adverb
1. gedurende de avond
vesperi
adverb
1. gedurende de middag
meridie
/
ˈsnɑxs/
adverb
1. gedurende de nacht.
noctū
/
ˌsxraːvə(n)ˈɦaːɣə/, /
ˌsχravə(n)ˈɦaχə/
pronoun
1. een stad en gemeente in de Nederlandse provincie [[Zuid-Holland]]
Haga
/
ˌsɛrtoɣə(m)ˈbɔs/, /
ˌsɛrtoχə(m)ˈbɔs/
pronoun
1. stad en gemeente in Noord-Brabant
Silva Ducis
/
aka'pɛla/
adverb
1. zonder instrumentale begeleiding
ad sacellum
adverb
1. des te eerder, des te meer
a fortiori
verb
1. zachtjes strelen
admulcere
adulare
noun
- 3. paling
- 4. kleine en jonge paling
anguilla
noun
1. geestelijke voor militairen, gevangenen en leden van jeugdbewegingen
eleemosynarius
noun
1.bepaald soort plant, Artemisia absinthium
absinthium
noun
1. benaming voor vogels uit het geslacht Phalacrocorax
phalacrocorax
pronoun
1. stad in de Belgische provincie Oost-Vlaanderen
Alostum
adjective
1. (predicatief) actief, in bedrijf
ad
noun
1. het smeedblok waarop de smid het gloeiend metaal smeedt
incus
noun
1. een eerste betaling bij het kopen van iets op afbetaling of in termijnen
arrabō
verb
- 1. over iets of iemand bij iemand (positief) vertellen en adviseren om datgene/diegene te gebruiken/in te schakelen
- 2. aanprijzen
commendo
adjective
1. een aanbeveling verdienend
commendabilis
noun
1. een brief waarin men iets of iemand aanbeveelt
diploma
adjective
1. waard om aanbeden te worden
adorabilis
verb
- 1. vereren van een god of heilige door daar een gebed aan te richten
adorare
- 2. een persoon op hogere waarde inschatten
adōrō
noun
1. een verering, een eerbiedvolle bewondering
adoratio
verb
- 1. ergens naar blaffen
- 2. iemand toesnauwen
allatrare
noun
1. een aanbieding
donum
noun
1. gerichte belangstelling of interesse
attentio
adverb
1. met belangstelling, met aandacht, met interesse
attentus
noun
2. een object ter herinnering ergens aan
mnēmosȳnum
verb
- 1. doorgaan met verzoeken
- 2. iets proberen te verkrijgen
instare
adjective
1. een staat waarin je verkeert als iets je emotioneel geraakt heeft
commotus
adjective
1. een positief gevoel oproepend
iucundus
conjunction
1. geeft onderschikkend een reden aan
quandoquidem
adjective
1. rechtstreeks grenzend aan iets anders
confīnis
verb
1. staande houden
cesso
verb
- 1. door een bepaalde kaart uit te spelen een medespeler een aanwijzing geven
- 2. tot onderwerp van discussie maken
alludere
verb
1. iemands handelingen bij een hof aanhangig maken met een officiële beschuldiging
accusare
noun
1. iemand die een proces aanspant
accusator
verb
2. iemand kleren aandoen
vestiō
verb
1. een bestemming bereiken
advenire
noun
1. de bestemming bereiken, het aankomen
adventus
noun
1. datgene wat iets tot gevolg heeft
ampla
verb
1. moed inspreken
hortor
noun
1. het inspreken van moed
exhortātiō
/
ˈaːneːmər/
noun
1. iemand die een (bouw)werk uitvoert tegen een bepaalde prijs
redemptor
/
ˈaːmpɑsə(n)/
verb
1. aansluiten, voegen naar, bruikbaar maken
adaptō
noun
2. het zich aanpassen
accommodātiō
verb
1. door beplanting aanbrengen
serere
verb
1. raad geven om iets te doen
commendo
verb
1. fysiek contact maken met iets
tangere
noun
1. het aanraken
contactus
verb
1. fysiek aanvallen
assultō
noun
- 1. aanvaller
- 2. een persoon, in de regel van het mannelijke geslacht die iemand anders aanvalt om seksuele redenen
oppugnātor
noun
4. terroristische aanval
aggressiō
verb
3. passend maken
ligare
noun
1. aanmoediging tot actie
calcar
adjective
1. verantwoordelijk, om vergoeding of betaling aangesproken kunnen worden
obnoxius
verb
1. doen ontbranden
incendere
noun
1. apparaatje om vuur te maken
ignitabulum
noun
1. benoeming in een functie, dienst etc.
allectio
verb
1. veroorzaken
instigō
noun
1. een telbare hoeveelheid
numerus
noun
1. de werkwoordsmodus die de gewone werkelijkheid aangeeft
indicativus
verb
- 1. dankzij een kracht objecten naar zich toe doen bewegen
alliciō
- 3. kleding aandoen
induō
verb
2. accepteren, in bezit ontvangen
accipere
noun
1. een poging de tegenpartij geweld aan te doen of van zijn positie te beroven
impetus
verb
1. beginnen, starten
committō
noun
1. werkwoordswijs van mogelijkheid
coniunctivus
subiunctivus
noun
1. verzoek, vaak min of meer officieel
flagitātio
/
ˈanvʏlə(n)/
verb
1. het ontbrekende bijvoegen
repleō
adjective
1. die of dat aanvult
additionalis
verb
1. gebruik maken van
ūtor
noun
1. hebbelijkheid
dedecus
noun
1. het aanwezig zijn op een bepaald tijdstip en plaats
praesentia
verb
1. door wijzen tonen
monstrare
noun
1. het aanwijzen
designatio
adjective
1. voornáám, groot
aliquantus
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de orde der primaten
simia
simius
noun
- 2. bovenste deel van de halm van gras- of graangewassen
arista
spica
- 1. bloeiwijze van granen
spica
arista
noun
1. bepaald soort plant, Solanum tuberosum
patata
/
\ˈaːrt.bɛi̯\/
noun
2. eetbare vrucht van planten uit het geslacht Fragaria
fragum
noun
1. bepaald soort plant, Arbutus unedo
arbutus
noun
1. een schokkende of trillende beweging van een gedeelte van de aardkorst, meestal te wijten aan ...
tremor
oster
terrae motus
/
ˈardə/
noun
- 1. planeet
- 2. grond
terra
adjective
1. van aarde gemaakt
terreus
/
artxɑs/
noun
1. een gas dat uit de aarde komt en dat grotendeels uit methaan bestaat
gasium naturale
noun
1. de aarde, de blauwe planeet
globus
/
ˈardrɛiksˌkʏndə/
noun
geographia
adjective
- 1. betrekking hebbende op de aarde, tot de aarde behorend
- 2. op het huidige leven hier op aarde betrekking hebbend
terrestris
noun
1. een plotselinge aardbeving
terrae mōtus
/
ˈaːrtfɑrkə(n)/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Orycteropus afer
orycteropus afer
noun
1. het naar beneden schuiven van een grote massa grond
lābīna
pronoun
1. een Waalse provinciehoofdstad
Orolaunum
/
ˈaːrz.bɪz.dɔm/, /
ˈaːrʦ.bɪs.dɔm/, /
ˈaːrʦ.bɪz.dɔm/
noun
1. het belangrijkste gebied van een kerkprovincie, dat geleid wordt door de aartsbisschop.
archidioecesis
/
ˈaːrzbɪsxɔp/, /
ˈaːrʦbɪsxɔp/, /
ˈaːrʦbɪsχɔp/
noun
1. de voornaamste bisschop van een kerkprovincie.
archiepiscopus
/
ˈaːrz.di.jo.ˌses/, /
ˈaːrʦ.di.ʲo.ˌses/
noun
1. het belangrijkste gebied van een kerkprovincie, dat geleid wordt door de aartsbisschop.
archidioecesis
noun
1. een hemelgeest in een rang boven een engel
archangelus
noun
1. een keizerlijke prins in het vroegere Oostenrijk-Hongarije
archidux
noun
1. adellijke titel, vrouw van een aartshertog
archiducissa
/
ˈarzələ(n)/
verb
1. onzeker zijn, twijfelen
dubito
noun
1. onzekerheid, twijfel, weifel
cunctatio
/
'as.xir/
noun
1. bepaald soort roofvogel, Neophron percnopterus
vulturius
noun
Bepaald soort bananenplant, Musa textilis
musa textilis
/
ˈɑbɑkʏs/
noun
- 1. raam met staven
- 2. dekplaat van een kapiteel
abacus
adjective
1. betrekking hebbend op een abt of een abdij
abbatialis
noun
1. een ophoping van pus in het lichaam, daarbij een onnatuurlijke holte vormend
abscessus
/
ɑpˈxazis/
pronoun
1. een taal die in Abchazië gesproken wordt
lingua abasgica
/
ɑbˈdɛɪ̯/, /
ɑbˈdɛː/
noun
1. klooster met aan de leiding een abt of abdis
abbatia
/
ɑbˈdɪs/
noun
1. bestuurster van een abdij.
abbatissa
/
ˌɑbdoʊmiˈnaːɫ/
adjective
1. de onderbuik betreffend
abdominalis
/
ˌɑb.la.ˈtif/, /
ˌɑb.la.ˈtiːf/
noun
1. de zesde naamval die onder meer de instantie aangeeft waarvan iets uitgaat of vertrekt
ablativus
casus ablativus
adverb
1. ongewoon
abnormis
/
ɑbomɪˈnabəl/
adjective
bijzonder slecht
abominabilis
/
ɑp'sɪnt/
noun
1. sterkedrank op basis van anijs
absinthium
noun
bepaald soort plant, Artemisia absinthium
absinthium
/
ɑpso'lysi/
noun
1. het vergeven van de zonden
absolutio
/
ɑpsɔr'berə(n)/
verb
absorbere
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Abstatt
/
ɑpsʏrt/
adjective
1. erg onlogisch, belachelijk
absurdus
/
ɑb/, /
ɑpt/
noun
1. het hoofd van een abdij
abbas
noun
1. toename van de snelheid
acceleratio
noun
1. de manier waarop iemand de klanken uitspreekt
accentus
/
ɑk.sep.ˈtaː.tʃi/
noun
1.
acceptiō
/
ɑksɛp'terə/
verb
- 1. aanvaarden
- 2. aannemen, graag ontvangen
accipio
/
ɑksiˈdɛnt/
noun
- 2. een incidentele wijziging van toonhoogte
- 1. ongeval, ongeluk
accidens
noun
1. een muziekinstrument waarbij door trekken en duwen een toon wordt geproduceerd
harmonica diductilis
noun
1. iemand die zijn beroep maakt van het inrichten en controleren van boekhoudingen en administraties
perscriptor
noun
1. ophoping van stoffen
accumulatio
/
ˌɑkusaˈtif/, /
ˌɑkyzaˈtiːf/
noun
1. naamval voor het lijdend voorwerp
accusativus casus
/
ˌɑsəˈtilxoˌlinə/, /
ˌɑsəˈtiɫχoˌlinə/, /
ˌɑsɛˌtylxoˈlin(ə)/
noun
1. een neurotransmitter die vooral betrokken is bij de impulsoverdracht van de zenuw naar de skeletspiercellen
acetylcholinum
pronoun
1. figuur uit de Griekse mythologie
Achilles
cardinalNumeral
1. het getal 8
octo
/
ˈɑxtbaːn/
noun
1. een attractie met een karretje dat over een baan met bochten, stijgingen en dalingen rijdt
curricula retroflexa
noun
1. gebrek aan aandacht voor mogelijke problemen
neglegentia
cardinalNumeral
1. het getal 38
duodequadraginta
ordinalAdjective
1. nummer achtendertig in een rij
tricesimus octavus
cardinalNumeral
1. het getal 88
duedenonaginta
cardinalNumeral
1. het getal 28
duodetriginta
cardinalNumeral
1. het getal 48
duodequinquaginta
cardinalNumeral
1. het getal 58
duodesexaginta
cardinalNumeral
1. het getal 68
duodeseptuaginta
adverb
1. in de laatste of een van de laatste posities in een rangschikking, op een verder weg liggende plaats
post
noun
1. een van de beenderen van de schedel
os occipitale
/
ˈɑxtərklɛɪŋkɪnt/
noun
1. het kind van iemands kleinkind
pronepos
verb
1. dumpen, weggaan van, verlaten
deserere
relinquere
noun
1. een naam die van geslacht op geslacht en indien gewenst door het huwelijk overgedragen wordt
cognomen
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Puppis
noun
1. de achterzijde van een schip
puppis
adverb
1. in achterwaartse richting
retrōrsum
/
'ɑx.tər.vux.səl/
noun
1. een woorddeel dat achter de stam van een woord gevoegd wordt
suffixum
verb
1. iemand inhalen
consector
noun
1. een vorm met acht hoeken
octagonon
octagonum
/
ɑxt'ɦukəx/
adjective
1.
octangulus
/
ˈɑxtˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 800
octingenti
cardinalNumeral
1. "18", het getal tussen zeventien en negentien
duodeviginti
octodecim
ordinalAdjective
duodevicesimus
adverb
1. bij achttien gelegenheden
duodevicies
pronoun
1. braziliaanse deelstaat gelegen in de Regio Noord van het land. Hoofdstad is Rio Branco
Acre
/
ɑkˈtør/
noun
1. persoon
actor
adjective
1. met iets bezig zijnde
activus
noun
1. Scheikundig element
actinium
noun
1. iets waarmee men actief is
actiō
noun
1. bedrijvende vorm
activum
noun
1. een Chinese behandelingsmethode waarbij, ter genezing van een kwaal...
acūpūnctūra
/
aˈkyt/
adjective
1. plots ontstaan, op korte termijn verlopend
acutus
/
ˈadɑmzɑpəl/
noun
deel van het strottenhoofd bij de man
prominentia laryngea
noun
1. bevoorrechte groep personen
nōbilitās
noun
1. benaming voor sommige soorten grote roofvogels
aquila
/
ˈa.də.mə(n)/
verb
1. de voor het leven nodige lucht inzuigen en weer uitdrijven
respirare
/
ˈa.də.ˌma.lə(n)/
verb
1. door levende wezens inblazen en uitblazen van lucht om zuurstof te krijgen
aspirare
noun
1. door levende wezens ingezogen en uitgeblazen lucht
respiratio
noun
1. het systeem van luchtopname via de neus of mondholte, door de luchtpijp (trachea) met zijn vertakkingen naar de longen waardoor een organisme van zuurstof wordt voorzien
systēma respīrātōrium
noun
1. bloedvat met zuurstofarm bloed
vena
noun
1. de afkorting voor Attention Deficit Hyperactivity Disorder,...
CHAD
noun
1. een woordsoort dat wordt gebruikt om een eigenschap of hoedanigheid van een zelfstandig naamwoord te benoemen
verbum adiectum
noun
1. een woordsoort dat wordt gebruikt om een eigenschap of hoedanigheid van een zelfstandig naamwoord te benoemen
verbum adiectum
/
ɑtmənɪstra'tør/
noun
1. iemand die de administratie
praetor
/
ˌɑtminɪsˈtrasi/, /
ˌɑtminɪsˈtratsi/
noun
- 3. bestuur
- 1. de plaats waar gegevens zorgvuldig worden vastgelegd zodat ze later terug te vinden of te controleren zijn
administratio
verb
1. zorgvuldig vastleggen van gegevens zodat het later terug te vinden of controleren is
administro
noun
1. opperbevelhebber van een oorlogsvloot
nāvarchus
verb
1. een kind aannemen
adoptare
verb
1. aanbidden, verafgoden, vereren
adōrō
/
aˈdrɛs/
noun
1. aanduiding van de plaats waar iemand woont of iets is gevestigd
domicilium
pronoun
1. randzee van de Middellandse Zee, gelegen tussen Italië en het Balkanschiereiland
Hadriaticum
/
ɑtˈfɛnt/
noun
1. een periode van vier weken voor Kerstmis 2. de tijd waarin de komst en wederkomst van Jezus Christus worden verwacht
Adventus
noun
1. een aankondiging in een krant, reclameblad, tijdschrift ...
prescriptio
noun
1. een gegeven raad
consilium
noun
1. raadgever, raadsman
consiliarius
noun
1. pleiter, verdediger in rechtszaken
advocatus
forensis
noun
1. vrouwelijke advocaat
advocata
/
eˈɛːa/
pronoun
1. mytisch eiland
Aeaea
adverb
1. op onregelmatige tijden
aliquando
noun
1. het onvermogen te spreken
aphasia
noun
1. een geleidelijke betaling in termijnen
pensiō
/
ˈɑfbɛitə(n)/
verb
1. met de tanden verwijderen
demordere
/
'ɑfbrak/
noun
1. afbreken, slopen
disturbātiō
verb
1. met de grond gelijk maken
destrŭĕre
/
ˈɑf.dɑk/, /
ˈɑv.dɑk/
noun
1. een schuin van een gebouw uitstekend stuk dak dat beschutting verleent aan de buitenmuur
testudo
verb
- 1. onder dwang iets verkrijgen
- 2. onweerlegbaar iets bewerkstelligen
vi obtinere
/
ɑfiniˈtɛit/
noun
- 1. een geestelijk verwantschap
- 2.
- 3.
affīnitās
noun
1. een gebonden morfeem dat aan een ander morfeem wordt toegevoegd om zo een nieuw woord te vormen
affixum
adjective
1. oud en versleten
decrepitus
noun
1. iemand die als officiële vertegenwoordiger naar een andere partij gestuurd wordt
emissarius
/
ɑf.ˈxans/, /
ɑf.ˈχans/, /
ɑv.ˈɣaːns/
adjective
1. gerelateerd aan Afghanistan
afghanicus
/
ɑf.ˈɣa.nɪ.ˌstɑn/, /
ɑf.ˈχa.nɪ.ˌstɑn/, /
ɑv.ˈɣa.nɪ.ˌstɑn/
pronoun
1. een land gelegen in Centraal-Azië.
Afgania
Ariana
noun
1. een stuk land waarvan de grond verwijderd is, of waar men nog steeds aan het graven is
excavatio
/
ˈɑfxrɔnt/, /
ˈɑfχrɔnt/, /
ˈɑvɣrɔnd/
noun
1. een grote steile diepte
abyssus
/
ˈɑfxɵnst/, /
ˈɑfxʏnst/
noun
1. gevoel
invidia
verb
1. ~ van: naargelang iets verandert mee veranderen
nītor
noun
1. een sterke behoefte om zich tegen iets te keren
fastidium
verb
1. niet geschikt verklaren
abdīcō
/
ˌɑfkørənsˈʋardəx/
adjective
1. afkeuring verdienend
accūsābilis
noun
1. het uitspreken van een negatief oordeel over iets
improbatio
noun
1. het inkorten van een woord of een frase
abbreviatio
/
ˈɑflat/
noun
1. een kwijtschelding van tijdelijke straffen die men zou moeten ondergaan na het sterven..
indulgentia
verb
1. de aandacht opvragen
abduco
verb
1. brengen naar en achterlaten op de plek van bestemming
traho
/
ˈɑflop/, /
ˈɑfloːp/
noun
1. einde
eventus
verb
1. de plaats innemen van
relevō
verb
1. een pak slaag geven
battuere
verb
1. een plaats verlaten om aan een reis te beginnen
abire
pronoun
1. het continent ten zuiden van Europa, tussen de Indische en de Atlantische Oceaan.
Africa
Libya
noun
1. bewoner van Afrika of iemand die uit Afrika afkomstig is
Āfer
/
afriˈkaːns/
adjective
1. komende van of betreffende het continent Afrika
Africanus
verb
1. tot een einde brengen
abolere
noun
1. een begroeting bij het elkaar verlaten
commeatus
verb
1. doen weggaan door angst aan te jagen
expavesco
verb
1. ergens een stuk vanaf halen
seco
noun
1. een overeenkomst
constitutum
noun
2. belofte van twee verliefde mensen om elkaar op een bepaalde tijd en plaats te ontmoeten
occursus amōris
/
ˈɑfstɑnt/
noun
1. de ruimte die zich ergens tussen bevindt
abstantia
noun
1. het weggaan
abscessus
verb
1. een bepaalde positie of een bepaald ambt opgeven
abdico
verb
- 1. rekenkundige bewerking waarbij een getal met een getal verminderd wordt
dēdūcō
- 7.
- 8. (een man) seksueel bevredigen, aftrekken
glubo
/
ˈɑftrɛkɪŋ/
noun
1. rekenkundige bewerking waarbij een getal van een ander getal afgetrokken wordt
subtractiō
noun
1. het ontrouw worden aan zijn geloof
apostasia
/
ˈɑfwɑxtə(n)/, /
ˈɑfʋɑxtə(n)/, /
ˈɑfʋɑχtə(n)/
verb
1. wachten op wat er gaat gebeuren
exspectare
/
ɑfˈwerə(n)/
verb
1. een aanval neutraliseren
defenso
adjective
1. niet op een bepaald tijdstip en plaats zijn
absens
noun
1. het afwezig zijn op een bepaald tijdstip en plaats
absentia
verb
1. niet de gangbare norm volgen
descisco
verb
1. een negatieve beslissing ergens over nemen
negō
/
'ɑfʋɛɪzɪŋ/
noun
1. een bericht dat op een voorstel of aanzoek niet ingegaan wordt
reiectiō
adjective
1. elkaar vervangend
alternis
verb
- 9. tot afstand dwingen
- 6. bezinken
dēpōnō
- 11. afnemen
exuō
noun
1. gesteente dat ontstaan is uit verweringsmateriaal dat later weer ergens anders is neergeslagen
saxum authigenicum
/
ɑf'sɪxtələk/
adjective
foedus
/
ˈɑfzwɪːrə(n)/
verb
abiurare
noun
- 1. een doorzichtige, maar soms ook opake variëteit van trigonaal kwarts...
- 2. een stenen voorwerp bestaande of vervaardigd uit agaat
achates
noun
- 1. persoon belast met de handhaving van de openbare orde
actor
- 2. een vertegenwoordiger van een bedrijf
curator
adjective
1. aanvallend
aggressivus
/
a.ˈhɔrn/
noun
1. een boom of heester van het geslacht Acer.
acer
noun
1. een virusziekte waarbij het natuurlijke afweersysteem van het lichaam steeds verder afgebroken wordt
SCDI
pronoun
1. hoofdstad van de Franse regio Corsica
Adiacium
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noord-Rijnland-Westfalen, niet ver van Maastricht
Aquisgranum
Aquae Grani
noun
1. afgeperkt stuk land dat bestemd is bebouwd te worde met een gewas of graan
ager
noun
1. bepaald soort eenjarige plant, Ajuga chamaepitys
chamaepitys
/
ˌakusˈtik/
noun
1. de voortplanting van klank in een besloten ruimte en de ervaring die deze voortplanting ...
sonorum doctrina
noun
1. platte en rechthoekige tas
scrīnium
phraseologicalUnit
simia est simia et si aurea gestet insignia
phraseologicalUnit
mendacia curta semper habent crura
pronoun
1. Braziliaanse deelstaat gelegen in de Regio Noordoost van het land. Hoofdstad is Maceio
Alagoasensis
/
ɑlɑr'merən/
verb
1. door alarm oproepen of bijeenroepen
cōnsternō
/
ɑɫbaˈneːs/
adjective
1. gerelateerd aan of afkomstig uit Albanië
albanus
/
ɑɫbaˈneːs/
noun
1. (mannelijke) inwoner van Albanië, of iemand afkomstig uit Albanië
albanicus
/
ɑɫbaˈneːs/
pronoun
1. taal die vooral in Albanië en Kosovo gesproken wordt
albanicus
/
ɑlˈbaːni.jə/, /
ɑɫˈbani.jə/
pronoun
1. een land in het westen van de Balkan, grenzend aan de Adriatische en de Ionische Zee en aan Griekenland, Macedonië, Kosovo en Montenegro
Albania
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Diomedeidae
diomedea
noun
1. vroegere occulte wetenschap, waarin o.a. werd geprobeerd om goud en edelmetalen uit andere elementen...
alchemia
noun
1. elk van de verbindingen uiteen groep koolwaterstoffen die gekenmerkt zijn...
alcohol
adverb
1. in de eerder genoemde plaats
eo
adverb
- 2. volgens
in
- 1. zo, op deze manier
ita
pronoun
1. keten van vulkanische eilanden in Alaska ,die zich boogvormig uitstrekt en een scheiding vormt tussen de Grote Oceaan en de Beringzee
Aleutiae
/
aˈlɛrt/, /
əˈlʏːrt/
adjective
1. oplettend
intentus
/
ˈɑlfa/
noun
1. een aanduiding of markering van "de eerste" van een reeks
alpha
noun
de lettertekens van een taal
alphabetum
abecedarium
adjective
1. gerangschikt volgens de letters van het alfabet
abecedarius
noun
1. ontkiemde zaden van luzerne
medica
/
ˈɑɫɣəbra/
noun
1. deel van de wiskunde dat zich bezighoudt met de betrekkingen van door letters...
algebra
/
ɑl.ɣə.'rɛɪ̯.jə/, /
ɑɫ.ɣə.'rɛː.jə/, /
ɑɫ.χə.'rɛɪ̯.jə/
pronoun
1. een land in Noord-Afrika, officieel de Democratische Volksrepubliek Algerije
Algerium
Algeria
/
ɑɫˈxiːrs/, /
ɑɫˈɣiːrs/
pronoun
1. Hoofdstad van Algerije
Algeria
/
ˈaː.liˌbi/
noun
1. het kunnen aantonen dat men elders was tijdens het zich voltrekken van een misdaad,...
alibi
noun
1. eetbare zeeslak
cochlos
/
ɑlk/
noun
1. bepaald soort zeevogel die veel op de zeekoet lijkt, maar een dikkere snavel heeft
alca torda
pronoun
1. God in islamistisch of Arabische context
Allah
/
ˈɑlə/
indefinitePronoun
1. elke, geen, uitgezonderd
omnes
/
ɑl.ˈen/
adjective
1. zonder gezelschap
solum
/
ɑl.ˈen/
adverb
1. slechts
modo
noun
1. iemand die met onbeperkte oppermacht regeert
tyrannus
noun
1. een bonte verzameling
farrāgō
/
ˌɑlɛrˈɣi/
noun
1. een reactie van het immuunsysteem op lichaamsvreemde stoffen (allergenen), die op zich helemaal niet schadelijk hoeven te zijn
allergia
pronoun
1. een rooms-katholieke feestdag op 1 november ter gezamenlijke verering van alle heiligen van de Kerk
Omnium Sanctorum
indefinitePronoun
1. al het mogelijke, de gehele verzameling of hoeveelheid zonder uitzondering
nihil non
noun
1. een bondgenootschap
societas
noun
1. een grote krokodilachtige uit het geslacht Alligator
alligator
adjective
1. uit een ander land of plaats afkomstig
advena
/
ɑɫmɑxt/
noun
1. absolute macht, macht over alles
omnipotentia
adverb
1. overal, onder velen
passim
noun
benaming voor bloeiende, succulente planten uit het geslacht Aloe
aloe
noun
1. bepaald soort zoogdier Vicugna pacos
Lama pacos
pronoun
1. een gebergte dat Italië van de rest van Europa scheidt
Alpes
noun
1. bepaald soort Zuid-Europese verdovende en bedwelmende overblijvende plant
mandragoras
/
ɑls/, /
ɑs/
conjunction
- 3. in de hoedanigheid van
quam
- 2. indien
si
phraseologicalUnit
1. als de kat van huis is, dansen de muizen op tafel
audacem reddit felis absentia murem
phraseologicalUnit
1. iemand die te veel heeft gedronken is niet meer in staat goede beslissingen te nemen
dum vinum intrat, exit sapientia
noun
1. benaming voor planten van het composietengeslacht Artemisia
artemisia
conjunction
1. en ook
atque
conjunction
1. luidt een vergelijking in
quasi
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Ara
noun
1. offertafel voor godsdienstige plechtigheden
ara
altar
pronoun
1. Atair/Altair
Altair
conjunction
1. geeft in het tweede gedeelte meer specifiek aan wat er bedoeld wordt
certē
adverb
- 1. op elk moment, blijvend
- 2. telkens opnieuw
- 3. in elk geval
semper
phraseologicalUnit
1.
eandem incudem tundere
/
ˈɑltfiˌjoːl/
noun
1. een muziekinstrument in de familie van de strijkinstrumenten, verwant aan maar groter en lager klinkend dan de viool
vitula
/
alyˈminijʏm/
noun
1. scheikundig element met symbool Al en atoomnummer 13
aluminium
noun
1. een klier die enzymen afscheidt in de twaalfvingerige darm om de afbraak van zetmeel, vet en eiwitten te bevorderen
pancreas
noun
- 1. kleine bladverliezende loofboom, Amygdalus dulcis
amygdala
- 1. eetbare pit van de amandelvrucht
amygdalum
amygdala
- 3. klier in de neus-keelholte
tonsilla
amygdalum
noun
1. een persoon die iets als hobby doet
diletans
noun
1. een handwerkvak dat vaak aanzienlijke vaardigheden vereist
ars
noun
1. de officiële vertegenwoordiging van de ene regering in de hoofdstad van de andere.
legatio
lēgātio
noun
1. iemand die door de ene staat is aangesteld om deze staat bij een andere staat te vertegenwoordigen
legatus
adjective
1. vervelend, onprettig
acidus
amarus
adjective
1. vol van de wens en het vertrouwen om iets te bereiken
ambitiosus
noun
1. voertuig om gewonden of zieken van en naar het ziekenhuis te brengen
arcera
adjective
1. in staat om te lopen
ambulātōrius
/
aˈmɪːriˌka/
abbreviation
1 en 2
America
noun
2. een inwoner van de Verenigde Staten van Amerika
Americanus
noun
1. vrouwelijke inwoner van Noord- of Zuid-Amerika
amerī̆canus
noun
1. een vaak prachtig violet gekleurde vorm van kristallijn kwarts, die kleine hoeveelheden titaan en ijzer bevat
amethystus
noun
1. in water en op land levend dier
amphibium
adjective
1. geschikt zowel voor in het water als op het land
amphibius
noun
1. een door de oude Grieken en Romeinen gebruikte buikige kruik met twee oren
amphora
noun
1. door de oude Grieken en Romeinen gebruikte buikige kruik met twee oren
amphora
noun
1. een chemische verbinding van stikstof en waterstof
ammoniacum
noun
1. geheugenverlies
memōriae amīssio
noun
1. eencellige eukaryoot die van vorm kan veranderen door het uitsteken en intrekken van schijnvoetjes
amoeba
/
aˈmɔs/
pronoun
1. en 3. profeet en jongensnaam
Amos
noun
modulātiō amplitūdinālis
verb
1. een lichaamsdeel chirurgisch verwijderen
amputare
/
ɑmstər'dɑm/
pronoun
1. de hoofdstad van Nederland, gelegen in de provincie Noord-Holland
Amstelodamum
verb
1. op aangename wijze een indruk op iemand maken, iemand doen (glim)lachen
dēlectō
noun
1. seks waarbij de anus en het rectum een rol spelen
paedicatio
noun
1. het voorkomen van mensen die niet kunnen lezen of schrijven
analphabētismus
noun
1. een pijnstiller
analgeticum
noun
1. een overeenkomst tussen twee verschillende zaken die bijv. kan dienen als basis voor een bepaalde redenering of vergelijking
analogia
noun
1. een vraaggesprek naar de ziektegeschiedenis
anamnēsis
noun
1. een vrucht van de ananasplant
Ananas sativus
adjective
1. met betrekking tot de anatomie
anatomicus
noun
1. een persoon die kennis draagt van de (menselijke) anatomie
anatomicus
adjective
1. niet deze
alius
adverb
1. op andere wijze
aliter
adverb
1. (maar) aan de andere kant
autem
noun
1. Cichorium endiva, een eetbaar eenjarig gewas dat nauw verwant is aan witlof
intibum
pronoun
1. een kleine staat in Europa die grenst aan Frankrijk en Spanje
Andorra
pronoun
- 1. mythologische figuur
- 2. sterrenbeeld
Andromeda
/
ɑnəmon/
noun
1. een plant van het geslacht Anemone
anemōnē
/
ɑŋəl'sɑksis/
pronoun
1. een West-Germaanse taal die tussen ca. tussen 400 en 1100 werd gesproken en die geldt als de rechtstreekse voorloper van het Middelengels
lingua anglosaxonica
/
ɑŋ.ˈ(g)ɣo.la/, /
ɑŋ.ˈgo.la/
pronoun
1. een land in Zuidwest-Afrika, officieel de Republiek Angola grenzend aan...
Angolia
noun
1. het gevoel dat er onheil of gevaar dreigt
pavor
noun
1. bepaald soort schermbloemige plant, Pimpinella anisum
anisum
noun
1. vijandigheid
inimicitia
noun
- 1. onderdeel van een vaartuig
- 2. muuranker
- 3. onderdeel van een uurwerk
ancora
verb
1. het anker uitgooien met de bedoeling het schip hiermede aan de bodem van het vaarwater vast te leggen, voor anker gaan, voor anker leggen
sto
pronoun
1. meisjesnaam
Anna
/
ɑny'lerə/
verb
1. iets afgelasten
annūllō
noun
1. afwijking van organen
anomalia
adjective
1. naamloos
anonimus
noun
1. verwijderen van gegevens die zouden kunnen leiden de tot identificatie van de persoon
anōnymizātiō
noun
1. naamloosheid
anonymia
pronoun
1. het continent rond de zuidpool van de aarde
Antarktik
Antarctica
adverb
1. voor de middag
ante meridiem
noun
1. de naam voor het woord waarnaar een ander woord, meestal een betrekkelijk voornaamwoord, verwijst
antecēdēns
noun
- 1. een vrij opgestelde elektrische geleider voor het uitzenden en/of ontvangen van elektromagnetische straling
- 2. een voelspriet bij dieren
- 3. een staafje aan een dobber
antenna
noun
1. technieken voor het voorkomen van zwangerschap na geslachtsgemeenschap
contraconceptio
/
ˌɑntideprɛˈsivʏm/
noun
1. een middel tegen ziekelijke neerslachtigheid
antidepressivum
noun
1. geneesmiddel ter behandeling van suikerziekte
antidiabeticum
noun
1. een tegengif
antidotum
noun
1. lichaamsvreemde afweeropwekkende stof
antigenum
/
ɑn.ˌti.(g)ɣ<sup>ʊ</sup>a.ɛn.bɑr.ˈbu.da/, /
ɑn.ˌti.gwa.ɛn.bɑr.ˈbu.da/
pronoun
1. eilandstaat in het oostelijk deel van de Caribische Zee, op de grens met de Atlantische Oceaan
Antiqua et Barbuda
noun
1. een hoofdpersonage in een verhaal met niet de typerende positieve eigenschappen van een held
antiheros
pronoun
1. eilandengroep in de Caribische Zee
Antillae
/
ɑnti'lopə/
noun
1. een verzamelnaam voor slanke holhoornige hoefdieren die voornamelijk in Afrika leven
dorcas
pronoun
1. een provinciehoofdstad in Turkije
Antīochīa
noun
1. woord met tegengestelde betekenis
antonymum
/
ˈantˌwɛrpə(n)/, /
ˈɑntˌʋɛrpə(n)/, /
ˈɑntˌβ̞ɛrpə(n)/
pronoun
- 2. een Belgische provincie
Antuerpia
Antverpia
- 1. een provinciehoofdstad in België
Antverpia
noun
1. een inwoner van Antwerpen
Antverpiensis
/
ˈantwɛrps/, /
ˈɑntʋɛrps/, /
ˈɑntβ̞ɛrps/
adjective
1. van, uit, betreffende of als in Antwerpen.
Antverpiensis
/
ˈɑnt.ʋɔːrt/
noun
1. de reactie op een vraag, van repliek voorzien
responsum
responsio
/
ˈɑnt.ʋɔːr.də(n)/
verb
1. het geven van een antwoord
respondeo
noun
1. opening aan het eind van de endeldarm en aan het eind van het spijsverteringskanaal
anus
noun
1. lusteloosheid
apathīa
pronoun
1. gebergte
Appennīnī
adjective
1. niet als gezaghebbend erkend
apocrypha
/
ɑˈpɔstəl/
noun
- 1. leerling van Jezus
- 2. verkondiger van een nieuwe leer
apostolus
noun
- 2. aanspreking van afwezige personen of zaken
apostropha
- 1. afkappings- of weglatingsteken
apostrophus
/
apo'tek/
noun
1. plaats waar men geneesmiddel en en andere gezondheidsproducten kan kopen.
apotheca
noun
1. een door mensen gemaakt voorwerp dat is samengesteld uit verschillende onderdelen en een bepaalde functie heeft
apparatio
/
ɑ.ˈpɛl/, /
ɑ.ˈpɛɫ/, /
ˈɑ.pəl/, /
ˈɑ.pəɫ/, /
ˈɑpəɫ/
noun
1. vrucht
malum
pomum
noun
1. boom waaraan appels groeien
malus
noun
1. een vruchtensap bereid uit appels
sucus malinus
/
ˌɑpəlˈsin/
noun
1. Vrucht van de appelsienboom
arantium
noun
1. gebak gevuld met stukjes vruchten van de appelboom
placenta malina
/
ɑplɔudi'serə/
verb
1. in de handen klappen om goedkeuring of bewondering te tonen
applaudō
/
ɑ'plɔus/
noun
1. geklap in de handen als teken van goedkeuring of bewondering
applausus
/
ɑˈprɪl/
noun
1. de vierde maand van het jaar
Aprilis
noun
1. grote bont gekleurde papegaai uit Zuid-Amerika
Ara
/
ˌɑ.ra.ˈbiːr/
noun
1. een persoon met het Arabisch als moedertaal
Arabs
/
ɑ'rabis/
adjective
1. verwijzend naar de Arabische taal,cultuur,het alfabet of Arabië
Arabicus
Arabius
/
ɑ'rabis/
pronoun
- 2. een van het Aramitisch afgeleid alfabet dat gebruikt wordt voor het schrijven van het Arabisch,...
Arabicus
Arabius
- 1. een taal oorspronkelijk van het Arabisch schiereiland en de taal waarin de Koran...
arabice
arabicus
noun
1. Een inwoner van Aragon
Aragonica
pronoun
1. taal gesproken in Aragon
Aragonica
/
araˈmes/
adjective
Aramaica
noun
1. energie die door een krachtbron geleverd wordt bij verplaatsing van een voorwerp
labor
noun
1. iemand die voor een loon handmatige arbeid levert
cerdō
noun
1. inkomsten die men ontvangt door het uitvoeren van werk
auctoramentum
adjective
1. behorend tot of betrekking hebbend op een zeer oud tijdperk
archaicus
/
ˌɑr.xe.ˌjo.lo.ˈɣi/, /
ˌɑr.xɛ.jo.lo.ˈɣi/, /
ˌɑr.χe.ˌjo.lo.ˈχi/
noun
1. studie van de niet-geschreven overblijfselen van het verleden
archaeologia
adjective
1.
archaeologicus
noun
1. een eilandengroep
archipelagus
noun
1. iemand die gebouwen ontwerpt
architectus
noun
1. de bouwstijl van een gebouw
architectura
/
ɑrxivaːrɨs/
noun
1. een persoon die een archief beheert
archeota
pronoun
1. is de oceaan ten noorden van de continenten Azië en Noord-Amerika , waarin het grote ijsveld van de Noordpool ligt
Oceanus Arcticus
pronoun
1. middelgebergte in het zuidoosten van België, Noord-Luxemburg en een klein stuk Frankrijk
Arduenna
pronoun
1. een rivier in Frankrijk
Ardesca
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Aquila
/
ˌɑrɣɛnˈtini.jə/, /
ˌɑrχɛnˈtini.jə/
pronoun
1. een Spaanstalig land in het zuiden van Zuid-Amerika tussen het Andesgebergte en de zuidelijke Atlantische Oceaan.
Argentina
noun
1. het plegen van bedrog of misleiding
astutia
pronoun
2. vroeger gebruikte benaming van een groot sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Argo
/
ˈɑrɣɔn/
noun
1. een scheikundig element en kleurloos edelgas met het symbool Ar en het atoomnummer 18
argon
/
ˌɑrɣyˈmɛnt/
noun
1. een aangevoerd feit in een discussie om een zienswijze te ondersteunen
argumentum
/
arijaˈnɪsmə/
noun
1.
arianismus
noun
1. een persoon die lid is van de aristocratie
optimās
noun
1. onregelmatige hartslag
arrhythmia
/
ɑrṃ/
adjective
- 1. weinig bezittend
- 2. beklagenswaardig
pauper
/
ɑrṃ/
noun
1. lichaamsdeel
bracchium
brachium
noun
1. sieraad of merkteken dat om de pols of arm gedragen wordt
armilla
/
ɑrˈmens/, /
ɑrˈmeːns/
adjective
1. betreffende Armenië of het Armeens
Armeniacus
pronoun
generis armenorum occidio
/
ɑrˈmeni.jə/, /
ɑrˈmeːni.jə/
pronoun
1. een GOS-lidstaat in de Kaukasus (Gemenebest van Onafhankelijke Staten). Het is een van de weinige landen die niet aan zee liggen. Het grenst in het oosten aan Azerbeidzjan, in het westen aan Turkije en de Naxçivan-exclave (Azer.), in het noorden aan Georgië en in het zuiden aan Iran
Armenia
/
ˈɑrəmude/
noun
1. de toestand waarin iemand leeft die zeer weinig middelen voor zijn levensonderhoud heeft.
paupertas
adjective
- 1. met geurstof
- 2. voldoende aan de regel van Hückel
aromaticus
noun
1. document
mandatum comprehensionis
/
ɑriveːrən/
verb
1. de bestemming bereiken
pervenire
adjective
1. kunstmatig
artificialis
phraseologicalUnit
intellegentia artificialis
/
ɑrˈtiːkəl/
noun
- 4. staat voor een zelfstandig naamwoord, geeft de bepaaldheid aan en het woordgeslacht
- 1. een voorwerp dat te koop is
- 2. een publicatie in een tijdschrift
- 3. een van de bepalingen waaruit een wet bestaat
articulus
noun
1. het wapen dat vuursteun geeft aan de eigen troepen
res tormentaria
noun
1. de vlezige schutbladeren van de gesloten bloemknop worden als groente gegeten
carduus
adjective
1. aanleg hebbend voor het maken van kunst
mūsīvus
noun
1. gewrichtsontsteking
arthritis
noun
1. een aandoening van het gewrichtskraakbeen
arthrosis
noun
1. geneeskundige die bevoegd is een praktijk uit te oefenen
medicus
/
a.ˈru.ba/, /
a.ˈry.ba/
pronoun
1. een eiland in het zuidelijke gedeelte van de Caraïbische Zee
Aruba
noun
- 1. centrale staaf
axis
- 1. verbrandingsrest
cinis
noun
1. verzamelnaam van een aantal silicaten met een vezelige structuur
asbestus
adjective
1. de grauwe kleur van as hebbend
cinereus
adjective
1. zonder sociaal besef
insocialis
noun
1. Asperagas officinalis, een plant waarvan de jonge scheuten geteeld worden als groente
asparagus
/
ˈɑsəˌpustər/
pronoun
1. het meisje dat hoofdpersoon is het het gelijknamige sprookje
Cinerella
noun
1. een persoon die ondersteunt
adiūtor
/
ɑsɪsˈtɛntə/
noun
1. vrouwelijk persoon die ondersteunt
adiūtor
/
ˌɑsɪsˈteːrə(n)/
verb
1. een helpende hand bieden
adiuvō
noun
1. scheikundig element met symbool At en atoomnummer 85
astatinum
/
ˈɑs.tə.ˌrɪs(x)/, /
ˈɑs.tə.ˌrɪsk/
noun
1. typografisch symbool in de vorm van een sterretje
asterīscus
noun
1. een klein vast hemellichaam dat net als een planeet om de zon draait
asteroides
noun
1. een ziekte die, door vernauwing van de luchtwegen, benauwdheid en hoestbuien veroorzaakt
asthma
/
ɑstrolo'gi/
noun
1. de leer die gebeurtenissen aan het hemelgewelf in verband brengt met gebeurtenissen op aarde
astrologia
noun
1. een beoefenaar van de astrologie
astrologus
/
ˌɑstroˈnaʊ̯t/, /
ˌɑstroˈnɔʊ̯t/, /
ˌɑstroˈnʌʊ̯t/
noun
1. een Amerikaanse ruimtevaarder
astronauta
noun
1. de wetenschap die de objecten in de ruimte bestudeert
astronomia
pronoun
1. een van de 17 autonome regio's van Spanje die in het noordwesten van het land ligt
Principatus Asturiarum
noun
1. eerste dag van de vastentijd
Diēs Cinerum
pronoun
1. Atair/Altair
Altair
noun
1. de werkruimte van een kunstenaar
fabrica
pronoun
de hoofdstad van Griekenland
Athenae
/
ˌa.te.ˈjɪsmə/, /
ˌɑ.te.ˈjɪsmə/
noun
1. overtuiging dat goden niet bestaan
atheismus
/
ˌa.te.ˈjɪst/, /
ˌɑ.te.ˈjɪst/
noun
1. een persoon die niet gelooft in het bestaan van goden
atheus
pronoun
1. mythologisch eiland
Atlantis insula
pronoun
1. de tweede grootste oceaan op aarde, gelegen tussen Europa en Afrika enerzijds en Noord- en Zuid-Amerika anderzijds
Oceanus Atlanticus
noun
- 1. een boek dat geografische kaarten bevat
- 2. een verzameling van prenten, kaarten, afbeeldingen, tekeningen en dergelijke
- 3. de bovenste wervel in de hals die het hoofd draagt
atlas
/
ɑtlet/
noun
1. iemand die grote prestaties op sportief gebied verricht
athlēta
noun
- 1. een gasvormig omhulsel van een planeet of maan.
- 2. een stemming.
- 2. eenheid.
atmosphaera
noun
1. de kernlading van een atoom
numerus atomicus
pronoun
1. een stad in Frans-Vlaanderen
Nemetacum
noun
- 2. centraal vertrek
- 1. deel van het hart
atrium
/
ɑtrɪbʏˈtif/
adjective
1. wanneer het voor een zelfstandig naamwoord geplaatst wordt
epitheton
noun
4. tot het wezen (de entiteit) behorende eigenschap
attributum
interjection
1. uitroep van pijn
au
/
obɛrˈʒinə/
noun
2. purperachtige, vlezige vrucht
melongena
pronoun
1. grootste stad van Nieuw-Zeeland, gelegen op het Noordereiland
Aucopolis
pronoun
- 2.
Augusta Vindelicorum
- 1.
Augusta Vindelicorum
Augusta Vindelicum
/
ʌuˈɣɵrk/, /
ʌˈʝʏrk/
noun
1. kleine, in het zuur ingemaakte komkommer
cucumis
/
aʊ̯.ˈɣʏs.tʏs/, /
ɔʊ̯.ˈɣʏs.təs/, /
ʌʊ̯.ˈχʏs.təs/
noun
1. de achtste maand van het jaar
Augustus
/
aʊ̯ˈstraːli.jə/, /
ɔʊ̯ˈstrali.jə/, /
ʌʊ̯ˈstrali.jə/
pronoun
1. een soevereine staat gelegen tussen de Indische Oceaan en de Grote Oceaan (officieel het Gemenebest van Australië) met de officiële taal Engels
Australia
/
oˈtør/
noun
1. persoon die aan de basis staat van een origineel geschreven werk
auctor
/
ʌuˈtɪsmə/, /
ʌˈtɪsmə/
noun
1. ontwikkelingsstoornis
autismus
/
ʌuˈtɪstɪs/, /
ʌˈtɪstɪs/
adjective
1. lijdend aan autisme
autisticus
/
ɑʊ̯to/
noun
1. voertuig met drie of meer wielen, een motor en een carrosserie
autocinetum
autoraeda
noun
1. handtekening van een beroemd persoon
autographum
noun
1. een toestel dat, eenmaal in werking gezet, zonder verdere tussenkomst een aantal handelingen verricht
automatum
adjective
- 1. niet bestuurd door de hand van de mens
- 2. vanzelfgaand
- 3. gedachteloos
automatus
/
aʊ̯.to.no.ˈmi/, /
ɔʊ̯.to.no.ˈmi/, /
ʌʊ̯.to.no.ˈmi/
noun
automomia
noun
1. weg voor snelverkeer (dat sneller kan en mag rijden dan 60 km per uur), met gescheiden rijbanen en ongelijkvloerse kruisingen
autovia
/
ɑu̯ˈtri.sə/
noun
1. persoon die aan de basis staat van een origineel geschreven werk
auctrix
pronoun
1. voormalige regio in Centraal-Frankrijk
Arvernia
pronoun
1. een stad in Frankrijk
Avennio
noun
1. de periode van de dag waarin het nacht wordt
vesper
vespera
noun
1. een maaltijd die 's avonds genuttigd wordt
cena
noun
1. verbod om zich op straat te begeven na een zekere tijd
ignitegium
adjective
1. gedurende de avond
vesperalis
noun
1. een school waarin in de avonduren lesgegeven wordt
schola serotina
noun
1. een onderneming waarvan de uitkomst niet bij voorbaat vaststaat
periculum
noun
1. een basisbegrip dat zonder bewijs aangenomen moet worden
axiōma
noun
1. sierstruik van het geslacht rhododendron
azalea
/
ˌazərbɛɪ̯ˈdʒan/, /
ˌazərbɛːˈdʒan/
pronoun
1 en 2. Aziatisch land grenzend aan Rusland, Iran, Armenië en Georgië
Atropatia
Adrabigania
/
aˈzɛɪn/, /
aˈzɛːn/
noun
1. en 2. verdund azijnzuur verkregen door oxidatie van verdund alcohol om voedsel te bereiden
acetum
acētum
noun
1. CH₃COOH
acidum aceticum
pronoun
1. een continent ten oosten van Europa
Asia
noun
1. een landinwaartse uitstulping van een zee of oceaan
baia
/
baːn/
noun
3. traject van een projectiel/hemellichaam
ambitus
/
baːrt/
noun
1. gezichtsbeharing van de man
barba
noun
1. voortplantingsorgaan van vrouwen waarin de vrucht zich ontwikkelt
uterus
noun
1. een vorm van kanker die zich in de baarmoederhals ontwikkelt
carcinoma cervicis uteri
noun
1. stekelvinnige riviervis
perca
/
baːs/
noun
1. overste, leider, chef
dux
noun
1. iets met een gunstig effect
emolumentum
verb
1. gezellig praten over zaken van weinig belang
fabulor
noun
1. een mens in de allereerste fase van zijn/haar leven
infans
noun
- 1. een feest ter ere van Bacchus
Bacchanalia
- 2. een woest drinkgelag, een losbandige drinkpartij
bacchatio
noun
1. een wetenschap die zich bezighoudt met het bestuderen van bacteriën
bactēriologia
/
bɑt/
noun
1. voorwerp waarin men zich wast met water
balneum
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Durrhemium
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Nedersaksen
Gandershemium
pronoun
- 1. een stad in de Duitse deelstaat Rijnland-Palts
- 2. een district in de Duitse deelstaat Rijnland-Palts
Cruciniacum
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Thüringen
Longosalissa
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Cella Amica
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Halla Bavarica
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Sorethum
verb
- 1. een bad nemen
- 3. in bad doen
alluo
pronoun
1.
Aurelia Aquensis
Bada
Badena
Civitas Aurelia Aquensis
Thermae inferiores
pronoun
1.
Badenia et Virtembergia
noun
1. een vertrek waar men zich kan wassen en verzorgen
balneum
/
ˈbɑtˌkœy̆p/
noun
1. een waterreservoir waarin één of enkele personen zich kunnen wassen en baden
labrum
noun
1. kledij bedoeld voor het baden en zwemmen
subligaculum balneare
/
ba.ˈɣaːʃ/, /
ba.ˈχa.zʲə/
noun
1. een verzameling van eigendommen
impedimenta
/
ba.ˈha.mas/, /
ba.ˈɦa.mas/, /
bɑ.ˈɦa.mas/
pronoun
1. een eilandengebied in het Caraïbische gebied
Insulae Bahamenses
/
ba.ˈrɛɪ̯n/, /
bɑx.ˈrɛːn/, /
bɑχ.ˈrɛɪ̯n/
pronoun
1. eilandstaat in de Perzische Golf en de Golf van Bahrein. Het ligt ingeklemd tussen Saoedi-Arabië in het westen en Qatar in het oosten en zuiden
Bachrania
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Beieren
Fons Baiericus
noun
1. een steekwapen bovenop de loop van een geweer
mucro baionensis
verb
1. voedsel bij hoge temperatuur in een oven of pan verhitten, meestal met wat olie of boter.
coquere
torrēre
noun
1. iemand die brood en taarten bakt
pistor
noun
een werkplaats waar men brood, koek, banket en dergelijke, bakt
furnaria
pronoun
1. de hoofdstad van Azerbeidzjan
Baku
noun
1. rijsmiddel op basis van natriumbicarbonaat
pulvis furnarius
noun
1. uit klei of leem gebakken steen
later
noun
1. een object in de vorm van een bol dat gebruikt wordt bij balspelen
pila
noun
1. stoffen overdekking als ornament, meestal boven een troon, altaar of hemelbed
aulaeum
/
bɑlk/, /
bɑɫk/
noun
1. deel van een constructie met een lengte die veel groter is dan de breedte en de hoogte in doorsnede
trabs
/
ˈbɑlkə(n)/, /
ˈbɑɫkə(n)/
verb
1. het geluid van een ezel maken
oncō
noun
1. een bouwkundig onderdeel
maenianum
podium
/
ˈbɑ.lə/
noun
branie, moed
cōleī
noun
1. een artistieke dansvorm
ballatio
noun
1. gedwongen verblijf elders dan waar men thuis is
exsilium
noun
1. een feestartikel bestaande uit een dun rubberen zakje dat met gas of lucht kan worden gevuld
balonus
noun
1. een pen die met een bal of kogel de inkt op het papier overbrengt
stilus sphaeratus
verb
1. het prepareren van een stoffelijk overschot om het tegen ontbinding te beschermen
condiō
noun
1.huidplooi waarin de testikels liggen
culleus
pronoun
1. de nationale taal van Mali
lingua Bambara
noun
1. een reuzengrassoort dat afkomstig is uit Azië
bambusa
noun
1. een vrucht van de bananenboom
ariena
noun
3. groep muzikanten die een bepaald muzikaal repertoire ten gehore brengt
fascia
noun
1. een schurk of misdadiger
latrō
noun
1. apparaat waarmee men geluid kan vastleggen op magnetische tape
magnetophonum
noun
1. een toestel dat geluid opnam op een band magnetiseerbaar materiaal
magnetophonum
adjective
1. angst hebbend
timidus
adjective
1. van een persoon dat deze snel bang is
excītus
/
ˌbɑŋ.(g)ɣə.la.ˈdɛʃ/, /
ˌbɑŋ.lɑ.ˈdɛʃ/
pronoun
1. land in het zuiden van Azië dat ligt op het Indische subcontinent en grenst voor het grootste gedeelte aan India en voor een klein stukje aan Myanmar/Birma grenst
Bangladesia
noun
3. een financiële instelling
argentaria
noun
1. een betaalmiddel van papier
charta argentaria
/
bɑŋ'kɛt/
noun
1. een feestelijke, officiële maaltijd
epulum
noun
1. een bakker die voornamelijk taarten, klein gebak en chocolade maakt
crustularius
noun
1. iemand die financiële diensten verleent
argentārius
/
ˈbɑnəlɪŋ/
noun
1. iemand die verbannen is
exsul
noun
1. een kerkelijke straf
anathema
noun
benaming voor dikstammige bomen uit droge, warme gebieden uit het geslacht Adansonia
bahobab
adjective
1. zonder beperkingen opgelegd door beschaafd gedrag
barbarus
/
ˈbɑr.ba.ˌdɔs/, /
ˈbɑr.be.ˌdɔs/
pronoun
1. een eiland in het Caribisch gebied, dat behoort tot de Bovenwindse Eilanden van de Kleine Antillen
Barbata
Barbāta
/
bɑrbɑˈrɪzmə/
noun
1. woord of uitdrukking uit een andere taal
barbarismus
noun
1. bepaalde vissoort die voorkomt in de middenlopen van rivieren, Barbus barbus
barbus
/
bɑrt/
noun
1. middeleeuws dichter en zanger bij de Kelten
bardus
verb
1. op de wereld brengen
pariō
noun
1. een 17e eeuwse kunststroming die er naar streeft grootste, dramatische momenten en beweging uit te drukken
barocus
noun
1. adellijke titel, in rang tussen jonkheer en burggraaf
barō
verb
1. heftig breken of uiteenspatten
fatiscō
noun
1. een mafisch vulkanisch stollingsgesteente dat gevormd wordt door de stolling van lava of magma
basaltes
/
baˈsilikəm/
noun
1. een keukenkruid
basilicum
noun
1. fabeldier
basiliscus
/
ˈbazɪsxoɫ/
noun
1. een school voor lager onderwijs
educatio primaria
/
'bɑskən,lɑnd/
pronoun
- 1. geografische regio bij de Spaans-Franse grens
- 3. Spaanse autonome regio
Vasconia
noun
1. sport
canistriludium
pronoun
1. taal die wordt gesproken door de Basken
lingua Vasconica
Vasconicus
noun
1. buitenste laag...
liber
noun
1. een kind dat niet geboren is uit een wettig huwelijk
hibrida
pronoun
1. een stad in de Belgische provincie Luxemburg
Bastonacum
noun
1. een aap met een korte staart en een vooruitstekende snuit
papio
pronoun
1. stad in Zwitserland
Basilea
noun
1. afkorting van bruto binnenlands product...
proventus domesticus grossus
/
'biːmən/, /
bə'amən/
verb
1. bevestigen dat men het eens is met iets
confirmō
/
bə.ʔˈɑnt.ʋɔːr.də(n)/
verb
1. de reactie op een vraag geven
resequor
adjective
1. voorzien van een (lange) baard
barbatus
verb
1. een boete uitdelen aan een persoon
multō
verb
1. met bomen bedekken
afforēstō
/
bɛd/, /
bɛt/
noun
1. een meubel gemaakt om in te slapen
alveus
lectus
verb
1. erkentelijkheid tot uitdrukking brengen
grātiās agō
interjection
5. uitspraak om waardering en erkenning te tonen in dagelijks gebruik
gratias ago
/
bə'darə(n)/
verb
1. tot rust komen
mītēscō
adjective
1. weinig assertief
pavidus
timidus
verecundus
verb
1. iets over iets heen plaatsen zodat het niet zichtbaar is
obruere
noun
1. een persoon die vraagt om geld zonder daar iets voor te doen
mendīcus
verb
1. om een aalmoes vragen
mendicare
verb
2. door nadenken vinden
nectō
noun
1. iemand die eten en of drinken brengt in een horecagelegenheid
minister
noun
1. de groep van personen die eten en of drinken brengen in een horecagelegenheid
prodessendum
verb
1. door onderhandeling een toezegging verkrijgen
stipulor
verb
1. iemand met een mogelijk gevaar confronteren
minari
verb
1. iemand met kwade opzet in de waan brengen
calvor
/
bə'drɔx/
noun
1. het met kwade opzet misleiden van iemand
fraus
noun
1.1 Cimex lectularius, een parasitair insect
cīmex
/
bek/
noun
1. stromend watertje
rivus
noun
1. bepaalde ondersoort van vissen die voorkomt in stromend water, Salmo trutta fario
salvelinus fontinalis
noun
1. driedimensionaal kunstwerk
imago
verb
1. uit steen een beeld vervaardigen
sculptura
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Sculptor
noun
1. een beoefenaar van de beeldhouwkunst
sculptor
/
'beltɦɑʊʋɛrk/
noun
1. een kunstwerk vervaardigd door het houwen van steen
opera sculpturae
/
beːn/
noun
- 1. ledemaat waarop wordt gestaan en waarmee wordt gelopen
crus
- 3. stof waaruit benen/botten bestaan
os
noun
1. een verkoper van vlees
lanius
noun
1. een sponsachtige, rode substantie die zich in het binnenste van beenderen bevindt
medulla ossium
/
beːr/, /
bɪːr/
noun
- 1. groot viervoetig zoogdier uit de familie Ursidae
ursus
- 1. mannetjesvarken
verres
/
beːst/
noun
- 1. dier
- 2. benaming voor een mens, meestal een man, als men wild en dierlijk gedrag wil aangeven
bēstia
/
ˈbeːtʃjə/
noun
1. kleine hoeveelheid
frustum
noun
1. verlangen
cupiditas
libido
/
bə.ɣə.ˈlɛɪ̯.də(n)/, /
bə.ɣə.ˈlɛː.də(n)/, /
bə.χə.ˈlɛɪ̯.də(n)/
verb
1. vergezellen
comitō
verb
1. sterk verlangen om iets te bezitten
cupio
/
bəˈχɪn/
noun
1. het eerste deel
initium
exordium
verb
1. aanvangen
incipere
inchoare
noun
1. regel waar je je in ieder geval aan wilt houden
institūtum
noun
1. een plaats waar overledenen begraven liggen
coemeterium
noun
1. een ceremonie waarbij een overledene in een kist aan de aarde wordt toevertrouwd
fūnus
/
bəˈɣrafənɪsɔndərˌnemər/
noun
1. Een persoon die de begrafenis van overledenen verzorgt
libitīnārius
verb
- 1. iets onder de grond stoppen
- 2. een overledene begraven
- 3. iets wegstoppen
dēfodiō
verb
1. beperken, limiteren
cohibeō
/
bə.χrɛɪ.pə(n)/
verb
1. met het verstand vatten
intelligere
verb
1. bij de ontmoeting een teken van erkenning en welwillendheid geven aan iemand
salūtō
noun
1. het erkennen van elkaars aanwezigheid wanneer men elkaar ontmoet
salūtātiō
/
beˈɦaː/
noun
1. een kledingstuk voor vrouwen dat de borsten ondersteunt
strophium
fascia
adjective
1. bedekt met haren
hirsutus
/
bə.ˈhaː.ɣə(n)/
noun
1. aan iemand welgevallig zijn
iuvāre
preposition
1. met uitzondering van
nisi
verb
- 3. medisch verzorgen
afficiō
- 1. verwerken
tractō
noun
2. een handeling gericht op herstel
curatio
noun
1. een persoon om een bepaald geheel te regelen en te onderhouden of dit beroep
administrator
/
ˈbə'huftə/
noun
1. iets wat benodigd is
necessitas
/
bəˈhuvə(n)/
verb
2. nodig hebben
egere
verb
2. onderdeel uitmaken van wat gebruikelijk is of tot de fatsoensnormen gerekend wordt
insum
cardinalNumeral
1. alle twee
ambo
pronoun
1. taal gesproken door ten minste 12 miljoen mensen in Oostenrijk...
Bavarus
/
bɛɪrut/
pronoun
1. hoofdstad van Libanon
Berytus
noun
1. een scherp stuk gereedschap met een wigvormige snede
scalprum
caelum
adjective
1. vertrouwd
cognitus
verb
1. toegeven
confiteor
fateor
noun
1. een verklaring waarin men toegeeft een bepaalde daad gepleegd te hebben
cōnfessiō
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Crater
noun
1. een cilindervormig voorwerp waaruit je kunt drinken
bicarius
noun
1. het (doen) overgaan van iemand tot een bepaald geloof.
conversio
noun
- 1. vrij ondiepe maar brede schaal
- 2. gebeente tussen beide heupen
- 3. (muziekinstrument) slaginstrument bestaande uit een metalen schaalvormige voorwerp
lebeticum
/
bəˈkledɪŋ/
noun
1. een laag stof ter versiering en berscherming aangebracht op een hard oppervlak of een meubelstuk
vestimenta
verb
1. naar de top van iets, zoals een berg, klimmen
ascendō
adjective
1. tot het belangrijkste en noodzakelijkste teruggebracht
astrictus
verb
1. aantrekkingskracht uitoefenen
blandiri
noun
1. competentie
habilitas
noun
- 1. klok, schel, zoemer
- 6. een rond, schaalvormig metalen voorwerp in de vorm van een klok of halve bol al dan niet met klepel...
campana
noun
1. iets wat belangrijk is voor een persoon
momentum
adjective
1. van grote betekenis
gravis
noun
1. het van grote betekenis zijn
momentum
verb
1. iemands goede naam geweld aandoen met onware aantijgingen
criminari
noun
1. door de wet gedwongen betaling aan de overheid zonder individuele tegenprestatie
taxa
verb
1. nare opmerkingen maken tegen of over een persoon
insultō
noun
1. een krenking van iemands gevoel van eer of eigenwaarde
maledictum
adjective
1. van goede omgangsvormen getuigend
cōmis
noun
1. een sociale vaardigheid, die de omgang in de maatschappij vergemakkelijkt.
cōmitās
/
bəˈlɛx/
noun
1. langdurige uitsluiting van de buitenwereld door een vijandige strijdmacht
obsessiō
verb
1. met een leger omsingeld houden
obsideō
verb
1. geld steken in een naar verwacht winstgevende onderneming
collocō
noun
1. een plan van aanpak voor het oplossen van problemen in de meest ruime zin
politica
noun
1. wat hinder en oponthoud veroorzaakt
obstructiō
adjective
tinctus litteris
/
ˈbɛlɣijə/, /
ˈbɛɫɣijə/, /
ˈbɛɫχijə/
pronoun
Belgium
Belgica
Belgia
pronoun
1. de hoofdstad van Servië
Belgradum
Belogradum
/
bə.ˈlɪx.tə(n)/, /
bə.ˈlɪχ.tə(n)/
verb
1. licht schijnen op iets
illuminare
/
be.ˈliː.zə/
pronoun
1. een Midden-Amerikaans land, en grenst aan Mexico in het noordwesten en Guatemala in het zuiden en westen. Aan het oosten grenst het aan de Caribische Zee
Beliza
noun
1. een ondelinge of schriftelijke verklaring waarin men iets belooft
promissio
verb
1. toezeggen dat iets gedaan zal worden
polliceor
verb
1. het toevoegen van meststoffen aan de aarde
fēcundō
verb
1. amoureuze gevoelens voor iemand koesteren
amare
verb
1.iemand een positievere kijk op de kansen geven
adhortor
noun
1. iemand die zich bemoeit met zaken van anderen
ardeliō
adjective
1. te benaderen, makkelijk mee te praten
intrābilis
verb
1. naartoe gaan en aanspreken
subeo
noun
2. gezichtspunt, de richting van waaruit men naar iets beschouwd .
accessus
/
ˈbɛn.də/
noun
1. een informeel georganiseerde groep mensen, meestal met kwade of misdadige motieven
globus
verb
1. wensen dat men zelf mocht hebben wat een ander heeft
invideō
adjective
1. dat iets de moeite waard is om benijd te worden
invidiōsus
/
be.ˈnin/, /
ˈbe.nɪn/
pronoun
1. een land in Afrika dat in het westen aan Togo grenst, in het noordwesten aan Burkina Faso, in het noordnoordoosten aan Niger in het oosten aan Nigeria. In het zuiden ligt het aan de Golf van Guinee
Beninum
/
bɛn'zinə/
noun
1. een aardolieproduct bestaande uit een mengsel van alifatische koolwaterstoffen...
benzinum
noun
1. een lidwoord voorafgaand aan een bepaald zelfstandig naamwoord
articulus definitus
verb
- 2. vaststellen, voorschrijven, regelen
- 3. beslissend beïnvloeden
scīscō
verb
1. een verminderde reikwijdte geven
cohibeō
adjective
1. verminderd, met specifieke grenzen
dēfinītus
/
bə.ˈplɑn.tə(n)/
verb
1. bezetten met de geschikte planten
conserere
obserere
noun
1. overweging, overleg
consideratio
adjective
1. akkoord gaand, instemmend: bereid tot actie
libens
/
bə'rɛɪkən/
verb
- 1. fysiek bij de andere kant aankomen
adipisci
- 2. het informeren van personen
- 3. een bepaald doel verwezenlijken
pervenio
/
bɛrx/
noun
1. hoge terreinverheffing
mons
mōns
adjective
1. met bergen
montaniosus
noun
1. iemand die zich toelegt op het alpinisme
oribata
pronoun
2. stad in België
Montibus
noun
1. overgebrachte korte communicatie, meestal over een recente gebeurtenis
nuntius
verb
1. van nieuws voorzien over iets
referō
verb
1. het voortbewegen op een rijdier, zoals een paard of een voertuig zoals een fiets
uti
vehi
noun
1. vrouwelijk dier van de berenfamilie, Ursidae
ursa
pronoun
1. de zeestraat tussen de Grote Oceaan en de Noordelijke IJszee
Fretum Beringianum
verb
1. streng zeggen dat het gedrag wordt afgekeurd
opprobrō
/
bɛrk/
noun
1. een katjes dragende loofboom met witte bast
betula
betulla
pronoun
- 1. de hoofdstad van Duitsland
- 2. een duitse deelstaat
Berolinum
pronoun
1. de hoofdstad van Zwitserland
Berna
/
bə'rumt/
adjective
1. onder velen bekend en bewonderd
fāmōsus
noun
1. een bezigheid waarmee men de kost verdient
officium
noun
1. een acute beschadiging van de hersenen die veroorzaakt wordt door een bloeduitstorting in de hersenen
apoplēxia
noun
1. het betreuren van een eerdere kwalijke daad
cōnscientia
verb
1. iemand met geweld zijn bezit ontnemen
latrocinor
noun
1. het beroofd worden
latrocinium
/
bəˈrilijʏm/
noun
1. een chemisch element en een donkergrijs aardalkalimetaal
beryllium
/
bɛs/
noun
1. kleine vrucht
baca
adverb
1. vol met de neiging zich te verbergen voor anderen
pudefactus
verb
1. het toebrengen van schade
noceō
/
bə.ˈsxa.vɪŋ/, /
bə.ˈsχa.vɪŋ/
noun
1. de complexe maatschappij waarin veel van de mensen in steden leven en hun voedsel door middel van landbouw verkrijgen
civilisatio
/
bə'sxɛi(d)ə/
adjective
- 1. geen te hoge verwachtingen van zichzelf hebbend
- 2. niet de indruk makend te hoge verwachtingen van zichzelf te hebben
- 3. niet groots of talrijk
modestus
verb
1. er zo goed mogelijk voor zorgen dat er niets verkeerd gebeurt
defendo
/
bə.ˈsxɛr.mɪŋ/, /
bə.ˈsχɛr.mɪŋ/
noun
1. een beveiliging
dēfēnsa
/
bə'sxɪkbar/
adjective
1. waarover beschikt kan worden
parābilis
adjective
1. onderhevig aan schimmelgroei
mūcidus
adjective
1. onder invloed van alcohol
ebriolus
verb
- 1. bekijken als
- 2. denken over
aspicio
verb
1. in woorden uitdrukken
dēscrībō
/
bə.ˈsrɛɪ̯.vɪŋ/, /
bə.ˈsxrɛɪ̯.vɪŋ/, /
bə.ˈsxrɛː.vɪŋ/
noun
1. een op schrift gestelde kenmerken van iets of iemand
dēscrīptiō
/
bə'sxœyt/
noun
1. een licht, tweemaal gebakken baksel van tarwe
biscoctus panis
/
bəˈsxʌldəgə/
verb
1. iemand de schuld geven van iets
accusare
/
bə.ˈsxʏl.di.ɣɪŋ/, /
bə.ˈsxʏɫ.də.ɣɪŋ/, /
bə.ˈsχʏɫ.də.χɪŋ/
noun
1. het aangeven dat iemand iets moreel of gerechtelijk verkeerds heeft gedaan
accūsātiō
noun
1. een reëel bewustzijn
nōtiō
verb
1. vaststellen wat er gaat gebeuren
decido
/
bə.ˈslɪ.sɪŋ/
noun
decisio
/
bəˈslœɪt/
noun
1. een vastgestelde keuze
consultum
adjective
1. niet in staat een besluit te nemen.
ambiguus
verb
1. vaststellen hoe het moet
decido
verb
1. de voorhuid van de penis wegsnijden
circumcidere
/
bəˈsnɛidənɪs/
noun
circumcīsiō
verb
1. muziek maken op een muziekinstrument
canō
/
bə.ˈspre.kɪŋ/
noun
1. een mondeling overleg
colloquium
verb
1. daadwerkelijk in het universum voorkomen
sum
noun
- 1. een verzameling van gegevens die een eenheid vormen
fasciculus
- 3. een wapenstilstand
indutiae
verb
1. iemand iets wederrechtelijk ontnemen
latrocinor
verb
1. afspreken dat goederen of diensten geleverd zullen worden
mandō
/
bə.ˈstɛ.mɪŋ/
noun
1. het eindpunt van een route
dēstinātiō
/
bəstɔrmə(n)/
verb
1. met een strijdmacht snel te voet een positie van de vijand trachten te overweldigen
assultō
verb
1. het wegdek verharden met klinkers of andere middelen om er een straat van de maken
pavīmentō
noun
1. een geheel van systeemapplicaties dat de uitvoering van andere programma's bestuurt
systema operationis
systema interna
/
bəˈstyrdər/
noun
1. een persoon die een voertuig of andere machine bestuurt
auriga
/
bə.ˈtaː.lə(n)/
verb
1. geld (of andere zaken) geven aan iemand om de kosten te voldoen
dapinare
/
bə.ˈta.lɪŋ/
noun
1. het onderhandigen of overboeken van geld in ruil voor goed of dienst
luitio
verb
1. met de handen iemands lichaam op verschillende plaatsen aanraken
depsō
noun
1. wat iets betekent, waar iets voor staat
significatio
/
ˈbe.tɔɫ.ˌχø.zə/, /
ˈbe.təl.ˌɣø.zə/, /
ˈbe.təɫ.ˌɣø.zə/
pronoun
1. de één na helderste ster in het sterrenbeeld Orion, na Rigel
Betelgeuze
Betelgeuse
noun
1. herstelde toestand
sanescō
pronoun
1. stad in Judea, bekend als de geboorteplaats van Jesus
Bethleem
verb
1. een serie argumenten als een verhaal presenteren, bijvoorbeeld in een rechtszaak
iurgō
/
bə.ˈto.ɣɪŋ/, /
bə.ˈto.χɪŋ/
noun
1. een samenkomst van velen, meestal op straat, met als doel een protest te laten horen
demonstratio
noun
1. vader van een overgrootouder
abavus
verb
1. gaan over, als onderwerp hebben
refero
/
bətrørən'swardəx/
adjective
1. waard betreurd te worden
paenitendus
verb
1. ergens fors op slaan
cūdō
/
bøːl/
noun
- 1. uitvoerder van lijfstraffen
- 2. wreedaard
carnifex
noun
4. bijeenkomst waar producenten van een bepaald vakgebied meest nieuwe producten tentoonspreiden
feria
noun
1. een makelaar aan de beurs
nummis mercandis curator
noun
1. een makelaar aan de beurs
nummis mercandis curator
verb
- 1. iets als aangenaam ervaren
iuvāre
- 2. het leven schenken aan een kind
parere
adjective
1. -gewoonlijk vrouwelijke- schoonheid bezittend die bij anderen -gewoonlijk mannen- in de smaak valt
venustus
/
bə.ˈvɑ.lɪŋ/
noun
1. het baren van een kind
partus
verb
1. omvatten, in zich sluiten
teneo
verb
1. de strijd aanbinden met iets/iemand
pugnare
adjective
1. voorzien van vogelveren
penniger
verb
1. er zo goed mogelijk voor zorgen dat er niets verkeerds gebeurt
colo
verb
1. een dwingende opdracht geven.
imperō
verb
1. hard en heftig trillen
tremō
noun
1. benaming voor zoogdieren uit het geslacht Castor
castor
fiber
verb
2. vastmaken
firmare
stabilire
noun
1. de akkers voorzien van extra water
irrigātiō
verb
1. (iets) een beetje nat maken
humectare
/
bə'vuxtɛit/
noun
auctōritās
noun
1. alle inwoners van een bepaald land, staat of gebied gerekend
populatio
noun
1. de beantwoording aan een sterk verlangen
fructus
/
bə'vrizə(n)/
verb
1. door afkoeling in vaste toestand komen
congelo
verb
1. iemand of een bevolking van gevangenschap of onderdrukking verlossen
lībertō
noun
1. persoon die andere bevrijdt
līberātor
/
bə.ˈvrɛɪ̯.dɪŋ/, /
bə.ˈvrɛː.dɪŋ/
noun
1. het vrij maken van mensen die gevangen gehouden of onderdrukt worden
absolutio
adjective
1. door afkoeling in vaste toestand gekomen; volledig met ijs bedekt
gelātus
verb
1. vuil maken; verontreinigen
foedō
verb
1. toezicht houden op de veiligheid van iets of iemand
custodio
noun
1. een persoon die toezicht houdt op de veiligheid van iets of iemand
excubitor
/
bə.ˈwaː.pə.nə(n)/
verb
1. iemand van wapens voorzien
armō
verb
1. ervoor zorgen dat iets niet verloren raakt
servo
/
bə.ˈweː.ɣə(n)/, /
bə.ˈʋe.χə(n)/, /
bə.ˈβ̞e.ɣə(n)/
verb
1. van plaats veranderen
movere
/
bə.ˈwe.ɣɪŋ(g)/, /
bə.ˈʋe.χɪŋ/, /
bə.ˈβ̞e.ɣɪŋ/
noun
- 1. in de staat verkeren waarin de locatie steeds verandert
mōtiō
- 2. van plaats/positie veranderen
- 3. een organisatie
mōtus
/
bə'wɛrkə(n)/
verb
- 1. veranderen om iets voor een of ander doel geschikt te maken
- 4. iets met een mes anders maken
laboro
verb
- 1. wierookdampen over iets of iemand aanbrengen
- 2. iemand lof toezwaaien
incenso
noun
1. datgene wat de juistheid van een bewering onweerlegbaar vast (kan) leggen
argūmentum
noun
1. alles wat de juistheid van een bewering onweerlegbaar vastlegt
argūmentum
/
bəˈʋɔɫkt/
adjective
1. met wolken bedekt
nūbilus
noun
1. een persoon die iemand bewondert
admirator
verb
1. bekijken met respect
admirari
adjective
1. wat het verdient bewonderd te worden
admīrābilis
/
bə.ˈwɔn.də.rɪŋ/, /
bə.ˈʋɔn.də.rɪŋ/, /
bə.ˈβ̞ɔn.də.rɪŋ/
noun
1. het bekijken met enig ontzag
admiratio
noun
1. iemand die in of op iets woont
cultor
/
[bəˈʋɵst]/
adjective
1. iets waarvan kennis is genomen
cōnsciēns
noun
1. de staat van het bewusteloos zijn
alienatio mentis
/
bə'wɤ(st)sɛin/
noun
1. een toestand waarin men gewaarwordingen uit zijn omgeving ondergaat
cōnsciēntia
noun
1. voorwerp om stof en vuil bij elkaar te vegen
virga
scopa
adjective
1. gedomineerd door de aanwezigheid van...
occupātus
noun
1. een plaats die of een voorwerp dat door velen bezocht en bekeken wordt
res visu digna
/
bezəx/
adjective
1. aan het werken
negotiosus
noun
2. het houden van een goed voor zichzelf
possessio
/
bə'zɪtə(n)/
verb
1. iets in eigendom hebben
possidere
noun
1. de persoon die het bezit van iets heeft
possessor
noun
1. dat wat iemand in eigendom heeft, dat wat van iemand is
bonum
/
bəˈzukə(n)/
verb
1. bij iemand langsgaan of langskomen
visitare
noun
1. een persoon die iemand of iets bezoekt
adventor
adjective
1. met zorgen beladen
anxius
noun
1. moeilijkheid, bedenking
contradictio
verb
1. zorgen dat een vrouw of vrouwtjesdier bevrucht wordt
gravidare
adjective
1. heraldisch attribuut
expirans
verb
1. tot een afsluiting brengen
finio
/
bəˈɪnvludə(n)/
verb
1. iemand of iets proberen te veranderen, invloed nemen op
afficio
/
bu.ˈtan/, /
bu.ˈtɑn/
pronoun
1. een land in Azië dat in de Himalaya ingeklemd ligt tussen China, Tibet en India. Het zuidelijke gedeelte van Bhutan ligt op het Indisch subcontinent
Butania
/
ˌbiblijotekaˈrɛsə/
noun
1. beheerster van een bibliotheek
bibliothecarius
/
ˌbiblijote'kaːrɪs/
noun
1. beheerder van een bibliotheek
bibliothecarius
/
bib(l)ijo'tek/
noun
- 1. een plaats waar boeken verzameld staan
- 2. een instelling die boeken en andere media aan het publiek uitleent of ter inzage biedt
bibliotheca
verb
1. in gebed zijn, een godheid iets vragen
oro
precari
noun
1. de erkenning van zonden aan een geestelijke
confessio
noun
1. dunne lap vlees van de bovenbil van een rund
praecīsum
noun
1. alcoholische drank die bereid is uit gefermenteerde mout
cervisia
cerevisia
noun
1. een glas dat speciaal ontworpen is om bier uit te drinken
hyalus cervesarius
noun
1. en 2. (groene sprietjes van) looksoort Allium schoenoprasum
Allium schoenoprasum
/
bɪx/, /
bɪχ/
noun
1. een jong van het varken
porcella
/
bɛɪ̯/
noun
1. benaming vliegende insecten uit het geslacht Antophila
apis
noun
1. (de heilige tekst van) het heilige boek der christenen
biblia
noun
1. een exemplaar van de originele Bijbel
biblia
verb
2. zorgen dat iemand iets leert
docere
/
ˈbɛːdraʝə/, /
ˈbɛːɪdraɣə/
noun
1. iemands aandeel
stips
verb
1. een aandeel leveren
contribuō
/
bɛi'embrɛŋə(n)/
verb
1. bij elkaar brengen
colligo
noun
1. benaming voor veelkleurige en insectenetende vogels die...
merops
noun
1. moeder van alle bijen in een bijenkorf
apis rēgīnae
noun
1. kunstmatige behuizing waarbinnen een bijenvolk zijn raten kan bouwen, oorspronkelijk in de vorm van een gevlochten korf
alveus
/
ˈbɛː.jə(n)ˌteɫt/
noun
1. het houden van bijen
apicultura
/
ˈbɛɪ̯.ɣə.ˌlof/, /
ˈbɛɪ̯.χə.ˌlof/, /
ˈbɛː.ɣə.ˌlof/
noun
1. een geloof in iets extra's en onnatuurlijks
superstitio
adjective
1. iemand die gelooft in bijgeloof
superstitiosus
/
bɛɪ̯l/, /
bɛːɫ/
noun
1. hakwerktuig met een smalle snee en een lange steel die vooral voor het kappen van bomen gebruikt
securis
ascia
noun
2. een bestand dat bij een e-mail is meegezonden
adiunctum
/
'bɛɪ.na/
adverb
1. op zo'n manier dat het niet veel scheelt of iets is zo
paense
noun
1. breed bekende, niet-officiële naam van een persoon, een groep van personen of een zaak
cognomen
verb
2. een helpende hand bieden
adiuvō
/
ˈbɛi̯tə(n)/
verb
1. iets afsnijden of afscheuren door tanden tegen elkaar te duwen
mordere
verb
1. als extra ergens aan toevoegen
teneo
noun
1. een werkwoordswijs waarmee men een wens of onzekerheid tot uitdrukking kan brengen.
coniunctivus
subiunctivus
/
bɛɪ̯ˌvuχlək ˈnamʋo̞rt/, /
bɛːˌvuxlək ˈnamβ̞oːrt/, /
ˌbɛɪ̯vuɣ(ə)lɪk ˈnaːmwoːrd/
noun
1. een woordsoort die wordt gebruikt om een eigenschap of hoedanigheid van...
verbum adiectum
adiectivum
noun
1. Artemisia vulgaris, een plant uit de composietenfamilie Asteraceae
artemisia
abbreviation
1. als voorbeeld, om tot voorbeeld te dienen
exempli gratia
noun
1. een woord dat een bijvoeglijk naamwoord, een werkwoord, een telwoord of een ander bijwoord nader bepaalt
adverbium
/
bɛizɪn/
noun
1. een deel van een uiting dat een ondergeschikte rol speelt ten opzichte van de hoofdzin
sententia subordinata
noun
1.vrouw met wie een man in ongehuwde staat...
concubina
noun
1. elk van beide lichaamsdelen gevormd door de grote spieren die het bekken ...
natis
clunis
noun
1. de scheiding of spleet tussen beide billen
crena analis
noun
1. bepaald soort inheemse gifplant, Hyoscyamus niger
alterculum
verb
1. vastmaken (evt. figuurlijk)
ligō
noun
1. een slijmvlies dat de sclera en de binnenste zijde van de oogleden bedekt
tunica conjunctiva
/
ˈbɪntˌʋeːf.səl/
noun
1. weefselsoort dat dient ter ondersteuning en verbinding
textus connectivus
verb
1. ergens in gaan
ingredior
noun
binnenoor
auris interna
adjective
1. met meest aan de binnenkant gelegen
intimus
adjective
1.
biodegradibilis
/
'bioˌxemi/
noun
1. de wetenschap die de chemische processen van het leven op moleculair niveau bestudeert
biochemica
biochemia
/
ˈbiodivɛrsiˌtɛɪt/
noun
1. soortenrijkdom, het aantal verschillende diersoorten
diversitas biologica
/
ˌbiʲoloˈɣi/, /
ˌbiʲoloˈχi/
noun
1. wetenschap van de levende wezens, levensvormen en levensverschijnselen
biologica
biologia
/
ˌbijo'loːɣis/
adjective
- 2. van gelijke afstamming
biologicus
- 1. te maken hebbend met de biologie
biologicus
biologica
biologicum
/
ˌbioˈlox/, /
ˌbioˈloχ/
noun
1. een wetenschapper die de biologie beoefent
biologus
noun
1. gebouw waarin mensen in stoelen naar een film geprojecteerd op een groot scherm kunnen kijken
cinematographeum
/
ˈbɪzdɔm/
noun
1. kerkrechtelijk afgebakend gebied dat onder de bevoegdheid van een bisschop staat
episcopatus
/
bisɛksye:l/
adjective
1. seksueel gericht op beide geslachten
bisexuālis
/
bɪsxɔp/
noun
1. een christelijke geestelijke die aan het hoofd staat van een bisdom
episcopus
/
bɪt/
abbreviation
1. in de informatica en de computertechnologie de kleinste eenheid van informatie
frēnum
/
bɪt/
noun
1. een metalen staaf die een paard in de bek gedaan wordt om het dier berijdbaar te maken.
frēnum
adverb
1. een vaak als onaangenaam ervaren smaak, niet behorend tot zout, zuur of zoet
amarus
acerbus
noun
1. een viskeuze vloeistof die van nature voorkomt als de minst vluchtige fractie van ruwe aardolie
bitumen
noun
1. hol orgaan dat gevuld is met een hoeveelheid gas en/of vloeistof
vesica
noun
1. een luchtzak die samengedrukt kan worden om een sterke luchtstroom te veroorzaken
follis
noun
1. een muziekinstrument waarvan de klank wordt voortgebracht door een luchtstroom
instrumentum inflatile
noun
- 1. plat, groen onderdeel van planten
- 2. vel papier
folium
frons
adjective
zonder bladeren
infrons
noun
1. een dun folie van goud dat wordt gebruikt voor decoratieve doeleinden
bractea
noun
1. een schadelijk klein insect dat zich voedt met het sap van jonge plantenscheuten...
aphis
/
ˈblɑtsɛidɚ/
noun
1. elk van de beide zijden van een blad papier in boek, krant of tijdschrift
pāgina
verb
1. geluid maken dat kenmerkend is voor een hond
latrare
noun
1. een afgang veroorzaakt door eigen falen
dēdecus
/
blɑŋk/
adjective
- 1. met lichte huidskleur
- 2. onbeschreven
albus
noun
1. een uiting die als belastering van de godheid gezien wordt
blasphēmia
/
ˈblatə(n)/
verb
het geluid van een schaap maken
bālō
/
blʌʊ/
adjective
1. de kleur blauw hebbend
caeruleus
blavus
/
blʌʊ/
noun
1. primaire kleur die zich in het spectrum bevindt tussen cyaan en violet
caerulus
caeruleus
noun
1. bepaalde soort roofvogel uit de familie van de arendachtigen, Circus cyaneus
Circus cyaneus
noun
1. bepaald soort grote vogel, Ardea cinerea
Ardea cinerea
/
'bla.zə(n)/, /
'ble.zə(n)/
verb
1. een luchtstroom veroorzaken
spirare
adjective
1. gering van kleur
pallens
noun
1. een aangename stemming
laetitia
noun
1. een toneelstuk, film of boek dat het doel heeft het publiek te vermaken en aan het lachen te maken
comoedia
/
blɛ.və(n)/
verb
- 3. ergens vertoeven
commorari
morari
permanere
- 1. niet veranderen
manere
perstare
remanere
/
blɪksəm/
noun
1. de lichtgevende stralen die uit de hemel barsten bij onweer
fulmen
fulgur
adjective
1. niet in staat te zien
caecus
noun
1. iemand die niet kan zien
caecus
/
'blɪndɦɛɪt/
noun
1. een toestand waarin men niet in staat is te zien
caecitas
verb
1. in opvallende mate licht weerkaatsen of uitzenden
nitere
noun
1. rood lichaamsvocht in aderen
sanguis
cruor
noun
1. het gesloten systeem van hart en vaten waardoor bloed stroomt
flūxus sanguinis
verb
1. het vloeien van bloed
sanguinem mittō
noun
1. de vloeistof van het bloed waar geen bloedlichaampjes meer in zitten maar nog wel stollingseiwitten
plasma sanguineum
noun
1. bloeduitstorting in de huid
livor
noun
1. een bloedader
vas sanguineum
noun
1. het genetisch aan elkaar verwant zijn
cōnsanguinitās
/
'blutʋɔrst/
noun
1. vleeswaar vervaardigd van het bloed en het vet van een varken
sanguiculus
noun
1. een worm die bloed zuigt uit mens en dier
hirudo
/
bluj/, /
bluɪ̯/
noun
- 1. toestand waarin een plant bloemen draagt
- 2. toestand waarin iemand of iets op zijn best is
flos
verb
- 1. het dragen van open, actieve bloeiwijzen
- 2. het bijzonder goed maken
florere
noun
1. een deel van plant met zaden
flos
flōs
noun
1. een tuin met veel bloemen
flōrētum
noun
1. een kool met vlezige bleekgele bloemstengels die als groente gegeten wordt
Brassica oleracea botrytis
brassica oleracea
noun
1. pot waarin men een plant kweekt
testa
noun
1. kledingstuk
pēlūsia
noun
1. een vaak hoekig massief stuk materiaal
caudex
noun
1. een eenvoudig houten blaasinstrument
tibia recta
verb
1.de toe- of doorgang versperren
claudō
/
blɔnd/, /
blɔnt/
adjective
1.
fulvus
noun
1. het ongewapend, onbeschermd in contact komen met een gevaar
expositiō
noun
1. kledingstuk
pēlūsia
verb
rood worden in het gezicht, bijvoorbeeld van verlegenheid of schaamte
rubescō
verb
- 1. heel hard huilen
- 2. blaten
bālō
noun
1. zeer grote wurgslang
boa
noun
1. gevaarlijke Braziliaanse wurgslang
boa cōnstrictor
noun
- 1. gebogen weg of pad
flexus
- 2. een brede baai aan de kustlijn
sinus
noun
1. iemand die gezonden wordt om een bericht, dienst, voorwerp enz. af te leveren
cursor
noun
- 1. een onderkant
fundus
- 2. de grond
terra
pronoun
1. de hoofdstad van Hongarije
Aquincum
noun
1. de voorkant van een schip
prora
noun
1. een beeld dat ter versiering aangebracht werd op de voorsteven van een schip
insigne
noun
1. een drijvend en verankerd voorwerp om de vaargeul in ondiepe wateren aan te geven
attollo
/
bujə(n)/
verb
- 1. kluisteren
- 2. fascineren
alligare
noun
1. een ingebonden bundel bedrukte of beschreven vellen papier
liber
codex
pronoun
1. de hoofdstad van Roemenië
Bucaresta
/
ˈbuɡdel/
noun
1. drukwerk dat zoveel bladzijden heeft dat het in aparte band kan worden gebonden, maar waarvan de inhoud onderdeel is van een groter werk
tomus
/
ˈbu.kə.ˌkɑs/, /
ˈbu.kə.ˌkɑst/
noun
1. een kast voor de opslag en het laten zien van boeken
librarium
noun
1. een bos snijbloemen, vaak sierlijk gerangschikt
fasciculus florum
noun
1. iemand die de inkomsten en uitgaven van een organisatie bijhoudt
actuarius
noun
1. verkleinwoord enkelvoud van boek
libellus
/
ˈbuk.wɪŋ.kəl/, /
ˈbuk.ʋɪŋ.kɔɫ/, /
ˈbuk.β̞ɪŋ.kəɫ/
noun
1. een winkel waar boeken verkocht worden
bibliopolium
/
bumɑn/
noun
1. een denkbeeldig wezen dat als schrikbeeld dient
larva
/
buːr/
noun
1. landbouwer
agricola
noun
2. een onderneming van een boer
vicus
villa
/
burə'kol/
noun
1. en 2. (gekrulde bladeren van) bladgewas (kool)
crambe
/
ˈburə(n)ˈzwalyw/
noun
1. een kleine trek- en zangvogel
hirundo
pronoun
1. historische landstreek in de Tsjechische Republiek
Bohemia
noun
1. scheikundig element met symbool Bh en atoomnummer 107
bohrium
noun
1. mannelijke geit
caper
noun
1. een tactische vechtsport
pugilatus
noun
1. handschoen gedragen tijdens het boksen
caestus
adverb
1. een glooiende uitstulping in een oppervlak vormend
convexus
noun
1. een driedimensionaal rond lichaam zie sfeer
sphaera
/
boˈlivi.ja/
pronoun
1. een republiek in Zuid-Amerika die grenst aan Peru, Brazilië, Paraguay, Argentinië en Chili
Bolivia
pronoun
1. een stad in Italië
Bononia
noun
1. lid van een factie van de marxistische Russische Sociaaldemocratische Arbeiderspartij (RSDAP) die zich ...
bolsevi
/
bɔm/
noun
1. vernietigingstuig dat gevuld is met explosieven
bomba
pyrobolus
verb
1. bommen of andere projectielen afvuren op iets of iemand
bombardare
pronoun
1. eiland in het zuidelijke gedeelte van de Caraïbische Zee
Boni Aëris
noun
1. een andere macht waarmee een afspraak gemaakt is aan dezelfde zijde te zullen strijden
socius
pronoun
1.
dieta foederalis
pronoun
1.
