvat dat de grendel van een deur bedient.
poignée de porte
noun
1. afsluitbare opening in een deur, vaak ook voorzien van tralies, bestemd om doorheen te kijken, te spreken of voorwerpen aan te reiken
judas
noun
1. een kleine mat, waarop men bij de deur de schoenen kan afvegen
pallaisson
/dørwardər/
noun
1. gerechtelijk ambtenaar die exploten en executien doet, dagvaardingen uitbrengt en beslagen legt
huissier de justice
noun
1. pennetje dat in een houten nagel wordt geslagen, zodat die vast komt te zitten
épite
/dœyˈterijʏm/
noun
1. een isotoop van waterstof
deutérium
/dewteɾoˈnomjum/
pronoun
Deutéronome
verb
dévaluer
/'devəntər/
adjective
1. gemeente en oudste stad in de provincie Overijssel
Deventer
noun
déviance
verb
dévier
/deˈvon/
noun
Dévonien
noun
1. een bijzondere verering voor een bepaalde persoon of een heilige
dévotion
conjunction
1. geeft onderschikkend een reden aan
parce que
noun
dextrine
demonstrativePronoun
  1. même
  2. mêmes
/deʲɪsmə/
noun
déisme
noun
1. bepaalde organische verbinding met de formule C18H20O₂
diéthylstilbestrol
noun
1. iemand die diabetes heeft
diabétique
noun
1. stofwisselingsziekte waarbij het lichaam geen of te weinig insuline produceert
diabète
adjective
diabétique
adjective
diabolique
verb
diaboliser
noun
1. band (met edelstenen versierd) voor om het hoofd
diadème
noun
1.
cercopithèque à diadème
adjective
diaphane
noun
1.
pompe à membrane
noun
diagenèse
noun
1. vaststelling van een ziekte
  1. diagnostic
  2. diagnose
/'dɪɑɣnɔstɪ'seːrə(n)/
verb
1. aan de hand van verschijnselen de ziekte bepalen
diagnostiquer
adjective
diagnostique
noun
een vierkante matrix waarvan alle elementen buiten de hoofddiagonaal (↘) 0 zijn
matrice diagonale
noun
1. een symbolische en grafische voorstelling van een aantal zaken en hun onderling verband
diagramme
noun
diacre
/diaˈlɛkt/
noun
1. een variant van een taal met kenmerkende grammaticale, fonologische en andere kenmerken
dialecte
noun
dialectique
noun
1. woord of uitdrukking overgenomen uit een dialect of gevormd naar een voorbeeld uit een dialect
dialectisme
/ˌdi.ja.ˌlɛk.to.lo.ˈɣi/, /ˌdi.ja.ˌlɛk.to.lo.ˈχi/
noun
1. de wetenschap die regionale verschillen tussen taalvariëteiten bestudeert
dialectologie
noun
dialogue
noun
1. bloedzuivering met een kunstnier
dialyse
noun
1. middellijn
diamètre
noun
diapause
/diɑ're/
noun
1. darmstoornis die dunne ontlasting veroorzaakt
diarrhée
noun
diaspore
/diˈjaspora/
noun
diaspora
noun
diastéréoisomérie
/ˌdiatoˈmeə(n)/
noun
1. stam van eencellige organismen, Bacillariophyta
diatomées
/ˌdiaˈtomə(n)/
noun
1. stam van eencellige organismen, Bacillariophyta
diatomées
adjective
diatonisch
diatonique
preposition
1. op een korte afstand van
près de
/dɪxtˈbɛː/, /dɪɣ.ˈbɛɪ̯/, /dɪχˈbɛɪ/
adjective
1. op heel korte afstand
  1. près
  2. proche
noun
1. iemand die poëtische kunst voortbrengt
poète
noun
1. compactheid
densité
verb
1. dicht maken door middel van een knoop
boutonner
noun
1. in ritme, maat, en klank verwoorden
art poétique
noun
dictaphone
noun
1. iemand die als enige de macht in een land in handen heeft
dictateur
adjective
1.
dictatorial
noun
1. staatsvorm waarbij de macht vrijwel volledig in handen van één of enkele personen ligt
dictature
/dɪk'te/
noun
1. een tekst die wordt gedicteerd en door andere personen wordt opgeschreven als toets in het correct spellen
dictée
verb
dicter
/ˈdɪk.tʏm/
noun
1. beschikkend gedeelte van een vonnis of arrest
dispositif
adjective
didactique
/diˈdimijʏm/
noun
1. scheikundige stof
didyme
demonstrativePronoun
  1. 2. ter aankondiging van een bepaling
    1. celle
    2. celle-là
    3. celles
    4. celles-là
    5. celui
    6. celui-là
  2. 1. wijst iets aan dat zich niet in de onmiddellijke nabijheid van de spreker bevindt
    1. ces
    2. ce
    3. cet
    4. cette
relativePronoun
1. in een bijzin die het nog niet geheel bekende antecedent nader bepaalt
  1. que
  2. qui
/di'jen/
noun
1.
diène
noun
2. een aanpassing in het eet- en voedingspatroon
régime
/dif/
noun
1. iem. die steelt
  1. voleur
  2. voleuse
noun
1. het zich onrechtmatig toe-eigenen van goederen of andere bezittingen die aan een ander toebehoren
vol
pronoun
1.
Diekirch
noun
plateau
/ˈdinən/
verb
  1. 1. werken voor; in dienst zijn van
    servir
  2. 2. van nut zijn
    servir à
noun
1.
service
/ˈdinst.plɪxt/
noun
1. verplichting om ergens te werken
conscription
conjunction
1. als gevolg van
par conséquent, conséquemment, de ce fait
adjective
1. waar de bodem ver naar beneden is
profond
noun
1.
sonde à main
adjective
orangé foncé
noun
1. een toestel bedoeld om voedingsmiddelen...
congélateur
verb
1. iets ter bewaring op een temperatuur ver onder het vriespunt wegleggen
surgeler
noun
congélateur
/diːr/
noun
1. met zintuigen uitgerust meercellig organisme dat zijn energie verkrijgt uit andere dierlijke of plantaardige organismen
animal
adjective
1. waaraan men grote waarde hecht
cher
noun
1.
parc animalier
/ˈdiːrə(n)ˌtœʏ̯n/, /ˈdiːrə(n)ˌtœːn/
noun
1. een verzameling levende, oorspronkelijk wilde dieren.
  1. zoo
  2. jardin zoologique
noun
1. een instelling die zich bezighoudt met het verzorgen en kweken van exotische diersoorten en het tonen ervan aan betalend publiek
jardin zoologique
noun
1. wetenschap die zich richt op de aard, de oorzaken en de geneesmiddelen van dierziektes
médecine vétérinaire
noun
1. de wetenschap die de dieren bestudeert.
zoologie
/ˈdirpruf/
noun
1. onderzoek gedaan met proefdieren
expérience animale
adjective
1. behorend tot het Middelnederlands
thiois
noun
  1. biphényle
  2. diphényle
  3. phénylbenzène
noun
diffamation
verb
diffamer
noun
beveiliging die afschakelt indien twee stromen niet even groot zijn
disjoncteur différentiel
noun
vergelijking voor een functie waarin een of meer van de afgeleiden van die functie voorkomen
équation différentielle
noun
1. ontwikkeling in een bepaalde richting, het zich ontwikkelen van cellen, weefsels etc. tot...
différenciation
noun
différence
/dɪfərɛn'(t)ʃerə(n)/
verb
  1. 1. vanuit een homogeen geheel tot verschillende vormen komen
    différencier
  2. 2. (wiskunde) het berekenen van de lokale stijging in een functie, het bepalen van de afgeleide van een functie
    différentier
noun
diffraction
adjective
diffus
noun
1. infectieziekte
diphtérie
/ˈdɪftɔŋ/
noun
1. een foneem dat uit twee klinkers bestaat die binnen één lettergreep in elkaar overgaan
diphtongue
noun
1. het verschijnsel dat een diftong overgaat in een monoftong
diphthongaison
verb
digérer
noun
digestion
adjective
1. met betrekking tot de spijsvertering
digestif
noun
1. middel dat
digestif
noun
1. het vastleggen van beelden met behulp van een digitale camera
photographie numérique
noun
numérisation
verb
digitaliser
noun
1. het digitaliseren
numérisation
noun
digramme
/dɛj/
noun
1. het deel van het menselijk been tussen heup en knie
cuisse
noun
fémur
noun
1. een waterkering ter bescherming van het achterliggende land
digue
pronoun
Dyle
/dɪk/
adjective
  1. 5. hecht
    grand
    1. 2. de genoemde dwarsdoorsnede hebbend
    2. 3. een naar verhouding grote lichaamsomvang hebbend
    gros
  2. 4. ruim
    large
    1. 1. een naar verhouding grote dwarsdoorsnede hebbend
    2. 6. nauw aaneengesloten
    3. 7. weinig vloeibaar
    épais
noun
1. bepaald soort gors, Oryzoborus crassirostris
sporophile crassirostre
noun
  1. 4. in het zand levende grondelsoort
    1. gobie buhotte
    2. gobie des sables
  2. 3. kleine bruine motachtige dagvlindersoorten met een snelle schietvlucht
    hespéridé
noun
1. bepaalde soort vis, Chelon labrosus
  1. muge
  2. mulet
pronoun
Dixmude
noun
  1. 2. mate waarin iets een grote dwarsdoorsnede
  2. 3. consistentie
épaisseur
adverb
souvent
noun
gros lard
noun
1. verwijding
dilatation
pronoun
1.
Dilbeek
/dɪ'lɛmɑ/
noun
moeilijke keuze
dilemme
noun
1. de plant en de bladeren van het kruid
  1. aneth
  2. aneth odorant
noun
1. een geneesmiddel dat behoort tot de groep calciumantagonisten
diltiazem
noun
dimère
noun
  1. 1. afmeting in een bepaalde richting
  2. 2. parameter van een wiskundige ruimte
  3. 3. categorie waarin een fysische grootheid valt
dimension
verb
dimensionner
noun
1.
feux de croisement
/ˈdɪmə(n)/
verb
  1. 3. (informeel) rustig aan doen
    1. baisser
    2. calmer
  2. 1, 2. licht temperen
    tamiser
noun
1. warme maaltijd
dîner
verb
1. het diner gebruiken
dîner
noun
1. voorwerp
  1. chose
  2. truc
/ˈdɪ.ŋəs/
noun
  1. machin
  2. bidule
noun
1. Canis lupus dingo, een Australische wilde hond
dingo
noun
1. stam van eencelligen met een tweetal zweepstaartjes die in water leven, Dinoflagellata
dinoflagellata
/ˈdinoflɑɣɛˌlatə(n)/
noun
1. stam van eencelligen met een tweetal zweepstaartjes die in water leven, Dinoflagellata
dinophyta
/ˌdinoˈsʌʊriər/
noun
1. een lid van een uitgestorven groep van reptielen, waartoe de grootste landdieren behoren die ooit bestaan hebben
dinosaure
/ˌdinoˈsʌʊrəs/
noun
1. een lid van een uitgestorven groep van reptielen, waartoe de grootste landdieren behoren die ooit bestaan hebben
dinosaure
noun
1. dag van de week die na maandag en voor woensdag komt
mardi
noun
1. bestuurlijk gebied in de rooms-katholieke Kerk of andere Kerken
diocèse
noun
diode
noun
dioxyde
/dɪp/
noun
1. slechte (emotionele) periode
déprime
noun
1. een bewijs van bevoegdheid
diplôme
noun
1. iemand die in het buitenland zorgt voor de politieke relaties met zijn eigen land
diplomate
noun
1. de functionarissen die hun staat in een bepaald land vertegenwoordigen
corps diplomatique
noun
1. de kunst en de kunde van het voeren van overleg
diplomatie
adjective
1. betrekking hebbende op de diplomatie
diplomatique
noun
1. wetenschap die oorkonden typeert en beschrijft naar hun vorm
diplomatique
noun
1. een elektronisch testapparaat waarmee o.a. de resonantiefrequentie van een antenne of resonantiekring kan worden bepaald
dipmètre
noun
dipôle
noun
1. dipoolantenne
antenne dipolaire
verb
1. iets even in een vloeistof dopen
tremper
noun
2. een elektronisch testapparaat waarmee o.a. de resonantiefrequentie van een antenne of resonantiekring kan worden bepaald
dipmètre
noun
diptyque
adjective
1. zonder te wachten, zonder iets daartussen
direct
noun
1. passief onderdeel van een yagi-antenne
directeur
noun
1. staafje dat een dirigent bij het dirigeren hanteert
bâton
noun
1. een leider van een orkest, koor of ander muziekgezelschap
chef d’orchestre
verb
diriger
noun
1.
dirigisme
pronoun
  1. 2. spelwoord voor de letter d
    Désiré
  2. 1. jongensnaam
    Thierry
noun
1. lijn die vanuit de masttop de giek draagt bij weggenomen zeil
balancine
/dɪs/
noun
    1. 1. gedekte tafel
    2. 2. maaltijd
    table
  1. 3. verhoogde toon d
    ré dièse
    1. 4. dis-kleinetertstoonladder
    2. 5. dis-mineurgrondakkoord
    ré dièse mineur
abbreviation
  1. 1. het akkoord dis - fisis - aïs
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Ré dièse majeur
abbreviation
  1. 1. een akkoord dis - fis - ais
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Ré dièse mineur
abbreviation
  1. 1. het akkoord dis - fisis - aïs
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Ré dièse majeur
abbreviation
1. het akkoord dis-fisis-aïs
accord de ré dièse majeur
noun
1. een majeurtoonladder met “dis” als grondtoon
gamme de ré dièse majeur
noun
1. een majeurtoonladder met “dis” als grondtoon
gamme de ré dièse majeur
noun
1. een majeurtoonladder met “dis” als grondtoon
gamme de ré dièse majeur
noun
1. een majeurtoonladder met “dis” als grondtoon
gamme de ré dièse majeur
abbreviation
  1. 1. een akkoord dis - fis - ais
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Ré dièse mineur
abbreviation
1. het akkoord dis-fis-aïs
accord de ré dièse mineur
noun
1. een mineurtoonladder met “dis” als grondtoon
gamme de ré dièse mineur
noun
1. een kleinetertstoonladder met “dis” als grondtoon
gamme de ré dièse mineure
abbreviation
  1. 1. het akkoord dis - fisis - aïs
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Ré dièse majeur
abbreviation
1. het akkoord dis-fisis-aïs
accord de ré dièse majeur
noun
1. een grotetertstoonladder met “dis” als grondtoon
gamme de ré dièse majeur
noun
1. een grotetertstoonladder met "dis" als grondtoon
gamme de ré dièse majeur
noun
1. een grotetertstoonladder met “dis” als grondtoon
gamme de ré dièse majeure
noun
1. een grotetertstoonladder met “dis” als grondtoon
gamme de ré dièse majeur
abbreviation
  1. 1. een akkoord dis - fis - ais
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Ré dièse mineur
abbreviation
1. het akkoord dis-fis-aïs
accord de ré dièse mineur
noun
1. een kleinetertstoonladder met “dis” als grondtoon
gamme de ré dièse mineure
noun
1. een kleinetertstoonladder met “dis” als grondtoon
gamme de ré dièse mineure
noun
2. rechtergedeelte van het toetsenbord
déchant
adjective
disciplinaire
noun
1. beschrijvend overzicht van de elpee's of cd's van een artiest of muziekgroep
discographie
noun
discordance
noun
1. uiteenzetting van opvattingen
discours
adjective
1. zonder aandacht te trekken, onopvallend
discret
noun
  1. 1. bescheidenheid of kiesheid
  2. 2. geheimhouding
discrétion
noun
discrimination
verb
1. maken van onderscheid
discriminer
adjective
discursif
/ˈdɪskʏs/
noun
1. een zware werpschijf die gebruikt wordt bij de atletische sport discuswerpen.
disque
noun
1. een gedachtewisseling waarbij doorgaans verschillende meningen worden uitgewisseld
discussion
verb
discuter
noun
1. een atletiekdiscipline waarbij men een discus zo ver mogelijk probeert te werpen
lancer du disque
verb
discuter
noun
1. tweemaal verhoogde toon “d”
ré double dièse
noun
disjonction
noun
1. Magneetschijf
disquette
noun
disqualification
noun
1. ongewone verplaatsing
dislocation
phraseologicalUnit
1. afwijkend van de grote massa
dispar vulgo
adjective
disparate
verb
disposer
verb
disputer
noun
disruption
adjective
disruptif
/dɪsəl/
noun
  1. 3. houtbewerkingsbijl
    1. herminette
    2. mazza da fabbro
    1. 1. stang om trekdieren in te spannen
    2. 2. stang om aanhangwagen aan een voertuig te bevestigen
    timon
verb
1. uitzaaien
disséminer
noun
dissertation
adjective
dissident
verb
dissimiler
noun
1. uiteenval
dissociation
verb
dissocier
/dɪso'nant/
noun
dissonance
noun
dissonance
verb
1. afstand nemen
se demarquer de
noun
chardon
noun
1. Vanessa cardui
belle-dame
noun
distique
noun
1.
distillation
verb
1. afzonderen van een gezuiverd product door het verhitten van een mengsel en afkoelen van de dampen
distiller
noun
distinction
adjective
distinctif
verb
distinguer
noun
distraction
/dɪstriby'erə(n)/
verb
distribuer
noun
1. verdeling, verspreiding
disribution
adjective
distributif
demonstrativePronoun
  1. ce
  2. cette
adjective
1. uiteenlopend
divergent
verb
diverger
adjective
  1. 1. onderling duidelijk verschillend
    1. différent
    2. divers
  2. 2. gekenmerkt door de aanwezigheid van mensen met een verschillend achtergrond
    1. diversifié
    2. diversifiée
  3. 3. twee of meer
    plusieurs
noun
diversité
noun
dividivi
noun
dihydrogène
noun
1. (weinig gebruikte) scheikundige term voor water (H2O)
monoxyde de dihydrogène
noun
1. scheikundige term voor de verbinding van twee waterstofatomen en één zwavel atoom (H2S)
acide sulfhydrique
noun
dioxygène
noun
1. Een diëlektricum is een materiaal waarvan de polarisatie...
diélectrique
noun
1. leer over gezonde voeding en de toepassing van die leer in de gezondheidszorg
diététique
noun
1. specialist op het gebied van voeding en voedingspatronen
diététicien
noun
1. een vrouwelijke specialist op het gebied van voeding en voedingspatronen
diététicienne
/'dʒɛmbe/, /ˈdjɛmbe/
noun
1. soort trommel die oorspronkelijk vooral bespeeld werd in West-Afrika
djembé
/(d)ʒi.ˈbu.ti/, /dji.ˈbu.ti/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika 2. de hoofdstad van
Djibouti
noun
1. de afkorting van desoxyribonucleic acid (desoxyribonucleïnezuur)
ADN
pronoun
1.
Dniepr
noun
1. kubusvormig voorwerp met op elk van de zijden een van de ogenaantallen één tot en met zes
dé
noun
1. een vrouwelijk kind
fille
/ˈdɔktɔr/
abbreviation
1. een academicus die een goedgekeurd proefschrift heeft geschreven
  1. docteur
  2. docteure
noun
1.het hoogste diploma dat aan een universiteit behaald kan worden
doctorat
adjective
doctrinaire
noun
1. een verzameling leerstellingen of dogmas die niet ter discussie staan
doctrine
noun
1. een verzameling gegevens
document
adjective
documentaire
noun
1. een op waarheid beruste film
documentaire
/dokymɛn'taʦi/
noun
1. geschreven materiaal dat een bepaald onderwerp om- en beschrijft
documentation
verb
1. onderbouwen, staven
documenter
noun
1. iemand die dood is, een gestorvene, overledene
  1. défunt
  2. mort
noun
1. dodecafonie
dodécaphonisme
adjective
1. dodecafonisch
dodécaphonique
/'do:dələk/
adjective
1. de dood veroorzakend
  1. mortel
  2. fatal
/ˈdo.də(n)/
verb
1. iemand van het leven beroven.
  1. tuer
  2. assassiner
noun
livre des morts
noun
1. het herdenken van de doden die vielen in de Tweede Wereldoorlog, meestal op 4 mei
commémoration des morts
/ˈdodə(n)ˌmɪs/
noun
1. een mis opgedragen voor een overledene
  1. requiem
  2. messe des morts
/ˈdudɔɫˌzɑk/, /ˈdudəlˌzɑk/
noun
1. een rietinstrument waarbij het riet indirect bespeeld wordt via een luchtzak
cornemuse
noun
1. bepaald soort in het water levend zoogdier, Dugong dugon
dugong
noun
1. geld, poen
  1. flouze
  2. lové
  3. moula
noun
  1. 1. een van de twee gemarkeerde ruimten op een sportveld
  2. 1. het punt waarop men zich richt
but
noun
cible
noun
  1. gardien de but
  2. gardien
/ˈduloːrˌzak/
noun
1. een oorzaak die gericht is op een specifiek doel; een doel dat tevens de oorzaak van iets is.
cause finale
noun
  1. poteau de but
  2. poteau
noun
but
noun
  1. gardienne de but
  2. gardienne
verb
1. een actie ondernemen
faire
verb
  1. 1. een stof door middel van een doezelaar dun uitwrijven
    estomper
  2. 2. lichtjes slapen
    somnoler
/dɔx/
noun
1. grote kortharige hond met brede kop
dogue
noun
doge
pronoun
Dogger Bank
/'dɔɣma/
noun
1. een vastomlijnd geloofsartikel dat aan geen beredenering meer is onderworpen
dogme
pronoun
1. meer op de grens van Noord-Macedonië en Griekenland
lac de Dojran
noun
  1. 2. droogzetinrichting voor schepen
    1. cale sèche
    2. forme de radoub
  2. 1. onderdeel van een klavecimbel
    sautereau
noun
1. stapelblok voor ondersteuning van een kiel
tin
verb
  1. 1. node betalen
    cracher
  2. 1. in dok brengen
    mettre au dock
noun
  1. médecin
  2. docteur
/ˈdɔkˌʋɛr.kər/
noun
1. iemand die in de havens werkt
  1. docker
  2. débardeur
/dɔl/
adjective
  1. 1. onzinnig
  2. 2. gek
fou
/dɔl/
noun
  1. 2. U-vormig steunpunt waarin een roeispaan rust
    dame de nage
  2. 1. roeipen
    tolet
/dɔl ɔp/
adjective
1. verrukt zijn van, verzot zijn op
raffoler
noun
doléance
verb
doler
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Dauphin
/dɔlˈfɛɪ̯n/, /dɔlˈfɛːn/, /dɔɫˈfɛɪ̯n/, /ˈdɔlfɛɪ̯n/, /ˈdɔlfɛːn/, /ˈdɔɫfɛɪ̯n/
noun
1. familie Delphinidae van mittelgrote tandwalvissen met vooruitstekende snuit
dauphin
noun
  1. poignard
  2. dague
/ ˈdɔlɑr /
noun
1. munt en munteenheid
dollar
adjective
1. van weinig verstand getuigend
  1. stupide
  2. bête
noun
  1. 2. bolvormig dak
  2. 1. hoofdkerk van een bisdom
dôme
/do.'ma.ʦi.jɵm/
noun
1. een hol orgaan waarin een plant aan andere organismes, zoals mieren, roofmijten, schimmels ...
domatie
noun
1. temming tot huisdier of cultuurgewas
domestication
verb
1. tot huisdier of cultuurgewas temmen
domestiquer
noun
1. officiële adres waar men woont
domicile
verb
domicilier
noun
2. vijfde trede van toonladder
dominante
noun
1. overheersing
dominance
noun
1. voorganger van een protestantse eredienst
pasteur
/domiˈnɪːrə(n)/
verb
1. het meest nadrukkelijk op de voorgrond treden
dominer
noun
1. kloosterling van
dominicain
adjective
dominicain
/ˌdo.mi.ni.ˌkan.sə.re.py.ˈblik/, /ˌdo.mi.ni.ˌkans.re.pʏ.ˈbliːk/
pronoun
1. een land in het Caribisch gebied dat ten westen aan Haïti grenst en daarmee...
République dominicaine
noun
1. autonoom deel van het Britse Rijk, deel van het Britse gemenebest
dominion
noun
1.
effet domino
/ˈdɔm.or/
noun
(milde benaming) dom persoon
andouille
noun
1. iemand die een (financiële) bijdrage levert
donateur
noun
1. een schenking
  1. donation
  2. don
noun
1. een pagina waarop gevraagd wordt om voor een goed doel een financiële bijdrage te leveren
page de collecte de fonds
pronoun
1. een rivier in Europa die in het Zwarte Woud in Duitsland ontspringt en naar de Zwarte Zee stroomt.
Danube
noun
1. een zeer luid geluid bij onweer
tonnerre
noun
1. een dag van de week die na woensdag en voor vrijdag komt
jeudi
/ˈdɔndərə(n)/
verb
  1. 3. met veel lawaai ergens afvallen.
    dégringoler
  2. 1. het weerklinken van luid gerommel ten gevolge van bliksemontlading.
    tonner
/'dɔndərslɑx/
noun
1. de luide knal die het inslaan van de bliksem veroorzaakt
coup de tonnerre
verb
1. een gift geven
doter
adjective
1. zonder licht
  1. foncé
  2. obscur
noun
1. toestand dat er geen licht is
noir
noun
1. gever, bijv. orgaandonor: degene die zijn orgaan afstaat
  1. donneur
  2. donneuse
noun
1. tot mislukking gedoemd handelen, ingegeven door dwaas idealisme
donquichottisme
noun
1. fijne veren die onder de taaiere buitenveren zitten, vaak gebruikt als vulstof voor kussens, dekbedden en slaapzakken
duvet
noun
couette
noun
couette
adjective
1.
duveteux
/doːt/
adjective
1. niet meer levend
mort
/doːt/
noun
  1. 1. de toestand na het leven
  2. 2. skeletvormige figuur, vaak met zeis, die bovengenoemde toestand personifieert
mort
/ˈdotxan/
verb
1. het leven verlaten
mourir
adjective
1. bij de geboorte al overleden
mort-né
noun
  1. 2. een zwaar object, bijv. een blok beton, dat als aanhechtingspunt kan worden gebruikt
    corps-mort
  2. 3. een maateenheid voor het draagvermogen van een schip
    port en lourd
noun
1. een zwaar voorwerp met bevestigingsoog, dat als een eenvoudig anker wordt gebruikt
ancre à corps-mort
noun
  1. 1. (beroep) persoon
    fossoyeur
  2. 2. keversoort
    nécrophore
noun
1.
  1. cercueil
  2. bière
noun
3. hevige vrees
  1. affres de la mort
  2. angoisse de la mort
  3. calvaire
  4. croix
noun
het bed waarop iemand gestorven is
lit de mort
/ˈdoːts.ɛsˌka.dər/
noun
1. bende die gevormd is om een of meerdere personen te doden
escadron de la mort
noun
cercueil
/dotslɑx/
noun
1. het iemand anders opzettelijk, maar zonder voorbedachten rade van het leven beroven
homicide
noun
1. als straf gedood worden
  1. peine de mort
  2. peine capitale
noun
  1. 1. grondverf
    apprêt
  2. 2. onderschildering
    ébauche
verb
  1. 3. voorbestemmen
    désigner à l'avance
  2. 2. een onderschilderen maken
    ébaucher
noun
  1. 1. juridisch
  2. 2. figuurlijk
  1. arrêt de mort
  2. condamnation à mort
  3. sentence de mort
adjective
2. heel erg ziek
gravement malade
/doːf/
adjective
1. niet of minder goed tot horen in staat zijn
sourd
noun
surdité
noun
1. smelten
dégel
/'dojə(n)/
verb
1. het stijgen van de buitentemperatuur boven het vriespunt waardoor alle ijs en sneeuw begint te smelten
dégeler
noun
  1. jaune
  2. jaune d’œuf
noun
1. de doop
baptême
/ˈdop.vɔnt/
noun
1. een bekken voor de bediening van de doop en het bewaren van het doopwater in een kerkgebouw
  1. fonts
  2. fonts baptismaux
noun
2. een cruciale ontdekking
percée
verb
1. tot een boog vervormen door een opgelegd gewicht
  1. courber
  2. céder
/dorˈdɛŋkə(n)/, /do̝rˈdɛŋkə(n)/, /ˈdordɛŋkə(n)/, /ˈdo̝rdɛŋkə(n)/
verb
  1. 1. [doordénken] serieus en goed nadenken over een kwestie
    calculer
  2. 1. [dóórdenken] ergens over blijven denken, ergens aan blijven denken
    réfléchir mûrement
verb
  1. insister
  2. enfoncer
/ˈdoːrɣan/, /ˈdɔːrχan/
verb
1. tot het einde meemaken
continuer
/'dɔːrɣans/
adverb
1. in de meeste gevallen, met weinig uitzonderingen
  1. généralement
  2. ordinairement
  3. le plus souvent
  4. normalement
noun
coup monté
/'doːrɣevə(n)/, /'do̝ːrχevə(n)/
verb
1. iets wat men ontvangen heeft aan de volgende persoon geven
faire passer
noun
1. scherp uitsteeksel aan een plant
épine
noun
1. Datura stramonium, een zeer giftige plant die hallucinogene alkaloïden bevat
datura stramoine
/ˈdornəkron/
noun
1. van doorntakken gevlochten kroon als symbool van het martelaarschap
couronne d'épines
noun
1. bepaalde soort vis, Squalus acanthias
aiquillat
pronoun
1. een stad in de Belgische provincie Henegouwen
Tournai
noun
1.
Tournaisien
adjective
  1. décisif
  2. déterminant
noun
  1. 2. diameter
    diamètre
  2. 1. doorsnijvlak
    intersection
/ˈdɔːrsne/
adjective
  1. 2. snijvlak
    intersection
  2. 1. iets of iemand waarvan de eigenschappen dicht bij het gemiddelde liggen
    moyenne
/dɔːrˈstan/
verb
  1. 1. ondanks moeilijkheden er nog goed voorstaan
    passer
  2. 2. overleven
    survivre à
verb
  1. 4. met een lang voorwerp door een buis gaan met als doel deze open te maken
    déboucher
  2. 3. in / door een opening heen doen
    1. faire passer
    2. introduire
  3. 5. met een stekende beweging een gat maken
    percer
  4. 1. afsnijden
    traverser
  5. 1. geheel doorboren met een scherp hulpmiddel
    transpercer
adjective
malicieux
verb
3. toilet doorspoelen
tirer la chasse d’eau
/ˈdorvərˌkopə(n)/, /ˈdo̝rvərˌkopə(n)/
verb
1. iets verkopen dat onlangs is gekocht
revendre
verb
1. volhouden
persévérer
noun
accrocheur
/doːrˈzɪxtəx/, /doːrˈzɪxtɪx/, /do̝ːrˈzɪχtəχ/
adjective
[1] waar licht zo ongehinderd door kan treden dat het zicht erdoor niet belemmerd wordt
transparent
/dorˈzin/, /do̝rˈzin/, /ˈdorzin/, /ˈdo̝rzin/
verb
  1. 1. dóórzien, vluchtig iets lezen
    parcourir
  2. 1. inzien dat iets een poging tot bedrog is
    pénétrer
verb
1. grondig onderzoeken of zich iets ergens bevindt
fouiller
/doʊs/, /doːs/
noun
  1. 1. een veelal kartonnen balkvormig opslagmiddel
    1. boîte
    2. caisse
  2. 5. informele naam voor toilet
    trône
/dɔp/
noun
5. dop (gereedschap)
douille
verb
3. een naam geven
appeler
noun
1. stimulerende (genees)middelen
dopage
verb
1. het verwijderen van de peulenschillen van erwten, bonen, enzovoort
écosser
noun
1.
arachides en coques
noun
1. schijnbare frequentieverschuiving als de zender en ontvanger bewegen ten opzichte van elkaar
effet Doppler
noun
1. dopsleutel
clé à douille
/dɔrp/
noun
1. kleine, permanente nederzetting
village
noun
1. inwoner van een kleine plaats op het platteland
villageois
noun
1.
journal villageois
noun
1.
rue villageoise
verb
battre
noun
soif
noun
fléau
noun
1. vloer waarop gedorst wordt
aire
pronoun
canal Dortmund-Ems
verb
doser
noun
1. hoeveelheid van een geneesmiddel die je per keer moet innemen
dose
/doˈsir/, /dɔˈʃe/, /ˈdɔs·jeː/
noun
1. verzameling documenten en andere vastgelegde informatie,...
dossier
/dɔt/
noun
  1. 2. (meestal als verkleinwoord) iets kleins en liefs
    1. amour
    2. chou
  2. 1. een pluk vezelig, wollig of donzig materiaal
    touffe
adjective
dotal
noun
dotation
verb
1.
doter
pronoun
1. een dorp in de Belgische provincie Henegouwen
Dottignies
noun
1.
populage
noun
1. weduwe van een edelman
douairière
noun
1. een overheidsdienst die belast is met de controle op het internationaal goederenverkeer
douane
verb
  1. 2. verdubbelen
    doubler
  2. 1. blijven zitten
    redoubler
/duʃ/
noun
1. stortbad
douche
verb
1. een douche nemen
se doucher
/ˈdovə(n)/
verb
1. een vlam uit doen gaan
éteindre
noun
1. een lipbloemige plant met bladeren die op die van de brandnetel lijken maar die niet branden.
lamier
verb
1. een bestand van een computer of server op afstand naar een lokale computer of server overbrengen
télécharger
noun
1. een set van twaalf
douzaine
/draːt/
noun
    1. 3. elektrisch verbindingsmateriaal
    2. 1. in elkaar gesponnen vezels
    3. 2. de lijn in een verhaal
    fil
  1. 5. de schroefdraad
    filet
noun
1.
antenne filaire
/drat.los/, /ˈdraːd.loːs/
adjective
1. waarbij geen draden nodig zijn voor de overdracht van een signaal
sans fil
noun
1. een constructie waarmee aan een draad of kabel de gewenste spanning kan worden gegegven
ridoir
noun
1. een gehard stalen stift met schroefdraad om in een gat binnenschroefdraad te tappen
taraud
/ˈdraxbar/, /ˈdraχbar/
adjective
1. te dragen, met de mogelijkheid gedragen te worden
portatif
/ˈdraxbar/, /ˈdraχbar/
noun
1. een baar waarop iets gedragen kan worden
brancard
noun
1. ongemoduleerde elektromagnetische radiogolf
  1. onde porteuse
  2. porteuse
noun
1. frequentie van een draaggolf
fréquence de la porteuse
/ˈdraːɣ.mudər/
noun
mère porteuse
noun
1. stok waaraan men iets draagt
  1. palanche
  2. balancier
noun
  1. 3. een ondersteunende groep
    base
  2. 2. een vleugel van een vliegtuig
    plan de sustentation
  3. 1. een vlak waarop een last gedragen wordt
    surface portante
noun
1. een van beide vleugels, aangebracht onder een boot die deze uit het water omhoog duwen
foil
noun
1. een machine die een ingeklemd werkstuk ronddraait zodat dit met beitels en boren kan worden bewerkt
tour
noun
scénario
noun
1. constructie van drie of vier deurbladen die rondom een gezamenlijke verticale as kunnen draaien, ter vervanging van een gewone deur m.n. gebruikt in winkels, ziekenhuizen enz.
  1. porte à tambour
  2. tourniquet
/ˈdraːi̯ən/
verb
  1. 1. om een middelpunt bewegen
  2. Vertalingen: na te kijken
tourner
noun
1. iemand die met een draaibank werkt
tourneur
noun
giration
noun
1. iemand die voortdurend van mening verandert
tourne-au-vent
noun
1. strijkinstrument met strijkwiel
vielle à roue
noun
carrousel
noun
1. een mechanisch bediend of automatisch spelend orgel, meestal op straat spelend
orgue de Barbarie
noun
pivot
pronoun
sterrenbeeld nabij de noordelijke hemelpool
Dragon
/draːk/
noun
  1. 1. fabeldier
  2. 2. open zeiljacht
dragon
noun
  1. 1. kleding
    coutume
  2. 2. draagtijd van een zwanger wijfjesdier
    gestation
/drɑxtəx/
adjective
1. (van dieren) zwanger
pleine
/drɑf/
noun
  1. 2. looppas
    au pas de cours
  2. 3. bezinksel
    lie
  3. 1. draf bij viervoeters
    trot
verb
  1. 1. al van de vloer houdend vervoeren
  2. 2. als kledingstuk of sieraad aanhebben
porter
noun
5. voorwerp dat iets ondersteund
  1. support
  2. plaque
/ˈdraɣɔn/
noun
2. kruid
estragon
noun
  1. 1.
    dragon
  2. 2. forse, bazige vrouw
    1. dragon
    2. gendarme
noun
1. vochtafvoering
drainage
verb
1. de afvloei van water bevorderen
drainer
noun
  1. 1. een droevige of aangrijpende gebeurtenis
  2. 2. een bepaald soort film of toneelstuk
drame
noun
dramaturge
noun
dramaturgie
noun
1. innerlijke neiging om iets te doen
  1. impulsion
  2. incitation
/drɑŋk/
noun
  1. 2. vloeistof om de dorst te lessen
    boisson
  2. 1. alcoholhoudende vloeistof
    1. spiritueux
    2. boisson
noun
  1. 2. glaasje drank
    petit verre
  2. 3. vloeibaar medicament
    1. potion
    2. breuvage
verb
draper
/ˈdrɑs.tis/, /ˈdrɑs.tɪs/
adjective
1. doelgericht zeer ingrijpend
  1. drastique
  2. énergique
verb
1. van paarden
trotter
pronoun
1. taalfamilie van ongeveer 85 talen die in het zuiden en oosten van India worden gesproken
langues dravidiennes
noun
1. grassoort
brome
pronoun
1. taal
drehu
verb
1. een bestraffende handeling in het vooruitzicht stellen
menacer
noun
1. onderdorpel van een kozijn
seuil
/ˈdrɛŋkə(n)/
verb
2. drinken geven aan
abreuver
/ˈdrɛntə/
pronoun
1. provincie in het noorden van Nederland, die door Friesland, Groningen, Overijssel en het Duitse Nedersaksen wordt begrensd
Drenthe
verb
dresser
noun
poinçon
cardinalNumeral
1. telwoord
trois
noun
1. het cijfer 3
trois
noun
Trinité
noun
trinité
adjective
1. bestaande uit drie atomen
triatomique
adjective
1. met drie afmetingen, hoogte, breedte en diepte
tridimensionnel
noun
1. kleine vis die inheems is in de Benelux, Gasterosteus aculeatus
épinoche
noun
1. tweedimensionale geometrische vorm, bestaande uit 3 hoeken en 3 zijden
triangle
adjective
triangulaire
noun
1. kleine tweekleppige zoetwaterschelp, oorspronkelijk uit het bekken van de Kaspische ...
moule zébrée
noun
1. (romantische) verhouding waarbij drie mensen zijn betrokken
triangle amoureux
/ˈdriˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 300
trois-cents
cardinalNumeral
1. het getal 308
trois-cent-huit
cardinalNumeral
1. het getal 338
trois-cent-trente-huit
cardinalNumeral
1. het getal 398
trois-cent-quatre-vingt-dix-huit
cardinalNumeral
1. het getal 388
trois-cent-quatre-vingt-huit
cardinalNumeral
1. het getal 328
trois-cent-vingt-huit
cardinalNumeral
1. het getal 348
trois-cent-quarante-huit
cardinalNumeral
1. het getal 358
trois-cent-cinquante-huit
cardinalNumeral
1. het getal 368
trois-cent-soixante-huit
/ˌdrihɔndərtˈɑxtənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 378
trois-cent-soixante-dix-huit
cardinalNumeral
1. het getal 318
trois-cent-dix-huit
cardinalNumeral
1. het getal 313
trois-cent-treize
cardinalNumeral
1. het getal 330
trois-cent-trente
cardinalNumeral
1. het getal 303
trois-cent-trois
cardinalNumeral
1. het getal 333
trois-cent-trente-trois
cardinalNumeral
1. het getal 393
trois-cent-quatre-vingt-treize
cardinalNumeral
1. het getal 383
trois-cent-quatre-vingt-trois
cardinalNumeral
1. het getal 323
trois-cent-vingt-trois
cardinalNumeral
1. het getal 343
trois-cent-quarante-trois
cardinalNumeral
1. het getal 353
trois-cent-cinquante-trois
cardinalNumeral
1. het getal 363
trois-cent-soixante-trois
/ˌdrihɔndərˈdrijənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 373
trois-cent-soixante-treize
cardinalNumeral
1. het getal 301
trois-cent-un
cardinalNumeral
1. het getal 331
trois-cent-trente-et-un
cardinalNumeral
1. het getal 391
trois-cent-quatre-vingt-onze
cardinalNumeral
1. het getal 381
trois-cent-quatre-vingt-un
cardinalNumeral
1. het getal 321
trois-cent-vingt-et-un
cardinalNumeral
1. het getal 341
trois-cent-quarante-et-un
cardinalNumeral
1. het getal 351
trois-cent-cinquante-et-un
cardinalNumeral
1. het getal 361
trois-cent-soixante-et-un
/ˌdrihɔndərtˈenənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 371
trois-cent-soixante-et-onze
cardinalNumeral
1. het getal 311
trois-cent-onze
cardinalNumeral
1. het getal 309
trois-cent-neuf
cardinalNumeral
1. het getal 339
trois-cent-trente-neuf
cardinalNumeral
1. het getal 399
trois-cent-quatre-vingt-dix-neuf
cardinalNumeral
1. het getal 389
trois-cent-quatre-vingt-neuf
cardinalNumeral
1. het getal 329
trois-cent-vingt-neuf
cardinalNumeral
1. het getal 349
trois-cent-quarante-neuf
cardinalNumeral
1. het getal 359
trois-cent-cinquante-neuf
cardinalNumeral
1. het getal 369
trois-cent-soixante-neuf
/ˌdrihɔndərtˈneɣənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 379
trois-cent-soixante-dix-neuf
cardinalNumeral
1. het getal 319
trois-cent-dix-neuf
cardinalNumeral
1. het getal 390
trois-cent-quatre-vingt-dix
cardinalNumeral
1. het getal 380
trois-cent-quatre-vingts
cardinalNumeral
1. het getal 310
trois-cent-dix
cardinalNumeral
1. het getal 312
trois-cent-douze
cardinalNumeral
1. het getal 302
trois-cent-deux
cardinalNumeral
1. het getal 332
trois-cent-trente-deux
cardinalNumeral
1. het getal 392
trois-cent-quatre-vingt-douze
cardinalNumeral
1. het getal 382
trois-cent-quatre-vingt-deux
cardinalNumeral
1. het getal 322
trois-cent-vingt-deux
cardinalNumeral
1. het getal 342
trois-cent-quarante-deux
cardinalNumeral
1. het getal 352
trois-cent-cinquante-deux
cardinalNumeral
1. het getal 362
trois-cent-soixante-deux
/ˌdrihɔndərˈtwejənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 372
trois-cent-soixante-douze
cardinalNumeral
1. het getal 320
trois-cent-vingt
cardinalNumeral
1. het getal 314
trois-cent-quatorze
cardinalNumeral
1. het getal 340
trois-cent-quarante
cardinalNumeral
1. het getal 304
trois-cent-quatre
cardinalNumeral
1. het getal 334
trois-cent-trente-quatre
cardinalNumeral
1. het getal 394
trois-cent-quatre-vingt-quatorze
cardinalNumeral
1. het getal 384
trois-cent-quatre-vingt-quatre
cardinalNumeral
1. het getal 324
trois-cent-vingt-quatre
cardinalNumeral
1. het getal 344
trois-cent-quarante-quatre
cardinalNumeral
1. het getal 354
trois-cent-cinquante-quatre
cardinalNumeral
1. het getal 364
trois-cent-soixante-quatre
/ˌdrihɔndərtˈfirənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 374
trois-cent-soixante-quatorze
cardinalNumeral
1. het getal 305
trois-cent-cinq
cardinalNumeral
1. het getal 335
trois-cent-trente-cinq
cardinalNumeral
1. het getal 395
trois-cent-quatre-vingt-quinze
cardinalNumeral
1. het getal 385
trois-cent-quatre-vingt-cinq
cardinalNumeral
1. het getal 325
trois-cent-vingt-cinq
cardinalNumeral
1. het getal 345
trois-cent-quarante-cinq
cardinalNumeral
1. het getal 355
trois-cent-cinquante-cinq
cardinalNumeral
1. het getal 365
trois-cent-soixante-cinq
/ˌdrihɔndərtˈfɛifənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 375
trois-cent-soixante-quinze
cardinalNumeral
1. het getal 315
trois-cent-quinze
cardinalNumeral
1. het getal 350
trois-cent-cinquante
cardinalNumeral
1. het getal 306
trois-cent-six
cardinalNumeral
1. het getal 336
trois-cent-trente-six
cardinalNumeral
1. het getal 396
trois-cent-quatre-vingt-seize
cardinalNumeral
1. het getal 386
trois-cent-quatre-vingt-six
cardinalNumeral
1. het getal 326
trois-cent-vingt-six
cardinalNumeral
1. het getal 346
trois-cent-quarante-six
cardinalNumeral
1. het getal 356
trois-cent-cinquante-six
cardinalNumeral
1. het getal 366
trois-cent-soixante-six
/ˌdrihɔndərtˈsɛsənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 376
trois-cent-soixante-seize
cardinalNumeral
1. het getal 316
trois-cent-seize
cardinalNumeral
1. het getal 360
trois-cent-soixante
/ˌdrihɔndərtˈsøvən/
cardinalNumeral
1. het getal 307
trois-cent-sept
/ˌdrihɔndərtˈsøvənənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 337
trois-cent-trente-sept
/ˌdrihɔndərtˈsøvənəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 397
trois-cent-quatre-vingt-dix-sept
/ˌdrihɔndərtˈsøvənənˌtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 387
trois-cent-quatre-vingt-sept
/ˌdrihɔndərtˈsøvənənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 327
trois-cent-vingt-sept
/ˌdrihɔndərtˈsøvənəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 347
trois-cent-quarante-sept
/ˌdrihɔndərtˈsøvənəɱˌvɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 357
trois-cent-cinquante-sept
/ˌdrihɔndərtˈsøvənənˌsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 367
trois-cent-soixante-sept
/ˌdrihɔndərtˈsøvənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 377
trois-cent-soixante-dix-sept
/ˌdrihɔndərtˈsøvənˌtin/
cardinalNumeral
1. het getal 317
trois-cent-dix-sept
/ˌdrihɔndərtˈsøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 370
trois-cent-soixante-dix
/ˈdriklɑŋk/
noun
2. akkoord van drie verschillende tonen
triade
noun
tricolore
pronoun
  1. féte des Rois
  2. Épiphanie
noun
1. plek waar de grenzen van drie landen elkaar treffen
tripoint
noun
1.
mouette tridactyle
noun
tricycle
adjective
1. met of aan twee kanten, belangen, partijen etc;
trilatéral
cardinalNumeral
1. het getal 33
trente-trois
cardinalNumeral
1. het getal 93
quatre-vingt-treize
cardinalNumeral
1. het getal 83
quatre-vingt-trois
cardinalNumeral
1. het getal 23
vingt-trois
cardinalNumeral
23000
  1. vingt-trois mille
  2. vingt-trois-mille
cardinalNumeral
1. het getal 43
quarante-trois
cardinalNumeral
1. het getal 53
cinquante-trois
cardinalNumeral
1. het getal 63
soixante-trois
/ˈdrijənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 73
soixante-treize
noun
1. gas dat in spuitbussen gebruikt wordt om de inhoud onder druk te zetten
gaz propulseur
noun
bielle
/'drɛɪfərˌmoɣə(n)/
noun
1. de mate waarin een voorwerp is staat is bij te dragen tot het drijvend houden van iets
flottabilité
noun
1. bodem bestaand uit heel kleine korreltjes vergruisd gesteente, verzadigd met zoveel water dat alles wat zwaar is er in wegzakt
  1. sable mouvant
  2. sables mouvants
verb
1. zijn behoefte doen
déféquer
adjective
urgent
/ˈdrɪŋgbekər/
noun
1. een beker waaruit gedronken kan worden
gobelet
/'drɪŋkə(n)/
noun
boire
noun
1. een plaats waar dieren kunnen drinken
abreuvoir
noun
water dat geschikt is om gedronken te worden
eau potable
noun
1. een voorziening waar iemand letterlijk met een auto doorheen kan rijden om bediend te worden
drive
noun
1. drab die in wijn achterblijft na de fermentatie
lie
adverb
triste
verb
1. vocht laten of doen verdampen
sécher
verb
droguer
noun
winkel van een drogist
droguerie
/ˈdrɔx.re.də(n)/, /ˈdrɔχ.re.də(n)/
noun
1. een reden of redenering die niet klopt, maar wel aannemelijk lijkt
sophisme
noun
1. Camelus dromedarius, herkauwer uit Afrika met vetbult op de rug
dromadaire
verb
  1. 1. ervaren van een reeks gebeurtenissen of beelden tijdens de slaap
  2. je een voorstelling maken van wat je graag wil
rêver
noun
rêveur
pronoun
1. een deelgemeente van Gent
Tronchiennes
/drɔŋkə(n)/
adjective
1. onder invloed van alcohol
ivre
noun
het zwaar onder invloed van alcohol zijn
ivresse
/droːx/
adjective
1. geen of zeer weinig vocht bevattend.
sec
/ˈdroxduk/
noun
1. een doek waarmee men kan afdrogen
torchon
noun
2. droogzetinrichting voor schepen
  1. cale sèche
  2. forme de radoub
noun
sèche-linge
noun
nettoyage à sec
noun
1.1 constructie met horizontale spijlen, gebruikt om gewassen wasgoed op te hangen zodat het kan drogen
  1. tancarville
  2. étendoir
noun
1. lange periode zonder of met minder neerslag
  1. sécheresse
  2. sècheresse
noun
sèche-linge
noun
  1. 2. een gedachte waarvan met graag had gehad dat ze werkelijkheid werd
    rêve
  2. 1. beelden die men ziet wanneer men slaapt
    1. rêve
    2. songe
noun
  1. slag waarmee de shuttle vlak achter het net wordt gespeeld
    amorti
  2. zwart gekleurd snoepgoed
    réglisse
noun
drogue
noun
trafic de drogue
noun
narcotrafiquant
/'drɵksfər'slaːfdə/
noun
1. Verslaafd persoon
  1. toxicomane
  2. accro
  3. drogué
noun
2. vrucht van de wijnstok
raisin
noun
2.
tapecul
noun
mollasson
noun
1. het zeil aan de achterste mast op een loggergetuigd schip
tapecul
verb
dégouliner
noun
1. geslachtziekte veroorzaakt door de bacterie Neisseria gonorrhea
  1. blennorragie
  2. gonorrhée
noun
1.
cépage
noun
1. een vruchtensap bereid uit druiven
jus de raisin
noun
1. bundel druiven
grappe
adjective
  1. 3. zeer actief zijnde
    1. animé
    2. agité
    3. turbulent
  2. 4. met veel mensen, bedrijvigheid of verkeer
    1. bondé
    2. chargé
    3. frequenté
  3. 2. weinig tijd latend, veel tijd eisend (van bezigheden)
    1. exigeant
    2. accaparant
    3. prenant
  4. 1. weinig tijd hebbend
    occupé
noun
1. pressie, kracht die over een oppervlakte uitgeoefend wordt
pression
noun
1. een persoon die afdrukken maakt
imprimeur
noun
1. een gaslamp met een gloeikous die brandt op vloeibare brandstof die onder druk wordt vergast
lampe à pression
noun
1. papier gevuld door een printer of een drukpers
imprimés
noun
1. iemand die (beroepshalve) slagwerk speelt
batteur
noun
batterie
/drɵ.pəl/
noun
goutte
/drʌpələ/
verb
dégoutter
noun
1. mythologisch, vrouwelijk wezen dat in een bos of boom leeft
  1. dryade
  2. napée
/dʏp/
noun
1. een extra geluid dat ingebracht wordt in een bestaand geluidsfragment
  1. incrustation
  2. insertion
/ˈdʏbəl/
adjective
1. tweemaal voorhanden
double
noun
1.
double concerto
noun
biplan
noun
deux-points
noun
sosie
noun
1. dubbele toonverhoging
double dièse
noun
1. dubbele toonverlaging
double-bémol
noun
1.dubbelrietinstrument
instrument à anche double
/ˈdʏ.bəl.ˌstɛr/, /ˈdʏ.bəɫ.ˌstɛr/
noun
1. twee sterren die om elkaar heen bewegen
étoile binaire
/dʏbəl'zɪnəxhɛit/
noun
1. iets dat op meerdere manieren te interpreteren is
ambiguïté
adjective
douteux
noun
doublon
noun
1. een scheikundig element met het symbool Db
dubnium
noun
1. een muziekstuk voor twee uitvoerders (instrumenten of stemmen)
  1. duetto
  2. duo
/dʏf/
adjective
  1. 2. slaperig
    endormi
  2. 1. saai, doods
    1. ennuyeux
    2. barbant
/ˈdœy̯dələk/
adverb
  1. 1. niet mis te verstaan
  2. 2. goed te herkennen
clair
noun
1. het evident en vanzelfsprekend zijn
  1. clarté
  2. transparence
/dœʏ̯f/, /dœːf/
noun
1. vogel die een koerend geluid maakt, uit de familie Columbidae
  1. pigeon
  2. colombe
adjective
bleu pigeon
noun
1. wandplank van een vat
douve
noun
sous-marin
noun
masque de plongée
/ˈdœy̯kə(n)/
verb
  1. 2.in het water springen zodat de armen eerst het water in gaan
  2. 1. het zich onder water voortbewegen (van bijvoorbeeld duikboten) of zwemmen (van mensen)
plonger
noun
cloche de plongée
noun
1. een masker gebruikt bij het duiken
masque de plongée
noun
1.
combinaison de plongée
/dœy̯m/
noun
  1. 1. eerste, kortste en dikste vinger
  2. 2. lengtemaat
pouce
/dœʏ̯n/, /dœːn/
noun
dune
pronoun
1. Franse stad aan de Noordzee bij de grens met België
Dunkerque
noun
paysage de dunes
noun
chiffre
noun
1. een toestand van weinig of geen verlichting
obscurité
/dœʏ̯ts/, /dœːts/
adjective
1. betreffende Duitsland of het Duits
  1. allemand
  2. allemande
/dœʏ̯ts/, /dœːts/
pronoun
1. een taal die gesproken wordt in Duitsland, Oostenrijk, Zwitserland, Italië en België
allemand
/ˈdœʏ̯tsə/, /ˈdœːtsə/
noun
1. een vrouw van Duitse komaf
Allemande
pronoun
République démocratique allemande
noun
1. hond uit een oorspronkelijk in Duitsland gefokt ras
berger allemand
/ˈdœʏ̯tsər/, /ˈdœːtsər/
noun
1. een inwoner van Duitsland
  1. Allemand
  2. Allemande
/ˈdœʏ̯tslɑnt/, /ˈdœːtslɑnd/, /ˈdœːtslɑnt/
pronoun
1. een Midden-Europese staat die wordt gevormd door een federatie van 16 deelstaten en die het Duits als officiële taal heeft
Allemagne
noun
  1. diable
  2. Satan
noun
île du Diable
noun
1. afgesloten kistje waaruit door een springveer opeens een figuur te voorschijn komt
diable en boîte
noun
1. iemand die duiven kweekt
colombophile
noun
1. een duivenhok op een paal of boven een gebouw uitstekend
pigeonnier
noun
pigeonne
noun
1. het gevoel zijn evenwicht te verliezen
vertige
/ˈdœy̆zənt/
noun
1000
mille
noun
achillée millefeuille
adjective
1.
millénaire
noun
1. geleedpotig dier met een groot aantal poten uit de klasse Chilopoda
mille-pattes
noun
1. oude munt
ducat
noun
1. een in het water geplaatst stelsel van zware palen dat dient om schepen aan vast te leggen of...
duc-d'Albe
adjective
1. knop op vlaggenstok
tête de hampe
noun
1. karamelpasta van langdurig en langzaam gekookte melk met suiker en bakpoeder
confiture de lait
verb
1. bereid zijn iets ongestraft te laten
supporter
verb
  1. 1. produkten onder de gangbare prijs verkopen
    1. dumping
    2. pratiquer
  2. 2. storten, lozen
    déverser
  3. 4. een relatie beëindigen, een geliefde afdanken
    1. larguer
    2. plaquer
  4. 3. zich ontdoen van (dingen en mensen)
    se débarrasser de
noun
1. bepaalde soort vis, Chelon ramada
gaouta-roussa
/ˈdʏ.nə/
noun
2. darmstoornis die dunne ontlasting veroorzaakt
cliche
noun
1. deel van het spijsverteringskanaal tussen de maag en de dikke darm
intestin grêle
noun
1. Abra sp.
telline
noun
1. gebruiksvoorwerp
  1. éplucheur
  2. économe
noun
1. tweetal bij elkaar horende personen
  1. binôme
  2. duo
noun
1. 1075
duodécilliard
noun
1. 1072
duodécillion
noun
1.
douzième
/dywoˈdenʏm/
noun
1. twaalfvingerige darm
duodénum
noun
1. duool
duolet
verb
duper
noun
1. een identiek tweede exemplaar van iets
duplicata
verb
dupliquer
/'dyːrə(n)/
verb
1. een bepaalde tijd in beslag nemen
durer
noun
1. enige tetraploïde tarwesoort die nog veel wordt verbouwd
blé dur
verb
1. ~ te de moed hebben om iets gewaagds te doen
oser
conjunction
1.om die reden, daarom
donc
adverb
1. in die mate
tellement
/dʏt/
noun
roupillon
verb
  1. niet goedkoop
    1. cher
    2. coûteux
  2. tijdsbestek
    durée
noun
1.
sport d'endurance
/ˈdyːr.zam/
adjective
1. lang meegaand
durable
noun
2.
durabilité
/dyu̯/
noun
1. een zet, een stoot
  1. poussée
  2. bourrade
/dy.ʋǝⁿ/
verb
1. door druk uit te oefenen doen voortbewegen
pousser
noun
1. de afkorting voor digital versatile disc,...
DVD
adjective
1. onverstandig, gek
  1. fou
  2. idiot
noun
1. iemand die onverstandig denkt en/of handelt
  1. fou
  2. idiot
  3. crétin
/dʋɑŋ/
noun
  1. contrainte
  2. pression
noun
1. werk dat onder dwang gedaan moet worden
  1. travaux forcés
  2. travail forcé
noun
bagnard
noun
1. een kledingstuk dat de drager bewegingsvrijheid van de armen en handen ontneemt
  1. camisole de force
  2. camisole
noun
astreinte
/dʋɑrs/
adjective
transversal
/dʋɑrs/
adverb
  1. 3. iemand iets dwarszitten
    1. contrarier
    2. déranger
  2. 2. dwarsliggen
    1. s'entraver
    2. être contraire
  3. 1.
    à travers
/ˈdwɑrzbomə(n)/
verb
1. tegenwerken, moeilijkheden geven
  1. contrarier
  2. contrecarrer
/ˈdʋɑrsflœʏt/
noun
1. een blaasinstrument dat dwars op de lippen geblazen wordt
  1. flûte traversière
  2. flute traversière
noun
1. iemand die niet bereid is tot medewerking, die zich overal tegen verzet
empêcheur de tourner en rond
adjective
  1. par le travers
  2. transversal
verb
turlupiner
/dʋɛi̯l/
noun
1. een stuk weefsel in natte vorm gebruikt om een gladde vloer te reinigen
serpillière
noun
1. een buitengewoon klein mens
  1. nain
  2. naine
noun
1.
planète naine
noun
1.
thonine commune
noun
1. kleinste soort van de vinvissen, Balaenoptera acutorostrata
petit rorqual
verb
1. iemand tegen zijn wil iets opleggen
forcer
noun
dynamique
noun
springstof waarin nitroglycerine door een poreuze stof wordt vastgehouden
dynamite
noun
dynamo
noun
1. rode loop, bloeddiarree
dysenterie
noun
1. slikstoornis
dysphagie
/ˌdɪsfaˈzi/
noun
1. een ontwikkelingsstoornis bij kinderen
dysphasie
noun
1.
dysphémisme
noun
1. sombere stemming, somber gevoel
dysphorie
/dɪslɛkˈsi/
noun
1. het onvermogen om woorden, waarvan men wel de letters ziet, in hun betekenis te vatten
dyslexie
noun
dypraxie
noun
1. scheikundig element met symbool Dy en atoomnummer 66
dysprosium
noun
dysthymie
noun
1. stoornis in de spierspanning
dystonie
noun
dystopie
noun
dystrophine
pronoun
1.
Düsseldorf
noun
1. de toonnaam
mi
abbreviation
  1. 1. het akkoord e - gis - b
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Mi majeur
abbreviation
  1. 1. het akkoord e-g-b
  2. 2. de toonsoort
Mi mineur
/eˈɣrot/, /ʔeˈχrot/
abbreviation
  1. 1. het akkoord e - gis - b
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Mi majeur
abbreviation
1. het akkoord e-gis-b
accord de mi majeur
noun
1. een majeurtoonladder met “e” als grondtoon
gamme de mi majeur
noun
1. een majeurtoonladder met e als grondtoon
gamme de mi majeur
noun
1. een majeurtoonladder met “e” als grondtoon
gamme de mi majeur
noun
1. een majeurtoonladder met “e” als grondtoon
gamme de mi majeur
/e'klɛɪn/, /e'klɛːn/
abbreviation
  1. 1. het akkoord e-g-b
  2. 2. de toonsoort
Mi mineur
abbreviation
1. het akkoord e-g-b
accord de mi mineur
noun
1. een mineurtoonladder met “e” als grondtoon
gamme de mi mineur
noun
1. een kleinetertstoonladder met “e” als grondtoon
gamme de mi mineure
noun
1. een mineurtoonladder met “e” als grondtoon
gamme de mi mineur
/ˈiːmeːɫ/, /ˈiːmɪːɫ/
noun
  1. 1. systeem voor het verzenden van berichten via een computernetwerk
  2. 2. bericht dat verstuurd is via e-mail
courriel
/eˈɣrot/, /ʔeˈχrot/
abbreviation
  1. 1. het akkoord e - gis - b
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Mi majeur
abbreviation
1. het akkoord e-gis-b
accord de mi majeur
noun
1. een grotetertstoonladder met “e” als grondtoon
gamme de mi majeur
noun
1. een grotetertstoonladder met "e" als grondtoon
gamme de mi majeur
noun
1. een grotetertstoonladder met "e" als grondtoon
gamme de mi majeur
noun
1. een majeurtoonladder met “e” als grondtoon
gamme de mi majeur
/e'klɛɪn/, /e'klɛːn/
abbreviation
  1. 1. het akkoord e-g-b
  2. 2. de toonsoort
Mi mineur
abbreviation
1. het akkoord e-g-b
accord de mi mineur
noun
1. een kleinetertstoonladder met “e” als grondtoon
gamme de mi mineur
noun
1. een kleinetertstoonladder met “e” als grondtoon
gamme de mi mineure
noun
1. een kleinetertstoonladder met “e” als grondtoon
gamme de mi mineure
noun
1. een grotetertstoonladder met e als grondtoon
gamme de mi majeure
adjective
1. die het snelst op heden volgt
prochain
/ˌodəkoˈlɔɲə/
noun
1. keulswater, reukwater
eau de Cologne
noun
1. een getijde waarbij het water van de zee zakt, in tegenstelling tot vloed, waarbij het water stijgt
  1. reflux
  2. marée basse
noun
1, edele houtsoort
ébène
noun
1.
ébéniste
noun
1. benaming voor het geslacht Ebolavirus
virus Ebola
verb
écarter
adjective
1. kerkelijk
ecclésiastique
noun
échec
noun
3. niveau in een hiërarchische organisatie
échelon
/ˈɛ.xo/, /ˈɛ.χo/
noun
1. een hoorbare terugkaatsing van een gemaakt geluid
écho
noun
1. beeld (of foto) van organen dat gemaakt wordt via geluidsgolven die worden teruggekaatst
échographie
adjective
1. de echografie betreffend
echographique
noun
1. het dwangmatig herhalen van woorden of zinnen, zonder de betekenis ervan daadwerkelijk te doorgronden
  1. echolalie
  2. écholalie
noun
  1. écholocation
  2. écholocalisation
noun
echoscope
adjective
2. waarachtig, juist, niet vervalst
vrai
conjunction
1. een beperkende tegenwerping, introduceert een zin(sdeel) dat het voorgaande zin(sdeel) beperkt
  1. cependant
  2. toutefois
pronoun
1. en 2.
Echternach
/ˈɛxtxəˌnot/
noun
1. een mannelijke huwelijkspartner
  1. mari
  2. époux
/ˈɛxtxəˌnotə/, /ˈɛχtχəˌnotə/
noun
1. een vrouwelijke huwelijkspartner
  1. épouse
  2. femme
noun
1. formele verbreking van een huwelijksband
divorce
noun
1.
éclair
adjective
éclectique
/eˈklɪps/
noun
1. het verschijnsel waarbij een ster en twee of meer andere hemellichamen in één lijn komen te staan, waardoor de schaduw van het ene hemellichaam het andere verduistert
éclipse
noun
1. een bril die de ogen beschermt bij het kijken naar de zon
lunettes d'éclipse
/ˌe.ko.lo.ˈɣi/, /ˌe.ko.lo.ˈχi/
noun
1. de tak van wetenschap die het samenspel tussen organismen onderling en hun relatie met hun omgeving bestudeert
écologie
adjective
écologique
verb
écoloïser
/ˌe.ko.ˈlox/, /ˌe.ko.ˈloχ/
noun
1. een wetenschapper die het samenspel tussen organismen onderling en hun relatie met hun omgeving bestudeert
écologue
noun
1. ecologisch verantwoorde economie
éconologie
noun
  1. 1. de leer die zich bezighoudt met de voortbrenging en verdeling van schaarse goederen en diensten
    1. sciences économiques
    2. économie
  2. 2. het geheel van productie, handelsverkeer en diensten binnen een bepaalde regio
    économie
adjective
1. betreffende economie
économique
verb
1. uitsparen, bezuinigen
économiser
noun
1. deskundige op het gebied van de economie
économiste
noun
1. alle organismen in hun leefomgeving.
écosystème
noun
écotourisme
noun
1. European Committee for Standardization
Comité Européen de Normalisation (CEN)
noun
1. ligging op een abnormale plaats (van een orgaan of een foetus)
ectopie
noun
ectoplasme
noun
1. oppervlakkige huidaandoening
eczéma
adjective
noble
noun
1. de naam voor elk element uit de achtste chemische reeks van het periodiek systeem
gaz noble
noun
1. Cervus elaphus, hertensoort
  1. cerf rouge
  2. cerf élaphe
noun
1. iemand die tot de adel behoort
noble
adjective
magnanime
noun
1. een stuk edelgesteente
  1. pierre précieuse
  2. joyau
pronoun
1. een stad in de Belgische provincie Henegouwen
Enghien
noun
édition
pronoun
2. spelwoord voor de letter e
  1. Emile
  2. Eugène
noun
éducation
/et/
noun
1. een plechtige verzekering dat men de waarheid spreekt of een belofte zal nakomen
serment
/ˈekˌhoːrn/
noun
1. benaming voor knaagdieren uit de familie Sciuridae
écureuil
noun
1. Bolletus edulis, een eetbare paddenstoel
cèpe de bordeaux
noun
1. verdikking van de huid
cal
adjective
  1. un
  2. une
phraseologicalUnit
1. iets kopen zonder te weten wat de koopwaar is
acheter chat en poche
phraseologicalUnit
1. een kat in het nauw maakt rare sprongen
la nécessité fait du timide un brave
/enˈtwetʲə/
noun
1.
une-deux
noun
parisette à quatre feuilles
noun
monosourcil
/eːnt/
noun
  1. 1. benaming voor veel watervogels uit de familie Anatidae
    1. canard
    2. cane
  2. 2. vrouwtjeseend
    cane
noun
1. insect uit de orde Ephemeroptera
éphémère
noun
foie de canard
noun
1.
graisse de canard
noun
  1. concorde
  2. union
/enˈdœydəx/
adjective
1. zonder twijfel
univoque
/enˈdœydəx/
adverb
1. zonder twijfel
de façon univoque
cardinalNumeral
1. het getal 31
  1. trente-et-un
  2. trente et un
cardinalNumeral
1. het getal 91
quatre-vingt-onze
cardinalNumeral
1. het getal 81
quatre-vingt-un
/ˌe.nən.ˈtʋɪn.təχ/
cardinalNumeral
1. het getal 21
vingt-et-un
cardinalNumeral
1. het getal 41
quarante-et-un
cardinalNumeral
1. het getal 51
cinquante-et-un
cardinalNumeral
1. het getal 61
soixante-et-un
/ˈenənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 71
soixante-et-onze
noun
2. maat waarin hoeveelheden worden uitgedrukt
unité
noun
1.
maille
noun
1. een matrix waarvan alle diagonale elementen 1 zijn en alle andere 0
  1. matrice identité
  2. matrice unité
noun
licorne
adjective
1.
monosyllabique
adverb
1. een enkele keer
une fois
noun
1. een gezin met slechts één ouder
famille monoparentale
adjective
monolingue
noun
monolinguisme
noun
1. afwezigheid van pracht en praal
simplicité
/eːnˈvɑudəx/, /eːnˈvɑudəχ/
adjective
  1. 1. niet ingewikkeld
  2. 2. zonder overdaad of vertoon
simple
phraseologicalUnit
banqueroute simple
adjective
1. gebrek aan gezelschap ondervindend
  1. seul
  2. solitaire
noun
1. de hoedanigheid van het eenzaam zijn
solitude
adjective
1. met of aan één kant, belang, partij etc.
unilatéral
/er/
noun
1. aanzien, roem
honneur
noun
respect
conjunction
1. geeft een tijdstip aan voor hetwelk iets anders plaatsheeft
avant que
/ˈeːrɣɪstər/, /ˈɪːrχɪstər/
adverb
1. de voorlaatste dag die voltooid is
avant-hier
/ˈɪːrɣɪstərə(n)/, /ˈɪːrχɪstərə(n)/
adverb
1. de voorlaatste dag die voltooid is
avant-hier
noun
réhabilitation
/ˈeːrlək/
adverb
1. vrij van leugen en bedrog
honnête
noun
diffamation
adverb
1.
premièrement
noun
1. eerste kwartier
premier quartier
noun
nominatif
phraseologicalUnit
1. grammaticale term die de spreker of sprekers aanduidt.
première personne
pronoun
1. een militair conflict op wereldschaal, dat van 28 juli 1914 tot 11 november 1918 plaatsvond
Première Guerre mondiale
adjective
honorable
/ˈer.wrak/
noun
crime d’honour
noun
1. verlangen naar eer of roem
ambition
/ˈeːitbaːr/, /ˈeːtbaːr/
adjective
1. geschikt om gegeten te worden
  1. comestible
  2. mangeable
noun
1. een café waar ook maaltijden verkregen kunnen worden
café-restaurant
/ˈetkamər/
noun
1. een kamer waar maaltijden worden genuttigd
salle à manger
/etlepəl/
noun
1.
  1. cuiller
  2. cuillère
noun
1. de behoefte om voedsel tot zich te nemen.
appétit
noun
baguette
/eːu̯/
noun
1. een periode van 100 jaar
siècle
/eːwɪx/, /eːʋəχ/, /eːβ̞əx/
adjective
1. voortdurend, zonder einde
éternel
/ɪːβ̞əχɛɪ̯t/
noun
1. alle tijd die nog zal komen
éternité
noun
4. tabel met de stand van de zon, de maan en de planeten voor elke dag van het jaar
éphémérides
/e.ˈfe.zə/
pronoun
1. in de oudheid een grote Ionische haven- en handelsstad
Éphèse
pronoun
1. boek in het Nieuwe Testament
Éphésiens
noun
  1. 1. uitwerking
    effet
  2. 2. verhandelbaar waardepapier
    1. titre financier
    2. valeur mobilière
adverb
1. doeltreffend
effectif
verb
1. gelijk of vlak maken
  1. aplanir
  2. égaliser
adjective
1. nuttig effect hebbend
  1. efficace
  2. efficient
noun
1. de mate waarin nuttig gebruik gemaakt wordt van het beschikbare bij een bepaald proces
efficacité
/ɛx/, /ɛχ/
noun
1. een landbouw- of tuinbouwwerktuig dat gebruikt wordt voor het zaaiklaar maken van de grond
herse
verb
égaliser
adjective
égalitaire
/ˈexəl/
noun
1. bepaald soort zoogdier Erinaceus europaeus
hérisson
noun
1. wilde roos met gestekelde takken, geurige blaadjes, felroze bloemen en scharlaken bottels
églantier
pronoun
mer Égée
/xxxx/
noun
1. het uitsluitend op eigen belangen en gewin uit zijn
égoïsme
noun
1. een zelfzuchtig persoon
égoiste
adjective
1. zelfzuchtig, gefocust op eigen voordeel
  1. égoïste
  2. égoïstique
/e.ˈɣɪp.tə/, /e.ˈχɪp.tə/
pronoun
1. een Arabisch land op de grens van Afrika en Azië
  1. Égypte
  2. Egypte
pronoun
1. taalfamilie van enkele uitgestorven talen die in het oude Egypte worden gesproken
langues égyptiennes
noun
égyptologie
/ɛɪ/, /ɛɪ̯/, /ɛː/
noun
1. dierlijk voedingsmiddel voor de mens in een schaal
œuf
noun
ovocyte
noun
1. bepaald soort zeevogel, Somateria mollissima
  1. eider à duvet
  2. eider
adjective
1. betrekking hebbend op de visuele vermogens
eidétique
noun
1. eierschaal
  1. coquille d'œuf
  2. coque d'œuf
noun
1. pasta bereid met ei
pâte aux œufs
noun
pique-œuf
noun
coupe-oeuf
noun
1. het geslachtsorgaan van de vrouw waarin eicellen gevormd worden
ovaire
noun
1. de gele eidooier die in het midden van het ei zit
jaune d'œuf
/ˈɛi̯ɣə(n)/
adjective
propre
phraseologicalUnit
1. een gezin en woning zijn het belangrijkste wat een mens kan hebben
  1. il n'y a point de petit chez-soi
  2. rien ne vaut un chez-soi
  3. à chaque oiseau son nid semble beau
noun
1. iemand die iets in eigendom heeft
propriétaire
noun
1. een bijzondere hoedanigheid
particularité
noun
intérêt personnel
pronoun
1. Belgische plaats en gemeente in de provincie Waals-Brabant
Braine-l'Alleud
/'ʔɛɪɣəndɔm/
noun
1. eigendomsrecht
propriété
noun
1. het meest omvattend zakeljike recht dat een eigenaar op zijn goed kan uitoefenen
droit de propriété
noun
1. een naam waardoor men een mens, dier of ding zich van andere van dezelfde soort onderscheidt
nom propre
noun
1. een gegeven karakteristiek die eigen is aan een bepaalde persoon of zaak
propriété
adjective
1.
contemporain
/ɛi̯k/, /ɛːk/
noun
1. Quercus, een geslacht van loofbomen
chêne
/ˈɛɪkəɫ/
noun
  1. 1. vrucht van de eik
    gland
  2. 3. dom persoon; sufferd, zak
    1. gland
    2. blaireau
    3. nœud
  3. 2. top van een penis
    1. gland
    2. nœud
noun
1.
lérot
/ɛɪ̯kə(n)/, /ɛːkə(n)/
adjective
1. vervaardigd van het hout van de eik
en chêne
/ˈɛi̯kəˌblɑd/, /ˈɛi̯kəˌblɑt/, /ˈɛːkəˌblɑt/
noun
  1. 1. blad van een eikenboom
    feuille de chêne
  2. 2.
    feuille-morte du chêne
/ˈɛɪ̯kəblɑdˌsla/, /ˈɛɪ̯kəblɑtˌsla/, /ˈɛːkəblɑtˌsla/
noun
1. variëteit van sla
feuille de chêne
noun
1. plaaginsect waarvan de rupsen voor de mens gevaarlijke brandharen heeft
processionnaires du chêne
/ɛilɑnt/
noun
1. een stuk land dat omringd is door water
  1. île
  2. ile
noun
1. iemand die op een eiland woont
insulaire
noun
1. deel van de geslachtsorganen van de vrouw
trompe de Fallope
/ɛɪ̯nd/, /ɛɪ̯nt/, /ɛːnt/
noun
fin
phraseologicalUnit
1.
tout est bien qui finit bien
/ˈɛɪ̯ndə/, /ˈɛːndə/
noun
1. het punt in ruimte of tijd waar iets ophoudt
fin
noun
fin d'année
adverb
1. na een (te) lange tijd.
finalement
verb
1. iets tot een besluit voeren
  1. finir
  2. terminer
  3. achever
noun
1. eindmaat
cale étalon
noun
1. eindmaatblok
cale étalon
noun
1. scheikundig element met symbool Es en atoomnummer 99
einsteinium
/ɛɪ̯s/
noun
1. een dwingende vraag
exigence
/ˈɛi̯sə(n)/
verb
1. zeer dringend vragen, vaak met een sanctie op het niet beantwoorden ervan
exiger
pronoun
1.
Eisenstadt
noun
  1. demandeur
  2. requérant
noun
1. het tijdstip dat de eicel door de eierstok wordt afgestoten
ovulation
/ɛiwɪt/
noun
  1. 1. het deel van een ei waarin de dooier ligt
    blanc d'œuf
  2. 2. een tot een klasse van polymere stoffen met een hoog moleculair gewicht...
    1. protéine
    2. protide
noun
éjaculation
verb
sperma uitwerpen
éjaculer
verb
éjecter
noun
éjection
noun
1. bepaald soort zwartwitte kraaiachtige vogel, Pica pica
  1. pie
  2. agace
noun
1. een oude lengtemaat gebaseerd op de lengte van de menselijke ellepijp, gewoonlijk 60 à 70 cm
  1. aune
  2. coudée
/ɛl.ˈsɑl.va.dɔr/, /ɛɫ.ˈsɑɫ.va.dɔr/
pronoun
1. land in Midden-Amerika dat grenst aan Guatemala, Honduras en de Stille Oceaan
  1. Salvador
  2. El Salvador
/eˈlɑn/
noun
1. animo
élan
noun
1. een groot hert uit de poolstreken met een opvallend groot en breed vertakt gewei
  1. élan
  2. orignal
noun
élasticité
adjective
1. van elastiek gemaakt
élastique
adjective
1. rekbaar
élastique
noun
élastomère
adverb
1.
ailleurs
noun
élection
adjective
électif
adjective
1. betrekking hebbend op verkiezingen
électoral
noun
1.
électorat
/eləˈɣɑnt/
adverb
1. een prettige uitstraling hebbend door de subtiele afwerking
élégant
noun
élégance
noun
1. vakman op gebied van elektriciteit
  1. électricien
  2. électricienne
/eˌlɛktrɪsiˈtɛɪt/
noun
2. de elektrische stroom als energiedrager
électricité
noun
1. een krachtcentale waar elektriciteit wordt opgewekt
centrale électrique
noun
1. invoering van een elektriciteitsnet
électrification
adjective
1. door middel van elektriciteit
électrique
noun
1.
capacité électrique
abbreviation
1. hersenfilm
  1. électroencéphalogramme
  2. électro-encéphalogramme
noun
électrochimie
verb
1. doden of ter dood brengen door elektrische stroom
électrocuter
noun
électrocution
noun
1. elektrofiets
vélo à assistance électrique
noun
1. een verzamelnaam voor muziekinstrumenten die met elektronische middelen toon/geluid voortbrengen
électrophone
noun
électrolyse
noun
1. een magneet waarvan het veld door een elektrische stroom veroorzaakt wordt
  1. électro-aimant
  2. électroaimant
adjective
électromagnétique
noun
électromagnétisme
noun
électromécanique
noun
électromyogramme
noun
  1. 1. een van de elementaire deeltjes, het lichtste deeltje met een elektrische lading
    électron
  2. 2.
    élektron
noun
1. duidt aan hoe de elektronen over de diverse schillen verdeeld zijn
configuration électronique
noun
1. groep van elektronen binnen een atoom met eenzelfde energieniveau
couche électronique
noun
1. de tak van elektrotechniek die zich bezighoudt met het gedrag van elektronen...
électronique
noun
électrochoc
noun
1. de studie en praktische toepassing van alles wat met elektriciteit en elektromagnetisme te maken heeft
  1. Électrotechnique
  2. électrotechnique
noun
1. legering van goud en zilver
électrum
noun
élément
adjective
élémentaire
noun
particule élémentaire
verb
élever
cardinalNumeral
1. het getal 11
onze
pronoun
1. een regionale Noord-Germaanse taal die gesproken wordt in de Zweedse gemeente Älvdalen
dalécarlien
/ˈɛlf.də/, /ˈɛlv.də/
ordinalAdjective
1. nummer elf in een rij
onzième
noun
1. haringachtige, die paait in de bovenloop van rivieren en beken en ooit inheems was in de Benelux, Alosa alosa
alose
noun
1. ruimtelijke figuur met elf vlakken
hendécaèdre
/elimi'nasi/
noun
  1. 2. een moord
    suppression
    1. 3. het wegwerken van een grootheid die in twee of meer vergelijkingen voorkomt
    2. 1. verwijdering of wegwerking
    3. 4. de afstoting van verstorven delen
    élimination
verb
  1. 2. verwijderen uit de bevolking, doden
    balayer
  2. 1. verwijderen uit de vergelijking
    éliminer
adjective
  1. élitiste
  2. élitaire
/ɛlk/
indefinitePronoun
  1. 2. iedereen
    1. chacun
    2. tout le monde
  2. 1. ieder afzonderlijk
    chaque
/əl'kar/
reciprocalPronoun
1. als wederzijds lijdend voorwerp
  1. nous
  2. se
  3. soi
  4. vous
noun
1. Gewricht
coude
noun
1. armoedige, beklagenswaardige omstandigheden
misère
noun
misérable
adjective
1. erg onaangenaam
  1. misérable
  2. pauvre
/ˈɛləpɛɪp/, /ˈɛləpɛːp/
noun
bot in de onderarm
ulna
noun
  1. 1. twee-dimensionale figuur die wordt gevormd door alle punten waarvoor de som ...
  2. 2. een stijlfiguur waarbij een lopende zin wordt afgebroken, die echter door...
ellipse
noun
élongation
noun
  1. 1. boomsoort
    1. aulne
    2. aune
    3. verne
  2. 1. priem
    alêne
pronoun
Ixelles
/ˈɛlzɑs/
pronoun
1. regio in Frankrijk
Alsace
/ɛlˈzɑsis/
noun
1. Een verzameling Alemannische dialecten die in de Elzas (Frankrijk) gesproken worden
alsacien
/'ɛlzəɦantʲə/
noun
1. bepaalde keversoort, Agelastica alni
galéruque de l'aulne
/eˈmɑj/
noun
  1. 1. glasachtige deklaag
  2. 2. met email bedekt voorwerp
  3. 3. tandglazuur
émail
verb
émailler
noun
  1. 2. vrijlating van slaven
    affranchissement
  2. 3. ontvoogding, gelijkstelling voor de wet
    émancipation
verb
emanciper
verb
émaner
verb
emballer
noun
1. concrete figuur voor een abstract begrip
emblème
noun
embolie
noun
1. een organisme in het eerste ontwikkelingsstadium na de bevruchting
embryon
noun
1. de wetenschap die zich met het ongeboren leven bezighoudt
embryologie
verb
émender
noun
1.
éméritat
adjective
1. van een hoogleraar of geestelijke dat deze, na goede vervulling van zijn ambt, zijn functie heeft neergelegd
émérite
noun
1. longaandoening
emphysème
noun
émigrant
noun
émigration
/ˌemiˈχrɪːrə(n)/
verb
1. naar het buitenland verhuizen
émigrer
pronoun
Émilie-Romagne
/ˌemiliˈjans/
pronoun
1. taal die in Emilia en enkele aangrenzende gebieden gesproken wordt
émilien
/emiliˌjansromɑɲˈjols/
pronoun
1. verzamelnaam voor Emiliaans en Romagnools
émilien-romagnol
noun
  1. 2.
    Éminence
  2. éminence
/emɪˈraːt/
noun
1. gebied van een emir
émirat
noun
1. emissielijn
raie d'emssion
pronoun
1.
Emlichheim
/ˈɛmər/
noun
1. busvormig vat (met hengsel), waarin men vloeistoffen of vaste stoffen kan verplaatsen
  1. seau
  2. chaudière
noun
1. bepaalde soort drietenige vogel Dromaius novaehollandiae
émeu
adjective
1. zeer vatbaar voor gevoelens
émotionnel
verb
émotionner
noun
empathie
adjective
1. wat op ervaring of proefneming berust
empirique
noun
1. nabootsing van een computersysteem op een andere computer
émulation
verb
émuler
noun
stof die helpt bij het mengen van twee stoffen die normaal gesproken niet of moeilijk mengbaar zijn
émulsifiant
noun
émulsion
conjunction
et
conjunction
1. zowel afzonderlijk van als gezamenlijk met elkaar
et/ou
noun
énallage
verb
encadrer
verb
encanailler
noun
encéphalopathie
/ɛn.'kla.və/
noun
1. omsloten gebied
enclave
noun
1. een brief van de paus aan alle katholieke gelovigen
encyclique
/ˌɛnsiklopeˈdi/
noun
1. een gestructureerde en geschreven verzameling van menselijke kennis, in boekvorm of digitaal
encyclopédie
noun
medewerker aan een encyclopedie
encyclopédiste
noun
1. laatste deel van het spijsverteringskanaal vlak voor de anus
rectum
noun
endémie
adjective
1. van nature alleen in een specifiek gebied voorkomend
endémique
adjective
1. met inwendige afscheiding in de bloedstroom, hormonaal
endocrinien
noun
1. de wetenschap die zich bezighoudt met de afscheidingen van klieren in het lichaam
endocrinologie
noun
endocrinologue
adjective
1. van binnen uit
endogène
noun
1. baarmoederslijmvlies buiten baarmoeder
endométriose
noun
endoscope
noun
1. (kijk)onderzoek van lichaamsholten of inwendige kanalen
endoscopie
verb
endosser
noun
1.
énergétique
adjective
1. met betrekking tot arbeid of energie
énergétique
/enər'ʒi/, /enɛr'ʒi/
noun
1. het vermogen iets te doen
énergie
noun
  1. 1.
  2. 2.
crise énergétique
noun
boisson énergisante
verb
énerver
adverb
1. aan de ene kant
d'un côté
adverb
enfin
adjective
  1. 1. angst veroorzakend
    sinistre
  2. 2. met weinig tussenruimte
    étroit
noun
1. hemels wezen
ange
noun
1. deel van het Verenigd Koninkrijk
Angleterre
/ˈɛ.ŋ(g)əls/, /ˈɛ.ŋɔɫs/, /ˈɛ.ŋəɫs/
adjective
1. als van, in of betrekking hebbend op Engelsen, Engeland of het Engels
anglais
/ˈɛ.ŋ(g)əls/, /ˈɛ.ŋɔɫs/, /ˈɛ.ŋəɫs/
pronoun
1. de taal
anglais
pronoun
1. verzamelnaam van diverse door menging ontstane talen die met veel aan het Engels ontleende woorden worden gesproken
  1. créoles anglaises
  2. pidgins anglaises
noun
1. een grotere en lagere uitvoering van de hobo
cor anglais
/ɛ.ŋɔɫs.mɑn/, /ɛ.ŋəls.man/, /ɛ.ŋəɫs.mɑn/
noun
1. iemand die in Engeland woont
Anglais
noun
1. enharmonie
enharmonie
adjective
1. enharmonisch
enharmonique
adjective
  1. 1. leuk, aardig, schattig
    extraordinaire
  2. 2. uniek
    unique
indefinitePronoun
  1. 2. het maakt niet uit welk
    1. n'importe quel
    2. quelconque
  2. 1. een kleine mate
    quelque
indefiniteCardinalNumeral
1. een vrij klein aantal
quelques
indefinitePronoun
1. weinig, een paar
quelque
noun
1. gewricht dat de voet met het been verbindt
cheville
/ˈɛŋkəlˌblɑt/
noun
  1. feuillet dépareillé
  2. feuillet indépendant
indefinitePronoun
1. een onbepaald, meestal klein aantal
  1. quelques
  2. certains
noun
1. enkelrietinstrument
instrument à anche simple
noun
1. een woord dat in die vorm naar één voorwerp of mens verwijst of dat aanduidt dat slechts één persoon de handeling uitvoert
singulier
pronoun
1. plateau in de Sahara, in het noordoosten van Tsjaad
Massif Ennedi
/eˈnɔrm/
adjective
1. buitensporig groot
énorme
noun
énormité
/ɑŋ.ˈkɛː.tə/, /ɑ̃.ˈkɛt/
noun
1. een vragenlijst die aan meerdere personen wordt voorgelegd
enquête
verb
1.
  1. mettre en scène
  2. scénariser
pronoun
1. stad in Twente in het oosten van Overijssel
Enschede
noun
ensemble
verb
entamer
noun
enthousiasme
verb
enthousiasmer
/ɛntuˈʒɑs/, /ˌɑn.ty.ˈʒɑst/
adjective
1. hartstochelijk, met geestdrift
enthousiaste
/ɛntuˈʒɑs/, /ˌɑn.ty.ˈʒɑst/
noun
1. iemand die over iets of iemand geestdriftig is (vaak gebruikt als tweede deel van een samengesteld begrip
enthousiaste
noun
entité
noun
1. beschrijver van insecten
entomographe
noun
1. beschrijving van insecten
entomographie
noun
entomologie
noun
1. de muziek die wordt gespeeld tussen twee akten of bedrijven van een theaterstuk, opera, ballet etc
entracte
verb
entrainer
noun
entrecôte
noun
1. een getal evenredig met de logaritme van het aantal realiseringmogelijkheden, ook wel gedefinieerd als de reversibele warmte gedeeld door de temperatuur
entropie
noun
énumération
noun
1. papieren omslag voor brieven
enveloppe
noun
envergure
abbreviation
etcetera
abbreviation
1. een aanduiding van het feit dat een verdere opsomming overbodig geacht wordt
  1. et cetera
  2. et ainsi de suite
  3. et tout et tout
/ɛnˈzim/
noun
1. een organische molecuul dat biologische reacties mogelijk maakt of versnelt zonder daarbij zelf...
enzyme
adjective
éocène
noun
Éocène
adjective
  1. 1. door de wind veroorzaakt
  2. 3. wat betreft de kerktoonsoort gebaseerd op a
éolien
noun
1. kist waarover snaren zijn gespannen die geluid produceren als ze onder invloed van de wind gaan trillen
harpe éolienne
verb
épater
/ˈepɛnˌtezɪs/
noun
1. invoeging van middenlank
épenthèse
noun
1. het punt op het aardoppervlak loodrecht boven de haard van de aardbeving
épicentre
/epideˈmi/
noun
1. besmettelijke ziekte die zich snel verspreidt onder een groep van mensen
épidémie
noun
épidémiologie
adjective
épidémique
noun
épiderme
noun
epiphénomène
/ˌepiˈfizə/
noun
1. een klier die onderdeel is van de epithalamus en melatonine uitscheidt
glande pinéale
noun
épiphyte
noun
1. het vakgebied binnen de genetica dat de invloed bestudeert van de omkeerbare erfelijke veranderingen in de genexpressie die optreden zonder wijzigingen in de sequentie (volgorde van de basenparen) van het DNA in de celkern
épigénétique
noun
épigraphe
noun
épigraphie
noun
épijugal
noun
1. vallende ziekte, toevallen
épilepsie
adjective
épileptique
verb
épiler
noun
1. een naschrift toegevoegd aan een boek of film
épilogue
/ˈepipalejoˌlitikʏm/
noun
1. periode in de steentijd, waarin de overgang naar landbouw en veeteelt plaatsvindt
Epipaléolithique
adjective
épique
adjective
épiscopal
noun
1. verwijding van de schede-ingang bij de vrouw
épisiotomie
noun
épisode
noun
épistasie
adjective
épistolaire
noun
épitaphe
noun
1. dekweefsel, bovenste laag van de huid en slijmvliezen
épithélium
noun
1. woord dat gevormd is op basis van een eigennaam van een persoon
éponyme
noun
1. zuivering
épuration
noun
1. een denkbeeldige cirkel die op een hemellichaam het noordelijk van het zuidelijk halfrond scheidt
équateur
/ˌe.kwa.toː.ri.al.ɣi.ˈne.ja/, /ˌe.kʋa.to̝ː.ri.aɫ.χi.ˈne.ja/, /ˌe.kβ̞a.toː.ri.aɫ.ɣi.ˈne.ja/
pronoun
1. een land in Afrika grenzend aan Gabon en Kameroen
Guinée équatoriale
noun
1. passage van de zon door het vlak van de evenaar
équinoxe
noun
1. iets gelijkwaardigs
équivalent
noun
équivalence
adverb
  1. 3. partitief onder weglating van van
    en
  2. 2. als locatief deel van een voornaamwoordelijk bijwoord vervangt het een persoonlijk voornaamwoord: het, ze
    y
phraseologicalUnit
1.
il n'y a pas un chat
adverbialPronoun
1. vervangt achter dit, achter deze
  1. derrière
  2. par derrière
noun
1. het uitroeien van een infectieziekte; bestrijden van een epidemie
éradication
adjective
  1. misérable
  2. pitoyable
noun
1. een scheikundig element en zilverwit lanthanide met het symbool Er en het atoomnummer 68
erbium
noun
1. oprichting van het mannelijk lid
érection
noun
1. een groot geslacht van planten waarvan er 23 wilde soorten bekend zijn in Nederland
véronique
noun
1. grond behorend bij boerderijhuis
basse-cour
noun
1. stuk van de erfenis zoals dat aan een bepaalde erfgenaam toekomt
part d'heritage
noun
1. zakelijk recht op andermans onroerend goed
servitude
noun
1. wat door de erflater bij zijn overlijden wordt nagelaten
héritage
noun
1. degene die andermans nalatenschap erft
héritier
noun
héritage
noun
  1. 1. regeling voor de overgang van de nalatenschap
  2. 2. regeling voor troonwisseling
succession
noun
1. overerfbare, langdurige of eeuwige pacht
emphytéose
noun
1. het samenstel van regels dat de vererving regelt
droit des successions
noun
1. overgeërfd inheems woord
mot hérité
noun
1. schending van Gods regels door de eerste mens Adam als last die op ieder mens rust
péché originel
adverb
quelque part
verb
  1. 2. zich ~ aan gevoelens van onvrede ervaren
    s'énerver
  2. 1. gevoelens van onvrede veroorzaken
    énerver
adverb
1. ergernis wekkend
  1. irritant
  2. ennuyeux
noun
een zaak die gevoelens van onvrede oproept
irritation
noun
ergonomie
noun
1.een alkaloïde met een vasoconstrictieve werking
ergotamine
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Éris
/ˌeː.ri.ˈtre.ja/, /ˌɪː.ri.ˈtre.ja/
pronoun
1. een Afrikaans land grenzend aan Soedan, Ethiopië, Djibouti en de Rode Zee
Érythrée
verb
  1. 2. als wettig, echt, juist aanvaarden
    reconnaître
  2. 1. inzien, toegeven
    1. reconnaître
    2. avouer
/ˌɛrˈkɛn.tə.lək/
adjective
reconnaissant
/ˈɛrkər/
noun
1. uitbouw aan een gevel
oriel
pronoun
1. + 2. stad en stadsdistrict
Erlangen
verb
1. door eigen inspanning kunnen beschikken over
  1. obtenir
  2. acquérir
noun
fiole Erlenmeyer
noun
1. stemming waarin men de dingen in hun wezenlijke waarde wil zien
sérieux
verb
éroder
adjective
1.
érogène
noun
1-2. beschadiging en afslijting
érosion
noun
1. laagste peil tot waar een rivier de bodem in het stroomgebied door geleidelijk wegspoelen van grond kan verlagen
niveau de base
verb
1.
érotiser
noun
1. (minderwaardig) middel om het oorspronkelijke te vervangen
ersatz
noun
1. steen
minerai
adjective
érudit
noun
  1. 3. plotselinge huiduitslag
    1. rash
    2. éruption cutanée
  2. 1. plotselinge, felle uiting
    éruption
  3. 2. het uitstoten van gassen, rook en lava door een vulkaan
    éruption volcanique
adverbialPronoun
  1. en
  2. sa
  3. ses
  4. son
adverbialPronoun
ervandoor gaan
casser
adjective
1. bekwaam door ervaring
expérimenté
noun
1. een vorm van kennis
expérience
/ˈʔɛr.və(n)/
verb
1. de eigendommen van een overledene, meestal een familielid, rechtens verkrijgen
hériter
noun
1. een bepaalde peulvrucht, een groentesoort
pois
noun
1. een groenige, lobbige soep vervaardigd van erwten
potage aux pois cassés
noun
1. de vorming van rode bloedlichaampjes
érythropoïèse
pronoun
1. taal vooral in het oosten van Mordovië gesproken wordt
erzya
/\ˈɛs\/
suffix
esse
noun
  1. 1. bepaald soort loofboom Fraxinus excelsior
    frêne
  2. 1. verlaagde e
    mi bémol
  3. 3. es-mineurgrondakkoord
    mi bémol mineur
  4. 2. es-kleinetertstoonladder
    mi bémol mineure
abbreviation
  1. 1. het akkoord es - g - bes
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Mi bémol majeur
abbreviation
  1. 1. het akkoord es - ges - bes
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Mi bémol mineur
/(ʔ)ɛs'xrot/
abbreviation
  1. 1. het akkoord es - g - bes
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Mi bémol majeur
abbreviation
1. het akkoord es-g-bes
accord de mi bémol majeur
noun
1. een grotetertstoonladder met “es” als grondtoon
gamme de mi bémol majeure
/(ʔ)ɛs'klɛɪn/
abbreviation
  1. 1. het akkoord es - ges - bes
    Mi bémol mineur
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
    mi bémol mineur
abbreviation
1. het akkoord es - ges - bes
accord de mi bémol mineur
noun
1. een mineurtoonladder met “es” als grondtoon
gamme de mi bémol mineur
noun
1. een kleinetertstoonladder met es als grondtoon
gamme de mi bémol mineure
/(ʔ)ɛs'xrot/
abbreviation
  1. 1. het akkoord es - g - bes
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Mi bémol majeur
abbreviation
1. het akkoord es-g-bes
accord de mi bémol majeur
noun
1. een grotetertstoonladder met “es” als grondtoon
gamme de mi bémol majeure
noun
1. een grotetertstoonladder met "es" als grondtoon
gamme de mi bémol majeure
noun
1. een grotetertstoonladder met “es” als grondtoon
gamme de mi bémol majeure
/(ʔ)ɛs'klɛɪn/
abbreviation
  1. 1. het akkoord es - ges - bes
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
mi bémol mineur
abbreviation
1. het akkoord es - ges - bes
accord de mi bémol mineur
noun
1. een kleinetertstoonladder met es als grondtoon
gamme de mi bémol mineure
noun
1. een kleinetertstoonladder met es als grondtoon
gamme de mi bémol mineure
noun
1.
ASE
noun
  1. 1. de neiging om zich aan taken, verantwoordelijkheden en/of verplichtingen te onttrekken
  2. 2.de neiging de alledaagse realiteit te ontvluchten, het verlangen naar ultieme vrijheid
escapisme
noun
1.
escargot
/ɛsˌxatolo'gi/
noun
eschatologie
noun
1. staf met een daaromheen kronkelende slang, embleem van de geneeskundigen
caducée
/ˈɛzdorᵊn/
noun
1. boom of heester uit het geslacht (
érable
noun
1. dubbel verlaagde toon e
mi double bémol
abbreviation
1. het akkoord eses-ges-beses
accord de mi double bémol majeur
noun
1. een grotetertstoonladder met “eses” als grondtoon
gamme de mi double bémol majeure
noun
1. “Eses-majeur”
mi double bémol majeur
abbreviation
1. het akkoord eses-ges-beses
accord de mi double bémol majeur
noun
1. een grotetertstoonladder met “eses” als grondtoon
gamme de mi double bémol majeure
noun
1. een grotetertstoonladder met “eses” als grondtoon
gamme de mi double bémol majeure
pronoun
1. taalfamilie van ongeveer 20 talen die in het noorden van Noord-Amerika worden gesproken
langues esquimaudes-aléoutiennes
adjective
ésotérique
pronoun
1. een internationale kunsttaal die oorspronkelijk ontworpen is door Ludovico Zamenhof
espéranto
noun
1. geconcentreerde koffie
espresso
noun
machine à expresso
noun
machine à expresso
/ɛsaˈjerə(n)/
verb
essayer
adjective
1. zeer belangrijk
essentiel
/ɛsˈter/
pronoun
3. meisjesnaam
Esther
noun
1. een koolstofverbinding met de functionele groep -C(=O)-O-C-
ester
/ɛsˈtetiˌka/
noun
1. het filosofisch discours over het wezen van kunst of het wezen van schoonheid
esthétique
noun
1. de ethiek van de kunst
esthétique
adjective
esthétique
/ˈɛstis/, /ˈɛstɪs/
pronoun
1. een taal die vooral wordt gesproken in Estland
estonien
/ˈɛslɑnd/, /ˈɛstlɑnt/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa dat grenst aan Letland en Rusland
Estonie
noun
1. een vrouwelijk hormoon
œstrogène
noun
estuaire
noun
étage
noun
étagère
noun
  1. vitrine
  2. étalage
verb
étaler
noun
course par étapes
noun
course par étapes
noun
1. dat wat iemand tot zich neemt om diens metabolisme in werking te houden
  1. manger
  2. nourriture
verb
1. het nuttigen van voedsel
manger
noun
heure du repas
noun
1. C₂H₆
éthane
/etaˈnɔl/
noun
1. een chemische verbinding met twee koolstofatomen en een alcoholgroep
éthanol
noun
  1. éthène
  2. éthylène
noun
1. een praktische wijsbegeerte die zich bezighoudt met wat goed en kwaad is
éthique
adjective
1.
éthiopien
/ˌe.ti.ˈjo.pi.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika grenzend aan Eritrea, Djibouti, Somalië, Kenia en Soedan
Éthiopie
adjective
éthique
noun
éthologie
noun
koolwaterstofgroep
éthyle
adjective
ethnique
/ɛtnoːloːɣi/, /ɛtnoːloːʝi/
noun
ethnologie
noun
  1. pointe
  2. échoppe
/ɛtər/
noun
1. wittig vocht met witte bloedlichaampjes en bacteriën dat bij een ontsteking afgescheiden wordt
pus
verb
1.
suppurer
noun
  1. 1. woordherkomst
  2. 2. studie naar oorsprong en verandering van vorm en betekenis van woorden
étymologie
noun
1. een rooms-katholiek sacrament dat een voortzetting is van het laatste avondmaal van Christus
eucharistie
noun
1-2.
euphémisme
/ˌœyfəˈmɪstis/
adjective
euphémique
noun
1. eufonium
euphonium
/ˌø.fo̝.ˈri/
noun
1. verhoogd gevoel van welzijn
euphorie
adjective
eugéniste
/œykɑriotən/
noun
2. een van de drie taxonomische domeinen, Eukaryota
eucaryote
noun
eunuque
adjective
1.
eurasiatique
noun
1. bepaald soort zoogdier, Lynx lynx
lynx d’Eurasie
pronoun
1. de naam van de grootste landmassa op aarde die de continenten Europa en Azië omvat
Eurasie
interjection
1.
eurêka
/'øː.ro/, /'ɵː.ro/
abbreviation
1. munt en munteenheid
euro
noun
1.
euromarché
/øːˈroːpa/, /ʏːˈropa/
pronoun
1. een continent op het noordelijk halfrond, dat ten noorden van Afrika en ten westen van Azië ligt
Europe
noun
1.
  1. eurodéputé
  2. eurodéputée
  3. europarlementaire
/ˌøːropeˈjaːn/, /ˌʏːropeˈjan/
noun
1. bewoner van het Europese continent of iemand die daarvan afkomstig is
Européen
/øːroˈpeːs/, /ʏːroˈpes/
adjective
1. afkomstig van of betreffend het continent Europa
européen
pronoun
Cour européenne des droits de l'homme
pronoun
Parlement européen
noun
1. Castor fiber, een knaagdier dat in Europa voorkomt
castor européen
pronoun
Banque centrale européenne
pronoun
Commission européenne
pronoun
Cour européenne des droits de l'homme
pronoun
Banque européenne d'investissement
noun
1. bepaald soort zoogdier, Mustela lutreola
vison d’Europe
pronoun
Médiateur européen
pronoun
Conseil européen
pronoun
Cour des comptes européenne
/ˌøː.ro.ˌpe.sə.ˈy.ni/, /ˌʏː.ro.ˌpe.sə.ˈy.ni/
pronoun
unie van 27 Europese staten
Union européenne
noun
1. scheikundig element met symbool Eu en atoomnummer 63
europium
pronoun
Europoort
noun
1.
eurosceptique
adjective
1.
eurosceptique
pronoun
Eurotunnel
/œyˈtɛktikʏm/
noun
1. mengsel van twee stoffen in zo'n verhouding dat beide bij dezelfde temperatuur samen stollen of smelten
eutectique
noun
1. handelingen die iemands leven beëindigen of het sterven bespoedigen, om pijn en lijden te verkorten
euthanasie
noun
eutrophisation
/'øː.vəl/
noun
  1. 2. een slechte zaak
    mal
  2. 1. gebrek
    tare
pronoun
1. eerste vrouw door God geschapen
Ève
noun
évacuation
/evɑky'erə(n)/
verb
évacuer
noun
1. bespreking en beoordeling van de gang van zaken
évaluation
verb
évaluer
noun
évangile
noun
1. volgeling van Jesus die het verhaal van zijn leven en sterven op schrift gesteld heeft
évangéliste
noun
évaporation
verb
évaporer
noun
évasion
adjective
1. Deelbaar door twee
  1. pair
  2. paire
/evəˈnar/, /ˈevənar/
noun
1. denkbeeldige cirkel die op een hemellichaam het noordelijk van het zuidelijk halfrond scheidt
équateur
adverb
1. ook, tevens
également
noun
1. belangrijke gebeurtenis
évènement
/ˈevəmɪn/
adverb
1. ook niet
  1. non plus
  2. tout aussi peu
adjective
1. evenredig
proportionnel
noun
1. evenredige stemming
tempérament égal
adjective
éventuel
noun
1.
équilibre
adjective
1. in alle punten even ver in loodrechte zin verwijderd zijnde
parallèle
noun
1. in het wild levende voorouder van het varken Sus scrofa
sanglier
noun
1. wild varken
  1. sanglier
  2. laie
noun
évocation
verb
1. aan een proces van geleidelijke veranderingen onderhevig zijn
evoluer
/ˌevoˈlysi/, /ˌevoˈlytsi/
noun
1. ontwikkeling, verandering
évolution
adjective
évolutionnaire
noun
1.
  1. ancien roi
  2. ex-roi
noun
1.
  1. ex-mari
  2. ex-époux
noun
1.
  1. ex-femme
  2. ex-épouse
verb
exacerber
noun
exaltation
noun
  1. 1. onderzoek naar de kennis of vaardigheden van iemand door middel van ondervraging of opgedragen verrichtingen
    examen
  2. een examen afleggen, ondergaan
    passer un examen
  3. een examen halen
    réussir un examen
noun
1.
examètre
noun
examinateur
verb
1.aan een examen onderwerpen
examiner
adjective
excellent
noun
1. uitmuntendheid
excellence
adjective
1. zonderling
excentrique
noun
1. schijf die...
excentrique
noun
exception
adjective
exceptionnel
noun
1. een beknopte beschrijving van een inhoud
extrait
noun
excès
adjective
excessif
noun
1. opgewondenheid
excitation
verb
exciter
noun
1.
exciton
noun
exclamation
adjective
exclamatif
verb
exclamer
noun
exclusion
adjective
1. wat andere mogelijkheden uitsluit
exclusif
noun
excommunication
verb
excommunier
noun
1. uitscheiding
excrétion
noun
excursion
adjective
excusable
verb
excuser
noun
1. de verontschuldiging
excuse
verb
exécuter
noun
  1. 1. uitvoerder van een gerechtelijk vonnis
    exécuteur
  2. 2. uitvoerder van een testament
    exécuteur testamentaire
noun
  1. 2. uitvoering van een doodvonnis
    exécution
  2. 1. uitvoering van een vonnis
    saisie immobilière
  3. 3. gerechtelijke verkoop
    vente judiciaire
adjective
uitvoerend
exécutif
adjective
exécutoire
noun
exégète
noun
exégèse
/ɛksɛm'plar/
noun
1. een individueel voorbeeld ergens van
exemplaire
verb
1. het oefenen in het uitvoeren...
exercer
adjective
1.
exhaustif
verb
exhiber
noun
exhibition
noun
exhibitionniste
noun
exhortation
verb
exhorter
adjective
existent
noun
1.
existentialiste
noun
existence
verb
exister
noun
1. onderzoek naar mogelijk leven buiten de aarde
exobiologie
pronoun
Exode
noun
1. uittocht van een grote groep mensen met als doel niet meer terug te komen
exode
noun
exogamie
adjective
1. door oorzaken van buitenaf
exogène
noun
exonymie
/ɛ'ksot/
noun
1. een organisme dat zich heeft gevestigd in een land waar het oorspronkelijk niet vandaan komt
espèce introduite
noun
exoplanète
verb
exorciser
noun
exorcisme
noun
exosphère
adjective
1. vanuit verre vreemde landen
exotique
noun
expansion
adjective
expansif
noun
vase d'expansión
adjective
expéditionnaire
verb
expédier
noun
  1. expérience
  2. expérimentation
adjective
1.
expérimental
verb
1.
expérimenter
/ɛkˈspɛːr/
noun
1. iemand die bijzonder goed bekend is met een bepaald onderwerp
expert
noun
expertise
noun
1. een computersysteem dat specifieke kennis van menselijke experts representeert en gebruikt om een probleem binnen een bepaald gebied op te lossen
système expert
verb
expirer
adjective
explétif
noun
explication
verb
expliquer
verb
expliquer
verb
exploser
noun
1. het met winst draaiende houden
exploitation
verb
1. draaiende houden met winst
exploiter
noun
exploration
adjective
exploratif
verb
explorer
noun
explosion
adjective
1. ontplofbaar
explosif
noun
1. ontplofbare stof of voorwerp
explosif
noun
exposant
adjective
exponentiel
verb
1. goederen aan een afnemer in het buitenland verhandelen
exporter
noun
exportateur
/ɛkspo'zerə(n)/
verb
1. iets laten zien aan bezoekers van een expositie
exposer
adverb
  1. délibérément
  2. exprès
noun
express
noun
expression
adjective
1. veel expressie hebbend
expressif
noun
expressionnisme
noun
expressionniste
/ɛk'stazə/
noun
1. een toestand van buiten zichzelf zijn door verrukking
extase
/ɛkˈstɛnsi/
noun
1. het strekken van ledematen
extension
/ɛksˈtɛrn/
adjective
1. uitwendig
externe
noun
externalité
noun
extinction
adjective
extinctif
verb
extirper
noun
1. ingedikt aftreksel
extrait
noun
1. uittrekking
extraction
verb
extraher
adjective
2.
  1. extra-parlementaire
  2. extraparlementaire
verb
extrapoler
adjective
extravagant
noun
extravagant
verb
extravaser
adjective
extraverti
adjective
1. uiterst, uitzonderlijk
  1. extréme
  2. extrême
noun
  1. extrème gauche
  2. extrême-gauche
noun
  1. extrême droite
  2. extrême-droite
pronoun
Estrémadure
noun
extrémisme
noun
1. iemand met radicale, extremistische standpunten, een aanhanger van een ideologie die ver van het politieke of maatschappelijke centrum ligt
extrémiste
noun
1. een van de ledematen
extrémité
noun
exubérance
pronoun
  1. Ézéquiel
  2. Ézéchiel
/ˈezəɫ/
noun
1. bepaald paardachtig zoogdier, Equus asinus
âne
noun
1. vrouwelijke ezel
  1. ânesse
  2. bourrique
noun
  1. 2. omgevouwen hoek
    corne
  2. 1. oor van een ezel
    oreille d'âne
pronoun
Esdras
noun
  1. 1. verhoogde toon e
    mi dièse
  2. 3. eïs-mineurgrondakkoord
    mi dièse mineur
  3. 2. eïs-kleinetertstoonladder
    mi dièse mineure
abbreviation
  1. 1. het akkoord eïs - gisis - bis
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
mi dièse majeur
noun
  1. 1. het akkoord eïs-gis-bis
  2. 2. de mineur toonsoort op eïs
mi dièse mineur
//
abbreviation
1. de toonladder of de kleine drieklank van Eïs-groot
mi dièse majeur
abbreviation
1. het akkoord eïs-gisis-bis
accord de mi dièse majeur
noun
1. een majeurtoonladder met “eïs” als grondtoon
gamme de mi dièse majeur
noun
1. een majeurtoonladder met “eïs” als grondtoon
gamme de mi dièse majeur
noun
1. een majeurtoonladder met “eïs” als grondtoon
gamme de mi dièse majeur
noun
1. een majeurtoonladder met “eïs” als grondtoon
gamme de mi dièse majeur
//
abbreviation
1. de toonladder of de kleine drieklank van eïs-klein
mi dièse mineur
abbreviation
1. het akkoord eïs-gis-bis
accord de mi dièse mineur
noun
1. een mineurtoonladder met “eïs” als grondtoon
gamme de mi dièse mineur
noun
1. een kleinetertstoonladder met “eïs” als grondtoon
gamme de mi dièse mineure
noun
1. “Eïs-majeur”
mi dièse majeur
abbreviation
1. het akkoord eïs-gisis-bis
accord de mi dièse majeur
noun
1. een grotetertstoonladder met “eïs” als grondtoon
gamme de mi dièse majeur
noun
1. een grotetertstoonladder met "eïs" als grondtoon
gamme de mi dièse majeur
noun
1. een grotetertstoonladder met “eïs” als grondtoon
gamme de mi dièse majeure
noun
1. een grotetertstoonladder met “eïs” als grondtoon
gamme de mi dièse majeur
//
abbreviation
1. de toonladder of de kleine drieklank van eïs-klein
mi dièse mineur
abbreviation
1. het akkoord eïs-gis-bis
accord de mi dièse mineur
noun
1. een kleinetertstoonladder met “eïs” als grondtoon
gamme de mi dièse mineure
noun
1. een kleinetertstoonladder met “eïs” als grondtoon
gamme de mi dièse mineure
noun
1. tweemaal verhoogde toon “e”
mi double dièse
noun
1. de toonnaam
fa
abbreviation
  1. 1. het akkoord f - a - c
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Fa majeur
abbreviation
  1. 1. het akkoord f-as-c
  2. 2. de toonsoort
Fa mineur
/ʔɛfˈxrot/, /ʔɛfˈχrot/
abbreviation
  1. 1. het akkoord f - a - c
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Fa majeur
abbreviation
1. het akkoord f-a-c
accord de fa majeur
noun
1. een majeurtoonladder met “f” als grondtoon
gamme de fa majeur
noun
1. een majeurtoonladder met f als grondtoon
gamme de fa majeur
noun
1. een majeurtoonladder met “f” als grondtoon
gamme de fa majeur
noun
1. een majeurtoonladder met “f” als grondtoon
gamme de fa majeur
/ɛf'klɛɪn/
abbreviation
  1. 1. het akkoord f-as-c
  2. 2. de toonsoort
Fa mineur
abbreviation
1. het akkoord f-as-c
accord de fa mineur
noun
1. een mineurtoonladder met “f” als grondtoon
gamme de fa mineur
noun
1. een kleinetertstoonladder met “f” als grondtoon
gamme de fa mineure
noun
1. een mineurtoonladder met “f” als grondtoon
gamme de fa mineur
/ʔɛfˈxrot/, /ʔɛfˈχrot/
abbreviation
  1. 1. het akkoord f - a - c
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Fa majeur
abbreviation
1. het akkoord f-a-c
accord de fa majeur
noun
1. een grotetertstoonladder met “f” als grondtoon
gamme de fa majeur
noun
1. een grotetertstoonladder met "f" als grondtoon
gamme de fa majeur
noun
1. een grotetertstoonladder met "f" als grondtoon
gamme de fa majeur
noun
1. een majeurtoonladder met “f” als grondtoon
gamme de fa majeur
/ɛf'klɛɪn/
abbreviation
  1. 1. het akkoord f-as-c
  2. 2. de toonsoort
Fa mineur
abbreviation
1. het akkoord f-as-c
accord de fa mineur
noun
1. een kleinetertstoonladder met “f” als grondtoon
gamme de fa mineur
noun
1. een kleinetertstoonladder met “f” als grondtoon
gamme de fa mineure
noun
1. een kleinetertstoonladder met “f” als grondtoon
gamme de fa mineure
noun
1. één van drie, bij de voortekening van een notenbalk behorende aanwijzers, die een lijn voor een bepaalde toon markeren, in dit geval de toon 'f'
  1. clef de fa
  2. clé de fa
noun
1. een grotetertstoonladder met f als grondtoon
gamme de fa majeure
/ˈfalɑŋst/
noun
1. angst om te falen
angoisse d'échec
/fam/
noun
  1. 2. roem
    célébrité
  2. 1. reputatie
    renommée
/ˈfabəl/
noun
    1. 1. een kort moraliserend verhaal met dieren of zaken als handelende personen
    2. 3. een verhaallijn
    fable
  1. 2. een verzinsel
    1. fable
    2. histoire
adjective
  1. 1. ongeloofwaardig
    fabuleux
  2. 2. buitengewoon geweldig
    1. fantastique
    2. prodigieux
noun
fabrication
noun
1. het vervaardigen van producten; aanmaak, vervaardiging, bewerking door een fabriek
fabrication
verb
1. een product door middel van werktuigen bewerken of vervaardigen
fabriquer
noun
1. plaats waar op industriële schaal productie bedreven wordt
  1. usine
  2. fabrique
noun
ouvrier d'usine
noun
fabricant
verb
fabuler
noun
1. een voorziening
facilité
verb
faciliter
noun
faction
noun
facteur
verb
facturer
noun
1. document met een beschrijving van goederen die een bedrijf (aan een ander bedrijf) geleverd heeft
facture
/fɑkəltɑ'tif/
adjective
1. onverplicht of vrijwillig
facultatif
noun
  1. 3. product van een reeks factoren
    factorielle
  2. 1. hoofdafdeling van een universiteit
    faculté
/ˈfæːrøːə̯r/, /ˈfɛːrʏːr/
pronoun
1. en 2., eilandengroep, land
  1. Îles Féroé
  2. îles Féroé
pronoun
1. een Germaanse taal die wordt gesproken op de Faeröer
  1. féroïen
  2. féringien
noun
1. vernietiging door een cel van schadelijke bestanddelen
phagocytose
noun
1. (muziekinstrument) een houten blaasinstrument met dubbelriet
basson
noun
bassoniste
noun
faïence
/ˌfajisəˈmɛnt/
noun
  1. 1. de toestand van iemand die, blijkens rechterlijk onderzoek, niet in staat is aan zijn financiële verplichtingen te voldoen.
    cessation de paiements
  2. 2. een in de wet geregelde procedure voor een persoon of onderneming die niet (meer) in staat is aan zijn financiële verplichtingen te voldoen.
    1. faillite
    2. cessation de paiements
noun
1. staaf of stok die aan de bovenkant in een brandbare stof gedrenkt is, brandend zorgt het voor verlichting
  1. torche
  2. flambeau
/fa'lɑfəl/
noun
falafel
/ˈfaːlən/
verb
1. niet bereiken van doelen
échouer
noun
1. (hulp)wetenschap die de vorm en de geschiedenis van de ridderorden én andere onderscheidingen bestudeert
phaléristique
pronoun
  1. Îles Falkland
  2. îles Falkland
adjective
1. met betrekking tot het mannelijk lid
phallique
noun
falsification
verb
falsifier
adjective
1. beroemd
fameux
adjective
familier
/fa.ˈmi.li/, /fa.ˈmiː.lɪ̯ə/
noun
1. (bloed)verwantschap door een gemeenschappelijke oorsprong
famille
noun
entreprise familiale
/fɑ.ˈmi.li.ˌfest/
noun
1. een feest dat samen met familie gevierd wordt
fête de famille
noun
1.
histoire familiale
noun
1. naam die van generatie op generatie en indien gewenst door het huwelijk overgedragen wordt
nom de famille
noun
1. onderdeel van het burgerlijk recht m.b.t. de familiale verhoudingen tussen personen
droit de la famille
noun
1.
thérapie familiale
noun
2. ventilator
ventilateur
noun
1. een te vurig ijveraar voor een ideaal
fanatique
adjective
fanatique
noun
fanatisme
noun
1. vermogen om nieuwe gedachten te kunnen vormen, mogelijk niet altijd op waarheid berust
  1. imagination
  2. fantaisie
noun
1.
fantasme
adjective
fantastique
noun
farad
/ˈfarao/
noun
1.
pharaon
noun
fourmi pharaon
noun
  1. 3. vulling in voedsel
    farce
  2. 2. klucht
    1. farce
    2. comédie
noun
1.
pharisien
adjective
1. uit de farmacie, met betrekking tot de productie van geneesmiddelen
pharmaceutique
noun
pharmacologie
adjective
fasciculaire
noun
1. spiertrillen
fasciculation
noun
fascination
verb
1. iemands aandacht vasthouden
fasciner
/fɑˈsʲɪsmə/
noun
ideologie
fascisme
adjective
1. van het fascisme
fasciste
noun
transition d'état
noun
1. het in fasen onderverdelen (van een plan, project, e.d.)
échelonnement
noun
espace des phases
adjective
1. noodlottig
fatal
pronoun
1. militante politieke beweging in Palestina
Fatah
noun
fatalité
/fɑt'sun/
noun
1. goede manieren
  1. décence
  2. savoir-vivre
noun
faune
/ˈfʌʊna/, /ˈfʌːna/
noun
1. het geheel aan dieren in een gebied
faune
/fo.tœj/
noun
1. Soort stoel
fauteuil
adjective
favori
verb
favoriser
noun
1. bepaald soort kleurrijke vogel, Phasianus colchicus
faisan
/fa.ˈsa.də/
noun
1. de zichtbare buitenmuur van een gebouw, specifiek die aan de voorkant
façade
/febryˈwaːri/
noun
1. de tweede maand van het jaar
février
pronoun
  1. 2. Franse revolutie
    Révolution française de 1848
  2. 1. Russische revolutie
    révolution de Février
noun
1. ontlasting
  1. selles
  2. défécation
adjective
fédéral
verb
fédéraliser
noun
fédéralisme
noun
1. een verbond van samenwerkende staten of lichamen die hun zelfstandigheid behouden
fédération
verb
fédérer
/fe:/
noun
1.
fée
noun
1. terugkoppeling
feedback
noun
  1. mégère
  2. chipie
noun
1. een vermakelijke en vreugdevolle sociale gelegenheid
fête
noun
  1. jour de fête
  2. jour férié
adjective
1.
festif
noun
1. vaak kegelvormig hoofddeksel dat men draagt ter gelegenheid van een feestelijke gebeurtenis.
bonnet de fête
noun
fêtard
verb
1. deelnemen aan een feest en uiting geven aan feestvreugde
festoyer
/ˌfe.jə.ˈrik/
adjective
1. sprookjesachtig mooi
féerique
/fɛi̯t/
noun
1. een gebeurtenis of omstandigheid die werkelijk gebeurd is
fait
noun
félicitation
verb
1. iemand geluk toewensen
féliciter
noun
phellogène
noun
1. een zeilschip
felouque
/ˈfɛlsis/
adjective
1. rijk aan silica of silicahoudende mineralen
felsique
noun
1.
féminicide
noun
1. streven naar het opheffen van de achterstelling van vrouwen en vrouwelijke eigenschappen door een gelijkwaardige behandeling van mannen en vrouwen
féminisme
noun
1. vrouw die streeft naar gelijke rechten voor vrouwen
féministe
noun
1.
femtomètre
noun
plant en plantdelen van Trigonella foenum-graecum
fenugrec
noun
blad van de plant Trigonella foenum-graecum
feuille de fenugrec
noun
plant, en zaad van, Trigonella foenum-graecum
graine de fenugrec
noun
Phénicien
noun
phénol
noun
phénologie
/fenoˈmen/
noun
1. een verschijnsel
phénomène
adjective
2.
phénoménal
noun
phénoménologie
noun
1. een basismolecule voor vele derivaten
phénothiazine
/fenilɑlɑninə/
noun
1. aminozuur
phénylalanine
noun
1. een pijnstillend, ontstekingsremmend en koortswerend middel
phénylbutazone
noun
phéochromocytome
noun
féodalité
noun
féodalité
pronoun
2. spelwoord voor de letter f
François
adjective
1. krachtig, kracht tonend
ferme
noun
point d'orgue
noun
1. gisting
fermentation
verb
1. zuurstofloos (anaeroob) omzetten van biologische materialen door bacteriën, celculturen of schimmels
fermenter
noun
1.
fermion
noun
fermeté
noun
1. scheikundig element met symbool Fm en atoomnummer 100
fermium
noun
fernico
noun
férocité
noun
ferrite
noun
ferromagnetisme
ferromagnétisme
noun
1. een schip dat speciaal gebouwd en uitgerust is om in een veerdienst ingelegd te worden.
transbordeur
noun
1. een speciaal gebouwd en uitgerust schip om in een veerdienst ingelegd te worden.
transbordeur
noun
1. verlaagde toon f
Fa bémol
abbreviation
  1. 1. het akkoord fes - as - ces
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
fa bémol majeur
noun
  1. 1. het akkoord fes-ases-ces
  2. 2. de mineur toonsoort op fes
fa bémol mineur
abbreviation
1. het akkoord fes-as-ces
accord de fa bémol majeur
noun
1. een grotetertstoonladder met “fes” als grondtoon
gamme de fa bémoll majeure
abbreviation
1. het akkoord fes - ases - ces
accord de fa bémol mineur
noun
1. een mineurtoonladder met “fes” als grondtoon
gamme de fa bémol mineur
noun
1. een kleinetertstoonladder met fes als grondtoon
gamme de fa bémol mineure
noun
1. “Fes-majeur”
fa bémol majeur
abbreviation
1. het akkoord fes-as-ces
accord de fa bémol majeur
noun
1. een grotetertstoonladder met “fes” als grondtoon
gamme de fa bémol majeure
noun
1. een grotetertstoonladder met "fes" als grondtoon
gamme de fa bémoll majeure
noun
1. een grotetertstoonladder met “fes” als grondtoon
gamme de fa bémoll majeure
abbreviation
1. het akkoord fes - ases - ces
accord de fa bémol mineur
noun
1. een kleinetertstoonladder met fes als grondtoon
gamme de fa bémol mineure
noun
1. een kleinetertstoonladder met fes als grondtoon
gamme de fa bémol mineure
noun
1. tweemaal verlaagde toon “f”
fa double bémol
/ˈfɛstiˌvɑɫ/
noun
  1. 2. een groot evenement met zang en dans en muzikale optredens
  2. 1. een reeks optredens
festival
noun
1.
  1. festivalier
  2. festivalière
/fɛstievieˈtĕit/
noun
festivité
noun
1. vervolgverhaal in een krant of tijdschrift, dan wel op de radio of televisie
feuilleton
/fɛs/
noun
1. bepaald soort hoed van Turkse oorsprong
  1. fez
  2. chéchia
noun
1. 21e letter van het Griekse alfabet
phi
noun
bide
noun
1. eiwit
fibrine
noun
1.
fibrinogène
noun
2. kuitbeen
fíbula
noun
fiction
adjective
fictif
adjective
fidèle
noun
fidélité
noun
fidéisme
adjective
fiduciaire
/fits/
noun
1. tweewielig vervoermiddel dat door middel van spierkracht middels pedalen wordt voortbewogen
  1. vélo
  2. bicyclette
/ˈfits.bɑnt/
noun
1. een binnen- of buitenband voor een fiets
pneu de bicyclette
verb
1. op een fiets rijden
faire du vélo
noun
  1. réparateur de bicyclettes
  2. vélociste
/ˈfitsərɛk/
noun
1. rek om fietsen te parkeren
arceau à vélo
noun
1. een tijdelijke (soms overdekte) bewaarplaats voor één of meer fietsen
stationnement cyclable
/ˈfiːtsər/
noun
1. iemand die met een fiets rijdt
cycliste
noun
casque de vélo
/ˈfits.kuˌriːr/
noun
1. iemand die beroepshalve dingen rondbrengt op de fiets
  1. Coursier à vélo
  2. cyclomessager
  3. cykelbud
  4. messager à vélo
/ˈfitspɑt/
noun
1. een weggedeelte of vrijliggend pad dat is gereserveerd voor het gebruik door fietsers en snorfietsers.
piste cyclable
noun
  1. pompe à vélo
  2. pompe à bicyclette
/ˈfits.snɛl.β̞ɛx/, /ˈfits.snɛɫ.ʋɛχ/
noun
1. een fietspad dat een voorrangsroute vormt voor langeafstandsfietsers
cyclostrade
noun
cyclisme
noun
1. fietsonderdeel
béquille latérale
/ˈfitstrat/
noun
1. een straat waarop fietsers oververtegenwoordigd zijn en waarop auto's zich aan fietsers moeten aanpassen
rue cyclable
noun
1. een tocht gemaakt op de fiets
promenade à bicyclette
/fitsadəl/, /fitsadəɫ/
noun
selle
noun
figuration
adjective
figuratif
verb
figurer
/fi.ˈɣyːr/, /fi.ˈχyːr/
noun
figure
noun
1. een heel fijn zaagje in de vorm van een dun zaagblad dat verticaal wordt gespannen in een lange horizontale beugel
  1. scie à découper
  2. scie à chantourner
/ˈfɛifəl/
noun
1. bepaald soort dwarsfluit
fifre
/ˈfɛifər/
noun
1. bepaald soort kleine dwarsfluit
fifre
/ˈfi.(d)ʒi/, /ˈfi.dʒi/
pronoun
1. een land in Oceanië op het zuidelijk halfrond. Het bestaat uit 332 eilanden waarvan ongeveer 110 bewoond zijn
Fidji
adjective
1. van geringe dikte
fin
phraseologicalUnit
1. kerstwens
  1. bonnes fêtes
  2. joyeuses fêtes
noun
1. ontsteking aan vinger
panaris
noun
philatélie
/faɪl/
noun
  1. 1. lange rij met stilstaande of langzaam voortbewegende voertuigen of personen
    1. bouchon
    2. embouteillage
    3. file
  2. 1. bestand op de computer
    fichier
pronoun
3. naam van een boek uit het Nieuwe Testament
Philémon
verb
  1. 2. (figuurlijk) (zeer) kritisch analyseren, zware kritiek uiten
    dézinguer
  2. 1. vis of vlees ontdoen van graten of botten / het schoonmaken van vis of vlees
    fileter
/filiˈjal/
noun
1. een pand in een reeks van panden
succursale
noun
filiation
/ˌfi.li.ˈpɛɪ̯.nə(n)/, /ˌfi.lɪ.ˈpɛɪ̯.nə(n)/, /ˌfi.lɪ.ˈpɛː.nə(n)/
pronoun
1. republiek in Oost-Azië bestaande uit een archipel van 7107 eilanden
Philippines
/fili'pɛɪns/
pronoun
1. de officiële taal van de Filipijnen
pilipino
pronoun
1. taalfamilie van ongeveer 150 talen die op de Filipijnen en Celebes worden gesproken
langues philippines
pronoun
Philippiens
noun
  1. 4. de filmindustrie
    1. cinéma
    2. cinématographie
    1. 3. een opname van bewegende beelden die een verhaal vertelt
    2. 1. een dunne laag
    1. film
    2. pellicule
  2. 2. een dun en oprolbaar medium om beelden op te nemen in een camera
    pellicule
/fɪlm.ˈnwaʁ/
noun
1. film in de stijl en sfeer die in de eerste plaats wordt geassocieerd met misdaadfilms waarvan de hoofdfiguren in een existentieel bedreigende en nihilistische wereld leven
film noir
noun
caméra
verb
1. beelden van iets vastleggen op film
  1. filmer
  2. tourner
noun
1. feestelijk evenement waarbij het tonen van films centraal staat
festival de cinéma
/'fɪlmkɵnst/
noun
1. kunstvorm die gebruikt maak van het verfilmen als medium
  1. cinématographie
  2. cinéma
noun
filmographie
noun
philologie
/filozoˈfi/
noun
1. de oudste theoretische discipline die het verlangen heeft en streeft naar kennis en wijsheid
philosophie
adjective
1.
philosophique
noun
philosophe
/fɪltər/
noun
1. een voorwerp met kleine gaatjes waar water of gassen doorheen kunnen om gezuiverd te worden
filtre
verb
filtrer
noun
1. filtrering
  1. filtration
  2. filtrage
verb
1. door middel van een filter zuiveren of afscheiden
filtrer
noun
  1. 1. de beslissende wedstrijd in een toernooi tussen de laatste twee deelnemers
  2. 2. het slotstuk van een meerdelig toneel- of muziekstuk
finale
noun
1. finalis
fondamentale
noun
1. deelnemer aan slotwedstrijd
finaliste
noun
finalité
adjective
1. met betrekking tot geld, geldelijk
financier
verb
1. voorzien van de benodigde geldmiddelen
financer
noun
1.
finances
noun
finastéride
verb
finir
/ˈfɪnlɑnd/, /ˈfɪnlɑnt/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa
Finlande
pronoun
1. taalfamilie van ongeveer 30 talen die hoofdzakelijk in het noorden van Europa en Azië worden gesproken
langues finno-ougriennes
/fɪns/
adjective
1. betreffende Finland of het Fins
  1. finlandais
  2. finlandaise
  3. finnois
/fɪns/
pronoun
1. een taal die wordt gesproken in Finland
  1. finnois
  2. finlandais
pronoun
1.
golfe de Finlande
noun
(informatica) hardware of software die een computer of netwerk beschermt tegen misbruik van buitenaf
pare-feu
noun
  1. 2. een zaak of bedrijf
    1. firme
    2. établissement
  2. 1. een handelsvennootschap waarbij de vennoten hoofdelijk voor het geheel aansprakelijk zijn
    société en nom collectif
noun
1. software die in hardware ingeprogrammeerd is
firmware
noun
  1. 1. verhoogde toon f
    fa dièse
  2. 3. fis-mineurgrondakkoord
    fa dièse mineur
  3. 2. fis-kleinetertstoonladder
    fa dièse mineure
abbreviation
  1. 1. het akkoord fis - aïs - cis
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Fa dièse majeur
abbreviation
  1. 1. een akkoord fis - a - cis
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Fa dièse mineur
abbreviation
  1. 1. het akkoord fis - aïs - cis
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
fa dièse majeur
abbreviation
1. het akkoord fis-aïs-cis
accord de fa dièse majeur
noun
1. een majeurtoonladder met “fis” als grondtoon
gamme de fa dièse majeur
noun
1. een majeurtoonladder met “fis” als grondtoon
gamme de fa dièse majeur
noun
1. een majeurtoonladder met “fis” als grondtoon
gamme de fa dièse majeur
noun
1. een majeurtoonladder met “fis” als grondtoon
gamme de fa dièse majeur
abbreviation
  1. 1. een akkoord fis - a - cis
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Fa dièse mineur
abbreviation
1. het akkoord fis-a-cis
accord de fa dièse mineur
noun
1. een mineurtoonladder met “fis” als grondtoon
gamme de fa dièse mineur
noun
1. een kleinetertstoonladder met “fis” als grondtoon
gamme de fa dièse mineure
abbreviation
  1. 1. het akkoord fis - aïs - cis
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
fa dièse majeur
abbreviation
1. het akkoord fis-aïs-cis
accord de fa dièse majeur
noun
1. een grotetertstoonladder met “fis” als grondtoon
gamme de fa dièse majeur
noun
1. een grotetertstoonladder met "fis" als grondtoon
gamme de fa dièse majeur
noun
1. een grotetertstoonladder met “fis” als grondtoon
gamme de fa dièse majeure
noun
1. een grotetertstoonladder met “fis” als grondtoon
gamme de fa dièse majeur
abbreviation
  1. 1. een akkoord fis - a - cis
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Fa dièse mineur
abbreviation
1. het akkoord fis-a-cis
accord de fa dièse mineur
noun
1. een kleinetertstoonladder met “fis” als grondtoon
gamme de fa dièse mineure
noun
1. een kleinetertstoonladder met “fis” als grondtoon
gamme de fa dièse mineure
adjective
fiscal
noun
  1. 1. tweemaal verhoogde toon “f”
    fa double dièse
  2. 3. fisis-mineurgrondakkoord
    fa double dièse mineur
  3. 2. fisis-kleinetertstoonladder
    fa double dièse mineure
abbreviation
1. het akkoord fisis-aïs-cisis
accord de fa double dièse mineur
noun
1. een mineurtoonladder met “fisis” als grondtoon
gamme de fa double dièse mineur
noun
1. een kleinetertstoonladder met “fisis” als grondtoon
gamme de fa double dièse mineure
abbreviation
1. het akkoord fisis-aïs-cisis
accord de fa double dièse mineur
noun
1. een kleinetertstoonladder met “fisis” als grondtoon
gamme de fa double dièse mineure
noun
1. een kleinetertstoonladder met “fisis” als grondtoon
gamme de fa double dièse mineure
noun
1. een kanaalvormige zweer
fistule
/ 'fɪt /
adjective
in goede lichamelijke conditie
en pleine forme
noun
1. conditie- of krachttraining, meestal in een sportzaal
fitness
noun
fixation
noun
1. middel om iets vast te zetten, fixeermiddel
fixatif
verb
fixer
noun
fixie
/fjɔrd/, /fjɔrt/
noun
1. een bepaald type van inham in een bergachtige kust, gekenmerkt door steile wanden die door gletsjerwerking zijn uitgesleten
  1. fjord
  2. fiord
noun
1. Uitstraling
flair
verb
2. met brandende alcohol op smaak brengen
flamber
noun
1. bepaald soort roze reigerachtige waadvogel met een haakvormige snavel...
flamant
verb
flâner
/flɑŋk/
noun
  1. 1. zijkant van een samenhangend geheel
  2. 3. deel van een bastion dat aan de courtine grenst
flanc
/flɑt/
noun
immeuble
verb
1. iets mooier doen voorstellen of lijken dan het in werkelijkheid is
flatter
adjective
  1. flatteux
  2. seyant
adjective
  1. 1. zonder smaak, meestal door een gebrek aan zout
    fade
  2. 2. in overdrachtelijke zin smakeloos
    insipide
verb
1. door hitte of gebrek aan frisse licht het bewustzijn verliezen
  1. perdre connaissance
  2. évanouir
noun
molletonné(e)(s)
verb
1. overdreven lief tegen iemand doen
flatter
noun
1. dun soort pannenkoekje dat zowel als hoofdgerecht en als nagerecht gegeten wordt
crêpe
noun
1. scheikundig element met symbool Fl en atoomnummer 114
flérovium
noun
1. een langgerekt, cilindrisch en meestal van glas vervaardigd vat met een nauwe hals die met een dop of kurk af te sluiten is
bouteille
adjective
vert bouteille
noun
water dat is gebotteld
eau en bouteille
/flɛts/
adjective
1. een vale kleur hebbend
éteint
/ˈflevoˌlɑnt/, /ˈfleːvoˌlɑnd/, /ˈfleːvoˌlɑnt/
pronoun
1. een provincie in het midden van Nederland, die door het IJsselmeer...
Flevoland
/flɛkˈsibəl/
adjective
1. het vermogen hebbend gebogen te worden
flexible
verb
flexibiliser
/ˈflɛk.si/
noun
  1. 2. vormverandering van een woord
  2. 1. een buiging, een buigbeweging in een gewricht door de buigspieren
flexion
verb
1. kruiperig vleien
amadouer
noun
4. (scheldwoord) iemand van het mannelijke geslacht met een seksuele voorkeur voor andere mannen
  1. tapette
  2. pédé
adjective
  1. 3. sterk van karakter
    1. courageux
    2. valiente
    3. énergique
  2. 1. stevig van lichaamsbouw
    1. ferme
    2. solide
  3. 2. groot van afmeting of hoeveelheid
    gros
adverb
1. in hoge mate
vaillamment
noun
  1. 1.
  2. 2.
éclair
/floˈrɑ/
noun
1. plantenrijk in een bepaalde streek of periode
flore
/ˈflɔrəns/
pronoun
2. de hoofdstad van Toscane
Florence
pronoun
1.
Floride
noun
1. een zijden draad waarmee men de ruimte tussen de tanden reinigt
fil dentaire
noun
fluctuation
verb
1. onregelmatig variëren (binnen bepaalde grenzen), schommelen
fluctuer
noun
1. vocht dat in de mond vloeit uit de speekselklieren
glaviot
verb
1. spreken met gedempte stem
  1. chuchoter
  2. susurrer
noun
    1. 1. buisvormig blaasinstrument
    2. 4. een slank drinkglas
    3. 3. een scheepstype
    flûte
  1. 2. een signaalinstrument
    sifflet
verb
1. een fluit bespelen
siffler
noun
2.
pouillot siffleur
noun
1.
pika
noun
1. musicus die een fluit bespeelt
flûtiste
noun
bouilloire à sifflet
noun
1. een chemisch element en een geelgroen halogeen
fluor
noun
1. het uitzenden van licht ...
fluorescence
verb
1. lichtgeven na beschenen te zijn met electromagnetische straling
fluorescer
noun
fluorure
/ˌfly.wɔk.səˈti.nə/
noun
1. een antidepressivum
fluoxétine
/flʏks/
noun
  1. 2.aantal krachtlijnen dat loodrecht door een oppervlakte-eenheid gaat
    flux
  2. 3. soldeervloeimiddel flux
    flux de brasage
noun
1. Sedimentaire gesteentelagen
flysch
noun
1. een ziekelijke vrees
phobie
/ˈfokʏs/
noun
2. een punt of verzameling van punten waar alle stralengangen samenkomen
foyer
noun
1. benaming voor de hervormde federale ministeries in België
SPF
noun
  1. fourreau
  2. étui
  3. gaine
/ˈfu.li/
noun
1. Myristica fragrans
macis
noun
fourrage
verb
fourrage
noun
1. een nog niet voldragen menselijke of dierlijke vrucht
fœtus
noun
  1. A 3. bril
    besicles
  2. A 1. driehoekig zeil bevestigd aan de voorstag
    foc
  3. B 1. teelt van dieren
    élevage
noun
manieur du foc
noun
manieur du foc
noun
1. voorste mast van een driemastschip
mât de misaine
noun
  1. 2. bedrijf waar dieren worden verwekt
    station d'élevage
  2. 1. bedrijfsmatige verwekking van dieren
    élevage
noun
1. een blad met informatie of reclame
brochure
noun
1.
folkloriste
adjective
folliculaire
noun
  1. 1. een voor een bepaald doel vastgelegd kapitaal
    fonds
  2. 3. effect (waardepapier)
    fonds de placement
noun
fondue
noun
1.
phonème
/ˌfoneˈtik/
noun
1.
phonétique
adjective
phonétique
verb
chatoyer
noun
1. een visuele weergave van klanken
phonogramme
/ˌfonoloˈɣi/
noun
1.
phonologie
/ˌfonɔˈloɣ/
noun
1. een persoon die fonologie gestudeerd heeft
phonologue
noun
1. lettertype, karakterset
police
noun
1. nog niet verbeende plek in de schedel van een baby
fontanelle
/fɔnˈtɛɪn/, /fɔnˈtɛːn/
noun
  1. 1. kunstmatige bron, aangelegd om water omhoog te spuiten
    fontaine
  2. 2. omhoogspuitende waterstraal
    1. jet d'eau
    2. fontaine
noun
  1. tétine
  2. suce
  3. tototte
verb
  1. 1. een beslissing afdwingen
    forcer
  2. 3. teveel van zichzelf vergen
    se forcer
noun
1. benaming voor zalmachtige zoetwatervissen uit de geslachten Salmo, Salvelinus en Oncorhynchus
truite
adjective
1. (juridisch) betrekking hebbend op justitie
légal
adjective
forfaitaire
noun
  1. 2. vorm van een bestand
    format
  2. 1. grootte
    taille
noun
1.
formaldéhyde
verb
1.
formaliser
adjective
formatif
/fɔrˈmel/
adjective
1. met inachtneming van strikte omgangsvormen
formel
verb
former
pronoun
1. taalfamilie van ongeveer 25 talen die op Taiwan worden gesproken
langues formosanes
adjective
formulaire
noun
formule
pronoun
1. categorie in de autosport
Formule 1
verb
1. in woorden omzetten
formuler
/fɔrmyˈlir/
noun
1. een stuk papier waarop voorgedrukte vragen kunnen worden beantwoord
  1. formulaire
  2. formule
noun
cuisinière
noun
1. vroeg in het voorjaar geel bloeiende sierheester / chinees klokje
forsythia
pronoun
1.
Fort-de-France
noun
1. met symbool P en atoomnummer 15
phosphore
noun
bronze phosphoreux
noun
1.
phosphorescence
noun
acide phosphorique
noun
1. giftig gas met de molecuulformule COCl₂
phosgène
adjective
fossile
noun
1 en 2
  1. photo
  2. photographie
noun
album photo
noun
1. een toestel om mee te fotograferen
appareil photo
noun
Photochimie
adjective
1.op foto's een voordelige indruk makend
photogénique
noun
1. iemand die fotos maakt
photographe
verb
1. een afbeelding maken door de projectie van beeld op een lichtgevoelige laag
photographier
noun
1. de kunst om door chemische inwerking van licht op een gevoelige plaat afbeeldingen te maken
photographie
noun
photogramme
noun
photocopieur
noun
photolyse
noun
photométrie
noun
1. een elementair deeltje waaruit elektromagnetische straling is samengesteld
photon
noun
1.
photosynthèse
noun
1. een toestel om mee te fotograferen
appareil photo
verb
1. iemand aftasten of er iets op het lijf gedragen wordt
fouiller
noun
transformation de Fourier
verb
1.
fournir
noun
fournisseur
/fɑut/
noun
1. vergissing, onjuistheid
  1. faute
  2. erreur
pronoun
1. een hoogland in het centraal-westen van Guinee
Fouta-Djalon
noun
1. mate van onzekerheid bij de uitslag van een steekproef, statistische meting enz.
  1. coefficient d'erreur
  2. marge d'erreur
noun
1. mate van onzekerheid bij de uitslag van een steekproef, statistische meting enz.
  1. marge d'erreur
  2. coefficient d'erreur
noun
1. foxtrot
  1. fox-trot
  2. foxtrot
verb
1.
  1. fox-trotter
  2. foxtrotter
/fwɑ.ˈjeː(r)/, /fʋa.ˈje/
noun
1. verzamelplaats, zaal voor de verpozing (bijvoorbeeld in een hotel of schouwburg)
  1. foyer
  2. lobby
/ˈfrɑksi/
noun
  1. 1. een klein deel
    fraction
  2. 2. gezamenlijke vertegenwoordigers van een politieke partij in een volksvertegenwoordiging
    1. groupe parlementaire
    2. groupe politique
verb
fractionner
noun
1. een botbreuk
fracture
adjective
1. kwetsbaar, breekbaar
  1. fragile
  2. frêle
noun
fragmentation
verb
fragmenter
noun
2. vrucht van de frambozenstruik
framboise
adjective
rouge framboise
/ˈfremɪŋ/
noun
cadrage
noun
franciscain
adjective
franciscain
noun
1. een scheikundig element met symbool Fr en atoomnummer 87
francium
adjective
1.
francophile
noun
1. reeks afhangende draden die ter versiering aan de rand van een kleed of kledingstuk gehangen worden
frange
/frɑŋk/
noun
munteenheid
franc
pronoun
Francfort-sur-le-Main
/ˈfrɑŋkrɛɪ̯k/, /ˈfrɑŋkrɛːk/
pronoun
1. een West-Europees land, grenzend aan België, Luxemburg, Duitsland, Zwitserland, Italië, Monaco, Spanje en Andorra
France
/frɑns/
adjective
1. betreffende Frankrijk of het Frans
français
/frɑns/
pronoun
  1. 1. een Gallo-Romaanse taal die vooral gesproken wordt in Frankrijk, België, Luxemburg...
    1. français
    2. langue française
  2. 1. een mannelijke voornaam
    François
pronoun
  1. Guyane
  2. Guyane française
pronoun
1.
Hainaut français
pronoun
Polynésie française
pronoun
1. variant van het West-Vlaams gesproken in het uiterste noorden van Frankrijk
  1. flamand Westhoek
  2. flamand de France
  3. flamand français
pronoun
1.
  1. Flandre française
  2. Flandres françaises
pronoun
1. verzamelnaam van diverse door menging ontstane talen die met veel aan het Frans ontleende woorden worden gesproken
  1. créoles françaises
  2. pidgins françaises
noun
1.
fransquillon
/ˈfrɑns.man/, /ˈfrɑns.mɑn/
noun
1. iemand uit Frankrijk
Français
noun
frouze
adjective
  1. 2. taaluiting in het Frans
    1. en français
    2. en langue française
  2. 1. de Franse taal sprekend
    francophone
verb
frapper
noun
1. een aantal woorden die een begrip uitdrukken, vaak een zinsdeel, soms een hele zin
expression
noun
1. het in frasen onderverdelen, met name gezegd van het articuleren van afzonderlijke muzikale zinnen in een muziekstuk, dat hierdoor als geheel beter moet klinken
phrasé
/fratər/
noun
1. bepaald soort vogel, Linaria flavirostris
linotte à bec jaune
noun
1. bedrog of gesjoemel door valsheid in geschrifte
fraude
verb
1. gelden wederrechtelijk ontvreemden
frauder
adjective
frauduleux
noun
1. fraunhoferlijn
raie de Fraunhofer
noun
1. graanproduct gemaakt van geroosterde groene tarwe
freekeh
noun
fraiseuse
noun
fraiseuse
noun
1.
  1. gratuiciel
  2. logiciel gratuit
  3. freeware
noun
  1. 1. Oorlogsschip
  2. 2. Driemaster
frégate
noun
frégate
noun
1.
pouvoir discrétionnaire
noun
frénésie
adjective
frénétique
/freˈkwɛnt/
adjective
1. vaak voorkomend
fréquent
verb
fréquenter
noun
1,2. aantal keren of herhalingen per tijdseenheid
fréquence
noun
1. frequentiemeter
fréquencemètre
noun
1. frequentieteller
fréquencemètre
noun
fresque
noun
  1. 1. bepaald soort klein marterachtig zoogdier, Mustela putorius furo
    furet
  2. C 1. metalen richel op de hals van een snaarinstrument (gitaar) waarop de snaar wordt afgeknepen
    frette
/frɔɪdɪˈaːns/
adjective
1. volgens de leer van Sigmund Freud of zoals men vindt in diens geschriften en leerstellingen
freudien
verb
1. frezen
fraiser
/ˌfrikaˈtif/
noun
1. een medeklinker die geproduceerd wordt met een gedeeltelijke obstructie ergens in het spraakkanaal
fricative
pronoun
1.
Friedrichshafen
noun
1. en 2.
frison
pronoun
  1. 2. benaming voor een Germaanse taal
    frison
  2. 1. Westerlauwers Fries
    frison occidental
/ˈfrislɑnd/, /ˈfrislɑnt/
pronoun
1. provincie in het nooren van Nederland
Frise
noun
1. de benaming voor een gerecht van gefrituurde aardappelreepjes ('patat frites')
frite
verb
friser
noun
1. everjong
marcassin
noun
1. een huishoudtoestel dat gebruikt wordt om in olie bepaalde gerechten te frituren
friteuse
verb
friture
noun
friteuse
pronoun
1. een taal die wordt gesproken in het noordoosten van Italië en in Slovenië
frioulan
pronoun
Frioul
verb
1. van verbazing of afkeuring de wenkbrauwen ophalen
froncer
verb
frotter
noun
bepaalde suiker die veel in zoete vruchten voorkomt
fructose
/frœʏ̯t/, /frœːt/
noun
1. voedsel dat bestaat uit eetbare vruchten
fruit
noun
1.
  1. arbre fruitier
  2. arbre à fruits
/ˈfrœʏtsɑp/, /ˈfrœːtsɑp/
noun
1. sap gewonnen uit fruit
jus de fruits
noun
coupe à fruits
noun
  1. fruiticulture
  2. fruticulture
noun
1. Drosophila melanogaster; een tweevleugelig insect uit de orde tweevleugeligen
mouche du vinaigre
noun
1. een gevoel van ongenoegen omdat verwachte voortgang uitblijft
frustration
verb
frustrer
noun
fugue
/fœyf/
noun
  1. fête
  2. boum
noun
1. een groot model blokfluit
fujara
verb
fulminer
noun
  1. 1. taak
  2. 2. positie binnen een bedrijf of organisatie
  3. 3. (wiskunde) afhankelijkheid tussen een element en een veranderlijke
  4. 4. (informatica) onderdeel van de broncode van een computerprogramma
fonction
noun
1. functie die als waarde een nieuwe functie oplevert
générateur de fonctions
noun
mot-outil
noun
1. (hogere) ambtenaar in overheidsdienst
fonctionnaire
verb
1. ~ als een bepaalde functie vervullen
fonctionner
noun
1. een orthodoxe, antiliberale godsdienstige richting
fondamentalisme
adjective
1. aan de basis staande
fondamental
verb
1. een fundering aanbrengen
  1. fonder
  2. établir
adjective
funéraire
noun
funérarium
adjective
funeste
verb
1. een bepaalde functie vervullen
  1. faire fonction
  2. être en fonction
noun
fongicide
noun
funiculaire
adjective
furieux
verb
fuser
noun
fusion
verb
1. executeren voor een vuurpeloton
fusiller
verb
fusionner
/fɵst/
noun
1. vat waarin alcoholische drank bewaard wordt
fût
/fʏt/
noun
1. de benodigde energie en zin ergens voor
énergie
noun
futilité
noun
1.
futurisme
adjective
futuriste
noun
1. bepaald soort watervogel, Podiceps cristatus
grèbe
noun
  1. phylogénie
  2. phylogenèse
  3. phylogénèse
adjective
1.
phylogénétique
/ˈfizika/
noun
1. de wetenschap van de materie en de bestudering van het gedrag en de interactie in ruimte en tijd
physique
noun
physicien
noun
physiologie
noun
kinésithérapie
noun
pathologie végétale
noun
1. plantaardig plankton
phytoplancton
/føn/
noun
1. een toestel dat een warme luchtstroom voortbrengt voor het drogen en opmaken van het kapsel
  1. föhn
  2. fœhn
  3. sèche-cheveux
noun
1. de toonnaam
sol
abbreviation
  1. 1. het akkoord g - b - d
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Sol majeur
abbreviation
  1. 1. het akkoord g-bes-d
  2. 2. de toonsoort
Sol mineur
/ɣe'ɣrot/
abbreviation
  1. 1. het akkoord g - b - d
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Sol majeur
abbreviation
1. het akkoord g-b-d
accord de sol majeur
noun
1. een majeurtoonladder met “g” als grondtoon
gamme de sol majeur
noun
1. een majeurtoonladder met "g" als grondtoon
gamme de sol majeur
noun
1. een majeurtoonladder met “g” als grondtoon
gamme de sol majeur
noun
1. een majeurtoonladder met “g” als grondtoon
gamme de sol majeur
/ɣe'klɛɪn/
abbreviation
  1. 1. het akkoord g-bes-d
  2. 2. de toonsoort
Sol mineur
abbreviation
1. het akkoord g-bes-d
accord de sol mineur
noun
1. een mineurtoonladder met “g” als grondtoon
gamme de sol mineur
noun
1. een kleinetertstoonladder met “g” als grondtoon
gamme de sol mineure
noun
1. een mineurtoonladder met “g” als grondtoon
gamme de sol mineur
/ɣe'ɣrot/
abbreviation
  1. 1. het akkoord g - b - d
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Sol majeur
abbreviation
1. het akkoord g-b-d
accord de sol majeur
noun
1. een grotetertstoonladder met “g” als grondtoon
gamme de sol majeur
noun
1. een grotetertstoonladder met "g" als grondtoon
gamme de sol majeur
noun
1. een grotetertstoonladder met "g" als grondtoon
gamme de sol majeur
noun
1. een majeurtoonladder met “g” als grondtoon
gamme de sol majeur
/ɣe'klɛɪn/
abbreviation
  1. 1. het akkoord g-bes-d
  2. 2. de toonsoort
sol mineur
abbreviation
1. het akkoord g-bes-d
accord de sol mineur
noun
1. een kleinetertstoonladder met “g” als grondtoon
gamme de sol mineur
noun
1. een kleinetertstoonladder met “g” als grondtoon
gamme de sol mineure
noun
1. een kleinetertstoonladder met “g” als grondtoon
gamme de sol mineure
noun
1. g-sleutel
  1. clef de sol
  2. clé de sol
/ɣaːf/, /χaːf/
adjective
  1. 2. in de populaire smaak vallend
    1. génial
    2. super
  2. 1. zonder beschadiging
    1. intact
    2. en un seul morceau
/ɣaːj/
noun
1. middelgrote, gewoonlijk vrij kleurrijke zangvogel met een vrij lange staart, Garrulus glandarius
geai des chênes
/ɣaːn/, /χaːn/
verb
1. zich in een bepaalde richting bewegen
aller
noun
  1. galerie
  2. coursive
noun
1. instelling die gratis voedsel beschikbaar stelt
soupe populaire
/ɣas/
noun
1. een uit dunne gevlochten metalen draadjes gemaakte mat
toile métallique
noun
1.
  1. copain
  2. gabber
  3. pote
noun
gabber
/'ɣa.bɔn/, /ɣa.'bɔn/, /χa.'bɔn/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Gabonese Republiek
Gabon
noun
1. echtgenoot, echtgenote
  1. épouse
  2. époux
/ɣadoˈlinijʏm/
noun
1. een scheikundig element met symbool Gd en atoomnummer 64
gadolinium
pronoun
gaélique
/ˈɣɑ.fəl/, /ˈɣɑ.fəɫ/, /ˈχɑ.fəɫ/
noun
  1. 1. rondhout
    corne de vergue
  2. 2. gevorkt werktuig
    fourche
noun
1. bepaald soort zoogdier, Antilocapra americana
pronghorn
noun
1. een trapeziumvormig zeil dat aan de bovenkant uitgehouden wordt door een gaffel
voile aurique
noun
gage
noun
  1. [A] 1. uit de lever afkomstig vocht dat een rol speelt in de spijsvertering, met name van vet
    bile
  2. [B] 2. uitwas aan blad van boom of struik
    galle
  3. [B] 1. door luchtinsluiting gevormd holletje in (giet-) materiaal
    souflure
adjective
1.erg vriendelijk en beleefd
galant
pronoun
1. boek van het Nieuwe Testament
Galates
noun
1. een peervormig hol orgaan dat aan de rechterkant van het lichaam, achter (d.w.z. meer naar binnen) en onder de lever ligt
vésicule biliaire
noun
1. een loodsulfide met de chemische formule PbS
galène
noun
galerie
/χɑlx/
noun
1. houten constructie bestaande uit één of meer staande balken met een horizontale balk haaks daarop en één of meer diagonale balken ter ondersteuning, in het verleden veel gebruikt om mensen door ophanging ter dood te brengen
  1. potence
  2. gibet
noun
1. de laatste maaltijd die een ter dood veroordeelde mag nuttigen
dernier repas
/'ɣɑlɣə(n)strɔp/
noun
1. een tot strop geknoopt touw zoals dat aan een galg gehangen wordt ter verhanging van een veroordeelde
nœud coulant
pronoun
1. Romaanse taal gesproken in Galicië
galicien
/ɣɑˈlisɪə/, /ʝɑˈlisɪə/
pronoun
  1. 1. Spaanse regio
    Galice
  2. 2. historische landstreek
    Galicie
pronoun
1. uitgestorven taal
gaulois
noun
1. een scheikundig element met symbool Ga en atoomnummer 31
gallium
pronoun
Gaule
noun
Gaulois
noun
1. streektaal die gesproken wordt in Frankrijk
gallo
adjective
1.
gallo-romain
noun
1. versierde band langs de naad van een uniform
galon
noun
1. de snelste gang van een paard
galop
verb
1.
galoper
noun
1. een vaste structuur in de galwegen of de galblaas bestaande uit neergeslagen cholesterol, bilirubine of kalkzouten
calcul biliaire
adjective
1. door een elektrochemisch proces aangebracht
galvanique
/ˌɣɑɫvaniˈzeːrə(n)/
verb
1. een laag zink opbrengen
galvaniser
/'ɣɑm.bi.ja/, /'χɑm.bi.ja/
pronoun
1. een land in West-Afrika
Gambie
noun
1. bepaald soort liaan uit Indonesië, Uncaria gambir
  1. gambier
  2. gambir
noun
1. iemand die viola da gamba speelt
violiste
noun
1. viola da gamba-speelster
violiste
noun
1. mannelijke gans (Anser en Branta)
jars
noun
  1. 1. lange smalle ruimte
    1. corridor
    2. couloir
  2. 3. onderdeel van een maaltijd
    plat
/'ɣɑŋbar/
adjective
1. wat gebruikelijk is
courant
noun
1. zenuwknoop
ganglion
/ˈɣɑŋ(g).pɑd/, /ˈɣɑŋ.pɑt/, /ˈχɑŋ.pɑt/
noun
1. een pad voor wandelaars, voetpad
  1. allée
  2. couloir
  3. passage
/gɑŋ'gren/
noun
1. de afsterving en ontbinding van een levend organisme
gangrène
adjective
1. helemaal
  1. tout
  2. entier
noun
1. benaming voor vogels uit de geslachten Anser en Branta
oie
pronoun
1.
Ganshoren
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Ganymède
noun
1.
jeu de l'oie
noun
1. orgaan dat een grote rol speelt in de stofwisseling van een gans (Anser anser), na het slachten vaak gegeten als delicatesse
foie d'oie
noun
1.
graisse d'oie
/ɣa.ˈra.zʲǝ/
noun
  1. 1. een overdekte autostalling
  2. 2. een bedrijf dat reparatieservices aan motorvoertuigen verricht
garage
/ɣarɑndɪːrə(n)/
verb
1. de uitkomst ergens van verzekeren
garantir
/ɣa'rɑn(t)si/, /ɣa'rɑnsi/
noun
1. verklaring waarin men verklaart voor bepaalde gevolgen in te staan
garantie
noun
1. een keukengerei bestaande uit een stel gebogen draden waarmee geklopt en geklutst kan worden.
fouet
noun
  1. collier
  2. harnais
noun
1. bewegelijke pasvorm waaraan de trekstrengen bevestigd worden om het halsjuk uit te balanceren
palonnier
noun
mercerie
verb
garer
noun
1. samengebonden bundel halmen
gerbe
noun
crevette
verb
1. versieren van voeding
garnir
pronoun
1.
Garonne
/ɣɑs/, /χɑs/
noun
1. aggregatietoestand
gaz
noun
1.
béton cellulaire
pronoun
Gascogne
noun
Gascon
adjective
1.
gascon
noun
poêle à gaz
noun
1. lichtbron in een gaslamp
manchon à incandescence
noun
1. gaslamp
lampe à gaz
noun
1. een buis waardoor verschillende materialen in gasvorm vervoerd kunnen worden
gazoduc
noun
1.
lampe à décharge
noun
het rechter pedaal van een auto waarmee de brandstoftoevoer naar de motor geregeld wordt
accélérateur
noun
1. grote planeet die grotendeels of volledig bestaat uit een atmosfeer
géante gazeuse
/ɣɑst/, /χɑst/
noun
1. iemand die als bezoeker ergens wordt ontvangen, verwelkomd of op een bijzondere wijze behandeld
  1. hôte
  2. invité
noun
1. iemand die tijdeljk naar een ander land komt om daar arbeid te verrichten
travailleur invité
noun
1. een boek of elektronische versie daarvan waarin bezoekers hun opmerkingen achter kunnen laten
livre d'or
noun
gastro-entérite
noun
gastronomie
/ɣɑstˈfrɛɪ/, /ʝɑstˈfrɛː/
adjective
1. gul in het onthalen of herbergen van gasten
hospitalier
noun
hospitalité
/ɣɑt/, /χɑt/
noun
  1. 4. een geval van tandwolf
    creux
  2. 6. achterste
    derrière
    1. 1. opening
    2. 2. een tekort of ontbrekend deel
    trou
  3. 3. ogen
    yeux
noun
1. politieke beweging in Frankrijk ontstaan na de Tweede Wereldoorlog gekenmerkt door een sterke nationale republiek, eenheid en een sterk presidentschap
gaullisme
/ɣʌu/, /ʝʌu/
adverb
  1. 2. zeer binnenkort
    bientôt
  2. 1. binnen een kort tijdsbestek
    vite
noun
  1. gavial
  2. gavial du Gange
pronoun
1. exclave van Palestina tussen Egypte, Israël en de Middellandse Zee
Bande de Gaza
noun
1. benaming voor slanke hoefdieren
gazelle
noun
1. onderhouden, kort gemaaid grasveld bij een huis
  1. pelouse
  2. gazon
/ɣə/, /χə/
personalPronoun
1. tweede persoon enkelvoud. In Nederland verouderd, maar in België in dagelijks gebruik.
tu
adjective
1.
accidenté
adjective
1. vlak en vrij van hindernissen gemaakt
praticable
/xəˈbar/
noun
  1. 1. een beweging waarmee men iets wil zeggen
  2. 2. een handeling waarmee men iets wil uitdrukken
geste
noun
1. meestal zoet, gebakken voedsel specifiek gemaakt om van te genieten
  1. pâtisserie
  2. gateaux
noun
  1. langage gestuel
  2. langue des signes
noun
2. verzamelterm voor ongeveer 135 talen die geschikt zijn voor mensen met beperkingen bij spreken of luisteren
langues des signes
/ɣə'bɛt/
noun
1. het bidden
prière
noun
Prière de Manassé
noun
1. een verzameling van bergen die met elkaar een groter geheel vormen
chaine de montagnes
/ɣə'bɵːrə(n)/
verb
1. plaatshebben, werkelijkheid worden
  1. se passer
  2. avoir lieu
noun
1. iets dat zich voordoet
événement
/ɣəˈbit/, /χəˈbit/
noun
1. een deel van het aardoppervlak
région
noun
1. alle tanden en kiezen van een dier of mens
denture
/xəˈblat/
noun
  1. 1. het blaten van een schaap
    bêlement
  2. 2. inhoudsloos gepraat, op een luide toon
    hurlement
/ɣəˈbladərtə/, /χəˈbladərtə/
noun
1. een verzameling van bladeren van één of meer bomen
feuillage
noun
commandement
/ɣəˈboːrtə/, /χəˈbo̝ːrtə/
noun
1. actie waarbij een organisme uit zijn/haar moeder komt en aan zijn zelfstandige leven begint
naissance
noun
1. een getal dat aangeeft hoeveel geboorten er in een gebied in een bepaalde tijd hebben plaatsgevonden
  1. taux de natalité
  2. natalité
/ɣəˈboːr.təˌkɛrk/, /χəˈbo̝ːr.təˌkɛrk/
pronoun
1. een kerkgebouw in Bethlehem op de Westelijke Jordaanoever op de plaats waar Jezus geboren zou zijn
Basilique de la Nativité
noun
pays natal
noun
1. het verschijnsel dat in een gebied in een bepaalde periode het aantal geboorten structureel hoger ligt dan het aantal sterfgevallen
surnatalité
adjective
  1. 1. ter wereld gebracht, gebaard
  2. 2. begonnen, ontstaan
  3. 3. door herkomst of natuurlijke aanleg
né
noun
1. een constructie waarin men kan wonen of werken
  1. bâtiment
  2. immeuble
noun
  1. 2. een defect
    défaut
  2. 1. een tekort
    1. manque
    2. pénurie
noun
maladie de carence
adjective
1. naar gewoonte, zoals men regelmatig doet
  1. usuel
  2. d’usage
/ɣəˈbrœʏkən/, /χəˈbrœʏkən/
verb
1. zich bedienen van, toepassen
  1. employer
  2. utiliser
/ɣə'brœːkər/, /χə'brœʏkər/
noun
  1. 1. iemand die iets gebruikt
  2. 2. iemand die zich geregistreerd heeft en met enige regelmaat bijdragen levert aan een van de wikiprojecten
utilisateur
noun
1.
  1. identifiant
  2. nom d'utilisateur
  3. pseudo
noun
1. meestal schriftelijke instructie die bij een product wordt gegeven
mode d'emploi
noun
objet d'usage
adjective
1. ingewikkeld
compliqué
/ɣə'dɑɣdə/, /ɣəˈdɑxtə/
noun
1. het nadenken, idee
pensée
/ɣəˈdɑɣdəˌstreːp/, /χəˈdɑχtəˌstrep/
noun
1. leesteken in de vorm van een half kastlijntje
tiret
noun
1. minder dan het geheel
  1. part
  2. partie
/ɣəˈdeltələk/, /ʝəˈdeltələk/
adjective
partiellement
noun
mémorial
/ˌɣədɛŋkˈʋaːrdʏɣ/
adjective
1. een herinnering waard zijn
mémorable
noun
eau disttillée
noun
1. een in versmaat of in dichterlijke stijl opgesteld stuk
  1. poème
  2. poésie
/ɣə'dɛɪə(n)/
verb
1. voorspoedig groeien
prospérer
verb
  1. tolérer
  2. souffrir
  3. supporter
noun
  1. politique de tolérance
  2. politique permissive
noun
1. de manier waarop iemand optreedt of iets ergens op reageert
  1. comportement
  2. conduite
verb
1. zich ~: de manieren die iemand meest in de omgang met anderen aan de dag legt
  1. comporter
  2. conduire
noun
1.
code de conduite
noun
1. vast patroon waardoor bepaald gedrag gekenmerkt wordt.
type comportemental
/ɣədʏɫt/
noun
1. de rust en bereidheid om te wachten
patience
preposition
tijdens
durant
/ɣeːl/, /ɣeːɫ/, /χeɪɫ/
adjective
1. citroen-, goudkleurig
jaune
/ɣeːl/, /ɣeːɫ/, /χeɪɫ/
noun
1. kleur tussen oranje en groen
jaune
adjective
1. een kleur hebbend die tussen geel en bruin in ligt
bistre
noun
1. werkplaats van een geelgieter
fonderie de cuivre
noun
bruant jaune
adjective
gris jaune
adjective
vert jaune
adjective
orangé jaune
noun
  1. jaunisse
  2. ictère
indefinitePronoun
1. ontkennend onbepaald lidwoord: tegenovergestelde van één, niet een
  1. aucun
  2. pas de
phraseologicalUnit
1.
de rien
noun
1. smalle ranke zeevis met afgeplat lichaam en een lange snavelvormige bek, Belone belone
orphie
/ɣeːst/, /χeːst/
noun
  1. 1. dat wat zich afspeelt in iemands gedachten
    esprit
  2. 2. een onsubstantieel wezen
    1. esprit
    2. fantôme
/ɣesdrɪft/
noun
engouement
adjective
1. met humor, gevat
spirituel
adverb
1. met humor, gevat
spirituellement
noun
fantôme
/ɣ̟eːβ̞/, /χeːu/
noun
1. het zich uitrekken, meestal met open mond, bij slaperigheid, ontspanning of verveling
bâillement
/ɣɪːwə(n)/
verb
1. gapen
bâiller
adjective
1. met geren bezet
gironné
/ɣəˈɣevə(n)/, /χəˈχevə(n)/
noun
1. een bekend geval of feit
donnée
adjective
1.onderbouwing
fondé
noun
1. bepaalde soort dagvlinder, Polygonia c-album
robert-le-diable
noun
1. fijngehakt of gemalen vlees
viande hachée
noun
hachoir
/xəˈɦɛndiˌkɛpt/, /ɣəˈɦɑndiˌkɑpt/
adjective
1. met een lichamelijke afwijking
handicapé
noun
1.
pendu
/ɣəɦɛɪm/
adverb
1. opzettelijk verborgen
secret
/ɣəɦɛɪm/
noun
1. informatie die verborgen wordt en bestemd is om dat te blijven
secret
noun
1.een taal die voor zender en ontvanger te begrijpen is maar voor onbevoegde omstanders niet.
