/ˌsxraːvə(n)ˈɦaːɣə/, /ˌsχravə(n)ˈɦaχə/
pronoun
1. een stad en gemeente in de Nederlandse provincie [[Zuid-Holland]]
Haga
/aka'pɛla/
adverb
1. zonder instrumentale begeleiding
a cappella
verb
1. zachtjes strelen
  1. głaskać
  2. gładzić
noun
  1. 3. paling
  2. 4. kleine en jonge paling
węgorz
noun
1. bepaald soort struik met eetbare rode bessen Ribes rubrum
  1. czerwona porzeczka
  2. porzeczka
noun
1. geestelijke voor militairen, gevangenen en leden van jeugdbewegingen
jałmużnik
noun
1.bepaald soort plant, Artemisia absinthium
bylica piołun
noun
1. benaming voor vogels uit het geslacht Phalacrocorax
kormoran
noun
kowadło
noun
1. knobbelachtige zwelling van aders in het onderste deel van de endeldarm en in de anus
żylaki
noun
2. knobbelachtige zwelling van aders in het onderste deel van de endeldarm en in de anus
żylaki
phraseologicalUnit
1. aan de wind
bajdewind
noun
1. het smeedblok waarop de smid het gloeiend metaal smeedt
kowadło
verb
1. bij iemand (aan de deur) bellen
zadzwonic
noun
1. een eerste betaling bij het kopen van iets op afbetaling of in termijnen
zaliczka
verb
Nog na te kijken vertalingen
polecać
noun
rekomendacje
verb
1. vereren van een god of heilige door daar een gebed aan te richten
uwielbiać
noun
wielbiciel
noun
1. een aanbieding
oferta
noun
1. gerichte belangstelling of interesse
uwaga
adverb
1. met belangstelling, met aandacht, met interesse
uważny
noun
1. waardepapier
  1. akcja
  2. aukcja
noun
1. eigenaar van aandelen, actionaris
akcjonariusz
noun
1. een houder van één of meer bewijzen van aandeel
akcjonariusz
adjective
1. bij de geboorte verkregen eigenschappen
wrodzony
noun
1. iemand tegen wie een aanklacht is ingediend
oskarżony
adjective
  1. 2. een beetje dronken
    podpity
  2. 1. getroffen
    postrzelony
adjective
1. beschadigd door inwerking van iets
naruszony
adjective
1. met recht op schadeloosstelling bij het verloren gaan
polecony
verb
1. aanreiken
podawać
conjunction
1. geeft onderschikkend een reden aan
ponieważ
noun
powiadomienie
adjective
1. rechtstreeks grenzend aan iets anders
graniczacy
noun
1. een letterlijke passage die door iemand anders aangehaald wordt uit een bron
cytat
noun
1. leesteken om geciteerde woorden van die van de auteur te onderscheiden
cudzysłów
noun
2. rijdend object dat achter de auto gehangen kan worden voor het vervoeren van goederen.
przyczepa
noun
przyczepa
verb
2. arresteren
  1. aresztować
  2. zatrzymać
noun
zatrzymanie
noun
1. iemand die een proces aanspant
oskarżyciel
verb
3. zijn kledij aantrekken
ubrać
verb
1. kloppen om binnen te komen
zapukać
verb
  1. 1. een bestemming bereiken
    przybywać
  2. 4. zwaarder worden
    tyć
adjective
1. aanstaand
nadchodzacy
noun
1. de bestemming bereiken, het aankomen
  1. przyjazd
  2. przyjście
verb
1. bekendmaken
ogłaszać
noun
1. datgene wat men aankoopt
zakup
noun
1. datgene wat iets tot gevolg heeft
powód
adjective
zarozumiały
verb
  1. 2. zich bekend maken met gebruikersnaam en wachtwoord
    logować
  2. 1. zich opgeven
    zarejestrować
verb
cumować
verb
1. moed inspreken
zachęcać
noun
  1. przypuszczenie
  2. założenie
verb
1. overnemen
adoptować
adjective
1. in staat om zich aan te passen
giętki
/ˈaːmpɑsə(n)/
verb
  1. 2. aantrekken om te passen
    przymierzać
  2. 1. aansluiten, voegen naar, bruikbaar maken
    przystosowywać
noun
  1. 2. het zich aanpassen
  2. 1. een verandering in een richting
adaptacja
/ˈanrakˌsxɛrm/, /ˈanrakˌsχɛrm/
noun
1. een beeldscherm dat ook als invoerapparaat voor een computer kan worden gebruikt door het scherm aan te raken.
ekran dotykowy
verb
1. raad geven om iets te doen
  1. doradzić
  2. poradzić
verb
1. fysiek contact maken met iets
  1. dotykać
  2. dotknąć
noun
1. het aanraken
  1. dotyk
  2. kontakt
verb
1. fysiek aanvallen
napaść
noun
  1. 1. aanvaller
  2. 2. een persoon, in de regel van het mannelijke geslacht die iemand anders aanvalt om seksuele redenen
napastnik
noun
1. botsing met een voertuig
kolizja
verb
3. een subprogramma uitvoeren
wywoływać
verb
1. kopen
  1. kupić
  2. nabyć
verb
  1. 1. tegen iets slaan
    uderzyć
  2. 13. wortel schieten
    zakorzenić się
verb
1. besmeren
nasmarować
noun
  1. 1. het recht om het bezit of genot van iets te vorderen
  2. 3. aanspraak maken
roszczenie
adjective
1. verantwoordelijk, om vergoeding of betaling aangesproken kunnen worden
odpowiedzialny
noun
odpowiedzialność
noun
1. overeenkomst waarbij je premie betaalt aan een verzekeraar zodat die zal betalen voor schade die je per ongeluk veroorzaakt of waarvoor je verantwoordelijk wordt gehouden
ubezpieczenie odpowiedzialności cywilnej
verb
  1. 1. doen ontbranden
    zapalić
  2. 4. besmetten met een begin van rotting
    zarazić
noun
1. apparaatje om vuur te maken
zapalniczka
noun
1. een telbare hoeveelheid
  1. liczba
  2. ilość
noun
2. klein formaat bundel onbeschreven papier die men bij zich draagt om opmerkingen in op te schrijven
notatnik
noun
notatka
noun
1. de werkwoordsmodus die de gewone werkelijkheid aangeeft
tryb oznajmujący
verb
1. ontmoeten, vinden
napotkać
adjective
1. bekoorlijk
  1. atrakcyjny
  2. pociągający
verb
  1. 2. accepteren, in bezit ontvangen
    akceptować
  2. 1a. beginnen, ondernemen
    1. podjąć
    2. rozpocząć
    3. zacząć
noun
1. een poging de tegenpartij geweld aan te doen of van zijn positie te beroven
  1. napad
  2. napaść
verb
  1. napaść
  2. zaatakować
noun
  1. 2. een persoon in de voorste linie
  2. 1. iemand die aanvalt
napastnik
noun
poczatek
adjective
1. in het begin
początkowy
adverb
1. in het begin
początkowo
noun
1.
  1. kolizja
  2. zderzenie
adverb
spokrewniony
noun
1. werkwoordswijs van mogelijkheid
tryb łączący
noun
1. verzoek, vaak min of meer officieel
wniosek
noun
1. een papieren of elektronisch blad waarin men de benodigde informatie dient in te vullen voor het aanvragen ergens van
wniosek
noun
1. verzoek, vaak min of meer officieel
wniosek
adjective
1. die of dat aanvult
  1. uzupełniajacy
  2. dodatkowy
noun
uzupełnienie
adjective
obecny
noun
1. het aanwezig zijn op een bepaald tijdstip en plaats
obecność
verb
1. door wijzen tonen
wskazać
verb
właczyć
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de orde der primaten
małpa
noun
  1. 1. bloeiwijze van granen
  2. 2. bovenste deel van de halm van gras- of graangewassen
kłos
noun
1. bepaald soort plant, Lathyrus tuberosus
groszek bulwiasty
noun
1. bepaald soort plant, Solanum tuberosum
  1. ziemniak
  2. kartofel
  3. pyra
/ˈar.dɑ.pɔɫ.ke.vər/, /ˈar.dɑ.pəɫ.ke.vər/, /ˈaːrd.ɑ.pəl.ke.vər/
noun
1. bepaald soort tor, Leptinotarsa decemlineata
stonka ziemniaczana
noun
mąka ziemniaczana
noun
1. een salade die gemaakt wordt uit aardappelen
sałatka ziemniaczana
/\ˈaːrt.bɛi̯\/
noun
2. eetbare vrucht van planten uit het geslacht Fragaria
  1. truskawka
  2. poziomka
noun
1. bepaald soort plant, Arbutus unedo
  1. chróścina jagodna
  2. chruścina jagodna
noun
1. een schokkende of trillende beweging van een gedeelte van de aardkorst, meestal te wijten aan ...
trzęsienie ziemi
noun
fala sejsmiczna
noun
1. bewoner van de planeet aarde
mieszkaniec Ziemi
/ʔardbɔl/
noun
kula ziemska
/ˈardə/
pronoun
Ziemia
/ˈardə/
noun
  1. 1. planeet
    1. Ziemia
    2. ziemia
  2. 2. grond
    ziemia
verb
4. met de aarde verbinden
uziemić
noun
ceramika
/artxɑs/
noun
1. een gas dat uit de aarde komt en dat grotendeels uit methaan bestaat
gaz ziemny
noun
1. het ontginnen van aardgas
wydobycie gazu ziemnego
/ˈar.dəx/, /ˈar.dəχ/, /ˈaːr.dɪx/
adjective
1. aangenaam in omgang
  1. przyjazny
  2. miło
/ˈart.kɔrst/
noun
1. het buitenste gedeelte van de planeet Aarde
skorupa ziemska
noun
geologia
noun
1. het buitenste gedeelte van de aardkorst
powierzchnia ziemi
/ˈartpɪːr/
noun
bepaald soort zonnebloem, Helianthus tuberosus
  1. słonecznik bulwiasty
  2. topinambur
/ˈardrɛiksˌkʏndə/
noun
geografia
adjective
1. met betrekking tot de aardrijkskunde
geograficzny
adjective
1. betrekking hebbende op de aarde, tot de aarde behorend
ziemski
/ˈaːrtfɑrkə(n)/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Orycteropus afer
mrównik
noun
1. bepaald soort altijd groene heester die zich met wortelvezels aan de omringende omgeving vasthecht, Glechoma hederacea
bluszczyk kurdybanek
noun
1. het naar beneden schuiven van een grote massa grond
osuwisko
pronoun
1. deelstaat van Oostenrijk
Argowia
noun
1. en 2. (blaadjes van) de plant Mentha spicata
mięta zielona
/ˈaːrz.bɪz.dɔm/, /ˈaːrʦ.bɪs.dɔm/, /ˈaːrʦ.bɪz.dɔm/
noun
1. het belangrijkste gebied van een kerkprovincie, dat geleid wordt door de aartsbisschop.
arcybiskupstwo
/ˈaːrzbɪsxɔp/, /ˈaːrʦbɪsxɔp/, /ˈaːrʦbɪsχɔp/
noun
1. de voornaamste bisschop van een kerkprovincie.
arcybiskup
noun
1. een hemelgeest in een rang boven een engel
archanioł
noun
1. een keizerlijke prins in het vroegere Oostenrijk-Hongarije
arcyksiążę
noun
1. adellijke titel, vrouw van een aartshertog
  1. arcyksiężniczka
  2. arcyksiężna
noun
archiprezbiter
noun
1. bepaald soort vaste waterplant, Myriophyllum spicatum
wywłócznik kłosowy
noun
1. onzekerheid, twijfel, weifel
wahanie
noun
padlinożerca
/'as.xir/
noun
  1. 2. iemand die profijt probeert te halen uit de tegenslag van iemand anders
    sęp
  2. 1. bepaald soort roofvogel, Neophron percnopterus
    sęp kasztanowaty
/ˈɑbɑkʏs/
noun
  1. 1. raam met staven
  2. 2. dekplaat van een kapiteel
abakus
/a.bɑ.ˈtwaːr/, /ɑ.bɑ.ˈtβ̞ar/
noun
1. een bedrijf waar dieren geslacht worden
  1. rzeźnia
  2. ubojnia
pronoun
1. West-Kaukasische taal gesproken in Rusland en Turkije
język abazyński
noun
1. het inkorten van een woord of een frase
skrót
noun
1. een ophoping van pus in het lichaam, daarbij een onnatuurlijke holte vormend
ropień
/ɑpˈxazis/
pronoun
1. een taal die in Abchazië gesproken wordt
  1. język abchaski
  2. abchaski
noun
abdykacja
/ɑbˈdɛɪ̯/, /ɑbˈdɛː/
noun
1. klooster met aan de leiding een abt of abdis
opactwo
/ɑbˈdɪs/
noun
1. bestuurster van een abdij.
  1. przeorysza
  2. opatka
/ˌɑbdoʊmiˈnaːɫ/
adjective
1. de onderbuik betreffend
  1. brzuszny
  2. abdominalny
noun
wegvoering
abdukcja
adjective
niet levend
abiotyczny
/ˌɑb.la.ˈtif/, /ˌɑb.la.ˈtiːf/
noun
1. de zesde naamval die onder meer de instantie aangeeft waarvan iets uitgaat of vertrekt
  1. ablatyw
  2. ablatiwus
/ˈɑb.laut/, /ˈɑp.lɔut/, /ˈɑp.lʌut/
noun
1. regelmatige, grammaticaal bepaalde klinkerwisseling
przegłos
adverb
1. ongewoon
nienormalny
/ɑbomɪˈnabəl/
adjective
bijzonder slecht
obrzydliwy
/ɑbɔ'ne/
noun
1. iemand die op iets geabonneerd is
  1. abonent
  2. abonentka
noun
abonament
/ɑbɔ'nerə(n)/
verb
1. een abonnement aangaan
  1. abonować
  2. zaabonować
  3. prenumerować
noun
morela
noun
1.
nieobecność
/ɑp'sɪnt/
noun
1. sterkedrank op basis van anijs
  1. absynt
  2. piołunówka
noun
bepaald soort plant, Artemisia absinthium
  1. bylica piołun
  2. piołun
/ɑpso'lysi/
noun
1. het vergeven van de zonden
absolucja
/ɑpso'lyt/
adjective
  1. 1. niet beschouwd in betrekking tot iets soortgelijks
  2. 2. volledig, volkomen
  3. 3. beslist, zeker
  4. 4. geheel onafhankelijk en zonder binding met iets of iemand anders
absolutny
/ɑpsɔr'berə(n)/
verb
  1. wchłaniać
  2. absorbować
noun
absorpcja
noun
abstynencja
/ɑp'strɑksi/
noun
1. een begrip dat los staat van de dagelijkse werkelijkheid
abstrakcja
verb
1. concretiseren
abstrahować
/ɑpsʏrt/
adjective
1. erg onlogisch, belachelijk
  1. absurd
  2. bzdura
/ɑb/, /ɑpt/
noun
1. het hoofd van een abdij
opat
/aˈbœys/
noun
pomyłka
adjective
abisalny
noun
plant uit het geslacht Acacia
akacja
noun
  1. akademia
  2. uczelnia
noun
akant miękki
noun
tak van de zoölogie die zich bezighoudt met de studie van mijten en teken
acarologia
noun
1. de manier waarop iemand de klanken uitspreekt
akcent
/ɑksiˈdɛnt/
noun
1. ongeval, ongeluk
wypadek
adjective
przypadkowy
noun
1. belasting die direct geheven wordt bij de aan- en verkoop van verbruiksgoederen
akcyza
verb
1. aan een andere omgeving wennen
  1. aklimatyzować
  2. aklimatyzować się
noun
  1. 1. voorzieningen ten behoeve van ...
  2. 2. aanpassing
akomodacja
noun
1. een muziekinstrument waarbij door trekken en duwen een toon wordt geproduceerd
akordeon
noun
1. iemand die zijn beroep maakt van het inrichten en controleren van boekhoudingen en administraties
  1. księgowa
  2. księgowy
noun
1. een toestel om elektriciteit op te slaan
akumulator
/ˌɑkusaˈtif/, /ˌɑkyzaˈtiːf/
noun
1. naamval voor het lijdend voorwerp
biernik
noun
1. bepaald soort plant, Malpighia emarginata
malpigia granatolistna
noun
1. een ester of zout afgeleid van azijnzuur
octan
/ˌɑsəˈtilxoˌlinə/, /ˌɑsəˈtiɫχoˌlinə/, /ˌɑsɛˌtylxoˈlin(ə)/
noun
1. een neurotransmitter die vooral betrokken is bij de impulsoverdracht van de zenuw naar de skeletspiercellen
acetylocholina
/ˌɑ.sə.ti.ˈlen/
noun
1. een verbinding van waterstof en koolstof met de samenstelling H₂C₂, die als gasvormige brandstof voor het vormen van hete vlammen gebruikt wordt
acetylen
/xxxx/
noun
1.
kwas acetylosalicylowy
pronoun
1. figuur uit de Griekse mythologie
Achilles
noun
1. kwetsbare plaats
  1. pięta achillesowa
  2. pięta Achillesa
cardinalNumeral
1. het getal 8
  1. osiem
  2. ośmioro
/ˈɑxtbaːn/
noun
1. een attractie met een karretje dat over een baan met bochten, stijgingen en dalingen rijdt
  1. kolejka górska
  2. rollercoaster
cardinalNumeral
1. het getal 38
trzydzieści osiem
cardinalNumeral
1. het getal 98
dziewięćdziesiąt osiem
cardinalNumeral
1. het getal 88
osiemdziesiąt osiem
cardinalNumeral
1. het getal 48
czterdzieści osiem
cardinalNumeral
1. het getal 58
pięćdziesiąt osiem
preposition
za
pronoun
1.
Pomorze Tylne
adverb
1. in de laatste of een van de laatste posities in een rangschikking, op een verder weg liggende plaats
za
noun
maruder
adjective
1. op deze wijze na elkaar
kolejny
noun
1. de indirecte oorzaak van actualiteiten
tło
/ˈɑxtərkɑnt/
noun
tył
/ˈɑxtərklɛɪŋkɪnt/
noun
1. het kind van iemands kleinkind
prawnuczka
/ˈɑxtərklɛɪ̯nzon/
noun
1. de zoon van iemands kleinkind
prawnuk
verb
1. dumpen, weggaan van, verlaten
  1. zostawiać
  2. pozostawiać
adjective
1. achterstand vertonend in de ontwikkeling
zacofany
/ɑxtər'na/
adverb
1. iemand of iets volgend
  1. poniewczasie
  2. potem
noun
1. een naam die van geslacht op geslacht en indien gewenst door het huwelijk overgedragen wordt
nazwisko
noun
1. stag aan achterkant van zeil boot naar de top van de mast
achtersztag
noun
1. een spiegel aan een auto of motorfiets waarmee men de situatie op de weg achter zich kan zien
lusterko wsteczne
/'ɑx.tər.vux.səl/
noun
1. een woorddeel dat achter de stam van een woord gevoegd wordt
przyrostek
adjective
do tyłu
noun
1. een vorm met acht hoeken
ośmiokąt
/ɑxt'ɦukəx/
adjective
1.
  1. oktagonalny
  2. ośmiokątny
/ˈɑxtˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 800
osiemset
noun
1. aanzien
szacunek
noun
ósmy
noun
1.
ósemka
noun
1.
pauza ósemkowa
cardinalNumeral
1. "18", het getal tussen zeventien en negentien
osiemnaście
ordinalAdjective
osiemnasty
noun
trądzik
noun
  1. 1. in de Rooms-katholieke Kerk een misdienaar die ouder is dan 16 jaar
  2. 2. aanhanger
akolita
pronoun
1. begripomschrijving
Aconcagua
noun
1. oude oppervlaktemaat
akr
noun
1. gymnast
akrobata
noun
akronim
/ɑkˈtør/
noun
1. persoon
aktor
noun
akcja
adjective
1. met iets bezig zijnde
aktywny
noun
grupa działania
noun
1. Scheikundig element
aktynowce
noun
1. Scheikundig element
aktyn
verb
1. werkzaam maken
aktywować
noun
1. iets waarmee men actief is
aktywność
noun
1. bedrijvende vorm
strona czynna
noun
1. vrouw
aktorka
noun
aktuariusz
/ɑktyˈwel/
adjective
aktualny
noun
1. een Chinese behandelingsmethode waarbij, ter genezing van een kwaal...
akupunktura
pronoun
Adam
/ˈadɑmzɑpəl/
noun
deel van het strottenhoofd bij de man
  1. jabłko Adama
  2. grdyka
noun
1. aanpassingsvermogen
adaptacja
noun
adapter
noun
  1. 1. gifslang
  2. 2. persoon
żmija
noun
nasięźrzał
noun
1. chemisch product
dodatki
adjective
1. toegevoegd
dodatkowy
noun
1. bevoorrechte groep personen
szlachta
noun
1. benaming voor sommige soorten grote roofvogels
orzeł
noun
orlica pospolita
/adəm/
noun
oddech
/ˈa.də.mə(n)/
verb
1. de voor het leven nodige lucht inzuigen en weer uitdrijven
oddychać
noun
1. door levende wezens ingezogen en uitgeblazen lucht
oddychanie
/a.de.'kʋat/
adverb
1. correct en passend bij het beoogde doel
adekwatny
noun
1. bloedvat met zuurstofarm bloed
żyła
/ɑtˈhezi/
noun
  1. 1. een vergroeiing van organen
  2. 2. onderlinge aantrekkingskracht tussen ongelijke moleculen zonder dat er sprake is van een chemische binding
adhezja
noun
1. een woordsoort dat wordt gebruikt om een eigenschap of hoedanigheid van een zelfstandig naamwoord te benoemen
przymiotnik
noun
1. een woordsoort dat wordt gebruikt om een eigenschap of hoedanigheid van een zelfstandig naamwoord te benoemen
przymiotnik
/ˌɑtminɪsˈtrasi/, /ˌɑtminɪsˈtratsi/
noun
1. de plaats waar gegevens zorgvuldig worden vastgelegd zodat ze later terug te vinden of te controleren zijn
administracja
verb
1. zorgvuldig vastleggen van gegevens zodat het later terug te vinden of controleren is
administrować
noun
1. opperbevelhebber van een oorlogsvloot
admirał
noun
1. de reciproke complexe impedantie
admitancja
noun
1. jeugdig persoon, puber
młodzieniec
verb
1. een kind aannemen
adoptować
noun
adopcja
verb
1. aanbidden, verafgoden, vereren
uwielbiać
noun
1. een hormoon en een neurotransmitter die wordt geproduceerd in de bijnieren en in sommige zenuwcellen
adrenalina
/aˈdrɛs/
noun
1. aanduiding van de plaats waar iemand woont of iets is gevestigd
adres
pronoun
1. randzee van de Middellandse Zee, gelegen tussen Italië en het Balkanschiereiland
Morze Adriatyckie
noun
1. een fenomeen dat optreedt aan het grensvlak van twee fasen, waarbij moleculen of atomen zich aan dit grensvlak hechten
adsorbcja
/a.ˈdu.ki.ˌbon/
noun
1. bepaald soort kleine, rode sojaboon, Phaseolus angularis
fasola adzuki
/ɑtˈfɛnt/
noun
1. een periode van vier weken voor Kerstmis    2. de tijd waarin de komst en wederkomst van Jezus Christus worden verwacht
adwent
noun
1. de kalender bestaat vaak uit een platte kartonnen doos waarin 24 genummerde vakjes zijn aangebracht
kalendarz adwentowy
noun
1. een aankondiging in een krant, reclameblad, tijdschrift ...
ogłoszenie
noun
1. een gegeven raad
  1. porada
  2. rada
/ɑtfiˈzerə(n)/
verb
1. raad geven aan
radzić
noun
1. raadgever, raadsman
doradca
noun
1. pleiter, verdediger in rechtszaken
adwokat
noun
1. de verzameling van alle advocaten
adwokatura
noun
aerodynamika
adjective
1.
aerobowy
/ˌæːroˈzol/, /ˌɛːroˈzɔɫ/
noun
2. scheikunde
  1. aerozol
  2. aerosol
adverb
1. op onregelmatige tijden
  1. czasami
  2. czasem
noun
1. het onvermogen te spreken
afazja
noun
1. een grafisch beeld
rysunek
noun
1. een geleidelijke betaling in termijnen
rata
/'ɑfbrak/
noun
1. afbreken, slopen
rozpad
noun
zejście
/ˈɑf.dɛ.kə(n)/, /ˈɑv.dɛ.kə(n)/
verb
1. iets over iets anders heen plaatsen
przykryć
/ˈɑfdelɪŋ/
noun
1. groep van werknemers die aan soortgelijke taken werken
wydział
noun
1. resultaat van het afdrukken
odcisk
verb
2. (op papier) weergeven d.m.v. een printer of een drukpers
wydrukować
noun
romans
verb
1. verbranden van overtollig gas via een hoge fakkel
spalanie gazów na pochodniach
verb
afiliować
noun
1. een gebonden morfeem dat aan een ander morfeem wordt toegevoegd om zo een nieuw woord te vormen
zrostek
noun
laweta
/ɑf.ˈxans/, /ɑf.ˈχans/, /ɑv.ˈɣaːns/
adjective
1. gerelateerd aan Afghanistan
afgański
/ɑf.ˈɣa.nɪ.ˌstɑn/, /ɑf.ˈχa.nɪ.ˌstɑn/, /ɑv.ˈɣa.nɪ.ˌstɑn/
pronoun
1. een land gelegen in Centraal-Azië.
Afganistan
/'ɑfxɔt/
noun
bożek
/ˈɑfxrɔnt/, /ˈɑfχrɔnt/, /ˈɑvɣrɔnd/
noun
1. een grote steile diepte
  1. czeluść
  2. otchłań
noun
zależność
noun
1. het uitspreken van een negatief oordeel over iets
dezaprobata
/'ʔɑfkulən/
verb
1. kouder worden
ochłodzić (sie)
noun
1. een proces waarbij de temperatuur geleidelijk lager wordt
  1. ochłoda
  2. ochłodzenie
adjective
1. komende van
pochodzacy (od)
verb
1. kortere versies voor veelgebruikte woorden of woordgroepen bedenken
skracać
noun
1. het inkorten van een woord of een frase
skrót
/ˈɑflat/
noun
1. een kwijtschelding van tijdelijke straffen die men zou moeten ondergaan na het sterven..
odpust
noun
  1. 2. een woord dat middels toevoeging van een voor-, in- of achtervoegsel gevormd wordt uit een ander
    derywat
  2. 3. een serie logisch uit elkaar volgende uitdrukkingen die laten zien hoe een bepaalde formule volgt uit definities en axioma's
    pochodna
verb
1. brengen naar en achterlaten op de plek van bestemming
dostarczyć
noun
1. elk onderdeel van een tv-serie dat op regelmatige tijden wordt uitgebracht of uitgezonden
odcinek
/ˈɑflop/, /ˈɑfloːp/
noun
1. einde
zakończenie
verb
1. ongemerkt luisteren naar de communicatie van anderen
podsłuchiwać
verb
1. iets tot voltooiing brengen
  1. skonczyć
  2. zakonczyć
verb
1. de sessie binnen een programma beëindigen
wylogować
noun
1. de ruimte die iets in beslag neemt
wymiar
noun
1. het minder worden
  1. spadek
  2. redukcja
noun
1. korte spreuk met een kernachtige boodschap
aforyzm
/'ɑfpɑsə(n)/
verb
1. nauwkeurig afmeten
odmierzyć
/ˈɑf.pɛr.sɪŋ/
noun
1. mensen onder voor de buitenwereld onzichtbare bedreiging zaken tegen hun wil laten doen
szantaż
verb
1. de hersenen ontdoen van woede
odreagować
pronoun
1. het continent ten zuiden van Europa, tussen de Indische en de Atlantische Oceaan.
Afryka
noun
1. benaming voor planten uit het geslacht Tagetes
aksamitka
/afriˈkaːns/
adjective
1. komende van of betreffende het continent Afrika
  1. afrykanerski
  2. afrykański
/afriˈkaːns/
pronoun
1. een van het Nederlands afstammende taal die wordt gesproken in Zuid-Afrika en Namibië
  1. afrykanerski
  2. Afrykanerski
noun
1.
afrodyzjak
verb
  1. 2. vervolmaken, afmaken
    kończyć
  2. 1. het vervangen van een getal met te veel decimalen door het meest dichtbije getal met het gewenste aantal decimalen
    zaokrąglać
verb
1. tot een einde brengen
znosić
noun
1. een begroeting bij het elkaar verlaten
pozegnanie
verb
1. afzonderen, uit de aanwezigheid van iets verwijderen
oddzielić
/ɑfsxɪldərə(n)/
verb
1. een meestal niet geheel terechte weergave van iets of iemand geven
portretować
/ɑfˈsxyu̯ələk/
adjective
okropne
/'ɑf.slœy.tə(n)/
verb
1. zorgen dat iets of iemand niet in, uit of door iets kan gaan, alle openingen dicht doen
zamknać
verb
1. ergens een stuk vanaf halen
odciać
noun
2. belofte van twee verliefde mensen om elkaar op een bepaalde tijd en plaats te ontmoeten
randka
verb
1. een onderling vergelijk vastleggen
umówić sie
verb
1. uit handen geven
odstapić
noun
potomek
/ˈɑfstɑnt/
noun
1. de ruimte die zich ergens tussen bevindt
odległość
noun
een toestel dat vanaf afstand een ander toestel bestuurt
pilot
verb
1. er een stempel opzetten
przesteplować
verb
1. ontdoen van stof
  1. odkurzać
  2. ścierać kurz
/ɑf/, /ɑft/
noun
1. een kleine zweer in de mond ten gevolge van een virus
afta
noun
1. de eerste trap vanuit de middencirkel bij het begin van speeltijd van een voetbalwedstrijd
  1. rozpoczęcie meczu
  2. rozpoczęcie spotkania
verb
  1. 2. verwijderen door te trekken
    odciągać
  2. 1. rekenkundige bewerking waarbij een getal met een getal verminderd wordt
    odejmować
/ˈɑftrɛkɪŋ/
noun
1. rekenkundige bewerking waarbij een getal van een ander getal afgetrokken wordt
odejmowanie
noun
1. onbruikbare resten die weggegooid worden
  1. śmieci
  2. odpad(y)
/ ˈɑfɑlə(n) /
verb
  1. 1. gewicht verliezen.
    chudnąć
  2. 4. vallen vanaf een hoger gelegen plek
    udpadać
/ˈɑfwɑxtə(n)/, /ˈɑfʋɑxtə(n)/, /ˈɑfʋɑχtə(n)/
verb
1. wachten op wat er gaat gebeuren
odczekać
noun
oczekiwanie
noun
zmywanie
/'ɑfwɑsə(n)/, /'ɑfʋɑsə(n)/, /'ɑfβ̞ɑsə(n)/
verb
[1] het schoonmaken van de vaat, zoals, messen, vorken, lepels, borden
zmywać
/ɑfwɛrəkɪŋ/
noun
2
wykończenie
adjective
1. niet op een bepaald tijdstip en plaats zijn
nieobecny
noun
1. het afwezig zijn op een bepaald tijdstip en plaats
nieobecność
adjective
1. elkaar vervangend
zmienny
verb
1. aangeven dat men niet gaat komen
odwołać
noun
1. iemand die iets naar een adres verzendt
nadawca
noun
  1. 1. een doorzichtige, maar soms ook opake variëteit van trigonaal kwarts...
  2. 2. een stenen voorwerp bestaande of vervaardigd uit agaat
agat
noun
1.
nierozłączka
/a.ˈɣɛn.da/, /a.ˈχɛn.da/
noun
1. een notitieboek waarin afspraken genoteerd worden
agenda
/aɤ'ɛntsxɑp/
noun
1. lokale vertegenwoording van een grotere organisatie
agencja
noun
1. elk van de toestanden, afhankelijk van druk en temperatuur, waarin een stof kan voorkomen
stan skupienia materii
noun
agnostycyzm
noun
1. iemand die ten aanzien van het bovennatuurlijke stelt dat dit niet te kennen valt
agnostyk
noun
agorafobia
noun
agresja
adjective
1. aanvallend
  1. agresywny
  2. agresywna
  3. agresywne
noun
  1. 1. de neiging tot agressie
  2. 2. het agressief zijn
agresywność
/aɣriˈmoni/
noun
1. benaming voor overblijvende, kruidachtige planten uit het geslacht Agrimonia
rzepik
noun
1. de landbouwkunde
agronomia
/a.ˈhɔrn/
noun
1. een boom of heester van het geslacht Acer.
klon
noun
syrop klonowy
noun
1. een virusziekte waarbij het natuurlijke afweersysteem van het lichaam steeds verder afgebroken wordt
AIDS
noun
1. beschermingssysteem in voertuigen
poduszka powietrzna
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noord-Rijnland-Westfalen, niet ver van Maastricht
Akwizgran
/'akər/
noun
2. vrucht van de eik
żołądź
noun
1. bepaald soort eenjarige plant, Stachys arvensis
czyściec polny
/ˈɑ.kər.ˌbo.tər.ˌblum/
noun
1. bepaald soort plant, Ranunculus arvensis
jaskier polny
noun
1. bepaald soort vaste plant, Cerastium arvense
rogownica polna
noun
1. bepaald soort plant, Rorippa sylvestris
rzepicha leśna
noun
1. bepaald soort plant, Lapsana communis
Łoczyga pospolita
noun
skrzyp polny
noun
powój polny
noun
1. bepaald soort eenjarige plant, Ajuga chamaepitys
dąbrówka żółtokwiatowa
noun
  1. 2. samenklank van drie of meer, verschillende tonen
    akord
  2. 1. overeenkomst
    zgoda
/ˌakusˈtik/
noun
1. de voortplanting van klank in een besloten ruimte en de ervaring die deze voortplanting ...
akustyka
pronoun
1. Braziliaanse deelstaat gelegen in de Regio Noordoost van het land. Hoofdstad is Maceio
Alagoas
noun
1. het niet kunnen spreken
alalia
noun
1. een noodsignaal, vaak in de vorm van een luid geluid of een knipperend licht, dat voor dreigend gevaar waarschuwt
sygnał alarmowy
/ɑˈlɑrmsiˌstem/
noun
1.
system alarmowy
/ɑɫbaˈneːs/
pronoun
1. taal die vooral in Albanië en Kosovo gesproken wordt
  1. albański
  2. język albański
/ɑlˈbaːni.jə/, /ɑɫˈbani.jə/
pronoun
1. een land in het westen van de Balkan, grenzend aan de Adriatische en de Ionische Zee en aan Griekenland, Macedonië, Kosovo en Montenegro
Albania
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Diomedeidae
albatros
noun
het ontbreken van pigmentkleurstof in de huid
albinizm
noun
album
noun
1. vroegere occulte wetenschap, waarin o.a. werd geprobeerd om goud en edelmetalen uit andere elementen...
alchemia
noun
1. elk van de verbindingen uiteen groep koolwaterstoffen die gekenmerkt zijn...
alkohol
adjective
1. alcohol bevattend
alkoholowy
noun
alkoholizm
adjective
1. met een verwaarloosbaar alcoholgehalte
bezalkoholowy
adverb
  1. 1. zo, op deze manier
    1. tak
    2. w ten sposób
  2. 2. volgens
    1. według
    2. zgodnie z
noun
Engels bier
ale
pronoun
1. keten van vulkanische eilanden in Alaska ,die zich boogvormig uitstrekt en een scheiding vormt tussen de Grote Oceaan en de Beringzee
Aleuty
/ˈɑlfa/
noun
1. een aanduiding of markering van "de eerste" van een reeks
alfa
noun
de lettertekens van een taal
  1. alfabet
  2. abecadło
adjective
1. gerangschikt volgens de letters van het alfabet
alfabetyczny
noun
1. ontkiemde zaden van luzerne
lucerna siewna
noun
1.
promieniowanie alfa
/ˈɑɫɣəbra/
noun
1. deel van de wiskunde dat zich bezighoudt met de betrekkingen van door letters...
algebra
noun
  1. ogólny
  2. powszechny
  3. generalny
/ɑl.ɣə.'rɛɪ̯.jə/, /ɑɫ.ɣə.'rɛː.jə/, /ɑɫ.χə.'rɛɪ̯.jə/
pronoun
1. een land in Noord-Afrika, officieel de Democratische Volksrepubliek Algerije
Algieria
adjective
1. Uit/afkomstig van Algerije
algierski
/ɑɫˈxiːrs/, /ɑɫˈɣiːrs/
pronoun
1. Hoofdstad van Algerije
Algier
noun
algorytm
adverb
1. in deze plaats
  1. tu
  2. tutaj
/ˈaː.liˌbi/
noun
1. het kunnen aantonen dat men elders was tijdens het zich voltrekken van een misdaad,...
alibi
noun
alimenty
/aˈlinija/
noun
paragraf
/ɑlk/
noun
1. bepaald soort zeevogel die veel op de zeekoet lijkt, maar een dikkere snavel heeft
alka krzywonosa
adjective
met betrekking tot alkali
zasadowy
noun
1. een stikstof bevattende plantenbase
alkaloid
noun
alken
noun
1. een kleine raamloze zijkamer, vaak gebruikt als slaapkamer
alkowa
pronoun
1. God in islamistisch of Arabische context
Allah
adjective
codzienny
/ɑl.ˈen/
adjective
1. zonder gezelschap
sam
noun
alegoria
/ɑ.ˈlɛl/, /ɑ.ˈlɛɫ/
noun
1. elk van de alternatieve uitvoeringen van een gen, die allemaal in homologe chromosomen op dezelfde plaats liggen
allel
indefinitePronoun
  1. wszystko
  2. wszyscy
/ˈɑlən/
cardinalNumeral
hoofdtelwoord
wszyscy
adjective
1. heel erg goed, helemaal goed
najlepszy
noun
1. stof die overgevoeligheid veroorzaakt
alergen
/ˌɑlɛrˈɣi/
noun
1. een reactie van het immuunsysteem op lichaamsvreemde stoffen (allergenen), die op zich helemaal niet schadelijk hoeven te zijn
  1. alergia
  2. uczulenie
adjective
1. overgevoelig
alergiczny
noun
wetenschap die allergieën bestudeert
alergologia
pronoun
1. een rooms-katholieke feestdag op 1 november ter gezamenlijke verering van alle heiligen van de Kerk
Wszystkich Świętych
indefinitePronoun
rózne
indefinitePronoun
1. al het mogelijke, de gehele verzameling of hoeveelheid zonder uitzondering
wszystko
noun
1. een bondgenootschap
  1. przymierze
  2. alians
noun
1. een grote krokodilachtige uit het geslacht Alligator
aligator
noun
1.
alofon
/ɑɫmɑxt/
noun
1. absolute macht, macht over alles
wszechmoc
adjective
wszechmocny
noun
almanach
noun
alni
noun
  1. wszechobecność
  2. omniprezencja
noun
1. haaruitval
alopecja
noun
benaming voor bloeiende, succulente planten uit het geslacht Aloe
aloes
noun
1. bepaald soort succulent, Aloe vera
aloes zwyczajny
noun
  1. 1. bepaald soort zoogdier Vicugna pacos
    alpaka
  2. 2. zilverkleurige metaallegering
    nowe srebro
pronoun
1. een gebergte dat Italië van de rest van Europa scheidt
Alpy
noun
1. bepaald soort overblijvende plant die te vinden is in de meeste Europese gebergtes, Pulsatilla alpina
sasanka alpejska
noun
sosna limba
noun
1. een van hout vervaardigd blaasinstrument met een lengte tot vier meter
róg alpejski
verb
1. sport waarbij men op ski's een heuvel of berg afdaalt.
narciarstwo alpejskie
noun
1. bepaald soort Zuid-Europese verdovende en bedwelmende overblijvende plant
mandragora lekarska
phraseologicalUnit
1. als de kat van huis is, dansen de muizen op tafel
gdy kota nie ma, myszy harcują
noun
ambrozja bylicolistna
conjunction
1. luidt een vergelijking in
jakby
adverb
1. als beleefde aandrang bij een verzoek of versterking bij een bevel
proszę
noun
1. lage vrouwenstem
alt
noun
1. offertafel voor godsdienstige plechtigheden
ołtarz
/ɑltərnaˈtif/
noun
1. een andere mogelijkheid of methode
  1. alternatywa
  2. alternatywny
adverb
  1. 1. op elk moment, blijvend
  2. 2. telkens opnieuw
  3. 3. in elk geval
zawsze
noun
altruizm
/ˈɑltfiˌjoːl/
noun
1. een muziekinstrument in de familie van de strijkinstrumenten, verwant aan maar groter en lager klinkend dan de viool
  1. altówka
  2. wiola
/alyˈminijʏm/
noun
1. scheikundig element met symbool Al en atoomnummer 13
  1. glin
  2. aluminium
noun
brązal
noun
ukleja
noun
1. een klier die enzymen afscheidt in de twaalfvingerige darm om de afbraak van zetmeel, vet en eiwitten te bevorderen
trzustka
conjunction
1. luidt een handeling in die in de tijd voorafgaat aan die van de hoofdzin
przed
adverb
znowu
/amɑl'ɣaːm/
noun
1. kwiklegering
amalgamat
noun
  1. 1. kleine bladverliezende loofboom, Amygdalus dulcis
    1. drzewo migdałowe
    2. migdał
  2. 1. eetbare pit van de amandelvrucht
    1. migdał
    2. migdałowiec
noun
drzewo migdałowe
noun
1. een mengsel van amandelen en suiker dat wordt gebruikt in o.a. gevulde speculaas en boterletters
marcepan
noun
wilczomlecz migdałolistny
noun
1. of 2. (zaden van) geslacht Amaranthus
szarłat
noun
1. een persoon die iets als hobby doet
amator
noun
1. vrouw die iets als hobby doet en dus niet beroepsmatig
amatorka
pronoun
Amazonka
noun
mrówka amazonka
adjective
1. volgens de methoden van het oude ambacht
rzemieślniczy
noun
1. de officiële vertegenwoordiging van de ene regering in de hoofdstad van de andere.
ambasada
noun
1. iemand die door de ene staat is aangesteld om deze staat bij een andere staat te vertegenwoordigen
ambasador
adjective
1. vol van de wens en het vertrouwen om iets te bereiken
ambitny
noun
1.
ambiwalencja
adjective
  1. urzedniczy
  2. urzedowy
noun
1. voertuig om gewonden of zieken van en naar het ziekenhuis te brengen
  1. ambulans
  2. karetka
adjective
1. in staat om te lopen
ambulatoryjny
pronoun
Ameland
noun
ameryk
/aˈmɪːriˌka/
abbreviation
1 en 2
Ameryka
noun
  1. 2. een inwoner van de Verenigde Staten van Amerika
  2. 1. een persoon die in Amerika woont
  1. Amerykanin
  2. Amerykanka
adjective
1. betreffende of komende van Amerika
amerykański
noun
1. vrouwelijke inwoner van Noord- of Zuid-Amerika
Amerykanka
noun
1. bepaald soort snelgroeiende boom, Quercus rubra
dąb czerwony
noun
1. bepaald soort plant, Mammea americana
mamea amerykańska
noun
1. bepaald soort struik, Hamamelis virginiana
oczar wirginijski
noun
1. bepaald soort plant, Prunus serotina
czeremcha amerykańska
noun
1. Ursus americanus, een zwarte berensoort die in Noord - Amerika leeft.
baribal
noun
1. een vaak prachtig violet gekleurde vorm van kristallijn kwarts, die kleine hoeveelheden titaan en ijzer bevat
ametyst
noun
1. in water en op land levend dier
  1. płaz
  2. amfibia
noun
1. een door de oude Grieken en Romeinen gebruikte buikige kruik met twee oren
amfora
pronoun
1. een taal die in Ethiopië gesproken wordt
amharski
pronoun
1. een taal die in Ethiopië gesproken wordt
amharski
noun
1. een organische verbinding die kan worden beschouwd afgeleid te zijn van ammoniak...
amina
noun
aminokwas
noun
1. een chemische verbinding van stikstof en waterstof
amoniak
noun
1. geheugenverlies
amnezja
noun
1. een verklaring dat afgezien zal worden van strafvervolging voor een bepaalde groep
amnestia
noun
1. lamsvlies, het binnenste der eivliezen van het embryo in het moederlichaam
amnion
noun
1. eencellige eukaryoot die van vorm kan veranderen door het uitsteken en intrekken van schijnvoetjes
  1. ameba
  2. pełzak
/a.'mɔrf/
adjective
1. niet geordened
amorficzny
/aˈmɔs/
pronoun
1. en 3. profeet en jongensnaam
  1. Amos
  2. Księga Amosa
noun
amplituda
noun
  1. 4. schenkkannetje voor wijn of water, gebruikt bij de mis
  2. 1. dichtgesmolten medicijnflesje, waarin steriele injectiestoffen worden afgeleverd
ampułka
verb
1. een lichaamsdeel chirurgisch verwijderen
amputować
noun
amper
noun
1. stroommeter
amperometr
noun
kapusta sitowata
/ɑmstər'dɑm/
pronoun
1. de hoofdstad van Nederland, gelegen in de provincie Noord-Holland
Amsterdam
verb
1. op aangename wijze een indruk op iemand maken, iemand doen (glim)lachen
bawić
adjective
1. met betrekking tot de darmuitgang van de mens
  1. analny
  2. odbytowy
noun
anachronizm
/ɑnakroˈnɪstis/
adjective
1. niet passend in de tijdsvolgorde of in de periode waarin het wordt gepresenteerd
anachroniczny
/anaˈkɔnda/
noun
1. zeer grote en zware wurgslang uit het geslacht Eunectes
anakonda
adjective
1. als gevolg van overgevoeligheid (allergie)
anafilaktyczny
noun
1. iemand die niet kan lezen of schrijven
analfabeta
noun
1. het voorkomen van mensen die niet kunnen lezen of schrijven
analfabetyzm
noun
1. een pijnstiller
analgetyk
noun
1. een overeenkomst tussen twee verschillende zaken die bijv. kan dienen als basis voor een bepaalde redenering of vergelijking
analogia
/ˌɑnəˈloːx/
adjective
  1. 2. tegenovergestelde van digitaal (geluidsopname, uurwerk)
  2. 1. overeenkomend met
analogowy
/ɑnɐ'liːzə/
noun
analiza
verb
1. gedetailleerd en nauwkeurig bekijken
analizować
noun
1. een vraaggesprek naar de ziektegeschiedenis
anamneza
noun
anamorfoza
noun
1. een vrucht van de ananasplant
ananas
noun
miechunka peruwiańska
noun
anarchizm
noun
anarchista
adjective
1. betrekking hebbend op anarchisme
anarchiczny
noun
anatomia
adjective
1. met betrekking tot de anatomie
anatomiczny
noun
1. een persoon die kennis draagt van de (menselijke) anatomie
anatom
pronoun
Andaluzja
pronoun
Andaluzja
adjective
1. niet deze
inny
cardinalNumeral
  1. półtora
  2. półtorej
adverb
odwrotnie
pronoun
Andy
noun
1. Cichorium endiva, een eetbaar eenjarig gewas dat nauw verwant is aan witlof
endywia
noun
czyściec (roślina)
pronoun
1. een kleine staat in Europa die grenst aan Frankrijk en Spanje
Andora
adjective
1. van/uit Andorra
andorski
noun
1. kruis van twee even lange, schuingeplaatste balken
krzyż świętego Andrzeja
noun
androgynia
noun
andrologia
pronoun
  1. 1. mythologische figuur
  2. 2. sterrenbeeld
Andromeda
/a.nɛg.ˈdo.tə/
noun
1. een amusant, kort verhaal
anegdota
noun
1.
anemia
/ɑnəmon/
noun
1. een plant van het geslacht Anemone
zawilec
noun
anestezja
noun
een medisch vakgebied
anestetyka
noun
1. het orgaan waarmee wespen, bijen en soortgelijke dieren steken
żądło
noun
1. leer van de Engelen
angelologia
noun
angiotensyna
noun
anglikanizm
noun
1. woord of uitdrukking overgenomen uit het Engels of gevormd naar Engels voorbeeld
anglicyzm
/ɑŋ.ˈ(g)ɣo.la/, /ɑŋ.ˈgo.la/
pronoun
1. een land in Zuidwest-Afrika, officieel de Republiek Angola grenzend aan...
Angola
noun
1. het gevoel dat er onheil of gevaar dreigt
  1. strach
  2. lęk
  3. niepokój
adjective
bojazliwy
pronoun
Anguilla
noun
1. bepaald soort schermbloemige plant, Pimpinella anisum
  1. anise
  2. anyż
noun
anion
noun
goździk
/ˈɑ.nʲər.re.voˌly.si/, /ˈɑ.ɲər.re.voˌly.tsi/
pronoun
1. geweldloze militaire staatsgreep
rewolucja goździków
noun
  1. 1. onderdeel van een vaartuig
  2. 2. muuranker
  3. 3. onderdeel van een uurwerk
kotwica
pronoun
1. meisjesnaam
Anna
/ˌɑnɛkˈsatsi/
noun
1. het verplicht of gedwongen toetreden tot een groep
aneksja
/ˌɑnɛkˈsɪːrə(n)/
verb
1. het toeëigenen van een grondgebied
anektować
/ɑny'lerə/
verb
1. iets afgelasten
  1. anulować
  2. unieważniać
noun
1-2 scheikunde + elektronica
anoda
noun
1. afwijking van organen
anomalia
adjective
1. naamloos
anonimowy
noun
1. naamloosheid
  1. anonimowość
  2. bezimienność
noun
1. magerzucht, eetstoornis
anoreksja
adjective
1. niet tot de koolstofverbindingen behorend
nieorganiczny
/a.nɔsˈmi/
noun
anosmia
noun
sardela
noun
  1. 1. tegenwerkend middel of orgaan
  2. 2. belangrijkste tegenspeler
antagonista
pronoun
1. het continent rond de zuidpool van de aarde
  1. Antarktyda
  2. Antarktyka
verb
2. een eerdere datum op een document schrijven dan die van de huidige dag
antydatować
noun
1. een vrij opgestelde elektrische geleider voor het uitzenden en/of ontvangen van elektromagnetische straling
antena
adjective
1. (medisch) wat ontsteking tegengaat
przeciwzapalny
adjective
1. wat overgevoeligheid tegengaat
przeciwalergiczny
noun
przeciwastmatyczny
adjective
1.
przeciwbakteryjny
noun
1. behandeling met geneesmiddelen die bacteriën doden
terapia antybiotykowa
noun
antybiotyk
noun
antychryst
noun
1. een stof die de bloedstolling vertraagt of tegengaat
antykoagulant
noun
środek antykoncepcyjny
noun
1. een methode van anticonceptie in de vorm van een pil, dat je niet zwanger wordt
pigułka antykoncepcyjna
/ˌɑntideprɛˈsivʏm/
noun
1. een middel tegen ziekelijke neerslachtigheid
antydepresant
adjective
1. wat de vorming van urine tegengaat
antydiuretyczny
noun
1. een tegengif
odtrutka
adjective
  1. 1. oud, maar waardevol
  2. 2. met betrekking tot de klassiek Grieks-Romeinse oudheid
antyczny
noun
1.
antyfonarz
noun
1. vers dat gezongen wordt als inleiding of afsluiting van een psalm
antyfona
noun
1. lichaamsvreemde afweeropwekkende stof
antygen
/ɑn.ˌti.(g)ɣ<sup>ʊ</sup>a.ɛn.bɑr.ˈbu.da/, /ɑn.ˌti.gwa.ɛn.bɑr.ˈbu.da/
pronoun
1. eilandstaat in het oostelijk deel van de Caribische Zee, op de grens met de Atlantische Oceaan
Antigua i Barbuda
noun
  1. przeciwciało
  2. antyciało
pronoun
1. eilandengroep in de Caribische Zee
Antyle
/ɑnti'lopə/
noun
1. een verzamelnaam voor slanke holhoornige hoefdieren die voornamelijk in Afrika leven
antylopa
noun
antymon
noun
1. stof die reacties tegengaat waarbij elektronen worden uitgewisseld
  1. antyutleniacz
  2. przeciwutleniacz
noun
1. negatieve gevoelens die men tegen iemand koestert
antypatia
noun
iemand met antisemitische denkbeelden
antysemita
/ˌɑntiviˈraɫ/
adjective
1.
przeciwwirusowy
adjective
1. tegengesteld van betekenis
antonimiczny
noun
1. woord met tegengestelde betekenis
antonim
/an.tra.ˈsit/, /ɑn.tra.ˈsit/
noun
1. een vorm aan steenkopl die hoge temperatuur heeft gehad
antracyt
noun
1. een infectieziekte die wordt veroorzaakt door de bacterie Bacillus anthracis
wąglik
noun
1. het eten van mensen
antropofagia
noun
antropologia
noun
antropolog
noun
antropomorfizm
/ˈantˌwɛrpə(n)/, /ˈɑntˌʋɛrpə(n)/, /ˈɑntˌβ̞ɛrpə(n)/
pronoun
  1. 1. een provinciehoofdstad in België
  2. 2. een Belgische provincie
Antwerpia
/ˈantwɛrps/, /ˈɑntʋɛrps/, /ˈɑntβ̞ɛrps/
adjective
1. van, uit, betreffende of als in Antwerpen.
antwerpski
/ˈɑnt.ʋɔːrt/
noun
1. de reactie op een vraag, van repliek voorzien
odpowiedź
noun
  1. automatyczna sekretarka
  2. sekretarka
/ˈɑnt.ʋɔːr.də(n)/
verb
1. het geven van een antwoord
  1. odpowiadać
  2. odpowiedzieć
noun
1. opening aan het eind van de endeldarm en aan het eind van het spijsverteringskanaal
odbyt
/aˈɔrta/
noun
1. de slagader die van het hart naar het lichaam, behalve de longen, loopt
aorta
noun
1. lusteloosheid
apatia
noun
2. internetsymbool @
małpa
noun
1. een eetlust opwekkende alcoholische drank die voor de maaltijd genuttigd wordt
aperitif
noun
1. onvolledige ontwikkeling van orgaan of lichaamsdeel
aplazja
noun
1. einde van de wereld, zoals beschreven in het Bijbelboek Openbaringen
apokalipsa
noun
1. wegval van slotklank
apokopa
adjective
1. niet als gezaghebbend erkend
apokryf
/ɑˈpɔstəl/
noun
  1. 1. leerling van Jezus
  2. 2. verkondiger van een nieuwe leer
apostoł
noun
  1. 1. afkappings- of weglatingsteken
    1. apostrof
    2. apostrofa
  2. 2. aanspreking van afwezige personen of zaken
    apostrofa
/apo'tek/
noun
1. plaats waar men geneesmiddel en en andere gezondheidsproducten kan kopen.
apteka
noun
  1. aptekarz
  2. farmaceuta
noun
1. een meetkundige term die zowel op een cirkel als een regelmatige veelhoek kan worden toegepast
apotema
noun
apoteoza
noun
1. toepassing
apka
pronoun
1. gebergte in het oostelijk deel van Noord-Amerika
Appalachy
noun
1. een door mensen gemaakt voorwerp dat is samengesteld uit verschillende onderdelen en een bepaalde functie heeft
urządzenie
/ɑ.ˈpɛl/, /ɑ.ˈpɛɫ/, /ˈɑ.pəl/, /ˈɑ.pəɫ/, /ˈɑpəɫ/
noun
1. vrucht
jabłko
noun
ocet jabłkowy
noun
1. boom waaraan appels groeien
  1. jabłon
  2. jabłoń
noun
1. een vruchtensap bereid uit appels
sok jabłkowy
/ˌɑpəlˈsin/
noun
1. Vrucht van de appelsienboom
  1. pomaranc
  2. pomarańcza
noun
1. gebak gevuld met stukjes vruchten van de appelboom
jabłecznik
noun
1. Campaea margaritaria
Ostrolot muszlowiak
noun
zapalenie wyrostka
/ɑplɔudi'serə/
verb
1. in de handen klappen om goedkeuring of bewondering te tonen
oklaskiwać
/ɑ'plɔus/
noun
1. geklap in de handen als teken van goedkeuring of bewondering
aplauz
/ɑˈprɪl/
noun
1. de vierde maand van het jaar
kwiecień
pronoun
Apulia
noun
nog uit te zoeken
akwarela
/ɑˈkʋariˌʲʏm/
noun
1. een bak met water waarin onderwaterflora en -fauna gehouden wordt.
akwarium
noun
1. grote bont gekleurde papegaai uit Zuid-Amerika
ara
noun
arabeska
/ɑ'rabis/
adjective
1. verwijzend naar de Arabische taal,cultuur,het alfabet of Arabië
arabski
/ɑ'rabis/
pronoun
  1. 2. een van het Aramitisch afgeleid alfabet dat gebruikt wordt voor het schrijven van het Arabisch,...
    arabski
  2. 1. een taal oorspronkelijk van het Arabisch schiereiland en de taal waarin de Koran...
    1. arabski
    2. arabszczyzna
pronoun
Arabia
noun
tak van de zoölogie die zich bezighoudt met de studie van de spinachtigen
arachnologia
pronoun
Aragonia
noun
1. energie die door een krachtbron geleverd wordt bij verplaatsing van een voorwerp
praca
noun
1. iemand die voor een loon handmatige arbeid levert
  1. robotnik
  2. robotnica
noun
1. onderdeel van het privaatrecht m.b.t. de normen die het recht op arbeid als sociaal grondrecht tot voorwerp hebben
prawo pracy
noun
pracownica
adjective
1. behorend tot of betrekking hebbend op een zeer oud tijdperk
archaiczny
/ˌɑr.xe.ˌjo.lo.ˈɣi/, /ˌɑr.xɛ.jo.lo.ˈɣi/, /ˌɑr.χe.ˌjo.lo.ˈχi/
noun
1. studie van de niet-geschreven overblijfselen van het verleden
archeologia
noun
archeolog
noun
archetyp
noun
archiwum
noun
1. een eilandengroep
archipelag
noun
1. iemand die gebouwen ontwerpt
architekt
noun
1. de bouwstijl van een gebouw
architektura
verb
1. iets geclassificeerd opslaan om het later gemakkelijk terug te vinden
archiwizować
adjective
arktyczny
pronoun
1. is de oceaan ten noorden van de continenten Azië en Noord-Amerika , waarin het grote ijsveld van de Noordpool ligt
Ocean Arktyczny
noun
1. bepaald soort grote massief zeezoogdier met een kolossale kop, Balaena mysticetus
wieloryb grenlandzki
noun
ar
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Orzeł
noun
1. roofvogel
orzeł
/ˌɑrɣɛnˈtɛɪ̯n/, /ˌɑrɣɛnˈtɛːn/, /ˌɑrχɛnˈtɛɪ̯n/
noun
1. iemand van Argentijnse komaf
Argentyńczyk
/ˌɑrɣɛnˈtini.jə/, /ˌɑrχɛnˈtini.jə/
pronoun
1. een Spaanstalig land in het zuiden van Zuid-Amerika tussen het Andesgebergte en de zuidelijke Atlantische Oceaan.
Argentyna
/ˈɑrɣɔn/
noun
1. een scheikundig element en kleurloos edelgas met het symbool Ar en het atoomnummer 18
argon
/ˌɑrɣyˈmɛnt/
noun
1. een aangevoerd feit in een discussie om een zienswijze te ondersteunen
argument
noun
aria
/arijaˈnɪsmə/
noun
1.
arianizm
noun
1. een persoon die lid is van de aristocratie
arystokrata
noun
1. een regeringsvorm waarbij de heerschappij in handen is van een kleine groep, de zogenaamde aristocraten
arystokracja
adjective
1. volgens de principes van een aristocratie
arystokratyczny
noun
1. onregelmatige hartslag
arytmia
/ɑrṃ/
adjective
  1. 1. weinig bezittend
  2. 2. beklagenswaardig
  1. biedny
  2. ubogi
/ɑrṃ/
noun
1. lichaamsdeel
  1. ramię
  2. ręka
/ɑrˈmen/, /ɑrˈmeːn/
noun
1. een inwoner van Armenië, of iemand afkomstig uit Armenië
  1. Armeńczyk
  2. Ormianin
/ɑrˈmens/, /ɑrˈmeːns/
adjective
1. betreffende Armenië of het Armeens
  1. ormiański
  2. armeński
/ɑrˈmens/, /ɑrˈmeːns/
pronoun
1. een taal die wordt gesproken in Armenië
  1. ormiański
  2. armeński
/ɑrˈmensə/, /ɑrˈmeːnsə/
noun
  1. Armenka
  2. Ormianka
pronoun
ludobójstwo ormian
/ɑrˈmeni.jə/, /ɑrˈmeːni.jə/
pronoun
1. een GOS-lidstaat in de Kaukasus (Gemenebest van Onafhankelijke Staten). Het is een van de weinige landen die niet aan zee liggen. Het grenst in het oosten aan Azerbeidzjan, in het westen aan Turkije en de Naxçivan-exclave (Azer.), in het noorden aan Georgië en in het zuiden aan Iran
Armenia
noun
podłokietnik
/ˈɑrəmude/
noun
1. de toestand waarin iemand leeft die zeer weinig middelen voor zijn levensonderhoud heeft.
  1. bieda
  2. ubóstwo
pronoun
Arnhem
adjective
  1. 1. met geurstof
  2. 2. voldoende aan de regel van Hückel
aromatyczny
noun
1. een aanhouding
areszt
noun
1. iemand die in hechtenis is genomen door de politie
aresztant
noun
1. document
  1. list gończy
  2. nakaz aresztowania
  3. arrest warrent
verb
1. van overheidswege in hechtenis nemen
aresztować
/ɑriveːrən/
verb
1. de bestemming bereiken
przybyć
adjective
arogancki
noun
arsen
noun
  1. 1. kunstvoorwerp of -product
  2. 4. een bewerkt voorwerp uit prehistorische tijd
  3. 5. een kunstmatig veroorzaakte misvorming; zelf toegebracht letsel
artefakt
adjective
1. met betrekking tot de arteriën
tętniczy
noun
  1. arterioskleroza
  2. miazdzyca naczyn
noun
artysta
noun
artystka
adjective
1. kunstmatig
sztuczny
/ɑrˈtiːkəl/
noun
4. staat voor een zelfstandig naamwoord, geeft de bepaaldheid aan en het woordgeslacht
artykuł
noun
1. het wapen dat vuursteun geeft aan de eigen troepen
artyleria
noun
1. de vlezige schutbladeren van de gesloten bloemknop worden als groente gegeten
karczoch
adjective
1. aanleg hebbend voor het maken van kunst
artystyczny
noun
1. gewrichtsontsteking
zapalenie stawów
noun
1. geneeskundige die bevoegd is een praktijk uit te oefenen
lekarz
/a.ˈru.ba/, /a.ˈry.ba/
pronoun
1. een eiland in het zuidelijke gedeelte van de Caraïbische Zee
Aruba
noun
    1. 2. lijn
    2. 1. centrale staaf
    oś
  1. 1. verbrandingsrest
    popiół
/ˈɑzbɑk/
noun
1. opvangbak
popielniczka
noun
1. verzamelnaam van een aantal silicaten met een vezelige structuur
azbest
noun
aseksualizm
adjective
1. vrij van ziektekiemen, kiemvrij
aseptyczny
noun
asfalt
noun
azyl
pronoun
1. hoofdstad van Turkmenistan
Aszchabad
pronoun
1.
Aszdod
pronoun
1.
Aszkelon
/ɑʃkə'nazi/
noun
1. Hoogduitse jood, jood afkomstig uit Midden- of Oost-Europa
aszkenazyjczyk
adjective
1. zonder sociaal besef
aspołeczny
noun
aspartam
noun
1. een kant of zijde
aspekt
noun
1. Asperagas officinalis, een plant waarvan de jonge scheuten geteeld worden als groente
szparag
noun
1. een middel tegen allerlei kwalen met als werkzame stof acetylsalicylzuur
aspiryna
noun
1. het opkomen voor jezelf zonder agressief over te komen
asertywność
verb
1. doen opgaan van een minderheidsgroep in een gevestigde gemeenschap
asymilować
noun
1. een persoon die ondersteunt
asystent
/ɑsɪsˈtɛntə/
noun
1. vrouwelijk persoon die ondersteunt
asystentka
/ˌɑsɪsˈteːrə(n)/
verb
1. een helpende hand bieden
asystować
verb
1. tot compagnon maken of nemen
  1. asocjować
  2. kojarzyć
noun
1. aanbod van producten
asortyment
noun
astat
noun
1. scheikundig element met symbool At en atoomnummer 85
astat
/ˈɑs.tə.ˌrɪs(x)/, /ˈɑs.tə.ˌrɪsk/
noun
1. typografisch symbool in de vorm van een sterretje
asterysk
noun
1. een klein vast hemellichaam dat net als een planeet om de zon draait
asteroida
noun
1. een ziekte die, door vernauwing van de luchtwegen, benauwdheid en hoestbuien veroorzaakt
astma
adjective
1. last hebbend van astma
astmatyczny
/ɑstrolo'gi/
noun
1. de leer die gebeurtenissen aan het hemelgewelf in verband brengt met gebeurtenissen op aarde
astrologia
noun
1. een beoefenaar van de astrologie
astrolog
noun
astrometria
/ˌɑstroˈnaʊ̯t/, /ˌɑstroˈnɔʊ̯t/, /ˌɑstroˈnʌʊ̯t/
noun
1. een Amerikaanse ruimtevaarder
  1. astronauta
  2. astronautka
noun
1. de wetenschap die de objecten in de ruimte bestudeert
astronomia
adjective
astronomiczny
noun
astronom
pronoun
1. een van de 17 autonome regio's van Spanje die in het noordwesten van het land ligt
Asturia
noun
1. eerste dag van de vastentijd
  1. Popielec
  2. Środa Popielcowa
adverb
asymetryczny
adjective
1. zonder ziekteverschijnselen
bezobjawowy
/a.sɪmp.ˈtot/
noun
1. een lijn die door een kromme of functie willekeurig dicht benaderd wordt, maar deze nooit raakt
asymptota
adjective
asynchroniczny
/atɑkˈsi/
noun
1. een onzekere gang bij het lopen
ataksja
noun
1. de werkruimte van een kunstenaar
atelier
pronoun
de hoofdstad van Griekenland
Ateny
/ˌa.te.ˈjɪsmə/, /ˌɑ.te.ˈjɪsmə/
noun
1. overtuiging dat goden niet bestaan
ateizm
/ˌa.te.ˈjɪst/, /ˌɑ.te.ˈjɪst/
noun
1. een persoon die niet gelooft in het bestaan van goden
  1. ateista
  2. ateistka
pronoun
1. mythologisch eiland
Atlantyda
pronoun
1. de tweede grootste oceaan op aarde, gelegen tussen Europa en Afrika enerzijds en Noord- en Zuid-Amerika anderzijds
Ocean Atlantycki
noun
1. anadrome vis die tot 4 meter lang en 250 kg zwaar kan worden, Acipenser oxyrinchus
jesiotre zachodni
noun
    1. 1. een boek dat geografische kaarten bevat
    2. 3. de bovenste wervel in de hals die het hoofd draagt
    3. 2. een verzameling van prenten, kaarten, afbeeldingen, tekeningen en dergelijke
    1. atlas
    2. dźwigacz
  1. 1. satijn
    atlas
/ɑtlet/
noun
1. iemand die grote prestaties op sportief gebied verricht
atleta
noun
sporttak waarin vooral lopen, springen en werpen aan bod komen
  1. lekkoatletyka
  2. atletyka
adjective
  1. atletyczny
  2. wysportowany
noun
  1. 1. een gasvormig omhulsel van een planeet of maan.
  2. 2. een stemming.
  3. 2. eenheid.
atmosfera
adjective
atmosferyczny
noun
atol
adjective
atonalny
noun
atom
noun
1. een bom waarvan de vernietigingskracht berust op het vrijkomen van energie door de splitsing van atomen
bomba atomowa
noun
  1. jadro atomu
  2. jądro atomowe
noun
zegar atomowy
noun
1. de massa van een atoom, uitgedrukt in de atomaire massa-eenheid u
masa atomowa
noun
1. de kernlading van een atoom
liczba atomowa
noun
  1. 2. centraal vertrek
    atrium
  2. 1. deel van het hart
    przedsionek
noun
1. verschrompeling van organen
  1. zanik
  2. atrofia
noun
uwaga
noun
1. houding
postawa
adjective
atrakcyjny
noun
4. tot het wezen (de entiteit) behorende eigenschap
atrybut
adjective
1. afwijkend van het gemiddelde
nietypowy
/obɛrˈʒinə/
noun
2. purperachtige, vlezige vrucht
  1. bakłażan
  2. oberżyna
noun
audio
adjective
1. zichtbaar en hoorbaar
audiowizualny
noun
kamień do zapalniczki
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Augsburg
/ʌuˈɣɵrk/, /ʌˈʝʏrk/
noun
1. kleine, in het zuur ingemaakte komkommer
korniszon
/aʊ̯.ˈɣʏs.tʏs/, /ɔʊ̯.ˈɣʏs.təs/, /ʌʊ̯.ˈχʏs.təs/
noun
1. de achtste maand van het jaar
sierpień
pronoun
1. een stad in Polen
Oświęcim
/aʊ̯ˈstraːlɪs/, /ɔʊ̯ˈstraːlis/, /ʌʊ̯ˈstralis/
adjective
1. van Australië
australijski
/aʊ̯ˈstraːli.jə/, /ɔʊ̯ˈstrali.jə/, /ʌʊ̯ˈstrali.jə/
pronoun
1. een soevereine staat gelegen tussen de Indische Oceaan en de Grote Oceaan (officieel het Gemenebest van Australië) met de officiële taal Engels
Australia
/aʊ̯ˈstraːli.jər/, /ɔʊ̯ˈstraːli.jər/, /ʌʊ̯ˈstrali.jər/
noun
1. een inwoner van Australië
Australijczyk
noun
autarkia
/oˈtør/
noun
1. persoon die aan de basis staat van een origineel geschreven werk
autor
adverb
autentyczny
/ʌuˈtɪsmə/, /ʌˈtɪsmə/
noun
1. ontwikkelingsstoornis
autyzm
/ʌuˈtɪstɪs/, /ʌˈtɪstɪs/
adjective
1. lijdend aan autisme
autystyczny
/ɑʊ̯to/
noun
1. voertuig met drie of meer wielen, een motor en een carrosserie
  1. samochód
  2. auto
noun
autobiografia
noun
1. een groot voertuig voor het vervoeren van een groot aantal passagiers
autobus
adjective
1. oorspronkelijk in een bepaald gebied thuishorend
  1. autochtoniczny
  2. autochtoński
noun
autokracja
adjective
autokratyczny
noun
1. handtekening van een beroemd persoon
autograf
noun
1. een toestel dat, eenmaal in werking gezet, zonder verdere tussenkomst een aantal handelingen verricht
automat
adjective
automagiczny
noun
1. zelfstandige handelingen en verrichtingen die gebeuren zonder zich dit bewust te zijn
automatyzm
adjective
  1. 1. niet bestuurd door de hand van de mens
  2. 2. vanzelfgaand
  3. 3. gedachteloos
automatyczny
verb
1. automatisch doen werken
automatyzować
noun
automatyzacja
noun
1. een bestuurder van een auto
kierowca
/aʊ̯.to.no.ˈmi/, /ɔʊ̯.to.no.ˈmi/, /ʌʊ̯.to.no.ˈmi/
noun
autonomia
/ˌʌʊtoˈnom/
adjective
1. op zichzelf staand
autonomiczny
noun
1. een lijkschouwing
autopsja
noun
1. de overheid
autorytet
noun
1. weg voor snelverkeer (dat sneller kan en mag rijden dan 60 km per uur), met gescheiden rijbanen en ongelijkvloerse kruisingen
autostrada
/ɑu̯ˈtri.sə/
noun
1. persoon die aan de basis staat van een origineel geschreven werk
autorka
pronoun
1. voormalige regio in Centraal-Frankrijk
Owernia
/'avatɑr/
noun
2. (informatica) een kleine afbeelding die een bepaalde gebruiker symboliseert
awatar
pronoun
1. een stad in Frankrijk
Awinion
/ɑvoˈkado/
noun
1. een tropische vrucht van de avocadoboom
  1. awokado
  2. smaczliwka
/ˌavoˈkadobom/
noun
1. immergroene boom uit Midden-Amerika die de avocadoperen voortbrengt
  1. awokado
  2. smaczliwka
noun
1. de periode van de dag waarin het nacht wordt
wieczór
noun
1. een maaltijd die 's avonds genuttigd wordt
kolacja
noun
1. verbod om zich op straat te begeven na een zekere tijd
godzina policyjna
noun
zmierzch
noun
1. iemand die graag het avontuur opzoekt
awanturnik
noun
1. een onderneming waarvan de uitkomst niet bij voorbaat vaststaat
przygoda
adjective
1. de as betreffend of volgend, behorend tot de as
osiowy
noun
1. een basisbegrip dat zonder bewijs aangenomen moet worden
aksjomat
noun
1. de titel van een hoge sjiitische geestelijke
ajatollah
pronoun
1. een Indiaanse taal die in Zuid-Amerika wordt gesproken
ajmara
/ˌazərbɛɪ̯ˈdʒan/, /ˌazərbɛːˈdʒan/
pronoun
1 en 2. Aziatisch land grenzend aan Rusland, Iran, Armenië en Georgië
Azerbejdżan
/aˈzeːri/, /aˈzɪːri/
pronoun
1. Turkse taal die door 22 miljoen mensen vooral in Azerbeidzjan, maar ook in Iran, Georgië en Turkije wordt gesproken
azerski
adjective
1. afkomstig uit of betreffend Azië
azjatycki
/aˈzɛɪn/, /aˈzɛːn/
noun
1. en 2. verdund azijnzuur verkregen door oxidatie van verdund alcohol om voedsel te bereiden
ocet
noun
sumak odurzający
noun
1. CH₃COOH
kwas octowy
/azimɵt/
noun
1. horizontale hoek
azymut
pronoun
1. een continent ten oosten van Europa
Azja
pronoun
1.
Lazurowe Wybrzeże
noun
1. een landinwaartse uitstulping van een zee of oceaan
zatoka
noun
1. een stapel bijeengebonden plantaardig materiaal zoals hooi of tabak
bela
adjective
1. in gereed geld, cash
w gotówce
/baːrt/
noun
1. gezichtsbeharing van de man
broda
noun
1. een alleen in India voorkomende zwarte aap met een kwastachtige staart en een opvallende grijze kraag
makak wanderu
noun
3. bepaald soort vogel, Panurus biarmicas
wąsatka
noun
1. voortplantingsorgaan van vrouwen waarin de vrucht zich ontwikkelt
macica
noun
1. smal en buisvormig gedeelte van de baarmoeder dat aan een kant in de vagina eindigt ...
szyjka macicy
noun
1. een vorm van kanker die zich in de baarmoederhals ontwikkelt
rak szyjki macicy
noun
1. stekelvinnige riviervis
okoń
/baːs/
noun
1. overste, leider, chef
szef
verb
1. gezellig praten over zaken van weinig belang
gadać
noun
babbit
noun
1. een mens in de allereerste fase van zijn/haar leven
niemowle
/ˈbebibɑt/
noun
1. kuip bedoeld om heel jonge kinderen in te wassen
wanienka
noun
bakteria
/bɑkteriɔfaɣ/
noun
1.
bakteriofag
noun
1. een wetenschap die zich bezighoudt met het bestuderen van bacteriën
bakteriologia
adjective
bakteriologiczny
noun
2. een van de drie taxonomische domeinen, Bacteria
bakterie
/bɑt/
noun
1. voorwerp waarin men zich wast met water
kapiel
verb
  1. 1. een bad nemen
  2. 3. in bad doen
kąpać
pronoun
1.
Baden-Baden
pronoun
1.
Badenia-Wirtembergia
noun
szlafrok
noun
1. een vertrek waar men zich kan wassen en verzorgen
łazienka
noun
1. kledij bedoeld voor het baden en zwemmen
  1. kostium kąpielowy
  2. strój kapielowy
/ˈbɑtˌkœy̆p/
noun
1. een waterreservoir waarin één of enkele personen zich kunnen wassen en baden
wanna
noun
1. een erg grote handdoek
recznik kapielowy
noun
ratownik
noun
1. een sport waarbij een shuttle met behulp van een racket over een net geslagen moet worden
badminton
noun
1. kledij bedoeld voor het baden en zwemmen
  1. kostium kąpielowy
  2. strój kapielowy
/bɑtplaːts/
noun
1. aan zee gelegen plaats waar mensen vaak gaan zwemmen
kąpielisko
/ba.ˈɣaːʃ/, /ba.ˈχa.zʲə/
noun
1. een verzameling van eigendommen
bagaż
noun
1. een aanhangwagen voor het vervoer van bagage
wagon bagazowy
verb
1. iets ernstigs onbelangrijk doen voorkomen
bagatelizować
/ba.ˈha.mas/, /ba.ˈɦa.mas/, /bɑ.ˈɦa.mas/
pronoun
1. een eilandengebied in het Caraïbische gebied
Bahamy
/ba.ˈrɛɪ̯n/, /bɑx.ˈrɛːn/, /bɑχ.ˈrɛɪ̯n/
pronoun
1. eilandstaat in de Perzische Golf en de Golf van Bahrein. Het ligt ingeklemd tussen Saoedi-Arabië in het westen en Qatar in het oosten en zuiden
Bahrajn
noun
1. een steekwapen bovenop de loop van een geweer
bagnet
noun
1. de linkerzijde als men vanop een schip naar de boeg kijkt
  1. bakburta
  2. bakbort
noun
bakelit
noun
1. deel van het baardhaar dat groeit vanaf de kaaklijnen tot aan de haargrens boven de oren.
baczki
verb
1. voedsel bij hoge temperatuur in een oven of pan verhitten, meestal met wat olie of boter.
piec
noun
1. iemand die brood en taarten bakt
piekarz
noun
een werkplaats waar men brood, koek, banket en dergelijke, bakt
piekarnia
pronoun
1. de hoofdstad van Azerbeidzjan
Baku
noun
1. speciaal geprepareerd papier dat in de oven gebruikt wordt om te bakken etenswaar niet aan de bakplaat of de bakvorm te laten kleven
papier do pieczenia
noun
1. rijsmiddel op basis van natriumbicarbonaat
proszek do pieczenia
noun
1. uit klei of leem gebakken steen
cegła
noun
  1. 1. een object in de vorm van een bol dat gebruikt wordt bij balspelen
    piłka
  2. 1. een danspartij
    bal
noun
1. een driesnarig Russisch tokkelinstrument
  1. bałałajka
  2. bałabajka
verb
1. evenwicht behouden om er niet vanaf te vallen
balansować
noun
  1. 1. evenwicht
    równowaga
  2. 2. een meetapparaat met twee armen (bedoeld om het verschil te kunnen meten)
    waga
pronoun
Baleary
/bɑlk/, /bɑɫk/
noun
  1. 1. deel van een constructie met een lengte die veel groter is dan de breedte en de hoogte in doorsnede
    belka
  2. 2. veelvlak met 6 rechthoekige zijvlakken, 8 hoekpunten en 12 ribben
    prostopadłościan
noun
1. een bouwkundig onderdeel
balkon
noun
ballada
noun
1. vervanging van de nuttige lading door iets dat voldoende weegt om een schip te stabiliseren
balast
noun
1. een artistieke dansvorm
balet
noun
1. een man die ballet danst
tancerz baletowy
noun
1. gedwongen verblijf elders dan waar men thuis is
banicja
noun
1. leer die de banen van projectielen bestudeert
balistyka
noun
1. een feestartikel bestaande uit een dun rubberen zakje dat met gas of lucht kan worden gevuld
balon
noun
1. een pen die de inkt met een bal of kogel op het papier overbrengt.
długopis
noun
1. een pen die met een bal of kogel de inkt op het papier overbrengt
długopis
noun
ocet balsamiczny
noun
balsam
verb
1. het prepareren van een stoffelijk overschot om het tegen ontbinding te beschermen
  1. balsamować
  2. zabalsamować
noun
1. een laag hekwerk dat een min of verheven standplaats omsluit
balaustrada
pronoun
1. de nationale taal van Mali
  1. bamana
  2. bambara
noun
1. een reuzengrassoort dat afkomstig is uit Azië
bambus
noun
pęd bambusa
adjective
1. gewoontjes, saai en voorspelbaar, weinig verheven of de zintuigen prikkelend
banalny
noun
1. een vrucht van de bananenboom
banan
noun
  1. 1. een van de Midden-Amerikaanse staten zoals Honduras, Nicaragua, El Salvador of Guatemala, eens zo genoemd vanwege de bananenindustrie die daar alles overheerste
  2. 2. een in politiek en economisch opzicht corrupt en instabiel land, dat bovendien vaak rijk is aan grondstoffen
republika bananowa
noun
  1. 1. ringvormige omhulling van iets anders, vooral dienend voor de uitwendige bescherming
    opona
  2. 3. groep muzikanten die een bepaald muzikaal repertoire ten gehore brengt
    1. zespół muzyczny
    2. grupa muzyczna
adjective
1. zonder zich bekommeren om enige normen of regels
rozpustny
noun
1. een schurk of misdadiger
bandyta
/ˌbɑŋ.(g)ɣə.la.ˈdɛʃ/, /ˌbɑŋ.lɑ.ˈdɛʃ/
pronoun
1. land in het zuiden van Azië dat ligt op het Indische subcontinent en grenst voor het grootste gedeelte aan India en voor een klein stukje aan Myanmar/Birma grenst
Bangladesz
noun
    1. 3. een financiële instelling
    2. 4. een ondiepte in het water
    3. 5. gebouw waarin een financiële instelling gevestigd is
    4. 6. een opslagsysteem voor gegevens of voorwerpen b.v. beeldbank, bloedbank, boekenbank, kennisbank, spermabank
    bank
  1. 1. een meubelstuk met zitplaats voor meer dan één persoon
    kanapa
noun
1. een betaalmiddel van papier
banknot
noun
1. een bakker die voornamelijk taarten, klein gebak en chocolade maakt
cukiernik
noun
1. een bedrijf dat zich toelegt op het vervaardigen van gebak, taart en andere lekkernijen
cukiernia
noun
1. iemand die financiële diensten verleent
bankier
noun
1. een rekening-courant bij een bank
konto bankowe
noun
1. toestand van iemand die niet in staat is aan zijn financiële verplichtingen te voldoen
upadłość
/ˈbɑnəlɪŋ/
noun
1. iemand die verbannen is
wygnaniec
noun
1. een kerkelijke straf
  1. anatema
  2. ekskomunika
noun
benaming voor dikstammige bomen uit droge, warme gebieden uit het geslacht Adansonia
baobab
noun
barbarzyńca
adjective
1. zonder beperkingen opgelegd door beschaafd gedrag
barbarzyński
/ˈbɑr.ba.ˌdɔs/, /ˈbɑr.be.ˌdɔs/
pronoun
1. een eiland in het Caribisch gebied, dat behoort tot de Bovenwindse Eilanden van de Kleine Antillen
Barbados
noun
1. bepaalde vissoort die voorkomt in de middenlopen van rivieren, Barbus barbus
brzana
noun
1. Een slaapmiddel in de vorm van een barbituurzuur verbinding
barbituran
pronoun
Barcelona
/bɑrt/
noun
1. middeleeuws dichter en zanger bij de Kelten
bard
verb
1. op de wereld brengen
urodzić
noun
Morze Barentsa
noun
1. plat hoofddeksel zonder klep
beret
noun
1. een mannenstem tussen bas en tenor
baryton
noun
bar
noun
1. iemand die achter de bar staat en drankjes voor de gasten inschenkt
barman
noun
1. een 17e eeuwse kunststroming die er naar streeft grootste, dramatische momenten en beweging uit te drukken
barok
/ˈbaroˌmetər/
noun
1. een instrument dat de luchtdruk meet
barometr
noun
1. adellijke titel, in rang tussen jonkheer en burggraaf
baron
noun
1. vrouwelijke baron
baronessa
noun
1. straatversperring die de doorgang door een straat onmogelijk maakt
barykada
verb
1. heftig breken of uiteenspatten
pęknąć
/bɑs/
noun
1. het instrument dat doorgaans de laagste stem speelt
bas
noun
płaskorzeźba
adjective
2. aan de basis liggend
podstawowy
noun
1. een mafisch vulkanisch stollingsgesteente dat gevormd wordt door de stolling van lava of magma
bazalt
noun
  1. 1. stof die een of meer hydroxylgroepen bevat en in een waterige oplossing OH-ionen afsplitst
  2. 2. ion of molecuul dat de neiging heeft een proton op te nemen
zasada
verb
bazować
/baˈsilikəm/
noun
1. een keukenkruid
  1. bazylia pospolita
  2. bazylia
noun
bazylika
noun
1. scholing voor kinderen van 4 tot 12 jaar
nauczanie poczatkowe
/ˈbazɪsxoɫ/
noun
1. een school voor lager onderwijs
szkoła podstawowa
/'bɑskən,lɑnd/
pronoun
  1. 1. geografische regio bij de Spaans-Franse grens
  2. 3. Spaanse autonome regio
  1. Baskonia
  2. Kraj Basków
noun
  1. 1. sport
  2. 2. bal
  1. koszykówka
  2. piłka koszykowa
adjective
  1. 1. met betrekking tot de Basken
  2. 2. met betrekking tot de Baskische taal
baskijski
pronoun
1. taal die wordt gesproken door de Basken
  1. baskijski
  2. język baskijski
noun
1. geurige rijstzaden
ryż Basmati
noun
  1. 1. contrabasspeler
  2. 2. baszanger
basista
abbreviation
1. continu voortgaande bas- en/of begeleidingspartij
  1. basso continuo
  2. bas cyfrowany
  3. bas generalny
  4. generałbas
noun
1. een kind dat niet geboren is uit een wettig huwelijk
bękart
noun
1. een fijn, doorschijnend weefsel dat gemaakt kan zijn van linnen, wol, katoen, zijde of zelfs kunstzijde
batyst
noun
1. een elektrotechnisch component waarin elektrische energie is opgeslagen
bateria
noun
1. eenheid van snelheid van informatieoverdracht van een datatransmissiekanaal (modem, telefoonlijn etc.)
bod
noun
1. een mineraal dat een belangrijk erts van aluminium vormt. Bauxiet bestaat voor een groot deel uit aluminiumoxide...
boksyt
noun
1. een aap met een korte staart en een vooruitstekende snuit
  1. bawian
  2. pawian
pronoun
1. stad in Zwitserland
Bazylea
noun
respirator
/'biːmən/, /bə'amən/
verb
1. bevestigen dat men het eens is met iets
potwierdzać
/bə.ʔˈɑnt.ʋɔːr.də(n)/
verb
1. de reactie op een vraag geven
odpowiadać
noun
Beat Generation
adjective
1. voorzien van een (lange) baard
brodaty
verb
1. van commentaar voorzien
komentować
noun
bekerel
/bɛd/, /bɛt/
noun
1. een meubel gemaakt om in te slapen
  1. łózko
  2. łóżko
interjection
5. uitspraak om waardering en erkenning te tonen in dagelijks gebruik
  1. dziękuję
  2. dzięki
  3. dziękujemy
/bə'darə(n)/
verb
1. tot rust komen
uspokajać się
noun
pościel
verb
1. iets over iets heen plaatsen zodat het niet zichtbaar is
pokryć
noun
1. een persoon die vraagt om geld zonder daar iets voor te doen
żebrak
verb
1. om een aalmoes vragen
żebrać
noun
pielgrzymka
noun
1. iemand die eten en of drinken brengt in een horecagelegenheid
słuzacy
noun
1. de groep van personen die eten en of drinken brengen in een horecagelegenheid
obsługa
noun
2. de zin of strekking
znaczenie
verb
wynosić
verb
1. iemand met een mogelijk gevaar confronteren
grozić
verb
1. iemand met kwade opzet in de waan brengen
oszukiwać
/bəˈdrɛɪ̯f/, /bəˈdrɛːf/
noun
1. organisatie, samenspel van mensen en middelen om producten en of diensten te leveren
przedsiębiorstwo
noun
1.1 Cimex lectularius, een parasitair insect
pluskwa domowa
/bek/
noun
1. stromend watertje
  1. potok
  2. strumyk
noun
1. zeldzaam visje dat inheems voorkomt in de Benelux, Lampetra planeri
minóg strumieniowy
noun
1. driedimensionaal kunstwerk
obraz
noun
1. een beoefenaar van de beeldhouwkunst
  1. rzeźbiarz
  2. rzeźbiarka
noun
  1. ekran
  2. monitor
/beːn/
noun
  1. 3. stof waaruit benen/botten bestaan
    kość
  2. 1. ledemaat waarop wordt gestaan en waarmee wordt gelopen
    noga
noun
1. een sponsachtige, rode substantie die zich in het binnenste van beenderen bevindt
szpik kostny
/beːr/, /bɪːr/
noun
  1. 1. groot viervoetig zoogdier uit de familie Ursidae
    niedźwiedź
  2. 1. mannetjesvarken
    knur
/beːst/
noun
1. dier
  1. bestia
  2. zwierze
/ˈbeːtʃjə/
noun
1. kleine hoeveelheid
troche
adjective
1. op een goede manier bekend staan
znany
noun
1. bepaald soort lijster, Turdus torquatus
drozd obrożny
verb
1. iets doen dat onjuist of verboden is
popełniać
noun
1. verlangen
  1. pożądliwość
  2. Życzenie
/bə.ɣə.ˈlɛɪ̯.də(n)/, /bə.ɣə.ˈlɛː.də(n)/, /bə.χə.ˈlɛɪ̯.də(n)/
verb
1. vergezellen
akompaniować
noun
1. personen die iemand vergezellen of bewaken
akompaniament
/bəˈχɪn/
noun
1. het eerste deel
początek
verb
1. aanvangen
zaczynać
noun
punkt wyjścia
noun
1. regel waar je je in ieder geval aan wilt houden
zasada
noun
1. de snelheid die een voorwerp aanvankelijk bezit
predkość poczatkowa
noun
1. (plantk.) Begonia, een geslacht bloeiende planten uit de begoniafamilie
begonia
noun
1. een plaats waar overledenen begraven liggen
cmentarz
noun
1. een ceremonie waarbij een overledene in een kist aan de aarde wordt toevertrouwd
pogrzeb
verb
2. een overledene begraven
  1. chować
  2. grzebać
adjective
zrozumiały
/bə.χrɛɪ.pə(n)/
verb
1. met het verstand vatten
rozumieć
noun
1. het verstaan of begrijpen van iets
pojęcie
verb
1. bij de ontmoeting een teken van erkenning en welwillendheid geven aan iemand
pozdrawiać
noun
1. het erkennen van elkaars aanwezigheid wanneer men elkaar ontmoet
pozdrowienie
/bəˈɣrotɪŋ/
noun
1. raming van de te maken uitgaven voor de komende tijd
budżet
/beˈɦaː/
noun
1. een kledingstuk voor vrouwen dat de borsten ondersteunt
  1. biustonosz
  2. stanik
verb
1. een diploma of certificaat verwerven
uzyskiwać
preposition
1. met uitzondering van
oprócz
verb
  1. 3. medisch verzorgen
  2. 2. bespreken, spreken of schrijven over
traktować
noun
2. een handeling gericht op herstel
leczenie
noun
1. ter versiering op de muur aangebrachte papieren bedekking
tapeta
verb
1. het bedekken van wanden met een laag papier
tapetować
/bə'her/
noun
1. het beheren van, de zorg en verantwoording voor eigendommen van derden
zarzad
noun
1. een persoon om een bepaald geheel te regelen en te onderhouden of dit beroep
  1. administrator
  2. zarządca
/ˈbə'huftə/
noun
1. iets wat benodigd is
potrzeba
/bəˈhuvə(n)/
verb
  1. 1. moeten
    musieć
  2. 2. nodig hebben
    potrzebować
verb
2. onderdeel uitmaken van wat gebruikelijk is of tot de fatsoensnormen gerekend wordt
nalezeć
adjective
1. iets niet verliezen
zachować
cardinalNumeral
1. alle twee
  1. oba
  2. obydwa
pronoun
Bawaria
adjective
  1. beżowy
  2. beż
/bɛɪrut/
pronoun
1. hoofdstad van Libanon
Bejrut
noun
1. een scherp stuk gereedschap met een wigvormige snede
dłuto
adjective
stary
adjective
1. vertrouwd
znany
verb
1. openbaar maken
ogłosić
verb
1. toegeven
przyznać
verb
1. tot een bepaald geloof overhalen
nawracać
noun
1. het (doen) overgaan van iemand tot een bepaald geloof.
konwersja
noun
1. een boete die wordt opgelegd voor het overtreden van een wet
mandat
/bə.ˈkɛɪ̯.kə(n)/, /bə.ˈkɛː.kə(n)/
verb
1. ergens naar kijken
ogladać
noun
2. gebeente tussen beide heupen
miednica
verb
1. ontevredenheid uiten, klachten indienen
  1. narzekać
  2. skarżyć się
adjective
1. tot het belangrijkste en noodzakelijkste teruggebracht
zwięzły
/bəˈkopə(n)/
verb
1. iets ~ met een prijs ergens voor betalen
zapłać
verb
1. kritiek uiten op iets of iemand
krytykować
verb
1. belonen voor uitmuntendheid
ukoronować
/bəˈlɑɣələk/, /bəˈlɑχələk/
adjective
1. lachwekkend, om uit te lachen
śmieszny
noun
1. iets wat belangrijk is voor een persoon
wazność
/bəˈlɑŋəlos/
adjective
2. uit liefdadigheid
bezinteresowny
noun
1. de tegengestelde mening over wat belangrijk is
konflikt interesów
noun
1. iemand die ergens belang bij heeft
zainteresowany
adjective
1. van grote betekenis
ważny
noun
1. bereidheid en verlangen aandacht aan iets te schenken
zainteresowanie
noun
1. door de wet gedwongen betaling aan de overheid zonder individuele tegenprestatie
podatek
noun
1. iemand die wettelijk verplicht is om belastingen te betalen
podatnik
verb
1. nare opmerkingen maken tegen of over een persoon
  1. obrazić
  2. obrażać
noun
1. een krenking van iemands gevoel van eer of eigenwaarde
  1. obraza
  2. zniewaga
  3. wyzwisko
adjective
1. van goede omgangsvormen getuigend
grzeczny
noun
1. een sociale vaardigheid, die de omgang in de maatschappij vergemakkelijkt.
grzeczność
/bəˈlɛx/
noun
1. langdurige uitsluiting van de buitenwereld door een vijandige strijdmacht
oblężenie
verb
1. met een leger omsingeld houden
oblegać
noun
1. een plan van aanpak voor het oplossen van problemen in de meest ruime zin
polityka
noun
1. leesteken bestaand uit drie puntjes (…)
wielokropek
/bɛlx/, /bɛɫx/, /bɛɫχ/
noun
1. een staatsburger van België
Belg
/ˈbɛl.ɣɪs/, /ˈbɛɫ.ɣis/, /ˈbɛɫ.χis/
adjective
1. met betrekking tot België
belgijski
pronoun
Kongo Belgijskie
/ˈbɛlɣijə/, /ˈbɛɫɣijə/, /ˈbɛɫχijə/
pronoun
Belgia
pronoun
1. de hoofdstad van Servië
Belgrad
noun
1. zichtbaar gemaakte vorm van een idee of begrip
wcielenie
/be.ˈliː.zə/
pronoun
1. een Midden-Amerikaans land, en grenst aan Mexico in het noordwesten en Guatemala in het zuiden en westen. Aan het oosten grenst het aan de Caribische Zee
Belize
noun
1. tandwalvis die doorgaans bij volwassenheid melkwit van kleur is, Delphinapterus leucas
białucha
noun
1. een ondelinge of schriftelijke verklaring waarin men iets belooft
obietnica
verb
1. een prestatie of goede daad met geld of anderszins erkennen
wynagradzać
noun
  1. nagroda
  2. wynagrodzenie
verb
1. toezeggen dat iets gedaan zal worden
  1. obiecywać
  2. obiecać
noun
1. de personen die het benodigde werk aan boord van een schip of vliegtuig verrichten
załoga
noun
1. een werknemer aan boord van een vlieg- of vaartuig
członek załogi
noun
1. de personen die het benodigde werk aan boord van een schip of vliegtuig verrichten
załoga
verb
1. het toevoegen van meststoffen aan de aarde
nawozić
verb
1. trachten overeenstemming tussen twee partijen tot stand te brengen
pośredniczyć
verb
  1. 2. zich bekommeren om iemand
    martwić się
  2. 1. zich inlaten met zaken waar men niets mee te maken heeft
    1. mieszać się
    2. wtrącać się
/bəmujləkə(n)/, /bəmujləkən/
verb
1. moeilijker maken
utrudniać
verb
1. iemand of iets nadeel toebrengen, iemand of iets schade toebrengen
faworyzować
noun
1. getalswaarde die voor een bepaald praktisch doel voldoende dicht in de buurt ligt van de exacte waarde van die grootheid.
przybliżenie
/bəˈnadrʏkə(n)/
verb
zaznaczyć
noun
nazwa
/ˈbɛn.də/
noun
1. een informeel georganiseerde groep mensen, meestal met kwade of misdadige motieven
  1. banda
  2. gang
preposition
na dole
pronoun
1. een taal die in Bangladesh en West-Bengalen gesproken wordt
bengali
/bəˈniu̯t/
adjective
1. reikhalzend uitziend naar iets
ciekawy
verb
1. wensen dat men zelf mocht hebben wat een ander heeft
zazdrościć
/be.ˈnin/, /ˈbe.nɪn/
pronoun
1. een land in Afrika dat in het westen aan Togo grenst, in het noordwesten aan Burkina Faso, in het noordnoordoosten aan Niger in het oosten aan Nigeria. In het zuiden ligt het aan de Golf van Guinee
Benin
verb
1. nodig hebben
potrzebować
verb
nazwać
noun
benzen
/bɛn'zinə/
noun
1. een aardolieproduct bestaande uit een mengsel van alifatische koolwaterstoffen...
benzyna
verb
1. tot een oordeel komen over iets
  1. oceniać
  2. osądzić
/bə.ˈʔoːr.de.lɪŋ/, /bə.ˈʔo̝ːr.de.lɪŋ/
noun
ocena
verb
  1. 2. vaststellen, voorschrijven, regelen
  2. 3. beslissend beïnvloeden
ustalać
verb
1. een verminderde reikwijdte geven
ograniczać
/bə.ˈpɛr.kɪŋ/
noun
1. iets dat ervoor zorgt dat de mogelijkheden beperkt worden
ograniczenie
adjective
1. verminderd, met specifieke grenzen
ograniczony
noun
1. overweging, overleg
narada
adjective
1. akkoord gaand, instemmend: bereid tot actie
gotów
verb
1. het klaarmaken van bijvoorbeeld een maaltijd
przygotować
noun
1. de afstand die afgelegd kan worden
zasieg
adjective
  1. dostepny
  2. osiagalny
/bə'rɛɪkən/
verb
te controleren vertalingen
osiągać
verb
1. door rekenen iets bepalen
  1. policzyć
  2. obliczyć
/bə.ˈre.kə.nɪŋ/
noun
1. een numerieke uitwerking ergens van
  1. kalkulacja
  2. obliczenie
/bɛrx/
noun
  1. 1. hoge terreinverheffing
  2. 2. een grote hoeveelheid
góra
adjective
1. met bergen
górzysty
noun
1. iemand die zich toelegt op het alpinisme
  1. wspinacz
  2. alpinista
noun
1. Tadorna tadorna, een forse bijna gansachtige eend
ohar
noun
1. een lager
przełecz
/ˈbɛrxpik/, /ˈbɛrχpik/
noun
1. de piek van een berg
szczyt
noun
1. ziekte veroorzaakt door een tekort aan vitamine B1 (thiamine)
beri beri
noun
1. overgebrachte korte communicatie, meestal over een recente gebeurtenis
wiadomość
verb
1. van nieuws voorzien over iets
zawiadamiać
noun
beryl
noun
1. vrouwelijk dier van de berenfamilie, Ursidae
  1. niedzwiedzica
  2. niedźwiedzica
pronoun
1. de zeestraat tussen de Grote Oceaan en de Noordelijke IJszee
Cieśnina Beringa
pronoun
1. is de zee in het noordelijk deel van de Grote Oceaan
Morze Beringa
/bɛrk/
noun
1. een katjes dragende loofboom met witte bast
brzoza
noun
berkel
pronoun
  1. 1. de hoofdstad van Duitsland
  2. 2. een duitse deelstaat
Berlin
noun
2. een van de drie in de Benelux inheemse modderkruipers, Barbatula barbatula
  1. sliz
  2. sliz pospolity
  3. sliz syberyjski
pronoun
1. eilandengroep in de Atlantische Oceaan
Bermudy
pronoun
1. de hoofdstad van Zwitserland
Berno
/bə'rumt/
adjective
1. onder velen bekend en bewonderd
  1. sławny
  2. słynny
noun
1. een bezigheid waarmee men de kost verdient
zawód
noun
1. de plicht om te zwijgen over feiten en gegevens van derden, die iemand bij het uitoefenen van zijn beroep te weten is gekomen
tajemnica zawodowa
adjective
kiepski
noun
1. een acute beschadiging van de hersenen die veroorzaakt wordt door een bloeduitstorting in de hersenen
udar
noun
1. een toestel dat rook produceert waarmee de imker zijn bijenvolk rustig kan houden
podkurzacz
/bəˈrilijʏm/
noun
1. een chemisch element en een donkergrijs aardalkalimetaal
beryl
/bɛs/
noun
1. kleine vrucht
jagoda
adverb
1. vol met de neiging zich te verbergen voor anderen
zawstydzony
verb
1. het toebrengen van schade
uszkodzić
/bə.ˈsxa.vɪŋ/, /bə.ˈsχa.vɪŋ/
noun
1. de complexe maatschappij waarin veel van de mensen in steden leven en hun voedsel door middel van landbouw verkrijgen
cywilizacja
/bə'sxɛi(d)ə/
adjective
1. geen te hoge verwachtingen van zichzelf hebbend
skromny
noun
skromność
verb
1. er zo goed mogelijk voor zorgen dat er niets verkeerd gebeurt
chronić
/bə.ˈsxɛr.mɪŋ/, /bə.ˈsχɛr.mɪŋ/
noun
1. een beveiliging
ochrona
/bə'sxɪkbar/
adjective
1. waarover beschikt kan worden
dostępny
noun
1.e mogelijkheid om, indien nodig te kunnen beschikken over mensen, diensten of hulpmiddelen
dostępność
adjective
1. onderhevig aan schimmelgroei
zagrzybiony
verb
1. in woorden uitdrukken
opisywać
/bə.ˈsrɛɪ̯.vɪŋ/, /bə.ˈsxrɛɪ̯.vɪŋ/, /bə.ˈsxrɛː.vɪŋ/
noun
1. een op schrift gestelde kenmerken van iets of iemand
opis
noun
1. een persoon die de schuld heeft gekregen van iets
oskarzony
/bə.ˈsxʏl.di.ɣɪŋ/, /bə.ˈsxʏɫ.də.ɣɪŋ/, /bə.ˈsχʏɫ.də.χɪŋ/
noun
1. het aangeven dat iemand iets moreel of gerechtelijk verkeerds heeft gedaan
oskarżenie
verb
1. het reëel bewust worden van iets
zdać sobie sprawę
verb
2. een paard van een hoefijzer voorzien
podkuwać
noun
2. vloeibaar deeg
ciasto
verb
1. vaststellen wat er gaat gebeuren
decydować
/bə.ˈslɪ.sɪŋ/
noun
decyzja
verb
1. vaststellen hoe het moet
decydować
/bə'smɛtələk/
adjective
1. het vermogen hebbend gemakkelijk van persoon op persoon overgedragen te worden
zakaźny
verb
1. blootstellen aan een ziektekiem, gif of radioactief materiaal
zakażać
verb
1. de voorhuid van de penis wegsnijden
obrzezać
/bəˈsnɛidənɪs/
noun
obrzezanie
verb
  1. 1. minder van iets gebruiken of verbruiken
  2. 2. minder geld uitgeven, bezuinigen
oszczedzać
verb
1. muziek maken op een muziekinstrument
grać
/bə.ˈspre.kɪŋ/
noun
1. een mondeling overleg
dyskusja
verb
1. druppels van een vloeistof ergens over strooien
pokropić
pronoun
Besarabia
verb
  1. 1. daadwerkelijk in het universum voorkomen
    istnieć
  2. 2.~ uit samengesteld zijn uit bepaalde delen
    składać
noun
1. een verzameling van gegevens die een eenheid vormen
plik
noun
1.
sztućce
verb
1. iemand iets wederrechtelijk ontnemen
okraść
verb
1. afspreken dat goederen of diensten geleverd zullen worden
  1. zamawiać
  2. zamówić
/bə.ˈstɛ.lɪŋ/
noun
1. een verzoek of opdracht om diensten of goederen te leveren
zamówienie
verb
1.
przeznaczać
verb
ukarać
verb
1. aan straling blootstellen
naświetlić
verb
1. de strijd aanbinden met iets of iemand
zwalczać
verb
1. je er grondig in verdiepen
studiować
noun
zapylenie
verb
  1. 1. zorgen dat [een toestel] de gewenste taken uitvoert
  2. 2. het vervullen van regeringstaken over een gebied of organisatie
kierować
noun
1. een geheel van systeemapplicaties dat de uitvoering van andere programma's bestuurt
system operacyjny
noun
1. de leiding van een organisatie, de verzameling managers
zarząd
/bəˈstyrdər/
noun
1. een persoon die een voertuig of andere machine bestuurt
  1. kierowca
  2. szofer
/bə.ˈtaː.lə(n)/
verb
1. geld (of andere zaken) geven aan iemand om de kosten te voldoen
płacić
/bə.ˈta.lɪŋ/
noun
1. het onderhandigen of overboeken van geld in ruil voor goed of dienst
  1. wypłata
  2. zapłata
verb
1. ergens voor staan
  1. znaczyć
  2. oznaczać
noun
1. wat iets betekent, waar iets voor staat
znaczenie
/ˈbe.tɔɫ.ˌχø.zə/, /ˈbe.təl.ˌɣø.zə/, /ˈbe.təɫ.ˌɣø.zə/
pronoun
1. de één na helderste ster in het sterrenbeeld Orion, na Rigel
Betelgeza
pronoun
1. stad in Judea, bekend als de geboorteplaats van Jesus
Betlejem
noun
protestujący
verb
1. gaan over, als onderwerp hebben
dotyczyć
adjective
1. waar het over gaat
dotyczacy
preposition
1. over
dotyczace
verb
1. leedwezen tonen over iets
żałować
/bətrørən'swardəx/
adjective
1. waard betreurd te worden
godny pożałowania
verb
watpić
noun
  1. 1. boomsoort
    buk
  2. 3. lange smalle centrale hal van een kruiskerk
    nawa
/bøːl/
noun
1. uitvoerder van lijfstraffen
kat
noun
  1. 1. het beursgebouw waar aandelen gekocht en verkocht worden
    giełda
  2. 2. een houder voor munten en biljetten
    1. portmonetka
    2. giełda
  3. 3. toelage voor iemand die studeren wil
    stypendium
  4. 4. bijeenkomst waar producenten van een bepaald vakgebied meest nieuwe producten tentoonspreiden
    targi
/bøːrt/
noun
1. gelegenheid of opdracht die bewust telkens aan een andere persoon uit en groep gegeven wordt
kolej
adjective
1. breed, diep en stromingsarm genoeg om bevaren te worden
spławny
verb
1. iets als aangenaam ervaren
podobać sie
verb
1. omvatten, in zich sluiten
zawierać
verb
1. er zo goed mogelijk voor zorgen dat er niets verkeerds gebeurt
chronić
/bə.ˈvɛɪ̯.lə.χɪŋ/, /bə.ˈvɛɪ̯.lɪ.ɣɪŋ/, /bə.ˈvɛː.lə.ɣɪŋ/
noun
1. de genomen maatregelen die er zo goed mogelijk voor zorgen dat er niets verkeerds gebeurt
ochrona
noun
1. verplicht uit te voeren opdracht zonder enige tegenspraak.
rozkaz
verb
1. hard en heftig trillen
drżeć
noun
1. benaming voor zoogdieren uit het geslacht Castor
bóbr
noun
1. Myocastor coypus, een schadelijk knaagdier, leeft vooral in moerassige omgeving
nutria
verb
1. zeggen dat iets is zoals gevraagd is of verondersteld wordt
potwierdzać
/bə.ˈvɛs.ti.ɣɪŋ(g)/, /bə.ˈvɛs.tə.ɣɪŋ/, /bə.ˈvɛs.tə.χɪŋ/
noun
1. het bevestigen, het mededelen aan iemand dat iets is zoals gevraagd is of verondersteld wordt
potwierdzenie
verb
2. op een bepaalde plaats zijn
znajdować się
adjective
kompetentny
noun
1. alle inwoners van een bepaald land, staat of gebied gerekend
  1. liczba ludności
  2. ludność
adjective
1. waar volk zich bevindt
  1. populated
  2. zaludniony
verb
  1. 1. een hogere rang verlenen aan iemand
  2. 2. aanmoedigen, promoten
awansować
/bə'vrizə(n)/
verb
1. door afkoeling in vaste toestand komen
zamarzać
/bə.ˈvri.zɪŋ/
noun
1. door blootstelling aan temperaturen beneden het vriespunt aan ijsvorming onderhevig zijn
zamarzniecie
noun
1. persoon die andere bevrijdt
wyzwoliciel
/bə.ˈvrɛɪ̯.dɪŋ/, /bə.ˈvrɛː.dɪŋ/
noun
1. het vrij maken van mensen die gevangen gehouden of onderdrukt worden
wyzwolenie
adjective
1. door afkoeling in vaste toestand gekomen; volledig met ijs bedekt
zamarzniety
verb
1. vuil maken; verontreinigen
brudzić
noun
1. handeling waarbij men een goed van een ander ter bewaring aanneemt onder teruggaveverplichting
  1. depozyt
  2. umowa przechowania
noun
1. een persoon die toezicht houdt op de veiligheid van iets of iemand
straznik
/bə.ˈwaː.pə.nə(n)/
verb
  1. 1. iemand van wapens voorzien
    uzbrajać
  2. 2. zich bewapenen
    uzbrajać się
/bə.ˈwa.pə.nɪŋ/, /bə.ˈʋa.pə.nɪŋ/, /bə.ˈβ̞a.pə.nɪŋ/
noun
uzbrojenie
/bə.ˈweː.ɣə(n)/, /bə.ˈʋe.χə(n)/, /bə.ˈβ̞e.ɣə(n)/
verb
1. van plaats veranderen
  1. ruszać
  2. poruszać
/bə.ˈwe.ɣɪŋ(g)/, /bə.ˈʋe.χɪŋ/, /bə.ˈβ̞e.ɣɪŋ/
noun
  1. 1. in de staat verkeren waarin de locatie steeds verandert
  2. 2. van plaats/positie veranderen
  3. 3. een organisatie
ruch
verb
1. iets met stelligheid verklaren waarvan het voor anderen niet duidelijk is of het waar is
twierdzić
/bə.ˈwɛr.kɪŋ/, /bə.ˈʋɛr.kɪŋ/, /bə.ˈβ̞ɛr.kɪŋ/
noun
1. een verandering om iets voor een bepaald doel geschikt te maken
edycja
noun
1. datgene wat de juistheid van een bewering onweerlegbaar vast (kan) leggen
dowód
noun
1. alles wat de juistheid van een bewering onweerlegbaar vastlegt
materiał dowodowy
/bə.ˈwɔl.kɪŋ/, /bə.ˈʋɔɫ.kɪŋ/, /bə.ˈβ̞ɔɫ.kɪŋ/
noun
1. het geheel aan wolken dat in de lucht aanwezig is
zachmurzenie
/bəˈʋɔɫkt/
adjective
1. met wolken bedekt
  1. zachmurzony
  2. pochmurny
noun
1. een persoon die iemand bewondert
wielbiciel
verb
1. bekijken met respect
podziwiać
/bə.ˈwɔn.də.rɪŋ/, /bə.ˈʋɔn.də.rɪŋ/, /bə.ˈβ̞ɔn.də.rɪŋ/
noun
1. het bekijken met enig ontzag
podziw
verb
wonen in, wonen op
zamieszkiwać
noun
1. iemand die in of op iets woont
mieszkaniec
/[bəˈʋɵst]/
adjective
1. iets waarvan kennis is genomen
świadom
/bəw'ɤstəlos/
adverb
1. in een toestand waarin men het bewustzijn voor de omgeving is verloren
nieprzytomny
noun
1. de staat van het bewusteloos zijn
nieprzytomność
/bə'wɤ(st)sɛin/
noun
1. een toestand waarin men gewaarwordingen uit zijn omgeving ondergaat
świadomość
noun
1. voorwerp om stof en vuil bij elkaar te vegen
miotła
adjective
1. gedomineerd door de aanwezigheid van...
zajety
verb
1. in gebruik nemen
zajmować
noun
1. iemand die bezet, meer in het bijzonder de bezetter van een overwonnen natie in oorlogstijd
okupant
/bə.ˈzɛ.tɪŋ/
noun
1. toestand waarbij het grondgebied van een land wordt bestuurd door een ander land
  1. okupacja
  2. skład
verb
1. naar een object kijken
  1. zwiedzać
  2. odwiedzać
/bezəx/
adjective
1. aan het werken
zajęty
noun
1. iets waarmee men bezig is
zajecie
noun
2. het houden van een goed voor zichzelf
posiadanie
/bə'zɪtə(n)/
verb
1. iets in eigendom hebben
posiadać
noun
1. de persoon die het bezit van iets heeft
posiadacz
noun
1. het bezoeken
odwiedziny
/bəˈzukə(n)/
verb
1. bij iemand langsgaan of langskomen
odwiedzać
/bə'zʌʏniɣə(n)/
verb
1. door zuinig met geld of iets anders om te gaan de uitgaven verminderen
oszczedzać
verb
1. tot een afsluiting brengen
skonczyć
pronoun
1.