Bonna
Ubiorum arx
/
bɔnt/
adjective
1. met veel verschillende felle kleuren
discolor
noun
1. overgebracht bericht
nūntium
/
ˈbotsxɑpər/
noun
1. berichtenoverbrenger
cursor
noun
- 1. wapen
- 2. cirkelboog
- 3. deel van bouwwerk
arcus
pronoun
2. teken van de dierenriem van 22 november tot 22 december
Sagittarius
noun
1. iemand die schiet met een boog
sagittarius
arcarius
noun
1. meerjarige plant met houten stam
arbor
noun
1. een stuk grond met vruchtbomen
pomarium
/
'bomslɑŋ/
noun
2. bepaald landdier zonder poten Dispholidus typus
dispholidus typus
noun
1. een rechtop gaande houten schacht van een boom
truncus
noun
1. zaadje uit de peulvrucht van enige vlinderbloemige planten,...
phaseolus
faba
noun
B. chemisch element en een zwart metalloïde
borium
/
ˈbormɑˌʃinə/
noun
1. machine om te boren
terebra
/
boʊs/, /
boːs/
adjective
1. kwaad, woedend
īrātus
noun
1. de hoedanigheid van het boos zijn
īra
/
boʊt/, /
boːt/
noun
1. klein vaartuig
scapha
pronoun
1.
Baudobriga
Bochbardum
/
bɔRd/, /
bɔrt/
noun
- [1] Schijfvormig voorwerp
patera
catinus
- 2. Vlak voorwerp aan een muur
tabula nigra scriptoria
noun
1. een huis waarin tegen betaling seksuele diensten worden aangeboden
lupanar
verb
1. met naald en draad versieringen aanbrengen op een stuk weefsel
acū pingo
verb
1. met een werktuig dat om zijn as draait een gat in iets maken
forare
noun
1. iemand die garant staat voor een eventueel te betalen bedrag
warantus
pronoun
1. stadje in het zuiden van Belgisch-Limburg
Borchlonium
noun
- 1. overeenkomst waarbij een borg zich garant stelt
fideiussiō
- 2.
vadimōnium
noun
1. een chemisch element en een zwart metalloïde
borium
noun
- 2. elk van de twee vooruitstekende klieren bij vrouwen waaruit zich de moedermelk afscheidt
mamma
pectus
- 1. bovenste deel van de voorkant van de romp van mens of dier
pectus
noun
plat been waaraan de ribben aan de voorzijde vastgehecht zijn
sternum
noun
1. schoonmaakgereedschap met bos haren
peniculus
noun
1. geraamte van de borst
thorax
noun
1. een groep bomen
silva
/
ˈbɔsnis/, /
ˈbɔsnɪs/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Bosnië
Bosnica
/
ˈbɔsni.jə ɛn ˌhɛrtsəɣoˈviːna/, /
ˈbɔsni.jə ɛn ˌɦɛrtsəɣoˈvina/, /
ˈbɔsni.jə ɛn ˌɦɛrtsəχo(ʊ̯)ˈvina/
pronoun
1. republiek in het zuidoosten van Europa die ontstaan is bij het uiteenvallen van het voormalige Joegoslavië
Bosnia et Herzegovina
Bosnia et Herzegovia
/
ˈbɔsni.jər/
noun
1. een inwoner van Bosnië en Herzegovina
Bosniāca
pronoun
1. zeestraat tussen de Zee van Marmara en de Zwarte Zee
Bosporus
noun
1. bepaald soort vogel, Strix aluco
cavannus
noun
3. onderdeel van het skelet
os
noun
1. een onderdeel van de biologie dat zich bezighoudt met de studie van planten
botanica
/
ˈbotər/
noun
1. zuivelproduct
butyrum
butyr
noun
1. een aantal planten uit het geslacht Ranunculus behorende tot de familie Ranunculaceae
gallīcrūs
noun
1. CH₃(CH₂)₂COOH
acidum butyricum
/
ˈbɔt.sə(n)/
verb
- 1. met een flinke snelheid tegen elkaar aankomen
- 2. in een conflict of ruzie geraken
collidi
/
ˈbɔt.sɪŋ/
noun
1. het botsen
collisio
/
bɔ.ˈts<sup>ʊ</sup>a.na/, /
bɔts.ˈʋa.na/, /
bɔts.ˈβ̞a.na/
pronoun
1. een land dat geheel door land is omgeven in het zuiden van Afrika met ruim 1,5 miljoen inwoners, grenzend aan Namibië, Zimbabwe en Zuid-Afrika
Botsuana
/
ˈbʌʊdəˌʋɛɪn/, /
ˈbʌːdəˌβ̞ɛːn/
pronoun
1. een jongensnaam
Balduīnus
adverb
1. zelfverzekerd, gedurfd
audaciter
noun
1. een aftreksel van magere vleesresten, beenderen of vis
iūs
noun
psychologische toestand waarin een persoon terugkerende eetbuien heeft
bulimia
pronoun
1. een van de 26 regio's van Frankrijk
Burgundia
/
ˈbɑu̯ə(n)/
verb
1. een constructie oprichten door het samenvoegen van onderdelen
construere
struere
aedificare
munire
emunire
noun
1. een persoon die dingen bouwt
aedificātor
/
ˈboː.vən/
preposition
1. op een plaats hoger gelegen dan
super
noun
1. het bovenste gedeelte van de arm tussen de schouder en de elleboog
lacertus
/
bovənˈdin/
adverb
1. op de koop toe, daarenboven
amplius
noun
1. een van de beenderen van de schedel
maxilla
adjective
1. behorende tot een orde van dingen die buiten het menselijke ligt
divinus
noun
1. dat wat is uitgekotst
vomitus
noun
1. struik & 2. vrucht
rubus
verb
1. slecht en onduidelijk praten met name van baby's
blaterō
verb
1. vlees bereiden door het in vet te verhitten
assare
/
ˈbrɑnd/, /
ˈbrɑnt/
noun
1. verbranding met vuur
incendium
verb
1. verteerd worden door vuur
ardeo
pronoun
1. een deelstaat in het oosten van Duitsland
Brandenburgum
noun
1. een soort sterke drank
aqua vitae
noun
1. hout dat gebruikt wordt om te verbranden
cremium
noun
2-3. een harige plant die bij aanraking een brandend gevoel en zwelling veroorzaakt
urtica
noun
1. iemand die expres brand veroorzaakt
blaserius
noun
1. lid van de brandweer
siphonarius
noun
1. bepaalde karperachtige vissoort Abramis brama
sparulus
/
braˈʃɛːrə/
noun
1. dameskledingstuk
strophium
/
braˈzili.jə/
pronoun
1. een soevereine staat in Zuid-Amerika (officieel de Federale Repuliek van Brazilië, 'República Federativa do Brasil'), met als officiële taal het Portugees
Brasilia
noun
1. afmeting loodrecht op de hoogte of de lengte
latitudo
noun
1. cirkel van gelijke geografische breedten
latitudo geographica
/
ˈbreːɡbaːr/
adjective
fragilis
noun
1. stevige metalen stang, meestal voorzien van een gespleten einde, de koevoet, gebruikt om zaken open te breken.
vectis
/
brɛi̯n/
noun
1. orgaan
cerebrum
verb
- 1. in stukken uiteenvallen
- 5. in stukken uiteen doen vallen
cōnfringō
/
ˈbrɛŋ.ə(n)/
verb
1. ergens heen gaan om iets of iemand daar af te geven
addō
pronoun
1. een schiereiland in het noordwesten van Frankrijk
Britannia minor
pronoun
1. een Keltische taal die wordt gesproken in Bretagne
Armorica
noun
- 1. de uitkomst (quotiënt) van een deling van twee of meer gehele getallen
cele
- 2. een gebroken gedeelte van een object
frāctūra
noun
3. noot die twee- of driemaal de lengte van een hele noot had
signum correptionis
noun
1. mogelijk vertrek van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie
Brexitus
noun
1. verzonden geschreven boodschap
epistula
/
bris/
noun
1. zachte frisse wind
aura
ventulus
noun
receptaculum epistularum
noun
1. een optisch instrument dat gebruikt wordt om de scherpte van het zicht te verbeteren
perspicillum
vitra ocularia
/
brɪts/
adjective
1. gerelateerd aan Groot-Brittannië
Britanniae
pronoun
Virgineae insulae Britannicae
/
'bru.də(n)/
verb
1. een gelegd ei met lichaamswarmte warm houden
incubare
/
brudər/
noun
- 1. een broer
- 3. een kloosterling
frater
noun
- 1. kerkelijk goedgekeurde vereniging
- 2. vereniging van beroepsgenoten
- 1. vriendschappelijke betrekking als tussen broers
frāternitās
noun
1. kledingstuk dat het onderlichaam en beide benen, elk met een afzonderlijke pijp omhult
braca
/
bruːr/
noun
1. een mannelijk kind van dezelfde ouders
frater
noun
1. wetenschappelijke naam voor het scheikundig element Broom
bromum
noun
1. daar waar men informatie vandaan haalt
fons
noun
1. ontsteking van de luchtpijptak
bronchitis
noun
1. medisch onderzoek van de luchtpijp d.m.v. een bronchoscoop
bronchoscopia
noun
1. water dat uit de grond is gehaald, gebruikt als drinkwater of geneeskrachtig water
aqua fontana
adjective
1.van brons gemaakt
aeneus
/
broːt/
noun
1. een meelproduct dat gemaakt wordt door meeldeeg te bakken, te koken of te stomen
panis
noun
2. klein brood, vaak versierd, belegd of in een speciale vorm, voor één persoon
paniculus
verb
1. (bier) brouwen
braciare
/
brɔuə'rɛi/
noun
1. een bedrijf dat zich toelegt op het brouwen van bier
braciarium
/
brʏx/, /
brʏχ/
noun
kunstmatige weg over een diepte
pons
pronoun
1. een Vlaamse provinciehoofdstad
Brugae
/
brœy̯t/
noun
1. vrouw in tijd van de huwelijksplechtigheden
nūpta
noun
1. man die in het huwelijk treedt
sponsus
noun
1. een gift die een meisje van haar ouders meekrijgt als ze in het huwelijk treedt
dōs
adjective
1. een kleur zoals die van walnoten, chocola of koffie hebbend
fuscus
brunneus
noun
1. kleur zoals die van koffie of chocola
fuscus
brunneus
/
ˌbrœʏnəˈbeːr/
noun
1. Ursus arctos, een beer die in Europa, Azië en Amerika voorkomt.
ursus arctos
/
ˈbrœʏnəχ/, /
ˈbrœːnəx/, /
ˈbrœːnɪx/
adjective
2. op bruin lijkend
brūnulus
/
ˈbrœy̯nvɪs/
noun
1. familie Phocoenidae van kleine rondsnuitige tandwalvissen
porcopiscis
noun
1.
aqua gāsio medicata
pronoun
1. een stad in de Italiaanse autonome provincie Zuid-Tirol
Brunopolis
/
bry.ˈnɛɪ̯/, /
bry.ˈnɛː/
pronoun
2. een land op op het eiland Borneo, in Zuidoost-Azië. Het ligt aan de Zuid-Chinese Zee, en wordt verder geheel omringd door Maleisië
Bruneium
/
brʏs/
noun
1. een ander kind van dezelfde ouders (zonder de connotatie met zorg)
frater
pronoun
1. de hoofdstad van België
Bruxellae
Brosella
noun
proventus domesticus grossus
/
'bɵfəl/
noun
1. verzamelnaam voor een aantal zware rundersoorten met vaak forse hoorns
bubalus
noun
3. tijdelijk geheugen in rekenmachines...
conditorium intermedium
noun
1. zoogdier dat het jong in een buidel draagt
marsupial
/
bœʏ̯χə(n)/, /
bœːɣə(n)/
verb
- 1. krom maken
- 2. krom worden
curvō
noun
6. vormverandering van woorden
flexio
/
bœʏ̯k/, /
bœːk/
noun
1. het onderste deel van de voorkant van de romp van mens of dier dat van boven door het middenrif en van onderen door de bekkengordel begrenst is
venter
alvus
noun
1. de meest voorkomende vorm van pest en wordt veroorzaakt door de
pestis bubonica
noun
1. een hol, cilindrisch voorwerp
tubus
/
bœʏ̯t/, /
bœːt/
noun
goederen gewonnen door diefstaf of verovering
exuviae
/
ˈbœʏ̯tə(n)/, /
ˈbœːtə(n)/
adverb
extrā
/
ˈbœytə(n)lɑndər/
noun
1. iemand die in het buitenland woont, of iemand afkomstig uit het buitenland
barbarus
adjective
1. op het buitenland betrekking hebbend
externus
/
ˈbœy̯.tə(n)ˌsta:n.dər/
noun
iemand buiten de groep, van buiten
externus
noun
1. bepaald soort middelgrote roofvogel, Buteo buteo
buteo buteo
/
bʏl/
noun
- 1. mannelijk rund en het mannetje van sommige andere zoogdieren en zeezoogdieren
taurus
- 2. pauselijke oorkonde
bōs
noun
1. een stevig gebouwde hond met een grote kop en afhangende liphoeken...
Molossus
/
bɵɫˈγ̊aːrs/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Bulgarije
bulgaricus
pronoun
1. een land in Zuidoost-Europa
Bulgaria
noun
1. gestoomde, daarna gedroogde en vervolgens grof gemalen of gebroken tarwekorrels, meestal durumtarwe
purgurium
noun
1. zijdelings bijeengehouden verzameling langwerpige voorwerpen
fascis
noun
- 1. een werkmeubel voor administratief- en studiewerk
mensa scriptoria
- 2. een (politie)kantoor
munus
noun
1. hoofd van het gemeentebestuur
burgimagister
pronoun
1. deelstaat van Oostenrijk
Burgenlandia
noun
1. inwoner van een stad of staat die bepaalde wettelijke rechten en plichten heeft
civis
/
ˈbʏrɣərlək/
adjective
1. tot de burgers behorend, tot de middenstand behorend
cīvīlis
noun
1. een gewapende strijd tussen twee of meer bevolkingsgroepen binnen hetzelfde land, waarbij soms ook het leger betrokken is
bellum civili
/
bur.ˌki.na.ˈfa.so/, /
bur.ˌki.na.ˈfɑ.so/
pronoun
1. een republiek in West-Afrika voorheen Opper-Volta genaamd.
Burcina Faso
noun
1. ontsteking van een slijmbeurs
bursitis
/
bu.ˈrun.di/
pronoun
1. een land in Afrika dat grenst aan Democratische Republiek Congo, Rwanda en Tanzania
Burundia
noun
1. een ontplofbaar mengsel van fijngepoederde kool, zwavel en salpeter
pulvis bombardicus
noun
1. kledingstuk voor vrouwen.
strophium
fascia
/
byr/
noun
1. een persoon die in andermans omgeving woont
adcola
noun
1. een man naast wie men woont
vicinus
noun
1. een (deel van een) wijk
vicus
noun
1. vrouw woonachtig in het belendende huis
vicina
/
kaˈdoː/
noun
1. iets dat men aan iemand geeft, meestal ter gelegenheid van een speciale gebeurtenis
donum
noun
1. scheikundig element met symbool Cd en atoomnummer 48
cadmium
pronoun
1. het sterrenbeeld “Graveerstift“
Caelum
noun
1. een eenvoudige eetgelegenheid, waar men een snelle hap kan nuttigen
cafeteria
noun
1. een alkaloïde met structuurformule C₈H10N₄O₂ die van nature wordt aangetroffen in koffiebonen en theebladeren
coffēinum
noun
1. scheikundig element met symbool Ca en atoomnummer 20
calcium
/
kɑlkʏˈlatɔr/
noun
1. machine
calculator
noun
1. een scheikundig element en vermoedelijk een grijs of zilverkleurig actinide met het symbool Cf en het atoomnummer 98
californium
pronoun
1. een van de vijftig deelstaten van de Verenigde Staten. De staat grenst aan de Pacifische Oceaan en aan de Mexicaanse deelstaat Baja California, alsmede aan de Amerikaanse deelstaten Nevada, Oregon en Arizona.
California
pronoun
- 1. nimf uit de Griekse mythologie
- 2. een van de vier grote manen van Jupiter
Callisto
noun
1. een eenheid van warmte, gelijk aan de warmte benodigd om een gram water een graad C in temperatuur te doen stijgen
calor
/
kɑm.ˈbɔ.dja/, /
kɑm.ˈbɔ.tʃa/
pronoun
1. een land in Zuidoost-Azië dat in het noorden grenst aan Laos, in het noordwesten en westen aan Thailand en in het oosten en zuidoosten aan Vietnam
Cambodia
Cambosia
/
ˈkɑmpɪŋ/, /
ˈkɛmpɪŋ/
noun
1. een terrein met voorzieningen om te kamperen
campus tentorius
/
ˈka.na.da/, /
ˈkɑ.nɑ.da/
pronoun
1. een soevereine staat in de noordelijke helft van Noord-Amerika
Canada
noun
1. de waardigheid en taken van een kanunnik
canonicatus
pronoun
1. een van de 17 autonome regio’s en provincie in het noorden van Spanje gelegen ten oosten van Asturië en ten westen van Baskenland met de hoofdstad Santander
Cantabria
/
ˌkɑntaˈrɛɫ/
noun
1. bepaald soort eetbare paddenstoel met een lichte pepersmaak, Cantharellus cibarius
cantharellus cibarius
noun
1. mogelijkheid om iets te bevatten
facultās
noun
1. internationaalrechtelijke verklaring dat een partij de strijd tijdens een oorlog opgeeft
deditio
/
ˌka.py.ˈʃɔ̃ː/, /
ˌkɑ.py.ˈʃɔn/
noun
1. hoofdkap bevestigd aan een kledingstuk
cucullus
/
karákas/
pronoun
1. de hoofdstad van de Zuid-Amerikaanse staat Venezuela
Caracae
noun
1. kampeerwagen, woonwagen, aanhangwagen die kan dienen als woonst
tractum periegeticum
noun
1. een organische verbinding die de functionele groep -COOH bezit
acidum carboxylicum
/
kɑrˈbon/
noun
Carboniferum
noun
1. kankergezwel
carcinōma
/
kɑrdijo'lox/
noun
cardiologus
noun
1. volksfeest waarbij onder meer grote verkleedpartijen plaatsvinden,...
carnelevarium
/
kɑrniˈvor/
noun
1. een vleesetend dier
carnivora
noun
1. koetswerk van een voertuig
corpus
noun
1. de kunst en wetenschap van het vervaardigen van land-, zee- en/of luchtkaarten
cartographia
noun
anacardium occidentale
noun
1. een gelegenheid waar in een luxe omgeving gegokt wordt
āleātōrium
noun
1. Manihot esculenta, een eetbare wortelknol
mandioca
noun
1. een behuizing voor video- en audiobanden
capsella
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Cassiopeia
pronoun
1. landstreek in Spanje
Castella
verb
1. een sterilisatie uitvoeren van een man of mannelijk dier door verwijdering van de zaadballen
castrō
noun
1. onderaardse ruimte, onderaards gangenstelsel in het algemeen
catacumba
pronoun
1. een Romaanse taal die wordt gesproken in Catalonië, Valencia, Aragón, Balearen, Andorra, Frankrijk en Italië
Catalane
catalana
pronoun
1. een van de 17 autonome regio’s van Spanje, gelegen in het noordoosten van het Iberisch Schiereiland; de twee officiële talen zijn Catalaans en Spaans
Catalonia
noun
1. grijze staar, een troebeling van de ooglens die het zien verstoort
cataracta
noun
1. aandoening van het slijmvlies waarbij het veel vocht verliest
catarrhus
noun
1. een algemene ramp
cataclysmos
noun
1. onderdeel van een rangschikking, rang, groep.
categoria
noun
1. strijdmacht te paard
equitātus
noun
1. benaming voor knaagdieren uit het geslacht Cavia
Cavia porcellus
pronoun
1. de hoofdstad van Egypte
Cairus
/
ˈsedər/
noun
1. benaming voor bomen uit het geslacht Cedrus
cedrus
noun
- 3. de kleinste eenheid binnen een levend organisme waarin alle genetische informatie vervat zit
- 4. een zeshoekige opslagplaats in een bijenraat
cellula
noun
1. een viersnarig strijkinstrument dat tijdens het bespelen door de cellist tussen de knieën wordt gehouden
violoncellum
/
ˌsɛ.ly.ˈlo.zə/
noun
1. een polysacharide die door nagenoeg alle planten wordt gemaakt en die de plant stevigheid geeft
cellulosum
noun
1. een bouwmateriaal bestaande uit kalk, zand en grind
caementum
ferrumen
noun
1. hoge ambtenaar in de Romeinse republiek
censor
/
sɛnˈsyr/
noun
1. de controle van de kant van de overheid op alles wat de media uitbrengen
censura
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Centaurus
/
'sɛntiˌmetər/
noun
1. een lengtemaat die gelijk is aan één honderdste van een meter
centimetrum
adjective
1. in het midden gelegen
centrālis
/
sɛn.ˌtral.a.fri.ˌkan.sə.re.py.ˈblik/, /
sɛn.ˌtral.ɑ.fri.ˌkans.re.pʏ.ˈbliːk/, /
sɛn.ˌtraɫ.a.fri.ˌkan.sə.re.py.ˈblik/
pronoun
1. een land in Midden-Afrika, officieel de Centraal-Afrikaanse Republiek, dat geheel door land wordt omsloten
Respublica Africae Mediae
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Cepheus
adjective
1. met betrekking tot de grote hersenen
cerebrālis
noun
1. een plechtige aangelegenheid
caerimonia
/
ʃɑmˈpɑɲə/
noun
1. een schuimwijn uit de champagnestreek in Frankrijk
vinum spumans
/
xɑnuˈka/
noun
1. feest van de herinwijding van de tempel
Encaenia
verb
1. het ritmisch spreken of het zingen van woorden of geluiden
cano
noun
1. grote wanorde
chaos
pronoun
1. grootste stad van Henegouwen
Caroloregium
adjective
1. aangenaam in omgang
amoenus
/
sjarme/
noun
1. de eigenschappen van iemand waardoor die persoon aardig, leuk en vriendelijk wordt gevonden
lepos
noun
2. handvest, beperkte grondwet
carta
/
ˈtʃɑtə(n)/, /
ˈtʃɛtə(n)/
verb
1. op synchrone wijze met elkaar korte tekstberichten uitwisselen
fabulor
/
ʃaʊ̯.ˈføːr/, /
ʃo.ˈføːr/, /
ʃo.ˈfʏːr/
noun
1. de bestuurder van een motorvoertuig
auriga
noun
1. wetenschap die zich bezig houdt met de kennis van de stoffen ...
chemia
/
ʃɛk/
noun
mandatum nummārium
/
ˈʃi.li/
pronoun
1. een land in Zuid-Amerika, grenzend aan Peru, Bolivia en Argentinië en ingeklemd liggend tussen de Stille Zuidzee en het Andesgebergte
Cile
Chilia
/
ˌʃɪm.pɑn.ˈse/
noun
1. Pan troglodytes, de meest aan de mens verwante mensaap, leeft in Centraal-Afrika
satyrus
/
ˈʃi.na/
pronoun
1. een land in Oost-Azië, officieel de Volksrepubliek China
Sina
Sinae
/
ʃi.ˈnes/
adjective
1. betreffende China
Sinica
/
ʃi.ˈnes/
pronoun
- 1. de voornaamste taal die in China gesproken wordt
Sinesis
Sinensis
- 2. persoon
Sinica
/
ʃi'rʏr(ə)x/
noun
1. specialist
chirurgus
noun
1. de wetenschap van en de vaardigheid in het opereren
chirurgia
/
ˌʃo.ko.ˈla/
noun
1. een lekkernij die gemaakt is van cacao, suiker en cacaoboter
cacaotica
/
ˌʃo.ko.ˈla.də/, /
ˌʃɔko.ˈla.də/
noun
1. een lekkernij die gemaakt is van cacao, suiker en cacaoboter
cacaotica
/
χoləra/
noun
1. een zeer besmettelijke infectieziekte die de darmen aantast
cholera
noun
1. vet dat in je lichaamscellen zit, zoals galvet, lichaamsvet
cholestearinum
adjective
1. te maken hebbend met het christendom
Christianus
/
ˈkrɪs.tən/
noun
1. een belijder van de christelijke godsdienst
Christianus
Christiana
christianus
/
ˈkrɪ.stən.ˌdɔm/
noun
1. een religie gebaseerd op het evangelie en leven van Jezus zoals beschreven in het Nieuwe Testament
Christianismus
/
ˈxrɪstʏs/
pronoun
Christus
/
ˌχroʊmoʊˈsoʊm/
noun
1. staafachtig lichaampje
chromosoma
/
ˈkronis/
adjective
1. voortdurend, aanhoudend
chronicum
noun
1. een uurwerk waarop zeer kleine tijdsdelen kunnen worden afgelezen
horologium
noun
1. groot, halfvleugelig insect, leeft in Zuid-Europa en in de tropen (Cicadidae)
cicada
noun
1. vruchtenwijn uit gegist appelsap of perensap
sicera
noun
1. een enkelvoudig symbool om een telbaar aantal aan te duiden
nota numeri
adjective
1. zoals een cilinder, cilindervormig, buisvormig
cylindricus
noun
1. iemand die gevangenen bewaakt en verzorgt
carcerārius
noun
1. bepaald soort naaldboom, Cupressus sempervirens
cupressus
/
ˈsɪrkəɫ/
noun
circulus
circulum
noun
1. een soort wolk die op grote hoogte, 6 tot 10 km in grotere velden voorkomt, vaak een golfachtige structuur heeft en de aankondiger van een komend koufront is
cirrocumulus
noun
1. versterking die een vestingstad domineert, hetzij om de inwoners van die stad onder bedwang te houden,...
arx
noun
1. een snaarinstrument dat voornamelijk gebruikt wordt in het Duitstalige deel van Europa
cithara
verb
1. eigen of andermans woorden ontlenen
appello
noun
1. ovale, gele zure vrucht van de citroenboom
citreus
citreum
noun
ars ingeniaria civilis
noun
1. gevoelig orgaan bovenaan de schaamspleet van de vrouw dat voor de seksuele opwinding zorgt
landica
noun
1. de gecombineerde darm- en urineuitgang bij bepaalde diersoorten
cloaca
/
kloːn/, /
klʌːun/
noun
- 2. bespottelijk iemand
- 1. komische artiest
scurra
/
klɵp/
noun
- 1. besloten gemeenschap
- 3. golfstok
sodālitās
/
kowaˈli(t)si/
noun
1. verbond van twee of meer partijen, mogendheden of staten om een gemeenschappelijk doel te bereiken
coalitus
pronoun
1.
Coburgum
Coburgium
noun
1. een drug die bereid wordt uit de bladeren van de coca die euforie en ongevoeligheid voor pijn veroorzaakt en leidt tot verslaving
cocainum
noun
1. drankje bestaande uit gemixte alcoholische dranken
gallicauda
/
kɔxniˈtif/
adjective
1. met betrekking tot het leerproces
cognitivus
noun
2. een onderlinge aantrekking van moleculen van een zelfde stof
cohaesiō
/
kɔl/, /
kɔɫ/
noun
2. bergpas, bergengte vooral bekend via het wielrennen
transitus
/
kɔˈleɣa/, /
kɔˈleχa/
noun
- 1. een persoon die voor hetzelfde bedrijf werkt
- 2. een vak- of ambtgenoot
collēga
noun
1. een ruimte waarin les wordt gegeven aan studenten
auditorium
/
ko.ˈlɔm.bi.ja/
pronoun
1. een land in het noordwesten van Zuid-Amerika
Columbia
/
ko'lɔnə/
noun
1. rij van militairen of voertuigen in een groot aantal gelederen van kleine frontbreedte
columna
noun
1. een kever die op de aardappelplant leeft van ongeveer 1 cm lang en met een geel...
Leptinotarsa decemlineata
noun
1. de eerste, gelige moedermelk
colostrum
/
ˈkoːmaː/
noun
1. volkomen bewusteloosheid
cōma
adjective
1. gerieflijk
commodus
noun
1. iemand die het commando heeft over een leger of vloot
imperātor
noun
1. een groep personen aan wie een bepaalde opdracht wordt gegeven of die voor een bepaald doel bijeenkomen
consilium
adjective
1. betrekking hebbend op de gemeenschap
communalis
/
ˌkɔ.my.nɪ.ˈkaː.si/, /
ˌkɔmyniˈkasi/, /
ˌkɔmyniˈkaʦi/
noun
1. het uitwisselen van informatie
commūnicātiō
/
kɔmyˈnɪsmə/
noun
1. ideologie die gericht is op gemeenschappelijk bezit van productiemiddelen en verbruiksgoederen
communismus
verb
1. iets goed (proberen te) maken, terug in balans brengen
compensō
adjective
1. aanvullend
complēmentārius
/
kɔmplɛks/
adjective
1. ingewikkeld
complex
noun
1. een deel van een geheel
pars
noun
- 1. een muziekstuk, werkstuk van een componist
- 2. samenstelling
compositio
/
kɔmproˈmi/
noun
1. overeenkomst waarbij de betrokken partijen concessies doen...
compromitto
/
kɔm.ˈpju.tər/, /
kɔm.ˈpɪ̯uː.tər/
noun
1. informatieverwerkende machine
computatrum
noun
1. een spel dat via of met de computer gespeeld wordt
ludus computatri
noun
1. afgesloten terrein met barakken waar machthebbers bepaalde groepen mensen zonder rechtsgang onder dwang van de samenleving afgezonderd houden
campus captivis custodiendis
verb
- 1. op één plek samenbrengen
- 2. zich ~ op één zaak toespitsen
animadverto
adjective
1. van cirkels of bollen dat ze het zelfde middelpunt hebben (maar niet dezelfde straal)
concentricus
noun
1. een ontwerp, een project
conceptum
noun
1. een muziekuitvoering door een orkest etc.
symphonia
noun
1. een besloten kerkvergadering van kardinalen waarbij een paus gekozen wordt
conclave
/
ˌkɔŋklyˈderən/
verb
2. (overgankelijk) tot een besluit komen
coniecto
/
kɔnˈkret/
adjective
2. in realiteit bestaand
concretus
corporalis
noun
1.vrouw met wie een man in ongehuwde staat...
concubina
noun
1. (vloei)stof die ontstaat bij het afkoelen en verhogen van de druk van een gas
condēnsātum
/
kɔndɛn'zasi/
noun
condensatio
noun
1. elektrische component
condensatrum
noun
- 1. gezondheidstoestand
- 2. voorwaarde
conditio
verb
1. van staatswege in beslag nemen
auferō
verb
1.iemand laten zien wat diegene heeft gedaan
cōnfrontō
/
kɔŋˈɣrɛs/, /
kɔŋˈχrɛs/
noun
1. een grote vergadering van deskundigen op een bepaald vakgebied
conventus
adjective
1. de vorm hebbend van een (afgeknotte) kegel
conicus
/
ˈkɔn.jʏŋk.tif/
noun
1. aanvoegende wijs
coniunctivus
subiunctivus
noun
1. een noodzakelijk gevolg
cōnsequentia
/
kɔnso'nɑnt/
adjective
consona
adjective
1. Altijd onveranderlijk
constans
noun
1. een situatie waarin men zich geen raad meer weet
consternatio
noun
2. grondwet
constitutio
verb
1. raadplegen, advies vragen
sciscitor
verb
- 1. verorberen
- 2. verbruik van goederen en diensten in de economie
exedō
/
kɔn.ˈtɑk/, /
kɔn.ˈtɑkt/
noun
- 1. een toestand waarbij twee voorwerpen elkaar raken
- 2. onderlinge communicatie
- 3. een contactpersoon
- 4. een verbinding van twee elektrische geleidingen
- 5. een elektrische schakelaar
- 6. de grens tussen stollings- en nevengesteente
contactus
noun
1. een werelddeel
continens
/
kɔnˈtrɑkt/
noun
1. een schriftelijk vastgelegde overeenkomst
contractus
noun
1. een tegenstrijdigheid in de woorden, een innerlijke tegenspraak
contradictio in terminis
noun
1. een tegenstrijdigheid in de woorden, een innerlijke tegenspraak
contradictio in terminis
/
kɔn.vɛr.ˈsa.tsi/
noun
colloquium
verb
1. een gesprek voeren
colloquor
noun
1. scheikundig element met symbool Cn en atoomnummer 112
copernicium
/
ˈkɔrnis/, /
ˈkɔrnɪs/
pronoun
1. een Keltische taal die gesproken wordt in Cornwall
lingua cornica
pronoun
1. schiereiland in het zuidwesten van Engeland
Cornubia
adjective
1. lichamelijk
corporeus
noun
1. verbetering
correctio
/
ˌkɔriˈʒeːrə(n)/, /
ˌkɔriˈʒɪːrə(n)/
verb
1. iets van fouten ontdoen
corrigere
adjective
1. met behulp van geschenken, geld e.d. over te halen om zijn plicht, partij, of overtuiging te verzaken
corruptus
noun
1. bedrog vanwege oneerlijkheid
corruptio
/
'kɔrsɪkɑ/
pronoun
1. Frans eiland
Corsica
pronoun
1. een taal die op Corsica gesproken wordt
Corsicus
/
ˌkɔs.ta.ˈri.ka/
pronoun
1. een staat in Midden-Amerika, tussen Panama en Nicaragua
Costarica
noun
1. modeontwerper,ontwerper en maker van modieuze kledij
sarcinator
noun
1. veedrijver/veehoeder
bubulcus
noun
1. bepaald soort zoogdier, Canis latrans
coiotes
noun
1. een constante factor van een onbekende of van een veranderlijke grootheid
coefficiēns
verb
1. samenvallen in ruimte of tijd
coincidō
noun
1. seks waarbij de man met zijn penis het lichaam van de partner binnengaat
coitus
noun
2. op samenwerking gegronde vereniging of bedrijf
societas cooperativa
noun
1. een schepping, iets totaal nieuw
creatio
/
krejaˈtif/
adjective
1. scheppend vermogen bezittend, met een scheppende geest
ingeniosus
noun
1. iemand aan wie iemand iets (meestal geld) verschuldigd is
crēditor
/
kreˈjeːrə(n)/
verb
1. iets nieuws maken, iets scheppen
creo
adjective
1. met betrekking tot misdaad
scelestus
noun
1. iemand door zich onderhoudt door de wet te breken
scelestus
noun
1. sociologie van misdaad en misdadigheid
criminologia
/
ˈky.ba/
pronoun
eiland en land in het Caribisch gebied
Cuba
adjective
1. met betrekking tot de kookkunst
culīnārius
/
kɵl'tyːr/
noun
1. het patroon van menselijke activiteit en de symbolische structuren,...
cultura
noun
1. belangenbehartiging van meerderjarige
tūtēla
/
ky.ra.ˈsʌʊ̯/, /
kyː.ra.ˈzaʊ̯/
pronoun
1. een eiland en 2. een land
Insula Curacensis
adjective
1. met betrekking tot de huid
cutāneus
noun
1. een blauwgroene kleur
venetus
noun
1. wetenschap van de besturing van systemen
cybernetica
noun
1. terugkerende, regelmatige reeks
cyclus
/
ˈki.prʏs/, /
ˈsi.prʏs/
pronoun
land in de Middellandse Zee, tussen Europa en Azië, officieel de Republiek Cyprus, eiland in de Middellandse Zee
Cyprus
Cypros
/
sɪˈrɪlɪs/
adjective
1. betrekking hebbend op een alfabet
cyrillicum
/
ˈkɪstə/
noun
1. holte gevuld met vocht
cystis
/
ˈsitoskəˌlɛt/
noun
1.
cytosceletus
/
daːt/
noun
1. bewust gepleegde handeling
āctiō
/
daːr/
adverb
1. op die plaats
cum
/
daːr/
conjunction
1. omdat
cum
adverbialPronoun
1. met die reden
autem
noun
1. een inwoner van het voormalige rijk Dacië
Dacus
noun
1. zoete bruine vrucht van de dadelpalm
palmula
noun
1. palm waaraan dadels groeien
palma
noun
1. iemand die iets (slechts) gedaan heeft
nocens
/
dɑx/, /
dɑχ/
noun
- 1. tijd waarin een hemellichaam volledig om zijn as draait
- 2. tijd tussen zonsop- en zonsondergang
dies
lux
noun
1. klassiek massamedium, gedrukt op papier en gericht op het verspreiden van nieuws
acta diurna
adverb
1. iedere dag
cotidiano
noun
1. het aanbreken van de nieuwe dag, de tijd net voor zonopkomst
aurora
/
'dɑxlɪxt/
noun
1. licht van de zon
lux
noun
1. deel dat een gebouw aan de bovenkant bedekt en bescherming biedt tegen het weer
tectum
tēctum
noun
1. elkaar overlappende stenen of betonnen elementen waarmee een schuin dak lekdicht gedekt wordt
tegula
/
dɑl/
noun
1. een laagte in een heuvel- of bergstreek
vallis
noun
1. een inwoner van Damascus
Damascenus
adjective
1. op Damascus betrekking hebbend
Damascenus
noun
1. een inwoonster van Damascus
Damascena
adjective
1. op Damascus betrekking hebbend
Damascenus
noun
1. een inwoner van Damascus
Damascenus
/
daːmə/
noun
- 1. beschaafde vrouw
domina
- 3. koningin in het schaakspel
regina
noun
1. Dama dama, behoort tot de familie Cervidae, hert met een breed plat gewei...
Cervus dama
verb
1. het damspel spelen
damicus ludus
/
dɑmp/
noun
1. de gasvormige toestand van een stof, de toestand die ontstaan is door verdamping
halitus
adverb
1. toekomstig tijdstip
deinde
conjunction
1. na een vergrotende trap van een bijvoeglijk naamwoord of van een bijwoord.
quam
pronoun
3. jongensnaam
Daniel
interjection
1. uitdrukking van dankbaarheid
gratias ago
adjective
1. erkentelijk voor ontvangen hulp
grātus
noun
1. het dankbaar zijn
gratia
noun
1. een verzameling sierlijke bewegingen, meestal op basis van een muzikaal ritme
saltatio
verb
1. ritmisch bewegen
saltare
noun
1. mannelijk persoon die danst
ballātor
/
dɑnsə'rɛs/
noun
1. een vrouwelijk persoon die danst
ballātrīx
/
ˈdɑpər/
adjective
geen angst voor gevaar tonend
animosus
noun
1. mannelijke bij
fucus
/
dɑrm/
noun
1. onderdeel van het spijsverteringsstelsel tussen de maag en de anus
intestinum
noun
1. evolutieleer die het ontstaan van de soorten verklaart door natuurlijke selectie uit varianten die bij reproductie optreden
Darvinismus
/
dɑs/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Meles meles
meles
/
ˈdɑs.lok/
noun
1. sterk riekende, eetbare plant uit de lookfamilie
ursinum allium
conjunction
1. een voegwoord dat een lijdend-voorwerpszin inluidt
quod
ut
demonstrativePronoun
1. wijst iets aan dat zich in een afstand van de spreker bevindt
haec
hic
hoc
noun
de derde van de acht naamvallen van de Indo-Europese talen
dativus
dativa
dativum
noun
1. een tijdsaanduiding die bestaat uit een dag(nummer), een maand en een jaar
dies
article
1. (de) wordt gebruikt voor mannelijke en vrouwelijke zelfstandige naamwoorden in het enkelvoud en altijd voor het meervoud, waarbij het een specifieke persoon of ding aanduidt in plaats van het algemene geval
ille
phraseologicalUnit
1. wanneer iemand met verachting van datgene spreekt, wat hij graag zou willen hebben, maar niet kan krijgen
divertit vescis vulpecula vitis ab uvis
phraseologicalUnit
1. mensen zijn de belangrijkste vijanden van mensen
homo homini homo
verb
1. iets heel treffend verwoorden
acū tangō
interjection
1. er is een onomkeerbare stap gezet
alea iacta est
noun
- 1. Verkoper
- 2. Drugshandelaar
mangō
noun
1. een mannelijk persoon die voor de eerste maal in het openbaar optreedt, speelt of publiceert
inceptor
noun
1. de twaalfde en tevens laatste maand van het jaar
December
december
verb
1. methoden en technieken gebruikt om bouwwerken, meubels of andere objecten te verfraaien
decorare
noun
1. ongebakken kneedbare uitgangsmateriaal voor het bakken van diverse broden en gebak
farina
noun
1. rol om deeg uit te rollen
fustis expansōrius
/
ˈdeːl/
noun
- 1. een afsplitsing van een geheel
- 2. één uit een reeks
pars
noun
1. iemand die meedoet aan een wedstrijd of ander evenement
particeps
adverb
1. voor een bepaald deel
partim
noun
2. onderdeel van een atoom
particula
noun
2. de tijd van de dag waarop het licht dan wel donker wordt
crepusculum
/
den/, /
deːn/
noun
1. een inwoner van Denemarken
Dani
/
dens/, /
deːns/
adjective
1. betreffende Denemarken of het Deens
Danicus
noun
1. begripsbepaling
definitio
pronoun
- 1. Griekse god van de paniek
- 2. kleinste van de twee manen van Mars
Deimus
noun
1. een verdieping op een schip
stega
noun
1. dikke deken gevuld met isolerend materiaal
lodix
/
dekə(n)/
noun
1. een (vaak dikke) doek, met de functie om iemand te bedekken en daarmee warm te houden (tijdens de slaap)
opertorium
noun
1. een voorwerp om een hol open lichaam mee af te dekken
operculum
verb
1. samen met een ander gebruiken
dīvidō
pronoun
1. het nationaal hoofdstedelijk territorium van India waarin de nationale hoofdstad New Delhi gelegen is. Het territorium is gesitueerd in het noorden van het land
Dellium
noun
1. waanzinnigheid, acuut psychische stoornis ten gevolge van lichamelijke aandoening, vergiftiging...
dēlīrium
verb
1. gravend iets winnen
cavō
noun
1. de studie van alles wat de omvang, samenstelling en spreiding van een bepaalde bevolkingsgroep en de veranderingen hierin betreft
demographia
noun
- 1. het tonen en uitleggen van iets
- 3. een protestmars
demonstratio
noun
1. Pinus soort naaldboom
pinus
pronoun
1. de hoofdstad van de provincie Zuid-Holland en tevens de stad waar de Nederlandse regering zetelt
Haga
/
ˈdenəˌmɑrkə(n)/, /
ˈdeːnəˌmɑrkə(n)/
pronoun
1. een Scandinavisch land in Noord-Europa
Dania
adjective
1. op een kwetsende, kleinerende, vernederende manier
peiorativus
verb
- 3. een bepaalde mening toegedaan zijn
cogitare
- 1. een oplossing zoeken
cogitare
cogito
/
ˈdejo/
noun
1. een middel dat gebruikt wordt om de geur van transpiratie weg te nemen of te voorkomen
foetōris delumentum
/
ˌdejodɔːˈrɑnt/
noun
1. een middel dat gebruikt wordt om de geur van transpiratie weg te nemen of te voorkomen
foetōris delumentum
verb
1. onder dwang wegvoeren uit een gebied
dēportō
noun
- 1. ziekelijke neerslachtigheid
- 2. gebied met lage luchtdruk
- 3. langdurige inzinking in de economische ontwikkeling
depressio
/
ˈdɛrdə/
ordinalAdjective
1. betrekking hebbend op nummer drie in een rij
tertius
noun
1. huidontsteking
dermatitis
noun
1. Huidspecialist
dermatologista
cardinalNumeral
1. het getal 13
tredecim
ordinalAdjective
tertiusdecimus
adverb
1. bij dertien gelegenheden
ter decies
cardinalNumeral
1. het getal 30
triginta
noun
1. het permanent verlaten van een krijgsmacht zonder toestemming
dēfectiō
noun
1. een specialist
callidus
noun
acidum desoxyribonucleicum
verb
2. ergens een signaal van door middel van apparatuur opvangen
dētegō
/
detɛkˈtivə/
noun
- 2. speurder die tracht misdaden op te lossen of bewijsmateriaal te verzamelen
- 3. boek of programma over mensen die trachten misdaden op te lossen
inquīsītor
verb
1. iemand van staatswege gevangen houden
teneo
noun
1. iets dat goed is in zedelijk opzicht
virtus
adjective
1. bereid zich te gedragen in overeenstemming met algemeen aanvaarde waarden
probus
/
døːr/
noun
1. een afsluiting van een toegang tot een ruimte, gemaakt van hout, metaal of kunststof
porta
ianua
ostium
noun
1. een instrument waarmee bezoekers aangeven dat ze aan de deur staan
cantharus
/
dœyˈterijʏm/
noun
1. een isotoop van waterstof
deuterium
/
dewteɾoˈnomjum/
pronoun
Deuteronomium
/
'devəntər/
adjective
1. gemeente en oudste stad in de provincie Overijssel
Daventria
demonstrativePronoun
1. aanduiding voor dichtbijzijnde dingen, dieren of mensen
hae
demonstrativePronoun
eadem
/
'dɪɑɣnɔstɪ'seːrə(n)/
verb
1. aan de hand van verschijnselen de ziekte bepalen
diagnōsticō
/
diaˈlɛkt/
noun
1. een variant van een taal met kenmerkende grammaticale, fonologische en andere kenmerken
dialectos
dialectus
/
ˌdi.ja.ˌlɛk.to.lo.ˈɣi/, /
ˌdi.ja.ˌlɛk.to.lo.ˈχi/
noun
1. de wetenschap die regionale verschillen tussen taalvariëteiten bestudeert
dialectologia
noun
- 1. een uiterst hard, doorzichtig mineraal met kubische symmetrie dat uit koolstof bestaat
- 2. een edelsteen gesneden uit [1]
adamas
noun
1. middellijn
diametros
/
diɑ're/
noun
1. darmstoornis die dunne ontlasting veroorzaakt
diarrhoea
adjective
1. compact
dēnsus
verb
1. sluiten van een gat, opening
claudō
noun
1. iemand die poëtische kunst voortbrengt
poeta
noun
1. compactheid
densitas
noun
1. iemand die als enige de macht in een land in handen heeft
dictator
noun
1. staatsvorm waarbij de macht vrijwel volledig in handen van één of enkele personen ligt
dictatura
demonstrativePronoun
1. wijst iets aan dat zich niet in de onmiddellijke nabijheid van de spreker bevindt
illa
relativePronoun
1. in een bijzin die het nog niet geheel bekende antecedent nader bepaalt
quae
noun
2. een aanpassing in het eet- en voedingspatroon
diaeta
/
dif/
noun
1. iem. die steelt
fur
clepta
noun
1. het zich onrechtmatig toe-eigenen van goederen of andere bezittingen die aan een ander toebehoren
furtum
/
ˈdinən/
verb
1. werken voor; in dienst zijn van
serviō
noun
- 1.
- 4. kerkdienst
prodessendum
adjective
1. waar de bodem ver naar beneden is
profundus
/
'diptə/
noun
1. de mate waarin iets diep is
altitudo
/
diːr/
noun
1. met zintuigen uitgerust meercellig organisme dat zijn energie verkrijgt uit andere dierlijke of plantaardige organismen
animal
bestia
adjective
1. waaraan men grote waarde hecht
carus
noun
1. arts voor dieren, met name kleine huisdieren
veterinarius
/
ˈdiːrə(n)ˌtœʏ̯n/, /
ˈdiːrə(n)ˌtœːn/
noun
1. een verzameling levende, oorspronkelijk wilde dieren.
hortus zoologicus
noun
1. wetenschap die zich richt op de aard, de oorzaken en de geneesmiddelen van dierziektes
medicina veterinaria
noun
1. de wetenschap die de dieren bestudeert.
zoologia
noun
vergelijking voor een functie waarin een of meer van de afgeleiden van die functie voorkomen
aequātiō differentiālis
/
ˈdɪftɔŋ/
noun
1. een foneem dat uit twee klinkers bestaat die binnen één lettergreep in elkaar overgaan
diphthongus
/
dɛj/
noun
1. het deel van het menselijk been tussen heup en knie
femur
noun
1. een waterkering ter bescherming van het achterliggende land
diga
/
dɪk/
adjective
- 1. een naar verhouding grote dwarsdoorsnede hebbend
- 2. de genoemde dwarsdoorsnede hebbend
- 6. nauw aaneengesloten
- 7. weinig vloeibaar
- 3. een naar verhouding grote lichaamsomvang hebbend
- 4. ruim
- 5. hecht
crassus
noun
3. kleine bruine motachtige dagvlindersoorten met een snelle schietvlucht
hesperiida
/
dɪ'lɛmɑ/
noun
moeilijke keuze
dilemma
noun
1. de plant en de bladeren van het kruid
anethum
noun
1. warme maaltijd
cena
verb
1. het diner gebruiken
cenare
/
ˌdinoˈsʌʊriər/
noun
1. een lid van een uitgestorven groep van reptielen, waartoe de grootste landdieren behoren die ooit bestaan hebben
dinosaurus
/
ˌdinoˈsʌʊrəs/
noun
1. een lid van een uitgestorven groep van reptielen, waartoe de grootste landdieren behoren die ooit bestaan hebben
dinosaurus
noun
1. dag van de week die na maandag en voor woensdag komt
dies Martis
feria tertia
noun
1. een bewijs van bevoegdheid
probatoria
noun
1. iemand die in het buitenland zorgt voor de politieke relaties met zijn eigen land
legatus
adjective
1. zonder te wachten, zonder iets daartussen
dīrēctus
adverb
1. zonder te wachten, zonder omweg
rēctā
noun
1. de hoogste persoon bij een bedrijf
procurator
noun
1. onverwachte onderlinge afwijking
discrepantia
/
ˈdɪskʏs/
noun
1. een zware werpschijf die gebruikt wordt bij de atletische sport discuswerpen.
discus
noun
1. een gedachtewisseling waarbij doorgaans verschillende meningen worden uitgewisseld
colloquium
noun
1. verdeling, verspreiding
distributio
noun
1. het gebied van een lokale overheid
pāgus
demonstrativePronoun
hic
hoc
haec
adjective
- 1. onderling duidelijk verschillend
- 2. gekenmerkt door de aanwezigheid van mensen met een verschillend achtergrond
varius
/
(d)ʒi.ˈbu.ti/, /
dji.ˈbu.ti/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika 2. de hoofdstad van
Dzibutum
pronoun
1.
Borysthenes
Danapris
noun
1. kubusvormig voorwerp met op elk van de zijden een van de ogenaantallen één tot en met zes
alea
talus
tessera
noun
1. een vrouwelijk kind
filia
nata
noun
1.het hoogste diploma dat aan een universiteit behaald kan worden
doctōrātus
noun
1. een verzameling gegevens
documentum
noun
1. iemand die dood is, een gestorvene, overledene
mortuus
/
'do:dələk/
adjective
1. de dood veroorzakend
mortifer
/
ˈdo.də(n)/
verb
1. iemand van het leven beroven.
neco
interficio
occido
noun
1. dans van De Dood
chorea macchabæorum
/
ˈdodə(n)ˌmɪs/
noun
1. een mis opgedragen voor een overledene
missa pro defunctis
/
ˈdudɔɫˌzɑk/, /
ˈdudəlˌzɑk/
noun
1. een rietinstrument waarbij het riet indirect bespeeld wordt via een luchtzak
utriculus
noun
- 2. weefsel
- 3. doek/schilderij
carbasa
- 4. gordijn
sīparium
- 1. een lap
texta
/
ˈduloːrˌzak/
noun
1. een oorzaak die gericht is op een specifiek doel; een doel dat tevens de oorzaak van iets is.
causa finalis
verb
1. een actie ondernemen
facere
/
'dɔɣma/
noun
1. een vastomlijnd geloofsartikel dat aan geen beredenering meer is onderworpen
dogma
/
dɔl/
noun
1. roeipen
scalmus
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Delphinus
/
dɔlˈfɛɪ̯n/, /
dɔlˈfɛːn/, /
dɔɫˈfɛɪ̯n/, /
ˈdɔlfɛɪ̯n/, /
ˈdɔlfɛːn/, /
ˈdɔɫfɛɪ̯n/
noun
1. familie Delphinidae van mittelgrote tandwalvissen met vooruitstekende snuit
delphin
delphinus
/
ˈdɔlɑr /
noun
1. munt en munteenheid
dollarium
adjective
1. van weinig verstand getuigend
stultus
verb
1. tot huisdier of cultuurgewas temmen
domesticō
noun
2. vijfde trede van toonladder
dominans
noun
1. voorganger van een protestantse eredienst
pastor
/
domiˈnɪːrə(n)/
verb
1. het meest nadrukkelijk op de voorgrond treden
dominor
/
ˌdo.mi.ni.ˌkan.sə.re.py.ˈblik/, /
ˌdo.mi.ni.ˌkans.re.pʏ.ˈbliːk/
pronoun
1. een land in het Caribisch gebied dat ten westen aan Haïti grenst en daarmee...
Res publica Dominiciana
Respublica Dominicana
/
ˈdɔm.kɔp/
noun
1. iemand die niet erg slim is
stultus
verb
1. half in slaap zijn
dormītō
noun
1. een schenking
donatio
pronoun
1. een rivier in Europa die in het Zwarte Woud in Duitsland ontspringt en naar de Zwarte Zee stroomt.
Danubius
Danuvius
noun
1. een zeer luid geluid bij onweer
tonitrus
noun
1. een dag van de week die na woensdag en voor vrijdag komt
dies Iovis
feria quinta
dies jovis
/
ˈdɔndərə(n)/
verb
- 1. het weerklinken van luid gerommel ten gevolge van bliksemontlading.
- 2. op luide en barse toon een bevel geven of zijn ongenoegen uiten.
tono
adjective
1. zonder licht
obscuritas
noun
1. toestand dat er geen licht is
obscuritas
noun
1. gever, bijv. orgaandonor: degene die zijn orgaan afstaat
donator
/
doːt/
adjective
1. niet meer levend
mortuus
/
doːt/
noun
1. de toestand na het leven
mors
letum
/
ˈdotxan/
verb
1. het leven verlaten
morior
noun
- 1. (beroep) persoon
- 2. keversoort
sepultor
/
dotslɑx/
noun
1. het iemand anders opzettelijk, maar zonder voorbedachten rade van het leven beroven
homicīdium
noun
1. als straf gedood worden
poena capitalis
/
doːf/
adjective
1. niet of minder goed tot horen in staat zijn
surdus
noun
1. stelsel van paden of dwaalwegen, zodanig aangelegd dat men daarin moeilijk de weg kan vinden
labyrinthus
/
ˈdop.vɔnt/
noun
1. een bekken voor de bediening van de doop en het bewaren van het doopwater in een kerkgebouw
fons
/
ˈdoːr/, /
[doːr]/, /
[dʊːr]/
preposition
- 3. in
- 6. als achterzetsel: doorheen
per
/
ˈdoːrɣan/, /
ˈdɔːrχan/
verb
1. tot het einde meemaken
perge
noun
1. scherp uitsteeksel aan een plant
acantha
/
ˈdornəkron/
noun
1. van doorntakken gevlochten kroon als symbool van het martelaarschap
spinea corona
pronoun
1. een stad in de Belgische provincie Henegouwen
Tornacum
Tornacum Nerviorum
Turnacum Nerviorum
noun
1. het door een plaats, rivier of gebied trekken zonder dat deze plaats, rivier of dat gebied de reisbestemming is
trānsitus
verb
1. volhouden
persevērō
/
doːrˈzɪxtəx/, /
doːrˈzɪxtɪx/, /
do̝ːrˈzɪχtəχ/
adjective
[1] waar licht zo ongehinderd door kan treden dat het zicht erdoor niet belemmerd wordt
pellūcidus
/
doʊs/, /
doːs/
noun
- 2. vagina
arca
- 1. een veelal kartonnen balkvormig opslagmiddel
capsa
verb
2. iemand ritueel met water besprenkelen of erin onderdompelen en zodoende tot een geloof toelaten
baptizare
/
dɔrp/
noun
1. kleine, permanente nederzetting
vicus
pagus
noun
1. inwoner van een kleine plaats op het platteland
vicanus
noun
1. iemand die in een dorp woont
vicanus
noun
1. vloer waarop gedorst wordt
ārea
noun
1. hoeveelheid van een geneesmiddel die je per keer moet innemen
dosis
noun
1. een overheidsdienst die belast is met de controle op het internationaal goederenverkeer
teloneum
/
duʃ/
noun
1. stortbad
catachytlum
/
ˈdovə(n)/
verb
1. een vlam uit doen gaan
extinguere
noun
1. een lipbloemige plant met bladeren die op die van de brandnetel lijken maar die niet branden.
lamium
/
drat.los/, /
ˈdraːd.loːs/
adjective
1. waarbij geen draden nodig zijn voor de overdracht van een signaal
sine filo
/
ˈdraxbar/, /
ˈdraχbar/
adjective
1. te dragen, met de mogelijkheid gedragen te worden
carriabilis
/
ˈdraːɣ.mudər/
noun
mater surrogata
noun
1. een machine die een ingeklemd werkstuk ronddraait zodat dit met beitels en boren kan worden bewerkt
tornus
/
ˈdraːi̯ən/
verb
- 1. om een middelpunt bewegen
gȳrō
- Vertalingen: na te kijken
torquere
pronoun
sterrenbeeld nabij de noordelijke hemelpool
Draco
/
draːk/
noun
1. fabeldier
draco
verb
1. al van de vloer houdend vervoeren
porto
/
ˈdraɣɔn/
noun
2. kruid
aphrissa
noun
- 1. een droevige of aangrijpende gebeurtenis
- 2. een bepaald soort film of toneelstuk
drama
/
drɑŋk/
noun
- 1. alcoholhoudende vloeistof
- 2. vloeistof om de dorst te lessen
potio
potus
verb
1. een bestraffende handeling in het vooruitzicht stellen
comminor
noun
1. onderdorpel van een kozijn
līmen
/
ˈdrɛntə/
pronoun
1. provincie in het noorden van Nederland, die door Friesland, Groningen, Overijssel en het Duitse Nedersaksen wordt begrensd
Drenthia
cardinalNumeral
1. telwoord
tres
tria
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Triangulum
noun
1. tweedimensionale geometrische vorm, bestaande uit 3 hoeken en 3 zijden
triangulum
trigonum
/
ˈdriˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 300
trecenti
adjective
met drie koppen
triceps
adverb
1. in drie gevallen
ter
adjective
1. wilde woeste uitingen van onnadenkende, ongefundeerde moed
impudens
cardinalNumeral
1. het getal 33
trigintatres
cardinalNumeral
1. het getal 93
nonaginta tres
cardinalNumeral
1. het getal 83
octoginta tres
cardinalNumeral
1. het getal 23
viginti tres
cardinalNumeral
1. het getal 43
quadraginta tres
cardinalNumeral
1. het getal 53
quinquaginta tres
cardinalNumeral
1. het getal 63
sexaginta tres
/
ˈdrijənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 73
septuaginta tres
verb
- e1. op het oppervlak van een vloeistof rusten
fluitō
- o1. iets of iemand voor zich uit doen bewegen
pellō
/
'drɪŋkə(n)/
noun
bibere
bibo
noun
water dat geschikt is om gedronken te worden
aqua potulenta
noun
1. trieste, verdrietige stemming
trīstitia
verb
1. vocht laten of doen verdampen
arefacio
noun
1. uitwerpsel, ontlasting
stercus
noun
1. Camelus dromedarius, herkauwer uit Afrika met vetbult op de rug
Camelus dromedarius
verb
- je een voorstelling maken van wat je graag wil
somnio
- 1. ervaren van een reeks gebeurtenissen of beelden tijdens de slaap
somniō
pronoun
1. een deelgemeente van Gent
Truncinas
/
drɔŋkə(n)/
adjective
1. onder invloed van alcohol
pōtus
noun
het zwaar onder invloed van alcohol zijn
ēbrietās
/
droːx/
adjective
1. geen of zeer weinig vocht bevattend.
siccus
noun
1. situatie met laag vochtgehalte
siccitās
noun
1. lange periode zonder of met minder neerslag
siccitas
noun
- 2. een gedachte waarvan met graag had gehad dat ze werkelijkheid werd
somnium
- 1. beelden die men ziet wanneer men slaapt
somnium
nox
noun
2. vrucht van de wijnstok
uva
noun
1. geslachtziekte veroorzaakt door de bacterie Neisseria gonorrhea
gonorrhoea
noun
1. een vruchtensap bereid uit druiven
mustum
adjective
- 1. weinig tijd hebbend
- 2. weinig tijd latend, veel tijd eisend (van bezigheden)
celeber
verb
1. kracht uitoefenen op
premō
/
drɵ.pəl/
noun
gutta
stilla
/
dʏbəl'zɪnəxhɛit/
noun
1. iets dat op meerdere manieren te interpreteren is
ambiguitas
noun
1. een scheikundig element met het symbool Db
dubnium
noun
1. een gevecht tussen twee personen, gewoonlijk onder bepaalde regels
duellum
/
ˈdœy̯dələk/
adverb
- 1. niet mis te verstaan
- 2. goed te herkennen
clārus
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Columba
/
dœʏ̯f/, /
dœːf/
noun
1. vogel die een koerend geluid maakt, uit de familie Columbidae
columba
columbus
/
ˈdœy̯kə(n)/
verb
- 2.in het water springen zodat de armen eerst het water in gaan
inurino
- 1. het zich onder water voortbewegen (van bijvoorbeeld duikboten) of zwemmen (van mensen)
- 3. snel naar beneden gaan
- 4. snel verbergen of ontwijken
praeceps dēsiliō
noun
1. iemand die voor beroep of plezier zich onder de waterspiegel begeeft
ūrīnātor
/
dœy̯m/
noun
- 1. eerste, kortste en dikste vinger
pollex
- 2. lengtemaat
uncia
/
dœʏ̯n/, /
dœːn/
noun
thinium
pronoun
1. Franse stad aan de Noordzee bij de grens met België
Dunquerca
pronoun
1.
Duisburgum
Tuiscoburgum
noun
1. een toestand van weinig of geen verlichting
tenebrae
/
dœʏ̯ts/, /
dœːts/
adjective
1. betreffende Duitsland of het Duits
germanicus
/
dœʏ̯ts/, /
dœːts/
pronoun
1. een taal die gesproken wordt in Duitsland, Oostenrijk, Zwitserland, Italië en België
lingua theodisca
lingua Germana
/
ˈdœʏ̯tsə/, /
ˈdœːtsə/
noun
1. een vrouw van Duitse komaf
Germana
pronoun
Res publica Democratica Germanica
/
ˈdœʏ̯tsər/, /
ˈdœːtsər/
noun
1. een inwoner van Duitsland
Germanus
/
ˈdœʏ̯tslɑnt/, /
ˈdœːtslɑnd/, /
ˈdœːtslɑnt/
pronoun
1. een Midden-Europese staat die wordt gevormd door een federatie van 16 deelstaten en die het Duits als officiële taal heeft
Germania
Alemānnia
noun
1. een duivenhok op een paal of boven een gebouw uitstekend
columbarium
noun
1. het gevoel zijn evenwicht te verliezen
vertīgō
/
ˈdœy̆zənt/
noun
1000
mille
noun
1. geleedpotig dier met een groot aantal poten uit de klasse Chilopoda
centipeda
ordinalAdjective
millesimus
/
dʏn/
adjective
2. van geringe dikte
tenuis
noun
2. magerheid
gracilitās
noun
1. deel van het spijsverteringskanaal tussen de maag en de dikke darm
lactēs
/
'dyːrə(n)/
verb
1. een bepaalde tijd in beslag nemen
aeternō
conjunction
1.om die reden, daarom
ergo
adverb
1. tot op dit moment
adhūc
/
ˈdyːr.zam/
adjective
1. lang meegaand
assiduus
/
dy.ʋǝⁿ/
verb
1. door druk uit te oefenen doen voortbewegen
trudere
noun
1. de afkorting voor digital versatile disc,...
disculus visionis digitalis
noun
1. een leer die afwijkt van de officiële of orthodoxe leer
haeresis
/
ˈdwɑrzbomə(n)/
verb
1. tegenwerken, moeilijkheden geven
officio
noun
1. een buitengewoon klein mens
nanus
verb
1. iemand tegen zijn wil iets opleggen
compellō
noun
1. rode loop, bloeddiarree
dysenteria
/
dɪslɛkˈsi/
noun
1. het onvermogen om woorden, waarvan men wel de letters ziet, in hun betekenis te vatten
dyslexia
noun
1. scheikundig element met symbool Dy en atoomnummer 66
dysprosium
pronoun
- 1. een district in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
- 1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Marcodurum
noun
1, edele houtsoort
hebeneus
noun
1, edele houtsoort
hebeneus
/
ˈɛ.xo/, /
ˈɛ.χo/
noun
1. een hoorbare terugkaatsing van een gemaakt geluid
echo
adjective
2. waarachtig, juist, niet vervalst
verus
conjunction
1. een beperkende tegenwerping, introduceert een zin(sdeel) dat het voorgaande zin(sdeel) beperkt
tametsi
/
ˈɛxtxəˌnot/
noun
1. een mannelijke huwelijkspartner
maritus
/
ˈɛxtxəˌnotə/, /
ˈɛχtχəˌnotə/
noun
1. een vrouwelijke huwelijkspartner
uxor
noun
1. twee mensen die met elkaar getrouwd zijn
coniuges
noun
1. formele verbreking van een huwelijksband
diffarreatio
/
eˈklɪps/
noun
1. het verschijnsel waarbij een ster en twee of meer andere hemellichamen in één lijn komen te staan, waardoor de schaduw van het ene hemellichaam het andere verduistert
eclipsis
/
ˌe.ko.lo.ˈɣi/, /
ˌe.ko.lo.ˈχi/
noun
1. de tak van wetenschap die het samenspel tussen organismen onderling en hun relatie met hun omgeving bestudeert
oecologia
noun
2. het geheel van productie, handelsverkeer en diensten binnen een bepaalde regio
oeconomia
œconomia
noun
1. alle organismen in hun leefomgeving.
oecosystema
noun
1. Cervus elaphus, hertensoort
cervus
noun
1. een stuk edelgesteente
gemma
pronoun
1. een stad in de Belgische provincie Henegouwen
Angia
Angianum
pronoun
2. spelwoord voor de letter e
Eduardus
/
et/
noun
1. een plechtige verzekering dat men de waarheid spreekt of een belofte zal nakomen
iuramentum
noun
1. echtgenoot of echtgenote
coniunx
/
ˈekˌhoːrn/
noun
1. benaming voor knaagdieren uit de familie Sciuridae
Sciurus vulgaris
sciurus
noun
1. verdikking van de huid
callum
verb
equī dōnātī dentēs nōn sunt īnspiciendī
phraseologicalUnit
1. iets kopen zonder te weten wat de koopwaar is
emere catulum in sacco
/
eːnt/
noun
1. benaming voor veel watervogels uit de familie Anatidae
anas
cardinalNumeral
1. het getal 31
triginta et unus
cardinalNumeral
1. het getal 91
nonaginta unus
cardinalNumeral
1. het getal 81
octoginta unus
/
ˌe.nən.ˈtʋɪn.təχ/
cardinalNumeral
1. het getal 21
viginti unus
cardinalNumeral
1. het getal 41
quadraginta unus
cardinalNumeral
1. het getal 51
quinquaginta unus
cardinalNumeral
1. het getal 61
sexaginta unus
/
ˈenənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 71
septuaginta unus
noun
1. bij elkaar horend geheel met kenmerkende eigenschappen
ūnitās
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Monoceros
noun
unicornuus
Monoceros
unicornis
adverb
1. een enkele keer
semel
adjective
1. in het bezit van (slechts) één oog
cocles
adjective
1. dezelfde mening hebbend
ūnanimus
noun
1. afwezigheid van pracht en praal
simplicitas
/
eːnˈvɑudəx/, /
eːnˈvɑudəχ/
adjective
- 1. niet ingewikkeld
- 2. zonder overdaad of vertoon
simplex
noun
1. de hoedanigheid van het eenzaam zijn
solitudo
/
er/
noun
1. aanzien, roem
honor
/
ˈeːrɣɪstər/, /
ˈɪːrχɪstər/
adverb
1. de voorlaatste dag die voltooid is
nudius tertius
/
ˈɪːrɣɪstərə(n)/, /
ˈɪːrχɪstərə(n)/
adverb
1. de voorlaatste dag die voltooid is
[[nū̆dius]] tertius
/
ˈeːrlək/
adverb
1. vrij van leugen en bedrog
honestus
noun
1. het vertellen van de waarheid
honestas
noun
1. nummer één in een volgorde
primus
pronoun
1. een militair conflict op wereldschaal, dat van 28 juli 1914 tot 11 november 1918 plaatsvond
Bellum Orbis Terrarum I
/
ˈer.wrak/
noun
homicīdium honōrābile
noun
1. verlangen naar eer of roem
ambitio
/
ˈeːitbaːr/, /
ˈeːtbaːr/
adjective
1. geschikt om gegeten te worden
comestibilis
edibilis
/
ˈetkamər/
noun
1. een kamer waar maaltijden worden genuttigd
cēnāculum
noun
1. de behoefte om voedsel tot zich te nemen.
appetitio
/
eːu̯/
noun
1. een periode van 100 jaar
saeculum
/
eːwɪx/, /
eːʋəχ/, /
eːβ̞əx/
adjective
1. voortdurend, zonder einde
aeternus
/
ɪːβ̞əχɛɪ̯t/
noun
1. alle tijd die nog zal komen
aeternitas
/
e.ˈfe.zə/
pronoun
1. in de oudheid een grote Ionische haven- en handelsstad
Ephesus
pronoun
1. boek in het Nieuwe Testament
Ephesios
noun
1. uitwerking
effectus
adverb
1. doeltreffend
efficax
adjective
1. nuttig effect hebbend
efficiens
noun
1. de mate waarin nuttig gebruik gemaakt wordt van het beschikbare bij een bepaald proces
efficientia
/
ɛx/, /
ɛχ/
noun
1. een landbouw- of tuinbouwwerktuig dat gebruikt wordt voor het zaaiklaar maken van de grond
hirpex
/
ˈexəl/
noun
1. bepaald soort zoogdier Erinaceus europaeus
ēricius
ericius
/
xxxx/
noun
1. het uitsluitend op eigen belangen en gewin uit zijn
egoismus
/
e.ˈɣɪp.tə/, /
e.ˈχɪp.tə/
pronoun
1. een Arabisch land op de grens van Afrika en Azië
Aegyptus
/
ɛɪ/, /
ɛɪ̯/, /
ɛː/
noun
1. dierlijk voedingsmiddel voor de mens in een schaal
ovum
/
ˈɛi̯ɣə(n)/
adjective
proprius
phraseologicalUnit
1. een gezin en woning zijn het belangrijkste wat een mens kan hebben
est dictum verum privata domus valet aurum
proprius focus auro comparandus
/
'ʔɛɪɣəndɔm/
noun
- 1. eigendomsrecht
proprietas
- 2. zaak die men zijn eigen mag noemen, bezit
vicus
noun
1. een naam waardoor men een mens, dier of ding zich van andere van dezelfde soort onderscheidt
nomen proprium
noun
1. een gegeven karakteristiek die eigen is aan een bepaalde persoon of zaak
proprietās
/
ɛi̯k/, /
ɛːk/
noun
1. Quercus, een geslacht van loofbomen
quercus
/
ˈɛɪkəɫ/
noun
- 1. vrucht van de eik
glans
- 2. top van een penis
glans penis
/
ɛilɑnt/
noun
1. een stuk land dat omringd is door water
insula
/
ˌɛilɑnt ˈmɛn/
pronoun
Monapia
noun
1. iemand die op een eiland woont
insulanus
/
ˈɛɪ̯ndə/, /
ˈɛːndə/
noun
1. het punt in ruimte of tijd waar iets ophoudt
finis
adjective
1. een einde hebbende
fīnītus
noun
1. scheikundig element met symbool Es en atoomnummer 99
einsteinium
/
ɛɪ̯s/
noun
1. een dwingende vraag
exigentia
/
ˈɛi̯sə(n)/
verb
1. zeer dringend vragen, vaak met een sanctie op het niet beantwoorden ervan
postulare
noun
1. het tijdstip dat de eicel door de eierstok wordt afgestoten
ovulatio
/
ɛiwɪt/
noun
- 2. een tot een klasse van polymere stoffen met een hoog moleculair gewicht...
album ovi
- 1. het deel van een ei waarin de dooier ligt
albumen
verb
sperma uitwerpen
ēiaculor
noun
1. bepaald soort zwartwitte kraaiachtige vogel, Pica pica
pica
pīca
noun
1. een oude lengtemaat gebaseerd op de lengte van de menselijke ellepijp, gewoonlijk 60 à 70 cm
ulna
/
ɛl.ˈsɑl.va.dɔr/, /
ɛɫ.ˈsɑɫ.va.dɔr/
pronoun
1. land in Midden-Amerika dat grenst aan Guatemala, Honduras en de Stille Oceaan
Salvatoria
noun
1. een groot hert uit de poolstreken met een opvallend groot en breed vertakt gewei
alces
noun
1. vakman op gebied van elektriciteit
ēlectricista
/
eˌlɛktrɪsiˈtɛɪt/
noun
2. de elektrische stroom als energiedrager
electricitas
adjective
1. door middel van elektriciteit
electricus
noun
1. een van de elementaire deeltjes, het lichtste deeltje met een elektrische lading
electro
noun
1. de tak van elektrotechniek die zich bezighoudt met het gedrag van elektronen...
electronica
noun
1. de studie en praktische toepassing van alles wat met elektriciteit en elektromagnetisme te maken heeft
ars electrica
noun
1. legering van goud en zilver
electrum
noun
particula elementaria
cardinalNumeral
1. het getal 11
undecim
/
ˈɛlf.də/, /
ˈɛlv.də/
ordinalAdjective
1. nummer elf in een rij
undecimus
/
ɛlk/
indefinitePronoun
1. ieder afzonderlijk
omnis
noun
1. Gewricht
cubitus
cubitum
noun
1. armoedige, beklagenswaardige omstandigheden
miseria
adjective
1. erg onaangenaam
miser
/
ˈɛləpɛɪp/, /
ˈɛləpɛːp/
noun
bot in de onderarm
ulna
/
ˈɛlzɑs/
pronoun
1. regio in Frankrijk
Alsatia
noun
1. concrete figuur voor een abstract begrip
insigne
noun
1. een organisme in het eerste ontwikkelingsstadium na de bevruchting
embryo
/
ˌemiˈχrɪːrə(n)/
verb
1. naar het buitenland verhuizen
demigrare
noun
2. uitzending van kleine deeltjes of van licht of andere elektromagnetische straling
ēmissiō
/
ˈɛmər/
noun
1. busvormig vat (met hengsel), waarin men vloeistoffen of vaste stoffen kan verplaatsen
situla
hama
noun
1. bepaalde soort drietenige vogel Dromaius novaehollandiae
Dromaius novaehollandiae
noun
1. hevig gevoel, sterke gemoedsbeweging
affectus
adjective
1. wat op ervaring of proefneming berust
empīricus
conjunction
et
-que
ac
quoque
conjunction
1. zowel afzonderlijk van als gezamenlijk met elkaar
vel
noun
1. een brief van de paus aan alle katholieke gelovigen
encyclicae
/
ˌɛnsiklopeˈdi/
noun
1. een gestructureerde en geschreven verzameling van menselijke kennis, in boekvorm of digitaal
encyclopaedia
noun
1. laatste deel van het spijsverteringskanaal vlak voor de anus
extālis
adjective
1. van nature alleen in een specifiek gebied voorkomend
endemicus
/
enər'ʒi/, /
enɛr'ʒi/
noun
1. het vermogen iets te doen
energia
adjective
- 2. met weinig tussenruimte
angustus
- 1. angst veroorzakend
metūculōsus
noun
1. hemels wezen
angelus
noun
1. deel van het Verenigd Koninkrijk
Anglia
Albion
/
ˈɛ.ŋ(g)əls/, /
ˈɛ.ŋɔɫs/, /
ˈɛ.ŋəɫs/
adjective
1. als van, in of betrekking hebbend op Engelsen, Engeland of het Engels
anglicus
lingua anglica
/
ˈɛ.ŋ(g)əls/, /
ˈɛ.ŋɔɫs/, /
ˈɛ.ŋəɫs/
pronoun
1. de taal
Anglus
anglicus
/
ɛ.ŋɔɫs.mɑn/, /
ɛ.ŋəls.man/, /
ɛ.ŋəɫs.mɑn/
noun
1. iemand die in Engeland woont
Anglus
indefinitePronoun
1. een kleine mate
aliquot
noun
1. gewricht dat de voet met het been verbindt
talus
noun
1. een woord dat in die vorm naar één voorwerp of mens verwijst of dat aanduidt dat slechts één persoon de handeling uitvoert
singularis
/
eˈnɔrm/
adjective
1. buitensporig groot
immānis
/
ɛntuˈʒɑs/, /
ˌɑn.ty.ˈʒɑst/
adjective
1. hartstochelijk, met geestdrift
avidus
noun
1. een getal evenredig met de logaritme van het aantal realiseringmogelijkheden, ook wel gedefinieerd als de reversibele warmte gedeeld door de temperatuur
entropia
noun
1. papieren omslag voor brieven
involucrum
/
ɛnˈzim/
noun
1. een organische molecuul dat biologische reacties mogelijk maakt of versnelt zonder daarbij zelf...
enzymum
noun
1. het punt op het aardoppervlak loodrecht boven de haard van de aardbeving
epicentrum
/
epideˈmi/
noun
1. besmettelijke ziekte die zich snel verspreidt onder een groep van mensen
epidemia
/
ˌepiˈfizə/
noun
1. een klier die onderdeel is van de epithalamus en melatonine uitscheidt
glandula pinealis
adjective
1. van de aard van een epigram
epigrammaticus
noun
1. vallende ziekte, toevallen
epilepsia
noun
1. dekweefsel, bovenste laag van de huid en slijmvliezen
epithelium
noun
1. woord dat gevormd is op basis van een eigennaam van een persoon
eponymus
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Eppinga
noun
1. een denkbeeldige cirkel die op een hemellichaam het noordelijk van het zuidelijk halfrond scheidt
linea aequatorialis
/
ˌe.kwa.toː.ri.al.ɣi.ˈne.ja/, /
ˌe.kʋa.to̝ː.ri.aɫ.χi.ˈne.ja/, /
ˌe.kβ̞a.toː.ri.aɫ.ɣi.ˈne.ja/
pronoun
1. een land in Afrika grenzend aan Gabon en Kameroen
Guinea Aequatorensis
Guinea Aequinoctialis
adjective
1. betrekking hebbend op de evenaar
aequinoctialis
pronoun
1. eerbetoon in de vorm van een geldbedrag en sierlint, dat jaarlijks wordt toegekend aan een persoon of instelling die een voor Europa buitengewoon belangrijke bijdrage heeft geleverd op cultureel, sociaal of sociaalwetenschappelijk terrein
Praemium Erasmianum
noun
1. een scheikundig element en zilverwit lanthanide met het symbool Er en het atoomnummer 68
erbium
noun
1. oprichting van het mannelijk lid
ērectiō
verb
1. iemands prijzenswaardigheid in het daglicht stellen
augeō
noun
1. onderscheiding in de vorm van een munt
medalis
noun
1. stuk van de erfenis zoals dat aan een bepaalde erfgenaam toekomt
herctum
noun
1. wat door de erflater bij zijn overlijden wordt nagelaten
herctum
noun
1. degene die andermans nalatenschap erft
hērēs
pronoun
1.