  1. cryptographie
  2. cryptophasie
noun
  1. 1. het deel van de hersenen waarin herinneringen worden opgeslagen
  2. 2. snel toegankelijke plaats om data op te slaan
mémoire
noun
mnémotechnie
noun
alliage à mémoire de forme
noun
1. het organische systeem om geluiden waar te nemen
ouïe
noun
audioprothèse
/ɣə'hoːrzam/, /ɣə'ɦoːrzam/, /χə'ɦo̝ːrzam/
adjective
1. bereid gehoor te geven aan regels of bevelen
obéissant
verb
1. gevolg geven aan een opdracht of bevel
obéir
/ɣəˈhʏxt/
noun
1. een aantal bij elkaar staande huizen op het platteland
hameau
/ɣɛi̯l/, /χɛi̯l/
adjective
  1. lascif
  2. lubrique
/ˈɣɛɪ̯t/, /ˈɣɛːt/, /ˈχɛɪ̯t/
noun
1. bepaald soort zoogdier Capra aegagrus hircus
chèvre
noun
1. iemand die geiten houdt
éleveur de chèvres
noun
fromage de chèvre
noun
voedzaam vocht dat tepels van een geit afscheiden
lait de chèvre
/ɣɛk/, /χɛk/
adjective
fou
/ɣɛk/, /χɛk/
noun
  1. 2. een persoon die (regelmatig) vreemde dingen doet, een dwaas
  2. 3. iemand met zeer lage intelligentie
  3. 1. een persoon die (tijdelijk) iets raars doet
fou
noun
2. een gebrek aan gezond verstand
  1. déraison
  2. folie
noun
1. gekko
gecko
noun
  1. 2. een product om haar mee in model te houden
  2. 1. een gecrosslinkt polymeer van voldoende verdunning om vervormbaar te zijn zonder spontaan te vloeien
gel
/ɣəˈlɑx/
noun
1. het lachen
rire
verb
1.
diligenter
/ˈɣɛlt/, /ˈχɛlt/
noun
1. een ruilmiddel dat gegarandeerd wordt door een land waarmee goederen en diensten kunnen worden gekocht
  1. argent
  2. monnaie
pronoun
1. gemeente en stad in Waals-Brabant
Jodoigne
/ˈɣɛldərˌlɑnd/, /ˈɣɛɫdərˌlɑnt/, /ˈχɛɫdərˌlɑnt/
pronoun
1. provincie in het oosten van Nederland, die door de Flevoland, Overijssel, Limburg, Noord-Brabant, Zuid-Holland, Utrecht en het Duitse Noord-Rijnland-Westfalen wordt omringd
Gueldre
adjective
1. waarvan de waarde of wettigheid erkend wordt
  1. valide
  2. valable
noun
marché monétaire
noun
pièce de monnaie
noun
1. plant
  1. lamier jaune
  2. ortie jaune
/ɣəˈledə(n)/, /χəˈledə(n)/
adverb
1. een woord om aan te duiden dat iets zich in het verleden af heeft gespeeld
il y a
/ɣə.let.ˈpo.tə.ɣə/, /ɣə.ˈleːd.ˌpoː.ti.ɣə/, /χə.let.ˈpo.tə.χə/
noun
1. een dier met een uitwendig skelet van chitine
arthropode
noun
1. iemand die onderricht en bekwaam is in een bepaalde tak van de wetenschap
  1. savant
  2. savante
/ɣǝ.'le.ɣǝn.ɦɛjt/
noun
1. mogelijkheid tot
  1. occasion
  2. opportunité
/ɣəˈlɛɪdələk/
adjective
1. in geordende, kalme opeenvolging van het een op het ander overgaand
  1. graduel
  2. progressif
/ɣə'lɛɪdɪŋ/
noun
1. het verschijnsel waarbij transport van elektrische lading of warmte plaatsvindt in een materiaal
conduction
noun
maillot jaune
/ɣə.ˈlɪx/, /ˈɣe.ləx/, /ˈɣe.lɪx/, /ˈχe.ləχ/, /χə.ˈlɪχ/
adjective
2. op geel lijkend
jaunâtre
/ɣə'lɛɪk/
noun
gelijk hebben
avoir raison
/ɣəlɛɪkˈaːrdəx/, /ʝəlɛkˈaːrdəx/
adjective
1. vele overeenkomsten vertonend
pareil
/ɣəlɛɪgˈbenəx/
adjective
1 & 2.
  1. isoscèle
  2. isocèle
interjection
Ce qui est bon pour l'un, est bon pour l'autre
noun
  1. 2. een verhaal dat een bepaalde relgieuze les presenteert door het met een bepaalde gebeurtenis te vergelijken
    parabole
  2. 1. de mate waarin iets of iemand aan een ander doet denken
    1. ressemblance
    2. similitude
noun
égalité
adjective
1.
homophone
verb
1. egaliseren, vlak maken
égaliser
noun
redresseur
verb
1. zeggen dat iets gelijk is zonder dat het dat ook echt is
assimiler
noun
courant continu
adjective
1. dezelfde toon voortbrengend bij in- en uitblazen
mono-sonore
adjective
1. alle zijden gelijk in lengte
équilatéral
noun
1. gelijkzwevende stemming
tempérament égal
pronoun
1. een dorp in de Belgische provincie Henegouwen
Ghislenghien
/ɣəˈlof/, /χəˈlof/
noun
1. godsdienst
religion
noun
1. de mate waarin iets of iemand verdient geloofd te worden
crédibilité
verb
1. overtuigd zijn dat iets waar is
croire
/ɣə.ˈlo.vəx/, /ɣə.ˈloː.vɪx/, /χə.ˈlo.vəχ/
adjective
1. vast en innig gelovend in een god of goden
croyant
/ɣə.ˈlo.vi.ɣə/, /ɣə.ˈlo.və.ɣə/, /χə.ˈlo.və.χə/
noun
1. iemand die een bepaald geloof aanhangt
  1. croyant
  2. croyante
/ɣəˈlœʏt/, /χəˈlœʏt/
noun
1. dat wat hoorbaar is
son
noun
1. Geluidsoverlast
nuisance sonore
noun
1.
onde acoustique
noun
1. Geluidsoverlast
nuisance sonore
noun
isolement acoustique
noun
nuisance sonore
/ɣəˈlɵk/, /χəˈlɵk/
noun
1. prettige loop van de omstandigheden
  1. chance
  2. bonheur
adjective
  1. 1. in een tevredene toestand zijn, zich goed voelen
    heureux
  2. 2. door gunstig toeval, met mazzel
    1. heureux
    2. fortuné
    3. chanceux
phraseologicalUnit
1. een traditionele wens bij een nieuw jaar
bonne année
/ɣə.ˈlɵks.ˌvoː.ɣəl/, /χə.ˈlɵks.ˌvo(ʊ̯).χɔɫ/
noun
1. iemand die onwaarschijnlijk veel geluk lijkt te hebben
chanceux
/ɣə.'mal/
noun
installatie die overtollig water een polder uitmaalt
noria
noun
1. Zingiber officinale, een specerij met een scherpe smaak
gingembre
noun
1. fijngemalen gedroogde wortels van Zingiber officinale
poudre de gingembre
adjective
  1. 3. gemeenschappelijk
    commun
  2. 4. gewoon
    habituellement
  3. 1. beneden de gordel, buiten alle regels
    méchant
noun
2. wat toebehoort aan alle mensen uit een samenleving gezamenlijk
commun
noun
2. een vervelende, gemene of achterbakse handeling
vacherie
noun
    1. 1. het met één of meer andere deel hebben aan iets
    2. 3. geheel van personen of zaken die tot elkaar in een bepaald opzicht in een geregelde betrekking staan
    communauté
  1. 4. geslachtsgemeenschap
    coït
  2. 2. samenleving
    société
/ɣəmenˈsxɑpələk/, /χəmenˈsχɑpələk/
adjective
3. gerelateerd aan meer dan een entiteit
commun
/ɣəˈmentə/, /ɣəˈmeɪntə/, /ʝəˈmentə/
noun
  1. 2. gezamenlijke gelovigen
    communauté
  2. 1. bestuurlijke eenheid
    1. commune
    2. municipalité
noun
1.
municipalité
/ratslɪt/
noun
1. een lid van een gemeenteraad
conseiller municipal
noun
  1. élection communale
  2. élection municipale
/ɣəˈmɪdəld/, /ɣəˈmɪdəlt/, /χəˈmɪdəɫt/
adjective
1. tot de middenmoot behorend
moyen
/ɣəˈmɪdəld/, /ɣəˈmɪdəlt/, /χəˈmɪdəɫt/
adverb
1. in de meeste gevallen
moyenne
noun
1. de som van een aantal getallen gedeeld door het aantal ervan
moyenne
noun
gémination
adjective
1. vriendelijk en gezellig
bon enfant
adjective
1. met een motor als aandrijfkracht
motorisé
noun
1. in de Alpen levende soort berggeit
  1. chamois
  2. isard
noun
1. drager van informatie van de erfelijke eigenschappen
gène
adjective
impitoyable
/ˈdʒɛndər/
noun
1. sekse
genre
noun
équalité des genres
adjective
  1. unigenre
  2. épicène
noun
1. een discipline van de geschiedkunde die zich bezighoudt met voorouderonderzoek dan wel de afstamming van de familienaam
généalogie
adjective
1.
genevois
noun
  1. médecin
  2. docteur
/γ̊əˈneːskʏndə/
noun
1. de wetenschap die zich richt op de aard, de oorzaken en de geneesmiddelen van ziekten
médecine
/ɣə'neɣənɦɛɪt/
noun
1. het gesteld zijn op iemand
  1. affection
  2. bienveillance
noun
1. generale bas
basse continue
phraseologicalUnit
1.
prévention générale
verb
1. over één kam scheren, geen onderscheid maken
généraliser
noun
généralissime
noun
1. algemeenheid
généralité
noun
1. alle personen die min of meer tegelijkertijd geboren zijn
génération
adjective
  1. génératif
  2. sexuel
/ˌɣenəˈratɔr/, /ˌχenəˈratɔr/
noun
  1. 1. een apparaat of persoon die iets genereert (doet ontstaan)
    générateur
  2. 4. toestel tot het verkrijgen van gas, gasgenerator
    générateur de gaz
  3. 3. een machine die stroom opwekt
    générateur électrique
verb
1. schaamte voelen
se gêner
verb
générer
adjective
généreux
noun
1. titels
générique
pronoun
Genèse
noun
1.de wetenschap van alles wat de werking van genen betreft, in het bijzonder erfelijke overdracht
génétique
noun
1. een wetenschapper op het gebied van de genetica
généticien
/ɣəˈnetis/
adjective
1. gerelateerd aan de erfelijkheid
génétique
adjective
1. briljant, zeer slim, uitmuntend
génial
noun
1. iemand die buitengewoon slim is of die ergens uitzonderlijk goed in is
génie
/ɣəˈnipəx/, /ɣəˈnipɪx/, /χəˈnipəχ/
adjective
1. op een achterbakse manier en gemeen
sournois
verb
1. voordeel hebben van iets
  1. réjouir
  2. bénéficier
adjective
1. met betrekking tot de geslachtsorganen
génital
noun
1. naamval als aanduiding van bezit, oorsprong of hoeveelheid
génitif
adjective
génocidaire
noun
1. stelselmatige uitroeiing van een volk
génocide
indefinitePronoun
assez
noun
1. iets waar men plezier aan beleeft
plaisir
adjective
suffisant
/xəˈnom/
noun
1. een verzameling van alle genen van de chromosomen van een organisme
génome
pronoun
  1. archipel de la Société
  2. îles de la Société
noun
1. het geheel van genetische kenmerken dat een soort onderscheidt
génotype
noun
1. een gloeiend korreltje of brokstukje
étincelle
pronoun
1. Vlaamse provinciehoofdstad van Oost-Vlaanderen, België
Gand
/ˈɣɛn.teː.ra.ˌpi/, /ˈχɛn.tɪː.ra.ˌpi/
noun
1. het inbrengen van genetisch materiaal in (menselijke) cellen in het kader van een geneeskundige behandeling
thérapie génique
noun
gentiane
adjective
bleu gentiane
adjective
gantois
pronoun
1. een stad in Noordwest-Italië
Gênes
pronoun
2. stad in Zwitserland
Genève
noun
Géochimie
noun
géodésie
noun
1. een meetinstrument in de vorm van een driehoek met een maatverdeling en een gradenboog
équerre géométrique
noun
géophone
noun
géophysique
adjective
géophysique
noun
géographe
noun
1. aardrijkskunde
géographie
adjective
1. aardrijkskundig, met betrekking tot de aardrijkskunde
géographique
noun
1. aardkunde
géologie
adjective
1. op de geologie betrekking hebbend
géologique
noun
géologue
noun
1. een tak van de wiskunde die zich bezighoudt met ruimtelijke figuren
  1. géométrie
  2. géometrie
noun
géomorphologie
noun
1. futensoort met zwarte nek, zwarte kop en een goudgele oorpluim, Podiceps nigricollis
grèbe à cou noir
/ɣeˈjɔrɣis/, /ɣeˈjɔrɣɪs/, /χeˈjɔrχis/
pronoun
1. de taal die in Georgië gesproken wordt
géorgien
/ɣeˈjɔrɣi.jə/, /χeˈjɔrχi.jə/
pronoun
1. een soevereine staat in West-Azië, gelegen in de Kaukasus. De officiële taal is het Georgisch
Géorgie
adjective
1.
géostationnaire
adjective
1.
géostratégique
/ ɣəˈprek/
noun
prêchi-prêcha
pronoun
Grammont
noun
1. bedrijfsleider, filiaalhouder, zaakvoerder, zaakwaarnemer, zetbaas
gérant
/ˈɣeː.rɑrd/, /ˈɣeː.rɑrt/, /ˈχɪː.rɑrt/
pronoun
  1. 2. spelwoord voor de letter g
    Gaston
  2. 1. jongensnaam
    Gérard
noun
1. Gerbillinae, een ondersoort van de familie Muridae, die daarnaast ook de muizen,...
gerbille
noun
2. rechtbank, de rechter
  1. tribunal
  2. cour
noun
palais de justice
noun
1. een mechanisch instrument dat gebruikt wordt om werk te kunnen doen
outils
noun
1. afsluitbare bak waarin gereedschap opgeborgen en bijeengehouden wordt
boîte à outils
adjective
1. niet spontaan, terughoudend door verlegenheid
empêché
noun
1. een medisch specialist die de geriatrie beoefent
gériatre
noun
gériatrie
adjective
1. medische zorg voor oudere mens
gériatrique
/ɣə'rɪŋ/
adjective
1. klein in afmeting of getal
minime
/ɣɛrˈmaːns/, /χɛrˈmans/
adjective
  1. 1. betrekking hebbend op de taal der Germanen of de talen die er van afstammen
  2. 1. op de Germanen betrekking hebbend
germanique
/ɣɛrˈmaːns/, /χɛrˈmans/
pronoun
1. taal zoals die eertijds door de Germanen gesproken werd
germanique
pronoun
1. taalfamilie van tientallen talen die oorspronkelijk in Europa, maar tegenwoordig over de hele wereld worden gesproken
langues germaniques
noun
1. woord of uitdrukking overgenomen uit het Duits of gevormd naar het Duits
germanisme
noun
1. een scheikundig element met symbool Ge en atoomnummer 32
germanium
/ɣə.ˈru.zə.ˌmus/, /χə.ˈru.zə.ˌmus/
noun
1. een achtergrondgeluid bestaande uit veel door elkaar sprekende stemmen
brouhaha
noun
1. tak van wetenschap die het "ouder worden" bestudeert
gérontologie
noun
2. en 3. (zaad van de) plant Hordeum vulgare
orge
noun
2. wit korreltje op het ooglid
  1. milium
  2. acné miliaire
/ɣə'rɵxt/
noun
2. een mededeling of nieuwtje dat de ronde doet maar nog niet bevestigd is, zodat je niet zeker bent of het waar is
rumeur
noun
1. zelfstandig gebruikte verbogen infinitief
gérondif
verb
1. iemands angst of zorgen ontzenuwen of minder aannemelijk maken
rassurer
noun
  1. 1. verlaagde g
    sol bémol
  2. 3. ges-mineurgrondakkoord
    sol bémol mineur
  3. 2. ges-kleinetertstoonladder
    sol bémol mineure
abbreviation
  1. 1. het akkoord ges - bes - des
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Sol bémol majeur
abbreviation
  1. 1. een akkoord ges - beses - des
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Sol bémol mineur
/ɣɛs'xrot/
abbreviation
  1. 1. het akkoord ges - bes - des
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
sol bémol majeur
abbreviation
1. het akkoord ges-bes-des
accord de sol bémol majeur
noun
1. een grotetertstoonladder met “ges” als grondtoon
gamme de sol bémol majeure
abbreviation
  1. 1. een akkoord ges - beses - des
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Sol bémol mineur
abbreviation
1. het akkoord ges - beses - des
accord de sol bémol mineur
noun
1. een mineurtoonladder met “ges” als grondtoon
gamme de sol bémol mineur
noun
1. een kleinetertstoonladder met ges als grondtoon
gamme de sol bémol mineure
/ɣɛs'xrot/
abbreviation
  1. 1. het akkoord ges - bes - des
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
sol bémol majeur
abbreviation
1. het akkoord ges-bes-des
accord de sol bémol majeur
noun
1. een grotetertstoonladder met “ges” als grondtoon
gamme de sol bémol majeure
noun
1. een grotetertstoonladder met "ges" als grondtoon
gamme de sol bémol majeure
noun
1. een grotetertstoonladder met “ges” als grondtoon
gamme de sol bémol majeure
abbreviation
  1. 1. een akkoord ges - beses - des
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Sol bémol mineur
abbreviation
1. het akkoord ges - beses - des
accord de sol bémol mineur
noun
1. een kleinetertstoonladder met ges als grondtoon
gamme de sol bémol mineure
noun
1. een kleinetertstoonladder met ges als grondtoon
gamme de sol bémol mineure
/ɣəˈsxɛŋk/, /ʝəˈsçɛŋk/
noun
1. iets dat men geeft
cadeau
/ɣəˈsxidə(n)/, /χəˈsχidə(n)/
verb
1. werkelijkheid worden
se passer
/ɣəˈsxidəˌnɪs/
noun
2. de gebeurtenissen van het verleden
histoire
noun
historiographie
adjective
1. met de juiste eigenschappen
approprié
noun
1. geweldloos conflict
  1. dispute
  2. différend
noun
point controversé
/ˈɣeː.zəl/, /ˈχe.səɫ/
noun
1. werktuig van touwen of riempjes met knopen of stukjes metaal, waarmee men ter bestraffing op iemands lichaam slaat
fouet
/ɣesələ(n)/
verb
1. iemand met een zweep of gesel tuchtigen
  1. fouetter
  2. flageller
noun
1. dubbel verlaagde toon g
sol double bémol
noun
  1. magouille
  2. manigance
/χəˈslɑχt/
noun
  1. 3. (biologisch) genus
    genre
  2. 4. grammaticaal geslacht
    1. genre (grammatical)
    2. genre
  3. 5. afstammelingen van één persoon
    génération
  4. 2. geslachtsorganen
    organe génital
adjective
sexuel
noun
1. elk lichaamsdeel dat wordt gerekend tot de voortplantingsorganen, zoals bij de man de penis en de teelballen
organe génital
noun
1. seks waarbij de man met zijn penis het lichaam van de partner binnengaat
relations sexuelles
noun
gonade
/ɣəˈslɑxtsɔrɣaːn/, /ʝəˈslɑxtsɔrʝaːn/
noun
1. lichaamsdeel
  1. organe génital
  2. organe sexuel
/ɣɛsp/
noun
1. sluitmechanisme aan riemen e.d.
boucle
adjective
  1. 3. ongemakkelijk, blijk gevend van stress, het punt van (uit-)barsten naderend
  2. 1. strak uitgerekt
  3. 2. in hoge mate werkzaam
tendu
adjective
1. met sterk ontwikkelde stevige spieren
musclé
noun
1. een mondelinge conversatie waarbij informatie uitgewisseld wordt
conversation
noun
1. grondverf
gesso
noun
1. zwangerschap
gestation
/ɣəˈstentə/
noun
1. het materiaal waaruit de aardkorst bestaat, bestaande uit mineralen
roche
verb
1. gebaren maken, vooral bij het spreken
gesticuler
noun
1. bepaalde soort zoetwatervis, Alburnoides bipunctatus
spirlin
noun
nombre
pronoun
1.
Gette
noun
1. een elektrische centrale die functioneert op het verschil tussen eb en vloed
centrale marémotrice
noun
1. de periodieke verandering van de waterstand ten gevolge van de stand van de maan
marée
noun
1. (elektrotechniek) (werktuigbouwkunde) elektrische centrale die werkt door middel van getijdenstromen ontstaan door het hoogteverschil tussen eb en vloed
centrale marémotrice
noun
1. een grafische registratie van de waterstand
marégramme
noun
1. een inrichting waarmee de waterhoogte kan worden vastgesteld
marégraphe
adjective
  1. 2.
    cinglé
  2. getypt
    tapé
noun
1.
bras de fer
adjective
1. voltooid deelwoord van trouwen
marié
noun
1. iemand die een gebeurtenis heeft meegemaak of op andere wijze, veelal onder ede, een verklaring kan geven ten aanzien van de ware toedracht van een zaak
témoin
verb
1. een veelal beëdigde verklaring afleggen ten aanzien van de ware toedracht van een zaak
témoigner
noun
témoignage
pronoun
1.
Gueule
/ɣøːr/, /χøːr/
noun
1. gewaarwording met de neus van de aanwezigheid van een gasvormige uitwaseming
odeur
noun
gueuze
/ɣəˈvar/
noun
1. groot risico
danger
/ɣəˈvarlək/, /ɣəˈvaːrlɪk/, /χəˈvarlək/
adjective
1. gevaar met zich meebrengend
  1. dangereux
  2. périlleux
noun
prison
noun
1. iemand die gevangen genomen is
prisonnier
/ɣǝvɑŋǝnis/
noun
1. een gebouw waarin personen gevangen worden gehouden vanwege hun misdaden
  1. prison
  2. geôle
noun
1een driehoekige rode reflector
triangle de sécurité
/ɣəˈvɛxt/, /χəˈvɛxt/
noun
1. een handgemeen
combat
noun
1.
hélicoptère d'attaque
noun
avion de combat
/ˈxeː.vəl/, /ˈɣeː.vəl/
noun
1. buitenmuur van een gebouw
  1. façade
  2. pignon
/ˈɣevə(n)/, /ˈχevə(n)/
verb
1. overdragen van het bezit van iets aan iemand anders
donner
noun
1.
loche laiteuse
noun
1. bepaald soort mooi getekende en gekleurde zeevis, Labrus bergylta
vielle commun
adjective
1. met vleugels
ailé
noun
  1. 3. de spanning van een film
    1. rapidité
    2. sensibilité
    1. 1. een aandoenlijkheid
    2. 2. de nauwkeurigheid van instrumenten
    sensibilité
noun
1., 2.
engourdissement
noun
1. verschijnsel
refroidissement éolien
noun
1. een verzamelnaam voor vogels die gekweekt worden als voedsel
volaille
noun
fusil
noun
coup de fusil
noun
fusillade
noun
1. een stel uit been bestaande hoorns van herten; al dan niet vertakt
  1. bois
  2. ramure
noun
1. elke kracht van meer dan geringe betekenis uitgeoefend op personen, goederen of zaken
violence
/ɣə'ʋɛldəx/
adjective
2. bijzonder goed
épatant
/ɣəˈʋetə(n)/
noun
1. het deel van iemand waarmee die persoon zijn daden op goed en kwaad beoordeelt
conscience
/ɣəˈʋɪxt/, /χəˈʋɪxt/
noun
1. de kracht die dat voorwerp op zijn ondersteuning of ophanging uitoefent
poids
noun
1. een sport waarbij de beoefenaars proberen om zware gewichten op te heffen die aan stalen staven zijn bevestigd
haltérophilie
noun
prétention
noun
1. het zonder gewicht zijn
  1. apesanteur
  2. impesanteur
noun
1. Balaenoptera physalus, een groot zeezoogdier, lang en gestroomlijnd met puntige kop
rorqual commun
noun
de vrucht van de gewone walnoten- of okkernotenboom
noix
noun
grand bombyle
noun
1. bepaald soort zoogdier, Phoca vitulina
phoque commun
/ɣəˈwoːn/, /ɣəˈβ̞oːn/, /χəˈʋon/
adjective
habitué
noun
1. een samengesteldbloemige veldbloem met zeer fijn ingesneden blad en wit, roze of paars bloemscherm
Achillée millefeuille
noun
1. Galanthus nivalis, een vroegbloeiend bolgewas met witte bloempjes
perce-neige
adverb
1. zoals de ervaring leert dat het meestal is
habituellement
/ɣəˈwoːntə/, /ɣəˈβ̞oːntə/, /χəˈʋontə/
noun
1. vaste wijze om dingen te doen
habitude
noun
1. verbinding
articulation
noun
2. alle zinsdelen behalve het onderwerp
prédicat
/χəˈzɛləx/
adjective
  1. 3. knus
    1. agréable
    2. accueillant
  2. 2. sociaal aangenaam
    1. agréable
    2. animé
    3. convivial
  3. 4. leuk, onderhoudend
    1. charmant
    2. joli
noun
  1. 2. een aangename atmosfeer of omgeving
    1. ambiance
    2. convivialité
  2. 1. het gezellig zijn
    1. ambiente
    2. intimité
noun
jeu de société
noun
1. de voorkant van een menselijk hoofd
  1. visage
  2. face
noun
horizon
noun
point de vue
noun
1. doorzichtige kunststof gezichtsbedekking
  1. écran facial
  2. visière
noun
vie de famille
/ɣəˈzɔx/, /ɣəˈzɔxt/, /χəˈzɔχt/
adjective
  1. 3. niet natuurlijk, gekunsteld
    forcé
  2. 2. gewild
    1. prisé
    2. recherché
  3. 1.
    recherché
/xə.ˈzɔnt/, /ɣə.ˈzɔnt/
adjective
  1. 1. vrij van ziektes en zeertes
  2. 2. bevorderlijk voor een goede conditie
  1. sain
  2. en bonne santé
noun
1. het volledige fysieke, spirituele en sociale welzijn
état de santé
noun
circuit intégré
/'ɣa.na/, /'χa.na/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Ghana
Ghana
adjective
1. op Ghana betrekking hebbend
ghanéen
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de familie Hylobatidae
gibbon
pronoun
Gibraltar
/ˈχibəɫ/
noun
1. bronskleurige zoetwatervis, Carassius gibelio
gibèle
/ˈɣixələ(n)/
verb
1. een snelle, wat ingehouden vorm van lachen
glousser
noun
  1. 1. rondhout bevestigd aan het onderlijk van een zeil
    1. bôme
    2. gui
  2. 3. bij een wegwijzer het hout dwars op de paal
    flèche
/ɣiːr/, /χiːr/
noun
1. benaming voor grote aasetende roofvogels met een kale kop en machtige vleugels
vautour
adjective
1. geen geld of bezit aan een ander willende geven
  1. radin
  2. avare
  3. chiche
noun
avare
noun
2. en 3. (zaden van) de graansoort Panicum miliaceum
  1. millet
  2. mil
/ˈɣirˌzʋalyw/
noun
1. bepaald soort vogel, Apus apus
martinet noir
noun
1. een soort emmer met sproeibuis om de planten te begieten
arrosoir
noun
fonte
noun
1. een giftige slang
serpent venimeux
/ˈɣɪftəx/, /ˈχɪftəx/
adjective
1. gif bevattend
  1. vénéneux
  2. venimeux
noun
  1. giga-octet
  2. gigaoctet
noun
1.
gigamètre
/ɣɛik/
noun
  1. 1. rondhout bevestigd aan het onderlijk van een zeil
    1. bôme
    2. gui
  2. 3. bij een wegwijzer het hout dwars op de paal
    flèche
/ˈɣɛɪ̯zəlaːr/, /ˈɣɛːzəlaːr/, /ˈχɛɪ̯zəlaːr/
noun
1. een veelal onschuldig persoon die tegen de eigen wil door een gijzelnemer gevangen wordt gehouden en die bedreigd wordt met het doel iets van derden gedaan te krijgen
otage
noun
1. iemand die personen in gijzeling houdt
preneur d'otage
noun
1. iemand die personen in gijzeling neemt
preneur d'otage
/ɣɪɫ/
noun
1. een harde schelle ongearticuleerde uitroep
cri perçant
noun
  1. confrérie
  2. guilde
/ˈɣɪldə/, /ˈχɪɫdə/
noun
gilde
/ˈɣɪlə(n)/, /ˈχɪlə(n)/
verb
1. een harde schelle ongearticuleerde uitroep slaken
pousser des cris perçants
noun
gin
noun
ginkgo
noun
1.
ginseng
noun
  1. 1. (scheikunde) een uit calciumsulfaat en water uithardende witte vaste stof: CaSO₄·2H₂O
    gypse
  2. 2. pleister, gipshoudend kalkmengsel
    plâtre
noun
1. kopie van een voorwerp, door een mal daarvan te vullen met een mengsel van zwavelzure kalk en dat mengsel te laten uitharden
moulage
/ʒi'rɑf/
noun
1. Herkauwend dier
girafe
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Girafe
noun
1. herkauwend dier dat in Midden-Afrika leeft met een zeer lange hals, Giraffa camelopardalis
girafe
verb
1. geld overmaken door het uitschrijven van een giro
virer
noun
1. (financieel) (geschiedenis) in Nederland rekening-courant
  1. compte courant
  2. compte à vue
noun
  1. 1. verhoogde toon g
    sol dièse
  2. 3. gis-mineurgrondakkoord
    sol dièse mineur
  3. 2. gis-kleinetertstoonladder
    sol dièse mineure
abbreviation
  1. 1. het akkoord gis - bis - dis
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Sol dièse majeur
abbreviation
  1. 1. een akkoord gis - b - dis
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Sol dièse mineur
abbreviation
  1. 1. het akkoord gis - bis - dis
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Sol dièse majeur
abbreviation
1. het akkoord gis-bis-dis
accord de sol dièse majeur
noun
1. een majeurtoonladder met “gis” als grondtoon
gamme de sol dièse majeur
noun
1. een majeurtoonladder met “gis” als grondtoon
gamme de sol dièse majeur
noun
1. een majeurtoonladder met “gis” als grondtoon
gamme de sol dièse majeur
noun
1. een majeurtoonladder met “gïs” als grondtoon
gamme de sol dièse majeur
abbreviation
  1. 1. een akkoord gis - b - dis
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Sol dièse mineur
abbreviation
1. het akkoord gis-b-dis
accord de sol dièse mineur
noun
1. een mineurtoonladder met “gis” als grondtoon
gamme de sol dièse mineur
noun
1. een kleinetertstoonladder met “gis” als grondtoon
gamme de sol dièse mineure
abbreviation
  1. 1. het akkoord gis - bis - dis
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Sol dièse majeur
abbreviation
1. het akkoord gis-bis-dis
accord de sol dièse majeur
noun
1. een grotetertstoonladder met “gis” als grondtoon
gamme de sol dièse majeur
noun
1. een grotetertstoonladder met "gis" als grondtoon
gamme de sol dièse majeur
noun
1. een grotetertstoonladder met “gis” als grondtoon
gamme de sol dièse majeure
noun
1. een grotetertstoonladder met “gïs” als grondtoon
gamme de sol dièse majeur
abbreviation
  1. 1. een akkoord gis - b - dis
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Sol dièse mineur
abbreviation
1. het akkoord gis-b-dis
accord de sol dièse mineur
noun
1. een kleinetertstoonladder met “gis” als grondtoon
gamme de sol dièse mineure
noun
1. een kleinetertstoonladder met “gis” als grondtoon
gamme de sol dièse mineure
noun
  1. 1. tweemaal verhoogde toon “g”
    sol double dièse
  2. 3. gisis-mineurgrondakkoord
    sol double dièse mineur
  3. 2. gisis-kleinetertstoonladder
    sol double dièse mineure
noun
  1. 1. het akkoord gisis-bis-disis
  2. 2. de mineur toonsoort op gisis
sol double dièse mineur
abbreviation
1. het akkoord gisis-bis-disis
accord de sol double dièse mineur
noun
1. een mineurtoonladder met “gisis” als grondtoon
gamme de sol double dièse mineur
noun
1. een kleinetertstoonladder met “gisis” als grondtoon
gamme de sol double dièse mineure
abbreviation
1. het akkoord gisis-bis-disis
accord de sol double dièse mineur
noun
1. een kleinetertstoonladder met “gisis” als grondtoon
gamme de sol double dièse mineure
noun
1. een kleinetertstoonladder met “gisis” als grondtoon
gamme de sol double dièse mineure
verb
1. een vermoeden uitspreken over iets
deviner
noun
1. de naam voor een aantal soorten micro-organismen
  1. levure
  2. levain
/ˈɣɪstər/, /ˈχɪstər/
adverb
1. de laatste dag die voltooid is
hier
adverb
1. de avond vóór de afgelopen nacht
hier soir
/ˈɣɪstərə(n)/, /ˈχɪstərə(n)/
adverb
1. de laatste dag die voltooid is
  1. hier
  2. veille
/ɣi'tar/
noun
1. een muziekinstrument
guitare
verb
1.
jouer de la guitare
adjective
noir foncé
pronoun
1. stad in Armenië
  1. Gumri
  2. Gyumri
verb
1. met een laag suiker bedekken en dan verhitten zodat de suiker glanzend wordt, kan ook gedaan worden met honing
glacer
noun
glaciologie
adjective
lisse
noun
gladiateur
verb
1. door strijken glad of effen maken
  1. lisser
  2. aplanir
  3. défroisser
noun
1. betoverend uiterlijk, schone schijn
glamour
noun
  1. avoine élevée
  2. fromental
/ˈɣlɑns.kol/, /ˈɣlɑns.koɫ/, /ˈχlɑns.ko̝ɫ/
noun
1. een vorm van steenkool die sterk verhit is geweest
anthracite
noun
1. Poecile palustris, een zangvogel uit de familie van echte mezen (Paridae)
mésange nonnette
verb
1. in zekere mate licht weerspiegelen of voortbrengen
briller
/ɣlɑs/, /χlɑs/
noun
  1. 2. op basis van SiO₂
  2. 3. om uit te drinken
  3. 1. niet-kristallijne vaste stof
verre
noun
corps vitré
noun
1. iemand die glazen voorwerpen maakt
souffleur de verre
noun
1. glasharmonica
  1. harmonica de verre
  2. armonica de verre
noun
glasnost
noun
transition vitreuse
/ˈglɑ.slɑk/
noun
1. Vitrina
vitrine
noun
1.
verrerie
noun
isolatiemateriaal gemaakt van glas
laine de verre
noun
1. een aandoening waarbij een verhoging van de druk in de oogbol onbehandeld...
glaucome
noun
laveur de carreaux
verb
  1. 2. met een laag glanzende suiker bedekken
    glacer
  2. 1. met een laag glazuur bedekken
    1. vernir
    2. émailler
noun
1. een ijsmassa die gevormd wordt op land en dik en groot genoeg is om bergafwaarts te stromen
glacier
adjective
1. glad, moeilijk houvast op te krijgen
  1. glissant
  2. glissante
noun
glyphe
noun
toboggan
/ˈxlɛɪdə(n)/, /ˈɣlɛːdə(n)/
verb
1. met geringe wrijving gericht voortschuiven
glisser
noun
1. een gelaatsuitdrukking die een geluidloze lach verraadt
sourire
/'ɣlɪmlɑχən/
verb
1. zacht onhoorbaar lachen
sourire
noun
1. een nachtelijk lichtgevend kevertje uit de familie Lampyridae
ver luisant
noun
  1. système global de géolocalisation
  2. système mondial de positionnement
verb
  1. 1. generaliseren
    globaliser
  2. 2. uitbreiden over de hele wereld
    mondialiser
noun
1. een voortgaand proces van wereldwijde economische, culturele en politieke integratie
mondialisation
adjective
globulaire
noun
1. de lichtbron van een geprepareerd weefsel in een gaslamp
manchon à incandescence
/ˈɣluilɑmp/
noun
1. een lamp die licht produceert met een gloeidraadje
  1. ampoule
  2. lampe
noun
1.
gloire
/ɣloːriˈjøːs/
adjective
1. roemrijk
glorieux
noun
glorification
noun
glossaire
/ˈɣlɔtɪs/
noun
1. stemspleet
glotte
/ˈɣlɔtɪˌslɑx/
noun
1. een klank die met de stembanden in de keel geproduceerd wordt en tot de plosieven gerekend wordt
coup de glotte
/ˌɣlykɑˈɣɔn/, /ˌχlykɑˈχɔn/
noun
1. een hormoon gemaakt in de alfacellen van de pancreas in de zogenaamde eilandjes van Langerhans, dat de lever aanzet glycogeen af te breken en de zo vrijgekomen glucose aan het bloed af te geven
glucagon
noun
1. druivensuiker
glucose
/ˈɣlyː.rə(n)/
verb
1. in het geheim aandachtig naar iemand kijken
  1. guetter
  2. épier
/'ɣly.tə(n)/
noun
gluten
noun
  1. glycérine
  2. glycérol
noun
  1. glycérine
  2. glycérol
/ˌɣlikɔˈɣen/
noun
1. een opvanghuis voor wezen
glycogène
noun
glycol
noun
1. een metamorf gesteente met verschillend gekleurde banden of aders
gneiss
noun
1. Connochaetes, een dier behorende tot de familie Bovidae...
gnou
noun
2. doelpunt
but
pronoun
1. bovennatuurlijk en volmaakt wezen, dat beschikt over superieure krachten en dat onsterfelijk is
Dieu
/ɣɔd/, /ɣɔt/, /χɔt/
noun
1. hypothetisch bovennatuurlijk wezen dat verantwoordelijk wordt geacht...
dieu
verb
1. je vromer voordoen dan je eigenlijk bent, schijnheilig zijn
faire barbe de paille à Dieu
adjective
divin
noun
1.
divinité
noun
1. een hypothetisch bovennatuurlijk wezen dat verantwoordelijk wordt geacht voor (bepaalde aspecten van) de werkelijkheid
  1. divinité
  2. déité
  3. dieu
pronoun
1. benaming voor het vrouwelijk opperwezen
Déesse
noun
1. een vrouwelijke godheid
déesse
noun
1. een geloof en alle daar bij horende rituelen en doctrines
religion
noun
1.
  1. liberté de culte
  2. liberté de religion
  3. liberté de croyance
interjection
1. een grove vloek die grote boosheid of sterke verontwaardiging uitdrukt
  1. nom de Dieu
  2. putain de bordel de merde
  3. tabarnak
adjective
1. kwaliteit bezittend
  1. bon
  2. bonne
adverb
1. op goede wijze
bien
noun
1. iets concreets of abstracts dat men in bezit kan hebben
bien
noun
naar (iemands) goeddunken
  1. au gré
  2. à volonté
/ˌɣudə.ˈvrɛɪ̯.dɑx/
pronoun
1. de vrijdag voor Pasen
  1. Vendredi Saint
  2. Vendredi saint
pronoun
1. de week vanaf Palmzondag tot Stille Zaterdag
Semaine sainte
interjection
bonjour
/ˌɣudəˈmɔrɣə(n)/
interjection
groet
bonjour
interjection
avondwens
bonne nuit
interjection
1. een groet die in de avond gebruikt wordt
bonsoir
noun
1. trein die uitsluitend is bestemd om goederen te vervoeren
  1. train de marchandises
  2. train de fret
noun
1. het al te veel vertrouwen hebben in wat mensen zeggen
  1. crédulité
  2. naïveté
/ˌxutxəˈlœʏmt/, /ˌɣutxəˈlœʏmt/
adjective
1. in een toestand van vrolijkheid verkerend.
de bonne humeur
noun
1. de hoedanigheid van het goed zijn
bonté
verb
1. toestemming verlenen
  1. approuver
  2. permettre
  3. accepter
adjective
1. laag in prijs
bon marché
/ˈɣutsxɪks/, /ˈχutsχɪks/
adverb
1. op een constructieve, coöperatieve manier
convenablement
/ɣujəx/
adjective
1. goed en vriendelijk, maar niet al te snugger
bonasse
noun
1. gevoel dat je graag van iets wil gaan genieten
envie
/ɣɔk/, /χɔk/
noun
  1. 2. een keuze zonder het juiste antwoord te weten
    coup de dés
  2. 3. neus
    1. pif
    2. tarin
/ˈɣɔkən/, /ˈχɔkən/
verb
1. iets van waarde, veelal geld, inzetten op de mogelijke uitkomst van iets onzekers
  1. parier
  2. hasarder
noun
jeu de hasard
noun
ruée vers l'or
/gɔlf/, /χɔl(ə)f/
noun
  1. 4. grote baai
    1. golfe
    2. golf
  2. 1, 2 en 3
    1. vague
    2. onde
  3. 1. balspel waarbij een golfbal met een golfclub in een aantal slagen in de hole moet worden geslagen.
    1. golf
    2. golfe
pronoun
1. streek en provincie van Spanje rond de stad Bilbao
golfe de Gascogne
pronoun
1. zee die begrenst wordt door Mexico, de Verenigde Staten van Amerika en Cuba
  1. Golfe du Mexique
  2. golfe du Mexique
pronoun
1.
  1. golfe de Riga
  2. golfe de Livonie
noun
terrain de golf
noun
balle de golf
noun
1. constructie om de kracht van watergolven te weerstaan
brise-lames
noun
guide d'onde
noun
verpakkingsmateriaal, bestaande uit één of meer lagen dun, gegolfd karton
carton ondulé
noun
longueur d'onde
noun
terrain de golf
noun
énergie houlomotrice
noun
1. vergelijking die het verloop van een golf in tijd en ruimte beschrijft
équation d'onde
/ɣɔm/
noun
  1. 1. een gum
  2. 2. een kleverige vloeistof die wordt gemaakt van het sap van bomen
gomme
/ˈɣɔma/
noun
2. soort boom (Guarea gomma)
bois-pistolet gomma
noun
grade
/ˈɣɔndəl/
noun
1. een pleziervaartuig in Venetië
gondole
noun
1. een hangend slagwerk
gong
noun
1. een geslachtziekte die veroorzaakt wordt door de bacterie Neisseria gonorrhea
  1. gonorrhée
  2. blennorragie
/ˈgu:gələ(n)/, /ˈɡu.ɡə.lə(n)/, /ˈɣu.ɣə.lə(n)/
verb
1. naar informatie zoeken op het internet, m.n. met Google
  1. googler
  2. gougler
/ˈɣoːi̯ən/, /ˈχoːi̯ən/
verb
1. het door de lucht verplaatsen van een voorwerp, al dan niet naar een doelwit
  1. jeter
  2. lancer
/ˈɣotsten/
noun
1. een bak, meestal ingebouwd in een aanrecht, onder een kraan en met een afvoer
évier
noun
1. een band die om het middel gedragen wordt
ceinture
noun
1. zoogdier met pantser van beweegbare schubben uit de familie Dasipodidae
tatou
/ɣɔrˈdɛːn/, /χɔrˈdɛɪn/
noun
1. doek ter afdekking
rideau
/ɣɔrˈdɛɪnrɪːɫ/
noun
1. een rail waaraan een gordijn opgehangen kan worden
rideau-rail
noun
1. Afrikaanse mensaap uit het geslacht Gorilla
gorille
pronoun
1. Maleis-Polynesische taal die wordt gesproken door een miljoen mensen in de provincie Gorontalo op Sulawesi in Indonesië
gorontalo
/ɣɔrs/, /χɔrs/
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Emberizidae
bruant
noun
gospel
noun
1.
gothique
pronoun
1. de uit de oostelijke tak van de Germaanse talen stammende en uitgestorven taal der Goten uit de eerste...
gothique
/ˈɣɔtlɑnt/, /ˈʝɔtlɑnt/
pronoun
1. Zweeds eiland
Gotland
/χɔtspə/
noun
chutzpa
/ɣʌʊt/
noun
1. een edelmetaal met atoomnummer 79 dat wordt aangegeven met het symbool Au, het is een geel metalliek overgangsmetaal
or
noun
1. Physalis peruviana
coqueret du Pérou
noun
1. bepaald soort vis, Sparus aurata
dorade
adjective
1. met een kleur die een combinatie is tussen goudkleurig en bruin
châtain roux
phraseologicalUnit
médaille d'or
adjective
  1. jaune or
  2. jaune d'or
noun
  1. 2. kevers uit de familie Chrysomelidae met als goud blinkende schilden
    chrysomèle
  2. 1. bepaald soort klein vogeltje met een goudkleurig kruintje Regulus regulus
    roitelet
noun
1. Canis aureus
  1. chacal doré
  2. chacal commun
noun
pépite
noun
fièvre de l'or
noun
souci
noun
1. een smid die met goud werkt
orfèvre
noun
1. bepaald soort vogel, Pyrrhul pyrrhula
bouvreuil pivoine
/ˈɣaʊ̯d.vɪs/, /ˈɣɔʊ̯t.fɪs/, /ˈχʌʊ̯t.fɪs/
noun
1. bepaald soort kleine goudkleurige of rode vis die uit China afkomstig is en die door veel mensen thuis gehouden wordt, Carassius auratus auratus
  1. poisson rouge
  2. carassin doré
noun
1. een stoofschotel van o.a. rundvlees, paprika en uien, tevens het nationale gerecht van Hongarije
goulash
verb
cuisiner à la plancha
noun
1. het hoofd van een regering, van een kolonie, staat of andere subnationale staatseenheid
  1. gouverneur
  2. stathouder
pronoun
Gozo
noun
1. eenheid om hoeken te meten
degré
noun
1. geschiedkundige term voor een landsheer, oorspronkelijk belast met de rechtspraak...
comte
/ɣrax/, /χraχ/
adverb
1. met plezier, met graagte; dat doe ik graag
  1. avec plaisir
  2. volontiers
interjection
1. beleefd antwoord nadat je bedankt bent
  1. avec plaisir
  2. de rien
noun
  1. céréale
  2. grain
noun
arête
noun
  1. 2. ± (lid van) een linksgeoriënteerde, stedelijke elite
    1. bobo
    2. gauche caviar
  2. 1. (wijk van) een reeks grachten rondom het centrum van een stad (bijv. in Amsterdam)
    1. canaux
    2. quartier des canaux
adjective
gracieux
noun
1. een instrument waarmee een hoek van een gekende grote uitgezet of gemeten kan worden
rapporteur
verb
graduer
adjective
1. trapsgewijs
graduel
verb
graduer
noun
1. woord of uitdrukking overgenomen uit het Oudgrieks of gevormd naar Oudgrieks voorbeeld
  1. grécisme
  2. hellénisme
noun
1. een grafische voorstelling van een verzameling gegevens
graphique
noun
in plaatjes gekristalliseerde koolstof
graphite
adjective
gris graphite
adjective
noir graphite
adjective
graphique
noun
1. op een grafsteen gegraveerde korte tekst, gewijd aan de overledene
épitaphe
noun
1. een rechtopstaande gebeeldhouwde steen die de aanwezigheid van een graf markeert
pierre tombale
noun
1. een afgeleide eenheid voor massa in het SI-stelsel (éénduizendste van een kilogram, 0,001 kg)
gramme
noun
1. een systeem van regels en principes voor het schrijven en spreken van een taal.
grammaire
adjective
grammatical
/ɣṛɑm.ˌpo.zi.ˈtiː.və.bɑk.ˈteːri.jə(n)/, /χrɑm.ˌpo.zi.ˈti.və.bɑk.ˈtɪː.ri.jə(n)/
noun
1. verzamelnaam voor soorten met een dikke laag peptidoglycaan in hun celwand
bactéries à Gram positif
noun
  1. 2. met springlading gevuld projectiel
    grenade
  2. 5. groep kubische mineralen
    grenat
noun
  1. 2. vrucht
    1. grenade
    2. grenadier
  2. 1. boom
    grenadier
noun
1. Punica granatum, een tot zes meter hoge struik uit de kattenstaartfamilie (Lythraceae)...
grenadier
/ɣɾaˈni:t/
noun
1. stollingsgesteente bestaande uit lichtgekleurde, met het blote oog onderscheidbare mineralen.
  1. granite
  2. granit
adjective
gris granit
adjective
granulaire
noun
granulation
verb
granuler
/ɣrɑp/, /χrɑp/
noun
1. verhaal dat of handeling die erop gericht is om de lachlust op te wekken
  1. blague
  2. plaisanterie
noun
1. een gele of rode, enigszins bitter smakende citrusvrucht
  1. pamplemousse
  2. pomélo
noun
1. sap van de vrucht van de boom Citrus paradisi
jus de pamplemousse
noun
1.een Italiaanse alcoholische drank
grappa
/ˈɣrɑpəχ/
adjective
1. de lust tot (glim-) lachen opwekkend
  1. amusant
  2. drôle
noun
  1. 1.1 benaming voor planten uit de familie Poaceae die een oppervlak met sprietvormige groene bladeren begroeien
    1. gazon
    2. herbe
  2. 1. benaming voor planten uit de familie Poaceae
    herbe
adjective
vert herbe
noun
prairie
/ɣrɑsmajər/
noun
tondeuse à gazon
noun
1. Sylvia communis, een zangvogel uit de familie zangers Syviidae
fauvette grisette
noun
1. Anthus pratensis, een zangvogel uit de familie Motacillidae
pipit farlouse
/ˈɣrɑs.trɪ.mər/, /ˈχrɑs.trɪ.mər/
noun
1. een apparaat dat gras maait op moeilijke plekken en randen van het gazon
coupe-bordure
/ˈɣrɑsvɛlt/, /ˈɣrɑzvɛld/, /ˈχrɑsvɛɫt/
noun
1. een veld dat door met name gras wordt begroeid
pelouse
/ˈɣrɑsvlɑktə/, /ˈχrɑsvlɑktə/
noun
1. een groot stuk land dat met gras is begroeid
plaine herbeuse
noun
1. het afzien van de uitvoering van een straf
grâce
verb
gratifier
verb
gratiner
adjective
1. wat zonder betaling verkregen wordt
  1. gratuit
  2. gratis
verb
1. gratie geven
gracier
adjective
1. zonder reden, onderbouwing, motivatie en/of bewijs
gratuit
adjective
1. donkergrijs, kleurloos
gris
noun
1. bepaalde soort grijsbruine vogel met oranje snavel, Anser anser
oie cendrée
noun
1. bepaalde soort roofvogel, Circus pygargus
busard cendré
noun
1. meest voorkomende poonsoort in de Noordzee, Eutrigla gurnardus
grondin gris
noun
1.
punaise nébuleuse
noun
1. beitel met ruitvormige punt
burin
noun
graveur
noun
1. beitel met ruitvormige punt
burin
noun
1. graveernaald
pointe sèche
noun
1. graveersteker
burin
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Burin
noun
1. graveerstift
burin
/ˈgrɛ.vəɫ/
noun
1. roodkleurige steengruis die doorgaans wordt gebruikt voor de verharding van tennisbanen
terre battue
/ˈgrɛ.vəɫˌban/
noun
tennisbaan
  1. terre battue
  2. court en terre battue
verb
1. een gat in de grond maken met de handen of met een graafwerktuig
creuser
verb
1. met een scherp gereedschap iets krassen in glas of metaal
graver
noun
graveur
noun
graveuse
noun
gravidité
noun
1. vrouwelijke graaf
comtesse
noun
1. de kracht die de wederzijdse aantrekking van massa veroorzaakt
  1. gravitation
  2. force de gravité
  3. pesanteur
/'χrazə(n)/
verb
1. het eten van gras en andere bodemvegetatie zoals bijvoorbeeld runderen dit doen
paître
adverb
gracioso
adjective
grégorien
noun
grain
verb
greneler
/ɣre.ˈna.da/, /ɣrɛ.ˈna.da/, /χre.ˈna.da/
pronoun
land in het Caribisch gebied
Grenade
noun
  1. 2. de raaklijn tussen twee landen
    1. frontière
    2. limite
  2. 1. een al dan niet denkbeeldige scheidingslijn
    1. frontière
    2. limite
    3. bord
  3. 3. uiterste mate (bijv. waarin men zich iets kan veroorloven)
    1. limite
    2. frontière
pronoun
1. Franse kuststad in de Westhoek
Gravelines
pronoun
1. en 2.
Grevenmacher
noun
1. een elektronisch testapparaat waarmee o.a. de resonantiefrequentie van een antenne of resonantiekring kan worden bepaald
dipmètre
/ɣrik/, /χrik/
noun
1. inwoner van Griekenland
Grec
/ˈɣrikə(n)ˌlɑnd/, /ˈɣrikə(n)ˌlɑnt/, /ˈχrikə(n)ˌlɑnt/
pronoun
1. een land in het zuidoosten van Europa
Grèce
/ɣriks/, /χriks/
adjective
grec
/ɣriks/, /χriks/
pronoun
1. een taal die vooral wordt gesproken in Griekenland en op Cyprus
grec
/ˈɣriksə/, /ˈχriksə/
noun
Grecque
noun
3.bepaald soort zeezoogdier, Globicephala melas
globicephale noir
verb
1. grienen
pleurnicher
/ɣrip/
noun
1. een vierusziekte die jaarlijks vele mensen ziek maakt en die voor ouderen gevaarlijk kan zijn
grippe
/ˈɣriprɪk/, /ˈχriprɪk/
noun
1. een vaccinatie tegen een griepvirus
vaccin antigrippe
noun
1. grof gemalen meel
semoule
/ɣrit/, /χrit/
noun
  1. C. vissoort
    barbue
  2. B. grutto
    barge à queue noire
  3. A. jonge vrouw, meisje
    1. gonzesse
    2. nana
adjective
  1. sinistre
  2. angoissant
noun
1. iemand die de taak heeft alle communicatie rond een zaak schriftelijk vast te leggen en te ordenen
greffier
noun
1. Oudgrieks fabeldier met de kop, voorpoten en vleugels van een adelaar en de romp, achterpoten en staart van een leeuw
griffon
verb
1. plotseling iets of iemand beetpakken
  1. saisir
  2. empoigner
adjective
1. de kleur grijs hebbend
gris
noun
tint grijs met RAL-nummer 9007
aluminium gris
noun
1. oude man
vieillard
adjective
1. gelijkend op, of eigenschappen hebbend van grijs
grisâtre
adjective
beige gris
adjective
bleu gris
adjective
brun gris
adjective
blanc gris
noun
1.
oreillard gris
noun
1. stevige zwarte walvis, met bolvormig voorhoofd en een heel kleine snuit
baleine grise
noun
1.
  1. élanion blac
  2. élanion blanc
noun
1. bepaald soort zoogdier, Halichoerus grypus
phoque gris
verb
1. grijs worden, grijze haren krijgen
griser
adjective
1. iets dat een beetje grijs is
grisâtre
verb
griller
noun
1. vertrokken gelaat, grijns, frats
grimace
verb
grimer
noun
gravier
noun
grisaille
/ˈgrɪzliˌbeːr/, /ˈɣrɪzliˌbeːr/
noun
1. Ursus arctos horribilis, een Amerikaanse ondersoort van de bruine beer.
grizzli
/ɣruj/, /χruj/
noun
1. het groter worden
croissance
/ˈɣrui̯ə(n)/
verb
groter worden
  1. croître
  2. pousser
noun
processus de croissance
adjective
1. met de kleur zoals bladeren van planten die meestal hebben
vert
noun
1. kleur zoals bladeren van planten die meestal hebben, geel met blauw gemengd
vert
/'ɣrun lɑxə(n)/
phraseologicalUnit
1. geforceerd glimlachen
rire jaune
adjective
beige vert
adjective
bleu vert
adjective
brun vert
noun
1. Amaranthus hybridus
amarante hybride
noun
1. de jonge scheuten van Asparagus officinalis
asperge verte
/ˈɣru.nə ˈbom.bo.a/, /ˈχru.nə ˈbom.bo.a/
noun
1. een grote groene slang die voorkomt in delen van Zuid-Amerika
  1. boa canin
  2. boa émeraude
/ˈɣru.nə ˈɦɔnts.kɔp.bo.a/, /ˈχru.nə ˈɦɔnts.kɔp.bo.a/
noun
1. een grote groene slang die voorkomt in delen van Zuid-Amerika
  1. boa canin
  2. boa émeraude
noun
1. benaming voor dieren uit het geslacht Pelophylax
grenouille verte
noun
1. bepaald soort orchidee, Coeloglossum viride
orchis grenouille
noun
1. Picus viridis
  1. pic vert
  2. pivert
noun
maillot vert
adjective
gris vert
/ˈɣru.nəx/, /ˈɣru.nɪx/, /ˈχru.nəχ/
adjective
2. op groen lijkend
verdâtre
/ˈɣrun.lɑnd/, /ˈɣrun.lɑnt/, /ˈχrun.lɑnt/
pronoun
1. een groot eiland ten noordoosten van Canada, deel uitmakend van het koninkrijk Denemarken
Groenland
adjective
groenlandais
pronoun
1. een Inuittaal gesproken door ongeveer 50.000 personen in Groenland, waar het een officiële taal is, en ook in Denemarken
groenlandais
noun
1. bepaald soort zeezoogdier, Balaena mysticetus
  1. baleine de grande baie
  2. baleine du Groenland
pronoun
1. de zee ten westen van Groenland
Mer du Groenland
noun
2. groene zangvogel
verdier d'Europe
noun
1.
vert-de-gris
noun
1. eetbare planten of delen daarvan
légume
/ɣrup/, /ʝrup/
noun
1. uit meerdere personen of eenheden bestaand geheel
groupe
verb
1. in groepen stellen
grouper
noun
1.
boulette
noun
immunité grégaire
noun
rechtszaak met groep als partij
  1. action collective
  2. recours collectif
/ˈɣrut/, /ˈχrut/
noun
1. een uiting waarbij men elkaars aanwezigheid erkent wanneer men elkaar ontmoet
salutation
/ˈɣrutə(n)/
noun
1. iemand goedendag of gedag zeggen
saluer
adjective
défraichi
noun
1.
ciboule
/ɣrɔk/, /ɣrɔx/
noun
1. alcoholisch mengsel van rum, suiker en heet water
grog
noun
1. het in eigendom hebben van een stuk van de aarde
  1. foncier
  2. propriété foncière
noun
1. benaming voor vissen uit de familie Gobiidae
gobie
verb
barboter
verb
  1. 3. het in de grondverf zetten
    abreuver
  2. 2. het grondvesten van een bedrijf
    fonder
  3. 1. het peilen van waterdiepte
    sonder
noun
fondateur
noun
droits fondamentales
noun
1. grondschaaf voor het vlakken van bodems
guimbarde
noun
  1. matière première
  2. matière de base
noun
  1. 1. een zuivere sinustoon
    fréquence fondamentale
  2. 2. de laagste toon van een toonladder
    tonique
noun
1. verf voor eerste verflaag
apprêt
noun
1. al het water dat zich in de aardbodem bevindt
  1. eau souterraine
  2. nappe phréatique
noun
1. wet die de principes van een staat definieert
constitution
/ˈɣroːˌnɪŋə(n)/, /ˈχroˌnɪŋə(n)/
pronoun
  1. 1. hoofdstad van de provincie Groningen
  2. 2. gemeente in de provincie Groningen waarin de stad Groningen ligt
  3. 3. provincie in het noorden van Nederland, die door Friesland, Drenthe en het Duitse Oost-Friesland wordt begrensd
Groningue
/ɣroːt/
adjective
  1. 1. meer dan normaal in formaat
  2. 2. bewonderenswaardig, goed
  3. 3. machtig, belangrijk
  4. 4. volwassen
  1. grand
  2. grande
/ɣroːt/
adverb
1. in ruime mate
grandement
noun
bepaald soort eenjarige sierplant, Tagetes erecta
rose d'Inde
noun
1. vlinder uit de familie dikkopjes, Ochlodes sylvanus
sylvaine
adjective
1. met een zeer forse penis
  1. bien monté
  2. monté comme un âne
pronoun
1. dorp in Vlaams-Brabant
Grand-Bigard
/ˌɣroːd brɪˈtɑni.jə/, /ˌχrot brɪˈtɑni.jə/
pronoun
1. benaming voor het '[[Verenigd Koninkrijk|Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland]]', dat officieel met Verenigd Koninkrijk wordt aangeduid.
Grande-Bretagne
noun
1. het grotetertsakkoord
accord majeur
noun
1. de verzameling van alle grootboekrekeningen met de wijzigingen die zich gedurende een bepaalde periode voordoen
grand-livre
noun
1. cirkel op bol met gelijk middelpunt
grand cercle
pronoun
1. stad in Namibië
Grootfontein
noun
1.
  1. grossiste
  2. commerçant en gros
  3. marchand en gros
noun
1. adellijke titel die hoger is dan die van hertog maar lager dan die van koning
grand-duc
noun
1.
grand-duché
noun
objectif grand angle
noun
1.
Grand Inquisiteur
noun
1. een moeder van een ouder
grand-mère
noun
1. Plecotus auritus, vleermuissoort die de naam te danken heeft aan de bijzonder grote oren
oreillard
noun
renard à oreilles de chauve-souris
/ˈɣrotˌʌʊdər/
noun
1. de ouder van een ouder
grand-parent
noun
1. lijn waarmee de stand van het grootzeil ten opzichte van wind en boot geregeld wordt
écoute de la grand-voile
noun
fanfaronnade
noun
  1. taille
  2. grandeur
/ˈɣroːtˌfaːdər/
noun
1. de vader van een ouder
  1. grand-père
  2. aïeul
noun
  1. 1. in de klassieke zeilvaart de onderste, grootste zeil aan de grote mast
  2. 2. in de moderne zeilvaart het zeil bevestigd met het voorlijk aan de achterkant van de (grootste) mast
grand-voile
noun
1.
  1. écoute
  2. écoute de la grand-voile
noun
1. authentieke uitgifte met uitvoerbare titel
grosse
verb
grossoyer
noun
prix marchand
noun
1. Limax Maximus, een naaktslak
  1. limace léopard
  2. limace panthère
pronoun
1. hoog aan het noordelijk halfrond duidelijk zichtbaar sterrenbeeld
Grande Ourse
noun
1. grote bruine nachtvlinder met witte strepen, Arctia caja
  1. écaille hérissonne
  2. écaille martre
noun
1. bepaald soort vrij grote vogel met zwarte rug- en lichtere buikzijde, Dendrocopos major
pic épeiche
noun
1. soort zeevogel van ongeveer 70 centimeter groot, Larus hyperboreus
goéland bourgmestre
noun
1. de eindhersenen en de tussenhersenen vormen samen de grote hersenen
cerveau
noun
grand labbe
noun
coquelicot
noun
1. soort zeevogel, Larus marinus
Goéland marin
pronoun
1. de naam voor de 5 grote meren op of nabij de grens tussen de Verenigde Staten en Canada
Grands Lacs
noun
1.
  1. orchis moucheron
  2. orchis moustique
pronoun
1.
Grande Nèthe
pronoun
1. de oceaan die ligt tussen Oost-Azië, Noord- en Zuid-Amerika en Australië
Océan Pacifique
noun
1. Balaena mysticetus, grote massieve walvis met een kolossale kop
  1. baleine de grande baie
  2. baleine du Groenland
noun
1. bepaalde soort zeevogel, te herkennen aan zijn zwarte kuif en snavel met een klein geel puntje, Sterna sandvicensis
sterne caugek
phraseologicalUnit
1. een interval dat vier halve tonen omvat
tierce majeure
noun
1. een lange vakantie in de zomer
grandes vacances
noun
  1. grand harle
  2. harle bièvre
noun
1. Melanitta fusca, een vrijwel geheel zwarte eendensoort die voornamelijk op zee voorkomt
macreuse brune
adverb
1. voor het grootste gedeelte
en grande partie
adjective
1. op afschrikwekkende wijze buitenissig
grotesque
noun
1. een toonladder met een grote terts
gamme majeure
noun
1. een toonladder met een grote terts
gamme majeure
noun
1. een toonladder met een grote terts
gamme majeure
noun
1. een toonladder met een grote terts
gamme majeure
noun
gruau
/ˈxrʏto/, /ˈɣrʏto/
noun
1. bepaald soort weidevogel en een van de grootste steltlopers
barge à queue noire
/ˈxrywəl/
noun
1.
abomination
noun
atrocité
/'ɣryzələ'mɛntə(n)/
noun
1. stukken die ontstaan wanneer een voorwerp breekt
  1. miettes
  2. débris
noun
een dipsaus uit Midden-Amerika
guacamole
pronoun
Guadeloupe
/ˌgwadəˈlupskreˌjols/
pronoun
1. mengtaal die op Guadeloupe wordt gesproken
créole guadeloupéen
/ˌgʋɑ.tə.ˈma.la/, /ˌgβ̞ɑ.tə.ˈma.la/, /ˌɣ<sup>ʊ</sup>a.tə.ˈma.la/
pronoun
land in Midden-Amerika, officieel de Republiek Guatemala
Guatemala
noun
1. en 2. (vrucht van) Psidium guajava
goyave
noun
1. klein siertafeltje
guéridon
pronoun
Guernesey
noun
guérilla
/ɣœʏ̯.χəɫ.ɦɛɪ̯l/
noun
Anagallis
mouron
verb
guillocher
/ɣi.ˈne/, /χi.ˈne/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Guinee
Guinée
/ˌɣi.ne.bɪ.ˈsaʊ̯/, /ˌɣi.ne.ˈbɪ.sɔʊ̯/, /ˌχi.ne.ˈbɪ.sʌʊ̯/
pronoun
1. bepaalde soort vlinder, Vanessa atalanta
Guinée-Bissau
adjective
1. op Guinee betrekking hebbend
guinéen
pronoun
1. een taal die oorspronkelijk in Gujerat gesproken wordt. De taal wordt nu ook in Uganda, Tanzania, Kenia en Pakistan gesproken
  1. gujarati
  2. goudjarati
adjective
1. vrijgevig
généreux
/ɣɵlp/
noun
  1. 1. een door een strook stof afgesloten opening aan de voorzijde van een broek van de man,...
    braguette
  2. 2. een plotseling binnenkomende straal of golf water
    1. coup
    2. gorgée
noun
1. een object waarmee potlood weer weggehaald kan worden
gomme
adjective
  1. favorable
  2. faste
noun
1. een levendbarend tandkarpertje en aquariumvisje uit Zuid-Amerika
guppy
pronoun
1. het zuidelijk deel van Luxemburg
  1. Bon Pays
  2. Pays Bon
noun
  1. bien-pensant
  2. bonasse
noun
1. een gootvormige steekbeitel voor houtbewerking
gouge
adjective
guttural
noun
consonne gutturale
/ɣi.ˈja.na/, /ɣβ̞i.ˈja.na/, /χi.ˈja.na/
pronoun
1. een land in Zuid Amerika, officieel de Coöperatieve Republiek Guyana
Guyana
/ɣɪm/
noun
  1. 1. gymnastiekles
    1. gym
    2. gymnastique
  2. 2. gymnasium
    lycée classique
noun
  1. 1.
  2. 2.
gymnase
noun
1.
gymnaste
noun
1. oefeningen voor de gezondheid van een mens
gymnastique
noun
gynécologie
/ɣinəkoˈlox/
noun
gynécologue
adjective
gyroscopique
noun
1. schaamte
gêne
pronoun
1.
Gœrlitz
/ˈgœtɪŋən/
pronoun
1. + 2. stad en district
Göttingen
noun
1. een afscheiding bestaande uit kreupelhout of struikgewas
haie
noun
1. bepaald soort loofboom, Carpinus betulus
charme
/haːɪ̯/, /ɦaɪ̯/
noun
1. benaming voor roofvissen uit de superorde Selachimorpha
  1. requin
  2. squale
noun
1.
soupe d'ailerons de requin
/haːk/
noun
crochet
noun
arquebuse
noun
1. een naald die wordt gebruikt bij haakwerk
crochet
adjective
1. onder een rechte hoek
perpendiculaire
/ˈɦal.mɛs/, /ˈɦaɫ.mɛs/
noun
1. een groot mes om bomen mee te schillen
  1. plane
  2. plane de menuisier
/ɦan/
noun
1. mannelijk dier bij de hoenderachtige vogels
coq
noun
2. schelpdier dat wel als voorafje gegeten wordt in mosselrestaurants
coque
noun
1.1 hoofdhaar, uitgroeisel van de epidermis dat delen van het hoofd bedekt
  1. cheveu
  2. chevelure
  3. poil
noun
1.
  1. bandeau
  2. serre-tête
noun
1. plaats in de woning bedoeld om er een vuur te branden
  1. foyer
  2. âtre
noun
  1. sèche-cheveu
  2. sèche-cheveux
noun
2. verticaal rooster om vonken en kooltjes die van een brandend haardvuur kunnen komen tegen te houden
garde-cendre
verb
chicaner
noun
coupeur de cheveux en quatre
noun
chicane
noun
laque
/ˈharsxœyfjə/
noun
1. bepaald type haarspeld
épingle à cheveux plate
noun
1. een doorgaans dunne speld waarmee het haar kan worden opgestoken.
épingle à cheveux
/ˈharspɛldˌboχt/
noun
1. een zeer scherpe bocht in de weg, gelijkend op een haarspeld, die gebruikt wordt om op een beperkte ruimte sterke hoogteverschillen te overbruggen
  1. virage en lacet
  2. virage en épingle à cheveux
noun
  1. capillaire
  2. vaisseau capillaire
noun
1. Lepus eropaeus, een konijnachtig zoogdier met lange achterpoten een gespleten lip en lange oren
  1. lièvre
  2. hase
/hast/
adverb
1. bijna
presque
/hast/
noun
1. de drang hebben om iets snel te doen
hâte
/'ɦastən/
verb
1. trachten om dat wat men te doen heeft snel af te maken
  1. se dépecher
  2. se hâter
/ˈhastəxəˌsput ɪˈzeldə(n)ˌɣut/
interjection
1. iets overhaast doen levert vaak fouten op
  1. la hâte est mère de l'échec
  2. qui se hâte trop, reste en chemin
  3. qui se hâte trop, se fourvoie
/ɦaːt/
noun
1. sterk gevoel van vijandschap
  1. haine
  2. seum
pronoun
2. boek in de Bijbel
Habacuc
noun
1.
habit
adjective
1. uit gewoonte
habituel
verb
1. inbreken in een informatiesysteem
pirater
noun
1. iemand die zich onbevoegd toegang verschaft tot een computersysteem
  1. hacker
  2. cyberpirate
noun
hackerspace
noun
hadj
noun
1. bepaalde soort vlinder, Vanessa atalanta
hadron
noun
1. scheikundig element met symbool Hf en atoomnummer 72
hafnium
noun
1. langstaartig, geschubd reptiel uit de onderorde Lacertilia
lézard
/haɣəɫ/
noun
1. bolvormig ijs dat als neerslag uit de hemel valt
  1. grêle
  2. grêlons
noun
1. een bui met hagel
averse de grêle
verb
1. het uit de hemel neerkomen van hagelstenen
grêler
noun
1. een vuurwapen om voornamelijk hagelpatronen mee af te schieten
fusil de chasse
noun
  1. 2. het met kracht neervallen van de hagel
    chute de grêle
  2. 3. hagelschade
    dégâts causés par la grêle
  3. 1. een soort broodbeleg, bestaande uit strooisel van chocolade of gekleurde suiker
    1. granulés de chocolat
    2. granulés de sucre
/ˈhaɣəlˌsten/
noun
1. een klontje ijs dat als neerslag uit de lucht komt
grêlon
pronoun
2. boek in de Bijbel
Agée
noun
hagiographie
noun
1.
haïku
noun
  1. 3. werktuig om de grond mee open te hakken
    houe
  2. 1. hiel van de voet
    talon
/ˈhaː.kə(n)ˌkrœys/
noun
croix gammée
/ɦɑl/
noun
1. hardheid van de grond tengevolge van de vorst, plek bevroren grond, hardbevroren aardkorst
gélisol
/ˈɦalə(n)/
verb
1. ergens heengaan met als doel om iets of iemand mee terug te brengen
aller chercher
noun
demi-frère
noun
1-2
  1. semi-conducteur
  2. semiconducteur
noun
semi-voyelle
adjective
bimensuel
adverb
1. halverwege de vlaggenstok
en berne
adjective
2. waaruit de helft van de vetten verwijderd is
demi-écrémé
noun
1. de tijd waarin een exponentieel vervalled proces tot de helft van zijn oorspronkelijke waarde vermindert
demi-vie
adverb
1.
à mi-chemin
adjective
2.
mollet
noun
demi-sœur
pronoun
  1. 1.
    Hal
  2. 2.
    Halle-sur-Saale
/hɑleˈlyja/
noun
1.
alléluia
/ˈɦɑ.ləˌkɛrk/
noun
1. een kerk met meerdere beuken
  1. église-halle
  2. Hallenkirche
  3. hallekerque
interjection
1. groet
bonjour
adjective
hallucinatoire
noun
hallucination
verb
1. zinsbegoochelingen hebben
halluciner
adjective
hallucinogène
noun
halogène
noun
halodénure
noun
cou
noun
1.
perruche à collier
noun
  1. licou
  2. licol
/ˈhɑɫtə/
noun
  1. 2. een plaats waar een bus stopt
    arrêt d'autobus
  2. 1. een plaats waar gestopt wordt
    1. arrêt
    2. halte
noun
haltère
noun
1.
demi-finale
noun
1.
blanche
noun
1.
demi-pause
noun
1.
demi-finaliste
noun
1.schijngestalte van de maan
premier quartier
/ɦɑm/
noun
  1. 2. dikke dij van een mens
    cuisse
  2. 1. vlees van de achterkant van een varken
    jambon
noun
Hambourg
/ˈham.bʏr.ɣər/, /ˈhɑm.bʏr.ɣər/, /ˈhɑm.bʏr.χər/
noun
1. schijf gebraden gehakt
hamburger
pronoun
1.
Hamelin
noun
  1. 1. werktuig dat kan worden gebruikt om te slaan
  2. 2. een van de gehoorsbeentjes in het oor
marteau
noun
1.
  1. requin-marteau
  2. requin marteau
noun
1. klein knaagdiertje dat als huisdier gehouden kan worden
  1. hamster
  2. rat de blé
verb
1. een voorraad aanleggen bij voedselschaarste
  1. accaparer
  2. amasser
  3. thésauriser
noun
question-clé
/ɦɑnt/
noun
1. uiterste deel van de arm, voorbij de pols
  1. main
  2. mains
/ˈɦɑnt.ɑl.faˌbɛt/, /ˈɦɑnt.ɑɫ.faˌbɛt/
noun
1. een verzameling gebaren waarmee alle letters van een alfabet worden uitgebeeld
  1. alphabet manuel
  2. alphabet dactylologique
  3. alphabet digital
/ˈɦɑnt.ɑr.bɛɪ̯t/, /ˈɦɑnt.ɑr.bɛːt/
noun
travail manuel
/ˈɦɑnt.ɑr.bɛɪ̯.dər/, /ˈɦɑnt.ɑr.bɛː.dər/
noun
travailleur manuel
noun
  1. bagages à main
  2. bagage à main
noun
  1. handball
  2. ballon de handball
/ˈɦɑnt.buk/
noun
1. een boek waarin getracht wordt alle informatie nuttig voor een bepaalde bezigheid bijeen te brengen
manuel
noun
1. een doek waarmee men zich afdroogt
  1. serviette
  2. serviette de bain
  3. serviette-éponge
/ˈɦɑndəl/
noun
1. de in- en verkoop van goederen
commerce
noun
1. datgene dat gedaan is
acte
pronoun
  1. Actes des Apôtres
  2. Acte des Apôtres
noun
entreprise commerciale
noun
1. vaste activapool van een winkel of bedrijf die wordt gebruikt om een zaak te drijven
fonds de commerce
noun
  1. marque déposée
  2. marque commerciale
noun
1. verhandelbaar waardepapier aan toonder of aan order
effet de commerce
noun
2. deel van het privaatrecht m.b.t. handelszaken
  1. droit des affaires
  2. droit commercial
noun
registre du commerce
noun
  1. 1. een taal die in het internationale handelsverkeer wordt gebruikt als lingua franca
  2. 2. de in de handelswereld gebruikelijke vakterminologie
langue commerciale
noun
marchandise
/ˈɦɑn.dən.ɑr.bɛɪ̯t/, /ˈɦɑn.dən.ɑr.bɛːt/
noun
travail manuel
adjective
1.
manuscrit
verb
  1. 1. iets doen voortbestaan, aan iets vasthouden
    maintenir
  2. 3. zich een positie in een groep verzekeren
    se maintenir
/ˈɦɑndɪɣ/, /ˈɦɑndɪχ/
adjective
1. goed met de handen om kunnen gaan
adroit
noun
1. gewicht aan een touw
sonde à main
noun
1. binnenzijde van de hand
paume
noun
1. gewicht aan een touw
sonde à main
noun
handplaat
paumelle
noun
1. met de hand bediende rem
frein à main
/hɑnd.sxun/, /ɦɑnt.sxun/, /ɦɑnt.sχun/
noun
1. een handkledingstuk met aparte vingers
gant
noun
sacoche
/hɑnˈtɑstələk/
adjective
tactile
/ˈhanə(n)kɑm/
noun
  1. 1. Cantharellus cibarius, een eetbare paddenstoel met een lichte pepersmaak
    chanterelle
  2. 2.
    crête de coq
/ɦɑŋ/
noun
1. de neiging tot iets
tendance
/ˈɦɑŋə(n)/
verb
pendre
/ˈɦɑŋmɑt/
noun
1. een doek dat aan de uiteinden opgehangen wordt en waarin personen kunnen liggen
hamac
noun
1. een slot dat aan een beugel hangt
cadenas
pronoun
1. stad in Duitsland
Hanovre
pronoun
1. stad en gemeente in het noordwesten van de Belgische provincie Luik
Hannut
noun
  1. 1. toneelfiguur, het meest overeenkomende Harlekijn
    Harlequin
  2. 2. grappenmaker
    bouffon
  3. 3. belachelijk persoon
    1. bouffon
    2. andouille
noun
1. stad die deel uitmaakt van de Hanze
  1. ville hanséatique
  2. ville anséatique
/haˈram/
adjective
haram
noun
1. en 2 grof gemalen meel van harde tarwe (Triticum durum)
semoule de blé dur
noun
1. een vrouwelijke beoefenaar van de hardloopsport
coureuse
noun
1. een mannelijke beoefenaar van de hardloopsport
coureur
phraseologicalUnit
1. de woorden tijdens het lezen uitspreken
lire à haute voix
verb
1. met bij temperaturen boven 450°C gesmolten metaal voorwerpen van metalen...
braser dur
noun
1. elektronische en mechanische delen in en om computersystemen
  1. hardware
  2. matériel
pronoun
2. deelgemeente van Brussel
Haren
/ˈɦarɪŋ/
noun
1. zoutwatervis
hareng
noun
1. bepaalde middelgrote haai en consumptievis, Lamna nasus
  1. requin-taupe
  2. taupe de mer
noun
1. tuingereedschap aan lange steel, met een reeks tanden aan de onderzijde
râteau
noun
harmonie
adjective
harmonieux
noun
harmonisation
verb
1. standaardiseren
harmoniser
noun
1. (muziekinstrument) een toetsinstrument dat gerekend wordt tot de aerofonen
harmonium
noun
1. een wapenuitrusting gemaakt van metalen platen die het lichaam volledig of grotendeels bedekt
  1. armure
  2. cuirasse
noun
1.
harpe
/hɑrˈpun/, /ɦɑrˈpun/
noun
  1. 1. een grote pijl met weerhaken aan een touw
    harpon
  2. 2. een speer met weerhaken
    1. harpon
    2. foène
verb
1. het vangen van vissen door middel van een harpoen
harponner
/ɦɑrs/
noun
1. het stroeve en plakkerige product van boomsappen, met name van naaldbomen
résine
noun
1. een draadvormige soldeer met een kern van hars
soudure étain âme décapante
noun
1. soldeertin in draadvorm met een kern van hars
soudure étain âme décapante
/ɦɑrt/
noun
  1. cœur
  2. coeur
/ˈɦɑrtˌanduːnɪŋ/
noun
1. aandoening aan het hart
maladie de cœur
noun
1. het afsterven van hartspierweefsel door afsluiting van een kransslagader of een tak hiervan
  1. crise cardiaque
  2. infarctus du myocarde
noun
1.
valet de cœur
noun
1.
roi de cœur
adjective
savoureux
noun
1. verstopping van een kransslagader of een tak hiervan, leidend tot het afsterven van hartspierweefsel
infarctus du myocarde
noun
1. hartweefsel in de vorm van een vlies dat samengetrokken door een spiertje terugstromen van het verder gepompte bloed tegengaat
valve cardiaque
/ˈɦɑrtkʋaːl/
noun
1. kwaal aan het hart
maladie de cœur
noun
1.
cardiaque
noun
rythme cardiaque
noun
battement coeur
noun
cardiologue
/ˈhɑrtstɪlstand/, /ˈhɑrtstɪlstɑnt/, /ˈhɑrtstɪɫstɑnt/
noun
1. het stoppen van het kloppen van een hart
arrêt du coeur
adjective
1. sterke emoties van schok en ontzetting oproepend
  1. déchirant
  2. désespérant
noun
1. een taai ondoorzichtig vliesachtig zakje in de thorax, waarin het hart zich bevindt
péricarde
noun
1. emotionele pijn die ontstaat door het verlies van een geliefd persoon
crève-cœur
/ˈɦɑrtsiktə/
noun
1. kwaal aan het hart
maladie de cœur
noun
1. softdrug, bereid uit ingedikt sap van gedroogde en fijngestampte vrouwelijke hennepbloemen
  1. haschich
  2. haschisch
pronoun
1. vruchtbare Belgische landbouwstreek
Hesbaye
adjective
1.
hesbignon
noun
1. scheikundig element met symbool Hs en atoomnummer 108
hassium
adjective
1. door onvriendelijke gevoelens gedreven
odieux
/'ɦatə(n)/
verb
kwade gevoelens jegens iemand koesteren
  1. haïr
  2. détester
interjection
atchoum
pronoun
1. taal die wordt gesproken door meer dan 85 miljoen mensen, vooral in Niger en Nigeria
haoussa
/ˌotkuˈtyr/
noun
haute couture
noun
1. een droge doosvrucht, die minstens driemaal zo lang als breed is, zoals bij koolzaad en pinksterbloem.
silique
/ɦavə(n)/
noun
1. natuurlijke of aangelegde aanlegplaats voor schepen.
  1. port
  2. havre
/ˈɦaːvən.ˌɑrbɛidər /
noun
1. arbeider die in een haven werkt
débardeur
noun
1. een golfbreker bij een haven
  1. môle
  2. jetée
noun
  1. 1. en 2. (zaden van) eenjarig graangewas Avena sativa
    avoine
  2. 1. éénjarig graangewas Avena sativa
    avoine cultivée
/ˈhavərˌmɪːɫ/
noun
zeer fijn gemalen haver
farine d'avoine
noun
plantaardige melk op basis van hele haverkorrels
lait d'avoine
noun
bouillie d'avoine
noun
met de zaadhuiden vergroeide vruchtwanden en kiemen van haverkorrels
fibre d'avoine
noun
havervlokken
flocons d'avoine
noun
met de zaadhuiden vergroeide vruchtwanden en kiemen van haverkorrels
son d'avoine
/ˈɦavɪk/
noun
  1. 1. Accipiter gentilis, een roofvogel die op kleine zoogdieren en vogels jaagt
    1. autour
    2. autour des palombes
  2. 2. iemand die graag oorlog wil voeren
    1. faucon
    2. autour
noun
1. een heester waaraan hazelnoten groeien
  1. noisetier
  2. coudrier
/ˈɦa.zəlˌmœːs/, /ˈɦa.zəɫˌmœʏ̯s/
noun
1. knaagdier in de familie van slaapmuizen, Muscardinus avellanarius
muscardin
/ˈhazəɫˌnot/
noun
1. een vrucht van de hazelaar
noisette
noun
1. pootloze hagedis (Anguis fragilis)
orvet commun
/ˈhaː.zə(n)ˌlɪp/
noun
bec-de-lièvre
noun
1. snelle hond wordt ingezet voor wedrennen of jacht op hazen
  1. lévrier
  2. levrette
/ha.ˈhi.ti/, /ɦa.ˈi.ti/, /ɦɑ.ˈi.ti/
pronoun
1. een land in het Caribisch gebied bezettend de westelijk derde van het eiland Hispaniola
Haïti
/haʔitiˈjanskreˌjols/
pronoun
1. taal gesproken door 6 000 000 mensen
créole haïtien
/ˈɦɛbə(n)/
verb
  1. 1. bezitten
    1. avoir
    2. supporter
  2. 1. voor voltooide tijd
    1. avoir
    2. être
  3. 2. moeten
    devoir
pronoun
1. officiële taal van Israël, de heilige taal van de Joden en de taal van de Tenach
  1. hébreu
  2. hébraïque
pronoun
Hébreux
noun
1. arrest, gevangenschap
garde à vue
noun
1. heckelfoon
heckelphone
noun
1. 100 liter
hectolitre
noun
1.
hectomètre
/ˈɦeː.də/
noun
1. werk, afval van vlas of hennep
  1. étoupe
  2. filasse
noun
1. leer dat genot het hoogste goed is
hédonisme
noun
merlu commun
/heːl/
adverb
1. in hoge mate
très
/he.ˈlal/, /ɦe.ˈlaɫ/
noun
[1] het gehele tijd-ruimtecontinuüm waarin wij bestaan, samen met alle materie en energie
univers
noun
1. de christelijke aanduiding voor God
Seigneur
/ɦɪːr/
noun
1.
Monsieur
adjective
1.
  1. délicieux
  2. délicieuse
noun
1.
seigneurie
noun
prêle des champs
noun
1. iemand die de macht uitoefent
dominateur
/ˈhes.tərˌslɑk/
noun
1. algemeen in Europa voorkomende landslakkensoort
hélice des bois
/ɦeːt/
adjective
1.
  1. très chaud
  2. ardent
/ˈhetoft/, /ˈheːthof/
noun
[1] een persoon die snel boos wordt
soupe au lait
noun
1.
levier
verb
  1. lever
  2. élever
  3. percevoir
noun
chariot élévateur
noun
hégémonie
noun
1. een zangvogel ter grootte van een huismus met opvallend grijs op de kop
accenteur mouchet
noun
1. een stuk tuingereedschap dat gebruikt wordt om heggen te snoeien
cisaille à haies
noun
bruyère
/ˈhɛɪ̯də/, /ˈhɛːdə/
noun
  1. 1. een met heidekruid begroeide vlakte
    bruyère
  2. 2. onbebouwde grond
    lande
noun
1. een verzamelnaam voor de polytheïstische religies waarmee het zich verspreidende christendom in aanraking kwam
paganisme
adjective
1. van de heidenen
païen
adjective
violet bruyère
noun
1. bepaald soort grote schol, reus onder de platvissen en consumptievis, Hippoglossus hippoglossus
flétan
/ɦɛj.ləɣ/
adjective
1. door wijding aan het goddelijke bijzonder gemaakt
  1. saint
  2. sacre
noun
1. plaats of gebouw gewijd aan een god of godin
sanctuaire
noun
1.
  1. Saint-Esprit
  2. Esprit-Saint
noun
1.
ibis sacré
noun
vergrijp aan iets heiligs
sacrilège
adjective
  1. bienfaisant
  2. bénéfique
  3. salutaire
/ˈɦɛɪmələk/, /ˈɦɛːmələk/
adjective
1. geheim, opzettelijk verborgen
furtif
/'hɛɪmʋe/
noun
1. sterk verlangen naar een plek die als thuis ervaren wordt
  1. mal du pays
  2. nostalgie
/ɦɛk/
noun
  1. 4. de bovenachterzijde van een schip (achterreling)
    1. arcasse
    2. poupe
  2. 3. raamwerk van latten van een molenwiek
    châssis
  3. 1. omheining, afscheiding
    clôture
  4. 2. draaibaar deel van een omheining, het deel dat als toegang gebruikt wordt
    grille
noun
1. een tweede, meestal licht anker aan het achterschip
ancre de poupe
noun
1. de kleinste boot aan boord, de sloep die aan de hekdavits hangt
chaloupe du pont arrière
noun
1. elk van de twee (draaibare) ijzeren stangen op de achterkant van de boot waaraan de heksloep gehangen kan worden
bossoir d'embarcation
noun
1. werktuig gebruikt bij het verwerken van hennep of vlas
  1. séran
  2. sérançoir
verb
2. vlasvezels van de laatste aanhangsels ontdoen
sérancer
noun
1. golf veroorzaakt door de achterkant van een boot, eventueel in combinatie met een schroef
sillage
noun
1. navigatieverlichting aan de achterkant van het schip
feu de poupe
/ɦɛks/
noun
1. een over het algemeen vrouwelijk persoon aan wie bovennatuurlijke krachten worden toegeschreven
sorcière
/ˈhɛksə(n)ˌjɑxt/
noun
1. het jagen op vermeende heksen
chasse aux sorcières
noun
sorcellerie
noun
1. de sloep die aan de hekdavits hangt
chaloupe du pont arrière
noun
1. stag die loopt van de achterkant van de boot naar de top van de mast
pataras
noun
1. vissersboot waar het net over het hek binnengehaald wordt
chalutier
noun
1. vissersboot waar het net over het hek binnengehaald wordt
chalutier
/'ɦɛl/
noun
1. een plek waar de ziel van daartoe veroordeelde overledenen naar toe gaan
enfer
adverb
1. jammer genoeg, spijtig genoeg
  1. hélas
  2. malheureusement
interjection
1. een uitroep van spijt, ontgoocheling, verdriet
hélas
/ɦɛlt/
noun
héros
noun
1. schrijver van heldendichten
poète épique
/'hɛl·dərˌhɛɪt/
noun
2. de intensiteit van uitgezonden licht
luminance
noun
  1. clairvoyant
  2. clairvoyante
noun
1.
ronde
noun
1.
demi-pause
/'ɦelə(n)/
verb
  1. 2. gestolen goed in ontvangst nemen
    1. fourguer
    2. receler
  2. 1. gezond worden
    guérir
/ɦɛlft/
noun
moitié
pronoun
1. mythologische hond
Cerbère
/ɦelɪˈkɔptər/
abbreviation
1. luchtvaartuig dat d.m.v. een hefschroef verticaal kan opstijgen en landen
hélicoptère
/ˈhe.lɪŋ/
noun
  1. 1. het gezond worden of maken van iemand
    guérison
  2. 2. het verkopen van gestolen goederen zonder dat de verkoper ze zelf gestolen heeft
    recel
adjective
héliocentrique
noun
1. een chemisch element en een inert edelgas
hélium
pronoun
1. een dorp in de Belgische provincie West-Vlaanderen
Helchin
noun
1. lang middeleeuws wapen
hallebarde
adjective
1. met betrekking tot de Hellenen of de Helleense talen
  1. hellène
  2. hellénique
pronoun
1. taalfamilie van het Grieks en enkele nauw verwante talen die in Griekenland worden gesproken
langues grecques
/ɦɛlə(n)/
verb
1. schuin staan
incliner
pronoun
1. stad in Twente in het oosten van Overijssel
Hellendoorn
noun
hellénisme
noun
1. een glooiing in het landschap
pente
/ɦɛlm/
noun
  1. 1. beschermend hoofddeksel
    1. casque
    2. heaume
  2. 2. helmgras
    oyat
noun
barre franche
/ˈɦɛlm.knɔp/
noun
anthère
noun
barre franche
/ˈɦɛlpə(n)/
verb
1. iemand bijstaan
aider
pronoun
1. de hoofdstad van Finland
Helsinki
/ɦɛm/
personalPronoun
  1. 1.
    le
  2. 2.
    lui
noun
1. bloeduitstorting in de huid
hematome
noun
1. kledingstuk voor het bovenlijf
chemise
/ˈɦeːməl/
noun
  1. 1. lucht, onmetelijke ruimte die overal op aarde bovenaan zichtbaar is
    ciel
  2. 2. het hiernamaals, leven na de dood
    1. ciel
    2. paradis
noun
lit à baldaquin
noun
1. lijkbezorging waarbij het lichaam van een dode een plaats boven de grond krijgt waar het door dieren wordt opgegeten
inhumation céleste
noun
  1. corps céleste
  2. astre
adjective
bleu ciel
adjective
2. in rechte lijn gemeten
à vol d'oiseau
pronoun
1. de herdenking dat Jezus Christus na zijn verrijzenis opgevaren is naar God Zijn Vader in de hemel
Ascension
noun
1. christelijke feestdag waarin gevierd wordt dat Jezus na de opstanding naar de Hemel ging
Ascension
noun
foudre
noun
1. hemiool
hémiole
noun
hémisphère
noun
1. bloedzuivering door middel van een kunstnier
hemodialyse
noun
1. bloederziekte
hémophilie
noun
1.
hémoglobine
noun
hémorragie
noun
1. knobbelachtige zwelling van aders in het onderste deel van de endeldarm en in de anus
hémorroïdes
/ɦɛn/
noun
1. vrouwtje van hoenderachtige vogels
poule
/ˈhɛndrɪk/
pronoun
  1. 1. mannelijke voornaam
  2. 2. spelwoord voor de letter h
Henri
pronoun
1. Belgische provincie
Hainaut
adjective
1.
  1. hainuyer
  2. hennuyer
noun
1. visserswerktuig
canne
/ɦɛŋst/
noun
  1. 3. harde klap
    1. beigne
    2. gnon
  2. 1. mannelijk paard
    1. étalon
    2. cheval entier
noun
  1. 3. de cockpit van een vliegtuig
    1. cabine de pilotage
    2. cockpit
  2. 1. het gat in de achterkant van een schip waar de roerkoning van een doorgestoken roer doorheen steekt, de bovenkant van de hennengatskoker
    jaumière
/ˈɦɛ.nəp/
noun
chanvre
noun
1. C31H64
untriacontane
adjective
1. met betrekking tot de lever
hépatique
noun
1. leverontsteking
hépatite
noun
1. gelijktijdige vergroting van de lever en de milt
hépatosplénomégalie
noun
1. C₇H16
heptane
noun
1. ruimtelijke figuur met zeven vlakken
heptaèdre
/herɑl'dik/
noun
1. de wetenschap die zich bezighoudt met de wapenkunde
héraldique
adjective
héraldique
noun
1. eet- en overnachtingsgelegenheid die kleiner, goedkoper en eenvoudiger is dan een hotel
auberge
verb
    1. 1. huisvesten
    2. 2. tot verblijf dienen
    héberger
  1. 3. bevatten
    renfermer
noun
1. dier dat zich met plantaardig voedsel voedt
herbivore
pronoun
  1. 1. Romeinse halfgod
  2. 2. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Hercule
verb
1. plechtig aandacht schenken aan een gebeurtenis uit het verleden
  1. commémorer
  2. remémorer
noun
commémoration
/hɛrˈdɛŋkɪŋsˌdinst/
noun
1. een (kerk)dienst ter herdenking
office commémoratif
/'ɦɛrdər/
noun
1. begeleider en bewaker van een kudde
berger
noun
1.
bergère
noun
1. hond die een kudde bewaakt
  1. chien de berger
  2. berger
/ˈhɛr.dərsˌyr/
noun
1.
heure du berger
/ˈhɛr.dərsˌyr.tjə/
noun
1.
heure du berger
verb
1. opnieuw gedrukt doen verschijnen
réimprimer
adjective
héréditaire
noun
1. erfelijkheid
hérédité
noun
1. een geestelijke die in afzondering leeft
ermite
noun
1. Geronticus eremita
  1. ibis chauve
  2. ibis érémite
noun
1. een kreeftachtige (Eupagurus bernhardus) uit de orde van tienpotigen, die in de schelp van een zeeslak woont
bernard-l'hermite
noun
1. een toilet of wc-ruimte voor mannen
toilettes pour hommes
/heˌresiˈjɑrx/
noun
1. iemand die een leidende rol speelt in een ketterse beweging
hérésiarque
noun
hérésie
noun
1. derde jaargetijde
automne
noun
1. herfstdag
  1. jour (m) d'automne
  2. jourée (f) d'automne
/ˈhɛrfstmant/
noun
1. herfstmaand
mois (m) d'automne
noun
1. herfstnacht
nuit (f) d'automne
noun
1. evenaarpassage van de zon richting zuid
point équinoxal d'automne
noun
1. bepaald soort plant, Colchicum autumnale
colchique d'automne
noun
temps d'automne
adjective
bijvoeglijk naamwoord
répété
verb
  1. 1. iets opnieuw zeggen
  2. 1. iets opnieuw doen
répéter
noun
1. het nogmaals plaatsvinden
répétition
noun
1. lastige en hinderlijke veldmosterd die meestal op en rond akkers groeit
  1. moutarde des champs
  2. sanve
/ɦɛr.'ɪ.nə.rə(n)/
verb
  1. 1. opnieuw in gedachte brengen
    rappeler
  2. 2. uit het geheugen opdiepen
    1. se rappeler
    2. se souvenir
pronoun
1.
Herck
pronoun
1. gemeente in het westen van Belgisch-Limburg
Herck-la-Ville
noun
1.een extra mogelijkheid om een succes te behalen nadat dit eerder mislukt is
  1. reprise
  2. seconde chance
verb
recapitaliser
verb
2. tot vervelens toe herhalen
ressasser
noun
1. een herbivoor die zijn voedsel herkauwt
  1. ruminant
  2. ruminante
noun
reconnaissance
noun
réélection
/hɛrˈlevə(n)/
verb
1. opnieuw tot leven komen, opnieuw opbloeien
  1. renaître
  2. revivre
verb
1. opnieuw lezen
relire
noun
1.
relecture
/ˈɦɛr.mɑn/
pronoun
1. een jongensnaam
Armand
noun
1. bepaald klein wezelachtig zoogdier, Mustela erminea
hermine
pronoun
Hermès
adjective
1. luchtdicht
hermétique
noun
1. uitstulping van een orgaan of weefsel uit de lichaamsholte waar het normaliter in ligt
hernie
verb
1. opnieuw ontdekken
redécouvrir
noun
1.
redécouverte
verb
rouvrir
noun
réouverture
noun
  1. 1. een verbetering van een reeds verrichte chirurgische ingreep
  2. 2. het opnieuw uitvoeren van een actie
réopération
verb
1. opnieuw aan een chirurgische ingreep onderwerpen, acties opnieuw uitvoeren, opnieuw optreden
  1. réfonctionner
  2. réopérer
verb
réorienter
verb
1. een eerder verloren positie opnieuw veroveren
reconquérir
noun
1. het opnieuw veroveren van iets dat eerst verloren was gegaan
reconquête
noun
een verdovend middel
héroïne
adjective
1. heldhaftig, dapper
héroïque
noun
héroïsme
noun
herpétologie
noun
1. veel en onaangenaam geluid
tapage
verb
1. opnieuw oprijzen, opnieuw gaan leven of functioneren
  1. ressusciter
  2. se lever
verb
1. zeggen dat iets, dat je eerder gezegd hebt, niet klopt
  1. révoquer
  2. désavouer
noun
mort cérébrale
noun
1. brein
cerveau
noun
1. schade aan de hersenen door uitwendig geweld
  1. commotion cérébrale
  2. commotion
noun
indoctrinatietechniek
lavage de cerveau
noun
1.
méninge
verb
  1. 1. terug werkend krijgen, repareren
    réparer
  2. 3. weer invoeren
    rétablir
noun
1. muzieksymbool
bécarre
verb
restructurer
noun
1. benaming voor herkauwende zoogdieren uit de familie Cervidae
  1. cerf
  2. chevreuil
noun
1. een landsheer, oorspronkelijk van een hoger hiërarchisch niveau dan de markies
duc
noun
1. het gebied dat onder leiding staat of stond van een hertog
duché
noun
1. adellijke titel, vrouw van een hertog
duchesse
noun
1.
pomme duchesse
noun
1. de eenheid voor frequentie van trillingen
hertz
verb
1. opnieuw publiceren
republier
pronoun
1. stad en gemeente in de Belgische provincie Luik
Herve
noun
1. de verkiezing van een persoon in een functie die hij al eerder heeft bekleed
réélection
/ɦɛrˈvɔr.mər/
noun
1. een persoon die hervormingen nastreeft
réformateur
noun
1. het proces van hervormen
réforme
pronoun
1. een dorp in de Belgische provincie Henegouwen
Herseaux
/hɛr.ˈzin/, /ɦɛr.ˈzin/
verb
1. opnieuw naar iets kijken om veranderingen aan te brengen
revoir
pronoun
1.
  1. Rode-le-Duc
  2. Rolduc
pronoun
Hesse
/(ɦ)ət/, /hɛt/
article
1. bepaald lidwoord
  1. la
  2. le
  3. les
/(ɦ)ət/, /hɛt/
indefinitePronoun
1. 3e persoon enkelvoud onzijdig
il
/(ɦ)ət/, /hɛt/
personalPronoun
1. 3e persoon enkelvoud onzijdig
  1. la
  2. le
phraseologicalUnit
1. het kan me niets schelen
  1. je m'en branle
  2. je m'en fous
  3. je m'en fiche
verb
jeter le bébé avec l’eau du bain
verb
1. een aanpak kiezen die niet helpt om het doel te bereiken
  1. brider l'âne par la queue
  2. mettre la charrue devant les bœufs
/hət ˈre.γənt ˈpɛipə.ˌste.lə(n)/
phraseologicalUnit
  1. Il pleut des hallebardes.
  2. Il pleut à boire debout.
  3. Il pleut/tombe des cordes.
/'he.tə(n)/, /'ɦe.tə(n)/
verb
1. de naam dragen
  1. appeler
  2. s'appeler
adjective
hétérodoxe
noun
hétérogénéité
adjective
1. aan de zijkant (buitenkant)
hétérolatéral
adjective
1. gericht op het andere geslacht of betrekking hebbend op liefde voor mensen met een ander geslacht
  1. hétérosexuel
  2. hétéro
/ˈhetroziˌgot/
adjective
1. in het bezit zijnde van twee allelen van een gen bij een (diploïd) organisme
  1. hétérozygote
  2. hétérozygotique
relativePronoun
1. wat
  1. ce que
  2. ce qui
  3. ce dont
  4. ce à quoi
pronoun
1. een dode taal die in het huidige Turkije werd gesproken
hittite
noun
acharnement
demonstrativePronoun
1. de gelijke identiteit bezittend; onzijdig enkelvoud, zowel zelfstandig als bijvoeglijk gebruikt
même
noun
deel van beide zijkanten van het menselijk lichaam ter hoogte van het heupgewricht, waar het been met de romp verbonden is
hanche
noun
een kleine platte fles
taskumatti
/ɦøs/
adjective
1. hoffelijk, beleefd
poli
/ɦøs/
adverb
1. werkelijk, echt
vraiment
/ˈhøvəɫ/
noun
1. verhoging in het landschap die wat lager is dan een berg
colline
noun
1. C₆H14
hexane
noun
1. een enigszins uitstekend deel achteraan de voet
talon
noun
1. iemand die overdreven kruiperig en onderdanig jegens iemand anders is
lèche-bottes
/ɦiːr/
adverb
1. op deze plaats
ici
/ˈhirɑxtər/
adverbialPronoun
1. vervangt achter dit, achter deze
  1. derrière
  2. par derrière
noun
1. leven na de dood
au-delà
adverbialPronoun
  1. 2. in deze buurt, in deze contreien
    par ici
  2. 1. betreffend dit, hierover
    à ce sujet
/hɑj/
adjective
1. in een euforische toestand van veranderd bewustzijn verkerend
défoncé
noun
entreprise de haute technologie
/hɛɪ̯/, /ɦɛɪ̯/, /ɦɛː/
personalPronoun
1. Nominatief mannelijk derde persoon enkelvoud
  1. il
  2. lui
verb
1. zwaar ademhalen ten gevolge van een lichamelijke inspanning
  1. haleter
  2. souffler
noun
  1. 3. de hoeveelheid die men in één keer op kan hijsen
    1. charge
    2. fardeau
  2. 1. het hijsen
    guindage
  3. 2. hijswerktuig
    élévateur
verb
1. iets met een touw of kabel in opwaartse richting trekken, al dan niet middels een katrol
hisser
noun
1. een constructie om zware lasten op te tillen
grue
noun
1. een periodiek optredende, spontane, onwillekeurige samentrekking van het middenrif tijdens inademing...
hoquet
/ˈɦɪkə(n)/
verb
1
hoqueter
noun
1. vrolijkheid of gelach
hilarité
pronoun
1. + 2. stad en district
Hildesheim
/ˈhɪndə/
noun
1. een vrouwelijk hert
biche
noun
  1. embarras
  2. gêne
/'ɦɪndərə(n)/
verb
entraver
noun
embuscade
pronoun
1 taal die vooral gesproken wordt in de noordelijke staten van India
  1. hindi
  2. hindî
noun
  1. 1. het hinkelspel spelen
    jouer à la marelle
  2. 2. kinderspel, waarbij men zich deels op één been verplaatst
    marelle
verb
boiter
verb
1. het geluid van een paard voortbrengen
hennir
noun
hippie
noun
1. ovale paardenrenbaan
hippodrome
noun
hippopotomonstrosesquippedaliophobie
/hirimotu/
pronoun
1. een van de drie officiële talen van Papoea-Nieuw-Guinea
Hiri Motu
pronoun
  1. Hispaniola
  2. Haïti
noun
histogramme
noun
historicité
noun
historien
adjective
historique
noun
historicisme
noun
  1. salut hitlérien
  2. salut nazi
adjective
1.
hitlérien
/ˈhɪtə/
noun
chaleur
noun
  1. canicule
  2. vague de chaleur
noun
1. menselijk immuundeficiëntievirus
VIH
noun
1. rangorde
hiérarchie
pronoun
1. hoofdstad van de Australische deelstaat Tasmanië
Hobart
/ɦɔbəl/
noun
1. een kleine verhoging in de weg
bosse
/ɦɔbələç/, /ˈɦɔbələx/
adjective
1. met hobbels, oneffen
cahoteux
noun
cheval à bascule
noun
1. orkestinstrument, behoort tot de houtblazers, het wordt met een dubbelriet aangeblazen
hautbois
noun
1. iemand die hobo speelt
hautboïste
noun
crosse de hockey
pronoun
1. stad in Israël
Hod HaSharon
/ɦu/
adverb
1. op welke wijze
  1. comment
  2. comme
phraseologicalUnit
Comment t’appelles-tu?
/hud/, /ɦut/
noun
  1. 2. deel van een zwam
    chapeau
  2. 1. een hoofddeksel
    1. chapeau
    2. couvre-chef
noun
  1. een functie die men vervult
    qualité
  2. een gesteldheid
    état
/ˈhu.də(n)/, /ˈɦu.də(n)/
verb
1. een kudde dieren verzorgen en in de gaten houden
garder
/ɦuf/
noun
1. hoornachtig omhulsel aan de teentop
sabot
noun
1. hoefdragend zoogdier
ongulé
noun
fer à cheval
noun
maréchal-ferrant
pronoun
1. stad en gemeente in de Belgische provincie Luik
Huy
/ɦuk/
noun
1. een punt waar twee benen of halve rechten samenkomen
  1. angle
  2. coin
noun
1. een huis dat zich op de hoek van de straat bevindt
maison qui fait l'angle
noun
vitesse angulaire
/ˈhuk.steːn/
noun
  1. 1. een steen die gebruikt wordt om de hoekpunten van bouwwerken te verstevigen
  2. 2.
pierre angulaire
noun
4. Onderdeel van een rolstoel
  1. main courante
  2. main-courante
noun
  1. miché
  2. micheton
noun
1.
  1. maquerelle
  2. mac
noun
  1. fils de pute
  2. fils de putain
noun
1. bescherming die om een -meest vlak- voorwerp wordt aangebracht
housse
noun
1. reflexmatige explosieve uitademing
toux
verb
1. reflexmatige explosief uitademen bij prikkeling van de luchtwegen
tousser
interrogativeCardinalNumeral
1. welk aantal?
combien
/huˈvɪ:ɫhɛɪt/
noun
1. de kwantiteit waarin iets aanwezig is
  1. quantité
  2. nombre
adverb
jusqu'à quel point
conjunction
1. drukt een tegenstelling uit
quoique
noun
1.
cour d'assises
noun
1.
cour d'appel
pronoun
Cour de justice de l'Union européenne
pronoun
1. plateau
Hautes Fagnes
noun
polymerisatieproduct van etheen
polyéthylène haute densité
noun
1. een gebied waar relatief een hogere druk heerst dan elders, term uit de meteorologie
anticyclone
noun
  1. autocuiseur
  2. cocotte minute
noun
1. hoge cilindervormige hoed
haute de forme
abbreviation
1. een trein geschikt voor dienstsnelheden van 200km/h en hoger
train à grande vitesse
pronoun
1. hoogland in de Sahara, in het zuidoosten van Algerije
Hoggar
pronoun
1. taalfamilie van ongeveer 20 talen die in Californië worden gesproken
langues hoka
noun
1. bepaald soort vis, Macruronus novaezelandiae
  1. grenadier bleu
  2. hoki
  3. hoki de Nouvelle-Zélande
noun
1. en 2. (vruchtvlees van) plant Cucurbita maxima var. hubbaridianna
potimarron
noun
1. grot, spelonk
  1. grotte
  2. caverne
noun
1. een langs de lengteas gekromde houtbeitel
gouge
/ˈhɔɫbəˌʋonər/
noun
  1. 2. een mens die in holen leeft
    habitant des cavernes
  2. 1. een dier dat in holen leeft
    troglodyte
noun
1. Ursus spelaeus, een grote berensoort, kwam in Europa voor in het Pleistoceen
ours des cavernes
noun
1. bepaald soort vogel, Columba oenas
pigeon colombin
noun
1. een dier dat tot de Bovidae gerekend wordt
bovidé
/ˈɦɔlɑnt/
pronoun
  1. 1. een gedeelte van het westen van Nederland dat de provincies Noord-
  2. 2. heel Nederland
Hollande
verb
courir
noun
1. scheikundig element met symbool Ho en atoomnummer 67
holmium
noun
1. een tweedelige holle klinknagel
rivet
/ˈholoˌkɔːstɔntˌkɛnɪŋ/
noun
  1. négation de la Shoah
  2. négationnisme
noun
Holocène
noun
1. techniek waarmee een afbeelding in een plat vlak diepte of verschillende beelden lijkt weer te geven als je er onder uiteenlopende hoeken naar kijkt
holographie
noun
1. een term die het geheel van iets weergeeft, terwijl in werkelijkheid slechts een deel wordt bedoeld
holonyme
noun
aanhanger of beoefenaar van de homeopathische geneeswijze
homéopathe
noun
homéopathie
adjective
1.volgens de homeopathie
homéopathique
noun
1. zelfregulering, chemisch en fysiologisch evenwicht
homéostasie
noun
hommage
/ˈhɔməɫ/
noun
1. insect uit het geslacht Bombus dat in de taxonomie wordt beschouwd als een grote harige bij
bourdon
noun
1.
homoérotisme
noun
homophobie
adjective
1.
homophobe
adjective
1. muziekstijl
monophonique
noun
1. gelijkklinkend woord
homophone
adjective
homogène
noun
1.
homogénéité
noun
1. een huwelijk tussen twee mensen van hetzelfde geslacht
  1. mariage gay
  2. mariage pour tous
noun
1. een woord dat hetzelfde wordt uitgesproken als een ander woord maar in betekenis verschilt
homonyme
noun
homonymie
noun
homosexualité
/ˈhomoziˌgot/
noun
1. een (diploïd) organisme dat slechts één allel van een gen heeft
homozygote
noun
miche
/ˈhɔnd/, /ˈɦɔnt/
noun
1. Canis lupus familiaris, een zoogdier dat tot huisdier getemd is
  1. chien
  2. chienne
/ˈhɔn.də.ˌʋer/
noun
temps de chien
/ˈɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 100
cent
cardinalNumeral
1. het getal 108
cent-huit
cardinalNumeral
1. het getal 138
cent-trente-huit
cardinalNumeral
1. het getal 198
cent-quatre-vingt-dix-huit
cardinalNumeral
1. het getal 188
cent-quatre-vingt-huit
cardinalNumeral
1. het getal 128
cent-vingt-huit
cardinalNumeral
1. het getal 148
cent-quarante-huit
cardinalNumeral
1. het getal 158
cent-cinquante-huit
cardinalNumeral
1. het getal 168
cent-soixante-huit
/ˌhɔndərtˈɑxtənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 178
cent-soixante-dix-huit
cardinalNumeral
1. het getal 118
cent-dix-huit
cardinalNumeral
1. het getal 113
cent-treize
cardinalNumeral
1. het getal 130
cent-trente
cardinalNumeral
1. het getal 103
cent-trois
cardinalNumeral
1. het getal 133
cent-trente-trois
cardinalNumeral
1. het getal 193
cent-quatre-vingt-treize
cardinalNumeral
1. het getal 183
cent-quatre-vingt-trois
cardinalNumeral
1. het getal 123
cent-vingt-trois
cardinalNumeral
1. het getal 143
cent-quarante-trois
cardinalNumeral
1. het getal 153
cent-cinquante-trois
cardinalNumeral
1. het getal 163
cent-soixante-trois
/ˌhɔndərˈdrijənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 173
cent-soixante-treize
cardinalNumeral
1. het getal 101
cent-un
cardinalNumeral
1. het getal 131
cent-trente-et-un
cardinalNumeral
1. het getal 191
cent-quatre-vingt-onze
cardinalNumeral
1. het getal 181
cent-quatre-vingt-un
cardinalNumeral
1. het getal 121
cent-vingt-et-un
cardinalNumeral
1. het getal 141
cent-quarante-et-un
cardinalNumeral
1. het getal 151
cent-cinquante-et-un
cardinalNumeral
1. het getal 161
cent-soixante-et-un
/ˌhɔndərtˈenənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 171
cent-soixante-et-onze
cardinalNumeral
1. het getal 111
cent-onze
pronoun
1.
guerre de Cent Ans
cardinalNumeral
1. het getal 109
cent-neuf
cardinalNumeral
1. het getal 139
cent-trente-neuf
cardinalNumeral
1. het getal 199
cent-quatre-vingt-dix-neuf
cardinalNumeral
1. het getal 189
cent-quatre-vingt-neuf
cardinalNumeral
1. het getal 129
cent-vingt-neuf
cardinalNumeral
1. het getal 149
cent-quarante-neuf
cardinalNumeral
1. het getal 159
cent-cinquante-neuf
cardinalNumeral
1. het getal 169
cent-soixante-neuf
/ˌhɔndərtˈneɣənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 179
cent-soixante-dix-neuf
cardinalNumeral
1. het getal 119
cent-dix-neuf
cardinalNumeral
1. het getal 190
cent-quatre-vingt-dix
noun
1.
centenaire
cardinalNumeral
1. het getal 180
cent-quatre-vingts
noun
centaine
cardinalNumeral
1. het getal 110
cent-dix
cardinalNumeral
1. het getal 112
cent-douze
cardinalNumeral
1. het getal 102
cent-deux
cardinalNumeral
1. het getal 132
cent-trente-deux
cardinalNumeral
1. het getal 192
cent-quatre-vingt-douze
cardinalNumeral
1. het getal 182
cent-quatre-vingt-deux
cardinalNumeral
1. het getal 122
cent-vingt-deux
cardinalNumeral
1. het getal 142
cent-quarante-deux
cardinalNumeral
1. het getal 152
cent-cinquante-deux
cardinalNumeral
1. het getal 162
cent-soixante-deux
/ˌhɔndərˈtwejənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 172
cent-soixante-douze
cardinalNumeral
1. het getal 120
cent-vingt
cardinalNumeral
1. het getal 114
cent-quatorze
cardinalNumeral
1. het getal 140
cent-quarante
cardinalNumeral
1. het getal 104
cent-quatre
cardinalNumeral
1. het getal 134
cent-trente-quatre
cardinalNumeral
1. het getal 194
cent-quatre-vingt-quatorze
cardinalNumeral
1. het getal 184
cent-quatre-vingt-quatre
cardinalNumeral
1. het getal 124
cent-vingt-quatre
cardinalNumeral
1. het getal 144
cent-quarante-quatre
cardinalNumeral
1. het getal 154
cent-cinquante-quatre
cardinalNumeral
1. het getal 164
cent-soixante-quatre
/ˌhɔndərtˈfirənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 174
cent-soixante-quatorze
cardinalNumeral
1. het getal 105
cent-cinq
cardinalNumeral
1. het getal 135
cent-trente-cinq
cardinalNumeral
1. het getal 195
cent-quatre-vingt-quinze
cardinalNumeral
1. het getal 185
cent-quatre-vingt-cinq
cardinalNumeral
1. het getal 125
cent-vingt-cinq
cardinalNumeral
1. het getal 145
cent-quarante-cinq
cardinalNumeral
1. het getal 155
cent-cinquante-cinq
cardinalNumeral
1. het getal 165
cent-soixante-cinq
/ˌhɔndərtˈfɛifənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 175
cent-soixante-quinze
cardinalNumeral
1. het getal 115
cent-quinze
cardinalNumeral
1. het getal 150
cent-cinquante
adjective
1.
centuple
cardinalNumeral
1. het getal 106
cent-six
cardinalNumeral
1. het getal 136
cent-trente-six
cardinalNumeral
1. het getal 196
cent-quatre-vingt-seize
cardinalNumeral
1. het getal 186
cent-quatre-vingt-six
cardinalNumeral
1. het getal 126
cent-vingt-six
cardinalNumeral
1. het getal 146
cent-quarante-six
cardinalNumeral
1. het getal 156
cent-cinquante-six
cardinalNumeral
1. het getal 166
cent-soixante-six
/ˌhɔndərtˈsɛsənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 176
cent-soixante-seize
cardinalNumeral
1. het getal 116
cent-seize
cardinalNumeral
1. het getal 160
cent-soixante
/ˌhɔndərtˈsøvən/
cardinalNumeral
1. het getal 107
cent-sept
/ˌhɔndərtˈsøvənənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 137
cent-trente-sept
/ˌhɔndərtˈsøvənəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 197
cent-quatre-vingt-dix-sept
/ˌhɔndərtˈsøvənənˌtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 187
cent-quatre-vingt-sept
/ˌhɔndərtˈsøvənənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 127
cent-vingt-sept
/ˌhɔndərtˈsøvənəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 147
cent-quarante-sept
/ˌhɔndərtˈsøvənəɱˌvɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 157
cent-cinquante-sept
/ˌhɔndərtˈsøvənənˌsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 167
cent-soixante-sept
/ˌhɔndərtˈsøvənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 177
cent-soixante-dix-sept
/ˌhɔndərtˈsøvənˌtin/
cardinalNumeral
1. het getal 117
cent-dix-sept
/ˌhɔndərtˈsøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 170
cent-soixante-dix
pronoun
1.
Hondschoote
noun
rage
noun
1. bepaald soort kruipende, geurende plant met paarsblauwe bloemen, Glechoma hederacea
lierre terrestre
noun
1. bepaalde kleine soort haai van ongeveer 1 m lengte, Scyliorhinus canicula
rousette
noun
1.
orchis pyramidal
noun
églantier
/hɔn.ˈdyː.rɑs/, /ɦɔn.ˈduː.rɑs/
pronoun
1. een land in Centraal Amerika, officieel de Republiek Honduras
Honduras
/hɔŋ(g).ˈɣar/, /ɦɔŋ.ˈɣar/, /ɦɔŋ.ˈχar/
noun
1. iemand afkomstig uit Hongarije
Hongrois
/hɔŋ(g).ˈɣaːrs/, /ɦɔŋ.ˈɣars/, /ɦɔŋ.ˈχars/
adjective
1. betreffende Hongarije of het Hongaars
  1. hongrois
  2. hongroise
/hɔŋ(g).ˈɣaːrs/, /ɦɔŋ.ˈɣars/, /ɦɔŋ.ˈχars/
pronoun
1. een Finoegrische taal die voornamelijk wordt gesproken in Hongarije
hongrois
/hɔŋ(g).ˈɣar.sə/, /ɦɔŋ.ˈɣar.sə/, /ɦɔŋ.ˈχar.sə/
noun
Hongroise
/ˌhɔŋ(g)ɣaˈrɛɪ̯.jə/, /ˌɦɔŋɣaˈrɛː.jə/, /ˌɦɔɴχaˈrɛɪ̯.jə/
pronoun
1. land in het midden van Europa
Hongrie
/ˈɦɔŋər/
noun
1. behoefte aan voedsel
faim
noun
1. een wijdverspreide honger als gevolg van voedselschaarste
famine
noun
1. het weigeren van voedsel uit protest
grève de la faim
noun
1. een zoete stof die door bijen en enkele andere insecten uit bloemennectar wordt gewonnen
miel
adjective
jaune miel
noun
1. en 2. (vrucht van) plant Cucumis melo var. inodorus
melon miel
noun
rayon de miel
adjective
  1. 4.
    melliflue
  2. 2.
    1. mielleux
    2. doucereux
    3. miellé
    4. sirupeux
    5. sucré
  3. 1. zeer zoet
    1. mielleux
    2. miellé
  4. 3.
    mièvre
adjective
honoraire
noun
honoraire
verb
2. als geldig erkennen
honorer
/ɦoːft/
noun
  1. 5. golfbreker bij haveningang
    môle
  2. 1. een belangrijk lichaamsdeel, helemaal bovenaan het lichaam, waarin zich de hersenen...
    tête
noun
1. een kledingstuk dat (een deel van) het hoofd bedekt
couvre-chef
/'ɦovduk/
noun
1. een vierkante lap stof die vooral door vrouwen driehoekig samengevouwen over het hoofd gedragen wordt
fichu
noun
1.
  1. plat de résistance
  2. plat principal
  3. pièce de résistance
noun
1. een scheikundig element uit de reeks hoofdgroepmetalen van het periodiek systeem
métal pauvre
noun
oreiller
noun
1. een letter die een groter formaat en meestal ook een andere vorm heeft dan een kleine letter
  1. majuscule
  2. capitale
  3. lettre majuscule
noun
1. klein, vleugelloos en bloedzuigend insect dat parasiterend leeft in het hoofdhaar
  1. pou
  2. pou de tête
noun
1. de voorste pagina van een website
page d'accueil
noun
1. pijn in het hoofd
  1. mal à la tête
  2. mal de tête
/'ɦof(t).plɑts/
noun
1. de belangrijkste plaats van een gebied
chef-lieu
noun
gros lot
noun
point principal
/'ɦof(t).stɑt/
noun
1. een belangrijke stad waarvandaan het land, de staat, deelstaat of provincie wordt bestuurd
  1. capitale
  2. chef-lieu
noun
1. het tuig dat een paard om het hoofd gedaan wordt om het dier berijdbaar te maken
bride
noun
bepaalde opdeling van tekst of beeld in een boek
chapitre
noun
1. een telwoord dat een hoeveelheid of aantal aanduidt
cardinal
/ɦoʊ̯χ/ /'ɦoʊ̯χə/ /ˈɦoʊ̯χst/, /ɦoːx/ /'ɦoːɣə/ /ˈɦoːxst/
adjective
1, 2, 3, 4
  1. haut
  2. grand
pronoun
1. boek in de Bijbel met liefdespoëzie
  1. Cantique des Cantiques
  2. Cantique de Cantiques
adjective
2. gebruikt als aanspreektitel voor leden van de Staten-Generaal tijdens de Republiek
hauts et puissants
noun
haute tension
noun
1. atletiekdiscipline waarbij het de bedoeling is over een tussen twee staanders bevestigde lat of touw te springen
saut en hauteur
verb
1. over een hooggeplaatste, tussen twee staanders bevestigde lat of touw proberen springen
  1. faire
  2. saut en hauteur
noun
haute tige
noun
2. opvallend goede prestatie
  1. exploit
  2. prouesse
adjective
très vraisembablement
noun
1. een verheffing van de aardkorst
altitude
noun
gouverne de profondeur
/ˈɦoxtəvres/, /ˈɦoçtəvres/
noun
1. angst voor hoogten
acrophobie
noun
marée haute
noun
haute trahison
noun
haut plateau
noun
2. hoge waterstand in 't algemeen
marée haute
noun
1. gedroogd gras
foin
noun
2.1. bepaald soort kleine standvlinder, Coenonympha pamphilus
  1. fadet commun
  2. procris
/ˈɦojbɛrx/
noun
1. een ter bewaring opgestapelde hoeveelheid gedroogd gras
meule de foin
noun
fièvre des foins
noun
1. vorkvormig landbouwwerktuig waarmee bijvoorbeeld hooi wordt opgestoken
fourche
noun
dérision
/ɦoːp/
noun
3. verwachting van iets wenselijks
  1. espoir
  2. espérance
adjective
prometteur
noun
audiophone
pronoun
Corne de l'Afrique
/hoːrnar/, /ho̝ːrnar/
noun
1. Vespa crabro, een soort grote wesp
frelon
noun
1.
antenne cornet
noun
1.
céraiste
noun
1. musicus die een hoorn bespeelt
corniste
/ˈhornlax/, /ˈho̝rnlaχ/
noun
1. de bovenste laag van de huid bestaande uit verhoornde cellen
couche cornée
/ˈhosbœː/, /ˈɦosbœʏ̯/
noun
1. een zeer heftige regenbui
douche
noun
  1. 1. bepaald soort vogel, Upupa epops
    1. huppe
    2. huppe fasciée
  2. 1. bepaalde plant die onder andere wordt gebruikt bij de bereiding van bier
    houblon
adjective
1. waaraan hoop op succes ontbreekt
désespéré
/ˈɦoːpə(n)/
verb
1. wensen, graag zien dat er iets wel of niet voorvalt
espérer
noun
1. de bedrijfstak die alle eet- en drinkgelegenheden en hotels omvat
  1. horeca
  2. secteur horeca
/hɔː.rən/
verb
1. waarnemen met het oor zonder er noodzakelijkerwijs aandacht aan te besteden
  1. entendre
  2. écouter
noun
horizon
noun
horizon
adjective
1. in de richting die haaks staat op die van de zwaartekracht van de aarde
horizontal
noun
1. een draagbaar voorwerp waarop de tijd kan worden afgelezen
montre
adjective
1. met betrekking tot hormonen
hormonal
noun
1. een stof die door een endocriene klier wordt afgescheiden ...
hormone
noun
horoscope
noun
horripilation
/ˈɦɔrzəɫ/
noun
1. parasitaire vliegsoort
œstre
pronoun
Osée
/ˈhɔs.pɛs/, /ˈɦɔs.pɛs/
noun
1. een man die een of meer kamers in zijn eigen woonhuis ter beschikking stelt aan een kostganger of commensaal
propriétaire
/ˈhɔs.pi.ˌta/, /ˈɦɔs.pi.ˌta/
noun
1. een vrouw die een of meer kamers in haar eigen woonhuis ter beschikking stelt aan een kostganger of commensaal
logeuse
noun
1. opneming in een ziekenhuis
hospitalisation
verb
hospitaliser
noun
1. het vijandig zijn
hostilité
/hoˈtɛl/, /ɦoˈtɛɫ/
noun
1. gebouw waar men tegen betaling kan eten en overnachten,...
hôtel
noun
1. de eigenaar van een hotel
hôtelier
noun
hôtelier
noun
1. een kamer die voor gasten per nacht te huur is in een hotel
chambre d'hôtel
noun
ecole hôtelière
/hoˈtɛl.wezə(n)/
noun
1. alles wat te maken heeft met het bedrijf van hotels in een land of gebied
hôtellerie
noun
  1. date de péremption
  2. date limite de consommation
/ˈɦɑʊdə(n)/
verb
1. niet laten varen, het bezit ervan niet verliezen
tenir
noun
1. het onder zich hebben van andermans goed
détention
noun
  1. 1. een pose
    1. attitude
    2. position
  2. 2. gedragslijn, opstelling
    contenance
/ɦɑʊ̯t/, /[ɦʌ̞̈ʊt]/
noun
1. het materiaal in het binnenste van houtige planten
bois
noun
1. houtblaasinstrument
  1. les bois
  2. bois
noun
bûche
noun
tour (m) à bois
noun
1. beitel met handgreep voor het bewerken van houten werkstukken op een houtdraaibank
ciseau pour tour à bois
noun
1. bepaalde soort wilde duif, Columba palumbus
  1. palombe
  2. ramier
  3. pigeon ramier
noun
1. iemand die beroepsmatig houthakt
bûcheron
noun
q. bepaald soort zoutwatervis, Coregonus oxyrinchus
  1. corégone
  2. outil
noun
1. jas die sluit met staafjes en lussen
  1. duffel-coat
  2. duffle-coat
/ˈɦɑʊ̯t.kɑp/, /ˈɦɔʊ̯t.kɑp/
noun
1. het rooien van bomen
exploitation forestière
noun
1. een door koken onder druk uit hout verkregen grondstof voor papier
  1. pulpe de bois
  2. pâte
noun
1. verkoold hout
  1. charbon
  2. charbon de bois
noun
gravure sur bois
noun
garde forestier
noun
1. benaming voor verschillende in hout levende insectenlarven
perce-bois
/ɦʌu/
noun
1. een slag met een scherp voorwerp
coup
noun
1.
obusier
adjective
1. hoogmoedig, verwaand
orgueilleux
/hovəlɪŋ/
noun
1. een onderdaan die tot het dagelijkse gezelschap van een vorst behoort
courtisan
noun
jardinier
verb
1. water uit een boot scheppen
écoper
noun
1.
TGV
pronoun
1. bepaalde telescoop die als een kunstmaan rond de aarde draait
télescope spatial Hubble
pronoun
1.
Hudson
pronoun
1. binnenzee in Noordoost-Canada
Baie d’Hudson
noun
1. man die zich lomp, onbehouwen en/of aanstootgevend gedraagt
  1. pedzouille
  2. pignouf
  3. plouc
  4. péquenaud
  5. rustaud
  6. rustre
noun
1. vrouwelijke hufter
péquenaude
noun
1. calvinist uit het Frankrijk van de 16de en 17de eeuw die na 1685 vogelvrij verklaard werden in Frankrijk
huguenot
noun
hypocrite
noun
1. het huichelen
hypocrisie
verb
1. veinzen, doen alsof
feindre
/hœːd/, /ɦœʏ̯t/, /ɦœːt/
noun
1. vel, de buitenste laag weefsel die het lichaam bedekt
peau
noun
dermatologue
noun
1. het verschijnsel dat de geleiding van een hoogfrequente wisselstroom zich slechts voordoet aan de oppervlakte...
effet de peau
noun
1. specialist in de geneeskunde
dermatologue
/hœytsiktə/
noun
1. aandoening van de huid
  1. maladie de la peau
  2. affection cutanée
  3. maladie dermatologique
noun
1. kapje dat een valk wordt opgezet om de vogel rustig te houden
chaperon
/hœːx/, /ɦœʏ̯χ/, /ɦœːx/
noun
1. een lapje afhangend weefsel aan het uiteinde van het zachte verhemelte, waarmee onder andere het neuskanaal afgesloten kan worden
  1. luette
  2. uvule
noun
1. de uitspraak van de letter r met trilling van de huig
r uvulaire
/ɦœy̯lə(n)/
verb
1. traanvocht uitscheiden door emotie
crier
/hœːs/, /ɦœʏ̯s/, /ɦœːs/
noun
1. gebouw bestemd om in te wonen
  1. maison
  2. domicile
noun
1. strafbepaling
résidence surveillée
noun
1. een arts die de eerste lijn van opvang vormt voor een aantal vaste patiënten in de buurt
médecin de famille
/ˈɦœyzdiːr/
noun
1. een dier dat in het huis of om het huis woont en leeft
animal domestique
noun
1. een familie die een samenwonende economische eenheid vormt
  1. ménage
  2. foyer
noun
séjour
noun
  1. 2. eenvoudig middeltje dat men gebruikt voor het oplossen van een huishoudelijk probleem
    astuce de grand-mère
  2. 1. iets dat men zonder bewijs als geneesmiddel gebruikt
    1. remède de bonne femme
    2. remède de grand-mère
noun
  1. 2. iemand die het liefst thuis blijft
    1. casanier
    2. pantouflard
  2. 1. kleine zangvogel die liefst in de buurt van de mensen leeft
    1. moineau domestique
    2. moineau
noun
numéro de maison
/ˈɦœy̯s.raːt/
noun
1. alle roerende niet eetbare goederen in een huis
mobilier
noun
1. iemand die beroepsmatig schilderwerken aan en in gebouwen uitvoerd
peintre en bâtiments
noun
1. het huisvesten van iemand
accommodation
noun
1. een vrouw die thuisblijft om het huishouden te doen
femme au foyer
noun
1. schoolwerk dat thuis verricht moet worden
devoirs
noun
1. Delichon urbica, een zwaluw die zijn nest tegen de huizen aanbouwt
hirondelle de fenêtre
verb
1.
chaperonner
noun
1.een rilling als gevolg van afschuw of koude
frisson
/ɦʏlp/
noun
1. handeling om iemand steun of bijstand te verlenen
  1. aide
  2. secours
noun
1. iemand die zich toelegt op het verlenen van hulp in algemene zin
assistant social
noun
1. een werkwoord dat samen met een ander werkwoord de tijd of de hoedanigheid van het werkwoord vaststelt
  1. verbe auxiliaire
  2. auxiliaire
noun
1. bepaald soort groenblijvende boom of heester met stekelige leerachtige bladeren en rode bessen, Ilex aquifolium
houx
noun
1.
  1. chêne kermès
  2. kermès
adjective
humain
verb
humaniser
noun
1.aanhanger van het humanisme
humaniste
adjective
humanitaire
noun
humanité
noun
1.
pouillot de Hume
/ɦʏˈmør/
noun
mentale of emotionele toestand
humeur
noun
1. puree van o.m. gekookte kikkererwten
  1. houmous
  2. hummus
/ˈɦynəbɛt/
noun
1. neolithische begraafplaats
dolmen
pronoun
1. een middelgebergte in Duitse deelstaaten Rijnland-Palts en Saarland
Hunsrück
verb
sautiller
/ɦyrə(n)/
verb
1. tegen betaling gebruiken
louer
pronoun
1.
Hurghada
/ɦʏt/
noun
  1. 3. eenvoudige behuizing op kampeerterrein/recreatiegebied
    cabane
  2. 1. een primitieve woning
    1. cabane
    2. cahute
    3. hute
  3. 4. scheepshut
    cabine
  4. 2. berghut
    refuge
noun
1. stamppot van aardappelen en wortels (eventueel uien)
hochepot
/ɦyr/
noun
1. tijdelijk gebruik van goederen of diensten tegen betaling
  1. location
  2. bail à loyer
noun
locataire
noun
tueur à gages
noun
1. onderdeel van het burgerlijk recht m.b.t. de huur en verhuur van woon- en bedrijfsruimte
  1. droit du bail
  2. droit de location
noun
1.
  1. APL
  2. aide personnelle au logement
adjective
1. geschikt om in het huwelijk te treden
  1. mariable
  2. nubile
/ɦiu̯ələk/
noun
1. ambtelijke of kerkelijke verbintenis tussen twee personen
mariage
noun
ondertrouw; in ondertrouw gaan, aangifte doen
  1. annoncer son mariage
  2. publication des bans
  3. publication du mariage
  4. publier ses bans
noun
1. een voorstel om in het huwelijk te treden
  1. demande en mariage
  2. proposition de mariage
noun
1. akte van de burgerlijke stand waarin staat dat twee mensen met elkaar getrouwd zijn
acte de mariage
noun
1. notarieel contract waarin de vermogenspositie van beide huwelijkspartners wordt geregeld
contrat de mariage
noun
1.
crise conjugale
noun
1.
anniversaire de mariage
noun
  1. 2. de leeftijd waarop men daadwerkelijk trouwt
    âge du mariage
  2. 1. de leeftijd waarop men mag trouwen
    1. âge du mariage
    2. âge nubile
/ˈɦiu̯ələksˌrɛɪ̯s/
noun
1. de reis die een pasgetrouwd stel gewoonlijk onmiddellijk na hun trouwen onderneemt
voyage de noces
noun
1. notarieel contract waarin de vermogenspositie van beide huwelijkspartners wordt geregeld
contrat de mariage
/hʊ.ˈzaːʁ/
noun
1. een ruiterijsoldaat.
hussard
noun
1.
  1. salade olivier
  2. salade russe
noun
3. bolgewas
jacinthe
noun
  1. hubris
  2. hybris
pronoun
1. hoofdstad van de Indiase deelstaat Andhra Pradesh
Hyderābād
/hi'drat/
noun
1.
hydrate
noun
1. een speciale uitgeruste waterkraan geplaatst ten behoeve van de brandweer
borne d’incendie
adjective
1.
  1. hydro-électrique
  2. hydroélectrique
adjective
waterafstotend
hydrophobe
noun
hydrographie
noun
1. een grafiek van het watervolume als functie van de tijd
hydrogramme
noun
hydrologie
noun
hydroxyde
noun
groupe hydroxyle
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de onderfamilie Hyaeninae
hyène
noun
hygiène
adjective
1. schoon, gezond
hygiénique
noun
1. een toestel dat de relatieve luchtvochtigheid registreert
hygrographe
noun
1. door een hygrograaf opgetekende registratie van de luchtvochtigheid
hygrogramme
noun
1.een instrument om vochtigheid van de lucht te meten
hygromètre
noun
1. een verheven loflied op een bepaald onderwerp (zoals een land, God ...)
hymne
noun
battage médiatique
noun
hyperbole
noun
  1. hypercorrection
  2. fausse régression
noun
1. een gekleurd en/of onderstreept tekstgedeelte dat een onderliggende verwijzing bevat
  1. lien hypertexte
  2. hyperlien
noun
1. een woord dat een verzameling van verwante specifiekere woorden samenvoegt, een overkoepelende term
hyperonyme
adjective
hypersonique
noun
1. verhoogde bloeddruk
hypertension
noun
hyperthermie
noun
hyperuricémie
noun
1. het sneller-dan-normaal ademhalen, ofwel oppervlakkig ofwel diep
hyperventilation
noun
1.
hypnose
verb
1. het onder hypnose brengen van mensen
hypnotiser
noun
1. iemand die beroepsmatig anderen hypnotiseert
hypnotiseur
noun
1. meervoud van hypnotiseur
hypnotiseurs
noun
1. de praktijk van het hypnotiseren
hypnotisme
noun
hypocentre
/ɦipoˈkrit/
adjective
1. huichelachtig
hypocrite
/ɦipoˈkrit/
noun
1. iemand die voordoet bepaalde waarden te huldigen, maar zich er zelf niet aan houdt
hypocrite
noun
1. huichelarij
hypocrisie
/ˌhipoˈfizə/
noun
1. een klier aan de onderzijde van de hersenen, die o.a. groeihormoon produceert en de schildklier aanstuurt
hypophyse
noun
  1. amalgame
  2. mot-valise
noun
1. lichte vorm van ziekelijke aandrift (psychische opwindingstoestand)
  1. hypomanie
  2. sous-manie
noun
1. term die een subcategorie van een algemenere klasse aanduidt
hyponyme
noun
1. de schuine zijde van een rechthoekige driehoek
hypothénuse
adjective
hypothécaire
noun
1. bezitloos bezwaren van een onroerend goed als onderpand
hypothèque
noun
1. over een hypotheek berekende rente
rente hypothécaire
/ˌhipoteˈkeːrə(n)/, /ˌhipoteˈkɪːrə(n)/
verb
  1. 1.
  2. 2.
hypothéquer
noun
1. onderkoeling
hypothermie
noun
hypothèse
adjective
op een vooronderstelling berustend
hypothétique
noun
hypothymie
noun
1. tekortschietende ademhaling
hypoventilation
noun
1. tekort aan vitamine
hypovitaminose
noun
1. zuurstoftekort in de weefsels
hypoxie
noun
1. Hyssopus officinalis, een gewas met geneeskundige kracht
hysope
/ɦe/
interjection
  1. 3. uitroep van verrassing
    eh
    1. 1. uitroep om aandacht
    2. 2. uitroep van verbazing
    1. hé
    2. eh
noun
bepaalde suiker die veel in zoete vruchten voorkomt
  1. cottage cheese
  2. fromage cottage
noun
1. een mineraal met de chemische formule UO₂.5(UO₃) .10(H₂O)
ianthinite
adjective
1. door medisch ingrijpen veroorzaakt
  1. iatrogène
  2. iatrogénique
/iaˈy/
pronoun
1. internationale organisatie voor sterrenkunde
UAI
pronoun
1. een Europees schiereiland dat zich ten zuiden van de Pyreneeën bevindt...
Péninsule Ibérique
noun
1. een vogel met een lange gebogen snavel behorend tot de familie Threskiornithidae
ibis
noun
1. soort vlinder, Polyommatus icarus
argus bleu
noun
iconographie
noun
  1. 1. heiligenafbeelding, zoals vereerd in de kerken van het oosten
  2. 2.
  3. 3.
icône
verb
1. iets gunstiger of zelfs als ideaal beoordelen
idéaliser
/ideja'lɪst/
noun
  1. 1. iemand die idealen nastreeft
  2. 2. (filosofie) aanhanger van het idealisme
idéaliste
noun
1. de volmaaktheid, de hoedanigheid van ideaal te zijn
idéalité
/iˈde/
noun
1. gedachte, plan
idée
noun
1. een dwangmatige gedachte
idée fixe
adjective
1. volledig hetzelfde, van dezelfde oorsprong
identique
noun
identification
verb
identifier
noun
1. geheel van eigenschappen dat je onderscheidt van anderen en bepaalt wie je bent
identité
/idɛnti'tɛitskart/
noun
1. een identiteitsbewijs dat op een kaart gedrukt is
carte d'identité
/ˌideo'ɣrɑm/
noun
1. een grafisch teken dat een voorwerp symboliseert
idéogramme
/ˌideoloˈɣi/
noun
1. het geheel van ideeën dat ten grondslag ligt aan een wijsgerig stelsel, m.b.t. hun maatschappelijke of politieke strekking
idéologie
adjective
1. van, betreffend of volgens een ideologie
idéologique
noun
1. iemand die een ideologie opstelt
fondateur d'une idéologie
adjective
idéel
noun
1. een verzamelnaam voor muziekinstrumenten die toon/geluid voortbrengen door trillend materiaal
idiophone
adjective
1. het idioom betreffend
idiomatique
noun
1. een bijzondere uitdrukking in een bepaalde taal die samengesteld is door eigenaardig taalgebruik
idiome
/idi'ot/
adjective
1. zwakzinnig in de hoogste graad
idiot
/idi'ot/
noun
1. iemand die een grote maat van zwakzinnigheid heeft
idiot
adjective
1. van onbekende oorzaak
idiopathique
noun
  1. 2. kenmerkende eigenaardigheid
  2. 1. aangeboren overgevoeligheid voor bepaalde voedings- en geneesmiddelen
idiosyncrasie
pronoun
ido
/idoliserə(n)/
verb
1. buitensporig vereren
idolâtrer
noun
  1. idolopée
  2. idolopea
noun
1. een genre gedichten, korte verhalen en schilderijen
idylle
adjective
1. bekoorlijk door landelijke eenvoud en liefelijkheid
idyllique
personalPronoun
1. clitische vorm van de 3e persoon enkelvoud mannelijk nominatief
il
/i.də.ˈreːn/
indefinitePronoun
1. elke persoon
tout le monde
indefinitePronoun
quelqu'un
noun
1. een loofboomsoort uit het geslacht Ulmus ...
orme
pronoun
Ypres
/iːr/
noun
1. inwoner van Ierland, of iemand afkomstig uit Ierland
Irlandais
/ˈiːrlɑnd/, /ˈiːrlɑnt/
pronoun
1. een groot eiland in Noordwest-Europa
Irlande
/iːrs/
pronoun
1. een Keltische taal die wordt gesproken in Ierland
  1. irlandais
  2. gaélique irlandais
/ˈiːrsə/
noun
Irlandaise
pronoun
1.
mer d'Irlande
suffix
2. mineraal
ite
indefinitePronoun
1. een of ander ding
quelque chose
adverb
1. in bescheiden mate
quelque peu
adverb
quelque part
noun
1.alkylerend oncolyticum
ifosfamide
/ˈiɣlo/
noun
1. sneeuwhut
  1. igloo
  2. iglou
adjective
  1. ignorant
  2. ignare
noun
ignorance
pronoun
1. benaming voor een of meer van de Ijotalen die in Zuid-Nigeria worden gesproken
ijaw
noun
1. het zich toeleggen op betekenisloze uiterlijkheden
vanité
/'ɛɪ̯kə(n)/
verb
1. meting op juiste schaal brengen
  1. calibrer
  2. étalonner
/ɛːɫ/
adjective
1. met een lage dichtheid
diffus
noun
1.
brome stérile
pronoun
1. benaming voor een of meer van de Ijotalen die in Zuid-Nigeria worden gesproken
ijo
pronoun
1. verzamelnaam van een tiental talen die in Zuid-Nigeria worden gesproken
langues ijo
/ɛɪ̯s/, /ɛːs/
noun
  1. 1. de vaste vorm van water, bevroren water
  2. 2. een lekkernij die in bevroren toestand wordt gegeten
glace
noun
3. kunstijsbaan
patinoire
noun
1. bepaald soort zoogdier, Ursus maritimus
  1. ours blanc
  2. ours polaire
noun
1. en 2 (bladeren van) Lactuca sativa var. capitata
laitue iceberg
noun
1. een sterk, krachtig schip dat speciaal gebouwd en uitgerust wordt om zich een weg door het ijs te banen en alzo een vaargeul voor andere schepen te openen.
  1. bris-glace
  2. brise-glace
noun
1. bepaald soort vogel Gavia immer
plongeur huard
noun
1. ijssport waarbij twee teams van ieder vijf personen plus goalie met behulp van een stick een schijfje (puck) in het doel van de tegenstander proberen te schieten
hockey sur glace
/ˈɛɪʃə/
noun
1. portie van een uit roomijs of waterijs vervaardigde lekkernij
  1. glace
  2. crème glacée
/ˈɛɪ̯slɑnd/, /ˈɛɪ̯slɑnt/, /ˈɛːslɑnt/
pronoun
1.een Europees land, dat omgeven is door de Atlantische Oceaan en tussen Groenland en Europa in ligt. Tot 1944 behoorde IJsland bij Denemarken, maar tegenwoordig is het zelfstandig. De officiële naam is Lýðveldið Ísland.
Islande
/ˈɛɪ̯sˌlɑndər/, /ˈɛːsˌlɑndər/
noun
1. inwoner van IJsland
Islandais
/ˈɛɪ̯slɑnds/, /ˈɛɪ̯slɑnts/, /ˈɛːslɑnts/
pronoun
1. een Germaanse taal die wordt gesproken op IJsland
islandais
noun
1. ijspriem
pic à glace
/ˈɛisəl/
pronoun
1. Gelderse IJssel
  1. IJssel
  2. Yssel
noun
1.een theevariant
thé glacé
/ˈɛɪ̯sfoχɔɫ/, /ˈɛɪ̯zvoːɣəl/, /ˈɛːsfoːɣəl/
noun
1. bepaald soort blauwgroen vogeltje met oranje borst en spitse snavel, Alcedo atthis
martin-pêcheur
noun
1
eau glacée
noun
1. een zoete geurige wijn die vaak als dessertwijn wordt gedronken en gemaakt is van bevroren druiven
vin de glace
/ɛɪvərˈzʏxtɪx/
adjective
1. een negatief gevoel veroorzaakt doordat iemand iets heeft of kan krijgen wat je ook wilt hebben of reeds hebt
jaloux
/'ɛɪ̯zəl/, /'ɛɪ̯zəɫ/, /'ɛːzəɫ/
noun
1. onderkoelde regen die in ijs overgaat eenmaal in aanraking met de grond
verglas
pronoun
1.een rivier in West-Vlaanderen (België) en Frans-Vlaanderen (Frankrijk)
Yser
/ˈɛi̯zər/
noun
1. een scheikundig element met het symbool Fe en het atoomnummer 26
fer
noun
minerai de fer
adjective
gris fer
noun
verveine officinale
noun
Âge du fer
personalPronoun
1.
  1. je
  2. moi
phraseologicalUnit
1. een verklaring van liefde aan iemand
je t'aime
noun
1. een buitenlander die zonder werk- en verblijfsvergunning in een land verblijft
  1. clandestin
  2. sans-papiers
adjective
illibéral
verb
1. verlichten
illuminer
adjective
illusionnaire
adjective
1. beroemd, zeer bekend van reputatie
  1. illustre
  2. célèbre
noun
illustration
noun
illustrateur
verb
illustrer
adjective
imaginaire
noun
2. resultaat van de volledige gedaanteverwisseling bij een insect
imago
noun
iemand die een ander persoon nadoet
imitateur
/ˌimiˈterən/
verb
1. doen wat iemand anders doet
imiter
noun
1. iemand die bijen houdt voor het verkrijgen van honing
apiculteur
/ˈɪmatəriˌjel/
adjective
immatériel
noun
immatriculation
adjective
1.
immense
noun
immensité
adjective
immensurable
/ˈɪmiɣrɑnt/
noun
immigrant
noun
1. het zich metterwoon vestigen van vreemdelingen in een land
immigration
verb
1. een land binnenkomen om zich er te vestigen
immigrer
noun
immobilisation
/ɪmoˈrel/
adjective
immoral
noun
1. opwekken van onvatbaarheid
immunisation
noun
1. onvatbaarheid voor een ziekte
immunité
noun
1. de leer van het afweersysteem dat verantwoordelijk is voor: afweer tegen besmettelijke ziekten...
immunologie
adjective
1. onvatbaar
immunisé
noun
impala
noun
1. de tijdsafhankelijke mate waarin een materiaal het passeren van elektrische lading bemoeilijkt
impédance
noun
impérial
noun
1. een stof, voorwerp, toestel etc. dat in een lichaam wordt aangebracht
implant
noun
1. inplanting
implantation
verb
1. het in een lichaam aanbrengen van een stof, voorwerp, toestel etc
implanter
verb
implémenter
noun
1. verwikkeling
implication
verb
1.stilzwijgend ten gevolge hebben
impliquer
noun
1. zeer snel ineenklappen van een holle ruimte
implosion
verb
1. ontzag inboezemen
  1. impressionner
  2. imposer
adjective
impopulaire
noun
importance
verb
importer
noun
importateur
adjective
impuissant
noun
1. onvermogen tot geslachtsgemeenschap
impuissance
verb
imprégner
noun
impression
verb
impressionner
noun
impressionnisme
noun
1. ter plekke verbeterde versie van een muziekstuk, voorlezing enz.
improvisation
noun
improvisateur
verb
1. iets bedenken zonder vooropgesteld plan
improviser
/ɪmˈpʏls/
noun
  1. 1. innerlijke drang
    1. impulsion
    2. incitation
  2. 2. product van massa en snelheid
    quantité de mouvement
preposition
  1. 1.-12. in (ruimtelijk)
  2. 2. in (tijdelijk)
  1. dans
  2. en
phraseologicalUnit
1.
abandonner
adverb
1. snel doordat het weinig moeite kost, vlot alsof het gemakkelijk is
  1. en deux coups de cuillère à pot
  2. en un tournemain
adverb
2. op het laatste moment
in extremis
phraseologicalUnit
1. in een omgeving waar weinig gepresteerd wordt...
au royaume des aveugles, les borgnes sont rois
adverb
1. werkelijk aanwezig, in het echt
en chair et en os
preposition
1. als vervanger van, als vervanging voor
au lieu de
verb
1. lucht uit de omgeving opnemen
  1. inspirer
  2. inhaler
  3. respirer
adjective
inadéquat
/ˌɪnʌʊɣyˈratsi/
noun
1. de feestelijke of plechtige inwijding in een ambt
investiture
adjective
inaugural
verb
1. een zuigeling geheel in windselen inwikkelen
emmailloter
/ɪmbɪndə/
verb
    1. 1. door stevige omwikkeling bijeenhouden
    2. 2. losse geschriften tot een enkel boekwerk verwerken
    relier
  1. 3. minder heftig tekeergaan
    retenir
noun
1. alle roerende niet eetbare goederen in een huis
mobilier
noun
1. het inbreken
  1. cambriolage
  2. braquage
noun
  1. alarme anti-cambrioleur
  2. alarme anti-effraction
noun
3. terugbrengen van een als voorschot op de erfenis geschonken goed dat dient te worden verrekend met het erfdeel
  1. rapport à succession
  2. réunion successorale
noun
1. iets schenden
infraction
noun
clé Allen
noun
incantation
noun
1. inklemming
incarcération
/ˌɪŋkɑˈsaːsi/, /ˌɪŋkɑˈsaːʦi/
noun
1. (het) incasseren.
  1. encaissage
  2. recouvrage
/ˌɪŋkɑˈseːrbaːr/, /ˌɪŋkɑˈsɪːrbaːr/
adjective
1. geïncasseerd kunnende worden.
  1. encaissable
  2. recouvrable
/ˌɪŋkɑˈseːrə(n)/, /ˌɪŋkɑˈsɪːrə(n)/
verb
  1. 1. (geld) in ontvangst nemen.
    1. encaisser
    2. recouvrer
  2. 2. te verduren krijgen.
    1. endurer
    2. souffrir
/ˌɪŋkɑˈseːrɪŋ/, /ˌɪŋkɑˈsɪːrɪŋ/
noun
1. (het) incasseren.
  1. encaissage
  2. recouvrage
noun
1. onderneming die zich bezighoudt met het innen van openstaande vorderingen in opdracht van, hoofdzakelijk, andere ondernemingen
  1. agence de recouvrement
  2. société de recouvrement
adjective
incestueux
/ˈɪntʃɛˌkə(n)/
verb
  1. 1. zich aanmelden aan een balie om een instapkaart te krijgen en eventueel bagage af te geven.
  2. 2. via een chipkaart contactloos aanmelden (voor gebruik van het openbaar vervoer)
s'enregistrer
/ˌɪnsidɛnˈtɪːɫ/
adjective
1. niet stelselmatig voorkomend
occassionel
noun
1. voorkomen per jaar
incidence
noun
incipit
adjective
1. snijdend
incisif
noun
incisive
verb
incliner
noun
1. hellingmeter
  1. clinomètre
  2. inclinomètre
noun
inclusion
preposition
1. met inbegrip van
inclusivement
/ˌɪnkoheˈrɛnt/, /ˌɪŋko(h)ɪˈrɛnt/, /ˌɪŋkoheˈrɛnt/
adjective
1. geen samenhangend geheel vormen
incohérent
/ˌɪnkoheˈrɛnt/, /ˌɪŋko(h)ɪˈrɛnt/, /ˌɪŋkoheˈrɛnt/
adverb
1. op een niet samenhangend manier
de façon incohérente
adjective
1. onverenigbaar
incompatible
/ˌiŋkɔmpəˈtɛn(t)si/
noun
incompétence
noun
inconséquence
noun
1. het onvermogen om urine of ontlasting op te houden
incontinence
verb
incorporer
noun
incrimination
verb
incriminer
noun
incubateur
/ˌɪŋkʏltyˈrasi/, /ˌɪŋkʏltyˈraʦi/
noun
1. het proces waarbij elementen uit een bepaalde religie of cultuur geïntegreerd worden in een andere cultuur.
inculturation
adjective
1. niet volgens de regels van fatsoen
indécent
/ɪndeklɪˈnaːbəl/
adjective
1. onmogelijk te verbuigen
indéclinable
noun
classement
verb
2. zich iets ~: begrip kunnen opbrengen voor iets
s'imaginer
noun
  1. 1. inhoudsopgave
  2. 2. index librorum prohibitorum
  3. 6. indexbestand
index
verb
indexer
/ˈɪn.di.ja/
pronoun
1. soeverein land in het zuiden van Azië
Inde
noun
1. inwoner van Amerika voor de komst van de Europeanen
  1. Indien
  2. Indienne
noun
1. aanwijzing
indication
adjective
indicatif
noun
1. de vorm van het werkwoord die de werkelijkheid aangeeft
indicatif
noun
indicateur
verb
1. aanwijzen van zorg
indiquer
conjunction
1. onder de voorwaarde dat
si
noun
2.
indigestion
/ɪn.ˈdi.ɣo/, /ɪn.ˈdi.χo/
noun
1. een kleur die in het het lichtspectrum voorkomt met een golflengte van 440 tot 420 nanometer
  1. indigo
  2. bleu indigo
adjective
indirect
phraseologicalUnit
1. zinsdeel dat de actie van een overgankelijk werkwoord niet rechtstreeks ondergaat,...
complément indirect
/ˌɪndisəˌosiˈan/, /ˌɪndisˌə̯osejˈaːn/
pronoun
1. de oceaan die tussen Oost-Afrika en Zuid-Azië ligt
  1. océan Indien
  2. Océan Indien
pronoun
1. taalfamilie van een honderdtal talen die in India worden gesproken
langues indo-aryennes
noun
1. een scheikundig element en zilvergrijs overgangsmetaal met het symbool In en het atoomnummer 49
indium
verb
individualiser
adjective
1. afzonderlijk, op zichzelf
individuel
noun
2. persoon van gemengd Indonesische en Europese (veelal Nederlandse) afkomst
eurasien
pronoun
1. taalfamilie van ongeveer 440 talen die tegenwoordig over de hele wereld worden gesproken
langues indo-européennes
pronoun
1. taalfamilie van honderden talen die in het Midden-Oosten en Zuid-Azië worden gesproken
langues indo-iraniennes
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Indochine
noun
  1. endoctrinement
  2. indoctrination
verb
1. dwingen om bepaalde opvattingen te aanvaarden
endoctriner
verb
1. in een lichte slaap vallen
s'assoupir
/ɪndo'nezis/
pronoun
1. een taal die voornamelijk in Indonesië gesproken wordt
indonésien
/ˌɪn.do.ˈne.zi.jə/
pronoun
1. een land dat bestaat uit een groot eilandengebied tussen Zuidoost-Azië en Australië
Indonésie
/ˈɪndrʌk/
verb
impression
adjective
1. een grote indruk achterlatend
impressionnant
verb
induire
noun
inductance
noun
    1. 1. gevolgtrekking
    2. 2. het opgang komen van een ontwikkeling door beïnvloeding door een ander deel
    3. 3. de beïnvloedende werking op andere mensen
    4. 4. het redeneren uitgaande van de afwijking
    5. 7. spanningsopwekking in geleider
    induction
  1. 5. bewijsvoering uitgaande van typende gevallen
    induction mathématique
  2. 6. klankverandering
    inflexion
noun
1. verharding
induration
verb
1. het veranderen van de economie door het vergroten van de nijverheid
industrialiser
noun
1. Nijverheid
industrie
adverb
1. snel en onverwachts
tout à coup
adjective
inergatif
noun
1. traagheid
inertie
noun
1.
inessif
adjective
infantile
/ɪnfɛk'terən/
verb
infecter
noun
1. een besmetting van lichaamsweefsel met ziekteverwekkers als bacteriën, virussen, schimmels of...
infection
adjective
1. besmettelijk
infectieux
adjective
1.
infectieux
noun
inférence
noun
infériorité
noun
infiltration
verb
infiltrer
/ɪɱfinitif/
noun
1. het hele werkwoord
infinitif
noun
1. tussengevoegd morfeem
infixe
noun
1. ontsteking
inflammation
adjective
inflammatoire
noun
1. stijging van het prijspeil waardoor het geld in waarde daalt
inflation
noun
inflexibilité
noun
1.
influenceur
noun
2. de eigenschap dat een elektrisch geladen lichaam...
influence
noun
1. de leer van de mechanische verzameling en verwerking van informatie
informatique
noun
1.
  1. information
  2. renseignement
adjective
  1. informatif
  2. riche en enseignements
noun
1. samenleving, waarin informatie als de belangrijkste productiefactor gezien wordt.
société de l'information
noun
1.
système d'information
verb
1.
informatiser
/ɪnfɔr'meːl/
adjective
informel
verb
1. inlichten
informer
noun
1. informatie die primair tot doel heeft het beoogde publiek te vermaken
infotainment
adjective
infrarouge
/ˈɪɱfrastrʏktyr/
noun
1. het totaal van onroerende voorzieningen zoals (spoor)wegen, vliegvelden,...
infrastructure
noun
1. vochttoediening in de bloedvaten
perfusion
noun
2. een opening waar iets doorheen kan
entrée
/ˌɪŋʒeˈɲør/
noun
1. iemand die is opgeleid in het hoger onderwijs om allerhande technische problemen op te lossen
ingénieur
adjective
ingénieux
noun
2. verzamelnaam voor de inwendige organen van het darmkanaal
intestins
pronoun
1.
Ingolstadt
/ˈɪŋɣrep/
verb
intervention
verb
2. zich beslissend mengen in het verloop van iets
intervenir
pronoun
1. Finoegrische taal die door ongeveer 300 Ingriërs gesproken wordt
  1. ingrien
  2. ingre
noun
1. inademing van dampen
inhalation
verb
inhaler
/'ɪnɦɑm/
noun
calanque
/ɪnˈhems/
adjective
1. van oorsprong ergens voorkomend
indigène
adjective
1. onlosmakelijk verbonden
inhérent
noun
inhérence
/ˈɪnhɑut/
noun
    1. 1. datgene wat bevat is in een ander lichaam
    2. 3. alles wat in een geschrift of ander medium staat
    contenu
  1. 2. ruimtelijke capaciteit
    volume
noun
1. overzicht van de onderwerpen of hoofdstukken in een boek
table des matières
noun
1. feestelijke gelegenheid waarbij iemand wordt gehuldigd, zoals een koning/vorst door diens onderdanen, bij aanvaarding van diens ambt
  1. investiture
  2. inauguration
noun
inhumation
adjective
1. initieel, aanvankelijk
initial
noun
1-2 beginletter
initiale
/ˌiniˈtʃalwort/
noun
1. en 2.
acronyme
/ini(t)ʃali'zerə(n)/
verb
1.
initialiser
noun
initiation
adjective
initial
verb
initier
verb
1. het inbrengen van een vloeistof in een gesloten vat of lichaam middels een holle naald
injecter
noun
injection
noun
1. regelmatig verkregen som geld
revenu
noun
1. een gekleurde vloeistof waarmee geschreven wordt
encre
/ˈɪŋtpot/
noun
1. een meestal glazen of plastic vaatje waar inkt in bewaard wordt
encrier
noun
1. inktsteen
pierre à encre
/ˈɪŋktfɪs/
noun
1. een koppotig weekdier met vangarmen dat een inktachtig vocht afscheidt ter verdediging
  1. seiche
  2. pieuvre
  3. calmar
  4. calamar
  5. encornet
verb
fricoter avec
/ˈɪnlɛɪvə(n)/
verb
  1. 2. het toe-eigenen van een grondgebied
    1. annexer
    2. annexer à
  2. 1. iemand in een groep opnemen
    embrigader
/ˈɪnlɛɪvɪŋ/
noun
  1. 2. annexatie, een proces van het met geweld grondgebied toe-eigenen
    1. annexion
    2. annexion à
  2. 1. het verplicht of gedwongen toetreden tot een groep
    embrigadement
verb
4. kleding vernauwen
  1. reprendre
  2. rétrécir
verb
1. verschuldigd geld in ontvangst nemen
  1. encaisser
  2. toucher
noun
innovateur
verb
1. iets nieuws bedenken of maken
innover
pronoun
1.
Innsbruck
/ˈɪmpɑkə(n)/
verb
  1. 2. in een omhulsel doen
    emballer
  2. 1. in een verpakking doen
    empaqueter
verb
1. diep in het geheugen vastleggen
inculquer
noun
1. functionaris van de kerkelijke rechtbank die ketters moet opsporen en bestraffen
inquisiteur
noun
1. een rechtbank van de Rooms-Katholieke Kerk, die was belast met de opsporing, het onderzoek en het opleggen van straffen van ketters
inquisition
noun
1. een weg die van de straat naar een gebouw e.d. voert
ebtrée
adjective
1. van een persoon dat deze genegen is zich aan te passen aan andere mensen
accommodant
verb
1. een lidmaatschap of deelnemerschap schriftelijk vastleggen
inscrire
noun
1. geleedpotige met drie paar poten en geen, één of twee paar vleugels
insecte
verb
inséminer
adjective
inséparable
noun
1. een vorm van DNA-mutagenese die wordt veroorzaakt door insertie van een of meerdere basenparen
mutagenèse insertionnelle
noun
insinuation
verb
insinuer
verb
insister
noun
  1. 3. het inslaan van iets
    impact
  2. 1. horizontale draden die tijdens het weven tussen de opgespannen draden van de schering worden ingebracht
    trame
/ˈɪnslapə(n)/
verb
2. met een overdosis slaapmiddel een dier laten overlijden
faire piquer
/ˈɪn.slœʏ̯.tə(n)/, /ˈɪn.slœː.tə(n)/
verb
  1. 3. iets bijvoegen
    1. ajouter à
    2. inclure dans
    3. joindre à
  2. 2. iets omgeven
    1. assiéger
    2. encercler
    3. investir
  3. 1. opsluiten in iets
    enfermer
adjective
1. onbeschaamd, grof, brutaal
insolent
noun
  1. insolence
  2. impudence
noun
1. slapeloosheid
insomnie
verb
1. het voor een voertuig of ploeg vastmaken van een lastdier
atteler
noun
1. de fysieke moeite die men voor iets doet
effort
verb
1. grondig en nauwkeurig bekijken
inspecter
verb
1. de geest gaande maken
inspirer
/ˈɪnsprak/
noun
participacion
noun
  1. 3. een min of meer plechtige en officiële inwijding in een bepaald ambt
    inauguration
  2. 8. een kunstvorm
    installation
verb
  1. 2. het invoeren en gebruiksklaar maker van een computerprogramma
  2. 3. het aanleggen van een installatie
  3. 1. de formele aanvang van een officiële functie
installer
verb
  1. 1. het op juiste wijze afregelen van een toestel
    1. ajuster
    2. regler
  2. 2. het in het leven roepen van een organisatie
    établir
verb
1. het eens zijn
  1. consentir
  2. acquiescer
verb
instiguer
adjective
instinctif
verb
instituer
noun
institution
verb
1. zwichten voor de zwaartekracht
s'écrouler
noun
instructeur
noun
1. een order, een aanwijzing
ordre
verb
instruire
noun
  1. 2. verkort voor muziekinstrument
  2. 1. werktuig
instrument
adjective
instrumental
adjective
instrumentaire
adjective
instrumental
noun
insubordination
adjective
insulaire
/ˌɪnzyˈlinə/
noun
1. een hormoon gemaakt in de bètacellen van de pancreas in de zogenaamde eilandjes van Langerhans, dat de lever aanzet bloedglucose op te nemen en op te slaan in de vorm van glycogeen
insuline
noun
1. een epileptische aanval, een toeval
convulsion
adjective
1. in goede staat, onaangetast
intact
/ɪnˈtexə(n)del/
adverb
au contraire
adjective
intégral
noun
intégrale
/ɪntəˈɣra(t)si/
noun
intégration
verb
1. tot een samenhangende groep maken
intégrer
/ɪntəɣriˈtɛit/
noun
1. onschendbaarheid, eerlijkheid, oprechtheid
intégrité
noun
intellect
adjective
intellectuel
/ɪntɛli'xɛnt/
adjective
1. met een goed verstand of daarvan blijk gevend
intelligent
noun
een eigenschap van de werking van de hersenen
intelligence
noun
1. sterkte
intensité
verb
intensifier
noun
1. onderlinge beïnvloeding
interaction
/ɪntərɑk'tif/
adjective
interactif
noun
1.
interception
/ˌɪntərˈsɪti/
noun
1. een trein die tussen grote steden rijdt zonder op tussengelegen stations te stoppen
express
adjective
interdisciplinaire
adjective
1. wekt interesse
intéressant
noun
  1. 1. belang
  2. 2. belangstelling
  3. 3. iets waar belangstelling voor is
intérêt
verb
  1. 1. nieuwsgierig maken
    intéresser
  2. 2. zich ~ voor: belangstelling hebben voor iets
    s'intéresser
noun
intérêt
noun
interface
noun
3. gezamelijke werking van golven
interférence
verb
interférer
adjective
intérimaire
/ˌɪn.tərˈkɛr.kə.lək/
adjective
1. tussen kerken, van meerdere kerkgenootschappen
œcuménique
noun
  1. 2. letterafstand
  2. 1. regelafstand
interligne
noun
1.
interlude
adjective
intermédiaire
noun
intermezzo
adjective
1. inwendig, binnen
interne
/ɪntərnɑ(t)ʃo'nal/
adjective
1. meer dan één land
international
pronoun
Fonds monétaire international
pronoun
Bureau International des Poids et Mesures
verb
internationaliser
verb
1. een verplichte verblijfplaats aanwijzen
interner
noun
1. een wereldwijd netwerk van computers
  1. internet
  2. Internet
noun
1.
cybercafé
verb
1.gebruik maken van het internet
interneter
noun
1. Arts
interniste
verb
interpeller
verb
interpoler
noun
1. uitlegging, vertaling
  1. interprétation
  2. lecture
verb
1. uitleggen of opvatten
interpréter
noun
interrogation
verb
interroger
noun
interruption
adjective
1. tussenliggend
interstitiel
noun
  1. 1. tussenperiode
  2. 3. de afstand tussen twee verschillende tonen
intervalle
verb
intervenir
noun
1. vraaggesprek met iemand over diens opvattingen en ervaringen
interview
verb
1.een vraaggesprek met iemand houden
interviewer
/ɪntimi'dɪːrə(n)/
verb
1. iemands gedrag beïnvloeden door hem angst aan te jagen
intimider
noun
intimité
noun
1. onverdraagzaamheid
intolérance
noun
1. vergiftiging
intoxication
adjective
1. zonder de mogelijkheid van een lijdend of meewerkend voorwerp
intransitif
noun
1. onovergankelijk werkwoord
intransitif
adjective
1. in de ader gelegen of plaatvindend
intraveineux
noun
  1. 2.
  2. 3.
intrigue
verb
2. met slinkse streken te werk gaan
intriguer
verb
  1. 1. iets nieuws inbrengen of invoeren
    introduire
  2. 2. een nieuw persoon toegang verschaffen
    1. introduire
    2. inviter
  3. 3. iemand voor het eerst voorstellen
    présenter
/ɪntroˈdʏksi/
noun
de presentatie van iets nieuws, of de inleiding van een nieuwkomer
introduction
noun
mannelijk persoon die ergens geïntroduceerd (ingeleid) wordt
  1. invité
  2. invitée
/ˈɪntrɔn/
noun
1. stukje DNA dat zich bevindt in een gen maar dat niet wordt gebruikt om het eiwit te coderen
intron
noun
introspection
adjective
introverti
noun
1.
introït
/ɪn'tʌsə/
adverb
1. gedurende de tijd die het genoemde vereist
entre-temps
noun
intuition
noun
invalidation
adjective
invalide
verb
invalider
noun
1.
invalidité
noun
remplaçant
noun
invention
adjective
inventif
noun
inversion
verb
invertir
verb
investir
noun
1. een opoffering in tijd, geld of mankracht ten behoeve van een doel dat pas op lange termijn wordt behaald
investissement
noun
banque d'investissement
noun
invitation
verb
2. een persoon op een doorgaans vriendelijke en vrijblijvende manier vragen om iets te doen
inviter
/ˈɪnvluːt/
noun
  1. 1. inwerking van een persoon, zaak of omstandigheid op een andere
  2. 2. het vermogen om op anderen in te werken
influence
adjective
influent
noun
1. een kring of gebied waarbinnen iemand of een staat invloed heeft
zone d'influence
noun
insertion
/ˈɪnvurə(n)/
verb
2. gegevens in een electronisch apparaat stoppen
introduire
noun
1. natuurlijke veroudering
involution
verb
1.
congeler
/ɪɱ.'wɛn.dɪx/, /ɪɱ.'ʋɛn.dəχ/, /ɪɱ.'β̞ɛn.dəx/
adjective
  1. interne
  2. intérieur
verb
  1. 1. ritueel voor een bepaalde geheiligde functie geschikt maken
    consacrer
  2. 2. toegang verschaffen tot een zekere (esoterische…) kennis
    initier
/ˈɪɱwɪləɣə(n)/
verb
1. aan een verzoek voldoen
  1. accorder
  2. agréer
  3. consentir
noun
habitant
verb
1. bijeenbrengen
  1. collecter
  2. recueillir
noun
enjeu
noun
  1. 2. beschikbare hulpmiddelen gebruiken
    déployer
  2. 1. op het spel zetten
    miser
/ˈɪnzin/
verb
  1. 2. begrijpen hoe iets werkt
    comprendre
  2. 1. documenten (vluchtig) lezen
    voir
noun
het inzinken
dépression
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Io
/jɔn/
noun
ion
pronoun
1. randzee van de Middellandse Zee, gelegen tussen Zuid-Italië en West-Griekenland
mer Ionienne
verb
ioniser
noun
ionosphère
/i'peʔadrɛs/
noun
1. een combinatie van getallen waarmee een computer in een IP-netwerk kan worden herkend
adresse IP
pronoun
1.
iranien
pronoun
1. taalfamilie van tientallen talen die in Perzië en naburige landen worden gesproken
langues iraniennes
/i.ˈrɑk/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten dat voor een groot deel in en rond het stroomgebied van de rivieren de Eufraat en de Tigris ligt
  1. Irak
  2. Iraq
/i.ˈrɑn/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten met als hoofdstad Teheran
Iran
noun
Iranien
noun
1. een scheikundig element met symbool Ir
iridium
noun
  1. 1. orgaan in het oog van vele organismen
  2. 2. benaming voor planten uit het geslacht Iris
iris
verb
  1. 1.
