noun
(informatica) een apparaat dat driedimensionale objecten kan maken door laagje voor laagje materiaal aan te brengen
impressora 3D
/
aka'pɛla/
adverb
1. zonder instrumentale begeleiding
a cappella
noun
1. streling, liefkozing
curso
verb
1. zachtjes strelen
acariciar
noun
1. lang vaartuig met een platte bodem en een brede boeg
barcaça
noun
- 3. paling
- 4. kleine en jonge paling
enguia
noun
1. bepaald soort struik met eetbare rode bessen Ribes rubrum
groselha
noun
1. een struikachtige plant waarvan de aalbes de vrucht is
groselheira
noun
1. geestelijke voor militairen, gevangenen en leden van jeugdbewegingen
esmoler
noun
1.bepaald soort plant, Artemisia absinthium
absinto (planta)
noun
1. benaming voor vogels uit het geslacht Phalacrocorax
mergulhão
cormorão
pronoun
1. stad in de Belgische provincie Oost-Vlaanderen
Aalst
noun
1. knobbelachtige zwelling van aders in het onderste deel van de endeldarm en in de anus
hemorróidas
noun
2. knobbelachtige zwelling van aders in het onderste deel van de endeldarm en in de anus
hemorróidas
adjective
1. (predicatief) actief, in bedrijf
a
preposition
1. verbonden met, tegen, tegenaan
acesa
noun
1. het smeedblok waarop de smid het gloeiend metaal smeedt
bigorna
noun
1. een eerste betaling bij het kopen van iets op afbetaling of in termijnen
arras penitenciais
verb
- 1. over iets of iemand bij iemand (positief) vertellen en adviseren om datgene/diegene te gebruiken/in te schakelen
- 2. aanprijzen
recomendar
adjective
1. een aanbeveling verdienend
recomendável
noun
recomendaçõe
recomendação
verb
- 1. vereren van een god of heilige door daar een gebed aan te richten
- 2. een persoon op hogere waarde inschatten
adorar
noun
1. iets voordelig te koop aanbieden
proposta
verb
- 1. ergens naar blaffen
- 2. iemand toesnauwen
ladrar
noun
1. een aanbieding
fornecimento
verb
2. beginnen van tijd
amanhecer
noun
1. gerichte belangstelling of interesse
atenção
adverb
1. met belangstelling, met aandacht, met interesse
atento
noun
1. vrouw in de media die teveel belust is op aandacht
biscoiteiro
noun
1. eigenaar van aandelen, actionaris
accionista
noun
1. een houder van één of meer bewijzen van aandeel
accionista
acionista
noun
1. de handel in aandelen in het algemeen
mercado de ações
noun
1. het totaal van aandelen die iemand beheert
lota de acções
noun
- 1. een herinnering
- 2. een object ter herinnering ergens aan
lembrança
verb
2. doen bewegen
accionar
verb
2. iets proberen te verkrijgen
insistir
verb
1. vaster drukken
apertar
/
'ʔan.dɵr.və(n)/
verb
1. Moed hebben
ousar
verb
1. vaster duwen
apertar
noun
1. iets dat belachelijk of schandelijk is
piada
adjective
1. bij de geboorte verkregen eigenschappen
inato
conjunction
1. geeft onderschikkend een reden aan
porque
pois
visto que
adjective
1. rechtstreeks grenzend aan iets anders
contíguo
noun
1. een letterlijke passage die door iemand anders aangehaald wordt uit een bron
citação
noun
1. leesteken om geciteerde woorden van die van de auteur te onderscheiden
aspas
noun
2. rijdend object dat achter de auto gehangen kan worden voor het vervoeren van goederen.
adepto
noun
1. de mate waarin een mens of dier trouw en toegenegen is
apego
verb
- 1. enteren
abalroar
- 2. aanspreken
- 3. aanhaken, aansluiten
abordar
verb
1. een bestemming bereiken
chegar
noun
1. de bestemming bereiken, het aankomen
chegada
verb
1. bekendmaken
anunciar
noun
1. datgene wat men aankoopt
aquisição
noun
1. datgene wat iets tot gevolg heeft
motivo
noun
3. een loop of tred voorafgaand aan een sprong, duik, enzovoort
elã
verb
1. een bepaalde substantie produceren
fabricar
verb
1. moed inspreken
recomendar
noun
1. het inspreken van moed
estimulação
/
ˈaːneːmər/
noun
1. iemand die een (bouw)werk uitvoert tegen een bepaalde prijs
pedreiro
noun
1. manier van aanpakken
abordagem
verb
- 1. aanvatten
agarrar
- 3. een probleem oplossen
combater
adjective
1. in staat om zich aan te passen
adaptável
/
ˈaːmpɑsə(n)/
verb
1. aansluiten, voegen naar, bruikbaar maken
adaptar
noun
2. het zich aanpassen
adaptação
/
ˈanrakˌsxɛrm/, /
ˈanrakˌsχɛrm/
noun
1. een beeldscherm dat ook als invoerapparaat voor een computer kan worden gebruikt door het scherm aan te raken.
ecrã táctil
tela sensível ao toque
verb
1. fysiek contact maken met iets
tocar
noun
- 1. aanvaller
- 2. een persoon, in de regel van het mannelijke geslacht die iemand anders aanvalt om seksuele redenen
agressor
noun
3. een fysieke aanval op iemand met als doel seksuele handelingen af te dwingen
agressão sexual
noun
4. terroristische aanval
atentado
adjective
1. verantwoordelijk, om vergoeding of betaling aangesproken kunnen worden
responsável
noun
obrigação
responsabilidade
noun
1. apparaatje om vuur te maken
isqueiro
acendedor
noun
1. benoeming in een functie, dienst etc.
designação
verb
1. veroorzaken
instigar
noun
1. een telbare hoeveelheid
número
quantidade
verb
1. (langzaam) beschadigen, aangrijpen
afetar
adjective
1. mogelijk om aan te tonen
demonstrável
adjective
1. bekoorlijk
atraente
verb
- 1. dankzij een kracht objecten naar zich toe doen bewegen
- 2. aanlokken
atrair
- 3. kleding aandoen
- 4. een opwaartse trend, een stijgende lijn vertonen
vestir
verb
2. accepteren, in bezit ontvangen
aceitar
noun
1. een poging de tegenpartij geweld aan te doen of van zijn positie te beroven
ataque
noun
- 1. iemand die aanvalt
- 2. een persoon in de voorste linie
agressor
verb
1. beginnen, starten
começar
adjective
1. in het begin
inicial
adverb
1. in het begin
inicialmente
noun
1. werkwoordswijs van mogelijkheid
conjuntivo
noun
1. een bevelhebber, een leider
líder
noun
1. verzoek, vaak min of meer officieel
requisição
/
ˈanvʏlə(n)/
verb
1. het ontbrekende bijvoegen
reabastecer
adjective
1. die of dat aanvult
adicional
noun
1. het aanwezig zijn op een bepaald tijdstip en plaats
presença
noun
- 1. het aanwijzen
- 2. vingerwijzing
dica
adjective
1. voornáám, groot
considerável
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de orde der primaten
macaco
noun
- 1. bloeiwijze van granen
- 2. bovenste deel van de halm van gras- of graangewassen
espiga
noun
1. bepaald soort plant, Solanum tuberosum
batata
batatinha
/
ˈardɑˌpəɫpyˈre/
noun
1. een puree van zeer fijn gemaakte, met melk aangemengde aardappels
puré de batata
noun
1. een salade die gemaakt wordt uit aardappelen
salada de batata
/
\ˈaːrt.bɛi̯\/
noun
2. eetbare vrucht van planten uit het geslacht Fragaria
morango
morangueiro
noun
1. bepaald soort plant, Arbutus unedo
medronheiro
êrvedo
ervedeiro
medronheiro-comum
meródios
êrvodo
noun
1. een schokkende of trillende beweging van een gedeelte van de aardkorst, meestal te wijten aan ...
terremoto
tremor de terra
sismos
/
ˈardə/
noun
- 1. planeet
- 2. grond
terra
verb
1. zich thuis voelen, wennen, gewoon worden
acostumar
/
artxɑs/
noun
1. een gas dat uit de aarde komt en dat grotendeels uit methaan bestaat
gás natural
noun
1. het ontginnen van aardgas
extracção de gás natural
/
ˈart.kɔrst/
noun
1. het buitenste gedeelte van de planeet Aarde
crosta terrestre
noun
1. bepaling van de afmetingen van de aardbol
geodésia
noun
1. Microtus agrestus, een zoogdier uit de orde van knaagdieren
arvícola
/
ˈaːrtoliproˌdʏkt/
noun
1. verhandelbaar resultaat van het bewerken van aardolie
produtos petrolíferos
/
ˈartpɪːr/
noun
bepaald soort zonnebloem, Helianthus tuberosus
tupinambo
/
ˈardrɛiksˌkʏndə/
noun
geografia
adjective
1. betrekking hebbende op de aarde, tot de aarde behorend
terrestre
/
ˈaːrtfɑrkə(n)/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Orycteropus afer
porco-da-terra
oricteropo
noun
1. het naar beneden schuiven van een grote massa grond
lavada
pronoun
1. een Waalse provinciehoofdstad
Arlon
noun
1. en 2. (blaadjes van) de plant Mentha spicata
hortelã-verde
noun
1. bepaald soort parasitaire, maar onschadelijke rondworm van ca. 5–10 mm lengte, Enterobius vermicularis
oxiúro
/
ˈaːrz.bɪz.dɔm/, /
ˈaːrʦ.bɪs.dɔm/, /
ˈaːrʦ.bɪz.dɔm/
noun
1. het belangrijkste gebied van een kerkprovincie, dat geleid wordt door de aartsbisschop.
arquidiocese
/
ˈaːrzbɪsxɔp/, /
ˈaːrʦbɪsxɔp/, /
ˈaːrʦbɪsχɔp/
noun
1. de voornaamste bisschop van een kerkprovincie.
arcebispo
/
ˈaːrz.di.jo.ˌses/, /
ˈaːrʦ.di.ʲo.ˌses/
noun
1. het belangrijkste gebied van een kerkprovincie, dat geleid wordt door de aartsbisschop.
arquidiocese
noun
1. een hemelgeest in een rang boven een engel
arcanjo
noun
1. een keizerlijke prins in het vroegere Oostenrijk-Hongarije
arquiduque
grão-duque
noun
1. adellijke titel, vrouw van een aartshertog
arquiduquesa
/
'artsvɛɪɑnd/
noun
arquiinimigo
/
ˈarzələ(n)/
verb
1. onzeker zijn, twijfelen
hesitar
adjective
1. aarzelend
hesitante
noun
1. onzekerheid, twijfel, weifel
hesitação
/
'as.xir/
noun
1. bepaald soort roofvogel, Neophron percnopterus
abutre-do-Egipto
pronoun
1. een stad in de Belgische provincie Henegouwen
Ath
noun
- Bepaald soort bananenplant, Musa textilis
- Vezels van Musa textilis
abacá
/
ˈɑbɑkʏs/
noun
- 1. raam met staven
- 2. dekplaat van een kapiteel
ábaco
pronoun
1. West-Kaukasische taal gesproken in Rusland en Turkije
língua abaza
adjective
1. betrekking hebbend op een abt of een abdij
abacial
noun
1. het inkorten van een woord of een frase
abreviatura
noun
1. een ophoping van pus in het lichaam, daarbij een onnatuurlijke holte vormend
abscesso
/
ɑpˈxazis/
pronoun
1. een taal die in Abchazië gesproken wordt
língua abcázia
abcaz
/
ɑbˈdɛɪ̯/, /
ɑbˈdɛː/
noun
1. klooster met aan de leiding een abt of abdis
abadia
/
ɑbˈdɪs/
noun
1. bestuurster van een abdij.
abadessa
/
ˌɑbdoʊmiˈnaːɫ/
adjective
1. de onderbuik betreffend
abdominal
verb
1. van de middellijn af bewegen
abduzir
adjective
1. afwijkend van de norm
aberrante
/
ˌɑb.la.ˈtif/, /
ˌɑb.la.ˈtiːf/
noun
1. de zesde naamval die onder meer de instantie aangeeft waarvan iets uitgaat of vertrekt
ablativo
/
ˈɑb.laut/, /
ˈɑp.lɔut/, /
ˈɑp.lʌut/
noun
1. regelmatige, grammaticaal bepaalde klinkerwisseling
apofonia
noun
1. onregelmatigheid
anormalidade
/
ɑbomɪˈnabəl/
adjective
bijzonder slecht
abominável
/
ɑbɔ'ne/
noun
1. iemand die op iets geabonneerd is
assinante
/
ɑbɔ'nerə(n)/
verb
1. een abonnement aangaan
assinar
noun
1. oorspronkelijke bewoner van Australië
aborígene
aborígine
verb
1. een foetus weghalen
abortar
noun
1. (medisch) schaafwond, afkrabbing
abrasão
/
ɑp'rʏpt/
adverb
1. onverwachts optredend
abrupto
noun
1. de afstand tot de opstaande as van een coördinatenstelsel
abscissa
abcissa
verb
1. met behulp van een touw van een steile wand afdalen
rapelar
/
ɑp'sɪnt/
noun
1. sterkedrank op basis van anijs
absinto
noun
bepaald soort plant, Artemisia absinthium
absinto (planta)
absinto
noun
1. grootte van een reëel getal of lengte van een andere grootheid
valor absoluto
/
ɑpso'lysi/
noun
1. het vergeven van de zonden
absolvição
/
ɑpso'lyt/
adjective
- 1. niet beschouwd in betrekking tot iets soortgelijks
- 2. volledig, volkomen
- 3. beslist, zeker
- 4. geheel onafhankelijk en zonder binding met iets of iemand anders
absoluto
/
ɑpsɔr'berə(n)/
verb
absorver
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Abstatt
/
ɑp'strɑksi/
noun
1. een begrip dat los staat van de dagelijkse werkelijkheid
abstração
verb
1. concretiseren
abstrair
/
ɑpsʏrt/
adjective
1. erg onlogisch, belachelijk
absurdo
/
ɑb/, /
ɑpt/
noun
1. het hoofd van een abdij
abade
/
ɑkɑ'demis/
adjective
platónico
noun
tak van de zoölogie die zich bezighoudt met de studie van mijten en teken
acarologia
noun
1. toename van de snelheid
aceleração
noun
- 2. een teken dat op een klinker kan worden geplaatst
acento
- 1. de manier waarop iemand de klanken uitspreekt
sotaque
/
ɑk.sep.ˈtaː.tʃi/
noun
1.
aceitação
verb
1. aan een andere omgeving wennen
aclimatar
aclimar
noun
- 1. voorzieningen ten behoeve van ...
- 2. aanpassing
acomodação
noun
1. een muziekinstrument waarbij door trekken en duwen een toon wordt geproduceerd
acordeão
sanfona
verb
1. een officieel stempel van goedkeuring aan iets of iemand verlenen
acreditar
noun
1. een toestel om elektriciteit op te slaan
acumuladores
acumulador
noun
1. ophoping van stoffen
acumulação
noun
1. toestel dat de opeenhoping van elektrische lading mogelijk maakt
acumulador
noun
1. bepaald soort plant, Malpighia emarginata
acerola
noun
1. een ester of zout afgeleid van azijnzuur
acetato
noun
1. kleurloze, vluchtige, sterk riekende vloeistof die als oplosmiddel wordt gebruikt met als chemische formule: C₃H₆O
acetona
/
ˌɑsəˈtilxoˌlinə/, /
ˌɑsəˈtiɫχoˌlinə/, /
ˌɑsɛˌtylxoˈlin(ə)/
noun
1. een neurotransmitter die vooral betrokken is bij de impulsoverdracht van de zenuw naar de skeletspiercellen
acetilcolina
/
ˌɑ.sə.ti.ˈlen/
noun
1. een verbinding van waterstof en koolstof met de samenstelling H₂C₂, die als gasvormige brandstof voor het vormen van hete vlammen gebruikt wordt
acetileno
/
xxxx/
noun
1.
ácido acetilsalicílico
pronoun
1. figuur uit de Griekse mythologie
Aquiles
noun
1. kwetsbare plaats
calcanhar de Aquiles
cardinalNumeral
1. het getal 8
oito
/
ˈɑxtbaːn/
noun
1. een attractie met een karretje dat over een baan met bochten, stijgingen en dalingen rijdt
montanha-russa
noun
1. gebrek aan aandacht voor mogelijke problemen
negligência
cardinalNumeral
1. het getal 38
trinta e oito
ordinalAdjective
1. nummer achtendertig in een rij
trigésimo oitavo
cardinalNumeral
1. het getal 98
noventa e oito
cardinalNumeral
1. het getal 88
oitenta e oito
cardinalNumeral
1. het getal 28
vinte e oito
cardinalNumeral
1. het getal 48
quarenta e oito
cardinalNumeral
1. het getal 58
cinqüenta e oito
cardinalNumeral
1. het getal 68
sessenta e oito
adverb
1. in de laatste of een van de laatste posities in een rangschikking, op een verder weg liggende plaats
atrás
noun
1. de bank in het achterste deel van een voertuig
banco de trás
noun
1. de indirecte oorzaak van actualiteiten
fundo
plano de fundo
/
ˈɑxtərklɛɪŋkɪnt/
noun
1. het kind van iemands kleinkind
bisneta
/
ˈɑxtərklɛɪ̯nzon/
noun
1. de zoon van iemands kleinkind
bisneto
verb
1. dumpen, weggaan van, verlaten
deixar
adjective
1. achterstand vertonend in de ontwikkeling
retardado
noun
1. achterste begrenzing van het speelveld
linha de fundo
/
ɑxtər'na/
adverb
1. iemand of iets volgend
detrás
noun
1. een naam die van geslacht op geslacht en indien gewenst door het huwelijk overgedragen wordt
sobrenome
noun
1. de achterzijde van een schip
popa
adverb
1. in achterwaartse richting
atrás
noun
1. een spiegel aan een auto of motorfiets waarmee men de situatie op de weg achter zich kan zien
espelho retrovisor
/
'ɑx.tər.vux.səl/
noun
1. een woorddeel dat achter de stam van een woord gevoegd wordt
sufixo
verb
1. iemand inhalen
perseguir
noun
1. een vorm met acht hoeken
octógono
/
ɑxt'ɦukəx/
adjective
1.
octogonal
/
ˈɑxtˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 800
oitocentos
cardinalNumeral
1. "18", het getal tussen zeventien en negentien
dezoito
ordinalAdjective
décimo oitavo
/
ˌasidiˈtɛɪt/
noun
1. de zuurgraad, geeft aan hoeveel H+ er in een oplossing voorkomt
acidez
noun
- 1. in de Rooms-katholieke Kerk een misdienaar die ouder is dan 16 jaar
- 2. aanhanger
acólito
pronoun
1. begripomschrijving
Aconcágua
pronoun
1. braziliaanse deelstaat gelegen in de Regio Noord van het land. Hoofdstad is Rio Branco
Acre
noun
1. blauwkleuring van handen, voeten
acrocianose
noun
acrilonitrila butadieno estireno
/
ɑkˈtør/
noun
1. persoon
actor
ator
adjective
1. met iets bezig zijnde
ativo
noun
grupos de intervenção
noun
1. Scheikundig element
actínio
noun
1. in geld uitgedrukte waarde van de bezittingen van een onderneming
activo
verb
1. werkzaam maken
activar
noun
1. iets waarmee men actief is
atividade
noun
1. bedrijvende vorm
voz ativa
/
ɑktyˈwel/
adjective
atual
corrente
em curso
actual
noun
1. een Chinese behandelingsmethode waarbij, ter genezing van een kwaal...
acupuntura
/
aˈkyt/
adjective
1. plots ontstaan, op korte termijn verlopend
agudo
/
ˈadɑmzɑpəl/
noun
deel van het strottenhoofd bij de man
maçã-de-adão
noun
1. aanpassingsvermogen
adaptação
noun
- 1. gifslang
vibora
víbora
- 2. persoon
víbora
noun
1. chemisch product
aditivos
adjective
1. toegevoegd
adicional
noun
1. bevoorrechte groep personen
nobreza
noun
1. benaming voor sommige soorten grote roofvogels
águia
/
ˈa.də.mə(n)/
verb
1. de voor het leven nodige lucht inzuigen en weer uitdrijven
respirar
noun
1. door levende wezens ingezogen en uitgeblazen lucht
respiração
noun
1. (lymfe)klierontsteking
adenite
noun
1. goedaardig klierweefselgezwel
adenoma
noun
1. virus dat verkoudheden veroorzaakt
adenovírus
/
a.de.'kʋat/
adverb
1. correct en passend bij het beoogde doel
adequado
adequada
noun
1. bloedvat met zuurstofarm bloed
veia
/
ˈadərlatə(n)/
verb
sangrar
/
ˈa.dər.la.tɪŋ/, /
ˈaː.dər.laː.tɪŋ(g)/
noun
- 1. (medisch) de handeling van het aderlaten
- 2. (figuurlijk) een groot verlies
sangria
noun
1. de afkorting voor Attention Deficit Hyperactivity Disorder,...
TDAH
/
ɑtˈhezi/
noun
- in te delen vertalingen
- 2. onderlinge aantrekkingskracht tussen ongelijke moleculen zonder dat er sprake is van een chemische binding
- 1. een vergroeiing van organen
adesão
noun
1. een woordsoort dat wordt gebruikt om een eigenschap of hoedanigheid van een zelfstandig naamwoord te benoemen
adjectivo
noun
1. toevoegsel
adjuvante
/
ɑtmənɪstra'tør/
noun
1. iemand die de administratie
administrador
/
ˌɑtminɪsˈtrasi/, /
ˌɑtminɪsˈtratsi/
noun
3. bestuur
administração
noun
1. opperbevelhebber van een oorlogsvloot
almirante
noun
1. de reciproke complexe impedantie
admitância
noun
1. jeugdig persoon, puber
adolescente
verb
1. een kind aannemen
adotar
verb
1. aanbidden, verafgoden, vereren
adorar
/
aˈdrɛs/
noun
1. aanduiding van de plaats waar iemand woont of iets is gevestigd
endereço
noun
1. een boek met alfabetisch en/of systematisch geordende adressen
agenda telefônica
pronoun
1. randzee van de Middellandse Zee, gelegen tussen Italië en het Balkanschiereiland
Mar Adriático
noun
1. een fenomeen dat optreedt aan het grensvlak van twee fasen, waarbij moleculen of atomen zich aan dit grensvlak hechten
adsorção
adjective
1. bijtend of samentrekkend
adstringente
adjective
1. bijtend of samentrekkende stof, veelal gebruikt om bloeding of vochtafscheiding...
adstringente
/
a.ˈdu.ki.ˌbon/
noun
1. bepaald soort kleine, rode sojaboon, Phaseolus angularis
feijão-azuqui
/
ɑtˈfɛnt/
noun
1. een periode van vier weken voor Kerstmis 2. de tijd waarin de komst en wederkomst van Jezus Christus worden verwacht
Advento
advento
noun
1. de kalender bestaat vaak uit een platte kartonnen doos waarin 24 genummerde vakjes zijn aangebracht
calendário de natal
noun
1. een aankondiging in een krant, reclameblad, tijdschrift ...
anúncio
/
ɑtfiˈzerə(n)/
verb
1. raad geven aan
aconselhar
noun
1. pleiter, verdediger in rechtszaken
advogado
noun
1. vrouwelijke advocaat
advogada
noun
1. inslikken van lucht
aerofagia
adjective
1.
aeróbico
aeróbica
/
ˌæːroˈzol/, /
ˌɛːroˈzɔɫ/
noun
- in te delen vertalingen
aerosol
- 2. scheikunde
aerossol
adverb
1. op onregelmatige tijden
de vez em quando
às vezes
noun
1. het onvermogen te spreken
afasia
noun
1. een grafisch beeld
imagem
noun
1. chemisch product voor het zeer drastisch schoonmaken bijv
decapante
noun
1. het kunnen breken van een molecuul in kleinere atomen of moleculen
decomponibilidade
/
ˈɑfdelɪŋ/
noun
1. groep van werknemers die aan soortgelijke taken werken
departamento
verb
1. door onderhandelen een prijs omlaag zien te krijgen
barganhar
verb
- 1. onder dwang iets verkrijgen
- 2. via de wet of regels iets bewerkstelligen
- 2. onweerlegbaar iets bewerkstelligen
forçar
verb
1. verbranden van overtollig gas via een hoge fakkel
chaminés
noun
1. een gebonden morfeem dat aan een ander morfeem wordt toegevoegd om zo een nieuw woord te vormen
afixo
/
ˌɑfriˈkat/
noun
1. een combinatie van twee medeklinkers, waarvan de eerste een plosief...
africada
verb
2. afgeschoten worden
explodir
noun
1. iemand die als officiële vertegenwoordiger naar een andere partij gestuurd wordt
emissário
/
ɑf.ˈxan/, /
ɑf.ˈχan/
noun
- 1. Afghaanse windhond
(galgo) afegão
- 2. Afghaans tapijt
tapete afegão
/
ɑf.ˈxans/, /
ɑf.ˈχans/, /
ɑv.ˈɣaːns/
adjective
1. gerelateerd aan Afghanistan
afegão
/
ɑf.ˈɣa.nɪ.ˌstɑn/, /
ɑf.ˈχa.nɪ.ˌstɑn/, /
ɑv.ˈɣa.nɪ.ˌstɑn/
pronoun
1. een land gelegen in Centraal-Azië.
Afeganistão
noun
1. een stuk land waarvan de grond verwijderd is, of waar men nog steeds aan het graven is
escavação
/
ˈɑfxrɔnt/, /
ˈɑfχrɔnt/, /
ˈɑvɣrɔnd/
noun
1. een grote steile diepte
abismo
adjective
1. iemand niet gunnen dat die iets heeft dat men zelf wil hebben
invejoso
verb
1. niet geschikt verklaren
desaprovar
/
ˌɑfkørənsˈʋardəx/
adjective
1. afkeuring verdienend
culpável
noun
1. het uitspreken van een negatief oordeel over iets
desaprovação
noun
1. het inkorten van een woord of een frase
abreviatura
/
ˈɑflat/
noun
1. een kwijtschelding van tijdelijke straffen die men zou moeten ondergaan na het sterven..
indulgência
verb
1. de aandacht opvragen
distrair
noun
- 2. een woord dat middels toevoeging van een voor-, in- of achtervoegsel gevormd wordt uit een ander
derivado
- 1. een gebeurtenis of activiteit die de gedachten op iets anders richt
distracção
verb
1. brengen naar en achterlaten op de plek van bestemming
entregar
noun
1. elk onderdeel van een tv-serie dat op regelmatige tijden wordt uitgebracht of uitgezonden
episódio
verb
- 1. de plaats innemen van
aliviar
- 2. geheel of gedeeltelijk voldoen
amortizar
noun
2. een bedrag waarmee een schuld wordt afgelost in termijnen
amortização
verb
- 1. iets tot voltooiing brengen
- 2. doden, euthanasie bedrijven op een dier
acabar
verb
1. de sessie binnen een programma beëindigen
deslogar
noun
1. korte spreuk met een kernachtige boodschap
aforismo
/
ˈɑf.pɛr.sɪŋ/
noun
1. mensen onder voor de buitenwereld onzichtbare bedreiging zaken tegen hun wil laten doen
chantagem
verb
1. een pak slaag geven
bater
pronoun
1. het continent ten zuiden van Europa, tussen de Indische en de Atlantische Oceaan.
África
/
afriˈkaːns/
adjective
1. komende van of betreffende het continent Afrika
africano
/
afriˈkaːns/
pronoun
1. een van het Nederlands afstammende taal die wordt gesproken in Zuid-Afrika en Namibië
africâner
africânder
verb
1. tot een einde brengen
abolir
noun
1. het doen ophouden te bestaan
abolição
noun
1. een begroeting bij het elkaar verlaten
despedida
noun
1. een jaarlijks afgeboekt bedrag op een begroting om in rekening te brengen dat sommige goederen een beperkte levensduur beziten
depreciação
verb
1. het schuin afwerken van de rand van een materiaal.
chanfrar
noun
1. hevige afkeer
abominação
verb
1. in een proces van slijtage verliezen
desgastar
desgastar-se
verb
- 2. tot het einde toe spelen
- 3. iets door veelvuldig bespelen bederven en onbruikbaar maken
pôr
- 1. afdraaien
tocar
noun
1. een overeenkomst
acordo
/
ˈɑfstɑnt/
noun
1. de ruimte die zich ergens tussen bevindt
distância
noun
een toestel dat vanaf afstand een ander toestel bestuurt
controle remoto
telecomando
verb
1. ontdoen van stof
desempoar
/
ɑf/, /
ɑft/
noun
1. een kleine zweer in de mond ten gevolge van een virus
afta
noun
1. het naar beneden tellen om aan te geven hoelang het nog duurt voordat iets gaat gebeuren
contagem regressiva
noun
1. de eerste trap vanuit de middencirkel bij het begin van speeltijd van een voetbalwedstrijd
pontapé de saída
noun
te controleren vertalingen
abatimento
verb
1. rekenkundige bewerking waarbij een getal met een getal verminderd wordt
subtrair
/
ˈɑftrɛkɪŋ/
noun
1. rekenkundige bewerking waarbij een getal van een ander getal afgetrokken wordt
subtração
diminuição
/
ˈɑfɑlə(n) /
verb
- 4. vallen vanaf een hoger gelegen plek
- 2. de koers van een schip in de richting van de lijzijde wijzigen
- 3. ontrouw worden aan zijn geloof
cair
noun
1. het ontrouw worden aan zijn geloof
apostasia
noun
1. water dat gebruikt is in de industrie of in het huishouden en dat na gebruik geloosd wordt
esgoto
/
ˈɑfwɑxtə(n)/, /
ˈɑfʋɑxtə(n)/, /
ˈɑfʋɑχtə(n)/
verb
1. wachten op wat er gaat gebeuren
esperar
adjective
1. niet op een bepaald tijdstip en plaats zijn
ausente
noun
1. het afwezig zijn op een bepaald tijdstip en plaats
ausência
falto
verb
1. niet de gangbare norm volgen
desviar
noun
1. niet goed afgesteld staan en naar een bepaalde kant neigen
aberração
/
'ɑfʋɛɪzɪŋ/
noun
1. een bericht dat op een voorstel of aanzoek niet ingegaan wordt
rejeição
verb
1. naar beneden glijden
descer
noun
1. iemand die iets naar een adres verzendt
remetente
verb
9. tot afstand dwingen
depor
/
ˈɑfˌsɔnd(ə)rən/
verb
2. afscheiden
isolar
/
ˈɑfzœʏχkɑp/, /
ˈɑfzœːxkɑp/
noun
1. een huishoudelijk apparaat in de keuken dat de kookluchtjes moet afvoeren
coifa
/
ˈɑfzwɪːrə(n)/
verb
abjurar
noun
- 1. een doorzichtige, maar soms ook opake variëteit van trigonaal kwarts...
- 2. een stenen voorwerp bestaande of vervaardigd uit agaat
ágata
noun
1. een gebrek aan moedermelk
agalactia
/
a.ˈɣɛn.da/, /
a.ˈχɛn.da/
noun
- 1. een notitieboek waarin afspraken genoteerd worden
agenda
- 2. een lijst van te bespreken punten op een vergadering
ordem do dia
/
'aɣɛns/
noun
1. een werkzame stof
agente
noun
1. persoon belast met de handhaving van de openbare orde
agente
noun
1. verergeren of overdrijven
agravamento
noun
1. samenklontering
agregação
noun
1. elk van de toestanden, afhankelijk van druk en temperatuur, waarin een stof kan voorkomen
estado da matéria
verb
agiotar
praticar agiotagem
noun
1. iemand die ten aanzien van het bovennatuurlijke stelt dat dit niet te kennen valt
agnóstico
noun
1. benaming voor Zuid-Amerikaans knaagdieren uit het geslacht Dasyprocta
cutia
adjective
1. aanvallend
agressivo
agressiva
noun
- 1. de neiging tot agressie
- 2. het agressief zijn
agressividade
/
aɣriˈmoni/
noun
1. benaming voor overblijvende, kruidachtige planten uit het geslacht Agrimonia
agrimonia
noun
1. de landbouwkunde
agronomia
/
a.ˈhɔrn/
noun
1. een boom of heester van het geslacht Acer.
bordo
noun
xarope/melado (de bordo/ácer)
noun
1. een virusziekte waarbij het natuurlijke afweersysteem van het lichaam steeds verder afgebroken wordt
AIDS
SIDA
noun
1. beschermingssysteem in voertuigen
airbag
pronoun
1. hoofdstad van de Franse regio Corsica
Ajaccio
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noord-Rijnland-Westfalen, niet ver van Maastricht
Aachen
Aquisgrano
/
'akər/
noun
2. vrucht van de eik
bolota
noun
1. bepaald soort plant, Lapsana communis
lapsana
noun
1. bepaald soort eenjarige plant, Ajuga chamaepitys
abiga
noun
2. samenklank van drie of meer, verschillende tonen
acorde
/
ˌakusˈtik/
noun
1. de voortplanting van klank in een besloten ruimte en de ervaring die deze voortplanting ...
acústica
noun
1. platte en rechthoekige tas
maleta
phraseologicalUnit
mentira tem perna curta
pronoun
1. Braziliaanse deelstaat gelegen in de Regio Noordoost van het land. Hoofdstad is Maceio
Alagoas
/
ɑɫbaˈneːs/
pronoun
1. taal die vooral in Albanië en Kosovo gesproken wordt
albanés
albanês
/
ɑlˈbaːni.jə/, /
ɑɫˈbani.jə/
pronoun
1. een land in het westen van de Balkan, grenzend aan de Adriatische en de Ionische Zee en aan Griekenland, Macedonië, Kosovo en Montenegro
Albânia
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Diomedeidae
albatroz
noun
het ontbreken van pigmentkleurstof in de huid
albinismo
noun
1. in water oplosbaar eiwit dat veel in bloed voorkomt
albumina
noun
1. vroegere occulte wetenschap, waarin o.a. werd geprobeerd om goud en edelmetalen uit andere elementen...
alquimia
noun
1. elk van de verbindingen uiteen groep koolwaterstoffen die gekenmerkt zijn...
álcool
adjective
1. met een verwaarloosbaar alcoholgehalte
sem álcool
pronoun
1. verzamelnaam voor een groep Duitse dialecten die gesproken worden door ongeveer zes miljoen mensen in Zuid-Duitsland, Zwitserland, Oostenrijk, Liechtenstein en Oost-Frankrijk
alemânico
pronoun
1. keten van vulkanische eilanden in Alaska ,die zich boogvormig uitstrekt en een scheiding vormt tussen de Grote Oceaan en de Beringzee
Aleutas
/
aˈlɛrt/, /
əˈlʏːrt/
adjective
1. oplettend
alerta
/
ˈɑlfa/
noun
1. een aanduiding of markering van "de eerste" van een reeks
alfa
noun
de lettertekens van een taal
alfabeto
adjective
1. gerangschikt volgens de letters van het alfabet
alfabético
noun
1. ontkiemde zaden van luzerne
alfafa
/
ˈɑɫɣəbra/
noun
1. deel van de wiskunde dat zich bezighoudt met de betrekkingen van door letters...
álgebra
/
ɑl.ɣə.'rɛɪ̯.jə/, /
ɑɫ.ɣə.'rɛː.jə/, /
ɑɫ.χə.'rɛɪ̯.jə/
pronoun
1. een land in Noord-Afrika, officieel de Democratische Volksrepubliek Algerije
Argélia
adjective
1. Uit/afkomstig van Algerije
argeliano
argelino
/
ɑɫˈxiːrs/, /
ɑɫˈɣiːrs/
pronoun
1. Hoofdstad van Algerije
Argel
/
ˈaː.liˌbi/
noun
1. het kunnen aantonen dat men elders was tijdens het zich voltrekken van een misdaad,...
álibi
noun
1. eetbare zeeslak
caramujo
adjective
1. met betrekking tot de voeding
alimentar
/
ɑlk/
noun
1. bepaald soort zeevogel die veel op de zeekoet lijkt, maar een dikkere snavel heeft
torda-mergulheira
adjective
met betrekking tot alkali
alcalino
alcalina
noun
1. een stikstof bevattende plantenbase
alcalóide
noun
1. een kleine raamloze zijkamer, vaak gebruikt als slaapkamer
alcova
pronoun
1. God in islamistisch of Arabische context
Alá
/
ɑl.ˈen/
adjective
1. zonder gezelschap
sozinho
noun
1. iemand die met onbeperkte oppermacht regeert
autocrata
adjective
1. betrekking hebbend op het uitbeelden van een abstract begrip
alegórico
/
ɑ.ˈlɛl/, /
ɑ.ˈlɛɫ/
noun
1. elk van de alternatieve uitvoeringen van een gen, die allemaal in homologe chromosomen op dezelfde plaats liggen
alelo
noun
1. stof die overgevoeligheid veroorzaakt
alergénio
/
ˌɑlɛrˈɣi/
noun
1. een reactie van het immuunsysteem op lichaamsvreemde stoffen (allergenen), die op zich helemaal niet schadelijk hoeven te zijn
alergia
adjective
1. overgevoelig
alérgico
alérgica
noun
wetenschap die allergieën bestudeert
alergologia
pronoun
1. een rooms-katholieke feestdag op 1 november ter gezamenlijke verering van alle heiligen van de Kerk
Dia de Todos os Santos
indefinitePronoun
1. al het mogelijke, de gehele verzameling of hoeveelheid zonder uitzondering
tudo
noun
1. een bondgenootschap
aliança
noun
1. een grote krokodilachtige uit het geslacht Alligator
aligátor
jacaré
adjective
- 1. uit een ander land of plaats afkomstig
- 2. (van gesteenten) zich bevindend op een andere tectonische plaat na een overschuiving
alóctone
/
ɑˈlʏvijʏm/
noun
1. los materiaal (regoliet) dat als sediment door een rivier is afgezet
aluvião
/
ɑɫmɑxt/
noun
1. absolute macht, macht over alles
omnipotência
adverb
1. overal, onder velen
a todo lugar
noun
1. haaruitval
alopécia
noun
benaming voor bloeiende, succulente planten uit het geslacht Aloe
aloe
aloés
noun
1. bepaald soort succulent, Aloe vera
babosa
noun
- 1. bepaald soort zoogdier Vicugna pacos
- 2. zilverkleurige metaallegering
alpaca
pronoun
1. een gebergte dat Italië van de rest van Europa scheidt
Alpes
noun
1. een van hout vervaardigd blaasinstrument met een lengte tot vier meter
buzina dos Alpes
trompa alpina
verb
1. sport waarbij men op ski's een heuvel of berg afdaalt.
esqui alpino
noun
1. bepaald soort Zuid-Europese verdovende en bedwelmende overblijvende plant
mandrágora
/
ɑls/, /
ɑs/
conjunction
2. indien
hipótese
phraseologicalUnit
1. als de kat van huis is, dansen de muizen op tafel
quando o gato sai, os ratos fazem a festa
noun
1. benaming voor planten van het composietengeslacht Artemisia
artemísia
conjunction
1. luidt een vergelijking in
como se
adverb
1. als beleefde aandrang bij een verzoek of versterking bij een bevel
por favor
noun
1. lage vrouwenstem
contralto
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Altar
noun
1. offertafel voor godsdienstige plechtigheden
altar
pronoun
1. Atair/Altair
Altair
/
ɑltərnaˈtif/
noun
1. een andere mogelijkheid of methode
alternativa
verb
1. (elkaar) min of meer regelmatig afwisselen
alternado
alternada
adverb
- 1. op elk moment, blijvend
- 2. telkens opnieuw
- 3. in elk geval
sempre
noun
1. alt-instrumentalist
altista
noun
1. altsaxofoon
saxofone alto
/
ˈɑltfiˌjoːl/
noun
1. een muziekinstrument in de familie van de strijkinstrumenten, verwant aan maar groter en lager klinkend dan de viool
viola
/
alyˈminijʏm/
noun
1. scheikundig element met symbool Al en atoomnummer 13
alumínio
/
ˌɑɫveˈol(ə)/
noun
1. wetenschappelijke benaming voor longblaasje
alvéolo
noun
1. een klier die enzymen afscheidt in de twaalfvingerige darm om de afbraak van zetmeel, vet en eiwitten te bevorderen
pâncreas
/
amɑl'ɣaːm/
noun
1. kwiklegering
amálgama
noun
- 1. kleine bladverliezende loofboom, Amygdalus dulcis
amêndoeira
amêndoa
- 1. eetbare pit van de amandelvrucht
amendoeira
amêndoa
- 3. klier in de neus-keelholte
amígdala
tonsila
noun
1. een melkachtige drank die uit fijngemalen amandelen en water bereid kan worden
leite de amêndoa
noun
1. of 2. (zaden van) geslacht Amaranthus
amaranto
noun
1. een persoon die iets als hobby doet
amador
pronoun
Rio Amazonas
Amazonas
noun
1. een handwerkvak dat vaak aanzienlijke vaardigheden vereist
artesanato
noun
1. de officiële vertegenwoordiging van de ene regering in de hoofdstad van de andere.
embaixada
noun
1. iemand die door de ene staat is aangesteld om deze staat bij een andere staat te vertegenwoordigen
embaixador
adjective
1. vol van de wens en het vertrouwen om iets te bereiken
ambicioso
noun
1. voertuig om gewonden of zieken van en naar het ziekenhuis te brengen
ambulância
adjective
1. in staat om te lopen
ambulante
/
aˈmɪːriˌka/
abbreviation
1 en 2
América
noun
2. een inwoner van de Verenigde Staten van Amerika
estado-unidense
americano
adjective
1. betreffende of komende van Amerika
americano
norte-americano
noun
1. bepaald soort snelgroeiende boom, Quercus rubra
carvalho-americano
noun
1. bepaald soort plant, Mammea americana
abricó-do-pará
noun
1. Bubo virginianus
jacurutu
noun
1. een vaak prachtig violet gekleurde vorm van kristallijn kwarts, die kleine hoeveelheden titaan en ijzer bevat
ametista
noun
stimulerend middel, uit de groep van de wekaminen
anfetamina
noun
1. in water en op land levend dier
anfíbio
adjective
1. geschikt zowel voor in het water als op het land
anfíbio
noun
1. een door de oude Grieken en Romeinen gebruikte buikige kruik met twee oren
ânfora
pronoun
1. een taal die in Ethiopië gesproken wordt
amárico
amharico
pronoun
1. een taal die in Ethiopië gesproken wordt
amárico
amharico
noun
1. een organische verbinding die kan worden beschouwd afgeleid te zijn van ammoniak...
amina
noun
1. een chemische verbinding van stikstof en waterstof
amoníaco
amônia
noun
1. NH₄NO₃, het ammoniumzout van salpeterzuur
nitrato de amônio
noun
1. geheugenverlies
amnésia
noun
1. een verklaring dat afgezien zal worden van strafvervolging voor een bepaalde groep
anistia
noun
1. lamsvlies, het binnenste der eivliezen van het embryo in het moederlichaam
âmnio
noun
1. eencellige eukaryoot die van vorm kan veranderen door het uitsteken en intrekken van schijnvoetjes
ameba
/
a.'mɔrf/
adjective
1. niet geordened
amorfo
/
aˈmɔs/
pronoun
1. en 3. profeet en jongensnaam
Amós
noun
modulação de amplitude
noun
- 1. dichtgesmolten medicijnflesje, waarin steriele injectiestoffen worden afgeleverd
ampola
- 4. schenkkannetje voor wijn of water, gebruikt bij de mis
galheta
noun
1. stroommeter
amperímetro
/
ɑmstər'dɑm/
pronoun
1. de hoofdstad van Nederland, gelegen in de provincie Noord-Holland
Amsterdão
Amesterdão
Amsterdã
verb
1. op aangename wijze een indruk op iemand maken, iemand doen (glim)lachen
divertir
adjective
1. met betrekking tot de darmuitgang van de mens
anal
noun
1. opbouw bij de stofwisseling waarbij simpele stoffen omgezet worden tot chemisch ingewikkeldere stoffen
anabolismo
adjective
1. weefselopbouwend
anabólico
anabólica
/
ɑnakroˈnɪstis/
adjective
1. niet passend in de tijdsvolgorde of in de periode waarin het wordt gepresenteerd
anacrônico
/
anaˈkɔnda/
noun
1. zeer grote en zware wurgslang uit het geslacht Eunectes
anaconda
adjective
1.
anaeróbico
anaeróbica
adjective
1. als gevolg van overgevoeligheid (allergie)
anafiláctica
anafiláctico
/
ˌa.na.fi.lɑkˈsi/
noun
1. een medische term voor een snelle systemische allergische reactie
anafilaxia
noun
1. seks waarbij de anus en het rectum een rol spelen
sexo anal
noun
1. het voorkomen van mensen die niet kunnen lezen of schrijven
analfabetismo
noun
1. een pijnstiller
analgésico
noun
1. een overeenkomst tussen twee verschillende zaken die bijv. kan dienen als basis voor een bepaalde redenering of vergelijking
analogia
/
ˌɑnəˈloːx/
adjective
1. overeenkomend met
análogo
verb
1. gedetailleerd en nauwkeurig bekijken
analisar
noun
1. een vraaggesprek naar de ziektegeschiedenis
anamnese
noun
1. een vrucht van de ananasplant
ananás
abacaxi
adjective
1. betrekking hebbend op anarchisme
anarquista
adjective
1. met betrekking tot de anatomie
anatómico
anatómica
noun
1. een persoon die kennis draagt van de (menselijke) anatomie
anatomista
adjective
1. niet deze
outro
cardinalNumeral
ume e meio
/
'ɑndərmɑns/
indefinitePronoun
1. genitief van een andere man, wordt gebruikt in bezittelijke zin
alheio
pronoun
Cordilheira dos Andes
Andes
noun
1. Cichorium endiva, een eetbaar eenjarig gewas dat nauw verwant is aan witlof
endívia
pronoun
1. een kleine staat in Europa die grenst aan Frankrijk en Spanje
Andorra
adjective
1. van/uit Andorra
andorrano
noun
1. iemand die afkomstig is uit Andorra
andorrano
noun
1. kruis van twee even lange, schuingeplaatste balken
cruz de Santo André
noun
1. mannelijk geslachtshormoon
andrógeno
pronoun
- 1. mythologische figuur
- 2. sterrenbeeld
Andrômeda
adjective
1. betrekking hebbend op de liefde voor mannen
androssexual
noun
1. iemand met seksuele voorkeur voor mannen
androssexual
/
a.nɛg.ˈdo.tə/
noun
1. een amusant, kort verhaal
anedota
adjective
1. aan bloedarmoede lijdend
anémico
noun
1. zelfregistrerende windsnelheidsmeter
anemógrafo
/
ɑnəmon/
noun
1. een plant van het geslacht Anemone
anêmona
noun
een medisch vakgebied
anestesiologia
noun
1. het orgaan waarmee wespen, bijen en soortgelijke dieren steken
aguilhão
noun
1. leer van de Engelen
angelologia
/
ɑŋəl'sɑksis/
pronoun
1. een West-Germaanse taal die tussen ca. tussen 400 en 1100 werd gesproken en die geldt als de rechtstreekse voorloper van het Middelengels
anglo-saxão
noun
1. hartkramp, pijn op de borst
angina de peito
adjective
1. het gevolg zijn van angina pectoris
anginal
noun
1. zwelling veroorzaakt door (allergische) overgevoeligheid
angioedema
noun
1. woord of uitdrukking overgenomen uit het Engels of gevormd naar Engels voorbeeld
anglicismo
/
ɑŋ.ˈ(g)ɣo.la/, /
ɑŋ.ˈgo.la/
pronoun
1. een land in Zuidwest-Afrika, officieel de Republiek Angola grenzend aan...
Angola
/
angoˈlaːr/
pronoun
1.Creoolse taal
Angolar
noun
1. het gevoel dat er onheil of gevaar dreigt
medo
temor
pavor
noun
transtorno de ansiedade
adjective
1. watervrij (zonder water)
anidro
noun
1. bepaald soort schermbloemige plant, Pimpinella anisum
anis
noun
1. het zaad van de anijsplant
semente de anis
/
ˈɑ.nʲər.re.voˌly.si/, /
ˈɑ.ɲər.re.voˌly.tsi/
pronoun
1. geweldloze militaire staatsgreep
revolução dos Cravos
noun
- 1. onderdeel van een vaartuig
- 2. muuranker
- 3. onderdeel van een uurwerk
âncora
/
ˌɑnɛkˈsatsi/
noun
1. het verplicht of gedwongen toetreden tot een groep
anexaçao
/
ˌɑnɛkˈsɪːrə(n)/
verb
1. het toeëigenen van een grondgebied
anexar
noun
2. aankondiging
anúncio
/
ɑny'lerə/
verb
1. iets afgelasten
anular
noun
1. afwijking van organen
anomalia
adjective
1. naamloos
anónimo
noun
1. verwijderen van gegevens die zouden kunnen leiden de tot identificatie van de persoon
anonimização
noun
1. naamloosheid
anonimato
adjective
1. (medisch) lijdend aan of betrekking hebbend op anorexia nervosa
anoréctico
noun
1. magerzucht, eetstoornis
anorexia
noun
1. verlies van eetlust
anorexia
adjective
1. niet tot de koolstofverbindingen behorend
inorgânico
noun
1. een postkaart met een afbeelding
cartão postal
noun
1. zuurbinder
antiácido
noun
- 1. tegenwerkend middel of orgaan
- 2. belangrijkste tegenspeler
antagonista
pronoun
1. het continent rond de zuidpool van de aarde
Antártica
Antártida
noun
1. de naam voor het woord waarnaar een ander woord, meestal een betrekkelijk voornaamwoord, verwijst
antecedente
verb
2. een eerdere datum op een document schrijven dan die van de huidige dag
antedatar
noun
1. een vrij opgestelde elektrische geleider voor het uitzenden en/of ontvangen van elektromagnetische straling
antena
noun
1. een weinig spannende, soms teleurstellende ontknoping van het verhaal
anticlímax
noun
1. technieken voor het voorkomen van zwangerschap na geslachtsgemeenschap
contracepção
noun
1. een deeltje waarvan een aantal fysische eigenschappen dezelfde zijn, maar andere eigenschappen (waaronder de lading) precies tegengesteld
antipartícula
/
ˌɑntideprɛˈsivʏm/
noun
1. een middel tegen ziekelijke neerslachtigheid
antidepressivo
noun
1. geneesmiddel ter behandeling van suikerziekte
antidiabético
noun
1. een tegengif
antídoto
adjective
- 1. oud, maar waardevol
- 2. met betrekking tot de klassiek Grieks-Romeinse oudheid
antigo
noun
1. oude kunst-, sier- en gebruiksvoorwerpen, die verzameld en verhandeld worden
antigo
noun
1. een middel tegen oplossing van fibrine bij de bloedstolling
antifibrinolítico
noun
1. vers dat gezongen wordt als inleiding of afsluiting van een psalm
antífona
noun
1. lichaamsvreemde afweeropwekkende stof
antígeno
/
ɑn.ˌti.(g)ɣ<sup>ʊ</sup>a.ɛn.bɑr.ˈbu.da/, /
ɑn.ˌti.gwa.ɛn.bɑr.ˈbu.da/
pronoun
1. eilandstaat in het oostelijk deel van de Caribische Zee, op de grens met de Atlantische Oceaan
Antígua e Barbuda
pronoun
1. eilandengroep in de Caribische Zee
Antilhas
/
ɑnti'lopə/
noun
1. een verzamelnaam voor slanke holhoornige hoefdieren die voornamelijk in Afrika leven
antílope
pronoun
1. een provinciehoofdstad in Turkije
Antioquia
noun
1. stof die reacties tegengaat waarbij elektronen worden uitgewisseld
antioxidante
noun
1. geneesmiddel dat wanen vermindert
antipsicótico
noun
1. winkel of bedrijf dat oude en tweedehands boeken verhandelt en verkoopt
antiquário
noun
iemand met antisemitische denkbeelden
antissemita
noun
1.een middel dat gebruikt worden om de natuurlijke stollingsneiging van het bloed te onderdrukken
anticoagulante
noun
1. het tegenovergestelde
antítese
noun
1. een stof die veelal aan koelwater wordt toegevoegd om het vriespunt ervan te verlagen om bevriezen ervan te voorkomen
anticongelante
adjective
1. tegengesteld van betekenis
antônimo
antónimo
noun
1. woord met tegengestelde betekenis
antônimo
/
an.tra.ˈsit/, /
ɑn.tra.ˈsit/
adjective
antracite
/
an.tra.ˈsit/, /
ɑn.tra.ˈsit/
noun
1. een vorm aan steenkopl die hoge temperatuur heeft gehad
antracite
noun
1. een infectieziekte die wordt veroorzaakt door de bacterie Bacillus anthracis
carbúnculo
antraz
noun
1. het eten van mensen
antropofagia
/
ˈantˌwɛrpə(n)/, /
ˈɑntˌʋɛrpə(n)/, /
ˈɑntˌβ̞ɛrpə(n)/
pronoun
- 1. een provinciehoofdstad in België
- 2. een Belgische provincie
Antuérpia
/
ˈant.wɛrp.sə/, /
ˈɑnt.ʋɛrp.sə/, /
ˈɑnt.β̞ɛrp.sə/
noun
1. een vrouwelijke inwoner van de stad of provincie Antwerpen
antuerpiana
/
ˈɑnt.ʋɔːrt/
noun
1. de reactie op een vraag, van repliek voorzien
resposta
noun
secretária eletrônica
/
ˈɑnt.ʋɔːr.də(n)/
verb
1. het geven van een antwoord
responder
noun
1. uitblijven van urinevorming
anúria
noun
1. opening aan het eind van de endeldarm en aan het eind van het spijsverteringskanaal
ânus
noun
1. angstgevoel
ansiedade
noun
ansiolítico
ansiolítica
/
aˈɔrta/
noun
1. de slagader die van het hart naar het lichaam, behalve de longen, loopt
aorta
adjective
2. bijzonder, opmerkelijk
especialmente
noun
1. lusteloosheid
apatia
pronoun
1. gebergte
Apeninos
noun
2. internetsymbool @
arroba
noun
1. een eetlust opwekkende alcoholische drank die voor de maaltijd genuttigd wordt
aperitivo
adjective
1. de punt, de kop, de kruin betreffende
apical
noun
1. onvolledige ontwikkeling van orgaan of lichaamsdeel
aplasia
noun
1. einde van de wereld, zoals beschreven in het Bijbelboek Openbaringen
apocalipse
noun
1. wegval van slotklank
apócope
adjective
1. niet als gezaghebbend erkend
apócrifos
noun
1. geprogrammeerde celdood
apoptose
/
ɑˈpɔstəl/
noun
- 1. leerling van Jezus
- 2. verkondiger van een nieuwe leer
apóstolo
noun
- 2. aanspreking van afwezige personen of zaken
apóstrofe
- 1. afkappings- of weglatingsteken
apóstrofo
apóstrofe
/
apo'tek/
noun
1. plaats waar men geneesmiddel en en andere gezondheidsproducten kan kopen.
farmácia
botica
noun
1. een meetkundige term die zowel op een cirkel als een regelmatige veelhoek kan worden toegepast
apótema
noun
1. toepassing
aplicativo
pronoun
1. gebergte in het oostelijk deel van Noord-Amerika
Apalaches
noun
1. een door mensen gemaakt voorwerp dat is samengesteld uit verschillende onderdelen en een bepaalde functie heeft
aparelho
/
ɑ.ˈpɛl/, /
ɑ.ˈpɛɫ/, /
ˈɑ.pəl/, /
ˈɑ.pəɫ/, /
ˈɑpəɫ/
noun
1. vrucht
maçã
noun
1. boom waaraan appels groeien
macieira
noun
descaroçador de maçãs
noun
1. een moes van gekookte appels
purê de maçã
noun
1. een vruchtensap bereid uit appels
suco de maçã
/
ˌɑpəlˈsin/
noun
1. Vrucht van de appelsienboom
laranja
noun
1. gebak gevuld met stukjes vruchten van de appelboom
torta de maçã
/
ɑplɔudi'serə/
verb
1. in de handen klappen om goedkeuring of bewondering te tonen
aplaudir
/
ɑ'plɔus/
noun
1. geklap in de handen als teken van goedkeuring of bewondering
aplauso
noun
1. toepassing
aplicação
adjective
1. benaderend, het dichtsbijliggend
aproximada
aproximado
/
ɑˈprɪl/
noun
1. de vierde maand van het jaar
abril
Abril
noun
nog uit te zoeken
aguarela
/
ɑˈkʋariˌʲʏm/
noun
1. een bak met water waarin onderwaterflora en -fauna gehouden wordt.
aquário
adjective
1. waterig
aquoso
aquosa
noun
1. grote bont gekleurde papegaai uit Zuid-Amerika
arara
/
ˌɑ.ra.ˈbiːr/
noun
1. een persoon met het Arabisch als moedertaal
árabe
/
ɑ'rabis/
adjective
1. verwijzend naar de Arabische taal,cultuur,het alfabet of Arabië
árabe
/
ɑ'rabis/
pronoun
- 1. een taal oorspronkelijk van het Arabisch schiereiland en de taal waarin de Koran...
arábico
árabe
- 2. een van het Aramitisch afgeleid alfabet dat gebruikt wordt voor het schrijven van het Arabisch,...
árabe
noun
tak van de zoölogie die zich bezighoudt met de studie van de spinachtigen
aracnologia
pronoun
1. randzee van de Indische Oceaan, gelegen tussen Noord-Australië en de oostelijke eilanden van Indonesië
Mar de Arafura
noun
1. Een inwoner van Aragon
aragonês
pronoun
1. taal gesproken in Aragon
aragonês
/
araˈmes/
adjective
aramaico
noun
1. energie die door een krachtbron geleverd wordt bij verplaatsing van een voorwerp
trabalho
noun
1. iemand die voor een loon handmatige arbeid levert
operário
trabalhador
obreiro
noun
1. inkomsten die men ontvangt door het uitvoeren van werk
salário
noun
1. ongeval dat tijdens het werk (of onderweg van en naar het werk) optreedt, bedrijfsongeval
acidente de trabalho
noun
1. onderdeel van het privaatrecht m.b.t. de normen die het recht op arbeid als sociaal grondrecht tot voorwerp hebben
direito do trabalho
noun
- handelen van een scheidsrechter
- resultaat van het handelen van een arbiter
- systeem van gelijktijdige prijsbepaling
arbitragem
/
ˌɑr.xe.ˌjo.lo.ˈɣi/, /
ˌɑr.xɛ.jo.lo.ˈɣi/, /
ˌɑr.χe.ˌjo.lo.ˈχi/
noun
1. studie van de niet-geschreven overblijfselen van het verleden
arqueologia
noun
1. een eilandengroep
arquipélago
noun
1. iemand die gebouwen ontwerpt
arquiteto
noun
1. de bouwstijl van een gebouw
arquitetura
arquitectura
/
ɑrxivaːrɨs/
noun
1. een persoon die een archief beheert
arquivista
verb
1. iets geclassificeerd opslaan om het later gemakkelijk terug te vinden
arquivar
pronoun
1. naam voor het noordpoolgebied
Ártico
adjective
1. extreem koud, behorend bij heel lage temperaturen
glacial
pronoun
1. is de oceaan ten noorden van de continenten Azië en Noord-Amerika , waarin het grote ijsveld van de Noordpool ligt
oceano Ártico
pronoun
1. een rivier in Frankrijk
Ardèche
adjective
1. zonder zich van mogelijk gevaar bewust te zijn
cândido
/
ˌɑrɣɛnˈtɛɪ̯n/, /
ˌɑrɣɛnˈtɛːn/, /
ˌɑrχɛnˈtɛɪ̯n/
noun
1. iemand van Argentijnse komaf
argentino
/
ˌɑrɣɛnˈtini.jə/, /
ˌɑrχɛnˈtini.jə/
pronoun
1. een Spaanstalig land in het zuiden van Zuid-Amerika tussen het Andesgebergte en de zuidelijke Atlantische Oceaan.
Argentina
/
ˈɑrɣɔn/
noun
1. een scheikundig element en kleurloos edelgas met het symbool Ar en het atoomnummer 18
argônio
árgon
argónio
/
ˌɑrɣyˈmɛnt/
noun
1. een aangevoerd feit in een discussie om een zienswijze te ondersteunen
argumento
/
arijaˈnɪsmə/
noun
1.
arianismo
noun
1. een persoon die lid is van de aristocratie
aristocrata
noun
1. een regeringsvorm waarbij de heerschappij in handen is van een kleine groep, de zogenaamde aristocraten
aristocracia
adjective
1. volgens de principes van een aristocratie
aristocrático
noun
1. onregelmatige hartslag
arritmia
/
ɑrṃ/
noun
1. lichaamsdeel
braço
noun
1. sieraad of merkteken dat om de pols of arm gedragen wordt
bracelete
/
ɑrˈmens/, /
ɑrˈmeːns/
adjective
1. betreffende Armenië of het Armeens
arménio
armênio
/
ɑrˈmens/, /
ɑrˈmeːns/
pronoun
1. een taal die wordt gesproken in Armenië
arménio
armênio
/
ɑrˈmeni.jə/, /
ɑrˈmeːni.jə/
pronoun
1. een GOS-lidstaat in de Kaukasus (Gemenebest van Onafhankelijke Staten). Het is een van de weinige landen die niet aan zee liggen. Het grenst in het oosten aan Azerbeidzjan, in het westen aan Turkije en de Naxçivan-exclave (Azer.), in het noorden aan Georgië en in het zuiden aan Iran
Arménia
Armênia
/
ˈɑrəmude/
noun
1. de toestand waarin iemand leeft die zeer weinig middelen voor zijn levensonderhoud heeft.
pobreza
noun
1. een hoeveelheid die men in één keer in zijn armen kan dragen
braçada
noun
1. (aangename) geur van spijzen, dranken, genotmiddelen enz
aroma
/
aroˈmans/
pronoun
1. een Romaanse taal die in de Balkan gesproken wordt
aromeno
adjective
- 1. met geurstof
- 2. voldoende aan de regel van Hückel
aromático
aromática
verb
1. geur geven aan
aromatizar
/
ɑrpiˈtaːns/
pronoun
1. een Romaanse taal die wordt gesproken in Frankrijk, Italië en Zwitserland
Arpitano
noun
2. muziekbewerking
arranjo
noun
1. een aanhouding
cárcere
verb
1. van overheidswege in hechtenis nemen
prender
/
ɑriveːrən/
verb
1. de bestemming bereiken
chegar
noun
1. stijlbeweging
art deco
noun
- 4. een bewerkt voorwerp uit prehistorische tijd
- 5. een kunstmatig veroorzaakte misvorming; zelf toegebracht letsel
artefacto
- 1. kunstvoorwerp of -product
artefato
adjective
1. met betrekking tot de arteriën
arterial
adjective
1. met betrekking tot een gewricht
articular
verb
1. de uitspraakklanken zorgvuldig vormen
articular
adjective
1. kunstmatig
artificial
/
ɑrˈtiːkəl/
noun
4. staat voor een zelfstandig naamwoord, geeft de bepaaldheid aan en het woordgeslacht
artigo
noun
1. het wapen dat vuursteun geeft aan de eigen troepen
artilharia
noun
1. een militair die dienst doet bij de artillerie
artilheiro
adjective
1. (economie) op de originele of traditionele manier gemaakt
artesanal
noun
1. de vlezige schutbladeren van de gesloten bloemknop worden als groente gegeten
alcachofra
alcachofra hortense
noun
1. gewrichtsontsteking
artrite
noun
1. een aandoening van het gewrichtskraakbeen
osteoartrite
noun
1. geneeskundige die bevoegd is een praktijk uit te oefenen
médico
/
a.ˈru.ba/, /
a.ˈry.ba/
pronoun
1. een eiland in het zuidelijke gedeelte van de Caraïbische Zee
Aruba
noun
- 1. centrale staaf
- 2. lijn
eixo
- 1. verbrandingsrest
cinza
/
ˈɑzbɑk/
noun
1. opvangbak
cinzeiro
noun
1. verzamelnaam van een aantal silicaten met een vezelige structuur
asbesto
amianto
adjective
1. vrij van ziektekiemen, kiemvrij
asséptico
asséptica
verb
1. bedekken met een mengsel van bitumen, steentjes en andere stoffen
abetumar
pronoun
1. hoofdstad van Turkmenistan
Ascabade
Asgabade
Asgabate
pronoun
1.
Asdod
Asdode
Ashdod
/
ɑʃkə'nazi/
noun
1. Hoogduitse jood, jood afkomstig uit Midden- of Oost-Europa
asquenazita
adjective
1. zonder sociaal besef
associal
noun
1. een kant of zijde
aspecto
noun
1. Asperagas officinalis, een plant waarvan de jonge scheuten geteeld worden als groente
aspargo
espargo
noun
1. een middel tegen allerlei kwalen met als werkzame stof acetylsalicylzuur
aspirina
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het noordoosten van het land. Hoofdstad is Dispur
Assam
noun
1. houten werpspies bij Afrikaanse volksstammen
azagaia
/
ˈɑsəˌpustər/
pronoun
1. het meisje dat hoofdpersoon is het het gelijknamige sprookje
Cinderela
noun
1. een persoon die ondersteunt
assistente
verb
1. tot compagnon maken of nemen
associar
noun
1. aanbod van producten
sortimento
noun
2. een bloem van de aster
áster
/
ˈɑs.tə.ˌrɪs(x)/, /
ˈɑs.tə.ˌrɪsk/
noun
1. typografisch symbool in de vorm van een sterretje
asterisco
noun
1. een klein vast hemellichaam dat net als een planeet om de zon draait
asteróide
noun
1. een ziekte die, door vernauwing van de luchtwegen, benauwdheid en hoestbuien veroorzaakt
asma
noun
1. iemand die lijdt aan de longziekte astma
asmático
/
ɑstrolo'gi/
noun
1. de leer die gebeurtenissen aan het hemelgewelf in verband brengt met gebeurtenissen op aarde
astrologia
noun
1. een beoefenaar van de astrologie
astrólogo
/
ˌɑstroˈnaʊ̯t/, /
ˌɑstroˈnɔʊ̯t/, /
ˌɑstroˈnʌʊ̯t/
noun
1. een Amerikaanse ruimtevaarder
astronauta
noun
1. de wetenschap die de objecten in de ruimte bestudeert
astronomia
adjective
astronômico
astronómico
pronoun
1. een taal die gesproken wordt in Asturië
asturiano
pronoun
1. een van de 17 autonome regio's van Spanje die in het noordwesten van het land ligt
Astúrias
noun
1. eerste dag van de vastentijd
quarta-feira de cinzas
adjective
1. zonder ziekteverschijnselen
assintomático
assintomática
/
a.sɪmp.ˈtot/
noun
1. een lijn die door een kromme of functie willekeurig dicht benaderd wordt, maar deze nooit raakt
assíntota
assímptota
/
atɑkˈsi/
noun
1. een onzekere gang bij het lopen
ataxia
noun
1. de werkruimte van een kunstenaar
atelier
pronoun
de hoofdstad van Griekenland
Atenas
/
ˌa.te.ˈjɪsmə/, /
ˌɑ.te.ˈjɪsmə/
noun
1. overtuiging dat goden niet bestaan
ateísmo
/
ˌa.te.ˈjɪst/, /
ˌɑ.te.ˈjɪst/
noun
1. een persoon die niet gelooft in het bestaan van goden
ateísta
pronoun
1. mythologisch eiland
Atlântida
pronoun
1. de tweede grootste oceaan op aarde, gelegen tussen Europa en Afrika enerzijds en Noord- en Zuid-Amerika anderzijds
Atlântico
pronoun
- 1. figuur uit de Griekse mythologie
- 2. gebergte in Noord-Afrika
Atlas
noun
- 1. een boek dat geografische kaarten bevat
- 2. een verzameling van prenten, kaarten, afbeeldingen, tekeningen en dergelijke
- 3. de bovenste wervel in de hals die het hoofd draagt
atlas
/
ɑtlet/
noun
1. iemand die grote prestaties op sportief gebied verricht
atleta
noun
sporttak waarin vooral lopen, springen en werpen aan bod komen
atletismo
noun
- 1. een gasvormig omhulsel van een planeet of maan.
- 2. een stemming.
- 2. eenheid.
atmosfera
noun
1. de massa van een atoom, uitgedrukt in de atomaire massa-eenheid u
massa atômica
noun
1. de kernlading van een atoom
número atômico
número atómico
adjective
1. niet-giftig
atóxico
noun
2. centraal vertrek
átrio
noun
1. verschrompeling van organen
atrofia
noun
- 1. formele getuigenverklaring
atestação
- 2. bewijsplaats voor het bestaan van een woord in het verleden
documentação
noun
1. het afleggen van een formele verklaring; het afleggen van een formele getuigenis
certificação
/
ɑtrɪbʏˈtif/
adjective
1. wanneer het voor een zelfstandig naamwoord geplaatst wordt
aposto
noun
4. tot het wezen (de entiteit) behorende eigenschap
atributo
adjective
1. afwijkend van het gemiddelde
atípico
atípica
/
obɛrˈʒinə/
noun
2. purperachtige, vlezige vrucht
beringela
berinjela
pronoun
1. grootste stad van Nieuw-Zeeland, gelegen op het Noordereiland
Auckland
adjective
1. zichtbaar en hoorbaar
audiovisual
noun
1. een examen waarbij iemand zijn muzikale vaardigheden in klank bewijst.
audição
adjective
1. met betrekking tot het gehoor
auditoria
/
ʌuˈɣɵrk/, /
ʌˈʝʏrk/
noun
1. kleine, in het zuur ingemaakte komkommer
pepino em conserva
/
aʊ̯.ˈɣʏs.tʏs/, /
ɔʊ̯.ˈɣʏs.təs/, /
ʌʊ̯.ˈχʏs.təs/
noun
1. de achtste maand van het jaar
agosto
Agosto
/
ˈʌurɑ/
noun
- 1. energieveld
- 2. beginverschijnselen van een aanval
aura
adjective
1. met betrekking tot het oor
auricular
noun
1. luisteren naar lichaamsgeruis van bijv. hart of longen
auscultação
verb
1. luister naar de geluiden in het lichaam
auscultar
/
aʊ̯ˈstraːlɪs/, /
ɔʊ̯ˈstraːlis/, /
ʌʊ̯ˈstralis/
adjective
1. van Australië
australiano
pronoun
1. Australisch territorium waarin de federale hoofdstad Canberra gelegen is
Território da Capital Australiana
/
aʊ̯ˈstraːli.jə/, /
ɔʊ̯ˈstrali.jə/, /
ʌʊ̯ˈstrali.jə/
pronoun
1. een soevereine staat gelegen tussen de Indische Oceaan en de Grote Oceaan (officieel het Gemenebest van Australië) met de officiële taal Engels
Austrália
/
aʊ̯ˈstraːli.jər/, /
ɔʊ̯ˈstraːli.jər/, /
ʌʊ̯ˈstrali.jər/
noun
1. een inwoner van Australië
australiano
/
ɑustro'nezis/
adjective
behorend tot groep van talen
austronésio
/
oˈtør/
noun
1. persoon die aan de basis staat van een origineel geschreven werk
autor
/
ʌuˈtɪsmə/, /
ʌˈtɪsmə/
noun
1. ontwikkelingsstoornis
autismo
/
ʌuˈtɪstɪs/, /
ʌˈtɪstɪs/
adjective
1. lijdend aan autisme
autista
/
ɑʊ̯to/
noun
1. voertuig met drie of meer wielen, een motor en een carrosserie
carro
automóvel
adjective
1. met betrekking tot afweerstoffen gericht tegen de eigen lichaamsweefsels
autoimune
noun
1. auto geladen met explosieven gebruikt als wapen bij terroristische aanslagen
carro-bomba
noun
1. een groot voertuig voor het vervoeren van een groot aantal passagiers
autocarro
adjective
1. oorspronkelijk in een bepaald gebied thuishorend
autóctone
noun
1. handtekening van een beroemd persoon
autógrafo
noun
1. zelfstandige handelingen en verrichtingen die gebeuren zonder zich dit bewust te zijn
automatismo
adjective
- 1. niet bestuurd door de hand van de mens
- 2. vanzelfgaand
- 3. gedachteloos
automático
verb
1. automatisch doen werken
automatizar
noun
1. een bestuurder van een auto
motorista
noun
1. vakman die beroepshalve reparaties verricht aan en onderhoud doet van auto's
mecânico
/
aʊ̯.to.no.ˈmi/, /
ɔʊ̯.to.no.ˈmi/, /
ʌʊ̯.to.no.ˈmi/
noun
autonomia
/
ˌʌʊtoˈnom/
adjective
1. op zichzelf staand
autônomo
autónomo
noun
1. een lijkschouwing
autópsia
/
ˈɑʊ̯.to.ˌrɛɪ.sxol/
noun
autoescola
noun
1. de overheid
autoridade
noun
1. weg voor snelverkeer (dat sneller kan en mag rijden dan 60 km per uur), met gescheiden rijbanen en ongelijkvloerse kruisingen
estrada
noun
1. een chromosoom dat geen geslachtschromosoom (heterosoom) is; homoloog chromosoom
autossoma
/
ɑu̯ˈtri.sə/
noun
1. persoon die aan de basis staat van een origineel geschreven werk
autora
pronoun
1. voormalige regio in Centraal-Frankrijk
Auvergne
/
'avatɑr/
noun
2. (informatica) een kleine afbeelding die een bepaalde gebruiker symboliseert
avatar
adjective
2. breien met de draad aan de voorkant van het breiwerk
ponto tricô
pronoun
1. een stad in Frankrijk
Avinhão
/
ɑvoˈkado/
noun
1. een tropische vrucht van de avocadoboom
abacate
abacateiro
/
ˌavoˈkadobom/
noun
1. immergroene boom uit Midden-Amerika die de avocadoperen voortbrengt
abacateiro
noun
1. de periode van de dag waarin het nacht wordt
tarde
noite
noun
1. een maaltijd die 's avonds genuttigd wordt
jantar
ceia
noun
1. verbod om zich op straat te begeven na een zekere tijd
toque de recolher
adjective
1. gedurende de avond
noturno
noun
1. een school waarin in de avonduren lesgegeven wordt
curso noturno
noun
1. iemand die graag het avontuur opzoekt
aventureiro
noun
1. een onderneming waarvan de uitkomst niet bij voorbaat vaststaat
aventura
acaso
noun
1. een basisbegrip dat zonder bewijs aangenomen moet worden
axioma
noun
1. de titel van een hoge sjiitische geestelijke
aiatolá
pronoun
1. een Indiaanse taal die in Zuid-Amerika wordt gesproken
aimará
noun
1. sierstruik van het geslacht rhododendron
azaleia
/
ˌazərbɛɪ̯ˈdʒan/, /
ˌazərbɛːˈdʒan/
pronoun
1 en 2. Aziatisch land grenzend aan Rusland, Iran, Armenië en Georgië
Azerbaijão
/
aˈzeːri/, /
aˈzɪːri/
pronoun
1. Turkse taal die door 22 miljoen mensen vooral in Azerbeidzjan, maar ook in Iran, Georgië en Turkije wordt gesproken
azerbaijano
adjective
1. afkomstig uit of betreffend Azië
asiático
/
aˈzɛɪn/, /
aˈzɛːn/
noun
1. en 2. verdund azijnzuur verkregen door oxidatie van verdund alcohol om voedsel te bereiden
vinagre
aceto
noun
1. CH₃COOH
ácido acético
/
azimɵt/
noun
1. horizontale hoek
azimute
pronoun
1. een continent ten oosten van Europa
Ásia
noun
1. een landinwaartse uitstulping van een zee of oceaan
baía
noun
1. een stapel bijeengebonden plantaardig materiaal zoals hooi of tabak
fardo
/
baːn/
noun
- 3. traject van een projectiel/hemellichaam
círculo
- 1. het werk
job
- 2. verkeersweg
- 6. bovenblad van aambeeld
órbita
/
baːrt/
noun
1. gezichtsbeharing van de man
barba
noun
1. voortplantingsorgaan van vrouwen waarin de vrucht zich ontwikkelt
útero
matriz
noun
1. een vorm van kanker die zich in de baarmoederhals ontwikkelt
câncer cervical
noun
1. stekelvinnige riviervis
perca
verb
1. gezellig praten over zaken van weinig belang
papear
noun
1. een mens in de allereerste fase van zijn/haar leven
nenê
/
ˈbebibɑt/
noun
1. kuip bedoeld om heel jonge kinderen in te wassen
banheira para bebês
/
ˈbe.bi.buːm/
noun
1. een periode waarin ongewoon veel kinderen geboren worden
baby boom
noun
1. elektronisch afluisterapparaat om geluid uit de kinderkamer elders op te vangen
babá eletrônica
noun
1. benaming voor soorten uit de klasse Bacilli
bacilo
noun
2. een soortgelijke toets op het toetsenbord van een computer
backspace
noun
1. een bacteriedodend middel
bactericida
/
bɑkteriɔfaɣ/
noun
1.
bacteriófago
noun
1. een wetenschap die zich bezighoudt met het bestuderen van bacteriën
bacteriologia
adjective
bacteriológico
bacteriológica
noun
1. een wetenschapper die zich bezighoudt met de bacteriologie
bacteriologista
noun
2. een van de drie taxonomische domeinen, Bacteria
bactérias
/
bɑt/
noun
1. voorwerp waarin men zich wast met water
banho
verb
- 1. een bad nemen
- 3. in bad doen
banhar
pronoun
1.
Baden-Württemberg
Bade-Vurtemberga
noun
1. grote handdoek gemaakt van badstof om (delen van) het lichaam af te drogen na het wassen
lençol de banho
noun
1. een vertrek waar men zich kan wassen en verzorgen
casa de banho
banheiro
noun
1. kledij bedoeld voor het baden en zwemmen
roupa de banho
/
ˈbɑtˌkœy̆p/
noun
1. een waterreservoir waarin één of enkele personen zich kunnen wassen en baden
banheira
noun
1.
tapete de banheiro/banho
noun
1. een sport waarbij een shuttle met behulp van een racket over een net geslagen moet worden
badminton
noun
1. kledij bedoeld voor het baden en zwemmen
roupa de banho
fato de banho
/
ba.ˈɣaːʃ/, /
ba.ˈχa.zʲə/
noun
1. een verzameling van eigendommen
bagagem
verb
1. iets ernstigs onbelangrijk doen voorkomen
minimizar
/
ba.ˈha.mas/, /
ba.ˈɦa.mas/, /
bɑ.ˈɦa.mas/
pronoun
1. een eilandengebied in het Caraïbische gebied
Bahamas
Baamas
/
ba.ˈrɛɪ̯n/, /
bɑx.ˈrɛːn/, /
bɑχ.ˈrɛɪ̯n/
pronoun
1. eilandstaat in de Perzische Golf en de Golf van Bahrein. Het ligt ingeklemd tussen Saoedi-Arabië in het westen en Qatar in het oosten en zuiden
Barém
Bahrein
noun
1. een steekwapen bovenop de loop van een geweer
baioneta
noun
1. de linkerzijde als men vanop een schip naar de boeg kijkt
bombordo
noun
1. een markering, meer in het bijzonder gebruikt in de lucht- en scheepvaart...
fanal
noun
1. een driewielige fiets die voorzien is van een laadbak
triciclo
noun
1. deel van het baardhaar dat groeit vanaf de kaaklijnen tot aan de haargrens boven de oren.
patilhas
verb
1. voedsel bij hoge temperatuur in een oven of pan verhitten, meestal met wat olie of boter.
assar
noun
1. iemand die brood en taarten bakt
padeiro
noun
een werkplaats waar men brood, koek, banket en dergelijke, bakt
padaria
pronoun
1. de hoofdstad van Azerbeidzjan
Bacu
Baku
noun
1. speciaal geprepareerd papier dat in de oven gebruikt wordt om te bakken etenswaar niet aan de bakplaat of de bakvorm te laten kleven
papel manteiga
papel vegetal
noun
1. rijsmiddel op basis van natriumbicarbonaat
fermento em pó
noun
1. uit klei of leem gebakken steen
tijolo
tejolo
noun
1. een object in de vorm van een bol dat gebruikt wordt bij balspelen
bola
noun
1. een driesnarig Russisch tokkelinstrument
balalaica
/
balaˈnitɪs/
noun
1. ontsteking van de eikel bij de man.
balanite
noun
1. evenwicht
equilíbrio
noun
1. stoffen overdekking als ornament, meestal boven een troon, altaar of hemelbed
toldo
noun
- 1. hoornachtige stof uit de walvisbek
- 1. versterkingsstaafje voor corset of paraplu
barbas de baleia
noun
1. langgerekte bank van waarachter men klanten bedient
balcão
/
bɑlk/, /
bɑɫk/
noun
1. deel van een constructie met een lengte die veel groter is dan de breedte en de hoogte in doorsnede
viga
pronoun
1. gebied...
Balcãs
verb
1. een land staatkundig in kleine, onderling vijandige, onderdelen versnipperen
balcanizar
/
ˈbɑlkə(n)/, /
ˈbɑɫkə(n)/
verb
1. het geluid van een ezel maken
ornejar
noun
1. een bouwkundig onderdeel
varanda
balcão
noun
1. vervanging van de nuttige lading door iets dat voldoende weegt om een schip te stabiliseren
lastro
/
ˈbɑ.lə/
noun
branie, moed
colhões
noun
1. speeltoestel voor kinderen
piscina de bolinhas
noun
1. een artistieke dansvorm
balé
noun
1. gedwongen verblijf elders dan waar men thuis is
exílio
noun
1. leer die de banen van projectielen bestudeert
balística
noun
1. een feestartikel bestaande uit een dun rubberen zakje dat met gas of lucht kan worden gevuld
balão
noun
1. een pen die met een bal of kogel de inkt op het papier overbrengt
esferográfica
caneta esferográfica
verb
1. het prepareren van een stoffelijk overschot om het tegen ontbinding te beschermen
embalsamar
noun
1. een laag hekwerk dat een min of verheven standplaats omsluit
balaustrada
pronoun
1. de nationale taal van Mali
bambara
noun
1. een reuzengrassoort dat afkomstig is uit Azië
bambu
noun
1. een vrucht van de bananenboom
banana
noun
- 1. een van de Midden-Amerikaanse staten zoals Honduras, Nicaragua, El Salvador of Guatemala, eens zo genoemd vanwege de bananenindustrie die daar alles overheerste
- 2. een in politiek en economisch opzicht corrupt en instabiel land, dat bovendien vaak rijk is aan grondstoffen
república das Bananas
república das bananas
noun
1. de schil van een banaaan
casca de banana
noun
1. ringvormige omhulling van iets anders, vooral dienend voor de uitwendige bescherming
pneu
noun
1. een schurk of misdadiger
bandido
noun
1. apparaat waarmee men geluid kan vastleggen op magnetische tape
gravador
/
ˌbɑŋ.(g)ɣə.la.ˈdɛʃ/, /
ˌbɑŋ.lɑ.ˈdɛʃ/
pronoun
1. land in het zuiden van Azië dat ligt op het Indische subcontinent en grenst voor het grootste gedeelte aan India en voor een klein stukje aan Myanmar/Birma grenst
Bangladeche
Bangladesh
noun
- 3. een financiële instelling
- 5. gebouw waarin een financiële instelling gevestigd is
- 6. een opslagsysteem voor gegevens of voorwerpen b.v. beeldbank, bloedbank, boekenbank, kennisbank, spermabank
- 4. een ondiepte in het water
- 1. een meubelstuk met zitplaats voor meer dan één persoon
banco
noun
1. een betaalmiddel van papier
nota
noun
1. een bakker die voornamelijk taarten, klein gebak en chocolade maakt
confeitero
noun
1. een bedrijf dat zich toelegt op het vervaardigen van gebak, taart en andere lekkernijen
pastelaria
noun
1. iemand die financiële diensten verleent
banqueiro
noun
1. een rekening-courant bij een bank
conta bancária
noun
1. toestand van iemand die niet in staat is aan zijn financiële verplichtingen te voldoen
bancarrota
noun
1. een handig hulpmiddel om werkstukken in vast te houden
morsa
/
ˈbɑnəlɪŋ/
noun
1. iemand die verbannen is
exilado
noun
1. een kerkelijke straf
anátema
noun
benaming voor dikstammige bomen uit droge, warme gebieden uit het geslacht Adansonia
baobá
adjective
1. zonder beperkingen opgelegd door beschaafd gedrag
bárbaro
/
ˈbɑr.ba.ˌdɔs/, /
ˈbɑr.be.ˌdɔs/
pronoun
1. een eiland in het Caribisch gebied, dat behoort tot de Bovenwindse Eilanden van de Kleine Antillen
Barbados
/
bɑrbɑˈrɪzmə/
noun
1. woord of uitdrukking uit een andere taal
barbarismo
noun
1. bepaalde vissoort die voorkomt in de middenlopen van rivieren, Barbus barbus
barbo
noun
1. Een slaapmiddel in de vorm van een barbituurzuur verbinding
barbitúrico
/
bɑrt/
noun
1. middeleeuws dichter en zanger bij de Kelten
bardo
verb
1. op de wereld brengen
parir
noun
1. plat hoofddeksel zonder klep
boina
/
bɑrx/
noun
1. gecastreerd mannetjesvarken
leitão castrado
noun
1. een mannenstem tussen bas en tenor
barítono
noun
1. baritonsaxofoon
saxofone barítono
noun
1. iemand die achter de bar staat en drankjes voor de gasten inschenkt
barista
noun
1. een 17e eeuwse kunststroming die er naar streeft grootste, dramatische momenten en beweging uit te drukken
barroco
/
ˈbaroˌmetər/
noun
1. een instrument dat de luchtdruk meet
barometro
noun
1. adellijke titel, in rang tussen jonkheer en burggraaf
barão
noun
1. vrouwelijke baron
baronesa
noun
- 3. beslissingsronde
- 2. dam
barragem
noun
1. straatversperring die de doorgang door een straat onmogelijk maakt
barricada
noun
1. begrenzing, bescherming
barreira
verb
1. heftig breken of uiteenspatten
estourar
adjective
2. aan de basis liggend
basal
noun
1. een mafisch vulkanisch stollingsgesteente dat gevormd wordt door de stolling van lava of magma
basalto
noun
- 1. stof die een of meer hydroxylgroepen bevat en in een waterige oplossing OH-ionen afsplitst
- 2. ion of molecuul dat de neiging heeft een proton op te nemen
base
/
baˈsilikəm/
noun
1. een keukenkruid
basílico
noun
1. fabeldier
basilisco
noun
1. scholing voor kinderen van 4 tot 12 jaar
ensino primário
/
ˈbazɪsxoɫ/
noun
1. een school voor lager onderwijs
escola primária
/
'bɑskən,lɑnd/
pronoun
- 1. geografische regio bij de Spaans-Franse grens
- 3. Spaanse autonome regio
País Basco
noun
- 2. bal
basquetebol
- 1. sport
basquetebol
basquete
adjective
- 1. met betrekking tot de Basken
- 2. met betrekking tot de Baskische taal
basco
pronoun
1. taal die wordt gesproken door de Basken
basco
noun
1. geurige rijstzaden
basmati
noun
1. bassaxofoon
saxofone baixo
noun
1. contrabasspeler
baixista
noun
1. een kind dat niet geboren is uit een wettig huwelijk
bastardo
pronoun
1. een stad in de Belgische provincie Luxemburg
Bastogne
noun
1. een fijn, doorschijnend weefsel dat gemaakt kan zijn van linnen, wol, katoen, zijde of zelfs kunstzijde
batista
noun
1. een elektrotechnisch component waarin elektrische energie is opgeslagen
célula electroquímica
pilha
noun
1. eenheid van snelheid van informatieoverdracht van een datatransmissiekanaal (modem, telefoonlijn etc.)
baud
noun
1. een mineraal dat een belangrijk erts van aluminium vormt. Bauxiet bestaat voor een groot deel uit aluminiumoxide...
bauxita
noun
1. een aap met een korte staart en een vooruitstekende snuit
babuíno
pronoun
1. stad in Zwitserland
Basileia
noun
1. kleine hond van een bepaald ras
beagle
/
bə.ʔˈɑnt.ʋɔːr.də(n)/
verb
1. de reactie op een vraag geven
atender
pronoun
1. deel van de Noordelijke IJszee, ten noordwesten van Canada en ten noorden van Alaska
mar de Beaufort
adjective
1. voorzien van een (lange) baard
barbudo
verb
1. van bakens voorzien
balizar
verb
1. met bomen bedekken
florestar
adjective
1. brildragend
com óculos
noun
1. becijferde bas
baixo cifrado
verb
- 1. uitrekenen
- 2. door cijfers aanwijzen
- 3. (muziek) notaties door cijfers aangeven
cifrar
verb
1. van commentaar voorzien
comentar
/
bɛd/, /
bɛt/
noun
1. een meubel gemaakt om in te slapen
cama
leito
verb
1. erkentelijkheid tot uitdrukking brengen
agradecer
interjection
5. uitspraak om waardering en erkenning te tonen in dagelijks gebruik
obrigado
/
bə'darə(n)/
verb
1. tot rust komen
acalmar-se
verb
1. iets over iets heen plaatsen zodat het niet zichtbaar is
cobrir
noun
1. een persoon die vraagt om geld zonder daar iets voor te doen
mendigo
verb
1. om een aalmoes vragen
mendigar
adjective
1. dat iets kan verrotten of vergaan en daardoor niet meer bruikbaar of eetbaar is
perecível
verb
- 3. te veel verwennen
- 4. verrotten, oneetbaar worden
- 2. verpesten, verknoeien
estragar
noun
1. iemand die een apparaat op een goede manier laat functioneren
operador
/
bɛdleɣərəɣ/
adjective
1. niet in staat uit bed te komen
acamado
verb
1. met een woord of toespeling iets of iemand aanduiden of proberen aan te duiden
querer dizer
adjective
- 1. dreigend bejegend
- 2. mogelijk op het punt staand van uitsterving
ameaçado
verb
1. iemand met een mogelijk gevaar confronteren
ameaçar
noun
1. de tak van wetenschap die het samenspel in organisaties en hun relatie met hun omgeving bestudeert
administração
verb
1. triest stemmen
afligir
/
bek/
noun
1. stromend watertje
riacho
regato
ribeirinho
noun
1. zeldzaam visje dat inheems voorkomt in de Benelux, Lampetra planeri
lampreia-de-esteiro
lampreira-pequena
noun
1. driedimensionaal kunstwerk
imagem
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Escultor
noun
1. een beoefenaar van de beeldhouwkunst
escultor
/
beːn/
noun
- 3. stof waaruit benen/botten bestaan
osso
- 1. ledemaat waarop wordt gestaan en waarmee wordt gelopen
perna
noun
1. een verkoper van vlees
carniceiro
magarefe
noun
1. een sponsachtige, rode substantie die zich in het binnenste van beenderen bevindt
medula óssea
/
beːr/, /
bɪːr/
noun
- 1. groot viervoetig zoogdier uit de familie Ursidae
urso
- 1. mannetjesvarken
barrão
cachaço
verraco
noun
1. een put waarin fecaliën verzameld worden
fossa
/
beːst/
noun
1. dier
besta
animal
/
beɪt/, /
beːt/
noun
1. samenklemming tussen de kaken
mordedura
/
ˈbeːtʃjə/
noun
1. kleine hoeveelheid
pouco
verb
1. het oraal bevredigen van een vrouw door haar geslachtsdelen te likken of met de tong te 'betasten'
fazer um minete
noun
1. bepaald soort lijster, Turdus torquatus
melro-de-peito-branco
/
bə.ɣə.ˈlɛɪ̯.də(n)/, /
bə.ɣə.ˈlɛː.də(n)/, /
bə.χə.ˈlɛɪ̯.də(n)/
verb
1. vergezellen
acompanhar
noun
1. personen die iemand vergezellen of bewaken
acompanhamento
verb
1. een gift geven
dotar
noun
1. een hofje waar vrouwen als geestelijke zusters tezamen leefden, zonder een kloostergelofte af te leggen
beguinaria
/
bəˈχɪn/
noun
1. het eerste deel
início
começo
verb
1. aanvangen
começar
iniciar
noun
1. (plantk.) Begonia, een geslacht bloeiende planten uit de begoniafamilie
begônia
noun
1. een plaats waar overledenen begraven liggen
cemitério
noun
1. een ceremonie waarbij een overledene in een kist aan de aarde wordt toevertrouwd
enterro
/
bəˈɣrafənɪsɔndərˌnemər/
noun
1. Een persoon die de begrafenis van overledenen verzorgt
agente funerário
verb
- 1. iets onder de grond stoppen
- 2. een overledene begraven
- 3. iets wegstoppen
enterrar
/
bə.χrɛɪ.pə(n)/
verb
1. met het verstand vatten
compreender
noun
- 1. het verstaan of begrijpen van iets
- 3. inlevingsvermogen
compreensão
/
bəˈɣrotɪŋ/
noun
1. raming van de te maken uitgaven voor de komende tijd
orçamento
/
beˈɦaː/
noun
1. een kledingstuk voor vrouwen dat de borsten ondersteunt
sutiã
soutien
porta-seios
preposition
1. met uitzondering van
exceto
verb
- 1. verwerken
abordar
- 3. medisch verzorgen
tratar de
noun
2. een handeling gericht op herstel
tratamento
noun
1. ter versiering op de muur aangebrachte papieren bedekking
papel de parede
verb
1. het bedekken van wanden met een laag papier
empapelar
noun
1. muurbedekking
papel de parede
noun
1. een persoon om een bepaald geheel te regelen en te onderhouden of dit beroep
administrador
/
ˈbə'huftə/
noun
1. iets wat benodigd is
necessidade
/
bəˈhuvə(n)/
verb
- 1. moeten
dever
- 2. nodig hebben
necessitar
precisar
verb
- 2. onderdeel uitmaken van wat gebruikelijk is of tot de fatsoensnormen gerekend wordt
- 1. onderdeel zijn van
pertencer
adjective
1. iets niet verliezen
permanecer
cardinalNumeral
1. alle twee
ambos
pronoun
1. taal gesproken door ten minste 12 miljoen mensen in Oostenrijk...
bávaro
/
bɛɪrut/
pronoun
1. hoofdstad van Libanon
Beirute
noun
1. een scherp stuk gereedschap met een wigvormige snede
cinzel
verb
1. iets met een beitel (be)werken, met een scherp voorwerp steen bewerken
cinzelar
noun
1. snavel van vogels
bico
adjective
1. vertrouwd
conhecido
noun
1. een verklaring waarin men toegeeft een bepaalde daad gepleegd te hebben
confissão
noun
1. het (doen) overgaan van iemand tot een bepaald geloof.
conversão
noun
1. een boete die wordt opgelegd voor het overtreden van een wet
multa
noun
2. gebeente tussen beide heupen
pelve
verb
1. de nadruk leggen op iets
acentuar
verb
1. naar de top van iets, zoals een berg, klimmen
escalar
adjective
1. tot het belangrijkste en noodzakelijkste teruggebracht
conciso
verb
1. ervoor zorgen dat de kosten betaald worden
costear
verb
1. kritiek uiten op iets of iemand
criticar
verb
1. belonen voor uitmuntendheid
coroar
verb
1. iemand agressief/intimiderend benaderen
assediar
noun
1. iets wat belangrijk is voor een persoon
interesse
/
bəˈlɑŋəlos/
adjective
2. uit liefdadigheid
desinteressado
adjective
1. van grote betekenis
importante
grave
sério
noun
1. de daad van het belasteren.
difamação
noun
1. door de wet gedwongen betaling aan de overheid zonder individuele tegenprestatie
imposto
noun
1. iemand die belasting betaalt
contribuinte
verb
1. nare opmerkingen maken tegen of over een persoon
insultar
afrontar
noun
1. een krenking van iemands gevoel van eer of eigenwaarde
insulto
ofensa
adjective
1. van goede omgangsvormen getuigend
cortês
noun
1. een sociale vaardigheid, die de omgang in de maatschappij vergemakkelijkt.
polidez
/
bəˈlɛx/
noun
1. langdurige uitsluiting van de buitenwereld door een vijandige strijdmacht
cerco
verb
1. met een leger omsingeld houden
sitiar
assediar
verb
1. geld steken in een naar verwacht winstgevende onderneming
investir
noun
1. geld besteed aan iets waarvan men verwacht dat het later meer waarde zal hebben
investimento
noun
1. een plan van aanpak voor het oplossen van problemen in de meest ruime zin
política
noun
1. leesteken bestaand uit drie puntjes (…)
reticências
noun
1. een stedelijke wachttoren met een stormklok
torre de vigia
/
bɛlx/, /
bɛɫx/, /
bɛɫχ/
noun
1. een staatsburger van België
belga
/
ˈbɛl.ɣɪs/, /
ˈbɛɫ.ɣis/, /
ˈbɛɫ.χis/
adjective
1. met betrekking tot België
belga
/
ˈbɛlɣijə/, /
ˈbɛɫɣijə/, /
ˈbɛɫχijə/
pronoun
Bélgica
pronoun
1. de hoofdstad van Servië
Belgrado
verb
1. een denkbeeld of gevoel vormgeven in iets tastbaars
encarnar
noun
1. zichtbaar gemaakte vorm van een idee of begrip
personificação
/
bə.ˈlɪx.tə(n)/, /
bə.ˈlɪχ.tə(n)/
verb
1. licht schijnen op iets
iluminar
/
be.ˈliː.zə/
pronoun
1. een Midden-Amerikaans land, en grenst aan Mexico in het noordwesten en Guatemala in het zuiden en westen. Aan het oosten grenst het aan de Caribische Zee
Belize
noun
1. tandwalvis die doorgaans bij volwassenheid melkwit van kleur is, Delphinapterus leucas
beluga
noun
1. een ondelinge of schriftelijke verklaring waarin men iets belooft
promessa
verb
1. een prestatie of goede daad met geld of anderszins erkennen
recompensar
verb
1. toezeggen dat iets gedaan zal worden
prometer
noun
1. de personen die het benodigde werk aan boord van een schip of vliegtuig verrichten
tripulação
noun
1. de personen die het benodigde werk aan boord van een schip of vliegtuig verrichten
tripulação
verb
1. het toevoegen van meststoffen aan de aarde
estercar
noun
1. het tussenbeide komen om tot een overeenkomst te komen
mediação
verb
1. amoureuze gevoelens voor iemand koesteren
amar
noun
1. iemand die zich bemoeit met zaken van anderen
abelhudo
verb
1. iemand of iets nadeel toebrengen, iemand of iets schade toebrengen
prejudicar
noun
2. buitengewoon onevenwicht tussen de contractuele prestaties van de betrokken partijen
lesão enorme
adjective
1. te benaderen, makkelijk mee te praten
abordável
verb
1. naartoe gaan en aanspreken
aproximar-se
noun
1. getalswaarde die voor een bepaald praktisch doel voldoende dicht in de buurt ligt van de exacte waarde van die grootheid.
aproximação
/
ˈbɛn.də/
noun
1. een informeel georganiseerde groep mensen, meestal met kwade of misdadige motieven
gangue
pronoun
1. een taal die in Bangladesh en West-Bengalen gesproken wordt
bengali
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera tigris tigris
Tigre de Bengala
verb
1. wensen dat men zelf mocht hebben wat een ander heeft
invejar
adjective
1. dat iets de moeite waard is om benijd te worden
invejável
/
be.ˈnin/, /
ˈbe.nɪn/
pronoun
1. een land in Afrika dat in het westen aan Togo grenst, in het noordwesten aan Burkina Faso, in het noordnoordoosten aan Niger in het oosten aan Nigeria. In het zuiden ligt het aan de Golf van Guinee
Benim
/
bɛn'zinə/
noun
1. een aardolieproduct bestaande uit een mengsel van alifatische koolwaterstoffen...
gasolina
benzina
verb
1. tot een oordeel komen over iets
julgar
noun
1. een lidwoord voorafgaand aan een bepaald zelfstandig naamwoord
artigo definido
verb
- 2. vaststellen, voorschrijven, regelen
- 3. beslissend beïnvloeden
determinar
noun
5. woordgroep die een van de delen van een zin nader bepaalt
locução adverbial
/
bə.ˈpɛr.kɪŋ/
noun
1. iets dat ervoor zorgt dat de mogelijkheden beperkt worden
restrição
adjective
1. akkoord gaand, instemmend: bereid tot actie
disposto
/
bə'rɛɪkən/
verb
1. fysiek bij de andere kant aankomen
alcançar
/
bə.ˈre.kə.nɪŋ/
noun
1. een numerieke uitwerking ergens van
computação
/
bɛrx/
noun
- 1. hoge terreinverheffing
- 2. een grote hoeveelheid
montanha
monte
adjective
1. met bergen
montanhoso
noun
1. iemand die zich toelegt op het alpinisme
alpinista
montanhista
noun
1. Tadorna tadorna, een forse bijna gansachtige eend
pato-branco
noun
1. een soort geit die leeft op rotsachtige ondergrond in de bergen.
camurça
noun
1. een langgerekt gebergte
cadeia montanhosa
noun
1. ziekte veroorzaakt door een tekort aan vitamine B1 (thiamine)
beribéri
noun
1. overgebrachte korte communicatie, meestal over een recente gebeurtenis
mensagem
verb
1. van nieuws voorzien over iets
informar
noun
1. vrouwelijk dier van de berenfamilie, Ursidae
ursa
pronoun
1. de zeestraat tussen de Grote Oceaan en de Noordelijke IJszee
Estreito de Bering
pronoun
1. is de zee in het noordelijk deel van de Grote Oceaan
mar de Bering
verb
1. streng zeggen dat het gedrag wordt afgekeurd
repreender
/
bɛrk/
noun
1. een katjes dragende loofboom met witte bast
vidoeiro
bétel
bétula
pronoun
- 1. de hoofdstad van Duitsland
- 2. een duitse deelstaat
Berlim
noun
2. een van de drie in de Benelux inheemse modderkruipers, Barbatula barbatula
verdemã-da-pedra
pronoun
1. eilandengroep in de Atlantische Oceaan
Bermudas
pronoun
1. de hoofdstad van Zwitserland
Berna
/
bə'rumt/
adjective
1. onder velen bekend en bewonderd
famoso
noun
2. iemand die bekend is bij een groot publiek
celebridade
noun
- 2. dringend verzoek om bijstand
apelação
- 1. een bezigheid waarmee men de kost verdient
profissão
noun
1. een acute beschadiging van de hersenen die veroorzaakt wordt door een bloeduitstorting in de hersenen
acidente vascular cerebral
noun
1. het betreuren van een eerdere kwalijke daad
contrição
verb
1. iemand met geweld zijn bezit ontnemen
desvalijar
/
bəˈrilijʏm/
noun
1. een chemisch element en een donkergrijs aardalkalimetaal
berílio
/
bɛs/
noun
1. kleine vrucht
baga
adverb
1. vol met de neiging zich te verbergen voor anderen
avergonhado
verb
1. het toebrengen van schade
danificar
/
bə.ˈsxa.vɪŋ/, /
bə.ˈsχa.vɪŋ/
noun
1. de complexe maatschappij waarin veel van de mensen in steden leven en hun voedsel door middel van landbouw verkrijgen
civilização
/
bə'sxɛi(d)ə/
adjective
1. geen te hoge verwachtingen van zichzelf hebbend
modesto
verb
1. er zo goed mogelijk voor zorgen dat er niets verkeerd gebeurt
proteger
noun
1. een heilige onder wiens bescherming een bepaalde persoon of groep staat
orago
padroeiro
/
bə.ˈsxɛr.mɪŋ/, /
bə.ˈsχɛr.mɪŋ/
noun
1. een beveiliging
proteção
protecção
/
bə'sxɪkbar/
adjective
1. waarover beschikt kan worden
disponível
adjective
1. onderhevig aan schimmelgroei
bolorento
/
bəˈsxɪmələ(n)/
verb
1. aangevreten worden door schimmels
bolorecer
mofar
adjective
1. onder invloed van alcohol
bêbado
verb
- 1. bekijken als
- 2. denken over
considerar
verb
1. in woorden uitdrukken
descrever
/
bə.ˈsrɛɪ̯.vɪŋ/, /
bə.ˈsxrɛɪ̯.vɪŋ/, /
bə.ˈsxrɛː.vɪŋ/
noun
1. een op schrift gestelde kenmerken van iets of iemand
descrição
/
bəˈsxʌldəgə/
verb
1. iemand de schuld geven van iets
acusar
/
bə.ˈsxʏl.di.ɣɪŋ/, /
bə.ˈsxʏɫ.də.ɣɪŋ/, /
bə.ˈsχʏɫ.də.χɪŋ/
noun
1. het aangeven dat iemand iets moreel of gerechtelijk verkeerds heeft gedaan
acusação
verb
1. het reëel bewust worden van iets
tomar conta
verb
2. een paard van een hoefijzer voorzien
ferrar
noun
- 1. confiscatie
embargo
- 2. vloeibaar deeg
massa
/
bə.ˈslɪ.sɪŋ/
noun
decisão
adjective
1. niet in staat een besluit te nemen.
indeciso
/
bə'smɛtələk/
adjective
1. het vermogen hebbend gemakkelijk van persoon op persoon overgedragen te worden
contagiante
verb
1. de voorhuid van de penis wegsnijden
circuncidar
/
bəˈsnɛidənɪs/
noun
circuncisão
/
bəˈsnujə(n)/
verb
2. bomen en heggen snoeien
recortar
adjective
1. een snor dragend; in het bezit zijn van een snor
bigode
verb
1. een gesprek over een bepaald onderwerp voeren
discutir
/
bə.ˈspre.kɪŋ/
noun
1. een mondeling overleg
discussão
verb
1. daadwerkelijk in het universum voorkomen
existir
verb
1. iemand iets wederrechtelijk ontnemen
furtar
verb
1. afspreken dat goederen of diensten geleverd zullen worden
encomendar
/
bə.ˈstɛ.lɪŋ/
noun
1. een verzoek of opdracht om diensten of goederen te leveren
pedido
/
bə.ˈstɛ.mɪŋ/
noun
1. het eindpunt van een route
destino
/
bəstɔrmə(n)/
verb
1. met een strijdmacht snel te voet een positie van de vijand trachten te overweldigen
assaltar
noun
1. een geheel van systeemapplicaties dat de uitvoering van andere programma's bestuurt
sistema operativo
sistema operacional
/
bəˈstyrdər/
noun
1. een persoon die een voertuig of andere machine bestuurt
motorista
noun
1. de zitting waarop de chauffeur van een voertuig zit
banco do motorista
adjective
1. niet te duur om te betalen
acessível
/
bə.ˈtaː.lə(n)/
verb
1. geld (of andere zaken) geven aan iemand om de kosten te voldoen
pagar
noun
1. iemand die betaalt
pagador
/
bə.ˈta.lɪŋ/
noun
1. het onderhandigen of overboeken van geld in ruil voor goed of dienst
pagamento
verb
1. met de handen iemands lichaam op verschillende plaatsen aanraken
apalpar
verb
1. ergens voor staan
significar
noun
1. wat iets betekent, waar iets voor staat
significado
/
ˈbe.tɔɫ.ˌχø.zə/, /
ˈbe.təl.ˌɣø.zə/, /
ˈbe.təɫ.ˌɣø.zə/
pronoun
1. de één na helderste ster in het sterrenbeeld Orion, na Rigel
Betelgeuse
pronoun
1. stad in Judea, bekend als de geboorteplaats van Jesus
Belém
noun
1. vader van een overgrootouder
trisavô
/
bə.ˈtrɛ.kɪŋ/
noun
1. band of relatie tussen personen of groepen
relação
verb
1. leedwezen tonen over iets
lamentar
/
bətrørən'swardəx/
adjective
1. waard betreurd te worden
deplorável
adjective
1. die erbij horen
envolvido
/
bə.ˈtraʊ̯.bar.hɛɪ̯ds.ˌɪn.tər.ˌvɑl/, /
bə.ˈtrɔʊ̯β̞.bar.ɦɛːts.ˌɪn.tər.ˌvɑɫ/, /
bə.ˈtrʌʊ̯.bar.ɦɛɪ̯ts.ˌɪn.tər.ˌvɑɫ/
noun
1. een statistische intervalschatting voor een parameter
intervalo de confiança
/
bɛtwetər/
noun
1. iemand die meent alles beter te weten dan anderen
sabichão
verb
1. ergens fors op slaan
bater
/
bøːl/
noun
1. uitvoerder van lijfstraffen
carrasco
algoz
noun
- 3. toelage voor iemand die studeren wil
bolsa de estudo
- 1. het beursgebouw waar aandelen gekocht en verkocht worden
bolsa de valores
- 4. bijeenkomst waar producenten van een bepaald vakgebied meest nieuwe producten tentoonspreiden
feira
- 2. een houder voor munten en biljetten
porta-moedas
bolsa
/
bøːrt/
noun
1. gelegenheid of opdracht die bewust telkens aan een andere persoon uit en groep gegeven wordt
jogada
noun
1. eigendoms- en ontvangstbewijs waarin zeevrachtbrief en vervoersovereenkomst worden gecombineerd
conhecimento de embarque
adjective
1. breed, diep en stromingsarm genoeg om bevaren te worden
navegável
adjective
1. -gewoonlijk vrouwelijke- schoonheid bezittend die bij anderen -gewoonlijk mannen- in de smaak valt
atraente
verb
- 2. begrijpen
conceber
- 1. omvatten, in zich sluiten
conter
adjective
1. voorzien van vogelveren
empenado
verb
1. hard en heftig trillen
tremer
noun
1. benaming voor zoogdieren uit het geslacht Castor
castor
noun
1. Myocastor coypus, een schadelijk knaagdier, leeft vooral in moerassige omgeving
ratão-do-banhado
/
bə.ˈvɛs.ti.ɣɪŋ(g)/, /
bə.ˈvɛs.tə.ɣɪŋ/, /
bə.ˈvɛs.tə.χɪŋ/
noun
1. het bevestigen, het mededelen aan iemand dat iets is zoals gevraagd is of verondersteld wordt
confirmação
verb
1. (iets) een beetje nat maken
humedecer
noun
1. alle inwoners van een bepaald land, staat of gebied gerekend
população
noun
1. de toename van de hoeveelheid bevolking
crescimento populacional
/
bə.ˈvoː.ra.dɪŋ/, /
bə.ˈvo̝ː.ra.dɪŋ/
noun
1. het voorzien van alle benodigdheden van een leger, buitenpost, afgelegen nederzetting of basis
abastecimento
verb
1. een hogere rang verlenen aan iemand
promover
adjective
1. de eigenschap bezittend iets te bevorderen
conducente
/
bə'vrizə(n)/
verb
1. door afkoeling in vaste toestand komen
congelar
verb
1. iemand of een bevolking van gevangenschap of onderdrukking verlossen
libertar
noun
1. persoon die andere bevrijdt
libertador
/
bə.ˈvrɛɪ̯.dɪŋ/, /
bə.ˈvrɛː.dɪŋ/
noun
1. het vrij maken van mensen die gevangen gehouden of onderdrukt worden
liberação
adjective
1. door afkoeling in vaste toestand gekomen; volledig met ijs bedekt
congelado
verb
1. vuil maken; verontreinigen
sujar
noun
1. handeling waarbij men een goed van een ander ter bewaring aanneemt onder teruggaveverplichting
depósito
verb
1. toezicht houden op de veiligheid van iets of iemand
guardar
/
bə.ˈwa.kɪŋ/, /
bə.ˈʋa.kɪŋ/, /
bə.ˈβ̞a.kɪŋ/
noun
vigilância
/
bə.ˈwaː.pə.nə(n)/
verb
1. iemand van wapens voorzien
armar
/
bə.ˈweː.ɣə(n)/, /
bə.ˈʋe.χə(n)/, /
bə.ˈβ̞e.ɣə(n)/
verb
1. van plaats veranderen
mexer
mover-se
/
bə.ˈwe.ɣɪŋ(g)/, /
bə.ˈʋe.χɪŋ/, /
bə.ˈβ̞e.ɣɪŋ/
noun
- 1. in de staat verkeren waarin de locatie steeds verandert
- 2. van plaats/positie veranderen
- 3. een organisatie
movimento
verb
1. iets met stelligheid verklaren waarvan het voor anderen niet duidelijk is of het waar is
afirmar
/
bə'wɛrkə(n)/
verb
- 1. veranderen om iets voor een of ander doel geschikt te maken
adaptar
- 4. iets met een mes anders maken
trabalhar
/
bə.ˈwɛr.kɪŋ/, /
bə.ˈʋɛr.kɪŋ/, /
bə.ˈβ̞ɛr.kɪŋ/
noun
1. een verandering om iets voor een bepaald doel geschikt te maken
edição
verb
- 1. wierookdampen over iets of iemand aanbrengen
- 2. iemand lof toezwaaien
incensar
noun
1. datgene wat de juistheid van een bewering onweerlegbaar vast (kan) leggen
prova
noun
1. een stuk waarin iets als waar wordt gesteld
comprovante
verb
1. aantonen; staven
provar
/
bəˈʋɔɫkt/
adjective
1. met wolken bedekt
nublado
noun
1. een persoon die iemand bewondert
admirador
verb
1. bekijken met respect
admirar
adjective
1. wat het verdient bewonderd te worden
admirável
/
bə.ˈwɔn.də.rɪŋ/, /
bə.ˈʋɔn.də.rɪŋ/, /
bə.ˈβ̞ɔn.də.rɪŋ/
noun
1. het bekijken met enig ontzag
admiração
noun
1. iemand die in of op iets woont
habitante
/
bə.ˈwo.nɪŋ/, /
bə.ˈʋo.nɪŋ/, /
bə.ˈβ̞o.nɪŋ/
noun
1. de permanente aanwezigheid van een bepaalde plaats
habitação
/
[bəˈʋɵst]/
adjective
1. iets waarvan kennis is genomen
consciente
/
bəw'ɤstəlos/
adverb
1. in een toestand waarin men het bewustzijn voor de omgeving is verloren
inconsciente
noun
1. de staat van het bewusteloos zijn
inconsciência
/
bə'wɤ(st)sɛin/
noun
1. een toestand waarin men gewaarwordingen uit zijn omgeving ondergaat
consciência
abbreviation
1. de achterste mast van een zeilschip
mastro de mezena
noun
1. voorwerp om stof en vuil bij elkaar te vegen
vassoura
noun
1. de lange stok waaraan de borstel van een bezem bevestigd is
cabo
adjective
1. gedomineerd door de aanwezigheid van...
ocupado
adjective
1. onder de invloed van een boze geest zijn
endemoniado
verb
1. in gebruik nemen
ocupar
noun
1. iemand die bezet, meer in het bijzonder de bezetter van een overwonnen natie in oorlogstijd
ocupante
/
bə.ˈzɛ.tɪŋ/
noun
1. toestand waarbij het grondgebied van een land wordt bestuurd door een ander land
ocupação
noun
1. een plaats die of een voorwerp dat door velen bezocht en bekeken wordt
atração turística
/
bezəx/
adjective
1. aan het werken
ocupado
noun
2. het houden van een goed voor zichzelf
posse
/
bə'zɪtə(n)/
verb
1. iets in eigendom hebben
possuir
ter
noun
1. de persoon die het bezit van iets heeft
possuidor
possessor
noun
1. dat wat iemand in eigendom heeft, dat wat van iemand is
posse
noun
1. het bezoeken
visita
/
bəˈzukə(n)/
verb
1. bij iemand langsgaan of langskomen
visitar
noun
1. een persoon die iemand of iets bezoekt
visitante
adjective
1. met zorgen beladen
ansioso
noun
1. moeilijkheid, bedenking
objeção
adjective
1. met zweet op de huid
suado
verb
1. het bewustzijn verliezen
desmaiar
verb
1. iemand installeren in een ambt door de ambtseed af te nemen
ajuramentar
verb
1. tot een afsluiting brengen
terminar
pronoun
1.