Erfordia
Erfurtum
Erphesfurtum
noun
1. schending van Gods regels door de eerste mens Adam als last die op ieder mens rust
peccatum originale
adverb
1. in hoge mate
magnopere
verb
1. gevoelens van onvrede veroorzaken
vexō
noun
een zaak die gevoelens van onvrede oproept
molestia
pronoun
2. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Eridanus
/
ˌeː.ri.ˈtre.ja/, /
ˌɪː.ri.ˈtre.ja/
pronoun
1. een Afrikaans land grenzend aan Soedan, Ethiopië, Djibouti en de Rode Zee
Erythraea
/
ˌɛrˈkɛn.tə.lək/
adjective
gratificus
noun
1. stemming waarin men de dingen in hun wezenlijke waarde wil zien
serietas
adjective
1. zonder grappen en serieus
sērius
noun
1-2. beschadiging en afslijting
erosio
pronoun
1.
metalliferi montes Saxoniae
noun
1. uitgebreide, brede kennis
doctrīna
noun
1. plotselinge, felle uiting
eruptio
adjective
1. bekwaam door ervaring
perītus
noun
1. een vorm van kennis
experientia
/
ˈʔɛr.və(n)/
verb
1. de eigendommen van een overledene, meestal een familielid, rechtens verkrijgen
heredito
noun
1. een bepaalde peulvrucht, een groentesoort
pisum
noun
1. bepaald soort loofboom Fraxinus excelsior
fraxinus
/
ɛsˌxatolo'gi/
noun
eschatologia
/
ˈɛzdorᵊn/
noun
1. boom of heester uit het geslacht (
acer
noun
1. een kleine tactische eenheid bij de cavalerie (tegenwoordig gemechaniseerd of gemotoriseerd) of ...
turma
pronoun
1. een internationale kunsttaal die oorspronkelijk ontworpen is door Ludovico Zamenhof
Esperantica
noun
1. het meeste belangrijke
essentia
/
ɛsˈter/
pronoun
3. meisjesnaam
Esther
noun
1. een koolstofverbinding met de functionele groep -C(=O)-O-C-
ester
/
ɛsˈtetiˌka/
noun
1. het filosofisch discours over het wezen van kunst of het wezen van schoonheid
aesthetica
/
ˈɛstis/, /
ˈɛstɪs/
pronoun
1. een taal die vooral wordt gesproken in Estland
lingua Estonica
/
ˈɛslɑnd/, /
ˈɛstlɑnt/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa dat grenst aan Letland en Rusland
Estonia
noun
1. een vrouwelijk hormoon
oestrogenum
verb
1. het nuttigen van voedsel
edere
edo
/
etaˈnɔl/
noun
1. een chemische verbinding met twee koolstofatomen en een alcoholgroep
aethanol
/
ˌe.ti.ˈjo.pi.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika grenzend aan Eritrea, Djibouti, Somalië, Kenia en Soedan
Aethiopia
/
ɛtər/
noun
1. wittig vocht met witte bloedlichaampjes en bacteriën dat bij een ontsteking afgescheiden wordt
pus
noun
- 2. studie naar oorsprong en verandering van vorm en betekenis van woorden
etymologia
- 1. woordherkomst
etymologia
notatio
/
ˌø.fo̝.ˈri/
noun
1. verhoogd gevoel van welzijn
euphoria
/
œykɑriotən/
noun
2. een van de drie taxonomische domeinen, Eukaryota
eukaryota
pronoun
1. de naam van de grootste landmassa op aarde die de continenten Europa en Azië omvat
Eurasia
/
'øː.ro/, /
'ɵː.ro/
abbreviation
1. munt en munteenheid
euro
/
øːˈroːpa/, /
ʏːˈropa/
pronoun
1. een continent op het noordelijk halfrond, dat ten noorden van Afrika en ten westen van Azië ligt
Europa
Eurōpa
/
ˌøːropeˈjaːn/, /
ˌʏːropeˈjan/
noun
1. bewoner van het Europese continent of iemand die daarvan afkomstig is
Europaeus
/
øːroˈpeːs/, /
ʏːroˈpes/
adjective
1. afkomstig van of betreffend het continent Europa
Europaeus
pronoun
Tribunal Europaeum a iuribus humanis
pronoun
Parlamentum Europaeum
pronoun
Argentaria primaria Europaea
pronoun
Commissio Europaea
pronoun
Tribunal Europaeum a iuribus humanis
pronoun
Consilium Europaeum
/
ˌøː.ro.ˌpe.sə.ˈy.ni/, /
ˌʏː.ro.ˌpe.sə.ˈy.ni/
pronoun
unie van 27 Europese staten
Unio Europaea
noun
1. scheikundig element met symbool Eu en atoomnummer 63
europium
/
œyˈtɛktikʏm/
noun
1. mengsel van twee stoffen in zo'n verhouding dat beide bij dezelfde temperatuur samen stollen of smelten
eutecticum
noun
1. handelingen die iemands leven beëindigen of het sterven bespoedigen, om pijn en lijden te verkorten
euthanasia
pronoun
1. eerste vrouw door God geschapen
Eva
noun
1. bespreking en beoordeling van de gang van zaken
taxātiō
adjective
1. Deelbaar door twee
pār
/
evəˈnar/, /
ˈevənar/
noun
1. denkbeeldige cirkel die op een hemellichaam het noordelijk van het zuidelijk halfrond scheidt
aequator
noun
1. belangrijke gebeurtenis
fors
noun
1. in het wild levende voorouder van het varken Sus scrofa
aper
/
ˌevoˈlysi/, /
ˌevoˈlytsi/
noun
1. ontwikkeling, verandering
evolutio
adjective
1. zonder benadering, precies vastgesteld
ad unguem
noun
1. onderzoek naar de kennis of vaardigheden van iemand door middel van ondervraging of opgedragen verrichtingen
examen
verb
1.aan een examen onderwerpen
scīscitor
noun
1. uitscheiding
excretio
adjective
1. door oorzaken van buitenaf
exogenus
adjective
1. vanuit verre vreemde landen
peregrinus
/
ɛkˈspɛːr/
noun
1. iemand die bijzonder goed bekend is met een bepaald onderwerp
callidus
adjective
1. ontplofbaar
explōsīvus
noun
1. ontplofbare stof of voorwerp
explōsīvus
verb
1. goederen aan een afnemer in het buitenland verhandelen
exportō
/
ɛk'stazə/
noun
1. een toestand van buiten zichzelf zijn door verrukking
ēlātiō
noun
1. ingedikt aftreksel
extractum
adjective
1. uiterst, uitzonderlijk
extremus
/
ˈezəɫ/
noun
1. bepaald paardachtig zoogdier, Equus asinus
mulus
asinus
noun
1. vrouwelijke ezel
asina
asella
noun
1. hulpmiddel om iets te onthouden
pons asinorum
/
fam/
noun
- 1. reputatie
fama
- 2. roem
gloria
/
ˈfabəl/
noun
1. een kort moraliserend verhaal met dieren of zaken als handelende personen
apologus
noun
1. plaats waar op industriële schaal productie bedreven wordt
fabrica
pronoun
1. wereldwijd veel gebruikte netwerksite voor sociale contacten
Prosōpobiblion
noun
3. product van een reeks factoren
factorialis
/
ˈfæːrøːə̯r/, /
ˈfɛːrʏːr/
pronoun
1. en 2., eilandengroep, land
Faeroe
adjective
1. gerelateerd aan of afkomstig uit Faeröer
Faeroēnsis
pronoun
1. een Germaanse taal die wordt gesproken op de Faeröer
Faeroēnsis
noun
1. vernietiging door een cel van schadelijke bestanddelen
phagocytosis
noun
1. (muziekinstrument) een houten blaasinstrument met dubbelriet
fagottus
noun
1. staaf of stok die aan de bovenkant in een brandbare stof gedrenkt is, brandend zorgt het voor verlichting
fax
/
ˈfaːlən/
verb
1. niet bereiken van doelen
dēficiō
adjective
1. met betrekking tot het mannelijk lid
phallicus
/
fa.ˈmi.li/, /
fa.ˈmiː.lɪ̯ə/
noun
1. (bloed)verwantschap door een gemeenschappelijke oorsprong
familia
noun
1. naam die van generatie op generatie en indien gewenst door het huwelijk overgedragen wordt
cōgnōmen
noun
1. vermogen om nieuwe gedachten te kunnen vormen, mogelijk niet altijd op waarheid berust
imaginatio
noun
- 2. klucht
- 3. vulling in voedsel
insicium
adjective
1. uit de farmacie, met betrekking tot de productie van geneesmiddelen
pharmaceuticus
verb
1. iemands aandacht vasthouden
fascinō
/
fɑˈsʲɪsmə/
noun
ideologie
fascismus
noun
- 1. periode als onderdeel van een langere ontwikkeling
- schijngestalt (astronomie)
- toestanden in een kringproces
- verschijningsvorm van een stof
phasis
adjective
1. noodlottig
fatalis
noun
1. bepaald soort kleurrijke vogel, Phasianus colchicus
Phasianus colchicus
phasianus
/
febryˈwaːri/
noun
1. de tweede maand van het jaar
Februarius
pronoun
1. Russische revolutie
revolutio Februaria Russica
noun
1. een verbond van samenwerkende staten of lichamen die hun zelfstandigheid behouden
foederātiō
noun
1. een vermakelijke en vreugdevolle sociale gelegenheid
festum
noun
1. een extra lekkere, uitgebreide maaltijd die men met meerdere mensen gebruikt als een feestelijke gebeurtenis
convīvium
/
fɛi̯t/
noun
1. een gebeurtenis of omstandigheid die werkelijk gebeurd is
factum
verb
1. iemand geluk toewensen
congrātulor
noun
1. een zeilschip
pheluca
noun
1. streven naar het opheffen van de achterstelling van vrouwen en vrouwelijke eigenschappen door een gelijkwaardige behandeling van mannen en vrouwen
feminismus
noun
plant en plantdelen van Trigonella foenum-graecum
buceras
noun
1. Fennecus zerda, leeft in de woestijn en is de kleinste van alle vossen
fennecus
noun
1. gisting
fermentātiō
noun
1. scheikundig element met symbool Fm en atoomnummer 100
fermium
/
ˈfɛstiˌvɑɫ/
noun
- 1. een reeks optredens
- 2. een groot evenement met zang en dans en muzikale optredens
feria
/
fits/
noun
1. tweewielig vervoermiddel dat door middel van spierkracht middels pedalen wordt voortbewogen
birota
/
fi.ˈɣyːr/, /
fi.ˈχyːr/
noun
habitus
/
fiˈɣyːrlək/
adjective
tropicus
/
ˈfi.(d)ʒi/, /
ˈfi.dʒi/
pronoun
1. een land in Oceanië op het zuidelijk halfrond. Het bestaat uit 332 eilanden waarvan ongeveer 110 bewoond zijn
Viti
/
faɪl/
noun
- 1. lange rij met stilstaande of langzaam voortbewegende voertuigen of personen
coacervātiō vehiculōrum
- 1. bestand op de computer
fasciculus
pronoun
3. naam van een boek uit het Nieuwe Testament
Philemonem
/
ˌfi.li.ˈpɛɪ̯.nə(n)/, /
ˌfi.lɪ.ˈpɛɪ̯.nə(n)/, /
ˌfi.lɪ.ˈpɛː.nə(n)/
pronoun
1. republiek in Oost-Azië bestaande uit een archipel van 7107 eilanden
Philippinae
/
fili'pɛɪns/
pronoun
1. de officiële taal van de Filipijnen
Philippinensis
/
filɪsˈtɛin/
noun
1.
Philistaeus
noun
- 1. een dunne laag
pellicula
- 3. een opname van bewegende beelden die een verhaal vertelt
pellicula
pictura cinematographica
/
filozoˈfi/
noun
1. de oudste theoretische discipline die het verlangen heeft en streeft naar kennis en wijsheid
philosophia
/
fɪltər/
noun
1. een voorwerp met kleine gaatjes waar water of gassen doorheen kunnen om gezuiverd te worden
liquatorium
noun
- 2. het slotstuk van een meerdelig toneel- of muziekstuk
exitus
- 1. de beslissende wedstrijd in een toernooi tussen de laatste twee deelnemers
finis
adjective
1. met betrekking tot geld, geldelijk
nummārius
/
ˈfɪnlɑnd/, /
ˈfɪnlɑnt/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa
Finnia
Fennia
/
fɪns/
pronoun
1. een taal die wordt gesproken in Finland
lingua Finnica
noun
1. een medicijnflesje
fiola
noun
1. een kanaalvormige zweer
fistula
/
'fɪt /
adjective
in goede lichamelijke conditie
aptus
/
fjɔrd/, /
fjɔrt/
noun
1. een bepaald type van inham in een bergachtige kust, gekenmerkt door steile wanden die door gletsjerwerking zijn uitgesleten
fiordus
noun
1. bepaald soort roze reigerachtige waadvogel met een haakvormige snavel...
phoenicopterus
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Flina
pronoun
1.
Flenopolis
Flensburgum
noun
1. scheikundig element met symbool Fl en atoomnummer 114
flerovium
noun
1. een langgerekt, cilindrisch en meestal van glas vervaardigd vat met een nauwe hals die met een dop of kurk af te sluiten is
lagoena
ampulla
/
ˈflevoˌlɑnt/, /
ˈfleːvoˌlɑnd/, /
ˈfleːvoˌlɑnt/
pronoun
1. een provincie in het midden van Nederland, die door het IJsselmeer...
Flevolandia
/
flɛkˈsibəl/
adjective
1. het vermogen hebbend gebogen te worden
flexibilis
/
ˈflɛk.si/
noun
- 2. vormverandering van een woord
- 1. een buiging, een buigbeweging in een gewricht door de buigspieren
flexio
/
ˈflɔrəns/
pronoun
2. de hoofdstad van Toscane
Florentia
noun
1. buisvormig blaasinstrument
tibia
verb
- 1. een fluit bespelen
sibilo
- 2. geluid van een fluit voortbrengen
sībilō
noun
1. een chemisch element en een geelgroen halogeen
fluor
fluorum
noun
1. een ziekelijke vrees
phobia
/
ˈfokʏs/
noun
2. een punt of verzameling van punten waar alle stralengangen samenkomen
focus
noun
1. een nog niet voldragen menselijke of dierlijke vrucht
fetus
/
ˈfɔltərə(n)/
verb
1. een gevangene onderwerpen aan lichamelijke en/of geestelijke pijniging, voornamelijk teneinde informatie los te krijgen
cruciō
/
ˌfoneˈtik/
noun
1.
phonetica
/
ˌfonoloˈɣi/
noun
- 1.
- 2.
phonologia
noun
suctoriolum consolativum
verb
1. een beslissing afdwingen
cōgō
noun
1. benaming voor zalmachtige zoetwatervissen uit de geslachten Salmo, Salvelinus en Oncorhynchus
Oncorhynchus Mykiss
tructa
noun
1. met symbool P en atoomnummer 15
phosphorus
noun
1. lichtschuwheid
photophobia
noun
1. iemand die fotos maakt
photographus
noun
1. de kunst om door chemische inwerking van licht op een gevoelige plaat afbeeldingen te maken
ars photographica
verb
1. iemand aftasten of er iets op het lijf gedragen wordt
scrutor
/
fɑut/
noun
1. vergissing, onjuistheid
lapsus
noun
1. een botbreuk
frāctūra
noun
2. vrucht van de frambozenstruik
rubus
noun
1. een scheikundig element met symbool Fr en atoomnummer 87
francium
noun
1. reeks afhangende draden die ter versiering aan de rand van een kleed of kledingstuk gehangen worden
limbus
pronoun
Francofurtum ad Moenum
/
ˈfrɑŋkrɛɪ̯k/, /
ˈfrɑŋkrɛːk/
pronoun
1. een West-Europees land, grenzend aan België, Luxemburg, Duitsland, Zwitserland, Italië, Monaco, Spanje en Andorra
Gallia
Francia
Francogallia
/
frɑns/
adjective
1. betreffende Frankrijk of het Frans
francogallicus
/
frɑns/
pronoun
1. een Gallo-Romaanse taal die vooral gesproken wordt in Frankrijk, België, Luxemburg...
lingua Francogallica
francogallicus
/
fratər/
noun
1. bepaald soort vogel, Linaria flavirostris
acanthis flavirostris
noun
1. bedrog of gesjoemel door valsheid in geschrifte
falsimonia
/
freˈkwɛnt/
adjective
1. vaak voorkomend
creber
noun
1,2. aantal keren of herhalingen per tijdseenheid
frequentia
noun
1. bepaald soort klein marterachtig zoogdier, Mustela putorius furo
furo
/
ˈfrislɑnd/, /
ˈfrislɑnt/
pronoun
1. provincie in het nooren van Nederland
Frisia
noun
1. everjong
aprunculus
pronoun
1. een taal die wordt gesproken in het noordoosten van Italië en in Slovenië
lingua Foroiuliana
pronoun
1. een taal die wordt gesproken in het noordoosten van Italië en in Slovenië
lingua Foroiuliana
/
frœʏ̯t/, /
frœːt/
noun
1. voedsel dat bestaat uit eetbare vruchten
fructus
frux
fruges
noun
- 1. taak
- 2. positie binnen een bedrijf of organisatie
- 3. (wiskunde) afhankelijkheid tussen een element en een veranderlijke
- 4. (informatica) onderdeel van de broncode van een computerprogramma
functio
noun
1. een orthodoxe, antiliberale godsdienstige richting
fundamentalismus
/
ˈfizika/
noun
1. de wetenschap van de materie en de bestudering van het gedrag en de interactie in ruimte en tijd
physica
/
ɣaːj/
noun
1. middelgrote, gewoonlijk vrij kleurrijke zangvogel met een vrij lange staart, Garrulus glandarius
gaius
/
ɣaːn/, /
χaːn/
verb
1. zich in een bepaalde richting bewegen
ire
vadere
/
'ɣa.bɔn/, /
ɣa.'bɔn/, /
χa.'bɔn/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Gabonese Republiek
Gabonia
noun
1. echtgenoot, echtgenote
uxor
maritus
coniunx
/
ɣadoˈlinijʏm/
noun
1. een scheikundig element met symbool Gd en atoomnummer 64
gadolinium
noun
[A] 1. uit de lever afkomstig vocht dat een rol speelt in de spijsvertering, met name van vet
bilis
pronoun
1. boek van het Nieuwe Testament
Galatas
noun
1. een peervormig hol orgaan dat aan de rechterkant van het lichaam, achter (d.w.z. meer naar binnen) en onder de lever ligt
vesica fellea
vesica biliaris
/
χɑlx/
noun
1. houten constructie bestaande uit één of meer staande balken met een horizontale balk haaks daarop en één of meer diagonale balken ter ondersteuning, in het verleden veel gebruikt om mensen door ophanging ter dood te brengen
arbor
noun
2. slecht persoon die gestraft zou moeten worden
crux
adjective
- 1. een Spaanse regio in het noordwesten van het Iberisch schiereiland
- 2. betreffende het Galicisch
lingua gallaeca
pronoun
1. Romaanse taal gesproken in Galicië
lingua gallaeca
/
ɣɑˈlisɪə/, /
ʝɑˈlisɪə/
pronoun
1. Spaanse regio
Gallaecia
noun
1. een scheikundig element met symbool Ga en atoomnummer 31
gallium
noun
1. Angelsaksische inhoudsmaat
congius
adjective
1. door een elektrochemisch proces aangebracht
galvanicus
/
'ɣɑm.bi.ja/, /
'χɑm.bi.ja/
pronoun
1. een land in West-Afrika
Gambia
noun
3. onderdeel van een maaltijd
cursus
noun
1. smalle strook aan de zijkant van het dek van een schip direct naast de reling
agea
noun
- 1. zenuwknoop
- 2. pijnlijke met vocht gevulde holte
ganglion
/
gɑŋ'gren/
noun
1. de afsterving en ontbinding van een levend organisme
gangraena
noun
1. benaming voor vogels uit de geslachten Anser en Branta
anser
avica
/
ˈɣa.pə(n)/, /
ˈɣaː.pə(n)/, /
ˈχa.pə(n)/
verb
1. heel diep inademen met de mond ver open, moeilijk om bewust tegen te gaan
hiare
/
ɣa.ˈra.zʲǝ/
noun
- 1. een overdekte autostalling
- 2. een bedrijf dat reparatieservices aan motorvoertuigen verricht
stabulum
/
ɣɑs/, /
χɑs/
noun
1. aggregatietoestand
gas
gasium
/
ɣɑst/, /
χɑst/
noun
1. iemand die als bezoeker ergens wordt ontvangen, verwelkomd of op een bijzondere wijze behandeld
hospes
noun
- 1. een man
- 2. (biologie) een organisme
hospes
/
ɣɑstˈfrɛɪ/, /
ʝɑstˈfrɛː/
adjective
1. gul in het onthalen of herbergen van gasten
hospitalis
noun
- 1. een bijzondere aanleg
- 2. een geschenk
donum
pronoun
1. exclave van Palestina tussen Egypte, Israël en de Middellandse Zee
lacinia Gazetica
noun
1. benaming voor slanke hoefdieren
dorcas
noun
1. onderhouden, kort gemaaid grasveld bij een huis
caespes
/
xəˈbar/
noun
- 1. een beweging waarmee men iets wil zeggen
- 2. een handeling waarmee men iets wil uitdrukken
gestus
noun
1. meestal zoet, gebakken voedsel specifiek gemaakt om van te genieten
crustum
noun
lingua gesticulatoria
/
ɣə'bɛt/
noun
1. het bidden
precatio
prex
noun
1. een verzameling van bergen die met elkaar een groter geheel vormen
iugum
/
ɣə'bɵːrə(n)/
verb
1. plaatshebben, werkelijkheid worden
accidō
noun
1. iets dat zich voordoet
adventura
/
ɣəˈbit/, /
χəˈbit/
noun
1. een deel van het aardoppervlak
regio
noun
1. de vorm waarin een werkwoord gebruikt wordt als iets zeker gedaan moet worden
imperativus
noun
1. alle tanden en kiezen van een dier of mens
dentatura
/
xəˈblat/
noun
1. het blaten van een schaap
balatus
adjective
1. bedekt met bladeren
foliātus
/
ɣəˈbladərtə/, /
χəˈbladərtə/
noun
1. een verzameling van bladeren van één of meer bomen
frons
/
ɣəˈboːrtə/, /
χəˈbo̝ːrtə/
noun
1. actie waarbij een organisme uit zijn/haar moeder komt en aan zijn zelfstandige leven begint
natio
noun
1. een getal dat aangeeft hoeveel geboorten er in een gebied in een bepaalde tijd hebben plaatsgevonden
nativitas
noun
1. een constructie waarin men kan wonen of werken
aedificium
aedificatio
noun
- 2. een defect
menda
- 1. een tekort
pēnūria
/
ɣəˈbroːkən/, /
χəˈbroːkən/
adjective
frāctus
noun
- 1. een standaard manier van doen
cōnsuētūdō
- 2. toepassen van iets
usurpatio
/
ɣəˈbrœʏkən/, /
χəˈbrœʏkən/
verb
1. zich bedienen van, toepassen
uti
utor
/
ɣə'brœːkər/, /
χə'brœʏkər/
noun
1. iemand die iets gebruikt
usor
adjective
1. ingewikkeld
complicātus
/
ɣə'dɑɣdə/, /
ɣəˈdɑxtə/
noun
1. het nadenken, idee
idea
/
ˌɣədɛŋkˈʋaːrdʏɣ/
adjective
1. een herinnering waard zijn
memorābilis
noun
1. een in versmaat of in dichterlijke stijl opgesteld stuk
carmen
/
ɣə'dɛɪə(n)/
verb
1. voorspoedig groeien
prōveniō
noun
1. de manier waarop iemand optreedt of iets ergens op reageert
actio
verb
1. zich ~: de manieren die iemand meest in de omgang met anderen aan de dag legt
ago
/
ɣədʏɫt/
noun
1. de rust en bereidheid om te wachten
patientia
/
gə'dʌldəx/
adjective
1. bereid te wachten en tegenslagen te verdragen
patiēns
/
ɣeːl/, /
ɣeːɫ/, /
χeɪɫ/
adjective
1. citroen-, goudkleurig
flavus
gilvus
/
ɣeːl/, /
ɣeːɫ/, /
χeɪɫ/
noun
1. kleur tussen oranje en groen
flavus
gilvus
indefinitePronoun
1. ontkennend onbepaald lidwoord: tegenovergestelde van één, niet een
nullus
phraseologicalUnit
1.
nihil est
/
ɣeːst/, /
χeːst/
noun
- 1. dat wat zich afspeelt in iemands gedachten
- 2. een onsubstantieel wezen
animus
adjective
1. met humor, gevat
argūtus
/
ɣ̟eːβ̞/, /
χeːu/
noun
1. het zich uitrekken, meestal met open mond, bij slaperigheid, ontspanning of verveling
oscitatio
/
ɣɪːwə(n)/
verb
1. gapen
hiare
/
ɣəɦɛɪm/
adverb
1. opzettelijk verborgen
arcānus
/
ɣəɦɛɪm/
noun
1. informatie die verborgen wordt en bestemd is om dat te blijven
arcanum
/
ɣə.ˈɦɛɪ̯m.ˌzɪ.nəx/
adjective
arcanus
noun
- 1. het deel van de hersenen waarin herinneringen worden opgeslagen
- 2. snel toegankelijke plaats om data op te slaan
memoria
noun
1. het organische systeem om geluiden waar te nemen
audientia
adjective
1. voorzien van horens
corniger
/
ɣə'hoːrzam/, /
ɣə'ɦoːrzam/, /
χə'ɦo̝ːrzam/
adjective
1. bereid gehoor te geven aan regels of bevelen
oboediens
verb
1. gevolg geven aan een opdracht of bevel
pareo
/
ɣɛi̯l/, /
χɛi̯l/
adjective
lascīvus
/
ˈɣɛɪ̯t/, /
ˈɣɛːt/, /
ˈχɛɪ̯t/
noun
1. bepaald soort zoogdier Capra aegagrus hircus
capra
caper
hircus
noun
2. een product om haar mee in model te houden
gel
/
ɣəˈlɑx/
noun
1. het lachen
cachinnus
/
ˈɣɛlt/, /
ˈχɛlt/
noun
1. een ruilmiddel dat gegarandeerd wordt door een land waarmee goederen en diensten kunnen worden gekocht
pecunia
pronoun
1. gemeente en stad in Waals-Brabant
Geldonia
Geldoniacum
/
ˈɣɛldərˌlɑnd/, /
ˈɣɛɫdərˌlɑnt/, /
ˈχɛɫdərˌlɑnt/
pronoun
1. provincie in het oosten van Nederland, die door de Flevoland, Overijssel, Limburg, Noord-Brabant, Zuid-Holland, Utrecht en het Duitse Noord-Rijnland-Westfalen wordt omringd
Geldria
/
ɣəˈledə(n)/, /
χəˈledə(n)/
adverb
1. een woord om aan te duiden dat iets zich in het verleden af heeft gespeeld
abhinc
/
ɣə.let.ˈpo.tə.ɣə/, /
ɣə.ˈleːd.ˌpoː.ti.ɣə/, /
χə.let.ˈpo.tə.χə/
noun
1. een dier met een uitwendig skelet van chitine
Arthropoda
adjective
1. zich veel aan studie gewijd hebbend
doctus
/
ɣǝ.'le.ɣǝn.ɦɛjt/
noun
1. mogelijkheid tot
opportūnitās
/
ɣə.ˈlɪx/, /
ˈɣe.ləx/, /
ˈɣe.lɪx/, /
ˈχe.ləχ/, /
χə.ˈlɪχ/
adjective
2. op geel lijkend
galbinus
/
ɣəlɛɪgˈbenəx/
adjective
1 & 2.
isosceles
noun
1. de mate waarin iets of iemand aan een ander doet denken
similitūdō
/
ɣə'lɔftə/
noun
1. een plechtige verklaring iets voortaan te zullen doen of na te zullen laten
vōtum
/
ɣəˈlof/, /
χəˈlof/
noun
1. godsdienst
religio
noun
1. de mate waarin iets of iemand verdient geloofd te worden
fides
verb
1. overtuigd zijn dat iets waar is
credo
crēdō
/
ɣəˈlœʏt/, /
χəˈlœʏt/
noun
1. dat wat hoorbaar is
sonus
/
ɣəˈlɵk/, /
χəˈlɵk/
noun
1. prettige loop van de omstandigheden
fortūna
adjective
1. in een tevredene toestand zijn, zich goed voelen
felix
adverb
1. op een gelukkige manier
feliciter
noun
1. Zingiber officinale, een specerij met een scherpe smaak
zingiber
noun
- 1. het met één of meer andere deel hebben aan iets
- 3. geheel van personen of zaken die tot elkaar in een bepaald opzicht in een geregelde betrekking staan
- 2. samenleving
communitas
/
ɣəˈmentə/, /
ɣəˈmeɪntə/, /
ʝəˈmentə/
noun
1. bestuurlijke eenheid
municipium
noun
1. gemeenschap van onafhankelijke landen
civitas
noun
1. de som van een aantal getallen gedeeld door het aantal ervan
mediocris
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Gemminga
noun
1. in de Alpen levende soort berggeit
camox
noun
1. drager van informatie van de erfelijke eigenschappen
genum
/
ˈdʒɛndər/
noun
1. sekse
genus
noun
1. een discipline van de geschiedkunde die zich bezighoudt met voorouderonderzoek dan wel de afstamming van de familienaam
genealogia
/
γ̊əˈneːskʏndə/
noun
1. de wetenschap die zich richt op de aard, de oorzaken en de geneesmiddelen van ziekten
medicina
noun
1. iemand die het bevel heeft over een leger
dux
noun
1. alle personen die min of meer tegelijkertijd geboren zijn
aetas
noun
1.de wetenschap van alles wat de werking van genen betreft, in het bijzonder erfelijke overdracht
genetica
/
ɣəˈnetis/
adjective
1. gerelateerd aan de erfelijkheid
geneticus
verb
1. ergatief: gezond worden, herstellen van ziekte of verwonding
curo
/
ɣəˈnipəx/, /
ɣəˈnipɪx/, /
χəˈnipəχ/
adjective
1. op een achterbakse manier en gemeen
perfidus
verb
1. voordeel hebben van iets
fruor
noun
1. naamval als aanduiding van bezit, oorsprong of hoeveelheid
genitivus
noun
1. het geheel van genetische kenmerken dat een soort onderscheidt
genotypus
noun
1. categorie in een kunstvorm
genus
pronoun
1. Vlaamse provinciehoofdstad van Oost-Vlaanderen, België
Gandavum
Ganda
pronoun
1. een stad in Noordwest-Italië
Genua
noun
1. Grammaticaal geslacht
genus
pronoun
2. stad in Zwitserland
Genava
noun
1. aardrijkskunde
geographia
noun
geologista
geologistus
noun
1. een tak van de wiskunde die zich bezighoudt met ruimtelijke figuren
geometria
/
xeo'metris/
adjective
1. meetkundig
geōmetricus
/
ɣeˈjɔrɣis/, /
ɣeˈjɔrɣɪs/, /
χeˈjɔrχis/
pronoun
1. de taal die in Georgië gesproken wordt
Hibēricus
/
ɣeˈjɔrɣi.jə/, /
χeˈjɔrχi.jə/
pronoun
1. een soevereine staat in West-Azië, gelegen in de Kaukasus. De officiële taal is het Georgisch
Georgia
noun
- 1. een bepaald soort voedsel op een bepaalde wijze bereid
cena
- 2. rechtbank, de rechter
iudicium
noun
1. een mechanisch instrument dat gebruikt wordt om werk te kunnen doen
instrumentum
noun
1.
floccinaucinihilipilificatio
/
ɣɛrˈmaːns/, /
χɛrˈmans/
adjective
- 1. betrekking hebbend op de taal der Germanen of de talen die er van afstammen
- 1. op de Germanen betrekking hebbend
Germanici
/
ɣɛrˈmaːns/, /
χɛrˈmans/
pronoun
1. taal zoals die eertijds door de Germanen gesproken werd
Germanici
noun
1. een scheikundig element met symbool Ge en atoomnummer 32
germanium
noun
2. en 3. (zaad van de) plant Hordeum vulgare
hordeum
/
ɣə'rɵxt/
noun
- 1. lawaai; een klein geluid
- 2. een mededeling of nieuwtje dat de ronde doet maar nog niet bevestigd is, zodat je niet zeker bent of het waar is
auditus
noun
1. zelfstandig gebruikte verbogen infinitief
gerundium
/
ɣɛrʋ/
noun
1. Achillea millefolium, een kruidachtige plant met een dubbel veerdelig blad, waardoor het lijkt of het uit zeer veel kleine blaadjes bestaat
mīlifolium
/
ɣəˈsxɛŋk/, /
ʝəˈsçɛŋk/
noun
1. iets dat men geeft
donum
/
ɣəˈsxidəˌnɪs/
noun
2. de gebeurtenissen van het verleden
historia
adjective
1. met de juiste eigenschappen
idoneus
/
ɣə'sxɵpt/
adjective
1. bedekt met schubben
squāmeus
/
ˈɣeː.zəl/, /
ˈχe.səɫ/
noun
1. werktuig van touwen of riempjes met knopen of stukjes metaal, waarmee men ter bestraffing op iemands lichaam slaat
verber
/
ɣesələ(n)/
verb
1. iemand met een zweep of gesel tuchtigen
flagellare
noun
1. het aanhoudend een sissend geluid maken
sībilus
/
χəˈslɑχt/
noun
4. grammaticaal geslacht
genus
noun
1. seks waarbij de man met zijn penis het lichaam van de partner binnengaat
coitus
/
ɣəˈslɑxtsɔrɣaːn/, /
ʝəˈslɑxtsɔrʝaːn/
noun
1. lichaamsdeel
natura
adjective
1.technisch hoogstaand
urbānus
/
ɣɛsp/
noun
1. sluitmechanisme aan riemen e.d.
buccula
adjective
3. ongemakkelijk, blijk gevend van stress, het punt van (uit-)barsten naderend
trepidus
adjective
1. met sterk ontwikkelde stevige spieren
torōsus
noun
1. een mondelinge conversatie waarbij informatie uitgewisseld wordt
colloquium
/
ɣəˈstentə/
noun
1. het materiaal waaruit de aardkorst bestaat, bestaande uit mineralen
lapis
noun
1. de periodieke verandering van de waterstand ten gevolge van de stand van de maan
aestus
adjective
1. voltooid deelwoord van trouwen
marītus
noun
1. iemand die een gebeurtenis heeft meegemaak of op andere wijze, veelal onder ede, een verklaring kan geven ten aanzien van de ware toedracht van een zaak
testis
verb
1. een veelal beëdigde verklaring afleggen ten aanzien van de ware toedracht van een zaak
protestor
/
ɣøːr/, /
χøːr/
noun
1. gewaarwording met de neus van de aanwezigheid van een gasvormige uitwaseming
odor
/
ɣəˈvar/
noun
1. groot risico
periculum
/
ɣəˈvarlək/, /
ɣəˈvaːrlɪk/, /
χəˈvarlək/
adjective
1. gevaar met zich meebrengend
anceps
noun
1. iemand die gevangen genomen is
captivus
/
ɣǝvɑŋǝnis/
noun
1. een gebouw waarin personen gevangen worden gehouden vanwege hun misdaden
carcer
custodia
/
ɣəˈvɛxt/, /
χəˈvɛxt/
noun
1. een handgemeen
manus
/
ˈxeː.vəl/, /
ˈɣeː.vəl/
noun
1. buitenmuur van een gebouw
nucleus pineus
/
ˈɣevə(n)/, /
ˈχevə(n)/
verb
1. overdragen van het bezit van iets aan iemand anders
dare
do
adjective
1. met vleugels
alatus
noun
1. gewaarwording
sensus
/
ɣəˈvɔlx/, /
ɣəˈvɔɫx/, /
χəˈvɔɫχ/
noun
1. iets dat voortkomt uit iets anders
cōnsequentia
noun
1. dat wat aanwast op het veld, maar nog niet geoogst is.
messis
seges
noun
1. een stel uit been bestaande hoorns van herten; al dan niet vertakt
cornu (rāmōsum)
noun
1. elke kracht van meer dan geringe betekenis uitgeoefend op personen, goederen of zaken
violentia
noun
1. een proces waarbij een eerder ongewone prikkel steeds meer als normaal ervaren gaat worden
cōnsuētūdō
/
ɣəˈʋetə(n)/
noun
1. het deel van iemand waarmee die persoon zijn daden op goed en kwaad beoordeelt
cōnscientia
noun
1. met het gevoel dat men zaken verkeerd heeft gedaan, dat men niet had moeten doen wat men gedaan heeft
cōnscientia
adjective
1. vroegere
anterior
/
ɣəˈʋɪxt/, /
χəˈʋɪxt/
noun
1. de kracht die dat voorwerp op zijn ondersteuning of ophanging uitoefent
pondus
noun
de vrucht van de gewone walnoten- of okkernotenboom
calva
/
ɣəˈwoːn/, /
ɣəˈβ̞oːn/, /
χəˈʋon/
adjective
solitus
noun
1. een samengesteldbloemige veldbloem met zeer fijn ingesneden blad en wit, roze of paars bloemscherm
Achillea millefolium
/
ɣəˈwoːntə/, /
ɣəˈβ̞oːntə/, /
χəˈʋontə/
noun
1. vaste wijze om dingen te doen
consuetudo
noun
1. verbinding
articulus
noun
1. bevoegdheid om ergens beslissingen over te nemen
auctōritās
noun
2. alle zinsdelen behalve het onderwerp
praedicatum
/
ɣə'zɛlsxɑp/
noun
1. een groep mensen die iets gemeen hebben
coetus
noun
1. de voorkant van een menselijk hoofd
vultus
noun
1. huishouden bestaande uit een of meer ouders en hun kinderen
familia
/
xə.ˈzɔnt/, /
ɣə.ˈzɔnt/
adjective
- 1. vrij van ziektes en zeertes
- 2. bevorderlijk voor een goede conditie
sanus
noun
1. welbevinden, in goede staat zijn
salus
sanitas
noun
1. het volledige fysieke, spirituele en sociale welzijn
valetudo
noun
1. een onnatuurlijke verdikking in het weefsel
tumor
/
'ɣa.na/, /
'χa.na/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Ghana
Ghana
Gana
/
ɣɪts/, /
χɪts/
noun
persoon die een groep begeleid en uitleg geeft
dux
/
ɣiːr/, /
χiːr/
noun
1. benaming voor grote aasetende roofvogels met een kale kop en machtige vleugels
vultur
noun
2. en 3. (zaden van) de graansoort Panicum miliaceum
milium
noun
1. een soort emmer met sproeibuis om de planten te begieten
aspergillum
/
ɣɪf/, /
χɪf/
noun
1. substantie die in kleine hoeveelheden schadelijk of dodelijk is
toxicum
noun
1. geschenk, gave
donatio
/
ˈɣɪftəx/, /
ˈχɪftəx/
adjective
1. gif bevattend
venēnifer
/
ɣɛɪ̯/, /
ɣɛː/, /
χɛɪ̯/
personalPronoun
tu
/
ˈɣɛɪ̯zəlaːr/, /
ˈɣɛːzəlaːr/, /
ˈχɛɪ̯zəlaːr/
noun
1. een veelal onschuldig persoon die tegen de eigen wil door een gijzelnemer gevangen wordt gehouden en die bedreigd wordt met het doel iets van derden gedaan te krijgen
obses
/
ˈɣɪldə/, /
ˈχɪɫdə/
noun
collēgium
noun
1. (scheikunde) een uit calciumsulfaat en water uithardende witte vaste stof: CaSO₄·2H₂O
gypsum
/
ʒi'rɑf/
noun
1. Herkauwend dier
camelopardalis
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Camelopardalis
noun
1. herkauwend dier dat in Midden-Afrika leeft met een zeer lange hals, Giraffa camelopardalis
camelopardalis
verb
1. een vermoeden uitspreken over iets
dīvīnō
noun
1. de naam voor een aantal soorten micro-organismen
fermentum
/
ˈɣɪstər/, /
ˈχɪstər/
adverb
1. de laatste dag die voltooid is
heri
here
/
ˈɣɪstərə(n)/, /
ˈχɪstərə(n)/
adverb
1. de laatste dag die voltooid is
heri
here
/
ɣi'tar/
noun
1. een muziekinstrument
cithara
fides
pronoun
1. stad in Armenië
Giumri
noun
1. betoverend uiterlijk, schone schijn
nitor
verb
1. in zekere mate licht weerspiegelen of voortbrengen
nitere
/
ɣlɑs/, /
χlɑs/
noun
- 2. op basis van SiO₂
- 1. niet-kristallijne vaste stof
- 3. om uit te drinken
vitrum
noun
1. een aandoening waarbij een verhoging van de druk in de oogbol onbehandeld...
glaucoma
adjective
1. als glas, op glas lijkend
vitreus
noun
1. een ijsmassa die gevormd wordt op land en dik en groot genoeg is om bergafwaarts te stromen
glaciarium
adjective
1. glad, moeilijk houvast op te krijgen
lubricus
/
ˈxlɛɪdə(n)/, /
ˈɣlɛːdə(n)/
verb
1. met geringe wrijving gericht voortschuiven
lābor
noun
1. een gelaatsuitdrukking die een geluidloze lach verraadt
risus
/
'ɣlɪmlɑχən/
verb
1. zacht onhoorbaar lachen
subridere
noun
1. een nachtelijk lichtgevend kevertje uit de familie Lampyridae
lampyris
/
ɣloːriˈjøːs/
adjective
1. roemrijk
gloriosus
/
ˈɣlɔtɪˌslɑx/
noun
1. een klank die met de stembanden in de keel geproduceerd wordt en tot de plosieven gerekend wordt
occlusiva glottidalis
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het westen van het land
Goa
pronoun
1. bovennatuurlijk en volmaakt wezen, dat beschikt over superieure krachten en dat onsterfelijk is
Deus
Dominus
/
ɣɔd/, /
ɣɔt/, /
χɔt/
noun
1. hypothetisch bovennatuurlijk wezen dat verantwoordelijk wordt geacht...
deus
noun
1. gebrek aan eerbied of geloof in een godheid
impietas
noun
1. een hypothetisch bovennatuurlijk wezen dat verantwoordelijk wordt geacht voor (bepaalde aspecten van) de werkelijkheid
deus
pronoun
1. benaming voor het vrouwelijk opperwezen
Dea
noun
1. een vrouwelijke godheid
dea
noun
1. een geloof en alle daar bij horende rituelen en doctrines
religio
noun
1. oorlog veroorzaakt door godsdienstige verschillen
bellum religiosum
noun
1.
libertas religionis
noun
1. belediging of bespotting van God/een godheid
blasphēmia
adjective
1. kwaliteit bezittend
bonus
adverb
1. op goede wijze
bene
/
ˌɣudə.ˈvrɛɪ̯.dɑx/
pronoun
1. de vrijdag voor Pasen
Dies Passionis Domini
/
ˌɣudəˈmɔrɣə(n)/
interjection
groet
salvē
interjection
avondwens
bona nox
bonam noctem
noun
1. de hoedanigheid van het goed zijn
bonitās
verb
1. toestemming verlenen
approbō
adjective
1. laag in prijs
parabilis
verb
1. argumenten aanvoeren om iets dubieus of verkeerds als acceptabel te zien
velare
/
ɡɔj/
noun
1. niet-jood
gens
/
gɔlf/, /
χɔl(ə)f/
noun
- 4. grote baai
sinus
- 1, 2 en 3
unda
- 1. balspel waarbij een golfbal met een golfclub in een aantal slagen in de hole moet worden geslagen.
pilamalleus
noun
1. een geslachtziekte die veroorzaakt wordt door de bacterie Neisseria gonorrhea
gonorrhoea
/
ˈɣoːi̯ən/, /
ˈχoːi̯ən/
verb
1. het door de lucht verplaatsen van een voorwerp, al dan niet naar een doelwit
jacio
/
χot/
noun
1. lid van een Oost-Germaans volk
Gothus
/
ˈɣotsten/
noun
1. een bak, meestal ingebouwd in een aanrecht, onder een kraan en met een afvoer
fusorium
noun
1. een band die om het middel gedragen wordt
balteus
/
ɣɔrˈdɛːn/, /
χɔrˈdɛɪn/
noun
1. doek ter afdekking
aulaeum
noun
1. Afrikaanse mensaap uit het geslacht Gorilla
gorilla
/
ɣɔrs/, /
χɔrs/
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Emberizidae
emberiza
pronoun
1. de uit de oostelijke tak van de Germaanse talen stammende en uitgestorven taal der Goten uit de eerste...
Gothica
/
ˈɣɔtlɑnt/, /
ˈʝɔtlɑnt/
pronoun
1. Zweeds eiland
Gothlandia
/
ɣʌʊt/
noun
1. een edelmetaal met atoomnummer 79 dat wordt aangegeven met het symbool Au, het is een geel metalliek overgangsmetaal
aurum
noun
1. een smid die met goud werkt
aurifex
noun
1. bepaald soort vogel, Pyrrhul pyrrhula
Pyrrhula pyrrhula
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Dorado
/
ˈɣaʊ̯d.vɪs/, /
ˈɣɔʊ̯t.fɪs/, /
ˈχʌʊ̯t.fɪs/
noun
1. bepaald soort kleine goudkleurige of rode vis die uit China afkomstig is en die door veel mensen thuis gehouden wordt, Carassius auratus auratus
hippurus
noun
1. het hoofd van een regering, van een kolonie, staat of andere subnationale staatseenheid
gubernator
noun
1. eenheid om hoeken te meten
gradus
noun
1. geschiedkundige term voor een landsheer, oorspronkelijk belast met de rechtspraak...
comes
/
ɣrax/, /
χraχ/
adverb
1. met plezier, met graagte; dat doe ik graag
libenter
interjection
1. beleefd antwoord nadat je bedankt bent
nihil est
/
ɣrɑf/, /
χrɑf/
noun
- 1. ruimte om één of meer lijken in te begraven
- 2. plaats waar één of meer lijken begraven liggen
sepulcrum
noun
1. kunstmatige heuvel die is opgeworpen om als graf te dienen
tumulus
noun
in plaatjes gekristalliseerde koolstof
plumbāgō
noun
1. op een grafsteen gegraveerde korte tekst, gewijd aan de overledene
epitaphium
noun
1. een rechtopstaande gebeeldhouwde steen die de aanwezigheid van een graf markeert
lapis
noun
1. een afgeleide eenheid voor massa in het SI-stelsel (éénduizendste van een kilogram, 0,001 kg)
gramma
noun
1. een systeem van regels en principes voor het schrijven en spreken van een taal.
grammatica
noun
5. groep kubische mineralen
carbunculus
noun
2. vrucht
malum granatum
grānātum
/
ɣɾaˈni:t/
noun
1. stollingsgesteente bestaande uit lichtgekleurde, met het blote oog onderscheidbare mineralen.
granitum
noun
1. een gele of rode, enigszins bitter smakende citrusvrucht
malum paradisi
noun
1. benaming voor planten uit de familie Poaceae
gramen
adjective
1. wat zonder betaling verkregen wordt
grātīs
adjective
1. donkergrijs, kleurloos
canus
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Caelum
verb
1. een gat in de grond maken met de handen of met een graafwerktuig
fodio
verb
1. met een scherp gereedschap iets krassen in glas of metaal
caelō
noun
1. vrouwelijke graaf
comitissa
noun
1. de kracht die de wederzijdse aantrekking van massa veroorzaakt
gravitās
noun
2. decoratie in metaal, glas of edelsteen gesneden
caelāmen
/
'χrazə(n)/
verb
1. het eten van gras en andere bodemvegetatie zoals bijvoorbeeld runderen dit doen
pasco
/
ɣre.ˈna.da/, /
ɣrɛ.ˈna.da/, /
χre.ˈna.da/
pronoun
land in het Caribisch gebied
Granata
noun
- 2. de raaklijn tussen twee landen
- 1. een al dan niet denkbeeldige scheidingslijn
finis
/
ɣrik/, /
χrik/
noun
1. inwoner van Griekenland
Graecus
/
ˈɣrikə(n)ˌlɑnd/, /
ˈɣrikə(n)ˌlɑnt/, /
ˈχrikə(n)ˌlɑnt/
pronoun
1. een land in het zuidoosten van Europa
Graecia
/
ɣriks/, /
χriks/
pronoun
1. een taal die vooral wordt gesproken in Griekenland en op Cyprus
Graeca
Graece
/
ɣrip/
noun
1. een vierusziekte die jaarlijks vele mensen ziek maakt en die voor ouderen gevaarlijk kan zijn
influentia
noun
1. iemand die de taak heeft alle communicatie rond een zaak schriftelijk vast te leggen en te ordenen
commentariensis
noun
1. Oudgrieks fabeldier met de kop, voorpoten en vleugels van een adelaar en de romp, achterpoten en staart van een leeuw
gryps
verb
1. plotseling iets of iemand beetpakken
carpo
adjective
1. de kleur grijs hebbend
cinereus
adjective
1. gelijkend op, of eigenschappen hebbend van grijs
grīseolus
/
ɣrɛɪsˈɦarəx/
adjective
1. met grijs haar
cānus
adjective
1. iets dat een beetje grijs is
ravidus
noun
onredelijk en willekeurig gedrag
arbitrium
/
ɣruj/, /
χruj/
noun
1. het groter worden
auctus
/
ˈɣrui̯ə(n)/
verb
groter worden
crescere
adjective
1. met de kleur zoals bladeren van planten die meestal hebben
viridis
noun
1. kleur zoals bladeren van planten die meestal hebben, geel met blauw gemengd
viridis
/
ˈɣrun.lɑnd/, /
ˈɣrun.lɑnt/, /
ˈχrun.lɑnt/
pronoun
1. een groot eiland ten noordoosten van Canada, deel uitmakend van het koninkrijk Denemarken
Groenlandia
adjective
lingua Groenlandica
noun
1. eetbare planten of delen daarvan
olus
holus
noun
1. organisme behorend tot de stam Chlorophyta
chlōrophytum
/
ɣrup/, /
ʝrup/
noun
1. uit meerdere personen of eenheden bestaand geheel
circulus
verb
1. in groepen stellen
circulor
/
ˈɣrut/, /
ˈχrut/
noun
1. een uiting waarbij men elkaars aanwezigheid erkent wanneer men elkaar ontmoet
salus
/
ˈɣrutə(n)/
noun
1. iemand goedendag of gedag zeggen
salutare
verb
1. een dreigend geluid voortbrengen
ganniō
noun
- 1. stuk terrein
- 2. de stof van het aardoppervlak waarop planten en bomen groeien
- 3. het aardoppervlak in algemene zin
- 4. basis
solum
noun
1. het gebied waarover een instantie of overheid het beheer heeft
territōrium
noun
1. wet die de principes van een staat definieert
cōnstitūtiō
/
ɣroːt/
adjective
1. meer dan normaal in formaat
magnus
/
ˌɣroːd brɪˈtɑni.jə/, /
ˌχrot brɪˈtɑni.jə/
pronoun
1. benaming voor het '[[Verenigd Koninkrijk|Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland]]', dat officieel met Verenigd Koninkrijk wordt aangeduid.
Britannia
Britannia Maior
noun
1. een moeder van een ouder
avia
noun
1. op een krachtige manier heel gul zijn
magnanimitas
adjective
1. verheven, groot van opzet
grandis
/
ˈɣroːtˌfaːdər/
noun
1. de vader van een ouder
avus
/
ɣrɔt/
noun
1. een onderaardse holte
caverna
pronoun
1. hoog aan het noordelijk halfrond duidelijk zichtbaar sterrenbeeld
Ursa Major
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Canis Major
pronoun
1. de naam voor de 5 grote meren op of nabij de grens tussen de Verenigde Staten en Canada
Lacus Magni
adverb
1. voor het grootste gedeelte
plērumque
/
ˈxrywəl/
noun
1.
āctus abōminābilis
noun
een dipsaus uit Midden-Amerika
guacamole
/
ˌgʋɑ.tə.ˈma.la/, /
ˌgβ̞ɑ.tə.ˈma.la/, /
ˌɣ<sup>ʊ</sup>a.tə.ˈma.la/
pronoun
land in Midden-Amerika, officieel de Republiek Guatemala
Guatemala
noun
1. en 2. (vrucht van) Psidium guajava
guajava
/
ɣi.ˈne/, /
χi.ˈne/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Guinee
Guinea
/
ˌɣi.ne.bɪ.ˈsaʊ̯/, /
ˌɣi.ne.ˈbɪ.sɔʊ̯/, /
ˌχi.ne.ˈbɪ.sʌʊ̯/
pronoun
1. bepaalde soort vlinder, Vanessa atalanta
Guinea Bissaviensis
/
ɣi.ˈja.na/, /
ɣβ̞i.ˈja.na/, /
χi.ˈja.na/
pronoun
1. een land in Zuid Amerika, officieel de Coöperatieve Republiek Guyana
Guiana
noun
1. oefeningen voor de gezondheid van een mens
gymnastica
/
ˌɣiroˈskop/
noun
gyroscopium
/
ˈgœtɪŋən/
pronoun
1. + 2. stad en district
Gottinga
noun
1. een afscheiding bestaande uit kreupelhout of struikgewas
saepēs
noun
1. bepaald soort loofboom, Carpinus betulus
carpinus
/
haːɪ̯/, /
ɦaɪ̯/
noun
1. benaming voor roofvissen uit de superorde Selachimorpha
squalus
noun
2. elk van de tekens, rond of met hoeken, gebruikt in paren om woorden of getallen af te zonderen
uncus
/
ɦan/
noun
1. mannelijk dier bij de hoenderachtige vogels
gallus
noun
1.1 hoofdhaar, uitgroeisel van de epidermis dat delen van het hoofd bedekt
capillus
coma
noun
1. plaats in de woning bedoeld om er een vuur te branden
focus
noun
1. een doorgaans dunne speld waarmee het haar kan worden opgestoken.
crīnāle
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Lepus
noun
1. Lepus eropaeus, een konijnachtig zoogdier met lange achterpoten een gespleten lip en lange oren
lepus
/
hast/
adverb
1. bijna
paene
adjective
1. zich niet de tijd nemend
festīnus
/
ˈhastəxəˌsput ɪˈzeldə(n)ˌɣut/
interjection
1. iets overhaast doen levert vaak fouten op
canis festinans caecos parit catulos
qui festinavit non hunc deus juvabit
qui nimium properat, serius absolvit
/
ɦaːt/
noun
1. sterk gevoel van vijandschap
odium
pronoun
2. boek in de Bijbel
Habacuc
Abacuc
adjective
1. uit gewoonte
habitualis
noun
1. scheikundig element met symbool Hf en atoomnummer 72
hafnium
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Lacerta
noun
1. langstaartig, geschubd reptiel uit de onderorde Lacertilia
lacerta
/
haɣəɫ/
noun
1. bolvormig ijs dat als neerslag uit de hemel valt
grando
grandō
verb
1. het uit de hemel neerkomen van hagelstenen
grandinat
pronoun
2. boek in de Bijbel
Aggaeus
noun
1. hiel van de voet
fulmenta
/
ɦɑl/
noun
- 1. ruimte achter de voordeur
- 3. een grote overdekte ruimte gericht op het uitvoeren van activiteiten
auditorium
/
ˈɦalə(n)/
verb
1. ergens heengaan met als doel om iets of iemand mee terug te brengen
adfero
/
ɦɑlf/
adjective
1. de helft zijnde
dīmidium
noun
1.
soror eodem matre nata
interjection
1. groet
salve
salvete
noun
1. een om de hals en nek gesnoerde band
mellum
noun
1. het te vasthoudend zijn
obstinātiō
/
ɦɑm/
noun
1. vlees van de achterkant van een varken
perna
/
ˈham.bʏr.ɣər/, /
ˈhɑm.bʏr.ɣər/, /
ˈhɑm.bʏr.χər/
noun
1. schijf gebraden gehakt
isicium
noun
1. gecastreerde ram
vervex
noun
- 2. een van de gehoorsbeentjes in het oor
malleus
- 1. werktuig dat kan worden gebruikt om te slaan
malleus
martellus
/
ɦɑnt/
noun
1. uiterste deel van de arm, voorbij de pols
manus
noun
1. een doek waarmee men zich afdroogt
mantele
mantēle
/
ˈɦɑndəl/
noun
1. de in- en verkoop van goederen
commercium
verb
1. iets doen, al of niet met de handen, optreden
ago
noun
1. datgene dat gedaan is
āctus
noun
1. teken van waardering
applausus
adjective
1.
chirographarius
verb
1. iets doen voortbestaan, aan iets vasthouden
habeo
noun
1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord hand
manicula
noun
1. binnenzijde van de hand
palma
/
hɑnd.sxun/, /
ɦɑnt.sxun/, /
ɦɑnt.sχun/
noun
1. een handkledingstuk met aparte vingers
wantus
noun
2. klein aantal
manipulus
/
ˈhanə(n)kɑm/
noun
2.
crista
/
ˈɦɑŋmɑt/
noun
1. een doek dat aan de uiteinden opgehangen wordt en waarin personen kunnen liggen
lectulus pensilis
pronoun
1. stad in Duitsland
Hannovera
pronoun
1. stad en gemeente in het noordwesten van de Belgische provincie Luik
Hanutum
/
'ɦɑrdər/
noun
1. Mugil curema, een straalvinnige vissoort
mugil
noun
1. elektronische en mechanische delen in en om computersystemen
apparatus computatralis
/
ˈɦarɪŋ/
noun
1. zoutwatervis
aringus
noun
1. tuingereedschap aan lange steel, met een reeks tanden aan de onderzijde
rāstellus
noun
1. (muziekinstrument) een toetsinstrument dat gerekend wordt tot de aerofonen
harmonium
/
ɦɑrs/
noun
1. het stroeve en plakkerige product van boomsappen, met name van naaldbomen
resina
noun
1. verstopping van een kransslagader of een tak hiervan, leidend tot het afsterven van hartspierweefsel
infarctus myocardii
/
ˈhɑrt.ka.mər/, /
ˈɦɑrt.ka.mər/
noun
1. elk van twee holten van het hart
ventriculus
noun
1. hartweefsel in de vorm van een vlies dat samengetrokken door een spiertje terugstromen van het verder gepompte bloed tegengaat
valvula cordis
/
ˈhɑrtstɪlstand/, /
ˈhɑrtstɪlstɑnt/, /
ˈhɑrtstɪɫstɑnt/
noun
1. het stoppen van het kloppen van een hart
cessātiō circulātiōnis
pronoun
1. Hoofdstad van de Belgische provincie Limburg
Hasseletum
noun
1. scheikundig element met symbool Hs en atoomnummer 108
hassium
/
'ɦatə(n)/
verb
kwade gevoelens jegens iemand koesteren
odisse
/
ɦavə(n)/
noun
1. natuurlijke of aangelegde aanlegplaats voor schepen.
portus
noun
1. en 2. (zaden van) eenjarig graangewas Avena sativa
avena
/
ˈɦavɪk/
noun
- 1. Accipiter gentilis, een roofvogel die op kleine zoogdieren en vogels jaagt
Accipiter gentilis
- 2. iemand die graag oorlog wil voeren
accipiter
pronoun
1. Polynesische taal gesproken in de Amerikaanse staat Hawaï
Havaiana
noun
1. een heester waaraan hazelnoten groeien
corylus
/
ˈɦa.zəlˌmœːs/, /
ˈɦa.zəɫˌmœʏ̯s/
noun
1. knaagdier in de familie van slaapmuizen, Muscardinus avellanarius
glis
/
ˈhazəɫˌnot/
noun
1. een vrucht van de hazelaar
abellana
/
ˈhaː.zə(n)ˌlɪp/
noun
labium leporinum
/
ha.ˈhi.ti/, /
ɦa.ˈi.ti/, /
ɦɑ.ˈi.ti/
pronoun
1. een land in het Caribisch gebied bezettend de westelijk derde van het eiland Hispaniola
Haitia
/
ˈɦɛbə(n)/
verb
1. bezitten
habere
esse
pronoun
1. officiële taal van Israël, de heilige taal van de Joden en de taal van de Tenach
hebraeus
adjective
1. blijk gevend van hebzucht, hebberig
avidus
noun
1. 100 liter
hecatolitrum
noun
1. leer dat genot het hoogste goed is
hedonismus
/
heːl/
adjective
1. niet stuk
cunctus
/
he.ˈlal/, /
ɦe.ˈlaɫ/
noun
[1] het gehele tijd-ruimtecontinuüm waarin wij bestaan, samen met alle materie en energie
universum
noun
1. de tak van de geneeskunde die met operatie probeert te genezen
chirurgia
noun
1. de christelijke aanduiding voor God
Dominus
/
ɦɪːr/
noun
- 1.
- 4. welgemanierd persoon
- 5. heerser
dominus
noun
1. iemand die de macht uitoefent
tyrannus
/
ɦeːt/
adjective
1.
calidus
adjective
1. van een persoon dat deze nogal snel heel boos is
īrācundus
noun
1. mensen die geen jood of christen zijn
ethnicus
adjective
1. van de heidenen
ethnicalis
noun
1. bepaald soort grote schol, reus onder de platvissen en consumptievis, Hippoglossus hippoglossus
hippoglōssus
pronoun
1.
Alisum
Hailprunna
Heilbronna
/
ɦɛj.ləɣ/
adjective
1. door wijding aan het goddelijke bijzonder gemaakt
sanctus
noun
1. plaats of gebouw gewijd aan een god of godin
sacrarium
noun
1. de pauselijke regering
Sancta Sedes
noun
vergrijp aan iets heiligs
sacrilegium
/
'hɛɪmʋe/
noun
1. sterk verlangen naar een plek die als thuis ervaren wordt
nostalgia
/
ɦɛk/
noun
1. omheining, afscheiding
saepēs
noun
2. sterke afkeer
fastidium
/
ɦɛks/
noun
1. een over het algemeen vrouwelijk persoon aan wie bovennatuurlijke krachten worden toegeschreven
malefica
/
'ɦɛl/
noun
1. een plek waar de ziel van daartoe veroordeelde overledenen naar toe gaan
infernum
Tartarus
adverb
1. jammer genoeg, spijtig genoeg
eheu
interjection
1. een uitroep van spijt, ontgoocheling, verdriet
eheu
/
'hɛl·dərˌhɛɪt/
noun
- 1. lichtscherpte
- 2. de intensiteit van uitgezonden licht
candor
noun
1. het heel moedig en dapper zijn
virtus
/
'ɦelə(n)/
verb
1. gezond worden
sanare
pronoun
1. mythologische hond
Cerberus
/
ɦelɪˈkɔptər/
abbreviation
1. luchtvaartuig dat d.m.v. een hefschroef verticaal kan opstijgen en landen
helicopterum
/
ˈhe.lɪŋ/
noun
1. het gezond worden of maken van iemand
sanatio
noun
1. een chemisch element en een inert edelgas
helium
noun
1. lang middeleeuws wapen
halebarda
noun
1. inwoner van het oude Griekenland of persoon die de oud-Griekse nationaliteit bezit
Hellenes
noun
1. een glooiing in het landschap
clīvus
/
ɦɛlm/
noun
1. beschermend hoofddeksel
galea
cassis
/
ˈɦɛlm.bɪn(t).səɫ/
noun
connectivum
/
ˈɦɛlpə(n)/
verb
1. iemand bijstaan
adiuvare
iuvare
pronoun
1. de hoofdstad van Finland
Helsingia
/
ɦɛm/
personalPronoun
1.
eum
noun
1. roodkleurig mineraal dat ferri-oxidekristallen bevat
ferrum rude
noun
1. kledingstuk voor het bovenlijf
tunica
/
ˈɦeːməl/
noun
- 1. lucht, onmetelijke ruimte die overal op aarde bovenaan zichtbaar is
- 2. het hiernamaals, leven na de dood
caelum
coelum
/
ɦɛn/
noun
1. vrouwtje van hoenderachtige vogels
gallina
/
ˈhɛndrɪk/
pronoun
- 1. mannelijke voornaam
- 2. spelwoord voor de letter h
Henricus
pronoun
1. Belgische provincie
Hannonia
noun
1. visserswerktuig
arundō
/
ɦɛŋst/
noun
1. mannelijk paard
waranio
noun
1. leverontsteking
hepatitis
noun
1. verzameling van, album met gedroogde planten
herbarium
noun
1. eet- en overnachtingsgelegenheid die kleiner, goedkoper en eenvoudiger is dan een hotel
hospitium
verb
- 1. huisvesten
- 2. tot verblijf dienen
tectumque
pronoun
2. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Hercules
/
'ɦɛrdər/
noun
1. begeleider en bewaker van een kudde
pastor
noun
1. een geestelijke die in afzondering leeft
eremita
noun
1. een kreeftachtige (Eupagurus bernhardus) uit de orde van tienpotigen, die in de schelp van een zeeslak woont
pīnotērēs
/
heˌresiˈjɑrx/
noun
1. iemand die een leidende rol speelt in een ketterse beweging
haeresiarcha
noun
1. derde jaargetijde
autumnus
verb
- 1. iets opnieuw doen
- 1. iets opnieuw zeggen
itero
noun
1. het nogmaals plaatsvinden
iterātiō
/
ɦɛr.'ɪ.nə.rə(n)/
verb
1. opnieuw in gedachte brengen
commoneō
noun
1. een herbivoor die zijn voedsel herkauwt
Ruminantia
/
ˈɦɛr.mɑn/
pronoun
1. een jongensnaam
Arminius
noun
1. bepaald klein wezelachtig zoogdier, Mustela erminea
Mustela erminea
noun
1. uitstulping van een orgaan of weefsel uit de lichaamsholte waar het normaliter in ligt
hernia
verb
1. opnieuw op details bezien
recōgitō
noun
een verdovend middel
heroinum
verb
1. zeggen dat iets, dat je eerder gezegd hebt, niet klopt
revocare
noun
exitus mortalis ad electroencephalogramma isoelectricum
noun
1. brein
cerebrum
cerebellum
noun
1. de buitenste laag van de grote hersenen
cortex cerebri
noun
1. schade aan de hersenen door uitwendig geweld
commotio cerebri
verb
1. terug werkend krijgen, repareren
reficiō
noun
1. benaming voor herkauwende zoogdieren uit de familie Cervidae
cervus
cerva
noun
1. een landsheer, oorspronkelijk van een hoger hiërarchisch niveau dan de markies
dux
noun
1. het gebied dat onder leiding staat of stond van een hertog
ducātus
noun
1. adellijke titel, vrouw van een hertog
ducissa
noun
1. de eenheid voor frequentie van trillingen
hertz
verb
1. een activiteit opnieuw beginnen na deze eerder gestaakt te hebben
repetō
/
ɦɛrˈvɔr.mər/
noun
1. een persoon die hervormingen nastreeft
refōrmātor
/
(ɦ)ət/, /
hɛt/
personalPronoun
1. 3e persoon enkelvoud onzijdig
id
phraseologicalUnit
1. het kan me niets schelen
floccī nōn faciō
verb
1. een aanpak kiezen die niet helpt om het doel te bereiken
ante boves plaustrum vertere
/
'he.tə(n)/, /
'ɦe.tə(n)/
verb
1. de naam dragen
nominor
relativePronoun
1. wat
quod
pronoun
1. een dode taal die in het huidige Turkije werd gesproken
Hetthea
noun
deel van beide zijkanten van het menselijk lichaam ter hoogte van het heupgewricht, waar het been met de romp verbonden is
coxa
coxendix
/
ˈhøvəɫ/
noun
1. verhoging in het landschap die wat lager is dan een berg
collis
/
'ɦøvəlɑxtəx/
adjective
1. met aanzienlijke hellingen en hoogteverschillen
clīvōsus
noun
1. een enigszins uitstekend deel achteraan de voet
calx
calcanium
/
ɦiːr/
adverb
1. op deze plaats
hic
adverbialPronoun
1. in deze richting
huc
/
hɛɪ̯/, /
ɦɛɪ̯/, /
ɦɛː/
personalPronoun
1. Nominatief mannelijk derde persoon enkelvoud
is
verb
1. zwaar ademhalen ten gevolge van een lichamelijke inspanning
anhēlō
noun
1. een periodiek optredende, spontane, onwillekeurige samentrekking van het middenrif tijdens inademing...
singultus
pronoun
1. + 2. stad en district
Hildesia
/
ˈhɪndə/
noun
1. een vrouwelijk hert
cerva
pronoun
1 taal die vooral gesproken wordt in de noordelijke staten van India
hindice
verb
1. het geluid van een paard voortbrengen
hinnire
noun
1. ovale paardenrenbaan
hippodromos
noun
2. geschiedenis van een volk, een land enz
historia
noun
1. rangorde
hierarchia
/
hɔbi/
noun
1. een liefhebberij of bezigheid ter ontspanning voor in de vrije tijd
delicium
/
ɦu/
adverb
1. op welke wijze
quam
quomodo
/
hud/, /
ɦut/
noun
2. deel van een zwam
pileus
/
ɦuf/
noun
1. hoornachtig omhulsel aan de teentop
ungula
calx
pronoun
1. stad en gemeente in de Belgische provincie Luik
Hoium
/
ɦuk/
noun
1. een punt waar twee benen of halve rechten samenkomen
angulus
/
ɦur/
noun
1. vrouw die tegen betaling seksuele diensten verricht
meretrix
noun
1. reflexmatige explosieve uitademing
tussis
verb
1. reflexmatige explosief uitademen bij prikkeling van de luchtwegen
tussiō
interrogativeCardinalNumeral
1. welk aantal?
quantus
quot
/
huˈvɪ:ɫhɛɪt/
noun
1. de kwantiteit waarin iets aanwezig is
quantitas
indefiniteOrdinalNumeral
quotus
conjunction
1. drukt een tegenstelling uit
quamquam
pronoun
Curia Unionis Europaeae
noun
1. grot, spelonk
caverna
/
ˈɦɔlɑnt/
pronoun
- 1. een gedeelte van het westen van Nederland dat de provincies Noord-
- 2. heel Nederland
Hollandia
noun
1. scheikundig element met symbool Ho en atoomnummer 67
holmium
noun
aanhanger of beoefenaar van de homeopathische geneeswijze
medicus homoeopathicus
adjective
1.volgens de homeopathie
homoeopathicus
noun
1. zelfregulering, chemisch en fysiologisch evenwicht
homoeostasis
/
ˈhɔməɫ/
noun
1. insect uit het geslacht Bombus dat in de taxonomie wordt beschouwd als een grote harige bij
bombus
noun
1. een woord dat hetzelfde wordt uitgesproken als een ander woord maar in betekenis verschilt
homonyma
adjective
1. betrekking hebbend op de liefde voor geslachtsgenoten
cinaedicus
noun
1. man met seksuele voorkeur voor mannen of vrouw met seksuele voorkeur voor vrouwen
cinaedicus
/
ˈhɔnd/, /
ˈɦɔnt/
noun
1. Canis lupus familiaris, een zoogdier dat tot huisdier getemd is
canis
/
ˈɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 100
centum
cardinalNumeral
1. het getal 100.000, een tiende deel van een miljoen
centum milia
/
hɔn.ˈdyː.rɑs/, /
ɦɔn.ˈduː.rɑs/
pronoun
1. een land in Centraal Amerika, officieel de Republiek Honduras
Honduria
/
ˌhɔŋ(g)ɣaˈrɛɪ̯.jə/, /
ˌɦɔŋɣaˈrɛː.jə/, /
ˌɦɔɴχaˈrɛɪ̯.jə/
pronoun
1. land in het midden van Europa
Hungaria
/
ˈɦɔŋər/
noun
1. behoefte aan voedsel
fames
adjective
1. grote behoefte aan voedsel hebbend
iēiūnus
noun
1. een wijdverspreide honger als gevolg van voedselschaarste
caritas
famēs
/
hɔŋˈkɔŋ/
pronoun
1. een speciale administratieve regio van de Volksrepubliek China
Hongcongum
noun
1. een zoete stof die door bijen en enkele andere insecten uit bloemennectar wordt gewonnen
mel
noun
1. balsport waarbij de bal met een knuppel geslagen wordt en de spelers langs een drietal honken trachten rond te lopen tot zij weer de thuisplaat bereiken
basipila
/
ɦoːft/
noun
1. een belangrijk lichaamsdeel, helemaal bovenaan het lichaam, waarin zich de hersenen...
caput
/
'ɦovduk/
noun
1. een vierkante lap stof die vooral door vrouwen driehoekig samengevouwen over het hoofd gedragen wordt
capital
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Coma Berenices
noun
1. klein, vleugelloos en bloedzuigend insect dat parasiterend leeft in het hoofdhaar
pediculus
noun
1. de voorste pagina van een website
pagina prima
noun
1. pijn in het hoofd
dolor capitis
/
'ɦof(t).stɑt/
noun
1. een belangrijke stad waarvandaan het land, de staat, deelstaat of provincie wordt bestuurd
caput
noun
1. het tuig dat een paard om het hoofd gedaan wordt om het dier berijdbaar te maken
frenum
noun
bepaalde opdeling van tekst of beeld in een boek
caput
adverb
1. in belangrijke mate, in overwegende mate
cardinalis
/
ɦoʊ̯χ/ /'ɦoʊ̯χə/ /ˈɦoʊ̯χst/, /
ɦoːx/ /'ɦoːɣə/ /ˈɦoːxst/
adjective
1, 2, 3, 4
altus
pronoun
1. boek in de Bijbel met liefdespoëzie
Canticum Canticorum
Canticum Solomonis
adjective
2. gebruikt als aanspreektitel voor leden van de Staten-Generaal tijdens de Republiek
celsos ac praepotentes
noun
- 2. niveau
- 1. een verheffing van de aardkorst
altitudo
noun
2. hoge waterstand in 't algemeen
inundatio
noun
1. gedroogd gras
faenum
fenum
/
ɦoːp/
noun
3. verwachting van iets wenselijks
spes
/
horn/
noun
1. hard en meestal gebogen uitsteeksel aan de kop van verschillende dieren
cornū
/
hoːrnar/, /
ho̝ːrnar/
noun
1. Vespa crabro, een soort grote wesp
crabro
/
ˈhornlax/, /
ˈho̝rnlaχ/
noun
1. de bovenste laag van de huid bestaande uit verhoornde cellen
stratum corneum
noun
- 1. bepaald soort vogel, Upupa epops
upupa epops
upupa
- 1. bepaalde plant die onder andere wordt gebruikt bij de bereiding van bier
lupus
/
ˈɦoːpə(n)/
verb
1. wensen, graag zien dat er iets wel of niet voorvalt
sperare
/
hɔː.rən/
verb
1. waarnemen met het oor zonder er noodzakelijkerwijs aandacht aan te besteden
audire
audio
adjective
1. in de richting die haaks staat op die van de zwaartekracht van de aarde
horizontālis
noun
1. een draagbaar voorwerp waarop de tijd kan worden afgelezen
horologium
noun
1. een stof die door een endocriene klier wordt afgescheiden ...
hormon
/
hoˈtɛl/, /
ɦoˈtɛɫ/
noun
1. gebouw waar men tegen betaling kan eten en overnachten,...
deversorium
/
ˈɦɑʊdə(n)/
verb
1. niet laten varen, het bezit ervan niet verliezen
teneo
verb
1. smakelijk, prettig of aantrekkelijk vinden
diligo
/
ɦɑʊ̯t/, /
[ɦʌ̞̈ʊt]/
noun
1. het materiaal in het binnenste van houtige planten
lignum
noun
1. houtblaasinstrument
instrumentum ligni et venti
noun
1. bepaalde soort wilde duif, Columba palumbus
palumbes
/
ˈhɑutə(n)/
adjective
ligneus
noun
1. iemand die beroepsmatig houthakt
lignātor
noun
1. verkoold hout
carbō
noun
1. benaming voor verschillende in hout levende insectenlarven
tarmes
verb
1. iets met een scherp werktuig trachten af te hakken
dolō
/
hovəlɪŋ/
noun
1. een onderdaan die tot het dagelijkse gezelschap van een vorst behoort
aulicus
/
hœːd/, /
ɦœʏ̯t/, /
ɦœːt/
noun
1. vel, de buitenste laag weefsel die het lichaam bedekt
cutis
adjective
1. bij het heden behorend
praesens
/
hœːx/, /
ɦœʏ̯χ/, /
ɦœːx/
noun
1. een lapje afhangend weefsel aan het uiteinde van het zachte verhemelte, waarmee onder andere het neuskanaal afgesloten kan worden
uvula
/
ɦœy̯lə(n)/
verb
1. traanvocht uitscheiden door emotie
flere
/
hœːs/, /
ɦœʏ̯s/, /
ɦœːs/
noun
1. gebouw bestemd om in te wonen
domus
casa
/
ˈɦœyzdiːr/
noun
1. een dier dat in het huis of om het huis woont en leeft
animal domesticum
noun
1. bepaald soort knaagdier dat vaak in en rond gebouwen voorkomt, Mus domesticus
Mus
noun
1. kleine zangvogel die liefst in de buurt van de mensen leeft
passer
noun
1. een vrouw die thuisblijft om het huishouden te doen
domiseda
noun
1. schoolwerk dat thuis verricht moet worden
pensum
/
ɦʏlp/
noun
1. handeling om iemand steun of bijstand te verlenen
auxilium
adiumentum
noun
1. een werkwoord dat samen met een ander werkwoord de tijd of de hoedanigheid van het werkwoord vaststelt
verbum auxiliare
noun
1. bepaald soort groenblijvende boom of heester met stekelige leerachtige bladeren en rode bessen, Ilex aquifolium
ilex
noun
1.aanhanger van het humanisme
humanista
verb
1. op de onderbenen gaan zitten
conquiniscō
/
ɦʏt/
noun
- 3. eenvoudige behuizing op kampeerterrein/recreatiegebied
canaba
- 1. een primitieve woning
casa
/
ɦyr/
noun
1. tijdelijk gebruik van goederen of diensten tegen betaling
locatio
adjective
1. geschikt om in het huwelijk te treden
nuptiabilis
/
ɦiu̯ələk/
noun
1. ambtelijke of kerkelijke verbintenis tussen twee personen
matrimonium
coniugium
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de onderfamilie Hyaeninae
hyaena
noun
1. een verheven loflied op een bepaald onderwerp (zoals een land, God ...)
hymnus
noun
1. een gekleurd en/of onderstreept tekstgedeelte dat een onderliggende verwijzing bevat
nexus
noun
1. verhoogde bloeddruk
hypertensio
noun
1. bovenmatige groei
hypertrophia
/
ˌhipoˈfizə/
noun
1. een klier aan de onderzijde van de hersenen, die o.a. groeihormoon produceert en de schildklier aanstuurt
glandula pituitaria
hypophysis
noun
1. lage bloeddruk
hypotensio
noun
1. bezitloos bezwaren van een onroerend goed als onderpand
hypotheca
pignus
noun
1. onderkoeling
hypothermīa
noun
1. Hyssopus officinalis, een gewas met geneeskundige kracht
hysopum
/
ɦe/
interjection
- 1. uitroep om aandacht
- 2. uitroep van verbazing
- 3. uitroep van verrassing
- 4. versterking van een vraag
- 5. informele groet
eho
pronoun
1. een Europees schiereiland dat zich ten zuiden van de Pyreneeën bevindt...