  2. 2.
iriser
pronoun
1. verzamelnaam van ongeveer 15 talen die in het oosten van Noord-Amerika worden gesproken
langues iroquoises
/ɪroˈniː/
noun
1. vorm van spot
ironie
adjective
1.
ironique
/ˌɪ.ri.ˈɣa.si/, /ˌɪ.ri.ˈχa.tsi/
noun
1. het op grote schaal water naar landbouwgrond transporteren om de gewassen mee te bevloeien
irrigation
/ˌɪ.ri.ˈɣeː.rə(n)/, /ˌɪ.ri.ˈχɪː.rə(n)/
verb
1. op grote schaal water naar landbouwgrond transporteren om de gewassen mee te bevloeien
irriguer
adjective
1. in hoge mate vervelend
irritant
verb
1. op onaangename wijze prikkelen
irriter
noun
1. een zenuwontsteking bij de heup
sciatique
noun
1. godsdienst die na alle profeten uit het jodendom en Christus, Mohammed ...
islam
pronoun
Islamabad
/ˌɪslaˈmit/
noun
1. een geloofsaanhanger van de islam
musulman
verb
islamiser
noun
  1. 2. het voorkomen van geleiding van energie of stroom
    isolation
  2. 1. ruimtelijke afzondering
    isolement
verb
  1. 1. persoonlijk
  2. 2. chemisch
  3. 3. elektrisch
  4. 4. warmte
isoler
noun
1. gelijkheid in vorm
isomorphie
noun
isomorphisme
noun
  1. contour
  2. isoplèthe
/i.zo.rɑ.ˈχi/
noun
1. een verzameling punten getrokken door plaatsen waar vloed tegelijkertijd optreedt
isorachie
adjective
1. bij constante temperatuur
  1. isothermique
  2. isotherme
noun
1. een verzameling punten constante temperatuur gemeten of waar de temperatuur dezelfde waarde heeft
isotherme
noun
isotope
noun
isotopie
adjective
1.
isotopique
/ˈɪs.ra.hɛl/, /ˈɪs.ra.ɛɫ/
pronoun
1. land in het Midden-Oosten, gelegen aan de Middellandse Zee
Israël
pronoun
1. een provinciehoofdstad in Turkije
  1. Istanboul
  2. Istanbul
noun
1. een smalle strook land die twee grotere landmassa's verbindt
isthme
pronoun
1. Romaanse taal die gesproken wordt door ongeveer 1.000 mensen in Zuid-Europa
  1. istrien
  2. istro-roumain
/italiˈjaːn/
noun
1. een persoon die uit Italië komt
Italien
/italiˈjaːns/
pronoun
1. een Romaanse taal die wordt gesproken in Italië, San Marino, Vaticaanstad, Slovenië en Zwitserland
italien
/italiˈjaːnsə/
noun
1. vrouwelijke persoon die uit Italië komt
Italienne
verb
italianiser
pronoun
1. taalfamilie van tientallen talen die oorspronkelijk in Italië, maar tegenwoordig verspreid over de hele wereld worden gesproken
langues italiques
/iˈtaːli.jə/
pronoun
1. een land
Italie
adjective
itératif
verb
itérer
suffix
  1. 1.
  2. 2.
ite
pronoun
1. Belgische plaats en gemeente in de provincie Waals-Brabant
Ittre
pronoun
1. dorp in Vlaams-Brabant
Itterbeek
noun
ivoire
noun
1. gebroken witte kleur zoals de slagtanden van de olifant
ivoire
adjective
ivoire
/i.ˈvoːr.kʏs/, /i.ˈvoːr.kʏst/, /i.ˈvo̝ːr.kʏst/
pronoun
een land in West-Afrika, officieel de Republique de Côte d'Ivoir
Côte d'Ivoire
pronoun
. spelwoord voor de letter i
Irma
/jaː/
adverb
1. duidt bevestiging of instemming aan
  1. oui
  2. si
  3. oïl
/jaː/
noun
1. bevestigend of instemmend antwoord
oui
noun
1. sleeplijn
grelin de halage
/'jaxpɑt/
noun
1. een pad langs de kant van een kanaal of vaart waarover eertijds de trekdieren van de trekschuit werden voortgedreven
chemin de halage
noun
1. lelijke wond, diepe snee
balafre
/ja:r/
noun
1. de duur van een omloop van de aarde om de zon van circa 365 dagen.
  1. an
  2. année
/ˈjar.ɣə.ˌtɛɪ̯.də/, /ˈjar.ɣə.ˌtɛː.də/, /ˈjar.χə.ˌtɛɪ̯.də/
noun
1. een deel van een jaar met unieke eigenschappen
saison
/ˈjar.ləks/, /ˈjar.lɪks/
adjective
1. eenmaal per jaar
annuel
noun
jabot
noun
jacaranda
/jɑxt/
noun
3. een snel vaartuig
yacht
noun
1.
terrain de chasse
noun
1.
terrain de chasse
noun
port de plaisance
noun
1. jachthobo
hautbois de chasse
noun
1. hond die speciaal gefokt wordt voor de jacht
chien de chasse
noun
1. een hoorn als signaalinstrument op de jacht
  1. trompe de chasse
  2. cor de chasse
noun
1. zeer snel, betrekkelijk groot Afrikaans katachtig roofdier, Acinonyx jubatus
guépard
noun
1. persoon die toeziet op naleving van jachtwet
garde-chasse
noun
saison de la chasse
noun
1. de taal die vaak bij de jacht gebruikt wordt.
  1. langage des chasseurs
  2. jargon de vénerie
noun
1.
terrain de chasse
noun
1. wettelijke toestemming om te jagen
permis de chasse
noun
gevechtsvliegtuig
  1. avion de chasse
  2. chasseur
noun
jaquette
/ˈjaːɣə(n)/
verb
  1. 1. bewegende wezens proberen te vangen
    chasser
  2. 1. slepen van schuiten
    halage
noun
  1. 1. iemand die op jacht gaat
  2. 2. jachtvliegtuig
chasseur
noun
chasseur-cueilleur
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera onca
jaguar
noun
1. bepaald soort zoogdier, Herpailurus yaguaroundi
jaguarondi
/ˈjɑːwe/
pronoun
Yahweh
/ˈjɑːwɛ/
pronoun
Yahweh
noun
  1. yack
  2. yak
noun
1. Canis aureus, hondachtig roofdier
chacal
/ˈjaknɪkər/
noun
  1. 1. iemand die de eigen mening niet uitspreekt
    béni-oui-oui
  2. 2. pomp met een tegengewicht die constant op en neer gaat
    pompe à balancier
noun
3. plant
polémoine bleue
noun
1. benaming voor bepaald soort mosselachtig schelpdier
coquille Saint-Jaques
/jaˈkobʏs/
pronoun
Jacques
adjective
1. een negatief gevoel veroorzaakt doordat iemand iets heeft of kan krijgen wat je ook wilt hebben of reeds hebt
jaloux
/jɑˈluːrshɛɪt/, /jɑˈluːrshɛːt/
noun
1. een wrok die iemand koestert omdat men een ander niet gunt wat men zelf begeert
jalousie
/jɑluˈziː/
noun
  1. 1. gevoel
  2. 2. zonnescherm
jalousie
/ʃɛm/
noun
1. een gelei van suiker en gekookt fruit, onder andere gebruikt als broodbeleg
confiture
/(d)ʒa.mɛɪ̯.ka/, /dʒɑ.mɑɪ̯.ka/
pronoun
1. een eiland in de Grote Antillen ten zuiden van Cuba en ten westen van het eiland Hispaniola
Jamaïque
pronoun
1. (taal) een creooltaal
créole jamaïquain
adjective
1. met het ritme van een jambe
ïambique
interjection
1. uitroep van teleurstelling
tant pis
verb
1. klagende, huilende geluiden maken
(se) lamenter
noun
1.
bœuf
/jɑn/
pronoun
. spelwoord voor de letter j
Joseph
noun
1. bepaalde zeevogel, Morus bassanus
fou de Bassan
/jɑnyˈwaːri/
noun
1. de eerste maand van het jaar
janvier
/jaˈpɑn/, /jɑˈpɑn/
pronoun
1. een land in het oosten van Azië
Japon
noun
  1. Japonais
  2. Japonaise
/jɑ'pɑns/
adjective
1. betreffende Japan of het Japans
japonais
/jɑ'pɑns/
pronoun
1. een taal die in Japan gesproken wordt
japonais
noun
1.
renouée du Japon
pronoun
1. taalfamilie van Japans en een tiental verwante talen die in Japan worden gesproken
langues japoniques
/ˈjaːrəx/
adjective
1. iemand is jarig tijdens zijn verjaardag
anniversaire
noun
1.
  1. veste
  2. manteau
noun
1. benaming voor planten uit het geslacht Jasminum
jasmin
noun
1. aftreksel van de bloemenbladeren van de jasmijn
thé au jasmin
adjective
javanais
pronoun
1. een taal die door meer dan 75 miljoen mensen op Java en Bali gesproken wordt
javanais
noun
1. Rhinoceros sondaicus, neushoornsoort levend op West-Java en in Vietnam
rhinocéros de Java
/'jɑʋɛl/
adverb
ja, antwoordend op een ontkennende vraag
si
/jaʋɔːrt/
noun
1. het bevestigende antwoord op een huwelijksaanzoek
consentement
/ˈdʒɛ:zɑŋəˌrɛs/
noun
1. een vrouwelijke persoon die zich op het zingen van jazz toelegt
chanteuse de jazz
/ˈjeɣəns/, /ˈjeχəns/
preposition
1. tegenover
envers
pronoun
Geer
/ˈjemən/, /ˈjeːmən/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel de Republiek Jemen
Yémen
pronoun
1. en 2.
Iéna
noun
  1. 2. vrucht
    1. baie de genièvre
    2. baie de genévrier
  2. 1. Juniperus communis
    genévrier
verb
enquiquiner
pronoun
Jérémie
noun
jérémiade
noun
1.
  1. jerrican
  2. jerricane
  3. jerrycan
adjective
jérusalémite
pronoun
Isaïe
/dʒɛt/
noun
1. een straalvliegtuig
jet
noun
1.
  1. jet set
  2. jetset
/ˈjøːxt/
noun
1. het jong zijn
jeunesse
adjective
1. jong, fris, onbevangen
  1. jeune
  2. juvénile
noun
1.
magazine de jeunesse
verb
démanger
/ˈje.zʏs/
pronoun
1. centrale figuur in het Nieuwe Testament
Jésus
pronoun
1. Jezus van Nazareth
Jésus Christ
pronoun
2. apocrief boek uit de Bijbel
  1. Ecclésiastique
  2. Siracide
/je.zy.ˈit/
noun
1. een lid van de Sociëteit van Jezus
jésuite
noun
1. een pijnlijke ontsteking als gevolg van gekristalliseerd uraat in een gewricht
goutte
pronoun
1. Germaanse taal die door de Joden in West-Europa gesproken werd
yiddish
noun
  1. djihad
  2. jihad
/jEi/, /jɛɪ̯/, /jɛː/
personalPronoun
1. aangesproken persoon enkelvoud informeel
  1. tu
  2. toi
verb
1. iemand aanspreken met jij en jou in plaats van met u
tutoyer
noun
1.
jingoïsme
/'jɔb/
pronoun
Job
/ˈjodələ(n)/
verb
1. zingen met een snelle wisseling van borst- naar keelstem
  1. yodler
  2. jodler
  3. iodler
  4. iouler
noun
judaïsme
noun
1.
iodure
/joˈdɪn/
noun
juive
/joˈdin/
noun
1.
juive
noun
1. scheikundig element met symbool I en atoomnummer 53
iode
pronoun
Yougoslavie
verb
1. luidkeels van afkeuring blijkgeven
  1. chahuter
  2. huer
  3. hurler
pronoun
1. verzamelnaam van een vijftal talen die in Alaska en Siberië worden gesproken
langues yupik
noun
1.
joggeur
noun
pantalon de jogging
pronoun
  1. 2.1 een van de vier Evangeliën
    Jean
  2. 4. spelwoord voor de letter j
    Joseph
noun
caroubier
pronoun
. spelwoord voor de letter j
Joseph
noun
joint
noun
1. speelgoed
yo-yo
verb
joker
verb
joker
/ˈjɔ.kə(n)/
verb
2. een relatief onschuldige leugen vertellen
  1. bobarder
  2. raconter des bobards
/joˈna/
pronoun
Jonas
adjective
1. van geringe leeftijd
jeune
noun
1. aanspreektitel voor een groep jongeren
jeunes gens
noun
1. onvolwassen man
garçon
/ˈjɔŋə(n)sˌnam/
noun
[1] een voornaam die doorgaans gegeven wordt aan kinderen van het vrouwelijk geslacht
nom de garçon
/jɔŋˈle.rə(n)/
verb
jongler
/jɔŋˈlør/
noun
  1. 1. rondreizend kunstenaar
  2. 2. rondreizend artiest
jongleur
noun
1. schip
jonque
/jot/
noun
  1. Juif
  2. Juive
noun
  1. 1. aanhanger van het joodse geloof
    juif
  2. 1. element jodium
    iode
adjective
1. te maken hebbend met het joodse geloof, het jodendom
  1. juif
  2. judaïque
phraseologicalUnit
1.
Dieu seul le sait
/jɔr.ˈda.ni.jə/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië
Jordanie
/jɑu̯/
personalPronoun
te
/ʒurˈnaɫ/
noun
1. een televisieprogramma dat dagelijks het nieuws brengt
journal télévisé
noun
verslaggever, iemand die nieuwsfeiten publiceert
journaliste
noun
journaliste
adjective
1.
journalistique
/jɑu̯/
possessivePronoun
1.
  1. ton
  2. ta
  3. tes
adjective
1. opgewekt en tegelijk aardig en vriendschappelijk in de omgang
jovial
adjective
joyeux
/joˈʔel/
pronoun
Joël
noun
1. 21e-eeuws gevechtsvliegtuig dat ook gronddoelen kan aanvallen en nauwelijks zichtbaar is voor vijandelijke radar
JSF
/jybələ/
verb
1. juichen
  1. exulter
  2. jubiler
verb
jubiler
noun
1. feestelijke herdenking van de dag waarop iets gebeurde of begon
jubilé
pronoun
2. boek in de Bijbel
Judas
noun
2. kijkgat in een deur
judas
noun
1. kus die Judas aan Jezus gaf
baiser de Judas
noun
1. vriendelijk gebaar van een iemand die veinst een vriend te zijn, kort voordat zijn ware bedoelingen duidelijk worden
baiser de Judas
noun
1. getralied luik in een deur
judas
noun
1. een klein groothoekkijkertje in een deur
judas optique
noun
1. naam voor planten uit het geslacht Lunaria
  1. monnaie-du-pape
  2. lunaire
  3. médaille-de-Judas
adjective
judiciel
pronoun
2. apocrief boek uit de Bijbel
Judith
/'jy.do/
noun
1. een Japanse vechtsport
judo
//
noun
1. een van de twee houten blokken van een wantspanner
cap de mouton
adjective
1. zoals het moet, waar
  1. juste
  2. vrai
noun
1. houten pasvorm die op de schouders gedragen wordt en twee te dragen gewichten verbindt
joug
noun
1. een van de beenderen van de schedel
  1. os zygomatique
  2. zygoma
/jyˈlɛi/
noun
1. de zevende maand van het jaar
juillet
pronoun
Trois Glorieuses
/ˈjʏli/
personalPronoun
  1. 1.
  2. 2.
  3. 3.
vous
/ˈjʏli/
possessivePronoun
1. jullie
vos
noun
jumelage
noun
1. de zesde maand van het jaar
juin
noun
1. jonge sportbeoefenaar
benjamin
noun
1. een verzamelnaam voor snel bereid en geserveerd voedsel dat vaak ongezond is
malbouffe
noun
1. groep hoge militairen die samen de baas zijn over het bestuur van een land
junte
/ˈjypiˌtɛr/
pronoun
Jupiter
noun
  1. 1. kanton
  2. 2. gebergte
Jura
verb
jurer
adjective
1. betrekking hebbend op het recht en de rechtsleer
juridique
noun
jurisprudence
noun
1. een deskundige op het gebied van rechtsleer
juriste
/jʌrək/
noun
1. een kledingstuk voor vrouwen dat van de schouders tot op de benen reikt
robe
noun
1. een groep mensen die oordeelkundig geacht wordt en gevraagd een oordeel ergens over uit te spreken
jury
/ˌʃydoˈrɑ̃ʃ/
noun
jus d'orange
pronoun
1. vorm van Deens gesproken door mensen in Jutland in Denemarken
jute
noun
1. iemand die juwelen vervaardigt en erin handelt
  1. joaillier
  2. joailler
noun
1.
  1. joaillière
  2. joaillère
verb
1. naast elkaar plaatsen
juxtaposer
noun
1. krokodilachtige uit de onderfamilie Caimaninae van de familie alligators
caïman
noun
1. deel van schedel waarin tanden en kiezen zitten
mâchoire
noun
1. een van de beenderen van de schedel
mandibule
noun
1. een mogelijk dodelijke infectieziekte veroorzaakt door Colistridium tetani
tétanos
noun
1. klap in het gelaat
gifle
adjective
1. zonder of met heel weinig hoofdhaar, veren, bladeren, begroeiing, enzovoort
chauve
noun
1. persoon
  1. chauve
  2. crâne d'œuf
noun
2. klein stukje uitgebraden vet, spek of reuzel
  1. cretons
  2. grattons
noun
1. een in zee vooruitstekende landpunt
cap
pronoun
1. de naam van de zuidwestelijkste punt van Afrika
  1. cap Arkona
  2. cap Arcona
pronoun
1. de naam van de zuidwestelijkste punt van Afrika
Cap de Bonne-Espérance
pronoun
Cap Horn
pronoun
1. een kaap in Zuidwest-Spanje, bekend om de gelijknamige zeeslag die er uitgevochten werd
Cap Trafalgar
pronoun
1. een van de hoofdsteden van Zuid-Afrika, gelegen bij de Kaap de Goede Hoop
Le Cap
/ˈkaːp.stɑn.dər/
noun
1. kaapstander
cabestan
/kab.ˈvɛr.di.jə/, /kap.ˈfɛr.di.jə/
pronoun
1. een land in West-Afrika
Cap-Vert
verb
1. het behandelen van ruwe katoen of wol met behulp van een kaard
carder
/kars/
noun
  1. 2. oude eenheid van lichtsterkte
    bougie
  2. 1. een staaf of klomp van brandbaar materiaal met een lont
    1. bougie
    2. chandelle
/'karsəndovər/
noun
1. een werktuig om kaarsen mee te doven
éteignoir
noun
  1. 2. bedrukt kartonnen vel dat met de post verstuurd kan worden
  2. 3. kartonnen of plastic vel uit een kaartspel, om mee te spelen
  3. 1. schematische afbeelding van een ruimtelijk gebied op een plat vlak in een verkleinde schaal
carte
verb
1. een kaartspel spelen
jouer aux cartes
/kartspɛl/
noun
  1. 1. een spel met speelkaarten
  2. 2. een spel kaarten
jeu de cartes
noun
1. voedingsproduct gemaakt van gestremde melk
fromage
noun
2.
fromager
/ˈkasfɔndy/
noun
1. een gerecht waarbij etenswaren in een saus van kaas gedompeld worden
fondue
/ˈkasxaf/, /ˈkasχaf/
noun
1. een gebruiksvoorwerp waarmee een dun plakje van een stuk kaas kan worden gesneden
rabot
/ˈkasufle/
noun
1. een gefrituurde snack van een stuk kaas met daaromheen bladerdeeg en paneermeel
plaque frite de fromage
/kɑˈbal/
noun
1. zeer luide verstoring van rust en orde
tapage
/'kɑbələ(n)/
verb
1. zacht stromen en geluid maken
chapoter
noun
1. lijn van 3 tot 6 ineengedraaide touwen van hennep, kunststof, staal of ander materiaal
  1. câble
  2. fil électrique
noun
  1. téléphérique
  2. téléférique
noun
1. Gadus morhua, middelgrote zoutwatervis
  1. morue
  2. cabillaud
noun
1. en 2. lever van Gadus morhua voor opslag van bloed, galproductie en stofwisseling
foie de morue
noun
1. een tang waarmee de hulsjes van kabelschoenen aan elektriciteitssnoeren en kabels worden vastgeknepen
pince à sertir
noun
1.
chef de cabinet
/'kabul/
pronoun
1. Afghaanse stad/provincie
Kaboul
noun
  1. 1. sprookjesfiguur
    1. gnome
    2. nain
    3. naine
  2. 2. padvindster
    jeannette
adjective
kabyle
/ˈkɑ.xəl/, /ˈkɑ.xəɫ/, /ˈkɑ.χɔɫ/
noun
1. een apparaat waarin energie wordt omgezet in warmte met de bedoeling een ruimte te verwarmen
poêle
noun
1. een persoon die ovens, haarden en gelijkaardige stookplaatsen alsmede rookkanalen ontwerpt en bouwt maar niet installeert
  1. fumiste
  2. constructeur de fours
/ˈkɑxtəl/, /ˈkɑxtəɫ/, /ˈkɑχtəɫ/
noun
1. een jong van een paard.
poulain
verb
1. een afbakening maken van de eigendomsrechten van grondbezit en deze in kaart brengen
cadastrer
noun
discipline de fer
/ˈkɑdiʃ/
noun
1. een joods gebed waarin Gods naam wordt geheiligd
kaddish
noun
1. beschoeide of gemetselde oeverstrook waaraan de schepen kunnen aanleggen
quai
adjective
1. iets is zo beschadigd dat het zijn functie niet meer kan uitoefenen
caduc
/kɑf/
noun
1. de vliezen rondom de graankorrels
balle
noun
1. een gesloten kano om in wild water of op zee te varen
  1. kayac
  2. kayak
noun
1. overdekte gemeenschappelijke verblijfplaats op schepen
cabine
adjective
gris kaki
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Blattodea
  1. blatte
  2. cafard
  3. cancrelat
  4. coquerelle
noun
1. rommelig geheel van vele klanken door elkaar
cacophonie
verb
calandre
noun
1. kaalhoofdig iemand
  1. chauve
  2. crâne d'œuf
verb
2. een schip van zijn takelage of tuig ontdoen
  1. dégréer
  2. désarmer
noun
1. tabel die de verdeling van het jaar in dagen, weken of jaren aangeeft, evt. met feestdagen enz.
calendrier
pronoun
1.
Calais
noun
1. jong van het rund en sommige andere zoogdieren.
veau
verb
calfater
verb
calibrer
noun
  1. calife
  2. caliph
noun
califat
noun
1. scheikundig element met symbool K en atoomnummer 19
potassium
noun
cyanure de potassium
/ˈkɑl(ə)k/
noun
aanduiding voor een aantal alkalische zouten van calcium
chaux
noun
1. bepaald soort gedomesticeerde vogel, Meleagris gallopavo
  1. dindon
  2. dinde
noun
2. orgaan van een kalkoen
foie de dinde
noun
four à chaux
noun
calcaire
/ˌkɑ.lɪ.ˈpi.ɣɪs/
adjective
1. met een mooi achterste
callipyge
/kɑlm/
adjective
1. weinig in beroering, zonder opwinding
calme
verb
  1. 1. kalm worden
    1. calmer
    2. apaiser
  2. 3. zich kalmeren
    se calmer
/ˈkɑlmus/, /ˈkɑɫmus/
noun
  1. acore odorant
  2. jonc odorant
verb
1. een jong baren bij runderen
vêler
noun
1. verzamelnaam voor samenhangende bedrijfsprocessen waarbij hoeveelheid en prijs van het product niet centraal staan
  1. QHSE
  2. QSE
/kɑm/
noun
  1. 3. onderdeel van een snaarinstrument
    chevalet
  2. 1. getand object om haren mee te verzorgen
    peigne
/kɑ'mel/
noun
1. bepaald soort hoefdier met twee bulten op de rug, Camelus bactrianus
  1. chameau
  2. dromadaire
/ka'melejɔn/
noun
1. tropische hagedis vooral bekend voor zijn snelle kleurveranderingen
  1. caméléon
  2. chaméléon
noun
1. deel van een huis
  1. chambre
  2. pièce
noun
camarade
noun
1. een lange huisjas
robe de chambre
/ka.mər.lɪt/
noun
1. iemand die een zetel in een der kamers van de volksvertegenwoordiging bekleedt
député
noun
1.
chambriste
noun
musique de chambre
/ˌka.mə.ˈrun/
pronoun
1. een land in Midden-Afrika, officieel de Republiek Kameroen
Cameroun
noun
1.
orchestre de chambre
noun
plante d'appartement
noun
température ambiante
noun
1. kamertoon
  1. A440
  2. diapason
noun
camphre
noun
1.
camphrier
noun
1. elk van de planten van het geslacht Matricaria
camomille
noun
1. mannenvest met lange mouwen en diepe zakken
camisole
/kɑmə(n)/
verb
1. met een kam haar in orde brengen
  1. peigner
  2. coiffer
verb
1. een vorm van openluchtrecreatie
  1. camper
  2. faire du camping
noun
1. geslacht van klimstruiken (Lonicera)
chèvrefeuille
noun
1. wedstrijd waar bepaald wordt wie de kampioenstitel mag dragen
championnat
noun
vuur in een kamp waaromheen mensen zich (ter gezelligheid) verzamelen
feu de camp
pronoun
Manche
/ka'naːl/
noun
  1. canal
  2. chaîne
verb
1. rechttrekken tot een kanaal
canaliser
noun
1.1 bepaald soort vogel Serinus canarius
canari
adjective
1. een heldergele kleur zoals die van sommige kanaries
jaune canari
pronoun
1. een stad gelegen in Zuid-Afghanistan en de hoofdstad van de gelijknamige provincie
Kandahar
noun
chandelier
noun
  1. 1. het voorgedragen worden voor, of het zelf dingen naar een ambt
  2. 2. universitaire opleiding in België vergelijkbaar met bachelor
candidature
/kɑn'dɛɪ/
noun
1. gekristalliseerde, meestal bruine suiker
candi
noun
sucre candi
/kɑˈnel/
noun
1. een specerij van de gedroogde binnenbast van de kaneelboom,...
cannelle
noun
1. boom die kaneel voortbrengt
cannelier
noun
1.
punaise de la jusquiame
noun
1. tot poeder vermalen kaneel
  1. cannelle en poudre
  2. cannelle moulue
noun
1. benaming voor zoogdieren uit het geslacht Macropus
kangourou
/kanɪs/
noun
  1. 4.1
    caboche
  2. 4.3
    corps
  3. 4.2
    gueule
noun
1.
kanji
noun
1. een aandoening die gekenmerkt wordt door het ongecontroleerd vermenigvuldigen van cellen
cancer
noun
oncologue
pronoun
1. taal die in de Indische staat Karnataka gesproken wordt
kannara
noun
  1. 1. mens die of dier dat vlees van zijn eigen soort eet
    1. cannibale
    2. anthropopfage
  2. 2. woesteling
    sauvage
noun
canoë
noun
1. een instrument om explosieve projectielen weg te schieten
canon
verb
canonner
noun
boulet de canon
noun
  1. 2. een mooie gelegenheid
  2. 1. mogelijkheid dat er iets gaat gebeuren
chance
noun
1. eerste minister
chancelier
noun
jeu de hasard
/kɑnt/
noun
  1. 2. richting
    côté
  2. 1. een vorm van vlechtwerk
    dentelle
/kɑnˈtel/
noun
1. elk van de opstaande delen van de getande bovenkant van (oude) verdedigingsmuren
créneau
noun
1. eetgelegenheid in bedrijven, scholen, verenigingen
cantine
noun
canton
verb
1. troepen legeren in dorpen en steden
cantonner
noun
1. een instelling waar allerlei administratieve handelingen worden uitgevoerd
bureau
noun
1.
bureau paysager
noun
1. een titel die aan bepaalde geestelijken wordt verleend binnen enkele christelijke kerkgemeenschappen.
chanoine
noun
1. de waardigheid en taken van een kanunnik
  1. canonicat
  2. chanoinie
noun
1. de waardigheid en taken van een kanunnik
  1. canonicat
  2. chanoinie
noun
1. klein kerkgebouw
chapelle
noun
1. een priester van de katholieke kerk, werkzaam in een parochie
  1. chapelain
  2. aumônier
/ˈka.pər.ˌbrif/
noun
1. een brief door de overheid of koning werd geschreven, waarmee een schip dat die brieven aan boord had het recht werd gegeven om schepen van vijandelijke mogendheden aan te vallen en leeg te roven
lettre de marque
verb
1. kapitaal laten aangroeien
capitaliser
noun
1.
chapiteau
noun
  1. 1. (beroep) (scheepvaart) gezagvoerder van een schip [1], bijv. van een koopvaardijschip
  2. 2. (beroep) (militair) een rang in de hiërarchie net boven die van luitenant
capitaine
/kaˈpɪ.təl.ˌkɛrk/, /kaˈpɪ.təɫ.ˌkɛrk/
noun
1. een kerkgebouw in een dorp
  1. collégiale
  2. église collégiale
noun
1. bepaald soort zeevogel, Larus ridibundus
mouette rieuse
/'kɑpmɛs/
noun
1. stevig mes
  1. machette
  2. coupe-coupe
noun
chapon
adjective
  1. 1. gebroken
    1. cassé
    2. brisé
    3. abîmé
  2. 2. niet meer goed functionerend
    1. déréglé
    2. déterioré
    3. détraqué
noun
1. overjas voor soldaten
capote
/ka'pɔtʲə/
noun
2.
capote
noun
coiffeur
/'kɑ.pər.tʲə/
noun
2. klein groen bloemknopje van de kappertjesplant, Capparis spinosa, dat meestal op zuur bewaard wordt en dat als kruiderij gebruikt wordt
câpre
/kɑpsɛɪ̯zə(n)/, /kɑpsɛːzə(n)/
verb
1. ondersteboven komen liggen
chavirer
noun
1. de manier waarop het haar geknipt is
coiffure
noun
  1. 2. kapsones hebben, hoge dunk van zichzelf hebben
    1. bêcheur
    2. esbroufe
    3. péter
  2. 1. pretenties
    1. chichis
    2. esbroufe
noun
1. opschepper
  1. bêcheur
  2. bêcheuse
  3. snobard
noun
1. een meubelstuk bedoeld om jassen en hoeden aan op te hangen
porte manteau
noun
1.
capucin
noun
1. tafelfles met wijde buik en smalle hals
carafe
verb
caractériser
noun
1. gebrande suiker
caramel
verb
1. door verhitting, suiker omzetten tot karamel
caraméliser
noun
1. vorm van vermaak, waarbij muziek wordt afgespeeld van een lied, en de amateur zanger in een microfoon de tekst (die op een televisiescherm te lezen is) live zingt
karaoké
pronoun
1. stad in Namibië
Karasburg
noun
1. japanse gevechtsport
karaté
noun
1.
caravane
/kɑrboˈnadə/
noun
1. een stuk vlees van een varken, kalf of lam
  1. côtelette
  2. carbonade
  3. carbonnade
noun
plant en zaad
cardamome
noun
1. hoge geestelijke in de hiërarchie van de Rooms-Katholieke Kerk,...
cardinal
noun
1. en 2. bladeren van Cynara cardunculus
cardon
pronoun
2. spelwoord voor de letter k
Klebér
pronoun
1. een aan het Fins verwante taal die wordt gesproken in Karelië, Rusland en Finland
carélien
/kɑˈrelɪə/
pronoun
1. deel van Rusland
Carélie
pronoun
1. verzamelnaam van ongeveer 15 talen die in Myanmar en Thailand worden gesproken
langues karen
verb
1. een karikatuur maken van
caricaturer
noun
1.
caricature
pronoun
1.
Carinthie
pronoun
1., 2. en 3.
  1. Carlsbad
  2. Karlovy Vary
adjective
  1. rouge carmin
  2. carmin(é)
noun
1. de rode kleur van karmijn
cramoisi
noun
1. gefermenteerde melk
  1. babeurre
  2. lait fermenté
verb
1. het langdurig mechanisch bewerken van melk
battre le beurre
adjective
1. van, betreffende de Karolingers
carolingien
noun
1. bepaald soort grote zoetwatervis met een hoge rug, die van oorsprong uit Azië komt, Cyprinus carpio
carpe
/kɑrˈtɔn/
noun
  1. 2. verpakking
  2. 1. bordpapier
carton
verb
1.
cartonner
adjective
chartreux
noun
  1. 1. kloosterling van de strenge contemplatieve orde van Sint-Bruno van Keulen
  2. 2. ras van huiskatten
chartreux
noun
plant, zaad en specerij
carvi
noun
1. gedroogde (gemalen) aromatische zaad van Carum carvi
graine de carvi
/'kɑs/
noun
3. een doorzichtige -meest glazen- constructie...
serre
noun
livre de caisse
pronoun
Cachemire
pronoun
1. een Westslavische taal die gesproken wordt in het oosten van Pommeren
kachoube
pronoun
1. een grote door land omsloten zoutwatervlakte op de grens van Europa en Azië
  1. Mer Caspienne
  2. mer Caspienne
noun
    1. 1. plaats waar men aankopen betaalt in een winkel
    2. 3. machine om ontvangen geld te registreren en te bewaren
    caisse
  1. 2. plaats waar men tickets betaalt of reserveert
    guichet
pronoun
  1. 1. Duitse stad
  2. 1. Frans stadje
Cassel
noun
1. iemand die het beheer heeft over de kas en de mutaties ervan bijhoudt
cassier
/kɑs/, /kɑst/
noun
  1. 1. een meubel om gebruiksvoorwerpen in op te bergen, meestal voorzien van horizontale schappen
    1. armoire
    2. placard
  2. 3. gevangenis
    tôle
noun
  1. 1. de vrucht
    châtaigne
  2. 1. de boom
    châtaignier
adjective
  1. marron
  2. auburn
noun
  1. 1. streng gescheiden stand binnen de hindoeïstische samenleving
  2. 2. een zeer gesloten sociale kring
  1. caste
  2. clan
noun
1. een middeleeuwse versterkte woning
château
pronoun
1. Belgische plaats en gemeente in de provincie Waals-Brabant
Braine-le-Château
noun
1. bepaald soort zoogdier, Felis sylvestris catus
  1. chat
  2. chatte
noun
catafalque
verb
1+2. snel voort doen gaan
catalyser
noun
  1. 3. lanceerinrichting voor vliegtuigen
    catapulte
  2. 1. belegeringswapen
    1. catapulte
    2. baliste
  3. 2. speeltuig
    1. lance-pierre
    2. fronde
noun
  1. 2. gevolgen van alcoholgebruik
    gueule de bois
  2. 1. mannetje van de kat
    matou
adjective
  1. albigeois
  2. cathare
/kɑtədral/
noun
1. een hoofdkerk van een bisdom
cathédrale
noun
1. buisje dat tijdelijk in een lichaamsholte wordt aangebracht, bijv. om lichaamsvocht op te vangen of een medicijn toe te dienen
cathéter
noun
1-2 scheikunde + elektronica
cathode
/ˌka.to.ˈlik/
adjective
  1. 1. overeenkomstig de geloofsleer van de Katholieke Kerk
  2. 2. te maken hebbend met de Katholieke Kerk
catholique
/ka.ˈtɛɪf/, /kɑ.ˈtɛːf/
adjective
1. ellendig, ongelukkig
  1. misérable
  2. lamentable
  3. pitoyable
/ka.ˈtɛɪf/, /kɑ.ˈtɛːf/
noun
  1. 1. ellendeling, stakker
    1. misérable
    2. pauvre diable
    3. pauvre type
  2. 2. feeks, boosaardig vrouwmens
    1. mégère
    2. chipie
/kɑˈtun/
noun
1. een zachte vezel die uit de opperhuid (epidermis) van de zaden van de katoenplant groeit
coton
noun
1. de plant waarvan de vrucht bestaat uit katoenvezels
cotonnier
noun
1. een werktuig dat het mogelijk maakt een last met een beperkte kracht te verplaatsen
poulie
/ˈkɑtə(n)ˌbɑk/
noun
1. een bak waarin katten hun behoefte kunnen doen
  1. bac
  2. caisse du chat
  3. litière
noun
  1. cataire
  2. chataire
  3. herbe aux chats
  4. herbe à chat
noun
langue de chat
noun
1. een bewusteloosheid die maar kort duurt
pâmoison
pronoun
1. verzamelnaam van tientallen talen die in het gebied van de Kaukasus worden gesproken
langues caucasiennes
pronoun
1. gebergte
Caucase
noun
1. Corvus monedula, eem zwarte kraaiachtige zangvogel met een grijze nek
choucas
verb
mâcher
noun
chewing-gum
noun
1. inwoner van Kazachstan
  1. Kazakh
  2. Kazak
pronoun
1. een taal die van oorsprong door de Kazachen in Kazachstan gesproken werd
kazakh
/ˈka.zɑx.stɑn/, /ˈka.zɑχ.stɑn/
pronoun
1. een land in Centraal-Azië en het uiterste oosten van Europa
Kazakhstan
noun
1. inwoner van Kazachstan
  1. Kazakh
  2. Kazak
noun
1. gebouw waar soldaten gelegerd zijn
caserne
noun
1. een mouwloos opperkleed dat door een priester gedragen wordt bij het lezen van de mis
chasuble
pronoun
1. oudste zoon van Adam en Eva
Caïn
/keːl/
noun
  1. 1. voorste, uitwendige gedeelte van de hals
    gorge
  2. heraldiek
    gueules
noun
1. dokter die zich gespecialiseerd heeft in ziekten van organen binnen het hoofd die direct contact met de buitenlucht hebben
oto-rhino-laryngologiste
noun
1. pijnlijke irritatie van het slijmvlies in de keelholte, meestal door een ontsteking ervan
mal de gorge
/keːp/
noun
2. kleurrijke vinkensoort
pinson du Nord
/ˈkipər/
noun
gardien de but
noun
1. telkens terugkerend tijdstip waarop iets gebeurt
fois
noun
tropique
noun
1. een steile wand waarachter grond of water wordt vastgehouden
mur de soutènement
noun
1. risterploeg die zijn werk in twee richtingen kan verrichten
charrue tourne-oreille
noun
tournant
noun
1. een steile wand waarachter grond of water wordt vastgehouden
mur de soutènement
noun
1.
  1. revers
  2. dessous
noun
1. langharige, middelgrote hond met pluimstaart
loulou
pronoun
1. stad in Namibië
Keetmanshoop
noun
kéfir
noun
  1. 1. een blok met een schuine kant
    1. cale
    2. coin
  2. 2. snaardemper
    coin d'accord
/ˈke.xəl/
noun
1. een meetkundig lichaam met een cirkel als grondvlak en uitlopend in een punt
cône
noun
1. een kromme gevormd door het snijden van een kegel met een plat vlak
conique
/'kɛɪɦɑrt/
adverb
1. bijzonder hard: zo hard als een kei
dur comme un roc
/kɛil/
noun
  1. 1. keil (wig)
    coin
  2. 2. keil (kegel)
    quille
noun
2. mannelijk everzwijn
sanglier
noun
keirin
noun
1. een monarch van de allerhoogste rang, oorspronkelijk die van het Romeinse rijk
empereur
noun
1. een vrouwelijke monarch van de allerhoogste rang, oorspronkelijk die van het Romeinse rijk
impératrice
adjective
impérial
noun
1. een gebied waar een keizer het staatshoofd is
empire
noun
1. bepaalde soort vlinder, Argynnis paphia
tabac d'Espagne
noun
1. operatieve verlossing
césarienne
noun
1. een ondergrondse bergruimte
  1. cave
  2. cellier
pronoun
1. Belgische gemeente in de Oostkantons
La Calamine
noun
  1. serveur
  2. serveuse
/kɛɫt/
noun
1. lid van een Indo-Europees volk waarvan na de Romeinse tijd de meeste leden op de Britse eilanden en in Bretagne leven
Celte
/kɛɫtən/
noun
2. Indo-Europees volk waarvan de meeste leden op de Britse eilanden en in Bretagne leven
Celtes
/ˈkɛl.tis/, /ˈkɛɫ.tis/
adjective
1. met betrekking tot Kelten
celtique
pronoun
1. taalfamilie van een tiental talen die in West-Europa worden gesproken
  1. langues celtes
  2. langues celtiques
pronoun
1. zanderige streek in het noordoosten van België en in het zuiden van de Nederlandse provincie Noord-Brabant
Campine
noun
1. bepaald soort vogel, Calidris pugnax
combattant
/ˈke.ni.ja/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika, de Republiek Kenia, grenzend aan Somalië, Ethiopië, Oeganda, Tanzania en de Indische Oceaan
Kenya
noun
signe distinctif
/'kɛnmɛrkə(n)/
verb
1. een herkenningspunt ergens van zijn
  1. marquer
  2. caractériser
/ˈkɛ.nəl/
noun
chenil
verb
  1. 1. bekend, vertrouwd zijn met
  2. 2. door studie of oefening geleerd hebben
  1. connaître
  2. connaitre
noun
connaisseur
/ˈkɛnɪs/
noun
1. wat je weet of hebt geleerd
  1. connaissance
  2. kennis
noun
  1. 2. een identificatienummer van een (gemotoriseerd) voertuig
    numéro d'immatriculation
  2. 1. een teken waaraan iets of iemand herkenbaar is
    signe distinctif
noun
1. een identificatiedocument voor voertuigen
  1. carte grise
  2. certificat d'immatriculation
noun
1. een combinatie van cijfers en letters op de kentekenplaat van een motorvoertuig of aanhanger
numéro d'immatriculation
noun
1. een strook metaal waarop een kentekennummer is vermeld
plaque d'immatriculation
noun
  1. chevron
  2. armure
noun
1. militair hoofddeksel met klep
képi
/ˈkɛpəl/
noun
1. hoofddeksel in de vorm van een ondiep bolsegment
  1. calotte
  2. kippa
noun
céramique
noun
1.
céramiste
noun
mec
/kɛrk/
noun
  1. 1. openbaar gebouw voor religieuze handelingen of samenkomsten
  2. 2. Christelijke organisatie voor beleving van een specifieke christelijke godsdienst
  3. 3. Georganiseerde groep die bepaalde christelijke standpunten aanhangt
église
/ˈkɛrk.bɑn/
noun
1. uitsluiting van de sacramenten of de kerkgemeenschap
excommunication
/ˈkɛrk.bɑŋk/
noun
1. harde langwerpige constructie waar in een kerkgebouw waarop gelovigen tijdens een dienst kunnen zitten
banc d'église
/ˈkɛr.kə.lək/
adjective
1. verband hebbend met de kerk
ecclésiastique
noun
consistoire
/kɛrkər/
noun
1. een ondergrondse ruimte die bestemd is voor het opsluiten van gevangenen
oubliette
/ˈkɛrk.ɣəˌbɔʊ̯/, /ˈkɛrk.χəˌbɑʊ̯/
noun
1. een bel naast de ingang van de sacristie die tijdens kerkdiensten geluid wordt
église
/ˈkɛrk.ɣəˌsxi.də.nɪs/, /ˈkɛrk.χəˌsχi.də.nɪs/
noun
1. een deel van de wereldgeschiedenis zoals die zich verhoudt tot het christendom
  1. christianisme
  2. histoire
/ˈkɛrk.hɛrˌvɔr.mər/
noun
2. een persoon die betrokken was bij het ontstaan en/of vormkrijgen van de reformatie
réformateur protestant
/ˈkerk.ɦɪsˌtoː.ri/, /ˈkerk.ɦɪsˌto̝ː.ri/
noun
1. een deel van de wereldgeschiedenis zoals die zich verhoudt tot het christendom
  1. christianisme
  2. histoire
noun
1. terrein waar overledenen begraven worden
cimetière
/ˈkɛr.klɔk/
noun
1. een bel in de toren van een kerk
cloche d'église
/ˈkɛrgœːl/, /ˈkɛrkœʏ̯ɫ/, /ˈkɛrkœːl/
noun
1. bepaald soort vogel, Tyto alba
  1. chouette effraie
  2. effraie
noun
1. grotere ruimte in een gebouw bestemd voor missen of vieringen
salle paroissiale
noun
1. een feest met attracties
  1. kermesse
  2. fête foraine
noun
1. matras op de vloer als slaapplaats
lit de fortune
/ˈkɛrnandrɛɪvɪŋ/
noun
aangedreven door kernenergie
propulsion nucléaire
noun
centrale nucléaire
noun
1. energie geproduceerd door kernfusie of kernsplijting, waarmee in een kerncentrale elektriciteit wordt opgewekt
énergie nucléaire
noun
1. het proces waarbij twee atoomkernen botsen en één zwaardere kern vormen waarbij energie vrij komt
  1. fusion thermonucléaire
  2. fusion nucléaire
noun
réacteur nucléaire
noun
arme nucléaire
noun
1. een vrij zware fractie alkanen die met name als vliegtuigbrandstof gebruikt wordt
kérosène
noun
specerij
  1. curry
  2. cari
adjective
jaune curry
noun
  1. 1. steenvrucht van een kersenboom, Prunus subg. Cerasus
    cerise
  2. 1. benaming voor bomen uit het ondergeslacht Prunus subg. Cerasus
    cerisier
/ˈkɛr.sə.ˌlaːr/
noun
  1. 1. een boom uit het geslacht Prunus
  2. 2. het hout van een boom uit het geslacht Prunus
cerisier
noun
1. benaming voor bomen waaraan kleine ronde vruchten groeien, uit het ondergeslacht Prunus subg. Cerasus
cerisier
/ˈkɛrsəntaːrt/
noun
1. taart met kersen erin
tarte aux cerises
/kɛr.ˈsta.vɔnt/, /kɛr.ˈz(d)a.vɔnd/
noun
  1. réveillon de Noël
  2. veillée de Noël
/ˈkɛrsd.bɑɫ/, /ˈkɛrz.bɑl/
noun
1. een bal die men als versiering ophangt aan de takken van een kerstboom
boule de Noël
noun
message de Noël
/ˈkɛrsd.bom/, /ˈkɛrz.bom/
noun
1. rond Kerstmis opgestelde naaldboom met allerlei versieringen
  1. sapin de Noël
  2. arbre de Noël
/ˈkɛrs.dɑx/, /ˈkɛrs.dɑχ/, /ˈkɛrz.dɑx/
noun
jour de Noël
/ˈkɛr.stə.ˌnə(n)/
verb
2. heidense volkeren, al dan niet massaal, tot het christendom bekeren; veelal in historische context
christianiser
/ˈkɛr.stə.ˌnɪŋ/
noun
1. het proces waarbij heidense volkeren zich, al dan niet massaal, tot het christendom bekeren
christianisation
/ˈkɛrs.kɑl.ˌkun/, /ˈkɛrs.kɑɫ.ˌkun/
noun
1. een kalkoen die men een tijdens een diner ter gelegenheid van Kerstmis
dinde de Noël
/ˈkɛrs.lid/, /ˈkɛrst.lit/
noun
1. een op Kerstmis betrekking hebbend lied
  1. chant de Noël
  2. noël
/ˈkɛrs(t)məs/, /ˈkɛrsmɪs/, /ˈkɛrstmɪs/
noun
1. een feest ter herinnering van de geboorte van Jezus met een vieringsdatum die verschilt per christelijke traditie
Noël
/kɛrst.ˈnɑxt/, /kɛrst.ˈnɑχt/, /ˈkɛrs.nɑx/
noun
1. de nacht van 24 op 25 december
nuit de Noël
/ˈkɛr.sto.ˌmat/
noun
1. een trostomaat zo groot als een kers
tomate en grappe
noun
1.
  1. hellébore noir
  2. rose de Noël
/ˈkɛr.stɑl/, /ˈkɛr.stɑɫ/
noun
1. een voorstelling van de geboorte van Jezus met figuren van hout of gips, die vooral in katholieke gezinnen rond Kerstmis in huis te vinden is, vaak onder de kerstboom
  1. crèche de Noël
  2. crèche
/ˈkɛrstɛr/
noun
  1. étoile de Noël
  2. poinsettia
/ˈkɛr.strɔŋk/
noun
1. een gebak in de vorm van een stronk dat met kerst gegeten wordt.
  1. buche de Noël
  2. bûche de Noël
/ˈkɛrst.fa.ˌkɑn.si/, /ˈkɛrst.fa.ˌkɑn.ʦi/, /ˈkɛrz.va.ˌkɑn.si/
noun
1. een schoolvakantie op het einde van het jaar die gewoonlijk twee weken duurt
vacances de Noël
noun
  1. congé de Noël
  2. trêve des confiseurs
noun
1. plant
cerfeuil commun
noun
1.
kétamine
noun
1. een saus op basis van tomaten
ketchup
noun
  1. 2. waterketel
    bouilloire
  2. 1. meestal rond metalen vat, vaak geschikt om onder druk gezet te worden
    chaudière
/ˈke.təl.dɑl/, /ˈke.təɫ.dɑɫ/, /ˈkeː.təl.dɑl/
noun
1. een half cirkelvormige vallei gevormd door de erosie die een gletsjer veroorzaakt
cirque glaciaire
noun
tartre
noun
1.een goederenwagon waarop een ketel gemonteerd is, geschikt voor het vervoer van vloeibare producten
wagon-citerne
noun
zuurvergiftiging bij suikerziekte
acidocétose
/ˌkɛtəˈrɛɪ/
noun
1. het ingaan in woord of gedachte tegen de doctrines van de kerk
hérésie
noun
  1. 1. een aaneengesloten reeks van gelijksoortige elementen, gebeurtenissen etc.
    chaine
  2. 3. een eindeloze band van schakels met rollen of haken, die over kettingwielen gespannen, kracht overbrengt
    chaine de transmission
  3. 2. een stevige, maar buigzame verbinding van in elkaar grijpende ringen of achtvormige schakels
    1. chaîne
    2. chaine
  4. 4. een snoer bestaande uit een draad die door doorboorde kralen of andere voorwerpen gevoerd is
    collier
noun
1. een aanrijding van vanachter waarbij de aangereden auto doorschiet tegen zijn voorligger aan
  1. carambolage
  2. collision en chaîne
noun
1. metalen, linnen of plastic hoes om een fietsketting die ook de tandwielen omvat, bedoeld om de ketting en de kleding van de fietser te beschermen
carter
/ˈkøːkə(n)/
noun
  1. 1. een plaats waar gekookt wordt, ruimte waarin mensen hun voedsel bereiden
  2. 2. de wijze waarop in een land of streek gekookt wordt
cuisine
noun
1. alle gebruiksvoorwerpen in de keuken
ustensiles de cuisine
noun
1.
escabeau
noun
1. uit natriumchloride bestaand voedingszout
sel de table
pronoun
Cologne
noun
corps d'élite
verb
1.zich een oordeel vormen over de waarde of deugdelijkheid van iets
  1. contrôler
  2. examiner
noun
  1. 1. proces van het keuren
    1. contrôle
    2. examen
    3. révision
  2. 2. onderzoek
    1. examen
    2. expertise
    3. inspection
noun
corps d'élite
noun
1.
corps d'élite
noun
prince-électeur
/'kø:s/
noun
gelegenheid
choix
verb
1. gezellig praten zonder al te veel diepgang
causer
noun
1. het besluit om uit verschillende mogelijkheden er één te nemen
choix
/ˈkevər/, /ˈkɛvər/
noun
1. bepaald insect
scarabée
/ˈkiːbɔː(r)d/, /ˈkiːbɔː(r)t/
noun
  1. 1. een elektronisch muziekinstrument met een toetsenbord
  2. 2. een apparaat waarmee, door toetsen in te drukken, gegevens in een computer ingevoerd kunnen worden
clavier
adjective
1. volgens de economische leer van John Maynard Keynes waarbij de regering een anticyclische begrotingspolitiek zou moeten voeren: veel tekorten maken als er crisis is en bezuinigen als de economie groeit
keynésien
pronoun
1. taal die in Cambodja gesproken wordt
khmer
pronoun
1. verzamelnaam van ongeveer 20 door klikfonemen gekenmerkte talen die in Afrika worden gesproken
langues khoïsan
/kɪbələ(n)/
verb
1. woordenstrijd hebben
chamailler
/ˈkɪbuts/
noun
kibboutz
/ˈkɪd.ˌnɑ.pər/, /ˈkɪt.ˌnɑ.pər/, /ˈkɪt.ˌnɛ.pər/
noun
1. iemand die mensen kidnapt of ontvoert
kidnappeur
noun
1.1 benaming voor roofvogels uit het geslacht Circus
busard
noun
  1. 1. verlenging van de onderzijde van een (zeil)schip
    quille
  2. 1. plectrum
    1. bec
    2. plectr
noun
1. onderdeel aan de bovenkant van de toets van een strijkinstrument
  1. sillet
  2. sillet de tête
noun
  1. 2. (uitdrukking) in het
    dans la foulée
  2. 1. spoor van waterstroom (achter een schip)
    sillage
noun
germe
/'kim.ʋɔr.təl/
noun
1. eerste worteltje van een zaailing
radicule
adjective
1. een vrij grote tand die achter in de mond staat
molaire
noun
1. een gebied, waar bij verkiezingen op dezelfde kandidaten kan worden gestemd
  1. circonscription
  2. circonscription électorale
noun
1. pijn in één of meerdere kiezen
mal de dents
noun
  1. droit de vote
  2. droit de suffrage
noun
1. de wijze waarop de volksvertegenwoordiging bij verkiezingen wordt gekozen.
système électoral
verb
1. het prikkelen van gevoelige stukken huid bij anderen door middel van licht aanraken
chatouiller
pronoun
1. de hoofdstad van Oekraïne
Kiev
noun
vanneau huppé
adjective
gris silex
noun
caillou
/ˈkizəɫˌʋirə(n)/
noun
2. stam van eencellige organismen, Bacillariophyta
diatomées
verb
1. uit meerdere mogelijkheden één nemen
choisir
noun
1. iemand die stemt bij een politieke verkiezing
votant
noun
1. een statistische bepaling van het aantal kijkers en hun waardering van een bepaald televisieprogramma
audimat
verb
regarder
noun
1. iemand die kijkt
spectateur
noun
1.
redevance
verb
1. ruzie maken, een woordenstrijd hebben
se quereller
noun
  1. 1. benaming voor amfibieën uit de orde Anura
    grenouille
  2. 2. een dubbele haak ter bevestiging van een touw
    taquet
noun
1. legsel
œufs de grenouille
noun
1. en 2. (zaden van) de plant Cicer arietinum
pois chiche
noun
1. fijn gemalen kikkererwten
farine de pois chiche
noun
1. kikker- of paddenlarve
têtard
noun
  1. 1. informele afkorting van "kilogram" de SI-eenheid van massa (symbool: kg)
  2. 2. informele afkorting van "kilogram" een niet-SI-eenheid van gewicht of kracht
kilo
abbreviation
1. kilogram
  1. kilogramme
  2. kilo
noun
1. duizend meter
kilomètre
noun
1. een belasting op het gebruik van een bepaald wegennet
  1. taxe au kilomètre
  2. taxe kilométrique
interjection
  1. 1. horizon
    horizon
  2. 3. strook aan de zijkant van een enkel blad
    talon
noun
1.
tin
noun
horizon
noun
1. de kleine spiegel van in sextant of octant
petit miroir
noun
1. het vooruitstekende deel van de onderkaak
menton
noun
  1. 1. mens tussen 0 en 18 jaar
  2. 2. persoon voortkomend uit
enfant
noun
travail des enfants
noun
1. een arts die gespecialiseerd is in de behandeling van kinderen
pédiatre
noun
livre pour enfants
noun
  1. ferme
  2. pédagogique
noun
  1. EAJE
  2. halte-garderie
noun
pédiatrie
noun
main d'enfant
noun
chanson enfantine
noun
1. het om het leven brengen van een kind
infanticide
noun
1.
baby-sitter
noun
  1. EAJE
  2. halte-garderie
noun
jardin d'enfants
noun
1. een voertuig waarin zuigelingen of kleuters met de hand verreden kunnen worden
landau
noun
  1. 2. fout, tekortkoming bij een nieuw voorwerp, project of plan
    maladie d'enfance
  2. 1. ziekte bij kinderen
    1. maladie infantile
    2. maladie d'enfance
noun
1. kind dat deelneemt aan een gewapend conflict
enfant soldat
noun
kinésithérapie
adjective
1. wat beweging veroorzaakt
cinétique
noun
quinine
noun
lourdaud
/kɪŋk(h)ust/
noun
1. een bepaalde kinderziekte die veroorzaakt wordt door de bacterie Bordetella pertussis
coqueluche
adjective
1.
kinois
pronoun
1. officiële taal van Ruanda, behoort tot de Bantoe-talen
kinyarwanda
/kɪp/
noun
  1. 2. kippenvlees
    poulet
  2. 1. Gallus gallus domesticus, gedomesticeerde vogel uit de familie van de hoenderachtigen
    1. poulet
    2. poule
noun
hok voor kippen
poulailler
noun
1. orgaan dat een grote rol speelt in de stofwisseling van een hoen, na het slachten vaak gegeten als delicatesse
foie de poulet
/ˈkɪpəvɛɫ/
noun
1. het verschijnsel waarbij als gevolg van kou de huid gaat kleine bubbeltjes vertoont
chair de poule
noun
  1. graisse de poule
  2. graisse de poulet
  3. gras de poulet
pronoun
1. de taal die in Kirgizië gesproken wordt
kirghiz
/kɪr.ˈɣi.zi.jə/, /kɪr.ˈχi.zi.jə/
pronoun
1. een land in Centraal Azië, officieel de Kirgizische Republiek, dat geheel door land omsloten is
  1. Kirghizistan
  2. Kirghizstan
/ˌki.ri.ˈbɑs/
pronoun
1. land in Oceanië, officieel de Republiek Kiribati
Kiribati
pronoun
1. taal die door 67 790 mensen in Kiribati, Fiji, Nauru, de Solomoneilanden, Tuvalu en Vanuatu wordt gesproken
gilbertin
noun
1. een alcoholische drank die bereid wordt door gegist kersensap te destilleren
kirsch
pronoun
1. de officiële taal van Burundi
kirundi
pronoun
Casquets
/kɪts/
adjective
1. een zeiljacht met twee langsgetuigde masten
ketch
noun
1. schijnkunst die niet aanslaat met veel versieringen en/of de verkeerde materialen waarvan de meeste mensen denken dat het wansmaak is
kitsch
noun
  1. 2. vrucht van plantengeslacht Actinidia
    kiwi
  2. 1. benaming voor vogels uit het geslacht Apteryx
    1. kiwi
    2. aptéryx
pronoun
Lamentations
/klaːr/
adjective
  1. 2. helder, duidelijk
    clair
  2. 1. in staat van gereedheid gebracht, gereed
    prêt
/ˈklaːr ɪs kes/
interjection
c'est parti, mon kiki
adjective
1. kennelijk
évident
verb
  1. 3. iemand bevredigen en tot een orgasme brengen
    faire jouir
    1. 1. voorbereiden
    2. 2. uit ingrediënten klaarmaken
    préparer
verb
1. iets moeilijks in orde of ten einde brengen
réussir
verb
  1. 2. gereed zijn (om iemand te helpen, bij te staan)
    se tenir prêt
  2. 1. aanwezig zijn voor gebruik, consumptie e.d.
    1. être disponible
    2. être prêt
pronoun
1. denkbeeldig mannetje dat mensen 's nachts iets in de ogen strooit zodat ze kunnen slapen
marchand de sable
noun
1. een aanklacht
plainte
noun
1. een blok met kladpapier
bloc de brouillon
noun
cahier de brouillon
verb
1. ongenoegen uiten
plaindre
adjective
1. een beetje vochtig aanvoelend
moite
noun
2. een klem of haak waaraan een touw kan worden bevestigd
taquet
noun
1. in het algemeen wordt hiermee het totaal aan eigenschappen van een geluid aangeduid
  1. son
  2. timbre
  3. sonorité
noun
1. het zich naar voren verwijdende gedeelte van de opening van sommige blaasinstrumenten
pavillon
noun
table d'harmonie
noun
  1. 2. houten hemel boven een spreekgestoelte waardoor het geluid van de spreker weerkaatst en zich verspreidt
    abat-voix
  2. 1.vlak van een muziekinstrument waarlangs de snaren gespannen zijn en waarmee de toon versterkt wordt
    caisse de résonance
noun
gedicht waarvan de woorden niets betekenen en waarbij dus alleen de klank ertoe doet
poème sonore
noun
gedicht waarbij niet de betekenis van de woorden maar de klank centraal staat
poème sonore
noun
caisse de résonance
noun
phonétique
/ˈklɑŋknabotsɪŋ/
noun
  1. 2. een woord dat is ontstaan uit het proberen een geluid na te doen
  2. 1. het (proberen) een zelfde geluid te produceren
onomatopée
noun
vase acoustique
noun
1. afnemer van een product of dienst van een leverancier
client
noun
1. een verzameling klantgegevens (persoonlijke gegevens, bankgegevens, bestelgeschiedenis, lopende bestellingen,...
compte client
noun
1. maatregelen van een bedrijf om iemand als klant te behouden
fidélisation
noun
carte de fidélité
noun
achalandage
noun
  1. 2. bestraffing
    claque
  2. [2]: een (flinke) klap uitdelen
    1. coller une patate
    2. mettre un pain
  3. 1. plotselinge, luidruchtige slag
    coup
noun
1.
pneu crevé
noun
pique-assiette
noun
1. bepaald soort zoogdier, Cystophora cristata
phoque à capuchon
verb
1. applaudisseren
applaudir
/ˈklɑ.pərˌve.zəl/, /ˈklɑ.pərˌve.zəɫ/
noun
1. een vezel gewonnen uit de schil van een kokosnoot
  1. coir
  2. fibre de coco
noun
1. Papaver rhoeas, een plant met een felrode bloem uit de familie Papaveraceae
  1. coquelicot
  2. pavot
noun
1. een schaats die bij het langeafstandsschaatsen gebruikt wordt
patin clap
/ˈklɑpstuːl/
noun
stoel met opklapbare zitting
strapontin
noun
  1. 2. hoogtepunt van een uitvoering, concert
    1. apothéose
    2. clou
  2. 1. ± stuk rundvlees van de borst of klaprib, dat langdurig in een oven gebraden wordt
    poitrine de bœuf
noun
1. een houten blaasinstrument waarop de melodie wordt gespeeld in een harmonie
clarinette
noun
1. het helder maken van een vloeistof
clarification
noun
1. een soort trompet met een schelle klank
clairon
/klɑs/
noun
  1. 1. een groep leerlingen die een tijdlang gezamenlijk les krijgen
  2. 2. een leerjaar op school
  3. 3. een klaslokaal
classe
noun
1. een ruimte in een school voor het geven van les aan scholieren
salle de classe
noun
classe
adjective
classique
/ˈklʌʊtərə(n)/
verb
1. klimmen, zich verticaal verplaatsen met behulp van alle vier de ledematen
escalader
/klʌu/
noun
  1. 2. hand
    1. griffe
    2. patte
  2. 1. poot van een roofdier
    1. griffe
    2. serres
noun
  1. marteau américain
  2. marteau de charpentier
noun
1. klauwplaat
mandrin
noun
1. langwerpig vierkant toetsinstrument dat behoort tot de muzikale familie van de toetsinstrumenten.
clavicorde
noun
1. toetsinstrument
clavecin
noun
trèfle
noun
1. de aas van klaveren
as de trèfle
noun
  1. blad van klaver
    feuille de trèfle
  2. autosnelwegknooppunt
    trèfle
noun
1. kaartkleur
trèfle
noun
1.de/het aas van klaveren
as de trèfle
noun
1. langwerpig vierkant toetsinstrument dat behoort tot de muzikale familie van de toetsinstrumenten.
clavicorde
noun
1. het textiel voor de bedekking van het lichaam
vêtement
noun
1.
vêtement
noun
  1. gaillet gratteron
  2. gaillet-gratteron
/ˈmɑjsɛtmel/
noun
1. bindmiddel dat uit de korrels van kleefmais wordt gewonnen
amidon de maïs cireux
noun
1. rijstsoort die veel zetmeel bevat
riz gluant
noun
  1. garde-robe
  2. armoire-penderie
noun
1. iemand wiens beroep bestaat uit het maken van kleding.
tailleur
noun
1. nachtvlindersoort waarvan de rupsen textiel eten
  1. mite des vêtements
  2. teigne des vêtements
/klɛɪ̯/, /klɛː/
noun
1. zeer fijne, vochthoudende grondsoort
  1. argile
  2. glaise
adjective
1. kleiig
argileux
adjective
1. van geringe grootte
petit
pronoun
Petit Poucet
noun
  1. herbe aux coitrons
  2. séneçon commun
  3. séneçon vulgaire
noun
1. bepaald soort dagvlinder, Celastrina argiolus
azuré de la luzerne
pronoun
  1. Asie Mineure
  2. Asie mineure
noun
1. het kleinetertsakkoord
accord mineur
adjective
  1. 1. de klasse tussen de gegoede burgerij en de arbeiders
    petit-bourgeois
  2. 2. benepen, bekrompen
    1. petit-bourgeois
    2. mesquin
    3. étriqué
noun
1. cirkel op bol met verschillende middelpunten
petit cercle
/ˈklɛɪndɔxtər/
noun
1. een dochter van iemands kind, een vrouwelijk kleinkind
petite-fille
pronoun
1. een hoog aan het noordelijk halfrond duidelijk sterrenbeeld
Petite Ourse
noun
1. roestbruine nachtvlinder met weinig kleur, Phragmatobia fuliginosa
écaille cramoisie
noun
1. bepaald soort meeuw, Larus glaucoides
goéland à ailes blanches
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Petit Chien
noun
1.
goéland brun
noun
1. bepaald soort zoetwatervis, Cobitis taenia
loche de rivière
phraseologicalUnit
1. een interval dat drie halve tonen omvat
tierce mineure
noun
1.
petit murin
noun
1. bepaald soort vlinder, Aglais urticae
  1. petite tortue
  2. vanesse de l'ortie
noun
1. Lyceaena phlaeas, een soort vlinder
  1. cuivré commun
  2. bronzé
noun
1. een toonladder met een kleine terts
gamme mineure
noun
1. een toonladder met een kleine terts
gamme mineure
noun
1. een toonladder met een kleine terts
gamme mineure
noun
1. een toonladder met een kleine terts
gamme mineure
/ˈklɛːnɣɛlt/
noun
1. geld in kleine coupures, vooral in munten
monnaie
noun
1. de handel die tatbare producten direct aan consumenten verkoopt
commerce de détail
noun
détaillant
/ˈklɛːŋkɪnt/, /ˈklɛːɪŋkɪnt/
noun
1. kind van zoon of dochter
  1. petit-enfant
  2. petit-fils
noun
1. klein voorwerp van hoge waarde
joyau
noun
1. een zoon van iemands kind, een mannelijk kleinkind
petit-fils
noun
1. kleisteen
argilite
noun
1. een werktuig waarin iets door samendrukken bijeengehouden of vastgezet kan worden
mâchoire
noun
accent
noun
1. verstelbare afsluiting
abattant
/ˈklepəl/
noun
peervormige staaf in een klok
battant
adjective
1. volgens de principes van een kleptocratie
kleptocratique
noun
1. de onweerstaanbare drang om te stelen
kleptomanie
verb
2. praten, babbelen
bavarder
noun
1. nonsens, geleuter
balivernes
/kløːr/
noun
1. het onderscheid dat gemaakt wordt op basis van het verschil in golflengte van licht
  1. couleur
  2. teinte
verb
1. van kleur voorzien met potloden, stiften, wasko etc.
colorer
noun
crayon de couleur
noun
1. stof waarmee men iets kleurt
colorant
noun
1. een jong kind in de leeftijd van vier tot zes jaar
marmot
verb
coller
/ˈkleːvərɪx/
adjective
1. vasthechtend bij aanraking
poisseux
noun
2. opgewarmd voedsel dat overgebleven is van een eerdere maaltijd
  1. rab
  2. rogaton
noun
2. orgaan
glande
/ˈklivə(n)/
verb
1. langs een scherp breukvlak in tweeën hakken
fendre
noun
1. steile hoge rots
  1. falaise
  2. écueil
noun
1. de gemiddelde natuurlijke gesteldheid van de lucht en het weer in een gebied op een planeet
climat
noun
iemand die voortdurend de mening uitdraagt dat een rampzalige...
alarmiste du climate
noun
climatosceptique
noun
1. de verandering van het klimaat in een bepaald gebied over een bepaalde periode, m.n. de wereldwijde opwarming sinds de 19e eeuw
changement climatique
noun
zone climatique
/klɪmɑtoloˈɣi/
noun
1. leer van de lucht- en weersgesteldheid.
climatologie
/klɪmɑtoˈloxɪs/
adjective
1. op het klimaat betrekking hebbend
climatologique
verb
1. het bewegen in een omhooggaande richting dan wel over obstakels
  1. monter
  2. grimper
noun
  1. 1. iemand die de bergsport beoefend
    1. alpiniste
    2. grimpeur
  2. 2. iemand die bij het wielrennen goed een berg op kan fietsen
    grimpeur
/'klɪ.mɔp/
noun
1. Hedera helix, een groenblijvende houtige plant
lierre
noun
  1. 1.
  2. 2.
grimpeuse
pronoun
1. een kunsttaal die uitgevonden is door Marc Okrand voor Star Trek-films
klingon
noun
1. een inrichting waar patiënten worden verpleegd
clinique
/klɪŋk/
noun
  1. 1. handvat om de deur te openen of te sluiten
    1. bouton de porte
    2. poignée de porte
  2. 2. constructie om een deur gesloten te houden
    loquet
/ˈklɪŋkər/
noun
1. een klank van de menselijke spraak waarbij geen obstructie in de ademstroom aangebracht wordt.
voyelle
noun
harmonie vocalique
noun
1. morfologisch proces waarbij de klinkers veranderen binnen een bepaald paradigma, zoals bij sterke werkwoorden
alternance vocalique
noun
1. een kleine deur in een poort of grote deur
guichet
noun
1. een metalen verbinding tussen twee platen bestaande uit twee cilidrische delen die van weerszijden,...
rivet
noun
1. plant met kleverige bloemknoppen
bardane
noun
  1. 1., 2. plant met kleverige bloemknoppen
    bardane
  2. 4. een zeer aanhankelijke persoon
    crampon
noun
  1. 2. een belvormige idiofoon, vooral bekend van kerktorens en carillons
    cloche
  2. 1. een instrument dat de tijd bijhoudt
    1. horloge
    2. montre
/ˈklɔkɦœs/, /ˈklɔkɦœʏs/
noun
1. binnenste van een vrucht
trognon
noun
1. iemand die een klokkenspel, beiaard of carillon bespeelt
carillonneur
noun
1. muziekinstrument met klokken
carillon
noun
1. iemand die een beiaard of carillon bespeelt
carillonneur
/klɔmp/
noun
  1. 4. Nu breekt mijn klomp.
    Je suis abasourdi(e).
  2. 2. een vrij vormeloze hoeveelheid materiaal
    1. boule
    2. morceau
    3. motte
    4. pépite
  3. 1. schoeisel van hout, eventueel in combinatie met leer
    sabot
verb
1. een identieke kopie van een levend wezen maken
cloner
verb
1. klonten vormen
grumeler
noun
1. een ten gevolge van erosie, diep uitgesleten rivierdal, met steile wanden
  1. gorge
  2. canyon
/klon/
noun
1. een levend wezen dat een exacte genetische kopie is van een ander wezen
clone
/klostər/
noun
  1. 1. een gebouw waarin een kloostergemeenschap gevestigd is
  2. 2. een kloostergemeenschap als zodanig
  1. couvent
  2. monastère
noun
3. informele benaming voor teelbal
  1. baloches
  2. couilles
noun
  1. trouduc
  2. connard
  3. salaud
noun
battue
verb
  1. 5. verslaan
    1. battre
    2. fouetter
  2. 2. hoorbaar bewegen
    1. battre
    2. palpiter
  3. 3. in overeenstemming zijn
    1. concorder
    2. être juste
  4. 4. in toestand brengen
    foueter
  5. 1. tegen iets slaan
    frapper
noun
1. voorwerp om mee te kloppen
batteur
/ˈklɔpt/
interjection
bevestiging
correct
noun
  1. 2. lachwekkend voorval
    farce
  2. 1. toneelstuk
    1. farce
    2. vaudeville
/klœʏs/, /klœːs/
noun
1. een tegen inbraak en brand beveiligde kist of kast
coffre-fort
/ˈklœʏʃə/, /ˈklœːsjə/
noun
casier
/klœʏt/, /klœːt/
noun
  1. 1. de aarde om een wortelstelsel van een plant
  2. 2. een brokkelige onsamenhangende massa
motte
verb
1. een bot in handen houden en er vlees van afhappen
ronger
noun
1. iemand die alleen en in afzondering leeft
ermite
noun
1. een onhandig persoon
balourd
/klyt/
noun
1. bepaald soort watervogel, Recurvirostra avosetta
avocette
noun
1. tot een bol opgewonden draad
pelote
noun
1.
IRM
/ˈknaxdiːr/, /ˈknaɣdiːr/
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Rodentia
rongeur
verb
grignoter
verb
1. met de tanden aanvreten
ronger
verb
1. een hard geluid of knal geven
péter
noun
pot d'échappement
verb
1. hoorbaar zijdelings bezwijken
craquer
verb
1. de kaken op elkaar geklemd over elkaar bewegen, gewoonlijk uit ergernis of frustratie
  1. grincer
  2. serrer
pronoun
1. uitgestorven West-Slavische taal, die vooral van de 11e tot de 13e eeuw door de Joden in Tsjechië en aangrenzende gebieden in Duitsland en Polen werd gesproken
knaanique
noun
2. wielrenner van een wielerploeg die de kopman helpt om te winnen
équipier
verb
1. een massa soepel maken door er steeds in te knijpen
pétrir
verb
1. pijnlijk drukken
  1. serrer
  2. gêner
noun
embouteillage
noun
1. bepaald soort vinkachtige, Carduelis cannabina
  1. linotte mélodieuse
  2. linet
/ˈknøzɪŋ/
noun
1. een onderhuidse beschadiging van het zachte weefsel, veelal veroorzaakt door een bot voorwerp of een val
contusion
verb
  1. 2. onderdrukken, de mond snoeren
    1. bâillonner
    2. garrotter
  2. 1. binden, boeien
    1. garrotter
    2. ligoter
noun
1. gewricht in het midden van het been dat het bovenbeen met het onderbeen verbindt
genou
noun
    1. 1.1. buiging als eerbetoon
    2. 2. (figuurlijk) op nederige wijze uitgevoerde inwilliging van een wens
    génuflexion
  1. 1.2. buiging als vorm van sportbeoefening
    1. génuflexion
    2. squat
verb
1. op de knieën gaan
agenouiller
noun
1. het schijfvormige bot in de knie
rotule
verb
1. liefkozen door contact tussen elkaars knieën
faire du genou
noun
1. een ouderwetse bril die op de neus geknepen werd gedragen
  1. pince-nez
  2. binocle
verb
1. tussen twee punten druk uitoefenen
pincer
/'knɪkə(n)/
verb
1. een verticale beweging met het hoofd maken
hocher
noun
1. balletje van glas, marmer, steen, hout of klei
bille
noun
1. Caesalpinia bonduc
  1. cadoc
  2. canique grise
noun
1. opvouwbaar mes waarbij vaak een veer zorgt voor het uitklappen
  1. couteau pliant
  2. opinel
  3. couteau pliable
noun
1. teken in de vorm van het kort toeknijpen van een oog om verstandhouding of waardering uit te drukken
clin d’œil
/knɪˈpa/
noun
  1. 2. vrucht van de gelijknamige boom
    quenette
  2. 1. fruitboom in de Amerikaanse tropen (Melicoccus bijugatus)
    quenettier
verb
1.
  1. clignoter
  2. cligner
verb
1. een licht knetterend geluid maken
grésiller
noun
bousillage
noun
  1. 2. bundel ineengedraaid haar
    chignon
  2. 1. karwats
    knout
noun
1. looksoort Allium sativa met samengevouwen bol
  1. ail
  2. ail cultivé
noun
1. vingergewricht
jointure du doigt
verb
1. vechten
  1. se battre
  2. combattre
noun
  1. 3. aftands werkpaard.
    canasson
  2. 2. koolraap, een eetbare wortel van een plant uit het geslacht Brassica.
    navet
  3. 1. verdikte plantenwortel.
    tubercule
noun
navet
noun
céleri-rave
noun
  1. 3. aan een jas e.d.
    bouton
    1. 1. in een draad
    2. 2. snelheidsmaat
    nœud
noun
1. spleet die in een stuk stof is gemaakt zodat een ander stuk stof daaraan kan worden vastgemaakt
boutonnière
verb
1. een vastzittende lus in een koord, draad of touw maken
nouer
noun
1.
  1. cheviller
  2. chevillier
/'knɔrə(n)/
verb
1. een geluid voortbrengen zoals een varken
grogner
noun
  1. 1. omhelzing
    câlin
  2. 2. speelgoed
    1. peluche
    2. animal en peluche
verb
1. omhelzen
câliner
noun
1.
  1. arabis
  2. brûlot
  3. moucheron piqueur
/knʌtsələ(n)/
verb
1. zelf voorwerpen uit liefhebberij vervaardigen met gebruik van gereedschap als hamer, zaag en schaaf
bricoler
noun
1. een Australisch buideldier
koala
noun
1. scheikundig element met symbool Co en atoomnummer 27
cobalt
adjective
  1. bleu cobalt
  2. bleu de cobalt
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Araneae
araignée
noun
1. Ursus arctos middendorffi, de grootste beer en het grootste bekende landroofdier
ours Kodiak
noun
1. vrouwelijk rund
vache
noun
1. behuizing voor rundvee
  1. vacherie
  2. étable
noun
1. de platte ronde uitwerpselen van een koe
bouse
noun
gâteau
pronoun
1. gemeente in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Koekelberg
noun
1. een platte pan met een lang handvat
poêle à frire
/[ˈkuc̠͡ç̠jø̜]/
noun
2. klein baksel dat meestal bij de koffie of thee genuttigd wordt
  1. biscuit
  2. gâteau sec
noun
  1. 1. bepaald soort vogel, Cuculus canorus
    1. coucou
    2. coucou gris
  2. 3. keldergat waar het licht doorheen valt
    soupirail
/ˈku:li/
noun
coolie
noun
  1. réfrigération
  2. refroidisement
noun
1. een huishoudelijk apparaat voorzien van een koelinstallatie,...
réfrigérateur
noun
1. koelolie
huile (f) de refroidissement
noun
1. koelvloeistof
  1. liquide de refroidissement
  2. liquide réfrigérant
/ˈkuːmɛlk/
noun
lait de vache
noun
  1. 2. een ruimtelijke figuur, veelvlak
  2. 1. een gewelf in de vorm van een halve bol of een halve ellipsoïde
coupole
/ˈku.pəlˌkɛrk/, /ˈku.pəɫˌkɛrk/
noun
1. een kerkgebouw waarbij het schip overdekt wordt door een koepelvormige kap
kupolkyrka
pronoun
1. een taal die door de Koerden gesproken wordt
kurde
noun
1.
messager
noun
  1. route
  2. direction
  3. handel
noun
1. radiobaken waarmee de koers bepaald kan worden
radiobalise
noun
1. kleine wijziging van de koers om de gewenste richting te behouden
correction de route
noun
vélo de course
noun
1. de uitgezette koers die een vliegtuig / vaartuig zou moeten volgen
vêtement
pronoun
1. taalfamilie van tientallen talen die in het noordoosten van Afrika worden gesproken
langues couchitiques
noun
1. overdekte ruimte waarin koeien kunnen verblijven
étable
verb
1. iets geliefds nauw aan het hart houden
  1. chérir
  2. choyer
/ˌku.tər.ˈʋaːls/
noun
1. aanduiding voor een onverstaanbare taal
  1. baragouin
  2. charabia
  3. galimatias
noun
1. bepaald soort vlinder, Aphantopus hyperantus
tristan
noun
1. stevige metalen stang voorzien van een gespleten einde, gebruikt om er zaken mee open te breken
  1. pied-de-biche
  2. pied de biche
/ˈkuwɛɪ̯t/, /ˈkuʋɛɪ̯t/, /ˈkuβ̞ɛ:t/
pronoun
1. een kleine olierijke monarchie op het Arabische schiereiland in Azië aan de kust van de Perzische Golf
Koweït
noun
1. draagbare bergruimte van stevig materiaal met een handvat, waarin spullen kunnen worden meegenomen tijdens het reizen
  1. valise
  2. malle
noun
1. samensmelting van twee of meer bestaande woorden
  1. amalgame
  2. mot-valise
noun
1. drank uit koffiebonen
  1. café
  2. caféier
noun
café au lait
noun
1. sterk geconcentreerd aftreksel van koffie
extrait de café
noun
  1. grain de café
  2. fève de café
noun
1. het donkere bezinksel van gemalen koffiebonen dat overblijft na het zetten van koffie
marc de café
noun
filtre à café
noun
1. een uitspanning waar men koffie kan nuttigen
  1. café (établissement)
  2. café
/ˈkɔ.fi.ˌka.mər/
noun
salle de repos
noun
1.
gâteau au café
noun
1. een huishoudelijk apparaat waarin koffiebonen kunnen worden gemalen
moulin à café
noun
caféier
noun
2.
table à café
noun
  1. 1-2. munitie
    1. balle
    2. projectile
  2. 3. metalen bal gebruikt bij kogelstaten
    projectile
noun
1.
  1. roulement à billes
  2. cojinete de bolas
noun
1.
moulin à billes
noun
  1. cuisinier
  2. cuisinière
verb
  1. 1. vloeistof verwarmen totdat er zich in de hele vloeistof bellen vormen die naar boven stijgen en openspringen
    1. bouillir
    2. cuire
  2. 2. met behulp van ingrediënten een maaltijd klaarmaken
    1. cuisiner
    2. cuire
adjective
coquet
verb
1. behaagziek zijn
coqueter
noun
1. Cerastoderma edule een schelpdier dat wel als voorafje gegeten wordt in mosselrestaurants
coque
noun
coque commune
noun
1. bepaald soort zeevogel met een gekleurde kop en een lachende roep, Chroicocephalus ridibundus
mouette rieuse
/ˈko.kɔsˌbom/
noun
1. een palm die tot 30 m hoog kan worden en 4-6 m lange bladeren heeft
cocotier
/ˈko.kɔsˌmɛlk/, /ˈko.kɔsˌmɛɫk/
noun
1. vocht verkregen door het kiemwit van een kokosnoot met water te vermengen en uit te knijpen
lait de coco
/'kokɔsnot/
noun
1. holle vrucht van de kokospalm met wit vruchtvlees en een vezelige bast
noix de coco
/ˈko.kɔsˌo.li/
noun
1. een soort olie gewonnen uit kokosnoten
  1. huile de coco
  2. huile de coprah
/ˈko.kɔsˌpɑlm/, /ˈko.kɔsˌpɑɫm/
noun
1. een palm die tot 30 m hoog kan worden en 4-6 m lange bladeren heeft
cocotier
/ˈko.kɔsˌve.zəl/, /ˈko.kɔsˌve.zəɫ/
noun
1. een vezel gewonnen uit de schil van een kokosnoot
  1. coir
  2. fibre de coco
pronoun
1. plaats en gemeente in de Belgische provincie West-Vlaanderen aan de Belgische kust
Coxyde
noun
hoge witte muts
  1. toque
  2. bonnet de cuisinier
noun
charbonnier
noun
houillère
/ˈkolə(n)ˌsxɔp/, /ˈkolə(n)ˌsχɔp/
noun
1. een schep om kolen mee te scheppen
pelle à charbon
noun
1. ganzensoort
oie rieuse
noun
1. een zeer klein vogeltje met een zeer snelle vleugelslag van de familie Trochilidae uit de orde der grootvleugeligen
  1. colibri
  2. oiseau-mouche
adjective
1. betrekking hebbend op koloniën en het hebben van koloniën
colonial
noun
colonisation
verb
1. koloniën vormen
coloniser
noun
1. iemand die zich in een kolonie heeft gevestigd
colon
noun
colosse
adjective
colossal
pronoun
Colossiens
noun
1. eetgerei zoals een bord, maar dan dieper
bol
noun
1.
kombucha
/koˈmedi/
noun
1. een blijspel
comédie
noun
1. een licht hemellichaam van ijs, gas en stof, zich in een baan ver buiten die van de planeten bewegend, dat bij het naderen van de zon een wolk van gas en gruis in de vorm van een staart ontwikkelt
comète
pronoun
  1. 1. deelgemeente van de Belgische provincie Henegouwen
  2. 2. Franse gemeente aan de andere kant van de Leie
Comines
verb
1. bewegen van verder weg naar dichterbij
  1. venir
  2. arriver
pronoun
1. macrotaal die door 220 duizend mensen in Rusland gesproken wordt
Komi
noun
plant, zaden en specerij
cumin
noun
bepaalde suiker die veel in zoete vruchten voorkomt
graine de cumin
adjective
  1. comique
  2. cocasse
/kɔm.ˈkɔ.mər/
noun
1. Cucumis sativus, een langwerpige vrucht die men vooral rauw als salade eet
concombre
/ˈkɔma/
noun
1. een leesteken dat een pauze aangeeft
virgule
noun
1. instrument waarvan de naald het magnetische noorden aanwijst
  1. boussole
  2. compas
noun
1. een persoon die werkzaam is in de mijnbouw
mineur
verb
1. plaatsen van levensmiddelen in suiker om deze te zoeten en te conserveren
confire
pronoun
État indépendant du Congo
/kɔˈnɛɪn/, /kɔˈnɛːn/
noun
1. zoogdier dat ook gedomesticeerd kan worden gehouden
lapin
/ˈkonɪŋ/, /ˈkoːnɪŋ/
noun
  1. 1. het mannelijk hoofd van een koninkrijk
  2. 2. speelkaart waarvan de waarde meestal tussen die van de vrouw en de aas ligt
roi
pronoun
Rois
/konɪˈŋɣɪn/, /konɪˈŋɪn/, /koʊnɪˈŋɪn/
noun
  1. reine
  2. dame
noun
2. nationale feestdag in België (15 november) ter ere van de Belgische koning
fête du Roi
noun
  1. 1. mantel gedragen door een koning of koningin ten tijde van zijn of haar huldiging
    manteau royal
  2. 3. een dagvlinder uit de Nymphalidae-familie
    morio
  3. 2. bepaald soort zwam met roodachtige hoed die voornamelijk in naaldbossen voorkomt, Tricholomopsis rutilans
    mousseron
noun
1. een bewuste moord op een koning.
régicide
/ˈkonɪŋklək/
adjective
1. betrekking hebbend op een koning, koningin, aan of bij hem, haar behorend, van hem, haar uitgaand
royal
/ˈkonɪŋkˌrɛɪ̯k/, /ˈkoːnɪŋkˌrɛɪ̯k/, /ˈkoːnɪŋkˌrɛːk/
noun
1. staatsvorm met een koning aan het hoofd
royaume
noun
1. de billen, het achterwerk
cul
noun
1.
convoi
/koːɪ/
noun
  1. 1. een uit tralies of gaas gemaakt voorwerp dat een ruimte omsluit
    cage
  2. 4. slaapplaats op een schip
    couchette
noun
boek waaruit men leert koken
  1. livre de cuisine
  2. livre de recettes
/ˈkok.ɛɪ̯.lɑnd/, /ˈkok.ɛɪ̯.lɑnt/, /ˈkok.ɛː.lɑnt/
noun
1. een fornuis met toebehoren midden in de keuken
bloc cuisine
noun
cuisinière
noun
1.
  1. art culinaire
  2. cuisine
noun
marmite
noun
point d'ébullition
/ˈkokʋɛkər/
noun
1. een apparaatje dat in de keuken gebruikt wordt om de tijd te meten
  1. compte-minute
  2. minuteur
noun
  1. 2. een zwarte brandstof die voornamelijk uit koolstof bestaat
    1. charbon
    2. houille
    3. braises
  2. 1. een eetbare plant met veel ondersoorten uit de kruisbloemfamilie
    chou
noun
balai
noun
1. reukloos gas dat ontstaat bij volledige verbranding van koolstof
dioxyde de carbone
noun
filament de charbon
noun
1. een bepaald type verbinding van koolstof-, waterstof- en zuurstofatomen
glucide
noun
mésange charbonnière
noun
monoxyde de carbone
noun
  1. rutabaga
  2. chou-navet
noun
chou-rave
/ˈkol.stɔf/
noun
2. een chemisch element en een kleurloos niet-metaal
carbone
noun
dioyde de carbone
noun
1. verbinding met moleculen van één atoom zuurstof en één atoom koolstof (CO)
monoxyde de carbone
noun
1. bepaald soort vis met donker gekleurde mondholte en rug die voorkomt in het hoge noorden van de Atlantische Oceaan, Pollachius virens
lieu noir
/kol'watərstɔf/
noun
1. een verbinding die uit koolstof en waterstof is opgebouwd
hydrocarbure
noun
colza
adjective
jaune colza
noun
huile de colza
/'kolzyr/
noun
1. H₂CO₃
acide carbonique
noun
1. een gas, bestaande uit een verbinding van koolstof en zuurstof (CO₂)
  1. dioxyde de carbone
  2. gaz carbonique
noun
1. de hoeveelheid goederen of diensten die gekocht kan worden met een bepaald geldbedrag
pouvoir d’achat
noun
marchand
adjective
rédhibitoire
noun
1.goederen die een koopman wilt verkopen
marchandise
noun
1. een groep mensen die samen zingen
  1. chœur
  2. chorale
noun
1. streng van in elkaar gedraaide vezels
corde
noun
1. rechte tussen twee cirkelpunten
corde
noun
1.
choriste
noun
1. (medisch) verhoging van de lichaamstemperatuur
fièvre
adjective
  1. casher
  2. kascher
  3. cacher
noun
1. hielbeentje van het paard
paturon
noun
1. beentje van vinger of teen
phalange
noun
  1. 9. zijde van een geldstuk met een afgebeeld hoofd
    face
    1. 1. hoofd van een dier
    2. 2. hoofd van een mens
    tête
  2. 1. porseleinen recipiënt met oor, om uit te drinken
    tasse
noun
1. iemand waarop iedereen zijn ergernis over een misstand afreageert
tête de Turc
noun
  1. casse-tête
  2. casse-tête chinois
verb
1. in ruil voor geld iets in bezit krijgen
  1. acheter
  2. acquérir
pronoun
1.
Copenhague
noun
  1. 1. persoon die koopt
    1. acheteur
    2. acheteuse
  2. 2. scheikundig element met symbool Cu en atoomnummer 29
    cuivre
adjective
brun cuivré
noun
1. het zich onrechtmatig toe-eigenen van koper of andere koperhoudende legeringen zoals brons of messing
vol de cuivre
noun
1. een ambachtsman die platen koper of andere zachte metalen bewerkt. Dit bewerken omvat verschillende bewerkingen, zoals knippen, buigen, solderen en felsen
dinandier
noun
1. een afschrift of andere reproductie van een document of ander voorwerp
copie
noun
photocopieuse
/kopi<sup>j</sup>'ɪːrə(n)/
verb
  1. 1. een duplicaat maken van
    copier
  2. 2. imiteren
    imiter
/ˈkɔplɑmp/
noun
1. een witte of gele lamp aan de voorzijde van een voertuig
phare
noun
  1. 1. iemand die probeert mensen van verschillende groepen met elkaar in contact te brengen (met name voor een huwelijk)
    1. entremetteur
    2. entremetteuse
    3. marieur
    4. marieuse
  2. 2. iemand die probeert twee mensen met elkaar in contact te brengen (met name voor een niet-huwelijkse relatie)
    1. entremetteuse
    2. entremetteur
noun
1. een constructie die in een motor of voertuig mechanische krachten op een te onderbreken wijze overbrengt
embrayage
noun
1. voetbediening om de verbinding tussen de motor van een voertuig en de wielen te verbreken
pédale d'embrayage
noun
1. een streepje om twee of meer woorden een eenheid te laten vormen
trait d'union
noun
1. een werkwoord dat een eigenschap koppelt aan het onderwerp
  1. copule
  2. verbe copule
/ˈkɔpəx/, /ˈkɔpəç/
adjective
1. vasthoudend aan eigen wil of inzicht
têtu
noun
1.
roulade
noun
1. ± combinatie van een glas bier en een glas sterke drank, al dan niet gemengd
  1. bière
  2. dame du lac
  3. pèket
noun
1. stel van twee kleine luidsprekers die men tegen of in de oren plaatst
  1. casque
  2. écouteurs
/'kɔptis/
pronoun
1. een sinds de achttiende eeuw uitgestorven oorspronkelijke Afroaziatische taal van Egypte, ...
copte
noun
1. skelet van de koraalpoliep
corail
adjective
rouge corail
pronoun
1. randzee van de Grote Oceaan
mer de Corail
pronoun
1. (de tekst van) het heilig boek van de islam
Coran
/ko'ran/
noun
1. exemplaar van de Koran
coran
adjective
1. vastbesloten, vastberaden
  1. résolu
  2. ferme
pronoun
1. verzamelnaam van ongeveer 25 talen die in Soedan worden gesproken
langues kordofaniennes
/koˈre.ja/
pronoun
1. een schiereiland in Oost-Azië
Corée
/koreˈjaːns/
pronoun
1. taal die in Korea gesproken wordt
coréen
noun
1. een mand van vlechtwerk
  1. panier
  2. corbeille
noun
1. een balsport waarbij een bal door een mand (korf) moet worden gegooid
  1. korfbal
  2. korfball
noun
1. Corbula gibba
corbule
noun
1. en 2. (gedroogde) zaden van Coriandrum sativum
coriandre
/korijɑndərblɑt/
noun
1. (gedroogd) blad van Coriandrum sativum
feuille de coriandre
noun
1. gemalen gedroogde zaden van Coriandrum sativum
  1. coriandre en poudre
  2. coriandre moulue
/korijɑndərzaːt/
noun
1. gedroogde zaden van Coriandrum sativum
graine de coriandre
pronoun
Corinthiens
noun
  1. op een bugel gelijkend koperen blaasinstrument
    cornet à pistons
  2. 1. rang van vaandrig bij de cavalerie en de artillerie bij de Koninklijke Landmacht
    cornette
/ˈkɔrəlˌhaɣəl/
noun
neige roulée
noun
corset
/kɔrst/
noun
1. een harde buitenste laag om iets dat verder relatief zacht is
croûte
noun
lichen
adverb
  1. 2. van geringe lengte
  2. 1. van geringe duur
  1. court
  2. bref
noun
1.
court-métrage
noun
1. verlaging van een te betalen bedrag
rabais
pronoun
1. een stad in de Belgische provincie West-Vlaanderen
Courtrai
noun
1. een inwoner of iemand die afkomstig is van Kortrijk
Courtraisien
/ˈkɔrt.slœy.tɪŋ/
noun
1. het plaatsvinden van een gewenste of ongewenste weerstandloze verbinding in een stroomkring
court-circuit
verb
éjointer
noun
corindon
noun
1. een staaf waarmee schoten, vallen en andere lijnen op zeilschepen worden belegd
cabillot
noun
cosmologie
noun
cosmonaute
noun
1. het gehele tijd-ruimte continuüm waarin wij bestaan, samen met alle materie en energie
cosmos
adjective
1. op Kosovo betrekking hebbend
kosovar
/ˈkɔsɔˌvo/
pronoun
1. land op het Balkanschiereiland dat volgens Servië een provincie van Servië is, maar dat zichzelf als een onafhankelijke staat beschouwt
  1. Kosovo
  2. Cossovo
noun
2. voedsel, als onderdeel van het dagelijks bestaan
  1. bouffe
  2. nourriture
adjective
  1. précieux
  2. cher
adjective
1. zonder kosten
gratuit
verb
1. als te betalen prijs hebben
  1. coûter
  2. couter
noun
1. kerkelijke bediende, die met de zorg van het kerkgebouw, en het vlot verloop van de kerkdiensten belast is
  1. sacristain
  2. bedeau
noun
  1. 1. totaal van de uitgaven die een producent doet om een product te maken
    1. prix coûtant
    2. prix de revient
  2. 2. (uitdrukking) tegen kostprijs
    à prix coûtant
noun
1. een school waar de leerlingen vijf dagen per week niet alleen les volgen, maar ook maar ook kost en inwoning krijgen
internat
verb
costumer
noun
costume
noun
  1. gagne-pain
  2. soutien de famille
pronoun
1. internationale kunsttaal ontworpen om cultureel zo neutraal mogelijk te zijn
kotava
/kotəˈlɛt/
noun
1. een stuk vlees van een varken, kalf of lam
côtelette
verb
1. de maaginhoud via de mond weer naar buiten werken
  1. dégobiller
  2. gerber
  3. dégueuler
noun
cotre
/kʌʊt/
adverb
1. niet warm, fris, kil, koel
  1. froid
  2. froide
/kʌʊtˈbludəx/
adjective
  1. 2. zonder emotie
    de sang-froid
  2. 1. niet de eigen lichaamstemperatuur regulerend
    à sang froid
/ˈkɑu̯də/
noun
1. het koud zijn
froid
noun
1.
front froid
noun
1. de afsterving en ontbinding van een levend organisme
gangrène
/kaʊ̯s/, /kɔʊ̯s/, /kʌʊ̯s/
noun
1. een aansluitend, meer of minder elastisch kledingstuk dat de voet en (een deel van) het been bedekt
bas
noun
  1. 2. extreem lange peulvrucht
    1. dolique asperge
    2. haricot kilomètre
  2. 1. elastische band om de kous op te houden
    jarretière
noun
1. lichte virusinfectie aan keel of neus
rhume
adjective
1. van een persoon dat hij het sneller dan de meeste andere mensen koud heeft...
  1. frileux
  2. frileuse
noun
1. zoon van oom of tante
cousin
/kraɪ̯/, /kraːɪ̯/
noun
1.1 bepaald soort zwarte vogel, Corvus corone
  1. corneille
  2. corbeau
noun
  1. 1. nest van een kraai
  2. 2. uitkijkplaats in de mast van een schip
nid-de-pie
/ˈkrakben/
noun
1. een speciale vorm van bindweefsel met een elastisch karakter als gevolg van eigenschappen van de extracellulaire matrix
cartilage
noun
perle
noun
étal
noun
    1. 4. werktuig om voorwerpen in de hoogte te verplaatsen
    2. 2. iemand die op een bepaald gebied uitblinkt
    grue
  1. 3. mechanisme waarmee de stroming van vloeistof of gas geregeld kan worden
    1. robinet
    2. grifo
noun
1. kraanlijn
balancine
noun
1. samenstelling van spitskepers in ketting- en inslagrichting
armure losange
noun
1. bepaald soort grote vogel, Grus grus
  1. grue
  2. grue cendrée
noun
1. kreeftachtige die leeft in de nabijheid van water
crabe
noun
  1. 1. een kat die gauw krabt
    chat griffeur
  2. 2. een chagrijnig persoon die met iedereen overhoop ligt
    tigresse
verb
1. met de nagels bewerken
gratter
noun
1. (gereedschap) voorwerp om mee te krabben, onmisbaar voor schilders die oude verflagen willen verwijderen of mensen die jeuk op hun rug hebben.
grattoir
noun
1. vermogen om iets te verrichten
force
adjective
1. beschikkend over veel kracht
  1. fort
  2. vigoureux
noun
explétive
pronoun
1. na Warschau en Łódź de op twee na grootste stad van Polen
Cracovie
noun
1. baksel in de vorm van een acht
craquelin
noun
1. illegale bewoner
  1. squatter
  2. squatteur
noun
1. een toestand van onwillekeurige en aanhoudende samentrekking van een spier
crampe
noun
1. klassiek massamedium, gedrukt op papier en gericht op het verspreiden van nieuws
journal
/'krɑntəpaˌpir/
noun
1. een soort papier zoals waarop de kranten gedrukt worden
papier journal
noun
1. houten of plastic doos met openingen in de zijkanten in een standaardformaat, vaak gebruikt voor opslag en het vervoer van flessen, fruit of andere waren
  1. cageot
  2. cagette
noun
cratère
pronoun
2. teken van de dierenriem van 21 juni tot 23 juli
Cancer
/kreːft/
noun
1. zeekreeft, hommer
  1. homard
  2. langouste
noun
1. de hoogste breedtegraad van ca. 23,5 ° noorderbreedte waarboven de zon bij zonnestilstand in het zenit staat
tropique du Cancer
noun
1. Gryllidae
  1. grillon
  2. cri-cri
  3. criquet
verb
1. beledigen
affronter
noun
  1. 3. zitvlak
    1. derrière
    2. postérieur
  2. 2. gierigaard
    1. grippe-sou
    2. pingre
  3. 1. druif
    raisin de Corinthe
pronoun
1. bij Griekenland behorend eiland in de Egeïsche Zee
Crète
verb
1. de vorming van kreukels op een voorheen glad oppervlak
froisser
/krønə(n)/
verb
1. ongearticuleerde geluiden maken, vaak van pijn of ander leed
gémir
noun
1.laag stuikgewas waarbij de takken van de boompjes door elkaar heen groeien
sous-bois
/krɪp/
noun
  1. 1. voederbak
    auge
  2. 2. eenvoudig soldatenbed
    lit de sangle
  3. 3,4,5. golfbrekertjes
    épi
noun
1. voederbak
auge
verb
  1. 1. ondeugd van ezels en paarden
    tiqueur
  2. 2. ruzie zoeken
    être chicaneur
noun
  1. 1. ondeugd van ezel of paard
    1. cheval tiqueur
    2. âne tiqueur
  2. 2. chagrijnig met iedereen overhoop liggend persoon
    querelleur
noun
1. een chagrijnig persoon die met iedereen overhoop ligt
querelleur
verb
  1. 1. ruzie maken
    quereller
  2. 2. rivierkribben maken
    épis
adjective
1. zich onvriendelijk gedragend
hargneux
noun
  1. 2. onrustig, rusteloos gevoel (om te bewegen, reizen, e.d.)
    bougeotte
  2. 1. ongemak dat jeuk e.d. veroorzaakt
    1. démangeaison
    2. grat
noun
  1. 2. een klein persoon
    gringalet
  2. 1. een klein soort kip
    poule naine
/ˈkrɛɪ.ɣə(n)/
verb
1. verwerven, ontvangen
recevoir
noun
1. iemand die zich toelegt op het voeren van oorlog, met name tussen stammen
guerrier
noun
seigneur de guerre
noun
forces armées
noun
1. een olifant die vroeger tijdens op het land uitgevochten oorlogen werd ingezet als strijddier
éléphant de guerre
noun
1. een raad die optreedt als rechtsorgaan in het krijgsrecht
cour martiale
verb
1. luidkeels schreeuwend een hoog geluid voortbrengen
  1. crier
  2. glapir
noun
  1. 3. een periode die deel uitmaakt van het mesozoïcum
    Crétacé
    1. 1. wit mineraal dat uit calciumcarbonaat bestaat
    2. 2. schrijfmateriaal uit dat materiaal vervaardigd
    craie
/krɪm/
pronoun
een schiereiland aan de noordkust van de Zwarte Zee
Crimée
pronoun
1. een van de Turkse talen, gesproken door ongeveer een half miljoen mensen, oorspronkelijk van de Krim afkomstig, maar door een deportatie in 1944, nu vooral in Oezbekistan en Kirgizië, maar ook in Moldavië, Roemenië en Turkije gesproken
tatar de Crimée
verb
1. kleiner in omvang worden
se rétrécir
noun
1. een tang waarmee de hulsjes van kabelschoenen aan elektriciteitssnoeren en kabels worden vastgeknepen
pince à sertir
noun
  1. 1. een ronde figuur zoals een cirkel
    cercle
  2. 2. een gemeenschap van mensen
    1. cercle
    2. clique
noun
1. een hoeveelheid ordelijk gerangschikte atomen of moleculen in vaste vorm
cristal
verb
1. ordeningsproces
cristalliser
noun
récepteur à cristal
noun
elk van de hoofdafdelingen waartoe men de grondvormen van de kristallen teruggebracht heeft
système cristallin
noun
sucre cristallisé
noun
eau cristallinee
adjective
1. op het scherp van de snede, met onzekere uitkomst, zeer ernstig
critique
/kroˈwatis/, /kroˈwaːtɪs/
adjective
croate
/kroˈwatis/, /kroˈwaːtɪs/
pronoun
1. een taal die vooral in Kroatië gesproken wordt
croate
/kroˈwatsi.jə/, /kroˈwaːsi.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Europa ten zuiden van Hongarije
Croatie
/krux/
noun
1. publieke drinkgelegenheid
  1. bar
  2. estaminet
  3. cabaret
noun
  1. chips de crevettes
  2. krupuk
adjective
1. krullend
crépu
/ˈkrus.har/
noun
cheveux crépus
pronoun
1. verzamelnaam van ongeveer 15 talen die in West-Afrika worden gesproken
langues krou
verb
1. sterk krullen van haar
se crêper
noun
1. een rol ragout die gepaneerd en gefrituurd wordt
croquette
/krokoˈdɪl/
noun
1. een groot, in het water levend reptiel dat behoort tot de familie der Crocodylidae
crocodile
noun
2. uitingen van gespeeld verdriet of berouw
larmes de crocodile
/kroko'dɪlwɑxtər/
noun
1.
  1. pluvian du Nil
  2. pluvian fluviatile
  3. pluvian d'Egypte
noun
1. irisachtige lentebloem
crocus
noun
1. kromhoorn
cromorne
noun
1. een gebogen lijn
courbe
verb
2. bochtig zijn
courber
noun
courbe
verb
1. vervorming van hout, planken enz. onder invloed van vochtigheid en/of temperatuursveranderingen
gauchir
verb
1. iemand tot koning of koningin maken door hem of haar in een ceremonie een kroon op het hoofd te zetten
  1. couronner
  2. sacrer
noun
chronique
noun
Chroniques
/ˈkronɪŋ/
noun
ceremonie
couronnement
noun
iléon
/ˈkrɔŋkələ(n)/
verb
1. in veel bochten lopen of bewegen
serpenter
noun
  1. 1. hoofddeksel dat door een vorst gedragen wordt
    couronne
  2. 7. een lichtbron bestaande uit een krans van lichtbronnen
    lustre
noun
1. en 2. (bladeren van) éénjarige plant Cichorium endiva var. latifolia
chicorée scarole
noun
1. slaplant waarvan de bladeren een vaste krop vormen
laitue pommée
/krœʏ̯t/, /krœːd/, /krœːt/
noun
herbe
verb
1. specerij bij een gerecht doen
  1. assaisonner
  2. épicer
noun
  1. 2. winkel met levensmiddelen
    1. épicerie
    2. dépanneur
  2. 1. winkelier in levensmiddelen
    1. épicier
    2. dépanneur
noun
1.
épicerie
noun
sensitive
noun
1. specerij van de kruidnagelboom
  1. clou de girofle
  2. girofle
/krœyjər/
noun
1. iemand die bagage vervoert op o.a. stations en vliegvelden
porteur
noun
  1. 1. geometrisch figuur
  2. 4. symbool
croix
noun
1. Ribes uva-crispa
  1. groseille verte
  2. groseille à maquereaux
/ˈkrœʏsər/
noun
  1. 1. een oorlogsschip dat hoge snelheden kan halen
    croiseur
  2. 2. een type jacht
    1. cruiser
    2. croiseur
noun
1. een door een blok hout verschuifbare liniaal, die is voorzien van een ijzeren punt
trusquin
verb
1. een vorm van executeren: aan het kruis hangen tot de dood erop volgt
crucifier
noun
1. een punt
carrefour
noun
1.
feux de croisement
noun
1. een plaats waar twee of meer wegen elkaar kruisen
carrefour
noun
1. kruissleutel
clé en croix
noun
1.
vitesse de croisière
/ˈkrœʏspɪn/, /ˈkrœːspɪn/
noun
1. in Nederland en België algemeen voorkomende spinnensoort, Araneus diadematus
épeire diadème
noun
1. een door een metalen blok verschuifbare liniaal, die is voorzien van een ijzeren punt
trusquin
noun
1. ondernemingen van de westerse christenen tussen 1095 en 1271 in Palestina
croisade
noun
1.
croisé
/krœʏ̯sˈvɔr.məχ/, /krœːsˈvɔr.məx/
adjective
1. de vorm van een kruis hebbend
cruciforme
noun
1.
feux croisés
noun
chemin de croix
noun
mots croisés
noun
1. kruiswoordpuzzel
mots croisés
noun
1. een eenwielige kar met twee lange handgrepen voor het transport van zware, meestal losse lading
brouette
noun
  1. 2. hulpmiddel bij het lopen
    béquille
  2. 1. simpel zitmeubel zonder leuningen
    tabouret
noun
1. een element in de vorm van een kruis met zijbalken aan ieder eind
croix potencée
noun
1. en 2. (bladeren van) éénjarige plant Cichorium endiva
  1. chicorée frisée
  2. endive frisée
  3. salade frisée
/ˈkrʏɫsla/
noun
1. slaplant met gekrulde bladeren
laitue frisée
/ˈkrʏl.spɛlt/
noun
1. hulpmiddel waarom je een haarlok kunt wikkelen om krullen te maken in stijlhaar
bigoudi
noun
fer à friser
noun
1. scheikundig element met symbool Kr en atoomnummer 36
krypton
/kup/
noun
1. Zweeds buitenspel
kubb
noun
1. 20-eeuwse stroming binnen de beeldende kunst waarin de werkelijkheid op een sterk vereenvoudigde manier wordt weergegeven
cubisme
noun
1. een regelmatig zesvlakkig lichaam, begrensd door zes gelijke vierkanten
cube
verb
1. kort en zacht hoesten
toussoter
noun
1. een dier als lid van een kudde
animal grégaire
noun
1.
mésange huppée
noun
1. Psarocolius decumanus een vogel uit de familie van de troepialen Icteridae.
cassique huppé
/ˈkœʏ̯kə(n)/, /ˈkœːkə(n)/
noun
donzig jong vogeltje
  1. poussin
  2. pollito
noun
tonnelier
noun
1. vele duizenden stukken steen en ijs, die om de zon draaien in een schijfvormig gebied voorbij de baan van de planeet Neptunus
ceinture de Kuiper
/ˈkœʏ.sə(n)/
verb
2. verwijderen van aanstootgevend materiaal
expurger
noun
2. visseneitjes
œufs de poisson
noun
1. het achterste van beide botten in het onderbeen van de mens
fibula
/kykələky/
interjection
1. het geluid van een haan
cocorico
noun
1. en 2. (citrusvrucht van) plant Citrus japonica
kumquat
/ˈkʏnə/, /ˡkʏnə/
noun
1. geslacht, sekse
sexe
verb
1. in staat zijn om, het vermogen hebben om
pouvoir
noun
1. toepassing van opvallende vaardigheid en verbeelding om iets moois of betekenisvols te scheppen
art
noun
1. iemand die zijn creatieve talenten gebruikt om kunst te maken
artiste
noun
artiste
noun
dentier
noun
1. iemand die voor zijn beroep kunst koopt en verkoopt
marchand d'art
noun
tête artificial
noun
1. schaats speciaal gemaakt voor het kunstschaatsen
patin de figure
noun
1. sport waarbij individuelen, paren en groepen schaatsers rotaties, sprongen en andere bewegingen op het ijs maken, die vaak met muziek wordt uitgevoerd
patinage artistique
noun
1. een materiaal dat langs chemische weg vervaardigd is, veelal een polymeer
matière synthétique
noun
1. kunststroming
  1. mouvement (f) artistique
  2. tendance (f) artistique
/ˈkʏns.tal/, /ˈkʏns.taɫ/
noun
1. een artificiële of geconstrueerde taal is een taal waarvan de structuur, vocabulair en grammatica speciaal ontworpen is door een individu of een kleine groep, inplaats van op een natuurlijke wijze geëvolueerd in een cultuur
  1. langue construite
  2. langue artificielle
/ˈkʏns.ta.lə(n)/
noun
2. verzamelteram voor speciaal ontwikkelde talen die door mensen worden gesproken
langues artificielles
/kʌnstwɛrk/
noun
  1. 2. bijzondere constructie in de wegenbouw
    ouvrage d’art
  2. 1. resultaat van een inspanning om iets te maken dat bijzonder mooi of indringend is
    œuvre d'art
pronoun
1. Australische taal gesproken door 1700 mensen in West-Arnhemland in het noorden van Australië
gunwinggu
/kʏrk/
noun
  1. 1. afdichting voor flessen, gemaakt uit de veerkrachtige schors van een bepaalde boomsoort, Quercus suber
    bouchon
  2. 1. licht, poreus materiaal, afkomstig van de kurkeik
    liège
/kʏr.kɛi̯k/, /kʏr.kɛːk/, /kʏrk.ʔɛi̯k/
noun
1. Quercus suber; een boom uit de napjesdragersfamilie
chêne-liège
noun
1. een werktuig om flessen te ontkurken
tire-bouchon
noun
1. kurkentrekkerregel
tire-bouchon de Maxwell
noun
plant en specerij
curcuma
noun
1. het de lippen ergens tegenaandrukken om affectie uit te drukken
  1. baiser
  2. bise
noun
1. een met zacht materiaal gevulde zak, dienende om het (slaap)comfort van de gebruiker te verbeteren
  1. coussin
  2. oreiller
verb
1. een kus geven
  1. embrasser
  2. baiser
noun
1.
bataille de polochons
noun
1. een vorm van uitvloeiingsgesteente, dat het uiterlijk heeft van min of meer op elkaar gestapelde kussentjes
lave en coussins
/'kɵst/
noun
1. de waterkant langs de zee
  1. côte
  2. rivage
noun
1. kustgebied
littoral
noun
1. een vrij klein handelsschip bedoeld voor de zeevaart in de kustwateren
caboteur
noun
garde côtière
/kɵt/
adjective
slecht, onaangenaam
con
/kɵt/
interjection
  1. merde
  2. putain
  3. tabarnak
  4. tabarnac
/kɵt/
noun
vrouwelijk schaamdeel
  1. con
  2. moule
/ˈkɵtwɛɪf/
noun
1.
  1. conasse
  2. connasse
noun
  1. 2. vreemd gedrag, bijzondere karaktertrek
    1. caprice
    2. défaut
  2. 1. een behandeling ter genezing van een ziekte of een ongezonde situatie (zoals een verslaving)
    cure
noun
1. een oord met geneeskrachtige baden
station thermale
noun
  1. 1. het innerlijk slecht zijn
    1. malveillance
    2. méchanceté
    3. malfaisance
  2. 2. het schadelijk zijn (bijv. van een ziekte)
    perniciosité
/ˈkwatsxɪks/, /ˈkʋatsχɪks/, /ˈkβ̞atsxɪks/
adverb
1. op een niet-constructieve, niet-coöperatieve manier
malgré soi
/kʋɑp/
noun
  1. 1. een weke massa vlees of vet aan het lichaam
    couche de graisse
  2. 2. een gedeelte van lever, longen of hersenen
    lobe
noun
1. langwerpige, op de bodem levende zoetwatervis, Lota lota
  1. lotte
  2. lote
/kwɑ'drat/
noun
carré
noun
1. een jongen die dingen doet die men niet goedkeurt, maar die men toch aardig vindt
gamin
/kʋɑk/
noun
2. bepaalde reigersoort, Nycticorax nycticorax
  1. bihoreau gris
  2. héron bihoreau
verb
1. witter
  1. coasser
  2. cancaner
/ˈkʋɑkˌsɑlvər/
noun
1. iemand die bedrieglijk minderwaardige geneeskunde uitoefent
charlatan
/kʋɑl/
noun
1. vrijzwemmend, voornamelijk in zee levend ongewerveld dier met een geleiachtig lichaam in de vorm van een klok of paraplu
méduse
noun
qualification
verb
1. voldoen aan de voorwaarden om ergens aan mee te kunnen doen
qualifier
noun
  1. 1. een peil van uitmuntendheid
  2. 2. eigenschap
qualité
/ˌkwɑliˈtɛɪ̯tsvərˌbetərɪŋ/, /ˌkʋɑliˈtɛɪ̯tsvərˌbetərɪŋ/, /ˌkβ̞ɑliˈtɛːtsvərˌbetərɪŋ/
noun
1. het beter worden van de kwaliteit
relèvement de la qualité
noun
quantité
noun
1. de kleinste natuurlijke eenheid die in onze kosmos voorkomt
quantum
noun
chimie quantique
noun
chromodynamique quantique
noun
calculateur quantique
noun
vorm van onkraakbare beveiliging voor elektronische communicatie
cryptographie quantique
noun
een theorie die een integratie is van de relativistische versie van de Wetten van Maxwell met de theorie van de kwantummechanica
électrodynamique quantique
noun
physique quantique
noun
getal dat in de kwantummechanica wordt gebruikt voor het beschrijven van de eigenschappen van bepaalde deeltjes
nombre quantique
noun
een theorie die kwantummechanica en relativiteitstheorie met elkaar zou moeten verenigen
gravité quantique
noun
mysticisme quantique
noun
een discipline van de natuurkunde die de kwantumeffecten die bij licht optreden bestudeert en gebruikt
optique quantique
noun
fysisch potentiaalproces, dat een vlak potentiaalverloop vertoont omringt met heel hoge wanden
puits quantique
noun
mousse quantique
noun
théorie des quanta
noun
een theoretisch kader voor de constructie van kwantummechanische modellen van veld-achtige systemen of, equivalent, veeldeeltjessystemen
théorie quantique des champs
noun
intrication quantique
noun
  1. 1. een vierde deel
    quart
  2. 3,4
    quarte
noun
een kwart van een kalenderjaar
trimestre
noun
1. Coturnix coturnix, vederwild en hoendervogel
  1. caille
  2. caille des blés
noun
1. bepaald soort vogel, Crex crex
râle des genêts
noun
1. een groep van vier muzikanten
  1. quatuor
  2. quartette
noun
1. (in een toernooi) een van de vier wedstrijden waarin gestreden wordt voor een plaats in de halve finale(s)
quart de finale
noun
1.
quart-de-finaliste
noun
  1. 3. legering
    1. cantonnement
    2. quartier
  2. 1. kwart uur
    quart d'heure
  3. 2. kwartier als maanfase
    quartier
noun
1.
noire
noun
1. kwartool
quartolet
noun
1.
soupir
noun
een vorm van siliciumdioxide
quartz
adjective
gris quartz
/ˈkwe.peːr/, /ˈkʋe.pɪːr/, /ˈkβ̞e.peːr/
noun
1. een peervormige vrucht van de Cydonia oblonga
  1. cognassier
  2. coing
/'kʋekə(n)/
verb
1. dieren of planten verzorgen en hun voortplanting mogelijk maken
cultiver
verb
1. pijn of ergernis bezorgen
  1. tourmenter
  2. tracasser
noun
1. datgene wat iemand groot ongemak en ellende bezorgt
vexation
noun
1. zaak, geschil, probleem
  1. affaire
  2. question
adjective
1. twijfelachtig, onzeker.
douteux
noun
vulnérabilité
verb
  1. 2. beledigen, schofferen
    blesser
  2. 1. beschadigen, schaden
    1. blesser
    2. endommager
verb
1. een vloed van speeksel onwillekeurig uit de mond laten lopen
baver
/kʋɛɪtə(n)/
verb
1. een belofte inlossen of aan een verplichting voldoen
s'acquitter de
noun
décharge
/ˈkʋɛːtrakə(n)/
verb
2. niet meer weten waar iets is
perdre
noun
remise de dette
noun
1. een scheikundig element en zilverwit overgangsmetaal met symbool Hg en atoomnummer 80
mercure
noun
1. benaming voor vogels uit de geslachten Motacilla en Dendronanthus
  1. bergeronette
  2. bergeronnette
noun
1. een metaal dat vloeibaar is bij kamertemperatuur
vif-argent
noun
1.
quinte
noun
1. kwintool
quintolet
verb
1. druk met de staart zwaaien.
  1. remuer
  2. frétiller
  3. agiter
verb
1. met de staart heen en weer bewegen als teken van vrolijkheid
remuer la queue
/ˈkʋɪstəx/, /ˈkβ̞istəç/
adjective
  1. 2. royaal gevend
    généreux
  2. 1. op lichtzinnige wijze verbruikend
    prodigue
noun
quittance
pronoun
1. de hoofdstad van Oekraïne
Kiev
noun
1. muzieknoot
la
pronoun
Manche
pronoun
La Rioja
/lax/
adjective
1. niet ver boven iets anders zijn
  1. bas
  2. basse
/lax/
noun
1. iets dat zich in twee richtingen uitstrekt maar in de derde een beperkte dikte heeft
couche
adjective
illettré
noun
plaine
noun
basse tension
noun
1. een fruitboom met een lage stam zodat de vruchten makkelijker te plukken zijn
demi-tige
noun
1. toestand van volkomen eb
marée basse
verb
2. van woede heftig tekeergaan
rager
noun
1. weg die aan beide kanten wordt geflankeerd door bomen
  1. allée
  2. avenue
noun
1. een open plek in een bos
clairière
noun
1. een schoen met een hoge schacht die een deel van het been bedekt
botte
adjective
  1. 1. na het voorziene ogenblik
    1. en retard
    2. retardé
    3. tardif
    4. attardé
  2. 2. 's avonds, 's nachts
    tard
adjective
1. overtreffende trap van laat
dernier
noun
1. laatste kwartier
dernier quartier
adjective
labial
noun
1. met de lippen gevormde medeklinker, lipklank
consonne labiale
noun
1. medeklinker, gevormd met onderlip en boventanden
  1. labiodental
  2. consonne labiodentale
noun
1. ruimte voor wetenschappelijk onderzoek
laboratoire
verb
labourer
adjective
laborieux
noun
1.
mer du Labrador
noun
1. een stelsel van paden of dwaalwegen, zodanig aangelegd dat men daarin moeilijk de weg kan vinden
labyrinthe
verb
1. zichtbaar en/of hoorbaar blij zijn met iets of iets grappig vinden
rire
noun
1. vluchtige verbinding, N₂O
  1. gaz hilarant
  2. protoxyde d'azote
adjective
laconique
noun
is een suiker die o.a. in melk voorkomt
lactose
noun
het niet kunnen verdragen van melksuiker
intolérance au lactose
adjective
lacunaire
noun
1. iets dat ontbreekt
lacune
noun
1. houten of metalen voorwerp met treden om makkelijk op hoger gelegen plaatsen te komen
échelle
noun
grande échelle
/ˈlɑdərˈzɑt/
adjective
1. zwaar onder invloed van alcohol
bourré
noun
1. uitschuifbare bergplaats
tiroir
noun
1. bergmeubel met een of meer platte bakken
commode
noun
  1. 3. opeengehoopte elektriciteit
    charge
  2. 1. goederen die vervoerd worden
    1. charge
    2. chargement
  3. 4. de bijbetekenis die door een bepaalde zinsnede opgeroepen wordt
    connotation
pronoun
1. op het Castiliaans gebaseerde taal van nakomelingen van Sefardische joden
judéo-espagnol
/lɑf/
adjective
  1. 2. onaangenaam smakeloos
    fade
  2. 1. een gebrek aan moed tonend
    lâche
/ˈlɑfart/
noun
1. iemand die door zijn angst wegvlucht uit gevaarlijke situaties.
lâche
/ˈlɑfɦɛit/
noun
1. de neiging keuzes te maken die van weinig moed getuigen
  1. lâcheté
  2. couardise
noun
1. een gebied waar relatief een lagere druk heerst dan elders, term uit de meteorologie
dépression
/ˈlaːɣər/, /ˈlaːχər/
adjective
1. een constructie die er ...
roulement
noun
1. ondiep meer
  1. lagune
  2. lagon
pronoun
1. stad in Pakistan
Lahore
noun
2. stelsel waarin transacties tussen private partijen vrij zijn van overheidsbemoeienis
  1. laisser-faire
  2. laissez-faire
  3. laisser faire
  4. laissez faire
noun
1. stof die een dunne beschermlaag vormt nadat ze opgelost in een vluchtig oplosmiddel...
laque
pronoun
1. deelgemeente van de stad Brussel
Laeken
/ˈlakə(n)/
noun
2. een rechthoekig stuk stof dat ter bedekking dient, m.n. bij het slapen
drap
noun
tournesol
/ˈlɑk.mus.ˌpruf/
noun
réaction au tournesol
adjective
1. niet in staat om te bewegen
  1. boiteux
  2. bancal
noun
1. jong van het schaap
  1. agneau
  2. agnelle
noun
1. soort Zuid-Amerikaans eeltpotig zoogdier Lama glama
lama
verb
lambrisser
verb
lamenter
adjective
laminaire
verb
laminer
verb
paralyser
/lɑmp/
noun
1. een voorwerp gemaakt om licht te geven
lampe
noun
1. kap over een lamp om het licht af te schermen
abat-jour
noun
1. lont van een olie- of gaslamp
mèche de lampe
noun
lampion
noun
1. benaming voor vissen uit de familie Petromyzontidae
lamproie
noun
1. plant met paarse bloemen die op de kwelders voorkomt, Limonium vulgare
lavande de mer
verb
lancer
noun
1. een dubbelsnedig operatiemes
lancette
noun
  1. 4. niet verstedelijkt gebied
    1. campagne
    2. pays
  2. 5. het eigen land, het land waar men geboren is
    patrie
  3. 3. een geografisch gebied aan één bepaald gezag onderworpen
    1. pays
    2. contrée
noun
1.
noblesse terrienne
/ˈlɑntbɑuw/
noun
1. het cultiveren van land voor de voortbrengst van voedsel en andere nuttige producten
agriculture
/lɑntbɑuwər/
noun
1. iemand die met landbouw of/en veeteelt zijn geld verdient
  1. agriculteur
  2. fermier
  3. paysan
  4. cultivateur
noun
1. een dier dat op het land leeft
animal terrestre
adjective
2. met betrekking tot minder bevolkte, niet-stedelijke gebieden
champêtre
verb
1. vanuit de zee, de lucht of de ruimte voet op vaste bodem zetten
atterrir
pronoun
1.
isthme de Perekop
noun
1. iemand uit hetzelfde land
compatriote
noun
1. landhoofd
culée
/ˈlɑntɛɪ̯s/, /ˈlɑntɛːs/
noun
1. de vaste vorm van water, bevroren water
inlandsis
noun
  1. 2. vlucht van vliegtuigen...
  2. 1. vanaf een schip
atterrissage
noun
1. vlakke, brede strook land op een vliegveld waarvan vliegtuigen gebruik kunnen maken bij het landen en het opstijgen
piste d'atterrissage
noun
1. een abstracte weergave van (een stuk van) de aarde
  1. carte
  2. plan
noun
1. soort vlinder, Araschnia levena
carte géographique
noun
1. landmeetkunde
arpentage
noun
1. een markant punt in een landschap, langs de kust, of aan de horizon
point de repère
noun
  1. arpenteur
  2. géomètre
noun
paysage
/lɑntˈsxɑpələk/
adjective
paysager
noun
1. schildpad uit de familie Testudinidae
tortue terrestre
pronoun
1. en 2.
Landshut
noun
langue nationale
noun
1. smalle strook land die zich in zee of meer uitstrekt
  1. langue de terre
  2. cap
adjective
1. van grote duur
long
noun
1. langdraadantenne
antenne long-fil
adjective
1.een lange tijd durend
prolongé
noun
boudoir
noun
1. een vrouwelijke atleet die zich specialiseert in het lopen van afstanden boven 1500 meter
coureuse de fond
noun
1. mannelijke atleet die zich specialiseert in het lopen van afstanden boven 1500 meter
coureur de fond
noun
1. een manier van voortbewegen op latten door de sneeuw
ski de fond
noun
1.
langouste
noun
1. benaming voor kleine Noorse kreeft
langoustine
noun
1. benaming voor muggen met opvallend lange broze poten, die de familie Tipulidae vormen
  1. cousin
  2. tipule
/lɑŋskomə(n)/
verb
  1. 2. langsgaan, op bezoek komen
    passer chez
  2. 1. voorbijgaan
    passer devant
noun
1.
  1. long métrage
  2. long-métrage
abbreviation
1. grammofoonplaat met een doorsnede van 30 cm...
  1. disque trente-trois tours
  2. microsillon
adjective
1. in de lengterichting van het schip
longitidunal
/ˈlɑŋzam/
adjective
1. met weinig snelheid
lent
noun
1. een vorm van arbeidsconflict waarbij de werkers niet thuis blijven maar opzettelijk langzaam werken
grève perlée
adverb
au fur et à mesure
noun
gezuiverd vet van schapenwol
lanoline
noun
1. een lang steekwapen met een metalen punt
lance
noun
1. constructie van glas en metaal of hout, zodat wind en regen geen vat op een brandende lichtbron hebben
lanterne
noun
1. Chemisch element
lanthane
noun
lanthanide
noun
1. Chemisch element
lanthane
/ˈla.ɔs/
pronoun
1. een land in Azië grenzend aan Myanmar, China, Vietnam, Cambodja en Thailand
Laos
pronoun
1. een taal die in Laos gesproken wordt
laotien
adjective
lapidaire
noun
1.
  1. lapis-lazuli
  2. lapis
noun
1. kat waarvan de pels oogt als een lappendeken
chat bigarré
pronoun
Laponie
noun
1. kleine draagbare computer
ordinateur portable
verb
larder
noun
1. benaming voor naaldbomen uit het geslacht Larix
mélèze
noun
1. jeugdstadium van de meeste insecten en veel amfibieën
larve
noun
1. slijmvliesontsteking van het strottenhoofd
laryngite
noun
1. metalen instrument met een handvat en spatel om de larynx ...
laryngoscope
noun
1. Bovenste deel van de luchtpijp
larynx
/lɑs/
noun
1. voeg
cordon de soudure
noun
lasagne
noun
1. een bril die de ogen bij laswerk tegen ultraviolette straling beschermt
lunettes de soudage
noun
1. lichtbron die uiterst intense lichtstraal van één kleur uitzendt
laser
noun
1. een masker dat de ogen bij laswerk tegen ultraviolette straling beschermt
masque de soudage
noun
1. hoornvliesontsteking door blootstelling aan uv-straling
photokératite
verb
1. door plaatselijke sterke verhitting van de voeg twee metalen voorwerpen met elkaar verbinden
souder
noun
1. een gedomesticeerd dier dat men gebruikt om vracht te vervoeren
  1. bête de charge
  2. bête de somme
noun
1. onterechte beweringen die iemand in een kwaad daglicht stellen
  1. calomnie
  2. diffamation
noun
2. gever van een lastgeving
mandant
noun
1. opdrachtovereenkomst met verplichting tot handelen in eigen of andermans naam
mandat
adjective
1.
pénible
/ˈlɑs.təx.fɑ.lə(n)/, /ˈlɑs.təχ.fɑ.lə(n)/, /ˈlɑs.tɪɣ.vɑ.lə(n)/
verb
  1. 1. op hinderlijke wijze iemands aandacht opeisen, storen, hinderen in iemands concentratie of bezigheden
    1. déranger
    2. molestar
  2. 2. op vervelende wijze iemands aandacht trekken door na te roepen, dreigende of obscene gebaren te maken e.d.
    1. harceler
    2. troubler
noun
1. latei
linteau
verb
  1. 3. niet doen
  2. 4. niets veranderen
  3. 5. vertrekken
  4. 6. aansporing
laisser
adjective
1. sluimerend
latent
adjective
1. aan de zijkant (buitenkant)
latéral
/'la.tɛks/
noun
latex
noun
1. peuldragende plant
gesse
pronoun
1. taal van de Romeinen in de oudheid, die later in gebruik bleef in religie en wetenschap
latin
adjective
latin
pronoun
Amérique latine
noun
1. woord of uitdrukking overgenomen uit het Latijn of gevormd naar Latijns voorbeeld
latinisme
noun
latinité
noun
1.
  1. lauréat
  2. lauréate
noun
boom en kruid
laurier
noun
2. (gedroogde) bladeren van Laurus nobilis
feuille de laurier
pronoun
1.
Lausanne
/laʊ̯/, /lʌʊ̯/, /lʌː/
adjective
1. een temperatuuraanduiding die tussen warm en koud ligt
tiède
noun
couronne de lauriers
noun
1. vloeibaar gesteente dat uit een vulkaan tevoorschijn komt
lave
noun
1. meubel of plaats in een gebouw met voorzieningen om zich te wassen
lavabo
noun
1. koepelvormige structuur die ontstaat als lava die rijk is aan silica naar buiten treedt uit de barsten en spleten van een groeiende kussenachtige structuur
dôme de lave
noun
1. bepaald kruid, Levisticum officinale, dat zowel in de keuken als in de geneeskunde gebruikt wordt
livèche
noun
lavement
noun
1. Lavandula, een struik uit de lipbloemenfamilie Lamiaceae
lavande
verb
  1. 3. wassen van een schilderij
    laver
  2. 1-2 bij tegenwind zigzagsgewijs opzeilen
    louvoyer
/la'ʋaj/
noun
1. luid en storend geluid
bruit
/la'ʋinə/
noun
1. een sneeuwverschuiving op een berghelling
avalanche
noun
1. Chemisch element
lawrencium
/lɑksɑ'tif/
adjective
1. de stoelgang bevorderend
laxatif
/lɑksɑ'tif/
noun
1. een stof die de stoelgang bevordert
laxatif
noun
1.
lazariste
noun
1. de vierde maag van een herkauwer, zoals een rund
caillette
noun
1.verwijst naar alles wat gelezen kan worden
lecture
/lɛt/
noun
1. elektronische lichtbron in de vorm van een diode die licht uitstraalt
  1. LED
  2. diode électroluminescente
/ˈledəmat/
noun
1. een aan de romp aanhangend onderdeel van het lichaam dat door spieren bewogen kan worden...
membre
verb
1. de inhoud volledig verwijderen
vider
noun
1. het genoegen scheppen in het leed van een ander
joie maligne
noun
  1. espace vital
  2. lieu de vie
noun
1. de tijd dat iemand leeft of geleefd heeft, het totaal aantal levensjaren
âge
noun
groupe d'âge
noun
1. middelen tot levensonderhoud, proviand
victuailles
/lex/
adjective
1. zonder inhoud
vide
verb
1. geleidelijk zijn inhoud verliezen
dégonfler
/lek/
noun
  1. 2. iemand die niet tot de geestelijke stand behoort, gewone gelovige
    laïc
  2. 1. iemand die niet deskundig is op een bepaald gebied
    1. laïc
    2. profane
/lem/, /leɪm/
noun
1. kleihoudende grondsoort
  1. glaise
  2. terre glaise
adjective
brun argile
/len/
noun
1. leengoed; vastgoed dat door de heer aan zijn vazal ten gebruike werd afgestaan
fief
noun
1. staatsvorm
  1. féodalisme
  2. féodalité
/ˈlenvərˌtalɪŋ/
noun
1. woord dat aan een vreemde taal is ontleend in letterlijke vertaling en analoge constructie
calque
/ˈlenʋɔːrt/
noun
1. een woord dat door een taal aan een andere taal ontleend is
emprunt
noun
  1. 1. stof vervaardigd door het looien van een dierenhuid
    cuir
  2. 2. theorie, doctrine
    1. doctrine
    2. théorie
noun
1. een boek bedoeld om er iets uit te leren
  1. manuel
  2. livre de classe
noun
1.
apprenti
noun
1. iemand die lesgeeft
  1. enseignant
  2. professeur
noun
1. iemand die onderwijs volgt
élève
noun
1. de verzameling van alle leermaterialen die een lerende dient te bestuderen
matière
noun
2. rubberen opzetstuk tussen pijpstukken
joint
noun
1. een aandoening waarbij patiënten problemen hebben met het herkennen van het woordbeeld of met het uitspreken van woorden
  1. alexie
  2. dyslexie
noun
1. een boek met teksten, meestal om kinderen te leren lezen
  1. livre de lecture
  2. manuel de lecture
  3. manuel de littérature
noun
1. een bril die op leesafstand een scherp beeld geeft
lunettes de lecture
noun
1. een lint dat aan de kop van van een boekblok bevestigd is en waarmee je kunt aangeven waar je weer wil beginnen met lezen
signet
/lest/
noun
  1. 1. schoenvorm
    forme
  2. 2. gestalte
    taille
noun
1. conventioneel symbool in interpunctie
signe de ponctuation
pronoun
2. teken van de dierenriem van 23 juli tot 23 augustus
Lion
noun
1. Panthera leo een groot katachtig roofdier met lange manen
  1. lion
  2. lionne
noun
part du lion
noun
alouette
noun
1. vrouwtje van de leeuw
lionne
adjective
branie, moed
cran
adjective
1. wettig, rechtmatig
  1. légal
  2. licite
noun
  1. 1-2. Romeinse officier of pauselijk gezant
    légat
  2. 1. testamentaire beschikking
    legs
verb
1. de wet zodanig aanpassen dat iets niet langer een vergrijp is
légaliser
noun
1.
légalisme
noun
légation
adverb
  1. legato
  2. légato
/ˈleːɣər/, /ˈleːχər/
noun
1. een militaire strijdmacht
armée
noun
1. Metaalverbinding van twee of meer elementen
alliage
/ˈlɛɣə(n)/, /ˈlɛχə(n)/
verb
1. doen liggen
  1. poser
  2. mettre
adjective
législatif
verb
légitimer
/ˌleɣyˈwan/
noun
  1. 2. stootkussen
    bourrelet
  2. 1. hagedis
    iguane
noun
  1. 2. schrijflei
  2. 3. daklei
ardoise
pronoun
Leyde
verb
1. een leidinggevende functie hebben
  1. diriger
  2. conduire
/ˈlɛɪ̯dər/, /ˈlɛːdər/
noun
  1. 2. een persoon of ploeg die op de eerste plaats staat in een competitie of wedstrijd
    chef
  2. 1. iemand die leidt of bestuurt
    dirigeant
noun
  1. eau du robinet
  2. eau de conduite
noun
leitmotiv
noun
  1. note sensible
  2. sensible
pronoun
1. een rivier
Lys
adjective
gris ardoise
noun
1. blauwgrijs gesteente
ardoise
adjective
1. vloeistof of gas doorlatend
  1. percé
  2. crevé
  3. qui fuit
  4. qui prend l'eau
noun
1. opening waardoor een vloeistof of een gas in of uit kan
  1. fuite
  2. voie d'eau
adjective
1. aangenaam van smaak
  1. délicieux
  2. délicieuse
/ˌlɛ.kər.ˈnɛi/
noun
friandise
noun
  1. lis
  2. lys
/le.li.tʲə.vɑn.da.ləⁿ/
noun
1. bepaald soort kleine tot 30 centimeter hoge vaste plant, Convallaria majalis
muguet
/ˈleːlək/
adjective
1. onprettig om naar te kijken, niet mooi
  1. laid
  2. moche
noun
    1. 1. het eerste woord van een artikel in een woordenboek of encyclopedie
    2. 2. een woordenboekartikel
    entrée
  1. 3. een hulpstelling waarvan de juistheid in afwachting van nader bewijs wordt aangenomen
    lemme
noun
1. een knaagdier dat vooral in het hoge noorden op de toendra's voorkomt
lemming
noun
1. laagste deel van de rug voor het kruis
lombes
verb
  1. 1. iets wat eigendom is van een ander tijdelijk gebruiken, al dan niet in ruil voor een kleine vergoeding
    emprunter
  2. 2. iets aan iemand anders te leen geven
    prêter
noun
  1. 1. ontlener, leningnemer
    emprunteur
  2. 2. uitlener, leninggever
    prêteur
noun
1. kabeljauwachtige zoutwatervis, Molva molva
  1. lingue
  2. grande lingue
  3. julienne
/ˈlɛ.ŋə(n)/
verb
3. langer worden
allonger
/ˈlɛŋktə/
noun
  1. 1. afmeting van een voorwerp
  2. 2. tijdsduur
longueur
noun
longitude
verb
1. verzachten, minder indringend of nijpend maken
adoucir
noun
emprunt
noun
1. seizoen
printemps
noun
1. lentedag
  1. jour de printemps
  2. journée de printemps
/ˈlɛntəmant/
noun
1. lentemaand
mois (m) du printemps
noun
1. lentenacht
nuit (f) de printemps
noun
1. evenaarpassage van de zon richting noord
point vernal
noun
météo de printemps
adjective
lenticulaire
pronoun
. spelwoord voor de letter l
Léon
noun
1.
léonais
pronoun
1.
Bourg-Léopold
/ˈlepəɫ/
noun
1. een voorwerp bestaande uit een greep en een kom(metje), waarmee vloeibaar voedsel wordt gegeten
  1. cuillère
  2. cuiller
noun
1. een steltloper ter grootte van een ooievaar met een lepelvormige snavel
spatule blanche
noun
2. benaming voor kruisbloemige planten van het geslacht Cochlearia
cochlearia
noun
lèpre
adjective
1. lijdend aan lepra
lépreux
noun
  1. léprologiste
  2. léprologue
noun
1. inrichting voor mensen die aan lepra lijden
léproserie
adjective
1. met een smal gelaat en een smalle lichaamsbouw
leptosome
/ˈleːraˑr/
noun
1. iemand die lesgeeft
professeur
/ˈleːrə/, /ˈlɪːrə/
verb
  1. 1. kennis of vaardigheid verwerven
  2. 2. kennis of vaardigheid doen verwerven
apprendre
/lɛs/
noun
1. onderricht gedurende een korte tijd
leçon
noun
livre d'étude
/le.'sɔ.to/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel het Koninkrijk Lesotho
Lesotho
pronoun
1. een stad in de Belgische provincie Henegouwen
Lessines
/ˈlɛsə(n)/
verb
1. met vocht de dorst beëindigen
étancher
noun
  1. 2.
  2. 1. een toestand van geestelijke ongevoeligheid
léthargie
/ˈlɛtlɑnd/, /ˈlɛtlɑnt/
pronoun
1. een Europees land aan de Oostzee
Lettonie
/lɛts/
pronoun
1. de officiële taal van Letland
letton
pronoun
1.
Petit-Enghien
noun
1. een teken om in geschreven taal een klank van de gesproken taal weer te geven
  1. lettre
  2. lettera
/ˈlɛtərˌxrep/, /ˈlɛtərˌɣrep/
noun
1. elk van de groepen waarin een woord kan worden verdeeld
syllabe
noun
1. de studie van de literatuur
littérature
/ˈlɛtərˌtekə(n)/
noun
1. elk van de symbolen voor een klank waaruit een alfabet is opgebouwd
signe graphique
noun
1. een stylistisch samenhangende set tekens die meestal letters, cijfers en leestekens uitbeelden
caractère
/'lɛtərzɛtər/
noun
  1. 2. Ips typographus, een schorskever die vooral leeft op de spar
    bostryche typographe
  2. 1. tekstopmaker
    1. typographe
    2. compositeur-typographe
/ˈløːɣən/, /ˈlʏːχən/
noun
1. mededeling die niet waar is, met de bedoeling om anderen te misleiden
mensonge
noun
1. iemand die bewust dingen zegt die niet waar zijn
menteur
adjective
  1. 3. kalm, bedaard
    1. calme
    2. tranquille
  2. 1. grappig, schalks, vermakelijk
    1. gai
    2. amusant
    3. drôle
  3. 2. prettig, aangenaam
    1. joli
    2. sympa
    3. bien
    4. chouette
noun
1. bloedkanker
leucémie
adjective
1. met betrekking tot de witte bloedlichaampjes
leucocytaire
verb
1. steunen, het evenwicht bewaren door het eigen gewicht deels door iets anders te laten steunen
presser
/ˈløːˌvə(n)/
pronoun
1. de provinciehoofdstad van Vlaams-Brabant in België
Louvain
/ˈløvə(n)s/
adjective
1. van, uit, betreffende of als in Leuven.
louvaniste
pronoun
1.
  1. bassin Levantin
  2. mer Levantine
  3. mer du Levant
/'levən/
noun
  1. 2. de tijdsspanne die men levend doorbrengt
  2. 1. een voortbestaan van organismen, gericht op groei en/of vermenigvuldiging
vie
/'levən/
verb
1. het doormaken van het leven
vivre
adjective
vivipare
noun
1.
lézard vivipare
noun
terme de la vie
noun
  1. joie de vivre
  2. envie de vivre
noun
1. een bruinkleurig orgaan dat gal produceert
foie
/ˈlevərˌblumpʲə/
noun
1. Hepatica nobilis, een plant uit de ranonkelfamilie
  1. anémone hépatique
  2. hépatique à trois lobes
noun
grande douve du foie
/ˈlevərə(n)/
verb
1. voor de aanvoer van iets zorg dragen
fournir
noun
1.
livraison
noun
huile de foie de morue
/leˈvijatɑn/
noun
1. reusachtige waterslang
léviathan
noun
lévitation
pronoun
Lévitique
noun
lexème
adjective
lexical
verb
1. zien en interpreteren van geschreven tekst
lire
noun
1. iemand die (een bepaald geschrift) leest
lecteur
noun
conférence
/ˈli.ba.nɔn/, /ˈli.bɑ.nɔn/
pronoun
land in het Midden-Oosten, grenzend met Israël en Syrië, officieel de Libanese Republiek
Liban
/li.ˈbɛl/, /li.ˈbɛɫ/
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Odonata
libellule
/libəˈral/
adjective
libéral
noun
libéralisation
verb
libéraliser
noun
libéralisme
noun
libéralité
/li.'beː.ri.ja/, /li.'bɪː.ri.ja/
pronoun
land in West-Afrika, officieel de Republiek Liberia
  1. Liberia
  2. Libéria
adjective
libertaire
/'libido/
noun
1. geslachtsdrift
libido
adjective
1. op Libië betrekking hebbend
  1. libyen
  2. libyenne
/ˈli.bi.jə/
pronoun
1. een land in Noord-Afrika, officieel de Staat Libië
Libye
noun
libration
noun
1.de gangbare benaming voor het tekstboekje van een opera, operette, ballet of musical
libretto
noun
  1. 1. een geheel van botten, vlees en organen van een mens of dier
  2. 3. een hoeveelheid materie met een bepaalde vorm
  3. 2. een instantie
corps
/ˈlɪxaːmzdeːl/
noun
1. onderdeel van een lichaam
membre
noun
  1. langage corporel
  2. langage du corps
/ˈlɪxaːmstɛmpɛrɑˌtyːr/
noun
1. temperatuur van een lichaam
température corporelle
noun
1. lichaamsondersteunend onderdeel van een bed
corporéité
adjective
  1. 1. helder van kleur
    1. clair
    2. lumière
    1. 2. van een gewicht
    2. 3. van een gerecht
    3. Vertalingen: na te kijken en onderverdelen per verklaring
    léger
noun
  1. 2. lichtbron
    lumière
  2. 1. Elektromagnetische golven
    1. lumière
    2. clarté
adjective
ivoire clair
adjective
1. een lichte oranje kleur die naar rood zweemt
orangé rouge clair
adjective
bleu clair
adjective
gris clair
adjective
vert clair
noun
1. de afstand die het licht in één jaar aflegt, ongeveer 9460 miljard kilometer
année-lumière
noun
point lumineux
adjective
rose clair
noun
1.
bateau-feu
noun
1. de snelheid waarmee het licht zich voortplant in het luchtledige (ongeveer 299792 km/s)
vitesse de la lumière
/ˈlɪxtstɛrktə/
noun
1. helderheid van een lichtbron
luminance
noun
pollution lumineuse
noun
  1. 6. deel van een insect
    article
  2. 9. deksel
    couvercle
  3. 7. deel van de stengel dat zich tussen de twee knopen bevindt
    entre-nœud
    1. 1. iemand die behoort tot een groep, organisatie of sekte
    2. 5. deel van het lichaam
    membre
  4. 8. deel van een samengesteld woord
    morphème
noun
1. iemand die lid is van een organisatie, voornamelijk een kerk
membre
noun
1. Equisetum palustre
prêle des marais
noun
1. een staat die toegetreden is tot een inter- of supranationale organisatie
État membre
noun
article
/ˈlixtə(n)ˌstɛɪ̯n/, /ˌlixtə(n)ˈstɛːn/, /ˌliχtə(n)ˈstɛɪ̯n/
pronoun
1. een klein land in Europa gelegen tussen Zwitserland en Oostenrijk
Liechtenstein
noun
1. muzikale vorm waarin tekst op muziek wordt verklankt
chanson
adverb
  1. 1. vriendelijk, zachtaardig
    aimable
  2. 2. mooi, fijngebouwd
    mignon
noun
1.het geven van hulp
  1. charité
  2. bienfaisance
noun
1. uiting of gevoel van grote genegenheid en/of het zich aangetrokken voelen
amour
noun
1. brief waarin men zijn liefde betuigt
  1. lettre d'amour
  2. billet doux
noun
hautbois d’amour
noun
liefdesrelatie
relation amoureuse
verb
1. liefde voelen tot iemand of iets
aimer
adjective
  1. aimant
  2. affectueux
noun
amateur
verb
1. met opzet feiten vertellen die niet de waarheid zijn maar wel als dusdanig worden gepresenteerd
mentir
pronoun
  1. Lierre
  2. 1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
    Lyre
/lir/
noun
  1. 1. een Grieks snaarinstrument
    lyre
  2. 2. een werktuig om te hijsen, trekken of slepen
    treuil
noun
Lierrois
adjective
  1. lierrois
  2. lierroise
noun
1. anatomie
aine
noun
1.
hernie inguinale
noun
1. benaming voor kevertje van de familie Coccinellidae
  1. coccinelle
  2. bête à bon Dieu
noun
cherí
/ˌlivə'vraʊ̯wəˌbɛtstro/, /ˌlivəˌvrɔʊ̯β̞ə'bɛtstro/, /ˌlivəˌvrʌʊ̯β̞ə'bɛtstro/
noun
1.
  1. aspérule odorante
  2. gaillet odorant
  3. reine des bois
noun
  1. 1. een verticaal transportsysteem voor goederen en mensen
    1. ascenseur
    2. monte-charge
  2. 2. de draagkracht van een vliegtuig
    portance
verb
1. liften (meerijden)
  1. faire du stop
  2. faire de l'auto-stop
noun
1. lifter
auto-stoppeur
noun
1. opwaartse kracht
portance
noun
ligand
noun
vélo couché
noun
1. de wijze waarop iets of iemand gelegen is
position
noun
1.
métro leger
/lɪχ.ˈni.nə/
noun
1. een aromatische verbinding die door nagenoeg alle planten wordt gemaakt en die de plant stevigheid geeft
lignine
/'lɪxplats/
noun
  1. 1. een plaats waar iemand of iets ligt
    dépôt
  2. 2. een plaats waar een boot kan liggen
    mouillage
noun
1. een stoel waarin men gemakkelijk kan liggen
chaise longue
pronoun
1. Romaanse taal gesproken door 500 duizend mensen in noordwesten van Italië
ligurien
pronoun
Ligurie
noun
1. olijfachtige heester veel gebruikt voor het maken van heggen
troène
noun
1. de kant waar de wind niet vandaan komt
côté sous le vent
/lɛɪdələk/
adjective
1. zonder verzet ongemak verdragend
passif
verb
1. smart en ellende ondergaan
souffrir
phraseologicalUnit
1. zinsdeel waarop de actie die wordt uitgedrukt door een overgankelijk werkwoord rechtstreeks van toepassing is
  1. C.O.D.
  2. complément d’objet direct
  3. objet direct
adverb
passif
/lɛi̯f/
noun
1. lichaam
corps
pronoun
1. een Finoegrische taal die in Estland en Letland gesproken wordt
live
noun
1. levenslange rente
rente viagère
noun
1. een spreuk waarnaar iemand zijn leven inricht
devise
noun
1. een straf waarbij iemand lijfelijk pijn gedaan wordt
punition corporelle
/ˈlɛɪfʋɑxt/
noun
  1. 2. een lid van een lijfwacht
    garde du corps
  2. 1. de wacht die met de bewaking van een vorst of aanzienlijk persoon belast is
    garde rapprochée
noun
1. dood lichaam
cadavre
/ˈlɛːkbar/, /ˈlɛːɪkbar/
noun
1. baar voor een lijk
civière
/ˈlɛɪkˌbəzɔrxər/
noun
1. een begrafenisondernemer
employé des pompes funèbres
/ˈlɛi.kə(n)/
verb
  1. 2. naar aanschijn zijn
  2. 1. uitzien als
paraître
/lɛikə(n)hœys/
noun
1. een plaats waar lijken tijdelijk opgebaard liggen
  1. morgue
  2. dépôt mortuaire
/ˈlɛɪkxeˌʋat/
noun
1. de kleding waarin een overledene begraven wordt
  1. linceul
  2. suaire
/ˈlɛɪ̯.kɪs/, /ˈlɛɪ̯k.kɪst/, /ˈlɛːk.kɪst/
noun
1. de kist waarin een overledene ter aarde besteld wordt
  1. cercueil
  2. bière
noun
1. ± arts die het lichaam van een overledene onderzoekt om de doodsoorzaak vast te stellen
légiste
noun
1. textiel waarin een overledene begraven wordt
  1. suaire
  2. linceul
noun
1. een voortuig ingericht om een stoffelijk overschot te vervoeren
corbillard
noun
1. plakmiddel
colle
verb
1. twee of meer delen aan elkaar bevestigen met behulp van een kleefstof
coller
/lɛi̯n/
noun
  1. 1. een streep
    droite
  2. 11. een band, riem om een huisdier in te tomen
    laisse
/ˈlɛɪnzat/
noun
1.
graine de lin
noun
huile de lin
noun
1. benaming voor zangvogels uit de familie Turdidae
grive
noun
1. geslacht van loofbomen, Sorbus
  1. alisier
  2. sorbier
noun
1. iemand op de eerste plaats staat van de kandidatenlijst van een partij in een verkiezing
tête de liste
noun
bonnette
adjective
traînant
noun
1. de kant van het schip die uit de wind ligt
bord sous le vent
noun
cor
noun
1. een drank bereid met gestookte alcohol, aangevuld met smaakstoffen en veelal ook suiker
liqueur
verb
1. met de tong aanraken
lécher
noun
1. lichte tint van paars
lilas
noun
1. en 2. (zaden van) plant Phaseolus lunatus
haricot de Lima
/ˈlɪm.bʏrx/, /ˈlɪm.bʏrχ/
pronoun
  1. 1. provincie in het zuidoosten van Nederland
  2. 2. een provincie in België
  3. 5. een plaatsje in de Belgische provincie Luik
Limbourg
/ˈlɪm.bʏrxs/, /ˈlɪm.bʏrχs/
pronoun
1. verzamelnaam van een reeks variëteiten van de Germaanse taalfamilie
limbourgeois
noun
limitation
adjective
limitatif
verb
limiter
noun
limnologie
noun
1. Een citrusvrucht
  1. lime
  2. citron vert
  3. limon
noun
1.
mer de Lincoln
/ˈlɪndə/
noun
loofboom
tilleul
noun
1.
sphinx du tilleul
adjective
1. lijnvormig
linéaire
pronoun
1. Bantoetaal gesproken door 60 miljoen sprekers vooral in de Democratische Republiek Congo en de Republiek Congo
lingala
adjective
lingual
noun
1. beoefenaar van de taalkunde
linguiste
noun
1. wetenschap die taal als onderzoeksobject heeft
linguistique
adjective
linguistique
/ˌliniˈ<sup>ʲ</sup>aɫ/
noun
1. een meetinstrument waarmee lengtes kunnen worden opgemeten
  1. règle
  2. latte
verb
ligner
noun
  1. 2. een verwijzing
    lien
  2. 1. een betrekking of relatie
    rapport
noun
1. linkerhandregel
règle de la main gauche
noun
1.
rive gauche
adjective
1. tegenovergestelde van rechts
  1. gauche
  2. à gauche
adjective
1. wanneer men de linkerhand verkiest boven de rechter voor alledaagse handelingen
gaucher
adverb
1. in een rondgaande beweging tegen de klok
  1. antihoraire
  2. anti-horaire
noun
1. product afkomstig uit vlas
lin
noun
1. lintkabel
ligne bifilaire
noun
1. een platte worm die parasiteert in de darm bij mens en dier
  1. ténia
  2. vert solitaire
noun
scie à ruban
noun
1. anatomie
lèvre
/liˈpidə/
noun
1. vetten en vetachtige stoffen die in de biochemie een belangrijke rol spelen
lipide
noun
  1. 2. zacht materiaal dat op de lippen opgebracht wordt om de kleur daarvan beter te laten uitkomen
    rouge à lèvres
  2. 1. stift met zacht materiaal dat op de lippen opgebracht wordt om de kleur daarvan beter te laten uitkomen
    1. rouge à lèvres
    2. bâton de rouge
adjective
lipsien
verb
liquider
noun
liquidité
noun
1. Typha
massette
/ˈlɪspələ(n)/
verb
  1. zézayer
  2. zozoter
pronoun
1.
Lisbonne
/'lɪst/
noun
  1. 1. een oplossing voor een probleem waardoor tegenstrevers worden verrast
  2. 2. vermogen om een oplossing die tegenstrevers verrast, te bedenken
ruse
adjective
littéraire
noun
  1. 2. het geheel van als kunstzinnig beschouwde geschreven werken, m.n. proza of poëzie
  2. 3. de verzameling geschreven en na controle door vakgenoten gepubliceerde mededelingen van een vakgebied
littérature
/ˈlitiˌʲʏm/
noun
1. chemisch element en een zilverwit alkalimetaal
lithium
noun
lithographie
noun
1. de wetenschap van de beschrijving en het ontstaan van sedimentgesteenten (steen- en rotsenkunde)
lithologie
adjective
litigieux
noun
litote
/liˈtaʊ̯.wə(n)/, /liˈtɑuwə(n)/, /liˈtɔʊ̯.β̞ə(n)/, /ˈliˌtʌʊ̯.β̞ə(n)/
pronoun
1. een Europees land ter hoogte van Wit-Rusland
Lituanie
/liˈtaʊ̯.wər/, /ˈlitɔʊ̯.β̞ər/, /ˈlitʌʊ̯.β̞ər/
noun
1. inwoner van Litouwen
Lituanien
/liˈtaʊ̯s/, /ˈlitɔʊ̯β̞s/, /ˈlitʌʊ̯s/
pronoun
1. een Baltische taal die wordt gesproken in Litouwen
  1. lituanien
  2. lithuanien
noun
1. zichtbaar overblijfsel van een oude verwonding
  1. cicatrice
  2. balafre
noun
1. eertijds een dienst ten bate aan de gemeenschap waartoe de rijken verplicht waren...
liturgie
noun
1. litze
fil de Litz
abbreviation
1. litzedraad
fil de Litz
noun
1. scheikundig element met symbool Lv en atoomnummer 116
livermorium
noun
1. vloeibaar gemaakt aardgas
GNL
noun
1. lichamelijke opvoeding
EPS
noun
lobe
noun
lobotomie
noun
1. officiële instructie waardoor mensen of informatie een plaats of gebied niet mogen verlaten of binnenkomen
confinement
verb
  1. 1. van lood vervaardigd
    de, en plomb
  2. 2. wollen stof
    loden
  3. 3. het peilen van waterdiepte
    sonder
pronoun
  1. 1. eigennaam van Frankische herkomst
  2. 2. spelwoord voor de letter l
Louis
noun
1. de kant waar de wind vandaan komt
lof
noun
1. uitstekend deel van de boeg onder water dat moet helpen bij het overstag gaan
taille-mer
noun
1. de kant waar de wind op staat
  1. côté au vent
  2. lof
/ˈlu.jə(n)/
verb
1. een langgerekt klagend geluid voortbrengen
  1. beugler
  2. meugler
  3. mugir
noun
1. met vlees en groente gevulde en gefrituurde lap deeg
  1. nem
  2. rouleau de printemps
verb
1. scheel kijken
  1. loucher
  2. bigler
noun
loupe
noun
op de loer liggen
  1. être à l'affût
  2. être tapi
noun
civette palmiste hermaphrodite
noun
  1. 2. groente
    1. chicon
    2. endive
  2. 1. prijzen
    1. louange
    2. éloge
noun
1. snelheidsmeter voor zeegaande schepen
loch
noun
  1. 2. een chronologisch dagboek
    livre de bord
  2. 1. boek met gegevens over de navigatie
    livre de loch
noun
loge
verb
1. in huis openemen, herbergen
loger
verb
1. vaart bepalen
jeter le loch
noun
1. een vissersschip, tegenwoordig met een motor aangedreven, dat vroeger een loggergetuigd zeilschip was
lougre
noun
logique
/ˈloɣis/
adjective
  1. 1. natuurlijk, voor de hand liggend
  2. 2. betrekking hebbend op de logica
logique
adjective
logistique
noun
1. beeldmerk, logogram, naambeeld
  1. marque
  2. logo
noun
1. een herkeningsteken
logogramme
noun
orthophoniste
/ˈloʒban/
pronoun
1. een kunsttaal ontwikkeld door James Cooke Brown
lojban
/lɔk/
noun
1. haarlok, pluk haar
  1. mèche
  2. boucle
/loˈkal/
adjective
1. plaatselijk, van beperkte omvang
local
noun
1. plaatsbepaling
localisation
verb
2. de plaats vaststellen van
localiser
noun
1. een met glaswerk ed. beveiligd doorgeefluik
guichet
verb
  1. 1. mens of dier verleiden ergens heen te komen
    leurrer
  2. 2. als eerste deel van samenstellingen
    à appât
noun
  1. plaisir
  2. amusement
/ˈlɔlɪ/
noun
snoepje
sucette
pronoun
Lombardie
adjective
lombard
adjective
lombard
noun
2. een grof en onbeleefd persoon
beauf
noun
balourd
/ˈlɔndən/
pronoun
1 en 2
  1. Londres
  2. London
noun
een inwoner van Londen
Londonien
noun
1. orgaan waarin gaswisseling plaatsvindt tussen lucht en bloed ten behoeve van het metabolisme.
poumon
/ˈlɔŋblaʃə/
noun
1. een blaasje in de longen waarin gasuitwisseling plaatsvindt
alvéole
noun
pulmonaire
/'lɔŋɔntsteːkɪŋ/
noun
1. een ontsteking in de longen
pneumonie
noun
1. bloedvat dat vanuit de rechter hartkamer naar de longen gaat
artère pulmonaire
/ˌlɔnsdeˈlit/
noun
1. zeer harde vorm van diamant
lonsdaléite
noun
1. koord voor ontsteking
mèche
/'lo.xənə(n)/
verb
1. iets tot een leugen verklaren
nier
noun
1. een scheikundig element met symbool Pb en atoomnummer 82
plomb
noun
1. vakman die zich bezighoudt met de aanleg en het onderhoud van sanitair, verwarmingsinstallaties, waterleidingen en/of riolering
plombier
adjective
  1. 1. verticaal, in één lijn met het middelpunt van de aarde
    1. d'aplomb
    2. droit
  2. 2. in een rechte hoek
    1. perpendiculaire
    2. droit
/loːts/
noun
1. gebouw voor opslag van goederen
baraque
adjective
sans plomb
noun
1. een witte verfstof met bestanddelen van lood
céruse
/lo:f/
noun
  1. feuillage
  2. fanes
noun
  1. 2. bladverliezend boom
    1. arbre caducifolié
    2. arbre à feuilles caduques
  2. 1. gebladerde boom
    feuillu
adjective
vert feuillage
/loːx/
noun
een alkalische substantie
lessive
verb
1. het bewerken van een dierenhuid ter vervaardiging van leer
tanner
noun
1. (beroep) een persoon die van de huid van dieren leer maakt
tanneur
adjective
van groot gewicht
lourd
noun
1. benaming voor planten uit het geslacht Allium
alliacé
/loːn/
noun
1. financiële vergoeding voor geleverde arbeid
salaire
noun
travail salarié
/loːp/
noun
voorste deel van een wapen
canon
noun
1. reeks van maatschappelijke posities
carrière
/ˈlopχraf/
noun
1. een uitgegraven geul, diep en breed genoeg dat men er in kan lopen...
tranchée
noun
1. bovenzijde van een voetzool
bande de roulement
/ˈlopˌfoχɔɫ/, /ˈloːbˌvoːɣəl/, /ˈloːpˌfoːɣəl/
noun
  1. 2. vogel die niet kan vliegen
    oiseau coureur
  2. 1. loopvogel als taxonomische benaming
    ratite
/lot/
noun
  1. pousse
  2. jeune pousse
verb
  1. uit de hand lopen
    déraper
  2. 1. stappen, gaan
    1. marcher
    2. promener
preposition
tijdens het verloop van
durant
noun
  1. 4. schaakstuk dat zich slechts diagonaal verplaatsen mag
    fou
  2. 2. sleutel waarmee een hele serie verschillende sloten geopend kan worden
    passe-partout
noun
  1. 2. de oranje vrucht van de Eriobotrya japonica
    1. bibace
    2. nèfle du Japon
  2. 1. een fruitboom van de rozenfamilie
    1. bibacier
    2. néflier du Japon
noun
1.Dit geneesmiddel behoort tot de benzodiazepinen
lorazépam
verb
plotseling woeden
éclater
noun
1. een onverantwoordelijk iemand
fêtard
noun
1. geld betaald voor iemands vrijlating
rançon
verb
1. ervoor zorgen dat iets of iemand los wordt
  1. défaire
  2. détacher
/ˈlɔs.rʏ.kə(n)/
verb
1. met een ruk losmaken
arracher
noun
2. noodlot, wat het toeval iemand toebedenkt
sort
pronoun
Lorraine
adjective
1. onguur, verdacht, met een slechte reputatie
louche
pronoun
1.
Louisiane
noun
1. het geheel van bladeren van een of meer bomen
feuillage
verb
1.iets uitwerpen, kwijt zien te raken, gewoonlijk een vloeistof
  1. déverser
  2. évacuer
pronoun
1. naam van een van Jezus' discipelen
Luc
/lʏxt/
noun
1. mengsel van gassen waaruit de afmosfeer bestaat
air
noun
1. een aanval vanuit de lucht op een grondpositie
attaque aérienne
noun
montgolfière
noun
1. lijkbezorging waarbij het lichaam van een dode een plaats boven de grond krijgt waar het door dieren wordt opgegeten
inhumation céleste
noun
lustre
noun
filtre à air
noun
fotografie vanuit de lucht
photographie aérienne
noun
1. een vliegveld voor verkeersvliegtuigen met accommodatie voor ontvangst en vertrek van passagiers
aéroport
noun
1. muziekinstrumenten die een toon voortbrengen door een trillende luchtkolom
aérophone
noun
1. een vaartuig dat zowel over water als over land op een luchtkussen voortzweeft.
aéroglisseur
noun
  1. 1.
  2. 2.
ligne aérienne
/ˈlʏxmɑxt/, /ˈlʏχmɑχt/
noun
1. een krijgsmacht in de lucht die bestaant uit vliegtuigen, raketten, projectielen en personeel
force aérienne
noun
trachée
noun
1. de luchtlagen boven een bepaald grondgebied
espace aérien
noun
1. verkeer in de lucht
aviation
noun
contrôle du trafic aérien
/ˈlʏχt.fres/
noun
aérophobie
noun
1. een stokje met een zwavelkopje, dienende om vuur te maken
allumette
adjective
1. bijzonder en leuk, apart op een leuke manier
ludique
adjective
1. door de geslachtsziekte lues veroorzaakt
luétique
/lœʏ/, /lœː/
adjective
1. werkschuw, niet houden van inspanning of werk
  1. paresseux
  2. fainéant
/lœʏ/, /lœː/
noun
1. groep mensen
gens
noun
  1. 1. werkschuw persoon
    1. fainéant
    2. fainéante
    3. feignasse
  2. 2. benaming voor zoogdieren uit de onderorde Folivora
    paresseux
/lœʏ̯t/, /lœːd/, /lœːt/
adjective
  1. fort
  2. haut
/ˈlœʏ̯dən/, /ˈlœːdən/
verb
1. doen klinken, gewoonlijk van een bel
sonner
noun
haut-parleur
noun
couche
noun
1. het ontbreken van de wil iets te doen
paresse
/lœʏ̯k/, /lœːk/
pronoun
  1. 1. een provinciehoofdstad in België
  2. 2. een Belgische provincie
Liège
noun
Liégeois
adjective
liégeois
noun
Liégeoise
noun
feignasse
pronoun
pays de Cocagne
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera pardus
léopard
/lœʏ̯s/, /lœːs/
noun
1. benaming voor verschillende meestal vleugelloze insecten die parasiteren op dieren en planten
pou
/'lœstərə(n)/
verb
  1. 1. gericht waarnemen met het oor
    écouter
  2. 2. een bevel opvolgen
    1. écouter
    2. obéir à
noun
1. luit
luth
/ˈlykɑs/
pronoun
  1. Lucas
  2. Luc
noun
  1. 1. geslachtsdeel van de man
    1. bite
    2. teub
    3. zizi
  2. 2. scheldwoord voor een man
    1. connard
    2. bite
    3. con
verb
1. onzinnige of onbelangrijke dingen zeggen
déconner
adjective
lullien
noun
luminance
noun
1.
luminescence
adjective
lumineux
adjective
lunaire
verb
1. de lunch gebruiken
déjeuner
noun
1.
lunule
noun
1. en 2. (zaden van) geslacht Lupinus
lupin
noun
1. tot meel vermalen zaden van de plant Lupinus
farine de lupin
adjective
zonder energie, fut om iets te ondernemen
apathique
noun
crime sadique
verb
lustrer
noun
1. scheikundig element met symbool Lu en atoomnummer 71
  1. lutétium
  2. lutécium
/lyw/
adjective
  1. 1. uit de wind, windstil
    abrité
  2. 2. redelijk warm, lauw
    tiède
/ˈlywə(n)/
verb
1. minder hard gaan waaien, minder hevig worden
se calmer
/'lywtə/
noun
1. een windloze plek
endroit à l'abri du vent
/lyks/
noun
1. niet alledaagse dingen die gebruikt worden voor het persoonlijk genot
luxe
/ˈlyksəmˌbʏrx/, /ˈlyksəmˌbʏrχ/
pronoun
1.-3.
Luxembourg
/ˈlyksəmˌbʏrɣər/, /ˈlyksəmˌbʏrχər/
noun
1. een inwoner of iemand die afkomstig is van het Groothertogdom Luxemburg
Luxembourgeois
/ˈlyksəmˌbʏrxs/, /ˈlyksəmˌbʏrχs/
adjective
1. betreffende Luxemburg of het Luxemburgs
luxembourgeois
/ˈlyksəmˌbʏrxs/, /ˈlyksəmˌbʏrχs/
pronoun
1. een taal die in Luxemburg gesproken wordt
luxembourgeois
adjective
luxueux
pronoun
Lviv
noun
1.
litchi
noun
lymphangite
adjective
1.
lymphatique
noun
lymphe
verb
1. iemand executeren zonder rechtsgeldig proces, met name door opknoping
lyncher
noun
1. bepaald soort zoogdier, Lynx lynx
lynx
pronoun
1.
