noun
1. gedeelte van het voetbalveld
pokutové území
noun
1. gedeelte van het voetbalveld
pokutové území
verb
1. zachtjes strelen
hladit
noun
1. lang vaartuig met een platte bodem en een brede boeg
aak
noun
  1. 3. paling
  2. 4. kleine en jonge paling
úhoř
noun
1. bepaald soort struik met eetbare rode bessen Ribes rubrum
rybíz
noun
1. benaming voor vogels uit het geslacht Phalacrocorax
kormorán
noun
kovadlina
noun
1. knobbelachtige zwelling van aders in het onderste deel van de endeldarm en in de anus
hemoroid
noun
2. knobbelachtige zwelling van aders in het onderste deel van de endeldarm en in de anus
hemoroid
noun
1. het smeedblok waarop de smid het gloeiend metaal smeedt
kovadlina
noun
1. een eerste betaling bij het kopen van iets op afbetaling of in termijnen
záloha
noun
doporučení
verb
  1. 1. aanreiken, bieden, offreren, presenteren
  2. 2. iets tegen bepaalde voorwaarden of prijs verhandelbaar stellen
nabídnout
noun
1. iets voordelig te koop aanbieden
nabídka
noun
1. een aanbieding
dodávka
noun
1. gerichte belangstelling of interesse
pozornost
noun
1. waardepapier
akcie
noun
1. een houder van één of meer bewijzen van aandeel
akcionář
noun
1. de handel in aandelen in het algemeen
akciový trh
adjective
1. bij de geboorte verkregen eigenschappen
vrozený
adjective
1. met recht op schadeloosstelling bij het verloren gaan
doporučený
verb
2. aanduiden
uvádět
noun
sdělení
noun
1. leesteken om geciteerde woorden van die van de auteur te onderscheiden
uvozovka
noun
2. rijdend object dat achter de auto gehangen kan worden voor het vervoeren van goederen.
přívěs
noun
přívěs
verb
2. aanspreken
dorážet
verb
1. een bestemming bereiken
  1. dojít
  2. docházet
  3. přicházet
verb
  1. 2. voorspellen
    ohlásit
  2. 1. bekendmaken
    oznámit
noun
3. talent
dar
noun
1. datgene wat iets tot gevolg heeft
příčina
noun
3. een loop of tred voorafgaand aan een sprong, duik, enzovoort
elán
adjective
domýšlivý
verb
  1. 2. zich bekend maken met gebruikersnaam en wachtwoord
  2. 1. zich opgeven
přihlásit
noun
1. het inspreken van moed
povzbuzení
noun
1. manier van aanpakken
přístup
verb
3. een probleem oplossen
chopit se
adjective
1. in staat om zich aan te passen
přizpůsobivý
/ˈaːmpɑsə(n)/
verb
1. aansluiten, voegen naar, bruikbaar maken
adaptovat
noun
2. het zich aanpassen
přizpůsobení
/ˈanrakˌsxɛrm/, /ˈanrakˌsχɛrm/
noun
1. een beeldscherm dat ook als invoerapparaat voor een computer kan worden gebruikt door het scherm aan te raken.
doteková obrazovka
verb
1. fysiek contact maken met iets
dotýkat se
noun
  1. 1. aanvaller
  2. 2. een persoon, in de regel van het mannelijke geslacht die iemand anders aanvalt om seksuele redenen
útočník
noun
3. een fysieke aanval op iemand met als doel seksuele handelingen af te dwingen
sexuální násilí
noun
4. terroristische aanval
atentát
noun
  1. 1. het recht om het bezit of genot van iets te vorderen
  2. 3. aanspraak maken
nárok
noun
odpovědnost
noun
1. overeenkomst waarbij je premie betaalt aan een verzekeraar zodat die zal betalen voor schade die je per ongeluk veroorzaakt of waarvoor je verantwoordelijk wordt gehouden
pojištění odpovědnosti za škodu
noun
1. apparaatje om vuur te maken
zapalovač
noun
1. benoeming in een functie, dienst etc.
jmenování
verb
1. veroorzaken
nabádat
noun
podněcovatel
noun
1. een telbare hoeveelheid
množství
verb
1. (langzaam) beschadigen, aangrijpen
postihnout
noun
1. de werkwoordsmodus die de gewone werkelijkheid aangeeft
oznamovací způsob
adjective
1. mogelijk om aan te tonen
prokazatelný
adjective
1. bekoorlijk
atraktivní
verb
1. dankzij een kracht objecten naar zich toe doen bewegen
přitahovat
adjective
1. te aanvaarden
akceptovatelný
noun
1. een poging de tegenpartij geweld aan te doen of van zijn positie te beroven
útok
verb
útočit
noun
  1. 2. een persoon in de voorste linie
  2. 1. iemand die aanvalt
útočník
adjective
1. in het begin
počáteční
noun
1. een bevelhebber, een leider
kapitán
noun
1. verzoek, vaak min of meer officieel
návrh
adjective
1. die of dat aanvult
dodatečný
noun
1. hebbelijkheid
neřest
adjective
přítomný
verb
1. door wijzen tonen
  1. ukazovat
  2. ukázat
noun
  1. 1. het aanwijzen
  2. 2. vingerwijzing
upozornění
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de orde der primaten
  1. opice
  2. opičák
noun
  1. 1. bloeiwijze van granen
  2. 2. bovenste deel van de halm van gras- of graangewassen
klas
noun
1. bepaald soort plant, Lathyrus tuberosus
krachor hlíznatý
noun
1. bepaald soort plant, Solanum tuberosum
brambor
/ˈar.dɑ.pɔɫ.ke.vər/, /ˈar.dɑ.pəɫ.ke.vər/, /ˈaːrd.ɑ.pəl.ke.vər/
noun
1. bepaald soort tor, Leptinotarsa decemlineata
mandelinka bramborová
/ˈardɑˌpəɫpyˈre/
noun
1. een puree van zeer fijn gemaakte, met melk aangemengde aardappels
bramborová kaše
noun
1. een salade die gemaakt wordt uit aardappelen
bramborový salát
/\ˈaːrt.bɛi̯\/
noun
2. eetbare vrucht van planten uit het geslacht Fragaria
jahoda
noun
1. bepaald soort plant, Arbutus unedo
planika
adjective
jahodová červená
noun
1. een schokkende of trillende beweging van een gedeelte van de aardkorst, meestal te wijten aan ...
zemětřesení
/ˈardə/
pronoun
Země
/ˈardə/
noun
  1. 1. planeet
  2. 2. grond
země
verb
4. met de aarde verbinden
  1. uzemnit
  2. uzemňovat
noun
keramika
/artxɑs/
noun
1. een gas dat uit de aarde komt en dat grotendeels uit methaan bestaat
zemní plyn
noun
1. het ontginnen van aardgas
těžba plynu zemního
/ˈar.dəx/, /ˈar.dəχ/, /ˈaːr.dɪx/
adjective
1. aangenaam in omgang
hodný
/ˈart.kɔrst/
noun
1. het buitenste gedeelte van de planeet Aarde
  1. kůra zemská
  2. zemská kůra
noun
geologie
noun
1. Microtus agrestus, een zoogdier uit de orde van knaagdieren
hraboš mokřadní
noun
ropa
/ˈaːrtoliproˌdʏkt/
noun
1. verhandelbaar resultaat van het bewerken van aardolie
ropný produkt
/ˈartpɪːr/
noun
bepaald soort zonnebloem, Helianthus tuberosus
slunečnice topinambur
/ˈardrɛiksˌkʏndə/
noun
geografie
adjective
1. met betrekking tot de aardrijkskunde
  1. geografický
  2. zeměpisný
adjective
1. betrekking hebbende op de aarde, tot de aarde behorend
zemský
noun
slimák
/ˈaːrtfɑrkə(n)/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Orycteropus afer
hrabáč kapský
noun
1. het naar beneden schuiven van een grote massa grond
sesuv půdy
noun
žížala
noun
1. en 2. (blaadjes van) de plant Mentha spicata
máta klasnatá
noun
1. bepaald soort parasitaire, maar onschadelijke rondworm van ca. 5–10 mm lengte, Enterobius vermicularis
roup
prefix
arci-
/ˈaːrz.bɪz.dɔm/, /ˈaːrʦ.bɪs.dɔm/, /ˈaːrʦ.bɪz.dɔm/
noun
1. het belangrijkste gebied van een kerkprovincie, dat geleid wordt door de aartsbisschop.
arcidiecéze
/ˈaːrzbɪsxɔp/, /ˈaːrʦbɪsxɔp/, /ˈaːrʦbɪsχɔp/
noun
1. de voornaamste bisschop van een kerkprovincie.
arcibiskup
noun
1. een hemelgeest in een rang boven een engel
archanděl
noun
1. een keizerlijke prins in het vroegere Oostenrijk-Hongarije
arcivévoda
noun
arcivévodství
noun
1. adellijke titel, vrouw van een aartshertog
arcivévodkyně
/ˈarzələ(n)/
verb
1. onzeker zijn, twijfelen
váhat
noun
1. onzekerheid, twijfel, weifel
váhání
noun
1. speelkaart
eso
noun
mrchožrout
/'as.xir/
noun
1. bepaald soort roofvogel, Neophron percnopterus
sup mrchožravý
noun
Bepaald soort bananenplant, Musa textilis
abaka
/ˈɑbɑkʏs/
noun
  1. 1. raam met staven
    1. abakus
    2. abak
  2. 2. dekplaat van een kapiteel
    1. abakus
    2. abak
    3. nadhlavice
/a.bɑ.ˈtwaːr/, /ɑ.bɑ.ˈtβ̞ar/
noun
1. een bedrijf waar dieren geslacht worden
jatka
pronoun
1. West-Kaukasische taal gesproken in Rusland en Turkije
abazština
noun
1. het alfabet
abeceda
noun
1. een ophoping van pus in het lichaam, daarbij een onnatuurlijke holte vormend
  1. absces
  2. hlíza
  3. vřed
/ɑpˈxazis/
pronoun
1. een taal die in Abchazië gesproken wordt
  1. abcházština
  2. abcházsky
noun
abdikace
/ɑbˈdɛɪ̯/, /ɑbˈdɛː/
noun
1. klooster met aan de leiding een abt of abdis
opatství
/ɑbˈdɪs/
noun
1. bestuurster van een abdij.
abatyše
noun
abdomen
/ˌɑbdoʊmiˈnaːɫ/
adjective
1. de onderbuik betreffend
abdominální
noun
beweging vanuit neutrale uitgangshouding
abdukce
adjective
1. afwijkend van de norm
aberantní
noun
aberace
pronoun
Habeš
adjective
niet levend
abiotický
/ˌɑb.la.ˈtif/, /ˌɑb.la.ˈtiːf/
noun
1. de zesde naamval die onder meer de instantie aangeeft waarvan iets uitgaat of vertrekt
ablativ
/ˈɑb.laut/, /ˈɑp.lɔut/, /ˈɑp.lʌut/
noun
1. regelmatige, grammaticaal bepaalde klinkerwisseling
  1. střída
  2. ablaut
adverb
1. ongewoon
abnormální
/ɑbomɪˈnabəl/
adjective
bijzonder slecht
odporný
/ɑbɔ'ne/
noun
1. iemand die op iets geabonneerd is
  1. abonent
  2. předplatitel
noun
  1. předplatné
  2. abonmá
/ɑbɔ'nerə(n)/
verb
1. een abonnement aangaan
abonovat
noun
  1. meruňka
  2. meruňka obecná
/ɑp'rʏpt/
adverb
1. onverwachts optredend
abruptní
noun
1. de afstand tot de opstaande as van een coördinatenstelsel
abscisa
verb
1. met behulp van een touw van een steile wand afdalen
slanit
/ɑp'sɪnt/
noun
1. sterkedrank op basis van anijs
absint
noun
bepaald soort plant, Artemisia absinthium
  1. pelyněk pravý
  2. pelyněk
noun
1. grootte van een reëel getal of lengte van een andere grootheid
absolutní hodnota
/ɑpso'lysi/
noun
1. het vergeven van de zonden
rozhřešení
/ɑpso'lyt/
adjective
    1. 1. niet beschouwd in betrekking tot iets soortgelijks
    2. 4. geheel onafhankelijk en zonder binding met iets of iemand anders
    absolutní
  1. 3. beslist, zeker
    1. absolutní
    2. naprostý
  2. 2. volledig, volkomen
    1. absolutní
    2. úplný
/ɑpsɔr'berə(n)/
verb
absorbovat
noun
absorpce
noun
1. een persoon die zich onthoudt
abstinent
noun
abstinence
/ɑpsʏrt/
adjective
1. erg onlogisch, belachelijk
absurdní
/ɑb/, /ɑpt/
noun
1. het hoofd van een abdij
opat
adjective
abysální
noun
boom van de soort Robinia pseudoacacia
  1. akát
  2. trnovník
noun
  1. akademie
  2. akademi
/ɑkɑ'demis/
adjective
akademický
noun
1. toename van de snelheid
zrychlení
verb
akcentovat
/ɑk.sep.ˈtaː.tʃi/
noun
1.
přijetí
adjective
akcidentální
verb
1. aan een andere omgeving wennen
aklimatizovat
noun
  1. 1. voorzieningen ten behoeve van ...
  2. 2. aanpassing
akomodace
noun
1. een muziekinstrument waarbij door trekken en duwen een toon wordt geproduceerd
akordeon
verb
1. een officieel stempel van goedkeuring aan iets of iemand verlenen
akreditovat
noun
1.
akrece
noun
1. een toestel om elektriciteit op te slaan
akumulátor
noun
1. een ester of zout afgeleid van azijnzuur
acetát
noun
1. kleurloze, vluchtige, sterk riekende vloeistof die als oplosmiddel wordt gebruikt met als chemische formule: C₃H₆O
aceton
/ˌɑsəˈtilxoˌlinə/, /ˌɑsəˈtiɫχoˌlinə/, /ˌɑsɛˌtylxoˈlin(ə)/
noun
1. een neurotransmitter die vooral betrokken is bij de impulsoverdracht van de zenuw naar de skeletspiercellen
acetylcholin
/ˌɑ.sə.ti.ˈlen/
noun
  1. 1. een verbinding van waterstof en koolstof met de samenstelling H₂C₂, die als gasvormige brandstof voor het vormen van hete vlammen gebruikt wordt
  2. 1&2.1. een verbinding van waterstof en koolstof met de samenstelling H₂C₂, die als gasvormige brandstof voor het vormen van hete vlammen gebruikt wordt
acetylen
/xxxx/
noun
1.
kyselina acetylsalicylová
pronoun
1. figuur uit de Griekse mythologie
Achilles
noun
1. kwetsbare plaats
Achillova pata
noun
Achillova šlacha
cardinalNumeral
1. het getal 8
osm
/ˈɑxtbaːn/
noun
1. een attractie met een karretje dat over een baan met bochten, stijgingen en dalingen rijdt
horská dráha
cardinalNumeral
1. het getal 28
  1. dvacet osm
  2. osmadvacet
cardinalNumeral
1. het getal 58
osmapadesát
preposition
za
adverb
1. in de laatste of een van de laatste posities in een rangschikking, op een verder weg liggende plaats
za
noun
1. de indirecte oorzaak van actualiteiten
pozadí
/ˈɑxtərkɑnt/
noun
část
verb
1. dumpen, weggaan van, verlaten
nechávat
noun
1. lamp(en) aan de achterkant van een voertuig
  1. koncové
  2. zadní světlo
adjective
1. achterstand vertonend in de ontwikkeling
retardovaný
noun
1. een naam die van geslacht op geslacht en indien gewenst door het huwelijk overgedragen wordt
příjmení
noun
zadní
adverb
1. in achterwaartse richting
vzad
noun
1. een spiegel aan een auto of motorfiets waarmee men de situatie op de weg achter zich kan zien
zpětné zrcátko
/'ɑx.tər.vux.səl/
noun
1. een woorddeel dat achter de stam van een woord gevoegd wordt
přípona
verb
1. iemand inhalen
pronásledovat
noun
honba (za čím)
noun
1. dubbelzijdig uitgevoerde achterwielophanging van een motorfiets
kyvné rameno
noun
1. een vorm met acht hoeken
osmiúhelník
/ɑxt'ɦukəx/
adjective
1.
osmiúhelníkový
/ˈɑxtˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 800
osm set
noun
1. aanzien
úcta
noun
osmý
noun
1.
osminka
noun
1.
osminová pomlka
cardinalNumeral
1. "18", het getal tussen zeventien en negentien
osmnáct
ordinalAdjective
osmnáctý
noun
acidóza
noun
akné
pronoun
1. begripomschrijving
Aconcagua
pronoun
1. braziliaanse deelstaat gelegen in de Regio Noord van het land. Hoofdstad is Rio Branco
Acre
noun
1. gymnast
akrobat
noun
akronym
noun
akrylonitrilbutadienstyren
/ɑkˈtør/
noun
1. persoon
herec
noun
akce
adjective
1. met iets bezig zijnde
aktivní
noun
skupina akční
noun
1. Scheikundig element
  1. aktinium
  2. actinium
noun
1. in geld uitgedrukte waarde van de bezittingen van een onderneming
aktiva
verb
1. werkzaam maken
aktivovat
noun
1. iets waarmee men actief is
aktivita
noun
1. vrouw
herečka
noun
aktuár
/ɑktyˈwel/
adjective
aktuální
noun
1. een Chinese behandelingsmethode waarbij, ter genezing van een kwaal...
akupunktura
/aˈkyt/
adjective
1. plots ontstaan, op korte termijn verlopend
akutní
pronoun
Adam
/ˈadɑmzɑpəl/
noun
deel van het strottenhoofd bij de man
ohryzek
noun
adaptér
noun
  1. 1. gifslang
  2. 2. persoon
zmije
noun
hadilka
pronoun
Addis Abeba
noun
1. chemisch product
látka přídavná
noun
1. bevoorrechte groep personen
šlechta
noun
1. benaming voor sommige soorten grote roofvogels
orel
noun
hasivka orličí
/adəm/
noun
dech
/ˈa.də.mə(n)/
verb
1. de voor het leven nodige lucht inzuigen en weer uitdrijven
dýchat
noun
1. door levende wezens ingezogen en uitgeblazen lucht
dýchání
adjective
1. erg stil of zelfs zonder adem te halen
bezdechý
noun
1. goedaardig klierweefselgezwel
adenom
noun
adenozin
noun
adenosindifosfát
noun
adenosintrifosfát
/a.de.'kʋat/
adverb
1. correct en passend bij het beoogde doel
adekvátní
noun
1. bloedvat met zuurstofarm bloed
žíla
/ˈa.dər.la.tɪŋ/, /ˈaː.dər.laː.tɪŋ(g)/
noun
  1. 1. (medisch) de handeling van het aderlaten
  2. 2. (figuurlijk) een groot verlies
pouštění žilou
/ɑtˈhezi/
noun
  1. 1. een vergroeiing van organen
  2. 2. onderlinge aantrekkingskracht tussen ongelijke moleculen zonder dat er sprake is van een chemische binding
adheze
noun
1. een woordsoort dat wordt gebruikt om een eigenschap of hoedanigheid van een zelfstandig naamwoord te benoemen
  1. přídavné jméno
  2. adjektivum
noun
1. een woordsoort dat wordt gebruikt om een eigenschap of hoedanigheid van een zelfstandig naamwoord te benoemen
  1. přídavné jméno
  2. adjektivum
noun
pobočník
/ˌɑtminɪsˈtrasi/, /ˌɑtminɪsˈtratsi/
noun
3. bestuur
správa
noun
správce
noun
1. opperbevelhebber van een oorlogsvloot
admirál
noun
1. de reciproke complexe impedantie
admitance
noun
1. jeugdig persoon, puber
adolescent
pronoun
Adolf
verb
1. een kind aannemen
adoptovat
noun
  1. adopce
  2. osvojení
/aˈdrɛs/
noun
1. aanduiding van de plaats waar iemand woont of iets is gevestigd
adresa
noun
1. een boek met alfabetisch en/of systematisch geordende adressen
adresář
verb
1. Iets toezenden
adresovat
pronoun
1. randzee van de Middellandse Zee, gelegen tussen Italië en het Balkanschiereiland
Jaderské moře
noun
1. een fenomeen dat optreedt aan het grensvlak van twee fasen, waarbij moleculen of atomen zich aan dit grensvlak hechten
  1. adsorbce
  2. adsorpce
/a.ˈdu.ki.ˌbon/
noun
1. bepaald soort kleine, rode sojaboon, Phaseolus angularis
azuki
/ɑtˈfɛnt/
noun
1. een periode van vier weken voor Kerstmis    2. de tijd waarin de komst en wederkomst van Jezus Christus worden verwacht
advent
noun
inzerent
noun
1. een aankondiging in een krant, reclameblad, tijdschrift ...
inzerát
/ɑtfiˈzerə(n)/
verb
1. raad geven aan
poradit
noun
1. pleiter, verdediger in rechtszaken
  1. advokát
  2. právník
noun
1. vrouwelijke advocaat
advokátka
noun
aerodynamika
noun
  1. 1. ziekelijke vrees voor frisse lucht, tocht, wind
  2. 2. ziekelijke angst om te vliegen
aerofobie
adjective
1.
aerobní
/ˌæːroˈzol/, /ˌɛːroˈzɔɫ/
noun
2. scheikunde
aerosol
adverb
1. op onregelmatige tijden
občas
noun
1. het onvermogen te spreken
afázie
verb
vyobrazit
noun
sestup
verb
1. door onderhandelen een prijs omlaag zien te krijgen
dohadovat
verb
2. overdragen
odvádět
verb
1. het juiste pad kwijt raken
toulat
noun
aféra
verb
1. verbranden van overtollig gas via een hoge fakkel
spalování dodatečné
adjective
1. van de gevoelens uitgaand en/of hiermee verbonden
  1. afektivní
  2. afektní
/ɑfiniˈtɛit/
noun
  1. 1. een geestelijk verwantschap
  2. 2.
  3. 3.
afinita
noun
1. een gebonden morfeem dat aan een ander morfeem wordt toegevoegd om zo een nieuw woord te vormen
afix
/ˌɑfriˈkat/
noun
1. een combinatie van twee medeklinkers, waarvan de eerste een plosief...
afrikáta
noun
dřík
verb
2. afgeschoten worden
explodovat
noun
1. iemand die als officiële vertegenwoordiger naar een andere partij gestuurd wordt
emisar
/ɑf.ˈxan/, /ɑf.ˈχan/
noun
2. Afghaans tapijt
afghán
/ɑf.ˈxans/, /ɑf.ˈχans/, /ɑv.ˈɣaːns/
adjective
1. gerelateerd aan Afghanistan
afghánský
/ɑf.ˈɣa.nɪ.ˌstɑn/, /ɑf.ˈχa.nɪ.ˌstɑn/, /ɑv.ˈɣa.nɪ.ˌstɑn/
pronoun
1. een land gelegen in Centraal-Azië.
  1. Afghánistán
  2. Afganistan
  3. Afgánistán
noun
odlitek
/ˈɑfxrɔnt/, /ˈɑfχrɔnt/, /ˈɑvɣrɔnd/
noun
1. een grote steile diepte
propast
adjective
spoléhající
noun
závislost
verb
1. niet geschikt verklaren
schvalovat
noun
1. het inkorten van een woord of een frase
zkratka
/ˈɑflat/
noun
1. een kwijtschelding van tijdelijke straffen die men zou moeten ondergaan na het sterven..
odpustek
noun
2. een woord dat middels toevoeging van een voor-, in- of achtervoegsel gevormd wordt uit een ander
odvozenina
verb
1. brengen naar en achterlaten op de plek van bestemming
doručit
noun
1. elk onderdeel van een tv-serie dat op regelmatige tijden wordt uitgebracht of uitgezonden
epizoda
verb
  1. 2. geheel of gedeeltelijk voldoen
    podplatit
  2. 1. de plaats innemen van
    vyprázdnit se
verb
1. ongemerkt luisteren naar de communicatie van anderen
poslouchat
verb
  1. 1. de sessie binnen een programma beëindigen
  2. 2. niet langer deelnemen aan
odhlásit
noun
1. korte spreuk met een kernachtige boodschap
aforismus
/ˈɑf.pɛr.sɪŋ/
noun
1. mensen onder voor de buitenwereld onzichtbare bedreiging zaken tegen hun wil laten doen
vydírání
pronoun
1. het continent ten zuiden van Europa, tussen de Indische en de Atlantische Oceaan.
Afrika
/afriˈkaːns/
adjective
1. komende van of betreffende het continent Afrika
africký
/afriˈkaːns/
pronoun
1. een van het Nederlands afstammende taal die wordt gesproken in Zuid-Afrika en Namibië
  1. afrikánština
  2. afrikánsky
noun
1.
afrodiziakum
verb
1. tot een einde brengen
zrušit
noun
1. een begroeting bij het elkaar verlaten
odchod
verb
1. het schuin afwerken van de rand van een materiaal.
srazit
noun
2. beëindiging
uzavření
noun
1. een overeenkomst
dohoda
noun
potomek
/ˈɑfstɑnt/
noun
1. de ruimte die zich ergens tussen bevindt
odstup
noun
een toestel dat vanaf afstand een ander toestel bestuurt
dálkový ovladač
verb
odrazit
/ɑf/, /ɑft/
noun
1. een kleine zweer in de mond ten gevolge van een virus
afta
noun
1.
rezignace
verb
1. rekenkundige bewerking waarbij een getal met een getal verminderd wordt
odečíst
/ˈɑftrɛkɪŋ/
noun
1. rekenkundige bewerking waarbij een getal van een ander getal afgetrokken wordt
odčítání
noun
1. onbruikbare resten die weggegooid worden
detritus
noun
odpadlice
noun
1. het ontrouw worden aan zijn geloof
odpadlictví
/ɑfˈwerə(n)/
verb
1. een aanval neutraliseren
odrazit
adjective
1. niet op een bepaald tijdstip en plaats zijn
nepřítomný
noun
1. het afwezig zijn op een bepaald tijdstip en plaats
absence
/'ɑfʋɛɪzɪŋ/
noun
1. een bericht dat op een voorstel of aanzoek niet ingegaan wordt
odmítnutí
noun
1. iemand die iets naar een adres verzendt
odesílatel
verb
9. tot afstand dwingen
sesadit
noun
okrádačka
adjective
jednotlivý
/ˈɑfzœʏχkɑp/, /ˈɑfzœːxkɑp/
noun
1. een huishoudelijk apparaat in de keuken dat de kookluchtjes moet afvoeren
digestoř
/ˈɑfzwɪːrə(n)/
verb
zříci se
noun
  1. 1. een doorzichtige, maar soms ook opake variëteit van trigonaal kwarts...
  2. 2. een stenen voorwerp bestaande of vervaardigd uit agaat
achát
adjective
achátová šedá
noun
1.
agapornis
/a.ˈɣɛn.da/, /a.ˈχɛn.da/
noun
1. een notitieboek waarin afspraken genoteerd worden
diář
noun
  1. 2. een vertegenwoordiger van een bedrijf
    agent
  2. 1. persoon belast met de handhaving van de openbare orde
    policista
verb
1. moeite doen om een meest politiek doel te bereiken
agitovat
noun
aglomerace
noun
1. elk van de toestanden, afhankelijk van druk en temperatuur, waarin een stof kan voorkomen
skupenstvi
verb
agitovat
noun
agnosticismus
noun
1. iemand die ten aanzien van het bovennatuurlijke stelt dat dit niet te kennen valt
  1. agnostik
  2. agnostička
noun
agorafobie
noun
agrese
adjective
1. aanvallend
agresivní
noun
  1. 1. de neiging tot agressie
  2. 2. het agressief zijn
agresivita
/aɣriˈmoni/
noun
1. benaming voor overblijvende, kruidachtige planten uit het geslacht Agrimonia
Řepík
noun
1. de landbouwkunde
agronomie
interjection
aha
noun
javorový sirup
noun
1. een virusziekte waarbij het natuurlijke afweersysteem van het lichaam steeds verder afgebroken wordt
  1. AIDS
  2. aids
noun
1. beschermingssysteem in voertuigen
airbag
pronoun
1. hoofdstad van de Franse regio Corsica
Aiacciu
adjective
bezútěšný
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noord-Rijnland-Westfalen, niet ver van Maastricht
Cáchy
noun
1. afgeperkt stuk land dat bestemd is bebouwd te worde met een gewas of graan
pole
noun
1. bepaald soort plant, Cirsium arvense
pcháč rolní, pcháč oset
noun
1. bepaald soort tweejarige- of meerjarige plant, Melilotus officinalis
komonice lékařská
noun
přeslička rolní
noun
svlačec rolní
noun
2. samenklank van drie of meer, verschillende tonen
akord
/ˌakusˈtik/
noun
1. de voortplanting van klank in een besloten ruimte en de ervaring die deze voortplanting ...
akustika
noun
1. platte en rechthoekige tas
aktovka
phraseologicalUnit
lež má krátké nohy
pronoun
1. Braziliaanse deelstaat gelegen in de Regio Noordoost van het land. Hoofdstad is Maceio
Alagoas
/ɑɫbaˈneːs/
pronoun
1. taal die vooral in Albanië en Kosovo gesproken wordt
  1. albánština
  2. albánsky
/ɑlˈbaːni.jə/, /ɑɫˈbani.jə/
pronoun
1. een land in het westen van de Balkan, grenzend aan de Adriatische en de Ionische Zee en aan Griekenland, Macedonië, Kosovo en Montenegro
Albánie
noun
alabastr
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Diomedeidae
albatros
noun
album
noun
1. vroegere occulte wetenschap, waarin o.a. werd geprobeerd om goud en edelmetalen uit andere elementen...
alchymie
noun
1. elk van de verbindingen uiteen groep koolwaterstoffen die gekenmerkt zijn...
alkohol
adjective
1. alcohol bevattend
alkoholický
noun
alkoholismus
adjective
1. met een verwaarloosbaar alcoholgehalte
nealkoholický
noun
aldehyd
noun
Engels bier
ale
pronoun
1. verzamelnaam voor een groep Duitse dialecten die gesproken worden door ongeveer zes miljoen mensen in Zuid-Duitsland, Zwitserland, Oostenrijk, Liechtenstein en Oost-Frankrijk
  1. alemánština
  2. alemánsky
pronoun
1. keten van vulkanische eilanden in Alaska ,die zich boogvormig uitstrekt en een scheiding vormt tussen de Grote Oceaan en de Beringzee
Aleuty
noun
alexandrín
/ˈɑlfa/
noun
1. een aanduiding of markering van "de eerste" van een reeks
alfa
noun
de lettertekens van een taal
abeceda
adjective
1. gerangschikt volgens de letters van het alfabet
abecední
noun
1. ontkiemde zaden van luzerne
tolice vojteška
noun
1.
záření alfa
/ˈɑɫɣəbra/
noun
1. deel van de wiskunde dat zich bezighoudt met de betrekkingen van door letters...
algebra
noun
obecný
/ɑl.ɣə.'rɛɪ̯.jə/, /ɑɫ.ɣə.'rɛː.jə/, /ɑɫ.χə.'rɛɪ̯.jə/
pronoun
1. een land in Noord-Afrika, officieel de Democratische Volksrepubliek Algerije
Alžírsko
adjective
1. Uit/afkomstig van Algerije
alžírský
/ɑɫˈxiːrs/, /ɑɫˈɣiːrs/
pronoun
1. Hoofdstad van Algerije
Alžír
noun
algoritmus
/ˈaː.liˌbi/
noun
1. het kunnen aantonen dat men elders was tijdens het zich voltrekken van een misdaad,...
alibi
noun
1. eetbare zeeslak
plážovka
adjective
1. met betrekking tot de voeding
alimentární
/aˈlinija/
noun
odstavec
/ɑlk/
noun
1. bepaald soort zeevogel die veel op de zeekoet lijkt, maar een dikkere snavel heeft
tučňák
noun
alkan
noun
alkálie
noun
1. een stikstof bevattende plantenbase
alkaloid
noun
alken
noun
1. een kleine raamloze zijkamer, vaak gebruikt als slaapkamer
alkovna
pronoun
1. God in islamistisch of Arabische context
Alláh
/ɑl.ˈen/
adjective
1. zonder gezelschap
sám
adjective
1. betrekking hebbend op het uitbeelden van een abstract begrip
alegorický
/ɑ.ˈlɛl/, /ɑ.ˈlɛɫ/
noun
1. elk van de alternatieve uitvoeringen van een gen, die allemaal in homologe chromosomen op dezelfde plaats liggen
alela
noun
allemanda
noun
1. stof die overgevoeligheid veroorzaakt
alergen
/ˌɑlɛrˈɣi/
noun
1. een reactie van het immuunsysteem op lichaamsvreemde stoffen (allergenen), die op zich helemaal niet schadelijk hoeven te zijn
alergie
adjective
1. overgevoelig
alergický
noun
wetenschap die allergieën bestudeert
alergologie
pronoun
1. een rooms-katholieke feestdag op 1 november ter gezamenlijke verering van alle heiligen van de Kerk
Všech svatých
indefinitePronoun
1. al het mogelijke, de gehele verzameling of hoeveelheid zonder uitzondering
všechno
noun
1. een bondgenootschap
aliance
noun
1. een grote krokodilachtige uit het geslacht Alligator
aligátor
noun
1.
alofon
adjective
aluviální
/ɑˈlʏvijʏm/
noun
1. los materiaal (regoliet) dat als sediment door een rivier is afgezet
naplavenina
/ɑɫmɑxt/
noun
1. absolute macht, macht over alles
všemohoucnost
adjective
všemocný
noun
almanach
noun
benaming voor bloeiende, succulente planten uit het geslacht Aloe
aloe
noun
1. bepaald soort succulent, Aloe vera
aloe pravá
noun
  1. 1. bepaald soort zoogdier Vicugna pacos
    1. alpaka
    2. pako
  2. 2. zilverkleurige metaallegering
    alpaka
pronoun
1. een gebergte dat Italië van de rest van Europa scheidt
Alpy
noun
1. bepaald soort overblijvende plant die te vinden is in de meeste Europese gebergtes, Pulsatilla alpina
koniklec alpinský
noun
borovice limba
noun
1. een van hout vervaardigd blaasinstrument met een lengte tot vier meter
alpský roh
verb
1. sport waarbij men op ski's een heuvel of berg afdaalt.
alpské lyžování
noun
1. bepaald soort Zuid-Europese verdovende en bedwelmende overblijvende plant
mandragora lékařská
/ɑls/, /ɑs/
conjunction
2. indien
jestliže
phraseologicalUnit
1. als de kat van huis is, dansen de muizen op tafel
  1. když není kocour doma, myši mají pré
  2. když kocour není doma, myši mají pré
adverb
1. als beleefde aandrang bij een verzoek of versterking bij een bevel
prosím
noun
1. offertafel voor godsdienstige plechtigheden
oltář
pronoun
1. Atair/Altair
Altair
/ɑltərnaˈtif/
noun
1. een andere mogelijkheid of methode
  1. alternativa
  2. alternativní
adverb
  1. 1. op elk moment, blijvend
  2. 2. telkens opnieuw
  3. 3. in elk geval
pořád
noun
altruizmus
adjective
1.
altruistický
noun
1. altsaxofoon
altsaxofon
noun
1. een teken geplaatst op de derde lijn van een balk dat aangeeft dat deze een c weergeeft
altový klíč
/ˈɑltfiˌjoːl/
noun
1. een muziekinstrument in de familie van de strijkinstrumenten, verwant aan maar groter en lager klinkend dan de viool
viola
/alyˈminijʏm/
noun
1. scheikundig element met symbool Al en atoomnummer 13
  1. hliník
  2. aluminium
  3. alumínium
noun
ouklej
noun
1. een klier die enzymen afscheidt in de twaalfvingerige darm om de afbraak van zetmeel, vet en eiwitten te bevorderen
  1. pankreas
  2. slinivka břišní
/amɑl'ɣaːm/
noun
1. kwiklegering
amalgám
noun
  1. 1. kleine bladverliezende loofboom, Amygdalus dulcis
    mandle
  2. 1. eetbare pit van de amandelvrucht
    1. mandle
    2. mandloň
noun
mandloň
noun
1. een melkachtige drank die uit fijngemalen amandelen en water bereid kan worden
mandlové mléko
noun
pryšec mandloňovitý
noun
1. of 2. (zaden van) geslacht Amaranthus
  1. laskavec
  2. amarant
noun
  1. smirek
  2. smyrek
noun
1. een persoon die iets als hobby doet
amatér
noun
1. vrouw die iets als hobby doet en dus niet beroepsmatig
amatérka
pronoun
Amazonka
noun
1. een handwerkvak dat vaak aanzienlijke vaardigheden vereist
řemeslo
adjective
1. volgens de methoden van het oude ambacht
řemeslnický
noun
1. de officiële vertegenwoordiging van de ene regering in de hoofdstad van de andere.
  1. ambasáda
  2. velvyslanectví
  3. velvyslanství
noun
1. iemand die door de ene staat is aangesteld om deze staat bij een andere staat te vertegenwoordigen
velvyslanec
/ɑmˈbi(t)si/
noun
ambice
adjective
1. vol van de wens en het vertrouwen om iets te bereiken
ambiciózní
noun
1. lui oog
  1. tupozrakost
  2. amblyopie
noun
1. voertuig om gewonden of zieken van en naar het ziekenhuis te brengen
  1. sanitka
  2. ambulance
  3. sanitní vůz
adjective
1. in staat om te lopen
ambulantní
noun
americium
/aˈmɪːriˌka/
abbreviation
1 en 2
Amerika
noun
  1. 1. een persoon die in Amerika woont
    Američan
  2. 2. een inwoner van de Verenigde Staten van Amerika
    1. Američan
    2. Američanka
    3. Amík
adjective
1. betreffende of komende van Amerika
americký
noun
1. vrouwelijke inwoner van Noord- of Zuid-Amerika
Američanka
noun
1. bepaald soort snelgroeiende boom, Quercus rubra
dub červený
noun
1. Bubo virginianus
výr virginský
noun
1. een vaak prachtig violet gekleurde vorm van kristallijn kwarts, die kleine hoeveelheden titaan en ijzer bevat
ametyst
noun
stimulerend middel, uit de groep van de wekaminen
amfetamin
noun
1. in water en op land levend dier
obojživelník
adjective
1. geschikt zowel voor in het water als op het land
obojživelný
noun
amfiteátr
noun
1. een door de oude Grieken en Romeinen gebruikte buikige kruik met twee oren
amfora
noun
1. door de oude Grieken en Romeinen gebruikte buikige kruik met twee oren
amfora
pronoun
1. een taal die in Ethiopië gesproken wordt
  1. amharština
  2. amharsky
pronoun
1. een taal die in Ethiopië gesproken wordt
amharský
noun
1. een organische verbinding die kan worden beschouwd afgeleid te zijn van ammoniak...
amin
noun
aminokyselina
noun
1. een chemische verbinding van stikstof en waterstof
  1. amoniak
  2. čpavek
adjective
amoniakální
noun
amonium
noun
1. NH₄NO₃, het ammoniumzout van salpeterzuur
dusičnan amonný
noun
1. een verklaring dat afgezien zal worden van strafvervolging voor een bepaalde groep
amnestie
noun
1. lamsvlies, het binnenste der eivliezen van het embryo in het moederlichaam
amnion
noun
1. eencellige eukaryoot die van vorm kan veranderen door het uitsteken en intrekken van schijnvoetjes
  1. améba
  2. měňavka
/a.'mɔrf/
adjective
1. niet geordened
amorfní
/aˈmɔs/
pronoun
1. en 3. profeet en jongensnaam
Ámos
noun
amplituda
noun
amplitudová modulace
noun
1. dichtgesmolten medicijnflesje, waarin steriele injectiestoffen worden afgeleverd
ampulka
noun
amputace
verb
1. een lichaamsdeel chirurgisch verwijderen
amputovat
noun
ampér
noun
1. stroommeter
ampérmetr
/ɑmstər'dɑm/
pronoun
1. de hoofdstad van Nederland, gelegen in de provincie Noord-Holland
  1. Amsterdam
  2. Amsterodam
verb
1. op aangename wijze een indruk op iemand maken, iemand doen (glim)lachen
bavit
adjective
1. niet muzikaal
amuzikální
noun
amyláza
adjective
1. met betrekking tot de darmuitgang van de mens
anální
noun
1. opbouw bij de stofwisseling waarbij simpele stoffen omgezet worden tot chemisch ingewikkeldere stoffen
anabolismus
noun
anachronismus
/anaˈkɔnda/
noun
1. zeer grote en zware wurgslang uit het geslacht Eunectes
anakonda
adjective
1.
anaerobní
adjective
1. als gevolg van overgevoeligheid (allergie)
anafylaktický
/ˌa.na.fi.lɑkˈsi/
noun
1. een medische term voor een snelle systemische allergische reactie
anafylaxe
noun
anagram
noun
1. seks waarbij de anus en het rectum een rol spelen
anální sex
noun
1. het voorkomen van mensen die niet kunnen lezen of schrijven
negramotnost
noun
1. een pijnstiller
analgetikum
noun
1. een overeenkomst tussen twee verschillende zaken die bijv. kan dienen als basis voor een bepaalde redenering of vergelijking
  1. analogie
  2. obdoba
  3. obdobnost
/ˌɑnəˈloːx/
adjective
2. tegenovergestelde van digitaal (geluidsopname, uurwerk)
analogový
/ɑnɐ'liːzə/
noun
  1. analýza
  2. rozbor
verb
1. gedetailleerd en nauwkeurig bekijken
analyzovat
adjective
analytický
noun
1. een vraaggesprek naar de ziektegeschiedenis
anamnéza
noun
1. een vrucht van de ananasplant
ananas
noun
anarchie
noun
anarchismus
noun
anarchista
adjective
1. betrekking hebbend op anarchisme
anarchistický
noun
anatomie
adjective
1. met betrekking tot de anatomie
anatomický
noun
1. een persoon die kennis draagt van de (menselijke) anatomie
anatom
pronoun
Andalusie
pronoun
Andalusie
adverb
andante
adjective
1. niet deze
druhý
noun
1. diegene die je niet zelf bent
druhý
cardinalNumeral
půldruhý
/'ɑndərmɑns/
indefinitePronoun
1. genitief van een andere man, wordt gebruikt in bezittelijke zin
cizí
pronoun
Andy
noun
andezit
noun
1. Cichorium endiva, een eetbaar eenjarig gewas dat nauw verwant is aan witlof
čekanka listová
noun
Čistec
pronoun
1. een kleine staat in Europa die grenst aan Frankrijk en Spanje
Andorra
adjective
1. van/uit Andorra
andorrský
noun
1. iemand die afkomstig is uit Andorra
Andořan
noun
1. kruis van twee even lange, schuingeplaatste balken
andrijin križ
noun
android
/a.nɛg.ˈdo.tə/
noun
1. een amusant, kort verhaal
anekdota
noun
1.
  1. anémie
  2. chudokrevnost
  3. anemie
adjective
1. aan bloedarmoede lijdend
anemický
/ɑnəmon/
noun
1. een plant van het geslacht Anemone
sasanka
noun
anestezie
noun
een medisch vakgebied
anesteziologie
noun
1. het orgaan waarmee wespen, bijen en soortgelijke dieren steken
osten
noun
1. leer van de Engelen
angelologie
/ɑŋəl'sɑksis/
pronoun
1. een West-Germaanse taal die tussen ca. tussen 400 en 1100 werd gesproken en die geldt als de rechtstreekse voorloper van het Middelengels
  1. anglosaština
  2. anglosaský
noun
angína
noun
1. zwelling veroorzaakt door (allergische) overgevoeligheid
angioedém
noun
angiotenzin
noun
anglikánství
noun
1. woord of uitdrukking overgenomen uit het Engels of gevormd naar Engels voorbeeld
anglicismus
noun
1.
anglista
/ɑŋ.ˈ(g)ɣo.la/, /ɑŋ.ˈgo.la/
pronoun
1. een land in Zuidwest-Afrika, officieel de Republiek Angola grenzend aan...