Beer Szewa
/bəˈɪnvludə(n)/
verb
1. iemand of iets proberen te veranderen, invloed nemen op
wpływać
/bu.ˈtan/, /bu.ˈtɑn/
pronoun
1. een land in Azië dat in de Himalaya ingeklemd ligt tussen China, Tibet en India. Het zuidelijke gedeelte van Bhutan ligt op het Indisch subcontinent
Bhutan
pronoun
Biafra
noun
1. een skisport waarbij de deelnemers op bepaalde punten in een langlaufcircuit met een geweer...
  1. biathlon
  2. biatlon
noun
1.
bibliobus
/ˌbiblijote'kaːrɪs/
noun
1. beheerder van een bibliotheek
bibliotekarz
/bib(l)ijo'tek/
noun
1. een plaats waar boeken verzameld staan
biblioteka
noun
  1. 1.2 spier in de bovenarm
  2. 1. tweehoofdige spier
biceps
verb
1. in gebed zijn, een godheid iets vragen
  1. modlić się
  2. modlić
noun
1. soort van aan de muur bevestigde kom of bak voor het met behulp van water reinigen van de geslachtsdelen, billen en anus na gebruik van het toilet, of om de voeten te wassen
bidet
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Mantodea
modliszka
/ˈbɪt.stul/, /ˈbɪt.stuɫ/
noun
klęcznik
noun
1. de erkenning van zonden aan een geestelijke
spowiedź
noun
1. een meubelstuk dat bedoeld is voor het aanhoren en afleggen van de biecht
konfesjonał
noun
1. een priester die biechten afneemt
spowiednik
noun
1. een ronde bloemschikking met veel bloemen
biedermeier
noun
1. dunne lap vlees van de bovenbil van een rund
befsztyk
noun
1. alcoholische drank die bereid is uit gefermenteerde mout
piwo
noun
1. en 2. (groene sprietjes van) looksoort Allium schoenoprasum
  1. szczypior
  2. szczypiorek
/bist/
noun
1. colostrum van koe
siara
noun
  1. burak zwyczajny
  2. ćwikła
noun
  1. bifenyl
  2. difenyl
noun
bifobia
/bɪx/, /bɪχ/
noun
1. een jong van het varken
  1. prosię
  2. prosiak
/bɛɪ̯/
noun
1. benaming vliegende insecten uit het geslacht Antophila
pszczoła
noun
1. een exemplaar van de originele Bijbel
  1. Biblia
  2. biblia
verb
1. een additioneel bedrag betalen
dopłacać
/ˈbɛːdraʝə/, /ˈbɛːɪdraɣə/
noun
1. iemands aandeel
wkład
noun
1. benaming voor veelkleurige en insectenetende vogels die...
żołna
noun
1. kunstmatige behuizing waarbinnen een bijenvolk zijn raten kan bouwen, oorspronkelijk in de vorm van een gevlochten korf
ul
/ˈbɛː.jə(n)ˌteɫt/
noun
1. het houden van bijen
pszczelarstwo
/ˈbɛɪ̯.ɣə.ˌlof/, /ˈbɛɪ̯.χə.ˌlof/, /ˈbɛː.ɣə.ˌlof/
noun
1. een geloof in iets extra's en onnatuurlijks
  1. przesąd
  2. zabobon
adjective
1. iemand die gelooft in bijgeloof
  1. przesadny
  2. przesądny
noun
1. holte
zatoka przynosowa
/bɛɪ̯l/, /bɛːɫ/
noun
1. hakwerktuig met een smalle snee en een lange steel die vooral voor het kappen van bomen gebruikt
  1. topór
  2. siekiera
noun
  1. 2. een bestand dat bij een e-mail is meegezonden
  2. 1. geschrift ter aanvulling
załącznik
/'bɛɪ.na/
adverb
1. op zo'n manier dat het niet veel scheelt of iets is zo
prawie
noun
1. breed bekende, niet-officiële naam van een persoon, een groep van personen of een zaak
  1. przezwisko
  2. przydomek
noun
nadnercze
adjective
1. goed staan bij elkaar
pasujacy
verb
2. een helpende hand bieden
asystować
noun
2. van staatswege geboden basisuitkering
pomoc społeczna
/bɛi̯t/
noun
1. gat dat geslagen werd door een mens in het ijs van een bevroren wateroppervlak
przerębel
/ˈbɛi̯tə(n)/
verb
1. iets afsnijden of afscheuren door tanden tegen elkaar te duwen
  1. gryzć
  2. gryźć
noun
1. een werkwoordswijs waarmee men een wens of onzekerheid tot uitdrukking kan brengen.
tryb łączący
/bɛɪ̯ˌvuχlək ˈnamʋo̞rt/, /bɛːˌvuxlək ˈnamβ̞oːrt/, /ˌbɛɪ̯vuɣ(ə)lɪk ˈnaːmwoːrd/
noun
1. een woordsoort die wordt gebruikt om een eigenschap of hoedanigheid van...
przymiotnik
noun
1. Artemisia vulgaris, een plant uit de composietenfamilie Asteraceae
bylica pospolita
abbreviation
1. als voorbeeld, om tot voorbeeld te dienen
na przykład
/'bɛɪʋɛrkə(n)/
verb
1.
uaktualniać
/bɛiʋɛrkɪŋ/
noun
efekt uboczny
noun
1. een woord dat een bijvoeglijk naamwoord, een werkwoord, een telwoord of een ander bijwoord nader bepaalt
  1. przysłówek
  2. adverbium
/bɛizɪn/
noun
1. een deel van een uiting dat een ondergeschikte rol speelt ten opzichte van de hoofdzin
zdanie podrzędnie złożone
noun
1. tweedelige zwemkleding voor de vrouw
bikini
noun
1. elk van beide lichaamsdelen gevormd door de grote spieren die het bekken ...
pośladek
adjective
1. aan twee kanten, in twee richtingen (buitenkanten)
bilateralny
noun
1. spel
bilard
noun
1. gladde, massieve en vrijwel perfect bolvormige bal gebruikt in het biljartspel
kula bilardowa
noun
1. een stuk van staatswege uitgegeven papier waaraan geldswaarde is toegekend
banknot
noun
bilon (stop)
noun
1. bepaald soort inheemse gifplant, Hyoscyamus niger
lulek
adjective
binarny
verb
1. vastmaken (evt. figuurlijk)
wizać
noun
1. en 2. (bladeren van) sla met een stevige rechte krop
sałata rzymska
/ˈbɪntˌʋeːf.səl/
noun
1. weefselsoort dat dient ter ondersteuning en verbinding
tkanka łączna
preposition
w środku
/ˈbɪnənˌbɑnt/
noun
1. binnenste band, de band waarin de lucht aanwezig is
  1. detka
  2. dętka
verb
1. ergens in gaan
wchodzić
verb
1. een ruimte betreden
wchodzić
adverb
1. binnen afzienbare tijd
wkrótce
noun
1. inwendige
wnetrze
adjective
1. voor twee ogen
binokularny
adjective
1.
biodegradowalny
/'bioˌxemi/
noun
1. de wetenschap die de chemische processen van het leven op moleculair niveau bestudeert
biochemia
adjective
1. met betrekking tot de chemische omzetting van stoffen in levende wezens
biochemiczny
noun
1. natuurlijke afbreekbaarheid
biodegradacja
/ˈbiodivɛrsiˌtɛɪt/
noun
1. soortenrijkdom, het aantal verschillende diersoorten
różnorodność biologiczna
noun
biografia
adjective
biograficzny
/ˌbiʲoloˈɣi/, /ˌbiʲoloˈχi/
noun
1. wetenschap van de levende wezens, levensvormen en levensverschijnselen
biologia
/ˌbijo'loːɣis/
adjective
  1. 1. te maken hebbend met de biologie
  2. 2. van gelijke afstamming
biologiczny
/ˌbioˈlox/, /ˌbioˈloχ/
noun
1. een wetenschapper die de biologie beoefent
biolog
noun
biomasa
noun
  1. 2. verzameling technieken gericht op het meten en vaststellen van alle meetbare eigenschappen van levende wezens
  2. 1. wiskundige-statistische kant van de biologie
biometria
noun
bionika
noun
1. een stukje weefsel uit een orgaan verwijderen voor onderzoek
biopsja
noun
1. gebouw waarin mensen in stoelen naar een film geprojecteerd op een groot scherm kunnen kijken
kino
/ˈbiosɪnˌtezə/
noun
1.
biosynteza
noun
1. een gebied met een uniform landschapstype waarin bepaalde organismen kunnen gedijen
biotop
noun
1. omvorming van stoffen binnen het levende weefsel
biotransformacja
/ˈbɪzdɔm/
noun
1. kerkrechtelijk afgebakend gebied dat onder de bevoegdheid van een bisschop staat
  1. diecezja
  2. biskupstwo
noun
biseksualizm
/bisɛksye:l/
adjective
1. seksueel gericht op beide geslachten
  1. biseksualny
  2. biseksualista
noun
bizmut
/bɪsxɔp/
noun
1. een christelijke geestelijke die aan het hoofd staat van een bisdom
biskup
adjective
1. op het ambt van bisschop betrekking hebbend
biskupi
/bɪt/
abbreviation
1. in de informatica en de computertechnologie de kleinste eenheid van informatie
bit
noun
bitcoin
adverb
1. een vaak als onaangenaam ervaren smaak, niet behorend tot zout, zuur of zoet
gorzki
noun
1. bepaalde vissoort die voorkomt in schoon stilstaand of langzaam stromend water Rhodeus amarus
  1. rozanka
  2. rozanka a. siekierka
/bivɑ'kerən/
verb
in de open lucht een kamp hebben
biwak
noun
1. Noord-Amerikaans zoogdier, Bison bison
bizon
/blaːr/
noun
1. onderhuidse vochtophoping
pęcherz
noun
1. hol orgaan dat gevuld is met een hoeveelheid gas en/of vloeistof
pęcherz
noun
1. een muziekinstrument waarvan de klank wordt voortgebracht door een luchtstroom
  1. instrument dety
  2. instrument dęty
noun
  1. 2. vel papier
    1. arkusz
    2. kartka
    3. liść
  2. 1. plat, groen onderdeel van planten
    1. liść
    2. kartka
noun
1. een deegsoort die in rechthoekige plakken wordt gebruikt
ciasto francuskie
noun
1. een schadelijk klein insect dat zich voedt met het sap van jonge plantenscheuten...
mszyca
noun
ogonek
noun
1. hulpmiddel om bij te houden waar iemand is tijdens het lezen van een boek
zakładka
/ˈblɑtsɛidɚ/
noun
1. elk van de beide zijden van een blad papier in boek, krant of tijdschrift
strona
verb
1. geluid maken dat kenmerkend is voor een hond
szczekać
/blɑŋk/
adjective
  1. 1. met lichte huidskleur
  2. 2. onbeschreven
biały
noun
1. iemand met een van nature bleke (pigmentarme) huid
biały
noun
1. bepaald soort zoetwatervis, Rutilus rutilus
  1. ploc
  2. ploc aralska
/ˈblatə(n)/
verb
het geluid van een schaap maken
beczeć
/blʌʊ/
adjective
1. de kleur blauw hebbend
  1. niebieski
  2. błękitny
/blʌʊ/
noun
1. primaire kleur die zich in het spectrum bevindt tussen cyaan en violet
  1. błękit
  2. niebieski
noun
1. bepaald soort visje van maximaal 11 cm dat van oorsprong uit Azië komt, Pseudorasbora parva
kielb amurski
noun
1. bepaald soort lijsterachtige, Luscinia svecica
podróżniczek
noun
1. Vaccinium corymbosum, een plant uit de heifamilie Ericaceae
borówka wysoka
noun
1. bepaald soort vaste plant, Vaccinium myrtillus
borówka czarna
noun
1. witte kraaiachtige met lavendelblauw verenkleed op de rug en kop Cyanocitta cristata
modrosójka błękitna
noun
1. bepaalde soort roofvogel uit de familie van de arendachtigen, Circus cyaneus
błotniak zbożowy
noun
1. bepaald soort grote vogel, Ardea cinerea
czapla siwa
noun
1. Balaenoptera musculus, een baleinwalvis, de grootste van alle walvisachtige
płetwal błękitny
noun
1. bepaald soort vaste plant, Eryngium maritimum
mikołajek nadmorski
noun
1. soldaat of burger die lid is van de VN-vredesmacht
błękitny hełm
noun
1. bepaald soort karperachtige riviervis Vimba vimba
certa
/'bla.zə(n)/, /'ble.zə(n)/
verb
1. een luchtstroom veroorzaken
dmuchać
adjective
1. gering van kleur
blady
noun
1. bepaald soort eenjarige plant, Alyssum alyssoides
smagliczka kielichowata
noun
wybielacz
verb
1. witter of lichter doen worden
bielić
/blɛi̯/
adjective
zadowolony
/blɛ.və(n)/
verb
1. niet veranderen
zostawać
noun
2.1 cilindervormig luchtdicht afgesloten vaatje van dun metaal
  1. puszka
  2. konserwa
/blɪksəm/
noun
1. de lichtgevende stralen die uit de hemel barsten bij onweer
  1. piorun
  2. błyskawica
noun
1. een metalen stang of constructie die de bliksem aantrekt en naar de grond afvoert.
piorunochron
adjective
1. niet in staat te zien
  1. ślepy
  2. niewidomy
noun
zapalenie wyrostka
/'blɪndɦɛɪt/
noun
1. een toestand waarin men niet in staat is te zien
ślepota
noun
1. rood lichaamsvocht in aderen
  1. krew
  2. farba
noun
niedokrwistość
noun
bank krwi
noun
ciśnienie krwi
verb
1. het vloeien van bloed
krwawić
noun
grupa krwi
noun
krwawienie
noun
surowica
noun
transfuzja krwi
noun
1. bloeduitstorting in de huid
krwiak
noun
1. een bloedader
naczynie krwionośne
/'blutʋɔrst/
noun
1. vleeswaar vervaardigd van het bloed en het vet van een varken
kaszanka
noun
1. een worm die bloed zuigt uit mens en dier
pijawka
verb
1. het dragen van open, actieve bloeiwijzen
kwitnąć
noun
  1. 1. een deel van plant met zaden
    kwiat
  2. 2. fijngemalen poeder, meestal van granen
    maka
noun
  1. 1. bloemenverkoper
  2. 2. bloemenkweker
kwiaciarz
noun
1. een kool met vlezige bleekgele bloemstengels die als groente gegeten wordt
kalafior
noun
antologia
noun
1. pot waarin men een plant kweekt
doniczka
noun
1. kledingstuk
bluzka
noun
  1. 1. een vaak hoekig massief stuk materiaal
  2. 3. een onderdeel van een fluit
  3. 2. een katrol
blok
noun
1. een eenvoudig houten blaasinstrument
flet prosty
noun
blokada
noun
1. een werktuig om hout glad, vlak of dunner te maken
  1. strug
  2. hebel
/blɔnd/, /blɔnt/
adjective
1.
blond
verb
1.in aanraking doen komen met
odsłonić
noun
1. kledingstuk
bluzka
verb
rood worden in het gezicht, bijvoorbeeld van verlegenheid of schaamte
zaczerwienić
noun
1. een melancholieke muziekstijl
blues
noun
1. zeer grote wurgslang
boa
noun
cewka zapłonowa
verb
1. een sport waarbij een bochtig ijsparcours wordt afgelegd in een bestuurbare slee
bobsleje
noun
  1. 1. gebogen weg of pad
    zakret
  2. 2. een brede baai aan de kustlijn
    zatoka
pronoun
1.
Bochum
noun
oferta
noun
  1. 1. een onderkant
    dno
  2. 2. de grond
    1. gleba
    2. ziemia
pronoun
1. de hoofdstad van Hongarije
Budapeszt
pronoun
Budda
noun
1. volger van de leer van Boeddha
buddysta
noun
1. de voorkant van een schip
dziób
noun
1. een beeld dat ter versiering aangebracht werd op de voorsteven van een schip
galion
noun
1. uitstekend rondhout aan de voorsteven van een zeilschip
bukszpryt
noun
1. een drijvend en verankerd voorwerp om de vaargeul in ondiepe wateren aan te geven
  1. boja
  2. pława
noun
1. een ingebonden bundel bedrukte of beschreven vellen papier
  1. książka
  2. księga
noun
bukanier
pronoun
1. de hoofdstad van Roemenië
Bukareszt
/ˈbu.kə.ˌkɑs/, /ˈbu.kə.ˌkɑst/
noun
1. een kast voor de opslag en het laten zien van boeken
  1. regał
  2. biblioteka
noun
1. hulpmiddel om bij te houden waar iemand is tijdens het lezen van een boek
zakładka
noun
1. boekwinkel
ksiegarnia
noun
1. iemand die de inkomsten en uitgaven van een organisatie bijhoudt
księgowy
noun
bijhouden van gegevens
księgowość
noun
1. verkleinwoord enkelvoud van boek
książeczka
/ˈbu.klɔŋ(g)/, /ˈbu.klɔŋ/
noun
1. een long die gestapeld en gevouwen is in weefsel, zo dat de gevouwen...
płucotchawki
noun
1. en 2. (gepelde zaden van) plant Fagopyrum esculentum
gryka
noun
fijn gemalen zaden van boekweit
mąka gryczana
/ˈbuk.wɪŋ.kəl/, /ˈbuk.ʋɪŋ.kɔɫ/, /ˈbuk.β̞ɪŋ.kəɫ/
noun
1. een winkel waar boeken verkocht worden
księgarnia
noun
1. een gebogen werpstok die de neiging heeft terug te keren naar de werper
bumerang
/buːr/
noun
  1. 1. landbouwer
    1. rolnik
    2. chłop
  2. 4. speelkaart
    walet
  3. 3. persoon zonder of met weinig beschaving
    wieśniak
noun
  1. 1. een woning met bedrijfsruimte van een boer
    gospodarstwo
  2. 2. een onderneming van een boer
    1. gospodarstwo
    2. farma
/buːrən/
verb
3. een boer laten
bekać
/burə'kol/
noun
1. en 2. (gekrulde bladeren van) bladgewas (kool)
jarmuż
noun
1. bepaald soort samengesteldbloemige plant Tanacetum vulgare
wrotycz pospolity
/ˈburə(n)ˈzwalyw/
noun
1. een kleine trek- en zangvogel
  1. dymówka
  2. jaskółka dymówka
noun
1. het gehele lichaam, inclusief gezicht en ogen, verhullend gewaad gedragen door (streng) islamitische vrouwen
burka
noun
burkini
noun
  1. 2. straf voor (vermeend?) bedreven kwaad
    kara
  2. 1. een bedrag dat je moet betalen als je een overtreding hebt begaan
    mandat
/bɔf/
noun
2. ziekte
świnka
pronoun
1. historische landstreek in de Tsjechische Republiek
  1. Czechy
  2. Bohemia
noun
1. scheikundig element met symbool Bh en atoomnummer 107
bohr
noun
1. mannelijke geit
kozioł
noun
1. een tactische vechtsport
boks
noun
1. handschoen gedragen tijdens het boksen
rękawica bokserska
noun
straalvinnige vis (Boops boops) uit de familie van zeebrasems
  1. bops
  2. złotokres
noun
1. een driedimensionaal rond lichaam zie sfeer
sfera
noun
1. Agrostemma githago
kąkol
noun
1. hoed
melonik
noun
1. een bolvormige groep sterren zoals die in galactische halo's kunnen worden aangetroffen
gromady
/boˈlivi.ja/
pronoun
1. een republiek in Zuid-Amerika die grenst aan Peru, Brazilië, Paraguay, Argentinië en Chili
Boliwia
pronoun
1. een stad in Italië
Bolonia
/bɔm/
noun
1. vernietigingstuig dat gevuld is met explosieven
bomba
noun
1. beschieting met bommen, het werpen van bommen
bombardowanie
verb
1. bommen of andere projectielen afvuren op iets of iemand
bombardować
noun
1. een militair vliegtuig dat is ontworpen voor het werpen van bommen op gronddoelen
bombowiec
pronoun
1. eiland in het zuidelijke gedeelte van de Caraïbische Zee
Bonaire
noun
cząber
pronoun
1.
Bonn
noun
1. Pan paniscus, een mensaap, staat samen met de chimpansee van alle diersoorten...
  1. bonobo
  2. szympans karłowaty
/bɔnt/
noun
futro
noun
1. bepaalde vogelsoort uit de familie van plevieren, Charadrius hiaticula
sieweczka obrożna
noun
1. overgebracht bericht
wiadomość
/ˈbotsxɑpər/
noun
1. berichtenoverbrenger
kurier
noun
  1. 1. wapen
  2. 3. deel van bouwwerk
  3. 2. cirkelboog
łuk
pronoun
2. teken van de dierenriem van 22 november tot 22 december
Strzelec
noun
1. iemand die schiet met een boog
  1. łucznik
  2. łuczniczka
noun
1. meerjarige plant met houten stam
drzewo
noun
1. een stuk grond met vruchtbomen
sad
/ˈbom.ɣrɛns/, /ˈbom.χrɛns/
noun
1. een grens waarboven geen bomen meer groeien
granica drzew
noun
1. bepaald soort vogeltje, Sitta europaea
  1. kowalik
  2. bargiel
/ˈbom.leː.β̞əˌrɪk/, /ˈbom.lɪː.β̞əˌrɪk/
noun
1. een vogelsoort die inheems is in Nederland en België
lerka
/ˈbom.mɑr.tər/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Martes martes
kuna leśna
/ˈbom.pi.pər/
noun
1. een vogelsoort die inheems is vrijwel geheel europa
świergotek drzewny
/'bomslɑŋ/
noun
2. bepaald landdier zonder poten Dispholidus typus
boomslang
noun
1. kleine sierlijke valk, familie van de torenvalk, Falco subbuteo
kobuz
noun
1. zaadje uit de peulvrucht van enige vlinderbloemige planten,...
fasola
noun
  1. A. rond zijn as ronddraaiend werktuig om gaten mee te maken
    wiertło
  2. B. chemisch element en een zwart metalloïde
    bor
/bɔːrt/
noun
1. het dek van een schip
pokład
/ˈbormɑˌʃinə/
noun
1. machine om te boren
wiertarka
/boʊs/, /boːs/
adjective
1. kwaad, woedend
zły
/bo'zardəx/
adverb
1. met de intentie om kwaad te doen
złośliwy
/boʊt/, /boːt/
noun
1. klein vaartuig
  1. łódź
  2. statek
noun
boraks
/bɔRd/, /bɔrt/
noun
  1. 2. Vlak voorwerp aan een muur
    tablica
  2. [1] Schijfvormig voorwerp
    talerz
noun
1. een huis waarin tegen betaling seksuele diensten worden aangeboden
burdel
noun
gra planszowa
verb
1. met naald en draad versieringen aanbrengen op een stuk weefsel
haftować
verb
1. met een werktuig dat om zijn as draait een gat in iets maken
  1. wiercić
  2. borować
noun
1. iemand die garant staat voor een eventueel te betalen bedrag
poręczyciel
noun
1. overeenkomst waarbij een borg zich garant stelt
poręczenie majątkowe
noun
1. een chemisch element en een zwart metalloïde
bor
pronoun
Borneo
noun
2. elk van de twee vooruitstekende klieren bij vrouwen waaruit zich de moedermelk afscheidt
  1. pierś
  2. biust
noun
plat been waaraan de ribben aan de voorzijde vastgehecht zijn
mostek
noun
1. schoonmaakgereedschap met bos haren
szczotka
noun
1. geraamte van de borst
klatka piersiowa
noun
1. een groep bomen
las
noun
poziomka
noun
zawilec gajowy
noun
  1. 1. en 3. plant, en bessen, uit geslacht Vaccinium
    borówka
  2. 2. plant Vaccinium myrtillus
    borówka czarna
/ˈbɔsnis/, /ˈbɔsnɪs/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Bosnië
bośniacki
/ˈbɔsni.jə ɛn ˌhɛrtsəɣoˈviːna/, /ˈbɔsni.jə ɛn ˌɦɛrtsəɣoˈvina/, /ˈbɔsni.jə ɛn ˌɦɛrtsəχo(ʊ̯)ˈvina/
pronoun
1. republiek in het zuidoosten van Europa die ontstaan is bij het uiteenvallen van het voormalige Joegoslavië
Bośnia i Hercegowina
pronoun
1. zeestraat tussen de Zee van Marmara en de Zwarte Zee
Bosfor
noun
łozówka
noun
1. jonge, onvolgroeide geboste ui met blad
cebulka zielona
noun
1. bepaald soort vogel, Strix aluco
  1. puszczyk
  2. puszczyk zwyczajny
noun
1. een beheerder van een boswachterij
leśnik
noun
1. bepaald soort loofboom Salix caprea
wierzba iwa
noun
  1. 1. platvis
    1. flądra
    2. fląderka
  2. 3. onderdeel van het skelet
    kość
noun
1. een onderdeel van de biologie dat zich bezighoudt met de studie van planten
botanika
/ˈbotər/
noun
1. zuivelproduct
masło
noun
1. een aantal planten uit het geslacht Ranunculus behorende tot de familie Ranunculaceae
jaskier
noun
2. een belegde snee brood
kanapka
noun
1. CH₃(CH₂)₂COOH
kwas masłowy
pronoun
1.
Zatoka Botnicka
/ˈbɔt.sɪŋ/
noun
1. het botsen
  1. kolizja
  2. zderzenie
/bɔ.ˈts<sup>ʊ</sup>a.na/, /bɔts.ˈʋa.na/, /bɔts.ˈβ̞a.na/
pronoun
1. een land dat geheel door land is omgeven in het zuiden van Afrika met ruim 1,5 miljoen inwoners, grenzend aan Namibië, Zimbabwe en Zuid-Afrika
Botswana
noun
1. het onderdeel van een verbrandingsmotor dat door een vonk het mengsel van brandstofdamp en lucht in de cilinder tot ontploffing brengt
świeca zapłonowa
noun
1. een aftreksel van magere vleesresten, beenderen of vis
  1. bulion
  2. rosół
noun
psychologische toestand waarin een persoon terugkerende eetbuien heeft
bulimia
pronoun
1. een van de 26 regio's van Frankrijk
Burgundia
/ˈbɑu̯ə(n)/
verb
1. een constructie oprichten door het samenvoegen van onderdelen
  1. budować
  2. wznosić
noun
1. (wetenschap)
budownictwo
noun
firma budowlana
/ˈboː.vən/
preposition
1. op een plaats hoger gelegen dan
na górze
noun
1. het bovenste gedeelte van de arm tussen de schouder en de elleboog
ramię
/bovənˈdin/
adverb
1. op de koop toe, daarenboven
oprócz tego
adjective
1. verwijzend naar iets wat eerder in dezelfde tekst genoemd was
wyzej wymieniony
adjective
1. behorende tot een orde van dingen die buiten het menselijke ligt
nadnaturalny
noun
1. een sport waarbij de speler door middel van een bowlingbal moet proberen om alle tien de pins omver te gooien
bowling
noun
bojkot
verb
1. iemand uitsluiten, niet meer willen werken voor, leveren aan of kopen bij
bojkotować
noun
wypluwka
noun
1. struik & 2. vrucht
jeżyna
/ˈbramslœʏpər/
noun
1. bepaald soort zangvogel, Sylvia curruca
piegża
verb
1. vlees bereiden door het in vet te verhitten
smazyć
verb
1. genuttigd voedselwaar ongewild door de mond naar buiten brengen
wymiotować
/ˈbrɑnd/, /ˈbrɑnt/
noun
1. verbranding met vuur
pożar
noun
1. een draagbaar toestel dat dient om een kleine of een beginnende brand te bestrijden
gaśnica
verb
1. verteerd worden door vuur
palić
pronoun
1. een deelstaat in het oosten van Duitsland
Brandenburgia
noun
1. een soort sterke drank
brandy
noun
1. bepaald soort gans, Branta leucopsis
bernikla
noun
2-3. een harige plant die bij aanraking een brandend gevoel en zwelling veroorzaakt
pokrzywa
noun
1. iemand die expres brand veroorzaakt
podpalacz
noun
podpalenie
noun
1. stof waaruit door middel van verbranding of een ander chemisch proces energie wordt gewonnen
paliwo
noun
een elektrochemisch toestel
Ogniwo paliwowe
noun
  1. straz pozarna
  2. straż pożarna
noun
1. lid van de brandweer
strażak
noun
1. bepaalde karperachtige vissoort Abramis brama
leszcz
/braˈʃɛːrə/
noun
1. dameskledingstuk
stanik
/braˈzili.jə/
pronoun
1. een soevereine staat in Zuid-Amerika (officieel de Federale Repuliek van Brazilië, 'República Federativa do Brasil'), met als officiële taal het Portugees
Brazylia
adjective
szeroki
adjective
1. breed van borst en schouders, breedgebouwd
barczysty
noun
1. afmeting loodrecht op de hoogte of de lengte
szerokość
noun
1. cirkel van gelijke geografische breedten
  1. szerokość geograficzna
  2. szerokość
noun
1. stevige metalen stang, meestal voorzien van een gespleten einde, de koevoet, gebruikt om zaken open te breken.
łom
/ˈbrɛ.jə(n)/
verb
1. een weefsel vervaardigen uit een gesponnen draad met behulp twee of meer pennen
  1. wiązać
  2. robić na drutach
/brɛi̯n/
noun
1. orgaan
mózg
verb
  1. 1. in stukken uiteenvallen
  2. 5. in stukken uiteen doen vallen
  1. rozbijać
  2. złamać
noun
współczynnik załamania
pronoun
Brema
/ˈbrɛŋ.ə(n)/
verb
1. ergens heen gaan om iets of iemand daar af te geven
przynosić
pronoun
1. een schiereiland in het noordwesten van Frankrijk
Bretania
noun
1. broekophouder
szelki
pronoun
1. een Keltische taal die wordt gesproken in Bretagne
bretoński
noun
1. de uitkomst (quotiënt) van een deling van twee of meer gehele getallen
ułamek
noun
brewiarz
noun
1. verzonden geschreven boodschap
list
/bris/
noun
1. zachte frisse wind
bryza
noun
  1. skrzynka pocztowa
  2. skrzynka na listy
noun
brygantyna
noun
1. een optisch instrument dat gebruikt wordt om de scherpte van het zicht te verbeteren
okulary
/ˈbrɪl.beːr/, /ˈbrɪɫ.beːr/, /ˈbrɪɫ.bɪːr/
noun
1. een beer met grote cirkels rond de ogen, als een bril
andoniedźwiedź okularowy
noun
1. Bucephala clangula, een vogel uit de familie Anatidae
gągoł
/brɪts/
adjective
1. gerelateerd aan Groot-Brittannië
brytyjski
pronoun
Brytania
/ˈbrɔkɔlɪ/
noun
1. groente
brokuł
noun
zupa brokułowa
noun
broszura
adjective
braterski
noun
  1. 1. kerkelijk goedgekeurde vereniging
  2. 1. vriendschappelijke betrekking als tussen broers
braterstwo
noun
efekt cieplarniany
noun
gaz cieplarniany
noun
1. kledingstuk dat het onderlichaam en beide benen, elk met een afzonderlijke pijp omhult
spodnie
/bruːr/
noun
1. een mannelijk kind van dezelfde ouders
brat
noun
  1. motorower
  2. moped
  3. cyclomotor
noun
1. wetenschappelijke naam voor het scheikundig element Broom
brom
noun
  1. motorower
  2. moped
  3. cyclomotor
noun
  1. 1. daar waar men informatie vandaan haalt
  2. 2. begin van een waterloop
  1. zródło
  2. źródło
noun
1. ontsteking van de luchtpijptak
zapalenie oskrzeli
noun
  1. brązy
  2. brąz
adjective
1.van brons gemaakt
brązowy
/broːt/
noun
1. een meelproduct dat gemaakt wordt door meeldeeg te bakken, te koken of te stomen
  1. chleb
  2. pieczywo
noun
2. klein brood, vaak versierd, belegd of in een speciale vorm, voor één persoon
bułka
noun
toster
noun
brom
verb
1. (bier) brouwen
warzyć
noun
1. iemand die bier maakt om te verhandelen
piwowar
/brɔuə'rɛi/
noun
1. een bedrijf dat zich toelegt op het brouwen van bier
browar
/brʏx/, /brʏχ/
noun
kunstmatige weg over een diepte
most
pronoun
1. een Vlaamse provinciehoofdstad
Brugia
/brœy̯t/
noun
1. vrouw in tijd van de huwelijksplechtigheden
panna młoda
noun
1. man die in het huwelijk treedt
pan młody
noun
1. een gift die een meisje van haar ouders meekrijgt als ze in het huwelijk treedt
  1. posag
  2. wiano
adjective
1. nuttig, eenvoudig in het gebruik
  1. użyteczny
  2. praktyczny
noun
1. kosteloze lening voor tijdelijk gebruik onder voorwaarde van teruggave
umowa użyczenia
noun
1. huwelijks-, trouwfeest
wesele
adjective
1. een kleur zoals die van walnoten, chocola of koffie hebbend
  1. brązowy
  2. brąz
noun
1. kleur zoals die van koffie of chocola
  1. brąz
  2. brązowy
/ˌbrœʏnəˈbeːr/
noun
1. Ursus arctos, een beer die in Europa, Azië en Amerika voorkomt.
niedźwiedź brunatny
noun
1. bepaalde soort zoetwatervis Ameiurus nebulosus
sumik karlowaty
noun
1. bepaald soort roofvogel, Circus aeruginosus
błotniak stawowy
noun
1. grijsbruin knaagdier met een kale geringde staart Rattus norvegicus
szczur wędrowny
/ˈbrœʏnəχ/, /ˈbrœːnəx/, /ˈbrœːnɪx/
adjective
2. op bruin lijkend
brązowawy
noun
węgiel brunatny
/ˈbrœy̯nvɪs/
noun
1. familie Phocoenidae van kleine rondsnuitige tandwalvissen
morświn
/bry.ˈnɛɪ̯/, /bry.ˈnɛː/
pronoun
2. een land op op het eiland Borneo, in Zuidoost-Azië. Het ligt aan de Zuid-Chinese Zee, en wordt verder geheel omringd door Maleisië
Brunei
pronoun
Brunszwik
/brʏs/
noun
1. een ander kind van dezelfde ouders (zonder de connotatie met zorg)
rodzeństwo
pronoun
1. de hoofdstad van België
Bruksela
adjective
brukselski
adjective
  1. 2.
  2. 3. vrijpostig
bezczelny
noun
produkt krajowy brutto
adjective
1. nietsontziend en gewelddadig
brutalny
noun
1. de afkorting voor belasting over de toegevoegde waarde
VAT
/'bɵfəl/
noun
1. verzamelnaam voor een aantal zware rundersoorten met vaak forse hoorns
bawół
noun
1. een gebied dat op een of andere manier als buffer dient
strefa buforowa
noun
1. zoogdier dat het jong in een buidel draagt
torbacz
/bœʏ̯χə(n)/, /bœːɣə(n)/
verb
  1. 2. krom worden
  2. 1. krom maken
giąć
noun
  1. 6. vormverandering van woorden
    1. fleksja
    2. odmiana
  2. 1. nijging als beleefde groet
    1. pokłon
    2. ukłon
/bœʏ̯k/, /bœːk/
noun
1. het onderste deel van de voorkant van de romp van mens of dier dat van boven door het middenrif en van onderen door de bekkengordel begrenst is
brzuch
noun
taniec brzucha
/ˈbœʏ̯k.pɛɪ̯n/, /ˈbœːk.pɛɪ̯n/, /ˈbœːk.pɛːn/
noun
1. pijn in de buik
ból brzucha
noun
brzuchomówca
noun
1. een hol, cilindrisch voorwerp
rura
/ˈbœʏ̯tə(n)/, /ˈbœːtə(n)/
adverb
  1. na zewnatrz
  2. na zewnątrz
noun
1. ieder land buiten het eigene
zagranica
/ˈbœytə(n)lɑndər/
noun
1. iemand die in het buitenland woont, of iemand afkomstig uit het buitenland
cudzoziemiec
adjective
1. op het buitenland betrekking hebbend
zagraniczny
noun
1.
spalony
verb
  1. 1. een buis in de school geven
  2. 2. een buis in de school krijgen
oblać
noun
1. bepaald soort middelgrote roofvogel, Buteo buteo
  1. myszołów zwyczajny
  2. myszołów
noun
1. een stevig gebouwde hond met een grote kop en afhangende liphoeken...
buldog
/bɵɫˈγ̊aːrs/
adjective
1. met betrekking tot Bulgarije of de Bulgaarse taal
bułgarski
/bɵɫˈγ̊aːrs/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Bulgarije
bułgarski
noun
Bułgarka
pronoun
1. een land in Zuidoost-Europa
Bułgaria
noun
1. gestoomde, daarna gedroogde en vervolgens grof gemalen of gebroken tarwekorrels, meestal durumtarwe
bulgur
noun
1. zware van rupsbanden voorziene machine om terreinen te egaliseren
  1. buldożer
  2. spychacz
/ˈbʏltrʏx/
noun
1. benaming voor een van de grotere baardwalvissen met lange borstvinnen
  1. długopłetwiec
  2. humbak
noun
1. stootstang
zderzak
noun
1. bepaald soort zoogdier, Mustela putorius
tchórz
noun
  1. 1. een werkmeubel voor administratief- en studiewerk
    biurko
  2. 2. een (politie)kantoor
    biuro
noun
biurokracja
noun
1. hoofd van het gemeentebestuur
  1. prezydent miasta
  2. burmistrz
noun
burmistrzyni
pronoun
1. deelstaat van Oostenrijk
Burgenland
noun
1. inwoner van een stad of staat die bepaalde wettelijke rechten en plichten heeft
obywatel
noun
1. een gewapende strijd tussen twee of meer bevolkingsgroepen binnen hetzelfde land, waarbij soms ook het leger betrokken is
wojna domowa
noun
1. edelman
wicehrabia
noun
wicehrabina
/bur.ˌki.na.ˈfa.so/, /bur.ˌki.na.ˈfɑ.so/
pronoun
1. een republiek in West-Afrika voorheen Opper-Volta genaamd.
Burkina Faso
/bu.ˈrun.di/
pronoun
1. een land in Afrika dat grenst aan Democratische Republiek Congo, Rwanda en Tanzania
Burundi
/bɵs/
noun
1. vervoermiddel op de weg voor een aanzienlijk aantal passagiers
autobus
/ˈbʏshɑltə/, /ˈbʏshɑɫtə/
noun
1. een plek waar een bus stopt
przystanek autobusowy
noun
1. een ontplofbaar mengsel van fijngepoederde kool, zwavel en salpeter
proch
noun
1. kledingstuk voor vrouwen.
  1. biustonosz
  2. stanik
noun
1. C₄H10
butan
noun
buten
noun
1. en 2. (vruchtvlees) van plant Cucurbita moschata
dynia piżmowa
/byr/
noun
1. een persoon die in andermans omgeving woont
  1. sąsiad
  2. sąsiadka
noun
1. een man naast wie men woont
sąsiad
noun
  1. 1. een (deel van een) wijk
    dzielnica
  2. uit te zoeken vertalingen
    1. dzielnica
    2. okolica
noun
1. vrouw woonachtig in het belendende huis
sąsiadka
/bɑjt/
noun
1. het kleinste adresseerbare gedeelte van een computergeheugen
bajt
adjective
  1. bizantyjski
  2. bizantyński
noun
beta
/ˌkɑbɑˈrɛ(t)/
noun
1. een kleinkunst, vermaak met toneel, zang, dans, en voordracht
kabaret
/kakaˈoː/, /kaˈkɑu/
noun
1. product verkregen uit de bonen van de cacaoboom dat onder andere wordt gebruikt...
kakao
noun
1. een vetplant met stekels
kaktus
/kaˈdoː/
noun
1. iets dat men aan iemand geeft, meestal ter gelegenheid van een speciale gebeurtenis
prezent
noun
1. scheikundig element met symbool Cd en atoomnummer 48
kadm
noun
1. een eenvoudige eetgelegenheid, waar men een snelle hap kan nuttigen
kafeteria
noun
1. een alkaloïde met structuurformule C₈H10N₄O₂ die van nature wordt aangetroffen in koffiebonen en theebladeren
kofeina
noun
1. een uitgaansgelegenheid waar men dranken kan nuttigen
kawiarnia
pronoun
Kalabria
noun
1. scheikundig element met symbool Ca en atoomnummer 20
wapń
/kɑlkʏˈlatɔr/
noun
1. machine
kalkulator
verb
1. rekenen
  1. kalkulować
  2. wyliczać
noun
1. een scheikundig element en vermoedelijk een grijs of zilverkleurig actinide met het symbool Cf en het atoomnummer 98
kaliforn
pronoun
1. een van de vijftig deelstaten van de Verenigde Staten. De staat grenst aan de Pacifische Oceaan en aan de Mexicaanse deelstaat Baja California, alsmede aan de Amerikaanse deelstaten Nevada, Oregon en Arizona.
Kalifornia
pronoun
  1. 1. nimf uit de Griekse mythologie
  2. 2. een van de vier grote manen van Jupiter
Kallisto
noun
1. een eenheid van warmte, gelijk aan de warmte benodigd om een gram water een graad C in temperatuur te doen stijgen
kaloria
noun
1. gereformeerde substroming binnen het Christendom waarin o.a. het voorbestemd zijn centraal staat
kalwinizm
/kɑm.ˈbɔ.dja/, /kɑm.ˈbɔ.tʃa/
pronoun
1. een land in Zuidoost-Azië dat in het noorden grenst aan Laos, in het noordwesten en westen aan Thailand en in het oosten en zuidoosten aan Vietnam
Kambodża
pronoun
Cambridge
/ˈkaməˌra/
noun
1. een apparaat om beelden mee te registreren
kamera
noun
kamuflaż
/kɑmuflerən/
verb
1. een voorwerp onopvallend maken
maskować
/ˈkɑmpɪŋ/, /ˈkɛmpɪŋ/
noun
1. een terrein met voorzieningen om te kamperen
kemping
/ˈkɑmpʏs/
noun
1. universiteitsterrein
kampus
/ˈka.na.da/, /ˈkɑ.nɑ.da/
pronoun
1. een soevereine staat in de noordelijke helft van Noord-Amerika
Kanada
pronoun
Wyspy Kanaryjskie
pronoun
1. de federale hoofdstad van Australië, gelegen in het Australisch Hoofdstedelijk Territorium
Canberra
noun
kandela
/'ka.nɔn/
noun
1. de strengste vorm van een meerstemmige compositie, waarin de stemmen elkaar in de tijd verschoven imiteren
kanon
pronoun
1. een van de 17 autonome regio’s en provincie in het noorden van Spanje gelegen ten oosten van Asturië en ten westen van Baskenland met de hoofdstad Santander
Kantabria
noun
1. en 2. (vrucht van) plant Cucumis melo var. cantalupensis
kantalupa
/ˌkɑntaˈrɛɫ/
noun
1. bepaald soort eetbare paddenstoel met een lichte pepersmaak, Cantharellus cibarius
pieprznik
noun
1. mogelijkheid om iets te bevatten
pojemność
/ˌkapiˈbaːra/
noun
1. Hydrochoerus hydrochaeris, een groot knaagdier...
kapibara
noun
1. internationaalrechtelijke verklaring dat een partij de strijd tijdens een oorlog opgeeft
kapitulacja
verb
1. het verzet staken, zich overgeven
kapitulować
noun
1. kopje koffie dat uit gelijke delen espresso, melk en melkschuim bestaat
cappuccino
pronoun
Capri
noun
2.een omhulsel, veelal van gelatine met een medicijn erin
kapsułka
/ˌka.py.ˈʃɔ̃ː/, /ˌkɑ.py.ˈʃɔn/
noun
1. hoofdkap bevestigd aan een kledingstuk
kaptur
noun
1. bepaald soort zoogdier, Profelis caracal
karakal
/karákas/
pronoun
1. de hoofdstad van de Zuid-Amerikaanse staat Venezuela
Caracas
noun
1. kampeerwagen, woonwagen, aanhangwagen die kan dienen als woonst
przyczepa kempingowa
noun
1. carbidgas/acetyleen
acetylen
noun
węglan
/kɑrdijolo'xi/
noun
1. een medisch specialisme dat zich bezighoudt met het opsporen, diagnosticeren en behandelen van hartziekten
kardiologia
/kɑrdijo'lox/
noun
kardiolog
noun
próchnica
noun
1. volksfeest waarbij onder meer grote verkleedpartijen plaatsvinden,...
karnawał
/kɑrniˈvor/
noun
1. een vleesetend dier
miesozerca
noun
1. loopbaan, werkgerelateerde maatschappelijke positie
kariera
noun
1. koetswerk van een voertuig
karoseria
noun
1. iemand die land-, zee- en/of luchtkaarten maakt
kartograf
noun
1. de kunst en wetenschap van het vervaardigen van land-, zee- en/of luchtkaarten
kartografia
noun
nanercz zachodni
noun
1. een gelegenheid waar in een luxe omgeving gegokt wordt
kasyno
noun
1. Manihot esculenta, een eetbare wortelknol
maniok
noun
1. een behuizing voor video- en audiobanden
kaseta
noun
specerij
cynamonowiec wonny
pronoun
1. landstreek in Spanje
Kastylia
pronoun
Kastylia i León
pronoun
Kastylia-La Mancha
noun
kastrat
noun
1. ontmanning, het volledig verwijderen van de teelballen bij de man
kastracja
verb
1. een sterilisatie uitvoeren van een man of mannelijk dier door verwijdering van de zaadballen
kastrować
noun
1. een naamval
przypadek
adjective
1. betrekking hebbende op Catalonië of de Catalanen
kataloński
pronoun
1. een Romaanse taal die wordt gesproken in Catalonië, Valencia, Aragón, Balearen, Andorra, Frankrijk en Italië
kataloński
pronoun
1. een van de 17 autonome regio’s van Spanje, gelegen in het noordoosten van het Iberisch Schiereiland; de twee officiële talen zijn Catalaans en Spaans
Katalonia
noun
1. vaartuig met twee drijvende delen (de rompen), die boven de waterlijn parallel aan elkaar gemonteerd zijn
katamaran
noun
1. grijze staar, een troebeling van de ooglens die het zien verstoort
  1. katarakta
  2. zaćma
noun
1. een algemene ramp
  1. katastrofa
  2. kataklizm
noun
1. onderdeel van een rangschikking, rang, groep.
kategoria
adjective
1. betrekking hebbend op een indeling in categorieën
kategoryczny
adverb
1. kategórigamente
kategorycznie
adjective
1. oorzakelijk
przyczynowy
noun
1. benaming voor knaagdieren uit het geslacht Cavia
świnka morska
noun
1. en 2. een peper, een scherp specerij
pieprz cayenne
pronoun
1. de hoofdstad van Egypte
Kair
noun
1. persoon die een vordering overdraagt
  1. cedenta
  2. zbywającego
/ˈsedər/
noun
1. benaming voor bomen uit het geslacht Cedrus
cedr
noun
    1. 2. een kleine ruimte (in een klooster)
    2. 1. een kleine ruimte waar iemand voor straf moet zitten (in een gevangenis)
    cela
    1. 3. de kleinste eenheid binnen een levend organisme waarin alle genetische informatie vervat zit
    2. 4. een zeshoekige opslagplaats in een bijenraat
    1. komórka
    2. cela
verb
1. plechtig herdenken
świętować
noun
1. slagwerkinstrument met een klavier
czelesta
noun
1. de wetenschap van functies en processen binnen organische cellen
fizjologia komórek
noun
1. een viersnarig strijkinstrument dat tijdens het bespelen door de cellist tussen de knieën wordt gehouden
wiolonczela
noun
1.
celuloid
/ˌsɛ.ly.ˈlo.zə/
noun
1. een polysacharide die door nagenoeg alle planten wordt gemaakt en die de plant stevigheid geeft
celuloza
noun
1. een omhulsel van de cel bestaande uit fosfolipiden en eiwitten
błona komórkowa
/sɛlʋɑnd/
noun
1.
ściana komórkowa
noun
1. een bouwmateriaal bestaande uit kalk, zand en grind
cement
noun
1. een fabriek waar cement geproduceerd wordt
cementownia
noun
1. een toestel voor het mengen van de bestanddelen van de mortel of beton
betoniarka
verb
1. bewust informatie uit de media weghalen
cenzurować
/sɛnˈsyr/
noun
1. de controle van de kant van de overheid op alles wat de media uitbrengen
cenzura
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Centaur
noun
1.
centaur
/'sɛntiˌmetər/
noun
1. een lengtemaat die gelijk is aan één honderdste van een meter
centymetr
adjective
1. in het midden gelegen
centralny
/sɛn.ˌtral.a.fri.ˌkan.sə.re.py.ˈblik/, /sɛn.ˌtral.ɑ.fri.ˌkans.re.pʏ.ˈbliːk/, /sɛn.ˌtraɫ.a.fri.ˌkan.sə.re.py.ˈblik/
pronoun
1. een land in Midden-Afrika, officieel de Centraal-Afrikaanse Republiek, dat geheel door land wordt omsloten
Republika Środkowoafrykańska
pronoun
Ameryka Centralna
pronoun
1. Iraanse taal gesproken door 6 miljoen mensen in Irak en Iran
kurdyjski
noun
1. centrifugaalmachine
wirówka
verb
1. met een centrifuge scheiden, zuiveren of drogen
wirować
noun
1. middelpunt
  1. centrum
  2. środek
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Cefeusz
noun
1. een plechtige aangelegenheid
ceremonia
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Ceres
noun
cer
/ˌsɛrtifiˈkat/
noun
1. een schriftelijk bewijs
certyfikat
noun
cez
noun
1. overdracht van schuldvordering
  1. cesja
  2. przelew
noun
1. persoon die een vordering verkrijgt
  1. cesjonariusza
  2. nabywcy
pronoun
Ceuta
/ʃɑmˈpɑɲə/
noun
1. een schuimwijn uit de champagnestreek in Frankrijk
szampan
noun
1. bepaald soort eetbare en speciaal gekweekte witte paddenstoel, Agaricus bisporus
pieczarka
noun
chanson
noun
1. mensen onder voor de buitenwereld onzichtbare bedreiging zaken tegen hun wil laten doen
szantaż
verb
1. onder bedreiging een schandaal te veroorzaken iemand geld afhandig maken
szantażować
noun
1. grote wanorde
chaos
adjective
chaotyczny
/ˈʃar.la.tan/
noun
szarlatan
/sjarme/
noun
1. de eigenschappen van iemand waardoor die persoon aardig, leuk en vriendelijk wordt gevonden
urok
/ʃaʊ̯.ˈføːr/, /ʃo.ˈføːr/, /ʃo.ˈfʏːr/
noun
1. de bestuurder van een motorvoertuig
  1. szofer
  2. kierowca
noun
szowinizm
/ˈtʃɛkən/
verb
1. controleren, nakijken
sprawdzić
noun
1. Acinonyx jubatus, een zeer snel Afrikaans katachtig roofdier
gepard
noun
1. de baas, iemand die de leiding heeft
kierownik
noun
1. wetenschap die zich bezig houdt met de kennis van de stoffen ...
chemia
adjective
1. dat wat tot de chemie behoort, volgens de chemie
chemiczny
noun
pierwiastek chemiczny
pronoun
1.
Kamienica Saska
noun
1. een membraaneiwit dat gevoelig is voor scheikundige prikkels
chemoreceptor
noun
1. behandeling van kanker met medicijnen
chemoterapia
/ʃɛk/
noun
czek
noun
2. eetbare hartvormige vrucht van Annona cherimola
flaszowiec peruwiański
/sʲik/
noun
1. modieus verfijnd
elegancki
adjective
chilijski
/ˈʃi.li/
pronoun
1. een land in Zuid-Amerika, grenzend aan Peru, Bolivia en Argentinië en ingeklemd liggend tussen de Stille Zuidzee en het Andesgebergte
Chile
/ˌʃɪm.pɑn.ˈse/
noun
1. Pan troglodytes, de meest aan de mens verwante mensaap, leeft in Centraal-Afrika
  1. szympan
  2. szympans
/ˈʃi.na/
pronoun
1. een land in Oost-Azië, officieel de Volksrepubliek China
  1. Chiny
  2. Chińska Republika Ludowa
noun
szynszyla
/ʃi.ˈnes/
adjective
  1. 1. betreffende China
  2. 2. idem als 1., behalve:
chiński
/ʃi.ˈnes/
pronoun
  1. 1. de voornaamste taal die in China gesproken wordt
  2. 2. persoon
chiński
noun
(bladeren van) Brassica rapa subsp. pekinensis
kapusta pekińska
noun
1. niet bezegelde, door identieke gedeeltes bevestigde oorkonde
cyrograf
/ʃi'rʏr(ə)x/
noun
1. specialist
chirurg
noun
1. de wetenschap van en de vaardigheid in het opereren
chirurgia
noun
chlor
noun
chlorek
noun
chloroform
/xlorɔplɑst/
noun
1
chloroplast
/ˌʃo.ko.ˈla/
noun
1. een lekkernij die gemaakt is van cacao, suiker en cacaoboter
czekolada
/ˌʃo.ko.ˈla.də/, /ˌʃɔko.ˈla.də/
noun
1. een lekkernij die gemaakt is van cacao, suiker en cacaoboter
czekolada
noun
budyn czekoladowy
/χoləra/
noun
1. een zeer besmettelijke infectieziekte die de darmen aantast
cholera
noun
1. vet dat in je lichaamscellen zit, zoals galvet, lichaamsvet
cholesterol
noun
choreograf
noun
choreografia
adjective
1. te maken hebbend met het christendom
chrześcijański
/ˈkrɪs.tən/
noun
1. een belijder van de christelijke godsdienst
chrześcijanin
/ˈkrɪ.stən.ˌdɔm/
noun
1. een religie gebaseerd op het evangelie en leven van Jezus zoals beschreven in het Nieuwe Testament
  1. chrześcijaństwo
  2. chrystianizm
/ˈxrɪstʏs/
pronoun
Chrystus
noun
chrom
/ˌɣro.mo.zo.ˈmal/, /ˌɣro.mo.zo.ˈmaɫ/, /ˌχro.mo.zo.ˈmaɫ/
adjective
1. met betrekking tot de chromosomen, de eiwitten die erfelijke informatie bevatten
chromosomowy
/ˌχroʊmoʊˈsoʊm/
noun
1. staafachtig lichaampje
chromosom
/ˈkronis/
adjective
1. voortdurend, aanhoudend
chroniczny
/xrono.lo'ɣiː/
noun
1. de wetenschap die zich bezig houdt met het rangschikken in de tijd van historische gebeurtenissen
chronologia
adjective
1. naar tijdstip gerangschikt
chronologiczny
noun
chrom
noun
1.
złocień
/ˌxi.lo.mi.ˈkrɔn/, /ˌχi.lo.mi.ˈkrɔn/
noun
1. een grote door darmwandcellen geproduceerde lipoproteïne, waarin lipiden uit het voedsel van de darmwandcellen naar andere weefsels worden getransporteerd
chylomikrony
noun
1. groot, halfvleugelig insect, leeft in Zuid-Europa en in de tropen (Cicadidae)
cykada
/ˌsikoˈrɛɪ/
noun
cykoria
noun
1. vruchtenwijn uit gegist appelsap of perensap
  1. cydr
  2. jabłecznik
noun
1. een enkelvoudig symbool om een telbaar aantal aan te duiden
cyfra
noun
walec
adjective
1. zoals een cilinder, cilindervormig, buisvormig
cylindryczny
noun
1. voorloper van de filmprojector
kinematograf
noun
1. bepaald soort naaldboom, Cupressus sempervirens
cyprys
noun
krazenie
noun
  1. 1. attractie
  2. 2. chaotische toestand
cyrk
/ˈsɪrkəɫ/
noun
  1. okrąg
  2. krąg
noun
1. aanhaling, ontleende passage
cytat
noun
1. een snaarinstrument dat voornamelijk gebruikt wordt in het Duitstalige deel van Europa
cytra
verb
1. eigen of andermans woorden ontlenen
  1. cytować
  2. zacytować
noun
1. ovale, gele zure vrucht van de citroenboom
cytryna
noun
1. Melissa officinalis, een vaste plant die naar citroen ruikt; van de bladeren kan thee gezet worden
melisa lekarska
noun
inżynieria lądowa
noun
klasyfikacja
/klʌʊˈsylə/
noun
1. een extra bepaling in een ambtelijke brief.
klauzula
noun
1. de leiders van een kerkgenootschap
kler
noun
1. gevoelig orgaan bovenaan de schaamspleet van de vrouw dat voor de seksuele opwinding zorgt
łechtaczka
/kloːn/, /klʌːun/
noun
  1. 1. komische artiest
  2. 2. bespottelijk iemand
  1. klaun
  2. pajac
/klɵp/
noun
  1. 1. besloten gemeenschap
  2. 3. golfstok
klub
/kowaˈli(t)si/
noun
1. verbond van twee of meer partijen, mogendheden of staten om een gemeenschappelijk doel te bereiken
koalicja
noun
1.
koka
noun
1. een drug die bereid wordt uit de bladeren van de coca die euforie en ongevoeligheid voor pijn veroorzaakt en leidt tot verslaving
kokaina
noun
1. drankje bestaande uit gemixte alcoholische dranken
koktajl
/'kodə/
noun
kod
verb
1. in een code brengen
kodować
noun
kodycyl
/kɔxniˈtif/
adjective
1. met betrekking tot het leerproces
poznawczy
noun
1. ontgaste steenkool
koks
noun
2. koolzuurhoudende frisdrank
  1. cola
  2. kola
noun
kolaż
noun
kolekcja
noun
1. meerdere groepen die onder één noemer worden aangesproken
zbiorowy
/kɔˈleɣa/, /kɔˈleχa/
noun
  1. 1. een persoon die voor hetzelfde bedrijf werkt
  2. 2. een vak- of ambtgenoot
kolega
noun
1. de tijd waarin een docent een bepaald onderwerp uitlegt aan studenten
wykład
noun
koloid
pronoun
1.
Colmar
/ko.ˈlɔm.bi.ja/
pronoun
1. een land in het noordwesten van Zuid-Amerika
Kolumbia
noun
1. een inwoner van Colombia of persoon die de Colombiaanse nationaliteit bezit
Kolumbijczyk
/ko'lɔnə/
noun
1. rij van militairen of voertuigen in een groot aantal gelederen van kleine frontbreedte
kolumna
noun
1. een kever die op de aardappelplant leeft van ongeveer 1 cm lang en met een geel...
stonka ziemniaczana
noun
1. de eerste, gelige moedermelk
  1. siara
  2. młodziwo
noun
koltan
/ˈkoːmaː/
noun
1. volkomen bewusteloosheid
śpiączka
noun
kombinacja
noun
1. werktuig waarmee je zowel op verschillende manieren kan vastknijpen als afknippen
kombinerki
noun
komitet
/kɔ.ˈmɑn.do/
noun
  1. 2. speciaal getrainde groep militairen voor speciale missies
  2. 1. iemand uit een eenheid die extra getraind wordt voor speciale missies
komando
/kɔmən'tar/
noun
  1. 1. toelichting of verklaring
  2. 2. kritiek
komentarz
noun
komentator
/kɔmərˈʃel/, /kɔmɛrˈsjel/
adjective
1. zakelijk
komercyjny
noun
1. een groep personen aan wie een bepaalde opdracht wordt gegeven of die voor een bepaald doel bijeenkomen
komisja
/ˌkɔ.my.nɪ.ˈkaː.si/, /ˌkɔmyniˈkasi/, /ˌkɔmyniˈkaʦi/
noun
1. het uitwisselen van informatie
komunikacja
/kɔ.ˈmy.ni/, /kɔ.ˈmyː.nɪə̯/
noun
1. de gemeenschap met lichaam en bloed van Jezus Christus in de vorm van brood en wijn
komunia
/kɔmyˈnɪsmə/
noun
1. ideologie die gericht is op gemeenschappelijk bezit van productiemiddelen en verbruiksgoederen
komunizm
/ko.ˈmoː.rə(n)/, /ko.ˈmo̝ː.rə(n)/
pronoun
2. staat gevestigd op de gelijknamige eilanden
Komory
noun
2. vennootschap
kompania
noun
1. iets wat minder is uitvallen, weer goed (proberen te) maken (met een extra toegift)
rekompensata
adjective
1. bevoegd; bekwaam
kompetentny
noun
1. wedijver, concurrentie
rywalizacja
noun
1. de studie van de complexiteit en mate van oplosbaarheid van wiskundige vraagstukken binnen het kader van...
złożoność obliczeniowa
noun
1. bijkomende ziekte (verergering)
komplikacja
verb
1.(nodeloos) ingewikkeld maken
komplikować
noun
1. een lovende of vleiende opmerking
komplement
noun
1. iemand die muziekstukken schrijft
kompozytor
noun
een samengesteld materiaal dat is opgebouwd uit verschillende componenten
materiał kompozytowy
noun
1. is het residu dat ontstaat na ontbinding van organisch materiaal (d.w.z. van plantaardige of dierlijke oorsprong)
kompost
verb
1. tot compost verwerken
kompostować
/kɔmproˈmi/
noun
1. overeenkomst waarbij de betrokken partijen concessies doen...
kompromis
/kɔm.ˈpju.tər/, /kɔm.ˈpɪ̯uː.tər/
noun
1. informatieverwerkende machine
komputer
noun
1. een programma dat geïnstalleerd en gebruikt kan worden op een computer
program komputerowy
noun
1. een spel dat via of met de computer gespeeld wordt
gra komputerowa
noun
1. de taal waarin computerprogramma's worden geschreven, de programmeertaal.
język komputerowy
noun
1.
wirus komputerowy
noun
informatyka
noun
  1. stężenie
  2. koncentracja
verb
  1. 1. op één plek samenbrengen
  2. 2. zich ~ op één zaak toespitsen
koncentrować
noun
1. een muziekuitvoering door een orkest etc.
koncert
/kɔn.si.ˈjɛr.ʒə/, /kɔn.ˈʒɛr.ʒə/
noun
1. een huisbewaarder, een toezichter in een gebouw
konsjerż
noun
1. een besloten kerkvergadering van kardinalen waarbij een paus gekozen wordt
konklawe
/ˌkɔŋklyˈderən/
verb
2. (overgankelijk) tot een besluit komen
wnioskować
/kɔŋˈklyzi/
noun
konkluzja
noun
1.
konkurencja
/kɔndɛn'zasi/
noun
skraplanie
noun
1. elektrische component
kondensator
noun
prezerwatywa
noun
1. benaming voor sommige roofvogels uit de Amerikaanse tak (Cathartidae) van de gierenfamilie
kondor
noun
konduktancja
noun
1.
Konfekcja
noun
konfederacja
noun
konferencja
verb
1. van staatswege in beslag nemen
konfiskować
noun
konflikt
noun
konfrontacja
/kɔŋˈɣrɛs/, /kɔŋˈχrɛs/
noun
1. een grote vergadering van deskundigen op een bepaald vakgebied
kongres
/ˈkɔn.jʏŋk.tif/
noun
1. aanvoegende wijs
tryb łączący
verb
1. consecratie verrichten
poświęcić
noun
1. een noodzakelijk gevolg
konsekwencja
/kɔnsɛrvaˈtif/
adjective
1. vasthoudend aan het oude en vertrouwde
  1. konserwatywny
  2. konserwatysta
noun
1. een school in het hoger onderwijs waar men zich kan laten opleiden tot professioneel musicus, acteur/actrice of danser(es)
konserwatorium
noun
konstantan
pronoun
Konstantynopol
adjective
konstytucyjny
/ˌkɔnstrʏkˈtif/
adjective
1. opbouwend
konstruktywny
noun
  1. 1. Romeins overheidspersoon
  2. 1. vertegenwoordiger
konsul
noun
1.
konsulat
noun
1. een deskundige raadgever
doradca
noun
  1. 1. het nuttigen van voedsel
  2. 2. het verbruiken van goederen
  1. konsumpcja
  2. spozycie
/kɔn.ˈtɑk/, /kɔn.ˈtɑkt/
noun
  1. 1. een toestand waarbij twee voorwerpen elkaar raken
  2. 2. onderlinge communicatie
  3. 3. een contactpersoon
  4. 4. een verbinding van twee elektrische geleidingen
  5. 5. een elektrische schakelaar
  6. 6. de grens tussen stollings- en nevengesteente
kontakt
noun
1. een zeer kleine glazen of kunststof lens die men direct op de oogbol plaatst ter vervanging van een bril
  1. soczewka kontaktowa
  2. szkło kontaktowe
noun
kontener
noun
kontenerowiec
noun
1. verontreiniging of besmetting met chemische stof of bacterie
skażenie
adjective
1.
w gotówce
/ˈkɔntɛkst/
noun
1. verband waarin iets zich voordoet
kontekst
noun
1. een werelddeel
kontynent
adverb
ciagły
/ˌkɔntinyˈweːrə(n)/
verb
1. voortzetten
  1. kontynuować
  2. trwać
noun
ciągłość
noun
1. het laagstklinkende muziekinstrument van de strijkinstrumenten
kontrabas
/kɔnˈtrɑkt/
noun
1. een schriftelijk vastgelegde overeenkomst
kontrakt
noun
1. vrijheid van rechtssubjecten om inhoud, werking en vorm van een overeenkomst te bepalen
swoboda umów
noun
1. vrijheid van rechtssubjecten om inhoud, werking en vorm van een overeenkomst te bepalen
swoboda umów
noun
1. (muziekinstrument) fagot waarvan de noten een octaaf lager klinken dan de gewone fagot
kontrafagot
noun
1. opvallende tegenstelling
  1. kontrast
  2. przeciwienstwo
verb
1. inspecteren, toezicht houden, onderzoeken, nazien
sprawdzić
noun
1. iemand die belast is met de controle
kontroler
noun
1. kneuzing
kontuzja
noun
1. scheikundig element met symbool Cn en atoomnummer 112
  1. copernicium
  2. kopernik
pronoun
1. schiereiland in het zuidwesten van Engeland
Kornwalia
noun
korporacja
adjective
1. lichamelijk
cielesny
adjective
1.
poprawny
noun
1. samenhang
korelacja
/ˌkɔriˈʒeːrə(n)/, /ˌkɔriˈʒɪːrə(n)/
verb
1. iets van fouten ontdoen
poprawiać
noun
1. roest, een langzame verbinding met zuurstof
korozja
adjective
1. met behulp van geschenken, geld e.d. over te halen om zijn plicht, partij, of overtuiging te verzaken
skorumpowany
noun
1. bedrog vanwege oneerlijkheid
korupcja
/'kɔrsɪkɑ/
pronoun
1. Frans eiland
Korsyka
pronoun
1. een taal die op Corsica gesproken wordt
  1. Język korsykański
  2. korsykański
noun
1. bijnierschorshormoon
Kortykosteroidy
noun
  1. cosinus
  2. kosinus
noun
1. schoonheidsmiddel
kosmetyk
/ˌkɔs.ta.ˈri.ka/
pronoun
1. een staat in Midden-Amerika, tussen Panama en Nicaragua
Kostaryka
noun
kulomb
noun
1. massamedium
gazeta
noun
1. Cucurbita pepo, een groente uit de komkommerfamilie
cukinia
noun
kuskus
noun
1. iemand die tijdens de coronapandemie de maatregelen tegen de verspreiding...
  1. covidiota
  2. covidiotka
noun
1. veedrijver/veehoeder
kowboj
noun
1. bepaald soort zoogdier, Canis latrans
kojot
noun
2. op samenwerking gegronde vereniging of bedrijf
spółdzielnia
noun
1. onderlinge afstemming, het coördineren
koordynacja
noun
1. iemand die zorgt dat de dingen in hun samenhang geregeld worden
koordynator
verb
1. zo organiseren dat alles en iedereen goed kan samenwerken
koordynować
noun
1. bepaald soort struik en 2. vrucht daarvan, Vaccinium macrocarpon
  1. żurawina
  2. żurawina wielkoowocowa
adjective
1. met betrekking tot de schedel
czaszkowy
noun
kreacjonizm
noun
1. gedrevenheid of vaardigheid om iets oorspronkelijks te maken
kreatywność
noun
1. iemand aan wie iemand iets (meestal geld) verschuldigd is
wierzyciel
noun
1. de lijkverbranding, de verassing
kremacja
noun
1. centrum voor lijkverbranding
krematorium
verb
kremować
noun
1. een taal die is ontstaan doordat bevolkingsgroepen die twee verschillende talen spraken met elkaar in contact kwamen en een nieuwe taal ontwikkelden
język kreolski
/kreˈjeːrə(n)/
verb
1. iets nieuws maken, iets scheppen
  1. tworzyć
  2. kreować
noun
1. de misdadigheid, het begaan van misdaden
przestępczość
noun
1. iemand door zich onderhoudt door de wet te breken
kryminalny
noun
1. sociologie van misdaad en misdadigheid
kryminologia
noun
1. een zware noodsituatie waarbij het functioneren van een stelsel ernstig verstoord raakt
kryzys
/kriˈterijʏm/
noun
1. toets, een doorslag gevende reden
kryterium
/krʋɑˈsɑ̃/
noun
1. halvemaanvormig broodje
  1. rogalik
  2. croissant
noun
grzanka
noun
1. een passagierschip dat gebouwd en uitgerust wordt om er cruises mee te maken.
  1. wycieczkowiec
  2. statek wycieczkowy
noun
1. een oppascentrum voor kinderen
żłobek
/ˈky.ba/
pronoun
eiland en land in het Caribisch gebied
Kuba
adjective
1. met betrekking tot de kookkunst
kulinarny
/kɵl'tyːr/
noun
1. het patroon van menselijke activiteit en de symbolische structuren,...
kultura
/ky.ra.ˈsʌʊ̯/, /kyː.ra.ˈzaʊ̯/
pronoun
1. een eiland en 2. een land
Curaçao
noun
2. gele voedselkleurstof
kurkumina
noun
1. het bestuursorgaan van de Heilige Stoel ten behoeve van de gehele Rooms-katholieke Kerk
Kuria Rzymska
noun
kiur
noun
1. een precisiesport die lijkt op bowls, jeu de boules en bocce, die op ijs gespeeld wordt gespeeld met zware stenen in plaats van metalen (of plastic) ballen
curling
noun
krzywa
noun
1. wetenschap van de besturing van systemen
cybernetyka
/ˈsiklis/
adjective
1. regelmatig terugkerend
cykliczny
noun
2.
cyklon
noun
cyklop
noun
1. terugkerende, regelmatige reeks
cykl
noun
1. inwoner van Cyprus
Cypryjczyk
/ˈki.prʏs/, /ˈsi.prʏs/
pronoun
land in de Middellandse Zee, tussen Europa en Azië, officieel de Republiek Cyprus, eiland in de Middellandse Zee
Cypr
/sɪˈrɪlɪs/
adjective
1. betrekking hebbend op een alfabet
  1. cyrylicki
  2. cyrylica
/ˈkɪstə/
noun
1. holte gevuld met vocht
  1. torbiel
  2. cysta
/ˌsitɔˈplɑsma/
noun
cytoplazma
adjective
1. giftig voor cellen
cytotoksyczny
/dər/
personalPronoun
  1. 2. clitische vorm van haar, datief van zij, derde persoon enkelvoud
    jej
  2. 1. clitische vorm van haar, accusatief van zij, derde persoon enkelvoud
    ją
/dər/
possessivePronoun
1. clitische vorm van haar, bezit aanduidend door een 3e persoon vrouwelijk enkelvoud
jej
/daːt/
noun
1. bewust gepleegde handeling
czyn
adjective
1. ook echt plaats vindend
w rzeczywistości
/daːr/
adverb
1. op die plaats
tam
/daˈsit/
noun
1. vulkanisch stollingsgesteente.
dacyt
noun
dadaizm
noun
1. zoete bruine vrucht van de dadelpalm
daktyl
noun
1. iemand die iets (slechts) gedaan heeft
sprawca
/dɑx/, /dɑχ/
interjection
  1. 1. ontmoetingsgroet
    1. cześć
    2. hej
  2. 2. afscheidsgroet
    1. cześć
    2. pa
/dɑx/, /dɑχ/
noun
  1. 2. tijd tussen zonsop- en zonsondergang
    dzień
  2. 1. tijd waarin een hemellichaam volledig om zijn as draait
    1. dzień
    2. doba
noun
1. klassiek massamedium, gedrukt op papier en gericht op het verspreiden van nieuws
gazeta
adverb
1. iedere dag
codziennie
adverb
1. iedere dag
  1. codziennie
  2. codzienny
noun
1. het aanbreken van de nieuwe dag, de tijd net voor zonopkomst
  1. brzask
  2. świt
noun
1. bepaalde soort dagvlinder, Aglais io
  1. rusałka pawik
  2. pawik
noun
1. deel dat een gebouw aan de bovenkant bedekt en bescherming biedt tegen het weer
dach
noun
1. iemand die op de straat leeft, zonder vaste verblijfplaats
bezdomny
noun
1. elkaar overlappende stenen of betonnen elementen waarmee een schuin dak lekdicht gedekt wordt
dachówka
/dɑl/
noun
1. een laagte in een heuvel- of bergstreek
dolina
noun
  1. dalmatynczyk
  2. dalmatyńczyk
noun
1. (bij het damspel) twee gestapelde schijven
dama
/daːmə/
noun
  1. 3. koningin in het schaakspel
    1. dama
    2. hetman
    3. królowa
  2. 1. beschaafde vrouw
    1. dama
    2. pani
noun
1. Dama dama, behoort tot de familie Cervidae, hert met een breed plat gewei...
daniel
noun
1. een bordspel
warcaby
verb
1. het damspel spelen
grać w warcaby
/dɑmp/
noun
1. de gasvormige toestand van een stof, de toestand die ontstaan is door verdamping
para
conjunction
1. na een vergrotende trap van een bijvoeglijk naamwoord of van een bijwoord.
aniżeli
pronoun
3. jongensnaam
Daniel
interjection
1. uitdrukking van dankbaarheid
  1. dziękuję
  2. dzięki
  3. dziękujemy
adjective
1. erkentelijk voor ontvangen hulp
wdzięczny
noun
1. het dankbaar zijn
wdzięczność
preposition
1. door de positieve werking van
dzięki
noun
1. een verzameling sierlijke bewegingen, meestal op basis van een muzikaal ritme
taniec
verb
1. ritmisch bewegen
  1. tanczyć
  2. tańczyć
noun
1. mannelijk persoon die danst
tancerz
/dɑnsə'rɛs/
noun
1. een vrouwelijk persoon die danst
tancerka
pronoun
Gdańsk
/ˈdɑpər/
adjective
geen angst voor gevaar tonend
odważny
noun
1. mannelijke bij
truteń
/dɑrm/
noun
1. onderdeel van het spijsverteringsstelsel tussen de maag en de anus
jelito
noun
  1. darmsztadt
  2. darmstadt
noun
1. evolutieleer die het ontstaan van de soorten verklaart door natuurlijke selectie uit varianten die bij reproductie optreden
darwinizm
/dɑs/
noun
  1. 1. bepaald soort zoogdier, Meles meles
    1. borsuk
    2. jaźwiec
  2. 1. lange, smalle reep stof die onder de kraag van het overhemd wordt vastgeknoopt
    krawat
noun
1. paneel met instrumenten waarmee een voertuig of installatie kan worden bestuurd of bediend
deska rozdzielcza
/ˈdɑs.lok/
noun
1. sterk riekende, eetbare plant uit de lookfamilie
  1. czosnek niedźwiedzi
  2. trzemucha
conjunction
1. een voegwoord dat een lijdend-voorwerpszin inluidt
że
verb
1. de datum van ontstaan bepalen
datować
noun
de derde van de acht naamvallen van de Indo-Europese talen
celownik
noun
1. Russisch buitenverblijf
dacza
noun
1. een tijdsaanduiding die bestaat uit een dag(nummer), een maand en een jaar
data
noun
rosa
verb
1. een lastige kwestie voortvarend en vastberaden aanpakken
  1. wziąć byka za rogi
  2. złapać byka za rogi
phraseologicalUnit
1. mensen zijn de belangrijkste vijanden van mensen
człowiek człowiekowi człowiekiem
interjection
1. er is een onomkeerbare stap gezet
kości zostały rzucone
noun
debata
/deˈbil/
noun
  1. 1. iemand die min of meer zwakzinnig is
  2. 2. bespottelijk iemand, halve gare, idioot
debil
noun
dluznik
verb
1. voor de eerste keer doen
debiutować
noun
  1. 1. C10H22
    dekan
  2. 2. hoofd van een faculteit
    dziekan
noun
1.
dekametr
noun
1. de twaalfde en tevens laatste maand van het jaar
grudzień
noun
decygram
noun
1. een lengtemaat met een waarde van één tiende meter
decymetr
/dekliˈna(t)si/
noun
1, 2
  1. deklinacja
  2. odmiana
verb
1. uit code overbrengen in gewone taal
rozszyfrować
noun
1. ongebakken kneedbare uitgangsmateriaal voor het bakken van diverse broden en gebak
ciasto
noun
1. rol om deeg uit te rollen
  1. wałek do ciasta
  2. wałek
/ˈdeːl/
noun
  1. 1. een afsplitsing van een geheel
  2. 2. één uit een reeks
część
verb
1. meedoen, meevoelen
  1. brać udział
  2. uczestniczyć
noun
1. iemand die meedoet aan een wedstrijd of ander evenement
uczestnik
noun
dzielna
noun
2. onderdeel van een atoom
cząstka
noun
  1. akcelerator cząstek
  2. akcelerator
noun
imiesłów
/den/, /deːn/
noun
1. een inwoner van Denemarken
Duńczyk
/dens/, /deːns/
adjective
1. betreffende Denemarken of het Deens
duński
/dens/, /deːns/
pronoun
1. een Germaanse taal die wordt gesproken in Denemarken
  1. duński
  2. język duński
/ˈdensə/, /ˈdeːnsə/
noun
Dunka
noun
1. Duits hondenras dat gefokt werd als waakhond
dog niemiecki
noun
1. ongeloof in het eigen succes.
defetyzm
noun
1. iemand die zich bij voorbaat neerlegt bij een mislukking
defetysta
verb
1. uit het raam gooien
  1. defenestrować
  2. wyrzucić przez okno
noun
1. begripsbepaling
definicja
noun
1. het vallen van het prijspeil waardoor het geld in waarde toeneemt
deflacja
noun
defragmentacja
noun
zwyrodnienie
noun
1. afbraak
degradacja
pronoun
  1. 1. Griekse god van de paniek
  2. 2. kleinste van de twee manen van Mars
Deimos
noun
1. een verdieping op een schip
pokład
noun
1. dikke deken gevuld met isolerend materiaal
  1. kołdra
  2. pierzyna
/dekə(n)/
noun
1. een (vaak dikke) doek, met de functie om iemand te bedekken en daarmee warm te houden (tijdens de slaap)
koc
/'dɛk.pɵnt/
noun
1.
punkt stały
noun
1. een voorwerp om een hol open lichaam mee af te dekken
pokrywka
noun
  1. 1. afvaardiging
  2. 3. schuldoverneming
delegacja
verb
2. in meer dan één stuk snijden of hakken
podzielić
noun
dzielnik
noun
demagogia
noun
  1. demokracja
  2. ludowładztwo
adjective
1. in overeenstemming met de principes van een democratie
demokratyczny
noun
1. de studie van alles wat de omvang, samenstelling en spreiding van een bepaalde bevolkingsgroep en de veranderingen hierin betreft
demografia
noun
3. een protestmars
demonstracja
noun
1. Pinus soort naaldboom
sosna
pronoun
1. de hoofdstad van de provincie Zuid-Holland en tevens de stad waar de Nederlandse regering zetelt
Haga
noun
dendryt
adjective
1. vertakt
dendrytyczny
/ˈdenəˌmɑrkə(n)/, /ˈdeːnəˌmɑrkə(n)/
pronoun
1. een Scandinavisch land in Noord-Europa
Dania
verb
  1. 1. een oplossing zoeken
  2. 3. een bepaalde mening toegedaan zijn
myśleć
noun
wroniec widlasty
/ˈdejo/
noun
1. een middel dat gebruikt wordt om de geur van transpiratie weg te nemen of te voorkomen
dezodorant
/ˌdejodɔːˈrɑnt/
noun
1. een middel dat gebruikt wordt om de geur van transpiratie weg te nemen of te voorkomen
dezodorant
noun
deontologia
noun
1. verdwijning van kleur (pigment)
  1. depigmentacja
  2. odbarwienie
noun
    1. 2. gebied met lage luchtdruk
    2. 3. langdurige inzinking in de economische ontwikkeling
    depresja
  1. 1. ziekelijke neerslachtigheid
    1. depresja
    2. zaburzenia depresyjne
/depriˈvaʦi/
noun
deprywacja
/ˈdɛrdə/
ordinalAdjective
1. betrekking hebbend op nummer drie in een rij
trzeci
noun
celownik
noun
trzecia osoba
noun
1. overeenkomst ten gunste van een derde die normaal erbuiten blijft
estipulação em favor de terceiro
noun
4. een afgeleide stof met een overeenkomstige structuur
pochodna
adjective
1. met betrekking tot de huidziekten
dermatologiczny
noun
1. Huidspecialist
dermatolog
cardinalNumeral
1. het getal 13
  1. trzynaście
  2. trzynaścioro
ordinalAdjective
trzynasty
cardinalNumeral
1. het getal 30
trzydzieści
verb
dezerterować
noun
1. ziektekiemdodend middel
dezynfektant
noun
1. onjuiste of misleidende informatie, die bewust verstrekt wordt met het oogmerk...
dezinformacja
adjective
1. met kennis van zaken
specjalistyczny
noun
1. een specialist
  1. ekspert
  2. specjalista
noun
1.
chochoł
noun
  1. kwas deoksyrybonukleinowy
  2. kwas dezoksyrybonukleinowy
noun
deser
noun
1. onderdeel, kleinigheid
detal
noun
1. opsporing, ontdekking
detekcja
noun
1. detector
detektor
/de'tɛrɣɛns/
noun
1. geneesmiddel dat zuivert
detergent
noun
1. iets dat goed is in zedelijk opzicht
cnota
adjective
1. bereid zich te gedragen in overeenstemming met algemeen aanvaarde waarden
cnotliwy
/døːr/
noun
1. een afsluiting van een toegang tot een ruimte, gemaakt van hout, metaal of kunststof
drzwi
noun
1. handvat dat de grendel van een deur bedient.
klamka
noun
1. een kleine mat, waarop men bij de deur de schoenen kan afvegen
wycieraczka
/dørwardər/
noun
1. gerechtelijk ambtenaar die exploten en executien doet, dagvaardingen uitbrengt en beslagen legt
komornik sądowy
/dœyˈterijʏm/
noun
1. een isotoop van waterstof
deuter
/dewteɾoˈnomjum/
pronoun
Księga Powtórzonego Prawa
/'devəntər/
adjective
1. gemeente en oudste stad in de provincie Overijssel
Deventer
noun
1. woord of korte tekst die snel en tegelijkertijd duidelijk een bepaalde boodschap moet overbrengen
motto
demonstrativePronoun
taki sam
/deʲɪsmə/
noun
deizm
noun
1. stofwisselingsziekte waarbij het lichaam geen of te weinig insuline produceert
cukrzyca
noun
1. band (met edelstenen versierd) voor om het hoofd
diadem
noun
1.
koczkodan czarnosiwy
noun
1. vaststelling van een ziekte
diagnoza
/'dɪɑɣnɔstɪ'seːrə(n)/
verb
1. aan de hand van verschijnselen de ziekte bepalen
diagnozować
noun
1. een symbolische en grafische voorstelling van een aantal zaken en hun onderling verband
  1. diagram
  2. wykres
noun
diakon
/diaˈlɛkt/
noun
1. een variant van een taal met kenmerkende grammaticale, fonologische en andere kenmerken
  1. dialekt
  2. narzecze
/ˌdi.ja.ˌlɛk.to.lo.ˈɣi/, /ˌdi.ja.ˌlɛk.to.lo.ˈχi/
noun
1. de wetenschap die regionale verschillen tussen taalvariëteiten bestudeert
dialektologia
noun
dialog
noun
1. bloedzuivering met een kunstnier
dializa
noun
  1. 1. een uiterst hard, doorzichtig mineraal met kubische symmetrie dat uit koolstof bestaat
  2. 2. een edelsteen gesneden uit [1]
diament
noun
1. middellijn
średnica
/diɑ're/
noun
1. darmstoornis die dunne ontlasting veroorzaakt
biegunka
noun
diaspor
/diˈjaspora/
noun
diaspora
adjective
1. compact
gęsty
preposition
1. op een korte afstand van
blisko
/dɪxtˈbɛː/, /dɪɣ.ˈbɛɪ̯/, /dɪχˈbɛɪ/
adjective
1. op heel korte afstand
blisko
noun
1. iemand die poëtische kunst voortbrengt
poeta
noun
1. compactheid
gęstość
noun
1. iemand die als enige de macht in een land in handen heeft
dyktator
adjective
1.
dyktatorski
noun
1. staatsvorm waarbij de macht vrijwel volledig in handen van één of enkele personen ligt
dyktatura
verb
dyktować
/diˈdimijʏm/
noun
1. scheikundige stof
dydym
noun
2. een aanpassing in het eet- en voedingspatroon
dieta
/dif/
noun
1. iem. die steelt
  1. złodziej
  2. złodziejka
noun
1. het zich onrechtmatig toe-eigenen van goederen of andere bezittingen die aan een ander toebehoren
  1. kradzież
  2. kradziez
noun
taca
/ˈdinən/
verb
1. werken voor; in dienst zijn van
służyć
noun
  1. 1.
  2. 4. kerkdienst
służba
/ˈdinst.plɪxt/
noun
1. verplichting om ergens te werken
pobór
adjective
1. waar de bodem ver naar beneden is
głęboki
/'diptə/
noun
1. de mate waarin iets diep is
głębokość
noun
zamrazarka
/diːr/
noun
1. met zintuigen uitgerust meercellig organisme dat zijn energie verkrijgt uit andere dierlijke of plantaardige organismen
zwierzę
adjective
1. waaraan men grote waarde hecht
  1. drogi
  2. ukochany
noun
1. arts voor dieren, met name kleine huisdieren
weterynarz
/ˈdiːrə(n)ˌtœʏ̯n/, /ˈdiːrə(n)ˌtœːn/
noun
1. een verzameling levende, oorspronkelijk wilde dieren.
  1. zoo
  2. ogród zoologiczny
noun
1. wetenschap die zich richt op de aard, de oorzaken en de geneesmiddelen van dierziektes
  1. medycyna weterynaryjna
  2. weterynaria
noun
1. de wetenschap die de dieren bestudeert.
zoologia
noun
  1. bifenyl
  2. difenyl
noun
1. de vermenging van twee ongelijksoortige stoffen
dyfuzja
noun
1. infectieziekte
błonica
/ˈdɪftɔŋ/
noun
1. een foneem dat uit twee klinkers bestaat die binnen één lettergreep in elkaar overgaan
dyftong
noun
1. het verschijnsel dat een diftong overgaat in een monoftong
diftongizacja
adjective
cyfrowy
noun
dwuznak
/dɛj/
noun
1. het deel van het menselijk been tussen heup en knie
udo
noun
  1. kość udowa
  2. 大腿骨
noun
1. een waterkering ter bescherming van het achterliggende land
grobla
noun
4. in het zand levende grondelsoort
  1. babka mała
  2. caboz-de-areia
adverb
często
/dɪ'lɛmɑ/
noun
moeilijke keuze
dylemat
noun
1. de plant en de bladeren van het kruid
  1. koper
  2. koperek
noun
  1. 1. afmeting in een bepaalde richting
  2. 2. parameter van een wiskundige ruimte
  3. 3. categorie waarin een fysische grootheid valt
wymiar
noun
1. voorwerp
rzecz
/ˈdɪ.ŋəs/
noun
wihajster
noun
1. Canis lupus dingo, een Australische wilde hond
dingo
/ˌdinoˈsʌʊrəs/
noun
1. een lid van een uitgestorven groep van reptielen, waartoe de grootste landdieren behoren die ooit bestaan hebben
dinozaur
noun
1. dag van de week die na maandag en voor woensdag komt
wtorek
noun
dioda
noun
1. iemand die in het buitenland zorgt voor de politieke relaties met zijn eigen land
dyplomata
noun
1. de kunst en de kunde van het voeren van overleg
dyplomacja
adjective
1. betrekking hebbende op de diplomatie
dyplomatyczny
adjective
1. zonder te wachten, zonder iets daartussen
bezpośredni
noun
1. een leider van een orkest, koor of ander muziekgezelschap
dyrygent
noun
1. beschrijvend overzicht van de elpee's of cd's van een artiest of muziekgroep
dyskografia
noun
dyskoteka
adjective
1. zonder aandacht te trekken, onopvallend
dyskretny
noun
1. onverwachte onderlinge afwijking
rozbieżność
noun
  1. 1. bescheidenheid of kiesheid
  2. 2. geheimhouding
dyskrecja
noun
dyskryminacja
/ˈdɪskʏs/
noun
1. een zware werpschijf die gebruikt wordt bij de atletische sport discuswerpen.
dysk
noun
1. een gedachtewisseling waarbij doorgaans verschillende meningen worden uitgewisseld
dyskusja
verb
dyskutować
noun
1. een atletiekdiscipline waarbij men een discus zo ver mogelijk probeert te werpen
rzut dyskiem
noun
alternatywa
noun
1. Magneetschijf
dyskietka
/dɪsəl/
noun
3. houtbewerkingsbijl
  1. ciesak
  2. ciosła
  3. cieślica
adjective
dysydent
noun
oset
verb
1. afzonderen van een gezuiverd product door het verhitten van een mengsel en afkoelen van de dampen
destylować
noun
1. verdeling, verspreiding
dystrybucja
noun
1. het gebied van een lokale overheid
dzielnica
demonstrativePronoun
  1. ten
  2. to
  3. ta
adjective
2. gekenmerkt door de aanwezigheid van mensen met een verschillend achtergrond
rozmaity
noun
1. uitkering van (een deel van de) winst aan de aandeelhouders van een onderneming
dywidenda
noun
1. (weinig gebruikte) scheikundige term voor water (H2O)
monotlenek diwodoru
/(d)ʒi.ˈbu.ti/, /dji.ˈbu.ti/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika 2. de hoofdstad van
Dżibuti
pronoun
1.
Dniepr
noun
1. kubusvormig voorwerp met op elk van de zijden een van de ogenaantallen één tot en met zes
kość
noun
1. een vrouwelijk kind
córka
/ˈdɔktɔr/
abbreviation
1. een academicus die een goedgekeurd proefschrift heeft geschreven
doktor
noun
1. een verzameling leerstellingen of dogmas die niet ter discussie staan
doktryna
noun
1. een verzameling gegevens
dokument
/dokymɛn'taʦi/
noun
1. geschreven materiaal dat een bepaald onderwerp om- en beschrijft
dokumentacja
verb
1. onderbouwen, staven
dokumentować
noun
1. iemand die dood is, een gestorvene, overledene
nieboszczyk
/'do:dələk/
adjective
1. de dood veroorzakend
śmiertelny
/ˈdo.də(n)/
verb
1. iemand van het leven beroven.