Lyon
noun
lyrisme
adjective
lyrique
pronoun
  1. 1. een stad in de Duitse deelstaat Nedersaksen
  2. 2. een district in de Duitse deelstaat Nedersaksen
  3. 3. een vroegere vorstendom
Lunebourg
pronoun
1. een heide- en boslandschap in Nedersaksen
lande de Lunebourg
/mṇ/
possessivePronoun
1. van de eerste persoon enkelvoud
  1. ma
  2. mon
/maːx/
noun
1. Orgaan
estomac
noun
1. het kanaal
appareil digestif
pronoun
  1. 2. teken van de dierenriem waar de zon in staat van ca. 23 augustus tot ca. 23 september
  2. 1. sterrenbeeld van de dierenriem
  3. 3. de moeder van Jesus
Vierge
/maːxt/, /maːçt/
noun
1. ongerepte jonge vrouw
  1. vierge
  2. pucelle
adjective
  1. vierge
  2. virginal
pronoun
îles Vierges
/ˈmaɣdəˌvlis/, /ˈmaʝdəˌvlis/
noun
vlies
hymen
noun
1. een pijnlijk gevoel in de maagstreek
douleur d'estomac
/maxsɑp/
noun
1.maagsap
suc gastrique
noun
  1. acidité gastrique
  2. acide gastrique
/ˈmaɪ̯ə(n)/
verb
1. met een werktuig het bovengrondse deel ergens van verwijderen
  1. faucher
  2. tondre
noun
pré à faucher
/ma:l/
verb
  1. 1 1. telkens terugkerend tijdstip waarop iets gebeurt
    fois
  2. 2 1. de handeling van eten zoals die dagelijks op geregelde tijden plaatsvindt
    repas
pronoun
1.
Maelbeek
/ˈmaɫtekə(n)/
noun
1. het symbool × of · of * om een vermenigvuldiging aan te duiden
signe de multiplication
noun
1. een hoeveelheid toebereid voedsel die voldoende is geruime tijd de lichamelijke behoefte te bevredigen
repas
noun
1.
  1. chèque repas
  2. chèque-repas
  3. ticket-restaurant
/maːn/
noun
lune
/maːnt/
noun
1. elk van de twaalf met een eigen naam onderscheiden tijdvakken van 28, 30 of 21 dagen waarin een jaar verdeeld wordt
mois
/ˈmaːndɑx/
noun
1. een dag van de week, de eerste dag na het weekeinde
lundi
noun
1. een publicatie die wekelijks verschijnt
mensuel
/ˈman.də.ləks/, /ˈmaːn.də.lɪks/
adjective
1. iedere maand een keer
mensuel
/ˈman.də.ləks/, /ˈmaːn.də.lɪks/
adverb
1. iedere maand een keer
mensuellement
/ˈmaneˌklɪps/
noun
1. het verschijnsel dat de maan in de schaduw van de aarde komt te staan, waardoor deze verduisterd raakt
  1. éclipse de Lune
  2. éclipse de la Lune
noun
1. het zonlicht dat van de maan naar de aarde reflecteert
clair de lune
/ˈmansvərˌdœʏ̯stərɪŋ/, /ˈmansvərˌdœːstərɪŋ/
noun
1. het verschijnsel dat de maan verduisterd raakt doordat ze in de schaduw...
éclipse lunaire
noun
graines de pavot
/maːr/
conjunction
1. tegenwerping, introduceert een zin(sdeel) dat het voorgaande zin(sdeel) tegenspreekt of er mee contrasteert
  1. mais
  2. cependant
noun
maréchal
/maːrt/
noun
1. derde maand van het jaar
mars
pronoun
Révolution de Mars
/mas/
pronoun
1. een rivier die onspringt in Frankrijk en door België en Nederland stroomt
Meuse
/mas.ˈtrɪxt/, /mas.ˈtrɪχt/, /məs.ˈtreːx/
pronoun
1. een stad en gemeente in de Nederlandse provincie Limburg, tevens de hoofdstad hiervan
Maestricht
/maːt/
noun
  1. 1. makker
    1. copain
    2. pote
    3. camarade
    1. 3. eenheid van lengte enz.
    2. 6. (muziek) manier om een muziekstuk ritmisch in te delen
    mesure
  2. 5. grootte van kledingstuk/schoen
    taille
noun
1. een glas met maatverdelingen
verre à mesurer
noun
1. maatblok
cale étalon
noun
1. een glazen kolf met een geijkte maatstreep voor het nauwkeurig bepalen van een volume vloeistof
fiole jaugée
noun
1. iets dat wordt beslist om een doel te treffen
  1. mesure
  2. décision
noun
2. de wereld, omgang en verkeer der mensen
société
noun
1. een vertikale lijn op een notenbalk
barre de mesure
pronoun
1. een stad op een eiland aan de zuidkust van China, ten westen van Hong Kong
Macao
pronoun
1. Slavische taal die vooral wordt gesproken in de Noord-Macedonië
macédonien
/ˌmasəˈdoni.jə/, /ˌmasəˈdoːni.jə/
pronoun
  1. 3. land
  2. 1. historisch Grieks koninkrijk
  3. 2. regio in Griekenland
Macédoine
verb
macérer
/mɑˈʃɛtə/
noun
1. licht gebogen zwaard
machette
adjective
  1. machiavélien
  2. machiavélique
/mɑˈʃinə/
noun
machine
noun
1. geweer waarmee kort na elkaar meerdere schoten kunnen worden afgevuurd, ...
mitrailleuse
noun
1. een ruimte voor machines
salle des machines
/mɑˈʃinəˈri/
noun
1. geheel van machines
machinerie
noun
  1. conducteur de train
  2. mécanicien
  3. conducteur
noun
1. een persoon met gezag
puissant
/ˈmɑxtəx/, /ˈmɑxtɪx/, /ˈmɑχtəχ/
adjective
1. meer invloed hebben dan anderen
puissant
noun
1.het gebruiken van macht voor doeleinden waarvoor het niet bedoeld is
abus de pouvoir
noun
1. gevecht om de macht
  1. lutte pour le pouvoir
  2. bras de fer
noun
  1. 2.
    rapport de force
  2. 1.
    équilibre des pouvoirs
noun
macroéconomie
noun
objectif macro
noun
het fotograferen van voorwerpen op korte afstand door middel van een macro-objectief
macrofotographie
noun
marcromolécule
noun
marcromolécule
adjective
1. met het blote oog waarneembaar
macroscopique
/makyla/
noun
  1. macula
  2. tache jaune
/ma.da.'ɣɑs.kɑr/, /ˌma.dɑ.'χɑs.kɑr/
pronoun
2. staat op het bovengenoemde eiland, de Republiek Madagaskar
Madagascar
noun
1. Pootloze larve
  1. asticot
  2. ver
noun
1. Bellis perennis
pâquerette
noun
1. wijn van het eiland Madeira die door een verhoogd alcoholgehalte en lange rijping bij hoge temperaturen lang houdbaar is
madère
pronoun
Madrid
noun
1. muzikale stroming uit de 16e eeuw, waarbij het door middel van toonschilderingen uitbeelden van woorden en tekst centraal staat
madrigalisme
noun
1.
Madrilène
adjective
madrilène
/mɑf/
adjective
1. vreemd, onverwacht, ongebruikelijk, raar
loufoque
noun
1. criminele organisatie, oorspronkelijk van Sicilië
  1. mafia
  2. maffia
/ˈmafis/
adjective
1. arm aan silica of silicahoudende mineralen
mafique
/ˈma.ɣər/, /ˈma.χər/
adjective
1.
maigre
pronoun
1. verpersoonlijking van de dood
Faucheuse
adjective
1. enigszins mager
maigrelet
adjective
1.
maghrébin
noun
1. toverkunst; kracht waar een tovenaar over beschikt om dingen te verwezenlijken die een bovennatuurlijke indruk maken
magique
pronoun
maguindanao
adjective
1.met een bijzondere, bovennatuurlijke betekenis
magique
noun
1. een persoon die rechtspreekt
magistrat
noun
mage
noun
magnalium
noun
  1. 1. gemagnetiseerd metaal
    aimant
  2. 2. persoon, zaak of plaats
    1. aimant
    2. pôle d'attraction
noun
bande magnétique
noun
champ magnétique
noun
1. Chemisch element
magnésium
noun
1.het magnesiumzout van stearinezuur
stéarate de magnésium
noun
1. magnetisch, ijzer bevattend mineraal; magnetisch erts
magnétite
verb
magnétiser
noun
magnétisme
/ˈmɑɣ.nə.trɔn/, /ˈmɑχ.nə.trɔn/
noun
  1. 1. een toestel waarin met zeer korte en gerichte golven voedsel in zeer korte tijd warm kan worden gemaakt
    four à micro-ondes
  2. 2. een type elektronenbuis
    magnétron
adjective
magnifique
noun
1. boom met tulpachtige bloemen
magnolia
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het westen van het land
Maharashtra
adjective
brun acajou
/ˈmelə(n)/
verb
1. per elektronische post verzenden
envoyer un courriel
verb
maintenir
/mɑjs/
noun
1. een graansoort afkomstig uit Midden-Amerika
  1. maïs
  2. blé d’Inde
adjective
jaune maïs
noun
huile de mais
noun
maison
noun
1. een etagewoning met eigen toegang waarbij woon- en slaapverdieping boven elkaar liggen
duplex
/ˈmɑjsʋɔrtəɫˌbo̝ːrdər/
noun
1. bepaald soort tor, Diabrotica virgifera
Chrysomèle des racines du maïs
/ˈmɑjswɔrtəlˌkevər/
noun
1. bepaald soort tor, Diabrotica virgifera
Chrysomèle des racines du maïs
noun
1. en 2. verbinding van glucose en koolhydraten of bindmiddel dat uit maiskorrels wordt gewonnen
  1. amidon de maïs
  2. fécule de maïs
noun
1. majeur
majeur
noun
1. het grotetertsakkoord
accord majeur
noun
1. een toonladder met een grote terts
gamme majeure
noun
1. een grotetertstoonladder
gamme majeure
noun
1. een toonladder met een grote terts
gamme majeure
noun
1. een toonladder met een grote terts
gamme majeure
noun
majorat
noun
1.
majorité
/makaˈrɔn/
noun
1. klein rond luchtig gevuld koekje gemaakt van amandelen, suiker en eiwit
macaron
noun
  1. 4. verticale strip tussen vleugels van kast of deur
    mauclair
    1. 2. een vertikale balk in een dakconstructie
    2. 3. een ornament op een markant punt van een bouwwerk
    poinçon
/ˈmaːkən/
verb
1. in elkaar zetten
faire
adjective
1. niet moeilijk, waar weinig moeite en inspanning voor vereist is
facile
/mɑkər/
noun
1. iemand aan wie men door persoonlijke voorkeur verbonden is
copain
noun
1. bepaalde soort zeevis, Scomber scomber
maquereau
/maˈkrɔn/
noun
1.koekje
macaron
/maˈkron/
noun
1.koekje
macaron
/mɑl/
adjective
1. blijk gevend van gebrek aan gezond verstand
sot
/mɑl/
noun
1. een holle gietvorm
moule
adjective
te kwader trouw
véreux
pronoun
1. macrotaal die op Madagaskar gesproken wordt
malgache
noun
  1. faiblesse
  2. malaise
noun
1. infectieziekte die veroorzaakt wordt door eencellige parasieten van het geslacht Plasmodium
malaria
/ma.'la.wi/, /ma.'la.ʋi/, /ma.'la.β̞i/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel de Republiek Zambia, dat niet aan de zee grenst
Malawi
pronoun
1. Dravidische taal die wordt gesproken door 47 miljoen mensen, vooral in de Indiase deelstaat Kerala
malayalam
/mɑl.ˈdi.və(n)/, /mɑɫ.ˈdi.və(n)/
pronoun
1. land in de Indische Oceaan
Maldives
pronoun
Malachie
/mɑ.ˈlɛɪs/
pronoun
1. een Austronesische taal en de officiële taal van Maleisië, Brunei en Singapore die ook in delen van...
malais
pronoun
1. taalfamilie van honderden talen die in het gebied van de Indische en de Stille Oceaan worden gesproken
langues malayo-polynésiennes
/maˈlɛ:zi.jə/, /maˈlɛɪ̯zi.jə/
pronoun
1. een land in het zuidoosten van Azië dat bestaat uit twee afzonderlijke delen die gescheiden worden door de Zuid-Chinese Zee
Malaisie
/malə(n)/
verb
1. tussen twee harde voorwerpen fijnwrijven
moudre
/'ma.li/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Mali
Mali
adjective
1. met slechte bedoelingen
malicieux
noun
  1. 3. vetereinde
    ferret
  2. 5. spel
    jeu de mail
  3. 1. metalen ringetje
    maille
  4. 2. heraldisch stuk
    mâcle
  5. 4. ring in een schoen voor de veter
    œillet
noun
1. stok voor slagwerkinstrumenten
baguette
pronoun
1. Belgische gemeente en stad in de Oostkantons
Malmedy
adjective
1. zacht en sappig
tendre
/ˈmɑlta/, /ˈmɑɫta/
pronoun
  1. 1. eiland in de Middellandse Zee
  2. 2. land in de Middellandse Zee
Malte
/mɑlˈteːs/, /mɑɫˈtes/
noun
1. inwoner van Malta of iemand die van Malta afkomstig is
maltais
/mɑlˈteːs/, /mɑɫˈtes/
pronoun
1. Semitische taal die wordt gesproken door 570 duizend mensen op Malta
maltais
/mɑlˈteːsə/, /mɑɫˈtesə/
noun
1. vrouwelijke inwoner van Malta
Maltaise
noun
maltose
verb
malverser
noun
1. schadelijke software
  1. logiciel malveillant
  2. maliciel
/ˈmɑmaː/
noun
1.
maman
adjective
mamillaire
noun
1. benaming voor zoogdieren uit het geslacht Mammuthus
mammouth
noun
1. het afbeelden van de borstklier door middel van röntgenstraling
mammographie
/mɛn/
pronoun
1. een eiland in de Ierse Zee
  1. Man
  2. Île de Man
noun
    1. 1. persoon van het mannelijk geslacht
    2. 3. een mens
    homme
  1. 2. een echtgenoot, een getrouwde man
    mari
noun
  1. 2. de activiteit van het besturen van een organisatie
    administration
  2. 1. de leiding van een organisatie, de verzameling managers
    1. gestion
    2. management
noun
1. een adviseur van het management in het bedrijfsleven, bij de overheid en in andere organisaties in zaken beleidsmatige en organisatorische vraagstukken
conseiller en stratégie
noun
1. een persoon die de leiding heeft over een afdeling binnen een organisatie
manager
pronoun
Manaus
noun
1. een sierknoop die de manchet aan de mouw van een overhemd sluit
bouton de manchette
noun
1. een bak gemaakt van gevlochten rotan of tenen voorzien van een handvat
panier
pronoun
1. Mandarijns Chinees
  1. mandarin
  2. chinois mandarin
noun
1. Een citrusvrucht
mandarine
noun
1. vloeistof uit een geperste mandarijn
jus de mandarine
noun
1. schil van Citrus reticulata, Citrus reticulata var. 'mandarine' of Citrus × tangerina
écorce de mandarine
verb
mandater
noun
1. situatie waarbij een onroerend goed bestemd is tot gemeenschappelijk gebruik van aanpalende erven
mitoyenneté
pronoun
1. taalfamilie van ongeveer 50 talen die in West-Afrika worden gesproken
langues mandé
adjective
mandibulaire
noun
1. een klein, luitvormig tokkelinstrument met vier paar snaren waarop met een plectrum getokkeld wordt
mandoline
noun
1. bepaald soort zoogdier, Otaria flavescens, zeeroofdier dat leeft aan de kusten van het zuidelijk deel...
  1. lion marina
  2. otarie à crinière
/manəsxɛɪn/
noun
1. Het door de maan weerkaatste licht dat op de aarde schijnt, maanlicht
  1. clair de lune
  2. clarté de la lune
  3. clarté lunaire
/ˈmɑŋɣa/
noun
1. Japans stripboek
manga
noun
1. Chemisch element
manganèse
/ˈmɑŋələ(n)/
verb
  1. 3. door de mangel halen, met een mangel glad maken
    calandrer
  2. 1. ontbreken, tekortschieten
    manquer
  3. 2. ruilen, aan ruilhandel doen
    échanger
noun
1. soort oranje-groene sappige tropische vrucht
mangue
noun
1.
manguier
noun
1. onderfamilie van de civetkatten, zeer snelle en behendige roofdiertjes...
mangouste
noun
mangrove
/ mɑˈniːr/
noun
  1. façon
  2. manière
adjective
1. duidelijk, onmiddellijk herkenbaar
manifeste
noun
1. openlijke bekendmaking van een staatshoofd, regering, leider of politieke partij
manifeste
noun
manifestant
noun
  1. 1.
  2. 2. openbare gebeurtenis
manifestation
verb
  1. algemeen bekend maken, aan iedereen laten blijken
  2. 3. waarneembaar worden
manifester
noun
abaca
noun
1. en 2. (wortel van) de plant Manihot esculenta
  1. manioc
  2. racine de manioc
noun
manipulation
verb
manipuler
noun
défaillance
adjective
  1. 2. behorend tot het mannelijke woordgeslacht
    masculin
  2. 1. tot geslacht behorend dat voor bevruchting zorgt
    1. masculin
    2. masculine
noun
1. Plumbago auriculata
  1. dentelaire du Cap
  2. plumbago du Cap
noun
orchis mâle
pronoun
1.
Mannheim
pronoun
1. verzamelnaam van ongeveer 15 talen die op Mindanao worden gesproken
langues manobo
verb
manœuvrer
noun
manomètre
/ˈmɑnslɑx/
noun
1. doodslag
  1. homicide
  2. homicide involontaire
/ˌmanɵsʲəvɑnˈɑləs/
noun
1. iemand die bekwaam is in het doen van allerlei verschillende klusjes
  1. homme à tout faire
  2. factotum
noun
1.
hommasse
pronoun
1. een Keltische taal die (als tweede taal) wordt gesproken op het eiland Man
  1. mannois
  2. manxois
  3. manx
pronoun
1. taal die door de Maori's wordt gesproken
maori
adjective
1.
maoïste
/mɑp/
noun
  1. 1. een stevig omhulsel voor papieren
    chemise
  2. 2. een gebundelde verzameling gegevens
    dossier
noun
marabout
noun
1. een bitterzoete, heldere likeur gemaakt op basis van de marascakers, een variëteit van de zure kers.
marasquin
pronoun
1. taal die met name in Maharashtra, een staat in India gesproken wordt, onder andere in Mumbai (Bombay)
marathe
noun
marathon
verb
marcher
noun
radionavigant
pronoun
2. boek in de Bijbel
Marc
/ˈmarə/
noun
  1. 1. gerucht
    bruit
  2. 2. bericht
    nouvelle
noun
1. een inrichting waarmee de waterhoogte kan worden geregistreerd
marégraphe
noun
1. grafische registratie van de waterhoogte opgetekend door een maregraaf
marégramme
noun
1. Viscum album
gui
noun
margarine
noun
1. het hoogfeest ter gedachtenis van de aankondiging (annunciatie) van de geboorte van Jezus aan Maria
annonciation
noun
Chandeleur
pronoun
2. spelwoord voor de letter m
Marcel
/mɑˈrɪmba/
noun
1. een zeer grote houten xylofoon uit Guatemala met onder elke toets een resonator van houtsnijwerk
  1. marimba
  2. balafon
noun
marinade
/maːˈrinə/
noun
1. zeemacht
marine
adjective
1. donkerblauw
bleu marine
verb
mariner
noun
2. kruid
marjolaine
pronoun
  1. 2. zijrivier van de Dender
  2. 1. dorp in de provincie Henegouwen
Marcq
/mɑr.ˈkeːr.stɪft/
noun
1. een viltstift waarmee met stukken tekst doet opvallen
surligneur
pronoun
1. Italiaanse regio
Marches
/mɑr.kɪː.rə(n)/
verb
1. het afbakenen van een grens
marquer
noun
adellijke titel, lager dan een hertog maar hoger dan een graaf
marquis
pronoun
  1. îles Marquises
  2. Marquises
noun
  1. warenverkoop op pleinen en straten
  2. geheel van omstandigheden waaronder hoeveelheden van producten of diensten verhandeld worden
marché
noun
adoration du marché
noun
économie de marché
noun
étude de marché
pronoun
2. boek in de Bijbel
Marc
/mɑremər/
noun
1. een fijnkorrelige getransformeerde kalksteen dat gepolijst gebruikt wordt in de bouw- en de beeldhouwkunst
marbre
verb
marbrer
noun
1. knaagdier dat vooral in het hooggebergte leeft maar ook veel als huisdier wordt gehouden
marmotte
pronoun
1.
Marne
/ˌmɑrɔˈkan/
noun
1. inwoner van Marokko, iemand uit Marokko, persoon met de Marokkaanse nationaliteit
Marocain
adjective
1.
marocain
/ma.ˈrɔ.ko/
pronoun
1. land in het uiterste noordwesten van Afrika
Maroc
adjective
1. betrekking hebbend op de maronieten
maronite
pronoun
2. rivier in Suriname
Maroni
pronoun
  1. îles Marquises
  2. Marquises
pronoun
Mars
noun
1. een Italiaanse versterkte wijn die gemaakt wordt in de omgeving van Marsala op het westelijk deel van Sicilië
  1. marsala
  2. vin marsala
noun
1.
massepain
pronoun
1. een taal die op de Marshalleilanden gesproken wordt
marshall
/mɑr.ʃəl.ɛɪ̯.lɑn.də(n)/, /mɑr.ʃəl.ɛː.lɑn.də(n)/, /mɑr.ʃəɫ.ɛɪ̯.lɑn.də(n)/
pronoun
1. een land in Oceanië
Îles Marshall
noun
1. iemand die voor een zaak lijdt of sterft en daarmee tot symbool wordt gezien van de strijd voor die zaak
martyr
verb
1. een gevangene onderwerpen aan lichamelijke en/of geestelijke pijniging, voornamelijk teneinde informatie los te krijgen
torturer
noun
1. opzettelijk toegebrachte pijniging van een gevangene
torture
noun
1. benaming voor zoogdieren uit het geslacht Martes
martre
noun
1. traditioneel en stelselmatig beoefende stijl van vechten
art marcial
adjective
1.
martiniquais
pronoun
Martinique
pronoun
2. spelwoord voor de letter m
Marcel
noun
1.aanhanger van het marxisme
marxiste
noun
1. schoonheidsmiddel
  1. mascara
  2. rimmel
pronoun
1. eilandengroep in de Indische Oceaan
Mascareignes
noun
masculin
noun
1.
masque
verb
masquer
noun
1.
masochisme
/ˈmɑsaː/
noun
1. totale hoeveelheid materie in een object
masse
noun
massacre
noun
1. term voor de finale van een wielerwedstrijd als er een grote groep renners tegelijk de laatste kilometer ingaat
sprint massif
noun
1. een wapen dat zeer velen doodt
arme de destruction massive
verb
1. het toepassen van uitwendige druk op de zachte weefsels
masser
verb
massifier
noun
  1. 5. varkensvoer
    1. glands
    2. mât
  2. 1. lange, rechtop staande paal midden op het schip
    1. mât
    2. mestre
    3. mâtereau
  3. 2. palen waartussen (elektriciteits- of telefoon-)draden gespannen kunnen worden
    poteau
  4. 4. hoge antenne
    1. pylône
    2. mât
noun
1. een mengsel van half tarwe-, half roggemeel
méteil
verb
masturber
noun
demi-clef
noun
1. een tastbare stof
matériau
noun
science des matériaux
noun
poste matériel
verb
matérialiser
noun
matière
adjective
matériel
adjective
maternel
noun
maternité
/maθe'mat/
noun
mathématique
noun
mathématique
verb
1. minder uitbundig of extreem optreden
modérer
noun
matinée
adjective
1. geneigd om vroeg op te staan
matinal
noun
2. kapsel waarbij de de zijkanten van het haar meestal opgeschoren of kort zijn, maar de achterkant lang
  1. nuque longue
  2. mulet
  3. coupe Flémalle
  4. coupe Longueuil
/mɑtrɑs/
noun
1. lichaamsondersteunend onderdeel van een bed
matelas
noun
1. vorm die dient om meerdere gelijke producten te maken
matrice
noun
1. een rechthoekig blok getallen waaraan bepaalde rekenregels toegekend worden
matrice
noun
1. een zeeman van de laagste rang
matelot
pronoun
1.
Cervin
pronoun
Matthieu
noun
maté
/ˌmaʊ̯.ri.ˈta.ni.jə/, /ˌmɔʊ̯.ri.ˈta.ni.jə/, /ˌmʌʊ̯.ri.ˈta.ni.jə/
pronoun
1. een land in Noord-Afrika, officieel de Islamitische Republiek Mauritanië
Mauritanie
/maʊ̯.'ri.si.jəs/, /mɔʊ̯.'ri.si.jəs/, /mʌʊ̯.'ri.tsi.jəs/
pronoun
1. een land in de Indische Oceaan, officieel de Republiek Mauritius
Maurice
noun
Mauritia flexuosa
palmier-bâche
adjective
1. zacht paars
mauve
adjective
1. met betrekking tot de bovenkaak
maxillaire
adverb
1. ten hoogste
  1. au maximum
  2. maximum
verb
maximaliser
pronoun
1. verzamelnaam van ongeveer 30 talen die in Midden-Amerika worden gesproken
langues maya
/ˌmajoˈnɛːzə/
noun
1. een saus op basis van eieren
mayonnaise
pronoun
Mayotte
noun
1. kinderziekte die veroorzaakt wordt door het Morbillivirus en gekenmerkt wordt door rode stipjes op de huid
rougeole
noun
1. een vrouw die een relatie heeft met een getrouwde man
maitresse
/ˈmaʲɪs/, /ˈmɛɪ̯s/
noun
1. bepaalde graansoort afkomstig uit Midden-Amerika, Zea mays
maïs
/ˈmaʲɪsbrot/
noun
1. van maismeel vervaardigd brood
pain de maïs
/ˈmaʲɪsɣel/
adjective
jaune maïs
/ˈmaʲɪsˌoli/
noun
huile de mais
/ˈmaɪswɔrtəlˌboːrdər/, /ˈmɑjsβ̞ɔrtəlˌboːrdər/
noun
1. Diabrotica virgifera, een schadelijke kever
Chrysomèle des racines du maïs
noun
lycée professionnel
noun
1.
MDMA
noun
mécanicien
noun
1.
mécénat
noun
1. iemand die kunstenaars en wetenschappers financieel ondersteunt
mécène
noun
mécanique
adjective
1. met betrekking op de mechanica, machinaal, automatisch zonder na te denken
mécanique
noun
1. machinerie
mécanisme
pronoun
1. stad in de provincie Antwerpen
Malines
noun
  1. berger belge malinois
  2. malinois
pronoun
Mecklembourg
noun
1. metalen schijf, in het bijzonder als onderscheidingsteken na bepaalde prestaties
médaille
noun
1. iemand die burger is van dezelfde stad of hetzelfde land
  1. concitoyen
  2. concitoyenne
/medə'delzam/
adjective
1. bereid informatie te delen
communicatif
/ˈmedəˌdelən/
verb
2. doen vernemen
communiquer
noun
1. informatie die bekend wordt gemaakt
communication
verb
1. samen met anderen naar iets dingen
concurrencer
/ˈme.dəˌklɪŋ.kər/
noun
1. een klank waarbij de lucht niet ongehinderd door de mond naar buiten kan
consonne
noun
1. verdriet over het leed van anderen
  1. compassion
  2. pitié
/ˌmedəˈmɛnsələkɦɛɪ̯t/, /ˌmedəˈmɛnsələkɦɛːt/, /ˌmedəˈmɛnsəlɪkhɛɪ̯d/
noun
1. het beste met andere mensen voorhebben en mensen dat ook betonen
humanité
adjective
1. bewust bijgedragen hebbend tot een wandaad
complice
noun
1. behulpzaam persoon bij een misdrijf
  1. complice
  2. acolyte
noun
1. het mede schuld hebben aan een misdrijf
complicité
noun
2.
médiane
noun
1. mediant
médiante
noun
médiation
noun
1. het voorschrijven van geneesmiddelen
médication
noun
1. een chemische stof die een bepaalde, gewenste werking op het (dierlijk of menselijk) lichaam uitoefent
médicament
adjective
1. geneeskrachtig
médicinal
noun
médicin
/ˈmedina/
pronoun
1.
Médine
/mə'dina/, /mədi'na/
noun
1. oudste gedeelte van Noord-Afrikaanse steden
médina
adjective
1. op de geneeskunde betrekking hebbend
médical
noun
1. spirituele bezigheid
méditation
verb
méditer
adjective
méditerranéen
noun
1. wijn uit Médoc
médoc
adjective
médullaire
verb
1. iets/iemand ~ iets/iemand met zich mee vervoeren
  1. amener
  2. apporter
/ˈmedelə(n)/
verb
1. een feit vertellen
informer
/ˈmedɛŋkə(n)/
verb
1. participeren in een denkproces
réfléchir avec quelqu'un
/ˈmeɣan/, /ˈmeχan/
verb
1. op hetzelfde moment dezelfde richting uitgaan
accompagner
/ˈmeɣevə(n)/, /ˈmeχevə(n)/
verb
  1. céder
  2. donner
verb
1. anderen helpen iets te doen
aider
noun
1. Rubia tinctorum
garance
/mel/, /meɫ/, /mɪːɫ/
noun
1. gemalen graan
farine
noun
1. niet-biologische moeder in een lesbisch koppel
coparente
verb
1. bij het vertrek meevoeren
  1. emporter
  2. emmener
/meːr/
noun
1. groot water dat helemaal omringd is door land
lac
pronoun
1.
  1. lac Léman
  2. lac de Genève
  3. Léman
pronoun
1. meer tussen Italië en Zwitserland
lac de Lugano
pronoun
1. meer op de grens van Noord-Macedonië en Albanië
lac d'Ohrid
noun
1. een drijver waaraan boten kunnen afmeren
  1. bouée d'amarrage
  2. coffre d'amarrage
noun
1. een groep die binnen een groter geheel in aantal meer dan de helft uitmaakt
majorité
adjective
1. de leeftijd bereikt hebbend dat men alle rechten en plichten van een volwassene heeft
majeur
noun
1. bepaald soort koudbloedige groene waterdieren Pelophylax ridibundus
grenouille rieuse
noun
1. bepaald soort watervogel, Fulica atra
foulque macroule
noun
1. meerpaal
bollard
noun
1. een stevige ijzeren ring aan de wal waaraan de meertouwen van schepen worden vastgelegd
  1. anneau d'amarrage
  2. boucle de quai
noun
1. een gehydrateerd magnesium-silicaat met de chemische formule Mg₄Si₆O15·6(H₂O), een fylosilicaat dat behoort tot de mica's.
sépiolite
adjective
  1. 1. gerelateerd aan meerdere talen
    1. plurilingue
    2. multilingue
  2. 2. (persoon) meerdere talen sprekend
    1. plurilingue
    2. polyglotte
noun
1. de staat van meerdere talen te kunnen spreken
multilinguisme
/ˈmeːrvɑɫ/
noun
1. benaming voor grote roofvissen uit het geslacht Siluris
silure
noun
1. Woord dat in die vorm aan meerdere voorwerpen, mensen of dieren refereert
pluriel
noun
1. benaming voor kleine weinig schuwe vogels uit de familie Paridae
mésange
noun
1. baas, heer, patroon
maître
noun
chef-d'œuvre
noun
impératoire
noun
appareils de mesure
adjective
1.
mesurable
noun
1. een bijeenkomst
  1. réunion
  2. meeting
/ˈmetɪnstryˌmɛnt/
noun
1. een instrument waarmee grootheden gemeten kunnen worden
instrument de mesure
noun
1. meetklok
  1. comparateur
  2. comparateur à cadran
noun
1. een speciale meetpen aan het meetsnoer van een meetapparaat
sonde
/'metkɵndə/
noun
1. tak van de wiskunde
  1. géométrie
  2. géometrie
/ˈmetlɑt/
noun
1. een langwerpig voorwerp waarmee maten opgenomen worden
règle
noun
1. de stift van het meetsnoer van een meetapparaat
sonde
noun
1. de pen van het meetsnoer van een meetapparaat
sonde
/meːβ̞/, /mɪːβ̞/
noun
1. benaming voor zeevogels uit de familie Laridae
  1. mouette
  2. goéland
/ˈmewɛrkəntˌforwɛrᵊp/
phraseologicalUnit
1. zinsdeel dat de actie van een overgankelijk niet rechtstreeks ondergaat,...
complément indirect
/'mezɪŋə(n)/
verb
1. gezamenlijk met anderen zingen
chanter en choeur
noun
1.een antimalariamiddel
méfloquine
noun
  1. mégabyte
  2. mégaoctet
noun
1. megahertz (1 miljoen Hz)
mégahertz
adjective
mégalithique
adjective
mégalomane
noun
mégalomanie
noun
1.
mégamètre
noun
1. megapascal (1 miljoen Pa)
mégapascal
noun
1. een miljoen siemens
mégasiemens
noun
1. een miljoen volt
mégavolt
noun
1. een miljoen watt
mégawatt
noun
1. een miljoen ohm
mégohm
noun
1. de vijfde maand van het jaar
mai
/mɛi̯t/
noun
  1. jeune femme
  2. nana
  3. meuf
/ˈmɛɪ̯.dorn/
noun
1.
aubépine
adjective
vert mai
noun
1. Melolontha melolontha, schildvleugelig insect dat in mei te voorschijn komt
hanneton
noun
1. Convallaria majalis
muguet
/'mɛɪlər/
noun
1. houtstapel
meule
noun
1. de verkondiging van één of meerdere leugens terwijl men heeft gezworen de waarheid te vertellen
parjure
/mɛɪˈozə/
noun
1.
méiose
noun
navet
/ˈmɛɪ̯ʃə/, /ˈmɛːsjə/
noun
1. jonge vrouw
  1. fille
  2. jeune fille
/ˈmɛɪ̯ʃəsˌnam/, /ˈmɛːsjəsˌnam/
noun
  1. 1. voornaam die doorgaans gegeven wordt aan kinderen van het vrouwelijk geslacht
    1. nom de fille
    2. prénom de fille
  2. 2. eigen achternaam van een vrouw die de naam van haar echtgenoot of geregistreerd partner voert
    nom de jeune fille
noun
  1. 1. rondreizend kunstenaar
  2. 2. rondreizend artiest
troubadour
noun
1. scheikundig element met symbool Mt en atoomnummer 109
  1. meitnérium
  2. meitnerium
pronoun
1. geboorteplaats van Mohammed en bedevaartplaats voor islamieten
La Mecque
adjective
lépreux
noun
  1. lépreuse
  2. lépreux
/me'latshɛɪt/
noun
1. besmettelijke ziekte veroorzaakt door een bacteriële infectie van de huid
  1. lèpre
  2. ladrerie
noun
1. bepaalde soort vlinder, Vanessa atalanta
mélancolique
noun
mélancolie
adjective
met droevige gedachten aan de dagen van weleer
mélancolique
pronoun
Mélanésie
noun
1. een groep van organische pigmenten
mélanine
noun
1. een abnormaal zwarte huid en haar of veren door een aangeboren overmaat aan het organisch pigment “melanine”
mélanisme
noun
mélanome
noun
1. een restproduct bij de suikerproductie
mélasse
pronoun
1. tweede grootste stad van Australië en hoofdstad van de deelstaat Victoria
Melbourne
noun
1. Atriplex sp, een geslacht van meer dan tweehonderd soorten plantjes...
arroche
pronoun
Melilla
/mɛlk/
noun
lait
noun
laitier
noun
1. chocolade die bereid is met room of melk
chocolat au lait
noun
sonchus
/mɛlkə(n)/
verb
1.
traire
noun
laiterie
noun
1. alle tijdelijke tanden en kiezen van een dier of mens, die na verloop van tijd worden vervangen door permanente tanden
dents de lait
/'mɛlkɪndʌstri/
noun
de tak van industrie die zich toelegt op het maken van melk en melkproducten
industrie laitière
noun
1.het orgaan dat bij het zoogdier de melk produceert
glande mammaire
/mɛlkku/
noun
1. een soort koe die gekweekt wordt voor haar melkproductie
vache laitière
noun
blanc-bec
noun
een suiker die o.a. in melk voorkomt
lactose
noun
1. een tand uit de eerste set tijdelijke tanden van de mens en sommige andere dieren (zoals de hond of de koe), die na verloop van tijd worden vervangen door de permanente tanden
  1. dent de lait
  2. dent lactéale
noun
1. zoogdieren die gehouden worden voor de melkproductie
bêtes laitières
pronoun
1. het sterrenstelsel waarin wij ons bevinden en dat op donkere nachten als lichtende band aan de hemel te zien is.
voie lactée
noun
1. een opeenvolging van toonhoogtes die een bepaald muzikaal gestalte vormt
  1. mélodie
  2. air
adjective
aangenaam klinkend
mélodieux
noun
1. een toneelvorm begeleid door muziek, gewoonlijk met een goede afloop
mélodrame
noun
melon
adjective
jaune melon
noun
pomp waar de pompwerking ontstaat door een membraan te laten trillen
pompe à membrane
noun
1. een verzamelnaam voor muziekinstrumenten die toon/geluid voortbrengen door een trillend vel
membranophone
/ˈme:mə/
noun
mème
adjective
1. iets waarvan het de moeite waard is om het te herinneren
mémorable
verb
1. uit het hoofd leren
mémoriser
indefinitePronoun
1. iemand, maar niemand in het bijzonder
  1. on
  2. l'on
/ˌmɛndeˈleviʏm/
noun
mendélévium
/məˈneːr/, /məˈnɪːr/
noun
  1. 2. een nette man
  2. 1. een formele manier om een man aan te spreken
monsieur
pronoun
1. een stad in de Belgische provincie West-Vlaanderen
Menin
/menə(n)/
verb
3. denken, een mening toegedaan zijn
  1. penser
  2. croire
noun
bric-à-brac
verb
1. het homogeniseren van twee of meer zaken
mélanger
noun
mélange
noun
1. taalvorm die is ontstaan door contact tussen sprekers van verschillende talen
  1. langue mixte
  2. langage mixte
  3. sabir
noun
2. verzamelteram voor talen die ontstaan op plaatsen waar mensen met verschillende talen elkaar ontmoeten
  1. créoles
  2. pidgins
noun
1.
menhir
/ˈmeːnɪŋ/
noun
1. oordeel, opinie
opinion
noun
méningite
noun
ménisque
noun
1. levensfase waarin vrouwen niet langer menstrueren
ménopause
noun
1. de Homo sapiens, het zoogdier waar wij toe gerekend worden
  1. homme
  2. humain
  3. être humain
noun
1. een gemeenschappelijke naam voor dieren uit de orde van de primaten
grand singe
/ˈmɛns.ɑx.təx/, /ˈmɛns.ɑx.tɪx/, /ˈmɛns.ɑχ.təχ/
adjective
1. gelijkend op de mens
anthropoïde
adjective
  1. 1. zoals de mens
  2. 2. goed voor de medemens
humain
/ˈmɛnsələkɦɛjt/
noun
humanité
noun
1. de bekendste en de meest gevreesde haai, Carcharodon carcharias
grand requin blanc
noun
2. geheel van de fundamentele rechten en vrijheden die ieder mens toekomen
droits de l'homme
noun
1. het schenden van mensenrechten
violation des droits de l'homme
noun
trafic d'êtres humains
pronoun
1. benaming voor Jezus Christus als eerder door Daniël aangekondigde verlosser
Fils de l'homme
noun
1. een verzamelnaam voor alle mensen ter wereld met al hun onderlinge sociale relaties
humanité
noun
1. maandelijkse bloeding bij vrouwen en geslachtsrijpe meisjes
menstruation
noun
1.
cycle menstruel
adjective
menstruel
verb
  1. avoir ses Anglais
  2. avoir ses règles
  3. menstruate
  4. menstruer
adjective
mensurable
/ˌmɛn.taː.liˈtɛit/
noun
mentalité
verb
1. hard slaan
rosser
pronoun
Mercure
/meːrəl/, /ˈmɪːrəɫ/
noun
1. bepaald soort zwarte vogel met een gele snavel, Turdus merula
  1. merle
  2. merlesse
verb
amarrer
noun
  1. 1. zacht weefsel in de kern van een bot
  2. 2.
moelle
noun
1. halve cirkel die de beide polen met elkaar verbindt
méridien
pronoun
1.
merina
noun
méritocratie
noun
2. een herkenbaar product door een bepaalde producent vervaardigd
  1. enseigne
  2. marque
noun
1. een term die een deel van iets anders weergeeft
méronyme
noun
Mérovingien
adjective
1. betrekking hebbend op de Merovingers, een koningsdynastie
mérovingien
noun
1. vrouwelijk paard
jument
noun
1. snijwerktuig
couteau
pronoun
1. een stad in de Belgische provincie West-Vlaanderen
Messines
/mesoˈlitikʏm/
noun
Mésolithique
adjective
1.
mésopotamien
noun
1. historische land tussen de rivieren Eufraat en Tigris, het huidige Irak
Mésopotamie
noun
mésosphère
noun
1.
coutelier
/mɛˈsijɑs/
pronoun
1. de in de joodse Tenach voorspelde Redder die door God gezonden zal worden en die door de christenen met Jezus gelijkgesteld wordt
Messie
adjective
laiton
noun
1. uitwerpselen van sommige dieren waarmee men land vruchtbaar maakt
  1. fumier
  2. bouse
noun
1. een hoop waarop stalmest opgestapeld wordt
fumier
/ˈmɛstkevər/
noun
1. een donkergekleurde kever die zich met mest voedt
  1. bousier
  2. scarabée bousier
noun
1. dieren die vetgemest worden om als slachtvee voor voedsel te dienen
  1. bétail d´élevage en batterie
  2. bétail à l´engrais
noun
1. mestvocht
purin
/mɛd/, /mɛt/
preposition
avec
verb
1. situaties die eigenlijk hetzelfde zijn toch heel anders beoordelen
avoir deux poids et deux mesures
noun
1. ieder element dat gekenmerkt wordt door glans en het vermogen om warmte en elektriciteit te geleiden
  1. métal
  2. métaux
noun
1. machine die een ingeklemd werkstuk van metaal snel ronddraait zodat dit met beitels en boren kan worden bewerkt
tour à métaux
noun
1. het geheel van de biochemische processen op celniveau
métabolisme
noun
1. verbale of non-verbale communicatie die betrekking heeft op de communicatie of de communicatiesituatie en waarmee bv. de verhouding tussen de communicatiepartners of de bedoeling van de spreker duidelijk wordt gemaakt
métacommunication
/me.ta.ˈfɔːr/, /mæː.ta.ˈfoːr/
noun
1. beeldspraak waarbij men een woord B zegt in plaats van het woord A terwijl er tussen A en B een verband is van gelijkenis
métaphore
/ˌmetaˈfizis/
adjective
1. bovennatuurlijk; (nog) niet met de gangbare wetenschap te verklaren
métaphysique
noun
1. metallofoon
métallophone
noun
métalloïde
noun
métallurgie
noun
1. vorm van logica die de grondbeginselen van de logica bestudeert
metalogique
noun
1. METAR
METAR
noun
1. taal met behulp waarvan dezelfde of een andere taal wordt beschreven
métalangage
noun
1. wetenschappelijke theorie waarmee een of meerdere andere theorieën beschreven worden
metatheorie
noun
métathèse
verb
1. de waarde van een bepaalde grootheid bepalen door deze te vergelijken met een ijkwaarde
mesurer
noun
1. een kortstondig lichtspoor aan de hemel door de verbranding van een uit de ruimte vallende meteoriet
météore
/meteˌjoroloˈɣi/
noun
1. de studie van het weer en het klimaat
météorologie
/meteoroˈloʝɪs/, /meteɔroˈloɣis/
adjective
1. betrekking hebbend op de meteorologie
météorologique
noun
météorologue
noun
  1. 2. meetinstrument
    compteur
  2. 4. een doopmoeder
    marraine
  3. 3. iemand die meet
    mesureur
  4. 1. de SI-eenheid van lengte
    mètre
/metərɔpnemər/
noun
1. iemand die de meterstand komt opnemen
releveur
noun
1. een medicament uit de groep biguaniden dat vooral gebruikt wordt bij de behandeling van suikerziekte
metformine
noun
1. CH₄
méthane
noun
1.
méthanol
/meˈtodə/
noun
méthode
noun
1. Een stroming in het protestantisme
méthodisme
/ˌmetodoloˈɣi/, /ˌmetodoloˈχi/
noun
méthodologie
noun
méthyle
adjective
méticuleux
noun
métier
noun
mesurage
/mæː.to.ˈny.mi.ja/
noun
métonymie
/mæː.to.ny.ˈmiː/
noun
métonymie
noun
1. ondergronds openbaar vervoer
  1. métro
  2. métropolitain
/ˌmetroloˈɣi/
noun
1. de studie van het weer en het klimaat
métrologie
noun
métronome
noun
métropole
noun
1. wereldstad
métropole
/metrɔraˈɣi/
noun
métrorragie
noun
1. bouwvakker gespecialiseerd in metselen
maçon
verb
1. losse stenen met voegspecie samenvoegen om zo een muur te bouwen.
maçonner
/ˌmɛ.tər.ˈtɛɪ̯t/
adverb
1. na verloop van (een zekere) tijd
  1. avec le temps
  2. à la longue
noun
1. stuk huisraad
meuble
noun
1. een vakman die beroepsmatig meubels vervaardigt
  1. menuisier
  2. ébéniste
noun
meuble
/ˌmø.bi.ˈlɛːr/, /ˌmøː.by.ˈlæːr/
noun
1. verzameling meubels waarmee een gebouw is gestoffeerd
mobilier
verb
meubler
noun
  1. 2. (onbeheersbare) groep mensen, menigte
    1. bande
    2. foule
    3. meute
  2. 1. groep (jacht)honden, e.d.
    meute
noun
1. formele manier om een vrouw aan te spreken
madame
adjective
mexicain
/ˈmɛg.zi.ˌko/, /ˈmɛk.si.ˌko/
pronoun
1. een land in Amerika, officieel de Verenigde Mexicaanse Staten grenzend aan de Verenigde Staten, Belize en Guatemala, de Grote Oceaan en de Golf van Mexico
Mexique
/ˈmɛtsə/
noun
1.
mezzé
pronoun
1. taalfamilie van ongeveer 35 talen die in Zuid-China en Zuidoost-Azië worden gesproken
langues hmong-mien
interjection
1. het geluid van een kat
  1. miaou
  2. miaulement
verb
1. het geluid maken dat kenmerkend is voor een kat
miauler
noun
micelle
/miˈxa/, /ˈmiʃa/
pronoun
Michée
noun
1. een antischimmelmiddel
miconazole
/ˈmiːkroʔɔrɣaːnɪzmə/, /ˈmiːkroʔɔrʝaːnɪzmə/
noun
1. meestal eencellig wezen
  1. micro-organisme
  2. microorganisme
noun
1. een levend micro-organisme
microbe
noun
1. de tak van de biologie die zich bezighoudt met micro-organismen en hun effecten op de mens en andere levende organismen
microbiologie
/ˌmɪkrobɪoˈloɣɪs/
adjective
1. met betrekking tot de microbiologie
microbiologique
noun
1.
microbiome
noun
micro-ordinateur
noun
microcontrôleur
/ˈmik.ro.χɔl(ə)f/, /ˈmɪk.ro.ɣɔlf/
noun
2. elektromagnetische golf van 0,1 mm tot 1 cm lengte
  1. micro-onde
  2. microonde
/ˌmikroɣraˈfi/
noun
  1. 1. een afbeelding volgens een beeld in een microscoop
  2. 1. een zeer klein handschrift
micrographie
noun
  1. 2.
    micromètre
  2. 1. een meetinstrument waarmee zeer nauwkeurig dikten, afstanden en diepten kunnen worden gemeten
    1. micromètre
    2. palmer
/ˌmi.kro.ˈne.zi.ja/
pronoun
1. een land in Oceanië, officieel de Federale Staten van Micronesia
Micronésie
noun
geïntegreerde schakeling die de hele CVE van een computer bevat op één enkele chip
microprocesseur
/mɪkroˈskoːp/
noun
1. instrument dat het beeld van heel kleine dingen sterk vergroot
microscope
adjective
1. zeer klein, voor het blote oog onzichtbaar
microscopique
noun
microseconde
noun
1. het lozen van urine
miction
noun
  1. 2. het gedeelte van de dag tussen 12.00 en 18.00 uur
    après-midi
  2. 1. het midden van de dag, 12.00
    midi
noun
1. een maaltijd die tussen de ochtend en de middag genuttigd wordt
déjeuner
/ˈmɪdəɫ/
noun
  1. 2. iets met behulp waarvan een doel bereikt kan worden
    moyen
  2. 3. iets dat wordt aangewend om ziekte, ongesteldheid te bestrijden
    médicament
  3. 4. geld, bezit
    ressources
  4. 1. middendeel van het lichaam
    taille
pronoun
1.
Middelbourg
/ˈmɪdəɫe:wə(n)/
noun
1. de periode tussen ongeveer 300 n.Chr. tot 1500 n.Chr.
Moyen Âge
/ˈmɪdəɫɪ:ws/
adjective
1. gerelateerd aan de middeleeuwen
  1. médiéval
  2. moyenâgeux
pronoun
1.
moyen français
pronoun
1. Hoogduitse dialecten uit de periode 1050-1350
  1. moyen haut-allemand
  2. moyen haut allemand
pronoun
1. randzee van de Atlantische Oceaan, gelegen tussen Zuid-Europa, Noord-Afrika en West-Azië
  1. Méditerranée
  2. Mer Méditerranée
noun
1. middellijn
diamètre
noun
1. een lijn die loodrecht op het midden van een lijnstuk staat
médiatrice
/ˌmɪdəɫˈmatəx/
adjective
  1. 1. zich rond het gemiddelde bevinden
    moyen
  2. 2. niet in positieve zin opvallen
    médiocre
pronoun
1. de voorloper van het Nieuwnederlands.
moyen-néerlandais
noun
1. van een cirkel of bol is het punt dat tot alle punten op de omtrek dezelfde afstand heeft
centre
noun
harle huppé
noun
  1. 2. als beledigend gebaar
    doigt d'honneur
  2. 1. vinger
    1. majeur
    2. doigt du milieu
    3. médius
noun
1. het centrale deel
milieu
pronoun
1. het gebied tussen Noord-Amerika en Zuid-Amerika
Amérique centrale
pronoun
1. regio van Tsjechië
Bohême-Centrale
pronoun
Europe médiane
pronoun
1. regio van Finland
Finlande centrale
noun
1. regio die bestaat uit Zuidwest-Azië en het noordoosten van Afrika
Moyen-Orient
noun
1. maatschappelijke, economische klasse
  1. classe moyenne
  2. petite bourgeoisie
noun
spier- en peesachtig tussenschot tussen borstholte en buikholte
diaphragme
noun
1.
  1. milieu de terrain
  2. médian
noun
  1. 2. (gulden) middenweg, de ideale positie tussen twee uitersten
    juste milieu
  2. 1. weg, pad tussen twee andere wegen
    route du milieu
/ˌmɪdərˈnɑxt/, /ˌmɪdərˈnɑχt/
noun
1. het midden van de nacht, twaalf tot één uur 's nachts
minuit
noun
soleil de minuit
verb
1. via de blaas als vloeistof lozen van lichamelijke afvalstoffen
pisser
noun
1. een kruipend, in grote kolonies levend omnivoor insect
fourmi
noun
échidné
noun
1. benaming voor tandloze zoogdieren uit de onderorde Vermilingua
fourmilier
noun
fourmilière
verb
  1. chicaner
  2. enculer les mouches
  3. pinailler
noun
1. HCOOH
acide formique
noun
2. wortel
raifort
noun
  1. 1. slapjanus, kleinzerig persoon
    chochotte
  2. 2. (scheldwoord) slappe, verwijfde homoseksueel
    1. tapette
    2. fiotte
    3. tarlouze
noun
1. schele hoofdpijn
migraine
noun
migration
verb
  1. 1. trekken, verhuizen, zich verplaatsen
  2. 2. gegevens zoals een bestand of code overzetten naar een ander computersysteem en/of netwerk
migrer
verb
1. ontwijken, trachten niet in aanraking te komen met iets of iemand
bouder
/mɛi̯l/
abbreviation
  1. mille
  2. mile
/mɛi̯n/
noun
  1. 1. onderaardse plaats waar delfstoffen gewonnen worden
  2. 2. voorwerp gevuld met springstof die ontploft bij aanraking
mine
/mɛi̯n/
possessivePronoun
1. van mij
  1. mon
  2. ma
adverb
1. van mijn kant
pour ma part
noun
1. brandbaar, giftig, reukloos gas dat in steenkoolmijnen voor kan komen vooral bestaande uit methaan (CH₄)
grisou
noun
1. een persoon die werkzaam is in de mijnbouw
mineur
noun
1. benaming voor dieren uit de superorde Acariformes
  1. mite
  2. acarien
noun
1. hoofddeksel voor kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders
mitre
pronoun
1. stad in het noordwesten van Italië
Milan
/miɫˈjøkʏnˌdə/
noun
écologie
noun
droit de l´environement
/ˌmiliˈtæːr/, /ˌmiliˈtɛːr/
adjective
1. met het leger te maken hebbend
militaire
/ˌmiliˈtæːr/, /ˌmiliˈtɛːr/
noun
1. lid van een leger
soldat
verb
militariser
noun
1. 1.000.000.000 (= 10⁹)
  1. milliard
  2. billion
noun
1. iemand die een vermogen heeft van meer dan een miljoen eenheden van een bepaalde valuta (bijvoorbeeld euro, dollar)
milliardaire
noun
1. 1.000.000
million
noun
1. iemand die een vermogen heeft van meer dan een miljoen eenheden van een bepaalde valuta (bijvoorbeeld euro, dollar)
millionnaire
noun
1. dikke koude drank
milk-shake
noun
1. een periode van 1000 jaar
millénaire
noun
1. een duizendste ampère
milliampère
noun
1. een lengtemaat ter grootte van een duizendste meter
millimètre
noun
milliseconde
/mɪlt/
noun
1. een klier in de buikholte die een rol speelt bij het zuiveren en de opslag van bloed
rate
/ˈmɪltfyr/
noun
1. een infectieziekte, die wordt veroorzaakt door de bacterie Bacillus anthracis
charbon
noun
1. gezichtsuitdrukking
mimique
noun
oeuf mimosa
adverb
1. minus, verminderd met (-)
moins
/ˈmɪnɑxtɪŋ/
noun
1. het minderwaardig vinden, het geen gunstige mening hebben over
mépris
noun
minaret
/ˈmɪndər/
indefiniteCardinalNumeral
1. vergrotende trap onverbogen vorm van weinig
moins
/ˈmɪndərˌbrudər/
noun
1. lid van de franciscanenorde
frère mineur
noun
1. een groep die binnen een groter geheel in aantal minder dan de helft uitmaakt
minorité
noun
langue minoritaire
adjective
1. onder de 18 jaar, waardoor de rechten en plichten van een volwassene nog niet gelden
mineur
/minəˈral/
noun
minéral
noun
1. water dat mineralen bevat die de smaak veranderen of het water een (vermeende) therapeutische waarde geven
eau minérale
verb
minéraliser
verb
miner
noun
1. groentesoep
minestrone
adjective
1. mineur
mineur
noun
1. het kleinetertsakkoord
accord mineur
noun
1. een toonladder met een kleine terts
gamme mineure
noun
1. een toonladder met een kleine terts
gamme mineure
noun
1. een toonladder met een kleine terts
gamme mineure
noun
1. een toonladder met een kleine terts
gamme mineure
noun
1. een toonladder met een kleine terts
gamme mineure
noun
1. een sport en een populaire vakantiebezigheid. De bedoeling is een parcours van 18 holes met zo min mogelijk slagen af te leggen. Het spel is een variant op golf, met het verschil dat bij golf grote afstanden moeten worden overbrugd en met midgetgolf slechts enkele meters
  1. minigolf
  2. golf miniature
verb
1. zo klein mogelijk maken, als onbeduidend voorstellen
minimiser
noun
1.
  1. minijupe
  2. mini-jupe
noun
1. een persoon die deelneemt aan de regering van een land
ministre
noun
1. de minister die het kabinet aanvoert
  1. premier ministre
  2. ministre-président
/ˌminɪsˈtɪːri/
noun
1. een afdeling van een overheid waar het beleid van de regering wordt uitgevoerd
ministère
adjective
ministériel
noun
  1. 1. uit ministers bestaand college
  2. 2. ministeriële vergadering
conseil des ministres
noun
1. bepaald zoogdier, Neovison vison
vison
noun
  1. bémol
  2. élément négatif
noun
  1. 1. rondreizend kunstenaar
  2. 2. rondreizend artiest
troubadour
noun
signe moins
adjective
vert menthe
adjective
turquoise menthe
/ˌmi.ny.ˈskyɫ/, /ˌmɪ.ny.ˈskyl/
adjective
1. zeer klein
minuscule
adjective
minutieux
noun
  1. 1. tijdeenheid
  2. 2. hoek
minute
noun
1. een godsdienstoefening in de katholieke kerk, een eucharistieviering
messe
noun
1. een levenshouding die zich kenmerkt door een pessimistische visie op de samenleving en het wantrouwen van mensen
misanthropie
adjective
1.
misanthropique
/'mɪsbrʌʏk/
noun
  1. abus
  2. détournement
  3. mésus
/mɪzˈbrœykən/, /mɪzˈbrœːkən/
verb
op een slechte wijze gebruik maken van iets of iemand
  1. abuser
  2. mésuser
noun
1. een handeling die een ernstig vergrijp tegen het wetboek van strafrecht is
  1. crime
  2. délit
noun
1. is iemand die de priester helpt tijdens het opdragen van de mis
acolyte
noun
1. een misdaad of delict
délit
/mɪzˈdʒɛndərən/
verb
verwijzen naar een persoon met termen die het verkeerde gender uitdrukken
mégenrer
verb
1.
envier
verb
1. niet aanstaan, niet behagen
déplaire
noun
1. het moedwillig toebrengen...
molestation
verb
méconnaître
noun
méconnaissance
noun
fausse-couche
verb
1. iemand in de waan van iets brengen
tromper
noun
tromperie
/mɪsˈlʏkə(n)/
verb
verkeerd aflopen, zonder het gewenste resultaat
échouer
noun
1. iets dat niet goed is gegaan
échec
noun
  1. 2. vrucht van de mispelboom
    nèfle
  2. 1. bepaald soort loofboom Mespilus germanica
    1. néflier
    2. nèfle
noun
1. boekje met de inhoud van de liturgie, waarin men de voortgang van de mis kan volgen
missel
/məˈsxin/
adverb
1. duidt aan dat er een bepaalde kans bestaat dat de uitspraak waar is
peut-être
adjective
  1. 2. een nare indruk makend, onuitstaanbaar
    1. dégoûtant
    2. nauséabond
  2. 1. tot braken geneigd
    qui a mal au cœur
noun
nausée
adjective
1. waarvan men misselijk wordt
écœurant
noun
1. een doeleind dat verwezenlijkt dient te worden
mission
adjective
missionnaire
noun
1. laaghangende bewolking die het zicht belemmert
brouillard
noun
nappe de brouillard
noun
1. mengsel van niet of maar gedeeltelijk gegist druivensap, alcohol en soms ook suiker
mistelle
noun
1.
phare antibrouillard
noun
  1. 1. een verkeerde greep
    coup manqué
  2. 2. een verkeerd begrip
    opinion erronnée
noun
déformation
noun
1.wijn die gebruikt wordt in de misdiensten
  1. vin de messe
  2. vin liturgique
noun
1. armoedige, ellendige toestand
misère
verb
1. verzachten, matigen
mitiger
/ˌmito'xɔndriɵm/
noun
1.
mitochondrie
/miˈtozə/
noun
1.
mitose
verb
1. beschieten met een machinegeweer
mitrailler
conjunction
1. indien, op voorwaarde dat
à condition que
interjection
1. uitroep van verrukking
miam
adjective
1. gemakkelijk verplaatsbaar of bewegend
mobile
/moˈbilcə/
noun
1. draagbare telefoon
  1. téléphone cellulaire
  2. téléphone portable
  3. portable
adjective
mobilier
noun
mobilisation
verb
  1. 1. optrommelen en inschakelen van helpers, actiebereid maken van geestverwanten
  2. 2. gevechtsklaar maken van legeronderdelen
mobiliser
noun
1. beweeglijkheid
mobilité
/'mɔkɑsɛː/, /mokɑ'sæː/
noun
  1. 2. een leren lage schoen, zonder veters
    loafer
  2. 1. een Noord-Amerikaans indianenschoeisel
    mocassin
noun
1.een reversibele monoamino-oxidaseremmer
moclobémide
noun
(informeel) ± Marokkaan, iemand van Noordafrikaanse afkomst
  1. beur
  2. rebeu
noun
1. mengsel van aarde, vuil en water
boue
noun
1. bepaald soort grote salamander, Cryptobranchus alleganiensis
ménopome
/ˈmodə/
noun
mode
noun
1.
modélisme
noun
modération
verb
modérer
/moˈdɛrn/
adjective
1. van deze tijd, volgens de laatste mode
moderne
/mo.dɛr.ni.ˈzɪː.rə(n)/, /mo.dɛr.nɪ.ˈzeː.rə(n)/
verb
1. modern maken
moderniser
/modɛrniˈzerɪŋ/
noun
modernisation
noun
modernisme
noun
modernité
noun
modification
verb
modifier
adjective
modulaire
noun
1. plaatselijke stop in de weefsels
modulateur
noun
module
verb
moduler
/muː/
adjective
1. geneigd tot rusten of slapen
fatigué
/mud/, /mut/
noun
  1. 1. dapperheid, lef, branie
    courage
  2. 2. inborst, stemming, gemoed
    humeur
/ˈmudəlos/
adjective
1. somber doordat men de hoop heeft verloren
découragé
noun
1. een vrouwelijke ouder
  1. mère
  2. maman
noun
carte mère
noun
1. een dag ter ere van de moeders
fête des mères
noun
1. het fungeren als moeder
maternité
/ˈmu.dərs.kɪnt/
noun
1. onzelfstandig, afhankelijk kind dat (te) erg op de moeder is gericht
garçon à maman
noun
langue maternelle
/ˈmuːdəx/, /ˈmuːdəç/
adjective
1. geen angst voor gevaar tonend
courageux
noun
1. de diersoort waartoe het tamme schaap behoort, Ovis gmelini
mouflon
noun
1. toestand waarin je door afmatting behoefte hebt om uit te rusten
fatigue
noun
  1. il se mêle de tout
  2. touche à tout
/mu<sup>ɪ</sup>lɛ<sup>ɪ</sup>k/
adjective
1. niet gemakkelijk, waar moeite, geduld en inspanning voor vereist is
difficile
noun
1. iets dat moeilijk of lastig is
difficulté
/ˈmuitə/
noun
1. een grote inspanning
  1. peine
  2. effort
adjective
laborieux
pronoun
1. deelgemeente van Voeren, Belgisch-Limburg
Mouland
noun
  1. [A]
    écrou
  2. [C] 1. drassig land, vooral gebruikt voor natte veengebieden
    marais
noun
  1. marais
  2. marécage
noun
1. schildpad uit de familie Emydidae
tortue des marais
noun
mûre
noun
mûrier
noun
1. wijfjesvos
renarde
pronoun
1. een stad in de Belgische provincie Henegouwen
Mouscron
noun
1. de regentijd in tropische gebieden met een droge tijd en een regentijd
mousson
verb
1. gedwongen zijn
devoir
noun
1. huwelijk ingegeven door zwangerschap
mariage forcé
pronoun
1. een rivier die ontspringt in de Vogezen en na 544 kilometer bij Koblenz in de Rijn uitmondt
Moselle
noun
  1. 1. scheldnaam voor een Duitser
    boche
  2. 1. met bont gevoerde koker om de handen warm te houden
    manchon
adjective
1. een keuze om iets te doen
possible
noun
1. iets wat gedaan kan worden of kan gebeuren
possibilité
noun
1. drinkbeker
tasse
noun
1. zware hamer met korte steel
massette
pronoun
1. een taal die in het zuiden van Mordovië gesproken wordt
mokcha
noun
  1. 1. bepaald soort zoogdier, Talpa europaea
    taupe
  2. 2. teken in het muziekschrift
    bémol
  3. 3. hoeveelheid van een stof die net zo veel deeltjes bevat als er atomen...
    mole
adjective
molaire
/mɔlˈdaːvi.jə/, /mɔɫˈdavi.jə/
pronoun
1. een land en regio in Zuidoost-Europa grenzend aan Oekraïne en Roemenië
Moldavie
adjective
1. bestaande uit moleculen
moléculaire
/moləˈkyle/
noun
1. het kleinste deeltje van een stof dat nog alle eigenschappen van die stof bezit
molécule
/moləˈkyɫ/
noun
1. het kleinste deeltje van een stof dat nog alle eigenschappen van die stof bezit
molécule
noun
1. installatie die de stroming van lucht of water gebruikt als energiebron
moulin
/ˈmolənar/
noun
1. iemand die het werken in een molen als beroep heeft
meunier
noun
1. molenarm
aile
verb
1. iemand in elkaar slaan
molester
pronoun
Molise
noun
1. lage, lederen schoen met veters
Richelieu
adjective
1. een beetje dik, volslank
  1. potelé
  2. moelleux
noun
1. met brandbare stof gevulde glazen fles die via een lont of lap stof wordt ontstoken
cocktail Molotov
noun
1.
taupinière
pronoun
  1. Moluques
  2. Îles Moluques
noun
1. Chemisch element
molybdène
noun
1. zeer korte tijd
  1. moment
  2. instant
verb
1. geluiden maken die moeilijk te verstaan zijn
  1. marmonner
  2. bafouiller
pronoun
1. taalfamilie van vele tientallen talen die in Zuidoost-Azië worden gesproken
langues môn-khmer
/moˈnako/, /ˈmo.na.ko/
pronoun
  1. 1. een dwergstaatje in Zuid-Europa, officieel het Vorstendom Monaco, dat aan Frankrijk grenst
  2. 2. de hoofdstad van Monaco
Monaco
noun
1. is van origine een regeringsvorm waarbij alle macht bij één persoon berust
monarchie
/[mɔnt]/
noun
1. ingang van het spijsverteringskanaal
bouche
adjective
1. via het gesproken woord
oral
noun
1. instrument met doorslaande tongen dat met de mond bespeeld wordt
harmonica
noun
1. het inwendige deel van de mond
cavité buccale
/ˈmɔndijal/
adjective
1. met betrekking tot of geldend voor de gehele wereld
mondial
/ˈmɔndɪŋ/
noun
1. plaats waar een rivier uitkomt in zee of meer
embouchure
/ˈmɔnt.kɑp/
noun
masque
noun
1. dat deel van een blaasinstrument dat in de mond genomen wordt of aan de lippen gezet
embouchure
noun
1. een hap of een slok die zo groot is dat ze de mond vult
bouchée
/ˈmɔntwatər/
noun
1. vloeistof waarmee de mondholte kan worden gespoeld
  1. bain de bouche
  2. gargarisme
/monəˈɣɑskis/, /monəˈɣɑskɪs/, /monəˈχɑskis/
adjective
monégasque
adjective
monétaire
noun
monétarisme
noun
  1. tache bleue
  2. tache mongole
  3. tache mongolique
  4. tache mongoloïde
/mɔŋ.ˈ(g)ɣo.li.jə/, /mɔŋ.ˈɣo.li.jə/, /mɔŋ.ˈχo.li.jə/
pronoun
1. een land in Azië en omringd door China in het zuiden en Rusland in het noorden
Mongolie
noun
  1. 1. iemand met het syndroom van Down
  2. 4.
mongol
pronoun
1. macrotaal die de officiële taal van Mongolië is en die ook in China en Rusland gesproken wordt
mongol
pronoun
1. taalfamilie van ongeveer 13 talen die hoofdzakelijk in Mongolië en naburige landen worden gesproken
langues mongoles
/ˈmoniˌtɔr/
noun
beeldscherm
moniteur
noun
1. een man die uit religieuze overwegingen teruggetrokken leeft, voornamelijk in een klooster
moine
noun
  1. 3. plant
    1. aconit
    2. napel
  2. 1. van een monnikspij
    1. capuchon de moine
    2. froc
  3. 2. op een schoorsteen
    tourne-vent
noun
1. deze stof blokkeert de werking van monoamino-oxidase
inhibiteur de monoamine oxydase
noun
monosourcil
noun
1. een bril voor één oog
monocle
/ˈmonokʏɫˌtyːr/
noun
1. landbouw met één gespecialiseerd gewas
monoculture
/ˈmonɔfˌtɔŋ/
noun
1. de benaming voor één enkele klinker die de nucleus vormt van een lettergreep
monophtongue
noun
1. het verschijnsel dat een diftong overgaat in een monoftong.
monophtongaison
noun
1. het samenleven of getrouwd zijn met één persoon
monogamie
noun
1. een wetenschappelijk boek of verhandeling over één onderwerp of een beperkte groep van samenhangende onderwerpen, in het algemeen geschreven door één auteur
monographie
noun
1. figuur met initialen
monogramme
/mo.no.'klin/
adjective
1. een symmetrie bezittend die ten hoogste een tweetallige hoofdas of een spiegelvlak bevat
monoclinique
noun
monolithe
/ˌmonoˈlox/
noun
1. een gesprek gevoerd door één persoon, meestal op toneel
monologue
noun
1. het geheel beheersen van een markt door een enkele leverancier
monopole
verb
  1. accaparer
  2. monopoliser
noun
monopôle
noun
1. monopoolantenne
antenne monopole
noun
1. het hebben van niet meer dan één betekenis
monosémie
noun
monoxyde
pronoun
1.
Montjoie
noun
  1. 1. schrikwekkend wezen
    monstre
  2. 2. een willekeurige hoeveelheid ontnomen aan een grotere massa
    échantillon
adjective
1.
monstrueux
noun
montage
/ˌmɔntəneˈgrɛɪ̯ns/, /ˌmɔntəneˈgrɛːns/, /ˌmɔntəneˈɣrɛɪ̯ns/
pronoun
1. vorm van het Servo-Kroatisch, gesproken in Montenegro
monténégrin
/ˌmɔntəˈnegro/, /ˌmɔntəˈneːɣro/
pronoun
1. land in Zuidoost-Europa gelegen aan de Adriatische Zee en grenzend aan Kroatië, Bosnië en Herzegovina, Servië en Albanië
Monténégro
verb
1. de juiste beelden achter elkaar zetten
monter
noun
monteur
/mɔnsɛ'rɑ/
pronoun
Montserrat
noun
2. de houder waarin brillenglazen zijn gevat
monture
adjective
zeer groot en indrukwekkend
monumental
/moːj/
adjective
1. prettig in voorkomen, aangenaam om naar te kijken, schoon
  1. beau
  2. joli
/ˈmoːrd/, /ˈmoːrt/, /ˈmʊːrt/
noun
1. handeling met het doel en het gevolg dat iemand dood gaat
  1. meurtre
  2. assassinat
verb
1. rondgaan om moorden te plegen
assassiner
/mordənar/
noun
1. iemand die een moord gepleegd heeft
  1. meurtrier
  2. meurtrière
  3. assassin
noun
massacre
noun
1. anekdote met een verrassend en komisch slot
  1. blague
  2. plaisanterie
noun
1. rups van een soort nachtpauwoog Gonimbrasia belina
ver mopane
noun
1. een mannelijk persoon die vaak moppert
râleur
noun
1. een vrouwelijk persoon die vaak moppert
râleuse
verb
1. onvrede uiten
râler
adjective
1. veel mopperend
grognon
verb
moraliser
adjective
  1. moralisateur
  2. moralisatrice
noun
1. een uitstel van betaling
moratoire
pronoun
Moravie
pronoun
1. regio van Tsjechië
Moravie-Silésie
adverb
1. fel
mordicus
pronoun
1. autonome republiek van Rusland
Mordovie
/moˈrel/
adjective
moral
noun
1. de kleinst mogelijke morfosyntactische eenheid in een taal
morphème
noun
1.een alkaloïde dat het werkzame bestanddeel van opium is
morphine
/ˌmɔr.fo.lo.ˈɣi/, /ˌmɔr.fo.lo.ˈχi/
noun
1. de wetenschap die het vormgeven van woorden bestudeert
morphologie
/ˈmɔrxə(n)/, /ˈmɔrɣə(n)/
adverb
1. eerstvolgende dag na vandaag
demain
/ˈmɔrxə(n)/, /ˈmɔrɣə(n)/
noun
1. eerste deel van de dag
matin
adverb
demain soir
noun
1. een bruidsschat die binnen het Morganatische huwelijk door een man aan zijn vrouw wordt gegeven de ochtend na de huwelijksnacht
douaire
noun
cuivré de la verge-d'or
noun
1. benaming voor de planeet Venus
étoile du matin
noun
  1. 1. pejoratieve benaming voor een hond, bastaardhond
    1. clebs
    2. corniaud
    3. bâtard
    4. clabot
  2. 2. pejoratieve benaming voor klein en lastig kind
    mouflet
noun
1. bijnaam van een lid van de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen
mormon
noun
1. seinalfabet
  1. alphabet morse
  2. code morse
  3. morse
/'mɔrsə(n)/
verb
1.
renverser
adjective
1. onzindelijk, slonzig
malpropre
noun
mortalité
noun
  1. 1. een kom waarin met een stamper allerlei stoffen fijn gestampt of fijngewreven worden
  2. 2,3 korte kanontypen
mortier
noun
mousse
noun
1. een scheikundig element met het symbool Mc en het atoomnummer 115
moscovium
adjective
gris mousse
adjective
vert mousse
noun
1. gebedshuis
mosquée
pronoun
1.
Moscou
noun
1. een geloofsaanhanger van de islam
musulman
noun
1. Mytilus edulis, een eetbaar tweekleppig schelpdier
moule
adjective
1. met mos bedekt
moussu
noun
1. gistend vruchtensap, meestal van druiven
moût
noun
1. een in de keuken gebruikte kruidenpasta
moutarde
noun
  1. gaz moutarde
  2. ypérite
adjective
1. met de gele kleur van mosterd
moutarde
noun
1. kleur geel als die van mosterd
moutarde
noun
1. een vlinderachtig insect
mite
noun
2.3.
motif
noun
1. vermogen om spontaan te bewegen
motilité
noun
motivation
/moːtiˈveːrə(n)/
verb
1. met redenen omkleden
motiver
/'mo.tɔr/
noun
  1. 1. krachtbron
    moteur
  2. 2. voertuig
    moto
noun
1. een klein tot middelgroot bootje dat voortbewogen wordt door middel van een motor
canot automobile
noun
1. een op de motorfiets te dragen veiligheidsbril die de ogen tegen stof, insecten e.d. beschermt
lunettes de moto
noun
moto
noun
yacht à moteur
noun
1.
frein moteur
noun
1. lichte neerslag in de vorm van heel kleine druppeltjes water
bruine
verb
1. regenen in zeer fijne druppeltjes
  1. bruiner
  2. pleuvioter
noun
boule antimite
noun
  1. VTT
  2. vélo tout terrain
verb
mousser
noun
1. dat deel van een kledingstuk dat de armen omvat
manche
/ˈmuː.və(n)/
verb
1. weggaan
se barrer
/ˌmo.zɑm.ˈbik/, /ˌmo.zɑm.ˈbɪk/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel de republiek Mozambique
Mozambique
noun
mosaïque
noun
1. Italiaanse kaas
mozzarella
noun
1. MRI
IRM
noun
1. slijmvlies
muquese
/ˈmysli/, /ˈmyə̯zli/
noun
1. eten gemaakt van graanvlokken, zuivel, fruit en noten
  1. muesli
  2. musli
  3. céréale
/mɵf/
adjective
1. onaangenaam en bedorven ruikend
  1. rassis
  2. confiné
  3. de moisi
  4. désagréable
  5. renfermé
noun
1. kleine, vliegende insecten van de onderorde Nematocera
  1. moustique
  2. moucheron
verb
  1. chercher la petite bête
  2. pinailler
noun
  1. 1. bek van een groot dier
    gueule
  2. 3. bepaald soort schoeisel
    mule
  3. kruising tussen een paard en een ezel
    1. mule
    2. mulet
noun
1. een kruising van een ezelhengst en een paardenmerrie
  1. mulet
  2. mule
noun
1. een kruising van een paardenhengst en een ezelin
  1. bardot
  2. bardeau
noun
1.een leren of metalen korf die voor de bek van een dier gespannen wordt om bijten onmogelijk te maken
muselière
verb
2. beletten te spreken
museler
/mœʏ̯s/, /mœːs/
noun
  1. 1. klein zoogdier, meestal van het geslacht "Mus"
  2. 3. computermuis
souris
adjective
gris souris
/ˈmœʏsmɑt/, /ˈmœːsmɑt/
noun
1. een onderlegger voor een computermuis
tapis souris
verb
1. in opstand komen tegen wettige autoriteit
se mutiner
noun
1.
souricière
pronoun
1.
Mulhouse
noun
1.
multi-instrumentaliste
/ˈmʏltidɪsɪpliˌnɛ:r/
adjective
1. betrekking hebbend op meerdere disciplines
multidisciplinaire
adjective
1. met, of aan veel kanten, belangen, partijen etc.
multilatéral
noun
multimédia
noun
multinationale
adjective
1. meervoudig, veelvoudig
multiple
noun
sclérose en plaques
noun
1. composietplaat die bestaat uit meer dan 3 gelijmde laagjes hout
contre-plaqué
noun
multiplicateur
noun
1. een door balseming en uitdroging geconserveerd lichaam van een dode
momie
noun
momification
verb
1.van een overledene een mummie maken
momifier
pronoun
1. verzamelnaam van ongeveer 20 talen die in het zuiden van Azië worden gesproken
langues mounda
noun
1. en 2. (boon van) eenjarige plant Vigna radiata
  1. haricot mungo
  2. ambérique verte
/mʏˈnitsi/, /mʏˈnisi/
noun
schietbenodigdheden
munitions
/myˈnitsiˌbrot/
noun
1. brood volgens voorschriften door leger als voedsel aan manschappen verstrekt
pain de munition
noun
  1. 1. en 2. (blaadjes van) het plantengeslacht Mentha
    menthe
  2. 5. muntzijde van geldstuk
    pile
//
noun
1.munteenheid
  1. monnaie
  2. devise
noun
1. een stuk metaal omvormen tot een munt
monétiser
noun
numismatique
pronoun
Murcie
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Passeridae
  1. moineau
  2. passereau
adjective
1. met betrekking tot de spieren
musculaire
noun
1. een gebouw waarin voorwerpen van culturele waarde tentoongesteld worden
musée
verb
1. het ten gehore brengen van muziek door middel van een muziekinstrument of de stem
  1. faire de la musique
  2. jouer
  3. musiquer
noun
1.
musicologue
noun
1. iemand die muziek maakt en ten gehore brengt
musicien
noun
1. en 2. (vruchtvlees) van plant Cucurbita moschata
  1. courge butternut
  2. courge musquée
noun
1. en 2. (vruchtvlees) van plant Cucurbita moschata
  1. courge butternut
  2. courge musquée
noun
1.
mousquetaire
/'mɵskɵs/
noun
1. de geurstof uitgescheiden door de geurklieren van bepaalde zoogdieren
musc
noun
1. hertachtig dier in Centraal-Azië
chevrotain
noun
1. en 2. (vruchtvlees) van plant Cucurbita moschata
  1. courge butternut
  2. courge musquée
noun
1. Ondatra zibethicus, een soort waterrat
rat musqué
adjective
1. wat een genetische verandering teweegbrengt
mutagène
noun
1. stof
mutagène
noun
1. proces waardoor de genetische informatie van een organisme verandert en er een nieuw stabiel organisme ontstaat
mutagenèse
noun
1. een sprongsgewijze verandering
mutation
verb
muter
verb
1. iemands lichaam blijvend en misvormend letsel toebrengen
mutiler
noun
1. onvermogen om te spreken
mutisme
/mʏʦ/
noun
1. hoofddeksel van textiel zonder harde rand.
bonnet
noun
mutualité
adjective
mutuel
/myːr/
noun
  1. 1. verticale vlakke constructie van metselwerk
    1. mur
    2. muraille
  2. 1. kruidachtige plant
    mouron blanc
noun
1. Umbilicus rupestris
nombril de Vénus
noun
laitue des murailles
/my'zik/
noun
1. een akoestisch fenomeen
musique
noun
manifestation musicale
/myˈzikˌɪnstrymɛnt/
noun
1. instrument om muziek mee te spelen
instrument de musique
noun
1.een school waar men muziek leert maken
  1. école de musique
  2. académie de musique
noun
1.het bestuderen van de muziek in al haar vormen
musicologie
noun
1. iemand die muziek maakt
musicien
/ˌmikoloˈɣi/
noun
1. de wetenschap die zich bezig houdt met het bestuderen van schimmels
mycologie
/miˈkozə/
noun
1. een door een schimmel veroorzaakte ziekte
mycose
noun
culte à mystères
adjective
mystérieux
/ˈmitə/
noun
mythe
adjective
mythique
/mi.tɔ.lɔ.ɣi/
noun
mythologie
noun
1. een zeer zeldzame en meestal goedaardige primaire tumor van het hart
myxome cardiaque
noun
1.
malaga
/ˈnotfɑndərəˌdɑksi/
noun
1.
  1. NDLR
  2. ndlr
preposition
1. in tijd volgend op
après
/ˈnaːɦaːpə(n)/, /ˈnaːʔapə(n)/
verb
1. doen wat iemand anders doet
singer
noun
imitateur
pronoun
1. taalfamilie van ongeveer 60 talen die in Noord-Amerika worden gesproken
langues na-déné
/naf/
noun
1. centrale as of middenstuk van een wiel of rad
moyeu
noun
moyeu à vitesses intégrées
noun
1. een doos waarin naaigerei bewaard wordt
boîte à coudre
/ˈnaːi̯ə(n)/
verb
    1. 2. geslachtsgemeenschap hebben
    2. 3. iemand een veraderlijke streek leveren
    baiser
  1. 1. naaldwerk verrichten
    coudre
noun
machine à coudre
noun
1. een vrouw die naaiwerk verricht
couturière
/naːkt/
adjective
1. zonder beharing of andere fysieke bescherming van de huid, ontkleed
nu
noun
1. het naakt zijn
nudité
noun
limace
/nald/, /naɫt/
noun
1. gereedschap voor naaien
aiguille
noun
conifère
/ˈnaɫtʋʌʊt/
noun
1. een groot bos bestaande uit naaldbomen
forêt de conifères
noun
  1. 2. bekendheid, reputatie
    nom
  2. 1. kort stukje tekst dat een persoon, instelling of object bijna identiek kan benoemen
    1. nom
    2. prénom
noun
1.
marque
noun
plaque à inscriptions
adjective
namurois
noun
1. elk der buigingsvormen van een naamwoord
cas
/namwort/
noun
1. een woord dat een persoon of zaak noemt, bepaalt of aanduidt
nom
noun
attribut
/naːr/
adverb
1. in de richting van
  1. en
  2. à
preposition
1. aan de zijkant van
à côté de
noun
prochain
/'na.bo.tsə(n)/
verb
1. nadoen, imiteren
imiter
adjective
1. in de buurt ervan gelegen
  1. voisin
  2. avoisinant
  3. limitrophe
/nɑx/, /nɑxt/, /nɑχt/
noun
1. de tijd tussen zonsondergang en zonsopkomst
nuit
adjective
nocturne
noun
  1. peur nocturne
  2. terreur nocturne
adjective
bleu nocturne
noun
1. een dier dat overdag slaapt en 's nachts actief is
animal nocturne
noun
1. lijsterachtige zangvogel met een rossig bruine staart die heel mooi kan zingen
  1. rossignol
  2. rossignol philomèle
adjective
nocturne
noun
1. dag en nacht duren evenlang
équinoxe
noun
chemise de nuit
noun
1. lage kast of tafel zonder laden die bij het hoofdeinde van het bed staat
  1. table de chevet
  2. table de nuit
noun
  1. table de nuit
  2. table de chevet
noun
  1. 1. een zeer angstige droom
  2. 2. een schrikbeeld
cauchemar
noun
  1. table de chevet
  2. table de nuit
noun
1. een verbinding door middel van een nachttrein
liaison ferroviaire de nuit
noun
1. vlinder die 's nachts actief is
papillon de nuit
noun
1.
travail de nuit
noun
engoulevent
/na'dɑt/
conjunction
après que
noun
1. ongunstige eigenschap
désavantage
verb
réfléchir
verb
1. In aantocht zijn
s'approcher de
noun
1. denkbeeldig punt aan de sterrenhemel loodrecht onder de waarnemer
nadir
verb
1. doen wat iemand anders doet
imiter
noun
naphte
/ˈnaː.ɣəˌbor.tə/
noun
3. de moederkoek, navelstreng en vliezen die het lichaam van de moeder verlaten nadat de baby is geboren
arrière-faix
noun
  1. commémoration
  2. souvenir
noun
  1. 3. spijker
    1. clou
    2. ongle
  2. 1. hoornplaat op laatste teen- en vingerkootjes
    ongle
noun
1. een balk met gaten waarin korvijnagels worden gestoken
râtelier
noun
1. een weefsel onder en achter de nagel, waar de nagel uitgroeit
lit de l'ongle
noun
1. schoonheidsmiddel
vernis à ongles
noun
1.
cloueur
noun
dessert
noun
descendance
/ˈna.wɑtl̥̩/, /ˈna.wɑtl̩/
pronoun
1. benaming voor de talen die door de oorspronkelijke bewoners van Mexico gesproken worden
nahuatl
pronoun
1. verzamelnaam van ongeveer 44 talen die in Mexico worden gesproken
langues nahuatl
/ˈnahʏm/
pronoun
2. boek in de Bijbel
Nahum
noun
1. herfst
automne
noun
naïade
verb
1. corrigeren van een geschreven tekst of huiswerk
contrôler
noun
  1. descendant
  2. descendante
verb
2. in een testament toebedelen
léguer
noun
1. wat door de erflater bij zijn overlijden overgedragen wordt
héritage
noun
1. een fout doordat er iets nagelaten wordt
négligence
noun
1. een geneesmiddelengroep van pijnbestrijders
nalbuphine
/ˈnamələk/
abbreviation
  1. c'est-à-dire
  2. à savoir
pronoun
1. provincie in het oosten van België
Namur
preposition
1.
au nom de
/na.'mi.bi.jə/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika
Namibie
noun
1. tijd aan het einde van de middag
après-midi
noun
1. vrouw die zorgt voor de kinderen van haar opdrachtgevers
nounou
noun
nanogramme
noun
1.
nanomètre
noun
nanotechnologie
pronoun
1. stad in Italië
Naples
adjective
1.
napoléonien
adjective
1. een taal die in Napels, Campanië, Basilicata en noordelijk Calabrië gesproken wordt
napolitain
noun
1.
napperon
noun
  1. narcisse
  2. jonquille
noun
narcissisme
adjective
jaune narcisse
adjective
narcissique
noun
1. een kunstmatige algehele verdoving
  1. anesthésie
  2. narcose
noun
1. een verdovend middel
stupéfiant
pronoun
1. de taal van de Narom
narum
noun
1. bepaald soort zeezoogdier, Monodon monoceros
  1. narval
  2. licorne de mer
noun
consonne nasale
verb
1. een neusklank maken van een klinker
nasaliser
/ˈna.slɑx.ˌwɛrk/, /ˈna.slɑx.ˌβ̞ɛrk/, /ˈna.slɑχ.ˌʋɛrk/
noun
1. een boek dat dient om iets in op te zoeken
ouvrage de référence
noun
1. een veranderde smaak van iets dat men al heeft doorgeslikt heeft en in het begin anders smaakte
arrière-goût
noun
  1. 1. dans, toneel of muziek ter afsluiting van een theaterstuk, opera, ballet etc.
    1. postlude
    2. épilogue
  2. 2. de anticlimax na de coïtus
    épilogue
/ˈnaː.spøː.rə(n)/
verb
1. nauwkeurig onderzoeken
rechercher
verb
  1. 1. feiten of een verloop trachten te achterhalen
    dépister
  2. 1. achter iemand aangaan
    suivre
verb
1. een doel trachten te bereiken
  1. aspirer
  2. poursuivre
adjective
1. gedrenkt in een vloeistof, meestal water
  1. mouillé
  2. humide
verb
1. na het eten aan tafel blijven zitten (om wat te praten en/of nog een hapje en drankje te nuttigen)
s'attarder après le dîner
noun
natalité
noun
1. een groep mensen die zich door gemeenschappelijke taal, cultuur of politieke geschiedenis verbonden voelt
nation
adjective
natif
noun
État-nation
adjective
1. op een volk met een eigen land betrekking hebbend
  1. national
  2. nationale
noun
national-socialisme
verb
nationaliser
noun
1. voorliefde voor het vaderlandse
nationalisme
noun
nationaliste
adjective
nationaliste
noun
nationalité
verb
  1. 2. overtrekken
    calquer
  2. 1. onderzoeken of iets werkelijk klopt
    1. contrôler
    2. vérifier
noun
sodium
noun
  1. humidité
  2. mouillure
verb
naturaliser
noun
1.2.3. stroming in de literatuur aan het eind van de 19e eeuw, die de mens beschouwt als bepaald door milieu en erfelijkheid en leer die de natuur boven alles stelt
naturalisme
noun
2. natuuronderzoeker
naturaliste
noun
naturisme
noun
1.
naturiste
noun
1. natuurhoorn
cor naturel
/naˈtyrkʏndə/, /naˈtyːrkʏndə/
noun
1. subdiscipline binnen de natuurwetenschap die zich bezighoudt met de bestudering van materie en
physique
noun
Physicien
adjective
1. uit de natuur afkomstig
naturel
noun
1. mens van vlees en bloed die kan deelnemen aan het rechtsverkeer
personne physique
noun
1. een ongelukkige gebeurtenis die door de natuur veroorzaakt wordt
catastrophe naturelle
noun
2. in de natuurlijke orde van de dingen gefundeerd
droit naturel
noun
société sans histoire
/na.ˈu.ru/, /naˈuru/, /ˈnaʊ̯.ru/
pronoun
1. een land in de Stille Oceaan
Nauru
/nɑuruˈwans/
pronoun
1. taal die door 6 000 mensen wordt gesproken in Nauru
nauruan
adjective
1. een geringe breedte hebbend
étroit
pronoun
1.
  1. Strait of Dover
  2. pas de Calais
adverb
1. slechts in geringe mate
à peine
adjective
1. met veel aandacht, op details lettend
scrupuleux
noun
1. de mate waarin men zaken tot in de puntjes behandelt
  1. exactitude
  2. précision
pronoun
1. taal die het zuidwesten van de Verenigde Staten wordt gesproken door 170 duizend Navajo's
navaho
pronoun
Navarre
/'navəl/
noun
  1. nombril
  2. ombilic
noun
1. opeenhoping van wollig materiaal in iemands navel
peluche ombilicale
/ˈnavəlstrɛŋ/
noun
snoer dat de vrucht aan de moederkoek verbindt
cordon ombilical
noun
1. varkensachtig dier, met een kort gedrongen gestalte en korte kop
pécari
noun
navigation
verb
naviguer
noun
1. NAVO
OTAN
adjective
1. schrijnend, hartverscheurend
navrant
verb
1. herhalen wat iemand anders al gezegd heeft, bevestigen wat iemand anders al gezegd heeft
répéter
/ˈnatsi/
noun
1. een aanhanger, lid van de Nationalsozialistische Deutsche Arbeiterpartei
  1. nazi
  2. nazie
verb
1. corrigeren van een geschreven tekst of huiswerk
contrôler
adjective
naïf
noun
1. interstellaire gas- en stofwolken die worden beschouwd als de geboorteplaats van de sterren
nébuleuse
adjective
nebuleux
noun
1. een biografie van een overleden persoon en/of een bespreking van diens werk
nécrologie
noun
1. afsterving van weefsel
nécrolyse
noun
1. de afsterving van weefsel
nécrose
noun
1. suikerrijke vloeistof die door veel planten wordt geproduceerd
nectar
noun
2. een perzikachtige vrucht van boom Prunus persica var. nucipersica
nectarine
pronoun
1. deelstaat van Oostenrijk
Basse-Autriche
pronoun
1. een in Noord-Duitsland en Nederland gesproken West-Germaanse taal...
bas allemand
/ˈne.dər.ˌfrɑŋ.kis/
noun
1. de verzamelnaam voor een aantal West-Germaanse talen en taalvariëteiten die van het Oudnederfrankisch afstammen
bas-francique
noun
1. het aannemen van een houding waarbij geen aanspraak gemaakt wordt op macht of eer
humilité
noun
1. het verlies van een strijd
défaite
/ˈnedərˌlɑnt/, /ˈneːdərˌlɑnd/, /ˈneːdərˌlɑnt/
pronoun
1. land in het westen van Europa, grenzend aan Duitsland en België, belangrijkste deel van het Koninkrijk der Nederlanden
  1. Pays-Bas
  2. Hollande
/ˈne.dər.ˌlɑn.dər/
noun
1. inwoner van Nederland of persoon die de Nederlandse nationaliteit bezit
  1. Néerlandais
  2. Hollandais
/ˈne.dər.ˌlɑnds/, /ˈne.dər.ˌlɑnts/
adjective
1. met betrekking tot Nederland of de Nederlandse taal
  1. néerlandais
  2. hollandais
/ˈne.dər.ˌlɑnds/, /ˈne.dər.ˌlɑnts/
pronoun
1. een West-Germaanse taal die als officiële taal gesproken wordt in Nederland, Vlaanderen, Suriname en op de Nederlandse Antillen
  1. néerlandais
  2. hollandais
/ˈne.dər.ˌlɑn.tsə/, /ˈne.dər.ˌlɑnd.sə/
noun
1. vrouwelijke inwoner van Nederland, vrouw uit Nederland
Néerlandaise
/ˌne.dər.lɑnt.sə.ɑn.ˈtɪ.lə(n)/, /ˌneː.dər.lɑnt.sə̯an.ˈtɪ.lə(n)/
pronoun
1. voormalig land binnen het Koninkrijk der Nederlanden
Antilles néerlandaises
noun
1. gebarentaal gebruikt door de dovengemeenschap van Nederland
langue des signes néerlandaise
pronoun
1. een in Noord-Duitsland en Nederland gesproken West-Germaanse taal zonder Hoogduitse klankverschuiving
bas allemand
noun
1. een vestiging, een bewoonde plaats
colonie
/neː/
interjection
1. ontkenning
non
noun
  1. 2. kozijn
    cousin
  2. 1. mannelijke oomzegger
    neveu
/nen/
interjection
nee
non
verb
1. slordig schrijven
griffonner
noun
1. de wetenschap die de Nederlandse taal- en letterkunde bestudeert
  1. néerlandistique
  2. études de langue et littérature néerlandaises
verb
1. laten zakken
  1. baisser
  2. descendre
noun
  1. 1. hemelwater
    1. précipitations
    2. précipitation
  2. 2. bezinksel
    précipité
/ˈnerslɑχˌmetər/
noun
1. een toestel dat de hoeveelheid gevallen neerslag meet
pluviomètre
pronoun
1. dorp in de Belgische provincie Henegouwen
Bas-Warneton
verb
1. iets op een lagere plek plaatsen
poser
noun
néphrologie
noun
1.
néphrologue
noun
1. het ontkennen
dénégation
adjective
1. ontkennend, afwijzend
  1. négatif
  2. négative
noun
1. een in het kader van een fotografisch procédé ontwikkelde plaat of film met een lichtgevoelige laag, waarop de lichtwaarden omgekeerd zijn t.o.v. de werkelijkheid
  1. négatif
  2. film négatif
  3. cliché
noun
négationnisme
adjective
négationniste
/ˈne.ɣə(n)/, /ˈne.χə(n)/
cardinalNumeral
1. het getal 9
neuf
/ˈne.ɣən.də/, /ˈne.χən.də/
ordinalAdjective
1. nummer negen in een rij
neuvième
cardinalNumeral
1. het getal 99
quatre-vingt-dix-neuf
cardinalNumeral
1. het getal 89
quatre-vingt-neuf
cardinalNumeral
1. het getal 29
vingt-neuf
cardinalNumeral
1. het getal 49
quarante-neuf
cardinalNumeral
1. het getal 59
cinquante-neuf
cardinalNumeral
1. het getal 69
soixante-neuf
/ˈneɣənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 79
soixante-dix-neuf
/ˈne.ɣə(n).ˌhɔn.dərd/, /ˈne.ɣə(n).ˌɦɔn.dərt/, /ˈne.χə(n).ˌɦɔn.dərt/
cardinalNumeral
1. het getal 900
neuf cents
cardinalNumeral
1. het getal 908
neuf-cent-huit
cardinalNumeral
1. het getal 938
neuf-cent-trente-huit
cardinalNumeral
1. het getal 998
neuf-cent-quatre-vingt-dix-huit
cardinalNumeral
1. het getal 988
neuf-cent-quatre-vingt-huit
cardinalNumeral
1. het getal 928
neuf-cent-vingt-huit
cardinalNumeral
1. het getal 948
neuf-cent-quarante-huit
cardinalNumeral
1. het getal 958
neuf-cent-cinquante-huit
cardinalNumeral
1. het getal 968
neuf-cent-soixante-huit
/ˌneɣənˌhɔndərtˈɑxtənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 978
neuf-cent-soixante-dix-huit
cardinalNumeral
1. het getal 918
neuf-cent-dix-huit
cardinalNumeral
1. het getal 913
neuf-cent-treize
cardinalNumeral
1. het getal 930
neuf-cent-trente
cardinalNumeral
1. het getal 903
neuf-cent-trois
cardinalNumeral
1. het getal 933
neuf-cent-trente-trois
cardinalNumeral
1. het getal 993
neuf-cent-quatre-vingt-treize
cardinalNumeral
1. het getal 983
neuf-cent-quatre-vingt-trois
cardinalNumeral
1. het getal 923
neuf-cent-vingt-trois
cardinalNumeral
1. het getal 943
neuf-cent-quarante-trois
cardinalNumeral
1. het getal 953
neuf-cent-cinquante-trois
cardinalNumeral
1. het getal 963
neuf-cent-soixante-trois
/ˌneɣənˌhɔndərˈdrijənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 973
neuf-cent-soixante-treize
cardinalNumeral
1. het getal 901
neuf-cent-un
cardinalNumeral
1. het getal 931
neuf-cent-trente-et-un
cardinalNumeral
1. het getal 991
neuf-cent-quatre-vingt-onze
cardinalNumeral
1. het getal 981
neuf-cent-quatre-vingt-un
cardinalNumeral
1. het getal 921
neuf-cent-vingt-et-un
cardinalNumeral
1. het getal 941
neuf-cent-quarante-et-un
cardinalNumeral
1. het getal 951
neuf-cent-cinquante-et-un
cardinalNumeral
1. het getal 961
neuf-cent-soixante-et-un
/ˌneɣənˌhɔndərtˈenənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 971
neuf-cent-soixante-et-onze
cardinalNumeral
1. het getal 911
neuf-cent-onze
cardinalNumeral
1. het getal 909
neuf-cent-neuf
cardinalNumeral
1. het getal 939
neuf-cent-trente-neuf
cardinalNumeral
1. het getal 999
neuf-cent-quatre-vingt-dix-neuf
cardinalNumeral
1. het getal 989
neuf-cent-quatre-vingt-neuf
cardinalNumeral
1. het getal 929
neuf-cent-vingt-neuf
cardinalNumeral
1. het getal 949
neuf-cent-quarante-neuf
cardinalNumeral
1. het getal 959
neuf-cent-cinquante-neuf
cardinalNumeral
1. het getal 969
neuf-cent-soixante-neuf
/ˌneɣənˌhɔndərtˈneɣənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 979
neuf-cent-soixante-dix-neuf
cardinalNumeral
1. het getal 919
neuf-cent-dix-neuf
cardinalNumeral
1. het getal 990
neuf-cent-quatre-vingt-dix
cardinalNumeral
1. het getal 980
neuf-cent-quatre-vingts
cardinalNumeral
1. het getal 910
neuf-cent-dix
cardinalNumeral
1. het getal 912
neuf-cent-douze
cardinalNumeral
1. het getal 902
neuf-cent-deux
cardinalNumeral
1. het getal 932
neuf-cent-trente-deux
cardinalNumeral
1. het getal 992
neuf-cent-quatre-vingt-douze
cardinalNumeral
1. het getal 982
neuf-cent-quatre-vingt-deux
cardinalNumeral
1. het getal 922
neuf-cent-vingt-deux
cardinalNumeral
1. het getal 942
neuf-cent-quarante-deux
cardinalNumeral
1. het getal 952
neuf-cent-cinquante-deux
cardinalNumeral
1. het getal 962
neuf-cent-soixante-deux
/ˌneɣənˌhɔndərˈtwejənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 972
neuf-cent-soixante-douze
cardinalNumeral
1. het getal 920
neuf-cent-vingt
cardinalNumeral
1. het getal 914
neuf-cent-quatorze
cardinalNumeral
1. het getal 940
neuf-cent-quarante
cardinalNumeral
1. het getal 904
neuf-cent-quatre
cardinalNumeral
1. het getal 934
neuf-cent-trente-quatre
cardinalNumeral
1. het getal 994
neuf-cent-quatre-vingt-quatorze
cardinalNumeral
1. het getal 984
neuf-cent-quatre-vingt-quatre
cardinalNumeral
1. het getal 924
neuf-cent-vingt-quatre
cardinalNumeral
1. het getal 944
neuf-cent-quarante-quatre
cardinalNumeral
1. het getal 954
neuf-cent-cinquante-quatre
cardinalNumeral
1. het getal 964
neuf-cent-soixante-quatre
/ˌneɣənˌhɔndərtˈfirənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 974
neuf-cent-soixante-quatorze
cardinalNumeral
1. het getal 905
neuf-cent-cinq
cardinalNumeral
1. het getal 935
neuf-cent-trente-cinq
cardinalNumeral
1. het getal 995
neuf-cent-quatre-vingt-quinze
cardinalNumeral
1. het getal 985
neuf-cent-quatre-vingt-cinq
cardinalNumeral
1. het getal 925
neuf-cent-vingt-cinq
cardinalNumeral
1. het getal 945
neuf-cent-quarante-cinq
cardinalNumeral
1. het getal 955
neuf-cent-cinquante-cinq
cardinalNumeral
1. het getal 965
neuf-cent-soixante-cinq
/ˌneɣənˌhɔndərtˈfɛifənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 975
neuf-cent-soixante-quinze
cardinalNumeral
1. het getal 915
neuf-cent-quinze
cardinalNumeral
1. het getal 950
neuf-cent-cinquante
cardinalNumeral
1. het getal 906
neuf-cent-six
cardinalNumeral
1. het getal 936
neuf-cent-trente-six
cardinalNumeral
1. het getal 996
neuf-cent-quatre-vingt-seize
cardinalNumeral
1. het getal 986
neuf-cent-quatre-vingt-six
cardinalNumeral
1. het getal 926
neuf-cent-vingt-six
cardinalNumeral
1. het getal 946
neuf-cent-quarante-six
cardinalNumeral
1. het getal 956
neuf-cent-cinquante-six
cardinalNumeral
1. het getal 966
neuf-cent-soixante-six
/ˌneɣənˌhɔndərtˈsɛsənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 976
neuf-cent-soixante-seize
cardinalNumeral
1. het getal 916
neuf-cent-seize
cardinalNumeral
1. het getal 960
neuf-cent-soixante
/ˌneɣənˌhɔndərtˈsøvən/
cardinalNumeral
1. het getal 907
neuf-cent-sept
/ˌneɣənˌhɔndərtˈsøvənənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 937
neuf-cent-trente-sept
/ˌneɣə(n)ˌhɔndərtˈsøvənəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 997
neuf-cent-quatre-vingt-dix-sept
/ˌneɣənˌhɔndərtˈsøvənənˌtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 987
neuf-cent-quatre-vingt-sept
/ˌneɣənˌhɔndərtˈsøvənənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 927
neuf-cent-vingt-sept
/ˌneɣənˌhɔndərtˈsøvənəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 947
neuf-cent-quarante-sept
/ˌneɣənˌhɔndərtˈsøvənəɱˌvɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 957
neuf-cent-cinquante-sept
/ˌneɣənˌhɔndərtˈsøvənənˌsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 967
neuf-cent-soixante-sept
/ˌneɣənˌhɔndərtˈsøvənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 977
neuf-cent-soixante-dix-sept
/ˌneɣənˌhɔndərtˈsøvənˌtin/
cardinalNumeral
1. het getal 917
neuf-cent-dix-sept
/ˌneɣənˌhɔndərtˈsøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 970
neuf-cent-soixante-dix
cardinalNumeral
1. het getal 19
dix-neuf
/ˈne.ɣə(n).təx/, /ˈne.ɣə(n).tɪx/, /ˈne.χə(n).təχ/
cardinalNumeral
1. het getal 90
  1. quatre-vingt-dix
  2. nonante
noun
1. iemand met voorouders uit Afrika bezuiden de Sahara met lichamelijke kenmerken daarvan
nègre
verb
1. doen alsof iemand of iets niet bestaat
  1. ignorer
  2. négliger
  3. snober
noun
1. vrouw met een donkere huidskleur en vaak zwart kroeshaar wier voorouders afkomstig zijn uit Afrika bezuiden de Sahara
négresse
noun
1. lekkernij, bestaande uit een rond wafeltje, een bolletje schuim (van suiker en ei) en een overkapping van chocolade
tête de nègre
noun
négligence
noun
1. gemakkelijk ochtendgewaad, deftige dameskamerjapon
négligé
noun
1. een afgelegen gehucht
trou
pronoun
Néhémie
/nɛk/
noun
1. achterste gedeelte van de hals
nuque
noun
1.
nématode
/ˈne.mə(n)/
verb
1. iets vastpakken met de handen
prendre
noun
Néocomien
/nejoˈkomijʏm/
noun
Néocomien
noun
néodyme
/nejoˈɣen/
adjective
néogène
/nejoˈɣen/
noun
geologisch tijdperk
Néogène
pronoun
  1. néo-latin
  2. néolatin
adjective
1.
  1. néo-libéral
  2. néolibéral
noun
  1. néo-liberalisme
  2. néoliberalisme
/nejoˈlitikʏm/
noun
Néolithique
adjective
1.
néolithique
/ˌne.jo.lo.ˈχɪs.mə/, /ˌne.jo.loː.ˈɣɪz.mə/
noun
1. een woord dat nieuw is of nieuw gevormd is
néologisme
noun
1. een chemisch element en een kleurloos edelgas
néon
noun
  1. néonatalogie
  2. néonatologie
noun
néonazisme
noun
1. licht afkomstig van een neonlamp
lumière au néon
noun
1. nieuwvorming
néoplasie
noun
néoplasme
noun
néoplasme
adjective
  1. 2. met weinig vaardigheid, slecht
    en carton
  2. 1. onecht, vals
    toc
/ˈnepɑɫ/, /ˈneːpɑl/
pronoun
1. een land in Azië, gelegen in de Himalaya tussen India en China (Tibet)
Népal
pronoun
1. een taal die vooral in Nepal gesproken wordt
népalais
/nepo'tɨzmə/
noun
1.
népotisme
noun
1. Chemisch element
neptunium
pronoun
Neptune
adverb
nulle part
adverb
1. lijdend aan gespannen zenuwen
nerveux
/nɛst/
noun
1. de verblijfplaats van een dier
nid
/ˈnɛstələ(n)/
verb
1. het bouwen van een nest en het grootbrengen van jongen erin, gewoonlijk van vogels
nicher
noun
1. een haak aan kleding of schoeisel waaromheen een veter kan worden geslagen
crochet chaussure
noun
1. een vetergat, vaak voorzien van een ringetje tegen het uitscheuren
œillet
noun
1. een ringetje dat in een vetergat is aangebracht om het tegen uitscheuren te beschermen
œillet
noun
nestorianisme
/nɛst'flidənt/
adjective
1. jongen hebbend die nestvlieders zijn
nidifuge
adjective
1. proper, rein
  1. net
  2. propre
adverb
  1. 2. juist
    juste
  2. 1. kort geleden
    1. juste
    2. récemment
noun
  1. 1. een geheel van fijne draden
    filet
  2. 2-6. netwerk enz.
    réseau
pronoun
1.
  1. Natanya
  2. Netanya
pronoun
1.
Nèthe
noun
1. plant
ortie
/ˈnɛcəs/
adjective
1. net, schoon
  1. net
  2. propre
/ˈnɛcəs/
adverb
1. op een nette manier
  1. proprement
  2. à la loyale
noun
1. managen van netwerken
network management
/ˈnøːk.bar/
adjective
baisable
verb
1. geslachtsgemeenschap hebben met
  1. baiser
  2. fourrer
noun
1. de chemische processen in zenuwstelsels
neurochimie
noun
1.
neurochirurgie
noun
1. het ontstaan van nieuwe zenuwcellen in levende organismen, dat zowel voor als na de geboorte plaatsvindt
neurogenèse
noun
neurologue
noun
een zeer belangrijke cel in het zenuwstelsel
  1. neurone
  2. cellule nerveuse
noun
neuropsychologie
/nøʏs/, /nøːs/
noun
1. een orgaan dat gebruikt wordt bij de ademhaling en om te ruiken
nez
noun
1. dokter die zich gespecialiseerd heeft in ziekten van organen binnen het hoofd die direct contact met de buitenlucht hebben
oto-rhino-laryngologiste
noun
1.
nasique
noun
1. een van de beenderen van de schedel
os nasal
noun
1. bepaald soort zoogdier, Nasua nasua
coati
noun
narine
noun
1. het eerste stuk van het luchtwegstelsel waar de ingeademde lucht doorheen gaat
cavité nasale
noun
1. een groot en zwaar zoogdier uit de familie van de Rhinocerotidae dat in Afrika en Azië leeft...
rhinocéros
noun
1.
calao
pronoun
1.
  1. lac Fertő
  2. lac de Neusiedl
/ˈnøsklɑŋk/
noun
1. een medeklinker die geproduceerd wordt met een gedeeltelijke obstructie ergens in het spraakkanaal
nasale
noun
1.
  1. cornet nasal
  2. cornet
noun
neusvleugel
aile du nez
/nøˈtral/
adjective
  1. 1. geen partij kiezend in een conflict
  2. 2. natuurkunde: noch een positieve noch een negatieve lading dragend
  3. 4. scheikunde: noch zuur noch alkaline
neutre
verb
neutraliser
noun
1. een onpartijdige houding aanhouden ten opzichte van twee partijen met een geschil
neutralité
noun
1. een officiële verklaring van een neutrale houding
déclaration de neutralité
noun
neutrino
noun
neutron
noun
étoile à neutrons
noun
forêt de nuage
noun
  1. dommages collatéraux
  2. dégâts collatéraux
pronoun
  1. newari
  2. néwar
pronoun
1.
Terre-Neuve
noun
1.
terre-neuve
noun
1. een van de overheid onafhankelijke, maatschappelijk geëngageerde organisatie
ONG
noun
Chanson des Nibelungen
/ˌni.ka.ˈra.gβ̞a/, /ˌni.ka.ˈra.ɣuwa/, /ˌni.kɑ.ˈra.gʋa/
pronoun
1. een staat in Midden-Amerika, tussen Honduras en Costa Rica
Nicaragua
noun
  1. 3. dochter van iemands oom of tante
    cousine
  2. 1. dochter van iemands broer of zus
    nièce
  3. 4. mannelijke homoseksueel
    1. tante
    2. tantouse
noun
1. Zweeds volksinstrument
nyckelharpa
pronoun
2. spelwoord voor de letter n
Nicolas
noun
nicotine
noun
1. een van de voor de mens noodzakelijke vitaminen...
niacine
indefinitePronoun
1. geen enkel persoon
personne
noun
1. een van beide organen in de onderrug die het bloed zuiveren van afvalstoffen en deze uitscheiden in de urine.
rein
noun
1. een samengroeisel in het nierbekken dat meestal uit urinezuur en urinezure zouten bestaat
calcul rénal
noun
1. glibberige stof, gewonnen uit het weefsel rond de beide organen die bij zoogdieren het bloed zuiveren
suif
noun
1.
éternuement
verb
1.
  1. éternuer
  2. atchoumer
noun
1. giftige plant die vroeg in het voorjaar bloeit
hellébore
adverb
1. ontkenning, tegenovergestelde van 'wel'
  1. pas
  2. ne
noun
1. klein, vaak beugelvormig, metalen voorwerp met twee spitse uiteinden
agrafe
verb
1. weinig voorstellen, niets bijzonders zijn, matige kwaliteit hebben
  1. ne pas casser quatre pattes à un canard
  2. ne pas casser trois pattes à un canard
noun
non-métal
noun
1.
non-fumeur
noun
1.
abstentionniste
noun
1. een apparaat dat nietjes in een stapeltje papieren kan slaan om deze bij elkaar te houden
agrafeuse
/nitəx/
adjective
  1. 1. verwaarloosbaar klein
    chétif
  2. 2. ongeldig
    nul
noun
1. klein, vaak beugelvormig, metalen voorwerp met twee spitse uiteinden
agrafe
noun
1. apparaat dat nietjes in een stapeltje papieren kan slaan om deze bij elkaar te houden
agrafeuse
indefinitePronoun
1. geen enkel ding, geen enkele zaak
  1. rien
  2. ne
noun
1. iemand die voor niets deugt
bon à rien
postposition
  1. en dépit de
  2. malgré
  3. nonobstant
adverb
néanmoins
/ˈnitʋar/
interjection
n'est-ce pas
/niβ̞/, /nyʊ̯/
adjective
  1. woorden die in een of meer van de bovenstaande categorieën horen, maar waarvan niet bekend is in welke (voel u vrij deze woorden in de juiste categorie in te voegen)
    1. nouveau
    2. neuf
  2. 5. in originele staat
    1. nouveau
    2. neuf
    3. nouvel
    4. nouvelle
    5. neuve
    1. 2. recentelijk ontdekt
    2. 3. huidige
    3. 6. vreemd, onbekend
    1. nouveau
    2. nouvel
    3. nouvelle
    1. 1. recentelijk gemaakt
    2. 4. onderscheidt nieuwere namen van oudere
    3. 7. recentelijk aangekomen of opgedoken
    1. nouveau
    2. nouvel
    3. nouvelle
    4. neuf
pronoun
Nouvelle-Calédonie
pronoun
1.
Nouvelle-Guinée
/niβ̞.ˈze.lɑnt/, /nyʊ̯.ˈze.lɑnd/
pronoun
1. een land in het zuidwesten van de Grote Oceaan, gelegen naast Australië
Nouvelle-Zélande
pronoun
1. Australische deelstaat gelegen in het zuidoosten van het land
Nouvelle-Galles du Sud
noun
1. nieuwe maan
nouvelle lune
pronoun
1. samenstelling van Bijbelboeken
Nouveau Testament
noun
1. iets dat nieuw is
nouveauté
noun
1. feestdag ter gelegenheid van het begin van een nieuw jaar van de gebruikte kalender
  1. nouvel an
  2. jour de l'an
/niwˈjarskart/
noun
1. een kaart die verstuurd wordt voor Nieuwjaar met nieuwjaarswensen
carte de bonne année
pronoun
1. stad en kustgemeente in de Belgische provincie West-Vlaanderen
Nieuport
noun
1.een regelmatige publicatie
lettre d'information
/ˈniu̯sˌɣirəx/
adjective
1. verlangend om iets te weten of waar te nemen
curieux
/niu'sxirəxɛit/
noun
1. het verlangen naar kennis
curiosité
adverb
1. nergens
nulle part
verb
1. plotselinge, krachtige uitademing om de neus te reinigen van prikkelende stoffen
éternuer
/'ni.ɣər/, /'ni.χər/
pronoun
  1. 1. land in West-Afrika
  2. 2. een rivier in West-Afrika
Niger
pronoun
1. taalfamilie van ongeveer 1540 talen die in Afrika ten zuiden van de Sahara worden gesproken
langues nigéro-kordofaniennes
/ni.'ɣeː.ri.ja/, /ni.'χɪː.ri.ja/
pronoun
1. een land in West-Afrika
  1. Nigeria
  2. Nigéria
noun
1. buiging als beleefde groet
révérence
pronoun
1.
Nil
noun
1. een vanuit Egypte ingevoerde eendachtige gans
ouette d'Égypte
noun
1. groot en zwaar in Afrika levend zoogdier, Hippopotamus amphibius
  1. hippopotame
  2. hippo
pronoun
Nimègue
noun
1. een tang om er ingeslagen spijkers mee uit te trekken
tenaille de menuisier
pronoun
1. gemeente en stad in Waals-Brabant
Nivelles
pronoun
1. hoofddorp en grootste dorp van de gemeente Hellendoorn
Nijverdal
noun
niqab
noun
1. Chemisch element
nickel
pronoun
1. taalfamilie van ongeveer 200 talen die in het midden en noorden van Afrika worden gesproken
langues nilo-sahariennes
noun
3. wolk
nimbus
noun
  1. 1. wezen dat rivieren, bossen enz. bewoont
  2. 4. insect in de tweede toestand van gedaanteverwisseling
  3. 2. bekoorlijk meisje
nymphe
adverb
1. op geen enkel moment
jamais
/ˈni.no.ˌvə/
pronoun
1. stad in de Belgische provincie Oost-Vlaanderen
Ninove
/niˈjobijʏm/
noun
1. Chemisch element
niobium
noun
2. een hol koppelstukje
douille
/nɪs/
noun
1. een inham in een muur
niche
noun
  1. 1. een zout van salpeterzuur dat het ion NO₃− bevat
  2. 2, een ester van salpeterzuur
nitrate
verb
nitrer
noun
1. een verbinding van stikstof waarin dit element in de oxidatietoestand -3 optreedt
nitrure
noun
1. een zout dat het ion NO₂− bevat
nitrite
noun
vloeibare springstof
nitroglycérine
pronoun
1. een taal uit de Oceanische tak van de Australaziatische taalfamilie die op het Nieuw-Zeelandse eiland Niue, maar ook in Nieuw-Zeeland en op Samoa gesproken wordt
niuéen
noun
1. de rang in een hiërarchie, stadium van ontwikkeling, enzovoort
niveau
verb
1. gelijk maken, op gelijk niveau brengen
niveler
/ˈnivoˌmetər/
noun
1. een toestel dat de hoeveelheid gevallen sneeuw (d.i. vaste neerslag) meet
nivomètre
verb
nieller
noun
1. scheikundig element
nobélium
noun
1. een jaarlijkse geldprijs voor wetenschappers en anderen die een opmerkelijke prestatie hebben geleverd
  1. Prix Nobel
  2. prix Nobel
conjunction
ni
adverb
1. luidt een zin in die een onverwachte tegenstelling uitdrukt
  1. néanmoins
  2. cependant
/'no.dəx/
adjective
1. waar behoefte aan is
nécessaire
adjective
nodulaire
verb
  1. 1. met een naam aanduiden
    1. appeler
    2. nommer
  2. 2. vermelden door het uitspreken van de naam
    1. citer
    2. nommer
noun
1. het getal onder de streep van een breuk
dénominateur
adverb
encore
/'nɔ.ɣɑl/
adverb
1. tamelijk, in aanzienlijke mate
  1. assez
  2. plutôt
adverb
de nouveau
noun
3. uitstulpingen aan as
  1. came
  2. faîte
noun
1. as met nokken
arbre à cames
noun
nomenclature
noun
nomination
noun
1. een eerste van de 8 naamvallen van de Indo-Europese talen
nominatif
verb
nominer
/nɔn/
noun
inwoonster van een vrouwenklooster
  1. nonne
  2. religieuse
noun
1. C₉H20
nonane
adjective
1. achteloos, onbekommerd
  1. nonchalant
  2. désinvolte
noun
1.
neuvième
noun
1. nonius
vernier
/ˈnɔŋkəɫ/
noun
1. broer of zwager van iemands vader of moeder
  1. oncle
  2. tonton
noun
2. soort eend, Mergellus albellus
harle piette
noun
non-sens
noun
1.
nonne
noun
  1. 2.
    besoin
  2. 1.
    détresse
noun
groupe électrogène de réserve
noun
cas d'urgence
noun
état d'urgence
noun
1. noodzakelijke verdediging van zichzelf of iemand anders, diens eerbaarheid of bezittingen
légitime défense
adjective
1. erg nodig
nécessaire
/ˈnoːit/
adverb
1. op geen enkel moment
jamais
/noːr/, /no̝ːr/
noun
1. een inwoner van Noorwegen
Norvégien
/nɔːrt ˈafrɪkɑ/, /nɔːrt ˈɑfrɪkɑ/
pronoun
gedeelte van het Afrikaanse continent ten noorden van de Sahara
Afrique du Nord
pronoun
het continent dat ten noorden van [[Zuid-Amerika]] ligt, tussen de Grote, Arctische en de Atlantische Oceaan
Amérique du Nord
pronoun
1. verzamelnaam van ongeveer 300 talen die in Noord-Amerika worden gesproken
langues nord-amérindiennes
/noːrd.ˈbra.bɑnt/, /no̝ːrd.ˈbra.bɑnt/, /ˌnoːrd.bra.bɑnd/
pronoun
1. een provincie in het zuiden van Nederland, die aan Gelderland, Limburg, Zeeland, Zuid-Holland en België grenst
  1. Brabant-Septentrional
  2. Brabant-du-Nord
pronoun
1. taalfamilie van een tiental talen die in Scandinavië worden gesproken
langues germaniques septentrionales
/noːrt.ˈɦɔ.lɑnt/, /no̝ːr.ˈtɔ.lɑnt/, /ˈnoːrd.hɔ.lɑnd/
pronoun
1. een provincie in het noordwesten van Nederland, ...
Hollande-Septentrionale
/ˈɛlzɑs/
pronoun
1.
Irlande du Nord
adjective
1.
nord-irlandais
pronoun
1. regio van Finland
Carélie du Nord
pronoun
1. taalfamilie van ongeveer 35 talen die in het gebied aan de noordkant van de Kaukasus...
langues caucasiennes du Nord
/ˌnoːrt koˈre.ja/, /ˌno̝ːrt koˈre.ja/
pronoun
1. een land in Oost-Azië, officieel de Democratische Volksrepubliek Korea
Corée du Nord
pronoun
1.
Macédoine du Nord
pronoun
Tyrol du Nord
adjective
boréal
abbreviation
1. een van de Samitalen die in Scandinavië gesproken wordt
  1. sami du Nord
  2. same du Nord
pronoun
1. Australisch territorium gelegen in het noorden van het land
Territoire du Nord
noun
1. windrichting
nord
pronoun
1.
  1. Nord
  2. département du Nord
noun
1.
aurore boréale
pronoun
1. wordt beschouwd als het noordelijkste punt van het Europese vasteland
Cap Nord
/ˈnoːrtkrɔmp/
noun
1. bepaalde soort in zee levend schelpdier, Arctica islandica
  1. cyprine
  2. quahog nordique
adverb
nord-est
pronoun
1. Noordpool
Pôle nord
noun
1,2,3. noordpool
pôle nord
pronoun
1. een vorm van skisport waarbij de twee onderdelen van het Noords skiën, schansspringen en langlaufen, gecombineerd worden
combiné nordique
noun
1. grote gestroomlijnde vinvis met brede platte U-vormige snuit, Balaenoptera borealis
  1. rorqual boréal
  2. baleinoptère de Rudolphi
  3. rorqual de Rudolphi
  4. rorqual sei
/ˈnoːrdzeː/, /ˈnoːrtseː/, /ˈno̝ːrtse/
pronoun
1. zee tussen Groot-Brittannië, Noorwegen, Denemarken, Duitsland, Nederland en België
mer du Nord
/noːrs/, /no̝ːrs/
adjective
1. betreffende Noorwegen en/of het Noors
  1. norvégien
  2. norvégienne
/noːrs/, /no̝ːrs/
pronoun
1. de taal die wordt gesproken in Noorwegen
norvégien
/ˈnoːrˌweɣə(n)/, /ˈnoːrˌβ̞eɣə(n)/, /ˈno̝ːrˌʋeχə(n)/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa
Norvège
/noːt/
noun
  1. 2. (plantkunde) boomvrucht met verhoute vruchtwand
    fruit à coque
  2. 1. (kookkunst) eetbaar, oliehoudend zaad, kern of pit met harde dop
    1. noix
    2. fruit à coque
  3. 3. (muziek) een geluid van zekere tijdsduur
    note
noun
  1. 2. gepeld zaad van de nootmuskaatboom Myristica fragrans
    muscade
  2. 1. en 2. (gepeld) zaad van de nootmuskaatboom Myristica fragrans
    noix de muscade
indefinitePronoun
1. (informeel) niets of nul
dalle
noun
1. gevangenis
  1. taule
  2. tôle
noun
norme
/nɔrˈmaɫ/
adjective
2. als norm dienend
normal
noun
1. oude eenheid van lichtsterkte
bougie
noun
normalité
adverb
1. in het normale geval
normalement
/nɔrˈmɑndɪə/
pronoun
1. streek in het noorden van Frankrijk
Normandie
noun
1.
Normand
verb
normer
adjective
1. onvriendelijk en zwijgzaam, kortaf
  1. maussade
  2. renfrogné
noun
nostalgie
noun
1. jurist die bevoegd is om authentieke akten op te maken
notaire
noun
notation
noun
1. set van vijf lijnen
portée
noun
1. een boomsoort uit het geslacht Juglans
noyer
adjective
brun noisette
noun
  1. casse-noisettes
  2. casse-noix
noun
1. muzieknotatiesysteem
notation musicale
verb
1. aantekeningen maken
noter
verb
notifier
adjective
notionnel
noun
1. aantekenboekje met afscheurbare blaadjes
bloc de brouillon
noun
1. algemene bekendheid
notoriété
noun
1. een verslag van een bijeenkomst
procès-verbal
noun
secrétaire de seance
adverb
1. op dit moment
maintenant
noun
1. mensen met een nieuw verkregen fortuin, en daarom met minder status dan mensen uit rijke, oude families
nouveaux riches
noun
1.
Nouvelle Vague
noun
1. schuldvernieuwing
novation
noun
1. de elfde maand van het jaar
novembre
pronoun
Révolution allemande de novembre 1918
noun
novice
noun
nouveauté
adverb
1. op het huidige tijdstip
maintenant
adverb
1. op onregelmatige tijden
quelquefois
pronoun
1. verzamelnaam van een zestal talen die in Egypte en Soedan worden gesproken
langues nubiennes
noun
Nubien
adjective
nucléaire
noun
1.
nudisme
/nɵl/
cardinalNumeral
1. getal
zéro
noun
point zéro
adjective
numéraire
/ˈnumeɾi/
pronoun
  1. Nombres
  2. Livre des Nombres
adjective
numineux
noun
1. de munt- en penningkunde
numismatique
/ˈnʏmər/
abbreviation
1. een aanduiding met een getal
numéro
noun
1. een op een voertuig aangebracht teken met een registratienummer
  1. plaque d'immatriculation
  2. plaque minéralogique
noun
1. metalen of kunststoffen plaat aangbracht op een voertuig met het kenteken ervan
plaque d'immatriculation
noun
1. een geïsoleerde bergtop, -rand of -piek in een gebied met permanente ijsbedekking, die vrij is van sneeuw en ijs.
nunatak
noun
1.
nonce
/nʏt/
noun
1. baat, voordeel
utilité
adjective
1. zonder voordeel
inutile
adjective
utile
/'nɵtəɣə(n)/
verb
1. voedsel gebruiken
consommer
pronoun
1.
Nuuk
pronoun
1. taal uit de Bantoetalen, gesproken door 7 000 000 mensen in Malawi...
  1. chichewa
  2. nyanja
noun
1. de vijftiende letter van het alfabet
o
noun
2. afwijking van de normale stand van de benen, waarbij de knieën naar buiten staan
jambes arquées
noun
1. onvoltooid tegenwoordige tijd
présent
/otete'te/
noun
1. onvoltooid tegenwoordig toekomende tijd
futur
noun
1. onvoltooid verleden tijd
imparfait
noun
1. onvoltooid verleden toekomende tijd
conditionnel
/o'azə/
noun
1. plek in een woestijn waar water voorhanden is en vegetatie groeit.
oasis
/oˈbɑtja/
pronoun
2. boek in de Bijbel
Abdias
noun
2. mechanisme waardoor een stuk gesubduceerde aardkorst langs een subductiezone omhoog beweegt en over de subducerende tektonische plaat schuift
obduction
noun
obédience
noun
1. een bediende in een restaurant of café
  1. serveur
  2. serveuse
noun
1. vetzucht
obésité
/ˈɔpjɛkt/
noun
  1. 1. voorwerp
  2. 2. grammaticaal voorwerp
objet
noun
objection
adjective
2. onpartijdig, volgens de feiten, neutraal
objectif
adverb
1. onpartijdig, volgens de feiten, neutraal
objectivement
noun
1. lens
objectif
verb
objectiver
noun
objectivité
adjective
1. verplicht
obligatoire
adjective
obscène
noun
obscurité
verb
1. in buitensporige, ziekelijke mate boeien
obséder
noun
observance
noun
1. waarneming
observation
verb
1.gericht via de zintuigen van iets kennis nemen
observer
noun
1. dwangvoorstelling
obsession
adjective
obsolète
noun
1.
obstacle
verb
1. een factor vormen die een gebeurtenis of handeling (bijna) onmogelijk maakt
obstruer
noun
1. (muziekinstrument) een fluit die veelal gemaakt wordt van gebakken klei
ocarina
adjective
1. nu en dan voorkomend
occasionnel
adjective
1. met betrekking tot Occitanië of het Occitaans
occitan
pronoun
1. een taal die in het zuiden van Frankrijk gesproken wordt
occitan
pronoun
  1. 1. streek in het zuiden van Frankrijk
  2. 2. regio in het zuiden van Frankrijk
Occitanie
/ˌɔklyˈsif/
noun
1. een medeklinker die geproduceerd wordt met een volledige obstructie ergens in het spraakkanaal
occlusif
noun
1.
occultisme
verb
occuper
noun
1. een zeer grote zee tussen verschillende werelddelen
océan
adjective
bleu océan
/oseˈjani.jə/, /oseˈjaːni.jə/
pronoun
1. de collectieve naam voor een groot aantal eilanden in de Stille Oceaan...
Océanie
noun
1.
océanologue
noun
1. bepaald soort zoogdier, Leopardus pardalis
ocelot
noun
1. eerste deel van de dag, tussen ca. 6.00 en 12.00 uur
  1. matin
  2. matinée
/ˈɔxtəntblɑt/
noun
1. een krant die 's morgens vroeg wordt bezorgd
journal de matin
/ˈɔxtəntkrɑnt/
noun
1. een blad dat 's morgens vroeg wordt bezorgd
journal du matin
noun
1. een persoon die meestal vroeg opstaat en zich `s morgens het meest fit voelt en reeds vroeg actief is
lève-tôt
/ˈɔxtəntzɔn/
noun
1. zonneschijn vroeg in de morgen
soleil matinal
noun
1,2,3. toontrap, interval en toonhoogtereeks
octave
noun
1. C₈H18
octane
noun
1. hoekmeetinstrument
octant
verb
1.
octavier
/ɔkta'ʔedər/
noun
1. een regelmatig achtvlak, een ruimtelijke figuur begrensd door acht gelijkzijdige driehoeken
octaèdre
noun
1. 1051
octilliard
noun
1. 1048
octillion
noun
1. achtarmige inktvis
pieuvre
noun
1. machtiging om een bepaalde tijd als enige, met uitsluiting van anderen, van een uitvinding te kunnen profiteren
brevet
adjective
1. met betrekking tot het oog
oculaire
noun
1. lens waar men inkijkt
oculaire
noun
ode
pronoun
Odessa
adjective
odieux
noun
odométrie
verb
odoriser
noun
1. een beweging
écoumène
/ˌø.kyˈme.nis/
adjective
1. tussen kerken, van meerdere kerkgenootschappen
œcuménique
noun
1. (medisch) waterzucht
œdème
adjective
œdémateux
noun
1. test om de kennis te peilen
exercice
/u.'ɣɑn.da/, /u.'χɑn.da/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika, officieel de Republiek Oeganda
Ouganda
noun
1.
  1. grand-duc
  2. hibou d'Europe
  3. hibou grand-duc
/ukraˈɦins/, /ukraˈʔins/
pronoun
1. een Slavische taal die in Oekraïne gesproken wordt
ukrainien
noun
1. munteenheid van Oekraïne
hryvnia ukrainienne
/ukraˈɦinə/, /ukraˈʔinə/
pronoun
1. een land in Oost-Europa met als hoofdstad Kiev
Ukraine
noun
1.
boulet
/un/
noun
1.
âne hongre
/ˌenoloˈɣi/
noun
1. de wetenschap van de wijnbereiding
œnologie
pronoun
1. taalfamilie van ongeveer 45 talen die hoofdzakelijk in het noorden van Europa en Azië worden gesproken
langues ouraliennes
noun
een bos dat van oudsher bestaat
  1. forêt primaire
  2. forêt vierge
/ˈuːrknɑl/
noun
1. de volgens de bigbangtheorie enorme explosie waaruit het heelal zo'n 13,7 miljard jaar geleden zou zijn ontstaan
big bang
/ˈuː.rɔs/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Bos primigenius
  1. aurochs
  2. auroch
noun
1. ontsteking van de slokdarm
œsophagite
noun
1. tweekleppig weekdier uit de familie Ostreidae met onregelmatige schelpkleppen
  1. huître
  2. huitre
noun
ostréiculteur
noun
1.
ostréiculture
noun
1. bepaald soort eetbare paddenstoel die meestal groeit op de stam van een loofboom, Pleurotus ostreatus
pleurote en forme d’huître
noun
1. een vrouwelijk hormoon
œstrogène
noun
hirondelle de rivage
pronoun
1. een taal die verwant is aan het Turks en die door de Oezbeken gesproken wordt
ouzbek
/us.ˈbe.kɪ.stɑn/, /uz.ˈbe.kɪ.stɑn/
pronoun
1. een land in centraal Azië, officieel de Republiek Oezbekistan, dat geheel door land wordt omsloten
Ouzbékistan
conjunction
1. keuze
ou
adjective
1. aanvallend
offensif
noun
1.
offensive
noun
1. een gave aan een godheid
sacrifice
verb
  1. 4. belasting betalen
    1. casquer
    2. exécuter
  2. 2. doden van een dier
    immoler
  3. 3. betalen
    payer
  4. 1. wijden aan
    1. sacrifier
    2. offrir en sacrifice
/ɔ'fɛrtə/
noun
1. een aanbieding van goederen of diensten tegen een vaste prijs
offre
/ɔˈfismɛs/
noun
1. klein keukenmes
couteau d'office
adjective
1. erkend door bevoegd gezag
officiel
adjective
officieux
verb
officier
verb
1. aanbieden, specifiek het aanbieden van een dienst of product door een bedrijf
offrir
conjunction
encore que
/ɔfˈtɑɫmis/
adjective
1. met betrekking tot het oog en/of de ziekten ervan.
ophthalmique
noun
1. de tak van de medische wetenschap die zich met het oog en het zicht bezig houdt
ophtalmologie
noun
ophtalmologue
noun
1. een scheikundig element met het symbool Og en het atoomnummer 118
oganesson
noun
1. Een bepaald tijdstip
moment
noun
ogre
noun
1. groot zoogdier dat nauw verwant is aan de giraffe
okapi
noun
1. een mineraal dat als gele of oranje kleurstof gebruikt wordt
ocre
adjective
brun terre de Sienne
adjective
jaune ocre
noun
1.
Okinawaïen
adjective
1. met betrekking tot Okinawa of de Okinawaanse taal
okinawaïen
pronoun
1. een streektaal in Okinawa
okinawaïen
noun
1. walnoot
  1. noyer commun
  2. noyer royal
noun
gombo
noun
jubé
noun
1. holte tussen de arm en de romp
aisselle
noun
1. de tiende maand van het jaar
octobre
pronoun
Révolution d'Octobre
interjection
1. goed, in orde
  1. d'accord
  2. O.K.
noun
1. bepaalde soort sierplant, Nerium oleander
  1. laurier-rose
  2. oléandre
noun
1. vettige vloeistof
huile
noun
1. een baksel gemaakt van een vloeibaar gerezen beslag dat in hete olie gebakken is
  1. beignet
  2. croustillon
noun
crise du pétrole
noun
filtre à huile
noun
palmier à huile
noun
oléoduc
noun
raffinage van aardolie
raffinage du pétrole
noun
1. een gebeurtenis waarbij grote hoeveelheden olie in het milieu terecht komen en daar schade aanrichten
marée noire
noun
1. een sedimentair fijnkorrelig gesteente dat organische en chemische stoffen bevat en waar synthetisch olie en gas uit gewonnen kan worden
schiste bitumineux
noun
1. het belangrijkste enkelvoudig onverzadigde vetzuur met brutoformule C18H34O₂
acide oléique
noun
1. groot dikhuidig en veelhoevig zoogdier met een lange slurf
éléphant
noun
oligarque
noun
oligarchie
/ˌoliɣoˈsen/
noun
Oligocène
noun
1. stof met beperkt aantal gelijke delen
oligomère
noun
oligopole
/oˈlɛɪf/, /oˈlɛːf/
noun
1. een vrucht van de olijfboom
olive
noun
1. bepaald soort boom, Olea europaea
olivier
adjective
brun olive
adjective
jaune olive
adjective
gris olive
adjective
vert olive
/oˈlɛɪ̯fkløːrɪx/, /oˈlɛɪ̯fklʏːrəχ/, /oˈlɛːfkløːrəx/
adjective
1. de kleur van olijven hebbend
olivâtre
noun
1. fijne spijsolie verkregen door persing uit olijven
huile d'olive
verb
1. met olie bewerken
huiler
noun
  1. 1.
  2. 2.
  3. 3.
olympiade
adjective
olympique
adjective
1. verband houdend met de Olympische Spelen
olympique
/o.ˌlɪm.pi.sə.ˈspe.lə(n)/
pronoun
1. een vierjaarlijks sportevenement dat zijn oorsprong in de stad Olympia in de Griekse landstreek Elis heeft
  1. Jeux Olympiques
  2. Jeux olympiques
pronoun
1. evenement dat eens in de vier jaar wordt gehouden waarbij allerlei wintersporten competitief beoefend worden
  1. jeux Olympiques d'hiver
  2. Jeux Olympiques d'hiver
noun
1. moeder van een ouder
grand-mère
/o.ˈman/, /ˈo.mɑn/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel het Sultanaat Oman
Oman
verb
1. de armen om iemand heen slaan
embrasser
adjective
gris terre d’ombre
/ˈɔmbʏdsˌmɑn/, /ˈɔmbʏtsˌmɑn/
noun
1. een ambtenaar die de taak heeft om als onpartijdige instantie klachten van individuele burgers tegen de overheid, instellingen en bedrijven te onderzoeken
médiateur
/ɔm.'dɑt/
conjunction
1. geeft onderschikkend een reden aan
parce que
/ɔmdrajə(n)/
verb
1. twee zijden van iets van plaats doen verwisselen
tourner
noun
1. een gerecht dat bereid wordt door geklutste eieren te bakken
omelette
verb
1. zich eromheen bevinden
entourer
verb
1. met een gordel omgeven
ceindre
verb
1. aan alle kanten omsluiten
clôturer
verb
1. de armen om iemand slaan
embrasser
adverb
1. omhoog
en haut
verb
1. iets boven de gewone positie brengen
lever
verb
1. de andere zijde boven- of voorleggen
tourner
verb
1. andere kleren aandoen
changer
/ˈɔmkomə(n)/
verb
1. bij een gebeurtenis het leven laten
mourir
/ˈɔmkopə(n)/
verb
1. (iemand ~) met behulp van geschenken, geld e.d. overhalen om van zijn plicht, partij, overtuiging te verzakent
  1. corrompre
  2. acheter
noun
corruption
adverb
1. in neerwaartse richting
en bas
/ɔm'laːxan/
verb
1. naar beneden gaan
descendre
verb
1. het uitzetten van een alternatief pad rondom een ontoegankelijk deel van de weg
dévier
noun
1. een aangegeven andere route
déviation
noun
4. nagelriemontsteking, paronychia
périonyxis
noun
1. de achterkant van een blad papier
verso
adjective
omniprésent
noun
2. combinatieklassement bij baanwielrennen
omnium
noun
1. alleseter, zowel plantaardig als dierlijk voedsel
omnivore
pronoun
1. taalfamilie van enkele talen die in Ethiopië worden gesproken
langues omotiques
/ɔm.ˈplɑn.tə(n)/, /ˈɔm.plɑn.tə(n)/
verb
2. op een andere plaats zetten
transplanter
verb
1. door praten van gevoelens doen veranderen
convaincre
verb
1. aan alle kanten omsluiten
clôturer
verb
1. aan alle kanten omgeven
entourner
verb
1. aan alle kanten omsluiten
  1. encercler
  2. investir
noun
badaud
noun
hoe de zaken er voorliggen
circonstance
verb
1. iets met een slag om laten vallen
renverser
noun
  1. 2. grootte
    1. ampleur
    2. taille
  2. 1. omtrek
    circonférence
  3. 3. uitgestrektheid
    1. envergure
    2. étendue
verb
2. een einde maken aan een bewind
renverser
/ˈɔm.vɔl.kɪŋ/
noun
grand remplacement
noun
1.
convertisseur
/ˈɔmʋɪsələ(n)/
verb
  1. 2. verruilen voor een ander
    1. changer contre
    2. échanger
  2. 1. van plaats laten ruilen met een ander
    changer de place
/ˈɔmzɛtbəˌlɑstɪŋ/
noun
1. belasting over de omzet
impôt
adjective
1. geen verbinding hebbend met
  1. indépendamment
  2. peu importe
noun
déclaration d'indépendance
adjective
1. helemaal bij elkaar horend
inséparable
adjective
1. niet mogelijk om te kunnen veranderen of vermijden
  1. inévitable
  2. inéluctable
adjective
incalculable
adverb
1. niet of zeer moeilijk te begrijpen, rationeel niet te volgen, onlogisch
incompréhensible
noun
incompréhension
adjective
1. niet behorend tot de kennis
inconnu
noun
  1. 1.
    1. inconnu
    2. inconnue
  2. 2.
    inconnue
adjective
1. slecht gemanierd
impoli
noun
1. onethisch gedrag dat geen rekening houdt met een ander
impolitesse
noun
1. de onverbogen werkwoordsvorm die naar persoon en getal onvervoegd is
infinitif
noun
1. gedrag dat schaamte op zou moeten roepen maar het bij die persoon niet doet
  1. impudence
  2. insolence
adjective
injouable
adjective
1.
innavigable
adjective
  1. 1. zonder bevoegdheid
    1. incapable
    2. incompétent
  2. 2. zonder certificaat/beëdiging e.d.
    incertifié
adjective
infertilisé
adjective
immovable
/'ɔmbə'wexələk/
adjective
  1. 1. zonder enige beweging
    inerte
  2. 2. niet bewogen kunnen worden
    inébranlable
adjective
improuvable
adjective
1.
inhabitable
adjective
inhabité
adjective
1. zonder kennis van te nemen
inconscient
noun
1. het niet langer gebruiken van iets
désuétude
noun
1. een medisch specialist die zich bezighoudt met de gezwelgroei, in het bijzonder met kanker
oncologue
adjective
1. zonder erkentelijk te zijn voor ontvangen hulp of producten
ingrat
preposition
1. ook al is het zo dat
malgré
noun
1.een middel tegen misselijkheid en braken door chemotherapie,door bestraling en na operaties
ondansétron
/ˈɔn.dər/
preposition
1. niet gesorteerd
en dessous
/ˌɔndərˈɑrṃ/
noun
1. gedeelte van de arm tussen de elleboog en de hand
avant-bras
verb
  1. 1. weinig aandacht aan iets besteden
  2. 2. te weinig belichten (bij een foto maken)
sous-exposer
verb
1. te weinig betalen
sous-payer
noun
1. het geheel van processen dat zich in iemands geest afspeelt en waar deze zich niet van bewust is
subconscience
verb
1. actie ondernemen om een in gang zijnd proces tot staan te brengen
interrompre
/ɔn.dər.ˈbre.kɪŋ/, /ɔn.dər.ˈbreː.kɪŋ(g)/
noun
  1. 2. een kort ophouden van bezigheden als pauze
    1. intermission
    2. pause
  2. 1. een tijdelijk staken van activiteit door een onverwachte gebeurtenis
    interruption
noun
1. kledingstuk dat onder de gewone broek wordt gedragen
  1. caleçon
  2. slip
/ˈɔndərde:l/
noun
1. deel van een groter geheel
composant
noun
1. onderdominant
subdominante
verb
1. onder een vloeistofoppervlak laten zakken
  1. inmerger
  2. plonger
noun
1. een druk in een vat die lager is dan die van de buitenwereld
sous-pression
/ˈɔndərˌdœykər/
noun
1. een persoon die zich schuil houdt
clandestin
noun
1.
sous-famille
verb
1.
sous-financer
noun
een chemische verbinding met de formule H₃PO₂.
acide hypophosphoreux
noun
  1. 1.
    coucher
  2. 2-3.
    1. décadence
    2. chute
    3. déclin
noun
1.
sous-genre
noun
  1. 1. die het bericht ondertekend heeft
    1. soussigné
    2. soussignée
  2. 2. (schertsend) in verwijzing naar zichzelf
    1. votre humble serviteur
    2. votre serviteur
/ˈɔn.dər.ˌɣud/, /ˈɔn.dər.ˌɣut/, /ˈɔn.dər.ˌχut/
noun
1. kleding die direct op het lichaam gedragen wordt, doorgaans nog onder andere kleding
sous- vêtements
noun
1.de grond onder de oppervlaktelaag
sous-sol
noun
négociateur
verb
1. overleggen om tot een afspraak te komen
négocier
/ɔndər'ɦɑndəlɪŋ/
noun
1. een proces van overleg waarbij partijen trachten tot een voor beiden aanvaardbare afspraak te komen
  1. négociation
  2. pourparlers
noun
maillot de corps
noun
1. handelingen verricht om iets in goede staat te houden.
  1. entretien
  2. maintenance
verb
1. zorgen dat iets in goede staat blijft
entretenir
noun
1. de onderste kaak
  1. mâchoire inférieure
  2. mandibule
noun
dessous
/ˈɔndərkledɪŋ/
noun
1. kleding die onder de zichtbare kledingstukken wordt gedragen
  1. sous-vêtements
  2. dessous
noun
1. gouverneur van een land of een provincie die als vervanger van de monarch optreedt
vice-roi
noun
lèvre inférieure
verb
2. de werking of het voortbestaan van iets bedreigen of hinderen
miner
noun
entrepreneuse
verb
1. een bedrijf of actie in werking stellen
entreprendre
noun
1.
entrepreneur
noun
1.
entrepreneuriat
noun
1. vereniging van en voor ondernemers
association d'entrepreneurs
noun
plan d'entreprise
/ɔn.də.'rɔn.s<sup>j</sup>ə/
noun
  1. aparté
  2. petit comité
  3. tête à tête
noun
gage
noun
sous-production
verb
1. iets kleiner of van kleiner belang inschatten dan het in werkelijkheid blijkt
sous-estimer
verb
  1. 1. een verschil in aanmerking nemen
    1. distinguer
    2. discerner
  2. 2. iemands bijzonder gedrag erkennen, bijvoorbeeld middels een medaille
    décorer
noun
  1. 2. tekst onder een afbeelding
    légende
  2. 1. handtekening
    signature
noun
2.
sous-espèce
noun
châssis
verb
1. helpen, bijstaan
soutenir
verb
1. een streep onder een woord of passage zetten
souligner
verb
signer
/ˌɔndərˈtitələ(n)/
verb
1. ondertiteling aanbrengen
sous-titrer
noun
1. een geschreven vertaling die bij een film(pje) in beeld wordt gebracht
sous-titre
adjective
1.
sous-représenté
noun
1. het relatief weinig voorkomen van bepaalde delen van de bevolking in bepaalde functies
sous-représentation
/ˌɔndərˈvɪndə(n)/
verb
1. door ervaring ergens achter komen
apprendre
/ɔndərˈvut/
adjective
sous-alimenté
noun
sous-alimentation
/ɔndərˈvraxə(n)/
verb
1. iemand aan een intensieve reeks vragen onderwerpen
interroger
/ˌɔn.dər.ˈʋa.tər.ˌfo.to.χra.ˌfi/, /ˌɔn.dər.ˈβ̞a.tər.ˌfo.to.ɣra.ˌfi/
noun
1. een vorm van fotografie onder water
photographie sous-marine
/ˌɔndərˈwɛx/, /ˌɔndərˈʋɛχ/, /ˌɔndərˈβ̞ɛx/
adverb
1. bezig zijn zich van plek A naar plek B te verplaatsen
  1. en chemin
  2. chemin faisant
  3. en cours de route
noun
  1. 2. het schimmenrijk van de doden
    enfers
  2. 1. de kringen van de criminaliteit
    pègre
noun
  1. 2. zinsdeel waarnaar de persoonsvorm zich richt en dat bijv. de handelende persoon of zaak beschrijft
  2. 1. waar iets over gaat, een thema
sujet
verb
  1. 2. zich overgeven
  2. 1. gezag opleggen
soumettre
noun
1. de voorziening van opleidingen
  1. éducation
  2. enseignement
noun
1. iemand die lesgeeft
  1. professeur
  2. enseignant
  3. instituteur
noun
1. een oude benaming voor een vrouwelijke leraar op een lagere school of basisschool
  1. enseignante
  2. professeure
noun
sous-marin
/ɔndərˈzes/
adjective
sous-marin
noun
1. een vaartuig dat onder het wateroppervlak kan varen
sous-marin
/ɔndər'zuːk/
noun
1. het onderzoeken van iets
recherche
verb
  1. examiner
  2. chercher
  3. explorer
noun
1. iemand die een onderzoek uitvoert
chercheur
/ˌɔn.dər.ˈzuk.stər/
noun
1. een vrouwelijk persoon die vraagstukken onderzoekt
chercheuse
noun
1. ondes Martenot
ondes Martenot
adjective
1. niet diep
peu profond
adjective
1. een fictieve toestand waarin een mens of ander wezen terechtkomt als hij/het is gestorven, maar teruggehaald is uit de dood
  1. mort-vivant
  2. revenant
adjective
insupportable
adjective
1. niet mis de verstaan, met slechts één betekenis
  1. explicite
  2. sans équivoque
verb
onduler
adjective
1. zonder einde
infini
noun
1.
coup d'un soir
adjective
onéreux
adjective
1. Niet deelbaar door twee
impair
preposition
1. los van
malgré
adjective
1. zonder remmingen, beperkingen of grenzen
effréné
adjective
1. niet conform datgene wat gebruikelijk is
inusuel
noun
1. ongewenste dieren, die de mens op een of andere manier last bezorgen
vermine
adjective
  1. 1. zonder vastlegging in blijvende vorm, zonder schriftelijk bewijs
    1. non enregistré
    2. sans fondement
  2. 2. illegaal, zonder geldige verblijfsvergunning
    sans-papiers
noun
impatience
adjective
infondé
/ɔnɣə'hoːrzam/, /ɔnɣə'ɦoːrzam/, /ɔnχə'ɦo̝ːrzam/
adjective
1. niet bereid gehoor te geven aan gestelde regels
désobéissant
adjective
inédit
adjective
  1. 2. niet onderricht in lezen en schrijven
    analphabète
  2. 1. niet belezen, hebbende een gebrekkige, literaire kennis
    inculte
/ˌɔnɣəˈlɛi̯k/, /ˌɔnχəˈlɛi̯k/
noun
1.
tort
noun
1.het niet geloven
  1. incrédulité
  2. incroyance
/ˈɔnɣəˌlɵk/, /ˈɔnɣəˌlʏk/
noun
1. een onvoorziene gebeurtenis met negatieve en soms zelfs fatale gevolgen
accident
adverb
1.
malheureusement
noun
chiffre porte-malheur
noun
  1. 1. onaangename verstoring
    1. désagrément
    2. gêne
    3. inconvénience
  2. 2. kwaal aan het lichaam
    1. indisposition
    2. mal
adverb
incommode
noun
  1. mécontentement
  2. ras-le-bol
/ɔnɣəvɑl/
noun
1. een ongeluk
accident
abbreviation
bij benadering
environ
adjective
défavorable
adjective
1. niet goed met de handen om kunnen gaan
maladroit
/ˈɔnɦɛːl/, /ˈɔnɦɛːɪl/
noun
1. groot ongeluk
  1. désastre
  2. malheur
adjective
1. zonder mogelijkheid om ongedaan gemaakt te worden
  1. irrévocable
  2. irréversible
adjective
1. niet met de oren waarneembaar
inaudible
/ˈɔŋkəɫ/
noun
1. broer of zwager van iemands vader of moeder
  1. oncle
  2. tonton
adjective
1. niet vatbaar voor omkoping en corruptie
  1. incorruptible
  2. intègre
noun
1. planten die voorkomen op plekken waar ze niet gewenst zijn
mauvaise herbe
noun
1. gif of andere methode om planten die op de verkeerde plaats staan uit te roeien
  1. désherbant
  2. herbicide
/ɔŋ.kʏn.dəx/, /ɔŋ.kʏn.dəχ/, /ɔŋ.kʏn.dɪx/
adjective
1. niet kundig, niet over kennis of vaardigheden beschikkend om iets bepaalds te kunnen
ignorant
/ɔnlaŋs/
adverb
1. recentelijk, niet lang geleden
récemment
adjective
illisible
adjective
1. in verbintenis met het internet
en ligne
noun
impuissance
adjective
  1. 1. zonder uitstel
  2. 2. zonder omwegen
immédiat
adverb
  1. 2. zonder omwegen
    immédiatement
  2. 1. zonder uitstel
    1. immédiatement
    2. sur-le-champ
adjective
1. niet te verwezenlijken
impossible
adjective
3. dwaas, naïef
  1. naïve
  2. ingénu
  3. ingénue
  4. jobard
  5. jobarde
  6. naif
/ˌonomatoˈpe/
noun
1. door klanknabootsing gevormd woord
onomatopée
adjective
1.
inattentif
adjective
1.
insoluble
adjective
1.expres je anders voordoen dan je bent
insincère
adjective
involontaire
/ˈɔnovərˌɣɑŋkələk/, /ˌɔnovərˈɣɑŋkələk/
adjective
1. (van een werkwoord) zonder lijdend voorwerp waarop de werking van het werkwoord overgedragen wordt
intransitif
noun
1. een werkwoord dat niet vergezeld kan worden door een lijdend voorwerp of een meewerkend voorwerp in een zin
verbe intransitif
adjective
niet partijdig , niet bij een bepaalde stelling of kant aansluiten
impartial
adjective
1. niet op een wijze die goed uitvoerbaar is in de werkelijkheid
impraticable
noun
injustice
noun
1. schadeverwekkende inbreuk op een zorgvuldigheids- of rechtsnorm waardoor burgerrechtelijke aansprakelijkheid ontstaat
délit civil
adjective
  1. onzuiver, onkuis
    1. immonde
    2. impure
  2. vuil
    1. immonde
    2. sale
noun
1. niet-verplaatsbare zaak, bijv. grond, delfstoffen, beplantingen en opstallen
bien immeuble
personalPronoun
1. 1e persoon meervoud als (direct of indirect) object of na een voorzetsel
nous
possessivePronoun
1. van de 1e persoon meervoud
notre
/ˌɔnsamə(n)ˈhɑŋənd/, /ˌɔnsamə(n)ˈhɑŋənt/
adjective
1. geen samenhangend geheel vormen
incohérent
/ˌɔnsamə(n)ˈhɑŋənd/, /ˌɔnsamə(n)ˈhɑŋənt/
adverb
1. op een niet samenhangend manier
de façon incohérente
adjective
1. Onbetaalbaar
inestimable
adjective
immortel
adjective
1. moeilijk in toom te houden
impétueux
adjective
perverti
verb
1. overgaan in iets verkeerds
dégénérer
/ɔntˈberə(n)/
verb
1. iets missen waaraan men grote behoefte heeft
manquer
noun
1. eerste maaltijd van de dag
  1. petit déjeuner
  2. déjeuner
noun
1. grote ruimte (in een hotel) waar een groep mensen het ontbijt kan gebruiken
salle de petit-déjeuner
noun
1
décomposition
/ɔndˈbladərə(n)/, /ɔntˈbladərə(n)/
verb
1. (een plant, boom, struik of gewas) van de bladeren ontdoen
effeuiller
noun
déforestation
verb
1. niet aanwezig zijn terwijl dit wel zou moeten of verwacht wordt
manquer
/ɔntˈsɛɪ̯fərə(n)/, /ɔntˈsɛːfərə(n)/
verb
1. qua betekenis duiden
déchiffrer
verb
1. het verwijderen van enkele of alle organen van het darmkanaalstelsel
éventrer
/ɔnˈdɛ.kə(n)/
verb
  1. 1. ergens achter komen
    découvrir
  2. 2. een onbekend gebied verkennen en onderzoeken
    explorer
noun
1. het vinden van iets nieuws
découverte
noun
exploration
verb
1. ophouden bevroren te zijn
  1. dégeler
  2. décongeler
noun
expropriation
adjective
innombrable
verb
1. van zijn of haar eer beroven
déshonorer
verb
1.
déshériter
noun
1.
exhérédation
verb
1. iemand iets afhandig maken
soutirer
noun
1. rituele toelating tot een studentencorps
bizutage
noun
1. de manier waarop men iemand als gast ontvangt
  1. accueil
  2. chère
verb
1. bewust kiezen voor ontspanning als reactie op werkdruk
  1. décompresser
  2. ralentir
verb
1. iemand gastvrij verwelkomen
accueillir
verb
  1. 2. de gewijde functie van iets verwijderen
    1. déconsacrer
    2. désécrer
  2. 1. iets wat gewijd is schenden, onteren
    désacraliser
verb
1. iemand doden door het hoofd van de romp te scheiden
décapiter
verb
  1. 1. in het geheugen bewaren
    1. retenir
    2. se rappeler
  2. 2. bewust iets niet doen
    s'abstenir
/ɔntˈɦɵlə(n)/, /ɔntˈɦʏlə(n)/
verb
  1. 2. openbaren van onbekende feiten
    dévoiler
  2. 1. van het hulsel ontdoen
    inaugurer
adjective
1. verbijsterd, ontsteld
ébahi
/ɔnt.ˈkɑl.kə(n)/, /ɔnt.ˈkɑɫ.kə(n)/
verb
1. kalk van een metalen oppervlak verwijderen
détartrer
/ɔnt.ˈkɑl.kɪŋ/, /ɔnt.ˈkɑɫ.kɪŋ/
noun
1. het verwijderen van kalk van een metalen oppervlak
détartrage
verb
1. verklaren dat het gestelde niet waar is
  1. nier
  2. contester
  3. dénier
noun
1. handeling of uiting waarmee iemand kan laten weten dat iets niet waar is
dénégation
verb
  1. déchainer
  2. déchaîner
noun
1. voetbediening om de verbinding tussen de motor van een voertuig en de wielen te verbreken
pédale d'embrayage
noun
  1. 2.
    décharge électrique
  2. 1.
    déchargement
  3. 3.
    explosion
verb
3. poepen
déféquer
verb
1. anatomiseren, analyseren
  1. disséquer
  2. analyser
  3. décomposer
noun
anatomie
verb
1. van luister of aanzien beroven
  1. dégrader
  2. flétir
verb
1. een geheel dusdanig in delen uiteennemen dat het niet meer als geheel fuctioneert
démanteler
verb
1. de ware aard laten zien van iets of iemand
démasquer
verb
2. beroven van het menselijke
déshumaniser
verb
1. de moed ontnemen
décourager
verb
1. met iemand kennismaken en een gesprek voeren
rencontrer
verb
1. zorgen dat iemand ergens niet meer over beschikt
  1. dépouiller
  2. enlever
noun
dénoyauteur
noun
explosion
verb
1. ontwarren
  1. effiler
  2. débrouiller
adjective
1. zo verward en ellendig dat je volledig afhankelijk van hulp bent
désemparé
verb
1. de regelmaat verstoren
dérégler
verb
1. gevoelens van medeleven, vertedering of getroffenheid oproepen
  1. émouvoir
  2. bouleverser
adjective
1. aandoenlijk, aangrijpend
  1. touchant
  2. attendrissant
verb
1. van de schoonheid beroven
enlaidir
verb
  1. 2. iemand ontslaan van een verplichting
    1. libérer
    2. entbinden
  2. 1. arbeidsovereenkomst beëindigen
    1. licencier
    2. virer
  3. 3. beëindigen van een ziekenhuisopname
    sortir
/ɔnt'slɑx/
noun
1. het verbreken van het dienstverband met een werknemer
licenciement
verb
  1. 2. besmetting met chemicaliën of radioacitieve stoffen ongedaan maken
    décontaminer
  2. 1. kleine organismen zoals bacteriën gericht doden
    désinfecter
verb
2. tijdens een wedstrijd door middel van een tempoversnelling uit een peloton of groep weg fietsen
s’échapper
verb
1. uit het aangelegde spoor geraken
  1. dérailler
  2. derail
/ɔnt.ˈstan/
verb
1. de verandering ondergaan van niet bestaan naar wel bestaan
naître
noun
  1. 2. ontbranding
    allumage
  2. 1. (medisch) ontsteking
    inflammation
/ɔntˈstɛl.tə.nɪs/, /ɔntˈstɛɫ.tə.nɪs/
noun
1. toestand van plotselinge en grote schrik, verwarring en/of paniek
  1. affolement
  2. désarroi
  3. frayeur
  4. panique
  5. trouble
noun
  1. 1. het niet voorhanden zijn, ontbreken, niet aanwezig zijn, verhinderd zijn (meestal door factoren buiten de macht van de betrokkene bijvoorbeeld ziekte, familieomstandigheden)
    1. absence
    2. absentéïsme
    3. désertion
    4. éloignement
  2. 2. het falen, mislukken
    1. défaillance
    2. insuccès
    3. échec
noun
1.
désenchantement
/ɔn'trɛkɪŋ/
noun
1.
extraction
/ɔn'tronə(n)/
verb
1. iemand van de macht beroven
détrôner
/ɔntʌxt/
noun
1. seks die tegen de heersende moraal ingaat
débauche
noun
1. een elektrische geleider voor de ontvangst van radiofrequente straling
antenne réceptrice
/ɔndˈvaŋ(g)ə(n)/, /ɔntfɑŋə(n)/
verb
  1. 2. het op bezoek krijgen van gasten
    1. accueillir
    2. recevoir
  2. 1. het verkrijgen van zaken zoals loon en berichten
    recevoir
noun
recevabilité
adjective
inflammable
verb
1. vlam vatten
s'enflammer
verb
1. wederrechtelijk en onder dwang iemand weghalen
  1. kidnapper
  2. enlever
noun
1. het, tegen iemands zin, wederrechtelijk verplaatsen van een persoon
  1. enlèvement
  2. kidnapping
verb
1. niet meer abonneren
se désabonner
verb
  1. 2. iets los vouwen
    1. déplier
    2. déployer
  2. 1. iets verklaren
    1. expliquer
    2. exposer
verb
1. een moeilijk waarneembaar object beginnen waar te nemen
  1. apercevoir
  2. découvrir
verb
  1. démêler
  2. débrouiller
/ɔntˈʋɛrpə(n)/
verb
1. bedenken en uitwerken op papier
  1. projeter
  2. concevoir
/ɔntʋɪkələ(n)/
verb
    1. 1. iets ~ een aanwezige aanleg tot bloei brengen
    2. 3. een film ~ het latente beeld van een belicht fotografisch materiaal chemisch zichtbaar maken
    3. 4. ontwerpen en uitvoeren op basis van onderzoek
    développer
  1. 2. zich ~ tot geleidelijk iets worden
    se développer
noun
1. geleidelijke verandering in een zekere richting
développement
noun
verwonding door losmaking uit het gewricht
luxation
/ɔntˈzin/
verb
1. het iemand gemakkelijker maken dan die persoon het anders zou hebben gehad door die persoon minder te belasten
  1. ménager
  2. épargner
adjective
1. nooit oprakend
inépuisable
adjective
1.
inchangé
adjective
irresponsable
/ɔnvərˈbœxbaːr/, /ɔnvərˈbœyxbaːr/
adjective
1. onmogelijk te verbuigen
indéclinable
adjective
1.niet te verdragen
insupportable
adjective
1. niet te vergelijken
incomparable
adjective
1.
inoubliable
adjective
décomplexé
adjective
1.
invendu
adjective
inévitable
/ɔnvɛrˈsxɪləɣˌɦɛit/
noun
1. houding waarbij men zich niets aantrekt van omstandigheden en de opvattingen van anderen
indifférence
noun
imperturbabilité
adjective
1. niet in de doeltaal omgezet
intraduit
adjective
1. duidt de onmogelijkheid aan de plaats van iets door iets anders in te laten nemen
irremplaçable
adjective
1.
inaliénable
adjective
1. niet van tevoren zien aankomen
  1. inattendu
  2. brutal
/ˌɔn.vərˈʋust.bar/, /ˌɔn.vərˈβ̞ust.bar/
adjective
1. niet stuk te krijgen, buitengewoon robuust
indestructible
noun
participe présent
noun
présent
/ˌɔnvorˈzɪxtəxhɛːt/, /ˌɔnvorˈzɪxtɪxhɛɪ̯t/, /ˌɔnvo̝rˈzɪχtəχhɛɪ̯t/
noun
1. een gedraging die gemakkelijk tot ongelukken kan leiden
imprudence
adjective
1. bij verrassing optredend
imprévu
noun
mécontentement
adjective
1. een geringe kans bezittend om waar te worden of te blijken
improbable
/ɔnʋɪːr/
noun
1. meteorologisch verschijnsel waarbij regen gepaard gaat met donder en bliksem
orage
noun
pluie d'orage
adjective
ignare
noun
een variëteit van kwarts
onyx
possessivePronoun
  1. 1. attributief
    1. nos
    2. notre
  2. 2. substantief
    nôtre
/ˌɔn.zəˌli.vəˈvrɑʊ̯.əˌkɛrk/, /ˌɔn.zəˌli.vəˈvrɔʊ̯.əˌkɛrk/
noun
1. een veel voorkomende naam van katholieke kerken
Église Notre-Dame
noun
incertitude
noun
1. benaming voor torren uit de familie Coccinellidae
  1. coccinelle
  2. bête à bon Dieu
adjective
invisible
noun
1.
invisibilité
/ɔn'zɛidəx/
adjective
neutre
noun
non-sens
adjective
1.zonder enige betekenis of nut
  1. insensé
  2. absurde
  3. inepte
/ox/, /oːx/, /oχ/
noun
1. gezichtsorgaan voor het waarnemen van lichtprikkels
œil
/ˌox.ɔm.ˌox, ˌtɑnt.ɔm.ˈtɑnt/, /ˌoɣ.ɔm.ˌox, ˌtɑnd.ɔm.ˈtɑnd/, /ˌoχ.ɔm.ˌoχ, ˌtɑnt.ɔm.ˈtɑnt/
interjection
1. benadrukt volledige vergelding
œil pour œil, dent pour dent
noun
2. een oogbol
pupile
noun
ophtalmologiste
noun
1. een bril voor één oog
monocle
noun
orbite
/ˈoχ.lɪt/
noun
1. een beschermend vlies van huid dat over de ogen bewogen kan worden
paupière
verb
1. het van het land halen van het rijpe gewas
récolte
verb
1. het volgroeide gewas van het veld halen
récolter
noun
1. vrouwelijk schaap
brebis
noun
1. bepaald soort grote witte vogel met zwarte vleugelranden en rode poten, Ciconia ciconia
cigogne
/oːɪt/
adverb
2. een mogelijk tijdstip in de toekomst
jamais
/oːk/
adverb
1. daarnaast; verder; tevens
  1. aussi
  2. également
noun
1. broer of zwager van iemands vader of moeder
  1. oncle
  2. tonton
/oːr/
noun
1. het lichaamsdeel waarmee geluiden kunnen worden gehoord
oreille
noun
1. een mening, een opinie
opinion
noun
avare
noun
1. klein voorwerp om de gehoorgang te blokkeren zodat je niet door lawaai gehinderd wordt
  1. boule Quies
  2. boule quiès
/ˈɔːrkɔndə/
noun
1. rechtskrachtig door getuigen bevestigd bewijsstuk, stammend uit de middeleeuwen
charte
noun
1. wetenschap die oorkonden typeert en beschrijft naar hun vorm
diplomatique
noun
1.het onderste deel van de oorschelp bestaande uit vetweefsel
lobe d'oreille
noun
1. een gewapende strijd tussen twee of meer bevolkingsgroepen en/of tussen twee of meer landen
  1. guerre
  2. conflit
noun
butinde guerre
noun
va-t-en-guerre
noun
1. een daad in tijd van oorlog die het oorlogsrecht of -gebruik schendt
crime de guerre
/ 'orlɔxsmɪsdadəxər/
noun
1. iemand die een oorlogsmisdaad pleegt of heeft gepleegd en daarvoor individueel aansprakelijk gesteld...
criminel de guerre
noun
  1. monument aux morts
  2. monument à la guerre
noun
navire de guerre
noun
veuve de guerre
/ˈorɔntˌstekɪŋ/
noun
1. een ontsteking van het oor
otite
/orsxɛlp/, /o̝rsχɛɫp/
noun
1. het uit het hoofd stekende deel van een oor
  1. pavillon de l'oreille
  2. pavillon
noun
stroperige vloeistof in de gehoorgangen
cérumen
noun
origine
noun
1. enorme aantallen stukken steen en ijs die 2.000 tot 200.000 keer verder dan de aarde rond de zon zouden bewegen
  1. nuage d'Oort
  2. nuage de Oort
noun
1.1 gewone oorworm (Forficula auricularia)
perce-oreille
noun
ver d'oreille
pronoun
  1. Asie de l'Est
  2. Asie orientale
pronoun
1.
Berlin-Est
pronoun
Allemagne de l'Est
pronoun
  1. Europe orientale
  2. Europe de l'Est
pronoun
1. taalfamilie van enkele uitgestorven talen die vroeger in Oost-Europa worden gesproken
langues germaniques orientales
pronoun
1. taalfamilie van enkele talen die in Oost-Europa en Siberië worden gesproken
langues slaves orientales
pronoun
1. taalfamilie van ongeveer 60 talen die in het noordoosten van Afrika worden gesproken
langues soudaniques orientales
/os.ˈti.mɔr/
pronoun
1. een land in Zuidoost-Azië, bestaande uit een gedeelte van het eiland Timor en de kleinere eilandjes Atauro en Jaco in het geheel
  1. Timor Oriental
  2. Timor oriental
pronoun
  1. Tyrol oriental
  2. Tyrol de l'Est
adjective
1.Afkomstig van Oost-Vlaanderen
Flamand oriental
/ostˈflandərə(n)/
pronoun
1. Belgische provincie
Flandre-Orientale
pronoun
1.
  1. Oostdunkerque
  2. Ostdunkerque
adjective
oriental
pronoun
1. taalfamilie van ongeveer 540 talen die in het oosten van Indonesië en in Polynesië worden gesproken
langues malayo-polynésiennes orientales
/ˈostə(n)/
noun
1. een van de windstreken, die op landkaarten overeenkomt met de rechterkant
  1. est
  2. orient
  3. levant
pronoun
1. een gemeente in de Belgische provincie West-Vlaanderen
Ostende
/ˈostə(n)ˌrɛɪ̯k/, /ˈoːstə(n)ˌrɛɪ̯k/, /ˈoːstə(n)ˌrɛːk/
pronoun
1. een republiek in Midden-Europa grenzend aan Zwitserland en Liechtenstein in het westen, aan Duitsland...