Angola
noun
1. het gevoel dat er onheil of gevaar dreigt
strach
pronoun
Anguilla
noun
1. bepaald soort schermbloemige plant, Pimpinella anisum
  1. anýz
  2. bedrník anýz
noun
is een bloemdragende plant die behoort tot de schermbloemenfamilie Umbelliferae of Apiaceae
anýz
noun
1. het zaad van de anijsplant
anýz
verb
1. opmonteren, opvrolijken
animovat
noun
  1. aniont
  2. anion
noun
karafiát
/ˈɑ.nʲər.re.voˌly.si/, /ˈɑ.ɲər.re.voˌly.tsi/
pronoun
1. geweldloze militaire staatsgreep
karafiátová revoluce
noun
  1. 1. onderdeel van een vaartuig
  2. 2. muuranker
  3. 3. onderdeel van een uurwerk
kotva
pronoun
1. meisjesnaam
Anna
/ˌɑnɛkˈsatsi/
noun
1. het verplicht of gedwongen toetreden tot een groep
anexe
noun
2. aankondiging
inzerát
/ɑny'lerə/
verb
1. iets afgelasten
anulovat
adjective
anomální
adjective
1. naamloos
  1. anonymní
  2. bezejmenný
noun
1. naamloosheid
anonymita
noun
1. magerzucht, eetstoornis
anorexie
noun
1. verlies van eetlust
anorexie
adjective
1. niet tot de koolstofverbindingen behorend
anorganický
/a.nɔsˈmi/
noun
anosmie
noun
1. een postkaart met een afbeelding
pohled
noun
ančovička
pronoun
1. het continent rond de zuidpool van de aarde
  1. Antarktida
  2. Antarktis
verb
2. een eerdere datum op een document schrijven dan die van de huidige dag
antedatovat
noun
1. een vrij opgestelde elektrische geleider voor het uitzenden en/of ontvangen van elektromagnetische straling
anténa
adjective
1.
antibakteriální
noun
antibiotikum
noun
antikrist
noun
1. een weinig spannende, soms teleurstellende ontknoping van het verhaal
antiklimax
noun
1. een methode van anticonceptie in de vorm van een pil, dat je niet zwanger wordt
antikoncepční pilulka
noun
1. een deeltje waarvan een aantal fysische eigenschappen dezelfde zijn, maar andere eigenschappen (waaronder de lading) precies tegengesteld
antičástice
/ˌɑntideprɛˈsivʏm/
noun
1. een middel tegen ziekelijke neerslachtigheid
antidepresivum
noun
1.
antifonář
noun
1. lichaamsvreemde afweeropwekkende stof
antigen
/ɑn.ˌti.(g)ɣ<sup>ʊ</sup>a.ɛn.bɑr.ˈbu.da/, /ɑn.ˌti.gwa.ɛn.bɑr.ˈbu.da/
pronoun
1. eilandstaat in het oostelijk deel van de Caribische Zee, op de grens met de Atlantische Oceaan
Antigua a Barbuda
noun
protilátka
pronoun
1. eilandengroep in de Caribische Zee
Antily
/ɑnti'lopə/
noun
1. een verzamelnaam voor slanke holhoornige hoefdieren die voornamelijk in Afrika leven
antilopa
noun
1.
antihmota
noun
antimon
noun
1. stof die reacties tegengaat waarbij elektronen worden uitgewisseld
antioxidant
noun
1. geneesmiddel dat wanen vermindert
antipsychotikum
noun
1.
antipyretikum
noun
iemand met antisemitische denkbeelden
antisemita
adjective
1. anti-Joods, tegen het Joodse volk
antisemitský
noun
antiseptikum
noun
1.een middel dat gebruikt worden om de natuurlijke stollingsneiging van het bloed te onderdrukken
antikoagulancium
noun
1. het tegenovergestelde
antiteze
noun
1. een stof die veelal aan koelwater wordt toegevoegd om het vriespunt ervan te verlagen om bevriezen ervan te voorkomen
chladicí kapalina
noun
1. woord met tegengestelde betekenis
antonymum
adjective
antracitová šedá
noun
1. een infectieziekte die wordt veroorzaakt door de bacterie Bacillus anthracis
anthrax
noun
antropologie
noun
antropolog
noun
antropomorfismus
/ˈantˌwɛrpə(n)/, /ˈɑntˌʋɛrpə(n)/, /ˈɑntˌβ̞ɛrpə(n)/
pronoun
  1. 1. een provinciehoofdstad in België
  2. 2. een Belgische provincie
Antverpy
/ˈantwɛrps/, /ˈɑntʋɛrps/, /ˈɑntβ̞ɛrps/
adjective
1. van, uit, betreffende of als in Antwerpen.
antverpský
/ˈɑnt.ʋɔːrt/
noun
1. de reactie op een vraag, van repliek voorzien
odpověď
noun
  1. telefonní záznamník
  2. záznamník
/ˈɑnt.ʋɔːr.də(n)/
verb
1. het geven van een antwoord
  1. odpovídat
  2. odpovědět
noun
1. opening aan het eind van de endeldarm en aan het eind van het spijsverteringskanaal
  1. řiť
  2. řitní otvor
  3. anální otvor
  4. anus
  5. anál
/aˈɔrta/
noun
1. de slagader die van het hart naar het lichaam, behalve de longen, loopt
aorta
adjective
  1. 1. op zichzelf, afzonderlijk van het andere
  2. 2. bijzonder, opmerkelijk
zvláštní
noun
1. lusteloosheid
apatie
pronoun
1. gebergte
Apeniny
adjective
1.
apeninský
noun
2. internetsymbool @
zavináč
noun
1. een eetlust opwekkende alcoholische drank die voor de maaltijd genuttigd wordt
aperitiv
noun
1. einde van de wereld, zoals beschreven in het Bijbelboek Openbaringen
apokalypsa
noun
1. wegval van slotklank
akopoka
noun
1. geprogrammeerde celdood
apoptóza
/ɑˈpɔstəl/
noun
1. leerling van Jezus
apoštol
noun
  1. 1. afkappings- of weglatingsteken
    apostrof
  2. 2. aanspreking van afwezige personen of zaken
    apostrofa
/apo'tek/
noun
1. plaats waar men geneesmiddel en en andere gezondheidsproducten kan kopen.
lékárna
noun
lékárník
noun
1. een door mensen gemaakt voorwerp dat is samengesteld uit verschillende onderdelen en een bepaalde functie heeft
aparát
/ɑ.ˈpɛl/, /ɑ.ˈpɛɫ/, /ˈɑ.pəl/, /ˈɑ.pəɫ/, /ˈɑpəɫ/
noun
1. vrucht
jablko
noun
1. boom waaraan appels groeien
jabloň
noun
1. een moes van gekookte appels
jablečná kaše
noun
1. een vruchtensap bereid uit appels
  1. jablečný mošt
  2. jablečný džus
/ˌɑpəlˈsin/
noun
1. Vrucht van de appelsienboom
pomeranč
noun
1. gebak gevuld met stukjes vruchten van de appelboom
jablečný koláč
noun
1. Campaea margaritaria
běločárník habrový
/ɑ'plɔus/
noun
1. geklap in de handen als teken van goedkeuring of bewondering
aplaus
/ɑˈprɪl/
noun
1. de vierde maand van het jaar
duben
pronoun
Apulie
noun
nog uit te zoeken
akvarel
/ɑˈkʋariˌʲʏm/
noun
1. een bak met water waarin onderwaterflora en -fauna gehouden wordt.
akvárium
noun
1. grote bont gekleurde papegaai uit Zuid-Amerika
ara
noun
arabeska
/ˌɑ.ra.ˈbiːr/
noun
1. een persoon met het Arabisch als moedertaal
Arab
/ɑ'rabis/
adjective
1. verwijzend naar de Arabische taal,cultuur,het alfabet of Arabië
arabský
/ɑ'rabis/
pronoun
  1. 2. een van het Aramitisch afgeleid alfabet dat gebruikt wordt voor het schrijven van het Arabisch,...
    1. arabský
    2. arabština
  2. 1. een taal oorspronkelijk van het Arabisch schiereiland en de taal waarin de Koran...
    1. arabština
    2. arabsky
    3. arabský
pronoun
Arábie
pronoun
1. randzee van de Indische Oceaan, gelegen tussen Noord-Australië en de oostelijke eilanden van Indonesië
Arafurské moře
pronoun
Aragonie
noun
1. Een inwoner van Aragon
aragonský
pronoun
1. taal gesproken in Aragon
aragonský
/araˈmes/
adjective
aramejština
noun
1. energie die door een krachtbron geleverd wordt bij verplaatsing van een voorwerp
práce
noun
1. iemand die voor een loon handmatige arbeid levert
dělník
noun
1. inkomsten die men ontvangt door het uitvoeren van werk
mzda
noun
1. onderdeel van het privaatrecht m.b.t. de normen die het recht op arbeid als sociaal grondrecht tot voorwerp hebben
pracovní právo
noun
arbitr
noun
resultaat van het handelen van een arbiter
rozhodování
adjective
arbitrární
noun
1.
šrafování
adjective
1. behorend tot of betrekking hebbend op een zeer oud tijdperk
archaický
noun
archaismus
/ˌɑr.xe.ˌjo.lo.ˈɣi/, /ˌɑr.xɛ.jo.lo.ˈɣi/, /ˌɑr.χe.ˌjo.lo.ˈχi/
noun
1. studie van de niet-geschreven overblijfselen van het verleden
archeologie
noun
archeolog
noun
archetyp
noun
archiv
noun
1. een eilandengroep
souostroví
noun
1. iemand die gebouwen ontwerpt
architekt
adjective
1. betrekking hebbend op de architectuur
architektonický
noun
1. de bouwstijl van een gebouw
architektura
noun
architráv
/ɑrxivaːrɨs/
noun
1. een persoon die een archief beheert
archivář
verb
1. iets geclassificeerd opslaan om het later gemakkelijk terug te vinden
archivovat
adjective
arktický
pronoun
1. is de oceaan ten noorden van de continenten Azië en Noord-Amerika , waarin het grote ijsveld van de Noordpool ligt
severní ledový oceán
pronoun
1. middelgebergte in het zuidoosten van België, Noord-Luxemburg en een klein stuk Frankrijk
Ardeny
pronoun
1. een rivier in Frankrijk
Ardèche
noun
ar
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Orel
noun
1. roofvogel
orel
/ˌɑrɣɛnˈtɛɪ̯n/, /ˌɑrɣɛnˈtɛːn/, /ˌɑrχɛnˈtɛɪ̯n/
noun
1. iemand van Argentijnse komaf
Argentinec
/ˌɑrɣɛnˈtini.jə/, /ˌɑrχɛnˈtini.jə/
pronoun
1. een Spaanstalig land in het zuiden van Zuid-Amerika tussen het Andesgebergte en de zuidelijke Atlantische Oceaan.
Argentina
noun
arginin
/ˈɑrɣɔn/
noun
1. een scheikundig element en kleurloos edelgas met het symbool Ar en het atoomnummer 18
argon
/ˌɑrɣyˈmɛnt/
noun
1. een aangevoerd feit in een discussie om een zienswijze te ondersteunen
argument
noun
argumentace
noun
árie
/arijaˈnɪsmə/
noun
1.
ariánství
noun
1. een persoon die lid is van de aristocratie
šlechtic
noun
1. een regeringsvorm waarbij de heerschappij in handen is van een kleine groep, de zogenaamde aristocraten
aristokracie
adjective
1. volgens de principes van een aristocratie
aristokratický
noun
1. onregelmatige hartslag
arytmie
noun
archa
/ɑrṃ/
adjective
  1. 1. weinig bezittend
  2. 2. beklagenswaardig
chudý
/ɑrṃ/
noun
1. lichaamsdeel
  1. ruka
  2. horní končetina
  3. paže
noun
1. sieraad of merkteken dat om de pols of arm gedragen wordt
náramek
/ɑrˈmen/, /ɑrˈmeːn/
noun
1. een inwoner van Armenië, of iemand afkomstig uit Armenië
  1. Armén
  2. Arménec
/ɑrˈmens/, /ɑrˈmeːns/
adjective
1. betreffende Armenië of het Armeens
  1. arménský
  2. arménština
/ɑrˈmens/, /ɑrˈmeːns/
pronoun
1. een taal die wordt gesproken in Armenië
  1. arménština
  2. arménsky
/ɑrˈmensə/, /ɑrˈmeːnsə/
noun
Arménka
pronoun
arménská genocida
/ɑrˈmeni.jə/, /ɑrˈmeːni.jə/
pronoun
1. een GOS-lidstaat in de Kaukasus (Gemenebest van Onafhankelijke Staten). Het is een van de weinige landen die niet aan zee liggen. Het grenst in het oosten aan Azerbeidzjan, in het westen aan Turkije en de Naxçivan-exclave (Azer.), in het noorden aan Georgië en in het zuiden aan Iran
Arménie
/ˈɑrəmude/
noun
1. de toestand waarin iemand leeft die zeer weinig middelen voor zijn levensonderhoud heeft.
chudoba
pronoun
Arnhem
noun
1. (aangename) geur van spijzen, dranken, genotmiddelen enz
aroma
adjective
  1. 1. met geurstof
  2. 2. voldoende aan de regel van Hückel
aromatický
noun
1. document
zatykač
adjective
arogantní
noun
  1. arsen
  2. arzen
  3. arzén
noun
1. stijlbeweging
Art deco
noun
1. kunstvoorwerp of -product
artefakt
adjective
1. met betrekking tot de arteriën
arteriální
noun
arterioskleróza
verb
1. de uitspraakklanken zorgvuldig vormen
artikulovat
/ɑrˈtiːkəl/
noun
4. staat voor een zelfstandig naamwoord, geeft de bepaaldheid aan en het woordgeslacht
článek
noun
1. het wapen dat vuursteun geeft aan de eigen troepen
dělostřelectvo
noun
1. de vlezige schutbladeren van de gesloten bloemknop worden als groente gegeten
artyčok
noun
1. een aandoening van het gewrichtskraakbeen
osteoartróza
noun
1. geneeskundige die bevoegd is een praktijk uit te oefenen
  1. lékař
  2. doktor
/a.ˈru.ba/, /a.ˈry.ba/
pronoun
1. een eiland in het zuidelijke gedeelte van de Caraïbische Zee
Aruba
noun
    1. 2. lijn
    2. 1. centrale staaf
    osa
  1. 1. verbrandingsrest
    popel
/ˈɑzbɑk/
noun
1. opvangbak
popelník
noun
1. verzamelnaam van een aantal silicaten met een vezelige structuur
  1. azbest
  2. asbest
adjective
asketický
noun
askeze
noun
kyselina askorbová
noun
asexualita
adjective
1. vrij van ziektekiemen, kiemvrij
aseptický
noun
  1. asfalt
  2. aspalt
verb
1. bedekken met een mengsel van bitumen, steentjes en andere stoffen
asfaltovat
noun
azyl
pronoun
1. hoofdstad van Turkmenistan
Ašchabad
pronoun
1.
Ašdod
adjective
1. zonder sociaal besef
asociální
noun
aspartam
noun
1. een kant of zijde
vid
noun
1. Asperagas officinalis, een plant waarvan de jonge scheuten geteeld worden als groente
chřest
noun
1. een middel tegen allerlei kwalen met als werkzame stof acetylsalicylzuur
aspirin
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het noordoosten van het land. Hoofdstad is Dispur
Ásám
/ˈɑsəˌpustər/
pronoun
1. het meisje dat hoofdpersoon is het het gelijknamige sprookje
Popelka
noun
1. het opkomen voor jezelf zonder agressief over te komen
asertivita
noun
1. een persoon die ondersteunt
asistent
/ˌɑsɪsˈteːrə(n)/
verb
1. een helpende hand bieden
asistovat
noun
asonance
noun
1. aanbod van producten
kolekce
noun
  1. astat
  2. astatin
noun
1. scheikundig element met symbool At en atoomnummer 85
  1. astat
  2. astatin
noun
2. een bloem van de aster
hvězdnice
noun
1. een klein vast hemellichaam dat net als een planeet om de zon draait
asteroid
noun
1. een ziekte die, door vernauwing van de luchtwegen, benauwdheid en hoestbuien veroorzaakt
astma
adjective
1. last hebbend van astma
astmatický
/ɑstrolo'gi/
noun
1. de leer die gebeurtenissen aan het hemelgewelf in verband brengt met gebeurtenissen op aarde
  1. astrologie
  2. hvězdopravectví
noun
1. een beoefenaar van de astrologie
astrolog
/ˌɑstroˈnaʊ̯t/, /ˌɑstroˈnɔʊ̯t/, /ˌɑstroˈnʌʊ̯t/
noun
1. een Amerikaanse ruimtevaarder
astronaut
noun
1. de wetenschap die de objecten in de ruimte bestudeert
  1. astronomie
  2. hvězdářství
adjective
  1. astronomický
  2. hvězdářský
noun
astronom
pronoun
1. een taal die gesproken wordt in Asturië
  1. asturština
  2. astursky
pronoun
1. een van de 17 autonome regio's van Spanje die in het noordwesten van het land ligt
Asturie
noun
1. eerste dag van de vastentijd
Popeleční středa
adverb
asymetrický
adjective
1. zonder ziekteverschijnselen
  1. asymptomatický
  2. bezpříznakový
/a.sɪmp.ˈtot/
noun
1. een lijn die door een kromme of functie willekeurig dicht benaderd wordt, maar deze nooit raakt
asymptota
adjective
asynchronní
/atɑkˈsi/
noun
1. een onzekere gang bij het lopen
ataxie
noun
1. de werkruimte van een kunstenaar
  1. ateliér
  2. dílno
pronoun
de hoofdstad van Griekenland
  1. Athény
  2. Atény
/ˌa.te.ˈjɪsmə/, /ˌɑ.te.ˈjɪsmə/
noun
1. overtuiging dat goden niet bestaan
ateismus
/ˌa.te.ˈjɪst/, /ˌɑ.te.ˈjɪst/
noun
1. een persoon die niet gelooft in het bestaan van goden
ateista
pronoun
1. mythologisch eiland
Atlantida
pronoun
1. de tweede grootste oceaan op aarde, gelegen tussen Europa en Afrika enerzijds en Noord- en Zuid-Amerika anderzijds
Atlantský oceán
pronoun
  1. 1. figuur uit de Griekse mythologie
  2. 2. gebergte in Noord-Afrika
Atlás
noun
  1. 1. een boek dat geografische kaarten bevat
  2. 3. de bovenste wervel in de hals die het hoofd draagt
  3. 2. een verzameling van prenten, kaarten, afbeeldingen, tekeningen en dergelijke
  4. 1. satijn
atlas
/ɑtlet/
noun
1. iemand die grote prestaties op sportief gebied verricht
atlet
noun
sporttak waarin vooral lopen, springen en werpen aan bod komen
atletika
adjective
atletický
noun
  1. 1. een gasvormig omhulsel van een planeet of maan.
  2. 2. een stemming.
  3. 2. eenheid.
atmosféra
adjective
atmosférický
noun
atol
adjective
atonální
noun
atom
noun
atomové jádro
noun
atomové hodiny
noun
1. de kernlading van een atoom
atomové číslo
noun
1. abnormale aanleg om allergisch te reageren
atopie
adjective
1. met betrekking tot een vorm van overgevoeligheid (allergie)
atopický
noun
2. centraal vertrek
atrium
noun
1. verschrompeling van organen
zakrnění
noun
atašé
noun
1. het afleggen van een formele verklaring; het afleggen van een formele getuigenis
certifikace
noun
1.
attometr
adjective
atraktivní
/ɑtrɪbʏˈtif/
adjective
1. wanneer het voor een zelfstandig naamwoord geplaatst wordt
  1. atributivní
  2. přívlastkový
adjective
1. afwijkend van het gemiddelde
atypický
noun
aubade
/obɛrˈʒinə/
noun
  1. 2. purperachtige, vlezige vrucht
    1. baklažán
    2. patlažán
  2. 1. plant uit de nachtschadefamilie
    lilek vejcoplodý
noun
audio
adjective
1. zichtbaar en hoorbaar
audiovizuální
verb
1.
audit
adjective
1. met betrekking tot het gehoor
  1. sluchový
  2. auditivní
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Augsburg
/ʌuˈɣɵrk/, /ʌˈʝʏrk/
noun
1. kleine, in het zuur ingemaakte komkommer
okurka
/aʊ̯.ˈɣʏs.tʏs/, /ɔʊ̯.ˈɣʏs.təs/, /ʌʊ̯.ˈχʏs.təs/
noun
1. de achtste maand van het jaar
srpen
/ˈʌurɑ/
noun
  1. 1. energieveld
  2. 2. beginverschijnselen van een aanval
aura
/aʊ̯ˈstraːlɪs/, /ɔʊ̯ˈstraːlis/, /ʌʊ̯ˈstralis/
adjective
1. van Australië
australský
/aʊ̯ˈstraːli.jə/, /ɔʊ̯ˈstrali.jə/, /ʌʊ̯ˈstrali.jə/
pronoun
1. een soevereine staat gelegen tussen de Indische Oceaan en de Grote Oceaan (officieel het Gemenebest van Australië) met de officiële taal Engels
Austrálie
/aʊ̯ˈstraːli.jər/, /ɔʊ̯ˈstraːli.jər/, /ʌʊ̯ˈstrali.jər/
noun
1. een inwoner van Australië
  1. Australan
  2. Australanka
  3. Austrálec
/ɑustro'nezis/
adjective
behorend tot groep van talen
austronéský
/oˈtør/
noun
1. persoon die aan de basis staat van een origineel geschreven werk
autor
adverb
autentický
/ʌuˈtɪsmə/, /ʌˈtɪsmə/
noun
1. ontwikkelingsstoornis
autismus
/ʌuˈtɪstɪs/, /ʌˈtɪstɪs/
adjective
1. lijdend aan autisme
autistický
/ɑʊ̯to/
noun
1. voertuig met drie of meer wielen, een motor en een carrosserie
  1. auto
  2. automobil
adjective
1. met betrekking tot afweerstoffen gericht tegen de eigen lichaamsweefsels
autoimunitní
noun
autobiografie
noun
1. een groot voertuig voor het vervoeren van een groot aantal passagiers
autobus
adjective
1. oorspronkelijk in een bepaald gebied thuishorend
autochtonní
noun
autokracie
adjective
autokratický
adjective
autogenní
noun
1. handtekening van een beroemd persoon
autogram
adjective
  1. 1. niet bestuurd door de hand van de mens
  2. 2. vanzelfgaand
automatický
verb
1. automatisch doen werken
automatizovat
noun
automatizace
noun
automatismus
noun
1. gemotoriseerd voertuig op vier of meer wielen
automobil
noun
1. een bestuurder van een auto
motorista
noun
1. vakman die beroepshalve reparaties verricht aan en onderhoud doet van auto's
automechanik
/aʊ̯.to.no.ˈmi/, /ɔʊ̯.to.no.ˈmi/, /ʌʊ̯.to.no.ˈmi/
noun
  1. autonomie
  2. nezávislost
/ˌʌʊtoˈnom/
adjective
1. op zichzelf staand
autonomní
noun
koloběžka
noun
1. een lijkschouwing
pitva
noun
autorádio
adjective
  1. autoritářský
  2. autoritativní
noun
1. de overheid
autorita
noun
1. weg voor snelverkeer (dat sneller kan en mag rijden dan 60 km per uur), met gescheiden rijbanen en ongelijkvloerse kruisingen
dálnice
/ɑu̯ˈtri.sə/
noun
1. persoon die aan de basis staat van een origineel geschreven werk
autorka
/'avatɑr/
noun
2. (informatica) een kleine afbeelding die een bepaalde gebruiker symboliseert
avatar
adjective
2. breien met de draad aan de voorkant van het breiwerk
oko obrace
pronoun
1. Avestisch
  1. avesta
  2. avestánština
  3. avestština
adjective
ptačí
pronoun
1. een stad in Frankrijk
Avignon
/ɑvoˈkado/
noun
1. een tropische vrucht van de avocadoboom
avokádo
/ˌavoˈkadobom/
noun
1. immergroene boom uit Midden-Amerika die de avocadoperen voortbrengt
hruškovec přelahodný
noun
1. de periode van de dag waarin het nacht wordt
večer
noun
1. een maaltijd die 's avonds genuttigd wordt
večeře
noun
1. verbod om zich op straat te begeven na een zekere tijd
zákaz vycházení
adjective
1. gedurende de avond
večerní
noun
1. rode kleur van het hemelgewelf
červánky
noun
1. een school waarin in de avonduren lesgegeven wordt
večerní škola
noun
1. iemand die graag het avontuur opzoekt
dobrodruh
noun
1. een onderneming waarvan de uitkomst niet bij voorbaat vaststaat
dobrodružství
adjective
1. de as betreffend of volgend, behorend tot de as
axiální
noun
1. een basisbegrip dat zonder bewijs aangenomen moet worden
  1. axiom
  2. axioma
  3. axióm
  4. axióma
noun
1.
axon
noun
1. de titel van een hoge sjiitische geestelijke
  1. ajatolláh
  2. ájatolláh
pronoun
1. een Indiaanse taal die in Zuid-Amerika wordt gesproken
ajmara
noun
1. sierstruik van het geslacht rhododendron
azalka
/ˌazərbɛɪ̯ˈdʒans/, /ˌazərbɛɪ̯ˈdʒaːns/, /ˌazərbɛːˈdʒaːns/
adjective
1. op Azerbeidzjan betrekking hebbend
ázerbájdžánský
/ˌazərbɛɪ̯ˈdʒans/, /ˌazərbɛɪ̯ˈdʒaːns/, /ˌazərbɛːˈdʒaːns/
pronoun
1. de taal Azeri
  1. azerština
  2. ázerbájdžánština
/ˌazərbɛɪ̯ˈdʒan/, /ˌazərbɛːˈdʒan/
pronoun
1 en 2. Aziatisch land grenzend aan Rusland, Iran, Armenië en Georgië
Ázerbájdžán
/aˈzeːri/, /aˈzɪːri/
pronoun
1. Turkse taal die door 22 miljoen mensen vooral in Azerbeidzjan, maar ook in Iran, Georgië en Turkije wordt gesproken
Ázerbajdžánsky
adjective
1. afkomstig uit of betreffend Azië
asijský
/aˈzɛɪn/, /aˈzɛːn/
noun
1. en 2. verdund azijnzuur verkregen door oxidatie van verdund alcohol om voedsel te bereiden
ocet
noun
Škumpa orobincová
noun
1. CH₃COOH
kyselina octová
/azimɵt/
noun
1. horizontale hoek
azimut
pronoun
1. een continent ten oosten van Europa
Asie
pronoun
Azory
noun
1. een landinwaartse uitstulping van een zee of oceaan
záliv
noun
1. een stapel bijeengebonden plantaardig materiaal zoals hooi of tabak
balík
/baːn/
noun
3. traject van een projectiel/hemellichaam
oběžná dráha
/baːrt/
noun
1. gezichtsbeharing van de man
  1. vous
  2. brada
noun
3. bepaald soort vogel, Panurus biarmicas
sýkořice
noun
1. voortplantingsorgaan van vrouwen waarin de vrucht zich ontwikkelt
děloha
noun
1. smal en buisvormig gedeelte van de baarmoeder dat aan een kant in de vagina eindigt ...
děložní hrdlo
noun
1. een vorm van kanker die zich in de baarmoederhals ontwikkelt
  1. karcinom děložního hrdla
  2. karcinom děložního čípku
noun
1. stekelvinnige riviervis
okoun
noun
1. een mens in de allereerste fase van zijn/haar leven
nemluvně
noun
láhev
noun
1. elektronisch afluisterapparaat om geluid uit de kinderkamer elders op te vangen
dětská chůvička
noun
1. benaming voor soorten uit de klasse Bacilli
bacil
adjective
bacilární
noun
bakterie
/bɑkteriɔfaɣ/
noun
1.
bakteriofág
noun
1. een wetenschap die zich bezighoudt met het bestuderen van bacteriën
bakteriologie
adjective
bakteriologický
/bɑt/
noun
1. voorwerp waarin men zich wast met water
koupel
verb
  1. 1. een bad nemen
  2. 3. in bad doen
koupat
pronoun
1.
Bádensko-Württembersko
noun
1. grote handdoek gemaakt van badstof om (delen van) het lichaam af te drogen na het wassen
osuška
noun
koupací plášť
noun
1. een vertrek waar men zich kan wassen en verzorgen
koupelna
noun
1. kledij bedoeld voor het baden en zwemmen
plavky
/ˈbɑtˌkœy̆p/
noun
1. een waterreservoir waarin één of enkele personen zich kunnen wassen en baden
vana
noun
plavčík
noun
1. een sport waarbij een shuttle met behulp van een racket over een net geslagen moet worden
badminton
noun
1. kledij bedoeld voor het baden en zwemmen
plavky
noun
1.
Baffinovo moře
/ba.ˈɣaːʃ/, /ba.ˈχa.zʲə/
noun
1. een verzameling van eigendommen
zavazadlo
verb
1. iets ernstigs onbelangrijk doen voorkomen
bagatelizovat
/ba.ˈha.mas/, /ba.ˈɦa.mas/, /bɑ.ˈɦa.mas/
pronoun
1. een eilandengebied in het Caraïbische gebied
Bahamy
/ba.ˈrɛɪ̯n/, /bɑx.ˈrɛːn/, /bɑχ.ˈrɛɪ̯n/
pronoun
1. eilandstaat in de Perzische Golf en de Golf van Bahrein. Het ligt ingeklemd tussen Saoedi-Arabië in het westen en Qatar in het oosten en zuiden
Bahrajn
noun
1. een steekwapen bovenop de loop van een geweer
  1. bajonet
  2. bodák
noun
1. de linkerzijde als men vanop een schip naar de boeg kijkt
levobok
noun
bakelit
noun
1. deel van het baardhaar dat groeit vanaf de kaaklijnen tot aan de haargrens boven de oren.
licousy
verb
1. voedsel bij hoge temperatuur in een oven of pan verhitten, meestal met wat olie of boter.
  1. péci
  2. péct
noun
1. iemand die brood en taarten bakt
pekař
noun
een werkplaats waar men brood, koek, banket en dergelijke, bakt
  1. pekařství
  2. pekárna
pronoun
1. de hoofdstad van Azerbeidzjan
Baku
noun
1. speciaal geprepareerd papier dat in de oven gebruikt wordt om te bakken etenswaar niet aan de bakplaat of de bakvorm te laten kleven
pečicí papír
noun
1. rijsmiddel op basis van natriumbicarbonaat
prášek do pečiva
noun
1. uit klei of leem gebakken steen
cihla
adjective
cihlový
noun
1. een object in de vorm van een bol dat gebruikt wordt bij balspelen
  1. míč
  2. balón
  3. balon
noun
1. een driesnarig Russisch tokkelinstrument
balalajka
noun
1. evenwicht
balanc
pronoun
1.
Balaton
noun
1. stoffen overdekking als ornament, meestal boven een troon, altaar of hemelbed
baldachýn
pronoun
Baleáry
noun
  1. 1. hoornachtige stof uit de walvisbek
  2. 1. versterkingsstaafje voor corset of paraplu
kostice
/bɑlk/, /bɑɫk/
noun
  1. 2. veelvlak met 6 rechthoekige zijvlakken, 8 hoekpunten en 12 ribben
    kvádr
  2. 1. deel van een constructie met een lengte die veel groter is dan de breedte en de hoogte in doorsnede
    trám
pronoun
1. gebied...
Balkán
/ˈbɑlkə(n)/, /ˈbɑɫkə(n)/
verb
1. het geluid van een ezel maken
hýkat
noun
1. een bouwkundig onderdeel
  1. balkón
  2. balkon
noun
balada
noun
1. vervanging van de nuttige lading door iets dat voldoende weegt om een schip te stabiliseren
zátěž
noun
1. een artistieke dansvorm
balet
noun
1. leer die de banen van projectielen bestudeert
balistika
noun
1. een feestartikel bestaande uit een dun rubberen zakje dat met gas of lucht kan worden gevuld
balón
noun
1. leer van de geneeskrachtige baden
balneologie
noun
1. een pen die met een bal of kogel de inkt op het papier overbrengt
  1. propiska
  2. propisovačka
noun
balzámový ocet
noun
balzám
verb
1. het prepareren van een stoffelijk overschot om het tegen ontbinding te beschermen
balzamovat
noun
míčová hra
pronoun
1. de nationale taal van Mali
bambarština
noun
1. een reuzengrassoort dat afkomstig is uit Azië
bambus
noun
bambusový výhonek
adjective
1. gewoontjes, saai en voorspelbaar, weinig verheven of de zintuigen prikkelend
banalní
noun
1. een vrucht van de bananenboom
banán
noun
  1. 1. een van de Midden-Amerikaanse staten zoals Honduras, Nicaragua, El Salvador of Guatemala, eens zo genoemd vanwege de bananenindustrie die daar alles overheerste
  2. 2. een in politiek en economisch opzicht corrupt en instabiel land, dat bovendien vaak rijk is aan grondstoffen
banánová republika
noun
1. de schil van een banaaan
banánová slupka
noun
3. groep muzikanten die een bepaald muzikaal repertoire ten gehore brengt
kapela
noun
1. een schurk of misdadiger
bandita
noun
1. apparaat waarmee men geluid kan vastleggen op magnetische tape
magnetofon
/ˌbɑŋ.(g)ɣə.la.ˈdɛʃ/, /ˌbɑŋ.lɑ.ˈdɛʃ/
pronoun
1. land in het zuiden van Azië dat ligt op het Indische subcontinent en grenst voor het grootste gedeelte aan India en voor een klein stukje aan Myanmar/Birma grenst
Bangladéš
noun
  1. 3. een financiële instelling
  2. 5. gebouw waarin een financiële instelling gevestigd is
  3. 6. een opslagsysteem voor gegevens of voorwerpen b.v. beeldbank, bloedbank, boekenbank, kennisbank, spermabank
  4. 4. een ondiepte in het water
banka
noun
1. een betaalmiddel van papier
bankovka
noun
1. een bakker die voornamelijk taarten, klein gebak en chocolade maakt
cukrář
/bɑŋkˈɦɑŋər/
noun
1. iemand die bankhangt
gaučák
noun
1. iemand die financiële diensten verleent
bankéř
noun
1. een rekening-courant bij een bank
bankovní účet
noun
1. toestand van iemand die niet in staat is aan zijn financiële verplichtingen te voldoen
konkurs
/ˈbɑnəlɪŋ/
noun
1. iemand die verbannen is
vyhnanec
noun
1. een kerkelijke straf
anathéma
noun
benaming voor dikstammige bomen uit droge, warme gebieden uit het geslacht Adansonia
baobab
noun
barbar
adjective
1. zonder beperkingen opgelegd door beschaafd gedrag
barbarský
/ˈbɑr.ba.ˌdɔs/, /ˈbɑr.be.ˌdɔs/
pronoun
1. een eiland in het Caribisch gebied, dat behoort tot de Bovenwindse Eilanden van de Kleine Antillen
Barbados
/bɑrbɑˈrɪzmə/
noun
1. woord of uitdrukking uit een andere taal
barbarismus
noun
1. bepaalde vissoort die voorkomt in de middenlopen van rivieren, Barbus barbus
parma
noun
1. Een slaapmiddel in de vorm van een barbituurzuur verbinding
barbiturát
pronoun
Barcelona
noun
1. (informatica) een op artikelen, verpakkingen afgedrukte reeks smalle en brede streepjes waarmee in gecodeerde vorm productinformatie is vastgelegd die met een scanner kan worden gelezen
čárový kód
/bɑrt/
noun
1. middeleeuws dichter en zanger bij de Kelten
bard
verb
1. op de wereld brengen
porodit
noun
Barentsovo moře
noun
1. plat hoofddeksel zonder klep
baret
/bɑrx/
noun
1. gecastreerd mannetjesvarken
vepř
noun
baryt
noun
baryum
noun
1. iemand die achter de bar staat en drankjes voor de gasten inschenkt
barman
noun
1. een 17e eeuwse kunststroming die er naar streeft grootste, dramatische momenten en beweging uit te drukken
baroko
/ˈbaroˌmetər/
noun
1. een instrument dat de luchtdruk meet
tlakoměr
noun
1. adellijke titel, in rang tussen jonkheer en burggraaf
baron
noun
1. vrouwelijke baron
baronka
noun
baronství
noun
  1. 3. beslissingsronde
  2. 1. versperring
  3. 2. dam
hráz
noun
1. straatversperring die de doorgang door een straat onmogelijk maakt
barikáda
noun
1. begrenzing, bescherming
bariéra
verb
1. heftig breken of uiteenspatten
prasknout
noun
baryon
/bɑs/
noun
1. het instrument dat doorgaans de laagste stem speelt
bas
noun
bas-reliéf
adjective
1. fundamenteel
bazální
noun
1. een mafisch vulkanisch stollingsgesteente dat gevormd wordt door de stolling van lava of magma
čedič
noun
  1. 1. stof die een of meer hydroxylgroepen bevat en in een waterige oplossing OH-ionen afsplitst
  2. 2. ion of molecuul dat de neiging heeft een proton op te nemen
báze
/baˈsilikəm/
noun
1. een keukenkruid
bazalka
noun
bazilika
noun
1.
dojem
noun
1. scholing voor kinderen van 4 tot 12 jaar
základní vzdělání
/ˈbazɪsxoɫ/
noun
1. een school voor lager onderwijs
základní škola
/'bɑskən,lɑnd/
pronoun
  1. 1. geografische regio bij de Spaans-Franse grens
  2. 3. Spaanse autonome regio
Baskicko
noun
  1. 1. sport
  2. 2. bal
basketbal
adjective
  1. 1. met betrekking tot de Basken
  2. 2. met betrekking tot de Baskische taal
baskický
pronoun
1. taal die wordt gesproken door de Basken
  1. baskičtina
  2. baskicky
noun
1. geurige rijstzaden
basmati
noun
1. bassaxofoon
bassaxofon
noun
1. contrabasspeler
basista
abbreviation
1. continu voortgaande bas- en/of begeleidingspartij
  1. basso continuo
  2. continuo
  3. generální bas
  4. číslovaný bas
noun
1. een kind dat niet geboren is uit een wettig huwelijk
parchant
noun
prapor
noun
1. een fijn, doorschijnend weefsel dat gemaakt kan zijn van linnen, wol, katoen, zijde of zelfs kunstzijde
batist
noun
1. een elektrotechnisch component waarin elektrische energie is opgeslagen
baterie
noun
1. eenheid van snelheid van informatieoverdracht van een datatransmissiekanaal (modem, telefoonlijn etc.)
baud
noun
1. een mineraal dat een belangrijk erts van aluminium vormt. Bauxiet bestaat voor een groot deel uit aluminiumoxide...
bauxit
noun
1. een aap met een korte staart en een vooruitstekende snuit
pavián
pronoun
1. stad in Zwitserland
Basilej
noun
ventilátor
noun
1. kleine hond van een bepaald ras
bígl
/bə.ʔˈɑnt.ʋɔːr.də(n)/
verb
1. de reactie op een vraag geven
zodpovědět
noun
Beat generation
adjective
1. voorzien van een (lange) baard
bradatý
adjective
1. brildragend
brejlatý
verb
  1. 1. uitrekenen
  2. 2. door cijfers aanwijzen
  3. 3. (muziek) notaties door cijfers aangeven
vyčíslit
verb
1. van commentaar voorzien
komentovat
noun
becquerel
/bɛd/, /bɛt/
noun
1. een meubel gemaakt om in te slapen
  1. postel
  2. lůžko
interjection
5. uitspraak om waardering en erkenning te tonen in dagelijks gebruik
děkuji
/bə'darə(n)/
verb
1. tot rust komen
uklidnit
noun
ložní prádlo
verb
1. om een aalmoes vragen
žebrat
verb
  1. 2. verpesten, verknoeien
  2. 3. te veel verwennen
  3. 4. verrotten, oneetbaar worden
zkazit
noun
pouť
verb
1. met een woord of toespeling iets of iemand aanduiden of proberen aan te duiden
znamenat
noun
1. het doel van een actie, dat wat men wil gaan doen of wil bereiken
účel
adjective
  1. 1. dreigend bejegend
  2. 2. mogelijk op het punt staand van uitsterving
ohrožený
verb
1. iemand met een mogelijk gevaar confronteren
hrozit
/bəˈdrɛɪ̯f/, /bəˈdrɛːf/
noun
1. organisatie, samenspel van mensen en middelen om producten en of diensten te leveren
podnik
verb
1. druppelsgewijs vochtig houden
podlévat
/bek/
noun
1. stromend watertje
potok
noun
1. zeldzaam visje dat inheems voorkomt in de Benelux, Lampetra planeri
  1. mihule mensi
  2. mihule potocni
noun
1. driedimensionaal kunstwerk
socha
noun
1. een beoefenaar van de beeldhouwkunst
sochař
noun
obrazovka
/beːn/
noun
  1. 3. stof waaruit benen/botten bestaan
    kost
  2. 1. ledemaat waarop wordt gestaan en waarmee wordt gelopen
    noha
noun
1. een verkoper van vlees
řezník
noun
1. een sponsachtige, rode substantie die zich in het binnenste van beenderen bevindt
kostní dřeň
/beːr/, /bɪːr/
noun
1. groot viervoetig zoogdier uit de familie Ursidae
medvěd
noun
1. een put waarin fecaliën verzameld worden
žumpa
/beːst/
noun
1. dier
zvíře
/ˈbeːtʃjə/
noun
1. kleine hoeveelheid
trochu
noun
1. bepaald soort lijster, Turdus torquatus
drozd horský
noun
1. verlangen
touha
/bə.ɣə.ˈlɛɪ̯.də(n)/, /bə.ɣə.ˈlɛː.də(n)/, /bə.χə.ˈlɛɪ̯.də(n)/
verb
1. vergezellen
doprovodit
noun
1. personen die iemand vergezellen of bewaken
doprovod
verb
1. een gift geven
obdařit
noun
bekyně
/bəˈχɪn/
noun
1. het eerste deel
  1. počátek
  2. začátek
verb
1. aanvangen
  1. začínat
  2. začít
noun
1. (plantk.) Begonia, een geslacht bloeiende planten uit de begoniafamilie
begonie
noun
1. een plaats waar overledenen begraven liggen
hřbitov
noun
1. een ceremonie waarbij een overledene in een kist aan de aarde wordt toevertrouwd
pohřeb
/bəˈɣrafənɪsɔndərˌnemər/
noun
1. Een persoon die de begrafenis van overledenen verzorgt
funebrák
verb
  1. 1. iets onder de grond stoppen
  2. 2. een overledene begraven
  3. 3. iets wegstoppen
pohřbít
adjective
srozumitelný
noun
1. het verstaan of begrijpen van iets
pochopení
/bəˈɣrotɪŋ/
noun
1. raming van de te maken uitgaven voor de komende tijd
rozpočet
/beˈɦaː/
noun
1. een kledingstuk voor vrouwen dat de borsten ondersteunt
podprsenka
preposition
1. met uitzondering van
kromě
verb
  1. 3. medisch verzorgen
  2. 1. verwerken
  3. 2. bespreken, spreken of schrijven over
léčit
noun
2. een handeling gericht op herstel
léčba
noun
1. een persoon om een bepaald geheel te regelen en te onderhouden of dit beroep
administrátor
verb
  1. 3. verstaan
  2. 1. meester zijn, het gezag uitoefenen
ovládat
adjective
2.
pružný
/ˈbə'huftə/
noun
1. iets wat benodigd is
potřeba
verb
  1. 2. onderdeel uitmaken van wat gebruikelijk is of tot de fatsoensnormen gerekend wordt
    patřit
  2. 1. onderdeel zijn van
    náležet
adjective
nápomocný
cardinalNumeral
1. alle twee
oba
pronoun
Bavorsko
pronoun
1. taal gesproken door ten minste 12 miljoen mensen in Oostenrijk...
bavorský
pronoun
1.