Bersabeia
Bersebá
Bersebé
/
bəˈɪnvludə(n)/
verb
1. iemand of iets proberen te veranderen, invloed nemen op
influenciar
/
bu.ˈtan/, /
bu.ˈtɑn/
pronoun
1. een land in Azië dat in de Himalaya ingeklemd ligt tussen China, Tibet en India. Het zuidelijke gedeelte van Bhutan ligt op het Indisch subcontinent
Butão
noun
1. een skisport waarbij de deelnemers op bepaalde punten in een langlaufcircuit met een geweer...
biatlo
noun
1. theologische stroming die de teksten uit de Bijbel zeer letterlijk opvat
literalismo bíblico
/
ˌbiblijote'kaːrɪs/
noun
1. beheerder van een bibliotheek
bibliotecário
/
bib(l)ijo'tek/
noun
1. een plaats waar boeken verzameld staan
biblioteca
noun
1.2 spier in de bovenarm
bíceps
verb
1. in gebed zijn, een godheid iets vragen
orar
rezar
noun
1. soort van aan de muur bevestigde kom of bak voor het met behulp van water reinigen van de geslachtsdelen, billen en anus na gebruik van het toilet, of om de voeten te wassen
bidé
bidê
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Mantodea
louva-a-deus
noun
1. de erkenning van zonden aan een geestelijke
confissão
verb
1. ten overstaan van een geestelijke bekennen welke religeuze wetten men overtreden heeft
confessar
noun
1. een meubelstuk dat bedoeld is voor het aanhoren en afleggen van de biecht
confessionário
noun
1. een priester die biechten afneemt
confessor
noun
1. dunne lap vlees van de bovenbil van een rund
bife
noun
1. alcoholische drank die bereid is uit gefermenteerde mout
cerveja
noun
1. vette buik
barriga de cerveja
noun
1. en 2. (groene sprietjes van) looksoort Allium schoenoprasum
cebolinho
cebolinha
noun
acelga
beterraba-açucareira
beterraba-forrageira
beterraba-sacarina
adjective
1. met een verloop waarin twee perioden worden onderscheiden
bifásica
bifásico
/
bɪx/, /
bɪχ/
noun
1. een jong van het varken
porquinho
/
bɛɪ̯/
noun
1. benaming vliegende insecten uit het geslacht Antophila
abelha
noun
1. (de heilige tekst van) het heilige boek der christenen
Bíblia
noun
1. een exemplaar van de originele Bijbel
bíblia
Bíblia
verb
1. zorgen dat men niet achterblijft bij de voortgang van iets
acompanhar
/
ˈbɛːdraʝə/, /
ˈbɛːɪdraɣə/
noun
1. iemands aandeel
contribuição
verb
1. een aandeel leveren
contribuir
/
bɛi'embrɛŋə(n)/
verb
1. bij elkaar brengen
coligir
noun
1. benaming voor veelkleurige en insectenetende vogels die...
abelheiro
noun
1. kunstmatige behuizing waarbinnen een bijenvolk zijn raten kan bouwen, oorspronkelijk in de vorm van een gevlochten korf
colmeia
/
ˈbɛː.jə(n)ˌteɫt/
noun
1. het houden van bijen
apicultura
/
ˈbɛɪ̯.ɣə.ˌlof/, /
ˈbɛɪ̯.χə.ˌlof/, /
ˈbɛː.ɣə.ˌlof/
noun
1. een geloof in iets extra's en onnatuurlijks
superstição
adjective
1. iemand die gelooft in bijgeloof
supersticioso
/
bɛɪ̯l/, /
bɛːɫ/
noun
1. hakwerktuig met een smalle snee en een lange steel die vooral voor het kappen van bomen gebruikt
machado
acha
noun
2. een bestand dat bij een e-mail is meegezonden
anexo
/
'bɛɪ.na/
adverb
1. op zo'n manier dat het niet veel scheelt of iets is zo
quase
abbreviation
1.
experiência de quase-morte
noun
1. breed bekende, niet-officiële naam van een persoon, een groep van personen of een zaak
alcunha
apelido
/
ˈbɛi̯tə(n)/
verb
1. iets afsnijden of afscheuren door tanden tegen elkaar te duwen
morder
/
bɛɪ̯ˌvuχlək ˈnamʋo̞rt/, /
bɛːˌvuxlək ˈnamβ̞oːrt/, /
ˌbɛɪ̯vuɣ(ə)lɪk ˈnaːmwoːrd/
noun
1. een woordsoort die wordt gebruikt om een eigenschap of hoedanigheid van...
adjectivo
adjetivo
noun
1. Artemisia vulgaris, een plant uit de composietenfamilie Asteraceae
artemísia
abbreviation
1. als voorbeeld, om tot voorbeeld te dienen
por exemplo
noun
1. een woord dat een bijvoeglijk naamwoord, een werkwoord, een telwoord of een ander bijwoord nader bepaalt
advérbio
adjective
1. alleen van dichtbij scherp kunnen zien
míope
noun
1. een afwijking in de brandpuntsafstand van het oog waardoor alles op grotere afstand wazig gezien wordt
miopia
/
bɛizɪn/
noun
1. een deel van een uiting dat een ondergeschikte rol speelt ten opzichte van de hoofdzin
oração subordinada
noun
1. tweedelige zwemkleding voor de vrouw
biquíni
noun
1. elk van beide lichaamsdelen gevormd door de grote spieren die het bekken ...
nádega
adjective
1. aan twee kanten, in twee richtingen (buitenkanten)
bilateral
cardinalNumeral
1. 1.000.000.000.000
bilião
noun
1. bepaald soort inheemse gifplant, Hyoscyamus niger
meimendro
verb
1. vastmaken (evt. figuurlijk)
amarrar
noun
1. en 2. (bladeren van) sla met een stevige rechte krop
alface romana
noun
1.een ontsteking van het bindvlies dat de buitenkant van het oogwit en de binnenkant van de oogleden bekleedt
conjuntivite
/
ˈbɪntˌʋeːf.səl/
noun
1. weefselsoort dat dient ter ondersteuning en verbinding
tecido conjuntivo
interjection
1. een uitroep gebruikt door spelers van bingo om aanspraak te maken op een overwinning
bingo
/
ˈbɪnənˌbɑnt/
noun
1. binnenste band, de band waarin de lucht aanwezig is
câmara de ar
verb
1. ergens in gaan
entrar
/
ˈbɪnə(n)ˌstɑt/
noun
1. een, meestal oud, stadscentrum
centro
noun
1. een wetenschapper die de biochemie beoefent
bioquímico
/
'bioˌxemi/
noun
1. de wetenschap die de chemische processen van het leven op moleculair niveau bestudeert
bioquímica
adjective
1. met betrekking tot de chemische omzetting van stoffen in levende wezens
bioquímico
/
ˈbiodivɛrsiˌtɛɪt/
noun
1. soortenrijkdom, het aantal verschillende diersoorten
biodiversidade
noun
1. levensbeschrijver
biógrafo
/
ˌbiʲoloˈɣi/, /
ˌbiʲoloˈχi/
noun
1. wetenschap van de levende wezens, levensvormen en levensverschijnselen
biologia
/
ˌbijo'loːɣis/
adjective
- 2. van gelijke afstamming
- 3. van dier en plantvriendelijke landbouw en veeteeld
biológico
- 1. te maken hebbend met de biologie
biológico
biológica
/
ˌbioˈlox/, /
ˌbioˈloχ/
noun
1. een wetenschapper die de biologie beoefent
biólogo
noun
1. een stukje weefsel uit een orgaan verwijderen voor onderzoek
biópsia
noun
1. gebouw waarin mensen in stoelen naar een film geprojecteerd op een groot scherm kunnen kijken
cinema
noun
1. een gebied met een uniform landschapstype waarin bepaalde organismen kunnen gedijen
biótopo
adjective
1. nieuwsgierig naar een relatie of seksuele activiteit met een persoon waarvan het geslacht niet hun voorkeur heeft
bi-curioso
/
ˈbɪzdɔm/
noun
1. kerkrechtelijk afgebakend gebied dat onder de bevoegdheid van een bisschop staat
diocese
bispado
/
bisɛksye:l/
adjective
1. seksueel gericht op beide geslachten
bissexual
pronoun
1. streek en provincie van Spanje rond de stad Bilbao
Biscaia
pronoun
1. de taal die naast Engels en Frans in de staat Vanuatu wordt gesproken
bislama
/
bɪsxɔp/
noun
1. een christelijke geestelijke die aan het hoofd staat van een bisdom
bispo
/
bɪt/
abbreviation
1. in de informatica en de computertechnologie de kleinste eenheid van informatie
bit
adverb
1. een vaak als onaangenaam ervaren smaak, niet behorend tot zout, zuur of zoet
amargo
noun
1. een viskeuze vloeistof die van nature voorkomt als de minst vluchtige fractie van ruwe aardolie
betume
/
ˈbivɑk/
noun
1. kampement voor een leger of expeditie
bivaque
/
bivɑ'kerən/
verb
in de open lucht een kamp hebben
bivacar
noun
1. muts die tot onder de kin doorloopt met openingen om door te kijken en te ademen
balackava
noun
1. Noord-Amerikaans zoogdier, Bison bison
bisonte
bisão
noun
1. hol orgaan dat gevuld is met een hoeveelheid gas en/of vloeistof
bexiga
noun
1. een luchtzak die samengedrukt kan worden om een sterke luchtstroom te veroorzaken
abano
noun
1. een muziekinstrument waarvan de klank wordt voortgebracht door een luchtstroom
instrumento de sopro
instrumento de vento
noun
- 1. plat, groen onderdeel van planten
- 2. vel papier
folha
noun
1. een deegsoort die in rechthoekige plakken wordt gebruikt
massa folhada
noun
1. een dun folie van goud dat wordt gebruikt voor decoratieve doeleinden
folha de ouro
/
blɑt'xrun/
noun
clorofila
/
ˈblɑdɣrunˌkɔrəl/
noun
1
cloroplasto
noun
1. een schadelijk klein insect dat zich voedt met het sap van jonge plantenscheuten...
pulgão
afídeo
noun
- 1. hulpmiddel om bij te houden waar iemand is tijdens het lezen van een boek
- 2. bewaarde hyperlink
marca-livro
/
ˈblɑtsɛidɚ/
noun
1. elk van de beide zijden van een blad papier in boek, krant of tijdschrift
página
verb
1. geluid maken dat kenmerkend is voor een hond
latir
ladrar
noun
1. een afgang veroorzaakt door eigen falen
desonra
/
blɑŋk/
adjective
1. met lichte huidskleur
branco
noun
1. iemand met een van nature bleke (pigmentarme) huid
branco
noun
1. bepaald soort zoetwatervis, Rutilus rutilus
pardelha-dos-Alpes
/
ˈblatə(n)/
verb
het geluid van een schaap maken
balir
/
blʌʊ/
adjective
1. de kleur blauw hebbend
azul
/
blʌʊ/
noun
1. primaire kleur die zich in het spectrum bevindt tussen cyaan en violet
azul
noun
1. bepaald soort lijsterachtige, Luscinia svecica
pisco-de-peito-azul
noun
1. bepaald soort vaste plant, Vaccinium myrtillus
mirtilo
noun
1. witte kraaiachtige met lavendelblauw verenkleed op de rug en kop Cyanocitta cristata
gaio
noun
1. bepaalde soort roofvogel uit de familie van de arendachtigen, Circus cyaneus
tartaranhão-azulado
noun
1. bepaald soort grote vogel, Ardea cinerea
garça-real
garça-cinzenta
noun
1. Balaenoptera musculus, een baleinwalvis, de grootste van alle walvisachtige
baleia-azul
noun
1. soldaat of burger die lid is van de VN-vredesmacht
capacete azul
/
ˈblʌʊəχ/, /
ˈblʌːβ̞əx/
adjective
2. op blauw lijkend
azulado
adjective
1. met blauwe ogen
de olhos azuis
noun
cianureto de hidrogénio
/
'bla.zə(n)/, /
'ble.zə(n)/
verb
1. een luchtstroom veroorzaken
soprar
adjective
1. gering van kleur
pálido
noun
1. ontsteking van een ooglid
blefarite
verb
1. witter of lichter doen worden
branquear
noun
1. een toneelstuk, film of boek dat het doel heeft het publiek te vermaken en aan het lachen te maken
comédia
/
blɛ.və(n)/
verb
- 3. ergens vertoeven
- 1. niet veranderen
ficar
noun
- 1.1 vertind dun plaatstaal
folha de flandres
- 2.1 cilindervormig luchtdicht afgesloten vaatje van dun metaal
lata
/
blɪksəm/
noun
1. de lichtgevende stralen die uit de hemel barsten bij onweer
relâmpago
raio
noun
1. een metalen stang of constructie die de bliksem aantrekt en naar de grond afvoert.
para-raios
adjective
1. niet in staat te zien
cego
noun
1. over de ogen gebonden reep ondoorzichtige stof om het zien te verhinderen
venda
noun
1. iemand die niet kan zien
cego
/
'blɪndɦɛɪt/
noun
1. een toestand waarin men niet in staat is te zien
cegueira
noun
1. rood lichaamsvocht in aderen
sangue
noun
1. het gesloten systeem van hart en vaten waardoor bloed stroomt
corrente sanguínea
/
'bludbrudər/
noun
1.
irmão de sangue
adjective
1. vooral van de ogen dat er bloedvaatjes op het oogwit te zien zijn (door huilen, ouderdom of ontsteking)
injetado
verb
1. het vloeien van bloed
sangrar
noun
1. Brits hondenras met grote kop, lange hangende oren en een lange staart
sabujo
noun
1. de vloeistof van het bloed waar geen bloedlichaampjes meer in zitten maar nog wel stollingseiwitten
plasma sanguíneo
adjective
1. rood als de kleur van bloed
sanguino
noun
1. bloeduitstorting in de huid
hematoma
noun
1. een bloedader
vaso sanguíneo
noun
vergiftiging door ziekteverwekkende bacteriën in het bloed
septicemia
noun
1. het genetisch aan elkaar verwant zijn
consanguinidade
/
'blutʋɔrst/
noun
1. vleeswaar vervaardigd van het bloed en het vet van een varken
morcela
noun
1. een worm die bloed zuigt uit mens en dier
sanguessuga
verb
- 1. het dragen van open, actieve bloeiwijzen
- 2. het bijzonder goed maken
florescer
noun
- 2. fijngemalen poeder, meestal van granen
farinha
- 1. een deel van plant met zaden
flor
noun
1. bloemenverkoper
florista
noun
1. een kool met vlezige bleekgele bloemstengels die als groente gegeten wordt
couve-flor
noun
1. pot waarin men een plant kweekt
vaso de flores
noun
corte/cabelo/estilo tigelinha
noun
- 1. een vaak hoekig massief stuk materiaal
- 3. een onderdeel van een fluit
bloco
noun
1. een eenvoudig houten blaasinstrument
flauta doce
noun
1. een werktuig om hout glad, vlak of dunner te maken
plaina
/
blɔnd/, /
blɔnt/
adjective
1.
loiro
louro
noun
1. cocktail van wodka en tomatensap
bloody mary
verb
1.in aanraking doen komen met
expor
verb
rood worden in het gezicht, bijvoorbeeld van verlegenheid of schaamte
corar
/
blʏf/
noun
1. poging tot intimidatie
blefe
/
blɵt/
adjective
1. geen geld meer hebbend
duro
noun
1. zeer grote wurgslang
boa
jibóia
boá
verb
1. een sport waarbij een bochtig ijsparcours wordt afgelegd in een bestuurbare slee
bobsleigh
noun
2. een brede baai aan de kustlijn
baía
/
ˈbodəmˌkʏndə/
noun
ciência do solo
pronoun
1. de hoofdstad van Hongarije
Budapeste
noun
1. volger van de leer van Boeddha
budista
noun
1. de voorkant van een schip
proa
noun
1. een beeld dat ter versiering aangebracht werd op de voorsteven van een schip
figura de proa
noun
1. uitstekend rondhout aan de voorsteven van een zeilschip
gurupés
noun
1. een drijvend en verankerd voorwerp om de vaargeul in ondiepe wateren aan te geven
boia
/
bujə(n)/
verb
1. kluisteren
algema
noun
1. een ingebonden bundel bedrukte of beschreven vellen papier
livro
pronoun
1. de hoofdstad van Roemenië
Bucareste
/
ˈbuɡdel/
noun
1. drukwerk dat zoveel bladzijden heeft dat het in aparte band kan worden gebonden, maar waarvan de inhoud onderdeel is van een groter werk
tomo
/
ˈbukən/
verb
1. reserveren van bijvoorbeeld een hotelkamer
reservar
/
ˈbu.kə.ˌkɑs/, /
ˈbu.kə.ˌkɑst/
noun
1. een kast voor de opslag en het laten zien van boeken
estante
noun
1. hulpmiddel dat ervoor zorgt dat boeken rechtop blijven staan op een niet geheel gevulde boekenplank
bibliocanto
noun
1. iemand die de inkomsten en uitgaven van een organisatie bijhoudt
contabilista
noun
bijhouden van gegevens
escrituração
/
ˈbu.klɔŋ(g)/, /
ˈbu.klɔŋ/
noun
1. een long die gestapeld en gevouwen is in weefsel, zo dat de gevouwen...
foliáceo
pulmão folhoso
noun
1. en 2. (gepelde zaden van) plant Fagopyrum esculentum
trigo mourisco
trigo-sarraceno
noun
fijn gemalen zaden van boekweit
farinha de trigo mourisco
/
ˈbuk.wɪŋ.kəl/, /
ˈbuk.ʋɪŋ.kɔɫ/, /
ˈbuk.β̞ɪŋ.kəɫ/
noun
1. een winkel waar boeken verkocht worden
livraria
/
bumɑn/
noun
1. een denkbeeldig wezen dat als schrikbeeld dient
bicho-papão
noun
1. een gebogen werpstok die de neiging heeft terug te keren naar de werper
bumerangue
/
buːr/
noun
1. landbouwer
fazendeiro
noun
- 1. een woning met bedrijfsruimte van een boer
fazenda
- 2. een onderneming van een boer
granja
fazenda
sítio
/
buːrən/
verb
3. een boer laten
arrotar
/
burə'kol/
noun
1. en 2. (gekrulde bladeren van) bladgewas (kool)
couve-de-folhas
couve
noun
1. de klasse van de boeren
campesinato
noun
1. bepaald soort samengesteldbloemige plant Tanacetum vulgare
catinga-de-mulata
/
ˈburə(n)ˈzwalyw/
noun
1. een kleine trek- en zangvogel
andorinha-das-chaminés
noun
1. het gehele lichaam, inclusief gezicht en ogen, verhullend gewaad gedragen door (streng) islamitische vrouwen
burca
verb
1. straf ondergaan
expiar
/
bɔf/
noun
2. ziekte
caxumba
papeira
pronoun
1. historische landstreek in de Tsjechische Republiek
Boémia
Boêmia
noun
1. scheikundig element met symbool Bh en atoomnummer 107
bóhrio
noun
1. mannelijke geit
carneiro
pronoun
1. meest gebruikte schrijfwijze van het Noors
bokmal
noun
1. een gevechtswapen bestaande uit een stuk ijzer dat men gebruikt om mee te slaan
soco-inglês
noun
1. een tactische vechtsport
boxe
noun
1. handschoen gedragen tijdens het boksen
luva de boxe
noun
straalvinnige vis (Boops boops) uit de familie van zeebrasems
boga
boga-do-mar
noun
1. een driedimensionaal rond lichaam zie sfeer
esfera
bola
noun
1. een helder oplichtend bolvormig object met een diameter van maximaal 40 centimeter, dat soms waargenomen wordt in de buurt van een blikseminslag en dan gedurende meerdere seconden zichtbaar is
raio globular
/
boˈlivi.ja/
pronoun
1. een republiek in Zuid-Amerika die grenst aan Peru, Brazilië, Paraguay, Argentinië en Chili
Bolívia
pronoun
1. een stad in Italië
Bolonha
noun
1. lid van een factie van de marxistische Russische Sociaaldemocratische Arbeiderspartij (RSDAP) die zich ...
bolchevique
/
bɔm/
noun
1. vernietigingstuig dat gevuld is met explosieven
bomba
coisa explosiva
noun
1. auto geladen met explosieven gebruikt als wapen bij terroristische aanslagen
carro-bomba
noun
1. beschieting met bommen, het werpen van bommen
bombardeamento
verb
1. bommen of andere projectielen afvuren op iets of iemand
bombardear
noun
1. een militair vliegtuig dat is ontworpen voor het werpen van bommen op gronddoelen
bombardeiro
pronoun
1. eiland in het zuidelijke gedeelte van de Caraïbische Zee
Bonaire
/
bɔnt/
adjective
1. met veel verschillende felle kleuren
multicor
noun
1. overgebracht bericht
mensagem
noun
1. een tas waarin men de boodschappen kan doen bij het winkelen
bolsa de compras
noun
- 2. cirkelboog
- 3. deel van bouwwerk
arco
- 1. wapen
arco
curva
noun
1. een sport waarbij pijlen worden weggeschoten naar een doel met behulp van een boog
arco e flecha
pronoun
2. teken van de dierenriem van 22 november tot 22 december
Sagitário
sagitariano
noun
1. iemand die schiet met een boog
arqueiro
noun
1. meerjarige plant met houten stam
árvore
noun
1. een stuk grond met vruchtbomen
pomar
/
ˈbom.ɣrɛns/, /
ˈbom.χrɛns/
noun
1. een grens waarboven geen bomen meer groeien
linha das árvores
noun
1. Hyla arborea, klein kikkertje dat zich in bomen en heesters kan begeven
perereca
noun
1. bepaald soort vogeltje, Sitta europaea
trepadeira-azul
/
ˈbom.leː.β̞əˌrɪk/, /
ˈbom.lɪː.β̞əˌrɪk/
noun
1. een vogelsoort die inheems is in Nederland en België
cotovia-pequena
/
ˈbom.mɑr.tər/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Martes martes
marta
/
ˈbom.pi.pər/
noun
1. een vogelsoort die inheems is vrijwel geheel europa
petinha-das-árvores
noun
1. een rechtop gaande houten schacht van een boom
tronco
noun
1. kleine sierlijke valk, familie van de torenvalk, Falco subbuteo
esmerilhão
ógea
noun
1. zaadje uit de peulvrucht van enige vlinderbloemige planten,...
feijão
noun
B. chemisch element en een zwart metalloïde
boro
/
ˈbormɑˌʃinə/
noun
1. machine om te boren
furadeira
/
boʊs/, /
boːs/
adjective
1. kwaad, woedend
bravo
/
boʊt/, /
boːt/
noun
1. klein vaartuig
barco
noun
1. een rang gelijk aan sergeant bij de marine en de hoogste onderofficier bij de koopvaardij
contramestre
/
bɔRd/, /
bɔrt/
noun
- 2. Vlak voorwerp aan een muur
lousa
- [1] Schijfvormig voorwerp
prato
noun
1. een huis waarin tegen betaling seksuele diensten worden aangeboden
bordel
verb
1. met naald en draad versieringen aanbrengen op een stuk weefsel
bordar
noun
1. iets wat men geborduurd heeft op aan het borduren is
bordado
verb
1. met een werktuig dat om zijn as draait een gat in iets maken
furar
perfurar
noun
2. borgsom, borgtocht, waarborgsom, cautie
fiança
noun
1. overeenkomst waarbij een borg zich garant stelt
fiança
noun
1. een chemisch element en een zwart metalloïde
boro
noun
- 1. bovenste deel van de voorkant van de romp van mens of dier
peito
- 2. elk van de twee vooruitstekende klieren bij vrouwen waaruit zich de moedermelk afscheidt
peito
seio
noun
plat been waaraan de ribben aan de voorzijde vastgehecht zijn
esterno
noun
1. schoonmaakgereedschap met bos haren
escova
verb
1. schoonmaken met behulp van een borstel
escovar
noun
1. geraamte van de borst
tórax
noun
1. een groep bomen
bosque
floresta
noun
- 2. plant Vaccinium myrtillus
blueberry
- 1. en 3. plant, en bessen, uit geslacht Vaccinium
mirtilo
noun
1. brand van of in een bos
fogo florestal
/
ˈbɔsnis/, /
ˈbɔsnɪs/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Bosnië
bósnio
/
ˈbɔsni.jə ɛn ˌhɛrtsəɣoˈviːna/, /
ˈbɔsni.jə ɛn ˌɦɛrtsəɣoˈvina/, /
ˈbɔsni.jə ɛn ˌɦɛrtsəχo(ʊ̯)ˈvina/
pronoun
1. republiek in het zuidoosten van Europa die ontstaan is bij het uiteenvallen van het voormalige Joegoslavië
Bósnia e Herzegovina
Bósnia-Herzegóvina
pronoun
1. zeestraat tussen de Zee van Marmara en de Zwarte Zee
Bósforo
noun
1. jonge, onvolgroeide geboste ui met blad
cebolinha
noun
1. bepaald soort vogel, Strix aluco
coruja-do-mato
noun
1. een beheerder van een boswachterij
guarda florestal
noun
1. bepaald soort loofboom Salix caprea
salgueiro
noun
3. onderdeel van het skelet
osso
/
ˈbotər/
noun
1. zuivelproduct
manteiga
noun
1. een aantal planten uit het geslacht Ranunculus behorende tot de familie Ranunculaceae
ranúnculo
noun
1. CH₃(CH₂)₂COOH
ácido butírico
/
ˈbɔt.sə(n)/
verb
1. met een flinke snelheid tegen elkaar aankomen
colidir
/
ˈbɔt.sɪŋ/
noun
- 1. het botsen
- 2. een conflict of ruzie
colisão
/
bɔ.ˈts<sup>ʊ</sup>a.na/, /
bɔts.ˈʋa.na/, /
bɔts.ˈβ̞a.na/
pronoun
1. een land dat geheel door land is omgeven in het zuiden van Afrika met ruim 1,5 miljoen inwoners, grenzend aan Namibië, Zimbabwe en Zuid-Afrika
Botsuana
Botswana
/
ˈbʌʊdəˌʋɛɪn/, /
ˈbʌːdəˌβ̞ɛːn/
pronoun
1. een jongensnaam
Valdivino
adverb
1. zelfverzekerd, gedurfd
audazmente
noun
1. het onderdeel van een verbrandingsmotor dat door een vonk het mengsel van brandstofdamp en lucht in de cilinder tot ontploffing brengt
vela de ignição
noun
1. een aftreksel van magere vleesresten, beenderen of vis
caldo
noun
psychologische toestand waarin een persoon terugkerende eetbuien heeft
bulimia
pronoun
1. een van de 26 regio's van Frankrijk
Borgonha
/
ˈbɑu̯ə(n)/
verb
1. een constructie oprichten door het samenvoegen van onderdelen
construir
noun
operário da construção
noun
autorização de construção
/
ˈboː.vən/
preposition
1. op een plaats hoger gelegen dan
em cima
/
bovənˈdin/
adverb
1. op de koop toe, daarenboven
além disso
noun
1. een hooggeplaatst raam, boven een deur of in het dak
bandeira
adjective
1. behorende tot een orde van dingen die buiten het menselijke ligt
sobrenatural
noun
1. een sport waarbij de speler door middel van een bowlingbal moet proberen om alle tien de pins omver te gooien
boliche
verb
1. iemand uitsluiten, niet meer willen werken voor, leveren aan of kopen bij
boicotar
noun
- 1. struik & 2. vrucht
amora
amora-silvestre
- 3. beschadiging op een (metaal)oppervlak
rebarba
/
ˈbramslœʏpər/
noun
1. bepaald soort zangvogel, Sylvia curruca
papa-amoras-cinzento
verb
1. slecht en onduidelijk praten met name van baby's
balbuciar
verb
1. vlees bereiden door het in vet te verhitten
assar
noun
1. ongewoon langzame hartslag
bradicardia
verb
- 1. genuttigd voedselwaar ongewild door de mond naar buiten brengen
- 2. vlas of hennep breken
vomitar
/
ˈbrɑnd/, /
ˈbrɑnt/
noun
1. verbranding met vuur
incêndio
verb
- 1. verteerd worden door vuur
queimar
- 2.
torrefazer
pronoun
1. een deelstaat in het oosten van Duitsland
Brandemburgo
noun
1. een soort sterke drank
brandy
noun
1. bepaald soort gans, Branta leucopsis
ganso-de-faces-brancas
noun
1. hout dat gebruikt wordt om te verbranden
lenha
verb
1. (vee) merken door het inbranden van een teken
marcar a ferro quente
noun
2-3. een harige plant die bij aanraking een brandend gevoel en zwelling veroorzaakt
urtiga
noun
1. iemand die expres brand veroorzaakt
incendiário
noun
1. stof waaruit door middel van verbranding of een ander chemisch proces energie wordt gewonnen
combustíveis
combustível
noun
een elektrochemisch toestel
célula de combustível
noun
1. lid van de brandweer
bombeiro
noun
1. bepaalde karperachtige vissoort Abramis brama
brema
brema-do-mar
/
braˈʃɛːrə/
noun
1. dameskledingstuk
soutien
noun
1. Portugees zoals dat in Brazilië gesproken en geschreven wordt
português do Brasil
português brasileiro
/
braˈzili.jə/
pronoun
1. een soevereine staat in Zuid-Amerika (officieel de Federale Repuliek van Brazilië, 'República Federativa do Brasil'), met als officiële taal het Portugees
Brasil
/
ˈbred.bɑnd/, /
ˈbred.bɑnt/
noun
1. een internetverbinding met een hoog debiet
banda larga
noun
1. afmeting loodrecht op de hoogte of de lengte
largura
noun
1. cirkel van gelijke geografische breedten
latitude
noun
1. stevige metalen stang, meestal voorzien van een gespleten einde, de koevoet, gebruikt om zaken open te breken.
pé-de-cabra
/
ˈbrɛ.jə(n)/
verb
1. een weefsel vervaardigen uit een gesponnen draad met behulp twee of meer pennen
tricotar
/
brɛi̯n/
noun
1. orgaan
cabeça
/
ˈbrɛɪ̯nald/, /
ˈbrɛɪ̯naɫt/, /
ˈbrɛːnalt/
noun
1. een naald die gebruikt kan worden bij het breien
agulha de tricô
verb
- 1. in stukken uiteenvallen
- 5. in stukken uiteen doen vallen
quebrar
partir
/
ˈbrɛŋ.ə(n)/
verb
1. ergens heen gaan om iets of iemand daar af te geven
trazer
pronoun
1. een schiereiland in het noordwesten van Frankrijk
Bretanha
noun
1. broekophouder
suspensório
pronoun
1. een Keltische taal die wordt gesproken in Bretagne
bretão
noun
- 2. een gebroken gedeelte van een object
falha
- 1. de uitkomst (quotiënt) van een deling van twee of meer gehele getallen
fracção
noun
3. noot die twee- of driemaal de lengte van een hele noot had
braquia
noun
1. mogelijk vertrek van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie
Brexit
noun
- 1. een spel gespeeld door vier spelers, verdeeld in twee paren en gespeeld in dertien slagen
- 2. de kam van een elektrische gitaar
bridge
noun
1. zachte Franse schimmelkaas
brie
noun
1. verzonden geschreven boodschap
carta
noun
1. een korte brief in de vorm van een kaart
postal
noun
1. een doorgaans sierlijk mesje dat men gebruikt om briefomslagen met te openen
corta-papéis
/
bris/
noun
1. zachte frisse wind
brisa
noun
1. een optisch instrument dat gebruikt wordt om de scherpte van het zicht te verbeteren
óculos
/
ˈbrɪl.beːr/, /
ˈbrɪɫ.beːr/, /
ˈbrɪɫ.bɪːr/
noun
1. een beer met grote cirkels rond de ogen, als een bril
urso de óculos
adjective
1. buitengewoon slim
brilhante
noun
1. slijpvorm voor onder andere diamant
brilhante
noun
1. de lens van een bril, die oogafwijkingen corrigeert
lente de óculos
pronoun
1. hoofdstad van de Australische deelstaat Queensland
Brisbane
/
brɪts/
adjective
1. gerelateerd aan Groot-Brittannië
britânico
pronoun
Ilhas Virgens Britânicas
/
ˈbrɔkɔlɪ/
noun
1. groente
brócolis
/
'bru.də(n)/
verb
1. een gelegd ei met lichaamswarmte warm houden
chocar
incubar
/
brudər/
noun
1. een broer
frade
noun
1. moord van de ene broer op een andere broer, ook figuurlijk gebruikt
fratricídio
noun
- 1. kerkelijk goedgekeurde vereniging
- 1. vriendschappelijke betrekking als tussen broers
fraternidade
noun
1. bouwsel met glazen wanden voor het opkweken van gewassen
estufa
noun
1. kledingstuk dat het onderlichaam en beide benen, elk met een afzonderlijke pijp omhult
calças
/
bruːr/
noun
1. een mannelijk kind van dezelfde ouders
irmão
noun
1. zijdeweefsel met ingeweven, meestal grote figuren, vaak met goud- of zilverdraad doorweven
brocado
noun
- 1. daar waar men informatie vandaan haalt
- 2. begin van een waterloop
fonte
origem
adjective
1. met betrekking tot de luchtpijp-takken
bronquial
noun
1. ontsteking van de luchtpijptak
bonquite
bronquite
noun
1. medisch onderzoek van de luchtpijp d.m.v. een bronchoscoop
broncoscopia
noun
1. een meest door inhaleren ingenomen medicament dat vernauwing in de luchtwegen bestrijdt
broncodilatador
adjective
1.van brons gemaakt
brônzeo
/
broːt/
noun
1. een meelproduct dat gemaakt wordt door meeldeeg te bakken, te koken of te stomen
pão
noun
1. boom Artocarpus altilis
fruta-pão
noun
2. klein brood, vaak versierd, belegd of in een speciale vorm, voor één persoon
pão francês
noun
1. vrucht van de broodboom Artocarpus altilis
fruta-pão
verb
1. (bier) brouwen
fabricar cerveja
noun
1. iemand die bier maakt om te verhandelen
cervejeiro
/
brɔuə'rɛi/
noun
1. een bedrijf dat zich toelegt op het brouwen van bier
cervejaria
/
brʏx/, /
brʏχ/
noun
kunstmatige weg over een diepte
ponte
pronoun
1. een Vlaamse provinciehoofdstad
Bruges
/
brœy̯t/
noun
1. vrouw in tijd van de huwelijksplechtigheden
noiva
noun
1. man die in het huwelijk treedt
noivo
noun
1. jurk gedragen door een bruid
vestido de noiva
vestido de casamento
vestido nupcial
noun
1. De twee mensen die met elkaar in het huwelijk treden
noivos
noun
1. een gift die een meisje van haar ouders meekrijgt als ze in het huwelijk treedt
dote
noun
1. kosteloze lening voor tijdelijk gebruik onder voorwaarde van teruggave
comodato
noun
1. huwelijks-, trouwfeest
boda
adjective
1. een kleur zoals die van walnoten, chocola of koffie hebbend
marrom
castanho
noun
1. kleur zoals die van koffie of chocola
marrom
castanho
/
ˌbrœʏnəˈbeːr/
noun
1. Ursus arctos, een beer die in Europa, Azië en Amerika voorkomt.
urso pardo
noun
1. hemellichaam met een massa tussen die van een gasreus en een ster, onvoldoende voor kernfusie tussen protonen
anã castanha
noun
1. bepaald soort roofvogel, Circus aeruginosus
tartaranhão-ruivo-dos-pauis
noun
1. lid van de SA in Nazi-Duitsland
camisa-castanha
/
ˈbrœy̯nvɪs/
noun
1. familie Phocoenidae van kleine rondsnuitige tandwalvissen
toninha
marsuíno
noun
Amerikaanse apen die een brullend lawaai kunnen produceren
bugio
pronoun
1. een stad in de Italiaanse autonome provincie Zuid-Tirol
Brunico
/
bry.ˈnɛɪ̯/, /
bry.ˈnɛː/
pronoun
2. een land op op het eiland Borneo, in Zuidoost-Azië. Het ligt aan de Zuid-Chinese Zee, en wordt verder geheel omringd door Maleisië
Brunei
noun
1. een vrouw met (donker)bruin (of zwart) haar en soms ook met een donkere gelaatstint
morena
/
brʏs/
noun
1. een ander kind van dezelfde ouders (zonder de connotatie met zorg)
irmã
pronoun
1. de hoofdstad van België
Bruxelas
adjective
- 3. vrijpostig
atrevido
- 2.
insolente
noun
produto interno bruto
adjective
1. nietsontziend en gewelddadig
brutal
noun
1. de afkorting voor belasting over de toegevoegde waarde
IVA
adjective
1. van de wang
bucal
adjective
1. met betrekking tot een budget, begroting
orçamentário
/
'bɵfəl/
noun
1. verzamelnaam voor een aantal zware rundersoorten met vaak forse hoorns
búfalo
noun
3. tijdelijk geheugen in rekenmachines...
buffer
noun
1. een gebied dat op een of andere manier als buffer dient
zona tampão
/
ˈbyfɛt/
noun
- 1. meubelstuk waarin men tafelgoed en -zilver opbergt
- 2. toonbank waarop allerlei etenswaar ligt die men kan bekomen of zelf pakken
aparador
/
ˈby.χəɫ/, /
ˈbyː.ɣəl/
noun
1. een koperen blaaasinstrument.
fliscorne
noun
1. zoogdier dat het jong in een buidel draagt
marsupial
/
bœʏ̯χə(n)/, /
bœːɣə(n)/
verb
2. krom worden
curvar
noun
1. nijging als beleefde groet
reverência
/
bœʏ̯k/, /
bœːk/
noun
1. het onderste deel van de voorkant van de romp van mens of dier dat van boven door het middenrif en van onderen door de bekkengordel begrenst is
barriga
pança
noun
1. buikspier
músculo abdominal
noun
1. de meest voorkomende vorm van pest en wordt veroorzaakt door de
peste bubónica
noun
1. een hol, cilindrisch voorwerp
tubo
noun
2. buisklokken
carrilhão de orquestra
/
ˈbœʏ̯tə(n)/, /
ˈbœːtə(n)/
adverb
fora
adjective
1. niet binnen het raamwerk van het huwelijk
extraconjugal
noun
1. ieder land buiten het eigene
estrangeiro
/
ˈbœytə(n)lɑndər/
noun
1. iemand die in het buitenland woont, of iemand afkomstig uit het buitenland
estrangeiro
adjective
1. op het buitenland betrekking hebbend
estrangeiro
verb
- 1. een buis in de school geven
- 2. een buis in de school krijgen
reprovar
noun
1. bepaald soort middelgrote roofvogel, Buteo buteo
águia-d'asa-redonda
milhafre
/
ˈbɵkən/
verb
- 2. het lichaam geheel voorover buigen
agachar-se
- 1. het lichaam geheel vooroverbuigen om bij iets lagers te komen
curvar-se
/
bʏl/
noun
1. mannelijk rund en het mannetje van sommige andere zoogdieren en zeezoogdieren
toiro
touro
noun
1. een stevig gebouwde hond met een grote kop en afhangende liphoeken...
buldogue
/
bɵɫˈγ̊aːrs/
adjective
1. met betrekking tot Bulgarije of de Bulgaarse taal
búlgaro
búlgara
/
bɵɫˈγ̊aːrs/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Bulgarije
búlgaro
pronoun
1. een land in Zuidoost-Europa
Bulgária
noun
1. gestoomde, daarna gedroogde en vervolgens grof gemalen of gebroken tarwekorrels, meestal durumtarwe
bulgur
triguilho
noun
1. zware van rupsbanden voorziene machine om terreinen te egaliseren
buldôzer
/
ˈbʏltrʏx/
noun
1. benaming voor een van de grotere baardwalvissen met lange borstvinnen
baleia-jubarte
baleia-corcunda
noun
1. stootstang
para-choques
noun
1. zijdelings bijeengehouden verzameling langwerpige voorwerpen
embrulho
noun
1. woning of vakantiehuis zonder bovenverdieping
bangalô
noun
1. zwaar versterkte verdedigingsstelling
casamata
noun
1. gasbrander met regelbare luchttoevoer die men gebruikt in een laboratorium
bico de Bunsen
noun
1. bepaald soort zoogdier, Mustela putorius
tourão
noun
2. een (politie)kantoor
escritório
noun
1. een stoel die ontworpen is om in een kantooromgeving gebruikt te worden
cadeira de escritório
noun
1. onderdeel van het burgerlijk recht m.b.t. rechten, plichten en hinder uit de nabuurschap
direito de vizinhança
noun
1. hoofd van het gemeentebestuur
prefeito
burgomestre
pronoun
1. deelstaat van Oostenrijk
Burgenland
noun
1. inwoner van een stad of staat die bepaalde wettelijke rechten en plichten heeft
cidadão
/
ˈbʏrɣərlək/
adjective
1. tot de burgers behorend, tot de middenstand behorend
burguês
noun
1. alle niet-militaire luchtvaart, en wordt verdeeld in de particuliere luchtvaart en de commerciële luchtvaart
aviação civil
noun
1. een gewapende strijd tussen twee of meer bevolkingsgroepen binnen hetzelfde land, waarbij soms ook het leger betrokken is
guerra civil
noun
1. een recht dat men geniet als staatsburger van een land
direitos civis
/
bur.ˌki.na.ˈfa.so/, /
bur.ˌki.na.ˈfɑ.so/
pronoun
1. een republiek in West-Afrika voorheen Opper-Volta genaamd.
Burquina Faso
Burkina Faso
/
bu.ˈrun.di/
pronoun
1. een land in Afrika dat grenst aan Democratische Republiek Congo, Rwanda en Tanzania
Burúndi
Burundi
/
bɵs/
noun
1. vervoermiddel op de weg voor een aanzienlijk aantal passagiers
autocarro
/
ˈbʏshɑltə/, /
ˈbʏshɑɫtə/
noun
1. een plek waar een bus stopt
ponto de ônibus
noun
1. een ontplofbaar mengsel van fijngepoederde kool, zwavel en salpeter
pólvora
noun
- 1. boezem
- 2. borstbeeld
busto
noun
1. kledingstuk voor vrouwen.
sutiã
soutien
porta-seios
/
byr/
noun
1. een persoon die in andermans omgeving woont
vizinho
noun
1. een man naast wie men woont
vecino
vizinho
noun
1. een (deel van een) wijk
bairro
noun
1. vrouw woonachtig in het belendende huis
vizinha
/
bɑjt/
noun
1. het kleinste adresseerbare gedeelte van een computergeheugen
byte
/
ˌkɑbɑˈrɛ(t)/
noun
1. een kleinkunst, vermaak met toneel, zang, dans, en voordracht
cabaré
cabaret
/
kakaˈoː/, /
kaˈkɑu/
noun
1. product verkregen uit de bonen van de cacaoboom dat onder andere wordt gebruikt...
cacau
/
kɑˈkʌʊbom/
noun
1. een boom waarvan uit de vruchten de cacao wordt gewonnen
cacaueiro
noun
1. een poederachtige substantie die wordt verkregen door het uitpersen van de cacaomassa van cacaobonen
cacau em pó
noun
1. een vetplant met stekels
cacto
cato
noun
1. een stekelige vrucht van de Opuntia
figo-da-índia
noun
1. scheikundig element met symbool Cd en atoomnummer 48
cádmio
noun
1. een eenvoudige eetgelegenheid, waar men een snelle hap kan nuttigen
cantina
noun
1. een alkaloïde met structuurformule C₈H10N₄O₂ die van nature wordt aangetroffen in koffiebonen en theebladeren
cafeína
/
ˈka.la/, /
ˈkaː.la/
noun
1. een kleine ronde baai langs een steile kust met een nauwe doorgang naar de open zee
enseada
noun
1. verkalking
calcificação
noun
1. scheikundig element met symbool Ca en atoomnummer 20
cálcio
pronoun
1. hoofdstad van de Indiase deelstaat West-Bengalen
Calcutá
noun
1. fijn katoenen weefsel
calicó
noun
1. een scheikundig element en vermoedelijk een grijs of zilverkleurig actinide met het symbool Cf en het atoomnummer 98
califórnio
pronoun
1. een van de vijftig deelstaten van de Verenigde Staten. De staat grenst aan de Pacifische Oceaan en aan de Mexicaanse deelstaat Baja California, alsmede aan de Amerikaanse deelstaten Nevada, Oregon en Arizona.
Califórnia
pronoun
- 1. nimf uit de Griekse mythologie
- 2. een van de vier grote manen van Jupiter
Calisto
noun
1. een eenheid van warmte, gelijk aan de warmte benodigd om een gram water een graad C in temperatuur te doen stijgen
caloria
noun
1. gereformeerde substroming binnen het Christendom waarin o.a. het voorbestemd zijn centraal staat
calvinismo
/
kɑm.ˈbɔ.dja/, /
kɑm.ˈbɔ.tʃa/
pronoun
1. een land in Zuidoost-Azië dat in het noorden grenst aan Laos, in het noordwesten en westen aan Thailand en in het oosten en zuidoosten aan Vietnam
Camboja
/
ˈkɑmbrijʏm/
noun
Câmbrico
/
ˈkaməˌra/
noun
1. een apparaat om beelden mee te registreren
câmera
noun
1. net dat zorgt dat iets minder goed zichtbaar is
rede de camuflagem
/
kɑmuflerən/
verb
1. een voorwerp onopvallend maken
camuflar
/
ˈkɑmpɪŋ/, /
ˈkɛmpɪŋ/
noun
1. een terrein met voorzieningen om te kamperen
parque de campismo
/
ˈkɑmpʏs/
noun
1. universiteitsterrein
campus
/
ˈka.na.da/, /
ˈkɑ.nɑ.da/
pronoun
1. een soevereine staat in de noordelijke helft van Noord-Amerika
Canadá
pronoun
Canárias
Ilhas Canárias
pronoun
1. de federale hoofdstad van Australië, gelegen in het Australisch Hoofdstedelijk Territorium
Camberra
noun
1. schimmelziekte van huid en slijmvliezen
candidíase
/
'ka.nɔn/
noun
1. de strengste vorm van een meerstemmige compositie, waarin de stemmen elkaar in de tijd verschoven imiteren
cânone
pronoun
1. een van de 17 autonome regio’s en provincie in het noorden van Spanje gelegen ten oosten van Asturië en ten westen van Baskenland met de hoofdstad Santander
Cantábria
noun
1. en 2. (vrucht van) plant Cucumis melo var. cantalupensis
meloa
melão-cantalupo
/
kɑˈpabəl/
adjective
1. kundig, bekwaam
capaz
noun
1. mogelijkheid om iets te bevatten
capacidade
/
ˌkapiˈbaːra/
noun
1. Hydrochoerus hydrochaeris, een groot knaagdier...
capivara
noun
1. een haarvat, het kleinste vat van de bloedsomloop
capilar
/
ˌka.pɪ.la.ri.ˈtɛɪ̯t/
noun
capilaridade
noun
1. internationaalrechtelijke verklaring dat een partij de strijd tijdens een oorlog opgeeft
capitulação
verb
1. het verzet staken, zich overgeven
capitular
/
kapu'ɪ:ra/
noun
1. een dans- en vechtsport afkomstig uit Brazilië
capoeira
noun
1. kopje koffie dat uit gelijke delen espresso, melk en melkschuim bestaat
capuchino
noun
2.een omhulsel, veelal van gelatine met een medicijn erin
cápsula
/
ˌka.py.ˈʃɔ̃ː/, /
ˌkɑ.py.ˈʃɔn/
noun
1. hoofdkap bevestigd aan een kledingstuk
capuz
noun
1. bepaald soort zoogdier, Profelis caracal
caracal
/
karákas/
pronoun
1. de hoofdstad van de Zuid-Amerikaanse staat Venezuela
Caracas
noun
1. kampeerwagen, woonwagen, aanhangwagen die kan dienen als woonst
caravana
noun
1. carbidgas/acetyleen
acetileno
noun
1. een organische verbinding die de functionele groep -COOH bezit
ácido carboxílico
adjective
1. kankerverwekkend
carcinogénea
carcinogéneo
noun
1. kankergezwel
carcinoma
noun
1. aandrijfas die tevens de versnellingsbak van een auto met het differentieel verbindt
eixo cardã
adjective
1. met betrekking tot het hart
cardíaco
cardíaca
/
ˈkɑrdɪɡən/
noun
1. vest met V-hals dat met knoopjes aan de voorkant wordt gesloten
cardigan
/
kɑrdijolo'xi/
noun
1. een medisch specialisme dat zich bezighoudt met het opsporen, diagnosticeren en behandelen van hartziekten
cardiologia
adjective
1. met betrekking tot hartziekten
cardiológico
cardiológica
/
kɑrdijo'lox/
noun
cardiólogo
/
ˌkɑr.di.joˌmi.jo.paˈti/
noun
1. hartspierziekte
cardiomiopatia
noun
1. hartziekte
cardiopatia
noun
1. volksfeest waarbij onder meer grote verkleedpartijen plaatsvinden,...
carnaval
/
kɑrniˈvor/
noun
1. een vleesetend dier
carnivora
noun
1. koetswerk van een voertuig
carroçaria
noun
1. iemand die land-, zee- en/of luchtkaarten maakt
cartógrafo
noun
1. de kunst en wetenschap van het vervaardigen van land-, zee- en/of luchtkaarten
cartografia
noun
1. Manihot esculenta, een eetbare wortelknol
mandioca
noun
1. een behuizing voor video- en audiobanden
cassete
noun
specerij
cássia-chinesa
pronoun
1. landstreek in Spanje
Castela
noun
1. ontmanning, het volledig verwijderen van de teelballen bij de man
castração
verb
1. een sterilisatie uitvoeren van een man of mannelijk dier door verwijdering van de zaadballen
castrar
noun
- 1. een naamval
caso
- 2. concrete voorbeeld(en) van iets in de praktijk, vooral gebruikt in wetenschappelijke uitleg en cursussen
exemplo
noun
1. onderaardse ruimte, onderaards gangenstelsel in het algemeen
catacumba
pronoun
1. een Romaanse taal die wordt gesproken in Catalonië, Valencia, Aragón, Balearen, Andorra, Frankrijk en Italië
catalão
verb
1. in een register onderbrengen
catalogar
pronoun
1. een van de 17 autonome regio’s van Spanje, gelegen in het noordoosten van het Iberisch Schiereiland; de twee officiële talen zijn Catalaans en Spaans
Catalunha
noun
1. vaartuig met twee drijvende delen (de rompen), die boven de waterlijn parallel aan elkaar gemonteerd zijn
catamarã
noun
1. grijze staar, een troebeling van de ooglens die het zien verstoort
catarata
noun
1. de leer van een godsdienst in de vorm van vragen en antwoorden gebruikt in het godsdienstonderwijs...
catecismo
noun
1. onderdeel van een rangschikking, rang, groep.
categoria
adjective
1. met betrekking tot het (staart) uiteinde, ook gebruikt voor het onderste deel van ruggemerg
caudal
adjective
1. oorzakelijk
causal
noun
1. bijtende chemische stof
cáustica
cáustico
noun
1. strijdmacht te paard
cavalaria
noun
1. benaming voor knaagdieren uit het geslacht Cavia
porquinho-da-índia
cobaia
preá-da-índia
noun
1. een gat of ruimte bijv. gaatje door tandbederf
cavidade
noun
1. en 2. een peper, een scherp specerij
pimenta-caiena
pronoun
1. de hoofdstad van Egypte
Cairo
/
se.de.jɛ.na/
noun
1. DNA dat door reverse transcriptie uit mRNA is verkregen
ADNc
pronoun
1. een taal die op de Filipijnen en met name op het eiland Cebu gesproken wordt
cebuano
/
ˈsedər/
noun
1. benaming voor bomen uit het geslacht Cedrus
cedro
noun
- 1. een kleine ruimte waar iemand voor straf moet zitten (in een gevangenis)
- 2. een kleine ruimte (in een klooster)
cela
célula
- 3. de kleinste eenheid binnen een levend organisme waarin alle genetische informatie vervat zit
- 4. een zeshoekige opslagplaats in een bijenraat
célula
cela
noun
1.de wetenschap van organische cellen.
biologia celular
noun
1. slagwerkinstrument met een klavier
celesta
noun
1. een viersnarig strijkinstrument dat tijdens het bespelen door de cellist tussen de knieën wordt gehouden
violoncelo
noun
1. ontsteking van het onderhuidse bindweefsel
celulite
/
ˌsɛ.ly.ˈlo.zə/
noun
1. een polysacharide die door nagenoeg alle planten wordt gemaakt en die de plant stevigheid geeft
celulose
noun
1. een omhulsel van de cel bestaande uit fosfolipiden en eiwitten
membrana celular
/
sɛlʋɑnd/
noun
1.
parede celular
noun
1. een bouwmateriaal bestaande uit kalk, zand en grind
cimento
noun
1. hoge ambtenaar in de Romeinse republiek
censor
verb
1. bewust informatie uit de media weghalen
censurar
/
sɛnˈsyr/
noun
1. de controle van de kant van de overheid op alles wat de media uitbrengen
censura
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Centauro
/
'sɛntiˌmetər/
noun
1. een lengtemaat die gelijk is aan één honderdste van een meter
centímetro
adjective
1. in het midden gelegen
central
/
sɛn.ˌtral.a.fri.ˌkan.sə.re.py.ˈblik/, /
sɛn.ˌtral.ɑ.fri.ˌkans.re.pʏ.ˈbliːk/, /
sɛn.ˌtraɫ.a.fri.ˌkan.sə.re.py.ˈblik/
pronoun
1. een land in Midden-Afrika, officieel de Centraal-Afrikaanse Republiek, dat geheel door land wordt omsloten
República Centro-Africana
pronoun
1. Iraanse taal gesproken door 6 miljoen mensen in Irak en Iran
curdo
noun
1. een verwarmingssysteem, waarbij de warmte centraal wordt opgewekt
calefação
noun
1. pomp die een vloeistof verpompt door het met een draaiend rad naar buiten te slingeren
bomba centrífuga
noun
1. centrifugaalmachine
centrifugador
verb
1. met een centrifuge scheiden, zuiveren of drogen
centrifugar
adjective
1. met betrekking tot de kleine hersenen
cerebelar
adjective
1. met betrekking tot de grote hersenen
cerebral
noun
1. een plechtige aangelegenheid
cerimônia
/
ˌsɛrtifiˈkat/
noun
1. een schriftelijk bewijs
certificado
adjective
1. met betrekking tot de hals en de nek
cervical
noun
1. overdracht van schuldvordering
cessão
noun
1. persoon die een vordering verkrijgt
cessionário
/
ʃɑmˈpɑɲə/
noun
1. een schuimwijn uit de champagnestreek in Frankrijk
champanha
champanhe
/
xɑnuˈka/
noun
1. feest van de herinwijding van de tempel
Chanucá
noun
1. mensen onder voor de buitenwereld onzichtbare bedreiging zaken tegen hun wil laten doen
chantagem
verb
1. onder bedreiging een schandaal te veroorzaken iemand geld afhandig maken
chantagear
noun
1. deelgebied van de wiskunde en natuurwetenschappen dat zich bezighoudt met het gedrag van dynamische systemen zoals dat sterk door hun begintoestand wordt bepaald.
teoria do caos
noun
1. uitstraling
carisma
/
ˈʃar.la.tan/
noun
charlatão
pronoun
1. grootste stad van Henegouwen
Charleroi
adjective
1. aangenaam in omgang
charmoso
/
sjarme/
noun
1. de eigenschappen van iemand waardoor die persoon aardig, leuk en vriendelijk wordt gevonden
encanto
noun
1. vlucht met afgehuurd vliegtuig
voo charter
/
χɑsiˈdɪsmə/
noun
1.
chassidismo
/
ˈtʃɑtə(n)/, /
ˈtʃɛtə(n)/
verb
1. op synchrone wijze met elkaar korte tekstberichten uitwisselen
bater papo
/
ʃaʊ̯.ˈføːr/, /
ʃo.ˈføːr/, /
ʃo.ˈfʏːr/
noun
1. de bestuurder van een motorvoertuig
motorista
/
ˈtʃɛkən/
verb
1. controleren, nakijken
examinar
inspecionar
checar
noun
1. Acinonyx jubatus, een zeer snel Afrikaans katachtig roofdier
chita
noun
1. de baas, iemand die de leiding heeft
chefe
noun
1. een chemisch bindingsproces
quelação
noun
1. wetenschap die zich bezig houdt met de kennis van de stoffen ...
química
noun
1. behandeling van kanker met medicijnen
quimioterapia
pronoun
1. hoofdstad van de Indiase deelstaat Tamil Nadu. De voormalige naam van de stad was Madras
Chennai
noun
2. eetbare hartvormige vrucht van Annona cherimola
cherimoia
/
tʃɛ.ˈrɔ.ki/, /
ˈtʃeː.ro.keː/
pronoun
1. inheemse taal gesproken door enkele duizenden mensen in Noord-Amerika
cherokee
cheroqui
/
ˈʃi.li/
pronoun
1. een land in Zuid-Amerika, grenzend aan Peru, Bolivia en Argentinië en ingeklemd liggend tussen de Stille Zuidzee en het Andesgebergte
Chile
/
ˈtʃɪlə(n)/
verb
1. tot rust komen, ontspannen
esfriar
/
ˌʃɪm.pɑn.ˈse/
noun
1. Pan troglodytes, de meest aan de mens verwante mensaap, leeft in Centraal-Afrika
chimpanzé
/
ˈʃi.na/
pronoun
1. een land in Oost-Azië, officieel de Volksrepubliek China
China
/
ʃi.ˈnes/
adjective
1. betreffende China
chinês
chinesa
/
ʃi.ˈnes/
pronoun
- 1. de voornaamste taal die in China gesproken wordt
chinês
- 2. persoon
chinês
chinesa
noun
(bladeren van) Brassica rapa subsp. pekinensis
couve da china
noun
2. een klein stukje halfgeleiderkristal waarop geïntegreerde circuits zijn aangebracht
circuito integrado
/
ʃi'rʏr(ə)x/
noun
1. specialist
cirurgião
noun
1. de wetenschap van en de vaardigheid in het opereren
cirurgia
adjective
1. betrekking hebben op operatief
cirúrgico
cirúrgica
/
xlorɔplɑst/
noun
1
cloroplasto
/
ˌʃo.ko.ˈla/
noun
1. een lekkernij die gemaakt is van cacao, suiker en cacaoboter
chocolate
/
ˌʃo.ko.ˈla.də/, /
ˌʃɔko.ˈla.də/
noun
1. een lekkernij die gemaakt is van cacao, suiker en cacaoboter
chocolate
noun
1. drank gemaakt van cacao, suiker en melk
cacau quente
noun
1. een veelal ronde, bruingekleurde taart, waarin chocolade of cacao verwerkt is
bolo de chocolate
noun
1. ontsteking van de galblaas
colecistite
/
χoləra/
noun
1. een zeer besmettelijke infectieziekte die de darmen aantast
cólera
noun
1. vet dat in je lichaamscellen zit, zoals galvet, lichaamsvet
colesterol
/
ˌɣɔndroˈblɑst/, /
ˌχɔndroˈblɑst/
noun
1. een cel die bot aanmaakt
condroblasto
/
ˌɣɔndroˈsit/, /
ˌχɔndroˈsit/
noun
1. een cel die kraakbeen om zich heeft aangemaakt en daar nu door omgeven wordt
condrócito
adjective
1. te maken hebbend met het christendom
cristão
/
ˈkrɪs.tən/
noun
1. een belijder van de christelijke godsdienst
cristão
cristã
/
ˈkrɪ.stən.ˌdɔm/
noun
1. een religie gebaseerd op het evangelie en leven van Jezus zoals beschreven in het Nieuwe Testament
cristianismo
noun
1. een geel pigment dat uit loodchromaat bestaat en in olieverven gebruikt wordt
castanho
/
ˌxromatisiˈtɛɪt/, /
ˌɣromatisiˈtɛɪt/, /
ˌχromatisiˈtɛɪt/
noun
1. de kwaliteit van een kleur zoals gedefinieerd door zijn kleurvolheid en helderheid
cromaticidade
/
ˌɣro.mo.zo.ˈmal/, /
ˌɣro.mo.zo.ˈmaɫ/, /
ˌχro.mo.zo.ˈmaɫ/
adjective
1. met betrekking tot de chromosomen, de eiwitten die erfelijke informatie bevatten
cromossómico
cromossómica
/
ˌχroʊmoʊˈsoʊm/
noun
1. staafachtig lichaampje
cromossoma
cromossomo
/
ˈkronis/
adjective
1. voortdurend, aanhoudend
crónico
/
xrono.lo'ɣiː/
noun
1. de wetenschap die zich bezig houdt met het rangschikken in de tijd van historische gebeurtenissen
cronologia
adjective
1. naar tijdstip gerangschikt
cronológico
noun
1. een uurwerk waarop zeer kleine tijdsdelen kunnen worden afgelezen
cronômetro
/
ˌxi.lo.mi.ˈkrɔn/, /
ˌχi.lo.mi.ˈkrɔn/
noun
1. een grote door darmwandcellen geproduceerde lipoproteïne, waarin lipiden uit het voedsel van de darmwandcellen naar andere weefsels worden getransporteerd
quilomícrom
noun
1. groot, halfvleugelig insect, leeft in Zuid-Europa en in de tropen (Cicadidae)
cigarra
noun
1. littekenvorming
cicatrização
noun
1. vruchtenwijn uit gegist appelsap of perensap
sidra
noun
1. een enkelvoudig symbool om een telbaar aantal aan te duiden
algarismo
dígito
noun
1. iemand die gevangenen bewaakt en verzorgt
carcereiro
noun
1. bepaald soort naaldboom, Cupressus sempervirens
cipreste
noun
1. een woorddeel dat rondom een ander woord geplaatst wordt om iets aan de betekenis toe te voegen
circunfixo
noun
- 1. attractie
- 2. chaotische toestand
circo
verb
1. in cirkels ronddraaien of rondvliegen
circular
/
ˈsɪrkəlzax/
noun
1. motorzaag met een rond zaagblad
serra circular
noun
1.
escrevedeira-de-garganta-preta
/
'sɪrɵs/
noun
1. een zeer hoog drijvende wolk die eruitziet als katoenvlokken, pluimen of veren, in regelmatige strepen aan de hemel verdeeld
cirrus
noun
1. aanhaling, ontleende passage
citação
noun
1. een snaarinstrument dat voornamelijk gebruikt wordt in het Duitstalige deel van Europa
cítara
verb
1. eigen of andermans woorden ontlenen
citar
noun
1. ovale, gele zure vrucht van de citroenboom
limão
noun
1. uit China afkomstige boomsoort waarvan de citroen de vrucht is, Citrus limon
limoeiro
noun
1. Melissa officinalis, een vaste plant die naar citroen ruikt; van de bladeren kan thee gezet worden
erva-cidreira
noun
1. en 2. schil van een citroen
casca de limão
noun
1. Viverra, een geslacht van kleine slank gebouwde roofdieren dat ---
civeta
noun
1. artistieke techniek
chiaroscuro
/
klʌstrofoˈbiː/, /
klʌustrofoˈbiː/
noun
1. vrees voor afgesloten ruimten
claustrofobia
/
klʌʊˈsylə/
noun
1. een extra bepaling in een ambtelijke brief.
cláusula
noun
1. klimplant uit de ranonkel familie met veel bloemen
clematite
noun
1. te veel gebruikte uitdrukking
clichê
noun
1. gevoelig orgaan bovenaan de schaamspleet van de vrouw dat voor de seksuele opwinding zorgt
clítoris
noun
1. de gecombineerde darm- en urineuitgang bij bepaalde diersoorten
cloaca
noun
een verwijzing naar het internet
cloud
/
kloːn/, /
klʌːun/
noun
- 2. bespottelijk iemand
palhaço
palhaça
- 1. komische artiest
palhaço
palhaça
bobo
/
klɵp/
noun
- 1. besloten gemeenschap
- 3. golfstok
- 2. gemakkelijke stoel
clube
noun
1. stolling
coagulação
/
kowaˈli(t)si/
noun
1. verbond van twee of meer partijen, mogendheden of staten om een gemeenschappelijk doel te bereiken
coligação
coalizão
noun
1. een drug die bereid wordt uit de bladeren van de coca die euforie en ongevoeligheid voor pijn veroorzaakt en leidt tot verslaving
cocaína
noun
1. drankje bestaande uit gemixte alcoholische dranken
coquetel
verb
1. in een code brengen
codificar
noun
1. (geneeskunde) een ongeneeslijke stofwisselingsziekte die veroorzaakt wordt door een glutenintolerantie
doença celíaca
/
kɔxniˈtif/
adjective
1. met betrekking tot het leerproces
cognitivo
noun
1. eigendoms- en ontvangstbewijs waarin zeevrachtbrief en vervoersovereenkomst worden gecombineerd
conhecimento de embarque
noun
1. ontgaste steenkool
coque
noun
2. koolzuurhoudende frisdrank
coca
noun
1. ontsteking van de dikke darm
colite
verb
1. met de vijand samenwerken
colaborar
/
ˌkɔlɑˈɣen/
noun
1.
colagénio
noun
1. flauwvallen
colapso
noun
1. meerdere groepen die onder één noemer worden aangesproken
coletivo
noun
1. stellen van het belang van de gemeenschap boven dat van het individu
coletivismo
/
kɔˈleɣa/, /
kɔˈleχa/
noun
1. een persoon die voor hetzelfde bedrijf werkt
colega
noun
1. de tijd waarin een docent een bepaald onderwerp uitlegt aan studenten
conferência
noun
1. oogspoeling
colírio
noun
1. opsomming van de manier waarop een boek tot stand is gekomen
colofão
/
ko.ˈlɔm.bi.ja/
pronoun
1. een land in het noordwesten van Zuid-Amerika
Colômbia
noun
1. een inwoner van Colombia of persoon die de Colombiaanse nationaliteit bezit
colombiano
/
ko'lɔnə/
noun
1. rij van militairen of voertuigen in een groot aantal gelederen van kleine frontbreedte
coluna
noun
1. dikke darmonderzoek waarbij men met een endoscoop het darmslijmvlies onderzoekt en zonodig een biopsie kan nemen
colonoscopia
noun
1. een kever die op de aardappelplant leeft van ongeveer 1 cm lang en met een geel...
besouro do Colorado
adjective
1. met betrekking tot de karteldarm en de endeldarm
colorretal
noun
1. de eerste, gelige moedermelk
colostro
/
ˈkoːmaː/
noun
1. volkomen bewusteloosheid
coma
adjective
1. in volkomen bewusteloosheid
comatose
noun
1. werktuig waarmee je zowel op verschillende manieren kan vastknijpen als afknippen
alicate universal
/
kɔmən'tar/
noun
- 1. toelichting of verklaring
- 2. kritiek
comentário
/
kɔmərˈʃel/, /kɔmɛrˈsjel/
adjective
1. zakelijk
comercial
noun
1. een groep personen aan wie een bepaalde opdracht wordt gegeven of die voor een bepaald doel bijeenkomen
comissão
noun
1. onrust bij een groep mensen
comoção
perturbação
adjective
gemeenschappelijk
municipal
/
ˌkɔ.my.nɪ.ˈkaː.si/, /
ˌkɔmyniˈkasi/, /
ˌkɔmyniˈkaʦi/
noun
1. het uitwisselen van informatie
comunicação
verb
2. met elkaar in contact komen
comunicar
/
kɔ.ˈmy.ni/, /
kɔ.ˈmyː.nɪə̯/
noun
1. de gemeenschap met lichaam en bloed van Jezus Christus in de vorm van brood en wijn
comunhão
/
kɔmyˈnɪsmə/
noun
1. ideologie die gericht is op gemeenschappelijk bezit van productiemiddelen en verbruiksgoederen
comunismo
noun
1. Comorbiditeit is het tegelijkertijd hebben van twee of meer stoornissen of aandoeningen bij een patiënt
comorbidade
pronoun
1. Bantoetaal gesproken op de Comoren, Madagaskar, Mayotte en Réunion
comorense
/
ko.ˈmoː.rə(n)/, /
ko.ˈmo̝ː.rə(n)/
pronoun
2. staat gevestigd op de gelijknamige eilanden
Comores
adjective
1. ruimte beperkende uitvoering, gedrongen
compacto
noun
2. vennootschap
companhia
noun
1. verschijning in rechte
comparecimento
adjective
1. op elkaar aansluitend, met elkaar in overeenstemming te brengen
compatível
noun
1. iets wat minder is uitvallen, weer goed (proberen te) maken (met een extra toegift)
Compensação
noun
1. een ontwikkelbaar vermogen van mensen waarmee ze in voorkomende situaties adequaat, gemotiveerd, proces- en resultaatgericht kunnen handelen
competência
noun
1. wedijver, concurrentie
competição
adjective
1. gewend aan en in staat om strijd te leveren
competitivo
competitiva
adjective
1. aanvullend
complementar
/
kɔmplɛks/
adjective
1. ingewikkeld
complexo
complexa
noun
1. de mate waarin iets complex is
complexidade
noun
1. de studie van de complexiteit en mate van oplosbaarheid van wiskundige vraagstukken binnen het kader van...
teoria complexității
noun
1. bijkomende ziekte (verergering)
complicação
verb
1.(nodeloos) ingewikkeld maken
complicar
noun
1. een lovende of vleiende opmerking
elogio
noun
1. een deel van een geheel
componente
noun
1. iemand die muziekstukken schrijft
compositor
noun
een samengesteld materiaal dat is opgebouwd uit verschillende componenten
Compósito de várias camadas
noun
1. een muziekstuk, werkstuk van een componist
composição
noun
1. is het residu dat ontstaat na ontbinding van organisch materiaal (d.w.z. van plantaardige of dierlijke oorsprong)
compost
verb
1. tot compost verwerken
compostar
noun
1. samendrukking
compressão
verb
1. samenpersen, compact maken
comprimir
/
kɔmproˈmi/
noun
1. overeenkomst waarbij de betrokken partijen concessies doen...
compromisso
/
kɔm.ˈpju.tər/, /
kɔm.ˈpɪ̯uː.tər/
noun
1. informatieverwerkende machine
computador
noun
1. een programma dat geïnstalleerd en gebruikt kan worden op een computer
programa de computador
noun
1. een spel dat via of met de computer gespeeld wordt
jogo de computador
noun
1. de taal waarin computerprogramma's worden geschreven, de programmeertaal.
linguagem de computador
noun
1.
vírus de computador
noun
ciência da computação
noun
1. afgesloten terrein met barakken waar machthebbers bepaalde groepen mensen zonder rechtsgang onder dwang van de samenleving afgezonderd houden
campo de concentração
verb
- 1. op één plek samenbrengen
- 2. zich ~ op één zaak toespitsen
concentrar
adjective
1. van cirkels of bollen dat ze het zelfde middelpunt hebben (maar niet dezelfde straal)
concêntrico
noun
1. een ontwerp, een project
esboço
noun
1. bevruchting
concepção
noun
1. een muziekuitvoering door een orkest etc.
concerto
/
kɔn.si.ˈjɛr.ʒə/, /
kɔn.ˈʒɛr.ʒə/
noun
1. een huisbewaarder, een toezichter in een gebouw
porteiro
noun
1. een besloten kerkvergadering van kardinalen waarbij een paus gekozen wordt
conclave
/
ˌkɔŋklyˈderən/
verb
2. (overgankelijk) tot een besluit komen
concluir
depreender
tirar conclusão de
/
kɔŋˈklyzi/
noun
conclusão
adjective
1. begeleidend, tegelijkertijd voorkomend
concomitante
/
kɔnˈkret/
adjective
2. in realiteit bestaand
concreto
adjective
1. gelijkgerechtigd, noch zekerheid noch voorrang hebbend
quirografário
noun
1. het voordeel dat ontstaat wanneer een onderneming op een bepaalde markt een product kan aanbieden dat zich op een positieve manier onderscheidt van andere producten
vantagem competitiva
/
kɔndɛn'zasi/
noun
condensação
noun
1. elektrische component
capacitor
condensador
noun
- 2. voorwaarde
- 1. gezondheidstoestand
condição
noun
1. benaming voor sommige roofvogels uit de Amerikaanse tak (Cathartidae) van de gierenfamilie
condor
noun
1. vijgwrat, weke wrat
condiloma
noun
1. felgekleurde papiersnippers
confete
/
kɔnfixy'rerə(n)/
verb
1. opbouwen en aanpassen aan eigen behoefte
configurar
verb
1. van staatswege in beslag nemen
confiscar
verb
1.iemand laten zien wat diegene heeft gedaan
confrontar
adjective
1. aangeboren
congénito
congénita
noun
1. ophoping van vloeistof bijv. bloed
congestão
noun
1. samenklontering van verschillende bedrijven
conglomerado
/
kɔŋˈɣrɛs/, /
kɔŋˈχrɛs/
noun
1. een grote vergadering van deskundigen op een bepaald vakgebied
congresso
adjective
1. de vorm hebbend van een (afgeknotte) kegel
cónico
adjective
1. gekoppeld
conjugada
conjugado
noun
1. bindvliesontsteking van het oog
conjuntivite
noun
1. de bijklank of gevoelswaarde van een woord of woordgroep, die tot op zekere hoogte losstaat van de letterlijke betekenis
conotação
verb
1. consecratie verrichten
consagrar
/
kɔnˈsɛnzʏs/
noun
consenso
noun
1. een noodzakelijk gevolg
conseqüência
/
kɔnsɛrvaˈtif/
adjective
1. vasthoudend aan het oude en vertrouwde
conservador
noun
1. een school in het hoger onderwijs waar men zich kan laten opleiden tot professioneel musicus, acteur/actrice of danser(es)
conservatório
adjective
1. Altijd onveranderlijk
constante
noun
1. verstopping, harde of uitblijvende ontlasting
constipação
noun
2. grondwet
constituição
noun
1. een ontwerper van constructies
costruttore
/
ˌkɔnstrʏkˈtif/
adjective
1. opbouwend
construtivo
noun
- 1. Romeins overheidspersoon
- 1. vertegenwoordiger
cônsul
noun
1. een deskundige raadgever
consultor
verb
- 1. verorberen
- 2. verbruik van goederen en diensten in de economie
consumir
/
kɔn.ˈtɑk/, /
kɔn.ˈtɑkt/
noun
- 1. een toestand waarbij twee voorwerpen elkaar raken
- 2. onderlinge communicatie
- 3. een contactpersoon
- 4. een verbinding van twee elektrische geleidingen
- 5. een elektrische schakelaar
- 6. de grens tussen stollings- en nevengesteente
contato
verb
1. contact opnemen met
contactar
noun
1. een zeer kleine glazen of kunststof lens die men direct op de oogbol plaatst ter vervanging van een bril
lente de contato
noun
1. verontreiniging of besmetting met chemische stof of bacterie
contaminação
/
ˈkɔntɛkst/
noun
1. verband waarin iets zich voordoet
contexto
noun
1. een werelddeel
continente
/
ˌkɔntinyˈweːrə(n)/
verb
1. voortzetten
continuar
prosseguir
noun
1. het laagstklinkende muziekinstrument van de strijkinstrumenten
contrabaixo
noun
1. gebruik van voorbehoedmiddelen
contracepção
noun
1. voorbehoedmiddel
contraceptiva
contraceptivo
noun
1. samentrekking van orgaan of spieren
contracção
noun
1. (muziekinstrument) fagot waarvan de noten een octaaf lager klinken dan de gewone fagot
contrafagote
adjective
contraproducente
noun
1. leer der meerstemmigheid
contrapont
verb
1. inspecteren, toezicht houden, onderzoeken, nazien
checar
examinar
inspecionar
noun
1. periode van herstel
convalescência
adjective
1. wat door het vaste gebruik bepaald is
convencional
verb
1. een gesprek voeren
conversar
noun
1. omzetting
conversão
noun
1. stuip, toeval
convulsão
noun
1. scheikundig element met symbool Cn en atoomnummer 112
copernício
noun
1. een gezamenlijke productie
co-produção
noun
1. het eten van ontlasting
coprofagia
pronoun
1. een rivier op de grens van Guyana en Suriname
rio Corentine
rio Courantine
noun
1. het hoornvlies van het oog
córnea
/
ˈkɔrnis/, /
ˈkɔrnɪs/
pronoun
1. een Keltische taal die gesproken wordt in Cornwall
córnico
pronoun
1. schiereiland in het zuidwesten van Engeland
Cornualha
adjective
1. met betrekking tot de krans-slagaders van het hart
coronário
coronária
noun
1. verbetering
correcção
noun
1. samenhang
correlação
verb
1. in onderling verband staan van twee of meer variabelen
correlacionar
/
ˌkɔriˈʒeːrə(n)/, /
ˌkɔriˈʒɪːrə(n)/
verb
1. iets van fouten ontdoen
corrigir
noun
1. roest, een langzame verbinding met zuurstof
corrosão
adjective
1. met behulp van geschenken, geld e.d. over te halen om zijn plicht, partij, of overtuiging te verzaken
corrupto
noun
1. bedrog vanwege oneerlijkheid
corrupção
/
'kɔrsɪkɑ/
pronoun
1. Frans eiland
Córsega
pronoun
1. een taal die op Corsica gesproken wordt
corso
córsico
noun
1. schoonheidsmiddel
cosmético
cosmética
/
ˌkɔs.ta.ˈri.ka/
pronoun
1. een staat in Midden-Amerika, tussen Panama en Nicaragua
Costa Rica
/
kup/
noun
1. staatsgreep
golpe de Estado
noun
1. massamedium
jornal
diário
noun
1. Cucurbita pepo, een groente uit de komkommerfamilie
abobrinha
noun
1. iemand die tijdens de coronapandemie de maatregelen tegen de verspreiding...
covidiota
noun
1. veedrijver/veehoeder
caubói
noun
1. bepaald soort zoogdier, Canis latrans
coiote
noun
1. een constante factor van een onbekende of van een veranderlijke grootheid
coeficiente
noun
1. seks waarbij de man met zijn penis het lichaam van de partner binnengaat
coito
noun
2. op samenwerking gegronde vereniging of bedrijf
cooperativa
noun
1. onderlinge afstemming, het coördineren
coordenação
verb
1. zo organiseren dat alles en iedereen goed kan samenwerken
coordenar
noun
1. bepaald soort struik en 2. vrucht daarvan, Vaccinium macrocarpon
arandos
oxicocos
/
krejaˈtif/
adjective
1. scheppend vermogen bezittend, met een scheppende geest
criador
noun
1. gedrevenheid of vaardigheid om iets oorspronkelijks te maken
criatividade
verb
1. als tegoed boeken
creditar
noun
1. een taal die is ontstaan doordat bevolkingsgroepen die twee verschillende talen spraken met elkaar in contact kwamen en een nieuwe taal ontwikkelden
língua crioula
/
kreˈjeːrə(n)/
verb
1. iets nieuws maken, iets scheppen
criar
noun
1. een uit Engeland afkomstig slagbalspel in de open lucht
críquete
noun
1. de misdadigheid, het begaan van misdaden
delinqüência
adjective
1. met betrekking tot misdaad
criminal
noun
1. sociologie van misdaad en misdadigheid
criminologia
noun
1. beoefenaar van de criminologie
criminólogo
noun
1. een zware noodsituatie waarbij het functioneren van een stelsel ernstig verstoord raakt
crise
/
kriˈterijʏm/
noun
1. toets, een doorslag gevende reden
critério
/
krʋɑˈsɑ̃/
noun
1. halvemaanvormig broodje
croissant
noun
1. vakantie op een varend schip met uitgebreide voorzieningen voor de passagiers
cruzeiro
noun
1. een passagierschip dat gebouwd en uitgerust wordt om er cruises mee te maken.
cruzeiro
/
ˈky.ba/
pronoun
eiland en land in het Caribisch gebied
Cuba
adjective
1. met betrekking tot de kookkunst
culinário
noun
1. film die populair is bij een kleine maar betrokken groep fans
filme de culto
/
kʏltyˈrel/
adjective
1.met betrekking tot cultuur
cultural
/
kɵl'tyːr/
noun
1. het patroon van menselijke activiteit en de symbolische structuren,...
cultura
/
kymylaˈtif/
adjective
1. opstapelend, gesommeerd over alle bijdragen tot heden
cumulativo
noun
1. belangenbehartiging van meerderjarige
curadoria
curatela
adjective
1. heilzaam, genezend
curativo
/
ky.ra.ˈsʌʊ̯/, /
kyː.ra.ˈzaʊ̯/
pronoun
1. een eiland en 2. een land
Curaçao
noun
2. gele voedselkleurstof
curcumina
noun
1. uitkrabbing
curetagem
noun
1. scherpe lepel, gebruikt om de binnenwand van de baarmoeder af te schrapen
cureta
noun
1.iets merkwaardigs
curiosidade
noun
1. een precisiesport die lijkt op bowls, jeu de boules en bocce, die op ijs gespeeld wordt gespeeld met zware stenen in plaats van metalen (of plastic) ballen
curling
verb
1. met schuine letters drukken
grifar
adjective
1. met betrekking tot de huid
cutâneo
cutânea
noun
1. een blauwgroene kleur
azul ciano
noun
1. wetenschap van de besturing van systemen
cibernética
noun
1. oorlogvoering waarbij hackers staten aanvallen om te trachten systemen te saboteren of te spioneren
ciberguerra
/
ˈsiklis/
adjective
1. regelmatig terugkerend
cíclico
cíclica
noun
1. terugkerende, regelmatige reeks
ciclo
noun
1. inwoner van Cyprus
cipriota
adjective
1. op Cyprus betrekking hebbend
cipriota
/
ˈki.prʏs/, /
ˈsi.prʏs/
pronoun
land in de Middellandse Zee, tussen Europa en Azië, officieel de Republiek Cyprus, eiland in de Middellandse Zee
Chipre
/
sɪˈrɪlɪs/
adjective
1. betrekking hebbend op een alfabet
cirílico
noun
1. een alfabet dat geschreven wordt in het cyrillisch schrift
alfabeto cirílico
/
ˈkɪstə/
noun
1. holte gevuld met vocht
cisto
noun
1. kijkonderzoek van de blaas
cistoscopia
/
ˌsitɔˈplɑsma/
noun
citoplasma
/
ˈsitoskəˌlɛt/
noun
1.
citoesqueleto
/
daːt/
noun
1. bewust gepleegde handeling
acto
/
daːr/
adverb
1. op die plaats
ali
/
daːr/
conjunction
1. omdat
ali
/
dar.ˈχɪn(t)s/, /
ˈdar.ɣɪn(t)s/
adverb
1. op een plaats in de verte
ali
/
daˈsit/
noun
1. vulkanisch stollingsgesteente.
dacito
noun
1. een inwoner van het voormalige rijk Dacië
dácio
verb
1. vingerafdrukken afnemen
tirar as digitais
noun
1. zoete bruine vrucht van de dadelpalm
tâmara
noun
1. palm waaraan dadels groeien
datileira
noun
1. iemand die iets (slechts) gedaan heeft
autor
/
dɑx/, /
dɑχ/
noun
- 1. tijd waarin een hemellichaam volledig om zijn as draait
- 2. tijd tussen zonsop- en zonsondergang
dia
noun
1. klassiek massamedium, gedrukt op papier en gericht op het verspreiden van nieuws
diário
jornal
adverb
1. iedere dag
diário
noun
1. het aanbreken van de nieuwe dag, de tijd net voor zonopkomst
aurora
/
'dɑxlɪxt/
noun
1. licht van de zon
luz do dia
noun
1. een oproep om voor een rechtbank te verschijnen
citação
intimação
noun
1. deel dat een gebouw aan de bovenkant bedekt en bescherming biedt tegen het weer
telhado
teto
noun
1. een langgerekte bakvormige of halfronde constructie voor het afvoeren van (regen)water dat van het dak komt
agueiro
noun
1. iemand die op de straat leeft, zonder vaste verblijfplaats
sem-teto
noun
1. elkaar overlappende stenen of betonnen elementen waarmee een schuin dak lekdicht gedekt wordt
telha
noun
1. raam dat in een dak zit
trapeira
/
dɑl/
noun
1. een laagte in een heuvel- of bergstreek
vale
/
dɑl'matis/
adjective
dalmaciano
noun
1. (bij het damspel) twee gestapelde schijven
dama
noun
1. een inwoner van Damascus
damasquina
noun
1. weeftechniek, waarbij tekeningen aangebracht worden op een achtergrond van dezelfde kleur
damasco
/
daːmə/
noun
- 3. koningin in het schaakspel
rainha
- 1. beschaafde vrouw
senhora
noun
1.
senhoras e senhores
phraseologicalUnit
1. etiquetteregel
primeiro as damas
noun
1. Dama dama, behoort tot de familie Cervidae, hert met een breed plat gewei...
gamo
verb
1. het damspel spelen
damas
/
dɑmp/
noun
1. de gasvormige toestand van een stof, de toestand die ontstaan is door verdamping
vapor
adverb
1. toekomstig tijdstip
daí
conjunction
1. na een vergrotende trap van een bijvoeglijk naamwoord of van een bijwoord.
que
pronoun
3. jongensnaam
Daniel
noun
1. een goede gezindheid jegens iemand voor bewezen diensten
agradecimento
interjection
1. uitdrukking van dankbaarheid
obrigada
obrigado
adjective
1. erkentelijk voor ontvangen hulp
agradecido
noun
1. het dankbaar zijn
gratidão
preposition
1. door de positieve werking van
graças a
noun
1. een verzameling sierlijke bewegingen, meestal op basis van een muzikaal ritme
dança
baile
verb
1. ritmisch bewegen
dançar
bailar
noun
1. mannelijk persoon die danst
bailarino
/
dɑnsə'rɛs/
noun
1. een vrouwelijk persoon die danst
bailarina
/
ˈdɑpər/
adjective
geen angst voor gevaar tonend
corajoso
valente
noun
1. mannelijke bij
zangão
abelhão
/
dɑrm/
noun
1. onderdeel van het spijsverteringsstelsel tussen de maag en de anus
intestino
noun
1. evolutieleer die het ontstaan van de soorten verklaart door natuurlijke selectie uit varianten die bij reproductie optreden
darwinismo
darvinismo
/
dɑs/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Meles meles
texugo
/
ˈdɑs.lok/
noun
1. sterk riekende, eetbare plant uit de lookfamilie
alho-dos-ursos
conjunction
1. een voegwoord dat een lijdend-voorwerpszin inluidt
que
verb
1. meerdere dates, afspraakjes maken met iemand.
namorar
verb
1. de datum van ontstaan bepalen
datar
noun
de derde van de acht naamvallen van de Indo-Europese talen
dativo
noun
1. Russisch buitenverblijf
dacha
noun
1. een tijdsaanduiding die bestaat uit een dag(nummer), een maand en een jaar
data
article
1. (de) wordt gebruikt voor mannelijke en vrouwelijke zelfstandige naamwoorden in het enkelvoud en altijd voor het meervoud, waarbij het een specifieke persoon of ding aanduidt in plaats van het algemene geval
o
phraseologicalUnit
1. het opgeven
jogar a toalha
verb
1. een lastige kwestie voortvarend en vastberaden aanpakken
pegar o touro pelos chifres
verb
1. iets heel treffend verwoorden
acertar em cheio
interjection
1. er is een onomkeerbare stap gezet
os dados estão lançados
noun
- 1. Verkoper
- 2. Drugshandelaar
negociante
noun
1. extreme subgenre van heavy metal
death metal
/
deˈbil/
noun
- 1. iemand die min of meer zwakzinnig is
- 2. bespottelijk iemand, halve gare, idioot
débil mental
noun
1. een mannelijk persoon die voor de eerste maal in het openbaar optreedt, speelt of publiceert
debutante
verb
1. voor de eerste keer doen
debutar
noun
- 1. C10H22
decano
- 2. hoofd van een faculteit
deão
noun
1. de twaalfde en tevens laatste maand van het jaar
dezembro
Dezembro
verb
1.sterk in aantal terugbrengen, gewoonlijk door afslachting
decimar
noun
1. een lengtemaat met een waarde van één tiende meter
decímetro
/
dekliˈna(t)si/
noun
1, 2
declinação
verb
1. uit code overbrengen in gewone taal
decifrar
noun
1. laag uitgesneden halslijn bij vrouwenkleding
decote
noun
1. verstoring van het evenwicht door een afnemende functie bijv. v.h hart
descompensação
noun
2. faillissement, bankroet
falência
verb
1. methoden en technieken gebruikt om bouwwerken, meubels of andere objecten te verfraaien
decorar
noun
1. ongebakken kneedbare uitgangsmateriaal voor het bakken van diverse broden en gebak
massa
pasta
noun
1. rol om deeg uit te rollen
rolo de pasteleiro
noun
1. rol om deeg uit te rollen
rolo de pasteleiro
rolo da massa
/
ˈdeːl/
noun
1. een afsplitsing van een geheel
parte
verb
1. meedoen, meevoelen
participar
noun
1. iemand die meedoet aan een wedstrijd of ander evenement
participante
noun
2. onderdeel van een atoom
partícula
noun
acelerador de partículas
/
den/, /
deːn/
noun
1. een inwoner van Denemarken
dinamarquês
/
dens/, /
deːns/
adjective
1. betreffende Denemarken of het Deens
dinamarquês
dinamarquesa
/
dens/, /
deːns/
pronoun
1. een Germaanse taal die wordt gesproken in Denemarken
dinamarquês
danês
noun
1. iemand die zich bij voorbaat neerlegt bij een mislukking
derrotista
noun
1. stoelgang, het produceren van ontlasting
defecação
adjective
1. van iets dat het gebreken vertoont
defectivo
verb
1. uit het raam gooien
defenestrar
noun
1. begripsbepaling
definição
noun
1. het vallen van het prijspeil waardoor het geld in waarde toeneemt
deflação
adjective
- 1. goed tegen een stootje kunnend
- 2. (van personen) eerlijk, oprecht, net in zijn manieren
confiável
adjective
1. afnemen of vermindering van orgaan of functie
degenerativo
degenerativa
noun
- 1. afbraak
degradação
- 6. verwijzing naar een lagere speelklasse
rebaixamento
descenso
verb
1. in rang verlagen
degradar
noun
1. tekort aan vocht in de weefsels, onttrekking van vocht aan de weefsels
desidratação
pronoun
- 1. Griekse god van de paniek
- 2. kleinste van de twee manen van Mars
Deimos
noun
1. een verdieping op een schip
convés
noun
1. dikke deken gevuld met isolerend materiaal
edredom
/
dekə(n)/
noun
1. een (vaak dikke) doek, met de functie om iemand te bedekken en daarmee warm te houden (tijdens de slaap)
cobertor
coberta
verb
1. koloniën vormen
descolonizar
/
'dɛk.pɵnt/
noun
1.
ponto fixo
noun
1. een voorwerp om een hol open lichaam mee af te dekken
tampa
noun
- 1. afvaardiging
- 3. schuldoverneming
delegação
verb
1. taken en verantwoordelijkheden doorgeven
delegar
verb
- 1. samen met een ander gebruiken
compartilhar
partilhar
- 2. in meer dan één stuk snijden of hakken
dividir
pronoun
1. het nationaal hoofdstedelijk territorium van India waarin de nationale hoofdstad New Delhi gelegen is. Het territorium is gesitueerd in het noorden van het land
Delhi
noun
1. waanzinnigheid, acuut psychische stoornis ten gevolge van lichamelijke aandoening, vergiftiging...
delírio
noun
1. een aandoening van de hersenen waardoor de verstandelijke en cognitieve vermogens verminderen
demência
noun
1. het tonen en uitleggen van iets
demo
adjective
1. in overeenstemming met de principes van een democratie
democrático
noun
1. de studie van alles wat de omvang, samenstelling en spreiding van een bepaalde bevolkingsgroep en de veranderingen hierin betreft
demografia
/
dɛmpən/
verb
1. zwakker maken, de kracht verminderen van
abafar
verb
1. minder geheimzinnig maken
desmistificar
pronoun
1. de hoofdstad van de provincie Zuid-Holland en tevens de stad waar de Nederlandse regering zetelt
A Haia
/
ˈdenəˌmɑrkə(n)/, /
ˈdeːnəˌmɑrkə(n)/
pronoun
1. een Scandinavisch land in Noord-Europa
Dinamarca
verb
- 3. een bepaalde mening toegedaan zijn
pensar
achar
- 1. een oplossing zoeken
pensar
refletir
noun
1. tanden krijgen
dentição
adjective
1. afhankelijk
dependente
noun
1. verdwijning van kleur (pigment)
despigmentação
noun
1. lediging, ontlasten(tekort) van lichaamsvloeistof
depleção
noun
- 2. gebied met lage luchtdruk
- 3. langdurige inzinking in de economische ontwikkeling
depressão
- 1. ziekelijke neerslachtigheid
depressão nervosa
depressão
adjective
1. somber makend; depressie veroorzakend
deprimente
/
ˈdɛrdə/
noun
1. door drie gedeeld iets
terço
/
ˈdɛrdə/
ordinalAdjective
1. betrekking hebbend op nummer drie in een rij
terceiro
pronoun
Tercera Guerra Mundial
noun
1. huidontsteking
dermatite
noun
1. medische tatoeage
dermatografia
noun
1. een specialisme binnen de geneeskunde dat zich bezighoudt met aandoeningen van de huid, de nagels en het haar, samen huidziekten genoemd
dermatologia
adjective
1. met betrekking tot de huidziekten
dermatológico
dermatológica
noun
1. Huidspecialist
dermatologista
noun
1. huidziekte
dermatose
noun
1. netelroosschrift, een kras op de huid wordt rood met zwelling en soms jeuk
dermatografia
cardinalNumeral
1. het getal 13
treze
ordinalAdjective
décimo-terceiro
cardinalNumeral
1. het getal 30
trinta
ordinalAdjective
trigésimo
verb
1. inactief maken
desativar
verb
1. eenduidig maken, van zijn dubbelzinnigheid ontdoen
desambiguar
noun
1. ziektekiemdodend middel
desinfectante
noun
1. onjuiste of misleidende informatie, die bewust verstrekt wordt met het oogmerk...
desinformação
noun
1. proces waarin een specifieke soort atomen of moleculen wordt losgemaakt uit een vaste stof en daaruit verdwijnt
dessorção
noun
Ácido desoxirribonucleico
ácido desoxirribonucléico
noun
1. legereenheid die om een bepaalde taak uit te voeren van het groter geheel is afgezonderd
destacamento
noun
1. onderdeel, kleinigheid
detalhe
adjective
1. mogelijk instrumenteel waar te nemen
detectável
verb
2. ergens een signaal van door middel van apparatuur opvangen
detectar
noun
1. opsporing, ontdekking
detecção
/
de'tɛrɣɛns/
noun
1. geneesmiddel dat zuivert
detergente
verb
1. iemand van staatswege gevangen houden
deter
noun
1. iets dat goed is in zedelijk opzicht
virtude
adjective
1. bereid zich te gedragen in overeenstemming met algemeen aanvaarde waarden
digno
/
døk/
noun
1. vervorming van het oppervlak van een voorwerp in de vorm van een put of uitholling, meest veroorzaakt door botsing met een ander voorwerp
amolgadura
/
døːr/
noun
1. een afsluiting van een toegang tot een ruimte, gemaakt van hout, metaal of kunststof
porta
noun
1. een handvat waarmee een deur wordt geopend of gesloten
maçaneta
noun
1. een kleine mat, waarop men bij de deur de schoenen kan afvegen
capacho
/
dørwardər/
noun
1. gerechtelijk ambtenaar die exploten en executien doet, dagvaardingen uitbrengt en beslagen legt
agente de execução
/
dœyˈterijʏm/
noun
1. een isotoop van waterstof
deutério
/
dewteɾoˈnomjum/
pronoun
Deuteronômio
Deuteronómio
/
'devəntər/
adjective
1. gemeente en oudste stad in de provincie Overijssel
Deventer
noun
1. woord of korte tekst die snel en tegelijkertijd duidelijk een bepaalde boodschap moet overbrengen
lema
conjunction
1. geeft onderschikkend een reden aan
porque
demonstrativePronoun
mesmo
noun
1. stofwisselingsziekte waarbij het lichaam geen of te weinig insuline produceert
diabetes
noun
1. band (met edelstenen versierd) voor om het hoofd
diadema
noun
1. vaststelling van een ziekte
diagnóstico
diagnose
/
'dɪɑɣnɔstɪ'seːrə(n)/
verb
1. aan de hand van verschijnselen de ziekte bepalen
diagnosticar
noun
een rechte lijn die twee niet-opeenvolgende hoekpunten van een veelhoek verbindt.
diagonais
noun
een vierkante matrix waarvan alle elementen buiten de hoofddiagonaal (↘) 0 zijn
matriz diagonal
noun
1. een symbolische en grafische voorstelling van een aantal zaken en hun onderling verband
diagrama
/
diaˈlɛkt/
noun
1. een variant van een taal met kenmerkende grammaticale, fonologische en andere kenmerken
dialecto
dialeto
/
ˌdi.ja.ˌlɛk.to.lo.ˈɣi/, /
ˌdi.ja.ˌlɛk.to.lo.ˈχi/
noun
1. de wetenschap die regionale verschillen tussen taalvariëteiten bestudeert
dialetologia
noun
1. bloedzuivering met een kunstnier
diálise
adjective
1. de eigenschap bezittend door een magnetisch veld afgestoten te worden doordat alle inwendige spins gepaard zijn
diamagnético
noun
- 1. een uiterst hard, doorzichtig mineraal met kubische symmetrie dat uit koolstof bestaat
- 2. een edelsteen gesneden uit [1]
diamante
noun
1. middellijn
diâmetro
/
diɑ're/
noun
1. darmstoornis die dunne ontlasting veroorzaakt
diarreia
/
diˈjaspora/
noun
diáspora
adjective
1. met betrekking tot verslapping van hart en bloedvaten
diastólico
diastólica
preposition
1. op een korte afstand van
perto de
noun
1. iemand die poëtische kunst voortbrengt
poeta
noun
1. compactheid
densidade
verb
1. deuren of ramen met planken afsluiten
entaipar
noun
1. iemand die als enige de macht in een land in handen heeft
ditador
noun
1. staatsvorm waarbij de macht vrijwel volledig in handen van één of enkele personen ligt
ditadura
/
dɪk'te/
noun
1. een tekst die wordt gedicteerd en door andere personen wordt opgeschreven als toets in het correct spellen
ditado
/
ˈdɪk.tʏm/
noun
1. beschikkend gedeelte van een vonnis of arrest
dispositivo
noun
1. Australisch, houten blaasinstrument afkomstig van de Aboriginals
didgeridoo
/
diˈdimijʏm/
noun
1. scheikundige stof
didímio
demonstrativePronoun
1. wijst iets aan dat zich niet in de onmiddellijke nabijheid van de spreker bevindt
aqueles
noun
2. een aanpassing in het eet- en voedingspatroon
dieta
regime
/
dif/
noun
1. iem. die steelt
ladrão
noun
1. het zich onrechtmatig toe-eigenen van goederen of andere bezittingen die aan een ander toebehoren
furto
roubo
/
ˈdinən/
verb
1. werken voor; in dienst zijn van
servir
noun
- 1.
- 4. kerkdienst
serviço
/
ˈdinst.plɪxt/
noun
1. verplichting om ergens te werken
conscrição
adjective
1. waar de bodem ver naar beneden is
fundo
profundo
noun
1.
carregador de baixo nível
/
'diptə/
noun
1. de mate waarin iets diep is
profundidade
profundeza
/
diːr/
noun
1. met zintuigen uitgerust meercellig organisme dat zijn energie verkrijgt uit andere dierlijke of plantaardige organismen
animal
noun
1. arts voor dieren, met name kleine huisdieren
veterinário
noun
1. de verzameling van alle diersoorten
reino animal
/
ˈdiːrə(n)ˌtœʏ̯n/, /
ˈdiːrə(n)ˌtœːn/
noun
1. een verzameling levende, oorspronkelijk wilde dieren.
jardim zoológico
zoológico
zôo
noun
1. wetenschap die zich richt op de aard, de oorzaken en de geneesmiddelen van dierziektes
medicina veterinária
noun
1. de wetenschap die de dieren bestudeert.
zoologia
noun
vergelijking voor een functie waarin een of meer van de afgeleiden van die functie voorkomen
equação diferencial
noun
1. ontwikkeling in een bepaalde richting, het zich ontwikkelen van cellen, weefsels etc. tot...
diferenciação
/
dɪfərɛn'(t)ʃerə(n)/
verb
1. vanuit een homogeen geheel tot verschillende vormen komen
diferenciar
noun
1. de vermenging van twee ongelijksoortige stoffen
difusão
noun
1. infectieziekte
difteria
/
ˈdɪftɔŋ/
noun
1. een foneem dat uit twee klinkers bestaat die binnen één lettergreep in elkaar overgaan
ditongo
noun
1. het verschijnsel dat een diftong overgaat in een monoftong
ditongação
adjective
1. met betrekking tot de spijsvertering
digestivo
noun
1. middel dat
digestivo
digestiva
noun
1. het digitaliseren
digitalização
/
dɛj/
noun
1. het deel van het menselijk been tussen heup en knie
coxa
noun
1. een waterkering ter bescherming van het achterliggende land
dique
noun
1. (dierkunde) zoogdier met een dikke huid
paquiderme
adverb
a miúdo
freqüentemente
muitas vezes
noun
1. verwijding
dilatação
/
dɪ'lɛmɑ/
noun
moeilijke keuze
dilema
noun
1. de plant en de bladeren van het kruid
aneto
endro
noun
- 1. afmeting in een bepaalde richting
- 2. parameter van een wiskundige ruimte
- 3. categorie waarin een fysische grootheid valt
dimensão
noun
1. warme maaltijd
banquete
verb
1. het diner gebruiken
jantar
noun
1. Canis lupus dingo, een Australische wilde hond
dingo
/
ˌdinoˈsʌʊrəs/
noun
1. een lid van een uitgestorven groep van reptielen, waartoe de grootste landdieren behoren die ooit bestaan hebben
dinossauro
dinossáurio
noun
1. dag van de week die na maandag en voor woensdag komt
terça-feira
terça
noun
1. een bewijs van bevoegdheid
diploma
noun
1. iemand die in het buitenland zorgt voor de politieke relaties met zijn eigen land
diplomata
noun
1. de kunst en de kunde van het voeren van overleg
diplomacia
noun
1. wetenschap die oorkonden typeert en beschrijft naar hun vorm
diplomática
/
diploˈit/
adjective
1. met twee exemplaren van ieder chromosoom in de celkern
diploide
adjective
1. zonder te wachten, zonder iets daartussen
directo
directa
noun
1. de leiding van een bedrijf, de directeur en of de topmanagers
direção
noun
1. een leider van een orkest, koor of ander muziekgezelschap
maestro
noun
1. beschrijvend overzicht van de elpee's of cd's van een artiest of muziekgroep
discografia
adjective
1. zonder aandacht te trekken, onopvallend
discreto
noun
1. onverwachte onderlinge afwijking
discrepância
noun
- 1. bescheidenheid of kiesheid
- 2. geheimhouding
discrição
/
ˈdɪskʏs/
noun
1. een zware werpschijf die gebruikt wordt bij de atletische sport discuswerpen.
disco
noun
1. een gedachtewisseling waarbij doorgaans verschillende meningen worden uitgewisseld
discussão
noun
1. een atletiekdiscipline waarbij men een discus zo ver mogelijk probeert te werpen
lançamento do disco
noun
1. aanleg, vatbaar zijn voor
disposição
/
dɪsəl/
noun
3. houtbewerkingsbijl
enxó
verb
1. uitzaaien
disseminar
noun
1. uiteenval
dissociação
adjective
1. naar het einde van de ledematen toe
distal
noun
1. uitrekking
distensão
verb
1. afzonderen van een gezuiverd product door het verhitten van een mengsel en afkoelen van de dampen
destilar
noun
1. verstuiking
distorção
noun
1. verdeling, verspreiding
distribuição
noun
1. het gebied van een lokale overheid
distrito
demonstrativePronoun
isto
esta
este
estas
estes
noun
1. afscheiding van urine
diurese
noun
1. urinedrijvend middel
diurético
diurética
adjective
1. wat overdag plaatsheeft
diurna
diurno
adjective
- 1. onderling duidelijk verschillend
- 2. gekenmerkt door de aanwezigheid van mensen met een verschillend achtergrond
diferente
noun
1. (weinig gebruikte) scheikundige term voor water (H2O)
monóxido de dihidrogênio
noun
1. verplaatsbaar tijdelijk toilet
banheiro químico
noun
1. leer over gezonde voeding en de toepassing van die leer in de gezondheidszorg
dietética
/
'dʒɛmbe/, /
ˈdjɛmbe/
noun
1. soort trommel die oorspronkelijk vooral bespeeld werd in West-Afrika
djembê
/
(d)ʒi.ˈbu.ti/, /
dji.ˈbu.ti/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika 2. de hoofdstad van
Jibuti
Djibuti
noun
1. de afkorting van desoxyribonucleic acid (desoxyribonucleïnezuur)
ADN
noun
1. kubusvormig voorwerp met op elk van de zijden een van de ogenaantallen één tot en met zes
dado
noun
1. een vrouwelijk kind
filha
/
ˈdɔktɔr/
abbreviation
1. een academicus die een goedgekeurd proefschrift heeft geschreven
doutor
noun
1.het hoogste diploma dat aan een universiteit behaald kan worden
doutoramento
noun
1. een verzameling leerstellingen of dogmas die niet ter discussie staan
doutrina
noun
1. een verzameling gegevens
documento
noun
1. een op waarheid beruste film
documentário
/
dokymɛn'taʦi/
noun
1. geschreven materiaal dat een bepaald onderwerp om- en beschrijft
documentação
verb
1. onderbouwen, staven
documentar
noun
1. iemand die dood is, een gestorvene, overledene
defunto
/
'do:dələk/
adjective
1. de dood veroorzakend
mortal
/
ˈdo.də(n)/
verb
1. iemand van het leven beroven.
matar
noun
1. dans van De Dood
dança da morte
noun
1. een afgietsel van het gelaat van een dood persoon, gewoonlijk gemaakt van was of gips
máscara mortuária
/
ˈdudɔɫˌzɑk/, /
ˈdudəlˌzɑk/
noun
1. een rietinstrument waarbij het riet indirect bespeeld wordt via een luchtzak
gaita-de-fole
gaita de foles
noun
- 4. gordijn
cortina
- 2. weefsel
- 1. een lap
pano
noun
1. een van de twee gemarkeerde ruimten op een sportveld
baliza
gol
noun
1. de balk aan de bovenkant van een (voetbal)doel
barra
verb
1. een actie ondernemen
fazer
noun
1. een boom met zeer smakelijke maar stinkende vruchten
durio
/
'dɔɣma/
noun
1. een vastomlijnd geloofsartikel dat aan geen beredenering meer is onderworpen
dogma
noun
- 2. droogzetinrichting voor schepen
- 3 laad- en loshaven
doca
noun
1. kamer zonder daglicht waarin foto's kunnen worden ontwikkeld en afgedrukt
câmara escura
noun
1. witte jas die een arts ter bescherming over zijn kleding draagt
bata de médico
/
ˈdɔkˌʋɛr.kər/
noun
1. iemand die in de havens werkt
estivador
/
dɔl/
noun
- 2. U-vormig steunpunt waarin een roeispaan rust
forqueta
dulka
- 1. roeipen
tolete
noun
1. bovenste rand van een (roei)boot
amurada
/
dɔlˈfɛɪ̯n/, /
dɔlˈfɛːn/, /
dɔɫˈfɛɪ̯n/, /
ˈdɔlfɛɪ̯n/, /
ˈdɔlfɛːn/, /
ˈdɔɫfɛɪ̯n/
noun
1. familie Delphinidae van mittelgrote tandwalvissen met vooruitstekende snuit
delfim
golfinho
/
ˈdɔlɑr /
noun
1. munt en munteenheid
dólar
adjective
1. van weinig verstand getuigend
estúpido
tolo
noun
1. temming tot huisdier of cultuurgewas
domesticação
verb
1. tot huisdier of cultuurgewas temmen
domesticar
noun
2. automatische overschrijving van geldbedragen door de bank laten verrichten
débito automático
noun
2. vijfde trede van toonladder
dominante
noun
1. overheersing
controle
/
domiˈnɪːrə(n)/
verb
1. het meest nadrukkelijk op de voorgrond treden
dominar
/
ˌdo.mi.ni.ˌkan.sə.re.py.ˈblik/, /
ˌdo.mi.ni.ˌkans.re.pʏ.ˈbliːk/
pronoun
1. een land in het Caribisch gebied dat ten westen aan Haïti grenst en daarmee...
República Dominicana
noun
1. autonoom deel van het Britse Rijk, deel van het Britse gemenebest
domínio
verb
1. half in slaap zijn
cochilar
noun
1. een schenking
doação
pronoun
1. een rivier in Europa die in het Zwarte Woud in Duitsland ontspringt en naar de Zwarte Zee stroomt.
Danúbio
noun
1. een zeer luid geluid bij onweer
trovão
ribombo
noun
1. een dag van de week die na woensdag en voor vrijdag komt
quinta-feira
/
ˈdɔndərə(n)/
verb
- 1. het weerklinken van luid gerommel ten gevolge van bliksemontlading.
- 2. op luide en barse toon een bevel geven of zijn ongenoegen uiten.
trovejar
adjective
1. zonder licht
escuro
noun
1. gever, bijv. orgaandonor: degene die zijn orgaan afstaat
doador
doadora
noun
1. fijne veren die onder de taaiere buitenveren zitten, vaak gebruikt als vulstof voor kussens, dekbedden en slaapzakken
pelugem
penugem
/
doːt/
adjective
1. niet meer levend
morto
/
doːt/
noun
- 2. skeletvormige figuur, vaak met zeis, die bovengenoemde toestand personifieert
morte
- 1. de toestand na het leven
morte
morto
/
ˈdotxan/
verb
1. het leven verlaten
morrer
adjective
1. bij de geboorte al overleden
natimorto
noun
1. (beroep) persoon
coveiro
/
ˈdoːts.ɛsˌka.dər/
noun
1. bende die gevormd is om een of meerdere personen te doden
esquadrão da morte
noun
1. als straf gedood worden
pena de morte
noun
1.de periode van het getij waarin het verschil tussen hoog- en laagwater minimaal is
maré de quadratura
/
doːf/
adjective
1. niet of minder goed tot horen in staat zijn
surdo
noun
- 1. stelsel van paden of dwaalwegen, zodanig aangelegd dat men daarin moeilijk de weg kan vinden
- 2. ingewikkelde zaak
labirinto
noun
1. plechtige besprenkeling of onderdompeling waarmee iemand tot een kerk gaat behoren
batismo
/
ˈdop.vɔnt/
noun
1. een bekken voor de bediening van de doop en het bewaren van het doopwater in een kerkgebouw
pia batismal
/
ˈdoːr/, /
[doːr]/, /
[dʊːr]/
preposition
- 3. in
- 6. als achterzetsel: doorheen
através de
noun
2. een cruciale ontdekking
avanço
/
'dɔːrɦalə(n)/
verb
1. een streep ergens doorheen zetten
rasurar
noun
1. scherp uitsteeksel aan een plant
espinho
estrepe
/
ˈdornəkron/
noun
1. van doorntakken gevlochten kroon als symbool van het martelaarschap
coroa de espinhos
/
dɔːrˈstan/
verb
1. ondanks moeilijkheden er nog goed voorstaan
aguentar
noun
1. het door een plaats, rivier of gebied trekken zonder dat deze plaats, rivier of dat gebied de reisbestemming is
passagem
/
ˈdorvərˌkopə(n)/, /
ˈdo̝rvərˌkopə(n)/
verb
1. iets verkopen dat onlangs is gekocht
revender
verb
1. volhouden
perseverar
/
doʊs/, /
doːs/
noun
1. een veelal kartonnen balkvormig opslagmiddel
caixa
verb
2. iemand ritueel met water besprenkelen of erin onderdompelen en zodoende tot een geloof toelaten
batizar
noun
1. stimulerende (genees)middelen
dopagem
noun
1. schijnbare frequentieverschuiving als de zender en ontvanger bewegen ten opzichte van elkaar
efeito Doppler
/
dɔrp/
noun
1. kleine, permanente nederzetting
aldeia
povoado
adjective
1. aan de rugzijde
dorsal
noun
1. toestel dat de graankorrels uit de korenaren slaat
debulhador
noun
1. vloer waarop gedorst wordt
eira
noun
1. (medisch) verstrekte hoeveelheid
dosagem
noun
1. hoeveelheid van een geneesmiddel die je per keer moet innemen
dose
noun
1. een overheidsdienst die belast is met de controle op het internationaal goederenverkeer
aduana
alfândega
/
duʃ/
noun
1. stortbad
chuveiro
verb
1. een douche nemen
tomar um duche
verb
1. een bestand van een computer of server op afstand naar een lokale computer of server overbrengen
carregar
noun
1. een set van twaalf
dúzia
/
draːt/
noun
- 3. elektrisch verbindingsmateriaal
arame
- 1. in elkaar gesponnen vezels
filo
/
drat.los/, /
ˈdraːd.loːs/
adjective
1. waarbij geen draden nodig zijn voor de overdracht van een signaal
sem fio
/
ˈdraxbar/, /
ˈdraχbar/
adjective
1. te dragen, met de mogelijkheid gedragen te worden
portátil
noun
1. ongemoduleerde elektromagnetische radiogolf
onda portadora
/
ˈdraːɣ.mudər/
noun
barriga de aluguel
mãe substituta
noun
1. stok waaraan men iets draagt
canga
calão
noun
- 1. een vlak waarop een last gedragen wordt
- 2. een vleugel van een vliegtuig
asa
noun
1. een machine die een ingeklemd werkstuk ronddraait zodat dit met beitels en boren kan worden bewerkt
torno mecânico
torno
noun
1. constructie van drie of vier deurbladen die rondom een gezamenlijke verticale as kunnen draaien, ter vervanging van een gewone deur m.n. gebruikt in winkels, ziekenhuizen enz.
porta giratória
/
ˈdraːi̯ən/
verb
Vertalingen: na te kijken
girar
noun
1. iemand die met een draaibank werkt
torneador
noun
1. strijkinstrument met strijkwiel
sanfona
noun
1. een mechanisch bediend of automatisch spelend orgel, meestal op straat spelend
realejo
noun
1. zitmeubel voor één persoon waarvan de zitting kan draaien vooral in gebruik in kantoren
cadeira giratória
pronoun
sterrenbeeld nabij de noordelijke hemelpool
Draco
/
draːk/
noun
1. fabeldier
dragão
noun
2. draagtijd van een zwanger wijfjesdier
gravidez
/
drɑf/
noun
1. draf bij viervoeters
trote
verb
- 1. al van de vloer houdend vervoeren
carregar
- 2. als kledingstuk of sieraad aanhebben
vestir
noun
5. voorwerp dat iets ondersteund
placa
suporte
/
ˈdraɣɔn/
noun
2. kruid
estragão
noun
1. vochtafvoering
drenagem
noun
- 1. een droevige of aangrijpende gebeurtenis
- 2. een bepaald soort film of toneelstuk
drama
/
drɑŋk/
noun
- 2. vloeistof om de dorst te lessen
- 1. alcoholhoudende vloeistof
bebida
/
ˈdrɑs.tis/, /
ˈdrɑs.tɪs/
adjective
1. doelgericht zeer ingrijpend
drástico
verb
1. een bestraffende handeling in het vooruitzicht stellen
ameaçar
noun
1. onderdorpel van een kozijn
limiar
soleira
/
ˈdrɛntə/
pronoun
1. provincie in het noorden van Nederland, die door Friesland, Groningen, Overijssel en het Duitse Nedersaksen wordt begrensd
Drente
cardinalNumeral
1. telwoord
três
adjective
1. met drie afmetingen, hoogte, breedte en diepte
tridimensional
noun
1. tweedimensionale geometrische vorm, bestaande uit 3 hoeken en 3 zijden
triângulo
noun
1. kleine tweekleppige zoetwaterschelp, oorspronkelijk uit het bekken van de Kaspische ...
mexilhão-zebra
noun
1. (romantische) verhouding waarbij drie mensen zijn betrokken
triângulo amoroso
/
ˈdriˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 300
trezentos
adjective
met drie koppen
tricéfalo
noun
1. plek waar de grenzen van drie landen elkaar treffen
tríplice fronteira
cardinalNumeral
1. het getal 33
trinta e três
cardinalNumeral
1. het getal 93
noventa e três
cardinalNumeral
1. het getal 83
oitenta e três
cardinalNumeral
1. het getal 23
vinte e três
cardinalNumeral
1. het getal 43
quarenta e três
cardinalNumeral
1. het getal 53
cinquenta e três
cardinalNumeral
1. het getal 63
sessenta e três
/
ˈdrijənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 73
setenta e três
noun
1. gas dat in spuitbussen gebruikt wordt om de inhoud onder druk te zetten
propulsores
noun
1. bodem bestaand uit heel kleine korreltjes vergruisd gesteente, verzadigd met zoveel water dat alles wat zwaar is er in wegzakt
areia movediça
verb
e1. op het oppervlak van een vloeistof rusten
boiar
/
'drɪŋkə(n)/
noun
beber
tomar
noun
water dat geschikt is om gedronken te worden
água potável
noun
3. paardenziekte
garrotilho
verb
1. vocht laten of doen verdampen
secar
noun
1. een toestel dat natte voorwerpen, bijvoorbeeld wasgoed droogmaakt
secadora
noun
winkel van een drogist
drogaria
noun
1. uitwerpsel, ontlasting
cagalhão
noun
1. Camelus dromedarius, herkauwer uit Afrika met vetbult op de rug
dromedário
verb
- 1. ervaren van een reeks gebeurtenissen of beelden tijdens de slaap
- je een voorstelling maken van wat je graag wil
sonhar
/
drɔŋkə(n)/
adjective
1. onder invloed van alcohol
bêbedo
noun
het zwaar onder invloed van alcohol zijn
bebedeira
/
droːx/
adjective
1. geen of zeer weinig vocht bevattend.
seco
noun
2. droogzetinrichting voor schepen
em seco
noun
1. lange periode zonder of met minder neerslag
seca
estiagem
noun
- 1. beelden die men ziet wanneer men slaapt
- 2. een gedachte waarvan met graag had gehad dat ze werkelijkheid werd
sonho
noun
1. het duiden van de betekenis van de dromen die iemand heeft
oniromancia
noun
- slag waarmee de shuttle vlak achter het net wordt gespeeld
amorti
- zwart gekleurd snoepgoed
licor
noun
2. vrucht van de wijnstok
uva
noun
óleo de semente de uva
noun
1. een vruchtensap bereid uit druiven
suco de uva
noun
1. bundel druiven
cacho
noun
1. pressie, kracht die over een oppervlakte uitgeoefend wordt
pressão
verb
1. kracht uitoefenen op
prensar
noun
1. een persoon die afdrukken maakt
impressor
noun
1. papier gevuld door een printer of een drukpers
impressos
noun
1. mythologisch, vrouwelijk wezen dat in een bos of boom leeft
dríade
/
ˈdʏbəl/
adjective
1. tweemaal voorhanden
duplo
verb
1. twee keer, snel achterelkaar, met de muisknop op iets klikken
clicar duas vezes
/
ˈdʏ.bəl.ˌstɛr/, /
ˈdʏ.bəɫ.ˌstɛr/
noun
1. twee sterren die om elkaar heen bewegen
estrela binária
noun
1. een scheikundig element met het symbool Db
dúbnio
/
dʏf/
adjective
1. saai, doods
entediante
enfadonho
/
ˈdœy̯dələk/
adverb
- 1. niet mis te verstaan
- 2. goed te herkennen
claro
/
dœʏ̯f/, /
dœːf/
noun
1. vogel die een koerend geluid maakt, uit de familie Columbidae
pombo
pomba
noun
1. wandplank van een vat
aduela
noun
1. speeltuigje
joão-bobo
/
ˈdœy̯kə(n)/
verb
- 2.in het water springen zodat de armen eerst het water in gaan
- 1. het zich onder water voortbewegen (van bijvoorbeeld duikboten) of zwemmen (van mensen)
mergulhar
noun
1. iemand die voor beroep of plezier zich onder de waterspiegel begeeft
mergulhador
/
dœy̯m/
noun
- 2. lengtemaat
polegada
- 1. eerste, kortste en dikste vinger
polegar
dedo polegar
noun
1. het hoornen gedeelte van de eerste vinger van de hand
unha do polegar
adjective
1. in weinig of geen licht badend
obscuro
noun
1. een toestand van weinig of geen verlichting
escuridão
/
dœʏ̯ts/, /
dœːts/
adjective
1. betreffende Duitsland of het Duits
alemão
alemã
/
dœʏ̯ts/, /
dœːts/
pronoun
1. een taal die gesproken wordt in Duitsland, Oostenrijk, Zwitserland, Italië en België
alemão
/
ˈdœʏ̯tsə/, /
ˈdœːtsə/
noun
1. een vrouw van Duitse komaf
alemã
pronoun
Alemanha Oriental
República Democrática Alemã
noun
1. hond uit een oorspronkelijk in Duitsland gefokt ras
pastor alemão
/
ˈdœʏ̯tsər/, /
ˈdœːtsər/
noun
1. een inwoner van Duitsland
alemão
/
ˈdœʏ̯tslɑnt/, /
ˈdœːtslɑnd/, /
ˈdœːtslɑnt/
pronoun
1. een Midden-Europese staat die wordt gevormd door een federatie van 16 deelstaten en die het Duits als officiële taal heeft
Alemanha
noun
1. het gevoel zijn evenwicht te verliezen
tontura
vertigem
noun
1. geleedpotig dier met een groot aantal poten uit de klasse Chilopoda
centípede
centopeia
noun
1. karamelpasta van langdurig en langzaam gekookte melk met suiker en bakpoeder
doce de leite
verb
1. bereid zijn iets ongestraft te laten
suportar
/
dʏn/
adjective
2. van geringe dikte
magro
noun
2. magerheid
delgadeza
noun
1. bepaalde soort vis, Chelon ramada
alvor
noun
1. deel van het spijsverteringskanaal tussen de maag en de dikke darm
intestino delgado
noun
1. gebruiksvoorwerp
descascador
/
dywoˈdenʏm/
noun
1. twaalfvingerige darm
duodeno
/
'dyːrə(n)/
verb
1. een bepaalde tijd in beslag nemen
durar
noun
1. enige tetraploïde tarwesoort die nog veel wordt verbouwd
trigo-duro
conjunction
1.om die reden, daarom
então
/
ˈdyːr.zam/
adjective
1. lang meegaand
duradouro
durável
/
dy.ʋǝⁿ/
verb
1. door druk uit te oefenen doen voortbewegen
empurrar
noun
1. een vogel die slechts zelden, vaak door verdwalen, in een gebied aangetroffen wordt
errante
noun
1. iemand die onverstandig denkt en/of handelt
louco
noun
1. werk dat onder dwang gedaan moet worden
trabalho forçado
noun
1. een kledingstuk dat de drager bewegingsvrijheid van de armen en handen ontneemt
camisa de força
colete de forças
noun
1. psychische stoornis die gekenmerkt wordt door dwanggedachten en dwanghandelingen
transtorno obsessivo-compulsivo
/
ˈdwɑrzbomə(n)/
verb
1. tegenwerken, moeilijkheden geven
contrariar
/
ˈdʋɑrsflœʏt/
noun
1. een blaasinstrument dat dwars op de lippen geblazen wordt
flauta transversal
/
dʋɛi̯l/
noun
1. een stuk weefsel in natte vorm gebruikt om een gladde vloer te reinigen
esfregão
noun
1. een buitengewoon klein mens
anão
noun
1. Anser erythropus
ganso-pequena-de-testa-branca
noun
1. zeer kleine staat
microestado
noun
1. kleinste soort van de vinvissen, Balaenoptera acutorostrata
baleia-anã
verb
1. iemand tegen zijn wil iets opleggen
forçar
noun
springstof waarin nitroglycerine door een poreuze stof wordt vastgehouden
dinamite
adjective
1. betrekking hebbend op een erfelijke heerser
dinástico
noun
1. uitspraakgebrek
disartria
noun
1. rode loop, bloeddiarree
disenteria
noun
1. slikstoornis
disfagia
noun
1. gestoorde werking
disfunção
/
dɪslɛkˈsi/
noun
1. het onvermogen om woorden, waarvan men wel de letters ziet, in hun betekenis te vatten
dislexia
noun
1. paringspijn, pijn bij het vrijen
dispareunia
noun
1. gestoorde spijsvertering
dispepsia
noun
1. bemoeilijkte ademhaling
dispneia
noun
1. scheikundig element met symbool Dy en atoomnummer 66
disprósio
noun
1. voedingsstoornis, groeistoornis van organen, degeneratie van organen, cellen, weefsels
distrofia
noun
1. pijnlijke urinelozing
disúria
pronoun
- 1. een district in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
- 1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Düren
/
ˈiːmeːɫ/, /
ˈiːmɪːɫ/
noun
- 1. systeem voor het verzenden van berichten via een computernetwerk
- 2. bericht dat verstuurd is via e-mail
e-mail
noun
1. adres voor het ontvangen en verzenden van e-mail
endereço de correio eletrónico
/
ˌodəkoˈlɔɲə/
noun
1. keulswater, reukwater
água de colônia
noun
1. een getijde waarbij het water van de zee zakt, in tegenstelling tot vloed, waarbij het water stijgt
vazante
/
ˈɛ.xo/, /
ˈɛ.χo/
noun
1. een hoorbare terugkaatsing van een gemaakt geluid
eco
noun
1. beeld (of foto) van organen dat gemaakt wordt via geluidsgolven die worden teruggekaatst
ecografia
noun
1. het dwangmatig herhalen van woorden of zinnen, zonder de betekenis ervan daadwerkelijk te doorgronden
ecolalia
adjective
2. waarachtig, juist, niet vervalst
real
noun
1. mensen die met elkaar getrouwd zijn
par casado
conjunction
1. een beperkende tegenwerping, introduceert een zin(sdeel) dat het voorgaande zin(sdeel) beperkt
entretanto
pronoun
1. en 2.