Iberia
noun
1. een vogel met een lange gebogen snavel behorend tot de familie Threskiornithidae
ībis
noun
1.
acidus propionicus isobutylphenylus
noun
- 1. heiligenafbeelding, zoals vereerd in de kerken van het oosten
- 2.
icon
verb
1. iets gunstiger of zelfs als ideaal beoordelen
ideālizō
/
iˈde/
noun
1. gedachte, plan
inventum
/
ˌideoloˈɣi/
noun
1. het geheel van ideeën dat ten grondslag ligt aan een wijsgerig stelsel, m.b.t. hun maatschappelijke of politieke strekking
ideologia
adjective
1. van, betreffend of volgens een ideologie
ideologicus
noun
1. een bijzondere uitdrukking in een bepaalde taal die samengesteld is door eigenaardig taalgebruik
sermo
/
idi'ot/
noun
1. iemand die een grote maat van zwakzinnigheid heeft
idiota
adjective
1. bekoorlijk door landelijke eenvoud en liefelijkheid
amoenus
personalPronoun
1. clitische vorm van de 3e persoon enkelvoud mannelijk nominatief
is
/
i.də.ˈreːn/
indefinitePronoun
1. elke persoon
omnes
indefinitePronoun
aliquis
quidam
quis
noun
1. een loofboomsoort uit het geslacht Ulmus ...
ulmus
/
ˈiːrlɑnd/, /
ˈiːrlɑnt/
pronoun
1. een groot eiland in Noordwest-Europa
Hibernia
Irlandia
indefinitePronoun
1. een of ander ding
aliquid
/
ˈiɣlo/
noun
1. sneeuwhut
iglu
noun
1. het zich toeleggen op betekenisloze uiterlijkheden
vānitās
/
ɛɪ̯s/, /
ɛːs/
noun
- 2. een lekkernij die in bevroren toestand wordt gegeten
glacies
- 1. de vaste vorm van water, bevroren water
glacies
glaciēs
noun
1. bepaald soort zoogdier, Ursus maritimus
ursus maritimus
noun
1. een zeer groot brok ijs dat in de zee drijft
mons glacialis
noun
1. ijssport waarbij twee teams van ieder vijf personen plus goalie met behulp van een stick een schijfje (puck) in het doel van de tegenstander proberen te schieten
alsulegia glacialis
/
ˈɛɪʃə/
noun
1. portie van een uit roomijs of waterijs vervaardigde lekkernij
glacies edibiles
/
ˈɛɪ̯slɑnd/, /
ˈɛɪ̯slɑnt/, /
ˈɛːslɑnt/
pronoun
1.een Europees land, dat omgeven is door de Atlantische Oceaan en tussen Groenland en Europa in ligt. Tot 1944 behoorde IJsland bij Denemarken, maar tegenwoordig is het zelfstandig. De officiële naam is Lýðveldið Ísland.
Islandia
/
ˈɛɪ̯slɑnds/, /
ˈɛɪ̯slɑnts/, /
ˈɛːslɑnts/
pronoun
1. een Germaanse taal die wordt gesproken op IJsland
lingua Islandica
/
ˈɛisəl/
pronoun
1. Gelderse IJssel
Isalal
/
ˈɛɪ̯sfoχɔɫ/, /
ˈɛɪ̯zvoːɣəl/, /
ˈɛːsfoːɣəl/
noun
1. bepaald soort blauwgroen vogeltje met oranje borst en spitse snavel, Alcedo atthis
alcedo
alcyon
pronoun
1.een rivier in West-Vlaanderen (België) en Frans-Vlaanderen (Frankrijk)
Isara
/
ˈɛi̯zər/
noun
1. een scheikundig element met het symbool Fe en het atoomnummer 26
ferrum
phraseologicalUnit
1. een verklaring van liefde aan iemand
tē amō
adjective
1. beroemd, zeer bekend van reputatie
illustris
/
ˌimiˈtasi/, /
ˌimiˈtatsi/
noun
1. nabootsing
imitamentum
noun
iemand die een ander persoon nadoet
imitātor
/
ˌimiˈterən/
verb
1. doen wat iemand anders doet
imitor
noun
1. het zich metterwoon vestigen van vreemdelingen in een land
immigratio
verb
1. beschermen tegen een infectieziekte door het geven van een ongevaarlijke vorm van een micro-organisme dat wel het immuunsysteem stimuleert maar geen ziekte veroorzaakt
immūnizō
noun
1. de leer van het afweersysteem dat verantwoordelijk is voor: afweer tegen besmettelijke ziekten...
immunologia
adjective
1. te intiem en niet ter zake doende
procax
noun
1. etterige huidontsteking
impetīgō
verb
1. ontzag inboezemen
mīror
verb
1. iets bedenken zonder vooropgesteld plan
faciō ad libitum
preposition
2. in (tijdelijk)
in
phraseologicalUnit
1. in een omgeving waar weinig gepresteerd wordt...
in regione caecorum rex est luscus
preposition
1. als vervanger van, als vervanging voor
pro
/
ˌɪnʌʊɣyˈratsi/
noun
1. de feestelijke of plechtige inwijding in een ambt
inauguratio
noun
1. het inbreken
compīlātiō
noun
1. iemand die inbreekt
effractor
preposition
1. met inbegrip van
inclusive
noun
1. het onvermogen om urine of ontlasting op te houden
incontinentia
/
ˈɪn.di.ja/
pronoun
1. soeverein land in het zuiden van Azië
India
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Indus
noun
1. inwoner van Amerika voor de komst van de Europeanen
Indus
noun
1. de vorm van het werkwoord die de werkelijkheid aangeeft
indicativus
/
ˈɪndis/
adjective
2. op India betrekking hebbend of daarvan afkomstig
indicus
/
ˌɪndisəˌosiˈan/, /
ˌɪndisˌə̯osejˈaːn/
pronoun
1. de oceaan die tussen Oost-Afrika en Zuid-Azië ligt
Oceanus Indicus
noun
1. een scheikundig element en zilvergrijs overgangsmetaal met het symbool In en het atoomnummer 49
indium
/
ˌɪndiviˈdy/
noun
- 1. een enkele persoon in het bijzonder
- 2. met negatieve bijbetekenis persoon
indīviduum
adjective
1. afzonderlijk, op zichzelf
indīviduālis
verb
1. dwingen om bepaalde opvattingen te aanvaarden
addoctrino
/
ɪndo'nezis/
pronoun
1. een taal die voornamelijk in Indonesië gesproken wordt
indonesicus
/
ˌɪn.do.ˈne.zi.jə/
pronoun
1. een land dat bestaat uit een groot eilandengebied tussen Zuidoost-Azië en Australië
Indonesia
verb
1. iemand door middel van een injectie beschermen tegen een ziekte
vaccinare
noun
1. een besmetting van lichaamsweefsel met ziekteverwekkers als bacteriën, virussen, schimmels of...
infectio
adjective
- 1. minderwaardig
- 2. (militair) lager in rang, ondergeschikt
secundārius
/
ɪɱfinitif/
noun
1. het hele werkwoord
infinitivus
noun
1. de leer van de mechanische verzameling en verwerking van informatie
informatica
/
ˈɪɱfrastrʏktyr/
noun
1. het totaal van onroerende voorzieningen zoals (spoor)wegen, vliegvelden,...
infrastuctura
noun
2. een opening waar iets doorheen kan
introitus
ostium
/
ˌɪŋʒeˈɲør/
noun
1. iemand die is opgeleid in het hoger onderwijs om allerhande technische problemen op te lossen
machinator
noun
2. verzamelnaam voor de inwendige organen van het darmkanaal
intestinum
adjective
1. niet eenvoudig en zeer samengesteld
complex
/
ˈɪnhɑut/
noun
- 1. datgene wat bevat is in een ander lichaam
materia
- 2. ruimtelijke capaciteit
volumen
noun
1. overzicht van de onderwerpen of hoofdstukken in een boek
de contentis in eodem tables
noun
1. feestelijke gelegenheid waarbij iemand wordt gehuldigd, zoals een koning/vorst door diens onderdanen, bij aanvaarding van diens ambt
inauguratio
/
ini(t)ʃali'zerə(n)/
verb
1.
initiālizō
noun
1. regelmatig verkregen som geld
fructus
noun
1. een gekleurde vloeistof waarmee geschreven wordt
atramentum
/
ˈɪŋtpot/
noun
1. een meestal glazen of plastic vaatje waar inkt in bewaard wordt
atramentale
/
ˈɪŋktfɪs/
noun
1. een koppotig weekdier met vangarmen dat een inktachtig vocht afscheidt ter verdediging
loligo
/
ˈɪnlɛɪdɪŋ/, /
ˈɪnlɛːdɪŋ/
noun
1. een tekst waarmee men een indruk probeert te geven van de inhoud van een langere tekst
inductiō
verb
1. iets nieuws bedenken of maken
innovare
pronoun
1.
Oenipons
Oenipontum
Pons Aeni
adjective
1. niet meer heelkundig te behandelen
inoperābilis
/
ˈɪmpɑkə(n)/
verb
- 2. in een omhulsel doen
- 1. in een verpakking doen
convāsō
noun
1. functionaris van de kerkelijke rechtbank die ketters moet opsporen en bestraffen
inquisitor
noun
1. een rechtbank van de Rooms-Katholieke Kerk, die was belast met de opsporing, het onderzoek en het opleggen van straffen van ketters
inquisitio
noun
1. geleedpotige met drie paar poten en geen, één of twee paar vleugels
insectum
noun
- 3. het inslaan van iets
ictus
- 1. horizontale draden die tijdens het weven tussen de opgespannen draden van de schering worden ingebracht
subtemen
noun
1. de fysieke moeite die men voor iets doet
opera
verb
1. grondig en nauwkeurig bekijken
aspiciō
verb
1. de geest gaande maken
inspirare
noun
1. onbestendigheid
instabilitas
noun
1. gedrag dat geheel genetisch bepaald is
instinctus
verb
1. zwichten voor de zwaartekracht
ruō
noun
- 1. werktuig
instrumentum
- 2. verkort voor muziekinstrument
organum
instrumentum
noun
1. een naamval die aangeeft dat een zelfstandig naamwoord het object is waarmee een actie wordt uitgevoerd
instrumentalis
/
ˌɪnzyˈlinə/
noun
1. een hormoon gemaakt in de bètacellen van de pancreas in de zogenaamde eilandjes van Langerhans, dat de lever aanzet bloedglucose op te nemen en op te slaan in de vorm van glycogeen
insulinum
adjective
1. in goede staat, onaangetast
intactus
/
ɪnˈtexə(n)del/
adverb
contrāriō
/
ɪntəɣriˈtɛit/
noun
1. onschendbaarheid, eerlijkheid, oprechtheid
integritas
/
ɪntɛli'xɛnt/
adjective
1. met een goed verstand of daarvan blijk gevend
catus
noun
een eigenschap van de werking van de hersenen
intelligentia
noun
1. onderlinge beïnvloeding
interaction
adjective
1. wekt interesse
quod interest
/
ĭn'tə(r)lĭng"wə/
pronoun
1. een hulptaal bedoeld is om de communicatie met anderstaligen te vereenvoudigen
Interlingua
adjective
1. inwendig, binnen
internus
/
ɪntərnɑ(t)ʃo'nal/
adjective
1. meer dan één land
internationalis
pronoun
Aerarium Monetarium Internationale
noun
1. een wereldwijd netwerk van computers
interrete
verb
1. uitleggen of opvatten
interpretor
noun
- 1. tussenperiode
- 3. de afstand tussen twee verschillende tonen
intervallum
noun
1. vraaggesprek met iemand over diens opvattingen en ervaringen
colloquium
noun
1. onverdraagzaamheid
intolerantia
adjective
1. zonder de mogelijkheid van een lijdend of meewerkend voorwerp
intransitīvus
noun
1. onovergankelijk werkwoord
intransitīvus
/
ɪntroˈdʏksi/
noun
de presentatie van iets nieuws, of de inleiding van een nieuwkomer
inductiō
/
ɪn'tʌsə/
adverb
1. gedurende de tijd die het genoemde vereist
interim
noun
1. een opoffering in tijd, geld of mankracht ten behoeve van een doel dat pas op lange termijn wordt behaald
collocātiō
verb
2. een persoon op een doorgaans vriendelijke en vrijblijvende manier vragen om iets te doen
invitare
/
ˈɪnvluːt/
noun
- 1. inwerking van een persoon, zaak of omstandigheid op een andere
- 2. het vermogen om op anderen in te werken
auctōritās
/
ˈɪnvurə(n)/
verb
2. gegevens in een electronisch apparaat stoppen
advectō
/
ɪɱ.'wɛn.dɪx/, /
ɪɱ.'ʋɛn.dəχ/, /
ɪɱ.'β̞ɛn.dəx/
adjective
internus
pronoun
1. randzee van de Middellandse Zee, gelegen tussen Zuid-Italië en West-Griekenland
Ionium
/
i.ˈrɑk/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten dat voor een groot deel in en rond het stroomgebied van de rivieren de Eufraat en de Tigris ligt
Iraquia
Iraca
/
i.ˈrɑn/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten met als hoofdstad Teheran
Irania
noun
1. een scheikundig element met symbool Ir
iridium
/
ɪroˈniː/
noun
1. vorm van spot
ironia
/
ˌɪ.ri.ˈɣa.si/, /
ˌɪ.ri.ˈχa.tsi/
noun
1. het op grote schaal water naar landbouwgrond transporteren om de gewassen mee te bevloeien
irrigātiō
adjective
1. in hoge mate vervelend
molestus
verb
1. op onaangename wijze prikkelen
piget
noun
1. plaatselijk tekort aan bloedtoevoer
ischaemia
noun
1. een zenuwontsteking bij de heup
ischias
noun
1. godsdienst die na alle profeten uit het jodendom en Christus, Mohammed ...
Islamus
/
ˈɪs.ra.hɛl/, /
ˈɪs.ra.ɛɫ/
pronoun
1. land in het Midden-Oosten, gelegen aan de Middellandse Zee
Israel
Israël
noun
1. een smalle strook land die twee grotere landmassa's verbindt
isthmus
/
italiˈjaːn/
noun
1. een persoon die uit Italië komt
itala
/
italiˈjaːns/
pronoun
1. een Romaanse taal die wordt gesproken in Italië, San Marino, Vaticaanstad, Slovenië en Zwitserland
italicum
/
italiˈjaːnsə/
noun
1. vrouwelijke persoon die uit Italië komt
itala
/
iˈtaːli.jə/
pronoun
1. een land
Italia
Latina
/
i.ˈvoːr.kʏs/, /
i.ˈvoːr.kʏst/, /
i.ˈvo̝ːr.kʏst/
pronoun
een land in West-Afrika, officieel de Republique de Côte d'Ivoir
Litus Eburneum
pronoun
. spelwoord voor de letter i
Isaac
/
jaː/
adverb
1. duidt bevestiging of instemming aan
sic
etiam
/
ja:r/
noun
1. de duur van een omloop van de aarde om de zon van circa 365 dagen.
annus
/
ˈjar.ɣə.ˌtɛɪ̯.də/, /
ˈjar.ɣə.ˌtɛː.də/, /
ˈjar.χə.ˌtɛɪ̯.də/
noun
1. een deel van een jaar met unieke eigenschappen
hora
/
ˈjar.ləks/, /
ˈjar.lɪks/
adjective
1. eenmaal per jaar
annuus
/
jɑxt/
noun
1. het achtervolgen van wild
venatio
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Canes Venatici
/
ˈjaːɣə(n)/
verb
1. bewegende wezens proberen te vangen
venari
noun
1. iemand die op jacht gaat
venator
noun
1. een vrouw die jaagt
vēnātrix
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Iagis Husen
pronoun
1. hoofdstad van de Indiase deelstaat Rajasthan
Iaipura
noun
1. Canis aureus, hondachtig roofdier
thos
canis aureus
/
jaˈkobʏs/
pronoun
Iacobus
adjective
1. een negatief gevoel veroorzaakt doordat iemand iets heeft of kan krijgen wat je ook wilt hebben of reeds hebt
invidiōsus
/
ʃɛm/
noun
1. een gelei van suiker en gekookt fruit, onder andere gebruikt als broodbeleg
condītus
/
(d)ʒa.mɛɪ̯.ka/, /
dʒɑ.mɑɪ̯.ka/
pronoun
1. een eiland in de Grote Antillen ten zuiden van Cuba en ten westen van het eiland Hispaniola
Iamaica
adjective
1. met het ritme van een jambe
iambicus
/
jɑn/
pronoun
. spelwoord voor de letter j
Ioannes
/
jɑnyˈwaːri/
noun
1. de eerste maand van het jaar
Ianuarius
pronoun
- 2. Romeinse god
- 3. maan
Iānus
/
jaˈpɑn/, /
jɑˈpɑn/
pronoun
1. een land in het oosten van Azië
Iaponia
Japonia
/
jɑ'pɑns/
adjective
1. betreffende Japan of het Japans
Japonicus
/
jɑ'pɑns/
pronoun
1. een taal die in Japan gesproken wordt
Lingua Iaponica
lingua Iaponica
pronoun
1. taalfamilie van Japans en een tiental verwante talen die in Japan worden gesproken
Linguae Iaponicae
noun
1. lang kledingstuk voor vrouwen
cyclas
/
ˈjemən/, /
ˈjeːmən/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel de Republiek Jemen
Iemenia
noun
1. Juniperus communis
juniperus
/
ˈjøːxt/
noun
1. het jong zijn
iuventus
/
ˈje.zʏs/
pronoun
1. centrale figuur in het Nieuwe Testament
Iesus
pronoun
1. Jezus van Nazareth
Iesus Christus
/
je.zy.ˈit/
noun
1. een lid van de Sociëteit van Jezus
Iēsuīta
noun
1. een pijnlijke ontsteking als gevolg van gekristalliseerd uraat in een gewricht
gutta
pronoun
1. Germaanse taal die door de Joden in West-Europa gesproken werd
Judaeo-Germanicus
adjective
1. taal van Asjkenazische joden
Judaeo-Germanicus
/
jEi/, /
jɛɪ̯/, /
jɛː/
personalPronoun
1. aangesproken persoon enkelvoud informeel
tu
noun
1. scheikundig element met symbool I en atoomnummer 53
iodium
iodum
pronoun
2.1 een van de vier Evangeliën
Iohannes
Iōannēs
adjective
1. van geringe leeftijd
iuvenis
noun
1. onvolwassen man
puer
/
jɔŋˈle.rə(n)/
verb
aerusco
/
jɔŋˈlør/
noun
1. rondreizend kunstenaar
joculator
noun
- 1. aanhanger van het joodse geloof
iudaeus
- 1. element jodium
iodum
adjective
1. te maken hebbend met het joodse geloof, het jodendom
Iudaicus
/
jɔr.ˈda.ni.jə/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië
Iordania
noun
3. een kleinigheid, helemaal niets
iota
/
jɑu̯/
personalPronoun
te
tibi
noun
verslaggever, iemand die nieuwsfeiten publiceert
diurnarius
/
jɑu̯/
possessivePronoun
1.
tuus
/
jybələ/
verb
1. juichen
exsultō
noun
1. feestelijke herdenking van de dag waarop iets gebeurde of begon
iobeleus
pronoun
2. boek in de Bijbel
Iudas
adjective
1. zoals het moet, waar
correctus
noun
1. houten pasvorm die op de schouders gedragen wordt en twee te dragen gewichten verbindt
iugum
noun
1. een van de beenderen van de schedel
os zygomaticum
/
jyˈlɛi/
noun
1. de zevende maand van het jaar
Iulius
iūlius
/
ˈjʏli/
personalPronoun
1.
vos
noun
1. de zesde maand van het jaar
Iunius
iūnius
/
ˈjypiˌtɛr/
pronoun
Iuppiter
noun
- 1. kanton
- 2. gebergte
Iura
adjective
1. betrekking hebbend op het recht en de rechtsleer
iuridicus
/
jʌrək/
noun
1. een kledingstuk voor vrouwen dat van de schouders tot op de benen reikt
stola
noun
1. saus voor spijzen, bereid uit vleesnat
cremor
noun
1. sieraad van grote schoonheid en hoge waarde
gemma
noun
1. iemand die juwelen vervaardigt en erin handelt
gemmārius
noun
1. deel van schedel waarin tanden en kiezen zitten
maxilla
noun
1. een van de beenderen van de schedel
mandibula
noun
1. een mogelijk dodelijke infectieziekte veroorzaakt door Colistridium tetani
tetanus
adjective
1. zonder of met heel weinig hoofdhaar, veren, bladeren, begroeiing, enzovoort
calvus
exilis
glaber
nudus
tenuis
noun
1. het kaal zijn
calvitium
noun
1. een in zee vooruitstekende landpunt
caput
/
ˈkaːp.stɑn.dər/
noun
1. kaapstander
ergata
/
kab.ˈvɛr.di.jə/, /
kap.ˈfɛr.di.jə/
pronoun
1. een land in West-Afrika
Insulae Gorgades
verb
1. het behandelen van ruwe katoen of wol met behulp van een kaard
carminō
/
kars/
noun
1. een staaf of klomp van brandbaar materiaal met een lont
candela
noun
- 1. schematische afbeelding van een ruimtelijk gebied op een plat vlak in een verkleinde schaal
- 2. bedrukt kartonnen vel dat met de post verstuurd kan worden
- 3. kartonnen of plastic vel uit een kaartspel, om mee te spelen
charta
- nog in te delen vertalingen
tabula
noun
2. papier(tje) of digitaal document als bewijs dat je ergens recht op hebt, zoals toegang of deelname
tessera
/
kartspɛl/
noun
1. een spel met speelkaarten
ludus chartarum
noun
1. voedingsproduct gemaakt van gestremde melk
caseus
formaticum
noun
1. lijn van 3 tot 6 ineengedraaide touwen van hennep, kunststof, staal of ander materiaal
saphon
noun
1. Gadus morhua, middelgrote zoutwatervis
cabellauwus
/
'kabul/
pronoun
1. Afghaanse stad/provincie
Cabulium
/
ˈkɑxtəl/, /
ˈkɑxtəɫ/, /
ˈkɑχtəɫ/
noun
1. een jong van een paard.
equulus
noun
1. dood lichaam van een dier
cadaver
noun
2. situationele context, raamwerk, verband
connexus
/
kɑf/
noun
1. de vliezen rondom de graankorrels
apluda
verb
1. geluiden voortbrengen zoals kippen dat doen
glocido
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Blattodea
blatta
tinea
noun
1. tabel die de verdeling van het jaar in dagen, weken of jaren aangeeft, evt. met feestdagen enz.
calendarium
fasti
noun
1. jong van het rund en sommige andere zoogdieren.
vitellus
vitulus
noun
1. scheikundig element met symbool K en atoomnummer 19
kalium
potassium
/
ˈkɑl(ə)k/
noun
aanduiding voor een aantal alkalische zouten van calcium
calx
noun
1. bepaald soort gedomesticeerde vogel, Meleagris gallopavo
gallopāvō
/
ˌkɑ.lɪ.ˈpi.ɣɪs/
adjective
1. met een mooi achterste
cūlōsus
/
kɑlm/
adjective
1. weinig in beroering, zonder opwinding
placidus
/
kɑm/
noun
1. getand object om haren mee te verzorgen
pecten
/
kɑ'mel/
noun
1. bepaald soort hoefdier met twee bulten op de rug, Camelus bactrianus
camelus
camela
camēla
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Chamaeleon
/
ka'melejɔn/
noun
1. tropische hagedis vooral bekend voor zijn snelle kleurveranderingen
chamaeleon
noun
1. deel van een huis
cella
/
ˌka.mə.ˈrun/
pronoun
1. een land in Midden-Afrika, officieel de Republiek Kameroen
Cameronia
noun
1. kamertoon
tonus symphonicus
noun
1. elk van de planten van het geslacht Matricaria
camomilla
/
kɑmə(n)/
verb
1. met een kam haar in orde brengen
pectino
noun
- 1. een plaats waar een aantal troepen geruime tijd of permanent gehuisvest zijn
- 2. een kampeerplaats met een groep van bij elkaar horende tenten
castra
verb
1. een vorm van openluchtrecreatie
vivo in castrum
noun
1. geslacht van klimstruiken (Lonicera)
caprifolium
/
kɑmpiun/
noun
1. de winnaar van een kampioenschap
adversaria
noun
1. serviesgoed om vloeistoffen uit te schenken
hirnea
pronoun
Oceanus Britannicus
/
ka'naːl/
noun
canalis
fossa
noun
1.1 bepaald soort vogel Serinus canarius
passer
pronoun
1. een stad gelegen in Zuid-Afghanistan en de hoofdstad van de gelijknamige provincie
Alexandria Arachosia
/
kɑndiˈdat/
noun
- 1. iemand die zich verkiesbaar gesteld heeft voor een politiek ambt
- 2. iemand die zich beschikbaar gesteld heeft voor een baan of functie
candidatus
/
kɑˈnel/
noun
1. een specerij van de gedroogde binnenbast van de kaneelboom,...
cinnamum
casia
noun
1. benaming voor zoogdieren uit het geslacht Macropus
halmaturus
noun
1. een aandoening die gekenmerkt wordt door het ongecontroleerd vermenigvuldigen van cellen
cancer
noun
1. onderzoek naar de verschillende aspecten van kwaadaardige aandoeningen
cancerologia
noun
1. mens die of dier dat vlees van zijn eigen soort eet
anthrōpophagus
noun
1. een instrument om explosieve projectielen weg te schieten
tormentum bellicum
noun
- 2. een mooie gelegenheid
accidentia
- 1. mogelijkheid dat er iets gaat gebeuren
probabilitas
noun
- 1. eerste minister
- 2. hoofd van een kanselarij
cancellārius
/
kɑnt/
noun
- 3. zijde
latus
- 1. een vorm van vlechtwerk
reticulum
noun
1. eetgelegenheid in bedrijven, scholen, verenigingen
caupona castrensis
noun
1. een instelling waar allerlei administratieve handelingen worden uitgevoerd
tablīnum
noun
1. een titel die aan bepaalde geestelijken wordt verleend binnen enkele christelijke kerkgemeenschappen.
canonicus
noun
1. de waardigheid en taken van een kanunnik
canonicatus
noun
1. de waardigheid en taken van een kanunnik
canonicatus
/
kɑp/
noun
2. een bedekking van het hoofd
cucullus
noun
1. klein kerkgebouw
aedicula
/
'kɑ.pər.tʲə/
noun
2. klein groen bloemknopje van de kappertjesplant, Capparis spinosa, dat meestal op zuur bewaard wordt en dat als kruiderij gebruikt wordt
capparis
noun
1. de manier waarop het haar geknipt is
capillamentum
noun
1. een geweer met ingekorte loop en soms ook ingekorte schoudersteun
carabina
noun
1. gebrande suiker
calamus
noun
1. japanse gevechtsport
carate
/
kɑrboˈnadə/
noun
1. een stuk vlees van een varken, kalf of lam
praecīsum
noun
1. hoge geestelijke in de hiërarchie van de Rooms-Katholieke Kerk,...
cardinalis
noun
1. en 2. bladeren van Cynara cardunculus
cactus
/
kɑˈrelɪə/
pronoun
1. deel van Rusland
Carelia
pronoun
1., 2. en 3.
Thermae Carolinae
noun
1. een rode kleurstof die wordt gewonnen uit een soort schildluis, de Cochenilleluis, Dactylopius coccus Costa
cocceus
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het zuiden van het land
Carnatica
noun
1. gefermenteerde melk
oxygala
noun
1. bepaald soort grote zoetwatervis met een hoge rug, die van oorsprong uit Azië komt, Cyprinus carpio
carpa
noun
plant, zaad en specerij
cuminum
pronoun
1. een grote door land omsloten zoutwatervlakte op de grens van Europa en Azië
Caspium mare
pronoun
1. Duitse stad
Casella
noun
1. iemand die het beheer heeft over de kas en de mutaties ervan bijhoudt
cistellātrix
/
kɑs/, /
kɑst/
noun
1. een meubel om gebruiksvoorwerpen in op te bergen, meestal voorzien van horizontale schappen
armarium
noun
- 1. de boom
- 1. de vrucht
castanea
noun
1. een middeleeuwse versterkte woning
castellum
noun
1. bepaald soort zoogdier, Felis sylvestris catus
feles
felis
noun
- 1. belegeringswapen
- 3. lanceerinrichting voor vliegtuigen
- 2. speeltuig
catapulta
noun
2. gevolgen van alcoholgebruik
crapula
noun
1-2 scheikunde + elektronica
cathodus
/
kɑˈtun/
noun
1. een zachte vezel die uit de opperhuid (epidermis) van de zaden van de katoenplant groeit
linum xylinum
noun
1. een werktuig dat het mogelijk maakt een last met een beperkte kracht te verplaatsen
trochlea
noun
1. bepaald soort loofboom Salix viminalis
vīmen
pronoun
1. gebergte
Caucasus
noun
1. Corvus monedula, eem zwarte kraaiachtige zangvogel met een grijze nek
monedula
noun
1. een zacht samenhangend snoepgoed dat niet bedoeld is om in te slikken
masticatorium
/
ˈka.zɑx.stɑn/, /
ˈka.zɑχ.stɑn/
pronoun
1. een land in Centraal-Azië en het uiterste oosten van Europa
Cazastania
Casachia
noun
1. gebouw waar soldaten gelegerd zijn
castra
noun
1. een mouwloos opperkleed dat door een priester gedragen wordt bij het lezen van de mis
casula
pronoun
1. oudste zoon van Adam en Eva
Cain
/
keːl/
noun
1. voorste, uitwendige gedeelte van de hals
gula
noun
1. telkens terugkerend tijdstip waarop iets gebeurt
versātiō
noun
1. een steile wand waarachter grond of water wordt vastgehouden
abamūrus
noun
1. een steile wand waarachter grond of water wordt vastgehouden
abamūrus
/
ˈke.xəl/
noun
1. een meetkundig lichaam met een cirkel als grondvlak en uitlopend in een punt
conus
noun
1. een monarch van de allerhoogste rang, oorspronkelijk die van het Romeinse rijk
imperator
noun
1. een vrouwelijke monarch van de allerhoogste rang, oorspronkelijk die van het Romeinse rijk
imperatrix
noun
1. een gebied waar een keizer het staatshoofd is
imperium
noun
1. operatieve verlossing
sectio caesarea
noun
1. een ondergrondse bergruimte
cella
/
kɛɫtən/
noun
2. Indo-Europees volk waarvan de meeste leden op de Britse eilanden en in Bretagne leven
Celtae
/
ˈkɛl.tis/, /
ˈkɛɫ.tis/
adjective
1. met betrekking tot Kelten
celticus
pronoun
1. zanderige streek in het noordoosten van België en in het zuiden van de Nederlandse provincie Noord-Brabant
Campina
noun
1. bepaald soort vogel, Calidris pugnax
cicirrus
/
ˈke.ni.ja/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika, de Republiek Kenia, grenzend aan Somalië, Ethiopië, Oeganda, Tanzania en de Indische Oceaan
Kenia
verb
- 1. bekend, vertrouwd zijn met
- 2. door studie of oefening geleerd hebben
agnosco
/
ˈkɛnɪs/
noun
1. wat je weet of hebt geleerd
cognitio
/
kɛrk/
noun
- 1. openbaar gebouw voor religieuze handelingen of samenkomsten
- 2. Christelijke organisatie voor beleving van een specifieke christelijke godsdienst
- 3. Georganiseerde groep die bepaalde christelijke standpunten aanhangt
ecclesia
noun
1. bijeenkomst van een christelijke gemeente waarin God vereerd wordt
missa
/
kɛrkər/
noun
1. een ondergrondse ruimte die bestemd is voor het opsluiten van gevangenen
carcer
noun
1. terrein waar overledenen begraven worden
coemeterium
/
ˈkɛrgœːl/, /
ˈkɛrkœʏ̯ɫ/, /
ˈkɛrkœːl/
noun
1. bepaald soort vogel, Tyto alba
parra
noun
1. het proces waarbij twee atoomkernen botsen en één zwaardere kern vormen waarbij energie vrij komt
confusio atomica
noun
1. steenvrucht van een kersenboom, Prunus subg. Cerasus
cerasum
/
ˈkɛr.sə.ˌlaːr/
noun
- 1. een boom uit het geslacht Prunus
- 2. het hout van een boom uit het geslacht Prunus
cerasus
noun
1. benaming voor bomen waaraan kleine ronde vruchten groeien, uit het ondergeslacht Prunus subg. Cerasus
cerasus
/
kɛr.ˈsta.vɔnt/, /
kɛr.ˈz(d)a.vɔnd/
noun
dies natalis
/
ˈkɛrsd.bom/, /
ˈkɛrz.bom/
noun
1. rond Kerstmis opgestelde naaldboom met allerlei versieringen
arbor natalicia
/
ˈkɛrs(t)məs/, /
ˈkɛrsmɪs/, /
ˈkɛrstmɪs/
noun
1. een feest ter herinnering van de geboorte van Jezus met een vieringsdatum die verschilt per christelijke traditie
Christi Natalis
/
ˈkɛr.stɑl/, /
ˈkɛr.stɑɫ/
noun
1. een voorstelling van de geboorte van Jezus met figuren van hout of gips, die vooral in katholieke gezinnen rond Kerstmis in huis te vinden is, vaak onder de kerstboom
praesepe
noun
2. keukenkruid
caerefolium
scandix
pronoun
1. dorp in het noordoosten van Belgisch-Limburg
Cassiniacum
noun
1. een saus op basis van tomaten
lycopersici liquamen
noun
- 1. meestal rond metalen vat, vaak geschikt om onder druk gezet te worden
aena
- 2. waterketel
cortīna
/
ˈke.təl.dɑl/, /
ˈke.təɫ.dɑɫ/, /
ˈkeː.təl.dɑl/
noun
1. een half cirkelvormige vallei gevormd door de erosie die een gletsjer veroorzaakt
collis cavus
noun
1. uit losse, vaak metalen, schakels in een enkele rij aaneengeregen voorwerp
catena
noun
1. iemand die vanwege afwijking van de katholieke leer tot misdadiger verklaard was
haereseus
/
ˌkɛtəˈrɛɪ/
noun
1. het ingaan in woord of gedachte tegen de doctrines van de kerk
haeresis
noun
- 1. een aaneengesloten reeks van gelijksoortige elementen, gebeurtenissen etc.
- 2. een stevige, maar buigzame verbinding van in elkaar grijpende ringen of achtvormige schakels
- 5. schering, de rechte draden waartussen de inslag ingeweven wordt
catena
- 4. een snoer bestaande uit een draad die door doorboorde kralen of andere voorwerpen gevoerd is
monile
/
ˈkøːkə(n)/
noun
- 1. een plaats waar gekookt wordt, ruimte waarin mensen hun voedsel bereiden
coquina
culina
- 2. de wijze waarop in een land of streek gekookt wordt
culina
coquina
pronoun
Colonia Agrippina
CCAA
noun
1. het besluit om uit verschillende mogelijkheden er één te nemen
delectus
/
ˈkevər/, /
ˈkɛvər/
noun
- 1. bepaald insect
- 2. bepaald type Volkswagen
coleopterum
/
ˈkiːbɔː(r)d/, /
ˈkiːbɔː(r)t/
noun
- 1. een elektronisch muziekinstrument met een toetsenbord
- 2. een apparaat waarmee, door toetsen in te drukken, gegevens in een computer ingevoerd kunnen worden
clāviatūra
/
kɪbələ(n)/
verb
1. woordenstrijd hebben
cavillari
verb
1. wederrechtelijk en onder dwang iemand weghalen
rapiō
noun
1.1 benaming voor roofvogels uit het geslacht Circus
circus
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Carina
noun
- 1. verlenging van de onderzijde van een (zeil)schip
- 1. plectrum
carina
verb
1. het prikkelen van gevoelige stukken huid bij anderen door middel van licht aanraken
tītillō
noun
1. ademhalingsorgaan van vele in water levende dieren
branchia
pronoun
1. de hoofdstad van Oekraïne
Kiovia
noun
1. iemand die stemt bij een politieke verkiezing
elector
noun
1. iemand die kijkt
spectātor
noun
1. benaming voor amfibieën uit de orde Anura
rana
noun
1. en 2. (zaden van) de plant Cicer arietinum
cicer
noun
1. kikker- of paddenlarve
gyrinus
abbreviation
1. kilogram
chiliogramma
kilogramma
noun
1. duizend meter
chiliometrum
noun
1. het vooruitstekende deel van de onderkaak
mentum
noun
- 1. mens tussen 0 en 18 jaar
liber
puer
- 2. persoon voortkomend uit
puer
filia
adjective
1. zich niet als volwassene gedragend alsof men nog een kind is
puerīlis
/
kɪŋk(h)ust/
noun
1. een bepaalde kinderziekte die veroorzaakt wordt door de bacterie Bordetella pertussis
pertussis
/
kɪp/
noun
1. Gallus gallus domesticus, gedomesticeerde vogel uit de familie van de hoenderachtigen
gallina
noun
hok voor kippen
gallinārium
/
ˈkɪpəvɛɫ/
noun
1. het verschijnsel waarbij als gevolg van kou de huid gaat kleine bubbeltjes vertoont
cutis anserina
/
kɪr.ˈɣi.zi.jə/, /
kɪr.ˈχi.zi.jə/
pronoun
1. een land in Centraal Azië, officieel de Kirgizische Republiek, dat geheel door land omsloten is
Chirgisia
/
ˌki.ri.ˈbɑs/
pronoun
1. land in Oceanië, officieel de Republiek Kiribati
Kiribati
/
klaːr/
adjective
- 1. in staat van gereedheid gebracht, gereed
aptus
- 2. helder, duidelijk
clārus
noun
1. helderheid, transparantie
claritudo
verb
- 1. voorbereiden
- 2. uit ingrediënten klaarmaken
paro
verb
1. ongenoegen uiten
queror
noun
1. fijn net waaronder men slaapt om muggen buiten te houden
conopium
noun
1. in het algemeen wordt hiermee het totaal aan eigenschappen van een geluid aangeduid
canor
/
ˈklɑŋknabotsɪŋ/
noun
- 1. het (proberen) een zelfde geluid te produceren
- 2. een woord dat is ontstaan uit het proberen een geluid na te doen
onomatopoēticum
noun
1. afnemer van een product of dienst van een leverancier
cliens
verb
1. applaudisseren
applaudō
noun
1. Papaver rhoeas, een plant met een felrode bloem uit de familie Papaveraceae
papaver
noun
1. een houten blaasinstrument waarop de melodie wordt gespeeld in een harmonie
clarinetum
/
klɑs/
noun
- 1. een groep leerlingen die een tijdlang gezamenlijk les krijgen
- 2. een leerjaar op school
- 3. een klaslokaal
classis
noun
1. een ruimte in een school voor het geven van les aan scholieren
aula magna
/
klʌu/
noun
- 1. poot van een roofdier
- 2. hand
unguis
noun
1. langwerpig vierkant toetsinstrument dat behoort tot de muzikale familie van de toetsinstrumenten.
clavichordium
noun
1. toetsinstrument
harpicordium
noun
1. langwerpig vierkant toetsinstrument dat behoort tot de muzikale familie van de toetsinstrumenten.
clavichordium
verb
1. kleren aandoen
vestiō
noun
1. het textiel voor de bedekking van het lichaam
vestis
pronoun
1. stad in Duitsland
Clivia
noun
1. iemand wiens beroep bestaat uit het maken van kleding.
sartorius
/
klɛɪ̯/, /
klɛː/
noun
1. zeer fijne, vochthoudende grondsoort
argilla
adjective
1. van geringe grootte
parvus
/
ˈklɛɪndɔxtər/
noun
1. een dochter van iemands kind, een vrouwelijk kleinkind
nepos
pronoun
1. een hoog aan het noordelijk halfrond duidelijk sterrenbeeld
Ursa Minor
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Canis Minor
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Leo Minor
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Hydrus
/
ˈklɛːŋkɪnt/, /
ˈklɛːɪŋkɪnt/
noun
1. kind van zoon of dochter
nepos
noun
1. een zoon van iemands kind, een mannelijk kleinkind
nepos
noun
1. de onweerstaanbare drang om te stelen
cleptomania
/
ˈkleː.rən/
noun
1. kleding of kledingstukken
velāmen
verb
2. praten, babbelen
garrire
/
kløːr/
noun
1. het onderscheid dat gemaakt wordt op basis van het verschil in golflengte van licht
color
adjective
1. vol opvallende kleuren
colōrātus
noun
1. stof waarmee men iets kleurt
tinctūra
/
ˈkleːvərɪx/
adjective
1. vasthechtend bij aanraking
viscidus
noun
1. steile hoge rots
rūpēs
noun
1. de gemiddelde natuurlijke gesteldheid van de lucht en het weer in een gebied op een planeet
clima
noun
1. de verandering van het klimaat in een bepaald gebied over een bepaalde periode, m.n. de wereldwijde opwarming sinds de 19e eeuw
climatis mutatio
/
klɪmɑtoloˈɣi/
noun
1. leer van de lucht- en weersgesteldheid.
climatologia
verb
1. het bewegen in een omhooggaande richting dan wel over obstakels
ascendō
/
'klɪ.mɔp/
noun
1. Hedera helix, een groenblijvende houtige plant
hedera
pronoun
1. een kunsttaal die uitgevonden is door Marc Okrand voor Star Trek-films
Klingonica
/
ˈklɪŋkər/
noun
1. een klank van de menselijke spraak waarbij geen obstructie in de ademstroom aangebracht wordt.
vōcālis
/
ˈklɪŋk.(h)uf/, /
ˈklɪŋk.huf/
noun
1. een paard, met name een dier met klinkende hoeven
sonipes
noun
1., 2. plant met kleverige bloemknoppen
lappa
noun
- 2. een belvormige idiofoon, vooral bekend van kerktorens en carillons
campana
- 1. een instrument dat de tijd bijhoudt
horologium
/
klɔmp/
noun
1. schoeisel van hout, eventueel in combinatie met leer
sculpōnea
verb
1. klonten vormen
concrescō
noun
1. een ten gevolge van erosie, diep uitgesleten rivierdal, met steile wanden
pyla
/
klostər/
noun
- 1. een gebouw waarin een kloostergemeenschap gevestigd is
- 2. een kloostergemeenschap als zodanig
monasterium
verb
- 2. hoorbaar bewegen
- 5. verslaan
pello
- 1. tegen iets slaan
pulsō
/
klœʏs/, /
klœːs/
noun
1. een tegen inbraak en brand beveiligde kist of kast
arca
noun
1. iemand die alleen en in afzondering leeft
inclūsus
verb
1. met de tanden aanvreten
rodo
adjective
2. aantrekkelijk
formōsus
verb
1. de kaken op elkaar geklemd over elkaar bewegen, gewoonlijk uit ergernis of frustratie
frendo
verb
1. een massa soepel maken door er steeds in te knijpen
depsō
noun
1. bepaald soort vinkachtige, Carduelis cannabina
cannabina
/
ˈknøzɪŋ/
noun
1. een onderhuidse beschadiging van het zachte weefsel, veelal veroorzaakt door een bot voorwerp of een val
contūsiō
noun
1. gewricht in het midden van het been dat het bovenbeen met het onderbeen verbindt
genu
noun
1.1. buiging als eerbetoon
genuflexio
verb
1. op de knieën gaan
genuflecto
noun
1. het schijfvormige bot in de knie
patella
verb
1. tussen twee punten druk uitoefenen
vellico
/
'knɪkə(n)/
verb
1. een verticale beweging met het hoofd maken
adnuō
nūtō
verb
- 1. met een schaar uitsnijden
- 3. (informatica) overnemen van informatie
curto
noun
1. looksoort Allium sativa met samengevouwen bol
allium
noun
1. vingergewricht
articulus digiti
noun
- 3. aftands werkpaard.
caballus
- 2. koolraap, een eetbare wortel van een plant uit het geslacht Brassica.
rapum
noun
- 3. aan een jas e.d.
bulla
globulus
- 1. in een draad
- 2. snelheidsmaat
nodus
/
'knɔrə(n)/
verb
1. een geluid voortbrengen zoals een varken
grunnire
noun
1. omhelzing
complexus
noun
1. een Australisch buideldier
Phascolarctos cinereus
noun
1. scheikundig element met symbool Co en atoomnummer 27
cobaltum
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Araneae
aranea
noun
1. vrouwelijk rund
vacca
bos
noun
1. de platte ronde uitwerpselen van een koe
bolbiton
noun
1. een platte pan met een lang handvat
sartāgō
/
[ˈkuc̠͡ç̠jø̜]/
noun
2. klein baksel dat meestal bij de koffie of thee genuttigd wordt
crustulum
noun
1. bepaald soort vogel, Cuculus canorus
cuculus
adjective
1. met een naar verhouding lagere temperatuur dan de warme of hete omgeving
algidus
noun
1. een huishoudelijk apparaat voorzien van een koelinstallatie,...
frigidarium
noun
1. een gewelf in de vorm van een halve bol of een halve ellipsoïde
tholus
pronoun
1. een taal die door de Koerden gesproken wordt
curdicus
verb
1. iets geliefds nauw aan het hart houden
foveō
noun
1. vierwielig rijtuig met vering, vaak gesloten, dat getrokken wordt door paarden
carpentum
noun
1. stevige metalen stang voorzien van een gespleten einde, gebruikt om er zaken mee open te breken
vectis
/
ˈkuwɛɪ̯t/, /
ˈkuʋɛɪ̯t/, /
ˈkuβ̞ɛ:t/
pronoun
1. een kleine olierijke monarchie op het Arabische schiereiland in Azië aan de kust van de Perzische Golf
Cuvaitum
noun
1. draagbare bergruimte van stevig materiaal met een handvat, waarin spullen kunnen worden meegenomen tijdens het reizen
riscus
noun
1. het gedeelte van een auto waar de bagage in geplaatst wordt
receptaculum sarcinarium
noun
1. drank uit koffiebonen
cafea
coffea
coffeum
noun
1. een uitspanning waar men koffie kan nuttigen
caupona cafearia
verb
1. vloeistof verwarmen totdat er zich in de hele vloeistof bellen vormen die naar boven stijgen en openspringen
coquere
/
'kokɔsnot/
noun
1. holle vrucht van de kokospalm met wit vruchtvlees en een vezelige bast
cocus
noun
1. een zeer klein vogeltje met een zeer snelle vleugelslag van de familie Trochilidae uit de orde der grootvleugeligen
colibris
adjective
1. betrekking hebbend op koloniën en het hebben van koloniën
colōnicus
/
koˈloni/
noun
1. een vestiging van een deel van een bevolking, buiten het eigenlijke territorium van dat volk
colōnia
noun
1. iemand die zich in een kolonie heeft gevestigd
colonus
noun
1. eetgerei zoals een bord, maar dan dieper
catinus
/
koˈmedi/
noun
- 1. een blijspel
- 2. aanstellerij
comoedia
noun
1. een licht hemellichaam van ijs, gas en stof, zich in een baan ver buiten die van de planeten bewegend, dat bij het naderen van de zon een wolk van gas en gruis in de vorm van een staart ontwikkelt
cometes
pronoun
- 1. deelgemeente van de Belgische provincie Henegouwen
- 2. Franse gemeente aan de andere kant van de Leie
Comineum
verb
1. bewegen van verder weg naar dichterbij
venire
venio
noun
1. iemand die een publiek vermaakt door ze aan het lachen te brengen
comoedus
noun
plant, zaden en specerij
cumin
/
kɔm.ˈkɔ.mər/
noun
1. Cucumis sativus, een langwerpige vrucht die men vooral rauw als salade eet
cucumis
/
ˈkɔma/
noun
1. een leesteken dat een pauze aangeeft
comma
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Pyxis
noun
1. instrument waarvan de naald het magnetische noorden aanwijst
pyxis nautica
noun
1. een persoon die werkzaam is in de mijnbouw
metallārius
/
kɔˈnɛɪn/, /
kɔˈnɛːn/
noun
1. zoogdier dat ook gedomesticeerd kan worden gehouden
cuniculus
/
ˈkonɪŋ/, /
ˈkoːnɪŋ/
noun
- 1. het mannelijk hoofd van een koninkrijk
- 2. speelkaart waarvan de waarde meestal tussen die van de vrouw en de aas ligt
rex
/
konɪˈŋɣɪn/, /
konɪˈŋɪn/, /
koʊnɪˈŋɪn/
noun
regina
pronoun
1. een stad in het voormalige Oost-Pruisen
Regiomontium
noun
1. een bewuste moord op een koning.
regicidium
/
ˈkonɪŋklək/
adjective
1. betrekking hebbend op een koning, koningin, aan of bij hem, haar behorend, van hem, haar uitgaand
regalis
/
ˈkonɪŋkˌrɛɪ̯k/, /
ˈkoːnɪŋkˌrɛɪ̯k/, /
ˈkoːnɪŋkˌrɛːk/
noun
1. staatsvorm met een koning aan het hoofd
regnum
noun
1. de billen, het achterwerk
culus
/
koːɪ/
noun
1. een uit tralies of gaas gemaakt voorwerp dat een ruimte omsluit
cavea
noun
- 1. een eetbare plant met veel ondersoorten uit de kruisbloemfamilie
brassica
crambe
- 2. een zwarte brandstof die voornamelijk uit koolstof bestaat
carbo
noun
1. reukloos gas dat ontstaat bij volledige verbranding van koolstof
dioxydum carbonicum
/
ˈkol.stɔf/
noun
2. een chemisch element en een kleurloos niet-metaal
carbonium
noun
1. verbinding met moleculen van één atoom zuurstof en één atoom koolstof (CO)
monoxeidium carbonicum
/
kol'watərstɔf/
noun
1. een verbinding die uit koolstof en waterstof is opgebouwd
hydrocarboneum
noun
1. iets wat men voordelig aanschaft
instipulor
noun
1. een groep mensen die samen zingen
chorus
noun
1. (medisch) verhoging van de lichaamstemperatuur
febris
noun
- 1. hoofd van een dier
- 2. hoofd van een mens
- 9. zijde van een geldstuk met een afgebeeld hoofd
caput
verb
1. in ruil voor geld iets in bezit krijgen
emo
emere
noun
- 2. scheikundig element met symbool Cu en atoomnummer 29
cuprum
aes
cyprum
- 1. persoon die koopt
emtor
noun
1. een afschrift of andere reproductie van een document of ander voorwerp
exemplar
/
kopi<sup>j</sup>'ɪːrə(n)/
verb
1. een duplicaat maken van
exscribo
noun
1. iemand die probeert mensen van verschillende groepen met elkaar in contact te brengen (met name voor een huwelijk)
conciliātrix
noun
benaming voor dieren uit de klasse Cephalopoda
cephalopūs
noun
1. stel van twee kleine luidsprekers die men tegen of in de oren plaatst
auscultābulum
noun
1. skelet van de koraalpoliep
corallium
pronoun
1. (de tekst van) het heilig boek van de islam
Alcoranus
/
koˈre.ja/
pronoun
1. een schiereiland in Oost-Azië
Corea
/
koreˈjaːns/
pronoun
1. taal die in Korea gesproken wordt
Lingua Coreana
noun
1. een mand van vlechtwerk
corbis
noun
1. en 2. (gedroogde) zaden van Coriandrum sativum
coriandrum
/
kɔrst/
noun
1. een harde buitenste laag om iets dat verder relatief zacht is
crusta
adverb
- 2. van geringe lengte
- 1. van geringe duur
brevis
pronoun
1. een stad in de Belgische provincie West-Vlaanderen
Cortoriacum
noun
1. het gehele tijd-ruimte continuüm waarin wij bestaan, samen met alle materie en energie
mundus
/
ˈkɔsɔˌvo/
pronoun
1. land op het Balkanschiereiland dat volgens Servië een provincie van Servië is, maar dat zichzelf als een onafhankelijke staat beschouwt
Kosovia
verb
1. als te betalen prijs hebben
consto
noun
1. kerkelijke bediende, die met de zorg van het kerkgebouw, en het vlot verloop van de kerkdiensten belast is
aedituus
/
kotəˈlɛt/
noun
1. een stuk vlees van een varken, kalf of lam
praecīsum
verb
1. de maaginhoud via de mond weer naar buiten werken
vomitus
/
kɑu̯/
noun
1. lage temperatuur
algor
/
kʌʊt/
adverb
1. niet warm, fris, kil, koel
frigidus
/
ˈkɑu̯də/
noun
1. het koud zijn
algor
noun
1. de afsterving en ontbinding van een levend organisme
gangraena
/
kaʊ̯s/, /
kɔʊ̯s/, /
kʌʊ̯s/
noun
1. een aansluitend, meer of minder elastisch kledingstuk dat de voet en (een deel van) het been bedekt
tībiāle
/
kraɪ̯/, /
kraːɪ̯/
noun
1.1 bepaald soort zwarte vogel, Corvus corone
corvus
cornix
/
ˈkraɪ̯.jə/, /
ˈkraː.jə/
verb
1. het voor de haan kenmerkende geluid voortbrengen
cantō
noun
- 1. nest van een kraai
- 2. uitkijkplaats in de mast van een schip
carchesium
/
ˈkrakben/
noun
1. een speciale vorm van bindweefsel met een elastisch karakter als gevolg van eigenschappen van de extracellulaire matrix
cartilago
noun
4. werktuig om voorwerpen in de hoogte te verplaatsen
grūs
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Grus
noun
1. bepaald soort grote vogel, Grus grus
grus
noun
1. kreeftachtige die leeft in de nabijheid van water
cancer
verb
1. met de nagels bewerken
scabere
noun
1. vermogen om iets te verrichten
fortitudo
adjective
1. beschikkend over veel kracht
validus
pronoun
1. na Warschau en Łódź de op twee na grootste stad van Polen
Cracovia
noun
1. een toestand van onwillekeurige en aanhoudende samentrekking van een spier
pnix
noun
1. klassiek massamedium, gedrukt op papier en gericht op het verspreiden van nieuws
acta diurna
pronoun
2. teken van de dierenriem van 21 juni tot 23 juli
Cancer
/
kreːft/
noun
1. zeekreeft, hommer
locusta
pronoun
1. bij Griekenland behorend eiland in de Egeïsche Zee
Creta
verb
2. gekreukt raken
caperrō
/
krøpəɫə(n)/
verb
1. kreupel slaan, een persoon of dier dusdanig letsel toebrengen dat het zich voortbewegen blijvend bemoeilijkt of onmogelijk wordt
debilito
noun
1.laag stuikgewas waarbij de takken van de boompjes door elkaar heen groeien
rāmālia
/
ˈkrɛɪ.ɣə(n)/
verb
1. verwerven, ontvangen
recipio
noun
1. iemand die zich toelegt op het voeren van oorlog, met name tussen stammen
bellator
noun
1. een handeling die erop gericht is om door list en bedrog de vijand te misleiden, zoals het verspreiden van valse geruchten
stratēgēma
verb
1. luidkeels schreeuwend een hoog geluid voortbrengen
quirītō
noun
- 1. wit mineraal dat uit calciumcarbonaat bestaat
creta
- 2. schrijfmateriaal uit dat materiaal vervaardigd
crēta
/
krɪm/
pronoun
een schiereiland aan de noordkust van de Zwarte Zee
Crimaea
noun
1. een ronde figuur zoals een cirkel
circulus
noun
1. een hoeveelheid ordelijk gerangschikte atomen of moleculen in vaste vorm
crystallum
adjective
1. op het scherp van de snede, met onzekere uitkomst, zeer ernstig
sonticus
/
kroˈwatis/, /
kroˈwaːtɪs/
pronoun
1. een taal die vooral in Kroatië gesproken wordt
croaticus
/
kroˈwatsi.jə/, /
kroˈwaːsi.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Europa ten zuiden van Hongarije
Croatia
/
krux/
noun
1. publieke drinkgelegenheid
taberna
/
krokoˈdɪl/
noun
1. een groot, in het water levend reptiel dat behoort tot de familie der Crocodylidae
crocodilus
crocodīlus
noun
1. irisachtige lentebloem
crocus
noun
1. een zwaard met een gekromde kling waarvan de oorsprong van het ontwerp in West-Azië ligt
acīnacēs
verb
1. iemand tot koning of koningin maken door hem of haar in een ceremonie een kroon op het hoofd te zetten
corōnāre
/
ˈkronɪŋ/
noun
ceremonie
corōnātiō
noun
1. hoofddeksel dat door een vorst gedragen wordt
corona
noun
- 2. keelzak
ingluvies
- 3. aandoening van de schildklier
strūma
/
krœʏ̯t/, /
krœːd/, /
krœːt/
noun
gramen
verb
1. specerij bij een gerecht doen
condio
noun
- 1. winkelier in levensmiddelen
holitor
- 2. winkel met levensmiddelen
macellum
noun
1. specerij van de kruidnagelboom
syzygium aromaticum
/
krœyjər/
noun
1. iemand die bagage vervoert op o.a. stations en vliegvelden
bāiulus
noun
- 1. geometrisch figuur
- 4. symbool
crux
noun
1. kleine vinkachtige zangvogel
loxia
noun
1. Ribes uva-crispa
grossularia
verb
1. een vorm van executeren: aan het kruis hangen tot de dood erop volgt
cruci adfigo
noun
1. een plaats waar twee of meer wegen elkaar kruisen
travectio
noun
1. kruiswoordpuzzel
crucigramma
noun
1. een eenwielige kar met twee lange handgrepen voor het transport van zware, meestal losse lading
pabo
noun
2. lok haar die de vorm van [1] aanneemt
cirrus
adjective
1. met veel kronkels en krullen
crispus
noun
1. scheikundig element met symbool Kr en atoomnummer 36
krypton
noun
1. 20-eeuwse stroming binnen de beeldende kunst waarin de werkelijkheid op een sterk vereenvoudigde manier wordt weergegeven
cubismus
noun
1. een regelmatig zesvlakkig lichaam, begrensd door zes gelijke vierkanten
cubus
verb
1. kort en zacht hoesten
tussiō
/
'kɵdə/
noun
1. een groep samenlevende (zoog)dieren
grex
armentum
/
ˈkœʏ̯kə(n)/, /
ˈkœːkə(n)/
noun
donzig jong vogeltje
pullus
noun
1. uitholling, holte, diepte
fovea
noun
1. deel van het been
sura
noun
1. het achterste van beide botten in het onderbeen van de mens
fibula
/
kykələky/
interjection
1. het geluid van een haan
coco coco
verb
1. in staat zijn om, het vermogen hebben om
possum
noun
1. toepassing van opvallende vaardigheid en verbeelding om iets moois of betekenisvols te scheppen
ars
noun
1. iemand die zijn creatieve talenten gebruikt om kunst te maken
artifex
adjective
1. door menselijk, moedwillig ingrijpen tot stand gekomen
artificialis
noun
1. iemand die de kunstschaatssport beoefent
desultor
noun
1. een schilder van kunstwerken
pictor
/
ˈkʏns.tal/, /
ˈkʏns.taɫ/
noun
1. een artificiële of geconstrueerde taal is een taal waarvan de structuur, vocabulair en grammatica speciaal ontworpen is door een individu of een kleine groep, inplaats van op een natuurlijke wijze geëvolueerd in een cultuur
lingua artificialis
lingua constructa
/
kʏrk/
noun
- 1. afdichting voor flessen, gemaakt uit de veerkrachtige schors van een bepaalde boomsoort, Quercus suber
- 1. licht, poreus materiaal, afkomstig van de kurkeik
cortex
/
kʏr.kɛi̯k/, /
kʏr.kɛːk/, /
kʏrk.ʔɛi̯k/
noun
1. Quercus suber; een boom uit de napjesdragersfamilie
suber
noun
1. een werktuig om flessen te ontkurken
extraculum
noun
1. het de lippen ergens tegenaandrukken om affectie uit te drukken
basium
noun
1. een met zacht materiaal gevulde zak, dienende om het (slaap)comfort van de gebruiker te verbeteren
culcita
verb
1. een kus geven
basiare
/
'kɵst/
noun
1. de waterkant langs de zee
litus
ora
/
kɵt/
noun
vrouwelijk schaamdeel
cunnus
noun
1. het innerlijk slecht zijn
malitia
/
kʋɑl/
noun
1. vrijzwemmend, voornamelijk in zee levend ongewerveld dier met een geleiachtig lichaam in de vorm van een klok of paraplu
pulmo
noun
- 1. een peil van uitmuntendheid
- 2. eigenschap
quālitās
adjective
1. met betrekking tot de hoeveelheid
quantitātīvus
noun
1. Coturnix coturnix, vederwild en hoendervogel
coturnix
noun
een vorm van siliciumdioxide
quartzum
/
kʋɑst/
noun
5. Limonade
lī̆mōnāta
/
ˈkwe.peːr/, /
ˈkʋe.pɪːr/, /
ˈkβ̞e.peːr/
noun
1. een peervormige vrucht van de Cydonia oblonga
cotonium
noun
1. zaak, geschil, probleem
quaestio
adjective
- 1. weinig beschermd tegen beschadiging
- 3. na een spel gewonnen te hebben onderworpen aan een andere puntentelling, die verlies zwaarder bestraft en winst sterker beloont
forābilis
verb
- 1. beschadigen, schaden
- 2. beledigen, schofferen
laedō
/
kʋɛi̯t/
adjective
kwijt zijn
dēsīderārī
noun
1. een scheikundig element en zilverwit overgangsmetaal met symbool Hg en atoomnummer 80
hydrargyrum
noun
1. benaming voor vogels uit de geslachten Motacilla en Dendronanthus
motacilla
noun
1. een metaal dat vloeibaar is bij kamertemperatuur
hydrargyrum
/
ˈkʋɪstəx/, /
ˈkβ̞istəç/
adjective
1. op lichtzinnige wijze verbruikend
prōdigus
pronoun
1. de hoofdstad van Oekraïne
Kiovia
/
lax/
adjective
- 1. niet ver boven iets anders zijn
bassus
humilis
- 2. niet vergevorderd zijn in een rangorde of volgorde
- 3. geluid met een klein aantal trillingen per tijdseenheid
- 4. met een beperkt aanzien
humilis
noun
1. weg die aan beide kanten wordt geflankeerd door bomen
ambulacrum
noun
1. een open plek in een bos
lucus
noun
1. een schoen met een hoge schacht die een deel van het been bedekt
caliga
adjective
- 1. na het voorziene ogenblik
- 2. 's avonds, 's nachts
sērō
adjective
1. overtreffende trap van laat
ultimus
noun
1. ruimte voor wetenschappelijk onderzoek
laboratorium
noun
1. een stelsel van paden of dwaalwegen, zodanig aangelegd dat men daarin moeilijk de weg kan vinden
labyrinthus
/
lɑx/, /
lɑχ/
noun
1. een vrolijkheidsuiting door middel van het optrekken van de mondhoeken en vaak...
lūdibrium
verb
1. zichtbaar en/of hoorbaar blij zijn met iets of iets grappig vinden
ridere
rideo
noun
is een suiker die o.a. in melk voorkomt
lactosum
noun
1. iets dat ontbreekt
lacūna
noun
1. houten of metalen voorwerp met treden om makkelijk op hoger gelegen plaatsen te komen
scāla
noun
1. uitschuifbare bergplaats
forulus ductilis
noun
- 1. goederen die vervoerd worden
onus
- 3. opeengehoopte elektriciteit
onus electricum
/
lɑf/
adjective
1. een gebrek aan moed tonend
īgnāvus
/
ˈlɑfɦɛit/
noun
1. de neiging keuzes te maken die van weinig moed getuigen
ignavia
pronoun
1. stad in Pakistan
Lahoria
Lahorium
pronoun
1. deelgemeente van de stad Brussel
Laca
noun
1. jong van het schaap
agnus
noun
1. in het water levende zoogdieren uit het geslacht Trichechus
manatus
/
lɑmp/
noun
1. een voorwerp gemaakt om licht te geven
lucerna
noun
1. kap over een lamp om het licht af te schermen
lampas umbraculo instructa
noun
1. een kan met waswater, vaak samen met een ondiepe teil, de waskom, bedoeld om zich in de morgen...
aquāle
noun
1. benaming voor vissen uit de familie Petromyzontidae
lampetra
noun
- 4. niet verstedelijkt gebied
pagus
terra
- 5. het eigen land, het land waar men geboren is
patria
- 3. een geografisch gebied aan één bepaald gezag onderworpen
- 1. gedeelte van het aardoppervlak dat boven water uitsteekt
- 2. dat deel van de aardbodem dat geschikt is voor bebouwing...
terra
/
ˈlɑntbɑuw/
noun
1. het cultiveren van land voor de voortbrengst van voedsel en andere nuttige producten
agricultura
/
lɑntbɑuwər/
noun
1. iemand die met landbouw of/en veeteelt zijn geld verdient
agricola
adjective
2. met betrekking tot minder bevolkte, niet-stedelijke gebieden
agrestis
noun
1. een smalle strook land die twee grotere landmassa's verbindt
isthmus
noun
1. een abstracte weergave van (een stuk van) de aarde
charta
noun
1. smalle strook land die zich in zee of meer uitstrekt
prōminens
adjective
1. van grote duur
longus
adjective
1.een lange tijd durend
prōductus
noun
1. een manier van voortbewegen op latten door de sneeuw
cursus campester nartatorius
/
ˈlɑŋzam/
adjective
1. met weinig snelheid
tardus
noun
1. een lang steekwapen met een metalen punt
lancea
noun
1. constructie van glas en metaal of hout, zodat wind en regen geen vat op een brandende lichtbron hebben
lanterna
noun
1. Chemisch element
lanthanum
noun
1. Chemisch element
lanthanum
/
ˈla.ɔs/
pronoun
1. een land in Azië grenzend aan Myanmar, China, Vietnam, Cambodja en Thailand
Laotia
Laonia
noun
1. een stuk van iets
assumentum
noun
1. een deken gemaakt uit verschillende losse delen die aan elkaar gestikt zijn
centō
noun
1. benaming voor naaldbomen uit het geslacht Larix
larix
noun
1. jeugdstadium van de meeste insecten en veel amfibieën
larva
noun
1. lichtbron die uiterst intense lichtstraal van één kleur uitzendt
laser
noun
1. krachtige geconcentreerde lichtstraal met licht van maar één golflengte
radius lūcis
noun
1. een gedomesticeerd dier dat men gebruikt om vracht te vervoeren
iumentum
noun
1. onterechte beweringen die iemand in een kwaad daglicht stellen
calumnia
noun
2. gever van een lastgeving
mandator
verb
- 2. toestaan
patior
- 3. niet doen
- 4. niets veranderen
- 5. vertrekken
- 6. aansporing
sinere
/
ˈlaː.tər/
adjective
sētius
pronoun
1. taal van de Romeinen in de oudheid, die later in gebruik bleef in religie en wetenschap
Latinum
Lingua Latina
lingua Latina
noun
1. de reeks lettertekens oorspronkelijk gebruikt om teksten in het Latijn te schrijven en tegenwoordig met aanpassingen voor veel talen gebruikt
alphabetum latinum
noun
2. (gedroogde) bladeren van Laurus nobilis
laurus
/
laʊ̯/, /
lʌʊ̯/, /
lʌː/
adjective
1. een temperatuuraanduiding die tussen warm en koud ligt
tepidus
noun
1. vloeibaar gesteente dat uit een vulkaan tevoorschijn komt
lava
noun
1. bepaald kruid, Levisticum officinale, dat zowel in de keuken als in de geneeskunde gebruikt wordt
ligusticum
noun
1. Lavandula, een struik uit de lipbloemenfamilie Lamiaceae
lavandula
noun
1. Chemisch element
lawrencium
noun
1. de vierde maag van een herkauwer, zoals een rund
abomasum
noun
1.verwijst naar alles wat gelezen kan worden
lectio
/
ˈledəmat/
noun
1. een aan de romp aanhangend onderdeel van het lichaam dat door spieren bewogen kan worden...
extremitas
noun
1. het niets doen, het niets te doen hebben
ōtium
noun
1. het genoegen scheppen in het leed van een ander
malevolentia
noun
1. een langwerpig fijnmazig net met als doel de gevangen vis een poosje te bewaren, rond of vierkant van vorm met een gesloten bodem en een vernauwing aan de bovenzijde
nassa
noun
1. de tijd dat iemand leeft of geleefd heeft, het totaal aantal levensjaren
aetas
/
lex/
adjective
1. zonder inhoud
vacuus
inanis
/
lek/
noun
1. iemand die niet deskundig is op een bepaald gebied
laicus
/
lem/, /
leɪm/
noun
1. kleihoudende grondsoort
lutum
/
len/
noun
1. leengoed; vastgoed dat door de heer aan zijn vazal ten gebruike werd afgestaan
feudum
noun
1. staatsvorm
feudalismus
noun
1. stof vervaardigd door het looien van een dierenhuid
corium
noun
1. een boek bedoeld om er iets uit te leren
manuale
noun
1. iemand die onderwijs volgt
discipula
/
lest/
noun
1. schoenvorm
mustricula
pronoun
2. teken van de dierenriem van 23 juli tot 23 augustus
Leo
noun
1. Panthera leo een groot katachtig roofdier met lange manen
leo
Panthera leo
noun
1. vrouwtje van de leeuw
leaena
adjective
1. wettig, rechtmatig
legalis
legitimus
noun
1. testamentaire beschikking
lēgātum
/
ˈleːɣər/, /
ˈleːχər/
noun
1. een militaire strijdmacht
exercitus
vires
pronoun
Lugdunum Batavorum
verb
1. een leidinggevende functie hebben
ducere
noun
1. blauwgrijs gesteente
blaveum
verb
1. vloeistof laten ontsnappen
pereo
adjective
1. aangenaam van smaak
sapidum
/
ˌlɛ.kər.ˈnɛi/
noun
mattea
/
le.li.tʲə.vɑn.da.ləⁿ/
noun
1. bepaald soort kleine tot 30 centimeter hoge vaste plant, Convallaria majalis
convallaria majalis
/
ˈleːlək/
adjective
1. onprettig om naar te kijken, niet mooi
foedus
turpis
dēfōrmis
noun
3. een hulpstelling waarvan de juistheid in afwachting van nader bewijs wordt aangenomen
lēmma
noun
1. laagste deel van de rug voor het kruis
lumbus
verb
- 2. iets aan iemand anders te leen geven
commodō
- 1. iets wat eigendom is van een ander tijdelijk gebruiken, al dan niet in ruil voor een kleine vergoeding
mutuor
/
ˈlɛŋktə/
noun
1. afmeting van een voorwerp
longitudo
pronoun
. spelwoord voor de letter l
Leo
/
ˈlepəɫ/
noun
1. een voorwerp bestaande uit een greep en een kom(metje), waarmee vloeibaar voedsel wordt gegeten
cochleārium
noun
1. een steltloper ter grootte van een ooievaar met een lepelvormige snavel
platalea
/
ˈleːraˑr/
noun
1. iemand die lesgeeft
magister
/
ˈleːrə/, /
ˈlɪːrə/
verb
1. kennis of vaardigheid verwerven
discere
/
lɛs/
noun
1. onderricht gedurende een korte tijd
auditio
/
le.'sɔ.to/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel het Koninkrijk Lesotho
Lesothum
/
le.ˈtal/, /
le.ˈtaɫ/
adjective
1. de dood veroorzakend
lēthālis
noun
- 1. een toestand van geestelijke ongevoeligheid
- 2.
torpedo
/
ˈlɛtlɑnd/, /
ˈlɛtlɑnt/
pronoun
1. een Europees land aan de Oostzee
Lettonia
/
lɛts/
adjective
1. betreffende Letland
letticus
/
lɛts/
pronoun
1. de officiële taal van Letland
letticus
noun
1. een teken om in geschreven taal een klank van de gesproken taal weer te geven
littera
litera
/
ˈlɛtərˌxrep/, /
ˈlɛtərˌɣrep/
noun
1. elk van de groepen waarin een woord kan worden verdeeld
syllaba
/
ˈløːɣən/, /
ˈlʏːχən/
noun
1. mededeling die niet waar is, met de bedoeling om anderen te misleiden
mendacium
noun
1. iemand die bewust dingen zegt die niet waar zijn
mendax
noun
1. vrouw die bewust onwaarheden vertelt
falsus
noun
1. bloedkanker
leucaemia
/
ˈløːˌvə(n)/
pronoun
1. de provinciehoofdstad van Vlaams-Brabant in België
Lovanium
/
ˈløvə(n)s/
adjective
1. van, uit, betreffende of als in Leuven.
Lovaniensis
/
'levən/
noun
- 2. de tijdsspanne die men levend doorbrengt
- 1. een voortbestaan van organismen, gericht op groei en/of vermenigvuldiging
vita
anima
/
'levən/
verb
1. het doormaken van het leven
vivere
vivo
adjective
1. vol opgewekte drukte
alacer
noun
1. een van de goederen die het leven in stand houden, zoals etenswaren
victualia
noun
1. een bruinkleurig orgaan dat gal produceert
iecur
hepar
/
ˈlevərˌblumpʲə/
noun
1. Hepatica nobilis, een plant uit de ranonkelfamilie
Hepatica nobilis
verb
1. zien en interpreteren van geschreven tekst
legere
cognoscere
lego
noun
1. iemand die (een bepaald geschrift) leest
lector
/
ˈli.ba.nɔn/, /
ˈli.bɑ.nɔn/
pronoun
land in het Midden-Oosten, grenzend met Israël en Syrië, officieel de Libanese Republiek
Libanus
/
li.ˈbɛl/, /
li.ˈbɛɫ/
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Odonata
libellula
/
li.'beː.ri.ja/, /
li.'bɪː.ri.ja/
pronoun
land in West-Afrika, officieel de Republiek Liberia
Liberia
/
'libido/
noun
1. geslachtsdrift
libido
/
ˈli.bi.jə/
pronoun
1. een land in Noord-Afrika, officieel de Staat Libië
Libya
noun
- 1. een geheel van botten, vlees en organen van een mens of dier
- 3. een hoeveelheid materie met een bepaalde vorm
corpus
/
ˈlɪxamsbəˌweɣɪŋ/
noun
1. bezigheden die bijdragen aan de lichamelijke fitheid
exercitium
adjective
- 1. helder van kleur
clarus
lux
- 2. van een gewicht
- Vertalingen: na te kijken en onderverdelen per verklaring
levis
noun
- 1. Elektromagnetische golven
- 2. lichtbron
lux
lumen
noun
1. de afstand die het licht in één jaar aflegt, ongeveer 9460 miljard kilometer
spatium lucis annuae
noun
- 1. iemand die behoort tot een groep, organisatie of sekte
sodalis
- 5. deel van het lichaam
sodālis
/
ˈlixtə(n)ˌstɛɪ̯n/, /
ˌlixtə(n)ˈstɛːn/, /
ˌliχtə(n)ˈstɛɪ̯n/
pronoun
1. een klein land in Europa gelegen tussen Zwitserland en Oostenrijk
Lichtenstenum
noun
1. muzikale vorm waarin tekst op muziek wordt verklankt
cantus
carmen
noun
1.het geven van hulp
stips
noun
1. uiting of gevoel van grote genegenheid en/of het zich aangetrokken voelen
amor
caritas
noun
1. brief waarin men zijn liefde betuigt
epistula amatoria
noun
1. het verdriet dat iemand voelt bij een onbeantwoorde, of verbroken liefde
aegritudo amoris
verb
1. liefde voelen tot iemand of iets
amare
verb
1. met opzet feiten vertellen die niet de waarheid zijn maar wel als dusdanig worden gepresenteerd
mentiri
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Lyra
/
lir/
noun
- 1. een Grieks snaarinstrument
lyra
- 2. een werktuig om te hijsen, trekken of slepen
sucula
noun
1. benaming voor kevertje van de familie Coccinellidae
coccinella
noun
1. een verticaal transportsysteem voor goederen en mensen
anabathrum
verb
1. zich horizontaal in toestand van rust gelegd hebben
iacere
noun
1. olijfachtige heester veel gebruikt voor het maken van heggen
ligustrum
verb
1. smart en ellende ondergaan
doleō
phraseologicalUnit
1. zinsdeel waarop de actie die wordt uitgedrukt door een overgankelijk werkwoord rechtstreeks van toepassing is
res directa
noun
1. het stelsel vormen van een werkwoord dat aangeeft dat het onderwerp...
passivum
/
lɛi̯f/
noun
1. lichaam
corpus
noun
1. hybride kruising tussen een mannetjesleeuw en een vrouwtjestijger
legris
noun
1. dood lichaam
cadaver
mortuus
/
ˈlɛi.kə(n)/
verb
2. naar aanschijn zijn
coorior
/
ˈlɛɪ̯.kɪs/, /
ˈlɛɪ̯k.kɪst/, /
ˈlɛːk.kɪst/
noun
1. de kist waarin een overledene ter aarde besteld wordt
arca
noun
1. textiel waarin een overledene begraven wordt
sudarium
verb
1. twee of meer delen aan elkaar bevestigen met behulp van een kleefstof
glūtinō
/
lɛi̯n/
noun
- 1. een streep
- 2.
euthīa
/
lɛist/
noun
1. een opsomming van zaken die onder elkaar staan
index
noun
1. benaming voor zangvogels uit de familie Turdidae
turdus
noun
1. geslacht van loofbomen, Sorbus
sorbus
verb
1. met de tong aanraken
lambere
/
ˈlɪm.bʏrx/, /
ˈlɪm.bʏrχ/
pronoun
1. provincie in het zuidoosten van Nederland
Limburgum
/
ˈlɪm.bʏrxs/, /
ˈlɪm.bʏrχs/
pronoun
1. verzamelnaam van een reeks variëteiten van de Germaanse taalfamilie
Limburgica
noun
1. Een citrusvrucht
lumia
noun
1. een drank die vervaardigd is van citroensap, suiker en water
limonata
/
ˈlɪndə/
noun
loofboom
tilia
noun
1. een geslacht van bomen uit de kaasjeskruidfamilie
tilia
noun
1. beoefenaar van de taalkunde
gramaticus
noun
1. wetenschap die taal als onderzoeksobject heeft
linguistica
/
ˌliniˈ<sup>ʲ</sup>aɫ/
noun
1. een meetinstrument waarmee lengtes kunnen worden opgemeten
amussis
adjective
1. aan die zijde van het lichaam waar gewoonlijk het hart zit
laevus
adjective
1. tegenovergestelde van rechts
sinister
noun
1. product afkomstig uit vlas
carbasa
noun
1. lange, smalle strook stof
clipeum
noun
1. een platte worm die parasiteert in de darm bij mens en dier
taenia
noun
1. anatomie
labium
labrum
/
liˈpidə/
noun
1. vetten en vetachtige stoffen die in de biochemie een belangrijke rol spelen
lipidum
noun
- 2. het geheel van als kunstzinnig beschouwde geschreven werken, m.n. proza of poëzie
- 3. de verzameling geschreven en na controle door vakgenoten gepubliceerde mededelingen van een vakgebied
litterae
/
ˈlitiˌʲʏm/
noun
1. chemisch element en een zilverwit alkalimetaal
lithium
/
liˈtaʊ̯.wə(n)/, /
liˈtɑuwə(n)/, /
liˈtɔʊ̯.β̞ə(n)/, /
ˈliˌtʌʊ̯.β̞ə(n)/
pronoun
1. een Europees land ter hoogte van Wit-Rusland
Lituania
Lithuania
/
liˈtaʊ̯s/, /
ˈlitɔʊ̯β̞s/, /
ˈlitʌʊ̯s/
pronoun
1. een Baltische taal die wordt gesproken in Litouwen
lingua Lituana
noun
1. zichtbaar overblijfsel van een oude verwonding
cicātrix
noun
1. eertijds een dienst ten bate aan de gemeenschap waartoe de rijken verplicht waren...
liturgia
noun
1. scheikundig element met symbool Lv en atoomnummer 116
livermorium
noun
1. een bepaald punt in de ruimte
locus
/
loka'tif/
noun
1. de zevende naamval die een betrekking van plaats aanduidt
(cāsus) locālis
verb
1. van lood vervaardigd
plumbeus
pronoun
1. eigennaam van Frankische herkomst
Ludovicus
Clovis
/
ˈlu.jə(n)/
verb
1. een langgerekt klagend geluid voortbrengen
mugire
noun
1+2. iedere uiting van bewondering
hymnus
noun
1. de exponent van de macht waartoe een gegeven getal verheven moet worden om een ander getal te krijgen
logarithmus
noun
2. een chronologisch dagboek
commentārius
verb
- 1. in huis openemen, herbergen
accipere
excipere
recipere
- 2. blijven slapen
deversari
uti
/
ˈloɣis/
adjective
- 1. natuurlijk, voor de hand liggend
- 2. betrekking hebbend op de logica
logicus
noun
1. beeldmerk, logogram, naambeeld
logotypus
/
lɔk/
noun
1. haarlok, pluk haar
crīnis
/
loˈkal/
adjective
1. plaatselijk, van beperkte omvang
locālis
noun
1. stuk vlees of vis bedoeld om een dier mee te kunnen vangen.
esca
adjective
zich op een onwellevende en onbehouwen manier gedragend
inconditus
rudis
/
ˈlɔndən/
pronoun
1 en 2
Londinium
noun
1. orgaan waarin gaswisseling plaatsvindt tussen lucht en bloed ten behoeve van het metabolisme.
pulmo
/
'lɔŋɔntsteːkɪŋ/
noun
1. een ontsteking in de longen
pneumonia
noun
1. een scheikundig element met symbool Pb en atoomnummer 82
plumbum
noun
1. vakman die zich bezighoudt met de aanleg en het onderhoud van sanitair, verwarmingsinstallaties, waterleidingen en/of riolering
plumbarius
/
loːts/
noun
1. gebouw voor opslag van goederen
horreum
noun
1. een witte verfstof met bestanddelen van lood
abarath
/
loːx/
noun
een alkalische substantie
lixa
adjective
van groot gewicht
gravis
/
loːn/
noun
1. financiële vergoeding voor geleverde arbeid
manupretium
/
-los/
suffix
1. een achtervoegsel dat het ontbreken van het eerste aangeeft
n-
verb
1. stappen, gaan
ambulare
noun
- 2. sleutel waarmee een hele serie verschillende sloten geopend kan worden
adultera clavis
- 4. schaakstuk dat zich slechts diagonaal verplaatsen mag
alfinus
noun
1. benaming voor naaldbomen uit het geslacht Larix
larix
noun
1. geld betaald voor iemands vrijlating
pretium
verb
1. ervoor zorgen dat iets of iemand los wordt
solvō
noun
2. noodlot, wat het toeval iemand toebedenkt
fatum
verb
1. blijk geven van bewondering
laudo
pronoun
1. naam van een van Jezus' discipelen
Lucas
/
lʏxt/
noun
1. mengsel van gassen waaruit de afmosfeer bestaat
aer
aër
noun
1. een vliegveld voor verkeersvliegtuigen met accommodatie voor ontvangst en vertrek van passagiers
aeroportus
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Antlia
noun
1. verkeer in de lucht
aërinavigatio
noun
1. een stokje met een zwavelkopje, dienende om vuur te maken
sulphuratum
/
lœʏ/, /
lœː/
adjective
1. werkschuw, niet houden van inspanning of werk
ignāvus
noun
1. werkschuw persoon
cessātor
noun
1. het ontbreken van de wil iets te doen
pigritia
/
lœʏ̯k/, /
lœːk/
pronoun
- 1. een provinciehoofdstad in België
- 2. een Belgische provincie
Leodium
Leodicum
Vicus Leodicus
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera pardus
leopardus
pardus
/
lœʏ̯s/, /
lœːs/
noun
1. benaming voor verschillende meestal vleugelloze insecten die parasiteren op dieren en planten
pediculus
pedis
noun
1. iemand die luistert
audiens
/
'lœstərə(n)/
verb
1. gericht waarnemen met het oor
auscultare
exaudio
noun
1. rang in het leger
legatus
verb
1. tot een succes leiden
contigit
noun
1. geslachtsdeel van de man
penis
/
lɵnsʲ/
noun
1. een maaltijd rond of iets na het middaguur
prandium
verb
1. de lunch gebruiken
prandeō
noun
1. en 2. (zaden van) geslacht Lupinus
lupinus
/
lʏst/
noun
1. seksueel verlangen
cupido
noun
1. scheikundig element met symbool Lu en atoomnummer 71
lutetium
/
lyks/
noun
1. niet alledaagse dingen die gebruikt worden voor het persoonlijk genot
lautitia
/
ˈlyksəmˌbʏrx/, /
ˈlyksəmˌbʏrχ/
pronoun
1.-3.