Bavorský les
adjective
béžový
adjective
béžovošedá
adjective
červenobéžová
/bɛɪrut/
pronoun
1. hoofdstad van Libanon
Bejrút
noun
1. een scherp stuk gereedschap met een wigvormige snede
dláto
noun
1. snavel van vogels
zobák
adjective
1. vertrouwd
známý
noun
známost
verb
1. toegeven
přiznat
noun
1. een verklaring waarin men toegeeft een bepaalde daad gepleegd te hebben
přiznání
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Pohár
noun
2. gebeente tussen beide heupen
pánev
noun
pánevní dno
verb
1. ontevredenheid uiten, klachten indienen
stěžovat si
verb
1. naar de top van iets, zoals een berg, klimmen
lozit
adjective
1. tot het belangrijkste en noodzakelijkste teruggebracht
stručný
verb
1. kritiek uiten op iets of iemand
kritizovat
verb
1. iemand agressief/intimiderend benaderen
obtěžovat
noun
1. iets wat belangrijk is voor een persoon
zájem
adjective
1. van grote betekenis
důležitý
verb
1. iemands goede naam geweld aandoen met onware aantijgingen
pomlouvat
noun
1. door de wet gedwongen betaling aan de overheid zonder individuele tegenprestatie
daň
noun
1. iemand die belasting betaalt
daňová poplatnice
noun
daňový ráj
verb
1. nare opmerkingen maken tegen of over een persoon
urazit
noun
1. een krenking van iemands gevoel van eer of eigenwaarde
urážka
adjective
1. van goede omgangsvormen getuigend
zdvořilý
verb
1. met een leger omsingeld houden
obléhat
verb
1. geld steken in een naar verwacht winstgevende onderneming
investovat
noun
1. een plan van aanpak voor het oplossen van problemen in de meest ruime zin
politika
noun
1. leesteken bestaand uit drie puntjes (…)
trojtečka
adjective
sečtělý
/bɛlx/, /bɛɫx/, /bɛɫχ/
noun
1. een staatsburger van België
Belgičan
/ˈbɛl.ɣɪs/, /ˈbɛɫ.ɣis/, /ˈbɛɫ.χis/
adjective
1. met betrekking tot België
belgický
pronoun
Belgické Kongo
/ˈbɛlɣijə/, /ˈbɛɫɣijə/, /ˈbɛɫχijə/
pronoun
Belgie
pronoun
1. de hoofdstad van Servië
Bělehrad
/bɛlhaməl/
noun
1. een gecastreerd mannelijk schaap dat met een bel om zijn nek vaak de kudde leidt
ovce vedoucí stádo
verb
1. een denkbeeld of gevoel vormgeven in iets tastbaars
zahrnout
noun
1. zichtbaar gemaakte vorm van een idee of begrip
ztělesnění
/bə.ˈlɪx.tə(n)/, /bə.ˈlɪχ.tə(n)/
verb
1. licht schijnen op iets
osvětlit
noun
1. een meetinstrument dat een goede belichtingstijd van foto's kan bepalen
expozimetr
/be.ˈliː.zə/
pronoun
1. een Midden-Amerikaans land, en grenst aan Mexico in het noordwesten en Guatemala in het zuiden en westen. Aan het oosten grenst het aan de Caribische Zee
Belize
noun
1. tandwalvis die doorgaans bij volwassenheid melkwit van kleur is, Delphinapterus leucas
běluha
pronoun
1.
Balúčistán
noun
1. een ondelinge of schriftelijke verklaring waarin men iets belooft
slib
verb
1. een prestatie of goede daad met geld of anderszins erkennen
odměnit
noun
odměna
verb
1. toezeggen dat iets gedaan zal worden
  1. slibovat
  2. slíbit
noun
1. de personen die het benodigde werk aan boord van een schip of vliegtuig verrichten
posádka
noun
1. de personen die het benodigde werk aan boord van een schip of vliegtuig verrichten
posádka
verb
1. het toevoegen van meststoffen aan de aarde
hnojit
noun
1. iemand die zich bemoeit met zaken van anderen
všetečka
verb
1. iemand of iets nadeel toebrengen, iemand of iets schade toebrengen
znevýhodňovat
noun
2. buitengewoon onevenwicht tussen de contractuele prestaties van de betrokken partijen
neúměrné zkrácení
adjective
1. te benaderen, makkelijk mee te praten
přístupný
noun
1. getalswaarde die voor een bepaald praktisch doel voldoende dicht in de buurt ligt van de exacte waarde van die grootheid.
aproximace
/ˈbɛn.də/
noun
1. een informeel georganiseerde groep mensen, meestal met kwade of misdadige motieven
gang
pronoun
1. een taal die in Bangladesh en West-Bengalen gesproken wordt
bengálština
adjective
kostnatý
adjective
  1. benigní
  2. nezhoubný
verb
1. wensen dat men zelf mocht hebben wat een ander heeft
závidět
adjective
1. dat iets de moeite waard is om benijd te worden
záviděníhodný
/be.ˈnin/, /ˈbe.nɪn/
pronoun
1. een land in Afrika dat in het westen aan Togo grenst, in het noordwesten aan Burkina Faso, in het noordnoordoosten aan Niger in het oosten aan Nigeria. In het zuiden ligt het aan de Golf van Guinee
Benin
noun
benzen
/bɛn'zinə/
noun
1. een aardolieproduct bestaande uit een mengsel van alifatische koolwaterstoffen...
  1. benzín
  2. benzin
noun
loskuták
verb
1. tot een oordeel komen over iets
posuzovat
verb
  1. 2. vaststellen, voorschrijven, regelen
  2. 3. beslissend beïnvloeden
určit
/bə.ˈpɛr.kɪŋ/
noun
1. iets dat ervoor zorgt dat de mogelijkheden beperkt worden
omezení
pronoun
berberský
adjective
1. akkoord gaand, instemmend: bereid tot actie
ochotný
/bə'rɛɪkən/
verb
1. fysiek bij de andere kant aankomen
dorazit
/bɛrx/
noun
  1. 1. hoge terreinverheffing
  2. 2. een grote hoeveelheid
hora
adjective
1. met bergen
hornatý
noun
1. iemand die zich toelegt op het alpinisme
horolezec
noun
1. Tadorna tadorna, een forse bijna gansachtige eend
husice liščí
noun
1. een langgerekt gebergte
horské pásmo
noun
1. overgebrachte korte communicatie, meestal over een recente gebeurtenis
zpráva
noun
beryl
noun
1. vrouwelijk dier van de berenfamilie, Ursidae
medvědice
pronoun
1. de zeestraat tussen de Grote Oceaan en de Noordelijke IJszee
Beringův průliv
pronoun
1. is de zee in het noordelijk deel van de Grote Oceaan
Beringovo moře
verb
1. streng zeggen dat het gedrag wordt afgekeurd
kárat
/bɛrk/
noun
1. een katjes dragende loofboom met witte bast
bříza
noun
berkelium
noun
1.
březina
pronoun
  1. 1. de hoofdstad van Duitsland
  2. 2. een duitse deelstaat
Berlín
noun
2. een van de drie in de Benelux inheemse modderkruipers, Barbatula barbatula
  1. grundle
  2. mren
  3. mrenka mramorovaná
  4. mrenka obecná
  5. sliz
pronoun
1. eilandengroep in de Atlantische Oceaan
Bermudy
pronoun
1. de hoofdstad van Zwitserland
Bern
/bə'rumt/
adjective
1. onder velen bekend en bewonderd
  1. slavný
  2. proslulý
noun
2. iemand die bekend is bij een groot publiek
celebrita
noun
  1. 2. dringend verzoek om bijstand
    odvolání
  2. 1. een bezigheid waarmee men de kost verdient
    povolání
noun
1. een acute beschadiging van de hersenen die veroorzaakt wordt door een bloeduitstorting in de hersenen
mozková mrtvice
noun
1. een toestel dat rook produceert waarmee de imker zijn bijenvolk rustig kan houden
kuřák
noun
1. het betreuren van een eerdere kwalijke daad
pokání
/bəˈrilijʏm/
noun
1. een chemisch element en een donkergrijs aardalkalimetaal
  1. beryllium
  2. berylium
/bɛs/
noun
1. kleine vrucht
bobule
adverb
1. vol met de neiging zich te verbergen voor anderen
zahanbený
verb
1. het toebrengen van schade
poškodit
/bə.ˈsxa.vɪŋ/, /bə.ˈsχa.vɪŋ/
noun
1. de complexe maatschappij waarin veel van de mensen in steden leven en hun voedsel door middel van landbouw verkrijgen
civilizace
verb
1. er zo goed mogelijk voor zorgen dat er niets verkeerd gebeurt
chránit
noun
1. een heilige onder wiens bescherming een bepaalde persoon of groep staat
patron
/bə.ˈsxɛr.mɪŋ/, /bə.ˈsχɛr.mɪŋ/
noun
1. een beveiliging
ochrana
/bə'sxɪkbar/
adjective
1. waarover beschikt kan worden
k dispozici
noun
1.e mogelijkheid om, indien nodig te kunnen beschikken over mensen, diensten of hulpmiddelen
dostupnost
adjective
1. onderhevig aan schimmelgroei
plesnivý
verb
1. in woorden uitdrukken
popisovat
/bə.ˈsrɛɪ̯.vɪŋ/, /bə.ˈsxrɛɪ̯.vɪŋ/, /bə.ˈsxrɛː.vɪŋ/
noun
1. een op schrift gestelde kenmerken van iets of iemand
popis
/bəˈsxʌldəgə/
verb
1. iemand de schuld geven van iets
obvinit
adjective
1.
obviňující
/bə.ˈsxʏl.di.ɣɪŋ/, /bə.ˈsxʏɫ.də.ɣɪŋ/, /bə.ˈsχʏɫ.də.χɪŋ/
noun
1. het aangeven dat iemand iets moreel of gerechtelijk verkeerds heeft gedaan
obvinění
verb
1. het reëel bewust worden van iets
uvědomit si
verb
2. een paard van een hoefijzer voorzien
okovat
noun
  1. 1. confiscatie
    exekuce
  2. 2. vloeibaar deeg
    těsto
/bə.ˈslɪ.sɪŋ/
noun
rozhodnutí
verb
sledovat
adjective
1. niet in staat een besluit te nemen.
nerozhodný
verb
1. de voorhuid van de penis wegsnijden
obřezat
/bəˈsnɛidənɪs/
noun
obřízka
verb
  1. 1. minder van iets gebruiken of verbruiken
  2. 2. minder geld uitgeven, bezuinigen
ušetřit
adjective
1. uitermate vreemd
směšný
/bə.ˈspre.kɪŋ/
noun
1. een mondeling overleg
  1. diskuse
  2. diskuze
pronoun
Besarábie
verb
1. daadwerkelijk in het universum voorkomen
  1. existovat
  2. být
noun
1. een verzameling van gegevens die een eenheid vormen
soubor
noun
1.
příbor
verb
1. iemand iets wederrechtelijk ontnemen
ukrást
verb
1. afspreken dat goederen of diensten geleverd zullen worden
objednat
/bə.ˈstɛ.lɪŋ/
noun
1. een verzoek of opdracht om diensten of goederen te leveren
objednávka
/bə.ˈstɛ.mɪŋ/
noun
1. het eindpunt van een route
destinace
noun
  1. opylení
  2. opylování
noun
1. een geheel van systeemapplicaties dat de uitvoering van andere programma's bestuurt
operační systém
/bəˈstyrdər/
noun
1. een persoon die een voertuig of andere machine bestuurt
řidič
noun
správní právo
/bə.ˈtaː.lə(n)/
verb
1. geld (of andere zaken) geven aan iemand om de kosten te voldoen
  1. platit
  2. zaplatit
noun
1. iemand die betaalt
plátce
/bə.ˈta.lɪŋ/
noun
1. het onderhandigen of overboeken van geld in ruil voor goed of dienst
platba
noun
platební bilance
verb
1. met de handen iemands lichaam op verschillende plaatsen aanraken
osahávat
verb
1. ergens voor staan
znamenat
noun
1. wat iets betekent, waar iets voor staat
význam
/ˈbe.tɔɫ.ˌχø.zə/, /ˈbe.təl.ˌɣø.zə/, /ˈbe.təɫ.ˌɣø.zə/
pronoun
1. de één na helderste ster in het sterrenbeeld Orion, na Rigel
Betelgeuze
/'beːtər/
adverb
lepší
pronoun
1. stad in Judea, bekend als de geboorteplaats van Jesus
Betlém
adjective
betonová šedá
noun
1. vader van een overgrootouder
prapradědeček
verb
1. getuige worden van het feit dat iemand iets (verbodens) doet
dopadnout
/bə.ˈtrɛ.kɪŋ/
noun
1. band of relatie tussen personen of groepen
vztah
/bətrørən'swardəx/
adjective
1. waard betreurd te worden
politováníhodný
adjective
1. die erbij horen
zúčastněný
noun
spolehlivost
/bə.ˈtraʊ̯.bar.hɛɪ̯ds.ˌɪn.tər.ˌvɑl/, /bə.ˈtrɔʊ̯β̞.bar.ɦɛːts.ˌɪn.tər.ˌvɑɫ/, /bə.ˈtrʌʊ̯.bar.ɦɛɪ̯ts.ˌɪn.tər.ˌvɑɫ/
noun
1. een statistische intervalschatting voor een parameter
interval spolehlivosti
/bɛtwetər/
noun
1. iemand die meent alles beter te weten dan anderen
všeuměl
noun
1. boomsoort
buk
verb
1. ergens fors op slaan
bušit
noun
2. vrucht van de beuk, Fagus sylvatica
bukvice
/bøːl/
noun
1. uitvoerder van lijfstraffen
kat
noun
  1. 1. het beursgebouw waar aandelen gekocht en verkocht worden
  2. 2. een houder voor munten en biljetten
burza
noun
1. een balkje dat ervoor dient in een supermarkt met een lopende band boodschappen van klanten te scheiden
oddělovač nákupu
adjective
1. breed, diep en stromingsarm genoeg om bevaren te worden
splavný
adjective
1. -gewoonlijk vrouwelijke- schoonheid bezittend die bij anderen -gewoonlijk mannen- in de smaak valt
půvabný
verb
1. omvatten, in zich sluiten
obsahovat
verb
1. hard en heftig trillen
chvět se
noun
1. benaming voor zoogdieren uit het geslacht Castor
bobr
noun
1. Myocastor coypus, een schadelijk knaagdier, leeft vooral in moerassige omgeving
nutrie
verb
1. zeggen dat iets is zoals gevraagd is of verondersteld wordt
potvrdit
/bə.ˈvɛs.ti.ɣɪŋ(g)/, /bə.ˈvɛs.tə.ɣɪŋ/, /bə.ˈvɛs.tə.χɪŋ/
noun
1. het bevestigen, het mededelen aan iemand dat iets is zoals gevraagd is of verondersteld wordt
potvrzení
adjective
příslušný
noun
1. alle inwoners van een bepaald land, staat of gebied gerekend
  1. obyvatelstvo
  2. populace
/bə'vrizə(n)/
verb
1. door afkoeling in vaste toestand komen
zmrznout
verb
1. iemand of een bevolking van gevangenschap of onderdrukking verlossen
osvobodit
noun
1. persoon die andere bevrijdt
osvoboditel
/bə.ˈvrɛɪ̯.dɪŋ/, /bə.ˈvrɛː.dɪŋ/
noun
1. het vrij maken van mensen die gevangen gehouden of onderdrukt worden
osvobození
adjective
1. door afkoeling in vaste toestand gekomen; volledig met ijs bedekt
zamrzlý
noun
1. handeling waarbij men een goed van een ander ter bewaring aanneemt onder teruggaveverplichting
úschova
verb
1. toezicht houden op de veiligheid van iets of iemand
střežit
/bə.ˈwaː.pə.nə(n)/
verb
1. iemand van wapens voorzien
zbrojit
/bə.ˈweː.ɣə(n)/, /bə.ˈʋe.χə(n)/, /bə.ˈβ̞e.ɣə(n)/
verb
1. van plaats veranderen
hýbat
/bə.ˈwe.ɣɪŋ(g)/, /bə.ˈʋe.χɪŋ/, /bə.ˈβ̞e.ɣɪŋ/
noun
  1. 1. in de staat verkeren waarin de locatie steeds verandert
  2. 2. van plaats/positie veranderen
  3. 3. een organisatie
hnutí
verb
1. iets met stelligheid verklaren waarvan het voor anderen niet duidelijk is of het waar is
tvrdit
/bə'wɛrkə(n)/
verb
  1. 1. veranderen om iets voor een of ander doel geschikt te maken
    adaptovat
  2. 4. iets met een mes anders maken
    opracovat
noun
1. datgene wat de juistheid van een bewering onweerlegbaar vast (kan) leggen
důkaz
adjective
dokazatelný
verb
1. aantonen; staven
prokázat
/bəˈʋɔɫkt/
adjective
1. met wolken bedekt
oblačný
verb
1. bekijken met respect
obdivovat
adjective
1. wat het verdient bewonderd te worden
obdivuhodný
/bə.ˈwɔn.də.rɪŋ/, /bə.ˈʋɔn.də.rɪŋ/, /bə.ˈβ̞ɔn.də.rɪŋ/
noun
1. het bekijken met enig ontzag
obdiv
noun
1. iemand die in of op iets woont
obyvatel
/[bəˈʋɵst]/
adjective
1. iets waarvan kennis is genomen
vědomý
/bəw'ɤstəlos/
adverb
1. in een toestand waarin men het bewustzijn voor de omgeving is verloren
bezvědomý
noun
1. de staat van het bewusteloos zijn
bezvědomí
/bə'wɤ(st)sɛin/
noun
1. een toestand waarin men gewaarwordingen uit zijn omgeving ondergaat
vědomí
abbreviation
1. de achterste mast van een zeilschip
zadní stěžeň
noun
1. voorwerp om stof en vuil bij elkaar te vegen
  1. smeták
  2. koště
adjective
1. gedomineerd door de aanwezigheid van...
okupovaný
verb
1. in gebruik nemen
obsadit
noun
1. iemand die bezet, meer in het bijzonder de bezetter van een overwonnen natie in oorlogstijd
okupant
/bə.ˈzɛ.tɪŋ/
noun
  1. 1. toestand waarbij het grondgebied van een land wordt bestuurd door een ander land
  2. 2. het aantal van elk type instrument dat in een orkest meespeelt
  3. 3. exclusief gebruik
obsazení
/bə.ˈzɪx.ti.ɣɪŋ/, /bə.ˈzɪx.tə.ɣɪŋ/, /bə.ˈzɪχ.tə.χɪŋ/
noun
1. het bekijken
prohlídka
noun
1. een plaats die of een voorwerp dat door velen bezocht en bekeken wordt
pozoruhodnost
/bezəx/
adjective
1. aan het werken
zaměstnaný
noun
2. het houden van een goed voor zichzelf
držba
/bə'zɪtə(n)/
verb
1. iets in eigendom hebben
vlastnit
noun
1. de persoon die het bezit van iets heeft
  1. majitel
  2. vlastník
noun
1. dat wat iemand in eigendom heeft, dat wat van iemand is
majetek
noun
1. het bezoeken
návštěva
/bəˈzukə(n)/
verb
1. bij iemand langsgaan of langskomen
navštívit
noun
1. een persoon die iemand of iets bezoekt
návštěvník
adjective
1. bijzonder dronken
opilý
adjective
1. met zorgen beladen
úzkostný
noun
poslíček
noun
1. moeilijkheid, bedenking
námitka
adjective
1. met zweet op de huid
zpocený
verb
  1. 1. zwichten
  2. bezwijken aan: sterven
podlehnout
verb
1. tot een afsluiting brengen
dokončit
/bəˈɪnvludə(n)/
verb
1. iemand of iets proberen te veranderen, invloed nemen op
ovlivnit
adjective
bhútánský
/bu.ˈtan/, /bu.ˈtɑn/
pronoun
1. een land in Azië dat in de Himalaya ingeklemd ligt tussen China, Tibet en India. Het zuidelijke gedeelte van Bhutan ligt op het Indisch subcontinent
Bhútán
pronoun
Biafra
noun
1. een skisport waarbij de deelnemers op bepaalde punten in een langlaufcircuit met een geweer...
biatlon
adjective
1. bibliografie betreffend
bibiografický
/ˌbiblijote'kaːrɪs/
noun
1. beheerder van een bibliotheek
knihovník
/bib(l)ijo'tek/
noun
1. een plaats waar boeken verzameld staan
knihovna
noun
  1. 1. tweehoofdige spier
  2. 1.2 spier in de bovenarm
biceps
verb
1. in gebed zijn, een godheid iets vragen
  1. modlit
  2. modlit se
noun
1. soort van aan de muur bevestigde kom of bak voor het met behulp van water reinigen van de geslachtsdelen, billen en anus na gebruik van het toilet, of om de voeten te wassen
bidet
noun
1.
bidon
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Mantodea
  1. kudlanka nábožná
  2. kudlanka
noun
1. de erkenning van zonden aan een geestelijke
zpověď
verb
1. ten overstaan van een geestelijke bekennen welke religeuze wetten men overtreden heeft
zpovídat
noun
1. de verplichting om datgene wat de priester tijdens de biecht verneemt geheim te houden
zpovědní tajemství
noun
1. een meubelstuk dat bedoeld is voor het aanhoren en afleggen van de biecht
zpovědnice
noun
1. een priester die biechten afneemt
zpovědník
noun
1. alcoholische drank die bereid is uit gefermenteerde mout
pivo
noun
1. vette buik
bachor
/bis/
noun
4. een smalle en rechte versieringslijn
lemovka
noun
1. en 2. (groene sprietjes van) looksoort Allium schoenoprasum
  1. pažitka
  2. šnytlík
noun
řepa obecná
noun
  1. bifenyl
  2. difenyl
  3. fenylbenzen
noun
bifobie
/bɪx/, /bɪχ/
noun
1. een jong van het varken
sele
/bɛɪ̯/
noun
1. benaming vliegende insecten uit het geslacht Antophila
včela
noun
1. (de heilige tekst van) het heilige boek der christenen
Bible
noun
1. een exemplaar van de originele Bijbel
  1. bible
  2. Bible
verb
1. zorgen dat men niet achterblijft bij de voortgang van iets
držet krok
verb
1. een aandeel leveren
přispět
noun
1. benaming voor veelkleurige en insectenetende vogels die...
vlha
noun
1. kunstmatige behuizing waarbinnen een bijenvolk zijn raten kan bouwen, oorspronkelijk in de vorm van een gevlochten korf
úl
noun
tořič včelonosný
/ˈbɛː.jə(n)ˌteɫt/
noun
1. het houden van bijen
včelařství
/ˈbɛɪ̯.ɣə.ˌlof/, /ˈbɛɪ̯.χə.ˌlof/, /ˈbɛː.ɣə.ˌlof/
noun
1. een geloof in iets extra's en onnatuurlijks
pověra
adjective
1. iemand die gelooft in bijgeloof
pověrčivý
/bɛɪˈkɑns/
adverb
  1. skoro
  2. téměř
/bɛɪ̯l/, /bɛːɫ/
noun
1. hakwerktuig met een smalle snee en een lange steel die vooral voor het kappen van bomen gebruikt
  1. sekera
  2. sekyra
noun
  1. 2. een bestand dat bij een e-mail is meegezonden
  2. 1. geschrift ter aanvulling
příloha
/'bɛɪ.na/
adverb
1. op zo'n manier dat het niet veel scheelt of iets is zo
  1. skoro
  2. téměř
noun
1. breed bekende, niet-officiële naam van een persoon, een groep van personen of een zaak
přezdívka
noun
nadledvinky
/ˈbɛi̯tə(n)/
verb
1. iets afsnijden of afscheuren door tanden tegen elkaar te duwen
  1. hrýzat
  2. kousat
/bɛɪ̯ˌvuχlək ˈnamʋo̞rt/, /bɛːˌvuxlək ˈnamβ̞oːrt/, /ˌbɛɪ̯vuɣ(ə)lɪk ˈnaːmwoːrd/
noun
1. een woordsoort die wordt gebruikt om een eigenschap of hoedanigheid van...
  1. přídavné jméno
  2. adjektivum
noun
1. Artemisia vulgaris, een plant uit de composietenfamilie Asteraceae
pelyněk černobýl
abbreviation
1. als voorbeeld, om tot voorbeeld te dienen
  1. například
  2. na příklad
/bɛiʋɛrkɪŋ/
noun
vedlejší účinek
noun
1. een woord dat een bijvoeglijk naamwoord, een werkwoord, een telwoord of een ander bijwoord nader bepaalt
  1. příslovce
  2. adverbium
adjective
1. alleen van dichtbij scherp kunnen zien
krátkozraký
/bɛizɪn/
noun
1. een deel van een uiting dat een ondergeschikte rol speelt ten opzichte van de hoofdzin
vedlejší věta
noun
1. tweedelige zwemkleding voor de vrouw
bikiny
noun
1. elk van beide lichaamsdelen gevormd door de grote spieren die het bekken ...
  1. hýždě
  2. zadek
adjective
  1. bilabiální
  2. obouretný
adjective
1. aan twee kanten, in twee richtingen (buitenkanten)
  1. bilaterální
  2. oboustranný
  3. dvoustranný
adjective
1.
bilineární
noun
1. spel
kulečník
noun
1. een stuk van staatswege uitgegeven papier waaraan geldswaarde is toegekend
bankovka
cardinalNumeral
1. 1.000.000.000.000
bilión
noun
1. bepaald soort inheemse gifplant, Hyoscyamus niger
blín
noun
bimetal
adjective
binární
verb
1. vastmaken (evt. figuurlijk)
  1. vázat
  2. spojit
  3. spojovat
noun
vazba
noun
vazač
noun
1. en 2. (bladeren van) sla met een stevige rechte krop
římský salát
/ˈbɪntˌʋeːf.səl/
noun
1. weefselsoort dat dient ter ondersteuning en verbinding
pojivová tkáň
interjection
1. een uitroep gebruikt door spelers van bingo om aanspraak te maken op een overwinning
bingo
noun
1. kansspel
bingo
preposition
uvnitř
/ˈbɪnənˌbɑnt/
noun
1. binnenste band, de band waarin de lucht aanwezig is
duše
verb
1. ergens in gaan
vstoupit
noun
binnenoor
vnitřní ucho
adjective
1. met meest aan de binnenkant gelegen
nejvnitřnější
adjective
1. met betrekking tot het binomium (van [[w:Isaac Newton|Newton]])
binomický
noun
1. een wetenschapper die de biochemie beoefent
biochemik
/'bioˌxemi/
noun
1. de wetenschap die de chemische processen van het leven op moleculair niveau bestudeert
biochemie
adjective
1. met betrekking tot de chemische omzetting van stoffen in levende wezens
biochemický
/ˈbiodivɛrsiˌtɛɪt/
noun
1. soortenrijkdom, het aantal verschillende diersoorten
biologická diverzita
noun
1. levensbeschrijver
biograf
noun
  1. životopis
  2. biografie
adjective
biografický
/ˌbiʲoloˈɣi/, /ˌbiʲoloˈχi/
noun
1. wetenschap van de levende wezens, levensvormen en levensverschijnselen
biologie
/ˌbijo'loːɣis/
adjective
  1. 1. te maken hebbend met de biologie
  2. 2. van gelijke afstamming
  3. 3. van dier en plantvriendelijke landbouw en veeteeld
biologický
/ˌbioˈlox/, /ˌbioˈloχ/
noun
1. een wetenschapper die de biologie beoefent
biolog
noun
biomasa
noun
1. wiskundige-statistische kant van de biologie
  1. biometrie
  2. biometrika
adjective
1. met betrekking tot het vaststellen van meetbare eigenschappen van levende wezens
biometrický
noun
bionika
noun
1. gebouw waarin mensen in stoelen naar een film geprojecteerd op een groot scherm kunnen kijken
kino
noun
biosféra
noun
1. een gebied met een uniform landschapstype waarin bepaalde organismen kunnen gedijen
biotop
adjective
1. waarin slechts twee toestanden of posities kunnen voorkomen
bipolární
/bis/
noun
1. verhoogde toon b
his
/ˈbɪzdɔm/
noun
1. kerkrechtelijk afgebakend gebied dat onder de bevoegdheid van een bisschop staat
biskupství
noun
bisexualita
/bisɛksye:l/
adjective
1. seksueel gericht op beide geslachten
  1. bisexuální
  2. bisexuál
pronoun
1. streek en provincie van Spanje rond de stad Bilbao
Bizkaia
noun
  1. bismut
  2. vizmut
  3. bizmut
/bɪsxɔp/
noun
1. een christelijke geestelijke die aan het hoofd staat van een bisdom
biskup
adjective
1. op het ambt van bisschop betrekking hebbend
biskupský
verb
1. een studiejaar overdoen na gezakt te zijn
opakovat
/bɪt/
abbreviation
1. in de informatica en de computertechnologie de kleinste eenheid van informatie
bit
adverb
1. een vaak als onaangenaam ervaren smaak, niet behorend tot zout, zuur of zoet
hořký
noun
1. bepaalde vissoort die voorkomt in schoon stilstaand of langzaam stromend water Rhodeus amarus
  1. horavka duhová
  2. horavka obecná
  3. horcice
  4. lopatka
  5. otravka
  6. tepka
noun
1. een viskeuze vloeistof die van nature voorkomt als de minst vluchtige fractie van ruwe aardolie
  1. bitumen
  2. živice
adjective
bizarní
noun
1. Noord-Amerikaans zoogdier, Bison bison
bizon
noun
1. hol orgaan dat gevuld is met een hoeveelheid gas en/of vloeistof
  1. močový mĕchýř
  2. močový měchýř
noun
1. een luchtzak die samengedrukt kan worden om een sterke luchtstroom te veroorzaken
měch
noun
1. een muziekinstrument waarvan de klank wordt voortgebracht door een luchtstroom
dechový nástroj
noun
  1. 1. plat, groen onderdeel van planten
  2. 2. vel papier
list
noun
1. een deegsoort die in rechthoekige plakken wordt gebruikt
listové těsto
noun
1. een schadelijk klein insect dat zich voedt met het sap van jonge plantenscheuten...
mšice
noun
  1. 1. hulpmiddel om bij te houden waar iemand is tijdens het lezen van een boek
  2. 2. bewaarde hyperlink
záložka
verb
1. geluid maken dat kenmerkend is voor een hond
štěkat
noun
1. een afgang veroorzaakt door eigen falen
blamáž
verb
1. het gedurende zeer korte tijd in kokend water gaar laten worden van voedingsmiddelen, zodat geur, smaak en uiterlijk optimaal behouden blijven
blanšírovat
/blɑŋk/
adjective
1. met lichte huidskleur
  1. bělošský
  2. bílý
noun
1. iemand met een van nature bleke (pigmentarme) huid
běloch
noun
1. bepaald soort zoetwatervis, Rutilus rutilus
  1. plotice obecná
  2. belice
  3. plotica obycajna
  4. radoun
  5. radounek
noun
1. een uiting die als belastering van de godheid gezien wordt
blasfemie
/ˈblatə(n)/
verb
het geluid van een schaap maken
bečet
/blʌʊ/
adjective
1. de kleur blauw hebbend
  1. modrý
  2. modř
/blʌʊ/
noun
1. primaire kleur die zich in het spectrum bevindt tussen cyaan en violet
  1. modř
  2. modrý
noun
1. bepaald soort visje van maximaal 11 cm dat van oorsprong uit Azië komt, Pseudorasbora parva
  1. hrouzkovec malý
  2. hrouzkovec sítkovaný
  3. parasbora malá
  4. strevlicka východní
noun
1. bepaald soort lijsterachtige, Luscinia svecica
slavík modráček
noun
1. Vaccinium corymbosum, een plant uit de heifamilie Ericaceae
brusnice chocholičnatá
noun
1. bepaald soort vaste plant, Vaccinium myrtillus
brusnice borůvka
noun
1. witte kraaiachtige met lavendelblauw verenkleed op de rug en kop Cyanocitta cristata
sojka chocholatá
noun
1. bepaalde soort roofvogel uit de familie van de arendachtigen, Circus cyaneus
moták pilich
noun
1. bepaald soort grote vogel, Ardea cinerea
volavka popelavá
noun
1. Balaenoptera musculus, een baleinwalvis, de grootste van alle walvisachtige
plejtvák obrovský
noun
1. bepaald soort vaste plant, Eryngium maritimum
máčka přímořská
/ˈblɑuɣrɛis/
adjective
šedomodrá
/ˈblɑuɣrun/
adjective
modrozelený
/ˈblʌʊəχ/, /ˈblʌːβ̞əx/
adjective
2. op blauw lijkend
modravý
adjective
modrofialová
noun
1. bepaald soort karperachtige riviervis Vimba vimba
  1. hustera
  2. nosal
  3. nosál
  4. padoustev
  5. paroustev
  6. podoustev nosatá
adjective
1. met blauwe ogen
modrooký
noun
kyselina kyanovodíková
/'bla.zə(n)/, /'ble.zə(n)/
verb
1. een luchtstroom veroorzaken
foukat
adjective
1. gering van kleur
bledý
adjective
světle hnědá
noun
1.
bledost
verb
1. witter of lichter doen worden
bělit
/blɛi̯/
adjective
radostný
verb
objevit
/blɛ.və(n)/
verb
  1. 1. niet veranderen
  2. 3. ergens vertoeven
zůstat
noun
  1. 2.1 cilindervormig luchtdicht afgesloten vaatje van dun metaal
    konzerva
  2. 1. metaal dat tot dunne bladen is uitgeslagen
    plech
    1. 3. manier van kijken, gezichtsuitdrukking
    2. 4. gerichte waarneming met de ogen
    3. 5. vermogen om te zien
    pohled
/blɪksəm/
noun
1. de lichtgevende stralen die uit de hemel barsten bij onweer
blesk
adjective
1. niet in staat te zien
slepý
noun
1. iemand die niet kan zien
slepý
/'blɪndɦɛɪt/
noun
1. een toestand waarin men niet in staat is te zien
slepota
noun
1. rood lichaamsvocht in aderen
krev
noun
chudokrevnost
noun
1. het gesloten systeem van hart en vaten waardoor bloed stroomt
krevní oběh
noun
krevní banka
noun
krvinka
noun
krevní tlak
verb
1. het vloeien van bloed
krvácet
noun
krevní skupina
noun
1. Brits hondenras met grote kop, lange hangende oren en een lange staart
bloodhound
noun
krvácení
noun
1. de vloeistof van het bloed waar geen bloedlichaampjes meer in zitten maar nog wel stollingseiwitten
krevní plazma
noun
1. onderzoek van bloed met name naar de aanwezigheid van alcohol of drugs
krevní zkouška
noun
krevní sérum
noun
krevní oběh
noun
krevní cukr
noun
krevní transfúze
noun
1. bloeduitstorting in de huid
hematom
noun
1. een bloedader
  1. céva
  2. krevní céva
/'blutʋɔrst/
noun
1. vleeswaar vervaardigd van het bloed en het vet van een varken
jelito
noun
krevní msta
noun
1. een worm die bloed zuigt uit mens en dier
pijavka
verb
1. het dragen van open, actieve bloeiwijzen
kvést
noun
1. een deel van plant met zaden
  1. květ
  2. květina
noun
  1. 1. bloemenverkoper
  2. 2. bloemenkweker
květinář
noun
1. een kool met vlezige bleekgele bloemstengels die als groente gegeten wordt
  1. květák
  2. karfiol
noun
antologie
noun
1. pot waarin men een plant kweekt
květináč
noun
1. kledingstuk
blůza
/blusəm/
verb
1. het bloemengeheel van een vruchtboom
květ
noun
  1. blog
  2. weblog
noun
1.
blogger
noun
blogerka
noun
  1. 1. een vaak hoekig massief stuk materiaal
  2. 3. een onderdeel van een fluit
blok
noun
1. een eenvoudig houten blaasinstrument
zobcová flétna
noun
blokáda
noun
1. een werktuig om hout glad, vlak of dunner te maken
hoblík
/blɔnd/, /blɔnt/
adjective
1.
blonf
verb
1.in aanraking doen komen met
exponovat
noun
1. het ongewapend, onbeschermd in contact komen met een gevaar
expozice
noun
1. kledingstuk
košile
verb
rood worden in het gezicht, bijvoorbeeld van verlegenheid of schaamte
začervenat se
noun
  1. 1. een melancholieke muziekstijl
  2. 2. een droeve stemming
blues
/blɵt/
adjective
1. geen geld meer hebbend
na mizině
noun
1. zeer grote wurgslang
hroznýš
noun
2. een brede baai aan de kustlijn
  1. záliv
  2. zátoka
pronoun
1.
Bochum
noun
tendr
adjective
bezedný
interjection
baf
pronoun
1. de hoofdstad van Hongarije
Budapešť
pronoun
Buddha
noun
1. volger van de leer van Boeddha
buddhista
noun
1. de voorkant van een schip
příď
noun
1. een beeld dat ter versiering aangebracht werd op de voorsteven van een schip
galionová figura
noun
1. uitstekend rondhout aan de voorsteven van een zeilschip
čelen
noun
1. een drijvend en verankerd voorwerp om de vaargeul in ondiepe wateren aan te geven
bóje
noun
1. een ingebonden bundel bedrukte of beschreven vellen papier
kniha
noun
bukanýr
pronoun
1. de hoofdstad van Roemenië
Bukurešť
noun
knihař
/ˈbuɡdel/
noun
1. drukwerk dat zoveel bladzijden heeft dat het in aparte band kan worden gebonden, maar waarvan de inhoud onderdeel is van een groter werk
svazek
/ˈbukən/
verb
1. reserveren van bijvoorbeeld een hotelkamer
  1. rezervovat
  2. zarezervovat
/ˈbu.kə.ˌkɑs/, /ˈbu.kə.ˌkɑst/
noun
1. een kast voor de opslag en het laten zien van boeken
knihovna
noun
1. hulpmiddel om bij te houden waar iemand is tijdens het lezen van een boek
záložka
noun
1. boekwinkel
knihkupectví
noun
1. iemand die de inkomsten en uitgaven van een organisatie bijhoudt
účetní
noun
kniha
noun
1. en 2. (gepelde zaden van) plant Fagopyrum esculentum
pohanka
noun
fijn gemalen zaden van boekweit
pohanková mouka
/ˈbuk.wɪŋ.kəl/, /ˈbuk.ʋɪŋ.kɔɫ/, /ˈbuk.β̞ɪŋ.kəɫ/
noun
1. een winkel waar boeken verkocht worden
knihkupectví
/bumɑn/
noun
1. een denkbeeldig wezen dat als schrikbeeld dient
klekánice
noun
1. een gebogen werpstok die de neiging heeft terug te keren naar de werper
bumerang
/buːr/
noun
1. landbouwer
  1. farmář
  2. zemědělec
noun
1. een woning met bedrijfsruimte van een boer
statek
/buːrən/
verb
3. een boer laten
říhnout
/burə'kol/
noun
1. en 2. (gekrulde bladeren van) bladgewas (kool)
kapusta kadeřavá
noun
1. de klasse van de boeren
rolnictvo
noun
1. bepaald soort samengesteldbloemige plant Tanacetum vulgare
vratič obecný
/ˈburə(n)ˈzwalyw/
noun
1. een kleine trek- en zangvogel
vlaštovka obecná
noun
1. het gehele lichaam, inclusief gezicht en ogen, verhullend gewaad gedragen door (streng) islamitische vrouwen
burka
verb
1. straf ondergaan
odpykat si
noun
butik
noun
1.
poprsí
/bɔf/
noun
2. ziekte
příušnice
pronoun
1. historische landstreek in de Tsjechische Republiek
Čechy
noun
1. scheikundig element met symbool Bh en atoomnummer 107
bohrium
noun
1. mannelijke geit
kozel
/ˈbɔkə(n)/
verb
2. (van paarden) de achterhand in de lucht gooien
vyhazovat
noun
1. een tactische vechtsport
box
noun
1. handschoen gedragen tijdens het boksen
boxerská rukavice
noun
1. een driedimensionaal rond lichaam zie sfeer
koule
noun
1. een helder oplichtend bolvormig object met een diameter van maximaal 40 centimeter, dat soms waargenomen wordt in de buurt van een blikseminslag en dan gedurende meerdere seconden zichtbaar is
kulový blesk
noun
1. Agrostemma githago
koukol
noun
1. hoed
buřinka
/boˈlivi.ja/
pronoun
1. een republiek in Zuid-Amerika die grenst aan Peru, Brazilië, Paraguay, Argentinië en Chili
Bolívie
pronoun
1. een stad in Italië
Bologna
noun
1. lid van een factie van de marxistische Russische Sociaaldemocratische Arbeiderspartij (RSDAP) die zich ...
bolševik
noun
bolševismus
/bɔm/
noun
1. vernietigingstuig dat gevuld is met explosieven
bomba
noun
1. beschieting met bommen, het werpen van bommen
bombardování
verb
1. bommen of andere projectielen afvuren op iets of iemand
bombardovat
noun
1. een militair vliegtuig dat is ontworpen voor het werpen van bommen op gronddoelen
bombardér
pronoun
1. eiland in het zuidelijke gedeelte van de Caraïbische Zee
Bonaire
pronoun
1.
spolkový sněm
noun
saturejka
/bɔnt/
adjective
1. met veel verschillende felle kleuren
barvitý
/bɔnt/
noun
srst
noun
1. bepaalde vogelsoort uit de familie van plevieren, Charadrius hiaticula
kulík písečný
noun
kožich
noun
1. overgebracht bericht
zpráva
noun
  1. 1. wapen
    1. luk
    2. oblouk
    1. 2. cirkelboog
    2. 3. deel van bouwwerk
    oblouk
noun
1. een sport waarbij pijlen worden weggeschoten naar een doel met behulp van een boog
lukostřelba
pronoun
2. teken van de dierenriem van 22 november tot 22 december
Střelec
noun
1. iemand die schiet met een boog
  1. lukostřelec
  2. lučištník
noun
1. meerjarige plant met houten stam
strom
noun
1. een stuk grond met vruchtbomen
sad
/ˈbom.ɣrɛns/, /ˈbom.χrɛns/
noun
1. een grens waarboven geen bomen meer groeien
hranice lesa
noun
1. Bombus hypnorum, vrij grote soort hommel
čmelák rokytový
noun
1. Hyla arborea, klein kikkertje dat zich in bomen en heesters kan begeven
rosnička
noun
1. bepaald soort vogeltje, Sitta europaea
brhlík
/ˈbom.leː.β̞əˌrɪk/, /ˈbom.lɪː.β̞əˌrɪk/
noun
1. een vogelsoort die inheems is in Nederland en België
škovránok stromový
/ˈbom.mɑr.tər/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Martes martes
kuna lesní
/ˈbom.pi.pər/
noun
1. een vogelsoort die inheems is vrijwel geheel europa
linduška lesní
noun
1. een rechtop gaande houten schacht van een boom
kmen
noun
1. kleine sierlijke valk, familie van de torenvalk, Falco subbuteo
ostříž lesní
noun
1. zaadje uit de peulvrucht van enige vlinderbloemige planten,...