Autriche
/ˈo.stə.ˌrɛɪ̯.kər/, /ˈo.stə.ˌrɛː.kər/, /ˈos.tə(n).ˌrɛɪ̯.kər/
noun
1. een inwoner van Oostenrijk of persoon die de Oostenrijkse nationaliteit bezit
  1. Autrichien
  2. Autrichienne
pronoun
1. deel van het zuidoosten van België dat van het Duitse Keizerrijk verkregen is tijdens de Eerste Wereldoorlog en waar men Duits spreekt
cantons de l'Est
noun
1. oostelijke zeeoever
côte est
pronoun
1. zee die tussen Zweden en de Baltische staten ligt
  1. mer Baltique
  2. Baltique
preposition
1. aan de bovenkant aanrakend, rustend op
sur
verb
  1. 3. (van een ambassadeur) laten komen om een kritiek op beleid van zijn regering over te brengen
    convoquer
  2. 1. laten komen om verantwoording af te leggen en vermaningen te krijgen
    demander des comptes
noun
1. de vader van een ouder
  1. grand-père
  2. papi
adjective
1. ondoorzichtig
opaque
/o'pal/
noun
1. een halfedelsteen en een amorfe variëteit van kwarts, SiO₂·nH₂O, gehydrateerd siliciumdioxide met een waterpercentage van soms wel 20%
opale
adjective
vert opale
noun
opacité
/ˈɔˌbɛlə(n)/
verb
1. iemand telefonisch proberen te bereiken
appeler
/'ɔp.bla.zə(n)/
verb
2. een gas in een uitzetbare ruimte pompen
gonfler
verb
1. het naar boven komen van gasbellen door een vloeistof
bouilloner
/'ɔbrɛŋə(n)/
verb
1. als batig resultaat leveren
rapporter
/'ɔbrɛŋs/, /'ɔbrɛŋst/
noun
1. dat wat opgebracht wordt, de baat die men heeft van zijn activiteiten
recette
conjunction
  1. afin que
  2. pour que
/ˈɔbdinə(n)/
verb
1. eten en drinken op tafel zetten
servir
noun
1. een te verrichten werk
  1. tâche
  2. devoir
/ˈɔpɛːsə(n)/
verb
eisen dat iets of iemand waarop men recht heeft, wordt overgegeven
  1. exiger
  2. revendiquer
  3. réclamer
/ˈoː.pə(n)/
adverb
1. niet gesloten
  1. ouvert
  2. ouverte
  3. ouvertes
  4. ouverts
adjective
1. vrij toegankelijk
public
noun
1. openbaar toegankelijk personenvervoer
  1. transport collectif
  2. transport en commun
  3. transports en commun
verb
1. wat voorheen een geheim was algemeen bekend maken
révéler
noun
1. laatste boek van de Bijbel
Apocalypse
verb
  1. 1.
  2. 2.
épanouir
verb
  1. 2. ontsluiten, openmaken wat afsluit of wat gesloten is
  2. 3. openstellen, toegankelijk maken
  3. 4. (informatica) een bestand inladen
  4. 1. laten beginnen, in bedrijf brengen
ouvrir
/ˈoː.pə(n).ɣaːn/
verb
1. zich openen
s'ouvrir
noun
  1. 2. het openstellen van iets wat nog niet toegankelijk of in functie was
    ouverture
  2. 1. een plaats die toegang biedt tot iets dat is afgesloten
    1. ouverture
    2. orifice
noun
1. een in hoofdzaak gezongen en orkestraal begeleid muziekdrama, gewoonlijk van ernstige aard
opéra
noun
    1. 2. een chirurgische ingreep
    2. 3. een bewerking op een object
    opération
  1. 1. aantal gecoördineerde acties
    1. opération
    2. dispositif
noun
1. ruimte waar heelkundige bewerkingen uitgevoerd worden
salle d'opération
adjective
opérationnel
verb
  1. 1. aan een chirurgische ingreep onderwerpen
  2. 2. acties uitvoeren, optreden
opérer
noun
1.
opérette
noun
1. felgele delfstof, zwavelarsenicum (As₂S₃)
orpiment
verb
1. alles gebruiken tot het op is
consommer
adverb
1. geïsoleerd van de buitenwereld
enfermé
adverb
1. in een enthousiaste stemming
enchanté
noun
1. enthousiaste stemming, houding, instelling
enchantement
noun
1.
exhumation
verb
1.de tijd tot de volwassenheid doorbrengen
grandir
verb
  1. 2. naar boven halen
    recouvrir
  2. 1. een voorwerp of persoon bij iets/iemand vandaan halen
    récupérer
  3. 5. een bestand van een computer of server naar een andere computer of server overbrengen
    télécharger
/'ɔpɦɑŋə(n)/
verb
  1. 3. aan de galg opknopen
    pendre
  2. 2. een telefoongesprek beëindigen
    raccrocher
noun
1. lawaai, onrust, ophef, tumult, geraas, spektakel
bruit
noun
  1. 2, 3.
    levée
  2. 1. het optillen
    1. levée
    2. levage
verb
1. duidelijkheid scheppen in iets
éclairir
noun
1. verduidelijking
  1. explication
  2. éclaircissement
  3. élucidation
verb
1. kwaad en opgewonden maken
exciter
noun
1. wettelijke verplichting om pluimvee in het hok te houden
  1. enfermement (obligatoire)
  2. obligation
verb
1. op elkaar stapelen
entasser
verb
2. een activiteit beëindigen
  1. arrêter
  2. cesser
noun
1. een mening of oordeel
opinion
noun
1. onderzoek naar de mening van...
sondage d'opinion
noun
1. een steekproefsgewijs onderzoek naar de mening van de bevolking
sondage d'opinion
noun
1. artikel waarin een standpunt wordt bepleit
éditorial
noun
1. het ingedroogde melksap van de opiumpapaver of slaapbol (Papaver somniferum), een pijnstillend, verdovend en verslavend middel
opium
/'ɔpkɛɪkə(n)/, /'ɔpkɛːkə(n)/
verb
  1. 4. (~ tegen) niet willen dat iets gebeurt
    appréhender
  2. 1. de blik omhoog richten
    lever les yeux
  3. 3. (~ naar) bewonderen
    respecter
  4. 2. (~ van) verrast worden
    être surpris
/'ɔpklarə(n)/
verb
1. het ontstaan van open plekken in wat een gesloten wolkendek was
s'éclairir
noun
1. het wegtrekken van de bewolking
éclairci
verb
2.verbeteringen aanbrengen
arranger
verb
  1. 1. zichzelf of iemand anders verdedigen
    1. assister
    2. defendre
    3. se defendre
  2. 4. op toneel verschijnen
    entrer en scene
  3. 5. tot ontwikkeling komen
    1. germer
    2. pouser
  4. 2. omhoogkomen
    1. monter
    2. lever
    3. se lever
  5. 3. naar een bijeenkomst gaan
    1. se présenter
    2. se rendre
/ˈɔp.la.jə(n)/
verb
  1. 1. plotseling heviger gaan branden
    1. jaillir
    2. monter
  2. 3. plotseling hevig de kop opsteken
    s'allumer
verb
  1. 1. een materiële lading op iets aanbrengen
  2. 2. een elektrische lading op iets aanbrengen
charger
noun
1. totaal aantal afdrukken van een drukwerk dat in één keer wordt vervaardigd
tirage
verb
2. dingen die kapot en versleten zijn repareren en weer mooi maken
  1. bidouiller
  2. rafistoler
verb
1. kennis en vaardigheid bijbrengen
former
noun
formation
verb
1. bij voortduring aandachtig zijn
faire attention
verb
1. weer tot bloei komen
revivre
noun
1. een mannelijk persoon die oplicht
  1. arnaqueur
  2. escroc
noun
1. bedrog waarbij men iemand geld of goed afhandig weet te maken
escroquerie
noun
1. bedrog waarbij men iemand geld of goed afhandig weet te maken
escroquerie
verb
  1. 1. een homogeen mengsel gaan vormen
    dissoudre
  2. 3. een probleem ophelderen
    résoudre
noun
  1. 1. een mengsel
  2. 2. een manier om van een probleem af te komen
solution
noun
1.het gevoel bevrijd te zijn van iets dat dreigde
soulagement
noun
  1. anacrouse
  2. prélude
adjective
1. bijzonder genoeg om opgemerkt te worden
remarquable
noun
1. een uiting van een gedachte
  1. remarque
  2. observation
adjective
1.
attentif
verb
1. opvrolijken, animeren
ragaillardir
verb
1. in handen nemen
décrocher
/ˈɔpniu/
adverb
1. nog een keer, een vorige gebeurtenis herhalend
de nouveau
verb
  1. 4./5. zich opofferen
    1. sacrifier
    2. dévouer
  2. 1./2./3. bij noodzaak moeten gebruiken, laten doden of bewust prijsgeven
    1. sacrifier
    2. immoler
pronoun
1. deelstaat van Oostenrijk
Haute-Autriche
noun
1. bot in de bovenarm
humérus
verb
1. iets voorstellen
proposer
noun
1. leider van een stam
chef
/ˈɔpərvlɑk/
noun
1. vlak dat iets naar boven begrenst
surface
/ɔpər'vlɑkəx/
adjective
  1. 1. niet diepgaand of niet grondig
  2. 2. zich aan de oppervlakte bevindend
superficiel
noun
  1. 2. uitgebreidheid
    superficie
  2. 1. vlak dat iets naar boven begrenst
    surface
noun
  1. eaux de surface
  2. eau de surface
/ɔpɔrtʏˈnɪsmə/
noun
1. zich laten leiden door de omstandigheden en eigenbelang en dus niet door principes
opportunisme
/ɔpɔrtyˈnɪst/
noun
opportuniste
adjective
1. voordeel willen halen uit een bepaalde situatie
opportuniste
noun
1. geschiktheid van tijd of gelegenheid
opportunité
adjective
van pas komend, gelegen
opportun
noun
oppression
verb
1. het vuur feller doen branden door erin te poken
attiser
verb
1.
ramasser
adjective
1. de waarheid sprekend
  1. sincère
  2. véridique
/ˈɔprɔlə(n)/
verb
  1. 2. ergens een rol van maken
    1. adujar
    2. lover
    3. rouler
  2. 1. zich ~, tot een rol vormen
    1. enrouler
    2. lover
  3. 3. een (semi-)georganiseerde groep arresteren
    mettre sous les verrous
verb
1. kwaad en opgewonden maken
acharner
verb
    1. 3. iets in orde brengen, netjes maken
    2. 1. iets uit de weg ruimen
    ranger
  1. 2. iets uitverkopen
    solder
noun
1. een lange, grote en diepe lepel
louche
noun
1. iemand die vaak opschept tot ergernis van anderen
vantard
verb
1. haast maken
(se) dépêcher
verb
schuddend ordenen
secouer
/ˈɔpslan/
verb
5. informatica: vastleggen of bewaren van gegevens
sauvegarder
noun
  1. dépôt
  2. entrepôt
verb
1. in zich opnemen
absorber
verb
1.
enfermer
noun
énumération
verb
1. door spatten omhoog gaan
jaillir
verb
1. in de hoogte springen
  1. sauter
  2. bondir
verb
  1. 1. gaan staan
    se lever
  2. 2. het bed verlaten
    1. se lever
    2. sortir du lit
  3. 3. (koken) op het vuur staan
    être sur le feu
/ˈɔpstɑnt/
noun
1. een massale, vaak gewelddadige, poging het heersende gezag af te schudden
révolte
noun
1. verrijzenis
résurrection
noun
marchepied
verb
remettre
/ˈɔpstɛːɣə(n)/, /ˈɔpstɛːɪχə(n)/
verb
  1. 1. in de lucht stijgen
    décoller
  2. 2. te paard stijgen
    se mettre en selle
verb
1. bij elkaar tellen; het samenvoegen van twee of meer termen tot een totaal, de som genoemd
additionner
noun
1. het samenvoegen van een of meer termen tot een totaal, de som
addition
verb
1. een keuze doen
opter
noun
optique
noun
1. iemand die kundig is in de optica
opticien
verb
  1. aller se faire enculer
  2. aller se faire mettre
noun
4
optique
verb
1. met spierkracht iets van de grond opheffen
  1. lever
  2. ramasser
verb
optimaliser
noun
1. iemand die alles van de positieve kant beschouwt
optimiste
noun
1. een vrouwelijk iemand die alles van de positieve kant beschouwt
optimiste
adjective
facultatif
noun
défilé
noun
optométrie
/ˈɔp.tre.də(n)/
verb
1. voor een publiek bepaalde handelingen verrichten, bijvoorbeeld in kunstzinnige zin
  1. chanter
  2. danser
  3. jouer
verb
2. het op een (zeil-)schip aanbrengen van tuig en uitrusting
gréer
verb
1.
  1. aller se faire enculer
  2. aller se faire mettre
/'ɔpfɑlə(n)/
verb
1.
  1. frapper
  2. heurter
noun
  1. 1. het proces waarin iemand wordt gevormd naar de normen van diens opvoeders, en daarmee meestal de samenleving waarin hij leeft
    éducation
  2. 2. iemands algemene vorming en ontwikkeling
    1. éducation
    2. formation
verb
  1. 2. iemands functie overnemen
    succéder
  2. 1. uitvoeren wat een ander aangeraden of bevolen heeft
    suivre
noun
1. iemand die een ambt bekleedt na iemand anders
successeur
verb
1. opmonteren, animeren
égayer
verb
  1. 2. doen ontstaan
    générer
  2. 1. opmonteren, animeren
    inciter
noun
1. innerlijke drang
  1. impulsion
  2. incitation
verb
1. door wrijven glanzend maken
  1. astiquer
  2. frotter
adverb
1. bewust op deze manier
exprès
noun
1. iemand die toezicht houdt
surveillant
/'ɔpsʋɛlə(n)/
verb
1. in volume toenemen
gonfler
adjective
1. met betrekking tot de mond
oral
noun
oralité
noun
1. mensaap met lange armen en roodbruinachtig haar
  1. orang outan
  2. orang-outan
adjective
1. de kleur oranje hebbend
orange
noun
1.
souci
noun
1. bepaald soort vlinder, Pyronia tithonus
amaryllis
pronoun
État libre d'Orange
adjective
brun orangé
pronoun
1. en 2.
Oranjemund
/ɔˈratɔr/
noun
1. redenaar
orateur
adjective
orbiculaire
noun
1. plant van de talrijke orchideeënfamilie, m.n. benaming voor de kleurrijke bloemen
orchidée
noun
  1. 3. (biologie) een groep verwante organismen, onderdeel van een klasse en bestaande uit families
  2. 1. gewenste regelmaat
  3. 2. een hiërarchische organisatie
ordre
noun
2. aanduiding om de grootte van een getal mee uit te drukken, uitgedrukt als de exponent van de dichtstbijzijnde macht van 10
ordre de grandeur
adjective
ordinal
adjective
ordinaire
noun
ordonnance
verb
ordonner
/ɔrdoˈvisijʏm/
noun
Ordovicien
noun
  1. 2. keukenkruid
  2. 1. Origanum vulgare
origan
noun
1. legering van koper, tin en andere metalen die goud nabootst
oréide
noun
  1. 1. Onderdeel van het organisme
  2. 2. Communicatiemiddel
organe
noun
organite
noun
1.
organigramme
/ˌɔrɣɑniˈzasi/, /ˌɔrχɑniˈzaʦi/
noun
    1. 1. het organiseren
    2. 2. de manier waarop iets georganiseerd is
    organisation
  1. 3. een groep die een bepaald doel of of bepaalde rol heeft
    1. organisation
    2. organization
pronoun
Organisation de coopération et de développement économiques
pronoun
Organisation pour la sécurité et la coopération en Europe
noun
1. een adviseur van het bedrijfsleven, de overheid en andere organisaties in beleidsmatige en organisatorische vraagstukken
conseiller en stratégie
noun
1. de tak van wetenschap die het samenspel in organisaties en hun relatie met hun omgeving bestudeert
théorie des organisations
noun
1. iemand die organiseert of die organisatietalent heeft
  1. organisateur
  2. organisatrice
adjective
1.wat de organisatie betreft
d'organisation
/ɔr.ˈɣa.nɪs/, /ɔr.ˈχa.nɪs/
adjective
1. met betrekking tot een orgaan of de organen
organique
/ˌɔrɣɑniˈzeːrə(n)/, /ˌɔrχɑniˈzɪːrə(n)/
verb
  1. 1. een bepaalde structuur aanbrengen
  2. 2. iets, vaak een evenement, tot stand brengen
organiser
noun
1. een afzonderlijk en volledig levend wezen dat voor zijn voortbestaan afhankelijk is van zijn eigen metabolisme en bestaat uit verschillende organen
organisme
/orɣa'nɪst/
noun
1. musicus die zich toelegt op het bespelen van het orgel
  1. organiste
  2. joueur d'orgue
/ˈɔrɣəɫ/
noun
1. een muziekinstrument dat bestaat uit meerdere losse pijpen waardoor lucht stroomt op een labium en dat ingedeeld wordt bij de aerofonen
orgue
noun
point d'orgue
/ˈɔrxi/
noun
orgie
noun
originalité
adjective
  1. 1. enige of zeer zeldzaam in zijn soort
  2. 2. gemaakt door de eerste en oorspronkelijke maker
originel
pronoun
1. de officiële taal van de Indiase staat Orissa
oriya
verb
orienter
adjective
rouge oriental
/ˈɔr.ka/
noun
1. Orcinus orca, een walvissoort die vrij gedrongen van bouw is...
orque
noun
1. een bijzonder hevige storm
  1. ouragan
  2. cyclone
  3. cyclone tropical
  4. Baguio
/ɔrˈkɛst/
noun
1. een groep musici
orchestre
noun
1. orkesthoorn
cor d'harmonie
verb
orchestrer
adjective
ornemental
noun
ornithologie
/ɔrtoˈdɔks/
adjective
  1. 1. star vasthoudend aan een bepaald geloof
  2. 2. star vasthoudend aan bepaalde opvattingen of gewoontes die algemeen zijn aanvaard
orthodoxe
/ɔrtodɔk'si/
noun
orthodoxie
noun
orthographeur
noun
orthopédiste
noun
orthopédiste
adjective
1. wat bij rechtstaan optreedt
orthostatique
noun
ortolan
noun
1. gecastreerde stier
bœuf
noun
1. oscillatie
oscillation
noun
1. oscillator
oscillateur
verb
1. oscilleren
osciller
noun
1. Chemisch element
osmium
pronoun
1. een taal uit de centrale Kaukasus
ossète
noun
1. botontkalking
osteoporose
/oˈtitəs/
noun
1.
otite
pronoun
1. taalfamilie van ongeveer 175 talen die in Midden-Amerika worden gesproken
langues otomangue
pronoun
1. verzamelnaam van een tiental talen die in Mexico worden gesproken
langues otomi
pronoun
1. de hoofdstad van Canada
Ottawa
noun
1.1 bepaald soort zoogdier Lutra lutra
loutre
pronoun
2. spelwoord voor de letter o
Oscar
noun
1. een cirkelvormige wafel, geheel bedekt met chocolade
oublie
/aʊ̯d/, /ɔʊ̯t/, /ʌʊ̯t/
adjective
  1. 3. vorige
    1. ancien
    2. ex-
    1. 2. oud ding, concept
    2. 1. oud mens, dier
    1. vieux
    2. vieil
noun
1. reeks boeken in de christelijke Bijbel die zijn ontleend aan de joodse Tenach
ancien testament
noun
1.
  1. réveillon de la Saint-Sylvestre
  2. réveillon du Nouvel An
pronoun
1. stad in de provincie Oost-Vlaanderen
Audenarde
pronoun
1. het Engels zoals dat tussen ca. 400 en 1100 werd gesproken en dat wordt gezien als de rechtstreekse voorloper van het Middelengels en nog later het moderne Engels
  1. anglo-saxon
  2. vieil anglais
/ˈaʊ̯.dər/, /ˈɔʊ̯.dər/, /ˈʌʊ̯.dər/
noun
1. de moeder of vader van een kind
parent
pronoun
1. gemeente in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Auderghem
/ˈaʊ̯.dərs/, /ˈɔʊ̯.dərs/, /ˈʌʊ̯.dərs/
noun
1. meervoud van het zelfstandig naamwoord ouder
parents
noun
1. alles wat met het ouder zijn te maken heeft
parentalité
adjective
1. niet langer gebruikt of in de mode
  1. démodé
  2. vieux jeu
  3. désuet
  4. archaïque
  5. suranné
pronoun
1. uitgestorven Westgermaanse taal der Franken uit de 4e tot de 8e eeuw
vieux-francique
pronoun
1. het Frans zoals dat in het noorden van Frankrijk gesproken werd van de 10e tot de 14e eeuw
ancien français
pronoun
1. een nu dode taal die werd gesproken in Griekenland
grec ancien
/ɑʊ̭tɦɛɪ̭t/
noun
1. het tijdperk van de geschiedenis vóór de middeleeuwen
Antiquité
noun
archéologue
noun
Saint-Sylvestre
/ˈɑʊ̯t.kɛrk/, /ˈɔʊ̯t.kɛrk/
pronoun
1. een dorp in de provincie Friesland
Aldtsjerk
pronoun
1. de Slavische taal die rond de negende eeuw rond Thessaloniki gesproken werd
  1. vieux slave
  2. vieux-slave
pronoun
1. een West-Germaanse taal die gesproken werd tussen ongeveer 800 en 1150 in delen van Nederland, België, Frankrijk en Duitsland en die de voorloper was van het Middelnederlands en vervolgens het huidige Nederlands.
vieux néerlandais
pronoun
1. een taal die de voorganger van de Scandinavische talen was
  1. vieux norrois
  2. ancien nordique
pronoun
1. een taal die de voorloper van het Noors was
vieux norvégien
/'ʌʊtom/
noun
1.
grand-oncle
adjective
vieux rose
pronoun
1. taal die vanaf de 10e tot in de 15e eeuw werd gesproken door de bewoners van Castilië
castillan ancien
/'ʌʊtɑntə/
noun
1.
grand-tante
/ˈɑutʋɛlʃ/
pronoun
1. de voorganger van het Middelwelsh
vieux gallois
pronoun
1.
Ourthe
verb
outiller
noun
1. een meestal instrumentaal muziekstuk dat als opening fungeert van een opera of operette
ouverture
noun
  1. barbon
  2. birbe
  3. schnock
  4. vieux
noun
1. bekende Griekse alcoholische drank
ouzo
noun
1. chipkaart voor het openbaar vervoer
carte à puce
noun
ovaire
noun
ovation
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Fourneau
/ovə/
noun
1. besloten ruimte die verhit wordt om er voorwerpen in te smelten, te bakken enz.
four
noun
1. een persoon die ovens, haarden en gelijkaardige stookplaatsen alsmede rookkanalen ontwerpt en bouwt...
constructeur de fours
noun
1. paal waarmee brood in en uit de oven gehaald wordt
  1. pelle à enfourner
  2. pelle à four
noun
1. een persoon die ovens, haarden en gelijkaardige stookplaatsen alsmede rookkanalen plaatst en installeert
poseur de poêles
adverb
1. voorbij, gedaan
fini
preposition
  1. 1. wat betreft
    au sujet de
  2. 3. na verloop van
    dans
  3. 5. naar de andere kant van
    de l'autre côté
  4. 4. via, langs
    par
  5. 2. op of langs de oppervlakte van
    par-dessus
  6. 6. meer dan
    1. plus que
    2. sur
adverb
1.
  1. partout
  2. à tous les coins de rue
noun
1. een film- of foto-opname maken waar men meer licht op de film liet vallen dan nodig is
surexposition
verb
1.
surpayer
noun
1. toestand waarbij een ruimte, gebied of land zo dichtbevolkt is dat het problemen geeft
surpopulation
verb
1. overhouden
rester
noun
démultiplication
noun
1.
surcompensation
verb
1.
surcompenser
noun
1. excessief verbruik van goederen en/of diensten
surconsommation
/ˌovərˈdɑx/
adverb
1. tijdens de uren van de dag
  1. de jour
  2. journée
verb
1. opnieuw doen
  1. recommencer
  2. refaire
verb
1. verbluffen
époustoufler
noun
  1. overdose
  2. surdose
adjective
1. buiten proportie weergegeven
  1. exagéré
  2. outré
verb
  1. 1. de feiten groter, kleiner, mooier of slechter voorstellen dan ze zijn
    1. exagérer
    2. pousser
  2. 2. naar de overkant drijven
    dériver
  3. 1. tot het verleden gaan behoren
    passer
noun
1.
exagération
noun
1. extra uitgave van een drukwerk dat gelijk is aan vorige uitgaven
décalque
noun
2. een bindende afspraak waarmee alle partijen instemmen
contrat
verb
1. gelijkenis vertonen
correspondre
noun
1. de naam voor elk element uit het D-blok van het periodiek systeem der elementen
métal de transition
noun
point de transition
noun
1. reeks handelingen die gedaan wordt bij een belangrijke gebeurtenis in het leven
rite de passage
noun
1. een werkwoord dat vergezeld wordt door een lijdend voorwerp in een zin, dat gewoonlijk in de lijdende vorm het onderwerp kan worden
verbe transitif
/'ovərɣavə/
noun
  1. 1. het opgeven van de strijd en zich aan de wijand onderwerpen
    capitulation
  2. 2. een volledige toewijding
    dévouement
adjective
1
surqualifié
verb
  1. 2. capituleren
    1. capituler
    2. se rendre
  2. 1. braken
    vomir
noun
1. te groot lichaamsgewicht
adipose
noun
1. moeder van de grootvader of van de grootmoeder
arrière-grand-mère
/ˈovərɣrotˌvadər/
noun
1. een vader van een grootouder
  1. arrière-grand-père
  2. bisaïeul
verb
1. iemand zo ver proberen te krijgen ergens in mee te gaan
  1. persuader
  2. dissuader
noun
avantage
verb
1. in de handen van een ander geven
remettre
verb
1. de macht uitoefenen over een ander volk
dominer
/ˈovərɦɛit/
noun
1. het geheel aan gezagvoerende lichamen
  1. autorité
  2. autorité publique
noun
entreprise publique
noun
1. bemoeienis door de overheid
ingérence des pouvoirs publics
/ˈovərˌɦɛmt/
noun
chemise
adverb
  1. 1. wanorde
    pêle-mêle
  2. 2. ruzie
    être faché avec quelqu'un
verb
1. op heftige wijze voorwerpen door elkaar smijten
mettre sens dessus dessous
verb
  1. 1. in wanorde brengen
    mettre en désordre
  2. 2. de rust verstoren met pijnlijke kwesties
    raviver
verb
  1. 2. onderling verdeeld zijn
    être brouillé
  2. 1. wanordelijk dooreen liggen
    être sens dessus dessous
verb
1. op heftige wijze tegen iemand opbotsen
renverser
verb
1. op onbezonnen wijze iemand neerschieten
revolvériser
verb
1. op heftige wijze voorwerpen door elkaar gooien
mettre sens dessus dessous
verb
1. op onbezonnen wijze iemand neersteken
poignarder
/ˌovərˈhorə(n)/, /ˌovərˈho̝rə(n)/
verb
1. nagaan of iemand bepaalde kennis in voldoende mate tot zich genomen heeft door het stellen van vragen over deze kennis
faire réciter
/ˌovərˈhorɪŋ/, /ˌovərˈho̝rɪŋ/
noun
1. het nagaan of iemand bepaalde kennis in voldoende mate tot zich genomen heeft door het stellen van vragen over deze kennis
interrogation
/ˌovəˈrɛɪ̯sɔɫ/, /ˌovəˈrɛɪ̯səl/, /ˌovəˈrɛːsəɫ/
pronoun
1. provincie in het oosten van Nederland
Overijssel
noun
1. een jas die hoofdzakelijk als bescherming van de kleding eronder wordt gedragen
pardessus
verb
onscheidbaar 1. getroffen worden
arriver
noun
1. stuw
seuil
/ˈo.vər.ˌlɑs/, /ˈo.vər.ˌlɑst/
noun
1. hinder op een onacceptabel niveau
gêne
adjective
1. gestorven, doodgegaan
  1. décédé
  2. défunt
  3. mort
/ovərˈlɛx/
noun
1. beraad, beraadslaging
réflexion
/ˌovərˈlevə(n)/
verb
1. in leven blijven ondanks levensbedreigende omstandigheden of gebeurtenissen
survivre
noun
1. iemand die een levensbedreigende situatie overleefd heeft
  1. survivante
  2. survivant
verb
1. ophouden met leven
  1. décéder
  2. mourir
noun
surcote
verb
  1. 1. opnieuw maken
    refaire
  2. 2. laten overschrijven
    virer
adjective
  1. 2. een halve toon groter dan een rein of groot interval
    augmenté
  2. 1. buitensporig
    excessif
phraseologicalUnit
1. een interval van een octaaf plus een halve toon
octave augmentée
phraseologicalUnit
1. een interval van een kwart plus een halve toon
quarte augmentée
phraseologicalUnit
1. een interval van een kwint plus een halve toon
quinte augmentée
phraseologicalUnit
1. een interval van een prime plus een halve toon
  1. prime augmentée
  2. unisson augmenté
phraseologicalUnit
1. een interval van een grote seconde plus nog een halve toon
seconde augmentée
phraseologicalUnit
1. een interval van een grote seconde plus nog een halve toon
seconde augmentée
phraseologicalUnit
1. een interval van een grote septiem plus een halve toon
septième augmentée
phraseologicalUnit
1. een interval van een grote sext plus een halve toon
sixte augmentée
phraseologicalUnit
1. een interval van een grote terts plus nog een halve toon
tierce augmentée
conjunction
1. omdat of aangezien, geeft onderschikkend een reden aan
attendu que
adverb
après-demain
verb
1. ergens de nacht doorbrengen
  1. passer la nuit à
  2. passer la nuit
verb
  1. 1., 2.
    s'emparer
  2. 3. opvolgen van advies
    suivir
noun
surproduction
verb
1. met de wielen van een voertuig over iets of iemand heen rijden
  1. renverser
  2. écraser
verb
1. iets groter of van groter belang inschatten dan het in werkelijkheid blijkt
surestimer
noun
1.
surestimation
noun
claque
/ˈo.vər.sxɔt/
noun
1. wat er overblijft, de rest
reste
verb
1. de overzijde van een grens betreden
excéder
noun
  1. virement
  2. transaction
/ˌovərˈspɑnə(n)/
adjective
  1. 2. (handel) overbelast, te actief
    surchargé
  2. 1. ziek door een te zware belasting op geestelijk vlak
    surmené
/ˌovərˈspɑnə(n)/
verb
  1. 2. ergens overheen spannen
    franchir
  2. 1. te sterk gespannen
    1. tendre trop
    2. tendre trop fort
noun
1. seks hebben met een ander dan de echtgenoot of vaste partner
adultère
/ˌovərˈstɑx/
adverb
overstag gaan
virer de bord
noun
  1. 2. verandering van vervoermiddel
    correspondance
  2. 3. trapje, laddertje om over een heining te komen
    échalier
verb
1. doorkruisen om de overzijde te bereiken
traverser
verb
1. overladen met allerlei zaken
accabler
noun
1.
surmortalité
/ˌovərˈstromɪŋ/
noun
1. het binnenlopen van water in doorgaans droog gebied
inondation
noun
1.
surtourisme
adjective
1. wat in te ruime mate aanwezig is
  1. excédentaire
  2. surabondant
noun
1. een relatief licht strafbaar feit
infraction
verb
1.een voorheen behaald niveau te boven gaan
surpasser
verb
1. een denkbeeld doen aanvaarden
  1. convaincre
  2. persuader
noun
1. sterke mening of geloof
conviction
verb
  1. 2. bij verrassing een pand aanvallen (om bijv. te beroven
    1. braquer
    2. effectuer un raid
  2. 1. bij verrassing iemand belagen of overweldigen
    embusquer
  3. 3. zodanig verassen en verbazen dat je er niet direct een antwoord op hebt
    prendre de cours
verb
surchauffer
adjective
1.
  1. surreprésenté
  2. sur-représenté
/ˈovərˌvliɣə(n)/, /ˈovərˌvliχə(n)/
verb
  1. 1. ergens overheen vliegen
    survoler
  2. 3. iets met een vliegtuig ergens brengen
    1. transporter en avion
    2. transporter par avion
  3. 2. van de ene afdeling naar de volgende gaan, bijvoorbeeld bij scouting
    voler
noun
abondance
/ovərˈvluːdəx/, /ovərˈvluːdəç/
adjective
1. in ruime hoeveelheid aanwezig
abondant
adjective
1. meer dan vol, te vol
plein à craquer
/'ovərʋɛx/, /ovər'ʋɛx/
noun
1. een kruising van een weg met een spoorbaan
passage à niveau
/ovər'ʋeɣən/, /ˈovərʋeɣən/
verb
de voor- en nadelen bezien alvorens een beslissing te nemen
considérer
noun
préponderance
noun
1.
vainqueur
verb
1. een tegenstander of zwakte onder de knie krijgen
  1. vaincre
  2. franchir
  3. surmonter
noun
victoire
noun
hivernant
verb
1. de winter doorbrengen
hiverner
noun
1. het doorkomen van van het koudste jaargetijde
hivernage
noun
1.
  1. vaincu
  2. vaincue
noun
  1. 2. samenvatting van de inhoud, beschrijving in hoofdlijnen
    1. aperçu
    2. relevé
  2. 1. toestand dat je het geheel kunt duidelijk overzien
    1. vue générale
    2. aperçu
noun
1. het gereedkomen van een eicel uit de eierstok.
ovulation
pronoun
Oxford
noun
oxydation
noun
oxyde
adjective
rouge oxyde
noun
  1. oxymore
  2. oxymoron
noun
1. (scheik.) een vorm van zuurstof met drie zuurstofatomen inplaats van twee
ozone
verb
ozoniser
/ˌooˈsit/
noun
1. een eicel voordat het eerste poollichaampje gevormd wordt
ovocyte
/pa:/
noun
1. vader
papa
noun
  1. 4. (heraldiek) een loodrechte band midden over een wapenschild
    pal
    1. 3. een doelpaal
    2. 1. een langwerpig stuk materiaal dat in de grond staat
    poteau
  2. 2. (informeel) een penis in erectie
    tringle
noun
1. een dorp dat uit paalwoningen bestaat
  1. cité lacustre
  2. village lacustre
noun
1. constructie om afkalving van oever tegen te gaan
brise-lames en bois
noun
maison sur pilotis
noun
1. in zee levend weekdier dat zich in hout boort, Teredo navalis
taret
/paːr/
indefinitePronoun
1. meerdere, maar niet heel veel
quelques
/paːr/
noun
  1. 1. twee van een soort die bij elkaar horen
  2. 2. twee geliefden die een relatie hebben
paire
/paːrt/
noun
  1. 3. schaakstuk
    1. cavalier
    2. cheval
  2. 2. turntoestel
    cheval d'arçons
  3. 1. tam hoefdier met manen
    1. cheval
    2. cavalier
noun
  1. 1. en 2. (bladeren of bloemen van) plant Taraxacum officinale
  2. 1. samengesteldbloemige plant Taraxacum officinale
pissenlit
noun
fève
/'pardə(n)krɑxt/
abbreviation
maat voor arbeidsvermogen
cheval-vapeur
noun
1. voedzaam vocht uit de melkklieren van een merrie
lait de jument
noun
1. een zeer zwaar middel
remède de cheval
/ˈpardəmolə/
noun
1. een ronddraaiende attractie met paarden om op te zitten
carrousel
noun
  1. 1. sporenplant
    prêle
  2. 2. haardracht
    queue de cheval
/ˈpardəˌstɑɫ/
noun
1. een stal bedoeld om paarden te huisvesten
écurie
noun
2. bepaald soort vastgehecht oesterachtig schelpdier met een onregelmatige vorm, Anomia ephippium
  1. anomie
  2. feuille de rose
  3. huître fer-à-cheval
  4. pelure d’oignon
/ˈpaːrt.rɛidə(n)/
noun
  1. zich, zittend op de rug van een paard, verplaatsen
    faire du cheval
  2. het rijden op een paard, ter ontspanning of als sportbeoefening
    équitation
adjective
1. met een kleur tussen rood en blauw
  1. pourpre
  2. mauve
noun
1. diverse kleurschakeringen tussen blauw en rood.
  1. pourpre
  2. mauve
adjective
bleu violet
noun
1.
lamier pourpre
adjective
1. bij paren, twee aan twee
deux par deux
/ˈparsəx/, /ˈparsəχ/
adjective
2. op paars lijkend
violâtre
noun
1. een van de twee dagen van het paasfeest, paaszondag of paasmaandag
jour de Pâques
noun
  1. 2. ter gelegenheid van Pasen gekleurd en versierd kippenei
  2. 1. ei van chocolade of suiker dat op of omstreeks Pasen gegeten wordt
œuf de Pâques
pronoun
île de Pâques
noun
  1. lapin de Pâques
  2. lièvre de Pâques
noun
1. de dag die volgt op paaszondag
lundi de Pâques
noun
1. vakantieperiode
vacances de Pâques
noun
1. de week na Pasen
vacances de Pâques
noun
1. de dag waarop christenen vieren dat Jezus opgestaan is uit de dood, op de derde dag na zijn kruisiging
dimanche de Pâques
suffix
pathe
noun
  1. pacemaker
  2. stimulateur cardiaquex
noun
bail à ferme
noun
1. officieel document waarin de voorwaarden voor de huur van een stuk land worden beschreven
  1. bail
  2. ferme
verb
1. tot vrede of tot rust brengen
  1. pacifier
  2. apaiser
adjective
pacifique
pronoun
1. oceaan die ligt tussen Oost-Azië, Noord- en Zuid-Amerika en Ausralië
Océan Pacifique
/pɑsiˈfɪsmə/
noun
1. een wereldbeschouwing die duurzame vrede nastreeft en tegen oorlog en geweld is
pacifisme
noun
aanhanger van het pacifisme
pacifiste
/pɛːt/
noun
  1. 1. een kikker met een gedrongen lichaamsbouw en ruwe huid die een orgaan van Bidder bezit
    crapaud
  2. 1. een smalle weg of voetweg
    sentier
  3. 2. onderdeel van een wagenas
    appui de ressort
noun
1. vruchtlichaam van een doorgaans onder de grond levende schimmel of zwam
champignon
noun
  1. champi
  2. champignon magique
  3. champignon à psilocybine
/paˈeʎa/
noun
1. gerecht
paella
noun
page
verb
1. de bladzijden van een drukwerk voorzien van een doorlopende paginanummering
paginer
noun
1. als lastdier gebruikt hoefdier, Equus asinus
âne de bât
noun
  1. entrepôt
  2. magasin
noun
1. de meest voorkomende vorm van zee-ijs en bestaat uit op elkaar geschoven ijsschollen; opeengepakt drijfijs
banquise
/ˈpa.kɪ.ˌstɑn/
pronoun
1. een land in het zuiden van Azië grenzend aan India, Afghanistan, Iran en China. De officiële naam is de Islamitische Republiek
Pakistan
noun
1. Aziatische groene koolsoort met witte stelen Brassica rapa subsp. chinensis
  1. bok choy
  2. chou de Chine
  3. pak choï
/palaˈdɛin/
noun
2. een ridder of hofdienaar
paladin
/pa.ˈlaʊ̯/, /pa.ˈlɔʊ̯/, /pa.ˈlʌʊ̯/
pronoun
1. een eilandenstaat in Oceanië
Palaos
noun
1. een aanzienlijk gebouw dat een openbare functie heeft of een (woon)huis voor een staatshoofd is
palais
noun
Paléocène
/palejoˈɣen/
noun
1.
Paléogène
/ˈpalejoˌlitikʏm/
noun
1. eerste periode van de steentijd
Paléolithique
adjective
paléolithique
noun
1. aardkunde die gericht is op de bestudering van fossielen
paléontologie
noun
1. iemand die fossielen bestudeert
paléontologue
/ˌpalejoˈzowikʏm/
noun
Paléozoïque
pronoun
Palerme
adjective
1.
palestinien
noun
palette
noun
1. een spatelvormig stuk gereedschap dat de kunstschilder gebruikt om op het palet een gebruikshoeveelheid verf van de juiste kleur te mengen
couteau à palette
pronoun
1. de taal van het Theravada Boeddhisme
pali
noun
1. een symmetrisch woord dat van links naar rechts gelezen hetzelfde is als van rechts naar links gelezen. Voorbeelden: lepel en parterretrap maar ook kok en lol
palindrome
noun
1. bepaald soort langwerpige consumptievis, Anguilla anguilla
anguille
noun
1. chemisch element
palladium
noun
1.
pouillot de Pallas
noun
pallium
noun
  1. 1. (sub-)tropisch gewas
    palmier
  2. 2. binnenzijde van de hand
    paume
noun
palmier
noun
acide palmitique
noun
huile de palme
pronoun
1. de zondag voor Pasen
dimanche des Rameaux
verb
palper
/pɑn/
noun
1. keukengereedschap om in te koken of braden
poêle
adjective
1.
paneuropéen
noun
1. geneesmiddel dat alle kwalen zou verhelpen
panacée
/ˈpa.na.ma/, /ˈpɑ.nə.ma/
pronoun
1. een land Centraal-Amerika
  1. Panamá
  2. Panama
noun
panama
pronoun
Canal de Panama
noun
  1. 4. kanaaldeel
    bief
  2. 2. een gebouw
    immeuble
noun
1. (zoogdieren) een beerachtig dier uit het Himalayagebied
panda
/ˌpɑndeˈmi/
noun
1. een epidemie op wereldwijde schaal
pandémie
/pɑn.deʲ'ɪsmə/
noun
1. een theologische positie
pandéisme
noun
1. de theologische positie dat God immanent is in de gehele schepping en dat het universum een deel is van God en dat God de drijvende kracht vormt achter het universum
panenthéisme
noun
1. blaasinstrument dat is samengesteld uit een reeks van eentonige fluiten
flûte de Pan
noun
  1. 1. afkeer van panseksuelen
  2. 1. onredelijke angst voor veel verschillende dingen
homophobie
noun
1. het streven naar de vereniging van alle Griekse volkeren
panhellénisme
noun
1. een platte, ronde koek die in een pan gebakken is
  1. crêpe
  2. pancake
noun
pantalon
noun
1. benaming voor verschillende grote katachtige roofdieren
panthère
noun
1.
tortue léopard
noun
1.
panthéon
/pɑn.teʲ'ɪsmə/
noun
panthéisme
/pɑnte'jɪstis/
adjective
1.
  1. panthéistique
  2. panthéiste
noun
pantoufle
/pɑnˈtɔfəldirtʲə/
noun
1. eencellig diertje
paramécie
noun
1. een beschermende laag om dieren of voorwerpen
  1. armure
  2. blindage
verb
1. met een pantser bekleden
blinder
noun
1. een voertuig op wielen dat uitgerust is met een verstevigde buitenzijde om gewelddadige aanvallen te kunnen weerstaan
char blindé
noun
1. stam van eencelligen met een tweetal zweepstaartjes die in water leven, Dinoflagellata
dinophyta
noun
1. gerecht dat meestal bestaat uit melk die is gebonden met een zetmeelproduct zoals meel
bouillie
noun
1. informele benaming voor vader door zijn kind
papa
noun
1.
  1. papable
  2. papabile
/paˈpa.ja/
noun
1. meloenboom
papayer
noun
1. een plantengeslacht waarin ook de opiumpapaver thuis hoort
  1. coquelicot
  2. pavot
noun
1. benaming voor vogels uit de orde Psittaciformes
perroquet
noun
1.1 bepaald soort opvallende zeevogel die zelfs onder water kan vliegen, Fratercula arctica
perroquet de mer
noun
trombone
pronoun
1. taal die wordt gesproken op een aantal eilanden in het Caribisch gebied, waaronder de Benedenwindse Eilanden Aruba, Bonaire en Curaçao en daar officiële status heeft
papiamento
pronoun
1. een taal die wordt gesproken op een aantal eilanden in het Caribisch gebied, waaronder de Benedenwindse Eilanden Aruba, Bonaire en Curaçao en daar officiële status heeft
papiamento
/pɑ'pir/
noun
1. een dun vezelachtig beschrijfbaar materiaal
papier
noun
1. bouwmateriaal dat gemaakt wordt door papier te vermengen met natte lijm
papier mâché
adjective
papillaire
/ˌpa.pu.wa.niβ̞.ɣi.ˈne.ja/, /ˌpa.pu.wa.niβ̞.χi.ˈne.ja/, /ˌpa.pu.wa.nyʊ̯.ɣi.ˈne.ja/
pronoun
land en staat in Oceanië
Papouasie-Nouvelle-Guinée
pronoun
1. verzamelnaam van ongeveer 800 talen die op Nieuw Guinea en naburige eilanden worden gesproken
langues papoues
/ˈpaprika/, /ˈpɑprika/
noun
2. vrucht van een bepaalde gekweekte vorm van een peperplant, Capsicum annuum
poivron
adjective
blanc papyrus
noun
1.
gros plein de soupe
noun
  1. paraphe
  2. parafe
noun
parabole
/ˌparaˈboɫ/
noun
1. kegelsnede waarbij het snijvlak parallel loopt met een lijn die aan de kegel raakt en tevens het toppunt snijdt.
parabole
noun
1. paraboolreflector
antenne parabolique
abbreviation
1. veelgebruikt medicijn tegen koorts en pijn
paracétamol
/paraʃy'terə(n)/
verb
parachuter
adjective
1. tot een paradigma behorend
paradigmatique
noun
paradis
noun
1. Paradisea liliastrum een lelie die met name in de Alpen voorkomt
  1. lys de Saint-Bruno
  2. lys des Alpes
/ˌpɑrɑˈdɛɪ̯svoɣəl/, /ˌpɑrɑˈdɛɪ̯svoχəɫ/, /ˌpɑrɑˈdɛːsvoɣəl/
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Paradisaeidae
paradisier
noun
paradoxe
/ˌparadɔkˈsal/
adjective
1. tegenstrijdig lijkend
paradoxal
verb
parafer
noun
1. bij iemand of iets behorende zaken
attributs
noun
paraffine
noun
1. achtervoeging van slotklank
paragoge
/ˈpa.ra.gʋɑɪ̯/, /ˈpa.ra.gβ̞ɑɪ̯/, /ˈpa.ra.ɣ<sup>ʊ</sup>ɛɪ̯/, /ˈparaˌɡwe/
pronoun
Paraguay
noun
parallaxe
adjective
1. evenwijdig
parallèle
noun
1. een cirkel parallel aan de evenaar
parallèle
noun
1. een cirkel parallel aan de evenaar
parallèle
noun
parallélépipède
/paralɛloˈɣrɑm/, /pɑrɑlɛloˈʝrɑm/
noun
1. (wiskunde) een vierhoek waarvan de overstaande zijden evenwijdig zijn
parallélogramme
adjective
paralympique
verb
paralyser
/ˌpa.ra.ˈply/
noun
1. een scherm waarover een waterdichte stof is gespannen om zich te beschermen tegen de regen
  1. parapluie
  2. pébroc
noun
parapsychologie
noun
1. klaploper, iemand die ten koste van een ander leeft, een profiteur
parasite
adjective
1. door parasieten veroorzaakt
parasitaire
verb
parasiter
noun
  1. parasol
  2. ombrelle
noun
1.benaming voor witsporige plaatjeszwammen uit het geslacht Macrolepiota
coulemelle
noun
2.
  1. handisport
  2. parasport
noun
1. voornamelijk op het onderzoek naar bovennatuurlijke verschijnselen gerichte disciplines die zichzelf als wetenschap zien, maar niet door eenieder daartoe worden gerekend
  1. para-science
  2. parascience
noun
1. in het kaf voorgekookte rijst
  1. riz parboiled
  2. riz étuvé
noun
1. bepaald soort zoogdier, Lynx pardinus
  1. lynx ibérique
  2. lynx pardelle
  3. lynx d’Espagne
noun
  1. 1. een hard, rond voorwerp dat door bepaalde weekdieren wordt gemaakt,...
    perle
  2. 3. bijnaam voor talentvolle speler of prominent bedrijf, gebouw, gebied of land
    1. perle
    2. pépite
noun
1. rond gepolijste gepelde gerst
orge perlé
noun
1.
lézard ocellé
noun
1. benaming voor vogels uit het geslacht Numididae
pintade
/parəl'mur/
noun
1. het glanzende mineraal dat de binnenzijde van bepaalde schelpen bedekt
nacre
adjective
gentiane nacré
adjective
gris fonçé nacré
adjective
vert nacré
adjective
rouge rubis nacré
adjective
violet nacré
adjective
or nacré
adjective
beige nacré
noun
cuivre nacré
adjective
cuivre nacré
adjective
gris clair nacré
adjective
vert opal nacré
adjective
rose nacré
adjective
mûre nacré
adjective
gris souris nacré
adjective
bleu nuit nacré
adjective
orangé nacré
noun
1. schelpdier dat een oester kan voortbrengen
huître perlière
noun
1.
vesse-de-loup perlée
adjective
blanc perlé
noun
parenchyme
adjective
1. betrekking hebbend op een ouder of meerdere ouders
parental
adjective
parental
noun
parentèle
noun
parenthèse
/pɑ'rerə(n)/
verb
parer
verb
parfumer
noun
1. winkel waar men parfums verkoopt
parfumerie
pronoun
1. de hoofdstad van Frankrijk
Paris
noun
een inwoner van Parijs
Parisien
noun
1.
cœur copulatoire
adjective
paritaire
noun
bit de parité
adjective
1.betrekking hebbend op de wand van een orgaan of een lichaam
pariétal
noun
feu de stationnement
noun
1. een installatie met klok die na de muntinworp de toegestane parkeertijd aangeeft
parcmètre
noun
1. plek waar auto's of andere voertuigen geparkeerd kunnen worden
  1. parking
  2. place de stationnement
verb
1. (een voertuig) tijdelijk ergens laten staan
  1. garer
  2. stationner
noun
  1. 1. Openbaar Ministerie
  2. 2. afzonderlijke ruimte in gerechtszalen
  3. 3. parketvloer
parquet
noun
vogel
perruche
noun
1. risicosport waarbij een traject met obstakels zo snel en vloeiend mogelijk moet worden afgelegd
Parkour
noun
parlement
adjective
parlementaire
noun
1. iemand die door middel van verkiezingen is verkozen om de bevolking van een land te vertegenwoordigen in het parlement
député
noun
1.
parmesan
adjective
1. betreffende Parma
parmesan
noun
1. gemeenschap van gelovigen in de katholieke kerk die bij één kerkgebouw hoort
paroisse
/pa.ˈrɔ.xiˌkɛrk/, /pa.ˈrɔ.χiˌkɛrk/
noun
1. een lokaal kerkgebouw dat het religieuze centrum van een parochie vormt
église paroissiale
verb
parodier
noun
1. woord dat een of meerdere morfemen met een ander woord deelt en daardoor soms met dat andere woord verward kan worden
paronyme
noun
1. ontsteking van het nagelbed
périonyxis
adjective
paroxystique
noun
parsec
/ˌpɑrtisiˈpeːrə(n)/
verb
1. ergens aan deelnemen
participer
/pɑrˈsʲeːl/
adjective
partiel
/pɑrˈsʲeːl/
adverb
partiellement
noun
direction du parti
noun
  1. 2. deelgenoot in spelen, speelgenoot, mededanser
    binôme
  2. 3. iemand met wie men gehuwd of niet een relatie heeft
    1. compagnon
    2. compagne
  3. 1. iemand met wie men gezamenlijk iets onderneemt of handel drijft
    partenaire
/pɑr.və.'ny/
noun
  1. parvenu
  2. nouveau riche
adverb
  1. 3. niet eerder dan
    ne que
  2. 2. nog niet lang
    récemment
  3. 1. even tevoren
    venir de
noun
  1. 4. doorgang tussen bergtoppen
    col
    1. 1. het plaatsen van de voet
    2. 2. manier van lopen
    pas
  2. 5. schot naar een medespeler
    passe
  3. 3. identiteitsbewijs
    passeport
noun
1. een paspop met het figuur van een bovenlijf
buste mannequin
noun
1. eenheid voor druk (symbool: Pa)
pascal
noun
1. het belangrijkste feest van het christendom, waarbij de Opstanding van Jesus centraal staat
Pâques
adjective
1. kort geleden geboren
nouveau-né
pronoun
1. taal die vooral in Afghanistan en Pakistan door 50 tot 60 miljoen Pathanen wordt gesproken
  1. Pashto
  2. pashto
noun
1. een ruimte in een kledingzaak waarin men kleding kan passen
cabine d'essayage
noun
passeport
noun
1. pop waarop men gemaakte kleren past
mannequin
noun
avion de ligne
verb
1. precies de goede maat zijn, erin kunnen
aller
noun
compas
verb
1. voorbijgaan, voorbijsteken, inhalen
passer
noun
1
passion
noun
1. (eetbare) vrucht van het plantengeslacht Passiflora
  1. fruit de la passion
  2. maracuja
adjective
passionnel
noun
  1. passioniste
  2. passionniste
noun
1. de benaming voor een aantal Italiaanse deegproducten
pâtes alimentaires
adjective
bleu pastel
adjective
jaune pastel
adjective
orangé pastel
adjective
turquoise pastel
adjective
violet pastel
verb
pasteuriser
noun
1. een document of ander kunstwerk zoals een toneel- of muziekstuk dat is gemaakt via nabootsing en/of het combineren van bepaalde kenmerken van een of meerdere originelen
pastiche
noun
1. bepaald circa 20 cm lang knolgewas, Pastinaca sativa
panais
noun
curé
adjective
1. in een toestand waarin een speler geen enkele zet meer kan doen
pat
noun
  1. 1. remise doordat een speler geen zet meer kan doen
    pat
    1. 1. reep stof met een knoopsgat aan het uiteinde
    2. 4. een van beide houders die het wiel in de vork houdt
    patte
  2. 3. gekleurd strookje stof op een uniform
    écusson
pronoun
1. benaming voor het zuidelijke deel van Zuid-Amerika, tussen de Colorado en de Straat van Magellaan
Patagonie
noun
1. gefrituurde aardappelreepjes
frite
noun
prêtre
adjective
1. & 2. vaderlijk
paternel
noun
1. de tak van de geneeskunde die het ontstaan en verloop van ziektes bestudeert
pathologie
adjective
1. ziekte betreffend
pathologique
noun
1. een medisch specialist die de pathologie beoefent
pathologiste
noun
pathos
adjective
vert patine
noun
1. zinsdeel dat ondergaat
patient
/pɑˈsʲɛnt/
noun
iemand die medische hulp krijgt
patient
noun
1. aanzienlijk persoon, burger, rijke koopman, regent, ...
patricien
noun
1. een vogel uit de familie van de fazanten
perdrix
noun
1. klein rond raam in een scheepswand dat waterdicht kan worden afgesloten
hublot
adjective
patriote
noun
patronyme
noun
patrouille
verb
patrouiller
pronoun
1. stad in Thailand
Pattaya
noun
1. stevig, maar smeerbaar mengsel van fijngemalen vlees
pâté
noun
1. een grote verstembare keteltrommel zoals gebruikt in een orkest
timbale
noun
1. paukenist
timbalier
/pɑu̯s/
noun
1. hoofd van de katholieke kerk
  1. pape
  2. papesse
adjective
1. betrekking hebbend op de paus, het hoofd van de rooms-katholieke kerk
papal
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Paon
noun
1. benaming voor siervogels uit het geslacht Pavo
  1. paon
  2. paonne
noun
1. bepaald soort tropische struik met prachtige bloemen, Caesalpinia pulcherrima
flamboyant
/ˈpɑʊzə/
noun
1. tijd waarin de hoofdactiviteit wordt onderbroken
pause
noun
pavillon
verb
pavoiser
pronoun
1. een taal gesproken in Taiwan, één van de 17 Paiwanische talen
pazeh
/peˈse/
noun
1. een computer voor persoonlijk gebruik
PC
/pɛx/, /pɛχ/
noun
1. de conditie waarin er tegenslag te verwerken is die niet door eigen schuld veroorzaakt is
  1. malchance
  2. poisse
  3. guigne
/ˈpɛxstrok/
noun
1. gedeelte van de rijbaan bedoeld voor noodsituaties
bande d'arrêt d'urgence
noun
pectine
adjective
  1. pécuniaire
  2. pécuniel
adjective
pécuniel
noun
    1. 1. met de voet te bedienen hefboom
    2. 3. met de voet te bedienen hefboom van een muziekinstrument
    pédale
  1. 2. voetklavier van een orgel
    pédalier
noun
1. harp met pedalen
harpe à pédales
/ˌklavəˈxɔrt/
noun
1. een klavechord dat is voorzien van een pedaalwerk
clavicorde à pédalier
noun
pagaie
noun
pédiatre
noun
pédiatrie
noun
1. een volwassene die verlangt naar seksueel contact met kinderen
pédophile
noun
1.
pédophilie
noun
1. vrucht
  1. poire
  2. poirier
adjective
1. de vorm hebbend van een peer, dus rond met één enkele uitloper
  1. piriforme
  2. en poire
/pes/
noun
1. een uitloper van spierweefsel die de spier aanhecht aan het bot
tendon
/ˈpetmudər/
noun
1. vrouw die bij de doop wordt aangewezen als tweede moeder, om op het kind te letten in de opvoeding en pleegmoeder te worden mocht dat nodig zijn
marraine
noun
parrain
noun
1.
filleul
verb
1.
piailler
pronoun
2. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Pégase
/pɛːl/, /pɛːɫ/
noun
1. niveau of stand van bijvoorbeeld water
niveau
noun
1. een antenne met voorkeur voor één richting
antenne radiogoniométrique
verb
  1. 1. de waterdiepte bepalen
  2. 2. onderzoeken wat mensen vinden of voelen
sonder
noun
1.
éprouvette
noun
1. peiling
sondage
noun
1. gewicht aan een touw
sonde à plomb
noun
jauge
/ˈpɛɪ̯nzə(n)/, /ˈpɛːnzə(n)/
verb
1. heel diep nadenken
réfléchir
pronoun
1. meer op de grens van Estland en Rusland
  1. lac Peïpous
  2. lac des Tchoudes
/'pejorɑ'tif/
adjective
péjoratif
verb
1. overgankelijk blootstellen aan een sterke oplossing van zout
  1. saler
  2. saumurer
adjective
1.
pékinois
noun
1.
Pékinois
noun
1. kleine hond afkomstig uit China
pékinois
noun
pèlerine
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Pelecanidae
pélican
adjective
pelliculaire
/peloˈtɔn/
noun
een groep soldaten
peloton
noun
1.
arachides en coques
noun
1. de dichtbehaarde huid van verschillende dieren
  1. pelage
  2. peau
noun
1. zoogdier waarvan de behaarde huid als bont gebruikt wordt
animal à fourrure
adjective
gris petit-gris
noun
manteau de fourrure
noun
1. (kleding) een mantel vervaardigd van het bont van pelsdieren
manteau de fourrure
noun
1. instrument om met inkt te schrijven of te tekenen
  1. stylo
  2. plume
adjective
pénal
verb
pénaliser
noun
pénalité
noun
1. een directe vrije trap voor de aanvallende partij na een zware overtreding van de verdedigende partij binnen het strafschopgebied
  1. penalty
  2. coup de pied de réparation
noun
penance
noun
pénétrance
verb
pénétrer
noun
1. het mannelijke geslachtsdeel
pénis
adjective
pénitentiaire
noun
1. loon uitgesteld tot de tijd dat iemand niet langer actief is op de arbeidsmarkt
pensiono
noun
fonds de pension
noun
1. een gelegenheid waar men kan overnachten
pension
verb
2. pensioen geven
pensionner
noun
1. C₅H12
pentane
noun
1. C15H32
pentadécane
pronoun
1.
Pentagone
noun
  1. pentagramme
  2. pentacle
noun
1.behoort tot een groep geneesmiddelen die morfine-achtige pijnstillers of opiaten worden genoemd
pentazocine
noun
1. dit geneesmiddel zorgt dat bloedcellen minder makkelijk aan elkaar kleven
pentoxifylline
noun
2.
pénultième
noun
1. een specerij van gemalen peperkorrels met een scherpe, hete smaak
poivre
noun
1. vaatje met al dan niet gemalen peperkorrels dat op tafel gezet wordt
poivrière
verb
1. met peper bestrooien, kruiden
  1. poivrer
  2. pimenter
  3. pepare
/'pepərkɔrəl/
noun
1.
grain de poivre
noun
moulin à poivre
noun
  1. 1. en 2. (bladeren van) de plant Mentha × piperita
    menthe poivrée
  2. 3. een snoepje gebaseerd op pepermuntolie
    pastille de menthe
noun
1. bepaald snoepje met een frisse scherpe smaak
mentbombono
noun
1. vluchtige olie, uit de bladeren en bloesemtoppen van de pepermuntstruik Mentha × piperita bereid
huile de menthe poivrée
noun
poivrière
/pɛpˈsinə/
noun
1. een verteringsenzym dat in de maag eiwitten in kleine stukken breekt
pepsine
/pɛrsɛnˈtaʒə/
noun
1. een percentsgewijze berekend bedrag of hoeveelheid
pourcentage
verb
percoler
noun
coup de fusil
verb
percuter
/perə(n)bom/
noun
1. een boom met peren als vrucht
poirier
noun
1. vruchtensap dat uit peren is bereid
jus de poire
noun
péréquation
noun
1. hervormingen zoals deze door Gorbatsjov werden voorgesteld in de Sovjet-Unie
perestroïka
/pɛrˈfɛkt/
adjective
1. zonder enig gebrek
parfait
noun
perfection
verb
1. meer perfect of volmaakt maken
  1. perfectionner
  2. peaufiner
/ˌpɛrfoˈratɔr/
noun
1. een apparaat om gaten te maken in papier, karton, kunststof folie of metaalplaat.
  1. perforateur
  2. perforatrice
  3. perforeuse
verb
1. ergens een gat in maken dat de ene zijde met de andere verbindt
perforer
adjective
périculeux
adjective
1. aan de buitenzijde
périphérique
noun
périphérie
noun
1.
périphrase
noun
périnée
/pɪri'jodɘ/
noun
  1. 5. cyclus
    cycle
  2. 2. menstruatie
    cycle menstruel
  3. 1. tijdperk
    période
  4. 4. repeterende getallenreeks
    suite périodique
noun
périodicité
adjective
1. periodisch, regelmatig terugkerend
périodique
noun
1. tijdschrift
périodique
noun
tableau périodique
noun
1.
tableau périodique des éléments
verb
périodiser
adjective
péristaltique
noun
1. een dun schrijfmateriaal, gemaakt van huid van kalveren, koeien, geiten, schapen, konijnen of ezels
parchemin
/pɛrᵊm/
noun
Permien
noun
1. doordringbaarheid
perméabilité
noun
permission
adjective
permissif
verb
permuter
adjective
1. gevaarlijk, kwaadaardig
pernicieux
noun
1. populistische en nationalistische politieke stroming in Argentinië
péronisme
adjective
perpendiculaire
adjective
perpétuel
/pɛˈrɔn/
noun
1. een hoge, lange zijstoep of verhoogde vrije stoep aan een station om in en uit te stappen
quai
noun
2. journalistieke media
presse
noun
1. schriftelijke verklaring om iets via de media bekend te maken
  1. communiqué à la presse
  2. dépêche
noun
1. maatregelen tot beperking van de persvrijheid
bâillonnement de la presse
noun
persévération
noun
persistance
verb
persister
noun
1. samengeperste lucht onder een bepaalde druk
air comprimé
noun
personnage
noun
personnalisme
noun
personnalité
adjective
personnel
noun
  1. 1. menselijk individu
  2. 2. grammaticaal begrip
personne
noun
1. een voornaamwoord dat in de plaats komt van een zelfstandig naamwoord of eigennaam en hiernaar verwijst
pronom personnel
noun
1. het geheel van kenmerken en gedragingen dat iemand uniek maakt
personnalité
noun
désordre de personnalité
/pɛrˈsoːnsˌfɔrm/
noun
1. finiet werkwoord
verbe fini
noun
persuasion
noun
1. iemand die namens een organisatie de pers te woord staat (op een manier die gunstig is voor de organisatie)
attaché de presse
pronoun
1. hoofdstad van de Australische deelstaat West-Australië
Perth
noun
perturbation
/peˈru/
pronoun
1. een land in Zuid-Amerika
Pérou
adjective
perverti
noun
1. perversiteit, tegennatuurlijkheid, verdorvenheid
perversion
noun
perversité
verb
1. iets bederven, slecht maken
  1. dépraver
  2. pervertir
noun
1. sappige vrucht van de perzikboom
pêche
noun
1. gepureerde vruchten van de perzikenboom
purée de pêche
pronoun
1. een Indo-Iraanse taal die gesproken wordt in Iran, Afghanistan en Tadzjikistan
  1. perse
  2. persan
pronoun
1.
golfe Persique
/ˈpɛsɑx/
pronoun
1.
  1. Pessa'h
  2. Pâque
pronoun
Peshawar
noun
pessimiste
noun
pesticide
noun
1. iemand die veel en gemeen plaagt
  1. taquin
  2. taquine
noun
1. bepaald soort vogel, Bombycilla garrulus
jaseur boréal
noun
1. tamelijk plat hoofddeksel met een klep
casquette
noun
1.
pétamètre
/peˈtɛki/
noun
pétéchie
/petəkɪnt/
noun
  1. filleul
  2. filleule
noun
2. kruid
persil
noun
groente
racine de persil
noun
1.
pétrochimie
noun
1. een symbool, figuur of andere afbeelding die in de rotsen is gekrast, gekerfd of gehakt
pétroglyphe
noun
1. een druklamp die op vergaste petroleum brandt
lampe à pression à pétrole
noun
1. gesteentekunde
pétrologie
noun
pétrologue
pronoun
  1. 1. discipel van Jezus
  2. 3. Peter
Pierre
noun
pétulance
noun
1. overblijfsel van een opgerookte sigaret of sigaar
mégot
noun
2. en 3. (peulen van) Pisum sativum var. saccharatum
  1. pois mange-tout
  2. pois croquants
  3. pois gourmand
noun
1. een jong kind in de leeftijd van een tot vier jaar
bambin
pronoun
1.
Mons-en-Pévèle
pronoun
1.
Pforzheim
noun
1.
hameçonnage
pronoun
  1. 2. grotere van de twee manen van Mars
  2. 1. Griekse god van de paniek
Phobos
noun
1. musicus die een piano bespeelt
pianiste
noun
1.
pianistique
adjective
1.
pianistique
noun
  1. 1. groot snaarinstrument met klavier (algmeen)
    piano
  2. 2. buffetpiano
    piano droit
noun
accordeur de piano
noun
picador
adjective
1. gerelateerd of afkomstig uit Picardië
picard
pronoun
1. Picardische taal
picard
noun
1.
Picarde
/pɪˈkɑrdɪʲə/
pronoun
regio in Noord-Frankrijk
Picardie
noun
1.
Picard
noun
  1. 1. loopjongen in hotel
    1. chasseur
    2. groom
  2. 1. piccolofluit
    picollo
noun
1. piccolosaxofoon
saxophone piccolo
noun
  1. 2. een kleine open vrachtauto
    pick-up
  2. 1. een apparaat om grammofoonplaten af te spelen
    tourne-disque
noun
1.
picomètre
noun
1. een taal die ontstaat wanneer twee bevolkingsgroepen die verschillende talen spreken...
pidgin
noun
1. een taal die ontstaat wanneer twee bevolkingsgroepen die verschillende talen spreken met elkaar in contact komen, maar die niemands moedertaal is
  1. langage pidgin
  2. langue pidgin
verb
± langdurig nadenken
gamberger
noun
1. geslachtsdeel van de man, penis gebruikt voor onvolgroeide jongens
  1. zizi
  2. kiki
verb
  1. 1.4 het fijn schril geluid van een krakende scharnier
    grincer
  2. 1.2 het geluid van de vogeltjes
    pépier
adjective
sibilant
noun
3. aardappel
patate
noun
1. jong slachtkuiken
poussin
noun
polystyrène
/piːr/
noun
  1. 2. een in een zee of rivier uitstekende brug, dam of golfbreker
    1. jetée
    2. môle
  2. 3. overdekte loopbrug op luchthaven
    passerelle téléscopique
  3. 1. een regenworm
    ver de terre
noun
ringetje, staafje enz.
  1. piercing
  2. perçage
noun
1. ondiep zwembad geschikt voor heel kleine kinderen die nog niet kunnen zwemmen
  1. pataugeoire
  2. grenouillère
pronoun
1. jongensnaam
Pierre
noun
1. benaming voor stekelige zeevissen uit de familie Trachinidae
vive
pronoun
1. hoofdstad van KwaZoeloe-Natal
Pietermaritzburg
noun
pinailleur
adjective
  1. pinailleur
  2. pointilleux
  3. tatillon
noun
1. een organische of minerale stof met een vaste kleur
pigment
noun
1. projectiel
flèche
noun
1. weekdier met lange tentakels en zuignappen, o.a. van het geslacht Loligo
encornet
noun
2. nachtvlinder van de vlinderfamilie
sphinx
/pɛɪ̯n/, /pɛːn/
noun
    1. 1. lichamelijk leed
    2. 2. geestelijk leed
    1. douleur
    2. mal
  1. 1. pijnboom, een naaldboom uit het geslacht Pinus
    pin
/ˈpɛɪ̯nɑpəɫˌkliːr/, /ˈpɛːnɑpəlˌkliːr/
noun
1. klier in de hersenen, die melatonine uitscheidt
glande pinéale
adjective
vert pin
verb
1. het opzettelijk veroorzaken van pijn bij iemand
  1. tourmenter
  2. martyreser
  3. torturer
/ˈpɛːinlək/, /ˈpɛːnlək/
adjective
1. pijn gevend
douloureux
adjective
1.wat de pijn doet ophouden
  1. calmant
  2. sédatif
noun
1.
orgue à tuyaux
verb
fumer une pipe
noun
1. pijpsleutel
clé à tube
noun
1. pijptang, een zware verstelbare tang
clé à griffe
noun
  1. 1. penis
    1. bite
    2. popol
  2. 2. houweel
    pioche
  3. 4. wrok
    pique
  4. 3. pek
    poix
verb
4. vlees inrijgen met reepjes spek
larder
/ˈpɪkhʌʊʋɪ:ɫ/
noun
1. hakwerktuig met steel, voorzien van een punt aan de ene zijde en een beitelachtige voorziening aan de andere zijde
pioche
verb
  1. 4. (met de snavel) prikken
    picorer
  2. 1. iets wegnemen van iemand en het zich wederrechtelijk toe-eigenen
    voler
noun
  1. 1
  2. 2
pilule
noun
1. een bestuurder van een vliegtuig, luchtschip of race-auto
pilote
noun
1. bepaalde mezensoort, Cyanistes caeruleus
mésange bleue
noun
1. een dun metalen staafje waarmee iets bevestigd kan worden
cheville
noun
1. een ouderwetse bril die op de neus geknepen werd gedragen
  1. pince-nez
  2. binocle
/pɪn.ˈsɛt/
noun
1. een gevorkt werktuig bestaande uit twee armen waarvan de punt bijeengeknepen kan worden
pincette
noun
  1. 1. een tot de vlinderbloemenfamilie behorende plant
    arachide
  2. 2. een vrucht van deze plant
    1. arachide
    2. cacahouète
    3. cacahuète
    4. pinotte
adjective
1. een soort broodbeleg dat bestaat uit een pasta van pinda's, slaolie en zout
  1. beurre d'arachide
  2. beurre de cacahuètes
/ˈpɪŋɡwɪn/
noun
1. benaming voor niet-vliegende zeevogels uit de orde
manchot
noun
1. de vijfde, kleinste en buitenste vinger
  1. auriculaire
  2. petit doigt
pronoun
1. Christelijk feest
  1. pentecôte
  2. Pentecôte
noun
1. tweede pinksterdag
lundi de Pentecôte
noun
1. de zaterdag voor Pinksteren
samedi de Pentecôte
/ˈpɪnə(n)/
verb
  1. 2. het elektronisch betalen met een pinpas
    payer par carte bancaire
  2. 1. het opnemen van geld bij een daartoe bedoeld apparaat
    1. retirer
    2. retirer de l'argent
/ˈpɪmpɑs/
noun
1. betaalkaart waarmee bedragen rechtstreeks worden afgeschreven van de bankrekening van de betaler.
carte de débit
/piˈɔn/
noun
  1. 1. een schaakstuk dat alleen recht vooruit kan lopen en schuin vooruit slaan
    pion
  2. 2. subatomair deeltje dat bestaat uit twee quarks en dus een boson is
    1. pion
    2. méson
/pi.ˈpɛt/
noun
1. een instrument waarmee heel precieze hoeveelheden vloeistof kunnen worden afgemeten door de vloeistof erin op te zuigen, meestal een in het midden verwijde en spits uitlopende glazen buis
pipette
/ˌpi.pɛ.ˈteː.rə(n)/, /ˌpi.pɛ.ˈtɪː.rə(n)/, /ˌpɪ.pɛ.ˈteː.rə(n)/
verb
1. met een pipet vloeistof overbrengen
pipetter
noun
1.
pirate
noun
1. met een vorm die van een breed, wat hoekig grondvlak uitloopt in een punt
pyramidal
noun
1.
pyramide
noun
bugle pyramidal
noun
2. opzettelijke schending van het auteursrecht door het ongeoorloofd namaken van goederen of ...
piratage
noun
1. een ornament op een markant punt van een bouwwerk
épi de faîtage
noun
1. een ornament op een markant punt van een bouwwerk
  1. poinçon
  2. épi de faîtage
noun
een NSAID ontstekingsremmer en pijnstiller
piroxicam
noun
1. een lange cilindrische holte die de blaas verbindt met de buitenkant van het lichaam
urètre
verb
1. plassen
pisser
noun
pistache
noun
1. een semi-automatisch handvuurwapen met een langwerpig magazijn in het handvat
pistolet
noun
2. kaarsen- of lampenpit
mèche
noun
1. een bulterriër die gekweekt wordt om zijn grote vechtlust
pitbull
adjective
  1. 4. die zich goed weet te verweren
    1. audace
    2. fougueux
  2. 3. hard, brutaal
    fougueux
  3. 1. niet te onderschatten
    sacré
  4. 2. stevig en scherp van smaak
    1. savoureux
    2. épicé
    3. poivré
adjective
pittoresque
verb
  1. 2. draaien met één voet aan de grond
    pirouetter
  2. 1. op een steunpunt in het midden ronddraaien
    pivoter
noun
1. een beeldpunt
pixel
/ˈpidza/, /ˈpitsa/
noun
1. gerecht van een belegde broodbodem
pizza
noun
1. bodem van een pizza
fond de pizza
noun
1. deeg voor de bodem van een pizza
pâte à pizza
noun
1. restaurant
pizzeria
pronoun
Piémont
pronoun
1. taal gesproken door 3 106 620 mensen in Italië, Argentinië, Australië en de Verenigde Staten
piémontais
noun
1.
piété
noun
piézoélectricité
noun
wijdverspreid onheil, ongemak
  1. fléau
  2. plaie
/plaːts/
noun
  1. 3. een dorp of stad (woonplaats)
    localité
  2. 1. een bepaalde ruimte of een bepaald punt in de ruimte
    1. place
    2. endroit
noun
1. precieze plek waar een misdaad is gebeurd
scène de crime
verb
1. op een bepaalde plaats zetten
placer
verb
1. gebeuren, zich afspelen
advenir
noun
1. het aantal argumenten van een relatie of functie
arité
/platsˈvɪndə(n)/
verb
1. gebeuren, geschieden, plaatshebben
avoir lieu
adjective
placentaire
noun
1.
plie
/plɑˈfɔnt/
noun
  1. 1. de bovenkant van een ruimte in een gebouw
  2. 2. hoogste niveau
plafond
verb
plafonner
verb
  1. 1. iemand lastigvallen
    1. gêner
    2. vexer
  2. 1. iemand (goedmoedig) pesten
    taquiner
/ˈplɑɣə(n)ˌɦʏt/, /ˈplɑχəˌɦʏt/
noun
1. een hut bedekt met plaggen
cahute
noun
plagiat
verb
plagier
noun
plaid
/ˈplɑg.bɑnt/
noun
1. een lintvormige drager die aan één of beide zijden bedekt is met kleefstoffen
ruban adhésif
verb
lijmen , kleven
coller
verb
1. steenachtige, houten of andere ondergronden met plamuur egaliseren of repareren
enduire
noun
1. een groot, rond en massief hemellichaam dat zelf geen licht geeft en in een vaste baan rond een ster draait
planète
verb
  1. 1. snel varen met een boot waarbij de romp op het water glijdt
    déjauger
  2. 1. vliegen zonder, of met afgezette motor
    planer
adjective
planétaire
noun
1. een toestel om de bewegingen van planeten voor te stellen
planétarium
noun
1. stelsel van planeten om de zon of een ster
système planétaire
noun
1.
planétologue
noun
1. een brok vaste materie die net als een planeet in een baan rond de zon draait, maar kleiner is dan een planeet
  1. planétoïde
  2. astéroïde
noun
Planimétrie
noun
trac
verb
  1. 1. bestemmen voor een of meer toekomstige activiteiten
  2. 2. tot een samenhangend geheel van toekomstige activiteiten maken
planifier
noun
planologie
noun
  1. 1. organisme dat kooldioxide opneemt en zuurstof afgeeft
  2. 2. van stengel en bladeren voorzien gewas dat zijn voedsel uit de aarde opneemt
plante
/plɑntˈaːr.dəx/
adjective
1. tot de planten behorend, uit planten bestaand of daarvan afkomstig
végétal
noun
huile végétale
verb
1. (een plant) in de aarde zetten om te laten groeien of bloeien
planter
noun
1. dier dat uitsluitend plantaardig voedsel eet
herbivore
verb
planter
noun
1. het onderdeel van de biologie dat zich bezighoudt met de studie van de planten
botanique
noun
botaniste
noun
3. een enkele afscheiding van urine
pipi
noun
1. een lange cilindrische holte die de blaas verbindt met de buitenkant van het lichaam
urètre
/plɑs.ˈmi.də/
noun
1. een ringvormig DNA-molecuul dat voornamelijk voorkomt voor bij bacteriën
plasmide
/plɑs.mo.ˈdɛs.ma/
noun
plasmodesme
verb
1. via de urinebuis vloeibare lichamelijke afvalstoffen lozen
  1. uriner
  2. faire pipi
noun
(kindertaal, kinderlijk) penis
  1. zizi
  2. kiki
/'plɑstik/, /'plɛstɪk/
noun
plastisch vervormbare polymere kunststof
plastique
noun
plasticité
verb
1. een kunststoffen laag of deklaag aanbrengen die zich in een plastische fase bevindt.
plastifier
adverb
  1. 1. vlak van vorm met verwaarloosbare hoogteverschillen
    plat
  2. 3. (informeel) corrupt (bijv. van politie)
    ripou
  3. 2. van weinig culterele diepgang getuigend
    1. rustre
    2. vulgaire
    3. fruste
verb
1. iets met kracht samendrukken
écraser
noun
1. bepaalde omgeving waarin een computer werkt
plateforme
noun
1. scheikundig element met symbool Pt en atoomnummer 78
platine
adjective
gris platine
noun
1. platte of afgezaagde zinsnede
platitude
/ˌplɑtəˈvɛil/
noun
lime plate
/ˈplɑtvɪs/
noun
1. een orde van vissoorten die op hun zijde op de bodem leven, en geheel plat zijn
poisson plat
noun
pied plat
adjective
1. zonder geld
fauché
noun
plébiscite
adjective
met ceremonieel
  1. solennel
  2. solemne
noun
een sociale gebeurtenis die met ernst en ceremonieel gepaard gaat
  1. cérémonie
  2. solennité
noun
1. het plaatje waarmee snaren worden aangeslagen
  1. plectre
  2. médiator
noun
1. toilet
chiotte
noun
1.
placement familial
/'pleɣə(n)/
verb
  1. 2. gewoon zijn, vaak doen
    avoir l'habitude
  2. 1. een gewoonlijk verboden handeling uitvoeren
    commettre
noun
  1. place
  2. square
/ˈplɛinˌvreːs/
noun
agoraphobie
noun
  1. 1. (gipshoudend) kalkmengsel
    1. plâtre
    2. crépi
  2. 2. zelfklevend verband
    1. sparadrap
    2. pansement
verb
2. iets met kalkspecie of gips bestrijken
plâtrer
noun
Pléistocène
adjective
1. in aanwezigheid van allen
  1. plénier
  2. plénière
noun
1. vergadering waaraan alle betrokkenen kunnen deelnemen
assemblée plénière
noun
1. bijeenkomst waarbij alle betrokkenen aanwezig kunnen zijn
assemblée plénière
noun
1. vergadering waarbij alle betrokkenen aanwezig kunnen zijn
assemblée plénière
/plejoˈnɑsmə/
noun
1.
pléonasme
/plejoˈnɑstis/
adjective
pléonastique
adjective
1.
malléable
verb
1. plat maken
  1. écraser
  2. broyer
noun
1. machine die wegen effent
rouleau compresseur
noun
1.
pluvier
noun
1. op zeegaande vrachtschepen aangebracht merkteken
  1. ligne de Plimsoll
  2. ligne internationale de charge
  3. marque de franc-bord
verb
1. het aanbrengen van fijne plooien in een gesteven stof
plisser
noun
  1. 1. landbouwgereedschap om de grond om te woelen
    charrue
  2. 2. groep personen
    équipe
verb
2. land met de ploeg bewerken
labourer
noun
travail en équipe
noun
1. leider van een (sport)team
directeur sportif
noun
1. snijdend deel van ploeg
soc
noun
attaque de distributeurs automatiques de billet
/ploˈsif/
noun
1. medeklinker die geproduceerd wordt met een volledige obstructie...
consonne occlusive
adverb
1. bij verrassing, opeens
brutal
adjective
1. snel en onverwacht
soudain
adverb
1. snel en onverwacht
tout à coup
adverb
1.
  1. soudainement
  2. brutalement
adjective
2. het deugt er, in orde, naar behoren
sûr
noun
1. vlok droge, lichte stof met een open structuur
flocon
/'plɵkə(n)/
verb
  1. 4. (sport) een door de lucht vliegende bal grijpen
    1. attraper
    2. cueillir
  2. 1. (bloemen) afbreken of oogsten
    cueillir
    1. 2. ontdoen van de veren
    2. 3. iemand geld afzetten
    plumer
verb
1. met geweld zich roerende goederen toeëigenen uit de woning van iemand anders
piller
noun
pluralité
noun
point avantageux
noun
  1. plus
  2. signe plus
pronoun
1.
Pluton
noun
1. Chemisch element
plutonium
/ˌplyvioˈɣraf/
noun
1. een toestel dat de hoeveelheid gevallen neerslag meet
pluviographe
/ˈplyvioˌmetər/
noun
1. een toestel dat de hoeveelheid gevallen neerslag meet
pluviomètre
noun
1. longontsteking
pneumonie
/po/
pronoun
1. stroom in Italië
Pô
verb
1. bereiden in warm maar niet kokend water
pocher
noun
1. vierkant doekje dat men als decoratie nog net zichtbaar opgevouwen draagt in het borstzakje van een colbert, blazer of dinnerjacket
pochette
noun
1. digitale radio-uitzending waarbij een audiobestand op internet wordt gezet...
  1. balado
  2. podcast
pronoun
1.
Podolie
noun
1. Frans krulharig hondenras
caniche
noun
poudre
noun
1. een brandblusser die werkt met een poeder van ammoniumfosfaat...
extincteur à poudre
noun
1. platte doos voor cosmetisch poeder
  1. poudrier
  2. boîte à poudre
noun
1. zeer fijn gemalen suiker
sucre glace
noun
1. bepaald soort zoogdier, Felis concolor
puma
noun
  1. 1. uitgescheiden vaste afvalstoffen van mens of dier
    1. merde
    2. caca
  2. 2. achterwerk, bips
    1. cul
    2. popotin
verb
  1. 4. geslachtsgemeenschap hebben
    1. baiser
    2. faire crac-crac
  2. 1. zijn behoefte doen
    1. chier
    2. faire caca
/ˈpurɪm/
noun
1. feest waarbij de Joden vieren dat ze niet meer door vijanden als Haman worden bedreigd
Purim
noun
1. een van de oudste huisdieren van de mens
  1. chat
  2. chatte
noun
1. grap
tour
/ˈputsə(n)/
verb
1. door middel van wrijven zaken schoner maken
frotter
/ˈpoɣə(n)/, /ˈpoχə(n)/
verb
1. iets met succes trachten te volbrengen, waarvan men niet weet of het gaat lukken
efforcer
pronoun
1. taal gesproken op het Micronesische eiland Pohnpei en vele gebieden daarbuiten
pohnpei
noun
1. staande jachthond
pointeur
verb
pointer
noun
1.kaartspel
poker
verb
poker
noun
1. emotieloos gezicht
l’air de rien
noun
2. epidemische huidziekte
  1. variole
  2. petite vérole
adjective
polaire
pronoun
1. Polaris
Polaris
/polariˈza(t)si/
noun
polarisation
noun
microscope polarisant
verb
polariser
noun
polarité
/ˈpɔldəʀ/
noun
1. een bedijkt stuk land waarin de waterstand kunstmatig geregeld wordt
polder
/ˈpolə(n)/, /ˈpoːlə(n)/
pronoun
1. een land in het midden van Europa met de officiële naam Republiek Polen (Rzeczpospolita Polska)
Pologne
pronoun
1.
Polésie
/poˈlɛɪstə(n)/
verb
1. een stenen of glazen oppervlak bijzonder glad slijpen met steeds fijnere slijpmiddelen
polir
/ˈpo.lɪs/
noun
1. schriftelijke vastlegging van een overeenkomst
police
noun
1.
  1. femme politique
  2. politicienne
noun
1. een discipline
science politique
noun
1.
  1. politologue
  2. politicologue
noun
1. iemand die zich beroepsmatig met politiek bezighoudt
  1. homme politique
  2. politicien
noun
  1. 2. een politieagent
    gars de la police
  2. 1. een overheidsdienst die belast is met de handhaving van de openbare orde...
    1. police
    2. gendarmerie
noun
1. een persoon die belast is met hulpverlening en met de handhaving van de openbare orde en veiligheid
  1. agent de police
  2. policier
noun
  1. commissariat de police
  2. hôtel de police
/poliˈtik/
adjective
1. betreffende de politiek
politique
/poliˈtik/
noun
1. datgene dat gerelateerd is aan het besturen van een land
politique
verb
politiser
noun
  1. 1.(Nederland) een vrij vlakke, houten of kunststoffen lepel gebruikt voor het roeren van voedsel dat toebereid wordt
    cuillère en bois
  2. 2.(België) een diepe, grote lepel met een lange steel gebruikt voor het opdienen van soepen, sauzen e.d.
    louche
noun
1. verontreiniging
pollution
noun
1. Chemisch element
polonium
noun
anatomie: 1. gewricht
poignet
verb
1. iemand vragen naar zijn mening, interesse voor iets
sonder
noun
1. een uurwerk dat om de pols gedragen wordt
montre-bracelet
noun
bouille
noun
polyamide
noun
polyandrie
noun
2. thermoplastisch polymeer
polycarbonate
adjective
polyester
noun
1.
polyphage
noun
polyphénol
noun
polyphonie
noun
polygamie
noun
polyglotte
noun
1. een gesloten stelsel lijnsegmenten die samen een plat vlak omsluiten
polygone
noun
1.
polymère
noun
acide polylactique
noun
polymérisation
verb
polymériser
noun
polyméthacrylate de méthyle
adjective
1. in meer dan een vorm binnen dezelfde groep voorkomend
polymorphe
noun
polymorphisme
pronoun
1. eilanden in de Grote Oceaan of Stille Oceaan die samen Oceanië vormen
Polynésie
noun
1. een keten van een groot aantal met elkaar verbonden aminozuren
polypeptide
noun
thermoplastische kunststof, bereid door polymerisatie van propeen
polypropylène
adjective
polysémique
noun
1. het kunnen hebben van meerdere (verwante) betekenissen
polysémie
noun
polystyrène
noun
1. godsdienst met meer dan één god
polythéisme
adjective
polytonal
noun
polytonalité
noun
1. volgens een achterhaalde theorie, een toestand van water met abnormale eigenschappen
eau polymérisée
noun
  1. 4. vrucht van de boom Citrus maxima
    pamplemousse
  2. 3. de boom Citrus maxima
    pamplemoussier
  3. 1. en 2. (vrucht van de) boom Citrus maxima × Citrus ×paradisi
    pomelo
noun
pommade
verb
pommader
noun
  1. 1.
  2. 2.
pommeau
pronoun
1. historische regio in het zuiden van de Oostzee
Poméranie
noun
pompe
/ˈpɔmpəlˌmus/, /ˈpɔmpəɫˌmus/
noun
  1. 2. een vrucht van deze boom
    1. pamplemousse
    2. pomélo
  2. 1. bepaald soort tot tien meter hoge boom, Citrus maxima
    pamplemoussier
verb
1. vloeistof of gas met behulp van een pomp verplaatsen
pomper
adjective
1. overdreven prachtig, gezwollen
pompeux
pronoun
1.
Pompéi
noun
  1. pompier
  2. sapeur
noun
1. een zeer oud cultuurgewas uit Midden- en Zuid-Amerika
  1. citrouille
  2. courge
noun
1. naam voor verschillende munteenheden die in het Verenigd Koninkrijk en sommige Engelstalige landen worden gebruikt
livre
verb
gaten in iets (vaak papier of metaal) maken door middel van een pons
perforer
noun
kaart die tot de jaren 80 werd gebruikt voor het vastleggen van gegevens d.m.v. erin geponste gaatjes
carte perforée
/ˈpɔntis/
pronoun
1. een variant van het Grieks die vroeger vooral gesproken werd in de streek Pontus, en momenteel vooral in Griekenland.
  1. grec pontique
  2. pontique
noun
1. werkschuit met een vlak dek
ponton
noun
1. paard uit een ras met een schofthoogte tot ongeveer anderhalve meter
poney
/'poːjər/
noun
1. een man die prostituees tegen betaling beschermt en helpt.
  1. proxénète
  2. maquereau
  3. croma
  4. mac
  5. proxo
/pok/
noun
  1. 2. versnellingshendel van een auto
    levier
  2. 1. stang om het vuur op te porren
    tisonnier
noun
A 1. uiteinde van een draaiingsas
pôle
noun
1. hond uit een ras dat gefokt is in het Noordpoolgebied
  1. husky
  2. chien esquimau
noun
1.
aurore polaire
/poɫs/, /poːls/, /po̝ɫs/
pronoun
1. een taal die in Polen gesproken wordt
polonais
/ˈpɔːɫshoxtə/
noun
1. de hoogte van de hemelpool
hauteur du pôle
noun
étoile polaire
noun
1. bepaald soort zoogdier, Alopex lagopus
renard polaire
noun
1. benaming voor zeevissen uit familie Triglidae
  1. grondin
  2. rouget
  3. trigle
noun
patte
noun
  1. 2. verpopte rups
    chrysalide
  2. 1. speeltuig
    poupée
noun
  1. maïs éclaté
  2. popcorn
noun
1. holle nagel waarvan de rand omgebogen wordt door met een speciale tang (de popnageltang) te trekken aan een stift die dan afbreekt
rivet aveugle
noun
1. een tang waarmee de zogenaamde pop- of blindklinknagels kunnen worden vastgeklemd
pince à riveter
noun
  1. 1. een in het klein uitgevoerde versie
  2. 2. popperig huisje
maison de poupée
noun
spectacle de marionnettes
noun
1. kunstenaar achter poppenspel
marionnettiste
adjective
populaire
verb
1. begrijpelijk maken voor het grote publiek
populariser
noun
1. het populair zijn van iemand of iets
popularité
noun
1.
population
noun
1.
peuplier
noun
1. politieke stroming die vindt dat een maatschappelijke elite de belangen van het volk verwaarloost...
populisme
adjective
poreux
noun
porno
noun
pornographie
noun
porosité
/pɔrsəlɛːn/, /pɔrsəˈlɛɪn/
noun
  1. 1. fijn, geglazuurd aardewerk
  2. 2. voorwerpen van fijn, geglazuurd aardewerk
porcelaine
noun
1,2 portaal (entree)
portail
noun
1. portaalkraan
  1. grue à portique
  2. portique
adjective
portable
noun
  1. mot-valise
  2. amalgame
noun
platte houder voor geld, kredietkaarten, naamkaartjes en dergelijke
portefeuille
noun
  1. 2. (uitdrukking) pijn in de portemonnee hebben
    1. avoir des oursins dans le porte-monnaie
    2. avoir le porte-monnaie en peau d’hérisson
    3. avoir le porte-monnaie en poil d’hérisson
  2. 1. geldbuidel
    porte-monnaie
noun
1. een deel van een voorraad toebedeeld aan een bepaald persoon
portion
noun
  1. 1. woningingang bestaande uit een open portaal binnen de voorgevellijn
    porche
  2. 2. zuilengalerij
    portique
noun
1.schilderij, foto of andere artistieke voorstelling van een persoon
portrait
/'pɔrtyɣɑl/
pronoun
1. een land in het zuidwesten van Europa, officieel de Portugese Republiek
Portugal
/ˌpɔr.ty.ˈɣes/, /ˌpɔr.ty.ˈχes/
adjective
1. verwijzend naar Portugal of naar de Portugese taal
  1. portugais
  2. portugaise
/ˌpɔr.ty.ˈɣes/, /ˌpɔr.ty.ˈχes/
noun
1. inwoner van Portugal
  1. Portugais
  2. Portugaise
  3. portugais
/ˌpɔr.ty.ˈɣes/, /ˌpɔr.ty.ˈχes/
pronoun
2. taal gesproken in Portugal
portugais
/pɔr.ty.ˈɣe.sə/, /ˌpɔr.ty.ˈχe.sə/
noun
1. vrouw
Portugaise
pronoun
1. verzamelnaam van diverse door menging ontstane talen die met veel aan het Portugees ontleende woorden worden gesproken
  1. créoles portugaises
  2. pidgins portugaises
noun
1. bepaald soort vis, Gymnocephalus cernuus
grémille
verb
poser
/po'zisi/
noun
    1. 1. een stand van het lichaam
    2. 2. een innerlijke houding
    3. 3. een plaats van waaruit men iets onderneemt
    4. 4. een toestand waarin iemand zich bevindt
    5. 6. een maatschappelijke stand
    6. 7. de ligging van de hand
    7. 8. een opstelling van troepen en materieel
    position
  1. 5. een vaste betrekking
    situation
adjective
positif
adjective
positional
noun
positron
noun
possession
adjective
possessif
noun
adresse postale
noun
1. postbeambte
  1. facteur
  2. postier
noun
code postal
verb
postdater
noun
1. een afgerichte duif die berichten kan overbrengen
pigeon voyageur
noun
1. bepaalde soort eenjarige groene plant, Portulaca oleracea
pourpier
/ˈpɔstə(n)/
verb
  1. 2. op wacht staan
    monter la garde
  2. 1. op de post doen
    poster
/pɔs'terə(n)/
verb
1. ergens neerzetten
poster
noun
1. het later komen, het tegenovergestelde van prioriteit
postériorité
noun
1. posthoorn
cor postal
noun
1. posthoorn
cor postal
noun
1. koerier die de post vervoerde
postillon
noun
1. kantoor dat zich bezighoudt met de bezorging van post en vaak ook andere diensten levert ...
  1. bureau de postes
  2. poste
noun
diligence
adjective
1.
postcolonial
/pɔstˈlydijʊm/
noun
1. een muzikale afsluiting van een theaterstuk, opera, ballet etc.
postlude
adjective
1. na de geboorte
postnatal
noun
colis postal
noun
1.
postproduction
adjective
1. na een letsel
  1. post-traumatique
  2. posttraumatique
verb
postuler
adjective
1.
posthume
noun
1. de vorm van een rechtopstaande mens
ligne
noun
mandat-poste
/ˈpɔ(st)sɑk/
noun
1. zak om poststukken in te verzamelen en te vervoeren
sac postal
/ˈpɔseɣəl/, /ˈpɔseχəɫ/
noun
1. betalingsmiddel voor het verzenden van post
  1. timbre
  2. timbre poste
noun
  1. gouine
  2. gousse
verb
1. ondiep in de aarde stoppen, met name van bollen, wortels, zaden e.d. om deze te laten groeien
planter
noun
1. regelbare weerstand
potentiomètre
noun
1. schrijfgerei met een zachte stift vervaardigd van klei en grafiet ingebed in een houten huls
crayon
noun
1. deel van een gebroken pot van aardewerk
tesson
noun
1. bedrijf waar men aardewerk maakt; werkplaats van een pottenbakker
potterie
noun
1. bepaald soort zeezoogdier, Physeter macrocephalus
cachalot
noun
1. een groep van sporters of teams die het tegen elkaar opnemen in een competitie of toernooi
poule
noun
poutine
adjective
1. teleurstellend klein of gering
pauvre
/po.ˈwe.tɪs/, /po.ˈβ̞e.tis/
adjective
1. uit de poëzie, gelijkend op poëzie
poétique
noun
1. in ritme, maat en klank verwoorden
poésie
/prax/, /praç/
pronoun
hoofdstad van Tsjechië
Prague
/ˈpraːt.jəs.ˌma.kər/
noun
  1. 2. iemand die praat om te imponeren of te misleiden
    baratineur
  2. 1. vlotte prater
    1. beau parleur
    2. bavard
noun
1.
pragmatisme
noun
1. Cynomys, een eekhoornachtig zoogdier uit Noord-Amerika dat een scherp blaffend geluid maakt
chien de prairie
pronoun
1. verzamelnaam van een tiental talen die in India en Nepal worden gesproken
langues prâkrit
/prɑkˈtɛɪ̯k/, /prɑkˈtɛːk/
noun
  1. 2. hoe dingen werkelijk gaan...
    1. en pratique
    2. pratique
  2. 4. gewoonte(n), manier van doen
    usage
/ˌprazejoˈdimijʏm/
noun
1. Chemisch element
praséodyme
/ˈpraː.tə(n)/
verb
1. zich met behulp van de stem uiten
parler
noun
1. iemand die (veel) praat
parlant
/prɑu/
noun
1. een soort kano
pirogue
noun
préambule
/ˈpreborejal/
noun
Préboréal
adjective
précaire
/presəˈdɛnt/
noun
  1. 2. bestaande jurisprudentie die dient ter beslechting van een vergelijkbaar geschil
    décision de principe
  2. 1. eerder plaatsgevonden hebbend geval
    précédent
noun
  1. antecedence
  2. precedence
noun
précession
adjective
précis
adjective
1. nauwkeurig, verfijnd
précieux
verb
1. neerslaan, bezinken
précipiter
noun
prédateur
verb
prédestiner
noun
3. (grammaticaal) gezegde
prédicat
noun
adjectif attribut
noun
nom attribut
/ˌpredikaˈtif/
adjective
attributif
verb
prédiquer
verb
1.de leer van een geloof verkondigen
prêcher
pronoun
  1. Ecclésiaste
  2. Qohéleth
noun
2. bureau van een prefect
préfecture
verb
1. de voorkeur geven
préférer
noun
1. een gebonden morfeem dat voor een ander woord geplaatst wordt om iets aan de betekenis toe te voegen
préfixe
noun
prégnance
noun
préhistoire
noun
1. en 2 (bladeren van) plant Allium porrum
poireau
verb
1. een preek houden
prêcher
adjective
1. voor de ziekte merkbaar wordt
préclinique
adjective
préliminaire
noun
1. een muzikale introductie tot een muziekstuk
prélude
verb
préluder
noun
1. een fantasiestuk of een muzikale introductie tot een muziekstuk
prélude
/prema'tyr/
adjective
prématuré
noun
préméditation
noun
  1. chasseur des primes
  2. chasseur de primes
noun
1. de minister die het kabinet aanvoert
premier ministre
noun
1. de eerste vaak feestelijke vertoning van een film, toneelstuk of een andere vorm van entertainment
première
adjective
1. betrekking hebbend op de tijd vóór de geboorte
prénatal
noun
livre d'images
verb
préparer
noun
prépondérance
noun
1. voorhuid van penis
prépuce
noun
prescription
/ˌpresɛnˈtatsi/
noun
1. het presenteren van iets
présentation
verb
1. op een goed voorbereide wijze aanbieden aan anderen
présenter
adjective
1. voorbehoedmiddel
préservatif
noun
1. het staatshoofd van een republiek
  1. président
  2. présidente
adjective
1.
présidentiel
noun
1. de verkiezing van een president
  1. élection présidentielle
  2. présidentielle
verb
1. het beoefenen van de functie van voorzitter
présider
noun
  1. performance
  2. prestation
verb
1. een overtuigende sociale bijdrage leveren
prester
noun
présomption
/ˌpresiˈnɑptis/
adjective
1. voor de synaps, d.i. de spleet tussen twee zenuwcellen, liggend
présynaptique
verb
1. doen alsof je iets weet, kunt of bent terwijl dat misschien niet het geval is
prétendre
/prøts/
adjective
1. zeer ingetogen, overdreven kuis
prude
noun
2.
prévalence
/prəˈvɛn(t)si/
noun
1. voorkoming (van ziekte, brand, etc)
prévention
adjective
préventif
noun
1. ongezond langdurige erectie van de penis
priapisme
noun
1. priem
  1. alêne
  2. poinçon
verb
1. met een priem bewerken
percer
noun
1. priemgetal
nombre premier
noun
1. iemand die de religieuze (offer) rituelen verzorgt
prêtre
noun
1. een vrouw die de taak heeft religieuze rituelen te verzorgen
prêtresse
noun
  1. 1. de gevraagde geldsom bij verkoop
  2. 2. een uitzonderlijke beloning, bijvoorbeeld voor een bepaalde prestatie
prix
verb
1. iemand lof toezwaaien
  1. féliciter
  2. louer
noun
  1. impulsion
  2. stimulation
  3. incitation
noun
syndrome de l'intestin irritable
noun
1. materiaal bestaande uit een dubbele, in elkaar gedraaide metalen draad...
  1. fil de fer
  2. fil de fer barbelé
/ˈprɪkələn/
verb
  1. 3. ergeren
    1. agacer
    2. hérisser
    3. irriter
  2. 5. (seksueel) opwinden
    exciter
  3. 2. aanzetten, aansporen
    inciter
  4. 4. (medisch) irriteren
    irriter
  5. 1. (herhaaldelijk) prikken
    repiquer
noun
  1. 2. kerkelijke titel
    primat
  2. 1. benaming voor zoogdieren uit de orde Primates
    primate
  3. primat
adjective
primaire
noun
primatologie
noun
1.
primatologue
noun
1. prime
prime
verb
primer
/'primyla/
noun
1.
primevère
noun
  1. 1. hoogste adellijke titel van een man of jongen
  2. 2. laagste koninklijke titel van een man of jongen
prince
noun
  1. 1. de hoogste adellijke titel van een vrouw of meisje
  2. 2. de laagste koninklijke titel van een vrouw of meisje
princesse
/ˈprɪntər/
noun
1. toestel om gegevens af te drukken onder andere op papier.
imprimante
noun
1. (elektrotechniek) plaat waarop elektronische bedrading aanwezig is, aangebracht met frees- of etstechnieken
circuit imprimé
noun
prieuré
adjective
prioritaire
noun
priorité
noun
prisme
/pri'vatrɛxt/
noun
1. vakgebied van het recht m.b.t. de onderlinge verhoudingen tussen private personen, maar ook hun privébelangen
droit privé
noun
vie privée
verb
1. omvormen van staatsbedrijven, overheidsdiensten tot particuliere, private bedrijven
privatiser
noun
1. een bepaald recht, voordeel niet genoten door anderen
privilège
verb
1. voorrechten schenken aan iemand
privilégier
adjective
1. voor persoonlijk gebruik gereserveerd
privé
noun
1. de tijd die besteed wordt aan persoonlijke bezigheden
vie privée
noun
1.
secteur privé
noun
probation
/proˈberə(n)/
verb
  1. essayer
  2. tenter
  3. tacher
noun
1. iets dat schade teweegbrengt of de voortgang van iets anders in de weg staat
  1. problème
  2. souci
noun
quartier chaud
adjective
1. met problemen behept
problématique
noun
1. het geheel van problemen en bijzonderheden rond een vraagstuk
problématique
adjective
1. een probleem vormend
problématique
verb
procéder
/prosəˈdyrə/, /proseˈdyrə/
noun
  1. 1.
  2. 4.
procédure
/proˈsɛs/
noun
  1. 2. opeenvolging van gebeurtenissen, gang van zaken
    1. processus
    2. procès
  2. 1. het voeren van een gerechtszaak
    procès
abbreviation
  1. 2. bekeuring
    1. amende
    2. contravention
    3. procès-verbal
  2. 1. de akte waarmee een overheidsambtenaar verslag uitbrengt over wat hij in de uitoefening van zijn functies heeft verricht
    1. procès-verbal
    2. compte-rendu
    3. contravention
/proˈsɛˌsi/
noun
procession
/prosɛsirʏps/
noun
1. larve van een processievlinder, Thaumetopoeinae
chenille processionnaire
noun
proclamation
verb
1. in het openbaar voorlezen of bekendmaken van een officiële zaak
proclamer
noun
1. wegvallen van een of meer klanken aan het begin van een woord
aphérèse
noun
procuration
noun
1. het resultaat van een bewerking
produit
noun
1. voortbrenging
production
adjective
1. vruchten afwerpend
productif
noun
processus de production
noun
  1. 4. monster
    échantillon
  2. 2. experiment
    1. épreuve
    2. essai
noun
période d'essai
verb
  1. 1. onderzoeken hoe iets smaakt
    goûter
  2. 2. smaak waarnemen
    sentir
noun
profanation
noun
1. een persoon die boodschappen van een godheid aan de mensen doorgeeft
prophète
noun
1. een persoon, die beroepsmatig werkzaam is
professional
verb
professionnaliser
/proˈfɛsɔr/
noun
1. de aanspreektitel voor een hoogleraar
professeur
verb
1. op een geplande manier bekend maken
profiler
verb
profiter
noun
progestérone
noun
prognostication
noun
1. een applicatie voor de computer
programme
noun
langage de programmation
verb
1. het schrijven van computerporgramma
programmer
noun
progression
noun
prohibition
/proˈjɛkt/
noun
1. een zaak die men denkt uit te voeren of te onderzoeken
projet
noun
projection
noun
toestel om een afbeelding op een scherm te projecteren
projecteur
noun
prolétariat
noun
prolétaire
noun
1. snelle vermenigvuldiging
prolifération
noun
proline
noun
prolongation
verb
prolonger
noun
  1. 1. inleidende rede van een tekst
  2. 3. de inleiding tot een theaterstuk
  3. 2. een korte tijdrit die als openingsrit wordt verreden
prologue
noun
1. verhandelbare schuldbekentenis
billet à ordre
noun
1. een uitvaart waarbij het lijk tot stof wordt verpulverd door toepassing van vriesdrogen
promession
noun
1. een scheikundig element met het symbool Pm en het atoomnummer 61; een zilverwit à grijs lanthanide
  1. prométhium
  2. prométhéum
/proˈmotə(n)/
verb
1. reclame maken voor
promouvoir
/proˈmotsi/
noun
  1. 1. een verhoging in rang
  2. 2. bevordering naar een hogere speelklasse
promotion
noun
  1. doctorant
  2. doctorante
  3. thésard
  4. thésarde
noun
1. en 2. (peulvrucht van) Phaseolus coccineus
  1. haricot d’Espagne
  2. haricot écarlate
  3. haricot-fleur
verb
1. vertoon maken met mooie dingen
  1. parader
  2. pavaner
verb
prononcer
/prost/
interjection
1. heildronk
  1. à votre santé
  2. santé
/ˈprostə(n)/
verb
1. het glas heffen en een gelukwens uitbrengen
trinquer
noun
1. C₃H₈
propane
noun
1. activiteiten of materiaal gericht op het beïnvloeden van de mening of het gedrag...
propagande
noun
1.
propagandiste
noun
  1. 1. voortplanting of uitbreiding
  2. 2.
propagation
verb
propager
/propə'dœyzɛ/
noun
2. Voorbereidingsjaar
propédeutique
noun
propène
noun
propylène glycol
noun
1. CH₃CH₂COOH
acide propanoïque
noun
proportion
adjective
1. evenredig
proportionnel
noun
proposition
noun
1. een organische verbinding gekenmerkt door de aanwezigheid van twee hydroxylgroepen
propylène glycol
noun
prorogation
noun
1. een Italiaanse mousserende wijn
prosecco
/prozeˈlit/
noun
prosélyte
noun
prosodie
noun
1.een klier tussen de blaas en de penis van de man
prostate
verb
1. iemand dwingen tot het aanbieden van seksuele diensten
prostituer
noun
1. het tegen betaling ter beschikking stellen van het lichaam voor het seksuele genot van een ander
prostitution
noun
1. scheikundig element met symbool Pa en atoomnummer 91
protactinium
noun
1.
protagoniste
noun
2.
protectionnisme
verb
protéger
noun
1. christen die is aangesloten bij het protestantisme, een van de kerkgenootschappen ontstaan door afsplitsing van de Rooms-Katholieke Kerk in de zestiende eeuw
protestant
/ˌpro.tə.ˈstɑnts/
adjective
1. gerelateerd aan het protestantisme
protestant
noun
  1. contestataire
  2. mouvement
verb
1. grote bezwaren uiten
protester
noun
chanson de révolte
noun
1.
  1. protéine
  2. protide
noun
1. een kunstmatig lichaamsdeel
prothèse
noun
1. voorvoeging van beginklank
prothèse
pronoun
1. hypothetische, gereconstrueerde taal waar vele Europese talen, waaronder het Nederlands en het Frans, van afstammen
indo-européen commun
noun
4. geheel van voorschriften en afspraken in de internationale diplomatieke omgang
protocole
adjective
1. in, van of betrekking hebbend op de gereconstrueerde taal die vroeger door de Germanen werd gesproken
proto-germanique
pronoun
1. reconstructie van de taal zoals die vroeger door de Germanen werd gesproken
proto-germanique
/'protɔn/
noun
proton
noun
1. oorspronkelijk model, eerste model van een product
prototype
noun
protubérance
adjective
1. met betrekking tot de Provence
provençal
adjective
providentiel
/pro.ˈvɪn.si/
noun
1. een staatkundig onderdeel van een land
province
verb
provoquer
adjective
1. met zorg, getuigend van wijsheid, getuigend van inzicht
  1. prudent
  2. sage
noun
1. een kunstmatig haarstuk waarmee het hoofd bedekt wordt
perruque
noun
2. vrucht van de pruimenboom
prune
noun
pruneau
/ˈprœy̯mə(n)/
verb
1. tabak kauwen
chiquer
noun
prunier
pronoun
Prusse
adjective
prussien
noun
1. een variant van de kleur blauw met een groenachtige ondertoon
bleu de Prusse
noun
  1. babiole
  2. chiffon
  3. ferraille
  4. patraque
noun
1. een bak waar het afval in wordt gedeponeerd totdat de vuilnisdienst het ophaalt
seau à ordures
adjective
1. jeukend
prurigineux
/psɑlm/
noun
1. elk van honderdvijftig gezangen uit de Tenach en het Oude Testament
psaume
pronoun
1. boek in de Bijbel met lofliederen op God
Psaumes
noun
onechte programmeertaal
pseudo-code
/psœydoˈnim/
noun
1. een aangenomen naam waaronder men iets publiceert
  1. pseudonyme
  2. pseudo
noun
  1. pseudo-science
  2. pseudoscience
noun
1. schubziekte met overmatige vette schilfers van de huid
psoriasis
/ˌpsɪxeˈdelɪs/
adjective
1. de werking van het bewustzijn verruimend
psychédélique
noun
psychiatre
noun
psychiatrie
adjective
1. geestelijk
psychique
noun
1. stroming in de psychologie
psychanalyse
/psixoloˈɣi/, /psiχoloˈχi/
noun
1. de wetenschap die zich bezighoudt met het onderzoek naar bewustzijnsverschijnselen
psychologie
/ˌpsi.χo.ˈloχ/, /ˌpsɪ.xo.ˈlox/
noun
1. een beoefenaar van de psychologie
psychologue
noun
1.iemand die lijdt aan een persoonlijkheidsstoornis die antisociaal gedrag veroorzaakt
psychopathe
noun
psychopathie
/psi'xozə/
noun
1. een geestesziekte waarbij men wanen heeft
psychose
/ˌpsiχoso'ʃal/
adjective
1. Het zielenleven betreffend voor zover dit door sociale factoren beïnvloed wordt
psychosocial
noun
1. stroming in de psychologie
psychothérapie
noun
psychisch trauma dat wordt opgelopen na het meemaken van een afschuwelijke gebeurtenis
traumatisme psychique
noun
1. spiegel die kan draaien om een horizontale as waarmee men zich van top tot teen kan bekijken
psyché
noun
1. het proces van seksuele rijping van kind naar volwassene en het gedrag dat daar bij hoort
puberté
noun
puberté
verb
1. bekend maken aan een doorgaans groot publiek via een bepaald medium
publier
adjective
publicitaire
noun
publicité
/pyˈblik/
adjective
2. wat het publiek aangaat
public
/pyˈblik/
noun
1. een groep toeschouwers
  1. public
  2. auditoire
noun
1. harde rubberen schijf gebruikt bij ijshockey
palet
noun
1. nagerecht, vaak zoet, koud en op basis van melk
  1. pudding
  2. pouding
noun
1. schroom
pudeur
noun
1.
  1. Portoricain
  2. Porto-Ricain
adjective
1.
  1. portoricain
  2. porto-ricain
pronoun
1. een met de Verenigde Staten geassocieerde vrijstaat in het oostelijk deel van de Caribische Zee
Porto Rico
noun
pierre ponce
/pœʏ̯n/, /pœːn/
noun
1. een massa vergruizelde steen
débris
/pœyn(h)op/
noun
  1. 1. een hoop puin, meestal door de verwoesting van bouwwerken
    décombres
  2. 2. een bende
    pagaille
adjective
1. met puisten bezet
  1. boutonneux
  2. pustuleux
pronoun
1. taal gesproken door 3 244 020 mensen in Senegal, Gambia, Guinea, Guinee-Bissau, Mali en Mauretanië
  1. peul
  2. peulh
/pʌlovər/
noun
1. gebreide herentrui met mouwen die over een overhemd gedragen wordt
pull-over
adjective
pulmonaire
noun
1. een klopping
pulsation
noun
pulvérisation
verb
pulvériser
noun
1. een damesschoen zonder sluiting en met hoge hak
escarpin
noun
1. het plaatsen van leestekens in een tekst
ponctuation
pronoun
1. taal die in de Punjab, zowel in India als in Pakistan gesproken wordt
pendjabi
noun
1. een positie in de ruimte
  1. pointe
  2. point
noun
1. taps toelopende houder met een mesje dat bedoeld is voor het aanslijpen van een verse punt aan een potlood
taille-crayon
adjective
1. spits
aigu
noun
1. een leesteken dat twee nauw aan elkaar gerelateerde zinnen tot een geheel verbindt (;)
point-virgule
noun
cornet
noun
chinois
noun
  1. 1. onder voogdij staand kind
    pupille
  2. 2. leerling
    élève
  3. 1. oogappel
    pupille
noun
1. pasgeboren hond, jonge hond
chiot
noun
1. chocolade van zuivere cacaopasta plus suiker
chocolat noir
noun
gerecht van fijngestampte of gezeefde aardappelen, tomaten, vruchten, groenten enz
purée
verb
purifier
noun
1.
puriste
adjective
pourpre
noun
1.
héron pourpré
adjective
rouge pourpre
adjective
violet pourpre
adjective
1. Met betrekking tot puisten
pustuleux
noun
2. distelvink
chardonneret
noun
1. een stevig aan dek of boord verankerd oog waaraan het want of een stag want wordt bevestigd
cadène
/pyzəl/, /pʏzɔl/
noun
1. een raadsel of moeilijke opgave die men als tijdverdrijf probeert op te lossen
puzzle
noun
acroniem van polyvinylchloride
polychlorure de vinyle
noun
1.
pygmée
noun
1. gemakkelijk zittende hemd en broek die 's nachts in bed kunnen worden gedragen
pyjama
noun
pylône
pronoun
1. een gebergte op de grens van Frankrijk en Spanje
Pyrénées
noun
2. een vaste stof die het structuurtype heeft waarvan [1] het archetype is
pyrite
noun
pyrolyse
noun
1.
pyromane
noun
1. onweerstaanbare drang om brand te stichten
pyromanie
/piˈrozɪs/
noun
1. een brandend gevoel ten gevolge van oprisping van maagzuur
pyrosis
noun
1. een niet-giftige en grote wurgslang
python
/kɑt/
noun
1. blad van een bedektzadige plant Catha edulis
  1. khat
  2. qat
  3. kat
/ka'tar/, /ka'tɑr/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten
  1. Qatar
  2. Katar
/kʋa/
preposition
1. wat betreft
en ce qui concerne
noun
1. een motorfiets of brommer op vier wielen
quad
noun
1. een met vier paarden bespannen tweewielige wagen van de oude Grieken en Romeinen
quadrige
noun
quadrilliard
noun
1. 1024
  1. quadrillion
  2. quatrillion
noun
  1. 1. een Franse contradans uit de 18e eeuw
  2. 1. een omberspel met vier spelers
quadrille
verb
  1. 1. een quadrille dansen
    danser le quadrille
  2. 2. het quadrillespel spelen
    jouer au quadrille
adjective
1. viervoudig
quadruple
noun
1. volgeling van een religieuze beweging gekend onder de naam Genootschap der Vrienden
quaker
noun
1. de kleinste natuurlijke eenheid die in onze kosmos voorkomt
quantum
noun
1. tijdelijke afzondering van personen, dieren of zaken die besmet zouden kunnen zijn met ziektekiemen
quarantaine
/kwɑrk/
noun
quark
noun
quasar
adverb
1. in schijn
  1. quasi
  2. quasiment
/kwatəerˈnɛːr/
adjective
quaternaire
/kwɑtʃ/, /kʋɑtsʲ/
noun
1. onzin
sottises
noun
1.
quattrocento
pronoun
1. taalfamilie van ongeveer 45 talen die in het westen van Zuid-Amerika worden gesproken
langues quechua
pronoun
1.
Quedlinburg
pronoun
1. Australische deelstaat gelegen in het noordoosten van het land
Queensland
noun
1. iemand die voortdurend klaagt over onrecht dat hem zou zijn aangedaan
quérulent
noun
quérulence
/kwiˈnowa/
noun
1. Zuid-Amerikaanse plant (Chenopodium quinoa) en 2. zaden van die plant
quinoa
pronoun
3. spelwoord voor de letter q
Quintal
noun
1. spel waarbij de deelnemers vragen moeten proberen te beantwoorden
jeu-concours
noun
  1. 2. spelwoord voor de letter q
    Quintal
  2. 1. resultaat van de deling van het deeltal door de deler
    quotient
noun
quota
interjection
1. horizontaal draaibare boom aan mast
vergue
pronoun
Conseil de l'Union européenne
pronoun
Conseil de l'Europe
verb
1. een bron van informatie of ervaring aanspeken
consulter
noun
1. iets waarnaar men moet raden
  1. devinette
  2. mystère
/ratsəlɑxtəx/
adjective
1. onbegrijpelijk door dubbelzinnige of verborgen informatie
  1. énigmatique
  2. mystérieux
noun
  1. 4. raadsheer
    fou
  2. 5. sierduif
    pigeon à capuchon
noun
1. een lid van een gemeenteraad
conseiller municipal
adjective
opportun
/raːf/
noun
1. grootste van alle zangvogels, met flinke snavel, Corvus corax
corbeau
noun
tête-de-loup
noun
  1. 3. globale regeling
    cadre
  2. 2. lijst, kader
    encadrement
  3. 1. venster: muuropening om lucht en licht door te laten
    fenêtre
noun
1. een richtinggevoelige antenne van enkele spoelwindingen
  1. antenne cadre
  2. antenne cadre magnétique
adjective
1. afwijkend van gewoonlijk, verbazing opwekkend
  1. étrange
  2. drôle de
noun
1. en 2. (stengels van) plant Rheum rhabarbarum
rhubarbe
noun
1. vocht uit de stengels van Rheum rhabarbarum
jus de rhubarbe
/rɑˈbɛin/
noun
rabbin
adjective
féroce
noun
1. wedstrijd waarbij het erom gaat een bepaald traject of parcours zo snel mogelijk af te leggen
course
noun
voiture de course
noun
1. een baan om snelheidswedstrijden op te houden
circuit
noun
racisme
noun
raquette
noun
1. wielvormig voorwerp dat kracht overbrengt binnen een machine of op het water
roue
noun
1. radarantenne
antenne radar
verb
  1. 2. een advies geven
    conseiller
  2. 1. een gissing maken naar iets
    deviner
noun
1.een scheepstype dat wordt voortbewogen door schoepenraderen
bateau à roues à aubes
noun
1. een scheepstype dat wordt voortbewogen door schoepenraderen
bateau à roues à aubes
noun
  1. 1. een serie van in elkaar grijpende raderen
  2. 2.
engrenage
adjective
2. straalsgewijs
  1. radial
  2. radiaire
noun
1. de SI-eenheid voor een hoek
radian
noun
1.
moteur en étoile
adjective
radiaire
noun
radiation
noun
1. een toestel dat door straling warmte afgeeft, ofwel ter verwarming van een ruimte, ofwel ter koeling van bijvoorbeeld een motor
radiateur
noun
3.
radical
verb
radicaliser
noun
radicalisme
noun
1. bepaalde soort uit de kruisbloemfamilie, Raphanus sativus
radis
/ˈradijo/
noun
  1. 1. toestel
  2. 2. medium
radio
noun
1. radio-omroep
radiodiffusion
adjective
radioactif
noun
1.
radioactivité
noun
radiobiologie
/ˌradioˈlaria/
noun
1. taxonomische groep van in zee levende eencelligen, Radiolaria
  1. radiolaires
  2. radiolaria
noun
1. het medisch specialisme...
radiologie
noun
  1. radiologue
  2. radiologiste
/ˈradɪoprezɛnˌtatɔr/
noun
presentator op de radio
présentateur de radio
noun
radioscopie
noun
1. hoge ondersteuningsconstructie voor radiozendantennes
tour émettrice
noun
1. scheikundig element met symbool Ra en atoomnummer 88
radium
noun
  1. rajah
  2. radjah
  3. raja
noun
1. met symbool Rn en atoomnummer 86
radon
noun
réfection
/'ra.fəl/
noun
1. een losgeraakte draad van een weefsel
  1. effilochure
  2. éraillure
/ˈrafələ(n)/
verb
1. van een geweven stof of touw dat deze vanaf de rand of uiteinde uit elkaar valt
  1. s'effiler
  2. s'effilocher
noun
het raffineren
raffinage
verb
raffiner
noun
  1. engouement
  2. fureur
noun
ragoût
noun
    1. 1. een metalen staaf waar het wiel van een railvoertuig op rijdt
    2. 2. een baan waar een railvoertuig over rijdt
    rail
  1. 4. een metalen richel waarover een gordijn dat aan wieltjes hangt, kan rollen
    tringle de rideau
verb
railler
verb
raisonner
noun
1. cilindervormig projectiel dat door een naar achteren gerichte ontploffing wordt voortbewogen
  1. missile
  2. fusée
noun
roquette
noun
1. Turkse alcoholische anijsdrank
raki
noun
1. tint van een kleur zoals gedefinieerd door een Duitse organisatie voor handelsnormen
couleur RAL
pronoun
2. teken van de dierenriem van 21 maart tot 20 april
Bélier
noun
1. mannelijk schaap
bélier
/ˈrɑmadɑn/
noun
ramadan
noun
1. Spectroscopische analysemethode
spectroscopie Raman
/ˈramə(n)/
verb
1. inschatten, vaak middels berekening
  1. estimer
  2. évaluer
noun
voiture-bélier
noun
1. mannetje van een dier uit de familie der Haasachtigen
bouquin
noun
1. gammel voertuig op wielen
  1. guimbarde
  2. tacot
noun
1. een gammel voertuig
guimbarde
verb
  1. 2. met een zwaar voorwerp een poort of deur inslaan
    1. derribar
    2. défoncer
  2. 1. een botsing op een vijandelijk schip veroorzaken
    1. éperonner
    2. embestir
noun
1. een grote catastrofale gebeurtenis met ernstige gevolgen
  1. désastre
  2. bérézina
adjective
1. op een ramp uitdraaiend
désastreux
noun
  1. rancune
  2. seum
/rɑnt/
noun
1. de bovenkant van een bak of vat
bord
noun
périphérique informatique
pronoun
Randstad
verb
ranger
verb
1. een bepaalde volgorde in iets aanbrengen
  1. classer
  2. ranger
noun
1. een telwoord dat een rangorde of volgorde aanduidt
ordinal
noun
1. ranket
cervelas
noun
1.
  1. logiciel de rançon
  2. logiciel rançonneur
  3. rançongiciel
noun
1. bepaald soort vogel, Asio otus
hibou moyen-duc
pronoun
1. een taal die op Paaseiland gesproken wordt
rapanui
noun
1. iemand die ritmisch teksten voordraagt op muziek, meestal hiphop
rappeur
noun
2. schriftelijk bericht over de voortgang op school
  1. bulletin
  2. bulletin de notes
  3. bulletin scolaire
verb
1. het uitbrengen van een verslag of rapport
  1. rapporter
  2. faire état de
noun
race
adjective
  1. 1. zuiver van ras, (bij uitbreiding) met dezelfde afkomst, streek of overtuiging als de ouders en grootouders
    1. pur-sang
    2. pure laine
    3. pure souche
    4. pure-laine
  2. 2. een bepaalde (stereo)type vertegenwoordigend
    1. pure laine
    2. pure-laine
noun
1. hond die voldoet aan de kenmerken van een bepaald hondenras
chien de race
noun
1. een grofgetande vijl die wordt gebruikt om rondingen aan hout te maken
râpe
verb
1. met een rasp afvijlen en fijnmaken
râper
/ˈrɑstərelɛkˌtronəmikroˌskop/
noun
1. een type elektronenmicroscoop waarmee men direct oppervlaktestructuren goed kan afbeelden.
microscope à balayage électronique
/rɑt/
noun
1. een muisachtig knaagdier uit het geslacht Rattus
  1. rat
  2. rate
noun
  1. 2. een mechaniek met kamrad en pal, dat een asdraaiing slechts in één richting toelaat
    cliquet
  2. 1. een eenvoudige muziek- en signaalinstrument dat geluid geeft doordat bij het rondslingeren een tandrad een latje repeterend weggedrukt en laat terugvallen
    crécelle
noun
1. bepaald soort loofboom, Populus tremula
tremble
noun
1. gifslang uit het geslacht Crotalus
  1. serpent à sonnette
  2. serpent à sonnettes
verb
1. bekrachtigen van een internationaal verdrag door het nationale parlement of regering
ratifier
noun
rationalisme
noun
1.
mort-aux-rats
adverb
1. ongekookt en vers
cru
noun
1. schade, verwoesting
ravage
noun
1. een diepe, steile insnijding in een terrein
précipice
noun
1. kleine vierkante deegplakjes die gevuld zijn met gehakt, tomaten en kruiden, overgoten met bijpassende saus
ravioli
verb
ravitailler
/ ˈrɑ.zi.a/
noun
1.
razzia
prefix
  1. r-
  2. re-
  3. ré-
noun
réactance
noun
1. een actie die een gevolg is van een stimulus
réaction
adjective
réactionnaire
noun
1. vermogen om te reageren
réactivité
noun
  1. éprouvette
  2. tube à essai
verb
1. op een nieuwe situatie actie ondernemen
réagir
noun
1. het in de praktijk tot stand brengen van iets
réalisation
verb
réaliser
noun
réalisme
noun
réalité
/reani'merən/
verb
1. het kunstmatig overnemen van de ademhaling en de bloedsomloop, indien er sprake is van een circulatiestilstand
réanimer
noun
1. rebab
rebab
verb
rebeller
noun
1. soort raadsel
rébus
noun
récalcitrante
verb
récapituler
verb
1. een beoordelend verslag schrijven, meestal van een culturele gebeurtenis
recenser
adjective
1. een korte tijd geleden gebeurd of begonnen
récent
noun
  1. 2. doktersvoorschrift voor (de bereiding van) een geneesmiddel
    1. ordonnance
    2. recette
  2. 1. voorschrift voor de bereiding van een gerecht
    recette
noun
2. een plaats waar iemand binnenkomende gasten of klanten ontvangt
réception
adjective
réceptif
noun
réceptivité
noun
1. bestanddeel dat gevoelig is voor prikkels
récepteur
noun
récession
verb
rechercher
noun
1. het geheel van rechtsregels en instituties van het recht
droit
adverb
1. noch naar rechts noch naar links van richting veranderend
tout droit
noun
1. een rechte lijn
(ligne) droite
noun
1. hoek van 90 graden
angle droit
/ˈrɛxtə ˈklɪɯɪŋ/
noun
1. lengtegraad op de hemelbol
ascension droite
adjective
judiciaire
noun
2. geheel van de fundamentele rechten en vrijheden die ieder mens toekomen
droits de l'homme
noun
1. student in de rechtsgeleerdheid
  1. étudiant de droit
  2. étudiant en droit
/ˈrɛxtər/
noun
1. persoon die rechtspreekt, persoon die een oordeel velt
juge
noun
1. rechterhandregel
règle de la main droite
noun
1.
rive droite
pronoun
Juges
noun
ayant droit
/'rɛxtuk/
noun
1. een vierhoek met vier rechte hoeken
rectangle
adjective
1. het in een rechte hoek staan van lijnen of vlakken
  1. orthogonal
  2. perpendiculaire
adjective
1. volgens het recht, de wet
  1. légal
  2. légitime
adjective
1. tegenovergestelde van links
  1. droit
  2. droite
adverb
1. onder een min of meer rechte hoek naar rechts van richting wijzigen
à droite
noun
1. feit of samenstelling van feiten waaraan het recht rechtsgevolgen verbindt
fait juridique
noun
1. het voeren van een gerechtszaak
  1. procès
  2. action
noun
juriste
noun
1. kennis of studie van recht
science du droit
noun
égalité juridique
noun
1. doelgerichte wilsuiting die rechtsgevolgen heeft
acte juridique
verb
1. rechterknop van een computermuis gebruiken
faire un clic droit
/ˈrɛxtsɔm/
adverb
1. in een rondgaande beweging met de klok mee
horaire
/ɾɛχts.pɛɾ.soːn/
noun
1. groepering van goederen of natuurlijke personen die kan deelnemen aan het rechtsverkeer
personne morale
noun
1. juridische constructie
personnalité juridique
/ˈrɛɣtspoːˌsitsi/
noun
1. het geheel van iemands rechten en plichten
condition juridique
noun
1. het proces waarin door een rechter een oordeel wordt gevormd over een rechtszaak
  1. juridiction
  2. jurisprudence
noun
point de droit
noun
1. staat waarvan de macht gereguleerd en beperkt wordt door het geldende recht
état de droit
noun
1. drager van subjectieve rechten en plichten
sujet de droit
/rɛx'streks/
adjective
1. zonder omwegen
tout droit
noun
persécution
noun
science du droit
/rɛx(t)sak/
noun
1. het voeren van een rechtsgeding
  1. procès
  2. action
noun
1. de ruimte waar een rechtszitting gehouden wordt
  1. salle d'audience
  2. prétoire
noun
procès
adjective
1. in overeenstemming met bepaalde ethische beginselen
  1. juste
  2. équitable
verb
1. onderbouwen volgens bepaalde ethische beginselen
justifier
noun
1. de overeenstemming met bepaalde ethische beginselen
justice
verb
2. corrigeren
rectifier
noun
procès
noun
  1. 1. (juridisch) herhaling van een misdrijf, het opnieuw vervallen in dezelfde zonde
  2. 2. (medisch) het zich opnieuw vertonen van een reeds doorstane en schijnbaar genezen ziekte
récidive
verb
1.
récidiver
noun
récidiviste
noun
  1. 2. de ontvanger van bloed, weefsel of een orgaan dat van een donor afkomstig is
    1. receveur
    2. receveuse
  2. 1. een kolf of vat voor gas of vloeistof
    récipient
/resiprosi'tɛit/
noun
réciprocité
adjective
1. een dimensie bezittend die de omgekeerde is van een andere dimensie
al revés
adjective
1. een dimensie bezittend die de omgekeerde is van een andere dimensie
  1. réciproque
  2. al revés
noun
1. uitvoering met meerdere muziekstukken uitgevoerd door één solist
récital
noun
récitatif
verb
réciter
noun
  1. 1,2 informatie over, en aanprijzing van diensten, producten en ideeën
    1. publicité
    2. pub
  2. 3. beklag
    revendication
verb
1. geld terugvragen
réclamer
verb
1.
réinsérer
noun
réinsertion
verb
recombiner
adjective
1. een aanbeveling verdienend
recommandable
noun
recommandation
verb
recommander
noun
réconciliation
noun
reconstruction
verb
1. weder opbouwen
reconstruire
noun
récréation
verb
récréer
noun
1. iemand die personeel werft voor een functie
recruteur
verb
rectifier
noun
1. het herstel van krachten
récupération
verb
récupérer
adjective
récursif
verb
1. verzamelen van opgebruikte producten en verwerken tot grondstoffen voor nieuwe producten
recycler
verb
1. na verbruik weer omzetten in iets bruikbaars
recycler
noun
1. het redigeren, de werkzaamheden voor het opstellen en rangschikken van artikelen
rédaction
verb
1. actie ondernemen om iets of iemand uit de moeilijkheden te halen
sauver
noun
1. een speciaal gebouwde en uitgeruste boot om het schip in geval van nood veilig te kunnen verlaten.
chaloupe de sauvetage
noun
  1. 2. een formele toespraak
    oraison
  2. 3. een ankerplaats buitengaats
    rade
/ˈre.də(n)/
noun
1. een motivatie door iemand bedacht of beredeneerd
raison
/ˌredəˈnɪːrɪŋ/
noun
1. het proces waarmee men van een aantal argumenten, premissen of axioma's tot een standpunt of conclusie komt
raisonnement
noun
1. eigenaar van een schip
armateur
noun
compagnie maritime
verb
disputer
verb
rédiger
verb
  1. 1. terugbrengen tot kleinere proporties
  2. 2. het verlagen van het oxidatiegetal door het toevoegen van elektronen aan een molecuul of ion
réduire
noun
redondance
/redypliˈkatsi/
noun
1. vorming van een nieuw woorden of zinsneden door geheel of gedeeltelijke herhalen van een deel daarvan
redoublement
noun
1. sierlijk slank hert, komt bijna in heel Europa voor
chevreuil
adjective
brun fauve
adverb
1. al
déjà
noun
1. strook van het zeiloppervlak dat tijdelijk kan worden opgevouwen of opgerold
ris
noun
1. een glycoproteïne dat vooral een belangrijke rol speelt bij het sturen van de neuronale migratie...
reelin
noun
réfaction
noun
1. een stemming over een wetsvoorstel, waarbij gestemd wordt door het volk zelf...
référendum
noun
1. verwijzing
référence
verb
1. verwijzen naar
référer
verb
1. een beeld weerkaatsen
  1. réfléchir
  2. refléter
noun
réflexion
noun
albédo
noun
1. voorwerp bestemd om geluid of elektromagnetische straling zoals licht terug te kaatsen
réflecteur
verb
reformer
adjective
réfractaire
verb
réfracter
noun
réfraction
noun
refrain
noun
2. plaats waar men zich in veiligheid kan stellen
refuge
noun
  1. réfugié
  2. réfugiée
/ˈreɣəɫ/
noun
    1. 1. een zin in een tekst
    2. 2. een vers in een gedicht
    ligne
  1. 3. een voorschrift, richtlijn, norm
    règle
adjective
1. aan een bepaalde regel gehoorzamend
régulier
adverb
1. op gezette tijden
régulièrement
noun
1.Het volgen van vaste regels
régularité
/reχən/
noun
1. neerslag van tot druppels gecondenseerde waterdamp
pluie
adjective
1. regelmatig regenend of neigend naar regen
pluvieux
/ˈreːχənboːx/
noun
1. een natuurfenomeen dat na regen als een verschijnende veelkleurige boog te zien is
arc-en-ciel
noun
1. een trui voor de wereldkampioen wielrennen
maillot arc-en-ciel
noun
1. het gekleurde vlies in het oog waarin de pupil zich bevindt
iris
noun
1. een tijdelijke periode van regen tengevolge van het overtrekken van een wolkenveld
averse
/ˈreɣənə(n)/
verb
1. het vallen van neerslag in de vorm van waterdruppels
pleuvoir
noun
2. herstelgroei
régénération
noun
régénérateur
verb
régénérer
noun
1. een waterdichte overjas die geschikt is voor regenachtig weer
imperméable
noun
1. toestel dat de hoeveelheid gevallen neerslag in een bepaalde periode op een bepaalde plaats meet
pluviomètre
noun
1. een paraplu
parapluie
noun
régence
noun
chute de pluie
noun
eau de pluie
/'reɣəʋɔrm/
noun
1. benaming voor dieren uit de familie Lumbricidae
ver de terre
noun
courlis corlieu
verb
1. het uitoefenen van de politieke macht...
reger
/re.'ɣeː.rɪŋ(g)/, /rə.'ɣeː.rɪŋ/, /rə.'χɪː.rɪŋ/
noun
1. een groep van personen die een land bestuurt, specifiek het staatshoofd en alle ministers
gouvernement
noun
1.
reggaeton
/ˌreɣiˈsidə/
noun
1. een bewuste moord op een koning.
régicide
noun
didascalie
noun
1. bestuur van een land, vaak onderdrukkend, dwingend, alles omvattend
régime
noun
régiment
noun
1. regionaal taalgebruik binnen de landstaal
régiolecte
adjective
1. op de streek betrekking hebbend
régional
noun
régionaliste
noun
réalisateur
verb
1. vastleggen in een register
enregistrer
noun
règlement
adjective
réglementaire
noun
1. de gemaakte kosten of de geleden schade kunnen verhalen op iemand anders
recours
noun
régulateur
verb
réguler
adjective
régulier
noun
réhabilitation
verb
réhabiliter
noun
    1. 1. een groep personen of wezens
    2. 2. een dans/zangkoor
    choeur
  1. 3. verkorte vorm van "reidans"
    ronde
  2. 3. een rechte lat
    règle
noun
1. reidans
ronde
noun
1. benaming voor ooievaarachtige watervogels uit de familie Ardeidae
héron
adjective
1. zonder vuil
propre
verb
1. zichtbare en onzichtbare vervuiling van een oppervlak verwijderen
nettoyer
adjective
1. met een zuiver witte kleur
blanc pur
/rɛɪ̯s/
noun
1. grote, lange tocht of trip
voyage
noun
agence de voyages
noun
guide de voyage
noun
agence de voyages
noun
frais de déplacement
noun
guide touristique
noun
durée du voyage
noun
assurance voyage
verb
1. onderweg zijn
voyager
/ˈrɛɪzəɣər/
noun
1. persoon op reis
  1. voyageur
  2. voyageuse
noun
tableur
pronoun
1. orgaan dat toezicht houdt op het financieel beheer van de Belgische overheid op nationaal en provinciaal niveau
Cour des comptes
noun
1. de optelsom van te betalen bedragen
addition
noun
de leer van de operaties die op getallen worden uitgevoerd (optellen, aftrekken, vermenigvuldigen, delen, ...)
arithmétique
noun
1. apparaat dat rekenkundige berekeningen kan uitvoeren
calculateur
noun
1.
boulier
noun
1. een verzoekschrift waarmee men zich tot de rechter of een bestuursorgaan kan wenden om een bepaalde voorziening te krijgen
  1. pétition
  2. requête
noun
1. een verstoring van de openbare orde door een menigte, meestal gepaard gaand met geweld en politieoptreden
  1. émeute
  2. baroufle
verb
relater
/rəlaˈtif/
adverb
1. betrekkelijk
relativement
verb
relativiser
noun
relativité
noun
relaxation
noun
relevance
verb
relever
noun
relique
/rə'liɣi/
noun
1. een godsdienst
religion
/relɪˈɣɪøs/, /relɪˈʝɪøs/
adjective
1. te maken hebbend met godsdienst of geloof
religieux
noun
1. een overblijfsel van het lichaam van een heilige of een voorwerp dat...
relique
/relɪŋ/
noun
1. een leuning boven de verschansing die een scheepsdek omgeeft
  1. bastingage
  2. rambarde
noun
relief
noun
réluctance
noun
1. een mechanisme dat iets vertraagt of tot stilstand brengt
frein
noun
1. de afstand die een rijdend voertuig nodig heeft om tot stilstand te komen
distance de freinage
/rəˈmedi/, /reˈmedi/
noun
1. een medicijn of een op genezing gerichte behandeling
remède
noun
1. eigen risico voor ziektekosten om te zorgen dat mensen niet onnodig vaak naar de huisarts gaan
ticket modérateur
pronoun
1. en 2.
Remich
noun
feu de stop
verb
1. snelheid doen verminderen
freiner
noun
2. geremdheid, belemmering
inhibition
/rəmɔn'strɑnt/
noun
1. een Nederlandse calvinist die in de 17e eeuw volgeling van Arminius was
arminien
noun
1. een Nederlandse calviniste die in de 17e eeuw volgeling van Arminius was
arminienne
noun
remontrance
verb
remplacer
noun
1. remslaap
Sommeil paradoxal
/ˈrɛm.spor/
noun
  1. 1. spoor van een rubberband
  2. 2.
  1. trace de freinage
  2. trace de pneu
noun
rémunération
noun
1. de afstand die een rijdend voertuig nodig heeft om tot stilstand te komen
distance de freinage
/rɛn/
verb
  1. 2. een snelheidsproef op de weg of in het terrein
    course
  2. 1. een kippenverblijf
    parquet d'élevage
adjective
1. met betrekking tot de nier
rénal
verb
winst opleveren
rendre
noun
1. een hertachtig zoogdier met een breed uitlopend gewei
  1. renne
  2. caribou
noun
1. Chemisch element
rhénium
noun
  1. [A] 1. zeer snel lopen
    courir
  2. [B] 1. een snelheidsproef op de weg of in het terrein
    course
verb
renommer
noun
rénovation
/rənoˈverə(n)/
verb
1. opknappen, repareren, vernieuwen
rénover
noun
1. paard dat gefokt is met het doel om aan paardenrennen deel te nemen
cheval de course
/rɛntabili'tɛit/
noun
1. de hoeveelheid winst die behaald wordt per geïnvesteerde hoeveelheid geld
rentabilité
noun
1.terugkomen van weggeweest te zijn
rentrée
verb
réorganiser
adjective
réparable
noun
réparation
verb
1. iets weer in werkende staat brengen
réparer
verb
1.
rapatrier
noun
rapatriement
noun
1. vlaskam
drège
verb
1. de zaadbol van het vlas scheiden
égrener
noun
répercussion
noun
répertoire
/re.pe.ˈteː.rə(n)/
verb
  1. 2. herhalen
    répéter
  2. 3. zich ~: een mededeling opnieuw doen
    se répéter
noun
répétition
noun
1. verdubbeling van DNA tijdens celdeling, herhaling van een experiment
réplication
noun
répartie
noun
reportage
verb
représenter
noun
répression
verb
reproduire
/rɛp'til/
noun
1.
reptile
/repʏˈbliːk/
noun
1. staatsvorm
république
pronoun
Provinces-Unies
noun
républicain
adjective
républicain
noun
répulsion
adjective
répulsif
noun
1. de manier waarop iemand bekend is
  1. réputation
  2. renommée
noun
1. mis opgedragen voor een overledene
  1. requiem
  2. messe des morts
adjective
vert réséda
verb
1. vrijhouden
réserver
noun
1.
roue de secours
noun
1. iemand die oproepbaar is voor militaire dienst in tijden van oorlog, oorlogsdreiging of andere situaties waarin inzet van het leger nodig is
réserviste
/ri'sɛtə(n)/
verb
remettre
noun
  1. résidence
  2. residence
noun
résidu
adjective
1. residueel, overblijvend restant
  1. résiduel
  2. résiduaire
noun
résignation
noun
résistance
noun
résistance
noun
résonance
noun
1. resonantiekring
circuit RLC
verb
résonner
/rɛsˈpɛkt/
noun
eerbied uit hoogachting of angst
respect
adjective
1. eerbiedwaardig
respectable
verb
  1. 1. iemand in aanzien houden
  2. 2. iets naleven
respecter
noun
respiration
adjective
1. respiratoor, met betrekking tot de ademhaling
respiratoire
verb
respirer
noun
1.
  1. répondant
  2. répondante
noun
1. antwoord
réponse
noun
répons
noun
restaurant
noun
2. het minitieus herstellen van een voorwerp van kunstzinnig of historisch belang
restauration
verb
restaurer
/rɛstɪːrə(n)/
verb
1. ~ van: ergens van overblijven
rester
noun
1. een opgelegde beperking
restriction
/rezɵl'tat/
noun
1. een uitkomst
résultat
verb
résulter
noun
1. apensoort waarbij de resusfactor het eerst ontdekt werd
rhésus
noun
1. ophouding, het vertraagd afgeven of vasthouden van iets
rétention
adjective
1. de gedaante van een netwerk hebbend
réticulaire
noun
1. netvliesaandoening
rétinopathie
verb
retirer
pronoun
1. Romaanse taal die gesproken wordt door 40.000 mensen in Zwitserland
romanche
noun
1. een verouderd toestel voor het destilleren bestaande uit een vat met een neergebogen tuit
cornue
/rətu'ʃeːrə(n)/, /rətu'ʃɪːrə(n)/
verb
retoucher
/rəturˈnerən/
verb
1. iets of iemand naar het punt van vertrek terugbrengen of terugzenden
retourner
noun
rétraction
noun
3. vergoeding aan de grondeigenaar voor opstalrecht
  1. rente superficiaire
  2. rétribution
noun
1. jachthond die het geschoten wild apporteert (naar de jager brengt)
retriever
/ˈre.tro.ˌflɛks/
noun
1. een medeklinkerklank die gevormd wordt door de tong om te buigen zodat het met de onderkant naar het verhemelte staat
rétroflexe
verb
rétrograder
adjective
1. terugkijkend naar het verleden
rétrospectif
noun
1. een mannelijke hond
chien
noun
  1. 1. geur
    odeur
  2. 2. gewaarwording van geur via de neus
    odorat
noun
1. een vloeistof die bedoeld is om een aangename geur te verspreiden
eau de senteur
noun
rhumatisme
/'rørɪŋ/
noun
1. drukte die de rust verstoort of de saaiheid verdrijft
animation
noun
1. een buitengewoon grote man
géant
adjective
  1. 1. zeer groot
  2. 2. in zeer hoge mate, enorm
gigantesque
adjective
gigantesque
noun
1. verkregen door uitsmelting van varkensvet
saindoux
noun
1. Heracleum mantegazzianum, een meerjarige plant uit de schermbloemenfamilie
  1. berce du Caucase
  2. berce géante
adjective
gigantesque
noun
1. bepaald soort zoogdier, Pteronura brasiliensis
loutre géante
noun
1. bepaald soort vaste plant, Equisetum telmateia
grande prêle
noun
1. een beer die leeft in de hooggelegen hellingen van berggebieden in centraal China
panda géant
noun
1. en 2. (vruchtvlees) van plant Cucurbita maxima
potiron
noun
1. kermisattractie
grande roue
noun
tortue géante
verb
revacciner
noun
1. geheel van medische en sociale maatregelen, die ten doel hebben de validiteit van patiënten zover mogelijk te herstellen
réadaptation
verb
1. een eerdere nederlaag tenietdoen
revancher
noun
revanchisme
/ˈrevə(n)/
verb
1. het effectieve oppervlak verkleinen door samenvouwing of oprolling
ariser
/re­və­ˈrɑ̃­s(ə)/
noun
révérence
noun
  1. 4. politieke stroming die herziening van bepaalde verdragen over het afstaan van gebieden wil
    revanchisme
  2. 1-3. streven naar herziening (van het marxisme, de geschiedenis)
    révisionnisme
verb
revitaliser
noun
1.
révolution
adjective
révolutionnaire
noun
1. een handvuurwapen met een roterende trommel met kogels
revolver
/revɔlˈveːrə(n)/
verb
  1. grondig onderzoeken
    examiner
  2. om zijn as doen draaien
    révolutionner
adjective
réel
noun
réincarnation
verb
1.
réincarner
noun
  1. 3. het weerzien van voormalige studenten, collega's, enz.
    retrouvaille
    1. 1. (verouderd) hereniging
    2. 2. (verouderd) regelmatige bijeenkomst van personen
    réunion
pronoun
Rhodésie (pays)
pronoun
1. een rivier van 812 km lengte die ontspringt in Zwitserland, door Frankrijk naar het zuiden stroomt en uitmondt in de Middellandse Zee
Rhône
pronoun
1. een middelgebergte in het hart van Duitsland
  1. Rhön
  2. Rhœn
noun
1. elk van de platte, boogvormige beenderen die de borstkas omsluiten
côte
noun
  1. 1. een van de platte, dunne, boogvormige beenderen die de borstkas omsluiten
    côte
  2. 1. de lengte van een zijde van een kubus of parallellepipedum
    côté
/ˈrɪbəl/
noun
smalle verhoging aan een voorwerp
côte
noun
1. het geraamte van de borst
  1. cage thoracique
  2. thorax
noun
acide ribonucléique
pronoun
2. spelwoord voor de letter r
Raoul
noun
1. een antenne met voorkeur voor één richting
antenne directive
/ˈrɪxtɪŋ/, /ˈrɪχtɪŋ/
preposition
1. de kant op van
direction
noun
prix indicatif
noun
bepaald soort snelgroeiende tropische boom, Ricinus communis
ricin
noun
ricotta
noun
1. oorspronkelijk een bereden en bepantserde ruiter die de ridderslag ontvangen had
chevalier
adjective
1.zoals past bij een ridder
chevaleresque
noun
2. onderscheiding die door de koning wordt gegeven aan mensen die een uitzonderlijke prestatie hebben geleverd
ordre
/ridiˈkyl/
adjective
plaisant
/rim/
noun
  1. 1. een band van leer of een ander materiaal
    ceinture
  2. 2. steel met een bladvormig uiteinde, bedoeld om een vaartuig voort te bewegen
    rame
  3. 3. hoeveelheid papier voor het drukken van 20 boeken, eerst 480 later 500 vellen
    1. rame
    2. rame de papier
/rit/
noun
  1. 2. onderdeel muziekinstrument
    anche
  2. 1. plantensoort
    1. jonc
    2. roseau
/ˈri.tə(n)/
adjective
1. gemaakt van riet
  1. de chaume
  2. de paille
  3. de roseau
adjective
vert jonc
noun
1. rietinstrument
instrument à anche
noun
2. drinkbuisje
paille
noun
suiker, verkregen uit het sap van suikerriet
sucre de canne
noun
phragmite des joncs
noun
  1. 2. een strook van het zeiloppervlak dat tijdelijk kan worden opgevouwen of opgerold
    ris
  2. 1. een ondiepte in water, koraalbank, klip
    1. récif
    2. écueil
noun
1.een antibioticum
rifampicine
pronoun
1.
Riga
noun
1. stijfheid, onbuigzaamheid
rigidité
/rixoˈrøs/
adjective
1. onverbiddelijk, radicaal
rigoureux
/ˈrɛɪ̯bəˌwɛɪ̯s/, /ˈrɛɪ̯bəˌʋɛɪ̯s/, /ˈrɛːbəˌβ̞ɛːs/
noun
1. een officieel document waarmee de bezitter bevoegd is om een motorvoertuig te besturen
permis de conduire
pronoun
1.
Rijeka
/ˈrɛɪɣə(n)/
verb
1. met een naald een draad ergens doorvoeren
faufiler
/rɛɪ̯k/, /rɛːk/
adjective
1. veel geld en/of eigendommen hebbend
riche
/rɛɪ̯k/, /rɛːk/
noun
1. een staat of natie onder een vorst of heerser
  1. empire
  2. règne
/ˈrɛik.dɔm/
noun
1. het bezitten van veel geld en goud
richesse
adverb
1. overvloedig, niet nauw rekenend
  1. copieux
  2. abondant
noun
1. fraai uitgevoerde bol met bovenop een kruis die symbolisch de wereld voorstelt
orbe
noun
rixdale
noun
1. voormalige, landelijke, op militaire leest gestoelde, politiedienst van het Koninkrijk België
gendarmerie
noun
  1. 1. bevroren dauw
    gelée blanche
  2. 1. gelijkheid van klank in een vers
    rime
noun
1.
rimailleur
/ˈrɛɪmələ(n)/
verb
1.
rimailler
/rɛɪ̯n/, /rɛːn/
pronoun
1. een van de langste en belangrijkste rivieren van Europa die op de grens ligt tussen Midden- en West-Europa.
Rhin
/ˈrɛin/
noun
1. de verbinding tussen een molensteen en de as waarmee die wordt aangedreven
anille
pronoun
canal Rhin-Herne
noun
1. een scheepstype dat veel op de Rijn aan te treffen is
chaland
pronoun
Rhénanie
pronoun
1. provincie in het westen van Pruisen
  1. Province rhénane
  2. Rhénanie prussienne
  3. province de Rhénanie
noun
1. Duitse wijn uit de Rijnstreek
vin du Rhin
adjective
1. geschikt voor de oogst
mûr
noun
1. bevroren dauw
gelée blanche
noun
1. voor rijden geschikt paard
cheval de selle
verb
rijp worden
mûrir
pronoun
1. stad in Noord-Frankrijk nabij de Belgische grens
Lille
/rɛi̯st/
noun
1. graan van het geslacht Oryza
riz
noun
1.
riziculture
noun
1. zoet gerecht van rijst met melk gekookt
riz au lait
noun
eau de riz
noun
1. ingrediënt dat bestaat uit met de zaadhuiden vergroeide vruchtwanden en kiemen
son de riz
verb
1. met een scheurende beweging uit elkaar trekken
déchirer
verb
1. bij elkaar halen, opruimen
  1. ratisser
  2. râteler
/ˈrɛːzəx/, /ˈrɛːɪzəx/
adjective
1. erg groot
élancé
noun
1. een oppervlakkige vouw of golving, in het bijzonder van de menselijke huid
ride
/'rɪmpələ(n)/
verb
1. plooien of golven in het oppervlak vormen
rider
noun
  1. 2. cirkelvormig voorwerp
    anneau
  2. 1. cirkelvormig sieraad voor om de vinger
    1. anneau
    2. bague
    3. alliance
  3. 3. plaats waar gestreden wordt
    ring
  4. 5. ringweg
    1. ring
    2. périphérique
verb
1. dieren (vogels) voorzien van een genummerde band
baguer
noun
1. een zangvogel uit de familie van mussen en sneeuwvinken
moineau friquet
noun
1. Natrix natrix
couleuvre à collier
noun
1. vierde vinger gerekend vanaf de duim
annulaire
/'rɪŋwɛx/
noun
1. een weg die als een ring rond een bepaald gebied ligt
  1. périphérique
  2. ring
  3. boulevard périphérique
  4. ceinture périphérique
noun
2. huidziekte door een schimmel veroorzaakt
teigne
noun
1. een klep in een stuw of sluisdeur
vanne
noun
rhinopharyngite
noun
1. een vaak ondergronds kanaal voor de afvoer van drek
égout
noun
1. bruine rat, rioolrat,
  1. rat brun
  2. rat d’égout
  3. rat surmulot
noun
1. het zuiveren van rioolwater
purification des eaux usées
noun
1. een snelle, scherpe reactie op een opmerking
riposte
noun
1. een mogelijk gevaar voor schade
risque
noun
1. een zich in de tijd herhalend patroon van geluiden
rythme
noun
rythmique
adjective
rythmique
noun
2. ritssluiting
fermeture éclair
verb
ritualiser
adjective
rituel
noun
1. vrouw die met je strijdt om iets dat jullie beiden willen hebben
rivale
verb
rivaliser
/riːˈviːr/
noun
1. een natuurlijke waterstroom
  1. rivière
  2. fleuve
noun
1. bepaald soort slanke eetbare Euraziatisch zoetwatervis, Gobio gobio
goujon
noun
1. een soort kreeft die in riviertjes leeft
écrevisse
noun
1.
loutre de rivière
noun
eau de rivière
pronoun
1.
Roubaix
noun
rubis
adjective
rouge rubis
/ˈro.bɔt/
noun
1. machine die beschikt over een stoffelijke vorm en een beslissingsmodel
robot
noun
1. kwaadsprekerij, achterklap
  1. ragot
  2. papotage
  3. potin
verb
1. op een vervelende manier over anderen praten
  1. cancaner
  2. jaser
noun
betterave
noun
1.
naine rouge
noun
1. plant uit de zeepboomfamilie, Acer rubrum
érable rouge
noun
1. Trifolium pratense, een overblijvend kruid uit de vlinderbloemenfamilie
  1. trèfle des prés
  2. trèfle violet
pronoun
Croix-Rouge
noun
lanterne rouge
noun
1. bepaald soort zoogdier, Lynx rufus
lynx roux
noun
1. rossig gekleurde zaden (zemel en kern) van aan gewone rijst (Oryza sativa) verwante planten
riz rouge
noun
1. een alcoholhoudende drank die verkregen wordt door de gisting van rode druiven
vin rouge
noun
1.
milan royal
pronoun
1. langgerekte binnenzee, gelegen tussen Azië en Afrika
mer Rouge
/ˌro.də.ˈhɔnt/
noun
1. een infectieziekte waarbij het gehele lichaam met rode plekken en bulten bedekt is
rubéole
noun
1. en 2. donkerrood sluitkoolgewas
chou rouge
verb
roder
noun
1. chemisch element met symbool Rh
rhodium
noun
rhododendron
noun
chaloupe à rames
verb
1.zich met behulp van roeispanen in een boot ergens begeven
ramer
noun
  1. 2. een havenwerker die de meertrossen van schepen aan de meerpalen vastmaakt
    amareur
  2. 1. iemand die roeit
    rameur
noun
aviron
noun
1.
aviron
noun
1. bepaalde soort kraaiachtige vogel, Corvus frugilegus
  1. corbeau freux
  2. freux
adjective
1. zonder zorg over de gevolgen of het gevaar van een handeling
téméraire
noun
1. eer en glorie
gloire
/ruˈmens/, /ruˈmeːns/
adjective
1. betreffende Roemenië of het Roemeens
roumain
/ruˈmens/, /ruˈmeːns/
pronoun
1. een Romaanse taal die wordt gesproken in Roemenië
roumain
/ruˈmeni.jə/, /ruˈmeːni.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Europa ten noorden van Bulgarije
Roumanie
noun
roentgenium
/rup/
noun
1. een vrij harde klank geproduceerd met stemgeluid
  1. appel
  2. cri
/'ru.pə(n)/
verb
1. met verheffing van stem de aandacht van iemand trachten te verkrijgen
  1. appeler
  2. crier
/'rupɪŋ/
noun
1. een taak waarvoor een persoon zich verplicht voelt, vaak met religieuze invloed
vocation
noun
1. vlak waarmee gestuurd wordt
gouvernail
/ˈrur.bɑ.kə(n)/
verb
1. een kooktechniek voor het bereiden van voedsel in een wok
sauter
noun
1. het beweegbare vlak van een roer waarmee gestuurd wordt
safran de gouvernail
verb
  1. 4. in opstand komen
    bouger
  2. 2. een emotie in iemand oproepen
    remuer
  3. 5. geluid (herrie) maken
    s'opposer à
  4. 1. een vloeistof met een spaan in ronde beweging brengen
    touiller
noun
1. beweegbare, stoffelijke zaak
bien meuble
noun
1. degene die aan het roer staat
barreur
noun
1. haak waarmee het roer aan het schip opgehangen is
aiguillon du gouvernail
noun
  1. 2. ketting tussen het roer en het stuurrad
    drosse
  2. 1. borgketting voor het roer
    sauvegarde de gouvernail
noun
ferrure du gouvernail
noun
1. (scheepvaart) het achterste deel van een roer
safran
noun
mèche de gouvernail
pronoun
1.
Ruremonde
noun
mèche (du gouvernail)
noun
1. hulpmiddel waar het roer mee aan een schip bevestigd is, en dat het draaien van het roer mogelijk maakt
appareil à gouverner
noun
1. achtersteven, achterkant van de boot achter de schroeven, waaraan het roer opgehangen is
étambot
noun
1. 2. 3.
palan de gouvernail
noun
1. vlak aan de staart van een vliegtuig waarmee gestuurd kan worden
empennage
noun
1.
moulin à légumes
/rus/
noun
enivrement
pronoun
1. een stad in de Belgische provincie West-Vlaanderen
Roulers
noun
1. geoxideerd ijzer
rouille
verb
    1. 3. (kippen) op stok zitten
    2. 4. (biologie) het in groepen doorbrengen van de nacht van vliegend wild
    percher
  1. 1. het langzaam oxideren van ijzerhoudende materialen
    rouiller
  2. 2. door roest vast gaan zitten
    s'incruster
adjective
rouillé
adjective
1. roestbestendig
inoxydable
/rut/
noun
1. koolstofneerslag die ontstaat door onvolledige verbanding van koolstofhoudende stoffen
suie
//
pronoun
1. een Slavische taal die gesproken wordt door Roethenen
rusyn
//
noun
1. een inwoner van Oekraïne
Ruthènes
noun
1.
bougnoule
noun
1. benaming voor brede, platte vissen met een smalle staart uit de superorde Rajomorphii
raie
noun
1. en 2. (zaden van) plant Secale cereale
seigle
/ˈrɔɣəbrod/
noun
1. een van rogge gebakken brood
pain de seigle
noun
1. gekiemde en gedroogde granen van rogge
malt de seigle
noun
1. plat gewalste granen van rogge
flocons de seigle
noun
1. met de zaadhuiden vergroeide vruchtwanden en kiemen van roggekorrels
son de seigle
pronoun
1.
rohingya
noun
  1. 2. rokkostuum
    habit
  2. 1. buis- of kegelvormig kledingstuk
    jupe
noun
1. zet in een schaakspel
roque
/ˈroːkə(n)/
verb
  1. 2. nuttigen door het inhaleren van de rook ervan
  2. 1. rook afgeven
  3. 3. conserveren door langdurige blootstelling aan rook
fumer
verb
1.1. het doen van een zet waarbij de koning en een toren elkaar passeren
roquer
noun
coureur de jupons
noun
roulade
verb
  1. 2. rollend en stoeiend de liefde bedrijven
    galipettes
  2. 1. rollen en stoeien
    rouler
verb
1. zich wentelend over een oppervlak bewegen
rouler
noun
1. vervoermiddel voor mensen die slecht ter been zijn
  1. fauteuil roulant
  2. chaise roulante
noun
1. trap met bewegende treden
  1. escalier mécanique
  2. escalier roulant
noun
1. de verdeling van de rollen in een toneelstuk of in het maatschappelijke leven
distribution des rôles
adjective
1.
roman
adjective
1.
roman
pronoun
1. taalfamilie van tientallen talen die oospronkelijk in Zuid-Europa, maar tegenwoordig verspreid over de hele wereld worden gesproken
langues romanes
/romɑɲˈjols/
pronoun
1. taal die in Romagna en enkele aangrenzende gebieden gesproken wordt
romagnol
noun
1.
Romaji
noun
1. een lang soort verhaal in boekvorm
roman
noun
1.
romance
noun
romancier
noun
romancière
pronoun
1.
  1. Romandie
  2. Suisse romande
/romaˈnɛs/
pronoun
Taal door veel zigeuners gesproken
  1. romani
  2. rromani
noun
1. (kool van) groentesoort Brassica oleracea convar. botrytis var. botrytis
chou romanesco
/roˈmani/
pronoun
Taal door veel zigeuners gesproken
  1. romani
  2. rromani
/ˌromaniˈzeːrə(n)/, /ˌromaniˈzɪːrə(n)/
verb
1. Romaanse invloeden ondergaan
romaniser
/roˈmɑns(x)rɛɪvər/
noun
1. een mannelijke persoon die romans schrijft
romancier
pronoun
1. ook gespeld als Rumantsch, Romansch en Romanche, is een van de vier nationale talen van Zwitserland, het wordt in het kanton Graubünden gesproken
Romanche
noun
1.
romantisme
adjective
1. als hoofdas van de rotatiesymmetrie een drietallige as bezittend met de primitieve translaties onder een eindige hoek daarmee
rhomboédrique
/ˈro:mə/
pronoun
1. de hoofdstad van Italië
Rome
adjective
1. met betrekking tot Rome
romain
/roˈmɛɪnsə rɛɪk/
pronoun
1. een historisch rijk dat op zijn hoogtepunt de gehele Middellandse Zeeregio in handen had
Empire romain
noun
marché aux puces
/ˈrɔməlpɔt/
noun
tambour à friction
noun
  1. 2. het gedeelte van een vliegtuig zonder vleugels en stabilo
    fuselage
  2. 1. het lichaam van een mens of dier zonder ledematen, kop of staart
    torse
/rɔndelə(n)/
verb
1. rondgaande aan ieder een deel geven
distribuer
/rɔntˈdrajə(n)/
verb
1. een cirkelvormige beweging maken
tourner autour
noun
  1. 1. het afleggen van een rondgaande weg
    circuit
  2. 2. het draaien om een spil
    tour
  3. 3. het afleggen van bezoeken in een kring
    tournée
verb
1. op een plaats langdurig verblijven zonder iets te doen te hebben
  1. traîner
  2. rôder
noun
  1. 1. alle masten, stengen en ra's behorende tot de vaste uitrusting van een zeilschip
    1. espar
    2. mâture
  2. 2. onbewerkt hout dat in de handel komt
    grume
noun
1. een antenne zonder voorkeursrichting
antenne équidirective
noun
carrefour giratoire
noun
circulaire
verb
1. doelloos rondlopen
flâner
verb
1.
hanter
noun
1. een antenne zonder voorkeursrichting
antenne équidirective
noun
1. een antenne zonder voorkeursrichting
antenne équidirective
/ˈrɔnd.vart/, /ˈrɔnt.vart/
noun
1. een ronde varen met het doel de omgeving te bekijken
tour en bateau
/ˈrɔnd.ʋɔrm/
noun
1. benaming voor dieren uit de stam Nematoda
nématode
/ˈrɔŋ.kə(n)/
verb
  1. 3. diep slapen
    dormir à poings fermés
    1. 1. het maken van een aanhoudend geluid dat het midden houdt tussen zoemen en sputteren
    2. 2. bovengenoemd geluid produceren tijdens het slapen
    ronfler
pronoun
1. een faciliteitengemeente in de Belgische provincie Oost-Vlaanderen
Renaix
/ˈrɔnsəˌlə(n)/
verb
  1. embrigader
  2. racoler
/rod/, /rot/
adjective
1. de kleur rood hebbend
rouge
/rod/, /rot/
noun
1. een primaire kleur zoals die van licht met een golflengte tussen de ca. 620 en 740 nm.
rouge
noun
1. bepaald soort struik, Daphne mezereum
bois joli
adjective
rougeâtre
noun
1. bepaald soort vis, Sebastes marinus
grand sébaste
noun
2. bepaald soort vrij gedrongen vogeltje met opvallende bruinrode keel, Erithacus rubecula
  1. rouge-gorge
  2. rouge-gorge familier
adjective
brun rouge
adjective
1. zo heet dat het rood licht uitstraalt
chauffé au rouge
noun
1.
bernache à cou roux
adjective
1. met rood gekleurde haren
roux
pronoun
1. sprookjesfiguur
Petit Chaperon rouge
/rotˈkɛrk/
pronoun
1. een dorp in de provincie Friesland
Readtsjerk
adjective
lilas rouge
noun
1. en 2. (bladeren van) Cichorium intybus var. foliosum
  1. chicorée rouge
  2. radicchio
noun
roselin cramoisi
adjective
orangé rouge
adjective
violet rouge
noun
1. bepaald soort vis die leeft in de Atlantische Oceaan, Lutjanus campechanus
sarde rouge
noun
1. exotische roof- en zoetwatervis die voorkomt in de wateren van de Benelux, Leuciscus aspius
aspe
/ˈrovdir/
noun
1. dier dat zijn prooi bejaagt en doodt
  1. bête féroce
  2. carnassier
noun
1. benaming voor gewervelde waterdieren met kieuwen die hun prooi bejagen en doden
poisson de proie
/ˈroˌfoχɔɫ/, /ˈroːˌfoːɣəl/, /ˈroːˌvoːɣəl/
noun
1. eierleggend dier met veren, twee vleugels, twee klauwen en een snavel dat zijn prooi bejaagt en doodt
  1. rapace
  2. oiseau de proie
/'rojən/
verb
1. het uit de grond halen van een oogst
arracher
/roːk/
noun
1. damp, zichtbaar gas
fumée
noun
détecteur de fumée
noun
1. projectiel geschikt voor het maken van een rookgordijn
fumigène
noun
point de fumée
noun
tabagisme
noun
1. een wolk van rook
nuage de fumée
noun
1. gerookte worst
saucisse fumée
noun
1. de vette delen van melk waarvan boter gemaakt wordt
crème
/roːs/
noun
  1. 2. midden van een schietschijf
    mille
  2. 3. aandoening
    pellicules
  3. 1. bloem
    rose
noun
1. een elektronisch testapparaat waarmee o.a. de resonantiefrequentie van een antenne of resonantiekring kan worden bepaald
dipmètre
verb
1. in de gloed van een vuur of andere warmtebron gaar laten worden
griller
noun
coursier
noun
rosbif
/'rɔskɑm/
noun
1. een grof soort kam die voor het verzorgen van paarden of het schoonmaken van andere borstels gebruikt wordt
étrille
verb
1. een paard met borstel en kam reinigen
étriller
adjective
rood, rossig (van haar)
roux
noun
1. wijn met een lichtrode kleur
rosé
verb
1. vlas blootstellen aan fermentatie om het pectine te verwijderen dat de stengel samenhoudt
rouir
verb
2. draaien om een as
  1. tourner
  2. pivoter
noun
1. kleine wit-zwarte gans met een ver klinkende rott-rott roep, Branta bernicla
bernache cravant
noun
2. bepaald soort vuurwerk dat na het aansteken van de lont wordt weggegooid en dan een harde knal geeft
pétard
noun
  1. 2. een rond, pleinvormig kruispunt van wegen
    1. rond-point
    2. giratoire
    3. carrefour giratoire
  2. 1. een rond gebouw
    rotonde
noun
1. een grote ruwe steen
  1. roche
  2. rocher
adjective
1.waar veel rotsen zijn
rocheux
/ˈrɔtstœʏn/, /ˈrɔtstœːn/
noun
1. een tuin met rotspartijen en rotsplanten
rocaille
noun
harde
pronoun
Rottumeroog
noun
1. Duits hondenras, stevig gebouwd, kortharig met brede kop, korte snuit en hangoren
rottweiler
verb
rouler
/ra<sup>ʊ</sup>/, /rʌʊβ̞/, /rʌːβ̞/
noun
1. grote smart of droefenis na een verlies
deuil
/rʌʊβ̞ə(n)/, /rʌːβ̞ə(n)/
verb
1. de emotionele nasleep van het overlijden van een geliefd persoon
pleurer
noun
1.
chapelle ardente
noun
cortège funèbre
noun
1. iemand die door geweldpleging iemand besteelt
  1. ravisseur
  2. brigand
pronoun
1.
Rouen
/roˈjerə(n)/
verb
royer
/roːzə/, /rɔːs/, /rɔːzə/
adjective
1. heel bleke of lichte rode kleur, met soms ook blauwe tinten
rose
noun
2. keukenkruid
romarin
pronoun
1.