Luxemburgum
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Lynx
noun
1. bepaald soort zoogdier, Lynx lynx
lynx
/
maːx/
noun
1. Orgaan
aqualiculus
ventriculus
stomachus
pronoun
- 1. sterrenbeeld van de dierenriem
- 2. teken van de dierenriem waar de zon in staat van ca. 23 augustus tot ca. 23 september
Virgo
/
maːxt/, /
maːçt/
noun
1. ongerepte jonge vrouw
virgo
noun
1. eigenschap dat je niet eerder geslachtsverkeer hebt gehad
virginitās
/
ˈmaɪ̯ə(n)/
verb
1. met een werktuig het bovengrondse deel ergens van verwijderen
tondeō
/
ma:l/
verb
1 1. telkens terugkerend tijdstip waarop iets gebeurt
semel
noun
1. een hoeveelheid toebereid voedsel die voldoende is geruime tijd de lichamelijke behoefte te bevredigen
cena
/
maːnt/
noun
1. elk van de twaalf met een eigen naam onderscheiden tijdvakken van 28, 30 of 21 dagen waarin een jaar verdeeld wordt
mensis
/
ˈmaːndɑx/
noun
1. een dag van de week, de eerste dag na het weekeinde
dies Lunae
feria secunda
dies lunae
/
ˈman.də.ləks/, /
ˈmaːn.də.lɪks/
adjective
1. iedere maand een keer
mēnstruus
noun
1. het zonlicht dat van de maan naar de aarde reflecteert
lūx
/
ˈmansvərˌdœʏ̯stərɪŋ/, /
ˈmansvərˌdœːstərɪŋ/
noun
1. het verschijnsel dat de maan verduisterd raakt doordat ze in de schaduw...
defectio lunae
/
maːr/
conjunction
1. tegenwerping, introduceert een zin(sdeel) dat het voorgaande zin(sdeel) tegenspreekt of er mee contrasteert
sed
autem
/
maːrt/
noun
1. derde maand van het jaar
Martius
mārtius
/
mas/
pronoun
1. een rivier die onspringt in Frankrijk en door België en Nederland stroomt
Mosa
/
maːt/
noun
- 5. grootte van kledingstuk/schoen
magnitūdō
- 3. eenheid van lengte enz.
mēnsūra
- 6. (muziek) manier om een muziekstuk ritmisch in te delen
percussio
noun
1. iets dat wordt beslist om een doel te treffen
consilium
noun
- 1. vereniging tot het drijven van handel
- 2. de wereld, omgang en verkeer der mensen
societas
noun
2. gerecht op basis van gebogen pijpjes van deeg
collȳra
pronoun
1. Slavische taal die vooral wordt gesproken in de Noord-Macedonië
Macedonicus
/
ˌmasəˈdoni.jə/, /
ˌmasəˈdoːni.jə/
pronoun
- 3. land
- 1. historisch Grieks koninkrijk
- 2. regio in Griekenland
Macedonia
/
ˌmasəˈdoni.jər/, /
ˌmasəˈdoːni.jər/
noun
1. inwoner van Macedonië
Macedoniense
noun
1. geweer waarmee kort na elkaar meerdere schoten kunnen worden afgevuurd, ...
sclopetum polybolicum
noun
1. het vermogen om elders de eigen wil op te leggen
potestas
/
ˈmɑxtəx/, /
ˈmɑxtɪx/, /
ˈmɑχtəχ/
adjective
1. meer invloed hebben dan anderen
potens
verb
1. aan iemand anders het recht overdragen in je naam te handelen
auctōrizō
/
ma.da.'ɣɑs.kɑr/, /
ˌma.dɑ.'χɑs.kɑr/
pronoun
2. staat op het bovengenoemde eiland, de Republiek Madagaskar
Madagascaria
noun
1. Pootloze larve
vermiculus
noun
1. criminele organisatie, oorspronkelijk van Sicilië
mafia
noun
1. kleur tussen rood en blauw
rubropurpureus
/
ˈma.ɣər/, /
ˈma.χər/
adjective
1.
petilus
macer
noun
1. toverkunst; kracht waar een tovenaar over beschikt om dingen te verwezenlijken die een bovennatuurlijke indruk maken
magice
adjective
1.met een bijzondere, bovennatuurlijke betekenis
magicus
noun
1. een persoon die rechtspreekt
magistratus
noun
- 1. gemagnetiseerd metaal
- 2. persoon, zaak of plaats
magnes
noun
1. Chemisch element
magnesium
adjective
1. verschijnselen vertonend die toegeschreven kunnen worden aan een kringstroom...
magneticus
noun
magnetismus
magnētismus
/
mɑjs/
noun
1. een graansoort afkomstig uit Midden-Amerika
maizium
/
ˈmɑjsʋɔrtəɫˌbo̝ːrdər/
noun
1. bepaald soort tor, Diabrotica virgifera
Diabrotica virgifera
/
ˈmɑjswɔrtəlˌkevər/
noun
1. bepaald soort tor, Diabrotica virgifera
Diabrotica virgifera
adjective
1. met de pracht en praal die hoort bij een vorst
augustus
noun
1. schoonheidsproducten
offūcia
noun
1. de tussenpersoon in de handel
arillātor
/
ˈmaːkən/
verb
1. in elkaar zetten
facio
noun
1. iemand die iets maakt of gemaakt heeft
fabricator
adjective
1. niet moeilijk, waar weinig moeite en inspanning voor vereist is
facilis
/
mɑkər/
noun
1. iemand aan wie men door persoonlijke voorkeur verbonden is
comes
noun
1. bepaalde soort zeevis, Scomber scomber
scomber
/
ma.'la.wi/, /
ma.'la.ʋi/, /
ma.'la.β̞i/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel de Republiek Zambia, dat niet aan de zee grenst
Malavium
/
mɑl.ˈdi.və(n)/, /
mɑɫ.ˈdi.və(n)/
pronoun
1. land in de Indische Oceaan
Divi
/
mɑ.ˈlɛɪs/
pronoun
1. een Austronesische taal en de officiële taal van Maleisië, Brunei en Singapore die ook in delen van...
Malaeorum
/
maˈlɛ:zi.jə/, /
maˈlɛɪ̯zi.jə/
pronoun
1. een land in het zuidoosten van Azië dat bestaat uit twee afzonderlijke delen die gescheiden worden door de Zuid-Chinese Zee
Malaesia
/
malə(n)/
verb
1. tussen twee harde voorwerpen fijnwrijven
molo
/
'ma.li/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Mali
Malia
pronoun
1. Belgische gemeente en stad in de Oostkantons
Malmunderium
/
ˈmɑlta/, /
ˈmɑɫta/
pronoun
- 1. eiland in de Middellandse Zee
- 2. land in de Middellandse Zee
Melita
Melitta
/
mɑlˈteːs/, /
mɑɫˈtes/
noun
1. inwoner van Malta of iemand die van Malta afkomstig is
Melitensis
/
mɑlˈteːs/, /
mɑɫˈtes/
pronoun
1. Semitische taal die wordt gesproken door 570 duizend mensen op Malta
Melitensis
/
mɑlˈteːsə/, /
mɑɫˈtesə/
noun
1. vrouwelijke inwoner van Malta
Melitensis
noun
- 2. een echtgenoot, een getrouwde man
maritus
- 1. persoon van het mannelijk geslacht
vir
noun
1. een persoon die de leiding heeft over een afdeling binnen een organisatie
procurator
noun
1. een bak gemaakt van gevlochten rotan of tenen voorzien van een handvat
corbis
pronoun
1. Mandarijns Chinees
lingua Sinensis Mandarinica
noun
1. Een citrusvrucht
citrus tangerina
/
manəsxɛɪn/
noun
1. Het door de maan weerkaatste licht dat op de aarde schijnt, maanlicht
lūx
/
ˈmɑŋɣa/
noun
1. Japans stripboek
manga
noun
1. Chemisch element
manganum
/
ˈmɑŋələ(n)/
verb
3. door de mangel halen, met een mangel glad maken
discerpō
/
mɑˈniːr/
noun
ratio
modus
adjective
1. duidelijk, onmiddellijk herkenbaar
manifestus
noun
1. openlijke bekendmaking van een staatshoofd, regering, leider of politieke partij
manifestus
noun
- 1.
- 2. openbare gebeurtenis
manifēstātiō
verb
- 3. waarneembaar worden
- algemeen bekend maken, aan iedereen laten blijken
manifestus
noun
1. en 2. (wortel van) de plant Manihot esculenta
mandioca
adjective
- 1. tot geslacht behorend dat voor bevruchting zorgt
- 2. behorend tot het mannelijke woordgeslacht
masculinus
noun
1. omhullend kledingstuk
amictus
pronoun
1. taal die door de Mantsjoes gesproken werd.
Lingua Mandshurica
/
mɑp/
noun
3. deel van het bestandssysteem
catēgoria
noun
1. Viscum album
viscum
noun
1. het hoogfeest ter gedachtenis van de aankondiging (annunciatie) van de geboorte van Jezus aan Maria
Annuntiatio
Sollemnitas Annuntiationis Domini
/
maːˈrinə/
noun
1. zeemacht
classis
/
mɑr.kɪː.rə(n)/
verb
1. het afbakenen van een grens
adsigno
noun
adellijke titel, lager dan een hertog maar hoger dan een graaf
marchensis
noun
warenverkoop op pleinen en straten
forum
/
'mɑrk.dɑx/
noun
1. dag waarop markt gehouden wordt
nūndina
/
mɑremər/
noun
1. een fijnkorrelige getransformeerde kalksteen dat gepolijst gebruikt wordt in de bouw- en de beeldhouwkunst
marmor
noun
1. knaagdier dat vooral in het hooggebergte leeft maar ook veel als huisdier wordt gehouden
cassus Alpinus
/
ma.ˈrɔ.ko/
pronoun
1. land in het uiterste noordwesten van Afrika
Marocum
/
mɑr.ʃəl.ɛɪ̯.lɑn.də(n)/, /
mɑr.ʃəl.ɛː.lɑn.də(n)/, /
mɑr.ʃəɫ.ɛɪ̯.lɑn.də(n)/
pronoun
1. een land in Oceanië
Insulae Marsalienses
noun
1. sponzig snoepje
pasta hibisci
verb
1. een gevangene onderwerpen aan lichamelijke en/of geestelijke pijniging, voornamelijk teneinde informatie los te krijgen
cruciō
noun
1. opzettelijk toegebrachte pijniging van een gevangene
cruciātus
noun
1. benaming voor zoogdieren uit het geslacht Martes
martēs
pronoun
1. eilandengroep in de Indische Oceaan
Insulae Mascarenae
/
ˈmɑsaː/
noun
- 1. totale hoeveelheid materie in een object
massa
- 3. menigte
multitūdō
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Massenbachhausen
verb
1. het toepassen van uitwendige druk op de zachte weefsels
frīcō
noun
1. lange, rechtop staande paal midden op het schip
malus
noun
1. grote hond met een heel los rimpelig vel bij het hoofd
canis Anglicus
noun
1. het stimuleren van de eigen geslachtsdelen
masturbātiō
noun
1. een tastbare stof
verba scriptoris
adjective
1. in geringere mate dan mogelijk of gewenst
modestus
adjective
1. geneigd om vroeg op te staan
matutinus
/
mɑtrɑs/
noun
1. lichaamsondersteunend onderdeel van een bed
culcita
noun
1. een rechthoekig blok getallen waaraan bepaalde rekenregels toegekend worden
mater
noun
1. een zeeman van de laagste rang
nauta
/
'matyritɛit/
noun
1.
mātūritās
/
ˌmaʊ̯.ri.ˈta.ni.jə/, /
ˌmɔʊ̯.ri.ˈta.ni.jə/, /
ˌmʌʊ̯.ri.ˈta.ni.jə/
pronoun
1. een land in Noord-Afrika, officieel de Islamitische Republiek Mauritanië
Mauretania
Mauritania
/
maʊ̯.'ri.si.jəs/, /
mɔʊ̯.'ri.si.jəs/, /
mʌʊ̯.'ri.tsi.jəs/
pronoun
1. een land in de Indische Oceaan, officieel de Republiek Mauritius
Mauritia
adverb
1. ten hoogste
summum
noun
1. kinderziekte die veroorzaakt wordt door het Morbillivirus en gekenmerkt wordt door rode stipjes op de huid
boa
/
ˈmaʲɪs/, /
ˈmɛɪ̯s/
noun
1. bepaalde graansoort afkomstig uit Midden-Amerika, Zea mays
Zea mays
/
ˈmaɪswɔrtəlˌboːrdər/, /
ˈmɑjsβ̞ɔrtəlˌboːrdər/
noun
1. Diabrotica virgifera, een schadelijke kever
Diabrotica virgifera
adjective
1. met betrekking op de mechanica, machinaal, automatisch zonder na te denken
mechanicus
noun
1. machinerie
machinatio
pronoun
1. stad in de provincie Antwerpen
Maclinia
pronoun
Megalopolis
Megapolis
pronoun
Megapolis et Pomerania Citerior
noun
1. metalen schijf, in het bijzonder als onderscheidingsteken na bepaalde prestaties
nomisma
noun
1. iemand die burger is van dezelfde stad of hetzelfde land
concivis
/
ˈme.dəˌklɪŋ.kər/
noun
- 1. een klank waarbij de lucht niet ongehinderd door de mond naar buiten kan
- 2. een letter die zo'n klank in schrift weergeeft
consona
noun
1. verdriet over het leed van anderen
misericordia
noun
1. behulpzaam persoon bij een misdrijf
correus
noun
1. iemand die met anderen in hetzelfde bedrijf, organisatie of vestiging werkt
collaborator
noun
1. het voorschrijven van geneesmiddelen
medicāmen
noun
1. een chemische stof die een bepaalde, gewenste werking op het (dierlijk of menselijk) lichaam uitoefent
medicamen
medicamentum
noun
1. spirituele bezigheid
meditātiō
noun
1. Rubia tinctorum
rubia
/
mel/, /
meɫ/, /
mɪːɫ/
noun
1. gemalen graan
farina
/
meːr/
noun
1. groot water dat helemaal omringd is door land
lacus
noun
1. een groep die binnen een groter geheel in aantal meer dan de helft uitmaakt
majōritās
noun
1. de staat van meerdere talen te kunnen spreken
multilingualismus
noun
1. Woord dat in die vorm aan meerdere voorwerpen, mensen of dieren refereert
pluralis
multitudo
noun
1. benaming voor kleine weinig schuwe vogels uit de familie Paridae
aegithalus
adverb
1. in het merendeel van de gevallen
plerumque
indefiniteCardinalNumeral
1. de grootste hoeveelheid, het hoogste aantal
plūrimus
noun
1. baas, heer, patroon
magister
/
'metkɵndə/
noun
1. tak van de wiskunde
geometria
/
ˈmetlɑt/
noun
1. een langwerpig voorwerp waarmee maten opgenomen worden
rēgula
/
meːβ̞/, /
mɪːβ̞/
noun
1. benaming voor zeevogels uit de familie Laridae
larus
gavia
noun
1. de vijfde maand van het jaar
Maius
noun
1. Convallaria majalis
gadrium
noun
1. de verkondiging van één of meerdere leugens terwijl men heeft gezworen de waarheid te vertellen
periurium
/
ˈmɛɪ̯ʃə/, /
ˈmɛːsjə/
noun
1. jonge vrouw
puella
noun
1. scheikundig element met symbool Mt en atoomnummer 109
meitnerium
pronoun
1. geboorteplaats van Mohammed en bedevaartplaats voor islamieten
Mecca
/
me'latshɛɪt/
noun
1. besmettelijke ziekte veroorzaakt door een bacteriële infectie van de huid
lepra
adjective
met droevige gedachten aan de dagen van weleer
melancholicus
pronoun
1. tweede grootste stad van Australië en hoofdstad van de deelstaat Victoria
Melburnia
verb
1. iets rapporteren, bekendmaken
referō
noun
een suiker die o.a. in melk voorkomt
lactosum
pronoun
1. het sterrenstelsel waarin wij ons bevinden en dat op donkere nachten als lichtende band aan de hemel te zien is.
Via Lactea
noun
1. organisch zuur
acidum lacticum
noun
1. een opeenvolging van toonhoogtes die een bepaald muzikaal gestalte vormt
melodia
adjective
aangenaam klinkend
canorus
/
mɛmbran/
noun
2. een omhulsel van de cel bestaande uit fosfolipiden en eiwitten
membrāna
adjective
1. iets waarvan het de moeite waard is om het te herinneren
memorābilis
verb
1. uit het hoofd leren
memini
indefinitePronoun
1. iemand, maar niemand in het bijzonder
alter
/
ˌmɛndeˈleviʏm/
noun
mendelevium
/
məˈneːr/, /
məˈnɪːr/
noun
1. een formele manier om een man aan te spreken
domine
verb
1. het homogeniseren van twee of meer zaken
misceō
noun
1. levensfase waarin vrouwen niet langer menstrueren
menopausa
noun
1. de Homo sapiens, het zoogdier waar wij toe gerekend worden
homo
humanus
adjective
- 1. zoals de mens
- 2. goed voor de medemens
humanus
noun
1. de bekendste en de meest gevreesde haai, Carcharodon carcharias
Carcharodon carcharias
noun
2. geheel van de fundamentele rechten en vrijheden die ieder mens toekomen
iura humana
noun
1. een verzamelnaam voor alle mensen ter wereld met al hun onderlinge sociale relaties
genus humanum
noun
1. maandelijkse bloeding bij vrouwen en geslachtsrijpe meisjes
menstrua
pronoun
1. een stad in de Italiaanse autonome provincie Zuid-Tirol
Meranum
/
meːrəl/, /
ˈmɪːrəɫ/
noun
1. bepaald soort zwarte vogel met een gele snavel, Turdus merula
merula
noun
1. het grootste deel
majōritās
noun
1. zacht weefsel in de kern van een bot
medulla
noun
1. halve cirkel die de beide polen met elkaar verbindt
meridianus
noun
1. vrouwelijk paard
equa
noun
1. snijwerktuig
culter
noun
1. historische land tussen de rivieren Eufraat en Tigris, het huidige Irak
Mesopotamia
noun
1. uitwerpselen van sommige dieren waarmee men land vruchtbaar maakt
stercus
/
mɛd/, /
mɛt/
preposition
cum
noun
1. ieder element dat gekenmerkt wordt door glans en het vermogen om warmte en elektriciteit te geleiden
metallum
noun
1. het geheel van de biochemische processen op celniveau
metabolismus
/
me.ta.ˈfɔːr/, /
mæː.ta.ˈfoːr/
noun
1. beeldspraak waarbij men een woord B zegt in plaats van het woord A terwijl er tussen A en B een verband is van gelijkenis
metaphora
noun
1. de wijsgerige leer die niet de werkelijkheid onderzoekt zoals ze ons gegeven wordt uit zintuiglijke ervaring, maar op zoek gaat naar het wezen van die werkelijkheid en wat haar constitueert
metaphysica
/
ˌmetaˈfizis/
adjective
1. bovennatuurlijk; (nog) niet met de gangbare wetenschap te verklaren
metaphysica
/
mɛ.ˈden/, /
mɛ.ˈten/
adverb
1. onmiddellijk
statim
verb
1. de waarde van een bepaalde grootheid bepalen door deze te vergelijken met een ijkwaarde
commetiri
noun
1. een kortstondig lichtspoor aan de hemel door de verbranding van een uit de ruimte vallende meteoriet
meteōrum
noun
1. de SI-eenheid van lengte
metrum
/
mæː.to.ˈny.mi.ja/
noun
metonymia
/
mæː.to.ny.ˈmiː/
noun
transnominatio
noun
1. ondergronds openbaar vervoer
ferrivia metropolitana
noun
1. wereldstad
metropolis
noun
1. bouwvakker gespecialiseerd in metselen
caementarius
/
ˌmɛ.tər.ˈtɛɪ̯t/
adverb
1. na verloop van (een zekere) tijd
tempore progrediente
noun
1. stuk huisraad
intrinsecum
/
ˈmɛg.zi.ˌko/, /
ˈmɛk.si.ˌko/
pronoun
1. een land in Amerika, officieel de Verenigde Mexicaanse Staten grenzend aan de Verenigde Staten, Belize en Guatemala, de Grote Oceaan en de Golf van Mexico
Mexicum
verb
1. het geluid maken dat kenmerkend is voor een kat
felio
/
miˈxa/, /
ˈmiʃa/
pronoun
Michaeas
/
ˈmiːkroʔɔrɣaːnɪzmə/, /
ˈmiːkroʔɔrʝaːnɪzmə/
noun
1. meestal eencellig wezen
microbium
noun
1. een levend micro-organisme
microbium
noun
1. de tak van de biologie die zich bezighoudt met micro-organismen en hun effecten op de mens en andere levende organismen
microbiologia
noun
geïntegreerde schakeling die de hele CVE van een computer bevat op één enkele chip
Microprocessorium
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Microscopium
/
mɪkroˈskoːp/
noun
1. instrument dat het beeld van heel kleine dingen sterk vergroot
microscopium
mīcroscopium
noun
1. het midden van de dag, 12.00
meridies
noun
1. een maaltijd die tussen de ochtend en de middag genuttigd wordt
cena
/
ˈmɪdəɫ/
noun
- 2. iets met behulp waarvan een doel bereikt kan worden
- 4. geld, bezit
māchināmen
- 1. middendeel van het lichaam
media pars corporis
/
ˈmɪdəɫe:wə(n)/
noun
1. de periode tussen ongeveer 300 n.Chr. tot 1500 n.Chr.
Aera Mediaevālis
/
ˈmɪdəɫɪ:ws/
adjective
1. gerelateerd aan de middeleeuwen
mediaevalis
pronoun
1. randzee van de Atlantische Oceaan, gelegen tussen Zuid-Europa, Noord-Afrika en West-Azië
mare nostrum
Mare Mediterraneum
noun
1. middellijn
diametros
/
ˌmɪdəɫˈmatəx/
adjective
2. niet in positieve zin opvallen
mediocris
noun
1. van een cirkel of bol is het punt dat tot alle punten op de omtrek dezelfde afstand heeft
centrum
noun
2. als beledigend gebaar
digitus impudicus
noun
1. het centrale deel
medius
pronoun
1. het gebied tussen Noord-Amerika en Zuid-Amerika
America Centralis
noun
1. regio die bestaat uit Zuidwest-Azië en het noordoosten van Afrika
Oriens Medius
noun
spier- en peesachtig tussenschot tussen borstholte en buikholte
diaphragma
/
ˌmɪdərˈnɑxt/, /
ˌmɪdərˈnɑχt/
noun
1. het midden van de nacht, twaalf tot één uur 's nachts
media nox
verb
1. via de blaas als vloeistof lozen van lichamelijke afvalstoffen
meio
noun
1. een kruipend, in grote kolonies levend omnivoor insect
formica
noun
1. HCOOH
acidum formicum
verb
- 1. trekken, verhuizen, zich verplaatsen
- 2. gegevens zoals een bestand of code overzetten naar een ander computersysteem en/of netwerk
migrō
/
mɛi̯l/
abbreviation
mille
noun
1. een paal die op elke mijl staat
milliarium
/
mɛi̯n/
possessivePronoun
1. van mij
meus
noun
1. een aanspreektitel voor een man
domine
noun
1. een persoon die werkzaam is in de mijnbouw
metallārius
noun
1. benaming voor dieren uit de superorde Acariformes
acarus
noun
1. hoofddeksel voor kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders
mitra
pronoun
1. stad in het noordwesten van Italië
Mediolanum
/
mi.li.ˈjøː/, /
mɪɫˈjø/
noun
2. de wereldwijde natuurlijke omgeving
circumiectum
/
ˌmiliˈtæːr/, /
ˌmiliˈtɛːr/
adjective
1. met het leger te maken hebbend
militaris
noun
1. 1.000.000.000 (= 10⁹)
deciens miliens centena milia
milliardum
noun
1. 1.000.000
deciens centena milia
decies centena milia
noun
1. iemand die een vermogen heeft van meer dan een miljoen eenheden van een bepaalde valuta (bijvoorbeeld euro, dollar)
milliōnāria
noun
1. dikke koude drank
milkshake
noun
1. een periode van 1000 jaar
millennium
/
mɪlt/
noun
1. een klier in de buikholte die een rol speelt bij het zuiveren en de opslag van bloed
lien
splen
/
mɪnɑxtə(n)/
verb
1.
aspernor
/
ˈmɪnɑxtɪŋ/
noun
1. het minderwaardig vinden, het geen gunstige mening hebben over
contemptus
/
ˈmɪndər/
indefiniteCardinalNumeral
1. vergrotende trap onverbogen vorm van weinig
minus
noun
1. water dat mineralen bevat die de smaak veranderen of het water een (vermeende) therapeutische waarde geven
aqua medicata
noun
1. een persoon die deelneemt aan de regering van een land
minister
/
mɪnst/
indefiniteCardinalNumeral
minimus
noun
- 2. hoek
horae pars sexagesima
minuta
- 1. tijdeenheid
minuta
horae pars sexagesima
noun
1. neerbuigende vriendelijkheid als karakter eigenschap
clēmentia
noun
1. een godsdienstoefening in de katholieke kerk, een eucharistieviering
missa
/
mɪzˈbrœykən/, /
mɪzˈbrœːkən/
verb
op een slechte wijze gebruik maken van iets of iemand
abūtor
noun
1. een handeling die een ernstig vergrijp tegen het wetboek van strafrecht is
crimen
/
mɪs'dadəx/
adjective
scelestus
noun
1. een misdaad of delict
scelus
facinus
maleficium
verb
1. iemand slecht behandelen en pijn doen of verwonden
malo tractare
noun
1. het moedwillig toebrengen...
contumēlia
verb
1. iemand in de waan van iets brengen
decipio
/
mɪsˈlʏkə(n)/
verb
verkeerd aflopen, zonder het gewenste resultaat
dēficiō
noun
- 1. bepaald soort loofboom Mespilus germanica
- 2. vrucht van de mispelboom
mespilum
/
məˈsxin/
adverb
1. duidt aan dat er een bepaalde kans bestaat dat de uitspraak waar is
fortasse
/
ˈmɪsə(n)/
verb
- 1. niet raken, niet treffen
- 6. de afwezigheid voelen van
careō
noun
1. een doeleind dat verwezenlijkt dient te worden
expeditio
noun
1. laaghangende bewolking die het zicht belemmert
nebula
adjective
1. met mist
nebulōsus
/
ˈmɪsfərstɑnt/
noun
1. het verkeerd begrijpen van elkaars bedoelingen
ambiguitas
noun
1.wijn die gebruikt wordt in de misdiensten
vinum missarium
verb
1. verzachten, matigen
mītigō
/
ˌmito'xɔndriɵm/
noun
1.
mitochondrium
adjective
1. gemakkelijk verplaatsbaar of bewegend
mōbilis
/
moˈbilcə/
noun
1. draagbare telefoon
telephonulum
noun
1. mengsel van aarde, vuil en water
lutum
noun
recentissimorum modorum
/
muː/
adjective
1. geneigd tot rusten of slapen
fessus
lassus
/
mud/, /
mut/
noun
1. dapperheid, lef, branie
fortitudo
noun
1. een vrouwelijke ouder
mater
māter
adjective
1.met de liefde en zorg van een moeder
māternus
/
ˈmuːdəx/, /
ˈmuːdəç/
adjective
1. geen angst voor gevaar tonend
animosus
fortis
noun
1. de diersoort waartoe het tamme schaap behoort, Ovis gmelini
Ovis aries musimon
noun
1. toestand waarin je door afmatting behoefte hebt om uit te rusten
lassitudo
/
mu<sup>ɪ</sup>lɛ<sup>ɪ</sup>k/
adjective
1. niet gemakkelijk, waar moeite, geduld en inspanning voor vereist is
difficilis
noun
1. iets dat moeilijk of lastig is
difficultās
/
ˈmuitə/
noun
1. een grote inspanning
opera
noun
1. de regentijd in tropische gebieden met een droge tijd en een regentijd
ventus monsonius
/
ˈmus.tœʏ̯n/, /
ˈmus.tœːn/
noun
1. een tuin waarin op kleine schaal verschillende groenten en evt kruiden en/of fruit worden verbouwd
hortus
verb
1. gedwongen zijn
debere
pronoun
1. een rivier die ontspringt in de Vogezen en na 544 kilometer bij Koblenz in de Rijn uitmondt
Mosella
adjective
1. een keuze om iets te doen
possibilis
noun
1. iets wat gedaan kan worden of kan gebeuren
facultas
/
'mo.χə(n)/
verb
1. toegestaan zijn
licet
noun
1. bepaald soort zoogdier, Talpa europaea
talpa
/
mɔlˈdaːvi.jə/, /
mɔɫˈdavi.jə/
pronoun
1. een land en regio in Zuidoost-Europa grenzend aan Oekraïne en Roemenië
Moldavia
adjective
1. bestaande uit moleculen
molecularis
/
moləˈkyle/
noun
1. het kleinste deeltje van een stof dat nog alle eigenschappen van die stof bezit
particula
/
moləˈkyɫ/
noun
1. het kleinste deeltje van een stof dat nog alle eigenschappen van die stof bezit
particula
molecula
noun
1. installatie die de stroming van lucht of water gebruikt als energiebron
molae
/
ˈmolənar/
noun
1. iemand die het werken in een molen als beroep heeft
molitor
pistor
noun
1. een ronde steen die onder andere in windmolens en watermolens wordt gebruikt voor het malen van granen en andere producten, zoals boekweit, erwten en bonen, lijnkoeken en eikenschors
mola
noun
1. Chemisch element
molybdenum
molybdaenum
noun
1. zeer korte tijd
momentum
verb
1. geluiden maken die moeilijk te verstaan zijn
mussō
/
moˈnako/, /
ˈmo.na.ko/
pronoun
- 1. een dwergstaatje in Zuid-Europa, officieel het Vorstendom Monaco, dat aan Frankrijk grenst
- 2. de hoofdstad van Monaco
Monoecus
noun
1. is van origine een regeringsvorm waarbij alle macht bij één persoon berust
monarchia
/
[mɔnt]/
noun
1. ingang van het spijsverteringskanaal
os
bucca
abbreviation
1. een zeer besmettelijke virusziekte (Aphtae epizooticae) die evenhoevige dieren, vooral runderen treft
aphtae epizooticae
adjective
1. via het gesproken woord
oretenus
/
ˈmɔndɪŋ/
noun
1. plaats waar een rivier uitkomt in zee of meer
ostium
noun
1. een hap of een slok die zo groot is dat ze de mond vult
buccea
/
mɔŋ.ˈ(g)ɣo.li.jə/, /
mɔŋ.ˈɣo.li.jə/, /
mɔŋ.ˈχo.li.jə/
pronoun
1. een land in Azië en omringd door China in het zuiden en Rusland in het noorden
Mongolia
pronoun
1. macrotaal die de officiële taal van Mongolië is en die ook in China en Rusland gesproken wordt
mongolicus
/
ˈmoniˌtɔr/
noun
beeldscherm
monitor
noun
1. een man die uit religieuze overwegingen teruggetrokken leeft, voornamelijk in een klooster
monachus
/
ˈmonɔfˌtɔŋ/
noun
1. de benaming voor één enkele klinker die de nucleus vormt van een lettergreep
monophthongus
noun
1. het samenleven of getrouwd zijn met één persoon
monogamia
noun
1. het geheel beheersen van een markt door een enkele leverancier
monopolium
noun
- 1. schrikwekkend wezen
bēlua
- 2. een willekeurige hoeveelheid ontnomen aan een grotere massa
exemplum
/
ˌmɔntəˈnegro/, /
ˌmɔntəˈneːɣro/
pronoun
1. land in Zuidoost-Europa gelegen aan de Adriatische Zee en grenzend aan Kroatië, Bosnië en Herzegovina, Servië en Albanië
Mons Niger
noun
1. een groot gedenkteken
monumentum
/
moːj/
adjective
1. prettig in voorkomen, aangenaam om naar te kijken, schoon
pulcher
bellus
/
ˈmoːrd/, /
ˈmoːrt/, /
ˈmʊːrt/
noun
1. handeling met het doel en het gevolg dat iemand dood gaat
nex
verb
1. rondgaan om moorden te plegen
occido
/
mordənar/
noun
1. iemand die een moord gepleegd heeft
homocīda
homicida
noun
1. de kleinst mogelijke morfosyntactische eenheid in een taal
morphema
/
ˌmɔr.fo.lo.ˈɣi/, /
ˌmɔr.fo.lo.ˈχi/
noun
- 1. de wetenschap die het vormgeven van woorden bestudeert
- 2. de wetenschap van de bouw van organismen
- 3. de vormen, structuren en texturen van een materiaal op een schaalbereik groter dan het moleculaire.
- 4. de wetenschap die de vorm van de oppervlakte van de aarde bestudeert
morphologia
/
ˈmɔrxə(n)/, /
ˈmɔrɣə(n)/
adverb
1. eerstvolgende dag na vandaag
cras
crās
/
ˈmɔrxə(n)/, /
ˈmɔrɣə(n)/
noun
1. eerste deel van de dag
mane
noun
1. benaming voor de planeet Venus
Lucifer
noun
1. mengsel waarmee wordt gewerkt...
mortārium
noun
- 1. een kom waarin met een stamper allerlei stoffen fijn gestampt of fijngewreven worden
- 2,3 korte kanontypen
mortārium
noun
1. een boom uit de napjesdragersfamilie
cerrus
noun
1. gebedshuis
meschita
noun
1. een geloofsaanhanger van de islam
muslimanus
noun
1. Mytilus edulis, een eetbaar tweekleppig schelpdier
concha
adjective
1. met mos bedekt
muscōsus
noun
1. gistend vruchtensap, meestal van druiven
mustum
noun
1. een in de keuken gebruikte kruidenpasta
sinapis
noun
1. een vlinderachtig insect
tinea
/
'mo.tɔr/
noun
1. krachtbron
machinamentum motorium
noun
1. de grondstof voor bier, jenever en whisky,...
maltum
noun
1. dat deel van een kledingstuk dat de armen omvat
manica
/
ˌmo.zɑm.ˈbik/, /
ˌmo.zɑm.ˈbɪk/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel de republiek Mozambique
Mozambicum
noun
1. kleine, vliegende insecten van de onderorde Nematocera
culex
noun
1. bek van een groot dier
bucca
noun
1. een kruising van een ezelhengst en een paardenmerrie
mulus
noun
1. een kruising van een paardenhengst en een ezelin
burdo
hinnus
/
mœʏ̯s/, /
mœːs/
noun
- 3. computermuis
mus
- 1. klein zoogdier, meestal van het geslacht "Mus"
mus
mūs
verb
1. in opstand komen tegen wettige autoriteit
faciō sēditiōnem
pronoun
1.
Mulhusia
Mulhusium Alsatiae
noun
1. een door balseming en uitdroging geconserveerd lichaam van een dode
mumia
/
mʏˈnitsi/, /
mʏˈnisi/
noun
schietbenodigdheden
tela
noun
1. en 2. (blaadjes van) het plantengeslacht Mentha
menta
mentha
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Passeridae
passer
noun
1. een gebouw waarin voorwerpen van culturele waarde tentoongesteld worden
museum
noun
1. iemand die muziek maakt en ten gehore brengt
musicus
/
'mɵskɵs/
noun
1. de geurstof uitgescheiden door de geurklieren van bepaalde zoogdieren
muscus
noun
1. Ondatra zibethicus, een soort waterrat
Ondatra zibethicus
/
myːr/
noun
1. verticale vlakke constructie van metselwerk
murus
/
my'zik/
noun
1. een akoestisch fenomeen
musica
cantus
/
myˈzikˌɪnstrymɛnt/
noun
1. instrument om muziek mee te spelen
instrumentum musicum
noun
1. iemand die muziek maakt
musicus
/
ˌmikoloˈɣi/
noun
1. de wetenschap die zich bezig houdt met het bestuderen van schimmels
mycologia
noun
1. afwijking in de brandpuntsafstand van het oog waardoor alles op grotere afstand wazig gezien wordt
myopia
noun
1. een grote groep mensen, een ontelbare menigte
mȳrias
/
mi.tɔ.lɔ.ɣi/
noun
mythologia
preposition
1. in tijd volgend op
post
/
naf/
noun
1. centrale as of middenstuk van een wiel of rad
modiolus
/
ˈnaːi̯ə(n)/
verb
1. naaldwerk verrichten
suō
/
naːkt/
adjective
1. zonder beharing of andere fysieke bescherming van de huid, ontkleed
nudus
noun
1. het naakt zijn
nuditas
/
nald/, /
naɫt/
noun
1. gereedschap voor naaien
acus
noun
- 2. bekendheid, reputatie
fama
existimatio
nomen
- 1. kort stukje tekst dat een persoon, instelling of object bijna identiek kan benoemen
nōmen
nomen
noun
1. elk der buigingsvormen van een naamwoord
casus
/
namwort/
noun
1. een woord dat een persoon of zaak noemt, bepaalt of aanduidt
nomen
/
naːr/
adverb
1. in de richting van
ad
a
preposition
1. aan de zijkant van
iuxta
noun
1. liefde jegens de medemens
caritas
adjective
1. zich in de onmiddellijke omgeving bevindend
propinquus
/
'na.bo.tsə(n)/
verb
1. nadoen, imiteren
imitor
/
ˈnabotsɪŋ/
noun
1. imitatie, het nadoen
imitatio
/
nɑx/, /
nɑxt/, /
nɑχt/
noun
1. de tijd tussen zonsondergang en zonsopkomst
nox
noun
1. lijsterachtige zangvogel met een rossig bruine staart die heel mooi kan zingen
luscinia
luscinius
/
ˈnɑxtjɑˌpɔn/
noun
1. kledij die vrouwen 's nachts dragen
synthesis
noun
- 1. een zeer angstige droom
- 2. een schrikbeeld
incubus
noun
1. traditionele benaming voor verschillende soorten uilen uit de familie Strigidae
bubo
noun
1. vlinder die 's nachts actief is
papilio
/
na'dɑt/
conjunction
postquam
noun
1. ongunstige eigenschap
damnum
/
ˈnaː.ɣəˌbor.tə/
noun
3. de moederkoek, navelstreng en vliezen die het lichaam van de moeder verlaten nadat de baby is geboren
secundae
noun
- 1. hoornplaat op laatste teen- en vingerkootjes
clavus
unguis
- 3. spijker
unguis
/
ˈna.wɑtl̥̩/, /
ˈna.wɑtl̩/
pronoun
1. benaming voor de talen die door de oorspronkelijke bewoners van Mexico gesproken worden
lingua navatlaca
/
ˈnahʏm/
pronoun
2. boek in de Bijbel
Nahum
noun
1. een fout doordat er iets nagelaten wordt
incūria
/
ˈnamələk/
abbreviation
nomen
pronoun
1. provincie in het oosten van België
Namurcum
/
na.'mi.bi.jə/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika
Namibia
noun
1. tijd aan het einde van de middag
postmeridianum tempus
pronoun
1. stad in Italië
Neapolis
Neāpolis
adjective
1. een taal die in Napels, Campanië, Basilicata en noordelijk Calabrië gesproken wordt
neāpolītānus
noun
1. onderzoek om de ware aard van iets te ontdekken; onderzoek naar wat anderen mogelijk verborgen willen houden
indagatio
adjective
1. gedrenkt in een vloeistof, meestal water
umidus
noun
1. een groep mensen die zich door gemeenschappelijke taal, cultuur of politieke geschiedenis verbonden voelt
natio
noun
1. voorliefde voor het vaderlandse
nātiōnālismus
/
naˈtyrkʏndə/, /
naˈtyːrkʏndə/
noun
1. subdiscipline binnen de natuurwetenschap die zich bezighoudt met de bestudering van materie en
physica
adjective
1. uit de natuur afkomstig
nātūrālis
adverb
1. vanzelfsprekend
naturaliter
noun
1. een ongelukkige gebeurtenis die door de natuur veroorzaakt wordt
calamitas naturalis
/
na.ˈu.ru/, /
naˈuru/, /
ˈnaʊ̯.ru/
pronoun
1. een land in de Stille Oceaan
Naurum
adjective
1. een geringe breedte hebbend
angustus
adverb
1. slechts in geringe mate
haud
/
ˈnavəlstrɛŋ/
noun
snoer dat de vrucht aan de moederkoek verbindt
nervus umbilicaris
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Neckarwesthemium
noun
1. de afsterving van weefsel
necrosis
noun
1. suikerrijke vloeistof die door veel planten wordt geproduceerd
nectar
noun
2. een perzikachtige vrucht van boom Prunus persica var. nucipersica
tuber
noun
1. het aannemen van een houding waarbij geen aanspraak gemaakt wordt op macht of eer
humilitas
noun
1. het verlies van een strijd
clades
/
ˈnedərˌlɑnt/, /
ˈneːdərˌlɑnd/, /
ˈneːdərˌlɑnt/
pronoun
1. land in het westen van Europa, grenzend aan Duitsland en België, belangrijkste deel van het Koninkrijk der Nederlanden
Nederlandia
/
ˈne.dər.ˌlɑnds/, /
ˈne.dər.ˌlɑnts/
pronoun
1. een West-Germaanse taal die als officiële taal gesproken wordt in Nederland, Vlaanderen, Suriname en op de Nederlandse Antillen
batavice
lingua Batava
lingua Nederlandiae
/
neː/
interjection
1. ontkenning
non
noun
- 2. kozijn
consobrinus
- 1. mannelijke oomzegger
nepos
filius fratris
/
ner/
adverb
1. in benedenwaartse richting
deorsum
verb
1. in een neerwaartse richting gaag totdat men landt
descendō
verb
1. te snel naar beneden verplaatsen
decido
/
ˈne.ɣə(n)/, /
ˈne.χə(n)/
cardinalNumeral
1. het getal 9
novem
/
ˈne.ɣən.də/, /
ˈne.χən.də/
ordinalAdjective
1. nummer negen in een rij
nonus
cardinalNumeral
1. het getal 39
undequadraginta
cardinalNumeral
1. het getal 99
undecentum
cardinalNumeral
1. het getal 89
undenonaginta
cardinalNumeral
1. het getal 29
ūndētrīgintā
cardinalNumeral
1. het getal 49
undequinquaginta
cardinalNumeral
1. het getal 59
undesexaginta
cardinalNumeral
1. het getal 69
sexaginta novem
/
ˈneɣənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 79
undeoctoginta
/
ˈne.ɣə(n).ˌhɔn.dərd/, /
ˈne.ɣə(n).ˌɦɔn.dərt/, /
ˈne.χə(n).ˌɦɔn.dərt/
cardinalNumeral
1. het getal 900
nongenti
cardinalNumeral
1. het getal 19
undeviginti
ordinalAdjective
nōnus decimus
adverb
1. bij negentien gelegenheden
undevicies
/
ˈne.ɣə(n).təx/, /
ˈne.ɣə(n).tɪx/, /
ˈne.χə(n).təχ/
cardinalNumeral
1. het getal 90
nonaginta
verb
1. doen alsof iemand of iets niet bestaat
ignōrō
/
nɛk/
noun
1. achterste gedeelte van de hals
cervix
/
ˈne.mə(n)/
verb
1. iets vastpakken met de handen
capio
sumo
/
ˌne.jo.lo.ˈχɪs.mə/, /
ˌne.jo.loː.ˈɣɪz.mə/
noun
1. een woord dat nieuw is of nieuw gevormd is
neologismus
noun
1. een chemisch element en een kleurloos edelgas
neon
/
ˈnepɑɫ/, /
ˈneːpɑl/
pronoun
1. een land in Azië, gelegen in de Himalaya tussen India en China (Tibet)
Nepalia
noun
1. Chemisch element
neptunium
adverb
1. lijdend aan gespannen zenuwen
trepidus
/
nɛst/
noun
1. de verblijfplaats van een dier
nidus
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Reticulum
noun
1. een geheel van fijne draden
rete
/
ˈnɛcəs/
adjective
1. net, schoon
concinnus
noun
1. een vlies aan de binnenkant van het oog waarop een beeld wordt gevormd
retina
verb
1. geslachtsgemeenschap hebben met
futuere
noun
1. een discipline binnen de biologie en geneeskunde die zich bezighoudt met alles wat aandoeningen van het centrale zenuwstelsel betreft
neurologia
noun
een zeer belangrijke cel in het zenuwstelsel
neurocytus
/
nøʏs/, /
nøːs/
noun
1. een orgaan dat gebruikt wordt bij de ademhaling en om te ruiken
nasus
naris
noun
1. een van de beenderen van de schedel
os nasale
noun
1. het eerste stuk van het luchtwegstelsel waar de ingeademde lucht doorheen gaat
cavitās nāsī
noun
1. een groot en zwaar zoogdier uit de familie van de Rhinocerotidae dat in Afrika en Azië leeft...
rhinoceros
rhīnocerōs
noun
1. een onpartijdige houding aanhouden ten opzichte van twee partijen met een geschil
neutralitas
noun
2. wolken in de nabijheid van de grond, ontstaan door plaatselijke oorzaken zoals door afkoeling of door menging van koude met warme vochtige lucht
nebula
/
nuˈjɔːrk/
pronoun
1. deelstaat van de Verenigde Staten
Novum Eboracum
/
ˌni.ka.ˈra.gβ̞a/, /
ˌni.ka.ˈra.ɣuwa/, /
ˌni.kɑ.ˈra.gʋa/
pronoun
1. een staat in Midden-Amerika, tussen Honduras en Costa Rica
Nicaragua
noun
- 3. dochter van iemands oom of tante
consobrina
- 1. dochter van iemands broer of zus
filia fratris
indefinitePronoun
1. geen enkel persoon
nemo
noun
1. een van beide organen in de onderrug die het bloed zuiveren van afvalstoffen en deze uitscheiden in de urine.
ren
noun
1. een samengroeisel in het nierbekken dat meestal uit urinezuur en urinezure zouten bestaat
nephrolithus
noun
1. glibberige stof, gewonnen uit het weefsel rond de beide organen die bij zoogdieren het bloed zuiveren
arvina
adverb
1. ontkenning, tegenovergestelde van 'wel'
non
haud
indefinitePronoun
1. geen enkel ding, geen enkele zaak
nihil
nihilum
noun
1. iemand die voor niets deugt
nebulō
/
niβ̞/, /
nyʊ̯/
adjective
- 2. recentelijk ontdekt
novus
- woorden die in een of meer van de bovenstaande categorieën horen, maar waarvan niet bekend is in welke (voel u vrij deze woorden in de juiste categorie in te voegen)
- 5. in originele staat
novus
nova
- 1. recentelijk gemaakt
- 4. onderscheidt nieuwere namen van oudere
- 7. recentelijk aangekomen of opgedoken
- 3. huidige
- 6. vreemd, onbekend
novus
nova
novum
/
niβ̞.ˈze.lɑnt/, /
nyʊ̯.ˈze.lɑnd/
pronoun
1. een land in het zuidwesten van de Grote Oceaan, gelegen naast Australië
Nova Zelandia
Nova Seelandia
pronoun
1. Australische deelstaat gelegen in het zuidoosten van het land
Nova Cambria Australis
noun
1. nieuwe maan
novilunium
pronoun
1. samenstelling van Bijbelboeken
Novum Testāmentum
noun
1. iets dat nieuw is
novitas
noun
1. feestdag ter gelegenheid van het begin van een nieuw jaar van de gebruikte kalender
annus faustus
/
niu̯s/
noun
- 1. actuele ontwikkelingen
- 2. een uitzending in de media waarin berichten over actuele ontwikkelingen worden verspreid aan het publiek
nuntia
/
ˈniu̯sˌɣirəx/
adjective
1. verlangend om iets te weten of waar te nemen
cūriōsus
/
niu'sxirəxɛit/
noun
1. het verlangen naar kennis
cūriōsitās
verb
1. plotselinge, krachtige uitademing om de neus te reinigen van prikkelende stoffen
sternuere
/
'ni.ɣər/, /
'ni.χər/
pronoun
1. land in West-Afrika
Niger
/
ni.'ɣeː.ri.ja/, /
ni.'χɪː.ri.ja/
pronoun
1. een land in West-Afrika
Nigeria
noun
1. binnen de filosofie een begrip dat wordt gebruikt om de ontkenning van het bestaan van betekenis...
nihilismus
/
nɛɪt/
noun
1. grondige afkeer
invidia
noun
1. groot en zwaar in Afrika levend zoogdier, Hippopotamus amphibius
hippopotamus
pronoun
Ulpia Noviomagus Batavorum
noun
1. Chemisch element
niccolum
noun
- 1. stralenkrans
- 3. wolk
nimbus
noun
- 1. wezen dat rivieren, bossen enz. bewoont
- 2. bekoorlijk meisje
- 4. insect in de tweede toestand van gedaanteverwisseling
nympha
adverb
1. op geen enkel moment
numquam
/
ˈni.no.ˌvə/
pronoun
1. stad in de Belgische provincie Oost-Vlaanderen
Ninive
/
niˈjobijʏm/
noun
1. Chemisch element
niobium
noun
1. de hoogste staat die door de mens bereikt kan worden, en waardoor heiligheid behaald wordt; toestand van volkomen rust
nirvāna
noun
1. de rang in een hiërarchie, stadium van ontwikkeling, enzovoort
gradus
noun
1. scheikundig element
nobelium
noun
1. een jaarlijkse geldprijs voor wetenschappers en anderen die een opmerkelijke prestatie hebben geleverd
praemium Nobelianum
/
'no.dəx/
adjective
1. waar behoefte aan is
necesse
verb
1. met een naam aanduiden
appello
noun
1. het getal onder de streep van een breuk
denominator
noun
1. een eerste van de 8 naamvallen van de Indo-Europese talen
nominativus
/
nɔn/
noun
inwoonster van een vrouwenklooster
monacha
/
ˈnɔŋkəɫ/
noun
1. broer of zwager van iemands vader of moeder
avunculus
patruus
noun
1. datgene wat het toeval iemand doet overkomen
fatum
adjective
1. erg nodig
necesse
/
ˈnoːit/
adverb
1. op geen enkel moment
numquam
pronoun
het continent dat ten noorden van [[Zuid-Amerika]] ligt, tussen de Grote, Arctische en de Atlantische Oceaan
America septentrionalis
/
noːrd.ˈbra.bɑnt/, /
no̝ːrd.ˈbra.bɑnt/, /
ˌnoːrd.bra.bɑnd/
pronoun
1. een provincie in het zuiden van Nederland, die aan Gelderland, Limburg, Zeeland, Zuid-Holland en België grenst
Brabantia Septentrionalis
pronoun
1.
Carolīna Septentriōnālis
pronoun
1.
Dacota Septentrionalis
pronoun
het noordelijk deel van Europa
Europa Septentrionalis
/
noːrt.ˈɦɔ.lɑnt/, /
no̝ːr.ˈtɔ.lɑnt/, /
ˈnoːrd.hɔ.lɑnd/
pronoun
1. een provincie in het noordwesten van Nederland, ...
Hollandia Septentrionalis
/
ˈɛlzɑs/
pronoun
1.
Hibernia Septentrionalis
pronoun
1. regio van Finland
Carelia Septentrionalis
/
ˌnoːrt koˈre.ja/, /
ˌno̝ːrt koˈre.ja/
pronoun
1. een land in Oost-Azië, officieel de Democratische Volksrepubliek Korea
Corea Borealis
Corea Septentrionalis
pronoun
1.
Macedonia Septentrionalis
pronoun
Rhenania Septentrionalis et Vestfalia
pronoun
1. Australisch territorium gelegen in het noorden van het land
Territorium Septentrionale
noun
1. windrichting
aquilonis
noun
1. sterrenbeeld, bestaande uit zeven sterren die in een halve cirkel staan
Corona Borealis
/
ˈnoːrdzeː/, /
ˈnoːrtseː/, /
ˈno̝ːrtse/
pronoun
1. zee tussen Groot-Brittannië, Noorwegen, Denemarken, Duitsland, Nederland en België
Mare Germanicum
/
noːrs/, /
no̝ːrs/
adjective
1. betreffende Noorwegen en/of het Noors
lingua norvegica
/
noːrs/, /
no̝ːrs/
pronoun
1. de taal die wordt gesproken in Noorwegen
lingua norvegica
/
ˈnoːrˌweɣə(n)/, /
ˈnoːrˌβ̞eɣə(n)/, /
ˈno̝ːrˌʋeχə(n)/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa
Norvegia
/
noːt/
noun
- 3. (muziek) een geluid van zekere tijdsduur
nota
- 1. (kookkunst) eetbaar, oliehoudend zaad, kern of pit met harde dop
- 2. (plantkunde) boomvrucht met verhoute vruchtwand
nux
noun
1. en 2. (gepeld) zaad van de nootmuskaatboom Myristica fragrans
myristica fragrans
/
nɔrˈmaɫ/
adjective
2. als norm dienend
normalis
/
nɔrˈmɑndɪə/
pronoun
1. streek in het noorden van Frankrijk
Normannia
noun
1. jurist die bevoegd is om authentieke akten op te maken
notarius
noun
1. muzieknotatiesysteem
notātiō mūsicālis
noun
1. benul, bewustzijn
idea
noun
1. de elfde maand van het jaar
November
november
adverb
1. op het huidige tijdstip
nunc
adverb
1. op onregelmatige tijden
interdum
/
nɵxtər/
adjective
1. niet onder de invloed van iets bedwelmends, vooral alcohol
sobrius
/
nɵl/
cardinalNumeral
1. getal
zerum
nullus
/
ˈnumeɾi/
pronoun
Numerī
Numeri
/
ˈnʏmər/
abbreviation
1. een aanduiding met een getal
numerus
adjective
1. zonder voordeel
inūtilis
/
o'azə/
noun
1. plek in een woestijn waar water voorhanden is en vegetatie groeit.
oasis
/
oˈbɑtja/
pronoun
- 1., 4. naam in de Bijbel; jongensnaam
Abdias
- 2. boek in de Bijbel
Abdiæ
Abdiae
noun
1. een bediende in een restaurant of café
minister
ministri
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Derdinga
/
ˈɔpjɛkt/
noun
- 1. voorwerp
- 2. grammaticaal voorwerp
- 3. filosofische entiteit en 4. informaticacomponent
objectus
noun
1. (beroep) iemand die observeert (waarnemingen doet)
contemplātor
verb
1.gericht via de zintuigen van iets kennis nemen
animadverto
noun
1. verstopping
obstructiō
pronoun
1. een taal die in het zuiden van Frankrijk gesproken wordt
lingua Occitana
noun
1. een zeer grote zee tussen verschillende werelddelen
oceanus
/
oseˈjani.jə/, /
oseˈjaːni.jə/
pronoun
1. de collectieve naam voor een groot aantal eilanden in de Stille Oceaan...
Oceania
noun
1. bepaald soort zoogdier, Leopardus pardalis
pardalis
noun
1. eerste deel van de dag, tussen ca. 6.00 en 12.00 uur
mane
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Octans
/
ɔkta'ʔedər/
noun
1. een regelmatig achtvlak, een ruimtelijke figuur begrensd door acht gelijkzijdige driehoeken
octahedron
noun
1. (medisch) waterzucht
oedēma
verb
1. proberen zonder fouten uit te voeren
exercito
noun
1. test om de kennis te peilen
exercitium
/
u.'ɣɑn.da/, /
u.'χɑn.da/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika, officieel de Republiek Oeganda
Uganda
/
ukraˈɦins/, /
ukraˈʔins/
pronoun
1. een Slavische taal die in Oekraïne gesproken wordt
Ukrainica
/
ukraˈɦinə/, /
ukraˈʔinə/
pronoun
1. een land in Oost-Europa met als hoofdstad Kiev
Ucraina
/
ˌenoloˈɣi/
noun
1. de wetenschap van de wijnbereiding
oenologia
/
ˈuː.rɔs/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Bos primigenius
bos silvanus
noun
1. tweekleppig weekdier uit de familie Ostreidae met onregelmatige schelpkleppen
ostrea
noun
1. een vrouwelijk hormoon
oestrogenum
/
us.ˈbe.kɪ.stɑn/, /
uz.ˈbe.kɪ.stɑn/
pronoun
1. een land in centraal Azië, officieel de Republiek Oezbekistan, dat geheel door land wordt omsloten
Usbecia
Uzbecia
conjunction
1. keuze
aut
vel
seu
noun
1. een gave aan een godheid
sacrificium
adjective
1. erkend door bevoegd gezag
officialis
/
ɔfˈtɑɫmis/
adjective
1. met betrekking tot het oog en/of de ziekten ervan.
ophthalmicus
noun
1. de tak van de medische wetenschap die zich met het oog en het zicht bezig houdt
ophthalmologia
noun
1. een scheikundig element met het symbool Og en het atoomnummer 118
oganesson
adjective
1. met betrekking tot Okinawa of de Okinawaanse taal
okinawanus
pronoun
1. een streektaal in Okinawa
okinawanus
pronoun
1. een van de vijftig deelstaten van de Verenigde Staten van Amerika.
Oclahoma
noun
1. holte tussen de arm en de romp
ala
axilla
noun
1. de tiende maand van het jaar
October
october
pronoun
Revolutio Octobris Russica
adjective
1. betrekking hebbend op het reukzintuig
olfactivus
noun
1. vettige vloeistof
oleum
noun
1. groot dikhuidig en veelhoevig zoogdier met een lange slurf
elephantus
elephas
/
oˈlɛɪf/, /
oˈlɛːf/
noun
1. een vrucht van de olijfboom
olea
oliva
noun
1. bepaald soort boom, Olea europaea
olea
oliva
noun
1. fijne spijsolie verkregen door persing uit olijven
oleum
verb
1. met olie bewerken
lūbricō
noun
1. boom uit de iepenfamilie
ulmus
adjective
Olympiacus
Olympicus
Olympius
/
o.ˌlɪm.pi.sə.ˈspe.lə(n)/
pronoun
1. een vierjaarlijks sportevenement dat zijn oorsprong in de stad Olympia in de Griekse landstreek Elis heeft
Olympia
noun
1. moeder van een ouder
avia
/
o.ˈman/, /
ˈo.mɑn/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel het Sultanaat Oman
Omania
/
ɔm.'dɑt/
conjunction
1. geeft onderschikkend een reden aan
quia
noun
1. een gerecht dat bereid wordt door geklutste eieren te bakken
ova spongia
noun
1. de nabijheid
circumposita
verb
1. aan alle kanten omsluiten
arceō
verb
1. de armen om iemand slaan
amplector
/
ˈɔmkopə(n)/
verb
1. (iemand ~) met behulp van geschenken, geld e.d. overhalen om van zijn plicht, partij, overtuiging te verzakent
corrumpere
adverb
1. in neerwaartse richting
deorsum
noun
1. iets dat totaal anders is geworden
commutatio rerum
verb
1. in enige woorden een definitie ergens van geven
dēscrībō
noun
hoe de zaken er voorliggen
rēs
noun
- 1. de lengte van een gesloten kromme
circuitus
- 3. omvang van een lichaam
circumferentia
verb
2. een einde maken aan een bewind
subvertō
noun
1. het afzetten van een regering, overheid of regime
eversio
/
ˈɔmʋɛx/
noun
1. de weg die langer is dan de gewone of kortste verbinding tussen twee plaatsen
ambages
noun
- 1. politieke revolutie
- 2. algemene grootscheepse verandering
- 3. volledige draaiing
revolutio
prefix
1. toegevoegd aan een bijvoeglijk naamwoord drukt dit voorvoegsel het tegendeel uit.
in-
adjective
1. geen verbinding hebbend met
independens
adjective
1. niet mogelijk om te kunnen veranderen of vermijden
inevitabilis
adjective
1. van delen van het lichaam dat er geen haar op zit, dat het niet met haar bedekt is
glaber
adjective
1. niet behorend tot de kennis
incognitus
noun
2. een kleinigheid
apinae
noun
1. de onverbogen werkwoordsvorm die naar persoon en getal onvervoegd is
infinitivus
noun
1. gedrag dat schaamte op zou moeten roepen maar het bij die persoon niet doet
impudentia
/
ɔmbə'sxɔfthɛit/
noun
1. brutaal gedrag
audentia
adjective
2. zonder winnaar of verliezer
ambigus
adjective
1. van de lucht dat ze zonder wolken is en het dus zonnig weer is
innūbilus
noun
1. de mate waarin iemand onvoorzichtig en lichtvaardig handelt
temeritās
noun
1. een medisch specialist die zich bezighoudt met de gezwelgroei, in het bijzonder met kanker
oncologus
preposition
1. ook al is het zo dat
quamquam
/
ˈɔn.dər/
preposition
1. niet gesorteerd
sub
/
ˌɔndərˈɑrṃ/
noun
1. gedeelte van de arm tussen de elleboog en de hand
antebrachium
verb
1. actie ondernemen om een in gang zijnd proces tot staan te brengen
interrumpō
/
ɔn.dər.ˈbre.kɪŋ/, /
ɔn.dər.ˈbreː.kɪŋ(g)/
noun
2. een kort ophouden van bezigheden als pauze
dilidium
intercapedo
intermissio
noun
1. het gedeelte van de buik dat het dichtste bij de benen is
abdōmen
/
ˌɔndərˈdanəx/
adjective
1. gehoorzaam aan een leider
obnoxius
/
ˈɔndərde:l/
noun
1. deel van een groter geheel
pars
verb
1. onder een vloeistofoppervlak laten zakken
mergō
verb
1. onderhevig gemaakt worden
patior
verb
de basis waarop iets rust eronder vandaan halen
subvertō
verb
1. overleggen om tot een afspraak te komen
agō
noun
1. handelingen verricht om iets in goede staat te houden.
tuitiō
noun
1. de onderste kaak
mandibula
noun
1. gouverneur van een land of een provincie die als vervanger van de monarch optreedt
vicerex
verb
1. een bedrijf of actie in werking stellen
adeo
noun
1. een organisatie
ausum
verb
1. een verschil in aanmerking nemen
dignoscō
/
ɔndər'sxɛpə(n)/
verb
1. ervoor zorgen dat iets dat onderweg is zijn bestemming niet haalt
intercipiō
noun
1. handtekening
signatura
subnotatio
verb
1. helpen, bijstaan
fulciō
adverb
1. in de tussentijd
interim
/
ɔndərˈwatər/, /
ˈɔndərwatər/
adverb
summersus
/
ˌɔndərˈwɛx/, /
ˌɔndərˈʋɛχ/, /
ˌɔndərˈβ̞ɛx/
adverb
1. bezig zijn zich van plek A naar plek B te verplaatsen
in itinere
noun
2. zinsdeel waarnaar de persoonsvorm zich richt en dat bijv. de handelende persoon of zaak beschrijft
subjectum
verb
- 2. zich overgeven
obsequor
- 1. gezag opleggen
redūcō
noun
1. de voorziening van opleidingen
educatio
disciplina
verb
1. scholing verzorgen voor iemand
doceo
noun
1. iemand die lesgeeft
doctor
/
ɔndərˈzes/
adjective
navis submarina
noun
1. iemand die een onderzoek uitvoert
indāgātor
adjective
1. stout, ongehoorzaam
improbus
adjective
1. zonder einde
īnfīnītus
noun
1. het nog niet veel ondervinding hebben
imperītia
adjective
1. Niet deelbaar door twee
impār
adjective
1. niet conform datgene wat gebruikelijk is
inusitatus
noun
1. ongewenste dieren, die de mens op een of andere manier last bezorgen
blatta
adjective
1. niet getrouwd
viduus
/
ˌɔnɣəˈlɛi̯k/, /
ˌɔnχəˈlɛi̯k/
adjective
1. niet met elkaar overeenstemmend
absimilis
adjective
2. bijzonder, uitzonderlijk
incredibilis
noun
1.het niet geloven
incredulitas
/
ˈɔnɣəˌlɵk/, /
ˈɔnɣəˌlʏk/
noun
1. een onvoorziene gebeurtenis met negatieve en soms zelfs fatale gevolgen
calamitas
noun
1. onaangename verstoring
incommoditās
noun
1. menstruatie
menstrua
/
ɔnɣəvɑl/
noun
1. een ongeluk
casus
abbreviation
bij benadering
circiter
adjective
2. niet vaak voorkomend
insolens
adjective
1. niet goed met de handen om kunnen gaan
inelegans
adjective
1. zonder mogelijkheid om ongedaan gemaakt te worden
irrevocābilis
adjective
1. niet met de oren waarneembaar
inaudibilis
/
ˈɔŋkəɫ/
noun
1. broer of zwager van iemands vader of moeder
avunculus
patruus
noun
1. planten die voorkomen op plekken waar ze niet gewenst zijn
zizania
phraseologicalUnit
1. het slechte is moeilijk uit te roeien
mala herba difficulter moritur
/
ˌonomatoˈpe/
noun
1. door klanknabootsing gevormd woord
onomatopeja
adjective
1.
indispensābilis
/
ɔnɔnt'kombar/
adjective
1. waaraan niet te ontsnappen is
inēluctābilis
noun
1. een werkwoord dat niet vergezeld kan worden door een lijdend voorwerp of een meewerkend voorwerp in een zin
verbum intransitivum
adjective
1. een negatief gevoel oproepend
incommodus
noun
1. een behandeling die iemand onrecht aandoet of een toestand die onrecht inhoudt
iniūria
adjective
- onzuiver, onkuis
- vuil
impūrus
noun
1. het niet schoon zijn
impūritās
possessivePronoun
1. van de 1e persoon meervoud
noster
/
ɔnˈsxʏɫdəx/
adjective
1. niet schuldig
innocēns
noun
1. de eigenschap niet te zullen sterven
immortālitās
verb
1. overgaan in iets verkeerds
degenerare
/
ɔntˈberə(n)/
verb
1. iets missen waaraan men grote behoefte heeft
carere
noun
1. eerste maaltijd van de dag
prandium
ientaculum
verb
1. de eerste maaltijd van de dag nuttigen
ientare
verb
1. niet aanwezig zijn terwijl dit wel zou moeten of verwacht wordt
abesse
verb
1. het verwijderen van enkele of alle organen van het darmkanaalstelsel
exenterō
/
ɔnˈdɛ.kə(n)/
verb
1. ergens achter komen
comperiō
noun
1. het vinden van iets nieuws
inventio
noun
1. een leider of verantwoordelijke van een groep mensen die vaak in opdracht op zoek ging naar...
explorator
/
ɔntəˈvredənɦɛɪt/
noun
1. het gevoel niet genoeg te hebben en onvoldaan te zijn
displicentia
verb
1. iemand doden door het hoofd van de romp te scheiden
carnificare
/
ɔnt'ɦɑʊdɪŋ/
noun
1. het bewust niet een gewoonte of behoefte volgen
abstinentia
/
ɔntˈɦɵlə(n)/, /
ɔntˈɦʏlə(n)/
verb
- 1. van het hulsel ontdoen
- 2. openbaren van onbekende feiten
acclārō
verb
1. verklaren dat het gestelde niet waar is
abnego
verb
1. anatomiseren, analyseren
dissecō
verb
1. door te castreren of het amputeren van de penis, iemand ontdoen van zijn mannelijkheid
abscidere
verb
1. de moed ontnemen
dehortor
verb
1. met iemand kennismaken en een gesprek voeren
occurro
verb
1. zorgen dat iemand ergens niet meer over beschikt
dēmō
adjective
1. aandoenlijk, aangrijpend
flexanimus
verb
1. aan gevangenschap, dreigende gevangenneming of ander gevaar ontkomen
aufugere
/
ɔnt.ˈstan/
verb
1. de verandering ondergaan van niet bestaan naar wel bestaan
surgere
noun
1. (medisch) ontsteking
inflammatio
/
ɔndˈvaŋ(g)ə(n)/, /
ɔntfɑŋə(n)/
verb
1. het verkrijgen van zaken zoals loon en berichten
accipere
noun
1. iemand aan wie...
acceptor
verb
1. wederrechtelijk en onder dwang iemand weghalen
rapiō
/
ɔntʋɪkələ(n)/
verb
- 1. iets ~ een aanwezige aanleg tot bloei brengen
- 2. zich ~ tot geleidelijk iets worden
- 3. een film ~ het latente beeld van een belicht fotografisch materiaal chemisch zichtbaar maken
- 4. ontwerpen en uitvoeren op basis van onderzoek
creare
/
ɔnvərˈbœxbaːr/, /
ɔnvərˈbœyxbaːr/
adjective
1. onmogelijk te verbuigen
indeclinabilis
adjective
1. van vloeistoffen: niet vermengd met een andere vloeistof; niet aangelengd
merus
adjective
1. van een drank: zonder toevoegingen van mindere kwaliteit
inadulteratus
adjective
1. zijn verstand niet gebruikend en daardoor ook grote risico's lopend
fatuus
adjective
1. niet van tevoren zien aankomen
necopīnātus
/
ˌɔn.vərˈʋust.bar/, /
ˌɔn.vərˈβ̞ust.bar/
adjective
1. niet stuk te krijgen, buitengewoon robuust
inconsumptibilis
noun
participium praesentis
adjective
1. bij verrassing optredend
imprōvīsus
/
ɔnʋɪːr/
noun
1. meteorologisch verschijnsel waarbij regen gepaard gaat met donder en bliksem
hiemps
/
ˈɔnwɪl/
noun
1. het de keuze maken om niet mee te werken
nōluntās
noun
een variëteit van kwarts
onyx
possessivePronoun
- 1. attributief
- 2. substantief
noster
/
ˌɔn.zəˌli.vəˈvrɑʊ̯.əˌkɛrk/, /
ˌɔn.zəˌli.vəˈvrɔʊ̯.əˌkɛrk/
noun
1. een veel voorkomende naam van katholieke kerken
ecclesia Nostrae Dominae
pronoun
1. christelijk gebed
Pater noster
noun
1. de mate waarin iets vervuild is
impūritās
/
ox/, /
oːx/, /
oχ/
noun
1. gezichtsorgaan voor het waarnemen van lichtprikkels
oculus
/
ˌox.ɔm.ˌox, ˌtɑnt.ɔm.ˈtɑnt/, /
ˌoɣ.ɔm.ˌox, ˌtɑnd.ɔm.ˈtɑnd/, /
ˌoχ.ɔm.ˌoχ, ˌtɑnt.ɔm.ˈtɑnt/
interjection
1. benadrukt volledige vergelding
oculum pro oculo dentem pro dente
noun
2. een oogbol
bulbus oculi
/
ˈoχ.lɪt/
noun
1. een beschermend vlies van huid dat over de ogen bewogen kan worden
palpebra
verb
1. het van het land halen van het rijpe gewas
messis
verb
- 1. het volgroeide gewas van het veld halen
- 2. als reactie krijgen
colligere
noun
1. vrouwelijk schaap
ovis
noun
1. bepaald soort grote witte vogel met zwarte vleugelranden en rode poten, Ciconia ciconia
ciconia
/
oːɪt/
adverb
- 1. op een zeker tijdstip in het verleden
aliquando
- 2. een mogelijk tijdstip in de toekomst
umquam
/
oːk/
adverb
1. daarnaast; verder; tevens
quoque
etiam
et
noun
1. broer of zwager van iemands vader of moeder
patruus
avunculus
/
oːr/
noun
1. het lichaamsdeel waarmee geluiden kunnen worden gehoord
auris
auricula
noun
1. een ornament dat in of op het oor aangebracht wordt
inauris
/
ort/
noun
1. een bepaalde plaats
locus
noun
1.het onderste deel van de oorschelp bestaande uit vetweefsel
auricilla
noun
1. een gewapende strijd tussen twee of meer bevolkingsgroepen en/of tussen twee of meer landen
bellum
/
ˈorɔntˌstekɪŋ/
noun
1. een ontsteking van het oor
otitis
/
orsxɛlp/, /
o̝rsχɛɫp/
noun
1. het uit het hoofd stekende deel van een oor
auricula
noun
stroperige vloeistof in de gehoorgangen
cerumen
adjective
1. zoals het in begin was
primitivus
pronoun
Germania Orientalis
/
os.ˈti.mɔr/
pronoun
1. een land in Zuidoost-Azië, bestaande uit een gedeelte van het eiland Timor en de kleinere eilandjes Atauro en Jaco in het geheel
Timoria Orientalis
/
ostˈflandərə(n)/
pronoun
1. Belgische provincie
Flandria Orientalis
/
ˈostə(n)/
noun
1. een van de windstreken, die op landkaarten overeenkomt met de rechterkant
oriēns
pronoun
1. een gemeente in de Belgische provincie West-Vlaanderen
Ostenda
/
ˈostə(n)ˌrɛɪ̯k/, /
ˈoːstə(n)ˌrɛɪ̯k/, /
ˈoːstə(n)ˌrɛːk/
pronoun
1. een republiek in Midden-Europa grenzend aan Zwitserland en Liechtenstein in het westen, aan Duitsland...
Austria
pronoun
1. zee die tussen Zweden en de Baltische staten ligt
mare Balticum
Mare Balticum
preposition
- 1. aan de bovenkant aanrakend, rustend op
in
- 3. omhoog
super
verb
3. (van een ambassadeur) laten komen om een kritiek op beleid van zijn regering over te brengen
convoco
noun
1. de vader van een ouder
avus
/
o'pal/
noun
1. een halfedelsteen en een amorfe variëteit van kwarts, SiO₂·nH₂O, gehydrateerd siliciumdioxide met een waterpercentage van soms wel 20%
opalus
/
'ɔp.bla.zə(n)/
verb
2. een gas in een uitzetbare ruimte pompen
inflō
/
'ɔbrɛŋs/, /
'ɔbrɛŋst/
noun
1. dat wat opgebracht wordt, de baat die men heeft van zijn activiteiten
fructus
noun
1. een te verrichten werk
expedītiō
/
ˈɔpɛːsə(n)/
verb
eisen dat iets of iemand waarop men recht heeft, wordt overgegeven
exigo
/
ˈoː.pə(n)/
adverb
1. niet gesloten
apertus
adjective
1. vrij toegankelijk
publicus
noun
1. openbaar toegankelijk personenvervoer
vectūra pūblica
noun
1. laatste boek van de Bijbel
Apocalypsis
verb
- 1. laten beginnen, in bedrijf brengen
- 2. ontsluiten, openmaken wat afsluit of wat gesloten is
- 3. openstellen, toegankelijk maken
- 4. (informatica) een bestand inladen
abrir
/
ˈoː.pə(n).ɣaːn/
verb
1. zich openen
aperio
noun
1. een in hoofdzaak gezongen en orkestraal begeleid muziekdrama, gewoonlijk van ernstige aard
drama musicum
noun
1.
drama melicum brevius
noun
1. enthousiaste stemming, houding, instelling
ēlātiō
noun
1. het seksueel of emotioneel (te) gespannen zijn
tumor
verb
1.de tijd tot de volwassenheid doorbrengen
adolescō
/
'ɔpɦɑŋə(n)/
verb
- 3. aan de galg opknopen
sedeo
- 1. iets in een hangende positie bevestigen
- 2. een telefoongesprek beëindigen
suspendō
noun
1. verduidelijking
explanatio
explicatio
verb
1. kwaad en opgewonden maken
incitō
verb
1. zorgen dat iemands stemming verbeterd
hilarō
verb
5. tot ontwikkeling komen
ascendo
/
ˈɔp.la.jə(n)/
verb
1. plotseling heviger gaan branden
aestuare
excitare
flagrare
verb
1. iets een liggende plaats geven op iets anders
impōnō
verb
1. bij voortduring aandachtig zijn
animadverto
noun
1. bedrog waarbij men iemand geld of goed afhandig weet te maken
fraudatio
adjective
2. scheikunde: het vermogen bezittend in oplossing te gaan
dissolubilis
verb
- 1. een homogeen mengsel gaan vormen
- 2. een homogeen mengsel doen vormen
dissolvō
noun
- 1. een mengsel
- 2. een manier om van een probleem af te komen
- 4. het antwoord
solutio
/
ɔ'plʏxtə(n)/
verb
1.
relevō
noun
1.het gevoel bevrijd te zijn van iets dat dreigde
aberrātiō
verb
1. bemerken, waarnemen
animadverto
/
ˈɔpniu/
adverb
1. nog een keer, een vorige gebeurtenis herhalend
iterum
noun
2. onverwachte vertraging in gemaakte plannen
mora
pronoun
1. deelstaat van Oostenrijk
Austria Superior
noun
1. bot in de bovenarm
humerus
/
ˈɔpərvlɑk/
noun
1. vlak dat iets naar boven begrenst
superficiēs
noun
- 2. uitgebreidheid
area
- 1. vlak dat iets naar boven begrenst
superficiēs
verb
2. een instelling in het leven roepen
sistō
verb
3. iets in orde brengen, netjes maken
ordinō
verb
2. aangedikte beweringen doen
glorior
noun
1. iemand die vaak opschept tot ergernis van anderen
delator
/
ˈɔpslan/
verb
5. informatica: vastleggen of bewaren van gegevens
servo
verb
1. in de hoogte springen
saliō
verb
- 1. gaan staan
- 2. het bed verlaten
orior
/
ˈɔpstɑnt/
noun
1. een massale, vaak gewelddadige, poging het heersende gezag af te schudden
insurrectio
noun
1. iemand die zich gewapenderhand verzet tegen het heersende gezag
rebellis
noun
1. verrijzenis
resurrectio
verb
1. bij elkaar tellen; het samenvoegen van twee of meer termen tot een totaal, de som genoemd
addere
noun
1. iemand die kundig is in de optica
opticus
noun
- 1. een van de keuzes die gemaakt kan worden
- 2. financieel product
optiō
verb
1. met spierkracht iets van de grond opheffen
levo
noun
1. iemand die alles van de positieve kant beschouwt
fautor optimismi
verb
2. iemands functie overnemen
succedere
noun
1. iemand die een ambt bekleedt na iemand anders
successor
verb
3. in staat van agitatie brengen
commoveō
adverb
1. bewust op deze manier
meditātus
verb
- 1. in hoog aanzien hebben, van hogere status achten
- 2. iets met angst en vrees bekijken
metuere
noun
1. mensaap met lange armen en roodbruinachtig haar
Pongo pygmaeus
adjective
1. de kleur oranje hebbend
aurantiacus
aurantius
noun
1. plant van de talrijke orchideeënfamilie, m.n. benaming voor de kleurrijke bloemen
orchis
noun
- 1. gewenste regelmaat
- 2. een hiërarchische organisatie
- 3. (biologie) een groep verwante organismen, onderdeel van een klasse en bestaande uit families
ordō
noun
- 1. Origanum vulgare
- 2. keukenkruid
orīganum
noun
- 1. Onderdeel van het organisme
- 2. Communicatiemiddel
organum
/
ˌɔrɣɑniˈzasi/, /
ˌɔrχɑniˈzaʦi/
noun
3. een groep die een bepaald doel of of bepaalde rol heeft
institutum
pronoun
Ordo oeconomicae cooperationi et evolutioni favendis
pronoun
Organizatio securitati cooperationique in Europa favendis
/
ˌɔrɣɑniˈzeːrə(n)/, /
ˌɔrχɑniˈzɪːrə(n)/
verb
- 1. een bepaalde structuur aanbrengen
- 2. iets, vaak een evenement, tot stand brengen
ordinō
noun
1. een afzonderlijk en volledig levend wezen dat voor zijn voortbestaan afhankelijk is van zijn eigen metabolisme en bestaat uit verschillende organen
organismus
noun
1. lustgevoelens bij seksuele opwinding (klaarkomen)
orgasmus
/
ˈɔrɣəɫ/
noun
1. een muziekinstrument dat bestaat uit meerdere losse pijpen waardoor lucht stroomt op een labium en dat ingedeeld wordt bij de aerofonen
organum
organum tubulatum
adjective
- 1. enige of zeer zeldzaam in zijn soort
- 2. gemaakt door de eerste en oorspronkelijke maker
novitatis
noun
1. voorwerp, gemaakt door de eerste en oorspronkelijke maker, waarvan een of kopieën zijn gemaakt
novitatis
pronoun
2. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Orion
/
ˈɔr.ka/
noun
1. Orcinus orca, een walvissoort die vrij gedrongen van bouw is...
orca
noun
1. een bijzonder hevige storm
turbo
huracanum
/
ɔrˈkɛst/
noun
1. een groep musici
orchestra
/
ɔrtodɔk'si/
noun
orthodoxia
noun
1. gecastreerde stier
bos
verb
1. oscilleren
oscillare
pronoun
- 1. de hoofdstad en grootste stad van Noorwegen en is gelegen in het zuidoosten van het land
- 2. een provincie in Noorwegen
Asloa
noun
1. Chemisch element
osmium
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Bootes
noun
1. beenvorming
ossificatio
noun
1.1 bepaald soort zoogdier Lutra lutra
lutra
/
aʊ̯d/, /
ɔʊ̯t/, /
ʌʊ̯t/
adjective
- 3. vorige
vetus
- 2. oud ding, concept
vetus
senex
- 1. oud mens, dier
vetus
vetulus
senex
pronoun
1. stad in de provincie Oost-Vlaanderen
Aldenarda
pronoun
1. het Engels zoals dat tussen ca. 400 en 1100 werd gesproken en dat wordt gezien als de rechtstreekse voorloper van het Middelengels en nog later het moderne Engels
Lingua Anglica Antiqua
/
ˈaʊ̯.dər/, /
ˈɔʊ̯.dər/, /
ˈʌʊ̯.dər/
noun
1. de moeder of vader van een kind
genitor
pronoun
1. gemeente in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Audergemium
/
ˈaʊ̯.dərs/, /
ˈɔʊ̯.dərs/, /
ˈʌʊ̯.dərs/
noun
1. meervoud van het zelfstandig naamwoord ouder
parentes
adjective
1. niet langer gebruikt of in de mode
priscus
pronoun
1. een nu dode taal die werd gesproken in Griekenland
Graeca antiqua
/
ɑʊ̭tɦɛɪ̭t/
noun
- 1. het tijdperk van de geschiedenis vóór de middeleeuwen
- 2. een overblijfsel uit
antīquitās
/
ɑuthɛit'kʏndəx/
adjective
1. betrekking hebbend op de oudheid of de geschiedenis meer in het algemeen
archaeologicus
pronoun
1. een taal die de voorganger van de Scandinavische talen was
lingua Nordica antiqua
/
'ʌʊtɑntə/
noun
1.
amita magna
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Fornax
/
ovə/
noun
1. besloten ruimte die verhit wordt om er voorwerpen in te smelten, te bakken enz.
furnus
preposition
2. op of langs de oppervlakte van
trans
verb
1. een hoger bod uitbrengen dan een ander
adiciō
verb
1. overhouden
superesse
/
ˈovərbrɛŋə(n)/
verb
3. van de ene persoon of zaak op de andere doen overgaan
transferre
noun
1. officieel iets in handen van de andere partij geven
transferre
adjective
1. buiten proportie weergegeven
suprālātus
verb
1. de feiten groter, kleiner, mooier of slechter voorstellen dan ze zijn
verbīs augeō
noun
2. een bindende afspraak waarmee alle partijen instemmen
contractus
verb
2. in overeenstemming brengen
audio
verb
- 4. van eigenaar veranderen
- 6. minder worden en uiteindelijk weggaan
praetereo
/
'ovərɣavə/
noun
1. het opgeven van de strijd en zich aan de wijand onderwerpen
deditio
/
ˈovərɣrotˌvadər/
noun
1. een vader van een grootouder
proavus
verb
1. in de handen van een ander geven
dedo
verb
1. de macht uitoefenen over een ander volk
dominor
noun
1. het overheersen
dominatio
/
ˈovərɦɛit/
noun
1. het geheel aan gezagvoerende lichamen
magistratus
/
ˌovəˈrɛɪ̯sɔɫ/, /
ˌovəˈrɛɪ̯səl/, /
ˌovəˈrɛːsəɫ/
pronoun
1. provincie in het oosten van Nederland
Transisalania
/
ˌovərˈlevə(n)/
verb
1. in leven blijven ondanks levensbedreigende omstandigheden of gebeurtenissen
relinquor
noun
1. iemand die een levensbedreigende situatie overleefd heeft
superstes
verb
2. in de strijd van zijde wisselen
transfugiō
verb
1.met grote kracht de baas worden of blijven
obruō
adjective
1. buitensporig
improbus
noun
1. seks hebben met een ander dan de echtgenoot of vaste partner
adulterium
verb
1. doorkruisen om de overzijde te bereiken
trānseō
verb
1. het onder water komen staan van een laaggelegen gebied
diluvio
/
ˌovərˈstromɪŋ/
noun
1. het binnenlopen van water in doorgaans droog gebied
inundatio
exundatio
noun
1. een relatief licht strafbaar feit
delinquentia
verb
1.een voorheen behaald niveau te boven gaan
praecellō
/
ˌo.vər.ˌtrɛ.fən.də.ˈtrɑp/
noun
superlativus
verb
1. een denkbeeld doen aanvaarden
persuadere
/
ovər'ʋeɣən/, /
ˈovərʋeɣən/
verb
de voor- en nadelen bezien alvorens een beslissing te nemen
pensitō
verb
1. een tegenstander of zwakte onder de knie krijgen
vincō
verb
3. zie vertalen
interpreto
noun
- 1. toestand dat je het geheel kunt duidelijk overzien
- 2. samenvatting van de inhoud, beschrijving in hoofdlijnen
breviārium
noun
1. het gereedkomen van een eicel uit de eierstok.
ovulatio
noun
1. (scheik.) een vorm van zuurstof met drie zuurstofatomen inplaats van twee
ozonum
noun
- 1. een langwerpig stuk materiaal dat in de grond staat
- 3. een doelpaal
cippus
/
paːr/
noun
- 2. twee geliefden die een relatie hebben
- 1. twee van een soort die bij elkaar horen
par
/
paːrt/
noun
- 1. tam hoefdier met manen
equus
caballus
- 3. schaakstuk
equus
eques
noun
- 1. en 2. (bladeren of bloemen van) plant Taraxacum officinale
dens leonis
- 1. samengesteldbloemige plant Taraxacum officinale
taraxacum
/
'pardə(n)krɑxt/
abbreviation
maat voor arbeidsvermogen
equipotentia
noun
- 1. sporenplant
- 3. staart van een paard
equisētum
/
ˈpardəˌstɑɫ/
noun
1. een stal bedoeld om paarden te huisvesten
equile
/
ˈpaːrt.rɛidə(n)/
noun
- zich, zittend op de rug van een paard, verplaatsen
equitare
- het rijden op een paard, ter ontspanning of als sportbeoefening
equitatio
adjective
1. met een kleur tussen rood en blauw
purpura
noun
1. diverse kleurschakeringen tussen blauw en rood.
purpura
noun
1. de dag waarop christenen vieren dat Jezus opgestaan is uit de dood, op de derde dag na zijn kruisiging
Dominica Paschae in Resurrectione Domini
/
pɛːt/
noun
- 1. een kikker met een gedrongen lichaamsbouw en ruwe huid die een orgaan van Bidder bezit
bufo
- 1. een smalle weg of voetweg
semita
noun
1. vruchtlichaam van een doorgaans onder de grond levende schimmel of zwam
fungus
boletus
/
paˈeʎa/
noun
1. gerecht
oryza in patella
noun
1. persoonlijke dienaar van iemand
pedisequus
/
pɑk/
noun
1. pakket
fascis
/
ˈpa.kɪ.ˌstɑn/
pronoun
1. een land in het zuiden van Azië grenzend aan India, Afghanistan, Iran en China. De officiële naam is de Islamitische Republiek
Pakistania
Pācistānia
verb
- 1. in de handen nemen
- 2. arresteren
capiō
/
palaˈdɛin/
noun
- 1. een slaafse aanhanger
- 2. een ridder of hofdienaar
pugnator
noun
1. een aanzienlijk gebouw dat een openbare functie heeft of een (woon)huis voor een staatshoofd is
palātium
/
ˈpalejoˌlitikʏm/
noun
1. eerste periode van de steentijd
palaeolithicus
noun
1. aardkunde die gericht is op de bestudering van fossielen
palaeontologia
/
ˌpalejoˈzowikʏm/
noun
Aera Palaeozoica
adjective
1.