  1. zabić
  2. zabijać
/ˈdudɔɫˌzɑk/, /ˈdudəlˌzɑk/
noun
1. een rietinstrument waarbij het riet indirect bespeeld wordt via een luchtzak
  1. kobza
  2. dudy
noun
  1. 1. een van de twee gemarkeerde ruimten op een sportveld
    bramka
  2. 1. het punt waarop men zich richt
    cel
noun
grupa docelowa
adjective
1.
bezcelowy
noun
bramkarz
noun
gol
verb
1. een actie ondernemen
  1. robić
  2. zrobić
noun
doża
/'dɔɣma/
noun
1. een vastomlijnd geloofsartikel dat aan geen beredenering meer is onderworpen
dogmat
noun
  1. lekarz
  2. doktor
/ˈdɔkˌʋɛr.kər/
noun
1. iemand die in de havens werkt
sztauer
/dɔl/
noun
2. U-vormig steunpunt waarin een roeispaan rust
dulka
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Delfin
/dɔlˈfɛɪ̯n/, /dɔlˈfɛːn/, /dɔɫˈfɛɪ̯n/, /ˈdɔlfɛɪ̯n/, /ˈdɔlfɛːn/, /ˈdɔɫfɛɪ̯n/
noun
1. familie Delphinidae van mittelgrote tandwalvissen met vooruitstekende snuit
delfin
noun
  1. sztylet
  2. kindżał
/ ˈdɔlɑr /
noun
1. munt en munteenheid
dolar
adjective
1. van weinig verstand getuigend
  1. głupi
  2. głupia
  3. głupie
noun
1. temming tot huisdier of cultuurgewas
udomowienie
verb
1. tot huisdier of cultuurgewas temmen
udomowić
noun
2. vijfde trede van toonladder
dominanta
noun
1. overheersing
dominacja
noun
1. voorganger van een protestantse eredienst
pasterz
/domiˈnɪːrə(n)/
verb
1. het meest nadrukkelijk op de voorgrond treden
dominować
/ˌdo.mi.ni.ˌkan.sə.re.py.ˈblik/, /ˌdo.mi.ni.ˌkans.re.pʏ.ˈbliːk/
pronoun
1. een land in het Caribisch gebied dat ten westen aan Haïti grenst en daarmee...
  1. Republika Dominikańska
  2. Dominikana
noun
1. autonoom deel van het Britse Rijk, deel van het Britse gemenebest
dominium
noun
1.
efekt domina
noun
1. een schenking
dar
pronoun
1. een rivier in Europa die in het Zwarte Woud in Duitsland ontspringt en naar de Zwarte Zee stroomt.
Dunaj
noun
1. een zeer luid geluid bij onweer
  1. grzmot
  2. grom
noun
1. een dag van de week die na woensdag en voor vrijdag komt
czwartek
/ˈdɔndərə(n)/
verb
  1. 1. het weerklinken van luid gerommel ten gevolge van bliksemontlading.
  2. 2. op luide en barse toon een bevel geven of zijn ongenoegen uiten.
grzmieć
adjective
1. zonder licht
  1. ciemny
  2. ciemna
  3. ciemne
noun
1. fijne veren die onder de taaiere buitenveren zitten, vaak gebruikt als vulstof voor kussens, dekbedden en slaapzakken
puch
/doːt/
adjective
1. niet meer levend
martwy
/doːt/
noun
  1. 2. skeletvormige figuur, vaak met zeis, die bovengenoemde toestand personifieert
    śmierć
  2. 1. de toestand na het leven
    1. śmierć
    2. zgon
noun
1. (beroep) persoon
grabarz
/ˈdoːts.ɛsˌka.dər/
noun
1. bende die gevormd is om een of meerdere personen te doden
szwadron śmierci
noun
trumna
noun
1.
  1. przyczyna śmierci
  2. przyczyna zgonu
noun
1. als straf gedood worden
kara śmierci
/doːf/
adjective
1. niet of minder goed tot horen in staat zijn
głuchy
noun
głuchota
noun
1. smelten
ocieplenie
noun
żółtko
noun
  1. 1. stelsel van paden of dwaalwegen, zodanig aangelegd dat men daarin moeilijk de weg kan vinden
  2. 2. ingewikkelde zaak
labirynt
noun
1. de doop
chrzest
/ˈdop.vɔnt/
noun
1. een bekken voor de bediening van de doop en het bewaren van het doopwater in een kerkgebouw
chrzcielnica
/ˈdoːr/, /[doːr]/, /[dʊːr]/
preposition
  1. 1. bij lijdende vorm
  2. 2. oorzaak
  3. 3. in
  4. 6. als achterzetsel: doorheen
przez
noun
1. scherp uitsteeksel aan een plant
cierń
noun
1. Datura stramonium, een zeer giftige plant die hallucinogene alkaloïden bevat
bieluń dziędzierzawa
/ˈdornəkron/
noun
1. van doorntakken gevlochten kroon als symbool van het martelaarschap
korona cierniowa
verb
1. volhouden
wytrwać
/doːrˈzɪxtəx/, /doːrˈzɪxtɪx/, /do̝ːrˈzɪχtəχ/
adjective
[1] waar licht zo ongehinderd door kan treden dat het zicht erdoor niet belemmerd wordt
przezroczysty
/doʊs/, /doːs/
noun
1. een veelal kartonnen balkvormig opslagmiddel
  1. pudło
  2. pudełko
verb
2. iemand ritueel met water besprenkelen of erin onderdompelen en zodoende tot een geloof toelaten
chrzcić
noun
1. stimulerende (genees)middelen
doping
/dɔrp/
noun
1. kleine, permanente nederzetting
  1. wieś
  2. wioska
noun
1. inwoner van een kleine plaats op het platteland
wieśniak
/ˈdɔrps.kɛrk/
noun
2. een kerkgemeenschap in een dorp
wiejski kościół
verb
młócić
noun
pragnienie
noun
cep
noun
1. vloer waarop gedorst wordt
  1. gumno
  2. klepisko
noun
1. hoeveelheid van een geneesmiddel die je per keer moet innemen
dawka
noun
1. een overheidsdienst die belast is met de controle op het internationaal goederenverkeer
cło
/duʃ/
noun
1. stortbad
prysznic
verb
1. een douche nemen
brać prysznic
noun
1. een set van twaalf
tuzin
/draːt/
noun
3. elektrisch verbindingsmateriaal
drut
/drat.los/, /ˈdraːd.loːs/
adjective
1. waarbij geen draden nodig zijn voor de overdracht van een signaal
  1. bezprzewodowy
  2. bezsznurowy
noun
1. ongemoduleerde elektromagnetische radiogolf
fala nośna
noun
1. stok waaraan men iets draagt
koromysło
noun
1. een machine die een ingeklemd werkstuk ronddraait zodat dit met beitels en boren kan worden bewerkt
tokarka
noun
scenariusz
noun
1. constructie van drie of vier deurbladen die rondom een gezamenlijke verticale as kunnen draaien, ter vervanging van een gewone deur m.n. gebruikt in winkels, ziekenhuizen enz.
drzwi obrotowe
/ˈdraːi̯ən/
verb
Vertalingen: na te kijken
kręcić
noun
1. iemand die met een draaibank werkt
tokarz
noun
obrót
noun
karuzela
noun
1. een mechanisch bediend of automatisch spelend orgel, meestal op straat spelend
katarynka
pronoun
sterrenbeeld nabij de noordelijke hemelpool
Smok
/draːk/
noun
1. fabeldier
smok
/drɑf/
noun
1. draf bij viervoeters
kłus
verb
  1. 1. al van de vloer houdend vervoeren
  2. 2. als kledingstuk of sieraad aanhebben
nosić
/ˈdraɣɔn/
noun
2. kruid
estragon
noun
1.
dragon
noun
1. vochtafvoering
drenaż
noun
  1. 1. een droevige of aangrijpende gebeurtenis
  2. 2. een bepaald soort film of toneelstuk
dramat
/drɑŋk/
noun
  1. 2. vloeistof om de dorst te lessen
  2. 1. alcoholhoudende vloeistof
napój
verb
1. van paarden
kłusować
noun
1. grassoort
stokłosa
noun
1. onderdorpel van een kozijn
  1. próg
  2. przedsionek
/ˈdrɛntə/
pronoun
1. provincie in het noorden van Nederland, die door Friesland, Groningen, Overijssel en het Duitse Nedersaksen wordt begrensd
Drenthe
cardinalNumeral
1. telwoord
  1. trzy
  2. trójka
noun
1. het cijfer 3
  1. trójka
  2. trzy
adjective
1. met drie afmetingen, hoogte, breedte en diepte
trójwymiarowy
noun
1. tweedimensionale geometrische vorm, bestaande uit 3 hoeken en 3 zijden
trójkąt
adjective
trójkątny
noun
trójząb
cardinalNumeral
1. het getal 33
trzydzieści trzy
cardinalNumeral
1. het getal 23
dwadzieścia trzy
cardinalNumeral
1. het getal 43
czterdzieści trzy
noun
1. gas dat in spuitbussen gebruikt wordt om de inhoud onder druk te zetten
napędzany aerozolem
noun
1. bodem bestaand uit heel kleine korreltjes vergruisd gesteente, verzadigd met zoveel water dat alles wat zwaar is er in wegzakt
  1. kurzawka
  2. ruchome piaski
adjective
pilny
/'drɪŋkə(n)/
noun
pić
noun
water dat geschikt is om gedronken te worden
woda pitna
noun
3. paardenziekte
zołzy
verb
1. vocht laten of doen verdampen
suszyć
noun
1. uitwerpsel, ontlasting
gówno
noun
1. Camelus dromedarius, herkauwer uit Afrika met vetbult op de rug
dromader
verb
  1. je een voorstelling maken van wat je graag wil
    1. marzyć
    2. śnić
  2. 1. ervaren van een reeks gebeurtenissen of beelden tijdens de slaap
    1. śnić
    2. marzyć
/drɔŋkə(n)/
adjective
1. onder invloed van alcohol
pijany
/droːx/
adjective
1. geen of zeer weinig vocht bevattend.
suchy
noun
1. lange periode zonder of met minder neerslag
susza
noun
  1. 2. een gedachte waarvan met graag had gehad dat ze werkelijkheid werd
    1. marzenie
    2. sen
  2. 1. beelden die men ziet wanneer men slaapt
    1. sen
    2. marzenie
noun
narkotyk
/'drɵksfər'slaːfdə/
noun
1. Verslaafd persoon
narkoman
noun
2. vrucht van de wijnstok
winogrono
noun
1. bundel druiven
  1. grono
  2. kiść
noun
1. pressie, kracht die over een oppervlakte uitgeoefend wordt
ciśnienie
noun
1. een persoon die afdrukken maakt
drukarz
noun
perkusja
/drɵ.pəl/
noun
kropla
/ˈdʏbəl/
adjective
1. tweemaal voorhanden
podwójny
/ˈdʏ.bəl.ˌstɛr/, /ˈdʏ.bəɫ.ˌstɛr/
noun
1. twee sterren die om elkaar heen bewegen
gwiazda podwójna
/dʏbəl'zɪnəxhɛit/
noun
1. iets dat op meerdere manieren te interpreteren is
wieloznaczność
noun
1. een scheikundig element met het symbool Db
dubn
/dœʏ̯f/, /dœːf/
noun
1. vogel die een koerend geluid maakt, uit de familie Columbidae
gołąb
noun
łódź podwodna
/ˈdœy̯kə(n)/
verb
  1. 1. het zich onder water voortbewegen (van bijvoorbeeld duikboten) of zwemmen (van mensen)
    nurkować
  2. 4. snel verbergen of ontwijken
    1. zanurkować
    2. dać nurka
  3. 2.in het water springen zodat de armen eerst het water in gaan
    1. zanurkować
    2. nurkować
/dœy̯m/
noun
  1. 2. lengtemaat
    cal
  2. 1. eerste, kortste en dikste vinger
    kciuk
/dœʏ̯n/, /dœːn/
noun
  1. wydma
  2. diuna
pronoun
1.
Duisburg
noun
1. een toestand van weinig of geen verlichting
ciemność
/dœʏ̯ts/, /dœːts/
adjective
1. betreffende Duitsland of het Duits
niemiecki
/dœʏ̯ts/, /dœːts/
pronoun
1. een taal die gesproken wordt in Duitsland, Oostenrijk, Zwitserland, Italië en België
  1. niemiecki
  2. język niemiecki
/ˈdœʏ̯tsə/, /ˈdœːtsə/
noun
1. een vrouw van Duitse komaf
Niemka
pronoun
Niemiecka Republika Demokratyczna
noun
1. hond uit een oorspronkelijk in Duitsland gefokt ras
owczarek niemiecki
/ˈdœʏ̯tsər/, /ˈdœːtsər/
noun
1. een inwoner van Duitsland
Niemiec
/ˈdœʏ̯tslɑnt/, /ˈdœːtslɑnd/, /ˈdœːtslɑnt/
pronoun
1. een Midden-Europese staat die wordt gevormd door een federatie van 16 deelstaten en die het Duits als officiële taal heeft
Niemcy
noun
  1. diabeł
  2. czart
noun
1. het gevoel zijn evenwicht te verliezen
zawroty głowy
/ˈdœy̆zənt/
noun
1000
tysiąc
noun
krwawnik pospolity
noun
1. geleedpotig dier met een groot aantal poten uit de klasse Chilopoda
stonoga
ordinalAdjective
tysięczny
noun
1. oude munt
dukat
verb
1. bereid zijn iets ongestraft te laten
znosić
/dʏn/
adjective
2. van geringe dikte
cienki
noun
1. bepaalde soort vis, Chelon ramada
mugil ramada
noun
1. deel van het spijsverteringskanaal tussen de maag en de dikke darm
jelito cienkie
/'dyːrə(n)/
verb
1. een bepaalde tijd in beslag nemen
trwać
noun
1. enige tetraploïde tarwesoort die nog veel wordt verbouwd
pszenica twarda
conjunction
1.om die reden, daarom
tak więc
verb
niet goedkoop
drogi
/dy.ʋǝⁿ/
verb
1. door druk uit te oefenen doen voortbewegen
pchać
noun
1. een kledingstuk dat de drager bewegingsvrijheid van de armen en handen ontneemt
kaftan bezpieczeństwa
noun
1. een buitengewoon klein mens
karzeł
noun
1.
planeta karłowata
noun
1. zeer kleine staat
mikropaństwo
noun
1. kleinste soort van de vinvissen, Balaenoptera acutorostrata
płetwal karłowaty
verb
1. iemand tegen zijn wil iets opleggen
zmuszać
noun
springstof waarin nitroglycerine door een poreuze stof wordt vastgehouden
dynamit
noun
dynamo
noun
1. rode loop, bloeddiarree
dyzenteria
noun
1. slikstoornis
dysfagia
noun
1.
dysfemizm
noun
dyskinezy
/dɪslɛkˈsi/
noun
1. het onvermogen om woorden, waarvan men wel de letters ziet, in hun betekenis te vatten
dysleksja
noun
1. scheikundig element met symbool Dy en atoomnummer 66
dysproz
noun
dystymia
noun
1. een getijde waarbij het water van de zee zakt, in tegenstelling tot vloed, waarbij het water stijgt
odpływ
/ˈɛ.xo/, /ˈɛ.χo/
noun
1. een hoorbare terugkaatsing van een gemaakt geluid
echo
noun
1. beeld (of foto) van organen dat gemaakt wordt via geluidsgolven die worden teruggekaatst
ultrasonografie
noun
1. het dwangmatig herhalen van woorden of zinnen, zonder de betekenis ervan daadwerkelijk te doorgronden
echolalia
noun
echolokacja
adjective
2. waarachtig, juist, niet vervalst
prawdziwy
/ˈɛxtxəˌnot/
noun
1. een mannelijke huwelijkspartner
  1. mąż
  2. małżonek
/ˈɛxtxəˌnotə/, /ˈɛχtχəˌnotə/
noun
1. een vrouwelijke huwelijkspartner
żona
noun
1. formele verbreking van een huwelijksband
rozwód
adjective
eklektyczny
/ˌe.ko.lo.ˈɣi/, /ˌe.ko.lo.ˈχi/
noun
1. de tak van wetenschap die het samenspel tussen organismen onderling en hun relatie met hun omgeving bestudeert
ekologia
adjective
ekologiczny
/ˌe.ko.ˈlox/, /ˌe.ko.ˈloχ/
noun
1. een wetenschapper die het samenspel tussen organismen onderling en hun relatie met hun omgeving bestudeert
ekolog
noun
2. het geheel van productie, handelsverkeer en diensten binnen een bepaalde regio
  1. ekonomia
  2. gospodarka
adjective
1. betreffende economie
ekonomiczny
noun
1. alle organismen in hun leefomgeving.
ekosystem
noun
ektoplazma
noun
1. de naam voor elk element uit de achtste chemische reeks van het periodiek systeem
gaz szlachtetny
noun
1. een metaal dat niet licht aan corrosie of oxidatie ten prooi valt
metal szlachetny
adjective
wielkoduszny
noun
1. een stuk edelgesteente
  1. kamień szlachetny
  2. klejnot
/et/
noun
1. een plechtige verzekering dat men de waarheid spreekt of een belofte zal nakomen
przysięga
/ˈekˌhoːrn/
noun
1. benaming voor knaagdieren uit de familie Sciuridae
wiewiórka
noun
1. Bolletus edulis, een eetbare paddenstoel
borowik szlachetny
noun
1. verdikking van de huid
nagniotek
adjective
jeden
phraseologicalUnit
1. iets kopen zonder te weten wat de koopwaar is
  1. kupic kota w worku
  2. kupować kota w worku
noun
czworolist pospolity
/eːnt/
noun
1. benaming voor veel watervogels uit de familie Anatidae
kaczka
noun
1. insect uit de orde Ephemeroptera
jętka
noun
zgoda
/enˈdœydəx/
adjective
1. zonder twijfel
jednoznaczny
cardinalNumeral
1. het getal 31
trzydzieści jeden
/ˌe.nən.ˈtʋɪn.təχ/
cardinalNumeral
1. het getal 21
dwadzieścia jeden
cardinalNumeral
1. het getal 41
czterdzieści jeden
noun
2. maat waarin hoeveelheden worden uitgedrukt
jednostka
noun
jednorożec
/eːnˈvɑudəx/, /eːnˈvɑudəχ/
adjective
1. niet ingewikkeld
prosty
noun
1. de hoedanigheid van het eenzaam zijn
samotność
adjective
1. met of aan één kant, belang, partij etc.
jednostronny
/er/
noun
1. aanzien, roem
honor
/ˈeːrɣɪstər/, /ˈɪːrχɪstər/
adverb
1. de voorlaatste dag die voltooid is
przedwczoraj
/ˈɪːrɣɪstərə(n)/, /ˈɪːrχɪstərə(n)/
adverb
1. de voorlaatste dag die voltooid is
przedwczoraj
/ˈeːrlək/
adverb
1. vrij van leugen en bedrog
szczery
noun
1. nummer één in een volgorde
pierwszy
noun
mianownik
phraseologicalUnit
1. grammaticale term die de spreker of sprekers aanduidt.
pierwsza osoba
pronoun
1. een militair conflict op wereldschaal, dat van 28 juli 1914 tot 11 november 1918 plaatsvond
I wojna światowa
/ˈeːitbaːr/, /ˈeːtbaːr/
adjective
1. geschikt om gegeten te worden
jadalny
/ˈetkamər/
noun
1. een kamer waar maaltijden worden genuttigd
jadalnia
/etlepəl/
noun
1.
łyżka
noun
1. de behoefte om voedsel tot zich te nemen.
apetyt
/eːu̯/
noun
1. een periode van 100 jaar
  1. stulecie
  2. wiek
/eːwɪx/, /eːʋəχ/, /eːβ̞əx/
adjective
1. voortdurend, zonder einde
wieczny
/eːwɪx/, /eːʋəχ/, /eːβ̞əx/
adverb
1. voortdurend, zonder einde
na zawsze
/ɪːβ̞əχɛɪ̯t/
noun
1. alle tijd die nog zal komen
wieczność
/e.ˈfe.zə/
pronoun
1. in de oudheid een grote Ionische haven- en handelsstad
Efez
pronoun
1. boek in het Nieuwe Testament
List do Efezjan
adverb
1. doeltreffend
efektywny
adjective
1. nuttig effect hebbend
wydajny
noun
1. de mate waarin nuttig gebruik gemaakt wordt van het beschikbare bij een bepaald proces
efektywność
/ɛx/, /ɛχ/
noun
1. een landbouw- of tuinbouwwerktuig dat gebruikt wordt voor het zaaiklaar maken van de grond
brona
/ˈexəl/
noun
1. bepaald soort zoogdier Erinaceus europaeus
jeż
noun
1. wilde roos met gestekelde takken, geurige blaadjes, felroze bloemen en scharlaken bottels
  1. róża rdzawa
  2. róża szkocka
pronoun
Morze Egejskie
/xxxx/
noun
1. het uitsluitend op eigen belangen en gewin uit zijn
egoizm
noun
1. een zelfzuchtig persoon
egoista
adjective
1. zelfzuchtig, gefocust op eigen voordeel
egoistyczny
/e.ˈɣɪp.tə/, /e.ˈχɪp.tə/
pronoun
1. een Arabisch land op de grens van Afrika en Azië
Egipt
/ɛɪ/, /ɛɪ̯/, /ɛː/
noun
1. dierlijk voedingsmiddel voor de mens in een schaal
  1. jajko
  2. jajo
noun
1. bepaald soort zeevogel, Somateria mollissima
edredon
adjective
1. betrekking hebbend op de visuele vermogens
ejdetyczny
noun
1. eierschaal
skorupka jajka
noun
1. het geslachtsorgaan van de vrouw waarin eicellen gevormd worden
jajnik
/ˈɛi̯ɣə(n)/
adjective
własny
noun
1. iemand die iets in eigendom heeft
właściciel
/'ʔɛɪɣəndɔm/
noun
1. eigendomsrecht
własność
noun
1. een naam waardoor men een mens, dier of ding zich van andere van dezelfde soort onderscheidt
nazwa własna
noun
1. een gegeven karakteristiek die eigen is aan een bepaalde persoon of zaak
właściwość
/ɛi̯k/, /ɛːk/
noun
1. Quercus, een geslacht van loofbomen
dąb
/ˈɛɪkəɫ/
noun
  1. 1. vrucht van de eik
  2. 2. top van een penis
żołądź
/ɛɪ̯kə(n)/, /ɛːkə(n)/
adjective
1. vervaardigd van het hout van de eik
dębowy
/ɛilɑnt/
noun
1. een stuk land dat omringd is door water
wyspa
noun
1. deel van de geslachtsorganen van de vrouw
jajowód
phraseologicalUnit
1.
  1. Wszystko dobre, co się dobrze kończy
  2. wszystko dobre, co się dobrze kończy
/ˈɛɪ̯ndə/, /ˈɛːndə/
noun
1. het punt in ruimte of tijd waar iets ophoudt
koniec
noun
1. scheikundig element met symbool Es en atoomnummer 99
einstein
/ɛɪ̯s/
noun
1. een dwingende vraag
wymaganie
pronoun
1.
Eisenach
/ɛiwɪt/
noun
  1. 2. een tot een klasse van polymere stoffen met een hoog moleculair gewicht...
  2. 1. het deel van een ei waarin de dooier ligt
białko
noun
ejakulacja
noun
1. bepaald soort zwartwitte kraaiachtige vogel, Pica pica
sroka
noun
1. een oude lengtemaat gebaseerd op de lengte van de menselijke ellepijp, gewoonlijk 60 à 70 cm
łokieć
/ɛl.ˈsɑl.va.dɔr/, /ɛɫ.ˈsɑɫ.va.dɔr/
pronoun
1. land in Midden-Amerika dat grenst aan Guatemala, Honduras en de Stille Oceaan
Salwador
noun
1. een groot hert uit de poolstreken met een opvallend groot en breed vertakt gewei
łoś
noun
elastyczność
adjective
1. rekbaar
elastyczny
noun
elastomer
/eləˈɣɑnt/
adverb
1. een prettige uitstraling hebbend door de subtiele afwerking
elegancki
noun
1. vakman op gebied van elektriciteit
elektryk
/eˌlɛktrɪsiˈtɛɪt/
noun
2. de elektrische stroom als energiedrager
elektryczność
noun
1. een krachtcentale waar elektriciteit wordt opgewekt
elektrownia
adjective
1. door middel van elektriciteit
elektryczny
noun
elektrochemia
noun
elektroda
noun
1. een magneet waarvan het veld door een elektrische stroom veroorzaakt wordt
elektromagnes
adjective
elektromagnetyczny
noun
elektromagnetyzm
noun
1. een van de elementaire deeltjes, het lichtste deeltje met een elektrische lading
elektron
noun
1. de tak van elektrotechniek die zich bezighoudt met het gedrag van elektronen...
elektronika
noun
1. de studie en praktische toepassing van alles wat met elektriciteit en elektromagnetisme te maken heeft
elektrotechnika
noun
1. legering van goud en zilver
elektrum
noun
  1. pierwiastek
  2. żywioł
noun
cząstka elementarna
cardinalNumeral
1. het getal 11
jedenaście
pronoun
1. een regionale Noord-Germaanse taal die gesproken wordt in de Zweedse gemeente Älvdalen
język elfdalski
/ˈɛlf.də/, /ˈɛlv.də/
ordinalAdjective
1. nummer elf in een rij
jedenasty
noun
1. haringachtige, die paait in de bovenloop van rivieren en beken en ooit inheems was in de Benelux, Alosa alosa
aloza
verb
  1. 1. verwijderen uit de vergelijking
  2. 2. verwijderen uit de bevolking, doden
eliminować
noun
1. Gewricht
łokieć
/ˈɛləpɛɪp/, /ˈɛləpɛːp/
noun
bot in de onderarm
kość łokciowa
noun
1. twee-dimensionale figuur die wordt gevormd door alle punten waarvoor de som ...
elipsa
noun
1. boomsoort
  1. olcha
  2. olsza
/ˈɛlzɑs/
pronoun
1. regio in Frankrijk
Alzacja
/ɛlˈzɑsis/
noun
1. Een verzameling Alemannische dialecten die in de Elzas (Frankrijk) gesproken worden
alzacki
noun
1. concrete figuur voor een abstract begrip
  1. emblemat
  2. godło
noun
zator
noun
1. een organisme in het eerste ontwikkelingsstadium na de bevruchting
  1. embrion
  2. zarodek
noun
1. longaandoening
rozedma
/ˌemiˈχrɪːrə(n)/
verb
1. naar het buitenland verhuizen
emigrować
pronoun
Emilia-Romania
/emɪˈraːt/
noun
1. gebied van een emir
emirat
/ˈɛmər/
noun
1. busvormig vat (met hengsel), waarin men vloeistoffen of vaste stoffen kan verplaatsen
  1. wiadro
  2. ceber
noun
1. bepaalde soort drietenige vogel Dromaius novaehollandiae
emu
noun
1. hevig gevoel, sterke gemoedsbeweging
emocja
adjective
1. zeer vatbaar voor gevoelens
emocjonalny
noun
empatia
adjective
1. wat op ervaring of proefneming berust
empiryczny
noun
ropniak
noun
emulsja
conjunction
  1. i
  2. a
conjunction
1. zowel afzonderlijk van als gezamenlijk met elkaar
i/lub
noun
encefalopatia
noun
1. een brief van de paus aan alle katholieke gelovigen
encyklika
/ˌɛnsiklopeˈdi/
noun
1. een gestructureerde en geschreven verzameling van menselijke kennis, in boekvorm of digitaal
encyklopedia
adjective
1. van nature alleen in een specifiek gebied voorkomend
endemiczny
noun
endokrynolog
noun
1. (kijk)onderzoek van lichaamsholten of inwendige kanalen
endoskopia
/enər'ʒi/, /enɛr'ʒi/
noun
1. het vermogen iets te doen
energia
noun
1. hemels wezen
anioł
noun
1. deel van het Verenigd Koninkrijk
Anglia
/ˈɛ.ŋ(g)əls/, /ˈɛ.ŋɔɫs/, /ˈɛ.ŋəɫs/
adjective
1. als van, in of betrekking hebbend op Engelsen, Engeland of het Engels
  1. angielski
  2. angielska
  3. angielskie
/ˈɛ.ŋ(g)əls/, /ˈɛ.ŋɔɫs/, /ˈɛ.ŋəɫs/
pronoun
1. de taal
  1. angielski
  2. język angielski
noun
1. een grotere en lagere uitvoering van de hobo
rożek angielski
/ɛ.ŋɔɫs.mɑn/, /ɛ.ŋəls.man/, /ɛ.ŋəɫs.mɑn/
noun
1. iemand die in Engeland woont
Anglik
adjective
2. uniek
jedyny
adjective
1. niet dubbel, bijvoorbeeld enkel spoor, enkele reis
pojedynczy
noun
1. gewricht dat de voet met het been verbindt
kostka
indefinitePronoun
1. een onbepaald, meestal klein aantal
  1. niektóre
  2. niektórzy
noun
1. een woord dat in die vorm naar één voorwerp of mens verwijst of dat aanduidt dat slechts één persoon de handeling uitvoert
liczba pojedyncza
/ɑŋ.ˈkɛː.tə/, /ɑ̃.ˈkɛt/
noun
1. een vragenlijst die aan meerdere personen wordt voorgelegd
ankieta
/ɛntuˈʒɑs/, /ˌɑn.ty.ˈʒɑst/
adjective
1. hartstochelijk, met geestdrift
zachwycony
noun
entomologia
noun
1. een getal evenredig met de logaritme van het aantal realiseringmogelijkheden, ook wel gedefinieerd als de reversibele warmte gedeeld door de temperatuur
entropia
noun
1. papieren omslag voor brieven
koperta
abbreviation
1. een aanduiding van het feit dat een verdere opsomming overbodig geacht wordt
  1. i tak dalej
  2. i tym podobne
  3. i tym podobnie
/ɛnˈzim/
noun
1. een organische molecuul dat biologische reacties mogelijk maakt of versnelt zonder daarbij zelf...
enzym
/ˈepɛnˌtezɪs/
noun
1. invoeging van middenlank
epenteza
noun
1. het punt op het aardoppervlak loodrecht boven de haard van de aardbeving
epicentrum
/epideˈmi/
noun
1. besmettelijke ziekte die zich snel verspreidt onder een groep van mensen
epidemia
noun
epidemiologia
adjective
epidemiczny
/ˌepiˈfizə/
noun
1. een klier die onderdeel is van de epithalamus en melatonine uitscheidt
szyszynka
noun
epifit
noun
1. het vakgebied binnen de genetica dat de invloed bestudeert van de omkeerbare erfelijke veranderingen in de genexpressie die optreden zonder wijzigingen in de sequentie (volgorde van de basenparen) van het DNA in de celkern
epigenetyka
noun
1. vallende ziekte, toevallen
  1. epilepsja
  2. padaczka
adjective
epileptyczny
noun
1. een naschrift toegevoegd aan een boek of film
  1. posłowie
  2. epilog
adjective
  1. epicki
  2. epiczny
/ˌe.kwa.toː.ri.al.ɣi.ˈne.ja/, /ˌe.kʋa.to̝ː.ri.aɫ.χi.ˈne.ja/, /ˌe.kβ̞a.toː.ri.aɫ.ɣi.ˈne.ja/
pronoun
1. een land in Afrika grenzend aan Gabon en Kameroen
Gwinea Równikowa
noun
1. passage van de zon door het vlak van de evenaar
równonoc
noun
1. een scheikundig element en zilverwit lanthanide met het symbool Er en het atoomnummer 68
erb
noun
1. oprichting van het mannelijk lid
erekcja
noun
1. een groot geslacht van planten waarvan er 23 wilde soorten bekend zijn in Nederland
przetacznik
noun
1. grond behorend bij boerderijhuis
podwórko
noun
1. zakelijk recht op andermans onroerend goed
służebność
noun
1. degene die andermans nalatenschap erft
  1. dziedzic
  2. spadkobierca
noun
2. regeling voor troonwisseling
sukcesja
noun
1. overerfbare, langdurige of eeuwige pacht
emfiteuza
noun
1. een veelal kostbaar goed van van generatie op generatie door vererving overgegeven wordt
dziedzictwo
noun
1. schending van Gods regels door de eerste mens Adam als last die op ieder mens rust
grzech pierworodny
adjective
1. verschrikkelijk
straszny
adverb
1. in hoge mate
bardzo
noun
  1. wiedza
  2. świadomość
adverb
gdzieś
noun
een zaak die gevoelens van onvrede oproept
  1. zdenerwowanie
  2. rozdrażnienie
noun
ergonomia
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Eris
/ˌeː.ri.ˈtre.ja/, /ˌɪː.ri.ˈtre.ja/
pronoun
1. een Afrikaans land grenzend aan Soedan, Ethiopië, Djibouti en de Rode Zee
Erytrea
/eriˈtres/
adjective
1. met betrekking tot of afkomstig van Eritrea
erytrejski
verb
  1. 1. inzien, toegeven
    przyznawać
  2. 2. als wettig, echt, juist aanvaarden
    uznawać
/ˈɛrkər/
noun
1. uitbouw aan een gevel
wykusz
pronoun
1. + 2. stad en stadsdistrict
Erlangen
noun
1-2. beschadiging en afslijting
erozja
noun
1. steen
ruda
noun
2. het uitstoten van gassen, rook en lava door een vulkaan
erupcja wulkanu
adjective
1. bekwaam door ervaring
doświadczony
verb
1. iets beleven
  1. doświadczyć
  2. przejść
noun
1. een vorm van kennis
doświadczenie
/ˈʔɛr.və(n)/
verb
1. de eigendommen van een overledene, meestal een familielid, rechtens verkrijgen
dziedziczyć
noun
1. een bepaalde peulvrucht, een groentesoort
groch
noun
1. een groenige, lobbige soep vervaardigd van erwten
grochówka
noun
róża
noun
1. de vorming van rode bloedlichaampjes
erytropoeza
noun
1. bepaald soort loofboom Fraxinus excelsior
jesion
noun
eskalacja
/ɛsˌxatolo'gi/
noun
eschatologia
/ˈɛzdorᵊn/
noun
1. boom of heester uit het geslacht (
klon
adjective
ezoteryczny
pronoun
1. een internationale kunsttaal die oorspronkelijk ontworpen is door Ludovico Zamenhof
esperanto
noun
1. geconcentreerde koffie
espresso
noun
1. een koolstofverbinding met de functionele groep -C(=O)-O-C-
ester
/ɛsˈtetiˌka/
noun
1. het filosofisch discours over het wezen van kunst of het wezen van schoonheid
estetyka
adjective
estetyczny
/ˈɛstis/, /ˈɛstɪs/
pronoun
1. een taal die vooral wordt gesproken in Estland
estoński
/ˈɛslɑnd/, /ˈɛstlɑnt/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa dat grenst aan Letland en Rusland
Estonia
noun
1. een vrouwelijk hormoon
estrogeny
noun
1. dat wat iemand tot zich neemt om diens metabolisme in werking te houden
  1. jedzenie
  2. jeść
verb
1. het nuttigen van voedsel
  1. jeść
  2. zjeść
noun
1. C₂H₆
etan
/etaˈnɔl/
noun
1. een chemische verbinding met twee koolstofatomen en een alcoholgroep
etanol
noun
1. een organische verbinding met de functionele groep R-O-R'
eter
noun
1. een praktische wijsbegeerte die zich bezighoudt met wat goed en kwaad is
etyka
/ˌe.ti.ˈjo.pi.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika grenzend aan Eritrea, Djibouti, Somalië, Kenia en Soedan
Etiopia
adjective
etyczny
noun
koolwaterstofgroep
etyl
noun
1. onderdeel van de pathologie dat zich bezighoudt met de oorzaken van ziekten
etiologia
adjective
etniczny
/ɛtnoːloːɣi/, /ɛtnoːloːʝi/
noun
etnologia
/ɛtər/
noun
1. wittig vocht met witte bloedlichaampjes en bacteriën dat bij een ontsteking afgescheiden wordt
ropa
verb
1.
ropieć
noun
  1. 1. woordherkomst
  2. 2. studie naar oorsprong en verandering van vorm en betekenis van woorden
  1. etymologia
  2. źródłosłów
noun
1. een rooms-katholiek sacrament dat een voortzetting is van het laatste avondmaal van Christus
eucharystia
noun
1-2.
  1. Eufemizm
  2. eufemizm
noun
  1. 1. eufonium
  2. 2. een instrument van gestemde glazen
eufonium
/ˌø.fo̝.ˈri/
noun
1. verhoogd gevoel van welzijn
euforia
adjective
euforyczny
/œykɑriotən/
noun
2. een van de drie taxonomische domeinen, Eukaryota
  1. jądrowiec
  2. eukariot
noun
eunuch
adjective
1.
eurazjatycki
pronoun
1. de naam van de grootste landmassa op aarde die de continenten Europa en Azië omvat
Eurazja
interjection
1.
eureka
/'øː.ro/, /'ɵː.ro/
abbreviation
  1. 1. munt en munteenheid
    euro
  2. 3. Macropus robustus, kangoeroe
    kangur górski
/øːˈroːpa/, /ʏːˈropa/
pronoun
1. een continent op het noordelijk halfrond, dat ten noorden van Afrika en ten westen van Azië ligt
Europa
/ˌøːropeˈjaːn/, /ˌʏːropeˈjan/
noun
1. bewoner van het Europese continent of iemand die daarvan afkomstig is
Europejczyk
/øːroˈpeːs/, /ʏːroˈpes/
adjective
1. afkomstig van of betreffend het continent Europa
europejski
pronoun
Europejski Trybunał Praw Człowieka
pronoun
Parlament Europejski
pronoun
Europejski Bank Centralny
pronoun
Komisja Europejska
pronoun
Europejski Trybunał Praw Człowieka
pronoun
Europejski Bank Inwestycyjny
pronoun
Europejski Rzecznik Praw Obywatelskich
pronoun
Rada Europejska
pronoun
Europejski Trybunał Obrachunkowy
/ˌøː.ro.ˌpe.sə.ˈy.ni/, /ˌʏː.ro.ˌpe.sə.ˈy.ni/
pronoun
unie van 27 Europese staten
Unia Europejska
noun
1. scheikundig element met symbool Eu en atoomnummer 63
europ
pronoun
Europort
noun
1. handelingen die iemands leven beëindigen of het sterven bespoedigen, om pijn en lijden te verkorten
eutanazja
noun
eutrofizacja
pronoun
1. eerste vrouw door God geschapen
Ewa
noun
ewakuacja
noun
1. bespreking en beoordeling van de gang van zaken
ocena
noun
ewangelia
adjective
1. Deelbaar door twee
parzysty
/evəˈnar/, /ˈevənar/
noun
1. denkbeeldige cirkel die op een hemellichaam het noordelijk van het zuidelijk halfrond scheidt
równik
noun
1. belangrijke gebeurtenis
impreza
adjective
ewentualny
noun
1.
równowaga
noun
1. in het wild levende voorouder van het varken Sus scrofa
dzik
noun
1. wild varken
dzik
/ˌevoˈlysi/, /ˌevoˈlytsi/
noun
1. ontwikkeling, verandering
ewolucja
noun
1. onderzoek naar de kennis of vaardigheden van iemand door middel van ondervraging of opgedragen verrichtingen
egzamin
noun
1.
ekscyton
adjective
1. wat andere mogelijkheden uitsluit
wyłączny
noun
ekskomunika
noun
2. uitvoerder van een testament
wykonawca testamentu
noun
1. uitvoering van een vonnis
postępowanie egzekucyjne
noun
egzegeza
/ɛksɛm'plar/
noun
1. een individueel voorbeeld ergens van
egzemplarz
pronoun
Księga Wyjścia
noun
egzogamia
noun
egzonim
noun
planeta pozasłoneczna
noun
egzorcyzm
adjective
1. vanuit verre vreemde landen
egzotyczny
noun
  1. eksperyment
  2. doświadczenie
adjective
1.
eksperymentalny
verb
1.
eksperymentować
noun
1. een computersysteem dat specifieke kennis van menselijke experts representeert en gebruikt om een probleem binnen een bepaald gebied op te lossen
system ekspertowy
noun
eksplozja
verb
1. goederen aan een afnemer in het buitenland verhandelen
eksport
noun
ekspresjonizm
pronoun
Estremadura
noun
ekstremizm
noun
1. iemand met radicale, extremistische standpunten, een aanhanger van een ideologie die ver van het politieke of maatschappelijke centrum ligt
ekstremista
pronoun
  1. Ezechiel
  2. Księga Ezechiela
/ˈezəɫ/
noun
1. bepaald paardachtig zoogdier, Equus asinus
osioł
noun
1. vrouwelijke ezel
oślica
pronoun
Ezdrasz
/fam/
noun
  1. 2. roem
  2. 1. reputatie
sława
noun
1. een der herautstukken; een horizontale band die het middelste derde deel van het veld van het wapen beslaat
pas
/ˈfabəl/
noun
  1. 1. een kort moraliserend verhaal met dieren of zaken als handelende personen
  2. 2. een verzinsel
bajka
noun
1. plaats waar op industriële schaal productie bedreven wordt
  1. fabryka
  2. zakład
noun
producent
noun
1. document met een beschrijving van goederen die een bedrijf (aan een ander bedrijf) geleverd heeft
faktura
noun
  1. 1. hoofdafdeling van een universiteit
    1. fakultet
    2. wydział
  2. 3. product van een reeks factoren
    silnia
/ˈfæːrøːə̯r/, /ˈfɛːrʏːr/
pronoun
1. en 2., eilandengroep, land
Wyspy Owcze
adjective
1. gerelateerd aan of afkomstig uit Faeröer
farerski
pronoun
1. een Germaanse taal die wordt gesproken op de Faeröer
farerski
noun
1. vernietiging door een cel van schadelijke bestanddelen
fagocytoza
noun
1. (muziekinstrument) een houten blaasinstrument met dubbelriet
fagot
noun
1. (hulp)wetenschap die de vorm en de geschiedenis van de ridderorden én andere onderscheidingen bestudeert
falerystyka
pronoun
  1. Falklandy
  2. Malwiny
/fa.ˈmi.li/, /fa.ˈmiː.lɪ̯ə/
noun
1. (bloed)verwantschap door een gemeenschappelijke oorsprong
rodzina
noun
1. naam die van generatie op generatie en indien gewenst door het huwelijk overgedragen wordt
nazwisko
noun
1. onderdeel van het burgerlijk recht m.b.t. de familiale verhoudingen tussen personen
prawo rodzinne
noun
fanatyzm
noun
1. vermogen om nieuwe gedachten te kunnen vormen, mogelijk niet altijd op waarheid berust
  1. fantazja
  2. wyobraźnia
adjective
fantastyczny
noun
farad
/ˈfarao/
noun
1.
faraon
noun
mrówka faraona
noun
1.
faryzeusz
noun
aptekarz
adjective
1. uit de farmacie, met betrekking tot de productie van geneesmiddelen
farmaceutyczny
noun
farmacja
noun
farmakologia
adjective
1. leer van de geneesmiddelen en de interactie tussen deze en een levend biologisch systeem betreffende
farmakologiczny
noun
fascynacja
/fɑˈsʲɪsmə/
noun
ideologie
faszyzm
adjective
1. van het fascisme
faszystowski
/ˈfʌʊna/, /ˈfʌːna/
noun
1. het geheel aan dieren in een gebied
fauna
noun
1. bepaald soort kleurrijke vogel, Phasianus colchicus
bażant
/fa.ˈsa.də/
noun
1. de zichtbare buitenmuur van een gebouw, specifiek die aan de voorkant
fasada
/febryˈwaːri/
noun
1. de tweede maand van het jaar
luty
pronoun
  1. 2. Franse revolutie
    Rewolucja lutowa 1848
  2. 1. Russische revolutie
    rewolucja lutowa 1917
noun
federalizm
/fe:/
noun
1.
  1. wróżka
  2. wiła
noun
1. een vermakelijke en vreugdevolle sociale gelegenheid
święto
noun
święto
/fɛi̯t/
noun
1. een gebeurtenis of omstandigheid die werkelijk gebeurd is
fakt
noun
1. een zeilschip
feluka
noun
1. streven naar het opheffen van de achterstelling van vrouwen en vrouwelijke eigenschappen door een gelijkwaardige behandeling van mannen en vrouwen
feminizm
noun
femtosekunda
noun
plant en plantdelen van Trigonella foenum-graecum
kozieradka pospolita
noun
feniks
noun
1. Fennecus zerda, leeft in de woestijn en is de kleinste van alle vossen
fenek
noun
fenologia
/fenoˈmen/
noun
1. een verschijnsel
fenomen
noun
fenomenologia
/fenilɑlɑninə/
noun
1. aminozuur
fenyloalanina
adjective
feudalny
noun
1.
fermion
noun
1. scheikundig element met symbool Fm en atoomnummer 100
ferm
noun
ferryt
noun
1. vervolgverhaal in een krant of tijdschrift, dan wel op de radio of televisie
felieton
/fɛs/
noun
1. bepaald soort hoed van Turkse oorsprong
fez
noun
1. eiwit
fibryna
adjective
fikcyjny
/fits/
noun
1. tweewielig vervoermiddel dat door middel van spierkracht middels pedalen wordt voortbewogen
rower
/ˈfiːtsər/
noun
1. iemand die met een fiets rijdt
  1. rowerzysta
  2. rowerzystka
noun
1. onderdeel van de kettingaandrijving van een fiets
Łańcuch rowerowy
/ˈfitspɑt/
noun
1. een weggedeelte of vrijliggend pad dat is gereserveerd voor het gebruik door fietsers en snorfietsers.
ścieżka rowerowa
noun
pompka rowerowa
/fitsadəl/, /fitsadəɫ/
noun
siodło rowerowe
/fi.ˈɣyːr/, /fi.ˈχyːr/
noun
figura
noun
1. een heel fijn zaagje in de vorm van een dun zaagblad dat verticaal wordt gespannen in een lange horizontale beugel
laubzega
/ˈfi.(d)ʒi/, /ˈfi.dʒi/
pronoun
1. een land in Oceanië op het zuidelijk halfrond. Het bestaat uit 332 eilanden waarvan ongeveer 110 bewoond zijn
Fidżi
phraseologicalUnit
1. kerstwens
Wesołych Świąt
noun
1. ontsteking aan vinger
zastrzał
noun
filatelistyka
/faɪl/
noun
1. lange rij met stilstaande of langzaam voortbewegende voertuigen of personen
korek
pronoun
3. naam van een boek uit het Nieuwe Testament
  1. List do Filemona
  2. Filemon
/filiˈjal/
noun
1. een pand in een reeks van panden
filia
/ˌfi.li.ˈpɛɪ̯.nə(n)/, /ˌfi.lɪ.ˈpɛɪ̯.nə(n)/, /ˌfi.lɪ.ˈpɛː.nə(n)/
pronoun
1. republiek in Oost-Azië bestaande uit een archipel van 7107 eilanden
Filipiny
pronoun
List do Filipian
noun
  1. 3. een opname van bewegende beelden die een verhaal vertelt
  2. 1. een dunne laag
  3. 2. een dun en oprolbaar medium om beelden op te nemen in een camera
film
verb
1. beelden van iets vastleggen op film
filmować
noun
filologia
/filozoˈfi/
noun
1. de oudste theoretische discipline die het verlangen heeft en streeft naar kennis en wijsheid
filozofia
adjective
1.
filozoficzny
/fɪltər/
noun
1. een voorwerp met kleine gaatjes waar water of gassen doorheen kunnen om gezuiverd te worden
filtr
noun
2. het slotstuk van een meerdelig toneel- of muziekstuk
finał
adjective
1. met betrekking tot geld, geldelijk
finansowy
verb
1. voorzien van de benodigde geldmiddelen
finansować
/ˈfɪnlɑnd/, /ˈfɪnlɑnt/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa
Finlandia
/fɪns/
adjective
1. betreffende Finland of het Fins
  1. fiński
  2. fińska
  3. fińskie
/fɪns/
pronoun
1. een taal die wordt gesproken in Finland
  1. fiński
  2. język fiński
pronoun
1.
Zatoka Fińska
noun
1. een medicijnflesje
fiolka
noun
  1. 1. een handelsvennootschap waarbij de vennoten hoofdelijk voor het geheel aansprakelijk zijn
  2. 2. een zaak of bedrijf
firma
noun
1. software die in hardware ingeprogrammeerd is
oprogramowanie sprzętowe
noun
1. een kanaalvormige zweer
  1. fistuła
  2. przetoka
/fjɔrd/, /fjɔrt/
noun
1. een bepaald type van inham in een bergachtige kust, gekenmerkt door steile wanden die door gletsjerwerking zijn uitgesleten
fiord
noun
1. bepaald soort roze reigerachtige waadvogel met een haakvormige snavel...
  1. flaming
  2. czerwonak
noun
1. dun soort pannenkoekje dat zowel als hoofdgerecht en als nagerecht gegeten wordt
naleśnik
noun
1. scheikundig element met symbool Fl en atoomnummer 114
flerow
noun
1. een langgerekt, cilindrisch en meestal van glas vervaardigd vat met een nauwe hals die met een dop of kurk af te sluiten is
  1. butelka
  2. flaszka
/ˈflevoˌlɑnt/, /ˈfleːvoˌlɑnd/, /ˈfleːvoˌlɑnt/
pronoun
1. een provincie in het midden van Nederland, die door het IJsselmeer...
Flevoland
/flɛkˈsibəl/
adjective
1. het vermogen hebbend gebogen te worden
elastyczny
/ˈflɛk.si/
noun
2. vormverandering van een woord
  1. fleksja
  2. odmiana
/ˈflɔrəns/
pronoun
2. de hoofdstad van Toscane
Florencja
pronoun
1.
Floryda
verb
1. spreken met gedempte stem
szeptać
noun
  1. 1. buisvormig blaasinstrument
  2. 4. een slank drinkglas
  3. 3. een scheepstype
flet
verb
  1. 1. een fluit bespelen
    1. grać
    2. gwizdać
  2. 2. geluid van een fluit voortbrengen
    gwizdać
noun
1. musicus die een fluit bespeelt
flecista
noun
1. een chemisch element en een geelgroen halogeen
fluor
noun
1. een ziekelijke vrees
fobia
noun
1. een nog niet voldragen menselijke of dierlijke vrucht
płód
noun
1. voorste mast van een driemastschip
fokmaszt
noun
1.
folia
noun
1. alles wat een volk creëert of heeft gecreëerd
folklor
noun
3. effect (waardepapier)
fundusz inwestycyjny
noun
1.
fonem
/ˌfoneˈtik/
noun
1.
fonetyka
/ˌfonoloˈɣi/
noun
  1. 1.
  2. 2.
fonologia
/fɔnˈtɛɪn/, /fɔnˈtɛːn/
noun
  1. 1. kunstmatige bron, aangelegd om water omhoog te spuiten
  2. 2. omhoogspuitende waterstraal
fontanna
noun
smoczek
noun
1. benaming voor zalmachtige zoetwatervissen uit de geslachten Salmo, Salvelinus en Oncorhynchus
pstrąg
adjective
1. (juridisch) betrekking hebbend op justitie
kryminalistyczny
/fɔrˈmel/
adjective
1. met inachtneming van strikte omgangsvormen
formalny
pronoun
1. categorie in de autosport
Formuła 1
verb
1. in woorden omzetten
formułować
/fɔrmyˈlir/
noun
1. een stuk papier waarop voorgedrukte vragen kunnen worden beantwoord
  1. formularz
  2. blankiet
noun
piec
noun
1. vroeg in het voorjaar geel bloeiende sierheester / chinees klokje
forsycja
noun
1. met symbool P en atoomnummer 15
fosfor
noun
fosfobrąz
noun
1 en 2
  1. fotografia
  2. zdjęcie
noun
1. een toestel om mee te fotograferen
kamera
noun
fotochemia
adjective
1.op foto's een voordelige indruk makend
fotogeniczny
noun
1. iemand die fotos maakt
fotograf
verb
1. een afbeelding maken door de projectie van beeld op een lichtgevoelige laag
fotografować
noun
1. de kunst om door chemische inwerking van licht op een gevoelige plaat afbeeldingen te maken
  1. Fotografia
  2. fotografia
noun
1. een elementair deeltje waaruit elektromagnetische straling is samengesteld
foton
noun
1.
fotosynteza
noun
1. een toestel om mee te fotograferen
kamera
verb
1. iemand aftasten of er iets op het lijf gedragen wordt
rewidować
noun
transformacja Fouriera
/fɑut/
noun
1. vergissing, onjuistheid
  1. błąd
  2. pomyłka
/ˈfrɑksi/
noun
1. een klein deel
ułamek
noun
fragment
noun
2. vrucht van de frambozenstruik
malina
noun
1. een scheikundig element met symbool Fr en atoomnummer 87
frans
noun
1. reeks afhangende draden die ter versiering aan de rand van een kleed of kledingstuk gehangen worden
frędzel
pronoun
Frankfurt nad Menem
/ˈfrɑŋkrɛɪ̯k/, /ˈfrɑŋkrɛːk/
pronoun
1. een West-Europees land, grenzend aan België, Luxemburg, Duitsland, Zwitserland, Italië, Monaco, Spanje en Andorra
Francja
/frɑns/
adjective
1. betreffende Frankrijk of het Frans
francuski
/frɑns/
pronoun
  1. 1. een Gallo-Romaanse taal die vooral gesproken wordt in Frankrijk, België, Luxemburg...
    1. francuski
    2. język francuski
  2. 1. een mannelijke voornaam
    Franciszek
pronoun
Polinezja Francuska
/ˈfrɑns.man/, /ˈfrɑns.mɑn/
noun
1. iemand uit Frankrijk
Francuz
adjective
  1. 1. de Franse taal sprekend
  2. 2. taaluiting in het Frans
francuskojęzyczny
noun
1. een aantal woorden die een begrip uitdrukken, vaak een zinsdeel, soms een hele zin
zdanie
noun
1. het in frasen onderverdelen, met name gezegd van het articuleren van afzonderlijke muzikale zinnen in een muziekstuk, dat hierdoor als geheel beter moet klinken
frazowanie
/fratər/
noun
1. bepaald soort vogel, Linaria flavirostris
rzepołuch
noun
1. bedrog of gesjoemel door valsheid in geschrifte
oszustwo
noun
frezarka
noun
1.
freeware
noun
  1. 1. Oorlogsschip
  2. 2. Driemaster
fregata
noun
fregata
noun
1,2. aantal keren of herhalingen per tijdseenheid
  1. częstotliwość
  2. częstość
noun
1. bepaald soort klein marterachtig zoogdier, Mustela putorius furo
fretka
pronoun
1.
Friedrichshafen
noun
1. en 2.
  1. Fryzyjka
  2. Fryzyjczyk
pronoun
  1. 2. benaming voor een Germaanse taal
    fryzyjski
  2. 1. Westerlauwers Fries
    zachodniofryzyjski
/ˈfrislɑnd/, /ˈfrislɑnt/
pronoun
1. provincie in het nooren van Nederland
Fryzja
noun
1. de benaming voor een gerecht van gefrituurde aardappelreepjes ('patat frites')
frytki
noun
1. everjong
warchlak
noun
1. een gerecht vervaardigd van in reepjes gesneden aardappel gebakken in olie
frytki
noun
  1. 2. gevechtslinie
  2. 1. voorkant
  3. 2. begrenzing tussen twee luchtmassa's
front
noun
bepaalde suiker die veel in zoete vruchten voorkomt
fruktoza
/frœʏ̯t/, /frœːt/
noun
1. voedsel dat bestaat uit eetbare vruchten
owoc
noun
1.
drzewo owocowe
verb
frustrować
noun
fuga
noun
  1. 1. taak
  2. 2. positie binnen een bedrijf of organisatie
  3. 3. (wiskunde) afhankelijkheid tussen een element en een veranderlijke
  4. 4. (informatica) onderdeel van de broncode van een computerprogramma
funkcja
noun
funktor
verb
1. ~ als een bepaalde functie vervullen
funkcjonować
noun
1. een orthodoxe, antiliberale godsdienstige richting
fundamentalizm
noun
fuzja
/fʏt/
noun
1. de benodigde energie en zin ergens voor
energia
noun
1. bepaald soort watervogel, Podiceps cristatus
perkoz
/ˈfizika/
noun
1. de wetenschap van de materie en de bestudering van het gedrag en de interactie in ruimte en tijd
fizyka
noun
fizyk
noun
fizjologia
noun
fitopatologia
noun
1. plantaardig plankton
fitoplankton
/ɣaːj/
noun
1. middelgrote, gewoonlijk vrij kleurrijke zangvogel met een vrij lange staart, Garrulus glandarius
sójka
/ɣaːn/, /χaːn/
verb
1. zich in een bepaalde richting bewegen
  1. iść
  2. chodzić
/'ɣa.bɔn/, /ɣa.'bɔn/, /χa.'bɔn/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Gabonese Republiek
Gabon
adjective
1. op Gabon betrekking hebbend
gaboński
noun
1. echtgenoot, echtgenote
  1. małżonek
  2. małżonka
/ɣadoˈlinijʏm/
noun
1. een scheikundig element met symbool Gd en atoomnummer 64
gadolin
/ˈɣɑ.fəl/, /ˈɣɑ.fəɫ/, /ˈχɑ.fəɫ/
noun
1. rondhout
gafel
noun
[A] 1. uit de lever afkomstig vocht dat een rol speelt in de spijsvertering, met name van vet
żółć
pronoun
1. boek van het Nieuwe Testament
List do Galatów
noun
1. een peervormig hol orgaan dat aan de rechterkant van het lichaam, achter (d.w.z. meer naar binnen) en onder de lever ligt
  1. woreczek żółciowy
  2. pęcherzyk żółciowy
noun
1. een loodsulfide met de chemische formule PbS
galena
/χɑlx/
noun
1. houten constructie bestaande uit één of meer staande balken met een horizontale balk haaks daarop en één of meer diagonale balken ter ondersteuning, in het verleden veel gebruikt om mensen door ophanging ter dood te brengen
szubienica
/'ɣɑlɣə(n)strɔp/
noun
1. een tot strop geknoopt touw zoals dat aan een galg gehangen wordt ter verhanging van een veroordeelde
pętla
pronoun
1. Romaanse taal gesproken in Galicië
galicyjski
/ɣɑˈlisɪə/, /ʝɑˈlisɪə/
pronoun
  1. 2. historische landstreek
    Galicja
  2. 1. Spaanse regio
    1. Galicja
    2. Galicia
pronoun
1. uitgestorven taal
galijski
noun
1. een scheikundig element met symbool Ga en atoomnummer 31
gal
noun
1. de snelste gang van een paard
cwał
noun
1. een vaste structuur in de galwegen of de galblaas bestaande uit neergeslagen cholesterol, bilirubine of kalkzouten
kamień żółciowy
/'ɣɑm.bi.ja/, /'χɑm.bi.ja/
pronoun
1. een land in West-Afrika
Gambia
adjective
gambijski
noun
1. lange smalle ruimte
korytarz
noun
  1. 2. pijnlijke met vocht gevulde holte
    torbiel galaretowata
  2. 1. zenuwknoop
    zwój
/ˈɣɑŋ(g).pɑd/, /ˈɣɑŋ.pɑt/, /ˈχɑŋ.pɑt/
noun
1. een pad voor wandelaars, voetpad
przejście
/gɑŋ'gren/
noun
1. de afsterving en ontbinding van een levend organisme
gangrena
noun
1. benaming voor vogels uit de geslachten Anser en Branta
gęś
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Ganimedes
/ˈɣa.pə(n)/, /ˈɣaː.pə(n)/, /ˈχa.pə(n)/
verb
1. heel diep inademen met de mond ver open, moeilijk om bewust tegen te gaan
ziewać
/ɣa.ˈra.zʲǝ/
noun
1. een overdekte autostalling
garaż
/ɣa'rɑn(t)si/, /ɣa'rɑnsi/
noun
1. verklaring waarin men verklaart voor bepaalde gevolgen in te staan
gwarancja
noun
1. een keukengerei bestaande uit een stel gebogen draden waarmee geklopt en geklutst kan worden.
trzepaczka
noun
1. bewegelijke pasvorm waaraan de trekstrengen bevestigd worden om het halsjuk uit te balanceren
orczyk
noun
1. samengebonden bundel halmen
snop
noun
krewetka
pronoun
1.
Garonna
/ɣɑs/, /χɑs/
noun
1. aggregatietoestand
gaz
noun
1. een buis waardoor verschillende materialen in gasvorm vervoerd kunnen worden
gazociąg
noun
het rechter pedaal van een auto waarmee de brandstoftoevoer naar de motor geregeld wordt
akcelerator
/ɣɑst/, /χɑst/
noun
1. iemand die als bezoeker ergens wordt ontvangen, verwelkomd of op een bijzondere wijze behandeld
gość
noun
  1. 1. een man
  2. 2. (biologie) een organisme
gospodarz
noun
gastronomia
/ɣɑstˈfrɛɪ/, /ʝɑstˈfrɛː/
adjective
1. gul in het onthalen of herbergen van gasten
gościnny
noun
gościnność
noun
  1. gospodyni
  2. pani domu
/ɣɑt/, /χɑt/
noun
  1. 2. een tekort of ontbrekend deel
    1. brak
    2. niedobór
  2. 1. opening
    1. dziura
    2. otwór
  3. 4. een geval van tandwolf
    1. ubytek
    2. dziura
noun
  1. 1. een bijzondere aanleg
  2. 2. een geschenk
dar
pronoun
1. exclave van Palestina tussen Egypte, Israël en de Middellandse Zee
Strefa Gazy
noun
1. benaming voor slanke hoefdieren
gazela
noun
język migowy
/ɣə'bɛt/
noun
1. het bidden
modlitwa
noun
1. een verzameling van bergen die met elkaar een groter geheel vormen
  1. góra
  2. pasmo górskie
/ɣə'bɵːrə(n)/
verb
1. plaatshebben, werkelijkheid worden
wydarzyć się
noun
1. iets dat zich voordoet
wydarzenie
/ɣəˈbit/, /χəˈbit/
noun
1. een deel van het aardoppervlak
obszar
noun
1. de vorm waarin een werkwoord gebruikt wordt als iets zeker gedaan moet worden
tryb rozkazujący
noun
przykazanie
/ɣəˈboːrtə/, /χəˈbo̝ːrtə/
noun
1. actie waarbij een organisme uit zijn/haar moeder komt en aan zijn zelfstandige leven begint
  1. narodziny
  2. poród
noun
1. een getal dat aangeeft hoeveel geboorten er in een gebied in een bepaalde tijd hebben plaatsgevonden
współczynnik urodzeń
noun
1. een constructie waarin men kan wonen of werken
  1. budynek
  2. gmach
noun
1. een tekort
brak
adjective
1. naar gewoonte, zoals men regelmatig doet
zwykły
/ɣəˈbrœʏkən/, /χəˈbrœʏkən/
verb
1. zich bedienen van, toepassen
  1. używać
  2. stosować
/ɣə'brœːkər/, /χə'brœʏkər/
noun
1. iemand die iets gebruikt
  1. uźytkownik
  2. użytkownik
noun
1.
nazwa użytkownika
/ɣə'dɑɣdə/, /ɣəˈdɑxtə/
noun
1. het nadenken, idee
myśl
noun
1. een reeks op elkaar volgende denkstappen
tok myślenia
/ɣəˈdeltələk/, /ʝəˈdeltələk/
adjective
częściowo
noun
woda destylowana
noun
1. een in versmaat of in dichterlijke stijl opgesteld stuk
  1. wiersz
  2. poemat
noun
1. de manier waarop iemand optreedt of iets ergens op reageert
zachowanie
/ɣədʏɫt/
noun
1. de rust en bereidheid om te wachten
cierpliwość
/gə'dʌldəx/
adjective
1. bereid te wachten en tegenslagen te verdragen
cierpliwy
preposition
tijdens
podczas
/ɣeːl/, /ɣeːɫ/, /χeɪɫ/
adjective
1. citroen-, goudkleurig
żółty
/ɣeːl/, /ɣeːɫ/, /χeɪɫ/
noun
  1. 2. vogelziekte
    żółty guzek
  2. 1. kleur tussen oranje en groen
    1. żółćy
    2. żółty
noun
żółtaczka
indefinitePronoun
1. ontkennend onbepaald lidwoord: tegenovergestelde van één, niet een
  1. nie
  2. żaden, żadna, żadno
/ɣeːst/, /χeːst/
noun
  1. 2. een onsubstantieel wezen
  2. 1. dat wat zich afspeelt in iemands gedachten
duch
/ɣɪːwə(n)/
verb
1. gapen
ziewać
/ɣəˈɣevə(n)/, /χəˈχevə(n)/
noun
1. een bekend geval of feit
dana
noun
całość
/ɣəɦɛɪm/
adverb
1. opzettelijk verborgen
  1. tajny
  2. sekretny
/ɣəɦɛɪm/
noun
1. informatie die verborgen wordt en bestemd is om dat te blijven
  1. sekretny
  2. tajny
noun
  1. 1. het deel van de hersenen waarin herinneringen worden opgeslagen
  2. 2. snel toegankelijke plaats om data op te slaan
pamięć
noun
stopy z pamięcią kształtu
noun
amnezja
noun
1. het organische systeem om geluiden waar te nemen
słuch
/ɣə'hoːrzam/, /ɣə'ɦoːrzam/, /χə'ɦo̝ːrzam/
adjective
1. bereid gehoor te geven aan regels of bevelen
posłuszny
verb
1. gevolg geven aan een opdracht of bevel
być posłusznym
adjective
żonaty
/ˈɣɛɪ̯t/, /ˈɣɛːt/, /ˈχɛɪ̯t/
noun
1. bepaald soort zoogdier Capra aegagrus hircus
koza
noun
voedzaam vocht dat tepels van een geit afscheiden
  1. kozie mleko
  2. mleko kozie
noun
1. gekko
gekon
noun
2. een product om haar mee in model te houden
żel
/ˈɣɛlt/, /ˈχɛlt/
noun
1. een ruilmiddel dat gegarandeerd wordt door een land waarmee goederen en diensten kunnen worden gekocht
  1. pieniądze
  2. pieniądz
/ˈɣɛldərˌlɑnd/, /ˈɣɛɫdərˌlɑnt/, /ˈχɛɫdərˌlɑnt/
pronoun
1. provincie in het oosten van Nederland, die door de Flevoland, Overijssel, Limburg, Noord-Brabant, Zuid-Holland, Utrecht en het Duitse Noord-Rijnland-Westfalen wordt omringd
Geldria
adjective
1. waarvan de waarde of wettigheid erkend wordt
ważny
noun
1. straf die bestaat uit het betalen van een geldbedrag
mandat
noun
moneta
noun
1. de besteding van geld aan minder voordelige doeleinden dan mogelijk zou zijn geweest
strata pieniędzy
/ɣəˈledə(n)/, /χəˈledə(n)/
adverb
1. een woord om aan te duiden dat iets zich in het verleden af heeft gespeeld
temu
/ɣə.let.ˈpo.tə.ɣə/, /ɣə.ˈleːd.ˌpoː.ti.ɣə/, /χə.let.ˈpo.tə.χə/
noun
1. een dier met een uitwendig skelet van chitine
stawonóg
/ɣǝ.'le.ɣǝn.ɦɛjt/
noun
1. mogelijkheid tot
  1. okazja
  2. możliwość
noun
  1. 1. elektrische stroomgeleider
  2. 2. warmtegeleider
przewodnik
/ɣə'lɛɪk/
adjective
1. met elkaar overeenstemmend
równy
/ɣə'lɛɪk/
noun
1. juistheid, recht
racja
noun
1. de mate waarin iets of iemand aan een ander doet denken
podobieństwo
noun
równość
noun
prąd stały
/ɣəˈlof/, /χəˈlof/
noun
  1. 2. de overtuiging dat iets zo is
    1. przekonanie
    2. wiara
  2. 1. godsdienst
    wiara
noun
1. de mate waarin iets of iemand verdient geloofd te worden
wiarygodność
verb
1. overtuigd zijn dat iets waar is
wierzyć
/ɣəˈlɵk/, /χəˈlɵk/
noun
1. prettige loop van de omstandigheden
szczęście
adjective
1. in een tevredene toestand zijn, zich goed voelen
szczęśliwy
noun
1. Zingiber officinale, een specerij met een scherpe smaak
imbir
noun
1. fijngemalen gedroogde wortels van Zingiber officinale
mielony imbir
noun
  1. 1. het met één of meer andere deel hebben aan iets
  2. 3. geheel van personen of zaken die tot elkaar in een bepaald opzicht in een geregelde betrekking staan
wspólnota
/ɣəˈmentə/, /ɣəˈmeɪntə/, /ʝəˈmentə/
noun
1. bestuurlijke eenheid
gmina
noun
1. de som van een aantal getallen gedeeld door het aantal ervan
średnia
noun
1. in de Alpen levende soort berggeit
kozica
noun
1. drager van informatie van de erfelijke eigenschappen
gen
adjective
bezlitosny
noun
1. de laatste slag toegebracht aan een zwaargewonde vijand om hem uit zijn lijden te helpen
coup de grâce
/ˈdʒɛndər/
noun
1. sekse
gender
noun
1. een discipline van de geschiedkunde die zich bezighoudt met voorouderonderzoek dan wel de afstamming van de familienaam
genealogia
noun
  1. lekarz
  2. doktor
/γ̊əˈneːskʏndə/
noun
1. de wetenschap die zich richt op de aard, de oorzaken en de geneesmiddelen van ziekten
medycyna
noun
1. een chemische stof die een bepaalde, gewenste werking op het (dierlijk of menselijk) lichaam uitoefent
lek
noun
1. iemand die het bevel heeft over een leger
generał
noun
1. alle personen die min of meer tegelijkertijd geboren zijn
  1. pokolenie
  2. generacja
adjective
2. algemeen
ogólny
noun
1. titels
czołówka
pronoun
Księga Rodzaju
noun
1.de wetenschap van alles wat de werking van genen betreft, in het bijzonder erfelijke overdracht
genetyka
/ɣəˈnetis/
adjective
1. gerelateerd aan de erfelijkheid
genetyczny
noun
1. iemand die buitengewoon slim is of die ergens uitzonderlijk goed in is
geniusz
verb
1. voordeel hebben van iets
cieszyć się
noun
1. naamval als aanduiding van bezit, oorsprong of hoeveelheid
dopełniacz
indefinitePronoun
dosyć
/xəˈnom/
noun
1. een verzameling van alle genen van de chromosomen van een organisme
genom
noun
1. het geheel van genetische kenmerken dat een soort onderscheidt
genotyp
noun
1. een gloeiend korreltje of brokstukje
iskra
pronoun
1. Vlaamse provinciehoofdstad van Oost-Vlaanderen, België
Gandawa
noun
goryczka
pronoun
1. een stad in Noordwest-Italië
Genua
noun
1. Grammaticaal geslacht
rodzaj
pronoun
2. stad in Zwitserland
Genewa
noun
geochemia
noun
geodezja
noun
geofizyka
noun
1. aardrijkskunde
geografia
adjective
1. aardrijkskundig, met betrekking tot de aardrijkskunde
geograficzny
noun
1. aardkunde
geologia
adjective
1. op de geologie betrekking hebbend
geologiczny
noun
geolog
noun
1. een tak van de wiskunde die zich bezighoudt met ruimtelijke figuren
geometria
noun
geomorfologia
noun
1. futensoort met zwarte nek, zwarte kop en een goudgele oorpluim, Podiceps nigricollis
perkoz zausznik
/ɣeˈjɔrɣis/, /ɣeˈjɔrɣɪs/, /χeˈjɔrχis/
pronoun
1. de taal die in Georgië gesproken wordt
gruziński
/ɣeˈjɔrɣisə/, /χeˈjɔrχisə/
noun
1. vrouwelijke inwoner van Georgië
Gruzinka
/ɣeˈjɔrɣi.jə/, /χeˈjɔrχi.jə/
pronoun
1. een soevereine staat in West-Azië, gelegen in de Kaukasus. De officiële taal is het Georgisch
Gruzja
noun
  1. 1. een bepaald soort voedsel op een bepaalde wijze bereid
    1. danie
    2. potrawa
  2. 2. rechtbank, de rechter
    sąd
noun
1. afsluitbare bak waarin gereedschap opgeborgen en bijeengehouden wordt
skrzynka narzędziowa
adjective
1. medische zorg voor oudere mens
geriatryczny
noun
1. woord of uitdrukking overgenomen uit het Duits of gevormd naar het Duits
germanizm
noun
1. een scheikundig element met symbool Ge en atoomnummer 32
german
noun
2. en 3. (zaad van de) plant Hordeum vulgare
jęczmień
noun
2. wit korreltje op het ooglid
prosaki
/ɣə'rɵxt/
noun
2. een mededeling of nieuwtje dat de ronde doet maar nog niet bevestigd is, zodat je niet zeker bent of het waar is
plotka
/ɣəˈsxɛŋk/, /ʝəˈsçɛŋk/
noun
1. iets dat men geeft
prezent
/ɣəˈsxidəˌnɪs/
noun
2. de gebeurtenissen van het verleden
historia
noun
historiografia
/χəˈslɑχt/
noun
  1. 3. (biologisch) genus
    rodzaj
  2. 4. grammaticaal geslacht
    1. rodzaj (gramatyczny)
    2. rodzaj
/ɣəˈslɑxtsɔrɣaːn/, /ʝəˈslɑxtsɔrʝaːn/
noun
1. lichaamsdeel
narząd płciowy
/ɣɛsp/
noun
1. sluitmechanisme aan riemen e.d.
  1. sprzączka
  2. klamra
adjective
1. met sterk ontwikkelde stevige spieren
  1. muskularny
  2. umięśniony
noun
1. een mondelinge conversatie waarbij informatie uitgewisseld wordt
rozmowa
noun
1. zwangerschap
ciąża
/ɣəˈstentə/
noun
1. het materiaal waaruit de aardkorst bestaat, bestaande uit mineralen
skała
noun
liczba
noun
1. een elektrische centrale die functioneert op het verschil tussen eb en vloed
elektrownia pływowa
noun
1. (elektrotechniek) (werktuigbouwkunde) elektrische centrale die werkt door middel van getijdenstromen ontstaan door het hoogteverschil tussen eb en vloed
elektrownia pływowa
noun
1. iemand die een gebeurtenis heeft meegemaak of op andere wijze, veelal onder ede, een verklaring kan geven ten aanzien van de ware toedracht van een zaak
świadek
noun
świadectwo
/ɣøːr/, /χøːr/
noun
1. gewaarwording met de neus van de aanwezigheid van een gasvormige uitwaseming
zapach
/ɣəˈvar/
noun
1. groot risico
niebezpieczeństwo
/ɣəˈvarlək/, /ɣəˈvaːrlɪk/, /χəˈvarlək/
adjective
1. gevaar met zich meebrengend
niebezpieczny
noun
1. iemand die gevangen genomen is
więzień
/ɣǝvɑŋǝnis/
noun
1. een gebouw waarin personen gevangen worden gehouden vanwege hun misdaden
więzienie
/ɣəˈvɛxt/, /χəˈvɛxt/
noun
1. een handgemeen
walka
/ˈɣevə(n)/, /ˈχevə(n)/
verb
1. overdragen van het bezit van iets aan iemand anders
  1. dawać
  2. przekazywać
adjective
1. met vleugels
skrzydlaty
noun
1. gewaarwording
uczucie
noun
  1. 3. de spanning van een film
    czułość
    1. 1. een aandoenlijkheid
    2. 2. de nauwkeurigheid van instrumenten
    1. czułość
    2. wrażliwość
noun
1. een verzamelnaam voor vogels die gekweekt worden als voedsel
drób
/ɣəˈvɔlx/, /ɣəˈvɔɫx/, /χəˈvɔɫχ/
noun
1. iets dat voortkomt uit iets anders
konsekwencja
noun
karabin
noun
1. een stel uit been bestaande hoorns van herten; al dan niet vertakt
  1. poroże
  2. róg
noun
1. elke kracht van meer dan geringe betekenis uitgeoefend op personen, goederen of zaken
przemoc
/ɣə'ʋɛldəx/
adjective
  1. 1. enorm
    ogromny
  2. 2. bijzonder goed
    świetny
/ɣəˈʋetə(n)/
noun
1. het deel van iemand waarmee die persoon zijn daden op goed en kwaad beoordeelt
sumienie
/ɣəˈʋɪxt/, /χəˈʋɪxt/
noun
1. de kracht die dat voorwerp op zijn ondersteuning of ophanging uitoefent
  1. ciężar
  2. waga
noun
1. een sport waarbij de beoefenaars proberen om zware gewichten op te heffen die aan stalen staven zijn bevestigd
podnoszenie ciężarów
noun
1. Balaenoptera physalus, een groot zeezoogdier, lang en gestroomlijnd met puntige kop
finwal
/ɣəˈwoːn/, /ɣəˈβ̞oːn/, /χəˈʋon/
adjective
zwyczajny
noun
1. Galanthus nivalis, een vroegbloeiend bolgewas met witte bloempjes
Śnieżyczka przebiśnieg
adverb
1. zoals de ervaring leert dat het meestal is
zazwyczaj
/ɣəˈwoːntə/, /ɣəˈβ̞oːntə/, /χəˈʋontə/
noun
1. vaste wijze om dingen te doen
  1. zwyczaj
  2. nawyk
noun
1. verbinding
staw
noun
2. alle zinsdelen behalve het onderwerp
orzeczenie
/ɣə'zɛlsxɑp/
noun
3. een vereniging met een bepaald doel
społeczeństwo
noun
1. de voorkant van een menselijk hoofd
  1. twarz
  2. oblicze
/xə.ˈzɔnt/, /ɣə.ˈzɔnt/
adjective
  1. 1. vrij van ziektes en zeertes
  2. 2. bevorderlijk voor een goede conditie
zdrowy
noun
1. welbevinden, in goede staat zijn
zdrowie
/'ɣa.na/, /'χa.na/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Ghana
Ghana
adjective
1. op Ghana betrekking hebbend
ghański
pronoun
Gibraltar
/ɣɪts/, /χɪts/
noun
persoon die een groep begeleid en uitleg geeft
przewodnik
noun
1. rondhout bevestigd aan het onderlijk van een zeil
bom
/ɣiːr/, /χiːr/
noun
1. benaming voor grote aasetende roofvogels met een kale kop en machtige vleugels
sęp
adjective
1. geen geld of bezit aan een ander willende geven
skąpy
noun
2. en 3. (zaden van) de graansoort Panicum miliaceum
proso
/ˈɣirˌzʋalyw/
noun
1. bepaald soort vogel, Apus apus
jerzyk
verb
lać
noun
1. een soort emmer met sproeibuis om de planten te begieten
konewka
noun
1. een bedrijf dat zich toelegt op het gieten van metalen voorwerpen
odlewnia
noun
żeliwo
/ɣɪf/, /χɪf/
noun
1. substantie die in kleine hoeveelheden schadelijk of dodelijk is
trucizna
/ˈɣɪftəx/, /ˈχɪftəx/
adjective
1. gif bevattend
  1. trujący
  2. toksyczny
noun
gigabajt
adjective
ogromny
/ˈɣɛɪ̯zəlaːr/, /ˈɣɛːzəlaːr/, /ˈχɛɪ̯zəlaːr/
noun
1. een veelal onschuldig persoon die tegen de eigen wil door een gijzelnemer gevangen wordt gehouden en die bedreigd wordt met het doel iets van derden gedaan te krijgen
  1. zakładnik
  2. zakładniczka
noun
gin
noun
1.
żeń-szeń
noun
1. (scheikunde) een uit calciumsulfaat en water uithardende witte vaste stof: CaSO₄·2H₂O
gips
/ʒi'rɑf/
noun
1. Herkauwend dier
żyrafa
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Żyrafa
noun
1. herkauwend dier dat in Midden-Afrika leeft met een zeer lange hals, Giraffa camelopardalis
żyrafa
noun
1. de naam voor een aantal soorten micro-organismen
drożdże
/ˈɣɪstər/, /ˈχɪstər/
adverb
1. de laatste dag die voltooid is
wczoraj
/ˈɣɪstərə(n)/, /ˈχɪstərə(n)/
adverb
1. de laatste dag die voltooid is
wczoraj
/ɣi'tar/
noun
1. een muziekinstrument
gitara
pronoun
1. stad in Armenië
Giumri
noun
glacjologia
adjective
gładki
noun
1. Poecile palustris, een zangvogel uit de familie van echte mezen (Paridae)
sikora uboga
/ɣlɑs/, /χlɑs/
noun
  1. 1. niet-kristallijne vaste stof
    1. szklanka
    2. szkło
    1. 2. op basis van SiO₂
    2. 3. om uit te drinken
    1. szkło
    2. szklanka
noun
ciało szkliste
noun
1. glasharmonica
harmonika szklana
noun
głasnost
noun
1. een aandoening waarbij een verhoging van de druk in de oogbol onbehandeld...
jaskra
noun
1. een ijsmassa die gevormd wordt op land en dik en groot genoeg is om bergafwaarts te stromen
lodowiec
noun
zjeżdżalnia
/ˈxlɛɪdə(n)/, /ˈɣlɛːdə(n)/
verb
1. met geringe wrijving gericht voortschuiven
ślizgać się
noun
1. een gelaatsuitdrukking die een geluidloze lach verraadt
uśmiech
/'ɣlɪmlɑχən/
verb
1. zacht onhoorbaar lachen
uśmiechać się
noun
1. een nachtelijk lichtgevend kevertje uit de familie Lampyridae
robaczek świętojański
/ɣlut/
noun
żar
noun
żarnik
/ˈɣluilɑmp/
noun
1. een lamp die licht produceert met een gloeidraadje
żarówka
noun
glosariusz
/ˈɣlɔtɪˌslɑx/
noun
1. een klank die met de stembanden in de keel geproduceerd wordt en tot de plosieven gerekend wordt
zwarcie krtaniowe
/'ɣly.tə(n)/
noun
gluten
noun
  1. glicerol
  2. gliceryna
noun
  1. glicerol
  2. gliceryna
noun
1. een metamorf gesteente met verschillend gekleurde banden of aders
gnejs
noun
1. Connochaetes, een dier behorende tot de familie Bovidae...
gnu
pronoun
1. bovennatuurlijk en volmaakt wezen, dat beschikt over superieure krachten en dat onsterfelijk is
Bóg
/ɣɔd/, /ɣɔt/, /χɔt/
noun
1. hypothetisch bovennatuurlijk wezen dat verantwoordelijk wordt geacht...
bóg
noun
1.
boskość
adjective
1. heel, geheel (vooral van tijdsperiodes zoals bijvoorbeeld dag)
cały
noun
1. een hypothetisch bovennatuurlijk wezen dat verantwoordelijk wordt geacht voor (bepaalde aspecten van) de werkelijkheid
bóstwo
noun
1. een vrouwelijke godheid
bogini
noun
1. een geloof en alle daar bij horende rituelen en doctrines
religia
noun
1. belediging of bespotting van God/een godheid
bluźnierstwo
adjective
1. kwaliteit bezittend
dobry
adverb
1. op goede wijze
dobrze
/ˌɣudə.ˈvrɛɪ̯.dɑx/
pronoun
1. de vrijdag voor Pasen
Wielki Piątek
interjection
dzień dobry
/ˌɣudəˈmɔrɣə(n)/
interjection
groet
dzień dobry
interjection
avondwens
dobranoc
interjection
1. een groet die in de avond gebruikt wordt
dobry wieczór
noun
1. de hoedanigheid van het goed zijn
dobroć
verb
1. toestemming verlenen
aprobować
adjective
1. laag in prijs
tani
/ɣɔk/, /χɔk/
noun
2. een keuze zonder het juiste antwoord te weten
hazard
/gɔlf/, /χɔl(ə)f/
noun
  1. 1, 2 en 3
    fala
  2. 4. grote baai
    1. zatoka
    2. golf
  3. 1. balspel waarbij een golfbal met een golfclub in een aantal slagen in de hole moet worden geslagen.
    golf
pronoun
1. zee die begrenst wordt door Mexico, de Verenigde Staten van Amerika en Cuba
Zatoka Meksykańska
noun
falowód
noun
długość fali
/ˈɣɔndəl/
noun
1. een pleziervaartuig in Venetië
gondola
noun
1. een hangend slagwerk
gong
noun
1. een geslachtziekte die veroorzaakt wordt door de bacterie Neisseria gonorrhea
rzeżączka
/ˈgu:gələ(n)/, /ˈɡu.ɡə.lə(n)/, /ˈɣu.ɣə.lə(n)/
verb
1. naar informatie zoeken op het internet, m.n. met Google
  1. guglać
  2. googlować
noun
googol
/ˈɣotsten/
noun
1. een bak, meestal ingebouwd in een aanrecht, onder een kraan en met een afvoer
zlew
noun
1. zoogdier met pantser van beweegbare schubben uit de familie Dasipodidae
  1. pancernik
  2. pancerniki
/ɣɔrˈdɛːn/, /χɔrˈdɛɪn/
noun
1. doek ter afdekking
  1. zasłona
  2. firana
noun
1. Afrikaanse mensaap uit het geslacht Gorilla
goryl
/ɣɔrs/, /χɔrs/
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Emberizidae
trznadel
noun
kasza
noun
gospel
/ˈɣɔtlɑnt/, /ˈʝɔtlɑnt/
pronoun
1. Zweeds eiland
Gotlandia
/χɔtspə/
noun
hucpa
/ɣʌʊt/
noun
1. een edelmetaal met atoomnummer 79 dat wordt aangegeven met het symbool Au, het is een geel metalliek overgangsmetaal
  1. złoto
  2. złoty
noun
1. Physalis peruviana
miechunka peruwiańska
noun
brąz koryncki
phraseologicalUnit
złoty medal
noun
1. bepaald soort klein vogeltje met een goudkleurig kruintje Regulus regulus
mysikrólik
noun
gorączka złota
noun
1. soort plevier, Pluvialis apricaria
siewka złota
noun
nagietek
noun
1. een smid die met goud werkt
złotnik
noun
1. bepaald soort vogel, Pyrrhul pyrrhula
  1. gil
  2. gil zwyczajny
/ˈɣaʊ̯d.vɪs/, /ˈɣɔʊ̯t.fɪs/, /ˈχʌʊ̯t.fɪs/
noun
1. bepaald soort kleine goudkleurige of rode vis die uit China afkomstig is en die door veel mensen thuis gehouden wordt, Carassius auratus auratus
złota rybka
noun
1. een stoofschotel van o.a. rundvlees, paprika en uien, tevens het nationale gerecht van Hongarije
gulasz
noun
1. het hoofd van een regering, van een kolonie, staat of andere subnationale staatseenheid
gubernator
pronoun
Gozo
noun
1. eenheid om hoeken te meten
stopień
noun
1. geschiedkundige term voor een landsheer, oorspronkelijk belast met de rechtspraak...
  1. hrabia
  2. graf
noun
hrabstwo
/ɣrax/, /χraχ/
adverb
1. met plezier, met graagte; dat doe ik graag
chętnie
interjection
1. beleefd antwoord nadat je bedankt bent
nie ma za co
noun
zboże
noun
ość
noun
1. een instrument waarmee een hoek van een gekende grote uitgezet of gemeten kan worden
kątomierz
/ɣrɑf/, /χrɑf/
noun
  1. 1. ruimte om één of meer lijken in te begraven
  2. 2. plaats waar één of meer lijken begraven liggen
  1. grób
  2. mogiła
  3. grobowiec
noun
in plaatjes gekristalliseerde koolstof
grafit
adjective
graficzny
noun
1. op een grafsteen gegraveerde korte tekst, gewijd aan de overledene
epitafium
noun
1. een rechtopstaande gebeeldhouwde steen die de aanwezigheid van een graf markeert
nagrobek
noun
1. een afgeleide eenheid voor massa in het SI-stelsel (éénduizendste van een kilogram, 0,001 kg)
gram
noun
1. een systeem van regels en principes voor het schrijven en spreken van een taal.
gramatyka
adjective
gramatyczny
/ɣṛɑm.ˌpo.zi.ˈtiː.və.bɑk.ˈteːri.jə(n)/, /χrɑm.ˌpo.zi.ˈti.və.bɑk.ˈtɪː.ri.jə(n)/
noun
1. verzamelnaam voor soorten met een dikke laag peptidoglycaan in hun celwand
bakterie Gram-dodatnie
noun
  1. 5. groep kubische mineralen
  2. 2. met springlading gevuld projectiel
granat
noun
  1. 1. boom
    granat
  2. 2. vrucht
    1. granat
    2. granatowiec
/ɣɾaˈni:t/
noun
1. stollingsgesteente bestaande uit lichtgekleurde, met het blote oog onderscheidbare mineralen.
granit
/ɣrɑp/, /χrɑp/
noun
1. verhaal dat of handeling die erop gericht is om de lachlust op te wekken
żart
noun
1. een gele of rode, enigszins bitter smakende citrusvrucht
grejpfrut
noun
1. sap van de vrucht van de boom Citrus paradisi
sok grejpfrutowy
/ˈɣrɑpəχ/
adjective
1. de lust tot (glim-) lachen opwekkend
zabawny
noun
  1. 1. benaming voor planten uit de familie Poaceae
  2. 1.1 benaming voor planten uit de familie Poaceae die een oppervlak met sprietvormige groene bladeren begroeien
trawa
noun
1. Sylvia communis, een zangvogel uit de familie zangers Syviidae
  1. pokrzewka cierniówka
  2. cierniówka
noun
1. Anthus pratensis, een zangvogel uit de familie Motacillidae
Świergotek łąkowy
noun
1. het afzien van de uitvoering van een straf
łaska
adjective
1. wat zonder betaling verkregen wordt
za darmo
noun
1. bepaalde soort grijsbruine vogel met oranje snavel, Anser anser
Gęś gęgawa
noun
1. bepaalde soort roofvogel, Circus pygargus
błotniak łąkowy
verb
1. een gat in de grond maken met de handen of met een graafwerktuig
  1. kopać
  2. wykopywać
verb
1. met een scherp gereedschap iets krassen in glas of metaal
grawerować
noun
1. vrouwelijke graaf
hrabina
/'χrazə(n)/
verb
1. het eten van gras en andere bodemvegetatie zoals bijvoorbeeld runderen dit doen
paść
adjective
gregoriański
/ɣre.ˈna.da/, /ɣrɛ.ˈna.da/, /χre.ˈna.da/
pronoun
land in het Caribisch gebied
Grenada
noun
  1. 1. een al dan niet denkbeeldige scheidingslijn
    granica
  2. 2. de raaklijn tussen twee landen
    1. granica
    2. brzeg
verb
1.
granicznyć
/ɣrik/, /χrik/
noun
1. inwoner van Griekenland
Grek
/ˈɣrikə(n)ˌlɑnd/, /ˈɣrikə(n)ˌlɑnt/, /ˈχrikə(n)ˌlɑnt/
pronoun
1. een land in het zuidoosten van Europa
Grecja
/ɣriks/, /χriks/
pronoun
1. een taal die vooral wordt gesproken in Griekenland en op Cyprus
grecki
/ɣrip/
noun
1. een vierusziekte die jaarlijks vele mensen ziek maakt en die voor ouderen gevaarlijk kan zijn
grypa
noun
1. grof gemalen meel
semolina
/ɣrit/, /χrit/
noun
C. vissoort
nagład
noun
1. Oudgrieks fabeldier met de kop, voorpoten en vleugels van een adelaar en de romp, achterpoten en staart van een leeuw
gryf
verb
1. plotseling iets of iemand beetpakken
chwycić
adjective
1. de kleur grijs hebbend
szary
adjective
1. gelijkend op, of eigenschappen hebbend van grijs
szarawy
/ɣrɛɪsˈɦarəx/
adjective
1. met grijs haar
siwowłosy
noun
grill
/ˈgrɪzliˌbeːr/, /ˈɣrɪzliˌbeːr/
noun
1. Ursus arctos horribilis, een Amerikaanse ondersoort van de bruine beer.
  1. grizli
  2. grizzly
  3. niedźwiedź szary
/ɣruj/, /χruj/
noun
1. het groter worden
wzrost
/ˈɣrui̯ə(n)/
verb
groter worden
rosnąć
adjective
1. met de kleur zoals bladeren van planten die meestal hebben
zielony
noun
1. kleur zoals bladeren van planten die meestal hebben, geel met blauw gemengd
  1. zieleń
  2. zielony
noun
1. Picus viridis
dzięcioł zielony
/ˈɣrun.lɑnd/, /ˈɣrun.lɑnt/, /ˈχrun.lɑnt/
pronoun
1. een groot eiland ten noordoosten van Canada, deel uitmakend van het koninkrijk Denemarken
Grenlandia
adjective
grenlandzki
noun
1. bepaald soort zeezoogdier, Balaena mysticetus
wieloryb grenlandzki
noun
1.
grynszpan
noun
1. eetbare planten of delen daarvan
  1. owoce
  2. warzywo
  3. jarzyna
/ɣrup/, /ʝrup/
noun
1. uit meerdere personen of eenheden bestaand geheel
grupa
verb
1. in groepen stellen
grupować
noun
odporność stadna
/ˈɣrut/, /ˈχrut/
noun
1. een uiting waarbij men elkaars aanwezigheid erkent wanneer men elkaar ontmoet
pozdrowienie
/ˈɣrutə(n)/
noun
1. iemand goedendag of gedag zeggen
witać
/ɣrɔk/, /ɣrɔx/
noun
1. alcoholisch mengsel van rum, suiker en heet water
grog
noun
surowiec
noun
1. al het water dat zich in de aardbodem bevindt
woda gruntowa
noun
1. wet die de principes van een staat definieert
konstytucja
/ˈɣroːˌnɪŋə(n)/, /ˈχroˌnɪŋə(n)/
pronoun
  1. 1. hoofdstad van de provincie Groningen
  2. 2. gemeente in de provincie Groningen waarin de stad Groningen ligt
  3. 3. provincie in het noorden van Nederland, die door Friesland, Drenthe en het Duitse Oost-Friesland wordt begrensd
Groningen
/ɣroːt/
adjective
  1. 4. volwassen
    dorosły
    1. 1. meer dan normaal in formaat
    2. 3. machtig, belangrijk
    1. duży
    2. wielki
  2. 2. bewonderenswaardig, goed
    1. wielki
    2. duży
/ˌɣroːd brɪˈtɑni.jə/, /ˌχrot brɪˈtɑni.jə/
pronoun
1. benaming voor het '[[Verenigd Koninkrijk|Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland]]', dat officieel met Verenigd Koninkrijk wordt aangeduid.
Wielka Brytania
noun
megalomania
noun
obiektyw szerokokątny
noun
1. een moeder van een ouder
  1. babka
  2. babcia
  3. babunia
noun
otocjon
noun
rozmiar
/ˈɣroːtˌfaːdər/
noun
1. de vader van een ouder
dziadek
noun
  1. 1. in de klassieke zeilvaart de onderste, grootste zeil aan de grote mast
  2. 2. in de moderne zeilvaart het zeil bevestigd met het voorlijk aan de achterkant van de (grootste) mast
grot
/ɣrɔt/
noun
1. een onderaardse holte
jaskinia
pronoun
1. hoog aan het noordelijk halfrond duidelijk zichtbaar sterrenbeeld
Wielka Niedźwiedzica
noun
1. bepaald soort vrij grote vogel met zwarte rug- en lichtere buikzijde, Dendrocopos major
dzięcioł duży
noun
1. soort zeevogel van ongeveer 70 centimeter groot, Larus hyperboreus
mewa blada
noun
1. de eindhersenen en de tussenhersenen vormen samen de grote hersenen
kresomózgowie
noun
1. soort zeevogel, Larus marinus
mewa siodłata
pronoun
1. de naam voor de 5 grote meren op of nabij de grens tussen de Verenigde Staten en Canada
Wielkie sjöarna
noun
1. bepaald soort overblijvende plant, Sanguisorba officinalis
krwiściąg lekarski
noun
1. Balaena mysticetus, grote massieve walvis met een kolossale kop
wieloryb grenlandzki
noun
1. bepaalde soort zeevogel, te herkennen aan zijn zwarte kuif en snavel met een klein geel puntje, Sterna sandvicensis
  1. rybitwa ezubata
  2. rybitwa czubata
noun
1. Melanitta fusca, een vrijwel geheel zwarte eendensoort die voornamelijk op zee voorkomt
uhla
adjective
1. op afschrikwekkende wijze buitenissig
groteskowy
/ˈxrʏto/, /ˈɣrʏto/
noun
1. bepaald soort weidevogel en een van de grootste steltlopers
szlamik rycyk
pronoun
Gwadelupa
/ˌgʋɑ.tə.ˈma.la/, /ˌgβ̞ɑ.tə.ˈma.la/, /ˌɣ<sup>ʊ</sup>a.tə.ˈma.la/
pronoun
land in Midden-Amerika, officieel de Republiek Guatemala
Gwatemala
adjective
gwatemalski
adjective
gwatemalski
noun
1. en 2. (vrucht van) Psidium guajava
  1. guajawa
  2. gujawa
pronoun
Guernsey
/ɣi.ˈne/, /χi.ˈne/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Guinee
Gwinea
/ˌɣi.ne.bɪ.ˈsaʊ̯/, /ˌɣi.ne.ˈbɪ.sɔʊ̯/, /ˌχi.ne.ˈbɪ.sʌʊ̯/
pronoun
1. bepaalde soort vlinder, Vanessa atalanta
Gwinea Bissau
adjective
1. op Guinee betrekking hebbend
gwinejski
pronoun
1. een taal die oorspronkelijk in Gujerat gesproken wordt. De taal wordt nu ook in Uganda, Tanzania, Kenia en Pakistan gesproken
  1. gudżarati
  2. gudźarati
noun
1. een levendbarend tandkarpertje en aquariumvisje uit Zuid-Amerika
gupik
adjective
gujański
/ɣi.ˈja.na/, /ɣβ̞i.ˈja.na/, /χi.ˈja.na/
pronoun
1. een land in Zuid Amerika, officieel de Coöperatieve Republiek Guyana
Gujana
adjective
gujański
noun
1. oefeningen voor de gezondheid van een mens
gimnastyka
pronoun
1.
Zgorzelec
/ˈgœtɪŋən/
pronoun
1. + 2. stad en district
Getynga
noun
1. een afscheiding bestaande uit kreupelhout of struikgewas
żywopłot
noun
1. bepaald soort loofboom, Carpinus betulus
grab
/haːɪ̯/, /ɦaɪ̯/
noun
1. benaming voor roofvissen uit de superorde Selachimorpha
rekin
/haːk/
noun
hak
noun
2. elk van de tekens, rond of met hoeken, gebruikt in paren om woorden of getallen af te zonderen
nawias
noun
1. een naald die wordt gebruikt bij haakwerk
szydełko
/ɦan/
noun
1. mannelijk dier bij de hoenderachtige vogels
kogut
noun
1.1 hoofdhaar, uitgroeisel van de epidermis dat delen van het hoofd bedekt
  1. włosy
  2. włos
personalPronoun
  1. 2. datief van zij, derde persoon enkelvoud
    jej
  2. 1. accusatief van zij, derde persoon enkelvoud
    ją
possessivePronoun
1. bezit aanduidend door een 3e persoon vrouwelijk enkelvoud
jej
noun
1. Lepus eropaeus, een konijnachtig zoogdier met lange achterpoten een gespleten lip en lange oren
zając
/hast/
adverb
1. bijna
prawie
/hast/
noun
1. de drang hebben om iets snel te doen
pośpiech
/ɦaːt/
noun
1. sterk gevoel van vijandschap
nienawiść
pronoun
2. boek in de Bijbel
  1. Księga Habakuka
  2. Habakuk
noun
1. bepaalde soort vlinder, Vanessa atalanta
hadron
noun
1. scheikundig element met symbool Hf en atoomnummer 72
hafn
noun
1. langstaartig, geschubd reptiel uit de onderorde Lacertilia
jaszczurka
/haɣəɫ/
noun
1. bolvormig ijs dat als neerslag uit de hemel valt
grad
noun
1. een vuurwapen om voornamelijk hagelpatronen mee af te schieten
strzelba
pronoun
2. boek in de Bijbel
Księga Aggeusza
noun
1.
haiku
noun
  1. 3. werktuig om de grond mee open te hakken
    motyka
  2. 1. hiel van de voet
    obcas
noun
1-2
  1. półprzewodniki
  2. półprzewodnik
noun
1. het oppervlak van een halve bol, met name van de aarde
półkula
interjection
1. groet
  1. cześć
  2. hej
noun
halucynacja
adjective
halucynogenny
noun
halogen
noun
szyja
noun
kantar
/ˈhɑɫtə/
noun
  1. 2. een plaats waar een bus stopt
  2. 1. een plaats waar gestopt wordt
przystanek
noun
1.
półfinał
noun
1.
półnuta
/ɦɑm/
noun
1. vlees van de achterkant van een varken
szynka
noun
Hamburg
/ˈham.bʏr.ɣər/, /ˈhɑm.bʏr.ɣər/, /ˈhɑm.bʏr.χər/
noun
1. schijf gebraden gehakt
hamburger
noun
  1. 2. een van de gehoorsbeentjes in het oor
    1. młot
    2. młotek
  2. 1. werktuig dat kan worden gebruikt om te slaan
    1. młotek
    2. młot
noun
1. klein knaagdiertje dat als huisdier gehouden kan worden
chomik
/ɦɑnt/
noun
1. uiterste deel van de arm, voorbij de pols
  1. dłoń
  2. ręka
noun
  1. piłka ręczna
  2. szczypiorniak
noun
1. een doek waarmee men zich afdroogt
ręcznik
/ˈɦɑndəl/
noun
1. de in- en verkoop van goederen
handel
noun
1. datgene dat gedaan is
czyn
pronoun
Dzieje Apostolskie
noun
2. deel van het privaatrecht m.b.t. handelszaken
prawo handlowe
/ˈɦɑndɪɣ/, /ˈɦɑndɪχ/
adjective
1. goed met de handen om kunnen gaan
zręczny
/hɑnd.sxun/, /ɦɑnt.sxun/, /ɦɑnt.sχun/
noun
1. een handkledingstuk met aparte vingers
  1. rękawica
  2. rękawiczka
noun
podpis
/ˈɦɑŋmɑt/
noun
1. een doek dat aan de uiteinden opgehangen wordt en waarin personen kunnen liggen
hamak
noun
1. een slot dat aan een beugel hangt
kłódka
pronoun
1. stad in Duitsland
Hanower
noun
1. en 2 grof gemalen meel van harde tarwe (Triticum durum)
kasza z pszenicy durum
noun
1. elektronische en mechanische delen in en om computersystemen
  1. hardware
  2. sprzęt komputerowy
/ˈɦarɪŋ/
noun
1. zoutwatervis
śledź
noun
1. bepaalde middelgrote haai en consumptievis, Lamna nasus
  1. lamna śledziowa
  2. żarłacz śledziowy
noun
1. tuingereedschap aan lange steel, met een reeks tanden aan de onderzijde
grabie
noun
1. (muziekinstrument) een toetsinstrument dat gerekend wordt tot de aerofonen
fisharmonia
noun
1.
harfa
/hɑrˈpun/, /ɦɑrˈpun/
noun
  1. 2. een speer met weerhaken
  2. 1. een grote pijl met weerhaken aan een touw
harpun
/ɦɑrs/
noun
1. het stroeve en plakkerige product van boomsappen, met name van naaldbomen
żywica
/ɦɑrt/
noun
serce
noun
1. het afsterven van hartspierweefsel door afsluiting van een kransslagader of een tak hiervan
  1. zawał serca
  2. zawał mięśnia sercowego
/ˈhɑrt.ka.mər/, /ˈɦɑrt.ka.mər/
noun
1. elk van twee holten van het hart
komora
noun
1. hartweefsel in de vorm van een vlies dat samengetrokken door een spiertje terugstromen van het verder gepompte bloed tegengaat
zastawka serca
noun
kardiolog
noun
1. scheikundig element met symbool Hs en atoomnummer 108
has
/'ɦatə(n)/
verb
kwade gevoelens jegens iemand koesteren
  1. nienawidzić
  2. nienawidzieć
interjection
apsik
noun
1. een droge doosvrucht, die minstens driemaal zo lang als breed is, zoals bij koolzaad en pinksterbloem.