Russeignes
noun
1. een bloemperk bestaand uit rozen
parterre de roses
noun
1. schijnvrucht van wilde rozen
  1. gratte-cul
  2. cynorhodon
noun
1. Rosaceae
Rosacées
noun
1. een gebedssnoer met 165 kralen
  1. rosaire
  2. chapelet
noun
1. Houtige plant met rozen als bloemen
rosier
noun
1.
rosiériste
noun
eau de rose
noun
1
rosace
noun
1. kleine gedroogde vruchtjes van Vitis vinifera
raisin sec
/ˈrɵ.bər/
noun
  1. caoutchouc
  2. capote
noun
1. Chemisch element
rubidium
verb
rubriquer
noun
1. en 2. (bladeren van) eenjarige plant Eruca sativa
  1. roquette
  2. riquette
adjective
rudimentaire
pronoun
2. spelwoord voor de letter r
Raoul
/rɵx/
noun
1. zijde van de romp tegenover de buik en borst gelegen
dos
noun
  1. colonne vertébrale
  2. épine dorsale
noun
moelle épinière
noun
  1. lésion au dos
  2. lésion dorsal
noun
dossier
noun
1. pijn in de rug
mal de dos
noun
1.
nageoire dorsale
noun
sac à dos
/ˈrʌɣzɛidə/
noun
dos
pronoun
1. een regio in de Duitse deelstat Noordrijn-Westfalen
région de la Ruhr
noun
1. traliewerk waarachter hooi ligt
râtelier
/rœʏkə(n)/, /rœːkə(n)/
verb
  1. 2. een geur verspreiden
    sentir
  2. 1. een geur waarnemen
    1. sentir
    2. flairer
/rœʏl/, /rœːl/
noun
échange
verb
1. overeenkomen bezit tegen dat van een ander uit te wisselen
échanger
noun
troc
adverb
1.op meer dan voldoende wijze
  1. amplement
  2. abondamment
  3. largement
noun
1. vaartuig geschikt om zich buiten de aardse atmosfeer te begeven
  1. vaisseau spatial
  2. engin spatial
noun
1. het zich in de ruimte buiten de dampkring van de aarde begeven
navigation spatiale
noun
navette spatiale
/rœʏn/
noun
1. gecastreerde hengst
hongre
noun
1. structuurloos en voortdurend geluid dat een continuüm van toonhoogten bevat
bruit
noun
1. ruisniveau
niveau du bruit
noun
1. bepaald soort zoetwatervis die zich graag tussen het riet ophoudt, Scardinius erythrophtalmus
rotengle
noun
  1. 5. figuur uit een kaartspel
    carreau
  2. 2. een vierhoek waarvan de zijden gelijk in lengte zijn
    losange
  3. 1. een glazen plaat in een venster
    1. vitre
    2. carreau
noun
1.
valet de carreau
noun
1.
roi de carreau
noun
1. installatie om de ruiten van een auto schoon te sproeien
lave-glace
noun
1. een apparaatje dat de ruiten van een auto automatisch wist met een bewegende arm met wisserblad
essuie-glace
noun
  1. 2. uitstekend stukje
    cavalier
  2. 1. berijder van een rijdier
    1. cavalier
    2. cavalière
  3. 3. plank op de nokgording
    faîtage
noun
1.
statue équestre
/ˈrʏk.wɪnd/, /ˈrʏk.ʋɪnt/, /ˈrʏk.β̞ɪnt/
noun
1. een zeer harde windvlaag
coup de vent
noun
een sterkedrank die bereid wordt uit het sap van suikerriet
rhum
/rʏnd/, /rʏnt/
noun
1. holhoornig herkauwend zoogdier
  1. bétail
  2. bovin
/ˈrʏntfleːs/
noun
1. het vlees van een volwassen rund
bœuf
/ˈrynə/
noun
1. een schriftteken van het Oud-Germaanse alfabet
rune
pronoun
Rupel
noun
1. vlinderlarve
chenille
/'rʏs/
noun
plant
jonc
noun
1. autoritaire nationalistische ideologie in Rusland
ruscisme
pronoun
1. een soevereine staat met het Russisch als officiële taal die zich uitstrekt van het oosten van Europa tot het oosten van Azië
Russie
verb
russifier
/ˈrʏsis/
adjective
1. betreffende Rusland of het Russisch
russe
/ˈrʏsis/
pronoun
1. een Slavische taal die gesproken wordt in Rusland
  1. russe
  2. langue de Tolstoï
/rɵst/
noun
  1. 4. pauze in een wedstrijd
    1. mi-temps
    2. pause
  2. 5. moment van stilte in muziek
    1. pause
    2. tacet
  3. 6. steunpunt
    point d'appui
  4. 7. bevestigingspunt voor het want
    porte-hauban(s)
  5. 3. periode van weinig of geen activiteit
    repos
  6. 2. tijdelijke toestand van ontspanning na arbeid, moeite of inspanning
    1. repos
    2. calme
  7. 1. voortdurende toestand van kalmte
    tranquillité
noun
jour de repos
verb
1. werk of andere activiteit staken om het lichaam in staat te stellen weer op krachten te komen
reposer
adjective
1. kalm, weinig sensorische prikkels creërend
  1. tranquille
  2. calme
noun
2. steunpunt
point d'appui
noun
  1. 2.
    point d'appui
  2. 1.
    point de repos
noun
1. scheikundig element met symbool Ru en atoomnummer 44
ruthénium
noun
1. scheikundig element met symbool Rf en atoomnummer 104
rutherfordium
adjective
  1. 2. grof, onbesuisd
    grossier
  2. 1. oneffen, niet glad
    1. rugueux
    2. brut
noun
1. toestand waarin men in ernstig conflict is met anderen
dispute
verb
1.
se disputer
/ryˈinə/
noun
1. een zeer vervallen gebouw
ruine
/ˌryiˈnerə(n)/
verb
  1. 2. iemand financieel te gronde richten
    ruiner
  2. 1. helemaal kapotmaken
    1. ruiner
    2. détruire
adjective
ruineux
/ru.ˈwɑn.da/, /ru.ˈʋɑn.da/, /ˈrβ̞ɑn.da/
pronoun
1. een land in Oost Afrika, officieel de Rwandese Republiek, dat geheel door land omsloten wordt
  1. Rwanda
  2. Ruanda
pronoun
  1. La Réunión
  2. Réunión
adjective
réunionnais
noun
Réunionnaise
noun
1. scheikundig element met symbool Rg en atoomnummer 111
röntgenium
/saɪ̯/, /saːɪ̯/
adjective
  1. fastidieux
  2. ennuyeux
pronoun
1. zijrivier van de Moezel
Sarre
pronoun
1.
Sarrebourg
pronoun
1.
Sarre
pronoun
1. en 2.
Sarrelouis
pronoun
Saba
noun
1. iemand die woonachtig is op of afkomstig van het eiland Saba
Sabéen
/ˈsɑbɑt/
noun
sabbat
verb
1. likken en zuigen aan iets
suçoter
noun
1. een vijandige ingreep op zaken om deze te laten mislukken of te vernielen
sabotage
verb
saboter
noun
saboteur
noun
saccharide
noun
1. caloriearme kunstmatige zoetstof die geen directe invloed heeft het bloedsuikergehalte
saccharine
noun
1. een disacharide, bestaande uit een glucose-eenheid en een fructose-eenheid
saccharose
noun
1. plechtige gebeurtenis in de katholieke kerk
sacrement
adjective
  1. sacramental
  2. sacramentel
verb
sacrer
noun
1. een ruimte in een rooms-katholieke kerk, waarin men alles bewaart dat nodig kan zijn om een kerkdienst te houden.
sacristie
/ˌsa.krɪsˈti.bɛl/, /ˌsa.krɪsˈti.bɛɫ/
noun
1. een bel naast de ingang van de sacristie die tijdens kerkdiensten geluid wordt
  1. carillon de sacristie
  2. cloche de sacristie
noun
1. een samengegroeid bot aan de onderzijde van de wervelkolom
sacrum
noun
sadisme
noun
1. iemand die bevrediging zoekt in het pijnigen van een ander
sadique
/sɑˈfarɪ/
noun
1. expeditie in de wildgebieden in Afrika
safari
noun
1. een kostbare, transparante blauwe edelsteensoort die een variant is van korund (α-Al₂O₃)
saphir
adjective
bleu saphir
noun
1. specerij bereid uit de saffraankrokus Crocus sativus
safran
adjective
jaune safran
/ˈsaɣə/
noun
saga
pronoun
1. zandwoestijn in Noord-Afrika
Sahara
/sent.ˌvɪn.sɛnt.ɛn.də.χre.na.ˈdi.nəs/
pronoun
1. land in het Caraïbisch gebied
  1. Saint-Vincent-et-Grenadines
  2. Saint-Vincent-et-les Grenadines
pronoun
Saint-Pierre-et-Miquelon
noun
  1. 1. directe eigendomsovergang onder algemene titel op de erfgenamen
  2. 2. inroeping van de bevoegdheid van de rechter
  3. 3. feodaal recht op de beheersing over een vastgoed
saisine
noun
Japanse alcoholische drank
saké
noun
1. Falco cherrug
sacre
noun
1. Chiropotes
saki
pronoun
1. Duitse deelstaat
Saxe
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Caudata
salamandre
/ˈsalami/
noun
1. Italiaanse worst
salami
adjective
salarial
noun
1. regelmatige, meestal maandelijkse beloning voor werk verricht in een werkverband
salaire
verb
1. betalen van een loon aan een werknemer
salarier
/sali'silzyr/
noun
1. een organisch carbonzuur dat oorspronkelijk gewonnen wordt uit wilgenbast
acide salicylique
noun
gedroogde stukjes van de echte salie
sauge
noun
1. zouthoudend
salin
pronoun
1. verzamelnaam van ongeveer 25 talen die in het westen van Noord-Amerika worden gesproken
langues salishennes
/ˌsaliˈvasi/, /ˌsaliˈvaʦi/
noun
1. de productie van speeksel
salivation
noun
1.
salmonelle
/ˈsa.lo.mɔns.ˌɛɪ̯.lɑn.də(n)/, /ˈsa.lo.mɔns.ˌɛː.lɑn.də(n)/
pronoun
1. land in Melanesië
Îles Salomon
noun
2.
jugement de Salomon
noun
sceau de Salomon
/salɔn'fejɪχ/, /salɔn'fɛ:ɦɪx/
adjective
1. van iets dat eerst omstreden was dat het nu algemeen geaccepteerd is in officiële kringen
socialement acceptable
noun
1.
salonnière
noun
iemand die met de mond socialistische opvattingen belijdt
socialiste de salon
/sɑlpetər/
noun
1. een mineraal bestaande uit kaliumnitraat
salpêtre
noun
1. een sterk zure chemische verbinding met de formule HNO₃ of een waterige oplossing daarvan
acide nitrique
verb
saluer
noun
1. scheikundig element met symbool Sm en atoomnummer 62
samarium
noun
samba
pronoun
1.een rivier die in Picardië (Frankrijk) ontspringt en via Charleroi naar Namen loopt waar ze na 194 km in de Maas vloeit
Sambre
adverb
ensemble
noun
1. gezin met kinderen van één of beide partners uit een eerdere relatie met een ander
famille recomposée
/ˈsamə(n)ˌhɑŋə(n)/
verb
1. in onderling verband met elkaar staan
être lié
verb
1. bij elkaar verzamelen
se réunir
noun
1. een bevolking die een sociaal geheel vormt
société
noun
1. wijze waarop verschillende personen bij een spel elkaar steunen of een geheel vormen
jeu d'ensemble
verb
1. meerdere uitgekozen zaken tot een geheel maken
  1. composer
  2. compiler
noun
  1. 1. het samenstellen
    composition
  2. 2. verbinding van twee of meer zelfstandige woorden
    composé
verb
1. in elkaar trekken
contracter
/ˈsaːməvɑtɪŋ/
noun
1. een beknopte beschrijving van een inhoud
résumé
verb
1. met een of meer aan hetzelfde werken
  1. collaborer
  2. coopérer
noun
1. het samenwerken van meerdere personen
  1. coopération
  2. collaboration
verb
1.met elkaar een huis bewonen alsof je getrouwd bent
  1. cohabiter
  2. pacser
/ˈsamə(n)ˌzʋɪːrə(n)/
verb
1. geheimelijk met anderen samenwerken ten nadele van een derde partij
conspirer
pronoun
1. een verzameling talen die gesproken worden in Noorwegen, Zweden, Finland en Rusland door de Saami
same
pronoun
1. een verzameling talen die gesproken worden in Noorwegen, Zweden, Finland en Rusland door de Saami
same
pronoun
1. taalfamilie van ongeveer 10 talen die hoofdzakelijk in het noorden van Scandinavië worden gesproken
langues sames
/sa.ˈmo.wa/
pronoun
1. een land in Oceanië ten noorden van Nieuw-Zeeland en ten oosten van Australië...
Samoa
/ˈsɑmuˌrɑɪ/
noun
1. een lid van de vroegere Japanse krijgsstand
samouraï
pronoun
1. taalfamilie van ongeveer 8 talen die in Rusland worden gesproken
langues samoyèdes
pronoun
Samuel
/ˌsan maˈrino/
pronoun
1. een dwergstaat in Italië met republikeinse staatsinrichting.
Saint-Marin
/sɑnˈdal/
noun
1. schoeisel
sandale
noun
1. een bepaald houtsoort (Santalum album of verwante soorten)
  1. santal
  2. bois de santal
verb
1. met behulp van ingrijpende maatregelen een einde maken aan een ongezonde financiële toestand
assainir
noun
1. een Spaanse licht-alcoholische drank
sangria
adjective
1. met betrekking tot de gezondheid
sanitaire
noun
1. een persoon die zonder identiteitspapieren in een land verblijft
  1. clandestin
  2. sans-papiers
noun
sans-culotte
pronoun
1. klassieke taal en een van de officiële talen van India
sanskrit
/saʊ̯.to.ˌme.je̞n.prɪn.ˈtsi.pə/, /ˌsa.o.to.me.ʔɛn.ˈprɪn.si.pə/, /ˌsʌu.to.me.ɛn.ˈprɪn.si.pə/
pronoun
1. land en eilandengroep aan de westkust van Afrika in de Golf van Guinee
  1. Sao Tomé-et-Principe
  2. São Tomé e Principe
  3. São Tomé-et-Principe
/sa.ˌu.di.ɑ.ˈra.bi.jə/, /zaʊ̯.di.ja.ˈra.bi.jə/
pronoun
1. en 2., land en staat in Azië
Arabie saoudite
noun
1. plantenvocht
jus
adjective
1. vol met sap
juteux
noun
1. plant die van organisch afval leeft
saprophyte
noun
sarabande
noun
1.
sarcasme
adjective
1.
sarcastique
noun
1. een stenen doodskist
sarcophage
noun
1. lage spiermassa en daardoor verminderde spierkracht als gevolg van ouder worden, immobiliteit en leefstijl, dieet of ziekte
sarcopénie
noun
1. klein zilverkleurig haringachtig visje, Sardina pilchardus
sardine
noun
1. straalvinnige visSardina pilchardus, uit de familie van haringen
sardine
noun
1. een Italiaans eiland in de Middellandse Zee
Sardaigne
pronoun
1. Romaanse taal die wordt gesproken door 1,3 miljoen mensen op Sardinië
sarde
/sɑr'donis/
adjective
1. op een bittere manier grijnzen of lachen
sardonique
/'sɑrən/
verb
1. iemand voortdurend lastig vallen
  1. agacer
  2. irriter
/sɑtɛ'lit/
noun
satellite
noun
1. foto van een deel van de aarde gemaakt door een kunstmaan die om de aarde heen draait
  1. image satellitaire
  2. image satellite
noun
satyre
noun
1. een weefsel vervaardigd met een weeftechniek, waarbij de kruispunten van de ketting-...
satin
noun
2. benaming voor de boomsoort Brosimum rubescens
satiné rubané
noun
satire
/saˈtiris/
adjective
satirique
noun
saturation
noun
point de saturation
verb
saturer
pronoun
1.
Saturne
/saˌudiaˈrabijə/
pronoun
1. en 2., land en staat in Azië
Arabie saoudite
/'saʊna/
noun
1. een ruimte waarvan de temperatuur verhoogd wordt, zodat het lichaam begint te zweten (een zweetbad)
sauna
/sɑu̯s/
noun
1. een vloeibare substantie die meestal over een gerecht wordt gedaan voor extra smaak
sauce
noun
2. een sjaal, ketting, lint of iets dergelijks dat rond de nek gestrikt is op zo'n manier dat de uiteinden elkaar kruisen
sautoir
noun
1. een grasland met verspreid voorkomende bomengroei
savane
noun
savant
verb
1. schrijven van digitale gegevens naar een gegevensdrager
sauvegarder
noun
1. en 2. (bladeren van) Brassica oleracea convar. capitata var. sabauda)
  1. chou de Milan
  2. chou de Savoie
  3. chou vert
noun
chou de milan
verb
savourer
noun
1.
saxhorn
noun
1. iemand die (beroepshalve) saxofoon speelt
saxophoniste
/sɑkso'fon/
noun
1. een metalen blaasinstrument met een enkel riet
saxophone
adjective
1.
scabreux
noun
2. een soort duikerspak
scaphandre
verb
1. verwijderen van hoofdhuid en daarmee ook van het hoofdhaar...
scalper
adjective
scandaleux
/skɑn.ˈdeː.rə(n)/, /skɑn.ˈdɪː.rə(n)/
verb
2. ritmisch declameren met één sterke nadruk per versvoet.
scander
adjective
scandinave
pronoun
1. Denemarken, Noorwegen en Zweden.
Scandinavie
noun
1. scheikundig element met symbool Sc en atoomnummer 21
scandium
/se.na.ri.ˈjeɫ/
adjective
1. die/dat te maken heeft met het scenario
scénariel
noun
1. sierlijk bewerkte staf, symbool voor het gezag van een regerende vorst
sceptre
noun
1.
scepticisme
/ˈskɛptɪs/
adjective
1. geneigd tot twijfel
sceptique
noun
1. een werktuig om hout glad, vlak of dunner te maken
rabot
interjection
échec
noun
2. het schaakspel als zodanig
échecs
/ˈsxagbɔrt/, /ˈsχagbɔrt/
noun
1. een vierkant bord met 64 donkere en lichte vakjes waarop schaak gespeeld wordt
échiquier
adverb
échec et mat
noun
1. een spel met verschillende stukken op een schaakbord
  1. échec
  2. échecs
/ˈsxakstʌk/
noun
1. een onderdeel van het schaken dat over het schaakbord bewogen wordt.
pièce d'échecs
/sxaːldir/
noun
1. een dier met een schaal als uitwendig skelet
crustacé
noun
1. kleine parasieten die voorkomen in het schaamhaar, maar ook op wimpers...
  1. morpion
  2. pou du pubis
  3. pou pubien
noun
1.het deel van het menselijk lichaam waar zich de liezen en geslachtsorganen bevinden
pubis
/'sxa:m.tə/
noun
1. eerste betekenisomschrijving
honte
adjective
1. zonder schaamte
éhonté
noun
1. Ovis aries, een holhoornige herkauwer waarvan de gedomesticeerde soort wol levert
  1. mouton
  2. brebis
noun
  1. 1. werktuig om te knippen
    ciseaux
  2. 3. grijporgaan van sommige schaaldieren en spinachtigen
    pince
pronoun
1. een stad in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Schaerbeek
/'sxarstə/
noun
1. eerste betekenisomschrijving
disette
noun
1. een ijzer dat onder de schoenen wordt gebonden of aan de schoenen is vastgemaakt, om zich daarmee over het ijs te verplaatsen
  1. patin
  2. patin à glace
noun
patinage
verb
1. zich voortbewegen op schaatsen
patiner
noun
1.
patineur
noun
1.
patineuse
noun
1. geheel van beschadigingen
  1. dommage
  2. dégât
/ˈsxadələk/
adjective
1. schade toebrengend
  1. nuisible
  2. nocif
  3. néfaste
noun
1. het genoegen scheppen in het leed van een ander
joie maligne
noun
indemnisation
/ˈsxaː.dyu̯/
noun
1. een slechts door indirect zonlicht beschenen oppervlak
ombre
verb
1. iemand ongemerkt volgen
filer
verb
1. een verbinding tot stand brengen
changer
noun
1. een sedimentair gesteente
schiste argileuse
noun
1. gas uit schalie
gaz de schiste
noun
2. synthetische olie uit olieschalie
huile de schiste
verb
1. blaasinstrument met een rechte conische boring en een los dubbel riet dat de toon vormt
chalemie
/ˈsxaː.mə(n)/, /ˈsχa.mə(n)/
verb
1. schaamte voelen
avoir honte
noun
1. een zaak die iemand in opspraak brengt en waarvan mensen schande spreken
scandale
noun
1. iets wat bij het publiek minachting oproept, iets oneervols
honte
noun
1.
tache
noun
1. korf met aarde of steenvulling
gabion
noun
1. een wintersport waarbij op skis van een helling (de schans) gesprongen wordt. Het doel daarbij is om zowel zo ver als zo mooi mogelijk te springen
saut à ski
noun
1. een plank om iets op te zetten
  1. étagère
  2. rayon
  3. rayonnage
noun
lait de brebis
noun
1. verblijf voor schapen die als kleinvee worden gehouden
bergerie
noun
  1. 1.
  2. 2.
toison
noun
1. het vlees van een schaap
mouton
noun
1. bepaald soort platvis Limanda limanda
limande commune
verb
5. Seksuele handeling
tribadisme
noun
rémouleur
noun
  1. 1.
  2. 2.
écarlate
adjective
écarlate
/sxɑrˈnir/
noun
1. draaiverbinding
charnière
noun
3. vogel uit de familie van de scharrelaars
rollier d’Europe
noun
  1. 1. een kip die op een zo natuurlijk mogelijke wijze mag leven en vrij bewegen (scharrelen)
    poule fermier
  2. 2. scharrelkippenvlees
    poulet fermier
/ˈsxɑrəɫˌvɑrkə(n)/
noun
1. een vrijlopend varken dat op een zo natuurlijk mogelijke manier mag leven
porc fermier
noun
  1. 2. lieverd
    1. chéri
    2. chérie
  2. 1. verzamelde rijkdom
    trésor
noun
  1. boutchou
  2. chaton
  3. puce
/'sxɑtə(n)/, /'sχɑtə(n)/
verb
  1. 1. op prijs stellen
    apprécier
  2. 2. benaderen van een waarde door berekening
    1. estimer
    2. supputer
adjective
1. leuk, aardig, enig
  1. mignon
  2. joli
verb
  1. 1. gladmaken door middel van een schaaf.
    raboter
  2. 2. verwonden door wegscheuring van de huid.
    écorcher
noun
1. een stellage voorzien van een galg of een valbijl waar veroordeelden terechtgesteld worden
  1. échafaud
  2. gibet
noun
1. houder waarin men een zwaard of mes kan steken
  1. fourreau
  2. gaine
/'sχedəl/
noun
crâne
noun
  1. fracture crâniale
  2. fracture crânienne
/sxeːf/
adjective
1. niet recht, schuin
  1. oblique
  2. de travers
/sxeːf/
noun
1. afvaldeeltje van de houtpijp
chènevotte
noun
1. voorkant van het onderbeen van de mens tussen de knie en de enkel
tibia
/ˈsxenben/
noun
tibia
noun
1.
médecin de bord
noun
1. hard en droog baksel, geschikt voor lange (zee)reizen
  1. biscuit de mer
  2. gallette de mer
noun
construction navale
noun
1.
médecin de bord
verb
1. het vanaf de wal slepen van schuiten
haler
noun
  1. moussaillon
  2. mousse
noun
1. de goederen die in het ruim van een vrachtschip vervoerd worden
  1. cargaison
  2. chargement
noun
1. de kale romp van een schip zonder tuig, machines en andere opbouw
coque
noun
1. een ruimte voor het opslaan van goederen in een schip
cale
noun
1. een scheepsinstrument waarmee de brug aan de machinekamer het toerental en de draairichting van de schroef aanvraagt
transmetteur d'ordre
noun
1. (scheepvaart) een werkgebied
chantier naval
noun
1. het verkeer op het water
navigation
noun
rasoir életrique
/ˈsxɪːrkʋɑst/
noun
1. een dikke kwast waarmee men scheerzeep aanbrengen
blaireau
/sxeːrmɛs/, /sχɪːrmɛs/
noun
1. een bijzonder scherp mes waarmee men zich kan scheren
  1. rasoir
  2. lame
  3. rasoir à manche
/ˈsxeːrzep/, /ˈsχɪːrzep/
noun
1. zeep die gebruikt wordt om tijdens het scheren de huid te beschermen
savon à raser
/sxet/, /sχet/
noun
1. gasontlading uit de darm
pet
noun
1. wetenschap die zich bezig houdt met de studie van de samenstelling en de bouw van de stoffen
chimie
adjective
1. dat wat tot de scheikunde behoort, volgens de scheikunde
chimique
noun
chimiste
noun
1.
ampoule à décanter
/ˈsχɛldə/
pronoun
1.een rivier die ontspringt in de gemeente Gouy in noordelijk Frankrijk
Escaut
/sxɛldə(n)/
verb
1. krenkende of beledigende woorden uitspreken op heftige of ruwe toon
jurer
/'sxɛltwoːrt/
noun
1. een term die bedoeld is om iets of iemand te beledigen
  1. gros mot
  2. injure
verb
1. een verschil maken
faire une différence
noun
1. bepaald soort kabeljauwachtige consumptievis, Melanogrammus aeglefinus
  1. aiglefin
  2. eglefin
noun
schéma
/ˈsxemər/
noun
1. de periode van verminderend licht tussen dag en nacht
crépuscule
/ˈsxemərə(n)/
verb
1. donker of licht worden, tussen licht en donker zijn
commencer à faire jour
noun
2. de tijd van de dag waarop het licht dan wel donker wordt
crépuscule
pronoun
Schengen
noun
1-2
jarret
/'sxɛŋ.kə(n)/
verb
  1. 1. geven
    offrir
  2. 2. overgieten
    verser
noun
1. ambt
échevin
/ˈsxɛpə(n)/
verb
1. doen ontstaan uit niets
créer
noun
1. creatuur; iets dat gemaakt is
créature
/sxeːrə(n)/, /sχɪːrə(n)/
verb
  1. 1. baard afsnijden
    raser
  2. 2. zich de baard kort afsnijden
    1. se raser
    2. raser
/sxɛrf/, /sχɛrf/
noun
  1. 1. een onregelmatig gevormd stuk materie dat deel heeft uitgemaakt van een groter geheel
  2. 2. een fragment van een granaat
éclat
noun
1. verticale draden van het weefgetouw
chaîne
noun
2.1. een monitor van een technisch toestel
écran
/sxɛrmən/
verb
escrime
/sxɛr'mɵʦəlɪŋ/
noun
escarmouche
adjective
1. goed snijdend
  1. affilé
  2. aigu
pronoun
1. plaats in Vlaams-Brabant
Montaigu
noun
bourreau
noun
tireur d'élite
verb
1. als grap opmerken
badiner
verb
  1. 2. in overdrachtelijke zin: een korte maar rake beschrijving van iets geven
    dépeindre
  2. 1. met een minimum van pennenstreken een voorlopige en gewoonlijk uitwisbare afbeelding van iets maken
    esquisser
verb
1. lawaai maken als een ekster
jacasser
noun
1. ziekte ten gevolge van ascorbinezuurdeficiëntie
scorbut
/sxʏːrə(n)/
verb
1. in twee of meer delen trekken
déchirer
adverb
presque
noun
1. een landmassa die voor het grootste deel door water omgeven wordt, en slechts op (relatief) smalle verbinding heeft met het vasteland.
  1. péninsule
  2. presqu'île
pronoun
Schiermonnikoog
/ˈsxi.tə(n)/, /ˈsχi.tə(n)/
verb
1. een projectiel afvuren met een wapen
tirer
noun
1. een draad met loden balletje om de loodrechte stand van iets te onderzoeken
fil à plomb
noun
1. (industrie) een draaibare klos in een schuitje die bij het weven door het vak van de ...
navette
verb
trancher
/sxɛi̯f/
noun
  1. 1. plat en rond voorwerp
    disque
  2. 2. een gerecht dat plat en rond is
    galette
noun
1. een rem, waarbij op de as van het af te remmen toestel een schijf meedraait, die door middel van remblokken afgeremd kan worden.
frein à disque
/sxɛi̯n/
adverb
  1. 1. bedriegelijk voorkomen
    1. apparence
    2. avoir l'air de
  2. 2. zweem
    clarté
noun
1.
fraisier des Indes
noun
1. de periodiek wisselende aanblik van de maan (en de planeet Venus) ten gevolge van de veranderende belichting door de zon
phase
/sxɛɪ̯nˈhɛɪ̯lɪx/, /sxɛːnˈhɛːləx/, /sχɛɪ̯nˈhɛɪ̯ləχ/
adjective
1. tegen beter weten in de schijn van goedheid of onschuld ophoudend
hypocrite
/'sxɛi̯n.ɦi.u̯ə.lək/
noun
1. huwelijk voor de schijn
mariage blanc
noun
1. een procedure die tot doel heeft slechts de illusie of schone schijn op te houden
  1. fraçade
  2. frime
/sxɛjn.vrɵxt/
noun
faux-fruit
/sxɛɪtə(n)/, /sxɛːtə(n)/, /sχɛɪtə(n)/
verb
1. poepen
chier
noun
1. informele benaming voor een darmstoornis die dunne ontlasting veroorzaakt
chiasse
verb
  1. 2. arrangeren
    arranger
  2. 1. goed uitkomen
    convenir
  3. 3.
    1. obtempérer
    2. soumettre
noun
  1. 1. compromis, overeenkomst waarbij iedereen iets toegeeft
    compromis
  2. 2. beslechting door partijen van hun rechtsgeschil(len)
    transaction
  3. 3. verval van strafvordering tegen betaling van een geldsom
    transaction pénale
noun
1. buitenste bekleding van een vrucht
  1. pelure
  2. épluchure
noun
  1. 1. een kunstenaar die geschilderde afbeeldingen maakt
  2. 2. een handwerksman die huizen schildert
peintre
verb
  1. 1. een kunstwerk vervaardigen door met verf een beeld op een oppervlak te maken
  2. 2. een bouwwerk of voorwerp van een beschermend laag verf voorzien
peindre
/ˌsxɪldə'rɛː/, /ˌsχɪɫdə'rɛɪ/
noun
1. een met verf op doek of andere achtergrond gemaakte afbeelding
  1. peinture
  2. tableau
noun
1. een spatelvormig stuk gereedschap dat de kunstschilder gebruikt om mee te schilderen
couteau à peindre
noun
1. Unio pictorum
mulette des peintres
noun
1. een van beide figuren -menselijk of anderszins- die het wapen flankeren
  1. support
  2. tenant
/sxɪldkliːr/, /sxɪɫtkliːr/, /sχɪɫtkliːr/
noun
1. klier
  1. thyroïde
  2. glande thyroïde
noun
1. kwaadaardige groei in de schildklier
cancer de la thyroïde
noun
écuyer
noun
1. orde van reptielen waarvan het voornaamste kenmerk is dat het lichaam omsloten wordt door een verhard rug- en buikschild
tortue
noun
punaise des bois
noun
1. een band langs de omtrek van een wapenschild
bordure
verb
1. de schil van een vrucht verwijderen
  1. peler
  2. éplucher
noun
fromage fermenté
noun
2. rijk binnen de eukaryoten, Fungi
fongus
noun
  1. pique
  2. vanne
noun
  1. 1. groot zeewaardig vaartuig
    1. navire
    2. bateau
    3. vaisseau
  2. 2. grootste ruimte in de lengterichting van een kruiskerk
    nef
/sxɪbrøk/
noun
1. een gebeurtenis waarbij een schip zinkt of op de klippen loopt
naufrage
noun
1. het slachtoffer van een schipbreuk
naufragé
noun
1. een afsluiting van een droogdok door een caisson/schip
bateau-porte
noun
1. gesteente
schiste
/'sxɪtərənt/
adjective
2. prachtig, bijzonder mooi
brillant
noun
1. een chronische geestesziekte met perioden van verwardheid en psychose
schizophrénie
noun
1. Duitse sentimentele muziek
schlager
verb
grimer
noun
1. bepaald Duits hondenras
schnauzer
verb
1. van schoeisel voorzien
chausser
noun
1. alles wat men om de voeten heen kan dragen, zoals schoenen en laarzen
  1. chaussure
  2. chaussures
/sxun/
noun
1. voetbekleedsel
  1. chaussure
  2. soulier
noun
1.
bec-en-sabot
noun
1. een 18e eeuws langsgetuigd zeilschip met oorspronkelijk 2, maar later ook meer masten
goélette
noun
1. iemand die als vak schoenen repareert
cordonnier
noun
chausse-pied
noun
cordonnier
noun
1. veter om een schoen of laars dicht te rijgen
  1. lacet
  2. lacet de soulier
/'sxunzol/
noun
1. zool van een schoen
semelle
noun
1. een mineraal met de chemische formule (UO₂)₈O₂(OH)12·12H₂O
schoepite
/ˈsxɔfəl/, /ˈsχɔfəɫ/
noun
1. een horizontaal liggend scherp geslepen mes van staal dat bevestigd is aan een houten steel
binette
noun
  1. 1. schouder van paard of rund
    garrot
  2. 1.
    1. goujat
    2. salaud
noun
1.
  1. hauteur au garrot
  2. taille au garrot
noun
1. onderdeel dat een granaat bij inslag tot ontploffing brengt
fusée percutante
noun
1. mechanisme om schokken te dempen
amortisseur
noun
1. bepaald soort platvis, Pleuronectus platessa
  1. carrelet
  2. plie
adjective
1. betrekking hebbend op de scholastiek (een middeleeuwse filosofie die trachtte op wetenschappelijke wijze god...)
scolastique
noun
1. zwart-witte waadvogel met luide roep, Haematopus ostralegus
  1. huîtrier
  2. pie de mer
verb
1. aan een opleiding onderwerpen
  1. former
  2. instruire
noun
1. een school die verschillende schooltypen omvat
  1. communauté d'écoles
  2. lycée
  3. polyvalent
noun
1. iemand die basisonderwijs of voortgezet onderwijs volgt
  1. élève
  2. écolier
  3. disciple
noun
1. een hangend speeltuig bestaande uit touw en een zitje, vooral gebruikt in kinderspeeltuinen
  1. balançoire
  2. escarpolette
verb
1. op een schommel heen en weer bewegen
balancer
noun
fluctuation
noun
1. samengebonden bundel halmen
gerbe
/sxoːl/, /sxoːɫ/, /sχoːɫ/
noun
1. een onderwijsinstelling waar les wordt gegeven aan leerlingen
  1. école
  2. collège
noun
1. een agenda, speciaal voor scholieren
  1. agenda
  2. journal de classe
noun
tableau
noun
jour de classe
/ˈsxolɣan/, /ˈsχoɫχan/
verb
1. op een school ingeschreven staan en daar lessen volgen
aller en classe
noun
frais de scolarité
noun
1. document dat jaarlijks aan ouders en leerlingen informatie verstrekt over het functioneren van een school
guide de l'école
noun
  1. directeur d'école
  2. directrice d'école
noun
écolier
/ˈsxolkrɑnt/, /ˈsçolkrɑnt/
noun
1. een krant die uitgegeven wordt door een school
journal de l'école
noun
sortie scolaire
/sxols/, /sχo̝ɫs/
adjective
1. zoals op school
scolaire
/ˈsxoːl.tɑs/
noun
  1. cartable
  2. mallette
  3. sac d'école
noun
  1. 2. De tijden van de dag dat men naar school gaat
    heures de classe
  2. 1.De levensfase dat men naar school gaat
    scolarité
noun
déscolarisation
/ˈsxombruːr/
noun
1. de echtgenoot van iemands broer of zus, of de broer van iemands echtgenoot of echtgenote.
beau-frère
noun
1. de vrouw van een zoon of dochter
  1. belle-fille
  2. bru
noun
1.
belle-famille
/ˈsxoːn·hɛɪt/
noun
1. de hoedanigheid prachtig en aantrekkelijk te zijn
beauté
noun
salon de beauté
noun
concours de beauté
noun
nettoyage
noun
nettoyeur
/ˈsxonmudər/
noun
1. de moeder van de huwelijkspartner
belle-mère
noun
1. de man van een dochter of zoon
  1. beau-fils
  2. gendre
/ˈsxonzʉs/
noun
1. de echtgenote van iemands broer of zus, of de zus van iemands echtgenoot of echtgenote.
belle-sœur
noun
1. de echtgenote van broer of zus, of de zus van de echtgenoot of echtgenote
belle-soeur
noun
1. rookkanaal boven een stookplaats
cheminée
noun
1. een persoon wiens werk het verwijderen van roet uit schoorstenen is
ramoneur
/sxot/, /sχot/
noun
  1. 2. baarmoeder
    flanc
  2. 3. een lijn, aan de benedenhoek (de schoothoek) van een zeil bevestigd om het zeil mee in de wind te richten
    écoute
/ˈsxotkɔmˌpjutər/
noun
1. een invouwbare, draagbare computer
ordinateur portable
noun
1. trappende aanraking met de voet
coup de pied
/'sxɔ.pə(n)/
noun
1. kaartkleur
pique
/'sxɔ.pə(n)/
verb
1. een trap geven
donner des coups de pied
noun
1. aas van schoppen
as de pique
noun
1.
valet de pique
pronoun
2. teken van de dierenriem van 23 oktober tot 22 november
Scorpion
noun
1. spinachtige met scharen en gifstekel
scorpion
verb
  1. 1. voorlopig of tijdelijk verbieden een functie uit te voeren
  2. 2. tijdelijk onderbreken
suspendre
noun
scorsonère
verb
1. tekortkomen, ontbreken
manquer
noun
1. een persoon afkomstig uit Schotland
  1. Écossais
  2. Écossaise
noun
  1. 1. ronde schaal
    assiette
  2. 2. wat opgediend wordt, gerecht
    repas
  3. 3. kop en schotel
    1. soucoupe
    2. sous-tasse
noun
1. schotelantenne
antenne parabolique
noun
rondelle
/ˈsxɔtlɑnt/, /ˈsçɔtlɑnt/
pronoun
1. deel van het Verenigd Koninkrijk
Écosse
pronoun
1. een Engels dialect dat gesproken wordt in Schotland
scots
/ˌsxɔts.ɣa.ˈe.lis/, /ˌsxɔts.ɣa.ˈe.lɪs/, /ˌsχɔts.χa.ˈe.lis/
pronoun
1. Keltische taal die door ongeveer 60.000 personen wordt gesproken op de Schotse eilanden ...
gaélique écossais
noun
1. een wond veroorzaakt door een kogel
blessure de balle
noun
1. deel van romp tussen arm en hals
épaule
noun
1. het vlakke driehoekige bot dat de achterzijde van de schouder vormt
omoplate
noun
1. een spel dat een publiek van toeschouwers beoogt te boeien
spectacle
verb
supporter
/'srɑpə(n)/, /'sxrɑpə(n)/
verb
  1. 2. doorhalen, verwijderen van een lijst
    biffer
  2. 1. met een scherp voorwerp zoals een mes de oppervlaktelaag verwijderen
    1. gratter
    2. racler
/sxreu̯/, /sχrɪːu̯/
noun
1. een luide (uit)roep
cri
/ˈsxreːʋə(n)/
verb
1. luid en geforceerd gebruiken van het stemgeluid
  1. crier
  2. hurler
noun
braillard
/srɪft/, /sxrɪf/, /sxrɪft/
noun
  1. 1. een dun boekje met lege bladzijden om in te schrijven
    cahier
  2. 2. de manier van schrijven
    écrit
    1. 3. de letter- en cijfertekens van een taal
    2. 4. de lettersoort gebruikt in boeken, teksten en inscripties
    écriture
noun
1. een mechanisch apparaat, voorzien van druktoetsen waarmee schrifttekens op papier gezet kunnen worden
machine à écrire
/ˈsrɛɪ̯fstər/, /ˈsxrɛɪ̯fstər/, /ˈsxrɛːfstər/
noun
1. een persoon van het vrouwelijk geslacht die op professionele manier boeken of verhalen schrijft
  1. écrivaine
  2. autrice
/'srɛɪ̯fʋɛɪ̯zə/, /'sxrɛɪ̯fwɛɪ̯zə/, /'sxrɛːfβ̞ɛːzə/
noun
1. spelling
  1. orthographe
  2. graphie
adjective
1. wijdbeens
califourchon
verb
1. branderig aanvoelen
cuire
noun
ébéniste
/ˈsxrɛ(i)və(n)/
verb
1. tekst in tekens vastleggen
  1. écrire
  2. rédiger
/ˈs(x)rɛɪvər/
noun
2. een persoon die beroepsmatig schrijft
  1. écrivain
  2. auteur
noun
1. een jaar met 366 dagen
année bissextile
noun
1. een extra seconde die aan de tijdrekening wordt toegevoegd om in rekening te brengen dat de draaiing van de aarde enigszins aan wisselingen onderhevig is
seconde intercalaire
noun
  1. 3. sprong met een draai om de lengteas
    avvitamento
  2. 2. werktuig met twee of meer gebogen bladen die door draaiing een schip of vliegtuig voortbewegen
    hélice
  3. 1. voorwerp dat wordt gebruikt om andere voorwerpen vast te zetten
    1. vis
    2. hélice
noun
1. schroefdraad
filet de vis
noun
1. een meetinstrument waarmee zeer nauwkeurig dikten, afstanden en diepten kunnen worden gemeten
  1. micromètre
  2. palmer
noun
1. een constructie waarmee aan een draad of kabel de gewenste spanning kan worden gegegven
ridoir
noun
1. een werktuig om schroeven vast of los te draaien
tournevis
/ˈs(χ)rotpremi/, /ˈsxrotpremi/
noun
1. een regeling vanwege de overheid.
prime à la casse
/sxʏp/
noun
1. een van meerdere overlappende plaatjes van keratine die aan een kant vastzitten...
écaille
noun
1. Annona squamosa, een vruchtboom die op de Antillen voorkomt
pomme canelle
verb
1. snel heen en weer bewegen om iets te mengen
secouer
noun
  1. pied à coulisse
  2. pied à coulisse à vernier
verb
1. zich verbergen
s'abriter
noun
1.
  1. cachette
  2. pavillon
noun
  1. abri
  2. refuge
/sxʌʏm/
noun
1. iets dat veel luchtbellen bevat
mousse
noun
écumoire
noun
écumoire
noun
1. een soort wijn die koolzuurbelletjes bevat
vin mousseux
noun
barre oblique
/sxœyt/
noun
1. een eenvoudig open vaartuig
scute
noun
  1. 1. een geldbedrag dat ondanks de verplichting daartoe niet betaald wordt
    dette
  2. 2. een verantwoordelijkheid die iemand wordt toegeschreven voor een laakbare gebeurtenis of toestand
    faute
noun
1. schriftelijk bewijs van financiële schuld
reconnaissance de dette
noun
1. iemand aan wie iemand iets (meestal geld) verschuldigd is
créancier
noun
1. iemand die iets (meestal geld) aan iemand anders verschuldigd is
débiteur
/'sxɵldəx/
adverb
coupable
/'sxʏ.nəx/
adjective
  1. 3. laag, onfatsoenlijk (van gedrag, handelingen en bewoordingen)
    1. cochon
    2. graveleux
    3. grossier
  2. 1. haveloos, armoedig
    minable
  3. 2. laag, onbetamelijk (van karakter)
    1. minable
    2. sale
/sxyrə(n)/
verb
1. een oppervlak glad maken door wrijving met een ruw oppervlak van grotere hardheid
  1. poncer
  2. polir
/sxɵrk/
noun
1. persoon die kwaad in de zin heeft en/of bedrijft
scélérat
noun
1. zone rond een besmettingshaard waar maatregelen worden toegepast om verspreiding van een ziekte te voorkomen
  1. cordon sanitaire
  2. zone de protection
noun
écluse
noun
trou individuel
/sxyːr/, /sχyːr/
noun
1. een opslagplaats voor veldvruchten en gereedschappen
grange
noun
1. eenhandsfluit
  1. flute de tambourin
  2. galoubet
noun
1. een zijdelingse verkromming van de rug (wervelkolom), waardoor één of twee bochten ontstaan
scoliose
verb
marquer
noun
1.
buteur
/sku.bi.ˈdu/
noun
scoubidou
/ˈskrɪp.si/
noun
1. een werkstuk over een (literatuur-) onderzoek dat gemaakt wordt om een opleiding te kunnen voltooien
thèse
adjective
1. zorgvuldig, zeer gewetensvol
scrupuleux
noun
1. scheikundig element met symbool Sg en atoomnummer 106
seaborgium
noun
sécessionnisme
noun
  1. 5. een interval met een toonafstand
    seconde
  2. 1. SI-grondeenheid van tijd
    1. seconde
    2. seconde d'angle
verb
seconder
noun
1. schrijfmeubel met laatjes
secrétaire
/səkrəta'rɛsə/
noun
vrouw
secrétaire
noun
1. hoge functionaris binnen grote organisaties, zoals de Verenigde Naties, NAVO, FIFA
secrétaire général
adjective
séculaire
verb
séculariser
/səkʏnˈdɛːr/
adjective
secondaire
noun
1. type personenauto
berline
noun
1. het verlagen van de staat van het bewustzijn van een patiënt met het doel een medische procedure of ingreep aangenamer te maken
sédation
noun
1. 1099
sedécilliard
adjective
sédentaire
adjective
sédimentaire
pronoun
Sedna
pronoun
Sophonie
/sə'fɑrd/
noun
1. jood uit Portugal, Spanje, Noord-Afrika of het Midden-Oosten
séfarade
/sə'fɑrdə(n)/
noun
1. meervoud van Sefard
séfarades
noun
segmentation
verb
segmenter
noun
ségrégation
verb
ségréger
noun
1.
petit-gris
/sɛɪn/
noun
3. een verkeerslicht of verkeersbord voor treinen
signalisation ferroviaire
pronoun
1. een rivier in Frankrijk
Seine
verb
  1. 1. geven van een teken
    fair des signaux
  2. 2. het overbrengen van een bericht
    télégraphier
noun
1. seinlamp
lampe à signaux
noun
1. een toestel dat beweging en of trillingen van de aardkorst waarneemt en registreert
  1. sismographe
  2. séismographe
noun
1. grafische voorstelling van een door een seismograaf waargenomen aardbeving
  1. sismogramme
  2. séismogramme
/sɛɪ̯.ˈzun/, /sɛː.ˈzun/
noun
  1. 1. elk van de vier periodes waarin het jaar verdeeld wordt
  2. 2. een jaarlijks terugkerende periode
saison
adjective
  1. 1.
  2. 2.
saisonnier
noun
1. sekse
sexe
noun
sexisme
adjective
1.
sexiste
noun
1.
  1. jouet sexuel
  2. sex toy
  3. sex-toy
noun
sexualité
/sɛksy'el/
adjective
1. op de geslachtsdrift betrekking hebbend
sexuel
noun
1. infectieziekte die vooral wordt overgedragen door seksueel contact
  1. maladie sexuellement transmissible
  2. maladie transmise sexuellement
noun
1. ziekten die vooral worden overgedragen door seksueel contact.
  1. maladies sexuellement transmissibles
  2. maladies transmises sexuellement
noun
1. infectieziekte die vooral wordt overgedragen door seksueel contact
  1. infection sexuellement transmissible
  2. infection transmise sexuellement
/ˌsɛksʏwolo'ɣi/
noun
sexologie
/ˌsɛksʏwo'loɣ/
noun
sexologue
/ˈsɛks.wɛr.kər/
noun
  1. travailleur du sexe
  2. travailleuse du sexe
/ˈsɛktə/
noun
1. religieuze groepering die opziet naar een bepaald mens als leider
secte
noun
  1. 1. stukje dood weefsel
  2. 2.
  3. 3.
séquestre
noun
séquestration
verb
séquestrer
noun
1. tuinkruid, vergelijkbaar met peterselie, maar dan met een veel sterkere smaak
céleri
noun
1. bepaald soort plant, Apium graveolens
céleri
verb
sélectionner
adjective
1. uitkiezend
  1. sélectif
  2. sélective
noun
1. Scheikundig element met symbool Se en atoomnummer 34
sélénium
noun
1. een medicijn tegen de ziekte van Parkinson
sélégiline
noun
1. een verbinding van seleen waarin dit element de oxidatietoestand -2 bezit
séléniure
noun
sélénium
pronoun
Sellafield
noun
1. taalkunde
sémantique
noun
een half jaar
semestre
adjective
semestriel
noun
1. halve cirkel
  1. demi-cercle
  2. hémicycle
noun
Sémite
noun
séminaire
pronoun
1. taalfamilie van tientallen talen die in het noorden van Afrika en het westen van Azië worden gesproken
langues sémitiques
noun
sénat
noun
sénateur
/ˈse.ne.ˌɣɑl/, /ˈse.ne.ˌχɑɫ/
pronoun
1. land in West-Afrika
Sénégal
/seˈnil/
adjective
1. aan de ouderdom eigen, door de ouderdom afgetakeld
sénile
noun
  1. ancienneté
  2. séniorité
noun
1. sterke beroering door een verrassend voorval of bericht
sensation
noun
1.
  1. magazine people
  2. magazine à scandales
  3. tabloïd
adjective
sensationnel
verb
sensibiliser
/ˈsɛnsɔr/
noun
1.
  1. détecteur
  2. senseur
adjective
1. sensorisch, gewaarwordend, zintuiglijk
sensoriel
adjective
sensuel
noun
sentiment
adjective
1.in vaak overdreven mate op gevoelens spelend
sentimental
noun
séparatisme
noun
séparatiste
verb
séparer
adjective
brun sépia
noun
1. een gehydrateerd magnesium-silicaat met de chemische formule Mg₄Si₆O15·6(H₂O), een fylosilicaat dat behoort tot de mica's.
  1. sépiolite
  2. écume de mer
noun
1. negende maand van het jaar
septembre
noun
1.
septième
noun
1. septiemakkoord
accord de septième
noun
1.
septième
noun
1. septimool
septolet
noun
1. septool
septolet
pronoun
Septante
/ˌse.kwɛn.si.ˈjeːl/
adjective
séquentiel
/seˈkoja/, /seˈkɔja/
noun
1.1 benaming voor bomen uit het geslacht Sequoia
séquoia
noun
1.
sérendipité
noun
1. een rang onder de onderofficieren
sergent
noun
1. serialisme
sérialisme
adjective
sériel
noun
tueur en série
adverb
1. ernstig
serieux
noun
sérine
/sə.'rɪŋ/
noun
1. boomsoort met welriekende bloesem, meest paars of wit in de vorm van een kaars
lilas
noun
1. een neurotransmitter met een overwegend inhiberende werking
sérotonine
noun
1. een vergiftiging met serotonine
syndrome sérotoninergique
noun
1. een slang
serpent
noun
  1. 2. gebouw(tje) met veel glas voor het kweken van planten
    serre
  2. 1. glazen veranda
    véranda
noun
1. de vloeibare stof die overblijft als bloed is gestold
sérum
noun
1. bepaald soort zoogdier, Leptailurus serval
serval
noun
1. een computer die of computerprogramma dat diensten verleent aan andere programma's
serveur
verb
1. iets op tafel opdienen
servir
/sɛrˈvɛt/
noun
1. een doek die men aan tafel gebruikt om er de mond en vingers mee af te vegen
serviette
/ˈsɛrvis/, /ˈsɛrvɪs/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Servië
serbe
/ˈsɛrvi.jə/
noun
1. een land in Zuidoost-Europa.
Serbie
/ˈsɛrvi.jər/
noun
1. een inwoner van Servië, of iemand afkomstig uit Servië
Serbe
/sɛrvoːkroːˈaːtis/
pronoun
serbo-croate
noun
1. een uit Afrika afkomstige plant uit de familie Pedaliaceae
sésame
noun
huile de sésame
pronoun
1.de langste Britse rivier
Severn
noun
sixte
noun
1. sextakkoord (drieklank)
accord de sixte
noun
1. hoekmeetinstrument
sextant
noun
1. sextool
sextolet
/se.ˈʃɛ.lə(n)/, /sɛɪ̯.ˈʃɛ.lə(n)/
pronoun
1. een land in de Indische Oceaan, officieel de Republiek der Seychellen
Seychelles
noun
1.
sphinx
noun
1.
syndrome du bébé sécoué
adjective
1.
shakespearien
noun
1. een traditioneel Japanse fluit die aangeblazen op de rand van het boveneind.
shakuhachi
verb
shampooiner
/ˈʃɑm.po/
noun
1. product, meestal in vloeibare vorm, dat bedoeld is om het haar te wassen.
  1. shampoing
  2. shampooing
pronoun
1.
  1. Shanghai
  2. Shanghaï
noun
1. shanty
chant de marins
noun
1. een vorm van software die zonder of met weinig restricties verspreid mag worden,...
  1. partagiciel
  2. shareware
/ʃɑˈria/
noun
1. de islamitische wetgeving
charia
noun
1. een Spaanse versterkte wijn
  1. xérès
  2. sherry
pronoun
Comorees zoals gesproken door 150 duizend mensen op Mayotte
  1. mahorais
  2. shimaore
noun
1. hemdachtig kledingstuk
chemise
/ˈʃowa/
pronoun
1. Holocaust
Shoah
/ˈʃo.pro.sɛs/
noun
  1. parodie de procès
  2. procès-spectacle
noun
zevende muzieknoot in de toonladder
si
noun
1. SI-eenheid
unité SI
abbreviation
1. Internationaal Stelsel van Eenheden
  1. Système international d'unités
  2. Système international
noun
adelphe
adjective
sibérien
noun
1. bepaald zoogdier, Santhera tigris altaica
tigre de Sibérie
pronoun
Sibérie
adjective
2. zeer onduidelijk
sibyllin
adverb
2. het staat zo letterlijk in de brontekst
sic
pronoun
1. Romaanse taal die wordt gesproken door 10 miljoen mensen op Sicilië, in Zuid-Calabrië en Salento
sicilien
/sɪˈsɪlɪʲə/
pronoun
Italiaans eiland ten zuiden van het Italiaanse schiereiland
Sicile
noun
1. bepaald soort grote, palingachtige vis die zware stroomstoten kan afgeven, Electrophorus electricus
anguille électrique
noun
1. naam voor soorten platvis die hun prooi kunnen verdoven met een elektrische stroomstoot
torpille
/ˌsʲɛ.rɑ.le.ˈjo.ne/, /ˌʃæː.ra.le.ˈjo.nə/, /ˌʃɛ.ra.le.ˈjo.nə/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Sierra Leone
Sierra Leone
noun
cigare
/sɪɣɑˈrɛt/, /sɪʝɑˈrɛt/
noun
in papier gerolde tabak
cigarette
/sɪɲˈaːl/
noun
1,2,3,4,5,6. vorm van informatie
signal
noun
1. signaal-ruisafstand
rapport signal à bruit
noun
1. signaal-ruisverhouding
rapport signal à bruit
adjective
bleu de sécurité
adjective
brun de sécurité
adjective
jaune de sécurité
adjective
gris de sécurité
adjective
vert de sécurité
noun
1. signaallamp
lampe à signaux
adjective
orangé de sécurité
adjective
rouge de sécurité
noun
1. signaalruisafstand
rapport signal à bruit
noun
1. signaalruisverhouding
rapport signal à bruit
noun
1. signaalspanning aan de ontvangantenne
intensité du signal
adjective
violet de sécurité
adjective
blanc de sécurité
adjective
noir de sécurité
verb
1. constateren en waarschuwen
signaler
noun
signifiance
noun
1. benaming voor een hoefdier Cervus nippon
cerf sika
/ˈsɪkəl/
noun
1. maaiwerktuig met halvemaanvormig lemmet
faucille
/siˈleziˌʲə/
pronoun
1. een historische regio in Midden-Europa
Silésie
noun
1. afbeelding van een ondoorzichtig object dat sterk contrasteert met de achtergrond en zo een duidelijke vorm heeft, maar verder egaal van kleur is
silhouette
noun
silicate
noun
1. Scheikundig element met symbool Si en atoomnummer 14
silicium
noun
1. siliciumcarbide
carbure de silicium
noun
  1. dioxyde de silicium
  2. silice
/siˈlyr/
noun
Silurien
pronoun
2. spelwoord voor de letter s
Suzanne
/sɪmpəł/
adjective
1. zonder veel complicaties
simple
verb
simplifier
noun
simulateur
verb
simuler
noun
1. Vrucht van de sinaasappelboom
orange
noun
1. boom van de Citrus sinensis
oranger
noun
1. vruchtvlees van een sinaasappel, nadat het sap verwijderd is
pulpe d'orange
noun
1. een vruchtensap die uit sinaasappels bereid is
jus d'orange
pronoun
1. een taal die in zowel Pakistan als India gesproken wordt
sindhi
preposition
1. sedert, vanaf het moment dat
depuis
adverb
1. in de tijd die erop volgde
depuis lors
noun
1. makkelijk baantje, taak
sinécure
/ˌsɪŋɣaˈles/
pronoun
1. een taal die op Sri Lanka gesproken wordt
  1. cingalais
  2. singhalais
/sɪŋ.(g)ɣa.poːr/, /sɪŋ.gɑ.poːr/, /sɪŋ.gɑ.po̝ːr/
pronoun
1. een stadstaat in Zuidoost-Azië
Singapour
noun
1. een van beide vormen van dizuurstof die zich in een aangeslagen toestand met alleen gepaarde elektronen bevindt
oxygène singulet
/ˈsɪŋk.sə(n)/
noun
1. christelijk feest waarbij herdacht wordt dat de Heilige Geest over de apostelen neergedaald is
pentecôte
pronoun
1. taalfamilie van ongeveer 450 talen die in China en Zuidoost-Azië worden gesproken
langues sino-tibétaines
noun
1.
  1. sinologue
  2. sinisant
/ˌsɪntøˈsta(t)sijʏs/
pronoun
Saint-Eustache
/sɪnt.'maːr.tən/
pronoun
1. eiland in het noordoostelijke gedeelte van de Caraïbische Zee
Saint-Martin
noun
1. iemand die woonachtig is op of afkomstig van dat deel van het eiland Sint Maarten dat tot het Koninkrijk der Nederlanden behoort
Saint-Martinois
pronoun
1. gemeente in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Berchem-Sainte-Agathe
noun
1. bepaald Zwitsers ras van grote dogachtige honden
saint-bernard
pronoun
1. faciliteitengemeente in de Brusselse Rand
Rhode-Saint-Genèse
pronoun
1. gemeente in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Saint-Gilles
noun
1. Pecten jakobeus
  1. coquille Saint-Jacques
  2. pétoncle
pronoun
1. gemeente in het westen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Molenbeek-Saint-Jean
noun
millepertuis perforé
pronoun
1. gemeente in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Saint-Josse-ten-Noode
noun
1. feestdag van een niet-bestaande heilige
Saint Glinglin
pronoun
1. gemeente in het westen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Woluwe-Saint-Lambert
pronoun
1.
  1. Saint-Laurent
  2. fleuve Saint-Laurent
noun
2. feestdag
Saint-Martin
pronoun
1. deelgemeente van Voeren, Belgisch-Limburg
Fouron-Saint-Martin
pronoun
1. stad in de Belgische provincie Oost-Vlaanderen
Saint-Nicolas
pronoun
1. een stad in Rusland, het voormalige Leningrad
Saint-Pétersbourg
noun
saint Pierre
pronoun
1.
Leeuw-Saint-Pierre
pronoun
1. deelgemeente van Voeren, Belgisch-Limburg
Fouron-Saint-Pierre
pronoun
1. gemeente in het westen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Woluwe-Saint-Pierre
pronoun
1. gemeente in het westen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Woluwe-Saint-Étienne
pronoun
1. stad in het zuidwesten van Belgisch-Limburg
Saint-Trond
noun
  1. 2. mythische figuur
    Saint Nicolas
  2. 1. feest
    fête de Saint-Nicolas
noun
feest met cadeaus dat in Nederland, België en andere landen jaarlijks wordt gevierd
fête de Saint-Nicolas
noun
sinus
noun
1. een ontsteking van een bijholte van de neusholte
sinusite
noun
nœud sinusal
pronoun
1. verzamelnaam van ongeveer 15 talen die in het midden van Noord-Amerika worden gesproken
langues sioux
noun
1. een toestel om een akoestisch alarmsignaal weer te geven
  1. corne de fue
  2. sirène
pronoun
1. Sirius
Sirius
/ˈsɪsklɑŋk/
noun
1. een medeklinker die geproduceerd wordt met een gedeeltelijke obstructie ergens in het spraakkanaal
fricative
noun
1.
sitar
noun
1.
sitcom
/ˈsitəlɛn ˈpoːnaː/
noun
1. logografisch schrift gebruikt voor de kunsttaal Toki Pona
sitelen pona
/sity'waː(t)si/
noun
1. hoe de zaken er voorliggen
situation
verb
situer
/ʃɑ'blo:n/
noun
  1. modèle
  2. patron
  3. pochoir
verb
1. op minder fatsoenlijke manier handel drijven
  1. marchander
  2. grappiller
  3. traficoter
noun
1.
  1. chah
  2. shah
  3. schah
noun
1. een kleine uiensoort
échalote
pronoun
Chemini Atseret
/sʲezə(n)/, /ˈʃezə(n)/
verb
1. er niet in slagen een studie of overhoring succesvol te voltooien
être collé
noun
chiisme
adjective
1.
chiite
/ʃul/
noun
synagogue
noun
1. iemand die heimelijk bedriegt
  1. fricoteur
  2. margoulin
/ˈʃu.mə.lə(n)/
verb
magouiller
verb
1. iets met touw stevig vastzetten, zodat deze niet kan overgaan bij transport
attacher
verb
1. lopen met een zware lading
  1. traîner
  2. trimballer
/ʃʋɑ/
noun
1. toonloze klinker
e muet
noun
  1. planche à ruolettes
  2. skateboard
noun
1. samenstel van onderdelen dat het lichaam stevigheid geeft
squelette
noun
1. een kort, humoristisch optreden in de podiumkunst, vaak als onderdeel van een revue of show
sketch
noun
ski
noun
  1. 1. soort fiets met ski's in plaats van wielen
  2. 2. afdaling van een besneeuwde helling op een soort fiets met ski's in plaats van wielen
véloski
noun
1.
skiff
noun
moniteur de ski
noun
1. een kabelbaan voor skiërs
téléski
noun
1. skin-effect
effet de peau
noun
1.
scinque
verb
1. zich over sneeuw voortbewegen op twee aan de voeten bevestigde lange latten
skier
/skiər/
noun
1. een mannelijk iemand die aan skiën doet
skieur
/ˈskɔp.jə/
pronoun
1. de hoofdstad van Noord-Macedonië
Skopje
noun
  1. 1. plant van de soort Lactuca
    laitue
  2. 2. plant Lactuca sativa
    laitue cultivée
  3. 2 en 3. (bladeren van) Lactuca sativa
    1. laitue
    2. salade
  4. 4. salade
    salade
/slaːf/
noun
1. een persoon die het bezit is van een ander
esclave
/slap/
noun
  1. 1. periode van inactiviteit
    sommeil
  2. 3. zijvlak van het hoofd
    tempe
noun
1. een van de beenderen van de schedel
os temporal
noun
1. een kamer die hoofdzakelijk gebruikt wordt om in te slapen
  1. chambre à coucher
  2. chambre
noun
1. melodie met eenvoudige tekst die gezongen wordt om een kind in slaap te krijgen
berceuse
/ˈslapmɑt/
noun
1. een mat waarop geslapen kan worden
natte
noun
1. een geneesmiddel dat slaap veroorzaakt
  1. somnifère
  2. soporifique
noun
1. meestal in een punt uitlopend hoofdbedekking van textiel, gedragen tijdens de nachtrust
bonnet de nuit
adjective
somnifère
noun
1. iemand die loopt in een toestand van verminderd bewustzijn
somnambule
noun
  1. sac de couchage
  2. duvet
/slɑp/
noun
1. doekje om op te morsen
bavoir
noun
essoreuse à salade
/ˈslɑx.hœːs/, /ˈslɑxt.ɦœːs/, /ˈslɑχ.tœʏ̯s/
noun
1. een bedrijf waar dieren geslacht worden
abattoir
noun
2.
massacre
noun
    1. 2. iets of iemand die kwalijke gevolgen ondervindt van een gebeurtenis
    2. 1. een dier dat gedood wordt als offer voor een godheid
    victime
  1. 3. in het bijzonder iemand die sterft (of gewond raakt) ten gevolge van een gebeurtenis (ramp of gewelddaad)
    1. victime
    2. accidenté
noun
1. hulp aan slachtoffers
aide aux victimes
phraseologicalUnit
1.
bataille de Verdun
noun
1. een ader die van het hart af stroomt
artère
/ˈslɑxbom/, /ˈslɑçbom/
noun
balk die dwars over een weg kan worden neergelaten als afsluiting
barrière
noun
2. gemarkeerd ronde gebied op het veld met 1,5 m doorsnee waar de opvolger...
cercle d'attente
noun
1. een verkoper van vlees
boucher
noun
1. bedrijf van een slager
  1. boucherie
  2. triperie
noun
1. muziekinstrument waarop wordt geslagen
instrument de percussion
noun
  1. crème fouettée
  2. chantilly
noun
1. buitengewoon lange tand van bepaalde soorten zoogdieren
défense
noun
1. door schade sterk naar één kan overhellen van een schip
gîte
noun
    1. 1. een buikpotig weekdier (huisjesslak)
    2. 1. een buikpotig weekdier (wijngaardslak)
    escargot
  1. 2. een onoplosbaar afvalproduct bij het smelten van metaal
    laitier
noun
1. Rostrhamus sociabilis, een roofvogel van de moerassen van de warmere streken van de beide...
milan des marais
noun
1. benaming voor geschubde dieren met langgerekt lijf en een vaak glad lichaam zonder ledematen, die de onderorde Serpentes vormen
serpent
noun
charmeur de serpents
noun
insomnie
verb
1. in een toestand van lichamelijke rust verkeren
dormir
noun
dormeur
/ˈsla.pə.rəx/, /ˈsla.pə.rəχ/, /ˈsla.pə.rɪx/
adjective
1. behoefte tot slaap vertonend
  1. fatigué
  2. somnolent
/ˈsla.pə.rəx.ˌɦɛːt/, /ˈsla.pə.rəχ.ˌɦɛɪ̯t/, /ˈsla.pə.rɪx.ˌhɛɪ̯d/
noun
  1. 2. de neiging te gaan slapen
    sommeil
  2. 1. het gevoel slaperig te zijn, afwezig zijn met gedachten
    somnolence
noun
travail d'esclave
noun
traite négrière
/ˈslaː.və(n)ˌsxɪp/
noun
(navire) négrier
pronoun
1. taalfamilie van ongeveer 20 talen die in Oost-Europa en Siberië worden gesproken
langues slaves
pronoun
1.
Slavonie
/slɛçt/
adjective
1. niet goed
  1. mauvais
  2. méchant
/slɛçt/
adverb
1. niet goed
mal
adjective
pire
noun
1. iemand die kwaad doet of in de zin heeft
méchant
noun
1. de hoedanigheid van het slecht zijn
  1. méchanceté
  2. perversité
adverb
1. alleen maar, vervoeging van slecht
seulement
noun
1. Falco peregrinus, een roofvogel en de snelst vliegende vogel ter wereld
faucon pèlerin
noun
1. een voertuig dat wordt voortgetrokken en dat voorzien is van twee glijders
luge
noun
1. bepaald soort plant met blauwe vruchten, Prunus spinosa
prunellier
noun
1. een krachtige boot die andere vaartuigen versleept
remorqueur
noun
1. een mechaniek waarmee skiërs de berg opgesleept worden
tire-fesse
noun
1. vlechtwerk van touw dat over een waterbodem gesleept kan worden om zo waterdieren te vangen
chalut
/ˈsle.prœʏ̯m/, /ˈsle.prœːm/
noun
1. de vrucht van de sleedoorn (Prunus spinosa)
prunelle
noun
1. grote hamer
mailloche
noun
1. grote hamer
mailloche
verb
  1. 2. (langzaam) ergens heen lopen zonder specifiek doel (zonder negatieve bijklank)
    1. flâner
    2. vadrouiller
  2. 1. (langzaam) ergens heen lopen, futloos of lusteloos
    traîner
noun
garce
noun
1. sleufantenne
antenne à fentes
noun
  1. routine
  2. ornière
/sløːtəl/, /sløːtəɫ/, /ˈslø.tɔɫ/
noun
  1. 2. moer- of Engelse sleutel
    clé anglaise
    1. 1. werktuig om te (ont)sluiten
    2. 4. een aanwijzing of code waarmee een raadsel kan worden opgelost, een geheim(schrift) ontcijferd, een cijferslot geopend of toegang kan worden verkregen
    1. clé
    2. clef
noun
1. het bot dat het borstbeen met de schouder verbindt
clavicule
/ˈsløtəɫˌbɔs/
noun
1. aantal sleutels dat aan eenzelfde ring of band hangt
  1. trousseau
  2. trousseau de clefs
verb
  1. 2.
    bricoler
  2. 1.
    1. bricoler
    2. bagosser
/ˈsløtəɫχɑt/, /ˈsløːtəlɣɑt/
noun
1. een gat in een slot waardoor een sleutel moet worden gestoken om hem te openen
trou de serrure
/ˈsløtəɫˌɦɑŋər/
noun
1. ring om sleutels aan te hangen, vaak voorzien van een logo of label.
  1. porte-clef
  2. porte-clé
noun
1. Zweeds volksinstrument
nyckelharpa
/slɪp/
noun
1.
limon
/slɛːk/, /slɛːɪk/
noun
1. mengsel van aarde, vuil en water
boue
/slɛɪm/
noun
1. kleverige stof die door slijmvliezen uitgescheiden wordt
  1. glaire
  2. mucus
noun
1. slijm afscheidend membraan
muqueuse
noun
  1. pierre à aiguiser
  2. aiguisoir
verb
1. de slokdarm in
avaler
adjective
1. intelligent, snel van begrip
malin
verb
osciller
noun
pendule
/slɪpə(n)/
verb
1. door gladheid over de weg schuiven
  1. déraper
  2. glisser
verb
1. foutieve uitspraak van de letter s
chuinter
noun
1. een brandewijn gedestilleerd uit gefermenteerde pruimen
slivovitz
noun
1. een brandewijn gedestilleerd uit gefermenteerde pruimen
slivovitz
noun
1. een klein scheepstype dat op het dek van een groter schip wordt meegevoerd
chaloupe
/slɔf/
noun
1n een comfortabel soort schoeisel bedoeld om in huis te gedragen te worden
chausson
noun
  1. oesophage
  2. œsophage
noun
marteau de forgeron
noun
boule de démolition
/sloːt/
noun
1. smal watergang om of tussen weilanden
fossé
verb
1. een structuur ontmantelen, afbreken
  1. démolir
  2. bousiller
  3. démanteler
noun
  1. 2. een middeleeuwse versterkte woning
    1. château
    2. serrure
  2. 1. mechanisme waarmee in combinatie met bijvoorbeeld een sleutel een deur of een raam kan worden afgesloten
    serrure
noun
serrurier
noun
cours de clôture
noun
1. slottoon
fondamentale
/sloˈvens/, /sloˈveːns/, /sloˈweːns/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Slovenië
slovène
/sloˈveni.jə/, /sloˈveːni.jə/, /sloˈweːni.jə/
pronoun
1. een land in Centraal-Europa
Slovénie
pronoun
1. internationale hulptaal
slovio
/slo.ˈwaks/, /slo.ˈʋaks/, /slo.ˈβ̞aks/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Slowakije
slovaque
/ˌslowaˈkɛɪ̯.jə/, /ˌsloʋaˈkɛɪ̯.jə/, /ˌsloβ̞aˈkɛː.jə/
pronoun
1. een land in Midden-Europa; het oostelijke deel van het voormalige Tsjechoslowakije.
Slovaquie
noun
voile
noun
contrebande
/ˈslœʏpə(n)/, /ˈslœːpə(n)/
verb
1. zeer voorzichtig lopen, op zo'n manier dat ontdekking vermeden kan worden
se glisser
noun
1.
tireur embusqué
noun
écluse
noun
porte d'écluse
verb
1. toedoen, dichtmaken
  1. fermer
  2. clore
noun
1. het tijdstip dat een winkel, horecazaak gaat sluiten
heure de fermeture
noun
1. een afsluitbare gebogen pin waarmee men twee stukken stof bijeen kan houden, voorzien van een veiligheidskapje dat voorkomt dat men zich eraan bezeren kan
épingle
adjective
  1. dégingandé
  2. larguirucho
  3. longiligne
noun
1. verlengde snuit
trompe
noun
  1. 3. bepaalde subjectieve voorkeur
  2. 1. zintuig waarmee men mee proeft
  3. 2. gewaarwording bij het proeven van eten en drank
gout
noun
papille gustative
verb
1. ~ naar een bijzonder sterk verlangen hebben naar iets dat men ontbeert
  1. aspirer
  2. soupirer
adjective
1. goed van smaak zijnd of van een goede smaak genietend
  1. appétissant
  2. ragoûtant
/ˈsmaː.kə.los/
adjective
  1. 2. (figuurlijk) geen fatsoen of gevoel voor esthetiek of mode hebbend, vulgair
    1. quétaine
    2. de mauvais goût
    3. tocard
  2. 1. (van voedsel) geen smaak hebbend
    sans goût
noun
émeraude
adjective
vert émeraude
noun
1.
cordulie bronzée
/ˈsmɑrtə(n)xɛlt/
noun
1. financiele vergoeding voor geleden leed
pretium doloris
noun
1. harde slag
smash
noun
1. atelier, werkplaats van een smid, smederij
forge
noun
1. is ijzer dat wordt gemaakt door het te smeden
fer forgé
noun
1. een ventiel voor doorsmeervet
  1. douille de graissage
  2. graisseur
noun
huile de graissage
/smekə(n)/
verb
1. nederig om een gunst verzoeken
implorer
noun
faucon émerillon
verb
1. van vaste in vloeibare vorm overgaan
fondre
/ˈsmɛltkrus/
noun
  1. 1. vuurvaste pot voor het mengen van gesmolten metaal
    1. creuset
    2. catin
  2. 2.
    melting pot
/smɛltpʌnt/
noun
1. de temperatuur waarbij iets gaat smelten
point de fusion
noun
1. de hoeveelheid warmte die opgenomen wordt bij het smelten van een kristallijne vaste stof
énergie de fusion
noun
1. water dat afkomstig is van gesmolten sneeuw of ijs
eau de fonte
verb
1. met een zachte massa bestrijken
tartiner
adjective
1. Bijzonder vuil
  1. cradingue
  2. sale
noun
2.
tache
/ˈsmø.lə(n)/
verb
  1. 1. zacht en langzaam branden zonder vlammen
  2. 2. verborgen aanwezig zijn
couver
noun
1. iemand die gloeiend metaal bewerkt met een hamer op een aambeeld
forgeron
noun
1. werkplaats van een smid
forge
noun
1. smient
canard siffleur
/smɛitə(n)/
verb
1. hard gooien of werpen
  1. flanquer
  2. ficher
/smul/
noun
  1. 2. (vulgair of informeel) aangezicht
    1. bobine
    2. gueule
    3. margoulette
    4. mug
  2. 1. (vulgair of informeel) mond
    1. gueule
    2. margoulette
    3. piehole
noun
1.
trombinoscope
noun
smoking
/ˈsmɔ.kə.lə(n)/
verb
1. wederrechtelijk goederen over een grens brengen om heffingen te ontduiken
trafiquer
verb
  1. 3. iets in enig vet aanbraden, vervolgens vocht toevoegen en afdekken om het zachtjes gaar te laten worden
    1. braiser
    2. mijoter
    3. mitonner
    4. étuver
  2. 2. onderdrukken
    1. suffoquer
    2. étouffer
/ɛsɛˈmɛsə(n)/
verb
1. een sms-bericht versturen
  1. textoter
  2. SMSer
  3. envoyer un SMS
  4. smser
/ˈsmʏl.pa:p/
noun
  1. gourmand
  2. homme de bonne chère
noun
  1. 1. strip- en tekenfilmfiguur in de vorm van een soort blauwe kabouter met een wit mutsje
    Schtroumpf
    1. 2. dinges
    2. 3. iemand die niet meetelt
    schtroumpf
noun
2. lang zeer dun rond en flexibel voorwerp
corde
noun
1. muziekinstrument met snaren
instrument à cordes
noun
1. muziekinstrumenten waarbij de toon wordt geproduceerd door een trillende snaar
chordophone
/'snɑpə(n)/
verb
  1. 2. iemand vatten in de zin van betrappen
    capturer
  2. 1. iets vatten in de zin van begrijpen, doorhebben
    piger
/ˈsnavəɫ/
noun
1. bek van een vogel of schildpad
bec
/sner/
noun
1. een minachtende of vernederende opmerking
  1. pique
  2. quolibet
/sneʊ̯/, /sneːβ̞/, /snɪːβ̞/
noun
1. in kristallen bevroren water
neige
/ˈsneʊ̯bɑl/, /ˈsnɪːwbɑɫ/
noun
1. een tot een bal samengepakte hoeveelheid sneeuw, vaak bedoeld voor een speels sneeuwballengevecht
boule de neige
noun
ça fait boule de neige
adjective
1. verblind door de hevige schittering van de sneeuw
ébloui par la neige
noun
1. hoornvliesontsteking door blootstelling aan een overmaat aan uv-straling op open sneeuwvlakten
cécité des neiges
noun
1. bril ter voorkoming van sneeuwblindheid
lunettes de ski
noun
1. een bui sneeuw
  1. averse de neige
  2. chute de neige
verb
1. het vallen van hemelwater onder de vorm van sneeuwvlokken
neiger
noun
oie des neiges
noun
1.
  1. bruant des neiges
  2. plectrophane des neiges
noun
1. patrijsachtige vogel uit koude streken, die in de zomer een bruinig...
lagopède alpin
noun
1. een pop die gemaakt is van sneeuw
bonhomme de neige
noun
1. een toestel dat de hoeveelheid gevallen sneeuw (d.i. vaste neerslag) meet
nivomètre
noun
1. een pop die gemaakt is van sneeuw
bonhomme de neige
/ˈsneʊ̯.sxœː.vər/, /ˈsneːβ̞.sxœː.vər/, /ˈsnɪːβ̞.sχœʏ̯.vər/
noun
2. een voertuig dat is uitgerust met een mechaniek waarmee het sneeuw kan verplaatsen
chasse-neige
/'snew.stɔrm/
noun
tempête de neige
noun
1. bepaald soort vogel, Bubo scandiacus
  1. harfang
  2. harfang des neiges
noun
chute de neige
/'snewvlɔk/
noun
1. een kleine massa aaneengehechte sneeuwkristallen
flocon de neige
pronoun
Blanche-Neige
/snɛɫ/
adjective
  1. rapide
  2. vite
noun
1. de verandering in de tijd van de plaats van een voorwerp
  1. vitesse
  2. vélocité
noun
1. meter die de snelheid meet van de lucht (luchtvaart)
  1. anémomètre
  2. badin
/'snɛlʋɛx/
noun
1. een grote brede weg speciaal voor motorvoertuigen
autoroute
noun
  1. blette
  2. poirée
  3. bette
noun
1. en 2. (peulvrucht van) ras van Phaseolus vulgaris
  1. haricot plat
  2. haricot vert plat
/ˈsnɛɪdə(n)/
verb
1. met een scherp voorwerp in stukken delen
couper
noun
1. gehard stalen blokje met een van schroefdraad voorzien gat, waarmee men uitwendige schroefdraad kan snijden
filière
noun
1. snijolie
huile (f) de coupe
noun
1. snijplaat
filière
noun
1. snijplaathouder
porte-filière
noun
point d'intersection
noun
1. snijraam
porte-filière
noun
  1. céleri
  2. ache des marais
verb
sangloter
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Scolopacidae
bécasse
/ˈsnujə(n)/
verb
1. terugbrengen op gewenste lengte
  1. tailler
  2. élaguer
  3. couper
noun
1.
serpette
/ˈsnujsxar/, /ˈsnujsχar/
noun
1. een stevige, korte schaar voor het snoeien van planten, struiken e.d.
sécateur
noun
1. bepaald soort roofvis die in zoete wateren voorkomt, Esox lucius
brochet
noun
1. bepaald soort zoetwaterroofvis, Sander lucioperca
sandre
noun
1. een meestal grotendeels van suiker vervaardigde lekkernij
bonbon
/snut/
noun
2.
gueule
noun
catin
noun
  1. 2. vogel
    locustelle luscinioïde
  2. 1. beharing
    1. moustache
    2. bacchante
noun
1. een holle gebogen buis van rubber of plastic, met een mondstuk, dat je in staat stelt adem te halen als je aan het wateroppervlak zwemt met je hoofd onder water.
tuba
noun
1. soort skiplank
  1. snowboard
  2. surf des neiges
verb
  1. 1. aandachtig ruiken
    flairer
  2. 2. nieuwsgierig doorzoeken
    fouiller
noun
1. reukorgaan van dieren
museau
verb
1. door beurtelings de neus samen te knijpen en door de neus te blazen slijm uit de neusholte verwijderen
moucher
verb
1. ademen met een niet goed geopende luchtpijp, waardoor een rochelend geluid ontstaat
ronfler
noun
1. infectieziekte die vooral wordt overgedragen door seksueel contact
  1. MST
  2. MTS
/soʃal/
adjective
  1. 1. betrekking hebbend op de menselijke samenleving
  2. 2. geneigd om in groepen te leven
  3. 3. gevoel hebbend voor de nood van de medeleden van de samenleving
social
noun
sociabilité
noun
classe sociale
noun
1. verzamelnaam voor internetsites waar groepen mensen online onderling kunnen communiceren
réseaux sociaux
noun
1. aanzien dat of voorname positie die iemand heeft in een groep of samenleving
statut social
noun
socialisation
noun
socialisme
noun
socialiste
noun
1. wetenschap
sociologie
noun
1.iemand die lijdt aan een persoonlijkheidsstoornis die antisociaal gedrag veroorzaakt
sociopathe
noun
eau gazeuse
/su.ˈdɑn/, /zu.ˈdaːn/
pronoun
1. land in Noordoost Afrika dat voor een groot deel in en rond het stroomgebied van de rivier Nijl ligt, officieel de Republiek Sudan
Soudan
noun
soufisme
noun
sunnisme
noun
1. vloeibaar gerecht
  1. soupe
  2. potage
noun
1. diep bord
assiette à soupe
noun
1. een geglazuurde schaal om soep of stoofpot uit te serveren
soupière
noun
souveraineté
noun
sophisme
noun
1. de verzamelnaam voor besturings- en toepassingsprogramma's,...
  1. logiciel
  2. software
  3. educiel
  4. ludiciel
noun
  1. analyste programmeur
  2. développeur
  3. programmeur
noun
1. infectieziekte die vooral wordt overgedragen door seksueel contact
  1. MST
  2. MTS
verb
soigner
noun
1. de sojaplant is een peulvrucht waarvan de boon als grondstof dient voor veel producten
soja
noun
1. eiwitrijke boon van de sojaplant
  1. soja
  2. fève de soja
noun
lait de soja
noun
huile de soja
noun
sauce de soja
noun
1. kous die tot net boven de enkel komt
  1. chaussette
  2. bas
noun
1. een voetstuk, voornamelijk voor beelden
socle
noun
2. extra online identiteit
  1. faux-nez
  2. poupée de chiffon
noun
1. vergoeding aan de opstalgever voor opstalrecht
rente superficiaire
/sɔlˈdaːt/
noun
  1. 1. krijgsman met de laagste rang binnen een strijdmacht
  2. 2. termiet of mier die vooral op roof uitgaat, of het nest verdedigt
soldat
noun
  1. 3. een langwerpig stukje toast
    mouillette
  2. 2. orchideeënsoort
    orchis guerrier
noun
1. een stuk gereedschap om mee te solderen
  1. fer à souder
  2. fer à braser
noun
1. soldeertin
étain à souder
verb
  1. 2. betalen
    solder
  2. 1. een door verhitting vloeibare tussenstof aanbrengen tussen losse metaaldelen waardoor deze na afkoeling vast verbonden blijven
    1. souder
    2. braser
noun
solde
adjective
  1. solennel
  2. solemne
noun
1.
solex
noun
solfège
adjective
solidaire
verb
solidariser
noun
solidarité
noun
solipsisme
adjective
solitaire
noun
demande d'emploi
verb
solliciter
noun
1. keerpunt van de zon
solstice
noun
solvabilité
pronoun
1. een taal die vooral wordt gesproken in Somalië
  1. somali
  2. somalien
/so.'ma.li.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika, officieel de Somalische Republiek
Somalie
adjective
1. in neergeslagen stemming
sombre
verb
1. met autoriteit een bevel geven
sommer
indefinitePronoun
1. een onbepaald, meestal klein aantal
  1. certains
  2. quelques
adjective
somptueux
noun
1. instrumentaal muziekstuk
sonate
noun
  1. 1. een peilstift om de ruimte binnen een lichaam te verkennen, of om er gegevens op te nemen
  2. 3. een onbemand ruimtevaartuig
  3. 2. een instrument om voeding in vloeibare vorm toe te dienen
sonde
pronoun
1. verzamelnaam van ongeveer 10 talen die rond het middelste deel van het stroomgebied van de Niger worden gesproken
langues songhai
/ˈsɔːrt/
noun
1. een groep voorwerpen die een bepaald aantal kenmerken gemeenschappelijk heeft en...
  1. type
  2. sorte
phraseologicalUnit
1. compactheid
densité
/ˌsɔporaˈtif/
adjective
soporifique
noun
1. een eenvoudig houten blaasinstrument
flûte à bec soprano
noun
1. sopraansaxofoon
saxophone soprano
noun
1. een eenvoudig houten blaasinstrument
flûte à bec sopranino
noun
1. een sopraninosaxofoon
saxophone sopranino
noun
1. een soprillosaxofoon
saxophone piccolo
pronoun
1. een groep Slavische talen die wordt gesproken in het oosten van Saksen en het zuidoosten van Brandenburg
sorabe
pronoun
1. verzamelnaam van twee Slavische talen die in het oosten van Duitsland worden gesproken
langues sorabes
noun
sourdine
noun
sorgo
interjection
1. een informele verontschuldiging of excuses
  1. pardon
  2. excusez-moi
verb
1. orde in een verzameling aanbrengen door soort bij soort te leggen
  1. classer
  2. trier
verb
1. zijn rol zachtjes voorzeggen
souffler
/superə(n)/
verb
1.
  1. dîner
  2. souper
noun
1. band die de beide zijden van een broekspijp onder de voet door verbindt
sous-pied
verb
soutenir
noun
1. klein voorwerp dat helpt om aan een prettige ervaring met een plaats of persoon terug te denken
souvenir
pronoun
  1. Union soviétique
  2. URSS
  3. Union des républiques socialistes soviétiques
noun
1. een staaf die de naaf en de velg van een wiel verbindt
rayon
/ˈspakbeɪn/
noun
bot in de onderarm
radius
/ˈspandər/
noun
1. langwerpig stukje hout dat bij het hakken afvalt.
copeau
/spaːns/
adjective
1. met betrekking tot Spanje of het Spaans
  1. espagnol
  2. espagnole
/spaːns/
pronoun
1. een taal die oorspronkelijk werd gesproken in (het centrale deel van) Spanje,...
  1. espagnol
  2. castillan
/ˈspan.sə/
noun
1.
Espagnole
noun
1.
écaille chinée
adjective
1.
hispanophone
noun
1.
hispanophone
noun
dépôt d'épargne
noun
épargnes
/ˈsparlɑmp/
noun
1. een energiezuinige lamp
ampoule économique
noun
1. afgesloten voorwerp waarin contant geld opgespaard wordt
tirelire
/'spar.zam/
adjective
1. zorg dragend niet te verspillen
épargnant
noun
1.
modicité
noun
1. brede, zware schep, bedoeld voor het spitten van grond
bêche
noun
spaghetti
noun
1.ongewenste e-mail
spam
noun
1. hondenras
épagneul
/ˈspɑ.ɲard/, /ˈspɑɲ.jart/
noun
1. een inwoner van Spanje, of iemand afkomstig uit Spanje
Espagnol
/ˈspɑ.ɲə/, /ˈspɑɲ.jə/
pronoun
1. een land in het zuidwesten van Europa op het Iberisch Schiereiland
Espagne
noun
1. schakeling die een elektrische spanning afgeeft waarvan de grootte onafhankelijk is van de belasting
source de tension
/ˈspɑnrʏps/
noun
arpenteuse
noun
1. een constructie waarmee aan een draad of kabel de gewenste spanning kan worden gegegven
ridoir
noun
1. een constructie waarmee aan een draad of kabel de gewenste spanning kan worden gegegven
ridoir
noun
2. benaming voor een naaldboom uit het geslacht Picea
  1. épicéa
  2. sapin
/ˈspa.rə(n)/
verb
1. geld niet uitgeven
  1. épargner
  2. économiser
  3. capitaliser
  4. faire des économies
  5. lésiner
noun
1. kleine opengelaten ruimte
réservation
noun
éclaboussure
noun
1.
garde-boue
noun
spationaute
/ˈspɑtə(n)/
verb
éclabousser
noun
1. een gedroogd plantendeel, anders dan een groen blad of stengel, dat als geur-, kleur- of smaakstof aan voedsel wordt toegevoegd
épice
noun
1. benaming voor middelgrote robuuste vogels behorende tot de familie Picidae
  1. pic
  2. pic-vert
/spe.si.ˈjal/, /spe.ˈsjaːl/, /spe.ˈʃaːl/
adjective
1. op een positieve manier anders dan het andere
spécial
verb
spécialiser
/ˈspesɪɑlɪst/
noun
  1. 1. persoon die ergens veel verstand van heeft
  2. 2. arts die een bepaald onderdeel van de geneeskunde beoefent
spécialiste
noun
1. bijzondere kennis of vaardigheid van iemand
spécialité
noun
1. specificatie
spécification
verb
1. in details beschrijven
spécifier
adjective
1. kenmerkend
spécifique
adverb
1. in het bijzonder
  1. spécifiquement
  2. spécifique
noun
1. exemplaar van een groep
spécimen
noun
1. SPECT
TEMP
adjective
spectaculaire
adjective
spectral
noun
donkere of juist lichte lijn in het spectrum van licht
raie spectrale
noun
1. kleurenband
spectre
/ˌspe.ky.ˈlas/
noun
1. een harde, droge kruidkoek, die vooral rond Sinterklaas gegeten wordt, soms gevuld met amandelspijs
spéculoos
verb
1. inzetten op een bepaalde kans, meestal met hoog risico
spéculer
noun
1. vocht dat in de mond vloeit uit de speekselklieren
salive
noun
1. een klier die speeksel produceert en naar de mondholte afscheidt
glande salivaire
/ˈspelɣud/, /ˈspelɣut/, /ˈspɪːɫχut/
noun
1. één of meer voorwerpen voor kinderen om mee te spelen
  1. jouet
  2. joujou
noun
récré
noun
  1. 1. rondreizend kunstenaar
  2. 2. rondreizend artiest
  1. ménestrel
  2. jongleur
noun
  1. 2. bedieningsorganen van een muziekinstrument
    console
  2. 1. meubelstuk
    table de jeu
noun
  1. 1. rubber of plastic afsluiting op een zuigfles
  2. 2. tepel van een zoogdier
tétine
noun
1.1 bepaald soort plant met niervormige bladeren, botergele bloemen en wortelknolletjes, Ficaria verna
ficaire
noun
1. een big dat nog gezoogd wordt
cochon de lait
/spɪːr/
noun
1. lange stok met een punt eraan, (werd) gebruikt voor de jacht of oorlogvoering
  1. lance
  2. javelot
noun
2. stukje spek
lardon
noun
1. opzienbarend schouwspel
spectacle
noun
1. bezigheid ter ontspanning volgens vaste regels met elementen als competitie, behendigheid, inzicht en kans
jeu
/'spɛl.kɔm.pju.tər/
noun
1. een computersysteem dat specifiek gemaakt is om spellen op te spelen
console de jeux vidéo
/ˈspeːlə(n)/
verb
jouer
noun
1. onjuiste schrijfwijze van een woord
faute d'orthographe
/ˈspɛlɪŋ/
noun
1. de al dan niet vastgelegde manier waarop de woorden van een taal geschreven worden
orthographe
noun
1. spellingalfabet
alphabet (m) d'épellation
noun
1. spellingsalfabet
alphabet d'épellation
noun
1. een spleetvormige holte in een berg
caverne
noun
1. grove tarwesoort
épeautre
noun
1. fijn gemalen zaden van Triticum spelta
  1. farine d'épeautre
  2. farine de blé épeautre
noun
1. een tak van de wiskunde waarin het nemen van beslissingen centraal staat
théorie des jeux
/spɛltmɪːɫ/
noun
1. fijn gemalen zaden van Triticum spelta
  1. farine d'épeautre
  2. farine de blé épeautre
noun
1. spelwoord
mot (m) du code d'epellation
noun
1. Accipiter nisus, een kleine snelle roofvogel
  1. épervier
  2. épervier d'Europe
noun
1. en 2. (peul van) cultivar van Phaseolus vulgaris
haricot vert
noun
1.een weggeslingerde druppel
éclaboussure
noun
1. speciaal opgeleide hond voor het zoeken en volgen van reuksporen
limier
pronoun
1.
Spire
pronoun
1. Spica
épi
noun
  1. 2. (inleg-) spie
    1. clavette
    2. fiche
  2. 1. spie
    coin
  3. 1. cent
    sou
noun
1. beelden terugkaatsend voorwerp
  1. miroir
  2. glace
noun
  1. 2. ronde paal op een schip
    1. espar
    2. mâtereau
  2. 1. een orgaan
    muscle
pronoun
1. een dorp in de Belgische provincie West-Vlaanderen
Espierres
noun
1. bepaald soort klein zilverwit visje, Osmerus eperlanus
éperlan
/ˈspiːrpɛɪ̯n/, /ˈspiːrpɛːn/
noun
1. pijn in een spier
courbature
noun
1.een spierkwetsuur waarbij de spiervezels uitgerekt worden
claquage d'un muscle
verb
2. ter dood brengen door doorboring met een spies
empaler
verb
1.
sécher
noun
1. spijgat
dalot
noun
  1. 3. (uitdrukking) ± Spijkers met koppen slaan.
    aller droit au but.
  2. 4. (uitdrukking) ± Spijkers op laag water zoeken.
    1. chercher midi à quatorze heures
    2. chercher la petite bête.
  3. 1. metalen pin waarmee twee voorwerpen door doorboring vast verbonden kunnen worden
    clou
  4. 2. (uitdrukking) ± De spijker op de kop slaan.
    faire mouche
verb
  1. chercher la petite bête
  2. chercher midi à quatorze heures
  3. chercher un prétexte
noun
cunéiforme
adjective
dépensier
noun
1. geleedpotig dier met acht poten
araignée
noun
1. bepaald soort snelgroeiende, eenjarige plant, Spinacia oleracea
  1. épinard
  2. épinards
/spɪndɘ/
noun
1. een voorraadkast, een provisiekast
garde-manger
noun
  1. 1. een klos waarop de katoen- of vlasdraad wordt gewonden
  2. 2.
broche
noun
1. toetsinstrument met schuin geplaatste snaren
spinet
verb
  1. 1. een lange draad vervaardigen door enkele vezels in elkaar te vervlechten
    filer
  2. 2. snorren, een brommend geluid maken
    ronronner
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Araneae
araignée
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Araneae
araignée
noun
1. een door een spin gemaakt net om insecten te vangen
toile d'araignée
noun
espion
noun
1. de handeling van het spioneren
espionnage
verb
1. voor concurrentie of vijand geheime informatie trachten te verwerven
espionner
noun
1. een kromme lijn
spirale
noun
spiritualité
adjective
spirituel
noun
1. benaming voor de groep Spirochaetes
spirochaetes
noun
spirométrie
adjective
  1. 2. scherpzinnig
    1. incisif
    2. pointu
  2. 1. in een punt uitkomend
    pointu
noun
  1. 2. binnen een ploeg een aanvallende speler die een positie opzoekt waarin hij een doelpunt kan maken
    attaquant
  2. 1. grote drukte in het verkeer op terugkerende tijdstippen
    heure de pointe
  3. 4. scherp, puntig uiteinde
    1. pointe
    2. bout
    3. flèche
  4. 3. klein vrachtschip, binnenschip (ook wel gebruikt als woonboot)
    péniche
  5. 5. type hond met een spitse snuit
    spitz
pronoun
1. een Noorse eilandengroep
Svalbard
noun
1. klein muisachtig diertje met spitse snuit en korte poten, behorend tot de familie Soricidae
musaraigne
noun
1. spleetantenne
antenne à fentes
adjective
fissile
/'splɪntər/
noun
1. klein puntig scherfje
écharde
adverb
1. binnen een kort tijdsbestek
  1. bientôt
  2. avant peu
  3. sous peu
noun
  1. 2. een element van zelfinductie
    bobine
    1. 1. een cilindrische vorm
    2. 3. fotografische
    canette
verb
rincer
verb
spolier
noun
éponge
noun
spontanéité
noun
1. een schaaf om bolle oppervlakken glad te schaven
wastringue
noun
1. een legendarisch schip dat zonder bemanning eeuwig blijft rondvaren
vaisseau fantôme
noun
1. twee met elkaar verbonden ijzeren staven waarover een trein rijdt
voie
noun
rail
noun
chemin de fer
noun
1. bepaald soort loofboom, Frangula alnus
bourdaine
/spɔrt/
noun
  1. 3. stoelspaak
    barreau
  2. 1. lichaamsbeweging
    sport
  3. 2. trede van een ladder
    1. échelon
    2. barreau
verb
1. aan sport doen
faire du sport
adjective
2.
sportif
noun
iemand die zich toelegt op het bedrijven van sport
sportif
noun
  1. chaussure de sport
  2. basket
  3. espadrille
verb
1. zich met belachelijk makende of oneerbiedige scherts uiten
moquer
noun
1. een zangvogel die geluiden kan nabootsen
hypolaïs ictérine
/sprak/
noun
1. het vermogen om te spreken
  1. langage
  2. parole
noun
1. een spreekstoornis
défaut d’élocution
noun
  1. canal vocal
  2. tractus vocal
noun
1. een systeem van regels en principes voor het schrijven en spreken van een taal
grammaire
adjective
snel geneigd tot spreken
  1. loquace
  2. causant
noun
1. een voordracht voor een publiek over een bepaald onderwerp
exposé oral
noun
1. de taal die men bij het gewone spreken gebruikt
  1. langue parlée
  2. langue vulgaire
/ˈsprekyːr/
noun
1. de tijd waarin een hulpverlener patiënten te woord staat
heures de consultation
noun
proverbe
noun
1. Sturnus vulgaris, een middelgrote zangvogel
  1. étourneau sansonnet
  2. étourneau
/ˈspreːkə(n)/
verb
1. zich met behulp van de stem uiten
  1. parler
  2. dire
/ˈspɾøkə(n)/
noun
Proverbes
noun
1. sprietantenne
antenne fouet
noun
1. Antidorcas marsupialis, een aan de gazelle verwante antilope, leeft in Zuid-Afrika
enchore
verb
1. na zich tegen de zwaartekracht afgezet te hebben een korte vrije val door de lucht maken
sauter
noun
sauteur
noun
1. een insect van de Orthoptera-orde
  1. sauterelle
  2. criquet
noun
1. bepaald soort vrij kleine vogel met gestreepte bovenzijde en monotone zang, Locustella naevia
locustelle tachetée
noun
1. een bruin vlekje op de huid dat veroorzaakt wordt door ultraviolet licht
tache de rousseur
noun
1. verzonnen vertelling
conte de fées
noun
Sprattus sprattus
sprat
noun
2. een uitloper van de spruitkool
chou de Bruxelles
noun
1. slijmvliesontsteking in mond of darmen
muguet
/'spy.ɣə(n)/
verb
1. speeksel uit de mond doen uitschieten
cracher
noun
1. spuigat
dalot
verb
2. ergatief: snel stromen
jaillir
noun
vaporisateur
noun
  1. pompier
  2. sapeur
noun
matos
noun
2.
giclette
noun
  1. espiogiciel
  2. logiciel espion
  3. mouchard
noun
squash
/sri.ˈlɑŋ.ka/
pronoun
1. een republiek in Azië gelegen op een eiland ten zuiden van India
Sri Lanka
/ˈstaf.kɛrk/
noun
1. een geheel uit hout opgetrokken kerkgebouw, met een typische bouwstijl die voornamelijk in Scandinavië wordt aangetroffen
  1. stavkirke
  2. stavkyrkje
noun
mélangeur à main
noun
1. overeenkomst voorlopig een einde te maken aan de gevechtshandelingen
cessez-le-feu
/staːɫ/
noun
  1. 1. een legering van ijzer en koolstof
    acier
  2. 2. een monster van een stof, een kleine hoeveelheid van iets als proef
    échantillon
noun
1.
sidérurgiste
adjective
bleu acier
noun
sidérurgie
/stalwɔl/
noun
paille de fer
/staːn/
verb
1. zich in verticale toestand van rust bevinden
  1. être debout
  2. se trouver
noun
  1. 1. een verlengstuk van de ruggengraat bij sommige dieren
  2. 2. het achterste stuk van een vliegtuig of een auto
queue
noun
coccyx
/ˈstaːr.de.lɪŋ/
noun
1. een algoritme om een getal door een ander te delen op papier
division longue
noun
  1. orite à longue queue
  2. mésange à longue queue
noun
comète
noun
1.
nageoire caudale
noun
  1. 1. een land
    1. État
    2. état
  2. 1. toestand
    1. état
    2. État
noun
1. een discipline
science politique
noun
1. iemand die burgerrechten in een staat heeft
  1. citoyen
  2. citoyen de l'État
noun
1. illegale afzetting van een regering
  1. coup
  2. coup d'état
noun
1. iemand die in een staat het hoogste gezag bekleedt of personifieert
chef de l'État
noun
droit constitutional
noun
dette publique
noun
1. een persoon die deelneemt aan de regering van een land
secrétaire d’État
adjective
1. standvastig, duurzaam
stable
verb
stabiliser
noun
stabilité
noun
1. de vleugel op de staart van een vliegtuig
empennage horizontal
adverb
1.
staccato
/stɑd/, /stɑt/
noun
Woonplaats
  1. ville
  2. cité
  3. commune
/ˈstɑdhœːs/, /ˈstɑthœʏs/, /ˈstɑthœːs/
noun
1. een gebouw waar de stadsdiensten gehuisvest zijn
hôtel de ville
noun
stade
noun
stade
noun
1.
citadine
noun
1.
porte de ville
/ˈstɑt.stat/
noun
1. staatsvorm
cité-État
noun
1. een vernieuwing van verpauperde stadswijken
  1. rénovation urbaine
  2. restauration urbaine
/ˈstɑts.ʋɑn.də.lɪŋ/, /ˈstɑts.β̞ɑn.də.lɪŋ/
noun
1. een wandeling door een stad, meestal met als doel belangrijkste plekken te bezichtigen
promenade en ville
pronoun
1. een gemeente in Luxemburg
Stadtbredimus
noun
1. een stok bedoeld voor ondersteuning of onderscheiding van een persoon
bâton
noun
1. rente berekend over een bedrag op een rekening-courant over de periode tussen twee wijzigingen
échelle
noun
1.
bâtonnier
noun
1. een touw of kabel waarmee een mast stabiel wordt gehouden
étai
noun
stage
noun
1.
stagflation
verb
1. niet langer voortbewegen of vooruitgaan, tot stilstand komen
stagner
noun
1. iemand die niet werkt als protest
gréviste
/'stakɪŋ/
noun
1. het neerleggen van de werkzaamheden, meest uit protest of om verbeteringen af te dwingen
grève
/stɑl/
noun
  1. 4. verkoopruimte
    kiosk à fleurs
  2. 2. renstal
    écurie
  3. 1. ruimte bestemd voor de huisvesting van dier(en)
    étable
noun
stalactite
noun
stalagmite
noun
meervoud van stal
garages
verb
in een stal zetten
rentrer
noun
  1. 7.
    1. racine
    2. radical
  2. 4. op verwantschap berustende samenlevingsvorm van meer families in beschavingen met weinig verstedelijking
    tribu
    1. 2. deel van de boom tussen de wortels en de kruin
    2. 1. dikke houtige stengel van een struik
    tronc
noun
cellule souche
verb
1.
  1. balbutier
  2. bafouiller
noun
2. vijzelstamper
pilon
/ˈstɑn.dard.ˌɑf.wɛɪ̯.kɪŋ/, /ˈstɑn.dart.ˌɑf.ʋɛɪ̯.kɪŋ/, /ˈstɑn.dart.ˌɑf.β̞ɛː.kɪŋ/
noun
1. spreidingsmaat
écart type
/ˈstɑn.dar.de.vi.ˈja.si/, /ˈstɑn.dar.de.vi.ˈja.tsi/, /ˈstɑn.dar.te.vi.ˈja.si/
noun
1. spreidingsmaat
écart type
verb
1. alles onderwerpen aan een vooraf bepaalde standaard
standardiser
noun
1. standaardmuziektoon
  1. A440
  2. diapason
noun
1. officieel vastgelegde taalvorm die binnen een bepaald gebied als de voorgeschreven norm geldt.
langue standard
/ˈstɑndartamaˌzɪxt/
pronoun
1. een Berbertaal, sinds 2011 officiële taal in Marokko
amazighe standard marocain
noun
1. een kunstzinnige afbeelding vaak van een persoon in drie dimensies, meestal gehouwen in steen of gegoten in metaal
statue
/stɑmpʌnt/
noun
  1. 1. Houding ten aanzien van een vraagstuk
  2. 2. Waarnemingspunt
point de vue
noun
1. snel uitgevoerde berechtiging (m.n. executies)
justice sommaire
adverb
1.
sommaire
noun
  1. 1. een gestructureerde hoop spullen
    1. monceau
    2. tas
    3. pile
  2. 2. de tijdelijke constructie waarop een in aanbouw of reparatie zijnd schip rust
    tin
  3. 3. een houten stokje ingeklemd tussen het boven- en onderblad van de klankkast van een snaarinstrument
    âme
noun
1.Twee bedden op elkaar
lits superposés
noun
1. elk van de constructies van gestapelde houten blokken waarmee schepen worden ondersteund
tin
noun
1. een begin ergens van
départ
noun
câble de démarrage
noun
point de départ
noun
1. iemand die woonachtig is op of afkomstig van het eiland Sint-Eustatius
Eustachois
noun
1. stabiel onderstel voor camera
statif
noun
1. reeds betaalde bijdrage die men weer terugkrijgt bij de inlevering van de verpakking (of een gebruiksvoorwerp)
consigne
noun
bouteille consignée
/sta.ˈsʲɔn/
noun
1. plaats waar voertuigen kunnen stoppen
  1. gare
  2. station
adjective
  1. 1.
  2. 2. bewegingloos
stationnaire
noun
het stilstaand gedeelte van een motor of generator
stator
noun
1. huidige stand van zaken
statu quo
adjective
statutaire
noun
statut
noun
citadin
adverb
1. voortdurend
toujours
noun
1. een werktuig om moeren en bouten vast of los te draaien
  1. clé plate
  2. clé à fourches
noun
1. een spel waarbij twee ridders elkaar met lansen trachtten uit het zadel te werpen
joute
noun
1.
diable
/sten/, /steːn/
noun
1. een harde stof, vaak op kiezel gebaseerd maar omvattende vele soorten
  1. pierre
  2. caillou
adjective
pierreux
noun
1. vogel uit de familie der arendachtigen
aigle royal
noun
1.
briqueterie
noun
2. berg opgebouwd uit losse stenen die uit een mijn zijn gekomen als bijproduct van de mijnbouw
  1. crassier
  2. terril
pronoun
2. teken van de dierenriem van 22 december tot 20 januari
Capricorne
noun
1.1 bepaald soort zoogdier, Capra ibex
bouquetin
noun
tropique du Capricorne
noun
trépan
noun
lithographie
/ste.nɛi̯k/, /ste.nɛːk/, /sten.ʔɛi̯k/
noun
1. Quercus ilex; een boom uit de napjesdragersfamilie
  1. chêne vert
  2. yeuse
  3. chêne faux houx
adjective
gris pierre
noun
1.
carrière
noun
tailleur de pierre
noun
  1. anglais approximatif
  2. globish
noun
1. zwart-bruine stof die ontstaan is door plantenafzettingen en gebruikt wordt als energiebron
  1. houille
  2. charbon
noun
1. een kooi of gaaswerk van roestvrij materiaal, waarin losse brokken stenen bijeen worden gehouden
gabion
noun
1. bepaald soort zoogdier, Martes foina
fouine
adjective
richissime
/ˈstentɛit/
noun
Âge de la pierre
/ˈstenœʏ̯ɫ/, /ˈsteːnœːl/
noun
1. bepaald soort vogel, Athene noctua
  1. chevêche
  2. chevêche d’Anthéna
noun
vlezige vrucht waarvan het binnenste deel steenhard is
drupe
noun
1. de kennis van het op verborgen wijze overbrengen van informatie
stéganographie
noun
  1. 1. aanleggelegenheid
    ponton
  2. 2. werkvloerconstructie in de bouw
    échafaudage
/stɛil/, /stɛːl/
adjective
1.
raide
noun
1. benaming voor kleine vissen met puntige doorns op de rug en de buik uit de familie Gasterosteidae
épinoche
/stekələx/
adjective
1. met stekels bezet
épineux
noun
1. een groot knaagdier met stekelige vacht
porc-épic
verb
1. iets wegnemen van iemand en het zich wederrechtelijk toe-eigenen
voler
/ˈstɛ.lə(n)/
verb
2. beweren, verklaren
prétendre
noun
1. een bewering die men als waarheid aangenomen wil zien worden
position
/stɛlsəl/
noun
  1. 1. een geordend geheel, samenstel van delen
  2. 2. een systeem
système
/stɛlt/
noun
échasse
noun
  1. 5. een orgelregister
    jeu d'orgue
  2. 4. een vocale of instrumentale muzikale lijn
    partie
    1. 1. het geluid dat door het trillen van de menslijke stembanden wordt geproduceerd
    2. 2. het geluid dat een mens bij het spreken voortbrengt
    voix
  3. 3. het geluid dat een mens bij het zingen voortbrengt
    1. voix musicale
    2. voix
  4. 6. een keuze gemaakt door een stemmer (kiezer) bij een stemming (verkiezing)
    1. vote
    2. voix
noun
1. geluidvoortbrengende plooien in het strottenhoofd
corde vocale
noun
1.
sommier
noun
1.
bureau de vote
noun
1. stemhamer
  1. accordoir
  2. clé d'accord
  3. retendoir
/ˈstɛmɦɔkʲə/
noun
1. schrijfblad omringd door drie wanden waarbinnen een kiezer zich bij een verkiezing afzondert
isoloir
noun
1. een draaibare stift met draaiknop van een muziekinstrument
cheville
/stεmə(n)/
verb
  1. 2. een instrument op de juiste toonhoogte brengen
    accorder
  2. 3. iemand een bepaald gevoel geven
    diposer
  3. 1. deelnemen aan een verkiezing
    voter
noun
1.
saute d'humeur
/ˈstɛmpəl/, /ˈstɛmpəɫ/
noun
  1. A2. een afdruk van [1]
    cachet
  2. A3. beschrijvende plantkunde: bovenste gedeelte van de stamper in een bloem
    stigmate
  3. A:1. voorwerp met een ingesneden oppervlak waarmee afdrukken gemaakt kunnen worden met inkt of in lak
    1. tampon
    2. cachet
noun
1. een draaibare stift van een muziekinstrument
cheville
noun
  1. droit de suffrage
  2. droit de vote
noun
1. een draaibare stift met draaiknop van een muziekinstrument
cheville
noun
1. stemtoonhoogte
  1. A440
  2. diapason
/stɛmvɔrək/
noun
1. stemvork
diapason
noun
  1. mât de flèche
  2. mât de hune
verb
1. met steenworpen doden
lapider
noun
lapidation
noun
1. vervoermiddel op twee wielen, (gedeeltelijk) met de voet aangedreven
trottinette
noun
  1. 2. een beroemdheid
    1. vedette
    2. étoile
  2. 1. een hemellichaam, een gasbol die licht uitzendt door kernfusie
    1. étoile
    2. astre
noun
stéradian
noun
stéréochimie
noun
stéréométrie
noun
stéréotype
/ˈstɛrvbɛt/
noun
1. het bed waarop men sterft
lit de mort
noun
jour de décès
adjective
mortel
noun
1. het voorkomen van een gebeurtenis waarbij iemand overlijdt
décès
noun
maison mortuaire
/'sterftə/
noun
1. het aantal sterfgevallen in een bepaalde tijd of in bepaalde omstandigheden
mortalité
noun
1. een getal dat aangeeft hoeveel sterfgevallen er in een gebied in een bepaalde tijd hebben plaatsgevonden
taux de mortalité
noun
1. het verschijnsel dat in een gebied in een bepaalde periode het aantal sterfgevallen structureel hoger ligt dan het aantal geboorten
excédent des décès
adjective
  1. 1. zonder microbiële besmetting, heel schoon
  2. 2. onvruchtbaar
stérile
verb
  1. 1. iets vrij maken van micro-organismen
  2. 2. onvruchtbaar maken
stériliser
noun
1. onvruchtbaarheid
stérilité
/stɛrk/
adjective
1. krachtig
fort
noun
1.
moteur en étoile
noun
stérol
noun
stéroïde
noun
1. verzameling dicht bijeen staande sterren
amas stellaire
noun
1. wetenschap die de objecten in de ruimte bestudeert
astronomie
/stɛrən'kʏndəɣə/
noun
astronome
noun
1. een - vooralsnog hypothetisch - ruimtevaartuig in staat tot interstellair reizen
vaisseau interstellaire
noun
  1. galaxie
  2. système stellaire
noun
observatoire
noun
astrologue
verb
1. overgaan van levende toestand naar dode toestand
mourir
verb
1. stervend
  1. moribond
  2. mourant
adjective
1.
étoilé
noun
carambole
/støn/
noun
  1. 3. sociale uitkering
    allocation de chômage
    1. 1. iets om op te steunen
    2. 2. morele of materiële hulp
    appui
/'stønə(n)/
verb
  1. 2. ~ op: de last gedeeltelijk op iets leggen
    1. appuyer
    2. étayer
  2. 3. van vermoeidheid of pijn een kreunend geluid maken
    1. gémir
    2. geindre
  3. 1. een deel van de last op zich nemen, hulp verlenen
    1. soutenir
    2. épauler
    3. appuyer
noun
point d'appui
noun
1. bepaald soort anadrome vis, Acipenser sturio
esturgeon
adjective
  1. 3. flink
    1. costaud
    2. fort
    3. solide
  2. 2. van grote omvang, fors
    1. costaud
    2. gros
    3. imposant
  3. 1. van aanzienlijk sterkte
    1. dur
    2. fort
  4. 4. voedzaam (zonder verfijning)
    rustique
adjective
édifiant
noun
collant
/ˈstifkɪnt/
noun
1. een kind van iemands partner en zijn of haar vroegere partner
bel-enfant
/ˈstif.mu.dər/
noun
1. latere levenspartner van vader dan de eigen moeder
  1. belle-mère
  2. marâtre
noun
1. echtgenoot van iemands moeder, die niet de eigenlijke vader is
beau-père
adjective
  1. furtif
  2. sournois
pronoun
  1. 1. sterrenbeeld van de dierenriem
  2. 2. astrologisch teken
Taureau
/stiːr/
noun
taureau
pronoun
1. deelstaat van Oostenrijk
Styrie
noun
stigmatisation
verb
1. (religie) wonden toebrengen zoals Jesus deze tijdens zijn kruisiging verkreeg
stigmatiser
/stɛif/
adjective
  1. rigide
  2. raide
noun
amidon
/ˈstɛi̯xˌbøː.ɣəl/
noun
1. voetsteun voor de ruiter
étrier
/ˈstɛi̯ɣə(n)/
verb
1. naar boven gaan, toenemen
monter
/stɛi̯l/
noun
  1. 2. post
    1. jambage
    2. montant
    1. 1. handelswijze
    2. 3. beschrijvende plantkunde: buisvormige, middelste gedeelte van de stamper
    style
noun
1. leer van de uitdrukkingswijze en zijn middelen
stylistique
noun
1. stilistische niveau van taalgebruik
  1. niveau de langue
  2. registre
noun
trique
verb
amidonner
/ˈstɪkstɔf/
noun
1. een chemisch element en een kleurloos niet-metaal
azote
noun
dioxyde d'azote
verb
1. stileren van tekst
stiller
noun
1. mes waarbij het lemmet uit het handvat kan klappen
couteau à cran d'arrêt
pronoun
1. de oceaan die ligt tussen Oost-Azië, Noord- en Zuid-Amerika en Australië
  1. Pacifique
  2. Océan Pacifique
  3. océan Pacifique
pronoun
1. dag na Goede Vrijdag en voor Pasen
Samedi saint
noun
nature morte
/'stɪl.tə/
noun
silence
verb
  1. arrêter
  2. éteindre
noun
1. krachtige aanzet
stimulant
verb
1. maatregelen nemen om iets te bevorderen
stimuler
noun
1. bepaald soort zoogdier, Mephitis mephitis
  1. mouffette
  2. moufette
verb
1. een onaangename geur hebben
puer
adjective
malodorant
noun
1. (studie)beurs
bourse d’études
noun
1. actievoering waarbij voorschriften en regels naar de letter gevolgd worden
grève du zèle
verb
stipuler
pronoun
1. de hoofdstad van Zweden
Stockholm
/stul/, /stuɫ/
noun
1. zitmeubel
chaise
/'stulɣɑŋ/
noun
  1. 1.
    déjection
  2. 2.
    1. selles
    2. déjections
/ˈstuɫpot/
noun
1. de poot van een stoel
pied de chaise
noun
1. een kabelbaan waarin je zittend een hoogte overbrugt
télésiège
noun
  1. 1. verhoging bij de ingang van een woning
    perron
  2. 2. trottoir
    trottoir
adjective
2. indruk maken door sterk te zijn of sterk proberen te zijn
  1. costaud
  2. machiste
noun
  1. 2. de locatie
  2. 1. het telen van paarden
haras
noun
  1. 2. weefsel, textiel
    1. tissu
    2. étoffe
  2. 1. heel kleine deeltjes
    poussière
adjective
1. tot de materie behorend of eruit bestaand, materieel
matériel
adjective
gris poussière
/ˈstɔfoːrˌzak/
noun
1. de stof waaruit een voorwerp ontstaan is en die zich in dit voorwerp bevindt.
cause matérielle
/'stɔfʋɪsəlɪɳ/
noun
1. het geheel van chemische processen dat gepaard gaat met het in leven zijn van een wezen
métabolisme
noun
1. een elektrisch toestel dat stof en kleine deeltjes opzuigt
  1. aspirateur
  2. balayeuse
noun
stœchiométrie
/stɔk/
noun
  1. bâton
  2. baguette
noun
1. stokanker
ancre à jas
noun
  1. baguette
  2. pain parisien
/ˈstoː.kəˌbrɑnt/
noun
1. iemand die als een vuur de gemoederen of onrust aanwakkert
  1. boutefeu
  2. brandon
noun
  1. 2. een favoriet gespreksonderwerp
    cheval de bataille
  2. 1. een stuk speelgoed
    cheval de bois
noun
1.Suricata suricatta, roofdier behorend tot de mangoesten
suricate
/ˈstɔlə(n)/
verb
1. overgaan van een vloeibare naar een vaste toestand
se coaguler
/ˈstɔlɪŋsɣəˌstentə/
noun
1. gesteente bestaande uit gestolde lava of gestold magma.
roche magmatique
adjective
  1. 3. dom
    bête
    1. 1. geluidloos
    2. 2. niet in staat te spreken
    muet
  2. 3. saai en waardeloos
    1. nul
    2. naze
noun
3. het stom zijn (niet spreken)
mutité
noun
1.
  1. muet
  2. muette
noun
  1. 1. dom persoon
    1. abruti
    2. imbécile
  2. 2. iemand die domme dingen doet
    1. balourd
    2. boulet
    3. empoté
noun
een bijzonder onverstandige daad
  1. bêtise
  2. stupidité
adjective
1. sloom en verdoofd door het gebruik van marihuana of hasj
défoncé
noun
1. een brandstof waarmee men verwarmingsketels stookt
  1. mazout
  2. gaz-oil
noun
vapeur
noun
1. warme ruimte
  1. bain de vapeur
  2. étuve
noun
1. een schip dat met behulp van stoom wordt voortbewogen
bateau à vapeur
noun
chaudière
noun
cuit-vapeur
noun
1. een locomotief die wordt aangedreven door een stoommachine
locomotive à vapeur
noun
1. een machine die door middel van stoom drijfkracht ontwikkelt
machine à vapeur
noun
1. een muziekinstrument met een reeks door stroom aangeblazen stoomfluiten
calliope
noun
1.
pompe à vapeur
noun
1. een schip dat voortgedreven wordt middels een stoommachine
bateau à vapeur
noun
train à vapeur
noun
turbine à vapeur
noun
1. door stoom voortbewogen weg wals
rouleau à vapeur
noun
1. grote slagtand
  1. défense
  2. dent saillante
/ˈstɔplɪxt/
noun
1. een installatie die middels gekleurde lichten het verkeer op een kruispunt regelt
feu
/ˈstɔ.pɔɫ.ˌbart/, /ˈstɔ.pəl.ˌbard/, /ˈstɔ.pəɫ.ˌbart/
noun
1. een baard waarvan de haren slechts enkele millimeters lang zijn, alsof deze pas een à twee dagen oud is
barbe de trois jours
/'stɔpər/
noun
1. een voorwerp waarmee iets afgestopt of afgesloten kan worden
bouchon
noun
1. een hinderlijke onderbreking, een bepaald proces wordt onderbroken of bemoeilijkt
interruption
noun
1. erg harde wind
  1. tempête
  2. orage
noun
  1. 1. heftige, snelle aanval door ruiterij
  2. 3. snelle pas
pas de charge
noun
een toestel, balk, e.d. om een deur, poort te forceren
bélier
noun
onde de tempête
verb
1. het terugdraaien van een automatische incasso
  1. contrepasser
  2. extourner
noun
  1. averse
  2. drache
noun
1. het storten van geld op een bankrekening
versement
verb
1. met een korte snelle beweging (weg)duwen
pousser
/stɑu̯t/
adjective
  1. 2. zonder angst
    1. audacieuse
    2. audacieux
  2. 4. seksueel prikkelend
    grivois
  3. 1. in overtreding van een gestelde regel, met onvoldoende respect
    1. vilain
    2. méchant
noun
1. een wijsbegeerte die leert slechts de rede te volgen en de hartstochten uit te bannen
stoïcisme
/straɫ/, /ˈstral/
noun
  1. 3. spuitend gas of vloeistof
    jet
    1. 1. de lijn van middelpunt naar omtrek
    2. 2. een bundel elektromagnetische straling
    rayon
noun
1. jachtvliegtuig met straalmotor
chasseur à réaction
/strat/
noun
  1. 2. een smalle doorgang tussen twee zeeën
    détroit
  2. 1. een weg tussen de huizen in een bewoonde plaats
    rue
pronoun
1. zeestraat tussen het Tasmaans hoofdeiland en de Furneauxgroep
détroit de Banks
pronoun
1.
bouches de Bonifacio
pronoun
1.
détroit de Gibraltar
pronoun
1.
détroit de Kertch
noun
travailleur de rue
/ˈstracjə/, /ˈstratjə/
noun
1. verkleinwoord van straat
ruelle
noun
1. de naam die aan een straat gegeven wordt voor de herkenbaarheid
odonymie
noun
1. een bord in de openbare ruimte met daarop de naam van de straat waar men zich bevindt
plaque de rue
noun
1. hoofdstad van de Franse regio Grand Est
Strasbourg
noun
1. informele, soms ruwe taal met veel invloed uit talen van immigranten,...
  1. argot
  2. langage de la rue
noun
1. scheelzien
strabisme
noun
1. onprettige maatregel of behandeling ter vergelding van een misdaad of overtreding
  1. punition
  2. peine
adjective
1.
punissable
noun
banc de pénalité
noun
1.
impunité
/ˈstrɑfə(n)/
verb
1. negatieve consequenties verbinden aan een als verkeerd geziene daad
  1. punir
  2. châtier
noun
colonie pénale
noun
procédure pénale
noun
point de pénalisation
/'strɑfrɛxt/
noun
1. het geheel van rechtsregels waarmee bepaalde handelingen strafbaar worden gesteld
droit pénal
noun
1. directe vrije trap
  1. penalty
  2. coup de pied de réparation
noun
1. gedeelte van het voetbalveld
surface de réparation
noun
1. een rechtszaak die door de strafrechter behandeld wordt
cause criminelle
adjective
  1. 1. nauwzittend
    1. serré
    2. étroit
  2. 3. streng
    stricte
  3. 4. zonder franje
    épuré
adverb
  1. 3. een korte tijd geleden
  2. 1. op een later moment
tout à l'heure
/ˈstralə(n)/
verb
  1. 3. een heel blije uitdrukking op het gezicht hebben
  2. 2. licht weerkaatsen
  3. 1. straling uitzenden
briller
noun
  1. rayonnement
  2. radiation
pronoun
1.
Stralsund
noun
1. Strook land langs de kust
  1. plage
  2. rivage
verb
1. aan de grond vastlopen
échouer
noun
1. Mya arenaria
  1. mye commune
  2. mye des sables
/ˈstrɑnt.ʋɑn.də.lɪŋ/, /ˈstrɑnt.β̞ɑn.də.lɪŋ/
noun
1. een wandeling over het strand
promenade sur la plage
/straˈteɣ/
noun
1. een persoon die strategieën uitwerkt
stratège
noun
1. verdeling in lagen
stratification
noun
stratosphère
noun
1. een kegelvormige vulkaan met traagvloeibare lava
stratovolcan
noun
  1. chiffre (m) à atteindre
  2. objectif
noun
date (f) prévue
noun
poids idéal
/ˈstref.kɛrk/
pronoun
1. een dorp in de provincie Zuid-Holland
Streefkerk
noun
2. een handige manipulatie
tour
/ˈstrek.tal/, /ˈstrek.taɫ/
noun
2. één of meer taalvariëteiten van de overheid dit label hebben gekregen
langue régionale
noun
  1. 3. (figuurlijk) begrenzing die niet overtreden dient te worden, schreef
    bornes
  2. 1. een min of meer rechte getrokken lijn of lijnstuk
    ligne
  3. 2. lijnvormig patroon
    rayure
  4. 4. koppelteken
    trait d'union
noun
  1. 1.
    1. ligne
    2. trait
  2. 2. typografisch teken "-"
    1. tiret
    2. trait d'union
noun
1.
code à barres
noun
1.
  1. cuisine de rue
  2. street food
verb
  1. étirer
  2. s’étirer
verb
1. zachtjes met de hand over iets of iemand strijken
caresser
noun
1. een uiting van tederheid
caresse
noun
oplossing die spijsverteringsenzymen bevat
présure
noun
4. riem waarmee een trekdier voor een wagen wordt gespannen
trait
noun
1. spanning, geestelijke druk.
stress
noun
het willen bereiken van een doel
aspiration
verb
1. een doel willen bereiken
aspirer à
verb
1. ondanks weerstand een doel proberen te bereiken
  1. combattre
  2. lutter
adjective
contradictoire
noun
1. een slagwapen in de vorm van een metalen staf met een versterkte kop
  1. masse
  2. masse d'arme
noun
char
verb
  1. 3. iets laten zakken
    abaisser
  2. 2. wasgoed desinfecteren en gladmaken met hulp van een heet ijzer, een strijkijzer
    repasser
/ˈstrɛɪ̯.gɛɪ̯zər/, /ˈstrɛɪ̯k.ʔɛɪ̯zər/, /ˈstrɛː.kɛːzər/
noun
1. een huishoudelijk gereedschap dat gebruikt wordt om textiel glad te strijken
fer à repasser
noun
1. gestreken snaarinstrument
instrument à cordes frottées
noun
1. licht dat schuin op een oppervlak schijnt
lumière rasante
noun
1. een constructie waarmee de snaren van een strijkinstrument in trilling gebracht worden
archet
noun
1. een boek met een verhaal in beeldvorm
bande dessinée
noun
1. een boek met een verhaal in beeldvorm
bande dessinée
verb
1. het zich ontdoen van alle kleding of een groot deel van de kleding die het lichaam bedekt, vaak met een erotische bijbedoeling
faire du strip-tease
/stro/
noun
1. droge bloeistengels van graangewassen
paille
adjective
1. met een gele kleur die lijkt op de kleur van stro
jaune de paille
noun
1. hoed
  1. canotier
  2. chapeau de paille
verb
1. in overeenstemming zijn met
concorder (avec)
/'stromən/
verb
1. voortbewegen van vloeistoffen
couler
/'stromɪŋ/
noun
  1. 1. voortbewegen van een vloeistof
    courant
  2. 2. bepaalde beweging die zekere denkbeelden gemeen heeft
    1. courant
    2. tendance
noun
  1. merde
  2. étron
noun
iemand die domme dingen doet
  1. enculé
  2. enfoiré
  3. merdeux
noun
1. scheikundig element met symbool Sr en atoomnummer 38
strontium
noun
1. zweertje op het ooglid
orgelet
noun
pelouse de dispersion
noun
2. strook stof of papier
lé
/ˈstroklɑt/
noun
  1. cobra
  2. règle de Lesbos
  3. règle flexible
/stroːm/
noun
  1. 2. elektriciteit
    courant
  2. 1. rivier, beek
    1. courant
    2. torrent
    3. rivière
noun
1. een ideale stroombron levert een stroom waarvan de grootte onafhankelijk is van de belasting
source de courant
noun
1. elekriciteitsdraad
fil conducteur
noun
bassin versant
verb
1. iets een zodanige vorm geven dat de luchtweerstand beperkt wordt
caréner
adverb
1. tegen de stroom in, in de richting van de mond naar de oorsprong, tegen de richting van de stroom
en amont
noun
1. dikke, viskeuze, geconcentreerde vloeistof waarin een grote hoeveelheid suikers zijn opgelost
sirop
noun
cravate
noun
  1. gorge
  2. gosier
noun
1. een dun, dekselachtig kraakbeenklepje, bedekt met een slijmvlies, dat zich aan de basis van de tong bevindt
épiglotte
noun
larynx
noun
structuralisme
adjective
1. met betrekking tot de opbouw van een geheel
structurel
verb
structurer
/strʏkˈtyr/
noun
de interne opmaak van een geheel
structure
noun
1. heester
arbuste
verb
1. het evenwicht verliezen doordat men met de voet verstrikt raakt
trébucher
noun
1. begroeiing die bestaat uit bij elkaar staande planten met houtige stengels die zich al direct boven de grond vertakken
broussailles
noun
1. bepaald soort in heel Europa voorkomende plant, Calluna vulgaris
  1. bruyère callune
  2. callune
noun
1. iemand die vanuit een hinderlaag reizigers berooft
bandit de grand chemin
/ˈstrœʏ̯sˌfoχɔɫ/, /ˈstrœːsˌfoːɣəl/, /ˈstrœːzˌvoːɣəl/
noun
1. Struthio camelus, grote loopvogel, die niet kan vliegen
autruche
noun
1. krop
  1. goitre
  2. goître
noun
1. een ruimte om te studeren
cabinet d'étude
noun
1. iemand die hoger onderwijs volgt
étudiant
noun
groupe d'étudiants
noun
1. organisatie van en/of voor studenten
organisation étudiante
verb
1. het volgen van een opleiding en verwerven van kennis als voornaamste bezigheid
étudier
noun
1.
étude
noun
bourse d'etudes
noun
livre d'étude
noun
  1. bourse d'études
  2. subvention d'études
/stɵk/
noun
  1. 7. aantrekkelijk persoon
    1. beau gosse
    2. beau mec
    3. canon
    4. nana craquante
  2. 2. kunst/nijverheid
    pièce
  3. 1. deel
    1. pièce
    2. morceau
noun
1. Soort bouwvakker
  1. plâtrier
  2. stucateur
  3. plafonneur
noun
cascadeur
noun
cascadeuse
noun
onverstandigheid, onverstandige/ondoordachte daad
  1. bêtise
  2. stupidité
/'styːrə(n)/
verb
  1. 5. zorgen dat [een toestel] de gewenste taken uitvoert.
    1. commander
    2. piloter
  2. 2. het stuur van een auto bedienen.
    conduire
  3. 4. de richting bepalen waarin [een voertuig] zich voortbeweegt.
    diriger
  4. 6. [een persoon] ergens heen doen gaan
    1. envoyer
    2. renvoyer
/styːr/
noun
1. een hulpmiddel waarmee een bestuurder richting kan geven aan een voertuig
volant
noun
1. de rechterzijde als men vanop een schip naar de boeg kijkt
tribord
noun
1. knuppel of stok waarmee gestuurd kan worden in een vliegtuig
manche
/ˈstyrlos/
adjective
2. zonder sturing in mechanisch opzicht
indirigeable
noun
1. iemand die een vaartuig bestuurt
  1. barreur
  2. timonier
  3. homme de barre
  4. nocher
noun
1. een stuk software dat een verbinding legt tussen de hardware en het besturingssysteem
pilote
adjective
rébarbatif
noun
1. vaste of regelbare waterkering
seuil
/stywadɔːr/
noun
1. degene die verantwoordelijk is voor het gebalanceerd laden en lossen van schepen
arrimeur
noun
1. waterkering voor energiewinning
barrage
noun
1. kunstmatig meer
  1. lac de barrage
  2. réservoir
noun
styrène
noun
1. tablet of pilaar, met daarin een in reliëf gebeeldhouwde voorstelling en-of tekst
stèle
adjective
1.
subsaharien
/ˈsʏbɑtˌlɑntikʏm/
noun
Subatlantique
/ˈsʏborejal/
noun
Subboréal
noun
  1. sous-continent
  2. subcontinent
noun
subdominant
subdominante
noun
1.
sous-genre
noun
subjectivité
noun
1. een werkwoordswijs waarmee men een wens of onzekerheid tot uitdrukking kan brengen.
subjonctif
noun
2. het proces waarbij een vaste stof overgaat in zijn dampfase
sublimation
verb
sublimer
noun
subordination
noun
souscription
/sʌpsidi'ɛr/
adjective
subsidiaire
noun
subsidiarité
noun
1. door de overheid beschikbaar gestelde fondsen bedoeld om een prijs te verlagen...
subside
verb
1. van overheidswege financiële hulp voor een bepaalde activiteit, ver- of aankoop verlenen
subventionner
noun
subsistance
noun
1. stof (stoffen)
substance
noun
1. zelfstandig naamwoord
  1. nom
  2. substantif
verb
substantiver
verb
substituer
noun
1. taal die in eerste instantie werd gesproken binnen een gemeenschap of gebied waar nu een andere taal de omgangstaal is
langue substrat
/sʌp'til/
adjective
  1. 1. alleen bij nauwkeurig toezien of voor fijn gevoel waar te nemen of te begrijpen
  2. 2. fijn onderscheidend, scherpzinnig
subtil
noun
subtilité
noun
1. subtonica
  1. sensible
  2. sous-tonique
adjective
subtropical
adjective
1. gezagsondermijnend
subversif
noun
1. gewenste resultaat van een opzet
  1. succès
  2. réussite
noun
succession
adjective
successif
noun
1.
guerre de succession
noun
droits de succession
adjective
1. succes hebbend
réussi
adjective
succulent
/suˈdɑn/
pronoun
land in Noordoost Afrika, officieel de Republiek Sudan
Soudan
noun
suffisance
noun
1. een woorddeel dat achter de stam van een woord gevoegd wordt
suffixe
verb
1. een suggestie doen
  1. suggérer
  2. proposer
/sʏˈxɛsti/
noun
1. hetgeen dat voorgesteld wordt
  1. suggestion
  2. proposition
noun
1. zoetstof
sucre
noun
1. bepaalde ondersoort van de biet waaruit bietsuiker gewonnen wordt
  1. betterave sucrière
  2. betterave à sucre
noun
  1. confiserie
  2. sucrerie
noun
1. blokvormig stukje kristalsuiker
  1. morceau de sucre
  2. pierre à sucre
noun
1. een vaatje bedoeld om een voorraadje suiker op tafel te brengen
sucrier
noun
1. een rietsoort die verbouwd wordt vanwege zijn suikergehalte en waaruit rietsuiker gewonnen wordt
canne à sucre
/ˈsœʏkərˌspɪn/, /ˈsœːkərˌspɪn/
noun
1. lekkernij bestaande uit een hoeveelheid gesponnen suiker aan een stokje
barbe à papa
noun
eau sucrée
noun
1. stofwisselingsziekte waarbij het bloed een te hoog gehalte aan suiker bevat
diabète
noun
1. dom, onhandig persoon
boulet
noun
sulfate
noun
sulfure
noun
1. zouten die het sulfiet-ion SO₃2- bevatten
sulfite
noun
1.een organische verbinding die een sulfonylgroep gekoppeld aan een ureumgroep bevat
sulfonylurée
adjective
sulfureux
noun
1., 2. en 3. (gedroogde vrycht van) een variëteit van de druif Vitis vinifera
sultanine
pronoun
Sumatra
adjective
sommaire
noun
summation
noun
2. sturend deel van de persoonlijkheid dat door opvoeding en socialisatie wordt gevormd en sociale normen en waarden bevat
surmoi
/ˈsypərˌfekʏnˈdasi/, /ˈsypərˌfekʏnˈdaʦi/
noun
1. een dubbele zwangerschap.
superfécondation
noun
1. afwezigheid van elektrische weerstand
supraconduction
noun
supériorité
noun
superlatif
noun
1. een staat die zoveel macht heeft dat ze de wereldpolitiek beslissend kan beïnvloeden
superpuissance
noun
supermarché
noun
het verschijnsel waarbij een ster op spectaculaire wijze explodeert
supernova
adjective
supersonique
noun
1. taal die wordt gesproken binnen een gemeenschap of gebied waar eerst een andere taal (de substraattaal) de omgangstaal was
langue superstrat
verb
superviser
noun
1. iets dat als aanvulling toegevoegd wordt
supplément
adjective
  1. additionnel
  2. supplémentaire
verb
supplier
noun
1. iemand die een bepaalde club steunt
supporter
verb
soutenir
noun
suppression
noun
1. ettering
suppuration
noun
suprématie
noun
1. een plank waarop men surft
planche à voile
/ˌsy.ri.ˈna.mə/
pronoun
1. een land in Zuid-Amerika
  1. Surinam
  2. Suriname
noun
1. overschot
surplus
/sʏrˈpriːzə/
noun
1. een op een speciale manier ingepakt cadeau
surprise
noun
surréalisme
/ˌsʏrvɛ'jerə(n)/
verb
1. toezicht houden
surveiller
adjective
susceptible
noun
susceptibilité
verb
suspendre
noun
suspension
adjective
suspensif
adjective
1. geneigd zijn om zelfmoord te plegen
suicidaire
pronoun
1. een Bantoetaal die veel gesproken wordt in Oost-Afrika
  1. souahéli
  2. swahili
pronoun
1. stad in Namibië
Swakopmund
/ˈswa.zi.ˌlɑnd/, /ˈsʋa.zi.ˌlɑnt/, /ˈsβ̞a.zi.ˌlɑnt/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel het Koninkrijk Swaziland
Swaziland
noun
een sportieve katoenen trui
sweater
adjective
1. afkomstig uit of betrekking hebbend op de stad Sybaris
sybaritique
adjective
1. overmatig gericht op genot, gemak en luxe
sybaritique
pronoun
1. de grootste stad van Australië en de hoofdstad van de deelstaat Nieuw-Zuid-Wales
Sydney
adjective
syllabaire
adjective
syllabique
noun
1. een logische redenering waaruit een conclusie afgeleid wordt
syllogisme
noun
symbolique
verb
1. een betekenis hebben die verwijst naar
symboliser
noun
1. Teken
  1. symbole
  2. sigle
noun
symphonie
adjective
1.
symphonique
/si'metris/
adjective
1. aan twee zijden, bijvoorbeeld spiegelbeeldig gelijk
symétrique
noun
1. een gevoel van toegenegenheid
sympathie
verb
sympathiser
/sɪmˈpoziəm/
noun
1. een wetenschappelijke samenkomst waarop verschillende wetenschappers een lezing houden over een bepaald onderwerp
symposium
adjective
1. met betrekking tot ziekteverschijnselen
symptomatique
noun
1. ziekteverschijnsel
symptôme
noun
1. gebedshuis van joden.
synagogue
noun
synchronicité
verb
synchroniser
noun
syndicat
verb
syndiquer
/sɪnˈdrom/
noun
1. ziektebeeld
syndrome
noun
1. gelijkbetekenend woord
synonyme
noun
synonymie
noun
een beknopte weergave, een overzicht
synopsis
noun
1.
syntagme
/sɪnˈtɑksəs/
noun
  1. 2.
  2. 1.
syntaxe
noun
1. samenstelling
synthèse
verb
synthétiser
/ˈsi.ri.jə/, /ˈzi.ri.jə/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel de Arabische Republiek Syrië
Syrie
/siˈstem/
noun
1. een uit meerdere interagerende onderdelen bestaand stelsel...
système
noun
  1. 1. een interdiscipline tussen informatie en bedrijfskunde, gericht op het analyseren van systemen, voorafgaande aan reorganisatie en of automatisering van bedrijfsprocessen
  2. 2. een werkwijze om verschijnselen te bestuderen voorafgaande aan de ontwikkeling van informatiesystemen
analyse de système
noun
admninistrateur système
noun
1. een werkwijze om verschijnselen te bestuderen als een geheel met een onderlinge samenhang en een wisselwerking met de omgeving
approche systémique
noun
propriété système
noun
1. de tak van wetenschap die het samenspel in organisaties en hun relatie met hun omgeving bestudeert
ingénierie des systèmes
noun
1. de theorie over de systematische beschouwing van systemen in de natuur, wetenschap en of maatschappij
analyse systémique
noun
1.
thérapie familiale
noun
1. de wetenschap en wetenschappen gebaseerd op het systeemdenken.
science des systèmes
noun
1. een aangebrachte ordening
systématique
verb
1. het stelselmatig ordenen volgens een vooropgezet systeem
systématiser
noun
1. een aangebrachte ordening
systématisation
adjective
systémique
noun
séjour
noun
1. dun kledingstuk voor het bovenlichaam met korte mouwen en zonder kraag
  1. tee-shirt
  2. T-shirt
pronoun
1.
Tage
noun
1. een erfelijke aandoening van de exocriene klieren, gekenmerkt door de afscheiding van taai (visceus) slijm (mucus)
mucoviscidose
/taːk/
noun
1. een te verrichten werk
  1. tâche
  2. devoir
/ˈtakstrɑf/
noun
1. een door de rechter opgelegde straf waarbij de veroordeelde een bepaald aantal uren verplicht en zonder betaald te worden moet werken
travaux d'intérêt général
/taːl/
noun
1. systeem van spraakklanken door middel waarvan mensen met elkaar communiceren en de schriftelijke...
  1. langue
  2. langage
noun
1. een achterstand in de beheersing van de taal
retard linguistique
adjective
1. een gebrekkige taalbeheersing en woordenschat hebbend
dont le langage est pauvre
noun
1. een gebrekkige ontwikkeling van de taalbeheersing en de woordenschat
pauvreté de la langue
/talɑtlɑs/
noun
1. een verzameling van taalkaarten of dialectkaarten
atlas linguistique
noun
1. een belemmering in de communicatie, veroorzaakt door het verschil in taal
barrière linguistique
/ˈtaːlbəˌɦeːrsɪŋ/
noun
  1. 1. het vermogen zich te kunnen uitdrukken in een of meer talen
    connaissance de la langue
  2. 2. studie van de juiste aanwending van taal (als vak)
    langue
noun
grammaire
noun
1. een cursus met als doel, het aanleren van een taal
cours de langue
noun
1. uitdrukkingen en zegswijzen uit een bepaalde taal
idiome
noun
1. talengroepen die een zelfde voorgeschiedenis hebben
famille de langues
/talfɔut/
noun
1. een fout tegen de grammatica van een taal
faute de langage
noun
  1. 2. een geheel van zaken die op taal betrekking hebben
    domaine linguistique
  2. 1. een gebied waar een bepaalde taal gesproken wordt
    région linguistique
noun
1. de geschiedenis van de talen
histoire des langues
/ˈtalɣəˌvul/, /ˈtaɫχəˌvuɫ/
noun
1. het vermogen om het juiste gebruik van een taal aan te voelen
sens de langues
noun
1. grens van een taalgebied
frontière linguistique
noun
1. performatief taalgebruik
acte de langage
/ˈtalklɑŋk/
noun
1.
phonème
noun
1. wetenschap
linguistique
adjective
1. volgens de regels van de taalkunde
linguistique
noun
1. een beoefenaar van de taalkunde
linguiste
noun
1. een les met als doel, het aanleren van een taal
cours de langue
noun
1. het verschaffen van taallessen
einseignements des langues
/ˈtaɫɔntʋɪkəlɪŋˌstɔːrnɪs/
noun
1. een ontwikkelingsstoornis bij kinderen, waarbij het kind meer begrijpt van wat anderen ...
dysphasie
/ˈtalstrɛːit/, /ˈtalstrɛːt/
noun
1. een strijd om de talen die in een bepaalde situatie gebruikt moeten worden of de wijze waarop de taal gebruikt moet worden
querelles linguistiques
noun
1.
  1. typologie linguistique
  2. typologie des langues
noun
1. de vaardigheid van een vlot gebruik van de taal
connaissances de la langue
noun
  1. changement linguistique
  2. changement langagier
noun
1. achteruitgang van een taal vooral op gebied van woordenschat
appauvrissement linguistique
noun
1. de vooruitgang van een taal op gebied van taaleigen woordenschat en uitdrukkingen
enrichissement linguistique
noun
acquisition linguistique
noun
1. de wetenschap die taal als onderzoeksobject heeft
linguistique
noun
1. een beoefenaar van de taalkunde
linguiste
noun
1. grafische weergave vernoemd naar cirkelvormig etenswaar
  1. camembert
  2. diagramme en pointes de tarte
noun
1. taats
pivot
noun
1. een genotsmiddel afkomstig van de bladeren van de tabaksplant, wordt gerookt, gekauwd en gesnoven
tabac
noun
pipe
noun
1.
aleurode du tabac
noun
1. een geordende lijst met gegevens
tableau
noun
tabernacle
noun
  1. 1. pastille
    comprimé
  2. 2. plak
    tablette
noun
1. een algemeen aanvaard moreel verbod; iets dat onbespreekbaar of ondenkbaar is
tabou
noun
1. taborfluit
galoubet
verb
tabuler
cardinalNumeral
1. het getal 80
  1. quatre-vingts
  2. huitante
  3. octante
noun
1.
octogénaire
pronoun
guerre de Quatre-Vingts Ans
noun
tachycardie
verb
1. op (on)geoorloofde manier een tegenstander aanvallen
tacler
/tɑkˈtik/
noun
1. een manier om onder gegeven omstandigheden een doel te bereiken
tactique
/ˈtɑkt.fɔɫ/
adjective
plein de tact
/taˈdʒikɪˌstɑn/
pronoun
1. een land in een land in Centraal-Azië met als hoofdstad Doesjanbe
Tadjikistan
noun
1. taf
taffetas
/ˈtafəɫ/
noun
1. een meubelstuk met poten, bedoeld om dingen op te zetten of te leggen
table
noun
couvert
/ˈtafəlˌklet/
noun
kleed dat als bescherming of versiering over een tafel ligt
  1. nappe
  2. nappe de table
noun
1.
couteau de table
/ˈtafəɫˌpot/
noun
1. een verticaal deel van een tafel dat ter ondersteuning dient
pied de table
noun
toast
noun
1. (sport) een spel waarbij twee spelers, ieder met een batje, een pingpongbal op tafel houden
tennis de table
noun
1. voetbal op een tafel met opstaande randen
  1. babyfoot
  2. baby
noun
1.een meestal goedkope wijn zonder specifieke afkomst, die aangenaam bij een doordeweekse maaltijd wordt gedronken.
vin de tablevin
noun
1. fijn zout
sel fin
noun
1. taft
taffetas
pronoun
1. taal die op de Filipijnen gesproken wordt
tagalog
noun
tagliatelle
noun
1. een soort van pasta, gemaakt van gemalen sesamzaad met toevoeging van o.a. citrussap, knoflook, peterselie...
  1. tahini
  2. tahina
  3. tahiné
  4. téhina
pronoun
Tahiti
pronoun
1. een Polynesche taal uit de Oceanische tak van de Austronesische talen gesproken op Tahiti
tahitien
pronoun
1. taalfamilie van ongeveer 95 talen die in Zuidoost-Azië en China worden gesproken
langues tai
/tɑjˈfuːn/
noun
1. een hevige wervelstorm in de Chinese Zee en de Stille Oceaan die ontstaat uit een tropische depressie.
typhon
noun
1. naaldbossen in koude streken
taïga
/tɑjˈkuːn/
noun
1. een rijk persoon die een groot deel van een bepaalde bedrijfstak in handen heeft.
magnat
/ˌtɑjkoˈnaʊ̯t/, /ˌtɑjkoˈnɔʊ̯t/, /ˌtɑjkoˈnʌʊ̯t/
noun
1. een Chinese ruimtevaarder.
taïkonaute
verb
tailler
/tɑj'ʋɑn/
pronoun
Taïwan
/tɑk/
noun
1. een deel van een boom of struik
  1. branche
  2. rameau
noun
1. takel
palan
noun
1. het geheel van masten en de verstaging van traditionele zeilschepen
agrès
noun
scie d'élagage
/ˈtaləˌkɛnəs/
noun
1. kennis van verschillende talen
connaissance des langues
noun
1. een speciaal talent voor het aanleren van vreemde talen
don des langues
noun
1. bijzondere aanleg
talent
adjective
1. begaafd
  1. doué
  2. talentueux
/tɑɫx/
noun
  1. 2. het harde vet van sommige herkauwers
    suif
  2. 1. huidvet, een vetachtige substantie die geproduceerd wordt door talgklieren
    sébum
noun
1.een klier om de haarzakjes, die talg afgeeft
glande sébacée
noun
talisman
/tɑlk/
noun
talc
/'tɑlɪn/
pronoun
1. de hoofdstad van Estland
  1. Tallinn
  2. Tallin
noun
1. talreep
ride
adjective
1. groot in aantal
nombreux
noun
  1. 1. en 2. (vruchten van de) tamarindeboom
    1. tamarin
    2. tamarinier
  2. 1. bepaald soort tropische boom, Tamarindus indica
    tamarinier
noun
1. trommelslager die de maat aangeeft bij het marcheren van soldaten
tambour
adverb
1. nogal, in relatief grote mate
assez
pronoun
1. taal die gesproken wordt in India, Sri Lanka, Singapore, en Maleisië
Tamoul
verb
tamponner
noun
  1. 1. hard en wittige gecalcificeerde structuur in de mond
  2. 2. scherp uitsteeksel
dent
noun
1. een medisch specialist op het gebied van de tandheelkunde
dentiste
noun
1. de helpster van de tandarts
assistante d'un dentiste
/'tɑndɑrtzbor/
noun
1. een soort kleine boor waarmee de tandarts zieke tanden openboort
  1. foret
  2. fraise
  3. roulette
  4. trépan
noun
1. aantasting van tandglazuur en het tandbeen door bacteriën
carie
noun
1. het been waaruit tanden voor het grootste deel bestaan
dentine
noun
1. fiets
tandem
noun
1. borsteltje om de tanden mee te reinigen
brosse à dents
verb
1. knarsen met de tanden
grincer des dents
noun
1. puntig instrumentje om etensresten tussen de tanden te verwijderen
  1. cure-dents
  2. cure-dent
noun
1. het blinkend glazuur op de tandkroon die rond het tandbeen gelegen is
émail dentaire
noun
1. wetenschap voor de verzorging van de tanden
  1. dentisterie
  2. odontologie
/ˈtand.pɑs.taː/, /ˈtɑnt.pɑs.ta/
noun
1. een poetsmiddel voor de tanden
  1. dentifrice
  2. pâte à dents
/tɑntpɛin/
noun
1. pijn in één of meerdere tanden
mal de dents
noun
  1. pignon
  2. roue dentée
noun
1. de maker van kunstgebitten en kunsttanden
prothésiste dentaire
/ˈtɑntfles/
noun
1. deel van het mondslijmvlies waarin de tanden vastzitten
gencive
noun
1. een ontsteking van het tandvlees
gingivite
/'tɑntʋil/
noun
1. een wiel met een gekartelde rand bedoeld om in te grijpen in die van een ander ter overdracht van aandrijfkracht
roue dentée
noun
pompe à engrenages
noun
carie
noun
1. een zijden draad waarmee men de ruimte tussen de tanden reinigt
fil dentaire
/tɑŋ/
noun
1. een uit twee delen opgebouwd gereedschap waarvan de beide delen op één punt aan elkaar vastzitten...
  1. pince
  2. pinces
  3. tenailles
noun
maillot à la brésilienne
pronoun
Tanger
noun
  1. 3. spelwoord voor de letter t
    Thérèse
  2. 1. tango
    tango
/tɑŋk/, /tɛŋk/
noun
  1. 2. een oorlogsvoertuig
    1. char de combat
    2. char d’assaut
  2. 1. een groot vat
    1. citerne
    2. réservoir
    3. tank
noun
1. schip
pétrolier
noun
1. aanduiding voor de persoon die de moed had om voor een pantserwagen met kanon te gaan staan als vorm van geweldloos verzet
homme de Tian'anmen
noun
  1. tanin
  2. tannin
noun
1. scheikundig element met symbool Ta en atoomnummer 73
tantale
noun
1. scheikundig element met symbool Ta en atoomnummer 73
tantale
noun
1. zus of schoonzus van iemands vader of moeder
  1. tante
  2. tatie
/ˌtɑn.za.ˈni.ja/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika
Tanzanie
noun
5. schroefdraadsnijgereedschap
taraud
noun
1. plakband
scotch
noun
tapis
noun
1. weekdier met een vrij dikschalige, wat rechthoekige schelp...
  1. palourde bleue
  2. palourde-poulette
noun
1. zetmeel verkregen uit de wortelknol van Manihot esculenta
  1. tapioca
  2. amidon de manioc
  3. amidon de tapioca
  4. fécule de tapioca
/ˈtapɪr/
noun
1. hoefdier, zo groot als een ezel en met een kleine beweeglijke slurf
tapir
noun
1. tapkruk
  1. porte-taraud
  2. tourne à gauche
verb
2. tappen van schroefdraad
tarauder
/tɑr'ɡum/
noun
1.
targum
/tɑˈrif/
noun
1. een vastgesteld bedrag per eenheid
tarif
noun
1.
tarot
noun
1. tarota
tarota
noun
tare
pronoun
1. taal uit de Turkse talen met ongeveer anderhalf miljoen sprekers die vooral wordt gesproken in Tatarstan, een deelrepubliek van Rusland maar ook in andere delen van de vroegere Sovjet-Unie en daarbuiten
tatar
pronoun
1. stad in Estland
Tartu
/ˈtɑrʋə/
noun
  1. 3. zaad van tarwe
  2. 2. meest verbouwde tarwe soort (Triticum aestivum)
  1. blé
  2. froment
/ˈtɑrʋəˌbrot/, /ˈtɑrβ̞əˌbrot/
noun
1. een brood op basis van tarwemeel
pain de froment
noun
1. en 2 grof gemalen meel van (gewone) tarwe (Triticum)
  1. semoule de blé
  2. semoule de blé tendre
noun
1. (voorgekookte) geplette tarwegranen
flocons de blé
noun
zemelen van tarwekorrels
  1. son de blé
  2. son de froment
noun
1. zak die men meeneemt om er zaken in te bergen die men bij zich wil hebben
tas
pronoun
Tasmanie
pronoun
1. randzee van de Grote Oceaan, gelegen tussen Australië en Nieuw-Zeeland
mer de Tasman
noun
  1. 2. taster van insect
    antenne
  2. 3. een instrument
    senseur
pronoun
1. taal uit de Turkse talen met ongeveer anderhalf miljoen sprekers die vooral wordt gesproken in Tatarstan, een deelrepubliek van Rusland maar ook in andere delen van de vroegere Sovjet-Unie en daarbuiten
  1. tatar
  2. tatare
pronoun
1. de autonome republiek van Rusland met de hoofdstad Kazan
Tatarstan
noun
1. een tekening die met naald en inkt blijvend in de huid is aangebracht
tatouage
/tatuʷ'erə(n)/
verb
1. met een naald en inkt een blijvende tekening in de huid inbrengen
tatouer
noun
1. een tekening die met naald en inkt blijvend in de huid is aangebracht
tatouage
noun
1. een tekening die met naald en inkt blijvend in de huid is aangebracht
tatouage
/tɑuˈge/
noun
1. uitlopers van mungbonen
  1. germe de haricot mungo
  2. pousse de haricot mungo
  3. pousse de soja vert
verb
taxer
/tɑk.si/
noun
1. een voertuig bestemd om tegen betaling klanten van de ene plaats naar de andere te brengen
taxi
noun
  1. taxinomie
  2. taxonomie
preposition
1. plaats
  1. en
  2. à
phraseologicalUnit
1. uitstijgen over iets, groter zijn dan een bepaalde grens
  1. dépasser
  2. excéder
preposition
1. in het midden van
au milieu de
/tiːm/
noun
  1. 1. een ploeg van bij elkaar horende spelers
  2. 2. een groep samenwerkende mensen
  1. équipe
  2. team
noun
1. scheikundig element met symbool Tc en atoomnummer 43
technétium
noun
techno
noun
1. iemand die techniek toepast
technicien
noun
1. De bewerkingen en verrichtingen die nodig zijn om iets tot stand te brengen
technique
noun
1. iemand die zijn beslissingen maakt op basis van zakelijke en wetenschappelijke inzichten
technocrate
adjective
1.
technocratique
noun
technologie
noun
1. het teder zijn
tendresse
/tef/
noun
1. wijfjeshond
chienne
noun
1. achtpotige parasiet uit de orde Ixodida
tique
noun
1. vingers van de voet
orteil
noun
  1. claquette
  2. gougoune
  3. tong
/ter/
adjective
1. broos, breekbaar
fragile
/ter/
noun
1. olieachtige vloeistof met een zeer hoge viscositeit
goudron
noun
1. kubusvormig voorwerp met op elk van de zijden een van de ogenaantallen één tot en met zes
dé
/ˈteɣəɫ/
noun
1. een rechthoekig stenen voorwerp dat meestal wordt gebruikt voor het bedekken van oppervlakten
carreau
/təɣəˈlɛɪk/
adverb
1. op hetzelfde moment
  1. en même temps
  2. simultanément
noun
1. een bouwvakker die wandtegels zet en vloertegels legt
carreleur
/teːɣən/, /teːχən/
preposition
  1. 1. zijdelings aanleunend
  2. 2. oneens met, ter bestrijding van
contre
adverb
1. tegen
contre
noun
1. een aanval tegen een aanval
  1. contre-attaque
  2. contrattaque
noun
1. een actie tegen een actie
contre-offensive
noun
1. een argument dat men tegen iets inbrengt
argument contraire
noun
1. contrast
  1. contraste
  2. pendant
noun
1. een bericht dat een vorig bericht tegenspreekt
avis contraire
noun
1. een beweging in tegengestelde zin
mouvement opposé
noun
1. een bezoek ter beantwoording van een ander bezoek
rendre sa visite à
noun
1. het tegenovergestelde
  1. contraire
  2. opposé
/ˌteɣə(n)ˈdrats/
adjective
1. tegen de draad, weerspannig
  1. contrariant
  2. à contrefil
noun
1. druk in tegenovergestelde zin
contre-pression
/ˈteɣə(n)ɣəstɛɫt/
adjective
1. de negatieve waarde van iets hebbend
  1. opposé
  2. contraire
noun
1. een middel dat de werking van een gif neutraliseert of afzwakt
antidote
verb
  1. 1. iets of iemand stoppen
    1. arrêter
    2. retenir
  2. 2. verhinderen
    empêcher
adverb
1. zich tegen iets verzettend
's opposer à
noun
1. een andere kandidaat uit een tegenpartij
candidat du parti opposé
/'te.ɣən.ko.mə(n)/
verb
1. bij toeval ontmoeten
rencontrer
verb
1. lachend tegemoet zien
sourire
noun
contre-jour
noun
1. een foto gemaakt bij verlichting achter het tafereel
contre-jour
noun
1. tegemoetkomend voertuig
véhicule en sens inverse
adverb
1. tegen de natuur in
contre nature
noun
1. tegenaanval
contre-offensive
preposition
1. aan de overzijde van
en face de
adjective
1. precies andersom
  1. opposé
  2. contraire
noun
1. hetgeen wat precies voorstelt wat iets helemaal niet is
  1. contraire
  2. inverse
noun
1. de andere partij
adversaire
noun
1. iemand die de pauselijke titel opeist zonder door het Vaticaan als paus erkent te zijn
antipape
noun
1. iemand met een tegengesteld karakter
pôle opposé
noun
1. een prestatie als vergoeding
compensation
/ˈteɣə(n)ˌslɑx/, /ˈteχə(n)ˌslɑχ/
noun
1. het gebeuren van ongeluk
échec
verb
1. weerstand bieden door wilde bewegingen te maken
se débattre
noun
  1. 1. een speler van de tegenpartij
    adversaire
  2. 2. iemand die met een ander samenspeelt
    partenaire
noun
1. ernstige pech, toestand met belangrijke tegenslag
  1. malchance
  2. abaissement
noun
1. tegenspreken, ontkennen
  1. contestation
  2. démenti
verb
1. zich met woorden verzetten
  1. démentir
  2. discuter
verb
1. al mopperend protesteren
rouspéter
noun
1. verzet
résistance
noun
1. vijand, rivaal
adversaire
noun
1. het tegenovergestelde
  1. contraste
  2. opposition
noun
het iemend tegenwerken
  1. opposition
  2. résistance
verb
iemand tegenwerken
s' opposer à
noun
iemand die tegenwerkt
  1. adversaire
  2. concurrent
verb
1. weerstand bieden
résister
adjective
1. niet overeenstemmend
contradictoire
noun
1. iets tegenstrijdigs
contradiction
verb
1. minder gunstig verlopen dan verwacht
décevoir
noun
1. tegenslag
déception
noun
antipode
noun
1. een voorstel als antwoord op een voorafgaand voorstel
contre-proposition
noun
1. de overeenkomstige waarde
contre-valeur
noun
1. verdediging
résistance
verb
1. zich tegen iets verzetten
contrarier
noun
1. tegenstand
opposition
verb
objecter
noun
objection
noun
1. wat iets in evenwicht houdt
contrepoids
noun
1. wind tegen
vent contraire
adjective
  1. 1. huidig
    actuel
  2. 2. aanwezig
    présent
noun
1. vorm die aangeeft dat het huidige moment bedoeld wordt
présent
noun
1. aanwezigheid
présence
noun
1. het geen zin hebben in iets
répugnance
noun
  1. crédit
  2. actif
  3. avoirs
noun
1. vaste verblijfplaats
  1. foyer
  2. maison
noun
1. ondiepe maar brede waterdichte bak
bassine
noun
1. symbool, signaal, aanduiding
  1. signe
  2. marque
noun
1. iemand die beroepsmatig tekent
dessinateur
noun
carnet de dessin
verb
een tekening maken
dessiner
/ˈtekə(n)ˌfɪlm/, /ˈtekə(n)ˌfɪɫm/
noun
1. een film waarin een getekende realiteit wordt verbeeld
dessin animé
noun
    1. 1. een door tekenen ontstane afbeelding of voorstelling
    2. 3. een wijze waarop iets van figuren is voorzien of zich in figuren vertoont
    dessin
  1. 5. een beschrijving
    peinture
  2. 4. een bouwkundig ontwerp
    plan
  3. 2. een ondertekening
    signature
noun
1. een ontbrekende hoeveelheid
  1. déficit
  2. pénurie
  3. carence
  4. manque
noun
1. verzameling letters en/of woorden
texte
noun
1. gestructureerd analyseren van tekst en context
  1. analyse de texte
  2. analyse syntaxique
  3. analyse textuelle
noun
1. discipline binnen de toegepaste taalkunde
  1. linguistique textuelle
  2. textologie
adjective
textuel
noun
1. een computerprogramma waarmee teksten kunnen worden geschreven en bewerkt
  1. éditeur de texte
  2. logiciel de traitement de texte
  3. machine de traitement de texte
noun
1. natuurlijke processen
tectonique
adjective
1. betrekking hebbend op de aardplaten, de breuken in de aardplaten en hun verschuivingen
tectonique
noun
de technologie en haar toepassing die communicatie over grote afstanden mogelijk maakt
télécommunication
/ˌtelefoˈneːrən/
verb
1. een telefoon gebruiken
téléphoner
noun
téléphonie
adjective
1.
téléphonique
noun
  1. demoiselle du téléphone
  2. téléphoniste
/ˌtelə'fon/, /ˌteːlə'foːn/
noun
1. een toestel waarmee men geluid over kan brengen door middel van galvanische stroom
téléphone
noun
1. een uniek nummer toegewezen aan een telefoonaansluiting
numéro téléphonique
verb
1. per telegraaf berichten
télégraphier
noun
berichten overseinen door middel van de telegraaf
télégraphie
noun
télégramme
adjective
telegris
noun
1. grijs met RAL-nummer 7045
telegris 1
noun
1. tint grijs met RAL-nummer 7046
telegris 2
noun
1. tint grijs met RAL-nummer 7047
telegris 4
adjective
telemagenta
noun
télémétrie
verb
1. door nauwgezette verzorging doen groeien
cultiver
noun
1. een optisch instrument, waarmee ver verwijderde objecten bekeken kunnen worden
télescope
verb
1. iemand op onaangename wijze verrassen, vaak door een belofte niet na te komen
  1. décevoir
  2. désabuser
noun
1. een emotie opgeroepen door het niet uitkomen van een verwachting
déception
noun
  1. 2. medium
  2. 1. elektrisch apparaat
  1. télévision
  2. téléviseur
verb
1. aandacht schenken aan een op de beeldbuis vertoond programma
regarder la télévision
noun
1. televisieomroep
télévision
/ˌteləˈviziˌseːri/, /ˌteləˈviziˌsɪːri/
noun
1. een opeenvolging van afleveringen van een programma op de televisie
série télévisée
noun
1. een technische norm waaraan een televisiesignaal moet voldoen
norme et standard de télévision
noun
allocution télévisée
noun
1. een toestel dat een elektrisch of elektromagnetisch signaal omzet in beeld en geluid
téléviseur
verb
télétravailler
noun
télex
noun
1.
amble
/ˈtɛɫkəns/
adverb
  1. 1. elke keer
    chaque fois
  2. 2. steeds
    chaque instant
verb
1. aantal bepalen
compter
/ˈtɛlər/
noun
1. het getal boven de streep van een breuk
numérateur
noun
1. scheikundig element met symbool Te en atoomnummer 52
tellure
noun
1. scheikundig element met symbool Te en atoomnummer 52
tellure
noun
1.
boulier
pronoun
1. een Dravidische taal met ongeveer 70 miljoen sprekers
télougou
noun
  1. chiffre
  2. adjectif numéral
verb
1. tam maken
  1. apprivoiser
  2. dompter
/ˈtɛm.pəl/, /ˈtɛm.pəɫ/
noun
1. een gebouw voor godsverering
temple
noun
templier
noun
tempérament
/ˈtɛmpɛrɑtyːr/
noun
1. grootheid die de warmte weergeeft
température
/'tɛmpo/
noun
cadence
adjective
temporel
verb
temporiser
/ˈtɛm.sə/
pronoun
1. een gemeente in de Belgische provincie Oost-Vlaanderen, gelegen aan de Schelde
Tamise
adverb
1. luidt het eerste lid van een opsomming van minstens twee argumenten in
  1. d'abord
  2. en premier lieu
  3. primo
/tɛnˈslɔtə/
adverb
1. als laatste
finalement
postposition
1. niet kunnende verhinderen dat het toch gebeurt
en dépit de
noun
1. beweging in bepaalde richting, neiging
tendance
noun
tendance
adjective
1. gekleurd door bijbedoelingen
tendancieux
verb
1. geleidelijk een neiging vertonen
tendre
pronoun
1. het grootste eiland van de Canarische Eilanden, een tot Spanje behorende eilandengroep
  1. Ténérife
  2. Ténériffe
noun
1. balsport
tennis
noun
court de tennis
noun
tennis
noun
ténor
noun
1. een eenvoudig houten blaasinstrument
flûte à bec ténor
noun
1. tenorsaxofoon
saxophone ténor
noun
1. een teken geplaatst op de vierde lijn van een balk dat aangeeft dat deze een c weergeeft
clef d'ut 4e
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de orde Tenrecidae
tenrec
adjective
1. van invloed op de oppervlaktespanning
tensioactif
/tɛnˈslɔtə/
adverb
1. immers
  1. en effet
  2. en fin de compte
  3. en somme
noun
1. verplaatsbare constructie van over stokken of buizen gespannen doek die als (tijdelijk) onderdak dient
tente
noun
1. het toetsen van kennis opgedaan bij één vak
examen probatoire
adjective
tentatif
/ˈtɛntəˌkɑmp/
noun
1. een kamp met tenten als behuizing
campement
/tɛnˈtonstɛlə(n)/
verb
1. voor een publiek toonbaar maken
exposer
/tɛnˈtonstɛlɪŋ/
noun
1. een uitstalling van voorwerpen om door het grote publiek bekeken te worden
exposition
/ˈtɛn.zɛɪ/
conjunction
1. behalve wanneer
à moins que
noun
1. snaarinstrument uit de luitfamilie
  1. théorbe
  2. téorbe
noun
1. een gepigmenteerd knopvormig uitsteeksel op de borst van de mens
  1. mamelon
  2. téton
noun
1. bedekking op de tepel voor erotische of artistieke doeleinden
  1. cache-seins
  2. cache-tétons
noun
alcoholische drank afkomstig uit Mexico
tequila
preposition
à l'attention de
noun
1.
téramètre
noun
1. scheikundig element met symbool Tb en atoomnummer 65
terbium
/təˈrɛxt/
adjective
1. gegrond op een juist oordeel, dat wat het goede is
juste
/təˈrɛxt/
adverb
1. teruggevonden
retrouvé
verb
1. het beëindigen van een mensenleven op gerechtelijk bevel
exécuter
noun
  1. exécution
  2. châtiment suprême
verb
1. met teer besmeren
goudronner
verb
1. iemands geduld op de proef stellen door hem te irriteren
agacer
pronoun
1. plaats en gemeente in Waals-Brabant
La Hulpe
noun
2. onoverzichtelijke en zeer onaangename toestand
  1. bordel
  2. putain de bordel (de merde)
/tɛrəm/
noun
1. een woord of uitdrukking
terme
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Isoptera
termite
/tɛrˈmɛin/
noun
1. een vast tijdstip waarop iets gaat gebeuren of iets gebeurd moet zijn
délai
noun
1. licht-donkergrens
terminateur
verb
terminer
noun
terminologie
pronoun
1. plaats en deelgemeente in Wezet
Lanaye
adjective
ternaire
adjective
1. ontmoedigd, somber vanwege tegenslag
abattu
noun
terpène
adjective
brun terre
noun
terrarium
noun
een met een horecaterras vergelijkbare plek in een tuin
terrasse
/tɛ'rɛin/
noun
  1. 2. een onderwerp waarmee men zich bezighoudt
    domaine
  2. 1. een stuk grond van enige omvang
    terrain
noun
terreur
verb
1. in de greep van angst houden, terreur uitoefenen
terroriser
noun
het ontwrichten van een samenleving door terreurdaden tegen burgers, vaak met een politiek of religieus oogmerk
terrorisme
noun
1. iemand die terroristische aanslagen beraamt, pleegt of wil plegen met een godsdienstig of politiek doel
terroriste
pronoun
Terschelling
/ˈtɛrsəl/
noun
1. mannetje van een roofvogelsoort
tiercelet
adverb
  1. 1. onmiddellijk, meteen
    aussitôt
  2. 2. zo, aanstonds
    dans un instant
/tɛrsjɛːr/
adjective
tertiaire
/tɛrsjɛːr/
noun
Tertiaire
noun
1.
tierce
noun
1. tertssextakkoord
accord de sixte
/trʏχ/, /təˈrʏx/
adverb
terug van weggeweest
de retour
/tə'rʌxblɪk/
noun
1. een blik op voorbijgegane zaken
vue rétrospective
adjective
1. terugkijkend naar het verl
rétrospectif
/təˈrʏxbrɛŋə(n)/
verb
  1. 1. naar het punt van vertrek brengen
    ramener
  2. 2. naar de eigenaar brengen
    rapporter
/t(ə)ˈrʏɣ.drɪŋə(n)/
verb
  1. 1. dringen naar de oorspronkelijke richting
    1. (faire) retourner
    2. refouler
    3. repousser
  2. 2. beperken, zie ook verminderen
    1. réduire
    2. faire reculer
    3. restreindre
/təˈrʏχaːn/
verb
1. naar de punt van vertrek gaan
retourner
verb
retourner
verb
1.
rejeter
verb
1. weer gebruikmaken van iets ouds en vertrouwds
recourir
verb
1. een min of meer elastische botsing ondergaan
rebonder
verb
1. gaan naar een plaats waar men eerder vandaan kwam
retourner
noun
rétroaction
verb
1. terug plaatsen
remettre
noun
voyage de retour
/təˈrʏxˌtɔxt/
noun
1. de tocht terug naar een eerder beginpunt
retour
noun
1. ontstaan van een nieuw woord doordat een bestaand woord van een vermeend voorvoegsel, achtervoegsel of uitgang wordt ontdaan
  1. réfection
  2. dérivation inverse
pronoun
  1. Tervueren
  2. Tervuren
pronoun
1.