  1. fazole
  2. bob
noun
  1. A. rond zijn as ronddraaiend werktuig om gaten mee te maken
    vrták
  2. B. chemisch element en een zwart metalloïde
    1. bor
    2. bór
/ˈbormɑˌʃinə/
noun
1. machine om te boren
vrtačka
/boʊt/, /boːt/
noun
1. klein vaartuig
člun
noun
1. een rang gelijk aan sergeant bij de marine en de hoogste onderofficier bij de koopvaardij
bocman
noun
1. zout van boorzuur met de chemische formule BO₃3−
boritan
/bɔRd/, /bɔrt/
noun
  1. 2. Vlak voorwerp aan een muur
    tabule
  2. [1] Schijfvormig voorwerp
    talíř
adjective
burgundská fialová
/bɔrdoˈrot/
adjective
bordó
noun
desková hra
verb
1. met naald en draad versieringen aanbrengen op een stuk weefsel
vyšívat
verb
1. met een werktuig dat om zijn as draait een gat in iets maken
vrtat
noun
1. iemand die garant staat voor een eventueel te betalen bedrag
garant
noun
1. overeenkomst waarbij een borg zich garant stelt
ručení
noun
1. een chemisch element en een zwart metalloïde
  1. bor
  2. bór
pronoun
Borneo
noun
1. drankje
kořalka
noun
2. elk van de twee vooruitstekende klieren bij vrouwen waaruit zich de moedermelk afscheidt
  1. prs
  2. ňadro
noun
plat been waaraan de ribben aan de voorzijde vastgehecht zijn
hrudní kost
noun
1. schoonmaakgereedschap met bos haren
kartáč
noun
1. geraamte van de borst
hrudník
noun
kojení
noun
1. een groep bomen
les
noun
sasanka hajní
noun
1. Calopteryx virgo, een bepaald soort van de beekjuffers.
motýlice obecná
noun
  1. 1. en 3. plant, en bessen, uit geslacht Vaccinium
    borůvka
  2. 2. plant Vaccinium myrtillus
    brusnice borůvka
/ˈbɔsbɑuw/
noun
1. het systematisch bosbeheer (teelt en verzorging van bossen) voor de productie van hout
lesnictví
/ˈbɔsnis/, /ˈbɔsnɪs/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Bosnië
bosenština
/ˈbɔsni.jə ɛn ˌhɛrtsəɣoˈviːna/, /ˈbɔsni.jə ɛn ˌɦɛrtsəɣoˈvina/, /ˈbɔsni.jə ɛn ˌɦɛrtsəχo(ʊ̯)ˈvina/
pronoun
1. republiek in het zuidoosten van Europa die ontstaan is bij het uiteenvallen van het voormalige Joegoslavië
Bosna a Hercegovina
/ˈbɔsni.jər/
noun
1. een inwoner van Bosnië en Herzegovina
Bosňan
noun
1.
boson
pronoun
1. zeestraat tussen de Zee van Marmara en de Zwarte Zee
Bospor
noun
rákosník zpěvný
noun
bossa nova
noun
1. jonge, onvolgroeide geboste ui met blad
jarní cibulka
noun
1. bepaald soort vogel, Strix aluco
puštík
noun
1. een beheerder van een boswachterij
lesník
noun
1. bepaald soort loofboom Salix caprea
vrba jíva
adjective
1. stomp
tupý
noun
3. onderdeel van het skelet
kost
noun
botanik
adjective
botanický
/ ˈbɔtbrøk /
noun
1. een onderbreking van een bot
zlomenina kosti
/ˈbotər/
noun
1. zuivelproduct
máslo
noun
1. een aantal planten uit het geslacht Ranunculus behorende tot de familie Ranunculaceae
pryskyřník
noun
  1. 1. een snee brood
  2. 2. een belegde snee brood
krajíc
noun
1. een bakje om boter in te bewaren
máslenka
noun
1. CH₃(CH₂)₂COOH
kyselina máselná
pronoun
1.
Botnický záliv
/ˈbɔt.sə(n)/
verb
  1. 1. met een flinke snelheid tegen elkaar aankomen
    srazit
  2. 2. in een conflict of ruzie geraken
    srazit se
/ˈbɔt.sɪŋ/
noun
1. het botsen
srážka
/bɔ.ˈts<sup>ʊ</sup>a.na/, /bɔts.ˈʋa.na/, /bɔts.ˈβ̞a.na/
pronoun
1. een land dat geheel door land is omgeven in het zuiden van Afrika met ruim 1,5 miljoen inwoners, grenzend aan Namibië, Zimbabwe en Zuid-Afrika
Botswana
noun
1. het onderdeel van een verbrandingsmotor dat door een vonk het mengsel van brandstofdamp en lucht in de cilinder tot ontploffing brengt
svíčka
noun
1. een aftreksel van magere vleesresten, beenderen of vis
vývar
noun
psychologische toestand waarin een persoon terugkerende eetbuien heeft
bulimie
noun
buket
adjective
1. op Bourgondië betrekking hebbend
burgundský
pronoun
1. een van de 26 regio's van Frankrijk
Burgundsko
noun
2. stuk vlees, meestal een poot
kýta
/ˈbɑu̯ə(n)/
verb
1. een constructie oprichten door het samenvoegen van onderdelen
  1. stavět
  2. budovat
noun
stavební dělník
noun
stavební povolení
/ˈboː.vən/
preposition
1. op een plaats hoger gelegen dan
nahoře
noun
1. het bovenste gedeelte van de arm tussen de schouder en de elleboog
nadloktí
/bovənˈdin/
adverb
1. op de koop toe, daarenboven
mimoto
adjective
1. behorende tot een orde van dingen die buiten het menselijke ligt
nadpřirozený
noun
1. een sport waarbij de speler door middel van een bowlingbal moet proberen om alle tien de pins omver te gooien
bowling
noun
2. bepaalde hondenras
boxer
verb
1. iemand uitsluiten, niet meer willen werken voor, leveren aan of kopen bij
bojkotovat
noun
1.
úhor
noun
1.
dávicí prostředek
noun
1. struik & 2. vrucht
ostružiník
verb
1. slecht en onduidelijk praten met name van baby's
brblat
verb
1. vlees bereiden door het in vet te verhitten
péct
/ˈbrɑnd/, /ˈbrɑnt/
noun
1. verbranding met vuur
požár
verb
1. verteerd worden door vuur
vypálit
pronoun
1. een deelstaat in het oosten van Duitsland
Braniborsko
noun
1. een soort sterke drank
brandy
noun
1. bepaald soort gans, Branta leucopsis
berneška bělolící
noun
1. hout dat gebruikt wordt om te verbranden
dříví
/ˈbrɑntkran/
noun
1. aansluitpunt voor een brandslang aan het waterleidingnet
hydrant
noun
2-3. een harige plant die bij aanraking een brandend gevoel en zwelling veroorzaakt
kopřiva
noun
  1. ohnisko
  2. fokus
noun
1. iemand die expres brand veroorzaakt
žhář
noun
  1. žhařství
  2. žhářství
noun
1. stof waaruit door middel van verbranding of een ander chemisch proces energie wordt gewonnen
palivo
noun
hasičský sbor
noun
hasičská stanice
noun
1. lid van de brandweer
  1. hasič
  2. požárník
noun
1. bepaalde karperachtige vissoort Abramis brama
cejn velký
/braˈzili.jə/
pronoun
1. een soevereine staat in Zuid-Amerika (officieel de Federale Repuliek van Brazilië, 'República Federativa do Brasil'), met als officiële taal het Portugees
Brazílie
adjective
široký
adjective
1. breed van borst en schouders, breedgebouwd
ramenatý
noun
1. afmeting loodrecht op de hoogte of de lengte
šířka
noun
1. cirkel van gelijke geografische breedten
šířka
noun
1. stevige metalen stang, meestal voorzien van een gespleten einde, de koevoet, gebruikt om zaken open te breken.
páčidlo
/ˈbrɛ.jə(n)/
verb
1. een weefsel vervaardigen uit een gesponnen draad met behulp twee of meer pennen
plést
/brɛi̯n/
noun
1. orgaan
mozek
/ˈbrɛɪ̯nald/, /ˈbrɛɪ̯naɫt/, /ˈbrɛːnalt/
noun
1. een naald die gebruikt kan worden bij het breien
jehlice
verb
  1. 1. in stukken uiteenvallen
  2. 5. in stukken uiteen doen vallen
zlomit
noun
index lomu
pronoun
Brémy
adjective
banánová žlutá
/ˈbrɛŋ.ə(n)/
verb
1. ergens heen gaan om iets of iemand daar af te geven
přinést
pronoun
1. een schiereiland in het noordwesten van Frankrijk
  1. Bretaň
  2. Bretagne
noun
1. broekophouder
šle
pronoun
1. een Keltische taal die wordt gesproken in Bretagne
  1. bretonština
  2. bretonsky
noun
1. de uitkomst (quotiënt) van een deling van twee of meer gehele getallen
zlomek
noun
breviář
noun
1. mogelijk vertrek van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie
brexit
noun
  1. 1. een spel gespeeld door vier spelers, verdeeld in twee paren en gespeeld in dertien slagen
  2. 2. de kam van een elektrische gitaar
bridž
noun
1. verzonden geschreven boodschap
dopis
noun
1. een korte brief in de vorm van een kaart
pohlednice
/bris/
noun
1. zachte frisse wind
vánek
noun
poštovní schránka
noun
brigantina
noun
1. een optisch instrument dat gebruikt wordt om de scherpte van het zicht te verbeteren
brýle
/ˈbrɪl.beːr/, /ˈbrɪɫ.beːr/, /ˈbrɪɫ.bɪːr/
noun
1. een beer met grote cirkels rond de ogen, als een bril
medvěd brýlatý
noun
1. Bucephala clangula, een vogel uit de familie Anatidae
hohol severní
adjective
zářivá červená
noun
Brit
/brɪts/
adjective
1. gerelateerd aan Groot-Brittannië
britský
pronoun
Britské Panenské ostrovy
pronoun
Británie
/ˈbrɔkɔlɪ/
noun
1. groente
brokolice
noun
brožura
/brudər/
noun
1. een broer
bratr
adjective
bratrský
noun
1. moord van de ene broer op een andere broer, ook figuurlijk gebruikt
bratrovražda
noun
  1. 1. kerkelijk goedgekeurde vereniging
  2. 1. vriendschappelijke betrekking als tussen broers
bratrství
noun
1. bouwsel met glazen wanden voor het opkweken van gewassen
skleník
noun
skleníkový efekt
noun
skleníkové plyn
noun
1. kledingstuk dat het onderlichaam en beide benen, elk met een afzonderlijke pijp omhult
kalhoty
/bruːr/
noun
1. een mannelijk kind van dezelfde ouders
bratr
noun
1. zijdeweefsel met ingeweven, meestal grote figuren, vaak met goud- of zilverdraad doorweven
brokát
noun
bromid
noun
1. wetenschappelijke naam voor het scheikundig element Broom
  1. brom
  2. bróm
noun
  1. 2. begin van een waterloop
    1. pramen
    2. zdroj
  2. 1. daar waar men informatie vandaan haalt
    1. zdroj
    2. pramen
adjective
1. met betrekking tot de luchtpijp-takken
bronchiální
noun
1. ontsteking van de luchtpijptak
bronchitida
noun
1. een meest door inhaleren ingenomen medicament dat vernauwing in de luchtwegen bestrijdt
bronchodilatancium
noun
bronz
noun
paartijd
říje
noun
1. water dat uit de grond is gehaald, gebruikt als drinkwater of geneeskrachtig water
pramenitá voda
adjective
1.van brons gemaakt
bronzový
/broːt/
noun
1. een meelproduct dat gemaakt wordt door meeldeeg te bakken, te koken of te stomen
  1. chléb
  2. chleba
noun
2. klein brood, vaak versierd, belegd of in een speciale vorm, voor één persoon
rohlík
noun
strouhanka
noun
topinkovač
noun
  1. brom
  2. bróm
adjective
1. niet stevig
  1. křehký
  2. křehká
  3. křehké
verb
1. (bier) brouwen
vařit
/brɔuə'rɛi/
noun
1. een bedrijf dat zich toelegt op het brouwen van bier
pivovar
/brʏx/, /brʏχ/
noun
kunstmatige weg over een diepte
most
pronoun
1. een Vlaamse provinciehoofdstad
Bruggy
noun
předmostí
/brœy̯t/
noun
1. vrouw in tijd van de huwelijksplechtigheden
nevěsta
noun
1. man die in het huwelijk treedt
ženich
noun
1. een gift die een meisje van haar ouders meekrijgt als ze in het huwelijk treedt
věno
noun
1. kosteloze lening voor tijdelijk gebruik onder voorwaarde van teruggave
výpůjčka
noun
1. huwelijks-, trouwfeest
svatba
adjective
1. een kleur zoals die van walnoten, chocola of koffie hebbend
hnědý
noun
1. kleur zoals die van koffie of chocola
  1. hnědá
  2. hnědý
adjective
hnědobéžová
/ˌbrœʏnəˈbeːr/
noun
1. Ursus arctos, een beer die in Europa, Azië en Amerika voorkomt.
medvěd hnědý
noun
1. hemellichaam met een massa tussen die van een gasreus en een ster, onvoldoende voor kernfusie tussen protonen
hnědý trpaslík
noun
1. bepaalde soort zoetwatervis Ameiurus nebulosus
sumecek americký
noun
1. bepaald soort roofvogel, Circus aeruginosus
moták pochop
noun
1.
šídlatka hnědá
/ˈbrœyŋɣrɛis/
adjective
hnědošedá
adjective
hnědozelená
adjective
1. met bruine haren.
hnědovlasý
noun
1. lid van de SA in Nazi-Duitsland
hnědá košile
noun
hnědé uhlí
adjective
1. brood van tarwemeel dat nog zemelen bevat
červenohnědá
/ˈbrœy̯nvɪs/
noun
1. familie Phocoenidae van kleine rondsnuitige tandwalvissen
sviňucha
verb
1. het overvloedig vormen van gasbelletjes in een vloeistof
bublat
noun
Amerikaanse apen die een brullend lawaai kunnen produceren
vřešťan
/bry.ˈnɛɪ̯/, /bry.ˈnɛː/
pronoun
2. een land op op het eiland Borneo, in Zuidoost-Azië. Het ligt aan de Zuid-Chinese Zee, en wordt verder geheel omringd door Maleisië
Brunej
/ˈbrunɛɪs/
adjective
1. met betrekking tot of afkomstig van Brunei.
brunejský
noun
1. een vrouw met (donker)bruin (of zwart) haar en soms ook met een donkere gelaatstint
bruneta
pronoun
Braunschweig
/brʏs/
noun
1. een ander kind van dezelfde ouders (zonder de connotatie met zorg)
sourozenec
pronoun
1. de hoofdstad van België
Brusel
adjective
bruselský
adjective
  1. 3. vrijpostig
    drzý
  2. 2.
    nestydatý
noun
hrubý domácí produkt
adjective
bryskní
noun
1. de afkorting voor belasting over de toegevoegde waarde
DPH
/'bɵfəl/
noun
1. verzamelnaam voor een aantal zware rundersoorten met vaak forse hoorns
buvol
noun
3. tijdelijk geheugen in rekenmachines...
buffer
/ˈby.χəɫ/, /ˈbyː.ɣəl/
noun
1. een koperen blaaasinstrument.
křídlovka
noun
1. zoogdier dat het jong in een buidel draagt
vačnatec
/bœʏ̯χə(n)/, /bœːɣə(n)/
verb
  1. 2. krom worden
  2. 3. een buiging maken, zich buigen
  3. 4. aandacht besteden aan iets
  4. 1. krom maken
ohnout
noun
1. nijging als beleefde groet
poklona
adjective
ohebný
/bœʏ̯k/, /bœːk/
noun
1. het onderste deel van de voorkant van de romp van mens of dier dat van boven door het middenrif en van onderen door de bekkengordel begrenst is
břicho
noun
břišní tanec
noun
břichomluvec
noun
1. grote zeef voor het zeven van meel
síto na mouku
noun
1. de meest voorkomende vorm van pest en wordt veroorzaakt door de
bubonický mor
noun
1. een hol, cilindrisch voorwerp
  1. roura
  2. trubka
/ˈbœʏ̯tə(n)/, /ˈbœːtə(n)/
adverb
venku
adjective
1. niet binnen het raamwerk van het huwelijk
mimomanželský
noun
1. ieder land buiten het eigene
zahraničí
/ˈbœytə(n)lɑndər/
noun
1. iemand die in het buitenland woont, of iemand afkomstig uit het buitenland
cizinec
adjective
1. op het buitenland betrekking hebbend
cizí
noun
1.
ofsajd
verb
  1. 1. een buis in de school geven
  2. 2. een buis in de school krijgen
nechat
noun
1. bepaald soort middelgrote roofvogel, Buteo buteo
  1. káně lesní
  2. káně
/ˈbɵkən/
verb
1. het lichaam geheel vooroverbuigen om bij iets lagers te komen
  1. sehnout se
  2. sklonit se
/bʏl/
noun
1. mannelijk rund en het mannetje van sommige andere zoogdieren en zeezoogdieren
býk
noun
1. een stevig gebouwde hond met een grote kop en afhangende liphoeken...
buldok
/bɵɫˈγ̊aːrs/
adjective
1. met betrekking tot Bulgarije of de Bulgaarse taal
bulharský
/bɵɫˈγ̊aːrs/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Bulgarije
  1. bulharština
  2. bulharský
noun
Bulharka
pronoun
1. een land in Zuidoost-Europa
Bulharsko
noun
1. gestoomde, daarna gedroogde en vervolgens grof gemalen of gebroken tarwekorrels, meestal durumtarwe
bulgur
noun
1. zware van rupsbanden voorziene machine om terreinen te egaliseren
buldozer
noun
boule
/ˈbʏltrʏx/
noun
1. benaming voor een van de grotere baardwalvissen met lange borstvinnen
keporkak
noun
1. stootstang
nárazník
noun
1. zijdelings bijeengehouden verzameling langwerpige voorwerpen
svazek
noun
1. woning of vakantiehuis zonder bovenverdieping
bungalov
noun
1. zwaar versterkte verdedigingsstelling
bunkr
noun
1. gasbrander met regelbare luchttoevoer die men gebruikt in een laboratorium
Bunsenův kahan
noun
1. bepaald soort zoogdier, Mustela putorius
tchoř
noun
1. kasteel
hrad
noun
  1. 2. een (politie)kantoor
    kancelář
  2. 1. een werkmeubel voor administratief- en studiewerk
    psací stůl
noun
byrokracie
adjective
byrokratický
noun
1. een stoel die ontworpen is om in een kantooromgeving gebruikt te worden
ergonomická židle
noun
1.
byreta
noun
1. hoofd van het gemeentebestuur
  1. starosta
  2. starostka
noun
starostka
pronoun
1. deelstaat van Oostenrijk
Burgenlandsko
noun
1. inwoner van een stad of staat die bepaalde wettelijke rechten en plichten heeft
občan
/ˈbʏrɣərlək/
adjective
1. tot de burgers behorend, tot de middenstand behorend
buržoazní
noun
1.
občanská společnost
noun
1. een gewapende strijd tussen twee of meer bevolkingsgroepen binnen hetzelfde land, waarbij soms ook het leger betrokken is
občanská válka
noun
1. een recht dat men geniet als staatsburger van een land
občanská práva
noun
občanství
noun
1. edelman
vikomt
/bur.ˌki.na.ˈfa.so/, /bur.ˌki.na.ˈfɑ.so/
pronoun
1. een republiek in West-Afrika voorheen Opper-Volta genaamd.
Burkina Faso
verb
1.
troubit
adjective
1. op Burundi betrekking hebbend
burundský
/bu.ˈrun.di/
pronoun
1. een land in Afrika dat grenst aan Democratische Republiek Congo, Rwanda en Tanzania
Burundi
/bɵs/
noun
1. vervoermiddel op de weg voor een aanzienlijk aantal passagiers
autobus
/ˈbʏshɑltə/, /ˈbʏshɑɫtə/
noun
1. een plek waar een bus stopt
autobusová zastávka
noun
1. een ontplofbaar mengsel van fijngepoederde kool, zwavel en salpeter
střelný prach
noun
1.
autobusové nádraží
noun
  1. 1. boezem
  2. 2. borstbeeld
busta
noun
1. kledingstuk voor vrouwen.
podprsenka
noun
1. C₄H10
butan
noun
buten
noun
1. een man naast wie men woont
soused
noun
1. een (deel van een) wijk
čtvrť
noun
1. vrouw woonachtig in het belendende huis
sousedka
/bɑjt/
noun
1. het kleinste adresseerbare gedeelte van een computergeheugen
  1. bajt
  2. byte
noun
Byzantinec
adjective
byzantský
noun
beta
/ˈbɛːtaˌdeltʲə/
noun
částice beta
pronoun
1. en 2.
Böblingen
/ˌkɑbɑˈrɛ(t)/
noun
1. een kleinkunst, vermaak met toneel, zang, dans, en voordracht
kabaret
/kakaˈoː/, /kaˈkɑu/
noun
1. product verkregen uit de bonen van de cacaoboom dat onder andere wordt gebruikt...
kakao
noun
1. een poederachtige substantie die wordt verkregen door het uitpersen van de cacaomassa van cacaobonen
kakaový prášek
noun
  1. cache
  2. keš
  3. mezipaměť
noun
1. een vetplant met stekels
kaktus
/kaˈdoː/
noun
1. iets dat men aan iemand geeft, meestal ter gelegenheid van een speciale gebeurtenis
dárek
noun
1. als geschenk gegeven bon, die recht geeft op aankoop tot het bedrag dat op de bon vermeld wordt
dárková karta
noun
1. scheikundig element met symbool Cd en atoomnummer 48
kadmium
noun
1. een eenvoudige eetgelegenheid, waar men een snelle hap kan nuttigen
jídelna
noun
1. een alkaloïde met structuurformule C₈H10N₄O₂ die van nature wordt aangetroffen in koffiebonen en theebladeren
kofein
noun
1. een uitgaansgelegenheid waar men dranken kan nuttigen
kavárna
noun
kesonová nemoc
pronoun
Calábrie
noun
1. scheikundig element met symbool Ca en atoomnummer 20
  1. vápník
  2. kalcium
noun
uhličitan vápenatý
noun
1. fijn katoenen weefsel
kaliko
adjective
kalifornský
noun
1. een scheikundig element en vermoedelijk een grijs of zilverkleurig actinide met het symbool Cf en het atoomnummer 98
  1. kalifornium
  2. californium
pronoun
1. een van de vijftig deelstaten van de Verenigde Staten. De staat grenst aan de Pacifische Oceaan en aan de Mexicaanse deelstaat Baja California, alsmede aan de Amerikaanse deelstaten Nevada, Oregon en Arizona.
Kalifornie
pronoun
  1. 1. nimf uit de Griekse mythologie
  2. 2. een van de vier grote manen van Jupiter
Callisto
noun
1. een eenheid van warmte, gelijk aan de warmte benodigd om een gram water een graad C in temperatuur te doen stijgen
kalorie
noun
1. gereformeerde substroming binnen het Christendom waarin o.a. het voorbestemd zijn centraal staat
kalvinismus
/kɑm.ˈbɔ.dja/, /kɑm.ˈbɔ.tʃa/
pronoun
1. een land in Zuidoost-Azië dat in het noorden grenst aan Laos, in het noordwesten en westen aan Thailand en in het oosten en zuidoosten aan Vietnam
Kambodža
pronoun
Cambridge
/ˈkɑmbrijʏm/
noun
kambrium
noun
1.
kameraman
noun
kamufláž
/kɑmuflerən/
verb
1. een voorwerp onopvallend maken
kamuflovat
/ˈkɑmpɪŋ/, /ˈkɛmpɪŋ/
noun
1. een terrein met voorzieningen om te kamperen
kemp
/ˈkɑmpʏs/
noun
1. universiteitsterrein
areál
/ˈka.na.da/, /ˈkɑ.nɑ.da/
pronoun
1. een soevereine staat in de noordelijke helft van Noord-Amerika
Kanada
noun
1.
turanka kanadská
noun
1. bewust vervalst nieuwsbericht; valse hype
kachna
pronoun
Kanárské ostrovy
pronoun
1. de federale hoofdstad van Australië, gelegen in het Australisch Hoofdstedelijk Territorium
Canberra
noun
kandela
noun
1. schimmelziekte van huid en slijmvliezen
candidóza
/'ka.nɔn/
noun
1. de strengste vorm van een meerstemmige compositie, waarin de stemmen elkaar in de tijd verschoven imiteren
kánon
pronoun
1. een van de 17 autonome regio’s en provincie in het noorden van Spanje gelegen ten oosten van Asturië en ten westen van Baskenland met de hoofdstad Santander
Kantábrie
noun
kantáta
noun
plátno
adjective
1. rubber
kaučuk
noun
1. mogelijkheid om iets te bevatten
kapacita
/ˌka.pɪ.la.ri.ˈtɛɪ̯t/
noun
kapilára
noun
1. internationaalrechtelijke verklaring dat een partij de strijd tijdens een oorlog opgeeft
kapitulace
noun
kapodastr
/kapu'ɪ:ra/
noun
1. een dans- en vechtsport afkomstig uit Brazilië
capoeira
pronoun
Capri
adjective
modrá capri
noun
1. CH₃(CH₂)₈COOH
kyselina kaprinová
noun
1. CH₃(CH₂)₄COOH
kyselina kapronová
/ˌka.py.ˈʃɔ̃ː/, /ˌkɑ.py.ˈʃɔn/
noun
1. hoofdkap bevestigd aan een kledingstuk
kapuce
noun
1. bepaald soort zoogdier, Profelis caracal
karakal
/karákas/
pronoun
1. de hoofdstad van de Zuid-Amerikaanse staat Venezuela
Caracas
noun
1. kampeerwagen, woonwagen, aanhangwagen die kan dienen als woonst
obytný přívěs
noun
uhličitan
noun
1. een organische verbinding die de functionele groep -COOH bezit
karboxylová kyselina
/kɑrˈbon/
noun
karbon
noun
1. kankergezwel
karcinom
/ˈkɑrdɪɡən/
noun
1. vest met V-hals dat met knoopjes aan de voorkant wordt gesloten
kardigan
/kɑrdijolo'xi/
noun
1. een medisch specialisme dat zich bezighoudt met het opsporen, diagnosticeren en behandelen van hartziekten
kardiologie
adjective
1. met betrekking tot hartziekten
kardiologický
/kɑrdijo'lox/
noun
kardiolog
/ˌkɑr­.di­.jo­ˌmi­.jo­.pa­ˈti/
noun
1. hartspierziekte
kardiomyopatie
noun
1. volksfeest waarbij onder meer grote verkleedpartijen plaatsvinden,...
karneval
/kɑrniˈvor/
noun
1. een vleesetend dier
masožravec
noun
1. koetswerk van een voertuig
karoserie
pronoun
Kartágo
noun
1. de kunst en wetenschap van het vervaardigen van land-, zee- en/of luchtkaarten
kartografie
noun
ledvinovník západní
noun
1. een behuizing voor video- en audiobanden
kazeta
noun
kazeťák
pronoun
1. landstreek in Spanje
Kastilie
pronoun
Kastilie a León
pronoun
Kastilie-La Mancha
noun
1. ontmanning, het volledig verwijderen van de teelballen bij de man
kastrace
verb
1. een sterilisatie uitvoeren van een man of mannelijk dier door verwijdering van de zaadballen
  1. kastrovat
  2. klestit
noun
1. een naamval
pád
noun
1. onderaardse ruimte, onderaards gangenstelsel in het algemeen
katakomby
noun
1.
Katalánec
pronoun
1. een Romaanse taal die wordt gesproken in Catalonië, Valencia, Aragón, Balearen, Andorra, Frankrijk en Italië
  1. katalánština
  2. katalánsky
pronoun
1. een van de 17 autonome regio’s van Spanje, gelegen in het noordoosten van het Iberisch Schiereiland; de twee officiële talen zijn Catalaans en Spaans
Katalánsko
noun
1. grijze staar, een troebeling van de ooglens die het zien verstoort
katarakt
noun
1. de leer van een godsdienst in de vorm van vragen en antwoorden gebruikt in het godsdienstonderwijs...
katechismus
noun
1. onderdeel van een rangschikking, rang, groep.
kategorie
adjective
1. oorzakelijk
kauzální
noun
1. strijdmacht te paard
jezdectvo
noun
1. benaming voor knaagdieren uit het geslacht Cavia
morče
pronoun
Cayenne
noun
1. en 2. een peper, een scherp specerij
kajenský pepř
pronoun
1. de hoofdstad van Egypte
Káhira
/ˈsedər/
noun
1. benaming voor bomen uit het geslacht Cedrus
cedr
noun
1. pijn in het hoofd
  1. bolest hlavy
  2. cefalalgie
  3. cefalea
noun
  1. 4. een zeshoekige opslagplaats in een bijenraat
    buňka
  2. 3. de kleinste eenheid binnen een levend organisme waarin alle genetische informatie vervat zit
    1. buňka
    2. cela
    1. 1. een kleine ruimte waar iemand voor straf moet zitten (in een gevangenis)
    2. 2. een kleine ruimte (in een klooster)
    1. cela
    2. buňka
noun
1. slagwerkinstrument met een klavier
celesta
noun
1.
celestin
adjective
celibátní
/sɛlkɛrən/
noun
1.
jádro
noun
1. een viersnarig strijkinstrument dat tijdens het bespelen door de cellist tussen de knieën wordt gehouden
  1. violoncello
  2. cello
  3. violončelo
  4. čelo
/sɛ.ly.ˈlɛːr/
adjective
  1. buněčný
  2. celulární
/ˌsɛ.ly.ˈlo.zə/
noun
1. een polysacharide die door nagenoeg alle planten wordt gemaakt en die de plant stevigheid geeft
celulóza
/sɛlʋɑnd/
noun
1.
buněčná stěna
noun
1. een bouwmateriaal bestaande uit kalk, zand en grind
cement
noun
1. een fabriek waar cement geproduceerd wordt
cementárna
adjective
cementová šedá
noun
1. hoge ambtenaar in de Romeinse republiek
censor
verb
1. bewust informatie uit de media weghalen
cenzurovat
/sɛnˈsyr/
noun
1. de controle van de kant van de overheid op alles wat de media uitbrengen
cenzura
noun
cent
noun
1.
kentaur
noun
centigram
/'sɛntiˌmetər/
noun
1. een lengtemaat die gelijk is aan één honderdste van een meter
centimetr
adjective
1. in het midden gelegen
  1. centrální
  2. ústřední
/sɛn.ˌtral.a.fri.ˌkan.sə.re.py.ˈblik/, /sɛn.ˌtral.ɑ.fri.ˌkans.re.pʏ.ˈbliːk/, /sɛn.ˌtraɫ.a.fri.ˌkan.sə.re.py.ˈblik/
pronoun
1. een land in Midden-Afrika, officieel de Centraal-Afrikaanse Republiek, dat geheel door land wordt omsloten
Středoafrická republika
pronoun
Střední Asie
pronoun
1. Iraanse taal gesproken door 6 miljoen mensen in Irak en Iran
Kurdský
noun
1. een verwarmingssysteem, waarbij de warmte centraal wordt opgewekt
ústřední topení
verb
1. op één punt samenbrengen
centralizovat
noun
1. pomp die een vloeistof verpompt door het met een draaiend rad naar buiten te slingeren
odstředivé čerpadlo
noun
1. centrifugaalmachine
odstředivka
verb
1. met een centrifuge scheiden, zuiveren of drogen
odstředit
noun
1. middelpunt
centrum
adjective
1. met betrekking tot de grote hersenen
cerebrální
noun
1. een plechtige aangelegenheid
obřad
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Ceres
noun
cer
/ˌsɛrtifiˈkat/
noun
1. een schriftelijk bewijs
certifikát
adjective
1. met betrekking tot de hals en de nek
  1. krční
  2. cervikální
noun
  1. cesium
  2. cezium
pronoun
Ceuta
pronoun
Cejlon
noun
kaneel gemaakt van Cinnamomum verum
skořice-Cejlon
noun
1.
čakra
pronoun
Chaldea
/ʃɑmˈpɑɲə/
noun
1. een schuimwijn uit de champagnestreek in Frankrijk
šampaňské
noun
1. bepaald soort eetbare en speciaal gekweekte witte paddenstoel, Agaricus bisporus
žampión
/xɑnuˈka/
noun
1. feest van de herinwijding van de tempel
Chanuka
noun
Šanson
noun
1. mensen onder voor de buitenwereld onzichtbare bedreiging zaken tegen hun wil laten doen
vydírání
verb
1. onder bedreiging een schandaal te veroorzaken iemand geld afhandig maken
vydírat
noun
1. grote wanorde
  1. chaos
  2. chaotičnost
noun
1. deelgebied van de wiskunde en natuurwetenschappen dat zich bezighoudt met het gedrag van dynamische systemen zoals dat sterk door hun begintoestand wordt bepaald.
teorie chaosu
adjective
chaotický
/ˈʃar.la.tan/
noun
šarlatán
adjective
1. aangenaam in omgang
okouzlující
/sjarme/
noun
1. de eigenschappen van iemand waardoor die persoon aardig, leuk en vriendelijk wordt gevonden
půvab
/χɑsiˈdɪsmə/
noun
1.
chasidismus
/ˈtʃɑtə(n)/, /ˈtʃɛtə(n)/
verb
1. op synchrone wijze met elkaar korte tekstberichten uitwisselen
chatovat
/ʃaʊ̯.ˈføːr/, /ʃo.ˈføːr/, /ʃo.ˈfʏːr/
noun
1. de bestuurder van een motorvoertuig
řidič
noun
šovinismus
noun
šovinista
/χaˈzɑn/
noun
1.
chazan
noun
1. Acinonyx jubatus, een zeer snel Afrikaans katachtig roofdier
gepard
noun
1. een chemisch bindingsproces
chelatace
noun
chemikálie
noun
chemik
noun
1. wetenschap die zich bezig houdt met de kennis van de stoffen ...
chemie
adjective
1. dat wat tot de chemie behoort, volgens de chemie
chemický
noun
chemický prvek
noun
1. behandeling van kanker met medicijnen
chemoterapie
/ʃɛk/
noun
šek
/tʃɛ.ˈrɔ.ki/, /ˈtʃeː.ro.keː/
pronoun
1. inheemse taal gesproken door enkele duizenden mensen in Noord-Amerika
  1. čerokézsky
  2. čerokézština
  3. čerokízsky
  4. čerokízština
/ˈxerʏp/
noun
1.
  1. cherubín
  2. cherub
noun
chí
pronoun
Chicago
adjective
  1. chilský
  2. čilský
/ˈʃi.li/
pronoun
1. een land in Zuid-Amerika, grenzend aan Peru, Bolivia en Argentinië en ingeklemd liggend tussen de Stille Zuidzee en het Andesgebergte
Chile
/'ʃílipepər/
noun
1.
chilli paprička
noun
chiméra
/ˌʃɪm.pɑn.ˈse/
noun
1. Pan troglodytes, de meest aan de mens verwante mensaap, leeft in Centraal-Afrika
šimpanz
noun
chiméra
/ˈʃi.na/
pronoun
1. een land in Oost-Azië, officieel de Volksrepubliek China
  1. Čína
  2. Čínská lidová republika
noun
činčila
/ʃi.ˈnes/
adjective
  1. 2. idem als 1., behalve:
    čínský
  2. 1. betreffende China
    1. čínský
    2. čínština
/ʃi.ˈnes/
pronoun
  1. 2. persoon
    1. Číňan
    2. čínština
  2. 1. de voornaamste taal die in China gesproken wordt
    1. čínština
    2. čínsky
noun
(bladeren van) Brassica rapa subsp. pekinensis
pekingské zelí
noun
2. een klein stukje halfgeleiderkristal waarop geïntegreerde circuits zijn aangebracht
čip
/ʃi'rʏr(ə)x/
noun
1. specialist
chirurg
noun
1. de wetenschap van en de vaardigheid in het opereren
chirurgie
adjective
1. betrekking hebben op operatief
chirurgický
noun
  1. chlor
  2. chlór
noun
chlorid
noun
  1. chloroform
  2. trichlormetan
  3. trichlormethan
/ˌʃo.ko.ˈla/
noun
1. een lekkernij die gemaakt is van cacao, suiker en cacaoboter
čokoláda
/ˌʃo.ko.ˈla.də/, /ˌʃɔko.ˈla.də/
noun
1. een lekkernij die gemaakt is van cacao, suiker en cacaoboter
čokoláda
adjective
čokoládová hnědá
noun
sytič
/χoləra/
noun
1. een zeer besmettelijke infectieziekte die de darmen aantast
cholera
noun
1. vet dat in je lichaamscellen zit, zoals galvet, lichaamsvet
cholesterol
noun
1. muziekinstrumenten waarbij de toon wordt geproduceerd door een trillende snaar
chordofon
noun
choreograf
noun
choreografie
adjective
1. te maken hebbend met het christendom
křesťanský
/ˈkrɪs.tən/
noun
1. een belijder van de christelijke godsdienst
křesťan
/ˈkrɪ.stən.ˌdɔm/
noun
1. een religie gebaseerd op het evangelie en leven van Jezus zoals beschreven in het Nieuwe Testament
křesťanství
/ˈxrɪstʏs/
pronoun
Kristus
noun
  1. chrom
  2. chróm
/ˌɣro.mo.zo.ˈmal/, /ˌɣro.mo.zo.ˈmaɫ/, /ˌχro.mo.zo.ˈmaɫ/
adjective
1. met betrekking tot de chromosomen, de eiwitten die erfelijke informatie bevatten
chromozomový
/ˌχroʊmoʊˈsoʊm/
noun
1. staafachtig lichaampje
chromozóm
/ˈkronis/
adjective
1. voortdurend, aanhoudend
chronický
/xrono.lo'ɣiː/
noun
1. de wetenschap die zich bezig houdt met het rangschikken in de tijd van historische gebeurtenissen
chronologie
adjective
1. naar tijdstip gerangschikt
chronologický
noun
1. een uurwerk waarop zeer kleine tijdsdelen kunnen worden afgelezen
chronometr
noun
  1. chrom
  2. chróm
adjective
chromová zelená
noun
1.
chryzantéma
noun
1. groot, halfvleugelig insect, leeft in Zuid-Europa en in de tropen (Cicadidae)
cikáda
/ˌsikoˈrɛɪ/
noun
čekanka
noun
1. vruchtenwijn uit gegist appelsap of perensap
cider
noun
1. een enkelvoudig symbool om een telbaar aantal aan te duiden
  1. číslice
  2. cifra
noun
válec
adjective
1. zoals een cilinder, cilindervormig, buisvormig
  1. válcový
  2. cylindrický
noun
1. bepaald soort naaldboom, Cupressus sempervirens
cypřiš
noun
  1. 1. attractie
  2. 2. chaotische toestand
cirkus
/ˈsɪrkəɫ/
noun
  1. kruh
  2. kolo
verb
1. in cirkels ronddraaien of rondvliegen
kroužit
/ˈsɪrkəlzax/
noun
1. motorzaag met een rond zaagblad
kotoučová pila
noun
1.
strnad cvrčivý
noun
1.
cirhóza
adjective
1.
cisterciák
noun
1. monnik uit de Cisterciënzers
cisterciák
noun
1. aanhaling, ontleende passage
citát
noun
1. een snaarinstrument dat voornamelijk gebruikt wordt in het Duitstalige deel van Europa
citera
verb
1. eigen of andermans woorden ontlenen
citovat
noun
1. ovale, gele zure vrucht van de citroenboom
  1. citron
  2. citrón
adjective
citrónová žlutá
noun
1. en 2. schil van een citroen
citrónová kůra
noun
1. dagvlinder van de Pieridaefamilie
citronový
noun
kyselina citrónová
noun
1. Viverra, een geslacht van kleine slank gebouwde roofdieren dat ---
cibetka
adjective
civilní
noun
stavebnictví
noun
1. artistieke techniek
šerosvit
noun
klasifikace
/klʌʊˈsylə/
noun
1. een extra bepaling in een ambtelijke brief.
klauzule
noun
1.
klakson
noun
1. klimplant uit de ranonkel familie met veel bloemen
plamének
noun
1. de leiders van een kerkgenootschap
duchovenstvo
noun
1. gevoelig orgaan bovenaan de schaamspleet van de vrouw dat voor de seksuele opwinding zorgt
klitoris
noun
1. de gecombineerde darm- en urineuitgang bij bepaalde diersoorten
kloaka
/kloːn/, /klʌːun/
noun
  1. 1. komische artiest
  2. 2. bespottelijk iemand
klaun
/klɵp/
noun
  1. 1. besloten gemeenschap
  2. 3. golfstok
klub
noun
koenzym
/kowaˈli(t)si/
noun
1. verbond van twee of meer partijen, mogendheden of staten om een gemeenschappelijk doel te bereiken
koalice
noun
1. gevaarlijke gifslang
cobra
noun
1.
kokainovník pravý
noun
1. een drug die bereid wordt uit de bladeren van de coca die euforie en ongevoeligheid voor pijn veroorzaakt en leidt tot verslaving
kokain
noun
1. drankje bestaande uit gemixte alcoholische dranken
koktejl
noun
Šejkr
noun
kokon
/'kodə/
noun
kód
verb
1. in een code brengen
zakódovat
noun
dovětek
noun
koňak
/kɔxniˈtif/
adjective
1. met betrekking tot het leerproces
kognitivní
noun
1. ontgaste steenkool
koks
noun
2. koolzuurhoudende frisdrank
kola
noun
1. ontsteking van de dikke darm
kolitida
noun
2
kolaborant
verb
1. met de vijand samenwerken
kolaborovat
noun
koláž
/ˌkɔlɑˈɣen/
noun
1.
kolagen
noun
sbírka
noun
1. meerdere groepen die onder één noemer worden aangesproken
kolektiv
/kɔˈleɣa/, /kɔˈleχa/
noun
  1. 1. een persoon die voor hetzelfde bedrijf werkt
  2. 2. een vak- of ambtgenoot
kolega
noun
1. de tijd waarin een docent een bepaald onderwerp uitlegt aan studenten
přednáška
noun
1. een ruimte waarin les wordt gegeven aan studenten
posluchárna
noun
koloid
/ko.ˈlɔm.bi.ja/
pronoun
1. een land in het noordwesten van Zuid-Amerika
Kolumbie
/ko'lɔnə/
noun
1. rij van militairen of voertuigen in een groot aantal gelederen van kleine frontbreedte
kolona
noun
1. dikke darmonderzoek waarbij men met een endoscoop het darmslijmvlies onderzoekt en zonodig een biopsie kan nemen
kolonoskopie
noun
1. een kever die op de aardappelplant leeft van ongeveer 1 cm lang en met een geel...
mandelinka bramborová
/ˈkoːmaː/
noun
1. volkomen bewusteloosheid
kóma
noun
kombinace
noun
1. werktuig waarmee je zowel op verschillende manieren kan vastknijpen als afknippen
kombinačky
verb
kombinovat
noun
výbor
verb
2. bevelen
  1. nařídit
  2. přikázat
  3. rozkázat
/kɔ.ˈmɑn.do/
noun
  1. 2. speciaal getrainde groep militairen voor speciale missies
  2. 1. iemand uit een eenheid die extra getraind wordt voor speciale missies
komando
/kɔmən'tar/
noun
  1. 1. toelichting of verklaring
  2. 2. kritiek
komentář
noun
komentátor
/kɔmərˈʃel/, /kɔmɛrˈsjel/
adjective
1. zakelijk
  1. komerční
  2. obchodní
noun
1. een groep personen aan wie een bepaalde opdracht wordt gegeven of die voor een bepaald doel bijeenkomen
komise
adjective
gemeenschappelijk
komunální
/ˌkɔ.my.nɪ.ˈkaː.si/, /ˌkɔmyniˈkasi/, /ˌkɔmyniˈkaʦi/
noun
1. het uitwisselen van informatie
komunikace
verb
2. met elkaar in contact komen
komunikovat
/kɔ.ˈmy.ni/, /kɔ.ˈmyː.nɪə̯/
noun
1. de gemeenschap met lichaam en bloed van Jezus Christus in de vorm van brood en wijn
přijímání
noun
komuniké
/kɔmyˈnɪsmə/
noun
1. ideologie die gericht is op gemeenschappelijk bezit van productiemiddelen en verbruiksgoederen
komunismus
noun
komunista
noun
komunitarismus
noun
1. Comorbiditeit is het tegelijkertijd hebben van twee of meer stoornissen of aandoeningen bij een patiënt
komorbidita
pronoun
1. Bantoetaal gesproken op de Comoren, Madagaskar, Mayotte en Réunion
komorský
/ko.ˈmoː.rə(n)/, /ko.ˈmo̝ː.rə(n)/
pronoun
2. staat gevestigd op de gelijknamige eilanden
Komory
adjective
1. ruimte beperkende uitvoering, gedrongen
kompaktní
noun
2. het samengedrongen en daardoor stevig zijn
hutnost
noun
2. vennootschap
rota
noun
1. een ontwikkelbaar vermogen van mensen waarmee ze in voorkomende situaties adequaat, gemotiveerd, proces- en resultaatgericht kunnen handelen
kompetence
noun
1. wedijver, concurrentie
soutěž
adjective
1. gewend aan en in staat om strijd te leveren
soutěživý
noun
doplněk
/kɔmplɛks/
adjective
1. ingewikkeld
komplexní
noun
1. de mate waarin iets complex is
komplexita
verb
1.(nodeloos) ingewikkeld maken
komplikovat
noun
1. een lovende of vleiende opmerking
kompliment
noun
1. iemand die muziekstukken schrijft
skladatel
noun
  1. 1. een muziekstuk, werkstuk van een componist
  2. 2. samenstelling
skladba
noun
1. is het residu dat ontstaat na ontbinding van organisch materiaal (d.w.z. van plantaardige of dierlijke oorsprong)
kompost
verb
1. tot compost verwerken
kompostovat
noun
1. samendrukking
komprese
verb
1. samenpersen, compact maken
komprimovat
/kɔmproˈmi/
noun
1. overeenkomst waarbij de betrokken partijen concessies doen...
kompromis
/kɔm.ˈpju.tər/, /kɔm.ˈpɪ̯uː.tər/
noun
1. informatieverwerkende machine
  1. počítač
  2. computer
  3. komputer
noun
1. een programma dat geïnstalleerd en gebruikt kan worden op een computer
počítačový program
noun
1. een spel dat via of met de computer gespeeld wordt
počítačová hra
noun
1.
počítačový virus
noun
matematická informatika
noun
koncentrace
noun
1. afgesloten terrein met barakken waar machthebbers bepaalde groepen mensen zonder rechtsgang onder dwang van de samenleving afgezonderd houden
koncentrační tábor
verb
  1. 2. zich ~ op één zaak toespitsen
    koncentrovat
  2. 1. op één plek samenbrengen
    soustředit
adjective
1. van cirkels of bollen dat ze het zelfde middelpunt hebben (maar niet dezelfde straal)
soustředný
noun
1. een muziekuitvoering door een orkest etc.
koncert
/kɔn.si.ˈjɛr.ʒə/, /kɔn.ˈʒɛr.ʒə/
noun
1. een huisbewaarder, een toezichter in een gebouw
dveřník
noun
1. een besloten kerkvergadering van kardinalen waarbij een paus gekozen wordt
konkláve
/ˌkɔŋklyˈderən/
verb
2. (overgankelijk) tot een besluit komen
vyvodit
/kɔŋˈklyzi/
noun
závěr
/kɔnˈkret/
adjective
2. in realiteit bestaand
konkrétní
noun
1.
konkurence
noun
1. het voordeel dat ontstaat wanneer een onderneming op een bepaalde markt een product kan aanbieden dat zich op een positieve manier onderscheidt van andere producten
konkurenční výhoda
/kɔndɛn'zasi/
noun
kapalnění
noun
1. elektrische component
kondenzátor
noun
elektrická kapacita
noun
  1. 1. gezondheidstoestand
  2. 2. voorwaarde
kondice
noun
  1. kondom
  2. prezervativ
noun
1. benaming voor sommige roofvogels uit de Amerikaanse tak (Cathartidae) van de gierenfamilie
kondor
noun
elektrická vodivost
noun
1.