Echternach
/
ˈɛxtxəˌnot/
noun
1. een mannelijke huwelijkspartner
esposo
marido
/
ˈɛxtxəˌnotə/, /
ˈɛχtχəˌnotə/
noun
1. een vrouwelijke huwelijkspartner
esposa
noun
1. twee mensen die met elkaar getrouwd zijn
par casado
noun
1. formele verbreking van een huwelijksband
divórcio
noun
1. stuipen of toevallen tijdens zwangerschap
eclâmpsia
/
ˌe.ko.lo.ˈɣi/, /
ˌe.ko.lo.ˈχi/
noun
1. de tak van wetenschap die het samenspel tussen organismen onderling en hun relatie met hun omgeving bestudeert
ecologia
/
ˌe.ko.ˈlox/, /
ˌe.ko.ˈloχ/
noun
1. een wetenschapper die het samenspel tussen organismen onderling en hun relatie met hun omgeving bestudeert
ecólogo
ecologista
noun
- 1. de leer die zich bezighoudt met de voortbrenging en verdeling van schaarse goederen en diensten
economia
- 2. het geheel van productie, handelsverkeer en diensten binnen een bepaalde regio
economia
econômico
adjective
1. betreffende economie
econômico
económico
noun
1. deskundige op het gebied van de economie
economista
noun
1. alle organismen in hun leefomgeving.
ecossistema
adjective
1. buiten zijn normale ligging
ectópica
ectópico
noun
1. oppervlakkige huidaandoening
eczema
noun
1. de naam voor elk element uit de achtste chemische reeks van het periodiek systeem
gás nobre
noun
1. Cervus elaphus, hertensoort
cervo
veado
noun
1. een metaal dat niet licht aan corrosie of oxidatie ten prooi valt
metal precioso
noun
1. een stuk edelgesteente
pedra preciosa
gema
/
et/
noun
1. een plechtige verzekering dat men de waarheid spreekt of een belofte zal nakomen
juramento
promessa
/
ˈekˌhoːrn/
noun
1. benaming voor knaagdieren uit de familie Sciuridae
esquilo
noun
1. verdikking van de huid
calo
verb
a cavalo dado não se olha o dente
/
eːnt/
noun
1. benaming voor veel watervogels uit de familie Anatidae
pato
pata
noun
1. insect uit de orde Ephemeroptera
efêmera
/
enˈdœydəx/
adjective
1. zonder twijfel
unívoco
cardinalNumeral
1. het getal 31
trinta e um
cardinalNumeral
1. het getal 91
noventa e um
cardinalNumeral
1. het getal 81
oitenta e um
/
ˌe.nən.ˈtʋɪn.təχ/
cardinalNumeral
1. het getal 21
vinte e um
cardinalNumeral
1. het getal 41
quarenta e um
cardinalNumeral
1. het getal 51
cinquenta e um
cardinalNumeral
1. het getal 61
sessenta e um
/
ˈenənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 71
setenta e um
noun
- 2. maat waarin hoeveelheden worden uitgedrukt
- 1. bij elkaar horend geheel met kenmerkende eigenschappen
unidade
noun
1. een matrix waarvan alle diagonale elementen 1 zijn en alle andere 0
matriz identidade
adjective
1. in het bezit van (slechts) één oog
caolho
noun
1. kamer voor het verblijf van één persoon (bijvoorbeeld in een hotel of ziekenhuis)
apartamento simples
adjective
1. dezelfde mening hebbend
unânime
/
eːnˈvɑudəx/, /
eːnˈvɑudəχ/
adjective
- 2. zonder overdaad of vertoon
- 1. niet ingewikkeld
simples
noun
1. de hoedanigheid van het eenzaam zijn
solidão
solitude
adjective
1. met of aan één kant, belang, partij etc.
unilateral
/
er/
noun
1. aanzien, roem
honra
/
ˈeːrɣɪstər/, /
ˈɪːrχɪstər/
adverb
1. de voorlaatste dag die voltooid is
anteontem
/
ˈɪːrɣɪstərə(n)/, /
ˈɪːrχɪstərə(n)/
adverb
1. de voorlaatste dag die voltooid is
anteontem
/
ˈeːrlək/
adverb
1. vrij van leugen en bedrog
honesto
honesta
noun
1. het vertellen van de waarheid
honestidade
noun
1. nummer één in een volgorde
primeiro
noun
1. eerste kwartier
quarto crescente
phraseologicalUnit
1. grammaticale term die de spreker of sprekers aanduidt.
primeira pessoa
pronoun
1. een militair conflict op wereldschaal, dat van 28 juli 1914 tot 11 november 1918 plaatsvond
Primeira Guerra Mundial
/
ˈeːitbaːr/, /
ˈeːtbaːr/
adjective
1. geschikt om gegeten te worden
comestível
/
ˈetkamər/
noun
1. een kamer waar maaltijden worden genuttigd
sala de jantar
/
etlepəl/
noun
1.
colher de sopa
noun
1. de behoefte om voedsel tot zich te nemen.
apetite
/
eːu̯/
noun
1. een periode van 100 jaar
século
noun
1. een feestelijke herdenking naar aanleiding van het honderdjarig bestaan van iets
centenário
/
eːwɪx/, /
eːʋəχ/, /
eːβ̞əx/
adjective
1. voortdurend, zonder einde
eterno
/
ɪːβ̞əχɛɪ̯t/
noun
1. alle tijd die nog zal komen
eternidade
/
e.ˈfe.zə/
pronoun
1. in de oudheid een grote Ionische haven- en handelsstad
Éfeso
pronoun
1. boek in het Nieuwe Testament
Efésios
adverb
1. doeltreffend
efectivo
adjective
1. nuttig effect hebbend
eficiente
noun
1. de mate waarin nuttig gebruik gemaakt wordt van het beschikbare bij een bepaald proces
eficiência
/
ˈexəl/
noun
1. bepaald soort zoogdier Erinaceus europaeus
ouriço
adjective
2. zichzelf als het middelpunt van alles zien
egocêntrico
/
xxxx/
noun
1. het uitsluitend op eigen belangen en gewin uit zijn
egoísmo
noun
1. een zelfzuchtig persoon
egoísta
/
e.ˈɣɪp.tə/, /
e.ˈχɪp.tə/
pronoun
1. een Arabisch land op de grens van Afrika en Azië
Egito
Egipto
/
ɛɪ/, /
ɛɪ̯/, /
ɛː/
noun
1. dierlijk voedingsmiddel voor de mens in een schaal
ovo
noun
1. bepaald soort zeevogel, Somateria mollissima
eider-edredão
adjective
1. betrekking hebbend op de visuele vermogens
eidético
noun
1. het geslachtsorgaan van de vrouw waarin eicellen gevormd worden
ovário
/
ˈɛi̯ɣə(n)/
adjective
próprio
noun
1. iemand die iets in eigendom heeft
dono
propietário
/
'ʔɛɪɣəndɔm/
noun
1. eigendomsrecht
propriedade
noun
1. het meest omvattend zakeljike recht dat een eigenaar op zijn goed kan uitoefenen
direito de propriedade
noun
1. een naam waardoor men een mens, dier of ding zich van andere van dezelfde soort onderscheidt
nome próprio
substantivo próprio
noun
1. een gegeven karakteristiek die eigen is aan een bepaalde persoon of zaak
qualidade
/
ɛi̯k/, /
ɛːk/
noun
1. Quercus, een geslacht van loofbomen
carvalho
/
ˈɛɪkəɫ/
noun
- 1. vrucht van de eik
bolota
lande
- 2. top van een penis
glande
bolota
/
ɛilɑnt/
noun
1. een stuk land dat omringd is door water
ilha
/
ˌɛilɑnt ˈmɛn/
pronoun
Ilha de Man
noun
1. deel van de geslachtsorganen van de vrouw
trompa de falópio
tuba uterina
/
ɛɪ̯nd/, /
ɛɪ̯nt/, /
ɛːnt/
noun
fim
phraseologicalUnit
1.
bem está o que bem acaba
/
ˈɛɪ̯ndə/, /
ˈɛːndə/
noun
1. het punt in ruimte of tijd waar iets ophoudt
fim
adjective
1. een einde hebbende
finito
noun
1. scheikundig element met symbool Es en atoomnummer 99
einsteinio
/
ɛiwɪt/
noun
- 1. het deel van een ei waarin de dooier ligt
clara de ovo
- 2. een tot een klasse van polymere stoffen met een hoog moleculair gewicht...
proteína
verb
sperma uitwerpen
ejacular
noun
1. bepaald soort zwartwitte kraaiachtige vogel, Pica pica
pega
pega-rabuda
noun
1. een oude lengtemaat gebaseerd op de lengte van de menselijke ellepijp, gewoonlijk 60 à 70 cm
vara
/
ɛl.ˈsɑl.va.dɔr/, /
ɛɫ.ˈsɑɫ.va.dɔr/
pronoun
1. land in Midden-Amerika dat grenst aan Guatemala, Honduras en de Stille Oceaan
El Salvador
Salvador
noun
1. een groot hert uit de poolstreken met een opvallend groot en breed vertakt gewei
alce
grã-besta
adjective
1. van elastiek gemaakt
elástico
/
eləˈɣɑnt/
adverb
1. een prettige uitstraling hebbend door de subtiele afwerking
elegante
noun
1. vakman op gebied van elektriciteit
eletricista
/
eˌlɛktrɪsiˈtɛɪt/
noun
2. de elektrische stroom als energiedrager
eletricidade
electricidade
noun
1. een krachtcentale waar elektriciteit wordt opgewekt
centrais eléctricas
adjective
1. door middel van elektriciteit
eléctrico
elétrico
abbreviation
1. hersenfilm
electroencefalograma
verb
1. doden of ter dood brengen door elektrische stroom
eletrocutar
adjective
1. met betrekking tot elektrische verschijnselen in levend weefsel
eletrofisiológico
noun
- 1. chemische verbinding die in waterige oplossing in ionen wordt gesplitst
- 2. een stof of mengsel van stoffen gekenmerkt door het bezit van uitsluitend ionische geleidbaarheid
electrólito
noun
1. een magneet waarvan het veld door een elektrische stroom veroorzaakt wordt
eletroímã
noun
electromagnetismo
eletromagnetismo
noun
1. een van de elementaire deeltjes, het lichtste deeltje met een elektrische lading
elétron
electrão
noun
1. de tak van elektrotechniek die zich bezighoudt met het gedrag van elektronen...
eletrônica
noun
1. de studie en praktische toepassing van alles wat met elektriciteit en elektromagnetisme te maken heeft
Engenharia elétrica
engenharia elétrica
noun
1. legering van goud en zilver
electrum
cardinalNumeral
1. het getal 11
onze
/
ˈɛlf.də/, /
ˈɛlv.də/
ordinalAdjective
1. nummer elf in een rij
décimo primeiro
noun
1. haringachtige, die paait in de bovenloop van rivieren en beken en ooit inheems was in de Benelux, Alosa alosa
sável
verb
- 1. verwijderen uit de vergelijking
- 2. verwijderen uit de bevolking, doden
eliminar
noun
1. armoedige, beklagenswaardige omstandigheden
miséria
adjective
1. erg onaangenaam
miserável
/
ˈɛləpɛɪp/, /
ˈɛləpɛːp/
noun
bot in de onderarm
ulna
noun
1. twee-dimensionale figuur die wordt gevormd door alle punten waarvoor de som ...
elipse
/
ˈɛlzɑs/
pronoun
1. regio in Frankrijk
Alsácia
/
ɛlˈzɑsis/
noun
1. Een verzameling Alemannische dialecten die in de Elzas (Frankrijk) gesproken worden
alsaciano
noun
1. concrete figuur voor een abstract begrip
emblema
noun
1. een organisme in het eerste ontwikkelingsstadium na de bevruchting
embrião
noun
1. de wetenschap die zich met het ongeboren leven bezighoudt
embriologia
adjective
2. betrekking hebbend op de ongeboren vrucht van een organisme
embrionário
noun
1. longaandoening
enfisema
/
ˌemiˈχrɪːrə(n)/
verb
1. naar het buitenland verhuizen
emigrar
/
emɪˈraːt/
noun
1. gebied van een emir
emirado
/
ˈɛmər/
noun
1. busvormig vat (met hengsel), waarin men vloeistoffen of vaste stoffen kan verplaatsen
balde
caçamba
noun
1. bepaalde soort drietenige vogel Dromaius novaehollandiae
emu
noun
1. ideogrammen die worden gebruikt in Japanse elektronische berichten en webpagina's
emoji
noun
1.weergave van emoties door middel van een afbeelding, een teken of een combinatie van lees- en lettertekens
emoticon
noun
1. hevig gevoel, sterke gemoedsbeweging
emoção
adjective
1. zeer vatbaar voor gevoelens
emocional
adjective
1. wat op ervaring of proefneming berust
empírico
empírica
noun
stof die helpt bij het mengen van twee stoffen die normaal gesproken niet of moeilijk mengbaar zijn
emulsificante
verb
1. een melkachtige oplossing vormen
emulsionar
conjunction
1. zowel afzonderlijk van als gezamenlijk met elkaar
e/ou
noun
1. een stereo-isomeer dat het spiegelbeeld is van zijn tegenvoeter
enantiómero
noun
1. hersenontsteking
encefalite
/
ɛn.'kla.və/
noun
1. omsloten gebied
enclave
noun
1. een brief van de paus aan alle katholieke gelovigen
encíclica
/
ˌɛnsiklopeˈdi/
noun
1. een gestructureerde en geschreven verzameling van menselijke kennis, in boekvorm of digitaal
enciclopédia
noun
1. laatste deel van het spijsverteringskanaal vlak voor de anus
reto
adjective
1. van nature alleen in een specifiek gebied voorkomend
endémico
endémica
noun
1. ontsteking van de hartwand
endocardite
adjective
1. met inwendige afscheiding in de bloedstroom, hormonaal
endócrino
endócrina
noun
1. de wetenschap die zich bezighoudt met de afscheidingen van klieren in het lichaam
endocrinologia
adjective
1. van binnen uit
endógeno
endógena
noun
1. baarmoederslijmvlies buiten baarmoeder
endometriose
noun
1. (kijk)onderzoek van lichaamsholten of inwendige kanalen
endoscopia
adjective
1. met betrekking tot arbeid of energie
energético
energética
/
enər'ʒi/, /
enɛr'ʒi/
noun
1. het vermogen iets te doen
energia
adverb
1. aan de ene kant
por um lado
adjective
1. angst veroorzakend
assustador
noun
1. deel van het Verenigd Koninkrijk
Inglaterra
/
ˈɛ.ŋ(g)əls/, /
ˈɛ.ŋɔɫs/, /
ˈɛ.ŋəɫs/
adjective
1. als van, in of betrekking hebbend op Engelsen, Engeland of het Engels
inglês
/
ˈɛ.ŋ(g)əls/, /
ˈɛ.ŋɔɫs/, /
ˈɛ.ŋəɫs/
pronoun
1. de taal
inglês
/
ɛ.ŋɔɫs.mɑn/, /
ɛ.ŋəls.man/, /
ɛ.ŋəɫs.mɑn/
noun
1. iemand die in Engeland woont
inglês
noun
1. gewricht dat de voet met het been verbindt
tornozelo
artelho
noun
- 3. een band om de enkel met een zendertje
pulseira eletrónica
- 2. een band die om de enkel wordt gedragen
tornozeleira
noun
1. een woord dat in die vorm naar één voorwerp of mens verwijst of dat aanduidt dat slechts één persoon de handeling uitvoert
singular
/
ɑŋ.ˈkɛː.tə/, /
ɑ̃.ˈkɛt/
noun
1. een vragenlijst die aan meerdere personen wordt voorgelegd
sondagem
noun
1. ontsteking van de ingewanden
enterite
noun
1. ontsteking van zowel de dikke als de dunne darm
enterocolite
/
ɛntuˈʒɑs/, /
ˌɑn.ty.ˈʒɑst/
adjective
1. hartstochelijk, met geestdrift
entusiasmado
/
ɛntuˈʒɑs/, /
ˌɑn.ty.ˈʒɑst/
noun
1. iemand die over iets of iemand geestdriftig is (vaak gebruikt als tweede deel van een samengesteld begrip
entusiasta
noun
1. een getal evenredig met de logaritme van het aantal realiseringmogelijkheden, ook wel gedefinieerd als de reversibele warmte gedeeld door de temperatuur
entropia
noun
1. enuresis, onwillekeurige urinelozing
enurese
noun
1. papieren omslag voor brieven
envelope
/
ɛnˈzim/
noun
1. een organische molecuul dat biologische reacties mogelijk maakt of versnelt zonder daarbij zelf...
enzima
noun
1. toename van het aantal eosinofiele (zich kleurend met zure kleurstoffen) cellen in het bloed
eosinofilia
/
ˈepɛnˌtezɪs/
noun
1. invoeging van middenlank
epêntese
noun
1. het punt op het aardoppervlak loodrecht boven de haard van de aardbeving
epicentro
noun
1. ontsteking van een knobbel aan een gewrichtsuitsteeksel
epicondilite
/
epideˈmi/
noun
1. besmettelijke ziekte die zich snel verspreidt onder een groep van mensen
epidémica
epidémico
epidemia
adjective
1. met betrekking tot verspreiding van ziekten onder (delen) van de bevolking
epidemiológico
epidemiológica
adjective
1. behorend tot de opperhuid
epidérmica
epidérmico
/
epidyraɫ/
adjective
1. buiten het harde hersenvlies en de ruimte aan de buitenzijde van het harde ruggenmergvlies
epidural
/
ˌepiˈfizə/
noun
1. een klier die onderdeel is van de epithalamus en melatonine uitscheidt
glândula pineal
noun
1. het vakgebied binnen de genetica dat de invloed bestudeert van de omkeerbare erfelijke veranderingen in de genexpressie die optreden zonder wijzigingen in de sequentie (volgorde van de basenparen) van het DNA in de celkern
epigenética
adjective
1. van de aard van een epigram
epigramático
noun
1. vallende ziekte, toevallen
epilepsia
noun
1. een naschrift toegevoegd aan een boek of film
epílogo
noun
1. neusbloeding
epistaxe
noun
1. dekweefsel, bovenste laag van de huid en slijmvliezen
epitélio
noun
1. woord dat gevormd is op basis van een eigennaam van een persoon
epônimo
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Eppingen
noun
1. vijfde letter uit het Griekse alfabet ε
épsilo
noun
1. een denkbeeldige cirkel die op een hemellichaam het noordelijk van het zuidelijk halfrond scheidt
equador
/
ˌe.kwa.toː.ri.al.ɣi.ˈne.ja/, /
ˌe.kʋa.to̝ː.ri.aɫ.χi.ˈne.ja/, /
ˌe.kβ̞a.toː.ri.aɫ.ɣi.ˈne.ja/
pronoun
1. een land in Afrika grenzend aan Gabon en Kameroen
Guiné Equatorial
adjective
1. betrekking hebbend op de evenaar
equinocial
noun
1. passage van de zon door het vlak van de evenaar
equinócio
noun
1. iets gelijkwaardigs
equivalente
adverb
1. onbepaald bijwoord van plaats: ergens
aí
noun
1. een scheikundig element en zilverwit lanthanide met het symbool Er en het atoomnummer 68
érbio
noun
1. oprichting van het mannelijk lid
erecção
ereção
noun
1. een groot geslacht van planten waarvan er 23 wilde soorten bekend zijn in Nederland
verónica
verônica
noun
1. grond behorend bij boerderijhuis
curral
noun
1. zakelijk recht op andermans onroerend goed
servidão
adjective
- 1. wat op genetische wijze door nazaten verkregen kan worden
- 2. overdraagbaar op de oudste zoon, of meestal bij het ontbreken daarvan op de oudste dochter
hereditário
noun
1. degene die andermans nalatenschap erft
herdeiro
noun
1. overerfbare, langdurige of eeuwige pacht
enfiteuse
noun
1. het samenstel van regels dat de vererving regelt
direito das sucessões
noun
1. een veelal kostbaar goed van van generatie op generatie door vererving overgegeven wordt
herança
noun
1. schending van Gods regels door de eerste mens Adam als last die op ieder mens rust
pecado original
noun
een zaak die gevoelens van onvrede oproept
irritação
noun
1. kriebelziekte
ergotismo
/
ˌeː.ri.ˈtre.ja/, /
ˌɪː.ri.ˈtre.ja/
pronoun
1. een Afrikaans land grenzend aan Soedan, Ethiopië, Djibouti en de Rode Zee
Eritreia
Eritréia
/
eriˈtres/
adjective
1. met betrekking tot of afkomstig van Eritrea
eritreu
verb
- 1. inzien, toegeven
- 2. als wettig, echt, juist aanvaarden
reconhecer
noun
1. een bevestiging van de juistheid of geldigheid van iets
reconhecimento
/
ˌɛrˈkɛn.tə.lək/
adjective
agradecido
/
ˈɛrkər/
noun
1. uitbouw aan een gevel
sacada
pronoun
1. + 2. stad en stadsdistrict
Erlangen
noun
1. stemming waarin men de dingen in hun wezenlijke waarde wil zien
seriedade
noun
1-2. beschadiging en afslijting
erosão
noun
1. kunst die nadrukkelijk seksuele activiteiten laat zien
erotismo
pronoun
1.
montes Metalíferos
noun
1. oprisping
eructação
noun
- 1. plotselinge, felle uiting
erupção
- 2. het uitstoten van gassen, rook en lava door een vulkaan
erupção vulcânica
adjective
1. bekwaam door ervaring
experiente
noun
1. een vorm van kennis
experiência
/
ˈʔɛr.və(n)/
verb
1. de eigendommen van een overledene, meestal een familielid, rechtens verkrijgen
herdar
noun
1. een bepaalde peulvrucht, een groentesoort
ervilha
noun
1. roodheid van de huid
eritema
noun
1. de vorming van rode bloedlichaampjes
eritropoiese
pronoun
1. taal vooral in het oosten van Mordovië gesproken wordt
erzya
noun
1. bepaald soort loofboom Fraxinus excelsior
freixo
verb
1. stapsgewijs toenemen in omvang, intensiteit
intensificar
noun
1. dwaze (jongens) streek
escapada
/
ɛsˌxatolo'gi/
noun
escatologia
/
ˈɛzdorᵊn/
noun
1. boom of heester uit het geslacht (
ácer
bordo
noun
1. een kleine tactische eenheid bij de cavalerie (tegenwoordig gemechaniseerd of gemotoriseerd) of ...
esquadrão
noun
1. bepaald soort loofboom, Populus tremula
álamo
pronoun
1. een internationale kunsttaal die oorspronkelijk ontworpen is door Ludovico Zamenhof
esperanto
Esperanto
noun
1. filologie van de kunsttaal Esperanto
esperantologia
noun
1. een taalkundige die de esperantologie beoefent
esperantóloga
noun
1. geconcentreerde koffie
café expresso
noun
1. het meeste belangrijke
essência
/
ɛsˈter/
pronoun
3. meisjesnaam
Ester
noun
1. een koolstofverbinding met de functionele groep -C(=O)-O-C-
éster
/
ɛsˈtetiˌka/
noun
1. het filosofisch discours over het wezen van kunst of het wezen van schoonheid
estética
/
ˈɛstis/, /
ˈɛstɪs/
pronoun
1. een taal die vooral wordt gesproken in Estland
estoniano
estónio
/
ˈɛslɑnd/, /
ˈɛstlɑnt/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa dat grenst aan Letland en Rusland
Estónia
Estônia
noun
1. een vrouwelijk hormoon
estrogênio
noun
1. dat wat iemand tot zich neemt om diens metabolisme in werking te houden
comer
verb
1. het nuttigen van voedsel
comer
/
etaˈnɔl/
noun
1. een chemische verbinding met twee koolstofatomen en een alcoholgroep
etanol
noun
1. een organische verbinding met de functionele groep R-O-R'
éter
noun
1. een praktische wijsbegeerte die zich bezighoudt met wat goed en kwaad is
ética
/
ˌe.ti.ˈjo.pi.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika grenzend aan Eritrea, Djibouti, Somalië, Kenia en Soedan
Etiópia
noun
1. onderdeel van de pathologie dat zich bezighoudt met de oorzaken van ziekten
etiologia
adjective
1. betrekking hebbend op de beschrijving van volkeren
etnográfico
/
ɛtnoːloːɣi/, /
ɛtnoːloːʝi/
noun
etnologia
/
ɛtər/
noun
1. wittig vocht met witte bloedlichaampjes en bacteriën dat bij een ontsteking afgescheiden wordt
pus
noun
- 1. woordherkomst
- 2. studie naar oorsprong en verandering van vorm en betekenis van woorden
etimologia
adjective
1.
etimologicamente
noun
1. een rooms-katholiek sacrament dat een voortzetting is van het laatste avondmaal van Christus
eucaristia
noun
- 1. eufonium
- 2. een instrument van gestemde glazen
eufônio
/
ˌø.fo̝.ˈri/
noun
1. verhoogd gevoel van welzijn
euforia
/
œykɑriotən/
noun
2. een van de drie taxonomische domeinen, Eukaryota
eukaryota
pronoun
1. de naam van de grootste landmassa op aarde die de continenten Europa en Azië omvat
Eurásia
/
'øː.ro/, /
'ɵː.ro/
abbreviation
1. munt en munteenheid
euro
/
øːˈroːpa/, /
ʏːˈropa/
pronoun
1. een continent op het noordelijk halfrond, dat ten noorden van Afrika en ten westen van Azië ligt
Europa
/
ˌøːropeˈjaːn/, /
ˌʏːropeˈjan/
noun
1. bewoner van het Europese continent of iemand die daarvan afkomstig is
europeu
/
øːroˈpeːs/, /
ʏːroˈpes/
adjective
1. afkomstig van of betreffend het continent Europa
europeu
pronoun
Tribunal Europeu dos Direitos Humanos
pronoun
Parlamento Europeu
noun
1. Castor fiber, een knaagdier dat in Europa voorkomt
castor europeu
pronoun
Banco Central Europeu
pronoun
Tribunal Europeu dos Direitos Humanos
pronoun
Banco Europeu de Investimento
pronoun
Provedor de Justiça Europeu
pronoun
Tribunal de Contas Europeu
/
ˌøː.ro.ˌpe.sə.ˈy.ni/, /
ˌʏː.ro.ˌpe.sə.ˈy.ni/
pronoun
unie van 27 Europese staten
União Europeia
noun
1. scheikundig element met symbool Eu en atoomnummer 63
európio
noun
1. handelingen die iemands leven beëindigen of het sterven bespoedigen, om pijn en lijden te verkorten
eutanásia
pronoun
1. eerste vrouw door God geschapen
Eva
/
evɑky'erə(n)/
verb
evacuar
noun
1. bespreking en beoordeling van de gang van zaken
avaliação
adjective
1. Deelbaar door twee
par
/
evəˈnar/, /
ˈevənar/
noun
1. denkbeeldige cirkel die op een hemellichaam het noordelijk van het zuidelijk halfrond scheidt
equador
adverb
1. ook, tevens
também
adjective
1. evenredig
proporcional
noun
1. een turntoestel dat bij het damesturnen wordt gebruikt
trave de equilíbrio
noun
1. in het wild levende voorouder van het varken Sus scrofa
javali
verb
1. aan een proces van geleidelijke veranderingen onderhevig zijn
evolucionar
/
ˌevoˈlysi/, /
ˌevoˈlytsi/
noun
1. ontwikkeling, verandering
evolução
noun
1. theorie over de stapsgewijze ontwikkeling van het leven
teoria da evolução
noun
1. onderzoek naar de kennis of vaardigheden van iemand door middel van ondervraging of opgedragen verrichtingen
exame
verb
1.aan een examen onderwerpen
examinar
noun
1. huiduitslag
exantema
adjective
excessivo
excessiva
noun
1. bestanddeel van een geneesmiddel
excipiente
noun
1. opgewondenheid
excitação
adjective
1. wat andere mogelijkheden uitsluit
exclusivo
exclusiva
noun
1. uitscheiding
excreção
noun
2. uitvoerder van een testament
testamenteiro
executor testamentário
noun
1. afschilfering
esfoliação
exfoliação
adjective
1. afscheidend door middel van een afvoerbuis
exócrina
exócrino
noun
1. uittocht van een grote groep mensen met als doel niet meer terug te komen
êxodo
noun
1. uitpuiling van het oog
exoftalmia
adjective
1. door oorzaken van buitenaf
exógeno
exógena
noun
1. een deel van het pre-mRNA dat de kern verlaat en dus getranscribeerd wordt
exão
adjective
1. vanuit verre vreemde landen
exótico
noun
1. geneesmiddel dat het ophoesten bevordert
expectorante
noun
experimento
experiência
experiéncia
noun
1. een computersysteem dat specifieke kennis van menselijke experts representeert en gebruikt om een probleem binnen een bepaald gebied op te lossen
eistema especialista
noun
1. uitademing
expiração
adjective
1. ontplofbaar
explosivo
noun
1. ontplofbare stof of voorwerp
explosivo
verb
1. goederen aan een afnemer in het buitenland verhandelen
exportar
noun
1. ontstekingsvocht
exsudato
/
ɛk'stazə/
noun
1. een toestand van buiten zichzelf zijn door verrukking
êxtase
/
ɛkˈstɛnsi/
noun
1. het strekken van ledematen
extensão
/
ɛksˈtɛrn/
adjective
1. uitwendig
externa
externo
noun
1. ingedikt aftreksel
extracto
noun
1. uittrekking
extracção
noun
1. vochtuitstorting
extravasamento
extravasação
extravasão
adjective
1. uiterst, uitzonderlijk
extremo
extrema
noun
1. iemand met radicale, extremistische standpunten, een aanhanger van een ideologie die ver van het politieke of maatschappelijke centrum ligt
extremista
noun
1. een van de ledematen
extremidade
noun
1. vloeibaar make-up-product om lijnen rondom, boven of onder de ogen aan te brengen
delineador
/
ˈezəɫ/
noun
1. bepaald paardachtig zoogdier, Equus asinus
asno
burro
jumento
noun
1. vrouwelijke ezel
asna
/
fam/
noun
- 1. reputatie
- 2. roem
fama
noun
1. een der herautstukken; een horizontale band die het middelste derde deel van het veld van het wapen beslaat
faixa
/
ˈfabəl/
noun
- 1. een kort moraliserend verhaal met dieren of zaken als handelende personen
- 2. een verzinsel
fábula
noun
1. plaats waar op industriële schaal productie bedreven wordt
fábrica
pronoun
1. wereldwijd veel gebruikte netwerksite voor sociale contacten
Facebook
adjective
1. met betrekking tot het aangezicht
facial
noun
1. document met een beschrijving van goederen die een bedrijf (aan een ander bedrijf) geleverd heeft
factura
fatura
noun
- 1. hoofdafdeling van een universiteit
faculdade
- 3. product van een reeks factoren
fatorial
/
ˈfæːrøːə̯r/, /
ˈfɛːrʏːr/
pronoun
1. en 2., eilandengroep, land
Faroé
Ilhas Feroé
pronoun
1. een Germaanse taal die wordt gesproken op de Faeröer
faroês
feroês
noun
1. vernietiging door een cel van schadelijke bestanddelen
fagocitose
noun
1. (muziekinstrument) een houten blaasinstrument met dubbelriet
fagote
/
ˌfajisəˈmɛnt/
noun
1. de toestand van iemand die, blijkens rechterlijk onderzoek, niet in staat is aan zijn financiële verplichtingen te voldoen.
falência
noun
1. staaf of stok die aan de bovenkant in een brandbare stof gedrenkt is, brandend zorgt het voor verlichting
tocha
adjective
1. met betrekking tot het mannelijk lid
fálico
fálica
/
fa.ˈmi.li/, /
fa.ˈmiː.lɪ̯ə/
noun
1. (bloed)verwantschap door een gemeenschappelijke oorsprong
família
noun
1. naam die van generatie op generatie en indien gewenst door het huwelijk overgedragen wordt
apelido
noun
1. onderdeel van het burgerlijk recht m.b.t. de familiale verhoudingen tussen personen
direito de família
/
foɱ.ˈfaːr/, /
fɑn.ˈfa.rə/
noun
fanfarra
noun
1. vermogen om nieuwe gedachten te kunnen vormen, mogelijk niet altijd op waarheid berust
fantasia
adjective
1. uit de farmacie, met betrekking tot de productie van geneesmiddelen
farmacêutico
adjective
1. leer van de geneesmiddelen en de interactie tussen deze en een levend biologisch systeem betreffende
farmacológico
noun
1. keelontsteking
faringite
noun
1. spiertrillen
fasciculação
verb
1. iemands aandacht vasthouden
fascinar
/
fɑˈsʲɪsmə/
noun
ideologie
fascismo
adjective
1. van het fascisme
fascista
noun
1. periode als onderdeel van een langere ontwikkeling
fase
adjective
1. noodlottig
fatal
noun
1. iemand die gelooft dat de mens machteloos is t.o.v. het noodlot
fatalista
/
fɑt'sun/
noun
1. goede manieren
decência
/
ˈfʌʊna/, /
ˈfʌːna/
noun
1. het geheel aan dieren in een gebied
fauna
/
fo.tœj/
noun
1. Soort stoel
poltrona
noun
1. bepaald soort kleurrijke vogel, Phasianus colchicus
faisăo
faisão
/
fa.ˈsa.də/
noun
1. de zichtbare buitenmuur van een gebouw, specifiek die aan de voorkant
fachada
/
febryˈwaːri/
noun
1. de tweede maand van het jaar
fevereiro
Fevereiro
pronoun
1. Russische revolutie
revolução de Fevereiro
adjective
1. met betrekking tot de ontlasting
fecal
noun
1. een verbond van samenwerkende staten of lichamen die hun zelfstandigheid behouden
federação
noun
1. een vermakelijke en vreugdevolle sociale gelegenheid
festa
noun
1. een extra lekkere, uitgebreide maaltijd die men met meerdere mensen gebruikt als een feestelijke gebeurtenis
banquete
/
fɛi̯t/
noun
1. een gebeurtenis of omstandigheid die werkelijk gebeurd is
fato
facto
noun
1. het stimuleren van de penis met de mond, tong of keel
felação
noun
1. een zeilschip
felucca
/
ˈfɛlsis/
adjective
1. rijk aan silica of silicahoudende mineralen
félsico
noun
1. streven naar het opheffen van de achterstelling van vrouwen en vrouwelijke eigenschappen door een gelijkwaardige behandeling van mannen en vrouwen
feminismo
adjective
1. met betrekking tot het dijbeen
femural
noun
plant en plantdelen van Trigonella foenum-graecum
feno-grego
alforva
fenacho
noun
1. Fennecus zerda, leeft in de woestijn en is de kleinste van alle vossen
feneco
raposa do deserto
/
fenoˈmen/
noun
1. een verschijnsel
fenômeno
/
fenilɑlɑninə/
noun
1. aminozuur
fenilalanina
noun
1. scheikundig element met symbool Fm en atoomnummer 100
férmio
noun
1. verlaagde toon f
fá bemol
/
ˈfɛstiˌvɑɫ/
noun
- 1. een reeks optredens
- 2. een groot evenement met zang en dans en muzikale optredens
festival
/
fɛs/
noun
1. bepaald soort hoed van Turkse oorsprong
fez
noun
1. samentrekking van afzonderlijke spiervezels en een vorm van hartritmestoornis
fibrilação
/
fits/
noun
1. tweewielig vervoermiddel dat door middel van spierkracht middels pedalen wordt voortbewogen
bicicleta
/
ˈfitsərɛk/
noun
1. rek om fietsen te parkeren
bicicletário
/
ˈfiːtsər/
noun
1. iemand die met een fiets rijdt
ciclista
/
ˈfitspɑt/
noun
1. een weggedeelte of vrijliggend pad dat is gereserveerd voor het gebruik door fietsers en snorfietsers.
ciclovia
noun
1. een tocht gemaakt op de fiets
passeio de bicicleta
/
fi.ˈɣyːr/, /
fi.ˈχyːr/
noun
figura
noun
1. een heel fijn zaagje in de vorm van een dun zaagblad dat verticaal wordt gespannen in een lange horizontale beugel
serra de rodear
/
ˈfi.(d)ʒi/, /
ˈfi.dʒi/
pronoun
1. een land in Oceanië op het zuidelijk halfrond. Het bestaat uit 332 eilanden waarvan ongeveer 110 bewoond zijn
Fiji
adjective
- 1. van geringe dikte
- 3. leuk
fino
phraseologicalUnit
1. kerstwens
Boas Festas
noun
1. ontsteking aan vinger
panarício
pronoun
3. naam van een boek uit het Nieuwe Testament
Filemom
/
filiˈjal/
noun
1. een pand in een reeks van panden
filial
/
ˌfi.li.ˈpɛɪ̯.nə(n)/, /
ˌfi.lɪ.ˈpɛɪ̯.nə(n)/, /
ˌfi.lɪ.ˈpɛː.nə(n)/
pronoun
1. republiek in Oost-Azië bestaande uit een archipel van 7107 eilanden
Filipinas
/
fili'pɛɪns/
pronoun
1. de officiële taal van de Filipijnen
filipino
noun
- 4. de filmindustrie
filme
- 1. een dunne laag
- 3. een opname van bewegende beelden die een verhaal vertelt
- 2. een dun en oprolbaar medium om beelden op te nemen in een camera
filme
película
verb
1. beelden van iets vastleggen op film
filmar
/
'fɪlmkɵnst/
noun
1. kunstvorm die gebruikt maak van het verfilmen als medium
cinematografia
/
filozoˈfi/
noun
1. de oudste theoretische discipline die het verlangen heeft en streeft naar kennis en wijsheid
filosofia
/
fɪltər/
noun
1. een voorwerp met kleine gaatjes waar water of gassen doorheen kunnen om gezuiverd te worden
filtro
crivo
noun
- 1. de beslissende wedstrijd in een toernooi tussen de laatste twee deelnemers
final
- 2. het slotstuk van een meerdelig toneel- of muziekstuk
finale
verb
1. voorzien van de benodigde geldmiddelen
financiar
/
ˈfɪnlɑnd/, /
ˈfɪnlɑnt/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa
Finlândia
/
fɪns/
adjective
1. betreffende Finland of het Fins
finlandês
finlandesa
/
fɪns/
pronoun
1. een taal die wordt gesproken in Finland
finlandês
finês
pronoun
1.
Golfo da Finlândia
noun
- 2. een zaak of bedrijf
- 1. een handelsvennootschap waarbij de vennoten hoofdelijk voor het geheel aansprakelijk zijn
firma
noun
1. een kanaalvormige zweer
fístula
/
fjɔrd/, /
fjɔrt/
noun
1. een bepaald type van inham in een bergachtige kust, gekenmerkt door steile wanden die door gletsjerwerking zijn uitgesleten
fiorde
noun
1. bepaald soort roze reigerachtige waadvogel met een haakvormige snavel...
flamingo
noun
1. een textielsoort van los gesponnen garen, gewoonlijk van geruwde wollen of katoenen stof, ...
flanela
adjective
2. in overdrachtelijke zin smakeloos
capenga
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Flein
noun
1. scheikundig element met symbool Fl en atoomnummer 114
fleróvio
noun
1. een langgerekt, cilindrisch en meestal van glas vervaardigd vat met een nauwe hals die met een dop of kurk af te sluiten is
garrafa
botelha
/
ˈflevoˌlɑnt/, /
ˈfleːvoˌlɑnd/, /
ˈfleːvoˌlɑnt/
pronoun
1. een provincie in het midden van Nederland, die door het IJsselmeer...
Flevolândia
/
flɛkˈsibəl/
adjective
1. het vermogen hebbend gebogen te worden
flexível
/
ˈflɛk.si/
noun
- 2. vormverandering van een woord
- 1. een buiging, een buigbeweging in een gewricht door de buigspieren
flexão
/
floˈrɑ/
noun
1. plantenrijk in een bepaalde streek of periode
flora
/
ˈflɔrəns/
pronoun
2. de hoofdstad van Toscane
Florença
/
floˈem/
noun
1. het levende gedeelte van de vaatbundels in planten
floema
verb
1. spreken met gedempte stem
sussurrar
noun
- 1. buisvormig blaasinstrument
- 3. een scheepstype
- 4. een slank drinkglas
flauta
verb
1. een fluit bespelen
assobiar
silvar
noun
1. Anthriscus sylvestris, plant uit de schermbloemen familie
cicutária
noun
1. musicus die een fluit bespeelt
flautista
noun
1. een chemisch element en een geelgroen halogeen
flúor
noun
1. het uitzenden van licht ...
fluorescência
noun
1. een zachte, fijngeweven stof, waarbij rechtopstaande pluizen, de zg. pool van zijde...
veludo
noun
1. een vidaduct ter voorkoming van een gelijkvloerse kruising
viaduto
noun
1. een ziekelijke vrees
fobia
/
ˈfokʏs/
noun
2. een punt of verzameling van punten waar alle stralengangen samenkomen
concentração
/
ˈfu.li/
noun
1. Myristica fragrans
macis
noun
1. een nog niet voldragen menselijke of dierlijke vrucht
feto
noun
A 1. driehoekig zeil bevestigd aan de voorstag
bujarrona
verb
1. dieren houden om ze te laten voortplanten
criar
noun
1. voorste mast van een driemastschip
mastro da proa
noun
1. alles wat een volk creëert of heeft gecreëerd
folclore
noun
3. effect (waardepapier)
fundo de investimento
/
ˌfoneˈtik/
noun
1.
fonética
/
ˌfonoloˈɣi/
noun
- 1.
- 2.
fonologia
/
ˌfonɔˈloɣ/
noun
1. een persoon die fonologie gestudeerd heeft
fonóloga
fonólogo
noun
- 1. nog niet verbeende plek in de schedel van een baby
- 2. beschermkoker bij sommige oude muziekinstrumenten
fontanela
/
fɔnˈtɛɪn/, /
fɔnˈtɛːn/
noun
- 1. kunstmatige bron, aangelegd om water omhoog te spuiten
- 2. omhoogspuitende waterstraal
fonte
noun
1. benaming voor zalmachtige zoetwatervissen uit de geslachten Salmo, Salvelinus en Oncorhynchus
truta
noun
2. vorm van een bestand
formato
noun
1. iemand die zich angstvallig houdt aan regels en voorschriften
formalista
verb
2. de harde schijf of een verwisselbare schijf volledig leeghalen
formatar
/
fɔrˈmel/
adjective
1. met inachtneming van strikte omgangsvormen
formal
pronoun
1. categorie in de autosport
Fórmula 1
/
fɔrmyˈlir/
noun
1. een stuk papier waarop voorgedrukte vragen kunnen worden beantwoord
formulário
noun
1. een zout van een van de vormen van fosforzuur
fosfato
noun
1. met symbool P en atoomnummer 15
fósforo
noun
1. giftig gas met de molecuulformule COCl₂
fosgênio
noun
1. lichtschuwheid
fotofobia
adjective
1.op foto's een voordelige indruk makend
fotogénico
noun
1. iemand die fotos maakt
fotógrafo
verb
1. een afbeelding maken door de projectie van beeld op een lichtgevoelige laag
fotografar
noun
1. de kunst om door chemische inwerking van licht op een gevoelige plaat afbeeldingen te maken
fotografia
noun
1. een fotografisch gemaakte kopie
fotocópia
verb
1. een fotokopie maken van iets
fotocopiar
noun
1. een elementair deeltje waaruit elektromagnetische straling is samengesteld
fotão
verb
1. bewerken van foto's en ander digitaal beeldmateriaal via de computer
photoshopar
verb
1. iemand aftasten of er iets op het lijf gedragen wordt
revistar
/
fɑut/
noun
1. vergissing, onjuistheid
erro
noun
1. mate van onzekerheid bij de uitslag van een steekproef, statistische meting enz.
margem de erro
/
fwɑ.ˈjeː(r)/, /
fʋa.ˈje/
noun
1. verzamelplaats, zaal voor de verpozing (bijvoorbeeld in een hotel of schouwburg)
saguão
/
ˈfrɑksi/
noun
1. een klein deel
fração
noun
2. vrucht van de frambozenstruik
framboesa
/
ˈfremɪŋ/
noun
enquadramento
noun
1. een scheikundig element met symbool Fr en atoomnummer 87
frâncio
noun
1. reeks afhangende draden die ter versiering aan de rand van een kleed of kledingstuk gehangen worden
borda
/
frɑŋk/
noun
munteenheid
franco
/
ˈfrɑŋkrɛɪ̯k/, /
ˈfrɑŋkrɛːk/
pronoun
1. een West-Europees land, grenzend aan België, Luxemburg, Duitsland, Zwitserland, Italië, Monaco, Spanje en Andorra
França
/
frɑns/
adjective
1. betreffende Frankrijk of het Frans
francês
/
frɑns/
pronoun
1. een Gallo-Romaanse taal die vooral gesproken wordt in Frankrijk, België, Luxemburg...
francês
pronoun
Polinésia Francesa
/
ˈfrɑns.man/, /
ˈfrɑns.mɑn/
noun
1. iemand uit Frankrijk
francês
adjective
1. de Franse taal sprekend
francófono
noun
1. een aantal woorden die een begrip uitdrukken, vaak een zinsdeel, soms een hele zin
locução
expressão
/
fratər/
noun
1. bepaald soort vogel, Linaria flavirostris
pintarroxo de bico amarelo
noun
1. bedrog of gesjoemel door valsheid in geschrifte
fraude
verb
1. gelden wederrechtelijk ontvreemden
trapacear
noun
1. graanproduct gemaakt van geroosterde groene tarwe
freekeh
noun
- 1. Oorlogsschip
- 2. Driemaster
fragata
noun
1,2. aantal keren of herhalingen per tijdseenheid
frequência
noun
modulação em frequência
noun
- 1. bepaald soort klein marterachtig zoogdier, Mustela putorius furo
furão
- C 1. metalen richel op de hals van een snaarinstrument (gitaar) waarop de snaar wordt afgeknepen
traste
/
frɔɪdɪˈaːns/
adjective
1. volgens de leer van Sigmund Freud of zoals men vindt in diens geschriften en leerstellingen
freudiano
pronoun
- 1. Westerlauwers Fries
frisão occidental
- 2. benaming voor een Germaanse taal
frisão
frísio
/
ˈfrislɑnd/, /
ˈfrislɑnt/
pronoun
1. provincie in het nooren van Nederland
Frísia
noun
1. de benaming voor een gerecht van gefrituurde aardappelreepjes ('patat frites')
batata frita
adjective
1. zojuist schoongemaakt, prettig ruikend
refrescante
noun
1. een huishoudtoestel dat gebruikt wordt om in olie bepaalde gerechten te frituren
fritadeira
noun
- 1. voorkant
- 2. gevechtslinie
frente
adjective
1. met betrekking tot de voorkant van iets
frontal
noun
- 1. decoratie rond de belangrijkste ingang van een gebouw
- 2. een grote illustratie op de bladzijde tegenover de titelpagina van een boek
frontispício
noun
bepaalde suiker die veel in zoete vruchten voorkomt
frutosa
/
frœʏ̯t/, /
frœːt/
noun
1. voedsel dat bestaat uit eetbare vruchten
fruta
fruto
noun
1.
árvore frutífera
fruteira
noun
1. koude schotel met verschillende soorten fruit
salada de fruta
noun
1. een gevoel van ongenoegen omdat verwachte voortgang uitblijft
frustração
adjective
1. van iets waarvan de verwachtingen in het geheel niet zijn uitgekomen
frustrante
noun
- 1. een zout afgeleid van een ftaalzuur
- 2. een ester afgeleid van een ftaalzuur
ftalato
noun
- 1. taak
- 2. positie binnen een bedrijf of organisatie
- 3. (wiskunde) afhankelijkheid tussen een element en een veranderlijke
- 4. (informatica) onderdeel van de broncode van een computerprogramma
função
verb
1. ~ als een bepaalde functie vervullen
funcionar
noun
1. een orthodoxe, antiliberale godsdienstige richting
fundamentalismo
adjective
1. aan de basis staande
fundamental
/
fʏt/
noun
1. de benodigde energie en zin ergens voor
energia
noun
1. bepaald soort watervogel, Podiceps cristatus
mergulhão
/
ˈfizika/
noun
1. de wetenschap van de materie en de bestudering van het gedrag en de interactie in ruimte en tijd
física
adjective
1. door de natuur bepaald, de natuurlijke verrichtingen van levende wezens of hun organen betreffend
fisiológico
noun
1. plantaardig plankton
fitoplâncton
/
ɣaːf/, /
χaːf/
adjective
- 2. in de populaire smaak vallend
fixe
legal
- 1. zonder beschadiging
inteiro
intacto
/
ɣaːj/
noun
1. middelgrote, gewoonlijk vrij kleurrijke zangvogel met een vrij lange staart, Garrulus glandarius
gaio
/
ɣaːn/, /
χaːn/
verb
1. zich in een bepaalde richting bewegen
ir
/
'ɣa.bɔn/, /
ɣa.'bɔn/, /
χa.'bɔn/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Gabonese Republiek
Gabão
adjective
1. op Gabon betrekking hebbend
gabonês
noun
1. echtgenoot, echtgenote
esposa
esposo
cónjuge
/
ɣadoˈlinijʏm/
noun
1. een scheikundig element met symbool Gd en atoomnummer 64
gadolínio
gadolíneo
noun
[A] 1. uit de lever afkomstig vocht dat een rol speelt in de spijsvertering, met name van vet
bile
adjective
1.erg vriendelijk en beleefd
galante
pronoun
1. boek van het Nieuwe Testament
Gálatas
noun
1. een peervormig hol orgaan dat aan de rechterkant van het lichaam, achter (d.w.z. meer naar binnen) en onder de lever ligt
vesícula biliar
noun
1. een loodsulfide met de chemische formule PbS
galena
/
χɑlx/
noun
1. houten constructie bestaande uit één of meer staande balken met een horizontale balk haaks daarop en één of meer diagonale balken ter ondersteuning, in het verleden veel gebruikt om mensen door ophanging ter dood te brengen
cadafalso
patíbulo
noun
1. de laatste maaltijd die een ter dood veroordeelde mag nuttigen
última refeição
/
'ɣɑlɣə(n)strɔp/
noun
1. een tot strop geknoopt touw zoals dat aan een galg gehangen wordt ter verhanging van een veroordeelde
laço
nó
adjective
- 1. een Spaanse regio in het noordwesten van het Iberisch schiereiland
- 2. betreffende het Galicisch
galego
pronoun
1. Romaanse taal gesproken in Galicië
galiciano
galego
/
ɣɑˈlisɪə/, /
ʝɑˈlisɪə/
pronoun
- 1. Spaanse regio
Galiza
- 2. historische landstreek
Galícia
noun
1. historisch zeilschip
galeão
pronoun
1. uitgestorven taal
gaulesa
noun
1. een scheikundig element met symbool Ga en atoomnummer 31
gálio
noun
1. streektaal die gesproken wordt in Frankrijk
gallo
noun
1. Angelsaksische inhoudsmaat
galão
noun
1. een vaste structuur in de galwegen of de galblaas bestaande uit neergeslagen cholesterol, bilirubine of kalkzouten
cálculo biliar
adjective
1. door een elektrochemisch proces aangebracht
galvânico
/
'ɣɑm.bi.ja/, /
'χɑm.bi.ja/
pronoun
1. een land in West-Afrika
Gâmbia
noun
1. schaakopening
gambito
noun
1. iemand die viola da gamba speelt
violista
noun
3. onderdeel van een maaltijd
curso
/
'ɣɑŋbar/
adjective
1. wat gebruikelijk is
corrente
noun
1. smalle strook aan de zijkant van het dek van een schip direct naast de reling
portaló
/
ˈɣɑŋ(g).pɑd/, /
ˈɣɑŋ.pɑt/, /
ˈχɑŋ.pɑt/
noun
1. een pad voor wandelaars, voetpad
corredor
/
gɑŋ'gren/
noun
1. de afsterving en ontbinding van een levend organisme
gangrena
/
ˈgɛŋstər /
noun
1. een lid van een criminele organisatie
gângster
noun
1. benaming voor vogels uit de geslachten Anser en Branta
ganso
gansa
/
ɣa.ˈra.zʲǝ/
noun
- 1. een overdekte autostalling
garagem
- 2. een bedrijf dat reparatieservices aan motorvoertuigen verricht
mecânica
/
ɣa'rɑn(t)si/, /
ɣa'rɑnsi/
noun
1. verklaring waarin men verklaart voor bepaalde gevolgen in te staan
garantia
noun
1. bewegelijke pasvorm waaraan de trekstrengen bevestigd worden om het halsjuk uit te balanceren
balancim
noun
1. samengebonden bundel halmen
gavela
/
ɣɑs/, /
χɑs/
noun
1. aggregatietoestand
gás
noun
1. een buis waardoor verschillende materialen in gasvorm vervoerd kunnen worden
gasoduto
noun
het rechter pedaal van een auto waarmee de brandstoftoevoer naar de motor geregeld wordt
acelerador
/
ɣɑst/, /
χɑst/
noun
1. iemand die als bezoeker ergens wordt ontvangen, verwelkomd of op een bijzondere wijze behandeld
hóspede
convidado
noun
1. iemand die tijdeljk naar een ander land komt om daar arbeid te verrichten
trabalhador estrangeiro
noun
- 1. een man
- 2. (biologie) een organisme
hospedeiro
noun
1. maagwandontsteking
gastrite
adjective
1. met betrekking tot maag en darm
gastrointestinal
/
ɣɑstˈfrɛɪ/, /
ʝɑstˈfrɛː/
adjective
1. gul in het onthalen of herbergen van gasten
hospitaleiro
/
ɣɑt/, /
χɑt/
noun
1. opening
buraco
noun
1. politieke beweging in Frankrijk ontstaan na de Tweede Wereldoorlog gekenmerkt door een sterke nationale republiek, eenheid en een sterk presidentschap
gaullismo
noun
1. een curve
gaussiana
noun
- 2. een geschenk
bossa
- 1. een bijzondere aanleg
dom
pronoun
1. exclave van Palestina tussen Egypte, Israël en de Middellandse Zee
Faixa de Gaza
noun
1. benaming voor slanke hoefdieren
gazela
verb
1. communiceren door het maken van gebaren
gesticular
noun
linguagem de sinais
língua gestual
/
ɣə'bɛt/
noun
1. het bidden
oração
prece
noun
1. een verzameling van bergen die met elkaar een groter geheel vormen
cordilheira
serra
/
ɣə'bɵːrə(n)/
verb
1. plaatshebben, werkelijkheid worden
acontecer
noun
1. iets dat zich voordoet
evento
/
ɣəˈbit/, /
χəˈbit/
noun
1. een deel van het aardoppervlak
área
noun
1. alle tanden en kiezen van een dier of mens
dentadura
dentama
adjective
1. bedekt met bladeren
frondoso
/
ɣəˈboːrtə/, /
χəˈbo̝ːrtə/
noun
1. actie waarbij een organisme uit zijn/haar moeder komt en aan zijn zelfstandige leven begint
nascimento
noun
1. een getal dat aangeeft hoeveel geboorten er in een gebied in een bepaalde tijd hebben plaatsgevonden
taxa de natalidade
noun
1. een opvallende tijdelijke toename in het aantal geboorten
baby boom
adjective
- 3. door herkomst of natuurlijke aanleg
nado
- 1. ter wereld gebracht, gebaard
- 2. begonnen, ontstaan
nascido
noun
1. een constructie waarin men kan wonen of werken
edifício
prédio
noun
1. een tekort
carência
noun
2. toepassen van iets
uso
adjective
1. naar gewoonte, zoals men regelmatig doet
habitual
usual
/
ɣəˈbrœʏkən/, /
χəˈbrœʏkən/
verb
1. zich bedienen van, toepassen
usar
empregar
despender
servir-se de
/
ɣə'brœːkər/, /
χə'brœʏkər/
noun
1. iemand die iets gebruikt
usuário
utilizador
noun
1. meestal schriftelijke instructie die bij een product wordt gegeven
guia do usuário
/
ɣə'dɑɣdə/, /
ɣəˈdɑxtə/
noun
1. het nadenken, idee
pensamento
noun
1. een reeks op elkaar volgende denkstappen
fio da meada
/
ɣəˈdeltələk/, /
ʝəˈdeltələk/
adjective
parcialmente
adjective
1. degelijk, grondig
meticuloso
noun
1. een in versmaat of in dichterlijke stijl opgesteld stuk
poema
poesia
/
ɣə'dɛɪə(n)/
verb
1. voorspoedig groeien
prosperar
noun
1. de manier waarop iemand optreedt of iets ergens op reageert
comportamento
procedimento
verb
1. zich ~: de manieren die iemand meest in de omgang met anderen aan de dag legt
comportar-se
/
xə'drɑxswɛizə/
noun
1.
comportamento
/
ɣədʏɫt/
noun
1. de rust en bereidheid om te wachten
paciência
/
gə'dʌldəx/
adjective
1. bereid te wachten en tegenslagen te verdragen
paciente
preposition
tijdens
durante
/
ɣeːl/, /
ɣeːɫ/, /
χeɪɫ/
adjective
1. citroen-, goudkleurig
amarelo
amarela
/
ɣeːl/, /
ɣeːɫ/, /
χeɪɫ/
noun
1. kleur tussen oranje en groen
amarelo
adjective
1. een kleur hebbend die tussen geel en bruin in ligt
bistre
indefinitePronoun
1. ontkennend onbepaald lidwoord: tegenovergestelde van één, niet een
nenhum
phraseologicalUnit
1.
de nada
/
ɣer/
noun
1. heraldisch element
girão
/
ɣeːst/, /
χeːst/
noun
- 1. dat wat zich afspeelt in iemands gedachten
- 2. een onsubstantieel wezen
espírito
adjective
1. met humor, gevat
espirituoso
/
ɣɪːwə(n)/
verb
1. gapen
bocejar
adjective
1. met geren bezet
gironado
/
ɣəɦɛɪm/
adverb
1. opzettelijk verborgen
secreto
/
ɣəɦɛɪm/
noun
1. informatie die verborgen wordt en bestemd is om dat te blijven
secreto
noun
- 1. het deel van de hersenen waarin herinneringen worden opgeslagen
- 2. snel toegankelijke plaats om data op te slaan
memória
noun
1. het organische systeem om geluiden waar te nemen
audição
ouvido
adjective
1. voorzien van horens
chifrudo
/
ɣə'hoːrzam/, /
ɣə'ɦoːrzam/, /
χə'ɦo̝ːrzam/
adjective
1. bereid gehoor te geven aan regels of bevelen
obediente
verb
1. gevolg geven aan een opdracht of bevel
obedecer
noun
1. instrument voor het meten van radioactieve straling
contador Geiger
/
ˈɣɛɪ̯t/, /
ˈɣɛːt/, /
ˈχɛɪ̯t/
noun
1. bepaald soort zoogdier Capra aegagrus hircus
cabra
bode
noun
voedzaam vocht dat tepels van een geit afscheiden
leite de cabra
/
ɣɛk/, /
χɛk/
adjective
- 2. bezittende een zeer lage intelligentie, krankzinnig
- 4. knettergek
confuso
noun
2. een product om haar mee in model te houden
gel
/
ɣəˈlɑx/
noun
1. het lachen
risada
/
ˈɣɛlt/, /
ˈχɛlt/
noun
1. een ruilmiddel dat gegarandeerd wordt door een land waarmee goederen en diensten kunnen worden gekocht
dinheiro
/
ˈɣɛldərˌlɑnd/, /
ˈɣɛɫdərˌlɑnt/, /
ˈχɛɫdərˌlɑnt/
pronoun
1. provincie in het oosten van Nederland, die door de Flevoland, Overijssel, Limburg, Noord-Brabant, Zuid-Holland, Utrecht en het Duitse Noord-Rijnland-Westfalen wordt omringd
Guéldria
adjective
1. waarvan de waarde of wettigheid erkend wordt
válido
noun
1. bepaalde infectieziekte, veroorzaakt door het gelekoortsvirus
febre amarela
/
ɣəˈledə(n)/, /
χəˈledə(n)/
adverb
1. een woord om aan te duiden dat iets zich in het verleden af heeft gespeeld
atrás
/
xəlet'potəx/
adjective
1.
artrópode
/
ɣə.let.ˈpo.tə.ɣə/, /
ɣə.ˈleːd.ˌpoː.ti.ɣə/, /
χə.let.ˈpo.tə.χə/
noun
1. een dier met een uitwendig skelet van chitine
artrópode
adjective
1. zich veel aan studie gewijd hebbend
culto
noun
1. iemand die onderricht en bekwaam is in een bepaalde tak van de wetenschap
acadêmico
/
ɣǝ.'le.ɣǝn.ɦɛjt/
noun
1. mogelijkheid tot
ocasião
noun
- 1. elektrische stroomgeleider
- 2. warmtegeleider
condutor
/
ɣəlɛɪgˈbenəx/
adjective
1 & 2.
isósceles
noun
1. de mate waarin iets of iemand aan een ander doet denken
semelhança
noun
1. het op hetzelfde moment plaatsvinden van meerdere gebeurtenissen
simultaneidade
adjective
1. alle zijden gelijk in lengte
equilátero
/
ɣə'lɔftə/
noun
1. een plechtige verklaring iets voortaan te zullen doen of na te zullen laten
bodo
/
ɣəˈlof/, /
χəˈlof/
noun
1. godsdienst
religião
noun
1. de mate waarin iets of iemand verdient geloofd te worden
credibilidade
verb
1. overtuigd zijn dat iets waar is
acreditar
crer
/
ɣə.ˈlo.vi.ɣə/, /
ɣə.ˈlo.və.ɣə/, /
χə.ˈlo.və.χə/
noun
1. iemand die een bepaald geloof aanhangt
crente
adjective
1. zodanig geïsoleerd dat geluiden niet binnen kunnen dringen of de ruimte verlaten
insonorizado
noun
1. Geluidsoverlast
poluição sonora
noun
1. Geluidsoverlast
poluição sonora
/
ɣəˈlɵk/, /
χəˈlɵk/
noun
1. prettige loop van de omstandigheden
sorte
adjective
- 1. in een tevredene toestand zijn, zich goed voelen
- 2. door gunstig toeval, met mazzel
feliz
noun
1. Zingiber officinale, een specerij met een scherpe smaak
gengibre
noun
1. fijngemalen gedroogde wortels van Zingiber officinale
gengibre em pó
adjective
1. beneden de gordel, buiten alle regels
maligno
noun
- 1. het met één of meer andere deel hebben aan iets
- 3. geheel van personen of zaken die tot elkaar in een bepaald opzicht in een geregelde betrekking staan
- 2. samenleving
comunidade
/
ɣəmenˈsxɑpələk/, /
χəmenˈsχɑpələk/
adjective
3. gerelateerd aan meer dan een entiteit
comum
/
ɣəˈmentə/, /
ɣəˈmeɪntə/, /
ʝəˈmentə/
noun
1. bestuurlijke eenheid
município
noun
1. gemeenschap van onafhankelijke landen
comunidade
noun
1. de som van een aantal getallen gedeeld door het aantal ervan
média
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Gemmingen
adjective
1. vriendelijk en gezellig
amigável
noun
1. in de Alpen levende soort berggeit
camurça
noun
1. drager van informatie van de erfelijke eigenschappen
gene
noun
1. de laatste slag toegebracht aan een zwaargewonde vijand om hem uit zijn lijden te helpen
golpe de misericórdia
/
ˈdʒɛndər/
noun
1. sekse
género
gênero
noun
1. een discipline van de geschiedkunde die zich bezighoudt met voorouderonderzoek dan wel de afstamming van de familienaam
genealogia
/
γ̊əˈneːskʏndə/
noun
1. de wetenschap die zich richt op de aard, de oorzaken en de geneesmiddelen van ziekten
medicina
noun
1. iemand die het bevel heeft over een leger
general
noun
1. alle personen die min of meer tegelijkertijd geboren zijn
geração
/
ˌɣenəˈratɔr/, /
ˌχenəˈratɔr/
noun
1. een apparaat of persoon die iets genereert (doet ontstaan)
gerador
adjective
2. algemeen
genérico
noun
1.de wetenschap van alles wat de werking van genen betreft, in het bijzonder erfelijke overdracht
genética
/
ɣəˈnetis/
adjective
1. gerelateerd aan de erfelijkheid
genético
/
xəˈneziŋ /
noun
1. het proces van het weer gezond worden
restabelecimento
noun
1. iemand die buitengewoon slim is of die ergens uitzonderlijk goed in is
génio
verb
1. voordeel hebben van iets
desfrutar
aproveitar
noun
1. naamval als aanduiding van bezit, oorsprong of hoeveelheid
genitivo
indefinitePronoun
bastante
/
xəˈnom/
noun
1. een verzameling van alle genen van de chromosomen van een organisme
genoma
noun
1. het geheel van genetische kenmerken dat een soort onderscheidt
genótipo
noun
1. categorie in een kunstvorm
género
pronoun
1. Vlaamse provinciehoofdstad van Oost-Vlaanderen, België
Gante
Gande
pronoun
1. een stad in Noordwest-Italië
Génova
noun
1. Grammaticaal geslacht
género
pronoun
2. stad in Zwitserland
Genebra
noun
1. aardrijkskunde
geografia
adjective
1. op de geologie betrekking hebbend
geológico
noun
1. een tak van de wiskunde die zich bezighoudt met ruimtelijke figuren
geometria
/
ɣeˈjɔrɣis/, /
ɣeˈjɔrɣɪs/, /
χeˈjɔrχis/
pronoun
1. de taal die in Georgië gesproken wordt
Georgiano
georgiano
/
ɣeˈjɔrɣi.jə/, /
χeˈjɔrχi.jə/
pronoun
1. een soevereine staat in West-Azië, gelegen in de Kaukasus. De officiële taal is het Georgisch
Geórgia
/
ˈɣeː.rɑrd/, /
ˈɣeː.rɑrt/, /
ˈχɪː.rɑrt/
pronoun
1. jongensnaam
Gerardo
noun
1. een bepaald soort voedsel op een bepaalde wijze bereid
prato
noun
1. afsluitbare bak waarin gereedschap opgeborgen en bijeengehouden wordt
caixa de ferramentas
/
ɣɛrˈmaːns/, /
χɛrˈmans/
adjective
- 1. op de Germanen betrekking hebbend
germânico
- 1. betrekking hebbend op de taal der Germanen of de talen die er van afstammen
germânística
germânístico
/
ɣɛrˈmaːns/, /
χɛrˈmans/
pronoun
1. taal zoals die eertijds door de Germanen gesproken werd
germânico
noun
1. woord of uitdrukking overgenomen uit het Duits of gevormd naar het Duits
germanismo
noun
1. een scheikundig element met symbool Ge en atoomnummer 32
germânio
noun
1. tak van wetenschap die het "ouder worden" bestudeert
gerontologia
noun
2. en 3. (zaad van de) plant Hordeum vulgare
cevada
/
ɣə'rɵxt/
noun
- 2. een mededeling of nieuwtje dat de ronde doet maar nog niet bevestigd is, zodat je niet zeker bent of het waar is
- 1. lawaai; een klein geluid
rumor
noun
1. zelfstandig gebruikte verbogen infinitief
gerúndio
verb
1. iemands angst of zorgen ontzenuwen of minder aannemelijk maken
acalmar
/
ɣəˈsxidəˌnɪs/
noun
2. de gebeurtenissen van het verleden
história
histórico
adjective
1. met de juiste eigenschappen
apropriado
noun
1. geweldloos conflict
desavença
/
ɣə'sxɵpt/
adjective
1. bedekt met schubben
escamoso
/
ˈɣeː.zəl/, /
ˈχe.səɫ/
noun
1. werktuig van touwen of riempjes met knopen of stukjes metaal, waarmee men ter bestraffing op iemands lichaam slaat
azorrague
/
ɣesələ(n)/
verb
1. iemand met een zweep of gesel tuchtigen
flagelar
açoitar
/
χəˈslɑχt/
noun
- 3. (biologisch) genus
gênero
- 4. grammaticaal geslacht
gênero (gramatical)
noun
transtorno de identidade de género
/
ɣəˈslɑxtsɔrɣaːn/, /
ʝəˈslɑxtsɔrʝaːn/
noun
1. lichaamsdeel
órgão sexual
adjective
1.technisch hoogstaand
requintado
/
ɣɛsp/
noun
1. sluitmechanisme aan riemen e.d.
fivela
adjective
1. met sterk ontwikkelde stevige spieren
musculoso
noun
1. een mondelinge conversatie waarbij informatie uitgewisseld wordt
conversação
noun
1. een persoon die deelneemt aan een gesprek
interlocutor
/
ɣəˈstentə/
noun
1. het materiaal waaruit de aardkorst bestaat, bestaande uit mineralen
rocha
/
ɣəˈdan/
adjective
2. van meubels dat ze een stoffen bekleding hebben
acolchoado
adjective
1. talent hebbend
talentoso
noun
1. een elektrische centrale die functioneert op het verschil tussen eb en vloed
centrais maremotrizes
noun
1. (elektrotechniek) (werktuigbouwkunde) elektrische centrale die werkt door middel van getijdenstromen ontstaan door het hoogteverschil tussen eb en vloed
centrais maremotrizes
noun
1. een grafische registratie van de waterstand
maregrama
adjective
1. voltooid deelwoord van trouwen
casado
noun
1. iemand die een gebeurtenis heeft meegemaak of op andere wijze, veelal onder ede, een verklaring kan geven ten aanzien van de ware toedracht van een zaak
testemunha
verb
1. een veelal beëdigde verklaring afleggen ten aanzien van de ware toedracht van een zaak
atestar
/
ɣøːr/, /
χøːr/
noun
1. gewaarwording met de neus van de aanwezigheid van een gasvormige uitwaseming
cheiro
/
ɣəˈvar/
noun
1. groot risico
perigo
/
ɣəˈvarlək/, /
ɣəˈvaːrlɪk/, /
χəˈvarlək/
adjective
1. gevaar met zich meebrengend
perigoso
noun
1. iemand die gevangen genomen is
prisioneiro
/
ɣǝvɑŋǝnis/
noun
1. een gebouw waarin personen gevangen worden gehouden vanwege hun misdaden
prisão
cadeia
noun
1een driehoekige rode reflector
triângulo de sinalização
/
ɣəˈvɛxt/, /
χəˈvɛxt/
noun
1. een handgemeen
combate
/
ˈɣevə(n)/, /
ˈχevə(n)/
verb
1. overdragen van het bezit van iets aan iemand anders
dar
adjective
1. met vleugels
alado
noun
1. gewaarwording
sensação
noun
- 1. een aandoenlijkheid
- 2. de nauwkeurigheid van instrumenten
- 3. de spanning van een film
sensibilidade
/
ɣəˈvɔlx/, /
ɣəˈvɔɫx/, /
χəˈvɔɫχ/
noun
1. iets dat voortkomt uit iets anders
consequência
noun
1. een stel uit been bestaande hoorns van herten; al dan niet vertakt
galhada
corno
noun
1. elke kracht van meer dan geringe betekenis uitgeoefend op personen, goederen of zaken
violência
/
ɣəˈʋetə(n)/
noun
1. het deel van iemand waarmee die persoon zijn daden op goed en kwaad beoordeelt
consciência
/
ɣəˈʋɪxt/, /
χəˈʋɪxt/
noun
1. de kracht die dat voorwerp op zijn ondersteuning of ophanging uitoefent
peso
noun
1. een sport waarbij de beoefenaars proberen om zware gewichten op te heffen die aan stalen staven zijn bevestigd
levantamento de peso
/
xə'wɪxthɛfər/
noun
1.
halterofilista
noun
1. het minder worden van de massa van een persoon of voorwerp
perda de peso
noun
1. Balaenoptera physalus, een groot zeezoogdier, lang en gestroomlijnd met puntige kop
baleia-comum
/
ɣəˈwoːn/, /
ɣəˈβ̞oːn/, /
χəˈʋon/
adjective
comum
adverb
1. zoals de ervaring leert dat het meestal is
habitualmente
/
ɣəˈwoːntə/, /
ɣəˈβ̞oːntə/, /
χəˈʋontə/
noun
1. vaste wijze om dingen te doen
hábito
noun
1. verbinding
articulação
noun
2. alle zinsdelen behalve het onderwerp
predicadom
predicado
/
χəˈzɛləx/
adjective
2. sociaal aangenaam
convivial
/
ɣə'zɛlsxɑp/
noun
- 1. een groep mensen die iets gemeen hebben
companhia
- 3. een vereniging met een bepaald doel
sociedade
noun
1. de voorkant van een menselijk hoofd
rosto
cara
noun
1. doorzichtige kunststof gezichtsbedekking
viseira facial
/
xə.ˈzɔnt/, /
ɣə.ˈzɔnt/
adjective
- 2. bevorderlijk voor een goede conditie
são
- 1. vrij van ziektes en zeertes
são
saudável
noun
1. welbevinden, in goede staat zijn
saúde
noun
1. het volledige fysieke, spirituele en sociale welzijn
estado de saúde
/
'ɣa.na/, /
'χa.na/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Ghana
Gana
adjective
1. op Ghana betrekking hebbend
ganês
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de familie Hylobatidae
gibão
/
ɣɪts/, /
χɪts/
noun
persoon die een groep begeleid en uitleg geeft
guia
noun
1. rondhout bevestigd aan het onderlijk van een zeil
retranca
/
ɣiːr/, /
χiːr/
noun
1. benaming voor grote aasetende roofvogels met een kale kop en machtige vleugels
abutre
urubu
adjective
1. geen geld of bezit aan een ander willende geven
sovina
noun
2. en 3. (zaden van) de graansoort Panicum miliaceum
milhete
milheto
/
ˈɣirˌzʋalyw/
noun
1. bepaald soort vogel, Apus apus
andorinhão
gaivão
guincho
noun
1. een soort emmer met sproeibuis om de planten te begieten
regador
noun
1. een bedrijf dat zich toelegt op het gieten van metalen voorwerpen
fundição
/
ɣɪf/, /
χɪf/
noun
1. substantie die in kleine hoeveelheden schadelijk of dodelijk is
tóxico
/
ˈɣɪftəx/, /
ˈχɪftəx/
adjective
1. gif bevattend
venenoso
tóxico
/
ˈɣɛɪ̯zəlaːr/, /
ˈɣɛːzəlaːr/, /
ˈχɛɪ̯zəlaːr/
noun
1. een veelal onschuldig persoon die tegen de eigen wil door een gijzelnemer gevangen wordt gehouden en die bedreigd wordt met het doel iets van derden gedaan te krijgen
refém
noun
1. iemand die personen in gijzeling houdt
sequestrador
noun
1. iemand die personen in gijzeling neemt
sequestrador
/
ˈɣɪldə/, /
ˈχɪɫdə/
noun
confraria
noun
1. (scheikunde) een uit calciumsulfaat en water uithardende witte vaste stof: CaSO₄·2H₂O
gipsita
gipsite
/
ʒi'rɑf/
noun
1. Herkauwend dier
girafa
noun
1. herkauwend dier dat in Midden-Afrika leeft met een zeer lange hals, Giraffa camelopardalis
girafa
verb
1. een vermoeden uitspreken over iets
conjecturar
noun
1. de naam voor een aantal soorten micro-organismen
levedura
fermento
/
ˈɣɪstər/, /
ˈχɪstər/
adverb
1. de laatste dag die voltooid is
ontem
/
ˈɣɪstərə(n)/, /
ˈχɪstərə(n)/
adverb
1. de laatste dag die voltooid is
ontem
/
ɣi'tar/
noun
1. een muziekinstrument
guitarra
violão
pronoun
1. stad in Armenië
Guiumri
noun
1. gestolde basische lava met een glad oppervlak
lava encordoada
verb
1. door strijken glad of effen maken
alisar
noun
1. betoverend uiterlijk, schone schijn
elegância
noun
1. Poecile palustris, een zangvogel uit de familie van echte mezen (Paridae)
chapim-palustre
verb
1. in zekere mate licht weerspiegelen of voortbrengen
cintilar
/
ɣlɑs/, /
χlɑs/
noun
- 2. op basis van SiO₂
- 1. niet-kristallijne vaste stof
- 3. om uit te drinken
vidro
copo
noun
1. een container voor het gescheiden inzamelen van glasafval
vidrão
noun
1. glasharmonica
harmónica de vidro
noun
isolatiemateriaal gemaakt van glas
lã de vidro
noun
1. een aandoening waarbij een verhoging van de druk in de oogbol onbehandeld...
glaucoma
noun
1. een ijsmassa die gevormd wordt op land en dik en groot genoeg is om bergafwaarts te stromen
geleira
glaciar
adjective
1. glad, moeilijk houvast op te krijgen
escorregadio
/
ˈxlɛɪdə(n)/, /
ˈɣlɛːdə(n)/
verb
1. met geringe wrijving gericht voortschuiven
deslizar
noun
1. een gelaatsuitdrukking die een geluidloze lach verraadt
sorriso
/
'ɣlɪmlɑχən/
verb
1. zacht onhoorbaar lachen
sorrir
noun
1. een nachtelijk lichtgevend kevertje uit de familie Lampyridae
vaga-lume
noun
1. een voortgaand proces van wereldwijde economische, culturele en politieke integratie
globalização
/
ˈɣluilɑmp/
noun
1. een lamp die licht produceert met een gloeidraadje
lâmpada
/
ˈɣlɔtɪˌslɑx/
noun
1. een klank die met de stembanden in de keel geproduceerd wordt en tot de plosieven gerekend wordt
oclusiva glotal
/
ˈɣlyː.rə(n)/
verb
1. in het geheim aandachtig naar iemand kijken
espiar
mirar
/
ˌɣlikɔˈɣen/
noun
1. een opvanghuis voor wezen
glicogénio
noun
1. een metamorf gesteente met verschillend gekleurde banden of aders
gneisse
noun
1. Connochaetes, een dier behorende tot de familie Bovidae...
gnu
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het westen van het land
Goa
pronoun
1. bovennatuurlijk en volmaakt wezen, dat beschikt over superieure krachten en dat onsterfelijk is
Deus
/
ɣɔd/, /
ɣɔt/, /
χɔt/
noun
1. hypothetisch bovennatuurlijk wezen dat verantwoordelijk wordt geacht...
deus
noun
1. een hypothetisch bovennatuurlijk wezen dat verantwoordelijk wordt geacht voor (bepaalde aspecten van) de werkelijkheid
deus
pronoun
1. benaming voor het vrouwelijk opperwezen
Deusa
noun
1. een vrouwelijke godheid
deusa
noun
1. een geloof en alle daar bij horende rituelen en doctrines
religião
noun
1. belediging of bespotting van God/een godheid
blasfêmia
adjective
1. lasterlijk ten opzichte van God
blasfemo
adjective
1. kwaliteit bezittend
bom
boa
adverb
1. op goede wijze
bem
noun
1. iets concreets of abstracts dat men in bezit kan hebben
bem
/
ˌɣudə.ˈvrɛɪ̯.dɑx/
pronoun
1. de vrijdag voor Pasen
Sexta Feira Santa
/
ˌɣudəˈmɔrɣə(n)/
interjection
groet
bom dia
interjection
avondwens
boa noite
interjection
1. een groet die in de avond gebruikt wordt
boa noite
interjection
1. groet waarmee men iemand een prettig verloop van het etmaal wenst
bom dia
noun
1. trein die uitsluitend is bestemd om goederen te vervoeren
trem de carga
noun
1. de hoedanigheid van het goed zijn
bondade
verb
1. toestemming verlenen
aprovar
adjective
1. laag in prijs
barato
/
ɣɔk/, /
χɔk/
noun
2. een keuze zonder het juiste antwoord te weten
aposta
/
ˈɣɔkən/, /
ˈχɔkən/
verb
1. iets van waarde, veelal geld, inzetten op de mogelijke uitkomst van iets onzekers
arriscar
/
gɔlf/, /
χɔl(ə)f/
noun
- 4. grote baai
golfo
- 1, 2 en 3
onda
- 1. balspel waarbij een golfbal met een golfclub in een aantal slagen in de hole moet worden geslagen.
golfe
pronoun
1. zee die begrenst wordt door Mexico, de Verenigde Staten van Amerika en Cuba
Golfo do México
noun
verpakkingsmateriaal, bestaande uit één of meer lagen dun, gegolfd karton
cartão ondulado
/
ˈɣɔma/
noun
2. soort boom (Guarea gomma)
andirobarana
/
ˈɣɔndəl/
noun
1. een pleziervaartuig in Venetië
gôndola
noun
1. een hangend slagwerk
gongo
noun
1. een geslachtziekte die veroorzaakt wordt door de bacterie Neisseria gonorrhea
gonorréia
/
ˈgu:gələ(n)/, /
ˈɡu.ɡə.lə(n)/, /
ˈɣu.ɣə.lə(n)/
verb
1. naar informatie zoeken op het internet, m.n. met Google
googlar
googlear
/
χot/
noun
1. lid van een Oost-Germaans volk
godo
/
ˈɣotsten/
noun
1. een bak, meestal ingebouwd in een aanrecht, onder een kraan en met een afvoer
pia
noun
1. een band die om het middel gedragen wordt
cinturão
noun
1. zoogdier met pantser van beweegbare schubben uit de familie Dasipodidae
tatu
/
ɣɔrˈdɛːn/, /
χɔrˈdɛɪn/
noun
1. doek ter afdekking
cortina
noun
1. Afrikaanse mensaap uit het geslacht Gorilla
gorila
/
ɣɔrs/, /
χɔrs/
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Emberizidae
escrevedeira
pronoun
1. de uit de oostelijke tak van de Germaanse talen stammende en uitgestorven taal der Goten uit de eerste...
gótico
/
ˈɣɔtlɑnt/, /
ˈʝɔtlɑnt/
pronoun
1. Zweeds eiland
Gotland
/
ɣʌʊt/
noun
1. een edelmetaal met atoomnummer 79 dat wordt aangegeven met het symbool Au, het is een geel metalliek overgangsmetaal
ouro
oiro
adjective
1. met een kleur die een combinatie is tussen goudkleurig en bruin
acastanhado
phraseologicalUnit
medalha de ouro
noun
1. bepaald soort klein vogeltje met een goudkleurig kruintje Regulus regulus
estrelinha-de-poupa
noun
1. soort plevier, Pluvialis apricaria
tarambola-dourada
noun
1. een smid die met goud werkt
ourives
noun
1. bepaald soort vogel, Pyrrhul pyrrhula
dom-fafe
/
ˈɣaʊ̯d.vɪs/, /
ˈɣɔʊ̯t.fɪs/, /
ˈχʌʊ̯t.fɪs/
noun
1. bepaald soort kleine goudkleurige of rode vis die uit China afkomstig is en die door veel mensen thuis gehouden wordt, Carassius auratus auratus
doirada
peixe dourado
noun
1. een stoofschotel van o.a. rundvlees, paprika en uien, tevens het nationale gerecht van Hongarije
goulash
noun
1. het hoofd van een regering, van een kolonie, staat of andere subnationale staatseenheid
governador
noun
1. eenheid om hoeken te meten
grau
noun
1. geschiedkundige term voor een landsheer, oorspronkelijk belast met de rechtspraak...
conde
/
ɣrax/, /
χraχ/
adverb
1. met plezier, met graagte; dat doe ik graag
de bom grado
de boa vontade
voluntariamente
interjection
1. beleefd antwoord nadat je bedankt bent
de nada
noun
2. ± (lid van) een linksgeoriënteerde, stedelijke elite
Esquerda Caviar
noun
1. een instrument waarmee een hoek van een gekende grote uitgezet of gemeten kan worden
transferidor
/
ɣrɑf/, /
χrɑf/
noun
- 1. ruimte om één of meer lijken in te begraven
- 2. plaats waar één of meer lijken begraven liggen
túmulo
sepultura
noun
1. kunstmatige heuvel die is opgeworpen om als graf te dienen
mamoa
noun
in plaatjes gekristalliseerde koolstof
grafite
noun
- 1. het binnengaan van een graf of tombe met als doel er artefacten...
- 2. het binnengaan van een graf of tombe om het lichaam van een begravene te onteren...
roubo de túmulos
noun
1. op een grafsteen gegraveerde korte tekst, gewijd aan de overledene
epitáfio
noun
1. een rechtopstaande gebeeldhouwde steen die de aanwezigheid van een graf markeert
lápide
noun
1. een afgeleide eenheid voor massa in het SI-stelsel (éénduizendste van een kilogram, 0,001 kg)
grama
noun
1. een systeem van regels en principes voor het schrijven en spreken van een taal.
gramática
noun
- 5. groep kubische mineralen
- 2. met springlading gevuld projectiel
granada
noun
2. vrucht
romã
romãzeira
noun
1. wapen, of deel van een wapen, bestemd voor het lanceren van stuwloze ontploffende projectielen
lança-granadas
/
ɣɾaˈni:t/
noun
1. stollingsgesteente bestaande uit lichtgekleurde, met het blote oog onderscheidbare mineralen.
granito
/
ˌɣranyloˈsit/
noun
1.
granulócito
/
ɣrɑp/, /
χrɑp/
noun
1. verhaal dat of handeling die erop gericht is om de lachlust op te wekken
piada
noun
1. een gele of rode, enigszins bitter smakende citrusvrucht
toranja
pamplumossa
noun
1. sap van de vrucht van de boom Citrus paradisi
sumo de pamplumossa
sumo de toranja
noun
1.een Italiaanse alcoholische drank
grapa
/
ˈɣrɑpəχ/
adjective
1. de lust tot (glim-) lachen opwekkend
divertido
noun
- 1. benaming voor planten uit de familie Poaceae
- 1.1 benaming voor planten uit de familie Poaceae die een oppervlak met sprietvormige groene bladeren begroeien
grama
/
ɣrɑsmajər/
noun
cortador de relva
noun
1. Sylvia communis, een zangvogel uit de familie zangers Syviidae
papa-amoras-comum
noun
1. Anthus pratensis, een zangvogel uit de familie Motacillidae
petinha-dos-prados
adjective
1. wat zonder betaling verkregen wordt
grátis
adjective
1. donkergrijs, kleurloos
cinzento
noun
1. bepaalde soort grijsbruine vogel met oranje snavel, Anser anser
ganso-bravo
noun
1. bepaalde soort roofvogel, Circus pygargus
tartaranhão-caçador
verb
1. een gat in de grond maken met de handen of met een graafwerktuig
cavar
escavar
verb
1. met een scherp gereedschap iets krassen in glas of metaal
gravar
noun
1. vrouwelijke graaf
condessa
noun
1. de kracht die de wederzijdse aantrekking van massa veroorzaakt
gravidade
/
'χrazə(n)/
verb
1. het eten van gras en andere bodemvegetatie zoals bijvoorbeeld runderen dit doen
pastar
/
ɣre.ˈna.da/, /
ɣrɛ.ˈna.da/, /
χre.ˈna.da/
pronoun
land in het Caribisch gebied
Granada
adjective
op Grenada betrekking hebbend
granadina
noun
- 1. een al dan niet denkbeeldige scheidingslijn
fronteira
- 2. de raaklijn tussen twee landen
fronteira
fronteiras
/
ˈɣrikə(n)ˌlɑnd/, /
ˈɣrikə(n)ˌlɑnt/, /
ˈχrikə(n)ˌlɑnt/
pronoun
1. een land in het zuidoosten van Europa
Grécia
/
ɣriks/, /
χriks/
pronoun
1. een taal die vooral wordt gesproken in Griekenland en op Cyprus
grego
verb
1. grienen
choramingar
/
ɣrip/
noun
1. een vierusziekte die jaarlijks vele mensen ziek maakt en die voor ouderen gevaarlijk kan zijn
gripe
noun
1. grof gemalen meel
sêmola
/
ɣrit/, /
χrit/
noun
- A. jonge vrouw, meisje
gata
- C. vissoort
rodovalho
noun
1. iemand die de taak heeft alle communicatie rond een zaak schriftelijk vast te leggen en te ordenen
escriturário judicial
noun
1. Oudgrieks fabeldier met de kop, voorpoten en vleugels van een adelaar en de romp, achterpoten en staart van een leeuw
grifo
verb
1. plotseling iets of iemand beetpakken
agarrar
adjective
1. de kleur grijs hebbend
cinzento
cinza
adjective
1. gelijkend op, of eigenschappen hebbend van grijs
cinzento
adjective
azul acinzentado
/
ɣrɛɪsˈɦarəx/
adjective
1. met grijs haar
grisalho
noun
1.
morcego-orelhudo-cinzento
noun
1. stevige zwarte walvis, met bolvormig voorhoofd en een heel kleine snuit
baleia-cinzenta
noun
1.
peneireiro-cinzento
verb
1. grijs worden, grijze haren krijgen
acinzentar
noun
onredelijk en willekeurig gedrag
capricho
noun
1. vertrokken gelaat, grijns, frats
careta
/
ˈgrɪzliˌbeːr/, /
ˈɣrɪzliˌbeːr/
noun
1. Ursus arctos horribilis, een Amerikaanse ondersoort van de bruine beer.
urso-cinzento
/
ɣruj/, /
χruj/
noun
1. het groter worden
crescimento
/
ˈɣrui̯ə(n)/
verb
groter worden
crescer
adjective
1. met de kleur zoals bladeren van planten die meestal hebben
verde
noun
1. kleur zoals bladeren van planten die meestal hebben, geel met blauw gemengd
verde
noun
- 1. groen verkeerslicht
- 2. toestemming
sinal verde
noun
1. de jonge scheuten van Asparagus officinalis
espargo verde
noun
1. Picus viridis
peto verde
/
ˈɣrun.lɑnd/, /
ˈɣrun.lɑnt/, /
ˈχrun.lɑnt/
pronoun
1. een groot eiland ten noordoosten van Canada, deel uitmakend van het koninkrijk Denemarken
Gronelândia
Groenlândia
noun
1. eetbare planten of delen daarvan
legume
hortaliça
/
ɣrup/, /
ʝrup/
noun
1. uit meerdere personen of eenheden bestaand geheel
grupo
verb
1. in groepen stellen
agrupar
noun
1. verkrachting door een groep personen
violação em grupo
/
ˈɣrut/, /
ˈχrut/
noun
1. een uiting waarbij men elkaars aanwezigheid erkent wanneer men elkaar ontmoet
saudação
/
ˈɣrutə(n)/
noun
1. iemand goedendag of gedag zeggen
saudar
noun
1. mijnbouw) een mijn waar delfstoffen gewonnen worden, onderaards of dagbouw
buraco
verb
1. een dreigend geluid voortbrengen
rosnar
noun
1. het gebied waarover een instantie of overheid het beheer heeft
território
noun
1. al het water dat zich in de aardbodem bevindt
água subterrânea
noun
1. wet die de principes van een staat definieert
constituição
/
ˈɣroːˌnɪŋə(n)/, /
ˈχroˌnɪŋə(n)/
pronoun
- 1. hoofdstad van de provincie Groningen
- 2. gemeente in de provincie Groningen waarin de stad Groningen ligt
- 3. provincie in het noorden van Nederland, die door Friesland, Drenthe en het Duitse Oost-Friesland wordt begrensd
Groninga
/
ɣroːt/
adjective
- 1. meer dan normaal in formaat
- 3. machtig, belangrijk
- 2. bewonderenswaardig, goed
grande
/
ˌɣroːd brɪˈtɑni.jə/, /
ˌχrot brɪˈtɑni.jə/
pronoun
1. benaming voor het '[[Verenigd Koninkrijk|Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland]]', dat officieel met Verenigd Koninkrijk wordt aangeduid.
Grã-Bretanha
pronoun
1. stad in Namibië
Grootfontein
noun
1. bedrijf dat in het groot handelt, dat aan de detailhandel levert
atacado
noun
1. adellijke titel die hoger is dan die van hertog maar lager dan die van koning
grão-duque
noun
objetiva grande-angular
noun
1. een moeder van een ouder
avó
noun
1. op een krachtige manier heel gul zijn
magnanimidade
/
ˈɣrotˌʌʊdər/
noun
1. de ouder van een ouder
avô
avó
/
ˈɣroːtˌfaːdər/
noun
1. de vader van een ouder
avô
noun
3. groothertog
grão-príncipe
noun
- 1. in de klassieke zeilvaart de onderste, grootste zeil aan de grote mast
- 2. in de moderne zeilvaart het zeil bevestigd met het voorlijk aan de achterkant van de (grootste) mast
vela grande
/
ɣrɔt/
noun
1. een onderaardse holte
caverna
pronoun
1. hoog aan het noordelijk halfrond duidelijk zichtbaar sterrenbeeld
Ursa Maior
noun
1. soort zeevogel, Larus marinus
alcatraz-comum
pronoun
1. de naam voor de 5 grote meren op of nabij de grens tussen de Verenigde Staten en Canada
Grandes Lagos
pronoun
1. de oceaan die ligt tussen Oost-Azië, Noord- en Zuid-Amerika en Australië
Oceano Pacifico
noun
1. bepaalde soort zeevogel, te herkennen aan zijn zwarte kuif en snavel met een klein geel puntje, Sterna sandvicensis
garajau-comum
phraseologicalUnit
1. een interval dat vier halve tonen omvat
terça maior
adjective
1. op afschrikwekkende wijze buitenissig
grotesco
/
ˈxrʏto/, /
ˈɣrʏto/
noun
1. bepaald soort weidevogel en een van de grootste steltlopers
maçarico-de-bico-direito
/
ˈxrywəl/
noun
1.
abominação
/
'ɣryzələ'mɛntə(n)/
noun
1. stukken die ontstaan wanneer een voorwerp breekt
pedacinhos
noun
een dipsaus uit Midden-Amerika
guacamole
/
ˌgʋɑ.tə.ˈma.la/, /
ˌgβ̞ɑ.tə.ˈma.la/, /
ˌɣ<sup>ʊ</sup>a.tə.ˈma.la/
pronoun
land in Midden-Amerika, officieel de Republiek Guatemala
Guatemala
noun
1. en 2. (vrucht van) Psidium guajava
goiaba
/
ɣi.ˈne/, /
χi.ˈne/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Guinee
Guiné
/
ˌɣi.ne.bɪ.ˈsaʊ̯/, /
ˌɣi.ne.ˈbɪ.sɔʊ̯/, /
ˌχi.ne.ˈbɪ.sʌʊ̯/
pronoun
1. bepaalde soort vlinder, Vanessa atalanta
Guiné-Bissau
adjective
1. op Guinee betrekking hebbend
guineano
pronoun
1. een taal die oorspronkelijk in Gujerat gesproken wordt. De taal wordt nu ook in Uganda, Tanzania, Kenia en Pakistan gesproken
guzerate
gujarate
adjective
1. vrijgevig
generoso
desapegado
liberal
/
ɣɵlp/
noun
1. een door een strook stof afgesloten opening aan de voorzijde van een broek van de man,...
braguilha
zíper
noun
1. een gootvormige steekbeitel voor houtbewerking
goiva
/
ɣi.ˈja.na/, /
ɣβ̞i.ˈja.na/, /
χi.ˈja.na/
pronoun
1. een land in Zuid Amerika, officieel de Coöperatieve Republiek Guyana
Guiana
noun
1. oefeningen voor de gezondheid van een mens
ginástica
/
ˌɣiroˈskop/
noun
giroscópio
/
ˈgœtɪŋən/
pronoun
1. + 2. stad en district
Göttingen
noun
1. een afscheiding bestaande uit kreupelhout of struikgewas
sebe
noun
1. bepaald soort loofboom, Carpinus betulus
carpino
carpa
/
haːɪ̯/, /
ɦaɪ̯/
noun
1. benaming voor roofvissen uit de superorde Selachimorpha
tubarão
cação
noun
1.
sopa de barbatana de tubarão
noun
2. elk van de tekens, rond of met hoeken, gebruikt in paren om woorden of getallen af te zonderen
parêntese
noun
1. een naald die wordt gebruikt bij haakwerk
agulha
/
ɦan/
noun
1. mannelijk dier bij de hoenderachtige vogels
galo
noun
1.1 hoofdhaar, uitgroeisel van de epidermis dat delen van het hoofd bedekt
cabelo
pelo
possessivePronoun
1. bezit aanduidend door een 3e persoon vrouwelijk enkelvoud
seu
noun
1. plaats in de woning bedoeld om er een vuur te branden
lareira
noun
1. alle haren die boven op de schedel van een mens zitten
cabeleira
noun
1. Lepus eropaeus, een konijnachtig zoogdier met lange achterpoten een gespleten lip en lange oren
lebre
lebrão
/
hast/
adverb
1. bijna
quase
adjective
1. zich niet de tijd nemend
apressado
/
ɦaːt/
noun
1. sterk gevoel van vijandschap
ódio
pronoun
2. boek in de Bijbel
Habacuque
noun
1. verzamelde mondelinge overleveringen van de uitspraken en instructies van Mohammed
hadith
noun
1. bepaalde soort vlinder, Vanessa atalanta
hadrão
hádron
noun
1. scheikundig element met symbool Hf en atoomnummer 72
háfnio
noun
1. langstaartig, geschubd reptiel uit de onderorde Lacertilia
lagarto
/
haɣəɫ/
noun
1. bolvormig ijs dat als neerslag uit de hemel valt
granizo
saraiva
noun
1. een bui met hagel
granizada
saraivada
verb
1. het uit de hemel neerkomen van hagelstenen
granizar
/
ˈhaɣəlˌsten/
noun
1. een klontje ijs dat als neerslag uit de lucht komt
granizo
pronoun
2. boek in de Bijbel
Ageu
noun
1. hiel van de voet
tacão
verb
3. bevestigen d.m.v. een haak
enganchar
/
ˈhaː.kə(n)ˌkrœys/
noun
cruz gamada
noun
1. houtgewas dat ieder 6-10 jaar gekapt wordt meestal om te gebruiken als brandhout
mata de talhadia
/
ˈɦalə(n)/
verb
1. ergens heengaan met als doel om iets of iemand mee terug te brengen
buscar
/
ɦɑlf/
adjective
1. de helft zijnde
meio
adjective
1. gedeeltelijk automatisch
semiautomático
noun
1. het oppervlak van een halve bol, met name van de aarde
hemisfério
adverb
1. halverwege de vlaggenstok
a meio mastro
adjective
2. waaruit de helft van de vetten verwijderd is
meio-gordo
verb
1. zinsbegoochelingen hebben
alucinar
noun
1. slagader in de hals
artéria carótida
noun
1. het te vasthoudend zijn
teimosia
/
ˈhɑɫtə/
noun
- 1. een plaats waar gestopt wordt
- 2. een plaats waar een bus stopt
parada
/
ɦɑm/
noun
1. vlees van de achterkant van een varken
presunto
fiambre
/
ˈham.bʏr.ɣər/, /
ˈhɑm.bʏr.ɣər/, /
ˈhɑm.bʏr.χər/
noun
1. schijf gebraden gehakt
hamburger
noun
1. gecastreerde ram
carneiro castrado
noun
- 1. werktuig dat kan worden gebruikt om te slaan
- 2. een van de gehoorsbeentjes in het oor
martelo
noun
1. klein knaagdiertje dat als huisdier gehouden kan worden
hamster
verb
1. een voorraad aanleggen bij voedselschaarste
açambarcar
/
ɦɑnt/
noun
1. uiterste deel van de arm, voorbij de pols
mão
/
ˈɦɑnt.buj/
noun
1. een paar aan elkaar verbonden afsluitbare ringen
algema
/
ˈɦɑnt.buk/
noun
1. een boek waarin getracht wordt alle informatie nuttig voor een bepaalde bezigheid bijeen te brengen
manual
noun
1. een doek waarmee men zich afdroogt
toalha
/
ˈɦɑndəl/
noun
1. de in- en verkoop van goederen
comércio
verb
1. iets doen, al of niet met de handen, optreden
agir
noun
1. datgene dat gedaan is
ato
acto
pronoun
Atos dos Apóstolos
noun
1. vaste activapool van een winkel of bedrijf die wordt gebruikt om een zaak te drijven
fundo de comércio
noun
1. verhandelbaar waardepapier aan toonder of aan order
instrumento negociável
noun
2. deel van het privaatrecht m.b.t. handelszaken
direito comercial
noun
1.
problema do caixeiro viajante
noun
1. groep schepen waarmee handel wordt gedreven
marinha mercante
verb
1. iets doen voortbestaan, aan iets vasthouden
manter
/
ˈɦɑndɪɣ/, /
ˈɦɑndɪχ/
adjective
1. goed met de handen om kunnen gaan
hábil
noun
1. binnenzijde van de hand
palma
noun
1. met de hand bediende rem
freio de mão
/
hɑnd.sxun/, /
ɦɑnt.sxun/, /
ɦɑnt.sχun/
noun
1. een handkledingstuk met aparte vingers
luva
noun
2. klein aantal
mancheia
noun
1. door mensen georganiseerd gevecht tussen kamphanen waarbij de toeschouwers kunnen wedden op de uitkomst van het gevecht
rinha
/
ˈhanə(n)kɑm/
noun
2.
crista
noun
1. brug die is opgebouwd uit twee (soms één) hoge pijlers of pylonen waartussen een dikke kabel gespannen is...
ponte pênsil
/
ˈɦɑŋmɑt/
noun
1. een doek dat aan de uiteinden opgehangen wordt en waarin personen kunnen liggen
rede
maca
noun
1. een slot dat aan een beugel hangt
cadeado
pronoun
1. stad in Duitsland
Hanôver
noun
1. voedsel of iets anders dat je door het openen en sluiten van je lippen in je mond krijgt
bocado
adjective
1. betrekking hebbend op de tastzin
háptico
phraseologicalUnit
1. (informatica) Vooralsnog het meest gebruikte externe geheugen in een computer
disco rígido
noun
1. en 2 grof gemalen meel van harde tarwe (Triticum durum)
sêmola de trigo duro
/
'ɦɑrdər/
noun
1. Mugil curema, een straalvinnige vissoort
tainha
adjective
1. door koken stijf geworden (met name van eieren)
cozido
noun
1. hout afkomstig van loofbomen dat meestal (maar niet altijd!) duurzamer en harder is dan hout van naaldbomen
madeira
noun
1. een vrouwelijke beoefenaar van de hardloopsport
corredora
noun
1. elektronische en mechanische delen in en om computersystemen
hardware
noun
- 1. het voor vrouwen bestemde deel van een woning van een mohammedaan
- 2. groep vrouwen die een relatie hebben met één man
harém
/
ˈɦarɪŋ/
noun
1. zoutwatervis
arenque
noun
1. bepaalde middelgrote haai en consumptievis, Lamna nasus
anequim
noun
1. tuingereedschap aan lange steel, met een reeks tanden aan de onderzijde
rastelo
noun
2. een grappig, koddig persoon in het algemeen
arlequim
noun
1. (muziekinstrument) een toetsinstrument dat gerekend wordt tot de aerofonen
harmónio
/
hɑrˈpun/, /
ɦɑrˈpun/
noun
- 2. een speer met weerhaken
- 1. een grote pijl met weerhaken aan een touw
arpão
verb
1. het vangen van vissen door middel van een harpoen
arpoar
/
ɦɑrs/
noun
1. het stroeve en plakkerige product van boomsappen, met name van naaldbomen
resina
noun
1. het afsterven van hartspierweefsel door afsluiting van een kransslagader of een tak hiervan
ataque cardíaco
noun
1.
insuficiência cardíaca
noun
1. verstopping van een kransslagader of een tak hiervan, leidend tot het afsterven van hartspierweefsel
ataque cardíaco
noun
1. hartweefsel in de vorm van een vlies dat samengetrokken door een spiertje terugstromen van het verder gepompte bloed tegengaat
válvula cardíaca
/
ˈhɑrtstɪlstand/, /
ˈhɑrtstɪlstɑnt/, /
ˈhɑrtstɪɫstɑnt/
noun
1. het stoppen van het kloppen van een hart
parada cardíaca
adjective
1. vorm van een hart hebbend
cordiforme
noun
1. emotionele pijn die ontstaat door het verlies van een geliefd persoon
coração partido
noun
1. grafisch symbool #
hashtag
noun
1. scheikundig element met symbool Hs en atoomnummer 108
hássio
/
'ɦatə(n)/
verb
kwade gevoelens jegens iemand koesteren
odiar
pronoun
1. taal die wordt gesproken door meer dan 85 miljoen mensen, vooral in Niger en Nigeria
língua hausa
/
ˌotkuˈtyr/
noun
alta costura
noun
1. een droge doosvrucht, die minstens driemaal zo lang als breed is, zoals bij koolzaad en pinksterbloem.
síliqua
/
ɦavə(n)/
noun
1. natuurlijke of aangelegde aanlegplaats voor schepen.
porto
noun
- 1. en 2. (zaden van) eenjarig graangewas Avena sativa
aveia
- 1. éénjarig graangewas Avena sativa
aveia-comum
/
ˈhavərˌmɪːɫ/
noun
zeer fijn gemalen haver
farinha de aveia
noun
met de zaadhuiden vergroeide vruchtwanden en kiemen van haverkorrels
fibra de aveia
noun
havervlokken
flocos de aveia
noun
met de zaadhuiden vergroeide vruchtwanden en kiemen van haverkorrels
salvado de avena
/
ˈɦavɪk/
noun
- 1. Accipiter gentilis, een roofvogel die op kleine zoogdieren en vogels jaagt
açor
- 2. iemand die graag oorlog wil voeren
gavião
pronoun
1. Polynesische taal gesproken in de Amerikaanse staat Hawaï
havaiano
noun
1. een heester waaraan hazelnoten groeien
avelaneira
aveleira
/
ˈɦa.zəlˌmœːs/, /
ˈɦa.zəɫˌmœʏ̯s/
noun
1. knaagdier in de familie van slaapmuizen, Muscardinus avellanarius
arganaz
/
ˈhazəɫˌnot/
noun
1. een vrucht van de hazelaar
avelã
noun
1. pootloze hagedis (Anguis fragilis)
alicanço
/
ˈhaː.zə(n)ˌlɪp/
noun
fenda lábio-palatina
/
ha.ˈhi.ti/, /
ɦa.ˈi.ti/, /
ɦɑ.ˈi.ti/
pronoun
1. een land in het Caribisch gebied bezettend de westelijk derde van het eiland Hispaniola
Haiti
/
haʔitiˈjanskreˌjols/
pronoun
1. taal gesproken door 6 000 000 mensen
crioulo haitiano
/
ˈɦɛbə(n)/
verb
- 1. bezitten
- 1. voor voltooide tijd
ter
interjection
1. een uitroep geuit wanneer men iets heeft weten te vangen
perceber
pronoun
1. officiële taal van Israël, de heilige taal van de Joden en de taal van de Tenach
hebraico
hebreu
adjective
1. blijk gevend van hebzucht, hebberig
avaro
adjective
1. zeer druk en chaotisch
febril
frenético
noun
1. 100 liter
hectolitro
noun
1.
hectómetro
hectômetro
/
ˈɦeː.də/
noun
1. werk, afval van vlas of hennep
estopa
noun
1. leer dat genot het hoogste goed is
hedonismo
/
heːl/
adjective
1. niet stuk
inteiro
/
he.ˈlal/, /
ɦe.ˈlaɫ/
noun
[1] het gehele tijd-ruimtecontinuüm waarin wij bestaan, samen met alle materie en energie
universo
noun
1. de christelijke aanduiding voor God
Senhor
/
hersxɑˈpɛi/
noun
1. geheel der dingen waarover iemands macht zich uitstrekt, waarover hij heerst (bewind uitoefent) en het daarbij horende gezag geniet
potencia
noun
1. iemand die de macht uitoefent
governante
noun
1. een (meestal lijnvormige) aanplanting van struiken en/of bomen die dient om ruimten te scheiden
sebe
noun
1. een zangvogel ter grootte van een huismus met opvallend grijs op de kop
ferreirinha-comum
/
ˈhɛɪ̯də/, /
ˈhɛːdə/
noun
1. een met heidekruid begroeide vlakte
charnecas
noun
1. mensen die geen jood of christen zijn
pagão
adjective
1. van de heidenen
pagão
noun
1. bepaald soort grote schol, reus onder de platvissen en consumptievis, Hippoglossus hippoglossus
hipoglosso
alabote
/
ɦɛj.ləɣ/
adjective
1. door wijding aan het goddelijke bijzonder gemaakt
santo
noun
1. plaats of gebouw gewijd aan een god of godin
santuário
noun
1. de pauselijke regering
Santa Sé
noun
vergrijp aan iets heiligs
sacrilégio
/
'hɛɪmʋe/
noun
1. sterk verlangen naar een plek die als thuis ervaren wordt
nostalgia
noun
1. werktuig gebruikt bij het verwerken van hennep of vlas
ripador
ripanço
/
ɦɛks/
noun
1. een over het algemeen vrouwelijk persoon aan wie bovennatuurlijke krachten worden toegeschreven
bruxa
/
ˈhɛksə(n)ˌjɑxt/
noun
1. het jagen op vermeende heksen
caça às bruxas
/
'ɦɛl/
noun
1. een plek waar de ziel van daartoe veroordeelde overledenen naar toe gaan
inferno
adverb
1. jammer genoeg, spijtig genoeg
infelizmente
noun
1. de durf en de kracht van mensen, die zich, met gevaar voor eigen leven, voor de goede zaak inzetten
heroísmo
noun
1. het heel moedig en dapper zijn
bravura
/
'ɦelə(n)/
verb
1. gezond worden
curar
/
ɦelɪˈkɔptər/
abbreviation
1. luchtvaartuig dat d.m.v. een hefschroef verticaal kan opstijgen en landen
helicóptero
/
ˈhe.lɪŋ/
noun
2. het verkopen van gestolen goederen zonder dat de verkoper ze zelf gestolen heeft
receptação
recetação
noun
1. een chemisch element en een inert edelgas
hélio
noun
1. lang middeleeuws wapen
alabarda
noun
1. inwoner van het oude Griekenland of persoon die de oud-Griekse nationaliteit bezit
heleno
adjective
1. met betrekking tot de Hellenen of de Helleense talen
helénico
noun
1. een glooiing in het landschap
declive
ladeira
/
ɦɛlm/
noun
1. beschermend hoofddeksel
capacete
elmo
noun
balcão de informações
/
ˈɦɛlpə(n)/
verb
1. iemand bijstaan
ajudar
socorrer
pronoun
1. de hoofdstad van Finland
Helsínquia
noun
1. roodkleurig mineraal dat ferri-oxidekristallen bevat
hematita
noun
1. kledingstuk voor het bovenlijf
camisa
/
ˈɦeːməl/
noun
- 1. lucht, onmetelijke ruimte die overal op aarde bovenaan zichtbaar is
- 2. het hiernamaals, leven na de dood
céu
paraíso
adjective
2. in rechte lijn gemeten
em linha reta
noun
1. halfzijdige verlamming
hemiplegia
noun
1. stofwisselingsziekte waarbij het lichaam teveel ijzer uit het voedsel opneemt
hemocromatose
noun
1. bloederziekte
hemofilia
noun
1. knobbelachtige zwelling van aders in het onderste deel van de endeldarm en in de anus
hemorróidas
/
ɦɛn/
noun
1. vrouwtje van hoenderachtige vogels
galinha
/
ˈhɛndrɪk/
pronoun
- 1. mannelijke voornaam
- 2. spelwoord voor de letter h
Henrique
/
ɦɛŋst/
noun
1. mannelijk paard
garanhão
/
ˈɦɛ.nəp/
noun
maconha
cânhamo
adjective
1. met betrekking tot de lever
hepático
noun
1. leverontsteking
hepatite
/
herɑl'dik/
noun
1. de wetenschap die zich bezighoudt met de wapenkunde
heráldica
noun
1. verzameling van, album met gedroogde planten
herbário
noun
1. eet- en overnachtingsgelegenheid die kleiner, goedkoper en eenvoudiger is dan een hotel
estalagem
verb
- 2. tot verblijf dienen
alojar
- 1. huisvesten
hospedar
pronoun
- 1. Romeinse halfgod
- 2. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Hércules
verb
1. plechtig aandacht schenken aan een gebeurtenis uit het verleden
comemorar
/
'ɦɛrdər/
noun
1. begeleider en bewaker van een kudde
pastor
noun
1. hond die een kudde bewaakt
cão-pastor
noun
1. een geestelijke die in afzondering leeft
eremita
noun
1. een kreeftachtige (Eupagurus bernhardus) uit de orde van tienpotigen, die in de schelp van een zeeslak woont
bernardo-eremita
verb
1. opnieuw tot een eenheid maken
reunir
noun
1. derde jaargetijde
outono
adjective
bijvoeglijk naamwoord
repetido
verb
1. iets opnieuw zeggen
repetir
noun
- 1. het nogmaals plaatsvinden
- 1. een aflevering van een televisieprogramma of -serie die nogmaals wordt uitgezonden
repetição
/
ɦɛr.'ɪ.nə.rə(n)/
verb
- 1. opnieuw in gedachte brengen
lembrar
- 2. uit het geheugen opdiepen
lembrar-se
noun
1. een herbivoor die zijn voedsel herkauwt
ruminante
verb
1. opnieuw verwerven
reconquistar
verb
1. opnieuw lezen
reler
/
ˈɦɛr.mɑn/
pronoun
1. een jongensnaam
Armando
noun
1. bepaald klein wezelachtig zoogdier, Mustela erminea
arminho
adjective
1. de uitleg van een (religieuze) tekst betreffend
hermenêutico
verb
1. opnieuw ontdekken
redescobrir
verb
1. opnieuw op details bezien
reconsiderar
noun
een verdovend middel
heroína
verb
1. opnieuw oprijzen, opnieuw gaan leven of functioneren
ressuscitar
noun
morte cerebral
morte encefálica
noun
1. de buitenste laag van de grote hersenen
córtex
noun
1. schade aan de hersenen door uitwendig geweld
concussão
noun
indoctrinatietechniek
lavagem cerebral
verb
3. weer invoeren
restaurar
noun
1. benaming voor herkauwende zoogdieren uit de familie Cervidae
veado
cervo
noun
1. een landsheer, oorspronkelijk van een hoger hiërarchisch niveau dan de markies
duque
noun
1. het gebied dat onder leiding staat of stond van een hertog
ducado
noun
1. adellijke titel, vrouw van een hertog
duquesa
noun
1. de eenheid voor frequentie van trillingen
hertz
verb
1. opnieuw publiceren
republicar
noun
1. de verkiezing van een persoon in een functie die hij al eerder heeft bekleed
reeleição
/
(ɦ)ət/, /
hɛt/
personalPronoun
1. 3e persoon enkelvoud onzijdig
isso
ela
ele
phraseologicalUnit
1. het kan me niets schelen
estou-me a cagar
quero lá saber
verb
deitar fora a criança com a água do banho
verb
1. een aanpak kiezen die niet helpt om het doel te bereiken
pôr o carro à frente dos bois
/
hət ˈre.γənt ˈpɛipə.ˌste.lə(n)/
phraseologicalUnit
Está a chover a cântaros.
/
'he.tə(n)/, /
'ɦe.tə(n)/
verb
1. de naam dragen
chamar-se
noun
1.
heteronormatividade
adjective
1. gericht op het andere geslacht of betrekking hebbend op liefde voor mensen met een ander geslacht
heterossexual
pronoun
1. een dode taal die in het huidige Turkije werd gesproken
hitita
demonstrativePronoun
1. de gelijke identiteit bezittend; onzijdig enkelvoud, zowel zelfstandig als bijvoeglijk gebruikt
mesmo
noun
deel van beide zijkanten van het menselijk lichaam ter hoogte van het heupgewricht, waar het been met de romp verbonden is
quadril
anca
noun
1. tasje dat je om je heupen als een riem kan dragen
pochete
adjective
1. betrekking op het vinden van iets
heurístico
/
ˈhøvəɫ/
noun
1. verhoging in het landschap die wat lager is dan een berg
colinas
morro
/
'ɦøvəlɑxtəx/
adjective
1. met aanzienlijke hellingen en hoogteverschillen
colinoso
noun
1. hoogste punt van een heuvel
cume
/
'ɦevəl/
noun
2. een geheel met vloeistof gevulde pijp of slang waarvan het ene einde lager gehouden wordt dan de andere, waardoor vloeistof van de laatste mond naar de eerste stroomt
sifão
adjective
1. als hoofdas van de rotatiesymmetrie een zestallige as bezittend
hexagonal
noun
1. een enigszins uitstekend deel achteraan de voet
calcanhar
talão
noun
1. iemand die overdreven kruiperig en onderdanig jegens iemand anders is
lambe-botas
/
ɦiːr/
adverb
1. op deze plaats
aqui
cá
adverbialPronoun
2. in deze buurt, in deze contreien
por aqui
/
hɑj/
adjective
1. in een euforische toestand van veranderd bewustzijn verkerend
chapado
/
hɛɪ̯/, /
ɦɛɪ̯/, /
ɦɛː/
personalPronoun
1. Nominatief mannelijk derde persoon enkelvoud
ele
verb
1. zwaar ademhalen ten gevolge van een lichamelijke inspanning
arfar
verb
1. iets met een touw of kabel in opwaartse richting trekken, al dan niet middels een katrol
içar
noun
1. een constructie om zware lasten op te tillen
guindaste
noun
1. een periodiek optredende, spontane, onwillekeurige samentrekking van het middenrif tijdens inademing...
soluço
pronoun
1. + 2. stad en district
Hildesheim
/
ˈhɪndə/
noun
1. een vrouwelijk hert
corça
noun
1. iets dat de voortgang verstoort
obstáculo
pronoun
1 taal die vooral gesproken wordt in de noordelijke staten van India
hindi
híndi
noun
2. kinderspel, waarbij men zich deels op één been verplaatst
amarelinha
macaca
verb
1. het geluid van een paard voortbrengen
relinchar
adjective
1. betrekking hebbend op de paardensport
equestre
noun
1. ovale paardenrenbaan
hipódromo
noun
hipopotomonstrosesquipedaliofobia
noun
1. voorziening die een ruimtevaartuig tijdens de afdaling in een atmosfeer beschermt tegen thermische beschadiging
escudo térmico
noun
1. menselijk immuundeficiëntievirus
VIH
noun
1. rangorde
hierarquia
adjective
1. van of volgens de opeenvolging van rangen
hierárquico
pronoun
1. hoofdstad van de Australische deelstaat Tasmanië
Hobart
/
hɔbi/
noun
1. een liefhebberij of bezigheid ter ontspanning voor in de vrije tijd
hobby
noun
1. orkestinstrument, behoort tot de houtblazers, het wordt met een dubbelriet aangeblazen
oboé
noun
1. balspel waarbij twee elftallen de bal met een hockeystick in elkaars doel proberen te slaan
hóquei
pronoun
1. stad in Israël
Hod HaSharon
/
ɦu/
adverb
1. op welke wijze
como
/
hud/, /
ɦut/
noun
- 1. een hoofddeksel
- 2. deel van een zwam
chapéu
noun
- een gesteldheid
estado
- een functie die men vervult
qualidade
noun
1. iemand die hoofddeksels voor mensen maakt
chapeleiro
/
ɦuf/
noun
1. hoornachtig omhulsel aan de teentop
casco
pata
pezunho
noun
1. hoefdragend zoogdier
ungulado
pronoun
1. stad en gemeente in de Belgische provincie Luik
Huy
/
ɦuk/
noun
1. een punt waar twee benen of halve rechten samenkomen
ângulo
canto
/
ˈhuk.steːn/
noun
- 1. een steen die gebruikt wordt om de hoekpunten van bouwwerken te verstevigen
- 2.
pedra angular
noun
4. Onderdeel van een rolstoel
aro de propulsão
/
ɦur/
noun
1. vrouw die tegen betaling seksuele diensten verricht
puta
noun
1. pand waar mannen tegen betaling seks hebben met vrouwen
putaria
noun
1. reflexmatige explosieve uitademing
tosse
verb
1. reflexmatige explosief uitademen bij prikkeling van de luchtwegen
tossir
interrogativeCardinalNumeral
1. welk aantal?
quanto
/
huˈvɪ:ɫhɛɪt/
noun
1. de kwantiteit waarin iets aanwezig is
quantidade
indefiniteOrdinalNumeral
x-ésimo
conjunction
1. drukt een tegenstelling uit
embora
pronoun
Tribunal de Justiça da União Europeia
pronoun
1. plateau
Altos Fagnes
noun
polymerisatieproduct van etheen
polietileno de alta densidade
noun
1. een gebied waar relatief een hogere druk heerst dan elders, term uit de meteorologie
anticiclone
noun
1. hoge cilindervormige hoed
cartola
noun
1. grot, spelonk
gruta
noun
1. Ursus spelaeus, een grote berensoort, kwam in Europa voor in het Pleistoceen
urso das cavernas
noun
1. bepaald soort vogel, Columba oenas
pombo-bravo
/
ˈɦɔlɑnt/
pronoun
- 1. een gedeelte van het westen van Nederland dat de provincies Noord-
- 2. heel Nederland
Holanda
noun
1. scheikundig element met symbool Ho en atoomnummer 67
hólmio
/
ˈholokaust/
pronoun
Holocausto
/
ˈholokaust/
noun
1. massale vernietiging van mensen of dieren
holocausto
/
ˈholoˌkɔːstɔntˌkɛnɪŋ/
noun
negacionismo do Holocausto
noun
1. techniek waarmee een afbeelding in een plat vlak diepte of verschillende beelden lijkt weer te geven als je er onder uiteenlopende hoeken naar kijkt
holografia
noun
aanhanger of beoefenaar van de homeopathische geneeswijze
homeopata
adjective
1.volgens de homeopathie
homeopático
noun
1. zelfregulering, chemisch en fysiologisch evenwicht
homeostase
/
ˈhɔməɫ/
noun
1. insect uit het geslacht Bombus dat in de taxonomie wordt beschouwd als een grote harige bij
mamangaba
abelhão
noun
1. gelijkklinkend woord
homófono
noun
1. op dezelfde manier gespeld woord
homógrafo
noun
1. een huwelijk tussen twee mensen van hetzelfde geslacht
casamento gay
noun
1. een woord dat hetzelfde wordt uitgesproken als een ander woord maar in betekenis verschilt
homónimo
homônimo
/
ˈhomoziˌgot/
noun
1. een (diploïd) organisme dat slechts één allel van een gen heeft
homozigoto
/
ˈhɔnd/, /
ˈɦɔnt/
noun
1. Canis lupus familiaris, een zoogdier dat tot huisdier getemd is
cão
cachorro
cadela
cachorra
/
ˈɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 100
cento
cem
cardinalNumeral
1. het getal 100.000, een tiende deel van een miljoen
cem mil
pronoun
1.