Thérouanne
/tɛr.ˈwɛɪ̯l/, /tɛr.ˈʋɛɫ/
conjunction
  1. 2. hoewel
    1. alors que
    2. tandis que
  2. 1. gedurende de periode dat nog een andere actie aan de gang is
    1. pendant que
    2. tandis que
    3. alors que
noun
aparté
pronoun
1. naam van twee boeken uit het Nieuwe Testament
Thessaloniciens
/ˈtɛ.se.ˌrɑk/, /ˈtɛ.se.ˌrɑkt/
noun
1. vierdimensionale hyperkubus
tesseract
/tɛst/
noun
    1. 1. probeersel
    2. 2. praktische controle op een eigenschap
    test
  1. 3. toets
    1. test
    2. examen
noun
  1. 1. gedeelte van de bijbel
    Testament
  2. 1. akte met een wilsbeschikking voor na de dood
    testament
adjective
testamentaire
verb
tester
noun
1. teelbal, zaadbal
testicule
noun
1. een kans om iets te toetsen
option de test
noun
testostérone
noun
1. de stift aan het meetsnoer van een meetapparaat
sonde
noun
1.behoort tot de groep geneesmiddelen die tetracycline-antibiotica worden genoemd
tétracycline
noun
1. een door vier gelijkzijdige driehoeken ingesloten lichaam
tétraèdre
/tøx/
noun
1. een grote slok
gorgée
/ˈtøɣəl/, /ˈtøʝəl/
noun
1. stuurriem van rijdier
rêne
pronoun
2. spelwoord voor de letter t
Thérèse
adverb
daarbij, ook
en même temps
/təˈvredə(n)/
adjective
1. geen behoefte voelend om aanmerkingen te maken
  1. content
  2. épanoui
/təvredənɦɛɪt/
noun
1. het gevoel genoeg te hebben en voldaan te zijn
  1. satisfaction
  2. contentement
/tə'vredənˌstɛlə(n)/
verb
1. ervoor zorgen dat iemand tevreden wordt
contenter
verb
1. veroorzaken
induire
noun
1. een inwoner van Texas, of iemand afkomstig uit Texas
Texan
pronoun
Texel
/tɛk'stilɪndʌstri/
noun
de industrie van het maken van stoffen en kleding met textiel
industrie textile
noun
1. de manier waarop iets is samengesteld, hoe het materiaal aanvoelt en hoe de structuur eruit ziet
texture
pronoun
1. de officiële taal van Thailand
  1. thaï
  2. thaïlandais
/ˈtɑɪ̯.lɑnt/, /ˈtɛɪ̯.lɑnd/
pronoun
1. een land in Azië dat vroeger Siam heette
Thaïlande
noun
1. grijze stof van de tussenhersenen
thalamus
noun
1. scheikundig element met symbool Tl en atoomnummer 81
thallium
adverb
  1. maintenant
  2. de nos jours
  3. à présent
noun
1. een uitgaansgelegenheid waar theatervoorstellingen gegeven worden
théâtre
/teː/
noun
thé
/ˈteduk/
noun
1. katoenen of linnen doek, m.n. gebruikt om serviesgoed, bestek, pannen e.d. mee af te drogen
torchon
noun
1. een kleine lepel om thee mee te roeren
  1. cuiller à thé
  2. cuillère à café
pronoun
1.de grootste rivier van Engeland
Tamise
noun
1. een gevoerde kap om de thee warm te houden
couvre-théière
noun
1. kan met deksel en schenktuit waarin een warme drank wordt bereid door bladeren in heet water te laten trekken
théière
noun
1. theeplant
  1. théier
  2. thé
/tema/
noun
1. een onderwerp dat behandelt wordt
thème
noun
théobromine
pronoun
2. spelwoord voor de letter t
Thérèse
noun
1. leer over God, het goddelijke en de godsdienst
théologie
adjective
1.
théologique
noun
1. een beoefenaar van de theologie
théologien
/ˌteɔːˈretis/
adjective
1. wat niet perse in de werkelijkheid voorkomt, m.b.t. feiten en wetten berustende ...
théorique
noun
1. een wetenschappelijk model of uitspraak over waarnemingen in de empirie
théorie
noun
théosophie
noun
iemand die een patiënt behandelt
thérapeute
noun
1. een methode om aan de genezing van zieken te werken
thérapie
noun
1. elektronisch muziekinstrument
thérémine
noun
1. een poedermengsel van een onedel metaal, gewoonlijk aluminium, en een oxide van een edeler metaal, vaak ijzer of koper
thermite
adjective
1. met betrekking tot warmte
thermique
noun
1. de leer van warmte en arbeid
thermodynamique
adjective
thermodynamique
noun
1. grafische registratie van de temperatuur opgetekend door een thermograaf of camera
thermogramme
/ˈtɛrmoˌmetər/
noun
1. een meetinstrument om temperaturen te meten
thermomètre
noun
thermosphère
noun
1. synoniemenwoordenboek
  1. thésaurus
  2. dictionnaire des synonymes
noun
1.
thèse
pronoun
1.
Thionville
/ˈtiosɵlˌfat/
noun
1.
thiosulfate
/ˈtora/
pronoun
1.-3.
  1. Thora
  2. Torah
noun
1. scheikundig element met symbool Th en atoomnummer 90
thorium
noun
thréonine
/tœʏs/, /tœːs/
noun
1. een plek waar iemand woont en zich veilig voelt
chez-soi
/tœysbəzɔrɣə(n)/
verb
1. afleveren aan huis
livrer à domicile
noun
1. geheel van organisaties en activiteiten waarmee de burgerbevolking een bijdrage aan de oorlog levert
front domestique
noun
  1. 1.haven waar een schip geregistreerd is
    port d'attache
  2. 2.plaats waar iemand zich thuis voelt of thuis hoort
    1. port d'attache
    2. havre
noun
1. scheikundig element met symbool Tm en atoomnummer 69
thulium
noun
thyratron
noun
thyristor
/ˌtiroˈid/, /ˌtiroˈit/
noun
1.een klier gelegen aan de voorzijde van de hals
glande thyroïde
pronoun
1.
forêt de Thuringe
noun
tiara
pronoun
2. de rivier die stroomt door Rome
Tibre
pronoun
  1. 1. autonome regio
  2. 1. voormalig land
Tibet
adjective
1. gerelateerd aan of afkomstig uit Tibet
tibétain
pronoun
1. een taal die wordt gesproken in Tibet en buiten Tibet door een grote groep vluchtelingen
tibétain
pronoun
1. taalfamilie van meer dan 400 talen die in Tibet en Zuidoost-Azië worden gesproken
langues tibéto-birmanes
pronoun
  1. 1. Zwitsers kanton
  2. 1. zijrivier van de Po
Tessin
noun
ticket
cardinalNumeral
1. het getal 10
dix
noun
2. kerkbelasting
  1. dime
  2. dîme
ordinalAdjective
1. nummer tien in een rij
dixième
noun
myriagone
pronoun
Tirlemont
noun
1. jongere tussen 10 en 20 jaar oud
ado
noun
  1. 1. met het aantal van tien
  2. 2. ongeveer tien
dizaine
noun
1.
coccinelle à dix points blancs
noun
1. vrouwelijke borst
  1. nichon
  2. néné
pronoun
1. taal gesproken door meer dan 5 miljoen mensen in Eritrea, Ethiopië, Duitsland en Israël
tigrinya
/tɛit/, /tɛɪ̯d/, /tɛːt/
noun
1. onstuitbare gang der dingen van toekomst door het heden naar het verleden
  1. temps
  2. heure
noun
ligne du temps
adjective
1. voor een beperkte tijd, niet permanent
temporaire
adverb
1. voor een beperkte tijd, niet permanent
temporairement
noun
zeitgeist
noun
1. iemand die in dezelfde historische periode leefde
contemporain
adjective
1.
intemporel
noun
  1. époque
  2. âge
  3. période
  4. ère
noun
contre-la-montre
adjective
1. een aanzienlijke hoeveelheid tijd vereisend
chronophage
noun
1. het laten zien hoe laat het is; het laten zien wanneer iets gebeurd is
indication horaire
noun
1. blad waarvan met vaste tussenpozen afleveringen verschijnen
  1. magazine
  2. revue
noun
  1. 1. afsluitmechanisme van een kluis of ruimte waarin een of meer uurwerken zijn verwerkt
    verrouillage horaire
  2. 1. afgebakende periode
    créneau
noun
1. een punt in de tijd
moment
noun
1.
fuseau horaire
noun
perte de temps
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera tigris
  1. tigre
  2. tigresse
noun
1.
requin-tigre
noun
1. bepaald soort kleine, van oorsprong Aziatische mug met tijgerstrepen op de romp en de pootjes, Aedes albopictus
  1. moustique tigre
  2. moustique-tigre
noun
3. kruid gebruikt in de keuken
thym
noun
1. verkeerde letters aanslaan bij tikken
faute de frappe
pronoun
Tilburg
/tɪlə(n)/
verb
  1. 1. van de grond opheffen
    lever
  2. 2. iemand tekortdoen
    rouler
verb
1. houten zaken in elkaar zetten
construire
noun
  1. bois de charpente
  2. bois d'œuvre
noun
1. iemand die zich beroepsmatig vooral met houtbewerking bezighoudt
  1. menuisier
  2. charpentier
noun
1. een vrouw die zich beroepsmatig vooral met houtbewerking bezighoudt
menuisière
pronoun
Timothée
noun
scheikundig element
étain
noun
acouphène
pronoun
2. spelwoord voor de letter t
Thérèse
noun
1. een tent tent met een puntdak die o.a. gebruikt wordt door de Noord-Amerikaanse indianen
tipi
/ˈtɪ.pə.lar.stər/
noun
2. prostituée op straat
  1. péripatéticienne
  2. racoleuse
verb
tirailler
noun
tyran
noun
1. onrechtmatige heerschappij, gekenmerkt door willekeur en geweld
tyrannie
pronoun
  1. 1. regio
  2. 2. deelstaat van Oostenrijk
Tyrol
/ti'tan/
noun
titane
noun
dioxyde de titane
noun
1. scheikundig element met symbool Ti en atoomnummer 22
titane
noun
  1. 1. opschrift van een document
  2. 2. aanduiding van een persoon
titre
noun
titrage
verb
titrer
adjective
titulair
/ˈtitʏs/
pronoun
Tite
noun
1. Oudnederlands platbodem zeilvaartuig met een ronde boeg, zijzwaarden en een gaffelgetuigde mast
galiote
noun
1. een kleine zangvogel uit de Zangers Sylviidae
pouillot véloce
verb
1. zich ergens zorgen over maken
être tourmenté
pronoun
2. apocrief boek uit de Bijbel
Tobie
/dɔx/, /tɔx/, /tɔχ/
adverb
  1. 1. gebruikt om iets extra te benadrukken
    donc
  2. 3. om bevestiging vragend
    n’est-ce pas
  3. 2. in weerwil van iets
    1. quand même
    2. néanmoins
noun
  1. 1. bewegende koude lucht binnen een ruimte als gevolg van openingen naar buiten
    courant d'air
  2. 2. activiteit waarbij men naar een of meer bestemmingen gaat
    voyage
verb
1. het eigendom zijn van
appartenir
verb
1. het doen opnemen van bijvoorbeeld een medicijn door iemand
  1. administrer
  2. donner
noun
1. plaats waarlangs men ergens binnen kan gaan
accès
noun
prix d'entrée
adjective
1.te bereiken
accessible
verb
  1. 2. erkennen
    1. admettre
    2. avouer
  2. 1. toestaan
    1. permettre
    2. accorder
verb
1. met gejuich begroeten
  1. applaudir
  2. acclamer
noun
1. benaming voor tropische vogels uit de familie Ramphastidae
toucan
noun
1.
  1. futur
  2. futur simple
noun
  1. avenir
  2. futur
adjective
1. van de tijd die komen gaat
futur
verb
  1. 2. toegang verschaffen
    admettre
  2. 1. niet onmogelijk maken of verbieden
    1. permettre
    2. admettre
    3. tolérer
/ˈtulɪxˌtɪŋ/
noun
1. nadere tekst om het te verduidelijken
commentaire
noun
1. stroom van belangstellenden naar een bepaald punt
  1. achalandage
  2. fréquentation
/tun/
conjunction
1. op het tijdstip dat
du temps que
noun
1. grote moerassige en boomloze vlakte in de noordelijke poolstreken
toundra
pronoun
1. taalfamilie van ongeveer 11 talen die in het midden en oosten van Azië worden gesproken
langues toungouses
verb
  1. 1. in de praktijk brengen
  2. 2. gebruiken
appliquer
noun
  1. 2. het in de practijk brengen van iets
  2. 1. een manier waarop iets gebruikt wordt
application
noun
1.
touraco
noun
1. het reizen voor ontspanning
tourisme
noun
1. een mannelijk persoon die voor zijn plezier reist
touriste
noun
1. een vrouwelijk persoon die voor haar plezier reist
touriste
pronoun
1.
Tourcoing
noun
tournoi
/tusxɔuər/
noun
1. iemand die naar iets kijkt
spectateur
verb
1. het auteurschap of de eigenaar van iets associëren met iemand
attribuer
noun
allusion
/ˈtuspra:k/
noun
1. een voordracht voor een groter publiek
  1. discours
  2. allocution
verb
1. iets niet verbieden, iets mogelijk maken
permettre
noun
  1. 1. een werktuig dat uit meer dan één onderdeel bestaat
  2. 2. vliegtuig
  3. 3. telefoontoestel
appareil
noun
een toezegging dat iets geoorloofd is
consentement
verb
1. iemand zo mishandelen dat hij of zij zichtbaar lichamelijk letsel heeft
  1. abîmer
  2. rosser
noun
1. gerecht waarmee een maaltijd kan worden afgesloten
dessert
noun
1. het deelnemen aan iets, lid worden
entrée
noun
  1. 3. een knop op het bedieningspaneel van een schrijfmachine of computer die het mogelijk maakt een symbool in te typen
  2. 1. onderdeel van een klavier
touche
/ˈtutsə(m)ˌbɔrt/
noun
  1. 1,2 een apparaat waarmee, door toetsen in te drukken, gegevens in een computer e.d. ingevoerd kunnen worden
  2. 3. klavier van een toetsinstrument
clavier
noun
1. muziekinstrument met een toetsenbord
instrument à clavier
/ˈtuːvɑl/
noun
  1. 2. een aanval van epilepsie
    attaque
  2. 1. een gebeurtenis of omstandigheid die vooraf niet te voorzien of niet te berekenen is geweest
    coïncidence
adjective
  1. aléatoire
  2. par hasard
noun
  1. abri
  2. havre
  3. refuge
verb
1. tot vermeerdering bijvoegen
ajouter
noun
1. datgene wat met een groter geheel verenigd wordt
addition
noun
2. een gebonden morfeem dat aan een ander morfeem wordt toegevoegd om zo een nieuw woord te vormen
affixe
/tuʋɛɪ̭zə(n)/
verb
1. goederen of fondsen een bestemming geven
allouer
verb
1. beloven
promettre
/'to.ɣo/, /ˈto.χo/
pronoun
1. een land in West-Afrika
Togo
/tʋɑ'lɛt/
noun
1. een plaats waar men zich kan ontlasten
  1. toilettes
  2. toilette
noun
1. kleine tas om toiletartikelen in te bewaren
trousse de toilette
verb
toiletter
pronoun
1. een taal die in Papoea-Nieuw-Guinea gesproken wordt
tok pisin
/ˈtɔki ˈpoːnaː/
pronoun
1. bepaalde minimalistische kunsttaal
toki pona
pronoun
1. de hoofdstad van Japan
Tokyo
noun
1. snaarinstrument waarvan de snaren worden getokkeld
instrument à cordes pincées
noun
  1. beauf
  2. loubard
/tɔl/
noun
    1. 3. plaats waar men slechts tegen betaling mag passeren
    2. 4. geld dat men bij een tol geheven wordt
    péage
  1. 1. om zijn as draaiend voorwerp
    toupie
adjective
1. verdraagzaam
tolérant
noun
1. de bereidheid ander gedrag dan het eigen te dulden
tolérance
verb
tolérer
noun
1. een persoon die gesproken tekst (meteen) vertaalt naar gesproken tekst in een andere taal
interprète
noun
interprètes
verb
interpréter
noun
1. een verbinding bestaande uit een benzeenring waarvan 1 waterstofatoom vervangen is door een methylgroep
toluène
/toˈmat/
noun
1. een eetbare vrucht van de tomatenplant
tomate
adjective
rouge tomate
noun
1. strijdbijl van de Noord-Amerikaanse indianen
tomahawk
noun
ketchup
noun
1. een vruchtensap dat uit tomaten is bereid
jus de tomate
noun
1. naam voor koperlegeringen met zink
tombac
noun
tonalité
noun
1. iemand die een toneelstukken schrijft
dramaturge
/tonə(n)/
verb
2. laten zien
montrer
noun
1. traditioneel Okinawaans wapen
tonfa
noun
    1. 1. beweeglijk lichaamsdeel in de mond van mensen en veel dieren
    2. 2. wat gesproken wordt
    langue
  1. 4. om zijn verfijnde smaak gewilde soort van platvis, Solea solea
    sole
pronoun
1. stad in het zuiden van Belgisch-Limburg
Tongres
noun
1. een gewelf in de vorm van een halve cilinder
voûte en berceau
noun
tonica
tonique
noun
1. benaming voor snelle oceaanvissen uit het geslacht Thunnus
thon
/ˈtɔnsɪl/
noun
1. een amandel
amygdale
verb
1. iets versieren
parer
noun
1. stuurriem van rijdier
rêne
noun
1. het klankkarakter van een toonladder
  1. tonalité
  2. mode
noun
compositeur
noun
1. toongenerator
générateur de son
noun
1. het klankkarakter van een toonladder
  1. tonalité
  2. mode
noun
1. toonhoogte
hauteur (f) tonale
noun
1. toonkunst
art (m) musical
noun
1. een stijgende of dalende opeenvolging van tonen
  1. gamme
  2. mode
noun
1. toonhoogtenspectrum
  1. ambitus
  2. tessiture
noun
1. een volgens bepaalde schema stijgende of dalende opeenvolging van tonen
  1. gamme
  2. mode
/'tonsort/
noun
1. een stelsel van toonafstanden dat gebruikt wordt in een muziekstuk
  1. tonalité
  2. mode
noun
  1. flambeau
  2. toche
/ˈtostə(n)/
verb
1. een heildronk uitbrengen, op iets of iemand drinken
trinquer
noun
topaze
noun
1. het onderwerp van gesprek
sujet
noun
1. onderdeel aan de bovenkant van de toets van een gitaar
  1. sillet
  2. sillet de tête
noun
1. uitstekend resultaat
prestation de pointe
noun
2. fig.
comble
noun
1. onderdeel aan de bovenkant van de toets van een strijkinstrument
  1. sillet
  2. sillet de tête
verb
tordre
/tɔːrə(n)/
noun
  1. 2. een bepaald schaakstuk in de vorm van een toren
  2. 1. een hoog bouwwerk
tour
noun
1. meest algemene Europese valk die vaak in nestkasten en gebouwen nestelt, Falco tinnunculus
faucon crécerelle
noun
1. een draaiende, trechtervormige uitstulping onder een wolk tijdens een onweersbui
  1. tornade
  2. tornado
noun
tournoi
verb
  1. 1. met een torpedo tot zinken brengen
  2. 2. te niet doen
torpiller
noun
torpille
noun
tore
pronoun
Toscane
/ˈtɔsti/
noun
1. een dubbele boterham met kaas en eventueel ander beleg die in een tosti-ijzer is verwarmd
croque-monsieur
preposition
jusques et y compris
/tɔt.ˈʋeːr.zins/
interjection
1. een groet waarmee iemand afscheid neemt
au revoir
interjection
1. een groet bij het vertrek die de hoop uitspreekt elkaar weer te zien
au revoir
/ˈto.to.ˌlɔs/
noun
van vaartuigen, voertuigen en goederen dat het economisch niet meer verantwoord is...
perte totale
verb
1. getallen, punten bij elkaar optellen
totaliser
adjective
1.
totalitaire
noun
totalité
conjunction
jusqu'à ce que
/ˈtoːtɘmˌpaːl/
noun
1. een houten standbeeld
totem
verb
1. inwendig onderzoeken met de vingers
toucher
noun
1. een luxe autobus om reizen of uitstappen mee te maken
autocar
noun
caravane
noun
  1. 2.een knelverband
    garrot
  2. 1. een toegangspoortje dat personen slechts stuk voor stuk doorlaat
    tourniquet
/tɑu̯/
noun
1. een middel om zaken bij elkaar te binden
corde
noun
1. een mannelijk iemand die kan toveren
sorcier
noun
1. een vrouwelijk iemand die kan toveren
  1. enchantresse
  2. envoûteuse
noun
1. magisch handboek
grimoire
verb
ensorceler
noun
1. staf om mee te toveren
baguette magique
noun
1. giftigheid
toxicité
/ˌtɔk.si.ˌko.lo.ˈɣi/, /ˌtɔk.si.ˌko.lo.ˈχi/
noun
1. de wetenschap die de werking van giftige stoffen op biologische systemen bestudeert
toxicologie
noun
toxine
adjective
1. giftig
toxique
/traːx/
adjective
1. met geringe snelheid
lent
noun
  1. 2. ook inertie genoemd
    inertie
  2. 1. het langzaam zijn
    lenteur
noun
  1. 2. olie bereid uit het spek van zeezoogdieren als walvissen en robben
    huile de poisson
  2. 1. vocht dat uit klieren bij de ogen vloeit
    larme
noun
1. een van de beederen van de schedel
os lacrymal
noun
conduit lacrymal
noun
1.
gaz lacrymogène
noun
conduit lacrymal
noun
1. klier, gelegen boven de oogbollen, die traanvocht produceert
glande lacrymale
verb
tracer
noun
trachéite
noun
traction
/ˈtrɑktɔr/
noun
motorvoertuig
tracteur
/tradisʲoˈnel/
adjective
1. zoals de gewoonte dat meebrengt, van oudsher
traditionnel
phraseologicalUnit
chinois traditionnel
noun
1. transformator
transfo
noun
1.
tragicomédie
adjective
tragique
noun
1. ± iemand in opleiding, voor een functie in een onderneming of organisatie
  1. apprenti
  2. apprentie
verb
1. het doen van lichamelijke oefeningen
  1. exercer
  2. entraîner
noun
  1. entraîneur
  2. entraineur
verb
trainer
noun
1. een oefening
entraînement
/trɛ.dyˈɲɔ̃/
noun
1. het teken, een liggend streepje, dat wordt geplaatst tussen delen van een...
trait d'union
/trɑk'tat/
noun
  1. 2. verhandeling
  2. 1. overeenkomst tussen staten
traité
verb
tracter
/tram/, /trɑm/, /trɛm/
noun
1. railvoertuig dat meestal in steden voor personenvervoer gebruikt wordt
  1. tramway
  2. tram
noun
1. een morfine-achtige pijnstiller
tramadol
noun
  1. trampoline
  2. trampolin
verb
trancher
/ˈtra.nə(n).ˌdɑl/, /ˈtra.nə(n).ˌdɑɫ/
noun
  1. 2. alle verdriet en smart gevoeld in het leven
    vallée de misère
  2. 1. plek van enorm verdriet
    1. vallée de misère
    2. vallée de larmes
adjective
1.
transalpin
pronoun
1. taalfamilie van ongeveer 480 talen die op Nieuw Guinea en naburige eilanden worden gesproken
langues trans-nouvelle-guinée
noun
transaction
noun
transcendance
verb
transcender
/trɑnsˈkrɪpsi/
noun
1. de conversie naar een geschreven tekst van een andere geschreven, getypte of gedrukte tekst.
transcription
verb
transfigurer
abbreviation
transformateur
verb
transformer
noun
transistor
noun
1. structurele overgang of omschakeling
transition
/'trɑnzitif/
adjective
transitif
adjective
1. van voorbijgaande aard
transitoir
verb
translater
noun
translation
/trɑns.la.ˈtif/
adjective
translatif
noun
1.
translittération
noun
1. verplaatsing, overplaatsing
translocation
noun
transmutation
verb
  1. 1. van het ene chemische element in het andere overgaan tijdens een kernreactie
  2. 2. van het ene chemische element in het andere doen overgaan door een kernreactie
transmuter
pronoun
1.
Transnistrie
adjective
1. lichtdoorlatend
transparent
noun
1. doorzichtbaarheid
transparence
verb
transpirer
noun
1. het overbrengen van (levend) weefsel naar een andere plaats die zowel in hetzelfde lichaam als in een ander lichaam van een mens, dier of plant kan zijn
  1. transplantation
  2. greffe
verb
1. de overzetting van biologisch materiaal naar een andere plaats in hetzelfde of naar een ander lichaam
  1. greffer
  2. transplanter
verb
1. in een andere toonsoort overzetten
transposer
noun
transport
noun
compagnie de transports
verb
1. personen of objecten naar een andere plek brengen
transporter
noun
couche transport
noun
1. overzetting naar andere toonsoort
transposition
pronoun
Transylvanie
pronoun
Transvaal
adjective
transversal
noun
  1. 2. stoot met de voet
    coup de pied
  2. 1. verbinding tussen twee op verschillende hoogte liggende vloeren of terreinen,...
    escalier
  3. 1. benaming voor vogels uit de familie Otididae
    outarde
noun
pédalo
/trɑˈpezə/
noun
  1. 1. een zweefrek voor acrobaten
  2. 2. een hulpmiddel voor het buiten boord hangen om een zeilboot in balans te houden
trapèze
/trɑˈpezɪʏm/
noun
1. een vierhoek waarvan twee zijden evenwijdig lopen
trapèze
noun
monte-escalier
/ˈtrɑ.pəɫ.zɑk/
noun
  1. gigoteuse
  2. turbulette
noun
  1. 2.
    1. bière trappiste
    2. trappiste
  2. 1.
    trappiste
/ˈtrɑptredə/
noun
1. een deel van een trap waarop men kan staan
marche d'escalier
/ˈtrɑptre/
noun
1. een deel van een trap waarop men kan staan
marche d'escalier
noun
psychische stoornis, ontstaan door een schokkende ervaring
trauma
verb
1.
traumatiser
noun
1.
travée
noun
1. traverso
flute traversière baroque
noun
1. handlanger
complice
noun
1. taps toelopende buis, gebruikt voor het vullen van vaten
entonnoir
noun
1. 1081
trédécilliard
noun
1. 1078
trédécillion
/tre/
noun
  1. 1. opstapje dat deel uitmaakt van een trap
    marche
  2. 2. opstapje dat deel uitmaakt van een ladder
    1. échelon
    2. barreau
    3. traverse
verb
1. raak schieten
toucher
noun
1. een titelwoord van een stuk tekst in een catalogus, woordenboek of encyclopedie
mot vedette
noun
1. een krachtige vissersboot die met een trechtervormig net vist
chalutier
noun
1. een rij wagons die door een krachtvoertuig (bijvoorbeeld een locomotief) voortbewogen wordt
  1. train
  2. rame
noun
voyage en train
/ˈtrɛin.vərˌkeːr/, /ˈtrɛin.vərˌkɪːr/
noun
1. het verkeer per treinen
trafic ferroviaire
/ˈtrɛɪtərə(n)/
verb
1. rottigheid uithalen ten nadele van iemand met het doel diegene dwars te zitten
tarabuster
noun
1. een speciale werkruimte in een laboratorium voor het werken met chemicaliën
sorbonne
verb
  1. 1. op een voorwerp een kracht uitoefenen in een richting die ervan wegvoert
  2. nog te sorteren
  3. 2. een lijn aanbrengen
tirer
noun
1. pop
pantin
/'trɛk.sxʌʏt/
noun
1. vaartuig
coche d'eau
noun
1. gegraven waterweg
canal pour les coches d'eau
noun
1. een vogel die 's winters een andere verblijfplaats kiest dan in de broedtijd
oiseau migrateur
noun
1. een pad langs de kant van een kanaal of vaart waarover eertijds de trekdieren van de trekschuit werden voortgedreven
chemin de halage
/trɛkzɑk/
noun
1. een instrument met een blaasbalg die een wisseltonig stelsel doorslaande tongen bedient in diatonische stemming
accordéon diatonique
noun
1. diakritisch teken
  1. tréma
  2. diérèse
noun
trémolo
verb
trémuler
noun
  1. nieuwe mode
  2. ontwikkeling in een bepaalde richting
tendance
pronoun
Trentin
pronoun
  1. Trentin-Haut-Adige
  2. Trentin-Tyrol du Sud
verb
trépaner
verb
1. verdrietige gevoelens koesteren, vaak na het verlies van iemand of iets
être triste
noun
1. bepaald soort boom met dunne neerhangende takken, Salix babylonica
saule pleureur
/'trøzəlar/
noun
1. iemand die niet opschiet en te veel tijd verdoet
  1. lambin
  2. traînard
noun
triade
noun
  1. 1. behendigheidswedstrijd
    trial
  2. 1. hoge tenor
    1. tenor bouffe
    2. trial
noun
2. overlegprocedure, in het wetgevend proces, tussen Parlement, Commissie en Raad van de EU
trilogue
noun
1. een slaginstrument in de vorm van een vrijhangende metalen driehoek
triangle
noun
1. meetmethode die gebruikmaakt van het feit dat een driehoek volledig bepaald is als...
triangulation
noun
1.
triathlon
noun
1. de plaatsen voor het publiek
tribune
pronoun
1.
Trèves
adjective
1. somber stemmend
triste
/ˈtrɪf.tɔŋ/
noun
1. een foneem dat uit drie klinkers bestaat die binnen één lettergreep in elkaar overgaan
triphthongue
noun
1.
triphtongaison
noun
triglycéride
noun
trigonométrie
adjective
1. aan drie kanten, in twee richtingen (buitenkanten)
trilatéral
cardinalNumeral
trillion
/'trɪlə(n)/
verb
1. snel heen een weer bewegen
vibrer
noun
1.
trilobite
noun
1. gesprek tussen drie personen of groepen
trilogue
noun
1. een periode van drie maanden
trimestre
adjective
trimestriel
/ˌtrinidɑd ɛn toˈbaːɣo/, /ˌtrinidɑt ɛn toˈbaːɣo/, /ˌtrinidɑt ɛn toˈbaχo/
pronoun
1. een land in het Caribisch gebied bestatend uit twee eilanden, officieel de Republiek Trinidad en Tobago
  1. Trinité-et-Tobago
  2. Trinidad-et-Tobago
noun
  1. 1. een muziekstuk voor drie spelers
    trio
  2. 3. seksuele activiteit met drie personen
    triolisme
noun
triode
noun
triolet
noun
2. grootse overwinning of prestatie
triomphe
noun
1
triomphalisme
verb
triompher
noun
1. triool
triolet
noun
1.een kleurloze, sterke likeur
triple sec
verb
tripler
noun
1. compositieplaat betaande uit 3 laagjes gelijmd hout in verschillende vezelrichtingen
contreplaqué
noun
triptyque
noun
triton
noun
1.
triton
noun
1. politiek leiderschap dat uit drie gelijkwaardige personen bestaat
triumvirat
adjective
trivial
noun
trivialité
verb
trier
pronoun
Trieste
verb
troubler
noun
1. duurzaam voorwerp dat na een overwinning als symbool daarvan aan de winnaar wordt uitgereikt
trophée
noun
1. een driekantige platte schep met handvat voor het opbrengen van metselspecie
truelle
noun
  1. 1. een langgerekte voederbak.
    auge
  2. 2. een langgerekte, nauwe en diepe kloof in de zeebodem veroorzaakt door subductie van een tektonische plaat.
    fosse océanique
/'trɔ.li.bɵs/
noun
trolleybus
/ˌtrɔmboˌsitopeˈni/
noun
1. het symptoom dat men een te laag aantal bloedplaatjes of trombocyten heeft.
thrombocytopénie
noun
1. een koperen blaasinstrument
trombone
noun
1. de vorming van een bloedprop in een bloedvat of het hart
thrombus
/ˈtrɔmbʏs/
noun
1. bloedprop
thrombus
noun
1. een cilindervormig, met een vel bespannen slaginstrument
  1. tambour
  2. batterie
noun
sèche-linge
noun
mémoire de tambour
noun
1. onderdeel van een wiel, waarin twee halfcirkelvormige lichamen van binnenuit tegen de wand van een cilinder rond de as worden gedrukt
frein à tambour
noun
tympan
noun
trompe-l'œil
noun
1. een koperen blaasinstrument met ventielen
trompette
noun
1. musicus die een trompet bespeelt
trompettiste
noun
1. Psophia crepitans
Agami trompette
/troːn/
noun
1. zetel waar een vorst op zit tijdens formele plechtigheden
trône
noun
1. het aftreden als vorst
abdication
noun
1. aanvaarding van vorstelijke macht, met de daarbij horende ceremonie
  1. intronisation
  2. couronnement
noun
1. steun bij verdriet of pijn
consolation
verb
1. als iemand verdriet of pijn heeft deze persoon geestelijke steun geven
consoler
/ˈtrostetə(n)/
noun
1. voedsel dat verdrietige mensen gebruiken om weer blij te worden
  1. aliment-doudou
  2. aliment-réconfort
noun
1. streken tussen beide keerkringen
tropiques
noun
troposphère
noun
  1. 3. een scheepskabel
    câble
  2. 1.
    1. grappe
    2. bouquet
    3. trochet
  3. 2. de bundel vruchten die uit een dergelijke bloeiwijze voortkomen
    1. grappe
    2. régime
adjective
  1. 1. erg blij met wat men (bereikt) heeft
    fier
  2. 2. vervuld van grootsheid
    orgueilleux
noun
  1. 2. het gevoel dat men wil pronken met wat men heeft of doet
    fierté
  2. 1. denken dat men beter is dan anderen
    orgueuil
preposition
1. ondanks
malgré
verb
1. niet laten afschrikken door iemand of iets
  1. braver
  2. affronter
/trɔˈtʋar/
noun
1. een opvanghuis voor wezen
trottoir
noun
  1. 1. rondreizend kunstenaar
  2. 2. rondreizend artiest
troubadour
noun
1. middeleeuws dichter en zanger in Noord-Frankrijk
trouvère
/trʌʊ/
adjective
1. op wie men steeds opnieuw een beroep kan doen
fidèle
/trʌʊ/
noun
1. het zich houden aan...
fidélité
noun
jour du mariage
verb
1. het aangaan van een officiële verplichting tussen twee personen om voor elkaar te zorgen
marier
/ˈtrɑuwəns/
adverb
1. overigens
  1. au fait
  2. d'ailleurs
noun
alliance
/tryk/
noun
1. een handeling om op een slimme manier een doel te bereiken
  1. truc
  2. tour
/tryk/
noun
  1. 3. open vrachtwagen
    camion à plateforme
  2. 2. het zelfrijdende deel van een vrachtwagen-opleggercombinatie
    camion-remorque
noun
truffe
noun
1. een warm kledingstuk voor over het bovenlichaam
  1. pull-over
  2. chandail
noun
1.
Trudonnaire
noun
tryptophane
/tsaːr/
noun
1. vroegere Russische keizer
  1. tsar
  2. tzar
pronoun
1. Helleense taal gesproken door 1500 mensen in het oosten van de Peloponnesos in Griekenland
tsakonien
/tʃad/, /tʃat/
pronoun
1. een land in Centraal-Afrika, officieel de Republiek Tsjaad
Tchad
pronoun
1. taalfamilie van ongeveer 150 talen die in het midden van Afrika worden gesproken
langues tchadiques
/tʃɛx/, /tʃɛχ/
noun
1. een inwoner van Tsjechië, of iemand afkomstig uit Tsjechië.
Tchèque
/ˈtʃɛxis/, /ˈtʃɛxɪs/, /ˈtʃɛχis/
adjective
1. op Tsjechië betrekking hebbend
tchèque
/ˈtʃɛxis/, /ˈtʃɛxɪs/, /ˈtʃɛχis/
pronoun
1. Slavische taal die vooral wordt gesproken in de Tsjechische Republiek
tchèque
pronoun
1. een land in [[Midden-Europa]].
République tchèque
/ˈtʃɛxi.jə/, /ˈtʃɛχi.jə/
pronoun
1. een land in Midden-Europa, officieel de Tsjechische Republiek, en is het westelijke deel van het voormalige Tsjecho-Slowakije.
  1. Tchéquie
  2. République tchèque
pronoun
1. een vroegere staat in Europa, ten zuiden van Polen (van 1918 tot 1993)
Tchécoslovaquie
/tʃɛnobil/
pronoun
Tchernobyl
pronoun
1. een taal die in Tsjetsjenië gesproken wordt
tchétchène
pronoun
1.
Tchétchénie
/tsuˈnami/
noun
1. een grote vloedgolf
tsunami
noun
1. een koperen blaasinstrument met lage toon
tuba
noun
1. een verpakking in kokervorm gemaakt van metaal of plastic gevuld met een halfvloeibare stof
Tube
pronoun
1. een gemeente in de Belgische provincie Waals-Brabant
Tubize
/ˌtybɛrky'løs/
adjective
1. met betrekking tot tuberculose
tuberculeux
noun
maison d'àrrêt
noun
droit disciplinaire
noun
1. het geheel van masten, bomen, zeilen en touwwerk van moderne zeilschepen
gréement
verb
  1. 3. een schip van tuigage voorzien
    gréer
  2. 6. intuigen
    harnacher
noun
1. Tursiops truncatus, dolfijnsoort met robuust gestroomlijnd lichaam
  1. grand dauphin
  2. dauphin à gros nez
/tœy̯n/
noun
1. begrensd stuk grond waarop gewassen worden geplant of verbouwd
jardin
noun
1.
  1. paysagiste
  2. architecte paysagiste
noun
1. vorm van gewassenkwekerij die zich specifiek toelegt op het intensief telen van groenten, bloemen, planten, bomen, bollen of zaden
horticulture
noun
horticulteur
/'tœn.bruk/
noun
1. een mouwloze overal met gespen
salopette
noun
jardinier
/ˈtœʏnhœʏs/
noun
1. een gebouwtje in een tuin voor recreatief gebruik
pavillon
noun
jardinier
noun
1. en 2. cultuurplant en eetbaar kruid Lepidum sativum
cresson alénois
noun
bepaald soort kruidachtige plant, Lobelia erinus
lobélie érine
noun
jardinier
noun
persil
noun
tuyau d'arrosage
noun
ésule ronde
verb
schenkpijp aan een kan of ketel
  1. verseur
  2. bec verseur
noun
1. hoofddeksel
turban
noun
1. plant
tulipe
noun
1. een gezwel
tumeur
adjective
tumultueux
noun
tumulus
/ty.ˈne.zi.jə/, /tʏ.ˈne.zi.jə/
pronoun
land in Noord-Afrika, officieel de Republiek Tunesië
Tunisie
noun
tunique
noun
1. een kunstmatige ondergrondse doorgang
tunnel
pronoun
1. verzamelnaam van ongeveer 65 talen die in het midden en oosten van Zuid-Amerika worden gesproken
langues tupi
noun
1. een schoepenrad als energieopwekker
turbine
verb
1. veen als brandstof
tourbe
noun
1. het delven en gebruiksklaar maken van turf
extraction de tourbe
pronoun
1. de hoofdstad van de regio Piëmont en de provincie Turijn
Turin
/tʏrk/
noun
1. Inwoner van Turkije
Turc
/tʏrˈkɛɪ̯.jə/, /tʏrˈkɛː.jə/
pronoun
1. land in Europa en Azië
Turquie
pronoun
1. de taal die door de Turkmenen in Turkmenistan en Afghanistan gesproken wordt
turkmène
pronoun
Turkménistan
/tʏrˈkojs/, /tʏrˈko̝js/
noun
1. een steen bestaande uit het mineraal turkoois
turquoise
adjective
bleu turquoise
adjective
vert turquoise
adjective
1. met de blauwgroene kleur turkoois.
turquoise
/tʏrks/
pronoun
1. een taal die vooral in Turkije gesproken wordt
turc
noun
1. bepaald soort tuinplant, Lilium martagon
lis martagon
pronoun
1. taalfamilie van ongeveer 40 talen die in het midden en westen van Azië worden gesproken
langues turques
noun
1.
tourterelle turque
pronoun
1. stad in Finland
Turku
adjective
1. blauwgroene kleur.
turquoise
/ˈtʏ.sən/
preposition
1. met iets aan minimaal twee kanten het kind staat tussen haar ouders
entre
noun
1. verdieping van een schip gelegen tussen het ruim van een schip en de andere dekken
entrepont
/ˌtʏsənˈdoːrtjə/
noun
1. een versnapering, iets te eten tussen de maaltijden door
  1. en-cas
  2. goûter
noun
entremets
noun
intervention
noun
1.
interlude
/ˈtʏsə(n).ʋɛrpsəɫ/
noun
1. een uitroep, een woord, een frase of een zin die een expressie van emotie is
interjection
verb
1. elkaar met jij en jou aanspreken
tutoyer
noun
tutu
/ˌtu.va.ˈlu/
pronoun
1. een land in Oceanië
Tuvalu
pronoun
1. Austronesische taal, gesproken door 13.080 mensen in Tuvalu, Fiji, Kiribati, Nauru en Nieuw-Zeeland
tuvalu
noun
2. een elektrisch apparaat om bewegende beelden en geluid te ontvangen
téléviseur
/te.'ve.kɛɪ.kə(n)/
verb
1. aandacht schenken aan een programma vertoond op een televisietoestel
regarder la télévision
noun
1. vrouw die gewend is om televisieprogramma's op een beeldscherm te bekijken
téléspectatrice
/twaːlf/, /tʋaːl(ə)f/
cardinalNumeral
1. het getal 12
douze
ordinalAdjective
1. nummer twaalf in een rij
douzième
noun
1. twaalftoonmuziek
musique (f) dodécaphonique
noun
1. twaalftoonstechniek
dodécaphonisme
noun
1. Oryzoborus crassirostris, een kleine vinkensoort uit Midden- en Zuid-Amerika
sporophile crassirostre
/tʋeː/
cardinalNumeral
1. het getal 2
deux
/tʋeː/
noun
1. het cijfer twee
deux
phraseologicalUnit
  1. comme cul et chemise
  2. comme les deux doigts de la main
adjective
1. bestaande uit twee atomen
diatomique
/ˈtʋeːdə/
ordinalAdjective
  1. deuxième
  2. second
pronoun
1. het geheel van afzonderlijke militaire conflicten die van 1939 tot 1945...
Seconde Guerre mondiale
/tʋedəˈɦɑn(t)s/, /tʋedəˈɦɑnts/
adjective
1. reeds door iemand bezeten geweest
  1. de seconde main
  2. d'occasion
noun
friperie
/ˈtweːˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 200
deux-cents
cardinalNumeral
1. het getal 208
deux-cent-huit
cardinalNumeral
1. het getal 238
deux-cent-trente-huit
cardinalNumeral
1. het getal 298
deux-cent-quatre-vingt-dix-huit
cardinalNumeral
1. het getal 288
deux-cent-quatre-vingt-huit
cardinalNumeral
1. het getal 228
deux-cent-vingt-huit
cardinalNumeral
1. het getal 248
deux-cent-quarante-huit
cardinalNumeral
1. het getal 258
deux-cent-cinquante-huit
cardinalNumeral
1. het getal 268
deux-cent-soixante-huit
/ˌtwehɔndərtˈɑxtənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 278
deux-cent-soixante-dix-huit
cardinalNumeral
1. het getal 218
deux-cent-dix-huit
cardinalNumeral
1. het getal 213
deux-cent-treize
cardinalNumeral
1. het getal 230
deux-cent-trente
cardinalNumeral
1. het getal 203
deux-cent-trois
cardinalNumeral
1. het getal 233
deux-cent-trente-trois
cardinalNumeral
1. het getal 293
deux-cent-quatre-vingt-treize
cardinalNumeral
1. het getal 283
deux-cent-quatre-vingt-trois
cardinalNumeral
1. het getal 223
deux-cent-vingt-trois
cardinalNumeral
1. het getal 243
deux-cent-quarante-trois
cardinalNumeral
1. het getal 253
deux-cent-cinquante-trois
cardinalNumeral
1. het getal 263
deux-cent-soixante-trois
/ˌtwehɔndərˈdrijənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 273
deux-cent-soixante-treize
cardinalNumeral
1. het getal 201
deux-cent-un
cardinalNumeral
1. het getal 231
deux-cent-trente-et-un
cardinalNumeral
1. het getal 291
deux-cent-quatre-vingt-onze
cardinalNumeral
1. het getal 281
deux-cent-quatre-vingt-un
cardinalNumeral
1. het getal 221
deux-cent-vingt-et-un
cardinalNumeral
1. het getal 241
deux-cent-quarante-et-un
cardinalNumeral
1. het getal 251
deux-cent-cinquante-et-un
cardinalNumeral
1. het getal 261
deux-cent-soixante-et-un
/ˌtwehɔndərtˈenənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 271
deux-cent-soixante-et-onze
cardinalNumeral
1. het getal 211
deux-cent-onze
cardinalNumeral
1. het getal 209
deux-cent-neuf
cardinalNumeral
1. het getal 239
deux-cent-trente-neuf
cardinalNumeral
1. het getal 299
deux-cent-quatre-vingt-dix-neuf
cardinalNumeral
1. het getal 289
deux-cent-quatre-vingt-neuf
cardinalNumeral
1. het getal 229
deux-cent-vingt-neuf
cardinalNumeral
1. het getal 249
deux-cent-quarante-neuf
cardinalNumeral
1. het getal 259
deux-cent-cinquante-neuf
cardinalNumeral
1. het getal 269
deux-cent-soixante-neuf
/ˌtwehɔndərtˈneɣənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 279
deux-cent-soixante-dix-neuf
cardinalNumeral
1. het getal 219
deux-cent-dix-neuf
cardinalNumeral
1. het getal 290
deux-cent-quatre-vingt-dix
ordinalAdjective
1.
deux-centième
cardinalNumeral
1. het getal 280
deux-cent-quatre-vingts
cardinalNumeral
1. het getal 210
deux-cent-dix
cardinalNumeral
1. het getal 212
deux-cent-douze
cardinalNumeral
1. het getal 202
deux-cent-deux
cardinalNumeral
1. het getal 232
deux-cent-trente-deux
cardinalNumeral
1. het getal 292
deux-cent-quatre-vingt-douze
cardinalNumeral
1. het getal 282
deux-cent-quatre-vingt-deux
cardinalNumeral
1. het getal 222
deux-cent-vingt-deux
cardinalNumeral
1. het getal 242
deux-cent-quarante-deux
cardinalNumeral
1. het getal 252
deux-cent-cinquante-deux
cardinalNumeral
1. het getal 262
deux-cent-soixante-deux
/ˌtwehɔndərˈtwejənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 272
deux-cent-soixante-douze
cardinalNumeral
1. het getal 220
deux-cent-vingt
cardinalNumeral
1. het getal 214
deux-cent-quatorze
cardinalNumeral
1. het getal 240
deux-cent-quarante
cardinalNumeral
1. het getal 204
deux-cent-quatre
cardinalNumeral
1. het getal 234
deux-cent-trente-quatre
cardinalNumeral
1. het getal 294
deux-cent-quatre-vingt-quatorze
cardinalNumeral
1. het getal 284
deux-cent-quatre-vingt-quatre
cardinalNumeral
1. het getal 224
deux-cent-vingt-quatre
cardinalNumeral
1. het getal 244
deux-cent-quarante-quatre
cardinalNumeral
1. het getal 254
deux-cent-cinquante-quatre
cardinalNumeral
1. het getal 264
deux-cent-soixante-quatre
/ˌtwehɔndərtˈfirənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 274
deux-cent-soixante-quatorze
cardinalNumeral
1. het getal 205
deux-cent-cinq
cardinalNumeral
1. het getal 235
deux-cent-trente-cinq
cardinalNumeral
1. het getal 295
deux-cent-quatre-vingt-quinze
cardinalNumeral
1. het getal 285
deux-cent-quatre-vingt-cinq
cardinalNumeral
1. het getal 225
deux-cent-vingt-cinq
cardinalNumeral
1. het getal 245
deux-cent-quarante-cinq
cardinalNumeral
1. het getal 255
deux-cent-cinquante-cinq
cardinalNumeral
1. het getal 265
deux-cent-soixante-cinq
/ˌtwehɔndərtˈfɛifənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 275
deux-cent-soixante-quinze
cardinalNumeral
1. het getal 215
deux-cent-quinze
cardinalNumeral
1. het getal 250
deux-cent-cinquante
cardinalNumeral
1. het getal 206
deux-cent-six
cardinalNumeral
1. het getal 236
deux-cent-trente-six
cardinalNumeral
1. het getal 296
deux-cent-quatre-vingt-seize
cardinalNumeral
1. het getal 286
deux-cent-quatre-vingt-six
cardinalNumeral
1. het getal 226
deux-cent-vingt-six
cardinalNumeral
1. het getal 246
deux-cent-quarante-six
cardinalNumeral
1. het getal 256
deux-cent-cinquante-six
cardinalNumeral
1. het getal 266
deux-cent-soixante-six
/ˌtwehɔndərtˈsɛsənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 276
deux-cent-soixante-seize
cardinalNumeral
1. het getal 216
deux-cent-seize
cardinalNumeral
1. het getal 260
deux-cent-soixante
/ˌtwehɔndərtˈsøvən/
cardinalNumeral
1. het getal 207
deux-cent-sept
/ˌtwehɔndərtˈsøvənənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 237
deux-cent-trente-sept
/ˌtwehɔndərtˈsøvənəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 297
deux-cent-quatre-vingt-dix-sept
/ˌtwehɔndərtˈsøvənənˌtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 287
deux-cent-quatre-vingt-sept
/ˌtwehɔndərtˈsøvənənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 227
deux-cent-vingt-sept
/ˌtwehɔndərtˈsøvənəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 247
deux-cent-quarante-sept
/ˌtwehɔndərtˈsøvənəɱˌvɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 257
deux-cent-cinquante-sept
/ˌtwehɔndərtˈsøvənənˌsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 267
deux-cent-soixante-sept
/ˌtwehɔndərtˈsøvənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 277
deux-cent-soixante-dix-sept
/ˌtwehɔndərtˈsøvənˌtin/
cardinalNumeral
1. het getal 217
deux-cent-dix-sept
/ˌtwehɔndərtˈsøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 270
deux-cent-soixante-dix
noun
T2
/ˈtʋeklɑŋk/
noun
1. een foneem dat uit twee klinkers bestaat die binnen één lettergreep in elkaar overgaan
diphtongue
noun
1. de tijd van de dag waarop het licht dan wel donker wordt
  1. crépuscule
  2. aube
/ˈtwelɪŋ/, /ˈtʋelɪŋ/, /ˈtβ̞elɪŋ/
noun
1. twee wezens die met zijn tweeën tegelijk in één buik ontwikkeld zijn
  1. jumeaux
  2. jumelles
  3. jumeau
pronoun
2. teken van de dierenriem, traditioneel behorend bij geboortedata van ongeveer 21 mei tot 21 juni
Gémeaux
adjective
1.om de twee maanden
bimestriel
noun
1.
lits jumeaux
/ˈtwesprɔŋ/
noun
1. plaats waar een weg zich in tweeën splitst
fourche
/ˈtʋestrɛɪt/
noun
  1. 1. conflict tussen twee mensen
    duel
  2. 3. inwendige strijd bij het maken van een keuze
    débat intérieur
adjective
bilingue
noun
bilinguisme
adjective
1. met, of aan twee kanten, belangen, partijen etc.
bilatéral
cardinalNumeral
1. het getal 32
trente-deux
noun
1.
triple-croche
noun
1.
huitième de soupir
cardinalNumeral
1. het getal 92
quatre-vingt-douze
cardinalNumeral
1. het getal 82
quatre-vingt-deux
cardinalNumeral
1. het getal 22
vingt-deux
cardinalNumeral
1. het getal 42
quarante-deux
cardinalNumeral
1. het getal 52
cinquante-deux
cardinalNumeral
1. het getal 62
soixante-deux
/ˈtwejənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 72
soixante-douze
/ˈtʋɛɪfəɫ/
noun
1. gevoel van onzekerheid ten aanzien van wat men in een gegeven situatie moet doen, geloven e.d.
doute
verb
na te gaan
douter
/tʋɛɪ.fəɫ.χə.vɑɫ/, /tβ̞ɛː.fəl.ɣə.vɑl/
noun
1. een situatie of entiteit waarover getwijfeld wordt
cas de douteux
/twɛɪ̯x/, /tʋɛɪ̯χ/, /tβ̞ɛːx/
noun
1. een dun buigzaam takje van een boom of struik
  1. brindille
  2. rameau
/ˈtʋɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 20
vingt
ordinalAdjective
vingtième
noun
1. welgeteld twintig
vingtaine
/ˈtwɪstə(n)/, /ˈtʋɪstə(n)/, /ˈtβ̞ɪstə(n)/
verb
  1. 2. een discussie voeren
    argumenter
  2. 1. onenigheid hebben
    1. se quereller
    2. se chamailler
noun
1. begripomschrijving
querelle
/tɑjˈkuːn/
noun
1. een rijk persoon die een groot deel van een bepaalde bedrijfstak in handen heeft.
magnat
/tiˈfon/, /tɑjˈfuːn/
noun
1. een hevige wervelstorm in de Chinese Zee en de Stille Oceaan die ontstaat uit een tropische depressie.
typhon
/ˈtɛɪ̯.pə(n)/
verb
1. gegevens invoeren
taper
verb
typer
adjective
  1. 1. vreemd, eigenaardig
    1. curieux
    2. curieusement
  2. 2. kenmerkend
    1. typique
    2. caractéristique
    3. typiquement
noun
2. grafische vorm van tekst
typographie
noun
tyrosine
pronoun
1. randzee van de Middellandse Zee, gelegen tussen het Italiaans vasteland, Sicilië, Sardinië en Corsica
mer Tyrrhénienne
/yː/
noun
1. u
u
/yː/
personalPronoun
u (pers.vnw.)
vous
noun
1. bocht van 180°
  1. demi-tour
  2. virage à 180 degrés
  3. volteface
/ˈyfo/
noun
1. vliegend voorwerp waarvan de identiteit niet bekend is, meestal in verband met een (vermeende) buitenaardse oorsprong
  1. OVNI
  2. ovni
noun
1. een antenne voor het uhf-gebied
antenne UHF
/œʏ̯/, /œː/
noun
1. Allium cepa, een eetbaar bolgewas
  1. oignon
  2. ognon
/œyjəsup/
noun
1. een uit uien bereide soep
soupe à l'oignon
noun
1. de melkklier van een herkauwer
  1. pis
  2. têtine
/œʏ̯ɫ/, /œːl/
noun
1. benaming voor vogels uit de orde Strigiformes
  1. hibou
  2. chouette
/œʏ̯t/, /œːt/
preposition
1. geeft aan van welke plaats iets komt
de
verb
1. stiekem toe-eigenen van een deel van het geld dat een ander aan je toevertrouwt
taper dans la caisse
/ˈœytˌadəmən/
verb
expirer
noun
1. het uitademen
  1. expiration
  2. exhalaison
verb
1. uitdiepen door middel van baggeren
draguer
verb
1. iets uitdrijven of wegjagen
bannir
noun
  1. 1. een plotselinge, felle uiting
    éclat
  2. 2. het uitstoten van gassen, rook en lava door een vulkaan
    éruption
verb
1. in beeld voorstellen
représenter
verb
1. met een beitel uithakken
  1. ciseler
  2. graver
/ˈœʏtbenə(n)/, /ˈœːdbeːnə(n)/, /ˈœːtbenə(n)/
verb
1. het been uit (het vlees) halen
désosser
verb
  1. externaliser
  2. sous-traiter
noun
2.
  1. externalisation
  2. sous-traitance
verb
1. iets een groter oppervlak laten innemen
  1. étendre
  2. évaser
verb
1. eieren verwarmen totdat deze uitkomen
faire éclore
verb
1. iemand met woord of daad tot actie prikkelen
  1. défier
  2. provoquer
/ˈœʏdaχɪŋ/, /ˈœːdaɣɪŋ/
noun
1. taak die moeilijk te verwezenlijken valt
défi
verb
1. meerdere personen ergens op trakteren
distribuer
verb
1. uitschakelen
éteindre
verb
1. iemand op opvallende wijze kleden
  1. affubler
  2. attifer
verb
mener (à)
verb
1. een enkele kudde of menigte in meerdere delen opdelen door een drijvende beweging te maken
disperser
/œʏ̯tˈen.χan/, /œːtˈen.ɣan/
verb
divorcer
/ˈœʏ.tεɪn.ˌdә/, /ˈœː.tεːn.ˌdə/
noun
extrémité
/œʏˈtɛɪndələk/
adverb
1. na een hele tijd
  1. finalement
  2. enfin
/ˈœʏ̯tə(n)/, /ˈœːtə(n)/
verb
2. zeggen
prononcer
verb
  1. 4. naar buiten gaan
  2. 3. naar de bar, disco of restaurant gaan
sortir
noun
1. de aannames en veronderstellingen waar men van uitgaat
point de départ
/ˈœʏtχavə/, /ˈœːdɣavə/, /ˈœːtxavə/
noun
  1. 1. bedrag dat men uitgeeft
    dépense
  2. 3. het uitgeven van een werk
    publication
    1. 4. uitgegeven werk
    2. 2. reeks van uitgeven literaire werken
    édition
adverb
1. dodelijk vermoeid
épuisé
adjective
étendu
verb
  1. 1. financiële middelen aanspreken
    dépenser
  2. 2. een geschrift in drukvorm verspreiden
    publier
verb
1. door glijden ten val komen
glisser
verb
2. door graven grond geheel verwijderen tot de gewenste ruimte ontstaat
déblayer
/œʏtˈhems/
adjective
1. van oorsprong ergens niet voorkomend
exotique
noun
het vermogen van iemand om zich voor een lange tijd in te spannen of pijn te verdragen
endurance
verb
1. honend toeroepen
  1. huer
  2. conspuer
noun
guet
verb
  1. 1.
  2. 2.
dévêtir
/ˈœʏ̯tlat/, /ˈœːtlaːt/
noun
1. een opening waardoor iets als afvalproducten naar buiten kan treden
échappement
verb
1. vrachtgoed uit een scheepsruim of uit overdekte wagen lossen
décharger
verb
  1. 3. iets leggend uitspreiden
    1. dérouler
    2. étaler
  2. 1. iets doen begrijpen
    expliquer
  3. 2. iets groter, langer of ruimer maken
    1. élargir
    2. allonger
verb
1. iets voor tijdelijk gebruik aan een ander afstaan
prêter
verb
1. een verlangen tot verzadiging kunnen botvieren
défoudre
verb
1. een gevangene in handen van een andere autoriteit overdragen
  1. extrader
  2. livrer
noun
alignement
verb
1. verwijderen van goed oplosbare zouten door oplossen in water of andere vloeistoffen
lixivier
/'ʌʏt.no.də.ɣə(n)/
verb
1. iemand verzoeken iets bij te wonen
inviter
noun
1. een verzoek om iets bij te wonen
invitation
verb
1. in praktijk brengen
exercer
/ˈœʏtpɑkə(n)/, /ˈœːtpɑkə(n)/
verb
  1. 2. uit een omhulsel halen
    défaire
  2. 1. uit een verpakking halen
    sortir
noun
1. de toestand waarin iets of iemand aan het eind van zijn of haar krachten is
  1. épuisement
  2. prostration
noun
1. uitputtende oorlog, oorlogsvoering
guerre d'usure
noun
1. een plaats of opening waardoor of waarlangs men kan of moet uitrijden
sortie
/ˈœtruːp/, /ˈœytruːp/
noun
1. wat men uitroept, luid geuite woorden of klanken
exclamation
verb
1. officieel verklaren
proclamer
noun
1. !, een leesteken dat uitdrukt dat de zin een uitroep, bevel of uitdrukking van verbazing is
point d'exclamation
noun
1. benodigdheden voor een taak
  1. équipement
  2. matos
verb
2.door andere schakeling deactiveren
  1. débrancher
  2. déconnecter
  3. couper
/'œytsxɛldə(n)/, /ˈœtsxɛldə(n)/
verb
1. iemand met scheldwoorden bewerken
  1. injurier
  2. insulter
/ˈœʏtslapə(n)/, /ˈœːtslapə(n)/
verb
1. 's ochtends langer slapen dan normaal
  1. dormir tard
  2. faire la grasse matinée
verb
1. zijn best doen, mogelijk overdreven
fayoter
noun
  1. fayot
  2. fayote
verb
1. niet langer tot de mogelijkheden rekenen
exclure
/œʏtˈslœʏtənt/
adjective
1. geen ruimte voor andere mogelijkheden latend
seul
noun
1. firmament, de hemel
firmament
verb
1. besparen
économiser
/œytspra:k/
noun
1. manier waarop iets ten gehore gebracht wordt
prononciation
verb
  1. 2. de ogen met een scherp voorwerp stekend verwijderen
    éborgner
  2. 3. uitstrekken, bijvoorbeeld van een ledemaat
    étirer
/'ʌʏt.ste.kənt/, /ʌʏt.'ste.kənt/
adjective
2. uitmuntend
excellent
verb
1. naar een later tijdstip verschuiven
remettre
verb
frottis
noun
2. biologisch materiaal van de baarmoedermond dat op een objectglaasje wordt uitgesmeerd
frottis
noun
1. een beknopte beschrijving van een inhoud
extrait
noun
attache-rapide
adjective
1.
élu
noun
1. persoon die uitvindingen doet
inventeur
noun
1. de daad van het uitvinden, het ontdekken van een nieuwe methode of een nieuw toestel
invention
noun
  1. subterfuge
  2. échappatoire
verb
1. iets slechts of verwerpelijks uithalen
  1. ficher
  2. foutre
noun
  1. 2. ongewenste of ziekelijke doorontwikkeling
    1. dérive
    2. excès
  2. 1. uitgroeisel
    excroissance
noun
.
  1. ligne de Plimsoll
  2. ligne internationale de charge
  3. marque de franc-bord
adjective
1. zich aan de buitenkant bevindend
externe
verb
1. naar buiten werpen
  1. cracher
  2. vomir
verb
  1. 1. na een juridisch proces naar een ander land sturen
    expulser
  2. 2. de waarheid aan het licht brengen
    1. montrer
    2. révéler
noun
métastase
noun
1. complete uitrusting van kleren, linnengoed, borden, etc. van een bruid of bruidspaar
trousseau
verb
  1. 2. iemand dwingen een gebied of gebouw te verlaten
    expulser
  2. 1. in volume toenemen
    se dilater
noun
1. wat men van de omgeving vanaf een bepaalde plek kan zien
vue
noun
point de vue
verb
  1. 2. onderzoeken totdat het duidelijk wordt
    1. débrouiller
    2. éclaircir
    3. éplucher
  2. 1. een selectie maken uit een grotere verzameling
    selectionner
verb
1. buiten een bepaalde regel plaatsen
excepter
/œytsɔndərɪŋ/
noun
1. een geval waarbij men iets niet onder een regel laat vallen
exception
noun
zone d'exclusion
/œʏtˈzɔndərlək/
adjective
1. niet alledaags, niet gewoon
exceptionnel
pronoun
1. gemeente in het zuiden van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Uccle
/ʏltɪˈmatʏm/
noun
1. laatste eis
ultimatum
adjective
. in een diepe tint blauw met RAL-nummer 5002
bleu outremer
noun
  1. 1. blauwe verfstof, blauw pigment dat van nature wordt aangetroffen in het mineraal lazuriet
    bleu d'outremer
  2. 2. tint blauw met RAL-nummer 5002
    bleu outremer
adjective
bleu outremer
adjective
1. van elektromagnetische straling, net buiten het gebied van het spectrum dat met het menselijk oog zichtbaar is
ultraviolet
pronoun
Ombrie
/ˈumlʌʊt/
noun
  1. 2. vocaalwijziging o.i.v. een klinker in de volgende lettergreep
    métaphonie
  2. 1. trema dat een vocaalwijziging aangeeft
    tréma
/ʏnɑˈnim/
adjective
1. met eenheid van stemmen
unanime
noun
unanimité
adjective
1. in de vorm van klassieke hoofdletters, maar daarvan onderscheiden door een afgeronde omtrek
oncial
noun
  1. 1. een verzorgd majuskelschrift met een afgeronde omtrek
  2. 1. een letter uit het unciaalschrift
onciale
noun
1. 1069
undécilliard
noun
1. 1066
undécillion
noun
1.
onzième
noun
unicité
/y.ˈnik/
adjective
1. enige in zijn soort
unique
verb
unifier
noun
uniformité
adjective
1. éénzijdig
unilatéral
adjective
unitaire
noun
unité
noun
universalité
adjective
1. alom bekend, vertegenwoordigd of erkend
universel
adjective
universitaire
/ynivɛrzitɛɪt/
noun
1. een instelling voor hoger onderwijs, wetenschappelijk onderzoek en dienstverlening
université
noun
1.
ville universitaire
noun
1. het gehele tijd-ruimtecontinuüm waarin wij bestaan, samen met alle materie en energie
univers
noun
univocité
verb
unir
/ʌnstər/
noun
  1. 2. een eenvoudig weegtoestel gebaseerd op de rek van een veer
    peson
  2. 1. een eenvoudig weegtoestel gebaseerd op een balans met ongelijke armen
    romaine
noun
1. scheikundig element met symbool Uub en atoomnummer 112
ununbium
noun
1. een scheikundig element met het symbool Uup en het atoomnummer 115
ununpentium
noun
1. een gemoderniseerde versie van een computerprogramma
mise à jour
verb
1.
  1. actualiser
  2. mettre à jour
verb
1. een bestand van een lokale computer of server naar een computer of server op afstand overbrengen
  1. envoyer
  2. télécharger
noun
1. scheikundig element met symbool U en atoomnummer 92
uranium
noun
1. scheikundig element met symbool U en atoomnummer 92
uranium
pronoun
Uranus
adjective
1. stedelijk
urbain
noun
1. een trek van de landelijke gebieden naar de stad
urbanisation
noun
urbanité
pronoun
1. de officiële taal van Pakistan en een van de officiële talen van India
ourdou
noun
1. een lange cilindrische holte die de blaas verbindt met de buitenkant van het lichaam
urètre
noun
urée
noun
1. de mate waarin iets dringend gewenst of nodig is
urgence
noun
1. een vloeistof die bij dieren door de nieren wordt geproduceerd en periodiek wordt geloosd
urine
noun
1.bij zoogdieren een orgaan dat de urine uit de nieren verzamelt en deze opslaat tot het moment van urineren
vessie
noun
1. een lange cilindrische holte die de blaas verbindt met de buitenkant van het lichaam
urètre
noun
1. de buis die loopt tussen het nierbekken en de blaas
uretère
/ˌyriˈnɪːrə(n)/
verb
1. het via de blaas lozen van lichamelijke afvalstoffen in de vorm van vloeistof
uriner
noun
urinoir
noun
1. eerste betekenisomschrijving
urne
noun
urologie
noun
urologue
pronoun
1. de Latijnse naam van het sterrenbeeld de Grote Beer
  1. Grande Ourse
  2. Ursa Major
pronoun
1. de Latijnse naam van het sterrenbeeld de Kleine Beer
  1. Petite Ourse
  2. Ursa Minor
/ˈu.ru.ˌgʋɑɪ̯/, /ˈu.ru.ˌgβ̞ɑɪ̯/, /ˈuruˌɡwe/, /ˌu.ru.ˈɣ<sup>ʊ</sup>ɛɪ̯/
pronoun
  1. 1. en 2. land en staat in Zuid-Amerika
    Uruguay
  2. 1. rivier in Zuid-Amerika
    fleuve Uruguay
noun
usance
/yʔɛsˈbeʔport/
noun
1. aansluitmogelijkheid waardoor apparaten gegevens uit kunnen wisselen volgens de USB-standaard
port USB
/yʔɛsˈbeʔstɪk/
noun
clé USB
noun
usurpateur
verb
1. toe-eigenen, onrechtmatig in bezit nemen, zich aanmatigen
usurper
adjective
utilitaire
noun
1.
utilitarisme
noun
1.
utilitariste
adjective
1.
  1. utilitaire
  2. utilitariste
noun
utilité
pronoun
1. taalfamilie van ongeveer 60 talen die in Mexico en het westen van de VS worden gesproken
langues uto-aztèques
/ˌytoˈpi/
noun
1. een volmaakte toestand die niet te bereiken is
utopie
adjective
utopique
/ˈytrɛx/, /ˈytrɛxt/, /ˈytrɛχt/
pronoun
  1. 4. spelwoord voor de letter u
    Ursule
  2. 2. de hoofdstad van de provincie Utrecht
    Utrecht
/yːr/
noun
1. een eenheid van tijd die bestaat uit 60 minuten
heure
noun
1. een mechaniek dat de tijd bijhoudt of aangeeft
horloge
noun
uvéite
adjective
uvulaire
adjective
uxorilocal
noun
1. voltooid tegenwoordige tijd
parfait
noun
1. voltooid verleden toekomende tijd
  1. conditionnel passé
  2. futur antérieur du passé
noun
va banque!
adjective
  1. vague
  2. flou
  3. indistinct
/vaːk/
adverb
1. vele malen
souvent
/val/, /vaɫ/
adjective
1. tot bijna kleurloos verbleekt
  1. pâle
  2. passé
noun
± onderscheidende vlag van een schip en/of militaire eenheid
pavillon
noun
1. desertie
désertion
noun
1. een aspirant-reserveofficier
aspirant
/ˈvaːrdəxɦɛːt/, /ˈvaːrdəxɦɛːɪt/
noun
1. het vermogen om een handeling bekwaam uit te voeren of een probleem juist op te lossen
habileté
/ˈvarɣøːl/, /ˈvarχʏːɫ/
noun
  1. 1. een relatief smalle strook in een groter water die geschikt is om te bevaren
    chenal
  2. 2. een strook bevaarbaar water tussen twee zandbanken
    couloir
noun
génisse
noun
  1. 1. opgebouwde snelheid
    allure
  2. 2. kanaal, bevaarbaar gemaakte watergang
    canal
  3. 3. het varen, het bedrijven van scheepvaart als beroep
    navigation
/ˈvaːrtœx/, /ˈvaːrtœyx/
noun
1. vervoermiddel op water
embarcation
noun
route d'eaux
noun
1. een aardewerken of glazen kruik, vooral bedoeld voor het in het water zetten van bloemen
vase
/ˈvatbʏndəl/
noun
1.
  1. faisceau
  2. fibre vasculaire
noun
1. een apparaat om automatisch de afwas te doen
lave-vaisselle
noun
1. een apparaat om automatisch de afwas te doen
lave-vaisselle
noun
poste à pourvoir
/vakˈsæː/, /vɑkˈsɛː/
noun
1. uit verzwakte ziekteverwekkers bestaande entstof om afweer op te bouwen
vaccin
noun
1. een inenting
vaccination
verb
1. een injectie met een vaccin geven
vacciner
noun
1. materievrije ruimte
  1. vide
  2. vacuum
noun
1. een mannelijke ouder
père
noun
1. een dag waarop vaders extra verwend worden
  1. Fête des pères
  2. fête des Pères
noun
1. een land of staat waar iemand geboren en opgegroeid is
patrie
/ˈva.ɣə.ˌvyːr/, /ˈva.χə.ˌvyːr/
noun
1. een toestand waar de zielen van gestorven personen gereinigd worden.
purgatoire
noun
1. het vrouwelijke geslachtsorgaan
vagin
adjective
vaginal
noun
1. een pelswerk, een heraldische kleur die een regelmatige verdeling is van twee tinten
vair
noun
  1. 3. schoolvak
    matière
  2. 1. beroep
    profession
/vɑˈkɑn(t)si/
noun
  1. 1. jaarlijks terugkerende periode waarin leerlingen en personen vrijaf hebben
  2. 2. reis in een jaarlijks terugkerende periode waarin je vrijaf hebt
vacances
noun
1.
  1. chèque vacances
  2. chèque-vacances
noun
jour de congé
noun
1. vakvereniging van arbeiders ter verdediging van hun belangen
syndicat
noun
1. een man die zijn vak of professie verstaat
  1. expert
  2. spécialiste
/vɑɫ/
noun
    1. 2. ten gevolge van de zwaartekracht naar beneden gaan
    2. 3. onvrijwillig ergens op terecht komen
    3. 4. hoogte van waarvandaan iets naar beneden valt
    chute
  1. 1. omlaag gaan
    1. chute
    2. descente
  2. 5. van zijn macht beroofd worden
    1. chute
    2. écroulement
  3. 6. richting van de stof, waarbij de figuren op de stof naar beneden gaan
    pli
  4. 8. beweegbare vloer van een ophaalbrug
    tablier
  5. 11. lijn waarmee een vlag, zeil of rondhout gehesen kan worden
    drisse
  6. 10. apparaat met een vallende deur of klem met als doel dieren te vangen
    piège
noun
1. het begin van de avond, gekenmerkt door schemer
début de soirée
noun
1.
grand murin
pronoun
Valence
pronoun
1. Catalaans zoals dat gesproken wordt in Valencia en omgeving
valencien
noun
valence
noun
1. 14 februari, de dag van de verliefden
Saint-Valentin
noun
1. CH₃(CH₂)₃COOH
acide valérique
verb
valider
noun
validité
noun
valine
/vɑlk/
noun
1. roofvogel
faucon
noun
1. bedrijver van valkerij
fauconnier
/vɑlkə'rɛɪ/
noun
1. africhten van roofvogels
fauconnerie
noun
1. een laagte tussen bergen
vallée
verb
1. vrijelijk onder invloed van de zwaartekracht naar de aarde bewegen
tomber
verb
valoriser
noun
1. bepaald soort vrij algemeen voorkomende plant, Anthemis arvensis
Fausse camomille
noun
1. mythologisch ondood wezen
vampire
preposition
  1. 1. geeft bezit aan
  2. 2. geeft herkomst aan
de
noun
1. scheikundig element met symbool V en atoomnummer 23
vanadium
adverb
  1. 2.duidt een vertrekpunt (plaats) aan
    1. de
    2. depuis
    3. dès
  2. 1.duidt een tijdstip aan waarna (en waarop) iets geldt
    1. depuis
    2. dès
    3. à partir de
adverb
ce soir
adverb
1. op deze dag
aujourd'hui
noun
1. moedwillige en nodeloze beschadiging of vernietiging van andermans of openbaar eigendom
vandalisme
noun
filet de sécurité
/ˈvɑŋ.re(i)l/
noun
1. metalen stroken langs autowegen, die dient om te voorkomen dat auto's van de rijbaan raken
glissière de sécurité
/vɑŋs/, /vɑŋst/
noun
coup de filet
/vɑ'nijə/
noun
een smaak- en geurstof geëxtraheerd van de vanilleplant
vanille
noun
1. vloeistof onttrokken aan vanillestokjes in een ethanol oplossing
extrait de vanille
adverb
1. tijdens de middag van de lopende dag
cet après-midi
adverb
1. de afgelopen ochtend
ce matin
adverb
1. de komende nacht
cette nuit
adverb
1. de afgelopen ochtend
ce matin
/va.nu.ˈwa.tu/
pronoun
1. een land in Oceanië, officieel de Republiek Vanuatu
Vanuatu
verb
1.
vapoter
verb
vaporiser
noun
1. een Frans departement dat in de regio Provence-Alpes-Côte d'Azur ligt
Var
noun
1. Varanidae, de grootste levende hagedis
varan
noun
1. een sporenplant
fougère
adjective
vert fougère
noun
1. veranderlijkheid
variabilité
noun
variante
/ˌva.ri.ˈjɑn.si/, /ˌva.ri.ˈjɑn.tsi/
noun
1. een maat voor de spreiding van een variabele of van een verdeling gedefinieerd als de wortel uit de variantie
variance
noun
variation
noun
varice
noun
théâtre de variétés
verb
varier
noun
variété
noun
  1. 2.
    1. cochon
    2. porc
  2. 1. een tam zwijn, gehouden voor zijn vet en vlees
    1. porc
    2. cochon
noun
onder-/zijkant van de buik van een varken
ventre de porc
noun
1. geslacht van kruidachtige planten, Polygonum
renouée
/'vɑr.kəns.ɦas/
noun
1. haas van een varken
filet
noun
2. lever van een varken
foie de porc
noun
1. overdekt verblijf voor varkens
  1. porcherie
  2. soue
noun
2. lever van een varken
langue de porc
noun
gras de porc
noun
  1. porc
  2. viande de porc
adjective
1. met betrekking tot de bloedvaten
vasculaire
noun
vaseline
/vɑstə'lɑnt/
noun
1. land in verbinding met continentale landmassa
continent
noun
  1. jeûne
  2. carême
verb
1. zich onthouden van voedsel
jeûner
pronoun
mardi gras
verb
1. iets of iemand grijpen en vasthouden
saisir
verb
2. zich met inspanning ergens aan vasthouden
cramponner
verb
1. iets of iemand grijpen en vasthouden
saisir
verb
1. met een of meer spelden vastmaken
épingler
verb
1. met spijkers bevestigen
clouer
noun
1. contractuele formalisering van een bereikte schikking
contrat de transaction
noun
  1. 2. standaard inhoudsmaat
    baril
  2. 1. ronde ton waar allerhande vloeistoffen in opgeslagen worden
    1. tonneau
    2. baril
  3. 3. ader
    1. veine
    2. vaisseau
/vatiˈkanstɑt/, /vatiˈkaːnstɑd/, /vatiˈkaːnstɑt/
pronoun
1. land in Europa, het kleinste onafhankelijke land ter wereld, het territorium van de Heilige Stoel.
  1. Cité du Vatican
  2. Vatican
verb
  1. 3. opdoen
    attraper
  2. 2. begrijpen
    1. comprendre
    2. concevoir
  3. 1. vastgrijpen
    1. prendre
    2. saisir
pronoun
1.
Vaud
noun
1.
  1. État vassal
  2. vassal
noun
bagarreur
noun
bagarreur
noun
combativité
noun
bagarre
noun
vecteur
/ˈveda/
pronoun
1. elk van de vier voornaamste heilige hindoegeschriften
Veda
noun
1. middeleeuws, meestal vijfsnarig strijkinstrument
vièle
/veː/
noun
1. door de mens om economische redenen gehouden dieren
  1. bétail
  2. cheptel
noun
1. iemand die zich specialiseert in de geneeskunst van dieren
vétérinaire
noun
commerce de bestiaux
noun
éleveur bovin
/feɪɫ/, /veːl/
indefiniteCardinalNumeral
1. groot in hoeveelheid
beaucoup
adjective
prometteur
noun
1. een gesloten stelsel lijnsegmenten die samen een plat vlak omsluiten
polygone
adjective
1.
polygonal
noun
multiple
noun
1. bepaald soort zoogdier, Gulo gulo
  1. glouton
  2. carcajou
adjective
  1. 1. met een groot aantal kanten, vlakken, facetten
    multilatéral
  2. 2. met diverse belangen, gebruiksmogelijkheden, interessen etc.
    1. multiple
    2. universel
/veːr/, /vɪːr/
noun
  1. 1. lichaamsbedekking van een vogel
    plume
  2. 2. mechanische tong of spiraal waarop door buiging spanning gezet kan worden
    ressort
  3. 1. boot of schip toegewijd aan het onderhouden van een regelmatige verbinding over een rivier of een ander water
    bac
noun
  1. 2. herstellingsvermogen van iemands gestel of gemoed
    résilience
  2. 1. elasticiteit
    1. élasticité
    2. résilience
noun
1. een persoon die een veer bedient
passeur
noun
1. een overzetvaartuig
  1. bac
  2. ferry
noun
rondelle grower
/ˈvɪːrtin/
cardinalNumeral
1. het getal 14
quatorze
ordinalAdjective
quatorzième
noun
1. ruimtelijke figuur met veertien vlakken
tétradécaèdre
/ˈfɪːrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 40
quarante
noun
1. buikwind
  1. pet
  2. vesse
noun
cheptel
noun
1. het onderhouden en fokken van vee.
élevage
noun
  1. véganisme
  2. végétalisme
verb
  1. 1. zonder water schoonmaken met een borstel
    balayer
  2. 2. door ergens langs te strijken verplaatsen of verwijderen
    essuyer
adjective
1. als of voor vegetariërs
végétarien
noun
végétation
adjective
1. niet aan gevaar blootstaand
sûr
noun
1. een situatie waarin een bepaald gevaar niets kan aanrichten
sécurité
noun
1. een bril die de ogen beschermt
lunettes de sécurité
noun
1. een stevige band die iemand in een voer- of vliegtuig vasthoudt in zijn zetel ter bescherming tegen onverhoedse bewegingen
ceinture de sécurité
noun
1. een klep die een opening in een reservoir of een leiding afsluit en die geopend wordt als de inwendige spanning te hoog wordt
soupape de sûreté
pronoun
1. orgaan van de Verenigde Naties met als primaire verantwoordelijkheid ...
Conseil de sécurité des Nations unies
noun
chaussure de sécurité
noun
1. een afsluitbare gebogen pin waarmee men twee stukken stof bijeen kan houden, voorzien van een veiligheidskapje dat voorkomt dat men zich eraan bezeren kan
épingle
/ˈvɛɪ̯.lɪŋ/, /ˈvɛː.lɪŋ/
noun
1. een plaats waar goederen bij opbod of afslag verkocht worden
  1. enchère
  2. vente aux enchères
verb
1. zich onecht voordoen
  1. faire semblant
  2. feindre
noun
  1. 1. dunne laag
    feuille
  2. 2. afgestroopte huid
    peau
adjective
vélaire
verb
vélariser
/vɛlt/
noun
  1. nog na te kijken
    champ
  2. 2. stuk land voor het bedrijven van een sport
    terrain de sport
noun
1. een simpel bed op pootjes dat snel geplaatst kan worden
lit de camp
noun
1. bepaald soort loofboom, Acer campestre
érable champêtre
/ ˈvɛltflɛs /
noun
1. een afsluitbare en draagbare fles, meestal uit metaal of plastic vervaardigd, die gebruikt wordt om de drager buitenshuis van vocht te voorzien
  1. gourde
  2. bidon
noun
alouette des champs
noun
1. Microtus arvalis, familie van de woelmuis
mulot
noun
1. en 2. (bladeren van) kruidachtige plant Valerianella locusta
  1. mâche
  2. rampon
noun
1. een treffen tussen twee of meer legers
bataille
noun
2. intensiteit van de elektromagnetische straling
intensité du champ
/vɛltɔxt/
noun
1. een trektocht van een leger met het doel de vijand te verslaan
campagne
noun
1.
hibou des marais
/ˈvɛld.zyː.rɪŋ/, /ˈvɛɫ.tsyː.rɪŋ/
noun
1. en 2. (bladeren van) de plant Rumex acetosa
oseille
/ˈveːlən/
verb
  1. endurer
  2. supporter
/vɛlx/, /vɛlχ/
noun
1. de buitenrand van een wiel waar de band omheen zit
jante
noun
1. een verzamelnaam voor muziekinstrumenten die toon/geluid voortbrengen door een trillend vel
membranophone
verb
1. neer doen komen, doen vallen
abattre
noun
velléité
noun
vélodrome
/vəˈlur/
noun
1.
velours
//
pronoun
1. provincie in Italië
Venise
pronoun
Vénétie
/və'nøs/
adjective
1. met betrekking tot de aders
veineux
/ˌvenəzoˈlan/, /ˌvenəzoˈlaːn/
noun
1. een inwoner van Venezuela
Vénézuélien
/ˌvenəzyˈweːla/, /ˌvenəzyˈβ̞ela/, /ˌvenəzyˈβ̞eːla/
pronoun
1. een land in het noorden van Zuid-Amerika
  1. Venezuela
  2. Vénézuéla
noun
1. soort naaldboom (Taxus baccata)
if
noun
  1. 1., 2., 3. of 3. (zaad, bladeren of knol van) plant Foeniculum vulgare
    fenouil
  2. 2. plant Foeniculum vulgare
    fenouil commun
noun
1. gedroogde zaden van Foeniculum vulgare
graine de fenouil
noun
1. onderneming of bedrijf met meerdere aandeelhouders
société
noun
1. muuropening om lucht en licht door te laten
fenêtre
noun
appui de fenêtre
adjective
gris fenêtre
noun
1. kerel, man
mec
noun
ventilation
noun
ventilateur
verb
1. verse lucht in een ruimte brengen
  1. aérer
  2. ventiler
adjective
1. met betrekking tot de orgaanholte
ventriculaire
pronoun
1. planeet
Vénus
noun
miroir de Vénus
noun
dionée attrape-mouche
adverb
1. op grote afstand
  1. loin
  2. éloigné
/vərˈɑxtə(n)/, /vərˈɑçtə(n)/
verb
  1. 1. in hoge mate minachten
  2. 2. trotseren
mépriser
noun
mépris
/vɛ.ˈrɑf.sxy.wə(n)/
verb
1. afschuw hebben voor
détester
verb
1. Amerikaans maken
américaniser
verb
  1. 2. zodanig aan zichzelf werken of zichzelf behandelen dat men anders wordt
    changer
  2. 1. zodanig aan iets werken of iets behandelen dat het anders wordt
    1. changer
    2. modifier
    3. convertir
    4. transformer
    5. altérer
    6. commuer
  3. 3. anders worden
    1. changer
    2. tourner
noun
1. iets dat anders is geworden
changement
adjective
  1. 1. iets met extra verplichtingen of moeilijkheden om het goed te laten lopen
    responsable
  2. 2. de verantwoordelijkheid hebbend
    1. responsable
    2. comptable
noun
responsable
noun
1. de verplichting om ervoor te zorgen dat iets goed verloopt
responsabilité
noun
1. een geneesmiddel behorende tot de groep van calciumblokkers
vérapamil
verb
1. armer worden
appauvrir
verb
1. een proces-verbaal opmaken
verbaliser
noun
1. Een verbandgaas dient ter bedekking van een wond
compresse de gaze
/vər.ˈbɑ.nɪŋ/
noun
1. het verbod opgelegd krijgen naar een bepaalde plaats terug te keren
  1. bannissement
  2. exil
verb
  1. 2. door iets onverwachts gevoelsmatig getroffen worden
    s'étonner
  2. 1. door iets onverwachts gevoelsmatig treffen
    1. surprendre
    2. étonner
noun
1. grote verwondering
  1. étonnement
  2. stupéfaction
/vərˌbazɪŋˈʋɛkənt/
adjective
1. wat verbazing opwekt, wat buitengewoon is
étonnant
verb
  1. 1. kunstzinnig weergeven
  2. 2. een weergave zijn van
représenter
/vər.ˈbeːɫ.dɪŋ/, /vər.ˈbɪːɫ.dɪŋ/, /vɛr.ˈbeːl.dɪŋ(g)/
noun
2. iets visualiseren, ergens een beeld bij maken
imagination
verb
1. iets ergens plaatsen waar het niet gemakkelijk door anderen gevonden wordt
cacher
/vərˈbetərə/
verb
  1. 1. (iets) beter maken, de kwaliteit verhogen
    1. améliorer
    2. valoriser
  2. 2. van fouten ontdoen
    corriger
/vər.ˈbe.tə,rɪŋ/
noun
1. een verandering ten goede
amélioration
verb
1. van staatswege in beslag nemen
confisquer
adjective
verbeux
/vɛɾ.'bi:.dǝ(n)/
verb
1. een bepaalde handeling strafbaar stellen
  1. interdire
  2. défendre
adjective
éberlué
verb
1.in verwarring of extreme verbazing brengen
  1. déconcerter
  2. stupéfier
verb
1. zijn gevoelens van ergernis of pijn onder controle houden
  1. contenir
  2. réprimer
verb
  1. 2. met iets of iemand contact maken via de telefoonlijn
    connecter
  2. 1. twee of meer onderdelen aan elkaar vastmaken
    1. connecter
    2. joindre
    3. raccorder
/vər.ˈbɪn.dɪŋ/, /vɛr.ˈbɪn.dɪŋ(g)/
noun
  1. 2. scheikunde
    1. composé
    2. combinaison
    1. 1. verbinden of samenvoegen
    2. 3. communicatie
    connexion
noun
point de connexion
noun
1. teken in de vorm van een kort liggend lijntje
trait d'union
noun
2. twee-personen-verhouding waarbij de ene tot een prestatie gerechtigd, de andere tot dezelfde verplicht is
obligation
verb
1. bitter maken
exaspérer
adjective
bleu distant
verb
1. alle kleur verliezen
  1. pâlir
  2. blêmir
  3. ablafardir
verb
1. tijdelijk wonen, ergens tijd doorbrengen
  1. demeurer
  2. séjourner
/vərˈbɔt/
noun
1. strafmaatregel
interdiction
pronoun
Cité interdite
noun
  1. alliance
  2. pacte
noun
1. emotioneel contact met een ander
  1. fraternité
  2. solidarité
adjective
1.onzichtbaar gemaakt
caché
verb
  1. 2.planten telen
    cultiver
  2. 1.anders bouwen
    transformer
verb
1. verteerd worden door vuur of hitte
être brûlé
noun
combustion
noun
1. motor waarbij de kracht wordt opgewekt door verbranding van een brandstof
moteur à combustion
noun
2. de totale verbruikte hoeveelheid
consommation
/vər.ˈbœʏ̯.χɪŋ/, /vər.ˈbœː.ɣɪŋ/
noun
1. naamwoordsflexie
déclinaison
verb
1. afvlakken tot burgerlijkheid
embourgeoiser
verb
1. met een laagje chroom bedekken
chromer
verb
1. coderen
encoder
verb
1. een zitting opschorten tot een nadere datum
ajourner
noun
1.
vaporisation
verb
1. beschermen tegen een aanval
défendre
noun
défense
noun
distribution
verb
1. het vermoeden hebben van iets slechts
  1. soupçonner
  2. suspecter
/vər.ˈdɛŋ.kɪŋ/
noun
1. het vermoeden van het uitvoeren van een (strafbaar) feit
  1. soupçon
  2. suspicion
verb
  1. corrompre
  2. détruire
  3. ruiner
/ˈvɛrdərˈzɛtə(n)/
verb
1. voortzetten, doorgaan met
  1. continuer
  2. poursuivre
verb
2. geld verkrijgen door arbeid of een andere prestatie
gagner
noun
  1. 1. het geld dat een arbeider krijgt voor het uitvoeren van werk
    1. gain
    2. salaire
  2. 2. goede, opbouwende daad
    1. mérite
    2. valeur
/vɛr.ˈdi.pə(n)/
verb
  1. 1. dieper maken
    1. approfondir
    2. creuser
  2. 2. ernstig nadenken over
    se plonger (dans)
/vər.ˈdi.pɪŋ/
noun
  1. 1. het dieper maken
    approfondissement
  2. 3. alle ruimten op één hoogte in een gebouw
    étage
adjective
dépravé
verb
1. de pijnprikkel onderdrukken, bijvoorbeeld door het toedienen van een medicijn
anaesthésier
noun
1. bereidheid om te aanvaarden dat anderen zich gedragen op een manier die je niet goed vindt
tolérance
verb
  1. 1. driemaal zo groot maken
  2. 2. driemaal zo groot worden
tripler
verb
    1. 2. in het water doen omkomen
    2. 3. door drinken van alcohol doen verdwijnen
    noyer
  1. 1. in het water omkomen
    se noyer
noun
noyade
/vər.ˈdro.ɣə(n)/, /vər.ˈdro.χə(n)/, /vɛr.ˈdro.ɣə(n)/
verb
1. gevaarlijk veel water verliezen
sécher
verb
dupliquer
/vər.ˈdœʏ̯.də.lə.kɪŋ/, /vər.ˈdœː.də.lə.kɪŋ/, /vɛr.ˈdœː.də.li.kɪŋ(g)/
noun
1. iets wat ter verduidelijking dient
éclaircissement
verb
  1. 2. iets (m.n. geld) ontvreemden/stelen
    détourner
  2. 1. donkerder maken
    obscurcir
/vər.ˈdœʏ̯.stə.rɪŋ/, /vər.ˈdœː.stə.rɪŋ/, /vɛr.ˈdœːs.tə.rɪŋ(g)/
noun
éclipse
pronoun
Verdun
verb
1. ongemak of lijden verdragen
endurer
verb
s’égarer
/vərˈdʋɛɪnə(n)/
verb
  1. 1. wegraken
  2. 2. afnemen
disparaître
noun
1. het verdwijnen
disparition
noun
  1. point de fuite
  2. point évanouissant
verb
  1. 1. in de adelstand verheffen
    anoblir
  2. 2. edeler maken, verfijnen
    raffiner
/vərenˈvʌʊdəχtʃiˌnes/, /vərenˈvʌːdəxtʃiˌnes/
phraseologicalUnit
1. het schrift waarmee het Chinees met name op het vasteland van China geschreven wordt
chinois simplifié
/vɛrɛɪsə(n)/
verb
1. nodig hebben
  1. demander
  2. exiger
noun
condition
/vəˈrenəχt ˈkonɪŋkˌrɛɪ̯k/, /vəˈreːnəxt ˈkoːnɪŋkˌrɛːk/, /vəˈreːnɪx ˈkoːnɪŋkˌrɛɪ̯k/
pronoun
  1. Royaume-Uni
  2. Royaume-Uni de Grande-Bretagne et d'Irlande du Nord
/vɛrenəɣdə arabisə emiratən/
pronoun
land in het Midden-Oosten, officieel de Verenigde Arabische Emiraten, vaak afgekord tot V.A.E.
Émirats arabes unis
noun
  1. Organisation des Nations unies
  2. Nations unies
pronoun
1. een land dat een groot deel van het Noord-Amerikaanse continent beslaat en opgedeeld is in vijftig staten
  1. États-Unis d'Amérique
  2. États-Unis
/və.ˌre.nəx.də.ˈsta.tə(n).vɑn.ɑ.ˈmeː.ri.ka/, /və.ˌreɪ̯.nəχ.də.ˌsta.tə(n).vɑn.ɑ.ˈmɪː.ri.ka/, /vɛ.ˌʁe.nɪx.də.ˈsta.tə(n).va.na.ˈmeː.ʁi.ka/
pronoun
1. een land dat een groot deel van het Noord-Amerikaanse continent beslaat en opgedeeld is in vijftig staten
États-Unis d'Amérique
verb
1. afzonderlijke delen tot één geheel maken
unifier
/və.ˈre.nə.ɣɪŋ/, /və.ˈre.nə.χɪŋ/, /vər.ˈe.ni.ɣɪŋ(g)/
noun
1. groepering van mensen die op een bepaald doel gericht is
association
verb
1. erger worden of maken
aggraver
/vɛrf/
noun
1. de algemene benaming voor een product dat bedoeld is om voorwerpen te beschermen...
peinture
verb
1. fijner of gevoeliger maken
  1. affiner
  2. raffiner
/vɛr.ˈfu.jə(n)/
verb
1. afschuw hebben van
détester
verb
1. mooier maken
  1. embellir
  2. parer
verb
1. Franstalig maken/worden
franciser
verb
froisser
/vər.ˈɣa.də.rə(n)/, /vər.ˈχa.də.rə(n)/, /vɛr.ˈɣa.də.rə(n)/
verb
1. in vergadering bijeenkomen, een vergadering bijwonen
se réunir
/vərˈɣadəˌrɪŋ/, /vərˈχadəˌrɪŋ/
noun
1. een georganiseerde bijeenkomst voor bespreking en overleg
réunion
verb
empoisonner
noun
impermanence
verb
1. bijeenbrengen
  1. amasser
  2. accumuler
noun
revanche
verb
1. geel worden door veroudering of invloed van de omgeving
jaunir
adjective
1. goed te vergelijken
comparable
verb
1. de overeenkomsten en verschillen van twee zaken in beschouwing nemen
comparer
/vɛrɣə'lɛɪkɪŋ/
abbreviation
  1. 1. relatie tussen twee zaken
    comparaison
  2. 2. wiskundige uitdrukking
    équation
/'vɛrɣə(n)/
verb
1. als noodzakelijke voorwaarde hebben
exiger
verb
1. uit het geheugen verloren gaan
oublier
verb
  1. 2. vergiftigen
    empoisonner
  2. 1. vergiffenis schenken
    pardonner
/vərˈxevənsxəzɪnt/
adjective
1. klaar om anderen te vergeven
indulgent
noun
1. het iemand niet kwalijk nemen van iets; het kwijtschelden van een schuld
  1. pardon
  2. absolution
  3. rémission
verb
1. met iemand meegaan
accompagner
/vərˈxit/
noun
1. teiltje met gaten
passoire
/vərˈɣɪf/
noun
1. iets dat levende wezens schaadt
poison
noun
1. het iemand niet kwalijk nemen van iets; het kwijtschelden van een schuld
  1. pardon
  2. absolution
  3. rémission
verb
1. blootstellen aan een voor het lichaam schadelijke vreemde stof
  1. empoisonner
  2. intoxiquer
verb
1. eerste betekenisomschrijving
  1. se gourer
  2. se tromper
/vər.ˈɣɪ.sɪŋ/, /vər.ˈχɪ.sɪŋ/, /vɛr.ˈɣɪ.sɪŋ(g)/
noun
1. iets doen dat niet juist is, of een verkeerde conclusie trekken
erreur
verb
1. aan iemand compensatie verlenen voor gemaakte kosten of geleden schade
compenser
verb
1.iemands iets onoorbaars of onzedigs aandoen
attenter
verb
  1. 1., 2. grijs worden, grijze haren krijgen
    grisonner
  2. 3. ouder worden
    vieillir
noun
1. bolle lens waardoor de voorwerpen die men bekijkt groter lijken
  1. loupe
  2. verre grossissant
verb
1. groter doen worden
agrandir
/vərˈɣrotəndə trɑp/
noun
1. de vorm die het bijvoeglijk naamwoord aanneemt in vergelijkingen
comparatif
noun
1. een toename in grootte
augmentation
verb
1. een voorwerp bedekken met een dun laagje goud
dorer
noun
1. een officiële (noodzakelijke) toestemming om een bepaalde activiteit uit te voeren
  1. licence
  2. autorisation
/vər'ɦal/
noun
1. verslag (mondeling of schriftelijk) van een waargebeurde of verzonnen gebeurtenis
  1. histoire
  2. nouvelle
verb
2. schadevergoeding eisen, kosten laten betalen
récupérer
noun
essai
verb
  1. naar fysiek of geestelijk niveau brengen
  2. (vrijmetselarij)
élever
noun
1.
palais
verb
1. zich ~: blijdschap ervaren
se réjouir
verb
1. heviger worden
intensifier
verb
1. voorkomen, ervoor zorgen dat iets niet gebeurt
empêcher
verb
1. hoger doen worden
augmenter
/vər.ˈɦo.ɣɪŋ/, /vər.ˈɦo.χɪŋ/, /vɛr.ˈho.ɣɪŋ/
noun
  1. 2. het hoger maken van een prijs, premie e.d.
    1. augmentation
    2. majoration
  2. 3. een verhoogde lichaamstemperatuur
    1. augmentation
    2. élévation
  3. 1. een plaats die hoger aangelegd is dan zijn omgeving
    1. élévation
    2. élévé
verb
  1. 1. honderdmaal zo groot worden
  2. 2. honderdmaal zo groot maken
centupler
noun
1. een indringende ondervraging van een gevangene of verdachte
interrogatoire
/vərˈɦɔʊ̯.dɪŋ/, /vərˈɦʌʊ̯.dɪŋ/, /vɛrˈhaʊ̯.dɪŋ/
noun
  1. 3. een intieme, duurzame relatie tussen twee personen
    liaison
  2. 1.
    1. rapport
    2. relation
  3. 2. de betrekking van personen onderling
    1. relation
    2. rapport
verb
  1. 1. van woonplaats veranderen
  2. 2. de inboedel van een ander overbrengen
  1. déménager
  2. partir
/vərˈhœʏzɪŋ/, /vərˈhœːzɪŋ/
noun
1. de verwisseling van één (semi-) permanente woonplaats voor een andere
déménagement
verb
1. iets niet openlijk zeggen of tonen
déguiser
verb
1. nagaan, controleren
vérifier
/ˈveː.rɪŋ/, /ˈvɪː.rɪŋ/
noun
1. mechanisme dat dient om schokken op te vangen
suspension
noun
1. de dag waarop iemand viert dat hij of zij geboren werd
anniversaire
noun
1.
gâteau d'anniversaire
noun
1. het niet meer afdwingbaar zijn van een vordering door het verloop van de tijd
prescription
verb
1. jonger maken
rajeunir
verb
1. kalkachtig worden
se calcifier
noun
1. het geheel van verplaatsingen waarbij goederen of personen vervoerd worden
  1. circulation
  2. trafic
/vər'kersaxɛnt/
noun
1.
  1. agent
  2. agent de circulation
adjective
bleu signalisation
noun
1. gestandaariseerd bord met aanwijzingen voor mensen in het verkeer
panneau de signalisation
adjective
jaune signalisation
adjective
gris signalisation
noun
gris signalisation A
noun
gris signalisation B
adjective
vert signalisation
noun
1. geluidsoverlast veroorzaakt door het verkeer
bruit de la circulation
noun
1. een installatie die middels gekleurde lichten het verkeer op een kruispunt regelt
  1. feu
  2. feu de signalisation
  3. feu tricolore
adjective
orangé signalisation
adjective
pourpre signalisation
adjective
rouge signalisation
adjective
blanc signalisation
adjective
noir signalisation
verb
  1. 1.
    explorer
  2. 2. waarnemingen in een vijandelijk of onbekend gebied uitvoeren om strategische informatie in te winnen
    1. reconnaître
    2. éclairer
noun
  1. exploration
  2. 2. militaire verkenning
    1. reconnaissance
    2. éclairage
/vər'kislək/
adjective
1.
préférable
verb
1. iemand door een stemming een ambt doen toekomen
élire
/vər.ˈki.zɪŋ/, /vɛr.ˈki.zɪŋ(g)/
noun
1. het kiezen door middel van stemming
élection
adjective
1. (spreektaal) verliefd zijn op
entiché
/vɛrˈklarə(n)/
verb
  1. 2. een officieel standpunt uitspreken
    déclarer
  2. 1. duidelijk maken
    expliquer
/vər.ˈkla.rɪŋ/, /vɛr.ˈkla.rɪŋ(g)/
noun
    1. 2. plechtige bekendmaking
    2. 4. schriftelijk stuk
    déclaration
    1. 1 het verklaren
    2. 3. opheldering
    explication
verb
1. tot minder grote proporties terugbrengen
réducer
/vərˈklɛɪ̯nʋɔːrt/
noun
1. woord waardoor iets als klein of weinig wordt voorgesteld
diminutif
/vərˈklɪkə(n)/
verb
  1. 3. iets van iemand aan iemand anders vertellen
    1. cafeter
    2. cafter
    3. délationner
  2. 2. heimelijk informatie doorgeven
    délationner
  3. 1. een informatie overbrengen
    livrer
noun
  1. mouchard
  2. balance
verb
  1. foirer
  2. foutre
verb
foirer
noun
point de vente
/vərˈkopə(n)/
verb
1. goederen tegen betaling aan een nieuwe eigenaar geven
vendre
noun
1. iemand die goederen of diensten verkoopt
vendeur
noun
1. een virusinfectie aan keel of neus
rhume
verb
  1. 2. op grove wijze schenden
    1. enfreindre
    2. transgresser
    3. violer
  2. 1. iemand met geweld tot seksueel verkeer dwingen
    violer
noun
1. een seksuele daad onder dwang
viol
verb
1. in spiercontractie geraken
crisper
verb
1. in bezit krijgen, verwerven
  1. obtenir
  2. acquérir
verb
1. iets gebruiken zonder dat je het goed of volledig benut
  1. gaspiller
  2. dilapider
/vərˈlaxə(n)/
verb
1. op een lager peil brengen
  1. abaisser
  2. baisser
/vər'lɑmə(n)/
verb
1. van het vermogen zich te bewegen beroven
paralyser
noun
1. toestand waarin men niet is staat is zich te bewegen
paralysie
noun
1. iets willen hebben
désir
noun
liste de choses désirées
verb
  1. 2. in de steek laten
    abandonner
  2. 3. onverzorgd achterlaten
    délaisser
  3. 5. zich laten gaan
    quitter
  4. 1. weggaan
    1. quitter
    2. abandonner
    3. partir
    4. renoncer à
  5. 4. overgieten
    transvaser
noun
1. de voorafgaande tijd
passé
noun
1. het woord dat deel heeft aan het werkwoord en aan het naamwoord en als afgesloten gezien wordt
participe passé
noun
passé
verb
  1. déplacer
  2. repousser
verb
1. tot kwaad brengen
  1. tenter
  2. inciter
/vərlenə(n)/
verb
1. iemand begunstigen met iets, iemand iets toestaan
  1. accorder
  2. attribuer
  3. donner
/vərˈlɛŋə(n)/
verb
  1. 1. langer maken
    1. allonger
    2. prolonger
  2. 2. langer laten duren
    prolonger
/vər.ˈlɛ.ŋɪŋ/, /vɛr.ˈlɛ.ŋɪŋ/
noun
  1. 1. dat waarmee iets verlengd is
    1. allongement
    2. prolongement
  2. 2. het verlengen
    prolongation
noun
elektrisch snoer voorzien van stekker en contrastekker
rallonge
verb
1. van licht voorzien
  1. illuminer
  2. éclairer
noun
illuminance
noun
amoureuze gerichtheid op een bepaalde persoon
amour
noun
1. het teloorgaan, kwijtraken
perte
verb
1. iets kwijt raken
perdre
noun
1. iemand die in een spel, wedstrijd, onderhandeling of oorlog verliest
perdant
/vərˈludərə(n)/
verb
1. te gronde gaan
se clochardiser
noun
  1. congé
  2. permission
verb
1. tot kwaad brengen
  1. attirer
  2. séduire
  3. tenter
noun
1. iemand die toegezegd heeft met een partner in het huwelijk te willen treden
  1. fiancé
  2. fiancée
adjective
  1. 2. in een vervallen toestand verkeren
    débauché
  2. 1. niet meer geldig of niet meer van toepassing
    expiré
verb
  1. 2. een neergaande lijn vertonen
    décliner
  2. 1. zijn geldigheid verliezen
    expirer
/vərˈloːrə(n)/
adjective
  1. 5.3. (Bijbel) verloren schaap (afgedwaald van de kudde)
    1. brébis perdue
    2. brébis égarée
  2. 5.2. (Bijbel) verloren zoon
    fils prodigue
  3. 1-5.
    perdu
verb
  1. 2. een vrouw geneeskundig bijstaan bij de bevalling
    1. accoucher
    2. faire accoucher
  2. 1. daadwerkelijk of overdrachtelijk van ketenen bevrijden
    délivrer
pronoun
  1. Rédempteur
  2. Sauveur
verb
1. iemand een (informele) belofte om te trouwen geven
fiancer
verb
1.aan lichaamsgewicht verliezen
maigrir
verb
  1. 1. iemand prettig en leuk bezighouden
    1. divertir
    2. amuser
    3. distraire
  2. 3. iets in een testament toebedelen
    1. léguer
    2. donner par testament
    3. transmettre en héritage
  3. 2. een kledingstuk veranderen
    1. refaire
    2. transformer
verb
1. het herhaald optellen van een getal; een rekenkundige bewerking waarvan de uitkomst het product wordt genoemd
multiplier
noun
multiplicateur
/vər.ˌme.nəx.ˈvʏɫ.də.ɣɪŋ/, /vər.ˌme.nəχ.ˈvʏɫ.də.χɪŋ/, /vɛr.ˌme.nɪx.ˈvʏl.di.ɣɪŋ(g)/
noun
  1. 1 .een vermeerdering tot een veelvoud van het oorspronkelijke aantal
    multiplication
  2. 2.een voortplanting
    reproduction
/vərˈmetəl/
adjective
1.
audacieux
noun
1.
potage printanier
/vərˈmɛi̯də(n)/
verb
1. trachten te ontwijken
éviter
adjective
2. in een tint rood met RAL-nummer 2002
orangé sang
noun
  1. 3. tint rood met RAL-nummer 2002
    orangé sang
    1. 2. naar oranje zwemende dieprode kleur
    2. 1. bepaalde rode kleurstof op basis van kwik(I)sulfide, HgS
    vermillon
adjective
1.
diminué
phraseologicalUnit
1. een interval van een octaaf min een halve toon
octave diminuée
phraseologicalUnit
1. een interval van een kwart min een halve toon
quarte diminuée
phraseologicalUnit
1. een interval van een kwint min een halve toon
quinte diminuée
phraseologicalUnit
1. een prime min een halve toon
  1. prime diminuée
  2. unisson diminué
phraseologicalUnit
1. een kleine seconde min een halve toon
seconde diminuée
phraseologicalUnit
1. een kleine secunde min een halve toon
seconde diminuée
phraseologicalUnit
1. een kleine secunde min een halve toon
seconde diminuée
phraseologicalUnit
1. een kleine septiem min een halve toon
septième diminuée
phraseologicalUnit
1. een kleine sext min een halve toon
sixte diminuée
phraseologicalUnit
1. een kleine terts min een halve toon
tierce diminuée
verb
  1. 2. doen afnemen in aantal, kleiner maken
  2. 1. afnemen in aantal, kleiner worden
diminuer
noun
1.
  1. disparu
  2. disparue
conjunction
1. omdat of aangezien, geeft onderschikkend een reden aan
attendu que
noun
1. een waarschijnlijke waarheid
conjecture
verb
1. een gedachte koesteren waarvan men niet zeker is maar die een zekere waarschijnlijkheid inhoudt
supposer
adjective
1. behoefte hebbend om uit te rusten
fatigué
/vərˈmoχə(n)/
noun
2. de kwaliteiten om iets te kunnen doen
puissance
noun
1. attributen die iemand draagt om de ware identiteit te verhullen
déguisement
verb
1. gewelddadig van het leven beroven
  1. assassiner
  2. tuer
noun
1. versterkte wijn, op smaak gebracht met aromatische planten en kruiden
vermouth
verb
1. iemand zo behandelen dat hij zich minderwaardig voelt
humilier
verb
1. een einde maken aan, het bestaan uitwissen van, volledig tenietdoen
détruire
noun
1. einde maken aan het bestaan van iets
déstruction
/vərˈniwə(n)/
verb
2. bij de tijd brengen
rénover
noun
1. een oplossing van filmvormende stoffen in vluchtige oplosmiddelen...
vernis
verb
1. iets voorzien van een laag vernis
  1. vernir
  2. vernisser
verb
1. een bepaalde aanname maken
supposer
adjective
  1. lésé
  2. lésée
/vər.ɔnt.ˈrɛɪ̯.nə.χə(n)/, /vər.ɔnt.ˈrɛː.nə.ɣə(n)/, /vɛr.ɔnt.ˈrɛɪ̯.nɪ.ɣə(n)/
verb
1. ergens schadelijke en stoffen en vuiligheden inbrengen
salir
verb
1. ongerust maken, zorgen baren
  1. inquiéter
  2. alarmer
adjective
1. onrust veroorzakend
inquiétant
noun
inquiétude
adverb
1. gevoelens koesterend dat men te na gekomen is
indigné
/və.rɔn.ˈtʋar.də.χɪŋ/, /və.rɔn.ˈtβ̞ar.də.ɣɪŋ/, /vɛr.ɔnt.ˈwar.di.ɣɪŋ(g)/
noun
1. boosheid
indignation
verb
1. in een rechtszaak een oordeel uitspreken
  1. comdamner
  2. désapprouver
  3. réprouver
verb
1. zichzelf iets toestaan, gewoonlijk een financiële uitgave
permettre
noun
ordonnance
adjective
désuet
/vərˈʌʊdərə(n)/
verb
  1. 1. ouder worden
    vieillir
  2. 2. uit de mode raken
    être dépassé
/vərovərə(n)/
verb
1. een gebied door een militaire operatie in zijn macht nemen
conquérir
noun
conquête
/vər.ˈpɑχ.tə(n)/
verb
1. huur ontvangen voor het vergeven van het recht om een stuk land te gebruiken dat aan jouzelf toebehoort
donner à ferme
noun
1. het materiaal waarin iets verpakt is
emballage
verb
1. ervoor zorgen dat iets niet leuk meer is
empoisonner
/vər.ˈplɑn.tə(n)/
verb
1. op een andere plaats zetten
transplanter
noun
  1. 1. iemand die beroepshalve patiënten verpleegt
  2. 2. een deskundige in de verpleegkunde
  1. infirmier
  2. infirmière
noun
1. vrouw die zorg verleent aan zieken of gewonden
infirmière
verb
1. een zieke verzorgen
soigner
noun
infirmier
adjective
1. door iets of iemand gedwongen
obligé
verb
1. tot regel maken dat iets moet
obliger
/vər.ˈplɪx.tɪŋ/, /vər.ˈplɪχ.tɪŋ/, /vɛr.ˈplɪx.tɪŋ(g)/
noun
1. iets dat moet
obligation
/vəˈraːt/
noun
1. het schenden van trouw
trahison
verb
2. een geheim prijsgeven
trahir
noun
1. iemand die verraad pleegt
traître
verb
  1. 1. iemand onverwachts met iets confronteren
  2. 2. iemand onverwachts verblijden
surprendre
/və.ˈra.sɪŋ/, /və.ˈrɑ.sɪŋ/, /vɛ.ˈrɑ.sɪŋ(g)/
noun
1. een geheel onverwachte gebeurtenis
surprise
/ˈvɛrəˌkɛːkər/, /ˈvɛrəˌkɛːɪkər/
noun
1. een optisch instrument om voorwerpen op grote afstand te kunnen waarnemen door het vergrotend effect van het instrument
  1. jumelles
  2. longue-vue
verb
1. rijker maken
enrichir
/və'rɛizə(n)/
verb
1.
  1. se dresser
  2. se lever
  3. surgir
noun
1. uit de dood opstaan
résurrection
verb
1. in beweging komen
  1. bouger
  2. remuer
interjection
  1. pourri
  2. corrumpu
  3. putréfié
/və.rɔ.tə(n)/
verb
1. vergaan als gevolg van het rottingsproces
  1. pourrir
  2. putréfier
verb
1. in vervoering brengen
  1. enchanter
  2. ravir
adjective
  1. 2. niet ingeblikt, niet diepgevroren
    frais
  2. 1. nieuw, net gemaakt
    récent
noun
  1. 3. couplet
    1. couplet
    2. vers
  2. 1. gedicht
    poème
  3. 2. dichtregel
    vers
/vərˈsaɣə(n)/, /vərˈsaχə(n)/
verb
1. de moed opgeven
se décourager
adjective
versatile
verb
1. benodigdheden beschikbaar maken
fournir
indefinitePronoun
plusieurs
noun
2. verstemlozing van obstruenten in eindpositie
dévoisement final
verb
1. aan stukken rijten
déchirer
/vər'sxɛɪnə(n)/
verb
1. aan het licht treden, zichtbaar worden
apparaître
noun
apparition
/vɛrsxɛɪnsəɫ/
noun
1. iets dat zich voordoet
phénomène
noun
1. een aspect dat bij vergelijking anders is
différence
verb
1. in bepaalde opzichten niet hetzelfde zijn
différer
noun
point de désaccord
adverb
1. zo erg dat men er van schrikt
terrible
verb
1. het verbranden van materiaal zonder aanwezigheid van vuur
  1. roussir
  2. brûler
verb
1. door uitdroging rimpelig en klein worden
se racornir
/ˈfɛrsi/
noun
  1. 1. specifieke vorm of variant van een uitgave
  2. 2. bepaalde verklaring of interpretatie van een gebeurtenis
version
/vɛrˈsi:rə(n)/
verb
3.
  1. draguer
  2. allumer
noun
1. iets aangebracht om het uiterlijk fraaier te maken
décoration
verb
versifier
verb
versifier
adjective
  1. accroché
  2. accro
noun
1.iemand die verslaafd is aan iets
intoxiqué
verb
1. een definitieve overwinning boeken op een tegenstander
  1. battre
  2. vaincre
noun
  1. reporter
  2. reporteur
/vər.ˈsla.vɪŋ/, /vɛr.ˈsla.vɪŋ(g)/
noun
1. een toestand waarin een persoon fysiek en/of mentaal van een gewoonte of stof afhankelijk is
addiction
noun
dégradation
verb
1. coderen
  1. encoder
  2. chiffrer
verb
1. door veelvuldig gebruik onbruikbaar worden of maken
s'user
verb
1. grote hoeveelheden geheel verorberen
  1. dévorer
  2. avaler
verb
1. een grotere snelheid (doen) bereiken
accélérer
noun
    1. 1. toename van het tempo
    2. 2. tweede tijdsafgeleide van de positie
    accélération
  1. 3. mechaniek voor overdracht van aandrijving
    vitesse
noun
1. een schakelinrichting aan een motorvoertuig om van de ene naar de andere versnelling te gaan
  1. boîte de vitesses
  2. boîte de vitesse
noun
  1. levier de vitesse
  2. pomme de boîte de vitesse
verb
1. door nalatigheid verloren laten gaan
  1. gaspiller
  2. dilapider
/vər.ˈspɪ.lɪŋ/
noun
1. het teloor laten gaan van iets waardevols door nalatigheid
gaspillage
verb
1. tot splinters maken
fracturer
verb
1. in omloop brengen, over een groter oppervlak uitbreiden
  1. éparpiller
  2. disperser
  3. divulguer
  4. disséminer
/vər.ˈstaːn/
verb
1. begrijpen van een uiting
comprendre
adjective
1. met verstand
  1. intelligent
  2. raisonnable
  3. sensé
noun
boîte à onglets
verb
  1. 2. anders stellen
    régler
  2. 1. weer in orde brengen, zorgen dat het heel wordt
    réparer
verb
1.
pétrifier
verb
    1. 1. sterker maken
    2. 3. beter bestand maken tegen aanvallen
    fortifier
  1. 2. het aantal vergroten
    renforcer
/vər.ˈstɛr.kɪŋ/, /vɛr.ˈstɛr.kɪŋ(g)/
noun
  1. 3. een fortificatie
    fortification
  2. 1. het versterken
    1. renforcement
    2. consolidation
    3. raffermissement
  3. 2. extra hulp in probleemsituaties
    renfort
verb
1. stijf worden
  1. engourdir
  2. raidir
verb
1. doen stikken
étouffer
noun
1.
asphyxie
verb
matérialiser
/vər'stɔpə(n)/
verb
1. iets stoppen waar het niet gemakkelijk gevonden zal worden
cacher
/vərˈstɔ.pər.tjə/
noun
cache-cache
noun
1. onderbreking van het gewone of gewenste beloop
dérangement
verb
1. het verlopen van een tijdslimiet
expirer
adjective
1. geestelijk afgeleid
distrait
verb
  1. 1. spreiden
    1. disperser
    2. éparpiller
  2. 1. vermaken
    1. distraire
    2. régaler
verb
1. in fijne nevel omzetten
  1. vaporiser
  2. pulvériser
verb
1. iets aan een verzendbedrijf ter bezorging afgeven
envoyer
verb
1. suf worden
s'abêtir
verb
1. omzetten van geschreven of gesproken informatie naar een andere taal
traduire
noun
traducteur
/vərˈtalɪŋ/
noun
1. iets dat vertaald is
  1. traduction
  2. interprétation
/ˈvɛrtə/
noun
1. het gebied dat nog net binnen zichtsafstand is
lointain
/ˌvɛrtəˈbraɫ/
adjective
1. met betrekking tot de wervels
vertébral
verb
1. teder stemmen
attendrir
verb
1.
représenter
noun
1. iemand die de plaats van een ander inneemt
représentant
verb
1. een al of niet ware gebeurtenis verhalen
raconter
noun
1. een verhaal dat bedoeld is om verteld te worden
  1. récit
  2. narration
  3. conte
verb
1. voedsel afbreken
digérer
verb
1. een voorwerp bedekken met een dun laagje tin
étamer
verb
1. vertalen, het van de ene taal omzetten in een andere taal
interpréter
verb
1. laten zien
montrer
noun
spectacle
verb
1. langzamer doen worden
ralentir
/vər.ˈtra.ɣɪŋ/, /vər.ˈtra.χɪŋ/, /vɛr.ˈtra.ɣɪŋ(g)/
noun
1. het langzamer gaan
retard
verb
1. weggaan
partir
noun
point de départ
/vər.ˈtrɛk.stat/
noun
1. een tabel waarop staat aangegeven wanneer en op welk perron een trein of bus vertrekt
horaire
noun
heure du départ
verb
1.
  1. choyer
  2. dorloter
noun
1. het geloof in betrouwbaarheid van een persoon
confiance
verb
manufacturé
verb
1. maken, samenstellen
  1. fabriquer
  2. préparer
verb
1. een bedrieglijke kopie maken van een waardevol voorwerp
  1. contrefaire
  2. falsifier
/vər.ˈvɑɫ.sɪŋ/, /vɛr.ˈvɑl.sɪŋ(g)/
noun
1. een artefact opzettelijk nagemaakt om mensen in de waan te brengen dat het echt is
  1. contrefaçon
  2. faux
/vər'vɑŋə(n)/
verb
1. het ene de plaats doen innemen van het andere
remplacer
noun
remplacement
verb
3. zich ~: niet weten wat te doen
s'ennuyer
adjective
  1. 1. niet boeiend
    1. barbant
    2. ennuyeux
  2. 2. onaangenaam/onprettig en tegelijkertijd hinderlijk en lastig
    1. irritant
    2. ennuyeux
    3. gênant
/vər'vɛlə(n)/
verb
1. oude huid afwerpen om daarmee nieuwe onderliggende huid bloot te stellen
peler
verb
1. met verf bestrijken
peindre
noun
peintre
verb
1. iets viermaal zo groot maken
quadrupler
verb
1. iets vijfmaal zo groot maken
quintupler
adjective
maudit
interjection
  1. putain
  2. tabarnac
verb
A.1 omvormen van een werkwoord om wijze, tijd en persoon uit te drukken
conjuguer
/vər.ˈvu.ɣɪŋ/, /vər.ˈvu.χɪŋ/, /vɛr.ˈvu.ɣɪŋ(g)/
noun
1. werkwoordsflexie
conjugaison
/vərˈvuːr/
noun
  1. 2. middel waarmee overbrenging van zaken plaatsvindt
    moyen de transport
  2. 1. overbrenging van zaken van één plaats naar de andere
    transport
verb
1. personen of objecten naar een andere plek brengen
transporter
noun
extase
noun
1. voorwerp bestemd om personen of goederen naar een andere plaats te brengen
moyen de transport
/vər'vɔlɣən/
verb
  1. 1. een handeling voortzetten of de draad opnieuw opnemen
    1. continuer
    2. poursuivre
  2. 2. niet rusten voor iemand bestraft of geweld aangedaan is
    persécuter
  3. 3. voor het gerecht beschuldigen
    poursuivre
verb
1. meer volmaakt maken
perfectionner
verb
1. de vorm van iets doen veranderen, meestal ten nadele ervan
déformer
verb
1. vreemd maken, van eigenaar doen wisselen
aliéner
noun
2. overdracht van het eigendom
aliénation
verb
1. vrouwelijk maken
féminiser
verb
1. bezoedelen met verontreinigingen
polluer
/vərˈvœy̯lɪŋ/
noun
pollution
adjective
1. zich boven anderen verheven voelend
présomptueux
adjective
1. niet de moeite om zich met iets bezig te houden
négligeable
verb
1. iets niet de benodigde verzorging schenken
négliger
/vər.ˈʋɑχ.tɪŋ/, /vər.ˈβ̞ɑx.tɪŋ/, /vɛr.ˈwɑx.tɪŋ(g)/
noun
datgene wat verwacht wordt
attente
adjective
  1. 1. geparenteerd, familie zijnd
    apparenté
  2. 2. op een of andere wijze gerelateerd
    1. lié
    2. connexe
noun
1. familielid
parent
verb
  1. 1. iets warm maken
    chauffer
  2. 2. zich ~ : zich opwarmen
    se chauffer
/vər.ˈʋɑr.mɪŋ/, /vər.ˈβ̞ɑr.mɪŋ/, /vɛr.ˈwɑr.mɪŋ(g)/
noun
  1. 2. een installatie die voor het verwarmen zorgt
    chauffage
  2. 1. het proces van verwarmen
    1. chauffage
    2. échauffement
/vɛrˈʋɑrən/
verb
1. in de war brengen
mêler
/vɛrˈʋɛ.χɪsˌtɑn/, /vɛrˈβ̞ɛ.ɣɪsˌtɑn/
pronoun
1. uithoek, een hypothetisch en oneindig ver land
  1. Pétaouchnoc
  2. Pétaouchnoque
verb
affaiblir
/və(r).ˈʋɛ.kə(n)/
verb
doen ontstaan (ook in biologische zin)
engendrer
noun
1.iemand die de biologische vader van iemand is
géniteur
noun
procréation
/vərˈʋɛrkə(n)/
verb
  1. 2. overdrachtelijk: geestelijk in het reine komen met een moeilijkheid of verandering
    accepter
  2. 1. een grondstof of halffabrikaat gebruiken om een eindproduct te vervaardigen
    traiter
noun
traitement
verb
  1. 1. afwijzen
    1. rejeter
    2. condamner
    3. désapprouver
    4. repousser
  2. 2. wraken
    récuser
  3. 3. verstoten
    répudier
/vərˈwɛɪ̯dərə(n)/, /vərˈʋɛɪ̯dərə(n)/, /vərˈβ̞ɛːdərə(n)/
verb
  1. 1. weghalen
    enlever
  2. 2. zich verwijderen
    s'éloigner
noun
reprocher
/vər'ʋɛɪzə(n)/
verb
1. naar iets of iemand anders wijzen of sturen
renvoyer
noun
1. een vermelding van een bron waar meer informatie te vinden is
référence
verb
1. op een verwarrende, vervelende wijze bij een zaak betrokken zijn
  1. embourber
  2. mouiller
adverb
féral
verb
1. ~ van iemand ergens van op de hoogte brengen
  1. avertir
  2. informer
verb
1. totaal vernielen
  1. détruire
  2. ravager
adjective
  1. 1. (onvoltooid deelwoord) vernielend
    dévastant
  2. 2. (bijvoeglijk naamwoord) vernielend
    1. dévastateur
    2. dévastatrice
noun
1.
désertification
verb
1. lichamelijk letsel veroorzaken
blesser
verb
  1. 1. overgankelijk werkwoord
  2. 2. wederkerend werkwoord
étonner
noun
acquis
verb
1. minder erg maken
adoucir
noun
saturation
noun
point de saturation
verb
  1. 2. een verzameling hebben of aanleggen
    collectionner
  2. 1. bijeenbrengen
    rassembler
  3. 3. bijeenkomen
    1. réunir
    2. venir ensemble
/vər.ˈza.mə.lɪŋ/, /vɛr.ˈza.mə.lɪŋ(g)/
noun
  1. 1. meerdere voorwerpen...
    collection
  2. 2. wiskundige verzameling
    ensemble
noun
point de rencontre
noun
  1. accumulation compulsive
  2. syllogomanie
noun
  1. accumulation compulsive
  2. syllogomanie
adjective
  1. 2. wie een verzekering heeft
    assuré
  2. 1.
    1. assuré
    2. garanti
/vər.ˈze.kə.rɪŋ/, /vɛr.ˈze.kə.rɪŋ(g)/
noun
  1. 1. overeenkomst waarmee men zorgt voor vergoeding van schade, diefstal e.d...
  2. 2. de mededeling dat iets ...
assurance
noun
1.
prime d'assurance
verb
1. een bericht via post of e-mail overbrengen
envoyer
noun
1. handelingen gericht tegen de heersende macht of de aanvallende vijand
résistance
noun
1. beweging van het verzet, de gezamenlijke mensen die zich verzetten tegen een overheerser
résistance (politique)
noun
groupe de résistance
noun
noyau de résistance
verb
  1. 4. met een laag zink afdekken
    1. galvaniser
    2. zinguer
  2. 3. iets in een materiaal doen zinken
    noyer
  3. 2. diep in gedachten zijn
    se plonger dans
verb
inventer
noun
1. vraag om iets te doen of te laten
requête
verb
1. aan iemand vragen iets al dan niet te doen
  1. demander
  2. prier
verb
1. vrede laten sluiten
réconcilier
noun
1.
conciliateur
verb
  1. 2. het loopvlak van een autoband vervangen
    rechaper
  2. 1. de zool van een schoen vervangen
    ressemeler
verb
1.
soigner
adjective
  1. 2. (figuurlijk) gek zijn op
    1. accro
    2. raffolé
  2. 1. gek, verdwaasd
    1. affolé
    2. cinglé
verb
1. zuur (doen) worden
  1. acidifier
  2. aciduler
  3. aigrir
/vɛrzʋɑkə(n)/
verb
  1. 1. zwakker maken
    1. affaiblir
    2. atténuer
  2. 1. zwakker worden
    1. faiblir
    2. s'affaiblir
    3. s'atténuer
verb
  1. 1. figuurlijk erger maken
    aggraver
  2. 2.opzettelijk beladen met extra gewicht
    alourdir
verb
1.
engloutir
pronoun
1.
Vesdre
/ˈvɛsəˌmə(n)/
verb
1. (een draad) door het oog van een naald steken.
enfiler
noun
1. een mouwloos jasje, te dragen onder de jas van het kostuum
gilet
adjective
1. met betrekking tot het evenwichtsorgaan
vestibulaire
verb
  1. 2. richten
    fixer
  2. 1. stichten
    1. fonder
    2. établir
  3. 3. er gaan wonen
    s'établir
adjective
vestimentaire
adjective
1. dik, vet inhoudend
gros
noun
  1. 1. gladde, zeer vette vloeistoffen, smeermiddelen
    1. graisse
    2. gras
    3. matière grasse
  2. 2. gespecialiseerd dierlijk weefsel
    1. gras
    2. graisse
/vɛtblɑt/
noun
1.1 bepaald soort vleesetende plant, Pinguicula vulgaris
grassette commune
noun
lacet
noun
  1. 1. een voormalig militair die gevochten heeft, een uitgediend krijgsman
  2. 2. een ervaren en oud persoon in een bepaald onderwerpgebied, zoals een sporter, geleerde, etc.
vétéran
noun
gevaarlijke longontsteking, veroorzaakt door de legionellabacterie
  1. légionellose
  2. maladie du légionnaire
noun
1. een van de gaten in kleding of schoeisel, bestemd om een veter door te rijgen
œillet
noun
1. een haak aan kleding of schoeisel waaromheen een veter kan worden geslagen
crochet chaussure
adjective
vétérinaire
noun
1. een van de gaten waardoor een veter wordt geregen
œillet
noun
1. het tot een stift verharde, afgebonden of van een rijgmalie voorziene eind van een touw, koord of veter
ferret
verb
1. een dier/persoon overvloedig en calorierijk voedsel aanbieden zodat deze in gewicht aankomt
engraisser
noun
1. veto
  1. veto
  2. véto
noun
1. een drukpomp om smeervet door smeernippels te persen
pistolet graisseur
noun
tissu adipeux
noun
  1. 2.
    gros lard
  2. 1. een zak(je) met vet
    poche de graisse
noun
ziekelijke vetafzetting in menselijke weefsels
adipose
/ˈvɛtzyr/
noun
1. een keten van ten minste twee koolstofatomen en een carboxylgroep
acide gras
noun
1. jong van bepaalde hoefdieren als het paard, de ezel, de kameel en de zebra
poulain
pronoun
Furnes
noun
vexation
verb
vexer
noun
1.
vexillologie
noun
1. een antenne voor het vhf-gebied
antenne VHF
preposition
1. langs
via
pronoun
  1. 1. een Luxemburgse stad
  2. 2. een Luxemburgse kanton
  3. 3. een middeleeuws graafschap
Vianden
noun
1. een bespeler van een vibrafoon
vibraphoniste
noun
1. marimba met metalen toetsen en vibratosysteem
vibraphone
verb
vibrer
adverb
vice versa
noun
1.
vice-champion
noun
vice-président
adjective
vicieux
noun
cercle vicieux
pronoun
2. spelwoord voor de letter V
Victor
pronoun
1. Australische deelstaat gelegen in het zuidoosten van het land
Victoria
adjective
victorieux
noun
1. een telefoontoestel waarmee geluid en beeld verzonden kunnen worden
visiophone
/viːr/
noun
1. het getal tussen de drie en de vijf
quatre
/ˈviːrdə/
ordinalAdjective
  1. 2. gedeeld door vier (een kwart)
    quart
  2. 1. nummer vier in een rij
    quatrième
verb
1. een feest vieren
  1. célébrer
  2. fêter
cardinalNumeral
1. het getal 34
trente-quatre
cardinalNumeral
1. het getal 94
quatre-vingt-quatorze
cardinalNumeral
1. het getal 84
quatre-vingt-quatre
cardinalNumeral
1. het getal 24
vingt-quatre
cardinalNumeral
1. het getal 44
quarante-quatre
cardinalNumeral
1. het getal 54
cinquante-quatre
cardinalNumeral
1. het getal 64
soixante-quatre
/ˈvirənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 74
soixante-quatorze
noun
1. een geometrische tweedimensionale vorm, bestaande uit vier hoeken en derhalve ook vier zijden
quadrilatère
adjective
1. met vier hoeken; met vier kanten
  1. quadrangulaire
  2. tétragonal
/ˈviːrˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 400
quatre-cents
cardinalNumeral
1. het getal 408
quatre-cent-huit
cardinalNumeral
1. het getal 438
quatre-cent-trente-huit
cardinalNumeral
1. het getal 498
quatre-cent-quatre-vingt-dix-huit
cardinalNumeral
1. het getal 488
quatre-cent-quatre-vingt-huit
cardinalNumeral
1. het getal 428
quatre-cent-vingt-huit
cardinalNumeral
1. het getal 448
quatre-cent-quarante-huit
cardinalNumeral
1. het getal 458
quatre-cent-cinquante-huit
cardinalNumeral
1. het getal 468
quatre-cent-soixante-huit
/ˌvirhɔndərtˈɑxtənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 478
quatre-cent-soixante-dix-huit
cardinalNumeral
1. het getal 418
quatre-cent-dix-huit
cardinalNumeral
1. het getal 413
quatre-cent-treize
cardinalNumeral
1. het getal 430
quatre-cent-trente
cardinalNumeral
1. het getal 403
quatre-cent-trois
cardinalNumeral
1. het getal 433
quatre-cent-trente-trois
cardinalNumeral
1. het getal 493
quatre-cent-quatre-vingt-treize
cardinalNumeral
1. het getal 483
quatre-cent-quatre-vingt-trois
cardinalNumeral
1. het getal 423
quatre-cent-vingt-trois
cardinalNumeral
1. het getal 443
quatre-cent-quarante-trois
cardinalNumeral
1. het getal 453
quatre-cent-cinquante-trois
cardinalNumeral
1. het getal 463
quatre-cent-soixante-trois
/ˌvirhɔndərˈdrijənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 473
quatre-cent-soixante-treize
cardinalNumeral
1. het getal 401
quatre-cent-un
cardinalNumeral
1. het getal 431
quatre-cent-trente-et-un
cardinalNumeral
1. het getal 491
quatre-cent-quatre-vingt-onze
cardinalNumeral
1. het getal 481
quatre-cent-quatre-vingt-un
cardinalNumeral
1. het getal 421
quatre-cent-vingt-et-un
cardinalNumeral
1. het getal 441
quatre-cent-quarante-et-un
cardinalNumeral
1. het getal 451
quatre-cent-cinquante-et-un
cardinalNumeral
1. het getal 461
quatre-cent-soixante-et-un
/ˌvirhɔndərtˈenənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 471
quatre-cent-soixante-et-onze
cardinalNumeral
1. het getal 411
quatre-cent-onze
cardinalNumeral
1. het getal 409
quatre-cent-neuf
cardinalNumeral
1. het getal 439
quatre-cent-trente-neuf
cardinalNumeral
1. het getal 499
quatre-cent-quatre-vingt-dix-neuf
cardinalNumeral
1. het getal 489
quatre-cent-quatre-vingt-neuf
cardinalNumeral
1. het getal 429
quatre-cent-vingt-neuf
cardinalNumeral
1. het getal 449
quatre-cent-quarante-neuf
cardinalNumeral
1. het getal 459
quatre-cent-cinquante-neuf
cardinalNumeral
1. het getal 469
quatre-cent-soixante-neuf
/ˌvirhɔndərtˈneɣənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 479
quatre-cent-soixante-dix-neuf
cardinalNumeral
1. het getal 419
quatre-cent-dix-neuf
cardinalNumeral
1. het getal 490
quatre-cent-quatre-vingt-dix
cardinalNumeral
1. het getal 480
quatre-cent-quatre-vingts
cardinalNumeral
1. het getal 410
quatre-cent-dix
cardinalNumeral
1. het getal 412
quatre-cent-douze
cardinalNumeral
1. het getal 402
quatre-cent-deux
cardinalNumeral
1. het getal 432
quatre-cent-trente-deux
cardinalNumeral
1. het getal 492
quatre-cent-quatre-vingt-douze
cardinalNumeral
1. het getal 482
quatre-cent-quatre-vingt-deux
cardinalNumeral
1. het getal 422
quatre-cent-vingt-deux
cardinalNumeral
1. het getal 442
quatre-cent-quarante-deux
cardinalNumeral
1. het getal 452
quatre-cent-cinquante-deux
cardinalNumeral
1. het getal 462
quatre-cent-soixante-deux
/ˌvirhɔndərˈtwejənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 472
quatre-cent-soixante-douze
cardinalNumeral
1. het getal 420
quatre-cent-vingt
cardinalNumeral
1. het getal 414
quatre-cent-quatorze
cardinalNumeral
1. het getal 440
quatre-cent-quarante
cardinalNumeral
1. het getal 404
quatre-cent-quatre
cardinalNumeral
1. het getal 434
quatre-cent-trente-quatre
cardinalNumeral
1. het getal 494
quatre-cent-quatre-vingt-quatorze
cardinalNumeral
1. het getal 484
quatre-cent-quatre-vingt-quatre
cardinalNumeral
1. het getal 424
quatre-cent-vingt-quatre
cardinalNumeral
1. het getal 444
quatre-cent-quarante-quatre
cardinalNumeral
1. het getal 454
quatre-cent-cinquante-quatre
cardinalNumeral
1. het getal 464
quatre-cent-soixante-quatre
/ˌvirhɔndərtˈfirənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 474
quatre-cent-soixante-quatorze
cardinalNumeral
1. het getal 405
quatre-cent-cinq
cardinalNumeral
1. het getal 435
quatre-cent-trente-cinq
cardinalNumeral
1. het getal 495
quatre-cent-quatre-vingt-quinze
cardinalNumeral
1. het getal 485
quatre-cent-quatre-vingt-cinq
cardinalNumeral
1. het getal 425
quatre-cent-vingt-cinq
cardinalNumeral
1. het getal 445
quatre-cent-quarante-cinq
cardinalNumeral
1. het getal 455
quatre-cent-cinquante-cinq
cardinalNumeral
1. het getal 465
quatre-cent-soixante-cinq
/ˌvirhɔndərtˈfɛifənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 475
quatre-cent-soixante-quinze
cardinalNumeral
1. het getal 415
quatre-cent-quinze
cardinalNumeral
1. het getal 450
quatre-cent-cinquante
cardinalNumeral
1. het getal 406
quatre-cent-six
cardinalNumeral
1. het getal 436
quatre-cent-trente-six
cardinalNumeral
1. het getal 496
quatre-cent-quatre-vingt-seize
cardinalNumeral
1. het getal 486
quatre-cent-quatre-vingt-six
cardinalNumeral
1. het getal 426
quatre-cent-vingt-six
cardinalNumeral
1. het getal 446
quatre-cent-quarante-six
cardinalNumeral
1. het getal 456
quatre-cent-cinquante-six
cardinalNumeral
1. het getal 466
quatre-cent-soixante-six
/ˌvirhɔndərtˈsɛsənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 476
quatre-cent-soixante-seize
cardinalNumeral
1. het getal 416
quatre-cent-seize
cardinalNumeral
1. het getal 460
quatre-cent-soixante
/ˌvirhɔndərtˈsøvən/
cardinalNumeral
1. het getal 407
quatre-cent-sept
/ˌvirhɔndərtˈsøvənənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 437
quatre-cent-trente-sept
/ˌvirhɔndərtˈsøvənəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 497
quatre-cent-quatre-vingt-dix-sept
/ˌvirhɔndərtˈsøvənənˌtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 487
quatre-cent-quatre-vingt-sept
/ˌvirhɔndərtˈsøvənənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 427
quatre-cent-vingt-sept
/ˌvirhɔndərtˈsøvənəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 447
quatre-cent-quarante-sept
/ˌvirhɔndərtˈsøvənəɱˌvɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 457
quatre-cent-cinquante-sept
/ˌvirhɔndərtˈsøvənənˌsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 467
quatre-cent-soixante-sept
/ˌvirhɔndərtˈsøvənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 477
quatre-cent-soixante-dix-sept
/ˌvirhɔndərtˈsøvənˌtin/
cardinalNumeral
1. het getal 417
quatre-cent-dix-sept
/ˌvirhɔndərtˈsøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 470
quatre-cent-soixante-dix
/ˈviː.rɪŋ(g)/, /ˈviː.rɪŋ/
noun
1. het vieren
célébration
adjective
1. met de vorm van een vierkant
carré
noun
1. geometrische tweedimensionale vorm, bestaande uit 4 gelijke hoeken van 90 graden en 4 zijden met gelijke lengte
carré
noun
1.
mètre carré
adjective
1. met vierkante, rechthoekige of trapezumvormige zeilen die aan ra’s zijn bevestigd
gréement carré
noun
1. dat getal dat met zichzelf vermenigvuldigd een gegeven getal oplevert
racine carrée
noun
1. akkoord van vier verschillende tonen
accord de quatre notes
pronoun
lac des Quatre-Cantons
adjective
1. smerig
sale
pronoun
  1. Vietnam
  2. Viêt Nam
pronoun
1. de officiële taal van Vietnam
vietnamien
noun
1. 10120
vigintillion
noun
vignette
adjective
vigoureux
noun
1. iemand met wie men op voet van oorlog leeft
ennemi
adjective
1. van de vijand
  1. ennemi
  2. hostile
noun
1. een vijandige daad
hostilité
adjective
1. zich als een vijand gedragend
hostile
noun
1. het vijandig zijn
hostilité
noun
1. een toestand van op voet van oorlog zijn
  1. inimitié
  2. hostilité
/vɛi̯f/
cardinalNumeral
1. het getal 5
cinq
/ˈvɛɪ̯f.də/, /ˈvɛɪ̯v.də/, /ˈvɛːv.də/
ordinalAdjective
1. nummer vijf in een rij
cinquième
cardinalNumeral
1. het getal 35
trente-cinq
cardinalNumeral
1. het getal 95
quatre-vingt-quinze
cardinalNumeral
1. het getal 85
quatre-vingt-cinq
cardinalNumeral
1. het getal 25
vingt-cinq
cardinalNumeral
1. het getal 45
quarante-cinq
cardinalNumeral
1. het getal 55
cinquante-cinq
cardinalNumeral
1. het getal 65
soixante-cinq
/ˈvɛifənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 75
soixante-quinze
noun
1. een geometrische tweedimensionale vorm, bestaande uit vijf hoeken en derhalve ook vijf zijden
pentagone
/ˈvɛi̯fˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 500
cinq-cents
cardinalNumeral
1. het getal 508
cinq-cent-huit
cardinalNumeral
1. het getal 538
cinq-cent-trente-huit
cardinalNumeral
1. het getal 598
cinq-cent-quatre-vingt-dix-huit
cardinalNumeral
1. het getal 588
cinq-cent-quatre-vingt-huit
cardinalNumeral
1. het getal 528
cinq-cent-vingt-huit
cardinalNumeral
1. het getal 548
cinq-cent-quarante-huit
cardinalNumeral
1. het getal 558
cinq-cent-cinquante-huit
cardinalNumeral
1. het getal 568
cinq-cent-soixante-huit
/ˌvɛifhɔndərtˈɑxtənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 578
cinq-cent-soixante-dix-huit
cardinalNumeral
1. het getal 518
cinq-cent-dix-huit
cardinalNumeral
1. het getal 513
cinq-cent-treize
cardinalNumeral
1. het getal 530
cinq-cent-trente
cardinalNumeral
1. het getal 503
cinq-cent-trois
cardinalNumeral
1. het getal 533
cinq-cent-trente-trois
cardinalNumeral
1. het getal 593
cinq-cent-quatre-vingt-treize
cardinalNumeral
1. het getal 583
cinq-cent-quatre-vingt-trois
cardinalNumeral
1. het getal 523
cinq-cent-vingt-trois
cardinalNumeral
1. het getal 543
cinq-cent-quarante-trois
cardinalNumeral
1. het getal 553
cinq-cent-cinquante-trois
cardinalNumeral
1. het getal 563
cinq-cent-soixante-trois
/ˌvɛifhɔndərˈdrijənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 573
cinq-cent-soixante-treize
cardinalNumeral
1. het getal 501
cinq-cent-un
cardinalNumeral
1. het getal 531
cinq-cent-trente-et-un
cardinalNumeral
1. het getal 591
cinq-cent-quatre-vingt-onze
cardinalNumeral
1. het getal 581
cinq-cent-quatre-vingt-un
cardinalNumeral
1. het getal 521
cinq-cent-vingt-et-un
cardinalNumeral
1. het getal 541
cinq-cent-quarante-et-un
cardinalNumeral
1. het getal 551
cinq-cent-cinquante-et-un
cardinalNumeral
1. het getal 561
cinq-cent-soixante-et-un
/ˌvɛifhɔndərtˈenənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 571
cinq-cent-soixante-et-onze
cardinalNumeral
1. het getal 511
cinq-cent-onze
cardinalNumeral
1. het getal 509
cinq-cent-neuf
cardinalNumeral
1. het getal 539
cinq-cent-trente-neuf
cardinalNumeral
1. het getal 599
cinq-cent-quatre-vingt-dix-neuf
cardinalNumeral
1. het getal 589
cinq-cent-quatre-vingt-neuf
cardinalNumeral
1. het getal 529
cinq-cent-vingt-neuf
cardinalNumeral
1. het getal 549
cinq-cent-quarante-neuf
cardinalNumeral
1. het getal 559
cinq-cent-cinquante-neuf
cardinalNumeral
1. het getal 569
cinq-cent-soixante-neuf
/ˌvɛifhɔndərtˈneɣənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 579
cinq-cent-soixante-dix-neuf
cardinalNumeral
1. het getal 519
cinq-cent-dix-neuf
cardinalNumeral
1. het getal 590
cinq-cent-quatre-vingt-dix
cardinalNumeral
1. het getal 580
cinq-cent-quatre-vingts
cardinalNumeral
1. het getal 510
cinq-cent-dix
cardinalNumeral
1. het getal 512
cinq-cent-douze
cardinalNumeral
1. het getal 502
cinq-cent-deux
cardinalNumeral
1. het getal 532
cinq-cent-trente-deux
cardinalNumeral
1. het getal 592
cinq-cent-quatre-vingt-douze
cardinalNumeral
1. het getal 582
cinq-cent-quatre-vingt-deux
cardinalNumeral
1. het getal 522
cinq-cent-vingt-deux
cardinalNumeral
1. het getal 542
cinq-cent-quarante-deux
cardinalNumeral
1. het getal 552
cinq-cent-cinquante-deux
cardinalNumeral
1. het getal 562
cinq-cent-soixante-deux
/ˌvɛifhɔndərˈtwejənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 572
cinq-cent-soixante-douze
cardinalNumeral
1. het getal 520
cinq-cent-vingt
cardinalNumeral
1. het getal 514
cinq-cent-quatorze
cardinalNumeral
1. het getal 540
cinq-cent-quarante
cardinalNumeral
1. het getal 504
cinq-cent-quatre
cardinalNumeral
1. het getal 534
cinq-cent-trente-quatre
cardinalNumeral
1. het getal 594
cinq-cent-quatre-vingt-quatorze
cardinalNumeral
1. het getal 584
cinq-cent-quatre-vingt-quatre
cardinalNumeral
1. het getal 524
cinq-cent-vingt-quatre
cardinalNumeral
1. het getal 544
cinq-cent-quarante-quatre
cardinalNumeral
1. het getal 554
cinq-cent-cinquante-quatre
cardinalNumeral
1. het getal 564
cinq-cent-soixante-quatre
/ˌvɛifhɔndərtˈfirənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 574
cinq-cent-soixante-quatorze
cardinalNumeral
1. het getal 505
cinq-cent-cinq
cardinalNumeral
1. het getal 535
cinq-cent-trente-cinq
cardinalNumeral
1. het getal 595
cinq-cent-quatre-vingt-quinze
cardinalNumeral
1. het getal 585
cinq-cent-quatre-vingt-cinq
cardinalNumeral
1. het getal 525
cinq-cent-vingt-cinq
cardinalNumeral
1. het getal 545
cinq-cent-quarante-cinq
cardinalNumeral
1. het getal 555
cinq-cent-cinquante-cinq
cardinalNumeral
1. het getal 565
cinq-cent-soixante-cinq
/ˌvɛifhɔndərtˈfɛifənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 575
cinq-cent-soixante-quinze
cardinalNumeral
1. het getal 515
cinq-cent-quinze
cardinalNumeral
1. het getal 550
cinq-cent-cinquante
cardinalNumeral
1. het getal 506
cinq-cent-six
cardinalNumeral
1. het getal 536
cinq-cent-trente-six
cardinalNumeral
1. het getal 596
cinq-cent-quatre-vingt-seize
cardinalNumeral
1. het getal 586
cinq-cent-quatre-vingt-six
cardinalNumeral
1. het getal 526
cinq-cent-vingt-six
cardinalNumeral
1. het getal 546
cinq-cent-quarante-six
cardinalNumeral
1. het getal 556
cinq-cent-cinquante-six
cardinalNumeral
1. het getal 566
cinq-cent-soixante-six
/ˌvɛifhɔndərtˈsɛsənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 576
cinq-cent-soixante-seize
cardinalNumeral
1. het getal 516
cinq-cent-seize
cardinalNumeral
1. het getal 560
cinq-cent-soixante
/ˌvɛifhɔndərtˈsøvən/
cardinalNumeral
1. het getal 507
cinq-cent-sept
/ˌvɛifhɔndərtˈsøvənənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 537
cinq-cent-trente-sept
/ˌvɛifhɔndərtˈsøvənəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 597
cinq-cent-quatre-vingt-dix-sept
/ˌvɛifhɔndərtˈsøvənənˌtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 587
cinq-cent-quatre-vingt-sept
/ˌvɛifhɔndərtˈsøvənənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 527
cinq-cent-vingt-sept
/ˌvɛifhɔndərtˈsøvənəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 547
cinq-cent-quarante-sept
/ˌvɛifhɔndərtˈsøvənəɱˌvɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 557
cinq-cent-cinquante-sept
/ˌvɛifhɔndərtˈsøvənənˌsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 567
cinq-cent-soixante-sept
/ˌvɛifhɔndərtˈsøvənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 577
cinq-cent-soixante-dix-sept
/ˌvɛifhɔndərtˈsøvənˌtin/
cardinalNumeral
1. het getal 517
cinq-cent-dix-sept
/ˌvɛifhɔndərtˈsøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 570
cinq-cent-soixante-dix
/ˈvɛi ̯ftin/
cardinalNumeral
15
quinze
noun
1. een aantal van 15 op elkaar gelijkende zaken of personen
quinzaine
/ˈfɛi̯ftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 50
cinquante
noun
1.
quinquagénaire
noun
1.
quintuple
noun
1. vrucht van de vijgenboom
figue
noun
feuille de figuier
noun
1. tropische boom
figuier
noun
1. een werktuig met een ruw, gegroefd of gekerfd oppervlak dat het mogelijk maakt dunne lagen van een voorwerp te verwijderen
lime
noun
1. vijlsel
limaille
noun
1. tamelijk klein door de mens aangelegd water
  1. étang
  2. vivier
noun
  1. A 1. een vat waarin met een stamper stoffen fijngestampt kunnen worden
    mortier
  2. B 1. een dommekracht of krik
    cric
  3. B 2. waterschroef
    vis d'Archimède
noun
pilon
verb
1. in- of uitdraaien van een schroef
visser
/ˈvikɪŋ/
noun
1. Scandinavische krijger, behorend tot de noordelijke tak van de Germanen
viking
verb
1. van het vel ontdoen
écorcher
noun
door langdurig bewerken verdichte wol
feutre
/ˈvɪltə(n)/
adjective
1. van vilt gemaakt
de feutre
noun
1. hoed
chapeau de feutre
noun
1. een pen met een poreuze kern
  1. feutre
  2. stylo-feutre
pronoun
1.
Vilvorde
/vɪn/
noun
1. uitstekend lichaamsdeel van vissen en andere aquatische dieren
  1. nageoire
  2. aileron
/'vɪndə(n)/
verb
    1. 1. iets aantreffen nadat ernaar gezocht is
    2. 2. iets bedenken
    3. 4. iets ondervinden, iets ten deel krijgen
    trouver
  1. 3. iets op een bepaalde wijze beschouwen of ervaren
    1. trouver
    2. penser
noun
2. ontdekking, uitvinding
invention
noun
1. extremiteiten van de hand
  1. doigt
  2. orteil
/ˈvɪ.ŋər.ˌɑf.drʏk/, /ˈvɪ.ŋər.ˌɑv.drʏk/
noun
1. een afdruk op een oppervlak van een vinger met meestal de unieke, persoonsgebonden figuur...
empreinte digitale
/ˈvɪ.ŋər.ɑl.faˌbɛt/, /ˈvɪ.ŋər.ɑɫ.faˌbɛt/
noun
1. een verzameling gebaren waarmee alle letters van een alfabet worden uitgebeeld
  1. alphabet manuel
  2. alphabet dactylologique
  3. alphabet digital
/'vɪŋərə(n)/
verb
1. met de hand of vinger bevredigen
doigter
/'vɪŋərˌɦut/
noun
1. hard dopje dat het eerste kootje van de vinger beschermt bij het naaien
dé à coudre
/ˈvɪ.ŋər.knɪp/
noun
claquement de doigts
noun
topje van een vinger
bout du doigt
noun
doigté
noun
vinification
noun
pinson
noun
1.
triton palmé
noun
vintage
noun
acétate de vinyle
noun
chlorure de vinyle
noun
1. viola d'amore
viole d'amour
noun
1. viola da braccio
viola da braccio
noun
1. knie- of beenviool
viole de gambe
noun
violence
verb
violer
noun
1. (kleur) een kleur tussen blauw en ultraviolet, met een golflengte tussen de 430 en 380 nm
violet
noun
1. musicus die een viool bespeelt
violoniste
noun
1. een viersnarig strijkinstrument dat tijdens het bespelen door de violoncellist of cellist tussen de knieën wordt gehouden
violoncelle
noun
1. strijkinstrument
violon
noun
1. vioolsleutel
clef de sol
noun
1. benaming voor planten uit het geslacht Viola
violette
adjective
1. door een virus veroorzaakt
viral
noun
1. toetsinstrument
virginal
noun
virginité
noun
virtualité
adjective
1.
virtuel
adjective
virtuose
adjective
virulent
/virəs/
noun
  1. 1.
  2. 2.
virus
noun
  1. 1. Pisces, gewerveld dier met kieuwen, levend in water
  2. 2. het vlees van een vis
poisson
noun
vis-à-vis
noun
1. Pandion haliaetus, een vooral visetende roofvogel die de enige soort uit de familie Pandionidae is
balbuzard pêcheur
noun
1. een handelaar die gespecialiseerd is in de verkoop van vis
poissonnier
noun
fishburger
noun
1. stroperigheid van een vloeistof of gas
viscosité
/vi.ˈse.rə(n)/
verb
1. voor gezien tekenen
viser
noun
hameçon
/vizi'ɣotis/
adjective
1.
  1. wisigothique
  2. wisigoth
adjective
visionnaire
verb
visiter
adjective
1. stroperig ten gevolge van inwendige wrijving
visqueux
noun
1. vlechtwerk van touw om zeedieren te vangen of in water te bewaren
filet de pêche
noun
plat de poisson
noun
1. een seizoen waarin het toegestaan is om te vissen
saison de la pêche
pronoun
2. teken van de dierenriem, traditioneel behorend bij geboortedata van ongeveer 19 februari tot 21 maart
Poissons
verb
1. proberen te vangen
pêcher
noun
1. iemand die beroepsmatig vist
pêcheur
noun
bateau de pêche
noun
1. een voor de visvangst ingericht schip
bateau de pêche
noun
bouillabaisse
noun
bâtonnet de poisson
verb
1. iets beeldend voorstellen (mentaal)
  1. imaginer
  2. visualiser
noun
visualité
/vizyʋel/
adjective
1. betreffende het zicht, betreffende het zienbare
visuel
noun
  1. 1. het vangen van vis
  2. 2. hoeveelheid gevangen vis
pêche
noun
vitalité
noun
1. een stof die het lichaam in kleine hoeveelheden nodig heeft, maar niet of bijna niet door het lichaam zelf aangemaakt kan worden en derhalve in voldoende mate via voedsel of supplement ingenomen moet worden
vitamine
noun
1. een dunne gordijn gewoon van een mooie kleur die de zonnestraling enigszins tempert en inkijk voorkomt
vitrage
/vi'trøs/
adjective
vitreux
noun
  1. 3. in het
    avoir dans le collimateur
  2. 1. een richttoestel op de loop van een vuurwapen
    viseur
  3. 2. klep aan een hoofddeksel
    visière
  4. 1. minister of hoog staatsdienaar
    vizir
noun
± vloeibaar dessert van zuivel, eieren en vanille, evt. verdikt met zetmeel
  1. crème anglaise
  2. crème dessert
/vlax/
noun
  1. 2. een opwelling, het plotseling en tegelijkertijd hevig opkomen van iets
    impulsion
  2. 1. een plotselinge windstoot
    rafale
/ˈflaːɪ̯/, /ˈvlaɪ̯/
noun
  1. 2. koeienvlaai
    bouse
  2. 1. Limburgse vlaai, plat rond gebak.
    galette
adjective
1. betrekking hebbende op Vlaanderen of de Vlamingen
flamand
pronoun
1. Nederlands zoals dat in Vlaanderen gesproken wordt
flamand
pronoun
1. Belgische provincie
Brabant flamand
noun
1. achtknoop
noeud de huit
noun
1. bepaald soort kraaiachtige vogel, Garrulus glandarius
geai des chênes
noun
1. achtknoop
nœud de huit
pronoun
1. de noordelijke deelstaat van België
  1. Flandre
  2. Flandres
/vlɑχ/
noun
1. lap stof met een vast patroon van kleuren die gevoerd wordt als symbool van een organisatie, beweging of natie
  1. drapeau
  2. étendard
noun
1. een slinger van vlaggen
drisse
noun
mât de pavillon
/ˈvlɑɣəˌsxɪp/
noun
1. schip waarop zich de bevelvoerder over een vloot of eskader bevindt
  1. navire amiral
  2. vaisseau amiral
noun
1. bepaald soort vis, Thymallus thymallus
  1. ombre commun
  2. ombre
noun
stuk rubber dat door wrijven potloodschrift van papier kan verwijderen
gomme
noun
1. bepaald soort giftige vaste plant die sporen vormt, Diphasiastrum complanatum
lycopode aplati
noun
1. solide vlakke ondergrond voor meetdoeleinden
plaque de base
noun
1. vlaktafel op een onderstel
plague de base
noun
1. gebied met weinig of geen hoogteverschillen
plaine
noun
1. kleinste vorm van vuur
flamme
noun
four à arc électrique
/'vlamɪŋ/
noun
1. een inwoner van Vlaanderen of iemand afkomstig uit Vlaanderen
Flamand
noun
1. een stoomketel waarbij de hete rookgassen, door met water omringde vlampijpen, geleid worden
chaudière a tubes fumées
noun
point d'éclair
noun
lin
adjective
1. een lichtgele, lichtblonde kleur zoals die van rijp vlas
filasse
noun
1. bepaald soort vinkachtige vogel Carduelis cannabina
linotte
noun
1. een gebonden pluk haar
tresse
/ˈvlɛx.tə(n)/, /ˈvlɛχ.tə(n)/
verb
1. in elkaar strengelen
  1. tresser
  2. natter
noun
1. klein vliegend zoogdier
  1. chauve-souris
  2. chauvesouris
noun
  1. 1. spierweefsel van bepaalde organen
    1. chair
    2. viande
  2. 2. spierweefsel van dieren dat opgegeten kan worden als onderdeel van de voeding
    viande
noun
1. een vleesetend dier
carnivore
adjective
1. de kleur van vlees bezittend
couleur de chair
noun
subsitut de viande
noun
1. dorswerktuig
fléau
verb
1. (onoprechte) complimenten geven, meestal om bij iemand in de gunst te komen
flatter
noun
flatteur
noun
1.
flatteuse
noun
3. muziekinstrument
piano à queue
noun
hydroptère
noun
1. gevleugelde vrucht
samare
/'vløxəlspelər/
noun
1.
ailier
/'vlidə(n)/
verb
  1. 2. formeel: snel weg trachten te komen, vluchten
  2. 1. formeel: (van tijd) voorbijgaan
fuir
/vlix/, /vliχ/
noun
1. tweevleugelig insect
mouche
noun
1. een militair vliegveld
  1. base aérienne
  2. base d'aviation
noun
1. groot vaartuig dat is ingericht voor het opstijgen, landen, vervoer en onderhoud van meerdere vliegtuigen
porte-avions
/ˈvli.ɣə(n)/, /ˈvli.χə(n)/
verb
1. zich door de lucht voortbewegen
voler
noun
1. Lucanus cervus, een kever uit de familie vliegende herten
cerf-volant
noun
1. benaming voor zeevissen uit de familie Exocoetidae
poisson volante
noun
1.
canne à mouche
noun
1. bepaald soort paddenstoel, Amanita muscaria
amanite tue-mouches
noun
    1. 1. een voorwerp dat door de wind aan een draad in de lucht opgelaten kan worden
    2. 2. een vierhoek waarvan twee paar aanliggende zijden en één paar ...
    cerf-volant
  1. 5. een klein driehoekig scheepszeil, ...
    foc-en-l'air
  2. 6. iemand die vliegt
    pilote
  3. 7. een dier m.b.t. zijn vaardigheid in het vliegen
    voilier
noun
1. van bijenkorf
trou de vol
/ˈvlixtœːx/, /ˈvliχtœʏχ/
noun
1. vervoermiddel dat speciaal ontworpen is voor het reizen door de lucht
  1. avion
  2. aéroplane
/ˈvlixfɛɫt/
noun
1. een terrein waar vliegtuigen kunnen landen en opstijgen
  1. aérodrome
  2. aéroport
pronoun
Vlieland
noun
sureau
noun
sureau
noun
1. dunne laag op een oppervlak
pellicule
/'vlitə(n)/
verb
  1. 1. formeel: zachtjes vloeien of stromen
  2. 2. formeel: als iets vluchtigs voorbijgaan
fuir
/vlɛɪ̯m/, /vlɛːm/
noun
1. scherp snijinstrument dat eertijds gebruikt werd bij het aderlaten.
phlébotome
/ˈvlɛɪ̯msxɛrp/, /ˈvlɛɪ̯msχɛrp/, /ˈvlɛːmsxɛrp/
adjective
1. heel erg scherp
tranchant comme une lame de rasoir
noun
1. benaming voor nectar etende insecten uit de orde Lepidoptera
papillon
noun
nœud papillon
pronoun
1.
Flessingue
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Siphonaptera
puce
noun
1. verhoging van de waterstand
  1. marée haute
  2. flux
adjective
1. in staat te vloeien, gezegd van de aggregatietoestand van stoffen die niet vast en niet gasvormig zijn
liquide
/ˈvlujə(n)/
verb
1. zacht stromen
couler
noun
  1. 2.
    1. papier buvard
    2. buvard
  2. 1. papier om een sigaret van te rollen
    papier à cigarettes
noun
1. een stof in die aggregatietoestand waarin het geen eigen vorm heeft, maar wel een eigen volume
  1. liquide
  2. fluide
verb
1. uitroepen van vloekwoorden, beledigende taal gebruiken
jurer
/vlur/
noun
  1. plancher
  2. sol
pronoun
1. plaats in Noord-Frankrijk nabij Béthune
Fleurbaix
pronoun
1. een faciliteitengemeente in de Belgische provincie Henegouwen
Flobecq
noun
1. een samenhangend hoopje van sneeuw of andere lichte stof
flocon
noun
2. slootplank
caillebotis
noun
marché aux puces
/vloːt/
noun
1. bij elkaar horende schepen
flotte
adjective
1. gemakkelijk, eenvoudig, zonder veel problemen
  1. facile
  2. rapide
noun
1. een drijvende constructie
radeau
noun
1. het zich door luchtruim bewegen
vol
/'vlɵxtəlɪŋ/
noun
1.
réfugié
noun
1.
réfugiée
adjective
1. gemakkelijk in damp overgaand
volatil
noun
  1. enregistreur de vol
  2. boîte noire
  3. enregistreur de bord
/ˈvlʏxtstrok/
noun
1. een door een doorgetrokken streep gemarkeerd afgescheiden gedeelte van de rijbaan op de autosnelweg of autoweg, bedoeld voor noodsituaties
bande d'arrêt d'urgence
pronoun
1. wereldwijde organisatie waarin alle landen kunnen samenwerken
ONU
verb
vocaliser
noun
vocation
noun
1. de vijfde naamval waarin een naamwoord staat dat aanduidt tot wie het woord wordt gericht
vocatif
adjective
humide
noun
1. de mate van vocht
humidité
verb
1. van voedsel voorzien
nourrir
/vudərə(n)/
verb
1. voedsel verschaffen aan dieren
  1. nourrir
  2. affourrager
/ˈvu.dɪŋ(g)/, /ˈvu.dɪŋ/
noun
1. voedsel
alimentation
noun
1. toevoeging aan voeding
additif alimentaire
noun
1.
nutritionniste
noun
1. voedingsmiddel dat bedoeld is als aanvulling op de normale voeding
complément alimentaire
noun
1. alles wat een organisme tot zich neemt om het metabolisme in werking te houden
nourriture
noun
banque alimentaire
noun
1.
  1. précarité
  2. alimentaire
noun
1.
sécurité alimentaire
adjective
1.
nourrissant
verb
3. afwerken van metselwerk
  1. jointoyer
  2. lier
/ˈvuxʋoːrt/
noun
conjonction
verb
1. gewaarworden door aanraking, meestal met betrekking tot temperatuur of druk
sentir
noun
1. een langgerekt, gewoonlijk geleed, uitwendig orgaan op de kop van een insect dat zintuigen voor de tastzin of soms ook voor gehoor of smaak bevat
antenne
pronoun
1. rivier in Limburg
  1. Foron
  2. Voer
/vur/
noun
1. voedsel, inzonderlijk voor huisdieren en vee
fourrage
pronoun
1. faciliteitengemeente en exclave in het zuidoosten van Belgisch-Limburg
Fourons
verb
  1. 4. een kind eten in de mond stoppen
    nourrir
  2. 3. dieren te eten geven
    1. nourrir
    2. affourrager
/ˈvuː.rɪŋ(g)/, /ˈvuː.rɪŋ/
noun
1. de binnenbekleding van een voorwerp
doublure
pronoun
sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Cocher
/ˈvuːrtœx/, /ˈvuːrtœyx/
noun
1. vervoermiddel over land
véhicule
noun
  1. 1. voortzetting van het been beneden de enkel
  2. 3. oude lengtemaat
  3. 2. de bodem van iets
pied
/ˈvut.bɑɫ/
noun
1. een balsport waarbij twee teams van 11 spelers met hun voeten (of hoofd) een bal in het doel van de tegenstander proberen te krijgen
  1. football
  2. foot
  3. soccer
verb
1. een spel met een voetbal spelen
  1. faire du foot
  2. faire du football
  3. jouer au foot
  4. jouer au football
noun
1. een persoon die de sport voetbal beoefent
footballeur
noun
1. bovenzijde van een voetzool
  1. semelle intérieure
  2. assise plantaire
/vuˈterə(n)/
verb
1. te voet gaan
aller à pied
noun
1. iemand die zich te voet door het verkeer verplaatst
piéton
/ˈvut.ɣɑ.ŋərs.ɣəˌbit/, /ˈvut.χɑ.ŋərs.χəˌbit/
noun
1. een gebied waarin geen voertuigen zijn toegestaan en waar dus gelopen moet worden
  1. zone piétonne
  2. zone piétonnière
  3. plateau piétonnier
  4. zone pour piétons
/'vutpɑt/
noun
1. een pad voor voetgangers
sentier
noun
1. een rem die met de voet bediend wordt
frein à pied
noun
1. een steunpunt voor de voet
repose-pied
noun
1. een onderstel voor o.a. beelden en vazen
piédestal
noun
1. de onderzijde van de voet
plante du pied
/ˈvoːɣəl/, /ˈvoχɔɫ/
noun
1. een gewerveld dier (Aves) met twee vleugels, twee poten, een snavel en veren...
  1. oiseau
  2. volatile
noun
1. enige zoogdier met een snavel, Ornithorhynchus anatinus
ornithorynque
/ˈvoɣəlˌɛː/, /ˈvoχəɫˌɛɪ/
noun
1. een ei van een vogel
œuf d'oiseau
/ˈvo.ɣəl.kɛrs/
noun
1. bepaalde boomsoort die in West-Europa thuishoort, Prunus padus
cerisier à grappes
noun
mouron des oiseaux
noun
1. grote behaarde spin die leeft in de tropische streken
  1. mygale
  2. tarentule
noun
1. manshoge pop
épouvantail
adjective
1. buiten de wet gesteld
proscrit
pronoun
1. gebergte
Vosges
noun
  1. voix off
  2. Voice-over
pronoun
1.