Konfekce
noun
konference
verb
1. van staatswege in beslag nemen
zabavit
noun
konflikt
noun
1. opbouw van een molecuul
konformace
noun
konfrontace
verb
1.iemand laten zien wat diegene heeft gedaan
čelit
/kɔŋˈɣrɛs/, /kɔŋˈχrɛs/
noun
1. een grote vergadering van deskundigen op een bepaald vakgebied
kongres
adjective
1. de vorm hebbend van een (afgeknotte) kegel
kuželový
noun
1. binding
spojování
verb
1. consecratie verrichten
zasvětit
/kɔnˈsɛnzʏs/
noun
konsenzus
noun
1. een noodzakelijk gevolg
následek
/kɔnsɛrvaˈtif/
adjective
1. vasthoudend aan het oude en vertrouwde
konzervativec
noun
konzervatismus
noun
1. een school in het hoger onderwijs waar men zich kan laten opleiden tot professioneel musicus, acteur/actrice of danser(es)
konzervatoř
noun
konstantan
pronoun
Konstantinopol
noun
1. verstopping, harde of uitblijvende ontlasting
zácpa
noun
  1. 1. Romeins overheidspersoon
  2. 1. vertegenwoordiger
konzul
noun
1.
konzulát
noun
1. een deskundige raadgever
poradce
/kɔn.ˈtɑk/, /kɔn.ˈtɑkt/
noun
  1. 1. een toestand waarbij twee voorwerpen elkaar raken
  2. 2. onderlinge communicatie
  3. 3. een contactpersoon
  4. 4. een verbinding van twee elektrische geleidingen
  5. 5. een elektrische schakelaar
  6. 6. de grens tussen stollings- en nevengesteente
kontakt
verb
1. contact opnemen met
kontaktovat
noun
1. een zeer kleine glazen of kunststof lens die men direct op de oogbol plaatst ter vervanging van een bril
kontaktní čočka
noun
kontejner
noun
kontejnerová loď
noun
1. verontreiniging of besmetting met chemische stof of bacterie
kontaminace
adjective
1.
hotově
/ˈkɔntɛkst/
noun
1. verband waarin iets zich voordoet
kontext
noun
1. een werelddeel
  1. kontinent
  2. světadíl
adverb
spojitý
/ˌkɔntinyˈweːrə(n)/
verb
1. voortzetten
pokračovat
noun
spojitost
noun
1. het laagstklinkende muziekinstrument van de strijkinstrumenten
kontrabas
/kɔnˈtrɑkt/
noun
1. een schriftelijk vastgelegde overeenkomst
smlouva
noun
1. (muziekinstrument) fagot waarvan de noten een octaaf lager klinken dan de gewone fagot
kontrafagot
noun
kontrola
verb
1. inspecteren, toezicht houden, onderzoeken, nazien
  1. kontrolovat
  2. prověřit
/ˌkɔnvɛrˈɣɛnt/
adjective
1. in één punt samenkomend
konvergentní
adjective
1.
cool
noun
1. scheikundig element met symbool Cn en atoomnummer 112
kopernicium
adjective
koplanární
/ˈkɔrnis/, /ˈkɔrnɪs/
pronoun
1. een Keltische taal die gesproken wordt in Cornwall
kornština
pronoun
1. schiereiland in het zuidwesten van Engeland
Cornwall
adjective
1. met betrekking tot de krans-slagaders van het hart
koronární
noun
korporace
adjective
1. lichamelijk
tělesný
adjective
1.
správný
noun
1. samenhang
korelace
verb
dopisovat
/ˌkɔriˈʒeːrə(n)/, /ˌkɔriˈʒɪːrə(n)/
verb
1. iets van fouten ontdoen
opravit
noun
1. roest, een langzame verbinding met zuurstof
koroze
noun
1. bedrog vanwege oneerlijkheid
korupce
/'kɔrsɪkɑ/
pronoun
1. Frans eiland
Korsika
pronoun
1. een taal die op Corsica gesproken wordt
korsický
noun
kosinus
/ˌkɔs.ta.ˈri.ka/
pronoun
1. een staat in Midden-Amerika, tussen Panama en Nicaragua
Kostarika
noun
kotangens
noun
coulomb
noun
1. Cucurbita pepo, een groente uit de komkommerfamilie
cuketa
noun
kuskus
noun
1. veedrijver/veehoeder
kovboj
noun
1. bepaald soort zoogdier, Canis latrans
kojot
noun
1. een constante factor van een onbekende of van een veranderlijke grootheid
  1. koeficient
  2. součinitel
noun
1. seks waarbij de man met zijn penis het lichaam van de partner binnengaat
koitus
noun
2. op samenwerking gegronde vereniging of bedrijf
družstvo
verb
1. zo organiseren dat alles en iedereen goed kan samenwerken
koordinovat
noun
1. bepaald soort struik en 2. vrucht daarvan, Vaccinium macrocarpon
  1. klikva
  2. klikva velkoplodá
/krejaˈtif/
adjective
1. scheppend vermogen bezittend, met een scheppende geest
tvořivý
noun
1.
kreatin
noun
1. gedrevenheid of vaardigheid om iets oorspronkelijks te maken
tvořivost
noun
kreditní karta
verb
1. als tegoed boeken
připsat
noun
1. iemand aan wie iemand iets (meestal geld) verschuldigd is
věřitel
noun
kríjština
noun
1. centrum voor lijkverbranding
krematorium
verb
zpopelnit
noun
1. stam van oerbacteriën, Crenarchaeota
Crenarchaeota
noun
1. een taal die is ontstaan doordat bevolkingsgroepen die twee verschillende talen spraken met elkaar in contact kwamen en een nieuwe taal ontwikkelden
creolština
/krɛˈʃɛndo/
noun
crescendo
noun
1. een uit Engeland afkomstig slagbalspel in de open lucht
kriket
noun
1. de misdadigheid, het begaan van misdaden
kriminalita
adjective
1. met betrekking tot misdaad
kriminální
noun
1. sociologie van misdaad en misdadigheid
kriminologie
noun
1. een zware noodsituatie waarbij het functioneren van een stelsel ernstig verstoord raakt
krize
/kriˈterijʏm/
noun
1. toets, een doorslag gevende reden
kritérium
/krʋɑˈsɑ̃/
noun
1. halvemaanvormig broodje
rohlík
noun
krupiér
adjective
1. beslissend, doorslaggevend
rozhodný
noun
1. een passagierschip dat gebouwd en uitgerust wordt om er cruises mee te maken.
výletní loď
noun
kryptoanalýza
noun
1. een oppascentrum voor kinderen
jesle
adjective
krémová
noun
1.
krepový papír
/ˈky.ba/
pronoun
eiland en land in het Caribisch gebied
Kuba
adjective
kubánský
adjective
1. met betrekking tot de kookkunst
kuchařský
noun
1. film die populair is bij een kleine maar betrokken groep fans
kultovní film
/kʏltyˈrel/
adjective
1.met betrekking tot cultuur
kulturní
noun
kult
/kɵl'tyːr/
noun
1. het patroon van menselijke activiteit en de symbolische structuren,...
kultura
/kymylaˈtif/
adjective
1. opstapelend, gesommeerd over alle bijdragen tot heden
kumulativní
noun
1. belangenbehartiging van meerderjarige
kuratela
noun
kurátor
/ky.ra.ˈsʌʊ̯/, /kyː.ra.ˈzaʊ̯/
pronoun
1. een eiland en 2. een land
Curaçao
noun
2. gele voedselkleurstof
kurkumin
noun
1.iets merkwaardigs
kuriozita
noun
curium
noun
1. een precisiesport die lijkt op bowls, jeu de boules en bocce, die op ijs gespeeld wordt gespeeld met zware stenen in plaats van metalen (of plastic) ballen
curling
noun
křivka
adjective
1. met betrekking tot de huid
kožní
noun
kyberútok
noun
1. wetenschap van de besturing van systemen
kybernetika
/ˈsiklis/
adjective
1. regelmatig terugkerend
cyklický
noun
2.
cyklóna
noun
kyklop
noun
1. terugkerende, regelmatige reeks
cyklus
/ˈsinis/
adjective
cynický
noun
1. inwoner van Cyprus
Kypřan
adjective
1. op Cyprus betrekking hebbend
  1. kyperský
  2. cyperský
noun
1. vrouwelijke inwoner van Cyprus
  1. Cypřanka
  2. Kypřanka
adjective
1. op Cyprus betrekking hebbend
  1. kyperský
  2. cyperský
noun
1. vrouwelijke inwoner van Cyprus
  1. Cypřanka
  2. Kypřanka
/ˈki.prʏs/, /ˈsi.prʏs/
pronoun
land in de Middellandse Zee, tussen Europa en Azië, officieel de Republiek Cyprus, eiland in de Middellandse Zee
Kypr
/sɪˈrɪlɪs/
adjective
1. betrekking hebbend op een alfabet
cyrilice
noun
1. een alfabet dat geschreven wordt in het cyrillisch schrift
cyrilice
/ˈkɪstə/
noun
1. holte gevuld met vocht
cysta
/ˌsitɔˈplɑsma/
noun
  1. cytoplazma
  2. cytoplasma
adjective
1. giftig voor cellen
cytotoxický
/daːt/
noun
1. bewust gepleegde handeling
skutek
/daˈsit/
noun
1. vulkanisch stollingsgesteente.
dacit
verb
1. vingerafdrukken afnemen
daktyloskopovat
noun
dadaismus
noun
1. zoete bruine vrucht van de dadelpalm
datle
noun
1. palm waaraan dadels groeien
datlovník
noun
1. iemand die iets (slechts) gedaan heeft
pachatel
/dɑx/, /dɑχ/
noun
  1. 1. tijd waarin een hemellichaam volledig om zijn as draait
  2. 2. tijd tussen zonsop- en zonsondergang
den
noun
1. klassiek massamedium, gedrukt op papier en gericht op het verspreiden van nieuws
deník
noun
deník
adverb
1. iedere dag
denní
noun
1. het aanbreken van de nieuwe dag, de tijd net voor zonopkomst
úsvit
noun
1. bepaalde soort dagvlinder, Aglais io
babočka paví oko
noun
1. een oproep om voor een rechtbank te verschijnen
obsílka
noun
1.
jiřina
pronoun
Dahome
noun
1. deel dat een gebouw aan de bovenkant bedekt en bescherming biedt tegen het weer
střecha
noun
1. een langgerekte bakvormige of halfronde constructie voor het afvoeren van (regen)water dat van het dak komt
okap
noun
1. iemand die op de straat leeft, zonder vaste verblijfplaats
bezdomovec
noun
1. elkaar overlappende stenen of betonnen elementen waarmee een schuin dak lekdicht gedekt wordt
střešní taška
noun
1. raam dat in een dak zit
vikýř
/dɑl/
noun
1. een laagte in een heuvel- of bergstreek
údolí
/dɑl'matis/
adjective
dalmatský
pronoun
1.
Dalmácie
noun
1. (bij het damspel) twee gestapelde schijven
dáma
noun
1. weeftechniek, waarbij tekeningen aangebracht worden op een achtergrond van dezelfde kleur
damašek
/daːmə/
noun
1. beschaafde vrouw
  1. dáma
  2. paní
noun
1.
dámy a pánové
noun
1. Dama dama, behoort tot de familie Cervidae, hert met een breed plat gewei...
daněk
verb
1. het damspel spelen
dáma
/dɑmp/
noun
1. de gasvormige toestand van een stof, de toestand die ontstaan is door verdamping
pára
adverb
1. toekomstig tijdstip
pak
conjunction
1. na een vergrotende trap van een bijvoeglijk naamwoord of van een bijwoord.
než
pronoun
3. jongensnaam
Daniel
interjection
1. uitdrukking van dankbaarheid
  1. děkuji
  2. díky
adjective
1. erkentelijk voor ontvangen hulp
vděčný
noun
1. het dankbaar zijn
  1. vděčnost
  2. vděk
verb
děkovat
preposition
1. door de positieve werking van
dík
noun
1. een verzameling sierlijke bewegingen, meestal op basis van een muzikaal ritme
tanec
verb
1. ritmisch bewegen
  1. tancovat
  2. tančit
noun
1. mannelijk persoon die danst
tanečník
/dɑnsə'rɛs/
noun
1. een vrouwelijk persoon die danst
tanečnice
noun
taneční parket
/ˈdɑpər/
adjective
geen angst voor gevaar tonend
odvážný
noun
1. mannelijke bij
trubec
/dɑrm/
noun
1. onderdeel van het spijsverteringsstelsel tussen de maag en de anus
střevo
noun
darmstadtium
noun
1. evolutieleer die het ontstaan van de soorten verklaart door natuurlijke selectie uit varianten die bij reproductie optreden
darwinismus
/dɑs/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Meles meles
jezevec
/ˈdɑs.lok/
noun
1. sterk riekende, eetbare plant uit de lookfamilie
česnek medvědí
conjunction
1. een voegwoord dat een lijdend-voorwerpszin inluidt
že
noun
1. een plaats waar informatie over bepaalde onderwerpen in digitale vorm verzameld,...
databáze
noun
1.
serverovna
verb
1. meerdere dates, afspraakjes maken met iemand.
chodit
verb
1. de datum van ontstaan bepalen
datovat
noun
de derde van de acht naamvallen van de Indo-Europese talen
dativ
noun
1. Russisch buitenverblijf
dača
noun
1. een tijdsaanduiding die bestaat uit een dag(nummer), een maand en een jaar
datum
noun
dauphin
noun
rosa
noun
rosný bod
pronoun
David
phraseologicalUnit
1. het opgeven
hodit flintu do žita
verb
1. een lastige kwestie voortvarend en vastberaden aanpakken
jít na to rovnou
phraseologicalUnit
1. iets lijkt in het begin altijd erger dan het is
Nic se nejí tak horké, jak se to uvaří
verb
1. iets heel treffend verwoorden
udeřit hřebíček na hlavičku
interjection
1. er is een onomkeerbare stap gezet
kostky byly vrženy
noun
  1. 1. Verkoper
  2. 2. Drugshandelaar
obchodník
noun
debata
/deˈbil/
adjective
  1. bespottelijk, ridicuul
  2. in lichte mate zwakzinnig
debilní
noun
debugger
verb
1. voor de eerste keer doen
debutovat
noun
  1. 1. C10H22
    dekan
  2. 2. hoofd van een faculteit
    děkan
noun
1. de twaalfde en tevens laatste maand van het jaar
prosinec
noun
decigram
noun
1. een lengtemaat met een waarde van één tiende meter
decimetr
noun
1.
dekodér
verb
1. uit code overbrengen in gewone taal
  1. dekódovat
  2. rozšifrovat
noun
1. laag uitgesneden halslijn bij vrouwenkleding
dekolt
verb
1. methoden en technieken gebruikt om bouwwerken, meubels of andere objecten te verfraaien
dekorovat
noun
1. ongebakken kneedbare uitgangsmateriaal voor het bakken van diverse broden en gebak
těsto
noun
1. rol om deeg uit te rollen
  1. váleček
  2. váleček na těsto
/ˈdeːl/
noun
  1. 1. een afsplitsing van een geheel
  2. 2. één uit een reeks
část
noun
1. iemand die meedoet aan een wedstrijd of ander evenement
účastník
noun
dělenec
noun
2. onderdeel van een atoom
částice
noun
fyzika částic
noun
urychlovač částic
noun
příčestí
/den/, /deːn/
noun
1. een inwoner van Denemarken
  1. Dán
  2. Dánka
/dens/, /deːns/
adjective
1. betreffende Denemarken of het Deens
  1. dánský
  2. dánština
/dens/, /deːns/
pronoun
1. een Germaanse taal die wordt gesproken in Denemarken
  1. dánština
  2. dánsky
  3. dánský
/ˈdensə/, /ˈdeːnsə/
noun
Dánka
noun
1. ongeloof in het eigen succes.
defétismus
noun
1. begripsbepaling
definice
verb
definovat
noun
1. het vallen van het prijspeil waardoor het geld in waarde toeneemt
deflace
noun
defragmentace
verb
defragmentovat
adjective
  1. 1. goed tegen een stootje kunnend
  2. 2. (van personen) eerlijk, oprecht, net in zijn manieren
spolehlivý
verb
1. in rang verlagen
degradovat
pronoun
  1. 1. Griekse god van de paniek
  2. 2. kleinste van de twee manen van Mars
Deimos
noun
1. een verdieping op een schip
paluba
noun
1. dikke deken gevuld met isolerend materiaal
peřina
/dekə(n)/
noun
1. een (vaak dikke) doek, met de functie om iemand te bedekken en daarmee warm te houden (tijdens de slaap)
  1. deka
  2. přikrývka
noun
1. een voorwerp om een hol open lichaam mee af te dekken
poklička
noun
  1. 1. afvaardiging
  2. 3. schuldoverneming
delegace
verb
1. taken en verantwoordelijkheden doorgeven
delegovat
verb
2. in meer dan één stuk snijden of hakken
dělit
noun
dělitel
pronoun
1. het nationaal hoofdstedelijk territorium van India waarin de nationale hoofdstad New Delhi gelegen is. Het territorium is gesitueerd in het noorden van het land
Dillí
noun
delta
noun
demagogie
noun
1. een aandoening van de hersenen waardoor de verstandelijke en cognitieve vermogens verminderen
demence
noun
demokracie
adjective
1. in overeenstemming met de principes van een democratie
demokratický
noun
1. de studie van alles wat de omvang, samenstelling en spreiding van een bepaalde bevolkingsgroep en de veranderingen hierin betreft
  1. demografia
  2. demografie
noun
zloduch
noun
1.
demoverze
/dɛmpən/
verb
1. zwakker maken, de kracht verminderen van
pérovat
verb
1. minder geheimzinnig maken
demystifikovat
noun
1. Pinus soort naaldboom
sosna
pronoun
1. de hoofdstad van de provincie Zuid-Holland en tevens de stad waar de Nederlandse regering zetelt
Haag
noun
dendrit
/ˈdenəˌmɑrkə(n)/, /ˈdeːnəˌmɑrkə(n)/
pronoun
1. een Scandinavisch land in Noord-Europa
Dánsko
verb
  1. 3. een bepaalde mening toegedaan zijn
    myslet
  2. 1. een oplossing zoeken
    1. mýšlet
    2. myslet
noun
šiška
adjective
jedlová zelená
noun
vranec jedlový
adjective
1. medeklinker
dentální
noun
dentála
noun
deontologie
noun
deportace
verb
1. onder dwang wegvoeren uit een gebied
deportovat
noun
  1. 1. bewaarplaats
  2. 1. bezinksel
skladiště
noun
  1. 1. ziekelijke neerslachtigheid
  2. 2. gebied met lage luchtdruk
  3. 3. langdurige inzinking in de economische ontwikkeling
deprese
verb
deprimovat
/ˈdɛrdə/
ordinalAdjective
1. betrekking hebbend op nummer drie in een rij
třetí
noun
třetí osoba
pronoun
Třetí říše
pronoun
Třetí světová válka
noun
1. huidontsteking
dermatitida
noun
1. een specialisme binnen de geneeskunde dat zich bezighoudt met aandoeningen van de huid, de nagels en het haar, samen huidziekten genoemd
dermatologie
adjective
1. met betrekking tot de huidziekten
dermatologický
noun
1. Huidspecialist
dermatolog
cardinalNumeral
1. het getal 13
třináct
ordinalAdjective
třináctý
adverb
1. bij dertien gelegenheden
třináctkrát
cardinalNumeral
1. het getal 30
třicet
verb
dezertovat
noun
1.
dezertér
noun
1. het permanent verlaten van een krijgsmacht zonder toestemming
dezerce
noun
1. onjuiste of misleidende informatie, die bewust verstrekt wordt met het oogmerk...
dezinformace
noun
1. een specialist
expert
noun
1.
vychuchol
noun
1. proces waarin een specifieke soort atomen of moleculen wordt losgemaakt uit een vaste stof en daaruit verdwijnt
desorpce
noun
  1. dNA
  2. deoxyribonukleová kyselina
adjective
1.
despotický
noun
despocie
noun
zákusek
adjective
destruktivní
noun
1. onderdeel, kleinigheid
detail
verb
2. ergens een signaal van door middel van apparatuur opvangen
detekovat
noun
1. detector
detektor
verb
1. iemand van staatswege gevangen houden
zadržet
noun
1. iets dat goed is in zedelijk opzicht
ctnost
adjective
1. bereid zich te gedragen in overeenstemming met algemeen aanvaarde waarden
ctnostný
/døːr/
noun
1. een afsluiting van een toegang tot een ruimte, gemaakt van hout, metaal of kunststof
dveře
noun
1. een handvat waarmee een deur wordt geopend of gesloten
klika
noun
1. een kleine mat, waarop men bij de deur de schoenen kan afvegen
rohožka
/dørwardər/
noun
1. gerechtelijk ambtenaar die exploten en executien doet, dagvaardingen uitbrengt en beslagen legt
soudní exekutor
/dœyˈterijʏm/
noun
1. een isotoop van waterstof
deuterium
/dewteɾoˈnomjum/
pronoun
Deuteronomium
/'devəntər/
adjective
1. gemeente en oudste stad in de provincie Overijssel
Deventer
demonstrativePronoun
1. aanduiding voor dichtbijzijnde dingen, dieren of mensen
  1. tato
  2. tento
  3. tito
  4. toto
  5. tyto
demonstrativePronoun
stejný
/deʲɪsmə/
noun
deismus
noun
dharma
noun
1. stofwisselingsziekte waarbij het lichaam geen of te weinig insuline produceert
cukrovka
noun
jojo
noun
1. vaststelling van een ziekte
diagnóza
/'dɪɑɣnɔstɪ'seːrə(n)/
verb
1. aan de hand van verschijnselen de ziekte bepalen
diagnostikovat
adjective
diagnostický
adjective
diagonální
noun
een vierkante matrix waarvan alle elementen buiten de hoofddiagonaal (↘) 0 zijn
diagonální matice
noun
1. een symbolische en grafische voorstelling van een aantal zaken en hun onderling verband
diagram
noun
  1. jáhen
  2. diákon
/dijaˈkritis/
adjective
diakritický
/diaˈlɛkt/
noun
1. een variant van een taal met kenmerkende grammaticale, fonologische en andere kenmerken
  1. nářečí
  2. dialekt
/ˌdi.ja.ˌlɛk.to.lo.ˈɣi/, /ˌdi.ja.ˌlɛk.to.lo.ˈχi/
noun
1. de wetenschap die regionale verschillen tussen taalvariëteiten bestudeert
dialektologie
noun
dialog
noun
  1. 1. een uiterst hard, doorzichtig mineraal met kubische symmetrie dat uit koolstof bestaat
  2. 2. een edelsteen gesneden uit [1]
diamant
noun
1. middellijn
průměr
noun
diapauza
/diɑ're/
noun
1. darmstoornis die dunne ontlasting veroorzaakt
průjem
noun
diaspor
/diˈjaspora/
noun
diaspora
adjective
1. compact
hustý
noun
1. iemand die poëtische kunst voortbrengt
básník
/ˈdixterlɪk/
adjective
básnický
noun
1. compactheid
hustota
noun
1. iemand die als enige de macht in een land in handen heeft
diktátor
noun
1. staatsvorm waarbij de macht vrijwel volledig in handen van één of enkele personen ligt
diktatura
verb
diktovat
demonstrativePronoun
1. wijst iets aan dat zich niet in de onmiddellijke nabijheid van de spreker bevindt
tamty
/di'jen/
noun
1.
dien
noun
2. een aanpassing in het eet- en voedingspatroon
dieta
/dif/
noun
1. iem. die steelt
zloděj
noun
1. het zich onrechtmatig toe-eigenen van goederen of andere bezittingen die aan een ander toebehoren
krádež
noun
  1. podnos
  2. tác
/ˈdinən/
verb
1. werken voor; in dienst zijn van
sloužit
noun
  1. 1.
  2. 4. kerkdienst
služba
/ˈdinst.plɪxt/
noun
1. verplichting om ergens te werken
branná povinnost
adjective
1. waar de bodem ver naar beneden is
hluboký
adjective
oranžová tmavá
/'diptə/
noun
1. de mate waarin iets diep is
hloubka
/diːr/
noun
1. met zintuigen uitgerust meercellig organisme dat zijn energie verkrijgt uit andere dierlijke of plantaardige organismen
  1. zvíře
  2. živočich
adjective
1. waaraan men grote waarde hecht
drahý
noun
1. arts voor dieren, met name kleine huisdieren
veterinář
/ˈdiːrə(n)ˌtœʏ̯n/, /ˈdiːrə(n)ˌtœːn/
noun
1. een verzameling levende, oorspronkelijk wilde dieren.
zoo
noun
1. wetenschap die zich richt op de aard, de oorzaken en de geneesmiddelen van dierziektes
veterinární lékařství
noun
1. de wetenschap die de dieren bestudeert.
zoologie
noun
1. dieselmotor
motorová nafta
noun
dieselový motor
noun
  1. bifenyl
  2. difenyl
  3. fenylbenzen
noun
vergelijking voor een functie waarin een of meer van de afgeleiden van die functie voorkomen
diferenciální rovnice
adjective
diferencovatelný
/dɪfərɛn'(t)ʃerə(n)/
verb
1. vanuit een homogeen geheel tot verschillende vormen komen
odlišit
noun
1. de vermenging van twee ongelijksoortige stoffen
difuze
noun
1. infectieziekte
záškrt
/ˈdɪftɔŋ/
noun
1. een foneem dat uit twee klinkers bestaat die binnen één lettergreep in elkaar overgaan
dvojhláska
adjective
  1. digitální
  2. číslicový
verb
digitalizovat
noun
digraf
/dɛj/
noun
1. het deel van het menselijk been tussen heup en knie
  1. lýtko
  2. stehno
noun
  1. femur
  2. kost stehenní
  3. stehno
noun
1. een waterkering ter bescherming van het achterliggende land
hráz
/dɪk/
adjective
  1. 2. de genoemde dwarsdoorsnede hebbend
  2. 3. een naar verhouding grote lichaamsomvang hebbend
  3. 1. een naar verhouding grote dwarsdoorsnede hebbend
  4. 5. hecht
  5. 6. nauw aaneengesloten
  6. 7. weinig vloeibaar
tlustý
noun
1. (dierkunde) zoogdier met een dikke huid
tlustokožec
adverb
často
/dɪ'lɛmɑ/
noun
moeilijke keuze
dilema
noun
amatér
noun
1. de plant en de bladeren van het kruid
kopr
noun
dimorfismus
noun
1. warme maaltijd
večeře
verb
1. het diner gebruiken
večeřet
noun
1. voorwerp
věc
/ˈdɪ.ŋəs/
noun
tentononc
noun
1. Canis lupus dingo, een Australische wilde hond
dingo
/ˌdinoˈsʌʊrəs/
noun
1. een lid van een uitgestorven groep van reptielen, waartoe de grootste landdieren behoren die ooit bestaan hebben
dinosaurus
noun
1. dag van de week die na maandag en voor woensdag komt
  1. úterý
  2. úterek
noun
dioda
noun
1. een bewijs van bevoegdheid
diplom
noun
1. iemand die in het buitenland zorgt voor de politieke relaties met zijn eigen land
diplomat
noun
1. de kunst en de kunde van het voeren van overleg
diplomacie
adjective
1. betrekking hebbende op de diplomatie
diplomatický
/diploˈit/
adjective
1. met twee exemplaren van ieder chromosoom in de celkern
diploidní
adjective
1. zonder te wachten, zonder iets daartussen
  1. přímý
  2. direktní
noun
1. een leider van een orkest, koor of ander muziekgezelschap
dirigent
/dɪs/
noun
1. gedekte tafel
tabule
noun
1. beschrijvend overzicht van de elpee's of cd's van een artiest of muziekgroep
diskografie
noun
diskotéka
adjective
1. zonder aandacht te trekken, onopvallend
diskrétní
noun
1. onverwachte onderlinge afwijking
  1. nesrovnalost
  2. rozpor
noun
  1. 1. bescheidenheid of kiesheid
  2. 2. geheimhouding
diskrétnost
noun
diskriminace
/ˈdɪskʏs/
noun
1. een zware werpschijf die gebruikt wordt bij de atletische sport discuswerpen.
disk
noun
1. een gedachtewisseling waarbij doorgaans verschillende meningen worden uitgewisseld
diskuse
verb
diskutovat
noun
1. een atletiekdiscipline waarbij men een discus zo ver mogelijk probeert te werpen
hod diskem
noun
disjunkce
noun
1. Magneetschijf
disketa
noun
diskvalifikace
/dɪsəl/
noun
    1. 1. stang om trekdieren in te spannen
    2. 2. stang om aanhangwagen aan een voertuig te bevestigen
    oj
  1. 3. houtbewerkingsbijl
    skoble
noun
disertace
adjective
disident
adjective
1. naar het einde van de ledematen toe
distální
noun
bodlák
noun
1. verdeling, verspreiding
rozdelování
noun
1. het gebied van een lokale overheid
kraj
demonstrativePronoun
  1. tento
  2. tato
  3. toto
noun
1. urinedrijvend middel
diuretikum
adjective
  1. 2. gekenmerkt door de aanwezigheid van mensen met een verschillend achtergrond
  2. 1. onderling duidelijk verschillend
rozmanitý
/(d)ʒi.ˈbu.ti/, /dji.ˈbu.ti/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika 2. de hoofdstad van
  1. Džibutsko
  2. Džibuti
/dʒibutiˈans/
adjective
džibutský
pronoun
1.
Dněpr
noun
1. kubusvormig voorwerp met op elk van de zijden een van de ogenaantallen één tot en met zes
kostka
noun
1. een vrouwelijk kind
dcera
/ˈdɔktɔr/
abbreviation
1. een academicus die een goedgekeurd proefschrift heeft geschreven
doktor
abbreviation
2. schrijft een proefschrift
doktorand
adjective
doktrinální
noun
1. een verzameling leerstellingen of dogmas die niet ter discussie staan
doktrína
noun
1. een verzameling gegevens
dokument
adjective
dokumentární
noun
1. een op waarheid beruste film
dokument
/dokymɛn'taʦi/
noun
1. geschreven materiaal dat een bepaald onderwerp om- en beschrijft
dokumentace
verb
1. onderbouwen, staven
dokumentovat
noun
1. iemand die dood is, een gestorvene, overledene
mrtvý
/'do:dələk/
adjective
1. de dood veroorzakend
smrtelný
/ˈdo.də(n)/
verb
1. iemand van het leven beroven.
zabít
noun
1. een afgietsel van het gelaat van een dood persoon, gewoonlijk gemaakt van was of gips
posmrtná maska
/ˈdudɔɫˌzɑk/, /ˈdudəlˌzɑk/
noun
1. een rietinstrument waarbij het riet indirect bespeeld wordt via een luchtzak
dudy
noun
4. gordijn
opona
noun
  1. 1. een van de twee gemarkeerde ruimten op een sportveld
    branka
  2. 1. het punt waarop men zich richt
    cíl
adjective
1. met een duidelijk doel voor ogen
cílevědomý
noun
1. de balk aan de bovenkant van een (voetbal)doel
břevno
noun
1. de lijn die het doel scheidt van de rest van het veld
branková čára
adjective
1.
bezcílný
noun
brankář
noun
  1. branka
  2. gól
verb
1. een actie ondernemen
  1. dělat
  2. udělat
noun
1. een boom met zeer smakelijke maar stinkende vruchten
durian
noun
dóže
/'dɔɣma/
noun
1. een vastomlijnd geloofsartikel dat aan geen beredenering meer is onderworpen
dogma
adjective
dogmatický
noun
2. droogzetinrichting voor schepen
dok
noun
1. kamer zonder daglicht waarin foto's kunnen worden ontwikkeld en afgedrukt
temná komora
noun
  1. lékař
  2. doktor
/dɔlˈfɛɪ̯n/, /dɔlˈfɛːn/, /dɔɫˈfɛɪ̯n/, /ˈdɔlfɛɪ̯n/, /ˈdɔlfɛːn/, /ˈdɔɫfɛɪ̯n/
noun
1. familie Delphinidae van mittelgrote tandwalvissen met vooruitstekende snuit
  1. delfin
  2. delfín
noun
dýka
/ ˈdɔlɑr /
noun
1. munt en munteenheid
dolar
adjective
1. van weinig verstand getuigend
  1. hloupý
  2. blbý
noun
doména
noun
1. temming tot huisdier of cultuurgewas
domestikace
noun
2. automatische overschrijving van geldbedragen door de bank laten verrichten
trvalý příkaz
noun
2. vijfde trede van toonladder
dominanta
noun
1. overheersing
dominance
adjective
op Dominica betrekking hebbend
dominický
/ˌdo.mi.ni.ˌkan.sə.re.py.ˈblik/, /ˌdo.mi.ni.ˌkans.re.pʏ.ˈbliːk/
pronoun
1. een land in het Caribisch gebied dat ten westen aan Haïti grenst en daarmee...
Dominikánská republika
noun
1.
  1. dominový efekt
  2. domino efekt
verb
1. half in slaap zijn
dřímat
noun
1. een schenking
dar
pronoun
1. een rivier in Europa die in het Zwarte Woud in Duitsland ontspringt en naar de Zwarte Zee stroomt.
Dunaj
noun
1. een zeer luid geluid bij onweer
hrom
noun
1. een dag van de week die na woensdag en voor vrijdag komt
čtvrtek
/ˈdɔndərə(n)/
verb
  1. 1. het weerklinken van luid gerommel ten gevolge van bliksemontlading.
  2. 2. op luide en barse toon een bevel geven of zijn ongenoegen uiten.
hřmít
adjective
1. zonder licht
tmavý
noun
1. fijne veren die onder de taaiere buitenveren zitten, vaak gebruikt als vulstof voor kussens, dekbedden en slaapzakken
chmýří
/doːt/
adjective
1. niet meer levend
mrtvý
/doːt/
noun
  1. 2. skeletvormige figuur, vaak met zeis, die bovengenoemde toestand personifieert
    smrt
  2. 1. de toestand na het leven
    1. smrt
    2. mrtvý
adjective
1. bij de geboorte al overleden
mrtvorozený
noun
1. (beroep) persoon
hrobař
/ˈdoːts.ɛsˌka.dər/
noun
1. bende die gevormd is om een of meerdere personen te doden
eskadra smrti
noun
rakev
noun
1.
příčina smrti
adjective
1. erg stil
mlčet jako hrob
noun
1. als straf gedood worden
trest smrti
/doːf/
adjective
1. niet of minder goed tot horen in staat zijn
hluchý
noun
hluchota
noun
1. smelten
obleva
noun
žloutek
noun
  1. 1. stelsel van paden of dwaalwegen, zodanig aangelegd dat men daarin moeilijk de weg kan vinden
  2. 2. ingewikkelde zaak
bludiště
noun
1. plechtige besprenkeling of onderdompeling waarmee iemand tot een kerk gaat behoren
křest
noun
1. de doop
křest
/ˈdop.vɔnt/
noun
1. een bekken voor de bediening van de doop en het bewaren van het doopwater in een kerkgebouw
křtitelnice
/ˈdoːr/, /[doːr]/, /[dʊːr]/
preposition
  1. 3. in
  2. 6. als achterzetsel: doorheen
skrz
noun
2. een cruciale ontdekking
průlom
/dorˈdɛŋkə(n)/, /do̝rˈdɛŋkə(n)/, /ˈdordɛŋkə(n)/, /ˈdo̝rdɛŋkə(n)/
verb
1. [dóórdenken] ergens over blijven denken, ergens aan blijven denken
promyslet
noun
1. scherp uitsteeksel aan een plant
  1. trn
  2. osten
noun
1. Datura stramonium, een zeer giftige plant die hallucinogene alkaloïden bevat
durman obecný
/ˈdornəkron/
noun
1. van doorntakken gevlochten kroon als symbool van het martelaarschap
hvězdice trnová koruna
adjective
rozhodný
/doːrˈzɪxtəx/, /doːrˈzɪxtɪx/, /do̝ːrˈzɪχtəχ/
adjective
[1] waar licht zo ongehinderd door kan treden dat het zicht erdoor niet belemmerd wordt
průhledný
/doʊs/, /doːs/
noun
1. een veelal kartonnen balkvormig opslagmiddel
  1. krabice
  2. schránka
noun
1.
dopamin
verb
2. iemand ritueel met water besprenkelen of erin onderdompelen en zodoende tot een geloof toelaten
křtít
noun
  1. 1. stimulerende (genees)middelen
    doping
  2. 2. het gebruik van stimulerende middelen in sport
    1. doping
    2. dopink
/dɔrp/
noun
1. kleine, permanente nederzetting
  1. vesnice
  2. ves
adjective
1. aan de rugzijde
  1. dorsální
  2. dorzalní
verb
mlátit
noun
1. toestel dat de graankorrels uit de korenaren slaat
mlátička
noun
  1. zízeň
  2. žízeň
noun
cep
noun
1. vloer waarop gedorst wordt
mlat
noun
1. (medisch) verstrekte hoeveelheid
dávkování
noun
1. hoeveelheid van een geneesmiddel die je per keer moet innemen
dávka
noun
1. een overheidsdienst die belast is met de controle op het internationaal goederenverkeer
  1. clo
  2. celnice
/duʃ/
noun
1. stortbad
sprcha
noun
1. een lipbloemige plant met bladeren die op die van de brandnetel lijken maar die niet branden.
hluchavka
verb
1. een bestand van een computer of server op afstand naar een lokale computer of server overbrengen
stáhnout
noun
1. een set van twaalf
tucet
/draːt/
noun
  1. 3. elektrisch verbindingsmateriaal
  2. 1. in elkaar gesponnen vezels
drát
/drat.los/, /ˈdraːd.loːs/
adjective
1. waarbij geen draden nodig zijn voor de overdracht van een signaal
bezdrátový
/ˈdraxbar/, /ˈdraχbar/
adjective
1. te dragen, met de mogelijkheid gedragen te worden
přenosný
noun
1. ongemoduleerde elektromagnetische radiogolf
nosná vlna
noun
1. stok waaraan men iets draagt
krumpolec
noun
1. een machine die een ingeklemd werkstuk ronddraait zodat dit met beitels en boren kan worden bewerkt
soustruh
noun
scénář
/ˈdraːi̯ən/
verb
Vertalingen: na te kijken
otočit
noun
1. iemand die met een draaibank werkt
soustružník
noun
1. strijkinstrument met strijkwiel
niněra
noun
kolotoč
noun
1. een mechanisch bediend of automatisch spelend orgel, meestal op straat spelend
  1. flašinet
  2. kolovrátek
pronoun
sterrenbeeld nabij de noordelijke hemelpool
Drak
/draːk/
noun
1. fabeldier
drak
/drɑxtəx/
adjective
1. (van dieren) zwanger
březí
/drɑf/
noun
1. draf bij viervoeters
klus
verb
  1. 2. als kledingstuk of sieraad aanhebben
    nosit
  2. 1. al van de vloer houdend vervoeren
    1. nosit
    2. nést
adjective
1. van iets of iemand dat hij een belangrijke steun is
nosný
noun
  1. 1. een persoon die (letterlijk) draagt
    bacilonosič
  2. 3. een eigenaar
    nosič
/ˈdraɣɔn/
noun
2. kruid
estragon
noun
1.
dragoun
noun
  1. 1. een droevige of aangrijpende gebeurtenis
  2. 2. een bepaald soort film of toneelstuk
drama
/drɑŋk/
noun
  1. 2. vloeistof om de dorst te lessen
  2. 1. alcoholhoudende vloeistof
nápoj
/ˈdrɑs.tis/, /ˈdrɑs.tɪs/
adjective
1. doelgericht zeer ingrijpend
drastický
verb
1. van paarden
klusat
noun
1. grassoort
sveřep
noun
1.
dredy
noun
1. onderdorpel van een kozijn
práh
/ˈdrɛntə/
pronoun
1. provincie in het noorden van Nederland, die door Friesland, Groningen, Overijssel en het Duitse Nedersaksen wordt begrensd
Drenthe
pronoun
1.