Guerra dos Cem Anos
/
hɔn.ˈdyː.rɑs/, /
ɦɔn.ˈduː.rɑs/
pronoun
1. een land in Centraal Amerika, officieel de Republiek Honduras
Honduras
adjective
1. inwoner van Honduras
hondurenho
/
hɔŋ(g).ˈɣar/, /
ɦɔŋ.ˈɣar/, /
ɦɔŋ.ˈχar/
noun
1. iemand afkomstig uit Hongarije
húngaro
/
hɔŋ(g).ˈɣaːrs/, /
ɦɔŋ.ˈɣars/, /
ɦɔŋ.ˈχars/
adjective
1. betreffende Hongarije of het Hongaars
húngaro
húngara
/
hɔŋ(g).ˈɣaːrs/, /
ɦɔŋ.ˈɣars/, /
ɦɔŋ.ˈχars/
pronoun
1. een Finoegrische taal die voornamelijk wordt gesproken in Hongarije
húngaro
/
hɔŋ(g).ˈɣar.sə/, /
ɦɔŋ.ˈɣar.sə/, /
ɦɔŋ.ˈχar.sə/
noun
húngara
/
ˌhɔŋ(g)ɣaˈrɛɪ̯.jə/, /
ˌɦɔŋɣaˈrɛː.jə/, /
ˌɦɔɴχaˈrɛɪ̯.jə/
pronoun
1. land in het midden van Europa
Hungria
/
ˈɦɔŋər/
noun
1. behoefte aan voedsel
fome
noun
1. een wijdverspreide honger als gevolg van voedselschaarste
carestia
fome
noun
1. het weigeren van voedsel uit protest
greve de fome
/
hɔŋˈkɔŋ/
pronoun
1. een speciale administratieve regio van de Volksrepubliek China
Hong Kong
noun
1. een zoete stof die door bijen en enkele andere insecten uit bloemennectar wordt gewonnen
mel
noun
1. een bij van de soort Apis mellifera die honing maakt uit nectar en bloemen bestuift
abelha-de-mel
noun
1. bepaald soort zoogdier, Mellivora capensis
texugo-do-mel
noun
1. balsport waarbij de bal met een knuppel geslagen wordt en de spelers langs een drietal honken trachten rond te lopen tot zij weer de thuisplaat bereiken
beisebol
/
ɦoːft/
noun
1. een belangrijk lichaamsdeel, helemaal bovenaan het lichaam, waarin zich de hersenen...
cabeça
/
'ɦovduk/
noun
1. een vierkante lap stof die vooral door vrouwen driehoekig samengevouwen over het hoofd gedragen wordt
lenço da cabeça
noun
1. erläuterung
edifício central
noun
1. een letter die een groter formaat en meestal ook een andere vorm heeft dan een kleine letter
maiúscula
/
'ɦo:ftlɛtərɣə'vu:ləx/, /
'ɦo:ftlɛtərʝə'vu:ləx/
adjective
1. woorden geschreven met een hoofdletter anders verwerkend dan dezelfde woorden zonder hoofdletter
sensível a maiúsculas
noun
1. klein, vleugelloos en bloedzuigend insect dat parasiterend leeft in het hoofdhaar
piolho
noun
1. de voorste pagina van een website
página principal
noun
1. pijn in het hoofd
dor de cabeça
/
'ɦof(t).stɑt/
noun
1. een belangrijke stad waarvandaan het land, de staat, deelstaat of provincie wordt bestuurd
capital
noun
bepaalde opdeling van tekst of beeld in een boek
capítulo
noun
1. een telwoord dat een hoeveelheid of aantal aanduidt
número
/
ɦoʊ̯χ/ /'ɦoʊ̯χə/ /ˈɦoʊ̯χst/, /
ɦoːx/ /'ɦoːɣə/ /ˈɦoːxst/
adjective
1, 2, 3, 4
alto
pronoun
1. boek in de Bijbel met liefdespoëzie
Cântico dos Cânticos
Cantares
noun
1. atletiekdiscipline waarbij het de bedoeling is over een tussen twee staanders bevestigde lat of touw te springen
salto em altura
noun
- 1. een verheffing van de aardkorst
altitude
- 2. niveau
altura
/
ˈɦoxtəvres/, /
ˈɦoçtəvres/
noun
1. angst voor hoogten
acrofobia
noun
2. hoge waterstand in 't algemeen
inundação
/
ˈɦojbɛrx/
noun
1. een ter bewaring opgestapelde hoeveelheid gedroogd gras
monte de feno
palheiro
/
ɦoːp/
noun
3. verwachting van iets wenselijks
esperança
/
horn/
noun
1. hard en meestal gebogen uitsteeksel aan de kop van verschillende dieren
chifre
/
hoːrnar/, /
ho̝ːrnar/
noun
1. Vespa crabro, een soort grote wesp
marimbondo
noun
- 1. bepaald soort vogel, Upupa epops
poupa
- 1. bepaalde plant die onder andere wordt gebruikt bij de bereiding van bier
lúpulo
adjective
1. waaraan hoop op succes ontbreekt
desesperado
/
ˈɦoːpə(n)/
verb
1. wensen, graag zien dat er iets wel of niet voorvalt
esperar
pronoun
1. de enige Hopi-taal
hopi
/
hɔː.rən/
verb
1. waarnemen met het oor zonder er noodzakelijkerwijs aandacht aan te besteden
ouvir
escutar
noun
1. onderdanige en onvrije gehoorzaamheid
servidão
adjective
1. in de richting die haaks staat op die van de zwaartekracht van de aarde
horizontal
noun
1. een draagbaar voorwerp waarop de tijd kan worden afgelezen
relógio
adjective
1. met betrekking tot hormonen
hormonal
noun
1. een stof die door een endocriene klier wordt afgescheiden ...
hormona
hormônio
/
ˈɦɔrzəɫ/
noun
1. parasitaire vliegsoort
mosca-berneira
mosca-varejeira
noun
1.
clínica/casa/hospital/instituição/unidade de cuidados paliativos
noun
1. opneming in een ziekenhuis
hospitalização
/
hoˈtɛl/, /
ɦoˈtɛɫ/
noun
1. gebouw waar men tegen betaling kan eten en overnachten,...
hotel
/
ˈɦɑʊdə(n)/
verb
1. niet laten varen, het bezit ervan niet verliezen
manter
noun
1. het onder zich hebben van andermans goed
simples detenção
/
ɦɑʊ̯t/, /
[ɦʌ̞̈ʊt]/
noun
1. het materiaal in het binnenste van houtige planten
madeira
lenha
noun
1. bepaalde soort wilde duif, Columba palumbus
pombo-torcaz
/
ˈhɑutə(n)/
adjective
de madeira
verb
1. het met een bijl in houtblokken hakken van boomstammen
cortar
noun
1. iemand die beroepsmatig houthakt
lenhador
noun
1. verkoold hout
carvão
noun
1. een vogel uit de familie van snipachtigen, Scolopacidae
galinhola
verb
1. iets met een scherp werktuig trachten af te hakken
desbastar
/
hovəlɪŋ/
noun
1. een onderdaan die tot het dagelijkse gezelschap van een vorst behoort
cortesão
pronoun
1. bepaalde telescoop die als een kunstmaan rond de aarde draait
telescópio espacial Hubble
pronoun
1. binnenzee in Noordoost-Canada
Baía de Hudson
/
hœːd/, /
ɦœʏ̯t/, /
ɦœːt/
noun
- 2. de buitenbekleding van een schip
forro
tabuado
- 1. vel, de buitenste laag weefsel die het lichaam bedekt
pele
/
hœːx/, /
ɦœʏ̯χ/, /
ɦœːx/
noun
1. een lapje afhangend weefsel aan het uiteinde van het zachte verhemelte, waarmee onder andere het neuskanaal afgesloten kan worden
úvula
/
ɦœy̯lə(n)/
verb
1. traanvocht uitscheiden door emotie
chorar
/
hœːs/, /
ɦœʏ̯s/, /
ɦœːs/
noun
1. gebouw bestemd om in te wonen
casa
noun
1. strafbepaling
prisão domiciliar
noun
1. een arts die de eerste lijn van opvang vormt voor een aantal vaste patiënten in de buurt
médico de família
/
ˈɦœyzdiːr/
noun
1. een dier dat in het huis of om het huis woont en leeft
animal de estimação
noun
1. iemand die een huis bezit
proprietário de casa
noun
1. vrouw die andermans huishouden verzorgt
dona de casa
noun
1. bepaald soort knaagdier dat vaak in en rond gebouwen voorkomt, Mus domesticus
camundongo
noun
1. kleine zangvogel die liefst in de buurt van de mensen leeft
pardal-doméstico
noun
1. iemand die beroepsmatig schilderwerken aan en in gebouwen uitvoerd
pintor de casas
noun
1. een vrouw die thuisblijft om het huishouden te doen
dona de casa
noun
1. schoolwerk dat thuis verricht moet worden
trabalho de casa
noun
1. een machtiging, uitgegeven door justitie, voor het binnentreden van de woning
mandado de busca
noun
1. Delichon urbica, een zwaluw die zijn nest tegen de huizen aanbouwt
andorinha
andorinha-dos-beirais
/
ɦʏlp/
noun
1. handeling om iemand steun of bijstand te verlenen
ajuda
socorro
noun
1. een werkwoord dat samen met een ander werkwoord de tijd of de hoedanigheid van het werkwoord vaststelt
verbo auxiliar
noun
1. bepaald soort groenblijvende boom of heester met stekelige leerachtige bladeren en rode bessen, Ilex aquifolium
azevinho
noun
1.aanhanger van het humanisme
humanista
noun
1. puree van o.m. gekookte kikkererwten
homus
/
ˈɦynəbɛt/
noun
1. neolithische begraafplaats
dólmen
anca
arca
/
ɦyrə(n)/
verb
1. tegen betaling gebruiken
alugar
contratar
fretar
verb
1. op de onderbenen gaan zitten
agachamento
noun
1. stamppot van aardappelen en wortels (eventueel uien)
guisado
/
ɦyr/
noun
1. tijdelijk gebruik van goederen of diensten tegen betaling
aluguer
aluguel
noun
1. de wettelijke bescherming die een huurder heeft in zijn relatie met de verhuurder
arrendamento controlado
noun
1. onderdeel van het burgerlijk recht m.b.t. de huur en verhuur van woon- en bedrijfsruimte
direito de locação
adjective
1. geschikt om in het huwelijk te treden
casável
/
ɦiu̯ələk/
noun
1. ambtelijke of kerkelijke verbintenis tussen twee personen
casamento
matrimônio
noun
1. een voorstel om in het huwelijk te treden
proposta de casamento
noun
1. akte van de burgerlijke stand waarin staat dat twee mensen met elkaar getrouwd zijn
certidão de casamento
/
ˈɦiu̯ələksˌrɛɪ̯s/
noun
1. de reis die een pasgetrouwd stel gewoonlijk onmiddellijk na hun trouwen onderneemt
lua de mel
/
hʊ.ˈzaːʁ/
noun
1. een ruiterijsoldaat.
hussardo
noun
1. chemisch proces waarbij water aan een scheikundige verbinding wordt toegevoegd
hidratação
noun
1. de splitsing van scheikundige verbindingen door opneming van water
hidrólise
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de onderfamilie Hyaeninae
hiena
adjective
1. schoon, gezond
higiénico
noun
1.een instrument om vochtigheid van de lucht te meten
higrometru
adjective
- 1. als in een hyperbool d.w.z. zwaar overdreven
- 1. de vorm van een hyperbool hebbend of daarop lijkend
hiperbólico
noun
1. overmatige zweetafscheiding
hiper-hidrose
noun
1. een gekleurd en/of onderstreept tekstgedeelte dat een onderliggende verwijzing bevat
hiperligação
hiperlink
noun
1. een woord dat een verzameling van verwante specifiekere woorden samenvoegt, een overkoepelende term
hiperônimo
noun
1. verhoogde bloeddruk
hipertensão
noun
1. bovenmatige groei
hipertrofia
verb
1. het onder hypnose brengen van mensen
hipnotizar
noun
1. iemand die beroepsmatig anderen hypnotiseert
hipnotizador
noun
1. overdreven bezorgdheid om de eigen gezondheid
hipocondria
adjective
1. onder de huid toegediend
hipodérmico
/
ˌhipoˈfizə/
noun
1. een klier aan de onderzijde van de hersenen, die o.a. groeihormoon produceert en de schildklier aanstuurt
hipófise
noun
amálgama
palavra-valise
noun
1. lichte vorm van ziekelijke aandrift (psychische opwindingstoestand)
hipomania
noun
1. term die een subcategorie van een algemenere klasse aanduidt
hipónimo
noun
1. lage bloeddruk
hipotensão
noun
1. deel van de hersenen dat een directe verbinding heeft met het hormonale systeem
hipotálamo
noun
1. bezitloos bezwaren van een onroerend goed als onderpand
hipoteca
noun
1. onderkoeling
hipotermia
noun
1. tekortschietende ademhaling
hipoventilação
noun
1. zuurstoftekort in de weefsels
hipóxia
noun
1. Hyssopus officinalis, een gewas met geneeskundige kracht
hyssopo
/
ɦe/
interjection
- 1. uitroep om aandacht
eh
- 5. informele groet
olá
noun
bepaalde suiker die veel in zoete vruchten voorkomt
cottage
adjective
1. door medisch ingrijpen veroorzaakt
iatrogénico
/
iˈbeːris/, /
iˈbɪːris/, /
ɪˈbeːrɪs/
pronoun
1. Uitgestorven taal van Spanje
ibérico
pronoun
1. een Europees schiereiland dat zich ten zuiden van de Pyreneeën bevindt...
Península Ibérica
noun
1. een vogel met een lange gebogen snavel behorend tot de familie Threskiornithidae
ibis
noun
1. een iconenwand die het altaar van het schip scheidt in de Russisch-orthodoxe kerk
iconóstase
noun
- 1. heiligenafbeelding, zoals vereerd in de kerken van het oosten
- 2.
ícone
verb
1. iets gunstiger of zelfs als ideaal beoordelen
idealizar
/
ideja'lɪst/
noun
- 1. iemand die idealen nastreeft
- 2. (filosofie) aanhanger van het idealisme
idealista
noun
1. de volmaaktheid, de hoedanigheid van ideaal te zijn
idealidade
/
iˈde/
noun
1. gedachte, plan
idéia
adjective
1. volledig hetzelfde, van dezelfde oorsprong
idêntico
noun
1. geheel van eigenschappen dat je onderscheidt van anderen en bepaalt wie je bent
identidade
noun
1. een woordsoort van woorden die de associatie met een klank, kleur, gevoel, smaak of andere gewaarwoording oproepen
ideofone
/
ˌideo'ɣrɑm/
noun
1. een grafisch teken dat een voorwerp symboliseert
ideograma
/
ˌideoloˈɣi/
noun
1. het geheel van ideeën dat ten grondslag ligt aan een wijsgerig stelsel, m.b.t. hun maatschappelijke of politieke strekking
ideologia
adjective
1. van, betreffend of volgens een ideologie
ideológico
noun
1. iemand die een ideologie opstelt
ideólogo
noun
1. een verzamelnaam voor muziekinstrumenten die toon/geluid voortbrengen door trillend materiaal
idiofone
adjective
1. het idioom betreffend
expressão idiomática
noun
1. een bijzondere uitdrukking in een bepaalde taal die samengesteld is door eigenaardig taalgebruik
idioma
/
idi'ot/
adjective
1. zwakzinnig in de hoogste graad
idiota
adjective
1. van onbekende oorzaak
idiopático
adjective
1. bekoorlijk door landelijke eenvoud en liefelijkheid
idílico
personalPronoun
1. clitische vorm van de 3e persoon enkelvoud mannelijk nominatief
ele
/
iːr/
noun
1. inwoner van Ierland, of iemand afkomstig uit Ierland
irlandês
/
ˈiːrlɑnd/, /
ˈiːrlɑnt/
pronoun
1. een groot eiland in Noordwest-Europa
Irlanda
/
iːrs/
pronoun
1. een Keltische taal die wordt gesproken in Ierland
irlandês
Gaélico
suffix
- 1. anion in submaximale oxidatietoestand
- 2. mineraal
ita
indefinitePronoun
1. een of ander ding
algo
alguma coisa
/
ˈiɣlo/
noun
1. sneeuwhut
iglu
adjective
1. vol van zelfbewondering, een te hoge dunk hebbend van het eigen voorkomen en/of de eigen bekwaamheden
vaidoso
noun
1. het zich toeleggen op betekenisloze uiterlijkheden
vaidade
/
ɛɪ̯s/, /
ɛːs/
noun
- 1. de vaste vorm van water, bevroren water
- 2. een lekkernij die in bevroren toestand wordt gegeten
gelo
noun
1. bepaald soort zoogdier, Ursus maritimus
urso polar
urso-polar
noun
1. een zeer groot brok ijs dat in de zee drijft
icebergue
noun
1. en 2 (bladeren van) Lactuca sativa var. capitata
alface americana
noun
1. een sterk, krachtig schip dat speciaal gebouwd en uitgerust wordt om zich een weg door het ijs te banen en alzo een vaargeul voor andere schepen te openen.
quebra-gelo
noun
1. bepaald soort vogel Gavia immer
mobelha-grande
noun
1. ijssport waarbij twee teams van ieder vijf personen plus goalie met behulp van een stick een schijfje (puck) in het doel van de tegenstander proberen te schieten
hóquei no gelo
hóquei sobre o gelo
/
ˈɛɪʃə/
noun
1. portie van een uit roomijs of waterijs vervaardigde lekkernij
sorvete
/
ˈɛɪ̯slɑnd/, /
ˈɛɪ̯slɑnt/, /
ˈɛːslɑnt/
pronoun
1.een Europees land, dat omgeven is door de Atlantische Oceaan en tussen Groenland en Europa in ligt. Tot 1944 behoorde IJsland bij Denemarken, maar tegenwoordig is het zelfstandig. De officiële naam is Lýðveldið Ísland.
Islândia
/
ˈɛɪ̯slɑnds/, /
ˈɛɪ̯slɑnts/, /
ˈɛːslɑnts/
pronoun
1. een Germaanse taal die wordt gesproken op IJsland
islandês
noun
1. ijspriem
picador de gelo
/
ˈɛisəl/
pronoun
1. Gelderse IJssel
Issel
noun
1.een theevariant
chá gelado
/
ˈɛɪ̯sfoχɔɫ/, /
ˈɛɪ̯zvoːɣəl/, /
ˈɛːsfoːɣəl/
noun
1. bepaald soort blauwgroen vogeltje met oranje borst en spitse snavel, Alcedo atthis
alcíon
guarda-rios
/
ˈɛi̯zər/
noun
1. een scheikundig element met het symbool Fe en het atoomnummer 26
ferro
noun
1. een verbinding van ijzer en zuurstof, waarin zuurstof de oxidatietoestand -2 bezit
oxido de ferro
noun
1. eenvoudige handelswaren gemaakt van metaal
equipamento
phraseologicalUnit
1. een verklaring van liefde aan iemand
amo-te
/
ˌimiˈtasi/, /
ˌimiˈtatsi/
noun
1. nabootsing
imitação
/
ˌimiˈterən/
verb
1. doen wat iemand anders doet
imitar
noun
1. iemand die bijen houdt voor het verkrijgen van honing
abelheiro
/
ˈɪmiɣrɑnt/
noun
imigrante
noun
1. het zich metterwoon vestigen van vreemdelingen in een land
imigração
verb
1. een land binnenkomen om zich er te vestigen
imigrar
verb
1. beschermen tegen een infectieziekte door het geven van een ongevaarlijke vorm van een micro-organisme dat wel het immuunsysteem stimuleert maar geen ziekte veroorzaakt
imunizar
noun
1. onvatbaarheid voor een ziekte
imunidade
noun
1. de leer van het afweersysteem dat verantwoordelijk is voor: afweer tegen besmettelijke ziekten...
imunologia
adjective
1. met betrekking tot onvatbaarheid voor schadelijke invloeden
imunológico
noun
1. de tijdsafhankelijke mate waarin een materiaal het passeren van elektrische lading bemoeilijkt
impedância
adjective
1. te intiem en niet ter zake doende
impertinente
noun
1. etterige huidontsteking
impetigo
noun
1. een stof, voorwerp, toestel etc. dat in een lichaam wordt aangebracht
implante
verb
1.stilzwijgend ten gevolge hebben
dar a entender
noun
1. het niet geliefd zijn bij veel mensen
impopularidade
noun
1. een organisator van toneeluitvoeringen, concerten enz.
empresário teatral
noun
1. ter plekke verbeterde versie van een muziekstuk, voorlezing enz.
improvisação
verb
1. iets bedenken zonder vooropgesteld plan
improvisar
/
ɪmˈpʏls/
noun
2. product van massa en snelheid
momento linear
preposition
- 1.-12. in (ruimtelijk)
- 2. in (tijdelijk)
em
phraseologicalUnit
1. in een omgeving waar weinig gepresteerd wordt...
na terra dos cegos quem tem um olho é rei
preposition
1. als vervanger van, als vervanging voor
em vez de
verb
1. lucht uit de omgeving opnemen
inalar
/
ˌɪnʌʊɣyˈratsi/
noun
1. de feestelijke of plechtige inwijding in een ambt
inauguração
adjective
1. erbij horend, erbij geteld
incluído
/
ɪmbɪndə/
verb
- 1. door stevige omwikkeling bijeenhouden
- 2. losse geschriften tot een enkel boekwerk verwerken
encadernar
noun
1. het inbreken
arrombamento
noun
3. terugbrengen van een als voorschot op de erfenis geschonken goed dat dient te worden verrekend met het erfdeel
colação de bens
noun
1. iemand die onvoldoende of nooit seks heeft ondanks dit wel te willen
incel
/
ˈɪntʃɛˌkə(n)/
verb
1. zich aanmelden aan een balie om een instapkaart te krijgen en eventueel bagage af te geven.
fazer o check in
preposition
1. met inbegrip van
inclusive
/
ˌiŋkɔmpəˈtɛn(t)si/
noun
incompetência
noun
1. het onvermogen om urine of ontlasting op te houden
incontinência
/
ˌɪndərˈdad/, /
ˌɪndərˈdat/
adverb
1. een bevestiging dat iets het geval is
de verdade
noun
- 1. inhoudsopgave
- 2. index librorum prohibitorum
- 6. indexbestand
índice
/
ˈɪn.di.ja/
pronoun
1. soeverein land in het zuiden van Azië
Índia
noun
1. inwoner van Amerika voor de komst van de Europeanen
índio
indígena
índia
noun
1. de vorm van het werkwoord die de werkelijkheid aangeeft
modo indicativo
/
ɪn.ˈdi.ɣo/, /
ɪn.ˈdi.χo/
noun
1. een kleur die in het het lichtspectrum voorkomt met een golflengte van 440 tot 420 nanometer
anil
phraseologicalUnit
1. zinsdeel dat de actie van een overgankelijk werkwoord niet rechtstreeks ondergaat,...
objeto indireto
/
ˌɪndisəˌosiˈan/, /
ˌɪndisˌə̯osejˈaːn/
pronoun
1. de oceaan die tussen Oost-Afrika en Zuid-Azië ligt
Oceano Índico
noun
1. een scheikundig element en zilvergrijs overgangsmetaal met het symbool In en het atoomnummer 49
índio
adjective
1. afzonderlijk, op zichzelf
individual
verb
1. dwingen om bepaalde opvattingen te aanvaarden
doutrinar
/
ɪndo'nezis/
pronoun
1. een taal die voornamelijk in Indonesië gesproken wordt
indonésio
/
ˌɪn.do.ˈne.zi.jə/
pronoun
1. een land dat bestaat uit een groot eilandengebied tussen Zuidoost-Azië en Australië
Indonésia
verb
1. het veranderen van de economie door het vergroten van de nijverheid
industrializar
noun
1. Nijverheid
indústria
noun
1. document dat bevestigt dat iemand een bepaalde vaccinatie ondergaan heeft
certificado de vacinação
noun
1. verstopping van een ader of slagader, leidend tot de afsterving van weefsel
infarte
/
ɪnfɛk'terən/
verb
contagiar
noun
1. een besmetting van lichaamsweefsel met ziekteverwekkers als bacteriën, virussen, schimmels of...
infecção
/
ɪɱfinitif/
noun
1. het hele werkwoord
infinitivo
noun
1. tussengevoegd morfeem
infixo
noun
1. stijging van het prijspeil waardoor het geld in waarde daalt
inflação
noun
1. de leer van de mechanische verzameling en verwerking van informatie
informática
ciência da computação
noun
1. beoefenaar van de informatica
cientista da computação
noun
segurança da informação
noun
1. samenleving, waarin informatie als de belangrijkste productiefactor gezien wordt.
sociedade da informação
noun
1.
sistema de informação
/
ˈɪɱfrastrʏktyr/
noun
1. het totaal van onroerende voorzieningen zoals (spoor)wegen, vliegvelden,...
infraestrutura
noun
2. een opening waar iets doorheen kan
entrada
/
ˌɪŋʒeˈɲør/
noun
1. iemand die is opgeleid in het hoger onderwijs om allerhande technische problemen op te lossen
engenheiro
adjective
1. bescheiden, rustig, stemmig
absorto
noun
2. verzamelnaam voor de inwendige organen van het darmkanaal
intestino
/
ˈɪŋɣrep/
verb
intervenção
verb
- 2. zich beslissend mengen in het verloop van iets
- 1. handelen om een probleem te voorkomen of op te lossen
intervir
/
'ɪnɦɑm/
noun
desfiladeiro
/
ɪnˈhems/
adjective
1. van oorsprong ergens voorkomend
aborígene
nativo
/
ˈɪnhɑut/
noun
- 1. datgene wat bevat is in een ander lichaam
- 3. alles wat in een geschrift of ander medium staat
conteúdo
noun
1. overzicht van de onderwerpen of hoofdstukken in een boek
conteúdo
noun
1. feestelijke gelegenheid waarbij iemand wordt gehuldigd, zoals een koning/vorst door diens onderdanen, bij aanvaarding van diens ambt
inauguração
/
ˌiniˈtʃalwort/
noun
1. en 2.
sigla
/
ini(t)ʃali'zerə(n)/
verb
1.
inicializar
verb
1. het inbrengen van een vloeistof in een gesloten vat of lichaam middels een holle naald
injectar
/
ˈɪŋkɑpsələ(n)/
verb
1. door weefsels omsluiten
enquistar-se
noun
1. regelmatig verkregen som geld
renda
noun
1. een gekleurde vloeistof waarmee geschreven wordt
tinta
/
ˈɪŋtpot/
noun
1. een meestal glazen of plastic vaatje waar inkt in bewaard wordt
tinteiro
/
ˈɪŋktfɪs/
noun
1. een koppotig weekdier met vangarmen dat een inktachtig vocht afscheidt ter verdediging
lula
verb
1. zich iets op min of meer onrechtmatige wijze meester maken van iets
abarcar
/
ɪ'mplɛnə(n)/
verb
1.
agendar
noun
1. een rechtbank van de Rooms-Katholieke Kerk, die was belast met de opsporing, het onderzoek en het opleggen van straffen van ketters
inquisição
/
'ɪnsxepə(n)/
verb
1. aan boord gaan van een schip voor een reis ermee
embarcar
verb
1. een lidmaatschap of deelnemerschap schriftelijk vastleggen
inscrever
noun
1. geleedpotige met drie paar poten en geen, één of twee paar vleugels
insecto
inseto
noun
1. horizontale draden die tijdens het weven tussen de opgespannen draden van de schering worden ingebracht
trama
verb
2. zich ~: moeite doen
esforçar
noun
1. de fysieke moeite die men voor iets doet
esforço
/
ɪnspi'rasi/
noun
1. een gevoel over hoe men een klus kan aanpakken
inspiração
verb
1. de geest gaande maken
inspirar
noun
1. onbestendigheid
instabilidade
noun
- 3. een min of meer plechtige en officiële inwijding in een bepaald ambt
- 8. een kunstvorm
- 1. de actie van het installeren
instalação
verb
- 2. het invoeren en gebruiksklaar maker van een computerprogramma
- 3. het aanleggen van een installatie
instalar
noun
2. organisatie, die vaak subsidie van de overheid krijgt en geen geld wil verdienen
instituição
noun
1. gedrag dat geheel genetisch bepaald is
instinto
verb
1. zwichten voor de zwaartekracht
colapsar-se
noun
1. het kapot gaan van een constructie door naar beneden vallen
colapso
noun
1. een order, een aanwijzing
instrução
noun
- 2. verkort voor muziekinstrument
- 1. werktuig
instrumento
/
ˌɪnzyˈlinə/
noun
1. een hormoon gemaakt in de bètacellen van de pancreas in de zogenaamde eilandjes van Langerhans, dat de lever aanzet bloedglucose op te nemen en op te slaan in de vorm van glycogeen
insulina
adjective
1. in goede staat, onaangetast
intacto
/
ɪnˈtexə(n)del/
adverb
ao contrário
/
ɪntəˈɣra(t)si/
noun
integração
/
ɪntəɣriˈtɛit/
noun
1. onschendbaarheid, eerlijkheid, oprechtheid
integridade
/
ɪntɛli'xɛnt/
adjective
1. met een goed verstand of daarvan blijk gevend
inteligente
noun
een eigenschap van de werking van de hersenen
inteligência
noun
quociente de inteligência
adjective
1. zeer krachtig, hevig
tenso
noun
1. onderlinge beïnvloeding
interação
adjective
interdisciplinar
adjective
1. wekt interesse
interessante
noun
- 1. belang
- 2. belangstelling
- 3. iets waar belangstelling voor is
interesse
verb
1. nieuwsgierig maken
interessar
/
ĭn'tə(r)lĭng"wə/
pronoun
1. een hulptaal bedoeld is om de communicatie met anderstaligen te vereenvoudigen
interlíngua
adjective
1. inwendig, binnen
interno
/
ɪntərnɑ(t)ʃo'nal/
adjective
1. meer dan één land
internacional
pronoun
Fundo Monetário Internacional
pronoun
Escritório Internacional de Pesos e Medidas
noun
1. een wereldwijd netwerk van computers
Internet
adjective
1. voor interpretatie vatbaar
interpretável
noun
1. uitlegging, vertaling
interpretação
verb
1. uitleggen of opvatten
interpretar
/
'ɪntɛrpɵŋktsi/
noun
pontuação
adjective
1. tussenliggend
interstício
noun
- 1. tussenperiode
- 3. de afstand tussen twee verschillende tonen
intervalo
verb
1.een vraaggesprek met iemand houden
entrevistar
adjective
bijvoeglijk gebruikt
íntimo
noun
1. onverdraagzaamheid
intolerância
adjective
1. in de spier
intramuscular
adjective
1. zonder de mogelijkheid van een lijdend of meewerkend voorwerp
intransitivo
adjective
1. in de ader gelegen of plaatvindend
endovenoso
verb
- 2. met slinkse streken te werk gaan
- 1. interesse wekken, fascineren
intrigar
verb
- 1. iets nieuws inbrengen of invoeren
- 2. een nieuw persoon toegang verschaffen
- 3. iemand voor het eerst voorstellen
introduzir
/
ˈɪntrɔn/
noun
1. stukje DNA dat zich bevindt in een gen maar dat niet wordt gebruikt om het eiwit te coderen
íntron
verb
2 iemands plaats tijdelijk innemen
substituir
noun
1. een opoffering in tijd, geld of mankracht ten behoeve van een doel dat pas op lange termijn wordt behaald
investimento
verb
2. een persoon op een doorgaans vriendelijke en vrijblijvende manier vragen om iets te doen
invitar
/
ˈɪnvluːt/
noun
- 1. inwerking van een persoon, zaak of omstandigheid op een andere
- 2. het vermogen om op anderen in te werken
influência
/
ˈɪnvurə(n)/
verb
2. gegevens in een electronisch apparaat stoppen
digitar
/
ɪɱ.'wɛn.dɪx/, /
ɪɱ.'ʋɛn.dəχ/, /
ɪɱ.'β̞ɛn.dəx/
adjective
interno
verb
2. toegang verschaffen tot een zekere (esoterische…) kennis
filiar
pronoun
1. randzee van de Middellandse Zee, gelegen tussen Zuid-Italië en West-Griekenland
Mar Jônico
/
i'peʔadrɛs/
noun
1. een combinatie van getallen waarmee een computer in een IP-netwerk kan worden herkend
endereço IP
/
i.ˈrɑk/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten dat voor een groot deel in en rond het stroomgebied van de rivieren de Eufraat en de Tigris ligt
Iraque
/
i.ˈrɑn/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten met als hoofdstad Teheran
Irã
Irão
noun
1. een scheikundig element met symbool Ir
irídio
/
ɪroˈniː/
noun
1. vorm van spot
ironia
adjective
1. van geen belang voor de huidige zaak
irrelevante
adjective
1. onomkeerbaar
irreversível
verb
1. op onaangename wijze prikkelen
irritar
noun
1. plaatselijk tekort aan bloedtoevoer
isquemia
noun
1. godsdienst die na alle profeten uit het jodendom en Christus, Mohammed ...
islã
islão
noun
1. ruimtelijke afzondering
isolamento
isolação
verb
- 1. persoonlijk
- 2. chemisch
- 3. elektrisch
- 4. warmte
isolar
noun
1. een verzameling punten constante temperatuur gemeten of waar de temperatuur dezelfde waarde heeft
isoterma
/
ˈɪs.ra.hɛl/, /
ˈɪs.ra.ɛɫ/
pronoun
1. land in het Midden-Oosten, gelegen aan de Middellandse Zee
Israel
pronoun
1. Romaanse taal die gesproken wordt door ongeveer 1.000 mensen in Zuid-Europa
istro-romeno
/
italiˈjaːn/
noun
1. een persoon die uit Italië komt
italiano
/
italiˈjaːns/
adjective
1. betreffende Italië of het Italiaans
italiano
/
italiˈjaːns/
pronoun
1. een Romaanse taal die wordt gesproken in Italië, San Marino, Vaticaanstad, Slovenië en Zwitserland
italiano
/
iˈtaːli.jə/
pronoun
1. een land
Itália
noun
1. gebroken witte kleur zoals de slagtanden van de olifant
marfim
/
i.ˈvoːr.kʏs/, /
i.ˈvoːr.kʏst/, /
i.ˈvo̝ːr.kʏst/
pronoun
een land in West-Afrika, officieel de Republique de Côte d'Ivoir
Costa do Marfim
/
jaː/
adverb
1. duidt bevestiging of instemming aan
sim
/
jaː/
interjection
1. kreet van opwinding
sim
/
'jaxpɑt/
noun
1. een pad langs de kant van een kanaal of vaart waarover eertijds de trekdieren van de trekschuit werden voortgedreven
caminho de sirga
/
ja:r/
noun
1. de duur van een omloop van de aarde om de zon van circa 365 dagen.
ano
/
ˈjar.ləks/, /
ˈjar.lɪks/
adjective
1. eenmaal per jaar
anual
anualmente
/
jɑxt/
noun
- 1. het achtervolgen van wild
caça
- 3. een snel vaartuig
iate
noun
1. hond die speciaal gefokt wordt voor de jacht
cão
noun
1. een hoorn als signaalinstrument op de jacht
trompa de caça
noun
1. landhuis oorspronkelijk bestemt voor jagers
casa dos caçadores
noun
1. zeer snel, betrekkelijk groot Afrikaans katachtig roofdier, Acinonyx jubatus
chita
/
ˈjaːɣə(n)/
verb
1. bewegende wezens proberen te vangen
caçar
noun
1. iemand die op jacht gaat
caçador
noun
1. een vrouw die jaagt
caçadora
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Jagsthausen
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera onca
onça-pintada
jaguar
pronoun
1. hoofdstad van de Indiase deelstaat Rajasthan
Jaipur
noun
1. Canis aureus, hondachtig roofdier
chacal
noun
1. benaming voor bepaald soort mosselachtig schelpdier
vieira
adjective
1. een negatief gevoel veroorzaakt doordat iemand iets heeft of kan krijgen wat je ook wilt hebben of reeds hebt
ciumento
/
jɑluˈziː/
noun
- 1. gevoel
ciúme
- 2. zonnescherm
persiana
/
ʃɛm/
noun
1. een gelei van suiker en gekookt fruit, onder andere gebruikt als broodbeleg
geleia
/
(d)ʒa.mɛɪ̯.ka/, /
dʒɑ.mɑɪ̯.ka/
pronoun
1. een eiland in de Grote Antillen ten zuiden van Cuba en ten westen van het eiland Hispaniola
Jamaica
adjective
1. met het ritme van een jambe
iâmbico
noun
1. een grote bijeenkomst van scouts in de leeftijd van 14 tot 17 jaar uit landen verspreid over de gehele wereld die eens per 4 jaar wordt georganiseerd
jamboree
noun
1. bepaalde zeevogel, Morus bassanus
alcatraz
/
jɑnyˈwaːri/
noun
1. de eerste maand van het jaar
janeiro
Janeiro
pronoun
- 2. Romeinse god
- 3. maan
Jano
/
jaˈpɑn/, /
jɑˈpɑn/
pronoun
1. een land in het oosten van Azië
Japão
/
jɑ'pɑns/
adjective
1. betreffende Japan of het Japans
japonês
/
jɑ'pɑns/
pronoun
1. een taal die in Japan gesproken wordt
japonês
pronoun
1. taalfamilie van Japans en een tiental verwante talen die in Japan worden gesproken
línguas japónicas
/
jɑr.ˈɣɔn/
noun
2. vaktaal, taalgebruik binnen een bepaalde groep, vaak moeilijk te volgen voor een buitenstaander
jargão
pronoun
1. een taal die door meer dan 75 miljoen mensen op Java en Bali gesproken wordt
javanês
jau
/
'jɑʋɛl/
adverb
ja, antwoordend op een ontkennende vraag
sim
/
ˈjemən/, /
ˈjeːmən/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel de Republiek Jemen
Iémen
Iêmen
noun
- 2. vrucht
baga de zimbro
- 1. Juniperus communis
zimbro
/
ˈjøːxt/
noun
1. het jong zijn
juventude
noun
albergue da juventude
/
ˈje.zʏs/
pronoun
1. centrale figuur in het Nieuwe Testament
Jesus
pronoun
1. Jezus van Nazareth
Jesus Cristo
/
je.zy.ˈit/
noun
1. een lid van de Sociëteit van Jezus
jesuíta
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het oosten van het land
Jharkhand
noun
1. een pijnlijke ontsteking als gevolg van gekristalliseerd uraat in een gewricht
gota
pronoun
1. Germaanse taal die door de Joden in West-Europa gesproken werd
iídiche
/
jEi/, /
jɛɪ̯/, /
jɛː/
personalPronoun
1. aangesproken persoon enkelvoud informeel
tu
te
/
ˈjodələ(n)/
verb
1. zingen met een snelle wisseling van borst- naar keelstem
cantar à tirolesa
noun
1. scheikundig element met symbool I en atoomnummer 53
iodo
pronoun
Jugoslávia
Iugoslávia
pronoun
- 2.1 een van de vier Evangeliën
- 4. spelwoord voor de letter j
João
noun
alfarroba
alfarrobeira
adjective
1. van geringe leeftijd
jovens
jovem
noun
1. onvolwassen man
rapaz
menino
/
jɔŋˈle.rə(n)/
verb
escamotear
/
jɔŋˈlør/
noun
- 2. rondreizend artiest
- 1. rondreizend kunstenaar
- 3. de artiest die zo veel mogelijk objecten weet op te gooien...
malabarista
noun
- 1. aanhanger van het joodse geloof
judeu
- 1. element jodium
iodo
adjective
1. te maken hebbend met het joodse geloof, het jodendom
judaico
phraseologicalUnit
1.
Deus sabe
/
jɔr.ˈda.ni.jə/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië
Jordânia
noun
3. een kleinigheid, helemaal niets
iota
noun
verslaggever, iemand die nieuwsfeiten publiceert
jornalista
/
jɑu̯/
possessivePronoun
1.
teu
/
jybələ/
verb
1. juichen
exultar
noun
1. feestelijke herdenking van de dag waarop iets gebeurde of begon
jubileu
pronoun
2. boek in de Bijbel
Judas
noun
1. vriendelijk gebaar van een iemand die veinst een vriend te zijn, kort voordat zijn ware bedoelingen duidelijk worden
beijo de Judas
/
'jy.do/
noun
1. een Japanse vechtsport
judô
judo
noun
1. bepaald soort eenjarige plant met sterk greduceerde veerdelige bladeren, Nigella damascena
barba-de-velho
noun
1. houten pasvorm die op de schouders gedragen wordt en twee te dragen gewichten verbindt
jugo
noun
1. een van de beenderen van de schedel
zigoma
/
jyˈlɛi/
noun
1. de zevende maand van het jaar
julho
Julho
pronoun
Revolução de Julho
/
ˈjʏli/
personalPronoun
1.
vocês
vós
/
ˈjʏli/
possessivePronoun
1. jullie
seu
sua
noun
1. de zesde maand van het jaar
junho
Junho
noun
1. een verzamelnaam voor snel bereid en geserveerd voedsel dat vaak ongezond is
besteira
/
ˈjypiˌtɛr/
pronoun
Júpiter
adjective
1. betrekking hebbend op het recht en de rechtsleer
jurídico
noun
1. een deskundige op het gebied van rechtsleer
jurista
/
jʌrək/
noun
1. een kledingstuk voor vrouwen dat van de schouders tot op de benen reikt
vestido
noun
1. een groep mensen die oordeelkundig geacht wordt en gevraagd een oordeel ergens over uit te spreken
júri
noun
1. saus voor spijzen, bereid uit vleesnat
molho
adjective
de bastvezels
juta
noun
1. sieraad van grote schoonheid en hoge waarde
gema
noun
1. iemand die juwelen vervaardigt en erin handelt
joalheiro
noun
1. krokodilachtige uit de onderfamilie Caimaninae van de familie alligators
jacaré
noun
1. deel van schedel waarin tanden en kiezen zitten
mandíbula
noun
1. een mogelijk dodelijke infectieziekte veroorzaakt door Colistridium tetani
tétano
adjective
1. zonder of met heel weinig hoofdhaar, veren, bladeren, begroeiing, enzovoort
calvo
noun
1. het kaal zijn
calvície
noun
1. (landbouw) het vellen van alle bomen op een stuk grond
corte raso
noun
1. een in zee vooruitstekende landpunt
cabo
pronoun
1. de naam van de zuidwestelijkste punt van Afrika
cabo Arkona
pronoun
1. de naam van de zuidwestelijkste punt van Afrika
Cabo da Boa Esperança
pronoun
1. een van de hoofdsteden van Zuid-Afrika, gelegen bij de Kaap de Goede Hoop
Cidade do Cabo
/
ˈkaːp.stɑn.dər/
noun
1. kaapstander
cabrestante
pronoun
1. taal gesproken door 926 078 mensen in Kaapverdië, Frankrijk, ...
caboverdiano
/
kab.ˈvɛr.di.jə/, /
kap.ˈfɛr.di.jə/
pronoun
1. een land in West-Afrika
Cabo Verde
/
kars/
noun
1. een staaf of klomp van brandbaar materiaal met een lont
vela
noun
- 2. bedrukt kartonnen vel dat met de post verstuurd kan worden
- 3. kartonnen of plastic vel uit een kaartspel, om mee te spelen
cartão
- nog in te delen vertalingen
mapa
/
kartspɛl/
noun
- 1. een spel met speelkaarten
jogo de cartas
- 2. een spel kaarten
jogo de cartão
noun
1. voedingsproduct gemaakt van gestremde melk
queijo
/
'kɑbələ(n)/
verb
1. zacht stromen en geluid maken
murmurar
noun
1. lijn van 3 tot 6 ineengedraaide touwen van hennep, kunststof, staal of ander materiaal
cabo
noun
1. Gadus morhua, middelgrote zoutwatervis
bacalhau
/
'kabul/
pronoun
1. Afghaanse stad/provincie
Cabul
noun
1. sprookjesfiguur
gnomo
anãozinho
/
ˈkɑ.xəl/, /
ˈkɑ.xəɫ/, /
ˈkɑ.χɔɫ/
noun
1. een apparaat waarin energie wordt omgezet in warmte met de bedoeling een ruimte te verwarmen
fogão
pronoun
1. Tibeto-Birmaanse taal gesproken door 900 duizend mensen in Myanmar
Cachim
/
ˈkɑxtəl/, /
ˈkɑxtəɫ/, /
ˈkɑχtəɫ/
noun
1. een jong van een paard.
potro
patim
noun
1. dood lichaam van een dier
cadáver
/
ˈkɑdiʃ/
noun
1. een joods gebed waarin Gods naam wordt geheiligd
kadish
noun
- 2. situationele context, raamwerk, verband
chassis
- 3. geschoolde medewerkers in een organisatie
elenco
- 1. rand die om iets (m.n. een afbeelding of schilderij) heen wordt aangebracht
moldura
/
kɑf/
noun
1. de vliezen rondom de graankorrels
moinha
noun
1. een gesloten kano om in wild water of op zee te varen
caiaque
noun
1. overdekte gemeenschappelijke verblijfplaats op schepen
camarote
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Blattodea
barata
noun
1. rommelig geheel van vele klanken door elkaar
cacofonia
noun
1. tabel die de verdeling van het jaar in dagen, weken of jaren aangeeft, evt. met feestdagen enz.
calendário
noun
1. jong van het rund en sommige andere zoogdieren.
bezerro
terneiro
noun
1. scheikundig element met symbool K en atoomnummer 19
potássio
/
ˈkɑl(ə)k/
noun
aanduiding voor een aantal alkalische zouten van calcium
cal
noun
1. bepaald soort gedomesticeerde vogel, Meleagris gallopavo
peru
/
ˌkɑ.lɪ.ˈpi.ɣɪs/
adjective
1. met een mooi achterste
bundudo
/
kɑlm/
adjective
1. weinig in beroering, zonder opwinding
calmo
/
ˈkɑlmus/, /
ˈkɑɫmus/
noun
cálamo
/
kɑm/
noun
1. getand object om haren mee te verzorgen
pente
/
kɑ'mel/
noun
1. bepaald soort hoefdier met twee bulten op de rug, Camelus bactrianus
camelo
/
ka'melejɔn/
noun
- 1. tropische hagedis vooral bekend voor zijn snelle kleurveranderingen
- 2. veranderlijk persoon
camaleão
noun
1. deel van een huis
câmara
quarto
noun
1. een lange huisjas
robe
/
ˌka.mə.ˈrun/
pronoun
1. een land in Midden-Afrika, officieel de Republiek Kameroen
Camarões
noun
1.
orquestra de câmara
noun
1. elk van de planten van het geslacht Matricaria
camomila
noun
1. mannenvest met lange mouwen en diepe zakken
camisola
/
kɑmə(n)/
verb
1. met een kam haar in orde brengen
pentear
noun
- 1. een plaats waar een aantal troepen geruime tijd of permanent gehuisvest zijn
- 2. een kampeerplaats met een groep van bij elkaar horende tenten
acampamento
verb
1. een vorm van openluchtrecreatie
acampar
noun
1. geslacht van klimstruiken (Lonicera)
madressilva
/
kɑmpiun/
noun
1. de winnaar van een kampioenschap
campeão
noun
1. wedstrijd waar bepaald wordt wie de kampioenstitel mag dragen
campeonato
noun
vuur in een kamp waaromheen mensen zich (ter gezelligheid) verzamelen
fogueira
noun
1. serviesgoed om vloeistoffen uit te schenken
jarra
verb
1. rechttrekken tot een kanaal
canalizar
noun
1.1 bepaald soort vogel Serinus canarius
canário
pronoun
1. een stad gelegen in Zuid-Afghanistan en de hoofdstad van de gelijknamige provincie
Kandahar
/
kɑndiˈdat/
noun
- 1. iemand die zich verkiesbaar gesteld heeft voor een politiek ambt
- 2. iemand die zich beschikbaar gesteld heeft voor een baan of functie
candidato
/
kɑˈnel/
noun
1. een specerij van de gedroogde binnenbast van de kaneelboom,...
canela
noun
1. tot poeder vermalen kaneel
canela em pó
noun
1. benaming voor zoogdieren uit het geslacht Macropus
canguru
noun
1. een aandoening die gekenmerkt wordt door het ongecontroleerd vermenigvuldigen van cellen
cancro
câncer
pronoun
1. taal die in de Indische staat Karnataka gesproken wordt
canarim
noun
- 1. mens die of dier dat vlees van zijn eigen soort eet
canibal
- 2. woesteling
selvagem
noun
1. een instrument om explosieve projectielen weg te schieten
canhão
noun
2. een mooie gelegenheid
chance
noun
- 1. eerste minister
- 2. hoofd van een kanselarij
chanceler
/
kɑnt/
noun
1. een vorm van vlechtwerk
renda
/
kɑnˈtel/
noun
1. elk van de opstaande delen van de getande bovenkant van (oude) verdedigingsmuren
ameia
noun
1. eetgelegenheid in bedrijven, scholen, verenigingen
cantina
pronoun
een Chinese taal gesproken door ongeveer 54 miljoen mensen in het zuiden van China en ook buiten het land
cantonês
noun
1. een instelling waar allerlei administratieve handelingen worden uitgevoerd
escritório
noun
1. een gebouw waarin één of meer organisaties hun kantoor hebben ondergebracht
edifício de escritórios
noun
1. een titel die aan bepaalde geestelijken wordt verleend binnen enkele christelijke kerkgemeenschappen.
cônego
/
kɑp/
noun
2. een bedekking van het hoofd
capuz
noun
1. klein kerkgebouw
capela
noun
1. een priester van de katholieke kerk, werkzaam in een parochie
capelão
noun
1. vroegere zeerover...
corso
/
ˈka.pər.ˌbrif/
noun
1. een brief door de overheid of koning werd geschreven, waarmee een schip dat die brieven aan boord had het recht werd gegeven om schepen van vijandelijke mogendheden aan te vallen en leeg te roven
carta de corso
noun
1. markt waarop vermogenstitels worden verhandeld met een onbepaalde looptijd, of met looptijden vanaf circa twee jaar
mercado de capitais
noun
1. (beroep) (scheepvaart) gezagvoerder van een schip [1], bijv. van een koopvaardijschip
capitão
/
'kɑpmɛs/
noun
1. stevig mes
machete
catana
adjective
3. erg verdrietig of geschokt
devastado
/
ka'pɔtʲə/
noun
2.
camisinha
/
'kɑ.pər.tʲə/
noun
2. klein groen bloemknopje van de kappertjesplant, Capparis spinosa, dat meestal op zuur bewaard wordt en dat als kruiderij gebruikt wordt
alcaparra
/
kɑpsɛɪ̯zə(n)/, /
kɑpsɛːzə(n)/
verb
1. ondersteboven komen liggen
soçobrar
noun
1. de manier waarop het haar geknipt is
penteado
noun
1. een geweer met ingekorte loop en soms ook ingekorte schoudersteun
carabina
noun
1. tafelfles met wijde buik en smalle hals
decanter
noun
- 1. aard
- 2. letter
caráter
verb
caracterizar
caraterizar
noun
1. gebrande suiker
caramelo
noun
1. vorm van vermaak, waarbij muziek wordt afgespeeld van een lied, en de amateur zanger in een microfoon de tekst (die op een televisiescherm te lezen is) live zingt
karaokê
noun
1. japanse gevechtsport
caratê
karatê
/
kɑrboˈnadə/
noun
1. een stuk vlees van een varken, kalf of lam
costeleta
noun
1. bepaald soort zoogdier, Bubalis bubalis
búfalo
noun
plant en zaad
cardamomo
noun
1. hoge geestelijke in de hiërarchie van de Rooms-Katholieke Kerk,...
cardeal
noun
1. en 2. bladeren van Cynara cardunculus
cardo
pronoun
1. een aan het Fins verwante taal die wordt gesproken in Karelië, Rusland en Finland
careliano
carélio
/
kɑˈrelɪə/
pronoun
1. deel van Rusland
Carélia
noun
1. een zoogdier uit de familie der hertachtigen
caribu
noun
1. een rode kleurstof die wordt gewonnen uit een soort schildluis, de Cochenilleluis, Dactylopius coccus Costa
carmesim
noun
1. de rode kleur van karmijn
carmesim
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het zuiden van het land
Karnataka
noun
1. gefermenteerde melk
leitelho
noun
1. bepaald soort grote zoetwatervis met een hoge rug, die van oorsprong uit Azië komt, Cyprinus carpio
carpa
noun
1. de verzameling verschijnselen die samenhangen met de oplosbaarheid van kalksteen onder invloed van koolzuur in de atmosfeer
carso
/
kɑrˈtɔn/
noun
1. bordpapier
papelão
noun
plant, zaad en specerij
alcaravia
cominho
/
'kɑs/
noun
- 1. de bak die het ontvangen geld bevat
caixa
- 3. een doorzichtige -meest glazen- constructie...
estufa
pronoun
1. een Westslavische taal die gesproken wordt in het oosten van Pommeren
pomerano
pronoun
1. een grote door land omsloten zoutwatervlakte op de grens van Europa en Azië
mar Cáspio
noun
- 1. plaats waar men aankopen betaalt in een winkel
caixa
- 3. machine om ontvangen geld te registreren en te bewaren
caixa registradora
noun
1. iemand die het beheer heeft over de kas en de mutaties ervan bijhoudt
caixa
/
kɑs/, /
kɑst/
noun
1. een meubel om gebruiksvoorwerpen in op te bergen, meestal voorzien van horizontale schappen
armário
noun
- 1. de vrucht
castanha
- 1. de boom
castanheiro
noun
1. streng gescheiden stand binnen de hindoeïstische samenleving
casta
noun
1. een middeleeuwse versterkte woning
castelo
noun
1. benaming voor vogels uit het geslacht Casuarius
casuar
noun
1. bepaald soort zoogdier, Felis sylvestris catus
gato
noun
1. geheel van de afbraakprocessen in een lichaam
catabolismo
noun
- 1. belegeringswapen
- 3. lanceerinrichting voor vliegtuigen
catapulta
- 2. speeltuig
fisga
estilingue
baladeira
noun
2. gevolgen van alcoholgebruik
ressaca
/
kɑtədral/
noun
1. een hoofdkerk van een bisdom
catedral
noun
1. buisje dat tijdelijk in een lichaamsholte wordt aangebracht, bijv. om lichaamsvocht op te vangen of een medicijn toe te dienen
cateter
noun
1. inbrenging van een katheterslangetje
cateterização
noun
1-2 scheikunde + elektronica
catódio
cátodo
/
ˌka.to.ˈlik/
adjective
- 1. overeenkomstig de geloofsleer van de Katholieke Kerk
- 2. te maken hebbend met de Katholieke Kerk
católico
/
kɑˈtun/
noun
1. een zachte vezel die uit de opperhuid (epidermis) van de zaden van de katoenplant groeit
algodão
noun
1. een werktuig dat het mogelijk maakt een last met een beperkte kracht te verplaatsen
polia
roldana
noun
1. bepaald soort loofboom Salix viminalis
vimeiro
pronoun
1. gebergte
Cáucaso
noun
1. Corvus monedula, eem zwarte kraaiachtige zangvogel met een grijze nek
gralha-de-nuca-cinzenta
noun
1. een zacht samenhangend snoepgoed dat niet bedoeld is om in te slikken
chiclete
chuinga
pronoun
1. een taal die van oorsprong door de Kazachen in Kazachstan gesproken werd
cazaque
/
ˈka.zɑx.stɑn/, /
ˈka.zɑχ.stɑn/
pronoun
1. een land in Centraal-Azië en het uiterste oosten van Europa
Cazaquistão
noun
1. inwoner van Kazachstan
cazaque
noun
1. een tegen vijandelijk vuur gedekte en van schietgaten voorziene ruimte voor de opstelling...
casamata
noun
1. gebouw waar soldaten gelegerd zijn
caserna
noun
1. een mouwloos opperkleed dat door een priester gedragen wordt bij het lezen van de mis
casula
pronoun
1. oudste zoon van Adam en Eva
Caim
/
keːl/
noun
- 1. voorste, uitwendige gedeelte van de hals
garganta
- heraldiek
goles
noun
1. pijnlijke irritatie van het slijmvlies in de keelholte, meestal door een ontsteking ervan
dor de garganta
/
keːp/
noun
2. kleurrijke vinkensoort
tentilhão-montês
noun
1. telkens terugkerend tijdstip waarop iets gebeurt
vez
pronoun
1. stad in Namibië
Keetmanshoop
/
ˈke.xəl/
noun
1. een meetkundig lichaam met een cirkel als grondvlak en uitlopend in een punt
cone
noun
1. een kromme gevormd door het snijden van een kegel met een plat vlak
cônica
seção cônica
cónica
noun
1. een monarch van de allerhoogste rang, oorspronkelijk die van het Romeinse rijk
imperador
noun
1. een vrouwelijke monarch van de allerhoogste rang, oorspronkelijk die van het Romeinse rijk
imperatriz
noun
1. een gebied waar een keizer het staatshoofd is
império
noun
1. operatieve verlossing
cesariana
noun
1. een ondergrondse bergruimte
cave
porão
/
kɛɫt/
noun
1. lid van een Indo-Europees volk waarvan na de Romeinse tijd de meeste leden op de Britse eilanden en in Bretagne leven
Celta
/
kɛɫtən/
noun
2. Indo-Europees volk waarvan de meeste leden op de Britse eilanden en in Bretagne leven
celtas
/
ˈkɛl.tis/, /
ˈkɛɫ.tis/
adjective
1. met betrekking tot Kelten
celta
/
ˈke.ni.ja/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika, de Republiek Kenia, grenzend aan Somalië, Ethiopië, Oeganda, Tanzania en de Indische Oceaan
Quénia
verb
- 1. bekend, vertrouwd zijn met
- 2. door studie of oefening geleerd hebben
conhecer
/
ˈkɛnɪs/
noun
1. wat je weet of hebt geleerd
conhecimento
noun
1. militair hoofddeksel met klep
quepe
/
ˈkɛpəl/
noun
1. hoofddeksel in de vorm van een ondiep bolsegment
kipá
quipá
noun
1. een ingesneden groef
chanfro
/
kɛrk/
noun
- 1. openbaar gebouw voor religieuze handelingen of samenkomsten
- 2. Christelijke organisatie voor beleving van een specifieke christelijke godsdienst
- 3. Georganiseerde groep die bepaalde christelijke standpunten aanhangt
igreja
templo
/
ˈkɛrk.bɑŋk/
noun
1. harde langwerpige constructie waar in een kerkgebouw waarop gelovigen tijdens een dienst kunnen zitten
banco de igreja
noun
1. de bovenste bedekking van een christelijk religieus gebouw
telhado da igreja
noun
1. bijeenkomst van een christelijke gemeente waarin God vereerd wordt
culto divino
/
ˈkɛr.kə.lək/
adjective
1. verband hebbend met de kerk
eclesiástico
/
kɛrkər/
noun
1. een ondergrondse ruimte die bestemd is voor het opsluiten van gevangenen
calabouço
noun
1. terrein waar overledenen begraven worden
cemitério
/
ˈkɛr.klɔk/
noun
1. een bel in de toren van een kerk
sino
/
ˈkɛrgœːl/, /
ˈkɛrkœʏ̯ɫ/, /
ˈkɛrkœːl/
noun
1. bepaald soort vogel, Tyto alba
coruja-das-torres
noun
1. een feest met attracties
quermesse
noun
1. energie geproduceerd door kernfusie of kernsplijting, waarmee in een kerncentrale elektriciteit wordt opgewekt
energia nuclear
noun
1. het proces waarbij twee atoomkernen botsen en één zwaardere kern vormen waarbij energie vrij komt
fusão nuclear
noun
1. ouders en hun minderjarige kinderen
família nuclear
noun
1. een rampzalige gebeurtenis waarbij de brandstof van een kernreactor smelt door het wegvallen van de koeling
derretimento nuclear
noun
1. een vrij zware fractie alkanen die met name als vliegtuigbrandstof gebruikt wordt
querosene
noun
1. steenvrucht van een kersenboom, Prunus subg. Cerasus
cereja
noun
1. benaming voor bomen waaraan kleine ronde vruchten groeien, uit het ondergeslacht Prunus subg. Cerasus
cerejeira
/
kɛr.ˈsta.vɔnt/, /
kɛr.ˈz(d)a.vɔnd/
noun
véspera de Natal
/
ˈkɛrsd.bom/, /
ˈkɛrz.bom/
noun
1. rond Kerstmis opgestelde naaldboom met allerlei versieringen
árvore de Natal
/
ˈkɛrs.dɑx/, /
ˈkɛrs.dɑχ/, /
ˈkɛrz.dɑx/
noun
dia de Natal
/
ˈkɛr.stə.ˌnə(n)/
verb
2. heidense volkeren, al dan niet massaal, tot het christendom bekeren; veelal in historische context
cristianizar
/
ˈkɛr.stə.ˌnɪŋ/
noun
1. het proces waarbij heidense volkeren zich, al dan niet massaal, tot het christendom bekeren
cristianização
/
ˈkɛrs.kart/, /
ˈkɛrst.kart/
noun
1. een wenskaart die wordt gekenmerkt door een kerstgroet en wensen voor het komende nieuwe jaar
cartão de Natal
/
ˈkɛrs.lid/, /
ˈkɛrst.lit/
noun
1. een op Kerstmis betrekking hebbend lied
cantigas de Natal
cantiga de Natal
/
ˈkɛrs(t)məs/, /
ˈkɛrsmɪs/, /
ˈkɛrstmɪs/
noun
1. een feest ter herinnering van de geboorte van Jezus met een vieringsdatum die verschilt per christelijke traditie
Natal
/
ˈkɛr.sto.ˌmat/
noun
1. een trostomaat zo groot als een kers
tomate-cereja
/
ˈkɛr.stɑl/, /
ˈkɛr.stɑɫ/
noun
1. een voorstelling van de geboorte van Jezus met figuren van hout of gips, die vooral in katholieke gezinnen rond Kerstmis in huis te vinden is, vaak onder de kerstboom
presépio
/
ˈkɛrst.fər.ˌsiː.rɪŋ/, /
ˈkɛrz.vɛr.ˌsiː.rɪŋ/
noun
1. aangekochte of zelfgemaakte voorwerpen die gebruikt worden ter versiering ter gelegenheid van Kerstmis
decoração natalina
noun
2. keukenkruid
cerefólio
cerefolho
verb
1. met een scherp voorwerp een insnijding trachten te maken in een hard oppervlak
chanfrar
noun
1. een saus op basis van tomaten
ketchup
noun
1. meestal rond metalen vat, vaak geschikt om onder druk gezet te worden
caldeira
/
ˈke.təl.dɑl/, /
ˈke.təɫ.dɑɫ/, /
ˈkeː.təl.dɑl/
noun
1. een half cirkelvormige vallei gevormd door de erosie die een gletsjer veroorzaakt
circo
noun
1. uit losse, vaak metalen, schakels in een enkele rij aaneengeregen voorwerp
cadeia
noun
zuurvergiftiging bij suikerziekte
cetoacidose
noun
1. iemand die vanwege afwijking van de katholieke leer tot misdadiger verklaard was
herege
/
ˌkɛtəˈrɛɪ/
noun
1. het ingaan in woord of gedachte tegen de doctrines van de kerk
heresia
noun
4. een snoer bestaande uit een draad die door doorboorde kralen of andere voorwerpen gevoerd is
colar
noun
1. motorzaag die een ketting met getande schakels heeft
motosserra
/
ˈkøːkə(n)/
noun
- 1. een plaats waar gekookt wordt, ruimte waarin mensen hun voedsel bereiden
- 2. de wijze waarop in een land of streek gekookt wordt
cozinha
noun
1. een lokaal, Ripuarische dialect dat in Keulen wordt gesproken
kölsch
/
'kø:s/
noun
gelegenheid
escolha
noun
1. het besluit om uit verschillende mogelijkheden er één te nemen
escolha
/
ˈkevər/, /
ˈkɛvər/
noun
1. bepaald insect
besouro
/
ˈkiːbɔː(r)d/, /
ˈkiːbɔː(r)t/
noun
- 1. een elektronisch muziekinstrument met een toetsenbord
- 2. een apparaat waarmee, door toetsen in te drukken, gegevens in een computer ingevoerd kunnen worden
teclado
pronoun
1. taal die in Cambodja gesproken wordt
Khmer
noun
1.1 benaming voor roofvogels uit het geslacht Circus
tartaranhão
noun
1. verlenging van de onderzijde van een (zeil)schip
quilha
noun
1. spoor van waterstroom (achter een schip)
esteira
/
'kim.ʋɔr.təl/
noun
1. eerste worteltje van een zaailing
radícula
noun
1. een gebied, waar bij verkiezingen op dezelfde kandidaten kan worden gestemd
círculo eleitoral
noun
1. de wijze waarop de volksvertegenwoordiging bij verkiezingen wordt gekozen.
sistema de votação
noun
1. ademhalingsorgaan van vele in water levende dieren
brânquia
pronoun
1. de hoofdstad van Oekraïne
Kiev
noun
1. (scheikunde) een zwak zuur dat is afgeleid van siliciumdioxide
ácido silícico
verb
kiezen voor iets
decidir
noun
1. iemand die kijkt
espectodor
noun
- 2. een dubbele haak ter bevestiging van een touw
cunhot
- 1. benaming voor amfibieën uit de orde Anura
rã
noun
1. en 2. (zaden van) de plant Cicer arietinum
grão-de-bico
abbreviation
1. kilogram
quilograma
kilograma
noun
1. duizend meter
quilómetro
quilômetro
noun
1. meetinstrument dat de totaal afgelegde afstand in kilometers aangeeft
hodómetro
noun
1. het vooruitstekende deel van de onderkaak
queixo
mento
noun
- 1. mens tussen 0 en 18 jaar
- 2. persoon voortkomend uit
criança
filho
noun
1. een arts die gespecialiseerd is in de behandeling van kinderen
pediatra
noun
1. een kamer die speciaal is ingericht voor kinderen
quarto de bebê
noun
1. de behandeling van een kind met het toebrengen van fysieke of psychische schade als doel
abuso contra a criança
noun
1. een voertuig waarin zuigelingen of kleuters met de hand verreden kunnen worden
carrinho de bebé
noun
1. kind dat deelneemt aan een gewapend conflict
criança-soldado
adjective
1. wat beweging veroorzaakt
cinético
/
kɪŋk(h)ust/
noun
1. een bepaalde kinderziekte die veroorzaakt wordt door de bacterie Bordetella pertussis
pertússis
coqueluche
pronoun
1. officiële taal van Ruanda, behoort tot de Bantoe-talen
quiniaruanda
/
kɪp/
noun
- 2. kippenvlees
franga
- 1. Gallus gallus domesticus, gedomesticeerde vogel uit de familie van de hoenderachtigen
frango
galinha
noun
hok voor kippen
galinheiro
/
ˈkɪpəvɛɫ/
noun
1. het verschijnsel waarbij als gevolg van kou de huid gaat kleine bubbeltjes vertoont
arrepio
noun
1. voer speciaal geschikt voor kippen
ração para aves
pronoun
1. de taal die in Kirgizië gesproken wordt
quirguiz
/
kɪr.ˈɣi.zi.jə/, /
kɪr.ˈχi.zi.jə/
pronoun
1. een land in Centraal Azië, officieel de Kirgizische Republiek, dat geheel door land omsloten is
Quirguistão
Quirguizistão
/
ˌki.ri.ˈbɑs/
pronoun
1. land in Oceanië, officieel de Republiek Kiribati
Quiribáti
Kiribati
pronoun
1. de officiële taal van Burundi
rundi
/
kɪts/
adjective
1. een zeiljacht met twee langsgetuigde masten
ketch
noun
1. schijnkunst die niet aanslaat met veel versieringen en/of de verkeerde materialen waarvan de meeste mensen denken dat het wansmaak is
kitsch
noun
2. vrucht van plantengeslacht Actinidia
quiuí
quivi
/
ˈklaːr ɪs kes/
interjection
no papo
pronoun
1. denkbeeldig mannetje dat mensen 's nachts iets in de ogen strooit zodat ze kunnen slapen
Pedro Chosco
noun
1. een aanklacht
distúrbio
verb
1. ongenoegen uiten
queixar-se
noun
1. in het algemeen wordt hiermee het totaal aan eigenschappen van een geluid aangeduid
som
/
ˈklɑŋk.və.ˌrɑn.də.rɪŋ/
noun
1. het verschijnsel dat een klank in een taal in de loop van de tijd vervangen wordt door een andere klank
mudança fonética
noun
1. afnemer van een product of dienst van een leverancier
cliente
freguês
noun
2. bestraffing
palmada
noun
1. bepaald soort zoogdier, Cystophora cristata
foca-de-crista
verb
1. applaudisseren
bater palmas
noun
1. Papaver rhoeas, een plant met een felrode bloem uit de familie Papaveraceae
papoula
papoila
noun
1. ± stuk rundvlees van de borst of klaprib, dat langdurig in een oven gebraden wordt
peito
noun
1. een houten blaasinstrument waarop de melodie wordt gespeeld in een harmonie
clarinete
noun
1. het helder maken van een vloeistof
clarificação
/
klɑs/
noun
1. een groep leerlingen die een tijdlang gezamenlijk les krijgen
aula
noun
1. een ruimte in een school voor het geven van les aan scholieren
sala de aula
/
klʌu/
noun
- 1. poot van een roofdier
- 2. hand
garra
noun
1. toetsinstrument
cravo
verb
1. kleren aandoen
carregar
noun
1. het textiel voor de bedekking van het lichaam
roupa
noun
1. rijstsoort die veel zetmeel bevat
arroz glutinoso
noun
1. iemand wiens beroep bestaat uit het maken van kleding.
alfaiate
noun
1. nachtvlindersoort waarvan de rupsen textiel eten
traça-das-roupas
/
klɛɪ̯/, /
klɛː/
noun
1. zeer fijne, vochthoudende grondsoort
argila
adjective
1. van geringe grootte
pequeno
/
ˈklɛɪndɔxtər/
noun
1. een dochter van iemands kind, een vrouwelijk kleinkind
neta
pronoun
1. een hoog aan het noordelijk halfrond duidelijk sterrenbeeld
Ursa Menor
noun
1. bepaald soort meeuw, Larus glaucoides
gaivota-polar
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Leo Minor
noun
1.
gaivota-de-asa-escura
noun
1. bepaald soort zoetwatervis, Cobitis taenia
verdemã
phraseologicalUnit
1. een interval dat drie halve tonen omvat
terça menor
/
ˈklɛːnɣɛlt/
noun
1. geld in kleine coupures, vooral in munten
trocado
/
ˈklɛːŋkɪnt/, /
ˈklɛːɪŋkɪnt/
noun
1. kind van zoon of dochter
neto
neta
noun
1. een zoon van iemands kind, een mannelijk kleinkind
neto
noun
1. verstelbare afsluiting
válvula
noun
1. de onweerstaanbare drang om te stelen
cleptomania
/
ˈkleː.rən/
noun
1. kleding of kledingstukken
roupa
verb
2. praten, babbelen
grulhar
palrar
parolar
tagarelar
/
kløːr/
noun
1. het onderscheid dat gemaakt wordt op basis van het verschil in golflengte van licht
cor
adjective
1. zonder kleur
incolor
adjective
1. vol opvallende kleuren
colorido
/
ˈkleːvərɪx/
adjective
1. vasthechtend bij aanraking
grudento
/
ˈklivə(n)/
verb
1. langs een scherp breukvlak in tweeën hakken
partir
noun
1. steile hoge rots
penhascos
verb
1. een klikkend geluid maken
clique
noun
1. de gemiddelde natuurlijke gesteldheid van de lucht en het weer in een gebied op een planeet
clima
noun
1. de verandering van het klimaat in een bepaald gebied over een bepaalde periode, m.n. de wereldwijde opwarming sinds de 19e eeuw
alterações climáticas
/
klɪmɑtoloˈɣi/
noun
1. leer van de lucht- en weersgesteldheid.
climatologia
/
klɪmɑtoˈloxɪs/
adjective
1. op het klimaat betrekking hebbend
climatológico
verb
1. het bewegen in een omhooggaande richting dan wel over obstakels
subir
noun
- 1. iemand die de bergsport beoefend
- 2. iemand die bij het wielrennen goed een berg op kan fietsen
alpinista
/
'klɪ.mɔp/
noun
1. Hedera helix, een groenblijvende houtige plant
hera
trepadeira
noun
1. planten die tegen voorwerpen aan omhoog kunnen groeien
escalamento fábrica
noun
1. sport- of speeltoestel waarop men klimt
trepa-trepa
pronoun
1. een kunsttaal die uitgevonden is door Marc Okrand voor Star Trek-films
klingon
noun
1. een inrichting waar patiënten worden verpleegd
clínica
adjective
1. direct voor de arts (hulpverlener) zichtbaar
clínico
/
klɪŋk/
noun
- 1. handvat om de deur te openen of te sluiten
maçaneta
- 2. constructie om een deur gesloten te houden
trinco
verb
1. een bepaalde klank voortbrengen
soar
/
ˈklɪŋkər/
noun
1. een klank van de menselijke spraak waarbij geen obstructie in de ademstroom aangebracht wordt.
vogal
noun
1. een metalen verbinding tussen twee platen bestaande uit twee cilidrische delen die van weerszijden,...
rebite
noun
1. plant met kleverige bloemknoppen
bardana
noun
1., 2. plant met kleverige bloemknoppen
bardana
noun
- 1. een instrument dat de tijd bijhoudt
relógio
- 2. een belvormige idiofoon, vooral bekend van kerktorens en carillons
sino
campainha
/
ˈklɔkɦœs/, /
ˈklɔkɦœʏs/
noun
1. binnenste van een vrucht
caroço
/
klɔmp/
noun
1. schoeisel van hout, eventueel in combinatie met leer
tamanco
verb
1. een identieke kopie van een levend wezen maken
clonar
verb
1. klonten vormen
coagular
noun
1. een ten gevolge van erosie, diep uitgesleten rivierdal, met steile wanden
canhão
/
klon/
noun
1. een levend wezen dat een exacte genetische kopie is van een ander wezen
clone
/
klostər/
noun
- 1. een gebouw waarin een kloostergemeenschap gevestigd is
- 2. een kloostergemeenschap als zodanig
convento
monastério
verb
- 2. hoorbaar bewegen
- 5. verslaan
- 1. tegen iets slaan
bater
noun
1. iemand die alleen en in afzondering leeft
eremita
/
ˈknaxdiːr/, /
ˈknaɣdiːr/
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Rodentia
roedor
noun
1. jongen, jongeman
pajem
verb
1. met de tanden aanvreten
roer
verb
1. een hard geluid of knal geven
estalar
adjective
2. aantrekkelijk
bonito
verb
1. een massa soepel maken door er steeds in te knijpen
sovar
noun
1. bepaald soort vinkachtige, Carduelis cannabina
pintarroxo
pintarroxo-comum
/
ˈknøzɪŋ/
noun
1. een onderhuidse beschadiging van het zachte weefsel, veelal veroorzaakt door een bot voorwerp of een val
contusão
verb
1. binden, boeien
amordaçar
noun
1. gewricht in het midden van het been dat het bovenbeen met het onderbeen verbindt
joelho
noun
- 1.1. buiging als eerbetoon
- 2. (figuurlijk) op nederige wijze uitgevoerde inwilliging van een wens
genuflexão
verb
1. op de knieën gaan
ajoelhar-se
verb
1. tussen twee punten druk uitoefenen
beliscar
/
'knɪkə(n)/
verb
1. een verticale beweging met het hoofd maken
acenar
noun
1. balletje van glas, marmer, steen, hout of klei
bola de gude
noun
1. Caesalpinia bonduc
ourinzeira
noun
1. teken in de vorm van het kort toeknijpen van een oog om verstandhouding of waardering uit te drukken
piscada
/
knɪˈpa/
noun
- 1. fruitboom in de Amerikaanse tropen (Melicoccus bijugatus)
- 2. vrucht van de gelijknamige boom
papamundo
verb
- 1. met een schaar uitsnijden
- 3. (informatica) overnemen van informatie
recortar
noun
1. looksoort Allium sativa met samengevouwen bol
alho
noun
1. vingergewricht
junta dos dedos
verb
- 1. vechten
- 2. (figuurlijk) vechten
lutar
noun
- 2. koolraap, een eetbare wortel van een plant uit het geslacht Brassica.
nabo
- 1. verdikte plantenwortel.
tubérculo
noun
- 3. aan een jas e.d.
botão
- 1. in een draad
- 2. snelheidsmaat
nó
noun
1. spleet die in een stuk stof is gemaakt zodat een ander stuk stof daaraan kan worden vastgemaakt
casa de botão
botoeira
verb
1. een vastzittende lus in een koord, draad of touw maken
amarrar
noun
- 2. speelgoed
animal de peluche
- 1. omhelzing
carícia
noun
1. korte dikke stok, bedoeld om lijfstraf mee uit te delen
clava
noun
1.
maruim
mosquitinho-do-mangue
/
knʌtsələ(n)/
verb
1. zelf voorwerpen uit liefhebberij vervaardigen met gebruik van gereedschap als hamer, zaag en schaaf
fazer trabalhos manuais
noun
1. een Australisch buideldier
koala
coala
noun
1. scheikundig element met symbool Co en atoomnummer 27
cobalto
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Araneae
aranha
noun
1. Ursus arctos middendorffi, de grootste beer en het grootste bekende landroofdier
urso Kodiak
noun
1. vrouwelijk rund
vaca
noun
1. een platte pan met een lang handvat
frigideira
/
[ˈkuc̠͡ç̠jø̜]/
noun
2. klein baksel dat meestal bij de koffie of thee genuttigd wordt
biscoito
bolacha
noun
1. bepaald soort vogel, Cuculus canorus
cuco
noun
1. een huishoudelijk apparaat voorzien van een koelinstallatie,...
frigorífico
geladeira
noun
1. koelvloeistof
líquido refrigerante
/
ˈkum.buˌpɑɫm/
noun
1. Oenocarpus bacaba
bacaba
noun
- 1. een gewelf in de vorm van een halve bol of een halve ellipsoïde
- 2. een ruimtelijke figuur, veelvlak
cúpula
pronoun
1. een taal die door de Koerden gesproken wordt
curdo
noun
1. kleine witte reigersoort
carraceiro
noun
1. overdekte ruimte waarin koeien kunnen verblijven
vacaria
verb
1. iets geliefds nauw aan het hart houden
cuidar
/
ˌku.tər.ˈʋaːls/
noun
1. aanduiding voor een onverstaanbare taal
algaravia
noun
1. vierwielig rijtuig met vering, vaak gesloten, dat getrokken wordt door paarden
coche
noun
1. iemand die de paarden van een koets ment
cocheiro
/
ˈkuwɛɪ̯t/, /
ˈkuʋɛɪ̯t/, /
ˈkuβ̞ɛ:t/
pronoun
1. een kleine olierijke monarchie op het Arabische schiereiland in Azië aan de kust van de Perzische Golf
Kuwait
Kuait
noun
1. draagbare bergruimte van stevig materiaal met een handvat, waarin spullen kunnen worden meegenomen tijdens het reizen
mala
noun
1. het gedeelte van een auto waar de bagage in geplaatst wordt
mala
noun
1. samensmelting van twee of meer bestaande woorden
palavra-valise
amálgama
noun
1. drank uit koffiebonen
café
noun
1. sterk geconcentreerd aftreksel van koffie
extrato de café
noun
1. het donkere bezinksel van gemalen koffiebonen dat overblijft na het zetten van koffie
borra de café
noun
1. een uitspanning waar men koffie kan nuttigen
café (estabelecimento)
noun
1. een huishoudelijk apparaat waarin koffiebonen kunnen worden gemalen
moedor de café
noun
1-2. munitie
bala
projéctil
noun
1. een gat ontstaan door doorboring door een kogel
tiro
adjective
1. kogelvrij
antibalas
verb
- 2. met behulp van ingrediënten een maaltijd klaarmaken
cozinhar
- 1. vloeistof verwarmen totdat er zich in de hele vloeistof bellen vormen die naar boven stijgen en openspringen
ferver
cozer
noun
1. bepaald soort zeevogel met een gekleurde kop en een lachende roep, Chroicocephalus ridibundus
guincho-comum
/
ˈko.kɔsˌbom/
noun
1. een palm die tot 30 m hoog kan worden en 4-6 m lange bladeren heeft
coqueiro
/
ˈko.kɔsˌmɛlk/, /
ˈko.kɔsˌmɛɫk/
noun
1. vocht verkregen door het kiemwit van een kokosnoot met water te vermengen en uit te knijpen
leite de coco
/
'kokɔsnot/
noun
1. holle vrucht van de kokospalm met wit vruchtvlees en een vezelige bast
coco
/
ˈko.kɔsˌpɑlm/, /
ˈko.kɔsˌpɑɫm/
noun
1. een palm die tot 30 m hoog kan worden en 4-6 m lange bladeren heeft
coqueiro
/
ˈko.kɔsˌvles/
noun
1. vruchtvlees van de kokosnoot
polpa de coco
noun
1. (elektrotechniek) (werktuigbouwkunde) thermische centrale die elektrische stroom opwekt door verbranding van steenkool
central a carvão
noun
1. een zeer klein vogeltje met een zeer snelle vleugelslag van de familie Trochilidae uit de orde der grootvleugeligen
beija-flor
colibri
noun
1. een hoge militaire rang
coronel
adjective
1. betrekking hebbend op koloniën en het hebben van koloniën
colonial
/
'kolonijaˌlismə/
noun
1.
colonialismo
/
koˈloni/
noun
1. een vestiging van een deel van een bevolking, buiten het eigenlijke territorium van dat volk
colónia
verb
1. koloniën vormen
colonizar
noun
1. iemand die zich in een kolonie heeft gevestigd
colono
noun
1. eetgerei zoals een bord, maar dan dieper
tigela
/
koˈmedi/
noun
1. een blijspel
comédia
noun
1. een licht hemellichaam van ijs, gas en stof, zich in een baan ver buiten die van de planeten bewegend, dat bij het naderen van de zon een wolk van gas en gruis in de vorm van een staart ontwikkelt
cometa
verb
- 2. een orgasme hebben
vir
- 1. bewegen van verder weg naar dichterbij
vir
chegar
pronoun
1. macrotaal die door 220 duizend mensen in Rusland gesproken wordt
Komi
noun
1. iemand die een publiek vermaakt door ze aan het lachen te brengen
comediante
noun
plant, zaden en specerij
cominho
noun
bepaalde suiker die veel in zoete vruchten voorkomt
semente de cominhos
/
kɔm.ˈkɔ.mər/
noun
1. Cucumis sativus, een langwerpige vrucht die men vooral rauw als salade eet
pepino
pepineiro
/
ˈkɔma/
noun
1. een leesteken dat een pauze aangeeft
vírgula
noun
1. instrument waarvan de naald het magnetische noorden aanwijst
bússola
compasso
pronoun
Estado Livre do Congo
/
kɔˈnɛɪn/, /
kɔˈnɛːn/
noun
1. zoogdier dat ook gedomesticeerd kan worden gehouden
coelho
/
ˈkonɪŋ/, /
ˈkoːnɪŋ/
noun
- 1. het mannelijk hoofd van een koninkrijk
- 2. speelkaart waarvan de waarde meestal tussen die van de vrouw en de aas ligt
rei
/
konɪˈŋɣɪn/, /
konɪˈŋɪn/, /
koʊnɪˈŋɪn/
noun
rainha
pronoun
1. een stad in het voormalige Oost-Pruisen
Conisberga
noun
1. een bewuste moord op een koning.
regicídio
/
ˈkonɪŋklək/
adjective
1. betrekking hebbend op een koning, koningin, aan of bij hem, haar behorend, van hem, haar uitgaand
real
/
ˈkonɪŋkˌrɛɪ̯k/, /
ˈkoːnɪŋkˌrɛɪ̯k/, /
ˈkoːnɪŋkˌrɛːk/
noun
1. staatsvorm met een koning aan het hoofd
reino
noun
1. de billen, het achterwerk
bunda
/
koːɪ/
noun
1. een uit tralies of gaas gemaakt voorwerp dat een ruimte omsluit
gaiola
noun
boek waaruit men leert koken
livro de cozinha
livro de receitas
noun
- 2. een zwarte brandstof die voornamelijk uit koolstof bestaat
carvão
- 1. een eetbare plant met veel ondersoorten uit de kruisbloemfamilie
repolho
couve
noun
1. reukloos gas dat ontstaat bij volledige verbranding van koolstof
dióxido de carbono
noun
1. een bepaald type verbinding van koolstof-, waterstof- en zuurstofatomen
hidrato de carbono
glícido
/
ˈkol.stɔf/
noun
2. een chemisch element en een kleurloos niet-metaal
carbono
noun
1. verbinding met moleculen van één atoom zuurstof en één atoom koolstof (CO)
monóxido de carbono
noun
1. bepaald soort vis met donker gekleurde mondholte en rug die voorkomt in het hoge noorden van de Atlantische Oceaan, Pollachius virens
escamudo
/
kol'watərstɔf/
noun
1. een verbinding die uit koolstof en waterstof is opgebouwd
hidrocarboneto
/
'kolzyr/
noun
1. H₂CO₃
ácido carbónico
noun
1. de hoeveelheid goederen of diensten die gekocht kan worden met een bepaald geldbedrag
poder aquisitivo
poder de compra
noun
1. zeeschip voor het vervoer van handelsgoederen
navio mercante
noun
1. een groep mensen die samen zingen
coro
coral
noun
1. rechte tussen twee cirkelpunten
corda
noun
1. (medisch) verhoging van de lichaamstemperatuur
fèbre
febre
noun
1. hielbeentje van het paard
quartela
noun
1. beentje van vinger of teen
falange
noun
- 1. hoofd van een dier
- 2. hoofd van een mens
cabeça
verb
1. in ruil voor geld iets in bezit krijgen
comprar
noun
2. scheikundig element met symbool Cu en atoomnummer 29
cobre
noun
1. een ambachtsman die platen koper of andere zachte metalen bewerkt. Dit bewerken omvat verschillende bewerkingen, zoals knippen, buigen, solderen en felsen
funileiro
/
kopi<sup>j</sup>'ɪːrə(n)/
verb
- 1. een duplicaat maken van
copiar
- 2. imiteren
imitar
/
ˈkɔplɑmp/
noun
1. een witte of gele lamp aan de voorzijde van een voertuig
lanterna
noun
1. iemand die probeert mensen van verschillende groepen met elkaar in contact te brengen (met name voor een huwelijk)
casamenteiro
casamenteira
noun
1. een constructie die in een motor of voertuig mechanische krachten op een te onderbreken wijze overbrengt
embraiagem
noun
1. een streepje om twee of meer woorden een eenheid te laten vormen
hífen
noun
1. een werkwoord dat een eigenschap koppelt aan het onderwerp
cópula
verbo de ligação
verb
1. een bal een stotende beweging met het hoofd geven
cabecear
noun
1. iemand die tot een stam behoort die aan koppensnellen doet
caçador de cabeças
/
ˈkɔpəx/, /
ˈkɔpəç/
adjective
1. vasthoudend aan eigen wil of inzicht
teimoso
noun
1. een meestal dodelijk schot in het hoofd
headshot
noun
1. stel van twee kleine luidsprekers die men tegen of in de oren plaatst
auscultadores
fones
fones de cabeça
fones de ouvido
noun
1. skelet van de koraalpoliep
coral
pronoun
1. randzee van de Grote Oceaan
Mar de Coral
pronoun
1. (de tekst van) het heilig boek van de islam
Corão
Alcorão
/
koˈre.ja/
pronoun
1. een schiereiland in Oost-Azië
Coreia
/
koreˈjaːns/
pronoun
1. taal die in Korea gesproken wordt
coreano
noun
1. een mand van vlechtwerk
aro
noun
1. een balsport waarbij een bal door een mand (korf) moet worden gegooid
corfebol
noun
1. en 2. (gedroogde) zaden van Coriandrum sativum
coentro
/
korijɑndərzaːt/
noun
1. gedroogde zaden van Coriandrum sativum
semente de coentro
noun
- op een bugel gelijkend koperen blaasinstrument
- 1. rang van vaandrig bij de cavalerie en de artillerie bij de Koninklijke Landmacht
corneta
noun
1. een enkele zaad van graan
glóbulo
/
ˈkɔrəlˌhaɣəl/
noun
pedrisco
/
kɔrst/
noun
1. een harde buitenste laag om iets dat verder relatief zacht is
crosta
adverb
- 1. van geringe duur
- 2. van geringe lengte
curto
breve
noun
1. verlaging van een te betalen bedrag
abatimento
desconto
adjective
1. op Kosovo betrekking hebbend
kosovar
/
ˈkɔsɔˌvo/
pronoun
1. land op het Balkanschiereiland dat volgens Servië een provincie van Servië is, maar dat zichzelf als een onafhankelijke staat beschouwt
Kosovo
Cosovo
verb
1. als te betalen prijs hebben
custar
noun
1. kerkelijke bediende, die met de zorg van het kerkgebouw, en het vlot verloop van de kerkdiensten belast is
sacristão
noun
- 2. (uitdrukking) tegen kostprijs
ao preço de custo
- 1. totaal van de uitgaven die een producent doet om een product te maken
preço de custo
pronoun
1. internationale kunsttaal ontworpen om cultureel zo neutraal mogelijk te zijn
kotava
/
kotəˈlɛt/
noun
1. een stuk vlees van een varken, kalf of lam
costeleta
/
kʌʊt/
adverb
1. niet warm, fris, kil, koel
frio
/
ˈkɑu̯də/
noun
1. het koud zijn
frio
/
kaʊ̯s/, /
kɔʊ̯s/, /
kʌʊ̯s/
noun
1. een aansluitend, meer of minder elastisch kledingstuk dat de voet en (een deel van) het been bedekt
meia
noun
2. extreem lange peulvrucht
feijão-chicote
noun
1. lid van een hoofdzakelijk Slavisch ruitervolk
cossaco
noun
1. rand van een raam of deur waar de ruit of de deur in gevat is
caixilho
/
kraɪ̯/, /
kraːɪ̯/
noun
1.1 bepaald soort zwarte vogel, Corvus corone
corvo
gralha
/
ˈkraɪ̯.jə/, /
ˈkraː.jə/
verb
1. het voor de haan kenmerkende geluid voortbrengen
cantar
noun
- 1. nest van een kraai
- 2. uitkijkplaats in de mast van een schip
cesto da gávea
noun
- 1. zeemonster, waarschijnlijk de inmiddels goed gedocumenteerde reuzenpijlinktvis
- 2. inktvis zonder inwendig skelet
polvo
/
ˈkrakben/
noun
1. een speciale vorm van bindweefsel met een elastisch karakter als gevolg van eigenschappen van de extracellulaire matrix
cartilagem
noun
3. mechanisme waarmee de stroming van vloeistof of gas geregeld kan worden
espicho
noun
1. bepaald soort grote vogel, Grus grus
grou
noun
1. kreeftachtige die leeft in de nabijheid van water
caranguejo
siri
noun
1. vermogen om iets te verrichten
força
pronoun
1. na Warschau en Łódź de op twee na grootste stad van Polen
Cracóvia
noun
1. een toestand van onwillekeurige en aanhoudende samentrekking van een spier
cãibra
noun
1. twee uit de aorta ontspringende slagaders die de hartspier van bloed voorzien
coronária
noun
1. klassiek massamedium, gedrukt op papier en gericht op het verspreiden van nieuws
jornal
diário
/
'krɑntəpaˌpir/
noun
1. een soort papier zoals waarop de kranten gedrukt worden
papel de jornal
noun
1. een lot waarbij men direct weet of men wel of niet gewonnen heeft als men een beschermfolie wegkrast
raspadinha
noun
1. houten of plastic doos met openingen in de zijkanten in een standaardformaat, vaak gebruikt voor opslag en het vervoer van flessen, fruit of andere waren
caixote
pronoun
2. teken van de dierenriem van 21 juni tot 23 juli
Câncer
Caranguejo
/
kreːft/
noun
1. zeekreeft, hommer
lagosta
noun
1. de hoogste breedtegraad van ca. 23,5 ° noorderbreedte waarboven de zon bij zonnestilstand in het zenit staat
Trópico de Câncer
noun
1. Gryllidae
grilo
críquete
pronoun
1. bij Griekenland behorend eiland in de Egeïsche Zee
Creta
verb
2. gekreukt raken
enrugar
/
krønə(n)/
verb
1. ongearticuleerde geluiden maken, vaak van pijn of ander leed
gemer
noun
1.laag stuikgewas waarbij de takken van de boompjes door elkaar heen groeien
sub-bosque
noun
1. voederbak
manjedoura
noun
1. iemand die zich toelegt op het voeren van oorlog, met name tussen stammen
guerreiro
noun
1. een handeling die erop gericht is om door list en bedrog de vijand te misleiden, zoals het verspreiden van valse geruchten
estratagema
noun
1. een olifant die vroeger tijdens op het land uitgevochten oorlogen werd ingezet als strijddier
elefante de guerra
noun
1. een raad die optreedt als rechtsorgaan in het krijgsrecht
corte
verb
1. luidkeels schreeuwend een hoog geluid voortbrengen
guinchar
noun
1. wit mineraal dat uit calciumcarbonaat bestaat
cal
giz
noun
2. een textielpatroon bestaande uit dunne, parallel lopende lijnen
risca de giz
/
krɪm/
pronoun
een schiereiland aan de noordkust van de Zwarte Zee
Crimeia
pronoun
1. een van de Turkse talen, gesproken door ongeveer een half miljoen mensen, oorspronkelijk van de Krim afkomstig, maar door een deportatie in 1944, nu vooral in Oezbekistan en Kirgizië, maar ook in Moldavië, Roemenië en Turkije gesproken
língua tártara da Criméia
noun
- 1. een ronde figuur zoals een cirkel
- 2. een gemeenschap van mensen
círculo
noun
1. een hoeveelheid ordelijk gerangschikte atomen of moleculen in vaste vorm
cristal
/
krɪsta'lɛɪn/
adjective
1. een inwendige structuur bezittend die zichzelf eindeloos herhaalt
cristalino
noun
1. kristalvorming
cristalização
verb
1. ordeningsproces
cristalizar
noun
- 1. uitingen waarmee bepaald gedrag, een bepaalde zienswijze e.d. van anderen worden veroordeeld of in twijfel getrokken
- 2. een document dat kunstzinnig commentaar levert op een optreden, tentoonstelling, boek , film of andere kunstuiting
crítica
adjective
- 1. ernaar geneigd vraagtekens te plaatsen achter iets
- 2. onder zulke omstandigheden dat er meer neutronen geproduceerd dan geabsorbeerd worden, waardoor een nucleaire kettingreactie op gang kan komen
crítico
/
kroˈwatis/, /
kroˈwaːtɪs/
adjective
croata
/
kroˈwatis/, /
kroˈwaːtɪs/
pronoun
1. een taal die vooral in Kroatië gesproken wordt
croata
/
kroˈwatsi.jə/, /
kroˈwaːsi.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Europa ten zuiden van Hongarije
Croácia
/
krux/
noun
1. publieke drinkgelegenheid
bar
taberna
noun
1. een rol ragout die gepaneerd en gefrituurd wordt
croquete
/
krokoˈdɪl/
noun
1. een groot, in het water levend reptiel dat behoort tot de familie der Crocodylidae
crocodilo
noun
1. irisachtige lentebloem
croco
verb
1. iemand tot koning of koningin maken door hem of haar in een ceremonie een kroon op het hoofd te zetten
coroar
/
ˈkronɪŋ/
noun
ceremonie
coroação
noun
1. hoofddeksel dat door een vorst gedragen wordt
coroa
/
krœʏ̯t/, /
krœːd/, /
krœːt/
noun
erva
verb
1. specerij bij een gerecht doen
condimentar
temperar
noun
2. winkel met levensmiddelen
armazém
mercearia
noun
1. specerij van de kruidnagelboom
cravo-da-índia
cravo
/
krœyjər/
noun
1. iemand die bagage vervoert op o.a. stations en vliegvelden
carregador
/
'krʌʏ.pə(n)/
verb
rastejar
noun
1. een speciaal soort smeerolie van geringe viscositeit en oppervlaktespanning, waardoor deze door capillaire werking gemakkelijk in zeer kleine ruimten "kruipt"
óleo desengripante
noun
- 1. geometrisch figuur
- 4. symbool
cruz
noun
1. kleine vinkachtige zangvogel
cruza-bico
noun
1. Ribes uva-crispa
groselheira
/
ˈkrœʏsər/
noun
- 1. een oorlogsschip dat hoge snelheden kan halen
- 2. een type jacht
cruzador
noun
1. een door een blok hout verschuifbare liniaal, die is voorzien van een ijzeren punt
graminho
verb
1. een vorm van executeren: aan het kruis hangen tot de dood erop volgt
crucificar
noun
1. een plaats waar twee of meer wegen elkaar kruisen
cruzamento
noun
1. kruissleutel
chave de roda
noun
1. ondernemingen van de westerse christenen tussen 1095 en 1271 in Palestina
cruzada
/
krœʏ̯sˈvɔr.məχ/, /
krœːsˈvɔr.məx/
adjective
1. de vorm van een kruis hebbend
cruciforme
noun
1. kruiswoordpuzzel
palavras cruzadas
noun
1. een eenwielige kar met twee lange handgrepen voor het transport van zware, meestal losse lading
carrinho de mão
noun
2. hulpmiddel bij het lopen
muleta
noun
1. en 2. (bladeren van) éénjarige plant Cichorium endiva
chicória frisada
/
ˈkrʏl.spɛlt/
noun
1. hulpmiddel waarom je een haarlok kunt wikkelen om krullen te maken in stijlhaar
bob
bobe
bóbi
noun
1. scheikundig element met symbool Kr en atoomnummer 36
crípton
criptônio
noun
1. 20-eeuwse stroming binnen de beeldende kunst waarin de werkelijkheid op een sterk vereenvoudigde manier wordt weergegeven
cubismo
noun
1. een regelmatig zesvlakkig lichaam, begrensd door zes gelijke vierkanten
cubo
/
'kɵdə/
noun
- 1. een groep samenlevende (zoog)dieren
manada
- een kudde schapen
rebanho
noun
1. Psarocolius decumanus een vogel uit de familie van de troepialen Icteridae.
japu-preto
/
ˈkœʏ̯kə(n)/, /
ˈkœːkə(n)/
noun
donzig jong vogeltje
pintainho
pinto
noun
1. uitholling, holte, diepte
cova
/
ˈkœʏ.sə(n)/
verb
2. verwijderen van aanstootgevend materiaal
expurgar
noun
- 2. visseneitjes
ovas
- 1. deel van het been
panturrilha
noun
1. kuit bevattende wijfjesvis
peixa
/
kykələky/
interjection
1. het geluid van een haan
cócórócócóóóó
cucurucu
noun
1. en 2. (citrusvrucht van) plant Citrus japonica
cunquate
quincã
verb
1. in staat zijn om, het vermogen hebben om
poder
saber
noun
1. toepassing van opvallende vaardigheid en verbeelding om iets moois of betekenisvols te scheppen
arte
noun
1. iemand die zijn creatieve talenten gebruikt om kunst te maken
artista
noun
1. iemand die voor zijn beroep kunst koopt en verkoopt
galerista
adjective
1. door menselijk, moedwillig ingrijpen tot stand gekomen
artificial
noun
1. een combinatie van chemische stoffen die aan de aarde wordt toegevoegd ter bemesting daarvan
fertilizante
noun
1. sport waarbij individuelen, paren en groepen schaatsers rotaties, sprongen en andere bewegingen op het ijs maken, die vaak met muziek wordt uitgevoerd
patinação artística
noun
1. een schilderes van kunstwerken
pintora
/
ˈkʏns.tal/, /
ˈkʏns.taɫ/
noun
1. een artificiële of geconstrueerde taal is een taal waarvan de structuur, vocabulair en grammatica speciaal ontworpen is door een individu of een kleine groep, inplaats van op een natuurlijke wijze geëvolueerd in een cultuur
língua artificial
/
kʌnstwɛrk/
noun
1. resultaat van een inspanning om iets te maken dat bijzonder mooi of indringend is
obra de arte
/
kʏrk/
noun
- 1. afdichting voor flessen, gemaakt uit de veerkrachtige schors van een bepaalde boomsoort, Quercus suber
rolha
- 1. licht, poreus materiaal, afkomstig van de kurkeik
cortiça
/
kʏr.kɛi̯k/, /
kʏr.kɛːk/, /
kʏrk.ʔɛi̯k/
noun
1. Quercus suber; een boom uit de napjesdragersfamilie
sobreiro
chaparro
sobreira
sobro
noun
1. een werktuig om flessen te ontkurken
saca-rolhas
noun
plant en specerij
curcuma
cúrcuma
noun
1. het de lippen ergens tegenaandrukken om affectie uit te drukken
beijo
noun
1. een met zacht materiaal gevulde zak, dienende om het (slaap)comfort van de gebruiker te verbeteren
almofada
travesseiro
verb
1. een kus geven
beijar
noun
1.
guerra de travesseiros
/
'kɵst/
noun
1. de waterkant langs de zee
costa
/
kɵt/
noun
vrouwelijk schaamdeel
boceta
cona
noun
1. een oord met geneeskrachtige baden
Spa
adjective
- 1. schade aanrichtend
- 2. met een slecht karakter
maligno
noun
1. het innerlijk slecht zijn
maldade
/
kʋɑp/
noun
2. een gedeelte van lever, longen of hersenen
lobo
noun
1. langwerpige, op de bodem levende zoetwatervis, Lota lota
lota-do-rio
/
kʋɑk/
noun
2. bepaalde reigersoort, Nycticorax nycticorax
savacu
socó-dorminhoco
/
kʋɑl/
noun
1. vrijzwemmend, voornamelijk in zee levend ongewerveld dier met een geleiachtig lichaam in de vorm van een klok of paraplu
medusa
água-viva
/
kvalitɑ'tif/
adjective
1. naar de hoedanigheid, betreffende de kwaliteit
qualitativo
noun
2. eigenschap
qualidade
adjective
1. met betrekking tot de hoeveelheid
quantitativo
noun
1. de kleinste natuurlijke eenheid die in onze kosmos voorkomt
quantum
noun
vorm van onkraakbare beveiliging voor elektronische communicatie
criptografia quântica
noun
getal dat in de kwantummechanica wordt gebruikt voor het beschrijven van de eigenschappen van bepaalde deeltjes
número quântico
noun
1. studie en beschrijving van het gedrag van de kleinste deeltjes
mecânica quântica
noun
een theoretisch kader voor de constructie van kwantummechanische modellen van veld-achtige systemen of, equivalent, veeldeeltjessystemen
teoria quântica de campo
noun
emaranhamento quântico
noun
een kwart van een kalenderjaar
trimestre
noun
1. Coturnix coturnix, vederwild en hoendervogel
codorniz
codorna
noun
1. bepaald soort vogel, Crex crex
codornizão
noun
1. een groep van vier muzikanten
quarteto
noun
1. (in een toernooi) een van de vier wedstrijden waarin gestreden wordt voor een plaats in de halve finale(s)
quartas de final
noun
een vorm van siliciumdioxide
quartzo
/
kʋɑst/
noun
- 1. Versiering
borla
- 3. Vreemd persoon
excêntrico
- 5. Limonade
limonada
/
ˈkwe.peːr/, /
ˈkʋe.pɪːr/, /
ˈkβ̞e.peːr/
noun
1. een peervormige vrucht van de Cydonia oblonga
marmeleiro
marmelo
verb
- 1. pijn of ergernis bezorgen
atormentar
- 1. het doorsijpelen van water onder een dijklichaam door
expandir
adjective
1. weinig beschermd tegen beschadiging
vulnerável
verb
- 1. beschadigen, schaden
- 2. beledigen, schofferen
ferir
noun
1.1 bepaald soort pantsermeerval, Hoplosternum littorale
caborja
tamoatá
verb
1. een vloed van speeksel onwillekeurig uit de mond laten lopen
babar
/
kʋɛi̯t/
adjective
kwijt zijn
extraviado
noun
1. een scheikundig element en zilverwit overgangsmetaal met symbool Hg en atoomnummer 80
mercúrio
noun
1. benaming voor vogels uit de geslachten Motacilla en Dendronanthus
alvéola
noun
1.1 bepaald soort pantsermeerval, Hoplosternum littorale
caborja
tamoatá
noun
1. een metaal dat vloeibaar is bij kamertemperatuur
mercúrio
noun
1. een pot bestemd voor het opvangen van sputum
cuspideira
verb
1. druk met de staart zwaaien.
abanar
sacudir
/
ˈkʋɪstəx/, /
ˈkβ̞istəç/
adjective
1. op lichtzinnige wijze verbruikend
pródigo
pronoun
1. de hoofdstad van Oekraïne
Kiev
/
lax/
adjective
- 1. niet ver boven iets anders zijn
- 2. niet vergevorderd zijn in een rangorde of volgorde
- 3. geluid met een klein aantal trillingen per tijdseenheid
- 4. met een beperkt aanzien
baixo
/
lax/
noun
1. iets dat zich in twee richtingen uitstrekt maar in de derde een beperkte dikte heeft
camada
noun
1. verwerpelijk gedrag dat van weinig menselijkheid of beschaving getuigt
abjecção
noun
1. weg die aan beide kanten wordt geflankeerd door bomen
avenida
noun
1. een open plek in een bos
clareira
noun
1. een schoen met een hoge schacht die een deel van het been bedekt
bota
adjective
2. 's avonds, 's nachts
tarde
adjective
1. overtreffende trap van laat
último
noun
1. laatste kwartier
quarto minguante
noun
1. met de lippen gevormde medeklinker, lipklank
labial
noun
1. ruimte voor wetenschappelijk onderzoek
laboratório
noun
1. een stelsel van paden of dwaalwegen, zodanig aangelegd dat men daarin moeilijk de weg kan vinden
labirinto
/
lɑx/, /
lɑχ/
noun
1. een vrolijkheidsuiting door middel van het optrekken van de mondhoeken en vaak...
riso
verb
1. zichtbaar en/of hoorbaar blij zijn met iets of iets grappig vinden
rir
noun
1. enzym dat in de dunne darm lactose kan afbreken
lactase
noun
is een suiker die o.a. in melk voorkomt
lactose
noun
1. houten of metalen voorwerp met treden om makkelijk op hoger gelegen plaatsen te komen
escada
noun
1. uitschuifbare bergplaats
gaveta
/
ˈlaːdə(n)/
verb
1. van een lading voorzien
carregar
noun
- 1. goederen die vervoerd worden
- 2. een grote hoeveelheid
carga
- 3. opeengehoopte elektriciteit
carga (elétrica)
noun
1. beschadiging van het weefsel in een organisme
lesão
/
lɑf/
adjective
1. een gebrek aan moed tonend
covarde
cobarde
/
ˈlɑfɦɛit/
noun
1. de neiging keuzes te maken die van weinig moed getuigen
covardia
noun
1. een gebied waar relatief een lagere druk heerst dan elders, term uit de meteorologie
área de baixa pressão
noun
1. ondiep meer
laguna
albufeira
pronoun
1. stad in Pakistan
Laore
noun
1. stof die een dunne beschermlaag vormt nadat ze opgelost in een vluchtig oplosmiddel...
laca
noun
1. (beroep) Een lakei of dienaar is een bediende werkend aan een koninklijk hof
lacaio
/
ˈlakə(n)/
noun
2. een rechthoekig stuk stof dat ter bedekking dient, m.n. bij het slapen
lençol
noun
1. jong van het schaap
anho
cordeiro
noun
1. soort Zuid-Amerikaans eeltpotig zoogdier Lama glama
lhama
lama
noun
1. in het water levende zoogdieren uit het geslacht Trichechus
peixe-boi
/
lɑmp/
noun
1. een voorwerp gemaakt om licht te geven
lâmpada
noun
1. kap over een lamp om het licht af te schermen
abajur
abaju
noun
1. een kan met waswater, vaak samen met een ondiepe teil, de waskom, bedoeld om zich in de morgen...
jarra
noun
1. benaming voor vissen uit de familie Petromyzontidae
lampreia
lampréia
noun
1. een dubbelsnedig operatiemes
lanceta
noun
- 4. niet verstedelijkt gebied
campo
país
- 3. een geografisch gebied aan één bepaald gezag onderworpen
país
terra
- 1. gedeelte van het aardoppervlak dat boven water uitsteekt
- 2. dat deel van de aardbodem dat geschikt is voor bebouwing...
terra
/
ˈlɑntbɑuw/
noun
1. het cultiveren van land voor de voortbrengst van voedsel en andere nuttige producten
agricultura
adjective
2. met betrekking tot minder bevolkte, niet-stedelijke gebieden
rural
verb
1. vanuit de zee, de lucht of de ruimte voet op vaste bodem zetten
aterrissar
noun
1. iemand uit hetzelfde land
compatriota
noun
2. vlucht van vliegtuigen...
aterragem
noun
1. smalle strook land die zich in zee of meer uitstrekt
promontório
adjective
1. van grote duur
comprido
longo
adjective
1.lang en smal
alongado
preposition
1. terzijde van, evenwijdig aan
ao longo de
/
lɑŋ.ʋɛr.pəx/
adjective
1. lang en smal van vorm
alongado
/
ˈlɑŋzam/
adjective
1. met weinig snelheid
lento
vagaroso
noun
1. een lang steekwapen met een metalen punt
lança
noun
1. Chemisch element
lantânio
/
ˈla.ɔs/
pronoun
1. een land in Azië grenzend aan Myanmar, China, Vietnam, Cambodja en Thailand
Laos
pronoun
1. een taal die in Laos gesproken wordt
laociano
noun
1. een stuk van iets
remendo
noun
1. met een kijkbuis in de buikholte kijken en opereren
laparoscopia
noun
1. een deken gemaakt uit verschillende losse delen die aan elkaar gestikt zijn
colcha de retalhos
noun
1. kleine draagbare computer
computador portátil
noun
1. jeugdstadium van de meeste insecten en veel amfibieën
larva
noun
1. lichtbron die uiterst intense lichtstraal van één kleur uitzendt
laser
noun
1. krachtige geconcentreerde lichtstraal met licht van maar één golflengte
raio laser
verb
1. door plaatselijke sterke verhitting van de voeg twee metalen voorwerpen met elkaar verbinden
soldar
noun
1. iemand die stukken metaal op een naad door sterke plaatselijke verhitting verbindt
soldador
noun
1. iets wat een mens hindert
carga
noun
1. een gedomesticeerd dier dat men gebruikt om vracht te vervoeren
animal cargueiro
noun
1. onterechte beweringen die iemand in een kwaad daglicht stellen
calúnia
noun
1. actie met als doel iets of iemand in de goede naam aan te tasten
campanha difamatória
verb
1. ten onrechte kwaadspreken over iemand
manchar
noun
1. opdrachtovereenkomst met verplichting tot handelen in eigen of andermans naam
mandato
verb
- 3. niet doen
- 4. niets veranderen
- 5. vertrekken
- 6. aansporing
- 2. toestaan
deixar
adjective
1. sluimerend
latente
/
ˈlaː.tər/
adjective
até logo
pronoun
1. taal van de Romeinen in de oudheid, die later in gebruik bleef in religie en wetenschap
latim
noun
1. de reeks lettertekens oorspronkelijk gebruikt om teksten in het Latijn te schrijven en tegenwoordig met aanpassingen voor veel talen gebruikt
alfabeto latino
noun
2. (gedroogde) bladeren van Laurus nobilis
louro
/
laʊ̯/, /
lʌʊ̯/, /
lʌː/
adjective
1. een temperatuuraanduiding die tussen warm en koud ligt
morno
noun
1. vloeibaar gesteente dat uit een vulkaan tevoorschijn komt
lava
noun
1. Lavandula, een struik uit de lipbloemenfamilie Lamiaceae
alfazema
lavanda
verb
1-2 bij tegenwind zigzagsgewijs opzeilen
bordejar
/
la'ʋaj/
noun
1. luid en storend geluid
ruído
barulho
/
la'ʋinə/
noun
1. een sneeuwverschuiving op een berghelling
avalanche
noun
1. Chemisch element
lawrêncio
laurêncio
noun
1. de vierde maag van een herkauwer, zoals een rund
coalheira
/
lɛt/
noun
1. elektronische lichtbron in de vorm van een diode die licht uitstraalt
LED
/
ˈledəmat/
noun
1. een aan de romp aanhangend onderdeel van het lichaam dat door spieren bewogen kan worden...
extremidade
noun
1. het niets doen, het niets te doen hebben
ócio
noun
1. het genoegen scheppen in het leed van een ander
alegria maldosa
noun
1. de tijd dat iemand leeft of geleefd heeft, het totaal aantal levensjaren
idade
/
lex/
adjective
1. zonder inhoud
vazio
/
lek/
noun
1. iemand die niet deskundig is op een bepaald gebied
leigo
laico
/
lem/, /
leɪm/
noun
1. kleihoudende grondsoort
solo franco
/
len/
noun
1. leengoed; vastgoed dat door de heer aan zijn vazal ten gebruike werd afgestaan
feudo
/
ˈlenvərˌtalɪŋ/
noun
1. woord dat aan een vreemde taal is ontleend in letterlijke vertaling en analoge constructie
calco
/
ˈlenʋɔːrt/
noun
1. een woord dat door een taal aan een andere taal ontleend is
empréstimo
noun
1. een boek bedoeld om er iets uit te leren
compêndio
sebenta
apostila
livro de texto
noun
1. iemand die onderwijs volgt
aluna
noun
1. schema in de tijd van leeractiviteiten om vastgestelde leerdoelen te bereiken en de leerstof,...
currículo
noun
1. stoornis bij het leren
desordem de aprendizagem
/
lest/
noun
1. schoenvorm
forma
noun
1. conventioneel symbool in interpunctie
sinal de pontuação
pronoun
2. teken van de dierenriem van 23 juli tot 23 augustus
Leão
leonino
noun
1. Panthera leo een groot katachtig roofdier met lange manen
leão
noun
1. plant van het geslacht Antirrhinum waarvan de bloem lijkt op de muil van een leeuw
antirrino
noun
1. vrouwtje van de leeuw
leoa
adjective
branie, moed
fígado
adjective
1. wettig, rechtmatig
legal
noun
1. testamentaire beschikking
legado
noun
1. de uitleg over de gebruikte symbolen
legenda
/
ˈleːɣər/, /
ˈleːχər/
noun
1. een militaire strijdmacht
exército
noun
1. Metaalverbinding van twee of meer elementen
liga
/
ˌleɣyˈwan/
noun
1. hagedis
iguano
iguana
noun
- 3. daklei
ardósia
- 2. schrijflei
ardósia
lousa
verb
1. een leidinggevende functie hebben
conduzir
noun
1. het bepalen wat een groep of organisatie behoort te doen
caminho
noun
1. blauwgrijs gesteente
ardósia
adjective
1. vloeistof of gas doorlatend
gotejante
perdente
verb
1. vloeistof laten ontsnappen
vazar
/
ˈleːlək/
adjective
1. onprettig om naar te kijken, niet mooi
feio
feia
noun
3. een hulpstelling waarvan de juistheid in afwachting van nader bewijs wordt aangenomen
lema
noun
1. een knaagdier dat vooral in het hoge noorden op de toendra's voorkomt
lémingue
noun
1. laagste deel van de rug voor het kruis
lombo
verb
1. iets wat eigendom is van een ander tijdelijk gebruiken, al dan niet in ruil voor een kleine vergoeding
pedir emprestado
noun
1. ontlener, leningnemer
emprestador
/
ˈlɛŋktə/
noun
- 1. afmeting van een voorwerp
- 2. tijdsduur
- 1. op welke meridiaan een plaats ligt
comprimento
noun
- 1. een geslepen stuk transparant materiaal dat lichtstralen breekt
- 2. een stelsel van lenzen of lensdelen dat op een camera zit zodat er een scherp beeld op de film of CCD wordt geprojecteerd
- 3. een zeer kleine glazen of kunststof lens die men direct op de oogbol plaatst ter vervanging van een bril
lente
noun
1. lentedag
dia de primavera
pronoun
. spelwoord voor de letter l
Leão
/
ˈlepəɫ/
noun
1. een voorwerp bestaande uit een greep en een kom(metje), waarmee vloeibaar voedsel wordt gegeten
colher
noun
1. een steltloper ter grootte van een ooievaar met een lepelvormige snavel
colhereiro
noun
2. benaming voor kruisbloemige planten van het geslacht Cochlearia
cochlearia
/
ˈleːraˑr/
noun
1. iemand die lesgeeft
professor
/
ˈleːrə/, /
ˈlɪːrə/
verb
1. kennis of vaardigheid verwerven
aprender
/
lɛs/
noun
1. onderricht gedurende een korte tijd
lição
verb
1. de taak van een leraar op zich nemen
dar aula
/
le.'sɔ.to/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel het Koninkrijk Lesotho
Lesoto
/
ˈlɛsə(n)/
verb
1. met vocht de dorst beëindigen
saciar
noun
1. een standaard om bladmuziek op te plaatsen
atril
noun
- 1. een toestand van geestelijke ongevoeligheid
- 2.
letargia
/
ˈlɛtlɑnd/, /
ˈlɛtlɑnt/
pronoun
1. een Europees land aan de Oostzee
Letónia
Letônia
/
lɛts/
pronoun
1. de officiële taal van Letland
letão
noun
1. lichamelijke schade met name aangericht in een ongeluk of gevecht
lesão
noun
1. een teken om in geschreven taal een klank van de gesproken taal weer te geven
letra
/
ˈlɛtərˌxrep/, /
ˈlɛtərˌɣrep/
noun
1. elk van de groepen waarin een woord kan worden verdeeld
sílaba
noun
1. een stylistisch samenhangende set tekens die meestal letters, cijfers en leestekens uitbeelden
família tipográfica
/
ˈløːɣən/, /
ˈlʏːχən/
noun
1. mededeling die niet waar is, met de bedoeling om anderen te misleiden
mentira
noun
1. iemand die bewust dingen zegt die niet waar zijn
mentiroso
adjective
2. prettig, aangenaam
legal
noun
1. bloedkanker
leucemia
noun
1. witte vlekken, plekvormige witte verkleuring van slijmvlies door chronische ontsteking
leucoplaquia
verb
1. steunen, het evenwicht bewaren door het eigen gewicht deels door iets anders te laten steunen
reclinar-se
/
ˈløːˌvə(n)/
pronoun
1. de provinciehoofdstad van Vlaams-Brabant in België
Lovaina
/
'levən/
noun
- 2. de tijdsspanne die men levend doorbrengt
- 1. een voortbestaan van organismen, gericht op groei en/of vermenigvuldiging
vida
/
'levən/
verb
1. het doormaken van het leven
viver
adjective
1. vol opgewekte drukte
vivo
adjective
1. tot de dood durend
vitalício
noun
1. het kunnen gaan leven
viabilidade
noun
1. de manier van leven van een levend wezen
forma de vida
noun
1. een bruinkleurig orgaan dat gal produceert
fígado
/
ˈlevərə(n)/
verb
1. voor de aanvoer van iets zorg dragen
fornecer
noun
óleo de fígado de bacalhau
/
leˈvijatɑn/
noun
1. reusachtige waterslang
leviatã
verb
1. zien en interpreteren van geschreven tekst
ler
noun
1. iemand die (een bepaald geschrift) leest
leitor
/
ˈli.ba.nɔn/, /
ˈli.bɑ.nɔn/
pronoun
land in het Midden-Oosten, grenzend met Israël en Syrië, officieel de Libanese Republiek
Líbano
/
li.ˈbɛl/, /
li.ˈbɛɫ/
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Odonata
libélula
/
libəˈral/
adjective
liberal
/
li.'beː.ri.ja/, /
li.'bɪː.ri.ja/
pronoun
land in West-Afrika, officieel de Republiek Liberia
Libéria
/
'libido/
noun
1. geslachtsdrift
libido
adjective
1. op Libië betrekking hebbend
líbio
/
ˈli.bi.jə/
pronoun
1. een land in Noord-Afrika, officieel de Staat Libië
Líbia
noun
1.de gangbare benaming voor het tekstboekje van een opera, operette, ballet of musical
libreto
noun
- 1. een geheel van botten, vlees en organen van een mens of dier
- 3. een hoeveelheid materie met een bepaalde vorm
- 2. een instantie
corpo
/
ˈlɪxamsbəˌweɣɪŋ/
noun
1. bezigheden die bijdragen aan de lichamelijke fitheid
exercício
noun
1. de specifieke anatomie van iemands lichaam
físico
/
ˈlɪxaːmzdeːl/
noun
1. onderdeel van een lichaam
parte do corpo
adjective
1. met betrekking tot het lichaam
corporal
adjective
- 1. helder van kleur
claro
clara
- 2. van een gewicht
leve
- Vertalingen: na te kijken en onderverdelen per verklaring
leve
ligeiro
noun
- 1. Elektromagnetische golven
- 2. lichtbron
luz
noun
1. de afstand die het licht in één jaar aflegt, ongeveer 9460 miljard kilometer
ano-luz
noun
1. de snelheid waarmee het licht zich voortplant in het luchtledige (ongeveer 299792 km/s)
velocidade da luz
noun
1. iemand die behoort tot een groep, organisatie of sekte
membro
sócio
noun
1. de status van iemand als lid van een organisatie
adesão
noun
1. een staat die toegetreden is tot een inter- of supranationale organisatie
Estado-membro
/
ˈlixtə(n)ˌstɛɪ̯n/, /
ˌlixtə(n)ˈstɛːn/, /
ˌliχtə(n)ˈstɛɪ̯n/
pronoun
1. een klein land in Europa gelegen tussen Zwitserland en Oostenrijk
Liechtenstein
Listenstaine
noun
1. muzikale vorm waarin tekst op muziek wordt verklankt
canção
noun
1. een boek met een verzameling (kerkelijke) liederen
cancioneiro
adverb
- 1. vriendelijk, zachtaardig
gentil
- 2. mooi, fijngebouwd
querido
noun
1.het geven van hulp
caridade
noun
1. uiting of gevoel van grote genegenheid en/of het zich aangetrokken voelen
amor
adjective
1. niet getuigend van enige vorm van liefde
desamoroso
noun
1. brief waarin men zijn liefde betuigt
carta de amor
verb
1. liefde voelen tot iemand of iets
amar
adjective
amoroso
carinhoso
verb
1. met opzet feiten vertellen die niet de waarheid zijn maar wel als dusdanig worden gepresenteerd
mentir
/
lir/
noun
1. een Grieks snaarinstrument
lira
noun
1. benaming voor kevertje van de familie Coccinellidae
joaninha
/
ˌlivə'vraʊ̯wəˌbɛtstro/, /
ˌlivəˌvrɔʊ̯β̞ə'bɛtstro/, /
ˌlivəˌvrʌʊ̯β̞ə'bɛtstro/
noun
1.
aspérula
noun
1. een verticaal transportsysteem voor goederen en mensen
elevador
ascensor
noun
1. opwaartse kracht
sustentação
noun
1. bindweefselband
ligamento
verb
- 1. zich horizontaal in toestand van rust gelegd hebben
estar deitado
- 2. op een bepaalde plaats bevinden
estar deitado(s)/-a(s)
/
lɪχ.ˈni.nə/
noun
1. een aromatische verbinding die door nagenoeg alle planten wordt gemaakt en die de plant stevigheid geeft
lignina
/
'lɪxplats/
noun
2. een plaats waar een boot kan liggen
vaga
noun
1. olijfachtige heester veel gebruikt voor het maken van heggen
alfeneiro
verb
1. smart en ellende ondergaan
sofrer
phraseologicalUnit
1. zinsdeel waarop de actie die wordt uitgedrukt door een overgankelijk werkwoord rechtstreeks van toepassing is
complemento direto
objeto direto
noun
1. iemand die aan iets lijdt
sofredor
/
lɛi̯f/
noun
1. lichaam
cuerpo
pronoun
1. een Finoegrische taal die in Estland en Letland gesproken wordt
livio
noun
1. levenslange rente
renda vitalícia
noun
1. een straf waarbij iemand lijfelijk pijn gedaan wordt
punição corporal
/
ˈlɛɪfʋɑxt/
noun
- 2. een lid van een lijfwacht
- 1. de wacht die met de bewaking van een vorst of aanzienlijk persoon belast is
guarda-costas
noun
1. hybride kruising tussen een mannetjesleeuw en een vrouwtjestijger
ligre
noun
1. dood lichaam
cadáver
/
ˈlɛi.kə(n)/
verb
- 2. naar aanschijn zijn
- 1. uitzien als
parecer
/
ˈlɛɪkxeˌʋat/
noun
1. de kleding waarin een overledene begraven wordt
sudário
noun
1. textiel waarin een overledene begraven wordt
mortalha
noun
1. een voortuig ingericht om een stoffelijk overschot te vervoeren
carro fúnebre
verb
1. twee of meer delen aan elkaar bevestigen met behulp van een kleefstof
colar
/
lɛi̯n/
noun
- 1. een streep
- 2.
fala
- 11. een band, riem om een huisdier in te tomen
guia
/
lɛist/
noun
1. een opsomming van zaken die onder elkaar staan
lista
noun
1. benaming voor zangvogels uit de familie Turdidae
tordo
noun
1. geslacht van loofbomen, Sorbus
sorbus
noun
1. een drank bereid met gestookte alcohol, aangevuld met smaakstoffen en veelal ook suiker
licor
verb
1. met de tong aanraken
lamber
noun
1. lichte tint van paars
lilás
noun
1. en 2. (zaden van) plant Phaseolus lunatus
feijão-de-lima
/
ˈlɪm.bʏrx/, /
ˈlɪm.bʏrχ/
pronoun
- 1. provincie in het zuidoosten van Nederland
- 2. een provincie in België
Limburgo
/
ˈlɪm.bʏrxs/, /
ˈlɪm.bʏrχs/
pronoun
1. verzamelnaam van een reeks variëteiten van de Germaanse taalfamilie
limburguês
noun
een dichtvorm van 5 regels met een vrij strak metrum
limerique
noun
1. Een citrusvrucht
lima
limão
noun
1. een drank die vervaardigd is van citroensap, suiker en water
limonada
/
ˈlɪndə/
noun
loofboom
tília
noun
1. beoefenaar van de taalkunde
linguista
/
ˌliniˈ<sup>ʲ</sup>aɫ/
noun
1. een meetinstrument waarmee lengtes kunnen worden opgemeten
régua
noun
- 2. een verwijzing
- 1. een betrekking of relatie
ligação
adjective
1. tegenovergestelde van rechts
esquerdo
à esquerda
adjective
1. wanneer men de linkerhand verkiest boven de rechter voor alledaagse handelingen
canhoto
noun
1. lange, smalle strook stof
fita
noun
1. een platte worm die parasiteert in de darm bij mens en dier
ténia
/
liˈpidə/
noun
1. vetten en vetachtige stoffen die in de biochemie een belangrijke rol spelen
lípido
noun
- 1. stift met zacht materiaal dat op de lippen opgebracht wordt om de kleur daarvan beter te laten uitkomen
- 2. zacht materiaal dat op de lippen opgebracht wordt om de kleur daarvan beter te laten uitkomen
batom
noun
1. soort baars, vis behorend tot de familie van lipvissen
bodião
/
'lɪst/
noun
- 1. een oplossing voor een probleem waardoor tegenstrevers worden verrast
- 2. vermogen om een oplossing die tegenstrevers verrast, te bedenken
astúcia
/
litər/
noun
1. een inhoudsmaat voor voornamelijk vloeistoffen en gassen
litro
noun
- 2. het geheel van als kunstzinnig beschouwde geschreven werken, m.n. proza of poëzie
- 3. de verzameling geschreven en na controle door vakgenoten gepubliceerde mededelingen van een vakgebied
literatura
/
ˈlitiˌʲʏm/
noun
1. chemisch element en een zilverwit alkalimetaal
lítio
/
liˈtaʊ̯.wə(n)/, /
liˈtɑuwə(n)/, /
liˈtɔʊ̯.β̞ə(n)/, /
ˈliˌtʌʊ̯.β̞ə(n)/
pronoun
1. een Europees land ter hoogte van Wit-Rusland
Lituânia
/
liˈtaʊ̯s/, /
ˈlitɔʊ̯β̞s/, /
ˈlitʌʊ̯s/
pronoun
1. een Baltische taal die wordt gesproken in Litouwen
lituano
língua lituana
noun
1. zichtbaar overblijfsel van een oude verwonding
cicatriz
noun
1. eertijds een dienst ten bate aan de gemeenschap waartoe de rijken verplicht waren...
liturgia
noun
1. scheikundig element met symbool Lv en atoomnummer 116
livermório
noun
1. vloeibaar gemaakt aardgas
GNL
verb
1. poging de besluitvorming te beïnvloeden
fazer lobby
verb
1. van lood vervaardigd
plúmbeo
pronoun
1. eigennaam van Frankische herkomst
Luís
/
ˈlu.jə(n)/
verb
1. een langgerekt klagend geluid voortbrengen
mugir
noun
1. met vlees en groente gevulde en gefrituurde lap deeg
crepe chinês
verb
1. scheel kijken
olhar de soslaio
noun
- 2. groente
chicarola
- 1. prijzen
louvor
noun
1. de exponent van de macht waartoe een gegeven getal verheven moet worden om een ander getal te krijgen
logaritmo
noun
1. boek met gegevens over de navigatie
diário de bordo
noun
1. een vissersschip, tegenwoordig met een motor aangedreven, dat vroeger een loggergetuigd zeilschip was
lugre
/
ˈloɣis/
adjective
- 1. natuurlijk, voor de hand liggend
- 2. betrekking hebbend op de logica
lógico
noun
1. beeldmerk, logogram, naambeeld
logo
noun
1. het woord, de taal in het algemeen
logos
/
ˈloʒban/
pronoun
1. een kunsttaal ontwikkeld door James Cooke Brown
Lojban
/
lɔk/
noun
1. haarlok, pluk haar
cacho
noun
1. plaatsbepaling
localização
verb
2. de plaats vaststellen van
localizar
/
ˈlɔlɪ/
noun
snoepje
pirulito
/
ˈlɔndən/
pronoun
1 en 2
Londres
noun
1. orgaan waarin gaswisseling plaatsvindt tussen lucht en bloed ten behoeve van het metabolisme.
pulmão
/
ˈlɔŋblaʃə/
noun
1. een blaasje in de longen waarin gasuitwisseling plaatsvindt
alvéolo
/
'lɔŋɔntsteːkɪŋ/
noun
1. een ontsteking in de longen
pneumonia
noun
1. bloedvat dat vanuit de rechter hartkamer naar de longen gaat
artéria pulmonar
noun
1. vis met kieuwen én longen
dipnoico
noun
1. koord voor ontsteking
rastilho
pavio
noun
1. een scheikundig element met symbool Pb en atoomnummer 82
chumbo
noun
1. vakman die zich bezighoudt met de aanleg en het onderhoud van sanitair, verwarmingsinstallaties, waterleidingen en/of riolering
picheleiro
encanador
adjective
- 1. verticaal, in één lijn met het middelpunt van de aarde
- 2. in een rechte hoek
a prumo
/
loːts/
noun
2. iemand die schepen als stuurman begeleidt bij het varen van en naar een haven
prático
noun
1. een witte verfstof met bestanddelen van lood
alvaiade
noun
- 1. gebladerde boom
- 2. bladverliezend boom
árvore caduca
/
loːx/
noun
een alkalische substantie
lixívia
noun
1. (beroep) een persoon die van de huid van dieren leer maakt
curtidor
adjective
van groot gewicht
pesado
pesada
/
loːn/
noun
1. financiële vergoeding voor geleverde arbeid
salário
/
loːp/
noun
voorste deel van een wapen
cano
/
ˈlopχraf/
noun
1. een uitgegraven geul, diep en breed genoeg dat men er in kan lopen...
trincheira
verb
1. stappen, gaan
andar
caminhar
noun
4. schaakstuk dat zich slechts diagonaal verplaatsen mag
bispo
noun
1. geld betaald voor iemands vrijlating
resgate
verb
1. ervoor zorgen dat iets of iemand los wordt
desamarrar
verb
1. blijk geven van bewondering
louvar
noun
1. het geheel van bladeren van een of meer bomen
folhagem
pronoun
1. naam van een van Jezus' discipelen
Lucas
/
lʏxt/
noun
1. mengsel van gassen waaruit de afmosfeer bestaat
ar
noun
fotografie vanuit de lucht
aerofotografia
noun
1. een vliegveld voor verkeersvliegtuigen met accommodatie voor ontvangst en vertrek van passagiers
aeroporto
noun
1. een vaartuig dat zowel over water als over land op een luchtkussen voortzweeft.
hovercraft
/
ˈlʏxmɑxt/, /
ˈlʏχmɑχt/
noun
1. een krijgsmacht in de lucht die bestaant uit vliegtuigen, raketten, projectielen en personeel
força aérea
noun
1. de luchtlagen boven een bepaald grondgebied
espaço aéreo
noun
1. verkeer in de lucht
aviação
noun
1. een bedrijf dat vervoer door de lucht aanbiedt
companhia aérea
noun
1.
controlador de tráfego aéreo
noun
controle de tráfego aéreo
noun
1. een stokje met een zwavelkopje, dienende om vuur te maken
palito de fósforo
fósforo
/
lœʏ/, /
lœː/
adjective
1. werkschuw, niet houden van inspanning of werk
preguiçoso
noun
2. benaming voor zoogdieren uit de onderorde Folivora
bicho-preguiça
preguiça
noun
alto-falante
altifalante
noun
1. het ontbreken van de wil iets te doen
preguiça
/
lœʏ̯k/, /
lœːk/
pronoun
- 1. een provinciehoofdstad in België
- 2. een Belgische provincie
Liège
Lieja
/
lœʏ̯k/, /
lœːk/
noun
1. openklappend vlak, klapdeur
escotilha
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera pardus
leopardo
/
lœʏ̯s/, /
lœːs/
noun
1. benaming voor verschillende meestal vleugelloze insecten die parasiteren op dieren en planten
piolho
/
'lœstərə(n)/
verb
1. gericht waarnemen met het oor
escutar
noun
1. rang in het leger
tenente
noun
- 1. geslachtsdeel van de man
caralho
- 2. scheldwoord voor een man
otário
verb
1. de lunch gebruiken
almoçar
noun
1. en 2. (zaden van) geslacht Lupinus
tremoço
tremoçeiro
noun
1. woord of uitdrukking overgenomen uit het Portugees of gevormd naar Portugees voorbeeld
lusitanisme
lusitanismo
noun
1. scheikundig element met symbool Lu en atoomnummer 71
lutécio
/
lyks/
noun
1. niet alledaagse dingen die gebruikt worden voor het persoonlijk genot
luxo
/
ˈlyksəmˌbʏrx/, /
ˈlyksəmˌbʏrχ/
pronoun
1.-3.