Voïvodine
/vɔl/, /vɔɫ/
adjective
1. geheel gevuld
  1. plein
  2. pleine
  3. pleines
pronoun
1. een kunstmatige taal die in 1880 door Johann Martin Schleyer gemaakt werd
  1. volapük
  2. volapuk
noun
1. mate van beweeglijkheid van de koers van een aandeel of een ander financieel product...
volatilité
adjective
pur-sang
/vɔl.ˈdu.nɪŋ(g)/, /vɔɫ.ˈdu.nɪŋ/
noun
1. tevredenheid
satisfaction
/'vɔlxə(n)/
verb
1. achterna gaan
suivre
adjective
1. dat later komt
  1. prochain
  2. suivant
preposition
1. geeft een bron aan voor de gegeven redenering
  1. selon
  2. d'après
  3. suivant
noun
1. vergoeding aan de kunstenaar bij doorverkoop van zijn kunstwerk
droit de suite
adjective
1.
docile
/vɔl.ˈhɑr.dɪŋ(g)/, /vɔɫ.ˈɦɑr.dɪŋ/
noun
persistance
/vɔlk/
noun
  1. 4. een aantal mensen
    gens
    1. 1. een groep mensen die een aantal dingen gemeenschappelijk hebben, zoals afstamming, taal, gewoontes of overlevering
    2. 2. de inwoners van een land
    1. peuple
    2. nation
pronoun
Société des Nations
noun
1. internationaal privaat- en publiekrecht
droit international
noun
génocide
noun
1. brood van meel met zemelen
pain complet
noun
1. tarwe met zemelen en kiem
blé complet
noun
1. lied dat dienst doet als symbool voor een volk of een natie
hymne national
noun
république populaire
noun
1. de taal van het gewone volk, vaak informeel van aard en soms als minder beschaafd gezien, in tegenstelling tot de standaardtaal
  1. langue vulgaire
  2. langue populaire
/ˈvɔlks.tœʏn/
noun
2. moestuin beschikbaar gesteld aan stadsbewoners
  1. jardin familial
  2. jardin ouvrier
/ˈvɔlksvərˌhœyzɪŋ/
pronoun
1. het binnentrekken van het Romeinse rijk door stammen die voorheen ten noorden en oosten daarvan woonden
invasions barbares
noun
1. fase of schijngestalte van de maan, waarbij de naar de aarde gekeerde zijde, geheel door de zon wordt verlicht en daardoor zichtbaar is
pleine lune
adverb
  1. 1. zonder iets ongedaan te laten
    1. complet
    2. entier
  2. 1. zonder iets ongedaan te laten
    complètement
noun
  1. 2. bal
    1. ballon de volley-ball
    2. ballon de volley
  2. 1. spel
    1. volley-ball
    2. volley
/vɔlˈmaːkt/
adverb
1. zonder enig gebrek
parfait
noun
1. de volmaaktheid
idéalité
noun
1. rechtsbevoegdheid om namens een ander te handelen
procuration
noun
volontaire
/vɔlpɛn'ʃɔn/
noun
1.
pension complète
/vɔl.ˈstan/
verb
suffire
verb
empiffrer
noun
volt
verb
voltiger
noun
1. spanningmeter
voltmètre
noun
1. het woord dat deel heeft aan het werkwoord en aan het naamwoord en als afgesloten gezien wordt
participe passé
noun
indicatif plus-que-parfait
verb
1. ten einde brengen
  1. achever
  2. finir
/vɔl'trɛkə(n)/
verb
  1. 1. ten uitvoer brengen
    1. accomplir
    2. effectuer
    3. exécuter
  2. 2. gebeuren
    1. s'accomplir
    2. se dérouler
noun
  1. 1. ruimtelijke capaciteit
  2. 3. fysieke informatiedrager
volume
/volymi'nøs/
adjective
1.
volumineux
adjective
volontaire
adjective
1. mollig en voorzien van rondingen
voluptueux
verb
1.
s'empiffrer
noun
1. iemand die volgroeid is
adulte
noun
enfant trouvé
noun
1. een gloeiend korreltje of brokstukje
étincelle
noun
1. een beslissing van een rechter in dagvaardingsprocedures
sentence
noun
1. Haïtiaanse religie
vaudou
/voːxt/
noun
1. belangenbehartiger van minderjarige
  1. tuteur
  2. tutrice
noun
1. Iemand die als vervanger het ouderlijk gezag uitoefent
tutrice
noun
1. belangenbehartiging van minderjarige
tutelle
noun
voix
/vor/
noun
1. ploegsnede
sillon
/vor/
preposition
  1. 4. eerder in tijd
    1. avant
    2. devant
  2. 1. dichterbij dan
    devant
  3. 7. ten behoeve van, ten gunste van
    pour
adverb
bouchée de pain
conjunction
1. in die mate als
  1. aussi loin que
  2. autant que
adverb
  1. en avant
  2. en tête
adjective
1. gezaghebbend
éminent
noun
1. afbeelding van iets, zoals van voren gezien
vue de face
/vo:ɾ.ɑl/
adverb
  1. 1. voornamelijk
  2. 2. als het voornaamste of als zeer gewichtig
surtout
noun
1.
avant-bras
noun
1. begin van de avond
début de soirée
noun
1. iets ter navolging
exemple
noun
  1. 1. een voorbereidende behandeling voor de hoofdingreep
  2. 2. een eerste behandeling van een nog verder te bewerken product
  1. prétraitement
  2. traitement préalable
verb
1. handelingen verrichten die een latere gebeurtenis mogelijk moeten maken
préparer
/vorˈbɛɪ̯ɣan/, /vorˈbɛːɣan/, /vo̝rˈbɛɪ̯χan/
verb
  1. 1. langs een bepaald punt gaan.
  2. 2. tot verleden gaan behoren
passer
verb
1. tot betere prestatie komen dan de opponenten
dépasser
/ˈvorbodə/
noun
2. iets dat het naderen van een feit in de toekomst bekend maakt (figuurlijk)
présage
noun
  1. 3. (tennis)
  2. 1. profijt
avantage
adjective
1. een voordeel gevend, met name geldelijk
avantageux
/'voːrdøːr/
noun
1. de hoofddeur aan de voorzijde van een woning
porte d'entrée
verb
2. als kandidaat voorstellen
citer
/ˈvoːrˌdrɪ.ŋə(n)/
verb
doubler
noun
1. de persoon die voorafgaand aan een zeker persoon dezelfde positie bekleedde
prédécesseur
noun
1. eerste, meestal lichte gang van een maaltijd
entrée
noun
origines
noun
1. gevel aan de voorkant
façade
noun
  1. masse
  2. frappe-devant
noun
1. het deel van het gezicht tussen de wenkbrauwen, de normale haarlijn en de slapen
front
noun
1. een van de beenderen van de schedel
os frontal
noun
1. voorhuid van penis
prépuce
noun
fatigue printanière
/vorkɑnt/
noun
1. een van de zijden van een voorwerp, namelijk dewelke naar voren gericht is
avant
noun
connaissance préalable
/ˈvoːrkør/
noun
1. de neiging tot kiezen van het één boven het ander
préférence
/'vɔːr.ko.mə(n)/, /vɔːr.'ko.mə(n)/
verb
1. ervoor zorgen dat iets niet gebeurt
  1. prévenir
  2. éviter
adjective
1. één voor de laatste
  1. avant-dernier
  2. pénultième
verb
1. hardop een tekst lezen ten aanhoren van anderen
  1. lire
  2. lire à haute voix
/vorˈlopəx/, /vorˈlopəç/
adjective
1. tijdelijk in afwachting van iets definitiefs
provisoire
noun
  1. contremaître
  2. chef de file
adjective
1. van hoog aanzien in een gemeenschap
éminent
noun
1. naam die bij de geboorte aan een persoon wordt gegeven, en die aan de familienaam voorafgaat.
  1. prénom
  2. nom de baptême
/ˈvɔːr.nam.ˌʋɔːrt/
noun
1. een woord dat verwijst naar iets anders zonder ze te noemen
pronom
noun
1. een bijwoord ter vervanging van de combinatie voorzetsel met voornaamwoord,...
adverbe pronominal‎
noun
1. iemand van wie afgestammen wordt
ancêtre
noun
première page
noun
joie anticipée
noun
1. een voorlopige test
avant-goût
/ˈvɔːrˌraːt/
noun
1. wat voor later gebruik wordt opgeslagen
  1. réserve
  2. stock
  3. provision
  4. approvisionnement
noun
  1. priorité
  2. antecedence
  3. precedence
noun
privilège
noun
1. glazen vlak aan de voorkant van een voertuig dat zorgt voor zicht op de weg en bescherming tegen weer en wind
pare-brise
noun
1. een vervroegde betaling op het loon
avance
noun
ordonnance
/'vɔːrsxrɛɪvə(n)/
verb
1. een schriftelijke opdracht geven
prescrire
noun
2.
  1. présaison
  2. avant-saison
noun
  1. 2. complete of gedeeltelijke uitvoering van een muziekstuk ter beoordeling
    audition
  2. 3. liefdesspel als opmaat voor seks
    préliminaires
  3. 1. voorbereidende inleiding
    1. prélude
    2. préambule
verb
1. een uitspraak doen over toekomstige gebeurtenissen
prédire
noun
prognostication
noun
prospérité
/'vorsprɔŋ/
noun
1. de mate waarin men verder gevorderd is dan anderen
avance
noun
  1. 1.
  2. 2.
faubourg
noun
1. lijn of staalkabel die is gespannen tussen de boeg en de masttop
étai d'avant
verb
  1. 1. een plan voorleggen
    proposer
  2. 2. een beeld geven
    présenter
adverb
1. van nu af aan, in het vervolg
  1. dorénavant
  2. désormais
noun
dent de devant
noun
  1. 3. symbolen aan het begin van een notenbalk
    armure
  2. 1. signaal dat aan een gebeurtenis voorafgaat
    1. présage
    2. précurseur
  3. 2. plus- of minteken voor een getal
    signe
noun
1. symbolen aan het begin van een notenbalk
armure
verb
1. in hoog tempo aan iets werken
dépêcher
verb
1. geleidelijk verder verlopen
  1. avancer
  2. progresser
verb
  1. continuer
  2. poursuivre
noun
1. het voortzetten van iets
continuation
/voːˈrœːdbəˌtaːlə(n)/, /vo̝ːˈrœʏ̯tbəˌtalə(n)/
verb
1. iets van tevoren betalen
payer d'avance
/voːˈrœːdˌɣaːn/, /voːˈrœːtˌxaːn/, /vo̝ːˈrœʏ̯tˌχan/
verb
1. naar voren gaan
avancer
noun
1.
  1. ancêtre
  2. aïeul
adjective
1.zoals bij de voorvaderen
ancestral
verb
1.
arriver
verb
1.
préchauffer
/ˈvoːrvuxsəɫ/
noun
1. een gebonden morfeem dat voor een ander woord geplaatst wordt om iets aan de betekenis toe te voegen
préfixe
/vorˈʋardələkə ˌʋɛːs/, /vorˈʋardələkə ˌʋɛːɪs/
noun
1. de modus waarin een werkwoord gebruikt wordt als gedaan zou worden
conditionnel
noun
1. een object, iets dat fysiek bestaat
objet
noun
1. een soort van aandrijfmechanisme, waarbij de motorkracht op de voorwielen wordt uitgeoefend
traction avant
noun
1. een onverbuigbaar woord dat de aard van de relatie tussen verschillende elementen in de zin aangeeft
préposition
/vɔːrˈzɪxtəx/
adverb
1. op een oplettende manier
prudent
/vɔːrˈzɪxtəxˌhɛɪt/
noun
1. het voorzichtig zijn
prudence
noun
  1. avers
  2. devant
noun
1. hoofd van een bestuur, leider van een vergadering
président
pronoun
1. deelstaat van Oostenrijk
Vorarlberg
/vɔɾ.dǝ.ɾɪŋ/
noun
  1. 1. vooruitgang, progressie
    1. progrès
    2. amélioration
  2. 2. opeisen
    1. réclamation
    2. action
    3. demande
/'vɔː.rə/
noun
1. ploegsnede
sillon
noun
    1. 3. bepaald landbouwwerktuig (vergelijk met hooivork, mestvork)
    2. 4. fietsonderdeel waarin het wiel wordt bevestigd: telescopische vork, voorvork en achtervork
    1. fourche
    2. fourchette
    1. 2. voorwerp bestaande uit een greep en (meestal 3 of 4) tanden, waarmee vast voedsel wordt gegeten
    2. 1. aftakking van een boomtak of van een weg
    3. 5. (schaak) situatie waarbij één eigen stuk tegelijkertijd twee of meer vijandelijke stukken aanvalt
    fourchette
verb
  1. 1. in de juiste vorm brengen
  2. 2. deel uitmaken van, fungeren als bouwsteen van
former
noun
1. een sacrament waardoor een gedoopte de kracht van de Heilige Geest ontvangt om zijn geloof standvastig te kunnen belijden
confirmation
pronoun
1. gemeente in het zuidwesten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Forest
/vɔrst/
noun
2. weersomstandigheden
  1. givre
  2. gel
noun
1. bepaald zoogdier, Vulpes vulpes
  1. renard
  2. goupil
noun
1. bepaald soort plant, Vaccinium vitis-idaea
airelle rouge
verb
voter
noun
1. (stenen) gewelf of de ruimte onder een gewelf
  1. voute
  2. voûte
verb
plier
noun
vélo pliant
noun
voyeur
noun
voyeurisme
/vra:x/, /vra:χ/
noun
1. een verzoek om inlichting
question
noun
1. een leesteken (?) dat men aan het eind van een zin plaatst om deze vragend te maken
point d'interrogation
/ˈvraxzɪn/, /ˈvraɣzɪn/, /ˈvraχzɪn/
noun
1. een zin in de vorm van een vraag
interrogative
/vrɑxt/, /vrɑχt/
noun
1. de lading van een vervoermiddel
  1. cargaison
  2. chargement
  3. charge
noun
1. een boot die gebouwd is om vracht te vervoeren
cargo
noun
1.
lettre de voiture
noun
1. prijs die men betaalt om een bepaalde hoeveelheid vracht naar een andere locatie te vervoeren
  1. fret
  2. nolis
noun
1. een schip dat uitsluitend bedoeld is voor het vervoer van goederen
  1. cargo
  2. navire cargo
noun
1.
avion-cargo
noun
1. een wagen voor goederenvervoer
camion
noun
  1. camionneur
  2. camionneuse
  3. conducteur de poids-lourd
/ˈvraɣə(n)/, /ˈvraχə(n)/
verb
  1. 2. mondeling of schriftelijk actie verzoeken
    demander
  2. 1. mondeling of schriftelijk informatie verzoeken
    1. demander
    2. questionner
noun
1. ontbreken van oorlog
paix
noun
1.
juge de paix
/ˈvre.dəx/, /ˈvre.dəχ/
adjective
1. onverstoord door geschil of onrust
paisible
adjective
  1. 3. niet bekend
    1. inconnu
    2. étrange
    3. bizarre
  2. 2. gek, onwerkelijk
    1. étrange
    2. bizarre
  3. 1. van buiten, niet van hier
    1. étranger
    2. étrangère
/'vremdə/
noun
1. iemand die niet bekend is
étranger
noun
1. iemand die afkomstig is uit een ander gebied of land dan dat waar hij verblijft
étranger
noun
avare
adjective
1. bijzonder erg, schrikwekkend
terrible
verb
1. het nuttigen van voedsel op een meestal onbeleefde wijze
s'empiffrer
noun
1. een blij gevoel
joie
/ˈvrøx.də.ˌvyːr/, /ˈvrøɣ.də.ˌvyːr/, /ˈvrøχ.də.ˌvyːr/
noun
1. een groots door mensen opgebouwd en gecontroleerd vuur om iets te vieren
feu de joie
/ˈvrezə(n)/
verb
1. bang zijn, angst hebben
  1. craindre
  2. redouter
noun
1. een persoon met wie je een speciale persoonlijke band hebt
  1. ami
  2. copain
adjective
1. met het nodige respect
gentil
noun
2. de vrouwelijke persoon met wie je verkering hebt
  1. amie
  2. copine
noun
1. gelijkwaardige relatie tussen personen die elkaar wederzijds genegen zijn en een vergelijkbare relatie tegelijkertijd ook met anderen kunnen hebben
amitié
adjective
1. in het kader van de vriendschap, niet competitief
amical
noun
1. schade aangebracht aan smaak zowel als structuur van bevroren voedsel
brûlure de congélation
/ˈvrisdroɣə(n)/
verb
1. industriële droogmethode voor onder andere het conserveren van voedingsmiddelen
lyophiliser
/vrispʌnt/
noun
point de congélation
verb
geler
noun
1. een toestel bedoeld om voedingsmiddelen in bevroren toestand gebracht, te bewaren
congélateur
adjective
1. ongebonden, niet in beweging beperkt
libre
noun
1. een dag van de week die na donderdag en voor zaterdag komt
vendredi
noun
1.
  1. libre-penseur
  2. libre penseur
adverb
librement
noun
  1. amant
  2. soupirant
adjective
1. een ongehuwde man of vrouw
célibataire
noun
libre-échange
/ˈvrɛi̯ɦɛi̯t/
noun
1. het vrij zijn
liberté
/ˈvrɛɪhɛɪtsbəˌrovɪŋ/, /ˈvrɛːhɛːtsbəˌrovɪŋ/
noun
2. iemand wederrechtelijk in detentie houden
privation de liberté
verb
  1. 2. vrijhouden
    dégager
  2. 1. toestaan om uit gevangenschap weg te gaan
    sortir de garde à vue
noun
  1. franc-maçon
  2. maçon
noun
franc-maçonnerie
verb
1. door pleiten vrijspraak verwerven voor iemand, door pleiten de onschuld aantonen van iemand, door pleiten verdedigen
  1. absoudre
  2. acquitter
  3. innocenter
  4. libérer
  5. relaxer
noun
acquittement
/'vrɛisprekə(n)/
verb
1. onschuldig verklaren
acquitter
noun
freistaat
adjective
1. niet gedwongen
  1. volontaire
  2. facultatif
noun
1.
accoucheur
/ˈvrud.vrɑu/
noun
1. een vrouw die een bevalling begeleidt
  1. sage-femme
  2. accoucheuse
adjective
2. eerder dan verwacht
précoce
/ˈvruxlaˌtɛin/
pronoun
1. de voorganger van het klassiek Latijn
latin archaïque
/ˈvruxər/, /ˈvruɣər/
adverb
1. (zoals) in het verleden
  1. autrefois
  2. jadis
/ˈvruxlaˌtɛin/
pronoun
1. de voorganger van het klassiek Latijn
latin archaïque
adjective
1.
précoce
adjective
1. in goede stemming
  1. joyeux
  2. heureux
noun
1. een aangename stemming waarin men veel lacht, zich goed voelt en het leven optimistisch bekijkt
gaieté
noun
  1. 1. een volwassen vrouwelijke mens
    1. femme
    2. meuf
    3. verlan
  2. 2. de vrouwelijke partner in een huwelijk
    1. femme
    2. épouse
    3. conjointe
adjective
  1. féminin
  2. femelle
phraseologicalUnit
1.
ouvrages de dame
noun
1.
féminité
noun
gynécologue
noun
mysogyne
noun
2. grootste in Europa voorkomende orchideeënsoort, Cypripedium calceolus
sabot de vénus
noun
1. urinoir dat speciaal is ontworpen voor vrouwen
urinoir féminin
noun
1. een man die veel vrouwen verleidt
homme à femmes
noun
  1. 1. volgroeid vruchtbeginsel
    fruit
  2. 2. ongeboren jong
    fœtus
/'vrʏxt.bar.ɦɛɪ̯t/, /'vrʏxt.bar.ɦɛːt/, /'vrʏɣ.ba.rɛɪ̯d/
noun
1. het vermogen vrucht te dragen
fertilité
noun
PMA
noun
1. boom die eetbare vruchten voortbrengt
arbre fruitier
/ˈvrʏxtə(n)ˌsɑp/, /ˈvrʏχtə(n)ˌsɑp/
noun
1. sap gewonnen uit fruit
  1. jus de fruits
  2. jus de fruit
noun
1. wijn van vergist sap van andere vruchten dan druiven
vin de fruits
noun
1.
usufruit
noun
1.
usufruitier
noun
liquide amniotique
/vœy̯l/
adjective
1. niet schoon
sale
/vœy̯l/
noun
viezigheid, onreine materie
saleté
/vœylbɑk/
noun
1. een bak waarin men huisvuil verzamelt
poubelle
verb
1. obsceniteiten zeggen
dire des obscénités
noun
  1. 2. poep
    excréments
  2. 3. een vuile, gemene uiting
    obscénités
  3. 1. dat wat vuil is
    saleté
noun
1. vuilbak
poubelle
noun
1. materiaal dat weggeworpen wordt
ordures
/'vœylnɪsbɑk/
noun
1. een bak waarin men huisvuil verzamelt
poubelle
noun
1. een opstapeling van huisvuil
tas d'ordures
/ˈvœʏɫnɪsˌʋaxə(n)/, /ˈvœːɫnɪsˌβaɣə(n)/
noun
1. een auto van de vuilophaaldienst
benne à ordures
noun
  1. 2. zware hamer
    massette
  2. 1. gebalde hand
    poing
/ˈvœʏ̯sbɛːɫ/, /ˈvœːstbɛːɫ/, /ˈvœːzbɛɪ̯l/
noun
1. een kerngereedschap uit het paleolithicum, het Acheuléen en het Moustérien
biface
noun
1.
gifle
adjective
vulgaire
verb
1. vulgair maken, platvloers maken, onder het volk brengen
vulgariser
noun
volcan
verb
vulcaniser
noun
1. natuurlijke processen
  1. volcanisme
  2. vulcanisme
noun
1. bepaalde soort vlinder, Vanessa atalanta
volcanologie
adjective
1.
volcanologique
verb
1. vol maken
remplir
/ˈvʏl.pɛn/, /ˈvʏɫ.pɛn/
noun
1. een schrijfpen met holle houder waarin zich een inktreservoir bevindt
  1. stylo-plume
  2. stylo à plume
noun
1. de schaamspleet, de ingang tot de vagina
vulve
/vy.rə(n)/
verb
1. schoten lossen
tirer
/vyːr/
noun
1. lichtverschijnsel bij brand
feu
noun
1. het eerste gevecht van een soldaat
baptême du feu
noun
1.een strijd waarbij partijen elkaar beschieten met vuurwapens
fusillade
noun
1.
nymphe au corps de feu
pronoun
1. een archipel aan de zuidpunt van Zuid-Amerika
Terre de Feu
noun
1. soort godsoordeel
épreuve de feu
adjective
rouge feu
noun
1.
silex
noun
flambée
noun
1. een hoog lichtbaken aan de kust
phare
noun
1. Lycaena, geslacht van vlinders
cuivré
noun
1. Pyrrhocoris apterus
gendarme
noun
1. voorwerpen die gevuld zijn met ontploffende, brandbare en lichtgevende stofmengsels
feu d'artifice
pronoun
1.
Vœlklange
noun
1. benaming voor vogels uit de onderorde Charadrii
échasse
noun
1. iemand die veel durft
casse-cou
noun
1. roekeloosheid
action risquée
/'ʋajə(n)/
verb
1. plaatsvinden van een sterke luchtstroming
souffler
noun
1. scherm in halve schijfvorm
éventail
adjective
weerstoestand waarbij er veel wind aanwezig is
venteux
/ˈʋakɦɔnt/
noun
1. een hond die het huis of een erf bewaakt
chien de garde
noun
1. een klein vlammetje dat continu brandt in een geiser, gaskachel, gasfornuis of cv-ketel, dat ervoor zorgt dat het gas vrijwel direct ontbrandt wanneer de gaskraan van een brander wordt geopend
veilleuse
adverb
1. oplettend
vigilant
noun
1. oplettendheid
vigilance
/wal/
noun
(demoniem) 1. bewoner of iemand die afkomstig is uit Wallonië
Wallon
/wal/
pronoun
(eigennaam) 1. brede zijrivier van de Rijn in Nederland
Waal
adjective
1. betrekking hebbend op Wallonië of de Walen
wallon
pronoun
1. een taal die verwant is aan het Frans en die in Wallonië gesproken wordt
wallon
pronoun
1. Belgische provincie
Brabant wallon
pronoun
1.
  1. Flandre gallicante
  2. Flandre wallone
/wan/, /ʋan/, /β̞an/
noun
  1. 2. onjuiste voorstelling van zaken
    erreur
  2. 1. droomwereld
    illusion
noun
1. het lijden aan een geestesstoornis
folie
/ʋar/
adjective
1. correct
  1. vrai
  2. vraie
/ʋar/
adverb
1. op welke plaats
où
noun
1. een geldbedrag of iets anders dat tijdelijk gegeven wordt als onderpand voor het geval men een verplichting niet na kan komen
garantie
/ʋaːrt/
noun
A 1. baas van een herberg, taveerne of café
aubergiste
noun
valeur
noun
1. document met geldswaarde
papier-valeur
noun
1. het hechten van een waarde aan iets of het tonen daarvan
appréciation
noun
1. dat wat waar is
vérité
adverbialPronoun
  1. avec lesquelles
  2. avec lesquels
verb
1. iets via de zintuigen in zich opnemen
percevoir
noun
1. iets via de zintuigen registreren
  1. observation
  2. perception
/ʋarˈɔm/
noun
1. door welke oorzaak?
pourquoi
adjective
1. aannemelijk, iets dat vermoedelijk zo is
  1. probable
  2. vraisemblable
  3. sans doute
adverb
1. aannemelijk, iets dat vermoedelijk zo is
probablement
/ˈʋaːrsxyu̯ə(n)/
verb
1. iemand verwittigen dat er mogelijke gevaren, problemen of gevolgen zijn
  1. avertir
  2. prévenir
/'ʋaːr.sχy.ʋɪŋ/
noun
1. een mededeling dat er onaangename gevolgen op til zijn
avertissement
noun
1. het voorspellen van de toekomst langs magische weg
bonne aventure
noun
  1. 1. nevelsluier
    brume
  2. 2. mat, witachtig laagje op sommige fruitsoorten
    pruine
pronoun
1.
pays de Waes
pronoun
  1. 1. deelgemeente van de Belgische provincie Henegouwen
  2. 2. Franse gemeente aan de andere kant van de Leie
Warneton
/ˈʋɑx.tə(n)/, /ˈβɑx.tə(n)/
verb
1. op dezelfde plaats of in dezelfde situatie blijven tot iemand komt of iets gebeurt
attendre
noun
1. ruimte of vertrek voor wachtenden, bijvoorbeeld bij een arts of op een station
salle d'attente
/ˈʋɑxtlɛɪst/
noun
1. een lijst met wachtenden
liste d'attente
noun
1. een aantal elementen die in een bepaalde volgorde op een gebeurtenis wachten
  1. file
  2. file d'attente
noun
temps d'attente
noun
1. een geheim woord dat men moet produceren om ergens toegelaten te worden
mot de passe
pronoun
1. een binnenzee die aan de ene kant grenst aan de Waddeneilanden en de Noordzee en aan de andere kant begrensd wordt door het vasteland van Nederland, Duitsland en Denemarken
mer des Wadden
interjection
1. krachtig geluid met korte tussenpozen, zoals een hond dat kan uitstoten
  1. ouaf
  2. oua-oua
noun
1. plat gebak dat vervaardigd wordt in een wafelijzer
gaufre
noun
1. een toestel waarin wafels gebakken worden
gaufrier-grill
/ˈʋaːɣə(n)/, /ˈʋaːχə(n)/
noun
2. een auto
  1. voiture
  2. auto
/ˈʋaːɣə(n)/, /ˈʋaːχə(n)/
verb
1. een poging ondernemen
oser
noun
cambouis
noun
1. reisziekte
mal des transports
adjective
1.
wagnérien
/ʋa'ɣɔn/
noun
1. een voertuig dat deel uitmaakt van een trein
wagon
/waɣɔˈnɛtə/
noun
1. open rijtuig met vier geveerde wielen, waarin de passagiers achter koetsier op twee banken...
wagonette
pronoun
1. verzamelnaam van een zevental talen die in het westen van Canada worden gesproken
langues wakashanes
/ˈwa.kə(n)/, /ˈʋa.kə(n)/, /ˈβ̞a.kə(n)/
verb
  1. 1. opzettelijk wakker zijn
  2. 4. letten op, beschermen
veiller
adjective
1. niet in slaap
éveillé
/wɑl'dɛnzis/
adjective
1.
vaudois
pronoun
1.
lac de Walenstadt
pronoun
1. een van de delen van het Verenigd Koninkrijk, gelegen op een groot eiland in het noordwesten van Europa.
  1. Pays de Galles
  2. pays de Galles
noun
1. een sterke weerzin die fysiek gevoeld wordt
dégoût
pronoun
1. Germaanse strijdgodin
valkyrie
noun
wallaby
pronoun
1.
wallisien
/ʋɑˈlonɪə/
pronoun
Wallonie
/wɑlrʌs/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Odobenus rosmarus
morse
noun
4. dans
valse
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de onderorde Cetacea
baleine
pronoun
1. zeehaven in Namibië
Walvis Bay
noun
1.
baleinier
/ʋɑnt/
noun
  1. paroi
  2. cloison
noun
1. een misdaad, een slechte of gruwelijke handeling
méfait
noun
1. een van de beenderen van de schedel
os pariétal
/ˈʋɑn.də.ˌlar/, /ˈβ̞ɑn.də.ˌlar/
noun
1. iemand die buitenshuis een stuk loopt
promeneur
/ˈʋɑn.dəɫ.ˌbrʏχ/, /ˈβ̞ɑn.dəɫ.ˌbrʏx/
noun
1. een brug waarover men kan lopen, maar die men niet met grotere voertuigen kan oversteken
passerelle
/ˈʋɑn.də.lə(n)/, /ˈβ̞ɑn.də.lə(n)/
verb
1. een wandeling maken
se promener
/ˈʋɑn.dəɫ.ˌru.tə/
noun
1. een route die is uitgezet om bewandeld te worden
circuit pédestre
/ˈʋɑn.dəɫ.ˌsχun/, /ˈβ̞ɑn.dəɫ.ˌsxun/
noun
1. een schoeisel dat speciaal geschikt is om grote wandelingen mee te maken
brodequin de randonnée
/ˈʋɑn.dəɫ.ˌstɔk/, /ˈβ̞ɑn.dəɫ.ˌstɔk/
noun
1. stok die dient als steun bij het wandelen en beschermt tegen vallen
canne
/ˈʋɑn.dəɫ.ˌstrat/, /ˈβ̞ɑn.dəɫ.ˌstrat/
noun
1. een straat die alleen voor voetgangers en bestemmingsverkeer toegankelijk is
rue piétonnière
/ˈʋɑn.dəɫ.ˌtɔχt/
noun
1. een lange wandeling
randonnée à pied
/ˈʋɑn.dəɫ.tu.ˌrɪs.mə/, /ˈβ̞ɑn.dəɫ.tu.ˌrɪz.mə/
noun
1. een vorm van toerisme toegelegd op wandelen
tourisme à pied
/ˈʋɑn.dəɫ.vɐ.ˌkɑn.tsi/
noun
1. een vakantie waarin men voornamelijk wandelt, waarschijnlijk om van de ene overnachtingsplek naar de volgende te komen
vacances pédestres
/ˈʋɑn.dəɫ.ˌʋa.χə(n)/, /ˈβ̞ɑn.dəɫ.β̞a.ɣə(n)/
noun
1. een wagen waarin jonge kinderen rondgereden kunnen worden
poussette
verb
1. zich iets inbeelden wat niet waar is
croire
noun
1. zijkant van het gezicht onder het oog
joue
/'ʋɑn.χə.drɑx/
noun
1. gedrag dat tegen de regels van het fatsoen ingaat
mauvaise conduite
noun
1. flexibel deel van de huid aan de zijkanten van de kop dat door bepaalde zoogdieren wordt gebruikt om voedsel op te slaan
abajoue
/ˈʋɑnɦop/
noun
1. een ellendige toestand waarin men geen uitkomst meer ziet
désespoir
verb
désespérer
verb
1. onvast op de voeten staan, dreigen te vallen
tituber
/ˈʋɑŋkəɫˌmotɔr/
noun
1. een verbrandingsmotor die niet met heen en weer gaande zuigers werkt, maar met een roterende zuiger.
moteur Wankel
noun
tarare
/ʋɑ.ˈneːr/
adverb
1. op welke tijd
quand
verb
1. graan zuiveren van kaf door het in de wind op te werpen of te laten vallen
vanner
noun
1. een ongeregelde toestand met gebrek aan orde
désordre
noun
1. het niet nakomen van een overeenkomst
  1. rupture de contrat
  2. inexécution
/ʋɑnt/
conjunction
1. geeft nevenschikkend een reden aan
  1. car
  2. parce que
/ʋɑnt/
noun
  1. 2. scheepvaart
    1. hauban
    2. agrès
    3. cordages
  2. 1. handschoen
    moufle
/ˈwɑn.tu.stɑnd/, /ˈʋɑn.tu.stɑnt/, /ˈβ̞ɑn.tu.stɑnt/
noun
1. een onacceptabel slechte situatie
situation intolérable
noun
hétéroptère
noun
orchis punaise
/ˈʋaːpən/
noun
  1. 1. een werktuig van geweld
    1. arme
    2. armoiries
  2. 2. een wapenschild
    1. armoiries
    2. blason
noun
commerce des armes
noun
marchand d'armes
noun
  1. blason
  2. écusson
  3. emblème
noun
1. een korte tekst die de bedoeling van iets weergeeft
devise
noun
1. een overeenkomst met de vijand om de vijandelijkheden op te schorten
trêve
noun
course aux armements
noun
1. een antistollingsmiddel
  1. coumaphène
  2. warfarine
/ʋɑrṃ/
adjective
Na te kijken en uit te splitsen vertalingen
  1. chaud
  2. chaleureux
/ʋɑrmˈbludəx/
adjective
  1. 3. temperamentvol
    ardent
  2. 1. de eigen lichaamstemperatuur regulerend
    à sang chaud
noun
1. bladgewas Beta vulgaris
  1. bette
  2. blette
  3. poirée
noun
  1. 1. de mate waarin het weer warm is.
  2. 2. de hoeveelheid thermische energie.
chaleur
noun
1. een front waar een luchtmassa met relatief warme lucht over een gebied schuift waar koude lucht ligt
front chaud
noun
1. een verwarmingsinstallatie die via mechanische arbeid warmte onttrekt aan een koude omgeving en deze toevoert aan een warmere omgeving
pompe à chaleur
noun
échangeur de chaleur
pronoun
1. hoofdstad van Polen
Varsovie
/ʋɑs/
noun
1. weke laagsmeltende en waterafstotende stof
cire
/ˈʋɑsbɑk/
noun
1. een bassin waarin gewassen kan worden
lavabo
noun
1. klein Noord-Amerikaans zoogdier, Procyon lotor
  1. raton laveur
  2. chaoui
noun
1. Nyctereutes procyonoides, een zoogdier en roofdier uit de familie Canidae
chien viverrin
noun
geribbeld bord waarop men de was kan doen
planche à laver
noun
1. een toestel om de kleding die uit de wasmachine komt te drogen
sèche-linge
noun
buée
noun
hotte
/ˈwɑs.knɛɪ̯.pər/, /ˈʋɑs.knɛɪ̯.pər/, /ˈβ̞ɑs.knɛː.pər/
noun
1. een knijper die gemaakt is van hout of plastic om nat wasgoed aan een waslijn te klemmen
pince à linge
noun
1. een apparaat dat op automatische wijze wasgoed reinigt
  1. lave-linge
  2. machine à laver
noun
1. zeep in een vorm om kleding en ander textiel in water te reinigen
lessive
/'ʋɑsə(n)/
verb
  1. 4. in de was zetten
    1. cirer
    2. farter
  2. 3. groeien
    croître
    1. 1. iets schoonmaken
    2. 2. zichzelf schoonmaken
    laver
noun
noyer le poisson
noun
1.
premier croissant
pronoun
1. een plaats in Luxemburg
Wasserbillig
noun
1. een plaats waar men kleding en textiel kan (laten) wassen (zonder personeel)
laverie
noun
1. een bak waarin men zich of iets wast
lavabo
phraseologicalUnit
1.
  1. Comment tu t'appelles ?
  2. Comment vous appelez-vous ?
adjective
  1. 1. & 2.
    1. aqueux
    2. séreux
  2. 3.
    1. fade
    2. insipide
adjective
1. geen aantrekkingskracht vertonend ten opzichte van water
hydrophobe
noun
jamrosat
noun
1. de balans tussen de opname en afgifte van water
équilibre hydrique
noun
1. het in of op het water uitgevoerd ballet
ballet nautique
noun
1. een bed waarvan het matras gevuld is met water
  1. lit à eau
  2. matelas d'eau
noun
1. met water gevuld bekken
bassin d'eau
adverb
résistant à l'eau
adjective
bleu d’eau
noun
1. ontwerp, bouw en onderhoud van waterstaatkundige bouwwerken
ouvrage hydraulique
noun
1. wetenschap die zich richt op ontwerp en beheer van waterbouwkundige werken
architecture hydraulique
noun
1. kasteel op een eiland of tussen grachten
wasserburg
noun
1. het rondlopen van water in een stelsel van buizen / vaten
circulation d'eau
noun
1. een toiletpot met waterspoeling
water-closet
noun
  1. vapeur d'eau
  2. buée
adjective
1. ondoordringbaar voor water
  1. étanche
  2. imperméable
  3. en béton
noun
trèfle d’eau
noun
pression de l'eau
noun
1. druppel water, een kleine hoeveelheid water die bolvormig is wanneer hij ergens ligt / vrij valt en die bolvormig met een staart is (druppelvormig) op het moment van loslaten
gout d'eau
/ˈʋatərˌdrʏpəɫ/
noun
1. kleine hoeveelheid water die bolvormig is wanneer hij ergens ligt / vrij valt en die...
gout d'eau
adverb
résistant à l'eau
/ˈʋaːtərən/
verb
1. urine uitscheiden
  1. uriner
  2. pisser
noun
1. een vaartuig met een aandrijving zoals op fietsen waarmee men zich over het water kan voortbewegen door middel van het trappen op pedalen
pédalo
noun
filtre de l'eau
noun
gaz à l'eau
noun
1. opstandeling in de tijd van de tachtige-jarige oorlog, gevlucht en van een kapersbrief voorzien gerechtigd om voor de Republiek als kaper tegen de Spanjaarden te vechten
Gueux de mer
/ˈwatərˌɣlɑtɦɛɪ̯t/, /ˈʋatərˌχlɑtɦɛɪ̯t/, /ˈβ̞atərˌɣlɑtɦɛːt/
noun
1. verschijnsel waarbij een dunne waterfilm ontstaat.
  1. aquaplanage
  2. hydroplanage
noun
1. een drinkglas voor water
verre à eau
noun
1. god van het water, god van de zee. Neptunus (lat); Poseidon, Nereus, nereïden, Oceanus, oceaniden (gr); Njord (ger)
dieu de la mer
noun
2. een haargolving die kunstmatig is aangebracht
mise en plis
noun
  1. 1.1 bepaald soort watervogel, Gallinula chloropus
    gallinule poule d'eau
  2. 1. benaming voor watervogels uit het geslacht Gallinula
    1. moorhen
    2. poule d'eau
noun
1. ijs gemaakt op basis van water / vruchtensap / stroop
sorbet
noun
1. een dier dat behoort tot een van honderden soorten van de Coenagrionidae
libellule
noun
1. apparaat dat een zeer sterke straal water kan produceren
canon à eau
noun
1. daar waar land ophoudt en een water, zoals beek, rivier, meer of kanaal begint
  1. berge
  2. bord de l'eau
noun
1. benaming voor planten uit het geslacht Rorippa
cresson de fontaine
noun
1. ketel waarin men water kan warmen of koken
bouilloire
noun
refroidissement à eau
noun
colonne d'eau
noun
robinet à eau
noun
  1. énergie hydraulique
  2. houille blanche
noun
cycle de l'eau
noun
1. een leidingnetwerk om drinkwater vanuit een waterreservoir naar de verbruiker te vervoeren
conduite d'eau
/ˈwatərˌlɛin/
noun
  1. 2. de grens tussen onderwaterschip en bovenwaterschip
    ligne de flottaison
  2. 1. de grens tot waar het water komt
    niveau d'eau
pronoun
1. gemeente en plaats in Waals-Brabant
Waterloo
noun
1. dunne, snelgroeiende loot aan een oude tak of aan de stam van een boom
  1. branche gourmande
  2. gourmand
pronoun
1. gemeente in het zuidoosten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Watermael-Boitsfort
pronoun
2. teken van de dierenriem van 20 januari tot 19 februari
Verseau
/ˈʋaːtərməˌlun/
noun
1. Citrullus vulgaris, een grote vrucht met vochtig en rood vruchtvlees
  1. pastèque
  2. melon d’eau
  3. melon d'eau
noun
filigrane
noun
compteur d'eau
/ˈʋa.tər.ˌmɛɪ̯n/, /ˈβ̞a.tər.ˌmɛːn/
noun
1. zeemijn, drijvende bom die bij contact met een schip ontploft
mine flottante
noun
2. een molen die door stromend water aangedreven wordt
moulin à eau
noun
menthe aquatique
noun
bepaald soort eenjarige waterplant met eetbare knollen, Trapa natans
mâcre nageante
noun
adoucisseur d'eau
/ˈʋa.tər.o.ˌpaɫ/, /ˈβ̞a.tər.o.ˌpaɫ/
noun
1. een witte veldspaat, veelal schelpvormig
  1. adulaire
  2. pierre de lune
noun
surface de l'eau
noun
niveau de l'eau
noun
1. hydraulische pers
presse hydraulique
noun
  1. narguilé
  2. pipe à eau
noun
1. een stoomketel waarbij de hete rookgassen over met water gevulde pijpen geleid worden
chaudière a tubes d'eau
noun
1. pistool waaruit een straal water kan spuiten
pistolet à eau
noun
plante aquatique
noun
2. goedaardige infectieziekte die gepaard gaat met het verschijnen van rode vlekjes op de huid die daarna overgaan in jeukende blaasjes
varicelle
noun
1. een balsport waarbij twee ploegen van zeven spelers elkaar in het water bestrijden
  1. water-polo
  2. waterpolo
noun
1. werktuig om water te verplaatsen
pompe d'eau
noun
1. platte grijptang met verstelbaar scharnier
pince multiprise
noun
1. put waaruit men water haalt
puits
noun
1. een schoepenrad dat draait door de stroming van het water
roue hydraulique
noun
1. bepaald soort watervogel, Rallus aquaticus
râle d'eau
noun
1. grote halfaquatische woelmuis
  1. grand campagnol
  2. rat taupier
noun
phragmite aquatique
noun
1. ski voor het waterskiën
ski nautique
verb
1. zich op waterski's achter een snelle boot laten voorttrekken
faire du ski nautique
noun
  1. 1. sterrenbeeld
    Hydre
  2. 2. dier
    serpent d'eau
  3. 3.gereedschap
    tuyau à eau
noun
1. in Nederland en Vlaanderen voorkomende soort waterjuffer, Enallagma cyathigerum
agrion porte-coupe
noun
1. wateroppervlak, bovenste grensvlak van het water
surface de l'eau
noun
1. Argyroneta aquatica, middelgrote spin die in stilstaande wateren leeft
argyronète
noun
1. sport die in of op het water uitgeoefend wordt
  1. sport nautique
  2. nautisme
noun
1. beoefenaar van een watersport
personne qui pratique un sport nautique
noun
1. vrouwelijke beoefenaar van een watersport
personne qui pratique un sport nautique
noun
gargouille
noun
état des eaux
noun
1. hoogte van het water in een rivier, zee of ander water
niveau des eaux
/ˈʋatərˌstɔf/
noun
1. een chemisch element en een kleurloos niet-metaal
hydrogène
noun
liaison hydrogène
noun
1. een molecule met de formule HCN en het giftige gas dat uit deze deeltjes bestaat
cyanure d'hydrogène
noun
1. scheikundige term voor verbinding van waterstof en fluor (HF)
fluorure d'hydrogène
noun
1. middel dat gebruikt kan worden om te bleken, als desinfectiemiddel of als verbrandingshulp (in raketten)
peroxyde d'hydrogène
noun
1. verbinding van twee waterstofatomen en één zwavel atoom, de formeel juiste benaming is diwaterstofsulfide
acide sulfhydrique
noun
jet d'eau
noun
1. een toren die zorgt voor een gelijkmatige waterdruk in het waterleidingnet
château d'eau
noun
  1. clepsydre
  2. horloge à eau
noun
1. plaats waar stromend water bij een hoogteverschil zijn weg al vallend voortzet
  1. cascade
  2. cataracte
  3. chute
adverb
  1. résistant à l'eau
  2. à l'épreuve de l'eau
noun
consommation d'eau
noun
1.
aquarelle
noun
pollution de l'eau
noun
pollution de l'eau
noun
1. wateroppervlak, bovenste grensvlak van het water
surface de l'eau
noun
1. een vliegtuig dat kan opstijgen en landen op het water
  1. hydravión
  2. hydravion
noun
oiseau aquatique
noun
approvision en eau
noun
route d'eaux
noun
1. apparaat dat een zeer sterke straal water kan produceren
lance d'arrosage
noun
1. (medisch) waterzucht
œdème
noun
purification de l'eau
noun
1. installatie waar men water ontdoet van verontreinigingen
station d'épuration
noun
patience d'eau
noun
1. een knaagdier
capybara
noun
1. plukje watten bevestigd op een houten of plastic stokje, gebruikt voor bepaalde medische doeleinden...
  1. coton-tige
  2. Q-tip
verb
1. opvullen met watten
ouatter
noun
1. vermogensmeter
wattmètre
pronoun
1. hoofdstad van Waals-Brabant
Wavre
noun
1.
  1. butineur
  2. navigateur
noun
1. een digitale videocamera die via het internet beelden en geluid verstuurt
webcam
noun
1. iemand die een website ontwerpt en/of beheert
webmestre
noun
1. plaats waar zich informatie bevindt op het internet, aangeduid met een URL
site web
verb
1. geld wagen op een toekomstige gebeurtenis
parier
noun
1.
renaissance
noun
pronom réfléchi
noun
1. een werkwoord waarbij de handelende persoon tevens het voorwerp van de handeling is
verbe pronominal
noun
1. periode waarin de oorlogsschade door de Tweede Wereldoorlog werd hersteld
reconstruction
/ˈwedərˈvɛrkop/
noun
1. de inkoop van waren in 't groot en de verkoop van deze waren in 't klein
revente
verb
  1. rivaliser
  2. concourir
/ˈʋeːdyʋə/
noun
vrouw
veuve
/'ʋedyʋnar/
noun
man
veuf
/ʋeː/
adjective
nauséeux
/ʋeː/
interjection
1. uitroep van groot verdriet
  1. douleur
  2. malheur
/ʋeː/
noun
1. pijnlijke samentrekking die het barensproces inleidt
contraction
/ˈʋeːf.xəˌtɑu̯/
noun
1. toestel waarmee garen tot weefsel gevlochten wordt
métier à tisser
noun
  1. 2. een groep van gelijkaardige lichaamscellen die dezelfde functie in een levend organisme vervullen
  2. 1. een dunne geweven stof of textiel
tissu
noun
plantain
pronoun
teken van de dierenriem van 23 september to 23 oktober
Balance
noun
1. een meetinstrument waarmee het gewicht kan worden bepaald
balance
/wek/, /ʋek/, /β̞ek/
adjective
1. slap
mou
/wek/, /ʋek/, /β̞ek/
noun
1. tijdseenheid van 7 dagen
semaine
/'ʋekblɑt/
noun
1. een publicatie die wekelijks verschijnt
hebdomadaire
noun
mollusque
noun
1. periode van vrijdagavond tot en met zondagnacht
weekend
/ˈʋikɛnt/
noun
1. periode van vrijdagavond tot en met zondagnacht
  1. week-end
  2. weekend
adjective
1. lichtdroevig gestemd
mélancolique
/weːr/, /ʋɪːr/, /β̞eːr/
adverb
1. nog een keer
  1. de nouveau
  2. encore
  3. à nouveau
/weːr/, /ʋɪːr/, /β̞eːr/
noun
  1. 1. atmosferische gesteldheid
    1. temps
    2. météo
  2. 2. spocht, vochtstip
    1. piqûre
    2. rousseur
  3. 1. visweer
    1. bordigue
    2. écluse à poissons
  4. 1. feodaal recht op de heerschappij over een vastgoed
    saisine
noun
1. waarschuwing van een meteorologisch instituut bij extreme
alarma de tiempo
noun
1. bericht of mededeling over de toestand van het weer
  1. météo
  2. prévision météorologique
noun
barbelure
/'ʋɪːrɦan/
noun
girouette
verb
1. beletten om iets te doen
  1. empêcher
  2. retenir
noun
  1. 2. datgene wat weerkaatst wordt (licht, beeld, warmte of geluid)
    1. reflet
    2. réverbération
  2. 1. het weerkaatsen
    1. réflexion
    2. réverbération
noun
météorologie
/ʋerˈkɵndəx/, /ʋerˈkʏndəç/
adjective
1. betrekking hebbend op de weerkunde
météorologique
noun
1. iemand die beroepsmatig het weer bestudeert
météorologue
verb
1. een eerdere bewering ontkrachten
réfuter
noun
1. een betoog waarmee men iets weerlegt
réfutation
adjective
1. onwillig, recalcitrant, zich verzettend
résilient
pronoun
Warsage
verb
1. stand houden, weerstand bieden aan
résister
noun
  1. 3. een elektronica-onderdeel
  2. 2. de tegenstand die een stroom in een geleider ondervindt
  3. 1. een reactie die poogt een bepaalde actie tegen te werken
résistance
noun
prévisions météorologiques
noun
prévisions météorologiques
noun
. een mythisch wezen dat bij volle maan van mens in wolf verandert
loup-garou
noun
1. sterke afkeer
  1. répugnance
  2. aversion
adjective
1. waar je een weerzin tegen hebt
répugnant
/ʋes/
noun
orphelin
noun
médicament orphelin
/ˈʋeshœʏs/
noun
1. een opvanghuis voor wezen
orphelinat
/ˈʋesjɔŋə(n)/
noun
1. een jongen van wie beide ouders overleden zijn
orphelin
/ˈwes.mɛɪ̯.ʃə/, /ˈʋes.mɛɪ̯.ʃə/, /ˈβ̞es.mɛː.ʃə/
noun
1. een meisje van wie beide ouders overleden zijn
orpheline
/ʋɛχ/, /β̞ɛx/
noun
1. smalle strook grond voor het verkeer
  1. chemin
  2. voie
/'wɛxkodə/
noun
1.
code de la route
noun
1. bepaald soort loofboom, Rhamnus cathartica
  1. nerprun officinal
  2. nerprun purgatif
/ˈʋeχə(n)/, /β̞eɣə(n)/
verb
  1. 1. het gewicht/de massa bepalen
  2. 2. een bepaald gewicht/massa als eigenschap hebben
peser
noun
carte routière
/ˈwɛ.ɣaːn/, /ˈʋɛ.χan/
verb
1. zich ergens vandaan begeven
s'en aller
verb
1. afstand nemen van iets door het aan iemand te geven
  1. donner
  2. céder
verb
1. van zijn plaats halen
enlever
verb
1. fysiek in steeds minder goede staat komen te verkeren
  1. dépérir
  2. se consumer
verb
1. te midden van andere informatie iets niet insluiten
omettre
verb
1.
harceler
verb
  1. een voertuig, e.d. van de openbare weg, vaar- of vluchtroute verwijderen
    remorquer
  2. door slepen iets of iemand verwijderen
    traîner
verb
  1. drainer
  2. siphonner
verb
1.
découper
/'wɛxstyrə(n)/
verb
1. doen weggaan
renvoyer
noun
1.
  1. petit train
  2. petit train routier
noun
1.
éclairage de route
/ˈwɛxvliɣə(n)/, /ˈʋɛχfliχə(n)/, /ˈβ̞ɛxvliɣə(n)/
verb
  1. 2. heel snel en plotseling een plaats verlaten
    1. partir
    2. partir très vite
  2. 1. vliegend een plaats verlaten
    s'envoler
  3. 3. een hoge verkoopsnelheid hebben
    se vendre comme des petits pains
/ʋɛɪ/
noun
  1. 2. een vloeistof die ontstaat als restproduct bij het kaasmaken
    petit-lait
  2. 1. een stuk grasland voor begrazing door vee
    pâturage
pronoun
1. de grootste rivier van Polen
Vistule
noun
1.
caloptéryx éclatant
noun
1. bepaalde soort hommel, Bombus pratorum
bourdon des prés
adjective
panoramique
/'ʋɛɪfələ(n)/
verb
1. in besluiteloosheid niet tot handelen overgaan
hésiter
verb
1. niet voldoen aan een verzoek of opdracht
  1. refuser
  2. décliner
noun
1. het niet voldoen aan een verzoek of opdracht
  1. refus
  2. déni
/'ʋɛɪlɑnt/
noun
1. een stuk grasland in gebruik voor de begrazing door vee
  1. pâturage
  2. pâture
pronoun
République de Weimar
/ˈwɛɪ̯nɪx/, /ˈʋɛɪ̯nəχ/, /ˈβ̞ɛːnəx/
noun
  1. 1. in een kleine hoeveelheid, niet veel
  2. 2. in een klein aantal
peu
noun
1. tas waarin een jager zijn buit stopt
gibecière
/ˈwe.kə(n)/, /ˈʋe.kə(n)/, /ˈβ̞e.kə(n)/
verb
1. door langdurig in een vloeistof te leggen zacht, plooibaar of beter wasbaar maken
tremper
verb
  1. 1. wakker maken
    réveiller
  2. 2. veroorzaken
    éveiller
/ˈʋɛkər/
noun
1. een apparaat dat gebruikt wordt om de tijd bij te houden en een functie heeft die veel geluid produceert op een ingestelde tijd
  1. réveil
  2. réveille-matin
noun
1. dringende oproep
exhortation
noun
1. de kunst om iets goed te kunnen verwoorden
éloquence
noun
1. een goede daad voor iemand doen
bienfait
adjective
bien-pensant
noun
bienfaiteur
/ʋɛl'dra/
adverb
1. niet ver in de toekomst, spoedig
bientôt
adverb
déjà
/ʋɛlk/
relativePronoun
  1. quel
  2. quelle
  3. quelles
  4. quels
/ˈʋɛɫkɔm/
adjective
1. gewenst zijn te blijven
bienvenue
/ˈʋɛɫkɔm/
interjection
1. begroeting
  1. bienvenue
  2. bienvenu
noun
bienvenue
noun
1.
  1. luxure
  2. envie
adjective
  1. lubrique
  2. lascif
  3. luxurique
adjective
1.
bien élevé
/wɛlp/
noun
1. jong van hond, wolf, leeuw e.d.
petit
pronoun
1. een Keltische taal die wordt gesproken in Wales
gallois
noun
1. een vrouwelijke inwoner van Wales
Galloise
/ˌʋɛltə'rʏstə(n)/
interjection
bonne nuit
/ˈʋɛlvart/
noun
prospérité
verb
over ruime financiële middelen beschikkend
prospère
adjective
1.
bienveillant
/ʋɛndɘ(n)/
verb
3. zich tot een instantie wenden
adresser
noun
retournement
pronoun
1. de hoofdstad van Oostenrijk
Vienne
noun
1. knokige rand boven het oog, meestal begroeid met haar
sourcil
verb
s'habituer
/ʋεns/
noun
  1. désir
  2. souhait
adjective
1. wat men zou wensen
  1. désirable
  2. souhaitable
/'ʋɛnsən/
verb
  1. désirer
  2. souhaiter
pronoun
1. de Fins-Oegrische taal met circa 8000 sprekers gesproken in het noordwesten van Rusland
vepse
/ˈweː.ʁəlt/, /ˈʋɪː.rɔɫt/, /ˈβ̞eː.rəɫt/
noun
1. de aarde
monde
noun
1. geheel van activiteiten die de mensheid onderneemt om schaarste op te heffen
économie mondiale
/xxxx/
noun
1. uniek en als collectief bezit beschouwd cultureel of natuurlijk erfgoed
patrimoine mondial
pronoun
Organisation mondiale de la santé
pronoun
1. intergouvernementele organisatie die toeziet op de naleving van afspraken over de handel tussen landen
Organisation mondiale du commerce
noun
1. persoon die of team dat tijdens een toernooi of competitie om de wereldtitel in een bepaalde tak van sport winnaar is
champion du monde
/ˈweː.rəld.ˌkam.pi.ˌjun.sxɑp/, /ˈʋɪː.rəɫt.ˌkɑm.pi.ˌjun.sχɑp/, /ˈβ̞eː.rəlt.ˌkɑm.pi.ˌjun.sxɑp/
noun
1. een kampioenschap waarin de besten van de wereld het tegen elkaar opnemen
Coupe du Monde
noun
1. een gewapende strijd tussen een zeer groot aantal landen, met name gebruikt voor de Eerste en de Tweede Wereldoorlog.
  1. guerre mondiale
  2. guerre universelle
noun
1. een tentoonstelling waaraan landen uit de wereld aan kunnen deelnemen
  1. exposition internationale
  2. exposition universelle
/ˈweː.rəld.ˌzwɛr.vər/, /ˈʋɪː.rɔɫt.ˌzʋɛr.vər/, /ˈβ̞eː.rəɫt.ˌzβ̞ɛr.vər/
noun
1. een veelvoorkomende libel die de langst bekende migratieroute heeft van alle insecten
  1. libellule globe-trotter
  2. pantale flavescente
  3. pantale globe-trotteur
/ʋɛrk/
noun
  1. 2. beroep
    1. métier
    2. profession
    1. 1. dat wat gedaan moet worden
    2. 3. de plek waar men werkt, werkplek
    travail
  2. 4. dat wat gemaakt is, kunstwerk
    œuvre
  3. hede, afval van vlas of hennep
    1. étoupe
    2. filasse
noun
livret de travail
adjective
1. niet verbeeld
vraiment
/'ʋɛrkələkɦɛɪt/
noun
1. de omstandigheden zoals deze daadwerkelijk bestaan
réalité
adjective
1. niets doend, niets verrichtend, niet werkend
  1. inactif
  2. désœuvré
/ʋɛrkən/
verb
  1. 2. functioneren, draaien
    marcher
  2. 1. arbeid verrichten, lichte vorm van zwoegen
    travailler
noun
1. persoon die of bedrijf dat werk verschaft aan anderen
employeur
noun
1. groep mensen die gezamenlijk een bepaald probleem aanpakt
groupe de travail
noun
1. de manier waarop iets werkt
fonctionnement
noun
camp de travail
/ˈʋɛrkrɑxt/
noun
  1. 2. het vermogen om te werken
    1. capacité de travail
    2. puissance de travail
  2. 1. een persoon die gewoonlijk tegen betaling werk verricht
    employé
/wɛrkˈloshɛit/
noun
  1. 1. het werkloos zijn
  2. 2. het aandeel van de beroepsbevolking zonder betaalde baan
chômage
noun
taux de chômage
noun
taux de chômage
noun
1. uitkering voor iemand die buiten zijn of haar schuld om werkloos is
allocation chômage
noun
assurance-chômage
noun
1.
  1. chômeur
  2. sans-emploi
noun
syndicat
noun
1. een stuk gereedschap om een taak eenvoudiger en/of lichter te maken
outil
noun
1.het ontwerpen, vervaardigen en in bedrijf houden van machines
génie mécanique
/wɛrəktœyxkʌndə/
noun
1. de leer van werktuigen
mécanique
noun
1.
machine-outil
/ʋɛrkʋɛɩ̭zə/
noun
1. de manier waarop men te werk gaat
méthode
noun
1. woordsoort die in de eerste plaats een handeling of toestand uitdrukt
verbe
adjective
1. als werknemer bezig
laborieux
verb
  1. 2. (van zoogdieren) ter wereld brengen, baren
    enfanter
  2. 1. met een krachtige zwaai van de arm iets uit de hand naar iets of iemand heen laten gaan
    1. jeter
    2. lancer
noun
1.
canne à lancer
noun
1. gewicht aan een touw
sonde à main
noun
1. bot van de wervelkolom
vertèbre
noun
courants de Foucault
noun
tourbillon
noun
1. een zwart-geel gestreept vliesvleugelig insect
guêpe
noun
  1. 2. (figuurlijk) netelige situatie, waar men beter niet in verzeild raakt
    nid de frelons
  2. 1. door wespen gebouwd nest waar zij hun broed verzorgen
    nid de guêpes
noun
1. een zeer smalle taille
taille de guêpe
pronoun
  1. Afrique de l'Ouest
  2. Afrique occidentale
pronoun
1. grootste van de Australische deelstaten, gelegen in het westen van het land
Australie occidentale
pronoun
1.
Berlin-Ouest
pronoun
Allemagne de l'Ouest
pronoun
1. het westelijk deel van Europa
Europe de l’Ouest
adjective
1. op West-Europa betrekking hebbend
  1. ouest-européen
  2. européen de l’Ouest
pronoun
1. taalfamilie van enkele tientallen talen die oorspronkelijk in West-Europa, maar tegenwoordig over de hele wereld worden gesproken
langues germaniques occidentales
pronoun
1. een provincie in Pruisen
Prusse-Occidentale
pronoun
1. taalfamilie van een tiental talen die in Polen en naburige landen worden gesproken
langues slaves occidentales
pronoun
1. een verzameling Vlaamse dialecten met typische kenmerken gesproken in West-Vlaanderen en een klein deel van Nederland en Frankrijk
flamand occidental
pronoun
1. Belgische provincie
  1. Flandre-Occidentale
  2. Flandre occidentale
adjective
  1. occidental
  2. de l’ouest
pronoun
1. dialectcontinuüm van Indische talen gesproken in de staat Himachal Pradesh in het noordwesten van India
  1. himachali
  2. pahari occidental
pronoun
1. verzamelnaam van meer dan 500 talen die in het gebied van de Indische en de Stille Oceaan worden gesproken
langues malayo-polynésiennes occidentales
pronoun
Sahara occidental
/ˈʋɛs.tə(n)/
noun
ouest
/ˈwɛstərlɪŋ/
noun
2. iemand die in het Westen, de westerse wereld woont of daarvan afkomstig is
Occidental
/ʋɛs.tǝɾs/
adjective
1.
occidental
adjective
westphalien
noun
1.
fièvre du Nil occidental
adverb
ouest-nord-ouest
/wɛt/
noun
1. een door de overheid opgestelde regel
loi
phraseologicalUnit
loi de Murphy
/ˈʋeː.tə(n)/
verb
1. ergens kennis van hebben
savoir
/'ʋetənsxɑp/
noun
  1. 2. georganiseerde activiteit
    science
  2. 1. het weten van de mens
    1. science
    2. connaissance
/,ʋetən'sxapələk/
adjective
scientifique
/ˈʋetəˌsxɑpər/
noun
1. iemand die de wetenschap beoefent
scientifique
/'ʋetənsχɑpsχəˈsχidəˌnɪs/, /'β̞etənsxɑpsɣəˈsxidəˌnɪs/
noun
histoire des sciences
noun
1. het geheel aan wetten die in een land gelden
législation
/wɛtɔu(d)ər/
noun
1. een lid van het dagelijkse uitvoerende bestuur van een Nederlandse gemeente
  1. échevin
  2. adjoint
noun
1. door de regering uitgaand voorstel tot wet
projet de loi
pronoun
1.
rue de la Loi
/ˈʋɛts.foːrˌstɛl/
noun
1. door het parlement uitgaand voorstel tot wet
proposition de loi
/ˈweː.və(n)/, /ˈʋe.və(n)/
verb
1. draden e.d. dooreenvlechten
tisser
noun
1. bepaald soort zoogdier, Mustela nivales
belette
pronoun
1. een stad in de Belgische provincie Luik
Visé
noun
1. een sterke drank die uit gerst of uit maïs en rogge gestookt is
whisky
noun
1.
OMS
noun
1. het verkrijgen van informatie door middel van bovennatuurlijke of niet wetenschappelijk aangetoonde middelen
  1. divination
  2. mantique
abbreviation
1. widia
carbure de tungstène
/wiː/, /ʋiː/, /β̞iː/
relativePronoun
  1. 2. betrekkelijk voornaamwoord
    1. celui que
    2. celui qui
  2. 1. vragend voornaamwoord
    qui
interjection
degene die aan het eind het beste uit de strijd komt is de daadwerkelijke winnaar
rira bien qui rira le dernier
noun
1. een bedje voor een pasgeboren zuigeling, vaak met een hemel van fijn gaas en soms met de mogelijkheid het kind zachtjes heen en weer te bewegen
berceau
/ˈwiɣə(n)/
verb
1. zachtjes heen en weer bewegen, gewoonlijk om een zuigeling in slaap te brengen
bercer
noun
1. het plotseling zonder duidelijke oorzaak overlijden van een zuigeling
mort subite du nourrisson
/ʋik/
noun
  1. 2. molenwiek
    aile
  2. 3. kaarsenpit
    mèche
noun
1. ronddraaiende schijf
roue
noun
1. de afstand tussen de twee middelpunten van de voor- en achteras
empattement
noun
classique
noun
1. de sport van het wielrennen
cyclisme
/'wiː.lə.wal/
noun
1. zwart-gele zangvogel
  1. loriot
  2. oriole
  3. oropéndola
noun
  1. sabot de Denver
  2. sabot de voiture
noun
1. iemand die op hoge snelheid fietst in wedstrijdverband
cycliste
noun
suceur de roue
noun
1. in water voorkomende vaatloze, plantachtige organismen
algue
/ˈʋiː.roːk/
noun
1. gomhars, gebruikt als reukoffer
encens
noun
thuriféraire
pronoun
1.
Wiesbaden
noun
1. een metalen of houten voorwerp in de vorm van een driehoekig blok met een scherpe hoek van 5 to 20 graden
coin
noun
1. een van de beenderen van de schedel
os sphénoïde
adjective
1. vorm van een wig hebbend
cunéiforme
noun
1. koepelvormig huis gebruikt door de Noord-Amerikaanse indianen
wigwam
/wɛɪ̯/, /ʋɛɪ̯/, /β̞ɛː/
personalPronoun
1. 1e persoon meervoud nominatief
nous
/ˈʋixə(n)/
pronoun
Wijchen
/wɛɪ̯d/, /ʋɛɪ̯t/, /β̞ɛːt/
adjective
  1. large
  2. ample
  3. largement
  4. loin
verb
1. geheel voor een bepaald doel bestemmen
consacrer
adjective
1. overal aanwezig, vindbaar
généralisé
/ʋɛi̯k/
noun
1. een bewoond deel van een stad of een gemeente
quartier
conjunction
1. geeft onderschikkend een reden aan
parce que
/wɛɪ̯n/, /ʋɛɪ̯n/, /β̞ɛːn/
noun
1. sterke drank van gegiste druiven
vin
noun
1. azijn uit wijn bereid
vinaigre de vin
noun
1. Japanse wijnbes
framboisier du Japon
noun
het verbouwen van druiven voor de productie van wijn
viticulture
noun
escargot de Bourgogne
/'wɛɪnɪndʌstri/
noun
de tak van industrie die zich toelegt op het maken van wijn en wijnproducten
industrie viticole
noun
1. een lijst waarop men de wijnen die te verkrijgen zijn in een restaurant, wijnhuis, enz... vermeldt in soorten, jaartallen en prijzen
carte des vins
noun
1.
cave à vin
adjective
  1. rouge vin
  2. lie-de-vin
noun
  1. rue fétide
  2. rue officinale
/ˈʋɛi̯n.stɔk/
noun
1. klimplant waaraan druiven groeien
vigne
noun
1.
viticulture
noun
  1. 1.
  2. 2.
tache de vin
/wɛɪ̯s/, /ʋɛɪ̯s/, /β̞ɛːs/
adjective
1. van groot inzicht getuigend
sage
noun
1. de oudste wetenschap
philosophie
noun
Sagesse
noun
1. gerijpt inzicht
sagesse
/ˈʋɛɪsnøs/, /ˈβ̞ɛːsnøs/
noun
1. iemand die meent alles beter te weten dan anderen
pédant
noun
1. tweede vinger, gelegen tussen de middelvinger en de duim
index
/ˈʋɛi.tɪŋ/
noun
1. bepaald soort straalvinnige vis, Merlangius merlangus
merlan
noun
1. gewijd water
eau bénite
noun
1. steel met slappe borstel waarmee in de liturgie van de Rooms-Katholieke Kerk de priester wijwater over de gelovigen heen sprenkelt
goupillon
/ˈʋɛɪʋatərˌvɑt/
noun
1. een meestal aan de muur van een kerk bevestigd vat met water waarmee gelovigen zich besprenkelen
bénitier
verb
  1. indiquer
  2. montrer
verb
1. zodanig aan iets werken dat het anders wordt
  1. changer
  2. modifier
noun
1. verandering in een regel, document, wikipagina enz
changement
noun
  1. décision
  2. résolution
/ʋɪkifiˈsɪːrə(n)/
verb
1. een tekst aanpassen aan het wikisysteem
wikifier
pronoun
1. een door de Wikimedia Foundation gecreëerde rechtenvrije encyclopedie op het internet...
Wikipédia
noun
1. een gebruiker op Wikipedia
wikipédiste
/ˈwɪkə/
noun
1. (plantkunde) naam voor planten uit het geslacht Vicia
vesce
verb
  1. 1. op de hand wegen
    ponderer
  2. 2. afwegen in de zin van tobben, overdenken
    réfléchir
/ˈwikʃoˌnɛri/, /ˈʋɪkʃəˌnɛri/
pronoun
1. deelproject van de Wikimedia Foundation met als doel het produceren van een compleet ...
Wiktionnaire
/ʋɪl/
noun
1. de bereidheid of zin om iets te doen
volonté
noun
3. vlees van een wild dier
gibier
noun
1. bepaald soort zoogdier, Sus scrofa
sanglier
noun
1. iemand zonder beschaving
sauvage
noun
1. Lycaon pictus, een zoogdier en roofdier uit de orde Carnivora dat veel op een hond lijkt ...
  1. cynhyene
  2. lycaon
noun
3. graan van Zizania palustris, die worden gegeten als rijst
riz sauvage
noun
prolifération
noun
1. Salix sp.
saule
pronoun
1.
Wilhelmshaven
/ˈwɪləm/, /ˈʋɪləm/, /ˈβ̞ɪləm/
pronoun
  1. 1. een jongensnaam
    1. Guillaume
    2. Guillaumette
  2. 2. spelwoord voor de letter w
    William
/ˈʋɪ.lən/
verb
1. iets als verlangen of voorkeur hebben
  1. vouloir
  2. désirer
noun
1. onvermogen om te handelen, ook al weet je wat je moet doen
  1. aboulie
  2. avolition
noun
2. discrepantie tussen de reële en de verklaarde wil waardoor het totstandkomen van wilsovereenstemming verhinderd wordt
vice du consentement
noun
1. bewust uitdrukking geven van de eigen wil
manifestation de volonté
noun
  1. 2. verklaring waarin iemand aangeeft wat zijn wensen zijn rondom behandeling of levenseinde
    directives anticipées
  2. 1. eenzijdige wilsuiting die gericht is op het tot stand brengen van rechtsgevolgen
    déclaration de volonté
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Wiltz
noun
  1. serte
  2. vimbre
/ˈʋɪmpəɫ/
noun
banderole
noun
cil
/ʋɪnt/
noun
1. stroming van lucht veroorzaakt door luchtdrukverschillen
vent
noun
1. windas
  1. treuil
  2. cabestan
  3. winch
/ˈʋɪndə(n)/
verb
1. een draad of kabel draaiend op een as of klos aanbrengen
enrouler
noun
énergie éolienne
adjective
1. weerstoestand waarbij er veel wind aanwezig is
venteux
noun
girouette
noun
1. molen die door de wind gedreven wordt
  1. moulin a vent
  2. moulin à vent
noun
1. een gebied waar windenergie gewonnen wordt met behulp van een aantal molens
parc éolien
noun
rose des vents
noun
vitesse du vent
noun
bourrasque
noun
1. toestel waarmee energie wordt opgewekt
éolienne
noun
1. ronde open zak, meestal is de zak in het rood en wit, die de richting en de sterkte van de wind aangeeft
  1. manche à air
  2. biroutte
noun
1. plaats waar koopwaar wordt verkocht
  1. magasin
  2. boutique
noun
commercant
/ˈwɪŋkəl.jʏˈfrɑu/
noun
1. een vrouw die beroepsmatig in een winkel, een supermarkt, een warenhuis of buiten werkt, met name klanten bedient, waren verkoopt of achter de kassa zit
vendeuse
noun
rue commerçante
noun
1. een wagentje dat in winkels wordt gebruikt om tijdens het winkelen producten in te verzamelen
  1. chariot de supermarché
  2. caddie
noun
1. een kleine deur in een poort of grote deur
guichet
noun
1. degene die een strijd of wedstrijd in zijn voordeel beslist
  1. gagnant
  2. vainqueur
/ˈwɪnə(n)/, /ˈʋɪnə(n)/, /ˈβ̞ɪnə(n)/
verb
  1. 1. als beste partij uit een wedstrijd komen
  2. 2. iets verkrijgen voor een goede prestatie bij een wedstrijd
gagner
/ʋɪnst/
noun
1. datgene wat men meer heeft dan voordat men investeerde
bénéfice
noun
1.
participation aux bénéfices
/ʋɪntər/
noun
1. seizoen
hiver
noun
1.
  1. pneu hiver
  2. pneu neige
noun
1. winterdag
  1. jour (m) d'hiver
  2. journée (f) d'hiver
noun
1. bepaald soort loofboom, Quercus petrae
rouvre
adjective
à feuilles persistantes
noun
  1. pirole
  2. pyrole
noun
1. klein gedrongen vogeltje met opgewipt staartje,
troglodyte mignon
/ˈwɪntərmant/
noun
1. wintermaand
mois (m) d'hiver
noun
1. winternacht
nuit (m) d'hiver
noun
1. zuidelijke keerpunt van de zon
solstice d'hiver
adjective
1. typerend voor de winter
  1. hivernal
  2. d'hiver
noun
1. een toestand van hypothermie en inactiviteit bij sommige warmbloedige dieren in de winter
hibernation
noun
sport d'hiver
noun
sarcelle d'hiver
noun
1. de tijd zoals die geldt in de herfst- en wintermaanden, zonder dat de klok een uur vooruit is gezet
heure d'hiver
noun
temps hivernal
noun
1. zuidelijke keerpunt van de zon
solstice d'hiver
noun
1. zuidelijke keerpunt van de zon
solstice d'hiver
noun
1. zuidelijke keerpunt van de zon
solstice d'hiver
/ʋɪp/
noun
1. een speeltuig bestaande uit een balk die in het midden op een verhoogde steun rust
  1. tapecul
  2. tape-cul
/'ʋɪpə(n)/
verb
2. geslachtsgemeenschap hebben, paren
  1. faire crac-crac
  2. limer
/ˈwɪpstul/
noun
1. zetel waarin je comfortabel voor- en achterover kunt schommelen
  1. berceuse
  2. rocking-chair
noun
1. bepaald soort zooɡdier, Bison bonasus
  1. bison d’Europe
  2. bison d'Europe
noun
1. de formele studie van patronen en structuren.
  1. mathématiques
  2. maths
/ʋɪsˈkʏndəx/
adjective
1. op wiskunde betrekking hebbend of er gebruik van makend
mathématique
noun
mathématique
pronoun
1.
Wismar
/ʋɪsəl/
noun
  1. 1. speciale constructie in een spoorweg om een voertuig naar een ander spoor te leiden
    aiguillage
  2. 2. handelspapier voor de overdracht van geld
    lettre de change
noun
wisselkoers
taux de change
noun
1. een elektrische spanning die afhankelijk van de tijd van teken wisselt
tension alternative
noun
1. wisselstroom
courant alternatif
adjective
1. een andere toon voortbrengend bij in- en uitblazen
bi-sonore
verb
1. het niet meer laten bestaan van
effacer
noun
1. iets van weinig betekenis, kwestie die eenvoudig op te lossen is
  1. bagatelle
  2. rien
/ʋɪt/
noun
1. lichtst mogelijke kleur
  1. blanc
  2. blanche
/wɪt.ˈrʏs.lɑnd/, /ʋɪt.ˈrʏs.lɑnt/, /β̞ɪt.ˈrʏs.lɑnt/
pronoun
land in Oost-Europa.
  1. Biélorussie
  2. Bélarus
/ˌwɪtˈrʏsɪs/, /ˌʋɪtˈrʏsis/, /ˌβ̞ɪtˈrʏsis/
pronoun
1. een Slavische taal die vooral in Wit-Rusland wordt gesproken
biélorusse
adjective
blanchâtre
noun
1.
bière blanche
noun
1. fijn tarwebrood
pain blanc
noun
1.
escargot des jardins
adjective
vert blanc
noun
1.
blancheur
noun
1. loof van met dat doel in het donker geteelde varianten van cichorei, Cichorium intybus var. foliosum
  1. chicon
  2. endive
  3. witloof
noun
witte wijnazijn met toegevoegde druivenmost
vinaigre balsamique blanc
pronoun
1. dag voor Goede Vrijdag
  1. Jeudi saint
  2. jeudi saint
  3. Jeudi Saint
  4. Jeudi-saint
noun
1.
naine blanche
pronoun
1.
Ernz Blanche
noun
1. Carcharodon carcharias, de bekendste en de meest gevreesde haai
grand requin blanc
pronoun
Maison Blanche
noun
1. zangvogel (Motacilla alba)
bergeronnette grise
noun
1. gepelde en gepolijste rijst
riz blanc
noun
1. halfvleugelige uit de familie
aleurode
noun
1. alcoholhoudende drank die verkregen wordt door de gisting van voornamelijk witte druiven
vin blanc
pronoun
mer Blanche
noun
  1. crime en col blanc
  2. délinquance en col blanc
noun
1. en 2. (bladeren van) sluitkoolgewas dat lichtgroen tot wit van kleur is
chou blanc
noun
1. Orgyia antiqua, vlinder uit de spinneruilen
étoilée
verb
2.
blanchir
noun
1.
blanchisseur
/we.ˈka/, /ʋe.ˈka/, /β̞e.ˈka/
noun
1. een kampioenschap waarin de besten van de wereld het tegen elkaar opnemen
  1. CM
  2. CdM
noun
1. een heldere, kleurloze en nagenoeg geurloze sterkedrank
vodka
/ˈʋudə/
noun
1. een gevoel van erge kwaadheid
  1. colère
  2. fureur
  3. rage
noun
1.
  1. accès de colère
  2. coup de colère
  3. éclat de colère
interjection
1. krachtig geluid met korte tussenpozen, zoals een hond dat kan uitstoten
  1. ouaf
  2. oua-oua
noun
1. iemand die woeker drijft
usurier
noun
prix abusif
noun
bénéfices usuraires
noun
1. klein, gravend, muisachtig knaagdier met stompe snuit
campagnol
noun
1. grote halfaquatische woelmuis
  1. grand campagnol
  2. rat taupier
/ˈʋunzdɑx/
noun
1. een dag van de week die na dinsdag en voor donderdag komt
mercredi
noun
1.mannetjeseend
canard
noun
1. grote dorre vlakte, met weinig neerslag en weinig vegetatie
désert
noun
1.
vent du désert
noun
1.
soleil du désert
/ʋɔl/
noun
1. weefsel van wollen garens
laine
/wɔlf/, /ʋɔlf/
noun
1. bepaald zoogdier, Canis lupus
  1. loup
  2. louve
noun
1. scheikundig element met symbool W en atoomnummer 74
  1. tungstène
  2. wolfram
/ˈwɔlᵊfsbʏrᵊx/
pronoun
1.
  1. Wolfsbourg
  2. Wolfsburg
noun
belladone
noun
euphorbe
noun
1. bepaalde soort vlinder, Vanessa atalanta
rhinocéros laineux
noun
1. samenhangende verzameling van merendeels zwevende waterdruppeltjes
nuage
/ˈwɔl.kə.ˌlos/, /ˈʋɔɫ.kə.ˌlos/, /ˈβ̞ɔɫ.kə.ˌlos/
adjective
1. zonder wolken
sans nuage
/ˈwɔlkə(n)ˌkrɑbər/, /ˈʋɔɫkə(ŋ)ˌkrɑbər/, /ˈβ̞ɔɫkə(ŋ)ˌkrɑbər/
noun
1. een zeer hoog gebouw dat met bewolkt weer zichtbaar in de wolken kan steken
gratte-ciel
noun
1. aaneengesloten bewolking over de gehele hemel
couche nuageuse
pronoun
1. een Afrikaanse taal uit de Atlantische tak van de Niger-Congotalen met 3,5 miljoen sprekers, voornamelijk in Senegal
wolof
pronoun
1.
Woluwe
/wɔlˈvɪn/, /ʋɔlˈvɪn/
noun
vrouwelijke wolf
louve
pronoun
1.
  1. Volhynie
  2. Volynie
noun
wombat
/wɔnd/, /ʋɔnt/, /β̞ɔnt/
noun
1. een beschadiging in of aan het lichaam
plaie
noun
1. een gebeurtenis waaraan een bovennatuurlijke oorsprong toegeschreven wordt
miracle
adjective
étonnant
noun
1. Ricinus cummunis, een snelgroeiende boom van tropische oorsprong uit de wolfsmelkachtigen
ricin
noun
enfant prodige
adjective
1. opmerkelijk, ongewoon
miraculeux
/ˈwo.nə(n)/, /ˈʋo.nə(n)/, /ˈβ̞o.nə(n)/
verb
1. een permanente behuizing hebben
  1. habiter
  2. demeurer
noun
1. een kamer ingericht om in te wonen en gasten te ontvangen
  1. salon
  2. salón
noun
caravane flottante
/ʋoːrt/, /ˈʋʊːrt/, /ˈβoːrd/, /ˈβoːrt/
noun
  1. 1. mannetjeseend
    canard
  2. 4. de natuurlijke eenheid van informatie voor een bepaalde computerarchitectuur
    mot
  3. 1. spraakklank of betekeniseenheid die bestaat uit minimaal één vrij morfeem en minimaal nul gebonden morfemen
    1. mot
    2. parole
    1. 2. belofte
    2. 3. het woord van god of de inhoud van de bijbel
    1. parole
    2. mot
/ˈwoːrtˌɑvbreːkɪŋ/, /ˈʋo̝ːrtˌɑvbreɪ̯kɪŋ/, /ˈβ̞oːrtˌɑvbreːkɪŋ/
noun
  1. coupure de mot
  2. coupure
noun
1. de semantische inhoud van een woord
  1. acception
  2. sens
/ˈʋɔːrdə(n)ˌbuk/
noun
1. een boek waarin de woorden en uitdrukkingen van een taal zijn gerangschikt met hun...
dictionnaire
/ˈʋɔːrdə(n)ˌlɛɪst/
noun
1. een lijst bestaande uit woorden
  1. vocabulaire
  2. lexique
noun
vocabulaire
noun
flux de paroles
noun
choix des mots
noun
1. lexicaal veld
champ lexical
noun
1. persoon
porte-parole
noun
1. volgorde van woorden in een zin
ordre des mots
noun
formation des mots
/ˈwɔrdə(n)/, /ˈʋɔrdə(n)/, /ˈβ̞ɔrdə(n)/
verb
  1. 2. gaan zijn, zich ontwikkelen tot
    devenir
    1. devenir
    2. être
    3. faire
    4. se faire
/ʋɔrm/
noun
1. een betrekkelijk klein, lang, ongewerveld dier met een zacht lichaam
ver
noun
een hypothetische mogelijkheid binnen de ruimte-tijd
trou de ver
/ʋɔrp/
noun
  1. 1. de handeling van het werpen van iets
    1. jet
    2. lancement
  2. 2. het aantal jonge dieren dat een moederdier bij één dracht op de wereld zet
    portée
noun
1. een toegebonden eind darm of vlies dat gevuld is met vleeswaar
  1. saucisse
  2. saucisson
noun
1. aftreksel van mout
moût
/ˈʋɔrtəl/
noun
  1. 1. Groente peen
    carotte
    1. 2. Ondergronds gedeelte van een plant
    2. 3. Getal
    racine
  2. 4. Woord
    1. racine
    2. radical
/ˈwɔrtəlˌknɔbəl/
noun
1. zwelling aan het ondergrondse deel van een plant
  1. galle
  2. nodosité des racines
pronoun
1. Finoegrische taal die door de Woten in Ingrië gesproken werd
vote
/ʋʌːt/, /ʋʌːut/
noun
1. groot bos
forêt
/ʋʌʊ̯/, /β̞ʌːβ̞/
noun
  1. A 1. benaming voor roofvogels uit het geslacht Milvus
    milan
  2. B 1. bepaald soort plant, Reseda luteola
    gaude
noun
1. het vergelden van doorgemaakt lijden
  1. vengeance
  2. revanche
noun
vengeur
noun
épave
verb
juridisch
récuser
noun
1. een giftige, reukloze, overblijvende plant, die behoort tot de ranonkelfamilie
hellébore vert
noun
1. knobbeltje
verrue
adjective
1. heel onvriendelijk
cruel
noun
1. bovenkant van de voet tussen tenen en enkel
  1. cou-de-pied
  2. dos du pied
verb
1.
venger
noun
vengeur
/ˈvrɛi̯fklɑŋk/
noun
1. een medeklinker die geproduceerd wordt met een gedeeltelijke obstructie ergens in het spraakkanaal
fricative
noun
1. wrijfsteen
pierre à encre
verb
1. handeling
frotter
noun
frottement
noun
1. wringijzer
  1. porte-taraud
  2. tourne à gauche
verb
fouir
noun
  1. rancune
  2. dépit
  3. ressentiment
  4. rancœur
  5. amertume
noun
1. oorspronkelijk een rol van twee ineengedraaide repen stof, gevuld met haar of wol, aangebracht bovenop de helm om vijandelijke slagen te breken
  1. bourrelet
  2. bourlet
/wœyvə/
verb
  1. 2. heen en weer buigen, zwenken
    1. agiter
    2. brandir
  2. 1. een groet brengen door met de handen te zwaaien
    saluer de la main
noun
1. Buccinum undatum
bulot
noun
1. Numenius arquata, een vogel uit de familie van de snipachtigen (Scolopacidae)
courlis cendré
noun
1. een tang waarmee de hulsjes van kabelschoenen aan elektriciteitssnoeren en kabels worden vastgeknepen
pince à sertir
pronoun
1. West-Germaanse taal die in het de Poolse plaats Wilamowice wordt gesproken
wilamowicien
noun
1. de vierentwintigste letter van het alfabet
x
/ˈɪksantɑl/
noun
1. een onbekend aantal
nombre x
/ˈɪksɑs/
noun
1.
axe des x
noun
2. afwijking van de normale stand van de benen, waarbij de knieën naar binnen gericht zijn.
  1. jambes cagneuses
  2. jambes en X
noun
1.
chromosome X
/ˈɪkstralə(n)/
noun
1. röntgenstraling
rayons X
/ksɑnˈtinə/
noun
1. een organische stof die in vlees, urine en andere dierlijke stoffen voorkomt
xanthine
/ksɑnˈtom/
noun
1.
xanthome
pronoun
2. spelwoord voor de letter x
Xavier
/ksɑnˈtɪpə/
noun
1. een boosaardige en kijfachtige vrouw
mégère
/ˌksenokraˈsi/, /ˌksenokraˈtsi/
noun
1. een heerschappij van vreemdelingen
domination étrangère
adjective
1. welgezind jegens vreemdelingen en/of buitenlanders
xénophile
/ksenofɪˈli/
noun
1. het welgezind zijn jegens vreemdelingen of buitenlanders
xénophilie
/ksenofoˈbi/
noun
1. een afkeer van alles wat vreemd of buitenlands is
xénophobie
adjective
1. een sterke afkeer van vreemdelingen hebbend
xénophobe
noun
1. iemand die een sterke afkeer van vreemdelingen heeft
xénophobe
noun
1. kruisbestuiving
xénogamie
/ˈksenɔn/
noun
1. een scheikundig element en kleurloos edelgas met het symbool Xe en het atoomnummer 54
xénon
/ˈksenotrɑnsplɑnˌtatsi/
noun
1. een transplantatie van dierlijke organen bij de mens
xénotransplantation
/ˈɣɪːrəs/
noun
1. sherry, een witte Spaanse wijn uit Jerez de la Frontera
xérès
/ˈɣɪːrəsˌʋɛin/
noun
1. sherry, een witte Spaanse wijn uit Jerez de la Frontera
vin de xérès
noun
xérophyte
/ˌksɪːroɣraˈfi/
noun
1. een droge, niet-chemische en fotografische methode die gebaseerd is op elektrostatische aantrekkingsverschijnselen
xérographie
/ˈksɪːrɔks/
noun
1. een fotokopie die gemaakt is door middel van xerografie
xérocopie
/ˈksɪːrɔksə(n)/
verb
1. kopieën maken volgens het systeem van de xerografie
faire une xérocopie de
/ˈkoːsa/
pronoun
1. een taal die in Zuid-Afrika gesproken wordt
xhosa
/ˈɛkstəsi/
noun
1. de afkorting voor ecstasy, een hallucinerende drug
ecstasy
/ksiˈlem/
noun
1.
xylème
/ksiˈlen/
noun
1. een oplosmiddel voor stoffen als lak en rubber
xylène
/ˌksiliˈtɔl/
noun
1. een zoetstof die bereid is door hydrogenatie van xylose
xylitol
noun
1.
xylophage
noun
1. melodisch slaginstrument dat bestaat uit een reeks op toon gestemde hardhouten staafjes waar met kleine hamertjes op geslagen wordt
xylophone
/ksiloɣraf/
noun
1. een houtsnijder of houtgraveur
xylographe
/ˌksiloɣraˈfi/
noun
  1. 1. houtsnijkunst
  2. 2. houtsnede of houtgravure
xylographie
/ˌksiloˈlit/
noun
  1. 1. versteend hout
  2. 2. een uit houtstof vervaardigd soort kunststeen
xylolithe
/iˈɣrɛk/, /ɛɪ̯/, /ɛː/
noun
1. de vijfentwintigste letter van het alfabet
y
noun
1.
axe des y
noun
1. een van de beide geslachtschromosomen dat in de helft van de zaadcellen voorkomt
chromosome Y
noun
1. antenne met dipool, reflector en director(en)
antenne Yagi
noun
1. antenne met dipool, reflector en director(en)
antenne Yagi-Uda
noun
1. antenne met dipool, reflector en director(en)
antenne Yagi
noun
1. spel met vijf dobbelstenen en een kaart met de geëiste worpen
Yahtzee
noun
1. een tropisch voedselgewas
igname
noun
1. actieve, mannelijke beginsel in de kosmos (volgens de Chinese filosofie), een van beide principes die samen de tao vormen
yang
noun
1. een Amerikaan uit het noordelijke deel van de Verenigde Staten
Amerloque
noun
  1. 1. Amerikaan uit het noordelijke deel van de Verenigde Staten
    Amerloque
  2. 2. spelwoord voor de letter y
    Yvonne
noun
  1. 2. een Engelse vlaktemaat (12,14 ha)
    yard
  2. 1. een Angelsaksische lengtemaat (3 voet is 0,9144 m)
    1. yard
    2. verge
noun
1. een zeiljacht met twee langsgetuigde masten
yawl
noun
1. een geschreeuwde leuze
cri d'encouragement
noun
1. de munteenheid van Japan
yen
/ˈjeti/
noun
1. een legendarisch monster met de bijnaam 'de verschrikkelijke sneeuwman' die voor zou komen in de Himalaya
  1. yéti
  2. abominable homme des neiges
noun
1. het passieve vrouwelijke beginsel in de kosmos volgens de Chinese filosofie, een van beide principes die samen de tao vormen
yin
noun
1.
yoctomètre
/ˈjoxa/
noun
1. het streven om door lichamelijke en geestelijke methoden van concentratie...
yoga
/ˈjɔxərt/, /ˈjɔχərt/
noun
1. lichtzuur en enigszins lobbig zuivelproduct,...
  1. yaourt
  2. yoghourt
noun
1. een beoefenaar van de yoga
yogi
pronoun
1. taal die door de Yoruba in Nigeria, Benin, Togo en Sierra Leone gesproken wordt
yoruba
noun
1.
yottamètre
noun
  1. 2. spelwoord voor de letter y
    Yvonne
  2. 1. de letter y
    upsilon
noun
1. scheikundig element met symbool Yb en atoomnummer 70
ytterbium
noun
1.
yttrium
noun
1. lelieachtige sierplant uit Noord-Amerika
yucca
noun
1. een jong, kindloos persoon die snel carrière gemaakt heeft en een exclusieve, trendgevoelige levensstijl heeft
yuppie
noun
1. jong, kindloos persoon die snel carrière gemaakt heeft en een exclusieve, trendgevoelige levensstijl heeft
yuppie
noun
1. een ronde nomadentent
yourte
/sɛt/, /zɛt/
noun
1. de zesentwintigste letter van het alfabet
z
/ˌzɛtoˈzɛt/
interjection
1. kijk op de achterkant van deze pagina
t.s.v.p.
/zaːt/
noun
  1. 1. een bevruchte kiem waaruit een nieuwe plant van dezelfde soort groeit
    1. graine
    2. semence
  2. 2. zaadcellen uit de mannelijke geslachtsorganen van een mens of een dier
    1. semence
    2. sperme
/zatbɑkʲə/
noun
1. klein bakje dat gevuld met zaad of ander vogelvoer in een vogelkooi gezet wordt
auget
/'zadbɑl/
noun
1. een orgaan waar de spermacellen gevormd worden
testicule
/ˈzadbɑŋk/
noun
  1. 2. een spermabank
    banque du sperme
  2. 1. een zandbank met mosselzaad
    moulière
noun
1. het bolvormige deel van een plant waar zaden op bevestigd zijn
capsule
/ˈzatsɛl/
noun
1. de mannelijke geslachtscel
spermatozoïde
noun
1. een klein knopje in het vruchtbeginsel waaruit na bevruchting een zaadje groeit
ovule
/'zadlɛɪdər/
noun
  1. canal déférent
  2. spermiducte
noun
cotylédon
/zax/
noun
1. een stuk gereedschap met een scherp getand metalen blad om voorwerpen in stukken te verdelen
scie
noun
1. plat stuk metaal met een lange kartelrand om hard materiaal door te snijden
lame de scie
noun
2. bepaald soort schelpdier, Donax vittatus
telline
noun
1. een uit houtvezels bestaande stof die ontstaat bij het zagen van hout
sciure
/'zaxsəl/
noun
1. een uit houtvezels bestaande stof die ontstaat bij het zagen van hout
sciure
/'zaxtɑnt/
noun
  1. 1. scherpe tandvormige karteling aangebracht op de rand van een zaagblad
    dent de scie
  2. 2. iets in de vorm van een zaagtand
    dentelure
noun
1. benaming voor haaiachtige vissen met aan de kop een zaagvormig uitsteeksel uit de familie Pristidae
poisson-scie
verb
1. zaad strooien
semer
noun
1. recht om een goed te volgen in andere handen
droit de suite
noun
1. room
crème
pronoun
2. spelwoord voor de letter z
Zoé
pronoun
2. boek in de Bijbel
Zacharie
pronoun
2. spelwoord voor de letter z
Zoé
adverb
1. gemakkelijk samen te drukken en/of te buigen
  1. mou
  2. doux
  3. molle
phraseologicalUnit
1. een aanpak die te voorzichtig is maakt problemen erger
  1. aux grand maux, les grands remèdes
  2. bon mire fait plaie puante
  3. main de médecin trop piteux rend le mal souvent trop chancreux
/ˈzɑxjəs/, /ˈzɑxtjəs/, /ˈzɑχcjəs/
adverb
1. stilletjes, met een laag geluidniveau
doucement
noun
zitplaats op dier of fiets
selle
noun
1. voor rijden geschikt paard
cheval de selle
noun
1. de pijnlijke gevolgen van het langdurig in het zadel zitten wanneer men daaraan niet gewend is
mal aux fesses
/'zadəlpɵnt/
noun
1. een punt op een gekromd vlak dat in de ene richting een maximum en in de andere een minimum is
point hyperbolique
/ˈzadənbɑŋk/
noun
1.bewaarplaats voor zaden van veel verschillende planten
réserve de semences
/ˈza.ɣə(n)/, /ˈza.χə(n)/
verb
1. in stukken delen door middel van een zaag
scier
noun
scierie
noun
  1. 2. een plek in kleding waarin kleine spullen kunnen worden meegedragen
    poche
  2. 1. slappe, vormeloze tas
    sac
  3. de zak geven (zie ook ontslaan)
    saquer
noun
1. een klein formaat agenda
agenda de poche
/ˈzɑgduk/
noun
1. een doek om de neus in te snuiten
mouchoir
/'zakəmɑn/
noun
1. iemand die met zakendoen zijn brood verdient
  1. homme d'affaires
  2. businessman
noun
1. onderdeel van het burgerlijk recht m.b.t. de rechtsverhouding tot een goed
droit des biens
noun
voyage d'affaires
noun
argent de poche
noun
1. iemand die ongemerkt waardevolle zaken steelt
  1. pickpocket
  2. voleur à la tire
noun
1. lamp op zakformaat
lampe de poche
noun
1. een draagbare bron van licht, gewoonlijk van energie voorzien middels batterijen
lampe de poche
noun
1. een draagbare bron van licht, gewoonlijk van energie voorzien middels batterijen
lampe de poche
/ˈzɑkmɛs/
noun
1. een klein invouwbaar mes, vaak met extra gereedschappen
  1. canif
  2. couteau de poche
/zɑksxakspɛl/
noun
1. een schaakspel in zakformaat waarop men de stukken op het bord kan vastzetten
échiquier de poche
noun
1. een woordenboek in klein formaat
dictionnaire de poche
noun
smeerbare massa om op de huid aan te brengen
  1. pommade
  2. baume
phraseologicalUnit
1. een uitdrukking om iemand een gelukkige paasviering te wensen
  1. Joyeuses Pâques
  2. Joyeux Pâques
/zɑlm/, /zɑɫm/
noun
1. benaming voor een aantal vissoorten uit de familie Salmonidae
saumon
noun
1. consumptievis, meestal regenboogforel (Oncorhynchus mykiss), met zalmkleurig vlees
truite saumonée
adjective
orangé saumon
adjective
rouge saumon
/'zɑm.bi.ja/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel de Republiek Zambia, dat geheel door land wordt omsloten
Zambie
noun
1. losse massa die bestaat uit miljoenen stukjes steen en schelpen
sable
noun
1. een bak gevuld met zand om in te spelen
bac à sable
noun
1. een ophoping van zand op de bodem van een zee of meer
banc de sable
noun
terre sablonneuse
noun
1. benaming voor de zoetwatervis Sander lucioperca
sandre
noun
1. filtreerinstallatie voor water die met zand werkt
filtre à sable
adjective
jaune sable
noun
1. bepaalde vaste plant die van nature in Noord-Europa en aan de West-Europese kusten voorkomt, Leymus arenarius
seigle de mer
noun
1. een van zand gebouwd miniatuurkasteel
château de sable
noun
1. een korreltje zand
grain de sable
noun
1. toestel waarmee de tijd wordt gemeten door zand uit het bovenste reservoir via een smalle doorgang naar het onderste reservoir te laten lopen
sablier
noun
marchand de sable
noun
1. een wezen dat zand in de ogen van kinderen zou strooien
marchand de sable
noun
sentier sablonneux
noun
grès
noun
een harde, droge wind die boven een woestijngebied een grote hoeveelheid zand en stof doet opwaaien
tempête de sable
verb
1. schoonmaken met behulp van een straal tot hoge snelheid versnelde zandkorrels,...
sabler
noun
  1. 2. (beroep)
    sableur
  2. 1. (gereedschap)
    sableuse
noun
1. zandweg. Weg met onverhard wegdek
chemin sablonneux
pronoun
1. verzamelnaam van een zestal talen die in het midden van Afrika worden gesproken
langues zandé
noun
1. een balk in de lengterichting bevestigd onder het bovenblad van de klankkast van een snaarinstrument
barre d'harmonie
/ˈzɑŋər/
noun
1. een mannelijk iemand die zingt
chanteur
noun
1. een vrouwelijk iemand die zingt
chanteuse
noun
leçon de chant
noun
1. Turdus philomelos, een lijstersoort die algemeen is in Nederland en Vlaanderen
grive musicienne
pronoun
1.
Saragosse
adjective
1. verzadigd, vol, met name van alcoholische drank
  1. ivre
  2. saoul
  3. soûl
noun
1. een dag van de week die na vrijdag en voor zondag komt
samedi
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Zaventem
/za.ˈiː.rə/
pronoun
Zaïre
personalPronoun
1. clitische vorm van zij (derde persoon vrouwelijk enkelvoud)
elle
noun
1. zwart-wit gestreepte paardachtige
zèbre
noun
1. een patroon van witte strepen aangebracht op het wegdek ter aanduiding van een beschermde voetgangersoversteekplaats
passage piétons
noun
morale
/ze/, /zeː/
noun
1. uitgestrektheid zoutwater
  1. mer
  2. large
noun
1. grote zwarte zwemvogel, onderfamilie van de eend, gans, zwaan, die leeft aan de kusten en op zee
macreuse
noun
1. op de zeebodem levend bolvormig stekelig ongewerveld diertje
  1. oursin
  2. hérisson de mer
noun
1. smalle doorgang tussen twee zeeën
détroit
noun
1. zeevis (Conger conger)
congre
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Actiniaria
anémone de mer
/ˈzeʲʔɑˌkʋarijəm/
noun
1. zoutwateraquarium voor zeevissen
aquarium d'eau de mer
noun
1. bepaald soort roofvogel die in kustgebieden leeft, Haliaeetus albicilla
  1. aigle de mer
  2. pygargue à queue blanche
noun
1. inham van een zee
bras de mer
noun
1. baarsachtige zeevis, Dicentrarchus labrax
bar
noun
1. gevarieerde vismaaltijd
  1. fruits de mer
  2. poissons de choix
/ˈzebenə(n)/
noun
1. zeevaste benen hebben
avoir le pied marin
noun
1. aardbeving waarvan het epicentrum op de bodem van de zee ligt
séisme sous-marin
noun
1. het grondvlak van een zee
  1. fond de la mer
  2. fond marin
/ˈzebɔŋk/
noun
1. ervaren zeeman
loup de mer
noun
1. stenen strekdam dienend om de kracht van de golven te breken
brise-lames
pronoun
1. en 2. dorp, deelgemeente en zeehaven
Zeebruges
noun
1. een zeeofficier in opleiding bij de marine
aspirant de la marine
noun
1. bepaald soort grote zeevis, Lophius piscatorius
  1. baudroie
  2. lotte de mer
noun
1. werktuig om grovere van fijnere bestanddelen te scheiden
tamis
noun
1. het dierlijk leven in de zee
faune maritime
noun
1. een van de beenderen van de schedel
os ethmoïde
noun
1. de deining van de zee
houle
noun
1. uiteinde van een rivier of zeearm dat toegang biedt tot de open zee
  1. chenal
  2. embouchure
  3. estuaire
  4. passe
noun
1. een zeeslag
combat naval
noun
  1. 2. schilderij met de zee als onderwerp
    marine
  2. 1. zicht op de zee
    vue sur la mer
/'zeɣodə(n)/, /'zeɣɔt/
noun
dieu des mers
noun
1. vrouwelijke godheid die woont en heerst over de zee, ofwel de vrouw van een zeegod
déesse des mers
noun
1. benaming voor planten aangepast aan het leven in zout water uit het geslacht Zostera
zostère
adjective
1. blauwachtig groen, kleur van de zee
vert de mer
noun
1. haven die in verbinding staat met de zee
port maritime
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de familie Phocidae
phoque
noun
1. plaats waar huilers, door de moeder verlaten jonge zeehonden, worden opgenomen en zolang worden verzorgd tot ze zelfstandig kunnen leven
refuge pour phoques
noun
1. pier of dijk die in zee uitsteekt
  1. môle
  2. jetée
noun
1. klimaat dat veel invloed van een meestal nabijgelegen zee of oceaan ondergaat, onder meer gekenmerkt door koele zomers...
climat maritime
noun
1. plantenetend zoogdier uit de orde Sirenia
  1. lamentin
  2. vache marine
/ˈzekut/
noun
1. zwart-witte zeevogel, Uria aalge
  1. guillemot marmette
  2. guillemot de Troïl
noun
1. benaming voor op de op komkommers lijkende zeedieren uit de klasse Holothuroidea
  1. concombre de mer
  2. holothurie
noun
1. benaming voor planten uit het geslacht Salicornia
salicorne
noun
1. in zee levende kreeft
homard
noun
1. de begrenzing van land door de zee
côte
noun
1. neteldier in de vorm waarin het vrij in het water zwemt
méduse
/ˈzelɑnt/, /ˈzeːlɑnd/, /ˈzeːlɑnt/
pronoun
1. een provincie in het zuidwesten van Nederland, die aan Noord-Brabant, Zuid-Holland, België en de Noordzee grenst
Zélande
noun
1. iemand die zelen vervaardigt.
  1. cordier
  2. funaio
noun
1. grote oorrob
otarie
/ˈze.le.li/
noun
1. benaming voor de sessiele zeedieren uit de klasse Crinoidea
  1. lis de mer
  2. encrine
noun
1. een groep van personen die voor hun beroep de zee bevaren
marins
noun
1. loods die schepen van en naar de open zee loodst
pilote
noun
1. bepaald soort karperachtiɡe zoetwatervis, Tinca tinca
tanche
noun
1. lucht aan of op zee
air marin
/ˈzelœʏpart/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Hydrurga leptonyx
léopard de mer
/zem/
noun
  1. 2. zeemleer, leer gemaakt van gemzenhuid
    chamois
  2. 1. een stuk zeemleer waarmee men een glazen ruit droog kan wrijven
    peau de chamois
noun
force navale
noun
marin
noun
1. vaardigheid in het bedienen, onderhouden en het besturen van een schip
conaissances nautique
noun
1. onthaaltehuis voor zeelieden aan de wal
foyer pour marins
noun
1. zeemanslied
chant de marins
noun
1. mythisch zeewezen
sirène
noun
1. benaming voor zeevogels uit de familie Laridae
mouette
noun
1. afstandsmaat, in gebruik op zee, 1852m
mille marin
noun
peau de chamois
noun
1. hoogte van de zeespiegel
niveau de la mer
noun
1. rob uit het geslacht Mirounga
éléphant de mer
/ˈzeʔɔtər/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Enhydra lutris
  1. loutre de mer
  2. loutre marine
noun
1. schuimverwerkend reinigingsmiddel
savon
/ˈzepaːrtʲə/
noun
2. benaming voor zeevisjes waarvan de kop op een paardenkop lijkt en die rechtopstaand zwemmen, uit het geslacht Hippocampus
  1. hippocampe
  2. cheval marin
noun
1. bolvormig vlies van water en zeep dat een hoeveelheid gas (meestal lucht) omringt
bulle de savon
noun
boîte à savon
noun
1. polder die ontstaat langs de kust, door bedijking van kwelders, als deze hoog genoeg zijn aangeslibd
polder
noun
1. brieven en verzendingen over zee
poste maritime
noun
1. zwaar ongeluk op zee, schipbreuk
catastrophe maritime
noun
1. wettelijke bepaling met betrekking tot de zeevaart, zeerecht omvat een groot aantal verdragen die in de afgelopen eeuwen tot stand zijn gekomen
droit maritime
noun
1. reis per schip over de zee
voyage par mer
/ˈzerɔp/
noun
2. benaming voor grote zeezoogdieren uit de familie Phocidae
phoque
noun
1. te volgen weg over zee onder de meest gunstige omstandigheden
voie marítime
noun
1. iemand die op zee een schip berooft
  1. corsaire
  2. pirate
noun
1. benaming voor zeedieren uit de familie Cheloniidae
tortue
noun
1. een zeewaardig schip gebouwd om de zee te kunnen trotseren
navire
noun
  1. 1. luchtige massa die bij heftige beweging van golven in zeewater ontstaat
    mousse de mer
  2. 2. inwendige schelp van een zeekat (een tienarmige inktvis)
    1. os de seiche
    2. sépion
  3. 3. bepaald soort plantje dat wel gebruikt wordt als miniatuurboompje bij modelspoorbanen, Teloxys aristata
    écume de mer
noun
1. iemand die de zeeën bevaart om andere schepen te beroven
  1. boucanier
  2. flibustier
  3. flibustière
  4. pirate
noun
  1. 1. militair treffen op zee
  2. 2. bordspel
bataille navale
/ˈzeslɑŋ/
noun
1. giftig reptiel dat leeft in ondiepe zeegebieden en riviermondingen
serpent marin
noun
1. relatief kleine, maar zeer zeewaardige sterke boot die gebouwd is om schepen in nood te helpen, te bergen, drijvende vrachten over zee te slepen en olieplatforms te bevoorraden
remorqueur haute mer
noun
écluse de mer
noun
1. benaming voor schijfvormige zeedieren met vijf armen uit de klasse Asteroidea
étoile de mer
noun
1. stormachtige wind over de zee
tempête de mer
noun
1. een smalle doorgang tussen twee zeeën en daarmee tevens de scheiding tussen twee landmassa's
détroit
noun
1. een grote constante beweging van het zeewater
courant marin
noun
1. bepaald soort platvis, Solea solea
sole
pronoun
1. een streektaal bestaande uit een verzameling Nederfrankische dialecten ,gesproken in de provincie Zeeland
zélandais
pronoun
1. het zuidelijk deel van de Nederlandse provincie Zeeland, begrensd door de Westerschelde en de Belgische provincies Oost-Vlaanderen en West-Vlaanderen
Flandre zélandaise
noun
1. iemand die voor zijn beroep de zee bevaart
  1. marin
  2. navigateur
noun
1. scheepvaart over de zee
navigation
noun
1. school waar de leerlingen een opleiding krijgen voor een beroep op een zeeschip
école de la marine
adjective
1. een varende functie op een zeeschip uitoefenen
navigateur
noun
1. vis die in de zee leeft
poisson de mer
noun
1. visvangst vanuit de zee, per schip of van het strand
pêche en mer
/ˈzeˌvoχɔɫ/, /ˈzeːˌvoːɣəl/
noun
1. een vogel die vooral in de directe omgeving van de zee leeft
oiseau de mer
noun
2. allerlei eetbare schaal- en schelpdieren
fruits de mer
adjective
1. geschikt om veilig op zee te varen
en état de tenir la mer
noun
1. de mate waarin een schip of bemanning zeewaardig is
navigabilité
adjective
1. naar zee gericht, in de richting van de zee
vers la mer
/ˈzeʋatər/
noun
1. water waarin diverse zouten zijn opgelost en waarmee de zeeën gevuld zijn
eau de mer
noun
1. waterkering tegen de zee
  1. digue
  2. ouvrage de défense contre la mer
noun
1. al de maritieme zaken
marine
noun
1. in zee levend wier
algue marine
noun
1. wind vanuit de zee, die landinwaarts waait
vent de mer
/ˈzeʋɔɫf/
noun
1. bepaald soort roofvis, Anarhichas lupus
loup de mer
verb
1. zeilen op zee
faire de la voile en mer
adjective
mal de mer
noun
1. misselijkheid als gevolg van de onregelmatige beweging van een schip
mal de mer
noun
mammifère marin
noun
1. zout, uit zeewater gewonnen
sel marin
noun
1.
victoire
/ˈzeɣəɫˌrɪŋ/
noun
1. een ring die aan de rugzijde voorzien is van een gravure, waarmee een zegel kan worden gestempeld
chevalière
/ˈzeːɣə(n)/, /ˈzeːχə(n)/
noun
  1. 1. verlening van goddelijke of bovennatuurlijke bijstand
    bénédiction
  2. 4. breed en naar verhouding niet erg hoog sleepnet
    seine
verb
1. de zegen geven
bénir
/'zexəvirə(n)/
verb
1. de overwinning behalen
triompher
noun
1. een geslacht van zowel bladverliezende als groenblijvende kruidachtige planten
laîche
verb
1. mededelen
dire
/ˈzεɣə(n)ˌsxɑp/, /ˈzεχə(n)ˌsχɑp/
noun
1. het recht om over iets te beslissen
  1. mot à dire
  2. pouvoir de décision
noun
1. persoon die in naam van een organisatie of een persoon het woord voert
porte-parole
noun
  1. 4. doek voor diverse doeleinden
    bâche
  2. 3. vloerbedekking met een onderlaag van weefsel (jute) en een harde kunststof bovenlaag
    linoléum
  3. 5. schip (een vloot van x zeilen)
    navire
  4. 1. doek dat in een mast gehesen is met als doel wind te vangen
    voile
  5. 2. het geheel van alle zeilen van een schip
    voilure
noun
1. een boot waarmee gezeild kan worden
  1. voilier
  2. cotre
  3. bateau à voiles
noun
1. vereniging van zeilers
yacht-club
noun
1. een reeks lessen die gericht zijn op het leren zeilen
cours de voile
adjective
gris tente
/ˈzɛɪlə(n)/
verb
2. zich in een zeilboot met behulp van de wind over het water voortbewegen
  1. naviguer
  2. faire de la voile
  3. voguer
  4. cingler
noun
  1. 2. een zeilboot
    bâteau a voiles
  2. 1. iemand die het zeilen beoefent
    1. yachtman
    2. barreur
    3. personne qui fait la voile
noun
1. een kamp van zeilers, met name gebruikt voor jongeren die willen leren zeilen
stage de voile
/ˈzɛilklar/
adjective
1. gereed om te gaan zeilen
prêt à faire voile
noun
1. de letter(s) in het grootzeil waarmee de nationaliteit van een zeilschip aangegeven wordt
code de nationalité
noun
  1. 1. werkplaats waar zeilen gemaakt worden
  2. 2. de activiteit van het maken van zeilen
voilerie
noun
zeilmakersplaat
paumelle
noun
1. zeilmakerspriem
alêne
noun
zeilplaat
paumelle
noun
1. surfplank
planche à voile
noun
1. zeilpriem
alêne
noun
1. zwaartpunt van het zeil, aangrijpingspunt voor de windkracht
point vélique
adjective
1. gereed om te gaan zeilen
prêt à faire voile
noun
1. een metalen verstevigingsring om gaten waar touw of koord doorheen loopt, tegen slijtage en uitscheuren te beschermen
œillet
noun
1. een schip waarmee gezeild kan worden
  1. voilier
  2. yacht à voiles
noun
1. een instituut met als doel het opleiden in de kunst van het zeilen
école de voile
noun
1. de sport van het zeilen
  1. voile
  2. yachting
noun
1. vrouwelijke zeiler
personne qui fait la voile
/ˈzɛilvardəx/
adjective
1. gereed om te gaan zeilen
prêt à faire voile
noun
1. een zeilboot of zeilschip
voilier
noun
1. het totale vermogen van te voeren zeilen, zeilcapaciteit
rendement des voiles
noun
1. maaiwerktuig met gebogen snijblad en lange stok
faux
noun
1. een persoon met een zeis als verpersoonlijking van de dood
Faucheuse
/ˈze.kər/
adjective
1. waaraan niet getwijfeld hoeft te worden
  1. sûr
  2. certain
/ˈze.kə.rə(n)/
verb
1. het touw waarmee iemand klimt op een veilige manier vasthouden
verrouiller
noun
1. elektronisch element ter voorkoming van een te grote stroom
  1. fusible
  2. plomb
noun
1. toestelletje dat helpt het touw te remmen bij het zekeren van een klimmer
  1. assureur
  2. dispositif d'assurage
adverb
1. bijzonder weinig voorkomend
rarement
adjective
1. naar verhouding gering in aantal
rare
/zɛlf/, /zɛɫf/
demonstrativePronoun
  1. 1. in eigen persoon
  2. 2. in tegenstelling met iets anders
même
noun
  1. 2. de mogelijkheid voor een volk om te bepalen onder welke soevereiniteit het wil vallen
    autodétermination
  2. 1. wilsvrijheid van het individu
    autonomie
adjective
  1. 1. aantonend zelfbesef te hebben
    conscient de soi
  2. 2. zelfverzekerd
    sûr de soi
demonstrativePronoun
même
noun
1. Het zich benemen van het leven
mort volantaire
noun
suffisance
noun
ipséité
noun
auto-induction
noun
1.
autoévaluation
noun
1. een verzamelnaam voor muziekinstrumenten die toon/geluid voortbrengen door trillend materiaal
autophone
noun
1. beoordeling van het zelf, meestal gericht op dat wat verbeterd zou moeten worden
autocritique
/ˈzɛɫfmoːrt/
noun
1. handeling waarbij men een einde maakt aan zijn eigen leven.
suicide
/'zɛlfpɔrtrɛt/
noun
1. een kunstwerk gebaseerd op de afbeelding van het eigen gezicht
autoportrait
adjective
débrouillard
noun
1. het vermogen om het leven in te richten zonder hulp van anderen
débrouillardise
adverb
même
noun
1. jezelf belachelijk maken met humoristische intentie
autodérision
adjective
1. op zichzelf staand
indépendant
noun
1. woordsoort die een zekere mate van zelfstandigheid van het genoemde uitdrukt, in veel talen standaard gecombineerd met een lidwoord
  1. substantif
  2. nom
noun
1. verbranding van zichzelf
auto-immolation
noun
1. verdediging van zichzelf
  1. auto-défense
  2. autodéfense
adjective
autoproclamé
noun
1. het zichzelf kapotmaken, vernietiging of opoffering van het zelf
autodestruction
noun
zélote
noun
B 1. ingrediënt dat bestaat uit met de zaadhuiden vergroeide vruchtwanden en kiemen
son
/ˈzemə(n)/
verb
1. het droogwrijven van een pas gewassen glazen oppervlak met een stuk zeemleer
nettoyer avec une peau de chamois
noun
1. een vrij opgestelde elektrische geleider
antenne d'émission
noun
1. brief van een apostel of een geestelijke aan de gelovigen
  1. épitre
  2. épître
/'zɛndəlɪŋ/
noun
1. persoon die uitgezonden wordt om mensen tot het geloof in het protestantse christendom te bekeren
missionnaire
noun
1. hoge ondersteuningsconstructie voor zendantennes
pylône d'emission
/zenɪt/
noun
1. het denkbeeldige punt loodrecht omhoog aan de hemelkoepel
zénith
pronoun
1.
Senne
noun
1. een onderdeel van het perifeer zenuwstelsel, bestaande uit gebundelde uitlopers van zenuwcellen
nerf
/ˈzenʏˌʋɑxtəx/
adjective
1. onrustig, bezorgd en gespannen over iets wat gaat gebeuren
nerveux
/ˈze.ny.sɛl/, /ˈze.nyʊ̯.sɛɫ/, /ˈzeː.nyʊ̯.sɛl/
noun
een zeer belangrijke cel in het zenuwstelsel
  1. neurone
  2. cellule nerveuse
noun
1.een geneesmiddel met een kalmerend effect
calmant
noun
1. het gehele zenuwsysteem
système nerveux
adjective
névropathe
noun
1. klasse silicaat-mineralen met een kristalstructuur die kanalen en holtes bevat in de grootteorde van nanometers
  1. zéolithe
  2. zéolite
noun
1.
zeptomètre
noun
1. het getal 6
six
/ˈzɛs.də/, /ˈzɛz.də/
ordinalAdjective
nummer zes in een rij
sixième
cardinalNumeral
1. het getal 36
trente-six
cardinalNumeral
1. het getal 96
quatre-vingt-seize
cardinalNumeral
1. het getal 86
quatre-vingt-six
cardinalNumeral
1. het getal 26
vingt-six
cardinalNumeral
1. het getal 46
quarante-six
cardinalNumeral
1. het getal 56
cinquante-six
cardinalNumeral
1. het getal 66
soixante-six
/ˈzɛsənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 76
soixante-seize
/zɛsɦuk/
noun
1. een geometrische tweedimensionale vorm, bestaande uit zes hoeken en derhalve ook zes zijden
hexagone
/ˈzɛsˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 600
six-cents
cardinalNumeral
1. het getal 608
six-cent-huit
cardinalNumeral
1. het getal 638
six-cent-trente-huit
cardinalNumeral
1. het getal 698
six-cent-quatre-vingt-dix-huit
cardinalNumeral
1. het getal 688
six-cent-quatre-vingt-huit
cardinalNumeral
1. het getal 628
six-cent-vingt-huit
cardinalNumeral
1. het getal 648
six-cent-quarante-huit
cardinalNumeral
1. het getal 658
six-cent-cinquante-huit
cardinalNumeral
1. het getal 668
six-cent-soixante-huit
/ˌzɛshɔndərtˈɑxtənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 678
six-cent-soixante-dix-huit
cardinalNumeral
1. het getal 618
six-cent-dix-huit
cardinalNumeral
1. het getal 613
six-cent-treize
cardinalNumeral
1. het getal 630
six-cent-trente
cardinalNumeral
1. het getal 603
six-cent-trois
cardinalNumeral
1. het getal 633
six-cent-trente-trois
cardinalNumeral
1. het getal 693
six-cent-quatre-vingt-treize
cardinalNumeral
1. het getal 683
six-cent-quatre-vingt-trois
cardinalNumeral
1. het getal 623
six-cent-vingt-trois
cardinalNumeral
1. het getal 643
six-cent-quarante-trois
cardinalNumeral
1. het getal 653
six-cent-cinquante-trois
cardinalNumeral
1. het getal 663
six-cent-soixante-trois
/ˌzɛshɔndərˈdrijənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 673
six-cent-soixante-treize
cardinalNumeral
1. het getal 601
six-cent-un
cardinalNumeral
1. het getal 631
six-cent-trente-et-un
cardinalNumeral
1. het getal 691
six-cent-quatre-vingt-onze
cardinalNumeral
1. het getal 681
six-cent-quatre-vingt-un
cardinalNumeral
1. het getal 621
six-cent-vingt-et-un
cardinalNumeral
1. het getal 641
six-cent-quarante-et-un
cardinalNumeral
1. het getal 651
six-cent-cinquante-et-un
cardinalNumeral
1. het getal 661
six-cent-soixante-et-un
/ˌzɛshɔndərtˈenənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 671
six-cent-soixante-et-onze
cardinalNumeral
1. het getal 611
six-cent-onze
cardinalNumeral
1. het getal 609
six-cent-neuf
cardinalNumeral
1. het getal 639
six-cent-trente-neuf
cardinalNumeral
1. het getal 699
six-cent-quatre-vingt-dix-neuf
cardinalNumeral
1. het getal 689
six-cent-quatre-vingt-neuf
cardinalNumeral
1. het getal 629
six-cent-vingt-neuf
cardinalNumeral
1. het getal 649
six-cent-quarante-neuf
cardinalNumeral
1. het getal 659
six-cent-cinquante-neuf
cardinalNumeral
1. het getal 669
six-cent-soixante-neuf
/ˌzɛshɔndərtˈneɣənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 679
six-cent-soixante-dix-neuf
cardinalNumeral
1. het getal 619
six-cent-dix-neuf
cardinalNumeral
1. het getal 690
six-cent-quatre-vingt-dix
cardinalNumeral
1. het getal 680
six-cent-quatre-vingts
cardinalNumeral
1. het getal 610
six-cent-dix
cardinalNumeral
1. het getal 612
six-cent-douze
cardinalNumeral
1. het getal 602
six-cent-deux
cardinalNumeral
1. het getal 632
six-cent-trente-deux
cardinalNumeral
1. het getal 692
six-cent-quatre-vingt-douze
cardinalNumeral
1. het getal 682
six-cent-quatre-vingt-deux
cardinalNumeral
1. het getal 622
six-cent-vingt-deux
cardinalNumeral
1. het getal 642
six-cent-quarante-deux
cardinalNumeral
1. het getal 652
six-cent-cinquante-deux
cardinalNumeral
1. het getal 662
six-cent-soixante-deux
/ˌzɛshɔndərˈtwejənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 672
six-cent-soixante-douze
cardinalNumeral
1. het getal 620
six-cent-vingt
cardinalNumeral
1. het getal 614
six-cent-quatorze
cardinalNumeral
1. het getal 640
six-cent-quarante
cardinalNumeral
1. het getal 604
six-cent-quatre
cardinalNumeral
1. het getal 634
six-cent-trente-quatre
cardinalNumeral
1. het getal 694
six-cent-quatre-vingt-quatorze
cardinalNumeral
1. het getal 684
six-cent-quatre-vingt-quatre
cardinalNumeral
1. het getal 624
six-cent-vingt-quatre
cardinalNumeral
1. het getal 644
six-cent-quarante-quatre
cardinalNumeral
1. het getal 654
six-cent-cinquante-quatre
cardinalNumeral
1. het getal 664
six-cent-soixante-quatre
/ˌzɛshɔndərtˈfirənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 674
six-cent-soixante-quatorze
cardinalNumeral
1. het getal 605
six-cent-cinq
cardinalNumeral
1. het getal 635
six-cent-trente-cinq
cardinalNumeral
1. het getal 695
six-cent-quatre-vingt-quinze
cardinalNumeral
1. het getal 685
six-cent-quatre-vingt-cinq
cardinalNumeral
1. het getal 625
six-cent-vingt-cinq
cardinalNumeral
1. het getal 645
six-cent-quarante-cinq
cardinalNumeral
1. het getal 655
six-cent-cinquante-cinq
cardinalNumeral
1. het getal 665
six-cent-soixante-cinq
/ˌzɛshɔndərtˈfɛifənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 675
six-cent-soixante-quinze
cardinalNumeral
1. het getal 615
six-cent-quinze
cardinalNumeral
1. het getal 650
six-cent-cinquante
cardinalNumeral
1. het getal 606
six-cent-six
cardinalNumeral
1. het getal 636
six-cent-trente-six
cardinalNumeral
1. het getal 696
six-cent-quatre-vingt-seize
cardinalNumeral
1. het getal 686
six-cent-quatre-vingt-six
cardinalNumeral
1. het getal 626
six-cent-vingt-six
cardinalNumeral
1. het getal 646
six-cent-quarante-six
cardinalNumeral
1. het getal 656
six-cent-cinquante-six
cardinalNumeral
1. het getal 666
six-cent-soixante-six
/ˌzɛshɔndərtˈsɛsənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 676
six-cent-soixante-seize
cardinalNumeral
1. het getal 616
six-cent-seize
cardinalNumeral
1. het getal 660
six-cent-soixante
/ˌzɛshɔndərtˈsøvən/
cardinalNumeral
1. het getal 607
six-cent-sept
/ˌzɛshɔndərtˈsøvənənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 637
six-cent-trente-sept
/ˌzɛshɔndərtˈsøvənəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 697
six-cent-quatre-vingt-dix-sept
/ˌzɛshɔndərtˈsøvənənˌtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 687
six-cent-quatre-vingt-sept
/ˌzɛshɔndərtˈsøvənənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 627
six-cent-vingt-sept
/ˌzɛshɔndərtˈsøvənəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 647
six-cent-quarante-sept
/ˌzɛshɔndərtˈsøvənəɱˌvɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 657
six-cent-cinquante-sept
/ˌzɛshɔndərtˈsøvənənˌsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 667
six-cent-soixante-sept
/ˌzɛshɔndərtˈsøvənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 677
six-cent-soixante-dix-sept
/ˌzɛshɔndərtˈsøvənˌtin/
cardinalNumeral
1. het getal 617
six-cent-dix-sept
/ˌzɛshɔndərtˈsøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 670
six-cent-soixante-dix
cardinalNumeral
1. het getal 16
seize
noun
1.
double-croche
noun
1.
quart de soupir
noun
1. ruimtelijke figuur met zestien vlakken
hexadécaèdre
cardinalNumeral
1. het getal 60
soixante
noun
1.
sexagénaire
/zɛt/
noun
  1. handeling gedurende een spelbeurt
    coup
  2. beweging waarbij iets verplaatst wordt
    1. coup
    2. bourrade
noun
  1. 1. constructie bestemd om prettig op te zitten
  2. 3. plaats waar een organisatie gevestigd is
  3. 2. lidmaatschap van een raad of vergadering met een beperkt aantal leden
siège
noun
répartition des sièges
noun
amidon
noun
1. een medicament in de vorm van een pil die via de anus toegediend wordt
suppositoire
noun
  1. bloc d'empagement
  2. empagement
noun
1.
zettamètre
verb
  1. 1. iets schikken
    mettre
  2. 2. bereiden
    préparer
  3. 3. iets neerschrijven
    écrire
noun
1.
composition
noun
1. vrouwelijk varken of everzwijn
  1. truie
  2. coche
verb
2. iets met grote inspanning verplaatsen
traîner
/ˈsʏː.rə(n)/, /ˈzøː.rə(n)/
verb
1. veelvuldig en langdurig klagen over weinig belangrijke zaken
assommer
/zœys/
pronoun
1. Griekse oppergod
Zeus
/ˈzøvən/
cardinalNumeral
1. het getal 7
sept
noun
1. soort struik, Juniperus sabina
  1. sabinier
  2. genevrier sabine
/ˈze.vən.də/
ordinalAdjective
septième
/ˈzøvənənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 37
trente-sept
/ˈzøvənəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 97
quatre-vingt-dix-sept
/ˈzøvənənˌtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 87
quatre-vingt-sept
/ˈzøvənənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 27
vingt-sept
/ˈzøvənəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 47
quarante-sept
/ˈzøvənəɱˌvɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 57
cinquante-sept
/ˈzøvənənˌsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 67
soixante-sept
/ˈzøvənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 77
soixante-dix-sept
noun
plant en kruid
  1. fenugrec bleu
  2. trèfle bleu
  3. trèfle mélilot
/ˈzeːvə(n)ˌɦɔndərt/, /ˈzøvənˌhɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 700
sept-cents
/ˌzøvənˌhɔndərtˈɑxt/
cardinalNumeral
1. het getal 708
sept-cent-huit
/ˌzøvənˌhɔndərtˈɑxtənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 738
sept-cent-trente-huit
/ˌzøvənˌhɔndərtˈɑxtəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 798
sept-cent-quatre-vingt-dix-huit
/ˌzøvənˌhɔndərtˈɑxtənˌtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 788
sept-cent-quatre-vingt-huit
/ˌzøvənˌhɔndərtˈɑxtənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 728
sept-cent-vingt-huit
/ˌzøvənˌhɔndərtˈɑxtəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 748
sept-cent-quarante-huit
/ˌzøvənˌhɔndərtˈɑxtəɱˌvɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 758
sept-cent-cinquante-huit
/ˌzøvənˌhɔndərtˈɑxtənˌsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 768
sept-cent-soixante-huit
/ˌzøvənˌhɔndərtˈɑxtənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 778
sept-cent-soixante-dix-huit
/ˌzøvənˌhɔndərtˈɑxtin/
cardinalNumeral
1. het getal 718
sept-cent-dix-huit
/ˌzøvənˌhɔndərˈdɛrtin/
cardinalNumeral
1. het getal 713
sept-cent-treize
/ˌzøvənˌhɔndərˈdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 730
sept-cent-trente
/ˌzøvənˌhɔndərˈdri/
cardinalNumeral
1. het getal 703
sept-cent-trois
/ˌzøvənˌhɔndərˈdrijənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 733
sept-cent-trente-trois
/ˌzøvənˌhɔndərˈdrijəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 793
sept-cent-quatre-vingt-treize
/ˌzøvənˌhɔndərˈdrijənˌtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 783
sept-cent-quatre-vingt-trois
/ˌzøvənˌhɔndərˈdrijənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 723
sept-cent-vingt-trois
/ˌzøvənˌhɔndərˈdrijəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 743
sept-cent-quarante-trois
/ˌzøvənˌhɔndərˈdrijəɱˌvɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 753
sept-cent-cinquante-trois
/ˌzøvənˌhɔndərˈdrijənˌsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 763
sept-cent-soixante-trois
/ˌzøvənˌhɔndərˈdrijənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 773
sept-cent-soixante-treize
/ˌzøvənˌhɔndərtˈen/
cardinalNumeral
1. het getal 701
sept-cent-un
/ˌzøvənˌhɔndərtˈenənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 731
sept-cent-trente-et-un
/ˌzøvənˌhɔndərtˈenəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 791
sept-cent-quatre-vingt-onze
/ˌzøvənˌhɔndərtˈenənˌtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 781
sept-cent-quatre-vingt-un
/ˌzøvənˌhɔndərtˈenənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 721
sept-cent-vingt-et-un
/ˌzøvənˌhɔndərtˈenəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 741
sept-cent-quarante-et-un
/ˌzøvənˌhɔndərtˈenəɱˌvɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 751
sept-cent-cinquante-et-un
/ˌzøvənˌhɔndərtˈenənˌsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 761
sept-cent-soixante-et-un
/ˌzøvənˌhɔndərtˈenənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 771
sept-cent-soixante-et-onze
/ˌzøvənˌhɔndərtˈɛlᵊf/
cardinalNumeral
1. het getal 711
sept-cent-onze
/ˌzøvənˌhɔndərtˈneɣən/
cardinalNumeral
1. het getal 709
sept-cent-neuf
/ˌzøvənˌhɔndərtˈneɣənənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 739
sept-cent-trente-neuf
/ˌzøvənˌhɔndərtˈneɣənəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 799
sept-cent-quatre-vingt-dix-neuf
/ˌzøvənˌhɔndərtˈneɣənənˌtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 789
sept-cent-quatre-vingt-neuf
/ˌzøvənˌhɔndərtˈneɣənənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 729
sept-cent-vingt-neuf
/ˌzøvənˌhɔndərtˈneɣənəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 749
sept-cent-quarante-neuf
/ˌzøvənˌhɔndərtˈneɣənəɱˌvɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 759
sept-cent-cinquante-neuf
/ˌzøvənˌhɔndərtˈneɣənənˌsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 769
sept-cent-soixante-neuf
/ˌzøvənˌhɔndərtˈneɣənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 779
sept-cent-soixante-dix-neuf
/ˌzøvənˌhɔndərtˈneɣənˌtin/
cardinalNumeral
1. het getal 719
sept-cent-dix-neuf
/ˌzøvənˌhɔndərtˈneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 790
sept-cent-quatre-vingt-dix
/ˌzøvənˌhɔndərˈtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 780
sept-cent-quatre-vingts
/ˌzøvənˌhɔndərˈtin/
cardinalNumeral
1. het getal 710
sept-cent-dix
/ˌzøvənˌhɔndərˈtwalᵊf/
cardinalNumeral
1. het getal 712
sept-cent-douze
/ˌzøvənˌhɔndərˈtwe/
cardinalNumeral
1. het getal 702
sept-cent-deux
/ˌzøvənˌhɔndərˈtwejənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 732
sept-cent-trente-deux
/ˌzøvənˌhɔndərˈtwejəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 792
sept-cent-quatre-vingt-douze
/ˌzøvənˌhɔndərˈtwejənˌtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 782
sept-cent-quatre-vingt-deux
/ˌzøvənˌhɔndərˈtwejənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 722
sept-cent-vingt-deux
/ˌzøvənˌhɔndərˈtwejəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 742
sept-cent-quarante-deux
/ˌzøvənˌhɔndərˈtwejəɱˌvɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 752
sept-cent-cinquante-deux
/ˌzøvənˌhɔndərˈtwejənˌsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 762
sept-cent-soixante-deux
/ˌzøvənˌhɔndərˈtwejənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 772
sept-cent-soixante-douze
/ˌzøvənˌhɔndərˈtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 720
sept-cent-vingt
/ˌzøvənˌhɔndərtˈfertin/
cardinalNumeral
1. het getal 714
sept-cent-quatorze
/ˌzøvənˌhɔndərtˈfertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 740
sept-cent-quarante
/ˌzøvənˌhɔndərtˈfir/
cardinalNumeral
1. het getal 704
sept-cent-quatre
/ˌzøvənˌhɔndərtˈfirənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 734
sept-cent-trente-quatre
/ˌzøvənˌhɔndərtˈfirəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 794
sept-cent-quatre-vingt-quatorze
/ˌzøvənˌhɔndərtˈfirənˌtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 784
sept-cent-quatre-vingt-quatre
/ˌzøvənˌhɔndərtˈfirənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 724
sept-cent-vingt-quatre
/ˌzøvənˌhɔndərtˈfirəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 744
sept-cent-quarante-quatre
/ˌzøvənˌhɔndərtˈfirəɱˌvɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 754
sept-cent-cinquante-quatre
/ˌzøvənˌhɔndərtˈfirənˌsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 764
sept-cent-soixante-quatre
/ˌzøvənˌhɔndərtˈfirənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 774
sept-cent-soixante-quatorze
/ˌzøvənˌhɔndərtˈfɛif/
cardinalNumeral
1. het getal 705
sept-cent-cinq
/ˌzøvənˌhɔndərtˈfɛifənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 735
sept-cent-trente-cinq
/ˌzøvənˌhɔndərtˈfɛifəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 795
sept-cent-quatre-vingt-quinze
/ˌzøvənˌhɔndərtˈfɛifənˌtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 785
sept-cent-quatre-vingt-cinq
/ˌzøvənˌhɔndərtˈfɛifənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 725
sept-cent-vingt-cinq
/ˌzøvənˌhɔndərtˈfɛifəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 745
sept-cent-quarante-cinq
/ˌzøvənˌhɔndərtˈfɛifəɱˌvɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 755
sept-cent-cinquante-cinq
/ˌzøvənˌhɔndərtˈfɛifənˌsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 765
sept-cent-soixante-cinq
/ˌzøvənˌhɔndərtˈfɛifənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 775
sept-cent-soixante-quinze
/ˌzøvənˌhɔndərtˈfɛiftin/
cardinalNumeral
1. het getal 715
sept-cent-quinze
/ˌzøvənˌhɔndərtˈfɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 750
sept-cent-cinquante
/ˌzøvənˌhɔndərtˈsɛs/
cardinalNumeral
1. het getal 706
sept-cent-six
/ˌzøvənˌhɔndərtˈsɛsənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 736
sept-cent-trente-six
/ˌzøvənˌhɔndərtˈsɛsəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 796
sept-cent-quatre-vingt-seize
/ˌzøvənˌhɔndərtˈsɛsənˌtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 786
sept-cent-quatre-vingt-six
/ˌzøvənˌhɔndərtˈsɛsənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 726
sept-cent-vingt-six
/ˌzøvənˌhɔndərtˈsɛsəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 746
sept-cent-quarante-six
/ˌzøvənˌhɔndərtˈsɛsəɱˌvɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 756
sept-cent-cinquante-six
/ˌzøvənˌhɔndərtˈsɛsənˌsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 766
sept-cent-soixante-six
/ˌzøvənˌhɔndərtˈsɛsənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 776
sept-cent-soixante-seize
/ˌzøvənˌhɔndərtˈsɛstin/
cardinalNumeral
1. het getal 716
sept-cent-seize
/ˌzøvənˌhɔndərtˈsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 760
sept-cent-soixante
/ˌzøvənˌhɔndərtˈsøvən/
cardinalNumeral
1. het getal 707
sept-cent-sept
/ˌzøvənˌhɔndərtˈsøvənənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 737
sept-cent-trente-sept
/ˌzøvənˌhɔndərtˈsøvənəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 797
sept-cent-quatre-vingt-dix-sept
/ˌzøvənˌhɔndərtˈsøvənənˌtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 787
sept-cent-quatre-vingt-sept
/ˌzøvənˌhɔndərtˈsøvənənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 727
sept-cent-vingt-sept
/ˌzøvənˌhɔndərtˈsøvənəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 747
sept-cent-quarante-sept
/ˌzøvənˌhɔndərtˈsøvənəɱˌvɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 757
sept-cent-cinquante-sept
/ˌzøvənˌhɔndərtˈsøvənənˌsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 767
sept-cent-soixante-sept
/ˌzøvənˌhɔndərtˈsøvənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 777
sept-cent-soixante-dix-sept
/ˌzøvənˌhɔndərtˈsøvənˌtin/
cardinalNumeral
1. het getal 717
sept-cent-dix-sept
/ˌzøvənˌhɔndərtˈsøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 770
sept-cent-soixante-dix
/ˈzøvənˌtin/
cardinalNumeral
1. het getal 17
dix-sept
/ˈzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 70
  1. soixante-dix
  2. septante
phraseologicalUnit
se défendre bec et ongles
pronoun
1. plaats in Vlaams-Brabant
Zichem
noun
1. wat gezien kan worden
visibilité
adjective
visible
/ˈzɪxtrekəˌnɪŋ/
noun
1. rekening waarop men geld kan plaatsen dat op elk ogenblik beschikbaar is.
  1. compte courant
  2. compte à vue
reflexivePersonalPronoun
se
adjective
1. lichamelijke toestand
malade
adjective
  1. 1. geneigd om vaak ziek te zijn
    maladif
  2. 2. geestelijk ongezond
    1. maladif
    2. pathologique
adverb
1. op geestelijk ongezonde wijze
  1. maladivement
  2. pathologiquement
noun
1. compensatie voor loon gederfd door ziekte
  1. indemnité de maladie
  2. indemnización por enfermedad
/ˈzi.kǝn.ˌɦœʏs/
noun
1. instelling voor onderzoek, behandeling en verpleging van zieken
hôpital
noun
1.
  1. laboratoire clinique
  2. laboratoire hospitalier
noun
1. de gegeven verpleging in een ziekenhuis
soin hospitalier
noun
1. een voertuig ingericht voor het vervoer van patiënten, gewoonlijk naar een ziekenhuis toe
ambulance
noun
maladie
noun
maladie de Crohn
noun
1. ziekte die het centrale zenuwstelsel steeds verder aantast
maladie de Parkinson
noun
1. een micro-organisme dat ziekte veroorzaakt
microbe
noun
pathologie
/zil/
noun
1. het veronderstelde wezen van het niet-stoffelijke van de mens
âme
verb
1. op sterven liggen
agoniser
verb
  1. 1. waarnemen met het oog
  2. 2. het vermogen waar te nemen
voir
/ˈzɪftə(n)/
verb
1. de grote van de kleine deeltjes scheiden met behulp van een zeef
tamiser
/siˈɣønər/
noun
Tsigane
/sɛɪ̯/, /zɛɪ̯/, /zɛː/
noun
1. een van beide kanten van een lichaam
côté
/sɛɪ̯/, /zɛɪ̯/, /zɛː/
personalPronoun
  1. 1. 3e persoon enkelvoud vrouwelijk
    elle
  2. 2. 3e persoon meervoud
    1. ils
    2. elles
noun
nef latérale
noun
  1. 1. kant
    1. côté
    2. flanc
  2. 2. vezel van de cocon van de zijdevlinder
    soie
adjective
gris soie
/ˈzɛɪdə(n)/, /ˈzɛːdə(n)/
adjective
  1. 1. van zijde, van zijdegaren vervaardigd
    soie
  2. 2. op zijde gelijkend
    soyeux
noun
1. de larve van de zijdevlinder
  1. ver à soie
  2. bombyx du mûrier
noun
1. de vlinder die uit de zijderups komt
bombyx
noun
1. rups van de zijdevlinder, Bombyx mori
bombyx du mûrier
/zɛɪkɑnt/
noun
1. datgene dat de zijde vormt
côté
possessivePronoun
1. derde persoon enkelvoud m/o
  1. son
  2. sa
verb
  1. 1. bestaan
    1. avoir
    2. y
    3. être
  2. 10. zijn + voltooid deelwoord: hulpwerkwoord van de voltooide tijd van ergatieven
    1. été
    2. être
    1. 5. gelijk zijn aan.
    2. 3. zich bevinden.
    3. 6. tot de groep behoren van
    4. 11. zijn + voltooid deelwoord: hulpwerkwoord van de voltooide tijd van de lijdende vorm
    être
  3. 7. de eigenschap hebben.
    1. être
    2. avoir
noun
1. een rivier die niet in zee maar in een andere rivier uitmondt
affluent
/'zɛɪspɑn/
noun
1. karretje dat naast een motorfiets bevestigd is voor het vervoer van een passagier
  1. side-car
  2. sidecar
noun
  1. 1.
  2. 2.
voie de garage
noun
dérive latérale
/zɪlt/
adjective
1. met een relatief hoog zoutpercentage
salin
noun
argent
noun
bromure d'argent
phraseologicalUnit
médaille d'argent
adjective
gris argent
noun
1. grote meeuwensoort
goéland argenté
noun
1. AgNO₃
nitrate d'argent
noun
1
pluvier argenté
noun
1. een plant uit de rozenfamilie (Rosaceae), de naam van deze plant komt door het zilverig uiterlijk ...
  1. argentine
  2. potentille ansérine
noun
1. benaming voor naaldbomen uit het geslacht Abies
sapin
noun
1.1 bepaald soort insect Lepisma saccharina
poisson d’argent
/'zɪlvərvlisrɛist/
noun
rijst waarvan de zemelen en de kiem niet verwijderd zijn
  1. riz complet
  2. riz brun
adjective
1. lichtgrijs met een metaalglans
argenté
/zɪm.ˈbɑ.b<sup>ʊ</sup>ə/, /zɪm.ˈbɑp.wə/
pronoun
land in zuidelijk Afrika, officieel de Republiek Zimbabwe
Zimbabwe
noun
1. een serie woorden die gezamenlijk in syntactisch verband een afgerond geheel vormen
  1. phrase
  2. proposition
adjective
  1. 2. schoon, rein
    1. nettoyé
    2. propre
    1. 1.2 van huisdieren: alleen buitenshuis of binnenshuis op een daarvoor bestemde plaats poepend en plassend
    2. 1.1 van kinderen: poepend en plassend op een toiletpot
    1. propre
    2. entraîné à la propreté
noun
1. een jong kind leren om de natuurlijke behoeften te beheersen en alleen uit te oefenen op een aangewezen plek
entraînement à la propreté
verb
1. het musiceren met de menselijke stem
chanter
noun
1. (muziekinstrument) een zaag die gebruikt wordt als muziekinstrument
  1. scie musicale
  2. lame sonore
noun
  1. 1. , een scheikundig element met symbool Zn en atoomnummer 30. Het is een blauw/wit overgangsmetaal
    zinc
  2. 1. zink (muziekinstrument)
    cornet à bouquin
verb
1. in een vloeistof, meestal water, traag naar beneden zakken
  1. couler
  2. sombrer
adjective
jaune zinc
noun
1. ZnO
oxyde de zinc
noun
1. concrete figuur voor een abstract begrip
emblème
pronoun
1. een stad in de Belgische provincie Henegouwen
  1. Soignies
  2. Sougniye
noun
1.syntactische eenheid binnen een zin
  1. constituant
  2. syntagme
noun
1. volgorde van zinsdelen in een zin
ordre des constituants
noun
1. de wetenschap die zich bezighoudt met de opbouw van zinnen
syntaxe
verb
1. op minder duidelijke wijze naar iets refereren
faire allusion à
/ˈzɪntœx/, /ˈzɪntœyx/
noun
1. orgaan
sens
/zijoˈnɪsmə/
noun
sionisme
noun
1. scheikundig element met symbool Zr en atoomnummer 40
zirconium
/zɪr'koːn/
noun
1. een mineraal
zircon
noun
bagnoire sabot
noun
salle de séjour
/ˈzɪ.tə(n)/
verb
1. op het zitvlak rusten
  1. être assis
  2. s'asseoir
/zɪtɪŋ/
noun
  1. 2. de tijd dat een raad of ander lichaam werkzaam bijeen is
  2. 3. als model poseren voor een kunstenaar of een fotograaf
séance
noun
1. achterste, achterwerk
séant
interjection
1. op die manier
ainsi
adverb
bientôt
adverb
1. net, even tevoren
  1. à l'instant
  2. tout à l'heure
conjunction
  1. 1. in die mate als
    comme
  2. 2. bijvoorbeeld
    1. comme
    2. tel que
adverb
1. in die mate
tellement
adverb
1. op die wijze
ainsi
noun
zouave
verb
1. proberen te vinden
chercher
noun
2. een richtmiddel op een camera of vuurwapen
viseur
noun
projecteur
noun
1. een instrument waarmee men informatie kan zoeken in een bepaalde collectie...
moteur de recherche
verb
1. zo behandelen dat iets niet meer terug te vinden is
  1. perdre
  2. égarer
noun
terme de recherche
pronoun
1. Bantoetaal die door 12 miljoen mensen in Zuid-Afrika wordt gesproken
zoulou
verb
1. een vrij zacht continu geluid voortbrengen dat op de z-klank lijkt
  1. bourdonner
  2. vrombir
verb
1. met de mond liefkozen
embrasser
noun
1. een offer dat gebracht wordt om verzoening (van zonden) te bewerkstelligen
sacrifice expiatoire
/ˈzut/
adjective
  1. 5. gehoorzaam, braaf
    sage
  2. 1. ter omschrijving van een vaak als aangename ervaren smaak zoals die van suiker
    1. sucré
    2. doux
noun
1.
eau douce
noun
1. een zetmeel houdende knol behorend tot dezelfde orde van planten als de aardappel
patate douce
/ˈzu.tə(n)/
verb
1. zoet maken
sucrer
noun
douceur
/ˈzuthʌʊt/
noun
  1. 2. gedroogde wortelstok van de gelijknamige plant
    bois de réglisse
  2. 1. Glycyrrhiza glabra, een plant die tot de vlinderbloemigen behoort
    réglisse
noun
2. zoetstof zonder suiker
édulcorant
noun
1. een bijzonder fijne vijl die gebruikt wordt om voorwerpen glad te maken
lime douce
noun
zoetwater
eau douce
/ˈzoːɣ.ə(n)/
verb
1. moedermelk geven
  1. allaiter
  2. donner le sein
/zo.ɣə.'namt/
adjective
1. door anderen zo genoemd (waarmee de gebruiker afstand nemend van de naam of het begrip zelf), niet echt
dit
/zo.ɣə.'namt/
adverb
1. naar (betwijfelde) bewering
  1. prétendu
  2. soi-disant
/ˈzɔldər/
noun
3. ruimte onder een (schuin) dak
  1. grenier
  2. mansarde
adverb
1. op willekeurige wijze, zonder nadenken of voorbereiden
comme ça
noun
1. door magie uit de dood teruggebracht persoon
  1. zombi
  2. zombie
noun
1. computer met internetverbinding die is besmet doordat de besturing van buitenaf - bijv. door een virus - is overgenomen
  1. machine zombie
  2. ordinateur zombie
verb
1. van zomen voorzien
ourler
noun
été
noun
1. zomerdag
  1. jour (m) d'été
  2. journée (f) d'été
noun
1. bepaald soort loofboom, Quercus robur
chêne pédonculé
noun
  1. colonie de vacances
  2. camp d'été
  3. colo
noun
1. zomermaand
mois d'été
noun
1. zomernacht
nuit d'été
noun
1. noorderlijk keerpunt van de zon
solstice d'ete
adjective
1. typerend voor de zomer
  1. estival
  2. d'été
noun
1. regeling waarbij de klok gedurende de lente- en zomermaanden een uur vooruit wordt gezet
heure d'été
/ˈzo.mər.va.ˌkɑn.si/, /ˈzo.mər.va.ˌkɑn.tsi/
noun
1. een lange vakantie in de zomer
grandes vacances
noun
temps d'été
noun
1. noorderlijk keerpunt van de zon
solstice d'ete
noun
1. noorderlijk keerpunt van de zon
solstice d'ete
noun
1. noorderlijk keerpunt van de zon
solstice d'ete
noun
1. de ster waar de planeet aarde omheen draait, hemellichaam dat de aarde overdag verlicht
soleil
adjective
zonal
noun
1. een dag van de week die na zaterdag en voor maandag komt
dimanche
adverb
dominical
adjective
1. te betreuren, een gevoel van spijt of teleurstelling oproepend
  1. dommage
  2. regrettable
noun
1. overtreding van een goddelijke wet of regel
péché
noun
  1. 1.
    bouc émissaire
  2. 2.
    1. bouc émissaire
    2. bouquet mystère
preposition
1. In afwezigheid van
sans
/zɔndəɣə(n)/
verb
1. het overtreden van een religieuze wet
pécher
noun
1. een catostrofale Bijbelse vloed
déluge
/ˈzoːnə/
noun
1. bepaald gebied dat is afgebakend van aangrenzend gebied
zone
/ˈzɔneˌklɪps/
noun
1. het verschijnsel dat de maan voor de zon langstrekt, waardoor het zonlicht geblokkeerd wordt
  1. éclipse du soleil
  2. éclipse de soleil
verb
zoner
adverb
1. als dit niet het geval zou zijn
sinon
noun
1. de zichtbare elektromagnetische straling van de ster waarrond onze aarde draait
lumière du soleil
/'zɔnəʔenɛr'ɣi/
noun
1. energie die gewonnen wordt uit de straling van de zon
énergie solaire
/zɔnəbɑt/
noun
het doelbewust de huid aan de stralen van de zon blootstellen om bruin te worden
bain de soleil
noun
1. iemand die in het zonlicht plaatsneemt om daarvan te genieten en meestal ook om een bruine huid te krijgen
bronzeur
/ˈzɔnəˌblum/
noun
1. bepaald soort tot 3 meter hoge plant met een grote gele bloem, Helianthus annuus
tournesol
noun
1.
huile de tournesol
noun
1. de vaak pijnlijke gevolgen van een blootstelling van de huid aan een te grote dosis ultraviolet licht
coup de soleil
noun
1. substantie tegen verbranding van de huid
crème solaire
noun
1. een bril met speciale glazen (dikwijls polaroid) om de ogen tegen het zonlicht te beschermen
lunettes de soleil
noun
cellule photovoltaïque
noun
capteur solaire thermique
adjective
jaune soleil
/ˈzɔ.nə.ˌjar/
noun
1. de tijd die het de aarde kost één keer rond de zon te draaien
année solaire
noun
Laudes Creaturarum
/ˈzɔnəpɑˌnel/, /ˈzɔnəpɑˌnɪːɫ/
noun
1. een paneel dat stralingsenergie van de zon omzet in elektriciteit
panneau solaire
noun
1. regen terwijl gelijktijdig de zon schijnt
mariage du loup
noun
1. het licht dat van de zon afkomstig is
  1. soleil
  2. lumière du soleil
noun
1. plotselinge aandoening van de hersenen ten gevolge van te felle zonneschijn of te grote hitte
insolation
noun
1.
système solaire
noun
1. keerpunt van de zon
solstice
noun
tour solaire
noun
1. magnetische onregelmatigheid aan de oppervlakte van de zon die vanaf de aarde te zien is als een wat donkere vlek
tache solaire
/ˈzɔnəˌwɛndə/, /ˈzɔnəˌʋɛndə/, /ˈzɔnəˌβ̞ɛndə/
noun
1. de gebeurtenis waarbij de zon, vanuit de aarde gezien, de meest noordelijke of zuidelijke positie (de keerkringen) bereikt
solstice
noun
cadran solaire
noun
1. de stroom deeltjes die de zon uitstraalt
vent solaire
adjective
1. zonovergoten, met zonneschijn
ensoleillé
noun
1. de hoogte van de zon boven de horizon
hauteur (f) du soleil
/zɔn'zɔndərχɑŋ/
noun
1. het ondergaan van de zon
coucher de soleil
noun
1. het opkomen van de zon
lever de soleil
/zɔnˈsɔpkɔmst/
noun
1. het 's morgens boven de horizon uitkomen van de zon
lever du soleil
/ˈzɔnsvərˌdœʏ̯stərɪŋ/, /ˈzɔnsvərˌdœːstərɪŋ/
noun
1. het verschijnsel dat de maan voor de zon langstrekt, waardoor het zonlicht geblokkeerd wordt
  1. éclipse du soleil
  2. éclipse de soleil
/zuː/
noun
1. verzameling levende, oorspronkelijk wilde dieren.
zoo
/ˈzox.diːr/, /ˈzoːɣ.diːr/, /ˈzoχ.diːr/
noun
1. werveldier dat zijn jongen zoogt
mammifère
/zoːi̯/
noun
1. warboel, puinhoop
fouillis
noun
  1. 1. onderkant van de voet
    1. plante du pied
    2. semelle
  2. 3. onderkant van een schaaf
    semelle
/zoːn/
noun
1. een mannelijk kind
fils
adjective
1. onbekommerd, zonder zorgen
insoucieux
noun
1.
  1. concierge
  2. gardien
noun
1. het aandacht besteden aan alle mogelijke details
  1. méticulosité
  2. précision
  3. attention
  4. exactitude
  5. finesse
  6. minutie
adjective
1. met de nodige zorg
attentif
noun
1. hoofddeksel van een nar
  1. bonnet de bouffon
  2. bonnet de fou
/zɑu̯t/
adjective
1. zout bevattend of zout smakend
salé
/zɑu̯t/
noun
1. alledaagse naam voor keukenzout
sel
adjective
1. overdrachtelijk: waar alle belangwekkendheid aan ontbreekt
insipide
verb
1. met zout conserveren
saler
/ˈzɑutˌvacə/
noun
2. tafelgereedschap dat het zout bevat en strooit
salière
noun
1. decoratieve pot die het zout bevat
salière
noun
eau salée
noun
1. een oplossing
  1. acide chlorhydriqu
  2. acide chlorhydrique
indefiniteCardinalNumeral
  1. 1. een bepaalde hoeveelheid
  2. 2. een onbepaald, bekend of bekend geacht aantal
autant
adverb
1. evenzeer
autant
/ˈzo.zo/
adjective
couci-couça
noun
zoogéographie
noun
1. de wetenschap die de dieren bestudeert.
zoologie
/zoʔo'lox/
noun
1. een wetenschapper die zich bezig houdt met de studie van dieren.
zoologiste
noun
1. plantaardig plankton
zooplancton
noun
zootomie
noun
  1. 1. onbedwingbare drang, verslaving
    désir
  2. 1. hoorbare uitademing
    soupir
/zœʏ̯t/, /zœːd/, /zœːt/
adverb
sud
/zœʏ̯t.'a.fri.ka/, /zœː'.dɑ.fri.ka/, /zœːt.'a.fri.ka/
pronoun
land in het zuiden van Afrika
Afrique du Sud
adjective
1.
sud-africain
noun
Merluccius capensis
merlu blanc du Cap
/ˌzœʏ̯t aˈmɪːrika/, /ˌzœːd aˈmeːrika/
pronoun
een continent dat ten zuiden van Noord-Amerika ligt, tussen de Grote en de Atlantische Oceaan
Amérique du Sud
adjective
sud-américain
pronoun
1. verzamelnaam van ongeveer 350 talen die in Zuid-Amerika worden gesproken
langues sud-amérindiennes
pronoun
1. Australische deelstaat in het zuiden
Australie méridionale
pronoun
1. regio van Tsjechië
Bohême-du-Sud
pronoun
1. is een randzee van de Grote Oceaan en ligt ten zuiden van China
Mer de Chine méridionale
/zœʏ̯.ˈtɔ.lɑnt/, /zœːt.ˈɦɔ.lɑnt/, /ˈzœːd.hɔ.lɑnd/
pronoun
1. een provincie in het zuidwesten van Nederland, die aan Noord-Holland, Utrecht, Gelderland, Noord-Brabant, Zeeland en de Noordzee grenst
  1. Hollande-Méridionale
  2. Hollande-du-Sud
pronoun
1. regio van Finland
Carélie du Sud
pronoun
1. taalfamilie van een vijftal talen die in het gebied aan de zuidkant van de Kaukasus worden gesproken
langues caucasiennes du Sud
/ˌzœʏ̯t koˈre.ja/, /ˌzœːt koˈre.ja/
pronoun
1. en 2., land en republiek in Azië
Corée du Sud
/ˌzœʏ̯t koreˈjans/, /ˌzœːt koreˈjaːns/
adjective
1.
sud-coréen
pronoun
1. regio van Tsjechië
Moravie-du-Sud
pronoun
1. taalfamilie van een tiental talen die op de Balkan worden gesproken
langues slaves méridionales
pronoun
  1. Tyrol du Sud
  2. Haut-Adige
adjective
1.
austral
/ˈzœy̯.də(n)/
noun
sud
noun
aurore astrale
adverb
sud-est
pronoun
1. Noordpool
Pôle Sud
noun
1.
aurore australe
pronoun
1. regio van Finland
Finlande-Propre
noun
1. hoofddeksel
suroît
/ˈzœy̯.ɣə(n)/
verb
  1. 1. (met de mond) naar zich toe trekken
    1. sucer
    2. aspirer
  2. 2. de moedermelk in zich opnemen
    téter
noun
piston
noun
  1. axe de piston
  2. tourillon de piston
noun
1.
pompe à piston
noun
segment de piston
noun
bielle
noun
segment de piston
noun
hotte
noun
1. een vaak metalen, trechter- of cilindervormige zeef voor de monding van een zuigpomp
crépine d’aspiration
noun
  1. pilier
  2. colonne
noun
1. iemand die bij wijze van terugtrekking uit de wereld boven op een zuil woont
stylite
/ˈzœʏ̯.nəχ.ˌɦɛɪ̯t/, /ˈzœː.nəx.ˌɦɛːt/, /ˈzœː.nɪx.ˌhɛɪ̯d/
noun
1. het zuinig zijn
économie
verb
1. zwaar of gulzig drinken
picoler
noun
beuverie
noun
1. verzamelnaam voor melkproducten
produits laitiers
noun
1. voedingsmiddel op basis van melk
  1. laitage
  2. produit laitier
adjective
vert pur
adjective
orangé pur
adjective
rouge pur
adjective
blanc pur
verb
1. van verontreinigingen ontdoen
purifier
/zɵlk/
exclamativePronoun
tel
noun
1. en 2. een geslacht van meest overblijvende, kruidachtige planten uit de duizendknoopfamilie...
  1. oseille
  2. parelle
  3. patience
noun
1. een ander kind van dezelfde ouders van het vrouwelijk geslacht
sœur
noun
1. vrouwelijk kind van dezelfde ouders
sœur
/zyːr/
adjective
1. een smaak hebbend zoals van citroensap of azijn
  1. acide
  2. sur
/zyːr/
noun
1. zure vloeistof
acide
/ˈzyrɣrat/
noun
1. de mate waarin iets zuur is, gewoonlijk gemeten als de negatieve logaritme (-log) van de concentratie waterstofionen
acidité
/'zyrkɑst/
noun
1.
sorbonne
noun
1. fijngesneden en licht gezouten kool die enige tijd gefermenteerd is
choucroute
/ˈzyːrstɔf/
noun
1. een scheikundig element en een bij kamertemperatuur kleurloos twee-atomig gas O₂
oxygène
noun
réservoir d'oxygene
noun
  1. 2. vrucht
    corossol
  2. 1. plant
    corossolier
noun
gyrophare
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Cygne
/zʋan/
noun
1. benaming voor watervogels met lange sierlijke hals uit het geslacht Cygnus
cygne
adjective
van groot gewicht
  1. lourd
  2. pesant
noun
1. water waarin de waterstofatomen vervangen zijn door de waterstofisotoop deuterium
eau lourde
noun
  1. 3. afbeelding van een zwaard op een blazoen
    dérive
  2. 1. een lang, scherp wapen
    1. épée
    2. glaive
noun
1. benaming voor planten uit het geslacht Gadiolus
glaïeul
noun
1.1 bepaald soort zeevis, Xiphias gladius
espadon
noun
1. Orcinus orca, een soort van walvis, vrij gedrongen van bouw en een opvallende rugvin
orque
noun
1. het zwaar zijn
lourdeur
adjective
1. van groot lichaamsgewicht
corpulent
adjective
mélancolique
noun
1. de kracht die de wederzijdse aantrekking van massa veroorzaakt
  1. gravitation
  2. pesanteur
  3. force de gravité
noun
médiane
noun
barycentre
/ˈzwɑbər/
noun
  1. serpillière
  2. serpillère
/ˈzwɑbərə(n)/
verb
1. het reinigen met een zwabber
nettoyer avec un balai à franges
/ˈzwɑxtəl/
noun
bandage
/ˈzʋa.ɣər/
noun
beau-frère
/zwaɣəˈrɛs/
noun
1. de echtgenote van iemands broer of zus, of de zus van iemands echtgenoot of echtgenote.
belle-sœur
/zwaɣəˈrɨn/
noun
1. de echtgenote van iemands broer of zus, of de zus van iemands echtgenoot of echtgenote.
belle-sœur
/zʋɑk/
adjective
faible
/zwɑlm/, /zʋɑɫm/, /zβ̞ɑɫm/
pronoun
1 en 2. rivier en gemeente in de Vlaamse Ardennen
Zwalin
noun
1. benaming voor trekvogels uit de familie Hirundinidae
hirondelle
adjective
1. de toestand waarin een vrouw verkeert wanneer er in de baarmoeder een bevruchting heeft plaatsgevonden
  1. enceinte
  2. gravide
noun
1. de tijd dat een vrouw een ongeboren kind met zich draagt
  1. grossesse
  2. gestation
noun
1. een voortijdige en kunstmatige beëindiging van een zwangerschap
  1. interruption volontaire de grossesse
  2. I.V.G.
  3. interruption de grossese
noun
nausée de grossesse
noun
1. een voortijdige en kunstmatige beëindiging van een zwangerschap
  1. I.V.G.
  2. interruption de grossese
  3. interruption volontaire de grossesse
noun
2. produkt dat via de urine tekenen van een zwangerschap onthult
test de grossesse
adjective
1. kleur die wordt waargenomen als iets helemaal geen licht weerkaatst of uitstraalt
noir
noun
1. gebied van de ruimte-tijd waaruit niets, zelfs geen licht kan ontsnappen omdat de zwaartekracht te sterk is
trou noir
noun
1. betaalmiddelen die afkomstig zijn uit belastingontduiking of onwettige handel
argent sale
noun
1. een fotoafdruk in zwart-wit
photo en noir et blanc
adjective
bleu noir
noun
1. een publicatie van gegevens over een misstand
livre noir
adjective
brun noir
noun
1. vruchtje van Ribes nigrum
cassis
pronoun
1.
Ernz Noire
noun
1./2. plant, zaden en zaaddoos Amomum subulatum
cardamome noire
noun
1.
mésange noire
noun
rhinocéros noir
noun
1.
cigogne noire
phraseologicalUnit
1. begeleider van Sint Nikolaas
Père Fouettard
noun
1. gepelde, ongepolijste zaden van specifieke rijstsoorten (Oryza sativa), met een heel donkere kleur
riz noir
noun
1.
pic noir
noun
1.
guifette noire
pronoun
1. gebergte in het zuidwesten van Duitsland
  1. Forêt-Noire
  2. Forêt Noire
pronoun
1. de zee die ligt ingeklemd tussen Europa en Klein-Azië
mer Noire
noun
1. bepaald soort zee-eend, Melanitta nigra
macreuse noire
adjective
gris noir
adjective
vert noir
noun
maceron
/ˈzwɑrt.rɛɪ̯.də(n)/, /ˈzʋɑrt.rɛɪ̯.də(n)/, /ˈzβ̞ɑrt.rɛː.də(n)/
verb
1. van het openbaar vervoer gebruik maken zonder te betalen
  1. resquiller
  2. voyager sans payer
adjective
rouge noir
noun
Asplenium adiantum-nigrum
doradille noire
/zʋavəl/
noun
1. scheikundig element met symbool S en atoomnummer 16
soufre
adjective
1. een laag gehalte aan zwavel bevattend
pauvre en soufre
noun
dioxyde de soufre
verb
1. met zwaveldamp desinfecteren
soufrer
adjective
jaune soufre
noun
acide sulfureux
noun
1. een verbinding van waterstof en zwavel met de formule H₂S
sulfure d'hydrogène
noun
1. een sterk zuur bestaande uit zwavel, waterstof en zuurstof met een wateronttrekende en bijtende werking
acide sulfurique
/ˈzweːdə(n)/, /ˈzʋedə(n)/, /ˈzβ̞eːdə(n)/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa, grenzend aan Noorwegen en Finland. De officiële naam is het Koninkrijk Zweden (Konungariket Sverige)
Suède
/zweds/, /zʋets/, /zβ̞ets/
adjective
1. betreffende Zweden of het Zweeds
suédois
/zweds/, /zʋets/, /zβ̞ets/
pronoun
1. een Germaanse taal die wordt gesproken in Zweden en Finland
suédois
verb
1. vlieg uit de familie
syrphe
verb
  1. faire du vol à voile
  2. planer
noun
1. een piloot die een zweefvliegtuig bestuurt en/of die de sport zweefvliegen beoefent
pilote de planeur
noun
1. toestel met vleugels dat zich ongemotoriseerd door de lucht verplaatst door gebruik te maken van opstijgende luchtstromingen
planeur
noun
1. vliegveld waar men zweefvliegen beoefend
aérodrome de vol à voile
noun
1. een handwapen in de vorm van een lang ineengedraaid stuk leer dat met een zwiepende beweging pijnlijke slagen uit kan delen
fouet
noun
1.
ulcère
noun
1. vocht dat door de huid wordt uitgescheiden als koeling en middel om sommige afvalstoffen kwijt te raken
sueur
noun
1.een klier in het lichaam dat zweet produceert
glande sudoripare
noun
2. eenhandsfluit
galoubet
noun
2. een trom- en fluitspeler
joueur de tambourin-galoubet
/zʋɛlɣə(n)/
verb
  1. 2. zich onmatig verlustigen in, te buiten gaan aan
    1. complaire
    2. délecter
    3. repaître
  2. 1. gulzig opeten of -drinken
    1. engloutir
    2. ingurgiter
verb
1. in volume toenemen
gonfler
/ˈzwɛmbɑd/, /ˈzʋɛmbɑt/, /ˈzβ̞ɛmbɑt/
noun
1. een bassin om in te zwemmen
piscine
noun
lunettes de piscine
noun
1. kledingstuk voor mannen dat gebruikt wordt om in te zwemmen
  1. maillot de bain
  2. slip de bain
noun
1. kledij bedoeld voor het baden en zwemmen
maillot de bain
verb
1. zich gecoördineerd door het water voortbewegen
  1. nager
  2. natation
noun
épidermophytie
/'zʋɛmvlis/
noun
  1. 2. schoeisel
    palme
  2. 1. huidplooi
    1. palmure
    2. membrane interdigitale
    3. membrane natatoire
/'zʋɪːrə(n)/
verb
  1. 1. met een eed bekrachtigen
    jurer
  2. 2. etteren
    suppurer
noun
mot voyageur
/'zʋevɪŋ/
noun
1. een geluidsverschijnsel dat veroorzaakt wordt door de interferentie van twee tonen met een gering verschil in toonhoogte
battement
noun
1. klierachtig, hormoonvormend orgaan
  1. thymus
  2. ris
noun
  1. 1. draai, zwaai
    virement
  2. 2. gratie, elegantie
    élégance
verb
1. ervan afzien te spreken
taire
adjective
1. weinig sprekend
taciturne
noun
taciturnité
noun
1. een varken
  1. cochon
  2. porc
noun
1. een bende, een vuile troep
cochonnerie
noun
1. iemand die een kudde zwijnen hoedt
porcher
/ˈzʋɛinəstɑl/
noun
1. ruimte bestemd voor de huisvesting van varkens; 2. (figuurlijk) vuile boel
porcherie
noun
1. een oud gerecht vervaardigd van de kop van een varken of wild zwijn
hure
/zʋɪk/
noun
  1. 1. een houten pin, wig
    bonde
  2. 4. het zwikken, verstuiking
    entorse
  3. 3. penis, vernoemd naar de pinvormige gelijkenis
    pieu
  4. 2. hoekstuk tussen een cirkel en de rechthoekige omlijsting hiervan
    écoinçon
noun
gibelet
/'zʋɪŋəl/
noun
1. houten werktuig om vlas- en hennepvezels van de scheven te bevrijden
écang
/zʋɪŋələ(n)/
verb
1. van vlas- of hennepvezels de aanhangende houtdeeltjes met een zwingel verwijderen
écanguer
/'zʋɪŋəlmolən/
noun
1.
écangueuse
pronoun
1. verzamelnaam voor een groep Duitse dialecten die gesproken worden door ongeveer zes miljoen mensen in Zuid-Duitsland, Zwitserland, Oostenrijk, Liechtenstein en Oost-Frankrijk
suisse allemand
/ˈzwɪtsərˌlɑnd/, /ˈzʋɪtsərˌlɑnt/, /ˈzβ̞ɪtsərˌlɑnt/
pronoun
1. een soeverein land in het zuiden van Centraal-Europa met als hoofdstad Bern en als officiële talen het Duits, het Frans, het Italiaans en het Reto-Romaans
Suisse
noun
1. Duits zoals dat in een Zwitserland wordt gesproken
allemand de Suisse
verb
bosser
/zi'mozə/
noun
1. de fermentatie van suikers door gist
fermentation
pronoun
Zurich
noun
  1. Aalandais
  2. Ålandais
noun
  1. Aalandaise
  2. Ålandais
interjection
1. inleiding op een opmerking die met het voorgaande verbonden is
à propos
/ˈɔŋstrøm/
noun
1. lengtemaat met een waarde van 10-10 m
ångström
/eːn/
cardinalNumeral
1. de inhoud van de kleinste niet-lege verzameling
  1. un
  2. une
/eːn/
noun
1. het getal 1
un