Drážďany
verb
drezírovat
cardinalNumeral
1. telwoord
  1. tři
  2. trojka
noun
1. het cijfer 3
tři
adjective
1. met drie afmetingen, hoogte, breedte en diepte
trojrozměrný
noun
1. tweedimensionale geometrische vorm, bestaande uit 3 hoeken en 3 zijden
trojúhelník
adjective
trojúhelníkový
noun
1. kleine tweekleppige zoetwaterschelp, oorspronkelijk uit het bekken van de Kaspische ...
slávička mnohotvárná
noun
1. (romantische) verhouding waarbij drie mensen zijn betrokken
milostný trojúhelník
/ˈdriˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 300
tři sta
noun
trikolorový
adjective
met drie koppen
trojhlavý
noun
1. plek waar de grenzen van drie landen elkaar treffen
trojmezí
noun
trojzubec
noun
1.
racek tříprstý
noun
trojkolka
cardinalNumeral
1. het getal 23
  1. dvacet tři
  2. třiadvacet
noun
1. gas dat in spuitbussen gebruikt wordt om de inhoud onder druk te zetten
hmota pohonná
noun
ojnice
noun
1. bodem bestaand uit heel kleine korreltjes vergruisd gesteente, verzadigd met zoveel water dat alles wat zwaar is er in wegzakt
tekoucí písek
verb
  1. o1. iets of iemand voor zich uit doen bewegen
    hnát
  2. e1. op het oppervlak van een vloeistof rusten
    plavat
adjective
naléhavý
/'drɪŋkə(n)/
noun
  1. pít
  2. napít se
noun
water dat geschikt is om gedronken te worden
pitná voda
noun
3. paardenziekte
hříběcí
verb
1. vocht laten of doen verdampen
schnout
noun
1. een toestel dat natte voorwerpen, bijvoorbeeld wasgoed droogmaakt
sušička
noun
winkel van een drogist
drogerie
noun
1. uitwerpsel, ontlasting
hovno
noun
1. Camelus dromedarius, herkauwer uit Afrika met vetbult op de rug
  1. dromedár
  2. velbloud jednohrbý
verb
  1. 1. ervaren van een reeks gebeurtenissen of beelden tijdens de slaap
  2. je een voorstelling maken van wat je graag wil
snít
/drɔŋkə(n)/
adjective
1. onder invloed van alcohol
opilý
noun
het zwaar onder invloed van alcohol zijn
opilost
/droːx/
adjective
1. geen of zeer weinig vocht bevattend.
suchý
noun
1. lange periode zonder of met minder neerslag
sucho
noun
  1. 1. beelden die men ziet wanneer men slaapt
  2. 2. een gedachte waarvan met graag had gehad dat ze werkelijkheid werd
sen
noun
zwart gekleurd snoepgoed
lékořice
noun
droga
noun
2. vrucht van de wijnstok
  1. hrozen
  2. hrozen vína
verb
kapat
noun
1. een vruchtensap bereid uit druiven
hroznová sťava
noun
1. pressie, kracht die over een oppervlakte uitgeoefend wordt
tlak
verb
  1. 1. kracht uitoefenen op
  2. 3. verkort voor afdrukken
tisknout
noun
1. een persoon die afdrukken maakt
tiskař
noun
bicí souprava
/drɵ.pəl/
noun
kapka
noun
1. mythologisch, vrouwelijk wezen dat in een bos of boom leeft
dryáda
/ˈdʏbəl/
adjective
1. tweemaal voorhanden
dvojitě
noun
dvouplošník
verb
1. twee keer, snel achterelkaar, met de muisknop op iets klikken
dvojkliknout
/ˈdʏ.bəl.ˌstɛr/, /ˈdʏ.bəɫ.ˌstɛr/
noun
1. twee sterren die om elkaar heen bewegen
dvojhvězda
pronoun
1. hoofdstad van Ierland
Dublin
adjective
1. op Dublin betrekking hebbend
dublinský
noun
1. een scheikundig element met het symbool Db
dubnium
/dʏf/
adjective
1. saai, doods
nudný
/ˈdœy̯dələk/
adverb
  1. 2. goed te herkennen
  2. 1. niet mis te verstaan
jasný
/dœʏ̯f/, /dœːf/
noun
1. vogel die een koerend geluid maakt, uit de familie Columbidae
holub
adjective
holubí modrá
noun
1. wandplank van een vat
dužina
noun
1. speeltuigje
vstaváček
/ˈdœy̯kə(n)/
verb
  1. 2.in het water springen zodat de armen eerst het water in gaan
    ponořit
  2. 4. snel verbergen of ontwijken
    sehnout se
noun
1. iemand die voor beroep of plezier zich onder de waterspiegel begeeft
potápěč
noun
keson
/dœy̯m/
noun
  1. 1. eerste, kortste en dikste vinger
    palec
  2. 2. lengtemaat
    1. palec
    2. coul
noun
1. het hoornen gedeelte van de eerste vinger van de hand
na
/dœʏ̯n/, /dœːn/
noun
duna
adjective
1. in weinig of geen licht badend
nezřetelný
noun
1. een toestand van weinig of geen verlichting
tma
/dœʏ̯ts/, /dœːts/
adjective
1. betreffende Duitsland of het Duits
  1. německý
  2. německá
  3. německé
/dœʏ̯ts/, /dœːts/
pronoun
1. een taal die gesproken wordt in Duitsland, Oostenrijk, Zwitserland, Italië en België
  1. němčina
  2. německý
/ˈdœʏ̯tsə/, /ˈdœːtsə/
noun
1. een vrouw van Duitse komaf
  1. Němka
  2. Němkyně
pronoun
Německá demokratická republika
noun
1. hond uit een oorspronkelijk in Duitsland gefokt ras
německý ovčák
/ˈdœʏ̯tsər/, /ˈdœːtsər/
noun
1. een inwoner van Duitsland
Němec
/ˈdœʏ̯tslɑnt/, /ˈdœːtslɑnd/, /ˈdœːtslɑnt/
pronoun
1. een Midden-Europese staat die wordt gevormd door een federatie van 16 deelstaten en die het Duits als officiële taal heeft
Německo
noun
  1. ďábel
  2. čert
noun
1. het gevoel zijn evenwicht te verliezen
závrať
/ˈdœy̆zənt/
noun
1000
tisíc
noun
řebříček obecný
noun
1. geleedpotig dier met een groot aantal poten uit de klasse Chilopoda
stonožka
ordinalAdjective
tisící
noun
1. oude munt
dukát
verb
1. bereid zijn iets ongestraft te laten
snést
/dʏn/
adjective
2. van geringe dikte
tenký
verb
1. voorkomen
zdát se
noun
1. deel van het spijsverteringskanaal tussen de maag en de dikke darm
tenké střevo
adjective
durální
/'dyːrə(n)/
verb
1. een bepaalde tijd in beslag nemen
trvat
conjunction
1.om die reden, daarom
takže
verb
niet goedkoop
drahý
/dy.ʋǝⁿ/
verb
1. door druk uit te oefenen doen voortbewegen
tlačit
noun
1.
bludička
noun
1. iemand die onverstandig denkt en/of handelt
blázen
/dʋɑŋ/
noun
donucení
noun
1. een kledingstuk dat de drager bewegingsvrijheid van de armen en handen ontneemt
kozelec
adjective
nutkavý
/dʋɑrs/
adverb
1.
přes
/ˈdwɑrzbomə(n)/
verb
1. tegenwerken, moeilijkheden geven
překazit
/ˈdʋɑrsflœʏt/
noun
1. een blaasinstrument dat dwars op de lippen geblazen wordt
příčná flétna
noun
1. iemand die niet bereid is tot medewerking, die zich overal tegen verzet
kazišuk
noun
1. een buitengewoon klein mens
trpaslík
noun
1. Anser erythropus
husa malá
noun
1.
trpasličí planeta
noun
1. kleinste soort van de vinvissen, Balaenoptera acutorostrata
plejtvák malý
verb
1. iemand tegen zijn wil iets opleggen
donutit
noun
springstof waarin nitroglycerine door een poreuze stof wordt vastgehouden
dynamit
noun
dynamo
adjective
1. betrekking hebbend op een erfelijke heerser
dynastický
noun
1. rode loop, bloeddiarree
úplavice
noun
1. slikstoornis
dysfagie
noun
1.
dysfemismus
/dɪslɛkˈsi/
noun
1. het onvermogen om woorden, waarvan men wel de letters ziet, in hun betekenis te vatten
dyslexie
noun
1. scheikundig element met symbool Dy en atoomnummer 66
  1. dysprosium
  2. dysprozium
noun
dystymie
pronoun
  1. 1. een district in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
  2. 1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Düren
noun
1. een getijde waarbij het water van de zee zakt, in tegenstelling tot vloed, waarbij het water stijgt
odliv
/ˈɛ.xo/, /ˈɛ.χo/
noun
1. een hoorbare terugkaatsing van een gemaakt geluid
ozvěna
noun
1. het dwangmatig herhalen van woorden of zinnen, zonder de betekenis ervan daadwerkelijk te doorgronden
echolálie
noun
echolokace
adjective
2. waarachtig, juist, niet vervalst
skutečný
noun
1. mensen die met elkaar getrouwd zijn
manželé
conjunction
1. een beperkende tegenwerping, introduceert een zin(sdeel) dat het voorgaande zin(sdeel) beperkt
však
/ˈɛxtxəˌnot/
noun
1. een mannelijke huwelijkspartner
  1. choť
  2. manžel
/ˈɛxtxəˌnotə/, /ˈɛχtχəˌnotə/
noun
1. een vrouwelijke huwelijkspartner
  1. manželka
  2. žena
  3. choť
noun
1. twee mensen die met elkaar getrouwd zijn
manželé
noun
1. formele verbreking van een huwelijksband
rozvod
noun
1.
éclair
adjective
eklektický
/ˌe.ko.lo.ˈɣi/, /ˌe.ko.lo.ˈχi/
noun
1. de tak van wetenschap die het samenspel tussen organismen onderling en hun relatie met hun omgeving bestudeert
ekologie
adjective
ekologický
/ˌe.ko.ˈlox/, /ˌe.ko.ˈloχ/
noun
1. een wetenschapper die het samenspel tussen organismen onderling en hun relatie met hun omgeving bestudeert
ekolog
noun
ekonometrie
noun
  1. 1. de leer die zich bezighoudt met de voortbrenging en verdeling van schaarse goederen en diensten
    ekonomie
  2. 2. het geheel van productie, handelsverkeer en diensten binnen een bepaalde regio
    1. hospodářství
    2. ekonomika
adjective
1. betreffende economie
  1. ekonomický
  2. hospodářský
noun
1. deskundige op het gebied van de economie
ekonom
noun
1. alle organismen in hun leefomgeving.
ekosystém
noun
ekoturistika
noun
1. de naam voor elk element uit de achtste chemische reeks van het periodiek systeem
vzácný plyn
noun
1. Cervus elaphus, hertensoort
jelen lesní
noun
1. een metaal dat niet licht aan corrosie of oxidatie ten prooi valt
ušlechtilý kov
adjective
velkodušný
noun
1. een stuk edelgesteente
  1. drahokam
  2. klenot
noun
vydání
/et/
noun
1. een plechtige verzekering dat men de waarheid spreekt of een belofte zal nakomen
přísaha
/ˈekˌhoːrn/
noun
1. benaming voor knaagdieren uit de familie Sciuridae
veverka
noun
1. Bolletus edulis, een eetbare paddenstoel
hřib smrkový
noun
1. verdikking van de huid
mozol
adjective
jeden
verb
darovanému koni na zuby nehleď
phraseologicalUnit
1. iets kopen zonder te weten wat de koopwaar is
  1. koupit zajíce v pytli
  2. kupovat zajíce v pytli
/enˈtwetʲə/
noun
1.
narážečka
noun
vraní oko čtyřlisté
/eːnt/
noun
1. benaming voor veel watervogels uit de familie Anatidae
kachna
noun
1. insect uit de orde Ephemeroptera
jepice
noun
kachní játra
/enˈdœydəx/
adjective
1. zonder twijfel
jednoznačný
/ˌe.nən.ˈtʋɪn.təχ/
cardinalNumeral
1. het getal 21
  1. dvacet jedna
  2. jednadvacet
cardinalNumeral
1. het getal 41
čtyřicet jedna
noun
  1. 1. bij elkaar horend geheel met kenmerkende eigenschappen
    jednota
  2. 2. maat waarin hoeveelheden worden uitgedrukt
    jednotka
noun
1. een matrix waarvan alle diagonale elementen 1 zijn en alle andere 0
jednotková matice
noun
jednorožec
adjective
1.
jednoslabičný
adjective
1. in het bezit van (slechts) één oog
jednooký
noun
1. kamer voor het verblijf van één persoon (bijvoorbeeld in een hotel of ziekenhuis)
jednolůžkový pokoj
adjective
1. dezelfde mening hebbend
jednomyslný
adjective
jednojazyčný
/eːnˈvɑudəx/, /eːnˈvɑudəχ/
adjective
1. niet ingewikkeld
jednoduchý
noun
1.
jednokolka
noun
1. de hoedanigheid van het eenzaam zijn
  1. osamělost
  2. samota
adjective
1. met of aan één kant, belang, partij etc.
jednostranný
/er/
noun
1. aanzien, roem
čest
/ˈɪːrɣɪstərə(n)/, /ˈɪːrχɪstərə(n)/
adverb
1. de voorlaatste dag die voltooid is
pøedevèírem
/ˈeːrlək/
adverb
1. vrij van leugen en bedrog
poctivý
noun
1. het vertellen van de waarheid
poctivost
noun
1. nummer één in een volgorde
první
noun
nominativ
phraseologicalUnit
1. grammaticale term die de spreker of sprekers aanduidt.
první osoba
pronoun
1. een militair conflict op wereldschaal, dat van 28 juli 1914 tot 11 november 1918 plaatsvond
První světová válka
noun
1. de medische zorg die direct toegankelijk is voor patiënten
primární péče
/ˈeːitbaːr/, /ˈeːtbaːr/
adjective
1. geschikt om gegeten te worden
jedlý
/ˈetkamər/
noun
1. een kamer waar maaltijden worden genuttigd
jídelna
/etlepəl/
noun
1.
lžíce
noun
1. de behoefte om voedsel tot zich te nemen.
chuť
noun
jídelní hůlka
noun
poruchy příjmu potravy
/eːu̯/
noun
1. een periode van 100 jaar
  1. století
  2. věk
noun
1. een feestelijke herdenking naar aanleiding van het honderdjarig bestaan van iets
sté výročí
/eːwɪx/, /eːʋəχ/, /eːβ̞əx/
adjective
1. voortdurend, zonder einde
věčný
/ɪːβ̞əχɛɪ̯t/
noun
1. alle tijd die nog zal komen
věčnost
/e.ˈfe.zə/
pronoun
1. in de oudheid een grote Ionische haven- en handelsstad
Efez
pronoun
1. boek in het Nieuwe Testament
Efezským
adverb
1. doeltreffend
  1. efektivní
  2. účinný
adjective
1. nuttig effect hebbend
  1. efektivní
  2. účinný
noun
1. de mate waarin nuttig gebruik gemaakt wordt van het beschikbare bij een bepaald proces
efektivita
/ɛx/, /ɛχ/
noun
1. een landbouw- of tuinbouwwerktuig dat gebruikt wordt voor het zaaiklaar maken van de grond
brány
verb
srovnat
adjective
rovnostářský
/ˈexəl/
noun
1. bepaald soort zoogdier Erinaceus europaeus
  1. ježek
  2. jež
noun
1. wilde roos met gestekelde takken, geurige blaadjes, felroze bloemen en scharlaken bottels
šípek
pronoun
Egejské moře
/xxxx/
noun
1. het uitsluitend op eigen belangen en gewin uit zijn
  1. sobectví
  2. egoismus
noun
1. een zelfzuchtig persoon
egoista
/e.ˈɣɪp.tə/, /e.ˈχɪp.tə/
pronoun
1. een Arabisch land op de grens van Afrika en Azië
Egypt
noun
egyptologie
/ɛɪ/, /ɛɪ̯/, /ɛː/
noun
1. dierlijk voedingsmiddel voor de mens in een schaal
  1. vejce
  2. vajíčko
noun
1. bepaald soort zeevogel, Somateria mollissima
kajka
noun
1. pasta bereid met ei
vaječné těstoviny
noun
1. het geslachtsorgaan van de vrouw waarin eicellen gevormd worden
vaječník
/ˈɛi̯ɣə(n)/
adjective
vlastní
noun
1. iemand die iets in eigendom heeft
majitel
/'ʔɛɪɣəndɔm/
noun
1. eigendomsrecht
vlastnictví
noun
1. een naam waardoor men een mens, dier of ding zich van andere van dezelfde soort onderscheidt
  1. vlastní jméno
  2. proprium
noun
1. een gegeven karakteristiek die eigen is aan een bepaalde persoon of zaak
vlastnost
/ɛi̯k/, /ɛːk/
noun
1. Quercus, een geslacht van loofbomen
dub
/ˈɛɪkəɫ/
noun
  1. 1. vrucht van de eik
  2. 2. top van een penis
žalud
/ɛɪ̯kə(n)/, /ɛːkə(n)/
adjective
1. vervaardigd van het hout van de eik
dubový
/ɛilɑnt/
noun
1. een stuk land dat omringd is door water
ostrov
/ˌɛilɑnt ˈmɛn/
pronoun
Ostrov Man
noun
1. deel van de geslachtsorganen van de vrouw
vejcovod
phraseologicalUnit
1.
konec dobrý, všechno dobré
/ˈɛɪ̯ndə/, /ˈɛːndə/
noun
1. het punt in ruimte of tijd waar iets ophoudt
konec
adjective
1. een einde hebbende
konečný
noun
1.
konečno
noun
1. scheikundig element met symbool Es en atoomnummer 99
einsteinium
noun
žadatel
/ɛiwɪt/
noun
  1. 1. het deel van een ei waarin de dooier ligt
    bílek
  2. 2. een tot een klasse van polymere stoffen met een hoog moleculair gewicht...
    bílkovina
noun
ejakulace
verb
sperma uitwerpen
ejakulovat
noun
1. bepaald soort zwartwitte kraaiachtige vogel, Pica pica
straka
noun
1. een oude lengtemaat gebaseerd op de lengte van de menselijke ellepijp, gewoonlijk 60 à 70 cm
loket
/ɛl.ˈsɑl.va.dɔr/, /ɛɫ.ˈsɑɫ.va.dɔr/
pronoun
1. land in Midden-Amerika dat grenst aan Guatemala, Honduras en de Stille Oceaan
  1. Salvador
  2. Salvádor
  3. El Salvador
noun
1. een groot hert uit de poolstreken met een opvallend groot en breed vertakt gewei
los
noun
pružnost
adjective
1. rekbaar
  1. elastický
  2. pružný
pronoun
1.
Labské pískovce
adverb
1.
jinde
noun
1.
voličstvo
/eləˈɣɑnt/
adverb
1. een prettige uitstraling hebbend door de subtiele afwerking
elegantní
noun
1. vakman op gebied van elektriciteit
elektrikář
/eˌlɛktrɪsiˈtɛɪt/
noun
2. de elektrische stroom als energiedrager
elektřina
noun
1. een krachtcentale waar elektriciteit wordt opgewekt
elektrárna
adjective
1. door middel van elektriciteit
elektrický
abbreviation
1. hersenfilm
elektroencefalogram
noun
elektrochemie
verb
1. doden of ter dood brengen door elektrische stroom
popravit na elektrickém křesle
noun
elektroda
adjective
elektrolytický
noun
1. een magneet waarvan het veld door een elektrische stroom veroorzaakt wordt
elektromagnet
adjective
elektromagnetický
noun
elektřina a magnetismus
noun
elektromotor
noun
1. een van de elementaire deeltjes, het lichtste deeltje met een elektrische lading
elektron
noun
1. de tak van elektrotechniek die zich bezighoudt met het gedrag van elektronen...
elektronika
adjective
elektronický
noun
elektronvolt
noun
1. de studie en praktische toepassing van alles wat met elektriciteit en elektromagnetisme te maken heeft
elektrotechnika
adjective
elektrotechnický
noun
elektroléčba
noun
1. legering van goud en zilver
elektrum
noun
prvek
noun
elementární částice
cardinalNumeral
1. het getal 11
jedenáct
/ˈɛlf.də/, /ˈɛlv.də/
ordinalAdjective
1. nummer elf in een rij
jedenáctý
noun
1. haringachtige, die paait in de bovenloop van rivieren en beken en ooit inheems was in de Benelux, Alosa alosa
placka pomořanská
verb
  1. 1. verwijderen uit de vergelijking
  2. 2. verwijderen uit de bevolking, doden
eliminovat
adjective
elitářský
adjective
1.
alžbětinský
noun
1. Gewricht
loket
noun
1. armoedige, beklagenswaardige omstandigheden
bída
adjective
1. erg onaangenaam
nešťastný
/ˈɛləpɛɪp/, /ˈɛləpɛːp/
noun
bot in de onderarm
loketní kost
noun
1. twee-dimensionale figuur die wordt gevormd door alle punten waarvoor de som ...
elipsa
noun
1. boomsoort
olše
/ˈɛlzɑs/
pronoun
1. regio in Frankrijk
Alsasko
/ɛlˈzɑsis/
noun
1. Een verzameling Alemannische dialecten die in de Elzas (Frankrijk) gesproken worden
alsasky
noun
1. concrete figuur voor een abstract begrip
emblém
noun
embolie
noun
1. een organisme in het eerste ontwikkelingsstadium na de bevruchting
  1. embryo
  2. zárodek
adjective
2. betrekking hebbend op de ongeboren vrucht van een organisme
embryonální
noun
emigrace
/ˌemiˈχrɪːrə(n)/
verb
1. naar het buitenland verhuizen
emigrovat
/emɪˈraːt/
noun
1. gebied van een emir
emirát
/ˈɛmər/
noun
1. busvormig vat (met hengsel), waarin men vloeistoffen of vaste stoffen kan verplaatsen
  1. kýbl
  2. vědro
  3. kbelík
noun
1. bepaalde soort drietenige vogel Dromaius novaehollandiae
emu
noun
1. ideogrammen die worden gebruikt in Japanse elektronische berichten en webpagina's
emodži
noun
1. hevig gevoel, sterke gemoedsbeweging
emoce
adjective
1. zeer vatbaar voor gevoelens
emocionální
/ˌɛmpiˈri/
noun
empirie
adjective
1. wat op ervaring of proefneming berust
  1. empirický
  2. zkušenostní
noun
stof die helpt bij het mengen van twee stoffen die normaal gesproken niet of moeilijk mengbaar zijn
emulgátor
noun
emulze
conjunction
a
conjunction
1. zowel afzonderlijk van als gezamenlijk met elkaar
a/nebo
/ˌɛnsiklopeˈdi/
noun
1. een gestructureerde en geschreven verzameling van menselijke kennis, in boekvorm of digitaal
encyklopedie
noun
1. laatste deel van het spijsverteringskanaal vlak voor de anus
konečník
adjective
1. van nature alleen in een specifiek gebied voorkomend
endemický
noun
1. ontsteking van de hartwand
endokarditida
adjective
1. met inwendige afscheiding in de bloedstroom, hormonaal
endokrinní
noun
1. de wetenschap die zich bezighoudt met de afscheidingen van klieren in het lichaam
endokrinologie
noun
endokrinolog
adjective
1. van binnen uit
endogenní
noun
1. baarmoederslijmvlies buiten baarmoeder
endometrióza
noun
endoskop
adjective
1. waarbij warmte opgenomen wordt
  1. endotermický
  2. endotermní
/enər'ʒi/, /enɛr'ʒi/
noun
1. het vermogen iets te doen
energie
noun
  1. 1.
  2. 2.
energetická krize
adjective
1. angst veroorzakend
děsivý
noun
1. hemels wezen
anděl
noun
  1. 1. deel van het Verenigd Koninkrijk
  2. 2. pars pro toto voor Verenigd Koninkrijk
Anglie
/ˈɛ.ŋ(g)əls/, /ˈɛ.ŋɔɫs/, /ˈɛ.ŋəɫs/
adjective
1. als van, in of betrekking hebbend op Engelsen, Engeland of het Engels
  1. anglický
  2. angličtina
/ˈɛ.ŋ(g)əls/, /ˈɛ.ŋɔɫs/, /ˈɛ.ŋəɫs/
pronoun
1. de taal
  1. angličtina
  2. anglicky
  3. anglický
noun
1. een grotere en lagere uitvoering van de hobo
anglický roh
/ɛ.ŋɔɫs.mɑn/, /ɛ.ŋəls.man/, /ɛ.ŋəɫs.mɑn/
noun
1. iemand die in Engeland woont
Angličan
adjective
2. uniek
jediný
noun
1. gewricht dat de voet met het been verbindt
kotník
noun
2. een band die om de enkel wordt gedragen
nákotník
noun
jedinec
noun
1. een woord dat in die vorm naar één voorwerp of mens verwijst of dat aanduidt dat slechts één persoon de handeling uitvoert
  1. jednotné číslo
  2. singulár
/ɑŋ.ˈkɛː.tə/, /ɑ̃.ˈkɛt/
noun
1. een vragenlijst die aan meerdere personen wordt voorgelegd
anketa
noun
1. ontsteking van de ingewanden
enteritida
/ɛntuˈʒɑs/, /ˌɑn.ty.ˈʒɑst/
adjective
1. hartstochelijk, met geestdrift
nadšený
noun
entita
noun
entomologie
noun
1. een getal evenredig met de logaritme van het aantal realiseringmogelijkheden, ook wel gedefinieerd als de reversibele warmte gedeeld door de temperatuur
entropie
noun
1. papieren omslag voor brieven
obálka
/ɛnˈzim/
noun
1. een organische molecuul dat biologische reacties mogelijk maakt of versnelt zonder daarbij zelf...
enzym
adjective
eocén
/ˈepɛnˌtezɪs/
noun
1. invoeging van middenlank
epentéza
noun
1. het punt op het aardoppervlak loodrecht boven de haard van de aardbeving
epicentrum
/epideˈmi/
noun
1. besmettelijke ziekte die zich snel verspreidt onder een groep van mensen
epidemie
noun
epidemiologie
adjective
1. met betrekking tot verspreiding van ziekten onder (delen) van de bevolking
epidemiologický
adjective
epidemický
adjective
1. behorend tot de opperhuid
epidermální
/epidyraɫ/
adjective
1. buiten het harde hersenvlies en de ruimte aan de buitenzijde van het harde ruggenmergvlies
epidurální
/ˌepiˈfizə/
noun
1. een klier die onderdeel is van de epithalamus en melatonine uitscheidt
  1. epifýza
  2. šišinka
noun
epifyt
noun
1. het vakgebied binnen de genetica dat de invloed bestudeert van de omkeerbare erfelijke veranderingen in de genexpressie die optreden zonder wijzigingen in de sequentie (volgorde van de basenparen) van het DNA in de celkern
epigenetika
noun
epigrafika
noun
1. vallende ziekte, toevallen
epilepsie
adjective
epileptický
noun
1. een naschrift toegevoegd aan een boek of film
doslov
adjective
epický
adjective
  1. epistolární
  2. epistulární
noun
1. dekweefsel, bovenste laag van de huid en slijmvliezen
epitel
adjective
het epitheel betreffend
  1. epiteliální
  2. epitelový
  3. epithelový
noun
1. vijfde letter uit het Griekse alfabet ε
epsilon
noun
1. een denkbeeldige cirkel die op een hemellichaam het noordelijk van het zuidelijk halfrond scheidt
rovník
/ˌe.kwa.toː.ri.al.ɣi.ˈne.ja/, /ˌe.kʋa.to̝ː.ri.aɫ.χi.ˈne.ja/, /ˌe.kβ̞a.toː.ri.aɫ.ɣi.ˈne.ja/
pronoun
1. een land in Afrika grenzend aan Gabon en Kameroen
Rovníková Guinea
noun
1. passage van de zon door het vlak van de evenaar
rovnodennost
noun
1. een scheikundig element en zilverwit lanthanide met het symbool Er en het atoomnummer 68
erbium
noun
1. oprichting van het mannelijk lid
  1. erekce
  2. ztopoření
noun
1. een groot geslacht van planten waarvan er 23 wilde soorten bekend zijn in Nederland
rozrazil
noun
1. grond behorend bij boerderijhuis
dvůr
adjective
1. wat op genetische wijze door nazaten verkregen kan worden
dědičný
noun
1. degene die andermans nalatenschap erft
dědič
noun
1. overerfbare, langdurige of eeuwige pacht
emfyteuze
pronoun
1.
Erfurt
noun
1. schending van Gods regels door de eerste mens Adam als last die op ieder mens rust
prvotní hřích
adverb
někde
noun
ergonomie
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Eris
/ˌeː.ri.ˈtre.ja/, /ˌɪː.ri.ˈtre.ja/
pronoun
1. een Afrikaans land grenzend aan Soedan, Ethiopië, Djibouti en de Rode Zee
Eritrea
/eriˈtres/
adjective
1. met betrekking tot of afkomstig van Eritrea
eritrejský
verb
  1. 1. inzien, toegeven
  2. 2. als wettig, echt, juist aanvaarden
uznat
noun
1. een bevestiging van de juistheid of geldigheid van iets
uznání
/ˈɛrkər/
noun
1. uitbouw aan een gevel
arkýř
pronoun
1. + 2. stad en stadsdistrict
Erlangen
noun
1. stemming waarin men de dingen in hun wezenlijke waarde wil zien
vážnost
adjective
1.
erotogenní
noun
1-2. beschadiging en afslijting
eroze
noun
1. kunst die nadrukkelijk seksuele activiteiten laat zien
erotika
adjective
erotický
noun
1. steen
ruda
pronoun
1.
Krušné hory
adjective
erudovaný
noun
2. het uitstoten van gassen, rook en lava door een vulkaan
sopečná erupce
adjective
1. bekwaam door ervaring
zkušený
noun
1. een vorm van kennis
  1. zkušenost
  2. zážitek
/ˈʔɛr.və(n)/
verb
1. de eigendommen van een overledene, meestal een familielid, rechtens verkrijgen
dědit
noun
1. een bepaalde peulvrucht, een groentesoort
  1. hrách
  2. hrášek
noun
1. een groenige, lobbige soep vervaardigd van erwten
hrachová polévka
noun
erysipel
noun
1. bepaald soort loofboom Fraxinus excelsior
jasan
noun
eskalace
verb
1. stapsgewijs toenemen in omvang, intensiteit
eskalovat
/ɛsˌxatolo'gi/
noun
eschatologie
/ˈɛzdorᵊn/
noun
1. boom of heester uit het geslacht (
javor
noun
1. een kleine tactische eenheid bij de cavalerie (tegenwoordig gemechaniseerd of gemotoriseerd) of ...
eskadrona
adjective
esoterický
noun
1. bepaald soort loofboom, Populus tremula
osika
pronoun
1. een internationale kunsttaal die oorspronkelijk ontworpen is door Ludovico Zamenhof
esperanto
noun
1. geconcentreerde koffie
  1. espresso
  2. espreso
  3. expreso
  4. piccolo
  5. preso
  6. presso
noun
1. het meeste belangrijke
esence
adjective
1. zeer belangrijk
  1. esenciální
  2. esenční
  3. podstatný
/ɛsˈter/
pronoun
3. meisjesnaam
Ester
noun
1. een koolstofverbinding met de functionele groep -C(=O)-O-C-
ester
/ɛsˈtetiˌka/
noun
1. het filosofisch discours over het wezen van kunst of het wezen van schoonheid
estetika
adjective
estetický
/ˈɛstis/, /ˈɛstɪs/
pronoun
1. een taal die vooral wordt gesproken in Estland
  1. estonský
  2. estonština
/ˈɛslɑnd/, /ˈɛstlɑnt/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa dat grenst aan Letland en Rusland
Estonsko
noun
estuár
noun
1. dat wat iemand tot zich neemt om diens metabolisme in werking te houden
  1. jídlo
  2. jíst
verb
1. het nuttigen van voedsel
jíst
noun
1. C₂H₆
  1. etan
  2. ethan
/etaˈnɔl/
noun
1. een chemische verbinding met twee koolstofatomen en een alcoholgroep
  1. ethanol
  2. etanol
noun
ethen
noun
1. een organische verbinding met de functionele groep R-O-R'
éter
noun
1. een praktische wijsbegeerte die zich bezighoudt met wat goed en kwaad is
etika
adjective
1.
etiopský
/ˌe.ti.ˈjo.pi.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika grenzend aan Eritrea, Djibouti, Somalië, Kenia en Soedan
Etiopie
adjective
etický
noun
koolwaterstofgroep
  1. ethyl
  2. etyl
noun
1. stuk papier met informatie dat ergens opgeplakt zit
etiketa
noun
1. onderdeel van de pathologie dat zich bezighoudt met de oorzaken van ziekten
etiologie
adjective
etnický
noun
etnografie
/ɛtnoːloːɣi/, /ɛtnoːloːʝi/
noun
etnologie
/ɛtər/
noun
1. wittig vocht met witte bloedlichaampjes en bacteriën dat bij een ontsteking afgescheiden wordt
hnis
noun
  1. 1. woordherkomst
  2. 2. studie naar oorsprong en verandering van vorm en betekenis van woorden
etymologie
adjective
1.
etymologicky
noun
1-2.
eufemismus
noun
  1. 1. eufonium
  2. 2. een instrument van gestemde glazen
eufonium
/ˌø.fo̝.ˈri/
noun
1. verhoogd gevoel van welzijn
euforie
adjective
euforický
noun
eugenika
/œykɑriotən/
noun
2. een van de drie taxonomische domeinen, Eukaryota
eukaryota
noun
  1. eunuch
  2. kastrát
pronoun
1. de naam van de grootste landmassa op aarde die de continenten Europa en Azië omvat
Eurasie
interjection
1.
heuréka
/'øː.ro/, /'ɵː.ro/
abbreviation
1. munt en munteenheid
  1. euro
  2. eùro
noun
1. een betaalcheque die door Europese kredietinstellingen erkend wordt
eurošek
/øːˈroːpa/, /ʏːˈropa/
pronoun
1. een continent op het noordelijk halfrond, dat ten noorden van Afrika en ten westen van Azië ligt
  1. Evropa
  2. Europa
/ˌøːropeˈjaːn/, /ˌʏːropeˈjan/
noun
1. bewoner van het Europese continent of iemand die daarvan afkomstig is
Evropan
/øːroˈpeːs/, /ʏːroˈpes/
adjective
1. afkomstig van of betreffend het continent Europa
evropský
pronoun
Evropský soud pro lidská práva
pronoun
Evropský parlament
pronoun
Evropská centrální banka
pronoun
Evropská komise
pronoun
Evropský soud pro lidská práva
pronoun
Evropská investiční banka
pronoun
Evropský ombudsman
pronoun
Evropská rada
pronoun
Evropský účetní dvůr
/ˌøː.ro.ˌpe.sə.ˈy.ni/, /ˌʏː.ro.ˌpe.sə.ˈy.ni/
pronoun
unie van 27 Europese staten
Evropská unie
noun
1. scheikundig element met symbool Eu en atoomnummer 63
europium
pronoun
Eurotunnel
noun
1. handelingen die iemands leven beëindigen of het sterven bespoedigen, om pijn en lijden te verkorten
eutanazie
noun
eutrofizace
pronoun
1. eerste vrouw door God geschapen
Eva
noun
evakuace
/evɑky'erə(n)/
verb
evakuovat
noun
evangelium
adjective
1. Deelbaar door twee
sudý
/evəˈnar/, /ˈevənar/
noun
1. denkbeeldige cirkel die op een hemellichaam het noordelijk van het zuidelijk halfrond scheidt
rovník
adverb
1. ook, tevens
rovněž
noun
1. belangrijke gebeurtenis
akce
adjective
1. evenredig
proporcionální
adjective
eventuální
noun
1.
rovnováha
noun
1. in het wild levende voorouder van het varken Sus scrofa
  1. divočák
  2. kanec
  3. prase divoké
noun
1. wild varken
  1. divočák
  2. kanec
  3. prase divoké
/ˌevoˈlysi/, /ˌevoˈlytsi/
noun
1. ontwikkeling, verandering
  1. evoluce
  2. vývoj
noun
1. theorie over de stapsgewijze ontwikkeling van het leven
evoluční teorie
adjective
evoluční
prefix
bývalý
verb
1.aan een examen onderwerpen
zkoušet
adjective
excelentní
adjective
1. zonderling
excentrický
noun
1. schijf die...
excentrický
verb
excitovat
noun
1.
exciton
adjective
1. wat andere mogelijkheden uitsluit
výlučný
noun
exkomunikace
verb
popravit
adjective
uitvoerend
  1. výkonný
  2. exekutivní
noun
exegeze
/ɛksɛm'plar/
noun
1. een individueel voorbeeld ergens van
exemplář
noun
exhibicionista
noun
exhortace
noun
existencialismus
adjective
1. afscheidend door middel van een afvoerbuis
exokrinní
pronoun
Exodus
noun
exogamie
noun
1. een deel van het pre-mRNA dat de kern verlaat en dus getranscribeerd wordt
exon
noun
exonymum
/ɛ'ksot/
noun
1. een organisme dat zich heeft gevestigd in een land waar het oorspronkelijk niet vandaan komt
invazní druh
noun
exoplaneta
noun
exorcismus
noun
exosféra
/ˈɛk.so.ˌtɛrm/
adjective
1. waarbij warmte vrijkomt
  1. exotermický
  2. exotermní
adjective
1. vanuit verre vreemde landen
  1. cizokrajný
  2. exotický
noun
expanze
noun
expedice
adjective
expediční
noun
  1. pokus
  2. experiment
adjective
1.
experimentální
verb
1.
experimentovat
/ɛkˈspɛːr/
noun
1. iemand die bijzonder goed bekend is met een bepaald onderwerp
expert
noun
1. een computersysteem dat specifieke kennis van menselijke experts representeert en gebruikt om een probleem binnen een bepaald gebied op te lossen
expertní systém
verb
vybuchnout
noun
výbuch
adjective
1. ontplofbaar
výbušný
noun
1. ontplofbare stof of voorwerp
výbušný
noun
mocnitel
verb
1. goederen aan een afnemer in het buitenland verhandelen
vyvézt
noun
exportér
noun
expresionismus
/ɛk'stazə/
noun
1. een toestand van buiten zichzelf zijn door verrukking
extáze
/ɛkˈstɛnsi/
noun
1. het strekken van ledematen
přípona
adjective
  1. extensivní
  2. extenzivní
/ɛksˈtɛrn/
adjective
1. uitwendig
externí
adjective
1. bijkomend
  1. dodatečný
  2. extra
  3. navíc
adjective
1. buiten de cel gelegen
  1. extracelulární
  2. mimobunečný
noun
extrapolace
adjective
extravagantní
adjective
extravertní
noun
ultrapravice
pronoun
Extremadura
noun
extremismus
noun
1. iemand met radicale, extremistische standpunten, een aanhanger van een ideologie die ver van het politieke of maatschappelijke centrum ligt
extremista
pronoun
Ezechiel
/ˈezəɫ/
noun
1. bepaald paardachtig zoogdier, Equus asinus
osel
noun
1. vrouwelijke ezel
oslice
pronoun
Ezdráš
noun
1. verhoogde toon e
eis
noun
1. een der herautstukken; een horizontale band die het middelste derde deel van het veld van het wapen beslaat
břevno
/ˈfabəl/
noun
  1. 1. een kort moraliserend verhaal met dieren of zaken als handelende personen
  2. 2. een verzinsel
bajka
adjective
1. ongeloofwaardig
báječný
noun
1. plaats waar op industriële schaal productie bedreven wordt
  1. továrna
  2. fabrika
noun
tovární dělník
noun
výrobce
noun
1. een apparaat waarmee documenten per telefoon verzonden kunnen worden
fax
verb
fakturovat
noun
1. document met een beschrijving van goederen die een bedrijf (aan een ander bedrijf) geleverd heeft
faktura
noun
  1. 3. product van een reeks factoren
    faktoriál
  2. 1. hoofdafdeling van een universiteit
    fakulta
/ˈfæːrøːə̯r/, /ˈfɛːrʏːr/
pronoun
1. en 2., eilandengroep, land
Faerské ostrovy
adjective
1. gerelateerd aan of afkomstig uit Faeröer
faerský
pronoun
1. een Germaanse taal die wordt gesproken op de Faeröer
  1. faerština
  2. faersky
noun
1. vernietiging door een cel van schadelijke bestanddelen
fagocytóza
noun
1. (muziekinstrument) een houten blaasinstrument met dubbelriet
fagot
noun
fagotista
noun
fajáns
noun
1. (hulp)wetenschap die de vorm en de geschiedenis van de ridderorden én andere onderscheidingen bestudeert
faleristika
adjective
1. met betrekking tot het mannelijk lid
falický
/fa.ˈmi.li/, /fa.ˈmiː.lɪ̯ə/
noun
1. (bloed)verwantschap door een gemeenschappelijke oorsprong
rodina
noun
1. naam die van generatie op generatie en indien gewenst door het huwelijk overgedragen wordt
příjmení
noun
1. onderdeel van het burgerlijk recht m.b.t. de familiale verhoudingen tussen personen
rodinné právo
noun
  1. fanatismus
  2. fanatizmus
  3. fanatičnost
/foɱ.ˈfaːr/, /fɑn.ˈfa.rə/
noun
fanfára
noun
1. vermogen om nieuwe gedachten te kunnen vormen, mogelijk niet altijd op waarheid berust
fantazie
adjective
fantastický
noun
farad
/ˈfarao/
noun
1.