Luxemburgo
/
ˈlyksəmˌbʏrɣər/, /
ˈlyksəmˌbʏrχər/
noun
1. een inwoner of iemand die afkomstig is van het Groothertogdom Luxemburg
luxemburguês
adjective
1. met betrekking tot de witte bloedlichaampjes
linfocítico
verb
1. iemand executeren zonder rechtsgeldig proces, met name door opknoping
linchar
noun
1. bepaald soort zoogdier, Lynx lynx
lince
pronoun
1. feministische kunsttaal...
Láadan
/
mṇ/
possessivePronoun
1. van de eerste persoon enkelvoud
meu
minha
/
maːx/
noun
1. Orgaan
estômago
bucho
pronoun
- 3. de moeder van Jesus
Virgem
- 2. teken van de dierenriem waar de zon in staat van ca. 23 augustus tot ca. 23 september
- 1. sterrenbeeld van de dierenriem
Virgem
Virgo
/
maːxt/, /
maːçt/
noun
1. ongerepte jonge vrouw
virgem
noun
1. eigenschap dat je niet eerder geslachtsverkeer hebt gehad
virgindade
/
ˈmaɣdəˌvlis/, /
ˈmaʝdəˌvlis/
noun
vlies
hímen
/
ˈmaɪ̯ə(n)/
verb
1. met een werktuig het bovengrondse deel ergens van verwijderen
ceifar
segar
/
ma:l/
verb
1 1. telkens terugkerend tijdstip waarop iets gebeurt
feita
noun
1. een hoeveelheid toebereid voedsel die voldoende is geruime tijd de lichamelijke behoefte te bevredigen
refeição
/
maːnt/
noun
1. elk van de twaalf met een eigen naam onderscheiden tijdvakken van 28, 30 of 21 dagen waarin een jaar verdeeld wordt
mês
/
ˈmaːndɑx/
noun
1. een dag van de week, de eerste dag na het weekeinde
segunda-feira
segunda
/
ˈman.də.ləks/, /
ˈmaːn.də.lɪks/
adjective
1. iedere maand een keer
mensal
/
ˈman.də.ləks/, /
ˈmaːn.də.lɪks/
adverb
1. iedere maand een keer
mensal
noun
1. het loon dat men met arbeid in één maand verdient
salário mensal
/
ˈmansvərˌdœʏ̯stərɪŋ/, /
ˈmansvərˌdœːstərɪŋ/
noun
1. het verschijnsel dat de maan verduisterd raakt doordat ze in de schaduw...
eclipse lunar
/
maːr/
conjunction
1. tegenwerping, introduceert een zin(sdeel) dat het voorgaande zin(sdeel) tegenspreekt of er mee contrasteert
mas
embora
/
maːrt/
noun
1. derde maand van het jaar
março
Março
pronoun
Revoluções de 1848 nos Estados alemães
/
mas/
pronoun
1. een rivier die onspringt in Frankrijk en door België en Nederland stroomt
Mosa
/
mas/
noun
1. een van de geknoopte ringen waaruit een net bestaat
malha
/
maːt/
noun
3. eenheid van lengte enz.
medida
noun
1. een glazen kolf met een geijkte maatstreep voor het nauwkeurig bepalen van een volume vloeistof
balão volumétrico
noun
1. iets dat wordt beslist om een doel te treffen
medida
noun
- 1. vereniging tot het drijven van handel
companhia
- 2. de wereld, omgang en verkeer der mensen
sociedade
noun
2. gerecht op basis van gebogen pijpjes van deeg
macarrão
pronoun
1. een stad op een eiland aan de zuidkust van China, ten westen van Hong Kong
Macau
pronoun
1. Slavische taal die vooral wordt gesproken in de Noord-Macedonië
macedônio
/
ˌmasəˈdoni.jə/, /
ˌmasəˈdoːni.jə/
pronoun
- 3. land
- 1. historisch Grieks koninkrijk
- 2. regio in Griekenland
Macedónia
Macedônia
/
ˌmasəˈdoni.jər/, /
ˌmasəˈdoːni.jər/
noun
1. inwoner van Macedonië
macedónio
noun
1. het vermogen om elders de eigen wil op te leggen
poder
/
ˈmɑxtəx/, /
ˈmɑxtɪx/, /
ˈmɑχtəχ/
adjective
1. meer invloed hebben dan anderen
poderoso
verb
1. aan iemand anders het recht overdragen in je naam te handelen
autorizar
noun
1. een handwerktechniek om decoraties of weefsel te maken, door het met de hand knopen van draden
macramé
/
ma.da.'ɣɑs.kɑr/, /
ˌma.dɑ.'χɑs.kɑr/
pronoun
2. staat op het bovengenoemde eiland, de Republiek Madagaskar
Madagáscar
noun
1. Pootloze larve
larva
noun
1. Bellis perennis
margarida
pronoun
1. een Indiase deelstaat gelegen in het centrum van het land met de hoofdstad Bhopal
Madhya Pradesh
noun
1. criminele organisatie, oorspronkelijk van Sicilië
máfia
/
ˈmafis/
adjective
1. arm aan silica of silicahoudende mineralen
máfico
noun
2. winkel met groot assortiment
armazém
noun
1. kleur tussen rood en blauw
magenta
/
ˈma.ɣər/, /
ˈma.χər/
adjective
1.
magro
noun
1. magerzucht, eetstoornis
anorexia
adjective
1.met een bijzondere, bovennatuurlijke betekenis
mágico
noun
1. een persoon die rechtspreekt
magistrado
noun
- 2. persoon, zaak of plaats
íman
- 1. gemagnetiseerd metaal
íman
ímã
noun
1. Chemisch element
magnésio
noun
1. magnetisch, ijzer bevattend mineraal; magnetisch erts
magnetita
adjective
1. verschijnselen vertonend die toegeschreven kunnen worden aan een kringstroom...
magnético
/
ˈmɑɣ.nə.trɔn/, /
ˈmɑχ.nə.trɔn/
noun
1. een toestel waarin met zeer korte en gerichte golven voedsel in zeer korte tijd warm kan worden gemaakt
forno microondas
noun
1. boom met tulpachtige bloemen
magnólia
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het westen van het land
Maharashtra
/
mɑjs/
noun
1. een graansoort afkomstig uit Midden-Amerika
milho
noun
1. en 2. verbinding van glucose en koolhydraten of bindmiddel dat uit maiskorrels wordt gewonnen
amido de milho
/
ma'kak/
noun
1. een aap behorende tot een geslacht (Macaca) van apen van de Oude Wereld
macaco
noun
1. schoonheidsproducten
maquilagem
/
ˈmaːkən/
verb
1. in elkaar zetten
fazer
noun
1. iemand die iets maakt of gemaakt heeft
fazedor
adjective
1. niet moeilijk, waar weinig moeite en inspanning voor vereist is
fácil
noun
1. bepaalde soort zeevis, Scomber scomber
cavala
pronoun
1. macrotaal die op Madagaskar gesproken wordt
malgaxe
noun
1. infectieziekte die veroorzaakt wordt door eencellige parasieten van het geslacht Plasmodium
malária
paludismo
/
ma.'la.wi/, /
ma.'la.ʋi/, /
ma.'la.β̞i/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel de Republiek Zambia, dat niet aan de zee grenst
Malawi
Malávi
pronoun
1. Dravidische taal die wordt gesproken door 47 miljoen mensen, vooral in de Indiase deelstaat Kerala
malaiala
/
mɑl.ˈdi.və(n)/, /
mɑɫ.ˈdi.və(n)/
pronoun
1. land in de Indische Oceaan
Maldivas
/
mɑ.ˈlɛɪs/
pronoun
1. een Austronesische taal en de officiële taal van Maleisië, Brunei en Singapore die ook in delen van...
malaio
/
maˈlɛ:zi.jə/, /
maˈlɛɪ̯zi.jə/
pronoun
1. een land in het zuidoosten van Azië dat bestaat uit twee afzonderlijke delen die gescheiden worden door de Zuid-Chinese Zee
Malásia
/
malə(n)/
verb
1. tussen twee harde voorwerpen fijnwrijven
moer
/
'ma.li/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Mali
Mali
/
ˈmɑlta/, /
ˈmɑɫta/
pronoun
- 1. eiland in de Middellandse Zee
- 2. land in de Middellandse Zee
Malta
/
mɑlˈteːs/, /
mɑɫˈtes/
pronoun
1. Semitische taal die wordt gesproken door 570 duizend mensen op Malta
maltês
/
mɑlˈteːsə/, /
mɑɫˈtesə/
noun
1. vrouwelijke inwoner van Malta
maltesa
/
ˈmɑmi/
noun
1. moeder
mamãe
noun
1. benaming voor zoogdieren uit het geslacht Mammuthus
mamute
noun
- 3. een mens
homem
- 1. persoon van het mannelijk geslacht
homem
varão
noun
- 2. de activiteit van het besturen van een organisatie
administração
- 1. de leiding van een organisatie, de verzameling managers
gestão comercial
noun
1. een persoon die de leiding heeft over een afdeling binnen een organisatie
gerente
noun
1. een sierknoop die de manchet aan de mouw van een overhemd sluit
abotoadura
botão de punho
noun
1. een bak gemaakt van gevlochten rotan of tenen voorzien van een handvat
cesto
cesta
noun
1. hoeveelheid werk die één persoon op één werkdag kan verzetten
dia por homem
noun
1. Een citrusvrucht
tangerina
noun
1. schil van Citrus reticulata, Citrus reticulata var. 'mandarine' of Citrus × tangerina
casca de tangerina
noun
1. een klein, luitvormig tokkelinstrument met vier paar snaren waarop met een plectrum getokkeld wordt
bandolim
noun
1. bepaald soort zoogdier, Otaria flavescens, zeeroofdier dat leeft aan de kusten van het zuidelijk deel...
leão-marinho-da-patagônia
noun
1. Chrysocyon brachyurus, Zuid-Amerikaanse wilde hondachtige, meer verwant met de vos dan met de wolf
lobo-guará
lobo vermelho
/
manəsxɛɪn/
noun
1. Het door de maan weerkaatste licht dat op de aarde schijnt, maanlicht
luar
/
ˈmɑŋɣa/
noun
1. Japans stripboek
mangá
noun
1. Chemisch element
manganês
noun
1. soort oranje-groene sappige tropische vrucht
manga
noun
1. ziekelijke neiging (opgewonden psychische toestand)
insanidade
noun
1. openlijke bekendmaking van een staatshoofd, regering, leider of politieke partij
manifesto
noun
- 1.
- 2. openbare gebeurtenis
manifestação
noun
1. en 2. (wortel van) de plant Manihot esculenta
mandioca
macaxeira
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het noordoosten van het land
Manipur
adjective
- 1. tot geslacht behorend dat voor bevruchting zorgt
- 2. behorend tot het mannelijke woordgeslacht
masculino
pronoun
1. taal die door de Mantsjoes gesproken werd.
manchu
/
ˌmanɵsʲəvɑnˈɑləs/
noun
1. iemand die bekwaam is in het doen van allerlei verschillende klusjes
faz-tudo
pronoun
1. een Keltische taal die (als tweede taal) wordt gesproken op het eiland Man
manês
pronoun
1. taal die door de Maori's wordt gesproken
maori
noun
1. variant van het communisme zoals uitgedragen en toegepast in China gedurende het derde kwart van de 20e eeuw
maoísmo
noun
1. communist die zich vooral heeft laten inspireren door Mao Zedong
maoísta
/
mɑp/
noun
3. deel van het bestandssysteem
diretoria
pronoun
1. inheemse taal gesproken door 440 duizend mensen in Chili en Argentinië
mapuche
pronoun
1. taal die met name in Maharashtra, een staat in India gesproken wordt, onder andere in Mumbai (Bombay)
marata
noun
1. grafische registratie van de waterhoogte opgetekend door een maregraaf
mareógrama
noun
1. bepaald soort zoogdier, Leopardus wiedii
gato-maracajá
/
mɑrɣiˈnal/
adjective
1. aan de rand of de rand betreffend
marginal
noun
1. het hoogfeest ter gedachtenis van de aankondiging (annunciatie) van de geboorte van Jezus aan Maria
Anunciação
/
mɑˈrɪmba/
noun
1. een zeer grote houten xylofoon uit Guatemala met onder elke toets een resonator van houtsnijwerk
marimba
/
maːˈrinə/
noun
1. zeemacht
marinha
adjective
1. donkerblauw
azul marinho
noun
1. lid van een goed getrainde, gespecialiseerde militaire eenheid
fuzileiro naval
/
mɑr.ˈkeːr.stɪft/
noun
1. een viltstift waarmee met stukken tekst doet opvallen
caneta marca-texto
/
mɑr.kɪː.rə(n)/
verb
1. het afbakenen van een grens
marcar
noun
adellijke titel, lager dan een hertog maar hoger dan een graaf
marquês
noun
warenverkoop op pleinen en straten
feira
/
mɑremər/
noun
1. een fijnkorrelige getransformeerde kalksteen dat gepolijst gebruikt wordt in de bouw- en de beeldhouwkunst
mármore
noun
1. knaagdier dat vooral in het hooggebergte leeft maar ook veel als huisdier wordt gehouden
marmota
/
ma.ˈrɔ.ko/
pronoun
1. land in het uiterste noordwesten van Afrika
Marrocos
noun
- 1. regelmatige manier van lopen met afgemeten passen, vooral gebruikt door soldaten...
- 2. een wandeltocht
- 3. een mand of bak die op de rug gedragen wordt
marcha
noun
1. een Italiaanse versterkte wijn die gemaakt wordt in de omgeving van Marsala op het westelijk deel van Sicilië
Vinho Marsala
pronoun
1. een taal die op de Marshalleilanden gesproken wordt
marshallês
/
mɑr.ʃəl.ɛɪ̯.lɑn.də(n)/, /
mɑr.ʃəl.ɛː.lɑn.də(n)/, /
mɑr.ʃəɫ.ɛɪ̯.lɑn.də(n)/
pronoun
1. een land in Oceanië
Ilhas Marshall
noun
1. sponzig snoepje
marshmallow
noun
1. iemand die voor een zaak lijdt of sterft en daarmee tot symbool wordt gezien van de strijd voor die zaak
mártir
noun
1. benaming voor zoogdieren uit het geslacht Martes
marta
noun
1. cocktail van gin en droge witte vermout
martíni
noun
1. de socialistische ideologie van de volgelingen van Karl Marx
marxismo
noun
1. schoonheidsmiddel
rímel
pronoun
1. eilandengroep in de Indische Oceaan
Ilhas Mascarenhas
/
ˈmɑsaː/
noun
1. totale hoeveelheid materie in een object
massa
adjective
1. op grote schaal, in groten getale
compacto
noun
1. moord op een groot aantal personen
assassinato/assassínio em massa
noun
1. toerisme in populaire vakantiegebieden waarbij men bij voorkeur ook nog eens allemaal in dezelfde periode komt opdraven
turismo de massa
noun
1. een wapen dat zeer velen doodt
arma de destruição em massa
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Massenbachhausen
verb
1. het toepassen van uitwendige druk op de zachte weefsels
massagear
noun
- 1. lange, rechtop staande paal midden op het schip
- 4. hoge antenne
- 5. varkensvoer
mastro
noun
1. grote hond met een heel los rimpelig vel bij het hoofd
dogue
noun
- 1. ontsteking van de borstklier
- 2. ontsteking van de uier
mastite
noun
1. het stimuleren van de eigen geslachtsdelen
punheta
noun
1. een tastbare stof
matéria
/
maθe'mat/
noun
matemático
/
mɑtrɑs/
noun
1. lichaamsondersteunend onderdeel van een bed
colchão
noun
1. een rechthoekig blok getallen waaraan bepaalde rekenregels toegekend worden
matriz
noun
1. een zeeman van de laagste rang
marujo
/
ˌmaʊ̯.ri.ˈta.ni.jə/, /
ˌmɔʊ̯.ri.ˈta.ni.jə/, /
ˌmʌʊ̯.ri.ˈta.ni.jə/
pronoun
1. een land in Noord-Afrika, officieel de Islamitische Republiek Mauritanië
Mauritânia
/
maʊ̯.'ri.si.jəs/, /
mɔʊ̯.'ri.si.jəs/, /
mʌʊ̯.'ri.tsi.jəs/
pronoun
1. een land in de Indische Oceaan, officieel de Republiek Mauritius
Maurícia
noun
Mauritia flexuosa
buriti
noun
1. groot en rijk versierd graf
mausoléu
adjective
1. het grootst mogelijk
máximo
abbreviation
1. grootst mogelijke hoeveelheid
máximo
/
ˌmajoˈnɛːzə/
noun
1. een saus op basis van eieren
maionese
noun
1. kinderziekte die veroorzaakt wordt door het Morbillivirus en gekenmerkt wordt door rode stipjes op de huid
sarampo
noun
1. een vrouw die een relatie heeft met een getrouwde man
amante
/
ˈmaʲɪs/, /
ˈmɛɪ̯s/
noun
1. bepaalde graansoort afkomstig uit Midden-Amerika, Zea mays
milho
noun
1. iemand die kunstenaars en wetenschappers financieel ondersteunt
mecenas
adjective
1. met betrekking op de mechanica, machinaal, automatisch zonder na te denken
mecânico
noun
1. machinerie
mecanismo
noun
1. metalen schijf, in het bijzonder als onderscheidingsteken na bepaalde prestaties
medalha
noun
1. informatie die bekend wordt gemaakt
mensagem
/
ˈme.dəˌklɪŋ.kər/
noun
- 1. een klank waarbij de lucht niet ongehinderd door de mond naar buiten kan
- 2. een letter die zo'n klank in schrift weergeeft
consoante
noun
1. verdriet over het leed van anderen
compaixão
adjective
1. bewust bijgedragen hebbend tot een wandaad
cúmplice
noun
1. het mede schuld hebben aan een misdrijf
cumplicidade
noun
1. het voorschrijven van geneesmiddelen
medicamento
noun
1. een chemische stof die een bepaalde, gewenste werking op het (dierlijk of menselijk) lichaam uitoefent
remédio
medicamento
adjective
1. op de geneeskunde betrekking hebbend
médico
noun
1. spirituele bezigheid
meditação
/
ˈmeɣevə(n)/, /
ˈmeχevə(n)/
verb
ceder
noun
1. Rubia tinctorum
garança
/
mel/, /
meɫ/, /
mɪːɫ/
noun
1. gemalen graan
farinha
verb
1. bij het vertrek meevoeren
levar
/
meːr/
noun
1. groot water dat helemaal omringd is door land
lagoa
lago
adjective
1. de leeftijd bereikt hebbend dat men alle rechten en plichten van een volwassene heeft
a maior de idade
noun
1. één van een aantal Afrikaanse apensoorten uit de Cercopithecus-familie
cercopiteco
noun
1. bepaald soort watervogel, Fulica atra
galeirão
adjective
- 1. gerelateerd aan meerdere talen
- 2. (persoon) meerdere talen sprekend
multilingue
multilíngue
noun
1. de staat van meerdere talen te kunnen spreken
plurilingüismo
/
ˈmeːrvɑɫ/
noun
1. benaming voor grote roofvissen uit het geslacht Siluris
bagre
noun
1. Woord dat in die vorm aan meerdere voorwerpen, mensen of dieren refereert
plural
noun
1. benaming voor kleine weinig schuwe vogels uit de familie Paridae
chapim
indefiniteCardinalNumeral
1. de grootste hoeveelheid, het hoogste aantal
maioria
noun
1. baas, heer, patroon
mestre
noun
1. eenheid die gebruikt wordt om meetresultaten in uit te drukken
unidade de escala
/
ˈmetɪnstryˌmɛnt/
noun
1. een instrument waarmee grootheden gemeten kunnen worden
instrumento de medida
/
'metkɵndə/
noun
1. tak van de wiskunde
geometria
/
meːβ̞/, /
mɪːβ̞/
noun
1. benaming voor zeevogels uit de familie Laridae
gaivota
/
ˈmewɛrkəntˌforwɛrᵊp/
phraseologicalUnit
1. zinsdeel dat de actie van een overgankelijk niet rechtstreeks ondergaat,...
objeto indireto
noun
1. de vijfde maand van het jaar
maio
Maio
/
ˈmɛɪ̯.dorn/
noun
1.
pilriteiro
noun
1. Melolontha melolontha, schildvleugelig insect dat in mei te voorschijn komt
besouro
noun
1. de verkondiging van één of meerdere leugens terwijl men heeft gezworen de waarheid te vertellen
perjúrio
/
ˈmɛɪ̯ʃə/, /
ˈmɛːsjə/
noun
1. jonge vrouw
menina
moça
rapariga
/
ˈmɛɪ̯ʃəsˌnam/, /
ˈmɛːsjəsˌnam/
noun
2. eigen achternaam van een vrouw die de naam van haar echtgenoot of geregistreerd partner voert
nome de solteira
noun
1. scheikundig element met symbool Mt en atoomnummer 109
meitnério
pronoun
1. geboorteplaats van Mohammed en bedevaartplaats voor islamieten
Meca
adjective
met droevige gedachten aan de dagen van weleer
melancólico
noun
1. een groep van organische pigmenten
melanina
noun
1. een abnormaal zwarte huid en haar of veren door een aangeboren overmaat aan het organisch pigment “melanine”
melanismo
noun
1. een restproduct bij de suikerproductie
melaço
pronoun
1. tweede grootste stad van Australië en hoofdstad van de deelstaat Victoria
Melbourne
noun
1. Atriplex sp, een geslacht van meer dan tweehonderd soorten plantjes...
armola
verb
1. iets rapporteren, bekendmaken
notificar
noun
1. chocolade die bereid is met room of melk
chocolate ao leite
/
mɛlkə(n)/
verb
1.
ordenhar
mungir
noun
1.het orgaan dat bij het zoogdier de melk produceert
glândula mamária
noun
1. een tand uit de eerste set tijdelijke tanden van de mens en sommige andere dieren (zoals de hond of de koe), die na verloop van tijd worden vervangen door de permanente tanden
dente de leite
pronoun
1. het sterrenstelsel waarin wij ons bevinden en dat op donkere nachten als lichtende band aan de hemel te zien is.
via láctea
noun
1. organisch zuur
ácido lático
noun
1. een opeenvolging van toonhoogtes die een bepaald muzikaal gestalte vormt
melodia
adjective
aangenaam klinkend
melodioso
melódico
/
mɛmbran/
noun
2. een omhulsel van de cel bestaande uit fosfolipiden en eiwitten
membrana
noun
pomp waar de pompwerking ontstaat door een membraan te laten trillen
bomba de diafragma
noun
1. een verzamelnaam voor muziekinstrumenten die toon/geluid voortbrengen door een trillend vel
membranofone
indefinitePronoun
1. iemand, maar niemand in het bijzonder
a gente
noun
1. eerste maandstonden, de eerste keer dat er een menstruatie is en daarmee de puberteit
menarca
/
ˌmɛndeˈleviʏm/
noun
mendelévio
/
məˈneːr/, /
məˈnɪːr/
noun
- 2. een nette man
cavalheiro
- 1. een formele manier om een man aan te spreken
- in te delen
senhor
/
menə(n)/
verb
1. de bedoeling hebben
falar sério
verb
1. het homogeniseren van twee of meer zaken
misturar
noun
1. het hebben van een andere opinie over iets
ivergência
noun
1. levensfase waarin vrouwen niet langer menstrueren
menopausa
/
məno'ra/
noun
1. kandelaar met zeven armen
menorá
noun
1. de Homo sapiens, het zoogdier waar wij toe gerekend worden
humano
homem
noun
1. een gemeenschappelijke naam voor dieren uit de orde van de primaten
antropóide
adjective
- 1. zoals de mens
- 2. goed voor de medemens
humano
/
ˈmɛnsələkɦɛjt/
noun
humanidade
noun
2. geheel van de fundamentele rechten en vrijheden die ieder mens toekomen
direitos humanos
pronoun
1. benaming voor Jezus Christus als eerder door Daniël aangekondigde verlosser
filho do homem
noun
1. een verzamelnaam voor alle mensen ter wereld met al hun onderlinge sociale relaties
humanidade
noun
1. maandelijkse bloeding bij vrouwen en geslachtsrijpe meisjes
menstruação
/
ˌmɛn.taː.liˈtɛit/
noun
mentalidade
noun
1. vluchtige olie die een belangrijk bestanddeel is van pepermuntolie,...
mentol
pronoun
1. een stad in de Italiaanse autonome provincie Zuid-Tirol
Merano
/
meːrəl/, /
ˈmɪːrəɫ/
noun
1. bepaald soort zwarte vogel met een gele snavel, Turdus merula
melro
noun
- 1. zacht weefsel in de kern van een bot
- 2.
medula
noun
1. halve cirkel die de beide polen met elkaar verbindt
meridiano
noun
2. een herkenbaar product door een bepaalde producent vervaardigd
marca
noun
1. vrouwelijk paard
égua
noun
1. historische land tussen de rivieren Eufraat en Tigris, het huidige Irak
Mesopotâmia
/
mɛˈsijɑs/
pronoun
1. de in de joodse Tenach voorspelde Redder die door God gezonden zal worden en die door de christenen met Jezus gelijkgesteld wordt
Messias
noun
1. uitwerpselen van sommige dieren waarmee men land vruchtbaar maakt
esterco
fertilizante
noun
1. iemand van gemengd Europese en indiaanse afkomst
cabocla
/
mɛd/, /
mɛt/
preposition
com
noun
1. ieder element dat gekenmerkt wordt door glans en het vermogen om warmte en elektriciteit te geleiden
metal
noun
1. stofwisselprodukt
metabólito
noun
1. het geheel van de biochemische processen op celniveau
metabolismo
/
me.ta.ˈfɔːr/, /
mæː.ta.ˈfoːr/
noun
1. beeldspraak waarbij men een woord B zegt in plaats van het woord A terwijl er tussen A en B een verband is van gelijkenis
metáfora
noun
1. de wijsgerige leer die niet de werkelijkheid onderzoekt zoals ze ons gegeven wordt uit zintuiglijke ervaring, maar op zoek gaat naar het wezen van die werkelijkheid en wat haar constitueert
metafísica
/
ˌmetaˈfizis/
adjective
1. bovennatuurlijk; (nog) niet met de gangbare wetenschap te verklaren
metafísico
noun
1. taal met behulp waarvan dezelfde of een andere taal wordt beschreven
metalinguagem
noun
1. wetenschappelijke theorie waarmee een of meerdere andere theorieën beschreven worden
metateoria
verb
1. de waarde van een bepaalde grootheid bepalen door deze te vergelijken met een ijkwaarde
medir
noun
1. een kortstondig lichtspoor aan de hemel door de verbranding van een uit de ruimte vallende meteoriet
meteoro
/
meteˌjoroloˈɣi/
noun
1. de studie van het weer en het klimaat
meteorologia
noun
1. de SI-eenheid van lengte
metro
noun
1. Een stroming in het protestantisme
metodismo
/
ˌmetodoloˈɣi/, /
ˌmetodoloˈχi/
noun
metodologia
noun
1. kleurstof die als indicator van de zuurgraad gebruikt wordt omdat zij bij toevoeging van zuur een gele kleur krijgt
azul de metileno
/
mæː.to.ˈny.mi.ja/
noun
metonímia
/
mæː.to.ny.ˈmiː/
noun
metonímia
noun
1. ondergronds openbaar vervoer
metro
metrô
/
ˌmetroloˈɣi/
noun
1. de studie van het weer en het klimaat
metrologia
noun
1. wereldstad
metrópole
noun
1. bouwvakker gespecialiseerd in metselen
pedreiro
noun
1. stuk huisraad
móvel
noun
1. groep (jacht)honden, e.d.
matilha
noun
1. formele manier om een vrouw aan te spreken
senhora
/
ˈmɛg.zi.ˌko/, /
ˈmɛk.si.ˌko/
pronoun
1. een land in Amerika, officieel de Verenigde Mexicaanse Staten grenzend aan de Verenigde Staten, Belize en Guatemala, de Grote Oceaan en de Golf van Mexico
México
interjection
1. het geluid van een kat
miau
verb
1. het geluid maken dat kenmerkend is voor een kat
miar
/
miˈxa/, /
ˈmiʃa/
pronoun
Miqueias
/
ˈmiːkroʔɔrɣaːnɪzmə/, /
ˈmiːkroʔɔrʝaːnɪzmə/
noun
1. meestal eencellig wezen
micro-organismo
noun
1. een levend micro-organisme
micróbio
noun
1. de tak van de biologie die zich bezighoudt met micro-organismen en hun effecten op de mens en andere levende organismen
microbiologia
/
ˌmɪkrobɪoˈloɣɪs/
adjective
1. met betrekking tot de microbiologie
microbiológico
/
ˈmik.ro.χɔl(ə)f/, /
ˈmɪk.ro.ɣɔlf/
noun
2. elektromagnetische golf van 0,1 mm tot 1 cm lengte
micro-onda
noun
- 2.
- 1. een meetinstrument waarmee zeer nauwkeurig dikten, afstanden en diepten kunnen worden gemeten
micrómetro
noun
1. een entiteit die een natie of staat lijkt, maar die voor het grootste deel alleen op papier, op het internet of in het hoofd van de schepper bestaat
micronação
/
ˌmi.kro.ˈne.zi.ja/
pronoun
1. een land in Oceanië, officieel de Federale Staten van Micronesia
Micronésia
noun
geïntegreerde schakeling die de hele CVE van een computer bevat op één enkele chip
microprocessador
/
mɪkroˈskoːp/
noun
1. instrument dat het beeld van heel kleine dingen sterk vergroot
microscópio
adjective
1. zeer klein, voor het blote oog onzichtbaar
microscópico
noun
1. het midden van de dag, 12.00
meio-dia
noun
1. een maaltijd die tussen de ochtend en de middag genuttigd wordt
almoço
/
ˈmɪdəɫ/
noun
- 2. iets met behulp waarvan een doel bereikt kan worden
- 4. geld, bezit
meio
- 1. middendeel van het lichaam
cintura
/
ˈmɪdəɫe:wə(n)/
noun
1. de periode tussen ongeveer 300 n.Chr. tot 1500 n.Chr.
Idade Média
/
ˈmɪdəɫɪ:ws/
adjective
1. gerelateerd aan de middeleeuwen
medieval
pronoun
1. Hoogduitse dialecten uit de periode 1050-1350
alto-alemão médio
pronoun
1. randzee van de Atlantische Oceaan, gelegen tussen Zuid-Europa, Noord-Afrika en West-Azië
Mar Mediterrâneo
Mediterrâneo
/
ˌmɪdəɫˈmatəx/
adjective
2. niet in positieve zin opvallen
pobre
pronoun
1. de West-Germaanse taal die van 1100-1400 in het noorden van Duitsland, met name in de Hanzesteden gesproken werd
baixo alemão médio
pronoun
1. de voorloper van het Nieuwnederlands.
holandês médio
noun
1. van een cirkel of bol is het punt dat tot alle punten op de omtrek dezelfde afstand heeft
centro
noun
1. het centrale deel
meio
pronoun
1. het gebied tussen Noord-Amerika en Zuid-Amerika
América Central
noun
1. regio die bestaat uit Zuidwest-Azië en het noordoosten van Afrika
Médio Oriente
Oriente Médio
noun
1. maatschappelijke, economische klasse
classe média
noun
spier- en peesachtig tussenschot tussen borstholte en buikholte
diafragma
noun
- 1. weg, pad tussen twee andere wegen
estrada do meio
- 2. (gulden) middenweg, de ideale positie tussen twee uitersten
meio-termo
meiotermo
/
ˌmɪdərˈnɑxt/, /
ˌmɪdərˈnɑχt/
noun
1. het midden van de nacht, twaalf tot één uur 's nachts
meia-noite
verb
1. via de blaas als vloeistof lozen van lichamelijke afvalstoffen
mijar
noun
1. een kruipend, in grote kolonies levend omnivoor insect
formiga
noun
1. benaming voor tandloze zoogdieren uit de onderorde Vermilingua
tamanduá
noun
1. HCOOH
ácido fórmico
noun
- 1. slapjanus, kleinzerig persoon
bicha
- 2. (scheldwoord) slappe, verwijfde homoseksueel
maricas
noun
1. schele hoofdpijn
enxaqueca
verb
1. ontwijken, trachten niet in aanraking te komen met iets of iemand
evitar
/
mɛi̯l/
abbreviation
milha
noun
1. een paal die op elke mijl staat
pedra miliária
/
mɛi̯n/
noun
1. onderaardse plaats waar delfstoffen gewonnen worden
mina
/
mɛi̯n/
possessivePronoun
1. van mij
meu
minha
noun
1. het bedrijven van winning van delfstoffen
mineração
noun
1. brandbaar, giftig, reukloos gas dat in steenkoolmijnen voor kan komen vooral bestaande uit methaan (CH₄)
grisu
noun
1. een persoon die werkzaam is in de mijnbouw
mineiro
noun
1. benaming voor dieren uit de superorde Acariformes
ácaro
noun
1. hoofddeksel voor kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders
mitra
pronoun
1. stad in het noordwesten van Italië
Milão
/
mi.li.ˈjøː/, /
mɪɫˈjø/
noun
2. de wereldwijde natuurlijke omgeving
meio ambiente
noun
1. alle maatregelen die gericht zijn op de instandhouding van een leefbare leefomgeving
proteção ambiental
/
ˌmiliˈtæːr/, /
ˌmiliˈtɛːr/
adjective
1. met het leger te maken hebbend
militar
/
ˌmiliˈtæːr/, /
ˌmiliˈtɛːr/
noun
1. lid van een leger
soldado
noun
1. 1.000.000.000 (= 10⁹)
bilhão
mil milhões
noun
1. iemand die een vermogen heeft van meer dan een miljoen eenheden van een bepaalde valuta (bijvoorbeeld euro, dollar)
bilionário
noun
1. iemand die een vermogen heeft van meer dan een miljoen eenheden van een bepaalde valuta (bijvoorbeeld euro, dollar)
milionário
noun
1. dikke koude drank
milkshake
noun
1. een periode van 1000 jaar
milênio
milénio
noun
1. een lengtemaat ter grootte van een duizendste meter
milímetro
/
mɪlt/
noun
1. een klier in de buikholte die een rol speelt bij het zuiveren en de opslag van bloed
baço
/
ˈmɪltfyr/
noun
1. een infectieziekte, die wordt veroorzaakt door de bacterie Bacillus anthracis
carbúnculo
antraz
adverb
1. minus, verminderd met (-)
menos
/
ˈmɪnɑxtɪŋ/
noun
1. het minderwaardig vinden, het geen gunstige mening hebben over
desprezo
/
ˈmɪndər/
indefiniteCardinalNumeral
1. vergrotende trap onverbogen vorm van weinig
menos
noun
1. een groep die binnen een groter geheel in aantal minder dan de helft uitmaakt
minoria
adjective
1. onder de 18 jaar, waardoor de rechten en plichten van een volwassene nog niet gelden
menor
noun
complexo de inferioridade
pronoun
1. wereldwijd veel gebruikte netwerksite voor sociale contacten
Minecraft
noun
1. water dat mineralen bevat die de smaak veranderen of het water een (vermeende) therapeutische waarde geven
água mineral
/
ˈminimal/
adjective
1. het kleinst mogelijk
mínima
noun
1. een persoon die deelneemt aan de regering van een land
ministro
noun
1. de minister die het kabinet aanvoert
primeiro ministro
/
ˌminɪsˈtɪːri/
noun
1. een afdeling van een overheid waar het beleid van de regering wordt uitgevoerd
ministério
noun
1. bepaald zoogdier, Neovison vison
visone
/
mɪnst/
indefiniteCardinalNumeral
mínimo
noun
- 1. tijdeenheid
- 2. hoek
minuto
noun
1. neerbuigende vriendelijkheid als karakter eigenschap
gentileza
noun
1. een godsdienstoefening in de katholieke kerk, een eucharistieviering
missa
noun
1. haat tegen mannen
misandria
/
mɪzˈbrœykən/, /
mɪzˈbrœːkən/
verb
op een slechte wijze gebruik maken van iets of iemand
abusar
noun
1. een handeling die een ernstig vergrijp tegen het wetboek van strafrecht is
crime
noun
1. is iemand die de priester helpt tijdens het opdragen van de mis
acólito
noun
1. een misdaad of delict
crime
verb
1. iemand slecht behandelen en pijn doen of verwonden
maltratar
noun
1. het moedwillig toebrengen...
abuso
noun
1. iets dat niet goed is gegaan
falha
noun
- 2. vrucht van de mispelboom
- 1. bepaald soort loofboom Mespilus germanica
nêspera
/
məˈsxin/
adverb
1. duidt aan dat er een bepaalde kans bestaat dat de uitspraak waar is
talvez
quiçá
/
ˈmɪsə(n)/
verb
- 1. niet raken, niet treffen
- 6. de afwezigheid voelen van
errar
noun
1. laaghangende bewolking die het zicht belemmert
nevoeiro
noun
1. mengsel van niet of maar gedeeltelijk gegist druivensap, alcohol en soms ook suiker
mistela
adjective
1. met mist
enevoado
/
ˈmɪsfərstɑnt/
noun
1. het verkeerd begrijpen van elkaars bedoelingen
engano
noun
1.wijn die gebruikt wordt in de misdiensten
vinho canônico
/
ˌmito'xɔndriɵm/
noun
1.
mitocôndria
conjunction
1. indien, op voorwaarde dat
desde que
/
ˈmɪksə(n)/
verb
1. door elkaar mengen
mixar
/
moˈbilcə/
noun
1. draagbare telefoon
telefone celular
noun
1. mengsel van aarde, vuil en water
lama
noun
1. (luchtvaart) een op schaal nagebouwd vliegtuig dat vaak op afstand bestuurd kan worden en kan vliegen
modelo de avião
/
moˈdɛrn/
adjective
1. van deze tijd, volgens de laatste mode
moderno
/
mo.dɛr.ni.ˈzɪː.rə(n)/, /
mo.dɛr.nɪ.ˈzeː.rə(n)/
verb
1. modern maken
modernizar
adjective
1. volgens de mode
moderno
/
muː/
adjective
1. geneigd tot rusten of slapen
cansado
/
mud/, /
mut/
noun
1. dapperheid, lef, branie
coragem
noun
1. een vrouwelijke ouder
mãe
noun
1. een dag ter ere van de moeders
Dia das mães
adjective
1.met de liefde en zorg van een moeder
maternal
noun
1. het fungeren als moeder
maternidade
noun
língua materna
língua nativa
/
ˈmuːdəx/, /
ˈmuːdəç/
adjective
1. geen angst voor gevaar tonend
corajoso
bravo
noun
1. de diersoort waartoe het tamme schaap behoort, Ovis gmelini
muflăo
muflão
/
mu<sup>ɪ</sup>lɛ<sup>ɪ</sup>k/
adjective
1. niet gemakkelijk, waar moeite, geduld en inspanning voor vereist is
difícil
noun
1. iets dat moeilijk of lastig is
dificuldade
/
ˈmuitə/
noun
1. een grote inspanning
esforço
adjective
1. geen moeite kostend
fácil
noun
- [A]
porca
- [C] 1. drassig land, vooral gebruikt voor natte veengebieden
marisma
pronoun
1. een stad in de Belgische provincie Henegouwen
Mouscron
noun
1. de regentijd in tropische gebieden met een droge tijd en een regentijd
monção
verb
1. gedwongen zijn
dever
pronoun
1. een rivier die ontspringt in de Vogezen en na 544 kilometer bij Koblenz in de Rijn uitmondt
Mosela
noun
1. met bont gevoerde koker om de handen warm te houden
regalo
adjective
1. een keuze om iets te doen
possível
noun
1. iets wat gedaan kan worden of kan gebeuren
possibilidade
/
'mo.χə(n)/
verb
1. toegestaan zijn
poder
noun
- 1. drinkbeker
- 2. paardenziekte
caneca
pronoun
1. een taal die in het zuiden van Mordovië gesproken wordt
moksha
moxel
noun
- 1. bepaald soort zoogdier, Talpa europaea
toupeira
- 2. teken in het muziekschrift
bemol
- 3. hoeveelheid van een stof die net zo veel deeltjes bevat als er atomen...
mol
/
mɔlˈdaːvi.jə/, /
mɔɫˈdavi.jə/
pronoun
1. een land en regio in Zuidoost-Europa grenzend aan Oekraïne en Roemenië
Moldova
Moldávia
adjective
1. bestaande uit moleculen
molecular
/
moləˈkyle/
noun
1. het kleinste deeltje van een stof dat nog alle eigenschappen van die stof bezit
molécula
/
moləˈkyɫ/
noun
1. het kleinste deeltje van een stof dat nog alle eigenschappen van die stof bezit
molécula
noun
1. installatie die de stroming van lucht of water gebruikt als energiebron
moinho
moenda
/
ˈmolənar/
noun
1. iemand die het werken in een molen als beroep heeft
moleiro
noun
1. een ronde steen die onder andere in windmolens en watermolens wordt gebruikt voor het malen van granen en andere producten, zoals boekweit, erwten en bonen, lijnkoeken en eikenschors
mó
noun
1. met brandbare stof gevulde glazen fles die via een lont of lap stof wordt ontstoken
coquetel Molotov
noun
1.
monte/montículo de toupeira
noun
1. Chemisch element
molibdénio
molibdênio
noun
1. zeer korte tijd
momento
verb
1. geluiden maken die moeilijk te verstaan zijn
resmungar
/
moˈnako/, /
ˈmo.na.ko/
pronoun
- 2. de hoofdstad van Monaco
Mónaco
- 1. een dwergstaatje in Zuid-Europa, officieel het Vorstendom Monaco, dat aan Frankrijk grenst
Mónaco
Mônaco
noun
1. is van origine een regeringsvorm waarbij alle macht bij één persoon berust
monarquia
/
[mɔnt]/
noun
1. ingang van het spijsverteringskanaal
boca
abbreviation
1. een zeer besmettelijke virusziekte (Aphtae epizooticae) die evenhoevige dieren, vooral runderen treft
febre aftosa
noun
1. instrument met doorslaande tongen dat met de mond bespeeld wordt
gaita
gaita de beiços
noun
1. een klein tokkelinstrument en lamellofoon waarbij de klank gevormd wordt door een dunne lamel aan te tokkelen waarbij het frame tussen de tanden of tegen de lippen wordt gehouden
harpa de boca
/
ˈmɔndɪŋ/
noun
1. plaats waar een rivier uitkomt in zee of meer
foz
noun
1. dat deel van een blaasinstrument dat in de mond genomen wordt of aan de lippen gezet
bocal
/
ˈmɔntwatər/
noun
1. vloeistof waarmee de mondholte kan worden gespoeld
enxaguante bucal
enxágue bucal
/
monəˈɣɑskis/, /
monəˈɣɑskɪs/, /
monəˈχɑskis/
adjective
monegasca
/
mɔŋ.ˈ(g)ɣo.li.jə/, /
mɔŋ.ˈɣo.li.jə/, /
mɔŋ.ˈχo.li.jə/
pronoun
1. een land in Azië en omringd door China in het zuiden en Rusland in het noorden
Mongólia
noun
1. iemand met het syndroom van Down
mongoloide
pronoun
1. macrotaal die de officiële taal van Mongolië is en die ook in China en Rusland gesproken wordt
mongol
mongólico
/
ˈmoniˌtɔr/
noun
beeldscherm
monitor
noun
1. een man die uit religieuze overwegingen teruggetrokken leeft, voornamelijk in een klooster
monge
noun
1. een bril voor één oog
monóculo
/
ˈmonokʏɫˌtyːr/
noun
1. landbouw met één gespecialiseerd gewas
monocultura
/
ˈmonɔfˌtɔŋ/
noun
1. de benaming voor één enkele klinker die de nucleus vormt van een lettergreep
monotongo
noun
1. het verschijnsel dat een diftong overgaat in een monoftong.
monotongação
noun
1. het samenleven of getrouwd zijn met één persoon
monogamia
noun
1. figuur met initialen
monograma
adjective
2. van iets dat het kolossaal groot is en uit één massief brok bestaat
monolítico
/
ˌmonoˈlox/
noun
1. een gesprek gevoerd door één persoon, meestal op toneel
monólogo
noun
1. het geheel beheersen van een markt door een enkele leverancier
monopólio
noun
1. een behandeling met één geneesmiddel
monoterapia
noun
1. schrikwekkend wezen
monstro
/
ˌmɔntəneˈgrɛɪ̯ns/, /
ˌmɔntəneˈgrɛːns/, /
ˌmɔntəneˈɣrɛɪ̯ns/
pronoun
1. vorm van het Servo-Kroatisch, gesproken in Montenegro
montenegrino
/
ˌmɔntəˈnegro/, /
ˌmɔntəˈneːɣro/
pronoun
1. land in Zuidoost-Europa gelegen aan de Adriatische Zee en grenzend aan Kroatië, Bosnië en Herzegovina, Servië en Albanië
Montenegro
/
mɔnsɛ'rɑ/
pronoun
Monserrate
Montserrat
noun
1. een groot gedenkteken
monumento
/
moːj/
adjective
1. prettig in voorkomen, aangenaam om naar te kijken, schoon
bonito
belo
/
ˈmoːrd/, /
ˈmoːrt/, /
ˈmʊːrt/
noun
1. handeling met het doel en het gevolg dat iemand dood gaat
assassínio
assassinato
/
mordənar/
noun
1. iemand die een moord gepleegd heeft
assassino
homicida
assassina
adverb
1. fel
obstinadamente
pronoun
1. autonome republiek van Rusland
Mordóvia
noun
1. de kleinst mogelijke morfosyntactische eenheid in een taal
morfema
/
ˌmɔr.fo.lo.ˈɣi/, /
ˌmɔr.fo.lo.ˈχi/
noun
- 1. de wetenschap die het vormgeven van woorden bestudeert
- 4. de wetenschap die de vorm van de oppervlakte van de aarde bestudeert
- 2. de wetenschap van de bouw van organismen
morfologia
/
ˈmɔrxə(n)/, /
ˈmɔrɣə(n)/
adverb
1. eerstvolgende dag na vandaag
amanhã
/
ˈmɔrxə(n)/, /
ˈmɔrɣə(n)/
noun
1. eerste deel van de dag
manhã
noun
1. benaming voor de planeet Venus
Estrela d'Alva
noun
1. pejoratieve benaming voor een hond, bastaardhond
rafeiro
noun
1. bijnaam van een lid van de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen
mórmon
adjective
1. behorend tot, passend bij de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen
mórmon
noun
1. seinalfabet
Morse
alfabeto Morse
código Morse
/
'mɔrsə(n)/
verb
1.
derramar
noun
- 1. een kom waarin met een stamper allerlei stoffen fijn gestampt of fijngewreven worden
- 2,3 korte kanontypen
morteiro
noun
1. een scheikundig element met het symbool Mc en het atoomnummer 115
moscóvio
noun
1. gebedshuis
mesquita
noun
1. een geloofsaanhanger van de islam
muçulmana
noun
1. Mytilus edulis, een eetbaar tweekleppig schelpdier
mexilhão
adjective
1. met mos bedekt
musgoso
noun
1. gistend vruchtensap, meestal van druiven
mosto
noun
1. een in de keuken gebruikte kruidenpasta
mostarda
noun
1.
semente de mostarda
noun
1. een vlinderachtig insect
traça
mariposa
noun
1. vermogen om spontaan te bewegen
motilidade
/
moːtiˈveːrə(n)/
verb
1. met redenen omkleden
motivar
/
'mo.tɔr/
noun
1. krachtbron
motor
noun
1. een klein tot middelgroot bootje dat voortbewogen wordt door middel van een motor
barco a motor
noun
spoorvoertuig
automotora
noun
1. lichte neerslag in de vorm van heel kleine druppeltjes water
chuvisco
noun
bicicleta de montanha
noun
1. de grondstof voor bier, jenever en whisky,...
malte
noun
1. fabriek waar van granen mout wordt gemaakt, door het in water te weken waardoor het onkiemt, en het daarna te drogen
maltaria
noun
1. dat deel van een kledingstuk dat de armen omvat
manga
/
ˌmo.zɑm.ˈbik/, /
ˌmo.zɑm.ˈbɪk/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel de republiek Mozambique
Moçambique
noun
1. Italiaanse kaas
mozarela
/
ˈmysli/, /
ˈmyə̯zli/
noun
1. eten gemaakt van graanvlokken, zuivel, fruit en noten
muesli
noun
1. de persoon die vanuit een minaret van de moskee oproept tot de dagelijkse gebeden
almuadem
noun
1. kleine, vliegende insecten van de onderorde Nematocera
mosquito
verb
criticar
aperrear
disputar
noun
- 3. bepaald soort schoeisel
babucha
- kruising tussen een paard en een ezel
mula
mulo
noun
1. een kruising van een ezelhengst en een paardenmerrie
mula
macho
noun
1. een kruising van een paardenhengst en een ezelin
bardoto
verb
2. beletten te spreken
amordaçar
/
mœʏ̯s/, /
mœːs/
noun
- 3. computermuis
rato
camundongo
- 1. klein zoogdier, meestal van het geslacht "Mus"
rato
ratinho
camundongo
/
ˈmœʏʃjə/
noun
1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord muis
ratinho
/
ˈmœʏsmɑt/, /
ˈmœːsmɑt/
noun
1. een onderlegger voor een computermuis
esteira de mouse
verb
1. in opstand komen tegen wettige autoriteit
amotinar
adjective
1. met, of aan veel kanten, belangen, partijen etc.
multilateral
noun
1. composietplaat die bestaat uit meer dan 3 gelijmde laagjes hout
contraplacado
noun
1. een door balseming en uitdroging geconserveerd lichaam van een dode
múmia
verb
1.van een overledene een mummie maken
mumificar
noun
1. en 2. (boon van) eenjarige plant Vigna radiata
feijão mungu
feijão-mungo
noun
- 5. muntzijde van geldstuk
coroa
- 1. en 2. (blaadjes van) het plantengeslacht Mentha
mentha
hortelã
menta
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Passeridae
pardal
pássaro
noun
1. een gebouw waarin voorwerpen van culturele waarde tentoongesteld worden
museu
noun
1. iemand die muziek maakt en ten gehore brengt
músico
/
'mɵskɵs/
noun
1. de geurstof uitgescheiden door de geurklieren van bepaalde zoogdieren
almíscar
noun
1. plomp hoefdier met grote kop en brede snuit
boi-almiscarado
noun
1. Ondatra zibethicus, een soort waterrat
rato almiscareiro
ondatra
noun
1. stof
mutagénico
mutagênico
noun
1. een sprongsgewijze verandering
mutação
noun
1. onvermogen om te spreken
mutismo
/
myːr/
noun
- 1. verticale vlakke constructie van metselwerk
muro
parede
- 1. kruidachtige plant
morugem
noun
1. Umbilicus rupestris
coucelos
/
my'zik/
noun
1. een akoestisch fenomeen
música
/
myˈzikˌɪnstrymɛnt/
noun
1. instrument om muziek mee te spelen
instrumento musical
noun
1. de leer van systematiek in muziek
teoria da música
noun
1. iemand die muziek maakt
músico
/
ˌmikoloˈɣi/
noun
1. de wetenschap die zich bezig houdt met het bestuderen van schimmels
micologia
/
ˌmikoˈloɣis/
adjective
1. met betrekking tot schimmels
micetológico
/
miˈkozə/
noun
1. een door een schimmel veroorzaakte ziekte
micose
noun
1. afwijking in de brandpuntsafstand van het oog waardoor alles op grotere afstand wazig gezien wordt
miopia
noun
1. een grote groep mensen, een ontelbare menigte
miríade
noun
religião de mistérios
/
mi.tɔ.lɔ.ɣi/
noun
mitologia
noun
1. ernstige konijnenziekte die verspreid wordt door vectoren (dragers) zoals muggen, konijnenvlooien...
mixomatose
preposition
1. in tijd volgend op
depois de
após
atrás de
/
'natlos/
adjective
1. zonder naad aan elkaar bevestigd
inconsútil
/
naf/
noun
1. centrale as of middenstuk van een wiel of rad
cubo de roda
/
ˈnaːi̯ə(n)/
verb
1. naaldwerk verrichten
coser
noun
1. een vrouw die naaiwerk verricht
costureira
/
naːkt/
adjective
1. zonder beharing of andere fysieke bescherming van de huid, ontkleed
nu
noun
1. het naakt zijn
nudez
/
nald/, /
naɫt/
noun
1. gereedschap voor naaien
agulha
noun
- 1. kort stukje tekst dat een persoon, instelling of object bijna identiek kan benoemen
nome
- 2. bekendheid, reputatie
nome
fama
reputação
noun
1. een dag waarop een heilige wordt herdacht
dia onomástico
noun
1. iets of iemand met dezelfde naam
homónimo
noun
1. elk der buigingsvormen van een naamwoord
caso
/
namwort/
noun
1. een woord dat een persoon of zaak noemt, bepaalt of aanduidt
nome
/
naːr/
adverb
1. in de richting van
para
preposition
1. aan de zijkant van
ao lado de
noun
1. liefde jegens de medemens
caridade
adjective
1. zich in de onmiddellijke omgeving bevindend
perto
adjective
1. in de buurt ervan gelegen
vizinho
/
nɑx/, /
nɑxt/, /
nɑχt/
noun
1. de tijd tussen zonsondergang en zonsopkomst
noite
noun
1. een uitgaansgelegenheid voor volwassenen
balada
noun
1. het verrichten van nachtelijke werkzaamheden volgens een diensrooster
serviço noturno
noun
1. een dier dat overdag slaapt en 's nachts actief is
animal noturno
noun
1. lijsterachtige zangvogel met een rossig bruine staart die heel mooi kan zingen
rouxinol
noun
1. lage kast of tafel zonder laden die bij het hoofdeinde van het bed staat
criado-mudo
noun
- 1. een zeer angstige droom
- 2. een schrikbeeld
pesadelo
noun
1. vlinder die 's nachts actief is
mariposa
traça
borboleta nocturna
/
na'dɑt/
conjunction
depois de
noun
1. ongunstige eigenschap
desvantagem
noun
1. denkbeeldig punt aan de sterrenhemel loodrecht onder de waarnemer
nadir
/
'nadrɵk/
noun
1. een bijzondere aandacht die besteed wordt
ênfase
/
ˈnaː.ɣəˌbor.tə/
noun
3. de moederkoek, navelstreng en vliezen die het lichaam van de moeder verlaten nadat de baby is geboren
secundinas
noun
- 3. spijker
prego
unha
- 1. hoornplaat op laatste teen- en vingerkootjes
unha
noun
1. schoonheidsmiddel
verniz
/
ˈna.wɑtl̥̩/, /
ˈna.wɑtl̩/
pronoun
1. benaming voor de talen die door de oorspronkelijke bewoners van Mexico gesproken worden
língua nahuatl
/
ˈnahʏm/
pronoun
2. boek in de Bijbel
Naum
adjective
1. van iets dat in de nabije toekomst gaat gebeuren
iminente
/
ˈnamələk/
abbreviation
a saber
pronoun
1. provincie in het oosten van België
Namur
/
na.'mi.bi.jə/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika
Namíbia
noun
1. tijd aan het einde van de middag
tarde
adjective
1. van na de oorlog
pós-bélico
pronoun
1. stad in Italië
Nápoles
adjective
1. een taal die in Napels, Campanië, Basilicata en noordelijk Calabrië gesproken wordt
napolitano
pronoun
1. de taal van de Narom
narom
noun
1. bepaald soort zeezoogdier, Monodon monoceros
narval
/
naˈsal/
adjective
1. met betrekking tot de neus
nasal
/
ˈna.slɑx.ˌwɛrk/, /
ˈna.slɑx.ˌβ̞ɛrk/, /
ˈna.slɑχ.ˌʋɛrk/
noun
1. een boek dat dient om iets in op te zoeken
livro de consulta
noun
1. een veranderde smaak van iets dat men al heeft doorgeslikt heeft en in het begin anders smaakte
retrogosto
adjective
1. gedrenkt in een vloeistof, meestal water
molhado
noun
1. een groep mensen die zich door gemeenschappelijke taal, cultuur of politieke geschiedenis verbonden voelt
nação
adjective
1. op een volk met een eigen land betrekking hebbend
nacional
noun
1. voorliefde voor het vaderlandse
nacionalismo
noun
1.2.3. stroming in de literatuur aan het eind van de 19e eeuw, die de mens beschouwt als bepaald door milieu en erfelijkheid en leer die de natuur boven alles stelt
naturalismo
noun
1. natuurhoorn
trompa de caça
/
naˈtyrkʏndə/, /
naˈtyːrkʏndə/
noun
1. subdiscipline binnen de natuurwetenschap die zich bezighoudt met de bestudering van materie en
física
adjective
1. uit de natuur afkomstig
natural
adverb
1. vanzelfsprekend
naturalmente
noun
1. mens van vlees en bloed die kan deelnemen aan het rechtsverkeer
pessoa física
pessoa natural
noun
1. een ongelukkige gebeurtenis die door de natuur veroorzaakt wordt
desastre natural
/
na.ˈu.ru/, /
naˈuru/, /
ˈnaʊ̯.ru/
pronoun
1. een land in de Stille Oceaan
Nauru
/
nɑuruˈwans/
pronoun
1. taal die door 6 000 mensen wordt gesproken in Nauru
nauruano
noun
1. misselijkheid
náusea
adverb
1. slechts in geringe mate
mal
pronoun
1. taal die het zuidwesten van de Verenigde Staten wordt gesproken door 170 duizend Navajo's
navajo
noun
1. opeenhoping van wollig materiaal in iemands navel
cotão do umbigo
fiapo do umbigo
pelugem do umbigo
penugem do umbigo
/
ˈnavəlstrɛŋ/
noun
snoer dat de vrucht aan de moederkoek verbindt
cordão umbilical
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Neckarwestheim
noun
1. een biografie van een overleden persoon en/of een bespreking van diens werk
obituário
noun
1. de afsterving van weefsel
necrose
noun
1. suikerrijke vloeistof die door veel planten wordt geproduceerd
néctar
noun
2. een perzikachtige vrucht van boom Prunus persica var. nucipersica
nectarina
pronoun
1. deelstaat van Oostenrijk
Baixa Áustria
pronoun
1. een in Noord-Duitsland en Nederland gesproken West-Germaanse taal...
baixo-alemão
noun
1. het verlies van een strijd
derrota
/
ˈnedərˌlɑnt/, /
ˈneːdərˌlɑnd/, /
ˈneːdərˌlɑnt/
pronoun
1. land in het westen van Europa, grenzend aan Duitsland en België, belangrijkste deel van het Koninkrijk der Nederlanden
Países Baixos
Holanda
/
ˈne.dər.ˌlɑn.dər/
noun
1. inwoner van Nederland of persoon die de Nederlandse nationaliteit bezit
neerlandês
holandês
/
ˈne.dər.ˌlɑnds/, /
ˈne.dər.ˌlɑnts/
adjective
1. met betrekking tot Nederland of de Nederlandse taal
neerlandês
holandês
/
ˈne.dər.ˌlɑnds/, /
ˈne.dər.ˌlɑnts/
pronoun
1. een West-Germaanse taal die als officiële taal gesproken wordt in Nederland, Vlaanderen, Suriname en op de Nederlandse Antillen
neerlandês
holandês
/
ˈne.dər.ˌlɑn.tsə/, /
ˈne.dər.ˌlɑnd.sə/
noun
1. vrouwelijke inwoner van Nederland, vrouw uit Nederland
holandesa
/
ˌne.dər.lɑnt.sə.ɑn.ˈtɪ.lə(n)/, /
ˌneː.dər.lɑnt.sə̯an.ˈtɪ.lə(n)/
pronoun
1. voormalig land binnen het Koninkrijk der Nederlanden
Antilhas Neerlandesas
noun
1. gebarentaal gebruikt door de dovengemeenschap van Nederland
língua de sinais neerlandesa
pronoun
1. een in Noord-Duitsland en Nederland gesproken West-Germaanse taal zonder Hoogduitse klankverschuiving
baixo alemão
noun
1. een vestiging, een bewoonde plaats
liquidação
/
neː/
interjection
1. ontkenning
não
noun
- 2. kozijn
primo
- 1. mannelijke oomzegger
sobrinho
noun
1. hemelwater
precipitação
verb
1. het vliegvermogen verliezen en onzacht op de aarde terugvallen
bater
adjective
1. ontkennend, afwijzend
negativo
noun
1. een in het kader van een fotografisch procédé ontwikkelde plaat of film met een lichtgevoelige laag, waarop de lichtwaarden omgekeerd zijn t.o.v. de werkelijkheid
negativo
/
ˈne.ɣə(n)/, /
ˈne.χə(n)/
cardinalNumeral
1. het getal 9
nove
/
ˈne.ɣən.də/, /
ˈne.χən.də/
ordinalAdjective
1. nummer negen in een rij
nono
cardinalNumeral
1. het getal 39
trinta e nove
cardinalNumeral
1. het getal 99
noventa e nove
cardinalNumeral
1. het getal 89
oitenta e nove
cardinalNumeral
1. het getal 29
vinte e nove
cardinalNumeral
1. het getal 49
quarenta e nove
cardinalNumeral
1. het getal 59
cinquenta e nove
cardinalNumeral
1. het getal 69
sessenta e nove
/
ˈneɣənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 79
setenta e nove
/
ˈne.ɣə(n).ˌhɔn.dərd/, /
ˈne.ɣə(n).ˌɦɔn.dərt/, /
ˈne.χə(n).ˌɦɔn.dərt/
cardinalNumeral
1. het getal 900
novecentos
novecentas
cardinalNumeral
1. het getal 19
dezenove
dezanove
ordinalAdjective
décimo nono
/
ˈne.ɣə(n).təx/, /
ˈne.ɣə(n).tɪx/, /
ˈne.χə(n).təχ/
cardinalNumeral
1. het getal 90
noventa
ordinalAdjective
nonagésimo
noun
1. iemand met voorouders uit Afrika bezuiden de Sahara met lichamelijke kenmerken daarvan
negro
verb
1. doen alsof iemand of iets niet bestaat
ignorar
/
nɛk/
noun
1. achterste gedeelte van de hals
nuca
/
ˈne.mə(n)/
verb
1. iets vastpakken met de handen
tomar
noun
1. kunststroming
neoclassicismo
/
nejoˈlitikʏm/
noun
neolítico
/
ˌne.jo.lo.ˈχɪs.mə/, /
ˌne.jo.loː.ˈɣɪz.mə/
noun
1. een woord dat nieuw is of nieuw gevormd is
neologismo
noun
1. een chemisch element en een kleurloos edelgas
néon
neônio
noun
1. nieuwvorming
neoplasia
/
ˈnepɑɫ/, /
ˈneːpɑl/
pronoun
1. een land in Azië, gelegen in de Himalaya tussen India en China (Tibet)
Nepal
pronoun
1. een taal die vooral in Nepal gesproken wordt
nepali
/
nepo'tɨzmə/
noun
1.
nepotismo
noun
1. Chemisch element
neptúnio
neptúno
noun
1. iemand die sociaal en seksueel weinig in trek is en een grote voorliefde voor intellectuele zaken aan de dag legt
CDF
noun
- 1. benaming voor bepaalde pelsdieren uit de familie der marterachtigen
- 1. pels van een nerts
visom
adverb
1. lijdend aan gespannen zenuwen
nervoso
/
nɛst/
noun
1. de verblijfplaats van een dier
ninho
/
ˈnɛstələ(n)/
verb
1. het bouwen van een nest en het grootbrengen van jongen erin, gewoonlijk van vogels
mudar-se
noun
- 2-6. netwerk enz.
- 1. een geheel van fijne draden
rede
noun
3. sport die veel lijkt op korfbal en basketbal
netball
/
ˈnɛcəs/
adjective
1. net, schoon
leve
/
ˈnɛcəs/
adverb
1. op een nette manier
limpo
noun
1. tweede maag van herkauwers
barrete
/
ˈnøːk.bar/
adjective
comível
verb
1. geslachtsgemeenschap hebben met
foder
adjective
1. met betrekking tot de zenuwen
neural
noun
1. de chemische processen in zenuwstelsels
neuroquímica
noun
1. het ontstaan van nieuwe zenuwcellen in levende organismen, dat zowel voor als na de geboorte plaatsvindt
neurogénese
/
ˈnøːroˌhipoˌfizə/, /
ˈnʏːroˌhipoˌfizə/
noun
1. het neurale deel van de hypofyse, vanwaar bepaalde hormonen geproduceerd in de hypothalamus afgegeven worden
neuro-hipófise
noun
1. een discipline binnen de biologie en geneeskunde die zich bezighoudt met alles wat aandoeningen van het centrale zenuwstelsel betreft
neurologia
adjective
1. met betrekking tot de zenuwen
neurológico
adjective
1. met betrekking tot zenuwen en spieren
neuromuscular
noun
een zeer belangrijke cel in het zenuwstelsel
neurónio
noun
1. zenuwziekte
neuropatia
adjective
1. met betrekking tot een ziekelijke houding
neurótico
/
ˈnøːrotransˌmɪtər/, /
ˈnøːrotrɑnsˌmɪtər/, /
ˈnʏːrotrɑnsˌmɪtər/
noun
1. een chemische stof die fungeert als overbrenger van de zenuwprikkel
neurotransmissor
/
nøʏs/, /
nøːs/
noun
1. een orgaan dat gebruikt wordt bij de ademhaling en om te ruiken
nariz
noun
1. een van de beenderen van de schedel
osso nasal
noun
1. bepaald soort zoogdier, Nasua nasua
quati
noun
1. een groot en zwaar zoogdier uit de familie van de Rhinocerotidae dat in Afrika en Azië leeft...
rinoceronte
/
ˈnøsklɑŋk/
noun
1. een medeklinker die geproduceerd wordt met een gedeeltelijke obstructie ergens in het spraakkanaal
nasal
/
nøˈtral/
adjective
1. geen partij kiezend in een conflict
neutro
noun
1. een onpartijdige houding aanhouden ten opzichte van twee partijen met een geschil
neutralidade
noun
2. wolken in de nabijheid van de grond, ontstaan door plaatselijke oorzaken zoals door afkoeling of door menging van koude met warme vochtige lucht
nebulosa
noun
1. bepaald soort zoogdier, Neofelis nebulosa
leopardo-nebuloso
noun
1. bijwerking
efeito secundário
/
nuˈjɔːrk/
pronoun
1. deelstaat van de Verenigde Staten
Nova Iorque
/
ngoˈla/
pronoun
1. een Creoolse taal die in Sao Tomé en Principe door enkele duizenden bewoners wordt gesproken
Angolar
noun
1. een van de voor de mens noodzakelijke vitaminen, een wateroplosbaar microvoedingsmiddel dat van belang is voor de menselijke gezondheid
niacina
noun
Canção dos Nibelungos
/
ˌni.ka.ˈra.gβ̞a/, /
ˌni.ka.ˈra.ɣuwa/, /
ˌni.kɑ.ˈra.gʋa/
pronoun
1. een staat in Midden-Amerika, tussen Honduras en Costa Rica
Nicarágua
noun
- 4. mannelijke homoseksueel
maricas
- 3. dochter van iemands oom of tante
prima
- 1. dochter van iemands broer of zus
sobrinha
indefinitePronoun
1. geen enkel persoon
ninguém
noun
1. een van beide organen in de onderrug die het bloed zuiveren van afvalstoffen en deze uitscheiden in de urine.
rim
noun
1. een samengroeisel in het nierbekken dat meestal uit urinezuur en urinezure zouten bestaat
cálculo renal
noun
1. glibberige stof, gewonnen uit het weefsel rond de beide organen die bij zoogdieren het bloed zuiveren
sebo
noun
1. giftige plant die vroeg in het voorjaar bloeit
heléboro
adverb
1. ontkenning, tegenovergestelde van 'wel'
não
noun
1. klein, vaak beugelvormig, metalen voorwerp met twee spitse uiteinden
grampo
indefinitePronoun
1. geen enkel ding, geen enkele zaak
nada
noun
1. iemand die voor niets deugt
inútil
/
niβ̞/, /
nyʊ̯/
adjective
- woorden die in een of meer van de bovenstaande categorieën horen, maar waarvan niet bekend is in welke (voel u vrij deze woorden in de juiste categorie in te voegen)
novo
- 1. recentelijk gemaakt
- 4. onderscheidt nieuwere namen van oudere
- 7. recentelijk aangekomen of opgedoken
- 5. in originele staat
- 2. recentelijk ontdekt
- 3. huidige
- 6. vreemd, onbekend
novo
nova
/
niβ̞.ˈze.lɑnt/, /
nyʊ̯.ˈze.lɑnd/
pronoun
1. een land in het zuidwesten van de Grote Oceaan, gelegen naast Australië
Nova Zelândia
pronoun
1. Australische deelstaat gelegen in het zuidoosten van het land
Nova Gales do Sul
noun
1. nieuwe maan
lua nova
pronoun
1. samenstelling van Bijbelboeken
Novo Testamento
noun
1. iets dat nieuw is
novidade
noun
1. feestdag ter gelegenheid van het begin van een nieuw jaar van de gebruikte kalender
ano novo
Ano-Novo
/
niu̯s/
noun
- 1. actuele ontwikkelingen
- 2. een uitzending in de media waarin berichten over actuele ontwikkelingen worden verspreid aan het publiek
notícias
noun
1.een regelmatige publicatie
boletim
/
ˈniu̯sˌɣirəx/
adjective
1. verlangend om iets te weten of waar te nemen
curioso
/
niu'sxirəxɛit/
noun
1. het verlangen naar kennis
curiosidade
verb
1. plotselinge, krachtige uitademing om de neus te reinigen van prikkelende stoffen
espirrar
/
'ni.ɣər/, /
'ni.χər/
pronoun
- 1. land in West-Afrika
- 2. een rivier in West-Afrika
Níger
/
ni.'ɣeː.ri.ja/, /
ni.'χɪː.ri.ja/
pronoun
1. een land in West-Afrika
Nigéria
noun
1. binnen de filosofie een begrip dat wordt gebruikt om de ontkenning van het bestaan van betekenis...
niilismo
noun
1. zelfstandig denker die vindt dat voor werkelijke verbetering dingen die nu...
niilista
noun
1. groot en zwaar in Afrika levend zoogdier, Hippopotamus amphibius
hipopótamo
noun
1. Chemisch element
níquel
noun
- 1. stralenkrans
- 3. wolk
nimbo
noun
- 1. wezen dat rivieren, bossen enz. bewoont
- 2. bekoorlijk meisje
- 4. insect in de tweede toestand van gedaanteverwisseling
ninfa
/
niˈjobijʏm/
noun
1. Chemisch element
nióbio
noun
- 1. een tepel
- 2. een hol koppelstukje
bico
noun
1. de hoogste staat die door de mens bereikt kan worden, en waardoor heiligheid behaald wordt; toestand van volkomen rust
nirvana
/
nɪs/
noun
1. een inham in een muur
nicho
noun
- 1. een zout van salpeterzuur dat het ion NO₃− bevat
- 2, een ester van salpeterzuur
nitrato
noun
1. een verbinding van stikstof waarin dit element in de oxidatietoestand -3 optreedt
nitreto
noun
1. de rang in een hiërarchie, stadium van ontwikkeling, enzovoort
nível
noun
1. scheikundig element
nobélio
noun
1. een jaarlijkse geldprijs voor wetenschappers en anderen die een opmerkelijke prestatie hebben geleverd
Prémio Nobel
/
'no.dəx/
adjective
1. waar behoefte aan is
necessário
verb
- 1. met een naam aanduiden
- 2. vermelden door het uitspreken van de naam
nomear
noun
1. het getal onder de streep van een breuk
denominador
pronoun
1. Turkse taal gesproken door 87 duizend mensen in het zuiden van Rusland
nogai
noun
3. uitstulpingen aan as
came
noun
1. as met nokken
eixo de comando
árvore de cames
noun
1. een eerste van de 8 naamvallen van de Indo-Europese talen
caso nominativo
/
nɔn/
noun
inwoonster van een vrouwenklooster
freira
adjective
1. achteloos, onbekommerd
descontraído
/
ˈnɔŋkəɫ/
noun
1. broer of zwager van iemands vader of moeder
tio
/
ˈnotzak/
noun
1. iets moeten hebben voor vaak praktische of medische redenen
necessidade
/
ˈnoːit/
adverb
1. op geen enkel moment
nunca
jamais
/
noːr/, /
no̝ːr/
noun
1. een inwoner van Noorwegen
norueguês
/
nɔːrt ˈafrɪkɑ/, /
nɔːrt ˈɑfrɪkɑ/
pronoun
gedeelte van het Afrikaanse continent ten noorden van de Sahara
Norte de África
pronoun
het continent dat ten noorden van [[Zuid-Amerika]] ligt, tussen de Grote, Arctische en de Atlantische Oceaan
América do Norte
/
noːrd.ˈbra.bɑnt/, /
no̝ːrd.ˈbra.bɑnt/, /
ˌnoːrd.bra.bɑnd/
pronoun
1. een provincie in het zuiden van Nederland, die aan Gelderland, Limburg, Zeeland, Zuid-Holland en België grenst
Brabante do Norte
pronoun
het noordelijk deel van Europa
Europa Setentrional
/
noːrt.ˈɦɔ.lɑnt/, /
no̝ːr.ˈtɔ.lɑnt/, /
ˈnoːrd.hɔ.lɑnd/
pronoun
1. een provincie in het noordwesten van Nederland, ...
Holanda do Norte
/
ˈɛlzɑs/
pronoun
1.
Irlanda do Norte
adjective
1.
norte-irlandês
pronoun
1. regio van Finland
Carélia do Norte
/
ˌnoːrt koˈre.ja/, /
ˌno̝ːrt koˈre.ja/
pronoun
1. een land in Oost-Azië, officieel de Democratische Volksrepubliek Korea
Coreia do Norte
pronoun
1.
Macedónia do Norte
Macedônia do Norte
pronoun
1. Australisch territorium gelegen in het noorden van het land
Território do Norte
pronoun
1. Noordpool
Polo Norte
noun
1,2,3. noordpool
polo norte
/
ˈnoːrdzeː/, /
ˈnoːrtseː/, /
ˈno̝ːrtse/
pronoun
1. zee tussen Groot-Brittannië, Noorwegen, Denemarken, Duitsland, Nederland en België
Mar do Norte
mar do Norte
/
noːrs/, /
no̝ːrs/
adjective
1. betreffende Noorwegen en/of het Noors
norueguês
/
noːrs/, /
no̝ːrs/
pronoun
1. de taal die wordt gesproken in Noorwegen
norueguês
/
ˈnoːrˌweɣə(n)/, /
ˈnoːrˌβ̞eɣə(n)/, /
ˈno̝ːrˌʋeχə(n)/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa
Noruega
/
noːt/
noun
1. (kookkunst) eetbaar, oliehoudend zaad, kern of pit met harde dop
noz
noun
1. en 2. (gepeld) zaad van de nootmuskaatboom Myristica fragrans
noz-moscada
/
nɔrˈmaɫ/
adjective
2. als norm dienend
normal
noun
1. in overeenstemming brengen met een norm
normalização
/
nɔrˈmɑndɪə/
pronoun
1. streek in het noorden van Frankrijk
Normandia
noun
1. de studie van het ontstaan en verloop van ziekten
nosologia
noun
1. jurist die bevoegd is om authentieke akten op te maken
notário
noun
1. een boomsoort uit het geslacht Juglans
nogueira
verb
1. aantekeningen maken
anotar
noun
1. een verslag van een bijeenkomst
ata
/
nʌu ˈɛn/
interjection
1. uitdrukking van onverschilligheid
e daí
noun
1. schuldvernieuwing
novação
noun
1. de elfde maand van het jaar
novembro
Novembro
pronoun
Revolução Espartaquista
adverb
1. op het huidige tijdstip
agora
já
/
nɵxtər/
adjective
1. niet onder de invloed van iets bedwelmends, vooral alcohol
sóbrio
/
nɵl/
cardinalNumeral
1. getal
zero
noun
1. de meridiaan die gebruikt wordt in de landmeetkunde als referentie voor het bepalen van de lengte van een punt op de aarde of een ander hemellichaam
meridiano primário
/
ˈnumeɾi/
pronoun
Números
Livro dos Números
noun
1. de munt- en penningkunde
numismática
/
ˈnʏmər/
abbreviation
1. een aanduiding met een getal
número
/
nʏt/
noun
1. baat, voordeel
utilidade
/
o'azə/
noun
1. plek in een woestijn waar water voorhanden is en vegetatie groeit.
oásis
/
oˈbɑtja/
pronoun
2. boek in de Bijbel
Obadias
noun
2. mechanisme waardoor een stuk gesubduceerde aardkorst langs een subductiezone omhoog beweegt en over de subducerende tektonische plaat schuift
obducção
/
ˈɔpjɛkt/
noun
- 1. voorwerp
- 2. grammaticaal voorwerp
objeto
adjective
2. onpartijdig, volgens de feiten, neutraal
objetivo
noun
1. lens
objetiva
objetivo
noun
1. dwangvoorstelling
obsessão
noun
1. (muziekinstrument) een fluit die veelal gemaakt wordt van gebakken klei
ocarina
pronoun
1. een taal die in het zuiden van Frankrijk gesproken wordt
occitano
pronoun
- 1. streek in het zuiden van Frankrijk
- 2. regio in het zuiden van Frankrijk
Occitânia
noun
1. een zeer grote zee tussen verschillende werelddelen
oceano
/
oseˈjani.jə/, /
oseˈjaːni.jə/
pronoun
1. de collectieve naam voor een groot aantal eilanden in de Stille Oceaan...
Oceania
Oceânia
noun
1. bepaald soort zoogdier, Leopardus pardalis
jaguatirica
ocelote
noun
1. eerste deel van de dag, tussen ca. 6.00 en 12.00 uur
manhã
noun
1,2,3. toontrap, interval en toonhoogtereeks
oitava
noun
1. hoekmeetinstrument
oitante
/
ɔkta'ʔedər/
noun
1. een regelmatig achtvlak, een ruimtelijke figuur begrensd door acht gelijkzijdige driehoeken
octaedro
adjective
1. met betrekking tot het oog
ocular
noun
1. lens waar men inkijkt
ocular
noun
1. een slavin of concubine in de harem van de Turkse sultan
odalisca
/
ˌø.kyˈme.nis/
adjective
1. tussen kerken, van meerdere kerkgenootschappen
ecuménico
ecumênico
noun
1. (medisch) waterzucht
edema
verb
1. proberen zonder fouten uit te voeren
praticar
noun
1. test om de kennis te peilen
exercício
/
u.'ɣɑn.da/, /
u.'χɑn.da/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika, officieel de Republiek Oeganda
Uganda
/
ukraˈɦins/, /
ukraˈʔins/
pronoun
1. een Slavische taal die in Oekraïne gesproken wordt
ucraniano
/
ukraˈɦinə/, /
ukraˈʔinə/
pronoun
1. een land in Oost-Europa met als hoofdstad Kiev
Ucrânia
/
ukraˈɦinər/, /
ukraˈʔinər/
noun
1. een inwoner van Oekraïne
ucraniano
/
ˌenoloˈɣi/
noun
1. de wetenschap van de wijnbereiding
enologia
noun
een bos dat van oudsher bestaat
floresta primária
/
ˈuːrknɑl/
noun
1. de volgens de bigbangtheorie enorme explosie waaruit het heelal zo'n 13,7 miljard jaar geleden zou zijn ontstaan
big bang
/
ˈuː.rɔs/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Bos primigenius
auroque
uroque
/
uˈsʲɑŋka/
noun
1. muts
ushanka
noun
1. ontsteking van de slokdarm
esofagite
noun
1. tweekleppig weekdier uit de familie Ostreidae met onregelmatige schelpkleppen
ostra
noun
1. een vrouwelijk hormoon
estrogênio
noun
andorinha-das-barreiras
pronoun
1. een taal die verwant is aan het Turks en die door de Oezbeken gesproken wordt
usbeque
/
us.ˈbe.kɪ.stɑn/, /
uz.ˈbe.kɪ.stɑn/
pronoun
1. een land in centraal Azië, officieel de Republiek Oezbekistan, dat geheel door land wordt omsloten
Uzbequistão
Usbequistão
conjunction
- 1. keuze
ou
- 2. onzekerheid
se
adjective
1. aanvallend
ofensivo
verb
1. wijden aan
sacrificar
/
ɔ'fɛrtə/
noun
1. een aanbieding van goederen of diensten tegen een vaste prijs
cotação
adjective
1. erkend door bevoegd gezag
oficial
noun
1. iemand die een rang in het leger bekleedt die hem of haar het bevel over...
agente
/
ɔfˈtɑɫmis/
adjective
1. met betrekking tot het oog en/of de ziekten ervan.
oftálmico
noun
1. de tak van de medische wetenschap die zich met het oog en het zicht bezig houdt
oftalmologia
noun
1. een scheikundig element met het symbool Og en het atoomnummer 118
oganésson
noun
1. Een bepaald tijdstip
momento
noun
1. groot zoogdier dat nauw verwant is aan de giraffe
ocapi
noun
1. een mineraal dat als gele of oranje kleurstof gebruikt wordt
ocre
adjective
1. met betrekking tot Okinawa of de Okinawaanse taal
oquinauano
pronoun
- 1. een streektaal in Okinawa
- 2. streektaalen van Okinawa
- 3. dialect van het Japans
oquinauano
pronoun
1. een van de vijftig deelstaten van de Verenigde Staten van Amerika.
Oklahoma
noun
1. holte tussen de arm en de romp
axila
sovaco
noun
1. de tiende maand van het jaar
outubro
Outubro
pronoun
Revolução de Outubro
interjection
1. goed, in orde
OK
adjective
1. betrekking hebbend op het reukzintuig
olfactório
noun
1. vettige vloeistof
óleo
noun
1. een baksel gemaakt van een vloeibaar gerezen beslag dat in hete olie gebakken is
sonho
noun
1. fabriek waar ruwe aardolie wordt verwerkt tot aardolieproducten
refinaria de petróleo
noun
1. een gebeurtenis waarbij grote hoeveelheden olie in het milieu terecht komen en daar schade aanrichten
maré negra
noun
1. een sedimentair fijnkorrelig gesteente dat organische en chemische stoffen bevat en waar synthetisch olie en gas uit gewonnen kan worden
xisto betuminoso
noun
1. groot dikhuidig en veelhoevig zoogdier met een lange slurf
elefante
elefanta
noun
1. stof met beperkt aantal gelijke delen
oligômero
/
oˈlɛɪf/, /
oˈlɛːf/
noun
1. een vrucht van de olijfboom
azeitona
oliva
noun
1. bepaald soort boom, Olea europaea
oliveira
/
oˈlɛɪ̯fkløːrɪx/, /
oˈlɛɪ̯fklʏːrəχ/, /
oˈlɛːfkløːrəx/
adjective
1. de kleur van olijven hebbend
verde-oliva
noun
1. fijne spijsolie verkregen door persing uit olijven
azeite
óleo de oliva
verb
1. met olie bewerken
olear
adjective
1. verband houdend met de Olympische Spelen
olímpico
/
o.ˌlɪm.pi.sə.ˈspe.lə(n)/
pronoun
1. een vierjaarlijks sportevenement dat zijn oorsprong in de stad Olympia in de Griekse landstreek Elis heeft
Jogos Olímpicos
Olimpíadas
pronoun
1. evenement dat eens in de vier jaar wordt gehouden waarbij allerlei wintersporten competitief beoefend worden
Jogos Olímpicos de Inverno
noun
1. moeder van een ouder
avó
/
o.ˈman/, /
ˈo.mɑn/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel het Sultanaat Oman
Omã
verb
1. de armen om iemand heen slaan
abraçar
/
ˈɔmbʏdsˌmɑn/, /
ˈɔmbʏtsˌmɑn/
noun
1. een ambtenaar die de taak heeft om als onpartijdige instantie klachten van individuele burgers tegen de overheid, instellingen en bedrijven te onderzoeken
ombudsman
/
ɔm.'dɑt/
conjunction
1. geeft onderschikkend een reden aan
porque
/
ɔmdrajə(n)/
verb
1. twee zijden van iets van plaats doen verwisselen
virar
noun
1. een gerecht dat bereid wordt door geklutste eieren te bakken
omelete
fritada
noun
1. een techniek, waarin de richting van de natuurlijke osmose omgekeerd wordt om uit zout water zoet te produceren
osmose inversa
noun
- 1. de nabijheid
ambiente
- 2. personenkring
vizinhança
verb
1. aan alle kanten omsluiten
cercar
verb
1. de armen om iemand slaan
abraçar
/
ˈɔmkopə(n)/
verb
1. (iemand ~) met behulp van geschenken, geld e.d. overhalen om van zijn plicht, partij, overtuiging te verzakent
subornar
adverb
1. in neerwaartse richting
abaixo
verb
1. op een andere manier laden; naar een ander vervoermiddel overladen
baldear
noun
4. nagelriemontsteking, paronychia
paroníquia
noun
1. iets dat totaal anders is geworden
mudança radical
noun
1. alleseter, zowel plantaardig als dierlijk voedsel
onívoro
verb
1. aan alle kanten omsluiten
cercar
verb
1. aan alle kanten omsluiten
rodear
noun
hoe de zaken er voorliggen
circunstância
noun
1. de lengte van een gesloten kromme
circunferência
verb
2. een einde maken aan een bewind
depor
noun
1. het afzetten van een regering, overheid of regime
subversão
/
ˈɔmʋɛx/
noun
1. de weg die langer is dan de gewone of kortste verbinding tussen twee plaatsen
desvio
noun
- 2. algemene grootscheepse verandering
- 3. volledige draaiing
giro
- 1. politieke revolutie
revolução
prefix
1. toegevoegd aan een bijvoeglijk naamwoord drukt dit voorvoegsel het tegendeel uit.
anti-
adjective
1. geen verbinding hebbend met
independente
noun
declaração de independência
adjective
1. niet mogelijk om te kunnen veranderen of vermijden
inevitável
noun
1. de bereidheid om iets bij te dragen zonder er zelf baat bij te hebben
abnegação
adverb
1. niet of zeer moeilijk te begrijpen, rationeel niet te volgen, onlogisch
incompreensível
adjective
1. van delen van het lichaam dat er geen haar op zit, dat het niet met haar bedekt is
calvo
adjective
1. niet behorend tot de kennis
desconhecido
adjective
1. slecht gemanierd
descortês
noun
1. de onverbogen werkwoordsvorm die naar persoon en getal onvervoegd is
infinitivo
noun
1. gedrag dat schaamte op zou moeten roepen maar het bij die persoon niet doet
impudência
adjective
1. niet te vertrouwen
inconfiável
noun
1. het niet langer gebruiken van iets
desuso
noun
1. een medisch specialist die zich bezighoudt met de gezwelgroei, in het bijzonder met kanker
oncologista
adjective
1. zonder erkentelijk te zijn voor ontvangen hulp of producten
ingrato
preposition
1. ook al is het zo dat
apesar de
/
ˈɔn.dər/
preposition
1. niet gesorteerd
abaixo
/
ˌɔndərˈɑrṃ/
noun
1. gedeelte van de arm tussen de elleboog en de hand
antebraço
noun
1. met te weinig medewerkers, met te weinig personeel te veel werk moeten doen
carência de pessoal
/
ɔn.dər.ˈbre.kɪŋ/, /
ɔn.dər.ˈbreː.kɪŋ(g)/
noun
- 2. een kort ophouden van bezigheden als pauze
intermitência
- 1. een tijdelijk staken van activiteit door een onverwachte gebeurtenis
interrupção
noun
1. kledingstuk dat onder de gewone broek wordt gedragen
cuecas
noun
1. het gedeelte van de buik dat het dichtste bij de benen is
abdome
/
ˌɔndərˈdanəx/
adjective
1. gehoorzaam aan een leider
submissivo
verb
1. een wens, verlangen, uiting of ontwikkeling eventueel met geweld tegengaan
oprimir
noun
een chemische verbinding met de formule H₃PO₂.
ácido hipofosforoso
verb
1. onderhevig gemaakt worden
sofrer
/
ˈɔn.dər.ˌɣud/, /
ˈɔn.dər.ˌɣut/, /
ˈɔn.dər.ˌχut/
noun
1. kleding die direct op het lichaam gedragen wordt, doorgaans nog onder andere kleding
roupa de baixo
verb
de basis waarop iets rust eronder vandaan halen
subverter
verb
1. overleggen om tot een afspraak te komen
negociar
/
ɔndər'ɦɑndəlɪŋ/
noun
1. een proces van overleg waarbij partijen trachten tot een voor beiden aanvaardbare afspraak te komen
negociação
noun
1. handelingen verricht om iets in goede staat te houden.
manutenção
noun
1. de onderste kaak
mandíbula
noun
1. gouverneur van een land of een provincie die als vervanger van de monarch optreedt
vice-rei
verb
2. de werking of het voortbestaan van iets bedreigen of hinderen
consumir
verb
1. een bedrijf of actie in werking stellen
empreender
noun
1. een organisatie
empresa
noun
1. de onderste delen van de rug; lumbale wervelkolom
cruzes
verb
1. iets kleiner of van kleiner belang inschatten dan het in werkelijkheid blijkt
subestimar
verb
1. een verschil in aanmerking nemen
distinguir
/
ɔndər'sxɛpə(n)/
verb
1. ervoor zorgen dat iets dat onderweg is zijn bestemming niet haalt
interceptar
noun
1. handtekening
assinatura
noun
1. een geschreven vertaling die bij een film(pje) in beeld wordt gebracht
legenda
/
ɔndərˈvraxə(n)/
verb
1. iemand aan een intensieve reeks vragen onderwerpen
interrogar
/
ˌɔndərˈwɛx/, /
ˌɔndərˈʋɛχ/, /
ˌɔndərˈβ̞ɛx/
adverb
1. bezig zijn zich van plek A naar plek B te verplaatsen
a caminho
noun
- 1. waar iets over gaat, een thema
assunto
tema
- 2. zinsdeel waarnaar de persoonsvorm zich richt en dat bijv. de handelende persoon of zaak beschrijft
sujeito
assunto
verb
1. gezag opleggen
subjugar
noun
1. de voorziening van opleidingen
educação
ensino
noun
1. iemand die lesgeeft
magistério
noun
1. een oude benaming voor een vrouwelijke leraar op een lagere school of basisschool
professora
noun
1. een vaartuig dat onder het wateroppervlak kan varen
submarino
noun
1. iemand die een onderzoek uitvoert
investigador
/
ˌɔn.dər.ˈzuk.stər/
noun
1. een vrouwelijk persoon die vraagstukken onderzoekt
investigadora
adjective
1. niet mis de verstaan, met slechts één betekenis
claro
adjective
1. zonder einde
infinito
adjective
1. ter zake nieuw
inexperiente
adjective
1. Niet deelbaar door twee
Ímpar
adjective
1. niet conform datgene wat gebruikelijk is
desusado
noun
1. ongewenste dieren, die de mens op een of andere manier last bezorgen
bicharedo
/
ɔnɣə'hoːrzam/, /
ɔnɣə'ɦoːrzam/, /
ɔnχə'ɦo̝ːrzam/
adjective
1. niet bereid gehoor te geven aan gestelde regels
desobediente
noun
1. het niet opvolgen van opgelegde regels
desobediência
adjective
2. niet onderricht in lezen en schrijven
analfabeto
/
ˌɔnɣəˈlɛi̯k/, /
ˌɔnχəˈlɛi̯k/
adjective
1. niet met elkaar overeenstemmend
diferente
adjective
2. bijzonder, uitzonderlijk
incrível
noun
1.het niet geloven
incredulidade
noun
- 1. onaangename verstoring
inconveniência
incómodo
incômodo
- 2. kwaal aan het lichaam
moléstia
adjective
1. niet gepast, niet geschikt
impróprio
noun
2. lichte ziekte
mal-estar
/
ɔnɣəvɑl/
noun
1. een ongeluk
acidente
abbreviation
bij benadering
aproximadamente
adjective
1. zonder verandering
inalterado
adjective
1. niet goed met de handen om kunnen gaan
desajeitado
adjective
1. zonder mogelijkheid om ongedaan gemaakt te worden
irreversível
adjective
1. niet met de oren waarneembaar
inaudível
/
ˈɔŋkəɫ/
noun
1. broer of zwager van iemands vader of moeder
tio
noun
1. planten die voorkomen op plekken waar ze niet gewenst zijn
erva daninha
adjective
1. in verbintenis met het internet
na linha
adjective
1. waarover geen twijfel kan bestaan
inconfundível
adjective
1. niet volgens de laatste mode
brega
adjective
1. niet te verwezenlijken
impossível
noun
1. iets dat niet kan gebeuren
impossibilidade
/
ˌonomatoˈpe/
noun
1. door klanknabootsing gevormd woord
onomatopeia
adjective
1.
imprescindível
/
ˌɔnɔntˈsɛɪ̯fərbar/, /
ˌɔnɔntˈsɛːfərbar/
adjective
1. niet de eigenschap bezittend qua betekenis geduid te kunnen worden
indecifrável
noun
1. een werkwoord dat niet vergezeld kan worden door een lijdend voorwerp of een meewerkend voorwerp in een zin
verbo intransitivo
adjective
1. chaotisch, onduidelijk
confuso
adjective
niet partijdig , niet bij een bepaalde stelling of kant aansluiten
imparcial
adjective
1. een negatief gevoel oproepend
desagradável
noun
1. schadeverwekkende inbreuk op een zorgvuldigheids- of rechtsnorm waardoor burgerrechtelijke aansprakelijkheid ontstaat
ato ilícito
adjective
- onzuiver, onkuis
- vuil
impuro
noun
1. niet-verplaatsbare zaak, bijv. grond, delfstoffen, beplantingen en opstallen
bem imóvel
noun
1. het verstoord zijn van de maatschappelijke of sociale orde, rust
inquietação
possessivePronoun
1. van de 1e persoon meervoud
nosso
/
ɔnˈsxʏɫdəx/
adjective
1. niet schuldig
inocente
noun
1. de eigenschap niet te zullen sterven
imortalidade
verb
1. overgaan in iets verkeerds
degenerar
noun
1. eerste maaltijd van de dag
pequeno-almoço
café da manhã
desjejum
verb
1. de eerste maaltijd van de dag nuttigen
café-da-manhã
verb
- 2. het uiteen (laten) vallen van een chemische stof in een aantal andere
decompor
- 1. een organisatie opheffen
dissolver
noun
desflorestamento
desmatamento
verb
1. niet aanwezig zijn terwijl dit wel zou moeten of verwacht wordt
faltar
/
ɔntˈsɛɪ̯fərə(n)/, /
ɔntˈsɛːfərə(n)/
verb
1. qua betekenis duiden
decifrar
/
ɔnˈdɛ.kə(n)/
verb
1. ergens achter komen
descobrir
noun
1. het vinden van iets nieuws
descobrimento
descoberta
/
ɔntəˈvredənɦɛɪt/
noun
1. het gevoel niet genoeg te hebben en onvoldaan te zijn
descontentamento
verb
1. van een illusie beroven
desencantar
noun
1. rituele toelating tot een studentencorps
trote estudantil
verb
- 2. de gewijde functie van iets verwijderen
desconsagrar
- 1. iets wat gewijd is schenden, onteren
dessacralizar
verb
1. iemand doden door het hoofd van de romp te scheiden
decapitar
degolar
verb
1. in het geheugen bewaren
gravar
noun
4. iemand die iets niet vergeet
lembrador
/
ɔnt'ɦɑʊdɪŋ/
noun
1. het bewust niet een gewoonte of behoefte volgen
abstinência
/
ɔntˈɦɵlə(n)/, /
ɔntˈɦʏlə(n)/
verb
- 1. van het hulsel ontdoen
descobrir
- 2. openbaren van onbekende feiten
revelar
verb
1. in staat van verbijstering brengen
abismar
adjective
1. verbijsterd, ontsteld
abismado
/
ɔnt.ˈkɑl.kə(n)/, /
ɔnt.ˈkɑɫ.kə(n)/
verb
1. kalk van een metalen oppervlak verwijderen
descalcificar
/
ɔnt.ˈkɑl.kɪŋ/, /
ɔnt.ˈkɑɫ.kɪŋ/
noun
1. het verwijderen van kalk van een metalen oppervlak
descalcificação
verb
1. verklaren dat het gestelde niet waar is
negar
verb
1. anatomiseren, analyseren
dissecar
verb
1. door te castreren of het amputeren van de penis, iemand ontdoen van zijn mannelijkheid
castrar
verb
1. een geheel dusdanig in delen uiteennemen dat het niet meer als geheel fuctioneert
desfazer
verb
1. de ware aard laten zien van iets of iemand
desmascarar
verb
- 1. aan menselijkheid verliezen
- 2. beroven van het menselijke
desumanizar
verb
1. de moed ontnemen
desencorajar
adjective
1. van iets dat je daardoor de hoop verliest
desencorajador
verb
1. met iemand kennismaken en een gesprek voeren
encontrar
verb
1. terugbrengen uit een waan of roes
desembriagar-se
verb
1. van de schoonheid beroven
desfigurar
verb
- 1. arbeidsovereenkomst beëindigen
- 3. beëindigen van een ziekenhuisopname
despedir
/
ɔnt'slɑx/
noun
1. het verbreken van het dienstverband met een werknemer
demissão
verb
1. kleine organismen zoals bacteriën gericht doden
desinfetar
verb
1. aan gevangenschap, dreigende gevangenneming of ander gevaar ontkomen
escapar
noun
1. het afnemen van de verhoogde aandacht
relaxamento, recreação
verb
1. uit het aangelegde spoor geraken
descarrilhar
/
ɔnt.ˈstan/
verb
1. de verandering ondergaan van niet bestaan naar wel bestaan
surgir
noun
1. (medisch) ontsteking
inflamação
/
ɔndˈvaŋ(g)ə(n)/, /
ɔntfɑŋə(n)/
verb
1. het verkrijgen van zaken zoals loon en berichten
receber
noun
1. het, tegen iemands zin, wederrechtelijk verplaatsen van een persoon
sequestro
verb
1. niet meer abonneren
desseguir
/
ɔntˈʋɛrpə(n)/
verb
1. bedenken en uitwerken op papier
projetar
/
ɔntʋɪkələ(n)/
verb
- 3. een film ~ het latente beeld van een belicht fotografisch materiaal chemisch zichtbaar maken
- 1. iets ~ een aanwezige aanleg tot bloei brengen
- 4. ontwerpen en uitvoeren op basis van onderzoek
revelar
noun
1. geleidelijke verandering in een zekere richting
desenvolvimento
adjective
1. niet geneigd om zich door smeekbeden tot andere handelwijze te laten bewegen
implacável
/
ɔnvərˈbœxbaːr/, /
ɔnvərˈbœyxbaːr/
adjective
1. onmogelijk te verbuigen
indeclinável
adjective
1. niet te vergelijken
incomparável
/
ɔnvɛrˈsxɪləɣˌɦɛit/
noun
1. houding waarbij men zich niets aantrekt van omstandigheden en de opvattingen van anderen
indiferença
adjective
1. duidt de onmogelijkheid aan de plaats van iets door iets anders in te laten nemen
insubstituível
adjective
1. niet van tevoren zien aankomen
inesperado
/
ˌɔn.vərˈʋust.bar/, /
ˌɔn.vərˈβ̞ust.bar/
adjective
1. niet stuk te krijgen, buitengewoon robuust
indestrutível
noun
1. het zo jong zijn dat men nog niet meerderjarig is
imaturidade
adjective
1. waarvan de uitkomst niet bij voorbaat te kennen is
imprevisível
noun
1. het niet kunnen weten wat de toekomst brengen zal
imprevisibilidade
adjective
1. bij verrassing optredend
imprevisto
adjective
1. een geringe kans bezittend om waar te worden of te blijken
improvável
/
ɔnʋɪːr/
noun
1. meteorologisch verschijnsel waarbij regen gepaard gaat met donder en bliksem
tempestade
noun
een variëteit van kwarts
ónix
noun
1. benaming voor torren uit de familie Coccinellidae
joaninha
pronoun
1. christelijk gebed
Pai Nosso
/
ɔn'zɛidəx/
adjective
neutro
/
ox/, /
oːx/, /
oχ/
noun
1. gezichtsorgaan voor het waarnemen van lichtprikkels
olho
/
ˌox.ɔm.ˌox, ˌtɑnt.ɔm.ˈtɑnt/, /
ˌoɣ.ɔm.ˌox, ˌtɑnd.ɔm.ˈtɑnd/, /
ˌoχ.ɔm.ˌoχ, ˌtɑnt.ɔm.ˈtɑnt/
interjection
1. benadrukt volledige vergelding
olho por olho
noun
1. ooggetuige
testemunha ocular
/
ˈoχ.lɪt/
noun
1. een beschermend vlies van huid dat over de ogen bewogen kan worden
pálpebra
verb
1. het van het land halen van het rijpe gewas
colheita
verb
1. het volgroeide gewas van het veld halen
colher
ceifar
noun
1. vrouwelijk schaap
ovelha
/
'oɪ̯.bɔs/
noun
ribeirinha
noun
1. bepaald soort grote witte vogel met zwarte vleugelranden en rode poten, Ciconia ciconia
cegonha
/
oːɪt/
adverb
- 2. een mogelijk tijdstip in de toekomst
alguma vez
- 1. op een zeker tijdstip in het verleden
em tempos
/
oːk/
adverb
1. daarnaast; verder; tevens
também
noun
1. broer of zwager van iemands vader of moeder
tio
/
oːr/
noun
1. het lichaamsdeel waarmee geluiden kunnen worden gehoord
orelha
ouvido
noun
1. een ornament dat in of op het oor aangebracht wordt
brinco
/
ort/
noun
1. een bepaalde plaats
vila
/
ˈɔːrkɔndə/
noun
1. rechtskrachtig door getuigen bevestigd bewijsstuk, stammend uit de middeleeuwen
carta
noun
1. wetenschap die oorkonden typeert en beschrijft naar hun vorm
diplomática
noun
1. een gewapende strijd tussen twee of meer bevolkingsgroepen en/of tussen twee of meer landen
guerra
noun
1. een daad in tijd van oorlog die het oorlogsrecht of -gebruik schendt
crime de guerra
/
'orlɔxsmɪsdadəxər/
noun
1. iemand die een oorlogsmisdaad pleegt of heeft gepleegd en daarvoor individueel aansprakelijk gesteld...
criminoso de guerra
/
'orlɔxsfərklarɪŋ/
noun
1. een officiële mededeling van een land dat het oorlog gaat voeren
declaração de guerra
/
ˈorɔntˌstekɪŋ/
noun
1. een ontsteking van het oor
otite
/
orsxɛlp/, /
o̝rsχɛɫp/
noun
1. het uit het hoofd stekende deel van een oor
pavilhão auditivo
adjective
1. zoals het in begin was
original
noun
1.1 gewone oorworm (Forficula auricularia)
tesourinha
/
os.ˈti.mɔr/
pronoun
1. een land in Zuidoost-Azië, bestaande uit een gedeelte van het eiland Timor en de kleinere eilandjes Atauro en Jaco in het geheel
Timor-Leste
Timor Leste
/
ˈostə(n)/
noun
1. een van de windstreken, die op landkaarten overeenkomt met de rechterkant
este
oriente
pronoun
1. een gemeente in de Belgische provincie West-Vlaanderen
Ostende
/
ˈostə(n)ˌrɛɪ̯k/, /
ˈoːstə(n)ˌrɛɪ̯k/, /
ˈoːstə(n)ˌrɛːk/
pronoun
1. een republiek in Midden-Europa grenzend aan Zwitserland en Liechtenstein in het westen, aan Duitsland...
Áustria
/
ˈo.stə.ˌrɛɪ̯.kər/, /
ˈo.stə.ˌrɛː.kər/, /
ˈos.tə(n).ˌrɛɪ̯.kər/
noun
1. een inwoner van Oostenrijk of persoon die de Oostenrijkse nationaliteit bezit
austríaco
austríaca
pronoun
1. zee die tussen Zweden en de Baltische staten ligt
Mar Báltico
preposition
- 3. omhoog
acabado
- 1. aan de bovenkant aanrakend, rustend op
sobre
noun
1. de vader van een ouder
avô
vovô
/
o'pal/
noun
1. een halfedelsteen en een amorfe variëteit van kwarts, SiO₂·nH₂O, gehydrateerd siliciumdioxide met een waterpercentage van soms wel 20%
opala
/
ˈɔˌbɛlə(n)/
verb
1. iemand telefonisch proberen te bereiken
ligar
/
'ɔp.bla.zə(n)/
verb
2. een gas in een uitzetbare ruimte pompen
inchar
/
'ɔbrɛŋə(n)/
verb
1. als batig resultaat leveren
resultar
/
'ɔbrɛŋs/, /
'ɔbrɛŋst/
noun
1. dat wat opgebracht wordt, de baat die men heeft van zijn activiteiten
produção
noun
1. een te verrichten werk
ordem
verb
- 2. als eerbewijs iets wijden aan iemand
dedicar
- 1. iemand iets te doen geven
encarregar
/
ˈɔpɛːsə(n)/
verb
eisen dat iets of iemand waarop men recht heeft, wordt overgegeven
reivindicar
/
ˈoː.pə(n)/
adverb
1. niet gesloten
aberto
adjective
1. vrij toegankelijk
público
noun
1. openbaar toegankelijk personenvervoer
transporte público
noun
1. laatste boek van de Bijbel
Apocalipse
verb
- 4. (informatica) een bestand inladen
- 2. ontsluiten, openmaken wat afsluit of wat gesloten is
- 3. openstellen, toegankelijk maken
- 1. laten beginnen, in bedrijf brengen
abrir
/
ˈoː.pə(n).ɣaːn/
verb
1. zich openen
abrir
noun
1. een plaats die toegang biedt tot iets dat is afgesloten
abertura
/
ˈopə(n)lək/
adjective
1. zonder te verbergen, in het openbaar
abertamente
noun
1. een in hoofdzaak gezongen en orkestraal begeleid muziekdrama, gewoonlijk van ernstige aard
ópera
noun
- 2. een chirurgische ingreep
- 3. een bewerking op een object
- 1. aantal gecoördineerde acties
operação
noun
1. ruimte waar heelkundige bewerkingen uitgevoerd worden
sala de operações
quirófano
noun
1. het seksueel of emotioneel (te) gespannen zijn
empolgação
verb
1. een voorwerp uit de bodem naar boven halen
desenterrar
verb
1.de tijd tot de volwassenheid doorbrengen
crescer
verb
1. een voorwerp of persoon bij iets/iemand vandaan halen
pegar
/
'ɔpɦɑŋə(n)/
verb
2. een telefoongesprek beëindigen
desligar
verb
1. kwaad en opgewonden maken
incitar
verb
2. een activiteit beëindigen
parar
noun
1. opiumbevattend geneesmiddel
opiáceo
noun
1. een mening of oordeel
opinião
noun
1. onderzoek naar de mening van...
sondagem de opinião
noun
1. een steekproefsgewijs onderzoek naar de mening van de bevolking
sondagem de opinião
noun
1. het ingedroogde melksap van de opiumpapaver of slaapbol (Papaver somniferum), een pijnstillend, verdovend en verslavend middel
ópio
verb
1. zorgen dat iemands stemming verbeterd
animar
/
'ɔpklarə(n)/
verb
1. het ontstaan van open plekken in wat een gesloten wolkendek was
clarear
noun
1. het wegtrekken van de bewolking
aberta
noun
2. de mate waarin de kiesgerechtigden gebruik maken van hun stemrecht in een verkiezing
afluência às urnas
noun
1. totaal aantal afdrukken van een drukwerk dat in één keer wordt vervaardigd
tiragem
verb
1. iets een liggende plaats geven op iets anders
impor
verb
1. bij voortduring aandachtig zijn
prestar atenção
adjective
2. scheikunde: het vermogen bezittend in oplossing te gaan
solúvel
noun
1. de hoeveelheid van een stof die maximaal in een gegeven hoeveelheid oplosmiddel oplost
solubilidade
verb
- 1. een homogeen mengsel gaan vormen
- 2. een homogeen mengsel doen vormen
diluir-se
- 3. een probleem ophelderen
resolver
noun
- 1. een mengsel
- 2. een manier om van een probleem af te komen
solução
/
ɔ'plʏxtə(n)/
verb
1.
aliviar
noun
1.het gevoel bevrijd te zijn van iets dat dreigde
alívio
verb
1. bemerken, waarnemen
percepção
noun
1. een uiting van een gedachte
observação
/
'ɔpnam(ə)/
noun
2. geluid
gravação
noun
1. een ruimte die speciaal geschikt is gemaakt om muziek op te nemen
estúdio de som
verb
- 1. in handen nemen
atender
- 7. (beeld, geluid) registreren, vastleggen
gravar
/
ˈɔpniu/
adverb
1. nog een keer, een vorige gebeurtenis herhalend
novamente
de novo
pronoun
1. deelstaat van Oostenrijk
Alta Áustria
noun
1. bot in de bovenarm
úmero
/
ˈɔpərvlɑk/
noun
1. vlak dat iets naar boven begrenst
superfície
/
ɔpər'vlɑkəx/
adjective
- 1. niet diepgaand of niet grondig
- 2. zich aan de oppervlakte bevindend
superficial
noun
2. uitgebreidheid
área
adjective
1. voordeel willen halen uit een bepaalde situatie
oportunista
/
ˌɔpoˈzitsi/
noun
- 2. mensen en partijen die niet tot de regeringspartijen horen
- 1. tegenstand
oposição
adjective
1. de waarheid sprekend
sincero
verb
3. iets in orde brengen, netjes maken
arrumar
noun
1. een lange, grote en diepe lepel
concha
verb
2. aangedikte beweringen doen
gabar-se
/
ˈɔpslan/
verb
5. informatica: vastleggen of bewaren van gegevens
guardar
verb
- 1. gaan staan
- 2. het bed verlaten
levantar
/
ˈɔpstɑnt/
noun
1. een massale, vaak gewelddadige, poging het heersende gezag af te schudden
levante
noun
1. verrijzenis
ressurreição
verb
1. nauwkeurig omschrijven en schriftelijk vastleggen zodat men het later nog kan raadplegen
registrar
verb
1. bij elkaar tellen; het samenvoegen van twee of meer termen tot een totaal, de som genoemd
somar
adicionar
noun
1. het samenvoegen van een of meer termen tot een totaal, de som
adição
noun
1. iemand die kundig is in de optica
oculista
verb
1. met spierkracht iets van de grond opheffen
elevar
erguer
noun
1. de verwachting dat gebeurtenissen gunstig gaan uitvallen
otimismo
noun
1. iemand die alles van de positieve kant beschouwt
otimista
adjective
1. van het positieve uitgaand
otimista
noun
- 1. het proces waarin iemand wordt gevormd naar de normen van diens opvoeders, en daarmee meestal de samenleving waarin hij leeft
- 2. iemands algemene vorming en ontwikkeling
educação
verb
2. iemands functie overnemen
seguir
noun
2. het proces van temperatuursverhoging
aquecimento
verb
- 3. in staat van agitatie brengen
arreitar
- 2. draaiend onder spanning zetten
dar corda a
noun
2. het onderdeel zijn van een zo gewenst plan
intenção
adverb
1. bewust op deze manier
intencional
verb
5. taxidermie bedrijven
empalhar
verb
- 1. in hoog aanzien hebben, van hogere status achten
- 2. iets met angst en vrees bekijken
temer
/
'ɔpsʋɛlə(n)/
verb
1. in volume toenemen
inchar
noun
1. mensaap met lange armen en roodbruinachtig haar
orangotango
adjective
1. de kleur oranje hebbend
laranja
alaranjado
cor-de-laranja
pronoun
Estado Livre de Orange
noun
1. de witte bloemen van de sinaasappelboom
flor de laranjeira
pronoun
1. en 2.