łuszczynka
/ɦavə(n)/
noun
1. natuurlijke of aangelegde aanlegplaats voor schepen.
  1. port
  2. przystań
noun
  1. 1. en 2. (zaden van) eenjarig graangewas Avena sativa
    owies
  2. 1. éénjarig graangewas Avena sativa
    owies zwyczajny
/ˈhavərˌmɪːɫ/
noun
zeer fijn gemalen haver
mąka owsiana
noun
plantaardige melk op basis van hele haverkorrels
mleko owsiane
noun
owsianka
noun
havervlokken
płatki owsiane
/ˈɦavɪk/
noun
  1. 2. iemand die graag oorlog wil voeren
    jastrząb
  2. 1. Accipiter gentilis, een roofvogel die op kleine zoogdieren en vogels jaagt
    1. jastrząb gołębiarz
    2. jastrząb
noun
1. een heester waaraan hazelnoten groeien
leszczyna
/ˈhazəɫˌnot/
noun
1. een vrucht van de hazelaar
orzech laskowy
/ˈhaː.zə(n)ˌlɪp/
noun
zajęcza warga
noun
1. snelle hond wordt ingezet voor wedrennen of jacht op hazen
chart
/ha.ˈhi.ti/, /ɦa.ˈi.ti/, /ɦɑ.ˈi.ti/
pronoun
1. een land in het Caribisch gebied bezettend de westelijk derde van het eiland Hispaniola
Haiti
adjective
haitański
/ˈɦɛbə(n)/
verb
    1. 1. bezitten
    2. 1. voor voltooide tijd
    mieć
  1. 2. moeten
    musieć
pronoun
1. officiële taal van Israël, de heilige taal van de Joden en de taal van de Tenach
  1. hebrajski
  2. hebrajszczyzna
adjective
1. blijk gevend van hebzucht, hebberig
chciwy
noun
1.
hektometr
/ˈɦeː.də/
noun
1. werk, afval van vlas of hennep
pakuły
noun
1. leer dat genot het hoogste goed is
hedonizm
noun
  1. morszczuk europejski
  2. morszczuk zwyczajny
/he.ˈlal/, /ɦe.ˈlaɫ/
noun
[1] het gehele tijd-ruimtecontinuüm waarin wij bestaan, samen met alle materie en energie
wszechświat
noun
1. de christelijke aanduiding voor God
Pan
/ɦɪːr/
noun
1.
pan
noun
skrzyp polny
noun
1. iemand die de macht uitoefent
władca
noun
krzew
/ɦeːt/
adjective
1.
gorący
noun
1. een zangvogel ter grootte van een huismus met opvallend grijs op de kop
  1. pokrzywnica
  2. płochacz pokrzywnica
/ˈhɛɪ̯də/, /ˈhɛːdə/
noun
1. een met heidekruid begroeide vlakte
wrzosowisko
noun
1. mensen die geen jood of christen zijn
poganin
adjective
1. van de heidenen
pogański
noun
1. bepaald soort grote schol, reus onder de platvissen en consumptievis, Hippoglossus hippoglossus
  1. halibut
  2. kulbak
/ɦɛj.ləɣ/
adjective
1. door wijding aan het goddelijke bijzonder gemaakt
święty
noun
1. plaats of gebouw gewijd aan een god of godin
  1. sanktuarium
  2. świątynia
noun
1.
Duch Święty
noun
1.
ibis czczony
noun
1. de pauselijke regering
  1. Stolica Apostolska
  2. Stolica Święta
noun
vergrijp aan iets heiligs
świętokradztwo
/'hɛɪmʋe/
noun
1. sterk verlangen naar een plek die als thuis ervaren wordt
tęsknota
/ɦɛks/
noun
1. een over het algemeen vrouwelijk persoon aan wie bovennatuurlijke krachten worden toegeschreven
  1. czarownica
  2. wiedźma
/ˈhɛksə(n)ˌjɑxt/
noun
1. het jagen op vermeende heksen
polowanie na czarownice
/'ɦɛl/
noun
1. een plek waar de ziel van daartoe veroordeelde overledenen naar toe gaan
piekło
adverb
1. jammer genoeg, spijtig genoeg
niestety
/ɦɛlt/
noun
  1. bohater
  2. heros
noun
1.
cała nuta
/'ɦelə(n)/
verb
1. gezond worden
leczyć
/ɦɛlft/
noun
  1. połowa
  2. połówka
/ɦelɪˈkɔptər/
abbreviation
1. luchtvaartuig dat d.m.v. een hefschroef verticaal kan opstijgen en landen
  1. helikopter
  2. śmigłowiec
/ˈhe.lɪŋ/
noun
2. het verkopen van gestolen goederen zonder dat de verkoper ze zelf gestolen heeft
paserstwo
adjective
heliocentryczny
noun
1. een chemisch element en een inert edelgas
hel
noun
1. lang middeleeuws wapen
halabarda
noun
1. een glooiing in het landschap
  1. stok
  2. zbocze
/ɦɛlm/
noun
1. beschermend hoofddeksel
  1. hełm
  2. kask
/ˈɦɛlpə(n)/
verb
1. iemand bijstaan
  1. pomagać
  2. pomóc
/ɦɛm/
personalPronoun
  1. 1.
    1. jego
    2. go
  2. 2.
    1. jemu
    2. mu
/ˈɦeːməl/
noun
  1. 1. lucht, onmetelijke ruimte die overal op aarde bovenaan zichtbaar is
    1. niebo
    2. niebiosa
  2. 2. het hiernamaals, leven na de dood
    1. niebo
    2. raj
noun
ciało niebieskie
pronoun
1. de herdenking dat Jezus Christus na zijn verrijzenis opgevaren is naar God Zijn Vader in de hemel
Wniebowstąpienie
noun
1. christelijke feestdag waarin gevierd wordt dat Jezus na de opstanding naar de Hemel ging
Wniebowstąpienie
noun
półkula
noun
1. bloederziekte
hemofilia
noun
1. knobbelachtige zwelling van aders in het onderste deel van de endeldarm en in de anus
żylaki
/ɦɛn/
noun
1. vrouwtje van hoenderachtige vogels
kura
/ɦɛŋst/
noun
1. mannelijk paard
ogier
/ˈɦɛ.nəp/
noun
  1. konopie
  2. konopie siewne
noun
zaraza gałęzista
adjective
1. met betrekking tot de lever
wątrobowy
noun
1. leverontsteking
zapalenie wątroby
noun
1. C₇H16
heptan
/herɑl'dik/
noun
1. de wetenschap die zich bezighoudt met de wapenkunde
heraldyka
noun
1. eet- en overnachtingsgelegenheid die kleiner, goedkoper en eenvoudiger is dan een hotel
  1. karczma
  2. zajazd
pronoun
  1. 1. Romeinse halfgod
  2. 2. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Herkules
noun
wspomnienie
/'ɦɛrdər/
noun
1. begeleider en bewaker van een kudde
pasterz
noun
1. hond die een kudde bewaakt
owczarek
noun
1. een geestelijke die in afzondering leeft
pustelnik
noun
1. derde jaargetijde
jesień
noun
1. bepaald soort plant, Colchicum autumnale
zimowit jesienny
verb
  1. 1. iets opnieuw zeggen
  2. 1. iets opnieuw doen
powtarzać
noun
1. het nogmaals plaatsvinden
powtórzenie
noun
1. lastige en hinderlijke veldmosterd die meestal op en rond akkers groeit
gorczyca polna
/ɦɛr.'ɪ.nə.rə(n)/
verb
1. opnieuw in gedachte brengen
przypominać
noun
1. een herbivoor die zijn voedsel herkauwt
  1. przeżuwacz
  2. zwierzę przeżuwające
noun
1. bepaald klein wezelachtig zoogdier, Mustela erminea
gronostaj
noun
een verdovend middel
heroina
noun
śmierć mózgu
noun
1. brein
mózg
noun
1. schade aan de hersenen door uitwendig geweld
wstrząs mózgu
noun
indoctrinatietechniek
pranie mózgu
noun
1. benaming voor herkauwende zoogdieren uit de familie Cervidae
jeleń
noun
1. een landsheer, oorspronkelijk van een hoger hiërarchisch niveau dan de markies
książę
noun
1. het gebied dat onder leiding staat of stond van een hertog
księstwo
noun
1. adellijke titel, vrouw van een hertog
księżna
noun
1. de eenheid voor frequentie van trillingen
herc
noun
1. de verkiezing van een persoon in een functie die hij al eerder heeft bekleed
reelekcja
pronoun
Hesja
/(ɦ)ət/, /hɛt/
personalPronoun
1. 3e persoon enkelvoud onzijdig
  1. ono
  2. to
verb
wylewać dziecko z kąpielą
/'he.tə(n)/, /'ɦe.tə(n)/
verb
1. de naam dragen
nazywać
adjective
heterogenny
adjective
1. gericht op het andere geslacht of betrekking hebbend op liefde voor mensen met een ander geslacht
heteroseksualny
/ˈhetroziˌgot/
adjective
1. in het bezit zijnde van twee allelen van een gen bij een (diploïd) organisme
heterozygoty
pronoun
1. een dode taal die in het huidige Turkije werd gesproken
hetycki
noun
deel van beide zijkanten van het menselijk lichaam ter hoogte van het heupgewricht, waar het been met de romp verbonden is
biodro
noun
een kleine platte fles
piersiówka
/ˈhøvəɫ/
noun
1. verhoging in het landschap die wat lager is dan een berg
  1. wzgórze
  2. pagórek
noun
1. C₆H14
heksan
adjective
1. als hoofdas van de rotatiesymmetrie een zestallige as bezittend
sześciokątny
noun
1. een enigszins uitstekend deel achteraan de voet
pięta
/ɦiːr/
adverb
1. op deze plaats
  1. tu
  2. tutaj
noun
1. leven na de dood
życie pozagrobowe
/hɛɪ̯/, /ɦɛɪ̯/, /ɦɛː/
personalPronoun
1. Nominatief mannelijk derde persoon enkelvoud
on
verb
1. zwaar ademhalen ten gevolge van een lichamelijke inspanning
dyszeć
noun
1. een constructie om zware lasten op te tillen
żuraw
noun
1. een periodiek optredende, spontane, onwillekeurige samentrekking van het middenrif tijdens inademing...
czkawka
pronoun
1. + 2. stad en district
Hildesheim
/ˈhɪndə/
noun
1. een vrouwelijk hert
  1. sarna
  2. łania
pronoun
1 taal die vooral gesproken wordt in de noordelijke staten van India
  1. hindi
  2. hinduski
noun
2. kinderspel, waarbij men zich deels op één been verplaatst
klasy
verb
utykać
verb
1. het geluid van een paard voortbrengen
rżeć
noun
ruch hippisowski
noun
1. ovale paardenrenbaan
hipodrom
pronoun
Haiti
noun
histogram
adjective
1. met betrekking tot de weefselleer
histologiczny
noun
historyk
adjective
historyczny
adjective
1.
hitlerowski
/ˈhɪtə/
noun
  1. gorąco
  2. upał
noun
upał
noun
1. menselijk immuundeficiëntievirus
HIV
noun
1. rangorde
hierarchia
adjective
1. van of volgens de opeenvolging van rangen
hierarchiczny
/hɔbi/
noun
1. een liefhebberij of bezigheid ter ontspanning voor in de vrije tijd
hobby
noun
1. orkestinstrument, behoort tot de houtblazers, het wordt met een dubbelriet aangeblazen
obój
noun
1. balspel waarbij twee elftallen de bal met een hockeystick in elkaars doel proberen te slaan
hokej
pronoun
1. stad in Israël
Hod ha-Szaron
/ɦu/
adverb
1. op welke wijze
jak
phraseologicalUnit
Jak się nazywasz?
/hud/, /ɦut/
noun
  1. 1. een hoofddeksel
  2. 2. deel van een zwam
kapelusz
noun
  1. een functie die men vervult
    charakter
  2. een gesteldheid
    stan
/ɦuf/
noun
1. hoornachtig omhulsel aan de teentop
kopyto
noun
ochwat
noun
1. hoefdragend zoogdier
  1. kopytne
  2. kopytny
noun
podkowa
noun
kowal
/ɦuk/
noun
1. een punt waar twee benen of halve rechten samenkomen
  1. kąt
  2. róg
/ˈhuk.steːn/
noun
  1. 1. een steen die gebruikt wordt om de hoekpunten van bouwwerken te verstevigen
  2. 2.
kamień węgielny
/ɦur/
noun
1. vrouw die tegen betaling seksuele diensten verricht
kurwa
noun
skurwysyn
noun
1. reflexmatige explosieve uitademing
kaszel
verb
1. reflexmatige explosief uitademen bij prikkeling van de luchtwegen
kaszleć
interrogativeCardinalNumeral
1. welk aantal?
ile
/huˈvɪ:ɫhɛɪt/
noun
1. de kwantiteit waarin iets aanwezig is
  1. ilość
  2. liczba
  3. kwota
conjunction
1. drukt een tegenstelling uit
chociaż
pronoun
Trybunał Sprawiedliwości Unii Europejskiej
noun
polymerisatieproduct van etheen
polietylen wysokiej gęstości
noun
1. een gebied waar relatief een hogere druk heerst dan elders, term uit de meteorologie
  1. antycyklon
  2. wyż
noun
szybkowar
noun
1. bepaald soort vis, Macruronus novaezelandiae
miruna
noun
  1. 1. grot, spelonk
    jaskinia
  2. 2. ondergrondse woning of schuilplaats van een dier
    pieczara
noun
1. Ursus spelaeus, een grote berensoort, kwam in Europa voor in het Pleistoceen
niedźwiedź jaskiniowy
noun
1. bepaald soort vogel, Columba oenas
  1. siniak (ptak)
  2. siniak
/ˈɦɔlɑnt/
pronoun
  1. 1. een gedeelte van het westen van Nederland dat de provincies Noord-
    Holandia
  2. 2. heel Nederland
    1. Holandia
    2. Niderlandy
noun
1. scheikundig element met symbool Ho en atoomnummer 67
holm
/ˈholokaust/
pronoun
Holocaust
/ˈholokaust/
noun
1. massale vernietiging van mensen of dieren
całopalenie
noun
1. een term die het geheel van iets weergeeft, terwijl in werkelijkheid slechts een deel wordt bedoeld
holonim
noun
homeopatia
adjective
1.volgens de homeopathie
homeopatyczny
noun
1. zelfregulering, chemisch en fysiologisch evenwicht
homeostaza
/ˈhɔməɫ/
noun
1. insect uit het geslacht Bombus dat in de taxonomie wordt beschouwd als een grote harige bij
  1. trzmiel
  2. bąk
noun
homofobia
noun
1. gelijkklinkend woord
homofon
noun
1. op dezelfde manier gespeld woord
homograf
noun
1. een woord dat hetzelfde wordt uitgesproken als een ander woord maar in betekenis verschilt
homonim
noun
homoseksualizm
adjective
1. betrekking hebbend op de liefde voor geslachtsgenoten
homoseksualny
/ˈhɔnd/, /ˈɦɔnt/
noun
1. Canis lupus familiaris, een zoogdier dat tot huisdier getemd is
  1. pies
  2. suka
/ˈhɔn.də.ˌʋer/
noun
psia pogoda
/ˈɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 100
sto
cardinalNumeral
1. het getal 100.000, een tiende deel van een miljoen
sto tysięcy
noun
wścieklizna
noun
róża dzika
/hɔn.ˈdyː.rɑs/, /ɦɔn.ˈduː.rɑs/
pronoun
1. een land in Centraal Amerika, officieel de Republiek Honduras
Honduras
/hɔŋ(g).ˈɣar/, /ɦɔŋ.ˈɣar/, /ɦɔŋ.ˈχar/
noun
1. iemand afkomstig uit Hongarije
Węgier
/hɔŋ(g).ˈɣaːrs/, /ɦɔŋ.ˈɣars/, /ɦɔŋ.ˈχars/
adjective
1. betreffende Hongarije of het Hongaars
węgierski
/hɔŋ(g).ˈɣaːrs/, /ɦɔŋ.ˈɣars/, /ɦɔŋ.ˈχars/
pronoun
1. een Finoegrische taal die voornamelijk wordt gesproken in Hongarije
  1. węgierski
  2. język węgierski
/hɔŋ(g).ˈɣar.sə/, /ɦɔŋ.ˈɣar.sə/, /ɦɔŋ.ˈχar.sə/
noun
Węgierka
/ˌhɔŋ(g)ɣaˈrɛɪ̯.jə/, /ˌɦɔŋɣaˈrɛː.jə/, /ˌɦɔɴχaˈrɛɪ̯.jə/
pronoun
1. land in het midden van Europa
Węgry
/ˈɦɔŋər/
noun
1. behoefte aan voedsel
głód
noun
1. een wijdverspreide honger als gevolg van voedselschaarste
  1. głód
  2. klęska głodu
noun
1. het weigeren van voedsel uit protest
  1. strajk głodowy
  2. głodówka
noun
1. een zoete stof die door bijen en enkele andere insecten uit bloemennectar wordt gewonnen
miód
noun
1. bepaald soort zoogdier, Mellivora capensis
miodożer
noun
plaster
noun
1. balsport waarbij de bal met een knuppel geslagen wordt en de spelers langs een drietal honken trachten rond te lopen tot zij weer de thuisplaat bereiken
baseball
/ɦoːft/
noun
1. een belangrijk lichaamsdeel, helemaal bovenaan het lichaam, waarin zich de hersenen...
głowa
noun
1. een scheikundig element uit de reeks hoofdgroepmetalen van het periodiek systeem
głównej
noun
1. een letter die een groter formaat en meestal ook een andere vorm heeft dan een kleine letter
duża litera
noun
1. klein, vleugelloos en bloedzuigend insect dat parasiterend leeft in het hoofdhaar
wesz
noun
1. pijn in het hoofd
ból głowy
/'ɦof(t).stɑt/
noun
1. een belangrijke stad waarvandaan het land, de staat, deelstaat of provincie wordt bestuurd
stolica
noun
1. het tuig dat een paard om het hoofd gedaan wordt om het dier berijdbaar te maken
uzda
noun
bepaalde opdeling van tekst of beeld in een boek
rozdział
noun
1. een telwoord dat een hoeveelheid of aantal aanduidt
liczebnik główny
/ɦoʊ̯χ/ /'ɦoʊ̯χə/ /ˈɦoʊ̯χst/, /ɦoːx/ /'ɦoːɣə/ /ˈɦoːxst/
adjective
1, 2, 3, 4
wysoki
pronoun
1. boek in de Bijbel met liefdespoëzie
  1. Pieśń nad pieśniami
  2. Pieśni nad Pieśniami
noun
1. smeltoven
wielki piec
pronoun
1. een Slavische taal die gesproken wordt in Polen (Opper-Silezië), Tsjechië en Duitsland
śląski
noun
1. atletiekdiscipline waarbij het de bedoeling is over een tussen twee staanders bevestigde lat of touw te springen
skok wzwyż
noun
  1. 2. niveau
    wysokość
  2. 1. een verheffing van de aardkorst
    wysokość nad poziomem morza
/ˈɦoxtəvres/, /ˈɦoçtəvres/
noun
1. angst voor hoogten
akrofobia
noun
1. gedroogd gras
siano
/ˈɦojbɛrx/
noun
1. een ter bewaring opgestapelde hoeveelheid gedroogd gras
stóg
/ɦoːp/
noun
3. verwachting van iets wenselijks
nadzieja
/hoːrnar/, /ho̝ːrnar/
noun
1. Vespa crabro, een soort grote wesp
szerszeń
noun
  1. 1. bepaald soort vogel, Upupa epops
    dudek
  2. 1. bepaalde plant die onder andere wordt gebruikt bij de bereiding van bier
    chmiel
/ˈɦoːpə(n)/
verb
1. wensen, graag zien dat er iets wel of niet voorvalt
  1. mieć
  2. nadzieję
  3. mieć nadzieję
/hɔː.rən/
verb
1. waarnemen met het oor zonder er noodzakelijkerwijs aandacht aan te besteden
  1. słyszeć
  2. słuchać
noun
horyzont
noun
horyzont
adjective
1. in de richting die haaks staat op die van de zwaartekracht van de aarde
horyzontalny
noun
1. een draagbaar voorwerp waarop de tijd kan worden afgelezen
zegarek
noun
1. een stof die door een endocriene klier wordt afgescheiden ...
hormon
noun
horoskop
/ˈɦɔrzəɫ/
noun
1. parasitaire vliegsoort
giez
pronoun
Ozeasz
noun
1. offerbrood
hostia
/hoˈtɛl/, /ɦoˈtɛɫ/
noun
1. gebouw waar men tegen betaling kan eten en overnachten,...
hotel
noun
1. het onder zich hebben van andermans goed
dzierżenie
noun
1. een pose
postawa
/ɦɑʊ̯t/, /[ɦʌ̞̈ʊt]/
noun
1. het materiaal in het binnenste van houtige planten
  1. drewno
  2. drzewo
/ɦɑʊ̯tbɛi̯/
noun
1. enige bij onder de geslachtengroep Xylocopini
zadrzechnia
noun
1. houtblaasinstrument
instrument dęty drewniany
noun
1. bepaalde soort wilde duif, Columba palumbus
  1. Gołąb grzywacz
  2. grzywacz
noun
1. iemand die beroepsmatig houthakt
drwal
noun
q. bepaald soort zoutwatervis, Coregonus oxyrinchus
sieja
noun
1. verkoold hout
węgiel drzewny
noun
1. een vogel uit de familie van snipachtigen, Scolopacidae
słonka
noun
1. benaming voor verschillende in hout levende insectenlarven
kornik
/hovəlɪŋ/
noun
1. een onderdaan die tot het dagelijkse gezelschap van een vorst behoort
dworzanin
noun
ogrodnik
pronoun
1. bepaalde telescoop die als een kunstmaan rond de aarde draait
kosmiczny telescop Hubble'a
/hœːd/, /ɦœʏ̯t/, /ɦœːt/
noun
1. vel, de buitenste laag weefsel die het lichaam bedekt
skóra
noun
dermatolog
/hœːx/, /ɦœʏ̯χ/, /ɦœːx/
noun
1. een lapje afhangend weefsel aan het uiteinde van het zachte verhemelte, waarmee onder andere het neuskanaal afgesloten kan worden
języczek
/ɦœy̯lə(n)/
verb
1. traanvocht uitscheiden door emotie
płakać
/hœːs/, /ɦœʏ̯s/, /ɦœːs/
noun
1. gebouw bestemd om in te wonen
dom
/ˈɦœyzdiːr/
noun
1. een dier dat in het huis of om het huis woont en leeft
zwierzę domowe
noun
1. bepaald soort knaagdier dat vaak in en rond gebouwen voorkomt, Mus domesticus
mysz domowa
noun
1. kleine zangvogel die liefst in de buurt van de mensen leeft
  1. wróbel zwyczajny
  2. wróbel
noun
numer domu
noun
1. iemand die beroepsmatig schilderwerken aan en in gebouwen uitvoerd
malarz
noun
1. een vrouw die thuisblijft om het huishouden te doen
gospodyni domowa
noun
1. schoolwerk dat thuis verricht moet worden
praca domowa
noun
1. een machtiging, uitgegeven door justitie, voor het binnentreden van de woning
nakaz przeszukania
noun
1. Delichon urbica, een zwaluw die zijn nest tegen de huizen aanbouwt
jaskółka oknówka
/ɦʏlp/
noun
1. handeling om iemand steun of bijstand te verlenen
pomoc
noun
1. een werkwoord dat samen met een ander werkwoord de tijd of de hoedanigheid van het werkwoord vaststelt
czasownik posiłkowy
noun
1. bepaald soort groenblijvende boom of heester met stekelige leerachtige bladeren en rode bessen, Ilex aquifolium
ostrokrzew
noun
1.aanhanger van het humanisme
humanista
adjective
humanistyczny
adjective
humanitarny
noun
1. puree van o.m. gekookte kikkererwten
hummus
noun
humor
/ˈɦynəbɛt/
noun
1. neolithische begraafplaats
dolmen
/ɦyrə(n)/
verb
1. tegen betaling gebruiken
wynajmować
pronoun
1.
Hurghada
verb
1. op de onderbenen gaan zitten
kucać
/ɦʏt/
noun
1. een primitieve woning
  1. chata
  2. szałas
/ɦiu̯ələk/
noun
1. ambtelijke of kerkelijke verbintenis tussen twee personen
  1. małżeństwo
  2. ślub
noun
1. akte van de burgerlijke stand waarin staat dat twee mensen met elkaar getrouwd zijn
akt małżeństwa
noun
1. notarieel contract waarin de vermogenspositie van beide huwelijkspartners wordt geregeld
intercyza
/ˈɦiu̯ələksˌrɛɪ̯s/
noun
1. de reis die een pasgetrouwd stel gewoonlijk onmiddellijk na hun trouwen onderneemt
podróż poślubna
noun
1. notarieel contract waarin de vermogenspositie van beide huwelijkspartners wordt geregeld
intercyza
/hʊ.ˈzaːʁ/
noun
1. een ruiterijsoldaat.
  1. husar
  2. husarz
noun
3. bolgewas
hiacynt
adjective
hydrauliczny
noun
hydrografia
noun
hydrologia
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de onderfamilie Hyaeninae
hiena
noun
higiena
adjective
1. schoon, gezond
higieniczny
noun
1.een instrument om vochtigheid van de lucht te meten
wilgotnościomierz
noun
hiperbola
noun
hiperpoprawność
noun
1. een woord dat een verzameling van verwante specifiekere woorden samenvoegt, een overkoepelende term
hiperonim
noun
1. verhoogde bloeddruk
nadciśnienie
noun
hipertermia
noun
1. bovenmatige groei
hipertrofia
noun
hiperurykemia
noun
hipocentrum
/ˌhipoˈfizə/
noun
1. een klier aan de onderzijde van de hersenen, die o.a. groeihormoon produceert en de schildklier aanstuurt
przysadka mózgowa
noun
1. bezitloos bezwaren van een onroerend goed als onderpand
hipoteka
noun
1. onderkoeling
hipotermia
noun
hipoteza
adjective
op een vooronderstelling berustend
hipotetyczny
adjective
histeryczny
noun
bepaalde suiker die veel in zoete vruchten voorkomt
cottage cheese
pronoun
1. een Europees schiereiland dat zich ten zuiden van de Pyreneeën bevindt...
Półwysep Iberyjski
noun
1. een vogel met een lange gebogen snavel behorend tot de familie Threskiornithidae
ibis
noun
ikonografia
noun
  1. 1. heiligenafbeelding, zoals vereerd in de kerken van het oosten
  2. 2.
ikona
verb
1. iets gunstiger of zelfs als ideaal beoordelen
  1. idealizować
  2. wyidealizować
/iˈde/
noun
1. gedachte, plan
  1. idea
  2. pomysł
noun
identyfikacja
noun
1. geheel van eigenschappen dat je onderscheidt van anderen en bepaalt wie je bent
tożsamość
/ˌideo'ɣrɑm/
noun
1. een grafisch teken dat een voorwerp symboliseert
ideogram
/ˌideoloˈɣi/
noun
1. het geheel van ideeën dat ten grondslag ligt aan een wijsgerig stelsel, m.b.t. hun maatschappelijke of politieke strekking
ideologia
noun
1. iemand die een ideologie opstelt
ideolog
adjective
1. het idioom betreffend
idiomatyczny
noun
1. een bijzondere uitdrukking in een bepaalde taal die samengesteld is door eigenaardig taalgebruik
idiom
/idi'ot/
noun
1. iemand die een grote maat van zwakzinnigheid heeft
idiota
adjective
1. van onbekende oorzaak
idiopatyczny
pronoun
ido
personalPronoun
1. clitische vorm van de 3e persoon enkelvoud mannelijk nominatief
on
/i.də.ˈreːn/
indefinitePronoun
1. elke persoon
każdy
indefinitePronoun
ktoś
/iːr/
noun
1. inwoner van Ierland, of iemand afkomstig uit Ierland
Irlandczyk
/ˈiːrlɑnd/, /ˈiːrlɑnt/
pronoun
1. een groot eiland in Noordwest-Europa
Irlandia
/iːrs/
pronoun
1. een Keltische taal die wordt gesproken in Ierland
  1. irlandzki
  2. język irlandzki
indefinitePronoun
1. een of ander ding
coś
adverb
gdzieś
/ˈiɣlo/
noun
1. sneeuwhut
  1. igloo
  2. iglu
noun
1. het zich toeleggen op betekenisloze uiterlijkheden
próżność
/ɛɪ̯s/, /ɛːs/
noun
  1. 1. de vaste vorm van water, bevroren water
  2. 2. een lekkernij die in bevroren toestand wordt gegeten
lód
noun
3. kunstijsbaan
lodowisko
noun
1. bepaald soort zoogdier, Ursus maritimus
  1. niedźwiedź polarny
  2. niedźwiedź biały
noun
1. een zeer groot brok ijs dat in de zee drijft
góra lodowa
noun
1. en 2 (bladeren van) Lactuca sativa var. capitata
sałata lodowa
noun
1. een sterk, krachtig schip dat speciaal gebouwd en uitgerust wordt om zich een weg door het ijs te banen en alzo een vaargeul voor andere schepen te openen.
lodołamacz
verb
1. een discipline van het kunstschaatsen
pary taneczne
noun
1. bepaald soort vogel Gavia immer
nur lodowiec
noun
1. ijssport waarbij twee teams van ieder vijf personen plus goalie met behulp van een stick een schijfje (puck) in het doel van de tegenstander proberen te schieten
hokej na lodzie
/ˈɛɪʃə/
noun
1. portie van een uit roomijs of waterijs vervaardigde lekkernij
lody
/ˈɛɪ̯slɑnd/, /ˈɛɪ̯slɑnt/, /ˈɛːslɑnt/
pronoun
1.een Europees land, dat omgeven is door de Atlantische Oceaan en tussen Groenland en Europa in ligt. Tot 1944 behoorde IJsland bij Denemarken, maar tegenwoordig is het zelfstandig. De officiële naam is Lýðveldið Ísland.
Islandia
/ˈɛɪ̯sˌlɑndər/, /ˈɛːsˌlɑndər/
noun
1. inwoner van IJsland
Islandczyk
/ˈɛɪ̯slɑnds/, /ˈɛɪ̯slɑnts/, /ˈɛːslɑnts/
pronoun
1. een Germaanse taal die wordt gesproken op IJsland
islandzki
/ˈɛɪ̯sfoχɔɫ/, /ˈɛɪ̯zvoːɣəl/, /ˈɛːsfoːɣəl/
noun
1. bepaald soort blauwgroen vogeltje met oranje borst en spitse snavel, Alcedo atthis
zimorodek
/ˈɛi̯zər/
noun
1. een scheikundig element met het symbool Fe en het atoomnummer 26
żelazo
noun
ruda żelaza
noun
werbena pospolita
noun
1. een verbinding van ijzer en zuurstof, waarin zuurstof de oxidatietoestand -2 bezit
tlenek żelaza
noun
epoka żelaza
personalPronoun
1.
ja
phraseologicalUnit
1. een verklaring van liefde aan iemand
kocham cię
/ˌimiˈtasi/, /ˌimiˈtatsi/
noun
1. nabootsing
imitacja
/ˌimiˈterən/
verb
1. doen wat iemand anders doet
imitować
noun
1. iemand die bijen houdt voor het verkrijgen van honing
pszczelarz
noun
2. het houden van bijen
pszczelarstwo
/ˈɪmiɣrɑnt/
noun
imigrant
noun
1. het zich metterwoon vestigen van vreemdelingen in een land
imigracja
noun
1. onvatbaarheid voor een ziekte
odporność
noun
impala
noun
1. de tijdsafhankelijke mate waarin een materiaal het passeren van elektrische lading bemoeilijkt
impedancja
noun
1. de vorm waarin een werkwoord gebruikt wordt als iets zeker gedaan moet worden
tryb rozkazujący
noun
1. zeer snel ineenklappen van een holle ruimte
implozja
noun
impresjonizm
/ɪmˈpʏls/
noun
2. product van massa en snelheid
pęd
preposition
  1. 1.-12. in (ruimtelijk)
    w
  2. 2. in (tijdelijk)
    1. w
    2. do
phraseologicalUnit
1. in een omgeving waar weinig gepresteerd wordt...
w kraju ślepców jednooki jest królem
preposition
1. als vervanger van, als vervanging voor
zamiast
verb
1. lucht uit de omgeving opnemen
  1. wdychać
  2. zrobić wdech
/ˌɪnʌʊɣyˈratsi/
noun
1. de feestelijke of plechtige inwijding in een ambt
inauguracja
noun
1. iemand die inbreekt
włamywacz
noun
kazirodztwo
preposition
1. met inbegrip van
w tym
/ˌiŋkɔmpəˈtɛn(t)si/
noun
  1. inkompetencja
  2. niekompetencja
/ˌɪŋkʏltyˈrasi/, /ˌɪŋkʏltyˈraʦi/
noun
1. het proces waarbij elementen uit een bepaalde religie of cultuur geïntegreerd worden in een andere cultuur.
inkulturacja
/ˈɪn.di.ja/
pronoun
1. soeverein land in het zuiden van Azië
Indie
noun
1. inwoner van Amerika voor de komst van de Europeanen
indianin
noun
1. de vorm van het werkwoord die de werkelijkheid aangeeft
tryb oznajmujący
noun
wskaźnik
verb
1. een document zoals een aanvraag of protest, afgeven aan een instantie
  1. składać
  2. złożyć
/ɪn.ˈdi.ɣo/, /ɪn.ˈdi.χo/
noun
1. een kleur die in het het lichtspectrum voorkomt met een golflengte van 440 tot 420 nanometer
indygo
/ˌɪndisəˌosiˈan/, /ˌɪndisˌə̯osejˈaːn/
pronoun
1. de oceaan die tussen Oost-Afrika en Zuid-Azië ligt
Ocean Indyjski
noun
1. een scheikundig element en zilvergrijs overgangsmetaal met het symbool In en het atoomnummer 49
ind
adjective
1. afzonderlijk, op zichzelf
indywidualny
verb
1. dwingen om bepaalde opvattingen te aanvaarden
indoktrynować
/ɪndo'nezis/
pronoun
1. een taal die voornamelijk in Indonesië gesproken wordt
indonezyjski
/ˌɪn.do.ˈne.zi.jə/
pronoun
1. een land dat bestaat uit een groot eilandengebied tussen Zuidoost-Azië en Australië
Indonezja
/ˈɪndrʌk/
verb
wrażenie
noun
indukcyjność
verb
1. het veranderen van de economie door het vergroten van de nijverheid
uprzemysławiać
noun
1. Nijverheid
przemysł
noun
1. traagheid
bezwład
noun
1. een besmetting van lichaamsweefsel met ziekteverwekkers als bacteriën, virussen, schimmels of...
  1. infekcja
  2. zakażenie
verb
infiltrować
/ɪɱfinitif/
noun
1. het hele werkwoord
bezokolicznik
noun
1. stijging van het prijspeil waardoor het geld in waarde daalt
inflacja
noun
1. de leer van de mechanische verzameling en verwerking van informatie
informatyka
noun
1. beoefenaar van de informatica
informatyk
noun
1.
informacja
noun
1.
sistema de informação
adjective
  1. podczerwony
  2. podczerwień
/ˈɪɱfrastrʏktyr/
noun
1. het totaal van onroerende voorzieningen zoals (spoor)wegen, vliegvelden,...
infrastruktura
noun
2. een opening waar iets doorheen kan
wejście
/ˌɪŋʒeˈɲør/
noun
1. iemand die is opgeleid in het hoger onderwijs om allerhande technische problemen op te lossen
inżynier
pronoun
1.
Ingolstadt
noun
składnik
/'ɪnɦɑm/
noun
zatoczka
/ˈɪnhɑut/
noun
  1. 2. ruimtelijke capaciteit
    objętość
    1. 1. datgene wat bevat is in een ander lichaam
    2. 3. alles wat in een geschrift of ander medium staat
    zawartość
noun
1. overzicht van de onderwerpen of hoofdstukken in een boek
spis treści
noun
1. feestelijke gelegenheid waarbij iemand wordt gehuldigd, zoals een koning/vorst door diens onderdanen, bij aanvaarding van diens ambt
inauguracja
/ˌiniˈtʃalwort/
noun
1. en 2.
  1. akronim
  2. skrótowiec
noun
inicjacja
noun
1. regelmatig verkregen som geld
dochód
noun
1. een gekleurde vloeistof waarmee geschreven wordt
  1. atrament
  2. tusz
/ˈɪŋtpot/
noun
1. een meestal glazen of plastic vaatje waar inkt in bewaard wordt
kałamarz
/ˈɪnlɛɪdɪŋ/, /ˈɪnlɛːdɪŋ/
noun
1. een tekst waarmee men een indruk probeert te geven van de inhoud van een langere tekst
wprowadzenie
verb
1. iets nieuws bedenken of maken
unowocześnić
/ˈɪmpɑkə(n)/
verb
2. in een omhulsel doen
pakować
noun
1. functionaris van de kerkelijke rechtbank die ketters moet opsporen en bestraffen
inkwizytor
noun
1. een rechtbank van de Rooms-Katholieke Kerk, die was belast met de opsporing, het onderzoek en het opleggen van straffen van ketters
inkwizycja
noun
1. een weg die van de straat naar een gebouw e.d. voert
wjazd
noun
1. geleedpotige met drie paar poten en geen, één of twee paar vleugels
owad
noun
insynuacja
noun
1. horizontale draden die tijdens het weven tussen de opgespannen draden van de schering worden ingebracht
wątek
verb
  1. 2. zich ~: moeite doen
    wysiliać się
  2. 1. het voor een voertuig of ploeg vastmaken van een lastdier
    zaprząc konia
noun
1. de fysieke moeite die men voor iets doet
wysiłek
/ɪnspi'rasi/
noun
1. een gevoel over hoe men een klus kan aanpakken
inspiracja
noun
8. een kunstvorm
instalacja
verb
  1. 2. het invoeren en gebruiksklaar maker van een computerprogramma
  2. 3. het aanleggen van een installatie
  3. 1. de formele aanvang van een officiële functie
instalować
noun
  1. 2. organisatie, die vaak subsidie van de overheid krijgt en geen geld wil verdienen
  2. 1. keer dat je iets instelt, of wat ingesteld is
instytucja
noun
1. gedrag dat geheel genetisch bepaald is
instynkt
noun
  1. 2. verkort voor muziekinstrument
  2. 1. werktuig
instrument
adjective
instrumentalny
/ˌɪnzyˈlinə/
noun
1. een hormoon gemaakt in de bètacellen van de pancreas in de zogenaamde eilandjes van Langerhans, dat de lever aanzet bloedglucose op te nemen en op te slaan in de vorm van glycogeen
insulina
noun
1. een epileptische aanval, een toeval
napad
/ɪnˈtexə(n)del/
adverb
przeciwnie
adjective
integralny
/ɪntəɣriˈtɛit/
noun
1. onschendbaarheid, eerlijkheid, oprechtheid
prawość
/ɪntɛli'xɛnt/
adjective
1. met een goed verstand of daarvan blijk gevend
inteligentny
noun
een eigenschap van de werking van de hersenen
inteligencja
noun
1. onderlinge beïnvloeding
interakcja
adjective
1. wekt interesse
  1. interesujący
  2. ciekawy
noun
  1. 1. belang
  2. 2. belangstelling
  3. 3. iets waar belangstelling voor is
zainteresowanie
verb
1. nieuwsgierig maken
interesować
noun
interfejs
noun
3. gezamelijke werking van golven
interferencja
noun
1. regelafstand
interlinia
/ɪntərnɑ(t)ʃo'nal/
adjective
1. meer dan één land
międzynarodowy
pronoun
Międzynarodowy Fundusz Walutowy
pronoun
Międzynarodowe Biuro Miar i Wag
verb
1. een verplichte verblijfplaats aanwijzen
internować
noun
1. een wereldwijd netwerk van computers
  1. internet
  2. Internet
noun
1.
kafejka internetowa
noun
1. uitlegging, vertaling
interpretacja
noun
  1. 1. tussenperiode
  2. 3. de afstand tussen twee verschillende tonen
interwał
verb
1. via het toetsenbord invoeren van data in een computersysteem
  1. wystukać
  2. wystukiwać
noun
1. onverdraagzaamheid
nietolerancja
noun
  1. 2.
  2. 3.
intryga
noun
1.
introit
noun
  1. inwersja
  2. odwrócenie
verb
inwestować
noun
1. een opoffering in tijd, geld of mankracht ten behoeve van een doel dat pas op lange termijn wordt behaald
inwestycja
/ˈɪnvluːt/
noun
  1. 1. inwerking van een persoon, zaak of omstandigheid op een andere
  2. 2. het vermogen om op anderen in te werken
wpływ
adjective
wpływowy
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Io
/jɔn/
noun
jon
pronoun
1. randzee van de Middellandse Zee, gelegen tussen Zuid-Italië en West-Griekenland
Morze Jońskie
noun
jonosfera
/i'peʔadrɛs/
noun
1. een combinatie van getallen waarmee een computer in een IP-netwerk kan worden herkend
adres IP
pronoun
1.
irański
/i.ˈrɑk/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten dat voor een groot deel in en rond het stroomgebied van de rivieren de Eufraat en de Tigris ligt
Irak
/i.ˈrɑn/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten met als hoofdstad Teheran
Iran
noun
Iranka
noun
1. een scheikundig element met symbool Ir
iryd
/ɪroˈniː/
noun
1. vorm van spot
ironia
adjective
1.
ironiczny
noun
1. een zenuwontsteking bij de heup
rwa kulszowa
noun
1. godsdienst die na alle profeten uit het jodendom en Christus, Mohammed ...
islam
pronoun
Islamabad
noun
1. ruimtelijke afzondering
izolacja
verb
  1. 1. persoonlijk
  2. 2. chemisch
  3. 3. elektrisch
  4. 4. warmte
izolować
noun
izotop
/ˈɪs.ra.hɛl/, /ˈɪs.ra.ɛɫ/
pronoun
1. land in het Midden-Oosten, gelegen aan de Middellandse Zee
Izrael
pronoun
1. Romaanse taal die gesproken wordt door ongeveer 1.000 mensen in Zuid-Europa
istrorumuński
/italiˈjaːn/
noun
1. een persoon die uit Italië komt
Włoch
/italiˈjaːns/
adjective
1. betreffende Italië of het Italiaans
włoski
/italiˈjaːns/
pronoun
1. een Romaanse taal die wordt gesproken in Italië, San Marino, Vaticaanstad, Slovenië en Zwitserland
  1. włoski
  2. język włoski
/iˈtaːli.jə/
pronoun
1. een land
  1. Włochy
  2. Italia
noun
kość słoniowa
/i.ˈvoːr.kʏs/, /i.ˈvoːr.kʏst/, /i.ˈvo̝ːr.kʏst/
pronoun
een land in West-Afrika, officieel de Republique de Côte d'Ivoir
Wybrzeże Kości Słoniowej
/jaː/
adverb
1. duidt bevestiging of instemming aan
  1. tak
  2. no
/jaː/
interjection
1. kreet van opwinding
tak
/ja:r/
noun
1. de duur van een omloop van de aarde om de zon van circa 365 dagen.
  1. rok
  2. lata
/ˈjar.ləks/, /ˈjar.lɪks/
adjective
1. eenmaal per jaar
coroczny
/jɑxt/
noun
  1. 3. een snel vaartuig
    jacht
  2. 1. het achtervolgen van wild
    1. polowanie
    2. myślistwo
noun
1. hond die speciaal gefokt wordt voor de jacht
  1. ogar
  2. gończy
noun
1. een hoorn als signaalinstrument op de jacht
trąbka myśliwska
noun
1. zeer snel, betrekkelijk groot Afrikaans katachtig roofdier, Acinonyx jubatus
gepard
/ˈjaːɣə(n)/
verb
1. bewegende wezens proberen te vangen
polować
noun
1. iemand die op jacht gaat
  1. myśliwy
  2. łowca
noun
łowca-zbieracz
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera onca
jaguar
noun
1. bepaald soort zoogdier, Herpailurus yaguaroundi
jaguarundi
noun
jak
noun
1. Canis aureus, hondachtig roofdier
szakal
pronoun
Jakub
noun
3. plant
wielosił błękitny
/jaˈkobʏs/
pronoun
List Jakuba
adjective
1. een negatief gevoel veroorzaakt doordat iemand iets heeft of kan krijgen wat je ook wilt hebben of reeds hebt
zazdrosny
/(d)ʒa.mɛɪ̯.ka/, /dʒɑ.mɑɪ̯.ka/
pronoun
1. een eiland in de Grote Antillen ten zuiden van Cuba en ten westen van het eiland Hispaniola
Jamajka
pronoun
1. (taal) een creooltaal
  1. jamajski
  2. język jamajski
noun
1. bepaalde zeevogel, Morus bassanus
głuptak
/jɑnyˈwaːri/
noun
1. de eerste maand van het jaar
styczeń
/jaˈpɑn/, /jɑˈpɑn/
pronoun
1. een land in het oosten van Azië
Japonia
noun
Japończyk
/jɑ'pɑns/
adjective
1. betreffende Japan of het Japans
  1. japoński
  2. japońska
  3. japońskie
/jɑ'pɑns/
pronoun
1. een taal die in Japan gesproken wordt
  1. język japoński
  2. japoński
noun
1.
  1. płaszcz
  2. kurtka
pronoun
1. een taal die door meer dan 75 miljoen mensen op Java en Bali gesproken wordt
jawajski
/'jɑʋɛl/
adverb
ja, antwoordend op een ontkennende vraag
owszem
/ˈjemən/, /ˈjeːmən/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel de Republiek Jemen
Jemen
pronoun
1. en 2.
Jena
noun
1. Juniperus communis
jałowiec
pronoun
Jeremiasz
pronoun
Jersey
pronoun
  1. Księga Izajasza
  2. Izajasz
/ˈjøːxt/
noun
1. het jong zijn
  1. młodzież
  2. młodość
verb
swędzieć
/ˈje.zʏs/
pronoun
1. centrale figuur in het Nieuwe Testament
Jezus
pronoun
1. Jezus van Nazareth
Jezus Chrystus
/je.zy.ˈit/
noun
1. een lid van de Sociëteit van Jezus
jezuita
noun
1. een pijnlijke ontsteking als gevolg van gekristalliseerd uraat in een gewricht
dna
pronoun
1. Germaanse taal die door de Joden in West-Europa gesproken werd
jidysz
noun
dżihad
/jEi/, /jɛɪ̯/, /jɛː/
personalPronoun
1. aangesproken persoon enkelvoud informeel
ty
/'jɔb/
pronoun
  1. Hiob
  2. Job
/ˈjodələ(n)/
verb
1. zingen met een snelle wisseling van borst- naar keelstem
jodłować
/joˈdɪn/
noun
żydówka
/joˈdin/
noun
1.
  1. żydówka
  2. Żydówka
noun
1. scheikundig element met symbool I en atoomnummer 53
jod
pronoun
Jugosławia
pronoun
2.1 een van de vier Evangeliën
  1. Jan
  2. Iwan
noun
szarańczyn strąkowy
noun
  1. 1. speelgoed
  2. 2. sufferd
jo-jo
verb
  1. dżoker
  2. joker
adjective
1. van geringe leeftijd
młody
noun
1. onvolwassen man
  1. chłopiec
  2. chłopak
/jɔŋˈle.rə(n)/
verb
żonglować
/jɔŋˈlør/
noun
  1. 2. rondreizend artiest
  2. 1. rondreizend kunstenaar
  3. 3. de artiest die zo veel mogelijk objecten weet op te gooien...
żongler
noun
1. schip
dżonka
/jot/
noun
  1. żyd
  2. żydówka
noun
  1. 1. aanhanger van het joodse geloof
    żyd
  2. 1. element jodium
    jod
adjective
1. te maken hebbend met het joodse geloof, het jodendom
żydowski
/jɔr.ˈda.ni.jə/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië
Jordania
noun
verslaggever, iemand die nieuwsfeiten publiceert
dziennikarz
/jɑu̯/
possessivePronoun
1.
twój
/joˈʔel/
pronoun
  1. Księga Joela
  2. Joel
noun
1. feestelijke herdenking van de dag waarop iets gebeurde of begon
jubileusz
pronoun
2. boek in de Bijbel
  1. List Judy
  2. Judasz
noun
1. vriendelijk gebaar van een iemand die veinst een vriend te zijn, kort voordat zijn ware bedoelingen duidelijk worden
judaszowy pocałunek
/'jy.do/
noun
1. een Japanse vechtsport
  1. judo
  2. dżudo
/jʏˈfrɑu/
noun
panna
noun
1. houten pasvorm die op de schouders gedragen wordt en twee te dragen gewichten verbindt
jarzmo
noun
1. een van de beenderen van de schedel
kość jarzmowa
/jyˈlɛi/
noun
1. de zevende maand van het jaar
lipiec
pronoun
Rewolucja lipcowa we Francji (1830)
/ˈjʏli/
personalPronoun
1.
wy
noun
1. de zesde maand van het jaar
czerwiec
/ˈjypiˌtɛr/
pronoun
  1. Jowisz
  2. Jupiter
adjective
1. betrekking hebbend op het recht en de rechtsleer
  1. prawny
  2. prawniczy
/jʌrək/
noun
1. een kledingstuk voor vrouwen dat van de schouders tot op de benen reikt
  1. sukienka
  2. suknia
adjective
de bastvezels
juta
noun
1. iemand die juwelen vervaardigt en erin handelt
jubiler
noun
1. krokodilachtige uit de onderfamilie Caimaninae van de familie alligators
kajman
noun
1. deel van schedel waarin tanden en kiezen zitten
  1. szczęka
  2. żuchwa
noun
1. een mogelijk dodelijke infectieziekte veroorzaakt door Colistridium tetani
tężec
adjective
1. zonder of met heel weinig hoofdhaar, veren, bladeren, begroeiing, enzovoort
łysy
noun
1. een in zee vooruitstekende landpunt
przylądek
pronoun
1. de naam van de zuidwestelijkste punt van Afrika
Arkona
pronoun
1. de naam van de zuidwestelijkste punt van Afrika
Przylądek Dobrej Nadziei
pronoun
1. een kaap in Zuidwest-Spanje, bekend om de gelijknamige zeeslag die er uitgevochten werd
Cabo Trafalgar
pronoun
1. een van de hoofdsteden van Zuid-Afrika, gelegen bij de Kaap de Goede Hoop
Kapsztad
/ˈkaːp.stɑn.dər/
noun
1. kaapstander
kabestan
/kab.ˈvɛr.di.jə/, /kap.ˈfɛr.di.jə/
pronoun
1. een land in West-Afrika
  1. Zielony Przylądek
  2. Republika Zielonego Przylądka
/kars/
noun
1. een staaf of klomp van brandbaar materiaal met een lont
  1. świeca
  2. świeczka
noun
nog in te delen vertalingen
mapa
/kartspɛl/
noun
1. een spel met speelkaarten
gra karciana
noun
1. voedingsproduct gemaakt van gestremde melk
ser
/ˈkasfɔndy/
noun
1. een gerecht waarbij etenswaren in een saus van kaas gedompeld worden
fonue
noun
1. lijn van 3 tot 6 ineengedraaide touwen van hennep, kunststof, staal of ander materiaal
kabel
noun
1. Gadus morhua, middelgrote zoutwatervis
dorsz
noun
1. sprookjesfiguur
gnom
/ˈkɑ.xəl/, /ˈkɑ.xəɫ/, /ˈkɑ.χɔɫ/
noun
1. een apparaat waarin energie wordt omgezet in warmte met de bedoeling een ruimte te verwarmen
piecyk
/ˈkɑxtəl/, /ˈkɑxtəɫ/, /ˈkɑχtəɫ/
noun
1. een jong van een paard.
  1. źrebię
  2. źrebak
noun
1. dood lichaam van een dier
zwłoki
/ˈkɑdiʃ/
noun
1. een joods gebed waarin Gods naam wordt geheiligd
kadisz
noun
1. rand die om iets (m.n. een afbeelding of schilderij) heen wordt aangebracht
rama
pronoun
1. en 2.
Kaiserslautern
noun
1. een gesloten kano om in wild water of op zee te varen
kajak
noun
1. overdekte gemeenschappelijke verblijfplaats op schepen
kajuta
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Blattodea
karaluch
noun
1. rommelig geheel van vele klanken door elkaar
kakofonia
noun
1. tabel die de verdeling van het jaar in dagen, weken of jaren aangeeft, evt. met feestdagen enz.
kalendarz
noun
1. jong van het rund en sommige andere zoogdieren.
  1. cielę
  2. cielak
noun
cielęcina
noun
kalif
noun
kalifat
noun
1. scheikundig element met symbool K en atoomnummer 19
potas
/ˈkɑl(ə)k/
noun
aanduiding voor een aantal alkalische zouten van calcium
wapno
noun
1. bepaald soort gedomesticeerde vogel, Meleagris gallopavo
  1. indyk
  2. indyczka
noun
wapień
/kɑlm/
adjective
1. weinig in beroering, zonder opwinding
spokojny
/ˈkɑlmus/, /ˈkɑɫmus/
noun
ajer
noun
spokój
verb
1. een jong baren bij runderen
cielić się
/kɑm/
noun
1. getand object om haren mee te verzorgen
grzebień
/kɑ'mel/
noun
1. bepaald soort hoefdier met twee bulten op de rug, Camelus bactrianus
wielbłąd
/ka'melejɔn/
noun
  1. 1. tropische hagedis vooral bekend voor zijn snelle kleurveranderingen
  2. 2. veranderlijk persoon
kameleon
noun
1. deel van een huis
  1. pokój
  2. izba
noun
towarzysz
noun
1. een lange huisjas
podomka
/ˌka.mə.ˈrun/
pronoun
1. een land in Midden-Afrika, officieel de Republiek Kameroen
Kamerun
noun
temperatura pokojowa
noun
kamfora
noun
1. elk van de planten van het geslacht Matricaria
rumianek
/kɑmə(n)/
verb
1. met een kam haar in orde brengen
czesać
noun
1. een plaats waar een aantal troepen geruime tijd of permanent gehuisvest zijn
obóz
noun
1. geslacht van klimstruiken (Lonicera)
  1. wiciokrzew
  2. suchodrzew
/kɑmpiun/
noun
1. de winnaar van een kampioenschap
mistrz
noun
1. wedstrijd waar bepaald wordt wie de kampioenstitel mag dragen
mistrzostwo
noun
vuur in een kamp waaromheen mensen zich (ter gezelligheid) verzamelen
ognisko
noun
1. serviesgoed om vloeistoffen uit te schenken
dzban
/ka'naːl/
noun
kanał
noun
1.1 bepaald soort vogel Serinus canarius
kanarek
pronoun
1. een stad gelegen in Zuid-Afghanistan en de hoofdstad van de gelijknamige provincie
Kandahar
noun
świecznik
/kɑndiˈdat/
noun
  1. 1. iemand die zich verkiesbaar gesteld heeft voor een politiek ambt
  2. 2. iemand die zich beschikbaar gesteld heeft voor een baan of functie
kandydat
/kɑˈnel/
noun
1. een specerij van de gedroogde binnenbast van de kaneelboom,...
  1. cynamonowiec
  2. cynamon
noun
1. benaming voor zoogdieren uit het geslacht Macropus
  1. kangur
  2. kangurzyca
noun
1.
kanji
noun
1. een aandoening die gekenmerkt wordt door het ongecontroleerd vermenigvuldigen van cellen
rak
noun
1. mens die of dier dat vlees van zijn eigen soort eet
  1. kanibal
  2. ludożerca
noun
kanu
noun
1. een instrument om explosieve projectielen weg te schieten
  1. armata
  2. działo
noun
1.
kanonierka
noun
  1. 1. mogelijkheid dat er iets gaat gebeuren
    szansa
  2. 2. een mooie gelegenheid
    1. szansa
    2. okazja
noun
  1. 1. eerste minister
  2. 2. hoofd van een kanselarij
kanclerz
noun
hazard
/kɑnt/
noun
1. een vorm van vlechtwerk
koronka
noun
1. eetgelegenheid in bedrijven, scholen, verenigingen
stołówka
noun
1. een instelling waar allerlei administratieve handelingen worden uitgevoerd
biuro
noun
1. een titel die aan bepaalde geestelijken wordt verleend binnen enkele christelijke kerkgemeenschappen.
kanonik
/kɑp/
noun
2. een bedekking van het hoofd
kaptur
noun
1. klein kerkgebouw
kaplica
noun
1. een priester van de katholieke kerk, werkzaam in een parochie
kapelan
/ˈka.pər.ˌbrif/
noun
1. een brief door de overheid of koning werd geschreven, waarmee een schip dat die brieven aan boord had het recht werd gegeven om schepen van vijandelijke mogendheden aan te vallen en leeg te roven
list kaperski
noun
1.
  1. głowica
  2. kapitel
noun
1. (beroep) (scheepvaart) gezagvoerder van een schip [1], bijv. van een koopvaardijschip
kapitan
noun
1. bepaald soort zeevogel, Larus ridibundus
mewa śmieszka
/'kɑpmɛs/
noun
1. stevig mes
maczeta
noun
kapłon
noun
fryzjer
/'kɑ.pər.tʲə/
noun
2. klein groen bloemknopje van de kappertjesplant, Capparis spinosa, dat meestal op zuur bewaard wordt en dat als kruiderij gebruikt wordt
kapary cierniste
/kɑpsɛɪ̯zə(n)/, /kɑpsɛːzə(n)/
verb
1. ondersteboven komen liggen
wywracać się
noun
1. de manier waarop het haar geknipt is
fryzura
noun
1. tafelfles met wijde buik en smalle hals
dekanter
noun
1. aard
charakter
noun
1. gebrande suiker
karmel
noun
1. vorm van vermaak, waarbij muziek wordt afgespeeld van een lied, en de amateur zanger in een microfoon de tekst (die op een televisiescherm te lezen is) live zingt
karaoke
noun
1. japanse gevechtsport
karate
noun
1.
karawana
/kɑrboˈnadə/
noun
1. een stuk vlees van een varken, kalf of lam
kotlet
noun
plant en zaad
kardamon
noun
1. hoge geestelijke in de hiërarchie van de Rooms-Katholieke Kerk,...
kardynał
noun
1. en 2. bladeren van Cynara cardunculus
kard
pronoun
1. een aan het Fins verwante taal die wordt gesproken in Karelië, Rusland en Finland
karelski
/kɑˈrelɪə/
pronoun
1. deel van Rusland
Karelia
verb
1. een karikatuur maken van
karykaturować
noun
1.
karykatura
pronoun
1.
Karyntia
pronoun
1., 2. en 3.
Karlowe Wary
noun
1. gefermenteerde melk
maślanka
pronoun
Karpaty
noun
1. bepaald soort grote zoetwatervis met een hoge rug, die van oorsprong uit Azië komt, Cyprinus carpio
karp
/kɑrˈtɔn/
noun
  1. 1. bordpapier
  2. 2. verpakking
karton
noun
plant, zaad en specerij
  1. kminek
  2. kminek zwyczajny
/'kɑs/
noun
3. een doorzichtige -meest glazen- constructie...
szklarnia
pronoun
1. een Westslavische taal die gesproken wordt in het oosten van Pommeren
kaszubski
pronoun
1. een grote door land omsloten zoutwatervlakte op de grens van Europa en Azië
Morze Kaspijskie
/kɑs/, /kɑst/
noun
1. een meubel om gebruiksvoorwerpen in op te bergen, meestal voorzien van horizontale schappen
szafa
noun
  1. 1. de vrucht
  2. 1. de boom
kasztan
adjective
kasztanowy
noun
1. streng gescheiden stand binnen de hindoeïstische samenleving
kasta
noun
1. een middeleeuwse versterkte woning
zamek
noun
1. een systeem van rangen en standen in de maatschappij
system kastowy
noun
1. bepaald soort zoogdier, Felis sylvestris catus
kot
noun
1. geheel van de afbraakprocessen in een lichaam
katabolizm
noun
katafalk
noun
  1. 1. belegeringswapen
  2. 3. lanceerinrichting voor vliegtuigen
  3. 2. speeltuig
katapulta
noun
  1. 2. gevolgen van alcoholgebruik
    kac
  2. 1. mannetje van de kat
    kocur
/kɑtədral/
noun
1. een hoofdkerk van een bisdom
katedra
noun
1. buisje dat tijdelijk in een lichaamsholte wordt aangebracht, bijv. om lichaamsvocht op te vangen of een medicijn toe te dienen
  1. cewnik
  2. kateter
noun
1-2 scheikunde + elektronica
katoda
/ˌka.to.ˈlik/
adjective
  1. 1. overeenkomstig de geloofsleer van de Katholieke Kerk
  2. 2. te maken hebbend met de Katholieke Kerk
katolicki
noun
kation
/kɑˈtun/
noun
1. een zachte vezel die uit de opperhuid (epidermis) van de zaden van de katoenplant groeit
bawełna
noun
1. een werktuig dat het mogelijk maakt een last met een beperkte kracht te verplaatsen
wielokrążek
pronoun
1. gebergte
Kaukaz
noun
1. Corvus monedula, eem zwarte kraaiachtige zangvogel met een grijze nek
kawka
verb
  1. żuć
  2. przeżuwać
noun
1. een zacht samenhangend snoepgoed dat niet bedoeld is om in te slikken
  1. guma
  2. guma do żucia
noun
  1. kawior
  2. ikra
noun
1. inwoner van Kazachstan
Kazach
pronoun
1. een taal die van oorsprong door de Kazachen in Kazachstan gesproken werd
kazachski
noun
vrouwelijke inwoner van Kazachstan
Kazaszka
/ˈka.zɑx.stɑn/, /ˈka.zɑχ.stɑn/
pronoun
1. een land in Centraal-Azië en het uiterste oosten van Europa
Kazachstan
noun
1. inwoner van Kazachstan
Kazach
noun
1. een mouwloos opperkleed dat door een priester gedragen wordt bij het lezen van de mis
ornat
pronoun
1. oudste zoon van Adam en Eva
Kain
/keːl/
noun
1. voorste, uitwendige gedeelte van de hals
gardło
noun
1. pijnlijke irritatie van het slijmvlies in de keelholte, meestal door een ontsteking ervan
ból gardła
/keːp/
noun
2. kleurrijke vinkensoort
jer
/ˈkipər/
noun
bramkarz
noun
1. telkens terugkerend tijdstip waarop iets gebeurt
raz
noun
zwrotnik
noun
1.
rewers
noun
kefir
/ˈke.xəl/
noun
1. een meetkundig lichaam met een cirkel als grondvlak en uitlopend in een punt
  1. stożek
  2. kręgiel
noun
1. een kromme gevormd door het snijden van een kegel met een plat vlak
  1. stożkowa
  2. krzywa stożkowa
noun
1. brok gesteente
głaz
noun
1. een monarch van de allerhoogste rang, oorspronkelijk die van het Romeinse rijk
  1. cesarz
  2. imperator
noun
1. een vrouwelijke monarch van de allerhoogste rang, oorspronkelijk die van het Romeinse rijk
  1. cesarzowa
  2. imperatorowa
adjective
cesarski
noun
1. een gebied waar een keizer het staatshoofd is
  1. imperium
  2. cesarstwo
noun
1. operatieve verlossing
cesarskie cięcie
noun
1. een ondergrondse bergruimte
piwnica
noun
kielich
noun
kelner
/kɛɫt/
noun
1. lid van een Indo-Europees volk waarvan na de Romeinse tijd de meeste leden op de Britse eilanden en in Bretagne leven
Celt
noun
1. bepaald soort vogel, Calidris pugnax
bojownik batalion
/ˈke.ni.ja/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika, de Republiek Kenia, grenzend aan Somalië, Ethiopië, Oeganda, Tanzania en de Indische Oceaan
Kenia
/'kɛnmɛrkə(n)/
verb
1. een herkenningspunt ergens van zijn
  1. cechować
  2. charakteryzować
verb
  1. 1. bekend, vertrouwd zijn met
  2. 2. door studie of oefening geleerd hebben
znać
noun
znawca
/ˈkɛnɪs/
noun
  1. 1. wat je weet of hebt geleerd
    wiedza
  2. 1. iemand met wie men bekend is
    znajomy
noun
krokiew
/ˈkɛpəl/
noun
1. hoofddeksel in de vorm van een ondiep bolsegment
jarmułka
noun
ceramika
/kɛrk/
noun
  1. 3. Georganiseerde groep die bepaalde christelijke standpunten aanhangt
    1. cerkiew
    2. kościół
  2. 2. Christelijke organisatie voor beleving van een specifieke christelijke godsdienst
    1. kościół
    2. cerkiew
  3. 1. openbaar gebouw voor religieuze handelingen of samenkomsten
    1. kościół
    2. cerkiew
    3. zbór
noun
1. bijeenkomst van een christelijke gemeente waarin God vereerd wordt
nabożeństwo
/kɛrkər/
noun
1. een ondergrondse ruimte die bestemd is voor het opsluiten van gevangenen
loch
noun
1. terrein waar overledenen begraven worden
cmentarz
/ˈkɛr.klɔk/
noun
1. een bel in de toren van een kerk
dzwon kościelny
/ˈkɛrgœːl/, /ˈkɛrkœʏ̯ɫ/, /ˈkɛrkœːl/
noun
1. bepaald soort vogel, Tyto alba
płomykówka
noun
1. een feest met attracties
kiermasz
noun
1. energie geproduceerd door kernfusie of kernsplijting, waarmee in een kerncentrale elektriciteit wordt opgewekt
energetyka jądrowa
noun
reaktor jądrowy
noun
specerij
curry
noun
1. steenvrucht van een kersenboom, Prunus subg. Cerasus
  1. czereśnia
  2. wiśnia
noun
1. benaming voor bomen waaraan kleine ronde vruchten groeien, uit het ondergeslacht Prunus subg. Cerasus
wiśnia
/kɛr.ˈsta.vɔnt/, /kɛr.ˈz(d)a.vɔnd/
noun
Wigilia
/ˈkɛrsd.bom/, /ˈkɛrz.bom/
noun
1. rond Kerstmis opgestelde naaldboom met allerlei versieringen
choinka
/ˈkɛr.stə.ˌnɪŋ/
noun
1. het proces waarbij heidense volkeren zich, al dan niet massaal, tot het christendom bekeren
chrystianizacja
/ˈkɛrs.kart/, /ˈkɛrst.kart/
noun
1. een wenskaart die wordt gekenmerkt door een kerstgroet en wensen voor het komende nieuwe jaar
kartka
/ˈkɛrs.lid/, /ˈkɛrst.lit/
noun
1. een op Kerstmis betrekking hebbend lied
kolęda
/ˈkɛrs(t)məs/, /ˈkɛrsmɪs/, /ˈkɛrstmɪs/
noun
1. een feest ter herinnering van de geboorte van Jezus met een vieringsdatum die verschilt per christelijke traditie
Boże Narodzenie
/ˈkɛr.stɑl/, /ˈkɛr.stɑɫ/
noun
1. een voorstelling van de geboorte van Jezus met figuren van hout of gips, die vooral in katholieke gezinnen rond Kerstmis in huis te vinden is, vaak onder de kerstboom
betlejka
/ˈkɛrstɛr/
noun
gwiazda betlejemska
noun
  1. 2. keukenkruid
    trybula
  2. 1. plant
    trybula ogrodowa
noun
1. een saus op basis van tomaten
keczup
noun
1. meestal rond metalen vat, vaak geschikt om onder druk gezet te worden
kocioł parowy
noun
kamień kotłowy
noun
1. uit losse, vaak metalen, schakels in een enkele rij aaneengeregen voorwerp
sieć
/ˌkɛtəˈrɛɪ/
noun
1. het ingaan in woord of gedachte tegen de doctrines van de kerk
herezja
noun
4. een snoer bestaande uit een draad die door doorboorde kralen of andere voorwerpen gevoerd is
naszyjnik
/ˈkøːkə(n)/
noun
  1. 1. een plaats waar gekookt wordt, ruimte waarin mensen hun voedsel bereiden
  2. 2. de wijze waarop in een land of streek gekookt wordt
kuchnia
noun
1. uit natriumchloride bestaand voedingszout
sól kuchenna
pronoun
Kolonia
noun
1. een lokaal, Ripuarische dialect dat in Keulen wordt gesproken
koloński
verb
1.zich een oordeel vormen over de waarde of deugdelijkheid van iets
  1. sprawdzić
  2. testować
noun
elektor
noun
1. het besluit om uit verschillende mogelijkheden er één te nemen
wybór
/ˈkevər/, /ˈkɛvər/
noun
1. bepaald insect
chrząszcz
/ˈkiːbɔː(r)d/, /ˈkiːbɔː(r)t/
noun
  1. 1. een elektronisch muziekinstrument met een toetsenbord
    keyboard
  2. 2. een apparaat waarmee, door toetsen in te drukken, gegevens in een computer ingevoerd kunnen worden
    klawiatura
pronoun
1. taal die in Cambodja gesproken wordt
khmer
/ˈkɪbuts/
noun
kibuc
noun
1.1 benaming voor roofvogels uit het geslacht Circus
błotniak
noun
1. verlenging van de onderzijde van een (zeil)schip
  1. kil
  2. stępka
noun
zarazek
/'kim.ʋɔr.təl/
noun
1. eerste worteltje van een zaailing
  1. korzeń zarodkowy
  2. radykuła
adjective
1.
wybredny
noun
1. pijn in één of meerdere kiezen
ból zęba
pronoun
1. de hoofdstad van Oekraïne
Kijów
noun
czajka
verb
1. uit meerdere mogelijkheden één nemen
wybierać
verb
  1. patrzeć
  2. popatrzeć
  3. zobaczyć
noun
1. benaming voor amfibieën uit de orde Anura
żaba
noun
1. en 2. (zaden van) de plant Cicer arietinum
  1. ciecierzyca pospolita
  2. ciecierzyca
noun
1. fijn gemalen kikkererwten
mąka z ciecierzycy
noun
1. kikker- of paddenlarve
kijanka
abbreviation
1. kilogram
  1. kilogram
  2. kilo
noun
1. duizend meter
kilometr
noun
1. het vooruitstekende deel van de onderkaak
  1. podbródek
  2. broda
noun
  1. 1. mens tussen 0 en 18 jaar
  2. 2. persoon voortkomend uit
  1. dziecko
  2. dziecię
noun
praca dzieci
noun
rymowanka
noun
1. een voertuig waarin zuigelingen of kleuters met de hand verreden kunnen worden
wózek dziecięcy
noun
chinina
/kɪŋk(h)ust/
noun
1. een bepaalde kinderziekte die veroorzaakt wordt door de bacterie Bordetella pertussis
  1. krztusiec
  2. koklusz
/kɪp/
noun
  1. 1. Gallus gallus domesticus, gedomesticeerde vogel uit de familie van de hoenderachtigen
    1. kura
    2. kurczak
  2. 2. kippenvlees
    kurczak
noun
hok voor kippen
kurnik
noun
1. orgaan dat een grote rol speelt in de stofwisseling van een hoen, na het slachten vaak gegeten als delicatesse
wątroba z kurczaka
/ˈkɪpəvɛɫ/
noun
1. het verschijnsel waarbij als gevolg van kou de huid gaat kleine bubbeltjes vertoont
gęsia skórka
noun
tłuszcz z kurczaka
pronoun
1. de taal die in Kirgizië gesproken wordt
kirgiski
/kɪr.ˈɣi.zi.jə/, /kɪr.ˈχi.zi.jə/
pronoun
1. een land in Centraal Azië, officieel de Kirgizische Republiek, dat geheel door land omsloten is
Kirgistan
/ˌki.ri.ˈbɑs/
pronoun
1. land in Oceanië, officieel de Republiek Kiribati
Kiribati
noun
1. schijnkunst die niet aanslaat met veel versieringen en/of de verkeerde materialen waarvan de meeste mensen denken dat het wansmaak is
kicz
noun
2. vrucht van plantengeslacht Actinidia
kiwi
pronoun
Lamentacje Jeremiasza
/klaːr/
adjective
1. in staat van gereedheid gebracht, gereed
gotowy
adjective
1. kennelijk
  1. oczywisty
  2. jasny
verb
1. iets moeilijks in orde of ten einde brengen
dokonać
noun
1. een aanklacht
skarga
verb
1. ongenoegen uiten
narzekać
noun
1. fijn net waaronder men slaapt om muggen buiten te houden
moskitiera
/ˈklɑŋk.və.ˌrɑn.də.rɪŋ/
noun
1. het verschijnsel dat een klank in een taal in de loop van de tijd vervangen wordt door een andere klank
proces fonetyczny
noun
1. afnemer van een product of dienst van een leverancier
klient
noun
pasożyt
noun
1. Papaver rhoeas, een plant met een felrode bloem uit de familie Papaveraceae
  1. mak
  2. mak polny
noun
1. een houten blaasinstrument waarop de melodie wordt gespeeld in een harmonie
klarnet
/klɑs/
noun
  1. 1. een groep leerlingen die een tijdlang gezamenlijk les krijgen
  2. 2. een leerjaar op school
  3. 3. een klaslokaal
klasa
noun
1. een ruimte in een school voor het geven van les aan scholieren
klasa
noun
klasa
/klʌu/
noun
  1. 1. poot van een roofdier
  2. 2. hand
pazur
noun
1. toetsinstrument
klawesyn
noun
koniczyna
noun
1. het textiel voor de bedekking van het lichaam
odzież
noun
1.
ubranie
noun
1. rijstsoort die veel zetmeel bevat
ryż kleisty
noun
szafa
noun
1. iemand wiens beroep bestaat uit het maken van kleding.
krawiec
noun
1. nachtvlindersoort waarvan de rupsen textiel eten
mól włosienniczek
/klɛɪ̯/, /klɛː/
noun
1. zeer fijne, vochthoudende grondsoort
glina
adjective
1. van geringe grootte
  1. mały
  2. mała
  3. małe
noun
starzec zwyczajny
/ˈklɛɪndɔxtər/
noun
1. een dochter van iemands kind, een vrouwelijk kleinkind
wnuczka
pronoun
1. een hoog aan het noordelijk halfrond duidelijk sterrenbeeld
Mała Niedźwiedzica
noun
1. bepaald soort meeuw, Larus glaucoides
mewa polarna
noun
1. bepaald soort zoetwatervis, Cobitis taenia
koza
/ˈklɛːŋkɪnt/, /ˈklɛːɪŋkɪnt/
noun
1. kind van zoon of dochter
wnuk
noun
1. klein voorwerp van hoge waarde
klejnot
noun
1. een zoon van iemands kind, een mannelijk kleinkind
  1. wnuk
  2. wnuczek
noun
1. kleisteen
iłowiec
noun
akcent
noun
1. verstelbare afsluiting
zastawka
noun
1. de onweerstaanbare drang om te stelen
kleptomania
/ˈkleː.rən/
noun
1. kleding of kledingstukken
odzież
verb
2. praten, babbelen
gawędzić
/kløːr/
noun
1. het onderscheid dat gemaakt wordt op basis van het verschil in golflengte van licht
  1. kolor
  2. barwa
adjective
1. zonder kleur
bezbarwny
noun
kredka
noun
1. stof waarmee men iets kleurt
barwnik
noun
2. orgaan
gruczoł
noun
1. steile hoge rots
klif
noun
1. de gemiddelde natuurlijke gesteldheid van de lucht en het weer in een gebied op een planeet
klimat
noun
strefa klimatyczna
/klɪmɑtoloˈɣi/
noun
1. leer van de lucht- en weersgesteldheid.
klimatologia
/'klɪ.mɔp/
noun
1. Hedera helix, een groenblijvende houtige plant
bluszcz
pronoun
1. een kunsttaal die uitgevonden is door Marc Okrand voor Star Trek-films
klingoński
noun
1. een inrichting waar patiënten worden verpleegd
klinika
/ˈklɪŋkər/
noun
1. een klank van de menselijke spraak waarbij geen obstructie in de ademstroom aangebracht wordt.
samogłoska
noun
1. een metalen verbinding tussen twee platen bestaande uit twee cilidrische delen die van weerszijden,...
nit
noun
1. plant met kleverige bloemknoppen
  1. łopian
  2. łopuch
noun
1., 2. plant met kleverige bloemknoppen
  1. łopian
  2. łopuch
noun
  1. 2. een belvormige idiofoon, vooral bekend van kerktorens en carillons
    dzwon
  2. 1. een instrument dat de tijd bijhoudt
    zegar
/ˈklɔkɦœs/, /ˈklɔkɦœʏs/
noun
1. binnenste van een vrucht
ogryzek
/klɔmp/
noun
1. schoeisel van hout, eventueel in combinatie met leer
  1. drewniak
  2. sabot
verb
1. een identieke kopie van een levend wezen maken
  1. klonować
  2. sklonować
noun
1. een ten gevolge van erosie, diep uitgesleten rivierdal, met steile wanden
kanion
/klon/
noun
1. een levend wezen dat een exacte genetische kopie is van een ander wezen
klon
/klostər/
noun
  1. 1. een gebouw waarin een kloostergemeenschap gevestigd is
  2. 2. een kloostergemeenschap als zodanig
klasztor
verb
  1. 5. verslaan
    bić
  2. 1. tegen iets slaan
    pukać
noun
1. iemand die alleen en in afzondering leeft
anachoreta
/klyt/
noun
1. bepaald soort watervogel, Recurvirostra avosetta
szablodziób
/ˈknaxdiːr/, /ˈknaɣdiːr/
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Rodentia
gryzoń
verb
1. met de tanden aanvreten
gryźć
verb
1. een massa soepel maken door er steeds in te knijpen
  1. miesić
  2. gnieść
noun
1. bepaald soort vinkachtige, Carduelis cannabina
  1. makolągwa
  2. makolągwa zwyczajna
verb
1. binden, boeien
kneblować
noun
1. gewricht in het midden van het been dat het bovenbeen met het onderbeen verbindt
kolano
/'knɪkə(n)/
verb
1. een verticale beweging met het hoofd maken
kiwnąć
noun
1. balletje van glas, marmer, steen, hout of klei
szklana kulka
noun
1. teken in de vorm van het kort toeknijpen van een oog om verstandhouding of waardering uit te drukken
mrugnięcie
verb
1. met een schaar uitsnijden
ciąć
noun
1. looksoort Allium sativa met samengevouwen bol
  1. czosnek pospolity
  2. czosnek
noun
1. vingergewricht
kłykieć
verb
1. vechten
walczyć
noun
1. verdikte plantenwortel.
bulwa
noun
  1. 3. aan een jas e.d.
    guzik
    1. 1. in een draad
    2. 2. snelheidsmaat
    węzeł
noun
1. spleet die in een stuk stof is gemaakt zodat een ander stuk stof daaraan kan worden vastgemaakt
dziurka od guzika
verb
1. een vastzittende lus in een koord, draad of touw maken
wiązać
/'knɔrə(n)/
verb
1. een geluid voortbrengen zoals een varken
chrząkać
noun
1.
kuczmany
noun
1. een Australisch buideldier
koala
noun
1. scheikundig element met symbool Co en atoomnummer 27
kobalt
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Araneae
pająk
noun
1. Ursus arctos middendorffi, de grootste beer en het grootste bekende landroofdier
Kodiak
noun
1. vrouwelijk rund
krowa
noun
ciasto
noun
1. een platte pan met een lang handvat
patelnia
/[ˈkuc̠͡ç̠jø̜]/
noun
2. klein baksel dat meestal bij de koffie of thee genuttigd wordt
  1. ciastko
  2. ciasteczko
noun
1. bepaald soort vogel, Cuculus canorus
kukułka
adjective
1. met een naar verhouding lagere temperatuur dan de warme of hete omgeving
chłodny
noun
1. een huishoudelijk apparaat voorzien van een koelinstallatie,...
lodówka
noun
1. koelvloeistof
chłodziwo
noun
  1. 1. een gewelf in de vorm van een halve bol of een halve ellipsoïde
  2. 2. een ruimtelijke figuur, veelvlak
kopuła
pronoun
1. een taal die door de Koerden gesproken wordt
kurdyjski
noun
kurs
noun
1. overdekte ruimte waarin koeien kunnen verblijven
obora
/ˌku.tər.ˈʋaːls/
noun
1. aanduiding voor een onverstaanbare taal
chińszczyzna
noun
1. vierwielig rijtuig met vering, vaak gesloten, dat getrokken wordt door paarden
kareta
noun
1. iemand die de paarden van een koets ment
woźnica
/ˈkuwɛɪ̯t/, /ˈkuʋɛɪ̯t/, /ˈkuβ̞ɛ:t/
pronoun
1. een kleine olierijke monarchie op het Arabische schiereiland in Azië aan de kust van de Perzische Golf
Kuwejt
noun
1. draagbare bergruimte van stevig materiaal met een handvat, waarin spullen kunnen worden meegenomen tijdens het reizen
walizka
noun
1. drank uit koffiebonen
kawa
noun
café au lait
noun
1. sterk geconcentreerd aftreksel van koffie
ekstrakt kawy
noun
ziarno kawy
noun
1. het donkere bezinksel van gemalen koffiebonen dat overblijft na het zetten van koffie
fusy
noun
1. een uitspanning waar men koffie kan nuttigen
kawiarnia
noun
1. een huishoudelijk apparaat waarin koffiebonen kunnen worden gemalen
  1. młynek (urządzenie domowe)
  2. młynek do kawy
noun
kawowiec
noun
  1. 3. metalen bal gebruikt bij kogelstaten
    kula
  2. 1-2. munitie
    1. kula
    2. pocisk
noun
kucharz
verb
  1. 1. vloeistof verwarmen totdat er zich in de hele vloeistof bellen vormen die naar boven stijgen en openspringen
    gotować
  2. 2. met behulp van ingrediënten een maaltijd klaarmaken
    1. gotować
    2. warzyć
noun
1. bepaald soort zeevogel met een gekleurde kop en een lachende roep, Chroicocephalus ridibundus
mewa śmieszka
/ˈko.kɔsˌbom/
noun
1. een palm die tot 30 m hoog kan worden en 4-6 m lange bladeren heeft
palma kokosowa
/'kokɔsnot/
noun
1. holle vrucht van de kokospalm met wit vruchtvlees en een vezelige bast
orzech kokosowy
/ˈko.kɔsˌpɑlm/, /ˈko.kɔsˌpɑɫm/
noun
1. een palm die tot 30 m hoog kan worden en 4-6 m lange bladeren heeft
  1. palma kokosowa
  2. kokos właściwy
noun
1. ganzensoort
gęś białoczelna
noun
1. een zeer klein vogeltje met een zeer snelle vleugelslag van de familie Trochilidae uit de orde der grootvleugeligen
koliber
noun
kolumna
noun
1. een hoge militaire rang
pułkownik
adjective
1. betrekking hebbend op koloniën en het hebben van koloniën
kolonialny
/koˈloni/
noun
1. een vestiging van een deel van een bevolking, buiten het eigenlijke territorium van dat volk
kolonia
noun
1. iemand die zich in een kolonie heeft gevestigd
osadnik
noun
kolos
pronoun
List do Kolosan
noun
1.
kombucza
/koˈmedi/
noun
1. een blijspel
komedia
noun
1. een licht hemellichaam van ijs, gas en stof, zich in een baan ver buiten die van de planeten bewegend, dat bij het naderen van de zon een wolk van gas en gruis in de vorm van een staart ontwikkelt
kometa
verb
  1. 2. een orgasme hebben
    1. dochodzić
    2. przychodzić
  2. 1. bewegen van verder weg naar dichterbij
    1. przychodzić
    2. przyjść
noun
1. iemand die een publiek vermaakt door ze aan het lachen te brengen
komik
noun
plant, zaden en specerij
  1. kmin rzymski
  2. nasiona kminku
noun
bepaalde suiker die veel in zoete vruchten voorkomt
nasiona kminku
/kɔm.ˈkɔ.mər/
noun
1. Cucumis sativus, een langwerpige vrucht die men vooral rauw als salade eet
ogórek
/ˈkɔma/
noun
1. een leesteken dat een pauze aangeeft
przecinek
noun
1. instrument waarvan de naald het magnetische noorden aanwijst
kompas
noun
1. een persoon die werkzaam is in de mijnbouw
górnik
pronoun
Wolne Państwo Kongo
/kɔˈnɛɪn/, /kɔˈnɛːn/
noun
1. zoogdier dat ook gedomesticeerd kan worden gehouden
  1. królik
  2. trusia
/ˈkonɪŋ/, /ˈkoːnɪŋ/
noun
  1. 1. het mannelijk hoofd van een koninkrijk
  2. 2. speelkaart waarvan de waarde meestal tussen die van de vrouw en de aas ligt
król
pronoun
  1. Księga Królów
  2. Księga Królewska
/konɪˈŋɣɪn/, /konɪˈŋɪn/, /koʊnɪˈŋɪn/
noun
królowa
noun
1. een spil met conische tandwielen, die de rotatie van de krukas van een zuigermotor overbrengt op de nokkenas
wałek królewski
pronoun
1. een stad in het voormalige Oost-Pruisen
Królewiec
noun
3. een dagvlinder uit de Nymphalidae-familie
rusałka żałobnik
/ˈkonɪŋklək/
adjective
1. betrekking hebbend op een koning, koningin, aan of bij hem, haar behorend, van hem, haar uitgaand
królewski
/ˈkonɪŋkˌrɛɪ̯k/, /ˈkoːnɪŋkˌrɛɪ̯k/, /ˈkoːnɪŋkˌrɛːk/
noun
1. staatsvorm met een koning aan het hoofd
królestwo
noun
1. de billen, het achterwerk
dupa
noun
1.
konwój
/koːɪ/
noun
1. een uit tralies of gaas gemaakt voorwerp dat een ruimte omsluit
klatka
noun
boek waaruit men leert koken
książka kucharska
noun
temperatura wrzenia
noun
  1. 1. een eetbare plant met veel ondersoorten uit de kruisbloemfamilie
    kapusta
  2. 2. een zwarte brandstof die voornamelijk uit koolstof bestaat
    węgiel
noun
1. reukloos gas dat ontstaat bij volledige verbranding van koolstof
dwutlenek węgla
noun
1. een bepaald type verbinding van koolstof-, waterstof- en zuurstofatomen
węglowodan
noun
  1. sikora bogatka
  2. bogatka
noun
brukiew
noun
kalarepa
/ˈkol.stɔf/
noun
2. een chemisch element en een kleurloos niet-metaal
węgiel
noun
dwutlenek węgla
noun
1. verbinding met moleculen van één atoom zuurstof en één atoom koolstof (CO)
tlenek węgla
noun
1. bepaald soort vis met donker gekleurde mondholte en rug die voorkomt in het hoge noorden van de Atlantische Oceaan, Pollachius virens
czarniak
/kol'watərstɔf/
noun
1. een verbinding die uit koolstof en waterstof is opgebouwd
węglowodór
noun
rzepak
/'kolzyr/
noun
1. H₂CO₃
kwas węglowy
noun
1. de hoeveelheid goederen of diensten die gekocht kan worden met een bepaald geldbedrag
siła nabywcza
noun
kupiec
noun
1. een groep mensen die samen zingen
chór
noun
1. rechte tussen twee cirkelpunten
cięciwa
noun
1. (medisch) verhoging van de lichaamstemperatuur
gorączka
adjective
koszerny
noun
1. hielbeentje van het paard
pęcina
noun
1. beentje van vinger of teen
paliczek
noun
    1. 1. hoofd van een dier
    2. 2. hoofd van een mens
    główka
  1. 1. porseleinen recipiënt met oor, om uit te drinken
    filiżanka
verb
1. in ruil voor geld iets in bezit krijgen
  1. kupować
  2. kupić
pronoun
1.
Kopenhaga
noun
2. scheikundig element met symbool Cu en atoomnummer 29
miedź
noun
1. een ambachtsman die platen koper of andere zachte metalen bewerkt. Dit bewerken omvat verschillende bewerkingen, zoals knippen, buigen, solderen en felsen
kotlarz
/kopi<sup>j</sup>'ɪːrə(n)/
verb
  1. 1. een duplicaat maken van
    1. kopiować
    2. podwajać
  2. 2. imiteren
    1. naśladować
    2. udawać
/ˈkɔplɑmp/
noun
1. een witte of gele lamp aan de voorzijde van een voertuig
reflektor samochodowy
noun
1. iemand die probeert mensen van verschillende groepen met elkaar in contact te brengen (met name voor een huwelijk)
swat
noun
1. een constructie die in een motor of voertuig mechanische krachten op een te onderbreken wijze overbrengt
sprzęgło
noun
1. een werkwoord dat een eigenschap koppelt aan het onderwerp
  1. łącznik
  2. spójka
/ˈkɔpəx/, /ˈkɔpəç/
adjective
1. vasthoudend aan eigen wil of inzicht
uparty
noun
1. skelet van de koraalpoliep
koral
pronoun
1. (de tekst van) het heilig boek van de islam
  1. koran
  2. Koran
/koˈre.ja/
pronoun
1. een schiereiland in Oost-Azië
Korea
/koreˈjaːns/
pronoun
1. taal die in Korea gesproken wordt
koreański
noun
1. een balsport waarbij een bal door een mand (korf) moet worden gegooid
korfball
noun
1. en 2. (gedroogde) zaden van Coriandrum sativum
kolendra siewna
/korijɑndərblɑt/
noun
1. (gedroogd) blad van Coriandrum sativum
liście kolendry
pronoun
List do Koryntian
noun
  1. op een bugel gelijkend koperen blaasinstrument
  2. 1. rang van vaandrig bij de cavalerie en de artillerie bij de Koninklijke Landmacht
kornet
noun
dereń
noun
gorset
/kɔrst/
noun
1. een harde buitenste laag om iets dat verder relatief zacht is
skórka
noun
  1. liszaj
  2. porost
adverb
  1. 2. van geringe lengte
  2. 1. van geringe duur
krótki
noun
1. verlaging van een te betalen bedrag
  1. zniżka
  2. rabat
noun
korund
noun
kosmologia
noun
kosmonauta
noun
1. het gehele tijd-ruimte continuüm waarin wij bestaan, samen met alle materie en energie
kosmos
/ˈkɔsɔˌvo/
pronoun
1. land op het Balkanschiereiland dat volgens Servië een provincie van Servië is, maar dat zichzelf als een onafhankelijke staat beschouwt
Kosowo
adjective
drogi
adjective
1. zonder kosten
  1. bezpłatny
  2. darmowy
  3. nieopłatny
verb
1. als te betalen prijs hebben
kosztować
noun
1. kerkelijke bediende, die met de zorg van het kerkgebouw, en het vlot verloop van de kerkdiensten belast is
zakrystian
noun
garnitur
/kotəˈlɛt/
noun
1. een stuk vlees van een varken, kalf of lam
kotlet
noun
kuter
/kʌʊt/
adverb
1. niet warm, fris, kil, koel
  1. zimno
  2. zimny
/ˈkɑu̯də/
noun
1. het koud zijn
zimno
/kaʊ̯s/, /kɔʊ̯s/, /kʌʊ̯s/
noun
1. een aansluitend, meer of minder elastisch kledingstuk dat de voet en (een deel van) het been bedekt
pończocha
noun
1. zoon van oom of tante
kuzyn
/krax/
noun
1. een kledingstuk rond de hals
kołnierz
/kraɪ̯/, /kraːɪ̯/
noun
1.1 bepaald soort zwarte vogel, Corvus corone
  1. wrona
  2. czarnowron
/ˈkrakben/
noun
1. een speciale vorm van bindweefsel met een elastisch karakter als gevolg van eigenschappen van de extracellulaire matrix
chrząstka
noun
stragan
noun
1. bepaald soort grote vogel, Grus grus
żuraw
noun
1. kreeftachtige die leeft in de nabijheid van water
krab
noun
1. vermogen om iets te verrichten
siła
pronoun
1. na Warschau en Łódź de op twee na grootste stad van Polen
Kraków
noun
1. een toestand van onwillekeurige en aanhoudende samentrekking van een spier
  1. kurcz
  2. skurcz
noun
1. klassiek massamedium, gedrukt op papier en gericht op het verspreiden van nieuws
gazeta
pronoun
2. teken van de dierenriem van 21 juni tot 23 juli
Rak
/kreːft/
noun
1. zeekreeft, hommer
homar
noun
1. de hoogste breedtegraad van ca. 23,5 ° noorderbreedte waarboven de zon bij zonnestilstand in het zenit staat
zwrotnik Raka
noun
1. Gryllidae
świerszcz
adjective
skąpy
pronoun
1. bij Griekenland behorend eiland in de Egeïsche Zee
Kreta
/krønə(n)/
verb
1. ongearticuleerde geluiden maken, vaak van pijn of ander leed
jęczeć
noun
1.laag stuikgewas waarbij de takken van de boompjes door elkaar heen groeien
podszyt
noun
1. iemand die zich toelegt op het voeren van oorlog, met name tussen stammen
wojownik
noun
watażka
noun
siły zbrojne
noun
1. een olifant die vroeger tijdens op het land uitgevochten oorlogen werd ingezet als strijddier
słoń bojowy
verb
1. luidkeels schreeuwend een hoog geluid voortbrengen
krzyczeć
noun
  1. 1. wit mineraal dat uit calciumcarbonaat bestaat
  2. 2. schrijfmateriaal uit dat materiaal vervaardigd
  3. 3. een periode die deel uitmaakt van het mesozoïcum
kreda
/krɪm/
pronoun
een schiereiland aan de noordkust van de Zwarte Zee
Krym
pronoun
1. een van de Turkse talen, gesproken door ongeveer een half miljoen mensen, oorspronkelijk van de Krim afkomstig, maar door een deportatie in 1944, nu vooral in Oezbekistan en Kirgizië, maar ook in Moldavië, Roemenië en Turkije gesproken
krymskotatarski
verb
1. kleiner in omvang worden
kurczyć się
noun
1. een hoeveelheid ordelijk gerangschikte atomen of moleculen in vaste vorm
kryształ
verb
1. ordeningsproces
krystalizować
noun
cukier kryształ
noun
  1. 1. uitingen waarmee bepaald gedrag, een bepaalde zienswijze e.d. van anderen worden veroordeeld of in twijfel getrokken
  2. 2. een document dat kunstzinnig commentaar levert op een optreden, tentoonstelling, boek , film of andere kunstuiting
krytyka
/kroˈwatis/, /kroˈwaːtɪs/
adjective
chorwacki
/kroˈwatis/, /kroˈwaːtɪs/
pronoun
1. een taal die vooral in Kroatië gesproken wordt
chorwacki
/kroˈwatsi.jə/, /kroˈwaːsi.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Europa ten zuiden van Hongarije
Chorwacja
/krux/
noun
1. publieke drinkgelegenheid
  1. pub
  2. bar
noun
1. een rol ragout die gepaneerd en gefrituurd wordt
krokiet
/krokoˈdɪl/
noun
1. een groot, in het water levend reptiel dat behoort tot de familie der Crocodylidae
krokodyl
noun
1. irisachtige lentebloem
krokus
verb
1. iemand tot koning of koningin maken door hem of haar in een ceremonie een kroon op het hoofd te zetten
  1. ukoronować
  2. koronować
noun
kronika
noun
Księga Kronik
/ˈkronɪŋ/
noun
ceremonie
koronacja
noun
  1. 1. hoofddeksel dat door een vorst gedragen wordt
    korona
  2. 7. een lichtbron bestaande uit een krans van lichtbronnen
    żyrandol
noun
1. opstapeling van bladeren
główka
noun
1. en 2. (bladeren van) éénjarige plant Cichorium endiva var. latifolia
endywia szerokolistna
/krœʏ̯t/, /krœːd/, /krœːt/
noun
zioło
verb
1. specerij bij een gerecht doen
  1. przyprawiać
  2. przyprawić
noun
  1. 2. winkel met levensmiddelen
    sklep spożywczy
  2. 1. winkelier in levensmiddelen
    sklepikarz
noun
1. specerij van de kruidnagelboom
  1. goździki
  2. goździk
/krœyjər/
noun
1. iemand die bagage vervoert op o.a. stations en vliegvelden
bagażowy
noun
dzban
noun
1. een soort braam
moroszka
/'krʌʏ.pə(n)/
verb
czołgać się
noun
  1. 1. geometrisch figuur
  2. 4. symbool
krzyż
noun
1. Ribes uva-crispa
agrest
/ˈkrœʏsər/
noun
  1. 1. een oorlogsschip dat hoge snelheden kan halen
  2. 2. een type jacht
krążownik
noun
1. een door een blok hout verschuifbare liniaal, die is voorzien van een ijzeren punt
znacznik stolarski
noun
1. een punt
skrzyżowanie
noun
1. een plaats waar twee of meer wegen elkaar kruisen
skrzyżowanie
noun
1. ondernemingen van de westerse christenen tussen 1095 en 1271 in Palestina
krucjata
noun
1.
krzyżowiec
noun
Droga Krzyżowa
noun
krzyżówka
noun
1. kruiswoordpuzzel
krzyżówka
noun
1. een eenwielige kar met twee lange handgrepen voor het transport van zware, meestal losse lading
taczka
noun
2. hulpmiddel bij het lopen
kula
noun
1. en 2. (bladeren van) éénjarige plant Cichorium endiva
endywia kędzierzawa
/ˈkrʏl.spɛlt/
noun
1. hulpmiddel waarom je een haarlok kunt wikkelen om krullen te maken in stijlhaar
lokówka
noun
1. scheikundig element met symbool Kr en atoomnummer 36
krypton
noun
1. 20-eeuwse stroming binnen de beeldende kunst waarin de werkelijkheid op een sterk vereenvoudigde manier wordt weergegeven
kubizm
noun
1. een regelmatig zesvlakkig lichaam, begrensd door zes gelijke vierkanten
sześcian
/'kɵdə/
noun
  1. 1. een groep samenlevende (zoog)dieren
    stado
  2. een kudde schapen
    trzoda
noun
1. Psarocolius decumanus een vogel uit de familie van de troepialen Icteridae.
kacykowiec rdzaworzytny
/ˈkœʏ̯kə(n)/, /ˈkœːkə(n)/
noun
donzig jong vogeltje
pisklę
noun
bednarz
noun
  1. 2. visseneitjes
    ikra
  2. 1. deel van het been
    łydka
/kykələky/
interjection
1. het geluid van een haan
kukuryku
noun
1. en 2. (citrusvrucht van) plant Citrus japonica
kumkwat
verb
1. in staat zijn om, het vermogen hebben om
  1. móc
  2. umieć
noun
1. toepassing van opvallende vaardigheid en verbeelding om iets moois of betekenisvols te scheppen
  1. sztuka
  2. umiejętność
noun
1. iemand die zijn creatieve talenten gebruikt om kunst te maken
artysta
noun
artystka
adjective
1. door menselijk, moedwillig ingrijpen tot stand gekomen
sztuczny
noun
1. sport waarbij individuelen, paren en groepen schaatsers rotaties, sprongen en andere bewegingen op het ijs maken, die vaak met muziek wordt uitgevoerd
łyżwiarstwo figurowe
noun
1. een schilder van kunstwerken
malarz
noun
1. een schilderes van kunstwerken
malarka
/ˈkʏns.tal/, /ˈkʏns.taɫ/
noun
1. een artificiële of geconstrueerde taal is een taal waarvan de structuur, vocabulair en grammatica speciaal ontworpen is door een individu of een kleine groep, inplaats van op een natuurlijke wijze geëvolueerd in een cultuur
język sztuczny
/kʌnstwɛrk/
noun
1. resultaat van een inspanning om iets te maken dat bijzonder mooi of indringend is
dzieło sztuki
/kʏrk/
noun
  1. 1. afdichting voor flessen, gemaakt uit de veerkrachtige schors van een bepaalde boomsoort, Quercus suber
  2. 1. licht, poreus materiaal, afkomstig van de kurkeik
korek
/kʏr.kɛi̯k/, /kʏr.kɛːk/, /kʏrk.ʔɛi̯k/
noun
1. Quercus suber; een boom uit de napjesdragersfamilie
dąb korkowy
noun
1. een werktuig om flessen te ontkurken
korkociąg
noun
plant en specerij
kurkuma
noun
1. het de lippen ergens tegenaandrukken om affectie uit te drukken
pocałunek
noun
1. een met zacht materiaal gevulde zak, dienende om het (slaap)comfort van de gebruiker te verbeteren
poduszka
verb
1. een kus geven
całować
/'kɵst/
noun
1. de waterkant langs de zee
  1. wybrzeże
  2. brzeg
/kɵt/
noun
vrouwelijk schaamdeel
pizda
noun
1. een oord met geneeskrachtige baden
uzdrowisko
/kʋɑp/
noun
2. een gedeelte van lever, longen of hersenen
płat
noun
1. langwerpige, op de bodem levende zoetwatervis, Lota lota
miętus
/kʋɑk/
noun
2. bepaalde reigersoort, Nycticorax nycticorax
ślepowron
verb
1. witter
kwakać
/kʋɑl/
noun
1. vrijzwemmend, voornamelijk in zee levend ongewerveld dier met een geleiachtig lichaam in de vorm van een klok of paraplu
meduza
noun
kwalifikacja
/kvalitɑ'tif/
adjective
1. naar de hoedanigheid, betreffende de kwaliteit
jakościowy
noun
2. eigenschap
jakość
noun
1. de kleinste natuurlijke eenheid die in onze kosmos voorkomt
kwant
noun
komputer kwantowy
noun
vorm van onkraakbare beveiliging voor elektronische communicatie
kryptologia kwantowa
noun
1. studie en beschrijving van het gedrag van de kleinste deeltjes
mechanika kwantowa
noun
een theoretisch kader voor de constructie van kwantummechanische modellen van veld-achtige systemen of, equivalent, veeldeeltjessystemen
kwantowa teoria pola
noun
3,4
kwarta
noun
een kwart van een kalenderjaar
kwartał
noun
1. Coturnix coturnix, vederwild en hoendervogel
przepiórka
noun
1. bepaald soort vogel, Crex crex
derkacz
noun
1. kwart uur
kwadrans
noun
1.