Palaestinensis
noun
1. een symmetrisch woord dat van links naar rechts gelezen hetzelfde is als van rechts naar links gelezen. Voorbeelden: lepel en parterretrap maar ook kok en lol
palindromus
noun
1. bepaald soort langwerpige consumptievis, Anguilla anguilla
anguilla
noun
1. chemisch element
palladium
noun
- 1. (sub-)tropisch gewas
- 2. binnenzijde van de hand
palma
noun
1. blad van een palmboom
palma
pronoun
1. de zondag voor Pasen
Dominica in Palmis
noun
1. boomloze grasvlakte in Argentinië en Uruguay
pampa
/
pɑn/
noun
1. keukengereedschap om in te koken of braden
sartago
noun
1. geneesmiddel dat alle kwalen zou verhelpen
panacea
/
ˈpa.na.ma/, /
ˈpɑ.nə.ma/
pronoun
1. een land Centraal-Amerika
Panamia
pronoun
Canalis Panamensis
noun
2. een gebouw
aedificatio
/
ˌpɑndeˈmi/
noun
1. een epidemie op wereldwijde schaal
pandemia
noun
- 1. een platte, ronde koek die in een pan gebakken is
crispa
- 3. volleybalterm
laganum
noun
1. benaming voor verschillende grote katachtige roofdieren
panthera
pardus
/
pɑn.teʲ'ɪsmə/
noun
religio pantheia
/
pɑnte'jɪstis/
adjective
1.
pantheisticus
/
pɑnˈtɔfəldirtʲə/
noun
1. eencellig diertje
paramecium
noun
1. een beschermende laag om dieren of voorwerpen
lorica
noun
1. gerecht dat meestal bestaat uit melk die is gebonden met een zetmeelproduct zoals meel
pāpārium
noun
1. informele benaming voor vader door zijn kind
tata
noun
1. een plantengeslacht waarin ook de opiumpapaver thuis hoort
papaver
noun
1. benaming voor vogels uit de orde Psittaciformes
psittaca
psittacus
/
pɑ'pir/
noun
1. een dun vezelachtig beschrijfbaar materiaal
charta
papyrus
/
ˌpa.pu.wa.niβ̞.ɣi.ˈne.ja/, /
ˌpa.pu.wa.niβ̞.χi.ˈne.ja/, /
ˌpa.pu.wa.nyʊ̯.ɣi.ˈne.ja/
pronoun
land en staat in Oceanië
Papua Nova Guinea
/
ˈpaprika/, /
ˈpɑprika/
noun
2. vrucht van een bepaalde gekweekte vorm van een peperplant, Capsicum annuum
Capsicum annuum
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Apus
/
ˌparadɔkˈsal/
adjective
1. tegenstrijdig lijkend
paradoxus
/
ˈpa.ra.gʋɑɪ̯/, /
ˈpa.ra.gβ̞ɑɪ̯/, /
ˈpa.ra.ɣ<sup>ʊ</sup>ɛɪ̯/, /
ˈparaˌɡwe/
pronoun
Paraguaia
Paraquaria
/
paralɛloˈɣrɑm/, /
pɑrɑlɛloˈʝrɑm/
noun
1. (wiskunde) een vierhoek waarvan de overstaande zijden evenwijdig zijn
parallelogrammum
noun
1. achtervolgingswaanzin
paranoea
/
ˌpa.ra.ˈply/
noun
1. een scherm waarover een waterdichte stof is gespannen om zich te beschermen tegen de regen
umbella
umbraculum
noun
1. klaploper, iemand die ten koste van een ander leeft, een profiteur
parasītus
adjective
1. door parasieten veroorzaakt
parasiticus
noun
1. leer en studie van de parasieten en het parasitisme
parasitologia
noun
1. een hard, rond voorwerp dat door bepaalde weekdieren wordt gemaakt,...
margarita
noun
1. benaming voor vogels uit het geslacht Numididae
faraona
pronoun
1. de hoofdstad van Frankrijk
Lutetia
Parisii
Paris
/
pɑrᵊk/
noun
1. een groengebied bedoeld voor recreatie of natuurbehoud
hortī
noun
1. een installatie met klok die na de muntinworp de toegestane parkeertijd aangeeft
parcometrum
noun
1. plek waar auto's of andere voertuigen geparkeerd kunnen worden
area stativa
noun
1. iemand die deelneemt aan een activiteit
particeps
noun
1. klein deeltje
particula
noun
- 1. iemand met wie men gezamenlijk iets onderneemt of handel drijft
- 2. deelgenoot in spelen, speelgenoot, mededanser
- 3. iemand met wie men gehuwd of niet een relatie heeft
consors
noun
- 3. identiteitsbewijs
- 4. doorgang tussen bergtoppen
- 5. schot naar een medespeler
saltus
noun
1. het belangrijkste feest van het christendom, waarbij de Opstanding van Jesus centraal staat
pascha
adjective
1. kort geleden geboren
neogenitus
noun
5. ontlasting, doorgang
iter
noun
1. iemand die al of niet tegen betaling meereist met een voer-, vaar- of vliegtuig
vector
noun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Circinus
adjective
1. niet zelfstandig werkzaam
verbum passivum
noun
1. (eetbare) vrucht van het plantengeslacht Passiflora
futipasionnese
noun
1. de benaming voor een aantal Italiaanse deegproducten
collȳra
noun
1. bepaald circa 20 cm lang knolgewas, Pastinaca sativa
pastinaca
adjective
1. in een toestand waarin een speler geen enkele zet meer kan doen
stancamentum
noun
1. remise doordat een speler geen zet meer kan doen
stancamentum
pronoun
1. benaming voor het zuidelijke deel van Zuid-Amerika, tussen de Colorado en de Straat van Magellaan
Patagonia
adjective
1. & 2. vaderlijk
paternus
adjective
1. de eigenschap bezittend om een ziekte te veroorzaken
pathogenus
noun
1. een organisme dat een ziekte verwekt
pathogenum
adjective
1. ziekte betreffend
pathologicus
noun
1. een medisch specialist die de pathologie beoefent
pathologus
/
pɑˈsʲɛnt/
noun
iemand die medische hulp krijgt
aegrotus
noun
1. een vogel uit de familie van de fazanten
perdix
Perdix perdix
pronoun
1. stad in Thailand
Pattaya
/
'pɑupər/
noun
1. iemand die heel arm is
pauper
/
pɑu̯s/
noun
1. hoofd van de katholieke kerk
papa
pater
adjective
1. betrekking hebbend op de paus, het hoofd van de rooms-katholieke kerk
papalis
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Pavo
noun
1. benaming voor siervogels uit het geslacht Pavo
pavo
pāvō
/
ˈpɑʊzə/
noun
1. tijd waarin de hoofdactiviteit wordt onderbroken
pausa
/
pɛx/, /
pɛχ/
noun
1. de conditie waarin er tegenslag te verwerken is die niet door eigen schuld veroorzaakt is
adversa
noun
- 1. met de voet te bedienen hefboom
- 3. met de voet te bedienen hefboom van een muziekinstrument
insilia
/
pes/
noun
1. een uitloper van spierweefsel die de spier aanhecht aan het bot
tendo
pronoun
2. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Pegasus
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Pelecanidae
pelicanus
pelecānus
/
pɛm'fiɣɵs/
noun
1. ernstige auto-immuunziekte die blaren op de huid veroorzaakt
pemphigus
noun
1. instrument om met inkt te schrijven of te tekenen
calamus
noun
1. het mannelijke geslachtsdeel
penis
noun
2. een gerecht bereid van (1)
omāsum
noun
1. loon uitgesteld tot de tijd dat iemand niet langer actief is op de arbeidsmarkt
annuum
noun
1. een gelegenheid waar men kan overnachten
hospitium
/
pɛnʃo'nerɪŋ/
noun
1.
sēcessus
noun
1. een specerij van gemalen peperkorrels met een scherpe, hete smaak
piper
/
'pepərkɔrəl/
noun
1.
grānum piperis
preposition
- 3. over een periode van, over een afstand van.
- 5. door, wegens
per
/
perə(n)bom/
noun
1. een boom met peren als vrucht
pirus
/
pɛrˈfɛkt/
adjective
1. zonder enig gebrek
perfectus
verb
1. meer perfect of volmaakt maken
perficiō
/
pɪri'jodɘ/
noun
1. tijdperk
aetas
adjective
1. periodisch, regelmatig terugkerend
recurrens
noun
1. tijdschrift
recurrens
noun
1. een dun schrijfmateriaal, gemaakt van huid van kalveren, koeien, geiten, schapen, konijnen of ezels
membrana
noun
- 1. instrument waarmee druk uitgeoefend kan worden
- 2. journalistieke media
prēlum
pronoun
2. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Perseus
noun
- 1. menselijk individu
homo
persona
- 2. grammaticaal begrip
persona
homo
adjective
1. betrekking hebbend of uitgevoerd door de persoon zelf
proprius
noun
1. een voornaamwoord dat in de plaats komt van een zelfstandig naamwoord of eigennaam en hiernaar verwijst
pronomen personale
noun
1. het geheel van kenmerken en gedragingen dat iemand uniek maakt
indolēs
/
peˈru/
pronoun
1. een land in Zuid-Amerika
Peruvia
noun
1. sappige vrucht van de perzikboom
persicum
persica
pronoun
1. een Indo-Iraanse taal die gesproken wordt in Iran, Afghanistan en Tadzjikistan
persicus
noun
(medisch) Dodelijke en besmettelijke ziekten veroorzaakt door de bacterie Yersinia pestis
pestilentia
noun
1. gesteentekunde
petrologia
pronoun
- 1. discipel van Jezus
- 3. Peter
Petrus
pronoun
- 1. Griekse god van de paniek
- 2. grotere van de twee manen van Mars
Phobus
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Phoenix
noun
1. musicus die een piano bespeelt
pianistus
noun
1. groot snaarinstrument met klavier (algmeen)
clavile
/
pɪˈkɑrdɪʲə/
pronoun
regio in Noord-Frankrijk
Picardia
noun
1. geslachtsdeel van de man, penis gebruikt voor onvolgroeide jongens
peniculus
verb
- 1.1 het geluid van een muisje
dēsticō
- 3. stiekem, snel of oppervlakkig naar iets kijken
pīpō
adjective
1. bijzonder klein
minūtus
/
piːr/
noun
- 1. een regenworm
lumbricus
- 2. een in een zee of rivier uitstekende brug, dam of golfbreker
- 3. overdekte loopbrug op luchthaven
mōlēs
pronoun
1. jongensnaam
Petrus
noun
1. een organische of minerale stof met een vaste kleur
pigmentum
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Sagitta
noun
1. houder voor pijlen
gōrȳtos
/
pɛɪ̯n/, /
pɛːn/
noun
1. lichamelijk leed
dolor
/
ˈpɛɪ̯nɑpəɫˌkliːr/, /
ˈpɛːnɑpəlˌkliːr/
noun
1. klier in de hersenen, die melatonine uitscheidt
glandula pinealis
verb
1. het opzettelijk veroorzaken van pijn bij iemand
macero
/
ˈpɛːinlək/, /
ˈpɛːnlək/
adjective
1. pijn gevend
dolorosus
/
pɛi̯p/
noun
1. buis
canālis
/
ˈpɪkhʌʊʋɪ:ɫ/
noun
1. hakwerktuig met steel, voorzien van een punt aan de ene zijde en een beitelachtige voorziening aan de andere zijde
ligo
adjective
1. heel zwart
piceus
noun
1. een dun metalen staafje waarmee iets bevestigd kan worden
acus
/
pɪn.ˈsɛt/
noun
1. een gevorkt werktuig bestaande uit twee armen waarvan de punt bijeengeknepen kan worden
volsella
noun
1. de vijfde, kleinste en buitenste vinger
digitulus
pronoun
1. Christelijk feest
Pentecoste
/
piˈɔn/
noun
- 1. een schaakstuk dat alleen recht vooruit kan lopen en schuin vooruit slaan
latro
- 2. subatomair deeltje dat bestaat uit twee quarks en dus een boson is
pedes
noun
1. met een vorm die van een breed, wat hoekig grondvlak uitloopt in een punt
pyramidalis
noun
1. een semi-automatisch handvuurwapen met een langwerpig magazijn in het handvat
pistola
pronoun
1. groep van vijf eilanden halverwege Paaseiland en Tahiti
Pitkerno salos
/
ˈpidza/, /
ˈpitsa/
noun
1. gerecht van een belegde broodbodem
placentula
pitta
pronoun
1. taal gesproken door 3 106 620 mensen in Italië, Argentinië, Australië en de Verenigde Staten
lingua Pedemontana
noun
wijdverspreid onheil, ongemak
clades
/
plaːts/
noun
1. een bepaalde ruimte of een bepaald punt in de ruimte
locus
noun
1. precieze plek waar een misdaad is gebeurd
locus dēlictī
adjective
1. betrekking hebbend op een bepaalde plaats
locālis
verb
1. op een bepaalde plaats zetten
ponere
/
platsˈvɪndə(n)/
verb
1. gebeuren, geschieden, plaatshebben
accido
/
plɑˈfɔnt/
noun
- 2. hoogste niveau
lacunar
- 1. de bovenkant van een ruimte in een gebouw
tectum
verb
1. iemand (goedmoedig) pesten
vexō
verb
lijmen , kleven
haereō
noun
1. een voorgenomen handelswijze
cōnsilium
noun
1. een groot, rond en massief hemellichaam dat zelf geen licht geeft en in een vaste baan rond een ster draait
planeta
stella errans
/
plɑŋk/
noun
1. een plat en langwerpig stuk hout
tabula
noun
- 1. organisme dat kooldioxide opneemt en zuurstof afgeeft
- 2. van stengel en bladeren voorzien gewas dat zijn voedsel uit de aarde opneemt
planta
herba
noun
1. een uitgestrekt stuk grond waarop ...
plantātiō
verb
1. (een plant) in de aarde zetten om te laten groeien of bloeien
serere
noun
1. het onderdeel van de biologie dat zich bezighoudt met de studie van de planten
botanica
verb
1. via de urinebuis vloeibare lichamelijke afvalstoffen lozen
meiō
adverb
1. vlak van vorm met verwaarloosbare hoogteverschillen
plānus
noun
1. benaming voor loofbomen uit het geslacht Platanus
platanus
noun
1. scheikundig element met symbool Pt en atoomnummer 78
platinum
noun
1. het landelijke gebied buiten de steden
rūs
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Saksen
Plavia
adjective
met ceremonieel
solemnis
noun
een sociale gebeurtenis die met ernst en ceremonieel gepaard gaat
caerimōnia
noun
1. het plaatje waarmee snaren worden aangeslagen
plectrum
noun
1. (gipshoudend) kalkmengsel
emplastrum
pronoun
1. Plejaden
Pleiades
/
plɛk/
noun
1. plaats, positie
macula
/
plejoˈnɑsmə/
noun
1.
pleonasmos
noun
1. een taak die men op zich genomen heeft of opgelegd heeft gekregen
officium
noun
1. landbouwgereedschap om de grond om te woelen
aratrum
verb
2. land met de ploeg bewerken
arare
noun
1. snijdend deel van ploeg
vomer
adjective
1. snel en onverwacht
subitus
/
plɵk/
noun
1. uitgetrokken bundeltje
torulus
/
'plɵkə(n)/
verb
- 1. (bloemen) afbreken of oogsten
- 4. (sport) een door de lucht vliegende bal grijpen
carpō
- 2. ontdoen van de veren
vellō
verb
1. met geweld zich roerende goederen toeëigenen uit de woning van iemand anders
diripere
noun
1. Chemisch element
plutonium
/
po/
pronoun
1. stroom in Italië
Padus
noun
1. een pot, meestal uit kunststof of eertijds geëmailleerd ijzer, waar men zijn behoefte in kan doen
matella
noun
1. digitale radio-uitzending waarbij een audiobestand op internet wordt gezet...
acroāma
/
pudərsnew/
noun
1. fijne sneeuw
nix farinosa
noun
1. uitgescheiden vaste afvalstoffen van mens of dier
merda
noun
1. een van de oudste huisdieren van de mens
feles
verb
1. in eigen vocht gaar laten worden
frigere
/
ˈpoɣə(n)/, /
ˈpoχə(n)/
verb
1. iets met succes trachten te volbrengen, waarvan men niet weet of het gaat lukken
cōnor
pronoun
1. Polaris
Alpha Ursae Minoris
/
ˈpolə(n)/, /
ˈpoːlə(n)/
pronoun
1. een land in het midden van Europa met de officiële naam Republiek Polen (Rzeczpospolita Polska)
Polonia
noun
1. iemand die zich beroepsmatig met politiek bezighoudt
politicus
noun
1. een overheidsdienst die belast is met de handhaving van de openbare orde...
vigiles
biocolyta
/
poliˈtik/
adjective
1. betreffende de politiek
politicus
/
poliˈtik/
noun
1. datgene dat gerelateerd is aan het besturen van een land
politica
noun
1. Chemisch element
polonium
noun
anatomie: 1. gewricht
carpus
noun
1. een gesloten stelsel lijnsegmenten die samen een plat vlak omsluiten
polygonum
noun
1. godsdienst met meer dan één god
polytheismus
pronoun
1. historische regio in het zuiden van de Oostzee
Pomerania
noun
1. een zeer oud cultuurgewas uit Midden- en Zuid-Amerika
cucurbita
noun
1. naam voor verschillende munteenheden die in het Verenigd Koninkrijk en sommige Engelstalige landen worden gebruikt
libra
noun
1. werkschuit met een vlak dek
ponto
noun
1. paard uit een ras met een schofthoogte tot ongeveer anderhalve meter
caballio
/
pok/
noun
1. stang om het vuur op te porren
rutābulum
/
pol/, /
poɫ/, /
po̝ɫ/
noun
1. een inwoner van Polen, of iemand afkomstig uit Polen
polonus
noun
A 1. uiteinde van een draaiingsas
polus
/
poɫs/, /
poːls/, /
po̝ɫs/
pronoun
1. een taal die in Polen gesproken wordt
excolo
noun
1. bepaald soort zoogdier, Alopex lagopus
vulpes arctica
/
poːrt/
noun
1. met deuren afsluitbare doorgang door een muur
porta
noun
1. het populair zijn van iemand of iets
popularitas
/
pɔrsəlɛːn/, /
pɔrsəˈlɛɪn/
noun
- 1. fijn, geglazuurd aardewerk
- 2. voorwerpen van fijn, geglazuurd aardewerk
porcellanus
noun
1,2 portaal (entree)
aditus
noun
1. een deel van een voorraad toebedeeld aan een bepaald persoon
pars
noun
- 2. zuilengalerij
ambulātiō
- 1. woningingang bestaande uit een open portaal binnen de voorgevellijn
porticus
/
'pɔrtyɣɑl/
pronoun
1. een land in het zuidwesten van Europa, officieel de Portugese Republiek
Portugallia
Lusitania
Portus Cale
/
ˌpɔr.ty.ˈɣes/, /
ˌpɔr.ty.ˈχes/
pronoun
2. taal gesproken in Portugal
lingua Lusitana
lingua lusitana
/
pɔr.ty.ˈɣe.sə/, /
ˌpɔr.ty.ˈχe.sə/
noun
1. vrouw
lusitanus
noun
1. bepaald soort vis, Gymnocephalus cernuus
Gymnocephalus cernuus
/
po'zisi/
noun
- 1. een stand van het lichaam
- 2. een innerlijke houding
- 3. een plaats van waaruit men iets onderneemt
- 4. een toestand waarin iemand zich bevindt
- 5. een vaste betrekking
- 6. een maatschappelijke stand
- 7. de ligging van de hand
- 8. een opstelling van troepen en materieel
positiō
noun
1. postbeambte
tabellarius
noun
1. bepaalde soort eenjarige groene plant, Portulaca oleracea
portulaca
noun
2. het postkantoor
diribitorium
noun
1. kantoor dat zich bezighoudt met de bezorging van post en vaak ook andere diensten levert ...
diribitorium
/
ˈpɔseɣəl/, /
ˈpɔseχəɫ/
noun
1. betalingsmiddel voor het verzenden van post
pittacium epistulare
verb
1. ondiep in de aarde stoppen, met name van bollen, wortels, zaden e.d. om deze te laten groeien
cōnserō
noun
1. schrijfgerei met een zachte stift vervaardigd van klei en grafiet ingebed in een houten huls
stilus plumbatus
plumbum
noun
1. deel van een gebroken pot van aardewerk
testa
noun
1. bedrijf waar men aardewerk maakt; werkplaats van een pottenbakker
figlīna
noun
1. bepaald soort zeezoogdier, Physeter macrocephalus
physeter
noun
1. in ritme, maat en klank verwoorden
poesis
/
prax/, /
praç/
pronoun
hoofdstad van Tsjechië
Praga
noun
2. een hulpmiddel in de vorm van een stuk hout en een lus die om de bovenlip aangebracht wordt om een paard rustig te houden
cōnfībula
/
prɑkˈtɛɪ̯k/, /
prɑkˈtɛːk/
noun
- 1. ruimte waarin een arts zijn beroep uitoefent
- 2. hoe dingen werkelijk gaan...
- 4. gewoonte(n), manier van doen
institūtum
/
ˌprazejoˈdimijʏm/
noun
1. Chemisch element
praseodymium
/
ˈpraː.tə(n)/
verb
1. zich met behulp van de stem uiten
loquor
noun
3. (grammaticaal) gezegde
attribūtum
noun
2. bureau van een prefect
praefectūra
noun
1. een gebonden morfeem dat voor een ander woord geplaatst wordt om iets aan de betekenis toe te voegen
praefixum
noun
1. en 2 (bladeren van) plant Allium porrum
porrum
noun
1. een muzikale introductie tot een muziekstuk
praeludium
noun
1. een fantasiestuk of een muzikale introductie tot een muziekstuk
praeludium
verb
1. op een goed voorbereide wijze aanbieden aan anderen
condono
adjective
1. voorbehoedmiddel
praeservativum
noun
1. het staatshoofd van een republiek
praesidēns
/
prøts/
adjective
1. zeer ingetogen, overdreven kuis
pudicus
noun
1. priemgetal
numerus primus
noun
1. iemand die de religieuze (offer) rituelen verzorgt
sacerdos
noun
1. een vrouw die de taak heeft religieuze rituelen te verzorgen
sacerdos
noun
1. de gevraagde geldsom bij verkoop
pretium
verb
1. iemand lof toezwaaien
laudare
noun
intestinum irritabile
/
ˈprɪkələn/
verb
5. (seksueel) opwinden
commoveō
noun
- 1. benaming voor zoogdieren uit de orde Primates
- 2. kerkelijke titel
prīmās
adjective
- 1. alle kortste translatievectors in de richting van de hoofdassen van de rotatiesymmetrie hebbend.
- 2. de drie kortste niet in hetzelfde vlak liggende translatievectors als ribben van de eenheidscel hebbend.
primitivus
noun
- 1. hoogste adellijke titel van een man of jongen
- 2. laagste koninklijke titel van een man of jongen
prīnceps
adjective
1. als horend of passend bij een prins of prinses, bestaand uit prinsen of prinsessen
aulicus
noun
- 1. de hoogste adellijke titel van een vrouw of meisje
- 2. de laagste koninklijke titel van een vrouw of meisje
principissa
noun
1. een bepaald recht, voordeel niet genoten door anderen
prīvilēgium
adjective
1. voor persoonlijk gebruik gereserveerd
private
/
proˈberə(n)/
verb
argŭĕre
- 1. testen
- 2. onderzoeken
- 3. iets met succes trachten te beëindigen waarvan men niet weet of het gaat lukken
experior
noun
1. iets dat schade teweegbrengt of de voortgang van iets anders in de weg staat
problema
quaestio
/
pro'sɛnt/
noun
1. een honderdste deel
per centum
verb
1. bij voortduring vervaardigen
pariō
noun
1. het resultaat van een bewerking
fructus
noun
1. voortbrenging
productio
noun
2. experiment
experīmentum
verb
1. onderzoeken hoe iets smaakt
gusto
/
proˈfɛsɔr/
noun
1. de aanspreektitel voor een hoogleraar
professor
noun
1. het -met name financiële- voordeel dat men heeft bij een bepaalde zaak
fructus
noun
- 1. een applicatie voor de computer
institūtum
- 3. een uitzending op radio of televisie
programma
/
proˈjɛkt/
noun
1. een zaak die men denkt uit te voeren of te onderzoeken
inceptum
noun
- 1. inleidende rede van een tekst
- 3. de inleiding tot een theaterstuk
praefātiō
noun
1. een scheikundig element met het symbool Pm en het atoomnummer 61; een zilverwit à grijs lanthanide
promethium
/
prost/
interjection
1. heildronk
propino
noun
1. activiteiten of materiaal gericht op het beïnvloeden van de mening of het gedrag...
propaganda
adjective
1. goed schoongemaakt, netjes verzorgd
mundus
noun
1. CH₃CH₂COOH
acidum propionicum
noun
1. het tegen betaling ter beschikking stellen van het lichaam voor het seksuele genot van een ander
meretricium
prostitutio
noun
1. scheikundig element met symbool Pa en atoomnummer 91
protactinium
verb
1. grote bezwaren uiten
reclāmō
pronoun
1. hypothetische, gereconstrueerde taal waar vele Europese talen, waaronder het Nederlands en het Frans, van afstammen
lingua indogermanica
/
pro.ˈvɪn.si/
noun
1. een staatkundig onderdeel van een land
provincia
noun
1. een kunstmatig haarstuk waarmee het hoofd bedekt wordt
caliandrum
capillamentum
noun
2. vrucht van de pruimenboom
prunum
prūnum
/
psɑlm/
noun
1. elk van honderdvijftig gezangen uit de Tenach en het Oude Testament
psalmus
pronoun
1. boek in de Bijbel met lofliederen op God
Psalmi
/
psœydoˈnim/
noun
1. een aangenomen naam waaronder men iets publiceert
pseudonymum
adjective
1. met betrekking tot de behandeling van geestelijke stoornissen
psychiatricus
adjective
1. geestelijk
psychicus
/
psixoloˈɣi/, /
psiχoloˈχi/
noun
1. de wetenschap die zich bezighoudt met het onderzoek naar bewustzijnsverschijnselen
psychologia
adjective
1. met betrekking tot het gevoelsleven.
psychologicus
/
ˌpsi.χo.ˈloχ/, /
ˌpsɪ.xo.ˈlox/
noun
1. een beoefenaar van de psychologie
psychologus
adjective
1. betrekking hebbend op de psychopathologie
psychopathologicus
/
psi'xozə/
noun
1. een geestesziekte waarbij men wanen heeft
psychosis
noun
1. stroming in de psychologie
psychotherapia
noun
1. het proces van seksuele rijping van kind naar volwassene en het gedrag dat daar bij hoort
pubertas
verb
1. bekend maken aan een doorgaans groot publiek via een bepaald medium
sumptibus
/
pyˈblik/
adjective
- 1. vrij toegangelijk , openbaar
- 2. wat het publiek aangaat
publicum
/
pyˈblik/
noun
1. een groep toeschouwers
audientēs
pronoun
1. een met de Verenigde Staten geassocieerde vrijstaat in het oostelijk deel van de Caribische Zee
Portus Dives
/
pœʏ̯n/, /
pœːn/
noun
1. een massa vergruizelde steen
rūdus
/
pœʏ̯st/, /
pœːst/
noun
1. ontsteking van de huid die tot een bobbeltje leidt
papula
noun
- 1. een spits toelopend uiteinde
- 1. een positie in de ruimte
punctum
noun
- 2. leerling
cora
- 1. onder voogdij staand kind
pūpilla
- 1. oogappel
cora
noun
1. pasgeboren hond, jonge hond
catellus
catulus
/
pɵt/
noun
1. een pijpvormige uitholling in een oppervlak
puteus
noun
2. distelvink
carduelis
/
pyzəl/, /
pʏzɔl/
noun
1. een raadsel of moeilijke opgave die men als tijdverdrijf probeert op te lossen
aenigma
noun
1. gemakkelijk zittende hemd en broek die 's nachts in bed kunnen worden gedragen
paiama
pronoun
1. een gebergte op de grens van Frankrijk en Spanje
Pyrenaei
noun
- 1. een kubisch mineraal met de samenstelling FeS₂
- 2. een vaste stof die het structuurtype heeft waarvan [1] het archetype is
pyritis
/
piˈrozɪs/
noun
1. een brandend gevoel ten gevolge van oprisping van maagzuur
pyrōsis
/
ka'tar/, /
ka'tɑr/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten
Quataria
Cataria
noun
1. volgeling van een religieuze beweging gekend onder de naam Genootschap der Vrienden
quakerus
phraseologicalUnit
1.
qualitate qua
noun
1. tijdelijke afzondering van personen, dieren of zaken die besmet zouden kunnen zijn met ziektekiemen
quarantanna
/
kwiˈnowa/
noun
1. Zuid-Amerikaanse plant (Chenopodium quinoa) en 2. zaden van die plant
chenopodium quinoa
noun
1. resultaat van de deling van het deeltal door de deler
quotientia
/
rat/, /
raːd/
noun
- 2. een orgaan dat bestaat uit leden die raadgevende of beslissende bevoegdheden bezitten
consilium
- 1. aanbeveling hoe om te gaan met een probleem
cōnsilium
pronoun
Consilium Unionis Europaeae
verb
1. een bron van informatie of ervaring aanspeken
consultare
consulo
noun
1. iets waarnaar men moet raden
aenigma
/
ratsəlɑxtəx/
adjective
1. onbegrijpelijk door dubbelzinnige of verborgen informatie
aenigmaticus
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Corvus
/
raːf/
noun
1. grootste van alle zangvogels, met flinke snavel, Corvus corax
corvus
noun
1. venster: muuropening om lucht en licht door te laten
fenestra
noun
1. gewas met een groot aantal variëteiten, waarvan keukenraap en meiraap...
nāpus
noun
1. wedstrijd waarbij het erom gaat een bepaald traject of parcours zo snel mogelijk af te leggen
curriculum
noun
elatio phyletica discriminatrix
noun
1. wielvormig voorwerp dat kracht overbrengt binnen een machine of op het water
rota
noun
1. bepaalde soort uit de kruisbloemfamilie, Raphanus sativus
rapulum
raphanum
/
ˈradijo/
noun
- 1. toestel
- 2. medium
capsella radiophonica
noun
1. het medisch specialisme...
radiologia
noun
radiologistus
ragiologista
noun
1. scheikundig element met symbool Ra en atoomnummer 88
radium
noun
1. met symbool Rn en atoomnummer 86
radon
noun
1. cilindervormig projectiel dat door een naar achteren gerichte ontploffing wordt voortbewogen
missile igneum
pronoun
2. teken van de dierenriem van 21 maart tot 20 april
Aries
noun
1. mannelijk schaap
aries
verb
- 1. een botsing op een vijandelijk schip veroorzaken
arietō
- 2. met een zwaar voorwerp een poort of deur inslaan
tundō
noun
1. een grote catastrofale gebeurtenis met ernstige gevolgen
clādēs
/
rɑnt/
noun
- 1. de bovenkant van een bak of vat
- 3. de buitenkant van een gebied of een ding
finis
verb
1. een bepaalde volgorde in iets aanbrengen
discribō
noun
1. een telwoord dat een rangorde of volgorde aanduidt
ordinalis
noun
1. bepaald soort vogel, Asio otus
axio
noun
1. schriftelijk bericht over een gebeurtenis of toestand
auditio
noun
1. een grofgetande vijl die wordt gebruikt om rondingen aan hout te maken
rādula
/
rɑt/
noun
1. een muisachtig knaagdier uit het geslacht Rattus
rattus
mus
noun
1. een eenvoudige muziek- en signaalinstrument dat geluid geeft doordat bij het rondslingeren een tandrad een latje repeterend weggedrukt en laat terugvallen
crepitaculum
noun
1. gifslang uit het geslacht Crotalus
quatiator
verb
1. bekrachtigen van een internationaal verdrag door het nationale parlement of regering
ratihabeō
adverb
1. ongekookt en vers
crudus
noun
1. een diepe, steile insnijding in een terrein
convallis
noun
1. een actie die een gevolg is van een stimulus
reactio
noun
het reanimeren
reanimatio
noun
1. soort raadsel
rebus
adjective
1. een korte tijd geleden gebeurd of begonnen
nūperus
noun
1. voorschrift voor de bereiding van een gerecht
praeceptum
noun
1. het geheel van rechtsregels en instituties van het recht
directus
noun
1. hoek van 90 graden
angulus rectus
/
ˈrɛxtə ˈklɪɯɪŋ/
noun
1. lengtegraad op de hemelbol
ascensio recta
noun
2. geheel van de fundamentele rechten en vrijheden die ieder mens toekomen
iura hominis
/
ˈrɛxtər/
noun
1. persoon die rechtspreekt, persoon die een oordeel velt
iudex
/
'rɛxtuk/
noun
1. een vierhoek met vier rechte hoeken
rēctagōnum
adjective
1. volgens het recht, de wet
lēgitimus
adjective
1. tegenovergestelde van links
dexter
noun
1. kennis of studie van recht
iuris prudentia
/
ɾɛχts.pɛɾ.soːn/
noun
1. groepering van goederen of natuurlijke personen die kan deelnemen aan het rechtsverkeer
persona iuridica
/
rɛx(t)sak/
noun
1. het voeren van een rechtsgeding
dica
adjective
1. in overeenstemming met bepaalde ethische beginselen
iustus
verb
1. onderbouwen volgens bepaalde ethische beginselen
iustifico
noun
1. de overeenstemming met bepaalde ethische beginselen
iustitia
noun
1,2 informatie over, en aanprijzing van diensten, producten en ideeën
prescriptio
noun
- 1. iemand die berichten verzamelt en bewerkt voor publicatie
- 2. iemand die teksten corrigeert en klaarmaakt voor publicatie
editor
verb
1. actie ondernemen om iets of iemand uit de moeilijkheden te halen
adiuvo
/
ˈre.də(n)/
noun
1. een motivatie door iemand bedacht of beredeneerd
ratiō
/
ˌredəˈnɪːrɪŋ/
noun
1. het proces waarmee men van een aantal argumenten, premissen of axioma's tot een standpunt of conclusie komt
ratiocinatio
/
redypliˈkatsi/
noun
1. vorming van een nieuw woorden of zinsneden door geheel of gedeeltelijke herhalen van een deel daarvan
reduplicatio
noun
1. sierlijk slank hert, komt bijna in heel Europa voor
caprea
noun
1. het jong van een ree
hinnuleus
/
ˈreɣəɫ/
noun
3. een voorschrift, richtlijn, norm
regula
adjective
1. aan een bepaalde regel gehoorzamend
legitima
/
reχən/
noun
1. neerslag van tot druppels gecondenseerde waterdamp
pluvia
imber
adjective
1. regelmatig regenend of neigend naar regen
imbridus
/
ˈreːχənboːx/
noun
1. een natuurfenomeen dat na regen als een verschijnende veelkleurige boog te zien is
arcus
iris
noun
1. een tijdelijke periode van regen tengevolge van het overtrekken van een wolkenveld
imber
/
ˈreɣənə(n)/
verb
1. het vallen van neerslag in de vorm van waterdruppels
pluvia
pluit
pronoun
1.
Ratisbona
Augusta Tiberii
Castra Regina
noun
1. een paraplu
umbraculum
/
'reɣəʋɔrm/
noun
1. benaming voor dieren uit de familie Lumbricidae
lumbricus
noun
1. een bos in een klimaat met het hele jaar door neerslag
silva pluvialis
verb
1. het uitoefenen van de politieke macht...
imperō
/
re.'ɣeː.rɪŋ(g)/, /
rə.'ɣeː.rɪŋ/, /
rə.'χɪː.rɪŋ/
noun
1. een groep van personen die een land bestuurt, specifiek het staatshoofd en alle ministers
regimen
/
ˌreɣiˈsidə/
noun
1. een bewuste moord op een koning.
regicidium
noun
1. geografisch gebied
regio
noun
moderator cinematographicus
noun
1. benaming voor ooievaarachtige watervogels uit de familie Ardeidae
Ardea
ardea
/
rɛɪ̯s/
noun
1. grote, lange tocht of trip
iter
verb
1. onderweg zijn
itineror
/
ˈrɛɪzəɣər/
noun
- 1. persoon op reis
itinerator
- 2. persoon die vaak reist
peregrinus
/
ˈre.kə.nə(n)/
verb
1. getallen manipuleren
ratiocinor
noun
de leer van de operaties die op getallen worden uitgevoerd (optellen, aftrekken, vermenigvuldigen, delen, ...)
arithmetica
/
rəlaˈtif/
adverb
1. betrekkelijk
relātīvus
/
rə'liɣi/
noun
1. een godsdienst
religio
/
relɪˈɣɪøs/, /
relɪˈʝɪøs/
adjective
1. te maken hebbend met godsdienst of geloof
religiōsus
/
rəˈmedi/, /reˈmedi/
noun
- 1. een medicijn of een op genezing gerichte behandeling
- 2. iets dat iets anders corrigeert of iets schadelijks wegwerkt
remedium
noun
1. een hertachtig zoogdier met een breed uitlopend gewei
tarandrus
tarandus
noun
1. Chemisch element
rhenium
noun
- [A] 1. zeer snel lopen
currere
- [B] 1. een snelheidsproef op de weg of in het terrein
currō
/
rənoˈverə(n)/
verb
1. opknappen, repareren, vernieuwen
renovo
noun
1. op geregelde tijden te betalen geldbedrag voor het vruchtgebruik van een geleende som geld
faenus
verb
1. iets weer in werkende staat brengen
reficiō
/
repʏˈbliːk/
noun
1. staatsvorm
res publica
respublica
pronoun
Respublica Provinciarum Septem Foederatarum
noun
1. mis opgedragen voor een overledene
missa pro defunctis
noun
resistentia electrica
noun
2. pixeldichtheid
scītum
/
rɛsˈpɛkt/
noun
eerbied uit hoogachting of angst
caeremonia
verb
- 1. iemand in aanzien houden
- 2. iets naleven
honōrō
noun
- 1. antwoord
- 2. reactie
- 3. in een onderzoek: deel van de steekproef dat meewerkt en data produceert
responsum
/
rɛst/
noun
1. wat er overblijft
reliquum
noun
1. (kunst) (beroep) iemand die kunstwerken restaureert
restaurator
noun
2. het minitieus herstellen van een voorwerp van kunstzinnig of historisch belang
reductiō
/
rɛstɪːrə(n)/
verb
1. ~ van: ergens van overblijven
maneo
/
rezɵl'tat/
noun
1. een uitkomst
eventus
pronoun
1. Romaanse taal die gesproken wordt door 40.000 mensen in Zwitserland
lingua Rhaetica
noun
- 1. geur
- 2. gewaarwording van geur via de neus
odor
noun
1. een buitengewoon grote man
gigas
adjective
- 2. in zeer hoge mate, enorm
giganteus
- 1. zeer groot
ingens
noun
1. verkregen door uitsmelting van varkensvet
arvina
noun
1. een beer die leeft in de hooggelegen hellingen van berggebieden in centraal China
panda maior
noun
1. en 2. (vruchtvlees) van plant Cucurbita maxima
cucurbita
noun
1. geheel van medische en sociale maatregelen, die ten doel hebben de validiteit van patiënten zover mogelijk te herstellen
rehabilitatio
noun
1. ontdekking
revelatio
/
revɔlˈveːrə(n)/
verb
om zijn as doen draaien
revolvere
pronoun
1. een rivier van 812 km lengte die ontspringt in Zwitserland, door Frankrijk naar het zuiden stroomt en uitmondt in de Middellandse Zee
Rhodanus
noun
1. elk van de platte, boogvormige beenderen die de borstkas omsluiten
costa
noun
- 1. een van de platte, dunne, boogvormige beenderen die de borstkas omsluiten
- 1. de lengte van een zijde van een kubus of parallellepipedum
costa
/
ˈrɪxtɪŋ/, /
ˈrɪχtɪŋ/
preposition
1. de kant op van
directio
noun
1. oorspronkelijk een bereden en bepantserde ruiter die de ridderslag ontvangen had
eques
/
rim/
noun
- 1. een band van leer of een ander materiaal
balteus
- 2. steel met een bladvormig uiteinde, bedoeld om een vaartuig voort te bewegen
- 3. hoeveelheid papier voor het drukken van 20 boeken, eerst 480 later 500 vellen
remus
/
rit/
noun
- 1. plantensoort
- 2. onderdeel muziekinstrument
harundō
/
ˈri.tə(n)/
adjective
1. gemaakt van riet
arundineus
harundineus
noun
suiker, verkregen uit het sap van suikerriet
saccharum
/
rɛɪ̯/, /
rɛː/
noun
1. geordende opstelling van een aantal eenheden in één richting
seriēs
/
ˈrɛɪ̯bəˌwɛɪ̯s/, /
ˈrɛɪ̯bəˌʋɛɪ̯s/, /
ˈrɛːbəˌβ̞ɛːs/
noun
1. een officieel document waarmee de bezitter bevoegd is om een motorvoertuig te besturen
diploma gubernatoris
/
ˈrɛɪ̯də(n)/, /
ˈrɛːdə(n)/
verb
- 3. zich voortbewegen op een rijdier (bijv. een paard)
caballico
- 1. zich verplaatsen met behulp van een voertuig
- 2. iemand met een voertuig ergens heen brengen
currere
/
rɛɪ̯k/, /
rɛːk/
adjective
1. veel geld en/of eigendommen hebbend
dives
/
ˈrɛik.dɔm/
noun
1. het bezitten van veel geld en goud
dīvitiae
noun
- 1. bevroren dauw
pruina
- 1. gelijkheid van klank in een vers
homoeoteleuton
/
rɛɪ̯n/, /
rɛːn/
pronoun
1. een van de langste en belangrijkste rivieren van Europa die op de grens ligt tussen Midden- en West-Europa.
Rhenus
adjective
1. geschikt voor de oogst
maturus
pronoun
1. stad in Noord-Frankrijk nabij de Belgische grens
Insula
/
rɛi̯st/
noun
1. graan van het geslacht Oryza
oryza
verb
1. met een scheurende beweging uit elkaar trekken
lacerare
verb
- 1. opstijgen
- 2. uitzetten en luchtig worden
ascendo
noun
1. een oppervlakkige vouw of golving, in het bijzonder van de menselijke huid
rūga
noun
- 1. cirkelvormig sieraad voor om de vinger
- 2. cirkelvormig voorwerp
- 3. plaats waar gestreden wordt
- 5. ringweg
ānulus
noun
1. vierde vinger gerekend vanaf de duim
anularius
noun
1. een vaak ondergronds kanaal voor de afvoer van drek
cloāca
/
rɪt/
noun
1. een reis in een voertuig
viaticus
noun
1. een zich in de tijd herhalend patroon van geluiden
rhythmus
noun
2. ritssluiting
clausura tractilis
/
riːˈviːr/
noun
1. een natuurlijke waterstroom
flumen
fluvius
amnis
noun
1. bepaald soort slanke eetbare Euraziatisch zoetwatervis, Gobio gobio
gobius
noun
1. een soort kreeft die in riviertjes leeft
cancer
/
ˈro.bɔt/
noun
1. machine die beschikt over een stoffelijke vorm en een beslissingsmodel
robotum
/
roˈbyst/
adjective
rōbustus
noun
1. een alcoholhoudende drank die verkregen wordt door de gisting van rode druiven
vinum rubrum
pronoun
1. langgerekte binnenzee, gelegen tussen Azië en Afrika
Mare Rubrum
/
ˌro.də.ˈhɔnt/
noun
1. een infectieziekte waarbij het gehele lichaam met rode plekken en bulten bedekt is
rosolea
noun
1. chemisch element met symbool Rh
rhodium
verb
1.zich met behulp van roeispanen in een boot ergens begeven
remigare
noun
1. bepaalde soort kraaiachtige vogel, Corvus frugilegus
graculus
adjective
1. zonder zorg over de gevolgen of het gevaar van een handeling
incautus
noun
1. eer en glorie
gloria
/
ruˈmeni.jə/, /
ruˈmeːni.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Europa ten noorden van Bulgarije
Romania
/
'ru.pə(n)/
verb
1. met verheffing van stem de aandacht van iemand trachten te verkrijgen
appellare
/
'rupɪŋ/
noun
1. een taak waarvoor een persoon zich verplicht voelt, vaak met religieuze invloed
provocatio
noun
1. vlak waarmee gestuurd wordt
gubernāculum
noun
1. degene die aan het roer staat
gubernātor
noun
1. geoxideerd ijzer
ferrugo
/
rut/
noun
1. koolstofneerslag die ontstaat door onvolledige verbanding van koolstofhoudende stoffen
fūlīgō
noun
1. benaming voor brede, platte vissen met een smalle staart uit de superorde Rajomorphii
raia
noun
1. en 2. (zaden van) plant Secale cereale
secale
noun
1. buis- of kegelvormig kledingstuk
gunna
noun
1. zet in een schaakspel
adrochatio
/
ˈroːkə(n)/
verb
- 1. rook afgeven
- 2. nuttigen door het inhaleren van de rook ervan
- 3. conserveren door langdurige blootstelling aan rook
fumare
verb
1. zich wentelend over een oppervlak bewegen
roto
noun
1. vervoermiddel voor mensen die slecht ter been zijn
sella rotalis
noun
1. trap met bewegende treden
scalae volubiles
noun
1. een lang soort verhaal in boekvorm
mythistoria
/
ˈro:mə/
pronoun
1. de hoofdstad van Italië
Roma
adjective
1. met betrekking tot Rome
Romanus
/
roˈmɛɪnsə rɛɪk/
pronoun
1. een historisch rijk dat op zijn hoogtepunt de gehele Middellandse Zeeregio in handen had
Imperium Romanum
Imperium Rōmānum
adjective
1. cirkelvormig
rotundus
verb
1. op een plaats langdurig verblijven zonder iets te doen te hebben
moror
verb
1. naar vele plaatsen onderweg zijn
viare
pronoun
1. een faciliteitengemeente in de Belgische provincie Oost-Vlaanderen
Rothnacum
/
rod/, /
rot/
adjective
1. de kleur rood hebbend
ruber
rufus
russus
/
rod/, /
rot/
noun
1. een primaire kleur zoals die van licht met een golflengte tussen de ca. 620 en 740 nm.
ruber
russus
noun
1. bepaald soort struik, Daphne mezereum
mezereon
noun
2. bepaald soort vrij gedrongen vogeltje met opvallende bruinrode keel, Erithacus rubecula
crythacus
pronoun
1. sprookjesfiguur
Lacernella Rubra
/
ˈrovdir/
noun
1. dier dat zijn prooi bejaagt en doodt
praedator
noun
1. sterke neiging om te roven
rapacitas
/
roːk/
noun
1. damp, zichtbaar gas
fumus
noun
1. de vette delen van melk waarvan boter gemaakt wordt
cramum
adjective
rood, rossig (van haar)
rubeus
noun
1. een rond gebouw
tholus
noun
1. een grote ruwe steen
saxum
verb
1. een proces van fermentatie ondergaan
putrefaciō
/
ra<sup>ʊ</sup>/, /
rʌʊβ̞/, /
rʌːβ̞/
noun
1. grote smart of droefenis na een verlies
luctus
/
rʌʊβ̞ə(n)/, /
rʌːβ̞ə(n)/
verb
1. de emotionele nasleep van het overlijden van een geliefd persoon
lūgeō
noun
1. iemand die door geweldpleging iemand besteelt
ablator
/
roːzə/, /
rɔːs/, /
rɔːzə/
adjective
1. heel bleke of lichte rode kleur, met soms ook blauwe tinten
roseus
noun
2. keukenkruid
Rosmarinus officinalis
noun
1. een gebedssnoer met 165 kralen
rosarium
noun
1. kleine gedroogde vruchtjes van Vitis vinifera
passa
noun
1. Chemisch element
rubidium
noun
1. en 2. (bladeren van) eenjarige plant Eruca sativa
ērūca
/
rɵx/
noun
1. zijde van de romp tegenover de buik en borst gelegen
dorsum
tergum
noun
1. traliewerk waarachter hooi ligt
iacea
/
rœʏkə(n)/, /
rœːkə(n)/
verb
1. een geur waarnemen
adolēre
noun
1. een boeket
fasciculus florum
/
rœy̯m/
noun
1. de laadruimte van een schip
caverna navigii
noun
1. vaartuig geschikt om zich buiten de aardse atmosfeer te begeven
navis sideralis
/
rœʏn/
noun
1. gecastreerde hengst
cabo
noun
- 2. een vierhoek waarvan de zijden gelijk in lengte zijn
rhombus
- 1. een glazen plaat in een venster
vitrum
noun
- 1. berijder van een rijdier
- 2. uitstekend stukje
eques
noun
een sterkedrank die bereid wordt uit het sap van suikerriet
rhomium
/
rʏnd/, /
rʏnt/
noun
1. holhoornig herkauwend zoogdier
bos
/
ˈrynə/
noun
1. een schriftteken van het Oud-Germaanse alfabet
runa
noun
1. een inwoner van Rusland
Russus
pronoun
1. een soevereine staat met het Russisch als officiële taal die zich uitstrekt van het oosten van Europa tot het oosten van Azië
Russia
Ruthenia
/
ˈrʏsis/
pronoun
1. een Slavische taal die gesproken wordt in Rusland
lingua Ruthenica
Ruthenica
/
rɵst/
noun
- 1. voortdurende toestand van kalmte
imperturbatio
- 2. tijdelijke toestand van ontspanning na arbeid, moeite of inspanning
- 3. periode van weinig of geen activiteit
- 5. moment van stilte in muziek
- 6. steunpunt
requiēs
verb
1. werk of andere activiteit staken om het lichaam in staat te stellen weer op krachten te komen
jaceō
adjective
1. kalm, weinig sensorische prikkels creërend
tranquillus
noun
1. scheikundig element met symbool Ru en atoomnummer 44
ruthenium
noun
1. scheikundig element met symbool Rf en atoomnummer 104
rutherfordium
adjective
- 1. oneffen, niet glad
- 2. grof, onbesuisd
asper
noun
1. toestand waarin men in ernstig conflict is met anderen
turbellae
/
ryˈinə/
noun
1. een zeer vervallen gebouw
ruina
/
ˌryiˈnerə(n)/
verb
1. helemaal kapotmaken
annihilare
annullare
/
ru.ˈwɑn.da/, /
ru.ˈʋɑn.da/, /
ˈrβ̞ɑn.da/
pronoun
1. een land in Oost Afrika, officieel de Rwandese Republiek, dat geheel door land omsloten wordt
Ruanda
noun
1. scheikundig element met symbool Rg en atoomnummer 111
roentgenium
/
saɪ̯/, /
saːɪ̯/
adjective
taediōsus
pronoun
1. zijrivier van de Moezel
Saravus
noun
1. een disacharide, bestaande uit een glucose-eenheid en een fructose-eenheid
saccharosum
noun
1. plechtige gebeurtenis in de katholieke kerk
sacramentum
noun
1. een ruimte in een rooms-katholieke kerk, waarin men alles bewaart dat nodig kan zijn om een kerkdienst te houden.
sacristia
noun
1. een kostbare, transparante blauwe edelsteensoort die een variant is van korund (α-Al₂O₃)
sapphīrus
noun
1. specerij bereid uit de saffraankrokus Crocus sativus
crocus
safranum
pronoun
1. zandwoestijn in Noord-Afrika
Sahāra
/
sent.ˌvɪn.sɛnt.ɛn.də.χre.na.ˈdi.nəs/
pronoun
1. land in het Caraïbisch gebied
Sanctus Vincentius et Granatinae
pronoun
1. Duitse deelstaat
Saxonia
pronoun
Saxonia et Anhaltium
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Caudata
salamandra
noun
1. regelmatige, meestal maandelijkse beloning voor werk verricht in een werkverband
manū̆pretium
noun
gedroogde stukjes van de echte salie
salvia
pronoun
1. koning van Israël
Salomon
noun
1. een sterk zure chemische verbinding met de formule HNO₃ of een waterige oplossing daarvan
acidum nitricum
noun
1. scheikundig element met symbool Sm en atoomnummer 62
samarium
verb
1. bij elkaar verzamelen
coeō
noun
1. een bevolking die een sociaal geheel vormt
societās
verb
1. meerdere uitgekozen zaken tot een geheel maken
compingō
noun
1. het samenstellen
compositio
/
ˈsaːməvɑtɪŋ/
noun
1. een beknopte beschrijving van een inhoud
breviculus
/
ˈsamə(n)ˌzʋɪːrə(n)/
verb
1. geheimelijk met anderen samenwerken ten nadele van een derde partij
coniūrō
/
sa.ˈmo.wa/
pronoun
1. een land in Oceanië ten noorden van Nieuw-Zeeland en ten oosten van Australië...
Samoa
/
ˈsɑmuˌrɑɪ/
noun
1. een lid van de vroegere Japanse krijgsstand
samurai
/
ˌsan maˈrino/
pronoun
1. een dwergstaat in Italië met republikeinse staatsinrichting.
Sanctus Marinus
/
sɑnˈdal/
noun
1. schoeisel
solea
pronoun
1. klassieke taal en een van de officiële talen van India
lingua Sanscrita
/
saʊ̯.to.ˌme.je̞n.prɪn.ˈtsi.pə/, /
ˌsa.o.to.me.ʔɛn.ˈprɪn.si.pə/, /
ˌsʌu.to.me.ɛn.ˈprɪn.si.pə/
pronoun
1. land en eilandengroep aan de westkust van Afrika in de Golf van Guinee
Insulae Sancti Thomae et Principis
/
sa.ˌu.di.ɑ.ˈra.bi.jə/, /
zaʊ̯.di.ja.ˈra.bi.jə/
pronoun
1. en 2., land en staat in Azië
Arabia Saudiana
adjective
1. vol met sap
sūcidus
noun
1. een stenen doodskist
sarcophagus
noun
1. klein zilverkleurig haringachtig visje, Sardina pilchardus
sarda
noun
1. straalvinnige visSardina pilchardus, uit de familie van haringen
sardina
noun
1. een Italiaans eiland in de Middellandse Zee
Sardinia
pronoun
1. Romaanse taal die wordt gesproken door 1,3 miljoen mensen op Sardinië
Sardus
/
ˈsatɑn/
pronoun
Satan
Satanas
/
saˌudiaˈrabijə/
pronoun
1. en 2., land en staat in Azië
Arabia Saudiana
/
saˈul/
pronoun
2. jongensnaam
Saul
/
'saʊna/
noun
1. een ruimte waarvan de temperatuur verhoogd wordt, zodat het lichaam begint te zweten (een zweetbad)
sūdātōrium
/
sɑu̯s/
noun
1. een vloeibare substantie die meestal over een gerecht wordt gedaan voor extra smaak
embamma
/
ˈsa.va/
pronoun
1. een rivier in Zuidoost-Europa met een lengte van 940 km.
Savus
noun
1. en 2. (bladeren van) Brassica oleracea convar. capitata var. sabauda)
brassica oleracea sabauda
/
sɑkso'fon/
noun
1. een metalen blaasinstrument met een enkel riet
saxophonum
noun
1. een bijzonder scherp, na gebruik weg te gooien mesje dat o.a. gebruikt wordt bij medische operaties
scalpellum
pronoun
1. Denemarken, Noorwegen en Zweden.
Scandinavia
noun
1. scheikundig element met symbool Sc en atoomnummer 21
scandium
/
sə.ˈna.ri.jo/
noun
1. een kort uitgewerkt schema voor de handeling van een dramatisch werk
scaenarium
noun
1. sierlijk bewerkte staf, symbool voor het gezag van een regerende vorst
sceptrum
noun
1. een werktuig om hout glad, vlak of dunner te maken
plāna
noun
2. het schaakspel als zodanig
latrunculorum lusus
/
ˈsxagbɔrt/, /
ˈsχagbɔrt/
noun
1. een vierkant bord met 64 donkere en lichte vakjes waarop schaak gespeeld wordt
scaccarium
noun
1. een spel met verschillende stukken op een schaakbord
latrunculorum lusus
/
ˈsxakstʌk/
noun
1. een onderdeel van het schaken dat over het schaakbord bewogen wordt.
latro
noun
2. buitenkant van een ei of vrucht
putāmen
/
sxaːldir/
noun
1. een dier met een schaal als uitwendig skelet
crustata
/
'sxa:m.tə/
noun
1. eerste betekenisomschrijving
opprobrium
adjective
1. zonder schaamte
impudefactus
noun
1. Ovis aries, een holhoornige herkauwer waarvan de gedomesticeerde soort wol levert
ovis
noun
1. werktuig om te knippen
forfex
axitra
axicia
pronoun
1. een stad in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Scarbecca
adjective
1. weinig in aantal of hoeveelheid
rārē
/
'sxarstə/
noun
1. eerste betekenisomschrijving
paucitās
noun
1. geheel van beschadigingen
noxia
/
ˈsxaː.dyu̯/
noun
1. een slechts door indirect zonlicht beschenen oppervlak
umbra
verb
1. blaasinstrument met een rechte conische boring en een los dubbel riet dat de toon vormt
calamus
noun
1. een zaak die iemand in opspraak brengt en waarvan mensen schande spreken
res insignis infamiae
noun
1. iets wat bij het publiek minachting oproept, iets oneervols
dēdecus
noun
1. een paal op een plein, waaraan mensen bij wijze van straf werden vastgemaakt om vernederd...
patibulum
noun
1. het vlees van een schaap
ovilla
/
sxɑrˈnir/
noun
1. draaiverbinding
verticula
noun
1. verzamelde rijkdom
thesaurus
adjective
1. leuk, aardig, enig
pulcher
noun
1. houder waarin men een zwaard of mes kan steken
vagina
/
'sχedəl/
noun
calva
cranium
noun
1. voorkant van het onderbeen van de mens tussen de knie en de enkel
tibia
noun
1. hard en droog baksel, geschikt voor lange (zee)reizen
panis militaris
noun
1. de bemanning van een schip
nautae
noun
1. het verkeer op het water
navigātio
/
sxeːrmɛs/, /
sχɪːrmɛs/
noun
1. een bijzonder scherp mes waarmee men zich kan scheren
rasorium
noun
- 1. het uiteenhalen van iets in zijn onderdelen
- 2. de lijn aan weerszijden waarvan haar naar de ene of de andere kant valt
dissociatio
noun
1. wetenschap die zich bezig houdt met de studie van de samenstelling en de bouw van de stoffen
chemia
adjective
1. dat wat tot de scheikunde behoort, volgens de scheikunde
chemicus
/
ˈsχɛldə/
pronoun
1.een rivier die ontspringt in de gemeente Gouy in noordelijk Frankrijk
Scaldis
noun
2. de tijd van de dag waarop het licht dan wel donker wordt
crepusculum
/
sxɛndə(n)/
verb
1. iets niet in acht nemen
violō
/
'sxɛŋ.kə(n)/
verb
1. geven
dare
noun
1. lepelvormig werktuig
pala
/
ˈsxɛpə(n)/
verb
1. doen ontstaan uit niets
creō
/
sxeːrə(n)/, /
sχɪːrə(n)/
verb
- 1. baard afsnijden
- 2. zich de baard kort afsnijden
abrādō
/
sxɛrf/, /
sχɛrf/
noun
1. een onregelmatig gevormd stuk materie dat deel heeft uitgemaakt van een groter geheel
testa
noun
1. verticale draden van het weefgetouw
stamen
/
sxɛr'mɵʦəlɪŋ/
noun
praecursiō
adjective
1. goed snijdend
acer
acutus
/
sxøːr/, /
sχʏːr/
noun
1. een kloof in een vlies of weefsel
scissura
noun
1. ziekte ten gevolge van ascorbinezuurdeficiëntie
scorbutus
/
sxʏːrə(n)/
verb
1. in twee of meer delen trekken
lacerare
noun
1. een landmassa die voor het grootste deel door water omgeven wordt, en slechts op (relatief) smalle verbinding heeft met het vasteland.
paeninsula
noun
1. een draad met loden balletje om de loodrechte stand van iets te onderzoeken
perpendiculum
/
sxɛi̯f/
noun
1. plat en rond voorwerp
discus
verb
3. straling uitzenden
lucere
/
'sxɛi̯n.ɦi.u̯ə.lək/
noun
1. huwelijk voor de schijn
nuptiae simulatae
/
sxɛɪt/
noun
1. vaste uitwerpselen
merda
/
sxɛɪtə(n)/, /
sxɛːtə(n)/, /
sχɛɪtə(n)/
verb
1. poepen
cacare
noun
1. buitenste bekleding van een vrucht
cortex
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Scutum
/
sxɪlt/
noun
1. (militair) een voorwerp dat als afweer tegen de aanval van de vijand voor zich gehouden wordt
scutum
clipeus
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Pictor
noun
1. een kunstenaar die geschilderde afbeeldingen maakt
pictor
verb
- 1. een kunstwerk vervaardigen door met verf een beeld op een oppervlak te maken
- 2. een bouwwerk of voorwerp van een beschermend laag verf voorzien
pingō
/
ˌsxɪldə'rɛː/, /
ˌsχɪɫdə'rɛɪ/
noun
1. een met verf op doek of andere achtergrond gemaakte afbeelding
pictura
/
sxɪldərkʌnst/
noun
1. een beeldende kunst die zich bezighoudt met het met penseel en verf op een plat vlak aanbrengen van lijnen en kleuren
pictūra
/
sxɪldkliːr/, /
sxɪɫtkliːr/, /
sχɪɫtkliːr/
noun
1. klier
glandula thyreoidea
noun
1. orde van reptielen waarvan het voornaamste kenmerk is dat het lichaam omsloten wordt door een verhard rug- en buikschild
testudo
chelys
noun
1. een vliesdun loskomend stukje materiaal
floccus
verb
1. de schil van een vrucht verwijderen
glubere
noun
2. rijk binnen de eukaryoten, Fungi
fungus
noun
- 2. grootste ruimte in de lengterichting van een kruiskerk
navis
- 1. groot zeewaardig vaartuig
navis
carina
pronoun
2. vroeger gebruikte benaming van een groot sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Argo Navis
/
sxɪbrøk/
noun
1. een gebeurtenis waarbij een schip zinkt of op de klippen loopt
naufragium
noun
1. een chronische geestesziekte met perioden van verwardheid en psychose
schizophrenia
noun
1. alles wat men om de voeten heen kan dragen, zoals schoenen en laarzen
calceatus
/
sxun/
noun
1. voetbekleedsel
calceus
sotular
noun
1. veter om een schoen of laars dicht te rijgen
corrigia
/
'sxunzol/
noun
1. zool van een schoen
solea
/
ˈsxɔfəl/, /
ˈsχɔfəɫ/
noun
1. een horizontaal liggend scherp geslepen mes van staal dat bevestigd is aan een houten steel
dolabra
noun
1. zwart-witte waadvogel met luide roep, Haematopus ostralegus
Haematopodidae
noun
1. iemand die basisonderwijs of voortgezet onderwijs volgt
discipulus
scholaris
scholasticus
sectator
assectātor
tīrō
noun
1. een hangend speeltuig bestaande uit touw en een zitje, vooral gebruikt in kinderspeeltuinen
oscillum
noun
- 2. wiskundige structuur
garba
- 1. samengebonden bundel halmen
merges
/
sxoːl/, /
sxoːɫ/, /
sχoːɫ/
noun
- 2. een zwemmende groep gelijksoortige vissen
schola
- 1. een onderwijsinstelling waar les wordt gegeven aan leerlingen
schola
ludus
noun
1. (onderwijs) examen dat door een school wordt afgenomen
baccalaureatus
/
sxoːn/
adjective
- 1. mooi
bellus
- 2. proper
mundus
/
ˈsxombruːr/
noun
1. de echtgenoot van iemands broer of zus, of de broer van iemands echtgenoot of echtgenote.
levir
noun
1. de vrouw van een zoon of dochter
nurus
/
ˈsxoːn·hɛɪt/
noun
1. de hoedanigheid prachtig en aantrekkelijk te zijn
pulchritudo
forma
/
ˈsxonmudər/
noun
1. de moeder van de huwelijkspartner
socrus
noun
1. de vader van de huwelijkspartner
socer
noun
1. de man van een dochter of zoon
gener
/
ˈsxonzʉs/
noun
1. de echtgenote van iemands broer of zus, of de zus van iemands echtgenoot of echtgenote.
glos
noun
1. de echtgenote van broer of zus, of de zus van de echtgenoot of echtgenote
frātria
noun
1. rookkanaal boven een stookplaats
fumarium
noun
1. een persoon wiens werk het verwijderen van roet uit schoorstenen is
caminarius
/
sxorˈvutənt/
adjective
1. aarzelend
invītus
/
sxot/, /
sχot/
noun
1. de bovenkant van de dijen van iemand die zit
gremium
noun
- 1. graafwerktuig
pāla
- 1. trappende aanraking met de voet
calcatio
/
'sxɔ.pə(n)/
noun
1. kaartkleur
hastae
/
'sxɔ.pə(n)/
verb
1. een trap geven
calcare
pronoun
2. teken van de dierenriem van 23 oktober tot 22 november
Scorpius
Scorpio
noun
1. spinachtige met scharen en gifstekel
nepa
scorpio
noun
1. een lap stof die voorgebonden wordt gewoonlijk rond de middel om de kleding te beschermen ...
līmus
noun
1. een persoon afkomstig uit Schotland
Scotus
noun
3. kop en schotel
scutella
/
ˈsxɔtlɑnt/, /
ˈsçɔtlɑnt/
pronoun
1. deel van het Verenigd Koninkrijk
Caledonia
Scotia
noun
1. deel van romp tussen arm en hals
umerus
humerus
noun
1. het vlakke driehoekige bot dat de achterzijde van de schouder vormt
armus
/
ˈsxreːʋə(n)/
verb
1. luid en geforceerd gebruiken van het stemgeluid
clāmō
/
srɪft/, /
sxrɪf/, /
sxrɪft/
noun
- 4. de lettersoort gebruikt in boeken, teksten en inscripties
litterae
- 3. de letter- en cijfertekens van een taal
scriptura
/
ˈsrɛɪ̯fstər/, /
ˈsxrɛɪ̯fstər/, /
ˈsxrɛːfstər/
noun
1. een persoon van het vrouwelijk geslacht die op professionele manier boeken of verhalen schrijft
scriptrix
/
sxrɛɪn/, /
sçrɛːn/
noun
kistje
aedicula
/
ˈsxrɛ(i)və(n)/
verb
1. tekst in tekens vastleggen
scribo
scribere
/
ˈs(x)rɛɪvər/
noun
2. een persoon die beroepsmatig schrijft
scriptor
noun
1. een jaar met 366 dagen
annus intercalarius
noun
- 1. voorwerp dat wordt gebruikt om andere voorwerpen vast te zetten
- 2. werktuig met twee of meer gebogen bladen die door draaiing een schip of vliegtuig voortbewegen
clavus cochleatus
/
sxʏp/
noun
1. een van meerdere overlappende plaatjes van keratine die aan een kant vastzitten...
squama
verb
1. snel heen en weer bewegen om iets te mengen
commoveō
/
sxʌʏm/
noun
1. iets dat veel luchtbellen bevat
spuma
adjective
1. met veel schuim
spumeus
adjective
1. niet-loodrecht
oblīquus
verb
1. over de grond verplaatsen
trūdō
noun
1. een geldbedrag dat ondanks de verplichting daartoe niet betaald wordt
culpa
noun
1. schriftelijk bewijs van financiële schuld
syngrapha
noun
1. iemand aan wie iemand iets (meestal geld) verschuldigd is
creditor
noun
1. iemand die iets (meestal geld) aan iemand anders verschuldigd is
debitor
/
'sxɵldəx/
adverb
culpabilis
/
sxɵrft/
noun
1. een huidaandoening veroorzaakt door de schurftmijt
sarna
/
sxɵrk/
noun
1. persoon die kwaad in de zin heeft en/of bedrijft
scelesta
noun
2. een blad dat in de oksel van een bloem of bloeiwijze onmiddellijk daaronder staat
bractea
/
sxyːr/, /
sχyːr/
noun
1. een opslagplaats voor veldvruchten en gereedschappen
horreum
pronoun
1. stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Soagra
noun
1. ziekelijke verharding
sclērōsis
noun
1. een zijdelingse verkromming van de rug (wervelkolom), waardoor één of twee bochten ontstaan
scoliosis
noun
1. beeldhouwwerk
sculptura
noun
1. scheikundig element met symbool Sg en atoomnummer 106
seaborgium
noun
1. SI-grondeenheid van tijd
secunda
secundum
/
səkrəta'rɛsə/
noun
vrouw
librariolus
/
səkre'tarəs/
noun
1. functie in organisatie
librariolus
noun
- 1. een afgezonderd deel van iets
- 2. een onderzoek waarbij een lichaam...
sectiō
adjective
1. niet aan de religie gebonden
profānus
noun
1. onderdeel
segmentum
/
sɛɪn/
noun
1. een betekenisvolle beweging
signum
pronoun
1. een rivier in Frankrijk
Sequana
noun
1. de wetenschap van de aardbevingen
seismologia
/
sɛɪ̯.ˈzun/, /
sɛː.ˈzun/
noun
1. elk van de vier periodes waarin het jaar verdeeld wordt
tempus
/
sɛksy'el/
adjective
1. op de geslachtsdrift betrekking hebbend
sexualis
/
ˈsɛktə/
noun
1. religieuze groepering die opziet naar een bepaald mens als leider
ecclesiola
noun
1. tuinkruid, vergelijkbaar met peterselie, maar dan met een veel sterkere smaak
apium
noun
1. bepaald soort plant, Apium graveolens
apium
adjective
1. behorend tot een kleine groep met speciale rechten of eigenschappen
ēlectus
noun
1. Scheikundig element met symbool Se en atoomnummer 34
selenium
/
ˈse.ne.ˌɣɑl/, /
ˈse.ne.ˌχɑɫ/
pronoun
1. land in West-Afrika
Senegal
Senegalia
noun
1. negende maand van het jaar
September
adjective
1.vredig en kalm
serēnus
noun
1. het helder en kalm zijn
serēnitās
noun
1. een aantal elementen op volgorde
seriēs
/
sə.'rɪŋ/
noun
1. boomsoort met welriekende bloesem, meest paars of wit in de vorm van een kaars
syringa
noun
1. een computer die of computerprogramma dat diensten verleent aan andere programma's
minster
verb
1. iets op tafel opdienen
prosum
/
sɛrˈvɛt/
noun
1. een doek die men aan tafel gebruikt om er de mond en vingers mee af te vegen
mantele
mappa
/
ˈsɛrvis/, /
ˈsɛrvɪs/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Servië
Serbica
/
ˈsɛrvi.jə/
noun
1. een land in Zuidoost-Europa.
Srbija
Serbia
/
ˈsɛrvi.jər/
noun
1. een inwoner van Servië, of iemand afkomstig uit Servië
Servica
noun
1. een uit Afrika afkomstige plant uit de familie Pedaliaceae
sēsamum
noun
1. verzameling
collectum
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Sextans
/
se.ˈʃɛ.lə(n)/, /
sɛɪ̯.ˈʃɛ.lə(n)/
pronoun
1. een land in de Indische Oceaan, officieel de Republiek der Seychellen
Insulae Seisellenses
/
ʃɔk/
noun
1. een toestand die ontstaat door acute te geringe bloedtoevoer naar weefsels door ondervulling van het slagaderlijk systeem
commotus
abbreviation
1. Internationaal Stelsel van Eenheden
Systema Internationale
Systema Internationale Unitatum
pronoun
1. Romaanse taal die wordt gesproken door 10 miljoen mensen op Sicilië, in Zuid-Calabrië en Salento
Siciliensis
/
sɪˈsɪlɪʲə/
pronoun
Italiaans eiland ten zuiden van het Italiaanse schiereiland
Sicilia
/
ˌsʲɛ.rɑ.le.ˈjo.ne/, /
ˌʃæː.ra.le.ˈjo.nə/, /
ˌʃɛ.ra.le.ˈjo.nə/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Sierra Leone
Mons Leoninus
/
sɪɣɑˈrɛt/, /
sɪʝɑˈrɛt/
noun
in papier gerolde tabak
sigarellum
/
ˈsɪkəl/
noun
1. maaiwerktuig met halvemaanvormig lemmet
merga
/
siˈleziˌʲə/
pronoun
1. een historische regio in Midden-Europa
Silesia
noun
1. afbeelding van een ondoorzichtig object dat sterk contrasteert met de achtergrond en zo een duidelijke vorm heeft, maar verder egaal van kleur is
adumbrātiō
noun
1. Scheikundig element met symbool Si en atoomnummer 14
silicium
noun
1. het uit winstbejag verhandelen van geestelijke (kerkelijke) goederen of ambten
simonia
/
sɪmpəł/
adjective
1. zonder veel complicaties
simplex
adjective
1. gelijktijdig
contemporāneus
noun
1. Vrucht van de sinaasappelboom
malum aureum
noun
1. boom van de Citrus sinensis
arbor medica
preposition
1. sedert, vanaf het moment dat
a
/
sɪŋ.(g)ɣa.poːr/, /
sɪŋ.gɑ.poːr/, /
sɪŋ.gɑ.po̝ːr/
pronoun
1. een stadstaat in Zuidoost-Azië
Singapura
noun
1. kort onderhemd zonder mouwen
interula
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Sinsheimium
/
ˌsɪntøˈsta(t)sijʏs/
pronoun
Sanctus Eustathius
pronoun
1. faciliteitengemeente in de Brusselse Rand
Rhoda Sancti Genesii
noun
1. Pecten jakobeus
pecten
pronoun
1.
Sanctus Laurentius
pronoun
1. een stad in Rusland, het voormalige Leningrad
Petropolis
pronoun
1. stad in het zuidwesten van Belgisch-Limburg
Oppidum Sancti Trudonis
noun
1. een toestel om een akoestisch alarmsignaal weer te geven
Sīrēn
noun
1. een instrument dat rinkelende geluid voortbrengt
sistrum
/
sity'waː(t)si/
noun
1. hoe de zaken er voorliggen
status
noun
1. een langwerpige lap stof die om de hals gedragen wordt
velum
verb
1. op minder fatsoenlijke manier handel drijven
racemor
noun
1. samenstel van onderdelen dat het lichaam stevigheid geeft
larva
verb
1. zich over sneeuw voortbewegen op twee aan de voeten bevestigde lange latten
nartare
/
ˈskɔp.jə/
pronoun
1. de hoofdstad van Noord-Macedonië
Scupi
noun
2 en 3. (bladeren van) Lactuca sativa
lactuca
/
slaːf/
noun
1. een persoon die het bezit is van een ander
servus
/
slap/
noun
- 1. periode van inactiviteit
somnus
sopor
- 3. zijvlak van het hoofd
tempus
sopor
noun
1. een van de beenderen van de schedel
os temporale
noun
1. een kamer die hoofdzakelijk gebruikt wordt om in te slapen
cubiculum
noun
- 1. een dier dat gedood wordt als offer voor een godheid
- 2. iets of iemand die kwalijke gevolgen ondervindt van een gebeurtenis
- 3. in het bijzonder iemand die sterft (of gewond raakt) ten gevolge van een gebeurtenis (ramp of gewelddaad)
victima
noun
1. een ader die van het hart af stroomt
arteria
/
ˈslɑxbom/, /
ˈslɑçbom/
noun
balk die dwars over een weg kan worden neergelaten als afsluiting
repagulum
/
ˈslaːɣə(n)/, /
ˈslaːχə(n)/
verb
2. het examen succesvol beëindigen
praetereo
noun
1. een verkoper van vlees
lanius
noun
- 1. een buikpotig weekdier (huisjesslak)
- 1. een buikpotig weekdier (wijngaardslak)
cochlea
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Serpens
noun
1. benaming voor geschubde dieren met langgerekt lijf en een vaak glad lichaam zonder ledematen, die de onderorde Serpentes vormen
serpens
anguis
adjective
1. met de vorm of het gedrag van een langgerekt reptiel zonder poten
serpentīnus
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Ophiuchus
verb
1. in een toestand van lichamelijke rust verkeren
dormire
/
ˈsla.pə.rəx/, /
ˈsla.pə.rəχ/, /
ˈsla.pə.rɪx/
adjective
1. behoefte tot slaap vertonend
somnolentus
/
ˈsla.pə.rəx.ˌɦɛːt/, /
ˈsla.pə.rəχ.ˌɦɛɪ̯t/, /
ˈsla.pə.rɪx.ˌhɛɪ̯d/
noun
2. de neiging te gaan slapen
veternus
/
slɛçt/
adjective
1. niet goed
malus
noun
1. de hoedanigheid van het slecht zijn
malitas
adverb
1. alleen maar, vervoeging van slecht
modo
noun
1. Falco peregrinus, een roofvogel en de snelst vliegende vogel ter wereld
Falco peregrinus
noun
1. een voertuig dat wordt voortgetrokken en dat voorzien is van twee glijders
sclodia
noun
1. bepaald soort plant met blauwe vruchten, Prunus spinosa
spīnus
noun
1. vlechtwerk van touw dat over een waterbodem gesleept kan worden om zo waterdieren te vangen
tragula
pronoun
Slesvicum et Holsatia
verb
2. (langzaam) ergens heen lopen zonder specifiek doel (zonder negatieve bijklank)
spatior
verb
1. trekkend over de grond of het wateroppervlak verplaatsen
trahō
/
sløːtəl/, /
sløːtəɫ/, /
ˈslø.tɔɫ/
noun
- 1. werktuig om te (ont)sluiten
- 4. een aanwijzing of code waarmee een raadsel kan worden opgelost, een geheim(schrift) ontcijferd, een cijferslot geopend of toegang kan worden verkregen
clavis
noun
1. het bot dat het borstbeen met de schouder verbindt
clavicula
/
ˈsløtəɫχɑt/, /
ˈsløːtəlɣɑt/
noun
1. een gat in een slot waardoor een sleutel moet worden gestoken om hem te openen
claustellum
/
ˈsløtəɫˌɦɑŋər/
noun
1. ring om sleutels aan te hangen, vaak voorzien van een logo of label.
clavicularius
/
slɛːk/, /
slɛːɪk/
noun
1. mengsel van aarde, vuil en water
lutum
/
slɛɪm/
noun
1. kleverige stof die door slijmvliezen uitgescheiden wordt
mucus
noun
1. slijm afscheidend membraan
mucosa
/
slɛɪ̯.ˈta.zʲə/, /
ˈslɛɪ̯.taːʃ/
noun
1. schade die door langdurig gebruik geleidelijk aangericht wordt
detritus
verb
- 1. de slokdarm in
- 2. verdragen
gluttiō
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Horologium
/
slop/
noun
2. de daad van het slopen, afbreken
disturbātiō
/
sloːt/
noun
1. smal watergang om of tussen weilanden
fossa
verb
1. een structuur ontmantelen, afbreken
disturbō
noun
2. een middeleeuwse versterkte woning
claustrum
/
sloˈveni.jə/, /
sloˈveːni.jə/, /
sloˈweːni.jə/
pronoun
1. een land in Centraal-Europa
Slovenia
/
slo.ˈwaks/, /
slo.ˈʋaks/, /
slo.ˈβ̞aks/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Slowakije
slovachus
/
ˌslowaˈkɛɪ̯.jə/, /
ˌsloʋaˈkɛɪ̯.jə/, /
ˌsloβ̞aˈkɛː.jə/
pronoun
1. een land in Midden-Europa; het oostelijke deel van het voormalige Tsjechoslowakije.