  1. faraon
  2. faraón
noun
mravenec faraon
noun
farmaceut
adjective
1. uit de farmacie, met betrekking tot de productie van geneesmiddelen
farmaceutický
noun
farmacie
noun
farmakologie
adjective
1. leer van de geneesmiddelen en de interactie tussen deze en een levend biologisch systeem betreffende
farmakologický
noun
fascinace
verb
1. iemands aandacht vasthouden
fascinovat
adjective
1. de aandacht opeisend
fascinující
/fɑˈsʲɪsmə/
noun
ideologie
fašismus
adjective
1. van het fascisme
fašistický
noun
1. periode als onderdeel van een langere ontwikkeling
fáze
noun
fázový prostor
adjective
1. noodlottig
osudný
/fɑt'sun/
noun
1. goede manieren
slušnost
noun
faun
/ˈfʌʊna/, /ˈfʌːna/
noun
1. het geheel aan dieren in een gebied
  1. fauna
  2. zvířena
/fo.tœj/
noun
1. Soort stoel
křeslo
noun
favorit
/fɑks/
noun
  1. 1. een apparaat waarmee documenten per telefoon verzonden kunnen worden
  2. 2. een per fax verzonden bericht
fax
noun
1. bepaald soort kleurrijke vogel, Phasianus colchicus
bažant
/fa.ˈsa.də/
noun
1. de zichtbare buitenmuur van een gebouw, specifiek die aan de voorkant
fasáda
adjective
1. koortsig
  1. febrilní
  2. horečkový
/febryˈwaːri/
noun
1. de tweede maand van het jaar
únor
pronoun
  1. 1. Russische revolutie
    Únorová revoluce
  2. 2. Franse revolutie
    Únorová revoluce 1848
adjective
1. met betrekking tot de ontlasting
  1. fekální
  2. výkalový
noun
federalismus
noun
1. een verbond van samenwerkende staten of lichamen die hun zelfstandigheid behouden
federace
/fe:/
noun
1.
víla
noun
1. een vermakelijke en vreugdevolle sociale gelegenheid
oslava
noun
svátek
noun
1. een extra lekkere, uitgebreide maaltijd die men met meerdere mensen gebruikt als een feestelijke gebeurtenis
hostina
/fɛi̯t/
noun
1. een gebeurtenis of omstandigheid die werkelijk gebeurd is
  1. fakt
  2. skutečnost
noun
1. het stimuleren van de penis met de mond, tong of keel
felace
noun
1. een zeilschip
feluka
noun
1. streven naar het opheffen van de achterstelling van vrouwen en vrouwelijke eigenschappen door een gelijkwaardige behandeling van mannen en vrouwen
feminismus
noun
femtosekunda
noun
femur
noun
plant en plantdelen van Trigonella foenum-graecum
pískavice
adjective
  1. fénický
  2. foinický
noun
fénix
noun
fenologie
/fenoˈmen/
noun
1. een verschijnsel
úkaz
adjective
fenomenální
noun
fenomenologie
adjective
feudální
noun
1.
fermion
noun
1. scheikundig element met symbool Fm en atoomnummer 100
fermium
noun
1. vervolgverhaal in een krant of tijdschrift, dan wel op de radio of televisie
fejeton
/fɛs/
noun
1. bepaald soort hoed van Turkse oorsprong
fez
noun
1.
fibrinogen
pronoun
1.
Smrčiny
noun
beletrie
adjective
fiktivní
/fits/
noun
1. tweewielig vervoermiddel dat door middel van spierkracht middels pedalen wordt voortbewogen
  1. jizdní kolo
  2. kolo
/ˈfitsərɛk/
noun
1. rek om fietsen te parkeren
kolostav
/ˈfiːtsər/
noun
1. iemand die met een fiets rijdt
cyklista
/ˈfitspɑt/
noun
1. een weggedeelte of vrijliggend pad dat is gereserveerd voor het gebruik door fietsers en snorfietsers.
  1. cyklostezka
  2. stezka pro cyklisty
/fi.ˈɣyːr/, /fi.ˈχyːr/
noun
postava
noun
1. een heel fijn zaagje in de vorm van een dun zaagblad dat verticaal wordt gespannen in een lange horizontale beugel
lupenková pilka
/ˈfi.(d)ʒi/, /ˈfi.dʒi/
pronoun
1. een land in Oceanië op het zuidelijk halfrond. Het bestaat uit 332 eilanden waarvan ongeveer 110 bewoond zijn
Fidži
adjective
1.
filantropický
noun
filatelie
/faɪl/
noun
1. lange rij met stilstaande of langzaam voortbewegende voertuigen of personen
dopravní zácpa
pronoun
3. naam van een boek uit het Nieuwe Testament
  1. Filemonovi
  2. Filemon
/ˌfi.li.ˈpɛɪ̯.nə(n)/, /ˌfi.lɪ.ˈpɛɪ̯.nə(n)/, /ˌfi.lɪ.ˈpɛː.nə(n)/
pronoun
1. republiek in Oost-Azië bestaande uit een archipel van 7107 eilanden
Filipíny
/fili'pɛɪns/
pronoun
1. de officiële taal van de Filipijnen
filipínský
pronoun
Filipským
noun
  1. 3. een opname van bewegende beelden die een verhaal vertelt
  2. 1. een dunne laag
  3. 2. een dun en oprolbaar medium om beelden op te nemen in een camera
  4. 4. de filmindustrie
film
noun
1. feestelijk evenement waarbij het tonen van films centraal staat
filmový festival
noun
filologie
/filozoˈfi/
noun
1. de oudste theoretische discipline die het verlangen heeft en streeft naar kennis en wijsheid
  1. filosofie
  2. filozofie
adjective
1.
filozofický
/fɪltər/
noun
1. een voorwerp met kleine gaatjes waar water of gassen doorheen kunnen om gezuiverd te worden
filtr
noun
1. filtrering
filtrace
adjective
1. te filteren
  1. filtrabilní
  2. filtrovatelný
noun
2. het slotstuk van een meerdelig toneel- of muziekstuk
finále
adjective
1. met betrekking tot geld, geldelijk
finanční
verb
1. voorzien van de benodigde geldmiddelen
financovat
verb
předstírat
/ˈfɪnlɑnd/, /ˈfɪnlɑnt/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa
Finsko
/fɪns/
adjective
1. betreffende Finland of het Fins
  1. finský
  2. finská
  3. finské
/fɪns/
pronoun
1. een taal die wordt gesproken in Finland
  1. finština
  2. finský
pronoun
1.
Finský záliv
noun
  1. 1. een handelsvennootschap waarbij de vennoten hoofdelijk voor het geheel aansprakelijk zijn
  2. 2. een zaak of bedrijf
firma
noun
1. software die in hardware ingeprogrammeerd is
firmware
adjective
fiskální
noun
1. een kanaalvormige zweer
píštěl
/ 'fɪt /
adjective
in goede lichamelijke conditie
fit
/fjɔrd/, /fjɔrt/
noun
1. een bepaald type van inham in een bergachtige kust, gekenmerkt door steile wanden die door gletsjerwerking zijn uitgesleten
fjord
noun
1. bepaald soort roze reigerachtige waadvogel met een haakvormige snavel...
plameňák
noun
1. een textielsoort van los gesponnen garen, gewoonlijk van geruwde wollen of katoenen stof, ...
flanel
adjective
2. in overdrachtelijke zin smakeloos
chabý
noun
1. scheikundig element met symbool Fl en atoomnummer 114
flerovium
noun
1. een langgerekt, cilindrisch en meestal van glas vervaardigd vat met een nauwe hals die met een dop of kurk af te sluiten is
  1. láhev
  2. flaška
adjective
lahvově zelená
/ˈflevoˌlɑnt/, /ˈfleːvoˌlɑnd/, /ˈfleːvoˌlɑnt/
pronoun
1. een provincie in het midden van Nederland, die door het IJsselmeer...
Flevoland
/flɛkˈsibəl/
adjective
1. het vermogen hebbend gebogen te worden
flexibilní
/ˈflɛk.si/
noun
  1. 2. vormverandering van een woord
  2. 1. een buiging, een buigbeweging in een gewricht door de buigspieren
  1. flexe
  2. ohýbání
/ˈflɔrəns/
pronoun
2. de hoofdstad van Toscane
Florencie
pronoun
1.
Florida
noun
flotila
/floˈem/
noun
1. het levende gedeelte van de vaatbundels in planten
lýko
verb
1. spreken met gedempte stem
šeptat
noun
  1. 1. buisvormig blaasinstrument
  2. 4. een slank drinkglas
  3. 3. een scheepstype
flétna
verb
1. een fluit bespelen
  1. pískat
  2. hvízdat
noun
1.
pišťucha
noun
čajník
noun
1. een chemisch element en een geelgroen halogeen
fluor
noun
fluorid
noun
1. een zachte, fijngeweven stof, waarbij rechtopstaande pluizen, de zg. pool van zijde...
samet
noun
1. een vidaduct ter voorkoming van een gelijkvloerse kruising
nadjezd
noun
1. een ziekelijke vrees
fobie
/ˈfokʏs/
noun
2. een punt of verzameling van punten waar alle stralengangen samenkomen
  1. ohnisko
  2. fokus
/ˈfu.li/
noun
1. Myristica fragrans
muškátový květ
adjective
1. met betrekking tot het ongeboren kind
fetální
noun
1. een nog niet voldragen menselijke of dierlijke vrucht
  1. plod
  2. fétus
  3. fetus
noun
A 1. driehoekig zeil bevestigd aan de voorstag
kosatka
noun
1.
  1. fólie
  2. folie
noun
1. alles wat een volk creëert of heeft gecreëerd
folklór
noun
3. effect (waardepapier)
investiční fond
noun
fondue
noun
1.
foném
/ˌfoneˈtik/
noun
1.
fonetika
adjective
fonetický
/ˌfonoloˈɣi/
noun
1.
fonologie
/ˌfonɔˈloɣ/
noun
1. een persoon die fonologie gestudeerd heeft
fonolog
noun
  1. 1. nog niet verbeende plek in de schedel van een baby
  2. 2. beschermkoker bij sommige oude muziekinstrumenten
fontanela
/fɔnˈtɛɪn/, /fɔnˈtɛːn/
noun
1. kunstmatige bron, aangelegd om water omhoog te spuiten
  1. fontána
  2. kašna
noun
dudlík
noun
1. benaming voor zalmachtige zoetwatervissen uit de geslachten Salmo, Salvelinus en Oncorhynchus
pstruh
adjective
1. (juridisch) betrekking hebbend op justitie
forenzní
noun
1.
formaldehyd
noun
1. een resonantie (een significante smalle piek) op een bepaalde frequentie
formant
verb
2. de harde schijf of een verwisselbare schijf volledig leeghalen
formátovat
/fɔrˈmel/
adjective
1. met inachtneming van strikte omgangsvormen
formální
noun
formule
/fɔrmyˈlir/
noun
1. een stuk papier waarop voorgedrukte vragen kunnen worden beantwoord
formulář
noun
1. vroeg in het voorjaar geel bloeiende sierheester / chinees klokje
zlatice
noun
1. een zout van een van de vormen van fosforzuur
fosfát
noun
1. met symbool P en atoomnummer 15
fosfor
noun
kyselina fosforečná
noun
1. giftig gas met de molecuulformule COCl₂
fosgen
adjective
fosilní
noun
1 en 2
  1. foto
  2. fotka
noun
fotografické album
noun
1. een toestel om mee te fotograferen
  1. fotoaparát
  2. fotografický aparát
  3. foťák
noun
fotochemie
noun
1. lichtschuwheid
fotofobie
adjective
1.op foto's een voordelige indruk makend
fotogenický
noun
1. iemand die fotos maakt
fotograf
verb
1. een afbeelding maken door de projectie van beeld op een lichtgevoelige laag
  1. fotografovat
  2. vyfotografovat
  3. fotit
noun
1. de kunst om door chemische inwerking van licht op een gevoelige plaat afbeeldingen te maken
  1. fotografie
  2. focení
  3. fotografování
noun
1. een fotografisch gemaakte kopie
fotokopie
noun
1. een elementair deeltje waaruit elektromagnetische straling is samengesteld
foton
noun
1.
fotosyntéza
noun
1. een toestel om mee te fotograferen
  1. fotoaparát
  2. foťák
  3. fotografický aparát
verb
1. iemand aftasten of er iets op het lijf gedragen wordt
prošacovat
noun
Fourierova transformace
/fɑut/
noun
1. vergissing, onjuistheid
  1. chyba
  2. omyl
noun
1. naam voor twee verschillende hondenrassen n.l. de gladharige foxterriër...
foxteriér
/fwɑ.ˈjeː(r)/, /fʋa.ˈje/
noun
1. verzamelplaats, zaal voor de verpozing (bijvoorbeeld in een hotel of schouwburg)
foyer
/frɑkˈtal/
adjective
1. betrekking hebbend op fractalen
fraktální
/frɑkˈtal/
noun
1. een wiskundige figuur waarvan de maat bij schaalvergroting verandert met een niet-gehele macht van de schaal
fraktál
/ˈfræk.təl/, /ˈfrɛk.təl/
noun
2. wiskundige figuur waarvan de maat bij schaalverandering verandert met een niet-gehele macht van de schaal
fraktál
/ˈfrɑksi/
noun
  1. 2. gezamenlijke vertegenwoordigers van een politieke partij in een volksvertegenwoordiging
    frakce
  2. 1. een klein deel
    zlomek
adjective
1. kwetsbaar, breekbaar
fragilní
noun
fragment
noun
fragmentace
noun
2. vrucht van de frambozenstruik
malina
adjective
malinová červená
noun
1. een scheikundig element met symbool Fr en atoomnummer 87
francium
noun
1. reeks afhangende draden die ter versiering aan de rand van een kleed of kledingstuk gehangen worden
  1. třepení
  2. třáseň
noun
1. benaming voor vogels uit het geslacht Phalaropus
lyskonoh
/frɑŋk/
noun
munteenheid
frank
pronoun
Frankfurt nad Mohanem
/ˈfrɑŋkrɛɪ̯k/, /ˈfrɑŋkrɛːk/
pronoun
1. een West-Europees land, grenzend aan België, Luxemburg, Duitsland, Zwitserland, Italië, Monaco, Spanje en Andorra
Francie
/frɑns/
adjective
1. betreffende Frankrijk of het Frans
  1. francouzský
  2. francouzština
/frɑns/
pronoun
1. een Gallo-Romaanse taal die vooral gesproken wordt in Frankrijk, België, Luxemburg...
  1. francouzština
  2. francouzsky
  3. francouzský
pronoun
Francouzská Guyana
pronoun
Francouzská Polynésie
/ˈfrɑns.man/, /ˈfrɑns.mɑn/
noun
1. iemand uit Frankrijk
Francouz
adjective
1. de Franse taal sprekend
frankofonní
noun
1. een aantal woorden die een begrip uitdrukken, vaak een zinsdeel, soms een hele zin
fráze
/fratər/
noun
1. bepaald soort vogel, Linaria flavirostris
konopka žlutozobá
noun
1. bedrog of gesjoemel door valsheid in geschrifte
podvod
noun
frézka
noun
1.
freeware
noun
  1. 1. Oorlogsschip
  2. 2. Driemaster
fregata
noun
fregatka
noun
1,2. aantal keren of herhalingen per tijdseenheid
  1. frekvence
  2. kmitočet
noun
freska
noun
1. bepaald soort klein marterachtig zoogdier, Mustela putorius furo
fretka
/frɔɪdɪˈaːns/
adjective
1. volgens de leer van Sigmund Freud of zoals men vindt in diens geschriften en leerstellingen
freudovský
verb
1. frezen
frézovat
noun
1. en 2.
Frís
pronoun
  1. 2. benaming voor een Germaanse taal
    1. frísky
    2. fríština
  2. 1. Westerlauwers Fries
    1. západofrísky
    2. západofríština
/ˈfrislɑnd/, /ˈfrislɑnt/
pronoun
1. provincie in het nooren van Nederland
Frísko
noun
1. de benaming voor een gerecht van gefrituurde aardappelreepjes ('patat frites')
hranolek
adjective
1. zojuist schoongemaakt, prettig ruikend
osvěžující
noun
1. everjong
sele
adjective
frivolní
noun
  1. 2. gevechtslinie
  2. 2. begrenzing tussen twee luchtmassa's
fronta
adjective
1. met betrekking tot de voorkant van iets
frontální
noun
bepaalde suiker die veel in zoete vruchten voorkomt
fruktóza
/frœʏ̯t/, /frœːt/
noun
1. voedsel dat bestaat uit eetbare vruchten
ovoce
noun
1.
ovocný strom
adjective
1. van iets waarvan de verwachtingen in het geheel niet zijn uitgekomen
frustrující
noun
fuga
/fœyf/
noun
večírek
noun
1. een groot model blokfluit
fujara
noun
  1. 1. taak
  2. 2. positie binnen een bedrijf of organisatie
  3. 3. (wiskunde) afhankelijkheid tussen een element en een veranderlijke
  4. 4. (informatica) onderdeel van de broncode van een computerprogramma
funkce
adjective
funkční
verb
1. ~ als een bepaalde functie vervullen
fungovat
noun
1. een orthodoxe, antiliberale godsdienstige richting
fundamentalismus
adjective
1. aan de basis staande
fundamentální
noun
fungicid
/fʏt/
noun
1. de benodigde energie en zin ergens voor
energie
adjective
futuristický
noun
1. bepaald soort watervogel, Podiceps cristatus
potápka
adjective
1.
fylogenetický
/ˈfizika/
noun
1. de wetenschap van de materie en de bestudering van het gedrag en de interactie in ruimte en tijd
fyzika
noun
fyzik
noun
fyziologie
adjective
fyziologický
noun
fyzioterapie
noun
choroby rostlin
noun
1. plantaardig plankton
fytoplankton
/ɣaːn/, /χaːn/
verb
1. zich in een bepaalde richting bewegen
  1. jít
  2. chodit
/'ɣa.bɔn/, /ɣa.'bɔn/, /χa.'bɔn/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Gabonese Republiek
Gabon
adjective
1. op Gabon betrekking hebbend
gabonský
noun
1. echtgenoot, echtgenote
choť
/ɣadoˈlinijʏm/
noun
1. een scheikundig element met symbool Gd en atoomnummer 64
gadolinium
noun
1. bepaald soort zoogdier, Antilocapra americana
vidloroh
noun
1.
vrchní osvětlovač
noun
[A] 1. uit de lever afkomstig vocht dat een rol speelt in de spijsvertering, met name van vet
žluč
adjective
galaktický
adjective
1.erg vriendelijk en beleefd
galantní
pronoun
1. boek van het Nieuwe Testament
Galatským
noun
1. een peervormig hol orgaan dat aan de rechterkant van het lichaam, achter (d.w.z. meer naar binnen) en onder de lever ligt
žlučník
noun
1. een loodsulfide met de chemische formule PbS
galenit
noun
chodba
/χɑlx/
noun
1. houten constructie bestaande uit één of meer staande balken met een horizontale balk haaks daarop en één of meer diagonale balken ter ondersteuning, in het verleden veel gebruikt om mensen door ophanging ter dood te brengen
šibenice
adjective
  1. 1. een Spaanse regio in het noordwesten van het Iberisch schiereiland
  2. 2. betreffende het Galicisch
galicijský
pronoun
1. Romaanse taal gesproken in Galicië
galicijština
/ɣɑˈlisɪə/, /ʝɑˈlisɪə/
pronoun
  1. 1. Spaanse regio
    Galicie
  2. 2. historische landstreek
    Halič
pronoun
Galilea
noun
1. historisch zeilschip
galeona
adjective
1. betreffende het oude Gallië dan wel de Gallische taal
galský
pronoun
1. uitgestorven taal
galský
noun
1. een scheikundig element met symbool Ga en atoomnummer 31
  1. gallium
  2. galium
pronoun
Galie
noun
Gal
noun
1. Angelsaksische inhoudsmaat
galon
noun
1. de snelste gang van een paard
cval
verb
1.
běžet tryskem
noun
1. een vaste structuur in de galwegen of de galblaas bestaande uit neergeslagen cholesterol, bilirubine of kalkzouten
žlučový kámen
adjective
1. door een elektrochemisch proces aangebracht
galvanický
/'ɣɑm.bi.ja/, /'χɑm.bi.ja/
pronoun
1. een land in West-Afrika
Gambie
adjective
gambijský
noun
  1. 1. lange smalle ruimte
  2. 3. onderdeel van een maaltijd
chodba
/ˈɣɑŋ(g).pɑd/, /ˈɣɑŋ.pɑt/, /ˈχɑŋ.pɑt/
noun
1. een pad voor wandelaars, voetpad
ulička
/gɑŋ'gren/
noun
1. de afsterving en ontbinding van een levend organisme
gangréna
/ ˈgɛŋstər /
noun
1. een lid van een criminele organisatie
gangster
noun
1. benaming voor vogels uit de geslachten Anser en Branta
husa
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Ganymed
noun
1. orgaan dat een grote rol speelt in de stofwisseling van een gans (Anser anser), na het slachten vaak gegeten als delicatesse
husí játra
/ˈɣa.pə(n)/, /ˈɣaː.pə(n)/, /ˈχa.pə(n)/
verb
  1. 2. met open mond vol verwondering ergens naar kijken
  2. 3. wijd openstaan
  3. 1. heel diep inademen met de mond ver open, moeilijk om bewust tegen te gaan
zívat
/ɣa.ˈra.zʲǝ/
noun
  1. 2. een bedrijf dat reparatieservices aan motorvoertuigen verricht
    1. autoopravna
    2. autodílna
  2. 1. een overdekte autostalling
    garáž
/ɣarɑndɪːrə(n)/
verb
1. de uitkomst ergens van verzekeren
garantovat
/ɣa'rɑn(t)si/, /ɣa'rɑnsi/
noun
1. verklaring waarin men verklaart voor bepaalde gevolgen in te staan
garance
noun
kreveta
pronoun
1.
Garonna
/ɣɑs/, /χɑs/
noun
1. aggregatietoestand
plyn
noun
1. een buis waardoor verschillende materialen in gasvorm vervoerd kunnen worden
plynovod
/ɣɑst/, /χɑst/
noun
1. iemand die als bezoeker ergens wordt ontvangen, verwelkomd of op een bijzondere wijze behandeld
host
noun
1. een boek of elektronische versie daarvan waarin bezoekers hun opmerkingen achter kunnen laten
návštěvní kniha
noun
1.
hostinec
noun
  1. 1. een man
  2. 2. (biologie) een organisme
hostitel
noun
1. maagwandontsteking
gastritida
noun
gastroenteritida
adjective
1. met betrekking tot maag en darm
gastrointestinální
adjective
gastroezofageální
noun
gastronomie
/ɣɑstˈfrɛɪ/, /ʝɑstˈfrɛː/
adjective
1. gul in het onthalen of herbergen van gasten
pohostinný
noun
pohostinnost
noun
hostitelka
/ɣɑt/, /χɑt/
noun
1. opening
díra
noun
1. politieke beweging in Frankrijk ontstaan na de Tweede Wereldoorlog gekenmerkt door een sterke nationale republiek, eenheid en een sterk presidentschap
Gaullismus
noun
1. een curve
Gaussova křivka
noun
  1. 1. een bijzondere aanleg
  2. 2. een geschenk
dar
noun
gaviál
noun
gaydar
pronoun
1. exclave van Palestina tussen Egypte, Israël en de Middellandse Zee
Pásmo Gazy
noun
1. benaming voor slanke hoefdieren
gazela
noun
1. onderhouden, kort gemaaid grasveld bij een huis
trávník
noun
znakový jazyk
/ɣə'bɛt/
noun
1. het bidden
modlitba
noun
1. een verzameling van bergen die met elkaar een groter geheel vormen
pohoří
/ɣə'bɵːrə(n)/
verb
1. plaatshebben, werkelijkheid worden
  1. docházet
  2. dojít
noun
1. iets dat zich voordoet
událost
/ɣəˈbit/, /χəˈbit/
noun
1. een deel van het aardoppervlak
oblast
noun
1. alle tanden en kiezen van een dier of mens
chrup
/xəˈblat/
noun
1. het blaten van een schaap
bečení
noun
přikázání
/ɣəˈboːrtə/, /χəˈbo̝ːrtə/
noun
1. actie waarbij een organisme uit zijn/haar moeder komt en aan zijn zelfstandige leven begint
narození
noun
1. een getal dat aangeeft hoeveel geboorten er in een gebied in een bepaalde tijd hebben plaatsgevonden
porodnost
noun
1. een opvallende tijdelijke toename in het aantal geboorten
populační exploze
adjective
  1. 1. ter wereld gebracht, gebaard
  2. 2. begonnen, ontstaan
  3. 3. door herkomst of natuurlijke aanleg
rozený
noun
1. een constructie waarin men kan wonen of werken
  1. budova
  2. stavba
noun
1. een tekort
nedostatek
noun
2. toepassen van iets
použití
adjective
1. naar gewoonte, zoals men regelmatig doet
běžný
/ɣəˈbrœʏkən/, /χəˈbrœʏkən/
verb
1. zich bedienen van, toepassen
  1. používat
  2. užít
/ɣə'brœːkər/, /χə'brœʏkər/
noun
1. iemand die iets gebruikt
uživatel
noun
1.
uživatelské jméno
/ɣə'dɑɣdə/, /ɣəˈdɑxtə/
noun
1. het nadenken, idee
myšlenka
/ɣəˈdeltələk/, /ʝəˈdeltələk/
adjective
  1. čiastočný
  2. částečný
adjective
1. degelijk, grondig
důkladný
noun
destilovaná voda
noun
1. een in versmaat of in dichterlijke stijl opgesteld stuk
báseň
/ɣə'dɛɪə(n)/
verb
1. voorspoedig groeien
dařit se
noun
1. de manier waarop iemand optreedt of iets ergens op reageert
chování
verb
1. zich ~: de manieren die iemand meest in de omgang met anderen aan de dag legt
chovat
/xə'drɑxswɛizə/
noun
1.
chování
/ɣədʏɫt/
noun
1. de rust en bereidheid om te wachten
trpělivost
/gə'dʌldəx/
adjective
1. bereid te wachten en tegenslagen te verdragen
trpělivý
preposition
tijdens
po dobu
/ɣeːl/, /ɣeːɫ/, /χeɪɫ/
adjective
1. citroen-, goudkleurig
  1. žlutý
  2. žlutá
  3. žluté
/ɣeːl/, /ɣeːɫ/, /χeɪɫ/
noun
1. kleur tussen oranje en groen
  1. žlutý
  2. žluť
adjective
šedožlutá
adjective
zelenožlutá
adjective
žlutooranžová
indefinitePronoun
1. ontkennend onbepaald lidwoord: tegenovergestelde van één, niet een
žádný
/ɣeːst/, /χeːst/
noun
  1. 1. dat wat zich afspeelt in iemands gedachten
  2. 2. een onsubstantieel wezen
duch
adjective
1. met humor, gevat
vtipný
/ɣɪːwə(n)/
verb
1. gapen
zívat
noun
šepot
adjective
1. met geren bezet
štenýř
noun
mlýnek na maso
noun
1. iemand met een beperking van lichamelijke, verstandelijke, psychische en/of sociale aard
postižený
noun
celek
/ɣəɦɛɪm/
adverb
1. opzettelijk verborgen
tajný
/ɣəɦɛɪm/
noun
1. informatie die verborgen wordt en bestemd is om dat te blijven
tajný
noun
  1. 1. het deel van de hersenen waarin herinneringen worden opgeslagen
  2. 2. snel toegankelijke plaats om data op te slaan
paměť
noun
slitiny s tvarovou pamětí
noun
amnézie
noun
1. het organische systeem om geluiden waar te nemen
sluch
adjective
1. voorzien van horens
rohatý
/ɣə'hoːrzam/, /ɣə'ɦoːrzam/, /χə'ɦo̝ːrzam/
adjective
1. bereid gehoor te geven aan regels of bevelen
poslušný
verb
1. gevolg geven aan een opdracht of bevel
poslouchat
noun
1. instrument voor het meten van radioactieve straling
geigerův počítač
/ˈɣɛɪ̯t/, /ˈɣɛːt/, /ˈχɛɪ̯t/
noun
1. bepaald soort zoogdier Capra aegagrus hircus
  1. koza
  2. kozel
noun
kozí sýr
noun
voedzaam vocht dat tepels van een geit afscheiden
kozí mléko
/ɣɛk/, /χɛk/
adjective
šílený
noun
2. een product om haar mee in model te houden
gel
noun
tvář
/ɣəˈlɑx/
noun
1. het lachen
smích
/ˈɣɛlt/, /ˈχɛlt/
noun
1. een ruilmiddel dat gegarandeerd wordt door een land waarmee goederen en diensten kunnen worden gekocht
peníze
/ˈɣɛldərˌlɑnd/, /ˈɣɛɫdərˌlɑnt/, /ˈχɛɫdərˌlɑnt/
pronoun
1. provincie in het oosten van Nederland, die door de Flevoland, Overijssel, Limburg, Noord-Brabant, Zuid-Holland, Utrecht en het Duitse Noord-Rijnland-Westfalen wordt omringd
Gelderland
adjective
1. waarvan de waarde of wettigheid erkend wordt
platný
noun
peněžní trh
/ɣəˈledə(n)/, /χəˈledə(n)/
adverb
1. een woord om aan te duiden dat iets zich in het verleden af heeft gespeeld
sem
/ɣə.let.ˈpo.tə.ɣə/, /ɣə.ˈleːd.ˌpoː.ti.ɣə/, /χə.let.ˈpo.tə.χə/
noun
1. een dier met een uitwendig skelet van chitine
členovec
adjective
1. zich veel aan studie gewijd hebbend
učený
noun
1. iemand die onderricht en bekwaam is in een bepaalde tak van de wetenschap
učenec
/ɣǝ.'le.ɣǝn.ɦɛjt/
noun
1. mogelijkheid tot
příležitost
verb
vést
noun
  1. 1. elektrische stroomgeleider
  2. 2. warmtegeleider
vodič
/ɣəlɛɪgˈbenəx/
adjective
1 & 2.
rovnoramenný
noun
1. de mate waarin iets of iemand aan een ander doet denken
podoba
noun
rovnost
noun
střídač
noun
stejnosměrný proud
adjective
1. alle zijden gelijk in lengte
rovnostranný
/ɣə'lɔftə/
noun
1. een plechtige verklaring iets voortaan te zullen doen of na te zullen laten
přísaha
/ɣəˈlof/, /χəˈlof/
noun
2. de overtuiging dat iets zo is
víra
noun
1. de mate waarin iets of iemand verdient geloofd te worden
důvěryhodnost
verb
1. overtuigd zijn dat iets waar is
věřit
/ɣə.ˈlo.vi.ɣə/, /ɣə.ˈlo.və.ɣə/, /χə.ˈlo.və.χə/
noun
1. iemand die een bepaald geloof aanhangt
věřící
/ɣəˈlɵk/, /χəˈlɵk/
noun
1. prettige loop van de omstandigheden
štěstí
adjective
1. in een tevredene toestand zijn, zich goed voelen
šťastný
adverb
1. op een gelukkige manier
naštěstí
adjective
umírněný
noun
1. Zingiber officinale, een specerij met een scherpe smaak
zázvor
adjective
1. beneden de gordel, buiten alle regels
zlý
noun
  1. 2. samenleving
    komunita
    1. 1. het met één of meer andere deel hebben aan iets
    2. 3. geheel van personen of zaken die tot elkaar in een bepaald opzicht in een geregelde betrekking staan
    společenství
/ɣəmenˈsxɑpələk/, /χəmenˈsχɑpələk/
adjective
3. gerelateerd aan meer dan een entiteit
společný
/ɣəˈmentə/, /ɣəˈmeɪntə/, /ʝəˈmentə/
noun
1. bestuurlijke eenheid
obec
/ɣəˈmɪdəld/, /ɣəˈmɪdəlt/, /χəˈmɪdəɫt/
adverb
1. in de meeste gevallen
průměrně
noun
1. de som van een aantal getallen gedeeld door het aantal ervan
průměr
noun
1. in de Alpen levende soort berggeit
kamzík
noun
1. drager van informatie van de erfelijke eigenschappen
gen
adjective
nemilosrdný
noun
četník
/ˈdʒɛndər/
noun
1. sekse
gender
noun
1. een discipline van de geschiedkunde die zich bezighoudt met voorouderonderzoek dan wel de afstamming van de familienaam
genealogie
adjective
genealogický
adjective
1.
ženevský
/γ̊əˈneːskʏndə/
noun
1. de wetenschap die zich richt op de aard, de oorzaken en de geneesmiddelen van ziekten
  1. lékařství
  2. medicína
adjective
generální
noun
1. alle personen die min of meer tegelijkertijd geboren zijn
  1. generace
  2. pokolení
/ˌɣenəˈratɔr/, /ˌχenəˈratɔr/
noun
1. een apparaat of persoon die iets genereert (doet ontstaan)
generátor
pronoun
Genesis
noun
1.de wetenschap van alles wat de werking van genen betreft, in het bijzonder erfelijke overdracht
genetika
/ɣəˈnetis/
adjective
1. gerelateerd aan de erfelijkheid
genetický
noun
1.
cancy
adjective
1. briljant, zeer slim, uitmuntend
  1. geniální
  2. briljantní
noun
1. iemand die buitengewoon slim is of die ergens uitzonderlijk goed in is
génius
verb
1. voordeel hebben van iets
pochutnávat si
adjective
1. met betrekking tot de geslachtsorganen
genitální
noun
1. naamval als aanduiding van bezit, oorsprong of hoeveelheid
genitiv
noun
génius
noun
1. stelselmatige uitroeiing van een volk
genocida
indefinitePronoun
dost
/xəˈnom/
noun
1. een verzameling van alle genen van de chromosomen van een organisme
genom
noun
1. het geheel van genetische kenmerken dat een soort onderscheidt
genotyp
noun
1. categorie in een kunstvorm
žánr
pronoun
1. Vlaamse provinciehoofdstad van Oost-Vlaanderen, België
Gent
noun
hořec
adjective
enziánová modrá
pronoun
1. een stad in Noordwest-Italië
Janov
noun
  1. 1. Grammaticaal geslacht
  2. 2. Biologisch taxon
rod
pronoun
2. stad in Zwitserland
Ženeva
adjective
geocentrický
noun
geochemie
noun
  1. geodézie
  2. geodesie
noun
geofyzika
noun
1. aardrijkskunde
  1. zeměpis
  2. geografie
adjective
1. aardrijkskundig, met betrekking tot de aardrijkskunde
  1. geografický
  2. zeměpisný
noun
1. aardkunde
geologie
adjective
1. op de geologie betrekking hebbend
geologický
noun
geolog
noun
1. een tak van de wiskunde die zich bezighoudt met ruimtelijke figuren
geometrie
noun
geomorfologie
noun
1. futensoort met zwarte nek, zwarte kop en een goudgele oorpluim, Podiceps nigricollis
potápka černokrká
/ɣeˈjɔrɣis/, /ɣeˈjɔrɣɪs/, /χeˈjɔrχis/
pronoun
1. de taal die in Georgië gesproken wordt
  1. gruzínský
  2. gruzínština
/ɣeˈjɔrɣisə/, /χeˈjɔrχisə/
noun
1. vrouwelijke inwoner van Georgië
Gruzínka
/ɣeˈjɔrɣi.jə/, /χeˈjɔrχi.jə/
pronoun
1. een soevereine staat in West-Azië, gelegen in de Kaukasus. De officiële taal is het Georgisch
Gruzie
adjective
1.
geostacionární
adjective
1. op geotropisme betrekking hebbend
geotropický
noun
  1. 1. een bepaald soort voedsel op een bepaalde wijze bereid
    pokrm
  2. 2. rechtbank, de rechter
    soud
noun
rovnost
noun
1. afsluitbare bak waarin gereedschap opgeborgen en bijeengehouden wordt
nástrojová sada
noun
geriatrie
adjective
1. medische zorg voor oudere mens
geriatrický
/ɣɛrˈmaːns/, /χɛrˈmans/
adjective
  1. 1. betrekking hebbend op de taal der Germanen of de talen die er van afstammen
  2. 1. op de Germanen betrekking hebbend
germánský
noun
1. woord of uitdrukking overgenomen uit het Duits of gevormd naar het Duits
germanismus
noun
1. een scheikundig element met symbool Ge en atoomnummer 32
germanium
adjective
1. voorkeur hebbend voor geslachtelijke liefde met bejaarden
gerontofilní
noun
1. tak van wetenschap die het "ouder worden" bestudeert
gerontologie
noun
2. en 3. (zaad van de) plant Hordeum vulgare
ječmen
/ɣə'rɵxt/
noun
  1. 1. lawaai; een klein geluid
    drb
  2. 2. een mededeling of nieuwtje dat de ronde doet maar nog niet bevestigd is, zodat je niet zeker bent of het waar is
    zvěst
noun
1. zelfstandig gebruikte verbogen infinitief
gerundium
/ɣəˈsxɛŋk/, /ʝəˈsçɛŋk/
noun
1. iets dat men geeft
dárek
/ɣəˈsxidəˌnɪs/
noun
2. de gebeurtenissen van het verleden
  1. historie
  2. dějiny
noun
historiografie
adjective
1. met de juiste eigenschappen
vhodný
noun
vhodnost
/ɣə'sxɵpt/
adjective
1. bedekt met schubben
šupinatý
/ˈɣeː.zəl/, /ˈχe.səɫ/
noun
1. werktuig van touwen of riempjes met knopen of stukjes metaal, waarmee men ter bestraffing op iemands lichaam slaat
bič
/ɣesələ(n)/
verb
1. iemand met een zweep of gesel tuchtigen
bičovat
/χəˈslɑχt/
noun
  1. 4. grammaticaal geslacht
    jmenný rod
  2. 3. (biologisch) genus
    rod
/ɣəˈslɑxtsɔrɣaːn/, /ʝəˈslɑxtsɔrʝaːn/
noun
1. lichaamsdeel
pohlavní orgán
/ɣɛsp/
noun
1. sluitmechanisme aan riemen e.d.
přezka
adjective
1. met sterk ontwikkelde stevige spieren
svalnatý
noun
1. een mondelinge conversatie waarbij informatie uitgewisseld wordt
  1. rozhovor
  2. hovor
noun
1. een persoon die deelneemt aan een gesprek
partner v dialogu
adjective
1. geleidelijk maar persistent
trvalý
adverb
1. op gestage wijze
trvalý
/ɣəˈstentə/
noun
1. het materiaal waaruit de aardkorst bestaat, bestaande uit mineralen
  1. hornina
  2. skála
noun
1. bepaalde soort zoetwatervis, Alburnoides bipunctatus
ouklejka pruhovaná
/ɣəˈstɔːrt/, /χəˈstɔːrt/
adjective
1. geen normale functionering van de geest hebbend
narušený
noun
číslo
adjective
1. talent hebbend
talentovaný
noun
1. een elektrische centrale die functioneert op het verschil tussen eb en vloed
elektrárna přílivová
noun
1. (elektrotechniek) (werktuigbouwkunde) elektrische centrale die werkt door middel van getijdenstromen ontstaan door het hoogteverschil tussen eb en vloed
elektrárna přílivová
noun
1.
tikot
noun
1.
klapot
adjective
věrný
adjective
1. voltooid deelwoord van trouwen
ženatý
noun
1. iemand die een gebeurtenis heeft meegemaak of op andere wijze, veelal onder ede, een verklaring kan geven ten aanzien van de ware toedracht van een zaak
svědek
verb
1. een veelal beëdigde verklaring afleggen ten aanzien van de ware toedracht van een zaak
svědčit
noun
svědectví
/ɣøːr/, /χøːr/
noun
1. gewaarwording met de neus van de aanwezigheid van een gasvormige uitwaseming
vůně
/ɣəˈvar/
noun
1. groot risico
nebezpečí
/ɣəˈvarlək/, /ɣəˈvaːrlɪk/, /χəˈvarlək/
adjective
1. gevaar met zich meebrengend
nebezpečný
noun
1.
případ
noun
1. iemand die gevangen genomen is
vězeň
/ɣǝvɑŋǝnis/
noun
1. een gebouw waarin personen gevangen worden gehouden vanwege hun misdaden
  1. vězení
  2. věznice
noun
1een driehoekige rode reflector
výstražný trojúhelník
/ɣəˈvɛxt/, /χəˈvɛxt/
noun
1. een handgemeen
boj
noun
bojový letoun
/ˈɣevə(n)/, /ˈχevə(n)/
verb
1. overdragen van het bezit van iets aan iemand anders
  1. dát
  2. darovat
  3. dávat
adjective
1. met vleugels
křídlatý
noun
1. gewaarwording
pocit
adjective
citlivý
noun
  1. 1. een aandoenlijkheid
  2. 2. de nauwkeurigheid van instrumenten
  3. 3. de spanning van een film
citlivost
noun
1. een verzamelnaam voor vogels die gekweekt worden als voedsel
drůbež
/ɣəˈvɔlx/, /ɣəˈvɔɫx/, /χəˈvɔɫχ/
noun
1. iets dat voortkomt uit iets anders
důsledek
noun
puška
noun
1. een stel uit been bestaande hoorns van herten; al dan niet vertakt
paroh
noun
1. elke kracht van meer dan geringe betekenis uitgeoefend op personen, goederen of zaken
násilí
noun
klenba
noun
1. een proces waarbij een eerder ongewone prikkel steeds meer als normaal ervaren gaat worden
habituace
/ɣəˈʋetə(n)/
noun
1. het deel van iemand waarmee die persoon zijn daden op goed en kwaad beoordeelt
svědomí
/ɣəˈʋɪxt/, /χəˈʋɪxt/
noun
1. de kracht die dat voorwerp op zijn ondersteuning of ophanging uitoefent
tíha
noun
1. een sport waarbij de beoefenaars proberen om zware gewichten op te heffen die aan stalen staven zijn bevestigd
vzpírání
/xə'wɪxthɛfər/
noun
1.
vzpěrač
noun
1. bepaald soort loofboom, Acer pseudoplatanus
javor klen
noun
1. Balaenoptera physalus, een groot zeezoogdier, lang en gestroomlijnd met puntige kop
plejtvák myšok
/ɣəˈwoːn/, /ɣəˈβ̞oːn/, /χəˈʋon/
adjective
obyčejný
noun
1. Galanthus nivalis, een vroegbloeiend bolgewas met witte bloempjes
sněženka podsněžník
adverb
1. zoals de ervaring leert dat het meestal is
obvykle
/ɣəˈwoːntə/, /ɣəˈβ̞oːntə/, /χəˈʋontə/
noun
1. vaste wijze om dingen te doen
  1. zvyk
  2. návyk
noun
1. verbinding
kloub
noun
vyslanec
noun
2. alle zinsdelen behalve het onderwerp
přísudek
noun
2. middeleeuwse ambachtsman in een gilde die nog niet de rang van meester of baas had verworven
tovaryš
/χəˈzɛləx/
adjective
2. sociaal aangenaam
družný
/ɣə'zɛlsxɑp/
noun
  1. 1. een groep mensen die iets gemeen hebben
  2. 3. een vereniging met een bepaald doel
společnost
noun
1. de voorkant van een menselijk hoofd
  1. obličej
  2. tvář
/xə.ˈzɔnt/, /ɣə.ˈzɔnt/
adjective
  1. 1. vrij van ziektes en zeertes
  2. 2. bevorderlijk voor een goede conditie
zdravý
noun
1. welbevinden, in goede staat zijn
zdraví
noun
1. het volledige fysieke, spirituele en sociale welzijn
zdravotní stav
noun
1.
dřina
noun
integrovaný obvod
/'ɣa.na/, /'χa.na/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Ghana
Ghana
adjective
1. op Ghana betrekking hebbend
ghanský
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de familie Hylobatidae
gibbon
pronoun
Gibraltar
/ɣɪts/, /χɪts/
noun
persoon die een groep begeleid en uitleg geeft
vůdce
/ɣiːr/, /χiːr/
noun
1. benaming voor grote aasetende roofvogels met een kale kop en machtige vleugels
sup
adjective
1. geen geld of bezit aan een ander willende geven
lakomý
noun
2. en 3. (zaden van) de graansoort Panicum miliaceum
  1. jáhly
  2. proso
/ˈɣirˌzʋalyw/
noun
1. bepaald soort vogel, Apus apus
rorýs obecný
noun
1. een soort emmer met sproeibuis om de planten te begieten
konev
noun
1. een bedrijf dat zich toelegt op het gieten van metalen voorwerpen
slévárna
noun
litina
/ɣɪf/, /χɪf/
noun
1. substantie die in kleine hoeveelheden schadelijk of dodelijk is
jed
/'ɣɪftɑnt/
noun
1. tand waarmee bij een beet gif in het slachtoffer ingespoten wordt
jedový zub
/ˈɣɪftəx/, /ˈχɪftəx/
adjective
1. gif bevattend
jedovatý
noun
  1. gigabajt
  2. gigabyte
adjective
obrovský
noun
1. een miljard watt
gigawatt
/ˈɣɛɪ̯zəlaːr/, /ˈɣɛːzəlaːr/, /ˈχɛɪ̯zəlaːr/
noun
1. een veelal onschuldig persoon die tegen de eigen wil door een gijzelnemer gevangen wordt gehouden en die bedreigd wordt met het doel iets van derden gedaan te krijgen
rukojmí
/ˈɣɪldə/, /ˈχɪɫdə/
noun
cech
noun
gin
adverb
onde
noun
jinan
noun
1.