Oranjemund
noun
1. plant van de talrijke orchideeënfamilie, m.n. benaming voor de kleurrijke bloemen
orquídea
noun
- 3. (biologie) een groep verwante organismen, onderdeel van een klasse en bestaande uit families
- 1. gewenste regelmaat
- 2. een hiërarchische organisatie
ordem
noun
- 1. ruwe indicatie van de omvang, met weinig precisie aangeduide hoeveelheid
- 2. aanduiding om de grootte van een getal mee uit te drukken, uitgedrukt als de exponent van de dichtstbijzijnde macht van 10
ordem de grandeza
/
ɔrdoˈvisijʏm/
noun
Ordoviciano
noun
- 1. Origanum vulgare
orégano
orégão
- 2. keukenkruid
orégãos
orégano
noun
- 1. Onderdeel van het organisme
- 2. Communicatiemiddel
órgão
/
ˌɔrɣɑniˈzasi/, /
ˌɔrχɑniˈzaʦi/
noun
- 3. een groep die een bepaald doel of of bepaalde rol heeft
- 1. het organiseren
- 2. de manier waarop iets georganiseerd is
organização
pronoun
Organização para a Cooperação e Desenvolvimento Económico
pronoun
Organização para a Segurança e Cooperação na Europa
noun
1. iemand die organiseert of die organisatietalent heeft
organizador
/
ɔr.ˈɣa.nɪs/, /
ɔr.ˈχa.nɪs/
adjective
- 1. met betrekking tot een orgaan of de organen
- 2. koolstof bevattend
- 3. niet werkend met of vervaardigd kunstmatige stoffen
orgânico
/
ˌɔrɣɑniˈzeːrə(n)/, /
ˌɔrχɑniˈzɪːrə(n)/
verb
- 1. een bepaalde structuur aanbrengen
- 2. iets, vaak een evenement, tot stand brengen
organizar
noun
1. een afzonderlijk en volledig levend wezen dat voor zijn voortbestaan afhankelijk is van zijn eigen metabolisme en bestaat uit verschillende organen
organismo
/
ɔr.ˈɣaː.no.ɣe.ˌneːzə/
noun
1. het zich ontwikkelen van organen uit enkele typen weefsel
organogênese
adjective
1. werking op een orgaan uitoefenend
organoléptico
/
ˈɔrɣəɫ/
noun
1. een muziekinstrument dat bestaat uit meerdere losse pijpen waardoor lucht stroomt op een labium en dat ingedeeld wordt bij de aerofonen
órgão
adjective
- 1. enige of zeer zeldzaam in zijn soort
- 2. gemaakt door de eerste en oorspronkelijke maker
original
noun
1. voorwerp, gemaakt door de eerste en oorspronkelijke maker, waarvan een of kopieën zijn gemaakt
original
pronoun
1. de officiële taal van de Indiase staat Orissa
oriá
/
ɔrk/
noun
1. fictieve wezentjes die in groepsverband leven en gewoonlijk de vijand van de mensen zijn
orc
/
ˈɔr.ka/
noun
1. Orcinus orca, een walvissoort die vrij gedrongen van bouw is...
orca
noun
1. een bijzonder hevige storm
furacão
/
ɔrˈkɛst/
noun
1. een groep musici
orquestra
noun
1. de tandheelkunde die gericht is op de vorming van een regelmatig gebit
ortodontia
noun
1. een tandarts-specialist die de vorm, groei en ontwikkeling van het gebit en de kaken bestudeert
ortodontista
/
ɔrtoˈdɔks/
adjective
- 1. star vasthoudend aan een bepaald geloof
- 2. star vasthoudend aan bepaalde opvattingen of gewoontes die algemeen zijn aanvaard
ortodoxo
/
ɔrtodɔk'si/
noun
ortodoxia
adjective
1. drie onderling loodrechte spiegelvlakken of tweetallige assen bezittend
ortorrômbico
noun
1. gecastreerde stier
boi
pronoun
- 1. de hoofdstad en grootste stad van Noorwegen en is gelegen in het zuidoosten van het land
- 2. een provincie in Noorwegen
Oslo
noun
1. Chemisch element
ósmio
pronoun
1. een taal uit de centrale Kaukasus
osseto
/
ˌɔstejoˈsit/, /
ˌɔstejoˈsyt/, /
ˌɔsteoˈsit/
noun
1. een cel die bot om zich heeft aangemaakt en daar nu door omgeven wordt
osteócito
pronoun
1. de hoofdstad van Canada
Ottawa
noun
1.1 bepaald soort zoogdier Lutra lutra
lontra
/
aʊ̯d/, /
ɔʊ̯t/, /
ʌʊ̯t/
adjective
- 3. vorige
antigo
velho
- 1. oud mens, dier
- 2. oud ding, concept
velho
antigo
noun
1. reeks boeken in de christelijke Bijbel die zijn ontleend aan de joodse Tenach
antigo testamento
/
ˈaʊ̯.dər/, /
ˈɔʊ̯.dər/, /
ˈʌʊ̯.dər/
noun
1. de moeder of vader van een kind
genitor
/
ˈaʊ̯.dərs/, /
ˈɔʊ̯.dərs/, /
ˈʌʊ̯.dərs/
noun
1. meervoud van het zelfstandig naamwoord ouder
pais
adjective
1. niet langer gebruikt of in de mode
antigo
noun
1. periode van eind september tot half november waarin het nog zomerachtig weer kan zijn
Verão de São Martinho
pronoun
1. het Frans zoals dat in het noorden van Frankrijk gesproken werd van de 10e tot de 14e eeuw
francês antigo
pronoun
1. een nu dode taal die werd gesproken in Griekenland
grega antiga
/
ɑʊ̭tɦɛɪ̭t/
noun
1. het tijdperk van de geschiedenis vóór de middeleeuwen
antiguidade
pronoun
1. de voorloper van het huidige Duits in de periode 700-1050
alto alemão antigo
pronoun
1. de Slavische taal die rond de negende eeuw rond Thessaloniki gesproken werd
antigo eslavo eclesiástico
pronoun
1. een West-Germaanse taal die gesproken werd tussen ongeveer 800 en 1150 in delen van Nederland, België, Frankrijk en Duitsland en die de voorloper was van het Middelnederlands en vervolgens het huidige Nederlands.
holandês antigo
pronoun
1. een taal die de voorganger van de Scandinavische talen was
nórdico antigo
pronoun
1. een taal die de voorloper van het Noors was
norueguês antigo
/
ɑutˈsɑksis/
pronoun
1. de voorloper van het huidige Nedersaksisch in de periode 650-1100
Saxão antigo
pronoun
1. taal die vanaf de 10e tot in de 15e eeuw werd gesproken door de bewoners van Castilië
espanhol antigo
/
ˈɑutʋɛlʃ/
pronoun
1. de voorganger van het Middelwelsh
galês antigo
galês arcaico
/
ɑʊ̯tˈzʋets/, /
ɔʊ̯tˈzβ̞ets/
noun
1. een taal die in de middeleeuwen in Zweden werd gesproken
sueco antigo
noun
1. een meestal instrumentaal muziekstuk dat als opening fungeert van een opera of operette
abertura
noun
1. bekende Griekse alcoholische drank
ouzo
/
o'val/
adjective
1. in vorm gelijkend op een ei
ovoide
/
o'val/
noun
1. een figuur in de vorm van een ei
ovoide
/
ovə/
noun
1. besloten ruimte die verhit wordt om er voorwerpen in te smelten, te bakken enz.
forno
adverb
- 1. voorbij, gedaan
câmbio
- 2. nog resterend
deixado
preposition
- 2. op of langs de oppervlakte van
- 5. naar de andere kant van
câmbio
- 1. wat betreft
de
- 6. meer dan
sobre
adverb
1.
em toda parte
por todo lado
noun
1. een film- of foto-opname maken waar men meer licht op de film liet vallen dan nodig is
sobre-exposição
noun
1. toestand waarbij een ruimte, gebied of land zo dichtbevolkt is dat het problemen geeft
superpopulação
/
ˌovərˈdɑx/
adverb
1. tijdens de uren van de dag
durante o dia
verb
1. de feiten groter, kleiner, mooier of slechter voorstellen dan ze zijn
exagerar
noun
2. een bindende afspraak waarmee alle partijen instemmen
contrato
verb
2. in overeenstemming brengen
concordar
/
ˌovərˈʔetə(n)/
verb
1. uit gulzigheid te veel eten
empachar
verb
- 4. van eigenaar veranderen
- 6. minder worden en uiteindelijk weggaan
passar
- 3. veranderen in
tornar-se
noun
2. het van een toestand in een andere geraken
transição
noun
1. reeks handelingen die gedaan wordt bij een belangrijke gebeurtenis in het leven
rito de passagem
noun
1. een werkwoord dat vergezeld wordt door een lijdend voorwerp in een zin, dat gewoonlijk in de lijdende vorm het onderwerp kan worden
verbo transitivo
/
'ovərɣavə/
noun
1. het opgeven van de strijd en zich aan de wijand onderwerpen
rendição
noun
1. te groot lichaamsgewicht
obesidade
noun
1. moeder van de grootvader of van de grootmoeder
bisavó
/
ˈovərɣrotˌʌʊdər/
noun
1. een ouder van een grootouder
bisavô
/
ˈovərɣrotˌvadər/
noun
1. een vader van een grootouder
bisavô
verb
1. in de handen van een ander geven
entregar
noun
1. het overheersen
dominação
/
ˈovərɦɛit/
noun
1. het geheel aan gezagvoerende lichamen
autoridade
/
ˌovəˈrɛɪ̯sɔɫ/, /
ˌovəˈrɛɪ̯səl/, /
ˌovəˈrɛːsəɫ/
pronoun
1. provincie in het oosten van Nederland
Overissel
noun
1. een jas die hoofdzakelijk als bescherming van de kleding eronder wordt gedragen
sobretudo
noun
1. een pagina bestemd voor overleg
página de discussão
/
ˌovərˈlevə(n)/
verb
1. in leven blijven ondanks levensbedreigende omstandigheden of gebeurtenissen
sobreviver
noun
1. iemand die een levensbedreigende situatie overleefd heeft
sobrevivente
/
ˈovərlevərɪŋ/
noun
1.
sabedoria
adjective
- 1. buitensporig
- 2. een halve toon groter dan een rein of groot interval
excessivo
conjunction
1. omdat of aangezien, geeft onderschikkend een reden aan
porque
verb
1. ergens de nacht doorbrengen
passar a noite
verb
1. met de wielen van een voertuig over iets of iemand heen rijden
atropelar
verb
1. iets domineren, naar de achtergrond drukken
eclipsar
verb
1. iets groter of van groter belang inschatten dan het in werkelijkheid blijkt
sobre-estimar
/
ˈo.vər.sxɔt/
noun
1. wat er overblijft, de rest
superávite
verb
1. het ene geschrevene vervangen
sobrescrever
verb
1. een beurt doen missen
caçamba
noun
2. verandering van vervoermiddel
correspondência
verb
1. doorkruisen om de overzijde te bereiken
atravessar
verb
1. het onder water komen staan van een laaggelegen gebied
transbordar
/
ˌovərˈstromɪŋ/
noun
1. het binnenlopen van water in doorgaans droog gebied
inundação
verb
1. bepaalde denkbeeldige of daadwerkelijke lijnen te buiten gaan
violar
noun
1. een relatief licht strafbaar feit
infracção
verb
1.een voorheen behaald niveau te boven gaan
ultrapassar
/
ˌo.vər.ˌtrɛ.fən.də.ˈtrɑp/
noun
grau superlativo
verb
1. een denkbeeld doen aanvaarden
convencer
noun
1. sterke mening of geloof
convicção
/
ovərˈvluːdəx/, /
ovərˈvluːdəç/
adjective
1. in ruime hoeveelheid aanwezig
abundante
/
'ovərʋɛx/, /
ovər'ʋɛx/
noun
1. een kruising van een weg met een spoorbaan
passagem de nível
/
ovər'ʋeɣən/, /
ˈovərʋeɣən/
verb
de voor- en nadelen bezien alvorens een beslissing te nemen
considerar
verb
1. een tegenstander of zwakte onder de knie krijgen
passar por
verb
1. woekerend bedekken
cobrir de vegetaçao
verb
- 1. van de ene kant naar de andere brengen
- 3. zie vertalen
atravessar
noun
- 2. samenvatting van de inhoud, beschrijving in hoofdlijnen
resumo
levantamento
- 1. toestand dat je het geheel kunt duidelijk overzien
visão geral
noun
1. (scheik.) een vorm van zuurstof met drie zuurstofatomen inplaats van twee
ozônio
/
ozɔnlax/
noun
1. laag in de atmosfeer die veel ozon bevat
camada de ozono
/
ˌooˈsit/
noun
1. een eicel voordat het eerste poollichaampje gevormd wordt
ovócito
noun
4. (heraldiek) een loodrechte band midden over een wapenschild
pala
noun
1. in zee levend weekdier dat zich in hout boort, Teredo navalis
cupim-do-mar
noun
2. bepaald soort Europese kleine zangvogel, Saxicola rubetra
cartaxo-nortenho
/
paːrt/
noun
- 3. schaakstuk
cavalo
- 2. turntoestel
cavalo com alças
cavalo com arções
- 1. tam hoefdier met manen
cavalo
égua
noun
1. en 2. (bladeren of bloemen van) plant Taraxacum officinale
dente-de-leão
/
'pardə(n)krɑxt/
abbreviation
maat voor arbeidsvermogen
cavalo
cavalo-vapor
noun
- 1. sporenplant
- 3. staart van een paard
cavalinha
- 2. haardracht
rabo de cavalo
/
ˈpardəˌstɑɫ/
noun
1. een stal bedoeld om paarden te huisvesten
cavalariça
cocheira
/
ˈpaːrt.rɛidə(n)/
noun
het rijden op een paard, ter ontspanning of als sportbeoefening
equitação
/
ˈparsəx/, /
ˈparsəχ/
adjective
2. op paars lijkend
arroxeado, púrpureo
noun
- 2. ter gelegenheid van Pasen gekleurd en versierd kippenei
- 1. ei van chocolade of suiker dat op of omstreeks Pasen gegeten wordt
ovo de Páscoa
noun
Coelhinho da Páscoa
coelhinho da Páscoa
noun
1. de dag die volgt op paaszondag
Segunda-feira de Páscoa
noun
1. de dag waarop christenen vieren dat Jezus opgestaan is uit de dood, op de derde dag na zijn kruisiging
Domingo de Páscoa
pronoun
1. oceaan die ligt tussen Oost-Azië, Noord- en Zuid-Amerika en Ausralië
Oceano Pacifico
/
pɑsiˈfɪsmə/
noun
1. een wereldbeschouwing die duurzame vrede nastreeft en tegen oorlog en geweld is
pacifismo
/
pɛːt/
noun
- 1. een kikker met een gedrongen lichaamsbouw en ruwe huid die een orgaan van Bidder bezit
sapo
- 1. een smalle weg of voetweg
senda
atalho
beco
trilho
vereda
noun
1. vruchtlichaam van een doorgaans onder de grond levende schimmel of zwam
cogumelo
/
paˈeʎa/
noun
1. gerecht
paelha
noun
1. persoonlijke dienaar van iemand
pajem
/
ˈpa.kɪ.ˌstɑn/
pronoun
1. een land in het zuiden van Azië grenzend aan India, Afghanistan, Iran en China. De officiële naam is de Islamitische Republiek
Paquistão
/
'pɑkpapir/
noun
1. papier men gebruikt voor het (feestelijk) inpakken van voorwerpen
papel de/para embrulho
noun
1. Aziatische groene koolsoort met witte stelen Brassica rapa subsp. chinensis
bok-choi
pak-choi
tsoi sum
/
palaˈdɛin/
noun
2. een ridder of hofdienaar
paladino
/
pa.ˈlaʊ̯/, /
pa.ˈlɔʊ̯/, /
pa.ˈlʌʊ̯/
pronoun
1. een eilandenstaat in Oceanië
Palau
noun
1. een aanzienlijk gebouw dat een openbare functie heeft of een (woon)huis voor een staatshoofd is
palácio
/
palejoˈɣen/
noun
1.
Paleogeno
/
ˈpalejoˌlitikʏm/
noun
1. eerste periode van de steentijd
Paleolítico
noun
1. aardkunde die gericht is op de bestudering van fossielen
paleontologia
/
ˌpalejoˈzowikʏm/
noun
Paleozoico
noun
1. een symmetrisch woord dat van links naar rechts gelezen hetzelfde is als van rechts naar links gelezen. Voorbeelden: lepel en parterretrap maar ook kok en lol
palíndromo
noun
1. chemisch element
paládio
noun
- 2. binnenzijde van de hand
palma
palma da mão
- 1. (sub-)tropisch gewas
palma
palmeira
noun
azeite de dendê
óleo de palma
pronoun
1. de zondag voor Pasen
Domingo de Ramos
noun
1. boomloze grasvlakte in Argentinië en Uruguay
pampa
/
pɑn/
noun
1. keukengereedschap om in te koken of braden
caçarola
frigideira
noun
1. geneesmiddel dat alle kwalen zou verhelpen
panaceia
/
ˈpa.na.ma/, /
ˈpɑ.nə.ma/
pronoun
1. een land Centraal-Amerika
Panamá
noun
1. iemand afkomstig uit Panama
panamenho
noun
1. (zoogdieren) een beerachtig dier uit het Himalayagebied
panda
/
ˌpɑndeˈmi/
noun
1. een epidemie op wereldwijde schaal
pandemia
/
pɑn.deʲ'ɪsmə/
noun
1. een theologische positie
pandeísmo
noun
1. bank van lening waar men geld kan krijgen als men een pand in bewaring geeft, dit pand kan men...
casa de penhores
noun
1. de theologische positie dat God immanent is in de gehele schepping en dat het universum een deel is van God en dat God de drijvende kracht vormt achter het universum
panenteísmo
verb
1.met geklopt ei bestrijken en daarna bestrooien met paneermeel
panar
noun
1. blaasinstrument dat is samengesteld uit een reeks van eentonige fluiten
flauta de Pã
noun
1. een platte, ronde koek die in een pan gebakken is
panqueca
noun
1. benaming voor verschillende grote katachtige roofdieren
pantera
/
pɑn.teʲ'ɪsmə/
noun
panteísmo
/
pɑnˈtɔfəldirtʲə/
noun
1. eencellig diertje
paramécio
noun
1. toneelspel alleen maar met gebaren en lichaamsuitdrukkingen dus zonder woorden
pantomima
noun
1. een beschermende laag om dieren of voorwerpen
armadura
noun
1. een voertuig op wielen dat uitgerust is met een verstevigde buitenzijde om gewelddadige aanvallen te kunnen weerstaan
carro/veículo/automóvel blindado
/
ˈpɛnti/
noun
1. kledingstuk
meia-calça
noun
1. gerecht dat meestal bestaat uit melk die is gebonden met een zetmeelproduct zoals meel
papa
/
paˈpa.ja/
noun
1. en 2. (vrucht van) de boom Carica papaya
mamão
papaia
ababaia
noun
1. een plantengeslacht waarin ook de opiumpapaver thuis hoort
papoila
noun
1. benaming voor vogels uit de orde Psittaciformes
papagaio
louro
noun
1.1 bepaald soort opvallende zeevogel die zelfs onder water kan vliegen, Fratercula arctica
papagaio-do-mar
pronoun
1. taal die wordt gesproken op een aantal eilanden in het Caribisch gebied, waaronder de Benedenwindse Eilanden Aruba, Bonaire en Curaçao en daar officiële status heeft
papiamento
pronoun
1. een taal die wordt gesproken op een aantal eilanden in het Caribisch gebied, waaronder de Benedenwindse Eilanden Aruba, Bonaire en Curaçao en daar officiële status heeft
papeamento
/
pɑ'pir/
noun
1. een dun vezelachtig beschrijfbaar materiaal
papel
noun
1. bouwmateriaal dat gemaakt wordt door papier te vermengen met natte lijm
papel machê
/
ˌpa.pu.wa.niβ̞.ɣi.ˈne.ja/, /
ˌpa.pu.wa.niβ̞.χi.ˈne.ja/, /
ˌpa.pu.wa.nyʊ̯.ɣi.ˈne.ja/
pronoun
land en staat in Oceanië
Papua-Nova Guiné
/
ˈpaprika/, /
ˈpɑprika/
noun
2. vrucht van een bepaalde gekweekte vorm van een peperplant, Capsicum annuum
pimentão
/
ˌparaˈboɫ/
noun
1. kegelsnede waarbij het snijvlak parallel loopt met een lijn die aan de kegel raakt en tevens het toppunt snijdt.
parábola
noun
1. iemand die parachutespringt
pára-quedista
/
ˌpɑrɑˈdɛɪ̯svoɣəl/, /
ˌpɑrɑˈdɛɪ̯svoχəɫ/, /
ˌpɑrɑˈdɛːsvoɣəl/
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Paradisaeidae
ave-do-paraíso
/
ˌparadɔkˈsal/
adjective
1. tegenstrijdig lijkend
paradoxal
noun
2. onderdeel van een hoofdstuk, een artikel, een wet of een officieel stuk
parágrafo
/
ˈpa.ra.gʋɑɪ̯/, /
ˈpa.ra.gβ̞ɑɪ̯/, /
ˈpa.ra.ɣ<sup>ʊ</sup>ɛɪ̯/, /
ˈparaˌɡwe/
pronoun
Paraguai
/
paralɛloˈɣrɑm/, /
pɑrɑlɛloˈʝrɑm/
noun
1. (wiskunde) een vierhoek waarvan de overstaande zijden evenwijdig zijn
paralelogramo
noun
1. achtervolgingswaanzin
paranoia
/
ˌpa.ra.ˈply/
noun
1. een scherm waarover een waterdichte stof is gespannen om zich te beschermen tegen de regen
guarda-chuva
sombrinha
noun
1. klaploper, iemand die ten koste van een ander leeft, een profiteur
parasita
noun
1. leer en studie van de parasieten en het parasitisme
parasitologia
noun
1. in het kaf voorgekookte rijst
arroz estufado
arroz parboilizado
noun
1. een hard, rond voorwerp dat door bepaalde weekdieren wordt gemaakt,...
pérola
noun
1. benaming voor vogels uit het geslacht Numididae
galinha d'angola
/
parəl'mur/
noun
1. het glanzende mineraal dat de binnenzijde van bepaalde schelpen bedekt
madrepérola
nácar
/
ˌparɛntəˈral/
adjective
1. niet via het maag-darmkanaal het lichaam binnenkomend
parenteral
pronoun
1. de hoofdstad van Frankrijk
Paris
/
pɑrᵊk/
noun
1. een groengebied bedoeld voor recreatie of natuurbehoud
parque
noun
1. een installatie met klok die na de muntinworp de toegestane parkeertijd aangeeft
parquímetro
parcómetro
noun
1. plek waar auto's of andere voertuigen geparkeerd kunnen worden
estacionamento
verb
1. (een voertuig) tijdelijk ergens laten staan
estacionar
noun
1. risicosport waarbij een traject met obstakels zo snel en vloeiend mogelijk moet worden afgelegd
parkour
noun
1. gemeenschap van gelovigen in de katholieke kerk die bij één kerkgebouw hoort
paróquia
/
pa.ˈrɔ.xiˌkɛrk/, /
pa.ˈrɔ.χiˌkɛrk/
noun
1. een lokaal kerkgebouw dat het religieuze centrum van een parochie vormt
igreja paroquial
noun
1. woord dat een of meerdere morfemen met een ander woord deelt en daardoor soms met dat andere woord verward kan worden
parónimo
noun
1. ontsteking van het nagelbed
paroníquia
noun
1. bof, ontsteking van de parotis (speekselklier in mond)
parotidite
noun
- 1. persoon of groep die een overeenkomst of strijd aangaat met een andere persoon of groep
- 2. vereniging van gelijkgezinden die binnen een bepaald gebied hun politieke doelstellingen...
- 6. feestje, party
partido
adjective
bij een bepaalde stelling of kant aansluiten
parcial
noun
1. klein deeltje
partícula
noun
- 2. deelgenoot in spelen, speelgenoot, mededanser
parceira
- 1. iemand met wie men gezamenlijk iets onderneemt of handel drijft
- 3. iemand met wie men gehuwd of niet een relatie heeft
parceiro
noun
1. eenheid voor druk (symbool: Pa)
pascal
noun
1. het belangrijkste feest van het christendom, waarbij de Opstanding van Jesus centraal staat
Páscoa
adjective
1. kort geleden geboren
recém-nascido
pronoun
1. taal die vooral in Afghanistan en Pakistan door 50 tot 60 miljoen Pathanen wordt gesproken
afegane
noun
1. de vaste oostelijke wind die waait tussen de 30 graden noorderbreedte en 30 graden zuiderbreedte en het reizen met zeilschepen over de oceaan aanzienlijk eenvoudiger maakt
alisado
noun
5. ontlasting, doorgang
corredor
noun
1. iemand die al of niet tegen betaling meereist met een voer-, vaar- of vliegtuig
passageira
verb
1. precies de goede maat zijn, erin kunnen
caber
adjective
1. niet zelfstandig werkzaam
passivo
noun
1. (eetbare) vrucht van het plantengeslacht Passiflora
maracujá
noun
1. een document of ander kunstwerk zoals een toneel- of muziekstuk dat is gemaakt via nabootsing en/of het combineren van bepaalde kenmerken van een of meerdere originelen
pastiche
noun
1. bepaald circa 20 cm lang knolgewas, Pastinaca sativa
cherovia
pastinaca
pronoun
1. benaming voor het zuidelijke deel van Zuid-Amerika, tussen de Colorado en de Straat van Magellaan
Patagónia
noun
1. schotel voor de hostie
patena
adjective
1. & 2. vaderlijk
paterno
noun
1. de tak van de geneeskunde die het ontstaan en verloop van ziektes bestudeert
patologia
adjective
1. ziekte betreffend
patológico
/
pɑˈsʲɛnt/
noun
iemand die medische hulp krijgt
paciente
noun
1. aanzienlijk persoon, burger, rijke koopman, regent, ...
nobre
noun
1. een vogel uit de familie van de fazanten
perdiz
perdiz-cinzenta
noun
1. klein rond raam in een scheepswand dat waterdicht kan worden afgesloten
vigia
noun
1. goede vaderlander
patriota
pronoun
1. stad in Thailand
Pattaya
noun
1. stevig, maar smeerbaar mengsel van fijngemalen vlees
patê
noun
1. een grote verstembare keteltrommel zoals gebruikt in een orkest
timbales
/
'pɑupər/
noun
1. iemand die heel arm is
indigente
/
pɑu̯s/
noun
1. hoofd van de katholieke kerk
papa
papisa
adjective
1. betrekking hebbend op de paus, het hoofd van de rooms-katholieke kerk
papal
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Pavão
noun
1. benaming voor siervogels uit het geslacht Pavo
pavão real
pavão
noun
1. bepaald soort tropische struik met prachtige bloemen, Caesalpinia pulcherrima
barba-de-barata
/
ˈpɑʊzə/
noun
1. tijd waarin de hoofdactiviteit wordt onderbroken
pausa
verb
2. even stoppen
pausar
/
pɛx/, /
pɛχ/
noun
1. de conditie waarin er tegenslag te verwerken is die niet door eigen schuld veroorzaakt is
azar
noun
- 1. met de voet te bedienen hefboom
- 3. met de voet te bedienen hefboom van een muziekinstrument
pedal
adjective
1. behorende tot het verlangen van een volwassene naar seksueel contact met kinderen
pedófila
noun
1. een volwassene die verlangt naar seksueel contact met kinderen
pedófilo
noun
1. studie van de bovenste aardlaag
pedologia
adjective
1. de vorm hebbend van een peer, dus rond met één enkele uitloper
periforme
/
pes/
noun
1. een uitloper van spierweefsel die de spier aanhecht aan het bot
tendão
/
pɛːl/, /
pɛːɫ/
noun
1. niveau of stand van bijvoorbeeld water
nível
/
'pejorɑ'tif/
adjective
pejorativo
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Pelecanidae
pelicano
/
peloˈtɔn/
noun
een groep soldaten
pelotão
noun
1. (kleding) een mantel vervaardigd van het bont van pelsdieren
casaco de pele
noun
1. instrument om met inkt te schrijven of te tekenen
caneta
noun
1. een directe vrije trap voor de aanvallende partij na een zware overtreding van de verdedigende partij binnen het strafschopgebied
pênalti
noun
1. het mannelijke geslachtsdeel
pénis
noun
1. kleinste Britse munt, Engelse stuiver
péni
noun
2. een gerecht bereid van (1)
dobrada
noun
1. een gelegenheid waar men kan overnachten
pensão
/
pɛnʃo'nerɪŋ/
noun
1.
aposentadoria
noun
1. een specerij van gemalen peperkorrels met een scherpe, hete smaak
pimenta
verb
1. met peper bestrooien, kruiden
apimentar
noun
1. en 2. (bladeren van) de plant Mentha × piperita
hortelã-pimenta
/
pɛpˈsinə/
noun
1. een verteringsenzym dat in de maag eiwitten in kleine stukken breekt
pepsina
preposition
- 3. over een periode van, over een afstand van.
- 1. door middel van
- 5. door, wegens
por
adverb
1. noodzakelijkerwijs
absoluto
/
pɛrsɛnˈtaʒə/
noun
1. een percentsgewijze berekend bedrag of hoeveelheid
percentagem
/
perə(n)bom/
noun
1. een boom met peren als vrucht
pereira
noun
1. hervormingen zoals deze door Gorbatsjov werden voorgesteld in de Sovjet-Unie
perestroika
/
pɛrˈfɛkt/
adjective
1. zonder enig gebrek
perfeito
verb
1. meer perfect of volmaakt maken
aperfeiçoar
/
ˌpɛrfoˈratɔr/
noun
1. een apparaat om gaten te maken in papier, karton, kunststof folie of metaalplaat.
furador
adjective
1. aan de buitenzijde
periférico
/
pɪri'jodɘ/
noun
1. tijdperk
período
noun
1. een dun schrijfmateriaal, gemaakt van huid van kalveren, koeien, geiten, schapen, konijnen of ezels
pergaminho
noun
1. populistische en nationalistische politieke stroming in Argentinië
peronismo
/
pɛˈrɔn/
noun
1. een hoge, lange zijstoep of verhoogde vrije stoep aan een station om in en uit te stappen
plataforma
noun
2. journalistieke media
imprensa
noun
1. samengeperste lucht onder een bepaalde druk
ar comprimido
noun
- 1. menselijk individu
- 2. grammaticaal begrip
pessoa
adjective
1. betrekking hebbend of uitgevoerd door de persoon zelf
pessoal
noun
1. een voornaamwoord dat in de plaats komt van een zelfstandig naamwoord of eigennaam en hiernaar verwijst
pronome pessoal
noun
1. het geheel van kenmerken en gedragingen dat iemand uniek maakt
personalidade
noun
transtorno de personalidade
/
pɛrˈsoːnsˌfɔrm/
noun
1. finiet werkwoord
verbo finito
/
pɛrspɛkˈtif/
noun
perspectiva
pronoun
1. hoofdstad van de Australische deelstaat West-Australië
Perth
/
peˈru/
pronoun
1. een land in Zuid-Amerika
Peru
noun
1. sappige vrucht van de perzikboom
pêssego
noun
1. gepureerde vruchten van de perzikenboom
puré de pêssego
pronoun
1. een Indo-Iraanse taal die gesproken wordt in Iran, Afghanistan en Tadzjikistan
Farsi
persa
noun
1. de verwachting dat gebeurtenissen ongunstig gaan uitvallen
pessimismo
noun
(medisch) Dodelijke en besmettelijke ziekten veroorzaakt door de bacterie Yersinia pestis
peste
verb
1. jennen, treiteren
atazanar
noun
1. bepaald soort vogel, Bombycilla garrulus
tagarela-europeu
noun
1. tamelijk plat hoofddeksel met een klep
boné
noun
2. kruid
salsa
perrexil
noun
1. laag plat ronde bakje van glas of kunststof met een ruim eroverheen passend deksel
placa de Petri
adjective
betrekking hebbend op de industrie die aardolie als grondstof verwerkt
petroquímico
noun
1. een symbool, figuur of andere afbeelding die in de rotsen is gekrast, gekerfd of gehakt
petróglifo
noun
1. gesteentekunde
petrologia
pronoun
- 1. discipel van Jezus
- 3. Peter
Pedro
noun
1. overblijfsel van een opgerookte sigaret of sigaar
bituca
noun
1. een jong kind in de leeftijd van een tot vier jaar
bebê
pronoun
- 1. Griekse god van de paniek
- 2. grotere van de twee manen van Mars
Fobos
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Phoenix
noun
1. musicus die een piano bespeelt
pianista
noun
1. groot snaarinstrument met klavier (algmeen)
piano
/
pɪˈkɑrdɪʲə/
pronoun
regio in Noord-Frankrijk
Picardia
noun
1. piccolofluit
flautim
noun
1. een maaltijd in de vrije natuur
piquenique
noun
1. geslachtsdeel van de man, penis gebruikt voor onvolgroeide jongens
pilinha
verb
- 1.4 het fijn schril geluid van een krakende scharnier
chiar
- 3. stiekem, snel of oppervlakkig naar iets kijken
espiar
- 1.1 het geluid van een muisje
guinchar
noun
- 3. aardappel
batata
- 1. benaming voor vogels uit het geslacht Anthus
caminheiro
adjective
1. bijzonder klein
minúsculo
/
piːr/
noun
- 2. een in een zee of rivier uitstekende brug, dam of golfbreker
- 3. overdekte loopbrug op luchthaven
cais
noun
ringetje, staafje enz.
piercing
pronoun
1. jongensnaam
Pedro
pronoun
1. hoofdstad van KwaZoeloe-Natal
Pietermaritzburg
Pietermaritzburgo
noun
1. een organische of minerale stof met een vaste kleur
pigmento
noun
1. projectiel
flecha
seta
noun
1. weekdier met lange tentakels en zuignappen, o.a. van het geslacht Loligo
lula
/
pɛɪ̯n/, /
pɛːn/
noun
- 1. lichamelijk leed
dor
- 1. pijnboom, een naaldboom uit het geslacht Pinus
pinheiro
noun
1. een houtige zaaddoos van een aantal naaldbomen
pinha
/
ˈpɛɪ̯nɑpəɫˌkliːr/, /
ˈpɛːnɑpəlˌkliːr/
noun
1. klier in de hersenen, die melatonine uitscheidt
glândula pineal
/
'pɛːinstɪlər/
noun
1. middel
analgésico
/
ˈpɪkhʌʊʋɪ:ɫ/
noun
1. hakwerktuig met steel, voorzien van een punt aan de ene zijde en een beitelachtige voorziening aan de andere zijde
picareta
verb
4. (met de snavel) prikken
bicar
adjective
1. heel zwart
preto como carvão
noun
1. bepaalde mezensoort, Cyanistes caeruleus
chapim-azul
/
ˈpi.naˌpɑɫm/
noun
1. Euterpe oleacea
açaizeiro
/
pɪn.ˈsɛt/
noun
1. een gevorkt werktuig bestaande uit twee armen waarvan de punt bijeengeknepen kan worden
pinça
noun
- 1. een tot de vlinderbloemenfamilie behorende plant
amendoim
aráquide
- 2. een vrucht van deze plant
amendoim
aráquide
amendoí
mandobi
menduí
adjective
1. een soort broodbeleg dat bestaat uit een pasta van pinda's, slaolie en zout
manteiga de amendoim
/
ˈpɪŋɡwɪn/
noun
1. benaming voor niet-vliegende zeevogels uit de orde
pinguim
pingüim
noun
1. de vijfde, kleinste en buitenste vinger
dedo auricular
dedo mínimo
mínimo
pronoun
1. Christelijk feest
Pentecostes
/
piˈɔn/
noun
- 1. een schaakstuk dat alleen recht vooruit kan lopen en schuin vooruit slaan
peão
- 2. subatomair deeltje dat bestaat uit twee quarks en dus een boson is
píon
noun
- 1. het beroven of plunderen van een schip op open zee
- 2. opzettelijke schending van het auteursrecht door het ongeoorloofd namaken van goederen of ...
pirataria
noun
1. een semi-automatisch handvuurwapen met een langwerpig magazijn in het handvat
pistola
pronoun
1. groep van vijf eilanden halverwege Paaseiland en Tahiti
Ilhas Pitcairn
adjective
2. stevig en scherp van smaak
condimentado
noun
1. een beeldpunt
pixel
/
ˈpidza/, /
ˈpitsa/
noun
1. gerecht van een belegde broodbodem
pizza
noun
1. deeg voor de bodem van een pizza
massa de pizza
noun
1. restaurant
pizzaria
pronoun
1. taal gesproken door 3 106 620 mensen in Italië, Argentinië, Australië en de Verenigde Staten
piemontês
noun
wijdverspreid onheil, ongemak
praga
noun
1. vlak, plat en vrij dun stuk materiaal
placa
/
plaːts/
noun
1. een bepaalde ruimte of een bepaald punt in de ruimte
lugar
local
noun
1. precieze plek waar een misdaad is gebeurd
cena do crime
verb
1. op een bepaalde plaats zetten
colocar
pôr
noun
1. het aantal argumenten van een relatie of functie
aridade
/
platsˈvɪndə(n)/
verb
1. gebeuren, geschieden, plaatshebben
acontecer
noun
1. geneesmiddel zonder werkzame stof
placebo
/
plɑˈfɔnt/
noun
1. de bovenkant van een ruimte in een gebouw
tecto
verb
- 1. iemand lastigvallen
afligir
- 1. iemand (goedmoedig) pesten
caçoar
/
ˈplɑg.bɑnt/
noun
1. een lintvormige drager die aan één of beide zijden bedekt is met kleefstoffen
fita adhesiva
noun
1. een voorgenomen handelswijze
plano
noun
1. een groot, rond en massief hemellichaam dat zelf geen licht geeft en in een vaste baan rond een ster draait
planeta
noun
1. een toestel om de bewegingen van planeten voor te stellen
planetário
noun
1. stelsel van planeten om de zon of een ster
sistema planetário
noun
1. een brok vaste materie die net als een planeet in een baan rond de zon draait, maar kleiner is dan een planeet
asteróide
/
plɑŋk/
noun
1. een plat en langwerpig stuk hout
tábua
noun
- 1. organisme dat kooldioxide opneemt en zuurstof afgeeft
- 2. van stengel en bladeren voorzien gewas dat zijn voedsel uit de aarde opneemt
planta
/
plɑntˈaːr.dəx/
adjective
1. tot de planten behorend, uit planten bestaand of daarvan afkomstig
vegetal
verb
1. (een plant) in de aarde zetten om te laten groeien of bloeien
plantar
noun
1. het onderdeel van de biologie dat zich bezighoudt met de studie van de planten
botânica
noun
- 1. een verzameling van vocht
- 2. een door veenafgraving ontstaan meer
poça
/
plɑs.ˈmi.də/
noun
1. een ringvormig DNA-molecuul dat voornamelijk voorkomt voor bij bacteriën
plasmídeo
verb
1. via de urinebuis vloeibare lichamelijke afvalstoffen lozen
fazer xixi
/
'plɑstik/, /
'plɛstɪk/
noun
plastisch vervormbare polymere kunststof
plástico
adjective
3. kneedbaar
plástico
noun
1. een chirurgisch specialisme waarin men zich richt op het uit esthetisch en/of functioneel oogpunt aanpassen van het uiterlijk
cirurgia plástica
noun
1. benaming voor loofbomen uit het geslacht Platanus
plátano
noun
1. bepaalde omgeving waarin een computer werkt
plataforma
noun
1. scheikundig element met symbool Pt en atoomnummer 78
platina
noun
1. platte of afgezaagde zinsnede
banalidade
noun
1. het landelijke gebied buiten de steden
zona rural
/
ˈplɑtvɪs/
noun
1. een orde van vissoorten die op hun zijde op de bodem leven, en geheel plat zijn
barbudo
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Saksen
Plauen
adjective
met ceremonieel
solene
noun
1. het plaatje waarmee snaren worden aangeslagen
plectro
/
ˈplɛinˌvreːs/
noun
agorafobia
noun
- 2. zelfklevend verband
esparadrapo
adesivo
- 1. (gipshoudend) kalkmengsel
reboco
verb
2. iets met kalkspecie of gips bestrijken
engessar
adjective
1. in aanwezigheid van allen
plenário
noun
1. vergadering waaraan alle leden deelnemen
plenário
/
plejoˈnɑsmə/
noun
1.
pleonasmo
noun
1. een taak die men op zich genomen heeft of opgelegd heeft gekregen
obrigação
dever
noun
1. landbouwgereedschap om de grond om te woelen
arado
verb
2. land met de ploeg bewerken
arar
lavrar
noun
1. snijdend deel van ploeg
relha
noun
1. geluid van iets dat in een vloeistof valt
chape
verb
1. iets in losse vouwen opstapelen
dobrar
/
ploˈsif/
noun
1. medeklinker die geproduceerd wordt met een volledige obstructie...
consoante oclusiva
noun
1. vlok droge, lichte stof met een open structuur
cotão
/
'plʌʏ.zəx/
adjective
1. vol met pluizen
felpudo
/
'plɵkə(n)/
verb
- 1. (bloemen) afbreken of oogsten
- 4. (sport) een door de lucht vliegende bal grijpen
colher
noun
1. Chemisch element
plutónio
plutônio
/
po/
pronoun
1. stroom in Italië
Pó
verb
1. bereiden in warm maar niet kokend water
escalfar
noun
1. digitale radio-uitzending waarbij een audiobestand op internet wordt gezet...
podcast
noun
1. verouderde Russische eenheid van massa
pud
noun
1. Frans krulharig hondenras
poodle
/
pudərsnew/
noun
1. fijne sneeuw
neve solta
noun
1. zeer fijn gemalen suiker
açúcar de confeiteiro
noun
1. bepaald soort zoogdier, Felis concolor
puma
suçuarana
onça parda
noun
1. uitgescheiden vaste afvalstoffen van mens of dier
merda
noun
1. een van de oudste huisdieren van de mens
gato
gata
noun
1. sociaal-economische en politieke praktijk in Rusland in het begin van de 21 eeuw
putinismo
verb
1. ruig springend dansen op punkmuziek
moshar
noun
- 1. razzia tegen joden
- 2. gewelddadige aanvallen...
pogrom
noun
- 1. staande jachthond
- 2. een variabele waar een geheugenadres in staat
ponteiro
noun
1.kaartspel
pôquer
póquer
noun
1. emotieloos gezicht
cara de bunda
noun
2. epidemische huidziekte
variola
varíola
noun
microscópio de luz polarizada
/
ˈpɔldəʀ/
noun
1. een bedijkt stuk land waarin de waterstand kunstmatig geregeld wordt
pôlder
pólder
/
ˈpolə(n)/, /
ˈpoːlə(n)/
pronoun
1. een land in het midden van Europa met de officiële naam Republiek Polen (Rzeczpospolita Polska)
Polónia
Polônia
/
poˈlɛɪstə(n)/
verb
1. een stenen of glazen oppervlak bijzonder glad slijpen met steeds fijnere slijpmiddelen
polir
noun
1. een discipline
ciência política
noun
1. een overheidsdienst die belast is met de handhaving van de openbare orde...
polícia
/
poliˈtik/
adjective
1. betreffende de politiek
político
/
poliˈtik/
noun
1. datgene dat gerelateerd is aan het besturen van een land
politica
política
noun
1.(Nederland) een vrij vlakke, houten of kunststoffen lepel gebruikt voor het roeren van voedsel dat toebereid wordt
colher de pau
colher de madeira
noun
1. Chemisch element
polónio
polônio
noun
anatomie: 1. gewricht
pulso
noun
2. thermoplastisch polymeer
policarbonato
noun
1. een polyamoreuze groep van personen die met elkaar verbonden zijn door hun overlappende romantische, seksuele of platonische relaties
polícula
noun
1. een gesloten stelsel lijnsegmenten die samen een plat vlak omsluiten
polígono
pronoun
1. eilanden in de Grote Oceaan of Stille Oceaan die samen Oceanië vormen
Polinésia
noun
thermoplastische kunststof, bereid door polymerisatie van propeen
polipropileno
noun
1. het kunnen hebben van meerdere (verwante) betekenissen
polissemia
noun
1. godsdienst met meer dan één god
politeísmo
noun
1. vermeerderde urinelozing
poliúria
noun
1. en 2. (vrucht van de) boom Citrus maxima × Citrus ×paradisi
pomelo
pronoun
1. historische regio in het zuiden van de Oostzee
Pomerânia
/
ˈpɔmpəlˌmus/, /
ˈpɔmpəɫˌmus/
noun
2. een vrucht van deze boom
pomelo
verb
1. vloeistof of gas met behulp van een pomp verplaatsen
bombear
noun
1. een zeer oud cultuurgewas uit Midden- en Zuid-Amerika
abóbora
aboboreira
noun
1. naam voor verschillende munteenheden die in het Verenigd Koninkrijk en sommige Engelstalige landen worden gebruikt
libra
noun
kaart die tot de jaren 80 werd gebruikt voor het vastleggen van gegevens d.m.v. erin geponste gaatjes
cartão perfurado
adjective
1. heel uitdrukkelijk, heel erg op de voorgrond staand
pontifical
noun
1. werkschuit met een vlak dek
pontão
noun
1. paard uit een ras met een schofthoogte tot ongeveer anderhalve meter
pónei
pônei
/
'poːjər/
noun
1. een man die prostituees tegen betaling beschermt en helpt.
cafetão
proxeneta
/
pok/
noun
1. stang om het vuur op te porren
atiçador
/
pol/, /
poɫ/, /
po̝ɫ/
noun
1. een inwoner van Polen, of iemand afkomstig uit Polen
polonês
noun
A 1. uiteinde van een draaiingsas
polo
noun
1. de begrenzing van het gebied waar 's zomer de middernachtszon gezien kan worden en 's winters de nacht een heel etmaal kan duren
círculo polar
/
poɫs/, /
poːls/, /
po̝ɫs/
pronoun
1. een taal die in Polen gesproken wordt
polaco
polonês
noun
1. bepaald soort zoogdier, Alopex lagopus
raposa árctica
noun
1. benaming voor zeevissen uit familie Triglidae
cabra
/
poːrt/
noun
1. met deuren afsluitbare doorgang door een muur
portão
noun
1. speeltuig
boneca
boneco
noun
- 1. een in het klein uitgevoerde versie
casa de bonecas
- 2. popperig huisje
casa de bonecas/boneca
noun
1. kunstenaar achter poppenspel
fantocheiro
noun
- 1.
- 3. een groep organismen
população
noun
1. politieke stroming die vindt dat een maatschappelijke elite de belangen van het volk verwaarloost...
populismo
/
pɔrsəlɛːn/, /
pɔrsəˈlɛɪn/
noun
- 1. fijn, geglazuurd aardewerk
- 2. voorwerpen van fijn, geglazuurd aardewerk
porcelana
noun
1,2 portaal (entree)
portal
noun
amálgama
palavra-valise
noun
2. zuilengalerij
pórtico
noun
1.schilderij, foto of andere artistieke voorstelling van een persoon
retrato
/
'pɔrtyɣɑl/
pronoun
1. een land in het zuidwesten van Europa, officieel de Portugese Republiek
Portugal
/
ˌpɔr.ty.ˈɣes/, /
ˌpɔr.ty.ˈχes/
adjective
1. verwijzend naar Portugal of naar de Portugese taal
português
/
ˌpɔr.ty.ˈɣes/, /
ˌpɔr.ty.ˈχes/
noun
1. inwoner van Portugal
português
portuguesa
/
ˌpɔr.ty.ˈɣes/, /
ˌpɔr.ty.ˈχes/
pronoun
2. taal gesproken in Portugal
português
/
pɔr.ty.ˈɣe.sə/, /
ˌpɔr.ty.ˈχe.sə/
noun
1. vrouw
portuguesa
/
po'zisi/
noun
7. de ligging van de hand
posição
noun
- 1. de opvatting dat alleen de empirische wetenschappen geldige kennis opleveren
- 2. een levensinstelling waarbij je ervan uitgaat dat alles goed komt
positivismo
/
pɔs/, /
pɔst/
noun
1. toegezonden materiaal, zoals brieven; poststuk - poststukken
correio
noun
1. postbeambte
carteiro
noun
1. een afgerichte duif die berichten kan overbrengen
pombo-correio
/
pɔs'terə(n)/
verb
1. ergens neerzetten
estacionar
noun
1. koerier die de post vervoerde
postilhão
noun
1. kantoor dat zich bezighoudt met de bezorging van post en vaak ook andere diensten levert ...
estação de correios
adjective
1. na een letsel
pós-traumático
/
ˈpɔseɣəl/, /
ˈpɔseχəɫ/
noun
1. betalingsmiddel voor het verzenden van post
selo
selo postal
adjective
1. mogelijkheid
potencial
noun
1. schrijfgerei met een zachte stift vervaardigd van klei en grafiet ingebed in een houten huls
lápis
noun
1. iets wat bestaat uit een samenraapsel van fragmenten uit andere werken
pot-pourri
noun
1. deel van een gebroken pot van aardewerk
caco
noun
1. bepaald soort zeezoogdier, Physeter macrocephalus
cachalote
noun
1. in ritme, maat en klank verwoorden
poesia
/
prax/, /
praç/
pronoun
hoofdstad van Tsjechië
Praga
noun
2. een hulpmiddel in de vorm van een stuk hout en een lus die om de bovenlip aangebracht wordt om een paard rustig te houden
aziar
noun
1. Cynomys, een eekhoornachtig zoogdier uit Noord-Amerika dat een scherp blaffend geluid maakt
cão-da-pradaria
/
ˈprɑkə(n)/
verb
1. eten fijndrukken
esmagar
/
prɑkˈtɛɪ̯k/, /
prɑkˈtɛːk/
noun
- 1. ruimte waarin een arts zijn beroep uitoefent
- 4. gewoonte(n), manier van doen
costume
- 2. hoe dingen werkelijk gaan...
prática
adjective
1. op een manier die ook echt uitgevoerd kan worden
prático
/
ˌprazejoˈdimijʏm/
noun
1. Chemisch element
praseodímio
/
ˈpraː.tə(n)/
verb
1. zich met behulp van de stem uiten
falar
/
presəˈdɛnt/
noun
- 1. eerder plaatsgevonden hebbend geval
- 2. bestaande jurisprudentie die dient ter beslechting van een vergelijkbaar geschil
precedente
/
pre'kɵrsɔr/
noun
1. een voorloper
precursor
noun
1. het vangen, doden en opeten door een organisme, meestal een dier, van een ander dier, het prooidier
predatismo
noun
3. (grammaticaal) gezegde
predicadom
/
ˌpredikaˈtif/
adjective
predicativo
noun
2. bureau van een prefect
prefeitura
noun
1. een gebonden morfeem dat voor een ander woord geplaatst wordt om iets aan de betekenis toe te voegen
prefixo
noun
1. en 2 (bladeren van) plant Allium porrum
alho-porro
noun
1. de betaling aan een verzekeringsmaatschappij voor een verzekering
prêmio
noun
caçador de recompensas
noun
1. de eerste vaak feestelijke vertoning van een film, toneelstuk of een andere vorm van entertainment
estreia
noun
1. bereiding van chemische stof, geneesmiddel e.d
preparação
noun
1. het staatshoofd van een republiek
presidente
noun
1. vaak fraai gevormd, zwaar voorwerp dat men boven op een stapel losse papieren kan leggen zodat de papieren niet kunnen wegwaaien
peso de papel
pisa-papéis
noun
3. iemand die preuts is
pudico
/
prøts/
adjective
1. zeer ingetogen, overdreven kuis
pudico
/
prəˈvɛn(t)si/
noun
1. voorkoming (van ziekte, brand, etc)
prevenção
noun
1. ongezond langdurige erectie van de penis
priapismo
noun
1. priemgetal
número primo
noun
1. iemand die de religieuze (offer) rituelen verzorgt
sacerdote
padre
noun
1. een vrouw die de taak heeft religieuze rituelen te verzorgen
sacerdotisa
noun
- 1. de gevraagde geldsom bij verkoop
preço
prêmio
- 2. een uitzonderlijke beloning, bijvoorbeeld voor een bepaalde prestatie
prêmio
noun
1. een bord (vaak van vilt) waar met behulp van punaises foto's en andere papierwerken op kunnen worden opgespeld
quadro de avisos
noun
síndrome do cólon irritável
noun
1. materiaal bestaande uit een dubbele, in elkaar gedraaide metalen draad...
arame farpado
noun
2. kerkelijke titel
primata
adjective
- 1. alle kortste translatievectors in de richting van de hoofdassen van de rotatiesymmetrie hebbend.
- 2. de drie kortste niet in hetzelfde vlak liggende translatievectors als ribben van de eenheidscel hebbend.
primitiva
/
'primyla/
noun
1.
primavera
primula
/
ˌprɪnsiˈpens/
pronoun
1. een Creoolse taal die in Sao Tomé en Principe door ongeveer 200 bewoners wordt gesproken
Principense
noun
- 1. hoogste adellijke titel van een man of jongen
- 2. laagste koninklijke titel van een man of jongen
príncipe
adjective
1. als horend of passend bij een prins of prinses, bestaand uit prinsen of prinsessen
principesco
noun
- 1. de hoogste adellijke titel van een vrouw of meisje
- 2. de laagste koninklijke titel van een vrouw of meisje
princesa
/
ˈprɪntər/
noun
1. toestel om gegevens af te drukken onder andere op papier.
impressora
noun
1. (elektrotechniek) plaat waarop elektronische bedrading aanwezig is, aangebracht met frees- of etstechnieken
PCI
noun
1. het proces waarmee men bepaalt welke zaken men het eerst doet en welke zaken later
priorização
/
pri'vatrɛxt/
noun
1. vakgebied van het recht m.b.t. de onderlinge verhoudingen tussen private personen, maar ook hun privébelangen
direito privado
verb
1. omvormen van staatsbedrijven, overheidsdiensten tot particuliere, private bedrijven
privatizar
noun
1. de tijd die besteed wordt aan persoonlijke bezigheden
privacidade
noun
1. iets dat schade teweegbrengt of de voortgang van iets anders in de weg staat
problema
/
prosəˈdyrə/, /proseˈdyrə/
noun
- 1.
- 4.
procedimento
/
pro'sɛnt/
noun
1. een honderdste deel
por cento
adjective
1. in procenten (als percentage) uitgedrukt
percentual
/
proˈsɛs/
noun
- 1. het voeren van een gerechtszaak
- 2. opeenvolging van gebeurtenissen, gang van zaken
processo
/
proˈsɛˌsi/
noun
procissão
noun
1. wegvallen van een of meer klanken aan het begin van een woord
afereza
noun
1. het resultaat van een bewerking
produto
noun
1. voortbrenging
produção
adjective
1. vruchten afwerpend
produtivo
noun
2. proefpersoon
cobaia
cobaye
noun
contrato de experiência
verb
- 2. smaak waarnemen
experimentar
- 1. onderzoeken hoe iets smaakt
provar
noun
1. een persoon die boodschappen van een godheid aan de mensen doorgeeft
profeta/profetisa
/
proˈfɛsɔr/
noun
1. de aanspreektitel voor een hoogleraar
professor
noun
- 1. een applicatie voor de computer
- 5. onderling afgesproken doelstellingen en plannen
programa
noun
1. tijdschrift waarin staat geschreven op welke tijd en op welke zenders televisie- en radioprogramma's bekeken kunnen worden
guia de programação
noun
linguagem de programação
verb
1. het schrijven van computerporgramma
programar
adjective
- 1. vooruitstrevend
- 2-3
progressista
/
proˈjɛkt/
noun
1. een zaak die men denkt uit te voeren of te onderzoeken
projeto
noun
toestel om een afbeelding op een scherm te projecteren
projetor
noun
1. snelle vermenigvuldiging
proliferação
noun
- 1. inleidende rede van een tekst
- 3. de inleiding tot een theaterstuk
- 2. een korte tijdrit die als openingsrit wordt verreden
prólogo
noun
1. verhandelbare schuldbekentenis
livrança
nota promissória
noun
1. een scheikundig element met het symbool Pm en het atoomnummer 61; een zilverwit à grijs lanthanide
promécio
/
proˈmotsi/
noun
- 1. een verhoging in rang
promoção
- 2. bevordering naar een hogere speelklasse
promoção
acesso
noun
1. en 2. (peulvrucht van) Phaseolus coccineus
feijoca
jão-da-espanha
noun
1. dat wat door een dier wordt buitgemaakt
presa
/
prost/
interjection
1. heildronk
saúde
noun
1. activiteiten of materiaal gericht op het beïnvloeden van de mening of het gedrag...
propaganda
/
propə'dœyzɛ/
noun
2. Voorbereidingsjaar
propedeutica
noun
1. CH₃CH₂COOH
ácido propanoico
noun
1.een klier tussen de blaas en de penis van de man
próstata
verb
1. iemand dwingen tot het aanbieden van seksuele diensten
prostituir
noun
1. het tegen betaling ter beschikking stellen van het lichaam voor het seksuele genot van een ander
prostituição
noun
1. scheikundig element met symbool Pa en atoomnummer 91
protactíno
protactínio
/
ˌprotəroˈzowikʏm/
noun
Proterozoico
noun
1. een uiting van ontevredenheid met het gevolgde beleid
manifestação
verb
1. grote bezwaren uiten
protestar
noun
1. een kunstmatig lichaamsdeel
prótese
pronoun
1. hypothetische, gereconstrueerde taal waar vele Europese talen, waaronder het Nederlands en het Frans, van afstammen
protoindo-europeu
noun
4. geheel van voorschriften en afspraken in de internationale diplomatieke omgang
protocolo
adjective
1. in, van of betrekking hebbend op de gereconstrueerde taal die vroeger door de Germanen werd gesproken
protogermânico
pronoun
1. reconstructie van de taal zoals die vroeger door de Germanen werd gesproken
protogermânico
noun
1. oorspronkelijk model, eerste model van een product
protótipo
adjective
1. met betrekking tot de Provence
provençal
/
pro.ˈvɪn.si/
noun
1. een staatkundig onderdeel van een land
província
noun
1. een kunstmatig haarstuk waarmee het hoofd bedekt wordt
peruca
verb
2. droevig zijn zonder geluid te maken
fazer beicinho
noun
2. vrucht van de pruimenboom
ameixa
noun
1. kerftabak die geschikt is om gepruimd te worden (om op te kauwen)
tabaco de mascar
noun
1. een variant van de kleur blauw met een groenachtige ondertoon
azul de Prússia
/
psɑlm/
noun
1. elk van honderdvijftig gezangen uit de Tenach en het Oude Testament
salmo
pronoun
1. boek in de Bijbel met lofliederen op God
Salmos
noun
onechte programmeertaal
pseudocódigo
/
psœydoˈnim/
noun
1. een aangenomen naam waaronder men iets publiceert
pseudônimo
noun
1. schubziekte met overmatige vette schilfers van de huid
psoríase
/
ˌpsɪxeˈdelɪs/
adjective
1. de werking van het bewustzijn verruimend
psicodélico
adjective
1. met betrekking tot de behandeling van geestelijke stoornissen
psiquiátrico
adjective
1. geestelijk
psíquico
noun
1. stroming in de psychologie
psicanálise
/
psixoloˈɣi/, /
psiχoloˈχi/
noun
1. de wetenschap die zich bezighoudt met het onderzoek naar bewustzijnsverschijnselen
psicologia
adjective
1. met betrekking tot het gevoelsleven.
psicológico
/
ˌpsi.χo.ˈloχ/, /
ˌpsɪ.xo.ˈlox/
noun
1. een beoefenaar van de psychologie
psicólogo
noun
1. de bewuste, vanuit de hersenen gestuurde beweging
psicomotricidade
noun
1.iemand die lijdt aan een persoonlijkheidsstoornis die antisociaal gedrag veroorzaakt
psicopata
adjective
1. betrekking hebbend op de psychopathologie
psicopatológico
/
psi'xozə/
noun
1. een geestesziekte waarbij men wanen heeft
psicose
adjective
1. met betrekking tot het verband tussen geest en lichaam
psicossomático
noun
1. stroming in de psychologie
psicoterapia
noun
1. het proces van seksuele rijping van kind naar volwassene en het gedrag dat daar bij hoort
puberdade
/
pyˈblik/
adjective
2. wat het publiek aangaat
público
/
pyˈblik/
noun
1. een groep toeschouwers
público
audiência
noun
gangbare benaming voor de status van werken die geheel vrij zijn van auteursrechten en naburige rechten
domínio público
noun
1. nagerecht, vaak zoet, koud en op basis van melk
pudim
pronoun
1. een met de Verenigde Staten geassocieerde vrijstaat in het oostelijk deel van de Caribische Zee
Porto Rico
/
pœʏ̯n/, /
pœːn/
noun
1. een massa vergruizelde steen
escombros
noun
1. een damesschoen zonder sluiting en met hoge hak
saltos altos
pronoun
1. taal die in de Punjab, zowel in India als in Pakistan gesproken wordt
Punjabi
noun
1. een positie in de ruimte
ponto
noun
1. taps toelopende houder met een mesje dat bedoeld is voor het aanslijpen van een verse punt aan een potlood
apontador de lápis
noun
1. een leesteken dat twee nauw aan elkaar gerelateerde zinnen tot een geheel verbindt (;)
ponto e vírgula
noun
- 2. leerling
- 1. oogappel
pupila
noun
1. pasgeboren hond, jonge hond
filhote
cachorrinho
noun
1. chocolade van zuivere cacaopasta plus suiker
chocolade negro
chocolate amargo
noun
1. streven naar puurheid
purismo
/
pɵt/
noun
1. een pijpvormige uitholling in een oppervlak
poço
noun
acroniem van polyvinylchloride
policloreto de vinil
noun
1. gemakkelijk zittende hemd en broek die 's nachts in bed kunnen worden gedragen
pijama
pronoun
1. een gebergte op de grens van Frankrijk en Spanje
Pireneus
noun
2. een vaste stof die het structuurtype heeft waarvan [1] het archetype is
pirita
noun
1. onweerstaanbare drang om brand te stichten
piromania
/
piˈrozɪs/
noun
1. een brandend gevoel ten gevolge van oprisping van maagzuur
pirose
noun
1. een niet-giftige en grote wurgslang
pitão
/
kɑt/
noun
1. blad van een bedektzadige plant Catha edulis
khat
/
ka'tar/, /
ka'tɑr/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten
Qatar
Catar
noun
1. een motorfiets of brommer op vier wielen
ATV
noun
1. volgeling van een religieuze beweging gekend onder de naam Genootschap der Vrienden
quaqueiro
quacre
noun
1. tijdelijke afzondering van personen, dieren of zaken die besmet zouden kunnen zijn met ziektekiemen
quarentena
pronoun
1. macrotaal die door indianen in Ecuador, Peru en Bolivia wordt gesproken
quíchua
pronoun
1. Australische deelstaat gelegen in het noordoosten van het land
Queensland
/
kwiˈnowa/
noun
1. Zuid-Amerikaanse plant (Chenopodium quinoa) en 2. zaden van die plant
quinoa
noun
1. spel waarbij de deelnemers vragen moeten proberen te beantwoorden
quiz
noun
1. resultaat van de deling van het deeltal door de deler
quociente
interjection
1. horizontaal draaibare boom aan mast
verga
/
rat/, /
raːd/
noun
2. een orgaan dat bestaat uit leden die raadgevende of beslissende bevoegdheden bezitten
conselho
pronoun
Conselho da União Europeia
pronoun
Conselho da Europa
verb
1. een bron van informatie of ervaring aanspeken
consultar
noun
1. iets waarnaar men moet raden
charada
enigma
/
ratsəlɑxtəx/
adjective
1. onbegrijpelijk door dubbelzinnige of verborgen informatie
enigmático
/
raːf/
noun
1. grootste van alle zangvogels, met flinke snavel, Corvus corax
corvo
noun
1. venster: muuropening om lucht en licht door te laten
janela
noun
1. en 2. (stengels van) plant Rheum rhabarbarum
ruibarbo
adjective
1. met gelijke concentraties van beide optische isomeren
racémico
adjective
1. voortkomend uit de opvatting dat mensen door afstamming kunnen worden ingedeeld in grote groepen...
racista
noun
1. wielvormig voorwerp dat kracht overbrengt binnen een machine of op het water
roda
verb
1. een gissing maken naar iets
adivinhar
noun
- 1. een serie van in elkaar grijpende raderen
- 2.
engrenagem
noun
1. de SI-eenheid voor een hoek
radiano
noun
1. een toestel dat door straling warmte afgeeft, ofwel ter verwarming van een ruimte, ofwel ter koeling van bijvoorbeeld een motor
radiador
noun
1. bepaalde soort uit de kruisbloemfamilie, Raphanus sativus
rabanete
/
ˈradijo/
noun
- 1. toestel
- 2. medium
rádio
adjective
radioactivo
radioativo
noun
1. frequentie van radiogolven
radiofrequência
noun
1. het medisch specialisme...
radiologia
noun
1. scheikundig element met symbool Ra en atoomnummer 88
rádio
noun
1. met symbool Rn en atoomnummer 86
radônio
rádon
noun
- 1. een metalen staaf waar het wiel van een railvoertuig op rijdt
- 2. een baan waar een railvoertuig over rijdt
carril
pronoun
1. Indische taal gesproken door 50 miljoen mensen in de staat Rajasthan in India
rajastani
noun
1. cilindervormig projectiel dat door een naar achteren gerichte ontploffing wordt voortbewogen
raquete
míssil
pronoun
2. teken van de dierenriem van 21 maart tot 20 april
Áries
noun
1. mannelijk schaap
carneiro
noun
1. een harige vrucht uit de zeepboomfamilie
rambutã
verb
2. met een zwaar voorwerp een poort of deur inslaan
derrubar
noun
1. een grote catastrofale gebeurtenis met ernstige gevolgen
desastre
/
rɑnt/
noun
1. de bovenkant van een bak of vat
aba
noun
1. een telwoord dat een rangorde of volgorde aanduidt
numeral ordinal
noun
1. bepaald soort vogel, Asio otus
coruja-pequena
noun
1. iemand die ritmisch teksten voordraagt op muziek, meestal hiphop
rapper
verb
1. het uitbrengen van een verslag of rapport
relatar
noun
1. een muziek of dichtwerk dat contrasterende delen bevat en toch een eenheid vormt
rapsódia
noun
1. een grofgetande vijl die wordt gebruikt om rondingen aan hout te maken
ralador
verb
1. met een rasp afvijlen en fijnmaken
ralar
/
rɑt/
noun
1. een muisachtig knaagdier uit het geslacht Rattus
rato
ratazana
noun
1. een eenvoudige muziek- en signaalinstrument dat geluid geeft doordat bij het rondslingeren een tandrad een latje repeterend weggedrukt en laat terugvallen
matraca
noun
1. gifslang uit het geslacht Crotalus
cascavel
adverb
1. ongekookt en vers
cru
noun
1. een diepe, steile insnijding in een terrein
barranco
verb
1. heel snel rijden
correr
noun
1. een actie die een gevolg is van een stimulus
reação
/
'reʲaɣɛns/
noun
1. een chemische stof die deelneemt aan een reactie
reagente
verb
1. op een nieuwe situatie actie ondernemen
reagir
adjective
1. van iets dat het werkelijkheid kan worden
realizável
noun
1. een televisieserie met echte mensen en echt drama, soms worden waargebeurde zaken nagespeeld, minder zakelijke weergave dan bij een documentaire
televisão de realidade
noun
het reanimeren
reanimação
/
reani'merən/
verb
1. het kunstmatig overnemen van de ademhaling en de bloedsomloop, indien er sprake is van een circulatiestilstand
reanimar
noun
1. soort raadsel
rébus
verb
1. een beoordelend verslag schrijven, meestal van een culturele gebeurtenis
resenhar
adjective
1. een korte tijd geleden gebeurd of begonnen
recente
adverb
1. nog niet lang geleden
recentemente
noun
- 1. voorschrift voor de bereiding van een gerecht
- 2. doktersvoorschrift voor (de bereiding van) een geneesmiddel
receita
noun
1. het geheel van rechtsregels en instituties van het recht
direito
reto
adverb
1. noch naar rechts noch naar links van richting veranderend
direto
noun
1. hoek van 90 graden
ângulo reto
noun
2. geheel van de fundamentele rechten en vrijheden die ieder mens toekomen
direitos humanos
/
ˈrɛxtər/
noun
1. persoon die rechtspreekt, persoon die een oordeel velt
juiz
juíza
/
'rɛxtuk/
noun
1. een vierhoek met vier rechte hoeken
rectângulo
retângulo
adjective
1. tegenovergestelde van links
direito
à direita
noun
1. feit of samenstelling van feiten waaraan het recht rechtsgevolgen verbindt
fato jurídico
noun
1. het voeren van een gerechtszaak
processo
noun
1. doelgerichte wilsuiting die rechtsgevolgen heeft
ato jurídico
verb
1. rechterknop van een computermuis gebruiken
clicar com o botão direito
/
ɾɛχts.pɛɾ.soːn/
noun
1. groepering van goederen of natuurlijke personen die kan deelnemen aan het rechtsverkeer
pessoa moral
pessoa jurídica
noun
1. juridische constructie
personalidade jurídica
noun
1. staat waarvan de macht gereguleerd en beperkt wordt door het geldende recht
estado de direito
noun
1. drager van subjectieve rechten en plichten
sujeito de direito
sujeito jurídico
/
rɛx(t)sak/
noun
1. het voeren van een rechtsgeding
processo
adjective
1. in overeenstemming met bepaalde ethische beginselen
justo
verb
1. onderbouwen volgens bepaalde ethische beginselen
justificar
noun
1. de overeenstemming met bepaalde ethische beginselen
justiça
noun
- 1. (juridisch) herhaling van een misdrijf, het opnieuw vervallen in dezelfde zonde
- 2. (medisch) het zich opnieuw vertonen van een reeds doorstane en schijnbaar genezen ziekte
reincidência
noun
1. uitvoering met meerdere muziekstukken uitgevoerd door één solist
recital
noun
1,2 informatie over, en aanprijzing van diensten, producten en ideeën
publicidade
/
rəˈkɔrt/
noun
- 1. beste prestatie
- 3. bij elkaar behorende gegevens
recorde
adjective
1. met betrekking tot de endeldarm
retal
verb
1. na verbruik weer omzetten in iets bruikbaars
reciclar
noun
- 1. iemand die berichten verzamelt en bewerkt voor publicatie
editor
- 2. iemand die teksten corrigeert en klaarmaakt voor publicatie
redator
verb
1. actie ondernemen om iets of iemand uit de moeilijkheden te halen
salvar
noun
1. een speciaal gebouwde en uitgeruste boot om het schip in geval van nood veilig te kunnen verlaten.
barco salva-vidas
noun
3. een ankerplaats buitengaats
angra
adverb
1. op een beredeneerde wijze
razoavelmente
/
ˈre.də(n)/
noun
1. een motivatie door iemand bedacht of beredeneerd
razão
/
ˌredəˈnɪːrɪŋ/
noun
1. het proces waarmee men van een aantal argumenten, premissen of axioma's tot een standpunt of conclusie komt
razoamento
noun
1. eigenaar van een schip
armador
/
redypliˈkatsi/
noun
1. vorming van een nieuw woorden of zinsneden door geheel of gedeeltelijke herhalen van een deel daarvan
reduplicação
noun
1. sierlijk slank hert, komt bijna in heel Europa voor
corço
noun
1. een opeenvolgende rij van gebeurtenissen
série
noun
1. een stemming over een wetsvoorstel, waarbij gestemd wordt door het volk zelf...
referendo
noun
1. verwijzing
referência
noun
1. een onwillekeurige reactie op bepaalde prikkels
reflexo
/
ˈreɣəɫ/
noun
3. een voorschrift, richtlijn, norm
regra
regulamento
verb
1. zorgen dat het gebeurt
regular
noun
1. een combinatie van afspraken voor een bepaalde groep
acordo
noun
2. ordelijke schikking in de ruimte
frequência
adjective
1. aan een bepaalde regel gehoorzamend
regular
noun
1. een apparaat of een verzameling apparatuur om het gedrag van een of ander systeem of proces te regelen
sistema de controle
/
reχən/
noun
1. neerslag van tot druppels gecondenseerde waterdamp
chuva
adjective
1. regelmatig regenend of neigend naar regen
chuvoso
/
ˈreːχənboːx/
noun
1. een natuurfenomeen dat na regen als een verschijnende veelkleurige boog te zien is
arco-íris
noun
1. het gekleurde vlies in het oog waarin de pupil zich bevindt
íris
noun
1. een tijdelijke periode van regen tengevolge van het overtrekken van een wolkenveld
pancada de chuva
/
ˈreɣə(n)ˌdrʏpəɫ/
noun
1. een druppel die als regen uit de lucht naar beneden valt
pinga
/
ˈreɣənə(n)/
verb
1. het vallen van neerslag in de vorm van waterdruppels
chuva
chover
noun
2. herstelgroei
regeneração
noun
1. een waterdichte overjas die geschikt is voor regenachtig weer
impermeável
noun
1. toestel dat de hoeveelheid gevallen neerslag in een bepaalde periode op een bepaalde plaats meet
pluviômetro
noun
1. een paraplu
guarda-chuva
noun
1. een bos in een klimaat met het hele jaar door neerslag
floresta tropical
verb
1. het uitoefenen van de politieke macht...
governar
/
re.'ɣeː.rɪŋ(g)/, /
rə.'ɣeː.rɪŋ/, /
rə.'χɪː.rɪŋ/
noun
1. een groep van personen die een land bestuurt, specifiek het staatshoofd en alle ministers
governo
/
ˌreɣiˈsidə/
noun
1. een bewuste moord op een koning.
regicídio
noun
1. bestuur van een land, vaak onderdrukkend, dwingend, alles omvattend
regime
noun
1. geografisch gebied
região
noun
- 1. het cultiveren van streektradities
- 2. (politiek) het streven naar gewestelijke autonomie
regionalismo
verb
1. vastleggen in een register
registrar
noun
1. benaming voor ooievaarachtige watervogels uit de familie Ardeidae
garça
airão
/
rɛɪ̯s/
noun
1. grote, lange tocht of trip
viagem
verb
1. onderweg zijn
viajar
/
ˈrɛɪzəɣər/
noun
- 1. persoon op reis
- 2. persoon die vaak reist
viajante
noun
1. uitrekking
alongamento
/
ˈre.kə.nə(n)/
verb
2. in rekening brengen
cobrar
noun
1. de optelsom van te betalen bedragen
conta
noun
de leer van de operaties die op getallen worden uitgevoerd (optellen, aftrekken, vermenigvuldigen, delen, ...)
aritmética
noun
1. apparaat dat rekenkundige berekeningen kan uitvoeren
calculadora
noun
1. een verstoring van de openbare orde door een menigte, meestal gepaard gaand met geweld en politieoptreden
tumulto
noun
1. een min of meer vast verband
relação
noun
1. een natuurkundige theorie die ervan uitgaat dat de tijd een relatief begrip is
teoria da relatividade
/
rəlɛksə(n)/
verb
1. de tijd nemen zich te ontspannen
relaxar
adjective
1. van toepassing
pertinente
/
rə'liɣi/
noun
1. een godsdienst
religião
/
relɪˈɣɪøs/, /
relɪˈʝɪøs/
adjective
1. te maken hebbend met godsdienst of geloof
religioso
noun
1. alles wat te maken heeft met godsdienst en geloof in een opperwezen
religiosidade
noun
1. een overblijfsel van het lichaam van een heilige of een voorwerp dat...
relíquia
noun
1. een mechanisme dat iets vertraagt of tot stilstand brengt
freio
noun
1. de afstand die een rijdend voertuig nodig heeft om tot stilstand te komen
distância de travagem
/
rəˈmedi/, /reˈmedi/
noun
- 2. iets dat iets anders corrigeert of iets schadelijks wegwerkt
correção
remédio
- 1. een medicijn of een op genezing gerichte behandeling
remédio
verb
1. snelheid doen verminderen
freiar
/
ˈrɛm.spor/
noun
- 1. spoor van een rubberband
- 2.
freada
adjective
1. met betrekking tot de nier
renal
noun
2. vernieuwing, herleving
renascimento
verb
winst opleveren
produzir
noun
1. een hertachtig zoogdier met een breed uitlopend gewei
rena
rangífer
rangífero
noun
1. Chemisch element
rênio
rénio
/
ˈrɛn.ku.kuk/
noun
1. benaming voor vogels uit het geslacht Geococcyx
papa-léguas
noun
[A] 1. zeer snel lopen
correr
/
rənoˈverə(n)/
verb
1. opknappen, repareren, vernieuwen
renovar
noun
1. paard dat gefokt is met het doel om aan paardenrennen deel te nemen
cavalo de corrida
/
ˌrejo'loːɣis/
adjective
1. op de reologie betrekking hebbend
reológico
/
repʏˈbliːk/
noun
1. staatsvorm
república
pronoun
República das Sete Províncias Unidas dos Países Baixos
noun
1. de manier waarop iemand bekend is
fama
noun
1. iemand die oproepbaar is voor militaire dienst in tijden van oorlog, oorlogsdreiging of andere situaties waarin inzet van het leger nodig is
reservista
/
resər'vʷar/
noun
1. plaats waar water of een andere vloeistof bewaard kan worden
barragem
noun
2. pixeldichtheid
resolução
noun
1. opslorping
ressorção
/
rɛsˈpɛkt/
noun
eerbied uit hoogachting of angst
respeito
verb
- 1. iemand in aanzien houden
- 2. iets naleven
respeitar
/
rɛst/
noun
1. wat er overblijft
resto
noun
1. (kunst) (beroep) iemand die kunstwerken restaureert
restaurador
noun
2. het minitieus herstellen van een voorwerp van kunstzinnig of historisch belang
restauração
noun
1. een opgelegde beperking
restrição
noun
1. netvliesaandoening
retinopatia
pronoun
1. Romaanse taal die gesproken wordt door 40.000 mensen in Zwitserland
romanche
noun
1. een verouderd toestel voor het destilleren bestaande uit een vat met een neergebogen tuit
balão
/
rətu'ʃeːrə(n)/, /
rətu'ʃɪːrə(n)/
verb
retocar
/
rəturˈnerən/
verb
1. iets of iemand naar het punt van vertrek terugbrengen of terugzenden
retornar
noun
3. vergoeding aan de grondeigenaar voor opstalrecht
solarium
noun
1. jachthond die het geschoten wild apporteert (naar de jager brengt)
retriever
/
ˈre.tro.ˌflɛks/
noun
1. een medeklinkerklank die gevormd wordt door de tong om te buigen zodat het met de onderkant naar het verhemelte staat
retroflexa
noun
1. overzicht van iemands oeuvre (waarin dus wordt teruggekeken)
retrospectiva
noun
1. een mannelijke hond
cães
cão
noun
1. een buitengewoon grote man
gigante
adjective
- 1. zeer groot
- 2. in zeer hoge mate, enorm
gigantesco
noun
1. verkregen door uitsmelting van varkensvet
banha
noun
1. bepaald soort zoogdier, Pteronura brasiliensis
lontra gigante
noun
1. bepaald soort vaste plant, Equisetum telmateia
grande cavalinha
noun
1. en 2. (vruchtvlees) van plant Cucurbita maxima
abóbora-gigante
noun
1. kermisattractie
roda-gigante
/
revəˈrɑ̃s(ə)/
noun
cortesia
noun
- 4. politieke stroming die herziening van bepaalde verdragen over het afstaan van gebieden wil
revanchismo
- 1-3. streven naar herziening (van het marxisme, de geschiedenis)
revisionismo
noun
1. een handvuurwapen met een roterende trommel met kogels
revólver
noun
1. theatershow
revista
noun
- 1. (verouderd) hereniging
- 3. het weerzien van voormalige studenten, collega's, enz.
reunificação
pronoun
1. een rivier van 812 km lengte die ontspringt in Zwitserland, door Frankrijk naar het zuiden stroomt en uitmondt in de Middellandse Zee
Ródano
noun
1. elk van de platte, boogvormige beenderen die de borstkas omsluiten
costela
noun
1. het geraamte van de borst
caixa torácica
/
ˈrɪxtɪŋ/, /
ˈrɪχtɪŋ/
preposition
1. de kant op van
direção
noun
1. een systeem om richting aan te geven in een voertuig
indicador
noun
1. aanwijzing voor een te volgen gedrag
diretriz
noun
1. oorspronkelijk een bereden en bepantserde ruiter die de ridderslag ontvangen had
cavaleiro
/
rim/
noun
3. hoeveelheid papier voor het drukken van 20 boeken, eerst 480 later 500 vellen
resma
/
rit/
noun
- 1. plantensoort
- 2. onderdeel muziekinstrument
cana
noun
suiker, verkregen uit het sap van suikerriet
açúcar de cana
noun
1. een ondiepte in water, koraalbank, klip
recife
/
rixoˈrøs/
adjective
1. onverbiddelijk, radicaal
rigoroso
/
rɛɪ̯/, /
rɛː/
noun
1. geordende opstelling van een aantal eenheden in één richting
fileira
/
ˈrɛɪ̯bəˌwɛɪ̯s/, /
ˈrɛɪ̯bəˌʋɛɪ̯s/, /
ˈrɛːbəˌβ̞ɛːs/
noun
1. een officieel document waarmee de bezitter bevoegd is om een motorvoertuig te besturen
carta de condução
carteira de motorista
/
ˈrɛɪ̯də(n)/, /
ˈrɛːdə(n)/
verb
- 3. zich voortbewegen op een rijdier (bijv. een paard)
andar de
- 1. zich verplaatsen met behulp van een voertuig
- 2. iemand met een voertuig ergens heen brengen
conduzir
/
rɛɪ̯k/, /
rɛːk/
adjective
1. veel geld en/of eigendommen hebbend
rico
/
rɛɪ̯k/, /
rɛːk/
noun
1. een staat of natie onder een vorst of heerser
reino
/
ˈrɛik.dɔm/
noun
1. het bezitten van veel geld en goud
riqueza
noun
1. fraai uitgevoerde bol met bovenop een kruis die symbolisch de wereld voorstelt
orbe
noun
1. (verkeer) (onderwijs) een onderdeel van een rijopleiding voor het behalen van een rijbewijs
aula de condução
noun
1. gelijkheid van klank in een vers
rima
/
rɛɪ̯n/, /
rɛːn/
pronoun
1. een van de langste en belangrijkste rivieren van Europa die op de grens ligt tussen Midden- en West-Europa.
Reno
adjective
1. geschikt voor de oogst
maduro
noun
1. voor rijden geschikt paard
cavalo de montaria
pronoun
1. stad in Noord-Frankrijk nabij de Belgische grens
Lille
/
rɛi̯st/
noun
1. graan van het geslacht Oryza
arroz
noun
1.
orizicultura
rizicultura
noun
1. ingrediënt dat bestaat uit met de zaadhuiden vergroeide vruchtwanden en kiemen
farelo de arroz
noun
1.Aziatisch twee- of driewielig karretje voor personen vervoer
charrete
noun
1. een oppervlakkige vouw of golving, in het bijzonder van de menselijke huid
ruga
noun
- 1. cirkelvormig sieraad voor om de vinger
- 2. cirkelvormig voorwerp
- 5. ringweg
anel
noun
1. een zangvogel uit de familie van mussen en sneeuwvinken
pardal-montez
noun
1. Natrix natrix
cobra-de-água-de-colar
noun
1. vierde vinger gerekend vanaf de duim
dedo anular
anular
/
'rɪŋwɛx/
noun
1. een weg die als een ring rond een bepaald gebied ligt
circunvalação
noun
2. huidziekte door een schimmel veroorzaakt
tinha
/
rijoɡrɑnˈdɛnsər hunsˈrykiʃ/
pronoun
1. vorm van Duits zoals gesproken in het zuiden van Brazilië
hunsriqueano riograndense
noun
1. een vaak ondergronds kanaal voor de afvoer van drek
esgoto
noun
1. apparatuur die het mogelijk maakt water uit de riolen weer voor gebruik gereed te maken
estação de tratamento de águas residuais
noun
1. een mogelijk gevaar voor schade
risco
/
rɪt/
noun
1. een reis in een voertuig
andada
noun
1. een zich in de tijd herhalend patroon van geluiden
ritmo
noun
1. deel van een bandje of orkest dat het ritme van een muziekstuk aangeeft
seção rítmica
/
riːˈviːr/
noun
1. een natuurlijke waterstroom
rio
noun
1. bepaald soort slanke eetbare Euraziatisch zoetwatervis, Gobio gobio
góbio
noun
1. een soort kreeft die in riviertjes leeft
lagostim
/
ˌritsoˈsfeːr/, /
ˌritsoˈsfɪːr/
noun
1. gedeelte van de bodem waarin het ecosysteem onder invloed van plantenwortels staat
rizosfera
/
ˈro.bɔt/
noun
1. machine die beschikt over een stoffelijke vorm en een beslissingsmodel
robot
robô
/
roˈbyst/
adjective
resistente
noun
1. muziek- en dansstijl
rock
noun
1. kwaadsprekerij, achterklap
fofoca
verb
1. op een vervelende manier over anderen praten
fofocar
noun
1. bepaald soort zoogdier, Lynx rufus
lince-pardo
noun
1. rossig gekleurde zaden (zemel en kern) van aan gewone rijst (Oryza sativa) verwante planten
arroz vermelho
noun
1. een alcoholhoudende drank die verkregen wordt door de gisting van rode druiven
vinho tinto
pronoun
1. langgerekte binnenzee, gelegen tussen Azië en Afrika
Mar Vermelho
noun
1. en 2. donkerrood sluitkoolgewas
couve-roxa
noun
1. chemisch element met symbool Rh
ródio
verb
1.zich met behulp van roeispanen in een boot ergens begeven
remar
noun
1. bepaalde soort kraaiachtige vogel, Corvus frugilegus
gralha-calva
adjective
1. zonder zorg over de gevolgen of het gevaar van een handeling
temerário
/
ruˈmens/, /
ruˈmeːns/
adjective
1. betreffende Roemenië of het Roemeens
romeno
romena
/
ruˈmens/, /
ruˈmeːns/
pronoun
1. een Romaanse taal die wordt gesproken in Roemenië
romeno
/
ruˈmeni.jə/, /
ruˈmeːni.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Europa ten noorden van Bulgarije
Roménia
Romênia
/
rup/
noun
1. een vrij harde klank geproduceerd met stemgeluid
chamada
/
'rupɪŋ/
noun
1. een taak waarvoor een persoon zich verplicht voelt, vaak met religieuze invloed
vocação
noun
1. vlak waarmee gestuurd wordt
leme
/
ˈrur.bɑ.kə(n)/
verb
1. een kooktechniek voor het bereiden van voedsel in een wok
refogar
/
rurɛi/
noun
1. een gerecht van gebakken eieren en losgeklopte melk
ovos mexidos
verb
- 1. een vloeistof met een spaan in ronde beweging brengen
- 4. in opstand komen
agitar
noun
1. beweegbare, stoffelijke zaak
bem móvel
noun
1. geoxideerd ijzer
ferrugem
adjective
1. roestbestendig
inoxidável
/
rut/
noun
1. koolstofneerslag die ontstaat door onvolledige verbanding van koolstofhoudende stoffen
fuligem
noun
1. benaming voor brede, platte vissen met een smalle staart uit de superorde Rajomorphii
arraia
raia
noun
1. en 2. (zaden van) plant Secale cereale
centeio
/
ˈrɔɣəbrod/
noun
1. een van rogge gebakken brood
pão de centeio
noun
1. plat gewalste granen van rogge
flocos de centeio
noun
1. buis- of kegelvormig kledingstuk
saia
noun
1. zet in een schaakspel
roque
/
ˈroːkə(n)/
verb
- 3. conserveren door langdurige blootstelling aan rook
defumar
fumar
- 2. nuttigen door het inhaleren van de rook ervan
- 1. rook afgeven
fumar
defumar
verb
1.1. het doen van een zet waarbij de koning en een toren elkaar passeren
rocar
verb
1. zich wentelend over een oppervlak bewegen
girar
noun
1. vervoermiddel voor mensen die slecht ter been zijn
cadeira de rodas
noun
1. trap met bewegende treden
escada rolante
noun
B 1. volk in Europa en Azië dat traditioneel een zwervend bestaan leidt
rom
noun
1. een lang soort verhaal in boekvorm
novela
romance
/
romaˈnɛs/
pronoun
Taal door veel zigeuners gesproken
romani
noun
1. (kool van) groentesoort Brassica oleracea convar. botrytis var. botrytis
romanesco
/
ˈro:mə/
pronoun
1. de hoofdstad van Italië
Roma
adjective
1. met betrekking tot Rome
romã
/
roˈmɛɪnsə rɛɪk/
pronoun
1. een historisch rijk dat op zijn hoogtepunt de gehele Middellandse Zeeregio in handen had
Império Romano
noun
1. het lichaam van een mens of dier zonder ledematen, kop of staart
tronco
adjective
1. cirkelvormig
redondo
noun
2. een wedstrijd in de vorm van een rondrit
assalto
verb
1. op een plaats langdurig verblijven zonder iets te doen te hebben
vadiar
/
rod/, /
rot/
adjective
1. de kleur rood hebbend
vermelho
encarnado
/
rod/, /
rot/
noun
1. een primaire kleur zoals die van licht met een golflengte tussen de ca. 620 en 740 nm.
vermelho
noun
1. bepaald soort struik, Daphne mezereum
mezereão
noun
1. bepaald soort vis, Sebastes marinus
cantarilho
noun
2. bepaald soort vrij gedrongen vogeltje met opvallende bruinrode keel, Erithacus rubecula
pintarroxo
pisco de peito ruivo
adjective
1. met rood gekleurde haren
ruivo
pronoun
1. sprookjesfiguur
Chapeuzinho Vermelho
noun
1. en 2. (bladeren van) Cichorium intybus var. foliosum
radicchio
noun
1. bepaald soort vis die leeft in de Atlantische Oceaan, Lutjanus campechanus
luciano-do-golfo
vermelho
/
ˈrovdir/
noun
1. dier dat zijn prooi bejaagt en doodt
predador
noun
1. benaming voor gewervelde waterdieren met kieuwen die hun prooi bejagen en doden
peixe predatório
/
ˈroˌfoχɔɫ/, /
ˈroːˌfoːɣəl/, /
ˈroːˌvoːɣəl/
noun
1. eierleggend dier met veren, twee vleugels, twee klauwen en een snavel dat zijn prooi bejaagt en doodt
ave de rapina
/
roːk/
noun
1. damp, zichtbaar gas
fumo
fumaça
noun
1. apparaat dat een zeer luid signaal afgeeft als er rook aanwezig is
detetor de fumaça
noun
1. een verbod om te roken
proibição de fumar
noun
1. de vette delen van melk waarvan boter gemaakt wordt
nata
/
'rɔskɑm/
noun
1. een grof soort kam die voor het verzorgen van paarden of het schoonmaken van andere borstels gebruikt wordt
almofaça
verb
1. een paard met borstel en kam reinigen
almofaçar
noun
2. bepaald soort vuurwerk dat na het aansteken van de lont wordt weggegooid en dan een harde knal geeft
bombinha
noun
- 2. een rond, pleinvormig kruispunt van wegen
- 1. een rond gebouw
rotunda
noun
1. een grote ruwe steen
rocha
/
ˈrɔtstœʏn/, /
ˈrɔtstœːn/
noun
1. een tuin met rotspartijen en rotsplanten
canteiro ornamental
jardim de pedras
jardim de rochas
noun
1. Duits hondenras, stevig gebouwd, kortharig met brede kop, korte snuit en hangoren
rottweiler
/
ra<sup>ʊ</sup>/, /
rʌʊβ̞/, /
rʌːβ̞/
noun
1. grote smart of droefenis na een verlies
luto
noun
1. iemand die door geweldpleging iemand besteelt
ladrão
/
roːzə/, /
rɔːs/, /
rɔːzə/
adjective
1. heel bleke of lichte rode kleur, met soms ook blauwe tinten
cor-de-rosa
rosa
noun
2. keukenkruid
alecrim
rosmaninho
noun
1. schijnvrucht van wilde rozen
cinórrodo
noun
1. een gebedssnoer met 165 kralen
rosário
noun
1. kleine gedroogde vruchtjes van Vitis vinifera
passa
noun
1. Chemisch element
rubídio
noun
1. en 2. (bladeren van) eenjarige plant Eruca sativa
rúcula
adjective
1. tussen puin groeiend
ruderal
/
rɵx/
noun
1. zijde van de romp tegenover de buik en borst gelegen
costas
lombo
noun
1. pijn in de rug
dor nas costas
pronoun
1. een regio in de Duitse deelstat Noordrijn-Westfalen
Ruhr
noun
1. traliewerk waarachter hooi ligt
cocho
/
rœʏkə(n)/, /
rœːkə(n)/
verb
- 1. een geur waarnemen
- 2. een geur verspreiden
cheirar
/
rœʏl/, /
rœːl/
noun
permuta
noun
1. vaartuig geschikt om zich buiten de aardse atmosfeer te begeven
nave espacial
noun
1. het zich in de ruimte buiten de dampkring van de aarde begeven
navegação espacial
/
ˈrœʏ̯m.tə.ˌʋɑn.də.lɪŋ/, /
ˈrœːm.tə.ˌβ̞ɑn.də.lɪŋ/
noun
1. het uitvoeren van een activiteit buiten een ruimteschip
actividade extraveicular
/
rœʏn/
noun
1. gecastreerde hengst
capão
noun
1. structuurloos en voortdurend geluid dat een continuüm van toonhoogten bevat
ruído
noun
2. een vierhoek waarvan de zijden gelijk in lengte zijn
losango
noun
1. een apparaatje dat de ruiten van een auto automatisch wist met een bewegende arm met wisserblad
limpa-para-brisas
noun
1. berijder van een rijdier
cavaleiro
noun
een sterkedrank die bereid wordt uit het sap van suikerriet
rum
/
rʏnd/, /
rʏnt/
noun
1. holhoornig herkauwend zoogdier
bovino
/
ˈrʏntfleːs/
noun
1. het vlees van een volwassen rund
carne de vaca
/
ˈrynə/
noun
1. een schriftteken van het Oud-Germaanse alfabet
runa
noun
1. vlinderlarve
lagarta
noun
1. een inwoner van Rusland
russo
noun
1. autoritaire nationalistische ideologie in Rusland
russismo
pronoun
1. een soevereine staat met het Russisch als officiële taal die zich uitstrekt van het oosten van Europa tot het oosten van Azië
Rússia
/
ˈrʏsis/
adjective
1. betreffende Rusland of het Russisch
russo
russa
/
ˈrʏsis/
pronoun
1. een Slavische taal die gesproken wordt in Rusland
russo
/
rɵst/
noun
- 2. tijdelijke toestand van ontspanning na arbeid, moeite of inspanning
repouso
- 1. voortdurende toestand van kalmte
tranquilidade
verb
1. werk of andere activiteit staken om het lichaam in staat te stellen weer op krachten te komen
descansar
adjective
1. kalm, weinig sensorische prikkels creërend
calmo
noun
1. scheikundig element met symbool Ru en atoomnummer 44
rutênio
ruténio
noun
1. scheikundig element met symbool Rf en atoomnummer 104
rutherfórdio
ruterfórdio
adjective
- 1. oneffen, niet glad
- 2. grof, onbesuisd
áspero
noun
1. toestand waarin men in ernstig conflict is met anderen
disputa
/
ryˈinə/
noun
1. een zeer vervallen gebouw
ruína
/
ˌryiˈnerə(n)/
verb
1. helemaal kapotmaken
destruir
defazer
demolir
subverter
/
ru.ˈwɑn.da/, /
ru.ˈʋɑn.da/, /
ˈrβ̞ɑn.da/
pronoun
1. een land in Oost Afrika, officieel de Rwandese Republiek, dat geheel door land omsloten wordt
Ruanda
noun
1. scheikundig element met symbool Rg en atoomnummer 111
röntgênio
/
saɪ̯/, /
saːɪ̯/
adjective
aborrido
noun
1. bepaald soort zoogdier, Marter zibellina
zibelina
noun
1. een vijandige ingreep op zaken om deze te laten mislukken of te vernielen
sabotagem
noun
1. caloriearme kunstmatige zoetstof die geen directe invloed heeft het bloedsuikergehalte
sacarina
noun
1. een disacharide, bestaande uit een glucose-eenheid en een fructose-eenheid
sacarose
noun
1. plechtige gebeurtenis in de katholieke kerk
sacramento
noun
1. een ruimte in een rooms-katholieke kerk, waarin men alles bewaart dat nodig kan zijn om een kerkdienst te houden.
sacristia
noun
1. iemand die bevrediging zoekt in het pijnigen van een ander
sadista
/
sɑˈfarɪ/
noun
1. expeditie in de wildgebieden in Afrika
safári
noun
1. een kostbare, transparante blauwe edelsteensoort die een variant is van korund (α-Al₂O₃)
safira
noun
1. specerij bereid uit de saffraankrokus Crocus sativus
açafrão
pronoun
1. zandwoestijn in Noord-Afrika
Saara
/
sent.ˌvɪn.sɛnt.ɛn.də.χre.na.ˈdi.nəs/
pronoun
1. land in het Caraïbisch gebied
São Vicente e Granadinas
pronoun
São Pedro e Miquelon
noun
- 1. directe eigendomsovergang onder algemene titel op de erfgenamen
- 2. inroeping van de bevoegdheid van de rechter
- 3. feodaal recht op de beheersing over een vastgoed
saisine
pronoun
1. Duitse deelstaat
Saxónia
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Caudata
salamandra
/
ˈsalami/
noun
1. Italiaanse worst
salame
noun
gedroogde stukjes van de echte salie
salvia
pronoun
1. koning van Israël
Salomão
/
ˈsa.lo.mɔns.ˌɛɪ̯.lɑn.də(n)/, /
ˈsa.lo.mɔns.ˌɛː.lɑn.də(n)/
pronoun
1. land in Melanesië
Ilhas Salomão
noun
1. een lage tafel die in een woonkamer staat
mesa de centro
/
sɑlpetər/
noun
1. een mineraal bestaande uit kaliumnitraat
salitre
noun
1. een sterk zure chemische verbinding met de formule HNO₃ of een waterige oplossing daarvan
ácido nítrico
noun
1. scheikundig element met symbool Sm en atoomnummer 62
samário
verb
1. meerdere uitgekozen zaken tot een geheel maken
compor
noun
1. het samenstellen
composição
/
ˈsaːməvɑtɪŋ/
noun
1. een beknopte beschrijving van een inhoud
resumo
verb
1. met een of meer aan hetzelfde werken
colaborar
noun
1. het samenwerken van meerdere personen
colaboração
cooperação
/
ˈsamə(n)ˌzʋɪːrə(n)/
verb
1. geheimelijk met anderen samenwerken ten nadele van een derde partij
conspirar
pronoun
1. een verzameling talen die gesproken worden in Noorwegen, Zweden, Finland en Rusland door de Saami
lapão
/
sa.ˈmo.wa/
pronoun
1. een land in Oceanië ten noorden van Nieuw-Zeeland en ten oosten van Australië...
Samoa
pronoun
1. een taal die gesproken wordt door 370.337 mensen in Samoa, Amerikaans-Samoa, Fiji, Nieuw-Zeeland, Tonga en de Verenigde Staten
samoano
/
ˈsɑmuˌrɑɪ/
noun
1. een lid van de vroegere Japanse krijgsstand
samurai
pronoun
1. Baltische taal gesproken door 500 duizend mensen in Litouwen
samogiciano
/
ˌsan maˈrino/
pronoun
1. een dwergstaat in Italië met republikeinse staatsinrichting.
San Marino
São Marinho
/
'sɑŋksi/
noun
1. strafmaatregel
sanção
/
sɑnˈdal/
noun
1. schoeisel
sandália
noun
1. een bepaald houtsoort (Santalum album of verwante soorten)
sândalo
noun
1. een Spaanse licht-alcoholische drank
sangria
pronoun
1. klassieke taal en een van de officiële talen van India
sânscrito
/
saʊ̯.to.ˌme.je̞n.prɪn.ˈtsi.pə/, /
ˌsa.o.to.me.ʔɛn.ˈprɪn.si.pə/, /
ˌsʌu.to.me.ɛn.ˈprɪn.si.pə/
pronoun
1. land en eilandengroep aan de westkust van Afrika in de Golf van Guinee
São Tomé e Príncipe
/
sa.ˌu.di.ɑ.ˈra.bi.jə/, /
zaʊ̯.di.ja.ˈra.bi.jə/
pronoun
1. en 2., land en staat in Azië
Arábia Saudita
noun
1. plantenvocht
suco
sumo
noun
1. soldaat die loopgraven maakt
sapador
adjective
1. vol met sap
suculento
noun
1. plant die van organisch afval leeft
saprófita
noun
1. een stenen doodskist
sarcófago
noun
1. klein zilverkleurig haringachtig visje, Sardina pilchardus
sardinha
noun
1. straalvinnige visSardina pilchardus, uit de familie van haringen
sardinha
noun
1. een Italiaans eiland in de Middellandse Zee
Sardenha
pronoun
1. Romaanse taal die wordt gesproken door 1,3 miljoen mensen op Sardinië
sardo
/
sɑr'donis/
adjective
1. op een bittere manier grijnzen of lachen
sardónico
/
ˈsatɑn/
pronoun
Satanás
Satã
noun
1. aanbidding van Satan
satanismo
noun
2. benaming voor de boomsoort Brosimum rubescens
conduru
muirapiranga
/
saˌudiaˈrabijə/
pronoun
1. en 2., land en staat in Azië
Arábia Saudita
/
saˈul/
pronoun
2. jongensnaam
Saul
/
'saʊna/
noun
1. een ruimte waarvan de temperatuur verhoogd wordt, zodat het lichaam begint te zweten (een zweetbad)
sauna
verb
1. in een sauna gaan
tomar banho de sauna
/
sɑu̯s/
noun
1. een vloeibare substantie die meestal over een gerecht wordt gedaan voor extra smaak
molho
/
ˈsa.va/
pronoun
1. een rivier in Zuidoost-Europa met een lengte van 940 km.
Sava
noun
1. een grasland met verspreid voorkomende bomengroei
savana
noun
1. en 2. (bladeren van) Brassica oleracea convar. capitata var. sabauda)
couve lombarda
noun
1. iemand die (beroepshalve) saxofoon speelt
saxofonista
/
sɑkso'fon/
noun
1. een metalen blaasinstrument met een enkel riet
saxofone
/
skɑn.ˈdeː.rə(n)/, /
skɑn.ˈdɪː.rə(n)/
verb
2. ritmisch declameren met één sterke nadruk per versvoet.
escandir
pronoun
1. Denemarken, Noorwegen en Zweden.
Escandinávia
noun
1. scheikundig element met symbool Sc en atoomnummer 21
escândio
/
sə.ˈna.ri.jo/
noun
1. een kort uitgewerkt schema voor de handeling van een dramatisch werk
argumento
noun
1. sierlijk bewerkte staf, symbool voor het gezag van een regerende vorst
cetro
/
ˈskɛptɪs/
adjective
1. geneigd tot twijfel
cético
noun
1. een werktuig om hout glad, vlak of dunner te maken
plaina
noun
2. het schaakspel als zodanig
xadrez
/
ˈsxagbɔrt/, /
ˈsχagbɔrt/
noun
1. een vierkant bord met 64 donkere en lichte vakjes waarop schaak gespeeld wordt
tabuleiro de xadrez
noun
1. een spel met verschillende stukken op een schaakbord
xadrez
/
ˈsxakstʌk/
noun
1. een onderdeel van het schaken dat over het schaakbord bewogen wordt.
peça de xadrez
noun
- 3. verhouding van de grootte tussen een model en een echt voorwerp
- 4. bepaalde ijking op een grafiek, as of eenheid
escala
/
sxaːldir/
noun
1. een dier met een schaal als uitwendig skelet
crustáceo
noun
1. huidplooi bij de opening van de vulva, aan beide zijden van de vagina
lábio
noun
1. kleine parasieten die voorkomen in het schaamhaar, maar ook op wimpers...
carango
chato
/
'sxa:m.tə/
noun
1. eerste betekenisomschrijving
vergonha
adjective
1. zonder schaamte
desavergonhado
noun
1. Ovis aries, een holhoornige herkauwer waarvan de gedomesticeerde soort wol levert
ovelha
noun
1. werktuig om te knippen
tesoura
tesouras
adjective
1. weinig in aantal of hoeveelheid
escasso
/
'sxarstə/
noun
1. eerste betekenisomschrijving
escassez
noun
1. een ijzer dat onder de schoenen wordt gebonden of aan de schoenen is vastgemaakt, om zich daarmee over het ijs te verplaatsen
patim de gelo
verb
1. zich voortbewegen op schaatsen
patinar
noun
2. bepaald soort insect, Gerris lacustris
alfaiate
/
ˈsxɑxt/
noun
1. (holle) buis
cabo
noun
1. geheel van beschadigingen
dano
/
ˈsxadələk/
adjective
1. schade toebrengend
danoso
/
ˈsxaː.dyu̯/
noun
1. een slechts door indirect zonlicht beschenen oppervlak
sombra
verb
1. een verbinding tot stand brengen
trocar
noun
1. gas uit schalie
gás de xisto
verb
1. blaasinstrument met een rechte conische boring en een los dubbel riet dat de toon vormt
charamela
/
ˈsxaː.mə(n)/, /
ˈsχa.mə(n)/
verb
1. schaamte voelen
envergonhar-se
noun
1. een zaak die iemand in opspraak brengt en waarvan mensen schande spreken
escândalo
noun
1. iets wat bij het publiek minachting oproept, iets oneervols
vergonha
noun
1. een paal op een plein, waaraan mensen bij wijze van straf werden vastgemaakt om vernederd...
cepo
noun
1. een wintersport waarbij op skis van een helling (de schans) gesprongen wordt. Het doel daarbij is om zowel zo ver als zo mooi mogelijk te springen
salto de esqui
noun
1. een plank om iets op te zetten
prateleira
noun
1. verblijf voor schapen die als kleinvee worden gehouden
aprisco
redil
verb
5. Seksuele handeling
tribadismo
/
sxɑrˈnir/
noun
1. draaiverbinding
dobradiça
gonzo
noun
3. vogel uit de familie van de scharrelaars
rolieiro-europeu
noun
1. verzamelde rijkdom
tesouro
/
'sxɑtə(n)/, /
'sχɑtə(n)/
verb
2. benaderen van een waarde door berekening
estimar
adjective
1. leuk, aardig, enig
fofo
verb
1. gladmaken door middel van een schaaf.
aplainar
noun
1. een stellage voorzien van een galg of een valbijl waar veroordeelden terechtgesteld worden
cadafalso
noun
1. houder waarin men een zwaard of mes kan steken
bainha
/
'sχedəl/
noun
crânio
caveira
/
sxeːl/
adjective
1. het gebrek hebbend dat de oogassen niet op eenzelfde punt gericht kunnen worden
estrábico
noun
1. voorkant van het onderbeen van de mens tussen de knie en de enkel
canela
/
'sxenbəsxɛrmər/
noun
1. beschermer van scheenbeen
caneleira
noun
1. (scheepvaart) een werkgebied
estaleiro
noun
1. het verkeer op het water
navegação
/
ˈsxɪːrkʋɑst/
noun
1. een dikke kwast waarmee men scheerzeep aanbrengen
pincel de barba
/
sxeːrmɛs/, /
sχɪːrmɛs/
noun
1. een bijzonder scherp mes waarmee men zich kan scheren
navalha
noun
1. het uiteenhalen van iets in zijn onderdelen
separação
/
'sxɛɪtsrɛxtər/
noun
1. iemand die tijdens een spel de spelregels toepast
juiz
noun
1. wetenschap die zich bezig houdt met de studie van de samenstelling en de bouw van de stoffen
química
adjective
1. dat wat tot de scheikunde behoort, volgens de scheikunde
químico
/
ˈsχɛldə/
pronoun
1.een rivier die ontspringt in de gemeente Gouy in noordelijk Frankrijk
Escalda
/
'sxɛltwoːrt/
noun
1. een term die bedoeld is om iets of iemand te beledigen
injúria
/
sxɛlp/
noun
1. een uit kalk gewoonlijk uitwendig skelet, dat door een weekdier wordt aangemaakt
concha
noun
1. bepaald soort kabeljauwachtige consumptievis, Melanogrammus aeglefinus
arinca
hadoque
eglefino
noun
2. de tijd van de dag waarop het licht dan wel donker wordt
crepúsculo
/
sxɛndə(n)/
verb
1. iets niet in acht nemen
violar
/
'sxɛŋ.kə(n)/
verb
1. geven
dar
noun
1. lepelvormig werktuig
pá
/
ˈsxɛpə(n)/
verb
1. doen ontstaan uit niets
criar
noun
1. iets nieuws dat uit het niets gemaakt is
criação
/
sxeːrə(n)/, /
sχɪːrə(n)/
verb
- 2. zich de baard kort afsnijden
barbear
raspar
- 1. baard afsnijden
raspar
barbear
/
sxɛrf/, /
sχɛrf/
noun
1. een onregelmatig gevormd stuk materie dat deel heeft uitgemaakt van een groter geheel
caco
noun
1. verticale draden van het weefgetouw
urdimento
urdume
/
sxɛr'mɵʦəlɪŋ/
noun
escaramuça
adjective
1. goed snijdend
afiado
agudo
verb
1. met een minimum van pennenstreken een voorlopige en gewoonlijk uitwisbare afbeelding van iets maken
esboçar
/
sxøːr/, /
sχʏːr/
noun
1. een kloof in een vlies of weefsel
buraco
noun
1. ziekte ten gevolge van ascorbinezuurdeficiëntie
escorbuto
/
sxʏːrə(n)/
verb
1. in twee of meer delen trekken
rasgar
noun
1. een landmassa die voor het grootste deel door water omgeven wordt, en slechts op (relatief) smalle verbinding heeft met het vasteland.
península
/
ˈsxi.tə(n)/, /
ˈsχi.tə(n)/
verb
1. een projectiel afvuren met een wapen
atirar
noun
1. gat om door te schieten
seteira
noun
1. een draad met loden balletje om de loodrechte stand van iets te onderzoeken
prumo
noun
1. een confrontatie waarbij partijen elkaar beschieten
tiroteio
/
sxɛi̯f/
noun
1. plat en rond voorwerp
disco
noun
1. een rem, waarbij op de as van het af te remmen toestel een schijf meedraait, die door middel van remblokken afgeremd kan worden.
freio a disco
/
sxɛi̯n/
adverb
- 1. bedriegelijk voorkomen
- 2. zweem
brilho
verb
- 1. zich voordoen, vaak op bedrieglijke wijze
- 2. naar verluidt
- 3. straling uitzenden
brilhar
/
sxɛjn.vrɵxt/
noun
pseudofruto
/
sxɛɪt/
noun
1. vaste uitwerpselen
bosta
/
sxɛɪtə(n)/, /
sxɛːtə(n)/, /
sχɛɪtə(n)/
verb
1. poepen
cagar
noun
1. compromis, overeenkomst waarbij iedereen iets toegeeft
compromisso
meio-termo
noun
1. buitenste bekleding van een vrucht
casca
/
sxɪlt/
noun
1. (militair) een voorwerp dat als afweer tegen de aanval van de vijand voor zich gehouden wordt
escudo
noun
- 2. een handwerksman die huizen schildert
pintor
- 1. een kunstenaar die geschilderde afbeeldingen maakt
pintor
pintora
verb
- 1. een kunstwerk vervaardigen door met verf een beeld op een oppervlak te maken
- 2. een bouwwerk of voorwerp van een beschermend laag verf voorzien
pintar
noun
1. een vrouwelijke schilder
pintora
/
ˌsxɪldə'rɛː/, /
ˌsχɪɫdə'rɛɪ/
noun
1. een met verf op doek of andere achtergrond gemaakte afbeelding
pintura
quadro
noun
1. een van beide figuren -menselijk of anderszins- die het wapen flankeren
suporte
/
sxɪldkliːr/, /
sxɪɫtkliːr/, /
sχɪɫtkliːr/
noun
1. klier
tiróide
tiroide
noun
1. orde van reptielen waarvan het voornaamste kenmerk is dat het lichaam omsloten wordt door een verhard rug- en buikschild
tartaruga
noun
1. een band langs de omtrek van een wapenschild
bordura
verb
1. de schil van een vrucht verwijderen
descascar
noun
- 1. paardenras met een grotendeels witte vacht met fijne grijze of blauwige tekening
- 2. zwamsoort of substantie die op dode of levende organismen groeit.
bolor
noun
1. ziekte door schimmels
micose
noun
2. rijk binnen de eukaryoten, Fungi
fungo
noun
1. schaduwspel
teatro de sombras
noun
- 2. grootste ruimte in de lengterichting van een kruiskerk
nave
navio
- 1. groot zeewaardig vaartuig
navio
embarcação
/
sxɪbrøk/
noun
1. een gebeurtenis waarbij een schip zinkt of op de klippen loopt
naufrágio
noun
1. uit elkaar vallen van een kerkgenootschap in twee delen door sterk verschillende opvattingen
cisma
noun
1. een chronische geestesziekte met perioden van verwardheid en psychose
esquizofrenia
noun
1. gepaneerd kalfsvlees
schnitzel
noun
1. alles wat men om de voeten heen kan dragen, zoals schoenen en laarzen
calçado
noun
1. een vervelend iemand
filho da puta
/
sxun/
noun
1. voetbekleedsel
sapato
calçado
noun
1. een 18e eeuws langsgetuigd zeilschip met oorspronkelijk 2, maar later ook meer masten
escuna
goleta
noun
1. iemand die als vak schoenen repareert
sapateiro
noun
1. veter om een schoen of laars dicht te rijgen
atacador
cadarço
/
ˈsxɔfəl/, /
ˈsχɔfəɫ/
noun
1. een horizontaal liggend scherp geslepen mes van staal dat bevestigd is aan een houten steel
enxada
noun
- 1. schouder van paard of rund
cernelha
- 1.
canalha
noun
1. mechanisme om schokken te dempen
amortecedor
noun
1. heftige uitwerking
impacto
noun
1. zwart-witte waadvogel met luide roep, Haematopus ostralegus
ostraceiro
verb
1. aan een opleiding onderwerpen
educar
noun
1. iemand die basisonderwijs of voortgezet onderwijs volgt
discípulo
noun
1. een hangend speeltuig bestaande uit touw en een zitje, vooral gebruikt in kinderspeeltuinen
balanço
baloiço
verb
1. op een schommel heen en weer bewegen
andar de baloiço
/
ˈsxɔməlstul/
noun
1. een stoel, gewoonlijk op gebogen staanders, waarop men heen en weer kan schommelen
cadeira de balanço
noun
- 2. wiskundige structuur
feixe
- 1. samengebonden bundel halmen
gavela
/
sxoːl/, /
sxoːɫ/, /
sχoːɫ/
noun
- 2. een zwemmende groep gelijksoortige vissen
escola
- 1. een onderwijsinstelling waar les wordt gegeven aan leerlingen
escola
colégio
/
sxols/, /
sχo̝ɫs/
adjective
1. zoals op school
colegial
/
ˈsxoːl.tɑs/
noun
mochila escolar
/
ˈsxombruːr/
noun
1. de echtgenoot van iemands broer of zus, of de broer van iemands echtgenoot of echtgenote.
cunhado
noun
1. de vrouw van een zoon of dochter
nora
/
ˈsxoːn·hɛɪt/
noun
1. de hoedanigheid prachtig en aantrekkelijk te zijn
beleza
noun
1. klein foutje
imperfeição
/
ˈsxonmudər/
noun
1. de moeder van de huwelijkspartner
sogra
noun
1. de vader van de huwelijkspartner
sogro
noun
1. de man van een dochter of zoon
genro
/
ˈsxonzʉs/
noun
1. de echtgenote van iemands broer of zus, of de zus van iemands echtgenoot of echtgenote.
cunhada
noun
1. rookkanaal boven een stookplaats
chaminé
noun
1. een persoon wiens werk het verwijderen van roet uit schoorstenen is
limpa-chaminés
/
sxot/, /
sχot/
noun
- 1. de bovenkant van de dijen van iemand die zit
colo
regaço
- 3. een lijn, aan de benedenhoek (de schoothoek) van een zeil bevestigd om het zeil mee in de wind te richten
escota
/
'sxɔ.pə(n)/
noun
1. kaartkleur
espadas
/
'sxɔ.pə(n)/
verb
1. een trap geven
pedalar
noun
1. aas van schoppen
ás de espadas
pronoun
2. teken van de dierenriem van 23 oktober tot 22 november
Escorpião
noun
1. spinachtige met scharen en gifstekel
escorpião
alacrão
noun
wężymord czarny korzeń
noun
1. een lap stof die voorgebonden wordt gewoonlijk rond de middel om de kleding te beschermen ...
avental
noun
1. een persoon afkomstig uit Schotland
escocês
noun
- 2. tussenwand
chicana
- 1. afvuren
chute
noun
3. kop en schotel
pires
/
ˈsxɔtlɑnt/, /
ˈsçɔtlɑnt/
pronoun
1. deel van het Verenigd Koninkrijk
Escócia
/
ˌsxɔts.ɣa.ˈe.lis/, /
ˌsxɔts.ɣa.ˈe.lɪs/, /
ˌsχɔts.χa.ˈe.lis/
pronoun
1. Keltische taal die door ongeveer 60.000 personen wordt gesproken op de Schotse eilanden ...
gaélico escocês
noun
1. deel van romp tussen arm en hals
ombro
noun
1. het vlakke driehoekige bot dat de achterzijde van de schouder vormt
escápula
noun
1. het naar boven bewegen van de schouders als teken dat iemand het niet weet of niet interesseert is, soms is het een uitdrukking van machteloosheid
dar de ombros
/
'srɑpə(n)/, /
'sxrɑpə(n)/
verb
2. doorhalen, verwijderen van een lijst
jogar fora
/
sxreu̯/, /
sχrɪːu̯/
noun
1. een luide (uit)roep
grito
/
ˈsxreːʋə(n)/
verb
1. luid en geforceerd gebruiken van het stemgeluid
gritar
berrar
/
srɪft/, /
sxrɪf/, /
sxrɪft/
noun
- 1. een dun boekje met lege bladzijden om in te schrijven
caderno
- 4. de lettersoort gebruikt in boeken, teksten en inscripties
escrita
- 3. de letter- en cijfertekens van een taal
letra
escrita
noun
1. een mechanisch apparaat, voorzien van druktoetsen waarmee schrifttekens op papier gezet kunnen worden
máquina de escrever
/
ˈsrɛɪ̯fstər/, /
ˈsxrɛɪ̯fstər/, /
ˈsxrɛːfstər/
noun
1. een persoon van het vrouwelijk geslacht die op professionele manier boeken of verhalen schrijft
escritora
/
sxrɛɪn/, /
sçrɛːn/
noun
kistje
oratório
/
ˈsxrɛ(i)və(n)/
verb
1. tekst in tekens vastleggen
escrever
/
ˈs(x)rɛɪvər/
noun
2. een persoon die beroepsmatig schrijft
escritor
noun
1. een jaar met 366 dagen
ano bissexto
verb
1. met water en een harde borstel reinigen
esfregar
noun
- 2. werktuig met twee of meer gebogen bladen die door draaiing een schip of vliegtuig voortbewegen
hélice
- 1. voorwerp dat wordt gebruikt om andere voorwerpen vast te zetten
parafuso
noun
1. een werktuig om schroeven vast of los te draaien
chave de fenda
chave de parafusos
/
sxʏp/
noun
1. een van meerdere overlappende plaatjes van keratine die aan een kant vastzitten...
escama
verb
1. snel heen en weer bewegen om iets te mengen
sacudir
agitar
/
sxʌʏm/
noun
1. iets dat veel luchtbellen bevat
espuma
adjective
1. niet-loodrecht
oblíquo
verb
1. over de grond verplaatsen
empurrar
noun
- 2. een verantwoordelijkheid die iemand wordt toegeschreven voor een laakbare gebeurtenis of toestand
culpa
- 1. een geldbedrag dat ondanks de verplichting daartoe niet betaald wordt
dívida
débito
noun
1. schriftelijk bewijs van financiële schuld
reconhecimento de dívida
noun
1. iemand aan wie iemand iets (meestal geld) verschuldigd is
credor
/
sxyrə(n)/
verb
1. een oppervlak glad maken door wrijving met een ruw oppervlak van grotere hardheid
lixar
adjective
1. met veel wrijving; beetje vervelend
abrasivo
/
sxɵrft/
noun
1. een huidaandoening veroorzaakt door de schurftmijt
sarna
/
sxɵrk/
noun
1. persoon die kwaad in de zin heeft en/of bedrijft
velhaco
noun
1. onfatsoenlijke staat
estado vilão
noun
- 2. een blad dat in de oksel van een bloem of bloeiwijze onmiddellijk daaronder staat
bráctea
- 1. een vel papier dat het boekblok beschut
guarda
/
sxyːr/, /
sχyːr/
noun
1. een opslagplaats voor veldvruchten en gereedschappen
celeiro
noun
1. ziekelijke verharding
esclerose
noun
1. een zijdelingse verkromming van de rug (wervelkolom), waardoor één of twee bochten ontstaan
escoliose
/
ˈskrɪp.si/
noun
1. een werkstuk over een (literatuur-) onderzoek dat gemaakt wordt om een opleiding te kunnen voltooien
tese
noun
1. scheikundig element met symbool Sg en atoomnummer 106
seabórguio
seabórgio
noun
- 1. omgekeerde van de cosinus
- 2. lijn die een kromme op twee punten snijdt
secante
noun
- 1. SI-grondeenheid van tijd
- 5. een interval met een toonafstand
segundo
/
səkrəta'rɛsə/
noun
vrouw
secretária
/
səkre'tarəs/
noun
1. functie in organisatie
secretário
noun
1. hoge functionaris binnen grote organisaties, zoals de Verenigde Naties, NAVO, FIFA
secretário-geral
noun
1. afscheiding
secreção
/
'sɛktɔr/
noun
- 1. een deel van een cirkel in de vorm van een taartpunt
- 3. de kleinste eenheid van een harddisk die in één bewerking door een lees/schrijfkop kan verwerkt worden
setor
/
səkʏnˈdɛːr/
adjective
secundário
/
sɛɪn/
noun
- 1. een betekenisvolle beweging
- aanduiding, aanwijzing
sinal
pronoun
1. een rivier in Frankrijk
Sena
noun
1. een toestel dat beweging en of trillingen van de aardkorst waarneemt en registreert
sismógrafo
noun
1. de wetenschap van de aardbevingen
sismologia
/
sɛɪ̯.ˈzun/, /
sɛː.ˈzun/
noun
- 1. elk van de vier periodes waarin het jaar verdeeld wordt
estação
- 2. een jaarlijks terugkerende periode
temporada
/
sɛks/
noun
2. geslachtsgemeenschap
sexo
/
sɛksy'el/
adjective
1. op de geslachtsdrift betrekking hebbend
sexual
noun
1. infectieziekte die vooral wordt overgedragen door seksueel contact
doença sexualmente transmitida
noun
1. ziekten die vooral worden overgedragen door seksueel contact.
doença sexualmente transmissível
/
ˌsɛksʏwolo'ɣi/
noun
sexologia
/
ˈsɛks.wɛr.kər/
noun
trabalhador sexual
/
ˈsɛktə/
noun
1. religieuze groepering die opziet naar een bepaald mens als leider
seita
noun
1. bepaald soort plant, Apium graveolens
aipo
adjective
1. behorend tot een kleine groep met speciale rechten of eigenschappen
selecionado
noun
1. Scheikundig element met symbool Se en atoomnummer 34
selênio
/
sɛlfi/
noun
1. een foto die iemand van zichzelf heeft genomen
selfie
noun
1. taalkunde
semântica
/
se'mɑntis/
adjective
1. de semantiek betreffend
semântico
noun
een half jaar
semestre
/
ˈse.ne.ˌɣɑl/, /
ˈse.ne.ˌχɑɫ/
pronoun
1. land in West-Afrika
Senegal
/
seˈnil/
adjective
1. aan de ouderdom eigen, door de ouderdom afgetakeld
senil
noun
1. geestelijke en lichamelijke ouderdomsverschijnselen
senilidade
noun
1. sterke beroering door een verrassend voorval of bericht
sensação
/
sɛnzitiviˈtɛit/
noun
1.
sensibilidade
noun
1. ernstige onstekingsreactie
sepse
noun
1. negende maand van het jaar
setembro
Setembro
/
seˈkoja/, /
seˈkɔja/
noun
1.1 benaming voor bomen uit het geslacht Sequoia
sequoia
adjective
1.vredig en kalm
sereno
noun
1. muzikaal eerbetoon
serenata
noun
1. het helder en kalm zijn
serenidade
noun
1. een rang onder de onderofficieren
sargento
noun
1. serialisme
serialismo
noun
1. een aantal elementen op volgorde
série
/
sə.'rɪŋ/
noun
1. boomsoort met welriekende bloesem, meest paars of wit in de vorm van een kaars
lilás
noun
1. een slang
serpentão
noun
2. gebouw(tje) met veel glas voor het kweken van planten
estufa
noun
1. de vloeibare stof die overblijft als bloed is gestold
soro
noun
1. een computer die of computerprogramma dat diensten verleent aan andere programma's
servidor
verb
1. iets op tafel opdienen
servir
/
sɛrˈvɛt/
noun
1. een doek die men aan tafel gebruikt om er de mond en vingers mee af te vegen
guardanapo
noun
1. ring om een opgerold servet bijeen te houden
anel de guardanapo
/
ˈsɛrvis/, /
ˈsɛrvɪs/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Servië
sérvio
/
ˈsɛrvi.jə/
noun
1. een land in Zuidoost-Europa.