ćwierćnuta
noun
1.
pauza ćwierćnutowa
noun
een vorm van siliciumdioxide
kwarc
/ˈkwe.peːr/, /ˈkʋe.pɪːr/, /ˈkβ̞e.peːr/
noun
1. een peervormige vrucht van de Cydonia oblonga
  1. pigwa pospolita
  2. pigwa
/'kʋekə(n)/
verb
1. dieren of planten verzorgen en hun voortplanting mogelijk maken
uprawiać
adjective
1. weinig beschermd tegen beschadiging
wrażliwy
verb
  1. 1. beschadigen, schaden
  2. 2. beledigen, schofferen
ranić
pronoun
1.
Kwidzyn
noun
1. een scheikundig element en zilverwit overgangsmetaal met symbool Hg en atoomnummer 80
rtęć
noun
1. benaming voor vogels uit de geslachten Motacilla en Dendronanthus
  1. pliszka
  2. siwa
noun
1. een metaal dat vloeibaar is bij kamertemperatuur
rtęć
noun
1.
kwinta
verb
1. druk met de staart zwaaien.
machać
/ˈkʋɪstəx/, /ˈkβ̞istəç/
adjective
1. op lichtzinnige wijze verbruikend
marnotrawny
pronoun
1. de hoofdstad van Oekraïne
Kijów
pronoun
La Mancha
pronoun
La Rioja
/lax/
adjective
  1. 1. niet ver boven iets anders zijn
  2. 2. niet vergevorderd zijn in een rangorde of volgorde
  3. 3. geluid met een klein aantal trillingen per tijdseenheid
  4. 4. met een beperkt aanzien
niski
/lax/
noun
1. iets dat zich in twee richtingen uitstrekt maar in de derde een beperkte dikte heeft
warstwa
noun
1. weg die aan beide kanten wordt geflankeerd door bomen
aleja
noun
1. een schoen met een hoge schacht die een deel van het been bedekt
kozaki
adjective
  1. 2. 's avonds, 's nachts
    1. późno
    2. późny
  2. 1. na het voorziene ogenblik
    spóźniony
adjective
1. overtreffende trap van laat
ostatni
noun
1. ruimte voor wetenschappelijk onderzoek
laboratorium
noun
1. een stelsel van paden of dwaalwegen, zodanig aangelegd dat men daarin moeilijk de weg kan vinden
labirynt
verb
1. zichtbaar en/of hoorbaar blij zijn met iets of iets grappig vinden
  1. śmiać się
  2. rechotać
noun
is een suiker die o.a. in melk voorkomt
laktoza
noun
het niet kunnen verdragen van melksuiker
nietolerancja laktozy
noun
1. iets dat ontbreekt
luka
noun
1. houten of metalen voorwerp met treden om makkelijk op hoger gelegen plaatsen te komen
drabina
noun
1. uitschuifbare bergplaats
szuflada
/ˈlaːdə(n)/
verb
  1. 1. van een lading voorzien
  2. 2. van elektriciteit voorzien
ładować
noun
1. goederen die vervoerd worden
ładunek
pronoun
1. Romaanse taal gesproken door 35 duizend mensen in Italië en de Verenigde Staten
ladyński
pronoun
1. op het Castiliaans gebaseerde taal van nakomelingen van Sefardische joden
Ladino
noun
1. beschadiging van het weefsel in een organisme
lezja
/lɑf/
adjective
1. een gebrek aan moed tonend
tchórzliwy
noun
1. ondiep meer
laguna
pronoun
1. stad in Pakistan
Lahaur
noun
1. stof die een dunne beschermlaag vormt nadat ze opgelost in een vluchtig oplosmiddel...
lakier
/ˈlakə(n)/
noun
2. een rechthoekig stuk stof dat ter bedekking dient, m.n. bij het slapen
prześcieradło
noun
lakmus
noun
1. jong van het schaap
jagnię
noun
1. soort Zuid-Amerikaans eeltpotig zoogdier Lama glama
lama
/lɑmp/
noun
1. een voorwerp gemaakt om licht te geven
lampa
noun
1. kap over een lamp om het licht af te schermen
abażur
noun
1. benaming voor vissen uit de familie Petromyzontidae
minogi
noun
1. een dubbelsnedig operatiemes
lancet
noun
  1. 3. een geografisch gebied aan één bepaald gezag onderworpen
    1. kraj
    2. państwo
    1. 1. gedeelte van het aardoppervlak dat boven water uitsteekt
    2. 2. dat deel van de aardbodem dat geschikt is voor bebouwing...
    ląd
  2. 4. niet verstedelijkt gebied
    1. wieś
    2. kraj
/ˈlɑntbɑuw/
noun
1. het cultiveren van land voor de voortbrengst van voedsel en andere nuttige producten
rolnictwo
verb
1. vanuit de zee, de lucht of de ruimte voet op vaste bodem zetten
lądować
noun
2. vlucht van vliegtuigen...
lądowanie
noun
1. een abstracte weergave van (een stuk van) de aarde
mapa
noun
krajobraz
noun
1. schildpad uit de familie Testudinidae
żółw lądowy
pronoun
1. en 2.
Landshut
noun
1. smalle strook land die zich in zee of meer uitstrekt
przylądek
adjective
  1. 1. van grote duur
    długi
  2. 2. van grote lengte
    wysoki
noun
1. een manier van voortbewegen op latten door de sneeuw
biegi narciarskie
noun
1.
langusta
noun
1. benaming voor muggen met opvallend lange broze poten, die de familie Tipulidae vormen
  1. komarnica
  2. koziułka
/ˈlɑŋzam/
adjective
1. met weinig snelheid
powolny
noun
1. Chemisch element
lantan
noun
lantanowce
noun
1. Chemisch element
lantan
/ˈla.ɔs/
pronoun
1. een land in Azië grenzend aan Myanmar, China, Vietnam, Cambodja en Thailand
Laos
pronoun
1. een taal die in Laos gesproken wordt
laotański
pronoun
Laponia
noun
1. kleine draagbare computer
  1. laptop
  2. notebook
noun
1. jeugdstadium van de meeste insecten en veel amfibieën
larwa
noun
lasagne
noun
1. lichtbron die uiterst intense lichtstraal van één kleur uitzendt
laser
verb
1. door plaatselijke sterke verhitting van de voeg twee metalen voorwerpen met elkaar verbinden
spawać
noun
1. iemand die stukken metaal op een naad door sterke plaatselijke verhitting verbindt
spawacz
noun
1. iets wat een mens hindert
  1. przeszkoda
  2. restrykcja
  3. trudność
noun
1. een gedomesticeerd dier dat men gebruikt om vracht te vervoeren
zwierzę juczne
noun
1. latei
nadproże
verb
  1. 3. niet doen
  2. 4. niets veranderen
  3. 5. vertrekken
  4. 6. aansporing
zostawić
/'la.tɛks/
noun
lateks
pronoun
1. taal van de Romeinen in de oudheid, die later in gebruik bleef in religie en wetenschap
  1. łacina
  2. łaciński
pronoun
Ameryka Łacińska
noun
boom en kruid
  1. wawrzyn
  2. laur
noun
2. (gedroogde) bladeren van Laurus nobilis
liść laurowy
pronoun
1.
Lozanna
pronoun
1.
Góry Łużyckie
/laʊ̯/, /lʌʊ̯/, /lʌː/
adjective
1. een temperatuuraanduiding die tussen warm en koud ligt
letni
noun
1. vloeibaar gesteente dat uit een vulkaan tevoorschijn komt
lawa
noun
1. koepelvormige structuur die ontstaat als lava die rijk is aan silica naar buiten treedt uit de barsten en spleten van een groeiende kussenachtige structuur
lopuła wulkaniczna
noun
1. Lavandula, een struik uit de lipbloemenfamilie Lamiaceae
lawenda
verb
1-2 bij tegenwind zigzagsgewijs opzeilen
halsować
/la'ʋaj/
noun
1. luid en storend geluid
hałas
/la'ʋinə/
noun
1. een sneeuwverschuiving op een berghelling
lawina
noun
1. Chemisch element
lorens
noun
1. de vierde maag van een herkauwer, zoals een rund
trawieniec
/ˈledəmat/
noun
1. een aan de romp aanhangend onderdeel van het lichaam dat door spieren bewogen kan worden...
kończyny
noun
1. de tijd dat iemand leeft of geleefd heeft, het totaal aantal levensjaren
wiek
/lex/
adjective
1. zonder inhoud
  1. pusty
  2. próżna
  3. próżne
  4. pusta
  5. puste
/lek/
noun
  1. 1. iemand die niet deskundig is op een bepaald gebied
  2. 2. iemand die niet tot de geestelijke stand behoort, gewone gelovige
laik
/lem/, /leɪm/
noun
1. kleihoudende grondsoort
glina zwykła
/len/
noun
1. leengoed; vastgoed dat door de heer aan zijn vazal ten gebruike werd afgestaan
lenno
/ˈlenvərˌtalɪŋ/
noun
1. woord dat aan een vreemde taal is ontleend in letterlijke vertaling en analoge constructie
kalka
/ˈlenʋɔːrt/
noun
1. een woord dat door een taal aan een andere taal ontleend is
zapożyczenie
noun
1. een boek bedoeld om er iets uit te leren
podręcznik
noun
1.
uczeń
noun
1. iemand die onderwijs volgt
uczeń
noun
1. conventioneel symbool in interpunctie
znak interpunkcyjny
pronoun
2. teken van de dierenriem van 23 juli tot 23 augustus
Lew
noun
1. Panthera leo een groot katachtig roofdier met lange manen
lew
noun
lwia część
noun
skowronek
noun
1. vrouwtje van de leeuw
lwica
adjective
1. wettig, rechtmatig
  1. prawomierny
  2. prawowierny
noun
1. testamentaire beschikking
zapis
/ˈleːɣər/, /ˈleːχər/
noun
1. een militaire strijdmacht
armia
noun
1. Metaalverbinding van twee of meer elementen
  1. stop
  2. aliaż
/ˌleɣyˈwan/
noun
1. hagedis
  1. legwan
  2. iguana
pronoun
Lejda
verb
1. een leidinggevende functie hebben
doprowadzać
noun
leitmotiv
noun
1. blauwgrijs gesteente
łupek
noun
1. opening waardoor een vloeistof of een gas in of uit kan
przeciek
adjective
1. aangenaam van smaak
  1. smaczny
  2. apetyczny
/ˌlɛ.kər.ˈnɛi/
noun
smakołyk
noun
  1. liliowate
  2. lilia
/le.li.tʲə.vɑn.da.ləⁿ/
noun
1. bepaald soort kleine tot 30 centimeter hoge vaste plant, Convallaria majalis
konwalia majowa
/ˈleːlək/
adjective
1. onprettig om naar te kijken, niet mooi
brzydki
noun
3. een hulpstelling waarvan de juistheid in afwachting van nader bewijs wordt aangenomen
lemat
noun
1. een knaagdier dat vooral in het hoge noorden op de toendra's voorkomt
leming
noun
1. laagste deel van de rug voor het kruis
lędźwie
verb
1. iets wat eigendom is van een ander tijdelijk gebruiken, al dan niet in ruil voor een kleine vergoeding
pożyczać
noun
1. kabeljauwachtige zoutwatervis, Molva molva
molwa pospolita
/ˈlɛŋktə/
noun
  1. 1. afmeting van een voorwerp
  2. 2. tijdsduur
długość
noun
długość geograficzna
noun
pożyczka
noun
  1. 1. een geslepen stuk transparant materiaal dat lichtstralen breekt
  2. 2. een stelsel van lenzen of lensdelen dat op een camera zit zodat er een scherp beeld op de film of CCD wordt geprojecteerd
  3. 3. een zeer kleine glazen of kunststof lens die men direct op de oogbol plaatst ter vervanging van een bril
soczewka
noun
1. seizoen
wiosna
pronoun
. spelwoord voor de letter l
Lew
noun
1.
leoński
/ˈlepəɫ/
noun
1. een voorwerp bestaande uit een greep en een kom(metje), waarmee vloeibaar voedsel wordt gegeten
  1. łyżka
  2. łyżeczka
noun
1. een steltloper ter grootte van een ooievaar met een lepelvormige snavel
warzęcha
noun
2. benaming voor kruisbloemige planten van het geslacht Cochlearia
warzucha
noun
1. bepaald soort vis met lepelvormig verbrede bek die 2 meter lang kan worden en meer dan 80 kilogram kan wegen, Polyodon spathula
wiosłonos amerykański
noun
trąd
/ˈleːraˑr/
noun
1. iemand die lesgeeft
nauczyciel
noun
nauczycielka
/ˈleːrə/, /ˈlɪːrə/
verb
  1. 2. kennis of vaardigheid doen verwerven
    uczyć
  2. 1. kennis of vaardigheid verwerven
    uczyć się
/lɛs/
noun
1. onderricht gedurende een korte tijd
lekcja
/le.'sɔ.to/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel het Koninkrijk Lesotho
  1. Lesotho
  2. Lesoto
/ˈlɛsə(n)/
verb
1. met vocht de dorst beëindigen
gasić
/lɛt/
noun
1. een inwoner van Letland, of iemand afkomstig uit Letland
Łotysz
noun
  1. 1. een toestand van geestelijke ongevoeligheid
  2. 2.
letarg
/ˈlɛtlɑnd/, /ˈlɛtlɑnt/
pronoun
1. een Europees land aan de Oostzee
Łotwa
/lɛts/
adjective
1. betreffende Letland
łotewski
/lɛts/
pronoun
1. de officiële taal van Letland
  1. łotewski
  2. język łotewski
/ˈlɛtsə/
noun
1. inwoonster van Letland
Łotyszka
noun
1. een teken om in geschreven taal een klank van de gesproken taal weer te geven
litera
/ˈlɛtərˌxrep/, /ˈlɛtərˌɣrep/
noun
1. elk van de groepen waarin een woord kan worden verdeeld
  1. sylaba
  2. zgłoska
/'lɛtərzɛtər/
noun
  1. 2. Ips typographus, een schorskever die vooral leeft op de spar
    kornik drukarz
  2. 1. tekstopmaker
    zecer
/ˈløːɣən/, /ˈlʏːχən/
noun
1. mededeling die niet waar is, met de bedoeling om anderen te misleiden
kłamstwo
noun
1. iemand die bewust dingen zegt die niet waar zijn
kłamca
noun
1. bloedkanker
białaczka
/ˈløːˌvə(n)/
pronoun
1. de provinciehoofdstad van Vlaams-Brabant in België
  1. Lowanium
  2. Leuven
/'levən/
noun
  1. 1. een voortbestaan van organismen, gericht op groei en/of vermenigvuldiging
  2. 2. de tijdsspanne die men levend doorbrengt
  1. życie
  2. żywot
/'levən/
verb
1. het doormaken van het leven
żyć
noun
1.
jaszczurka żyworodna
adjective
1. tot de dood durend
dożywotni
noun
1. een bruinkleurig orgaan dat gal produceert
wątroba
/ˈlevərˌblumpʲə/
noun
1. Hepatica nobilis, een plant uit de ranonkelfamilie
  1. Przylaszczka
  2. przylaszczka pospolita
/ˈlevərə(n)/
verb
1. voor de aanvoer van iets zorg dragen
dostarczać
pronoun
1.
Leverkusen
noun
tran
pronoun
Księga Kapłańska
verb
1. zien en interpreteren van geschreven tekst
  1. czytać
  2. przeczytać
noun
1. iemand die (een bepaald geschrift) leest
czytelnik
/ˈli.ba.nɔn/, /ˈli.bɑ.nɔn/
pronoun
land in het Midden-Oosten, grenzend met Israël en Syrië, officieel de Libanese Republiek
Liban
/li.ˈbɛl/, /li.ˈbɛɫ/
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Odonata
  1. ważka
  2. libella
  3. poziomica
  4. poziomnica
/li.'beː.ri.ja/, /li.'bɪː.ri.ja/
pronoun
land in West-Afrika, officieel de Republiek Liberia
Liberia
/'libido/
noun
1. geslachtsdrift
libido
adjective
1. op Libië betrekking hebbend
libijski
/ˈli.bi.jə/
pronoun
1. een land in Noord-Afrika, officieel de Staat Libië
Libia
noun
1.de gangbare benaming voor het tekstboekje van een opera, operette, ballet of musical
libretto
noun
    1. 3. een hoeveelheid materie met een bepaalde vorm
    2. 2. een instantie
    ciało
  1. 1. een geheel van botten, vlees en organen van een mens of dier
    1. ciało
    2. organizm
adjective
  1. 1. helder van kleur
    1. jasny
    2. światło
  2. 2. van een gewicht
    lekki
  3. Vertalingen: na te kijken en onderverdelen per verklaring
    1. lekki
    2. lekka
    3. lekkie
    4. lekcy
noun
  1. 2. lichtbron
    1. oświetlenie
    2. światło
  2. 1. Elektromagnetische golven
    1. światło
    2. jasny
noun
1. de afstand die het licht in één jaar aflegt, ongeveer 9460 miljard kilometer
rok świetlny
noun
1. de snelheid waarmee het licht zich voortplant in het luchtledige (ongeveer 299792 km/s)
prędkość światła
noun
    1. 1. iemand die behoort tot een groep, organisatie of sekte
    2. 3. mannelijk geslachtsdeel
    członek
  1. 4. ooglid
    powieka
noun
1. de status van iemand als lid van een organisatie
członkostwo
noun
  1. rodzajnik
  2. przedimek
/ˈlixtə(n)ˌstɛɪ̯n/, /ˌlixtə(n)ˈstɛːn/, /ˌliχtə(n)ˈstɛɪ̯n/
pronoun
1. een klein land in Europa gelegen tussen Zwitserland en Oostenrijk
Liechtenstein
noun
1. muzikale vorm waarin tekst op muziek wordt verklankt
  1. piosenka
  2. pieśń
noun
1.het geven van hulp
charytatywność
noun
1. uiting of gevoel van grote genegenheid en/of het zich aangetrokken voelen
miłość
verb
1. liefde voelen tot iemand of iets
kochać
verb
1. met opzet feiten vertellen die niet de waarheid zijn maar wel als dusdanig worden gepresenteerd
  1. kłamać
  2. łgać
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Lutnia
/lir/
noun
1. een Grieks snaarinstrument
lira
noun
1. anatomie
pachwina
noun
1. benaming voor kevertje van de familie Coccinellidae
  1. biedronka
  2. boża krówka
/ˌlivə'vraʊ̯wəˌbɛtstro/, /ˌlivəˌvrɔʊ̯β̞ə'bɛtstro/, /ˌlivəˌvrʌʊ̯β̞ə'bɛtstro/
noun
1.
  1. przytulia wonna
  2. marzanka wonna
noun
1. een verticaal transportsysteem voor goederen en mensen
  1. winda
  2. dźwig
noun
1. lifter
autostopowicz
noun
1. opwaartse kracht
siła nośna
noun
liga
noun
  1. ligand
  2. addent
noun
rower poziomy
verb
  1. 1. zich horizontaal in toestand van rust gelegd hebben
  2. 2. op een bepaalde plaats bevinden
leżeć
noun
1. de wijze waarop iets of iemand gelegen is
położenie
/lɪχ.ˈni.nə/
noun
1. een aromatische verbinding die door nagenoeg alle planten wordt gemaakt en die de plant stevigheid geeft
lignina
noun
1. een stoel waarin men gemakkelijk kan liggen
leżak
pronoun
Liguria
noun
1. olijfachtige heester veel gebruikt voor het maken van heggen
ligustr
verb
1. smart en ellende ondergaan
cierpieć
phraseologicalUnit
1. zinsdeel waarop de actie die wordt uitgedrukt door een overgankelijk werkwoord rechtstreeks van toepassing is
dopełnienie bliższe
noun
1. het stelsel vormen van een werkwoord dat aangeeft dat het onderwerp...
strona bierna
/lɛi̯f/
noun
1. lichaam
ciało
noun
1. levenslange rente
umową renty
noun
1. hybride kruising tussen een mannetjesleeuw en een vrouwtjestijger
lygrys
noun
1. dood lichaam
  1. trup
  2. zwłoki
noun
1. textiel waarin een overledene begraven wordt
całun
noun
1. een voortuig ingericht om een stoffelijk overschot te vervoeren
karawan
noun
1. plakmiddel
klej
verb
1. twee of meer delen aan elkaar bevestigen met behulp van een kleefstof
kleić
/lɛi̯n/
noun
2.
prosta
/lɛist/
noun
1. een opsomming van zaken die onder elkaar staan
lista
noun
1. benaming voor zangvogels uit de familie Turdidae
drozd
noun
1. geslacht van loofbomen, Sorbus
jarząb
noun
nagniotek
noun
1. een drank bereid met gestookte alcohol, aangevuld met smaakstoffen en veelal ook suiker
likier
verb
1. met de tong aanraken
lizać
noun
1. lichte tint van paars
liliowy
noun
1. en 2. (zaden van) plant Phaseolus lunatus
fasola półksiężycowata
/ˈlɪm.bʏrx/, /ˈlɪm.bʏrχ/
pronoun
1. provincie in het zuidoosten van Nederland
Limburgia
/ˈlɪm.bʏrxs/, /ˈlɪm.bʏrχs/
pronoun
1. verzamelnaam van een reeks variëteiten van de Germaanse taalfamilie
limburgijski
noun
limnologia
noun
1. Een citrusvrucht
  1. limeta
  2. limonka
  3. lima
noun
1. een drank die vervaardigd is van citroensap, suiker en water
lemoniada
/ˈlɪndə/
noun
loofboom
lipa
noun
1. wetenschap die taal als onderzoeksobject heeft
lingwistyka
/ˌliniˈ<sup>ʲ</sup>aɫ/
noun
1. een meetinstrument waarmee lengtes kunnen worden opgemeten
linijka
noun
2. een verwijzing
link
noun
1.
lewy brzeg
adjective
1. tegenovergestelde van rechts
lewy
adjective
1. wanneer men de linkerhand verkiest boven de rechter voor alledaagse handelingen
leworęczny
noun
1. lange, smalle strook stof
taśma
noun
1. een platte worm die parasiteert in de darm bij mens en dier
tasiemiec
noun
piła taśmowa
noun
1. anatomie
warga
noun
  1. 1. stift met zacht materiaal dat op de lippen opgebracht wordt om de kleur daarvan beter te laten uitkomen
  2. 2. zacht materiaal dat op de lippen opgebracht wordt om de kleur daarvan beter te laten uitkomen
szminka
noun
1. Typha
pałka
pronoun
1.
Lizbona
/'lɪst/
noun
  1. 1. een oplossing voor een probleem waardoor tegenstrevers worden verrast
  2. 2. vermogen om een oplossing die tegenstrevers verrast, te bedenken
podstęp
/litər/
noun
1. een inhoudsmaat voor voornamelijk vloeistoffen en gassen
litr
adjective
literacki
noun
  1. 2. het geheel van als kunstzinnig beschouwde geschreven werken, m.n. proza of poëzie
  2. 3. de verzameling geschreven en na controle door vakgenoten gepubliceerde mededelingen van een vakgebied
literatura
/ˈlitiˌʲʏm/
noun
1. chemisch element en een zilverwit alkalimetaal
lit
/liˈtaʊ̯.wə(n)/, /liˈtɑuwə(n)/, /liˈtɔʊ̯.β̞ə(n)/, /ˈliˌtʌʊ̯.β̞ə(n)/
pronoun
1. een Europees land ter hoogte van Wit-Rusland
Litwa
/liˈtaʊ̯.wər/, /ˈlitɔʊ̯.β̞ər/, /ˈlitʌʊ̯.β̞ər/
noun
1. inwoner van Litouwen
Litwin
/liˈtaʊ̯s/, /ˈlitɔʊ̯β̞s/, /ˈlitʌʊ̯s/
adjective
1. betreffende Litouwen of het Litouws
litewski
/liˈtaʊ̯s/, /ˈlitɔʊ̯β̞s/, /ˈlitʌʊ̯s/
pronoun
1. een Baltische taal die wordt gesproken in Litouwen
  1. litewski
  2. język litewski
/liˈtaʊ̯sə/, /ˈlitɔʊ̯β̞sə/, /ˈlitʌʊ̯sə/
noun
1. vrouwelijke inwoner van Litouwen
Litwinka
noun
1. zichtbaar overblijfsel van een oude verwonding
blizna
noun
1. eertijds een dienst ten bate aan de gemeenschap waartoe de rijken verplicht waren...
liturgia
noun
1. scheikundig element met symbool Lv en atoomnummer 116
liwermor
noun
lobotomia
/loka'tif/
noun
1. de zevende naamval die een betrekking van plaats aanduidt
miejscownik
noun
1.
lokomotywa
pronoun
  1. 1. eigennaam van Frankische herkomst
  2. 2. spelwoord voor de letter l
Ludwik
noun
1. met vlees en groente gevulde en gefrituurde lap deeg
sajgonka
noun
lupa
noun
Łaskun muzang
noun
2. groente
cykoria
noun
1. snelheidsmeter voor zeegaande schepen
log
noun
1. de exponent van de macht waartoe een gegeven getal verheven moet worden om een ander getal te krijgen
logarytm
noun
logika
adjective
logistyka
noun
1. beeldmerk, logogram, naambeeld
logo
/lɔk/
noun
1. haarlok, pluk haar
kędzior
noun
1. stuk vlees of vis bedoeld om een dier mee te kunnen vangen.
przynęta
/ˈlɔlɪ/
noun
snoepje
lizak
noun
1. zeevis, behorende tot de dorsvissen
brosma
pronoun
Lombardia
/ˈlɔndən/
pronoun
1 en 2
Londyn
noun
1. orgaan waarin gaswisseling plaatsvindt tussen lucht en bloed ten behoeve van het metabolisme.
płuco
/'lɔŋɔntsteːkɪŋ/
noun
1. een ontsteking in de longen
zapalenie płuc
noun
1. bloedvat dat vanuit de rechter hartkamer naar de longen gaat
tętnica płucna
noun
1. een scheikundig element met symbool Pb en atoomnummer 82
ołów
noun
1. vakman die zich bezighoudt met de aanleg en het onderhoud van sanitair, verwarmingsinstallaties, waterleidingen en/of riolering
hydraulik
adjective
2. in een rechte hoek
prostopadły
/loːx/
noun
een alkalische substantie
ług
noun
1. (beroep) een persoon die van de huid van dieren leer maakt
garbarz
adjective
van groot gewicht
ciężki
/loːn/
noun
1. financiële vergoeding voor geleverde arbeid
  1. pensja
  2. wynagrodzenie
/loːp/
noun
voorste deel van een wapen
lufa
/ˈlopχraf/
noun
1. een uitgegraven geul, diep en breed genoeg dat men er in kan lopen...
okop
verb
1. stappen, gaan
  1. chodzić
  2. iść
noun
4. schaakstuk dat zich slechts diagonaal verplaatsen mag
  1. goniec
  2. laufer
noun
1. geld betaald voor iemands vrijlating
okup
noun
loteria
pronoun
Lotaryngia
pronoun
1.
Luizjana
pronoun
1. naam van een van Jezus' discipelen
Łukasz
/lʏxt/
noun
1. mengsel van gassen waaruit de afmosfeer bestaat
powietrze
noun
1. een aanval vanuit de lucht op een grondpositie
nalot
noun
1. een vliegveld voor verkeersvliegtuigen met accommodatie voor ontvangst en vertrek van passagiers
lotnisko
noun
1. een vaartuig dat zowel over water als over land op een luchtkussen voortzweeft.
poduszkowiec
/ˈlʏxmɑxt/, /ˈlʏχmɑχt/
noun
1. een krijgsmacht in de lucht die bestaant uit vliegtuigen, raketten, projectielen en personeel
siły powietrzne
noun
tchawica
noun
1. verkeer in de lucht
lotnictwo
noun
1. een bedrijf dat vervoer door de lucht aanbiedt
linia lotnicza
noun
1. een stokje met een zwavelkopje, dienende om vuur te maken
zapałka
/lœʏ/, /lœː/
adjective
1. werkschuw, niet houden van inspanning of werk
leniwy
noun
2. benaming voor zoogdieren uit de onderorde Folivora
leniwiec
noun
głośnik
noun
  1. pielucha
  2. pieluszka
noun
1. het ontbreken van de wil iets te doen
lenistwo
/lœʏ̯k/, /lœːk/
pronoun
  1. 1. een provinciehoofdstad in België
  2. 2. een Belgische provincie
Liège
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera pardus
  1. lampart
  2. leopard
/lœʏ̯s/, /lœːs/
noun
1. benaming voor verschillende meestal vleugelloze insecten die parasiteren op dieren en planten
wesz
/'lœstərə(n)/
verb
1. gericht waarnemen met het oor
słuchać
noun
1. luit
lutnia
/ˈlykɑs/
pronoun
Łukasz
noun
1. geslachtsdeel van de man
chuj
noun
luminancja
noun
1.
luminescencja
adjective
księżycowy
verb
1. de lunch gebruiken
obiadować
noun
1. en 2. (zaden van) geslacht Lupinus
łubin
noun
1. scheikundig element met symbool Lu en atoomnummer 71
lutet
/lyks/
noun
1. niet alledaagse dingen die gebruikt worden voor het persoonlijk genot
luksus
/ˈlyksəmˌbʏrx/, /ˈlyksəmˌbʏrχ/
pronoun
1.-3.
  1. Luksemburg
  2. Luksemburgia
/ˈlyksəmˌbʏrxs/, /ˈlyksəmˌbʏrχs/
pronoun
1. een taal die in Luxemburg gesproken wordt
luksemburski
adjective
luksusowy
pronoun
Lwów
noun
1.
liczi
noun
zapalenie naczyń chłonnych
adjective
1.
limfatyczny
noun
chłonka
verb
1. iemand executeren zonder rechtsgeldig proces, met name door opknoping
linczować
noun
1. bepaald soort zoogdier, Lynx lynx
ryś
pronoun
1.
Lyon
/maːx/
noun
1. Orgaan
żołądek
noun
1. het kanaal
układ pokarmowy
pronoun
  1. 2. teken van de dierenriem waar de zon in staat van ca. 23 augustus tot ca. 23 september
  2. 1. sterrenbeeld van de dierenriem
  3. 3. de moeder van Jesus
Panna
/maːxt/, /maːçt/
noun
1. ongerepte jonge vrouw
dziewica
adjective
dziewiczy
/ˈmaɣdəˌvlis/, /ˈmaʝdəˌvlis/
noun
vlies
błona dziewicza
noun
kwas żołądkowy
/ma:l/
verb
1 1. telkens terugkerend tijdstip waarop iets gebeurt
raz
noun
1. een hoeveelheid toebereid voedsel die voldoende is geruime tijd de lichamelijke behoefte te bevredigen
posiłek
/maːn/
noun
  1. księżyc
  2. miesiąc
/maːnt/
noun
1. elk van de twaalf met een eigen naam onderscheiden tijdvakken van 28, 30 of 21 dagen waarin een jaar verdeeld wordt
miesiąc
/ˈmaːndɑx/
noun
1. een dag van de week, de eerste dag na het weekeinde
poniedziałek
/ˈman.də.ləks/, /ˈmaːn.də.lɪks/
adjective
1. iedere maand een keer
miesięczny
noun
lądowanie na Księżycu
noun
1. het zonlicht dat van de maan naar de aarde reflecteert
światło księżyca
/ˈmansvərˌdœʏ̯stərɪŋ/, /ˈmansvərˌdœːstərɪŋ/
noun
1. het verschijnsel dat de maan verduisterd raakt doordat ze in de schaduw...
zaćmienie Księżyca
noun
mak
/maːr/
conjunction
1. tegenwerping, introduceert een zin(sdeel) dat het voorgaande zin(sdeel) tegenspreekt of er mee contrasteert
  1. ale
  2. chociaż
noun
marszałek
/maːrt/
noun
1. derde maand van het jaar
marzec
pronoun
Rewolucja marcowa
/mas/
pronoun
1. een rivier die onspringt in Frankrijk en door België en Nederland stroomt
Moza
/maːt/
noun
  1. 3. eenheid van lengte enz.
    1. miara
    2. takt
  2. 6. (muziek) manier om een muziekstuk ritmisch in te delen
    takt
noun
1. een glazen kolf met een geijkte maatstreep voor het nauwkeurig bepalen van een volume vloeistof
kolba miarowa
noun
1. iets dat wordt beslist om een doel te treffen
środek
noun
eenheid, grootheid, standaardnorm of criterium waaraan iets anders (bijv. een andere grootheid) wordt afgemeten
miara
pronoun
1. een stad op een eiland aan de zuidkust van China, ten westen van Hong Kong
Makau
pronoun
1. Slavische taal die vooral wordt gesproken in de Noord-Macedonië
macedoński
/ˌmasəˈdoni.jə/, /ˌmasəˈdoːni.jə/
pronoun
  1. 3. land
  2. 1. historisch Grieks koninkrijk
  3. 2. regio in Griekenland
Macedonia
/ˌmasəˈdoni.jər/, /ˌmasəˈdoːni.jər/
noun
1. inwoner van Macedonië
Macedończyk
/mɑˈʃinə/
noun
maszyna
noun
1. het vermogen om elders de eigen wil op te leggen
  1. potęga
  2. władza
noun
1. een handwerktechniek om decoraties of weefsel te maken, door het met de hand knopen van draden
makrama
adjective
1. met het blote oog waarneembaar
makroskopowy
/ma.da.'ɣɑs.kɑr/, /ˌma.dɑ.'χɑs.kɑr/
pronoun
2. staat op het bovengenoemde eiland, de Republiek Madagaskar
Madagaskar
noun
1. Pootloze larve
  1. czerw
  2. larwa
noun
1. Bellis perennis
stokrotka pospolita
pronoun
Madryt
noun
1. criminele organisatie, oorspronkelijk van Sicilië
mafia
/ˈma.ɣər/, /ˈma.χər/
adjective
1.
chudy
noun
1. magerzucht, eetstoornis
anoreksja
adjective
1.met een bijzondere, bovennatuurlijke betekenis
magiczny
noun
magnal
noun
  1. 1. gemagnetiseerd metaal
  2. 2. persoon, zaak of plaats
magnes
noun
pole magnetyczne
noun
1. Chemisch element
magnez
adjective
1. verschijnselen vertonend die toegeschreven kunnen worden aan een kringstroom...
magnetyczny
noun
magnetyzm
/ˈmɑɣ.nə.trɔn/, /ˈmɑχ.nə.trɔn/
noun
  1. 1. een toestel waarin met zeer korte en gerichte golven voedsel in zeer korte tijd warm kan worden gemaakt
    1. kuchenka mikrofalowa
    2. mikrofalówka
    3. mikrofala
  2. 2. een type elektronenbuis
    magnetron
/mɑjs/
noun
1. een graansoort afkomstig uit Midden-Amerika
  1. kukurydza
  2. kukurydza zwyczajna
noun
1. en 2. verbinding van glucose en koolhydraten of bindmiddel dat uit maiskorrels wordt gewonnen
skrobia kukurydziana
noun
1.
majestat
noun
ordynacja
/ˈmaːkən/
verb
  1. robić
  2. zrobić
adjective
1. niet moeilijk, waar weinig moeite en inspanning voor vereist is
łatwy
noun
1. bepaalde soort zeevis, Scomber scomber
makrela
noun
1. infectieziekte die veroorzaakt wordt door eencellige parasieten van het geslacht Plasmodium
malaria
/ma.'la.wi/, /ma.'la.ʋi/, /ma.'la.β̞i/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel de Republiek Zambia, dat niet aan de zee grenst
Malawi
pronoun
1.
Malbork
/mɑl.ˈdi.və(n)/, /mɑɫ.ˈdi.və(n)/
pronoun
1. land in de Indische Oceaan
Malediwy
pronoun
  1. Malachiasz
  2. Księga Malachiasza
/mɑ.ˈlɛɪs/
pronoun
1. een Austronesische taal en de officiële taal van Maleisië, Brunei en Singapore die ook in delen van...
malajski
/maˈlɛ:zi.jə/, /maˈlɛɪ̯zi.jə/
pronoun
1. een land in het zuidoosten van Azië dat bestaat uit twee afzonderlijke delen die gescheiden worden door de Zuid-Chinese Zee
  1. Malaysia
  2. Malezja
/'ma.li/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Mali
Mali
/ˈmɑlta/, /ˈmɑɫta/
pronoun
  1. 1. eiland in de Middellandse Zee
  2. 2. land in de Middellandse Zee
Malta
/mɑlˈteːs/, /mɑɫˈtes/
noun
1. inwoner van Malta of iemand die van Malta afkomstig is
maltański
/mɑlˈteːs/, /mɑɫˈtes/
pronoun
1. Semitische taal die wordt gesproken door 570 duizend mensen op Malta
maltański
/mɑlˈteːsə/, /mɑɫˈtesə/
noun
1. vrouwelijke inwoner van Malta
Maltanka
noun
1. schadelijke software
  1. szkodliwe oprogramowanie
  2. złośliwe oprogramowanie
  3. malware
noun
1. benaming voor zoogdieren uit het geslacht Mammuthus
mamut
/mɛn/
pronoun
1. een eiland in de Ierse Zee
Man
noun
1. persoon van het mannelijk geslacht
mężczyzna
noun
1. een persoon die de leiding heeft over een afdeling binnen een organisatie
manager
pronoun
Manaus
noun
1. een dubbele of stevige stof aan rond de opening van de mouw of hals
mankiet
noun
1. een sierknoop die de manchet aan de mouw van een overhemd sluit
spinka do mankietu
noun
1. een bak gemaakt van gevlochten rotan of tenen voorzien van een handvat
kosz
noun
1. Een citrusvrucht
mandarynka
noun
1. schil van Citrus reticulata, Citrus reticulata var. 'mandarine' of Citrus × tangerina
skórka mandarynki
noun
1. een klein, luitvormig tokkelinstrument met vier paar snaren waarop met een plectrum getokkeld wordt
mandolina
noun
1. Chrysocyon brachyurus, Zuid-Amerikaanse wilde hondachtige, meer verwant met de vos dan met de wolf
wilk grzywiasty
/ˈmɑŋɣa/
noun
1. Japans stripboek
manga
noun
1. Chemisch element
mangan
noun
1. soort oranje-groene sappige tropische vrucht
mango
/ mɑˈniːr/
noun
sposób
noun
1. openlijke bekendmaking van een staatshoofd, regering, leider of politieke partij
manifest
noun
1. en 2. (wortel van) de plant Manihot esculenta
maniok
noun
manipulacja
adjective
  1. 1. tot geslacht behorend dat voor bevruchting zorgt
  2. 2. behorend tot het mannelijke woordgeslacht
męski
noun
storczyk męski
pronoun
1.
Mannheim
noun
manometr
pronoun
1. een Keltische taal die (als tweede taal) wordt gesproken op het eiland Man
manx
pronoun
1. taal die door de Maori's wordt gesproken
maoryski
noun
1. variant van het communisme zoals uitgedragen en toegepast in China gedurende het derde kwart van de 20e eeuw
maoizm
pronoun
1. taal die met name in Maharashtra, een staat in India gesproken wordt, onder andere in Mumbai (Bombay)
marathi
noun
maraton
noun
1. Viscum album
jemioła
noun
margaryna
noun
1. het hoogfeest ter gedachtenis van de aankondiging (annunciatie) van de geboorte van Jezus aan Maria
Zwiastowanie
noun
marynata
/maːˈrinə/
noun
1. zeemacht
marynarka wojenna
pronoun
1.
Mariańskie Łaźnie
noun
2. kruid
majeranek
noun
adellijke titel, lager dan een hertog maar hoger dan een graaf
markiz
noun
warenverkoop op pleinen en straten
rynek
noun
gospodarka rynkowa
/mɑremər/
noun
1. een fijnkorrelige getransformeerde kalksteen dat gepolijst gebruikt wordt in de bouw- en de beeldhouwkunst
marmur
noun
1. knaagdier dat vooral in het hooggebergte leeft maar ook veel als huisdier wordt gehouden
  1. świstak
  2. świszcz
adjective
1.
marokański
/ma.ˈrɔ.ko/
pronoun
1. land in het uiterste noordwesten van Afrika
Maroko
pronoun
Mars
noun
  1. 1. regelmatige manier van lopen met afgemeten passen, vooral gebruikt door soldaten...
  2. 2. een wandeltocht
  3. 3. een mand of bak die op de rug gedragen wordt
marsz
noun
1. een Italiaanse versterkte wijn die gemaakt wordt in de omgeving van Marsala op het westelijk deel van Sicilië
Marsala
noun
1.
marcepan
/mɑr.ʃəl.ɛɪ̯.lɑn.də(n)/, /mɑr.ʃəl.ɛː.lɑn.də(n)/, /mɑr.ʃəɫ.ɛɪ̯.lɑn.də(n)/
pronoun
1. een land in Oceanië
Wyspy Marshalla
noun
1. iemand die voor een zaak lijdt of sterft en daarmee tot symbool wordt gezien van de strijd voor die zaak
męczennik
verb
1. een gevangene onderwerpen aan lichamelijke en/of geestelijke pijniging, voornamelijk teneinde informatie los te krijgen
torturować
noun
1. opzettelijk toegebrachte pijniging van een gevangene
tortura
noun
1. benaming voor zoogdieren uit het geslacht Martes
kuna
pronoun
Martynika
pronoun
1. eilandengroep in de Indische Oceaan
Maskareny
noun
1.
maska
noun
1.
masochizm
/ˈmɑsaː/
noun
1. totale hoeveelheid materie in een object
masa
noun
1. een wapen dat zeer velen doodt
broń masowego rażenia
verb
1. het toepassen van uitwendige druk op de zachte weefsels
masować
noun
    1. 1. lange, rechtop staande paal midden op het schip
    2. 3. lange paal voor vlaggen
    3. 4. hoge antenne
    4. 5. varkensvoer
    maszt
  1. 2. palen waartussen (elektriciteits- of telefoon-)draden gespannen kunnen worden
    słup
noun
1. het stimuleren van de eigen geslachtsdelen
onanizm
verb
masturbować się
noun
materia
/mɑtrɑs/
noun
1. lichaamsondersteunend onderdeel van een bed
materac
noun
1. een rechthoekig blok getallen waaraan bepaalde rekenregels toegekend worden
  1. macierz
  2. matryca
noun
1. een zeeman van de laagste rang
marynarz
pronoun
Mateusz
/ˌmaʊ̯.ri.ˈta.ni.jə/, /ˌmɔʊ̯.ri.ˈta.ni.jə/, /ˌmʌʊ̯.ri.ˈta.ni.jə/
pronoun
1. een land in Noord-Afrika, officieel de Islamitische Republiek Mauritanië
Mauretania
/maʊ̯.'ri.si.jəs/, /mɔʊ̯.'ri.si.jəs/, /mʌʊ̯.'ri.tsi.jəs/
pronoun
1. een land in de Indische Oceaan, officieel de Republiek Mauritius
Mauritius
abbreviation
1. grootst mogelijke hoeveelheid
maksimum
/ˌmajoˈnɛːzə/
noun
1. een saus op basis van eieren
majonez
pronoun
Majotta
noun
1. kinderziekte die veroorzaakt wordt door het Morbillivirus en gekenmerkt wordt door rode stipjes op de huid
odra
/ˈmaʲɪs/, /ˈmɛɪ̯s/
noun
1. bepaalde graansoort afkomstig uit Midden-Amerika, Zea mays
  1. kukurydza
  2. kukurydza zwyczajna
adjective
1. met betrekking op de mechanica, machinaal, automatisch zonder na te denken
mechaniczny
noun
1. machinerie
mechanizm
noun
1. metalen schijf, in het bijzonder als onderscheidingsteken na bepaalde prestaties
medal
noun
1. informatie die bekend wordt gemaakt
doniesienie
/ˈme.dəˌklɪŋ.kər/
noun
1. een klank waarbij de lucht niet ongehinderd door de mond naar buiten kan
spółgłoska
noun
1. verdriet over het leed van anderen
  1. litość
  2. współczucie
noun
1. iemand die zich bezighoudt met het onderzoek naar en de beschrijving van de geschiedenis van de media
historyk mediów
noun
mediacje
noun
1. een chemische stof die een bepaalde, gewenste werking op het (dierlijk of menselijk) lichaam uitoefent
  1. lekarstwo
  2. lek
  3. farmaceutyk
adjective
1. op de geneeskunde betrekking hebbend
medyczny
noun
1. spirituele bezigheid
medytacja
adjective
bezlitosny
noun
1. Rubia tinctorum
marzana
/mel/, /meɫ/, /mɪːɫ/
noun
1. gemalen graan
mąka
/meːr/
noun
1. groot water dat helemaal omringd is door land
jezioro
pronoun
1.
Jezioro Genewskie
noun
1. een groep die binnen een groter geheel in aantal meer dan de helft uitmaakt
większość
adjective
1. de leeftijd bereikt hebbend dat men alle rechten en plichten van een volwassene heeft
pełnoletni
noun
1. één van een aantal Afrikaanse apensoorten uit de Cercopithecus-familie
koczkodan
noun
1. bepaald soort watervogel, Fulica atra
łyska
noun
1. de staat van meerdere talen te kunnen spreken
wielojęzyczność
/ˈmeːrvɑɫ/
noun
1. benaming voor grote roofvissen uit het geslacht Siluris
  1. sumowate
  2. sum
noun
1. Woord dat in die vorm aan meerdere voorwerpen, mensen of dieren refereert
liczba mnoga
noun
1. een extra waarde
wartość dodana
noun
1. benaming voor kleine weinig schuwe vogels uit de familie Paridae
sikora
noun
1. baas, heer, patroon
  1. mistrz
  2. majster
noun
gorysz miarz
noun
1. een grensstreep, een eindstreep
meta
adjective
1.
mierzalny
/'metkɵndə/
noun
1. tak van de wiskunde
geometria
/meːβ̞/, /mɪːβ̞/
noun
1. benaming voor zeevogels uit de familie Laridae
mewa
noun
megabajt
noun
1. de vijfde maand van het jaar
maj
/ˈmɛɪ̯.dorn/
noun
1.
głóg
noun
1. Melolontha melolontha, schildvleugelig insect dat in mei te voorschijn komt
  1. chrabąszcz
  2. chrabąszcz majowy
noun
1. de verkondiging van één of meerdere leugens terwijl men heeft gezworen de waarheid te vertellen
krzywoprzysięstwo
/mɛɪˈozə/
noun
1.
mejoza
/ˈmɛɪ̯ʃə/, /ˈmɛːsjə/
noun
1. jonge vrouw
  1. dziewczyna
  2. dziewczynka
/ˈmɛɪ̯ʃəsˌnam/, /ˈmɛːsjəsˌnam/
noun
2. eigen achternaam van een vrouw die de naam van haar echtgenoot of geregistreerd partner voert
nazwisko panieńskie
noun
1. scheikundig element met symbool Mt en atoomnummer 109
meitner
pronoun
1. geboorteplaats van Mohammed en bedevaartplaats voor islamieten
Mekka
pronoun
Melanezja
noun
czerniak
noun
1. een restproduct bij de suikerproductie
melasa
pronoun
1. tweede grootste stad van Australië en hoofdstad van de deelstaat Victoria
Melbourne
pronoun
Melilla
/mɛlk/
noun
mleko
noun
mleczarz
noun
mlecz
/mɛlkə(n)/
verb
1.
  1. doić
  2. wydoić
noun
1.het orgaan dat bij het zoogdier de melk produceert
gruczoł mlekowy
/mɛlkku/
noun
1. een soort koe die gekweekt wordt voor haar melkproductie
krowa mleczna
noun
1. een tand uit de eerste set tijdelijke tanden van de mens en sommige andere dieren (zoals de hond of de koe), die na verloop van tijd worden vervangen door de permanente tanden
  1. ząb mleczny
  2. mleczak
pronoun
1. het sterrenstelsel waarin wij ons bevinden en dat op donkere nachten als lichtende band aan de hemel te zien is.
droga mleczna
noun
1. organisch zuur
kwas mlekowy
noun
1. een opeenvolging van toonhoogtes die een bepaald muzikaal gestalte vormt
melodia
adjective
aangenaam klinkend
melodyjny
noun
melon
/mɛmbran/
noun
2. een omhulsel van de cel bestaande uit fosfolipiden en eiwitten
błona
/ˈme:mə/
noun
mem
/ˌmɛndeˈleviʏm/
noun
mendelew
verb
1. het homogeniseren van twee of meer zaken
mieszać
noun
mieszanina
noun
1. grote groep mensen dicht op elkaar
tłum
noun
łękotka
noun
1. levensfase waarin vrouwen niet langer menstrueren
przekwitanie
noun
1. de Homo sapiens, het zoogdier waar wij toe gerekend worden
człowiek
noun
1. een gemeenschappelijke naam voor dieren uit de orde van de primaten
antropoid
adjective
  1. 1. zoals de mens
  2. 2. goed voor de medemens
ludzki
noun
2. geheel van de fundamentele rechten en vrijheden die ieder mens toekomen
prawa człowieka
noun
1. een verzamelnaam voor alle mensen ter wereld met al hun onderlinge sociale relaties
ludzkość
noun
1. maandelijkse bloeding bij vrouwen en geslachtsrijpe meisjes
menstruacja
verb
1. hard slaan
bić
pronoun
Merkury
/meːrəl/, /ˈmɪːrəɫ/
noun
1. bepaald soort zwarte vogel met een gele snavel, Turdus merula
  1. kos zwyczajny
  2. kos
noun
  1. 2.
    rdzeń
  2. 1. zacht weefsel in de kern van een bot
    1. szpik
    2. szpik kostny
noun
1. halve cirkel die de beide polen met elkaar verbindt
południk
noun
merytokracja
noun
1. een term die een deel van iets anders weergeeft
meronim
noun
1. vrouwelijk paard
  1. klacz
  2. kobyła
noun
1. snijwerktuig
nóż
noun
1.
mezon
adjective
1.
mezopotamski
noun
1. historische land tussen de rivieren Eufraat en Tigris, het huidige Irak
Mezopotamia
noun
mezosfera
noun
1.
nożownik
noun
1. uitwerpselen van sommige dieren waarmee men land vruchtbaar maakt
  1. gnój
  2. nawóz
/mɛd/, /mɛt/
preposition
z
noun
1. ieder element dat gekenmerkt wordt door glans en het vermogen om warmte en elektriciteit te geleiden
metal
noun
1. het geheel van de biochemische processen op celniveau
metabolizm
/me.ta.ˈfɔːr/, /mæː.ta.ˈfoːr/
noun
1. beeldspraak waarbij men een woord B zegt in plaats van het woord A terwijl er tussen A en B een verband is van gelijkenis
metafora
/ˌmetaˈfizis/
adjective
1. bovennatuurlijk; (nog) niet met de gangbare wetenschap te verklaren
metafizyczny
noun
metalurgia
noun
1. vorm van logica die de grondbeginselen van de logica bestudeert
metalogika
noun
1. taal met behulp waarvan dezelfde of een andere taal wordt beschreven
metajęzyk
noun
1. wetenschappelijke theorie waarmee een of meerdere andere theorieën beschreven worden
metateoria
verb
1. de waarde van een bepaalde grootheid bepalen door deze te vergelijken met een ijkwaarde
mierzyć
noun
1. een kortstondig lichtspoor aan de hemel door de verbranding van een uit de ruimte vallende meteoriet
meteor
/meteˌjoroloˈɣi/
noun
1. de studie van het weer en het klimaat
meteorologia
noun
  1. 4. een doopmoeder
    matka chrzestna
  2. 1. de SI-eenheid van lengte
    metr
  3. 3. iemand die meet
    mierniczy
  4. 2. meetinstrument
    miernik
noun
1. CH₄
metan
noun
1.
  1. metanol
  2. alkohol metylowy
/meˈtodə/
noun
metoda
noun
1. Een stroming in het protestantisme
metodyzm
/ˌmetodoloˈɣi/, /ˌmetodoloˈχi/
noun
metodologia
noun
metyl
noun
pomiar
/mæː.to.ˈny.mi.ja/
noun
metonimia
noun
1. ondergronds openbaar vervoer
metro
/ˌmetroloˈɣi/
noun
1. de studie van het weer en het klimaat
metrologia
noun
metronom
noun
1. wereldstad
metropolia
noun
1. bouwvakker gespecialiseerd in metselen
murarz
noun
1. stuk huisraad
mebel
noun
1. groep (jacht)honden, e.d.
  1. sfora
  2. zgraja
noun
1. formele manier om een vrouw aan te spreken
pani
adjective
meksykański
/ˈmɛg.zi.ˌko/, /ˈmɛk.si.ˌko/
pronoun
1. een land in Amerika, officieel de Verenigde Mexicaanse Staten grenzend aan de Verenigde Staten, Belize en Guatemala, de Grote Oceaan en de Golf van Mexico
Meksyk
interjection
1. het geluid van een kat
miau
verb
1. het geluid maken dat kenmerkend is voor een kat
miauczeć
noun
micela
/miˈxa/, /ˈmiʃa/
pronoun
  1. Księga Micheasza
  2. Micheasz
/ˈmiːkroʔɔrɣaːnɪzmə/, /ˈmiːkroʔɔrʝaːnɪzmə/
noun
1. meestal eencellig wezen
mikroorganizm
noun
1. een levend micro-organisme
mikrob
noun
1. de tak van de biologie die zich bezighoudt met micro-organismen en hun effecten op de mens en andere levende organismen
  1. mikrobilogia
  2. mikrobiologia
noun
1. miljoenste gram
mikrogram
noun
  1. 2.
  2. 1. een meetinstrument waarmee zeer nauwkeurig dikten, afstanden en diepten kunnen worden gemeten
mikrometr
/ˌmi.kro.ˈne.zi.ja/
pronoun
1. een land in Oceanië, officieel de Federale Staten van Micronesia
Mikronezja
/mɪkroˈskoːp/
noun
1. instrument dat het beeld van heel kleine dingen sterk vergroot
mikroskop
noun
mikrosekunda
noun
1. het midden van de dag, 12.00
południe
noun
1. een maaltijd die tussen de ochtend en de middag genuttigd wordt
obiad
/ˈmɪdəɫ/
noun
1. middendeel van het lichaam
talia
/ˈmɪdəɫe:wə(n)/
noun
1. de periode tussen ongeveer 300 n.Chr. tot 1500 n.Chr.
średniowiecze
/ˈmɪdəɫɪ:ws/
adjective
1. gerelateerd aan de middeleeuwen
średniowieczny
pronoun
1. Hoogduitse dialecten uit de periode 1050-1350
  1. średnio-wysoko-niemiecki
  2. język średnio-wysoko-niemiecki
pronoun
1. randzee van de Atlantische Oceaan, gelegen tussen Zuid-Europa, Noord-Afrika en West-Azië
Morze Śródziemne
noun
1. middellijn
średnica
noun
1. van een cirkel of bol is het punt dat tot alle punten op de omtrek dezelfde afstand heeft
centrum
noun
1. vinger
palec środkowy
noun
1. het centrale deel
środek
pronoun
1. het gebied tussen Noord-Amerika en Zuid-Amerika
Ameryka Środkowa
pronoun
Europa Środkowo-Wschodnia
noun
1. regio die bestaat uit Zuidwest-Azië en het noordoosten van Afrika
Środkowy Wschód
noun
ucho środkowe
noun
1.
pomocnik
/ˌmɪdərˈnɑxt/, /ˌmɪdərˈnɑχt/
noun
1. het midden van de nacht, twaalf tot één uur 's nachts
północ
verb
1. via de blaas als vloeistof lozen van lichamelijke afvalstoffen
  1. szczać
  2. sikać
noun
1. een kruipend, in grote kolonies levend omnivoor insect
mrówka
noun
kolczatka
noun
1. benaming voor tandloze zoogdieren uit de onderorde Vermilingua
mrówkojad
noun
mrówkolew pospolity
noun
1. HCOOH
kwas mrówkowy
noun
2. wortel
chrzan pospolity
noun
2. (scheldwoord) slappe, verwijfde homoseksueel
ciota
noun
1. schele hoofdpijn
migrena
noun
migracja
verb
1. ontwijken, trachten niet in aanraking te komen met iets of iemand
unikać
/mɛi̯l/
abbreviation
mila
noun
1. een paal die op elke mijl staat
kamień milowy
/mɛi̯n/
noun
  1. 1. onderaardse plaats waar delfstoffen gewonnen worden
    kopalnia
  2. 2. voorwerp gevuld met springstof die ontploft bij aanraking
    mina
/mɛi̯n/
possessivePronoun
1. van mij
mój
noun
1. het bedrijven van winning van delfstoffen
górnictwo
noun
1. een persoon die werkzaam is in de mijnbouw
górnik
noun
1. benaming voor dieren uit de superorde Acariformes
  1. roztocze
  2. roztocz
noun
1. hoofddeksel voor kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders
mitra
pronoun
1. stad in het noordwesten van Italië
Mediolan
/mi.li.ˈjøː/, /mɪɫˈjø/
noun
2. de wereldwijde natuurlijke omgeving
środowisko
/ˌmiliˈtæːr/, /ˌmiliˈtɛːr/
adjective
1. met het leger te maken hebbend
wojskowy
noun
1. 1.000.000.000 (= 10⁹)
miliard
noun
1. 1.000.000
milion
noun
1. iemand die een vermogen heeft van meer dan een miljoen eenheden van een bepaalde valuta (bijvoorbeeld euro, dollar)
milioner
noun
1. een periode van 1000 jaar
  1. tysiąclecie
  2. milenium
noun
1. een lengtemaat ter grootte van een duizendste meter
milimetr
noun
milisekunda
/mɪlt/
noun
1. een klier in de buikholte die een rol speelt bij het zuiveren en de opslag van bloed
śledziona
/ˈmɪltfyr/
noun
1. een infectieziekte, die wordt veroorzaakt door de bacterie Bacillus anthracis
wąglik
/ˈmɪnɑxtɪŋ/
noun
1. het minderwaardig vinden, het geen gunstige mening hebben over
  1. pogarda
  2. lekceważenie
noun
minaret
noun
1. een groep die binnen een groter geheel in aantal minder dan de helft uitmaakt
mniejszość
adjective
1. onder de 18 jaar, waardoor de rechten en plichten van een volwassene nog niet gelden
nieletni
/minəˈral/
noun
minerał
noun
1. water dat mineralen bevat die de smaak veranderen of het water een (vermeende) therapeutische waarde geven
woda mineralna
adjective
1. mineur
moll
noun
1. een sport en een populaire vakantiebezigheid. De bedoeling is een parcours van 18 holes met zo min mogelijk slagen af te leggen. Het spel is een variant op golf, met het verschil dat bij golf grote afstanden moeten worden overbrugd en met midgetgolf slechts enkele meters
minigolf
abbreviation
1. kleinst mogelijke hoeveelheid
minimum
noun
1.
minispódniczka
noun
1. een persoon die deelneemt aan de regering van een land
minister
noun
1. de minister die het kabinet aanvoert
premier
/ˌminɪsˈtɪːri/
noun
1. een afdeling van een overheid waar het beleid van de regering wordt uitgevoerd
ministerstwo
noun
1. rondreizend kunstenaar
trubadurzy
noun
  1. 1. tijdeenheid
  2. 2. hoek
minuta
noun
1. een godsdienstoefening in de katholieke kerk, een eucharistieviering
msza
/'mɪsbrʌʏk/
noun
nadużycie
noun
1. een handeling die een ernstig vergrijp tegen het wetboek van strafrecht is
przestępstwo
noun
1. is iemand die de priester helpt tijdens het opdragen van de mis
ministrant
noun
1. een misdaad of delict
zbrodnia
noun
poronienie
noun
1. iets dat niet goed is gegaan
porażka
noun
  1. 1. bepaald soort loofboom Mespilus germanica
  2. 2. vrucht van de mispelboom
nieszpułka
/məˈsxin/
adverb
1. duidt aan dat er een bepaalde kans bestaat dat de uitspraak waar is
  1. może
  2. może być
noun
mdłości
/ˈmɪsə(n)/
verb
  1. 1. niet raken, niet treffen
  2. 2. niet halen
chybić
noun
1. laaghangende bewolking die het zicht belemmert
mgła
/ˌmito'xɔndriɵm/
noun
1.
mitochondrium
/miˈtozə/
noun
1.
mitoza
/moˈbilcə/
noun
1. draagbare telefoon
telefon komórkowy
noun
mobilizacja
noun
1. mengsel van aarde, vuil en water
błoto
/ˈmodə/
noun
moda
/moˈdɛrn/
adjective
1. van deze tijd, volgens de laatste mode
nowoczesny
noun
modernizm
noun
nowoczesność
noun
moduł
/muː/
adjective
1. geneigd tot rusten of slapen
zmęczony
/mud/, /mut/
noun
1. dapperheid, lef, branie
odwaga
noun
1. een vrouwelijke ouder
  1. matka
  2. mama
noun
płyta główna
noun
1. een dag ter ere van de moeders
Dzień Matki
/ˈmudər.kuk/
noun
alternatieve benaming van placenta
łożysko
noun
1. het fungeren als moeder
macierzyństwo
noun
język ojczysty
/ˈmuːdəx/, /ˈmuːdəç/
adjective
1. geen angst voor gevaar tonend
  1. odważny
  2. chrobry
noun
1. de diersoort waartoe het tamme schaap behoort, Ovis gmelini
muflon
/mu<sup>ɪ</sup>lɛ<sup>ɪ</sup>k/
adjective
1. niet gemakkelijk, waar moeite, geduld en inspanning voor vereist is
trudny
noun
1. iets dat moeilijk of lastig is
trudność
/ˈmuitə/
noun
1. een grote inspanning
fatyga
noun
  1. [A]
    nakrętka
  2. [C] 1. drassig land, vooral gebruikt voor natte veengebieden
    rozlewisko
noun
rozlewisko
noun
morwa
noun
1. wijfjesvos
  1. lisica
  2. liszka
noun
1. de regentijd in tropische gebieden met een droge tijd en een regentijd
monsun
verb
1. gedwongen zijn
musieć
noun
1. scheldnaam voor een Duitser
  1. Szwab
  2. szkop
adjective
1. een keuze om iets te doen
możliwy
adverb
1. misschien
  1. możliwie
  2. possibly
noun
1. iets wat gedaan kan worden of kan gebeuren
możliwość
/'mo.χə(n)/
verb
1. toegestaan zijn
móc
noun
  1. 1. drinkbeker
  2. 2. paardenziekte
kubek
noun
  1. 1. bepaald soort zoogdier, Talpa europaea
    kret
  2. 3. hoeveelheid van een stof die net zo veel deeltjes bevat als er atomen...
    mol
/mɔlˈdaːvi.jə/, /mɔɫˈdavi.jə/
pronoun
1. een land en regio in Zuidoost-Europa grenzend aan Oekraïne en Roemenië
Mołdawia
adjective
1. bestaande uit moleculen
molekularny
/moləˈkyɫ/
noun
1. het kleinste deeltje van een stof dat nog alle eigenschappen van die stof bezit
  1. cząsteczka
  2. molekuła
noun
1. installatie die de stroming van lucht of water gebruikt als energiebron
młyn
/ˈmolənar/
noun
1. iemand die het werken in een molen als beroep heeft
młynarz
adjective
1. een beetje dik, volslank
pulchny
noun
1. met brandbare stof gevulde glazen fles die via een lont of lap stof wordt ontstoken
koktajl Mołotowa
noun
1.
kretowisko
noun
1. Chemisch element
molibden
noun
1. zeer korte tijd
  1. moment
  2. chwila
verb
1. geluiden maken die moeilijk te verstaan zijn
mamrotać
/moˈnako/, /ˈmo.na.ko/
pronoun
  1. 1. een dwergstaatje in Zuid-Europa, officieel het Vorstendom Monaco, dat aan Frankrijk grenst
  2. 2. de hoofdstad van Monaco
Monako
noun
monarcha
noun
1. is van origine een regeringsvorm waarbij alle macht bij één persoon berust
monarchia
/[mɔnt]/
noun
1. ingang van het spijsverteringskanaal
  1. usta
  2. buzia
adjective
1. via het gesproken woord
ustny
noun
1. instrument met doorslaande tongen dat met de mond bespeeld wordt
  1. harmonijka ustna
  2. harmonijka
/ˈmɔndɪŋ/
noun
1. plaats waar een rivier uitkomt in zee of meer
ujście
noun
1. dat deel van een blaasinstrument dat in de mond genomen wordt of aan de lippen gezet
ustnik
/ˈmɔntwatər/
noun
1. vloeistof waarmee de mondholte kan worden gespoeld
płyn do płukania jamy ustnej
/mɔŋ.ˈ(g)ɣo.li.jə/, /mɔŋ.ˈɣo.li.jə/, /mɔŋ.ˈχo.li.jə/
pronoun
1. een land in Azië en omringd door China in het zuiden en Rusland in het noorden
Mongolia
noun
1. iemand met het syndroom van Down
Mongoł
pronoun
1. macrotaal die de officiële taal van Mongolië is en die ook in China en Rusland gesproken wordt
mongolski
/ˈmoniˌtɔr/
noun
beeldscherm
monitor
noun
1. een man die uit religieuze overwegingen teruggetrokken leeft, voornamelijk in een klooster
  1. mnich
  2. zakonnik
noun
3. plant
  1. tojad
  2. akonit
noun
1. een bril voor één oog
monokl
/ˈmonokʏɫˌtyːr/
noun
1. landbouw met één gespecialiseerd gewas
monokultura
/ˈmonɔfˌtɔŋ/
noun
1. de benaming voor één enkele klinker die de nucleus vormt van een lettergreep
monoftong
noun
1. het verschijnsel dat een diftong overgaat in een monoftong.
monoftongizacja
noun
1. het samenleven of getrouwd zijn met één persoon
monogamia
noun
1. een wetenschappelijk boek of verhandeling over één onderwerp of een beperkte groep van samenhangende onderwerpen, in het algemeen geschreven door één auteur
monografia
noun
monolit
/ˌmonoˈlox/
noun
1. een gesprek gevoerd door één persoon, meestal op toneel
monolog
noun
1. het geheel beheersen van een markt door een enkele leverancier
monopol
noun
1. schrikwekkend wezen
potwór
noun
montaż
/ˌmɔntəˈnegro/, /ˌmɔntəˈneːɣro/
pronoun
1. land in Zuidoost-Europa gelegen aan de Adriatische Zee en grenzend aan Kroatië, Bosnië en Herzegovina, Servië en Albanië
Czarnogóra
/mɔnsɛ'rɑ/
pronoun
Montserrat
noun
1. een groot gedenkteken
  1. monument
  2. pomnik
/moːj/
adjective
1. prettig in voorkomen, aangenaam om naar te kijken, schoon
ładny
/ˈmoːrd/, /ˈmoːrt/, /ˈmʊːrt/
noun
1. handeling met het doel en het gevolg dat iemand dood gaat
  1. zabójstwo
  2. morderstwo
/mordənar/
noun
1. iemand die een moord gepleegd heeft
  1. morderca
  2. zabójca
noun
masakra
noun
1. anekdote met een verrassend en komisch slot
  1. dowcip
  2. kawał
noun
1. een uitstel van betaling
moratorium
pronoun
Morawy
pronoun
1. autonome republiek van Rusland
Mordwa
noun
1. de kleinst mogelijke morfosyntactische eenheid in een taal
morfem
/ˌmɔr.fo.lo.ˈɣi/, /ˌmɔr.fo.lo.ˈχi/
noun
  1. 1. de wetenschap die het vormgeven van woorden bestudeert
  2. 4. de wetenschap die de vorm van de oppervlakte van de aarde bestudeert
  3. 2. de wetenschap van de bouw van organismen
morfologia
/ˈmɔrxə(n)/, /ˈmɔrɣə(n)/
adverb
1. eerstvolgende dag na vandaag
jutro
/ˈmɔrxə(n)/, /ˈmɔrɣə(n)/
noun
1. eerste deel van de dag
rano
noun
1. benaming voor de planeet Venus
Jutrzenka
noun
1. pejoratieve benaming voor een hond, bastaardhond
kundel
noun
1. bijnaam van een lid van de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen
mormon
adjective
1. onzindelijk, slonzig
  1. brudny
  2. niechlujny
noun
  1. 1. een kom waarin met een stamper allerlei stoffen fijn gestampt of fijngewreven worden
  2. 2,3 korte kanontypen
moździerz
noun
mech
noun
1. een scheikundig element met het symbool Mc en het atoomnummer 115
moskow
noun
1. gebedshuis
meczet
pronoun
1.
Moskwa
noun
1. een geloofsaanhanger van de islam
muzułmanin
noun
1. Mytilus edulis, een eetbaar tweekleppig schelpdier
małż
noun
1. gistend vruchtensap, meestal van druiven
moszcz
noun
1. een in de keuken gebruikte kruidenpasta
  1. gorczyca
  2. musztarda
noun
1. een vlinderachtig insect
ćma
noun
2.3.
motyw
noun
motywacja
/'mo.tɔr/
noun
1. krachtbron
silnik
noun
1. lichte neerslag in de vorm van heel kleine druppeltjes water
mżawka
noun
1. de grondstof voor bier, jenever en whisky,...
słód
noun
1. dat deel van een kledingstuk dat de armen omvat
rękaw
/ˌmo.zɑm.ˈbik/, /ˌmo.zɑm.ˈbɪk/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel de republiek Mozambique
Mozambik
noun
mozaika
noun
1. Italiaanse kaas
mozzarella
noun
śluz
/ˈmysli/, /ˈmyə̯zli/
noun
1. eten gemaakt van graanvlokken, zuivel, fruit en noten
musli
noun
1. kleine, vliegende insecten van de onderorde Nematocera
  1. długorogie
  2. nitkorogie
noun
1. een kruising van een ezelhengst en een paardenmerrie
muł
noun
1. een kruising van een paardenhengst en een ezelin
  1. osłomuł
  2. oślik
/mœʏ̯s/, /mœːs/
noun
  1. 1. klein zoogdier, meestal van het geslacht "Mus"
    1. mysz
    2. myszka
  2. 3. computermuis
    1. myszka komputerowa
    2. mysz
noun
1. benaming voor vogels uit de orde Coliiformes
czepigi
adjective
1. met, of aan veel kanten, belangen, partijen etc.
wielostronny
noun
korporacja międzynarodowa
noun
1. composietplaat die bestaat uit meer dan 3 gelijmde laagjes hout
sklejka
noun
1. een door balseming en uitdroging geconserveerd lichaam van een dode
mumia
verb
1.van een overledene een mummie maken
mumifikować
noun
1. en 2. (boon van) eenjarige plant Vigna radiata
fasola złota
noun
1. en 2. (blaadjes van) het plantengeslacht Mentha
mięta
pronoun
Murcja
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Passeridae
wróbel
noun
1. een gebouw waarin voorwerpen van culturele waarde tentoongesteld worden
muzeum
verb
1. het ten gehore brengen van muziek door middel van een muziekinstrument of de stem
muzykować
noun
1. iemand die muziek maakt en ten gehore brengt
muzyk
noun
1. en 2. (vruchtvlees) van plant Cucurbita moschata
dynia piżmowa
noun
1. en 2. (vruchtvlees) van plant Cucurbita moschata
dynia piżmowa
/'mɵskɵs/
noun
1. de geurstof uitgescheiden door de geurklieren van bepaalde zoogdieren
piżmo
noun
1. plomp hoefdier met grote kop en brede snuit
piżmowół
noun
1. en 2. (vruchtvlees) van plant Cucurbita moschata
dynia piżmowa
noun
1. Ondatra zibethicus, een soort waterrat
piżmak
noun
1. stof
mutagen
noun
1. een sprongsgewijze verandering
mutacja
noun
1. onvermogen om te spreken
mutyzm
/myːr/
noun
  1. 1. verticale vlakke constructie van metselwerk
    1. ściana
    2. mur
  2. 1. kruidachtige plant
    gwiazdnica
/my'zik/
noun
1. een akoestisch fenomeen
muzyka
/myˈzikˌɪnstrymɛnt/
noun
1. instrument om muziek mee te spelen
instrument muzyczny
noun
1.een school waar men muziek leert maken
szkoła muzyczna
noun
1. iemand die muziek maakt
muzyk
/ˌmikoloˈɣi/
noun
1. de wetenschap die zich bezig houdt met het bestuderen van schimmels
  1. mikologia
  2. mykologia
/miˈkozə/
noun
1. een door een schimmel veroorzaakte ziekte
grzybica
/mi.tɔ.lɔ.ɣi/
noun
mitologia
preposition
1. in tijd volgend op
  1. potem
  2. za
/naf/
noun
1. centrale as of middenstuk van een wiel of rad
piasta
/ˈnaːi̯ə(n)/
verb
1. naaldwerk verrichten
szyć
noun
maszyna do szycia
/naːkt/
adjective
1. zonder beharing of andere fysieke bescherming van de huid, ontkleed
goły
noun
1. het naakt zijn
nagość
/nald/, /naɫt/
noun
1. gereedschap voor naaien
  1. igła
  2. drut
noun
drzewo iglaste
noun
  1. 1. kort stukje tekst dat een persoon, instelling of object bijna identiek kan benoemen
    1. imię
    2. nazwa
  2. 2. bekendheid, reputatie
    1. reputacja
    2. sława
    3. imię
noun
1. een dag waarop een heilige wordt herdacht
imieniny
noun
1. elk der buigingsvormen van een naamwoord
przypadek
preposition
1. aan de zijkant van
obok
noun
bliźni
adjective
1. zich in de onmiddellijke omgeving bevindend
bliski
/nɑx/, /nɑxt/, /nɑχt/
noun
1. de tijd tussen zonsondergang en zonsopkomst
noc
noun
1. een uitgaansgelegenheid voor volwassenen
klub nocny
noun
1. lijsterachtige zangvogel met een rossig bruine staart die heel mooi kan zingen
  1. słowik
  2. słowik rdzawy
adjective
nocny
noun
  1. 1. een zeer angstige droom
  2. 2. een schrikbeeld
  1. koszmar
  2. zmora
noun
1. vlinder die 's nachts actief is
  1. ćma
  2. motyl nocny
noun
lelek
noun
  1. 2. verlies
    strata
  2. 1. ongunstige eigenschap
    1. wada
    2. niekorzyść
verb
pomyśleć
noun
1. denkbeeldig punt aan de sterrenhemel loodrecht onder de waarnemer
nadir
noun
  1. 3. spijker
    1. gwóźdź
    2. paznokieć
  2. 1. hoornplaat op laatste teen- en vingerkootjes
    paznokieć
noun
1. schoonheidsmiddel
lakier do paznokci
noun
potomstwo
/ˈna.wɑtl̥̩/, /ˈna.wɑtl̩/
pronoun
1. benaming voor de talen die door de oorspronkelijke bewoners van Mexico gesproken worden
  1. język nahuatl
  2. nahuatl
/ˈnahʏm/
pronoun
2. boek in de Bijbel
Księga Nahuma
noun
1. herfst
jesień
/ˈnamələk/
abbreviation
  1. czyli
  2. mianowicie
pronoun
1. provincie in het oosten van België
Namur
preposition
1.
w imieniu
/na.'mi.bi.jə/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika
Namibia
noun
1. tijd aan het einde van de middag
popołudnie
noun
nandu
noun
nanogram
noun
1.
nanometr
noun
nanosekunda
noun
nanotechnologia
pronoun
1. stad in Italië
Neapol
adjective
1. een taal die in Napels, Campanië, Basilicata en noordelijk Calabrië gesproken wordt
neapolitański
noun
1.
serweta
noun
  1. narcyz
  2. żonkil
noun
narcyzm
noun
  1. narkolepsja
  2. senność
noun
1. een kunstmatige algehele verdoving
narkoza
noun
1. bepaald soort zeezoogdier, Monodon monoceros
  1. narwal
  2. narwal jednozębny
/naˈsal/
adjective
1. met betrekking tot de neus
nosowy
noun
1. een veranderde smaak van iets dat men al heeft doorgeslikt heeft en in het begin anders smaakte
posmak
adjective
1. gedrenkt in een vloeistof, meestal water
mokry
noun
1. een groep mensen die zich door gemeenschappelijke taal, cultuur of politieke geschiedenis verbonden voelt
naród
noun
państwo narodowe
adjective
1. op een volk met een eigen land betrekking hebbend
narodowy
noun
narodowy socjalizm
verb
nacjonalizować
noun
1. voorliefde voor het vaderlandse
nacjonalizm
noun
  1. nacjonalista
  2. nacjonalistka
noun
narodowość
noun
sód
noun
1.2.3. stroming in de literatuur aan het eind van de 19e eeuw, die de mens beschouwt als bepaald door milieu en erfelijkheid en leer die de natuur boven alles stelt
naturalizm
noun
überhaupt
  1. przyroda
  2. natura
/naˈtyrkʏndə/, /naˈtyːrkʏndə/
noun
1. subdiscipline binnen de natuurwetenschap die zich bezighoudt met de bestudering van materie en
fizyka
noun
fizyk
noun
1. mens van vlees en bloed die kan deelnemen aan het rechtsverkeer
osoba fizyczna
noun
1. een ongelukkige gebeurtenis die door de natuur veroorzaakt wordt
klęska żywiołowa
/na.ˈu.ru/, /naˈuru/, /ˈnaʊ̯.ru/
pronoun
1. een land in de Stille Oceaan
Nauru
/nɑuruˈwans/
pronoun
1. taal die door 6 000 mensen wordt gesproken in Nauru
nauruański
adverb
1. slechts in geringe mate
ledwo
pronoun
Nawarra
/'navəl/
noun
pępek
/ˈnavəlstrɛŋ/
noun
snoer dat de vrucht aan de moederkoek verbindt
pępowina
noun
nawigacja
noun
1. NAVO
NATO
noun
1. interstellaire gas- en stofwolken die worden beschouwd als de geboorteplaats van de sterren
mgławica
noun
1. een biografie van een overleden persoon en/of een bespreking van diens werk
nekrolog
noun
1. de afsterving van weefsel
martwica
noun
2. een perzikachtige vrucht van boom Prunus persica var. nucipersica
nektaryna
pronoun
1. deelstaat van Oostenrijk
Dolna Austria
pronoun
1. een in Noord-Duitsland en Nederland gesproken West-Germaanse taal...
  1. dolnoniemiecki
  2. baixo alemão
/ˈne.dər.ˌfrɑŋ.kis/
noun
1. de verzamelnaam voor een aantal West-Germaanse talen en taalvariëteiten die van het Oudnederfrankisch afstammen
  1. dolnofrankijski
  2. dolnofrankoński
noun
1. het aannemen van een houding waarbij geen aanspraak gemaakt wordt op macht of eer
pokora
noun
1. het verlies van een strijd
porażka
/ˈnedərˌlɑnt/, /ˈneːdərˌlɑnd/, /ˈneːdərˌlɑnt/
pronoun
1. land in het westen van Europa, grenzend aan Duitsland en België, belangrijkste deel van het Koninkrijk der Nederlanden
  1. Niderlandy
  2. Holandia
/ˈne.dər.ˌlɑn.dər/
noun
1. inwoner van Nederland of persoon die de Nederlandse nationaliteit bezit
  1. holender
  2. niderlandzyk
/ˈne.dər.ˌlɑnds/, /ˈne.dər.ˌlɑnts/
adjective
1. met betrekking tot Nederland of de Nederlandse taal
holenderski
/ˈne.dər.ˌlɑnds/, /ˈne.dər.ˌlɑnts/
pronoun
1. een West-Germaanse taal die als officiële taal gesproken wordt in Nederland, Vlaanderen, Suriname en op de Nederlandse Antillen
  1. niderlandzki
  2. holenderski
/ˈne.dər.ˌlɑn.tsə/, /ˈne.dər.ˌlɑnd.sə/
noun
1. vrouwelijke inwoner van Nederland, vrouw uit Nederland
Holenderka
/ˌne.dər.lɑnt.sə.ɑn.ˈtɪ.lə(n)/, /ˌneː.dər.lɑnt.sə̯an.ˈtɪ.lə(n)/
pronoun
1. voormalig land binnen het Koninkrijk der Nederlanden
Antyle Holenderskie
pronoun
Dolna Saksonia
pronoun
1. een in Noord-Duitsland en Nederland gesproken West-Germaanse taal zonder Hoogduitse klankverschuiving
  1. dolnoniemiecki
  2. baixo alemão
pronoun
1. een West-Slavische taal die in het gebied Neder-Lausitz in het oosten van Duitsland gesproken wordt
dolnołużycki
noun
1. een vestiging, een bewoonde plaats
osada
/neː/
interjection
1. ontkenning
nie
noun
  1. 1. mannelijke oomzegger
    1. bratanek
    2. siostrzeniec
  2. 2. kozijn
    kuzyn
/nen/
interjection
nee
nie
noun
1. de wetenschap die de Nederlandse taal- en letterkunde bestudeert
niderlandystyka
/ˈnerslɑχˌmetər/
noun
1. een toestel dat de hoeveelheid gevallen neerslag meet
deszczomierz
adjective
1. ontkennend, afwijzend
negatyw
/ˈne.ɣə(n)/, /ˈne.χə(n)/
cardinalNumeral
1. het getal 9
dziewięć
/ˈne.ɣən.də/, /ˈne.χən.də/
ordinalAdjective
1. nummer negen in een rij
dziewiąty
cardinalNumeral
1. het getal 39
trzydzieści dziewięć
cardinalNumeral
1. het getal 99
dziewięćdziesiąt dziewięć
cardinalNumeral
1. het getal 89
osiemdziesiąt dziewięć
cardinalNumeral
1. het getal 49
czterdzieści dziewięć
cardinalNumeral
1. het getal 59
pięćdziesiąt dziewięć
cardinalNumeral
1. het getal 69
sześćdziesiąt dziewięć
/ˈne.ɣə(n).ˌhɔn.dərd/, /ˈne.ɣə(n).ˌɦɔn.dərt/, /ˈne.χə(n).ˌɦɔn.dərt/
cardinalNumeral
1. het getal 900
dziewięćset
cardinalNumeral
1. het getal 19
dziewiętnaście
ordinalAdjective
dziewiętnasty
/ˈne.ɣə(n).təx/, /ˈne.ɣə(n).tɪx/, /ˈne.χə(n).təχ/
cardinalNumeral
1. het getal 90
dziewięćdziesiąt
noun
1. iemand met voorouders uit Afrika bezuiden de Sahara met lichamelijke kenmerken daarvan
murzyn
verb
1. doen alsof iemand of iets niet bestaat
ignorować
pronoun
  1. Księga Nehemiasza
  2. Nehemiasz
/nɛk/
noun
1. achterste gedeelte van de hals
  1. kark
  2. szyja
/ˈne.mə(n)/
verb
1. iets vastpakken met de handen
  1. brać
  2. wziąć
noun
neodym
/nejoˈlitikʏm/
noun
neolit
/ˌne.jo.lo.ˈχɪs.mə/, /ˌne.jo.loː.ˈɣɪz.mə/
noun
1. een woord dat nieuw is of nieuw gevormd is
neologizm
noun
1. een chemisch element en een kleurloos edelgas
neon
noun
  1. neoplazja
  2. nowotwór
noun
  1. neoplazja
  2. nowotwór
/ˈnepɑɫ/, /ˈneːpɑl/
pronoun
1. een land in Azië, gelegen in de Himalaya tussen India en China (Tibet)
Nepal
pronoun
1. een taal die vooral in Nepal gesproken wordt
nepalski
/nepo'tɨzmə/
noun
1.
nepotyzm
noun
1. Chemisch element
neptun
pronoun
Neptun
adverb
nigdzie
adverb
1. lijdend aan gespannen zenuwen
nerwowy
/nɛst/
noun
1. de verblijfplaats van een dier
gniazdo
noun
1. een geheel van fijne draden
sieć
pronoun
1.
Netanja
noun
1. een vlies aan de binnenkant van het oog waarop een beeld wordt gevormd
siatkówka
verb
1. met gesloten mond zingen
nucić
noun
1. de studie van alles wat met de ontwikkeling en werking van het zenuwstelsels te maken heeft.
neurobiologia
noun
1. het ontstaan van nieuwe zenuwcellen in levende organismen, dat zowel voor als na de geboorte plaatsvindt
neurogeneza
noun
1. een discipline binnen de biologie en geneeskunde die zich bezighoudt met alles wat aandoeningen van het centrale zenuwstelsel betreft
neurologia
noun
een zeer belangrijke cel in het zenuwstelsel
neuron
/nøʏs/, /nøːs/
noun
1. een orgaan dat gebruikt wordt bij de ademhaling en om te ruiken
nos
noun
nozdrze
noun
1. een groot en zwaar zoogdier uit de familie van de Rhinocerotidae dat in Afrika en Azië leeft...
nosorożec
noun
1.
dzioborożec
/nøˈtral/
adjective
1. geen partij kiezend in een conflict
neutrala
noun
1. een onpartijdige houding aanhouden ten opzichte van twee partijen met een geschil
  1. neutralność
  2. bezstronność
noun
neutrino
noun
neutron
noun
gwiazda neutronowa
noun
las mglisty
/nuˈjɔːrk/
pronoun
1. deelstaat van de Verenigde Staten
Nowy Jork
pronoun
1.
Nowa Fundlandia
noun
Pieśń o Nibelungach
/ˌni.ka.ˈra.gβ̞a/, /ˌni.ka.ˈra.ɣuwa/, /ˌni.kɑ.ˈra.gʋa/
pronoun
1. een staat in Midden-Amerika, tussen Honduras en Costa Rica
Nikaragua
noun
  1. 1. dochter van iemands broer of zus
    1. bratanica
    2. siostrzenica
  2. 3. dochter van iemands oom of tante
    kuzynka
noun
nikotyna
indefinitePronoun
1. geen enkel persoon
nikt
noun
1. een van beide organen in de onderrug die het bloed zuiveren van afvalstoffen en deze uitscheiden in de urine.
nerka
noun
1. een samengroeisel in het nierbekken dat meestal uit urinezuur en urinezure zouten bestaat
kamień nerkowy
verb
1.
kichać
noun
1. giftige plant die vroeg in het voorjaar bloeit
ciemiernik
adverb
1. ontkenning, tegenovergestelde van 'wel'
nie
noun
niemetale
noun
1. klein, vaak beugelvormig, metalen voorwerp met twee spitse uiteinden
zszywka
indefinitePronoun
1. geen enkel ding, geen enkele zaak
nic
noun
1. iemand die voor niets deugt
  1. ladaco
  2. nicpoń
postposition
pomimo
/niβ̞/, /nyʊ̯/
adjective
    1. woorden die in een of meer van de bovenstaande categorieën horen, maar waarvan niet bekend is in welke (voel u vrij deze woorden in de juiste categorie in te voegen)
    2. 4. onderscheidt nieuwere namen van oudere
    3. 5. in originele staat
    4. 7. recentelijk aangekomen of opgedoken
    5. 2. recentelijk ontdekt
    6. 3. huidige
    7. 6. vreemd, onbekend
    nowy
  1. 1. recentelijk gemaakt
    1. nowy
    2. nowa
    3. nowe
    4. nowi
pronoun
Nowa Kaledonia
pronoun
1.
Nowa Gwinea
/niβ̞.ˈze.lɑnt/, /nyʊ̯.ˈze.lɑnd/
pronoun
1. een land in het zuidwesten van de Grote Oceaan, gelegen naast Australië
Nowa Zelandia
pronoun
1. Australische deelstaat gelegen in het zuidoosten van het land
Nowa Południowa Walia
noun
1. nieuwe maan
nów
pronoun
1. samenstelling van Bijbelboeken
Nowy Testament
noun
1. feestdag ter gelegenheid van het begin van een nieuw jaar van de gebruikte kalender
Nowy Rok
/ˈniu̯sˌɣirəx/
adjective
1. verlangend om iets te weten of waar te nemen
ciekawy
adverb
1. nergens
nigdzie
verb
1. plotselinge, krachtige uitademing om de neus te reinigen van prikkelende stoffen
kichać
/'ni.ɣər/, /'ni.χər/
pronoun
  1. 1. land in West-Afrika
  2. 2. een rivier in West-Afrika
Niger
/ni.'ɣeː.ri.ja/, /ni.'χɪː.ri.ja/
pronoun
1. een land in West-Afrika
Nigeria
noun
1. een scheikundig element met het symbool Nh en het atoomnummer 113
nihon
noun
1. buiging als beleefde groet
  1. pokłon
  2. ukłon
pronoun
1.
Nil
noun
1. groot en zwaar in Afrika levend zoogdier, Hippopotamus amphibius
hipopotam
pronoun
Nijmegen
noun
nikab
noun
1. Chemisch element
nikiel
noun
  1. 1. wezen dat rivieren, bossen enz. bewoont
  2. 4. insect in de tweede toestand van gedaanteverwisseling
  3. 2. bekoorlijk meisje
nimfa
/niˈjobijʏm/
noun
1. Chemisch element
niob
/nɪs/
noun
1. een inham in een muur
nisza
noun
  1. 1. een zout van salpeterzuur dat het ion NO₃− bevat
  2. 2, een ester van salpeterzuur
azotan
noun
1. een verbinding van stikstof waarin dit element in de oxidatietoestand -3 optreedt
azotek
pronoun
Niue
noun
1. de rang in een hiërarchie, stadium van ontwikkeling, enzovoort
poziom
noun
1. scheikundig element
nobel
noun
1. een jaarlijkse geldprijs voor wetenschappers en anderen die een opmerkelijke prestatie hebben geleverd
Nagioda Nobla
/'no.dəx/
adjective
1. waar behoefte aan is
potrzebny
verb
  1. 1. met een naam aanduiden
  2. 2. vermelden door het uitspreken van de naam
nazywać
noun
1. het getal onder de streep van een breuk
mianownik
/'nɔ.ɣɑl/
adverb
1. tamelijk, in aanzienlijke mate
  1. dosyć
  2. dość
  3. raczej
noun
1. as met nokken
wałek rozrządu
noun
nomenklatura
adjective
nominalny
noun
1. een eerste van de 8 naamvallen van de Indo-Europese talen
mianownik
/nɔn/
noun
inwoonster van een vrouwenklooster
  1. zakonnica
  2. mniszka
adjective
niebinarny
noun
1. C₉H20
nonan
adjective
1. achteloos, onbekommerd
nonszalancki
/ˈnɔŋkəɫ/
noun
1. broer of zwager van iemands vader of moeder
wuj
noun
2. soort eend, Mergellus albellus
bielaczek
noun
nonsens
/ˈnoːit/
adverb
1. op geen enkel moment
  1. nigdy
  2. ani razu
/noːr/, /no̝ːr/
noun
1. een inwoner van Noorwegen
Norweg
pronoun
het continent dat ten noorden van [[Zuid-Amerika]] ligt, tussen de Grote, Arctische en de Atlantische Oceaan
Ameryka Północna
/noːrd.ˈbra.bɑnt/, /no̝ːrd.ˈbra.bɑnt/, /ˌnoːrd.bra.bɑnd/
pronoun
1. een provincie in het zuiden van Nederland, die aan Gelderland, Limburg, Zeeland, Zuid-Holland en België grenst
Brabancja Północna
/noːrt.ˈɦɔ.lɑnt/, /no̝ːr.ˈtɔ.lɑnt/, /ˈnoːrd.hɔ.lɑnd/
pronoun
1. een provincie in het noordwesten van Nederland, ...
Holandia Północna
/ˈɛlzɑs/
pronoun
1.
Irlandia Północna
/ˌnoːrt koˈre.ja/, /ˌno̝ːrt koˈre.ja/
pronoun
1. een land in Oost-Azië, officieel de Democratische Volksrepubliek Korea
Korea Północna
pronoun
1.
Macedonia Północna
pronoun
1. Australisch territorium gelegen in het noorden van het land
Terytorium Północne
noun
1. windrichting
północ
pronoun
1. een vorm van skisport waarbij de twee onderdelen van het Noords skiën, schansspringen en langlaufen, gecombineerd worden
kombinacja norweska
/ˈnoːrdzeː/, /ˈnoːrtseː/, /ˈno̝ːrtse/
pronoun
1. zee tussen Groot-Brittannië, Noorwegen, Denemarken, Duitsland, Nederland en België
Morze Północne
/noːrs/, /no̝ːrs/
adjective
1. betreffende Noorwegen en/of het Noors
norweski
/noːrs/, /no̝ːrs/
pronoun
1. de taal die wordt gesproken in Noorwegen
norweski
/ˈnoːrˌweɣə(n)/, /ˈnoːrˌβ̞eɣə(n)/, /ˈno̝ːrˌʋeχə(n)/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa
Norwegia
/noːt/
noun
  1. 3. (muziek) een geluid van zekere tijdsduur
    nuta
  2. 1. (kookkunst) eetbaar, oliehoudend zaad, kern of pit met harde dop
    orzech
noun
2. gepeld zaad van de nootmuskaatboom Myristica fragrans
muszkatołowiec
noun
norma
/nɔrˈmaɫ/
adjective
2. als norm dienend
  1. normalny
  2. zwykły
  3. normalna
  4. normalne
  5. zwykła
  6. zwykłe
noun
normalność
/nɔrˈmɑndɪə/
pronoun
1. streek in het noorden van Frankrijk
Normandia
noun
nostalgia
noun
1. jurist die bevoegd is om authentieke akten op te maken
  1. notariusz
  2. notariuszka
noun
1. een boomsoort uit het geslacht Juglans
orzech
noun
dziadek do orzechów
noun
1. een verslag van een bijeenkomst
protokół
noun
1. schuldvernieuwing
nowacja
noun
1. de elfde maand van het jaar
listopad
pronoun
Rewolucja listopadowa 1918
adverb
1. op het huidige tijdstip
teraz
adverb
1. op onregelmatige tijden
  1. czasami
  2. czasem
/nɵxtər/
adjective
1. niet onder de invloed van iets bedwelmends, vooral alcohol
trzeźwy
/nɵl/
cardinalNumeral
1. getal
zero
/ˈnumeɾi/
pronoun
Księga Liczb
/ˈnʏmər/
abbreviation
1. een aanduiding met een getal
  1. numer
  2. liczba
noun
1.
nuncjusz
adjective
  1. użyteczny
  2. przydatny
pronoun
1.
Nuuk
noun
1. een verhoogde urinelozing in de nacht
nykturia
noun
2. afwijking van de normale stand van de benen, waarbij de knieën naar buiten staan
kolana szpotawe
/o'azə/
noun
1. plek in een woestijn waar water voorhanden is en vegetatie groeit.
oaza
/oˈbɑtja/
pronoun
2. boek in de Bijbel
Księga Abdiasza
noun
1. een bediende in een restaurant of café
kelner
noun
1. vetzucht
otyłość
adjective
2. onpartijdig, volgens de feiten, neutraal
obiektywny
noun
1. lens
  1. obiektyw
  2. obiektywny
noun
1. (beroep) iemand die observeert (waarnemingen doet)
obserwator
noun
1. (muziekinstrument) een fluit die veelal gemaakt wordt van gebakken klei
okaryna
pronoun
1. een taal die in het zuiden van Frankrijk gesproken wordt
oscytański
noun
1. een zeer grote zee tussen verschillende werelddelen
ocean
/oseˈjani.jə/, /oseˈjaːni.jə/
pronoun
1. de collectieve naam voor een groot aantal eilanden in de Stille Oceaan...
Oceania
noun
1. bepaald soort zoogdier, Leopardus pardalis
ocelot
noun
1. eerste deel van de dag, tussen ca. 6.00 en 12.00 uur
  1. ranek
  2. rano
noun
1,2,3. toontrap, interval en toonhoogtereeks
oktawa
noun
1. C₈H18
oktan
/ɔkta'ʔedər/
noun
1. een regelmatig achtvlak, een ruimtelijke figuur begrensd door acht gelijkzijdige driehoeken
  1. oktaedr
  2. ośmiościan foremny
noun
1. lens waar men inkijkt
okular
noun
oda
pronoun
Odessa
noun
1. een beweging
ekumena
/ˌø.kyˈme.nis/
adjective
1. tussen kerken, van meerdere kerkgenootschappen
ekumeniczny
noun
1. (medisch) waterzucht
obrzęk
noun
1. test om de kennis te peilen
ćwiczenie
/u.'ɣɑn.da/, /u.'χɑn.da/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika, officieel de Republiek Oeganda
Uganda
noun
1.
puchacz
/ukraˈɦins/, /ukraˈʔins/
pronoun
1. een Slavische taal die in Oekraïne gesproken wordt
  1. ukraiński
  2. język ukraiński
/ukraˈɦinə/, /ukraˈʔinə/
pronoun
1. een land in Oost-Europa met als hoofdstad Kiev
Ukraina
/ukraˈɦinər/, /ukraˈʔinər/
noun
1. een inwoner van Oekraïne
Ukrainiec
/ˌenoloˈɣi/
noun
1. de wetenschap van de wijnbereiding
enologia
noun
een bos dat van oudsher bestaat
las pierwotny
/ˈuːrknɑl/
noun
1. de volgens de bigbangtheorie enorme explosie waaruit het heelal zo'n 13,7 miljard jaar geleden zou zijn ontstaan
wielki wybuch
/ˈuː.rɔs/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Bos primigenius
  1. tur leśny
  2. tur
noun
dżungla
/uˈsʲɑŋka/
noun
1. muts
uszanka
noun
1. tweekleppig weekdier uit de familie Ostreidae met onregelmatige schelpkleppen
  1. ostra
  2. ostryga
noun
1. een vrouwelijk hormoon
estrogeny
noun
1. waterkant
brzeg
pronoun
1. een taal die verwant is aan het Turks en die door de Oezbeken gesproken wordt
uzbecki
/us.ˈbe.kɪ.stɑn/, /uz.ˈbe.kɪ.stɑn/
pronoun
1. een land in centraal Azië, officieel de Republiek Oezbekistan, dat geheel door land wordt omsloten
Uzbekistan
conjunction
  1. 1. keuze
    1. albo
    2. lub
    3. czy
  2. 2. onzekerheid
    czy
adjective
1. aanvallend
ofensywny
noun
1.
ofensywa
adjective
1. erkend door bevoegd gezag
oficjalny
noun
1. de tak van de medische wetenschap die zich met het oog en het zicht bezig houdt
okulistyka
noun
1. een scheikundig element met het symbool Og en het atoomnummer 118
oganeson
noun
1. Een bepaald tijdstip
moment
noun
1. ohm
om
noun
1. groot zoogdier dat nauw verwant is aan de giraffe
okapi
noun
1. een mineraal dat als gele of oranje kleurstof gebruikt wordt
ochra
pronoun
1. een van de vijftig deelstaten van de Verenigde Staten van Amerika.
Oklahoma
noun
ketmia piżmowa
noun
1. holte tussen de arm en de romp
pacha
noun
1. de tiende maand van het jaar
październik
pronoun
Rewolucja październikowa
noun
1. vettige vloeistof
olej
noun
1. groot dikhuidig en veelhoevig zoogdier met een lange slurf
  1. słoń
  2. słonica
noun
oligarcha
noun
oligarchia
noun
1. stof met beperkt aantal gelijke delen
  1. oligomery
  2. oligomer
/oˈlɛɪf/, /oˈlɛːf/
noun
1. een vrucht van de olijfboom
oliwka
noun
1. bepaald soort boom, Olea europaea
oliwka
noun
1. fijne spijsolie verkregen door persing uit olijven
  1. olej oliwkowy
  2. oliwa
adjective
1. verband houdend met de Olympische Spelen
olimpijski
/o.ˌlɪm.pi.sə.ˈspe.lə(n)/
pronoun
1. een vierjaarlijks sportevenement dat zijn oorsprong in de stad Olympia in de Griekse landstreek Elis heeft
Igrzyska olimpijskie
pronoun
1. evenement dat eens in de vier jaar wordt gehouden waarbij allerlei wintersporten competitief beoefend worden
  1. zimowe igrzyska olimpijskie
  2. Zimowe igrzyska olimpijskie
noun
1. moeder van een ouder
  1. babcia
  2. babka
  3. babunia
/o.ˈman/, /ˈo.mɑn/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel het Sultanaat Oman
Oman
verb
1. de armen om iemand heen slaan
obejmować
/ɔm.'dɑt/
conjunction
1. geeft onderschikkend een reden aan
bo
noun
1. een gerecht dat bereid wordt door geklutste eieren te bakken
omlet
verb
1. zich eromheen bevinden
otaczać
verb
1. de armen om iemand slaan
  1. obejmować
  2. objąć
/ˈɔmkopə(n)/
verb
1. (iemand ~) met behulp van geschenken, geld e.d. overhalen om van zijn plicht, partij, overtuiging te verzakent
przekupić
noun
4. nagelriemontsteking, paronychia
zanokcica
noun
1. de achterkant van een blad papier
odwrotna strona
noun
hoe de zaken er voorliggen
okoliczność
noun
1. de lengte van een gesloten kromme
obwód
verb
2. een einde maken aan een bewind
obalać
prefix
1. toegevoegd aan een bijvoeglijk naamwoord drukt dit voorvoegsel het tegendeel uit.
nie-
adjective
1. geen verbinding hebbend met
niezależny
noun
onager
adverb
1. niet of zeer moeilijk te begrijpen, rationeel niet te volgen, onlogisch
niezrozumiały
adjective
1. van delen van het lichaam dat er geen haar op zit, dat het niet met haar bedekt is
nieowłosiony
adjective
1. niet behorend tot de kennis
nieznajomy
adjective
1. slecht gemanierd
  1. niegrzeczny
  2. niestosowny
noun
1. de onverbogen werkwoordsvorm die naar persoon en getal onvervoegd is
bezokolicznik
noun
1. gedrag dat schaamte op zou moeten roepen maar het bij die persoon niet doet
  1. bezczelność
  2. zuchwałość
adjective
1.