Slovakia
noun
1.verraderlijke moord
assassinātiō
noun
1. Alternatieve route die meestal gebruikt wordt om files te mijden
brevius (ōris) iter (itinĕris)
verb
1. toedoen, dichtmaken
claudere
noun
1. verlengde snuit
proboscis
/
slyw/
adjective
1. op een doortrapte wijze slim
callidus
noun
- 2. gewaarwording bij het proeven van eten en drank
- 3. bepaalde subjectieve voorkeur
gustātus
adjective
1. goed van smaak zijnd of van een goede smaak genietend
sapidus
/
ˈsmaː.kə.los/
adjective
- 1. (van voedsel) geen smaak hebbend
- 2. (figuurlijk) geen fatsoen of gevoel voor esthetiek of mode hebbend, vulgair
insulsus
adjective
1. met een geringe breedte
angustus
verb
1. het bewerken van metalen door deze heet te maken en met een hamer te slaan om het materiaal de gewenste vorm te geven
incudo
/
smekə(n)/
verb
1. nederig om een gunst verzoeken
obsecrō
verb
1. van vaste in vloeibare vorm overgaan
liquescō
/
ˈsmɛltkrus/
noun
1. vuurvaste pot voor het mengen van gesmolten metaal
conflatorium
adjective
1. Bijzonder vuil
sordidus
noun
1. iemand die gloeiend metaal bewerkt met een hamer op een aambeeld
ferrarius
faber
/
smɛitə(n)/
verb
1. hard gooien of werpen
iacere
iaculari
obicere
noun
2. schoondochter
nurus
noun
1. muziekinstrument met snaren
fides
/
ˈsnavəɫ/
noun
1. bek van een vogel of schildpad
rostrum
/
sneʊ̯/, /
sneːβ̞/, /
snɪːβ̞/
noun
1. in kristallen bevroren water
nix
/
ˈsneʊ̯bɑl/, /
ˈsnɪːwbɑɫ/
noun
1. een tot een bal samengepakte hoeveelheid sneeuw, vaak bedoeld voor een speels sneeuwballengevecht
globus nivis
noun
1. een laag sneeuw op de bodem, die wordt gevormd als gevolg van sneeuwval en sneeuwstormen en gedurende een bepaalde periode blijft liggen
tegimen niveum
verb
1. het vallen van hemelwater onder de vorm van sneeuwvlokken
ningere
ningit
/
'snewjɑxt/
noun
1. sneeuwval bij harde wind
nigor
noun
1. een pop die gemaakt is van sneeuw
vir nivis
noun
1. een pop die gemaakt is van sneeuw
vir nivis
/
'snewvlɔk/
noun
1. een kleine massa aaneengehechte sneeuwkristallen
nivis pluma
/
snɛɫ/
adjective
celer
velox
noun
1. de verandering in de tijd van de plaats van een voorwerp
velocitas
/
ˈsnɛɪdə(n)/
verb
1. met een scherp voorwerp in stukken delen
caedō
/
ˈsnujə(n)/
verb
1. terugbrengen op gewenste lengte
pampinō
noun
1. bepaald soort roofvis die in zoete wateren voorkomt, Esox lucius
esox
noun
1. bepaald soort zoetwaterroofvis, Sander lucioperca
lucioperca
noun
1. een slijmerige afscheiding uit de neusholte
mūcēdō
noun
1. reukorgaan van dieren
rostrum
verb
1. ademen met een niet goed geopende luchtpijp, waardoor een rochelend geluid ontstaat
stertere
noun
1. wetenschap
sociologia
/
su.ˈdɑn/, /
zu.ˈdaːn/
pronoun
1. land in Noordoost Afrika dat voor een groot deel in en rond het stroomgebied van de rivier Nijl ligt, officieel de Republiek Sudan
Sudania
noun
1. vloeibaar gerecht
intrita
/
'supəł/
adjective
- 1. Yodio buigend en zich aanpassend
- 2. weinig problemen ondervindend
flexibilis
noun
1. de verzamelnaam voor besturings- en toepassingsprogramma's,...
corpus programmatum
noun
1. kous die tot net boven de enkel komt
impilium
noun
1. een voetstuk, voornamelijk voor beelden
basis
/
sɔlˈdaːt/
noun
1. krijgsman met de laagste rang binnen een strijdmacht
miles
verb
1. een door verhitting vloeibare tussenstof aanbrengen tussen losse metaaldelen waardoor deze na afkoeling vast verbonden blijven
plumbō
/
sɔm/
noun
1. resultaat van een optelling
summa
/
so.'ma.li.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika, officieel de Somalische Republiek
Somalia
/
ˈsɔːrt/
noun
2. een groep levende wezens die een bepaald aantal kenmerken gemeenschappelijk heeft en...
species
noun
2. de naam van de groep waartoe iets behoort
nōmen appellātīvum
/
ˌsɔporaˈtif/
adjective
somnifer
verb
1. orde in een verzameling aanbrengen door soort bij soort te leggen
discribō
noun
1. klein voorwerp dat helpt om aan een prettige ervaring met een plaats of persoon terug te denken
mnēmosȳnum
noun
1. een staaf die de naaf en de velg van een wiel verbindt
radius
/
ˈspakbeɪn/
noun
bot in de onderarm
radius
/
ˈspandər/
noun
1. langwerpig stukje hout dat bij het hakken afvalt.
astula
/
spaːns/
pronoun
1. een taal die oorspronkelijk werd gesproken in (het centrale deel van) Spanje,...
hispanicus
lingua Hispanica
/
'spar.zam/
adjective
1. zorg dragend niet te verspillen
parcus
noun
1. plankje e.d. om arm of been rust te geven
serperastrum
/
ˈspɑ.ɲard/, /
ˈspɑɲ.jart/
noun
1. een inwoner van Spanje, of iemand afkomstig uit Spanje
Hispanus
/
ˈspɑ.ɲə/, /
ˈspɑɲ.jə/
pronoun
1. een land in het zuidwesten van Europa op het Iberisch Schiereiland
Hispania
noun
- 1. mechanische spanning
- 2. emotionele spanning
intentiō
noun
2. benaming voor een naaldboom uit het geslacht Picea
picea
/
ˈspa.rə(n)/
verb
- 1. geld niet uitgeven
- 3. ontzien
servo
noun
1. spaan, lepel, e.d. met plat, bot uiteinde om mee te smeren
rutabulum
noun
1. een gedroogd plantendeel, anders dan een groen blad of stengel, dat als geur-, kleur- of smaakstof aan voedsel wordt toegevoegd
arōma
noun
1. benaming voor middelgrote robuuste vogels behorende tot de familie Picidae
picus
/
spe.si.ˈjal/, /
spe.ˈsjaːl/, /
spe.ˈʃaːl/
adjective
1. op een positieve manier anders dan het andere
eximius
noun
1. mengsel waarmee wordt gewerkt
mortārium
adjective
1. kenmerkend
specialis
adverb
1. in het bijzonder
specialis
noun
1. vocht dat in de mond vloeit uit de speekselklieren
saliva
salīva
/
ˈspelɣud/, /
ˈspelɣut/, /
ˈspɪːɫχut/
noun
1. één of meer voorwerpen voor kinderen om mee te spelen
crepundia
noun
1. een omheinde plek grond met speelobjecten voor kinderen
campus lusorius
/
spɪːr/
noun
1. lange stok met een punt eraan, (werd) gebruikt voor de jacht of oorlogvoering
hasta
pilum
noun
1. onderhuidse vetlaag bij varkens
laridum
noun
1. opzienbarend schouwspel
spectāculum
noun
1. bezigheid ter ontspanning volgens vaste regels met elementen als competitie, behendigheid, inzicht en kans
ludus
/
'spɛl.kɔm.pju.tər/
noun
1. een computersysteem dat specifiek gemaakt is om spellen op te spelen
consola ludis electronicis
/
ˈspeːlə(n)/
verb
- 2. muziek maken
canō
ludo
noun
- 1. deelnemer aan een spel
- 2. een partij
lusor
verb
1. letters in de juiste volgorde plaatsen
conscribo
/
ˈspɛlɪŋ/
noun
1. de al dan niet vastgelegde manier waarop de woorden van een taal geschreven worden
orthographia
noun
1. grove tarwesoort
spelta
noun
1. Accipiter nisus, een kleine snelle roofvogel
Accipiter nisus
noun
1. beelden terugkaatsend voorwerp
speculum
noun
1. een orgaan
musculus
nervus
noun
- 1. metalen pin waarmee twee voorwerpen door doorboring vast verbonden kunnen worden
clavus
- 4. (uitdrukking) ± Spijkers op laag water zoeken.
nōdum in scirpō quaerō.
noun
2. de as waar iets rond draait
axis
noun
1. geleedpotig dier met acht poten
aranea
araneus
noun
1. bepaald soort snelgroeiende, eenjarige plant, Spinacia oleracea
spinacia
blitum
verb
1. een lange draad vervaardigen door enkele vezels in elkaar te vervlechten
neō
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Araneae
aranea
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Araneae
aranea
noun
1. een door een spin gemaakt net om insecten te vangen
araneum
noun
1. de handeling van het spioneren
speculatio
verb
1. voor concurrentie of vijand geheime informatie trachten te verwerven
speculor
noun
1. een kromme lijn
helica
noun
1. draaiende staak waarop men vlees of een geslacht dier spietst en boven of naast een hittebron roostert
verū
noun
- 1. grote drukte in het verkeer op terugkerende tijdstippen
- 4. scherp, puntig uiteinde
acumen
pronoun
1. een Noorse eilandengroep
Svalbardum
noun
1. klein muisachtig diertje met spitse snuit en korte poten, behorend tot de familie Soricidae
sōrex
/
'splɪntər/
noun
1. klein puntig scherfje
assula
noun
- 8. hol uitsteeksel aan de voet van een kelkblad, kroonblad of vergroeide kroon
- 9. metalen punt of getand wieltje aan de hiel van de rijlaars
calcar
- 1. twee met elkaar verbonden ijzeren staven waarover een trein rijdt
vestīgium
/
spɔrt/
noun
1. lichaamsbeweging
ars athletica
noun
1. beoefenaar van een sport
athleta
noun
1. (sport) grasveld met doelpalen, grenslijnen e.d. waarop diverse sporten worden bedreven
campus gymnasticus
verb
1. zich met belachelijk makende of oneerbiedige scherts uiten
cavillor
/
sprak/
noun
1. het vermogen om te spreken
lingua
noun
1. een systeem van regels en principes voor het schrijven en spreken van een taal
grammatica
noun
1. geneigdheid om veel te praten
garrulitās
noun
1. een voordracht voor een publiek over een bepaald onderwerp
contio
noun
1. Sturnus vulgaris, een middelgrote zangvogel
Sturnus vulgaris
sturnus
/
ˈspreːkə(n)/
verb
1. zich met behulp van de stem uiten
dicere
loqui
/
ˈspɾøkə(n)/
noun
Proverbia
verb
1. na zich tegen de zwaartekracht afgezet te hebben een korte vrije val door de lucht maken
salire
noun
1. een insect van de Orthoptera-orde
locusta
noun
1. een bruin vlekje op de huid dat veroorzaakt wordt door ultraviolet licht
lentigo
noun
1. verzonnen vertelling
fabula
noun
Sprattus sprattus
maena
noun
2. een uitloper van de spruitkool
Cauliculus Bruxellanus
/
'spy.ɣə(n)/
verb
1. speeksel uit de mond doen uitschieten
conspuō
/
spœy̯t/
noun
3. injectiespuit
sȳrinx
/
sri.ˈlɑŋ.ka/
pronoun
1. een republiek in Azië gelegen op een eiland ten zuiden van India
Sri Lanca
/
staːɫ/
noun
1. een legering van ijzer en koolstof
chalybs
aciarium
/
staːn/
verb
1. zich in verticale toestand van rust bevinden
stare
noun
- 1. een verlengstuk van de ruggengraat bij sommige dieren
- 2. het achterste stuk van een vliegtuig of een auto
cauda
noun
- 1. een land
- 1. toestand
civitas
res publica
noun
1. iemand die burgerrechten in een staat heeft
cīvis
adjective
1. standvastig, duurzaam
firmus
/
stɑd/, /
stɑt/
noun
Woonplaats
urbs
oppidum
civitas
/
ˈstɑdhœːs/, /
ˈstɑthœʏs/, /
ˈstɑthœːs/
noun
1. een gebouw waar de stadsdiensten gehuisvest zijn
curia
noun
1. een stok bedoeld voor ondersteuning of onderscheiding van een persoon
baculum
noun
1. gelijkheid van de beginmedeklinkers van twee of meer beklemtoonde lettergrepen of woorden binnen een uitdrukking, prozazin of vers
alliteratio
/
'stakɪŋ/
noun
1. het neerleggen van de werkzaamheden, meest uit protest of om verbeteringen af te dwingen
operistitium
/
stɑl/
noun
1. ruimte bestemd voor de huisvesting van dier(en)
stabulum
noun
- 4. op verwantschap berustende samenlevingsvorm van meer families in beschavingen met weinig verstedelijking
tribus
natio
- 2. deel van de boom tussen de wortels en de kruin
truncus
noun
2. vijzelstamper
pistillum
noun
1. een kunstzinnige afbeelding vaak van een persoon in drie dimensies, meestal gehouwen in steen of gegoten in metaal
statua
noun
1. een sterke, stinkende geur
foetor
/
stɑp/
noun
1. het plaatsen van de ene voet voor de andere bij het gaan
gradus
noun
1. een gestructureerde hoop spullen
cumulus
/
ˈstɑ.pə(n)/
verb
1. het lichaam vooruit bewegen door een of meer keer een voet naar voren te zetten
gradior
noun
1. stabiel onderstel voor camera
vāra
/
sta.ˈsʲɔn/
noun
1. plaats waar voertuigen kunnen stoppen
statio ferriviaria
noun
- 1. plaats in een vast geheel of een bepaald proces
- 1.1 aanzien in de maatschappij
status
adverb
1. voortdurend
semper
noun
1. zeer smal straatje
angiportus
/
steːk/
noun
1. een penetratie met een scherp puntig voorwerp
ictus
/
sten/, /
steːn/
noun
1. een harde stof, vaak op kiezel gebaseerd maar omvattende vele soorten
lapis
petra
noun
1. vogel uit de familie der arendachtigen
Aquila chrysaetos
pronoun
2. teken van de dierenriem van 22 december tot 20 januari
Capricornus
noun
1.1 bepaald soort zoogdier, Capra ibex
capricornus
/
ste.nɛi̯k/, /
ste.nɛːk/, /
sten.ʔɛi̯k/
noun
1. Quercus ilex; een boom uit de napjesdragersfamilie
ilex
noun
1. zwart-bruine stof die ontstaan is door plantenafzettingen en gebruikt wordt als energiebron
carbō
/
ˈstentɛit/
noun
Aetas Lapidea
/
ˈstenœʏ̯ɫ/, /
ˈsteːnœːl/
noun
1. bepaald soort vogel, Athene noctua
Athene noctua
/
stɛil/, /
stɛːl/
adjective
1.
arduus
/
stekələx/
adjective
1. met stekels bezet
acanthoides
noun
1. een groot knaagdier met stekelige vacht
hystrix
verb
1. doorboren, prikken
confodio
verb
1. iets wegnemen van iemand en het zich wederrechtelijk toe-eigenen
clepere
noun
1. een bewering die men als waarheid aangenomen wil zien worden
theōrēma
/
stɛlsəl/
noun
- 1. een geordend geheel, samenstel van delen
- 2. een systeem
systēma
noun
- 1. het geluid dat door het trillen van de menslijke stembanden wordt geproduceerd
- 2. het geluid dat een mens bij het spreken voortbrengt
vox
/
stεmə(n)/
verb
1. deelnemen aan een verkiezing
suffrāgō
/
ˈstɛmpəl/, /
ˈstɛmpəɫ/
noun
A3. beschrijvende plantkunde: bovenste gedeelte van de stamper in een bloem
stigma
verb
1. met steenworpen doden
lapidare
noun
- 2. een beroemdheid
astrum
- 1. een hemellichaam, een gasbol die licht uitzendt door kernfusie
stella
astrum
sidus
adjective
1. zonder microbiële besmetting, heel schoon
sterilis
verb
- 1. iets vrij maken van micro-organismen
- 2. onvruchtbaar maken
sterilizare
/
stɛrk/
adjective
- 1. krachtig
- 2. geconcentreerd
anomalus
/
'stɛrktə/
noun
1. de mate waarin iets sterk is
firmitas
noun
1. benaming voor slanke meeuwachtige vogels uit de familie Sternidae
larus
noun
1. wetenschap die de objecten in de ruimte bestudeert
astronomia
/
stɛrən'kʏndəɣə/
noun
astrologus
verb
1. overgaan van levende toestand naar dode toestand
mori
morior
/
steto'skop/
noun
1. een medisch instrument waarmee men geluiden in het lichaam kan beluisteren
stethoscopium
/
støn/
noun
- 1. iets om op te steunen
- 2. morele of materiële hulp
firmāmentum
/
'stønə(n)/
verb
1. een deel van de last op zich nemen, hulp verlenen
supersum
noun
1. bepaald soort anadrome vis, Acipenser sturio
ocupenser
acipenser
verb
1. de grondslag voor iets leggen, iets instellen
fundō
noun
2. zelfstandig vermogen met rechtspersoonlijkheid opgericht op de verwezenlijking...
fundatio
/
ˈstif.mu.dər/
noun
1. latere levenspartner van vader dan de eigen moeder
noverca
noun
1. echtgenoot van iemands moeder, die niet de eigenlijke vader is
novercus
pronoun
- 1. sterrenbeeld van de dierenriem
- 2. astrologisch teken
Taurus
pronoun
1. deelstaat van Oostenrijk
Styria
/
ˈstɛi̯xˌbøː.ɣəl/
noun
1. voetsteun voor de ruiter
stapes
stapia
/
ˈstɛi̯ɣə(n)/
verb
1. naar boven gaan, toenemen
argo
/
stɛi̯l/
noun
- 1. handelswijze
- 3. beschrijvende plantkunde: buisvormige, middelste gedeelte van de stamper
modus
/
ˈstɪkstɔf/
noun
1. een chemisch element en een kleurloos niet-metaal
nitrogenium
/
[stɪɫ]/
adjective
- 1. geen of weinig geluid producerend
- 2. onbeweeglijk
- 3. rustig, kalm
immobilis
pronoun
1. de oceaan die ligt tussen Oost-Azië, Noord- en Zuid-Amerika en Australië
Oceanus Pacificus
pronoun
1. dag na Goede Vrijdag en voor Pasen
Sabbatum Sanctum
noun
1. krachtige aanzet
calcar
noun
1. bepaald soort zoogdier, Mephitis mephitis
mephitis
verb
1. een onaangename geur hebben
putere
pronoun
1. de hoofdstad van Zweden
Holmia
Stockholmia
/
stul/, /
stuɫ/
noun
1. zitmeubel
sella
sedes
/
'stulɣɑŋ/
noun
2.
excrēmentum
noun
1. heel kleine deeltjes
pulvis
/
ˈstɔfoːrˌzak/
noun
1. de stof waaruit een voorwerp ontstaan is en die zich in dit voorwerp bevindt.
causa materialis
/
'stɔfʋɪsəlɪɳ/
noun
1. het geheel van chemische processen dat gepaard gaat met het in leven zijn van een wezen
metabolismus
noun
1. een elektrisch toestel dat stof en kleine deeltjes opzuigt
pulveris hauritorium
noun
1.Suricata suricatta, roofdier behorend tot de mangoesten
suricata
adjective
- 1. geluidloos
- 2. niet in staat te spreken
infans
adjective
1. iets dat zijn scherpte verloren heeft
hebes
noun
1. een schip dat met behulp van stoom wordt voortbewogen
nāvis vapōrāria
noun
1. een locomotief die wordt aangedreven door een stoommachine
vaporitraha
noun
- 2. halte
- 4. besluit om groei of toename te stoppen
pausa
/
ˈstɔplɪxt/
noun
1. een installatie die middels gekleurde lichten het verkeer op een kruispunt regelt
sēmaphorum
verb
- 3. doen halthouden
- 4. ophouden, ermee kappen
cesso
/
ˈstorə(n)/
verb
1.het functioneren nadelig beïnvloeden
(per)turbare
noun
1. erg harde wind
tempestas
procella
noun
een toestel, balk, e.d. om een deur, poort te forceren
ariēs
verb
2. geld in een rekening inbrengen
dēpōnō
/
stɑu̯t/
adjective
- 1. in overtreding van een gestelde regel, met onvoldoende respect
- 4. seksueel prikkelend
improbus
adjective
1. berustend, gevoelloos
stōicus
/
straɫ/, /
ˈstral/
noun
- 2. een bundel elektromagnetische straling
radius
- 3. spuitend gas of vloeistof
tullius
/
strat/
noun
1. een weg tussen de huizen in een bewoonde plaats
via
vicus
noun
1. hoofdstad van de Franse regio Grand Est
Argentoratum
noun
1. onprettige maatregel of behandeling ter vergelding van een misdaad of overtreding
punitio
/
ˈstrɑfə(n)/
verb
1. negatieve consequenties verbinden aan een als verkeerd geziene daad
punire
plectere
/
ˈstralə(n)/
verb
- 2. licht weerkaatsen
- 3. een heel blije uitdrukking op het gezicht hebben
lūceō
noun
1. Strook land langs de kust
litus
acta
noun
1. een plan om iets te bereiken
ars bellica
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Acilia Augusta
noun
- 2. lijnvormig patroon
- 1. een min of meer rechte getrokken lijn of lijnstuk
linea
verb
1. zachtjes met de hand over iets of iemand strijken
admulcere
adulare
noun
oplossing die spijsverteringsenzymen bevat
coagulum
noun
het willen bereiken van een doel
conatus
verb
1. een doel willen bereiken
appeto
noun
1. een handgemeen
pugna
noun
1. een slagwapen in de vorm van een metalen staf met een versterkte kop
clava ferrea
verb
2. wasgoed desinfecteren en gladmaken met hulp van een heet ijzer, een strijkijzer
ferro levigare
/
ˈstrɛɪ̯.gɛɪ̯zər/, /
ˈstrɛɪ̯k.ʔɛɪ̯zər/, /
ˈstrɛː.kɛːzər/
noun
1. een huishoudelijk gereedschap dat gebruikt wordt om textiel glad te strijken
complanatorium
verb
1. het zich ontdoen van alle kleding of een groot deel van de kleding die het lichaam bedekt, vaak met een erotische bijbedoeling
nudor
/
stro/
noun
1. droge bloeistengels van graangewassen
stipula
/
'stromən/
verb
1. voortbewegen van vloeistoffen
fluō
/
'stromɪŋ/
noun
- 1. voortbewegen van een vloeistof
aestus
- 2. bepaalde beweging die zekere denkbeelden gemeen heeft
amnis
noun
1. scheikundig element met symbool Sr en atoomnummer 38
strontium
noun
1. zweertje op het ooglid
hordeolus
/
stroːm/
noun
- 2. elektriciteit
aestus
- 1. rivier, beek
amnis
noun
1. dikke, viskeuze, geconcentreerde vloeistof waarin een grote hoeveelheid suikers zijn opgelost
sapa
noun
1. lus van stevig touw
laqueus
/
strʏkˈtyr/
noun
de interne opmaak van een geheel
compāgēs
verb
1. het evenwicht verliezen doordat men met de voet verstrikt raakt
caespito
noun
1. begroeiing die bestaat uit bij elkaar staande planten met houtige stengels die zich al direct boven de grond vertakken
dumetum
noun
1. bepaald soort in heel Europa voorkomende plant, Calluna vulgaris
calluna
noun
1. iemand die vanuit een hinderlaag reizigers berooft
latro
/
ˈstrœʏ̯sˌfoχɔɫ/, /
ˈstrœːsˌfoːɣəl/, /
ˈstrœːzˌvoːɣəl/
noun
1. Struthio camelus, grote loopvogel, die niet kan vliegen
struthio
struthiocamelus
noun
1. een ruimte om te studeren
museum
noun
1. iemand die hoger onderwijs volgt
scholasticus
verb
1. het volgen van een opleiding en verwerven van kennis als voornaamste bezigheid
studeō
noun
1. onderste deel van de ruggengraat, de laatste vier vergroeide ruggenwervels
coccyx
noun
1. Soort bouwvakker
tector
pronoun
1. hoofdstad van de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Stutgardia
Stuccardia
adjective
1. onderhuids
intercus
noun
1. een werkwoordswijs waarmee men een wens of onzekerheid tot uitdrukking kan brengen.
coniunctivus
subiunctivus
noun
1. stof (stoffen)
materia
noun
1. zelfstandig naamwoord
nomen substantivum
/
sʌp'til/
adjective
- 1. alleen bij nauwkeurig toezien of voor fijn gevoel waar te nemen of te begrijpen
- 2. fijn onderscheidend, scherpzinnig
subtīlis
noun
1. gewenste resultaat van een opzet
eventus
/
suˈdɑn/
pronoun
land in Noordoost Afrika, officieel de Republiek Sudan
Sudania
noun
1. een woorddeel dat achter de stam van een woord gevoegd wordt
suffixum
noun
1. een rietsoort die verbouwd wordt vanwege zijn suikergehalte en waaruit rietsuiker gewonnen wordt
cannamella
noun
1. iets dat als aanvulling toegevoegd wordt
appendix
/
ˌsy.ri.ˈna.mə/
pronoun
1. een land in Zuid-Amerika
Surinamia
pronoun
1. een Bantoetaal die veel gesproken wordt in Oost-Afrika
lingua Suahelica
/
ˈswa.zi.ˌlɑnd/, /
ˈsʋa.zi.ˌlɑnt/, /
ˈsβ̞a.zi.ˌlɑnt/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel het Koninkrijk Swaziland
Suazia
noun
1. een logische redenering waaruit een conclusie afgeleid wordt
syllogismus
noun
1. een gevoel van toegenegenheid
compassio
adjective
1. met betrekking tot ziekteverschijnselen
symptomaticus
noun
1. ziekteverschijnsel
symptōma
noun
1. gebedshuis van joden.
synagoga
noun
- 1. plotseling bewustzijnsverlies
- 3. wegval van middenklank
languor
/
sɪnˈdrom/
noun
1. ziektebeeld
syndroma
noun
1. gelijkbetekenend woord
synonymum
/
sɪnˈtɑksəs/
noun
- 1.
- 2.
syntaxis
/
ˈsi.ri.jə/, /
ˈzi.ri.jə/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel de Arabische Republiek Syrië
Syria
/
siˈstem/
noun
1. een uit meerdere interagerende onderdelen bestaand stelsel...
systema
/
ˌsisteˈmatis/
adjective
1. stelselmatig, ordelijk volgens een systeem opgezet
systematicus
noun
1. dun kledingstuk voor het bovenlichaam met korte mouwen en zonder kraag
tunicula
/
taːk/
noun
1. een te verrichten werk
pensum
/
taːl/
noun
1. systeem van spraakklanken door middel waarvan mensen met elkaar communiceren en de schriftelijke...
lingua
noun
1. uitdrukkingen en zegswijzen uit een bepaalde taal
sermo
noun
1. talengroepen die een zelfde voorgeschiedenis hebben
familia linguarum
/
ˈtalklɑŋk/
noun
1.
phonema
noun
1. wetenschap
linguistica
noun
1. een beoefenaar van de taalkunde
gramaticus
noun
1. een beoefenaar van de taalkunde
gramaticus
/
taːrt/
noun
1. cirkelvormig zoet gebak
placenta
noun
1. een genotsmiddel afkomstig van de bladeren van de tabaksplant, wordt gerookt, gekauwd en gesnoven
tabacum
noun
1. een geordende lijst met gegevens
rationarium
noun
1. een algemeen aanvaard moreel verbod; iets dat onbespreekbaar of ondenkbaar is
indicendus
cardinalNumeral
1. het getal 80
octoginta
octaginta
/
taˈdʒikɪˌstɑn/
pronoun
1. een land in een land in Centraal-Azië met als hoofdstad Doesjanbe
Tadzikistania
/
ˈtafəɫ/
noun
1. een meubelstuk met poten, bedoeld om dingen op te zetten of te leggen
mensa
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Mensa
/
ˈtafəlˌklet/
noun
kleed dat als bescherming of versiering over een tafel ligt
mēnsārium
pronoun
1. taal die op de Filipijnen gesproken wordt
Philippinica
/
tɑjˈfuːn/
noun
1. een hevige wervelstorm in de Chinese Zee en de Stille Oceaan die ontstaat uit een tropische depressie.
typhonas
/
tɑj'ʋɑn/
pronoun
Res publica Sinarum
/
tɑk/
noun
1. een deel van een boom of struik
ramus
noun
1. bijzondere aanleg
indoles
/
tɑɫx/
noun
- 1. huidvet, een vetachtige substantie die geproduceerd wordt door talgklieren
sebum
- 2. het harde vet van sommige herkauwers
sēbum
noun
1.een klier om de haarzakjes, die talg afgeeft
glandula sebacea
/
'tɑlɪn/
pronoun
1. de hoofdstad van Estland
Castrum Danorum
Revalia
pronoun
1. een kunsttaal gemaakt in 1980 door R. Ben Madison voor zijn micronatie Talossa
Talossana
adjective
1. groot in aantal
creber
noun
1. en 2. (vruchten van de) tamarindeboom
tamarindus
noun
- 1. hard en wittige gecalcificeerde structuur in de mond
- 2. scherp uitsteeksel
dens
dēns
noun
1. een medisch specialist op het gebied van de tandheelkunde
medicus dentarius
noun
1. borsteltje om de tanden mee te reinigen
peniculus dentarius
noun
1. puntig instrumentje om etensresten tussen de tanden te verwijderen
dentiscalpium
/
ˈtand.pɑs.taː/, /
ˈtɑnt.pɑs.ta/
noun
1. een poetsmiddel voor de tanden
dentifricium
noun
1. een dun, vaak onzichtbaar, kleverig laagje dat zich gedurende de dag op de gebitselementen afzet
dentarium retrimentum
noun
1. tandaanslag
dentarium retrimentum
/
ˈtɑntfles/
noun
1. deel van het mondslijmvlies waarin de tanden vastzitten
gingiva
/
tɑŋ/
noun
1. een uit twee delen opgebouwd gereedschap waarvan de beide delen op één punt aan elkaar vastzitten...
forceps
/
tɑŋk/, /
tɛŋk/
noun
- 1. een groot vat
- 2. een oorlogsvoertuig
autocurrus armatus
noun
1. scheikundig element met symbool Ta en atoomnummer 73
tantalum
noun
1. scheikundig element met symbool Ta en atoomnummer 73
tantalum
noun
1. zus of schoonzus van iemands vader of moeder
amita
matertera
/
ˌtɑn.za.ˈni.ja/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika
Tanzania
/
ˈtapɪr/
noun
1. hoefdier, zo groot als een ezel en met een kleine beweeglijke slurf
tapirus
noun
1. grote eetbare platvis
rhombus
/
tɑˈrif/
noun
1. een vastgesteld bedrag per eenheid
telōnium
pronoun
1. stad in Estland
Dorpatum
Tarbatum
/
ˈtɑrʋə/
noun
- 3. zaad van tarwe
- 2. meest verbouwde tarwe soort (Triticum aestivum)
triticum
noun
1. zak die men meeneemt om er zaken in te bergen die men bij zich wil hebben
crumena
pronoun
1. taal uit de Turkse talen met ongeveer anderhalf miljoen sprekers die vooral wordt gesproken in Tatarstan, een deelrepubliek van Rusland maar ook in andere delen van de vroegere Sovjet-Unie en daarbuiten
tataricus
/
tɑk.si/
noun
1. een voertuig bestemd om tegen betaling klanten van de ene plaats naar de andere te brengen
taxiraeda
noun
1. het prepareren of opzetten van dieren
taxidermia
/
tiːm/
noun
- 1. een ploeg van bij elkaar horende spelers
- 2. een groep samenwerkende mensen
manipulus
noun
1. scheikundig element met symbool Tc en atoomnummer 43
technetium
adjective
1.
technocraticus
/
tef/
noun
1. wijfjeshond
canicula
noun
1. achtpotige parasiet uit de orde Ixodida
ricinus
noun
1. vingers van de voet
digitus
/
ter/
noun
1. olieachtige vloeistof met een zeer hoge viscositeit
pix
noun
1. kubusvormig voorwerp met op elk van de zijden een van de ogenaantallen één tot en met zes
alea
talus
tessera
/
teːɣən/, /
teːχən/
preposition
2. oneens met, ter bestrijding van
contra
noun
1. een middel dat de werking van een gif neutraliseert of afzwakt
antidotum
noun
1. iemand die de pauselijke titel opeist zonder door het Vaticaan als paus erkent te zijn
antipāpa
noun
1. ernstige pech, toestand met belangrijke tegenslag
adversum
verb
1. zich met woorden verzetten
adversor
noun
1. vijand, rivaal
adversus
adjective
1. niet overeenstemmend
contrādictōrius
adjective
2. aanwezig
praesens
noun
1. vorm die aangeeft dat het huidige moment bedoeld wordt
praesentia
noun
1. aanwezigheid
praesentia
noun
1. symbool, signaal, aanduiding
signum
verb
een tekening maken
pingo
noun
1. een door tekenen ontstane afbeelding of voorstelling
descriptio
verb
1. onvoldoende of ontoereikend zijn
dēsum
noun
1. verzameling letters en/of woorden
textus
noun
1. een computerprogramma waarmee teksten kunnen worden geschreven en bewerkt
programma editorium
/
ˌtelə'fon/, /
ˌteːlə'foːn/
noun
1. een toestel waarmee men geluid over kan brengen door middel van galvanische stroom
telephonum
telephonium
verb
1. door nauwgezette verzorging doen groeien
colere
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Telescopium
noun
1. een optisch instrument, waarmee ver verwijderde objecten bekeken kunnen worden
telescopium
adverb
1. een onaangenaam gevoel hebbend omdat een verwachting of hoop niet uitgekomen is
dēstitūtus
verb
1. iemand op onaangename wijze verrassen, vaak door een belofte niet na te komen
frustro
noun
- 2. medium
- 1. elektrisch apparaat
televisio
telehorasis
/
ˈtɛɫkəns/
adverb
2. steeds
semper
verb
1. aantal bepalen
numero
computo
/
ˈtɛlər/
noun
1. het getal boven de streep van een breuk
numerator
noun
1. scheikundig element met symbool Te en atoomnummer 52
tellurium
noun
1. scheikundig element met symbool Te en atoomnummer 52
tellurium
/
ˈtɛm.pəl/, /
ˈtɛm.pəɫ/
noun
1. een gebouw voor godsverering
templum
delubrum
/
ˈtɛmpɛrɑtyːr/
noun
1. grootheid die de warmte weergeeft
temperatura
noun
1. de tijd waarin de persoonsvorm staat
tempus
/
ˈtɛm.sə/
pronoun
1. een gemeente in de Belgische provincie Oost-Vlaanderen, gelegen aan de Schelde
Tamesis
adverb
1. luidt het eerste lid van een opsomming van minstens twee argumenten in
prīmō
pronoun
1. het grootste eiland van de Canarische Eilanden, een tot Spanje behorende eilandengroep
Insula Nivaria
adverb
1. duidt een minimale voorwaarde aan
certē
noun
1. verplaatsbare constructie van over stokken of buizen gespannen doek die als (tijdelijk) onderdak dient
tabernaculum
/
ˈtɛntəˌkɑmp/
noun
1. een kamp met tenten als behuizing
alberga
/
tɛnˈtonstɛlə(n)/
verb
1. voor een publiek toonbaar maken
exhibeō
/
ˈtɛn.zɛɪ/
conjunction
1. behalve wanneer
nisi
noun
1. een gepigmenteerd knopvormig uitsteeksel op de borst van de mens
papilla
noun
1. scheikundig element met symbool Tb en atoomnummer 65
terbium
verb
1. het beëindigen van een mensenleven op gerechtelijk bevel
carnifico
pronoun
1. plaats en gemeente in Waals-Brabant
Hulpenum
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Isoptera
tarmes
adjective
1. ontmoedigd, somber vanwege tegenslag
dēiectus
noun
een met een horecaterras vergelijkbare plek in een tuin
sōlārium
/
tɛ'rɛin/
noun
1. een stuk grond van enige omvang
terrenum
noun
1. grondgebied
territōrium
noun
het ontwrichten van een samenleving door terreurdaden tegen burgers, vaak met een politiek of religieus oogmerk
tromocratia
/
trʏχ/, /
təˈrʏx/
adverb
terug van weggeweest
retrō
/
təˈrʏxbrɛŋə(n)/
verb
- 1. naar het punt van vertrek brengen
- 2. naar de eigenaar brengen
reddo
/
təˈrʏχaːn/
verb
1. naar de punt van vertrek gaan
redeō
verb
1. gaan naar een plaats waar men eerder vandaan kwam
rebito
/
tə'rʌxkomə/
verb
1. opnieuw naar een plaats komen waar men eerder geweest is
rebito
/
tɛr.ˈwɛɪ̯l/, /
tɛr.ˈʋɛɫ/
conjunction
1. gedurende de periode dat nog een andere actie aan de gang is
dum
pronoun
1. naam van twee boeken uit het Nieuwe Testament
Thessalonicenses
/
tɛst/
noun
- 1. probeersel
- 2. praktische controle op een eigenschap
- 3. toets
examen
noun
- 1. akte met een wilsbeschikking voor na de dood
- 1. gedeelte van de bijbel
testamentum
noun
1. teelbal, zaadbal
testiculus
noun
1. een infectieziekte die door een gifstof leidt tot spierspasmen
tetanus
adjective
1. als hoofdas van de rotatiesymmetrie een viertallige as bezittend
tetragonalis
/
ˈtøɣəl/, /
ˈtøʝəl/
noun
1. stuurriem van rijdier
lōrum
noun
1. datgene wat over is boven de gewenste hoeveelheid
nimium
/
təvərˈɣefs/
adverb
frustrā
/
təˈvredə(n)/
adjective
1. geen behoefte voelend om aanmerkingen te maken
contentus
verb
1. veroorzaken
efficiō
noun
1. de manier waarop iets is samengesteld, hoe het materiaal aanvoelt en hoe de structuur eruit ziet
textūra
pronoun
1. de officiële taal van Thailand
lingua thai
/
ˈtɑɪ̯.lɑnt/, /
ˈtɛɪ̯.lɑnd/
pronoun
1. een land in Azië dat vroeger Siam heette
Thailandia
noun
1. scheikundig element met symbool Tl en atoomnummer 81
thallium
noun
1. een uitgaansgelegenheid waar theatervoorstellingen gegeven worden
theatrum
pronoun
1.de grootste rivier van Engeland
Tamesis
/
tema/
noun
1. een onderwerp dat behandelt wordt
thema
noun
1. leer over God, het goddelijke en de godsdienst
theologia
noun
1. een beoefenaar van de theologie
theologus
/
ˌteɔːˈretis/
adjective
1. wat niet perse in de werkelijkheid voorkomt, m.b.t. feiten en wetten berustende ...
doctrīnālis
noun
1. een wetenschappelijk model of uitspraak over waarnemingen in de empirie
ars
noun
1. een methode om aan de genezing van zieken te werken
therapia
/
ˈtɛrmoˌmetər/
noun
1. een meetinstrument om temperaturen te meten
thermometrus
noun
1. synoniemenwoordenboek
thesaurus
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Saarland
Theulegium
noun
1. scheikundig element met symbool Th en atoomnummer 90
thorium
/
tœʏs/, /
tœːs/
noun
1. een plek waar iemand woont en zich veilig voelt
domī
noun
1. scheikundig element met symbool Tm en atoomnummer 69
thulium
pronoun
2. de rivier die stroomt door Rome
Tiberis
pronoun
- 1. Zwitsers kanton
- 1. zijrivier van de Po
Ticinus
cardinalNumeral
1. het getal 10
decem
noun
2. kerkbelasting
decima
ordinalAdjective
1. nummer tien in een rij
decimus
/
tɛit/, /
tɛɪ̯d/, /
tɛːt/
noun
1. onstuitbare gang der dingen van toekomst door het heden naar het verleden
tempus
adjective
1. voor een beperkte tijd, niet permanent
temporālis
preposition
1. gedurende de tijd dat
dum
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera tigris
tigris
tīgris
noun
3. kruid gebruikt in de keuken
thymum
noun
1. iemand die zich beroepsmatig vooral met houtbewerking bezighoudt
lignarius
noun
scheikundig element
stannum
stagnum
pronoun
- 1. regio
- 2. deelstaat van Oostenrijk
Tirolis
noun
1. scheikundig element met symbool Ti en atoomnummer 22
titanium
noun
- 1. opschrift van een document
- 2. aanduiding van een persoon
titulus
noun
1. een kleine zangvogel uit de Zangers Sylviidae
Phylloscopus collybita
/
ˈtjɪlpə(n)/
verb
1. geluid maken zoals kleine vogeltjes doen
pīpilō
verb
1. brood roosteren
prōpīnō
/
dɔx/, /
tɔx/, /
tɔχ/
adverb
2. in weerwil van iets
tamen
noun
2. activiteit waarbij men naar een of meer bestemmingen gaat
iter
noun
1. plaats waarlangs men ergens binnen kan gaan
aditus
adjective
1.te bereiken
patens
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Tucana
adjective
1. van de tijd die komen gaat
futurus
verb
1. niet onmogelijk maken of verbieden
condōnō
/
tun/
adverb
1. op of na dat tijdstip
deinde
/
tun/
conjunction
1. op het tijdstip dat
ante
noun
1. het groter worden in aantal of maat
accretio
noun
1. grote moerassige en boomloze vlakte in de noordelijke poolstreken
tundra
verb
1. in de praktijk brengen
applico
/
tusxɔuər/
noun
1. iemand die naar iets kijkt
spectātor
/
ˈtuspra:k/
noun
1. een voordracht voor een groter publiek
oratio
verb
1. iets niet verbieden, iets mogelijk maken
concedere
/
'tustɑnt/
noun
geheel van omstandigheden
habitus
noun
1. een werktuig dat uit meer dan één onderdeel bestaat
apparatio
noun
een toezegging dat iets geoorloofd is
consensiō
noun
1. gerecht waarmee een maaltijd kan worden afgesloten
secunda mensa
/
ˈtutsə(m)ˌbɔrt/
noun
1,2 een apparaat waarmee, door toetsen in te drukken, gegevens in een computer e.d. ingevoerd kunnen worden
claviatura
/
ˈtuːvɑl/
noun
1. een gebeurtenis of omstandigheid die vooraf niet te voorzien of niet te berekenen is geweest
fors
verb
1. tot vermeerdering bijvoegen
addo
noun
1. datgene wat met een groter geheel verenigd wordt
additio
noun
2. een gebonden morfeem dat aan een ander morfeem wordt toegevoegd om zo een nieuw woord te vormen
affixum
/
'to.ɣo/, /
ˈto.χo/
pronoun
1. een land in West-Afrika
Togum
/
tʋɑ'lɛt/
noun
- 1. een plaats waar men zich kan ontlasten
- 3. persoonlijke verzorging
mundus
/
ˈtɔki ˈpoːnaː/
pronoun
1. bepaalde minimalistische kunsttaal
Tociponica
pronoun
1. de hoofdstad van Japan
Tocio
/
tɔl/
noun
- 3. plaats waar men slechts tegen betaling mag passeren
- 4. geld dat men bij een tol geheven wordt
portōrium
adjective
1. verdraagzaam
tolerans
noun
1. een persoon die gesproken tekst (meteen) vertaalt naar gesproken tekst in een andere taal
interpres
noun
1. inner van tol of belastingen
exactor
/
toˈmat/
noun
1. een eetbare vrucht van de tomatenplant
lycopersicum
noun
1. röntgenfoto waarbij slechts één vlak scherp wordt afgebeeld (doorsnede)
tomographia
noun
- 1. een vat in de vorm van...
cupa
- 3. een gewichteenheid van 1000 kilogram
metrēta
noun
1. iemand die een toneelstukken schrijft
dramaturgus
/
tonə(n)/
verb
2. laten zien
monstrare
noun
- 1. beweeglijk lichaamsdeel in de mond van mensen en veel dieren
- 2. wat gesproken wordt
lingua
pronoun
1. stad in het zuiden van Belgisch-Limburg
Atuatuca Tungrorum
noun
1. benaming voor snelle oceaanvissen uit het geslacht Thunnus
cybium
thunnus
/
ˈtɔnsɪl/
noun
1. een amandel
tonsilla
amygdala
noun
1. het klankkarakter van een toonladder
modus toni
noun
1. een stijgende of dalende opeenvolging van tonen
scala
noun
1. hoogste punt, (bovenste) uiteinde
cacumen
adjective
1. verband houdend met de nauwkeurige beschrijving van een gebied
topographicus
/
tɔːrə(n)/
noun
- 2. een bepaald schaakstuk in de vorm van een toren
- 1. een hoog bouwwerk
turris
noun
1. meest algemene Europese valk die vaak in nestkasten en gebouwen nestelt, Falco tinnunculus
Falco tinnunculus
noun
1. een draaiende, trechtervormige uitstulping onder een wolk tijdens een onweersbui
turbō
interjection
1. een groet bij het vertrek die de hoop uitspreekt elkaar weer te zien
vale
noun
1. alle onderdelen tezamen
solidus
/
tɑu̯/
noun
1. een middel om zaken bij elkaar te binden
fūnis
noun
1. een mannelijk iemand die kan toveren
magus
noun
1. een vrouwelijk iemand die kan toveren
fascinans
/
ˌtɔk.si.ˌko.lo.ˈɣi/, /
ˌtɔk.si.ˌko.lo.ˈχi/
noun
1. de wetenschap die de werking van giftige stoffen op biologische systemen bestudeert
toxicologia
adjective
1. giftig
toxicus
/
traːx/
adjective
1. met geringe snelheid
lentus
noun
- 2. ook inertie genoemd
inertia
- 1. het langzaam zijn
lentitudo
noun
1. vocht dat uit klieren bij de ogen vloeit
lacrima
noun
1. een van de beederen van de schedel
os lacrimale
/
ˈtrɑktɔr/
noun
motorvoertuig
tractorium
/
tradisʲoˈnel/
adjective
1. zoals de gewoonte dat meebrengt, van oudsher
translaticius
/
traˈxedi/
noun
- 1. een toneelspel dat handelt over een bedroevende gebeurtenis
- 2. gebeurtenis met een droevige of rampzalige afloop
tragoedia
verb
1. het doen van lichamelijke oefeningen
asporto
noun
1. een oefening
exercitatio
/
trenstər/
noun
1.
exercitor
/
tram/, /
trɑm/, /
trɛm/
noun
1. railvoertuig dat meestal in steden voor personenvervoer gebruikt wordt
currus electricus
raeda transviaria
noun
desultorium
trampolinum
noun
1. verbinding tussen twee op verschillende hoogte liggende vloeren of terreinen,...
scalae
/
trɑˈpezɪʏm/
noun
1. een vierhoek waarvan twee zijden evenwijdig lopen
mensula
noun
1. taps toelopende buis, gebruikt voor het vullen van vaten
infundibulum
/
tre/
noun
1. opstapje dat deel uitmaakt van een trap
gradus
noun
1. een rij wagons die door een krachtvoertuig (bijvoorbeeld een locomotief) voortbewogen wordt
hamaxostichus
tramen
verb
- 2. een lijn aanbrengen
abstrahō
- 1. op een voorwerp een kracht uitoefenen in een richting die ervan wegvoert
- nog te sorteren
trahō
noun
1. een vogel die 's winters een andere verblijfplaats kiest dan in de broedtijd
volucris peregrina
noun
1. diakritisch teken
diaeresis
pronoun
Tridentum et Tirolum Meridionale
noun
2. overlegprocedure, in het wetgevend proces, tussen Parlement, Commissie en Raad van de EU
trilogus
noun
1. een slaginstrument in de vorm van een vrijhangende metalen driehoek
triangulum
noun
1. de plaatsen voor het publiek
tribunal
pronoun
1.
Augusta Treverorum
/
'trɪlə(n)/
verb
1. snel heen een weer bewegen
vibrō
noun
1. een periode van drie maanden
trimestris
noun
- 2. grootse overwinning of prestatie
- 1. feestelijke intocht
triumphus
noun
1. duurzaam voorwerp dat na een overwinning als symbool daarvan aan de winnaar wordt uitgereikt
trophaeum
noun
1. een driekantige platte schep met handvat voor het opbrengen van metselspecie
rutrum
noun
- 1. een langgerekte voederbak.
- 3. een langgerekte uitstulping van een lagedrukgebied.
alveus
/
'trɔ.li.bɵs/
noun
filoraeda
noun
1. een koperen blaasinstrument
tubae
/
ˈtrɔmbʏs/
noun
1. bloedprop
thrombus
noun
1. een cilindervormig, met een vel bespannen slaginstrument
tympanum
noun
1. een koperen blaasinstrument met ventielen
buccina
trumpeta
noun
1. musicus die een trompet bespeelt
aeneator
/
troːn/
noun
1. zetel waar een vorst op zit tijdens formele plechtigheden
thronus
sedes
noun
1. aanvaarding van vorstelijke macht, met de daarbij horende ceremonie
inthronātiō
noun
1. steun bij verdriet of pijn
consolatio
verb
1. als iemand verdriet of pijn heeft deze persoon geestelijke steun geven
consolari
noun
2. de bundel vruchten die uit een dergelijke bloeiwijze voortkomen
racēmus
adjective
1. erg blij met wat men (bereikt) heeft
superbus
noun
- 1. denken dat men beter is dan anderen
- 2. het gevoel dat men wil pronken met wat men heeft of doet
superbia
noun
- 1. rondreizend kunstenaar
- 2. rondreizend artiest
tropātor
/
trʌʊ/
adjective
1. op wie men steeds opnieuw een beroep kan doen
fidelis
/
trʌʊ/
noun
1. het zich houden aan...
fides
verb
1. het aangaan van een officiële verplichting tussen twee personen om voor elkaar te zorgen
nubere
uxorem ducer
/
tryk/
noun
1. een handeling om op een slimme manier een doel te bereiken
astus
noun
1. een warm kledingstuk voor over het bovenlichaam
pullover
/
tsaːr/
noun
1. vroegere Russische keizer
tzar
/
tʃad/, /
tʃat/
pronoun
1. een land in Centraal-Afrika, officieel de Republiek Tsjaad
Tzadia
/
tʃɛx/, /
tʃɛχ/
noun
1. een inwoner van Tsjechië, of iemand afkomstig uit Tsjechië.
Bohemus
/
ˈtʃɛxis/, /
ˈtʃɛxɪs/, /
ˈtʃɛχis/
pronoun
1. Slavische taal die vooral wordt gesproken in de Tsjechische Republiek
bohemicus
pronoun
1. een land in [[Midden-Europa]].
Res publica Cecha
/
ˈtʃɛxi.jə/, /
ˈtʃɛχi.jə/
pronoun
1. een land in Midden-Europa, officieel de Tsjechische Republiek, en is het westelijke deel van het voormalige Tsjecho-Slowakije.
Cechia
Czechia
Tzechia
pronoun
1. een vroegere staat in Europa, ten zuiden van Polen (van 1918 tot 1993)
Cechoslovacia
/
tʃɛnobil/
pronoun
Czernobela
/
tsuˈnami/
noun
1. een grote vloedgolf
mōtus
/
ˌtybɛrkyˈlozə/
noun
1. een ziekte veroorzaakt de de tuberculosebacterie Mycobacterium tuberculosis
tuberculosis
/
tœy̯x/
noun
4. harnas
capistrum
/
tœy̯n/
noun
1. begrensd stuk grond waarop gewassen worden geplant of verbouwd
hortus
verb
schenkpijp aan een kan of ketel
canālis
noun
1. plant
tulipa
tulipan
/
ty.ˈne.zi.jə/, /
tʏ.ˈne.zi.jə/
pronoun
land in Noord-Afrika, officieel de Republiek Tunesië
Tunesia
noun
1. lange bloes of korte jurk vaak gedragen over een lange broek door vrouwen
tunica
noun
1. een kunstmatige ondergrondse doorgang
cuniculus
crypta
verb
1. veen als brandstof
turfa
pronoun
1. de hoofdstad van de regio Piëmont en de provincie Turijn
Taurinum
Augusta Taurinorum
/
tʏrk/
noun
1. Inwoner van Turkije
Turcus
/
tʏrˈkɛɪ̯.jə/, /
tʏrˈkɛː.jə/
pronoun
1. land in Europa en Azië
Turcia
/
tʏrˈkojs/, /
tʏrˈko̝js/
noun
1. een steen bestaande uit het mineraal turkoois
callais
/
tʏrks/
pronoun
1. een taal die vooral in Turkije gesproken wordt
turcicus
pronoun
1. stad in Finland
Aboa
/
ˈtʏ.sən/
preposition
1. met iets aan minimaal twee kanten het kind staat tussen haar ouders
inter
/
ˌtʏsənˈdoːrtjə/
noun
1. een versnapering, iets te eten tussen de maaltijden door
merenda
/
ˈtʏsə(n).ʋɛrpsəɫ/
noun
1. een uitroep, een woord, een frase of een zin die een expressie van emotie is
interiectio
/
ˌtu.va.ˈlu/
pronoun
1. een land in Oceanië
Tuvalu
/
twaːlf/, /
tʋaːl(ə)f/
cardinalNumeral
1. het getal 12
duodecem
duodecim
ordinalAdjective
1. nummer twaalf in een rij
duodecimus
/
tʋeː/
cardinalNumeral
1. het getal 2
duo
duae
/
tʋeː/
noun
1. het cijfer twee
duo
/
ˈtʋeːdə/
ordinalAdjective
secundus
noun
1. naamval als aanduiding van bezit, oorsprong of hoeveelheid
casus possessīvus
pronoun
1. het geheel van afzonderlijke militaire conflicten die van 1939 tot 1945...
Bellum Orbis Terrarum Secundum
/
ˈtweːˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 200
ducenti
/
ˈtʋeklɑŋk/
noun
1. een foneem dat uit twee klinkers bestaat die binnen één lettergreep in elkaar overgaan
diphthongus
noun
1. de tijd van de dag waarop het licht dan wel donker wordt
crepusculum
/
ˈtwelɪŋ/, /
ˈtʋelɪŋ/, /
ˈtβ̞elɪŋ/
noun
1. twee wezens die met zijn tweeën tegelijk in één buik ontwikkeld zijn
geminus
gemellus
pronoun
2. teken van de dierenriem, traditioneel behorend bij geboortedata van ongeveer 21 mei tot 21 juni
Gemini
adverb
1. in twee gevallen
bis
noun
1. een uitdrukking, bestaande uit twee eentermen, die gescheiden worden door het optelteken (+) of aftrekteken (-)
binōmiālis
cardinalNumeral
1. het getal 32
trigintaduo
cardinalNumeral
1. het getal 92
nonaginta duo
cardinalNumeral
1. het getal 82
octoginta duo
cardinalNumeral
1. het getal 22
vigintiduo
cardinalNumeral
1. het getal 42
quadraginta duo
cardinalNumeral
1. het getal 52
quinquaginta duo
cardinalNumeral
1. het getal 62
sexaginta duo
/
ˈtwejənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 72
septuaginta duo
/
ˈtʋɛɪfəɫ/
noun
1. gevoel van onzekerheid ten aanzien van wat men in een gegeven situatie moet doen, geloven e.d.
dubitatio
dubitas
verb
- na te gaan
- 1. op twee gedachten hinken
dubitare
/
twɛɪ̯x/, /
tʋɛɪ̯χ/, /
tβ̞ɛːx/
noun
1. een dun buigzaam takje van een boom of struik
rāmulus
/
ˈtʋɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 20
viginti
ordinalAdjective
vicesimus
/
tiˈfon/, /
tɑjˈfuːn/
noun
1. een hevige wervelstorm in de Chinese Zee en de Stille Oceaan die ontstaat uit een tropische depressie.
typhonas
noun
1. door bepaalde karakteristieken herkenbare soort
genus
noun
2. grafische vorm van tekst
typographia
pronoun
1. randzee van de Middellandse Zee, gelegen tussen het Italiaans vasteland, Sicilië, Sardinië en Corsica
Tuscum mare
/
yː/
personalPronoun
u (pers.vnw.)
vobis
/
œʏ̯/, /
œː/
noun
1. Allium cepa, een eetbaar bolgewas
cepa
caepa
noun
1. de melkklier van een herkauwer
rūma
/
œʏ̯ɫ/, /
œːl/
noun
1. benaming voor vogels uit de orde Strigiformes
ulula
noctua
strix
/
œʏ̯t/, /
œːt/
preposition
1. geeft aan van welke plaats iets komt
e
ex
noun
1. het uitademen
efflātiō
verb
1. iets uitdrijven of wegjagen
expellere
noun
- 2. het uitstoten van gassen, rook en lava door een vulkaan
- 1. een plotselinge, felle uiting
eruptio
/
ˈœʏtbenə(n)/, /
ˈœːdbeːnə(n)/, /
ˈœːtbenə(n)/
verb
1. het been uit (het vlees) halen
exossare
verb
1. iets een groter oppervlak laten innemen
adhibeo
verb
1. iemand met woord of daad tot actie prikkelen
diffido
verb
1. een gevoel of gedachte in taal verwoorden
expressus
/
ˈœytrʏkɪŋ/, /
ˈœːdrʏkɪŋ(g)/, /
ˈœːtrʏkɪŋ/
noun
- 2. verbinding van woorden
- 3. geheel van sprekende gelaatstrekken
- 4. het uitdrukken, uiting
vultus
/
ˈœʏ.tεɪn.ˌdә/, /
ˈœː.tεːn.ˌdə/
noun
exitus
/
œʏˈtɛɪndələk/
adverb
1. na een hele tijd
tandem
verb
- 1. ophouden met branden
- 3. naar de bar, disco of restaurant gaan
egredior
/
'œʏtχɑŋ/, /
'œːtɣaŋ/
noun
exitus
/
ˈœʏtχavə/, /
ˈœːdɣavə/, /
ˈœːtxavə/
noun
- 2. reeks van uitgeven literaire werken
- 4. uitgegeven werk
editio
adverb
1. dodelijk vermoeid
effētus
verb
- 1. financiële middelen aanspreken
- 2. een geschrift in drukvorm verspreiden
expendo
noun
1. een persoon die of bedrijf dat boeken of andere publicaties in omloop brengt
editor
verb
2. door graven grond geheel verwijderen tot de gewenste ruimte ontstaat
effodiō
noun
- 1. het dusdanig weinig voedsel laten nuttigen dat dit op den duur verhongering tot gevolg heeft, meestal doelbewust
- 2. het uitgehongerd/verhongerd zijn
inēdia
verb
1. uit een aantal mogelijkheden één of meer selecteren
deligere
/
œytkopə(n)/
verb
- 1. door geld afkopen, iemand geld betalen om daardoor bepaalde rechten te verwerven of...
- 1. zich vrijkopen, afkopen
redimere
/
ˈœʏ̯tlat/, /
ˈœːtlaːt/
noun
1. een opening waardoor iets als afvalproducten naar buiten kan treden
emissarium
/
'ʌʏt.no.də.ɣə(n)/
verb
1. iemand verzoeken iets bij te wonen
invito
noun
1. een verzoek om iets bij te wonen
invitatio
noun
1. de toestand waarin iets of iemand aan het eind van zijn of haar krachten is
dēfatīgātiō
/
ˈœtruːp/, /
ˈœytruːp/
noun
1. wat men uitroept, luid geuite woorden of klanken
exclāmātiō
verb
- 2. uit emotie luid roepen
exclāmō
- 1. officieel verklaren
proclamo
noun
1. benodigdheden voor een taak
armāmentum
/
'œɪtslɑχ/
noun
1. afloop, resultaat
eventus
verb
1. niet langer tot de mogelijkheden rekenen
exclūdō
/
œytspra:k/
noun
1. manier waarop iets ten gehore gebracht wordt
pronuntiatio
enuntiatio
noun
2. kort plezierreisje
excursiō
verb
1. naar een later tijdstip verschuiven
cunctor
/
ˈœytrɛkə(n)/
verb
1. van je lichaam af halen
excalceare
noun
1. persoon die uitvindingen doet
inventor
noun
1. de daad van het uitvinden, het ontdekken van een nieuwe methode of een nieuw toestel
inventio
verb
- 3. software runnen
fungor
- 2. afhandelen, voltrekken, ten uitvoer brengen
perpetrō
adjective
1. zich aan de buitenkant bevindend
exter
noun
2. vaste uitgescheiden afvalstoffen van een mens of dier
excrementum
verb
1. straling uitzenden
ēmittō
/
'œy̆t.sin/
verb
1. een zekere aanblik hebben
do
/
œytsɔndərɪŋ/
noun
1. een geval waarbij men iets niet onder een regel laat vallen
exceptio
pronoun
1. gemeente in het zuiden van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Uccla
/
ʏltɪˈmatʏm/
noun
1. laatste eis
ultimatum
/
ʏnɑˈnim/
adjective
1. met eenheid van stemmen
ūnanimus
/
y.ˈnik/
adjective
1. enige in zijn soort
ūnicus
adjective
1. éénvormig, gelijkvormig
ornatus
adjective
1. alom bekend, vertegenwoordigd of erkend
ūniversālis
/
ynivɛrzitɛɪt/
noun
1. een instelling voor hoger onderwijs, wetenschappelijk onderzoek en dienstverlening
universitas
noun
1. het gehele tijd-ruimtecontinuüm waarin wij bestaan, samen met alle materie en energie
universum
/
ʌnstər/
noun
1. een eenvoudig weegtoestel gebaseerd op een balans met ongelijke armen
statera
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Gruppenbachium Inferius
noun
1. scheikundig element met symbool Uub en atoomnummer 112
ununbium
noun
1. een scheikundig element met het symbool Uuh en het atoomnummer 116
ununhexium
noun
1. een scheikundig element met het symbool Uuo en het atoomnummer 118
ununoctium
noun
1. een scheikundig element met het symbool Uup en het atoomnummer 115
ununpentium
noun
1. een scheikundig element met het symbool Uuq en het atoomnummer 114
ununquadium
noun
1. scheikundig element met symbool U en atoomnummer 92
uranium
noun
1. scheikundig element met symbool U en atoomnummer 92
uranium
noun
1. een lange cilindrische holte die de blaas verbindt met de buitenkant van het lichaam
urethra
noun
1. een vloeistof die bij dieren door de nieren wordt geproduceerd en periodiek wordt geloosd
urina
noun
1. een lange cilindrische holte die de blaas verbindt met de buitenkant van het lichaam
urethra
/
ˌyriˈnɪːrə(n)/
verb
1. het via de blaas lozen van lichamelijke afvalstoffen in de vorm van vloeistof
mingo
noun
1. eerste betekenisomschrijving
urna
/
ˈu.ru.ˌgʋɑɪ̯/, /
ˈu.ru.ˌgβ̞ɑɪ̯/, /
ˈuruˌɡwe/, /
ˌu.ru.ˈɣ<sup>ʊ</sup>ɛɪ̯/
pronoun
1. en 2. land en staat in Zuid-Amerika
Uraquaria
verb
1. toe-eigenen, onrechtmatig in bezit nemen, zich aanmatigen
ūsūrpō
/
ˈytrɛx/, /
ˈytrɛxt/, /
ˈytrɛχt/
pronoun
2. de hoofdstad van de provincie Utrecht
Traiectum ad Rhenum
Traiectum
/
yːr/
noun
1. een eenheid van tijd die bestaat uit 60 minuten
hora
noun
1. een mechaniek dat de tijd bijhoudt of aangeeft
horologium
noun
1. voltooid tegenwoordige tijd
perfectum
/
vaːk/
adverb
1. vele malen
saepe
noun
± onderscheidende vlag van een schip en/of militaire eenheid
vexillum
/
ˈvaːrdəxɦɛːt/, /
ˈvaːrdəxɦɛːɪt/
noun
1. het vermogen om een handeling bekwaam uit te voeren of een probleem juist op te lossen
habilitas
noun
- 3. het varen, het bedrijven van scheepvaart als beroep
navigium
- 1. opgebouwde snelheid
velocitas
noun
1. een aardewerken of glazen kruik, vooral bedoeld voor het in het water zetten van bloemen
vas
/
vakˈsæː/, /
vɑkˈsɛː/
noun
1. uit verzwakte ziekteverwekkers bestaande entstof om afweer op te bouwen
vaccinum
verb
1. een injectie met een vaccin geven
vaccīnō
noun
1. materievrije ruimte
vacuum
noun
1. een mannelijke ouder
pater
noun
1. een land of staat waar iemand geboren en opgegroeid is
patria
/
ˈva.ɣə.ˌvyːr/, /
ˈva.χə.ˌvyːr/
noun
1. een toestand waar de zielen van gestorven personen gereinigd worden.
purgatorium
noun
1. het vrouwelijke geslachtsorgaan
vagina
/
vɑˈkɑn(t)si/
noun
- 1. jaarlijks terugkerende periode waarin leerlingen en personen vrijaf hebben
- 2. reis in een jaarlijks terugkerende periode waarin je vrijaf hebt
cessātiō
noun
1. een man die zijn vak of professie verstaat
artifex
/
vɑɫ/
noun
- 1. omlaag gaan
- 2. ten gevolge van de zwaartekracht naar beneden gaan
- 3. onvrijwillig ergens op terecht komen
casus
/
vɑlk/
noun
1. roofvogel
falco
/
vɑlkə'rɛɪ/
noun
1. africhten van roofvogels
accipitraria
noun
1. een laagte tussen bergen
valles
vallis
verb
1. vrijelijk onder invloed van de zwaartekracht naar de aarde bewegen
cadere
cado
adjective
1. niet echt
fictus
noun
1. bepaald soort vrij algemeen voorkomende plant, Anthemis arvensis
Anthemis arvensis
noun
1. mythologisch ondood wezen
vampyrus
preposition
- 1. geeft bezit aan
- 2. geeft herkomst aan
de
noun
1. scheikundig element met symbool V en atoomnummer 23
vanadium
adverb
1. op deze dag
hodie
noun
1. moedwillige en nodeloze beschadiging of vernietiging van andermans of openbaar eigendom
vandalismus
verb
- 1. te pakken krijgen
- 2. onderscheppen
capiō
/
vɑŋs/, /
vɑŋst/
noun
captūra
adverb
1. de afgelopen ochtend
hodie māne
adverb
1. de afgelopen ochtend
hodie māne
/
va.nu.ˈwa.tu/
pronoun
1. een land in Oceanië, officieel de Republiek Vanuatu
Vanuatu
preposition
1. een plaats aangevend die als oorsprong fungeert
de
preposition
1. door een bepaalde reden
propter
adverb
1. iets dat geen verdere uitleg nodig heeft
quippe
noun
1. een sporenplant
filix
noun
- 2.
porcus
- 1. een tam zwijn, gehouden voor zijn vet en vlees
porcus
sus
noun
- 1. overdekt verblijf voor varkens
- 2. een zeer smerig huis
hara
noun
1. vaatverwijding
vasodilatatio
/
vɑstə'lɑnt/
noun
1. land in verbinding met continentale landmassa
continens
terra continens
verb
1. zich onthouden van voedsel
iēiūnō
noun
1. ronde ton waar allerhande vloeistoffen in opgeslagen worden
cupa
/
vatiˈkanstɑt/, /
vatiˈkaːnstɑd/, /
vatiˈkaːnstɑt/
pronoun
1. land in Europa, het kleinste onafhankelijke land ter wereld, het territorium van de Heilige Stoel.
Civitas Vaticana
verb
1. strijd leveren
bello
/
veː/
noun
1. door de mens om economische redenen gehouden dieren
bestiale
noun
1. iemand die vee steelt
abactor
/
feɪɫ/, /
veːl/
indefiniteCardinalNumeral
1. groot in hoeveelheid
multum
noun
1. een gesloten stelsel lijnsegmenten die samen een plat vlak omsluiten
polygonum
noun
1. bepaald soort zoogdier, Gulo gulo
gulo
/
veːr/, /
vɪːr/
noun
2. mechanische tong of spiraal waarop door buiging spanning gezet kan worden
elater
/
ˈvɪːrtin/
cardinalNumeral
1. het getal 14
quattuordecim
ordinalAdjective
quartus decimus
/
ˈfɪːrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 40
quadraginta
noun
1. buikwind
ventris flatus
verb
1. zonder water schoonmaken met een borstel
tergō
/
ˈvɛilə(n)/
verb
1. verkopen op een openbare verkoping waar een prijs vastgesteld wordt
praeco
adjective
1. niet aan gevaar blootstaand
tutus
noun
1. een situatie waarin een bepaald gevaar niets kan aanrichten
securitas
pronoun
1. orgaan van de Verenigde Naties met als primaire verantwoordelijkheid ...
Consilium securitatis
/
ˈvɛɪ̯.lɪŋ/, /
ˈvɛː.lɪŋ/
noun
1. een plaats waar goederen bij opbod of afslag verkocht worden
auctiō
noun
- 2. afgestroopte huid
cutis
pellis
- 1. dunne laag
folium
/
vɛlt/
noun
- 1. open stuk land
- 2. stuk land voor het bedrijven van een sport
- nog na te kijken
campus
/
ˈvɛltflɛs /
noun
1. een afsluitbare en draagbare fles, meestal uit metaal of plastic vervaardigd, die gebruikt wordt om de drager buitenshuis van vocht te voorzien
laguncula
noun
1. een treffen tussen twee of meer legers
pugna
/
vɛltɔxt/
noun
1. een trektocht van een leger met het doel de vijand te verslaan
expedītiō
/
ˈvɛld.zyː.rɪŋ/, /
ˈvɛɫ.tsyː.rɪŋ/
noun
1. en 2. (bladeren van) de plant Rumex acetosa
rumex
/
vɛlx/, /
vɛlχ/
noun
1. de buitenrand van een wiel waar de band omheen zit
canthus
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Velberga
pronoun
1. een taal die in de Veneto-regio gesproken wordt
Venetiānus
/
/
pronoun
1. provincie in Italië
Venetiae
Venetia
/
ˌvenəzoˈlan/, /
ˌvenəzoˈlaːn/
noun
1. een inwoner van Venezuela
Venetiolanus
/
ˌvenəzyˈweːla/, /
ˌvenəzyˈβ̞ela/, /
ˌvenəzyˈβ̞eːla/
pronoun
1. een land in het noorden van Zuid-Amerika
Venetiola
noun
1. soort naaldboom (Taxus baccata)
taxus
noun
1., 2., 3. of 3. (zaad, bladeren of knol van) plant Foeniculum vulgare
fēnuculum
noun
1. gedroogde zaden van Foeniculum vulgare
Foeniculi Fructus
noun
1. onderneming of bedrijf met meerdere aandeelhouders
societas
noun
1. muuropening om lucht en licht door te laten
fenestra
/
vɛn.ˈtri.kɔɫ/, /
vɛn.ˈtri.kəl/, /
vɛn.ˈtri.kəɫ/
noun
1. elk van twee kamers van het hart
ventriculus
adverb
1. op grote afstand
procul
/
vərˈɑxtə(n)/, /
vərˈɑçtə(n)/
verb
- 2. trotseren
apolactizare
- 1. in hoge mate minachten
contemnō
/
vɛ.ˈrɑf.sxy.wə(n)/
verb
1. afschuw hebben voor
abōminor
verb
- 2. zodanig aan zichzelf werken of zichzelf behandelen dat men anders wordt
cambiō
- 1. zodanig aan iets werken of iets behandelen dat het anders wordt
- 3. anders worden
mutare
noun
1. iets dat anders is geworden
cambiatio
verb
1. armer worden
pauperō
verb
1. iemand van regeringswege dwingen een bepaald gebied te verlaten
ablēgō
/
vər.ˈbɑ.nɪŋ/
noun
1. het verbod opgelegd krijgen naar een bepaalde plaats terug te keren
ablēgātiō
/
vər.ˈbeːɫ.dɪŋ/, /
vər.ˈbɪːɫ.dɪŋ/, /
vɛr.ˈbeːl.dɪŋ(g)/
noun
2. iets visualiseren, ergens een beeld bij maken
opinio
/
vərˈbetərə/
verb
2. van fouten ontdoen
corrigō
/
vər.ˈbe.tə,rɪŋ/
noun
1. een verandering ten goede
melioratio
/
vɛɾ.'bi:.dǝ(n)/
verb
1. een bepaalde handeling strafbaar stellen
interdicere
verb
- 1. twee of meer onderdelen aan elkaar vastmaken
- 2. met iets of iemand contact maken via de telefoonlijn
cōpulō
/
vər.ˈbɪn.dɪŋ/, /
vɛr.ˈbɪn.dɪŋ(g)/
noun
- 1. verbinden of samenvoegen
- 3. communicatie
- 4. vervoer
nexus
noun
2. twee-personen-verhouding waarbij de ene tot een prestatie gerechtigd, de andere tot dezelfde verplicht is
obligatio
verb
1. alle kleur verliezen
pallescere
/
vərˈbɔt/
noun
1. strafmaatregel
prohibitio
adjective
1.onzichtbaar gemaakt
abditus
verb
1. verteerd worden door vuur of hitte
cremō
noun
2. de totale verbruikte hoeveelheid
absūmēdō
/
vər.ˈbœʏ̯.χɪŋ/, /
vər.ˈbœː.ɣɪŋ/
noun
1. naamwoordsflexie
declinatio
verb
1. beschermen tegen een aanval
defendere
verb
1. in kleinere stukken uiteendoen
dīvidō
/
vər.ˈdɛŋ.kɪŋ/
noun
1. het vermoeden van het uitvoeren van een (strafbaar) feit
suspīciō
verb
- 1. het recht op een beloning of bestraffing verwerven
- 2. geld verkrijgen door arbeid of een andere prestatie
mereō
noun
2. goede, opbouwende daad
meritum
noun
1. bereidheid om te aanvaarden dat anderen zich gedragen op een manier die je niet goed vindt
tolerantia
verb
1. bestand zijn tegen
habeo
noun
1. een gevoel van droefheid
lucto
adjective
1. in sombere stemming
ater
verb
1.uit het land verjagen
exigō
verb
- 1. in het water omkomen
- 2. in het water doen omkomen
- 3. door drinken van alcohol doen verdwijnen
mergō
verb
- 1. donkerder maken
obscuro
- 2. iets (m.n. geld) ontvreemden/stelen
pecūlor
/
vər.ˈdœʏ̯.stə.rɪŋ/, /
vər.ˈdœː.stə.rɪŋ/, /
vɛr.ˈdœːs.tə.rɪŋ(g)/
noun
eclipsis
verb
2. door toevoeging van oplosmiddel de concentratie verlagen
diluere
/
vərˈdʋɛɪnə(n)/
verb
- 3. uit het zicht gaan
abolescō
- 1. wegraken
aborior
noun
1. het verdwijnen
abitus
/
vərenˈvʌʊdəχtʃiˌnes/, /
vərenˈvʌːdəxtʃiˌnes/
phraseologicalUnit
1. het schrift waarmee het Chinees met name op het vasteland van China geschreven wordt
lingua sinica simplificata
/
vəˈrenəχt ˈkonɪŋkˌrɛɪ̯k/, /
vəˈreːnəxt ˈkoːnɪŋkˌrɛːk/, /
vəˈreːnɪx ˈkoːnɪŋkˌrɛɪ̯k/
pronoun
Britanniarum regnum
Regnum Unitum
/
vɛrenəɣdə arabisə emiratən/
pronoun
land in het Midden-Oosten, officieel de Verenigde Arabische Emiraten, vaak afgekord tot V.A.E.