Sérvia
/
ˈsɛrvi.jər/
noun
1. een inwoner van Servië, of iemand afkomstig uit Servië
Sérvio
/
sɛrvoːkroːˈaːtis/
pronoun
servo-croata
noun
1. een uit Afrika afkomstige plant uit de familie Pedaliaceae
gergelim
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Sextans
noun
1. hoekmeetinstrument
sextante
/
se.ˈʃɛ.lə(n)/, /
sɛɪ̯.ˈʃɛ.lə(n)/
pronoun
1. een land in de Indische Oceaan, officieel de Republiek der Seychellen
Seicheles
Seychelles
noun
1. het geheel van gedachten en gevoelens die de gemoederen in een bepaalde omgeving bezighouden
ambiente
/
ˈʃɑm.po/
noun
1. product, meestal in vloeibare vorm, dat bedoeld is om het haar te wassen.
xampu
champô
noun
1. een vorm van software die zonder of met weinig restricties verspreid mag worden,...
programa de utilização condicionada
noun
1. een Spaanse versterkte wijn
xerez
/
ʃɔk/
noun
1. een toestand die ontstaat door acute te geringe bloedtoevoer naar weefsels door ondervulling van het slagaderlijk systeem
choque
pronoun
1. een taal die gesproken wordt door ongeveer 11.000.000 mensen in Zimbabwe, Botswana, Malawi en Zambia
xona
/
ˈʃo.pro.sɛs/
noun
julgamento encenado
abbreviation
1. Internationaal Stelsel van Eenheden
Sistema Internacional de Unidades
Sistema Internacional
adjective
2. zeer onduidelijk
sibilino
adverb
2. het staat zo letterlijk in de brontekst
sic
pronoun
1. Romaanse taal die wordt gesproken door 10 miljoen mensen op Sicilië, in Zuid-Calabrië en Salento
siciliano
/
sɪˈsɪlɪʲə/
pronoun
Italiaans eiland ten zuiden van het Italiaanse schiereiland
Sicília
noun
1. bepaald soort grote, palingachtige vis die zware stroomstoten kan afgeven, Electrophorus electricus
poraquê
/
ˌsʲɛ.rɑ.le.ˈjo.ne/, /
ˌʃæː.ra.le.ˈjo.nə/, /
ˌʃɛ.ra.le.ˈjo.nə/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Sierra Leone
Serra Leoa
/
sɪɣɑˈrɛt/, /
sɪʝɑˈrɛt/
noun
in papier gerolde tabak
cigarro
/
sɪɲˈaːl/
noun
1,2,3,4,5,6. vorm van informatie
sinal
/
ˈsɪkəl/
noun
1. maaiwerktuig met halvemaanvormig lemmet
foice
/
siˈleziˌʲə/
pronoun
1. een historische regio in Midden-Europa
Silésia
noun
1. afbeelding van een ondoorzichtig object dat sterk contrasteert met de achtergrond en zo een duidelijke vorm heeft, maar verder egaal van kleur is
silhueta
noun
1. Scheikundig element met symbool Si en atoomnummer 14
silício
noun
1. organische silicium verbinding
silicone
noun
1. het uit winstbejag verhandelen van geestelijke (kerkelijke) goederen of ambten
simonia
/
sɪm'plɪstis/
adjective
1.
simplicista
noun
1. Vrucht van de sinaasappelboom
laranja
noun
1. vruchtvlees van een sinaasappel, nadat het sap verwijderd is
polpa de laranja
noun
1. makkelijk baantje, taak
sinecura
/
sɪŋ.(g)ɣa.poːr/, /
sɪŋ.gɑ.poːr/, /
sɪŋ.gɑ.po̝ːr/
pronoun
1. een stadstaat in Zuidoost-Azië
Singapura
Cingapura
/
ˈsɪŋk.sə(n)/
noun
1. christelijk feest waarbij herdacht wordt dat de Heilige Geest over de apostelen neergedaald is
Pentecostes
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Sinsheim
/
ˌsɪntøˈsta(t)sijʏs/
pronoun
Santo Eustáquio
/
sɪnt.'maːr.tən/
pronoun
1. eiland in het noordoostelijke gedeelte van de Caraïbische Zee
São Martinho
noun
1. Pecten jakobeus
vieira
noun
1. feestdag van een niet-bestaande heilige
São Nunca
pronoun
1. een stad in Rusland, het voormalige Leningrad
São Petersburgo
noun
1. een toestel om een akoestisch alarmsignaal weer te geven
sereia
sirena
/
sity'waː(t)si/
noun
1. hoe de zaken er voorliggen
situação
noun
1. een langwerpige lap stof die om de hals gedragen wordt
cachecol
noun
1. een kleine uiensoort
chalota
noun
1. aan een spit geroosterde stukjes vlees en paprika
chachlik
noun
1. een brede, gekleurde band die vaak gedragen wordt als een waardigheidsteken
faixa
verb
1. zich voortbewegen op een skateboard
andar de skate
noun
1. samenstel van onderdelen dat het lichaam stevigheid geeft
esqueleto
noun
1. bril die tijdens het skiën gedragen wordt
máscara de neve
verb
1. zich over sneeuw voortbewegen op twee aan de voeten bevestigde lange latten
esquiar
/
ˈskɔp.jə/
pronoun
1. de hoofdstad van Noord-Macedonië
Skopje
noun
- 2 en 3. (bladeren van) Lactuca sativa
alface
- 2. plant Lactuca sativa
alface comum
- 1. plant van de soort Lactuca
lactuca
/
slaːf/
noun
1. een persoon die het bezit is van een ander
escravo
verb
- 1. een klap uitdelen; met de arm of een vastgehouden voorwerp een snelle, rakende beweging maken
- 2. het voorbrengen van geluid door ergens op te slaan
bater
/
slap/
noun
- 1. periode van inactiviteit
sono
- 3. zijvlak van het hoofd
têmpora
fontes
templo
noun
1. een kamer die hoofdzakelijk gebruikt wordt om in te slapen
dormitório
quarto
noun
1. meestal in een punt uitlopend hoofdbedekking van textiel, gedragen tijdens de nachtrust
barrete de dormir
noun
1. iemand die loopt in een toestand van verminderd bewustzijn
sonâmbulo
noun
saco de dormir
saco-cama
/
slɑp/
noun
1. doekje om op te morsen
babete
/
slɑxtə(n)/
verb
1. een dier doden voor het vlees of als offer
abater
noun
1. slachthuis
matadouro
noun
- 2. iets of iemand die kwalijke gevolgen ondervindt van een gebeurtenis
- 1. een dier dat gedood wordt als offer voor een godheid
- 3. in het bijzonder iemand die sterft (of gewond raakt) ten gevolge van een gebeurtenis (ramp of gewelddaad)
vítima
noun
2. het opzettelijk doen belanden van een hand of een voorwerp op iemand
golpe
noun
1. een ader die van het hart af stroomt
artéria
/
ˈslaːɣə(n)/, /
ˈslaːχə(n)/
verb
2. het examen succesvol beëindigen
passar
noun
1. een verkoper van vlees
carniceiro
magarefe
noun
1. muziekinstrument waarop wordt geslagen
instrumento de percussão
noun
1. groot schip met zware bewapening
couraçado
/
ˈslaxfɛlt/
noun
1. een gebied waarop een militair treffen tussen twee legers plaatsvindt of plaatsgevonden heeft
campo de batalha
noun
- 1. een buikpotig weekdier (huisjesslak)
- 1. een buikpotig weekdier (wijngaardslak)
caracol
- 2. een onoplosbaar afvalproduct bij het smelten van metaal
escória
noun
1. met een ~: erg langzaam
a passo de caracol
noun
1. Rostrhamus sociabilis, een roofvogel van de moerassen van de warmere streken van de beide...
gavião-caramujeiro
noun
1. benaming voor geschubde dieren met langgerekt lijf en een vaak glad lichaam zonder ledematen, die de onderorde Serpentes vormen
serpente
cobra
adjective
1. met de vorm of het gedrag van een langgerekt reptiel zonder poten
serpentiforme
noun
encantador de serpentes
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Ofiúco
verb
1. in een toestand van lichamelijke rust verkeren
dormir
/
ˈsla.pə.rəx/, /
ˈsla.pə.rəχ/, /
ˈsla.pə.rɪx/
adjective
1. behoefte tot slaap vertonend
sonolento
/
ˈsla.pə.rəx.ˌɦɛːt/, /
ˈsla.pə.rəχ.ˌɦɛɪ̯t/, /
ˈsla.pə.rɪx.ˌhɛɪ̯d/
noun
2. de neiging te gaan slapen
sonolência
/
ˈslaː.və(n)ˌsxɪp/
noun
navio negreiro
/
slɛçt/
adjective
1. niet goed
mau
noun
1. iemand die kwaad doet of in de zin heeft
vilã
noun
1. Falco peregrinus, een roofvogel en de snelst vliegende vogel ter wereld
falcão-peregrino
noun
1. bepaald soort plant met blauwe vruchten, Prunus spinosa
abrunheiro-bravo
noun
1. een krachtige boot die andere vaartuigen versleept
rebocador
noun
1. vlechtwerk van touw dat over een waterbodem gesleept kan worden om zo waterdieren te vangen
arrastão
pronoun
Eslésvico-Holsácia
verb
1. (langzaam) ergens heen lopen, futloos of lusteloos
arrastar os pés
verb
1. trekkend over de grond of het wateroppervlak verplaatsen
arrastar
/
sløːtəl/, /
sløːtəɫ/, /
ˈslø.tɔɫ/
noun
- 1. werktuig om te (ont)sluiten
- 4. een aanwijzing of code waarmee een raadsel kan worden opgelost, een geheim(schrift) ontcijferd, een cijferslot geopend of toegang kan worden verkregen
- 3. een voorwerp bedoeld om er een mechaniek zoals van een klok of speeldoos mee op te winden, een kraan open te draaien e.d.
chave
noun
1. het bot dat het borstbeen met de schouder verbindt
clavícula
/
ˈsløtəɫˌbɔs/
noun
1. aantal sleutels dat aan eenzelfde ring of band hangt
molho de chaves
/
ˈsløtəɫχɑt/, /
ˈsløːtəlɣɑt/
noun
1. een gat in een slot waardoor een sleutel moet worden gestoken om hem te openen
fechadura
/
ˈsløtəɫˌɦɑŋər/
noun
1. ring om sleutels aan te hangen, vaak voorzien van een logo of label.
chaveiro
/
slɛːk/, /
slɛːɪk/
noun
1. mengsel van aarde, vuil en water
lama
/
slɛɪm/
noun
1. kleverige stof die door slijmvliezen uitgescheiden wordt
muco
noun
1. slijm afscheidend membraan
mucosa
verb
- 1. de slokdarm in
- 2. verdragen
engolir
/
slɪp/
noun
1. kort, strak onderbroekje zonder pijpen
cueca
/
slɪpə(n)/
verb
1. door gladheid over de weg schuiven
derrapar
noun
1. een brandewijn gedestilleerd uit gefermenteerde pruimen
slivovitz
noun
1. een klein scheepstype dat op het dek van een groter schip wordt meegevoerd
chalupa
/
sloːt/
noun
1. smal watergang om of tussen weilanden
valas
verb
1. een structuur ontmantelen, afbreken
demolir
/
slopə'rɛi/
noun
1. sloopbedrijf
ferro-velho
adjective
1. zonder de nodige zorg uitgevoerd
negligente
noun
- 2. een middeleeuwse versterkte woning
castelo
fechadura
- 1. mechanisme waarmee in combinatie met bijvoorbeeld een sleutel een deur of een raam kan worden afgesloten
fechadura
/
sloˈvens/, /
sloˈveːns/, /
sloˈweːns/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Slovenië
esloveno
/
sloˈveni.jə/, /
sloˈveːni.jə/, /
sloˈweːni.jə/
pronoun
1. een land in Centraal-Europa
Eslovénia
Eslovênia
noun
1. film met vertraagde beelden
câmara lenta
/
slo.ˈwaks/, /
slo.ˈʋaks/, /
slo.ˈβ̞aks/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Slowakije
eslovaco
/
ˌslowaˈkɛɪ̯.jə/, /
ˌsloʋaˈkɛɪ̯.jə/, /
ˌsloβ̞aˈkɛː.jə/
pronoun
1. een land in Midden-Europa; het oostelijke deel van het voormalige Tsjechoslowakije.
Eslováquia
noun
1. het in een lichte slaap verkeren
cochilo
noun
1. Alternatieve route die meestal gebruikt wordt om files te mijden
atalho
noun
1. symbool voor een verticaal streepje
barra vertical
verb
1. toedoen, dichtmaken
fechar
cerrar
/
ˈslœʏ̯.tər/, /
ˈslœː.tər/
noun
1. een element van een fotocamera
obturador
noun
1. een afsluitbare gebogen pin waarmee men twee stukken stof bijeen kan houden, voorzien van een veiligheidskapje dat voorkomt dat men zich eraan bezeren kan
alfinete de segurança
noun
1. verlengde snuit
tromba
/
slyw/
adjective
1. op een doortrapte wijze slim
astuto
noun
- 3. bepaalde subjectieve voorkeur
- 2. gewaarwording bij het proeven van eten en drank
gosto
verb
1. ~ naar een bijzonder sterk verlangen hebben naar iets dat men ontbeert
sentir [[saudade|saudade(s)]]
adjective
1. goed van smaak zijnd of van een goede smaak genietend
de/com bom gosto
/
ˈsmaː.kə.los/
adjective
- 2. (figuurlijk) geen fatsoen of gevoel voor esthetiek of mode hebbend, vulgair
brega
de mau gusto
- 1. (van voedsel) geen smaak hebbend
insípido
verb
1. het bewerken van metalen door deze heet te maken en met een hamer te slaan om het materiaal de gewenste vorm te geven
forjar
noun
1. is ijzer dat wordt gemaakt door het te smeden
ferro forjado
noun
1. afscheiding die men onder de voorhuid van de penis kan aantreffen
esmegma
/
smekə(n)/
verb
1. nederig om een gunst verzoeken
suplicar
implorar
verb
1. van vaste in vloeibare vorm overgaan
fundir
derreter
/
ˈsmɛltkrus/
noun
1. vuurvaste pot voor het mengen van gesmolten metaal
cadinho
crisol
/
smɛltpʌnt/
noun
1. de temperatuur waarbij iets gaat smelten
ponto de fusão
noun
1. de hoeveelheid warmte die opgenomen wordt bij het smelten van een kristallijne vaste stof
calor de fusão
noun
1. besmet materiaal
contaminante
/
ˈsmø.lə(n)/
verb
- 1. zacht en langzaam branden zonder vlammen
- 2. verborgen aanwezig zijn
queimar/arder (sem chama)
noun
1. iemand die gloeiend metaal bewerkt met een hamer op een aambeeld
ferreiro
forjador
/
smɛitə(n)/
verb
1. hard gooien of werpen
arremessar
verb
3. iets in enig vet aanbraden, vervolgens vocht toevoegen en afdekken om het zachtjes gaar te laten worden
estufar
noun
1. strip- en tekenfilmfiguur in de vorm van een soort blauwe kabouter met een wit mutsje
estrumpfe
noun
1. muziekinstrument met snaren
instrumento de cordas
/
ˈsnavəɫ/
noun
1. bek van een vogel of schildpad
bico
/
sne/
noun
- 1. inkeping gemaakt door het snijden met een mes of ander scherp voorwerp
- 2. een afgeneden plak, meestal van brood
corte
/
sneʊ̯/, /
sneːβ̞/, /
snɪːβ̞/
noun
1. in kristallen bevroren water
neve
chuvisco
/
ˈsneʊ̯bɑl/, /
ˈsnɪːwbɑɫ/
noun
1. een tot een bal samengepakte hoeveelheid sneeuw, vaak bedoeld voor een speels sneeuwballengevecht
bola de neve
noun
1. een laag sneeuw op de bodem, die wordt gevormd als gevolg van sneeuwval en sneeuwstormen en gedurende een bepaalde periode blijft liggen
camada de neve
verb
1. het vallen van hemelwater onder de vorm van sneeuwvlokken
nevar
noun
1.
escrevedeira-das-neves
noun
1. patrijsachtige vogel uit koude streken, die in de zomer een bruinig...
lagópode-branco
/
'snewjɑxt/
noun
1. sneeuwval bij harde wind
nevasca
noun
1. een pop die gemaakt is van sneeuw
homem da neve
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera uncia
leopardo das neves
noun
1. een pop die gemaakt is van sneeuw
homem da neve
/
'snew.stɔrm/
noun
nevasca
nevão
noun
1. bepaald soort vogel, Bubo scandiacus
coruja-das-neves
/
'snewvlɔk/
noun
1. een kleine massa aaneengehechte sneeuwkristallen
floco de neve
noun
1. de verandering in de tijd van de plaats van een voorwerp
velocidade
/
ˈsnɛɪdə(n)/
verb
1. met een scherp voorwerp in stukken delen
cortar
noun
1. iets dat of iemand die snijdt
cortador
noun
2. met een mes gemaakte snee
secção
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Scolopacidae
narceja
noun
1. verwaandheid
arrogância
/
ˈsnujə(n)/
verb
1. terugbrengen op gewenste lengte
podar
noun
1. bepaald soort roofvis die in zoete wateren voorkomt, Esox lucius
lúcio
noun
1. bepaald soort zoetwaterroofvis, Sander lucioperca
lucioperca
lúcio-perca
noun
- 1. een holle gebogen buis van rubber of plastic, met een mondstuk, dat je in staat stelt adem te halen als je aan het wateroppervlak zwemt met je hoofd onder water.
- 2. een toestel voor luchtverversing in een onderzeeboot.
snorkel
noun
1. een slijmerige afscheiding uit de neusholte
muco
noun
1. soort skiplank
snowboard
noun
1. reukorgaan van dieren
focinho
verb
1. ademen met een niet goed geopende luchtpijp, waardoor een rochelend geluid ontstaat
roncar
ressonar
noun
1. infectieziekte die vooral wordt overgedragen door seksueel contact
DST
/
soʃal/
adjective
- 1. betrekking hebbend op de menselijke samenleving
- 2. geneigd om in groepen te leven
- 3. gevoel hebbend voor de nood van de medeleden van de samenleving
social
noun
1.
distanciamento social
noun
1. aanzien dat of voorname positie die iemand heeft in een groep of samenleving
estatuto social
verb
3. in bezit geven van de gemeenschap in plaats van in bezit zijn van een particulier
socializar
pronoun
1. officiële naam van Joegoslavië van 1963 tot 1992
República Socialista Federativa da Iugoslávia
noun
1. visuele voorstelling van de affectieve relaties in een sociale groep
sociograma
noun
1. wetenschap
sociologia
adjective
1. betrekking hebbend op of product zijn van de sociologie
sociológico
noun
1.iemand die lijdt aan een persoonlijkheidsstoornis die antisociaal gedrag veroorzaakt
sociopata
/
su.ˈdɑn/, /
zu.ˈdaːn/
pronoun
1. land in Noordoost Afrika dat voor een groot deel in en rond het stroomgebied van de rivier Nijl ligt, officieel de Republiek Sudan
Sudão
/
sundaˈnes/
pronoun
1. taal die vooral in het westen van Java gesproken wordt
sundanês
noun
1. vloeibaar gerecht
sopa
noun
1. diep bord
prato fundo
noun
2. lepel waarmee soep gegeten wordt
colher de sopa
noun
1. de verzamelnaam voor besturings- en toepassingsprogramma's,...
software
programa
noun
1. kous die tot net boven de enkel komt
meia
noun
1. een voetstuk, voornamelijk voor beelden
pedestal
noun
2. extra online identiteit
fantoche de meia
noun
1. vergoeding aan de opstalgever voor opstalrecht
solarium
/
sɔlˈdaːt/
noun
1. krijgsman met de laagste rang binnen een strijdmacht
soldado
noun
1. een stuk gereedschap om mee te solderen
soldador
noun
1. brander waarmee men kan solderen
maçarico
noun
1. metaalmengsel waarmee men
solda
noun
1. soldeertin
estanho para solda
verb
1. een door verhitting vloeibare tussenstof aanbrengen tussen losse metaaldelen waardoor deze na afkoeling vast verbonden blijven
soldar
/
sɔm/
noun
1. resultaat van een optelling
soma
pronoun
1. een taal die vooral wordt gesproken in Somalië
somali
/
so.'ma.li.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika, officieel de Somalische Republiek
Somália
adjective
- 1. in neergeslagen stemming
- 2. een neergeslagen stemming veroorzakend
sombrio
noun
1. instrumentaal muziekstuk
sonata
noun
- 1. een peilstift om de ruimte binnen een lichaam te verkennen, of om er gegevens op te nemen
- 3. een onbemand ruimtevaartuig
- 2. een instrument om voeding in vloeibare vorm toe te dienen
sonda
/
ˈsɔːrt/
noun
2. een groep levende wezens die een bepaald aantal kenmerken gemeenschappelijk heeft en...
espécie
noun
2. de naam van de groep waartoe iets behoort
substantivo comum
/
ˌsɔporaˈtif/
adjective
soporífero
soporífico
pronoun
1. een groep Slavische talen die wordt gesproken in het oosten van Saksen en het zuidoosten van Brandenburg
sorábio
verb
1. orde in een verzameling aanbrengen door soort bij soort te leggen
classificar
verb
1. zijn rol zachtjes voorzeggen
pontar
noun
1. klein voorwerp dat helpt om aan een prettige ervaring met een plaats of persoon terug te denken
suvenir
noun
1. een staaf die de naaf en de velg van een wiel verbindt
raio
/
ˈspakbeɪn/
noun
bot in de onderarm
rádio
/
spaːns/
adjective
1. met betrekking tot Spanje of het Spaans
espanhol
/
spaːns/
pronoun
1. een taal die oorspronkelijk werd gesproken in (het centrale deel van) Spanje,...
espanhol
castelhano
/
ˈspan.sə/
noun
1.
espanhola
noun
1. spaarbank
caixa económica
noun
1. afgesloten voorwerp waarin contant geld opgespaard wordt
mealheiro
cofrinho
noun
1. brede, zware schep, bedoeld voor het spitten van grond
pá
noun
1. plankje e.d. om arm of been rust te geven
tala
/
ˈspɑ.ɲard/, /
ˈspɑɲ.jart/
noun
1. een inwoner van Spanje, of iemand afkomstig uit Spanje
espanhol
/
ˈspɑ.ɲə/, /
ˈspɑɲ.jə/
pronoun
1. een land in het zuidwesten van Europa op het Iberisch Schiereiland
Espanha
noun
- 1. mechanische spanning
- 2. emotionele spanning
- 3. elektrische spanning
tensão
noun
1. afstand tussen uiteinden
envergadura
noun
2. benaming voor een naaldboom uit het geslacht Picea
abeto
pícea
/
ˈspa.rə(n)/
verb
1. geld niet uitgeven
poupar
noun
1. verhoogde spierspanning, continue kramp
espasticidade
noun
1. spaan, lepel, e.d. met plat, bot uiteinde om mee te smeren
espátula
noun
1. tussenruimte tussen twee woorden
espaço
noun
1. een gedroogd plantendeel, anders dan een groen blad of stengel, dat als geur-, kleur- of smaakstof aan voedsel wordt toegevoegd
tempero
noun
1. benaming voor middelgrote robuuste vogels behorende tot de familie Picidae
pica-pau
/
spe.si.ˈjal/, /
spe.ˈsjaːl/, /
spe.ˈʃaːl/
adjective
1. op een positieve manier anders dan het andere
especial
/
ˈspesɪɑlɪst/
noun
- 1. persoon die ergens veel verstand van heeft
- 2. arts die een bepaald onderdeel van de geneeskunde beoefent
especialista
noun
1. bijzondere kennis of vaardigheid van iemand
especialidade
noun
1. specificatie
especificação
verb
1. in details beschrijven
especificar
adjective
1. kenmerkend
específico
adverb
1. in het bijzonder
específico
noun
1. kleurenband
espectro
noun
1. vocht dat in de mond vloeit uit de speekselklieren
saliva
noun
1. een klier die speeksel produceert en naar de mondholte afscheidt
glândula salivar
/
ˈspelɣud/, /
ˈspelɣut/, /
ˈspɪːɫχut/
noun
1. één of meer voorwerpen voor kinderen om mee te spelen
brinquedo
noun
- 2. tepel van een zoogdier
bico
- 1. rubber of plastic afsluiting op een zuigfles
chupeta
noun
1. een big dat nog gezoogd wordt
leitão
/
spɪːr/
noun
1. lange stok met een punt eraan, (werd) gebruikt voor de jacht of oorlogvoering
lança
dardo
noun
1. onderhuidse vetlaag bij varkens
toucinho
noun
1. opzienbarend schouwspel
espetáculo
noun
1. bezigheid ter ontspanning volgens vaste regels met elementen als competitie, behendigheid, inzicht en kans
jogo
/
ˈspeːlə(n)/
verb
jogar
tocar
noun
- 1. deelnemer aan een spel
- 2. een partij
jogador
verb
1. letters in de juiste volgorde plaatsen
soletrar
/
ˈspɛlɪŋ/
noun
1. de al dan niet vastgelegde manier waarop de woorden van een taal geschreven worden
ortografia
noun
1. grove tarwesoort
espelta
noun
1. fijn gemalen zaden van Triticum spelta
farinha de espelta
noun
1. een tak van de wiskunde waarin het nemen van beslissingen centraal staat
teoria dos jogos
/
spɛltmɪːɫ/
noun
1. fijn gemalen zaden van Triticum spelta
farinha de espelta
noun
1. Accipiter nisus, een kleine snelle roofvogel
gavião-da-europa
noun
1. en 2. (peul van) cultivar van Phaseolus vulgaris
vagem
feijão-verde
noun
- 1. beelden terugkaatsend voorwerp
espelho
- 2. de vlakke achtersteven van een schip
popa
noun
1. bepaald soort klein zilverwit visje, Osmerus eperlanus
eperlano
verb
2. ter dood brengen door doorboring met een spies
empalar
noun
- 2. (uitdrukking) ± De spijker op de kop slaan.
acertar na mosca
- 1. metalen pin waarmee twee voorwerpen door doorboring vast verbonden kunnen worden
prego
verb
procurar chifre em cabeça de cavalo
noun
1. geleedpotig dier met acht poten
aranha
noun
1. bepaald soort snelgroeiende, eenjarige plant, Spinacia oleracea
espinafre
noun
1. voorlichter
marqueteiro
verb
- 2. snorren, een brommend geluid maken
ronronar
- 1. een lange draad vervaardigen door enkele vezels in elkaar te vervlechten
tecer
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Araneae
aranha
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Araneae
aranha
noun
1. een door een spin gemaakt net om insecten te vangen
teia
noun
1. de handeling van het spioneren
espionagem
noun
1. een kromme lijn
espiral
noun
1. draaiende staak waarop men vlees of een geslacht dier spietst en boven of naast een hittebron roostert
espeto
noun
- 2. binnen een ploeg een aanvallende speler die een positie opzoekt waarin hij een doelpunt kan maken
atacante
avançado
- 1. grote drukte in het verkeer op terugkerende tijdstippen
hora do rush
- 4. scherp, puntig uiteinde
ponta
pronoun
1. een Noorse eilandengroep
Svalbard
noun
1. klein muisachtig diertje met spitse snuit en korte poten, behorend tot de familie Soricidae
musaranko
musaranho
noun
1. miltvergroting
esplenomegalia
/
'splɪntər/
noun
1. klein puntig scherfje
farpa
noun
- 1. een cilindrische vorm
- 2. een element van zelfinductie
- 3. fotografische
bobina
noun
1. versvoet met twee beklemtoonde lettergrepen
espondeu
noun
1. een geestverschijning die een bepaald gebouw of bepaalde locatie onveilig maakt
fantasma
noun
1. een legendarisch schip dat zonder bemanning eeuwig blijft rondvaren
navio-fantasma
noun
1. verspreking door verwisseling van klanken van verschillende woorden
antístrofe
noun
1. twee met elkaar verbonden ijzeren staven waarover een trein rijdt
rastro
noun
caminhos-de-ferro
ferrovia
noun
1. bepaald soort loofboom, Frangula alnus
sanguinho-das-ribeiras
/
spɔrt/
noun
- 2. trede van een ladder
degrau
- 1. lichaamsbeweging
desporto
esporte
noun
1. beoefenaar van een sport
desportista
noun
iemand die zich toelegt op het bedrijven van sport
esportista
noun
1. (sport) grasveld met doelpalen, grenslijnen e.d. waarop diverse sporten worden bedreven
campo desportivo
noun
1. vrouw die sport op een hoog niveau beoefent
esportiva
noun
- 2. reclameboodschap
- 3. lamp
espote
noun
1. toneellamp
holofote
noun
1. een zangvogel die geluiden kan nabootsen
felosa-icterina
/
sprak/
noun
1. het vermogen om te spreken
fala
/
'sprakhɛrkɛnɪŋ/
noun
1. het omzetten van geluiden in taal
reconhecimento de fala
noun
1. een systeem van regels en principes voor het schrijven en spreken van een taal
gramática
adjective
snel geneigd tot spreken
loquaz
noun
1. geneigdheid om veel te praten
loquacidade
noun
2. klein rondvliegend gloeiend korreltje of brokje
fagulha
noun
1. een kamer waar men een gesprek met iemand kan voeren
sala de exames
/
ˈsprekyːr/
noun
1. de tijd waarin een hulpverlener patiënten te woord staat
horas de consulta
noun
1. Sturnus vulgaris, een middelgrote zangvogel
estorninho-comum
estorninho
/
ˈspreːkə(n)/
verb
1. zich met behulp van de stem uiten
falar
/
ˈspɾøkə(n)/
noun
Provérbios
verb
1. na zich tegen de zwaartekracht afgezet te hebben een korte vrije val door de lucht maken
saltar
pular
noun
1. stuk touw
corda de pular
noun
1. een insect van de Orthoptera-orde
gafanhoto
noun
1. bepaald soort vrij kleine vogel met gestreepte bovenzijde en monotone zang, Locustella naevia
felosa-malhada
noun
1. een bruin vlekje op de huid dat veroorzaakt wordt door ultraviolet licht
sarda
noun
1. verzonnen vertelling
conto de fadas
noun
Sprattus sprattus
espadilha
noun
2. een uitloper van de spruitkool
couve-de-bruxelas
noun
1. koolsoort waarvan de gekookte okselknoppen als spruitjes gegeten worden
couve de bruxelas
noun
1. slijmvliesontsteking in mond of darmen
sapinhos
verb
2. ergatief: snel stromen
jorrar
/
sri.ˈlɑŋ.ka/
pronoun
1. een republiek in Azië gelegen op een eiland ten zuiden van India
Sri Lanca
Sri Lanka
noun
1. overeenkomst voorlopig een einde te maken aan de gevechtshandelingen
cessar-fogo
/
staːɫ/
noun
1. een legering van ijzer en koolstof
aço
/
stalwɔl/
noun
esponja de aço
lã de aço
/
staːn/
verb
1. zich in verticale toestand van rust bevinden
estar de pé
noun
- 2. het achterste stuk van een vliegtuig of een auto
cauda
rabo
- 1. een verlengstuk van de ruggengraat bij sommige dieren
rabo
cauda
/
ˈstaːr.de.lɪŋ/
noun
1. een algoritme om een getal door een ander te delen op papier
divisão longa
noun
- 1. een land
- 1. toestand
estado
noun
1. iemand die burgerrechten in een staat heeft
cidadão
noun
1. illegale afzetting van een regering
golpe de Estado
noun
1. iemand die in een staat het hoogste gezag bekleedt of personifieert
chefe de Estado
adjective
1. standvastig, duurzaam
estável
/
'stakɛrəvɛn/
noun
1. caravan met vaste staplaats
casa móvel
/
stɑd/, /
stɑt/
noun
Woonplaats
cidade
vila
aldeia
arraial
povoado
/
ˈstɑdhœːs/, /
ˈstɑthœʏs/, /
ˈstɑthœːs/
noun
1. een gebouw waar de stadsdiensten gehuisvest zijn
câmara municipal
/
ˈstɑt.stat/
noun
1. staatsvorm
cidade-estado
noun
1. een stok bedoeld voor ondersteuning of onderscheiding van een persoon
cajado
noun
1. een touw of kabel waarmee een mast stabiel wordt gehouden
estai
verb
1. een werkonderbreking of (ludieke) actie houden voor betere arbeidsvoorwaarden of meer loon
fazer greve
/
'stakɪŋ/
noun
1. het neerleggen van de werkzaamheden, meest uit protest of om verbeteringen af te dwingen
greve
/
stɑl/
noun
1. ruimte bestemd voor de huisvesting van dier(en)
estábulo
noun
1. variant van het marxisme-leninisme gekenmerkt door een totalitair nationalistisch...
estalinismo
noun
- 7.
radical
- 4. op verwantschap berustende samenlevingsvorm van meer families in beschavingen met weinig verstedelijking
tribo
- 2. deel van de boom tussen de wortels en de kruin
tronco
/
'stɑmbom/
noun
1-2
pedigree
noun
2. vijzelstamper
pilão
adjective
1. zo vol dat het lijkt alsof het aangestampt is
abarrotado
noun
1. officieel vastgelegde taalvorm die binnen een bepaald gebied als de voorgeschreven norm geldt.
língua padrão
noun
1. een kunstzinnige afbeelding vaak van een persoon in drie dimensies, meestal gehouwen in steen of gegoten in metaal
estátua
noun
1. een sterke, stinkende geur
fedor
/
stɑp/
noun
1. het plaatsen van de ene voet voor de andere bij het gaan
passo
noun
1. een gestructureerde hoop spullen
pilha
monte
noun
1.Twee bedden op elkaar
beliche
/
ˈstɑ.pə(n)/
verb
1. het lichaam vooruit bewegen door een of meer keer een voet naar voren te zetten
dar um passo
noun
1. een begin ergens van
começo
noun
1. reeds betaalde bijdrage die men weer terugkrijgt bij de inlevering van de verpakking (of een gebruiksvoorwerp)
depósito
/
sta.ˈsʲɔn/
noun
1. plaats waar voertuigen kunnen stoppen
estação
noun
1. plaats in een vast geheel of een bepaald proces
status
noun
1. huidige stand van zaken
statu quo
adverb
1. voortdurend
sempre
eternamente
noun
1. zeer smal straatje
ruela
/
steːk/
noun
- 1. een penetratie met een scherp puntig voorwerp
facada
- 3. een eenmalige doorvoering van een draad door een weefsel, meestal met behulp van een naald
ponto
noun
1. een werktuig om moeren en bouten vast of los te draaien
chave de porca
noun
1. een spel waarbij twee ridders elkaar met lansen trachtten uit het zadel te werpen
justa
/
sten/, /
steːn/
noun
1. een harde stof, vaak op kiezel gebaseerd maar omvattende vele soorten
pedra
noun
1. vogel uit de familie der arendachtigen
águia-real
águia-dourada
pronoun
2. teken van de dierenriem van 22 december tot 20 januari
Capricórnio
noun
1.1 bepaald soort zoogdier, Capra ibex
cabra alpina
cabra brava
noun
Trópico de Capricórnio
/
ste.nɛi̯k/, /
ste.nɛːk/, /
sten.ʔɛi̯k/
noun
1. Quercus ilex; een boom uit de napjesdragersfamilie
azinheira
noun
1. zwart-bruine stof die ontstaan is door plantenafzettingen en gebruikt wordt als energiebron
carvão betuminoso
noun
1. bepaald soort zoogdier, Martes foina
fuinha
/
ˈstentɛit/
noun
Idade da Pedra
/
ˈstenœʏ̯ɫ/, /
ˈsteːnœːl/
noun
1. bepaald soort vogel, Athene noctua
mocho galego
noun
vlezige vrucht waarvan het binnenste deel steenhard is
drupa
noun
1. de kennis van het op verborgen wijze overbrengen van informatie
esteganografia
noun
2. werkvloerconstructie in de bouw
andaime
/
stɛil/, /
stɛːl/
adjective
1.
íngreme
noun
1. een groot knaagdier met stekelige vacht
porco-espinho
verb
1. doorboren, prikken
apunhalar
verb
1. iets wegnemen van iemand en het zich wederrechtelijk toe-eigenen
roubar
noun
1. een bewering die men als waarheid aangenomen wil zien worden
tese
/
stɛlsəl/
noun
- 1. een geordend geheel, samenstel van delen
- 2. een systeem
sistema
noun
- 6. een keuze gemaakt door een stemmer (kiezer) bij een stemming (verkiezing)
voto
- 1. het geluid dat door het trillen van de menslijke stembanden wordt geproduceerd
- 2. het geluid dat een mens bij het spreken voortbrengt
- 3. het geluid dat een mens bij het zingen voortbrengt
voz
noun
1. geluidvoortbrengende plooien in het strottenhoofd
corda vocal
/
ˈstɛmbɪljɛt/
noun
1. formulier om te stemmen
boletim
noun
1. het uitbrengen van een stem door de stemgerechtigden
votação
noun
1.computer die bij stemmingen (m.n. verkiezingen) gebruikt wordt om de uitgebrachte stemmen elektronisch te verwerken
urna eletrônica brasileira
noun
1. een draaibare stift met draaiknop van een muziekinstrument
cravelha
/
stεmə(n)/
verb
1. deelnemen aan een verkiezing
votar
/
ˈstɛmpəl/, /
ˈstɛmpəɫ/
noun
- A2. een afdruk van [1]
carimbo
- A3. beschrijvende plantkunde: bovenste gedeelte van de stamper in een bloem
estigma
noun
1. een draaibare stift met draaiknop van een muziekinstrument
cravelha
/
stɛmvɔrək/
noun
1. stemvork
diapasão
noun
1. langgerekt en stevig orgaan van een vaatplant dat water en voedingstoffen vervoert
talo
verb
1. met steenworpen doden
apedrejar
lapidar
noun
1. vervoermiddel op twee wielen, (gedeeltelijk) met de voet aangedreven
patinete
noun
- 2. een beroemdheid
estrela
- 1. een hemellichaam, een gasbol die licht uitzendt door kernfusie
estrela
astro
/
ˈstɛrvbɛt/
noun
1. het bed waarop men sterft
leito de morte
noun
1. een getal dat aangeeft hoeveel sterfgevallen er in een gebied in een bepaalde tijd hebben plaatsgevonden
taxa de mortalidade
adjective
1. zonder microbiële besmetting, heel schoon
estéril
/
ˌsteriliˈzasi/, /
ˌsterəliˈzatsi/
noun
1. een handeling waarmee alle ziektekiemen worden gedood
esterilização
verb
- 1. iets vrij maken van micro-organismen
- 2. onvruchtbaar maken
esterilizar
noun
1. onvruchtbaarheid
esterilidade
/
stɛrk/
adjective
1. krachtig
forte
noun
1. benaming voor slanke meeuwachtige vogels uit de familie Sternidae
andorinha-do-mar
noun
1. verzameling dicht bijeen staande sterren
aglomerado estelar
noun
1. wetenschap die de objecten in de ruimte bestudeert
astronomia
noun
1. een sterfelijk wezen
mortal
verb
1. overgaan van levende toestand naar dode toestand
morrer
noun
carambola
caramboleiro
/
steto'skop/
noun
1. een medisch instrument waarmee men geluiden in het lichaam kan beluisteren
estetoscópio
/
'stønə(n)/
verb
1. een deel van de last op zich nemen, hulp verlenen
apoiar
noun
1. bepaald soort anadrome vis, Acipenser sturio
esturjão
verb
1. de grondslag voor iets leggen, iets instellen
fundar
noun
2. zelfstandig vermogen met rechtspersoonlijkheid opgericht op de verwezenlijking...
fundação
/
ˈstif.mu.dər/
noun
1. latere levenspartner van vader dan de eigen moeder
madrasta
noun
1. echtgenoot van iemands moeder, die niet de eigenlijke vader is
padrasto
pronoun
- 1. sterrenbeeld van de dierenriem
- 2. astrologisch teken
Touro
pronoun
1. deelstaat van Oostenrijk
Estíria
/
ˈstɛi̯xˌbøː.ɣəl/
noun
1. voetsteun voor de ruiter
estribo
/
ˈstɛi̯ɣə(n)/
verb
1. naar boven gaan, toenemen
subir
montar
/
stɛi̯l/
noun
3. beschrijvende plantkunde: buisvormige, middelste gedeelte van de stamper
estilete
/
ˈstɪkstɔf/
noun
1. een chemisch element en een kleurloos niet-metaal
nitrogênio
nitrogénio
azoto
/
[stɪɫ]/
adjective
- 1. geen of weinig geluid producerend
- 2. onbeweeglijk
- 3. rustig, kalm
parado
pronoun
1. de oceaan die ligt tussen Oost-Azië, Noord- en Zuid-Amerika en Australië
Oceano Pacifico
pronoun
1. dag na Goede Vrijdag en voor Pasen
Sábado Sagrado
adjective
1. zonder iets openlijk uitgesproken te hebben
tácito
verb
1. maatregelen nemen om iets te bevorderen
estimular
noun
1. Gustavia augusta
jeniparana
noun
1. bepaald soort zoogdier, Mephitis mephitis
gambá
verb
1. een onaangename geur hebben
feder
adjective
- 1. precies op tijd komend
- nauwgezet
pontual
adverb
1. met grote precisie
pontual
pronoun
1. de hoofdstad van Zweden
Estocolmo
/
stul/, /
stuɫ/
noun
1. zitmeubel
cadeira
/
'stulɣɑŋ/
noun
- 2.
cocô
- 1.
defecação
noun
1. een boeddhistisch bouwwerk dat de relieken van een boeddhistische heilige bevat
estupa
noun
- 2. weefsel, textiel
tecido
- 1. heel kleine deeltjes
pó
poeira
noun
1. meubelstoffeerder
estofador
adjective
1. tot de materie behorend of eruit bestaand, materieel
material
/
'stɔfʋɪsəlɪɳ/
noun
1. het geheel van chemische processen dat gepaard gaat met het in leven zijn van een wezen
metabolismo
noun
1. een elektrisch toestel dat stof en kleine deeltjes opzuigt
aspirador de pó
aspirador
noun
1.Suricata suricatta, roofdier behorend tot de mangoesten
suricate
/
ˈstɔlɪŋsɣəˌstentə/
noun
1. gesteente bestaande uit gestolde lava of gestold magma.
rocha ígnea
pedra ígnea
adjective
- 1. geluidloos
- 2. niet in staat te spreken
mudo
noun
- 2. een kunstmatige uitgang in het (menselijk) lichaam
estoma
- 1. huidmondje, een opening in een blad waar gassen doorheen kunnen
estômato
noun
1. warme ruimte
banho de vapor
noun
1. een schip dat met behulp van stoom wordt voortbewogen
barco a vapor
noun
1. een locomotief die wordt aangedreven door een stoommachine
locomotiva a vapor
noun
1. een machine die door middel van stoom drijfkracht ontwikkelt
motor a vapor
máquina a vapor
noun
1. een schip dat voortgedreven wordt middels een stoommachine
barco a vapor
/
'stɔbɔrt/
noun
1.
placa de pare
/
ˈstɔplɪxt/
noun
1. een installatie die middels gekleurde lichten het verkeer op een kruispunt regelt
semáforo
/
ˈstorə(n)/
verb
1.het functioneren nadelig beïnvloeden
perturbar
noun
1. erg harde wind
tempestade
borrasca
vendaval
procela
/
ˈstɔr.mə(n)/
verb
1. bijzonder sterk waaien
irromper
noun
een toestel, balk, e.d. om een deur, poort te forceren
aríete
verb
2. geld in een rekening inbrengen
depositar
verb
1. dezelfde lettergreep een aantal malen herhalend moeilijk uit zijn woorden komen
gagueira
noun
1. een wijsbegeerte die leert slechts de rede te volgen en de hartstochten uit te bannen
estoicismo
/
straɫ/, /
ˈstral/
noun
- 2. een bundel elektromagnetische straling
- 1. de lijn van middelpunt naar omtrek
raio
noun
1. jachtvliegtuig met straalmotor
caça a jato
/
strat/
noun
- 2. een smalle doorgang tussen twee zeeën
estreito
- 1. een weg tussen de huizen in een bewoonde plaats
rua
pronoun
1. zeestraat tussen het Tasmaans hoofdeiland en de Furneauxgroep
estreito de Banks
pronoun
1. zeestraat tussen het Australisch vasteland en Papoea-Nieuw-Guinea
Estreito de Torres
pronoun
1.
Estreito de Gibraltar
noun
1. hoofdstad van de Franse regio Grand Est
Estrasburgo
noun
1. informele, soms ruwe taal met veel invloed uit talen van immigranten,...
gíria
noun
- 1. soep
- 2. zuivelproduct
stracciatella
noun
1. onprettige maatregel of behandeling ter vergelding van een misdaad of overtreding
punição
pena
/
ˈstrɑfə(n)/
verb
1. negatieve consequenties verbinden aan een als verkeerd geziene daad
castigar
punir
/
'strɑfrɛxt/
noun
1. het geheel van rechtsregels waarmee bepaalde handelingen strafbaar worden gesteld
direito penal
noun
1. directe vrije trap
pênalti
adjective
- 3. streng
- 1. nauwzittend
apertado
noun
1. Strook land langs de kust
praia
verb
1. aan de grond vastlopen
encalhar
/
straˈteɣ/
noun
1. een persoon die strategieën uitwerkt
estratega
noun
1. een plan om iets te bereiken
estratégia
noun
1. een kegelvormige vulkaan met traagvloeibare lava
estratovulcão
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Straubing
noun
- 3. een veeg of streep met een werktuig
pincelada
- 1. een gebied met een eigen karakter
região
/
ˈstrek.tal/, /
ˈstrek.taɫ/
noun
2. één of meer taalvariëteiten van de overheid dit label hebben gekregen
língua regional
noun
2. lijnvormig patroon
listra
verb
1. zachtjes met de hand over iets of iemand strijken
acariciar
noun
1. een uiting van tederheid
curso
verb
1. neerslaan van opgeloste eiwitten
coalhar
noun
oplossing die spijsverteringsenzymen bevat
coalho
noun
1. spanning, geestelijke druk.
estresse
noun
het willen bereiken van een doel
empenho
verb
1. een doel willen bereiken
aplicar-se
noun
- 1. een handgemeen
- 2. een militair treffen
luta
noun
1. een slagwapen in de vorm van een metalen staf met een versterkte kop
maça
verb
2. wasgoed desinfecteren en gladmaken met hulp van een heet ijzer, een strijkijzer
engomar
passar
/
ˈstrɛɪ̯.gɛɪ̯zər/, /
ˈstrɛɪ̯k.ʔɛɪ̯zər/, /
ˈstrɛː.kɛːzər/
noun
1. een huishoudelijk gereedschap dat gebruikt wordt om textiel glad te strijken
ferro
noun
1. gestreken snaarinstrument
instrumento de cordas
noun
1. een plankvormig voorwerp, gewoonlijk op een inklapbaar onderstel, bedoeld als ondergrond waarop kleding gestreken kan worden
tábua de passar roupa
noun
1. een constructie waarmee de snaren van een strijkinstrument in trilling gebracht worden
arco
noun
1. een boek met een verhaal in beeldvorm
tirinhas
verb
1. het zich ontdoen van alle kleding of een groot deel van de kleding die het lichaam bedekt, vaak met een erotische bijbedoeling
fazer (um) striptease
/
stro/
noun
1. droge bloeistengels van graangewassen
palha
colmo
adjective
1. de wrijvingsweerstand van een ruw oppervlak
ríspido
noun
1. hoed
chapéu de palha
/
'stromən/
verb
1. voortbewegen van vloeistoffen
correr
noun
1. scheikundig element met symbool Sr en atoomnummer 38
estrôncio
noun
1. zweertje op het ooglid
terçol
terçolho
/
stroːm/
noun
2. elektriciteit
corrente
noun
1. dikke, viskeuze, geconcentreerde vloeistof waarin een grote hoeveelheid suikers zijn opgelost
xarope
noun
1. lus van stevig touw
forca
adjective
1. met betrekking tot de opbouw van een geheel
estrutural
/
strʏkˈtyr/
noun
de interne opmaak van een geheel
estrutura
verb
1. het evenwicht verliezen doordat men met de voet verstrikt raakt
tropeçar
noun
1. bepaald soort in heel Europa voorkomende plant, Calluna vulgaris
calluna
noun
1. iemand die vanuit een hinderlaag reizigers berooft
pirata do asfalto
/
ˈstrœʏ̯sˌfoχɔɫ/, /
ˈstrœːsˌfoːɣəl/, /
ˈstrœːzˌvoːɣəl/
noun
1. Struthio camelus, grote loopvogel, die niet kan vliegen
avestruz
noun
1. zeer vergiftig alkaloïde
estricnina
noun
1. iemand die hoger onderwijs volgt
estudante
acadêmico
verb
1. het volgen van een opleiding en verwerven van kennis als voornaamste bezigheid
estudar
noun
- 1. werkplaats van een beeldend kunstenaar
- 2. plaats waar geluidsopnamen, films of televisie- of radioprogramma's gemaakt worden
- 3. een eenkamerappartement
estúdio
/
stɵx/
adverb
1 weerbarstig
duro
noun
1. onderste deel van de ruggengraat, de laatste vier vergroeide ruggenwervels
cóccix
/
'stœytlɪxɪŋ/
noun
1.
apresentação pélvica
/
stɵk/
noun
7. aantrekkelijk persoon
gatinha
gato
noun
1. Soort bouwvakker
estucador
/
'styːrə(n)/
verb
- 2. het stuur van een auto bedienen.
- 5. zorgen dat [een toestel] de gewenste taken uitvoert.
conduzir
pronoun
- 1. hoofdstad van de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
- 2. een plaats in de Amerikaanse staat Arkansas
Estugarda
/
styːr/
noun
1. een hulpmiddel waarmee een bestuurder richting kan geven aan een voertuig
volante
noun
1. de rechterzijde als men vanop een schip naar de boeg kijkt
estibordo
boreste
estribordo
noun
1. iemand die een vaartuig bestuurt
timoneiro
noun
1. een stuk software dat een verbinding legt tussen de hardware en het besturingssysteem
controlador
noun
1. vaste of regelbare waterkering
barragem
/
stywadɔːr/
noun
1. degene die verantwoordelijk is voor het gebalanceerd laden en lossen van schepen
estivador
noun
1. kunstmatig meer
represa
noun
2. het proces waarbij een vaste stof overgaat in zijn dampfase
sublimação
verb
1. van overheidswege financiële hulp voor een bepaalde activiteit, ver- of aankoop verlenen
subsidiar
noun
1. stof (stoffen)
substância
noun
1. vervanging
substituição
/
sʌp'til/
adjective
2. fijn onderscheidend, scherpzinnig
sutil
delicado
adjective
1. gezagsondermijnend
subversivo
noun
1. een luidspreker die speciaal is ontworpen voor het weergeven van lage tot zeer lage tonen
subwoofer
noun
1. gewenste resultaat van een opzet
sucesso
êxito
/
suˈdɑn/
pronoun
land in Noordoost Afrika, officieel de Republiek Sudan
Sudão
noun
1. een woorddeel dat achter de stam van een woord gevoegd wordt
sufixo
/
sʏˈxɛsti/
noun
1. hetgeen dat voorgesteld wordt
sugestão
noun
1. bepaalde ondersoort van de biet waaruit bietsuiker gewonnen wordt
beterraba sacarina
noun
1. Coereba flaveola, een klein zangvogeltje uit de tropische delen van de Amerika's...
cambacica
noun
1. blokvormig stukje kristalsuiker
cubo de açúcar
noun
1. een vaatje bedoeld om een voorraadje suiker op tafel te brengen
açucareiro
noun
1. een rietsoort die verbouwd wordt vanwege zijn suikergehalte en waaruit rietsuiker gewonnen wordt
cana-de-açúcar
/
ˈsœʏkərˌspɪn/, /
ˈsœːkərˌspɪn/
noun
1. lekkernij bestaande uit een hoeveelheid gesponnen suiker aan een stokje
algodão-doce
noun
1. stofwisselingsziekte waarbij het bloed een te hoog gehalte aan suiker bevat
diabetes
noun
1. zouten die het sulfiet-ion SO₃2- bevatten
sulfito
noun
1., 2. en 3. (gedroogde vrycht van) een variëteit van de druif Vitis vinifera
sultanina
/
ˈsypərˌfekʏnˈdasi/, /
ˈsypərˌfekʏnˈdaʦi/
noun
1. een dubbele zwangerschap.
superfecundação
noun
1. afwezigheid van elektrische weerstand
supercondutividade
noun
1. fictieve figuur uit een stripverhaal of een film die over bovenmenselijke krachten beschikt
super-herói
noun
het verschijnsel waarbij een ster op spectaculaire wijze explodeert
supernova
noun
1. iets dat als aanvulling toegevoegd wordt
suplemento
/
ˌsy.ri.ˈna.mə/
pronoun
1. een land in Zuid-Amerika
Suriname
pronoun
1. een Bantoetaal die veel gesproken wordt in Oost-Afrika
suaíli
pronoun
1. stad in Namibië
Swakopmund
/
ˈswa.zi.ˌlɑnd/, /
ˈsʋa.zi.ˌlɑnt/, /
ˈsβ̞a.zi.ˌlɑnt/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel het Koninkrijk Swaziland
Suazilândia
/
'swɛtʃʏːrt/
noun
1.
moletom
pronoun
1. de grootste stad van Australië en de hoofdstad van de deelstaat Nieuw-Zuid-Wales
Sydney
noun
1. een logische redenering waaruit een conclusie afgeleid wordt
silogismo
adjective
1.samenlevend en samenwerkend
simbiótico
verb
1. een betekenis hebben die verwijst naar
simbolizar
adjective
1.
sinfónico
sinfônico
/
si'metris/
adjective
1. aan twee zijden, bijvoorbeeld spiegelbeeldig gelijk
simétrico
noun
1. een gevoel van toegenegenheid
simpatia
/
sɪmˈpoziəm/
noun
1. een wetenschappelijke samenkomst waarop verschillende wetenschappers een lezing houden over een bepaald onderwerp
simpósio
adjective
1. met betrekking tot ziekteverschijnselen
sintomático
noun
1. ziekteverschijnsel
sintoma
noun
1. gebedshuis van joden.
sinagoga
esnoga
noun
- 1. plotseling bewustzijnsverlies
- 3. wegval van middenklank
síncope
/
sɪnˈdrom/
noun
1. ziektebeeld
síndrome
noun
1. situatie waarbij het samengaan van delen groter is dan de som der delen
sinergia
noun
1. gelijkbetekenend woord
sinônimo
sinónimo
/
sɪnˈtɑksəs/
noun
- 1.
- 2.
sintaxe
adjective
1. op kunstmatige manier gefabriceerd
artificial
/
ˈsi.ri.jə/, /
ˈzi.ri.jə/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel de Arabische Republiek Syrië
Síria
/
siˈstem/
noun
1. een uit meerdere interagerende onderdelen bestaand stelsel...
sistema
noun
- 1. een interdiscipline tussen informatie en bedrijfskunde, gericht op het analyseren van systemen, voorafgaande aan reorganisatie en of automatisering van bedrijfsprocessen
- 2. een werkwijze om verschijnselen te bestuderen voorafgaande aan de ontwikkeling van informatiesystemen
análise de sistemas
noun
1. de tak van wetenschap die het samenspel in organisaties en hun relatie met hun omgeving bestudeert
engenharia de sistemas
noun
1. de theorie over de systematische beschouwing van systemen in de natuur, wetenschap en of maatschappij
teoria de sistemas
verb
1. het stelselmatig ordenen volgens een vooropgezet systeem
sistematizar
noun
1. dun kledingstuk voor het bovenlichaam met korte mouwen en zonder kraag
camiseta
adjective
- 1. moeizaam en plastisch vervormend onder mechanische belasting
- 2. moeilijk te snijden, kauwen (van vlees)
duro
/
taːk/
noun
1. een te verrichten werk
tarefa
/
taːl/
noun
1. systeem van spraakklanken door middel waarvan mensen met elkaar communiceren en de schriftelijke...
linguagem
língua
idioma
/
ˈtaːlbəˌɦeːrsɪŋ/
noun
1. het vermogen zich te kunnen uitdrukken in een of meer talen
conhecimentos da língua
noun
1. talengroepen die een zelfde voorgeschiedenis hebben
família linguística
noun
1. grens van een taalgebied
fronteira linguística
noun
1. performatief taalgebruik
ato de fala
noun
1. wetenschap
linguística
noun
1. een beoefenaar van de taalkunde
linguista
noun
1. een beoefenaar van de taalkunde
linguista
/
taːrt/
noun
1. cirkelvormig zoet gebak
bolo
noun
1. een genotsmiddel afkomstig van de bladeren van de tabaksplant, wordt gerookt, gekauwd en gesnoven
tabaco
noun
1. een geordende lijst met gegevens
tabela
noun
1. pastille
comprimido
noun
1. een algemeen aanvaard moreel verbod; iets dat onbespreekbaar of ondenkbaar is
tabu
cardinalNumeral
1. het getal 80
oitenta
pronoun
Guerra dos Oitenta Anos
ordinalAdjective
octogésimo
noun
1. kleine, gevouwen tortilla, gevulde mexicaanse maïspannenkoek
taco
/
tɑkˈtik/
noun
1. een manier om onder gegeven omstandigheden een doel te bereiken
tática
pronoun
1. de officiële taal van Tadzjikistan en een variant van het Perzisch
tadjique
/
taˈdʒikɪˌstɑn/
pronoun
1. een land in een land in Centraal-Azië met als hoofdstad Doesjanbe
Tajiquistão
Tadjiquistão
/
ˈtafəɫ/
noun
1. een meubelstuk met poten, bedoeld om dingen op te zetten of te leggen
mesa
távola
/
ˈtafəlˌklet/
noun
kleed dat als bescherming of versiering over een tafel ligt
toalha de mesa
toalha
noun
1. (sport) een spel waarbij twee spelers, ieder met een batje, een pingpongbal op tafel houden
tênis de mesa
pingue-pongue
noun
1. voetbal op een tafel met opstaande randen
futebol de mesa
noun
1.een meestal goedkope wijn zonder specifieke afkomst, die aangenaam bij een doordeweekse maaltijd wordt gedronken.
vinho de mesa
pronoun
1. taal die op de Filipijnen gesproken wordt
filipino
tagalo
noun
1. een soort van pasta, gemaakt van gemalen sesamzaad met toevoeging van o.a. citrussap, knoflook, peterselie...
tahine
pronoun
1. een Polynesche taal uit de Oceanische tak van de Austronesische talen gesproken op Tahiti
taitiano
noun
1. naaldbossen in koude streken
taiga
/
ˌtɑjkoˈnaʊ̯t/, /
ˌtɑjkoˈnɔʊ̯t/, /
ˌtɑjkoˈnʌʊ̯t/
noun
1. een Chinese ruimtevaarder.
taikonauta
/
tɑj'ʋɑn/
pronoun
Taiwan
Formosa
/
tɑk/
noun
1. een deel van een boom of struik
ramo
galho
noun
1. bijzondere aanleg
talento
/
tɑɫx/
noun
2. het harde vet van sommige herkauwers
sebo
noun
1.een klier om de haarzakjes, die talg afgeeft
glândula sebácea
noun
1. benaming voor kleine vogels uit het geslacht Anas of het geslacht Callonetta
cerceta
noun
1. van personen dat ze niet erg meegaand zijn
talco
/
'tɑlɪn/
pronoun
1. de hoofdstad van Estland
Tallinn
adjective
1. groot in aantal
abundante
noun
1. en 2. (vruchten van de) tamarindeboom
tamarindus
noun
1. muziekinstrument
pandeiro
pronoun
1. taal die gesproken wordt in India, Sri Lanka, Singapore, en Maleisië
tâmil
noun
- 1. hard en wittige gecalcificeerde structuur in de mond
- 2. scherp uitsteeksel
dente
noun
1. een medisch specialist op het gebied van de tandheelkunde
dentista
noun
1. fiets
bicicleta tandem
noun
1. borsteltje om de tanden mee te reinigen
escova de dentes
noun
1. puntig instrumentje om etensresten tussen de tanden te verwijderen
palito
noun
1. wetenschap voor de verzorging van de tanden
odontologia
/
ˈtand.pɑs.taː/, /
ˈtɑnt.pɑs.ta/
noun
1. een poetsmiddel voor de tanden
pasta de dente
creme dental
/
tɑntpɛin/
noun
1. pijn in één of meerdere tanden
dor de dente
/
ˈtɑntfles/
noun
1. deel van het mondslijmvlies waarin de tanden vastzitten
gengiva
noun
1. een zijden draad waarmee men de ruimte tussen de tanden reinigt
fio dental
/
tɑŋ/
noun
1. een uit twee delen opgebouwd gereedschap waarvan de beide delen op één punt aan elkaar vastzitten...
tenaz
alicate
/
tɑŋk/, /
tɛŋk/
noun
- 2. een oorlogsvoertuig
carro de combate
- 1. een groot vat
tanque
noun
1. scheikundig element met symbool Ta en atoomnummer 73
tantálio
tântalo
noun
1. scheikundig element met symbool Ta en atoomnummer 73
tantálio
noun
1. zus of schoonzus van iemands vader of moeder
tia
/
ˌtɑn.za.ˈni.ja/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika
Tanzânia
noun
1. een Chinese filosofische en religieuze stroming
taoismo
noun
1. zetmeel verkregen uit de wortelknol van Manihot esculenta
tapioca
/
ˈtapɪr/
noun
1. hoefdier, zo groot als een ezel en met een kleine beweeglijke slurf
anta
noun
1. gifspin
aranha-lobo
noun
1. grote eetbare platvis
pregado
/
tɑˈrif/
noun
1. een vastgesteld bedrag per eenheid
tarifa
pronoun
1. taal uit de Turkse talen met ongeveer anderhalf miljoen sprekers die vooral wordt gesproken in Tatarstan, een deelrepubliek van Rusland maar ook in andere delen van de vroegere Sovjet-Unie en daarbuiten
tártaro
pronoun
1. stad in Estland
Tartu
/
ˈtɑrʋə/
noun
- 3. zaad van tarwe
- 2. meest verbouwde tarwe soort (Triticum aestivum)
trigo
noun
1. en 2 grof gemalen meel van (gewone) tarwe (Triticum)
sêmola de trigo
noun
1. (voorgekookte) geplette tarwegranen
flocos de trigo
noun
zemelen van tarwekorrels
farelo de trigo
noun
1. zak die men meeneemt om er zaken in te bergen die men bij zich wil hebben
sacola
pronoun
1. randzee van de Grote Oceaan, gelegen tussen Australië en Nieuw-Zeeland
Mar de Tasman
pronoun
1. taal uit de Turkse talen met ongeveer anderhalf miljoen sprekers die vooral wordt gesproken in Tatarstan, een deelrepubliek van Rusland maar ook in andere delen van de vroegere Sovjet-Unie en daarbuiten
tártaro
pronoun
1. de autonome republiek van Rusland met de hoofdstad Kazan
Tartaristão
noun
1. een tekening die met naald en inkt blijvend in de huid is aangebracht
tatuagem
/
tatuʷ'erə(n)/
verb
1. met een naald en inkt een blijvende tekening in de huid inbrengen
tatuar
/
tɑuˈge/
noun
1. uitlopers van mungbonen
broto de feijão
/
tɑk.si/
noun
1. een voertuig bestemd om tegen betaling klanten van de ene plaats naar de andere te brengen
táxi
/
'tɑksimetər/
noun
1.
taxímetro
noun
1. een opstelplaats voor taxi's waar zij wachten op passagiers
ponto de táxi
verb
1. over de grond op wielen voortbewegen van vliegtuigen
taxiar
preposition
1. in het midden van
em meio a
noun
1. scheikundig element met symbool Tc en atoomnummer 43
tecnécio
noun
1. De bewerkingen en verrichtingen die nodig zijn om iets tot stand te brengen
técnica
adjective
1. op techniek betrekking hebbend
técnico
/
tef/
noun
1. wijfjeshond
cadela
cachorra
noun
1. achtpotige parasiet uit de orde Ixodida
carrapato
noun
1. vingers van de voet
dedo do pé
artelho
/
ter/
noun
1. olieachtige vloeistof met een zeer hoge viscositeit
alcatrão
noun
1. kubusvormig voorwerp met op elk van de zijden een van de ogenaantallen één tot en met zes
dado
noun
1. hybride kruising tussen een mannetjestijger en een vrouwtjesleeuw
tigreão
/
ˈteɣəmut/, /
ˈteχəmut/
adverb
1. tegen (personen)
em direção a
/
teːɣən/, /
teːχən/
preposition
1. zijdelings aanleunend
contra
noun
1. een middel dat de werking van een gif neutraliseert of afzwakt
antídoto
noun
1. handeling gericht op het bestrijden van de effecten van een andere handeling
contramedida
preposition
1. aan de overzijde van
na frente de
noun
1. hetgeen wat precies voorstelt wat iets helemaal niet is
contrário
Antónimo
noun
1. iemand die de pauselijke titel opeist zonder door het Vaticaan als paus erkent te zijn
antipapa
noun
1. ernstige pech, toestand met belangrijke tegenslag
adversidade
verb
1. zich met woorden verzetten
contradizer
verb
1. al mopperend protesteren
contrariar
noun
1. vijand, rivaal
adversário
adjective
1. niet overeenstemmend
contraditório
noun
1. een voorstel als antwoord op een voorafgaand voorstel
contraproposta
noun
1. wind tegen
vento ponteiro
noun
1. vorm die aangeeft dat het huidige moment bedoeld wordt
presente
noun
1. het geen zin hebben in iets
hesitação
noun
1. symbool, signaal, aanduiding
sinal
noun
1. iemand die beroepsmatig tekent
desenhista
verb
een tekening maken
desenhar
/
ˈtekə(n)ˌfɪlm/, /
ˈtekə(n)ˌfɪɫm/
noun
1. een film waarin een getekende realiteit wordt verbeeld
desenho animado
noun
1. een door tekenen ontstane afbeelding of voorstelling
desenho
noun
1. een ontbrekende hoeveelheid
déficit
verb
1. onvoldoende of ontoereikend zijn
não ser suficiente
noun
1. verzameling letters en/of woorden
texto
noun
1. een computerprogramma waarmee teksten kunnen worden geschreven en bewerkt
processador de texto
noun
1. natuurlijke processen
tectônica
/
ˌtelefoˈneːrən/
verb
1. een telefoon gebruiken
telefonar
/
ˌtelə'fon/, /
ˌteːlə'foːn/
noun
1. een toestel waarmee men geluid over kan brengen door middel van galvanische stroom
telefone
verb
1. per telegraaf berichten
telegrafar
verb
1. door nauwgezette verzorging doen groeien
cultivar
noun
1. een optisch instrument, waarmee ver verwijderde objecten bekeken kunnen worden
telescópio
adverb
1. een onaangenaam gevoel hebbend omdat een verwachting of hoop niet uitgekomen is
decepcionado
verb
1. iemand op onaangename wijze verrassen, vaak door een belofte niet na te komen
decepcionar
noun
1. een emotie opgeroepen door het niet uitkomen van een verwachting
desilusão
noun
- 2. medium
- 1. elektrisch apparaat
televisão
televisor
/
tɛlx/
noun
1. lid van een familie
descendente
verb
1. aantal bepalen
contar
/
ˈtɛlər/
noun
1. het getal boven de streep van een breuk
contador
noun
1. scheikundig element met symbool Te en atoomnummer 52
telúrio
noun
1. scheikundig element met symbool Te en atoomnummer 52
telúrio
pronoun
1. een Dravidische taal met ongeveer 70 miljoen sprekers
língua telugu
/
ˈtɛm.pəl/, /
ˈtɛm.pəɫ/
noun
1. een gebouw voor godsverering
templo
/
ˈtɛmpɛrɑtyːr/
noun
1. grootheid die de warmte weergeeft
temperatura
adverb
1. luidt het eerste lid van een opsomming van minstens twee argumenten in
primeiramente
noun
1. beweging in bepaalde richting, neiging
tendência
adjective
1. gekleurd door bijbedoelingen
tendencioso
noun
1. wagen achter een locomotief
tênder
pronoun
1. het grootste eiland van de Canarische Eilanden, een tot Spanje behorende eilandengroep
Tenerife
noun
1. een scheikundig element met het symbool Ts en het atoomnummer 117
tenesso
noun
1. balsport
tênis
ténis
noun
1. onderwijs in tenissen
lição de ténis
/
tɛnˈslɔtə/
adverb
1. immers
no final das contas
noun
1. verplaatsbare constructie van over stokken of buizen gespannen doek die als (tijdelijk) onderdak dient
barraca
tenda
/
ˈtɛntəˌkɑmp/
noun
1. een kamp met tenten als behuizing
abarracamento
/
tɛnˈtonstɛlə(n)/
verb
1. voor een publiek toonbaar maken
exibir
/
tɛnˈtonstɛlɪŋ/
noun
1. een uitstalling van voorwerpen om door het grote publiek bekeken te worden
exposição
exibição
/
ˈtɛn.zɛɪ/
conjunction
1. behalve wanneer
a menos que
a não ser que
noun
1. een gepigmenteerd knopvormig uitsteeksel op de borst van de mens
mamilo
noun
1. scheikundig element met symbool Tb en atoomnummer 65
térbio
verb
1. het beëindigen van een mensenleven op gerechtelijk bevel
executar
/
tɛrəm/
noun
1. een woord of uitdrukking
termo
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Isoptera
térmita
cupim
/
tɛrˈmɛin/
noun
1. een vast tijdstip waarop iets gaat gebeuren of iets gebeurd moet zijn
prazo
noun
1. een vetoplossend oplosmiddel dat uit de sappen van bepaalde dennensoorten gewonnen kan worden
aguarrás
/
tɛ'rɛin/
noun
1. een stuk grond van enige omvang
terreno
noun
1. grondgebied
território
noun
het ontwrichten van een samenleving door terreurdaden tegen burgers, vaak met een politiek of religieus oogmerk
terrorismo
noun
1. iemand die terroristische aanslagen beraamt, pleegt of wil plegen met een godsdienstig of politiek doel
terrorista
/
tɛrsjɛːr/
adjective
terciário
/
trʏχ/, /
təˈrʏx/
adverb
terug van weggeweest
de volta
/
təˈrʏxbrɛŋə(n)/
verb
- 1. naar het punt van vertrek brengen
- 2. naar de eigenaar brengen
devolver
/
təˈrʏχaːn/
verb
1. naar de punt van vertrek gaan
retornar
/
tə'rʌxkomə/
verb
1. opnieuw naar een plaats komen waar men eerder geweest is
regressar
voltar
noun
1. ontstaan van een nieuw woord doordat een bestaand woord van een vermeend voorvoegsel, achtervoegsel of uitgang wordt ontdaan
derivação regressiva
/
tɛr.ˈwɛɪ̯l/, /
tɛr.ˈʋɛɫ/
conjunction
- 2. hoewel
embora
malgrado
- 1. gedurende de periode dat nog een andere actie aan de gang is
enquanto
pronoun
1. naam van twee boeken uit het Nieuwe Testament
Tessalonicenses
/
tɛst/
noun
- 1. probeersel
teste
- 3. toets
teste
exame
noun
1. akte met een wilsbeschikking voor na de dood
testamento
noun
1. teelbal, zaadbal
testículo
noun
1. een infectieziekte die door een gifstof leidt tot spierspasmen
tétano
adjective
1. als hoofdas van de rotatiesymmetrie een viertallige as bezittend
tetragonal
/
ˈtøɣəl/, /
ˈtøʝəl/
noun
1. stuurriem van rijdier
rédea
noun
1. datgene wat over is boven de gewenste hoeveelheid
excesso
/
təˈvredə(n)/
adjective
1. geen behoefte voelend om aanmerkingen te maken
contente
/
təvredənɦɛɪt/
noun
1. het gevoel genoeg te hebben en voldaan te zijn
satisfação
noun
1. de manier waarop iets is samengesteld, hoe het materiaal aanvoelt en hoe de structuur eruit ziet
texturizar
pronoun
1. de officiële taal van Thailand
tailandês
/
ˈtɑɪ̯.lɑnt/, /
ˈtɛɪ̯.lɑnd/
pronoun
1. een land in Azië dat vroeger Siam heette
Tailândia
noun
1. grijze stof van de tussenhersenen
tálamo
noun
1. scheikundig element met symbool Tl en atoomnummer 81
tálio
noun
1. een uitgaansgelegenheid waar theatervoorstellingen gegeven worden
teatro
noun
1. blad van de theestruik
folha de chá
noun
1. een kleine lepel om thee mee te roeren
colher de chá
pronoun
1.de grootste rivier van Engeland
Tâmisa
noun
1. een gevoerde kap om de thee warm te houden
coberta do bule
noun
1. kan met deksel en schenktuit waarin een warme drank wordt bereid door bladeren in heet water te laten trekken
bule
/
tema/
noun
1. een onderwerp dat behandelt wordt
tema
noun
1. aanhanger van het politieke stelsel waarbij men God ziet als de uiteindelijke heerser
teocrata
noun
1. staatsvorm die gebaseerd is op goddelijke
teocracia
noun
1. leer over God, het goddelijke en de godsdienst
teologia
noun
1. een beoefenaar van de theologie
teólogo
/
ˌteɔːˈretis/
adjective
1. wat niet perse in de werkelijkheid voorkomt, m.b.t. feiten en wetten berustende ...
teórico
noun
1. een wetenschappelijk model of uitspraak over waarnemingen in de empirie
teoria
noun
iemand die een patiënt behandelt
terapeuta
adjective
1. genezend; op de geneeswijze betrekking hebbend
terapêutica
noun
1. een methode om aan de genezing van zieken te werken
terapia
noun
1. elektronisch muziekinstrument
teremim
noun
1. een poedermengsel van een onedel metaal, gewoonlijk aluminium, en een oxide van een edeler metaal, vaak ijzer of koper
termite
noun
1. de leer van warmte en arbeid
termodinâmica
/
ˈtɛrmoˌmetər/
noun
1. een meetinstrument om temperaturen te meten
termômetro
noun
1. synoniemenwoordenboek
tesauro
thesaurus
/
ˈtiosɵlˌfat/
noun
1.
tiossulfato
noun
1. scheikundig element met symbool Th en atoomnummer 90
tório
pronoun
1. uitgestorven Indo-Europese taal uit de Balkan
trácio
/
tœʏs/, /
tœːs/
noun
1. een plek waar iemand woont en zich veilig voelt
em casa
noun
1. multimedia opstelling die van een huiskamer een bioscoopzaak maakt
home cinema
noun
1. scheikundig element met symbool Tm en atoomnummer 69
túlio
pronoun
2. de rivier die stroomt door Rome
Tibre
pronoun
- 1. autonome regio
- 1. voormalig land
Tibete
pronoun
1. een taal die wordt gesproken in Tibet en buiten Tibet door een grote groep vluchtelingen
tibetano
pronoun
- 1. Zwitsers kanton
- 1. zijrivier van de Po
Ticino
cardinalNumeral
1. het getal 10
dez
noun
2. kerkbelasting
dízimo
ordinalAdjective
1. nummer tien in een rij
décimo
noun
1. jongere tussen 10 en 20 jaar oud
adolescente
noun
- 1. met het aantal van tien
- 2. ongeveer tien
dezena
noun
1. biljet van tien euro
dezão
noun
1. vrouwelijke borst
teta
/
tɛit/, /
tɛɪ̯d/, /
tɛːt/
noun
1. onstuitbare gang der dingen van toekomst door het heden naar het verleden
tempo
adjective
1. voor een beperkte tijd, niet permanent
temporário
noun
1. iemand die in dezelfde historische periode leefde
contemporâneo
/
ˈtɛːtmɑˌʃinə/, /
ˈtɛːɪtmɑˌʃinə/
noun
1. machine om mee door de tijd te reizen
máquina do tempo
adjective
1. een aanzienlijke hoeveelheid tijd vereisend
moroso
noun
1. het laten zien hoe laat het is; het laten zien wanneer iets gebeurd is
indicação horária
noun
1. blad waarvan met vaste tussenpozen afleveringen verschijnen
revista
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera tigris
tigre
noun
3. kruid gebruikt in de keuken
tomilho
timo
/
ˈtɪkə(n)/
verb
1. een of meer keren een niet harde slag of klap geven
cutucar
noun
1. iemand die zich beroepsmatig vooral met houtbewerking bezighoudt
marceneiro
noun
1. een vrouw die zich beroepsmatig vooral met houtbewerking bezighoudt
marceneira
pronoun
1. randzee van de Indische Oceaan, gelegen tussen Noordwest-Australië en Timor
Mar de Timor
noun
scheikundig element
estanho
adjective
1.van tin vervaardigd
de estanho
noun
1. prikkelend gevoel
formigamento
/
ˈtɪ.pə.lar.stər/
noun
2. prostituée op straat
prostituta
noun
1. Italiaans dessert
tiramissu
/
tirɑ'nik/
adjective
1.
tirano
noun
1. scheikundig element met symbool Ti en atoomnummer 22
titânio
noun
- 1. opschrift van een document
- 2. aanduiding van een persoon
título
noun
1. Chinees gerecht met groenten, rijst en vlees
chop suey
noun
1. een kleine zangvogel uit de Zangers Sylviidae
felosa-comum
felosa
verb
1. brood roosteren
brindar
verb
1. het doen opnemen van bijvoorbeeld een medicijn door iemand
administrar
noun
1. plaats waarlangs men ergens binnen kan gaan
acesso
adjective
1.te bereiken
acessível
noun
1. benaming voor tropische vogels uit de familie Ramphastidae
tucano
adjective
1. van de tijd die komen gaat
futuro
noun
1. toekomstbeeld
sonho futurista
verb
1. verduidelijken
explicar
/
tun/
adverb
1. op of na dat tijdstip
então
noun
1. het groter worden in aantal of maat
aumento
noun
1. grote moerassige en boomloze vlakte in de noordelijke poolstreken
tundra
noun
1. de mate waarin iets praktisch te gebruiken is
aplicabilidade
verb
1. in de praktijk brengen
aplicar
noun
- 2. het in de practijk brengen van iets
- 1. een computerprogramma
- 1. een manier waarop iets gebruikt wordt
aplicação
noun
1. het reizen voor ontspanning
turismo
noun
1. een mannelijk persoon die voor zijn plezier reist
turista
noun
1. een vrouwelijk persoon die voor haar plezier reist
turista
adjective
1. een plaats die veel toeristen aantrekt
turístico
/
tusxɔuər/
noun
1. iemand die naar iets kijkt
espectodor
verb
1. het auteurschap of de eigenaar van iets associëren met iemand
atribuir
/
ˈtuspra:k/
noun
1. een voordracht voor een groter publiek
discurso
verb
1. iets niet verbieden, iets mogelijk maken
permitir
/
'tustɑnt/
noun
- geheel van omstandigheden
- een ongelukkige situatie
condição
noun
een toezegging dat iets geoorloofd is
consentimento
verb
1. iemand zo mishandelen dat hij of zij zichtbaar lichamelijk letsel heeft
malhar
noun
1. gerecht waarmee een maaltijd kan worden afgesloten
sobremesa
noun
3. een knop op het bedieningspaneel van een schrijfmachine of computer die het mogelijk maakt een symbool in te typen
tecla
/
ˈtutsə(m)ˌbɔrt/
noun
1,2 een apparaat waarmee, door toetsen in te drukken, gegevens in een computer e.d. ingevoerd kunnen worden
teclado
noun
1. steen voor het bepalen van het goudgehalte
pedra de toque
/
ˈtuːvɑl/
noun
1. een gebeurtenis of omstandigheid die vooraf niet te voorzien of niet te berekenen is geweest
coincidência
verb
1. tot vermeerdering bijvoegen
acrescentar
adicionar
noun
1. datgene wat met een groter geheel verenigd wordt
adição
noun
2. een gebonden morfeem dat aan een ander morfeem wordt toegevoegd om zo een nieuw woord te vormen
afixo
/
tuʋɛɪ̭zə(n)/
verb
1. goederen of fondsen een bestemming geven
atribuir
noun
1. het in de gaten houden, het letten op
guarda
/
'to.ɣo/, /
ˈto.χo/
pronoun
1. een land in West-Afrika
Togo
/
tʋɑ'lɛt/
noun
- 3. persoonlijke verzorging
asseio
- 1. een plaats waar men zich kan ontlasten
banheiro
/
ˈtɔki ˈpoːnaː/
pronoun
1. bepaalde minimalistische kunsttaal
Toki Pona
pronoun
1. de hoofdstad van Japan
Tóquio
/
tɔl/
noun
- 3. plaats waar men slechts tegen betaling mag passeren
- 4. geld dat men bij een tol geheven wordt
portagem
noun
1. een persoon die gesproken tekst (meteen) vertaalt naar gesproken tekst in een andere taal
intérprete
noun
1. weg voor het gebruik waarvan betaald moet worden
autoestrada portajada
/
toˈmat/
noun
1. een eetbare vrucht van de tomatenplant
tomate
noun
1. een vruchtensap dat uit tomaten is bereid
suco/sumo/extrato de tomate
noun
1. naam voor koperlegeringen met zink
tambaca
tambaque
noun
1. röntgenfoto waarbij slechts één vlak scherp wordt afgebeeld (doorsnede)
tomografia
noun
3. een gewichteenheid van 1000 kilogram
tonelada
noun
1. iemand die een toneelstukken schrijft
dramaturgo
/
tonə(n)/
verb
2. laten zien
mostrar
noun
1. traditioneel Okinawaans wapen
tonfa
noun
- 1. beweeglijk lichaamsdeel in de mond van mensen en veel dieren
- 2. wat gesproken wordt
língua
noun
1. een gewelf in de vorm van een halve cilinder
abóbada de berço
noun
1. benaming voor snelle oceaanvissen uit het geslacht Thunnus
atum
/
ˈtɔnsɪl/
noun
1. een amandel
amígdala
tonsila
/
ton/
noun
een geluid met een bepaalde herkenbare hoogte
tom
noun
1. een stijgende of dalende opeenvolging van tonen
escala
noun
1. een volgens bepaalde schema stijgende of dalende opeenvolging van tonen
escala
noun
1. hoogste punt, (bovenste) uiteinde
cume
adjective
1. verband houdend met de nauwkeurige beschrijving van een gebied
topográfico
noun
1. een eigennaam die een geografisch begrip benoemt
topônimo
/
tɔːrə(n)/
noun
- 2. een bepaald schaakstuk in de vorm van een toren
- 1. een hoog bouwwerk
torre
noun
1. meest algemene Europese valk die vaak in nestkasten en gebouwen nestelt, Falco tinnunculus
peneireiro-vulgar
noun
1. een draaiende, trechtervormige uitstulping onder een wolk tijdens een onweersbui
tornado
ciclone
noun
1. snel, wendbaar oorlogsschip dat torpedo's kan afvuren
torpedeiro
interjection
1. een groet bij het vertrek die de hoop uitspreekt elkaar weer te zien
adeus
noun
1. alle onderdelen tezamen
total
/
ˈto.to.ˌlɔs/
noun
van vaartuigen, voertuigen en goederen dat het economisch niet meer verantwoord is...
perda total
/
ˈtoːtɘmˌpaːl/
noun
1. een houten standbeeld
totem
/
tɑu̯/
noun
1. een middel om zaken bij elkaar te binden
corda
noun
1. een mannelijk iemand die kan toveren
feiticeiro
noun
1. een vrouwelijk iemand die kan toveren
bruxa
noun
1. magisch handboek
grimório
noun
1. giftigheid
toxicidade
/
ˌtɔk.si.ˌko.lo.ˈɣi/, /
ˌtɔk.si.ˌko.lo.ˈχi/
noun
1. de wetenschap die de werking van giftige stoffen op biologische systemen bestudeert
toxicologia
/
ˌtɔk.si.ko.ˈlo.ɣis/, /
ˌtɔk.si.ko.ˈlo.ɣɪs/, /
ˌtɔk.si.ko.ˈlo.χis/
adjective
1. met betrekking tot gifstoffen
toxicológico
/
ˌtɔk.si.ko.ˈlox/, /
ˌtɔk.si.ko.ˈloχ/
noun
1. een wetenschapper die de werking van giftige stoffen op biologische systemen bestudeert
toxicologista
toxicólogo
noun
1. verslaving aan gifstof
toxicodependência
noun
1. vocht dat uit klieren bij de ogen vloeit
lágrima
noun
1.
gás lacrimogéneo
gás lacrimogêneo
/
ˈtrɑktɔr/
noun
motorvoertuig
trator
tractor
/
tradisʲoˈnel/
adjective
1. zoals de gewoonte dat meebrengt, van oudsher
tradicional
/
traˈxedi/
noun
- 1. een toneelspel dat handelt over een bedroevende gebeurtenis
- 2. gebeurtenis met een droevige of rampzalige afloop
tragédia
adjective
1.met een lach en een tran
tragicômico
verb
1. het doen van lichamelijke oefeningen
exercitar-se
noun
1. een oefening
treinamento
noun
1. de af te leggen of afgelegde weg van een voorwerp door de ruimte
direção
/
tram/, /
trɑm/, /
trɛm/
noun
1. railvoertuig dat meestal in steden voor personenvervoer gebruikt wordt
bonde
elétrico
noun
cama elástica
trampolim
/
ˈtra.nə(n).ˌdɑl/, /
ˈtra.nə(n).ˌdɑɫ/
noun
- 1. plek van enorm verdriet
- 2. alle verdriet en smart gevoeld in het leven
vale de lágrimas
/
trɑnsˈkrɪpsi/
noun
1. de conversie naar een geschreven tekst van een andere geschreven, getypte of gedrukte tekst.
transcrição
abbreviation
transformador
/
'trɑnzitif/
adjective
transitivo
noun
1. verplaatsing, overplaatsing
translocação
adjective
1. lichtdoorlatend
transparente
noun
1. doorzichtbaarheid
transpiração
noun
1. het overbrengen van (levend) weefsel naar een andere plaats die zowel in hetzelfde lichaam als in een ander lichaam van een mens, dier of plant kan zijn
transplante
verb
1. personen of objecten naar een andere plek brengen
transportar
noun
- 1. verbinding tussen twee op verschillende hoogte liggende vloeren of terreinen,...
escada
- 1. benaming voor vogels uit de familie Otididae
abetarda
/
trɑˈpezɪʏm/
noun
1. een vierhoek waarvan twee zijden evenwijdig lopen
trapézio
noun
psychische stoornis, ontstaan door een schokkende ervaring
trauma
adjective
1. door een letsel ontstaan
traumático
noun
1. taps toelopende buis, gebruikt voor het vullen van vaten
funil
/
tre/
noun
1. opstapje dat deel uitmaakt van een trap
degrau
noun
1. een titelwoord van een stuk tekst in een catalogus, woordenboek of encyclopedie
entrada
noun
1. een rij wagons die door een krachtvoertuig (bijvoorbeeld een locomotief) voortbewogen wordt
trem
comboio
verb
- nog te sorteren
puxar
tirar
atirar
disparar
sacar
- 1. op een voorwerp een kracht uitoefenen in een richting die ervan wegvoert
tirar
noun
1. pop
boneco de engonço
noun
1. een vogel die 's winters een andere verblijfplaats kiest dan in de broedtijd
ave migratória
noun
1. diakritisch teken
trema
diérese
noun
- ontwikkeling in een bepaalde richting
tendência
- nieuwe mode
tendência
moda
noun
1. bepaald soort boom met dunne neerhangende takken, Salix babylonica
salgueiro-chorão
chorão
noun
2. overlegprocedure, in het wetgevend proces, tussen Parlement, Commissie en Raad van de EU
triálogo
noun
1. een slaginstrument in de vorm van een vrijhangende metalen driehoek
triângulo
ferrinhos
noun
1. de plaatsen voor het publiek
galeria
/
ˈtrɪf.tɔŋ/
noun
1. een foneem dat uit drie klinkers bestaat die binnen één lettergreep in elkaar overgaan
tritongo
adjective
1. aan drie kanten, in twee richtingen (buitenkanten)
trilateral
cardinalNumeral
1. 1.000.000.000.000.000.000.000 (1021)
sextilhão
cardinalNumeral
quintilhão
/
'trɪlə(n)/
verb
1. snel heen een weer bewegen
vibrar
noun
1. een periode van drie maanden
trimestre
/
ˌtrinidɑd ɛn toˈbaːɣo/, /
ˌtrinidɑt ɛn toˈbaːɣo/, /
ˌtrinidɑt ɛn toˈbaχo/
pronoun
1. een land in het Caribisch gebied bestatend uit twee eilanden, officieel de Republiek Trinidad en Tobago
Trindade e Tobago
Trinidad e Tobago
noun
1. een muziekstuk voor drie spelers
trio
noun
2. grootse overwinning of prestatie
triunfo
noun
1. duurzaam voorwerp dat na een overwinning als symbool daarvan aan de winnaar wordt uitgereikt
troféu
noun
1. een driekantige platte schep met handvat voor het opbrengen van metselspecie
colher de pedreiro
noun
1. een langgerekte voederbak.
cocheira
comedouro
/
ˌtrɔmboˌsitopeˈni/
noun
1. het symptoom dat men een te laag aantal bloedplaatjes of trombocyten heeft.
trombocitopenia
noun
1. een koperen blaasinstrument
trombone
noun
1. de vorming van een bloedprop in een bloedvat of het hart
trombo
noun
1. een cilindervormig, met een vel bespannen slaginstrument
tambor
caixa de rufo
noun
1. een koperen blaasinstrument met ventielen
trombeta
trompete
verb
1. het geluid van een olifant
barrir
noun
1. Psophia crepitans
jacamim-de-costas-cinzas
/
troːn/
noun
1. zetel waar een vorst op zit tijdens formele plechtigheden
trono
noun
1. het aftreden als vorst
abdicação
noun
1. steun bij verdriet of pijn
consolo
consolação
verb
1. als iemand verdriet of pijn heeft deze persoon geestelijke steun geven
consolar
aliviar
noun
1. streken tussen beide keerkringen
trópicos
noun
- 3. een scheepskabel
amarra
espia
- 2. de bundel vruchten die uit een dergelijke bloeiwijze voortkomen
cacho
adjective
- 1. erg blij met wat men (bereikt) heeft
- 2. vervuld van grootsheid
orgulhoso
noun
2. het gevoel dat men wil pronken met wat men heeft of doet
orgulho
noun
1. stroming binnen het leninisme, die Stalins politiek te weinig marxistisch vindt en een minder autoritaire en meer internationalistische benadering voorstaat
trotskismo
/
trɔˈtʋar/
noun
1. een opvanghuis voor wezen
calçada
noun
- 1. rondreizend kunstenaar
- 2. rondreizend artiest
trovador
/
trʌʊ/
adjective
1. op wie men steeds opnieuw een beroep kan doen
fiel
verb
1. het aangaan van een officiële verplichting tussen twee personen om voor elkaar te zorgen
casar
/
ˈtrɑuwəns/
adverb
1. overigens
a propósito
/
tryk/
noun
1. een handeling om op een slimme manier een doel te bereiken
truque
noun
1. een warm kledingstuk voor over het bovenlichaam
suéter
pulôver
/
tsaːr/
noun
1. vroegere Russische keizer
czar
tsar
pronoun
1. Helleense taal gesproken door 1500 mensen in het oosten van de Peloponnesos in Griekenland
tsacônica
/
tʃad/, /
tʃat/
pronoun
1. een land in Centraal-Afrika, officieel de Republiek Tsjaad
Chade
/
ˈtʃɛxis/, /
ˈtʃɛxɪs/, /
ˈtʃɛχis/
adjective
1. op Tsjechië betrekking hebbend
checo
/
ˈtʃɛxis/, /
ˈtʃɛxɪs/, /
ˈtʃɛχis/
pronoun
1. Slavische taal die vooral wordt gesproken in de Tsjechische Republiek
tcheco
checo
pronoun
1. een land in [[Midden-Europa]].
República Checa
República Tcheca
/
ˈtʃɛxi.jə/, /
ˈtʃɛχi.jə/
pronoun
1. een land in Midden-Europa, officieel de Tsjechische Republiek, en is het westelijke deel van het voormalige Tsjecho-Slowakije.
Chéquia
Tchéquia
pronoun
1. een vroegere staat in Europa, ten zuiden van Polen (van 1918 tot 1993)
Checoslováquia
/
tʃɛnobil/
pronoun
Chernobil
pronoun
1. een taal die in Tsjetsjenië gesproken wordt
checheno
pronoun
1. taal gesproken door 3 275 105 mensen in Zuid-Afrika, Mozambique, Swaziland en Zimbabwe
changana
/
tsuˈnami/
noun
1. een grote vloedgolf
tsunami
noun
1. een koperen blaasinstrument met lage toon
tuba
noun
1. een verpakking in kokervorm gemaakt van metaal of plastic gevuld met een halfvloeibare stof
Bisnaga
pronoun
1. een gemeente in de Belgische provincie Waals-Brabant
Tubize
/
ˌtybɛrkyˈlozə/
noun
1. een ziekte veroorzaakt de de tuberculosebacterie Mycobacterium tuberculosis
tuberculosis
/
tœy̯x/
noun
4. harnas
arnês
verb
3. een schip van tuigage voorzien
enxarciar
/
tœy̯n/
noun
1. begrensd stuk grond waarop gewassen worden geplant of verbouwd
jardim
noun
1. vorm van gewassenkwekerij die zich specifiek toelegt op het intensief telen van groenten, bloemen, planten, bomen, bollen of zaden
horticultura
noun
1. Sylvia borin, een zangvogel ...
felosa-das-figueiras
noun
1. en 2. cultuurplant en eetbaar kruid Lepidum sativum
agrião-de-horta
agrião-mouro
mastruço
verb
schenkpijp aan een kan of ketel
bico
noun
1. hoofddeksel
turbante
/
ty.ˈne.zi.jə/, /
tʏ.ˈne.zi.jə/
pronoun
land in Noord-Afrika, officieel de Republiek Tunesië
Tunísia
noun
1. lange bloes of korte jurk vaak gedragen over een lange broek door vrouwen
túnica
noun
1. een kunstmatige ondergrondse doorgang
túnel
noun
1. een schoepenrad als energieopwekker
turbinas
turbina
/
ˌtyːrəˈlyːr/
noun
1. een weidevogel
cacongo
verb
1. veen als brandstof
turfa
noun
1. het delven en gebruiksklaar maken van turf
extracção de turfa
pronoun
1. de hoofdstad van de regio Piëmont en de provincie Turijn
Turim
/
tʏrk/
noun
1. Inwoner van Turkije
turco
/
tʏrˈkɛɪ̯.jə/, /
tʏrˈkɛː.jə/
pronoun
1. land in Europa en Azië
Turquia
pronoun
1. de taal die door de Turkmenen in Turkmenistan en Afghanistan gesproken wordt
turcomano
turcomeno
/
tʏrˈkojs/, /
tʏrˈko̝js/
noun
1. een steen bestaande uit het mineraal turkoois
turquesa
/
tʏrks/
pronoun
1. een taal die vooral in Turkije gesproken wordt
turco
/
ˈtʏ.sən/
preposition
1. met iets aan minimaal twee kanten het kind staat tussen haar ouders
entre
/
ˌtʏsənˈdoːrtjə/
noun
1. een versnapering, iets te eten tussen de maaltijden door
comidinha
/
ˈtʏsə(n).ʋɛrpsəɫ/
noun
1. een uitroep, een woord, een frase of een zin die een expressie van emotie is
interjeição
verb
1. elkaar met jij en jou aanspreken
tratar por tu
/
ˌtu.va.ˈlu/
pronoun
1. een land in Oceanië
Tuvalu
pronoun
1. Austronesische taal, gesproken door 13.080 mensen in Tuvalu, Fiji, Kiribati, Nauru en Nieuw-Zeeland
tuvaluano
/
twaːlf/, /
tʋaːl(ə)f/
cardinalNumeral
1. het getal 12
doze
ordinalAdjective
1. nummer twaalf in een rij
duodécimo
/
tʋeː/
cardinalNumeral
1. het getal 2
dois
duas
/
tʋeː/
noun
1. het cijfer twee
dois
duas
noun
1. geribbeld wollen weefsel
tweed
/
ˈtʋeːdə/
ordinalAdjective
segundo
segunda
pronoun
1. het geheel van afzonderlijke militaire conflicten die van 1939 tot 1945...
Segunda Guerra Mundial
/
ˈtweːˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 200
duzentos
cardinalNumeral
1. het getal 220
duzentos e vinte
/
ˈtʋeklɑŋk/
noun
1. een foneem dat uit twee klinkers bestaat die binnen één lettergreep in elkaar overgaan
ditongo
/
ˈtwelɪŋ/, /
ˈtʋelɪŋ/, /
ˈtβ̞elɪŋ/
noun
1. twee wezens die met zijn tweeën tegelijk in één buik ontwikkeld zijn
gémeo
gêmeo
pronoun
2. teken van de dierenriem, traditioneel behorend bij geboortedata van ongeveer 21 mei tot 21 juni
Gémeos
Gemini
adjective
1.om de twee maanden
bimestral
noun
1. kamer waar twee personen kunnen slapen
apartamento duplo
noun
2.iets met belangrijke, duidelijke voordelen maar met minstens even belangrijke, vaak minder duidelijke nadelen.
faca de dois gumes
noun
1. een uitdrukking, bestaande uit twee eentermen, die gescheiden worden door het optelteken (+) of aftrekteken (-)
binomial
adjective
1. met, of aan twee kanten, belangen, partijen etc.
bilateral
cardinalNumeral
1. het getal 32
trinta e dois
cardinalNumeral
1. het getal 92
noventa e dois
cardinalNumeral
1. het getal 82
oitenta e dois
cardinalNumeral
1. het getal 22
vinte e dois
vinte e duas
cardinalNumeral
1. het getal 42
quarenta e dois
cardinalNumeral
1. het getal 52
cinqüenta e dois
cardinalNumeral
1. het getal 62
sessenta e dois
/
ˈtwejənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 72
setenta e dois
pronoun
1. taal die oorspronkelijk door de Ashanti's gesproken werd
twi
/
ˈtʋɛɪfəɫ/
noun
1. gevoel van onzekerheid ten aanzien van wat men in een gegeven situatie moet doen, geloven e.d.
dúvida
incerteza
verb
- na te gaan
- 2. het vermoeden hebben dat iets niet waar is
duvidar
/
twɛɪ̯x/, /
tʋɛɪ̯χ/, /
tβ̞ɛːx/
noun
1. een dun buigzaam takje van een boom of struik
raminho
/
ˈtʋɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 20
vinte
/
tɑjˈkuːn/
noun
1. een rijk persoon die een groot deel van een bepaalde bedrijfstak in handen heeft.
magnate
/
tiˈfon/, /
tɑjˈfuːn/
noun
1. een hevige wervelstorm in de Chinese Zee en de Stille Oceaan die ontstaat uit een tropische depressie.
tufão
noun
1. door bepaalde karakteristieken herkenbare soort
espécie
adjective
2. kenmerkend
típico
noun
2. grafische vorm van tekst
tipografia
pronoun
1. randzee van de Middellandse Zee, gelegen tussen het Italiaans vasteland, Sicilië, Sardinië en Corsica
Mar Tirreno
/
yː/
personalPronoun
u (pers.vnw.)
você
noun
1. bocht van 180°
retorno
/
ˈyfo/
noun
1. vliegend voorwerp waarvan de identiteit niet bekend is, meestal in verband met een (vermeende) buitenaardse oorsprong
OVNI
/
œʏ̯/, /
œː/
noun
1. Allium cepa, een eetbaar bolgewas
cebola
/
œyjəsup/
noun
1. een uit uien bereide soep
sopa de cebola
noun
1. de melkklier van een herkauwer
úbere
/
œʏ̯ɫ/, /
œːl/
noun
1. benaming voor vogels uit de orde Strigiformes
coruja
mocho
/
œʏ̯t/, /
œːt/
preposition
1. geeft aan van welke plaats iets komt
de
noun
2. het uitstoten van gassen, rook en lava door een vulkaan
erupção
/
ˈœʏtbenə(n)/, /
ˈœːdbeːnə(n)/, /
ˈœːtbenə(n)/
verb
1. het been uit (het vlees) halen
desossar
verb
externalizar
terceirizar
subcontratar
noun
2.
externalização
terceirização
verb
1. iets een groter oppervlak laten innemen
estender
ampliar
verb
1. iemand met woord of daad tot actie prikkelen
desafiar
/
ˈœʏdaχɪŋ/, /
ˈœːdaɣɪŋ/
noun
1. taak die moeilijk te verwezenlijken valt
desafio
verb
1. uitschakelen
apagar
verb
1. een gevoel of gedachte in taal verwoorden
expressar
/
ˈœytrʏkɪŋ/, /
ˈœːdrʏkɪŋ(g)/, /
ˈœːtrʏkɪŋ/
noun
- 2. verbinding van woorden
- 3. geheel van sprekende gelaatstrekken
- 4. het uitdrukken, uiting
expressão
/
œʏˈtɛɪndələk/
adverb
1. na een hele tijd
finalmente
/
ˈœʏ̯tə(n)/, /
ˈœːtə(n)/
verb
2. zeggen
completo
verb
- 3. naar de bar, disco of restaurant gaan
- 4. naar buiten gaan
sair
/
'œʏtχɑŋ/, /
'œːtɣaŋ/
noun
saída
/
'œytxəmɛrxəlt/
adjective
1.
emaciado
adverb
1. dodelijk vermoeid
esgotado
noun
- 1. het dusdanig weinig voedsel laten nuttigen dat dit op den duur verhongering tot gevolg heeft, meestal doelbewust
- 2. het uitgehongerd/verhongerd zijn
inanição
verb
1. honend toeroepen
vaiar
verb
1. uit een aantal mogelijkheden één of meer selecteren
escolher
/
ˈœʏ̯tlat/, /
ˈœːtlaːt/
noun
1. een opening waardoor iets als afvalproducten naar buiten kan treden
escapamento
verb
1. vrachtgoed uit een scheepsruim of uit overdekte wagen lossen
desencarregar
verb
1. een verlangen tot verzadiging kunnen botvieren
aproveitar a vida
verb
1. een gevangene in handen van een andere autoriteit overdragen
extraditar
noun
1. plantkunde
estolhão
/
'ʌʏt.no.də.ɣə(n)/
verb
1. iemand verzoeken iets bij te wonen
convidar
noun
1. een verzoek om iets bij te wonen
convite
verb
1. in praktijk brengen
aplicar
/
ˈœʏtpɑkə(n)/, /
ˈœːtpɑkə(n)/
verb
1. uit een verpakking halen
desembrulhar
noun
1. de toestand waarin iets of iemand aan het eind van zijn of haar krachten is
esgotamento
noun
1. uitputtende oorlog, oorlogsvoering
guerra de desgaste
verb
1. doden tot er niets meer te doden valt
erradicar
/
ˈœtruːp/, /
ˈœytruːp/
noun
1. wat men uitroept, luid geuite woorden of klanken
exclamação
verb
- 1. officieel verklaren
aclamar
- 2. uit emotie luid roepen
exclamar
noun
1. !, een leesteken dat uitdrukt dat de zin een uitroep, bevel of uitdrukking van verbazing is
ponto de exclamação
noun
1. benodigdheden voor een taak
equipagem
verb
2.door andere schakeling deactiveren
desligar
/
ˈœʏtslapə(n)/, /
ˈœːtslapə(n)/
verb
1. 's ochtends langer slapen dan normaal
dormir até tarde
verb
1. niet langer tot de mogelijkheden rekenen
excluir
/
œytspra:k/
noun
1. manier waarop iets ten gehore gebracht wordt
pronúncia
pronunciação
noun
1. woordenboek dat ook aangeeft hoe de woorden uitgesproken moeten worden
dicionário de pronúncia
noun
2. kort plezierreisje
excursão
/
ˈœytrɛkə(n)/
verb
1. van je lichaam af halen
descalçar
noun
1. persoon die uitvindingen doet
inventor
noun
1. de daad van het uitvinden, het ontdekken van een nieuwe methode of een nieuw toestel
invenção
adjective
1. mogelijk om uitgevoerd te worden
executável
verb
- 2. afhandelen, voltrekken, ten uitvoer brengen
- 3. software runnen
executar
noun
2. vaste uitgescheiden afvalstoffen van een mens of dier
excremento
noun
1. complete uitrusting van kleren, linnengoed, borden, etc. van een bruid of bruidspaar
enxoval
noun
- 2. verwachting, iets waar men naar kan uitzien
perspectiva
- 1. wat men van de omgeving vanaf een bepaalde plek kan zien
vista
verb
1. buiten een bepaalde regel plaatsen
exceptuar
/
œytsɔndərɪŋ/
noun
1. een geval waarbij men iets niet onder een regel laat vallen
exceção
/
œʏtˈzɔndərlək/
adjective
1. niet alledaags, niet gewoon
excepcional
pronoun
1. gemeente in het zuiden van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Uccle
noun
1. een lichtbewapende bereden soldaat in enkele Europese legers
ulano
/
ʏltɪˈmatʏm/
noun
1. laatste eis
ultimato
adjective
1. van elektromagnetische straling, net buiten het gebied van het spectrum dat met het menselijk oog zichtbaar is
ultravioleta
/
ˈumlʌʊt/
noun
- 2. vocaalwijziging o.i.v. een klinker in de volgende lettergreep
metafonia
- 1. trema dat een vocaalwijziging aangeeft
trema
/
ʏnɑˈnim/
adjective
1. met eenheid van stemmen
unânime
/
y.ˈnik/
adjective
1. enige in zijn soort
único
adjective
1. alom bekend, vertegenwoordigd of erkend
universal
/
ynivɛrzitɛɪt/
noun
1. een instelling voor hoger onderwijs, wetenschappelijk onderzoek en dienstverlening
universidade
noun
1.
cidade universitária
noun
1. het gehele tijd-ruimtecontinuüm waarin wij bestaan, samen met alle materie en energie
universo
/
ʌnstər/
noun
2. een eenvoudig weegtoestel gebaseerd op de rek van een veer
dinamômetro
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Untergruppenbach
noun
1. scheikundig element met symbool Uub en atoomnummer 112
unúnbio
noun
1. een scheikundig element met het symbool Uuo en het atoomnummer 118
ununóctio
noun
1. een scheikundig element met het symbool Uup en het atoomnummer 115
ununpentio
noun
1. een gemoderniseerde versie van een computerprogramma
atualização
verb
1. een bestand van een lokale computer of server naar een computer of server op afstand overbrengen
carregamento
noun
1. scheikundig element met symbool U en atoomnummer 92
urâno
noun
1. scheikundig element met symbool U en atoomnummer 92
urâno
urânio
noun
1. een trek van de landelijke gebieden naar de stad
urbanização
pronoun
1. de officiële taal van Pakistan en een van de officiële talen van India
Urdu
urdu
noun
1. de mate waarin iets dringend gewenst of nodig is
urgência
noun
1. een vloeistof die bij dieren door de nieren wordt geproduceerd en periodiek wordt geloosd
urina
noun
1.bij zoogdieren een orgaan dat de urine uit de nieren verzamelt en deze opslaat tot het moment van urineren
bexiga
noun
1. een lange cilindrische holte die de blaas verbindt met de buitenkant van het lichaam
uretra
noun
1. de buis die loopt tussen het nierbekken en de blaas
ureter
/
ˌyriˈnɪːrə(n)/
verb
1. het via de blaas lozen van lichamelijke afvalstoffen in de vorm van vloeistof
urinar
mijar
noun
1. eerste betekenisomschrijving
urna
/
ˈu.ru.ˌgʋɑɪ̯/, /
ˈu.ru.ˌgβ̞ɑɪ̯/, /
ˈuruˌɡwe/, /
ˌu.ru.ˈɣ<sup>ʊ</sup>ɛɪ̯/
pronoun
- 1. en 2. land en staat in Zuid-Amerika
Uruguai
- 1. rivier in Zuid-Amerika
rio Uruguai
/
yʔɛsˈbeʔstɪk/
noun
USB Flashdisk
/
ˌytoˈpi/
noun
1. een volmaakte toestand die niet te bereiken is
utopia
/
ˈytrɛx/, /
ˈytrɛxt/, /
ˈytrɛχt/
pronoun
2. de hoofdstad van de provincie Utrecht
Utrecht
Utreque
/
yːr/
noun
1. een eenheid van tijd die bestaat uit 60 minuten
hora
noun
1. een mechaniek dat de tijd bijhoudt of aangeeft
relógio
/
vaːk/
adverb
1. vele malen
muitas vezes
a miúdo
freqüentemente
noun
± onderscheidende vlag van een schip en/of militaire eenheid
insígnia
noun
1. een aspirant-reserveofficier
alferes
/
ˈvaːrdəxɦɛːt/, /
ˈvaːrdəxɦɛːɪt/
noun
1. het vermogen om een handeling bekwaam uit te voeren of een probleem juist op te lossen
abilidade
noun
- 2. kanaal, bevaarbaar gemaakte watergang
canal
- 3. het varen, het bedrijven van scheepvaart als beroep
navegação
- 1. opgebouwde snelheid
velocidade
/
ˈvaːrtœx/, /
ˈvaːrtœyx/
noun
1. vervoermiddel op water
navio
noun
1. een aardewerken of glazen kruik, vooral bedoeld voor het in het water zetten van bloemen
vaso
/
vakˈsæː/, /
vɑkˈsɛː/
noun
1. uit verzwakte ziekteverwekkers bestaande entstof om afweer op te bouwen
vacina
noun
1. materievrije ruimte
vácuo
noun
1. een mannelijke ouder
pai
noun
1. een dag waarop vaders extra verwend worden
Dia dos Pais
noun
1. een land of staat waar iemand geboren en opgegroeid is
pátria
/
ˈva.ɣə.ˌvyːr/, /
ˈva.χə.ˌvyːr/
noun
1. een toestand waar de zielen van gestorven personen gereinigd worden.
purgatório
noun
1. het vrouwelijke geslachtsorgaan
vagina
/
vɑˈkɑn(t)si/
noun
- 1. jaarlijks terugkerende periode waarin leerlingen en personen vrijaf hebben
- 2. reis in een jaarlijks terugkerende periode waarin je vrijaf hebt
férias
noun
1. vakvereniging van arbeiders ter verdediging van hun belangen
sindicato
/
'vɑgjɑrxɔn/
noun
1.
jargão profissional
noun
1. een man die zijn vak of professie verstaat
especialista
noun
1. (onderwijs) school waar men voor een bepaald vak wordt opgeleid
escola profissional
/
vɑɫ/
noun
- 1. omlaag gaan
- 2. ten gevolge van de zwaartekracht naar beneden gaan
- 3. onvrijwillig ergens op terecht komen
- 4. hoogte van waarvandaan iets naar beneden valt
queda
- 10. apparaat met een vallende deur of klem met als doel dieren te vangen
armadilha
noun
1. 14 februari, de dag van de verliefden
Dia dos Namorados
/
vɑlk/
noun
1. roofvogel
falcão
noun
1. bedrijver van valkerij
falcoeiro
/
vɑlkə'rɛɪ/
noun
1. africhten van roofvogels
falcoaria
noun
1. een laagte tussen bergen
vale
verb
1. vrijelijk onder invloed van de zwaartekracht naar de aarde bewegen
cair
adverb
1. op basis van onwaarheden
falsamente
noun
1. mythologisch ondood wezen
vampiro
preposition
- 1. geeft bezit aan
- 2. geeft herkomst aan
de
phraseologicalUnit
1. oprecht en onvoorwaardelijk
calorosamente
noun
1. scheikundig element met symbool V en atoomnummer 23
vanádio
adverb
- 1.duidt een tijdstip aan waarna (en waarop) iets geldt
- 2.duidt een vertrekpunt (plaats) aan
desde
noun
1. moedwillige en nodeloze beschadiging of vernietiging van andermans of openbaar eigendom
vandalismo
verb
- 1. te pakken krijgen
- 2. onderscheppen
pegar
/
ˈvɑŋ.re(i)l/
noun
1. metalen stroken langs autowegen, die dient om te voorkomen dat auto's van de rijbaan raken
guard-rail
/
vɑŋs/, /
vɑŋst/
noun
presa
/
vɑ'nijə/
noun
een smaak- en geurstof geëxtraheerd van de vanilleplant
baunilha
noun
1. vloeistof onttrokken aan vanillestokjes in een ethanol oplossing
extrato de baunilha
adverb
1. de komende nacht
esta/essa noite
/
va.nu.ˈwa.tu/
pronoun
1. een land in Oceanië, officieel de Republiek Vanuatu
Vanuatu
noun
1. Varanidae, de grootste levende hagedis
varano
lagarto-monitor
noun
1. een sporenplant
feto
samambaia
/
ˌva.ri.ˈjɑn.si/, /
ˌva.ri.ˈjɑn.tsi/
noun
1. een maat voor de spreiding van een variabele of van een verdeling gedefinieerd als de wortel uit de variantie
variância
noun
- 1. een tam zwijn, gehouden voor zijn vet en vlees
- 2.
porco
pronoun
1. baai op de Cubaanse kust
Baía dos Porcos
noun
1. vaatvernauwing
vasoconstrição
/
vɑstə'lɑnt/
noun
1. land in verbinding met continentale landmassa
terra firme
continente
verb
1. zich onthouden van voedsel
jejuar
verb
1. iets of iemand grijpen en vasthouden
asir
verb
1. bevestigen dat iets zo is.
determinar
noun
1. contractuele formalisering van een bereikte schikking
contrato de transação
noun
1. ronde ton waar allerhande vloeistoffen in opgeslagen worden
barril
noun
1. het gevoelig zijn voor iets; het kunnen overnemen van een eigenschap
suscetibilidade
/
vatiˈkanstɑt/, /
vatiˈkaːnstɑd/, /
vatiˈkaːnstɑt/
pronoun
1. land in Europa, het kleinste onafhankelijke land ter wereld, het territorium van de Heilige Stoel.
Vaticano
Cidade do Vaticano
noun
1. middeleeuws, meestal vijfsnarig strijkinstrument
viela
/
veː/
noun
1. door de mens om economische redenen gehouden dieren
gado
/
feɪɫ/, /
veːl/
indefiniteCardinalNumeral
1. groot in hoeveelheid
muito
noun
1. een gesloten stelsel lijnsegmenten die samen een plat vlak omsluiten
polígono
noun
1. bepaald soort zoogdier, Gulo gulo
glutão
noun
1. het veel mogelijkheden of kwaliteiten hebben; het geschikt zijn voor veel taken
versatilidade
noun
1.
cachorrinho-da-terra
/
veːr/, /
vɪːr/
noun
2. mechanische tong of spiraal waarop door buiging spanning gezet kan worden
mola
noun
2. herstellingsvermogen van iemands gestel of gemoed
resiliência
noun
1. een persoon die een veer bedient
barqueiro
noun
1. een overzetvaartuig
balsa
/
ˈvɪːrtin/
cardinalNumeral
1. het getal 14
quatorze
catorze
ordinalAdjective
décimo quarto
/
ˈfɪːrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 40
quarenta
ordinalAdjective
quadragésimo
verb
1. zonder water schoonmaken met een borstel
varrer
adjective
1. als of voor vegetariërs
vegetariano
/
ˈvɛilə(n)/
verb
1. verkopen op een openbare verkoping waar een prijs vastgesteld wordt
leiloar
adjective
1. niet aan gevaar blootstaand
seguro
noun
1. een situatie waarin een bepaald gevaar niets kan aanrichten
segurança
noun
1. een stevige band die iemand in een voer- of vliegtuig vasthoudt in zijn zetel ter bescherming tegen onverhoedse bewegingen
cinto de segurança
noun
1. een klep die een opening in een reservoir of een leiding afsluit en die geopend wordt als de inwendige spanning te hoog wordt
válvula de escape
pronoun
1. orgaan van de Verenigde Naties met als primaire verantwoordelijkheid ...
Conselho de Segurança das Nações Unidas
noun
1. een afsluitbare gebogen pin waarmee men twee stukken stof bijeen kan houden, voorzien van een veiligheidskapje dat voorkomt dat men zich eraan bezeren kan
alfinete de segurança
/
ˈvɛɪ̯.lɪŋ/, /
ˈvɛː.lɪŋ/
noun
1. een plaats waar goederen bij opbod of afslag verkocht worden
leilão
noun
2. afgestroopte huid
película
/
vɛlt/
noun
- 1. open stuk land
- 2. stuk land voor het bedrijven van een sport
- nog na te kijken
campo
/
ˈvɛltflɛs /
noun
1. een afsluitbare en draagbare fles, meestal uit metaal of plastic vervaardigd, die gebruikt wordt om de drager buitenshuis van vocht te voorzien
cantil
noun
1. Microtus arvalis, familie van de woelmuis
arvicola
noun
1. en 2. (bladeren van) kruidachtige plant Valerianella locusta
alface-de-cordeiro
canónigos
noun
1. een treffen tussen twee of meer legers
batalha
/
ˈvɛld.zyː.rɪŋ/, /
ˈvɛɫ.tsyː.rɪŋ/
noun
1. en 2. (bladeren van) de plant Rumex acetosa
azeda
/
vɛlx/, /
vɛlχ/
noun
1. de buitenrand van een wiel waar de band omheen zit
aro
verb
1. neer doen komen, doen vallen
abater
adjective
1. met betrekking tot de geslachtsziekten
venéreo
pronoun
1. een taal die in de Veneto-regio gesproken wordt
veneziano
/
/
pronoun
1. provincie in Italië
Veneza
/
ˌvenəzoˈlan/, /
ˌvenəzoˈlaːn/
noun
1. een inwoner van Venezuela
venezuelano
/
ˌvenəzyˈweːla/, /
ˌvenəzyˈβ̞ela/, /
ˌvenəzyˈβ̞eːla/
pronoun
1. een land in het noorden van Zuid-Amerika
Venezuela
noun
1. soort naaldboom (Taxus baccata)
teixo
noun
1., 2., 3. of 3. (zaad, bladeren of knol van) plant Foeniculum vulgare
funcho
noun
1. onderneming of bedrijf met meerdere aandeelhouders
sociedade
noun
1. muuropening om lucht en licht door te laten
janela
adjective
1. met betrekking tot de orgaanholte
ventricular
pronoun
1. planeet
Vênus
Vénus
adverb
1. op grote afstand
longe
distante
adjective
1. waarvoor men geen enkel respect kan opbrengen
abjecto
/
vərˈɑxtə(n)/, /
vərˈɑçtə(n)/
verb
1. in hoge mate minachten
desprezar
/
vərˈadəmɪŋ/
noun
1.
trégua
/
vɛ.ˈrɑf.sxy.wə(n)/
verb
1. afschuw hebben voor
odiar
verb
- 1. zodanig aan iets werken of iets behandelen dat het anders wordt
mudar
- 2. zodanig aan zichzelf werken of zichzelf behandelen dat men anders wordt
mudar
trocar
alterar
modificar
noun
1. iets dat anders is geworden
modificação
adjective
- 1. iets met extra verplichtingen of moeilijkheden om het goed te laten lopen
- 2. de verantwoordelijkheid hebbend
responsável
adverb
1. er op aangesproken kunnen worden als het niet goed gaat
responsável
noun
1. de verplichting om ervoor te zorgen dat iets goed verloopt
responsabilidade
verb
1. armer worden
empobrecer
adjective
1. met woorden
verbal
adverb
1. als je iets vreemd vindt omdat je het niet verwacht had
atónito
verb
1. iemand van regeringswege dwingen een bepaald gebied te verlaten
exilar
verb
1. door iets onverwachts gevoelsmatig treffen
surpreender
noun
1. grote verwondering
surpresa
/
vər.ˈbeːɫ.dɪŋ/, /
vər.ˈbɪːɫ.dɪŋ/, /
vɛr.ˈbeːl.dɪŋ(g)/
noun
2. iets visualiseren, ergens een beeld bij maken
imaginação
verb
1. iets ergens plaatsen waar het niet gemakkelijk door anderen gevonden wordt
ocultar
/
vər.ˈbe.tə,rɪŋ/
noun
1. een verandering ten goede
melhoria
/
vɛɾ.'bi:.dǝ(n)/
verb
1. een bepaalde handeling strafbaar stellen
proibir
verb
- 1. twee of meer onderdelen aan elkaar vastmaken
- 2. met iets of iemand contact maken via de telefoonlijn
conectar
/
vər.ˈbɪn.dɪŋ/, /
vɛr.ˈbɪn.dɪŋ(g)/
noun
1. verbinden of samenvoegen
conexão
noun
2. twee-personen-verhouding waarbij de ene tot een prestatie gerechtigd, de andere tot dezelfde verplicht is
obrigação
noun
1. een plaats waar men, al dan niet noodgedwongen, verblijft
paradeiro
verb
1. verstomd doen staan van verbazing
desconcertar
/
vərˈbɔt/
noun
1. strafmaatregel
proibição
verb
1. verteerd worden door vuur of hitte
queimar
verb
2. het stelselmatig veranderen van de uitgang van een naamwoord al naargelang de functie van het woord in de zin
flexionar
/
vər.ˈbœʏ̯.χɪŋ/, /
vər.ˈbœː.ɣɪŋ/
noun
1. naamwoordsflexie
declinação
verb
1. met een laagje chroom bedekken
cromar
noun
1. iemand die verdacht wordt
suspeita
verb
1. een zitting opschorten tot een nadere datum
adiar
verb
1. overgaan van een gecondenseerde fase, vast of vloeibaar, naar de gasfase
evaporar
verb
1. beschermen tegen een aanval
defender
verb
1. in kleinere stukken uiteendoen
dividir
verb
1. het vermoeden hebben van iets slechts
suspeitar
/
vər.ˈdɛŋ.kɪŋ/
noun
1. het vermoeden van het uitvoeren van een (strafbaar) feit
suspeita
/
vərˈdɪxtsəl/
noun
1. iets dat niet bestaat
invenção
verb
- 2. geld verkrijgen door arbeid of een andere prestatie
ganhar
- 1. het recht op een beloning of bestraffing verwerven
merecer
noun
2. goede, opbouwende daad
mérito
/
vɛr.ˈdi.pə(n)/
verb
1. dieper maken
aprofundar
/
vər.ˈdi.pɪŋ/
noun
- 3. alle ruimten op één hoogte in een gebouw
andar
- 1. het dieper maken
aprofundamento
verb
1. de pijnprikkel onderdrukken, bijvoorbeeld door het toedienen van een medicijn
anestesiar
noun
1. bereidheid om te aanvaarden dat anderen zich gedragen op een manier die je niet goed vindt
tolerância
noun
1. een gevoel van droefheid
tristeza
verb
- 1. driemaal zo groot maken
- 2. driemaal zo groot worden
triplicar
verb
1.uit het land verjagen
expelir
verb
1. in het water omkomen
afogar-se
verb
2. iets (m.n. geld) ontvreemden/stelen
desviar
verb
2. door toevoeging van oplosmiddel de concentratie verlagen
diluir
/
vərˈdʋɛɪnə(n)/
verb
- 1. wegraken
- 3. uit het zicht gaan
desaparecer
noun
1. het verdwijnen
desaparecimento
/
vərenˈvʌʊdəχtʃiˌnes/, /
vərenˈvʌːdəxtʃiˌnes/
phraseologicalUnit
1. het schrift waarmee het Chinees met name op het vasteland van China geschreven wordt
chinês simplificado
/
vɛrɛɪsə(n)/
verb
1. nodig hebben
exigir
/
vəˈrenəχt ˈkonɪŋkˌrɛɪ̯k/, /
vəˈreːnəxt ˈkoːnɪŋkˌrɛːk/, /
vəˈreːnɪx ˈkoːnɪŋkˌrɛɪ̯k/
pronoun
Reino Unido
/
vɛrenəɣdə arabisə emiratən/
pronoun
land in het Midden-Oosten, officieel de Verenigde Arabische Emiraten, vaak afgekord tot V.A.E.