  1. bagatelny
  2. mało ważny
  3. nieistotny
  4. nieznaczący
preposition
1. ook al is het zo dat
  1. pomimo
  2. mimo
/ˈɔn.dər/
preposition
1. niet gesorteerd
pod
/ˌɔndərˈɑrṃ/
noun
1. gedeelte van de arm tussen de elleboog en de hand
przedramię
verb
1. actie ondernemen om een in gang zijnd proces tot staan te brengen
przerwać
noun
1. kledingstuk dat onder de gewone broek wordt gedragen
majtki
noun
poddany
verb
1. onderhevig gemaakt worden
doświadczyć
noun
4.
ruina
/ˈɔn.dər.ˌɣud/, /ˈɔn.dər.ˌɣut/, /ˈɔn.dər.ˌχut/
noun
1. kleding die direct op het lichaam gedragen wordt, doorgaans nog onder andere kleding
bielizna
noun
podkoszulek
noun
1. handelingen verricht om iets in goede staat te houden.
konserwacja
noun
1. de onderste kaak
żuchwa
noun
1. gouverneur van een land of een provincie die als vervanger van de monarch optreedt
wicekról
noun
przedsiębiorczyni
noun
1.
przedsiębiorca
noun
1. een organisatie
przedsiębiorstwo
/ɔndər'sxɛpə(n)/
verb
1. ervoor zorgen dat iets dat onderweg is zijn bestemming niet haalt
przechwycić
noun
1. handtekening
podpis
verb
podpisać
/ɔndərˈvraxə(n)/
verb
1. iemand aan een intensieve reeks vragen onderwerpen
przesłuchiwać
noun
  1. 2. zinsdeel waarnaar de persoonsvorm zich richt en dat bijv. de handelende persoon of zaak beschrijft
    1. podmiot
    2. temat
  2. 1. waar iets over gaat, een thema
    temat
noun
1. de voorziening van opleidingen
  1. edukacja
  2. kształcenie
verb
1. scholing verzorgen voor iemand
  1. uczyć
  2. nauczać
noun
1. iemand die lesgeeft
nauczyciel
noun
okręt podwodny
/ɔndər'zuːk/
noun
1. het onderzoeken van iets
badanie naukowe
verb
badać
adjective
1. niet mis de verstaan, met slechts één betekenis
jednoznaczny
adjective
1. zonder einde
  1. nieskończony
  2. bezgraniczny
  3. nieograniczony
adjective
1. Niet deelbaar door twee
nieparzysty
adjective
1. zonder remmingen, beperkingen of grenzen
nieograniczony
noun
1. ongewenste dieren, die de mens op een of andere manier last bezorgen
robactwo
/ɔnɣə'hoːrzam/, /ɔnɣə'ɦoːrzam/, /ɔnχə'ɦo̝ːrzam/
adjective
1. niet bereid gehoor te geven aan gestelde regels
nieposłuszny
adjective
1. niet getrouwd
wolny
adjective
2. niet onderricht in lezen en schrijven
niepiśmienny
adjective
2. bijzonder, uitzonderlijk
niewiarygodny
/ˈɔnɣəˌlɵk/, /ˈɔnɣəˌlʏk/
noun
1. een onvoorziene gebeurtenis met negatieve en soms zelfs fatale gevolgen
wypadek
/ɔnɣəvɑl/
noun
1. een ongeluk
wypadek
adjective
1. niet goed met de handen om kunnen gaan
niezdarny
adjective
1. zonder mogelijkheid om ongedaan gemaakt te worden
nieodwołalny
adjective
1. niet met de oren waarneembaar
niesłyszalny
/ˈɔŋkəɫ/
noun
1. broer of zwager van iemands vader of moeder
wuj
noun
1. planten die voorkomen op plekken waar ze niet gewenst zijn
chwast
adjective
1. niet te verwezenlijken
niemożliwy
/ˌonomatoˈpe/
noun
1. door klanknabootsing gevormd woord
onomatopeja
noun
1. een werkwoord dat niet vergezeld kan worden door een lijdend voorwerp of een meewerkend voorwerp in een zin
czasownik nieprzechodni
noun
1. schadeverwekkende inbreuk op een zorgvuldigheids- of rechtsnorm waardoor burgerrechtelijke aansprakelijkheid ontstaat
delikt cywilny
noun
1. niet-verplaatsbare zaak, bijv. grond, delfstoffen, beplantingen en opstallen
nieruchomość
personalPronoun
1. 1e persoon meervoud als (direct of indirect) object of na een voorzetsel
  1. nam
  2. nas
possessivePronoun
1. van de 1e persoon meervoud
nasz
adjective
1. Onbetaalbaar
bezcenny
/ɔnˈsxʏɫdəx/
adjective
1. niet schuldig
niewinny
adjective
nieśmiertelny
noun
1. eerste maaltijd van de dag
  1. śniedanie
  2. śniadanie
verb
1. een organisatie opheffen
rozpuścić
noun
wylesianie
/ɔnˈdɛ.kə(n)/
verb
1. ergens achter komen
odkrywać
noun
1. het vinden van iets nieuws
odkrycie
noun
wywłaszczenie
verb
1. in het geheugen bewaren
zapamiętać
/ɔnt'ɦɑʊdɪŋ/
noun
1. het bewust niet een gewoonte of behoefte volgen
abstynencja
verb
1. verklaren dat het gestelde niet waar is
negować
verb
1. met iemand kennismaken en een gesprek voeren
spotykać
verb
1. arbeidsovereenkomst beëindigen
zwalniać
/ɔnt'slɑx/
noun
  1. 1. het verbreken van het dienstverband met een werknemer
  2. 2. beëindiging van een ziekenhuisopname
zwolnienie
verb
1. kleine organismen zoals bacteriën gericht doden
dezynfekować
verb
1. aan gevangenschap, dreigende gevangenneming of ander gevaar ontkomen
uciekać
/ɔnt.ˈstan/
verb
1. de verandering ondergaan van niet bestaan naar wel bestaan
powstawać
noun
1. (medisch) ontsteking
zapalenie
/ɔntʌxt/
noun
1. seks die tegen de heersende moraal ingaat
nierząd
/ɔndˈvaŋ(g)ə(n)/, /ɔntfɑŋə(n)/
verb
1. het verkrijgen van zaken zoals loon en berichten
  1. otrzymać
  2. dostać
adjective
palny
verb
1. wederrechtelijk en onder dwang iemand weghalen
porywać
noun
1. het, tegen iemands zin, wederrechtelijk verplaatsen van een persoon
porwanie
/ɔntˈʋɛrpə(n)/
verb
1. bedenken en uitwerken op papier
projektować
/ɔntʋɪkələ(n)/
verb
  1. 1. iets ~ een aanwezige aanleg tot bloei brengen
  2. 3. een film ~ het latente beeld van een belicht fotografisch materiaal chemisch zichtbaar maken
  3. 4. ontwerpen en uitvoeren op basis van onderzoek
rozwijać
noun
1. geleidelijke verandering in een zekere richting
rozwój
adjective
nieodpowiedzialny
/ɔnvərˈbœxbaːr/, /ɔnvərˈbœyxbaːr/
adjective
1. onmogelijk te verbuigen
nieodmienny
adjective
1.
niezapomniany
adjective
nieunikniony
/ɔnvɛrˈsxɪləɣˌɦɛit/
noun
1. houding waarbij men zich niets aantrekt van omstandigheden en de opvattingen van anderen
obojętność
/ˌɔn.vərˈʋust.bar/, /ˌɔn.vərˈβ̞ust.bar/
adjective
1. niet stuk te krijgen, buitengewoon robuust
niezniszczalny
noun
czas teraźniejszy
noun
imperfekt
/ɔnʋɪːr/
noun
1. meteorologisch verschijnsel waarbij regen gepaard gaat met donder en bliksem
burza
noun
1. benaming voor torren uit de familie Coccinellidae
  1. biedronka
  2. boża krówka
adjective
  1. niewidzialny
  2. niewidoczny
/ɔn'zɛidəx/
adjective
neutrala
/ox/, /oːx/, /oχ/
noun
1. gezichtsorgaan voor het waarnemen van lichtprikkels
  1. oko
  2. oczko
/ˌox.ɔm.ˌox, ˌtɑnt.ɔm.ˈtɑnt/, /ˌoɣ.ɔm.ˌox, ˌtɑnd.ɔm.ˈtɑnd/, /ˌoχ.ɔm.ˌoχ, ˌtɑnt.ɔm.ˈtɑnt/
interjection
1. benadrukt volledige vergelding
oko za oko, ząb za ząb
noun
okulista
noun
oczodół
/ˈoχ.lɪt/
noun
1. een beschermend vlies van huid dat over de ogen bewogen kan worden
powieka
verb
1. het van het land halen van het rijpe gewas
urodzaj
verb
1. het volgroeide gewas van het veld halen
zbierać
noun
1. de schaal
twardówka
noun
1. vrouwelijk schaap
owca
noun
1. bepaald soort grote witte vogel met zwarte vleugelranden en rode poten, Ciconia ciconia
  1. bocian
  2. bociek
/oːɪt/
adverb
2. een mogelijk tijdstip in de toekomst
kiedykolwiek
/oːk/
adverb
1. daarnaast; verder; tevens
  1. także
  2. też
  3. również
noun
1. broer of zwager van iemands vader of moeder
  1. wuj
  2. wujek
/oːr/
noun
1. het lichaamsdeel waarmee geluiden kunnen worden gehoord
ucho
noun
1. een ornament dat in of op het oor aangebracht wordt
kolczyk
noun
1. wetenschap die oorkonden typeert en beschrijft naar hun vorm
dyplomatyka
noun
1. een gewapende strijd tussen twee of meer bevolkingsgroepen en/of tussen twee of meer landen
wojna
/ 'orlɔxsmɪsdadəxər/
noun
1. iemand die een oorlogsmisdaad pleegt of heeft gepleegd en daarvoor individueel aansprakelijk gesteld...
zbrodniarz wojenny
noun
pomnik wojenny
noun
okręt
/ˈorɔntˌstekɪŋ/
noun
1. een ontsteking van het oor
zapalenie ucha
/orsxɛlp/, /o̝rsχɛɫp/
noun
1. het uit het hoofd stekende deel van een oor
małżowina uszna
noun
1.1 gewone oorworm (Forficula auricularia)
  1. skorek
  2. szczypawka
noun
przyczyna
/os.ˈti.mɔr/
pronoun
1. een land in Zuidoost-Azië, bestaande uit een gedeelte van het eiland Timor en de kleinere eilandjes Atauro en Jaco in het geheel
Timor Wschodni
adjective
wschodni
/ˈostə(n)/
noun
1. een van de windstreken, die op landkaarten overeenkomt met de rechterkant
wschód
/ˈostə(n)ˌrɛɪ̯k/, /ˈoːstə(n)ˌrɛɪ̯k/, /ˈoːstə(n)ˌrɛːk/
pronoun
1. een republiek in Midden-Europa grenzend aan Zwitserland en Liechtenstein in het westen, aan Duitsland...
  1. Austria
  2. Rakusy
/ˈo.stə.ˌrɛɪ̯.kər/, /ˈo.stə.ˌrɛː.kər/, /ˈos.tə(n).ˌrɛɪ̯.kər/
noun
1. een inwoner van Oostenrijk of persoon die de Oostenrijkse nationaliteit bezit
  1. Austriak
  2. Austriaczka
pronoun
1. zee die tussen Zweden en de Baltische staten ligt
  1. Morze Bałtyckie
  2. Bałtyk
preposition
1. aan de bovenkant aanrakend, rustend op
na
noun
1. de vader van een ouder
dziadek
/o'pal/
noun
1. een halfedelsteen en een amorfe variëteit van kwarts, SiO₂·nH₂O, gehydrateerd siliciumdioxide met een waterpercentage van soms wel 20%
opal
/ˈɔˌbɛlə(n)/
verb
1. iemand telefonisch proberen te bereiken
dzwonić
conjunction
żeby
adverb
1. snel en onverwachts
nagle
/ˈoː.pə(n)/
adverb
1. niet gesloten
  1. otwarty
  2. otwarta
  3. otwarte
adjective
1. vrij toegankelijk
publiczny
noun
1. laatste boek van de Bijbel
Apokalipsa Świętego Jana
verb
  1. 2. ontsluiten, openmaken wat afsluit of wat gesloten is
  2. 3. openstellen, toegankelijk maken
  3. 1. laten beginnen, in bedrijf brengen
  4. 4. (informatica) een bestand inladen
otwierać
noun
1. een in hoofdzaak gezongen en orkestraal begeleid muziekdrama, gewoonlijk van ernstige aard
opera
noun
  1. 1. aantal gecoördineerde acties
  2. 2. een chirurgische ingreep
  3. 3. een bewerking op een object
operacja
noun
1. ruimte waar heelkundige bewerkingen uitgevoerd worden
  1. operacyjny
  2. blok operacyjny
noun
1.
operetka
verb
1.de tijd tot de volwassenheid doorbrengen
dorastać
/'ɔpɦɑŋə(n)/
verb
3. aan de galg opknopen
powiesić
/'ɔpɦɛfə(n)/
verb
  1. 2. een instelling of regel ongedaan maken
    anulować
  2. 1. iets in opwaartse richting brengen
    1. podnieść
    2. unieść
noun
1. het ingedroogde melksap van de opiumpapaver of slaapbol (Papaver somniferum), een pijnstillend, verdovend en verslavend middel
opium
noun
wykształcenie
noun
1. bedrog waarbij men iemand geld of goed afhandig weet te maken
oszustwo
noun
1. bedrog waarbij men iemand geld of goed afhandig weet te maken
oszustwo
verb
  1. 2. een homogeen mengsel doen vormen
    rozpuszczać
  2. 1. een homogeen mengsel gaan vormen
    rozpuszczać się
  3. 3. een probleem ophelderen
    rozwiązywać
noun
  1. 1. een mengsel
    1. roztwór
    2. rozwiązanie
  2. 2. een manier om van een probleem af te komen
    rozwiązanie
noun
przedtakt
noun
1. een uiting van een gedachte
spostrzeżenie
verb
1. in handen nemen
odebrać
/ˈɔpniu/
adverb
1. nog een keer, een vorige gebeurtenis herhalend
  1. ponownie
  2. znów
pronoun
1. deelstaat van Oostenrijk
Górna Austria
noun
1. bot in de bovenarm
kość ramienna
pronoun
1. een Westslavische taal die in het gebied Opper-Lausitz in het oosten van Duitsland gesproken wordt
górnołużycki
/ˈɔpərvlɑk/
noun
1. vlak dat iets naar boven begrenst
powierzchnia
noun
  1. 2. uitgebreidheid
    1. pole
    2. pole powierzchnii
  2. 1. vlak dat iets naar boven begrenst
    powierzchnia
/ˌɔpoˈzitsi/
noun
2. mensen en partijen die niet tot de regeringspartijen horen
opozycja
verb
2. een instelling in het leven roepen
zakładać
noun
1. een lange, grote en diepe lepel
chochla
verb
  1. 1. gaan staan
  2. 2. het bed verlaten
wstawać
/ˈɔpstɑnt/
noun
1. een massale, vaak gewelddadige, poging het heersende gezag af te schudden
powstanie
noun
1. verrijzenis
zmartwychwstanie
/ˈɔpstɛːɣə(n)/, /ˈɔpstɛːɪχə(n)/
verb
  1. 1. in de lucht stijgen
    startować
  2. 2. te paard stijgen
    wsiadać
verb
1. bij elkaar tellen; het samenvoegen van twee of meer termen tot een totaal, de som genoemd
  1. dodawać
  2. dodać
noun
1. het samenvoegen van een of meer termen tot een totaal, de som
dodawanie
noun
optyka
noun
1. iemand die kundig is in de optica
optyk
verb
1. met spierkracht iets van de grond opheffen
  1. podnosić
  2. podnieść
noun
1. iemand die alles van de positieve kant beschouwt
optymista
adjective
1. van het positieve uitgaand
optymistyczny
noun
optometria
/ˈɔp.tre.də(n)/
verb
1. voor een publiek bepaalde handelingen verrichten, bijvoorbeeld in kunstzinnige zin
występować
verb
1. met een veger of bezem van de grond afhalen
  1. zamieść
  2. zmieść
noun
1. het proces waarin iemand wordt gevormd naar de normen van diens opvoeders, en daarmee meestal de samenleving waarin hij leeft
wychowanie
noun
1. iemand die een ambt bekleedt na iemand anders
następca
noun
1. mensaap met lange armen en roodbruinachtig haar
orangutan
adjective
1. de kleur oranje hebbend
  1. pomarańczowy
  2. pomarańcz
noun
secundaire kleur gelegen tussen geel en rood, met een golflengte van ca. 620 - 585 nanometer
pomarańcz
pronoun
Wolne Państwo Orania
noun
1. plant van de talrijke orchideeënfamilie, m.n. benaming voor de kleurrijke bloemen
orchidea
noun
    1. 1. gewenste regelmaat
    2. 2. een hiërarchische organisatie
    1. porządek
    2. ład
  1. 3. (biologie) een groep verwante organismen, onderdeel van een klasse en bestaande uit families
    1. rząd
    2. porządek
noun
  1. 2. keukenkruid
  2. 1. Origanum vulgare
oregano
noun
  1. 1. Onderdeel van het organisme
    1. narząd
    2. organ
  2. 2. Communicatiemiddel
    organ
noun
organellum
/ˌɔrɣɑniˈzasi/, /ˌɔrχɑniˈzaʦi/
noun
  1. 3. een groep die een bepaald doel of of bepaalde rol heeft
  2. 1. het organiseren
  3. 2. de manier waarop iets georganiseerd is
organizacja
pronoun
Organizacja Współpracy Gospodarczej i Rozwoju
pronoun
Organizacja Bezpieczeństwa i Współpracy w Europie
noun
1. iemand die organiseert of die organisatietalent heeft
  1. organizator
  2. organizatorka
/ɔr.ˈɣa.nɪs/, /ɔr.ˈχa.nɪs/
adjective
2. koolstof bevattend
organiczny
/ˌɔrɣɑniˈzeːrə(n)/, /ˌɔrχɑniˈzɪːrə(n)/
verb
  1. 1. een bepaalde structuur aanbrengen
  2. 2. iets, vaak een evenement, tot stand brengen
organizować
noun
1. een afzonderlijk en volledig levend wezen dat voor zijn voortbestaan afhankelijk is van zijn eigen metabolisme en bestaat uit verschillende organen
organizm
/ɔr.ˈɣaː.no.ɣe.ˌneːzə/
noun
1. het zich ontwikkelen van organen uit enkele typen weefsel
organogeneza
/ˈɔrɣəɫ/
noun
1. een muziekinstrument dat bestaat uit meerdere losse pijpen waardoor lucht stroomt op een labium en dat ingedeeld wordt bij de aerofonen
organy
/ˈɔrxi/
noun
orgia
/ˈɔr.ka/
noun
1. Orcinus orca, een walvissoort die vrij gedrongen van bouw is...
orka
noun
1. een bijzonder hevige storm
  1. cycklon tropikalny
  2. huraganem
  3. tajfunem
  4. huragan
/ɔrˈkɛst/
noun
1. een groep musici
orkiestra
noun
ornitologia
/ɔrtoˈdɔks/
adjective
  1. 1. star vasthoudend aan een bepaald geloof
  2. 2. star vasthoudend aan bepaalde opvattingen of gewoontes die algemeen zijn aanvaard
ortodoksyjny
/ɔrtodɔk'si/
noun
ortodoksja
noun
ortopeda
noun
1. gecastreerde stier
wół
pronoun
  1. 1. de hoofdstad en grootste stad van Noorwegen en is gelegen in het zuidoosten van het land
  2. 2. een provincie in Noorwegen
Oslo
noun
1. Chemisch element
osm
pronoun
1. de hoofdstad van Canada
Ottawa
noun
1.1 bepaald soort zoogdier Lutra lutra
wydra
/aʊ̯d/, /ɔʊ̯t/, /ʌʊ̯t/
adjective
  1. 2. oud ding, concept
  2. 1. oud mens, dier
  3. 3. vorige
  1. stary
  2. stara
  3. stare
noun
1. reeks boeken in de christelijke Bijbel die zijn ontleend aan de joodse Tenach
stary testament
pronoun
1. het Engels zoals dat tussen ca. 400 en 1100 werd gesproken en dat wordt gezien als de rechtstreekse voorloper van het Middelengels en nog later het moderne Engels
język staroangielski
/ˈaʊ̯.dər/, /ˈɔʊ̯.dər/, /ˈʌʊ̯.dər/
noun
1. de moeder of vader van een kind
rodzic
adjective
1. niet langer gebruikt of in de mode
staromodny
noun
1. periode van eind september tot half november waarin het nog zomerachtig weer kan zijn
babie lato
pronoun
1. het Frans zoals dat in het noorden van Frankrijk gesproken werd van de 10e tot de 14e eeuw
starofrancuski
/ɑʊ̭tɦɛɪ̭t/
noun
1. het tijdperk van de geschiedenis vóór de middeleeuwen
  1. antyk
  2. starożytność
noun
archeolog
pronoun
1. de voorloper van het huidige Duits in de periode 700-1050
staro-wysoko-niemiecki
pronoun
1. de Slavische taal die rond de negende eeuw rond Thessaloniki gesproken werd
język staro-cerkiewno-słowiański
pronoun
1. een taal die de voorganger van de Scandinavische talen was
staronordyjski
noun
1. een meestal instrumentaal muziekstuk dat als opening fungeert van een opera of operette
uwertura
noun
jajnik
/ovə/
noun
1. besloten ruimte die verhit wordt om er voorwerpen in te smelten, te bakken enz.
  1. piec
  2. piekarnik
noun
1. paal waarmee brood in en uit de oven gehaald wordt
  1. lofer
  2. łopatal
adverb
2. nog resterend
pozostały
preposition
1. wat betreft
o
adverb
1.
wszędzie
noun
przedawkowanie
verb
1. de feiten groter, kleiner, mooier of slechter voorstellen dan ze zijn
  1. przesadzać
  2. wyolbrzymiać
noun
2. een bindende afspraak waarmee alle partijen instemmen
  1. umowa
  2. kontrakt
noun
1. reeks handelingen die gedaan wordt bij een belangrijke gebeurtenis in het leven
obrzęd przejścia
noun
1. een werkwoord dat vergezeld wordt door een lijdend voorwerp in een zin, dat gewoonlijk in de lijdende vorm het onderwerp kan worden
czasownik przechodni
verb
1. braken
wymiotować
verb
1. door te gieten in een ander vat brengen
przelewać
noun
1. moeder van de grootvader of van de grootmoeder
prababcia
/ˈovərɣrotˌvadər/
noun
1. een vader van een grootouder
  1. pradziadek
  2. pradziad
verb
1. in de handen van een ander geven
przekazywać
/ˌovəˈrɛɪ̯sɔɫ/, /ˌovəˈrɛɪ̯səl/, /ˌovəˈrɛːsəɫ/
pronoun
1. provincie in het oosten van Nederland
Overijssel
noun
1. een jas die hoofdzakelijk als bescherming van de kleding eronder wordt gedragen
płaszcz
/ˌovərˈlevə(n)/
verb
1. in leven blijven ondanks levensbedreigende omstandigheden of gebeurtenissen
  1. przeżyć
  2. przeżywać
adverb
pojutrze
verb
1., 2.
przejmować
verb
1. de overzijde van een grens betreden
przekroczyć
verb
  1. 2. geld overmaken
    przelewać
  2. 1. al schrijvend kopiëren
    przepisywać
  3. 1. het ene geschrevene vervangen
    nadpisywać
noun
przelew
/ˌovərˈstromɪŋ/
noun
1. het binnenlopen van water in doorgaans droog gebied
powódź
/ˌo.vər.ˌtrɛ.fən.də.ˈtrɑp/
noun
stopień najwyższy
verb
1. een denkbeeld doen aanvaarden
  1. przekonywać
  2. przekonać
noun
1. sterke mening of geloof
przekonanie
/'ovərʋɛx/, /ovər'ʋɛx/
noun
1. een kruising van een weg met een spoorbaan
przejazd kolejowy
/ovər'ʋeɣən/, /ˈovərʋeɣən/
verb
de voor- en nadelen bezien alvorens een beslissing te nemen
rozważać
noun
1. het gereedkomen van een eicel uit de eierstok.
owulacja
pronoun
Oksford
noun
  1. utlenienie
  2. utlenianie
noun
tlenek
noun
oksymoron
noun
1. (scheik.) een vorm van zuurstof met drie zuurstofatomen inplaats van twee
ozon
/ozɔnlax/
noun
1. laag in de atmosfeer die veel ozon bevat
ozonosfera
noun
4. (heraldiek) een loodrechte band midden over een wapenschild
słup
noun
1. in zee levend weekdier dat zich in hout boort, Teredo navalis
świdrak okrętowiec
/paːr/
noun
2. twee geliefden die een relatie hebben
para
/paːrt/
noun
  1. 2. turntoestel
    1. kozioł
    2. koń
  2. 1. tam hoefdier met manen
    1. koń
    2. skoczek
  3. 3. schaakstuk
    1. skoczek
    2. koń
    3. konik
noun
  1. 1. en 2. (bladeren of bloemen van) plant Taraxacum officinale
    1. mlecz
    2. mniszek
  2. 1. samengesteldbloemige plant Taraxacum officinale
    mniszek lekarski
noun
bób
/'pardə(n)krɑxt/
abbreviation
maat voor arbeidsvermogen
koń mechaniczny
noun
1. sporenplant
skrzyp
/ˈpaːrt.rɛidə(n)/
noun
het rijden op een paard, ter ontspanning of als sportbeoefening
jeździectwo
adjective
1. met een kleur tussen rood en blauw
fioletowy
noun
  1. 2. ter gelegenheid van Pasen gekleurd en versierd kippenei
  2. 1. ei van chocolade of suiker dat op of omstreeks Pasen gegeten wordt
  1. pisanka
  2. kraszanka
noun
zając wielkanocny
noun
1. de dag die volgt op paaszondag
lany poniedziałek
noun
1. de dag waarop christenen vieren dat Jezus opgestaan is uit de dood, op de derde dag na zijn kruisiging
Niedziela Wielkanocna
noun
rozrusznik serca
noun
dzierżawa
noun
najemca
/pɛːt/
noun
  1. 1. een kikker met een gedrongen lichaamsbouw en ruwe huid die een orgaan van Bidder bezit
    1. ropucha
    2. ropuch
  2. 1. een smalle weg of voetweg
    ścieżka
noun
1. vruchtlichaam van een doorgaans onder de grond levende schimmel of zwam
grzyb
/paˈeʎa/
noun
1. gerecht
paella
noun
1. persoonlijke dienaar van iemand
paź
noun
strona
/ˈpa.kɪ.ˌstɑn/
pronoun
1. een land in het zuiden van Azië grenzend aan India, Afghanistan, Iran en China. De officiële naam is de Islamitische Republiek
Pakistan
/palaˈdɛin/
noun
2. een ridder of hofdienaar
paladyn
/pa.ˈlaʊ̯/, /pa.ˈlɔʊ̯/, /pa.ˈlʌʊ̯/
pronoun
1. een eilandenstaat in Oceanië
Palau
noun
1. een aanzienlijk gebouw dat een openbare functie heeft of een (woon)huis voor een staatshoofd is
pałac
/palejoˈɣen/
noun
1.
Paleogen
noun
1. aardkunde die gericht is op de bestudering van fossielen
paleontologia
/ˌpalejoˈzowikʏm/
noun
Paleozoik
pronoun
Palermo
adjective
1.
palestyński
pronoun
Palestyna
noun
paleta
noun
1. een symmetrisch woord dat van links naar rechts gelezen hetzelfde is als van rechts naar links gelezen. Voorbeelden: lepel en parterretrap maar ook kok en lol
palindrom
noun
1. bepaald soort langwerpige consumptievis, Anguilla anguilla
węgorz europejski
noun
1. chemisch element
pallad
noun
paliusz
noun
  1. 2. binnenzijde van de hand
    dłoń
  2. 1. (sub-)tropisch gewas
    palma
noun
palma
noun
kwas palmitynowy
noun
olej palmowy
pronoun
1. de zondag voor Pasen
Niedziela Palmowa
/pɑn/
noun
1. keukengereedschap om in te koken of braden
patelnia
noun
1. geneesmiddel dat alle kwalen zou verhelpen
panaceum
/ˈpa.na.ma/, /ˈpɑ.nə.ma/
pronoun
1. een land Centraal-Amerika
Panama
pronoun
Kanał Panamski
noun
2. een gebouw
nieruchomość
noun
1. (zoogdieren) een beerachtig dier uit het Himalayagebied
panda
/ˌpɑndeˈmi/
noun
1. een epidemie op wereldwijde schaal
pandemia
/pɑn.deʲ'ɪsmə/
noun
1. een theologische positie
pandeizm
noun
1. de theologische positie dat God immanent is in de gehele schepping en dat het universum een deel is van God en dat God de drijvende kracht vormt achter het universum
panenteizm
noun
1. blaasinstrument dat is samengesteld uit een reeks van eentonige fluiten
fletnia Pana
noun
1. een platte, ronde koek die in een pan gebakken is
naleśnik
noun
spodnie
noun
1. benaming voor verschillende grote katachtige roofdieren
pantera
noun
1.
panteon
/pɑn.teʲ'ɪsmə/
noun
panteizm
noun
1. toneelspel alleen maar met gebaren en lichaamsuitdrukkingen dus zonder woorden
pantomima
noun
1. gerecht dat meestal bestaat uit melk die is gebonden met een zetmeelproduct zoals meel
papka
noun
1.
papabile
/paˈpa.ja/
noun
  1. 1. meloenboom
    melonowiec właściwy
  2. 1. en 2. (vrucht van) de boom Carica papaya
    1. papają
    2. papaja
noun
1. benaming voor vogels uit de orde Psittaciformes
  1. papugowe
  2. papuga
noun
spinacz
pronoun
1. taal die wordt gesproken op een aantal eilanden in het Caribisch gebied, waaronder de Benedenwindse Eilanden Aruba, Bonaire en Curaçao en daar officiële status heeft
papiamento
/pɑ'pir/
noun
1. een dun vezelachtig beschrijfbaar materiaal
papier
/ˌpa.pu.wa.niβ̞.ɣi.ˈne.ja/, /ˌpa.pu.wa.niβ̞.χi.ˈne.ja/, /ˌpa.pu.wa.nyʊ̯.ɣi.ˈne.ja/
pronoun
land en staat in Oceanië
  1. Papua Nowa Gwinea
  2. Papua-Nowa Gwinea
/ˈpaprika/, /ˈpɑprika/
noun
2. vrucht van een bepaalde gekweekte vorm van een peperplant, Capsicum annuum
papryka
noun
  1. parabola
  2. przypowieść
/ˌparaˈboɫ/
noun
1. kegelsnede waarbij het snijvlak parallel loopt met een lijn die aan de kegel raakt en tevens het toppunt snijdt.
parabola
noun
raj
noun
paradoks
/ˌparadɔkˈsal/
adjective
1. tegenstrijdig lijkend
paradoksalny
/ˈpa.ra.gʋɑɪ̯/, /ˈpa.ra.gβ̞ɑɪ̯/, /ˈpa.ra.ɣ<sup>ʊ</sup>ɛɪ̯/, /ˈparaˌɡwe/
pronoun
Paragwaj
noun
paralaksa
noun
równoległościan
/paralɛloˈɣrɑm/, /pɑrɑlɛloˈʝrɑm/
noun
1. (wiskunde) een vierhoek waarvan de overstaande zijden evenwijdig zijn
równoległobok
/ˌpa.ra.ˈply/
noun
1. een scherm waarover een waterdichte stof is gespannen om zich te beschermen tegen de regen
  1. parasol
  2. parasolka
noun
  1. 1. klaploper, iemand die ten koste van een ander leeft, een profiteur
  2. 2.
pasożyt
noun
parasol
noun
1. in het kaf voorgekookte rijst
ryż preparowany termicznie
noun
1. een hard, rond voorwerp dat door bepaalde weekdieren wordt gemaakt,...
perła
noun
1. rond gepolijste gepelde gerst
kasza perłowa
noun
1.
jaszczurka perłowa
noun
1. benaming voor vogels uit het geslacht Numididae
perliczka
/parəl'mur/
noun
1. het glanzende mineraal dat de binnenzijde van bepaalde schelpen bedekt
  1. masa perłowa
  2. macica perłowa
noun
parenchyma
pronoun
1. de hoofdstad van Frankrijk
Paryż
noun
een inwoner van Parijs
paryżanin
/pɑrᵊk/
noun
1. een groengebied bedoeld voor recreatie of natuurbehoud
park
noun
1. een installatie met klok die na de muntinworp de toegestane parkeertijd aangeeft
parkometr
verb
1. (een voertuig) tijdelijk ergens laten staan
  1. parkować
  2. zaparkować
noun
vogel
papużka
noun
parlament
noun
1. gemeenschap van gelovigen in de katholieke kerk die bij één kerkgebouw hoort
parafia
/pa.ˈrɔ.xiˌkɛrk/, /pa.ˈrɔ.χiˌkɛrk/
noun
1. een lokaal kerkgebouw dat het religieuze centrum van een parochie vormt
kościół parafialny
noun
1. woord dat een of meerdere morfemen met een ander woord deelt en daardoor soms met dat andere woord verward kan worden
paronim
noun
1. ontsteking van het nagelbed
zanokcica
noun
parsek
noun
  1. 2. vereniging van gelijkgezinden die binnen een bepaald gebied hun politieke doelstellingen...
  2. 5. spel dat wordt gespeeld, potje, wedstrijd
partia
noun
1. klein deeltje
partykuła
noun
  1. 1. iemand met wie men gezamenlijk iets onderneemt of handel drijft
  2. 3. iemand met wie men gehuwd of niet een relatie heeft
  3. 2. deelgenoot in spelen, speelgenoot, mededanser
partner
noun
1. eenheid voor druk (symbool: Pa)
paskal
noun
1. het belangrijkste feest van het christendom, waarbij de Opstanding van Jesus centraal staat
Wielkanoc
adjective
1. kort geleden geboren
nowonarodzony
noun
paszport
verb
1. precies de goede maat zijn, erin kunnen
pasować
noun
cyrkiel
noun
1. (eetbare) vrucht van het plantengeslacht Passiflora
marakuja
noun
1. een document of ander kunstwerk zoals een toneel- of muziekstuk dat is gemaakt via nabootsing en/of het combineren van bepaalde kenmerken van een of meerdere originelen
pastisz
noun
1. bepaald circa 20 cm lang knolgewas, Pastinaca sativa
pasternak
noun
proboszcz
adjective
1. in een toestand waarin een speler geen enkele zet meer kan doen
pat
noun
1. remise doordat een speler geen zet meer kan doen
pat
pronoun
1. benaming voor het zuidelijke deel van Zuid-Amerika, tussen de Colorado en de Straat van Magellaan
Patagonia
noun
1. gefrituurde aardappelreepjes
frytki
adjective
1. de eigenschap bezittend om een ziekte te veroorzaken
chorobotwórczy
noun
1. de tak van de geneeskunde die het ontstaan en verloop van ziektes bestudeert
patologia
adjective
1. ziekte betreffend
patologiczny
noun
1. een al dan niet omheinde binnenplaats bij een huis of ander pand
patio
/pɑˈsʲɛnt/
noun
iemand die medische hulp krijgt
pacjent
noun
1. aanzienlijk persoon, burger, rijke koopman, regent, ...
patrycjusz
noun
1. een vogel uit de familie van de fazanten
kuropatwa
noun
1. klein rond raam in een scheepswand dat waterdicht kan worden afgesloten
bulaj
noun
patronim
verb
patrolować
pronoun
1. stad in Thailand
Pattaya
noun
1. een grote verstembare keteltrommel zoals gebruikt in een orkest
kotły
/pɑu̯s/
noun
1. hoofd van de katholieke kerk
  1. papież
  2. papieżyca
adjective
1. betrekking hebbend op de paus, het hoofd van de rooms-katholieke kerk
papieski
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Paw
noun
1. benaming voor siervogels uit het geslacht Pavo
paw
/ˈpɑʊzə/
noun
1. tijd waarin de hoofdactiviteit wordt onderbroken
pauza
noun
pawilon
/pɛx/, /pɛχ/
noun
1. de conditie waarin er tegenslag te verwerken is die niet door eigen schuld veroorzaakt is
pech
adjective
pieniężny
noun
  1. 1. met de voet te bedienen hefboom
  2. 3. met de voet te bedienen hefboom van een muziekinstrument
pedał
noun
pediatria
noun
1. een volwassene die verlangt naar seksueel contact met kinderen
pedofil
noun
1.
pedofilia
noun
  1. 1. vrucht
    gruszka
  2. 2. gloeilamp
    żarówka
adjective
1. de vorm hebbend van een peer, dus rond met één enkele uitloper
gruszkowaty
/pes/
noun
1. een uitloper van spierweefsel die de spier aanhecht aan het bot
ścięgno
noun
1.
chrześniak
pronoun
2. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Pegaz
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Pelecanidae
pelikan
/peloˈtɔn/
noun
een groep soldaten
peleton
noun
1. instrument om met inkt te schrijven of te tekenen
  1. pióro
  2. długopis
noun
1. een directe vrije trap voor de aanvallende partij na een zware overtreding van de verdedigende partij binnen het strafschopgebied
rzut karny
noun
1. het mannelijke geslachtsdeel
penis
noun
pędzel
noun
1. loon uitgesteld tot de tijd dat iemand niet langer actief is op de arbeidsmarkt
emerytura
noun
1. C₅H12
pentan
noun
pentagram
noun
1. een specerij van gemalen peperkorrels met een scherpe, hete smaak
pieprz
verb
1. met peper bestrooien, kruiden
pieprzyć
noun
1. en 2. (bladeren van) de plant Mentha × piperita
mięta pieprzowa
noun
1. vluchtige olie, uit de bladeren en bloesemtoppen van de pepermuntstruik Mentha × piperita bereid
olejek miętowy
/pɛpˈsinə/
noun
1. een verteringsenzym dat in de maag eiwitten in kleine stukken breekt
pepsyna
/pɛrsɛnˈtaʒə/
noun
1. een percentsgewijze berekend bedrag of hoeveelheid
procent
/perə(n)bom/
noun
1. een boom met peren als vrucht
grusza
noun
1. hervormingen zoals deze door Gorbatsjov werden voorgesteld in de Sovjet-Unie
pieriestrojka
/pɛrˈfɛkt/
adjective
1. zonder enig gebrek
doskonały
noun
perfekcja
/ˌpɛrfoˈratɔr/
noun
1. een apparaat om gaten te maken in papier, karton, kunststof folie of metaalplaat.
dziurkacz
noun
peryhelium
noun
krocze
/pɪri'jodɘ/
noun
1. tijdperk
okres
noun
układ okresowy pierwiastków
noun
1. een dun schrijfmateriaal, gemaakt van huid van kalveren, koeien, geiten, schapen, konijnen of ezels
pergamin
noun
1. populistische en nationalistische politieke stroming in Argentinië
peronizm
noun
peroksydaza
/pɛˈrɔn/
noun
1. een hoge, lange zijstoep of verhoogde vrije stoep aan een station om in en uit te stappen
peron
noun
  1. 1. instrument waarmee druk uitgeoefend kan worden
  2. 2. journalistieke media
prasa
noun
  1. 1. menselijk individu
  2. 2. grammaticaal begrip
  1. osoba
  2. persona
adjective
1. betrekking hebbend of uitgevoerd door de persoon zelf
  1. osobisty
  2. personalny
noun
1. een voornaamwoord dat in de plaats komt van een zelfstandig naamwoord of eigennaam en hiernaar verwijst
zaimek osobowy
noun
1. het geheel van kenmerken en gedragingen dat iemand uniek maakt
osobowość
/pɛrspɛkˈtif/
noun
perspektywa
/peˈru/
pronoun
1. een land in Zuid-Amerika
Peru
noun
1. sappige vrucht van de perzikboom
brzoskwinia
pronoun
1. een Indo-Iraanse taal die gesproken wordt in Iran, Afghanistan en Tadzjikistan
perski
pronoun
1.
Zatoka Perska
pronoun
Peszawar
noun
pesymista
noun
(medisch) Dodelijke en besmettelijke ziekten veroorzaakt door de bacterie Yersinia pestis
dżuma
noun
pestycydy
noun
1. bepaald soort vogel, Bombycilla garrulus
jemiołuszka
/petəkɪnt/
noun
chrześniaczka
noun
2. kruid
pietruszka
noun
groente
korzeń pietruszki
noun
1. gesteentekunde
petrologia
pronoun
  1. 1. discipel van Jezus
  2. 3. Peter
Piotr
noun
1. overblijfsel van een opgerookte sigaret of sigaar
niedopałek
pronoun
1.
Pforzheim
pronoun
  1. 1. Griekse god van de paniek
  2. 2. grotere van de twee manen van Mars
Fobos
noun
1. musicus die een piano bespeelt
pianista
noun
1. groot snaarinstrument met klavier (algmeen)
  1. fortepian
  2. pianino
/pɪˈkɑrdɪʲə/
pronoun
regio in Noord-Frankrijk
Pikardia
noun
1.
pikometr
noun
pikosekunda
noun
1. geslachtsdeel van de man, penis gebruikt voor onvolgroeide jongens
  1. siusiak
  2. ptaszek
adjective
1. bijzonder klein
malutki
/piːr/
noun
2. een in een zee of rivier uitstekende brug, dam of golfbreker
molo
noun
1. ondiep zwembad geschikt voor heel kleine kinderen die nog niet kunnen zwemmen
brodzik
pronoun
1. jongensnaam
Piotr
noun
1. een organische of minerale stof met een vaste kleur
pigment
noun
1. projectiel
  1. strzała
  2. strzałka
noun
1. weekdier met lange tentakels en zuignappen, o.a. van het geslacht Loligo
kałamarnice
/pɛɪ̯n/, /pɛːn/
noun
1. lichamelijk leed
ból
noun
1. een houtige zaaddoos van een aantal naaldbomen
szyszka
/ˈpɛɪ̯nɑpəɫˌkliːr/, /ˈpɛːnɑpəlˌkliːr/
noun
1. klier in de hersenen, die melatonine uitscheidt
szyszynka
/ˈpɛːinlək/, /ˈpɛːnlək/
adjective
1. pijn gevend
bolesny
/'pɛːinstɪlər/
noun
1. middel
środek przeciwbólowy
noun
1. penis
huj
noun
  1. 1
  2. 2
pigułka
noun
1. een bestuurder van een vliegtuig, luchtschip of race-auto
pilot
pronoun
1.
Pilzno
noun
1. bepaalde mezensoort, Cyanistes caeruleus
  1. sikora modra
  2. modraszka
noun
2. een vrucht van deze plant
orzeszek ziemny
adjective
1. een soort broodbeleg dat bestaat uit een pasta van pinda's, slaolie en zout
masło orzechowe
/ˈpɪŋɡwɪn/
noun
1. benaming voor niet-vliegende zeevogels uit de orde
pingwin
noun
1. de vijfde, kleinste en buitenste vinger
  1. palec mały
  2. mały palec
pronoun
1. Christelijk feest
Zesłanie Ducha Świętego
/piˈɔn/
noun
  1. 1. een schaakstuk dat alleen recht vooruit kan lopen en schuin vooruit slaan
    1. pionek
    2. pion
  2. 2. subatomair deeltje dat bestaat uit twee quarks en dus een boson is
    pion
noun
pionier
/pi.ˈpɛt/
noun
1. een instrument waarmee heel precieze hoeveelheden vloeistof kunnen worden afgemeten door de vloeistof erin op te zuigen, meestal een in het midden verwijde en spits uitlopende glazen buis
pipeta
noun
1.
pirat
noun
1.
  1. piramida
  2. ostrosłup
noun
dąbrówka piramidalna
verb
1. plassen
  1. szczać
  2. sikać
noun
pistacja
noun
1. een semi-automatisch handvuurwapen met een langwerpig magazijn in het handvat
pistolet
noun
1. een beeldpunt
piksel
/ˈpidza/, /ˈpitsa/
noun
1. gerecht van een belegde broodbodem
pizza
noun
1. bodem van een pizza
spód do pizzy
noun
1. restaurant
pizzeria
pronoun
Piemont
/plaːts/
noun
  1. 1. een bepaalde ruimte of een bepaald punt in de ruimte
    miejsce
  2. 3. een dorp of stad (woonplaats)
    miejscowość
  3. 2. een plein
    plac
noun
1. precieze plek waar een misdaad is gebeurd
miejsce zbrodni
noun
1. het aantal argumenten van een relatie of functie
argumentowość
/platsˈvɪndə(n)/
verb
1. gebeuren, geschieden, plaatshebben
mieć miejsce
/plɑˈfɔnt/
noun
1. de bovenkant van een ruimte in een gebouw
sufit
verb
1. iemand (goedmoedig) pesten
drażnić
/ˈplɑg.bɑnt/
noun
1. een lintvormige drager die aan één of beide zijden bedekt is met kleefstoffen
taśma klejąca
noun
1. een voorgenomen handelswijze
plan
noun
1. een groot, rond en massief hemellichaam dat zelf geen licht geeft en in een vaste baan rond een ster draait
planeta
noun
1. een toestel om de bewegingen van planeten voor te stellen
planetarium
noun
1. een brok vaste materie die net als een planeet in een baan rond de zon draait, maar kleiner is dan een planeet
planetoida
noun
planimetria
/plɑŋk/
noun
1. een plat en langwerpig stuk hout
deska
noun
trema
noun
planologia
noun
  1. 2. van stengel en bladeren voorzien gewas dat zijn voedsel uit de aarde opneemt
  2. 1. organisme dat kooldioxide opneemt en zuurstof afgeeft
roślina
verb
1. (een plant) in de aarde zetten om te laten groeien of bloeien
sadzić
noun
1. het onderdeel van de biologie dat zich bezighoudt met de studie van de planten
botanika
verb
1. via de urinebuis vloeibare lichamelijke afvalstoffen lozen
sikać
/'plɑstik/, /'plɛstɪk/
noun
plastisch vervormbare polymere kunststof
plastikowe
noun
1. een chirurgisch specialisme waarin men zich richt op het uit esthetisch en/of functioneel oogpunt aanpassen van het uiterlijk
chirurgia plastyczna
adverb
1. vlak van vorm met verwaarloosbare hoogteverschillen
płaski
noun
1. scheikundig element met symbool Pt en atoomnummer 78
platyna
/ˈplɑtvɪs/
noun
1. een orde van vissoorten die op hun zijde op de bodem leven, en geheel plat zijn
płastuga
adjective
met ceremonieel
uroczysty
noun
1. het plaatje waarmee snaren worden aangeslagen
plektron
noun
plac
/ˈplɛinˌvreːs/
noun
agorafobia
noun
  1. 2. zelfklevend verband
  2. 1. (gipshoudend) kalkmengsel
plaster
/plejoˈnɑsmə/
noun
1.
pleonazm
noun
1.
siewka
noun
1. een taak die men op zich genomen heeft of opgelegd heeft gekregen
obowiązek
noun
1. landbouwgereedschap om de grond om te woelen
pług
verb
2. land met de ploeg bewerken
orać
noun
1. snijdend deel van ploeg
lemiesz
/ploˈsif/
noun
1. medeklinker die geproduceerd wordt met een volledige obstructie...
spółgłoska zwarta
adjective
1. snel en onverwacht
  1. nagły
  2. niespodziewany
verb
1. met geweld zich roerende goederen toeëigenen uit de woning van iemand anders
plądrować
conjunction
plus
noun
  1. korzyść
  2. plus
pronoun
1.
Pluton
noun
1. Chemisch element
pluton
/ˈplyvioˌmetər/
noun
1. een toestel dat de hoeveelheid gevallen neerslag meet
deszczomierz
noun
1. longontsteking
zapalenie płuc
/po/
pronoun
1. stroom in Italië
Pad
noun
1. een pot, meestal uit kunststof of eertijds geëmailleerd ijzer, waar men zijn behoefte in kan doen
nocnik
pronoun
1.
Podole
noun
1. verouderde Russische eenheid van massa
pud
noun
1. Frans krulharig hondenras
pudel
noun
proszek
noun
1. zeer fijn gemalen suiker
cukier-puder
noun
1. bepaald soort zoogdier, Felis concolor
puma
noun
1. uitgescheiden vaste afvalstoffen van mens of dier
  1. kupa
  2. gówno
noun
1. een van de oudste huisdieren van de mens
  1. kot
  2. kotka
noun
1. sociaal-economische en politieke praktijk in Rusland in het begin van de 21 eeuw
putinizm
noun
1.kaartspel
poker
noun
2. epidemische huidziekte
ospa
/ˈpɔldəʀ/
noun
1. een bedijkt stuk land waarin de waterstand kunstmatig geregeld wordt
polder
/ˈpolə(n)/, /ˈpoːlə(n)/
pronoun
1. een land in het midden van Europa met de officiële naam Republiek Polen (Rzeczpospolita Polska)
Polska
pronoun
1.
Polesie
/poˈlɛɪstə(n)/
verb
1. een stenen of glazen oppervlak bijzonder glad slijpen met steeds fijnere slijpmiddelen
polerować
/ˈpo.lɪs/
noun
1. schriftelijke vastlegging van een overeenkomst
polisa
noun
1. een discipline
politologia
noun
1. een overheidsdienst die belast is met de handhaving van de openbare orde...
policja
noun
posterunek policji
/poliˈtik/
adjective
1. betreffende de politiek
polityczny
/poliˈtik/
noun
1. datgene dat gerelateerd is aan het besturen van een land
polityka
noun
2.(België) een diepe, grote lepel met een lange steel gebruikt voor het opdienen van soepen, sauzen e.d.
chochla
noun
1. Chemisch element
polon
noun
anatomie: 1. gewricht
nadgarstek
noun
poliamidy
noun
poliandria
noun
2. thermoplastisch polymeer
poliwęglany
noun
polifonia
noun
poligamia
noun
poliglota
noun
1.
  1. polimery
  2. polimer
noun
polilaktyd
noun
polimetakrylan metylu
noun
polimorfizm
pronoun
1. eilanden in de Grote Oceaan of Stille Oceaan die samen Oceanië vormen
Polinezja
noun
thermoplastische kunststof, bereid door polymerisatie van propeen
polipropylen
noun
1. het kunnen hebben van meerdere (verwante) betekenissen
polisemia
noun
1. godsdienst met meer dan één god
  1. politeizm
  2. wielobóstwo
noun
1. en 2. (vrucht van de) boom Citrus maxima × Citrus ×paradisi
pomelo
pronoun
1. historische regio in het zuiden van de Oostzee
Pomorze
adjective
1.
pomořansky
noun
pompa
/ˈpɔmpəlˌmus/, /ˈpɔmpəɫˌmus/
noun
2. een vrucht van deze boom
  1. pomarańcza olbrzymia
  2. pomelo
pronoun
1.
Pompeje
noun
strazak
noun
1. een zeer oud cultuurgewas uit Midden- en Zuid-Amerika
dynia
noun
1. naam voor verschillende munteenheden die in het Verenigd Koninkrijk en sommige Engelstalige landen worden gebruikt
funt
noun
1. werkschuit met een vlak dek
ponton
noun
1. paard uit een ras met een schofthoogte tot ongeveer anderhalve meter
kuc
/'poːjər/
noun
1. een man die prostituees tegen betaling beschermt en helpt.
sutener
/pok/
noun
1. stang om het vuur op te porren
pogrzebacz
/pol/, /poɫ/, /po̝ɫ/
noun
1. een inwoner van Polen, of iemand afkomstig uit Polen
Polak
noun
A 1. uiteinde van een draaiingsas
biegun
noun
1. de begrenzing van het gebied waar 's zomer de middernachtszon gezien kan worden en 's winters de nacht een heel etmaal kan duren
koło podbiegunowe
noun
1.
zorza polarna
/poɫs/, /poːls/, /po̝ɫs/
pronoun
1. een taal die in Polen gesproken wordt
  1. polski
  2. język polski
  3. polszczyzna
/pol.sə/, /poɫ.sə/, /po̝ɫ.sə/
noun
1. een vrouw van Poolse komaf
Polka
noun
1. bepaald soort zoogdier, Alopex lagopus
piesiec
noun
1. benaming voor zeevissen uit familie Triglidae
kurek
/poːrt/
noun
1. met deuren afsluitbare doorgang door een muur
  1. brama
  2. wrota
noun
łapa
noun
1. speeltuig
  1. lalka
  2. lala
noun
1. een in het klein uitgevoerde versie
domek dla lalek
noun
1. kunstenaar achter poppenspel
lalkarz
noun
1.
ludność
noun
1.
topola
noun
pornografia
/pɔrsəlɛːn/, /pɔrsəˈlɛɪn/
noun
  1. 2. voorwerpen van fijn, geglazuurd aardewerk
    porcelana
  2. 1. fijn, geglazuurd aardewerk
    1. porcelán
    2. porcelana
noun
1,2 portaal (entree)
portal
noun
2. (uitdrukking) pijn in de portemonnee hebben
mieć węża w kieszeni
noun
1. een deel van een voorraad toebedeeld aan een bepaald persoon
porcja
noun
2. zuilengalerij
portyk
noun
1.schilderij, foto of andere artistieke voorstelling van een persoon
portret
/'pɔrtyɣɑl/
pronoun
1. een land in het zuidwesten van Europa, officieel de Portugese Republiek
Portugalia
/ˌpɔr.ty.ˈɣes/, /ˌpɔr.ty.ˈχes/
adjective
1. verwijzend naar Portugal of naar de Portugese taal
portugalski
/ˌpɔr.ty.ˈɣes/, /ˌpɔr.ty.ˈχes/
noun
1. inwoner van Portugal
  1. Portugalczyk
  2. portugalski
/ˌpɔr.ty.ˈɣes/, /ˌpɔr.ty.ˈχes/
pronoun
2. taal gesproken in Portugal
portugalski
/pɔr.ty.ˈɣe.sə/, /ˌpɔr.ty.ˈχe.sə/
noun
1. vrouw
Portugalka
noun
1. bepaald soort vis, Gymnocephalus cernuus
jazgarz
/po'zisi/
noun
7. de ligging van de hand
położenie
adjective
dodatni
noun
pozyton
/pɔs/, /pɔst/
noun
1. toegezonden materiaal, zoals brieven; poststuk - poststukken
poczta
noun
1. postbeambte
  1. listonosz
  2. doręczyciel
noun
kod pocztowy
noun
1. een afgerichte duif die berichten kan overbrengen
gołąb pocztowy
noun
1. bepaalde soort eenjarige groene plant, Portulaca oleracea
portulaka
noun
1. kantoor dat zich bezighoudt met de bezorging van post en vaak ook andere diensten levert ...
poczta
adjective
1.
postkolonialny
adjective
1. na een letsel
pourazowy
/ˈpɔseɣəl/, /ˈpɔseχəɫ/
noun
1. betalingsmiddel voor het verzenden van post
  1. znaczek pocztowy
  2. znaczek
noun
lesba
noun
1. schrijfgerei met een zachte stift vervaardigd van klei en grafiet ingebed in een houten huls
ołówek
noun
1. bepaald soort zeezoogdier, Physeter macrocephalus
  1. kaszalot
  2. potwal
/po.ˈwe.tɪs/, /po.ˈβ̞e.tis/
adjective
1. uit de poëzie, gelijkend op poëzie
  1. poetycki
  2. poetycka
noun
1. in ritme, maat en klank verwoorden
poezja
/prax/, /praç/
pronoun
hoofdstad van Tsjechië
Praga
noun
1. Cynomys, een eekhoornachtig zoogdier uit Noord-Amerika dat een scherp blaffend geluid maakt
  1. nieświszczuk
  2. piesek preriowy
/ˈprɑkə(n)/
verb
1. eten fijndrukken
rozgniatać
/prɑkˈtɛɪ̯k/, /prɑkˈtɛːk/
noun
2. hoe dingen werkelijk gaan...
praktyka
adjective
1. op een manier die ook echt uitgevoerd kan worden
praktyczny
/ˌprazejoˈdimijʏm/
noun
1. Chemisch element
prazeodym
/ˈpraː.tə(n)/
verb
1. zich met behulp van de stem uiten
rozmawiać
/presəˈdɛnt/
noun
  1. 1. eerder plaatsgevonden hebbend geval
  2. 2. bestaande jurisprudentie die dient ter beslechting van een vergelijkbaar geschil
precedens
adjective
dokładny
noun
3. (grammaticaal) gezegde
predykat
/ˌpredikaˈtif/
adjective
orzecznikowy
pronoun
  1. Księga Eklezjastesa
  2. Księga Koheleta
noun
1. een gebonden morfeem dat voor een ander woord geplaatst wordt om iets aan de betekenis toe te voegen
przedrostek
noun
prehistoria
noun
1. en 2 (bladeren van) plant Allium porrum
por
noun
1. de eerste vaak feestelijke vertoning van een film, toneelstuk of een andere vorm van entertainment
premiera
noun
książka obrazkowa
noun
1. het staatshoofd van een republiek
prezydent
/prøts/
adjective
1. zeer ingetogen, overdreven kuis
pruderyjny
/prəˈvɛn(t)si/
noun
1. voorkoming (van ziekte, brand, etc)
prewencja
noun
1. ongezond langdurige erectie van de penis
priapizm
noun
1. priemgetal
liczba pierwsza
noun
1. iemand die de religieuze (offer) rituelen verzorgt
  1. ksiądz
  2. kapłan
noun
1. een vrouw die de taak heeft religieuze rituelen te verzorgen
kapłanka
noun
1. de gevraagde geldsom bij verkoop
  1. cena
  2. nagroda
/prɨk/
noun
2. injectie
zastrzyk
noun
1. materiaal bestaande uit een dubbele, in elkaar gedraaide metalen draad...
drut kolczasty
noun
2. kerkelijke titel
prymas
noun
prymatologia
/'primyla/
noun
1.
  1. pierwiosniek
  2. nøkleblom
  3. primula
  4. prymula
noun
  1. 1. hoogste adellijke titel van een man of jongen
  2. 2. laagste koninklijke titel van een man of jongen
książę
noun
  1. 1. de hoogste adellijke titel van een vrouw of meisje
  2. 2. de laagste koninklijke titel van een vrouw of meisje
księżniczka
/ˈprɪntər/
noun
1. toestel om gegevens af te drukken onder andere op papier.
drukarka
/pri'vatrɛxt/
noun
1. vakgebied van het recht m.b.t. de onderlinge verhoudingen tussen private personen, maar ook hun privébelangen
  1. prawo prywatne
  2. prawo prywatneo
verb
1. omvormen van staatsbedrijven, overheidsdiensten tot particuliere, private bedrijven
prywatyzować
/proˈberə(n)/
verb
  1. 2. onderzoeken
  2. 3. iets met succes trachten te beëindigen waarvan men niet weet of het gaat lukken
  3. 1. testen
próbować
noun
1. iets dat schade teweegbrengt of de voortgang van iets anders in de weg staat
  1. problem
  2. kłopot
/prosəˈdyrə/, /proseˈdyrə/
noun
  1. 1.
  2. 4.
  1. pocedura
  2. procedura
/proˈsɛs/
noun
2. opeenvolging van gebeurtenissen, gang van zaken
proces
noun
prawo procesowe
/proˈsɛˌsi/
noun
procesja
noun
producent
verb
1. bij voortduring vervaardigen
  1. produkować
  2. wytwarzać
noun
1. het resultaat van een bewerking
produkt
noun
  1. 2. experiment
  2. 4. monster
próba
noun
2. proefpersoon
królik doświadczalny
/prufɔndər'vɪndələk/
adjective
1. door experimenten, proefnemingen, waarnemingen en ervaring
  1. doświadczalny
  2. eksperymentalny
verb
  1. 1. onderzoeken hoe iets smaakt
    kosztować
  2. 2. smaak waarnemen
    smakować
noun
1. een persoon die boodschappen van een godheid aan de mensen doorgeeft
prorok
/proˈfɛsɔr/
noun
1. de aanspreektitel voor een hoogleraar
profesor
noun
  1. 1. een applicatie voor de computer
  2. 3. een uitzending op radio of televisie
program
noun
język programowania
verb
1. het schrijven van computerporgramma
programować
/proˈjɛkt/
noun
1. een zaak die men denkt uit te voeren of te onderzoeken
projekt
noun
  1. projekcja
  2. rzut
noun
toestel om een afbeelding op een scherm te projecteren
projektor
noun
proletariat
noun
proletariusz
noun
  1. 1. inleidende rede van een tekst
  2. 3. de inleiding tot een theaterstuk
  3. 2. een korte tijdrit die als openingsrit wordt verreden
prolog
noun
1. verhandelbare schuldbekentenis
weksel własny
noun
1. een scheikundig element met het symbool Pm en het atoomnummer 61; een zilverwit à grijs lanthanide
promet
/proˈmotsi/
noun
  1. 1. een verhoging in rang
  2. 2. bevordering naar een hogere speelklasse
promocja
noun
1. en 2. (peulvrucht van) Phaseolus coccineus
fasola wielokwiatowa
noun
1. dat wat door een dier wordt buitgemaakt
zdobycz
/prost/
interjection
1. heildronk
na zdrowie
noun
1. C₃H₈
propan
noun
1. activiteiten of materiaal gericht op het beïnvloeden van de mening of het gedrag...
propaganda
noun
propen
noun
1. CH₃CH₂COOH
kwas propionowy
noun
1. het tegen betaling ter beschikking stellen van het lichaam voor het seksuele genot van een ander
prostytucja
noun
1. scheikundig element met symbool Pa en atoomnummer 91
protaktyn
noun
1.
  1. protagonista
  2. bohater
noun
2.
protekcjonizm
noun
protest song
noun
1.
białko
noun
1. een kunstmatig lichaamsdeel
proteza
/'protɔn/
noun
proton
noun
1. oorspronkelijk model, eerste model van een product
prototyp
/pro.ˈvɪn.si/
noun
1. een staatkundig onderdeel van een land
prowincja
noun
prowokacja
noun
1. een kunstmatig haarstuk waarmee het hoofd bedekt wordt
peruka
noun
2. vrucht van de pruimenboom
śliwka
noun
śliwki suszone
pronoun
Prusy
/psɑlm/
noun
1. elk van honderdvijftig gezangen uit de Tenach en het Oude Testament
psalm
pronoun
1. boek in de Bijbel met lofliederen op God
Księga Psalmów
/psœydoˈnim/
noun
1. een aangenomen naam waaronder men iets publiceert
pseudonim
noun
pseudonauka
noun
1. schubziekte met overmatige vette schilfers van de huid
łuszczyca
noun
psychiatra
noun
psychiatria
adjective
1. met betrekking tot de behandeling van geestelijke stoornissen
psychiatryczny
adjective
1. geestelijk
psychiczny
/psixoloˈɣi/, /psiχoloˈχi/
noun
1. de wetenschap die zich bezighoudt met het onderzoek naar bewustzijnsverschijnselen
psychologia
adjective
1. met betrekking tot het gevoelsleven.
psychologiczny
/ˌpsi.χo.ˈloχ/, /ˌpsɪ.xo.ˈlox/
noun
1. een beoefenaar van de psychologie
psycholog
/psi'xozə/
noun
1. een geestesziekte waarbij men wanen heeft
psychoza
adjective
1. met betrekking tot het verband tussen geest en lichaam
psychosomatyczny
noun
1. stroming in de psychologie
psychoterapia
/pyˈblik/
adjective
2. wat het publiek aangaat
publiczny
/pyˈblik/
noun
1. een groep toeschouwers
  1. publiczność
  2. publika
noun
1. nagerecht, vaak zoet, koud en op basis van melk
budyń
pronoun
1. een met de Verenigde Staten geassocieerde vrijstaat in het oostelijk deel van de Caribische Zee
Portoryko
noun
pumeks
/pœʏ̯n/, /pœːn/
noun
1. een massa vergruizelde steen
rumowisko
pronoun
1. taal die in de Punjab, zowel in India als in Pakistan gesproken wordt
pendżabski
noun
1. een positie in de ruimte
  1. czubek
  2. szpic
noun
1. taps toelopende houder met een mesje dat bedoeld is voor het aanslijpen van een verse punt aan een potlood
temperówka
noun
1. een leesteken dat twee nauw aan elkaar gerelateerde zinnen tot een geheel verbindt (;)
średnik
noun
1. oogappel
źrenica
noun
1. pasgeboren hond, jonge hond
  1. szczeniak
  2. szczenię
noun
1.
czapla purpurowa
/pɵt/
noun
1. een pijpvormige uitholling in een oppervlak
studnia
noun
1. gemakkelijk zittende hemd en broek die 's nachts in bed kunnen worden gedragen
  1. piżama
  2. pidżama
pronoun
1. een gebergte op de grens van Frankrijk en Spanje
Pireneje
noun
2. een vaste stof die het structuurtype heeft waarvan [1] het archetype is
piryt
noun
piroliza
/piˈrozɪs/
noun
1. een brandend gevoel ten gevolge van oprisping van maagzuur
zgaga
noun
1. een niet-giftige en grote wurgslang
pyton
/kɑt/
noun
1. blad van een bedektzadige plant Catha edulis
czuwaliczka jadalna
/ka'tar/, /ka'tɑr/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten
Katar
noun
1. volgeling van een religieuze beweging gekend onder de naam Genootschap der Vrienden
  1. kwakrzy
  2. kwakier
noun
1. tijdelijke afzondering van personen, dieren of zaken die besmet zouden kunnen zijn met ziektekiemen
kwarantanna
/kwɑrk/
noun
kwark
noun
kwazar
pronoun
1.
Quedlinburg
/kwiˈnowa/
noun
1. Zuid-Amerikaanse plant (Chenopodium quinoa) en 2. zaden van die plant
  1. komosa ryżowa
  2. quinoa
noun
1. spel waarbij de deelnemers vragen moeten proberen te beantwoorden
kwiz
noun
1. resultaat van de deling van het deeltal door de deler
iloraz
interjection
1. horizontaal draaibare boom aan mast
reja
/rat/, /raːd/
noun
2. een orgaan dat bestaat uit leden die raadgevende of beslissende bevoegdheden bezitten
rada
pronoun
Rada Unii Europejskiej
pronoun
Rada Europy
noun
1. iets waarnaar men moet raden
zagadka
/ratsəlɑxtəx/
adjective
1. onbegrijpelijk door dubbelzinnige of verborgen informatie
zagadkowy
/raːf/
noun
1. grootste van alle zangvogels, met flinke snavel, Corvus corax
kruk
noun
1. venster: muuropening om lucht en licht door te laten
okno
noun
1. en 2. (stengels van) plant Rheum rhabarbarum
  1. rabarbar
  2. rzewień
/rɑˈbɛin/
noun
rabin
noun
rasizm
noun
1. wielvormig voorwerp dat kracht overbrengt binnen een machine of op het water
koło
noun
1. techniek
radar
noun
1. de SI-eenheid voor een hoek
radian
noun
1. een toestel dat door straling warmte afgeeft, ofwel ter verwarming van een ruimte, ofwel ter koeling van bijvoorbeeld een motor
  1. grzejnik
  2. kaloryfer
noun
1. bepaalde soort uit de kruisbloemfamilie, Raphanus sativus
rzodkiewka
/ˈradijo/
noun
  1. 1. toestel
  2. 2. medium
  1. radio
  2. radioodbiornik
adjective
  1. radioaktywny
  2. promieniotwórczy
noun
1.
radioaktywność
noun
radiobiologia
noun
radiolog
noun
1. scheikundig element met symbool Ra en atoomnummer 88
rad
noun
1. met symbool Rn en atoomnummer 86
radon
noun
  1. 1. een metalen staaf waar het wiel van een railvoertuig op rijdt
  2. 2. een baan waar een railvoertuig over rijdt
szyna
noun
1. cilindervormig projectiel dat door een naar achteren gerichte ontploffing wordt voortbewogen
rakieta
pronoun
2. teken van de dierenriem van 21 maart tot 20 april
Baran
noun
1. mannelijk schaap
  1. baran
  2. tryk
noun
1. Spectroscopische analysemethode
spektroskopia Ramana
verb
1. een botsing op een vijandelijk schip veroorzaken
staranować
noun
1. een grote catastrofale gebeurtenis met ernstige gevolgen
katastrofa
/rɑnt/
noun
3. de buitenkant van een gebied of een ding
granica
verb
1. een bepaalde volgorde in iets aanbrengen
  1. klasyfikować
  2. porządkować
noun
1. een telwoord dat een rangorde of volgorde aanduidt
liczebnik porządkowy
noun
1. iemand die ritmisch teksten voordraagt op muziek, meestal hiphop
raper
noun
rasa
/ˈrɑstərelɛkˌtronəmikroˌskop/
noun
1. een type elektronenmicroscoop waarmee men direct oppervlaktestructuren goed kan afbeelden.
skaningowy mikroskop elektronowy
/rɑt/
noun
1. een muisachtig knaagdier uit het geslacht Rattus
szczur
noun
1. bepaald soort loofboom, Populus tremula
osika
noun
1. gifslang uit het geslacht Crotalus
grzechotnik
verb
1. bekrachtigen van een internationaal verdrag door het nationale parlement of regering
ratyfikować
noun
racjonalizm
adverb
1. ongekookt en vers
surowy
noun
1. een diepe, steile insnijding in een terrein
wąwóz
noun
reaktancja (elektryczność)
noun
1. een actie die een gevolg is van een stimulus
reakcja
noun
probówka
verb
  1. buntować się
  2. zbuntować się
noun
1. soort raadsel
rebus
verb
1. een beoordelend verslag schrijven, meestal van een culturele gebeurtenis
recenzować
noun
  1. 1. voorschrift voor de bereiding van een gerecht
    1. przepis
    2. recepta
  2. 2. doktersvoorschrift voor (de bereiding van) een geneesmiddel
    recepta
noun
1. het geheel van rechtsregels en instituties van het recht
  1. prawo
  2. prosty
noun
  1. 2. Gerechtsgebouw
    1. court
    2. sąd
  2. 1. een instelling waar rechtgesproken wordt
    sąd
noun
1. hoek van 90 graden
kąt prosty
noun
2. geheel van de fundamentele rechten en vrijheden die ieder mens toekomen
prawa człowieka
/ˈrɛxtər/
noun
1. persoon die rechtspreekt, persoon die een oordeel velt
  1. sędzia
  2. sędzina
pronoun
Księga Sędziów
/'rɛxtuk/
noun
1. een vierhoek met vier rechte hoeken
prostokąt
adjective
1. tegenovergestelde van links
prawy
noun
1. feit of samenstelling van feiten waaraan het recht rechtsgevolgen verbindt
fakt prawny
noun
1. het voeren van een gerechtszaak
rozprawa
noun
1. kennis of studie van recht
prawoznawstwo
noun
1. doelgerichte wilsuiting die rechtsgevolgen heeft
akt prawny
/ɾɛχts.pɛɾ.soːn/
noun
1. groepering van goederen of natuurlijke personen die kan deelnemen aan het rechtsverkeer
osoba prawna
noun
1. drager van subjectieve rechten en plichten
podmiot prawa
/rɛx(t)sak/
noun
1. het voeren van een rechtsgeding
rozprawa
adjective
1. in overeenstemming met bepaalde ethische beginselen
sprawiedliwy
verb
1. onderbouwen volgens bepaalde ethische beginselen
usprawiedliwiać
noun
1. de overeenstemming met bepaalde ethische beginselen
sprawiedliwość
noun
  1. 1. (juridisch) herhaling van een misdrijf, het opnieuw vervallen in dezelfde zonde
  2. 2. (medisch) het zich opnieuw vertonen van een reeds doorstane en schijnbaar genezen ziekte
recydywa
adjective
1. een dimensie bezittend die de omgekeerde is van een andere dimensie
wzajemny
verb
recytować
noun
1,2 informatie over, en aanprijzing van diensten, producten en ideeën
reklama
verb
1. actie ondernemen om iets of iemand uit de moeilijkheden te halen
  1. ratować
  2. uratować
noun
3. een ankerplaats buitengaats
reda
/ˈre.də(n)/
noun
1. een motivatie door iemand bedacht of beredeneerd
powód
/ˌredəˈnɪːrɪŋ/
noun
1. het proces waarmee men van een aantal argumenten, premissen of axioma's tot een standpunt of conclusie komt
rozumowanie
/redypliˈkatsi/
noun
1. vorming van een nieuw woorden of zinsneden door geheel of gedeeltelijke herhalen van een deel daarvan
reduplikacja
noun
1. sierlijk slank hert, komt bijna in heel Europa voor
sarna
adverb
1. al
już
noun
1. een opeenvolgende rij van gebeurtenissen
szereg
noun
1. een glycoproteïne dat vooral een belangrijke rol speelt bij het sturen van de neuronale migratie...
reelina
noun
1. een stemming over een wetsvoorstel, waarbij gestemd wordt door het volk zelf...
referendum
noun
odbicie
noun
refrakcja
noun
refren
/ˈreɣəɫ/
noun
3. een voorschrift, richtlijn, norm
  1. reguła
  2. zasada
/reχən/
noun
1. neerslag van tot druppels gecondenseerde waterdamp
deszcz
adjective
1. regelmatig regenend of neigend naar regen
deszczowy
/ˈreːχənboːx/
noun
1. een natuurfenomeen dat na regen als een verschijnende veelkleurige boog te zien is
tęcza
noun
1. het gekleurde vlies in het oog waarin de pupil zich bevindt
tęczówka
/ˈreɣə(n)ˌdrʏpəɫ/
noun
1. een druppel die als regen uit de lucht naar beneden valt
kropla deszczu
/ˈreɣənə(n)/
verb
1. het vallen van neerslag in de vorm van waterdruppels
padać
noun
2. herstelgroei
regeneracja
noun
1. toestel dat de hoeveelheid gevallen neerslag in een bepaalde periode op een bepaalde plaats meet
  1. deszczomierz
  2. pluwiometr
noun
regencja
noun
deszczówka
noun
kulik mniejszy
/re.'ɣeː.rɪŋ(g)/, /rə.'ɣeː.rɪŋ/, /rə.'χɪː.rɪŋ/
noun
1. een groep van personen die een land bestuurt, specifiek het staatshoofd en alle ministers
  1. rząd
  2. władza
noun
1. bestuur van een land, vaak onderdrukkend, dwingend, alles omvattend
reżim
noun
  1. pułk
  2. regiment
noun
1. geografisch gebied
region
noun
1. benaming voor ooievaarachtige watervogels uit de familie Ardeidae
czapla
/rɛɪ̯s/
noun
1. grote, lange tocht of trip
podróż
noun
biuro podróży
verb
1. onderweg zijn
podróżować
/ˈrɛɪzəɣər/
noun
  1. 1. persoon op reis
  2. 2. persoon die vaak reist
podróżniczka
noun
1. de optelsom van te betalen bedragen
rachunek
noun
de leer van de operaties die op getallen worden uitgevoerd (optellen, aftrekken, vermenigvuldigen, delen, ...)
  1. arytmetyka
  2. rachuba
noun
1. apparaat dat rekenkundige berekeningen kan uitvoeren
kalkulator
noun
1. een verstoring van de openbare orde door een menigte, meestal gepaard gaand met geweld en politieoptreden
bunt
noun
1. een natuurkundige theorie die ervan uitgaat dat de tijd een relatief begrip is
teoria względności
/rə'liɣi/
noun
1. een godsdienst
religia
/relɪˈɣɪøs/, /relɪˈʝɪøs/
adjective
1. te maken hebbend met godsdienst of geloof
religijny
noun
relief
noun
1. een mechanisme dat iets vertraagt of tot stilstand brengt
hamulec
/rəˈmedi/, /reˈmedi/
noun
1. een medicijn of een op genezing gerichte behandeling
lekarstwo
verb
1. snelheid doen verminderen
hamować
adjective
1. met betrekking tot de nier
nerkowy
noun
1. een hertachtig zoogdier met een breed uitlopend gewei
  1. renifer
  2. ren
noun
1. Chemisch element
ren
noun
[A] 1. zeer snel lopen
biec
/rənoˈverə(n)/
verb
1. opknappen, repareren, vernieuwen
remontować
noun
1. paard dat gefokt is met het doel om aan paardenrennen deel te nemen
koń wyścigowy
noun
naprawa
verb
1. iets weer in werkende staat brengen
naprawiać
noun
reportaż
/rɛp'til/
noun
1.
gad
/repʏˈbliːk/
noun
1. staatsvorm
  1. rzeczpospolita
  2. republika
pronoun
Republika Zjednoczonych Prowincji
noun
republikanin
adjective
republikański
noun
1. de manier waarop iemand bekend is
reputacja
noun
1.
koło zapasowe
noun
rezystancja
noun
2. pixeldichtheid
rozdzielczość
noun
rezonans
/rɛsˈpɛkt/
noun
eerbied uit hoogachting of angst
szacunek
/rɛst/
noun
1. wat er overblijft
reszta
noun
restauracja
/rezɵl'tat/
noun
1. een uitkomst
rezultat
pronoun
1. Romaanse taal die gesproken wordt door 40.000 mensen in Zwitserland
  1. romansz
  2. retoromański
/rətu'ʃeːrə(n)/, /rətu'ʃɪːrə(n)/
verb
retuszować
noun
1. jachthond die het geschoten wild apporteert (naar de jager brengt)
retriever
noun
1. een mannelijke hond
pies
noun
1. een buitengewoon grote man
  1. olbrzym
  2. gigant
noun
1. verkregen door uitsmelting van varkensvet
smalec
noun
1. bepaald soort vaste plant, Equisetum telmateia
skrzyp olbrzymi
noun
1. een beer die leeft in de hooggelegen hellingen van berggebieden in centraal China
panda wielka
noun
1. en 2. (vruchtvlees) van plant Cucurbita maxima
dynia olbrzymia
noun
1. kermisattractie
diabelski młyn
noun
1-3. streven naar herziening (van het marxisme, de geschiedenis)
rewizjonizm
noun
1.
  1. rewolucja
  2. przewrót
adjective
rewolucjonista
noun
1. een handvuurwapen met een roterende trommel met kogels
  1. rewolwer
  2. bębenkowiec
  3. kolt
pronoun
Rodezja
pronoun
1. een rivier van 812 km lengte die ontspringt in Zwitserland, door Frankrijk naar het zuiden stroomt en uitmondt in de Middellandse Zee
Rodan
noun
1. elk van de platte, boogvormige beenderen die de borstkas omsluiten
żebro
noun
1. de lengte van een zijde van een kubus of parallellepipedum
krawędź
noun
kwasy rybonukleinowe
/ˈrɪxtɪŋ/, /ˈrɪχtɪŋ/
preposition
1. de kant op van
kierunek
noun
1. aanwijzing voor een te volgen gedrag
  1. dyrektywa
  2. wytyczna
noun
1. oorspronkelijk een bereden en bepantserde ruiter die de ridderslag ontvangen had
  1. rycerz
  2. raciądz
/rim/
noun
  1. 1. een band van leer of een ander materiaal
    pas
  2. 3. hoeveelheid papier voor het drukken van 20 boeken, eerst 480 later 500 vellen
    ryza
  3. 2. steel met een bladvormig uiteinde, bedoeld om een vaartuig voort te bewegen
    wiosło
/rit/
noun
  1. 2. onderdeel muziekinstrument
    stroik
  2. 1. plantensoort
    trzcina
noun
2. drinkbuisje
słomka
noun
suiker, verkregen uit het sap van suikerriet
cukier trzcinowy
noun
rokitniczka
noun
1. een ondiepte in water, koraalbank, klip
rafa
pronoun
1.
Ryga
/rɛɪ̯/, /rɛː/
noun
  1. 2. een opeenvolging van elementen
    1. ciąg
    2. sekwencja
  2. 1. geordende opstelling van een aantal eenheden in één richting
    1. rząd
    2. szereg
noun
1. weggedeelte bestemd voor voertuigen
jezdnia
/ˈrɛɪ̯bəˌwɛɪ̯s/, /ˈrɛɪ̯bəˌʋɛɪ̯s/, /ˈrɛːbəˌβ̞ɛːs/
noun
1. een officieel document waarmee de bezitter bevoegd is om een motorvoertuig te besturen
prawo jazdy
/ˈrɛɪ̯də(n)/, /ˈrɛːdə(n)/
verb
  1. 3. zich voortbewegen op een rijdier (bijv. een paard)
    jeździć
  2. 1. zich verplaatsen met behulp van een voertuig
    prowadzić
pronoun
1.
Rijeka
/rɛɪ̯k/, /rɛːk/
adjective
1. veel geld en/of eigendommen hebbend
bogaty
/ˈrɛik.dɔm/
noun
1. het bezitten van veel geld en goud
bogactwo
noun
  1. 1. bevroren dauw
    1. szron
    2. geada branca
  2. 1. gelijkheid van klank in een vers
    rym
/rɛɪ̯n/, /rɛːn/
pronoun
1. een van de langste en belangrijkste rivieren van Europa die op de grens ligt tussen Midden- en West-Europa.
Ren
pronoun
Nadrenia
adjective
1. geschikt voor de oogst
dojrzały
noun
1. bevroren dauw
  1. szron
  2. geada branca
/rɛi̯st/
noun
1. graan van het geslacht Oryza
ryż
noun
pas ruchu
noun
1. een oppervlakkige vouw of golving, in het bijzonder van de menselijke huid
zmarszczka
noun
  1. 1. cirkelvormig sieraad voor om de vinger
  2. 2. cirkelvormig voorwerp
  3. 3. plaats waar gestreden wordt
  4. 5. ringweg
pierścień
noun
1. Natrix natrix
  1. zaskroniec
  2. zaskroniec zwyczajny
noun
1. vierde vinger gerekend vanaf de duim
palec serdeczny
/'rɪŋwɛx/
noun
1. een weg die als een ring rond een bepaald gebied ligt
obwodnica
noun
2. huidziekte door een schimmel veroorzaakt
  1. parch
  2. grzybica woszczynowa
noun
1. een mogelijk gevaar voor schade
ryzyko
noun
1. een zich in de tijd herhalend patroon van geluiden
rytm
noun
2. ritssluiting
zamek błyskawiczny
adjective
rytuał
/riːˈviːr/
noun
1. een natuurlijke waterstroom
rzeka
noun
1. bepaald soort slanke eetbare Euraziatisch zoetwatervis, Gobio gobio
kiełb
noun
1. een soort kreeft die in riviertjes leeft
rak
noun
rubin
/ˈro.bɔt/
noun
1. machine die beschikt over een stoffelijke vorm en een beslissingsmodel
robot
noun
  1. burak zwyczajny
  2. burak
pronoun
Czerwony Krzyż
noun
1. bepaald soort zoogdier, Lynx rufus
ryś rudy
noun
1. een alcoholhoudende drank die verkregen wordt door de gisting van rode druiven
czerwone wino
noun
1. Canis rufus, een lid van de Canivora, leefde in het gehele oostelijk deel van de Verenigde Staten...
wilk rudy
noun
1.
kania ruda
pronoun
1. langgerekte binnenzee, gelegen tussen Azië en Afrika
Morze Czerwone
noun
1. en 2. donkerrood sluitkoolgewas
czerwona kapusta
noun
1. chemisch element met symbool Rh
rod
noun
1. een groep
  1. sfora
  2. wataha
verb
1.zich met behulp van roeispanen in een boot ergens begeven
wiosłować
noun
1. bepaalde soort kraaiachtige vogel, Corvus frugilegus
gawron
adjective
1. zonder zorg over de gevolgen of het gevaar van een handeling
  1. bezmyślny
  2. lekkomyślny
noun
1. eer en glorie
sława
/ruˈmens/, /ruˈmeːns/
adjective
1. betreffende Roemenië of het Roemeens
rumuński
/ruˈmens/, /ruˈmeːns/
pronoun
1. een Romaanse taal die wordt gesproken in Roemenië
rumuński
/ruˈmeni.jə/, /ruˈmeːni.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Europa ten noorden van Bulgarije
Rumunia
noun
roentgen
/rup/
noun
1. een vrij harde klank geproduceerd met stemgeluid
krzyk
/'rupɪŋ/
noun
1. een taak waarvoor een persoon zich verplicht voelt, vaak met religieuze invloed
powołanie
noun
1. vlak waarmee gestuurd wordt
ster
noun
1. beweegbare, stoffelijke zaak
ruchomość
noun
1. geoxideerd ijzer
rdza
adjective
zardzewiały
/rut/
noun
1. koolstofneerslag die ontstaat door onvolledige verbanding van koolstofhoudende stoffen
  1. sadza
  2. kopeć
noun
1. benaming voor brede, platte vissen met een smalle staart uit de superorde Rajomorphii
płaszczka
noun
1. en 2. (zaden van) plant Secale cereale
żyto
/ˈrɔɣəbrod/
noun
1. een van rogge gebakken brood
chleb żytni
noun
1. buis- of kegelvormig kledingstuk
spódnica
noun
1. zet in een schaakspel
roszada
/ˈroːkə(n)/
verb
    1. 1. rook afgeven
    2. 3. conserveren door langdurige blootstelling aan rook
    1. dymić
    2. palić
  1. 2. nuttigen door het inhaleren van de rook ervan
    1. palić
    2. dymić
noun
kobieciarz
verb
1. zich wentelend over een oppervlak bewegen
toczyć
noun
1. vervoermiddel voor mensen die slecht ter been zijn
wózek inwalidzki
noun
1. trap met bewegende treden
  1. schody ruchome
  2. eskalator
noun
1. de verdeling van de rollen in een toneelstuk of in het maatschappelijke leven
obsada
adjective
1.
romański
noun
1. een lang soort verhaal in boekvorm
powieść
adjective
romantyczny
/ˈro:mə/
pronoun
1. de hoofdstad van Italië
Rzym
adjective
1. met betrekking tot Rome
rzymski
/roˈmɛɪnsə rɛɪk/
pronoun
1. een historisch rijk dat op zijn hoogtepunt de gehele Middellandse Zeeregio in handen had
  1. Cesarstwo rzymskie
  2. Cesarstwo Rzymskie
noun
pchli targ
noun
  1. 2. het gedeelte van een vliegtuig zonder vleugels en stabilo
    kadłub
  2. 1. het lichaam van een mens of dier zonder ledematen, kop of staart
    tułów
/rod/, /rot/
adjective
1. de kleur rood hebbend
czerwony
/rod/, /rot/
noun
1. een primaire kleur zoals die van licht met een golflengte tussen de ca. 620 en 740 nm.
  1. czerwień
  2. czerwony
noun
1. bepaald soort struik, Daphne mezereum
wawrzynek wilczełyko
adjective
czerwonawy
noun
2. bepaald soort vrij gedrongen vogeltje met opvallende bruinrode keel, Erithacus rubecula
  1. rudzik
  2. raszka
noun
1.
bernikla rdzawoszyja
pronoun
1. sprookjesfiguur
Czerwony Kapturek
noun
1. exotische roof- en zoetwatervis die voorkomt in de wateren van de Benelux, Leuciscus aspius
  1. boleń
  2. rapa
/ˈrovdir/
noun
1. dier dat zijn prooi bejaagt en doodt
drapieżnik
/ˈroˌfoχɔɫ/, /ˈroːˌfoːɣəl/, /ˈroːˌvoːɣəl/
noun
1. eierleggend dier met veren, twee vleugels, twee klauwen en een snavel dat zijn prooi bejaagt en doodt
ptak drapieżny
/roːk/
noun
1. damp, zichtbaar gas
dym
noun
1. de vette delen van melk waarvan boter gemaakt wordt
śmietana
/roːs/
noun
1. bloem
róża
/'rɔskɑm/
noun
1. een grof soort kam die voor het verzorgen van paarden of het schoonmaken van andere borstels gebruikt wordt
zgrzebło
noun
1. kleine wit-zwarte gans met een ver klinkende rott-rott roep, Branta bernicla
bernikla obrożna
noun
2. bepaald soort vuurwerk dat na het aansteken van de lont wordt weggegooid en dan een harde knal geeft
petarda
noun
  1. 2. een rond, pleinvormig kruispunt van wegen
    rondo
  2. 1. een rond gebouw
    rotunda
noun
1. een grote ruwe steen
skała
/ˈrɔtstœʏn/, /ˈrɔtstœːn/
noun
1. een tuin met rotspartijen en rotsplanten
ogródek skalny
/ra<sup>ʊ</sup>/, /rʌʊβ̞/, /rʌːβ̞/
noun
1. grote smart of droefenis na een verlies
żałoba
noun
1. iemand die door geweldpleging iemand besteelt
rabuś
/roːzə/, /rɔːs/, /rɔːzə/
adjective
1. heel bleke of lichte rode kleur, met soms ook blauwe tinten
  1. różowy
  2. róż
noun
2. keukenkruid
  1. rozmaryn
  2. rozmaryn lekarski
noun
1. schijnvrucht van wilde rozen
głóg
noun
1. een gebedssnoer met 165 kralen
różaniec
noun
woda różana
/ˈrɵ.bər/
noun
guma
noun
1. Chemisch element
rubid
noun
1. en 2. (bladeren van) eenjarige plant Eruca sativa
  1. rokietta siewna
  2. rukolą
adjective
rudymentarny
/rɵx/
noun
1. zijde van de romp tegenover de buik en borst gelegen
  1. plecy
  2. grzbiet
noun
rugby
noun
kręgosłup
noun
rdzeń kręgowy
noun
1.
płetwa grzbietowa
noun
plecak
noun
1. traliewerk waarachter hooi ligt
paśnik
/rœʏkə(n)/, /rœːkə(n)/
verb
  1. 2. een geur verspreiden
    1. pachnieć
    2. wąchać
  2. 1. een geur waarnemen
    1. wąchać
    2. powąchać
noun
3. heelal
  1. przestrzeń
  2. kosmos
noun
1. vaartuig geschikt om zich buiten de aardse atmosfeer te begeven
statek kosmiczny
noun
wahadłowiec kosmiczny
/rœʏn/
noun
1. gecastreerde hengst
wałach
noun
1. structuurloos en voortdurend geluid dat een continuüm van toonhoogten bevat
szum
noun
1. bepaald soort zoetwatervis die zich graag tussen het riet ophoudt, Scardinius erythrophtalmus
krasnopiórka
noun
2. een vierhoek waarvan de zijden gelijk in lengte zijn
romb
noun
1.
  1. król karo
  2. król kier
noun
1. een apparaatje dat de ruiten van een auto automatisch wist met een bewegende arm met wisserblad
wycieraczka
noun
1. berijder van een rijdier
jeździec
noun
een sterkedrank die bereid wordt uit het sap van suikerriet
rum
/ˈrʏntfleːs/
noun
1. het vlees van een volwassen rund
wołowina
noun
1. vlinderlarve
  1. gąsienica
  2. licha
noun
1. een inwoner van Rusland
Rosjanin
noun
1. autoritaire nationalistische ideologie in Rusland
raszyzm
pronoun
1. een soevereine staat met het Russisch als officiële taal die zich uitstrekt van het oosten van Europa tot het oosten van Azië
  1. Rosja
  2. Moskwa
/ˈrʏsis/
adjective
1. betreffende Rusland of het Russisch
  1. rosyjski
  2. ruski
/ˈrʏsis/
pronoun
1. een Slavische taal die gesproken wordt in Rusland
  1. rosyjski
  2. język rosyjski
  3. ruski
/rɵst/
noun
2. tijdelijke toestand van ontspanning na arbeid, moeite of inspanning
spokój
adjective
1. kalm, weinig sensorische prikkels creërend
spokojny
noun
1. scheikundig element met symbool Ru en atoomnummer 44
ruten
noun
1. scheikundig element met symbool Rf en atoomnummer 104
rutherford
adjective
  1. 1. oneffen, niet glad
  2. 2. grof, onbesuisd
szorstki
noun
1. toestand waarin men in ernstig conflict is met anderen
kłótnia
/ryˈinə/
noun
1. een zeer vervallen gebouw
ruina
/ˌryiˈnerə(n)/
verb
  1. 1. helemaal kapotmaken
    1. niszczyć
    2. rujnować
  2. 2. iemand financieel te gronde richten
    rujnować
/ru.ˈwɑn.da/, /ru.ˈʋɑn.da/, /ˈrβ̞ɑn.da/
pronoun
1. een land in Oost Afrika, officieel de Rwandese Republiek, dat geheel door land omsloten wordt
  1. Rwanda
  2. Ruanda
noun
1. scheikundig element met symbool Rg en atoomnummer 111
roentgen
pronoun
1.
Rugia
/saɪ̯/, /saːɪ̯/
adjective
nudny
pronoun
Saba
noun
1. een vijandige ingreep op zaken om deze te laten mislukken of te vernielen
sabotaż
verb
sabotować
noun
sabotażysta
noun
sacharyd
noun
1. caloriearme kunstmatige zoetstof die geen directe invloed heeft het bloedsuikergehalte
sacharyna
noun
1. een disacharide, bestaande uit een glucose-eenheid en een fructose-eenheid
sacharoza
noun
1. plechtige gebeurtenis in de katholieke kerk
sakrament
noun
1. een ruimte in een rooms-katholieke kerk, waarin men alles bewaart dat nodig kan zijn om een kerkdienst te houden.
zakrystia
noun
sadyzm
noun
1. een kostbare, transparante blauwe edelsteensoort die een variant is van korund (α-Al₂O₃)
szafir
noun
1. specerij bereid uit de saffraankrokus Crocus sativus
szafran
pronoun
1. zandwoestijn in Noord-Afrika
Sahara
/sent.ˌvɪn.sɛnt.ɛn.də.χre.na.ˈdi.nəs/
pronoun
1. land in het Caraïbisch gebied
Saint Vincent i Grenadyny
pronoun
Saint-Pierre i Miquelon
noun
1. Falco cherrug
raróg
pronoun
1. Duitse deelstaat
Saksonia
noun
sałatka
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Caudata
salamandra
/ˈsalami/
noun
1. Italiaanse worst
salami
noun
gedroogde stukjes van de echte salie
szałwia
noun
1.
salmonella
/ˈsa.lo.mɔns.ˌɛɪ̯.lɑn.də(n)/, /ˈsa.lo.mɔns.ˌɛː.lɑn.də(n)/
pronoun
1. land in Melanesië
Wyspy Salomona
noun
1. een sterk zure chemische verbinding met de formule HNO₃ of een waterige oplossing daarvan
kwas azotowy
noun
1. scheikundig element met symbool Sm en atoomnummer 62
samar
noun
samba
adverb
razem
verb
1. meerdere uitgekozen zaken tot een geheel maken
składać
noun
2. verbinding van twee of meer zelfstandige woorden
złożenie
/ˈsaːməvɑtɪŋ/
noun
1. een beknopte beschrijving van een inhoud
streszczenie
verb
1. met een of meer aan hetzelfde werken
współpracować
noun
1. het samenwerken van meerdere personen
współpraca
pronoun
1. een verzameling talen die gesproken worden in Noorwegen, Zweden, Finland en Rusland door de Saami
język lapoński
pronoun
1. een verzameling talen die gesproken worden in Noorwegen, Zweden, Finland en Rusland door de Saami
język lapoński
/sa.ˈmo.wa/
pronoun
1. een land in Oceanië ten noorden van Nieuw-Zeeland en ten oosten van Australië...
Samoa
/ˈsɑmuˌrɑɪ/
noun
1. een lid van de vroegere Japanse krijgsstand
samuraj
pronoun
  1. Księga Samuela
  2. Samuel
/ˌsan maˈrino/
pronoun
1. een dwergstaat in Italië met republikeinse staatsinrichting.
San Marino
/sɑnˈdal/
noun
1. schoeisel
sandał
noun
1. een Spaanse licht-alcoholische drank
sangria
pronoun
1. klassieke taal en een van de officiële talen van India
  1. Sanskryt
  2. sanskryt
/saʊ̯.to.ˌme.je̞n.prɪn.ˈtsi.pə/, /ˌsa.o.to.me.ʔɛn.ˈprɪn.si.pə/, /ˌsʌu.to.me.ɛn.ˈprɪn.si.pə/
pronoun
1. land en eilandengroep aan de westkust van Afrika in de Golf van Guinee
Wyspy Świętego Tomasza i Książęca
/sa.ˌu.di.ɑ.ˈra.bi.jə/, /zaʊ̯.di.ja.ˈra.bi.jə/
pronoun
1. en 2., land en staat in Azië
Arabia Saudyjska
noun
1. plantenvocht
sok
adjective
1. vol met sap
soczysty
noun
1. plant die van organisch afval leeft
saprofit
noun
1.
sarkazm
adjective
1.
sarkastyczny
noun
1. een stenen doodskist
sarkofag
noun
mięsak
noun
1. klein zilverkleurig haringachtig visje, Sardina pilchardus
sardynka
noun
1. straalvinnige visSardina pilchardus, uit de familie van haringen
  1. sardinha
  2. sardynka europejska
noun
1. een Italiaans eiland in de Middellandse Zee
Sardynia
pronoun
1. Romaanse taal die wordt gesproken door 1,3 miljoen mensen op Sardinië
Sardyński
/sɑr'donis/
adjective
1. op een bittere manier grijnzen of lachen
sardoniczny
/ˈsatɑn/
pronoun
Szatan
noun
satyra
pronoun
1.
Saturn
/saˌudiaˈrabijə/
pronoun
1. en 2., land en staat in Azië
Arabia Saudyjska
/'saʊna/
noun
1. een ruimte waarvan de temperatuur verhoogd wordt, zodat het lichaam begint te zweten (een zweetbad)
sauna
/sɑu̯s/
noun
1. een vloeibare substantie die meestal over een gerecht wordt gedaan voor extra smaak
sos
/ˈsa.va/
pronoun
1. een rivier in Zuidoost-Europa met een lengte van 940 km.
Sawa
noun
1. een grasland met verspreid voorkomende bomengroei
sawanna
noun
1. en 2. (bladeren van) Brassica oleracea convar. capitata var. sabauda)
kapusta warzywna włoska
/sɑkso'fon/
noun
1. een metalen blaasinstrument met een enkel riet
saksofon
/skɑn.ˈdeː.rə(n)/, /skɑn.ˈdɪː.rə(n)/
verb
2. ritmisch declameren met één sterke nadruk per versvoet.
skandować
pronoun
1. Denemarken, Noorwegen en Zweden.
Skandynawia
noun
1. scheikundig element met symbool Sc en atoomnummer 21
skand
noun
1. sierlijk bewerkte staf, symbool voor het gezag van een regerende vorst
berło
/ˈskɛptɪs/
adjective
1. geneigd tot twijfel
sceptyczny
noun
1. een werktuig om hout glad, vlak of dunner te maken
  1. strug
  2. hebel
interjection
szach
noun
2. het schaakspel als zodanig
szachy
/ˈsxagbɔrt/, /ˈsχagbɔrt/
noun
1. een vierkant bord met 64 donkere en lichte vakjes waarop schaak gespeeld wordt
szachownica
adverb
mat
noun
1. een spel met verschillende stukken op een schaakbord
szachy
noun
1. kleine parasieten die voorkomen in het schaamhaar, maar ook op wimpers...