Emiratus Arabici Coniuncti
Emiratus Arabici Uniti
pronoun
1. een land dat een groot deel van het Noord-Amerikaanse continent beslaat en opgedeeld is in vijftig staten
Civitates Americae Unitae
/
və.ˌre.nəx.də.ˈsta.tə(n).vɑn.ɑ.ˈmeː.ri.ka/, /
və.ˌreɪ̯.nəχ.də.ˌsta.tə(n).vɑn.ɑ.ˈmɪː.ri.ka/, /
vɛ.ˌʁe.nɪx.də.ˈsta.tə(n).va.na.ˈmeː.ʁi.ka/
pronoun
1. een land dat een groot deel van het Noord-Amerikaanse continent beslaat en opgedeeld is in vijftig staten
Civitates Americae Unitae
verb
1. afzonderlijke delen tot één geheel maken
aduno
/
və.ˈre.nə.ɣɪŋ/, /
və.ˈre.nə.χɪŋ/, /
vər.ˈe.ni.ɣɪŋ(g)/
noun
1. groepering van mensen die op een bepaald doel gericht is
consortium
verb
1. tot onderwerp van aanbidding hebben, eer bewijzen
veneror
verb
1. erger worden of maken
aggravo
/
vɛrf/
noun
1. de algemene benaming voor een product dat bedoeld is om voorwerpen te beschermen...
pigmentum
verb
1. mooier maken
pulchresco
noun
1. het slecht kunnen onthouden; de neiging hebben zaken snel te vergeten
immemoratio
verb
1. geel worden door veroudering of invloed van de omgeving
flavesco
verb
1. de overeenkomsten en verschillen van twee zaken in beschouwing nemen
comparare
noun
1. de vorm die een bijvoeglijk naamwoord aanneemt als het in een vergelijking gebruikt wordt
comparativus
/
vɛrɣə'lɛɪkɪŋ/
abbreviation
- 2. wiskundige uitdrukking
aequatio
- 1. relatie tussen twee zaken
comparātiō
noun
1. het geel worden, m.n. door veroudering
flāvēscēntia
verb
1. uit het geheugen verloren gaan
oblivisci
verb
1. vergiffenis schenken
condōnō
/
vərˈxevənsxəzɪnt/
adjective
1. klaar om anderen te vergeven
clemens
noun
1. het iemand niet kwalijk nemen van iets; het kwijtschelden van een schuld
remissio
verb
1. met iemand meegaan
comitō
/
vərˈxit/
noun
1. teiltje met gaten
cōlum
/
vərˈɣɪf/
noun
1. iets dat levende wezens schaadt
venenum
toxicum
noun
1. het iemand niet kwalijk nemen van iets; het kwijtschelden van een schuld
remissio
verb
1. blootstellen aan een voor het lichaam schadelijke vreemde stof
venēnō
/
vər.ˈɣɪ.sɪŋ/, /
vər.ˈχɪ.sɪŋ/, /
vɛr.ˈɣɪ.sɪŋ(g)/
noun
1. iets doen dat niet juist is, of een verkeerde conclusie trekken
error
verb
1.iemands iets onoorbaars of onzedigs aandoen
assultō
verb
1. groter doen worden
grandiō
/
vərˈɣrotəndə trɑp/
noun
1. de vorm die het bijvoeglijk naamwoord aanneemt in vergelijkingen
gradus comparativus
noun
1. een toename in grootte
prōlātiō
verb
1. een voorwerp bedekken met een dun laagje goud
aurō
noun
1. een officiële (noodzakelijke) toestemming om een bepaalde activiteit uit te voeren
licentia
verb
- naar fysiek of geestelijk niveau brengen
- (vrijmetselarij)
levare
verb
1. zich ~: blijdschap ervaren
gaudeō
verb
1. voorkomen, ervoor zorgen dat iets niet gebeurt
antevenire
verb
- 1. van woonplaats veranderen
- 2. de inboedel van een ander overbrengen
migrō
/
vərˈhœʏzɪŋ/, /
vərˈhœːzɪŋ/
noun
1. de verwisseling van één (semi-) permanente woonplaats voor een andere
migratio
noun
1. de dag waarop iemand viert dat hij of zij geboren werd
diēs nātālis
verb
1. jonger maken
repubesco
/
vər'jɔŋɪŋ/
noun
2. vernieuwen van de (levens)krachten
reiuvenatio
noun
1. het geheel van verplaatsingen waarbij goederen of personen vervoerd worden
transitus
noun
1. een installatie die middels gekleurde lichten het verkeer op een kruispunt regelt
semaphorum
/
vər'kislək/
adjective
1.
potior
verb
1. iemand door een stemming een ambt doen toekomen
dīligō
/
vər.ˈki.zɪŋ/, /
vɛr.ˈki.zɪŋ(g)/
noun
1. het kiezen door middel van stemming
creatio
/
vɛrˈklarə(n)/
verb
- 1. duidelijk maken
describere
- 2. een officieel standpunt uitspreken
dico
/
vər.ˈkla.rɪŋ/, /
vɛr.ˈkla.rɪŋ(g)/
noun
4. schriftelijk stuk
fatum
/
vərˈklɛɪ̯nʋɔːrt/
noun
1. woord waardoor iets als klein of weinig wordt voorgesteld
deminutio
noun
1. het verkopen (voor geld aan een ander geven)
venditio
/
vərˈkopə(n)/
verb
1. goederen tegen betaling aan een nieuwe eigenaar geven
vendō
noun
1. iemand die goederen of diensten verkoopt
institor
/
vər.ˈkɔr.tɪŋ/, /
vɛr.ˈkɔr.tɪŋ/
noun
abbreviātiō
verb
- 1. iemand met geweld tot seksueel verkeer dwingen
- 2. op grove wijze schenden
constupro
noun
1. een seksuele daad onder dwang
illata pudicitiae
verb
1. in bezit krijgen, verwerven
assequor
/
vərˈlaxə(n)/
verb
1. op een lager peil brengen
discedo
noun
1. toestand waarin men niet is staat is zich te bewegen
paralysis
noun
1. iets willen hebben
voluntas
verb
1. iets erg graag willen hebben
cupio
verb
- 1. weggaan
- 5. zich laten gaan
dimitto
- 2. in de steek laten
dēscīscō
- 3. onverzorgd achterlaten
relinquere
verb
1. tot kwaad brengen
tentō
/
vər.ˈlɛɪ̯.dɪŋ/, /
vər.ˈlɛː.dɪŋ/, /
vɛr.ˈlɛɪ̯.dɪŋ/
noun
1. het verleiden van iets of iemand
inlectamentum
/
vərlenə(n)/
verb
1. iemand begunstigen met iets, iemand iets toestaan
dono
/
vərˈlɛŋə(n)/
verb
2. langer laten duren
prōrogō
noun
1. het teloorgaan, kwijtraken
amissio
verb
1. iemand liefhebben; houden van iemand
amorem ardeo
verb
- 1. iets kwijt raken
amitto
- 2. niet winnen
āmittere
noun
1. iets wat heel aantrekkelijk is, maar verkeerd en zondig is
temptātiō
noun
1. iemand die toegezegd heeft met een partner in het huwelijk te willen treden
fidentiatus
/
vərˈloːrə(n)/
adjective
1-5.
perditus
verb
1. daadwerkelijk of overdrachtelijk van ketenen bevrijden
libero
/
vər.ˈlɔ.sɪŋ/, /
vɛr.ˈlɔ.sɪŋ/
noun
1. de bevrijding van de gevolgen van de zonden van de mens door het geloof in Jesus
conservatio
verb
1.aan lichaamsgewicht verliezen
mācrēscō
verb
1. iemand prettig en leuk bezighouden
oblectare
verb
1. een feit noemen in een verhaal of tekst
memorō
verb
1. het herhaald optellen van een getal; een rekenkundige bewerking waarvan de uitkomst het product wordt genoemd
multiplicō
/
vər.ˌme.nəx.ˈvʏɫ.də.ɣɪŋ/, /
vər.ˌme.nəχ.ˈvʏɫ.də.χɪŋ/, /
vɛr.ˌme.nɪx.ˈvʏl.di.ɣɪŋ(g)/
noun
1 .een vermeerdering tot een veelvoud van het oorspronkelijke aantal
multiplicatio
adjective
1. van iets dat het niet noodzakelijk is en dat het voorkomen kan worden
evitabilis
/
vərˈmɛi̯də(n)/
verb
1. trachten te ontwijken
vitare
adjective
2. in een tint rood met RAL-nummer 2002
miniānus
noun
- 2. naar oranje zwemende dieprode kleur
- 3. tint rood met RAL-nummer 2002
miniānus
verb
1. iemands lichaam blijvend en misvormend letsel toebrengen
discerpō
noun
1. een waarschijnlijke waarheid
opinatio
/
vərˈmoχə(n)/
noun
2. de kwaliteiten om iets te kunnen doen
potentia
verb
- 1. zich op onherkenbare wijze uitdossen
- 2. iemand op herkenbare wijze uitdossen
dissimulō
verb
1. gewelddadig van het leven beroven
assassīnō
noun
1. versterkte wijn, op smaak gebracht met aromatische planten en kruiden
absinthium
verb
1. iemand zo behandelen dat hij zich minderwaardig voelt
humiliō
verb
1. een einde maken aan, het bestaan uitwissen van, volledig tenietdoen
delere
noun
1. einde maken aan het bestaan van iets
annihilatio
verb
1. een bepaalde aanname maken
adscisco
adverb
1. gevoelens koesterend dat men te na gekomen is
indignans
verb
1. in een rechtszaak een oordeel uitspreken
condemnare
verb
1. de oorzaak zijn van
creō
verb
1. dwingend voorschrijven
imperō
/
vərˈʌʊdərə(n)/
verb
1. ouder worden
senescō
/
vərovərə(n)/
verb
1. een gebied door een militaire operatie in zijn macht nemen
debello
noun
- 1. iemand die beroepshalve patiënten verpleegt
- 2. een deskundige in de verpleegkunde
infirmarius
verb
1. tot regel maken dat iets moet
obligare
/
vər.ˈplɪx.tɪŋ/, /
vər.ˈplɪχ.tɪŋ/, /
vɛr.ˈplɪx.tɪŋ(g)/
noun
1. iets dat moet
obligātiō
/
vəˈraːt/
noun
1. het schenden van trouw
proditio
verb
2. een geheim prijsgeven
dēferō
noun
1. iemand die verraad pleegt
prōditor
/
və.ˈra.sɪŋ/, /
və.ˈrɑ.sɪŋ/, /
vɛ.ˈrɑ.sɪŋ(g)/
noun
1. een geheel onverwachte gebeurtenis
inopīnātum
/
ˈvɛrəˌkɛːkər/, /
ˈvɛrəˌkɛːɪkər/
noun
1. een optisch instrument om voorwerpen op grote afstand te kunnen waarnemen door het vergrotend effect van het instrument
telescopium
verb
1. rijker maken
divito
verb
1. in beweging komen
movere
adjective
2. niet ingeblikt, niet diepgevroren
mustus
noun
- 1. militaire versterking
- 2. reling van een schip
arx
/
vər'sxɛɪnə(n)/
verb
- 1. aan het licht treden, zichtbaar worden
- 3. voor het gerecht verschijnen
appareo
/
vɛrsxɛɪnsəɫ/
noun
1. iets dat zich voordoet
phaenomenon
noun
1. een aspect dat bij vergelijking anders is
differentia
adverb
1. zo erg dat men er van schrikt
dīrus
verb
1. het verbranden van materiaal zonder aanwezigheid van vuur
ūrō
verb
1. door uitdroging rimpelig en klein worden
marceō
verb
- 1. het proces van in contact met de grond zich voortbewegen
- 2. iets in contact met de grond doen voortbewegen
- 3. naar een andere datum of tijdstip verplaatsen
movere
/
vɛrˈsi:rə(n)/
verb
- 1. iets meer aantrekkelijk of mooier maken
adorno
- 3.
seducere
verb
1. makkelijker maken; eenvoudiger maken
simplificor
noun
1.iemand die verslaafd is aan iets
dēpendēns
verb
1. een definitieve overwinning boeken op een tegenstander
vincō
/
vərˈslɑx/
noun
1. bericht over een gebeurtenis of toestand
auditio
verb
1. slechter worden
deterioror
verb
1. door veelvuldig gebruik onbruikbaar worden of maken
fatīgō
verb
1. een grotere snelheid (doen) bereiken
accelerō
noun
- 1. toename van het tempo
- 2. tweede tijdsafgeleide van de positie
acceleratio
/
vər.ˈstaːn/
verb
1. begrijpen van een uiting
intelligere
noun
- 2. denkkracht, denkvermogen (met betrekking tot het brein)
- te controlerende vertalingen
mens
noun
1. elk der vier achterste kiezen van boven- en onderkaak die pas later opkomen (als mensen tot de jaren des verstands zijn gekomen)
dēns sapientiae
verb
2. anders stellen
accommodō
verb
- 1. sterker maken
- 2. het aantal vergroten
corrōborō
/
vərˈstorə(n)/
verb
1. uit de concentratie brengen, onderbreken wat men aan het doen is
turbō
verb
1. niet langer in de omgeving dulden
infitior
verb
1. ter beschikking stellen
dare
noun
- 1. amusement
- 2. verspreiding over een groter gebied dan oorspronkelijk het geval was
dispersus
verb
1. omzetten van geschreven of gesproken informatie naar een andere taal
traducere
vertere
/
vərˈtalɪŋ/
noun
1. iets dat vertaald is
traductio
noun
1. iemand die de plaats van een ander inneemt
repraesentātīva
verb
1. een al of niet ware gebeurtenis verhalen
narrō
verb
1. voedsel afbreken
digero
/
vər.ˈtra.ɣɪŋ/, /
vər.ˈtra.χɪŋ/, /
vɛr.ˈtra.ɣɪŋ(g)/
noun
1. het langzamer gaan
mora
noun
2. de actie van het vertrekken of weggaan
abitio
verb
1. iemand hoop, vertrouwen en troost geven bij moeilijkheden
alloquor
noun
1. het geloof in betrouwbaarheid van een persoon
fides
noun
1 verslechteren
cariēs
/
vər'vɑŋə(n)/
verb
1. het ene de plaats doen innemen van het andere
repono
verb
1. met verf bestrijken
colorare
verb
1. iets viermaal zo groot maken
quadruplicō
/
vər.ˈvu.ɣɪŋ/, /
vər.ˈvu.χɪŋ/, /
vɛr.ˈvu.ɣɪŋ(g)/
noun
1. werkwoordsflexie
coniugātiō
noun
1. voorwerp bestemd om personen of goederen naar een andere plaats te brengen
vehiculum
/
vər'vɔlɣən/
verb
2. niet rusten voor iemand bestraft of geweld aangedaan is
persequi
verb
1. vreemd maken, van eigenaar doen wisselen
abaliēnō
noun
2. overdracht van het eigendom
alienatio
verb
1. het (doen) uitkomen van een voorspelling of belofte
pleō
verb
1. iets niet de benodigde verzorging schenken
neglegō
verb
1. ergens van uitgaan
expecto
adjective
- 1. geparenteerd, familie zijnd
- 2. op een of andere wijze gerelateerd
propinquus
noun
2. overeenkomst, affiniteit
necessitudo
/
vər.ˈʋɑr.mɪŋ/, /
vər.ˈβ̞ɑr.mɪŋ/, /
vɛr.ˈwɑr.mɪŋ(g)/
noun
- 2. een installatie die voor het verwarmen zorgt
- 1. het proces van verwarmen
calefactio
/
vər.ˈʋɑ.rɪŋ/, /
vər.ˈβ̞ɑ.rɪŋ/, /
vɛr.ˈwɑ.rɪŋ(g)/
noun
1. een verwarde toestand
tumultus
noun
1.iemand die de biologische vader van iemand is
genitor
/
vər'ʋɛlkomə(n)/
verb
1. iemand begroeten en welkom heten
adventu festum ago
noun
1. vloek of belediging
exsecratio
noun
1. het verkrijgen van iets
acquīsītiō
/
vərˈwɛɪ̯dərə(n)/, /
vərˈʋɛɪ̯dərə(n)/, /
vərˈβ̞ɛːdərə(n)/
verb
1. weghalen
adimō
noun
1. het verwijderen
ablatio
/
vər'wɛift/
adjective
1.
perfluus
verb
1. op een verwarrende, vervelende wijze bij een zaak betrokken zijn
illaqueō
verb
1. twee zaken elkaars plaats in doen nemen
fallo
verb
1. totaal vernielen
delere
verb
1. lichamelijk letsel veroorzaken
sauciō
noun
1. lichamelijk letsel
vulnus
verb
1. minder erg maken
molliō
verb
1. bijeenbrengen
colligere
/
vər.ˈza.mə.lɪŋ/, /
vɛr.ˈza.mə.lɪŋ(g)/
noun
- 2. wiskundige verzameling
collectum
- 1. meerdere voorwerpen...
collēctus
noun
2. elke vorm van verstrooiing die iemand wat afleiding bezorgt, bijvoorbeeld een avondje uit
dispersus
verb
1. aan iemand vragen iets al dan niet te doen
petō
/
vɛrzʋɑkə(n)/
verb
1. zwakker maken
labefacto
verb
1. een gewricht (meestal de enkel) door een ongeluk te ver buigen zodat het beschadigd raakt
extorquere
verb
3. er gaan wonen
sedeo
adjective
1. dik, vet inhoudend
obesus
noun
2. gespecialiseerd dierlijk weefsel
adeps
noun
- 1. een voormalig militair die gevochten heeft, een uitgediend krijgsman
- 2. een ervaren en oud persoon in een bepaald onderwerpgebied, zoals een sporter, geleerde, etc.
ēmeritus
verb
1. een dier/persoon overvloedig en calorierijk voedsel aanbieden zodat deze in gewicht aankomt
farciō
/
ˈvɛtzyr/
noun
1. een keten van ten minste twee koolstofatomen en een carboxylgroep
acidum adipatum
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Equuleus
noun
1. jong van bepaalde hoefdieren als het paard, de ezel, de kameel en de zebra
equulus
noun
1. een vezel is een lang, dun filament waarvan de lengte ten minste drie keer groter is dan de doorsnede
fibra
/
viːr/
noun
1. het getal tussen de drie en de vijf
quattuor
/
ˈviːrdə/
ordinalAdjective
1. nummer vier in een rij
quartus
verb
1. een feest vieren
celebrare
cardinalNumeral
1. het getal 34
triginta quattuor
cardinalNumeral
1. het getal 84
octoginta quattuor
cardinalNumeral
1. het getal 24
vigintiquattuor
cardinalNumeral
1. het getal 44
quadraginta quattuor
cardinalNumeral
1. het getal 54
quinquaginta quattuor
cardinalNumeral
1. het getal 64
sexaginta quattuor
/
ˈvirənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 74
septuaginta quattuor
noun
1. een geometrische tweedimensionale vorm, bestaande uit vier hoeken en derhalve ook vier zijden
quadrangulum
/
ˈviːrˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 400
quadringentī
noun
1. geometrische tweedimensionale vorm, bestaande uit 4 gelijke hoeken van 90 graden en 4 zijden met gelijke lengte
quadratum
adjective
1. van een dier of voorwerp dat het vier voeten heeft
quadrupēs
pronoun
Quattuor Regionum Lacus
adjective
1. smerig
impuratus
pronoun
1. de officiële taal van Vietnam
Annamiticus
noun
1. iemand met wie men op voet van oorlog leeft
hostis
inimicus
adjective
1. van de vijand
hostis
adjective
1. zich als een vijand gedragend
alienus
noun
1. het vijandig zijn
hostilitas
noun
1. een toestand van op voet van oorlog zijn
inimicitia
/
vɛi̯f/
cardinalNumeral
1. het getal 5
quinque
quīnque
/
ˈvɛɪ̯f.də/, /
ˈvɛɪ̯v.də/, /
ˈvɛːv.də/
ordinalAdjective
1. nummer vijf in een rij
quintus
cardinalNumeral
1. het getal 35
trigintaquinque
ordinalAdjective
1. nummer vijfendertig in een rij
tricesimus quintus
cardinalNumeral
1. het getal 95
nonaginta quinque
cardinalNumeral
1. het getal 85
octoginta quinque
cardinalNumeral
1. het getal 25
vigintiquinque
cardinalNumeral
1. het getal 45
quadraginta quinque
cardinalNumeral
1. het getal 55
quinquaginta quinque
cardinalNumeral
1. het getal 65
sexaginta quinque
/
ˈvɛifənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 75
septuaginta quinque
noun
1. een geometrische tweedimensionale vorm, bestaande uit vijf hoeken en derhalve ook vijf zijden
pentagonum
/
ˈvɛi̯fˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 500
quingenti
/
ˈvɛi ̯ftin/
cardinalNumeral
15
quindecim
ordinalAdjective
quintus decimus
/
ˈfɛi̯ftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 50
quinquaginta
noun
1. vrucht van de vijgenboom
ficus
noun
1. een werktuig met een ruw, gegroefd of gekerfd oppervlak dat het mogelijk maakt dunne lagen van een voorwerp te verwijderen
lima
noun
1. tamelijk klein door de mens aangelegd water
piscīna
noun
A 1. een vat waarin met een stamper stoffen fijngestampt kunnen worden
mortarium
/
ˈvikɪŋ/
noun
1. Scandinavische krijger, behorend tot de noordelijke tak van de Germanen
vikingus
noun
1. een groot en vrijstaand huis
villa
pronoun
1.
Santiacum
Santicum
Villacum
noun
door langdurig bewerken verdichte wol
coactum
/
vɪn/
noun
1. uitstekend lichaamsdeel van vissen en andere aquatische dieren
penna
pinna
/
'vɪndə(n)/
verb
1. iets aantreffen nadat ernaar gezocht is
invenire
invenio
noun
1. de mate waarin iemand goed is in het vinden van nieuwe oplossingen
ingeniositas
noun
1. extremiteiten van de hand
digitus
noun
1. dun, doorzichtig plaatje van harde keratine op de bovenkant van elk van de vijf uitsteeksels van de hand
unguis
noun
1. (kleur) een kleur tussen blauw en ultraviolet, met een golflengte tussen de 430 en 380 nm
ianthinus
noun
1. musicus die een viool bespeelt
violinistus
noun
1. strijkinstrument
violinum
noun
1. benaming voor planten uit het geslacht Viola
viola
/
ˈvʏːrcuwəlriˌjɛləti/
noun
realitas virtualis
noun
- 1. Pisces, gewerveld dier met kieuwen, levend in water
- 2. het vlees van een vis
piscis
noun
1. Pandion haliaetus, een vooral visetende roofvogel die de enige soort uit de familie Pandionidae is
haliaeetus
noun
1. stroperigheid van een vloeistof of gas
viscositas
noun
1. een droombeeld
somnium
noun
1. vloeibare substantie gemaakt van vergiste vis
allēc
pronoun
2. teken van de dierenriem, traditioneel behorend bij geboortedata van ongeveer 19 februari tot 21 maart
Pisces
noun
1. iemand die beroepsmatig vist
piscātor
/
vizyʋel/
adjective
1. betreffende het zicht, betreffende het zienbare
visualis
noun
- 2. klep aan een hoofddeksel
buccula
- 1. minister of hoog staatsdienaar
vezirus
pronoun
1. Belgische provincie
Brabantia Flandrica
noun
1. bepaald soort kraaiachtige vogel, Garrulus glandarius
Garrulus glandarius
pronoun
1. de noordelijke deelstaat van België
Flandria
/
vlɑχ/
noun
1. lap stof met een vast patroon van kleuren die gevoerd wordt als symbool van een organisatie, beweging of natie
vexillum
noun
1. een slinger van vlaggen
anquina
/
vlɑk/
adjective
1. zonder bergen of dalen
plānus
noun
stuk rubber dat door wrijven potloodschrift van papier kan verwijderen
cummis deletilis
noun
1. gebied met weinig of geen hoogteverschillen
plānitiēs
noun
1. kleinste vorm van vuur
flamma
/
ˈvlɛx.tə(n)/, /
ˈvlɛχ.tə(n)/
verb
1. in elkaar strengelen
plectere
noun
1. klein vliegend zoogdier
vespertilio
noun
- 2. spierweefsel van dieren dat opgegeten kan worden als onderdeel van de voeding
carnis
caro
- 1. spierweefsel van bepaalde organen
caro
carnis
adjective
1. van een dier of mens dat het vlees eet
carnivorus
noun
1. een vleesetend dier
carnivora
noun
1. dorswerktuig
pertica trituaria
verb
1. (onoprechte) complimenten geven, meestal om bij iemand in de gunst te komen
adulari
noun
1. een vieze plek
macula
noun
- 1. lichaamsdeel van bepaalde diersoorten
- 2. onderdeel van een vliegtuig
- 5. een deel van een leger
ala
noun
1.iemand die bevelen van een hoger geplaatst persoon overbrengt
optiō
/
'vlidə(n)/
verb
2. formeel: snel weg trachten te komen, vluchten
aufugio
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Musca
/
vlix/, /
vliχ/
noun
1. tweevleugelig insect
musca
noun
1. groot vaartuig dat is ingericht voor het opstijgen, landen, vervoer en onderhoud van meerdere vliegtuigen
navis aëroplanigera
/
ˈvli.ɣə(n)/, /
ˈvli.χə(n)/
verb
1. zich door de lucht voortbewegen
volare
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Volans
/
ˈvlixtœːx/, /
ˈvliχtœʏχ/
noun
1. vervoermiddel dat speciaal ontworpen is voor het reizen door de lucht
aeroplanum
/
ˈvlixfɛɫt/
noun
1. een terrein waar vliegtuigen kunnen landen en opstijgen
aeroportus
/
'vlirbɛs/
noun
1. bessen van de gewone vlier
sabūcum
noun
1. benaming voor nectar etende insecten uit de orde Lepidoptera
papilio
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Siphonaptera
pulex
noun
1. verhoging van de waterstand
fluctus
adjective
1. in staat te vloeien, gezegd van de aggregatietoestand van stoffen die niet vast en niet gasvormig zijn
fluens
/
ˈvlujə(n)/
verb
1. zacht stromen
fluere
adjective
2. zonder haperingen een taal kunnen spreken
fluens
noun
1. een stof in die aggregatietoestand waarin het geen eigen vorm heeft, maar wel een eigen volume
liquor
noun
1. bewust uitgesproken wens om iemand kwaad of leed aan te doen
exsecratio
verb
1. uitroepen van vloekwoorden, beledigende taal gebruiken
exsecror
noun
1. een samenhangend hoopje van sneeuw of andere lichte stof
floccus
/
vloːt/
noun
1. bij elkaar horende schepen
classis
noun
1. een drijvende constructie
ratis
trabica
noun
1. het zich door luchtruim bewegen
volatus
/
'vlɵxtəlɪŋ/
noun
1.
profugus
/
vlɵxtə(n)/
verb
1. (onovergankelijk) trachten te ontkomen aan dreigend gevaar
fugere
/
vlɵx/
adjective
1. met hoge snelheid
rapidus
noun
1. de vijfde naamval waarin een naamwoord staat dat aanduidt tot wie het woord wordt gericht
vocātīvus
noun
1. de mate van vocht
mador
verb
1. van voedsel voorzien
alere
/
ˈvu.dɪŋ(g)/, /
ˈvu.dɪŋ/
noun
1. voedsel
alimonia
noun
1. alles wat een organisme tot zich neemt om het metabolisme in werking te houden
alimentum
/
ˈvuxʋoːrt/
noun
conjunctio
verb
1. gewaarworden door aanraking, meestal met betrekking tot temperatuur of druk
sentiō
pronoun
1. rivier in Limburg
Fura
/
vur/
noun
1. voedsel, inzonderlijk voor huisdieren en vee
pabulum
verb
3. dieren te eten geven
alō
pronoun
sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Auriga
/
ˈvuːrtœx/, /
ˈvuːrtœyx/
noun
1. vervoermiddel over land
vehiculum
noun
- 3. oude lengtemaat
pes
- 1. voortzetting van het been beneden de enkel
pes
pēs
noun
1. een wapen met vier of meer punten waarvan er altijd een naar boven staat
mūrex
/
ˈvut.bɑɫ/
noun
1. een balsport waarbij twee teams van 11 spelers met hun voeten (of hoofd) een bal in het doel van de tegenstander proberen te krijgen
pediludium
pedifollis
noun
1. iemand die zich te voet door het verkeer verplaatst
pedes
/
'vutpɑt/
noun
1. een pad voor voetgangers
sēmita
noun
1. een onderstel voor o.a. beelden en vazen
basis
noun
1. de onderzijde van de voet
planta
/
ˈvoːɣəl/, /
ˈvoχɔɫ/
noun
1. een gewerveld dier (Aves) met twee vleugels, twee poten, een snavel en veren...
avis
ales
noun
1. enige zoogdier met een snavel, Ornithorhynchus anatinus
ornithorhynchus
noun
1. manshoge pop
terrīculum
pronoun
1. gebergte
Vosegus
/
vɔl/, /
vɔɫ/
adjective
1. geheel gevuld
plenus
pronoun
1. een kunstmatige taal die in 1880 door Johann Martin Schleyer gemaakt werd
Volapük
verb
1. geheel uitvoeren
patrō
adjective
1. niet langer geplaagd door gevoelens van behoefte of verlangen
satiātus
indefinitePronoun
1. toereikend, genoeg
satis
/
vɔl.ˈdu.nɪŋ(g)/, /
vɔɫ.ˈdu.nɪŋ/
noun
1. tevredenheid
fructus
/
'vɔlɣəlɪŋ/
noun
1. iemand die een -vaak godsdienstig- leider volgt
sectātor
/
'vɔlxə(n)/
verb
1. achterna gaan
sequi
adjective
1. dat later komt
sequens
preposition
1. geeft een bron aan voor de gegeven redenering
in
secundo
/
vɔlk/
noun
- 2. de inwoners van een land
gens
- 4. een aantal mensen
populus
- 1. een groep mensen die een aantal dingen gemeenschappelijk hebben, zoals afstamming, taal, gewoontes of overlevering
populus
gens
pronoun
Confoederatio Nationum
Societas Civitatum
noun
1. internationaal privaat- en publiekrecht
ius gentium
noun
1. lied dat dienst doet als symbool voor een volk of een natie
carmen patrium
noun
1. verhaal dat (ook) mondeling wordt overgedragen
fabula
noun
1. fase of schijngestalte van de maan, waarbij de naar de aarde gekeerde zijde, geheel door de zon wordt verlicht en daardoor zichtbaar is
plenilunium
noun
1. de fase of schijngestalte van de maan, waarbij de naar de aarde gekeerde zijde, geheel door de zon wordt verlicht en daardoor zichtbaar is
plenilunium
noun
1. spel
follis volatilis
/
vɔlˈmaːkt/
adverb
1. zonder enig gebrek
perfectus
noun
1. rechtsbevoegdheid om namens een ander te handelen
auctoritas
verb
1. overvol maken door er nog iets bij te duwen
stīpō
noun
1. het woord dat deel heeft aan het werkwoord en aan het naamwoord en als afgesloten gezien wordt
participium perfectum
verb
1. ten einde brengen
compleō
noun
- 1. ruimtelijke capaciteit
- 3. fysieke informatiedrager
volumen
adjective
1. een leeftijd bereikt hebbend waarop men volgroeid en onafhankelijk kan zijn
adultus
noun
1. iemand die volgroeid is
adultus
noun
1. een tot een volledige zin geordende taaluiting van redelijk grote omvang
sententia
noun
1. een gloeiend korreltje of brokstukje
scintilla
noun
1. een beslissing van een rechter in dagvaardingsprocedures
arbitrium
/
voːxt/
noun
1. belangenbehartiger van minderjarige
tūtor
noun
1. belangenbehartiging van minderjarige
tūtēla
/
vor/
preposition
- 4. eerder in tijd
ante
prae
- 1. dichterbij dan
pro
ante
prae
adjective
1. gezaghebbend
insignis
/
vo:ɾ.ɑl/
adverb
1. voornamelijk
maxime
noun
1. iets ter navolging
exemplum
exemplar
verb
1. handelingen verrichten die een latere gebeurtenis mogelijk moeten maken
parare
/
ˈvor.bə.rɛɪ̯.dɪŋ(g)/, /
ˈvor.bə.rɛː.dɪŋ/, /
ˈvo̝r.bə.rɛɪ̯.dɪŋ/
noun
1. het voorbereiden
apparatus
adjective
1. wat al in het verleden ligt
praeter
/
vorˈbɛɪ̯ɣan/, /
vorˈbɛːɣan/, /
vo̝rˈbɛɪ̯χan/
verb
- 1. langs een bepaald punt gaan.
- 2. tot verleden gaan behoren
praetereo
/
ˈvorbodə/
noun
1. vooruitgestuurde bode (letterlijk)
praenuntius
noun
1. een doorwaadbare plaats in een beek of rivier
vadum
noun
1. doorwaadbare plaats
vadum
noun
- 1. profijt
- 2. aangename eigenschap
- 3. (tennis)
quaestus
/
'voːrdøːr/
noun
1. de hoofddeur aan de voorzijde van een woning
ianua
noun
1. de persoon die voorafgaand aan een zeker persoon dezelfde positie bekleedde
decessor
/
vɔːr.'ɦɑn.də(n)/
adjective
1. beschikbaar, voorradig
in promptu
noun
1. het deel van het gezicht tussen de wenkbrauwen, de normale haarlijn en de slapen
frons
noun
1. een van de beenderen van de schedel
os frontale
noun
1. voorhuid van penis
praeputium
/
'vɔːr.ko.mə(n)/, /
vɔːr.'ko.mə(n)/
verb
- 1. met regelmaat ergens te vinden zijn
evenio
- 1. ervoor zorgen dat iets niet gebeurt
arceō
adjective
1. één voor de laatste
paenultimus
verb
1. hardop een tekst lezen ten aanhoren van anderen
recitō
noun
1. naam die bij de geboorte aan een persoon wordt gegeven, en die aan de familienaam voorafgaat.
praenomen
/
ˈvɔːr.nam.ˌʋɔːrt/
noun
1. een woord dat verwijst naar iets anders zonder ze te noemen
pronomen
verb
1. vooraf voor waar aannemen van een stelling om hiermee tot een conclusie te komen
praesumo
noun
1. iemand van wie afgestammen wordt
avus
noun
1. voorbereidende inleiding
praeludium
verb
1. een uitspraak doen over toekomstige gebeurtenissen
cano
verb
- 2. een beeld geven
condono
- 1. een plan voorleggen
cēnseō
noun
1. signaal dat aan een gebeurtenis voorafgaat
omen
noun
1. het voortzetten van iets
continuitas
noun
1. het proces van technologische en economische groei van een samenleving
prōgressus
noun
1. event, gebeurtenis, incident
prolapsus
noun
1. iemand die ergens een voorstander van is en zich daarvoor actief inzet
praeses
/
ˈvoːrvuxsəɫ/
noun
1. een gebonden morfeem dat voor een ander woord geplaatst wordt om iets aan de betekenis toe te voegen
praefixum
noun
1. een object, iets dat fysiek bestaat
ens
noun
1. een onverbuigbaar woord dat de aard van de relatie tussen verschillende elementen in de zin aangeeft
praepositio
/
vɔːrˈzɪxtəx/
adverb
1. op een oplettende manier
cautus
/
vɔːr.'zin/
verb
1. herkennen als toekomstige ontwikkeling
dīvīnō
verb
1. leiding geven aan een vergadering
praesum
/
'vɔː.rə/
noun
1. ploegsnede
sulcus
indefiniteOrdinalNumeral
1. degene die of datgene dat eerder een positie innam
antiquus
noun
- 2. voorwerp bestaande uit een greep en (meestal 3 of 4) tanden, waarmee vast voedsel wordt gegeten
furca
furcula
- 1. aftakking van een boomtak of van een weg
furca
fuscinula
- 5. (schaak) situatie waarbij één eigen stuk tegelijkertijd twee of meer vijandelijke stukken aanvalt
furcula
noun
1. ruimtelijke begrenzing van een voorwerp
figūra
verb
- 1. in de juiste vorm brengen
- 2. deel uitmaken van, fungeren als bouwsteen van
figūrō
noun
1. een sacrament waardoor een gedoopte de kracht van de Heilige Geest ontvangt om zijn geloof standvastig te kunnen belijden
confirmatio
pronoun
1. gemeente in het zuidwesten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Forestum
/
vɔrst/
noun
2. weersomstandigheden
frigus
noun
1. bepaald zoogdier, Vulpes vulpes
vulpes
vulpecula
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Vulpecula
/
vra:x/, /
vra:χ/
noun
1. een verzoek om inlichting
quaestio
interrogatio
noun
1. een gesprek waarin iemand een aantal vragen beantwoordt
colloquium
/
vrɑxt/, /
vrɑχt/
noun
1. de lading van een vervoermiddel
onus
noun
1. een schip dat uitsluitend bedoeld is voor het vervoer van goederen
onerāria
noun
1. een wagen voor goederenvervoer
autocarrum
/
ˈvraɣə(n)/, /
ˈvraχə(n)/
verb
- 1. mondeling of schriftelijk informatie verzoeken
quaerere
rogo
- 2. mondeling of schriftelijk actie verzoeken
rogare
precari
noun
1. ontbreken van oorlog
pax
/
ˈvre.dəx/, /
ˈvre.dəχ/
adjective
1. onverstoord door geschil of onrust
pācātus
adjective
1. van buiten, niet van hier
alienus
noun
1. iemand die afkomstig is uit een ander gebied of land dan dat waar hij verblijft
barbarus
noun
1. het gevoel dat iets gevaarlijk is of kan zijn
metus
timor
adjective
1. bijzonder erg, schrikwekkend
atrox
verb
1. het nuttigen van voedsel op een meestal onbeleefde wijze
devorare
noun
1. een blij gevoel
laetitia
gaudium
/
ˈvrezə(n)/
verb
1. bang zijn, angst hebben
timere
metuere
noun
1. een persoon met wie je een speciale persoonlijke band hebt
amicus
adjective
1. met het nodige respect
amīcus
noun
2. de vrouwelijke persoon met wie je verkering hebt
amica
noun
1. gelijkwaardige relatie tussen personen die elkaar wederzijds genegen zijn en een vergelijkbare relatie tegelijkertijd ook met anderen kunnen hebben
amicitia
adjective
1. ongebonden, niet in beweging beperkt
liber
noun
1. een dag van de week die na donderdag en voor zaterdag komt
dies Veneris
feria sexta
diēs Veneris
noun
1. een ongehuwde man of vrouw
baccalaureus
/
ˈvrɛi̯ɦɛi̯t/
noun
1. het vrij zijn
libertas
verb
1. door betaling iemands vrijheid verkrijgen
redimere
adjective
1. niet gedwongen
voluntarius
/
ˈvrud.vrɑu/
noun
1. een vrouw die een bevalling begeleidt
obstetrix
adjective
- 1. aan het begin
- 2. eerder dan verwacht
mātūtīnus
/
ˈvruxlaˌtɛin/
pronoun
1. de voorganger van het klassiek Latijn
prīsca Latīnitās
adjective
1. in goede stemming
laetus
noun
1. een aangename stemming waarin men veel lacht, zich goed voelt en het leven optimistisch bekijkt
hilaritas
noun
- 1. een volwassen vrouwelijke mens
femina
mulier
- 2. de vrouwelijke partner in een huwelijk
femina
mulier
uxor
coniux
noun
1. volgroeid vruchtbeginsel
fructus
/
'vrɵɣbar/
adjective
- 2. tot resultaat leidend
ferax
- 1. in staat vrucht af te werpen
fertilis
/
'vrʏxt.bar.ɦɛɪ̯t/, /
'vrʏxt.bar.ɦɛːt/, /
'vrʏɣ.ba.rɛɪ̯d/
noun
1. het vermogen vrucht te dragen
fertilitās
/
vœy̯l/
adjective
1. niet schoon
sordidus
/
vœy̯l/
noun
viezigheid, onreine materie
lutum
noun
1. materiaal dat weggeworpen wordt
quisquiliae
/
'vœylnɪsbɑk/
noun
1. een bak waarin men huisvuil verzamelt
siclus prō quisquiliās
noun
1. gebalde hand
pugnus
adjective
1. betrekking hebbend op de processen die in een vulkaan plaatsvinden
volcanius
noun
1. bepaalde soort vlinder, Vanessa atalanta
vulcanologia
noun
1. de schaamspleet, de ingang tot de vagina
vulva
/
vyːr/
noun
1. lichtverschijnsel bij brand
ignis
focus
pronoun
1. een archipel aan de zuidpunt van Zuid-Amerika
Terra Ignium
noun
1. een hoog lichtbaken aan de kust
pharus
noun
1. een wapen dat een kogel schiet met behulp van een chemische ontploffing
arma ignifera
/
'ʋajə(n)/
verb
1. plaatsvinden van een sterke luchtstroming
flo
noun
1. scherm in halve schijfvorm
flabellum
verb
1. een waaier gebruiken
flābellō
/
ˈʋakɦɔnt/
noun
1. een hond die het huis of een erf bewaakt
canis custos
adverb
1. oplettend
evigilans
noun
1. oplettendheid
vigilantia
pronoun
1. een taal die verwant is aan het Frans en die in Wallonië gesproken wordt
vallonicus
pronoun
1. Belgische provincie
Brabantia Vallonica
noun
1. het lijden aan een geestesstoornis
amentia
dementia
/
ʋar/
adjective
1. correct
vere
/
ʋar/
adverb
1. op welke plaats
ubi
ubinam
/
ʋaːrt/
noun
A 1. baas van een herberg, taveerne of café
caupo
/
ˈʋardəˌlos/
adjective
1. geen waarde hebbend
inūtilis
/
'ʋardəˌvɔl/
adjective
1. een grote waarde hebbend
pretiosus
noun
1. dat wat waar is
veritas
adverb
1. echt, volgens de waarheid
enim
verb
1. iets via de zintuigen in zich opnemen
cernere
noun
- 1. iemand die iets waarneemt
- 3. een persoon die aanwezig is bij een gebeurtenis om de gang van zake in de gaten te houden
contemplātor
noun
1. iets via de zintuigen registreren
animadversiō
/
ʋarˈɔm/
noun
1. door welke oorzaak?
cur
adverb
1. aannemelijk, iets dat vermoedelijk zo is
fortasse
/
ˈʋaːrsxyu̯ə(n)/
verb
1. iemand verwittigen dat er mogelijke gevaren, problemen of gevolgen zijn
monere
/
'ʋaːr.sχy.ʋɪŋ/
noun
1. een mededeling dat er onaangename gevolgen op til zijn
monitum
pronoun
- 1. deelgemeente van de Belgische provincie Henegouwen
- 2. Franse gemeente aan de andere kant van de Leie
Varnetonium
/
ʋɑxt/
noun
1. iemand die tot taak heeft iets te bewaken
excubitor
/
ˈʋɑx.tə(n)/, /
ˈβɑx.tə(n)/
verb
1. op dezelfde plaats of in dezelfde situatie blijven tot iemand komt of iets gebeurt
opperior
/
ˈʋaːɣə(n)/, /
ˈʋaːχə(n)/
noun
2. een auto
carrus
/
ˈwa.kə(n)/, /
ˈʋa.kə(n)/, /
ˈβ̞a.kə(n)/
verb
- 1. opzettelijk wakker zijn
- 4. letten op, beschermen
vigilare
adjective
1. niet in slaap
vigil
pronoun
1. een van de delen van het Verenigd Koninkrijk, gelegen op een groot eiland in het noordwesten van Europa.
Cambria
pronoun
1. een speciale hemel in de Noorse mythologie, voorbehouden voor de gesneuvelden in de strijd
Valhalla
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Turnia ad Limitem
/
ʋɑˈlonɪə/
pronoun
Vallonia
/
wɑlrʌs/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Odobenus rosmarus
Odobenus rosmarus
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Cetus
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de onderorde Cetacea
balaena
ballaena
noun
1. een misdaad, een slechte of gruwelijke handeling
flagitium
noun
1. een van de beenderen van de schedel
os parietale
/
ˈʋɑn.də.lə(n)/, /
ˈβ̞ɑn.də.lə(n)/
verb
1. een wandeling maken
ambulare
/
ˈʋɑn.də.lɪŋ/
noun
1. het lopend afleggen van een bepaalde afstand
iter
noun
1. zijkant van het gezicht onder het oog
bucca
gena
/
ˈʋɑnɦop/
noun
1. een ellendige toestand waarin men geen uitkomst meer ziet
desperatio
verb
1. onvast op de voeten staan, dreigen te vallen
nūtō
/
ʋɑ.ˈneːr/
adverb
1. op welke tijd
quando
ubi
verb
1. graan zuiveren van kaf door het in de wind op te werpen of te laten vallen
ventilare
/
ʋɑnt/
conjunction
1. geeft nevenschikkend een reden aan
nam
verb
1. niet vertrouwen
diffidere
/
ˈʋaːpən/
noun
- 2. een wapenschild
arma
insigne
- 1. een werktuig van geweld
arma
telum
noun
1. een fabriek of werkplaats waar men wapens maakt
officina armorum
noun
1. een overeenkomst met de vijand om de vijandelijkheden op te schorten
treuga
/
ʋɑrṃ/
adjective
Na te kijken en uit te splitsen vertalingen
calidus
caldus
noun
- 1. de mate waarin het weer warm is.
- 2. de hoeveelheid thermische energie.
calor
pronoun
1. hoofdstad van Polen
Varsovia
/
ʋɑs/
noun
1. weke laagsmeltende en waterafstotende stof
cera
noun
1. een toestel om de kleding die uit de wasmachine komt te drogen
machina siccatoria
/
'ʋɑsə(n)/
verb
- 1. iets schoonmaken
lavare
- 2. zichzelf schoonmaken
se lavare
noun
1. een bak waarin men zich of iets wast
labellum
/
ʋɑt/
interrogativePronoun
vragend voornaamwoord
quid
/
ˈʋaːtərən/
verb
- 3. waterachtig vocht afscheiden
- 1. urine uitscheiden
mingo
noun
1. een leidingnetwerk om drinkwater vanuit een waterreservoir naar de verbruiker te vervoeren
aquaeductus
pronoun
1. gemeente en plaats in Waals-Brabant
Waterloum
pronoun
2. teken van de dierenriem van 20 januari tot 19 februari
Aquarius
/
ˈʋaːtərməˌlun/
noun
1. Citrullus vulgaris, een grote vrucht met vochtig en rood vruchtvlees
citrullus
cucumis
noun
2. een molen die door stromend water aangedreven wordt
hydraletes
noun
1. een werktuig dat gebruikt wordt om zeker te stellen dat iets loodrecht op de richting van de zwaartekracht komt te staan
libella
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Hydra
/
ˈʋatərˌstɔf/
noun
1. een chemisch element en een kleurloos niet-metaal
hydrogenium
noun
1. plaats waar stromend water bij een hoogteverschil zijn weg al vallend voortzet
cataracta
noun
1. plaats waar zich informatie bevindt op het internet, aangeduid met een URL
situs interretialis
verb
1. geld wagen op een toekomstige gebeurtenis
faciō sponsiōnem
adjective
2. bekering tot het christelijke geloof
natus denuo
/
wedərˈzɛits/
adjective
mūtuus
noun
1. wedstrijd waarbij het erom gaat een bepaald traject of parcours zo snel mogelijk af te leggen
curriculum
noun
1. een strijd van twee of meer personen om uit te maken wie op een bepaald gebied de beste is
certāmen
/
ˈʋeːdyʋə/
noun
vrouw
vidua
/
'ʋedyʋnar/
noun
man
viduus
noun
- 1. een dunne geweven stof of textiel
- 2. een groep van gelijkaardige lichaamscellen die dezelfde functie in een levend organisme vervullen
textus
noun
1. vrouw die lappen textiel maakt door te weven
textor
pronoun
teken van de dierenriem van 23 september to 23 oktober
Libra
noun
1. een meetinstrument waarmee het gewicht kan worden bepaald
libra
/
wek/, /
ʋek/, /
β̞ek/
adjective
1. slap
mollis
/
wek/, /
ʋek/, /
β̞ek/
noun
1. tijdseenheid van 7 dagen
hebdomas
septimana
noun
1. periode van vrijdagavond tot en met zondagnacht
septimana vergens
/
ˈʋikɛnt/
noun
1. periode van vrijdagavond tot en met zondagnacht
septimana vergens
/
'ʋeldə/
noun
1. omstandigheden van overvloed waar men in leeft
divitiae
noun
1. gevoel van treurnis, verdriet, nostalgie
melancholia
/
weːr/, /
ʋɪːr/, /
β̞eːr/
noun
1. atmosferische gesteldheid
caelum
tempestas
verb
1. een eerdere bewering ontkrachten
redarguō
noun
1. een betoog waarmee men iets weerlegt
refūtātiō
verb
1. stand houden, weerstand bieden aan
agguantare
noun
- 1. een reactie die poogt een bepaalde actie tegen te werken
- 2. de tegenstand die een stroom in een geleider ondervindt
- 3. een elektronica-onderdeel
restitorium
noun
. een mythisch wezen dat bij volle maan van mens in wolf verandert
lupinotuum
adjective
1. waar je een weerzin tegen hebt
taeter
/
ˈʋeshœʏs/
noun
1. een opvanghuis voor wezen
orphanotrophium
/
ˈʋesjɔŋə(n)/
noun
1. een jongen van wie beide ouders overleden zijn
orphanus
/
ʋɛχ/, /
β̞ɛx/
noun
1. smalle strook grond voor het verkeer
via
iter
verb
2. iets brengen naar een andere plaats
deferre
/
ˈʋeχə(n)/, /
β̞eɣə(n)/
verb
- 1. het gewicht/de massa bepalen
- 2. een bepaald gewicht/massa als eigenschap hebben
expendō
/
ˈʋeːɣəns/, /
ˈʋeːχəns/
preposition
1. een reden inleidend
propter
/
ˈwɛ.ɣaːn/, /
ˈʋɛ.χan/
verb
- 3. uit een relatie stappen
abambulo
- 1. zich ergens vandaan begeven
abeo
verb
1. van zijn plaats halen
adimō
verb
1. te midden van andere informatie iets niet insluiten
omittō
verb
2. iemand of iets verlaten (al dan niet lopend)
fugiō
noun
1. kind dat het ouderlijk huis tegen de wil van de ouders verlaar
fugitīvus
verb
1. door geweld van zijn plaats gerukt worden
abrumpere
/
ʋɛɪ/
noun
2. een vloeistof die ontstaat als restproduct bij het kaasmaken
serum
pronoun
1. de grootste rivier van Polen
Vistula
/
'ʋɛɪfələ(n)/
verb
1. in besluiteloosheid niet tot handelen overgaan
vacillō
verb
1. niet voldoen aan een verzoek of opdracht
negare
noun
1. het niet voldoen aan een verzoek of opdracht
negatio
/
'ʋɛɪlɑnt/
noun
1. een stuk grasland in gebruik voor de begrazing door vee
pratum
pronoun
Res Publica Vimariana
/
ˈwɛɪ̯nɪx/, /
ˈʋɛɪ̯nəχ/, /
ˈβ̞ɛːnəx/
noun
- 2. in een klein aantal
- 1. in een kleine hoeveelheid, niet veel
pauci
/
ˈwe.kə(n)/, /
ˈʋe.kə(n)/, /
ˈβ̞e.kə(n)/
verb
1. door langdurig in een vloeistof te leggen zacht, plooibaar of beter wasbaar maken
imbuō
verb
1. wakker maken
excito
noun
1. de kunst om iets goed te kunnen verwoorden
facundia
adjective
1. financieel goed gesitueerd
affluens
/
ʋɛlk/
relativePronoun
qualis
/
ˈʋɛɫkɔm/
interjection
1. begroeting
salve
salvete
/
ʋɛˈlɪxt/
adverb
1. mogelijk, misschien
fortasse
/
wɛlp/
noun
1. jong van hond, wolf, leeuw e.d.
catulus
pronoun
1. een Keltische taal die wordt gesproken in Wales
cambrianus
noun
1. het gemak waarin iets of iemand van richting kan veranderen
agilitās
pronoun
1. de hoofdstad van Oostenrijk
Vindobona
Vienna
verb
1. traanvocht uitscheiden door emotie
flere
noun
1. knokige rand boven het oog, meestal begroeid met haar
supercilium
adjective
1. wat men zou wensen
optābilis
/
ˈweː.ʁəlt/, /
ˈʋɪː.rɔɫt/, /
ˈβ̞eː.rəɫt/
noun
1. de aarde
mundus
pronoun
1. intergouvernementele organisatie die toeziet op de naleving van afspraken over de handel tussen landen
Syndicatus Mercaturae Mundanae
adjective
1. betrekking hebbend op deze wereld, in tegenstelling tot met name het hiernamaals of de kerk
profānus
noun
1. een gewapende strijd tussen een zeer groot aantal landen, met name gebruikt voor de Eerste en de Tweede Wereldoorlog.
bellum mundanum
noun
1. elk van de grootste zeeën van de aarde
ōceanus
/
wɛr(ə)f/
noun
1. een scheepswerf
navalia
/
ʋɛrk/
noun
- 4. dat wat gemaakt is, kunstwerk
opus
- 1. dat wat gedaan moet worden
opus
labor
/
'ʋɛrkələkɦɛɪt/
noun
1. de omstandigheden zoals deze daadwerkelijk bestaan
veritas
/
ʋɛrkən/
verb
1. arbeid verrichten, lichte vorm van zwoegen
laborare
noun
1. een stuk gereedschap om een taak eenvoudiger en/of lichter te maken
implemens
/
ʋɛrkʋɛɩ̭zə/
noun
1. de manier waarop men te werk gaat
via
noun
1. woordsoort die in de eerste plaats een handeling of toestand uitdrukt
verbum
noun
1. bot van de wervelkolom
vertebra
noun
1. een zwart-geel gestreept vliesvleugelig insect
vespa
pronoun
India occidentalis
pronoun
1. Belgische provincie
Flandria Occidentalis
/
ˈʋɛs.tə(n)/
noun
occidens
/
wɛt/
noun
1. een door de overheid opgestelde regel
lex
/
ˈʋeː.tə(n)/
verb
1. ergens kennis van hebben
scio
scire
/
'ʋetənsxɑp/
noun
- 2. georganiseerde activiteit
- 1. het weten van de mens
scientia
noun
1. het geheel aan wetten die in een land gelden
lēgislātiō
/
ˈwɛtələk/
adjective
2. tot de wet behorend
legalis
/
ˈweː.və(n)/, /
ˈʋe.və(n)/
verb
1. draden e.d. dooreenvlechten
texō
noun
1. bepaald soort zoogdier, Mustela nivales
mustel
mustela
/
ˈʋeː.zə(n)/
noun
- 1. individu
animate
- 2. aard
essentia
pronoun
1. een stad in de Belgische provincie Luik
Visetum
noun
1. een sterke drank die uit gerst of uit maïs en rogge gestookt is
vischium
/
wiː/, /
ʋiː/, /
β̞iː/
relativePronoun
1. vragend voornaamwoord
quis
noun
1. een bedje voor een pasgeboren zuigeling, vaak met een hemel van fijn gaas en soms met de mogelijkheid het kind zachtjes heen en weer te bewegen
cunae
noun
1. ronddraaiende schijf
rota
noun
1. in water voorkomende vaatloze, plantachtige organismen
alga
/
ˈʋiː.roːk/
noun
1. gomhars, gebruikt als reukoffer
tus
pronoun
1.
Aquae Mattiacae
Visbada
noun
1. een metalen of houten voorwerp in de vorm van een driehoekig blok met een scherpe hoek van 5 to 20 graden
cuneus
noun
1. een van de beenderen van de schedel
os sphenoidale
adjective
1. vorm van een wig hebbend
cuneatus
/
wɛɪ̯/, /
ʋɛɪ̯/, /
β̞ɛː/
personalPronoun
1. 1e persoon meervoud nominatief
nos
/
wɛɪ̯d/, /
ʋɛɪ̯t/, /
β̞ɛːt/
adjective
lātus
verb
1. geheel voor een bepaald doel bestemmen
devoveo
adjective
1. overal aanwezig, vindbaar
lātus
/
ʋɛi̯k/
noun
1. een bewoond deel van een stad of een gemeente
vicus
/
wɛɪ̯n/, /
ʋɛɪ̯n/, /
β̞ɛːn/
noun
1. sterke drank van gegiste druiven
vinum
merum
noun
het verbouwen van druiven voor de productie van wijn
vitium cultura
noun
1. een druif die wordt gebruikt om wijn van te maken
botrys
/
ˈʋɛi̯n.stɔk/
noun
1. klimplant waaraan druiven groeien
vitis
/
wɛɪ̯s/, /
ʋɛɪ̯s/, /
β̞ɛːs/
adjective
1. van groot inzicht getuigend
sapiens
noun
1. de oudste wetenschap
philosophia
noun
1. gerijpt inzicht
sapientia
noun
1. achterste kies van iedere kaakhelft van het volwassen gebit van een mens
dēns sapientiae
noun
1. tweede vinger, gelegen tussen de middelvinger en de duim
index
noun
1. gewijd water
aqua lustralis
noun
1. steel met slappe borstel waarmee in de liturgie van de Rooms-Katholieke Kerk de priester wijwater over de gelovigen heen sprenkelt
aspergillum
/
ˈʋɛɪʋatərˌvɑt/
noun
1. een meestal aan de muur van een kerk bevestigd vat met water waarmee gelovigen zich besprenkelen
labrum aquae lustralis
noun
1. een constructiesysteem voor internetpagina's waar, in het algemeen, iedereen alle pagina's kan wijzigen
vici
pronoun
1. een door de Wikimedia Foundation gecreëerde rechtenvrije encyclopedie op het internet...
Vicipaedia
noun
1. een gebruiker op Wikipedia
vicipaediana
/
ˈwɪkə/
noun
1. (plantkunde) naam voor planten uit het geslacht Vicia
vicia
/
ˈwikʃoˌnɛri/, /
ˈʋɪkʃəˌnɛri/
pronoun
1. deelproject van de Wikimedia Foundation met als doel het produceren van een compleet ...
Victionarium
/
ʋɪl/
noun
1. de bereidheid of zin om iets te doen
voluntas
adjective
3. onbeschaafd, bruusk
ferus
silvestris
noun
1. bepaald soort zoogdier, Sus scrofa
aper
noun
1. een bosachtig gebied dat weinig door de mens geregeld is
dēsertum
/
ˈwɪləm/, /
ˈʋɪləm/, /
ˈβ̞ɪləm/
pronoun
- 1. een jongensnaam
- 2. spelwoord voor de letter w
Guilielmus
/
ˈʋɪ.lən/
verb
1. iets als verlangen of voorkeur hebben
velle
volo
noun
1. eenzijdige wilsuiting die gericht is op het tot stand brengen van rechtsgevolgen
dēclārātiō voluntātis
voluntātis dēclārātiō
/
ʋɪnt/
noun
1. stroming van lucht veroorzaakt door luchtdrukverschillen
ventus
anima
adjective
1. weerstoestand waarbij er veel wind aanwezig is
ventōsus
noun
1. periode met geen of weinig wind
malacia
noun
1. plaats waar koopwaar wordt verkocht
taberna
noun
1. gebied of overdekte galerij waar meerdere winkels en horecazaken zijn gevestigd
emporium
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Norma
noun
1. degene die een strijd of wedstrijd in zijn voordeel beslist
victor
/
ˈwɪnə(n)/, /
ˈʋɪnə(n)/, /
ˈβ̞ɪnə(n)/
verb
1. als beste partij uit een wedstrijd komen
vincere
/
ʋɪnst/
noun
1. datgene wat men meer heeft dan voordat men investeerde
bolus
/
ʋɪntər/
noun
1. seizoen
hiems
hibernus
noun
1. klein gedrongen vogeltje met opgewipt staartje,
trochilus
/
ʋɪp/
noun
1. een speeltuig bestaande uit een balk die in het midden op een verhoogde steun rust
oscillum
noun
1. bepaald soort zooɡdier, Bison bonasus
Bos bonasus
noun
1. de formele studie van patronen en structuren.
mathematica
mathematice
/
ʋɪsˈkʏndəx/
adjective
1. op wiskunde betrekking hebbend of er gebruik van makend
mathēmaticus
noun
1. kind dat in de plaats gelegd wordt van een door feeën geroofd mensenkind
cambiō
/
ʋɪt/
adverb
1. kleur
albus
candidus
/
ʋɪt/
noun
1. lichtst mogelijke kleur
albus
candidus
alba
album
/
wɪt.ˈrʏs.lɑnd/, /
ʋɪt.ˈrʏs.lɑnt/, /
β̞ɪt.ˈrʏs.lɑnt/
pronoun
land in Oost-Europa.
Russia Alba
Belorusija
Bjelorusija
/
ˌwɪtˈrʏsɪs/, /
ˌʋɪtˈrʏsis/, /
ˌβ̞ɪtˈrʏsis/
pronoun
1. een Slavische taal die vooral in Wit-Rusland wordt gesproken
belorussica
pronoun
1. dag voor Goede Vrijdag
Dies Cenae Domini
noun
1. alcoholhoudende drank die verkregen wordt door de gisting van voornamelijk witte druiven
vinum album
noun
1. een heldere, kleurloze en nagenoeg geurloze sterkedrank
vodca
/
ˈʋudə/
noun
1. een gevoel van erge kwaadheid
ira
verb
1. met veel geweld gaande zijn van een natuurverschijnsel
furō
/
'ʋudənt/
adjective
1. bijzonder boos
furiosus
noun
1. iemand die woeker drijft
danista
/
ˈʋunzdɑx/
noun
1. een dag van de week die na dinsdag en voor donderdag komt
dies Mercurii
feria quarta
adjective
1. onbebouwd, braakliggend
saevus
noun
1. een onherbergzaam gebied dat door niemand verzorgd wordt
vastitas
noun
1. grote dorre vlakte, met weinig neerslag en weinig vegetatie
desertus
desertum
/
ˈvɔɪ̯vɔtsxɑp/
noun
1. naam voor bepaalde bestuurlijke gebieden in Oost-Europa
palinatus
/
ʋɔl/
noun
1. weefsel van wollen garens
lana
lāna
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Lupus
/
wɔlf/, /
ʋɔlf/
noun
1. bepaald zoogdier, Canis lupus
lupus
hirpus
noun
1. scheikundig element met symbool W en atoomnummer 74
wolframium
noun
1. samenhangende verzameling van merendeels zwevende waterdruppeltjes
nubes
nebula
/
ˈwɔl.kə.ˌlos/, /
ˈʋɔɫ.kə.ˌlos/, /
ˈβ̞ɔɫ.kə.ˌlos/
adjective
1. zonder wolken
innūbilus
/
ˈwɔlkə(n)ˌkrɑbər/, /
ˈʋɔɫkə(ŋ)ˌkrɑbər/, /
ˈβ̞ɔɫkə(ŋ)ˌkrɑbər/
noun
1. een zeer hoog gebouw dat met bewolkt weer zichtbaar in de wolken kan steken
caeliscalpium
/
wɔlə(n)/
adjective
1. gemaakt van wol
lāneus
/
wɔlˈvɪn/, /
ʋɔlˈvɪn/
noun
vrouwelijke wolf
lupa
/
wɔnd/, /
ʋɔnt/, /
β̞ɔnt/
noun
1. een beschadiging in of aan het lichaam
vulnus
noun
1. een gebeurtenis waaraan een bovennatuurlijke oorsprong toegeschreven wordt
mīrābilis
/
ˈwo.nə(n)/, /
ˈʋo.nə(n)/, /
ˈβ̞o.nə(n)/
verb
1. een permanente behuizing hebben
habito
noun
1. een doorgaans afgesloten constructie waarin men kan leven
domicilium
/
ʋoːrt/, /
ˈʋʊːrt/, /
ˈβoːrd/, /
ˈβoːrt/
noun
- 1. mannetjeseend
patak
- 1. spraakklank of betekeniseenheid die bestaat uit minimaal één vrij morfeem en minimaal nul gebonden morfemen
- 2. belofte
- 3. het woord van god of de inhoud van de bijbel
- 4. de natuurlijke eenheid van informatie voor een bepaalde computerarchitectuur
verbum
vocabulum
/
ˈʋɔːrdə(n)ˌbuk/
noun
1. een boek waarin de woorden en uitdrukkingen van een taal zijn gerangschikt met hun...
dictionarium
lexicon
noun
1. categorie waarin bepaalde woorden naar gelang het grammaticale gebruik in onderverdeeld worden
pars ōrātiōnis
/
ˈwɔrdə(n)/, /
ˈʋɔrdə(n)/, /
ˈβ̞ɔrdə(n)/
verb
exsisto
- 1. vormt de lijdende vorm
- 2. gaan zijn, zich ontwikkelen tot
fieri
verb
1. doden door het dichtknijpen van de hals
angō
noun
1. het dichtknijpen van de hals
angor
/
ʋɔrm/
noun
1. een betrekkelijk klein, lang, ongewerveld dier met een zacht lichaam
vermis
adjective
1. door wormen aangevreten
vermiculatus
/
ʋɔrp/
noun
1. de handeling van het werpen van iets
jactura
noun
1. een toegebonden eind darm of vlies dat gevuld is met vleeswaar
botulus
/
ˈʋɔrtəl/
noun
- 1. Groente peen
carota
- 2. Ondergronds gedeelte van een plant
- 3. Getal
- 4. Woord
radix
/
ʋʌːt/, /
ʋʌːut/
noun
1. groot bos
silva
/
ʋʌʊ̯/, /
β̞ʌːβ̞/
noun
A 1. benaming voor roofvogels uit het geslacht Milvus
miluus
noun
1. het vergelden van doorgemaakt lijden
ultio
adjective
1. heel onvriendelijk
asper
noun
1. bovenkant van de voet tussen tenen en enkel
metatarsus
verb
1. iets of iemand vermoorden door het dichtknijpen van de keel
angō
pronoun
1.
Herbipolis
Artaunum
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Wüstenrot
/
ksenofoˈbi/
noun
1. een afkeer van alles wat vreemd of buitenlands is
xenophobia
/
ˈksenɔn/
noun
1. een scheikundig element en kleurloos edelgas met het symbool Xe en het atoomnummer 54
xenon
noun
1. melodisch slaginstrument dat bestaat uit een reeks op toon gestemde hardhouten staafjes waar met kleine hamertjes op geslagen wordt
xylophonium
noun
1. de munteenheid van Japan
ienum
/
ˈjɔxərt/, /
ˈjɔχərt/
noun
1. lichtzuur en enigszins lobbig zuivelproduct,...
iogurtum
noun
1. scheikundig element met symbool Yb en atoomnummer 70
ytterbium
/
zaːt/
noun
- 1. een bevruchte kiem waaruit een nieuwe plant van dezelfde soort groeit
semen
- 2. zaadcellen uit de mannelijke geslachtsorganen van een mens of een dier
sēmen
/
ˈzatsɛl/
noun
1. de mannelijke geslachtscel
spermatocytus
/
'zadlɛɪdər/
noun
ductus deferens
/
zax/
noun
1. een stuk gereedschap met een scherp getand metalen blad om voorwerpen in stukken te verdelen
serra
noun
1. een uit houtvezels bestaande stof die ontstaat bij het zagen van hout
scobis
/
'zaxsəl/
noun
1. een uit houtvezels bestaande stof die ontstaat bij het zagen van hout
scobis
verb
1. zaad strooien
conserō
pronoun
2. boek in de Bijbel
Zacharias
adverb
1. gemakkelijk samen te drukken en/of te buigen
mollis
noun
zitplaats op dier of fiets
sella
/
ˈza.ɣə(n)/, /
ˈza.χə(n)/
verb
1. in stukken delen door middel van een zaag
serrare
noun
- 2. een plek in kleding waarin kleine spullen kunnen worden meegedragen
sacculus
crumena
- 1. slappe, vormeloze tas
saccus
culeus
/
ˈzɑgduk/
noun
1. een doek om de neus in te snuiten
sudarium
/
zaːkən/
noun
2. commerciële activiteiten
negōtium
/
'zakəmɑn/
noun
1. iemand die met zakendoen zijn brood verdient
negotians
negotiator
noun
1. iemand die ongemerkt waardevolle zaken steelt
manticulātor
noun
1. lamp op zakformaat
fax electrica
noun
1. een draagbare bron van licht, gewoonlijk van energie voorzien middels batterijen
fax electrica
noun
smeerbare massa om op de huid aan te brengen
unguentum
adjective
- 1. gerechtvaardigd tegenover God, doordat men van zonde bevrijd is
- 2. bijzonder aangenaam, hemels
beatus
/
zɑlm/, /
zɑɫm/
noun
1. benaming voor een aantal vissoorten uit de familie Salmonidae
salmo
/
zɑlvə(n)/
verb
2. het aanbrengen van een welriekende olie, meestal als inhuldiging in een politieke of religieuze hoedanigheid
ungō
/
'zɑm.bi.ja/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel de Republiek Zambia, dat geheel door land wordt omsloten
Zambia
noun
1. losse massa die bestaat uit miljoenen stukjes steen en schelpen
arena
harena
noun
1. een bak gevuld met zand om in te spelen
arenarium
noun
1. een ophoping van zand op de bodem van een zee of meer
syrtis
noun
1. toestel waarmee de tijd wordt gemeten door zand uit het bovenste reservoir via een smalle doorgang naar het onderste reservoir te laten lopen
clepsydra
/
ˈzɑŋər/
noun
1. een mannelijk iemand die zingt
cantor
noun
1. een vrouwelijk iemand die zingt
cantrīx
noun
1. een dag van de week die na vrijdag en voor zondag komt
dies Saturni
sabbatum
diēs Saturnī
personalPronoun
1. clitische vorm van zij (derde persoon vrouwelijk enkelvoud)
ea
noun
1. zwart-wit gestreepte paardachtige
equus zebra
adjective
1. zoals het volgens normen en waarden behoort
probus
/
ze/, /
zeː/
noun
1. uitgestrektheid zoutwater
mare
pontus
pelagus
noun
1. op de zeebodem levend bolvormig stekelig ongewerveld diertje
echinus
noun
1. bepaald soort grote zeevis, Lophius piscatorius
rana marina
noun
1. werktuig om grovere van fijnere bestanddelen te scheiden
crībrum
noun
1. een van de beenderen van de schedel
os ethmoidale
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de familie Phocidae
bos marinus
noun
1. in zee levende kreeft
locusta
/
ˈzelɑnt/, /
ˈzeːlɑnd/, /
ˈzeːlɑnt/
pronoun
1. een provincie in het zuidwesten van Nederland, die aan Noord-Brabant, Zuid-Holland, België en de Noordzee grenst
Zelandia
/
ˈze.le.li/
noun
1. benaming voor de sessiele zeedieren uit de klasse Crinoidea
lilium de mari
noun
1. bepaald soort karperachtiɡe zoetwatervis, Tinca tinca
tinca
noun
1. mythisch zeewezen
nympha marina
noun
1. benaming voor zeevogels uit de familie Laridae
gavia
noun
1. schuimverwerkend reinigingsmiddel
sapo
adverb
1. in hoge mate
maxime
noun
3. bepaald soort plantje dat wel gebruikt wordt als miniatuurboompje bij modelspoorbanen, Teloxys aristata
Chenopodium aristatum
Dysphania aristata
noun
1. benaming voor schijfvormige zeedieren met vijf armen uit de klasse Asteroidea
stella marina
noun
1. bepaald soort platvis, Solea solea
solea
/
ˈzeʋatər/
noun
1. water waarin diverse zouten zijn opgelost en waarmee de zeeën gevuld zijn
sal
noun
1. in zee levend wier
alga
noun
1. misselijkheid als gevolg van de onregelmatige beweging van een schip
nausea
noun
1. zout, uit zeewater gewonnen
sal marinus
/
ˈzexəl/
noun
1. een middel om een voorwerp zodanig af te sluiten dat er later nagegaan kan worden of het geopend is
sigillum
/
ˈzeɣəɫˌrɪŋ/
noun
1. een ring die aan de rugzijde voorzien is van een gravure, waarmee een zegel kan worden gestempeld
anulus signatorius
/
ˈzeːɣə(n)/, /
ˈzeːχə(n)/
noun
1. verlening van goddelijke of bovennatuurlijke bijstand
benedictiō
verb
1. de zegen geven
benedico
noun
1. een geslacht van zowel bladverliezende als groenblijvende kruidachtige planten
cārex
verb
1. mededelen
dicere
appellari
fari
vocari
noun
1. doek dat in een mast gehesen is met als doel wind te vangen
velum
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Vela
/
ˈzɛɪlə(n)/
noun
1. wedstrijdsport met zeilvaartuigen
nāvigō
/
ˈzɛɪlə(n)/
verb
1. voortgestuwd worden door de druk van de wind tegen een opgehouden zeil
nāvigō
noun
1. een schip waarmee gezeild kan worden
navis velifera
noun
1. maaiwerktuig met gebogen snijblad en lange stok
falx
/
ˈze.kər/
adjective
1. waaraan niet getwijfeld hoeft te worden
certus
/
'zekərɦɛɪt/
noun
certitūdō
adverb
1. bijzonder weinig voorkomend
raro
adjective
1. naar verhouding gering in aantal
rarus
/
zɛlf/, /
zɛɫf/
demonstrativePronoun
- 1. in eigen persoon
- 2. in tegenstelling met iets anders
ipsum
noun
1. Het zich benemen van het leven
mors voluntāria
/
ˈzɛɫfmoːrt/
noun
1. handeling waarbij men een einde maakt aan zijn eigen leven.
suicidium
mors voluntaria
/
'zɛlfpɔrtrɛt/
noun
1. een kunstwerk gebaseerd op de afbeelding van het eigen gezicht
effigies sui
adjective
1. op zichzelf staand
independens
noun
1. woordsoort die een zekere mate van zelfstandigheid van het genoemde uitdrukt, in veel talen standaard gecombineerd met een lidwoord
substantivum
nomen
nomen substantivum
noun
1. geloof in eigen vermogen, kunde of kracht
confidentia
noun
1. de mate waarin iemand zelfverzekerd is
confidentia
/
zenɪt/
noun
1. het denkbeeldige punt loodrecht omhoog aan de hemelkoepel
cenit
noun
1. een onderdeel van het perifeer zenuwstelsel, bestaande uit gebundelde uitlopers van zenuwcellen
nervus
/
ˈze.ny.sɛl/, /
ˈze.nyʊ̯.sɛɫ/, /
ˈzeː.nyʊ̯.sɛl/
noun
een zeer belangrijke cel in het zenuwstelsel
neurocytus
noun
1. het gehele zenuwsysteem
systēma nervōsum
/
ˈzɛs.də/, /
ˈzɛz.də/
ordinalAdjective
nummer zes in een rij
sextus
cardinalNumeral
1. het getal 36
trigintasex
cardinalNumeral
1. het getal 86
octoginta sex
cardinalNumeral
1. het getal 26
vīgintīsex
cardinalNumeral
1. het getal 46
quadraginti sex
cardinalNumeral
1. het getal 56
quinquaginta sex
cardinalNumeral
1. het getal 66
sexaginta sex
/
ˈzɛsənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 76
septuaginta sex
/
zɛsɦuk/
noun
1. een geometrische tweedimensionale vorm, bestaande uit zes hoeken en derhalve ook zes zijden
hexagōnum
/
ˈzɛsˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 600
sescenti
cardinalNumeral
1. het getal 16
sedecim
ordinalAdjective
sextus decimus
cardinalNumeral
1. het getal 60
sexaginta
ordinalAdjective
sexāgēsimus
noun
1. vrouwelijk varken of everzwijn
porca
/
zœys/
pronoun
1. Griekse oppergod
Zeus
/
ˈzøvən/
cardinalNumeral
1. het getal 7
septem
noun
1. soort struik, Juniperus sabina
sabīna
/
ˈze.vən.də/
ordinalAdjective
septimus
/
ˈzøvənənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 37
trigintaseptem
/
ˈzøvənəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 97
nonaginta septem
/
ˈzøvənənˌtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 87
octoginta septem
/
ˈzøvənənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 27
vigintiseptem
/
ˈzøvənəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 47
quadraginti septem
/
ˈzøvənəɱˌvɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 57
quinquaginta septem
/
ˈzøvənənˌsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 67
sexaginta septem
/
ˈzeːvə(n)ˌɦɔndərt/, /
ˈzøvənˌhɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 700
septingenti
/
ˈzøvənˌtin/
cardinalNumeral
1. het getal 17
septendecim
septemdecim
ordinalAdjective
septimus decimus
adverb
1. bij zeventien gelegenheden
septies decies
/
ˈzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 70
septuaginta
pronoun
1. plaats in Vlaams-Brabant
Sichemium
noun
1. wat gezien kan worden
praespectus
reflexivePersonalPronoun
sibi
adjective
1. lichamelijke toestand
aeger
infirmus
adjective
1. geneigd om vaak ziek te zijn
aegrotaticius
/
ˈzi.kǝn.ˌɦœʏs/
noun
1. instelling voor onderzoek, behandeling en verpleging van zieken
nosocomium
valetudinarium
/
zil/
noun
1. het veronderstelde wezen van het niet-stoffelijke van de mens
anima
animus
verb
- 3. een bepaald gezicht zetten
videre
- 1. waarnemen met het oog
videre
videō, vidēre, vīdī, vīsus
video
/
ˈzɪftə(n)/
verb
1. de grote van de kleine deeltjes scheiden met behulp van een zeef
cribrō
/
sɛɪ̯/, /
zɛɪ̯/, /
zɛː/
personalPronoun
1. 3e persoon enkelvoud vrouwelijk
ea
noun
1. de larve van de zijdevlinder
bombyx
noun
1. een orgaan op de zijde van een groot aantal vissen dat verandering in waterdruk waarneemt
linea lateralis
noun
1. een orgaan op de zijde van een groot aantal vissen dat verandering in waterdruk waarneemt
linea lateralis
possessivePronoun
1. derde persoon enkelvoud m/o
eius
suus
verb
- 1. bestaan
- 10. zijn + voltooid deelwoord: hulpwerkwoord van de voltooide tijd van ergatieven
- 11. zijn + voltooid deelwoord: hulpwerkwoord van de voltooide tijd van de lijdende vorm
- 5. gelijk zijn aan.
- 6. tot de groep behoren van
- 7. de eigenschap hebben.
- 3. zich bevinden.
esse
sum
noun
1. een rivier die niet in zee maar in een andere rivier uitmondt
flumen
noun
1. benaming voor naaldbomen uit het geslacht Abies
abiēs
/
zɪm.ˈbɑ.b<sup>ʊ</sup>ə/, /
zɪm.ˈbɑp.wə/
pronoun
land in zuidelijk Afrika, officieel de Republiek Zimbabwe
Zimbabuia
noun
1. een serie woorden die gezamenlijk in syntactisch verband een afgerond geheel vormen
sententia
verb
1. het musiceren met de menselijke stem
cantare
canere
canto
noun
1. , een scheikundig element met symbool Zn en atoomnummer 30. Het is een blauw/wit overgangsmetaal
zincum
verb
1. in een vloeistof, meestal water, traag naar beneden zakken
mergor
pronoun
1. een stad in de Belgische provincie Henegouwen
Sunniacum
noun
1. de wetenschap die zich bezighoudt met de opbouw van zinnen
syntaxis
noun
1. scheikundig element met symbool Zr en atoomnummer 40
zirconium
noun
1. een plaats waar men kan zitten
sedīle
/
ˈzɪ.tə(n)/
verb
1. op het zitvlak rusten
sedere
sedeo
adverb
1. net, even tevoren
modo
conjunction
- 1. in die mate als
- 2. bijvoorbeeld
sic
conjunction
1. geeft aan welke gebeurtenis eerst moe(s)t plaatsvinden
simulac
verb
1. proberen te vinden
scisco
quaerere
noun
1. een reis die men onderneemt op zoek naar iets
scrūtinium
verb
1. een vrij zacht continu geluid voortbrengen dat op de z-klank lijkt
bombiō
noun
1. het met de lippen aanraken van een persoon of een voorwerp
basium
verb
1. met de mond liefkozen
basiare
/
ˈzut/
adjective
1. ter omschrijving van een vaak als aangename ervaren smaak zoals die van suiker
dulcis
/
ˈzuthʌʊt/
noun
1. Glycyrrhiza glabra, een plant die tot de vlinderbloemigen behoort
glycyrrhiza
/
ˈzoːɣ.ə(n)/
verb
1. moedermelk geven
nūtriō
noun
1. bovenkant van een ruimte in een gebouw
lacunar
noun
1. bepaald soort loofboom, Quercus robur
quercus robur
noun
1. regeling waarbij de klok gedurende de lente- en zomermaanden een uur vooruit wordt gezet
hora aestiva
noun
1. de ster waar de planeet aarde omheen draait, hemellichaam dat de aarde overdag verlicht
sol
noun
1. een dag van de week die na zaterdag en voor maandag komt
dies Solis
dies Dominica
noun
1. overtreding van een goddelijke wet of regel
peccatum
scelus
preposition
1. In afwezigheid van
sine
absque
/
zɔndəɣə(n)/
verb
1. het overtreden van een religieuze wet
peccō
noun
1. een catostrofale Bijbelse vloed
diluvium
/
ˈzoːnə/
noun
1. bepaald gebied dat is afgebakend van aangrenzend gebied
plaga
/
ˈzɔneˌklɪps/
noun
1. het verschijnsel dat de maan voor de zon langstrekt, waardoor het zonlicht geblokkeerd wordt
defectio solis
noun
1. de zichtbare elektromagnetische straling van de ster waarrond onze aarde draait
sol
verb
1. een of meerdere zonnebaden nemen
aprīcor
/
ˈzɔnəˌblum/
noun
1. bepaald soort tot 3 meter hoge plant met een grote gele bloem, Helianthus annuus
Helianthus annuus
verb
1. zich gedurende een zekere tijd blootstellen aan zonnestraling
aprīcor
noun
1. het licht dat van de zon afkomstig is
sol
noun
1. magnetische onregelmatigheid aan de oppervlakte van de zon die vanaf de aarde te zien is als een wat donkere vlek
macula solaris
/
ˈzɔnəˌwɛndə/, /
ˈzɔnəˌʋɛndə/, /
ˈzɔnəˌβ̞ɛndə/
noun
1. de gebeurtenis waarbij de zon, vanuit de aarde gezien, de meest noordelijke of zuidelijke positie (de keerkringen) bereikt
solstitium
noun
horologium solarium
solarium
noun
1. de stroom deeltjes die de zon uitstraalt
ventus sōlāris
adjective
1. zonovergoten, met zonneschijn
solaris
/
zɔn'zɔndərχɑŋ/
noun
1. het ondergaan van de zon
crepusculum
noun
1. het opkomen van de zon
aurōra
/
ˈzɔnsvərˌdœʏ̯stərɪŋ/, /
ˈzɔnsvərˌdœːstərɪŋ/
noun
1. het verschijnsel dat de maan voor de zon langstrekt, waardoor het zonlicht geblokkeerd wordt
defectio solis
/
zuː/
noun
1. verzameling levende, oorspronkelijk wilde dieren.
hortus zoologicus
/
ˈzox.diːr/, /
ˈzoːɣ.diːr/, /
ˈzoχ.diːr/
noun
1. werveldier dat zijn jongen zoogt
mammalia
mammalis
noun
- 1. onderkant van de voet
- 3. onderkant van een schaaf
planta
/
zoːn/
noun
1. een mannelijk kind
filius
natus
noun
- 1. behoedzame overweging
- 2. verpleging, voorzien in een behoefte
cura
/
zɑu̯t/
noun
1. alledaagse naam voor keukenzout
sal
verb
1. met zout conserveren
salio
/
ˈzɑutˌvacə/
noun
2. tafelgereedschap dat het zout bevat en strooit
salīnum
noun
1. een oplossing
acidum hydrochloricum
acidum muriaticum
/
ˈzo.zo/
adjective
plus minus
noun
1. de wetenschap die de dieren bestudeert.
zoologia
noun
1. hoorbare uitademing
suspīrium
verb
1. hoorbaar diep uitademen, meestal als uiting van frustratie
suspiro
/
zœʏ̯t/, /
zœːd/, /
zœːt/
adverb
australis
/
zœʏ̯t.'a.fri.ka/, /
zœː'.dɑ.fri.ka/, /
zœːt.'a.fri.ka/
pronoun
land in het zuiden van Afrika
Africa Australis
Africa Meridionalis
/
ˌzœʏ̯t aˈmɪːrika/, /
ˌzœːd aˈmeːrika/
pronoun
een continent dat ten zuiden van Noord-Amerika ligt, tussen de Grote en de Atlantische Oceaan
America Austrālis
America Meridionalis
pronoun
1.
Carolīna Austrālis
pronoun
1.
Dacota Meridiana
/
zœʏ̯.ˈtɔ.lɑnt/, /
zœːt.ˈɦɔ.lɑnt/, /
ˈzœːd.hɔ.lɑnd/
pronoun
1. een provincie in het zuidwesten van Nederland, die aan Noord-Holland, Utrecht, Gelderland, Noord-Brabant, Zeeland en de Noordzee grenst
Hollandia Australis
/
ˌzœʏ̯t koˈre.ja/, /
ˌzœːt koˈre.ja/
pronoun
1. en 2., land en republiek in Azië
Corea Meridionalis
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Triangulum Australe
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Corona Australis
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Crux
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Piscis Austrinus
/
ˈzœy̯.ɣə(n)/
verb
1. (met de mond) naar zich toe trekken
sugere
sūgō
adjective
1. voorzichtig met het uitgeven van geld of andere kostbare zaken
parcus
noun
1. voedingsmiddel op basis van melk
lacticīnium
verb
1. van verontreinigingen ontdoen
abluō
/
zɵlk/
exclamativePronoun
talis
pronoun
1.
Tolbiacum
Tolpiacum
Zulpiacum
noun
1. en 2. een geslacht van meest overblijvende, kruidachtige planten uit de duizendknoopfamilie...
lapathum
noun
1. een ander kind van dezelfde ouders van het vrouwelijk geslacht
soror
noun
1. vrouwelijk kind van dezelfde ouders
soror
noun
2. de gemeenschap van vrouwen in algemene of meer beperkte zin
sororitas
/
zyːr/
adjective
1. een smaak hebbend zoals van citroensap of azijn
acidus
acer
/
zyːr/
noun
1. zure vloeistof
acidum
acidus
/
ˈzyːrstɔf/
noun
1. een scheikundig element en een bij kamertemperatuur kleurloos twee-atomig gas O₂
oxygenium
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Cygnus
/
zʋan/
noun
1. benaming voor watervogels met lange sierlijke hals uit het geslacht Cygnus
olor
cycnus
adjective
van groot gewicht
gravis
noun
1. een lang, scherp wapen
gladius
noun
1. benaming voor planten uit het geslacht Gadiolus
gladiolus
noun
1.1 bepaald soort zeevis, Xiphias gladius
xiphias
noun
1. Orcinus orca, een soort van walvis, vrij gedrongen van bouw en een opvallende rugvin
orca
noun
1. het zwaar zijn
gravitas
adjective
1. van groot lichaamsgewicht
crassus
noun
1. de kracht die de wederzijdse aantrekking van massa veroorzaakt
gravitas
noun
1. een regel gemaaid gras
striga
noun
1. benaming voor trekvogels uit de familie Hirundinidae
hurundo
hirundo
adjective
1. de toestand waarin een vrouw verkeert wanneer er in de baarmoeder een bevruchting heeft plaatsgevonden
praegnans
graves
noun
1. de tijd dat een vrouw een ongeboren kind met zich draagt
graviditās
gravitas
noun
1. een voortijdige en kunstmatige beëindiging van een zwangerschap
abruptio graviditatis
noun
1. een voortijdige en kunstmatige beëindiging van een zwangerschap
abortus
adjective
1. kleur die wordt waargenomen als iets helemaal geen licht weerkaatst of uitstraalt
niger
ater
noun
1. gebied van de ruimte-tijd waaruit niets, zelfs geen licht kan ontsnappen omdat de zwaartekracht te sterk is
gurges ater
noun
1. vruchtje van Ribes nigrum
ribes nigrum
pronoun
1. gebergte in het zuidwesten van Duitsland
Nigra silva
pronoun
1. de zee die ligt ingeklemd tussen Europa en Klein-Azië
Pontus Euxinus
/
zʋavəl/
noun
1. scheikundig element met symbool S en atoomnummer 16
sulphur
sulfur
noun
1. een sterk zuur bestaande uit zwavel, waterstof en zuurstof met een wateronttrekende en bijtende werking
acidum sulphuricum
/
ˈzweːdə(n)/, /
ˈzʋedə(n)/, /
ˈzβ̞eːdə(n)/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa, grenzend aan Noorwegen en Finland. De officiële naam is het Koninkrijk Zweden (Konungariket Sverige)
Suecia
Suēcia
/
zweds/, /
zʋets/, /
zβ̞ets/
adjective
1. betreffende Zweden of het Zweeds
Suecius
/
zweds/, /
zʋets/, /
zβ̞ets/
pronoun
1. een Germaanse taal die wordt gesproken in Zweden en Finland
suecus
noun
1. toestel met vleugels dat zich ongemotoriseerd door de lucht verplaatst door gebruik te maken van opstijgende luchtstromingen
aëronavis velivola
noun
1. een handwapen in de vorm van een lang ineengedraaid stuk leer dat met een zwiepende beweging pijnlijke slagen uit kan delen
flagellum
noun
1. vocht dat door de huid wordt uitgescheiden als koeling en middel om sommige afvalstoffen kwijt te raken
sudor
noun
1. iemand die veel kan eten en drinken
cōmīssātor
/
ˈzwɛmbɑd/, /
ˈzʋɛmbɑt/, /
ˈzβ̞ɛmbɑt/
noun
1. een bassin om in te zwemmen
piscina
verb
1. zich gecoördineerd door het water voortbewegen
natare
nato
/
zʋɛrm/
noun
1. een grote groep gezamenlijk op- en rondtrekkende personen, dieren of zaken, gewoonlijk vogels of insecten
exāmen
/
'zʋetə(n)/
verb
1. transpireren
sūdō
noun
1. klierachtig, hormoonvormend orgaan
thymus
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Abbatia Duplices Aquae
verb
1. ervan afzien te spreken
silere
adjective
1. weinig sprekend
taciturnus
noun
1. een varken
porcus
sus
/
ˈzʋɛinəstɑl/
noun
1. ruimte bestemd voor de huisvesting van varkens; 2. (figuurlijk) vuile boel
suile
verb
2. een verdraaiing of verstuiking verkrijgen
extorquere
/
ˈzwɪtsərˌlɑnd/, /
ˈzʋɪtsərˌlɑnt/, /
ˈzβ̞ɪtsərˌlɑnt/
pronoun
1. een soeverein land in het zuiden van Centraal-Europa met als hoofdstad Bern en als officiële talen het Duits, het Frans, het Italiaans en het Reto-Romaans
Helvetia
adjective
- 1. vochtig warm, drukkend, benauwd
- 2. zinnelijk, erotisch sensueel
aestifer
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Domus Autidis
/
eːn/
cardinalNumeral
1. de inhoud van de kleinste niet-lege verzameling
unus
una
unum