Emiratos Árabes Unidos
Emirados Árabes Unidos
pronoun
1. unie van Egypte en Syrië van 1958 tot 1961, en de officiële naam van Egypte van 1961 tot 1971
República Árabe Unida
noun
Organização das Nações Unidas
pronoun
1. een land dat een groot deel van het Noord-Amerikaanse continent beslaat en opgedeeld is in vijftig staten
Estados Unidos da América
/
və.ˌre.nəx.də.ˈsta.tə(n).vɑn.ɑ.ˈmeː.ri.ka/, /
və.ˌreɪ̯.nəχ.də.ˌsta.tə(n).vɑn.ɑ.ˈmɪː.ri.ka/, /
vɛ.ˌʁe.nɪx.də.ˈsta.tə(n).va.na.ˈmeː.ʁi.ka/
pronoun
1. een land dat een groot deel van het Noord-Amerikaanse continent beslaat en opgedeeld is in vijftig staten
Estados Unidos da América
verb
1. afzonderlijke delen tot één geheel maken
unir
/
və.ˈre.nə.ɣɪŋ/, /
və.ˈre.nə.χɪŋ/, /
vər.ˈe.ni.ɣɪŋ(g)/
noun
1. groepering van mensen die op een bepaald doel gericht is
associação
verb
1. tot onderwerp van aanbidding hebben, eer bewijzen
venerar
verb
1. erger worden of maken
agravar
/
vɛrf/
noun
1. de algemene benaming voor een product dat bedoeld is om voorwerpen te beschermen...
tinta
verb
1. fijner of gevoeliger maken
refinar
noun
1. iets preciezer aangepast maken
refino
verb
1. mooier maken
embelezar
verb
1. Franstalig maken/worden
afrancesar
adjective
1. grote gevolgen hebbend
em grande parte
/
vər.ˈɣa.də.rə(n)/, /
vər.ˈχa.də.rə(n)/, /
vɛr.ˈɣa.də.rə(n)/
verb
1. in vergadering bijeenkomen, een vergadering bijwonen
conferenciar
/
vərˈɣadəˌrɪŋ/, /
vərˈχadəˌrɪŋ/
noun
1. een georganiseerde bijeenkomst voor bespreking en overleg
reunidos
verb
1. geel worden door veroudering of invloed van de omgeving
amarelar
adjective
1. goed te vergelijken
comparável
verb
1. de overeenkomsten en verschillen van twee zaken in beschouwing nemen
comparar
/
vɛrɣə'lɛɪkɪŋ/
abbreviation
- 1. relatie tussen twee zaken
comparação
- 2. wiskundige uitdrukking
equação
noun
1. het geel worden, m.n. door veroudering
amarelamento
verb
1. uit het geheugen verloren gaan
esquecer
verb
1. vergiffenis schenken
desculpar
perdoar
/
vərˈxevənsxəzɪnt/
adjective
1. klaar om anderen te vergeven
indulgente
clemente
/
'vɛrxəvɔrdərt/
adjective
1.
avançado
/
vərˈxit/
noun
1. teiltje met gaten
coador
/
vərˈɣɪf/
noun
1. iets dat levende wezens schaadt
veneno
tóxico
peçonha
noun
1. het iemand niet kwalijk nemen van iets; het kwijtschelden van een schuld
perdão
noun
1. een stof die in kleine hoeveelheden toegediend een zeer schadelijke of zelfs dodelijke werking heeft
veneno
verb
1. blootstellen aan een voor het lichaam schadelijke vreemde stof
envenenar
noun
de toestand van vergiftigd worden
envenenamento
verb
1. eerste betekenisomschrijving
errar
verb
1. aan iemand compensatie verlenen voor gemaakte kosten of geleden schade
compensar
noun
1. bolle lens waardoor de voorwerpen die men bekijkt groter lijken
lupa
/
vərˈɣrotəndə trɑp/
noun
1. de vorm die het bijvoeglijk naamwoord aanneemt in vergelijkingen
comparativo
noun
1. een toename in grootte
aumento
/
vər'xœyzə(n)/
verb
1.
difamar
verb
1. een voorwerp bedekken met een dun laagje goud
dourar
noun
1. een officiële (noodzakelijke) toestemming om een bepaalde activiteit uit te voeren
licença
/
vər'ɦal/
noun
1. verslag (mondeling of schriftelijk) van een waargebeurde of verzonnen gebeurtenis
conto
verb
3. iemand ~ vreugde bereiden
alegrar
verb
1. heviger worden
intensificar-se
verb
1. voorkomen, ervoor zorgen dat iets niet gebeurt
impedir
noun
1. een indringende ondervraging van een gevangene of verdachte
interrogatório
/
vərˈɦɔʊ̯.dɪŋ/, /
vərˈɦʌʊ̯.dɪŋ/, /
vɛrˈhaʊ̯.dɪŋ/
noun
- 3. een intieme, duurzame relatie tussen twee personen
caso
- 1.
proporção
- 2. de betrekking van personen onderling
relação
verb
1. een houtachtige structuur krijgen
lignificar
verb
- 1. van woonplaats veranderen
- 2. de inboedel van een ander overbrengen
mudar-se
/
vərˈhœʏzɪŋ/, /
vərˈhœːzɪŋ/
noun
1. de verwisseling van één (semi-) permanente woonplaats voor een andere
mudança
verb
1. iets niet openlijk zeggen of tonen
encobrir
verb
1. nagaan, controleren
verificar
verb
2. overgankelijk meer innerlijk, minder oppervlakkig maken
interiorizar
noun
1. de dag waarop iemand viert dat hij of zij geboren werd
aniversário
noun
1.
bolo de aniversário
noun
1. het niet meer afdwingbaar zijn van een vordering door het verloop van de tijd
prescrição
verb
1. jonger maken
rejuvenescer
/
vər'jɔŋɪŋ/
noun
2. vernieuwen van de (levens)krachten
rejuvenescimento
noun
1. het geheel van verplaatsingen waarbij goederen of personen vervoerd worden
tráfego
trânsito
noun
1. gestandaariseerd bord met aanwijzingen voor mensen in het verkeer
placa
placa de trânsito
noun
1. een installatie die middels gekleurde lichten het verkeer op een kruispunt regelt
semáforo
noun
2. militaire verkenning
reconhecimento
verb
1. iemand door een stemming een ambt doen toekomen
eleger
/
vər.ˈki.zɪŋ/, /
vɛr.ˈki.zɪŋ(g)/
noun
1. het kiezen door middel van stemming
eleição
/
vɛrˈklarə(n)/
verb
- 2. een officieel standpunt uitspreken
declarar
declinar
depor
- 1. duidelijk maken
explicar
desenovelar
desenrolar
explanar
/
vər.ˈkla.rɪŋ/, /
vɛr.ˈkla.rɪŋ(g)/
noun
1 het verklaren
explicação
/
vərˈklɛɪ̯nʋɔːrt/
noun
1. woord waardoor iets als klein of weinig wordt voorgesteld
diminutivo
noun
1. het verkopen (voor geld aan een ander geven)
venda
/
vərˈkopə(n)/
verb
1. goederen tegen betaling aan een nieuwe eigenaar geven
vender
noun
1. iemand die goederen of diensten verkoopt
vendedor
verb
1. iemand met geweld tot seksueel verkeer dwingen
estuprar
violentar
noun
1. een seksuele daad onder dwang
estupro
violação
verb
1. in bezit krijgen, verwerven
obter
/
vərˈlaxə(n)/
verb
1. op een lager peil brengen
abaixar
noun
1. een vermindering in hoogte of aantal
abaixamento
/
vər'lɑmə(n)/
verb
1. van het vermogen zich te bewegen beroven
paralisar
noun
1. toestand waarin men niet is staat is zich te bewegen
paralisia
noun
1. iets willen hebben
desejar
verb
- 2. in de steek laten
abandonar
- 1. weggaan
abandonar
partir
noun
1. een toestand van door allen verlaten zijn
abandono
adjective
1. voorbij
passado
anterior
noun
1. de voorafgaande tijd
passado
verb
1. tot kwaad brengen
tentar
/
vər.ˈlɛɪ̯.dɪŋ/, /
vər.ˈlɛː.dɪŋ/, /
vɛr.ˈlɛɪ̯.dɪŋ/
noun
1. het verleiden van iets of iemand
sedução
/
vərlenə(n)/
verb
1. iemand begunstigen met iets, iemand iets toestaan
conceder
/
vərˈlɛŋə(n)/
verb
- 1. langer maken
encompridar
- 2. langer laten duren
estender
noun
elektrisch snoer voorzien van stekker en contrastekker
extensão
verb
- 2. minder zwaar maken
aliviar
- 1. van licht voorzien
iluminar
noun
amoureuze gerichtheid op een bepaalde persoon
namoro
noun
1. het teloorgaan, kwijtraken
perda
verb
1. iets kwijt raken
perder
noun
1. iemand die in een spel, wedstrijd, onderhandeling of oorlog verliest
perdedor
noun
1. iets wat heel aantrekkelijk is, maar verkeerd en zondig is
tentação
noun
1. iemand die toegezegd heeft met een partner in het huwelijk te willen treden
noiva
/
vərˈloːrə(n)/
adjective
- 5.2. (Bijbel) verloren zoon
filho pródigo
- 5.3. (Bijbel) verloren schaap (afgedwaald van de kudde)
ovelha perdida
- 1-5.
perdido
noun
2. de beroepsmatige begeleiding tijdens iemands zwangerschap en de bevalling
partejamento
/
vər.ˈlɔ.sɪŋ/, /
vɛr.ˈlɔ.sɪŋ/
noun
1. de bevrijding van de gevolgen van de zonden van de mens door het geloof in Jesus
salvação
verb
1.aan lichaamsgewicht verliezen
emagrecer
verb
1. iemand prettig en leuk bezighouden
divertir
recrear
verb
1. een feit noemen in een verhaal of tekst
mencionar
verb
1. het herhaald optellen van een getal; een rekenkundige bewerking waarvan de uitkomst het product wordt genoemd
multiplicar
/
vər.ˌme.nəx.ˈvʏɫ.də.ɣɪŋ/, /
vər.ˌme.nəχ.ˈvʏɫ.də.χɪŋ/, /
vɛr.ˌme.nɪx.ˈvʏl.di.ɣɪŋ(g)/
noun
- 1 .een vermeerdering tot een veelvoud van het oorspronkelijke aantal
multiplicação
- 2.een voortplanting
procreazione
/
vərˈmɛi̯də(n)/
verb
1. trachten te ontwijken
evitar
esquivar
evadir
poupar
presumir
prevenir
noun
- 1. bepaalde rode kleurstof op basis van kwik(I)sulfide, HgS
encarnado
- 2. naar oranje zwemende dieprode kleur
vermelhão
verb
- 2. doen afnemen in aantal, kleiner maken
- 1. afnemen in aantal, kleiner worden
diminuir
noun
1. verkleining
diminuição
verb
1. iemands lichaam blijvend en misvormend letsel toebrengen
mutilar
conjunction
1. omdat of aangezien, geeft onderschikkend een reden aan
porque
adjective
1. naar men denkt, maar niet zeker weet
suposto
noun
1. een waarschijnlijke waarheid
conjectura
conjetura
/
vərˈmoχə(n)/
noun
2. de kwaliteiten om iets te kunnen doen
potência
verb
1. gewelddadig van het leven beroven
assassinar
noun
1. versterkte wijn, op smaak gebracht met aromatische planten en kruiden
vermute
adjective
1. van iets dat het je eer aantast
humilhante
verb
1. een einde maken aan, het bestaan uitwissen van, volledig tenietdoen
aniquilar
noun
1. einde maken aan het bestaan van iets
destruição
adverb
1. gevoelens koesterend dat men te na gekomen is
indignado
/
və.rɔn.ˈtʋar.də.χɪŋ/, /
və.rɔn.ˈtβ̞ar.də.ɣɪŋ/, /
vɛr.ɔnt.ˈwar.di.ɣɪŋ(g)/
noun
1. boosheid
indignação
verb
1. in een rechtszaak een oordeel uitspreken
amaldiçoar
verb
1. de oorzaak zijn van
causar
/
vərovərə(n)/
verb
1. een gebied door een militaire operatie in zijn macht nemen
conquistar
noun
- 1. iemand die beroepshalve patiënten verpleegt
- 2. een deskundige in de verpleegkunde
enfermeira
noun
1. vrouw die zorg verleent aan zieken of gewonden
enfermeira
verb
1. een zieke verzorgen
tratar
adjective
1. vernietigend
arrasador
adjective
1. door iets of iemand gedwongen
obrigatório
verb
1. tot regel maken dat iets moet
obrigar
/
vər.ˈplɪx.tɪŋ/, /
vər.ˈplɪχ.tɪŋ/, /
vɛr.ˈplɪx.tɪŋ(g)/
noun
1. iets dat moet
obligação
/
vəˈraːt/
noun
1. het schenden van trouw
traição
verb
2. een geheim prijsgeven
trair
noun
1. iemand die verraad pleegt
traidor
verb
- 1. iemand onverwachts met iets confronteren
- 2. iemand onverwachts verblijden
surpreender
/
və.ˈra.sɪŋ/, /
və.ˈrɑ.sɪŋ/, /
vɛ.ˈrɑ.sɪŋ(g)/
noun
1. een geheel onverwachte gebeurtenis
surpresa
/
ˈvɛrəˌkɛːkər/, /
ˈvɛrəˌkɛːɪkər/
noun
1. een optisch instrument om voorwerpen op grote afstand te kunnen waarnemen door het vergrotend effect van het instrument
binóculo
luneta
verb
1. rijker maken
enriquecer
noun
- 2. dichtregel
- 3. couplet
verso
noun
- 1. militaire versterking
- 2. reling van een schip
amurada
/
vər'sxɛɪnə(n)/
verb
1. aan het licht treden, zichtbaar worden
aparecer
/
vɛrsxɛɪnsəɫ/
noun
1. iets dat zich voordoet
fenômeno
noun
1. een aspect dat bij vergelijking anders is
diferença
verb
1. in bepaalde opzichten niet hetzelfde zijn
diferir
adverb
1. zo erg dat men er van schrikt
terrível
verb
1. het verbranden van materiaal zonder aanwezigheid van vuur
queimar
verb
1. door uitdroging rimpelig en klein worden
murchar
adjective
1. verplicht om aan iemand te geven
endividado
/
ˈfɛrsi/
noun
- 1. specifieke vorm of variant van een uitgave
- 2. bepaalde verklaring of interpretatie van een gebeurtenis
versão
/
vɛrˈsi:rə(n)/
verb
1. iets meer aantrekkelijk of mooier maken
adornar
noun
1. iets aangebracht om het uiterlijk fraaier te maken
ornamento
noun
1.iemand die verslaafd is aan iets
adicto
verb
1. een definitieve overwinning boeken op een tegenstander
abater
verb
1. te lang blijven slapen met als gevolg dat men een afspraak mist
adormecer
verb
1. slechter worden
deteriorar
verb
1. door veelvuldig gebruik onbruikbaar worden of maken
gastar
verb
1. grote hoeveelheden geheel verorberen
devorar
verb
1. een grotere snelheid (doen) bereiken
acelerar
noun
1. toename van het tempo
aceleração
noun
1. een schakelinrichting aan een motorvoertuig om van de ene naar de andere versnelling te gaan
caixa de câmbio
verb
1. tot splinters maken
esfarpar
noun
te controlerende vertalingen
juízo
verb
2. het aantal vergroten
reforçar
noun
1. signaalversterker
amplificador
/
vər.ˈstɛr.kɪŋ/, /
vɛr.ˈstɛr.kɪŋ(g)/
noun
2. extra hulp in probleemsituaties
reforço
verb
1. doen stikken
abafar
/
vərˈstɔ.pər.tjə/
noun
esconde-esconde
noun
- 2. verspreiding over een groter gebied dan oorspronkelijk het geval was
distração
- 1. amusement
diversão
noun
1. in de poëzie gebruikte term voor een combinatie van beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen
pé
verb
1. omzetten van geschreven of gesproken informatie naar een andere taal
traduzir
/
vərˈtalɪŋ/
noun
1. iets dat vertaald is
tradução
noun
1. iemand die de plaats van een ander inneemt
representante
verb
1. een al of niet ware gebeurtenis verhalen
contar
noun
1. een verhaal dat bedoeld is om verteld te worden
conto
verb
1. voedsel afbreken
digerir
verb
1. een voorwerp bedekken met een dun laagje tin
estanhar
verb
1. langzamer doen worden
abrandar
noun
2. de actie van het vertrekken of weggaan
abalada
partida
noun
1. het geloof in betrouwbaarheid van een persoon
confiança
confidência
noun
- 1 verslechteren
apodrecimento
- 3 verschil in waterstand
decadência
/
vər.ˈvɑɫ.sɪŋ/, /
vɛr.ˈvɑl.sɪŋ(g)/
noun
1. een artefact opzettelijk nagemaakt om mensen in de waan te brengen dat het echt is
falsificação
/
vər'vɑŋə(n)/
verb
1. het ene de plaats doen innemen van het andere
substituir
verb
1. met verf bestrijken
pintar
colorin
verb
1. iets viermaal zo groot maken
quadruplicar
verb
1. iets vijfmaal zo groot maken
quintuplicar
verb
A.1 omvormen van een werkwoord om wijze, tijd en persoon uit te drukken
conjugar
/
vər.ˈvu.ɣɪŋ/, /
vər.ˈvu.χɪŋ/, /
vɛr.ˈvu.ɣɪŋ(g)/
noun
1. werkwoordsflexie
conjugação
verb
1. personen of objecten naar een andere plek brengen
transportar
noun
1. voorwerp bestemd om personen of goederen naar een andere plaats te brengen
veículo
/
vər'vɔlɣən/
verb
2. niet rusten voor iemand bestraft of geweld aangedaan is
perseguir
noun
2. het vervolgen of vervolgd worden
perseguição
verb
1. de vorm van iets doen veranderen, meestal ten nadele ervan
deformar
verb
1. vreemd maken, van eigenaar doen wisselen
alienar
noun
2. overdracht van het eigendom
alienação
verb
1. vrouwelijk maken
feminizar
verb
1. het (doen) uitkomen van een voorspelling of belofte
cumprir
adjective
1. zich boven anderen verheven voelend
convencido
adjective
1. niet de moeite om zich met iets bezig te houden
desprezável
verb
1. iets niet de benodigde verzorging schenken
negligenciar
verb
1. ergens van uitgaan
esperar
/
vər.ˈʋɑχ.tɪŋ/, /
vər.ˈβ̞ɑx.tɪŋ/, /
vɛr.ˈwɑx.tɪŋ(g)/
noun
datgene wat verwacht wordt
expectativa
adjective
- 1. geparenteerd, familie zijnd
aparentado
- 2. op een of andere wijze gerelateerd
relacionado
noun
2. overeenkomst, affiniteit
relacionamento
/
vər.ˈʋɑr.mɪŋ/, /
vər.ˈβ̞ɑr.mɪŋ/, /
vɛr.ˈwɑr.mɪŋ(g)/
noun
- 1. het proces van verwarmen
calefação
- 2. een installatie die voor het verwarmen zorgt
calefação
aquecimento
verb
2. aan erosie blootstaan
desgastar-se
/
vərˈʋɛrkə(n)/
verb
1. een grondstof of halffabrikaat gebruiken om een eindproduct te vervaardigen
digerir
noun
1. het verkrijgen van iets
aquisição
noun
1. het verwijderen
eliminação
/
vər'wɛift/
adjective
1.
abichanado
/
vər'ʋɛɪzə(n)/
verb
1. naar iets of iemand anders wijzen of sturen
encaminhar
/
vər.ˈʋɪ.sə.lɪŋ/, /
vər.ˈβ̞ɪ.sə.lɪŋ/, /
vɛr.ˈwɪ.sə.lɪŋ(g)/
noun
1. het verwisselen van twee zaken
confusão
verb
1. ~ van iemand ergens van op de hoogte brengen
avisar
verb
1. totaal vernielen
devastar
noun
1. lichamelijk letsel
ferida
verb
1. minder erg maken
amolecer
/
vər.ˈza.kɪŋ/, /
vɛr.ˈza.kɪŋ(g)/
noun
1. het verzaken
abjuração
verb
1. bijeenbrengen
colecionar
/
vər.ˈza.mə.lɪŋ/, /
vɛr.ˈza.mə.lɪŋ(g)/
noun
- 1. meerdere voorwerpen...
- 2. wiskundige verzameling
coleção
/
vərzekərar/
noun
1. een bedrijf dat tegen betaling van een premie een bepaald risico voor een klant dekt
segurador
verb
1. verklaren dat iets ...
assegurar
/
vər.ˈze.kə.rɪŋ/, /
vɛr.ˈze.kə.rɪŋ(g)/
noun
1. overeenkomst waarmee men zorgt voor vergoeding van schade, diefstal e.d...
seguro
noun
1. handelingen gericht tegen de heersende macht of de aanvallende vijand
resistência
noun
1. beweging van het verzet, de gezamenlijke mensen die zich verzetten tegen een overheerser
movimento de resistência
verb
1.een voorwerp bedekken met een dun laagje zilver
pratear
verb
4. met een laag zink afdekken
galvanizar
verb
1. aan iemand vragen iets al dan niet te doen
pedir
solicitar
verb
1. vrede laten sluiten
reconciliar
verb
1. zuur (doen) worden
acidificar
noun
1.zuur worden van het milieu
acidificação
/
vɛrzʋɑkə(n)/
verb
1. zwakker maken
enfraquecer
noun
1. een mouwloos jasje, te dragen onder de jas van het kostuum
colete
adjective
1. dik, vet inhoudend
gordo
noun
- 1. gladde, zeer vette vloeistoffen, smeermiddelen
- 2. gespecialiseerd dierlijk weefsel
gordura
noun
- 1. een voormalig militair die gevochten heeft, een uitgediend krijgsman
- 2. een ervaren en oud persoon in een bepaald onderwerpgebied, zoals een sporter, geleerde, etc.
veterano
verb
1. een dier/persoon overvloedig en calorierijk voedsel aanbieden zodat deze in gewicht aankomt
engordar
noun
ziekelijke vetafzetting in menselijke weefsels
obesidade
/
ˈvɛtzyr/
noun
1. een keten van ten minste twee koolstofatomen en een carboxylgroep
ácido graxo
noun
1. jong van bepaalde hoefdieren als het paard, de ezel, de kameel en de zebra
potro
patim
noun
1. een vezel is een lang, dun filament waarvan de lengte ten minste drie keer groter is dan de doorsnede
fibra
noun
1. marimba met metalen toetsen en vibratosysteem
vibrafone
pronoun
1. Australische deelstaat gelegen in het zuidoosten van het land
Vitória
noun
1. elektronisch spel, met beelden op een monitor of tv
videogame
/
viːr/
noun
1. het getal tussen de drie en de vijf
quatro
/
ˈviːrdə/
ordinalAdjective
1. nummer vier in een rij
quarta
verb
1. een feest vieren
celebrar
cardinalNumeral
1. het getal 34
trinta e quatro
cardinalNumeral
1. het getal 84
oitenta e quatro
cardinalNumeral
1. het getal 24
vinte e quatro
cardinalNumeral
1. het getal 44
quarenta e quatro
cardinalNumeral
1. het getal 54
cinqüenta e quatro
cardinalNumeral
1. het getal 64
sessenta e quatro
/
ˈvirənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 74
setenta e quatro
noun
1. een geometrische tweedimensionale vorm, bestaande uit vier hoeken en derhalve ook vier zijden
quadrilátero
/
ˈviːrˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 400
quatrocentos
/
ˈviː.rɪŋ(g)/, /
ˈviː.rɪŋ/
noun
1. het vieren
celebração
adjective
1. met de vorm van een vierkant
quadrado
noun
1. geometrische tweedimensionale vorm, bestaande uit 4 gelijke hoeken van 90 graden en 4 zijden met gelijke lengte
quadrado
noun
1. dat getal dat met zichzelf vermenigvuldigd een gegeven getal oplevert
raiz quadrada
adjective
1. van een dier of voorwerp dat het vier voeten heeft
quadrúpede
adjective
1. smerig
sujo
imunda
imundo
suja
pronoun
1. de officiële taal van Vietnam
vietnamita
noun
1. waakzaamheid
vigilância
noun
1. iemand met wie men op voet van oorlog leeft
inimigo
adjective
1. van de vijand
inimigo
adjective
1. zich als een vijand gedragend
hostil
noun
1. een toestand van op voet van oorlog zijn
inimizade
/
vɛi̯f/
cardinalNumeral
1. het getal 5
cinco
/
ˈvɛɪ̯f.də/, /
ˈvɛɪ̯v.də/, /
ˈvɛːv.də/
ordinalAdjective
1. nummer vijf in een rij
quinto
cardinalNumeral
1. het getal 35
trinta e cinco
ordinalAdjective
1. nummer vijfendertig in een rij
trigésimo quinto
cardinalNumeral
1. het getal 95
noventa e cinco
cardinalNumeral
1. het getal 85
oitenta e cinco
cardinalNumeral
1. het getal 25
vinte e cinco
cardinalNumeral
1. het getal 45
quarenta e cinco
cardinalNumeral
1. het getal 55
cinqüenta e cinco
cardinalNumeral
1. het getal 65
sessenta e cinco
/
ˈvɛifənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 75
setenta e cinco
noun
1. een geometrische tweedimensionale vorm, bestaande uit vijf hoeken en derhalve ook vijf zijden
pentágono
/
ˈvɛi̯fˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 500
quinhentos
noun
1. atletiekmeerkamp met vijf onderdelen
pentatlo
/
ˈvɛi ̯ftin/
cardinalNumeral
15
quinze
ordinalAdjective
décimo quinto
/
ˈfɛi̯ftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 50
cinquenta
cinqüenta
ordinalAdjective
quinquagésimo
noun
1. vrucht van de vijgenboom
figo
noun
1. tropische boom
figueira
noun
1. een werktuig met een ruw, gegroefd of gekerfd oppervlak dat het mogelijk maakt dunne lagen van een voorwerp te verwijderen
lima
noun
1. tamelijk klein door de mens aangelegd water
tanque
/
ˈvikɪŋ/
noun
1. Scandinavische krijger, behorend tot de noordelijke tak van de Germanen
viking
noun
1. een groot en vrijstaand huis
mansão
verb
1. van het vel ontdoen
esfolar
noun
door langdurig bewerken verdichte wol
feltro
/
ˈvɪltə(n)/
adjective
1. van vilt gemaakt
feltrar
/
ˈvɪltə(n)/
verb
1. tot vilt maken
feltrar
/
vɪn/
noun
1. uitstekend lichaamsdeel van vissen en andere aquatische dieren
barbatana
nadadeira
/
'vɪndə(n)/
verb
- 2. iets bedenken
- 4. iets ondervinden, iets ten deel krijgen
- 3. iets op een bepaalde wijze beschouwen of ervaren
achar
- 1. iets aantreffen nadat ernaar gezocht is
encontrar
achar
noun
1. de mate waarin iemand goed is in het vinden van nieuwe oplossingen
engenhosidade
noun
1. extremiteiten van de hand
dedo
/
ˈvɪ.ŋər.ˌɑf.drʏk/, /
ˈvɪ.ŋər.ˌɑv.drʏk/
noun
1. een afdruk op een oppervlak van een vinger met meestal de unieke, persoonsgebonden figuur...
impressão digital
/
'vɪŋərə(n)/
verb
1. met de hand of vinger bevredigen
dedilhar
/
'vɪŋərˌɦut/
noun
1. hard dopje dat het eerste kootje van de vinger beschermt bij het naaien
dedal
noun
topje van een vinger
ponta do dedo
noun
1. het heel snel zaken met de vingers kunnen verrichten
ilusionismo
noun
1. knie- of beenviool
viola de gamba
noun
1. (kleur) een kleur tussen blauw en ultraviolet, met een golflengte tussen de 430 en 380 nm
violeta
noun
1. musicus die een viool bespeelt
violinista
noun
1. strijkinstrument
violino
noun
1. benaming voor planten uit het geslacht Viola
violeta
adjective
1. door een virus veroorzaakt
viral
noun
1. toetsinstrument
virginal
noun
1. (beroep) deskundige op het gebied van virussen en virusziekten
virologista
noun
- 1. Pisces, gewerveld dier met kieuwen, levend in water
- 2. het vlees van een vis
peixe
noun
1. Pandion haliaetus, een vooral visetende roofvogel die de enige soort uit de familie Pandionidae is
águia-pesqueira
noun
1. stroperigheid van een vloeistof of gas
viscosidade
noun
1. de wijze waarop men zaken beoordeelt of beschouwt
opinião
/
vizi'ɣotis/
adjective
1.
visigótico
noun
1. een droombeeld
visão
noun
1. vlechtwerk van touw om zeedieren te vangen of in water te bewaren
rede de pesca
noun
1. vloeibare substantie gemaakt van vergiste vis
molho de peixe
pronoun
2. teken van de dierenriem, traditioneel behorend bij geboortedata van ongeveer 19 februari tot 21 maart
Peixes
verb
1. proberen te vangen
pescar
catar
noun
1. iemand die beroepsmatig vist
pescador
/
vizyʋel/
adjective
1. betreffende het zicht, betreffende het zienbare
visual
noun
- 1. het vangen van vis
pesca
- 2. hoeveelheid gevangen vis
pescato
noun
1. een stof die het lichaam in kleine hoeveelheden nodig heeft, maar niet of bijna niet door het lichaam zelf aangemaakt kan worden en derhalve in voldoende mate via voedsel of supplement ingenomen moet worden
vitamina
noun
1. een richttoestel op de loop van een vuurwapen
mira
noun
± vloeibaar dessert van zuivel, eieren en vanille, evt. verdikt met zetmeel
natilla
adjective
1. betrekking hebbende op Vlaanderen of de Vlamingen
flamengo
pronoun
1. Nederlands zoals dat in Vlaanderen gesproken wordt
Flamengo
flamengo
noun
1. bepaald soort kraaiachtige vogel, Garrulus glandarius
gaio
pronoun
1. de noordelijke deelstaat van België
Flandres
/
vlɑχ/
noun
1. lap stof met een vast patroon van kleuren die gevoerd wordt als symbool van een organisatie, beweging of natie
bandeira
estandarte
lábaro
pavilhão
pendão
/
ˈvlɑɣəˌsxɪp/
noun
1. schip waarop zich de bevelvoerder over een vloot of eskader bevindt
navio-almirante
/
vlɑk/
adjective
1. zonder bergen of dalen
plano
noun
stuk rubber dat door wrijven potloodschrift van papier kan verwijderen
borracha
noun
1. gebied met weinig of geen hoogteverschillen
planície
noun
1. kleinste vorm van vuur
chama
/
'vlamɪŋ/
noun
1. een inwoner van Vlaanderen of iemand afkomstig uit Vlaanderen
flamengo
noun
1. een gebonden pluk haar
trança
/
ˈvlɛx.tə(n)/, /
ˈvlɛχ.tə(n)/
verb
1. in elkaar strengelen
trançar
entrançar
noun
1. klein vliegend zoogdier
morcego
noun
- 1. spierweefsel van bepaalde organen
- 2. spierweefsel van dieren dat opgegeten kan worden als onderdeel van de voeding
carne
noun
1. een vleesetend dier
carnivora
adjective
1. te vriendelijk
lisonjeiro
noun
1. een vieze plek
mancha
noun
- 1. lichaamsdeel van bepaalde diersoorten
- 2. onderdeel van een vliegtuig
- 5. een deel van een leger
asa
noun
1.iemand die bevelen van een hoger geplaatst persoon overbrengt
ajudante de campo
noun
1. gevleugelde vrucht
sâmara
/
'vløxəlspelər/
noun
1.
extremo
/
vlix/, /
vliχ/
noun
1. tweevleugelig insect
mosca
noun
1. groot vaartuig dat is ingericht voor het opstijgen, landen, vervoer en onderhoud van meerdere vliegtuigen
porta-aviões
/
ˈvli.ɣə(n)/, /
ˈvli.χə(n)/
verb
1. zich door de lucht voortbewegen
voar
noun
1. benaming voor zeevissen uit de familie Exocoetidae
peixe-voador
noun
1. een apparaat om een vlieg mee dood te slaan
abana-moscas
noun
1. bepaald soort paddenstoel, Amanita muscaria
agário-das-moscas
mata-moscas
noun
1. een voorwerp dat door de wind aan een draad in de lucht opgelaten kan worden
pipa
/
ˈvlixtœːx/, /
ˈvliχtœʏχ/
noun
1. vervoermiddel dat speciaal ontworpen is voor het reizen door de lucht
avião
aeroplano
/
ˈvlixfɛɫt/
noun
1. een terrein waar vliegtuigen kunnen landen en opstijgen
aeroporto
noun
1. sneldraaiend wiel met grote massa
volante
/
'vlirbɛs/
noun
1. bessen van de gewone vlier
baga de sabugueiro
noun
1. benaming voor nectar etende insecten uit de orde Lepidoptera
borboleta
mariposa
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Siphonaptera
pulga
noun
1. verhoging van de waterstand
preamar
adjective
1. in staat te vloeien, gezegd van de aggregatietoestand van stoffen die niet vast en niet gasvormig zijn
líquido
/
ˈvlujə(n)/
verb
1. zacht stromen
fluir
adjective
2. zonder haperingen een taal kunnen spreken
fluente
noun
1. een stof in die aggregatietoestand waarin het geen eigen vorm heeft, maar wel een eigen volume
líquido
líqüido
noun
1. bewust uitgesproken wens om iemand kwaad of leed aan te doen
maldição
verb
1. uitroepen van vloekwoorden, beledigende taal gebruiken
praguejar
/
vlur/
noun
chão
assoalho
piso
/
vloːt/
noun
1. bij elkaar horende schepen
frota
noun
1. een drijvende constructie
jangada
balsa
noun
1. het zich door luchtruim bewegen
voo
vôo
/
'vlɵxtəlɪŋ/
noun
1.
refugiado
/
vlɵxtə(n)/
verb
1. (onovergankelijk) trachten te ontkomen aan dreigend gevaar
fugir
noun
1. snel en oppervlakkig seksueel contact
rapidinha
pronoun
1. wereldwijde organisatie waarin alle landen kunnen samenwerken
ONU
noun
1. de vijfde naamval waarin een naamwoord staat dat aanduidt tot wie het woord wordt gericht
vocativo
noun
1. de mate van vocht
humidade
verb
1. van voedsel voorzien
alimentar
/
ˈvu.dɪŋ(g)/, /
ˈvu.dɪŋ/
noun
1. voedsel
nutrição
noun
1. toevoeging aan voeding
aditivo alimentar
noun
1. voedingsmiddel dat bedoeld is als aanvulling op de normale voeding
suplemento alimentar
noun
1. alles wat een organisme tot zich neemt om het metabolisme in werking te houden
alimento
/
ˈvuxʋoːrt/
noun
conjunção
verb
1. gewaarworden door aanraking, meestal met betrekking tot temperatuur of druk
sentir
/
ˈvuː.rɪŋ(g)/, /
ˈvuː.rɪŋ/
noun
1. de binnenbekleding van een voorwerp
forro
pronoun
sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Auriga
/
ˈvuːrtœx/, /
ˈvuːrtœyx/
noun
1. vervoermiddel over land
veículo
noun
- 1. voortzetting van het been beneden de enkel
- 3. oude lengtemaat
pé
/
ˈvut.bɑɫ/
noun
1. een balsport waarbij twee teams van 11 spelers met hun voeten (of hoofd) een bal in het doel van de tegenstander proberen te krijgen
futebol
bola de futebol
noun
1. iemand die zich te voet door het verkeer verplaatst
pedestre
/
'vutpɑt/
noun
1. een pad voor voetgangers
caminho
senda
noun
1. een onderstel voor o.a. beelden en vazen
pedestal
noun
1. de onderzijde van de voet
planta do pé
sola
/
ˈvoːɣəl/, /
ˈvoχɔɫ/
noun
1. een gewerveld dier (Aves) met twee vleugels, twee poten, een snavel en veren...
pássaro
ave
noun
1. enige zoogdier met een snavel, Ornithorhynchus anatinus
ornitorrinco
noun
1. grote behaarde spin die leeft in de tropische streken
tarântula
noun
1. manshoge pop
espantalho
noun
1. het geluid dat vogels maken
assobio
/
vɔl/, /
vɔɫ/
adjective
1. geheel gevuld
cheio
pleno
pronoun
1. een kunstmatige taal die in 1880 door Johann Martin Schleyer gemaakt werd
volapuque
volapuk
verb
1. geheel uitvoeren
concretizar
indefinitePronoun
1. toereikend, genoeg
suficiente
/
'vɔlxə(n)/
verb
1. achterna gaan
seguir
adjective
1. dat later komt
seguinte
próximo
preposition
1. geeft een bron aan voor de gegeven redenering
segundo
/
vɔlk/
noun
- 4. een aantal mensen
pessoa
- 1. een groep mensen die een aantal dingen gemeenschappelijk hebben, zoals afstamming, taal, gewoontes of overlevering
- 2. de inwoners van een land
povo
pronoun
Sociedade das Nações
noun
1. brood van meel met zemelen
pão integral
noun
1. tarwe met zemelen en kiem
trigo integral
noun
1.
etimologia popular
pseudoetimologia
noun
1. lied dat dienst doet als symbool voor een volk of een natie
hino nacional
/
'vɔlkstɛlɪŋ/
noun
1.
censo
/
ˈvɔlks.tœʏn/
noun
2. moestuin beschikbaar gesteld aan stadsbewoners
horta
noun
1. verhaal dat (ook) mondeling wordt overgedragen
conto popular
noun
1. fase of schijngestalte van de maan, waarbij de naar de aarde gekeerde zijde, geheel door de zon wordt verlicht en daardoor zichtbaar is
lua cheia
noun
1. de fase of schijngestalte van de maan, waarbij de naar de aarde gekeerde zijde, geheel door de zon wordt verlicht en daardoor zichtbaar is
lua cheia
noun
- 1. spel
- 2. bal
voleibol
/
vɔlˈmaːkt/
adverb
1. zonder enig gebrek
perfeito
noun
1. rechtsbevoegdheid om namens een ander te handelen
procuração
verb
1. overvol maken door er nog iets bij te duwen
abarrotar
adverb
1.
de tempo integral
noun
1. spanningmeter
voltímetro
noun
pretérito mais-que-perfeito
noun
- 1. ruimtelijke capaciteit
- 3. fysieke informatiedrager
volume
adjective
1. vrijwillig
voluntária
voluntário
adjective
1. een leeftijd bereikt hebbend waarop men volgroeid en onafhankelijk kan zijn
adulto
noun
1. iemand die volgroeid is
adulto
noun
1. een gloeiend korreltje of brokstukje
faísca
centelha
noun
1. een beslissing van een rechter in dagvaardingsprocedures
sentença
veredicto
noun
1. Haïtiaanse religie
vodu
/
voːxt/
noun
1. belangenbehartiger van minderjarige
tutor
/
vor/
noun
1. ploegsnede
rego
sulco
/
vor/
preposition
- 4. eerder in tijd
antes
antes de
- 7. ten behoeve van, ten gunste van
para
conjunction
1. in die mate als
assim como
noun
2. periode voorafgaand aan een bepaalde gebeurtenis of datum
véspera
noun
1. iets ter navolging
exemplo
verb
1. handelingen verrichten die een latere gebeurtenis mogelijk moeten maken
preparar
/
ˈvor.bə.rɛɪ̯.dɪŋ(g)/, /
ˈvor.bə.rɛː.dɪŋ/, /
ˈvo̝r.bə.rɛɪ̯.dɪŋ/
noun
1. het voorbereiden
preparação
adjective
1. wat al in het verleden ligt
passado
anterior
/
vorˈbɛɪ̯ɣan/, /
vorˈbɛːɣan/, /
vo̝rˈbɛɪ̯χan/
verb
- 1. langs een bepaald punt gaan.
- 2. tot verleden gaan behoren
passar
/
ˈvorbodə/
noun
1. vooruitgestuurde bode (letterlijk)
arauto
noun
- 2. aangename eigenschap
benefício
- 3. (tennis)
- 1. profijt
vantagem
/
'voːrdøːr/
noun
1. de hoofddeur aan de voorzijde van een woning
porta da rua
/
ˈvoːrˌdrɪ.ŋə(n)/
verb
furar a fila
noun
1. de persoon die voorafgaand aan een zeker persoon dezelfde positie bekleedde
antecessor
predecessor
/
vɔːr.'ɦɑn.də(n)/
adjective
1. beschikbaar, voorradig
à mão
noun
1. het deel van het gezicht tussen de wenkbrauwen, de normale haarlijn en de slapen
testa
fronte
noun
1. voorhuid van penis
prepúcio
/
vorɪ'nxənomə(n)/
adjective
1.
preconceituoso
noun
1. het opruimen en poetsen van een woning in het voorjaar
limpeza de primavera
/
ˈvoːrkør/
noun
1. de neiging tot kiezen van het één boven het ander
preferência
/
'vɔːr.ko.mə(n)/, /
vɔːr.'ko.mə(n)/
verb
1. met regelmaat ergens te vinden zijn
ocorrer
verb
1. hardop een tekst lezen ten aanhoren van anderen
ler
/
vorˈlopəx/, /
vorˈlopəç/
adjective
1. tijdelijk in afwachting van iets definitiefs
provisório
noun
1. naam die bij de geboorte aan een persoon wordt gegeven, en die aan de familienaam voorafgaat.
prenome
/
ˈvɔːr.nam.ˌʋɔːrt/
noun
1. een woord dat verwijst naar iets anders zonder ze te noemen
pronome
adverb
1. in hogere mate
principalmente
verb
1. vooraf voor waar aannemen van een stelling om hiermee tot een conclusie te komen
pressupor
verb
1. vooropstellen
pressupor
noun
1. iemand van wie afgestammen wordt
antepassado
noun
1. glazen vlak aan de voorkant van een voertuig dat zorgt voor zicht op de weg en bescherming tegen weer en wind
para-brisa
/
'vɔːrsxrɛɪvə(n)/
verb
1. een schriftelijke opdracht geven
prescrever
noun
3. liefdesspel als opmaat voor seks
preliminares
adjective
1. van tevoren te verwachten
predizível
noun
1. de mate waarin het mogelijk is betrouwbare voorspellingen te doen
previsibilidade
verb
1. een uitspraak doen over toekomstige gebeurtenissen
predizer
noun
1. hetgeen dat voorgesteld wordt
proposta
verb
- 2. een beeld geven
apresentar
- 1. een plan voorleggen
propor
adverb
1. van nu af aan, in het vervolg
a partir de agora
noun
1. signaal dat aan een gebeurtenis voorafgaat
presságio
noun
1. het voortzetten van iets
prestação
noun
1. het proces van technologische en economische groei van een samenleving
progresso
/
ˈvoːrvuxsəɫ/
noun
1. een gebonden morfeem dat voor een ander woord geplaatst wordt om iets aan de betekenis toe te voegen
prefixo
noun
1. omstandigheid die noodzakelijk is of gemaakt wordt wil iets anders plaats of...
condição
noun
1. een object, iets dat fysiek bestaat
objecto
noun
1. een onverbuigbaar woord dat de aard van de relatie tussen verschillende elementen in de zin aangeeft
preposição
/
vɔːrˈzɪxtəx/
adverb
1. op een oplettende manier
cuidadoso
/
vɔːr.'zin/
verb
- 1. herkennen als toekomstige ontwikkeling
prever
- 2. beschikbaar maken, voorzorgen treffen voor
prover
noun
1. hoofd van een bestuur, leider van een vergadering
presidente
/
vɔɾ.dǝ.ɾɪŋ/
noun
1. vooruitgang, progressie
progresso
/
'vɔː.rə/
noun
1. ploegsnede
rego
sulco
indefiniteOrdinalNumeral
1. degene die of datgene dat eerder een positie innam
passado
anterior
noun
- 2. voorwerp bestaande uit een greep en (meestal 3 of 4) tanden, waarmee vast voedsel wordt gegeten
- 1. aftakking van een boomtak of van een weg
- 5. (schaak) situatie waarbij één eigen stuk tegelijkertijd twee of meer vijandelijke stukken aanvalt
- 3. bepaald landbouwwerktuig (vergelijk met hooivork, mestvork)
- 4. fietsonderdeel waarin het wiel wordt bevestigd: telescopische vork, voorvork en achtervork
garfo
noun
1. ruimtelijke begrenzing van een voorwerp
forma
verb
- 1. in de juiste vorm brengen
- 2. deel uitmaken van, fungeren als bouwsteen van
formar
/
vɔrst/
noun
2. weersomstandigheden
geada
adjective
1. van het weer dat het koud en vriezend is
gélido
noun
1. bepaald zoogdier, Vulpes vulpes
raposa
raposo
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Raposa
/
vra:x/, /
vra:χ/
noun
1. een verzoek om inlichting
questão
pergunta
noun
1. een leesteken (?) dat men aan het eind van een zin plaatst om deze vragend te maken
ponto de interrogação
/
vrɑxt/, /
vrɑχt/
noun
1. de lading van een vervoermiddel
carga
/
ˡvrɑxtɑuto/
noun
1. een auto voor goederenvervoer
caminhão
noun
1. een schip dat uitsluitend bedoeld is voor het vervoer van goederen
cargueiro
navio de carga
noun
1. een wagen voor goederenvervoer
camião
caminhão
noun
caminhoneiro
camionista
/
ˈvraɣə(n)/, /
ˈvraχə(n)/
verb
- 2. mondeling of schriftelijk actie verzoeken
pedir
- 1. mondeling of schriftelijk informatie verzoeken
perguntar
noun
2. iemand die een antwoord op een vraag wil hebben
questionador
noun
1. ontbreken van oorlog
paz
adjective
1. van buiten, niet van hier
estranho
verb
1. het nuttigen van voedsel op een meestal onbeleefde wijze
absorver
noun
1. een blij gevoel
alegria
/
ˈvrøx.də.ˌvyːr/, /
ˈvrøɣ.də.ˌvyːr/, /
ˈvrøχ.də.ˌvyːr/
noun
1. een groots door mensen opgebouwd en gecontroleerd vuur om iets te vieren
fogueira
/
ˈvrezə(n)/
verb
1. bang zijn, angst hebben
temer
recear
noun
1. een persoon met wie je een speciale persoonlijke band hebt
amigo
adjective
1. met het nodige respect
amigável
noun
2. de vrouwelijke persoon met wie je verkering hebt
amiga
noun
1. gelijkwaardige relatie tussen personen die elkaar wederzijds genegen zijn en een vergelijkbare relatie tegelijkertijd ook met anderen kunnen hebben
amizade
/
vrispʌnt/
noun
ponto de congelamento
noun
1. een toestel bedoeld om voedingsmiddelen in bevroren toestand gebracht, te bewaren
frigorífico
adjective
1. ongebonden, niet in beweging beperkt
livre
noun
1. een zeerover
flibusteiro
noun
1. een dag van de week die na donderdag en voor zaterdag komt
sexta-feira
sexta
noun
1. vrije passage
salvo-conduto
adjective
1. een ongehuwde man of vrouw
solteiro
noun
1. een ongehuwde man of vrouw
solteirão
/
ˈvrɛi̯ɦɛi̯t/
noun
1. het vrij zijn
liberdade
noun
1. krijger, rebel of activist die zich inzet voor de vrijheid van zijn of haar onderdrukte volk, en door de vijand vaak gezien als terrorist of militant
combatente da liberdade
verb
1. toestaan om uit gevangenschap weg te gaan
liberar
verb
1. door pleiten vrijspraak verwerven voor iemand, door pleiten de onschuld aantonen van iemand, door pleiten verdedigen
exonerar
adjective
1. niet gedwongen
voluntário
/
ˈvrud.vrɑu/
noun
1. een vrouw die een bevalling begeleidt
parteira
/
ˈvruxlaˌtɛin/
pronoun
1. de voorganger van het klassiek Latijn
latim antigo
/
ˈvruxər/, /
ˈvruɣər/
adverb
1. (zoals) in het verleden
antigamente
/
ˈvruxlaˌtɛin/
pronoun
1. de voorganger van het klassiek Latijn
latim antigo
noun
1. begin van de morgen
madrugada
adjective
1. in goede stemming
alegre
noun
1. een aangename stemming waarin men veel lacht, zich goed voelt en het leven optimistisch bekijkt
alegria
noun
- 1. een volwassen vrouwelijke mens
mulher
- 2. de vrouwelijke partner in een huwelijk
mulher
esposa
noun
1. een man die veel vrouwen verleidt
mulherengo
noun
1. volgroeid vruchtbeginsel
fruto
fruta
/
'vrɵɣbar/
adjective
- 1. in staat vrucht af te werpen
- 2. tot resultaat leidend
fértil
/
'vrʏxt.bar.ɦɛɪ̯t/, /
'vrʏxt.bar.ɦɛːt/, /
'vrʏɣ.ba.rɛɪ̯d/
noun
1. het vermogen vrucht te dragen
fertilidade
/
ˈvrʏxtə(n)ˌsɑp/, /
ˈvrʏχtə(n)ˌsɑp/
noun
1. sap gewonnen uit fruit
suco de fruta
sumo de fruta
/
vœy̯l/
adjective
1. niet schoon
sujo
/
vœy̯l/
noun
viezigheid, onreine materie
sujeira
/
'vœylnɪsbɑk/
noun
1. een bak waarin men huisvuil verzamelt
lixeira
/
ˈvœʏɫnɪsˌʋaxə(n)/, /
ˈvœːɫnɪsˌβaɣə(n)/
noun
1. een auto van de vuilophaaldienst
caminhão de lixo
/
ˈvœʏ̯sbɛːɫ/, /
ˈvœːstbɛːɫ/, /
ˈvœːzbɛɪ̯l/
noun
1. een kerngereedschap uit het paleolithicum, het Acheuléen en het Moustérien
biface
noun
1. de vaak explosieve activiteit waarmee in een vulkaan opgebouwde spanningen zich ontladen
erupção vulcânica
adjective
1. betrekking hebbend op de processen die in een vulkaan plaatsvinden
vulcânico
noun
1. natuurlijke processen
volcanismo
noun
1. bepaalde soort vlinder, Vanessa atalanta
vulcanologia
noun
het materiaal waarmee iets opgevuld is
enchimento
/
ˈvʏl.pɛn/, /
ˈvʏɫ.pɛn/
noun
1. een schrijfpen met holle houder waarin zich een inktreservoir bevindt
caneta de tinta permanente
caneta-tinteiro
noun
1. de schaamspleet, de ingang tot de vagina
vulva
/
vyːr/
noun
1. lichtverschijnsel bij brand
fogo
lume
pronoun
1. een archipel aan de zuidpunt van Zuid-Amerika
Terra do Fogo
noun
1. soort godsoordeel
prova de fogo
noun
1. een hoog lichtbaken aan de kust
farol
noun
1. Lycaena, geslacht van vlinders
acobreado
noun
1. een wapen dat een kogel schiet met behulp van een chemische ontploffing
arma de fogo
noun
1. voorwerpen die gevuld zijn met ontploffende, brandbare en lichtgevende stofmengsels
fogo artificial
fogo de artifício
noun
1. een Zuid-Afrikaans blaasinstrument
vuvuzela
noun
1. iemand die veel durft
temerário
/
'ʋajə(n)/
verb
1. plaatsvinden van een sterke luchtstroming
soprar
noun
1. scherm in halve schijfvorm
abanador
leque
verb
1. een waaier gebruiken
abanar
/
ˈʋakɦɔnt/
noun
1. een hond die het huis of een erf bewaakt
cão de guarda
noun
1. een klein vlammetje dat continu brandt in een geiser, gaskachel, gasfornuis of cv-ketel, dat ervoor zorgt dat het gas vrijwel direct ontbrandt wanneer de gaskraan van een brander wordt geopend
piloto
/
wal/
pronoun
(eigennaam) 1. brede zijrivier van de Rijn in Nederland
Vales
adjective
1. betrekking hebbend op Wallonië of de Walen
valão
pronoun
1. een taal die verwant is aan het Frans en die in Wallonië gesproken wordt
valão
/
ʋar/
adverb
1. op welke plaats
onde
noun
1. een geldbedrag of iets anders dat tijdelijk gegeven wordt als onderpand voor het geval men een verplichting niet na kan komen
garantia
/
ʋaːrt/
noun
A 1. baas van een herberg, taveerne of café
taberneiro
/
ˈʋardəˌlos/
adjective
1. geen waarde hebbend
inútil
/
'wardəordel/
noun
1.
juízo de valor
noun
1. document met geldswaarde
título mobiliário
noun
1. het hechten van een waarde aan iets of het tonen daarvan
apreço
/
'ʋardəˌvɔl/
adjective
1. een grote waarde hebbend
valioso
noun
1. dat wat waar is
verdade
verb
1. iets via de zintuigen in zich opnemen
perceber
noun
1. iets via de zintuigen registreren
observação
/
ʋarˈɔm/
noun
1. door welke oorzaak?
por que
porquê
adjective
1. aannemelijk, iets dat vermoedelijk zo is
provavelmente
adverb
1. aannemelijk, iets dat vermoedelijk zo is
provavelmente
/
ˈʋaːrsxyu̯ə(n)/
verb
1. iemand verwittigen dat er mogelijke gevaren, problemen of gevolgen zijn
advertir
/
'ʋaːr.sχy.ʋɪŋ/
noun
1. een mededeling dat er onaangename gevolgen op til zijn
aviso
noun
1. een schot ter waarschuwing
tiro de advertência
/
ˈʋɑx.tə(n)/, /
ˈβɑx.tə(n)/
verb
1. op dezelfde plaats of in dezelfde situatie blijven tot iemand komt of iets gebeurt
aguardar
esperar
/
ˈʋɑxtlɛɪst/
noun
1. een lijst met wachtenden
lista de espera
noun
1. een aantal elementen die in een bepaalde volgorde op een gebeurtenis wachten
fila
noun
1. een geheim woord dat men moet produceren om ergens toegelaten te worden
palavra-chave
palavra-passe
pronoun
1. een binnenzee die aan de ene kant grenst aan de Waddeneilanden en de Noordzee en aan de andere kant begrensd wordt door het vasteland van Nederland, Duitsland en Denemarken
Mar Frísio
Mar de Wadden
verb
1. door ondiep water lopen
vadear
interjection
1. krachtig geluid met korte tussenpozen, zoals een hond dat kan uitstoten
au-au
ão-ão
noun
1. plat gebak dat vervaardigd wordt in een wafelijzer
barquilho
/
ˈʋaːɣə(n)/, /
ˈʋaːχə(n)/
noun
2. een auto
carrinho
noun
1. reisziekte
enjoo de viagem
/
ʋa'ɣɔn/
noun
1. een voertuig dat deel uitmaakt van een trein
vagão
adjective
1. niet in slaap
desperto
noun
4. vetophoping onder de onderste oogleden
olheira
pronoun
1. een van de delen van het Verenigd Koninkrijk, gelegen op een groot eiland in het noordwesten van Europa.
País de Gales
pronoun
1. een speciale hemel in de Noorse mythologie, voorbehouden voor de gesneuvelden in de strijd
Valhala
noun
1. een draagbare radio en/of CD-speler met koptelefoon
walkman
pronoun
1. Germaanse strijdgodin
valquíria
/
ʋɑˈlonɪə/
pronoun
Valónia
/
wɑlrʌs/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Odobenus rosmarus
morsa
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de onderorde Cetacea
baleia
cetáceo
pronoun
1. zeehaven in Namibië
Walvis Bay
noun
1. een misdaad, een slechte of gruwelijke handeling
atrocidade
/
ˈʋɑn.də.ˌlar/, /
ˈβ̞ɑn.də.ˌlar/
noun
1. iemand die buitenshuis een stuk loopt
passeador
/
ˈʋɑn.də.lə(n)/, /
ˈβ̞ɑn.də.lə(n)/
verb
1. een wandeling maken
caminhar
/
ˈʋɑn.də.lɪŋ/
noun
1. het lopend afleggen van een bepaalde afstand
caminhada
/
ˈʋɑn.dəɫ.ˌstɔk/, /
ˈβ̞ɑn.dəɫ.ˌstɔk/
noun
1. stok die dient als steun bij het wandelen en beschermt tegen vallen
andas
perna-de-pau
noun
1. zijkant van het gezicht onder het oog
bochecha
noun
1. een slecht en lelijk mens of dier
monstruosidade
/
ˈʋɑnɦop/
noun
1. een ellendige toestand waarin men geen uitkomst meer ziet
desespero
/
ˈʋɑŋkəɫˌmotɔr/
noun
1. een verbrandingsmotor die niet met heen en weer gaande zuigers werkt, maar met een roterende zuiger.
motor rotativo
/
ʋɑ.ˈneːr/
adverb
1. op welke tijd
quando
verb
1. graan zuiveren van kaf door het in de wind op te werpen of te laten vallen
joeirar
noun
1. het niet nakomen van een overeenkomst
inadimplência
quebra de contrato
/
ʋɑnt/
noun
2. scheepvaart
brandái
verb
1. niet vertrouwen
desconfiar
/
ˈʋaːpən/
noun
- 1. een werktuig van geweld
arma
brasão
- 2. een wapenschild
brasão
brasão de armas
noun
1. een internationale sanctie waarbij een partij geen wapens kan aankopen
embargo de armas
noun
1. een fabriek of werkplaats waar men wapens maakt
fábrica de armas
noun
1. een korte tekst die de bedoeling van iets weergeeft
lema
noun
1. een overeenkomst met de vijand om de vijandelijkheden op te schorten
armistício
noun
1. een grote winkel die een uitgebreid assortiment aan goederen verkoopt
grandes armazéns
/
ʋɑrṃ/
adjective
Na te kijken en uit te splitsen vertalingen
acalorado
morno
noun
- 1. de mate waarin het weer warm is.
- 2. de hoeveelheid thermische energie.
calor
noun
1. een front waar een luchtmassa met relatief warme lucht over een gebied schuift waar koude lucht ligt
frente quente
noun
1. een verwarmingsinstallatie die via mechanische arbeid warmte onttrekt aan een koude omgeving en deze toevoert aan een warmere omgeving
bombas de calor
bomba de calor
noun
permutador de energia térmica
pronoun
1. hoofdstad van Polen
Varsóvia
/
ʋɑs/
noun
1. weke laagsmeltende en waterafstotende stof
cera
noun
1. klein Noord-Amerikaans zoogdier, Procyon lotor
guaxinim
noun
1. Nyctereutes procyonoides, een zoogdier en roofdier uit de familie Canidae
cão-guaxinim
noun
- geribbeld bord waarop men de was kan doen
- muziekinstrument
- onverharde weg met veel overdwarse ribbels
- sterk gespierde buik
tanquinho
noun
1. een toestel om de kleding die uit de wasmachine komt te drogen
secadora
/
ˈwɑs.knɛɪ̯.pər/, /
ˈʋɑs.knɛɪ̯.pər/, /
ˈβ̞ɑs.knɛː.pər/
noun
1. een knijper die gemaakt is van hout of plastic om nat wasgoed aan een waslijn te klemmen
pregador
noun
1. een apparaat dat op automatische wijze wasgoed reinigt
máquina de lavar roupa
máquina de lavar
/
'ʋɑsə(n)/
verb
1. iets schoonmaken
lavar
noun
1. een plaats waar men kleding en textiel kan (laten) wassen (zonder personeel)
lavandaria
noun
1. een bak waarin men zich of iets wast
lavatório
/
ʋɑt/
interrogativePronoun
vragend voornaamwoord
algo
noun
1. wetenschap die zich richt op ontwerp en beheer van waterbouwkundige werken
engenharia hidráulica
adjective
1. ondoordringbaar voor water
impermeável
/
ˈʋaːtərən/
verb
3. waterachtig vocht afscheiden
encher de água
/
ˈwatərˌɣlɑtɦɛɪ̯t/, /
ˈʋatərˌχlɑtɦɛɪ̯t/, /
ˈβ̞atərˌɣlɑtɦɛːt/
noun
1. verschijnsel waarbij een dunne waterfilm ontstaat.
aquaplanagem
noun
1. een drinkglas voor water
copo de água
noun
1.1 bepaald soort watervogel, Gallinula chloropus
frango-d'água
adjective
- 2. uitziend alsof men tranen in de ogen heeft
- 1. et water als oplosmiddel
aquoso
noun
1. een dier dat behoort tot een van honderden soorten van de Coenagrionidae
libélula
noun
1. apparaat dat een zeer sterke straal water kan produceren
canhão de água
noun
1. benaming voor planten uit het geslacht Rorippa
agrião
noun
1. een leidingnetwerk om drinkwater vanuit een waterreservoir naar de verbruiker te vervoeren
cano de água
pronoun
2. teken van de dierenriem van 20 januari tot 19 februari
Aquário
/
ˈʋaːtərməˌlun/
noun
1. Citrullus vulgaris, een grote vrucht met vochtig en rood vruchtvlees
melancia
melancieira
noun
2. een molen die door stromend water aangedreven wordt
moinho de água
noun
1. een werktuig dat gebruikt wordt om zeker te stellen dat iets loodrecht op de richting van de zwaartekracht komt te staan
nível
noun
1. pistool waaruit een straal water kan spuiten
bisnaga
noun
1. een balsport waarbij twee ploegen van zeven spelers elkaar in het water bestrijden
polo aquático
noun
1. platte grijptang met verstelbaar scharnier
alicate ajustável
noun
1. een schoepenrad dat draait door de stroming van het water
roda de água
noun
1. bepaald soort watervogel, Rallus aquaticus
frango-d'água
noun
1. ski voor het waterskiën
esqui aquático
noun
1. Argyroneta aquatica, middelgrote spin die in stilstaande wateren leeft
argironeta
noun
1. bepaald soort bruine, bolle vogel met witte borst, Cinclus cinclus
melro-aquático
/
ˈʋatərˌstɔf/
noun
1. een chemisch element en een kleurloos niet-metaal
hidrogénio
hidrogênio
noun
1. een atoom van het chemisch element waterstof.
átomo de hidrogênio
noun
1. een toren die zorgt voor een gelijkmatige waterdruk in het waterleidingnet
caixa d'água
noun
1. plaats waar stromend water bij een hoogteverschil zijn weg al vallend voortzet
cascata
catarata
cachoeira
noun
1. een vliegtuig dat kan opstijgen en landen op het water
hidroavião
noun
abastecimento de água
noun
1. plukje watten bevestigd op een houten of plastic stokje, gebruikt voor bepaalde medische doeleinden...
cotonete
pronoun
1. hoofdstad van Waals-Brabant
Wavre
noun
1.
desenvolvimento web
noun
1. een dienst die particulieren of bedrijven ruimte aanbiedt voor het opslaan van informatie, afbeeldingen, of andere inhoud die toegankelijk is via een website
alojamento de saite
noun
- 1. computerprogramma
- 2. server waarop de
servidor
verb
1. geld wagen op een toekomstige gebeurtenis
apostar
noun
1. een werkwoord waarbij de handelende persoon tevens het voorwerp van de handeling is
verbo reflexivo
noun
1. periode waarin de oorlogsschade door de Tweede Wereldoorlog werd hersteld
reconstrução
/
ˈwedərˈvɛrkop/
noun
1. de inkoop van waren in 't groot en de verkoop van deze waren in 't klein
revenda
/
wedərˈzɛits/
adjective
mútuo
noun
1. een strijd van twee of meer personen om uit te maken wie op een bepaald gebied de beste is
concurso
/
ˈʋeːdyʋə/
noun
vrouw
viúva
/
ʋeː/
noun
1. pijnlijke samentrekking die het barensproces inleidt
contração
/
ˈʋeːf.xəˌtɑu̯/
noun
1. toestel waarmee garen tot weefsel gevlochten wordt
tear
noun
- 2. een groep van gelijkaardige lichaamscellen die dezelfde functie in een levend organisme vervullen
- 1. een dunne geweven stof of textiel
tecido
pronoun
teken van de dierenriem van 23 september to 23 oktober
Balança
Libra
noun
1. een meetinstrument waarmee het gewicht kan worden bepaald
balança
/
wek/, /
ʋek/, /
β̞ek/
noun
1. tijdseenheid van 7 dagen
semana
/
'ʋekblɑt/
noun
1. een publicatie die wekelijks verschijnt
hebdomadário
semanário
noun
1. periode van vrijdagavond tot en met zondagnacht
fim de semana
/
ˈʋikɛnt/
noun
1. periode van vrijdagavond tot en met zondagnacht
fim de semana
final de semana
/
weːr/, /
ʋɪːr/, /
β̞eːr/
noun
- 1. atmosferische gesteldheid
tempo
clima
- 2. gecastreerde bok
castrão
- 1. visweer
caniçado
noun
1. kaart van een bepaald gebied waarop de weerssituatie is weergegeven
mapa meteorológico
verb
1. door elastische botsing van richting veranderen
refletir
adjective
1. onwillig, recalcitrant, zich verzettend
resiliente
verb
1. stand houden, weerstand bieden aan
aguentar
noun
- 3. een elektronica-onderdeel
resistor
resistência
- 2. de tegenstand die een stroom in een geleider ondervindt
- 1. een reactie die poogt een bepaalde actie tegen te werken
resistência
resistor
noun
. een mythisch wezen dat bij volle maan van mens in wolf verandert
lobisomem
/
ˈʋeshœʏs/
noun
1. een opvanghuis voor wezen
orfanato
/
ʋɛχ/, /
β̞ɛx/
noun
1. smalle strook grond voor het verkeer
caminho
estrada
verb
1. geleidelijk afnemen, verdwijnen
refluir
/
ˈʋeχə(n)/, /
β̞eɣə(n)/
verb
- 1. het gewicht/de massa bepalen
- 2. een bepaald gewicht/massa als eigenschap hebben
pesar
/
ˈwɛ.ɣaːn/, /
ˈʋɛ.χan/
verb
- 1. zich ergens vandaan begeven
- 3. uit een relatie stappen
ir embora
verb
1. afstand nemen van iets door het aan iemand te geven
dar de presente
verb
1. te midden van andere informatie iets niet insluiten
omitir
verb
1. door geweld van zijn plaats gerukt worden
arrancar
/
ʋɛɪ/
noun
- 1. een stuk grasland voor begrazing door vee
prado
- 2. een vloeistof die ontstaat als restproduct bij het kaasmaken
soro
pronoun
1. de grootste rivier van Polen
Rio Vístula
verb
1. niet voldoen aan een verzoek of opdracht
recusar
noun
1. het niet voldoen aan een verzoek of opdracht
recusa
/
'ʋɛɪlɑnt/
noun
1. een stuk grasland in gebruik voor de begrazing door vee
prado
pronoun
República de Weimar
/
ˈwɛɪ̯nɪx/, /
ˈʋɛɪ̯nəχ/, /
ˈβ̞ɛːnəx/
noun
- 2. in een klein aantal
poucas
- 1. in een kleine hoeveelheid, niet veel
pouco
/
ˈwe.kə(n)/, /
ˈʋe.kə(n)/, /
ˈβ̞e.kə(n)/
verb
1. door langdurig in een vloeistof te leggen zacht, plooibaar of beter wasbaar maken
molhar
/
ˈʋɛkər/
noun
1. een apparaat dat gebruikt wordt om de tijd bij te houden en een functie heeft die veel geluid produceert op een ingestelde tijd
despertador
noun
1. de kunst om iets goed te kunnen verwoorden
eloquência
adjective
1. financieel goed gesitueerd
abastado
/
ʋɛlk/
relativePronoun
qual
/
ˈʋɛɫkɔm/
adjective
1. gewenst zijn te blijven
boas-vindas
/
ˈʋɛɫkɔm/
interjection
1. begroeting
bem-vindo
bem-vinda
pronoun
1. hoofdstad van Nieuw-Zeeland, gelegen op het Noordereiland
Wellington
/
wɛlp/
noun
1. jong van hond, wolf, leeuw e.d.
cachorro
pronoun
1. een Keltische taal die wordt gesproken in Wales
galês
noun
1. een vrouwelijke inwoner van Wales
galesa
/
ˌʋɛltə'rʏstə(n)/
interjection
boa noite
verb
3. zich welven
abaular
noun
1. het welwillend zijn
benevolência
/
'wɛlzɛin/
noun
1. wanneer een individu of maatschappij zich in een goede toestand bevindt ...
bem-estar
noun
1. het gemak waarin iets of iemand van richting kan veranderen
agilidade
pronoun
1. de hoofdstad van Oostenrijk
Viena
noun
1. knokige rand boven het oog, meestal begroeid met haar
sobrancelha
adjective
1. wat men zou wensen
desejável
/
ˈweː.ʁəlt/, /
ˈʋɪː.rɔɫt/, /
ˈβ̞eː.rəɫt/
noun
1. de aarde
mundo
noun
1. een kaart van het oppervlak van de aarde in de vorm van een bol
globo
/
ˈweːrəlˌdeːl/, /
ˈʋɪːrəɫˌdeːɫ/, /
ˈβ̞eːrəlˌdel/
noun
1. een groot boven de zee uitstekend stuk droog land en de omringende eilanden die op hetzelfde continentale plat liggen
continente
pronoun
Organização Mundial da Saúde
pronoun
1. intergouvernementele organisatie die toeziet op de naleving van afspraken over de handel tussen landen
Organização Mundial do Comércio
/
ˈweː.rəld.ˌkam.pi.ˌjun.sxɑp/, /
ˈʋɪː.rəɫt.ˌkɑm.pi.ˌjun.sχɑp/, /
ˈβ̞eː.rəlt.ˌkɑm.pi.ˌjun.sxɑp/
noun
1. een kampioenschap waarin de besten van de wereld het tegen elkaar opnemen
Copa do Mundo
noun
1. een gewapende strijd tussen een zeer groot aantal landen, met name gebruikt voor de Eerste en de Tweede Wereldoorlog.
guerra mundial
noun
1. een tentoonstelling waaraan landen uit de wereld aan kunnen deelnemen
exposição mundial
/
wɛr(ə)f/
noun
1. een scheepswerf
estaleiro
/
ʋɛrk/
noun
- 4. dat wat gemaakt is, kunstwerk
obra
- 1. dat wat gedaan moet worden
- 3. de plek waar men werkt, werkplek
trabalho
- 2. beroep
trabalho
ofício
profissão
- hede, afval van vlas of hennep
estopa
noun
1 een dag waarop gewerkt wordt
dia útil
adjective
1. niet verbeeld
mesmo
/
'ʋɛrkələkɦɛɪt/
noun
1. de omstandigheden zoals deze daadwerkelijk bestaan
realidade
/
ʋɛrkən/
verb
1. arbeid verrichten, lichte vorm van zwoegen
trabalhar
noun
1. persoon die of bedrijf dat werk verschaft aan anderen
empregador
noun
1. een hond die men gebruikt bij de jacht, het hoeden van een kudde, het speuren naar mensen of drugs etc.
cão de serviço
/
ˈʋɛrkrɑxt/
noun
1. een persoon die gewoonlijk tegen betaling werk verricht
funcionário
/
wɛrkˈloshɛit/
noun
- 1. het werkloos zijn
- 2. het aandeel van de beroepsbevolking zonder betaalde baan
desemprego
noun
1. uitkering voor iemand die buiten zijn of haar schuld om werkloos is
subsídio de desemprego
noun
1. een paard dat gehouden wordt om arbeid te verrichten
cavalo de trabalho
noun
2. krachtige computer die men voornamelijk gebruikt voor applicaties die veel rekenkracht vereisen
estação de trabalho
noun
- 1.dagen per week waarop er gewerkt wordt
- 2.het totaal aantal arbeidsuren per week
semana de trabalho
noun
1. woordsoort die in de eerste plaats een handeling of toestand uitdrukt
verbo
verb
1. met een krachtige zwaai van de arm iets uit de hand naar iets of iemand heen laten gaan
jogar
noun
3. bij honkbal
lançador
noun
1. bot van de wervelkolom
vértebra
noun
1. een zwart-geel gestreept vliesvleugelig insect
vespa
noun
1. een zeer smalle taille
cintura de vespa
pronoun
1. grootste van de Australische deelstaten, gelegen in het westen van het land
Austrália Ocidental
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het oosten van het land
Bengala Ocidental
pronoun
Alemanha Ocidental
pronoun
1. het westelijk deel van Europa
Europa Ocidental
noun
1. een inwoner van West-Euroa, of iemand afkomstig uit West-Europa
europeu ocidental
noun
1.
febre do Nilo Ocidental
/
wɛt/
noun
1. een door de overheid opgestelde regel
lei
phraseologicalUnit
lei de Murphy
/
ˈʋeː.tə(n)/
verb
1. ergens kennis van hebben
saber
/
'ʋetənsxɑp/
noun
- 2. georganiseerde activiteit
- 1. het weten van de mens
ciência
/
,ʋetən'sxapələk/
adjective
científico
/
ˈʋetəˌsxɑpər/
noun
1. iemand die de wetenschap beoefent
cientista
/
ˈwɛtələk/
adjective
- 2. tot de wet behorend
- 1. in overeenstemming met de wet
legal
/
'ʋɛtəxhɛɪt/
noun
1. het in overeenkomst met de wet zijn
legalidade
/
ˈweː.və(n)/, /
ˈʋe.və(n)/
verb
1. draden e.d. dooreenvlechten
tecer
noun
1. bepaald soort zoogdier, Mustela nivales
doninha
/
ˈʋeː.zə(n)/
noun
- 1. individu
criatura
- 2. aard
essência
noun
1. het op één wiel rijden van een motor
cavalinho
noun
1. een sterke drank die uit gerst of uit maïs en rogge gestookt is
uísque
noun
1. een glad, wit gekleurd metalen bord waarop men met behulp van een viltstift met uitwisbare inkt kan schrijven of tekenen en waarop men met een magneet voorwerpen kan klemmen
quadro branco
noun
1. het verkrijgen van informatie door middel van bovennatuurlijke of niet wetenschappelijk aangetoonde middelen
adivinhação
divinação
/
wiː/, /
ʋiː/, /
β̞iː/
relativePronoun
- 1. vragend voornaamwoord
- 2. betrekkelijk voornaamwoord
quem
interjection
degene die aan het eind het beste uit de strijd komt is de daadwerkelijke winnaar
quem ri por último ri melhor
rirá melhor quem rirá por fim
noun
1. een bedje voor een pasgeboren zuigeling, vaak met een hemel van fijn gaas en soms met de mogelijkheid het kind zachtjes heen en weer te bewegen
berço
/
ˈwiɣə(n)/
verb
1. zachtjes heen en weer bewegen, gewoonlijk om een zuigeling in slaap te brengen
embalar
noun
1. het plotseling zonder duidelijke oorzaak overlijden van een zuigeling
morte súbita do lactente
noun
1. ronddraaiende schijf
roda
noun
1. de sport van het wielrennen
ciclismo
/
'wiː.lə.wal/
noun
1. zwart-gele zangvogel
papa-figos
/
ˈʋiː.roːk/
noun
1. gomhars, gebruikt als reukoffer
incenso
/
ʋit/
noun
1. een softdrug die bestaat uit gedroogde hennep
maconha
adjective
1. vorm van een wig hebbend
cuneiforme
/
wɛɪ̯/, /
ʋɛɪ̯/, /
β̞ɛː/
personalPronoun
1. 1e persoon meervoud nominatief
nós
/
ˈʋixə(n)/
pronoun
Wijchen
verb
1. geheel voor een bepaald doel bestemmen
dedicar
adjective
1. overal aanwezig, vindbaar
generalizado
conjunction
1. geeft onderschikkend een reden aan
porque
/
wɛɪ̯n/, /
ʋɛɪ̯n/, /
β̞ɛːn/
noun
1. sterke drank van gegiste druiven
vinho
noun
het verbouwen van druiven voor de productie van wijn
vinicultura
viticultura
noun
1. een druif die wordt gebruikt om wijn van te maken
uva
noun
1. een glas dat speciaal ontworpen is om wijn uit te drinken
taça
/
ˈʋɛi̯n.stɔk/
noun
1. klimplant waaraan druiven groeien
videira
parreira
/
wɛɪ̯s/, /
ʋɛɪ̯s/, /
β̞ɛːs/
adjective
1. van groot inzicht getuigend
sábio
noun
1. gerijpt inzicht
sabedoria
noun
1. tweede vinger, gelegen tussen de middelvinger en de duim
indicador
dedo indicador
índice
dedo índex
índex
/
ˈʋɛi.tɪŋ/
noun
1. bepaald soort straalvinnige vis, Merlangius merlangus
badejo
noun
1. gewijd water
água benta
noun
1. steel met slappe borstel waarmee in de liturgie van de Rooms-Katholieke Kerk de priester wijwater over de gelovigen heen sprenkelt
aspersório
/
ˈʋɛɪʋatərˌvɑt/
noun
1. een meestal aan de muur van een kerk bevestigd vat met water waarmee gelovigen zich besprenkelen
pia
noun
1. de plaat van een klok waarop de wijzers de tijd aangeven
mostrador
noun
1. een constructiesysteem voor internetpagina's waar, in het algemeen, iedereen alle pagina's kan wijzigen
wiki
pronoun
1. een door de Wikimedia Foundation gecreëerde rechtenvrije encyclopedie op het internet...
Wikipédia
noun
1. een gebruiker op Wikipedia
wikipediana
/
ˈwɪkə/
noun
1. (plantkunde) naam voor planten uit het geslacht Vicia
ervilhaca
/
ˈwikʃoˌnɛri/, /
ˈʋɪkʃəˌnɛri/
pronoun
1. deelproject van de Wikimedia Foundation met als doel het produceren van een compleet ...
Wikcionário
/
ʋɪl/
noun
1. de bereidheid of zin om iets te doen
vontade
adjective
3. onbeschaafd, bruusk
bravio
noun
- 3. vlees van een wild dier
- 1. dieren die niet onder menselijke beheersing zijn opgegroeid
caça
noun
1. bepaald soort zoogdier, Sus scrofa
javali
noun
1. (onevenhoevigen) Equus africanus
asno selvagem
noun
3. graan van Zizania palustris, die worden gegeten als rijst
arroz selvagem
noun
1. een bosachtig gebied dat weinig door de mens geregeld is
mato
noun
1. Salix sp.
salgueiro
/
ˈwɪləm/, /
ˈʋɪləm/, /
ˈβ̞ɪləm/
pronoun
1. een jongensnaam
Guilherme
/
ˈʋɪ.lən/
verb
1. iets als verlangen of voorkeur hebben
querer
ter vontade de
noun
1. onvermogen om te handelen, ook al weet je wat je moet doen
abulia
noun
2. discrepantie tussen de reële en de verklaarde wil waardoor het totstandkomen van wilsovereenstemming verhinderd wordt
vício do consentimento
noun
1. bewust uitdrukking geven van de eigen wil
manifestação de vontade
noun
- 2. verklaring waarin iemand aangeeft wat zijn wensen zijn rondom behandeling of levenseinde
declaração antecipada de vontade
- 1. eenzijdige wilsuiting die gericht is op het tot stand brengen van rechtsgevolgen
declaração de vontade
/
ʋɪnt/
noun
1. stroming van lucht veroorzaakt door luchtdrukverschillen
vento
sopro
noun
2. benaming voor slingerende planten met kegelvormige bloemen uit het geslacht Convolvus
convólvulo
/
ˈʋɪndə(n)/
verb
1. een draad of kabel draaiend op een as of klos aanbrengen
enrolar
adjective
1. weerstoestand waarbij er veel wind aanwezig is
ventoso
noun
1. molen die door de wind gedreven wordt
moinho de vento
noun
1. een gebied waar windenergie gewonnen wordt met behulp van een aantal molens
parque eólico
noun
1. periode met geen of weinig wind
calmaria
noun
1. ronde open zak, meestal is de zak in het rood en wit, die de richting en de sterkte van de wind aangeeft
biruta
noun
1. plaats waar koopwaar wordt verkocht
loja
noun
1. gebied of overdekte galerij waar meerdere winkels en horecazaken zijn gevestigd
centro comercial
noun
1. een wagentje dat in winkels wordt gebruikt om tijdens het winkelen producten in te verzamelen
carrinho de compras
noun
1. degene die een strijd of wedstrijd in zijn voordeel beslist
vencedor
/
ˈwɪnə(n)/, /
ˈʋɪnə(n)/, /
ˈβ̞ɪnə(n)/
verb
1. als beste partij uit een wedstrijd komen
ganhar
/
ʋɪnst/
noun
1. datgene wat men meer heeft dan voordat men investeerde
ganho
/
ʋɪntər/
noun
1. seizoen
inverno
noun
1. bepaald soort loofboom, Quercus petrae
carvalho-alvo
carvalho-branco
noun
1. klein gedrongen vogeltje met opgewipt staartje,
carriça
adjective
1. typerend voor de winter
invernal
noun
1. een toestand van hypothermie en inactiviteit bij sommige warmbloedige dieren in de winter
hibernação
/
ʋɪp/
noun
1. een speeltuig bestaande uit een balk die in het midden op een verhoogde steun rust
gangorra
noun
1. bepaald soort zooɡdier, Bison bonasus
auroque
noun
1. de formele studie van patronen en structuren.
matemática
/
ʋɪsˈkʏndəx/
adjective
1. op wiskunde betrekking hebbend of er gebruik van makend
matemático
noun
1. het op een onvoorspelbare manier steeds weer veranderen
extravagância
/
ʋɪsəl/
noun
- 1. speciale constructie in een spoorweg om een voertuig naar een ander spoor te leiden
aparelho de mudança de via
- 2. handelspapier voor de overdracht van geld
letra de câmbio
noun
wisselkoers
taxa de câmbio
/
'wɪsəlslɑx/
noun
1.
estilos
noun
1. wisselstroom
corrente alternada
/
ʋɪt/
adverb
1. kleur
branco
/
ʋɪt/
noun
1. lichtst mogelijke kleur
branco
/
wɪt.ˈrʏs.lɑnd/, /
ʋɪt.ˈrʏs.lɑnt/, /
β̞ɪt.ˈrʏs.lɑnt/
pronoun
land in Oost-Europa.
Bielorrússia
/
ˌwɪtˈrʏsɪs/, /
ˌʋɪtˈrʏsis/, /
ˌβ̞ɪtˈrʏsis/
pronoun
1. een Slavische taal die vooral in Wit-Rusland wordt gesproken
bielorrusso
noun
1. een document dat beschrijft hoe overheidsbeleid, een technologie, en/of product een specifiek probleem oplost
livro branco
noun
1. een legering van goud en palladium
ouro branco
noun
1. loof van met dat doel in het donker geteelde varianten van cichorei, Cichorium intybus var. foliosum
chicarola
pronoun
1. dag voor Goede Vrijdag
Quinta-feira de Endoenças
noun
1. Carcharodon carcharias, de bekendste en de meest gevreesde haai
tubarão-branco
noun
1. zangvogel (Motacilla alba)
alvéola-branca
noun
1. gepelde en gepolijste rijst
arroz branco
noun
1. alcoholhoudende drank die verkregen wordt door de gisting van voornamelijk witte druiven
vinho branco
noun
crime do colarinho branco
noun
1. en 2. (bladeren van) sluitkoolgewas dat lichtgroen tot wit van kleur is
couve repolho
noun
Penelope superciliaris
jacupemba
noun
1. een heldere, kleurloze en nagenoeg geurloze sterkedrank
vodca
verb
1. met veel geweld gaande zijn van een natuurverschijnsel
enfurecer-se
/
'ʋudənt/
adjective
1. bijzonder boos
furioso
interjection
1. krachtig geluid met korte tussenpozen, zoals een hond dat kan uitstoten
au-au
ão-ão
noun
1. klein, gravend, muisachtig knaagdier met stompe snuit
rato-do-campo
/
ˈʋunzdɑx/
noun
1. een dag van de week die na dinsdag en voor donderdag komt
quarta-feira
quarta
noun
1. een onherbergzaam gebied dat door niemand verzorgd wordt
charneca
noun
1. grote dorre vlakte, met weinig neerslag en weinig vegetatie
deserto
/
ˈvɔɪ̯vɔtsxɑp/
noun
1. naam voor bepaalde bestuurlijke gebieden in Oost-Europa
voivodia
noun
1. ronde pan die wordt gebruikt in de oosterse keuken, vooral om te roerbakken
wok
/
ʋɔl/
noun
1. weefsel van wollen garens
lã
/
wɔlf/, /
ʋɔlf/
noun
1. bepaald zoogdier, Canis lupus
lobo
loba
noun
1. scheikundig element met symbool W en atoomnummer 74
tungstênia
tungsténio
noun
1. bepaalde soort vlinder, Vanessa atalanta
rinoceronte-lanudo
noun
1. samenhangende verzameling van merendeels zwevende waterdruppeltjes
nuvem
/
ˈwɔlkə(n)ˌkrɑbər/, /
ˈʋɔɫkə(ŋ)ˌkrɑbər/, /
ˈβ̞ɔɫkə(ŋ)ˌkrɑbər/
noun
1. een zeer hoog gebouw dat met bewolkt weer zichtbaar in de wolken kan steken
arranha-céu
arranha-céus
/
wɔlə(n)/
adjective
1. gemaakt van wol
de lã
/
wɔlˈvɪn/, /
ʋɔlˈvɪn/
noun
vrouwelijke wolf
loba
/
wɔnd/, /
ʋɔnt/, /
β̞ɔnt/
noun
1. een beschadiging in of aan het lichaam
ferida
noun
1. een gebeurtenis waaraan een bovennatuurlijke oorsprong toegeschreven wordt
milagre
/
ˈwo.nə(n)/, /
ˈʋo.nə(n)/, /
ˈβ̞o.nə(n)/
verb
1. een permanente behuizing hebben
morar
viver
noun
1. een kamer ingericht om in te wonen en gasten te ontvangen
sala de estar
/
ʋoːrt/, /
ˈʋʊːrt/, /
ˈβoːrd/, /
ˈβoːrt/
noun
- 4. de natuurlijke eenheid van informatie voor een bepaalde computerarchitectuur
palavra
- 1. spraakklank of betekeniseenheid die bestaat uit minimaal één vrij morfeem en minimaal nul gebonden morfemen
- 2. belofte
palavra
vocábulo
- 3. het woord van god of de inhoud van de bijbel
verbo
palavra
/
ˈʋɔːrdə(n)ˌbuk/
noun
1. een boek waarin de woorden en uitdrukkingen van een taal zijn gerangschikt met hun...
dicionário
noun
1. groep woorden die eenzelfde stam hebben
família de palavras
noun
1. categorie waarin bepaalde woorden naar gelang het grammaticale gebruik in onderverdeeld worden
classe gramatical
noun
1. lexicaal veld
campo lexical
noun
1. volgorde van woorden in een zin
ordem das palavras
/
ˈwɔrdə(n)/, /
ˈʋɔrdə(n)/, /
ˈβ̞ɔrdə(n)/
verb
- 1. vormt de lijdende vorm
- 2. gaan zijn, zich ontwikkelen tot
ficar
tornar-se
/
ʋɔrm/
noun
1. een betrekkelijk klein, lang, ongewerveld dier met een zacht lichaam
verme
noun
een hypothetische mogelijkheid binnen de ruimte-tijd
buraco de minhoca
adjective
1. door wormen aangevreten
bichado
/
ʋɔrp/
noun
- 1. de handeling van het werpen van iets
lançamento
- 2. het aantal jonge dieren dat een moederdier bij één dracht op de wereld zet
ninhada
noun
1. een toegebonden eind darm of vlies dat gevuld is met vleeswaar
salsicha
linguiça
noun
1. aftreksel van mout
mosto
/
ˈʋɔrtəl/
noun
- 1. Groente peen
cenoura
- 2. Ondergronds gedeelte van een plant
- 3. Getal
- 4. Woord
raiz
pronoun
1. Finoegrische taal die door de Woten in Ingrië gesproken werd
vótico
/
ʋʌːt/, /
ʋʌːut/
noun
1. groot bos
floresta
/
ʋʌʊ̯/, /
β̞ʌːβ̞/
noun
- A 1. benaming voor roofvogels uit het geslacht Milvus
milhafre
- B 1. bepaald soort plant, Reseda luteola
gauda
lírio-dos-tintureiros
noun
1. het vergelden van doorgemaakt lijden
vingança
noun
1. bovenkant van de voet tussen tenen en enkel
peito do pé
verb
1. handeling
esfregar
friccionar
noun
1. oorspronkelijk een rol van twee ineengedraaide repen stof, gevuld met haar of wol, aangebracht bovenop de helm om vijandelijke slagen te breken
virol
/
wœyvə/
verb
1. een groet brengen door met de handen te zwaaien
fazer
noun
1. Buccinum undatum
búzio
noun
1. Numenius arquata, een vogel uit de familie van de snipachtigen (Scolopacidae)
maçarico real
verb
1. iets of iemand vermoorden door het dichtknijpen van de keel
estrangular
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Wüstenrot
/
ˈɪkstralə(n)/
noun
1. röntgenstraling
raios X
/
ksɑnˈtinə/
noun
1. een organische stof die in vlees, urine en andere dierlijke stoffen voorkomt
xantina
/
ksenofɪˈli/
noun
1. het welgezind zijn jegens vreemdelingen of buitenlanders
xenofilia
/
ksenofoˈbi/
noun
1. een afkeer van alles wat vreemd of buitenlands is
xenofobia
noun
1. iemand die een sterke afkeer van vreemdelingen heeft
xenófobo
/
ˈksenɔn/
noun
1. een scheikundig element en kleurloos edelgas met het symbool Xe en het atoomnummer 54
xenônio
xenão
/
ˈksenotrɑnsplɑnˌtatsi/
noun
1. een transplantatie van dierlijke organen bij de mens
xenotransplante
/
ˈkoːsa/
pronoun
1. een taal die in Zuid-Afrika gesproken wordt
Língua xhosa
/
ˌksiliˈtɔl/
noun
1. een zoetstof die bereid is door hydrogenatie van xylose
xilitol
noun
1. melodisch slaginstrument dat bestaat uit een reeks op toon gestemde hardhouten staafjes waar met kleine hamertjes op geslagen wordt
xilofone
/
ˌksiloɣraˈfi/
noun
- 1. houtsnijkunst
- 2. houtsnede of houtgravure
xilografia
pronoun
1. de hoofdstad van Ivoorkust
Yamoussoukro
noun
1. actieve, mannelijke beginsel in de kosmos (volgens de Chinese filosofie), een van beide principes die samen de tao vormen
Yang
noun
- 1. een Angelsaksische lengtemaat (3 voet is 0,9144 m)
- 2. een Engelse vlaktemaat (12,14 ha)
jarda
noun
1. een zeiljacht met twee langsgetuigde masten
yawl
noun
1. de munteenheid van Japan
iene
/
ˈjeti/
noun
1. een legendarisch monster met de bijnaam 'de verschrikkelijke sneeuwman' die voor zou komen in de Himalaya
abominável homem das neves
iéti
/
ˈjoxa/
noun
1. het streven om door lichamelijke en geestelijke methoden van concentratie...
ioga
/
ˈjɔxərt/, /
ˈjɔχərt/
noun
1. lichtzuur en enigszins lobbig zuivelproduct,...
iogurte
noun
1. een beoefenaar van de yoga
iogue
pronoun
1. taal die door de Yoruba in Nigeria, Benin, Togo en Sierra Leone gesproken wordt
iorubá
noun
1. scheikundig element met symbool Yb en atoomnummer 70
itérbio
noun
1. een ronde nomadentent
ger
/
zaːt/
noun
1. een bevruchte kiem waaruit een nieuwe plant van dezelfde soort groeit
semente
/
'zadlɛɪdər/
noun
canal deferente
/
zax/
noun
1. een stuk gereedschap met een scherp getand metalen blad om voorwerpen in stukken te verdelen
serra
serrote
/
'zaxsəl/
noun
1. een uit houtvezels bestaande stof die ontstaat bij het zagen van hout
serragem
verb
1. zaad strooien
semear
noun
1. uit zaad opgekweekte plant, het stadium volgend op de kiemplant
muda
noun
1. recht om een goed te volgen in andere handen
direito de sequela
pronoun
2. boek in de Bijbel
Zacarias
adverb
1. gemakkelijk samen te drukken en/of te buigen
mole
macio
noun
zitplaats op dier of fiets
sela
selim
noun
1. een dak met twee tegen elkaar geplaatste gelijkhellende dakschilden
telhado de duas águas
verb
1. een zadel plaatsen op
selar
noun
1. een persoon die zadels maakt
seleiro
/
ˈza.ɣə(n)/, /
ˈza.χə(n)/
verb
1. in stukken delen door middel van een zaag
serrar
/
[ˈzɑː.greb]/
pronoun
1. hoofdstad van Kroatië
Zagreb
noun
- 2. een plek in kleding waarin kleine spullen kunnen worden meegedragen
bolso
algibeira
bolsa
- 1. slappe, vormeloze tas
saco
saca
/
ˈzɑgduk/
noun
1. een doek om de neus in te snuiten
lenço
/
'zakəmɑn/
noun
1. iemand die met zakendoen zijn brood verdient
empresário
homem de negócios
noun
1. onderdeel van het burgerlijk recht m.b.t. de rechtsverhouding tot een goed
direito das coisas
noun
1. lamp op zakformaat
lanterna
/
ˈzɑkmɛs/
noun
1. een klein invouwbaar mes, vaak met extra gereedschappen
canivete grande
canivete
noun
smeerbare massa om op de huid aan te brengen
pomada
adjective
- 1. gerechtvaardigd tegenover God, doordat men van zonde bevrijd is
- 2. bijzonder aangenaam, hemels
abençoado
phraseologicalUnit
1. een uitdrukking om iemand een gelukkige paasviering te wensen
Boa Páscoa
Feliz Páscoa
/
zɑlm/, /
zɑɫm/
noun
1. benaming voor een aantal vissoorten uit de familie Salmonidae
salmão
/
zɑlvə(n)/
verb
2. het aanbrengen van een welriekende olie, meestal als inhuldiging in een politieke of religieuze hoedanigheid
ungir
/
'zɑm.bi.ja/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel de Republiek Zambia, dat geheel door land wordt omsloten
Zâmbia
/
ˈzɑmbo/
noun
1. een persoon van gemengd negroïde en indiaanse afkomst.
cafuzo
noun
1. losse massa die bestaat uit miljoenen stukjes steen en schelpen
areia
noun
1. een bak gevuld met zand om in te spelen
caixa de areia
noun
1. een ophoping van zand op de bodem van een zee of meer
banco de areia
noun
1. een van zand gebouwd miniatuurkasteel
castelo de areia
noun
1. toestel waarmee de tijd wordt gemeten door zand uit het bovenste reservoir via een smalle doorgang naar het onderste reservoir te laten lopen
ampulheta
noun
een harde, droge wind die boven een woestijngebied een grote hoeveelheid zand en stof doet opwaaien
tempestade de areia
noun
1. een vlakke kuststrook die vrijwel geheel uit zand bestaat
praia de areia
/
ˈzɑŋər/
noun
1. een mannelijk iemand die zingt
cantor
noun
1. een vrouwelijk iemand die zingt
cantora
noun
1. Turdus philomelos, een lijstersoort die algemeen is in Nederland en Vlaanderen
tordo-comum
tordo-músico
noun
1. een dag van de week die na vrijdag en voor zondag komt
sábado
personalPronoun
2. clitische vorm van zij (derde persoon meervoud)
se
noun
1. Bos taurus indicus een rund dat in het Indische subcontinent en Afrika wordt...
zebu
noun
1. zwart-wit gestreepte paardachtige
zebra
noun
1. een patroon van witte strepen aangebracht op het wegdek ter aanduiding van een beschermde voetgangersoversteekplaats
faixa de pedestres
adjective
1. zoals het volgens normen en waarden behoort
moral
/
ze/, /
zeː/
noun
1. uitgestrektheid zoutwater
mar
noun
1. op de zeebodem levend bolvormig stekelig ongewerveld diertje
ouriço-do-mar
equino
noun
1. smalle doorgang tussen twee zeeën
estreito
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Actiniaria
anêmona-do-mar
noun
1. bepaald soort roofvogel die in kustgebieden leeft, Haliaeetus albicilla
águia-rabalva
noun
1. baarsachtige zeevis, Dicentrarchus labrax
robalo
noun
1. gevarieerde vismaaltijd
marisco
peixe
noun
1. aardbeving waarvan het epicentrum op de bodem van de zee ligt
maremoto
noun
1. het grondvlak van een zee
fundo do mar
noun
1. bepaald soort grote zeevis, Lophius piscatorius
tamboril
noun
1. werktuig om grovere van fijnere bestanddelen te scheiden
peneira
coador
noun
1. haven die in verbinding staat met de zee
porto marítimo
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de familie Phocidae
foca
noun
1. plantenetend zoogdier uit de orde Sirenia
sirénio
/
ˈzekut/
noun
1. zwart-witte zeevogel, Uria aalge
arau-comum
noun
1. benaming voor op de op komkommers lijkende zeedieren uit de klasse Holothuroidea
pepino-do-mar
noun
1. in zee levende kreeft
lagosta
/
ˈzelɑnt/, /
ˈzeːlɑnd/, /
ˈzeːlɑnt/
pronoun
1. een provincie in het zuidwesten van Nederland, die aan Noord-Brabant, Zuid-Holland, België en de Noordzee grenst
Zelândia
noun
1. grote oorrob
leão-marinho
/
ˈze.le.li/
noun
1. benaming voor de sessiele zeedieren uit de klasse Crinoidea
lírio-do-mar
noun
1. bepaald soort karperachtiɡe zoetwatervis, Tinca tinca
tenca
noun
1. mythisch zeewezen
sereia
noun
1. benaming voor zeevogels uit de familie Laridae
gaivota
noun
1. afstandsmaat, in gebruik op zee, 1852m
milha náutica
noun
1. rob uit het geslacht Mirounga
elefante-marinho
/
ˈzeʔɔtər/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Enhydra lutris
lontra-marinha
noun
1. schuimverwerkend reinigingsmiddel
sabonete
sabão
noun
1. bolvormig vlies van water en zeep dat een hoeveelheid gas (meestal lucht) omringt
bolha de sabão
noun
1. benaming voor zeedieren uit de familie Cheloniidae
tartaruga marinha
noun
2. bordspel
batalha naval
noun
1. benaming voor schijfvormige zeedieren met vijf armen uit de klasse Asteroidea
estrela-do-mar
pronoun
1. een streektaal bestaande uit een verzameling Nederfrankische dialecten ,gesproken in de provincie Zeeland
zelandês
noun
1. iemand die voor zijn beroep de zee bevaart
navegante
noun
1. scheepvaart over de zee
navegação
/
ˈzeˌvoχɔɫ/, /
ˈzeːˌvoːɣəl/
noun
1. een vogel die vooral in de directe omgeving van de zee leeft
ave marinha
noun
2. allerlei eetbare schaal- en schelpdieren
marisco
/
ˈzeʋatər/
noun
1. water waarin diverse zouten zijn opgelost en waarmee de zeeën gevuld zijn
água do mar
noun
1. in zee levend wier
alga
noun
1. misselijkheid als gevolg van de onregelmatige beweging van een schip
enjoo
noun
1. zout, uit zeewater gewonnen
sal marinho
/
ˈzexəl/
noun
1. een middel om een voorwerp zodanig af te sluiten dat er later nagegaan kan worden of het geopend is
selo
/
ˈzeɣəɫˌrɪŋ/
noun
1. een ring die aan de rugzijde voorzien is van een gravure, waarmee een zegel kan worden gestempeld
anel de sinete
/
ˈzeːɣə(n)/, /
ˈzeːχə(n)/
noun
- 1. verlening van goddelijke of bovennatuurlijke bijstand
bênção
- 4. breed en naar verhouding niet erg hoog sleepnet
rede de arrasto
verb
1. de zegen geven
abençoar
bendizer
noun
1. een geslacht van zowel bladverliezende als groenblijvende kruidachtige planten
carriço
verb
- 3. stortregenen
cair um dilúvio
- 2. urineren
fazer xixi
mijar
urinar
- 1. veelvuldig en langdurig klagen over weinig belangrijke zaken
lamentar
pegar no pé
noun
1. doek dat in een mast gehesen is met als doel wind te vangen
vela
noun
1. een boot waarmee gezeild kan worden
veleiro
/
ˈzɛɪlə(n)/
verb
1. voortgestuwd worden door de druk van de wind tegen een opgehouden zeil
velejar
noun
1. iemand die het zeilen beoefent
iatista
noun
1. iemand die zeilen vervaardigt
veleiro
noun
1. een schip waarmee gezeild kan worden
veleiro
noun
1. maaiwerktuig met gebogen snijblad en lange stok
gadanha
noun
1. een persoon met een zeis als verpersoonlijking van de dood
Ceifador
/
ˈze.kər/
adjective
1. waaraan niet getwijfeld hoeft te worden
certo
noun
1. elektronisch element ter voorkoming van een te grote stroom
fusível
adverb
1. bijzonder weinig voorkomend
raramente
adjective
1. naar verhouding gering in aantal
raro
/
zɛlf/, /
zɛɫf/
demonstrativePronoun
- 1. in eigen persoon
- 2. in tegenstelling met iets anders
ele/ela mesmo
noun
2. de mogelijkheid voor een volk om te bepalen onder welke soevereiniteit het wil vallen
autodeterminação
demonstrativePronoun
mesmo
noun
1. elk van de meestal versterkt geweven zijkanten van een weefsel in de lengterichting van het doek
bainha
noun
1. beoordeling van het zelf, meestal gericht op dat wat verbeterd zou moeten worden
auto-crítica
/
ˈzɛɫfmoːrt/
noun
1. handeling waarbij men een einde maakt aan zijn eigen leven.
suicídio
/
'zɛlfpɔrtrɛt/
noun
1. een kunstwerk gebaseerd op de afbeelding van het eigen gezicht
autorretrato
noun
1. jezelf belachelijk maken met humoristische intentie
autoderisão
noun
1. woordsoort die een zekere mate van zelfstandigheid van het genoemde uitdrukt, in veel talen standaard gecombineerd met een lidwoord
substantivo
noun
1. verbranding van zichzelf
autoimolação
noun
1. verdediging van zichzelf
defesa pessoal
noun
1. de opoffering van de eigenbelangen ten gunste van een ander
abnegação
noun
B 1. ingrediënt dat bestaat uit met de zaadhuiden vergroeide vruchtwanden en kiemen
farelo
noun
1.
tempo de transmissão
/
zenɪt/
noun
1. het denkbeeldige punt loodrecht omhoog aan de hemelkoepel
zênite
noun
1. een onderdeel van het perifeer zenuwstelsel, bestaande uit gebundelde uitlopers van zenuwcellen
nervo
noun
1. het gehele zenuwsysteem
sistema nervoso
noun
1. klasse silicaat-mineralen met een kristalstructuur die kanalen en holtes bevat in de grootteorde van nanometers
zeólita
noun
1. het getal 6
seis
meia
/
ˈzɛs.də/, /
ˈzɛz.də/
ordinalAdjective
nummer zes in een rij
sexto
cardinalNumeral
1. het getal 36
trinta e seis
cardinalNumeral
1. het getal 86
oitenta e seis
cardinalNumeral
1. het getal 26
vinte e seis
cardinalNumeral
1. het getal 46
quarenta e seis
cardinalNumeral
1. het getal 56
cinqüenta e seis
cardinalNumeral
1. het getal 66
sessenta e seis
/
ˈzɛsənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 76
setenta e seis
/
zɛsɦuk/
noun
1. een geometrische tweedimensionale vorm, bestaande uit zes hoeken en derhalve ook zes zijden
hexágono
/
ˈzɛsˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 600
seiscentos
cardinalNumeral
1. het getal 16
dezasseis
dezesseis
ordinalAdjective
décimo sexto
cardinalNumeral
1. het getal 60
sessenta
ordinalAdjective
sexagésimo
/
zɛt/
noun
handeling gedurende een spelbeurt
lance
noun
- 1. constructie bestemd om prettig op te zitten
- 2. lidmaatschap van een raad of vergadering met een beperkt aantal leden
- 3. plaats waar een organisatie gevestigd is
lugar
noun
1. een medicament in de vorm van een pil die via de anus toegediend wordt
supositório
noun
1. vrouwelijk varken of everzwijn
porca
/
ˈsʏː.rə(n)/, /
ˈzøː.rə(n)/
verb
1. veelvuldig en langdurig klagen over weinig belangrijke zaken
lamentar
/
zœys/
pronoun
1. Griekse oppergod
Zeus
/
ˈzøvən/
cardinalNumeral
1. het getal 7
sete
/
ˈze.vən.də/
ordinalAdjective
sétimo
/
ˈzøvənənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 37
trinta e sete
/
ˈzøvənəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 97
noventa e sete
/
ˈzøvənənˌtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 87
oitenta e sete
/
ˈzøvənənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 27
vinte e sete
/
ˈzøvənəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 47
quarenta e sete
/
ˈzøvənəɱˌvɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 57
cinqüenta e sete
/
ˈzøvənənˌsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 67
sessenta e sete
/
ˈzeːvə(n)ˌɦɔndərt/, /
ˈzøvənˌhɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 700
setecentos
/
ˈzøvənˌtin/
cardinalNumeral
1. het getal 17
dezessete
dezassete
ordinalAdjective
décimo sétimo
/
ˈzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 70
setenta
ordinalAdjective
septuagésimo
noun
1. wat gezien kan worden
vista
adjective
1. lichamelijke toestand
doente
adjective
1. geneigd om vaak ziek te zijn
doentio
noun
1. compensatie voor loon gederfd door ziekte
auxílio-doença
/
ˈzi.kǝn.ˌɦœʏs/
noun
1. instelling voor onderzoek, behandeling en verpleging van zieken
hospital
noun
1. ziekte die het centrale zenuwstelsel steeds verder aantast
doença de Parkinson
/
zil/
noun
1. het veronderstelde wezen van het niet-stoffelijke van de mens
alma
verb
1. waarnemen met het oog
ver
mirar
/
ˈzɪftə(n)/
verb
1. de grote van de kleine deeltjes scheiden met behulp van een zeef
peneirar
noun
1. een vrouw die deel uitmaakt van een zigeunerfamilie
cigana
/
sɛɪ̯/, /
zɛɪ̯/, /
zɛː/
personalPronoun
- 1. 3e persoon enkelvoud vrouwelijk
ela
- 2. 3e persoon meervoud
eles
elas
noun
1. een vertikale kolom aan de linker- of rechterkant van een computervenster
barra lateral
noun
- 1. kant
lado
- 2. vezel van de cocon van de zijdevlinder
seda
/
zɛɪkɑnt/
noun
1. datgene dat de zijde vormt
lado
possessivePronoun
1. derde persoon enkelvoud m/o
seu
verb
- 3. zich bevinden.
estar
ser
- 5. gelijk zijn aan.
- 1. bestaan
- 6. tot de groep behoren van
- 11. zijn + voltooid deelwoord: hulpwerkwoord van de voltooide tijd van de lijdende vorm
- 7. de eigenschap hebben.
- 10. zijn + voltooid deelwoord: hulpwerkwoord van de voltooide tijd van ergatieven
ser
estar
noun
1. een rivier die niet in zee maar in een andere rivier uitmondt
afluente
/
'zɛɪspɑn/
noun
1. karretje dat naast een motorfiets bevestigd is voor het vervoer van een passagier
sidecar
phraseologicalUnit
medalha de prata
noun
1. grote meeuwensoort
gaivota-prateada
noun
1. benaming voor naaldbomen uit het geslacht Abies
abeto
/
'zɪlvərvlisrɛist/
noun
rijst waarvan de zemelen en de kiem niet verwijderd zijn
arroz integral
/
zɪm.ˈbɑ.b<sup>ʊ</sup>ə/, /
zɪm.ˈbɑp.wə/
pronoun
land in zuidelijk Afrika, officieel de Republiek Zimbabwe
Zimbabué
Zimbabwe
noun
1. een serie woorden die gezamenlijk in syntactisch verband een afgerond geheel vormen
frase
verb
1. het musiceren met de menselijke stem
cantar
noun
1. , een scheikundig element met symbool Zn en atoomnummer 30. Het is een blauw/wit overgangsmetaal
zinco
verb
1. in een vloeistof, meestal water, traag naar beneden zakken
afundar
noun
1.syntactische eenheid binnen een zin
sintagma
/
ˈzɪntœx/, /
ˈzɪntœyx/
noun
1. orgaan
sentido
/
zijoˈnɪsmə/
noun
sionismo
noun
1. scheikundig element met symbool Zr en atoomnummer 40
zircônio
zircónio
/
zɪr'koːn/
noun
1. een mineraal
zircão
noun
1. een plaats waar men kan zitten
assento
/
ˈzɪ.tə(n)/
verb
1. op het zitvlak rusten
estar sentado
/
zɪtɪŋ/
noun
- 2. de tijd dat een raad of ander lichaam werkzaam bijeen is
- 3. als model poseren voor een kunstenaar of een fotograaf
sessão
adverb
1. net, even tevoren
acabar de
conjunction
- 1. in die mate als
- 2. bijvoorbeeld
assim
conjunction
1. geeft aan welke gebeurtenis eerst moe(s)t plaatsvinden
assim que
verb
1. proberen te vinden
buscar
procurar
noun
1. een instrument waarmee men informatie kan zoeken in een bepaalde collectie...
motor de busca
noun
1. deel van een computerscherm waar je een zoekopdracht kunt invullen
caixa de busca
pronoun
1. Bantoetaal die door 12 miljoen mensen in Zuid-Afrika wordt gesproken
Zulu
verb
1. een vrij zacht continu geluid voortbrengen dat op de z-klank lijkt
zumbir
verb
1. met de mond liefkozen
beijar
/
ˈzut/
adjective
1. ter omschrijving van een vaak als aangename ervaren smaak zoals die van suiker
doce
noun
1. een zetmeel houdende knol behorend tot dezelfde orde van planten als de aardappel
batata-doce
batata-da-ilha
batata-da-terra
jatica
jetica
/
ˈzuthʌʊt/
noun
1. Glycyrrhiza glabra, een plant die tot de vlinderbloemigen behoort
alcaçuz
regaliz
noun
2. zoetstof zonder suiker
adoçante
/
ˈzoːɣ.ə(n)/
verb
1. moedermelk geven
amamentar
/
zo.ɣə.'namt/
adverb
1. naar (betwijfelde) bewering
suposto
/
ˈzɔldər/
noun
3. ruimte onder een (schuin) dak
sótão
adverb
1. op willekeurige wijze, zonder nadenken of voorbereiden
assim
noun
1. door magie uit de dood teruggebracht persoon
morto-vivo
zombie
verb
1. van zomen voorzien
abainhar
noun
1. bepaald soort loofboom, Quercus robur
carvalho-roble
adjective
1. typerend voor de zomer
estival
noun
1. Anas querquedula
cerceta
noun
1. regeling waarbij de klok gedurende de lente- en zomermaanden een uur vooruit wordt gezet
horário de verão
noun
1. de ster waar de planeet aarde omheen draait, hemellichaam dat de aarde overdag verlicht
sol
noun
1. een dag van de week die na zaterdag en voor maandag komt
domingo
noun
1. overtreding van een goddelijke wet of regel
pecado
preposition
1. In afwezigheid van
sem
/
zɔndəɣə(n)/
verb
1. het overtreden van een religieuze wet
pecar
noun
1. een catostrofale Bijbelse vloed
dilúvio
/
ˈzoːnə/
noun
1. bepaald gebied dat is afgebakend van aangrenzend gebied
zona
noun
1. de zichtbare elektromagnetische straling van de ster waarrond onze aarde draait
luz do sol
/
'zɔnəʔenɛr'ɣi/
noun
1. energie die gewonnen wordt uit de straling van de zon
energia solar
verb
1. een of meerdere zonnebaden nemen
banho de sol
/
ˈzɔnəˌblum/
noun
1. bepaald soort tot 3 meter hoge plant met een grote gele bloem, Helianthus annuus
girassol
helianto
noun
1. de pit van een zonnebloem
semente de girassol
noun
1. de vaak pijnlijke gevolgen van een blootstelling van de huid aan een te grote dosis ultraviolet licht
queimadura solar
noun
1. substantie tegen verbranding van de huid
filtro solar
noun
1. een bril met speciale glazen (dikwijls polaroid) om de ogen tegen het zonlicht te beschermen
óculos de sol
noun
Cântico das Criaturas
/
ˈzɔnəpɑˌnel/, /
ˈzɔnəpɑˌnɪːɫ/
noun
1. een paneel dat stralingsenergie van de zon omzet in elektriciteit
painel solar
noun
1. het licht dat van de zon afkomstig is
luz do sol
luz solar
noun
1.
systema solar
sistema solar
noun
1. bepaald soort eetbare vis, Zeus faber
peixe-de-são-pedro
noun
1. magnetische onregelmatigheid aan de oppervlakte van de zon die vanaf de aarde te zien is als een wat donkere vlek
mancha solar
/
ˈzɔnəˌwɛndə/, /
ˈzɔnəˌʋɛndə/, /
ˈzɔnəˌβ̞ɛndə/
noun
1. de gebeurtenis waarbij de zon, vanuit de aarde gezien, de meest noordelijke of zuidelijke positie (de keerkringen) bereikt
solstício
noun
relógio de sol
relógio solar
noun
1. de stroom deeltjes die de zon uitstraalt
vento solar
adjective
1. zonovergoten, met zonneschijn
ensolarado
/
zɔn'zɔndərχɑŋ/
noun
1. het ondergaan van de zon
pôr do sol
ocaso
noun
1. het opkomen van de zon
nascer do sol
/
ˈzɔnsvərˌdœʏ̯stərɪŋ/, /
ˈzɔnsvərˌdœːstərɪŋ/
noun
1. het verschijnsel dat de maan voor de zon langstrekt, waardoor het zonlicht geblokkeerd wordt
eclipse solar
/
zuː/
noun
1. verzameling levende, oorspronkelijk wilde dieren.
jardim zoológico
zoológico
zôo
/
ˈzox.diːr/, /
ˈzoːɣ.diːr/, /
ˈzoχ.diːr/
noun
1. werveldier dat zijn jongen zoogt
mamífero
/
zoːn/
noun
1. een mannelijk kind
filho
noun
1. behoedzame overweging
preocupação
verb
1. zorg dragen
cuidar de
noun
1. (economie) een stelsel en systematiek voor de regulering van de zorgvoorziening
sistema de saúde
/
zɑu̯t/
noun
1. alledaagse naam voor keukenzout
sal
verb
1. met zout conserveren
salgar
/
ˈzɑutˌvacə/
noun
2. tafelgereedschap dat het zout bevat en strooit
saleiro
noun
1. een oplossing
ácido clorídrico
/
ˈzo.zo/
adjective
mais ou menos
/
zoʔo'lox/
noun
1. een wetenschapper die zich bezig houdt met de studie van dieren.
zoóloga
noun
1. hoorbare uitademing
suspiro
verb
1. hoorbaar diep uitademen, meestal als uiting van frustratie
suspirar
/
zœʏ̯t/, /
zœːd/, /
zœːt/
adverb
sul
/
zœʏ̯t.'a.fri.ka/, /
zœː'.dɑ.fri.ka/, /
zœːt.'a.fri.ka/
pronoun
land in het zuiden van Afrika
África do Sul
/
ˌzœʏ̯t aˈmɪːrika/, /
ˌzœːd aˈmeːrika/
pronoun
een continent dat ten zuiden van Noord-Amerika ligt, tussen de Grote en de Atlantische Oceaan
Ámérica do Sul
América do Sul
pronoun
1. Australische deelstaat in het zuiden
Austrália Meridional
pronoun
1. is een randzee van de Grote Oceaan en ligt ten zuiden van China
Mar da China Meridional
pronoun
het zuidelijk deel van Europa
Europa meridional
/
zœʏ̯.ˈtɔ.lɑnt/, /
zœːt.ˈɦɔ.lɑnt/, /
ˈzœːd.hɔ.lɑnd/
pronoun
1. een provincie in het zuidwesten van Nederland, die aan Noord-Holland, Utrecht, Gelderland, Noord-Brabant, Zeeland en de Noordzee grenst
Holanda do Sul
/
ˌzœʏ̯t koˈre.ja/, /
ˌzœːt koˈre.ja/
pronoun
1. en 2., land en republiek in Azië
Coreia do Sul
/
ˌzœʏ̯t koreˈjans/, /
ˌzœːt koreˈjaːns/
adjective
1.
sul-coreano
pronoun
1. grootste eiland van Nieuw-Zeeland
Ilha Sul
pronoun
1. Noordpool
Polo Sul
noun
1,2,3. zuidpool
polo sul
adjective
1. op het zuidwesten betrekking hebbend
sudoeste
/
ˈzœy̯.ɣə(n)/
verb
- 1. (met de mond) naar zich toe trekken
chupar
sugar
- 2. de moedermelk in zich opnemen
mamar
noun
1. voedingsmiddel op basis van melk
laticínio
verb
1. van verontreinigingen ontdoen
purificar
noun
1. en 2. een geslacht van meest overblijvende, kruidachtige planten uit de duizendknoopfamilie...
azeda
noun
1. een ander kind van dezelfde ouders van het vrouwelijk geslacht
irmã
noun
1. vrouwelijk kind van dezelfde ouders
irmã
noun
2. de gemeenschap van vrouwen in algemene of meer beperkte zin
sororidade
/
zyːr/
adjective
1. een smaak hebbend zoals van citroensap of azijn
azedo
ácido
/
zyːr/
noun
1. zure vloeistof
ácido
azedo
/
ˈzyrɣrat/
noun
1. de mate waarin iets zuur is, gewoonlijk gemeten als de negatieve logaritme (-log) van de concentratie waterstofionen
acidez
noun
1. fijngesneden en licht gezouten kool die enige tijd gefermenteerd is
chucrute
/
ˈzyːrstɔf/
noun
1. een scheikundig element en een bij kamertemperatuur kleurloos twee-atomig gas O₂
oxigénio
oxigênio
adjective
1. een laag gehalte aan zuurstof bevattend
baixo oxigénio
noun
1. snoep in de vorm van een gekleurde staaf met een zoetzure smaak
bastão de doces
verb
1. begroeten door met de hand heen en weer te bewegen
balancear
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Cisne
/
zʋan/
noun
1. benaming voor watervogels met lange sierlijke hals uit het geslacht Cygnus
cisne
adjective
van groot gewicht
pesado
pesada
noun
1. water waarin de waterstofatomen vervangen zijn door de waterstofisotoop deuterium
água deuterada
noun
1. een lang, scherp wapen
espada
noun
1.1 bepaald soort zeevis, Xiphias gladius
espadarte
pecespada
noun
1. Orcinus orca, een soort van walvis, vrij gedrongen van bouw en een opvallende rugvin
orca
noun
1. de kracht die de wederzijdse aantrekking van massa veroorzaakt
gravidade
gravitação
pronoun
1. bepaalde Opperduitse streektaal
suábio
/
zʋɑk/
adjective
fraco
fraca
noun
1. benaming voor trekvogels uit de familie Hirundinidae
andorinha
adjective
1. de toestand waarin een vrouw verkeert wanneer er in de baarmoeder een bevruchting heeft plaatsgevonden
grávida
noun
1. de tijd dat een vrouw een ongeboren kind met zich draagt
gravidez
noun
2. produkt dat via de urine tekenen van een zwangerschap onthult
teste de gravidez
adjective
1. kleur die wordt waargenomen als iets helemaal geen licht weerkaatst of uitstraalt
preto
negro
noun
1. gebied van de ruimte-tijd waaruit niets, zelfs geen licht kan ontsnappen omdat de zwaartekracht te sterk is
buraco negro
noun
1. betaalmiddelen die afkomstig zijn uit belastingontduiking of onwettige handel
dinheiro preto
noun
1. een publicatie van gegevens over een misstand
livro negro
noun
1. vruchtje van Ribes nigrum
groselha negra
črni ribez
noun
- 1. systeem, apparaat of voorwerp waarvan bekend is wat het doet maar niet hoe het werkt
- 2. crashbestendig apparaat met vluchtgegevens
caixa-negra
noun
1. Plegadis falcinellus
íbis-preta
phraseologicalUnit
mercado negro
pronoun
1. gebergte in het zuidwesten van Duitsland
Floresta Negra
pronoun
1. de zee die ligt ingeklemd tussen Europa en Klein-Azië
mar Negro
Mar Negro
noun
1. bepaald soort vogel, Sylvia atricapilla
toutinegra-de-barrete-preto
noun
1. iemand die van het openbaar vervoer gebruikmaakt zonder te betalen
passageiro sem bilhete
noun
1. bepaald soort zoogdier, Felis nigripes
gato-bravo-de-patas-negras
/
zʋavəl/
noun
1. scheikundig element met symbool S en atoomnummer 16
enxofre
noun
1. een sterk zuur bestaande uit zwavel, waterstof en zuurstof met een wateronttrekende en bijtende werking
ácido sulfúrico
óleo de vitriolo
/
ˈzweːdə(n)/, /
ˈzʋedə(n)/, /
ˈzβ̞eːdə(n)/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa, grenzend aan Noorwegen en Finland. De officiële naam is het Koninkrijk Zweden (Konungariket Sverige)
Suécia
/
zweds/, /
zʋets/, /
zβ̞ets/
adjective
1. betreffende Zweden of het Zweeds
sueco
sueca
/
zweds/, /
zʋets/, /
zβ̞ets/
pronoun
1. een Germaanse taal die wordt gesproken in Zweden en Finland
sueco
verb
1. vlieg uit de familie
mosca-das-flores
noun
1. toestel met vleugels dat zich ongemotoriseerd door de lucht verplaatst door gebruik te maken van opstijgende luchtstromingen
planador
noun
1. een handwapen in de vorm van een lang ineengedraaid stuk leer dat met een zwiepende beweging pijnlijke slagen uit kan delen
chicote
açoite
noun
1. vocht dat door de huid wordt uitgescheiden als koeling en middel om sommige afvalstoffen kwijt te raken
suor
noun
1.een klier in het lichaam dat zweet produceert
glândula sudorípara
/
ˈzwɛmbɑd/, /
ˈzʋɛmbɑt/, /
ˈzβ̞ɛmbɑt/
noun
1. een bassin om in te zwemmen
piscina
noun
1. kledingstuk voor mannen dat gebruikt wordt om in te zwemmen
calção (de banho, m)
noun
1. kledij bedoeld voor het baden en zwemmen
roupa de banho
verb
1. zich gecoördineerd door het water voortbewegen
nadar
nado
/
zʋɛrm/
noun
1. een grote groep gezamenlijk op- en rondtrekkende personen, dieren of zaken, gewoonlijk vogels of insecten
correição
/
'zʋevɪŋ/
noun
1. een geluidsverschijnsel dat veroorzaakt wordt door de interferentie van twee tonen met een gering verschil in toonhoogte
batimentos
verb
1. ervan afzien te spreken
calar
adjective
1. weinig sprekend
taciturno
/
ˈzʋɛinəstɑl/
noun
1. ruimte bestemd voor de huisvesting van varkens; 2. (figuurlijk) vuile boel
pocilga
/
zʋɪk/
noun
2. hoekstuk tussen een cirkel en de rechthoekige omlijsting hiervan
enjunta
/
ˈzwɪtsər/, /
ˈzʋɪtsər/, /
ˈzβ̞ɪtsər/
noun
1. een inwoner van Zwitserland, of iemand afkomstig uit Zwitserland
suíço
/
ˈzwɪtsərˌlɑnd/, /
ˈzʋɪtsərˌlɑnt/, /
ˈzβ̞ɪtsərˌlɑnt/
pronoun
1. een soeverein land in het zuiden van Centraal-Europa met als hoofdstad Bern en als officiële talen het Duits, het Frans, het Italiaans en het Reto-Romaans
Suiça
Suíça
pronoun
1. een groep eilanden in de Oostzee die tot Finland behoren, maar geheel Zweedstalig zijn
Alanda
interjection
1. inleiding op een opmerking die met het voorgaande verbonden is
oportunamente
/
ˈɔŋstrøm/
noun
1. lengtemaat met een waarde van 10-10 m
angstrom
/
eːn/
cardinalNumeral
1. de inhoud van de kleinste niet-lege verzameling
um
uma
/
eːn/
noun
1. het getal 1
um