  1. menda
  2. mendoweszka
/'sxa:m.tə/
noun
1. eerste betekenisomschrijving
wstyd
adjective
1. zonder schaamte
bezwstydny
noun
1. Ovis aries, een holhoornige herkauwer waarvan de gedomesticeerde soort wol levert
owca
noun
  1. 1. werktuig om te knippen
    1. nożyczki
    2. nożyce
  2. 3. grijporgaan van sommige schaaldieren en spinachtigen
    szczypce
/'sxarstə/
noun
1. eerste betekenisomschrijving
rzadkość
noun
1. een ijzer dat onder de schoenen wordt gebonden of aan de schoenen is vastgemaakt, om zich daarmee over het ijs te verplaatsen
  1. łyżwy
  2. łyżwa
verb
1. zich voortbewegen op schaatsen
jeździć na łyżwach
noun
2. bepaald soort insect, Gerris lacustris
nartnik
noun
1. geheel van beschadigingen
szkoda
/ˈsxadələk/
adjective
1. schade toebrengend
szkodliwy
/ˈsxaː.dyu̯/
noun
1. een slechts door indirect zonlicht beschenen oppervlak
cień
noun
1. een sedimentair gesteente
łupek ilasty
verb
1. blaasinstrument met een rechte conische boring en een los dubbel riet dat de toon vormt
szałamaja
noun
1. een zaak die iemand in opspraak brengt en waarvan mensen schande spreken
awantura
noun
1. iets wat bij het publiek minachting oproept, iets oneervols
hańba
noun
1. een wintersport waarbij op skis van een helling (de schans) gesprongen wordt. Het doel daarbij is om zowel zo ver als zo mooi mogelijk te springen
skoki narciarskie
noun
1. een plank om iets op te zetten
półka
noun
1. verblijf voor schapen die als kleinvee worden gehouden
owczarnia
/sxɑrˈnir/
noun
1. draaiverbinding
zawias
noun
3. vogel uit de familie van de scharrelaars
kraska
noun
1. verzamelde rijkdom
skarb
/'sxɑtə(n)/, /'sχɑtə(n)/
verb
2. benaderen van een waarde door berekening
szacować
noun
1. onnauwkeurige meting
szacunek
verb
1. gladmaken door middel van een schaaf.
strugać
noun
1. een stellage voorzien van een galg of een valbijl waar veroordeelden terechtgesteld worden
szafot
noun
1. houder waarin men een zwaard of mes kan steken
pochwa
/'sχedəl/
noun
czaszka
/sxeːf/
noun
1. afvaldeeltje van de houtpijp
paździerze
/sxeːl/
adjective
1. het gebrek hebbend dat de oogassen niet op eenzelfde punt gericht kunnen worden
zezowaty
noun
1. voorkant van het onderbeen van de mens tussen de knie en de enkel
goleń
/ˈsxenben/
noun
  1. kość piszczelowa
  2. piszczel
noun
okrętownictwo
noun
chłopiec okrętowy
noun
1. (scheepvaart) een werkgebied
stocznia
noun
1. het verkeer op het water
nawigacja
/ˈsxɪːrkʋɑst/
noun
1. een dikke kwast waarmee men scheerzeep aanbrengen
pędzel do golenia
/sxeːrmɛs/, /sχɪːrmɛs/
noun
1. een bijzonder scherp mes waarmee men zich kan scheren
maszynka do golenia
/sxet/, /sχet/
noun
1. gasontlading uit de darm
pierdnięcie
noun
1. wetenschap die zich bezig houdt met de studie van de samenstelling en de bouw van de stoffen
chemia
adjective
1. dat wat tot de scheikunde behoort, volgens de scheikunde
chemiczny
noun
  1. chemik
  2. chemiczka
noun
1. bepaald soort kabeljauwachtige consumptievis, Melanogrammus aeglefinus
  1. plamiak
  2. łupacz
noun
2. de tijd van de dag waarop het licht dan wel donker wordt
zmierzch
noun
1. het schenden van iets
pogwałcenie
noun
1. lepelvormig werktuig
łopata
/ˈsxɛpə(n)/
verb
1. doen ontstaan uit niets
tworzyć
noun
1. creatuur; iets dat gemaakt is
  1. stworzenie
  2. stwór
/sxeːrə(n)/, /sχɪːrə(n)/
verb
  1. 1. baard afsnijden
    golić
  2. 2. zich de baard kort afsnijden
    1. golić się
    2. golić
noun
1. verticale draden van het weefgetouw
osnowa
adjective
1. goed snijdend
ostry
noun
szkic
verb
1. met een minimum van pennenstreken een voorlopige en gewoonlijk uitwisbare afbeelding van iets maken
szkicować
noun
1. ziekte ten gevolge van ascorbinezuurdeficiëntie
szkorbut
/sxʏːrə(n)/
verb
1. in twee of meer delen trekken
drzeć
noun
1. een landmassa die voor het grootste deel door water omgeven wordt, en slechts op (relatief) smalle verbinding heeft met het vasteland.
półwysep
pronoun
Schiermonnikoog
/ˈsxi.tə(n)/, /ˈsχi.tə(n)/
verb
  1. 1. een projectiel afvuren met een wapen
  2. 2. de bal een trap geven
strzelać
noun
1. een draad met loden balletje om de loodrechte stand van iets te onderzoeken
pion
noun
1. een confrontatie waarbij partijen elkaar beschieten
strzelanie
/sxɛi̯f/
noun
1. plat en rond voorwerp
  1. dysk
  2. płyta
noun
1. een rem, waarbij op de as van het af te remmen toestel een schijf meedraait, die door middel van remblokken afgeremd kan worden.
hamulec tarczowy
verb
3. straling uitzenden
świecić
/sxɛɪtə(n)/, /sxɛːtə(n)/, /sχɛɪtə(n)/
verb
1. poepen
srać
noun
1. buitenste bekleding van een vrucht
  1. skórka
  2. łupina
/sxɪlt/
noun
1. (militair) een voorwerp dat als afweer tegen de aanval van de vijand voor zich gehouden wordt
tarcza
noun
  1. 2. een handwerksman die huizen schildert
    malarz
  2. 1. een kunstenaar die geschilderde afbeeldingen maakt
    1. malarz
    2. malarka
verb
  1. 1-2.
    malować
    1. 1. een kunstwerk vervaardigen door met verf een beeld op een oppervlak te maken
    2. 2. een bouwwerk of voorwerp van een beschermend laag verf voorzien
    namalować
/ˌsxɪldə'rɛː/, /ˌsχɪɫdə'rɛɪ/
noun
1. een met verf op doek of andere achtergrond gemaakte afbeelding
  1. obraz
  2. malowidło
/sxɪldərkʌnst/
noun
1. een beeldende kunst die zich bezighoudt met het met penseel en verf op een plat vlak aanbrengen van lijnen en kleuren
malarstwo
noun
1. Unio pictorum
skójka malarska
/sxɪldkliːr/, /sxɪɫtkliːr/, /sχɪɫtkliːr/
noun
1. klier
tarczyca
noun
giermek
noun
1. orde van reptielen waarvan het voornaamste kenmerk is dat het lichaam omsloten wordt door een verhard rug- en buikschild
żółw
verb
1. de schil van een vrucht verwijderen
obierać
noun
2. rijk binnen de eukaryoten, Fungi
grzyb
noun
  1. 2. grootste ruimte in de lengterichting van een kruiskerk
    1. nawa
    2. nawa główna
  2. 1. groot zeewaardig vaartuig
    1. statek
    2. okręt
noun
1. gesteente
łupek
noun
1. een chronische geestesziekte met perioden van verwardheid en psychose
schizofrenia
noun
1. alles wat men om de voeten heen kan dragen, zoals schoenen en laarzen
obuwie
/sxun/
noun
1. voetbekleedsel
  1. but
  2. obuwie
noun
1.
trzewikodziób
noun
1. een 18e eeuws langsgetuigd zeilschip met oorspronkelijk 2, maar later ook meer masten
szkuner
noun
łyżka do butów
noun
szewc
noun
1. veter om een schoen of laars dicht te rijgen
sznurowadło
noun
1. schouder van paard of rund
kłąb
noun
1. mechanisme om schokken te dempen
amortyzator
noun
1. bepaald soort platvis, Pleuronectus platessa
gładzica
noun
1. zwart-witte waadvogel met luide roep, Haematopus ostralegus
  1. ostrygojadowate
  2. ostrygojad
noun
1. iemand die basisonderwijs of voortgezet onderwijs volgt
uczeń
noun
1. een hangend speeltuig bestaande uit touw en een zitje, vooral gebruikt in kinderspeeltuinen
huśtawka
/ˈsxɔməlstul/
noun
1. een stoel, gewoonlijk op gebogen staanders, waarop men heen en weer kan schommelen
fotel bujany
noun
1. samengebonden bundel halmen
snop
/sxoːl/, /sxoːɫ/, /sχoːɫ/
noun
  1. 1. een onderwijsinstelling waar les wordt gegeven aan leerlingen
    szkoła
  2. 2. een zwemmende groep gelijksoortige vissen
    1. ławica
    2. szkoła
noun
tablica
/sxols/, /sχo̝ɫs/
adjective
1. zoals op school
szkolny
/sxoːn/
adjective
  1. 2. proper
    czysty
  2. 1. mooi
    ładny
/ˈsxombruːr/
noun
1. de echtgenoot van iemands broer of zus, of de broer van iemands echtgenoot of echtgenote.
szwagier
noun
1. de vrouw van een zoon of dochter
synowa
/ˈsxoːn·hɛɪt/
noun
1. de hoedanigheid prachtig en aantrekkelijk te zijn
piękno
/ˈsxonmudər/
noun
1. de moeder van de huwelijkspartner
  1. teściowa
  2. świekra
noun
1. de vader van de huwelijkspartner
teść
noun
1. de man van een dochter of zoon
zięć
/ˈsxonzʉs/
noun
1. de echtgenote van iemands broer of zus, of de zus van iemands echtgenoot of echtgenote.
bratowa
noun
1. rookkanaal boven een stookplaats
komin
noun
1. een persoon wiens werk het verwijderen van roet uit schoorstenen is
kominiarz
/ˈsxoːrwɑl/, /ˈsxoːrβ̞ɑl/, /ˈsχɔːrʋɑl/
noun
1. een lange, smalle landtong die gevormd wordt door afzetting van zand in een bocht van de zeekust, en die de bocht op deze manier geheel of gedeeltelijk afsluit van de open zee
mierzeja
/ˈsxotkɔmˌpjutər/
noun
1. een invouwbare, draagbare computer
laptop
noun
1. graafwerktuig
łopata
/'sxɔ.pə(n)/
noun
1. kaartkleur
pik
pronoun
2. teken van de dierenriem van 23 oktober tot 22 november
Skorpion
noun
1. spinachtige met scharen en gifstekel
skorpion
noun
1. een lap stof die voorgebonden wordt gewoonlijk rond de middel om de kleding te beschermen ...
fartuch
noun
1. een persoon afkomstig uit Schotland
  1. Szkot
  2. Szkotka
noun
3. kop en schotel
spodek
/ˈsxɔtlɑnt/, /ˈsçɔtlɑnt/
pronoun
1. deel van het Verenigd Koninkrijk
Szkocja
noun
1. deel van romp tussen arm en hals
  1. bark
  2. ramię
noun
1. het vlakke driehoekige bot dat de achterzijde van de schouder vormt
łopatka
/sxreu̯/, /sχrɪːu̯/
noun
1. een luide (uit)roep
krzyk
/ˈsxreːʋə(n)/
verb
1. luid en geforceerd gebruiken van het stemgeluid
krzyczeć
/srɪft/, /sxrɪf/, /sxrɪft/
noun
    1. 3. de letter- en cijfertekens van een taal
    2. 4. de lettersoort gebruikt in boeken, teksten en inscripties
    pismo
  1. 1. een dun boekje met lege bladzijden om in te schrijven
    zeszyt
noun
1. een mechanisch apparaat, voorzien van druktoetsen waarmee schrifttekens op papier gezet kunnen worden
maszyna do pisania
/ˈsrɛɪ̯fstər/, /ˈsxrɛɪ̯fstər/, /ˈsxrɛːfstər/
noun
1. een persoon van het vrouwelijk geslacht die op professionele manier boeken of verhalen schrijft
pisarka
/'srɛɪ̯fʋɛɪ̯zə/, /'sxrɛɪ̯fwɛɪ̯zə/, /'sxrɛːfβ̞ɛːzə/
noun
1. spelling
pisownia
/ˈsxrɛ(i)və(n)/
verb
1. tekst in tekens vastleggen
  1. pisać
  2. napisać
/ˈs(x)rɛɪvər/
noun
2. een persoon die beroepsmatig schrijft
pisarz
noun
1. een jaar met 366 dagen
rok przestępny
noun
    1. 2. werktuig met twee of meer gebogen bladen die door draaiing een schip of vliegtuig voortbewegen
    2. 3. sprong met een draai om de lengteas
    śruba
  1. 1. voorwerp dat wordt gebruikt om andere voorwerpen vast te zetten
    1. śruba
    2. wkręt
noun
1. een werktuig om schroeven vast of los te draaien
  1. śrubokręt
  2. wkrętak
/sxʏp/
noun
1. een van meerdere overlappende plaatjes van keratine die aan een kant vastzitten...
łuska
verb
1. snel heen en weer bewegen om iets te mengen
  1. trząść
  2. potrząsać
noun
suwmiarka
/sxʌʏm/
noun
1. iets dat veel luchtbellen bevat
piana
noun
szumówka
/sxœyt/
noun
1. een eenvoudig open vaartuig
  1. łódka
  2. łódź
noun
1. een geldbedrag dat ondanks de verplichting daartoe niet betaald wordt
wina
noun
1. iemand aan wie iemand iets (meestal geld) verschuldigd is
wierzyciel
noun
1. iemand die iets (meestal geld) aan iemand anders verschuldigd is
dłużnik
/'sxɵldəx/
adverb
  1. oskarżony
  2. winny
/sxɵrft/
noun
1. een huidaandoening veroorzaakt door de schurftmijt
świerzb
/sxyːr/, /sχyːr/
noun
1. een opslagplaats voor veldvruchten en gereedschappen
  1. stodoła
  2. gumno
noun
1. een zijdelingse verkromming van de rug (wervelkolom), waardoor één of twee bochten ontstaan
skolioza
/sku.bi.ˈdu/
noun
filofun
/ˈskrɪp.si/
noun
1. een werkstuk over een (literatuur-) onderzoek dat gemaakt wordt om een opleiding te kunnen voltooien
  1. dysertacja
  2. praca dyplomowa
noun
1. scheikundig element met symbool Sg en atoomnummer 106
seaborg
noun
  1. 1. SI-grondeenheid van tijd
  2. 5. een interval met een toonafstand
sekunda
noun
1. hoge functionaris binnen grote organisaties, zoals de Verenigde Naties, NAVO, FIFA
sekretarz generalny
pronoun
Sedna
pronoun
Księga Sofoniasza
/sɛɪn/
noun
  1. 1. een betekenisvolle beweging
  2. aanduiding, aanwijzing
znak
pronoun
1. een rivier in Frankrijk
Sekwana
noun
1. een toestel dat beweging en of trillingen van de aardkorst waarneemt en registreert
sejsmograf
noun
1. de wetenschap van de aardbevingen
sejsmologia
/sɛɪ̯.ˈzun/, /sɛː.ˈzun/
noun
  1. 1. elk van de vier periodes waarin het jaar verdeeld wordt
  2. 2. een jaarlijks terugkerende periode
sezon
noun
1. sekse
płeć
noun
seksizm
adjective
1.
seksistowski
noun
seksualność
/sɛksy'el/
adjective
1. op de geslachtsdrift betrekking hebbend
płciowy
noun
1. infectieziekte die vooral wordt overgedragen door seksueel contact
choroba przenoszona drogą płciową
/ˈsɛks.wɛr.kər/
noun
pracownik seksualny
/ˈsɛktə/
noun
1. religieuze groepering die opziet naar een bepaald mens als leider
sekta
noun
1. tuinkruid, vergelijkbaar met peterselie, maar dan met een veel sterkere smaak
seler zwyczajny
noun
1. bepaald soort plant, Apium graveolens
celer zwyczajny
noun
1. Scheikundig element met symbool Se en atoomnummer 34
selen
noun
selen
pronoun
Sellafield
/se'mɑntis/
adjective
1. de semantiek betreffend
semantyczny
noun
een half jaar
semestr
noun
senat
/ˈse.ne.ˌɣɑl/, /ˈse.ne.ˌχɑɫ/
pronoun
1. land in West-Afrika
Senegal
noun
separatyzm
noun
1. negende maand van het jaar
wrzesień
adjective
1. infectiewekkend, bederfwekkend
  1. septyczny
  2. zakaźny
/seˈkoja/, /seˈkɔja/
noun
1.1 benaming voor bomen uit het geslacht Sequoia
sekwoja
noun
1. een rang onder de onderofficieren
sierżant
/sə.'rɪŋ/
noun
1. boomsoort met welriekende bloesem, meest paars of wit in de vorm van een kaars
  1. lilak
  2. bez
noun
1. een slang
wąż
noun
1. een computer die of computerprogramma dat diensten verleent aan andere programma's
serwer
verb
1. iets op tafel opdienen
serwować
/sɛrˈvɛt/
noun
1. een doek die men aan tafel gebruikt om er de mond en vingers mee af te vegen
serwetka
/ˈsɛrvis/, /ˈsɛrvɪs/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Servië
serbski
/ˈsɛrvi.jə/
noun
1. een land in Zuidoost-Europa.
Serbia
/ˈsɛrvi.jər/
noun
1. een inwoner van Servië, of iemand afkomstig uit Servië
Serb
/sɛrvoːkroːˈaːtis/
pronoun
serbsko-chorwacki
noun
1. een uit Afrika afkomstige plant uit de familie Pedaliaceae
sezam
/se.ˈʃɛ.lə(n)/, /sɛɪ̯.ˈʃɛ.lə(n)/
pronoun
1. een land in de Indische Oceaan, officieel de Republiek der Seychellen
Seszele
noun
1.
sfinks
/ˈʃɑm.po/
noun
1. product, meestal in vloeibare vorm, dat bedoeld is om het haar te wassen.
szampon
noun
1. een vorm van software die zonder of met weinig restricties verspreid mag worden,...
shareware
noun
1. een Spaanse versterkte wijn
sherry
noun
1. een schaatsdiscipline waarbij op een baan van 111,12 meter op diverse afstanden geschaatst wordt door meerdere rijders tegelijk
short track
abbreviation
1. Internationaal Stelsel van Eenheden
Układ SI
pronoun
Syberia
pronoun
1. Romaanse taal die wordt gesproken door 10 miljoen mensen op Sicilië, in Zuid-Calabrië en Salento
sycylijski
/sɪˈsɪlɪʲə/
pronoun
Italiaans eiland ten zuiden van het Italiaanse schiereiland
Sycylia
noun
1. bepaald soort grote, palingachtige vis die zware stroomstoten kan afgeven, Electrophorus electricus
strętwa
/ˌsʲɛ.rɑ.le.ˈjo.ne/, /ˌʃæː.ra.le.ˈjo.nə/, /ˌʃɛ.ra.le.ˈjo.nə/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Sierra Leone
Sierra Leone
noun
cygaro
/sɪɣɑˈrɛt/, /sɪʝɑˈrɛt/
noun
in papier gerolde tabak
papieros
noun
1. benaming voor een hoefdier Cervus nippon
jeleń wschodni
/ˈsɪkəl/
noun
1. maaiwerktuig met halvemaanvormig lemmet
sierp
/siˈleziˌʲə/
pronoun
1. een historische regio in Midden-Europa
Śląsk
noun
1. afbeelding van een ondoorzichtig object dat sterk contrasteert met de achtergrond en zo een duidelijke vorm heeft, maar verder egaal van kleur is
sylwetka
noun
1. Scheikundig element met symbool Si en atoomnummer 14
krzem
noun
1. Vrucht van de sinaasappelboom
  1. pomaranc
  2. pomarańcza
preposition
1. sedert, vanaf het moment dat
od
/sɪŋ.(g)ɣa.poːr/, /sɪŋ.gɑ.poːr/, /sɪŋ.gɑ.po̝ːr/
pronoun
1. een stadstaat in Zuidoost-Azië
Singapur
/ˈsɪŋk.sə(n)/
noun
1. christelijk feest waarbij herdacht wordt dat de Heilige Geest over de apostelen neergedaald is
Zesłanie Ducha Świętego
/ˌsɪntøˈsta(t)sijʏs/
pronoun
Sint Eustatius
/sɪnt.'maːr.tən/
pronoun
1. eiland in het noordoostelijke gedeelte van de Caraïbische Zee
Sint Maarten
noun
1. Pecten jakobeus
przegrzebek
noun
dziurawiec zwyczajny
noun
1. feestdag van een niet-bestaande heilige
święty Nigdy
pronoun
1. een stad in Rusland, het voormalige Leningrad
  1. Petersburg
  2. Sankt Petersburg
noun
sinus
noun
1. een toestel om een akoestisch alarmsignaal weer te geven
syrena
noun
1.
sitar
/sity'waː(t)si/
noun
1. hoe de zaken er voorliggen
sytuacja
noun
1. een langwerpige lap stof die om de hals gedragen wordt
szal
noun
1.
szach
noun
1. een kleine uiensoort
szalotka
noun
szyizm
/ʃul/
noun
synagoga
verb
1. lopen met een zware lading
wlec
/ʃʋɑ/
noun
1. toonloze klinker
szwa
noun
deskorolka
noun
1. samenstel van onderdelen dat het lichaam stevigheid geeft
kościec
noun
narta
verb
1. zich over sneeuw voortbewegen op twee aan de voeten bevestigde lange latten
zjeżdżać na nartach
/ˈskɔp.jə/
pronoun
1. de hoofdstad van Noord-Macedonië
Skopje
noun
  1. 2. plant Lactuca sativa
    Sałata siewna
  2. 4. salade
    Sałatka
    1. 1. plant van de soort Lactuca
    2. 2 en 3. (bladeren van) Lactuca sativa
    sałata
/slaːf/
noun
1. een persoon die het bezit is van een ander
  1. niewolnik
  2. niewolnica
/slap/
noun
  1. 1. periode van inactiviteit
    sen
  2. 3. zijvlak van het hoofd
    skroń
noun
1. een kamer die hoofdzakelijk gebruikt wordt om in te slapen
sypialnia
noun
1. meestal in een punt uitlopend hoofdbedekking van textiel, gedragen tijdens de nachtrust
szlafmyca
noun
1. iemand die loopt in een toestand van verminderd bewustzijn
lunatyk
noun
śpiwór
noun
1. slachthuis
rzeźnia
/ˈslɑx.hœːs/, /ˈslɑxt.ɦœːs/, /ˈslɑχ.tœʏ̯s/
noun
1. een bedrijf waar dieren geslacht worden
  1. rzeźnia
  2. ubojnia
noun
2. iets of iemand die kwalijke gevolgen ondervindt van een gebeurtenis
ofiara
noun
1. een ader die van het hart af stroomt
tętnica
/ˈslɑxbom/, /ˈslɑçbom/
noun
balk die dwars over een weg kan worden neergelaten als afsluiting
szlaban
/ˈslaːɣə(n)/, /ˈslaːχə(n)/
verb
2. het examen succesvol beëindigen
zdać
noun
bita śmietana
/ˈslaxfɛlt/
noun
1. een gebied waarop een militair treffen tussen twee legers plaatsvindt of plaatsgevonden heeft
pole bitwy
noun
    1. 1. een buikpotig weekdier (huisjesslak)
    2. 1. een buikpotig weekdier (wijngaardslak)
    ślimak
  1. 2. een onoplosbaar afvalproduct bij het smelten van metaal
    żużel
noun
1. Rostrhamus sociabilis, een roofvogel van de moerassen van de warmere streken van de beide...
kania ślimakojad
noun
1. benaming voor geschubde dieren met langgerekt lijf en een vaak glad lichaam zonder ledematen, die de onderorde Serpentes vormen
wąż
noun
zaklinacz węży
adjective
szczupły
noun
bezsenność
verb
1. in een toestand van lichamelijke rust verkeren
spać
/ˈsla.pə.rəx/, /ˈsla.pə.rəχ/, /ˈsla.pə.rɪx/
adjective
1. behoefte tot slaap vertonend
  1. śpiący
  2. senny
noun
1.
niewolnictwo
/slɛçt/
adjective
1. niet goed
zły
/slɛçt/
adverb
1. niet goed
źle
adverb
1. alleen maar, vervoeging van slecht
tylko
noun
1. Falco peregrinus, een roofvogel en de snelst vliegende vogel ter wereld
sokół wędrowny
noun
1. een voertuig dat wordt voortgetrokken en dat voorzien is van twee glijders
sanie
noun
1. bepaald soort plant met blauwe vruchten, Prunus spinosa
  1. tarnina
  2. śliwa tarnina
noun
1. een krachtige boot die andere vaartuigen versleept
holownik
noun
ladacznica
noun
rutyna
/sløːtəl/, /sløːtəɫ/, /ˈslø.tɔɫ/
noun
    1. 1. werktuig om te (ont)sluiten
    2. 4. een aanwijzing of code waarmee een raadsel kan worden opgelost, een geheim(schrift) ontcijferd, een cijferslot geopend of toegang kan worden verkregen
    3. 3. een voorwerp bedoeld om er een mechaniek zoals van een klok of speeldoos mee op te winden, een kraan open te draaien e.d.
    klucz
  1. 2. moer- of Engelse sleutel
    klucz płaski
noun
1. het bot dat het borstbeen met de schouder verbindt
obojczyk
/ˈsløtəɫˌɦɑŋər/
noun
1. ring om sleutels aan te hangen, vaak voorzien van een logo of label.
  1. brelok
  2. breloczek
noun
1.
słowo kluczowe
/slɛɪm/
noun
1. kleverige stof die door slijmvliezen uitgescheiden wordt
  1. wydzielina
  2. śluz
noun
1. slijm afscheidend membraan
  1. błona śluzowa
  2. śluzówka
noun
osełka
verb
1. de slokdarm in
połykać
adjective
1. intelligent, snel van begrip
chytry
noun
przełyk
noun
młot kowalski
noun
  1. kula ozbiórkowa
  2. kula wyburzeniowa
/sloːt/
noun
1. smal watergang om of tussen weilanden
rów
verb
1. een structuur ontmantelen, afbreken
burzyć
noun
  1. 3. einde
    koniec
    1. 1. mechanisme waarmee in combinatie met bijvoorbeeld een sleutel een deur of een raam kan worden afgesloten
    2. 2. een middeleeuwse versterkte woning
    zamek
noun
ślusarz
/sloˈvens/, /sloˈveːns/, /sloˈweːns/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Slovenië
  1. słoweński
  2. język słoweński
/sloˈveni.jə/, /sloˈveːni.jə/, /sloˈweːni.jə/
pronoun
1. een land in Centraal-Europa
Słowenia
pronoun
1. internationale hulptaal
slovio
/slo.ˈwaks/, /slo.ˈʋaks/, /slo.ˈβ̞aks/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Slowakije
  1. słowacki
  2. język słowacki
/ˌslowaˈkɛɪ̯.jə/, /ˌsloʋaˈkɛɪ̯.jə/, /ˌsloβ̞aˈkɛː.jə/
pronoun
1. een land in Midden-Europa; het oostelijke deel van het voormalige Tsjechoslowakije.
Słowacja
noun
  1. woalka
  2. welon
noun
1.
strzelec wyborowy
noun
śluza
verb
  1. 1. toedoen, dichtmaken
    zamykać
  2. [een overeenkomst] sluiten
    zawierać
noun
1. een afsluitbare gebogen pin waarmee men twee stukken stof bijeen kan houden, voorzien van een veiligheidskapje dat voorkomt dat men zich eraan bezeren kan
agrafka
noun
1. verlengde snuit
trąba
verb
1.
siorbać
noun
kubek smakowy
noun
szmaragd
noun
1. atelier, werkplaats van een smid, smederij
kuźnia
/smekə(n)/
verb
1. nederig om een gunst verzoeken
błagać
noun
drzemlik
verb
1. van vaste in vloeibare vorm overgaan
  1. topnieć
  2. tajać
/ˈsmɛltkrus/
noun
1. vuurvaste pot voor het mengen van gesmolten metaal
tygiel
noun
1. iemand die gloeiend metaal bewerkt met een hamer op een aambeeld
kowal
noun
1. werkplaats van een smid
  1. kuźnia
  2. forge
noun
1. smient
świstun
noun
smoking
verb
2. onderdrukken
dusić
noun
1. strip- en tekenfilmfiguur in de vorm van een soort blauwe kabouter met een wit mutsje
smerf
noun
  1. 2. lang zeer dun rond en flexibel voorwerp
    1. struna
    2. sznur
  2. 2. schoondochter
    synowa
/ˈsnavəɫ/
noun
1. bek van een vogel of schildpad
dziób
/sneʊ̯/, /sneːβ̞/, /snɪːβ̞/
noun
1. in kristallen bevroren water
śnieg
/ˈsneʊ̯bɑl/, /ˈsnɪːwbɑɫ/
noun
  1. 2. kamperfoelieachtige heester
    hortensja krzewiasta
  2. 1. een tot een bal samengepakte hoeveelheid sneeuw, vaak bedoeld voor een speels sneeuwballengevecht
    1. kulka śniegowa
    2. śnieżka
verb
1. het vallen van hemelwater onder de vorm van sneeuwvlokken
  1. pada śnieg
  2. śnieżyć
noun
  1. śnieżyca większa
  2. śnieżyca duża
noun
1.
śnieguła
noun
1. patrijsachtige vogel uit koude streken, die in de zomer een bruinig...
pardwa górska
noun
1. een pop die gemaakt is van sneeuw
bałwan
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera uncia
pantera śnieżna
noun
1. een pop die gemaakt is van sneeuw
bałwan
/'snew.stɔrm/
noun
  1. zamieć
  2. zawieja
noun
1. bepaald soort vogel, Bubo scandiacus
  1. sowa śnieżna
  2. puchacz śnieżny
/'snewvlɔk/
noun
1. een kleine massa aaneengehechte sneeuwkristallen
płatek śniegu
pronoun
Śnieżka
/snɛɫ/
adjective
szybki
noun
1. de verandering in de tijd van de plaats van een voorwerp
prędkość
noun
boćwina
/ˈsnɛɪdə(n)/
verb
1. met een scherp voorwerp in stukken delen
ciąć
noun
selery zwyczajne
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Scolopacidae
bekasowate
noun
1. bepaald soort roofvis die in zoete wateren voorkomt, Esox lucius
szczupak
noun
1. bepaald soort zoetwaterroofvis, Sander lucioperca
sandacz
noun
1. een meestal grotendeels van suiker vervaardigde lekkernij
cukierek
noun
  1. 2. vogel
    brzęczka
  2. 1. beharing
    wąsy
noun
1. reukorgaan van dieren
  1. pysk
  2. morda
verb
2.
wciągać
verb
1. ademen met een niet goed geopende luchtpijp, waardoor een rochelend geluid ontstaat
chrapać
/soʃal/
adjective
  1. 1. betrekking hebbend op de menselijke samenleving
  2. 2. geneigd om in groepen te leven
  3. 3. gevoel hebbend voor de nood van de medeleden van de samenleving
socjalny
noun
socjalizm
noun
1. een aanhanger van het socinianisme
socynianin
noun
1. wetenschap
socjologia
noun
socjolog
/su.ˈdɑn/, /zu.ˈdaːn/
pronoun
1. land in Noordoost Afrika dat voor een groot deel in en rond het stroomgebied van de rivier Nijl ligt, officieel de Republiek Sudan
Sudan
noun
sunnizm
noun
1. vloeibaar gerecht
zupa
noun
sofismat
noun
1. de verzamelnaam voor besturings- en toepassingsprogramma's,...
oprogramowanie
noun
1. kous die tot net boven de enkel komt
  1. skarpeta
  2. skarpetka
noun
2. extra online identiteit
pacynka
/sɔlˈdaːt/
noun
1. krijgsman met de laagste rang binnen een strijdmacht
  1. żołnierz
  2. wojak
noun
1. een stuk gereedschap om mee te solderen
lutownica
verb
1. een door verhitting vloeibare tussenstof aanbrengen tussen losse metaaldelen waardoor deze na afkoeling vast verbonden blijven
lutować
noun
solidarność
pronoun
1.
Solingen
noun
solipsyzm
/sɔm/
noun
  1. 1. resultaat van een optelling
    suma
  2. 2. munteenheid van Kirgizië
    som
pronoun
1. een taal die vooral wordt gesproken in Somalië
somalijski
/so.'ma.li.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika, officieel de Somalische Republiek
Somalia
adjective
  1. 1. in neergeslagen stemming
  2. 2. een neergeslagen stemming veroorzakend
ponury
noun
1. instrumentaal muziekstuk
sonata
/ˈsɔːrt/
noun
2. een groep levende wezens die een bepaald aantal kenmerken gemeenschappelijk heeft en...
gatunek
pronoun
1. een groep Slavische talen die wordt gesproken in het oosten van Saksen en het zuidoosten van Brandenburg
łużycki
interjection
1. een informele verontschuldiging of excuses
przepraszam
pronoun
Związek Radziecki
noun
1. een staaf die de naaf en de velg van een wiel verbindt
szprycha
/ˈspandər/
noun
1. langwerpig stukje hout dat bij het hakken afvalt.
wiór
/spaːns/
adjective
1. met betrekking tot Spanje of het Spaans
  1. hiszpański
  2. hiszpańszczyzna
/spaːns/
pronoun
1. een taal die oorspronkelijk werd gesproken in (het centrale deel van) Spanje,...
  1. hiszpański
  2. hiszpańszczyzna
/ˈspan.sə/
noun
1.
Hiszpanka
adjective
1.
hiszpańskojęzyczny
noun
1. afgesloten voorwerp waarin contant geld opgespaard wordt
skarbonka
/'spar.zam/
adjective
1. zorg dragend niet te verspillen
oszczędny
noun
1. brede, zware schep, bedoeld voor het spitten van grond
szpadel
noun
spaghetti
noun
1. hondenras
spaniel
/ˈspɑ.ɲard/, /ˈspɑɲ.jart/
noun
1. een inwoner van Spanje, of iemand afkomstig uit Spanje
Hiszpan
/ˈspɑ.ɲə/, /ˈspɑɲ.jə/
pronoun
1. een land in het zuidwesten van Europa op het Iberisch Schiereiland
Hiszpania
noun
2. benaming voor een naaldboom uit het geslacht Picea
  1. świerk
  2. jodła
/ˈspa.rə(n)/
verb
  1. 1. geld niet uitgeven
    1. oszczędzać
    2. oszczędzić
  2. 2. verzamelen
    zbierać
noun
1.
błotnik
noun
spationauta
noun
1. benaming voor middelgrote robuuste vogels behorende tot de familie Picidae
dzięcioł
/spe.si.ˈjal/, /spe.ˈsjaːl/, /spe.ˈʃaːl/
adjective
1. op een positieve manier anders dan het andere
specjalny
/ˈspesɪɑlɪst/
noun
  1. 1. persoon die ergens veel verstand van heeft
  2. 2. arts die een bepaald onderdeel van de geneeskunde beoefent
specjalista
noun
1. specificatie
specyfikacja
adjective
1. kenmerkend
specyficzny
noun
1. SPECT
SPECT
noun
1. kleurenband
widmo
noun
1. vocht dat in de mond vloeit uit de speekselklieren
ślina
noun
1. een klier die speeksel produceert en naar de mondholte afscheidt
gruczoł ślinowy
/ˈspelɣud/, /ˈspelɣut/, /ˈspɪːɫχut/
noun
1. één of meer voorwerpen voor kinderen om mee te spelen
zabawka
noun
karta
noun
1.1 bepaald soort plant met niervormige bladeren, botergele bloemen en wortelknolletjes, Ficaria verna
ziarnopłon wiosenny
/spɪːr/
noun
1. lange stok met een punt eraan, (werd) gebruikt voor de jacht of oorlogvoering
  1. włócznia
  2. oszczep
noun
1. onderhuidse vetlaag bij varkens
bekon
noun
1. opzienbarend schouwspel
spektakl
noun
1. bezigheid ter ontspanning volgens vaste regels met elementen als competitie, behendigheid, inzicht en kans
gra
/'spɛl.kɔm.pju.tər/
noun
1. een computersysteem dat specifiek gemaakt is om spellen op te spelen
konsola do gier
/ˈspeːlə(n)/
verb
  1. grać
  2. bawić się
noun
  1. 1. deelnemer aan een spel
  2. 2. een partij
gracz
noun
1. onjuiste schrijfwijze van een woord
błąd ortograficzny
verb
1. letters in de juiste volgorde plaatsen
literować
/ˈspɛlɪŋ/
noun
1. de al dan niet vastgelegde manier waarop de woorden van een taal geschreven worden
  1. pisownia
  2. ortografia
noun
1. grove tarwesoort
  1. orkisz
  2. pszenica orkisz
noun
1. fijn gemalen zaden van Triticum spelta
mąka orkiszowa
/spɛltmɪːɫ/
noun
1. fijn gemalen zaden van Triticum spelta
mąka orkiszowa
noun
1. Accipiter nisus, een kleine snelle roofvogel
krogulec
noun
1. bepaald soort zangvogel, Sylvia nisoria
pokrzewka jarzębata
noun
1. en 2. (peul van) cultivar van Phaseolus vulgaris
  1. fasolka szparagowa
  2. fasolka szparagowa zielona
pronoun
1.
Spira
noun
1. beelden terugkaatsend voorwerp
  1. lustro
  2. zwierciadło
noun
1. een orgaan
  1. mięsień
  2. muskuł
verb
1.
wagarować
noun
1. metalen pin waarmee twee voorwerpen door doorboring vast verbonden kunnen worden
gwóźdź
noun
pismo klinowe
/spɛj.tǝ:/
verb
1. berouw veroorzaken
żałować
noun
1. geleedpotig dier met acht poten
pająk
noun
1. bepaald soort snelgroeiende, eenjarige plant, Spinacia oleracea
  1. szpinak
  2. szpinak warzywny
verb
1. een lange draad vervaardigen door enkele vezels in elkaar te vervlechten
prząść
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Araneae
pająk
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Araneae
pająk
noun
1. een door een spin gemaakt net om insecten te vangen
pajęczyna
noun
szpieg
noun
1. de handeling van het spioneren
szpiegostwo
noun
duchowość
noun
1. benaming voor de groep Spirochaetes
krętki
noun
1. grote drukte in het verkeer op terugkerende tijdstippen
godziny szczytu
pronoun
1. een Noorse eilandengroep
Svalbard
noun
1. klein muisachtig diertje met spitse snuit en korte poten, behorend tot de familie Soricidae
ryjówkowate
/splet/
noun
szczelina
/'splɪntər/
noun
1. klein puntig scherfje
drzazga
noun
2. een element van zelfinductie
cewka
verb
płukać
noun
1.
sputnik
noun
gąbka
adjective
gąbczasty
noun
1. twee met elkaar verbonden ijzeren staven waarover een trein rijdt
tor
noun
kolej
noun
1. bepaald soort loofboom, Frangula alnus
kruszyna pospolita
/spɔrt/
noun
1. lichaamsbeweging
sport
noun
1. beoefenaar van een sport
sportowiec
noun
1. een zangvogel die geluiden kan nabootsen
  1. zaganiacz
  2. zaganiacz zwyczajny
/sprak/
noun
1. het vermogen om te spreken
język
noun
1. een systeem van regels en principes voor het schrijven en spreken van een taal
gramatyka
noun
przysłowie
noun
1. Sturnus vulgaris, een middelgrote zangvogel
  1. szpak zwyczajny
  2. szpak
/ˈspreːkə(n)/
verb
1. zich met behulp van de stem uiten
mówić
/ˈspɾøkə(n)/
noun
Księga Przysłów
verb
1. na zich tegen de zwaartekracht afgezet te hebben een korte vrije val door de lucht maken
  1. skakać
  2. skoczyć
noun
1. een insect van de Orthoptera-orde
  1. konik polny
  2. pasikonik
noun
1. bepaald soort vrij kleine vogel met gestreepte bovenzijde en monotone zang, Locustella naevia
świerszczak zwyczajny
noun
1. een bruin vlekje op de huid dat veroorzaakt wordt door ultraviolet licht
pieg
noun
1. verzonnen vertelling
  1. bajka
  2. baśń
noun
Sprattus sprattus
  1. szprot
  2. szprotka
noun
2. een uitloper van de spruitkool
kapusta brukselska
noun
1. slijmvliesontsteking in mond of darmen
  1. pleśniawka
  2. drożdżyca
/'spy.ɣə(n)/
verb
1. speeksel uit de mond doen uitschieten
pluć
noun
strazak
noun
  1. oprogramowanie szpiegujące
  2. oprogramowanie szpiegowskie
noun
squash
/sri.ˈlɑŋ.ka/
pronoun
1. een republiek in Azië gelegen op een eiland ten zuiden van India
Sri Lanka
/ˈstaf.kɛrk/
noun
1. een geheel uit hout opgetrokken kerkgebouw, met een typische bouwstijl die voornamelijk in Scandinavië wordt aangetroffen
kościół słupowy
noun
1. overeenkomst voorlopig een einde te maken aan de gevechtshandelingen
zawieszenie broni
/staːɫ/
noun
1. een legering van ijzer en koolstof
stal
/stalwɔl/
noun
wełna stalowa
/staːn/
verb
1. zich in verticale toestand van rust bevinden
stać
noun
  1. 1. een verlengstuk van de ruggengraat bij sommige dieren
  2. 2. het achterste stuk van een vliegtuig of een auto
  1. ogon
  2. chwost
noun
  1. raniuszek zwyczajny
  2. raniuszek
noun
  1. 1. een land
  2. 1. toestand
  1. stan
  2. państwo
noun
1. een discipline
politologia
noun
1. iemand die burgerrechten in een staat heeft
obywatel
noun
1. illegale afzetting van een regering
przewrót
noun
1. iemand die in een staat het hoogste gezag bekleedt of personifieert
głowa państwa
adjective
1. standvastig, duurzaam
stabilny
noun
stabilizator
noun
stabilność
/stɑd/, /stɑt/
noun
Woonplaats
miasto
/ˈstɑdhœːs/, /ˈstɑthœʏs/, /ˈstɑthœːs/
noun
1. een gebouw waar de stadsdiensten gehuisvest zijn
ratusz
noun
stadion
/ˈstɑt.stat/
noun
1. staatsvorm
wolne miasto
noun
1. een stok bedoeld voor ondersteuning of onderscheiding van een persoon
kij
noun
1. een touw of kabel waarmee een mast stabiel wordt gehouden
sztag
verb
1. een werkonderbreking of (ludieke) actie houden voor betere arbeidsvoorwaarden of meer loon
strajkować
/'stakɪŋ/
noun
1. het neerleggen van de werkzaamheden, meest uit protest of om verbeteringen af te dwingen
strajk
/stɑl/
noun
1. ruimte bestemd voor de huisvesting van dier(en)
stajnia
noun
1. variant van het marxisme-leninisme gekenmerkt door een totalitair nationalistisch...
stalinizm
noun
  1. 2. deel van de boom tussen de wortels en de kruin
    pień
  2. 4. op verwantschap berustende samenlevingsvorm van meer families in beschavingen met weinig verstedelijking
    plemię
  3. 7.
    temat
noun
2. vijzelstamper
tłuczek
noun
1. officieel vastgelegde taalvorm die binnen een bepaald gebied als de voorgeschreven norm geldt.
  1. język literacki
  2. język ogólny
noun
1. een kunstzinnige afbeelding vaak van een persoon in drie dimensies, meestal gehouwen in steen of gegoten in metaal
  1. posąg
  2. statua
noun
1. een sterke, stinkende geur
  1. fetor
  2. smród
noun
  1. 1. een gestructureerde hoop spullen
  2. 2. de tijdelijke constructie waarop een in aanbouw of reparatie zijnd schip rust
stos
noun
1.Twee bedden op elkaar
łóżko piętrowe
noun
1. een begin ergens van
  1. początek
  2. start
noun
1. stabiel onderstel voor camera
statyw
/sta.ˈsʲɔn/
noun
1. plaats waar voertuigen kunnen stoppen
  1. stacja
  2. dworzec
noun
1. plaats in een vast geheel of een bepaald proces
stan
noun
1. huidige stand van zaken
status quo
adverb
1. voortdurend
  1. zawsze
  2. ciągle
noun
1. zeer smal straatje
uliczka
/sten/, /steːn/
noun
1. een harde stof, vaak op kiezel gebaseerd maar omvattende vele soorten
kamień
noun
1. vogel uit de familie der arendachtigen
orzeł przedni
pronoun
2. teken van de dierenriem van 22 december tot 20 januari
Koziorożec
noun
1.1 bepaald soort zoogdier, Capra ibex
koziorożec
noun
zwrotnik Koziorożca
/ste.nɛi̯k/, /ste.nɛːk/, /sten.ʔɛi̯k/
noun
1. Quercus ilex; een boom uit de napjesdragersfamilie
dąb ostrolistny
noun
1.
kamieniołom
noun
kamieniarz
noun
1. zwart-bruine stof die ontstaan is door plantenafzettingen en gebruikt wordt als energiebron
węgiel kamienny
/ˈstentɛit/
noun
Epoka kamienia
/ˈstenœʏ̯ɫ/, /ˈsteːnœːl/
noun
1. bepaald soort vogel, Athene noctua
pójdźka
noun
vlezige vrucht waarvan het binnenste deel steenhard is
pestkowiec
noun
1. de kennis van het op verborgen wijze overbrengen van informatie
steganografia
noun
2. werkvloerconstructie in de bouw
rusztowanie
/stɛil/, /stɛːl/
adjective
1.
stromy
noun
1. benaming voor kleine vissen met puntige doorns op de rug en de buik uit de familie Gasterosteidae
ciernikowate
noun
1. een groot knaagdier met stekelige vacht
jeżozwierz
verb
  1. 1. doorboren, prikken
    pchać
  2. 2. doen ontvlammen
    podpalać
noun
1. stekker
wtyczka
/stɛl/, /stɛɫ/
noun
1. een tweetal of een klein aantal bij elkaar behorende onderdelen of mensen
para
verb
1. iets wegnemen van iemand en het zich wederrechtelijk toe-eigenen
kraść
noun
1.
stopień równy
/stɛlt/
noun
szczudło
noun
  1. 1. het geluid dat door het trillen van de menslijke stembanden wordt geproduceerd
  2. 6. een keuze gemaakt door een stemmer (kiezer) bij een stemming (verkiezing)
  3. 2. het geluid dat een mens bij het spreken voortbrengt
  4. 3. het geluid dat een mens bij het zingen voortbrengt
głos
noun
1. geluidvoortbrengende plooien in het strottenhoofd
struna głosowa
noun
1. een draaibare stift met draaiknop van een muziekinstrument
stroik
/stεmə(n)/
verb
  1. 1. deelnemen aan een verkiezing
    głosować
  2. 2. een instrument op de juiste toonhoogte brengen
    stroić
/ˈstɛmpəl/, /ˈstɛmpəɫ/
noun
A2. een afdruk van [1]
pieczęć
noun
1. een draaibare stift met draaiknop van een muziekinstrument
stroik
/stɛmvɔrək/
noun
1. stemvork
kamerton
noun
1. langgerekt en stevig orgaan van een vaatplant dat water en voedingstoffen vervoert
łodyga
verb
1. met steenworpen doden
  1. kamienować
  2. ukamienować
noun
ukamienowanie
noun
1. vervoermiddel op twee wielen, (gedeeltelijk) met de voet aangedreven
hulajnoga
noun
  1. 1. een hemellichaam, een gasbol die licht uitzendt door kernfusie
  2. 2. een beroemdheid
gwiazda
noun
steradian
noun
stereochemia
noun
stereometria
noun
stereotyp
/ˈstɛrvbɛt/
noun
1. het bed waarop men sterft
łoże śmierci
adjective
śmiertelny
/'sterftə/
noun
1. het aantal sterfgevallen in een bepaalde tijd of in bepaalde omstandigheden
śmiertelność
noun
1. een getal dat aangeeft hoeveel sterfgevallen er in een gebied in een bepaalde tijd hebben plaatsgevonden
umieralność
verb
  1. 1. iets vrij maken van micro-organismen
  2. 2. onvruchtbaar maken
sterylizować
noun
1. onvruchtbaarheid
bezpłodność
/stɛrk/
adjective
  1. 1. krachtig
  2. 2. geconcentreerd
mocny
noun
1. benaming voor slanke meeuwachtige vogels uit de familie Sternidae
rybitwa
noun
1. wetenschap die de objecten in de ruimte bestudeert
astronomia
/stɛrən'kʏndəɣə/
noun
astronom
noun
galaktyka
noun
observatorium
noun
astrolog
verb
1. overgaan van levende toestand naar dode toestand
  1. umierać
  2. umrzeć
noun
karambola
/'stønə(n)/
verb
1. een deel van de last op zich nemen, hulp verlenen
wspierać
noun
1. bepaald soort anadrome vis, Acipenser sturio
jesiotr
noun
2. zelfstandig vermogen met rechtspersoonlijkheid opgericht op de verwezenlijking...
fundacja
/ˈstif.mu.dər/
noun
1. latere levenspartner van vader dan de eigen moeder
macocha
noun
1. echtgenoot van iemands moeder, die niet de eigenlijke vader is
ojczym
pronoun
  1. 1. sterrenbeeld van de dierenriem
  2. 2. astrologisch teken
Byk
/stiːr/
noun
byk
pronoun
1. deelstaat van Oostenrijk
Styria
noun
krochmal
/ˈstɛi̯xˌbøː.ɣəl/
noun
1. voetsteun voor de ruiter
strzemię
/stɛi̯l/
noun
  1. 1. handelswijze
  2. 3. beschrijvende plantkunde: buisvormige, middelste gedeelte van de stamper
styl
noun
1. leer van de uitdrukkingswijze en zijn middelen
stylistyka
/ˈstɪkstɔf/
noun
1. een chemisch element en een kleurloos niet-metaal
azot
pronoun
1. dag na Goede Vrijdag en voor Pasen
Wielka Sobota
noun
martwa natura
/'stɪl.tə/
noun
cisza
verb
1. maatregelen nemen om iets te bevorderen
stymulować
noun
1. bepaald soort zoogdier, Mephitis mephitis
skunks
verb
1. een onaangename geur hebben
śmierdzieć
noun
1. (studie)beurs
stypendium
pronoun
1. de hoofdstad van Zweden
Sztokholm
/stul/, /stuɫ/
noun
1. zitmeubel
krzesło
/'stulɣɑŋ/
noun
  1. 2.
    stolec
  2. 1.
    wypróżnienie
noun
1. een kabelbaan waarin je zittend een hoogte overbrugt
  1. kolej krzesełkowa
  2. wyciąg krzesełkowy
noun
  1. 2. weefsel, textiel
    materiał
  2. 1. heel kleine deeltjes
    1. kurz
    2. proch
/'stɔfʋɪsəlɪɳ/
noun
1. het geheel van chemische processen dat gepaard gaat met het in leven zijn van een wezen
metabolizm
noun
1. een elektrisch toestel dat stof en kleine deeltjes opzuigt
odkurzacz
noun
stechiometria
/stɔk/
noun
kij
/ˈstɔlɪŋsɣəˌstentə/
noun
1. gesteente bestaande uit gestolde lava of gestold magma.
skały magmowe
adjective
  1. 1. geluidloos
  2. 2. niet in staat te spreken
niemy
noun
1. een locomotief die wordt aangedreven door een stoommachine
  1. parowóz
  2. lokomotywa parowa
noun
1. een machine die door middel van stoom drijfkracht ontwikkelt
maszyna parowa
noun
1. een schip dat voortgedreven wordt middels een stoommachine
parowiec
noun
turbina parowa
noun
1. grote slagtand
kieł
/ˈstorə(n)/
verb
1.het functioneren nadelig beïnvloeden
przeszkadzać
noun
1. erg harde wind
  1. burza
  2. sztorm
noun
een toestel, balk, e.d. om een deur, poort te forceren
taran
noun
1. het storten van geld op een bankrekening
depozyt
/straɫ/, /ˈstral/
noun
  1. 1. de lijn van middelpunt naar omtrek
  2. 2. een bundel elektromagnetische straling
promień
/strat/
noun
  1. 2. een smalle doorgang tussen twee zeeën
    cieśnina
  2. 1. een weg tussen de huizen in een bewoonde plaats
    ulica
noun
1. hoofdstad van de Franse regio Grand Est
Strasburg
noun
1. onprettige maatregel of behandeling ter vergelding van een misdaad of overtreding
kara
/ˈstrɑfə(n)/
verb
1. negatieve consequenties verbinden aan een als verkeerd geziene daad
karać
noun
1. directe vrije trap
rzut karny
adjective
1. nauwzittend
ciasny
noun
  1. promieniowanie
  2. radiacja
pronoun
1.
Stralsund
noun
1. Strook land langs de kust
  1. plaża
  2. obszar nadmorski
verb
1. aan de grond vastlopen
osiąść na mieliźnie
noun
1. een plan om iets te bereiken
strategia
noun
stratosfera
noun
1. een kegelvormige vulkaan met traagvloeibare lava
stratowulkan
noun
2. lijnvormig patroon
pasek
verb
1. zachtjes met de hand over iets of iemand strijken
  1. głaskać
  2. gładzić
noun
oplossing die spijsverteringsenzymen bevat
podpuszczka
noun
1. spanning, geestelijke druk.
stres
noun
  1. 1. een handgemeen
  2. 2. een militair treffen
bitwa
noun
1. een slagwapen in de vorm van een metalen staf met een versterkte kop
  1. buzdygan
  2. maczuga
noun
rydwan
verb
2. wasgoed desinfecteren en gladmaken met hulp van een heet ijzer, een strijkijzer
prasować
/ˈstrɛɪ̯.gɛɪ̯zər/, /ˈstrɛɪ̯k.ʔɛɪ̯zər/, /ˈstrɛː.kɛːzər/
noun
1. een huishoudelijk gereedschap dat gebruikt wordt om textiel glad te strijken
żelazko
noun
1. een plankvormig voorwerp, gewoonlijk op een inklapbaar onderstel, bedoeld als ondergrond waarop kleding gestreken kan worden
deska do prasowania
noun
1. een constructie waarmee de snaren van een strijkinstrument in trilling gebracht worden
smyczek
noun
1. een boek met een verhaal in beeldvorm
komiks
/stro/
noun
1. droge bloeistengels van graangewassen
słoma
noun
1. scheikundig element met symbool Sr en atoomnummer 38
stront
noun
1. zweertje op het ooglid
  1. jęczmień
  2. jęczmyk
/stroːm/
noun
2. elektriciteit
prąd
noun
zlewnia
noun
1. dikke, viskeuze, geconcentreerde vloeistof waarin een grote hoeveelheid suikers zijn opgelost
syrop
noun
krawat
noun
krtań
/strʏkˈtyr/
noun
de interne opmaak van een geheel
struktura
noun
1. heester
  1. krzak
  2. krzew
verb
1. het evenwicht verliezen doordat men met de voet verstrikt raakt
potknąć się
noun
1. bepaald soort in heel Europa voorkomende plant, Calluna vulgaris
  1. wrzos pospolity
  2. wrzos zwyczajny
/ˈstrœʏ̯sˌfoχɔɫ/, /ˈstrœːsˌfoːɣəl/, /ˈstrœːzˌvoːɣəl/
noun
1. Struthio camelus, grote loopvogel, die niet kan vliegen
struś
noun
1. iemand die hoger onderwijs volgt
  1. student
  2. studentka
verb
1. het volgen van een opleiding en verwerven van kennis als voornaamste bezigheid
uczyć się
noun
stypendium
/stɵk/
noun
  1. 1. deel
  2. 2. kunst/nijverheid
kawałek
noun
1. Soort bouwvakker
tynkarz
noun
1. de rechterzijde als men vanop een schip naar de boeg kijkt
sterburta
noun
1. iemand die een vaartuig bestuurt
sternik
noun
1. een stuk software dat een verbinding legt tussen de hardware en het besturingssysteem
sterownik
noun
1. vaste of regelbare waterkering
jaz
noun
1. kunstmatig meer
rezerwuar
noun
1.
morena spiętrzona
noun
subdominant
subdominanta
noun
subiektywność
/sʌp'til/
adjective
  1. 1. alleen bij nauwkeurig toezien of voor fijn gevoel waar te nemen of te begrijpen
  2. 2. fijn onderscheidend, scherpzinnig
subtelny
noun
1. gewenste resultaat van een opzet
  1. powodzenie
  2. sukces
/suˈdɑn/
pronoun
land in Noordoost Afrika, officieel de Republiek Sudan
Sudan
noun
1. een woorddeel dat achter de stam van een woord gevoegd wordt
przyrostek
noun
1. zoetstof
cukier
noun
1. bepaalde ondersoort van de biet waaruit bietsuiker gewonnen wordt
burak cukrowy
noun
1. een rietsoort die verbouwd wordt vanwege zijn suikergehalte en waaruit rietsuiker gewonnen wordt
trzcina cukrowa
/ˈsœʏkərˌspɪn/, /ˈsœːkərˌspɪn/
noun
1. lekkernij bestaande uit een hoeveelheid gesponnen suiker aan een stokje
wata cukrowa
pronoun
Sumatra
noun
1. fictieve figuur uit een stripverhaal of een film die over bovenmenselijke krachten beschikt
superbohater
noun
supermarket
noun
het verschijnsel waarbij een ster op spectaculaire wijze explodeert
supernowa
/ˌsy.ri.ˈna.mə/
pronoun
1. een land in Zuid-Amerika
Surinam
noun
surrealizm
pronoun
1. een Bantoetaal die veel gesproken wordt in Oost-Afrika
suahili
/ˈswa.zi.ˌlɑnd/, /ˈsʋa.zi.ˌlɑnt/, /ˈsβ̞a.zi.ˌlɑnt/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel het Koninkrijk Swaziland
Suazi
pronoun
1. de grootste stad van Australië en de hoofdstad van de deelstaat Nieuw-Zuid-Wales
Sydney
noun
kiła
noun
1. een logische redenering waaruit een conclusie afgeleid wordt
sylogizm
verb
1. een betekenis hebben die verwijst naar
symbolizować
noun
1. Teken
symbol
noun
symfonia
adjective
1.
symfoniczny
noun
1. een gevoel van toegenegenheid
sympatia
/sɪmˈpoziəm/
noun
1. een wetenschappelijke samenkomst waarop verschillende wetenschappers een lezing houden over een bepaald onderwerp
sympozjum
adjective
1. met betrekking tot ziekteverschijnselen
symptomatyczny
noun
1. ziekteverschijnsel
  1. objaw
  2. symptom
noun
1. gebedshuis van joden.
synagoga
noun
synchroniczność
/sɪnˈdrom/
noun
1. ziektebeeld
syndrom
noun
1. gelijkbetekenend woord
synonim
/sɪnˈtɑksəs/
noun
  1. 1.
  2. 2.
  1. składnia
  2. syntaksa
noun
1. samenstelling
synteza
/ˈsi.ri.jə/, /ˈzi.ri.jə/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel de Arabische Republiek Syrië
Syria
/siˈstem/
noun
1. een uit meerdere interagerende onderdelen bestaand stelsel...
  1. system
  2. układ
noun
  1. 1. een interdiscipline tussen informatie en bedrijfskunde, gericht op het analyseren van systemen, voorafgaande aan reorganisatie en of automatisering van bedrijfsprocessen
  2. 2. een werkwijze om verschijnselen te bestuderen voorafgaande aan de ontwikkeling van informatiesystemen
analiza systemowa
noun
myślenie systemowe
noun
1. de theorie over de systematische beschouwing van systemen in de natuur, wetenschap en of maatschappij
teoria systemów
verb
1. het stelselmatig ordenen volgens een vooropgezet systeem
systematyzować
noun
1. dun kledingstuk voor het bovenlichaam met korte mouwen en zonder kraag
koszulka
pronoun
1.
Tag
/taːk/
noun
1. een te verrichten werk
zadanie
/taːl/
noun
1. systeem van spraakklanken door middel waarvan mensen met elkaar communiceren en de schriftelijke...
język
noun
1. uitdrukkingen en zegswijzen uit een bepaalde taal
idiom
/talfɔut/
noun
1. een fout tegen de grammatica van een taal
błąd językowy
/ˈtalɣəˌvul/, /ˈtaɫχəˌvuɫ/
noun
1. het vermogen om het juiste gebruik van een taal aan te voelen
wyczucie językowe
/ˈtalklɑŋk/
noun
1.
fonem
noun
1. wetenschap
językoznawstwo
/ˈtalstrɛːit/, /ˈtalstrɛːt/
noun
1. een strijd om de talen die in een bepaalde situatie gebruikt moeten worden of de wijze waarop de taal gebruikt moet worden
konflikt językowy
noun
1. een beoefenaar van de taalkunde
językoznawca
/taːrt/
noun
1. cirkelvormig zoet gebak
ciasto
noun
1. een genotsmiddel afkomstig van de bladeren van de tabaksplant, wordt gerookt, gekauwd en gesnoven
  1. tytoń
  2. tabaka
noun
fajka
noun
1. een geordende lijst met gegevens
tabela
noun
tabernakulum
noun
1. pastille
tabletka
noun
1. een algemeen aanvaard moreel verbod; iets dat onbespreekbaar of ondenkbaar is
tabu
cardinalNumeral
1. het getal 80
osiemdziesiąt
/tɑkˈtik/
noun
1. een manier om onder gegeven omstandigheden een doel te bereiken
taktyka
/taˈdʒikɪˌstɑn/
pronoun
1. een land in een land in Centraal-Azië met als hoofdstad Doesjanbe
Tadżykistan
/ˈtafəɫ/
noun
1. een meubelstuk met poten, bedoeld om dingen op te zetten of te leggen
stół
/ˈtafəlˌklet/
noun
kleed dat als bescherming of versiering over een tafel ligt
obrus
noun
1. (sport) een spel waarbij twee spelers, ieder met een batje, een pingpongbal op tafel houden
  1. tenis stołowy
  2. ping-pong
pronoun
1. taal die op de Filipijnen gesproken wordt
tagalog
noun
1. een soort van pasta, gemaakt van gemalen sesamzaad met toevoeging van o.a. citrussap, knoflook, peterselie...
tahini
noun
1. naaldbossen in koude streken
tajga
/ˌtɑjkoˈnaʊ̯t/, /ˌtɑjkoˈnɔʊ̯t/, /ˌtɑjkoˈnʌʊ̯t/
noun
1. een Chinese ruimtevaarder.
taikonauta
/tɑj'ʋɑn/
pronoun
Tajwan
/tɑk/
noun
1. een deel van een boom of struik
gałąź
noun
1. bijzondere aanleg
talent
/tɑɫx/
noun
  1. 1. huidvet, een vetachtige substantie die geproduceerd wordt door talgklieren
  2. 2. het harde vet van sommige herkauwers
łój
noun
1.een klier om de haarzakjes, die talg afgeeft
gruczoł łojowy
/tɑlk/
noun
talk
/'tɑlɪn/
pronoun
1. de hoofdstad van Estland
Tallinn
pronoun
1. een kunsttaal gemaakt in 1980 door R. Ben Madison voor zijn micronatie Talossa
talossański
adjective
1. groot in aantal
liczny
noun
1. en 2. (vruchten van de) tamarindeboom
tamarynd
pronoun
1. taal die gesproken wordt in India, Sri Lanka, Singapore, en Maleisië
  1. tamilski
  2. Tamil
noun
  1. 2. scherp uitsteeksel
    ząb
  2. 1. hard en wittige gecalcificeerde structuur in de mond
    1. ząb
    2. zęby
noun
1. een medisch specialist op het gebied van de tandheelkunde
dentysta
noun
1. fiets
tandem
noun
1. borsteltje om de tanden mee te reinigen
szczoteczka do zębów
noun
1. puntig instrumentje om etensresten tussen de tanden te verwijderen
wykałaczka
noun
1. wetenschap voor de verzorging van de tanden
  1. dentystyka
  2. stomatologia
/ˈtand.pɑs.taː/, /ˈtɑnt.pɑs.ta/
noun
1. een poetsmiddel voor de tanden
pasta do zębów
/tɑntpɛin/
noun
1. pijn in één of meerdere tanden
ból zęba
/ˈtɑntfles/
noun
1. deel van het mondslijmvlies waarin de tanden vastzitten
dziąsło
/tɑŋ/
noun
1. een uit twee delen opgebouwd gereedschap waarvan de beide delen op één punt aan elkaar vastzitten...
  1. szczypce
  2. obcęgi
pronoun
Tanger
/tɑŋk/, /tɛŋk/
noun
  1. 2. een oorlogsvoertuig
    1. czołg
    2. tank
  2. 1. een groot vat
    1. zbiornik
    2. cysterna
    3. tank
noun
1. schip
  1. tankowiec
  2. zbiornikowiec
noun
tanina
noun
1. scheikundig element met symbool Ta en atoomnummer 73
tantal
noun
1. scheikundig element met symbool Ta en atoomnummer 73
tantal
noun
1. zus of schoonzus van iemands vader of moeder
  1. ciocia
  2. ciotka
/ˌtɑn.za.ˈni.ja/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika
Tanzania
noun
dywan
noun
1. zetmeel verkregen uit de wortelknol van Manihot esculenta
tapioka
noun
1. gifspin
tarantula
/tɑˈrif/
noun
1. een vastgesteld bedrag per eenheid
taryfa
noun
1.
tarot
noun
tara
pronoun
1. taal uit de Turkse talen met ongeveer anderhalf miljoen sprekers die vooral wordt gesproken in Tatarstan, een deelrepubliek van Rusland maar ook in andere delen van de vroegere Sovjet-Unie en daarbuiten
tatarski
pronoun
1. stad in Estland
  1. Tartu
  2. Dorpat
/ˈtɑrʋə/
noun
  1. 3. zaad van tarwe
  2. 2. meest verbouwde tarwe soort (Triticum aestivum)
pszenica
noun
1. (voorgekookte) geplette tarwegranen
płatki pszenne
noun
zemelen van tarwekorrels
otręby pszenne
noun
1. zak die men meeneemt om er zaken in te bergen die men bij zich wil hebben
torba
pronoun
Tasmania
pronoun
1. taal uit de Turkse talen met ongeveer anderhalf miljoen sprekers die vooral wordt gesproken in Tatarstan, een deelrepubliek van Rusland maar ook in andere delen van de vroegere Sovjet-Unie en daarbuiten
tatarski
pronoun
1. de autonome republiek van Rusland met de hoofdstad Kazan
Tatarstan
noun
1. een tekening die met naald en inkt blijvend in de huid is aangebracht
tatuaż
/tatuʷ'erə(n)/
verb
1. met een naald en inkt een blijvende tekening in de huid inbrengen
  1. tatuować
  2. robić tatuaż
/tɑk.si/
noun
1. een voertuig bestemd om tegen betaling klanten van de ene plaats naar de andere te brengen
  1. taksówka
  2. taxi
noun
taksonomia
/tiːm/
noun
  1. 1. een ploeg van bij elkaar horende spelers
  2. 2. een groep samenwerkende mensen
drużyna
noun
1. scheikundig element met symbool Tc en atoomnummer 43
technet
noun
1. De bewerkingen en verrichtingen die nodig zijn om iets tot stand te brengen
technika
adjective
1. op techniek betrekking hebbend
techniczny
noun
technologia
/tef/
noun
1. wijfjeshond
suka
noun
1. achtpotige parasiet uit de orde Ixodida
kleszcz
noun
1. vingers van de voet
  1. palec u nogi
  2. palec
noun
japonka
/ter/
noun
1. olieachtige vloeistof met een zeer hoge viscositeit
  1. dziegieć
  2. smoła
noun
1. kubusvormig voorwerp met op elk van de zijden een van de ogenaantallen één tot en met zes
kość
noun
1. een bouwvakker die wandtegels zet en vloertegels legt
fliziarz
/teːɣən/, /teːχən/
preposition
  1. 2. oneens met, ter bestrijding van
    przeciw
  2. 1. zijdelings aanleunend
    przeciwko
noun
1. een middel dat de werking van een gif neutraliseert of afzwakt
odtrutka
preposition
1. aan de overzijde van
naprzeciw
noun
1. hetgeen wat precies voorstelt wat iets helemaal niet is
przeciwieństwo
noun
1. iemand die de pauselijke titel opeist zonder door het Vaticaan als paus erkent te zijn
antypapież
noun
1. vijand, rivaal
przeciwnik
adjective
1. niet overeenstemmend
sprzeczny
noun
1. symbool, signaal, aanduiding
znak
noun
1. iemand die beroepsmatig tekent
rysownik
verb
een tekening maken
rysować
/ˈtekə(n)ˌfɪlm/, /ˈtekə(n)ˌfɪɫm/
noun
1. een film waarin een getekende realiteit wordt verbeeld
film rysunkowy
noun
1. een door tekenen ontstane afbeelding of voorstelling
rysunek
noun
1. verzameling letters en/of woorden
tekst
noun
1. een computerprogramma waarmee teksten kunnen worden geschreven en bewerkt
  1. edytor tekstu
  2. procesor tekstu
noun
1. natuurlijke processen
tektonika
/ˌtelefoˈneːrən/
verb
1. een telefoon gebruiken
telefonować
/ˌtelə'fon/, /ˌteːlə'foːn/
noun
1. een toestel waarmee men geluid over kan brengen door middel van galvanische stroom
telefon
verb
1. per telegraaf berichten
telegrafować
noun
telemetria
noun
1. een optisch instrument, waarmee ver verwijderde objecten bekeken kunnen worden
teleskop
verb
1. iemand op onaangename wijze verrassen, vaak door een belofte niet na te komen
  1. rozczarować
  2. zawieść
noun
1. een emotie opgeroepen door het niet uitkomen van een verwachting
  1. rozczarowanie
  2. zawód
noun
  1. 2. medium
    1. telewizja
    2. telewizor
  2. 1. elektrisch apparaat
    1. telewizor
    2. telewizja
noun
1. een technische norm waaraan een televisiesignaal moet voldoen
systemy emisji sygnału telewizyjnego
verb
1. aantal bepalen
liczyć
/ˈtɛlər/
noun
1. het getal boven de streep van een breuk
licznik
noun
1. scheikundig element met symbool Te en atoomnummer 52
tellur
noun
1. scheikundig element met symbool Te en atoomnummer 52
tellur
pronoun
1. een Dravidische taal met ongeveer 70 miljoen sprekers
telugu
noun
liczebnik
verb
1. tam maken
oswajać
/ˈtɛm.pəl/, /ˈtɛm.pəɫ/
noun
1. een gebouw voor godsverering
świątynia
noun
temperament
/ˈtɛmpɛrɑtyːr/
noun
1. grootheid die de warmte weergeeft
temperatura
adverb
1. luidt het eerste lid van een opsomming van minstens twee argumenten in
po pierwsze
noun
1. beweging in bepaalde richting, neiging
tendencja
pronoun
1. het grootste eiland van de Canarische Eilanden, een tot Spanje behorende eilandengroep
Teneryfa
noun
1. balsport
  1. tenis
  2. tenis ziemny
noun
tenor
noun
1. verplaatsbare constructie van over stokken of buizen gespannen doek die als (tijdelijk) onderdak dient
  1. namiot
  2. telt
/tɛnˈtonstɛlə(n)/
verb
1. voor een publiek toonbaar maken
wystawiać
/tɛnˈtonstɛlɪŋ/
noun
1. een uitstalling van voorwerpen om door het grote publiek bekeken te worden
  1. wystawa
  2. ekspozycja
/ˈtɛn.zɛɪ/
conjunction
1. behalve wanneer
chyba że
noun
1. een gepigmenteerd knopvormig uitsteeksel op de borst van de mens
  1. sutek
  2. brodawka sutkowa
noun
1. scheikundig element met symbool Tb en atoomnummer 65
terb
/tɛrəm/
noun
1. een woord of uitdrukking
termin
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Isoptera
termit
noun
terminologia
noun
een met een horecaterras vergelijkbare plek in een tuin
taras
/tɛ'rɛin/
noun
1. een stuk grond van enige omvang
teren
noun
1. grondgebied
terytorium
noun
het ontwrichten van een samenleving door terreurdaden tegen burgers, vaak met een politiek of religieus oogmerk
terroryzm
noun
1. iemand die terroristische aanslagen beraamt, pleegt of wil plegen met een godsdienstig of politiek doel
  1. terrorysta
  2. terrorystka
pronoun
Terschelling
noun
1.
tercja
/trʏχ/, /təˈrʏx/
adverb
terug van weggeweest
z powrotem
noun
1. ontstaan van een nieuw woord doordat een bestaand woord van een vermeend voorvoegsel, achtervoegsel of uitgang wordt ontdaan
derywacja wsteczna
/tɛr.ˈwɛɪ̯l/, /tɛr.ˈʋɛɫ/
conjunction
1. gedurende de periode dat nog een andere actie aan de gang is
podczas
pronoun
1. naam van twee boeken uit het Nieuwe Testament
List do Tesaloniczan
/tɛst/
noun
1. probeersel
test
noun
1. akte met een wilsbeschikking voor na de dood
testament
noun
1. een infectieziekte die door een gifstof leidt tot spierspasmen
tężec
/ˈtøɣəl/, /ˈtøʝəl/
noun
1. stuurriem van rijdier
  1. cugiel
  2. lejc
  3. wodza
/təˈvredə(n)/
adjective
1. geen behoefte voelend om aanmerkingen te maken
zadowolony
/təvredənɦɛɪt/
noun
1. het gevoel genoeg te hebben en voldaan te zijn
zadowolenie
pronoun
Texel
noun
1. de manier waarop iets is samengesteld, hoe het materiaal aanvoelt en hoe de structuur eruit ziet
tekstura
pronoun
1. de officiële taal van Thailand
tajski
/ˈtɑɪ̯.lɑnt/, /ˈtɛɪ̯.lɑnd/
pronoun
1. een land in Azië dat vroeger Siam heette
Tajlandia
noun
1. grijze stof van de tussenhersenen
wzgórze
noun
1. scheikundig element met symbool Tl en atoomnummer 81
tal
noun
1. een uitgaansgelegenheid waar theatervoorstellingen gegeven worden
teatr
/teː/
noun
herbata
pronoun
1.de grootste rivier van Engeland
Tamiza
noun
1. kan met deksel en schenktuit waarin een warme drank wordt bereid door bladeren in heet water te laten trekken
czajniczek
/tema/
noun
1. een onderwerp dat behandelt wordt
temat
noun
1. leer over God, het goddelijke en de godsdienst
teologia
adjective
1.
teologiczny
noun
1. een beoefenaar van de theologie
teolog
noun
twierdzenie
/ˌteɔːˈretis/
adjective
1. wat niet perse in de werkelijkheid voorkomt, m.b.t. feiten en wetten berustende ...
teoretyczny
noun
1. een wetenschappelijk model of uitspraak over waarnemingen in de empirie
teoria
noun
iemand die een patiënt behandelt
terapeuta
noun
1. een methode om aan de genezing van zieken te werken
terapia
noun
1. elektronisch muziekinstrument
theremin
/ˈtɛrmoˌmetər/
noun
1. een meetinstrument om temperaturen te meten
termometr
noun
termostat
noun
1. synoniemenwoordenboek
tezaurus
/ˈtora/
pronoun
1.-3.
Tora
noun
1. scheikundig element met symbool Th en atoomnummer 90
tor
noun
1. scheikundig element met symbool Tm en atoomnummer 69
tul
noun
tyroksyna
pronoun
2. de rivier die stroomt door Rome
Tyber
pronoun
  1. 1. autonome regio
  2. 1. voormalig land
Tybet
noun
1. een inwoner van Tibet, of iemand afkomstig uit Tibet
Tybetańczyk
adjective
1. gerelateerd aan of afkomstig uit Tibet
tybetański
pronoun
1. een taal die wordt gesproken in Tibet en buiten Tibet door een grote groep vluchtelingen
tybetański
cardinalNumeral
1. het getal 10
dziesięć
noun
2. kerkbelasting
dziesięcina
ordinalAdjective
1. nummer tien in een rij
dziesiąty
noun
1. vrouwelijke borst
cycek
/tɛit/, /tɛɪ̯d/, /tɛːt/
noun
1. onstuitbare gang der dingen van toekomst door het heden naar het verleden
czas
preposition
1. gedurende de tijd dat
podczas
noun
zeitgeist
adjective
1.
ponadczasowy
/ˈtɛːtmɑˌʃinə/, /ˈtɛːɪtmɑˌʃinə/
noun
1. machine om mee door de tijd te reizen
  1. wechikuł czasu
  2. wehikuł czasu
noun
epoka
adjective
1. een aanzienlijke hoeveelheid tijd vereisend
czasochłonny
noun
1. het laten zien hoe laat het is; het laten zien wanneer iets gebeurd is
oznaczenie czasu
noun
1. blad waarvan met vaste tussenpozen afleveringen verschijnen
czasopismo
noun
strata czasu
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera tigris
tygrys
noun
3. kruid gebruikt in de keuken
  1. tymianek
  2. macierzanka
pronoun
Tilburg
noun
1. iemand die zich beroepsmatig vooral met houtbewerking bezighoudt
cieśla
pronoun
  1. Tymoteusz
  2. List do Tymoteusza
noun
scheikundig element
cyna
adjective
1.van tin vervaardigd
cynowy
noun
tyran
/ti'tan/
noun
tytan
noun
1. scheikundig element met symbool Ti en atoomnummer 22
tytan
noun
  1. 1. opschrift van een document
  2. 2. aanduiding van een persoon
tytuł
/ˈtitʏs/
pronoun
  1. List do Tytusa
  2. Tytus
noun
1. een kleine zangvogel uit de Zangers Sylviidae
  1. pierwiosnek zwyczajny
  2. pierwiosnek
verb
1. het doen opnemen van bijvoorbeeld een medicijn door iemand
  1. aplikować
  2. podawać
noun
1. plaats waarlangs men ergens binnen kan gaan
dostęp
adjective
1.te bereiken
dostępny
noun
1. benaming voor tropische vogels uit de familie Ramphastidae
tukan
noun
przyszłość
adjective
1. van de tijd die komen gaat
przyszły
verb
  1. 2. toegang verschaffen
    dopuszczać
  2. 1. niet onmogelijk maken of verbieden
    pozwalać
verb
1. verduidelijken
wyjaśniać
/tun/
adverb
1. op of na dat tijdstip
potem
noun
1. grote moerassige en boomloze vlakte in de noordelijke poolstreken
tundra
noun
  1. 2. het in de practijk brengen van iets
  2. 1. een computerprogramma
  3. 1. een manier waarop iets gebruikt wordt
aplikacja
noun
1.
turak
noun
1. het reizen voor ontspanning
turystyka
noun
1. een mannelijk persoon die voor zijn plezier reist
turysta
noun
1. een vrouwelijk persoon die voor haar plezier reist
turystka
verb
1. het auteurschap of de eigenaar van iets associëren met iemand
przypisywać
/ˈtuspra:k/
noun
1. een voordracht voor een groter publiek
przemówienie
verb
1. iets niet verbieden, iets mogelijk maken
pozwalać
/'tustɑnt/
noun
  1. geheel van omstandigheden
  2. een ongelukkige situatie
stan
noun
  1. 3. een knop op het bedieningspaneel van een schrijfmachine of computer die het mogelijk maakt een symbool in te typen
  2. 1. onderdeel van een klavier
klawisz
/ˈtutsə(m)ˌbɔrt/
noun
1,2 een apparaat waarmee, door toetsen in te drukken, gegevens in een computer e.d. ingevoerd kunnen worden
klawiatura
/ˈtuːvɑl/
noun
  1. 2. een aanval van epilepsie
    napad
  2. 1. een gebeurtenis of omstandigheid die vooraf niet te voorzien of niet te berekenen is geweest
    1. przypadek
    2. zbieg okoliczności
verb
powierzać
verb
1. tot vermeerdering bijvoegen
  1. dodawać
  2. dodać
noun
2. een gebonden morfeem dat aan een ander morfeem wordt toegevoegd om zo een nieuw woord te vormen
zrostek
/tuʋɛɪ̭zə(n)/
verb
1. goederen of fondsen een bestemming geven
przydzielać
/'to.ɣo/, /ˈto.χo/
pronoun
1. een land in West-Afrika
Togo
/tʋɑ'lɛt/
noun
1. een plaats waar men zich kan ontlasten
ubikacja
/ˈtɔki ˈpoːnaː/
pronoun
1. bepaalde minimalistische kunsttaal
toki pona
pronoun
1. de hoofdstad van Japan
Tokio
/tɔl/
noun
  1. 3. plaats waar men slechts tegen betaling mag passeren
  2. 4. geld dat men bij een tol geheven wordt
myto
noun
1. een persoon die gesproken tekst (meteen) vertaalt naar gesproken tekst in een andere taal
  1. tłumacz
  2. tłumacz ustny
/toˈmat/
noun
1. een eetbare vrucht van de tomatenplant
pomidor
noun
1. strijdbijl van de Noord-Amerikaanse indianen
tomahawk
noun
  1. keczup
  2. ketchup
noun
1. een vruchtensap dat uit tomaten is bereid
sok pomidorowy
noun
1. iemand die een toneelstukken schrijft
dramaturg
/tonə(n)/
verb
2. laten zien
pokazywać
noun
  1. 2. wat gesproken wordt
    język
  2. 1. beweeglijk lichaamsdeel in de mond van mensen en veel dieren
    1. język
    2. ozór
  3. 4. om zijn verfijnde smaak gewilde soort van platvis, Solea solea
    sola
pronoun
Tonga
noun
1. een gewelf in de vorm van een halve cilinder
sklepienie kolebkowe
noun
1. benaming voor snelle oceaanvissen uit het geslacht Thunnus
tuńczyk
/ˈtɔnsɪl/
noun
1. een amandel
migdałek podniebienny
noun
angina
noun
1. stuurriem van rijdier
  1. cugiel
  2. lejc
  3. wodza
noun
1. hoogste punt, (bovenste) uiteinde
szczyt
noun
topaz
noun
1. een eigennaam die een geografisch begrip benoemt
toponim
/tɔːrə(n)/
noun
  1. 2. een bepaald schaakstuk in de vorm van een toren
  2. 1. een hoog bouwwerk
  1. wieża
  2. baszta
noun
1. meest algemene Europese valk die vaak in nestkasten en gebouwen nestelt, Falco tinnunculus
pustułka
noun
1. een draaiende, trechtervormige uitstulping onder een wolk tijdens een onweersbui
tornado
noun
torpeda
noun
torus
pronoun
Toskania
conjunction
1. het punt dat benaderd wordt
do
interjection
1. een groet bij het vertrek die de hoop uitspreekt elkaar weer te zien
do widzenia
/tɑu̯/
noun
1. een middel om zaken bij elkaar te binden
sznur
/ˌtɔk.si.ˌko.lo.ˈɣi/, /ˌtɔk.si.ˌko.lo.ˈχi/
noun
1. de wetenschap die de werking van giftige stoffen op biologische systemen bestudeert
toksykologia
/traːx/
adjective
1. met geringe snelheid
powoli
noun
1. vocht dat uit klieren bij de ogen vloeit
łza
noun
1.
gaz łzawiący
noun
zapalenie tchawicy
/ˈtrɑktɔr/
noun
motorvoertuig
traktor
/tradisʲoˈnel/
adjective
1. zoals de gewoonte dat meebrengt, van oudsher
tradycyjny
noun
1. transformator
trafo
/traˈxedi/
noun
  1. 1. een toneelspel dat handelt over een bedroevende gebeurtenis
  2. 2. gebeurtenis met een droevige of rampzalige afloop
tragedia
adjective
tragiczny
noun
trener
noun
1. een oefening
trening
/tram/, /trɑm/, /trɛm/
noun
1. railvoertuig dat meestal in steden voor personenvervoer gebruikt wordt
tramwaj
noun
  1. batut
  2. trampolina
noun
transakcja
/trɑnsˈkrɪpsi/
noun
  1. 1. de conversie naar een geschreven tekst van een andere geschreven, getypte of gedrukte tekst.
  2. 2. het vastleggen van de uitspraak van een gesproken tekst op schrift.
  3. 3.
  4. 4. het omzetten van een muziekstuk naar een andere vorm of bezetting.
transkrypcja
noun
  1. przekształcenie
  2. transformacja
abbreviation
transformator
noun
tranzystor
noun
translacja
noun
1. verplaatsing, overplaatsing
translokacja
noun
transmutacja
pronoun
1.
Naddniestrze
adjective
1. lichtdoorlatend
przezroczysty
noun
transport
verb
1. personen of objecten naar een andere plek brengen
transportować
pronoun
Siedmiogród
pronoun
Transwal
noun
  1. 1. verbinding tussen twee op verschillende hoogte liggende vloeren of terreinen,...
    schody
  2. 1. benaming voor vogels uit de familie Otididae
    drop
/trɑˈpezə/
noun
1. een zweefrek voor acrobaten
trapez
/trɑˈpezɪʏm/
noun
1. een vierhoek waarvan twee zijden evenwijdig lopen
trapez
noun
psychische stoornis, ontstaan door een schokkende ervaring
trauma
verb
1.
traumatyzować
noun
1. taps toelopende buis, gebruikt voor het vullen van vaten
lejek
/tre/
noun
1. opstapje dat deel uitmaakt van een trap
stopień
noun
1. een rij wagons die door een krachtvoertuig (bijvoorbeeld een locomotief) voortbewogen wordt
pociąg
verb
  1. 1. op een voorwerp een kracht uitoefenen in een richting die ervan wegvoert
    ciągnąć
  2. nog te sorteren
    1. strzelać
    2. ciągnąć
  3. 2. een lijn aanbrengen
    wyrywać
noun
1. diakritisch teken
diereza
noun
1. bepaald soort boom met dunne neerhangende takken, Salix babylonica
wierzba płacząca
noun
1. een slaginstrument in de vorm van een vrijhangende metalen driehoek
trójkąt
noun
1. de plaatsen voor het publiek
trybuna
noun
  1. 1. mensenziekte
  2. 2. vogelziekte
rzęsistkowica
pronoun
1.
Trewir
/ˈtrɪf.tɔŋ/
noun
1. een foneem dat uit drie klinkers bestaat die binnen één lettergreep in elkaar overgaan
tryftong
cardinalNumeral
trylion
noun
1.
trylobit
noun
1. een periode van drie maanden
trymestr
/ˌtrinidɑd ɛn toˈbaːɣo/, /ˌtrinidɑt ɛn toˈbaːɣo/, /ˌtrinidɑt ɛn toˈbaχo/
pronoun
1. een land in het Caribisch gebied bestatend uit twee eilanden, officieel de Republiek Trinidad en Tobago
Trynidad i Tobago
noun
1. een muziekstuk voor drie spelers
trio
noun
2. grootse overwinning of prestatie
triumf
noun
tryptyk
noun
1.
tryton
noun
1. politiek leiderschap dat uit drie gelijkwaardige personen bestaat
triumwirat
pronoun
Triest
noun
1. duurzaam voorwerp dat na een overwinning als symbool daarvan aan de winnaar wordt uitgereikt
trofeum
noun
1. een driekantige platte schep met handvat voor het opbrengen van metselspecie
kielnia
noun
1. een langgerekte voederbak.
  1. koryto
  2. żłób
pronoun
Troja
/'trɔ.li.bɵs/
noun
trolejbus
noun
1. een koperen blaasinstrument
puzon
noun
1. de vorming van een bloedprop in een bloedvat of het hart
zakrzep
noun
1. een cilindervormig, met een vel bespannen slaginstrument
bęben
noun
pamięć bębnowa
noun
błona bębenkowa
noun
1. een koperen blaasinstrument met ventielen
trąbka
noun
1. Psophia crepitans
gruchacz siwoskrzydły
/troːn/
noun
1. zetel waar een vorst op zit tijdens formele plechtigheden
tron
noun
1. steun bij verdriet of pijn
  1. pocieszenie
  2. wsparcie
noun
troposfera
noun
  1. 1.
  2. 2. de bundel vruchten die uit een dergelijke bloeiwijze voortkomen
grono
adjective
1. erg blij met wat men (bereikt) heeft
dumny
noun
2. het gevoel dat men wil pronken met wat men heeft of doet
duma
/trɔˈtʋar/
noun
1. een opvanghuis voor wezen
chodnik
noun
1. rondreizend kunstenaar
trubadurzy
/ˈtrɑuwəns/
adverb
1. overigens
przy okazji
noun
obrączka ślubna
noun
trufla
noun
1. een warm kledingstuk voor over het bovenlichaam
sweter
/tsaːr/
noun
1. vroegere Russische keizer
car
/tʃad/, /tʃat/
pronoun
1. een land in Centraal-Afrika, officieel de Republiek Tsjaad
Czad
/ˈtʃɛxis/, /ˈtʃɛxɪs/, /ˈtʃɛχis/
adjective
1. op Tsjechië betrekking hebbend
czeski
/ˈtʃɛxis/, /ˈtʃɛxɪs/, /ˈtʃɛχis/
pronoun
1. Slavische taal die vooral wordt gesproken in de Tsjechische Republiek
czeski
pronoun
1. een land in [[Midden-Europa]].
Republika Czeska
/ˈtʃɛxi.jə/, /ˈtʃɛχi.jə/
pronoun
1. een land in Midden-Europa, officieel de Tsjechische Republiek, en is het westelijke deel van het voormalige Tsjecho-Slowakije.
Czechy
pronoun
1. een vroegere staat in Europa, ten zuiden van Polen (van 1918 tot 1993)
Czechosłowacja
/tʃɛnobil/
pronoun
Czarnobyl
pronoun
1. een taal die in Tsjetsjenië gesproken wordt
czeczeński
pronoun
1.
Czeczenia
/tsuˈnami/
noun
1. een grote vloedgolf
tsunami
noun
1. een koperen blaasinstrument met lage toon
tuba
/ˌtybɛrkyˈlozə/
noun
1. een ziekte veroorzaakt de de tuberculosebacterie Mycobacterium tuberculosis
gruźlica
noun
1. Tursiops truncatus, dolfijnsoort met robuust gestroomlijnd lichaam
butlonos
/tœy̯n/
noun
1. begrensd stuk grond waarop gewassen worden geplant of verbouwd
  1. ogród
  2. sad
noun
1. Sylvia borin, een zangvogel ...
pokrzewka ogrodowa
noun
1. en 2. cultuurplant en eetbaar kruid Lepidum sativum
  1. pieprzyca siewna
  2. rzeżucha ogrodowa
noun
ogrodnik
noun
wilczomlecz ogrodowy
verb
schenkpijp aan een kan of ketel
dzióbek
noun
1. hoofddeksel
turban
noun
1. plant
tulipan
/ty.ˈne.zi.jə/, /tʏ.ˈne.zi.jə/
pronoun
land in Noord-Afrika, officieel de Republiek Tunesië
Tunezja
noun
1. een kunstmatige ondergrondse doorgang
tunel
noun
1. een schoepenrad als energieopwekker
turbina
verb
1. veen als brandstof
torf
noun
1. het delven en gebruiksklaar maken van turf
wydobywanie torfu
pronoun
1. de hoofdstad van de regio Piëmont en de provincie Turijn
Turyn
/tʏrk/
noun
1. Inwoner van Turkije
Turek
/tʏrˈkɛɪ̯.jə/, /tʏrˈkɛː.jə/
pronoun
1. land in Europa en Azië
Turcja
pronoun
1. de taal die door de Turkmenen in Turkmenistan en Afghanistan gesproken wordt
język turkmeński
pronoun
Turkmenistan
/tʏrˈkojs/, /tʏrˈko̝js/
noun
1. een steen bestaande uit het mineraal turkoois
turkus
/tʏrks/
pronoun
1. een taal die vooral in Turkije gesproken wordt
  1. turecki
  2. język turecki
noun
1. bepaald soort tuinplant, Lilium martagon
lilia złotogłów
pronoun
1. stad in Finland
Turku
/ˈtʏ.sən/
preposition
1. met iets aan minimaal twee kanten het kind staat tussen haar ouders
  1. między
  2. pomiędzy
/ˌtʏsənˈdoːrtjə/
noun
1. een versnapering, iets te eten tussen de maaltijden door
przekąska
/ˈtʏsə(n).ʋɛrpsəɫ/
noun
1. een uitroep, een woord, een frase of een zin die een expressie van emotie is
wykrzyknik
/ˌtu.va.ˈlu/
pronoun
1. een land in Oceanië
  1. Tuvalu
  2. Tuwalu
noun
2. een elektrisch apparaat om bewegende beelden en geluid te ontvangen
telewizja
/twaːlf/, /tʋaːl(ə)f/
cardinalNumeral
1. het getal 12
dwanaście
ordinalAdjective
1. nummer twaalf in een rij
dwunasty
/tʋeː/
cardinalNumeral
1. het getal 2
  1. dwa
  2. dwaj
/tʋeː/
noun
1. het cijfer twee
  1. dwójka
  2. dwa
/ˈtʋeːdə/
ordinalAdjective
drugi
noun
1. naamval als aanduiding van bezit, oorsprong of hoeveelheid
dopełniacz
noun
pierwsza osoba
/ˈtweːˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 200
dwieście
/ˈtwelɪŋ/, /ˈtʋelɪŋ/, /ˈtβ̞elɪŋ/
noun
1. twee wezens die met zijn tweeën tegelijk in één buik ontwikkeld zijn
bliźniak
pronoun
2. teken van de dierenriem, traditioneel behorend bij geboortedata van ongeveer 21 mei tot 21 juni
Bliźnięta
adjective
dwujęzyczny
noun
dwujęzyczność
adjective
1. met, of aan twee kanten, belangen, partijen etc.
dwustronny
cardinalNumeral
1. het getal 32
trzydzieści dwa
noun
1.
trzydziestodwójka
cardinalNumeral
1. het getal 92
dziewięćdziesiąt dwa
cardinalNumeral
1. het getal 22
dwadzieścia dwa
cardinalNumeral
1. het getal 42
czterdzieści dwa
/ˈtʋɛɪfəɫ/
noun
1. gevoel van onzekerheid ten aanzien van wat men in een gegeven situatie moet doen, geloven e.d.
wątpliwość
verb
na te gaan
wątpić
/twɛɪ̯x/, /tʋɛɪ̯χ/, /tβ̞ɛːx/
noun
1. een dun buigzaam takje van een boom of struik
gałązka
/ˈtʋɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 20
dwadzieścia
ordinalAdjective
dwudziesty
/tiˈfon/, /tɑjˈfuːn/
noun
1. een hevige wervelstorm in de Chinese Zee en de Stille Oceaan die ontstaat uit een tropische depressie.
tajfun
noun
1. door bepaalde karakteristieken herkenbare soort
typ
pronoun
1. randzee van de Middellandse Zee, gelegen tussen het Italiaans vasteland, Sicilië, Sardinië en Corsica
Morze Tyrreńskie
/yː/
personalPronoun
u (pers.vnw.)
pan
/œʏ̯/, /œː/
noun
1. Allium cepa, een eetbaar bolgewas
cebula
noun
1. de melkklier van een herkauwer
  1. wymiona
  2. wymię
/œʏ̯ɫ/, /œːl/
noun
1. benaming voor vogels uit de orde Strigiformes
sowa
/œʏ̯t/, /œːt/
preposition
1. geeft aan van welke plaats iets komt
z
noun
1. het uitademen
wydech
noun
2. het uitstoten van gassen, rook en lava door een vulkaan
erupcja
verb
1. uitschakelen
wyłączyć
verb
1. een gevoel of gedachte in taal verwoorden
wyrażać
/ˈœytrʏkɪŋ/, /ˈœːdrʏkɪŋ(g)/, /ˈœːtrʏkɪŋ/
noun
  1. 2. verbinding van woorden
  2. 3. geheel van sprekende gelaatstrekken
  3. 4. het uitdrukken, uiting
wyrażenie
/œʏˈtɛɪndələk/
adverb
1. na een hele tijd
  1. w końcu
  2. ostatecznie
verb
  1. 1. ophouden met branden
  2. 3. naar de bar, disco of restaurant gaan
gasnąć
/'œʏtχɑŋ/, /'œːtɣaŋ/
noun
wyjście
noun
1. de aannames en veronderstellingen waar men van uitgaat
punkt wyjścia
adverb
1. dodelijk vermoeid
wyczerpany
verb
  1. 1. financiële middelen aanspreken
  2. 2. een geschrift in drukvorm verspreiden
wydawać
verb
1. uit een aantal mogelijkheden één of meer selecteren
wybierać
/'ʌʏt.no.də.ɣə(n)/
verb
1. iemand verzoeken iets bij te wonen
zapraszać
noun
1. een verzoek om iets bij te wonen
zaproszenie
noun
1. uitputtende oorlog, oorlogsvoering
wojna na wyczerpanie
noun
1. een plaats of opening waardoor of waarlangs men kan of moet uitrijden
zjazd
verb
1. officieel verklaren
ogłaszać
noun
1. !, een leesteken dat uitdrukt dat de zin een uitroep, bevel of uitdrukking van verbazing is
wykrzyknik
/ˈœʏtslapə(n)/, /ˈœːtslapə(n)/
verb
1. 's ochtends langer slapen dan normaal
wyspać się
noun
1. firmament, de hemel
  1. firmament
  2. niebo
/œytspra:k/
noun
  1. 1. manier waarop iets ten gehore gebracht wordt
    wymowa
  2. 3. veroordeling
    wyrok
noun
1. woordenboek dat ook aangeeft hoe de woorden uitgesproken moeten worden
słownik wymowy
noun
2. kort plezierreisje
wycieczka
noun
1. persoon die uitvindingen doet
wynalazca
noun
1. de daad van het uitvinden, het ontdekken van een nieuwe methode of een nieuw toestel
wynalazek
verb
  1. 1. exporteren
    eksportować
    1. 2. afhandelen, voltrekken, ten uitvoer brengen
    2. 3. software runnen
    wykonywać
noun
przerzuty nowotworowe
noun
  1. 1. wat men van de omgeving vanaf een bepaalde plek kan zien
  2. 2. verwachting, iets waar men naar kan uitzien
widok
/œytsɔndərɪŋ/
noun
1. een geval waarbij men iets niet onder een regel laat vallen
wyjątek
/œʏtˈzɔndərlək/
adjective
1. niet alledaags, niet gewoon
wyjątkowy
/ʏltɪˈmatʏm/
noun
1. laatste eis
ultimatum
adjective
1. van elektromagnetische straling, net buiten het gebied van het spectrum dat met het menselijk oog zichtbaar is
ultrafioletowy
pronoun
Umbria
/ˈumlʌʊt/
noun
  1. 1. trema dat een vocaalwijziging aangeeft
  2. 2. vocaalwijziging o.i.v. een klinker in de volgende lettergreep
umlaut
/ʏnɑˈnim/
adjective
1. met eenheid van stemmen
jednogłośny
/y.ˈnik/
adjective
1. enige in zijn soort
wyjątkowy
adjective
1. alom bekend, vertegenwoordigd of erkend
uniwersalny
/ynivɛrzitɛɪt/
noun
1. een instelling voor hoger onderwijs, wetenschappelijk onderzoek en dienstverlening
uniwersytet
noun
1. het gehele tijd-ruimtecontinuüm waarin wij bestaan, samen met alle materie en energie
uniwersum
/ʌnstər/
noun
1. een eenvoudig weegtoestel gebaseerd op een balans met ongelijke armen
bezmian
noun
1. scheikundig element met symbool Uub en atoomnummer 112
ununbium
noun
1. een scheikundig element met het symbool Uuh en het atoomnummer 116
ununhexium
noun
1. een scheikundig element met het symbool Uuo en het atoomnummer 118
ununoctium
noun
1. een scheikundig element met het symbool Uup en het atoomnummer 115
ununpentium
noun
1. een scheikundig element met het symbool Uuq en het atoomnummer 114
ununquadium
noun
1. een scheikundig element met het symbool Uus en het atoomnummer 117
ununseptium
noun
1. een scheikundig element met het symbool Uut en het atoomnummer 113
ununtrium
noun
1. een gemoderniseerde versie van een computerprogramma
aktualizacja
noun
1. scheikundig element met symbool U en atoomnummer 92
uran
noun
1. scheikundig element met symbool U en atoomnummer 92
uran
pronoun
  1. Uran
  2. Uranos
pronoun
1. de officiële taal van Pakistan en een van de officiële talen van India
urdu
noun
mocznik
noun
1. een vloeistof die bij dieren door de nieren wordt geproduceerd en periodiek wordt geloosd
mocz
noun
1. een lange cilindrische holte die de blaas verbindt met de buitenkant van het lichaam
cewka moczowa
noun
1. de buis die loopt tussen het nierbekken en de blaas
moczowód
/ˌyriˈnɪːrə(n)/
verb
1. het via de blaas lozen van lichamelijke afvalstoffen in de vorm van vloeistof
oddawać mocz
noun
1. eerste betekenisomschrijving
urna
noun
urologia
/ˈu.ru.ˌgʋɑɪ̯/, /ˈu.ru.ˌgβ̞ɑɪ̯/, /ˈuruˌɡwe/, /ˌu.ru.ˈɣ<sup>ʊ</sup>ɛɪ̯/
pronoun
1. en 2. land en staat in Zuid-Amerika
Urugwaj
/ˌytoˈpi/
noun
1. een volmaakte toestand die niet te bereiken is
utopia
/ˈytrɛx/, /ˈytrɛxt/, /ˈytrɛχt/
pronoun
2. de hoofdstad van de provincie Utrecht
Utrecht
/yːr/
noun
1. een eenheid van tijd die bestaat uit 60 minuten
godzina
noun
zapalenie błony naczyniowej
noun
1. voltooid tegenwoordige tijd
czas przeszły dokonany
adjective
niewyraźny
/vaːk/
adverb
1. vele malen
często
/ˈvaːrdəxɦɛːt/, /ˈvaːrdəxɦɛːɪt/
noun
1. het vermogen om een handeling bekwaam uit te voeren of een probleem juist op te lossen
umiejętność
noun
  1. jałówka
  2. jałowica
noun
1. opgebouwde snelheid
prędkość
/ˈvaːrtœx/, /ˈvaːrtœyx/
noun
1. vervoermiddel op water
jednostka pływająca
noun
1. een aardewerken of glazen kruik, vooral bedoeld voor het in het water zetten van bloemen
wazon
/vakˈsæː/, /vɑkˈsɛː/
noun
1. uit verzwakte ziekteverwekkers bestaande entstof om afweer op te bouwen
szczepionka
noun
1. materievrije ruimte
próżnia
noun
1. een mannelijke ouder
ojciec
noun
1. een dag waarop vaders extra verwend worden
Dzień Ojca
noun
1. een land of staat waar iemand geboren en opgegroeid is
ojczyzna
/ˈva.ɣə.ˌvyːr/, /ˈva.χə.ˌvyːr/
noun
1. een toestand waar de zielen van gestorven personen gereinigd worden.
czyściec
noun
1. het vrouwelijke geslachtsorgaan
pochwa
noun
3. schoolvak
przedmiot
/vɑˈkɑn(t)si/
noun
  1. 1. jaarlijks terugkerende periode waarin leerlingen en personen vrijaf hebben
  2. 2. reis in een jaarlijks terugkerende periode waarin je vrijaf hebt
  1. urlop
  2. wakacje
noun
1. vakvereniging van arbeiders ter verdediging van hun belangen
związek zawodowy
/vɑɫ/
noun
  1. 4. hoogte van waarvandaan iets naar beneden valt
    upadek
  2. 10. apparaat met een vallende deur of klem met als doel dieren te vangen
    pułapka
pronoun
Walencja
noun
1. 14 februari, de dag van de verliefden
Walentynski
noun
walina
/vɑlk/
noun
1. roofvogel
sokół
/vɑlkə'rɛɪ/
noun
1. africhten van roofvogels
sokolnictwo
noun
1. een laagte tussen bergen
dolina
verb
1. vrijelijk onder invloed van de zwaartekracht naar de aarde bewegen
  1. spadać
  2. spaść
noun
1. mythologisch ondood wezen
  1. wampir
  2. upiór
preposition
  1. 2. geeft herkomst aan
  2. 1. geeft bezit aan
od
noun
1. scheikundig element met symbool V en atoomnummer 23
wanad
adverb
1.duidt een tijdstip aan waarna (en waarop) iets geldt
od
adverb
1. op deze dag
  1. dzisiaj
  2. dziś
noun
1. moedwillige en nodeloze beschadiging of vernietiging van andermans of openbaar eigendom
wandalizm
verb
  1. 1. te pakken krijgen
  2. 2. onderscheppen
chwytać
/vɑ'nijə/
noun
een smaak- en geurstof geëxtraheerd van de vanilleplant
wanilia
noun
1. vloeistof onttrokken aan vanillestokjes in een ethanol oplossing
ekstrakt z wanillii
/va.nu.ˈwa.tu/
pronoun
1. een land in Oceanië, officieel de Republiek Vanuatu
Vanuatu
noun
1. Varanidae, de grootste levende hagedis
waran
noun
1. een sporenplant
paproć
noun
wariant
noun
wariacja
noun
żylak
noun
1. een tam zwijn, gehouden voor zijn vet en vlees
świnia
noun
onder-/zijkant van de buik van een varken
boczek
noun
2. lever van een varken
watroba wieprzowa
noun
1. overdekt verblijf voor varkens
chlew
noun
2. lever van een varken
língua de porco
noun
tłuszcz ze świni
noun
wieprzowina
noun
wazelina
/vɑstə'lɑnt/
noun
1. land in verbinding met continentale landmassa
kontynent
verb
1. zich onthouden van voedsel
pościć
pronoun
śledzik
noun
  1. 1. ronde ton waar allerhande vloeistoffen in opgeslagen worden
    beczka
  2. 3. ader
    naczynie
/vatiˈkanstɑt/, /vatiˈkaːnstɑd/, /vatiˈkaːnstɑt/
pronoun
1. land in Europa, het kleinste onafhankelijke land ter wereld, het territorium van de Heilige Stoel.
Watykan
verb
1. strijd leveren
  1. walczyć
  2. bić się
noun
wektor
noun
1. middeleeuws, meestal vijfsnarig strijkinstrument
fidel
/veː/
noun
1. door de mens om economische redenen gehouden dieren
bydło
/feɪɫ/, /veːl/
indefiniteCardinalNumeral
1. groot in hoeveelheid
  1. dużo
  2. wiele
noun
1. een gesloten stelsel lijnsegmenten die samen een plat vlak omsluiten
wielokąt
adjective
1.
wieloboczny
noun
wielokrotność
noun
1. bepaald soort zoogdier, Gulo gulo
rosomak
/veːr/, /vɪːr/
noun
  1. 1. lichaamsbedekking van een vogel
    pióro
  2. 2. mechanische tong of spiraal waarop door buiging spanning gezet kan worden
    sprężyna
noun
1. een overzetvaartuig
prom
/ˈvɪːrtin/
cardinalNumeral
1. het getal 14
czternaście
ordinalAdjective
czternasty
/ˈfɪːrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 40
czterdzieści
noun
weganizm
verb
1. zonder water schoonmaken met een borstel
zamiatać
adjective
1. als of voor vegetariërs
wegetariański
adjective
1. niet aan gevaar blootstaand
bezpieczny
pronoun
1. orgaan van de Verenigde Naties met als primaire verantwoordelijkheid ...
Rada Bezpieczeństwa Organizacji Narodów Zjednoczonych
noun
1. een afsluitbare gebogen pin waarmee men twee stukken stof bijeen kan houden, voorzien van een veiligheidskapje dat voorkomt dat men zich eraan bezeren kan
agrafka
/ˈvɛɪ̯.lɪŋ/, /ˈvɛː.lɪŋ/
noun
1. een plaats waar goederen bij opbod of afslag verkocht worden
  1. aukcja
  2. licytacja
/vɛlt/
noun
  1. 1. open stuk land
  2. 2. stuk land voor het bedrijven van een sport
  3. nog na te kijken
pole
/ ˈvɛltflɛs /
noun
1. een afsluitbare en draagbare fles, meestal uit metaal of plastic vervaardigd, die gebruikt wordt om de drager buitenshuis van vocht te voorzien
manierka
noun
szpital polowy
noun
  1. skowronek zwyczajny
  2. skowronek
noun
1. en 2. (bladeren van) kruidachtige plant Valerianella locusta
  1. rapunkuł
  2. roszpunka warzywna
noun
1. een treffen tussen twee of meer legers
bitwa
/ˈvɛld.zyː.rɪŋ/, /ˈvɛɫ.tsyː.rɪŋ/
noun
1. en 2. (bladeren van) de plant Rumex acetosa
szczaw zwyczajny
/vɛlx/, /vɛlχ/
noun
1. de buitenrand van een wiel waar de band omheen zit
felga
//
pronoun
1. provincie in Italië
Wenecja
pronoun
Wenecja Euganejska
/ˌvenəzyˈweːla/, /ˌvenəzyˈβ̞ela/, /ˌvenəzyˈβ̞eːla/
pronoun
1. een land in het noorden van Zuid-Amerika
Wenezuela
noun
1. soort naaldboom (Taxus baccata)
cis
noun
1., 2., 3. of 3. (zaad, bladeren of knol van) plant Foeniculum vulgare
  1. fenkuł włoski
  2. fenkuł
noun
1. muuropening om lucht en licht door te laten
okno
noun
parapet
noun
wentylator
/vɛn.ˈtri.kɔɫ/, /vɛn.ˈtri.kəl/, /vɛn.ˈtri.kəɫ/
noun
1. elk van twee kamers van het hart
komora
pronoun
1. planeet
Wenus
noun
muchołówka amerykańska
adverb
1. op grote afstand
daleki
/vərˈɑxtə(n)/, /vərˈɑçtə(n)/
verb
1. in hoge mate minachten
pogardzać
verb
1. een overdreven bewondering koesteren
ubóstwiać
verb
  1. 2. zodanig aan zichzelf werken of zichzelf behandelen dat men anders wordt
    zmieniać
  2. 1. zodanig aan iets werken of iets behandelen dat het anders wordt
    zmienić
noun
1. iets dat anders is geworden
zmiana
noun
1. de verplichting om ervoor te zorgen dat iets goed verloopt
odpowiedzialność
/vər.ˈbɑ.nɪŋ/
noun
1. het verbod opgelegd krijgen naar een bepaalde plaats terug te keren
wygnanie
noun
1. grote verwondering
zaskoczenie
/vər.ˈbe.tə,rɪŋ/
noun
1. een verandering ten goede
polepszenie
/vɛɾ.'bi:.dǝ(n)/
verb
1. een bepaalde handeling strafbaar stellen
  1. zakazywać
  2. zakazać
verb
  1. 1. twee of meer onderdelen aan elkaar vastmaken
  2. 2. met iets of iemand contact maken via de telefoonlijn
łączyć
/vər.ˈbɪn.dɪŋ/, /vɛr.ˈbɪn.dɪŋ(g)/
noun
  1. 3. communicatie
  2. 1. verbinden of samenvoegen
połączenie
verb
1. alle kleur verliezen
zblednąć
noun
1. een plaats waar men, al dan niet noodgedwongen, verblijft
miejsce pobytu
/vərˈbɔt/
noun
1. strafmaatregel
zakaz
verb
1. verteerd worden door vuur of hitte
oparzyć
noun
2. de totale verbruikte hoeveelheid
konsumpcja
/vər.ˈbœʏ̯.χɪŋ/, /vər.ˈbœː.ɣɪŋ/
noun
1. naamwoordsflexie
deklinacja
verb
1. met een laagje chroom bedekken
chromować
verb
1. beschermen tegen een aanval
bronić
noun
obrona
verb
1. in kleinere stukken uiteendoen
podzielić
verb
1. het vermoeden hebben van iets slechts
podejrzewać
/vər.ˈdɛŋ.kɪŋ/
noun
1. het vermoeden van het uitvoeren van een (strafbaar) feit
podejrzenie
verb
  1. 2. geld verkrijgen door arbeid of een andere prestatie
    zarabiać
  2. 1. het recht op een beloning of bestraffing verwerven
    zasługiwać
noun
2. goede, opbouwende daad
zaleta
/vər.ˈdi.pɪŋ/
noun
3. alle ruimten op één hoogte in een gebouw
piętro
verb
1.
zasmucać
adjective
1. in sombere stemming
smutny
/vər.ˈdœʏ̯.stə.rɪŋ/, /vər.ˈdœː.stə.rɪŋ/, /vɛr.ˈdœːs.tə.rɪŋ(g)/
noun
zaćmienie
/vərˈdʋɛɪnə(n)/
verb
1. wegraken
  1. znikać
  2. zniknąć
noun
1. het verdwijnen
zniknięcie
verb
  1. uwieczniać
  2. uwiecznić
/vəˈrenəχt ˈkonɪŋkˌrɛɪ̯k/, /vəˈreːnəxt ˈkoːnɪŋkˌrɛːk/, /vəˈreːnɪx ˈkoːnɪŋkˌrɛɪ̯k/
pronoun
  1. Wielka Brytania
  2. Zjednoczone Królestwo
/vɛrenəɣdə arabisə emiratən/
pronoun
land in het Midden-Oosten, officieel de Verenigde Arabische Emiraten, vaak afgekord tot V.A.E.
Zjednoczone Emiraty Arabskie
noun
Organizacja Narodów Zjednoczonych
pronoun
1. een land dat een groot deel van het Noord-Amerikaanse continent beslaat en opgedeeld is in vijftig staten
  1. Stany Zjednoczone Ameryki
  2. Stany Zjednoczone
/və.ˌre.nəx.də.ˈsta.tə(n).vɑn.ɑ.ˈmeː.ri.ka/, /və.ˌreɪ̯.nəχ.də.ˌsta.tə(n).vɑn.ɑ.ˈmɪː.ri.ka/, /vɛ.ˌʁe.nɪx.də.ˈsta.tə(n).va.na.ˈmeː.ʁi.ka/
pronoun
1. een land dat een groot deel van het Noord-Amerikaanse continent beslaat en opgedeeld is in vijftig staten
Stany Zjednoczone Ameryki
verb
1. afzonderlijke delen tot één geheel maken
jednoczyć
/və.ˈre.nə.ɣɪŋ/, /və.ˈre.nə.χɪŋ/, /vər.ˈe.ni.ɣɪŋ(g)/
noun
3. een operatie die twee of meer verzamelingen samenvoegt
  1. suma zbiorów
  2. unia zbiorów
/vɛrf/
noun
1. de algemene benaming voor een product dat bedoeld is om voorwerpen te beschermen...
farba
adjective
1. goed te vergelijken
porównywalny
verb
1. de overeenkomsten en verschillen van twee zaken in beschouwing nemen
porównywać
noun
1. de vorm die een bijvoeglijk naamwoord aanneemt als het in een vergelijking gebruikt wordt
stopień wyższy
/vɛrɣə'lɛɪkɪŋ/
abbreviation
  1. 1. relatie tussen twee zaken
    porównanie
  2. 2. wiskundige uitdrukking
    równanie
verb
1. iets eenvoudiger of makkelijker maken
upraszczać
verb
1. uit het geheugen verloren gaan
  1. zapominać
  2. zapomnieć
verb
1. vergiffenis schenken
  1. przebaczać
  2. przebaczyć
/vərˈxit/
noun
1. teiltje met gaten
durszlak
/vərˈɣɪf/
noun
1. iets dat levende wezens schaadt
  1. trucizna
  2. jad
noun
1. het iemand niet kwalijk nemen van iets; het kwijtschelden van een schuld
przebaczenie
verb
1. blootstellen aan een voor het lichaam schadelijke vreemde stof
truć
noun
1. bolle lens waardoor de voorwerpen die men bekijkt groter lijken
lupa
verb
1. groter doen worden
powiększać
/vərˈɣrotəndə trɑp/
noun
1. de vorm die het bijvoeglijk naamwoord aanneemt in vergelijkingen
stopień wyższy
noun
1. een toename in grootte
  1. powiększenie
  2. zwiększenie
/vər'ɦal/
noun
1. verslag (mondeling of schriftelijk) van een waargebeurde of verzonnen gebeurtenis
  1. historia
  2. opowieść
verb
2. zich ~ op: reikhalzend uitzien naar iets
cieszyć się na coś
verb
1. voorkomen, ervoor zorgen dat iets niet gebeurt
zapobiegać
/vərˈɦɔʊ̯.dɪŋ/, /vərˈɦʌʊ̯.dɪŋ/, /vɛrˈhaʊ̯.dɪŋ/
noun
  1. 1.
  2. 2. de betrekking van personen onderling
stosunek
/vərˈhœʏzɪŋ/, /vərˈhœːzɪŋ/
noun
1. de verwisseling van één (semi-) permanente woonplaats voor een andere
przeprowadzka
verb
1. nagaan, controleren
weryfikować
noun
1. de dag waarop iemand viert dat hij of zij geboren werd
urodziny
noun
1.
tort urodzinowy
noun
1. het geheel van verplaatsingen waarbij goederen of personen vervoerd worden
  1. komunikacja
  2. ruch
noun
1. gestandaariseerd bord met aanwijzingen voor mensen in het verkeer
znak drogowy
noun
1. een installatie die middels gekleurde lichten het verkeer op een kruispunt regelt
sygnalizator świetlny
verb
1. iemand door een stemming een ambt doen toekomen
wybierać
/vər.ˈki.zɪŋ/, /vɛr.ˈki.zɪŋ(g)/
noun
1. het kiezen door middel van stemming
wybory
/vɛrˈklarə(n)/
verb
1. duidelijk maken
wyjaśniać
/vər.ˈkla.rɪŋ/, /vɛr.ˈkla.rɪŋ(g)/
noun
1 het verklaren
wyjaśnienie
/vərˈklɛɪ̯nʋɔːrt/
noun
1. woord waardoor iets als klein of weinig wordt voorgesteld
zdrobnienie
/vərˈkopə(n)/
verb
1. goederen tegen betaling aan een nieuwe eigenaar geven
  1. sprzedawać
  2. sprzedać
noun
1. iemand die goederen of diensten verkoopt
sprzedawca
verb
1. iemand met geweld tot seksueel verkeer dwingen
  1. gwałcić
  2. zgwałcić
noun
1. een seksuele daad onder dwang
gwałt
verb
1. in bezit krijgen, verwerven
nabyć
/vər'lɑmə(n)/
verb
1. van het vermogen zich te bewegen beroven
paraliżować
noun
1. toestand waarin men niet is staat is zich te bewegen
paraliż
verb
1. weggaan
  1. iść
  2. sobie
adjective
1. voorbij
przeszły
noun
1. de voorafgaande tijd
przeszłość
noun
1. het woord dat deel heeft aan het werkwoord en aan het naamwoord en als afgesloten gezien wordt
imiesłów czasu przeszłego
noun
czas przeszły
verb
1. tot kwaad brengen
kusić
/vər.ˈlɛɪ̯.dɪŋ/, /vər.ˈlɛː.dɪŋ/, /vɛr.ˈlɛɪ̯.dɪŋ/
noun
1. het verleiden van iets of iemand
uwodzenie
/vər.ˈlɛ.ŋɪŋ/, /vɛr.ˈlɛ.ŋɪŋ/
noun
  1. 3. extra speeltijd
  2. 2. het verlengen
dogrywka
noun
1. het teloorgaan, kwijtraken
strata
verb
  1. 2. niet winnen
    1. przegrywać
    2. lose
  2. 1. iets kwijt raken
    1. tracić
    2. gubić
noun
urlop
noun
1. iemand die toegezegd heeft met een partner in het huwelijk te willen treden
  1. narzeczona
  2. narzeczony
verb
1.aan lichaamsgewicht verliezen
chudnąć
verb
1. het herhaald optellen van een getal; een rekenkundige bewerking waarvan de uitkomst het product wordt genoemd
mnożyć
/vər.ˌme.nəx.ˈvʏɫ.də.ɣɪŋ/, /vər.ˌme.nəχ.ˈvʏɫ.də.χɪŋ/, /vɛr.ˌme.nɪx.ˈvʏl.di.ɣɪŋ(g)/
noun
1 .een vermeerdering tot een veelvoud van het oorspronkelijke aantal
mnożenie
/vərˈmɛi̯də(n)/
verb
1. trachten te ontwijken
unikać
noun
  1. 1. bepaalde rode kleurstof op basis van kwik(I)sulfide, HgS
  2. 2. naar oranje zwemende dieprode kleur
cynober
verb
1. iemands lichaam blijvend en misvormend letsel toebrengen
okaleczać
adjective
1. naar men denkt, maar niet zeker weet
  1. domniemany
  2. przypuszczalny
adverb
1. naar men denkt, maar niet zeker weet
przypuszczalnie
/vərˈmoχə(n)/
noun
2. de kwaliteiten om iets te kunnen doen
moc
verb
1. gewelddadig van het leven beroven
zamordować
noun
1. versterkte wijn, op smaak gebracht met aromatische planten en kruiden
wermut
verb
1. een einde maken aan, het bestaan uitwissen van, volledig tenietdoen
niszczyć
verb
  1. 2. zeggen dat je iets verkeerd vindt
    1. dezaprobować
    2. krytykować
  2. 1. in een rechtszaak een oordeel uitspreken
    1. skazać
    2. wydać wyrok
adjective
przestarzały
/vərovərə(n)/
verb
1. een gebied door een militaire operatie in zijn macht nemen
podbijać
noun
podbój
noun
1. het materiaal waarin iets verpakt is
opakowanie
noun
  1. 1. iemand die beroepshalve patiënten verpleegt
  2. 2. een deskundige in de verpleegkunde
pielęgniarz
adjective
1. door iets of iemand gedwongen
obowiązkowy
/vər.ˈplɪx.tɪŋ/, /vər.ˈplɪχ.tɪŋ/, /vɛr.ˈplɪx.tɪŋ(g)/
noun
1. iets dat moet
zobowiązanie
/vəˈraːt/
noun
1. het schenden van trouw
zdrada
verb
2. een geheim prijsgeven
zdradzić
noun
1. iemand die verraad pleegt
zdrajca
verb
  1. 1. iemand onverwachts met iets confronteren
  2. 2. iemand onverwachts verblijden
zaskoczyć
/və.ˈra.sɪŋ/, /və.ˈrɑ.sɪŋ/, /vɛ.ˈrɑ.sɪŋ(g)/
noun
1. een geheel onverwachte gebeurtenis
  1. niespodzianka
  2. zaskoczenie
/ˈvɛrəˌkɛːkər/, /ˈvɛrəˌkɛːɪkər/
noun
1. een optisch instrument om voorwerpen op grote afstand te kunnen waarnemen door het vergrotend effect van het instrument
luneta
verb
1. rijker maken
wzbogacić
noun
1. uit de dood opstaan
zmartwychwstanie
noun
  1. 2. dichtregel
  2. 3. couplet
werset
noun
2. verstemlozing van obstruenten in eindpositie
ubezdźwięcznienie
verb
1. aan stukken rijten
rozdzierać
/vər'sxɛɪnə(n)/
verb
  1. 1. aan het licht treden, zichtbaar worden
  2. 3. voor het gerecht verschijnen
pojawiać się
/vɛrsxɛɪnsəɫ/
noun
1. iets dat zich voordoet
  1. fenomen
  2. zjawisko
noun
1. een aspect dat bij vergelijking anders is
różnica
verb
1. in bepaalde opzichten niet hetzelfde zijn
różnić się
adverb
1. zo erg dat men er van schrikt
okropny
adjective
1. verplicht om aan iemand te geven
zobowiązany
/ˈfɛrsi/
noun
  1. 1. specifieke vorm of variant van een uitgave
  2. 2. bepaalde verklaring of interpretatie van een gebeurtenis
wersja
/vɛrˈsi:rə(n)/
verb
3.
podrywać
/vərˈslɑx/
noun
1. bericht over een gebeurtenis of toestand
  1. raport
  2. sprawozdanie
/vər.ˈsla.vɪŋ/, /vɛr.ˈsla.vɪŋ(g)/
noun
1. een toestand waarin een persoon fysiek en/of mentaal van een gewoonte of stof afhankelijk is
uzależnienie
verb
1. een grotere snelheid (doen) bereiken
przyśpieszać
noun
  1. 3. mechaniek voor overdracht van aandrijving
    bieg
  2. 2. tweede tijdsafgeleide van de positie
    przyspieszenie
  3. 1. toename van het tempo
    1. przyspieszenie
    2. akceleracja
/vər.ˈstaːn/
verb
1. begrijpen van een uiting
rozumieć
adjective
1. geestelijk afgeleid
roztargniony
noun
1.
skręcenie
verb
1. omzetten van geschreven of gesproken informatie naar een andere taal
tłumaczyć
noun
tłumacz
/vərˈtalɪŋ/
noun
1. iets dat vertaald is
  1. tłumaczenie
  2. przekład
verb
1.
reprezentować
noun
1. iemand die de plaats van een ander inneemt
przedstawiciel
noun
1. een verhaal dat bedoeld is om verteld te worden
opowiadanie
verb
1. voedsel afbreken
trawić
adverb
pionowy
/vər.ˈtra.ɣɪŋ/, /vər.ˈtra.χɪŋ/, /vɛr.ˈtra.ɣɪŋ(g)/
noun
1. het langzamer gaan
opóźnienie
noun
2. de actie van het vertrekken of weggaan
  1. odjazd
  2. odpłynięcie
verb
1. weggaan
odjechać
noun
  1. godzina odjazdu
  2. czas odjazdu
noun
1. het geloof in betrouwbaarheid van een persoon
zaufanie
verb
1. geloven in de betrouwbaarheid van een persoon
ufać
/vər.ˈvɑɫ.sɪŋ/, /vɛr.ˈvɑl.sɪŋ(g)/
noun
1. een artefact opzettelijk nagemaakt om mensen in de waan te brengen dat het echt is
fałszerstwo
/vər'vɑŋə(n)/
verb
1. het ene de plaats doen innemen van het andere
zastępować
verb
1. met verf bestrijken
barwić
noun
malarz
verb
1. iets viermaal zo groot maken
poczworzyć
verb
A.1 omvormen van een werkwoord om wijze, tijd en persoon uit te drukken
koniugować
/vər.ˈvu.ɣɪŋ/, /vər.ˈvu.χɪŋ/, /vɛr.ˈvu.ɣɪŋ(g)/
noun
1. werkwoordsflexie
koniugacja
verb
1. personen of objecten naar een andere plek brengen
transportować
noun
1. voorwerp bestemd om personen of goederen naar een andere plaats te brengen
środek transportu
/vər'vɔlɣən/
verb
2. niet rusten voor iemand bestraft of geweld aangedaan is
prześladować
adjective
1. niet de moeite om zich met iets bezig te houden
nieistotny
verb
1. iets niet de benodigde verzorging schenken
zaniedbywać
verb
1. ergens van uitgaan
oczekiwać
noun
1. familielid
krewny
/vər.ˈʋɑr.mɪŋ/, /vər.ˈβ̞ɑr.mɪŋ/, /vɛr.ˈwɑr.mɪŋ(g)/
noun
  1. 1. het proces van verwarmen
  2. 2. een installatie die voor het verwarmen zorgt
ogrzewanie
/və(r).ˈʋɛ.kə(n)/
verb
doen ontstaan (ook in biologische zin)
spłodzić
verb
1. afwijzen
odrzucić
noun
1. het verwijderen
usunięcie
noun
1.
pustynnienie
/vər.ˈza.mə.lɪŋ/, /vɛr.ˈza.mə.lɪŋ(g)/
noun
2. wiskundige verzameling
zbiór
/vər.ˈze.kə.rɪŋ/, /vɛr.ˈze.kə.rɪŋ(g)/
noun
  1. 1. overeenkomst waarmee men zorgt voor vergoeding van schade, diefstal e.d...
  2. 2. de mededeling dat iets ...
ubezpieczenie
noun
1. beweging van het verzet, de gezamenlijke mensen die zich verzetten tegen een overheerser
ruch oporu
verb
1. aan iemand vragen iets al dan niet te doen
prosić
verb
1. vrede laten sluiten
godzić
/vɛrzʋɑkə(n)/
verb
1. zwakker worden
słabnąć
noun
1. een mouwloos jasje, te dragen onder de jas van het kostuum
kamizelka
noun
  1. 1. gladde, zeer vette vloeistoffen, smeermiddelen
  2. 2. gespecialiseerd dierlijk weefsel
tłuszcz
/vɛtblɑt/
noun
1.1 bepaald soort vleesetende plant, Pinguicula vulgaris
tłustosz pospolity
noun
  1. 1. een voormalig militair die gevochten heeft, een uitgediend krijgsman
  2. 2. een ervaren en oud persoon in een bepaald onderwerpgebied, zoals een sporter, geleerde, etc.
weteran
noun
1. veto
weto
noun
2.
grubas
/ˈvɛtzyr/
noun
1. een keten van ten minste twee koolstofatomen en een carboxylgroep
kwas tłuszczowy
noun
1. jong van bepaalde hoefdieren als het paard, de ezel, de kameel en de zebra
  1. źrebię
  2. źrebak
noun
1.
weksylologia
noun
1. een vezel is een lang, dun filament waarvan de lengte ten minste drie keer groter is dan de doorsnede
włókno
noun
1. marimba met metalen toetsen en vibratosysteem
wibrafon
/viːr/
noun
1. het getal tussen de drie en de vijf
  1. cztery
  2. czworo
/ˈviːrdə/
ordinalAdjective
1. nummer vier in een rij
czwarty
verb
1. een feest vieren
obchodzić
cardinalNumeral
1. het getal 34
trzydzieści cztery
cardinalNumeral
1. het getal 84
osiemdziesiąt cztery
cardinalNumeral
1. het getal 24
dwadzieścia cztery
cardinalNumeral
1. het getal 44
czterdzieści cztery
noun
1. een geometrische tweedimensionale vorm, bestaande uit vier hoeken en derhalve ook vier zijden
czworokąt
/ˈviː.rɪŋ(g)/, /ˈviː.rɪŋ/
noun
1. het vieren
celebracja
adjective
1. met de vorm van een vierkant
  1. kwadratowy
  2. kwadrat
noun
1. geometrische tweedimensionale vorm, bestaande uit 4 gelijke hoeken van 90 graden en 4 zijden met gelijke lengte
kwadrat
noun
1.
metr kwadratowy
adjective
1. smerig
brudny
pronoun
Wietnam
pronoun
1. de officiële taal van Vietnam
wietnamski
noun
1. iemand met wie men op voet van oorlog leeft
  1. wróg
  2. nieprzyjaciel
adjective
1. van de vijand
wrogi
adjective
1. zich als een vijand gedragend
wrogi
noun
1. het vijandig zijn
wrogość
/vɛi̯f/
cardinalNumeral
1. het getal 5
  1. pięć
  2. pięcioro
/ˈvɛɪ̯f.də/, /ˈvɛɪ̯v.də/, /ˈvɛːv.də/
ordinalAdjective
1. nummer vijf in een rij
piąty
cardinalNumeral
1. het getal 35
trzydzieści pięć
cardinalNumeral
1. het getal 25
dwadzieścia pięć
cardinalNumeral
1. het getal 45
czterdzieści pięć
cardinalNumeral
1. het getal 55
pięćdziesiąt pięć
/ˈvɛifənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 75
siedemdziesiąt pięć
noun
1. een geometrische tweedimensionale vorm, bestaande uit vijf hoeken en derhalve ook vijf zijden
pięciokąt
/ˈvɛi̯fˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 500
pięćset
noun
1. atletiekmeerkamp met vijf onderdelen
pięciobój
/ˈvɛi ̯ftin/
cardinalNumeral
15
piętnaście
ordinalAdjective
piętnasty
/ˈfɛi̯ftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 50
pięćdziesiąt
noun
1. vrucht van de vijgenboom
  1. daktyl
  2. figa
noun
1. een werktuig met een ruw, gegroefd of gekerfd oppervlak dat het mogelijk maakt dunne lagen van een voorwerp te verwijderen
pilnik
noun
1. tamelijk klein door de mens aangelegd water
staw
/ˈvikɪŋ/
noun
1. Scandinavische krijger, behorend tot de noordelijke tak van de Germanen
wiking
noun
1. een groot en vrijstaand huis
willa
noun
door langdurig bewerken verdichte wol
  1. filc
  2. pilśń
/vɪn/
noun
1. uitstekend lichaamsdeel van vissen en andere aquatische dieren
płetwa
/'vɪndə(n)/
verb
    1. 2. iets bedenken
    2. 4. iets ondervinden, iets ten deel krijgen
    3. 3. iets op een bepaalde wijze beschouwen of ervaren
    znajdować
  1. 1. iets aantreffen nadat ernaar gezocht is
    1. znajdować
    2. znaleźć
noun
2. ontdekking, uitvinding
wynalazek
noun
1. extremiteiten van de hand
palec
/ˈvɪ.ŋər.ˌɑf.drʏk/, /ˈvɪ.ŋər.ˌɑv.drʏk/
noun
1. een afdruk op een oppervlak van een vinger met meestal de unieke, persoonsgebonden figuur...
odcisk palca
/'vɪŋərˌɦut/
noun
1. hard dopje dat het eerste kootje van de vinger beschermt bij het naaien
naparstek
noun
opuszek
noun
aplikatura
noun
  1. zięba zwyczajna
  2. zięba
noun
1. (kleur) een kleur tussen blauw en ultraviolet, met een golflengte tussen de 430 en 380 nm
fiolet
noun
1. musicus die een viool bespeelt
skrzypek
noun
1. een viersnarig strijkinstrument dat tijdens het bespelen door de violoncellist of cellist tussen de knieën wordt gehouden
wiolonczela
noun
1. strijkinstrument
skrzypce
noun
1. benaming voor planten uit het geslacht Viola
fiołek
adjective
1.
wirtualny
/virəs/
noun
  1. 1.
  2. 2.
wirus
noun
  1. 1. Pisces, gewerveld dier met kieuwen, levend in water
  2. 2. het vlees van een vis
ryba
noun
1. Pandion haliaetus, een vooral visetende roofvogel die de enige soort uit de familie Pandionidae is
rybołów
/vizi'ɣotis/
adjective
1.
wizygocki
pronoun
2. teken van de dierenriem, traditioneel behorend bij geboortedata van ongeveer 19 februari tot 21 maart
Ryby
noun
1. iemand die beroepsmatig vist
rybak
noun
paluszki rybne
/vizyʋel/
adjective
1. betreffende het zicht, betreffende het zienbare
wizualny
noun
wiza
noun
1. een stof die het lichaam in kleine hoeveelheden nodig heeft, maar niet of bijna niet door het lichaam zelf aangemaakt kan worden en derhalve in voldoende mate via voedsel of supplement ingenomen moet worden
witamina
noun
1. minister of hoog staatsdienaar
wezyr
pronoun
1. Nederlands zoals dat in Vlaanderen gesproken wordt
flamandzki
noun
1. bepaald soort kraaiachtige vogel, Garrulus glandarius
sójka
pronoun
1. de noordelijke deelstaat van België
Flandria
/vlɑχ/
noun
1. lap stof met een vast patroon van kleuren die gevoerd wordt als symbool van een organisatie, beweging of natie
flaga
/ˈvlɑɣəˌsxɪp/
noun
1. schip waarop zich de bevelvoerder over een vloot of eskader bevindt
okręt flagowy
noun
1. bepaald soort vis, Thymallus thymallus
lipień pospolity
noun
1. bepaald soort giftige vaste plant die sporen vormt, Diphasiastrum complanatum
widlicz spłaszczony
noun
1. gebied met weinig of geen hoogteverschillen
równina
noun
1. kleinste vorm van vuur
płomień
noun
piec łukowy
/'vlamɪŋ/
noun
1. een inwoner van Vlaanderen of iemand afkomstig uit Vlaanderen
  1. Flamand
  2. Flamandczyk
noun
len
noun
1. een gebonden pluk haar
warkocz
/ˈvlɛx.tə(n)/, /ˈvlɛχ.tə(n)/
verb
1. in elkaar strengelen
pleść
noun
1. klein vliegend zoogdier
nietoperz
noun
  1. 2. spierweefsel van dieren dat opgegeten kan worden als onderdeel van de voeding
    mięso
  2. 1. spierweefsel van bepaalde organen
    1. mięso
    2. ciało
noun
1. een vleesetend dier
mięsożerca
verb
1. (onoprechte) complimenten geven, meestal om bij iemand in de gunst te komen
  1. schlebiać
  2. pochlebiać
noun
1. een vieze plek
plama
noun
  1. 3. muziekinstrument
    fortepian
    1. 1. lichaamsdeel van bepaalde diersoorten
    2. 2. onderdeel van een vliegtuig
    3. 5. een deel van een leger
    skrzydło
/'vløxəlspelər/
noun
1.
skrzydłowy
/vlix/, /vliχ/
noun
1. tweevleugelig insect
mucha
noun
1. groot vaartuig dat is ingericht voor het opstijgen, landen, vervoer en onderhoud van meerdere vliegtuigen
lotniskowiec
/ˈvli.ɣə(n)/, /ˈvli.χə(n)/
verb
1. zich door de lucht voortbewegen
  1. latać
  2. lecieć
noun
1. bepaald soort paddenstoel, Amanita muscaria
muchomor czerwony
noun
1. een voorwerp dat door de wind aan een draad in de lucht opgelaten kan worden
latawiec
/ˈvlixtœːx/, /ˈvliχtœʏχ/
noun
1. vervoermiddel dat speciaal ontworpen is voor het reizen door de lucht
  1. samolot
  2. aeroplan
/ˈvlixfɛɫt/
noun
1. een terrein waar vliegtuigen kunnen landen en opstijgen
lotnisko
pronoun
Vlieland
noun
bez
/'vlirbɛs/
noun
1. bessen van de gewone vlier
czarny bez
noun
1. benaming voor nectar etende insecten uit de orde Lepidoptera
motyl
noun
muszka
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Siphonaptera
pchła
noun
1. verhoging van de waterstand
przypływ
adjective
1. in staat te vloeien, gezegd van de aggregatietoestand van stoffen die niet vast en niet gasvormig zijn
ciekły
/ˈvlujə(n)/
verb
1. zacht stromen
płynąć
noun
2.
bibuła
noun
1. een stof in die aggregatietoestand waarin het geen eigen vorm heeft, maar wel een eigen volume
  1. ciecz
  2. płyn
noun
1. bewust uitgesproken wens om iemand kwaad of leed aan te doen
klątwa
verb
1. uitroepen van vloekwoorden, beledigende taal gebruiken
przeklinać
/vlur/
noun
podłoga
/vloːt/
noun
1. bij elkaar horende schepen
flota
noun
1. een drijvende constructie
tratwa
noun
1. het zich door luchtruim bewegen
lot
/'vlɵxtəlɪŋ/
noun
1.
uchodźca
/vlɵxtə(n)/
verb
1. (onovergankelijk) trachten te ontkomen aan dreigend gevaar
uciekać
pronoun
1. wereldwijde organisatie waarin alle landen kunnen samenwerken
ONZ
noun
1. de vijfde naamval waarin een naamwoord staat dat aanduidt tot wie het woord wordt gericht
wołacz
adjective
wilgotny
noun
1. de mate van vocht
wilgotność
verb
1. van voedsel voorzien
karmić
noun
1. toevoeging aan voeding
dodatek do żywności
noun
1. voedingsmiddel dat bedoeld is als aanvulling op de normale voeding
suplement diety
noun
1. alles wat een organisme tot zich neemt om het metabolisme in werking te houden
pożywienie
adjective
1.
pożywny
/ˈvuxʋoːrt/
noun
spójnik
verb
1. gewaarworden door aanraking, meestal met betrekking tot temperatuur of druk
czuć
/ˈvuː.rɪŋ(g)/, /ˈvuː.rɪŋ/
noun
1. de binnenbekleding van een voorwerp
podszewka
pronoun
sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Woźnica
/ˈvuːrtœx/, /ˈvuːrtœyx/
noun
1. vervoermiddel over land
pojazd
noun
  1. 3. oude lengtemaat
    stopa
  2. 1. voortzetting van het been beneden de enkel
    1. stopa
    2. noga
/ˈvut.bɑɫ/
noun
1. een balsport waarbij twee teams van 11 spelers met hun voeten (of hoofd) een bal in het doel van de tegenstander proberen te krijgen
  1. piłka nożna
  2. futbol
verb
1. een spel met een voetbal spelen
  1. grać w piłkę
  2. grać w piłkę nożną
noun
1. iemand die zich te voet door het verkeer verplaatst
pieszy
/'vutpɑt/
noun
1. een pad voor voetgangers
  1. ścieżka
  2. dróżka
noun
1. een onderstel voor o.a. beelden en vazen
piedestał
noun
1. de onderzijde van de voet
podeszwa
/ˈvoːɣəl/, /ˈvoχɔɫ/
noun
1. een gewerveld dier (Aves) met twee vleugels, twee poten, een snavel en veren...
ptak
noun
1. enige zoogdier met een snavel, Ornithorhynchus anatinus
dziobak
noun
gwiazdnica pospolita
noun
1. grote behaarde spin die leeft in de tropische streken
ptasznik
noun
1. manshoge pop
strach na wróble
pronoun
1. gebergte
Wogezy
pronoun
1.
Wojwodina
/vɔl/, /vɔɫ/
adjective
1. geheel gevuld
  1. pełny
  2. pełen
pronoun
1. een kunstmatige taal die in 1880 door Johann Martin Schleyer gemaakt werd
  1. wolapik
  2. volapük
indefinitePronoun
1. toereikend, genoeg
  1. dostateczny
  2. wystarczający
/'vɔlxə(n)/
verb
1. achterna gaan
wynikać
adjective
1. dat later komt
następny
preposition
1. geeft een bron aan voor de gegeven redenering
według
/vɔlk/
noun
  1. 1. een groep mensen die een aantal dingen gemeenschappelijk hebben, zoals afstamming, taal, gewoontes of overlevering
    1. lud
    2. naród
  2. 2. de inwoners van een land
    naród
pronoun
Liga Narodów
noun
1. tarwe met zemelen en kiem
pszenica z pełnego przemiału
noun
1. lied dat dienst doet als symbool voor een volk of een natie
hymn narodowy
noun
republika ludowa
noun
1. een vergadering van de gehele bevolking
zgromadzenie
noun
1. fase of schijngestalte van de maan, waarbij de naar de aarde gekeerde zijde, geheel door de zon wordt verlicht en daardoor zichtbaar is
pełnia
noun
  1. 2. bal
    siatkówka
  2. 1. spel
    1. siatkówka
    2. piłka siatkowa
/vɔlˈmaːkt/
adverb
1. zonder enig gebrek
doskonały
noun
1. rechtsbevoegdheid om namens een ander te handelen
pełnomocnictwo
noun
wolt
noun
1. het woord dat deel heeft aan het werkwoord en aan het naamwoord en als afgesloten gezien wordt
imiesłów czasu przeszłego
noun
czas zaprzeszły
verb
1. ten einde brengen
  1. dokańczać
  2. zakańczać
noun
1. ruimtelijke capaciteit
objętość
adjective
1. een leeftijd bereikt hebbend waarop men volgroeid en onafhankelijk kan zijn
dorosły
noun
1. iemand die volgroeid is
dorosły
noun
znajda
noun
1. een gloeiend korreltje of brokstukje
iskra
noun
1. een beslissing van een rechter in dagvaardingsprocedures
wyrok
/voːxt/
noun
1. belangenbehartiger van minderjarige
opiekun
noun
1. belangenbehartiging van minderjarige
opieka
/vor/
noun
1. ploegsnede
bruzda
/vor/
preposition
  1. 7. ten behoeve van, ten gunste van
    dla
    1. 4. eerder in tijd
    2. 2. aan de voorkant
    3. 3. eerder komend in de bewegingrichting
    4. 5. eerder in volgorde
    przed
noun
1.
przedramię
noun
1. iets ter navolging
przykład
verb
1. handelingen verrichten die een latere gebeurtenis mogelijk moeten maken
przygotowywać
/ˈvor.bə.rɛɪ̯.dɪŋ(g)/, /ˈvor.bə.rɛː.dɪŋ/, /ˈvo̝r.bə.rɛɪ̯.dɪŋ/
noun
1. het voorbereiden
przygotowanie
noun
  1. 3. (tennis)
  2. 1. profijt
  3. 2. aangename eigenschap
korzyść
noun
1. de persoon die voorafgaand aan een zeker persoon dezelfde positie bekleedde
poprzednik
noun
młot kowalski
noun
1. het deel van het gezicht tussen de wenkbrauwen, de normale haarlijn en de slapen
czoło
noun
1. voorhuid van penis
napletek
noun
1. de lente
wiosna
/'vɔːr.ko.mə(n)/, /vɔːr.'ko.mə(n)/
verb
  1. 3. soms gebeuren
    dziać się
  2. 2. voor het gerecht verschijnen
    1. pojawiać się
    2. odbywać się
  3. 4. dunken, toeschijnen
    wydawać się
  4. 1. met regelmaat ergens te vinden zijn
    występować
  5. 1. ervoor zorgen dat iets niet gebeurt
    zapobiegać
/vorˈlopəx/, /vorˈlopəç/
adjective
1. tijdelijk in afwachting van iets definitiefs
tymczasowy
noun
1. naam die bij de geboorte aan een persoon wordt gegeven, en die aan de familienaam voorafgaat.
imię
/ˈvɔːr.nam.ˌʋɔːrt/
noun
1. een woord dat verwijst naar iets anders zonder ze te noemen
zaimek
noun
1. een bijwoord ter vervanging van de combinatie voorzetsel met voornaamwoord,...
przysłówek zaimkowy
noun
uprzedzenie
noun
1. iemand van wie afgestammen wordt
przodek
noun
pierwszeństwo
noun
1. glazen vlak aan de voorkant van een voertuig dat zorgt voor zicht op de weg en bescherming tegen weer en wind
przednia szyba
/'vɔːrsxrɛɪvə(n)/
verb
1. een schriftelijke opdracht geven
nakazywać
verb
1. een uitspraak doen over toekomstige gebeurtenissen
przepowiadać
noun
1. iemand die voor iets is
zwolennik
noun
1. hetgeen dat voorgesteld wordt
propozycja
verb
  1. 2. een beeld geven
    prezentować
  2. 1. een plan voorleggen
    proponować
verb
1. een nieuwe generatie voorbrengen
rozmnażać się
noun
1. het proces van technologische en economische groei van een samenleving
postęp
noun
1.
przodek
/ˈvoːrvuxsəɫ/
noun
1. een gebonden morfeem dat voor een ander woord geplaatst wordt om iets aan de betekenis toe te voegen
przedrostek
noun
1. omstandigheid die noodzakelijk is of gemaakt wordt wil iets anders plaats of...
warunek
noun
1. een object, iets dat fysiek bestaat
przedmiot
noun
1. een soort van aandrijfmechanisme, waarbij de motorkracht op de voorwielen wordt uitgeoefend
napęd przedni
noun
1. een onverbuigbaar woord dat de aard van de relatie tussen verschillende elementen in de zin aangeeft
przyimek
/vɔːrˈzɪxtəx/
adverb
1. op een oplettende manier
ostrożny
noun
awers
noun
1. hoofd van een bestuur, leider van een vergadering
przewodniczący
pronoun
1. deelstaat van Oostenrijk
Przedarulania
/'vɔː.rə/
noun
1. ploegsnede
bruzda
indefiniteOrdinalNumeral
1. degene die of datgene dat eerder een positie innam
zeszły
noun
  1. 2. voorwerp bestaande uit een greep en (meestal 3 of 4) tanden, waarmee vast voedsel wordt gegeten
  2. 1. aftakking van een boomtak of van een weg
  3. 5. (schaak) situatie waarbij één eigen stuk tegelijkertijd twee of meer vijandelijke stukken aanvalt
  4. 3. bepaald landbouwwerktuig (vergelijk met hooivork, mestvork)
  5. 4. fietsonderdeel waarin het wiel wordt bevestigd: telescopische vork, voorvork en achtervork
widelec
noun
1. een sacrament waardoor een gedoopte de kracht van de Heilige Geest ontvangt om zijn geloof standvastig te kunnen belijden
bierzmowanie
/vɔrst/
noun
2. weersomstandigheden
mróz
noun
1. bepaald zoogdier, Vulpes vulpes
  1. lis
  2. lisica
noun
1. bepaald soort plant, Vaccinium vitis-idaea
borówka brusznica
/vra:x/, /vra:χ/
noun
1. een verzoek om inlichting
pytanie
noun
1. een leesteken (?) dat men aan het eind van een zin plaatst om deze vragend te maken
  1. znak zapytania
  2. pytajnik
/vrɑxt/, /vrɑχt/
noun
1. de lading van een vervoermiddel
ładunek
noun
1.
ceduła
noun
1. een schip dat uitsluitend bedoeld is voor het vervoer van goederen
statek towarowy
noun
1. een wagen voor goederenvervoer
samochód ciężarowy
/ˈvraɣə(n)/, /ˈvraχə(n)/
verb
  1. 2. mondeling of schriftelijk actie verzoeken
    1. prosić
    2. poprosić
  2. 1. mondeling of schriftelijk informatie verzoeken
    1. pytać
    2. zapytać
noun
1. ontbreken van oorlog
pokój
adjective
1. van buiten, niet van hier
obcy
noun
1.
ksenofobia
adjective
1. bijzonder erg, schrikwekkend
straszny
adverb
  1. bardzo
  2. mocno
  3. strasznie
noun
1. een blij gevoel
radość
/ˈvrøx.də.ˌvyːr/, /ˈvrøɣ.də.ˌvyːr/, /ˈvrøχ.də.ˌvyːr/
noun
1. een groots door mensen opgebouwd en gecontroleerd vuur om iets te vieren
ognisko
noun
1. een persoon met wie je een speciale persoonlijke band hebt
  1. przyjaciel
  2. druh
adjective
1. met het nodige respect
życzliwy
noun
2. de vrouwelijke persoon met wie je verkering hebt
przyjaciółka
noun
1. gelijkwaardige relatie tussen personen die elkaar wederzijds genegen zijn en een vergelijkbare relatie tegelijkertijd ook met anderen kunnen hebben
przyjaźń
noun
1. een toestel bedoeld om voedingsmiddelen in bevroren toestand gebracht, te bewaren
zamrażarka
adjective
1. ongebonden, niet in beweging beperkt
wolny
noun
1. een dag van de week die na donderdag en voor zaterdag komt
piątek
noun
1.
wolnomyśliciel
verb
1. liefde bedrijven
kochać się
/ˈvrɛi̯ɦɛi̯t/
noun
1. het vrij zijn
  1. wolność
  2. swoboda
noun
freistaat
adjective
1. niet gedwongen
dobrowolny
/ˈvrud.vrɑu/
noun
1. een vrouw die een bevalling begeleidt
akuszerka
/ˈvruxər/, /ˈvruɣər/
adverb
1. (zoals) in het verleden
dawniej
adjective
1. in goede stemming
radosny
noun
1. een aangename stemming waarin men veel lacht, zich goed voelt en het leven optimistisch bekijkt
radosność
noun
  1. 1. een volwassen vrouwelijke mens
    kobieta
  2. 2. de vrouwelijke partner in een huwelijk
    1. żona
    2. kobieta
adjective
żeński
noun
2. grootste in Europa voorkomende orchideeënsoort, Cypripedium calceolus
obuwik pospolity
noun
1. volgroeid vruchtbeginsel
owoc
/'vrʏxt.bar.ɦɛɪ̯t/, /'vrʏxt.bar.ɦɛːt/, /'vrʏɣ.ba.rɛɪ̯d/
noun
1. het vermogen vrucht te dragen
płodność
/ˈvrʏxtə(n)ˌsɑp/, /ˈvrʏχtə(n)ˌsɑp/
noun
1. sap gewonnen uit fruit
sok owocowy
noun
1. wijn van vergist sap van andere vruchten dan druiven
wino owocowe
noun
1.
użytkowanie
noun
wody płodowe
/vœy̯l/
noun
viezigheid, onreine materie
brud
/'vœylnɪsbɑk/
noun
1. een bak waarin men huisvuil verzamelt
śmietnik
noun
1. gebalde hand
pięść
/ˈvœʏ̯sbɛːɫ/, /ˈvœːstbɛːɫ/, /ˈvœːzbɛɪ̯l/
noun
1. een kerngereedschap uit het paleolithicum, het Acheuléen en het Moustérien
pięściak
adjective
wulgarny
noun
wulkan
noun
1. natuurlijke processen
wulkanizm
noun
1. bepaalde soort vlinder, Vanessa atalanta
wulkanologia
verb
1. vol maken
napełniać
noun
het materiaal waarmee iets opgevuld is
wypełnienie
/ˈvʏl.pɛn/, /ˈvʏɫ.pɛn/
noun
1. een schrijfpen met holle houder waarin zich een inktreservoir bevindt
  1. wieczne pióro
  2. pióro
noun
1. de schaamspleet, de ingang tot de vagina
srom
/vyːr/
noun
1. lichtverschijnsel bij brand
  1. ogień
  2. żar
pronoun
1. een archipel aan de zuidpunt van Zuid-Amerika
  1. Ziema Ognista
  2. Ziemia Ognista
noun
1.
krzemień
noun
1. een hoog lichtbaken aan de kust
latarnia morska
noun
1. een wapen dat een kogel schiet met behulp van een chemische ontploffing
broń palna
noun
1. voorwerpen die gevuld zijn met ontploffende, brandbare en lichtgevende stofmengsels
  1. sztuczne ognie
  2. fajerwerki
/'ʋajə(n)/
verb
1. plaatsvinden van een sterke luchtstroming
wiać
noun
1. scherm in halve schijfvorm
wachlarz
adjective
1. betrekking hebbend op Wallonië of de Walen
waloński
pronoun
1. een taal die verwant is aan het Frans en die in Wallonië gesproken wordt
waloński
/ʋar/
adverb
1. op welke plaats
gdzie
noun
wartość
noun
1. document met geldswaarde
papier wartościowy
/'ʋardəˌvɔl/
adjective
1. een grote waarde hebbend
wartościowy
noun
1. dat wat waar is
prawda
noun
1. iets via de zintuigen registreren
spostrzeżenie
/ʋarˈɔm/
noun
1. door welke oorzaak?
  1. dlaczego
  2. czemu
adjective
1. aannemelijk, iets dat vermoedelijk zo is
  1. prawdopodobny
  2. prawdopodobnie
adverb
1. aannemelijk, iets dat vermoedelijk zo is
  1. prawdopodobnie
  2. przypuszczalnie
/ˈʋaːrsxyu̯ə(n)/
verb
1. iemand verwittigen dat er mogelijke gevaren, problemen of gevolgen zijn
ostrzegać
/'ʋaːr.sχy.ʋɪŋ/
noun
1. een mededeling dat er onaangename gevolgen op til zijn
ostrzeżenie
noun
1. het voorspellen van de toekomst langs magische weg
wróżbiarstwo
/ˈʋɑx.tə(n)/, /ˈβɑx.tə(n)/
verb
1. op dezelfde plaats of in dezelfde situatie blijven tot iemand komt of iets gebeurt
czekać
noun
1. ruimte of vertrek voor wachtenden, bijvoorbeeld bij een arts of op een station
poczekalnia
noun
1. een aantal elementen die in een bepaalde volgorde op een gebeurtenis wachten
kolejka
noun
1. een geheim woord dat men moet produceren om ergens toegelaten te worden
hasło
pronoun
1. een binnenzee die aan de ene kant grenst aan de Waddeneilanden en de Noordzee en aan de andere kant begrensd wordt door het vasteland van Nederland, Duitsland en Denemarken
Wadden zee
interjection
1. krachtig geluid met korte tussenpozen, zoals een hond dat kan uitstoten
hau
noun
1. plat gebak dat vervaardigd wordt in een wafelijzer
gofr
/ˈʋaːɣə(n)/, /ˈʋaːχə(n)/
noun
2. een auto
wóz
/ʋa'ɣɔn/
noun
1. een voertuig dat deel uitmaakt van een trein
wagon
adjective
1. niet in slaap
czujny
pronoun
1. een van de delen van het Verenigd Koninkrijk, gelegen op een groot eiland in het noordwesten van Europa.
Walia
pronoun
1. Germaanse strijdgodin
walkiria
/ʋɑˈlonɪə/
pronoun
Walonia
/wɑlrʌs/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Odobenus rosmarus
mors
noun
4. dans
walc
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de onderorde Cetacea
  1. walenie
  2. wieloryb
/ʋɑnt/
noun
ściana
/ˈʋɑn.də.lə(n)/, /ˈβ̞ɑn.də.lə(n)/
verb
1. een wandeling maken
spacerować
noun
1.
  1. pluskwa
  2. pluskwa domowa
noun
1. zijkant van het gezicht onder het oog
policzek
/ˈʋɑnɦop/
noun
1. een ellendige toestand waarin men geen uitkomst meer ziet
beznadzieja
/ʋɑ.ˈneːr/
adverb
1. op welke tijd
kiedy
/ʋɑnt/
noun
2. scheepvaart
wanta
noun
storczyk cuchnący
/ˈʋaːpən/
noun
  1. 1. een werktuig van geweld
    1. broń
    2. oręż
  2. 2. een wapenschild
    herb
noun
handlarz bronią
noun
1. een korte tekst die de bedoeling van iets weergeeft
motto
noun
1. een overeenkomst met de vijand om de vijandelijkheden op te schorten
rozejm
/ʋɑrṃ/
adjective
Na te kijken en uit te splitsen vertalingen
ciepły
noun
  1. 1. de mate waarin het weer warm is.
  2. 2. de hoeveelheid thermische energie.
ciepło
noun
1. een verwarmingsinstallatie die via mechanische arbeid warmte onttrekt aan een koude omgeving en deze toevoert aan een warmere omgeving
  1. pompa cieplna
  2. pompa ciepła
noun
wymiennik ciepła
pronoun
1. hoofdstad van Polen
Warszawa
/ʋɑs/
noun
1. weke laagsmeltende en waterafstotende stof
wosk
noun
1. klein Noord-Amerikaans zoogdier, Procyon lotor
szop
noun
1. Nyctereutes procyonoides, een zoogdier en roofdier uit de familie Canidae
jenot
noun
geribbeld bord waarop men de was kan doen
tara
noun
1. een toestel om de kleding die uit de wasmachine komt te drogen
suszarka
/ˈwɑs.knɛɪ̯.pər/, /ˈʋɑs.knɛɪ̯.pər/, /ˈβ̞ɑs.knɛː.pər/
noun
1. een knijper die gemaakt is van hout of plastic om nat wasgoed aan een waslijn te klemmen
klamerka
noun
1. een apparaat dat op automatische wijze wasgoed reinigt
pralka
/'ʋɑsə(n)/
verb
  1. 1. iets schoonmaken
    myć
  2. 2. zichzelf schoonmaken
    1. myć się
    2. myć
  3. 3. groeien
    1. rosnąć
    2. przybrać
    3. wzbierać
  4. 4. in de was zetten
    woskować
noun
1. een bak waarin men zich of iets wast
umywalka
/ʋɑt/
interrogativePronoun
vragend voornaamwoord
co
adjective
1. & 2.
wodnisty
noun
czapetka jambos
noun
para wodna
adjective
1. ondoordringbaar voor water
wodoodporny
noun
bobrek trójlistkowy
/ˈwatərˌɣlɑtɦɛɪ̯t/, /ˈʋatərˌχlɑtɦɛɪ̯t/, /ˈβ̞atərˌɣlɑtɦɛːt/
noun
1. verschijnsel waarbij een dunne waterfilm ontstaat.
akwaplanacja
noun
1.1 bepaald soort watervogel, Gallinula chloropus
  1. kokoszka zwyczajna
  2. kokoszka wodna
noun
1. apparaat dat een zeer sterke straal water kan produceren
armatka wodna
pronoun
2. teken van de dierenriem van 20 januari tot 19 februari
Wodnik
/ˈʋaːtərməˌlun/
noun
1. Citrullus vulgaris, een grote vrucht met vochtig en rood vruchtvlees
  1. kawon
  2. arbuz
  3. arbuz zwyczajny
noun
znak wodny
noun
2. een molen die door stromend water aangedreven wordt
młyn wodny
noun
mięta nadwodna
noun
bepaald soort eenjarige waterplant met eetbare knollen, Trapa natans
kotewka orzech wodny
noun
rdest ostrogorzki
noun
  1. nargile
  2. szisza
noun
1. een balsport waarbij twee ploegen van zeven spelers elkaar in het water bestrijden
  1. piłka wodna
  2. waterpolo
noun
1. een schoepenrad dat draait door de stroming van het water
koło wodne
noun
1. grote halfaquatische woelmuis
karczownik ziemnowodny
noun
wodniczka
noun
rzygacz
/ˈʋatərˌstɔf/
noun
1. een chemisch element en een kleurloos niet-metaal
wodór
noun
wiązanie wodorowe
noun
1. plaats waar stromend water bij een hoogteverschil zijn weg al vallend voortzet
wodospad
noun
okrężnica bagienna
noun
1. een vliegtuig dat kan opstijgen en landen op het water
hydroplan
noun
Żabieniec (roślina)
noun
1. (medisch) waterzucht
obrzęk
noun
szczaw lancetowaty
noun
1. plukje watten bevestigd op een houten of plastic stokje, gebruikt voor bepaalde medische doeleinden...
wymazówka
/ʋese/
noun
  1. 2. toiletpot
    muszla klozetowa
  2. 1. toilet
    toaleta
noun
papier toaletowy
noun
zaimek zwrotny
noun
1. een werkwoord waarbij de handelende persoon tevens het voorwerp van de handeling is
czasownik zwrotny
verb
  1. rywalizować
  2. konkurować
/ˈʋeːdyʋə/
noun
vrouw
wdowa
/'ʋedyʋnar/
noun
man
wdowiec
/ʋeː/
noun
1. pijnlijke samentrekking die het barensproces inleidt
skurcz
/ˈʋeːf.xəˌtɑu̯/
noun
1. toestel waarmee garen tot weefsel gevlochten wordt
krosno
noun
  1. 1. een dunne geweven stof of textiel
    1. tkanina
    2. tkanka
  2. 2. een groep van gelijkaardige lichaamscellen die dezelfde functie in een levend organisme vervullen
    tkanka
noun
babka
pronoun
teken van de dierenriem van 23 september to 23 oktober
Waga
noun
1. een meetinstrument waarmee het gewicht kan worden bepaald
waga
/wek/, /ʋek/, /β̞ek/
noun
1. tijdseenheid van 7 dagen
tydzień
noun
mięczak
/ˈʋikɛnt/
noun
1. periode van vrijdagavond tot en met zondagnacht
weekend
/weːr/, /ʋɪːr/, /β̞eːr/
noun
  1. 1. atmosferische gesteldheid
    1. pogoda
    2. aura
  2. 1. visweer
    jaz
verb
1. stand houden, weerstand bieden aan
wytrzymywać
noun
  1. 2. de tegenstand die een stroom in een geleider ondervindt
    opór
  2. 3. een elektronica-onderdeel
    1. opórnik
    2. opornik
noun
. een mythisch wezen dat bij volle maan van mens in wolf verandert
wilkołak
/ʋes/
noun
sierota
/ʋɛχ/, /β̞ɛx/
noun
1. smalle strook grond voor het verkeer
droga
/ˈʋeχə(n)/, /β̞eɣə(n)/
verb
  1. 1. het gewicht/de massa bepalen
  2. 2. een bepaald gewicht/massa als eigenschap hebben
ważyć
noun
mapa drogowa
/ʋɛɪ/
noun
  1. 2. een vloeistof die ontstaat als restproduct bij het kaasmaken
    serwatka
  2. 1. een stuk grasland voor begrazing door vee
    łąka
pronoun
1. de grootste rivier van Polen
Wisła
verb
1. niet voldoen aan een verzoek of opdracht
odmawiać
noun
1. het niet voldoen aan een verzoek of opdracht
odmowa
/'ʋɛɪlɑnt/
noun
1. een stuk grasland in gebruik voor de begrazing door vee
pastwisko
pronoun
Republika Weimarska
/ˈwɛɪ̯nɪx/, /ˈʋɛɪ̯nəχ/, /ˈβ̞ɛːnəx/
noun
1. in een kleine hoeveelheid, niet veel
mało
/ˈʋɛkər/
noun
1. een apparaat dat gebruikt wordt om de tijd bij te houden en een functie heeft die veel geluid produceert op een ingestelde tijd
budzik
noun
1. de kunst om iets goed te kunnen verwoorden
elokwencja
noun
dobroczyńca
adjective
1. financieel goed gesitueerd
zamożny
/ʋɛlk/
relativePronoun
który
/ˈʋɛɫkɔm/
adjective
1. gewenst zijn te blijven
witamy
/ˈʋɛɫkɔm/
interjection
1. begroeting
  1. witaj
  2. witajcie
noun
1.
pożądanie
adjective
1.
dobrze wychowany
pronoun
1. een Keltische taal die wordt gesproken in Wales
walijski
pronoun
1. de hoofdstad van Oostenrijk
Wiedeń
noun
1. knokige rand boven het oog, meestal begroeid met haar
brew
verb
przyzwyczaić
/ʋεns/
noun
życzenie
adjective
1. wat men zou wensen
pożądany
/'ʋɛnsən/
verb
pragnąć
/ˈweː.ʁəlt/, /ˈʋɪː.rɔɫt/, /ˈβ̞eː.rəɫt/
noun
1. de aarde
świat
noun
1. een kaart van het oppervlak van de aarde in de vorm van een bol
glob
pronoun
Światowa Organizacja Zdrowia
pronoun
1. intergouvernementele organisatie die toeziet op de naleving van afspraken over de handel tussen landen
Światowa Organizacja Handlu
noun
1. een gewapende strijd tussen een zeer groot aantal landen, met name gebruikt voor de Eerste en de Tweede Wereldoorlog.
wojna światowa
noun
1. een tentoonstelling waaraan landen uit de wereld aan kunnen deelnemen
wystawa światowa
/ˈweːrəlˌtɪtəl/, /ˈʋɪːrɔɫˌtɪtɔɫ/, /ˈβ̞eːrəɫˌtɪtəɫ/
noun
1. het recht zich wereldkampioen te noemen
  1. tytuł mistrza świata
  2. tytuł mistrzyni świata
/ʋɛrk/
noun
    1. 1. dat wat gedaan moet worden
    2. 2. beroep
    praca
  1. hede, afval van vlas of hennep
    pakuły
/'ʋɛrkələkɦɛɪt/
noun
1. de omstandigheden zoals deze daadwerkelijk bestaan
rzeczywistość
/ʋɛrkən/
verb
1. arbeid verrichten, lichte vorm van zwoegen
pracować
noun
1. persoon die of bedrijf dat werk verschaft aan anderen
  1. pracodawca
  2. pracodawczyni
adjective
bezrobotny
/wɛrkˈloshɛit/
noun
  1. 1. het werkloos zijn
  2. 2. het aandeel van de beroepsbevolking zonder betaalde baan
bezrobocie
noun
1. woordsoort die in de eerste plaats een handeling of toestand uitdrukt
czasownik
verb
1. met een krachtige zwaai van de arm iets uit de hand naar iets of iemand heen laten gaan
rzucić
noun
wiorsta
noun
1. bot van de wervelkolom
kręg
noun
kręgosłup
noun
1. een zwart-geel gestreept vliesvleugelig insect
osa
noun
kruszczyk
adjective
1. op West-Europa betrekking hebbend
zachodnioeuropejski
adjective
zachodni
pronoun
Sahara Zachodnia
/ˈʋɛs.tə(n)/
noun
zachód
/wɛt/
noun
1. een door de overheid opgestelde regel
prawo
phraseologicalUnit
prawa Murphy'ego
/ˈʋeː.tə(n)/
verb
1. ergens kennis van hebben
wiedzieć
/'ʋetənsxɑp/
noun
  1. 2. georganiseerde activiteit
  2. 1. het weten van de mens
nauka
/,ʋetən'sxapələk/
adjective
naukowy
/ˈʋetəˌsxɑpər/
noun
1. iemand die de wetenschap beoefent
naukowiec
/'ʋetənsχɑpsχəˈsχidəˌnɪs/, /'β̞etənsxɑpsɣəˈsxidəˌnɪs/
noun
historia nauki
noun
1. door de regering uitgaand voorstel tot wet
projekt ustawy
/ˈweː.və(n)/, /ˈʋe.və(n)/
verb
1. draden e.d. dooreenvlechten
tkać
noun
1. bepaald soort zoogdier, Mustela nivales
łasica
noun
1. een sterke drank die uit gerst of uit maïs en rogge gestookt is
whisky
/wiː/, /ʋiː/, /β̞iː/
relativePronoun
  1. 1. vragend voornaamwoord
  2. 2. betrekkelijk voornaamwoord
kto
interjection
degene die aan het eind het beste uit de strijd komt is de daadwerkelijke winnaar
ten się śmieje, kto się śmieje ostatni
noun
1. een bedje voor een pasgeboren zuigeling, vaak met een hemel van fijn gaas en soms met de mogelijkheid het kind zachtjes heen en weer te bewegen
  1. kolebka
  2. kołyska
noun
1. ronddraaiende schijf
koło
noun
1. de afstand tussen de twee middelpunten van de voor- en achteras
rozstaw osi
/'wiː.lə.wal/
noun
1. zwart-gele zangvogel
wilga
/ˈʋiː.roːk/
noun
1. gomhars, gebruikt als reukoffer
kadzidło
pronoun
1.
Wiesbaden
noun
1. koepelvormig huis gebruikt door de Noord-Amerikaanse indianen
wigwam
/wɛɪ̯/, /ʋɛɪ̯/, /β̞ɛː/
personalPronoun
1. 1e persoon meervoud nominatief
my
/ˈʋixə(n)/
pronoun
Wijchen
/wɛɪ̯n/, /ʋɛɪ̯n/, /β̞ɛːn/
noun
1. sterke drank van gegiste druiven
wino
noun
1. azijn uit wijn bereid
ocet winny
noun
ruta zwyczajna
/ˈʋɛi̯n.stɔk/
noun
1. klimplant waaraan druiven groeien
winorośl
/wɛɪ̯s/, /ʋɛɪ̯s/, /β̞ɛːs/
adjective
1. van groot inzicht getuigend
mądry
noun
1. gerijpt inzicht
mądrość
noun
1. tweede vinger, gelegen tussen de middelvinger en de duim
palec wskazujący
noun
1. gewijd water
woda święcona
noun
1. manier
metoda
verb
wskazywać
pronoun
1. een door de Wikimedia Foundation gecreëerde rechtenvrije encyclopedie op het internet...
Wikipedia
/ˈwɪkə/
noun
1. (plantkunde) naam voor planten uit het geslacht Vicia
wyka
noun
1.
uzwojenie
/ˈwikʃoˌnɛri/, /ˈʋɪkʃəˌnɛri/
pronoun
1. deelproject van de Wikimedia Foundation met als doel het produceren van een compleet ...
Wikisłownik
/ʋɪl/
noun
1. de bereidheid of zin om iets te doen
wola
adjective
3. onbeschaafd, bruusk
  1. dziki
  2. dzika
  3. dzikie
noun
1. bepaald soort zoogdier, Sus scrofa
dzik
noun
1. Salix sp.
wierzba
/ˈʋɪ.lən/
verb
1. iets als verlangen of voorkeur hebben
  1. chcieć
  2. pragnąć
noun
1. eenzijdige wilsuiting die gericht is op het tot stand brengen van rechtsgevolgen
oświadczenie woli
noun
rzęsa
/xxxx/
noun
1. klein, tangachtig voorwerp om de bovenste wimpers mee om te buigen zodat ze gaan krullen
zalotka
/ʋɪnt/
noun
1. stroming van lucht veroorzaakt door luchtdrukverschillen
wiatr
noun
energia wiatru
noun
1. molen die door de wind gedreven wordt
wiatrak
noun
1. een gebied waar windenergie gewonnen wordt met behulp van een aantal molens
elektrownia wiatrowa
noun
róża wiatrów
noun
1.
wiatrowskaz
noun
1. plaats waar koopwaar wordt verkocht
  1. sklep
  2. skład
noun
1. degene die een strijd of wedstrijd in zijn voordeel beslist
zwycięzca
/ˈwɪnə(n)/, /ˈʋɪnə(n)/, /ˈβ̞ɪnə(n)/
verb
  1. 3. een grondstof uit de natuur halen
    wydobywać
  2. 1. als beste partij uit een wedstrijd komen
    wygrać
/ʋɪnst/
noun
1. datgene wat men meer heeft dan voordat men investeerde
zysk
/ʋɪntər/
noun
1. seizoen
zima
noun
1. bepaald soort loofboom, Quercus petrae
dąb bezszypułkowy
noun
1. klein gedrongen vogeltje met opgewipt staartje,
strzyżyk
adjective
1. typerend voor de winter
zimowy
noun
1. een toestand van hypothermie en inactiviteit bij sommige warmbloedige dieren in de winter
sen zimowy
noun
sporty zimowe
noun
1. de tijd zoals die geldt in de herfst- en wintermaanden, zonder dat de klok een uur vooruit is gezet
czas zimowy
/'ʋɪpə(n)/
verb
  1. 3. uit een functie zetten
    usunąć
  2. 2. geslachtsgemeenschap hebben, paren
    wydymać
noun
1. bepaald soort zooɡdier, Bison bonasus
żubr
noun
1. de formele studie van patronen en structuren.
matematyka
/ʋɪsˈkʏndəx/
adjective
1. op wiskunde betrekking hebbend of er gebruik van makend
matematyczny
pronoun
1.
Wismar
/ʋɪsəl/
noun
  1. 2. handelspapier voor de overdracht van geld
    weksel trasowany
  2. 1. speciale constructie in een spoorweg om een voertuig naar een ander spoor te leiden
    1. zwrotnica
    2. rozjazd
noun
lantana pospolita
noun
1. wisselstroom
  1. prąd przemienny
  2. prąd zmienny
/ʋɪt/
adverb
1. kleur
biały
/ʋɪt/
noun
1. lichtst mogelijke kleur
  1. biały
  2. biała
  3. białe
/wɪt.ˈrʏs.lɑnd/, /ʋɪt.ˈrʏs.lɑnt/, /β̞ɪt.ˈrʏs.lɑnt/
pronoun
land in Oost-Europa.
Białoruś
/ˌwɪtˈrʏsɪs/, /ˌʋɪtˈrʏsis/, /ˌβ̞ɪtˈrʏsis/
pronoun
1. een Slavische taal die vooral in Wit-Rusland wordt gesproken
  1. białoruski
  2. język białoruski
noun
1. loof van met dat doel in het donker geteelde varianten van cichorei, Cichorium intybus var. foliosum
cykoria
pronoun
1. dag voor Goede Vrijdag
Wielki Czwartek
noun
1.
biały karzeł
pronoun
Biały Dom
noun
1. zangvogel (Motacilla alba)
pliszka siwa
noun
1. gepelde en gepolijste rijst
biały ryż
noun
1. alcoholhoudende drank die verkregen wordt door de gisting van voornamelijk witte druiven
białe wino
pronoun
Morze Białe
noun
1. en 2. (bladeren van) sluitkoolgewas dat lichtgroen tot wit van kleur is
kapusta biała
noun
1. een heldere, kleurloze en nagenoeg geurloze sterkedrank
wódka
/ˈʋudə/
noun
1. een gevoel van erge kwaadheid
złość
interjection
1. krachtig geluid met korte tussenpozen, zoals een hond dat kan uitstoten
hau
noun
1. klein, gravend, muisachtig knaagdier met stompe snuit
  1. nornica
  2. nornik
  3. polnik
noun
1. grote halfaquatische woelmuis
karczownik ziemnowodny
/ˈʋunzdɑx/
noun
1. een dag van de week die na dinsdag en voor donderdag komt
środa
noun
1.mannetjeseend
kaczor
noun
1. grote dorre vlakte, met weinig neerslag en weinig vegetatie
pustynia
/ˈvɔɪ̯vɔtsxɑp/
noun
1. naam voor bepaalde bestuurlijke gebieden in Oost-Europa
województwo
/ʋɔl/
noun
1. weefsel van wollen garens
wełna
/wɔlf/, /ʋɔlf/
noun
1. bepaald zoogdier, Canis lupus
  1. wilk
  2. basior
noun
1. scheikundig element met symbool W en atoomnummer 74
wolfram
/ˈwɔlᵊfsbʏrᵊx/
pronoun
1.
Wolfsburg
noun
pokrzyk wilcza jagoda
noun
1. sporenplant van het geslacht Lycopodium
widłak
noun
wilczomlecz
noun
1. bepaalde soort vlinder, Vanessa atalanta
nosorożec włochaty
noun
1. samenhangende verzameling van merendeels zwevende waterdruppeltjes
  1. chmura
  2. obłok
/ˈwɔlkə(n)ˌkrɑbər/, /ˈʋɔɫkə(ŋ)ˌkrɑbər/, /ˈβ̞ɔɫkə(ŋ)ˌkrɑbər/
noun
1. een zeer hoog gebouw dat met bewolkt weer zichtbaar in de wolken kan steken
  1. wieżowiec
  2. drapacz chmur
/wɔlˈvɪn/, /ʋɔlˈvɪn/
noun
vrouwelijke wolf
  1. wilczyca
  2. wadera
pronoun
1.
Wołyń
noun
wombat
/wɔnd/, /ʋɔnt/, /β̞ɔnt/
noun
1. een beschadiging in of aan het lichaam
rana
noun
1. een gebeurtenis waaraan een bovennatuurlijke oorsprong toegeschreven wordt
cud
/ˈwo.nə(n)/, /ˈʋo.nə(n)/, /ˈβ̞o.nə(n)/
verb
1. een permanente behuizing hebben
mieszkać
/ʋoːrt/, /ˈʋʊːrt/, /ˈβoːrd/, /ˈβoːrt/
noun
  1. 1. mannetjeseend
    kaczor
  2. 2. belofte
    słowo
  3. 3. het woord van god of de inhoud van de bijbel
    1. słowo boże
    2. słowo
    1. 1. spraakklank of betekeniseenheid die bestaat uit minimaal één vrij morfeem en minimaal nul gebonden morfemen
    2. 4. de natuurlijke eenheid van informatie voor een bepaalde computerarchitectuur
    1. słowo
    2. wyraz
/ˈwoːrtˌɑvbreːkɪŋ/, /ˈʋo̝ːrtˌɑvbreɪ̯kɪŋ/, /ˈβ̞oːrtˌɑvbreːkɪŋ/
noun
podział na sylaby
noun
1. de semantische inhoud van een woord
znaczenie słowa
/ˈʋɔːrdə(n)ˌbuk/
noun
1. een boek waarin de woorden en uitdrukkingen van een taal zijn gerangschikt met hun...
słownik
noun
słownictwo
noun
dobór słów
noun
1. categorie waarin bepaalde woorden naar gelang het grammaticale gebruik in onderverdeeld worden
część mowy
noun
1. persoon
rzecznik
/ʋɔrm/
noun
1. een betrekkelijk klein, lang, ongewerveld dier met een zacht lichaam
robak
noun
een hypothetische mogelijkheid binnen de ruimte-tijd
tunel czasoprzestrzenny
/ʋɔrp/
noun
  1. 2. het aantal jonge dieren dat een moederdier bij één dracht op de wereld zet
    miot
  2. 1. de handeling van het werpen van iets
    rzut
noun
1. een toegebonden eind darm of vlies dat gevuld is met vleeswaar
kiełbasa
/ˈʋɔrtəl/
noun
  1. 2. Ondergronds gedeelte van een plant
    1. korzeń
    2. rdzeń
  2. 1. Groente peen
    1. marchew
    2. marchewka
  3. 3. Getal
    1. pierwiastek
    2. korzeń
  4. 4. Woord
    1. rdzeń
    2. korzeń
/ʋʌʊ̯/, /β̞ʌːβ̞/
noun
  1. A 1. benaming voor roofvogels uit het geslacht Milvus
    kania
  2. B 1. bepaald soort plant, Reseda luteola
    rezeda żółtawa
noun
1. het vergelden van doorgemaakt lijden
zemsta
noun
wrak
noun
1. knobbeltje
  1. brodawka
  2. kurzajka
adjective
1. heel onvriendelijk
okrutny
noun
1. bovenkant van de voet tussen tenen en enkel
podbicie
verb
1.
mścić
noun
mściciel
verb
1. handeling
  1. trzeć
  2. pocierać
noun
tarcie
noun
1. oorspronkelijk een rol van twee ineengedraaide repen stof, gevuld met haar of wol, aangebracht bovenop de helm om vijandelijke slagen te breken
zawój
noun
1. Numenius arquata, een vogel uit de familie van de snipachtigen (Scolopacidae)
kulik wielki
pronoun
1. West-Germaanse taal die in het de Poolse plaats Wilamowice wordt gesproken
wilamowski
/ˈɪksɑs/
noun
1.
oś odciętych
/ˈɪkstralə(n)/
noun
1. röntgenstraling
promienie rentgenowskie
/ksenofɪˈli/
noun
1. het welgezind zijn jegens vreemdelingen of buitenlanders
ksenofilia
/ksenofoˈbi/
noun
1. een afkeer van alles wat vreemd of buitenlands is
ksenofobia
/ˈksenɔn/
noun
1. een scheikundig element en kleurloos edelgas met het symbool Xe en het atoomnummer 54
ksenon
noun
kserofit
/ˈkoːsa/
pronoun
1. een taal die in Zuid-Afrika gesproken wordt
Język xhosa
/ksiˈlem/
noun
1.
  1. drewno
  2. ksylem
/ˌksiliˈtɔl/
noun
1. een zoetstof die bereid is door hydrogenatie van xylose
ksylitol
noun
1. melodisch slaginstrument dat bestaat uit een reeks op toon gestemde hardhouten staafjes waar met kleine hamertjes op geslagen wordt
ksylofon
noun
1.
oś rzędnych
noun
  1. 1. een Angelsaksische lengtemaat (3 voet is 0,9144 m)
  2. 2. een Engelse vlaktemaat (12,14 ha)
jard
noun
1. de munteenheid van Japan
jen
/ˈjeti/
noun
1. een legendarisch monster met de bijnaam 'de verschrikkelijke sneeuwman' die voor zou komen in de Himalaya
yeti
/ˈjoxa/
noun
1. het streven om door lichamelijke en geestelijke methoden van concentratie...
joga
/ˈjɔxərt/, /ˈjɔχərt/
noun
1. lichtzuur en enigszins lobbig zuivelproduct,...
jogurt
noun
1. een beoefenaar van de yoga
jogin
noun
1. scheikundig element met symbool Yb en atoomnummer 70
iterb
noun
1.
itr
noun
1. een ronde nomadentent
jurta
/zaːt/
noun
  1. 2. zaadcellen uit de mannelijke geslachtsorganen van een mens of een dier
    nasienie
  2. 1. een bevruchte kiem waaruit een nieuwe plant van dezelfde soort groeit
    1. nasiono
    2. nasienie
/'zadlɛɪdər/
noun
nasieniowód
/zax/
noun
1. een stuk gereedschap met een scherp getand metalen blad om voorwerpen in stukken te verdelen
  1. piła
  2. piłka
noun
1. een uit houtvezels bestaande stof die ontstaat bij het zagen van hout
trociny
/'zaxsəl/
noun
1. een uit houtvezels bestaande stof die ontstaat bij het zagen van hout
trociny
verb
1. zaad strooien
siać
pronoun
2. boek in de Bijbel
Księga Zachariasza
adverb
1. gemakkelijk samen te drukken en/of te buigen
miękki
noun
zitplaats op dier of fiets
  1. siodło
  2. siodełko
/ˈza.ɣə(n)/, /ˈza.χə(n)/
verb
1. in stukken delen door middel van een zaag
piłować
/[ˈzɑː.greb]/
pronoun
1. hoofdstad van Kroatië
Zagrzeb
noun
  1. 2. een plek in kleding waarin kleine spullen kunnen worden meegedragen
    kieszeń
  2. 1. slappe, vormeloze tas
    worek
/ˈzɑgduk/
noun
1. een doek om de neus in te snuiten
  1. chusteczka do nosa
  2. chusteczka
/'zakəmɑn/
noun
1. iemand die met zakendoen zijn brood verdient
  1. biznesmen
  2. przedsiębiorca
noun
kieszonkowe
verb
2. niet slagen voor een examen
oblewać
noun
1. iemand die ongemerkt waardevolle zaken steelt
kieszonkowiec
noun
1. lamp op zakformaat
latarka
/ˈzɑkmɛs/
noun
1. een klein invouwbaar mes, vaak met extra gereedschappen
scyzoryk
noun
1. een woordenboek in klein formaat
słownik kieszonkowy
noun
smeerbare massa om op de huid aan te brengen
maść
phraseologicalUnit
1. een uitdrukking om iemand een gelukkige paasviering te wensen
Wesołych Świąt Wielkanocnych
noun
1. dwarshout dat het want spreidt
saling
/zɑlm/, /zɑɫm/
noun
1. benaming voor een aantal vissoorten uit de familie Salmonidae
łosoś
/zɑlvə(n)/
verb
2. het aanbrengen van een welriekende olie, meestal als inhuldiging in een politieke of religieuze hoedanigheid
namaszczać
/'zɑm.bi.ja/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel de Republiek Zambia, dat geheel door land wordt omsloten
Zambia
noun
1. losse massa die bestaat uit miljoenen stukjes steen en schelpen
  1. piasek
  2. piach
noun
1. een bak gevuld met zand om in te spelen
  1. piaskownico
  2. piaskownica
noun
1. benaming voor de zoetwatervis Sander lucioperca
sandarz
noun
1. bepaalde vaste plant die van nature in Noord-Europa en aan de West-Europese kusten voorkomt, Leymus arenarius
wydmuchrzyca piaskowa
noun
1. toestel waarmee de tijd wordt gemeten door zand uit het bovenste reservoir via een smalle doorgang naar het onderste reservoir te laten lopen
klepsydra
noun
piaskowiec
verb
1. schoonmaken met behulp van een straal tot hoge snelheid versnelde zandkorrels,...
piaskować
/ˈzɑŋər/
noun
1. een mannelijk iemand die zingt
śpiewak
noun
1. een vrouwelijk iemand die zingt
śpiewaczka
noun
1. Turdus philomelos, een lijstersoort die algemeen is in Nederland en Vlaanderen
drozd śpiewak
pronoun
1.
Saragossa
noun
1. een dag van de week die na vrijdag en voor zondag komt
sobota
/za.ˈiː.rə/
pronoun
Zair
noun
1. zwart-wit gestreepte paardachtige
zebra
noun
1. een patroon van witte strepen aangebracht op het wegdek ter aanduiding van een beschermde voetgangersoversteekplaats
przejście dla pieszych
/ze/, /zeː/
noun
1. uitgestrektheid zoutwater
morze
noun
1. op de zeebodem levend bolvormig stekelig ongewerveld diertje
jeżowiec
noun
1. smalle doorgang tussen twee zeeën
cieśnina
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Actiniaria
ukwiał
noun
1. bepaald soort roofvogel die in kustgebieden leeft, Haliaeetus albicilla
bielik
noun
1. het grondvlak van een zee
dno oceaniczne
noun
1. werktuig om grovere van fijnere bestanddelen te scheiden
sito
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de familie Phocidae
foka
noun
1. benaming voor op de op komkommers lijkende zeedieren uit de klasse Holothuroidea
strzykwa
noun
1. in zee levende kreeft
homar
/ˈzelɑnt/, /ˈzeːlɑnd/, /ˈzeːlɑnt/
pronoun
1. een provincie in het zuidwesten van Nederland, die aan Noord-Brabant, Zuid-Holland, België en de Noordzee grenst
Zelandia
noun
1. grote oorrob
lew morski
noun
1. bepaald soort karperachtiɡe zoetwatervis, Tinca tinca
lin
noun
marynarz
noun
1. mythisch zeewezen
  1. Syrena
  2. syrena
noun
1. benaming voor zeevogels uit de familie Laridae
mewa
noun
1. hoogte van de zeespiegel
poziom morza
noun
1. schuimverwerkend reinigingsmiddel
mydło
adjective
1.
mydlany
noun
1. bolvormig vlies van water en zeep dat een hoeveelheid gas (meestal lucht) omringt
bańka mydlana
adverb
1. in hoge mate
bardzo
noun
2. inwendige schelp van een zeekat (een tienarmige inktvis)
kość mątwia
noun
1. benaming voor schijfvormige zeedieren met vijf armen uit de klasse Asteroidea
rozgwiazda
/ˈzeʋatər/
noun
1. water waarin diverse zouten zijn opgelost en waarmee de zeeën gevuld zijn
woda morska
noun
1. in zee levend wier
wodorost
noun
1. misselijkheid als gevolg van de onregelmatige beweging van een schip
choroba morska
noun
ssak morski
/ˈzexəl/
noun
1. een middel om een voorwerp zodanig af te sluiten dat er later nagegaan kan worden of het geopend is
pieczęć
/ˈzeɣəɫˌrɪŋ/
noun
1. een ring die aan de rugzijde voorzien is van een gravure, waarmee een zegel kan worden gestempeld
sygnet
/ˈzeːɣə(n)/, /ˈzeːχə(n)/
noun
  1. 1. verlening van goddelijke of bovennatuurlijke bijstand
    błogosławieństwo
  2. 4. breed en naar verhouding niet erg hoog sleepnet
    niewód
verb
1. de zegen geven
błogosławić
noun
1. een geslacht van zowel bladverliezende als groenblijvende kruidachtige planten
turzyca
verb
1. mededelen
  1. powiedzieć
  2. mówić
noun
1. doek dat in een mast gehesen is met als doel wind te vangen
żagiel
noun
1. een boot waarmee gezeild kan worden
  1. kuter
  2. żaglówka
/ˈzɛɪlə(n)/
verb
1. voortgestuwd worden door de druk van de wind tegen een opgehouden zeil
żeglować
noun
1. een schip waarmee gezeild kan worden
żaglowiec
noun
1. maaiwerktuig met gebogen snijblad en lange stok
kosa
/ˈze.kər/
adjective
1. waaraan niet getwijfeld hoeft te worden
pewien
noun
1. elektronisch element ter voorkoming van een te grote stroom
bezpiecznik
adverb
1. bijzonder weinig voorkomend
rzadko
adjective
1. naar verhouding gering in aantal
  1. rzadko
  2. rzadki
/zɛlf/, /zɛɫf/
demonstrativePronoun
1. in eigen persoon
sam
noun
2. de mogelijkheid voor een volk om te bepalen onder welke soevereiniteit het wil vallen
samostanowienie
noun
samopylność
noun
zadowolenie z siebie
noun
1. beoordeling van het zelf, meestal gericht op dat wat verbeterd zou moeten worden
autokrytyka
/ˈzɛɫfmoːrt/
noun
1. handeling waarbij men een einde maakt aan zijn eigen leven.
samobójstwo
/'zɛlfpɔrtrɛt/
noun
1. een kunstwerk gebaseerd op de afbeelding van het eigen gezicht
autoportret
adverb
nawet
noun
1. woordsoort die een zekere mate van zelfstandigheid van het genoemde uitdrukt, in veel talen standaard gecombineerd met een lidwoord
rzeczownik
noun
1. verdediging van zichzelf
samoobrona
adjective
samozwańczy
noun
1. brief van een apostel of een geestelijke aan de gelovigen
epistoła
/zenɪt/
noun
1. het denkbeeldige punt loodrecht omhoog aan de hemelkoepel
zenit
noun
1. een onderdeel van het perifeer zenuwstelsel, bestaande uit gebundelde uitlopers van zenuwcellen
nerw
noun
1. het gehele zenuwsysteem
układ nerwowy
noun
1. het getal 6
  1. sześć
  2. sześcioro
/ˈzɛs.də/, /ˈzɛz.də/
ordinalAdjective
nummer zes in een rij
szósty
cardinalNumeral
1. het getal 36
trzydzieści sześć
cardinalNumeral
1. het getal 46
czterdzieści sześć
/zɛsɦuk/
noun
1. een geometrische tweedimensionale vorm, bestaande uit zes hoeken en derhalve ook zes zijden
sześciokąt
cardinalNumeral
1. het getal 16
szesnaście
ordinalAdjective
szesnasty
noun
1.
szesnastka
cardinalNumeral
1. het getal 60
sześćdziesiąt
ordinalAdjective
sześćdziesiąty
/zɛt/
noun
handeling gedurende een spelbeurt
ruch
noun
  1. 1. constructie bestemd om prettig op te zitten
  2. 2. lidmaatschap van een raad of vergadering met een beperkt aantal leden
  3. 3. plaats waar een organisatie gevestigd is
siedzenie
noun
skrobia
noun
1. een medicament in de vorm van een pil die via de anus toegediend wordt
czopek
noun
1.
skład
noun
1. vrouwelijk varken of everzwijn
  1. locha
  2. maciora
/zœys/
pronoun
1. Griekse oppergod
Zeus
/ˈzøvən/
cardinalNumeral
1. het getal 7
  1. siedem
  2. siedmioro
/ˈzøvən/
verb
1. de grote van de kleine deeltjes scheiden met behulp van een zeef
przesiać
/ˈze.vən.də/
ordinalAdjective
siódmy
/ˈzøvənənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 37
trzydzieści siedem
/ˈzøvənənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 27
dwadzieścia siedem
/ˈzøvənəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 47
czterdzieści siedem
noun
plant en kruid
kozieradka błękitna
noun
siedmiokąt
/ˈzøvənˌtin/
cardinalNumeral
1. het getal 17
siedemnaście
ordinalAdjective
siedemnasty
/ˈzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 70
siedemdziesiąt
adjective
widoczny
adjective
1. lichamelijke toestand
  1. chory
  2. chora
  3. chore
adjective
  1. 1. geneigd om vaak ziek te zijn
  2. 2. geestelijk ongezond
chorowity
/ˈzi.kǝn.ˌɦœʏs/
noun
1. instelling voor onderzoek, behandeling en verpleging van zieken
szpital
noun
1. een van de zeven sacramenten van de Rooms-Katholieke Kerk alsmede van de Orthodoxe Kerk dat door een priester wordt toegediend aan zieken die in doodsgevaar verkeren
namaszczenie chorych
noun
choroba
noun
choroba Crohna
noun
1. ziekte die het centrale zenuwstelsel steeds verder aantast
choroba Parkinsona
noun
patologia
/zil/
noun
1. het veronderstelde wezen van het niet-stoffelijke van de mens
dusza
verb
1. waarnemen met het oog
  1. widzieć
  2. dostrzegać
  3. patrzeć
/ˈzɪftə(n)/
verb
1. de grote van de kleine deeltjes scheiden met behulp van een zeef
przesiać
/siˈɣønər/
noun
Cygan
/sɛɪ̯/, /zɛɪ̯/, /zɛː/
personalPronoun
  1. 1. 3e persoon enkelvoud vrouwelijk
    ona
  2. 2. 3e persoon meervoud
    1. oni
    2. one
noun
  1. 1. kant
    1. bok
    2. strona
  2. 2. vezel van de cocon van de zijdevlinder
    jedwab
/ˈzɛɪdə(n)/, /ˈzɛːdə(n)/
adjective
  1. 1. van zijde, van zijdegaren vervaardigd
  2. 2. op zijde gelijkend
jedwabny
possessivePronoun
1. derde persoon enkelvoud m/o
  1. jego
  2. swój
verb
  1. 5. gelijk zijn aan.
  2. 1. bestaan
  3. 3. zich bevinden.
  4. 6. tot de groep behoren van
  5. 11. zijn + voltooid deelwoord: hulpwerkwoord van de voltooide tijd van de lijdende vorm
  6. 7. de eigenschap hebben.
  7. 10. zijn + voltooid deelwoord: hulpwerkwoord van de voltooide tijd van ergatieven
być
noun
1. een rivier die niet in zee maar in een andere rivier uitmondt
dopływ
noun
srebro
phraseologicalUnit
srebrny medal
noun
1. grote meeuwensoort
mewa srebrzysta
noun
1
siewnica
noun
1. benaming voor naaldbomen uit het geslacht Abies
jodła
/'zɪlvərvlisrɛist/
noun
rijst waarvan de zemelen en de kiem niet verwijderd zijn
ryż brązowy
/zɪm.ˈbɑ.b<sup>ʊ</sup>ə/, /zɪm.ˈbɑp.wə/
pronoun
land in zuidelijk Afrika, officieel de Republiek Zimbabwe
Zimbabwe
noun
1. een serie woorden die gezamenlijk in syntactisch verband een afgerond geheel vormen
zdanie
verb
1. het musiceren met de menselijke stem
  1. śpiewać
  2. zaśpiewać
noun
1. , een scheikundig element met symbool Zn en atoomnummer 30. Het is een blauw/wit overgangsmetaal
cynk
verb
1. in een vloeistof, meestal water, traag naar beneden zakken
  1. topić
  2. tonąć
/ˈzɪntœx/, /ˈzɪntœyx/
noun
1. orgaan
zmysł
/zijoˈnɪsmə/
noun
syjonizm
noun
1. scheikundig element met symbool Zr en atoomnummer 40
cyrkon
/zɪr'koːn/
noun
1. een mineraal
cyrkon
/ˈzɪ.tə(n)/
verb
1. op het zitvlak rusten
  1. siadać
  2. siedzieć
adverb
1. op die wijze
  1. dlatego też
  2. w ten sposób
conjunction
1. geeft aan welke gebeurtenis eerst moe(s)t plaatsvinden
jak tylko
verb
1. proberen te vinden
szukać
pronoun
1. Bantoetaal die door 12 miljoen mensen in Zuid-Afrika wordt gesproken
  1. zulu
  2. zuluski
verb
1. een vrij zacht continu geluid voortbrengen dat op de z-klank lijkt
bzykać
noun
1. het met de lippen aanraken van een persoon of een voorwerp
pocalunek
verb
1. met de mond liefkozen
całować
/ˈzut/
adjective
1. ter omschrijving van een vaak als aangename ervaren smaak zoals die van suiker
  1. słodki
  2. słodka
  3. słodkie
noun
1.
woda słodka
noun
1. een zetmeel houdende knol behorend tot dezelfde orde van planten als de aardappel
batat
/ˈzu.tə(n)/
verb
1. zoet maken
  1. słodzić
  2. cukrować
/ˈzuthʌʊt/
noun
1. Glycyrrhiza glabra, een plant die tot de vlinderbloemigen behoort
lukrecja
noun
zoetwater
słodka woda
/ˈzoːɣ.ə(n)/
verb
1. moedermelk geven
  1. karmić mlekiem
  2. wykarmić
/zo.ɣə.'namt/
adverb
1. naar (betwijfelde) bewering
tak zwany
/ˈzɔldər/
noun
3. ruimte onder een (schuin) dak
  1. strych
  2. poddasze
noun
1. door magie uit de dood teruggebracht persoon
zombi
noun
lato
noun
1. bepaald soort loofboom, Quercus robur
dąb szypułkowy
adjective
1. typerend voor de zomer
letni
noun
1. regeling waarbij de klok gedurende de lente- en zomermaanden een uur vooruit wordt gezet
czas letni
noun
1. de ster waar de planeet aarde omheen draait, hemellichaam dat de aarde overdag verlicht
  1. słońce
  2. Słońce
noun
1.
grzesznik
noun
1. een dag van de week die na zaterdag en voor maandag komt
niedziela
noun
1. overtreding van een goddelijke wet of regel
grzech
noun
  1. 1.
  2. 2.
kozioł ofiarny
preposition
1. In afwezigheid van
bez
/zɔndəɣə(n)/
verb
1. het overtreden van een religieuze wet
grzeszyć
noun
1. een catostrofale Bijbelse vloed
potop
/ˈzoːnə/
noun
1. bepaald gebied dat is afgebakend van aangrenzend gebied
strefa
/ˈzɔnəˌblum/
noun
1. bepaald soort tot 3 meter hoge plant met een grote gele bloem, Helianthus annuus
słonecznik
noun
1.
olej słonecznikowy
noun
1. substantie tegen verbranding van de huid
krem do opalania
noun
1. een bril met speciale glazen (dikwijls polaroid) om de ogen tegen het zonlicht te beschermen
okulary przeciwsłoneczne
noun
ogniwo słoneczne
noun
Pieśń słoneczna
/ˈzɔnəpɑˌnel/, /ˈzɔnəpɑˌnɪːɫ/
noun
1. een paneel dat stralingsenergie van de zon omzet in elektriciteit
panel fotowoltaiczny
noun
1. het licht dat van de zon afkomstig is
światło słoneczne
noun
1.
układ słoneczny
noun
1. magnetische onregelmatigheid aan de oppervlakte van de zon die vanaf de aarde te zien is als een wat donkere vlek
plama słoneczna
/ˈzɔnəˌwɛndə/, /ˈzɔnəˌʋɛndə/, /ˈzɔnəˌβ̞ɛndə/
noun
1. de gebeurtenis waarbij de zon, vanuit de aarde gezien, de meest noordelijke of zuidelijke positie (de keerkringen) bereikt
przesilenie
noun
zegar słoneczny
noun
1. de stroom deeltjes die de zon uitstraalt
wiatr słoneczny
adjective
1. zonovergoten, met zonneschijn
  1. słoneczny
  2. słoneczna
  3. słoneczne
/zɔn'zɔndərχɑŋ/
noun
1. het ondergaan van de zon
zachód słońca
/ˈzɔnsvərˌdœʏ̯stərɪŋ/, /ˈzɔnsvərˌdœːstərɪŋ/
noun
1. het verschijnsel dat de maan voor de zon langstrekt, waardoor het zonlicht geblokkeerd wordt
zaćmienie Słońca
/ˈzox.diːr/, /ˈzoːɣ.diːr/, /ˈzoχ.diːr/
noun
1. werveldier dat zijn jongen zoogt
ssak
noun
  1. 1. onderkant van de voet
  2. 3. onderkant van een schaaf
zelówka
/zoːn/
noun
1. een mannelijk kind
syn
adjective
1. met de nodige zorg
troskliwy
/zɑu̯t/
adjective
1. zout bevattend of zout smakend
słony
/zɑu̯t/
noun
1. alledaagse naam voor keukenzout
sól
verb
1. met zout conserveren
solić
/ˈzɑutˌvacə/
noun
2. tafelgereedschap dat het zout bevat en strooit
solniczka
noun
1. een oplossing
  1. kwas solny
  2. kwas chlorowodorowy
/ˈzo.zo/
adjective
tak sobie
noun
zoogeografia
noun
1. de wetenschap die de dieren bestudeert.
zoologia
/zoʔo'lox/
noun
1. een wetenschapper die zich bezig houdt met de studie van dieren.
zoolog
noun
1. hoorbare uitademing
westchnienie
/zœʏ̯t/, /zœːd/, /zœːt/
adverb
południe
/zœʏ̯t.'a.fri.ka/, /zœː'.dɑ.fri.ka/, /zœːt.'a.fri.ka/
pronoun
land in het zuiden van Afrika
  1. Republika Południowej Afryki
  2. Afryka Południowa
adjective
1.
południowoafrykański
/ˌzœʏ̯t aˈmɪːrika/, /ˌzœːd aˈmeːrika/
pronoun
een continent dat ten zuiden van Noord-Amerika ligt, tussen de Grote en de Atlantische Oceaan
Ameryka Południowa
/zœʏ̯.ˈtɔ.lɑnt/, /zœːt.ˈɦɔ.lɑnt/, /ˈzœːd.hɔ.lɑnd/
pronoun
1. een provincie in het zuidwesten van Nederland, die aan Noord-Holland, Utrecht, Gelderland, Noord-Brabant, Zeeland en de Noordzee grenst
Holandia Południowa
/ˌzœʏ̯t koˈre.ja/, /ˌzœːt koˈre.ja/
pronoun
1. en 2., land en republiek in Azië
  1. Korea, Republika
  2. Korea Południowa
/ˌzœʏ̯t koreˈjans/, /ˌzœːt koreˈjaːns/
adjective
1.
południowokoreański
/ˈzœy̯.də(n)/
noun
południe
adverb
południowy wschód
/ˈzœy̯.ɣə(n)/
verb
  1. 1. (met de mond) naar zich toe trekken
    ssać
  2. 2. de moedermelk in zich opnemen
    ssać pierś
noun
tłok
/ˈzœʏ̯.nəχ.ˌɦɛɪ̯t/, /ˈzœː.nəx.ˌɦɛːt/, /ˈzœː.nɪx.ˌhɛɪ̯d/
noun
1. het zuinig zijn
oszczędność
verb
1. zwaar of gulzig drinken
chlać
noun
1. verzamelnaam voor melkproducten
nabiał
verb
1. van verontreinigingen ontdoen
oczyszczać
noun
1. en 2. een geslacht van meest overblijvende, kruidachtige planten uit de duizendknoopfamilie...
szczaw
noun
1. een ander kind van dezelfde ouders van het vrouwelijk geslacht
siostra
noun
1. vrouwelijk kind van dezelfde ouders
siostra
/zyːr/
adjective
1. een smaak hebbend zoals van citroensap of azijn
kwaśny
/zyːr/
noun
1. zure vloeistof
kwas
noun
1. fijngesneden en licht gezouten kool die enige tijd gefermenteerd is
  1. kapusta kiszona
  2. kapusta kwaszona
/ˈzyːrstɔf/
noun
1. een scheikundig element en een bij kamertemperatuur kleurloos twee-atomig gas O₂
tlen
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Łabędź
/zʋan/
noun
1. benaming voor watervogels met lange sierlijke hals uit het geslacht Cygnus
łabędź
adjective
van groot gewicht
ciężki
noun
1. water waarin de waterstofatomen vervangen zijn door de waterstofisotoop deuterium
ciężka woda
noun
1. een lang, scherp wapen
miecz
noun
1.1 bepaald soort zeevis, Xiphias gladius
  1. miecznik
  2. włócznikowate
noun
1. Orcinus orca, een soort van walvis, vrij gedrongen van bouw en een opvallende rugvin
orka
noun
1. de kracht die de wederzijdse aantrekking van massa veroorzaakt
grawitacja
/ˈzwɑxtəl/
noun
bandaż
/ˈzʋa.ɣər/
noun
szwagier
/zʋɑk/
adjective
  1. słaby
  2. słaba
  3. słabe
noun
1. benaming voor trekvogels uit de familie Hirundinidae
jaskółka
adjective
1. de toestand waarin een vrouw verkeert wanneer er in de baarmoeder een bevruchting heeft plaatsgevonden
w ciąży
noun
1. de tijd dat een vrouw een ongeboren kind met zich draagt
  1. ciąża
  2. brzemienność
noun
2. produkt dat via de urine tekenen van een zwangerschap onthult
test ciążowy
adjective
1. kleur die wordt waargenomen als iets helemaal geen licht weerkaatst of uitstraalt
  1. czerń
  2. czarny
noun
1. gebied van de ruimte-tijd waaruit niets, zelfs geen licht kan ontsnappen omdat de zwaartekracht te sterk is
czarna dziura
noun
1. betaalmiddelen die afkomstig zijn uit belastingontduiking of onwettige handel
brudne pieniądze
noun
1. vruchtje van Ribes nigrum
czarna porzeczka
noun
1.
sosnówka
noun
1.
bocian czarny
noun
1. gepelde, ongepolijste zaden van specifieke rijstsoorten (Oryza sativa), met een heel donkere kleur
czarny ryż
noun
1.
dzięcioł czarny
pronoun
1. gebergte in het zuidwesten van Duitsland
  1. Czarny Las
  2. Schwarzwald
pronoun
1. de zee die ligt ingeklemd tussen Europa en Klein-Azië
Morze Czarne
noun
1. bepaald soort zee-eend, Melanitta nigra
markaczka
noun
1. bepaald soort vogel, Sylvia atricapilla
juodagalvė devynbalsė
/zʋavəl/
noun
1. scheikundig element met symbool S en atoomnummer 16
siarka
noun
1. een sterk zuur bestaande uit zwavel, waterstof en zuurstof met een wateronttrekende en bijtende werking
kwas siarkowy
/ˈzweːdə(n)/, /ˈzʋedə(n)/, /ˈzβ̞eːdə(n)/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa, grenzend aan Noorwegen en Finland. De officiële naam is het Koninkrijk Zweden (Konungariket Sverige)
Szwecja
/zweds/, /zʋets/, /zβ̞ets/
adjective
1. betreffende Zweden of het Zweeds
szwedzki
/zweds/, /zʋets/, /zβ̞ets/
pronoun
1. een Germaanse taal die wordt gesproken in Zweden en Finland
szwedzki
noun
1. toestel met vleugels dat zich ongemotoriseerd door de lucht verplaatst door gebruik te maken van opstijgende luchtstromingen
szybowiec
noun
1. een handwapen in de vorm van een lang ineengedraaid stuk leer dat met een zwiepende beweging pijnlijke slagen uit kan delen
  1. bat
  2. bicz
noun
1.
wrzód
noun
1. vocht dat door de huid wordt uitgescheiden als koeling en middel om sommige afvalstoffen kwijt te raken
pot
noun
1.een klier in het lichaam dat zweet produceert
gruczoł potowy
/ˈzwɛmbɑd/, /ˈzʋɛmbɑt/, /ˈzβ̞ɛmbɑt/
noun
1. een bassin om in te zwemmen
  1. basen pływacki
  2. basen
noun
1. kledingstuk voor mannen dat gebruikt wordt om in te zwemmen
kąpielówki
noun
1. kledij bedoeld voor het baden en zwemmen
  1. kostium kąpielowy
  2. strój kapielowy
verb
1. zich gecoördineerd door het water voortbewegen
pływać
noun
grzybica stóp
/zʋɛrm/
noun
1. een grote groep gezamenlijk op- en rondtrekkende personen, dieren of zaken, gewoonlijk vogels of insecten
rój
/'zʋevɪŋ/
noun
1. een geluidsverschijnsel dat veroorzaakt wordt door de interferentie van twee tonen met een gering verschil in toonhoogte
dudnienie
noun
1. klierachtig, hormoonvormend orgaan
grasica
verb
1. ervan afzien te spreken
milczeć
adjective
1. weinig sprekend
małomówny
noun
1. een varken
świnia
/ˈzʋɛinəstɑl/
noun
1. ruimte bestemd voor de huisvesting van varkens; 2. (figuurlijk) vuile boel
chlew
/ˈzwɪtsər/, /ˈzʋɪtsər/, /ˈzβ̞ɪtsər/
noun
1. een inwoner van Zwitserland, of iemand afkomstig uit Zwitserland
Szwajcar
/ˈzwɪtsərˌlɑnd/, /ˈzʋɪtsərˌlɑnt/, /ˈzβ̞ɪtsərˌlɑnt/
pronoun
1. een soeverein land in het zuiden van Centraal-Europa met als hoofdstad Bern en als officiële talen het Duits, het Frans, het Italiaans en het Reto-Romaans
Szwajcaria
pronoun
Zurych
interjection
1. inleiding op een opmerking die met het voorgaande verbonden is
à propos
/ˈɔŋstrøm/
noun
1. lengtemaat met een waarde van 10-10 m
angstrem
/eːn/
cardinalNumeral
1. de inhoud van de kleinste niet-lege verzameling
jeden
/eːn/
noun
1. het getal 1
jedynka