ženšen
noun
1. (scheikunde) een uit calciumsulfaat en water uithardende witte vaste stof: CaSO₄·2H₂O
sádrovec
/ʒi'rɑf/
noun
1. Herkauwend dier
žirafa
noun
1. herkauwend dier dat in Midden-Afrika leeft met een zeer lange hals, Giraffa camelopardalis
žirafa
noun
1. de naam voor een aantal soorten micro-organismen
  1. kvasinka
  2. droždí
verb
kvasit
/ˈɣɪstər/, /ˈχɪstər/
adverb
1. de laatste dag die voltooid is
včera
/ˈɣɪstərə(n)/, /ˈχɪstərə(n)/
adverb
1. de laatste dag die voltooid is
včera
/ɣi'tar/
noun
1. een muziekinstrument
kytara
adjective
černá
noun
glaciologie
adjective
hladký
noun
gladiátor
verb
1. door strijken glad of effen maken
srovnat
noun
1. Poecile palustris, een zangvogel uit de familie van echte mezen (Paridae)
sýkora babka
/ɣlɑs/, /χlɑs/
noun
  1. 2. op basis van SiO₂
  2. 3. om uit te drinken
  3. 1. niet-kristallijne vaste stof
  1. sklo
  2. sklenice
noun
sklivec
noun
1. een container voor het gescheiden inzamelen van glasafval
kontejner na sklo
noun
  1. glasnosť
  2. glasnost
noun
isolatiemateriaal gemaakt van glas
skelná vata
noun
1. een aandoening waarbij een verhoging van de druk in de oogbol onbehandeld...
  1. glaukom
  2. zelený zákal
noun
1-2
glazura
noun
1. een ijsmassa die gevormd wordt op land en dik en groot genoeg is om bergafwaarts te stromen
ledovec
adjective
1. glad, moeilijk houvast op te krijgen
kluzký
/ˈxlɛɪdə(n)/, /ˈɣlɛːdə(n)/
verb
1. met geringe wrijving gericht voortschuiven
klouzat
noun
1. een gelaatsuitdrukking die een geluidloze lach verraadt
úsměv
/'ɣlɪmlɑχən/
verb
1. zacht onhoorbaar lachen
usmívat se
noun
1. een voortgaand proces van wereldwijde economische, culturele en politieke integratie
globalizace
adjective
globulární
/ɣlut/
noun
žár
/ˈɣluilɑmp/
noun
1. een lamp die licht produceert met een gloeidraadje
žárovka
noun
glosář
/ˈɣlɔtɪˌslɑx/
noun
1. een klank die met de stembanden in de keel geproduceerd wordt en tot de plosieven gerekend wordt
ráz
/ˈɣlyː.rə(n)/
verb
1. in het geheim aandachtig naar iemand kijken
nakukovat
/'ɣly.tə(n)/
noun
lepek
noun
  1. glycerin
  2. glycerol
  3. glycerín
noun
  1. glycerin
  2. glycerol
  3. glycerín
/ˌɣlikɔˈɣen/
noun
1. een opvanghuis voor wezen
glykogen
noun
glykemie
noun
1. een metamorf gesteente met verschillend gekleurde banden of aders
rula
noun
1. Connochaetes, een dier behorende tot de familie Bovidae...
pakůň
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het westen van het land
Goa
noun
  1. 1.plek op een sportveld
    1. branka
    2. brána
  2. 2. doelpunt
    1. branka
    2. gól
pronoun
1. bovennatuurlijk en volmaakt wezen, dat beschikt over superieure krachten en dat onsterfelijk is
  1. Bůh
  2. Hospodin
/ɣɔd/, /ɣɔt/, /χɔt/
noun
1. hypothetisch bovennatuurlijk wezen dat verantwoordelijk wordt geacht...
bůh
adjective
božský
noun
1. een hypothetisch bovennatuurlijk wezen dat verantwoordelijk wordt geacht voor (bepaalde aspecten van) de werkelijkheid
božstvo
pronoun
1. benaming voor het vrouwelijk opperwezen
Bohyně
noun
1. een vrouwelijke godheid
bohyně
noun
1. een geloof en alle daar bij horende rituelen en doctrines
náboženství
noun
1.
náboženská svoboda
noun
1. belediging of bespotting van God/een godheid
rouhání
adjective
1. lasterlijk ten opzichte van God
rouhavý
adjective
1. kwaliteit bezittend
dobrý
adverb
1. op goede wijze
dobře
/ˌɣudə.ˈvrɛɪ̯.dɑx/
pronoun
1. de vrijdag voor Pasen
Velký pátek
/ˌɣudəˈmɔrɣə(n)/
interjection
groet
dobré jitro
interjection
avondwens
dobrou noc
interjection
1. een groet die in de avond gebruikt wordt
dobrý večer
noun
1. trein die uitsluitend is bestemd om goederen te vervoeren
nákladní vlak
noun
1. de hoedanigheid van het goed zijn
dobrota
verb
1. toestemming verlenen
schvalovat
adjective
1. laag in prijs
  1. levný
  2. laciný
noun
gulag
noun
guru
/ˈɣɔkən/, /ˈχɔkən/
verb
1. iets van waarde, veelal geld, inzetten op de mogelijke uitkomst van iets onzekers
riskovat
/gɔlf/, /χɔl(ə)f/
noun
  1. 4. grote baai
    1. golf
    2. záliv
  2. 1, 2 en 3
    vlna
  3. 1. balspel waarbij een golfbal met een golfclub in een aantal slagen in de hole moet worden geslagen.
    golf
pronoun
1. zee die begrenst wordt door Mexico, de Verenigde Staten van Amerika en Cuba
Mexický záliv
pronoun
1.
Rižský záliv
noun
golfový míček
noun
vlnovod
noun
verpakkingsmateriaal, bestaande uit één of meer lagen dun, gegolfd karton
vlnitá lepenka
noun
vlnová délka
/ˈɣɔndəl/
noun
1. een pleziervaartuig in Venetië
gondola
noun
1. een hangend slagwerk
gong
noun
1. een geslachtziekte die veroorzaakt wordt door de bacterie Neisseria gonorrhea
kapavka
/ˈgu:gələ(n)/, /ˈɡu.ɡə.lə(n)/, /ˈɣu.ɣə.lə(n)/
verb
1. naar informatie zoeken op het internet, m.n. met Google
  1. googlit
  2. vygooglovat
noun
googol
noun
googolplex
/ˈɣoːi̯ən/, /ˈχoːi̯ən/
verb
1. het door de lucht verplaatsen van een voorwerp, al dan niet naar een doelwit
házet
/ˈɣotsten/
noun
1. een bak, meestal ingebouwd in een aanrecht, onder een kraan en met een afvoer
dřez
noun
1. zoogdier met pantser van beweegbare schubben uit de familie Dasipodidae
pásovec
/ɣɔrˈdɛːn/, /χɔrˈdɛɪn/
noun
1. doek ter afdekking
  1. závěs
  2. záclona
noun
1. Afrikaanse mensaap uit het geslacht Gorilla
gorila
/ɣɔrs/, /χɔrs/
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Emberizidae
strnad
noun
gospel
pronoun
1. de uit de oostelijke tak van de Germaanse talen stammende en uitgestorven taal der Goten uit de eerste...
gotický
/ˈɣɔtlɑnt/, /ˈʝɔtlɑnt/
pronoun
1. Zweeds eiland
Gotland
/χɔtspə/
noun
chucpe
/ɣʌʊt/
noun
1. een edelmetaal met atoomnummer 79 dat wordt aangegeven met het symbool Au, het is een geel metalliek overgangsmetaal
zlato
phraseologicalUnit
zlatá medaile
adjective
zlatožlutá
noun
měsíček
noun
1. een smid die met goud werkt
  1. zlatnický
  2. zlatník
noun
1. bepaald soort vogel, Pyrrhul pyrrhula
hýl obecný
/ˈɣaʊ̯d.vɪs/, /ˈɣɔʊ̯t.fɪs/, /ˈχʌʊ̯t.fɪs/
noun
1. bepaald soort kleine goudkleurige of rode vis die uit China afkomstig is en die door veel mensen thuis gehouden wordt, Carassius auratus auratus
zlatá rybka
noun
1. een stoofschotel van o.a. rundvlees, paprika en uien, tevens het nationale gerecht van Hongarije
guláš
noun
1. het hoofd van een regering, van een kolonie, staat of andere subnationale staatseenheid
gubernátor
noun
1. eenheid om hoeken te meten
stupeň
noun
1. geschiedkundige term voor een landsheer, oorspronkelijk belast met de rechtspraak...
hrabě
noun
hrabství
/ɣrax/, /χraχ/
adverb
1. met plezier, met graagte; dat doe ik graag
rád
interjection
1. beleefd antwoord nadat je bedankt bent
prosím
noun
  1. obilí
  2. obilnina
noun
kost
noun
1. een instrument waarmee een hoek van een gekende grote uitgezet of gemeten kan worden
úhloměr
verb
graduovat
/ɣrɑf/, /χrɑf/
noun
  1. 1. ruimte om één of meer lijken in te begraven
  2. 2. plaats waar één of meer lijken begraven liggen
hrob
noun
1. kunstmatige heuvel die is opgeworpen om als graf te dienen
mohyla
noun
in plaatjes gekristalliseerde koolstof
grafit
adjective
grafitová šedá
adjective
grafitová černá
adjective
grafický
noun
1. op een grafsteen gegraveerde korte tekst, gewijd aan de overledene
epitaf
noun
1. een rechtopstaande gebeeldhouwde steen die de aanwezigheid van een graf markeert
náhrobek
noun
1. een afgeleide eenheid voor massa in het SI-stelsel (éénduizendste van een kilogram, 0,001 kg)
gram
noun
1. een systeem van regels en principes voor het schrijven en spreken van een taal.
gramatika
adjective
gramatický
/ɣṛɑm.ˌpo.zi.ˈtiː.və.bɑk.ˈteːri.jə(n)/, /χrɑm.ˌpo.zi.ˈti.və.bɑk.ˈtɪː.ri.jə(n)/
noun
1. verzamelnaam voor soorten met een dikke laag peptidoglycaan in hun celwand
grampozitivní bakterie
noun
5. groep kubische mineralen
granát
noun
2. vrucht
granátové jablko
noun
1. wapen, of deel van een wapen, bestemd voor het lanceren van stuwloze ontploffende projectielen
granátomet
/ɣɾaˈni:t/
noun
1. stollingsgesteente bestaande uit lichtgekleurde, met het blote oog onderscheidbare mineralen.
žula
adjective
žulová šedá
/ˌɣranyloˈsit/
noun
1.
granulocyt
noun
1. een gele of rode, enigszins bitter smakende citrusvrucht
grapefruit
noun
1. sap van de vrucht van de boom Citrus paradisi
grapefruitová šťáva
noun
1.een Italiaanse alcoholische drank
grappa
/ˈɣrɑpəχ/
adjective
1. de lust tot (glim-) lachen opwekkend
legrační
noun
  1. 1. benaming voor planten uit de familie Poaceae
  2. 1.1 benaming voor planten uit de familie Poaceae die een oppervlak met sprietvormige groene bladeren begroeien
tráva
adjective
trávová zelená
/ɣrɑsmajər/
noun
sekačka
noun
1. Sylvia communis, een zangvogel uit de familie zangers Syviidae
pěnice hnědokřídlá
noun
drn
noun
1. het afzien van de uitvoering van een straf
milost
adjective
1. wat zonder betaling verkregen wordt
  1. bezplatný
  2. gratis
adjective
1. donkergrijs, kleurloos
šedivý
noun
1. bepaalde soort grijsbruine vogel met oranje snavel, Anser anser
husa velká
noun
1. bepaalde soort roofvogel, Circus pygargus
moták lužní
verb
1. een gat in de grond maken met de handen of met een graafwerktuig
  1. kopat
  2. rýt
noun
rytkyně
noun
1. vrouwelijke graaf
hraběnka
noun
1. de kracht die de wederzijdse aantrekking van massa veroorzaakt
gravitace
pronoun
1.
Štýrský Hradec
/'χrazə(n)/
verb
1. het eten van gras en andere bodemvegetatie zoals bijvoorbeeld runderen dit doen
pást se
adjective
gregoriánský
noun
grán
/ɣre.ˈna.da/, /ɣrɛ.ˈna.da/, /χre.ˈna.da/
pronoun
land in het Caribisch gebied
Grenada
adjective
1. op Grenada betrekking hebbend
grenadský
adjective
op Grenada betrekking hebbend
grenadský
noun
  1. 2. de raaklijn tussen twee landen
  2. 1. een al dan niet denkbeeldige scheidingslijn
hranice
/ɣrik/, /χrik/
noun
1. inwoner van Griekenland
Řek
/ˈɣrikə(n)ˌlɑnd/, /ˈɣrikə(n)ˌlɑnt/, /ˈχrikə(n)ˌlɑnt/
pronoun
1. een land in het zuidoosten van Europa
Řecko
/ɣriks/, /χriks/
pronoun
1. een taal die vooral wordt gesproken in Griekenland en op Cyprus
  1. řecký
  2. řečtina
verb
1. grienen
kňourat
/ɣrip/
noun
1. een vierusziekte die jaarlijks vele mensen ziek maakt en die voor ouderen gevaarlijk kan zijn
chřipka
noun
1. grof gemalen meel
krupice
/ɣrit/, /χrit/
noun
C. vissoort
pakambala kosočtverečná
adjective
hrozivý
noun
1. Oudgrieks fabeldier met de kop, voorpoten en vleugels van een adelaar en de romp, achterpoten en staart van een leeuw
gryf
noun
1. een pijnlijke, hatelijke, satirische vertrekking van het gelaat
úšklebek
verb
1. plotseling iets of iemand beetpakken
chytit
adjective
1. de kleur grijs hebbend
  1. šedý
  2. šedivý
adjective
šedobéžová
adjective
šedomodrá
adjective
šedohnědá
/ɣrɛɪsˈɦarəx/
adjective
1. met grijs haar
šedivý
adjective
šedobílá
noun
1. stevige zwarte walvis, met bolvormig voorhoofd en een heel kleine snuit
plejtvákovec šedý
noun
1.
luněc šedý
noun
onredelijk en willekeurig gedrag
rozmar
noun
gril
adjective
chmurný
noun
štěrk
noun
grisaille
/ˈgrɪzliˌbeːr/, /ˈɣrɪzliˌbeːr/
noun
1. Ursus arctos horribilis, een Amerikaanse ondersoort van de bruine beer.
grizzly
/ɣruj/, /χruj/
noun
1. het groter worden
růst
/ˈɣrui̯ə(n)/
verb
groter worden
růst
adjective
1. met de kleur zoals bladeren van planten die meestal hebben
  1. zelený
  2. zelená
  3. zelené
noun
1. kleur zoals bladeren van planten die meestal hebben, geel met blauw gemengd
  1. zelený
  2. zelená
noun
  1. 1. groen verkeerslicht
  2. 2. toestemming
zelená
adjective
béžová zelená
adjective
zelenomodrá
adjective
zelenohnědá
noun
1. Picus viridis
datel
adjective
zelenošedá
/ˈɣrun.lɑnd/, /ˈɣrun.lɑnt/, /ˈχrun.lɑnt/
pronoun
1. een groot eiland ten noordoosten van Canada, deel uitmakend van het koninkrijk Denemarken
Grónsko
adjective
grónský
pronoun
1. de zee ten westen van Groenland
Grónské moře
noun
1. eetbare planten of delen daarvan
zelenina
noun
1.
zelinář
/ɣrup/, /ʝrup/
noun
1. uit meerdere personen of eenheden bestaand geheel
  1. skupina
  2. grupa
verb
1. in groepen stellen
seskupit
noun
kolektivní imunita
noun
1.
skupinový sex
noun
1. verkrachting door een groep personen
hromadné znásilnění
/ˈɣrut/, /ˈχrut/
noun
1. een uiting waarbij men elkaars aanwezigheid erkent wanneer men elkaar ontmoet
pozdrav
/ˈɣrutə(n)/
noun
1. iemand goedendag of gedag zeggen
zdravit
noun
1. mijnbouw) een mijn waar delfstoffen gewonnen worden, onderaards of dagbouw
jáma
verb
1. een dreigend geluid voortbrengen
vrčet
noun
1.
statkář
noun
surovina
noun
1. al het water dat zich in de aardbodem bevindt
podzemní voda
noun
1. wet die de principes van een staat definieert
ústava
/ˈɣroːˌnɪŋə(n)/, /ˈχroˌnɪŋə(n)/
pronoun
  1. 1. hoofdstad van de provincie Groningen
  2. 2. gemeente in de provincie Groningen waarin de stad Groningen ligt
  3. 3. provincie in het noorden van Nederland, die door Friesland, Drenthe en het Duitse Oost-Friesland wordt begrensd
Groningen
/ɣroːt/
adjective
  1. 2. bewonderenswaardig, goed
    velký
    1. 1. meer dan normaal in formaat
    2. 3. machtig, belangrijk
    1. velký
    2. veliký
/ˌɣroːd brɪˈtɑni.jə/, /ˌχrot brɪˈtɑni.jə/
pronoun
1. benaming voor het '[[Verenigd Koninkrijk|Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland]]', dat officieel met Verenigd Koninkrijk wordt aangeduid.
Velká Británie
noun
1. bedrijf dat in het groot handelt, dat aan de detailhandel levert
velkoobchod
noun
1. adellijke titel die hoger is dan die van hertog maar lager dan die van koning
velkovévoda
noun
1.
velkovévodství
noun
Širokoúhlý objektiv
noun
1. een moeder van een ouder
babička
noun
1. op een krachtige manier heel gul zijn
velkodušnost
noun
pes ušatý
/ˈɣrotˌʌʊdər/
noun
1. de ouder van een ouder
prarodič
noun
velikost
/ˈɣroːtˌfaːdər/
noun
1. de vader van een ouder
  1. děda
  2. děd
noun
3. groothertog
velkokníže
pronoun
1. hoog aan het noordelijk halfrond duidelijk zichtbaar sterrenbeeld
Velká medvědice
noun
1. bepaald soort vrij grote vogel met zwarte rug- en lichtere buikzijde, Dendrocopos major
strakapoud velký
noun
1. soort zeevogel van ongeveer 70 centimeter groot, Larus hyperboreus
racek šedý
noun
mák vlčí
pronoun
1. de naam voor de 5 grote meren op of nabij de grens tussen de Verenigde Staten en Canada
Velká jezera
noun
1.
pětiprstka žežulník
noun
1. bepaald soort overblijvende plant, Sanguisorba officinalis
krvavec toten
noun
1. bepaalde soort zeevogel, te herkennen aan zijn zwarte kuif en snavel met een klein geel puntje, Sterna sandvicensis
rybák severní
noun
morčák velký
noun
1. Melanitta fusca, een vrijwel geheel zwarte eendensoort die voornamelijk op zee voorkomt
turpan hnědý
adjective
1. op afschrikwekkende wijze buitenissig
groteskní
pronoun
1.
Groznyj
noun
drť
/ˈxrʏto/, /ˈɣrʏto/
noun
1. bepaald soort weidevogel en een van de grootste steltlopers
břehouš černoocasý
/ˈxrywəl/
noun
1.
nehoráznost
/'ɣryzələ'mɛntə(n)/
noun
1. stukken die ontstaan wanneer een voorwerp breekt
cimprcampr
pronoun
Guadeloupe
noun
guáno
/ˌgʋɑ.tə.ˈma.la/, /ˌgβ̞ɑ.tə.ˈma.la/, /ˌɣ<sup>ʊ</sup>a.tə.ˈma.la/
pronoun
land in Midden-Amerika, officieel de Republiek Guatemala
Guatemala
adjective
guatemalský
adjective
guatemalský
noun
1. en 2. (vrucht van) Psidium guajava
kvajáva
pronoun
Guernsey
noun
gerila
/ɣi.ˈne/, /χi.ˈne/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Guinee
Guinea
/ˌɣi.ne.bɪ.ˈsaʊ̯/, /ˌɣi.ne.ˈbɪ.sɔʊ̯/, /ˌχi.ne.ˈbɪ.sʌʊ̯/
pronoun
1. bepaalde soort vlinder, Vanessa atalanta
Guinea-Bissau
adjective
1. op Guinee betrekking hebbend
guinejský
pronoun
1. een taal die oorspronkelijk in Gujerat gesproken wordt. De taal wordt nu ook in Uganda, Tanzania, Kenia en Pakistan gesproken
  1. gudžarátština
  2. gudžarátsky
adjective
1. vrijgevig
štědrý
noun
1. naam voor de munteenheid van Curaçao en Sint Maarten, en vroegere munteenheden in verschillende Nederlandstalige landen
gulden
noun
zlatobýl
/ɣɵlp/
noun
1. een door een strook stof afgesloten opening aan de voorzijde van een broek van de man,...
poklopec
/ɣɵnst/, /χɵnst/
noun
1. het vrijwillig verlenen van een dienst of goed aan iemand om iemand ter wille te zijn
přízeň
adjective
příznivý
adjective
guyanský
/ɣi.ˈja.na/, /ɣβ̞i.ˈja.na/, /χi.ˈja.na/
pronoun
1. een land in Zuid Amerika, officieel de Coöperatieve Republiek Guyana
Guyana
adjective
guyanský
noun
1. oefeningen voor de gezondheid van een mens
gymnastika
/ˌɣiroˈskop/
noun
gyroskop
adjective
gyroskopický
/ˈgœtɪŋən/
pronoun
1. + 2. stad en district
Göttingen
noun
1. een afscheiding bestaande uit kreupelhout of struikgewas
živý plot
noun
1. bepaald soort loofboom, Carpinus betulus
habr
/haːɪ̯/, /ɦaɪ̯/
noun
1. benaming voor roofvissen uit de superorde Selachimorpha
žralok
/haːk/
noun
hák
noun
arkebuza
noun
2. elk van de tekens, rond of met hoeken, gebruikt in paren om woorden of getallen af te zonderen
závorka
/ɦan/
noun
1. mannelijk dier bij de hoenderachtige vogels
kohout
noun
1.1 hoofdhaar, uitgroeisel van de epidermis dat delen van het hoofd bedekt
  1. vlas
  2. vlasy
personalPronoun
2. datief van zij, derde persoon enkelvoud
její
possessivePronoun
1. bezit aanduidend door een 3e persoon vrouwelijk enkelvoud
  1. její
  2. ji
noun
1.
čelenka
noun
1. plaats in de woning bedoeld om er een vuur te branden
krb
noun
1. Lepus eropaeus, een konijnachtig zoogdier met lange achterpoten een gespleten lip en lange oren
  1. zajíc
  2. zaječice
/hast/
adverb
1. bijna
  1. téměř
  2. skoro
adjective
1. zich niet de tijd nemend
unáhlený
/ɦaːt/
noun
1. sterk gevoel van vijandschap
  1. nenávist
  2. zášť
pronoun
2. boek in de Bijbel
Abakuk
noun
1.
hábit
noun
1. iemand die zich onbevoegd toegang verschaft tot een computersysteem
hacknout
noun
1. verzamelde mondelinge overleveringen van de uitspraken en instructies van Mohammed
hadís
noun
1. bepaalde soort vlinder, Vanessa atalanta
hadron
noun
1. scheikundig element met symbool Hf en atoomnummer 72
hafnium
noun
1. langstaartig, geschubd reptiel uit de onderorde Lacertilia
  1. ještěrka
  2. ještěr
/haɣəɫ/
noun
1. bolvormig ijs dat als neerslag uit de hemel valt
  1. kroupy
  2. krupobití
verb
1. het uit de hemel neerkomen van hagelstenen
padat
/ˈhaɣəlˌsten/
noun
1. een klontje ijs dat als neerslag uit de lucht komt
kroupa
pronoun
2. boek in de Bijbel
Ageus
noun
hagiografie
noun
1.
haiku
noun
1. hiel van de voet
podpatek
verb
3. bevestigen d.m.v. een haak
zaháknout
noun
1. houtgewas dat ieder 6-10 jaar gekapt wordt meestal om te gebruiken als brandhout
houština
/ɦɑlf/
adjective
1. de helft zijnde
půl
noun
1-2
polovodič
noun
polobůh
adjective
2. waaruit de helft van de vetten verwijderd is
polotučný
interjection
1. groet
ahoj
noun
halucinace
adjective
halucinogenní
noun
halogen
noun
krk
noun
1.
hrdelnice
noun
1.
alexandr malý
noun
1. het te vasthoudend zijn
tvrdohlavost
noun
kantár
/ˈhɑɫtə/
noun
  1. 1. een plaats waar gestopt wordt
  2. 2. een plaats waar een bus stopt
zastávka
noun
činka
noun
1.
semifinále
/ɦɑm/
noun
1. vlees van de achterkant van een varken
šunka
noun
Hamburk
adjective
1. op Hamburg betrekking hebbend
hamburský
/ˈham.bʏr.ɣər/, /ˈhɑm.bʏr.ɣər/, /ˈhɑm.bʏr.χər/
noun
1. schijf gebraden gehakt
hamburger
adjective
1. op Hamburg betrekking hebbend
hamburský
noun
1. gecastreerde ram
skopec
noun
  1. 1. werktuig dat kan worden gebruikt om te slaan
  2. 2. een van de gehoorsbeentjes in het oor
kladivo
noun
1.
kladivoun
noun
1. klein knaagdiertje dat als huisdier gehouden kan worden
křeček
/ɦɑnt/
noun
1. uiterste deel van de arm, voorbij de pols
ruka
noun
příruční zavazadlo
noun
házená
/ˈɦɑnt.buj/
noun
1. een paar aan elkaar verbonden afsluitbare ringen
pouta
/ˈɦɑnt.buk/
noun
1. een boek waarin getracht wordt alle informatie nuttig voor een bepaalde bezigheid bijeen te brengen
příručka
noun
1. een doek waarmee men zich afdroogt
ručník
noun
podání ruky
/ˈɦɑndəl/
noun
1. de in- en verkoop van goederen
obchod
verb
1. iets doen, al of niet met de handen, optreden
dělat
noun
1. datgene dat gedaan is
čin
pronoun
Skutky Apoštolů
noun
ochranná známka
noun
2. deel van het privaatrecht m.b.t. handelszaken
obchodní právo
noun
1.
problém obchodního cestujícího
verb
  1. 2. krachtdadig in standhouden, naleving afdwingen
    prosazovat
  2. 1. iets doen voortbestaan, aan iets vasthouden
    udržovat
/hɑnd.sxun/, /ɦɑnt.sxun/, /ɦɑnt.sχun/
noun
1. een handkledingstuk met aparte vingers
rukavice
noun
podpis
noun
2. klein aantal
hrst
/ˈhanə(n)kɑm/
noun
2.
hřebínek
noun
1. brug die is opgebouwd uit twee (soms één) hoge pijlers of pylonen waartussen een dikke kabel gespannen is...
visutý most
/ˈɦɑŋmɑt/
noun
1. een doek dat aan de uiteinden opgehangen wordt en waarin personen kunnen liggen
  1. hamaka
  2. houpací síť
noun
1. een slot dat aan een beugel hangt
visací zámek
pronoun
1. stad in Duitsland
Hannover
noun
1. stad die deel uitmaakt van de Hanze
Seznam hanzovních měst
adjective
1. betrekking hebbend op de tastzin
hmatový
phraseologicalUnit
1. (informatica) Vooralsnog het meest gebruikte externe geheugen in een computer
pevný disk
noun
1. en 2 grof gemalen meel van harde tarwe (Triticum durum)
krupice z tvrdé pšenice
/'ɦɑrdər/
noun
1. Mugil curema, een straalvinnige vissoort
parmice
noun
1. een mannelijke beoefenaar van de hardloopsport
běžec
noun
1. elektronische en mechanische delen in en om computersystemen
hardware
/ˈɦarɪŋ/
noun
1. zoutwatervis
sleď
noun
1. bepaalde middelgrote haai en consumptievis, Lamna nasus
Žralok sleďový
noun
1. tuingereedschap aan lange steel, met een reeks tanden aan de onderzijde
hrábě
noun
2. een grappig, koddig persoon in het algemeen
harlekýn
noun
harmonie
noun
1. (muziekinstrument) een toetsinstrument dat gerekend wordt tot de aerofonen
harmonium
noun
1.
harfa
noun
3. feeks
harpyje
/hɑrˈpun/, /ɦɑrˈpun/
noun
  1. 2. een speer met weerhaken
  2. 1. een grote pijl met weerhaken aan een touw
harpuna
/ɦɑrs/
noun
1. het stroeve en plakkerige product van boomsappen, met name van naaldbomen
pryskyřice
/ɦɑrt/
noun
srdce
noun
1.
kluk srdce
noun
1.
srdeční selhání
noun
1. verstopping van een kransslagader of een tak hiervan, leidend tot het afsterven van hartspierweefsel
infarkt myokardu)
/ˈhɑrt.ka.mər/, /ˈɦɑrt.ka.mər/
noun
1. elk van twee holten van het hart
komora
noun
1. hartweefsel in de vorm van een vlies dat samengetrokken door een spiertje terugstromen van het verder gepompte bloed tegengaat
srdeční chlopeň
noun
1. grafisch symbool #
  1. hashtag
  2. mřížka
noun
1. scheikundig element met symbool Hs en atoomnummer 108
hassium
/'ɦatə(n)/
verb
kwade gevoelens jegens iemand koesteren
nenávidět
interjection
hepčí
noun
1. een droge doosvrucht, die minstens driemaal zo lang als breed is, zoals bij koolzaad en pinksterbloem.
šešule
/ɦavə(n)/
noun
1. natuurlijke of aangelegde aanlegplaats voor schepen.
přístav
noun
  1. 1. en 2. (zaden van) eenjarig graangewas Avena sativa
    oves
  2. 1. éénjarig graangewas Avena sativa
    oves setý
/ˈhavərˌmɪːɫ/
noun
zeer fijn gemalen haver
ovesná mouka
noun
plantaardige melk op basis van hele haverkorrels
ovesné mléko
noun
havervlokken
ovesné vločky
/ˈɦavɪk/
noun
  1. 2. iemand die graag oorlog wil voeren
    jestřáb
  2. 1. Accipiter gentilis, een roofvogel die op kleine zoogdieren en vogels jaagt
    1. jestřáb lesní
    2. jestřáb
pronoun
1. Polynesische taal gesproken in de Amerikaanse staat Hawaï
  1. havajština
  2. havajsky
noun
1. een heester waaraan hazelnoten groeien
líska
/ˈɦa.zəlˌmœːs/, /ˈɦa.zəɫˌmœʏ̯s/
noun
1. knaagdier in de familie van slaapmuizen, Muscardinus avellanarius
plšík lískový
/ˈhazəɫˌnot/
noun
1. een vrucht van de hazelaar
lískový ořech
noun
1. pootloze hagedis (Anguis fragilis)
slepýš křehký
/ha.ˈhi.ti/, /ɦa.ˈi.ti/, /ɦɑ.ˈi.ti/
pronoun
1. een land in het Caribisch gebied bezettend de westelijk derde van het eiland Hispaniola
Haiti
adjective
haitský
/ˈɦɛbə(n)/
verb
  1. 1. bezitten
  2. 1. voor voltooide tijd
mít
interjection
1. een uitroep geuit wanneer men iets heeft weten te vangen
mám tě
pronoun
1. officiële taal van Israël, de heilige taal van de Joden en de taal van de Tenach
  1. hebrejština
  2. hebrejsky
adjective
1. blijk gevend van hebzucht, hebberig
chtivý
adjective
1. zeer druk en chaotisch
hektický
noun
1. 100 liter
hektolitr
noun
1.
hektometr
/ˈɦeː.də/
noun
1. werk, afval van vlas of hennep
koudel
noun
1. leer dat genot het hoogste goed is
hédonismus
noun
štikozubec obecný
/heːl/
adjective
1. niet stuk
celý
/he.ˈlal/, /ɦe.ˈlaɫ/
noun
[1] het gehele tijd-ruimtecontinuüm waarin wij bestaan, samen met alle materie en energie
vesmír
noun
1. de christelijke aanduiding voor God
Pán
/ɦɪːr/
noun
  1. 1.
  2. 4. welgemanierd persoon
  3. 6. baas
pán
noun
přeslička rolní
noun
1. iemand die de macht uitoefent
vládce
noun
keř
/ɦeːt/
adjective
1.
horký
adjective
1. een persoon is heethoofdig als hij snel boos wordt
horkokrevný
noun
1.
páka
noun
1. een (meestal lijnvormige) aanplanting van struiken en/of bomen die dient om ruimten te scheiden
houština
noun
hegemonie
noun
1. een zangvogel ter grootte van een huismus met opvallend grijs op de kop
pěvuška modrá
/ˈhɛɪ̯də/, /ˈhɛːdə/
noun
1. een met heidekruid begroeide vlakte
vřesoviště
noun
1. mensen die geen jood of christen zijn
pohan
adjective
1. van de heidenen
pohanský
adjective
fialová vřesová
noun
1. bepaald soort grote schol, reus onder de platvissen en consumptievis, Hippoglossus hippoglossus
halibut bilý
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
  3. 3.
Heilbronn
/ɦɛj.ləɣ/
adjective
1. door wijding aan het goddelijke bijzonder gemaakt
svatý
noun
1. plaats of gebouw gewijd aan een god of godin
svatyně
noun
svatá
noun
1.
Duch Svatý
noun
1.
ibis posvátný
noun
1. de pauselijke regering
Svatý stolec
noun
vergrijp aan iets heiligs
svatokrádež
/'hɛɪmʋe/
noun
1. sterk verlangen naar een plek die als thuis ervaren wordt
nostalgie
noun
1. werktuig gebruikt bij het verwerken van hennep of vlas
vochle
/ɦɛks/
noun
1. een over het algemeen vrouwelijk persoon aan wie bovennatuurlijke krachten worden toegeschreven
čarodějnice
/ˈhɛksə(n)ˌjɑxt/
noun
1. het jagen op vermeende heksen
hon na čarodějnice
noun
čarodějnictví
/'ɦɛl/
noun
1. een plek waar de ziel van daartoe veroordeelde overledenen naar toe gaan
peklo
adverb
1. jammer genoeg, spijtig genoeg
bohužel
/ɦɛlt/
noun
hrdina
noun
1. de durf en de kracht van mensen, die zich, met gevaar voor eigen leven, voor de goede zaak inzetten
heroismus
adjective
  1. 1. duidelijk en zuiver
  2. 1. klaar, doorzichtig
jasný
noun
1. het heel moedig en dapper zijn
chrabrost
/ɦɛlft/
noun
  1. polovina
  2. půlka
/ɦelɪˈkɔptər/
abbreviation
1. luchtvaartuig dat d.m.v. een hefschroef verticaal kan opstijgen en landen
  1. vrtulník
  2. helikoptéra
/ˈhe.lɪŋ/
noun
2. het verkopen van gestolen goederen zonder dat de verkoper ze zelf gestolen heeft
podílnictví
adjective
heliocentrický
noun
1. een chemisch element en een inert edelgas
helium
noun
1. lang middeleeuws wapen
halapartna
noun
1. inwoner van het oude Griekenland of persoon die de oud-Griekse nationaliteit bezit
Helén
noun
1. een glooiing in het landschap
svah
/ɦɛlm/
noun
1. beschermend hoofddeksel
  1. přilba
  2. helma
noun
kormidelní páka
noun
technická podpora
/ˈɦɛlpə(n)/
verb
1. iemand bijstaan
  1. pomoct
  2. pomáhat
  3. pomoci
pronoun
1. de hoofdstad van Finland
Helsinky
/ɦɛm/
personalPronoun
  1. 1.
    1. ho
    2. jeho
    3. něho
  2. 2.
    1. mu
    2. jemu
    3. němu
noun
1. roodkleurig mineraal dat ferri-oxidekristallen bevat
hematit
noun
1. kledingstuk voor het bovenlijf
košile
/ˈɦeːməl/
noun
  1. 1. lucht, onmetelijke ruimte die overal op aarde bovenaan zichtbaar is
  2. 2. het hiernamaals, leven na de dood
  1. nebe
  2. nebesa
noun
nebeské těleso
adjective
nebeský
adjective
nebeská modrá
adjective
2. in rechte lijn gemeten
vzdušnou čarou
noun
stoupání
noun
1. halfzijdige verlamming
hemiplegie
noun
polokoule
noun
1. stofwisselingsziekte waarbij het lichaam teveel ijzer uit het voedsel opneemt
hemochromatóza
noun
1. bloederziekte
hemofilie
noun
1. knobbelachtige zwelling van aders in het onderste deel van de endeldarm en in de anus
hemoroid
/ɦɛn/
noun
1. vrouwtje van hoenderachtige vogels
slepice
noun
hendiadys
/ˈhɛndrɪk/
pronoun
  1. 1. mannelijke voornaam
  2. 2. spelwoord voor de letter h
Jindřich
pronoun
1. Belgische provincie
Henegavsko
/ɦɛŋst/
noun
1. mannelijk paard
hřebec
/ˈɦɛ.nəp/
noun
  1. konopí seté
  2. konopí
adjective
1. met betrekking tot de lever
jaterní
noun
1. leverontsteking
hepatitida
noun
1. C₇H16
heptan
/herɑl'dik/
noun
1. de wetenschap die zich bezighoudt met de wapenkunde
heraldika
noun
1. verzameling van, album met gedroogde planten
herbář
noun
1. eet- en overnachtingsgelegenheid die kleiner, goedkoper en eenvoudiger is dan een hotel
hostinec
verb
1. huisvesten
ubytovat
noun
1. dier dat zich met plantaardig voedsel voedt
býložravec
pronoun
  1. 1. Romeinse halfgod
  2. 2. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Herkules
noun
oslavná mše
/'ɦɛrdər/
noun
1. begeleider en bewaker van een kudde
pastýř
noun
1. hond die een kudde bewaakt
ovčácký pes
noun
1. Geronticus eremita
ibis skalní
noun
1. een kreeftachtige (Eupagurus bernhardus) uit de orde van tienpotigen, die in de schelp van een zeeslak woont
krab poustevníček
noun
1. derde jaargetijde
podzim
noun
1. een zeer dunne draad spinrag
babí léto
noun
1. bepaald soort plant, Colchicum autumnale
ocún jesenní
verb
1. iets opnieuw zeggen
opakovat
noun
1. het nogmaals plaatsvinden
opakování
/ɦɛr.'ɪ.nə.rə(n)/
verb
1. opnieuw in gedachte brengen
  1. připomenout
  2. připomínat
noun
vzpomínka
noun
1. een herbivoor die zijn voedsel herkauwt
přežvýkavec
verb
1. waarnemen en beseffen wie het is
poznat
noun
rozpoznání
noun
původ
verb
1. opnieuw lezen
znovu přečíst
/ˈɦɛr.mɑn/
pronoun
1. een jongensnaam
Heřman
noun
1. bepaald klein wezelachtig zoogdier, Mustela erminea
  1. hranostaj
  2. hermelín
  3. lasice
pronoun
Hermes
noun
znovuotevření
noun
1. opnieuw in actie komen; opnieuw actief worden
obrození
noun
een verdovend middel
heroin
noun
herpetologie
noun
mozková smrt
noun
1. brein
mozek
noun
1. de buitenste laag van de grote hersenen
mozková kůra
noun
1. schade aan de hersenen door uitwendig geweld
otřes mozku
noun
indoctrinatietechniek
brainwashing
noun
reparace
noun
1. muzieksymbool
odrážka
noun
1. benaming voor herkauwende zoogdieren uit de familie Cervidae
  1. jelen
  2. laň
noun
1. een landsheer, oorspronkelijk van een hoger hiërarchisch niveau dan de markies
vévoda
noun
1. het gebied dat onder leiding staat of stond van een hertog
vévodství
noun
1. adellijke titel, vrouw van een hertog
vévodkyně
noun
1. de eenheid voor frequentie van trillingen
hertz
noun
1. de verkiezing van een persoon in een functie die hij al eerder heeft bekleed
znovuzvolení
pronoun
Hesensko
/(ɦ)ət/, /hɛt/
personalPronoun
1. 3e persoon enkelvoud onzijdig
  1. ono
  2. to
verb
vylít vaničku i s dítětem
/'he.tə(n)/, /'ɦe.tə(n)/
verb
1. de naam dragen
jmenovat se
adjective
heterogenní
noun
různorodost
noun
heterosexualita
adjective
1. gericht op het andere geslacht of betrekking hebbend op liefde voor mensen met een ander geslacht
heterosexuální
/ˈhetroziˌgot/
adjective
1. in het bezit zijnde van twee allelen van een gen bij een (diploïd) organisme
heterozygotní
pronoun
1. een dode taal die in het huidige Turkije werd gesproken
chetitština
demonstrativePronoun
1. de gelijke identiteit bezittend; onzijdig enkelvoud, zowel zelfstandig als bijvoeglijk gebruikt
stejný
noun
deel van beide zijkanten van het menselijk lichaam ter hoogte van het heupgewricht, waar het been met de romp verbonden is
kyčel
noun
een kleine platte fles
placatka
noun
1. tasje dat je om je heupen als een riem kan dragen
ledvinka
adjective
1. betrekking op het vinden van iets
heuristický
/ˈhøvəɫ/
noun
1. verhoging in het landschap die wat lager is dan een berg
  1. kopec
  2. pahorek
/'ɦøvəlɑxtəx/
adjective
1. met aanzienlijke hellingen en hoogteverschillen
kopcovitý
/'ɦevəl/
noun
2. een geheel met vloeistof gevulde pijp of slang waarvan het ene einde lager gehouden wordt dan de andere, waardoor vloeistof van de laatste mond naar de eerste stroomt
násoska
noun
1. C₆H14
hexan
adjective
hexadecimální
adjective
1. als hoofdas van de rotatiesymmetrie een zestallige as bezittend
hexagonální
noun
1.
hiát
noun
1. een enigszins uitstekend deel achteraan de voet
pata
/ɦiːr/
adverb
1. op deze plaats
  1. tady
  2. zde
/hɑj/
adjective
1. in een euforische toestand van veranderd bewustzijn verkerend
sjetý
/hɛɪ̯/, /ɦɛɪ̯/, /ɦɛː/
personalPronoun
1. Nominatief mannelijk derde persoon enkelvoud
on
verb
1. zwaar ademhalen ten gevolge van een lichamelijke inspanning
supět
verb
1. iets met een touw of kabel in opwaartse richting trekken, al dan niet middels een katrol
vyvěsit
noun
1. een constructie om zware lasten op te tillen
jeřáb
noun
1. een periodiek optredende, spontane, onwillekeurige samentrekking van het middenrif tijdens inademing...
  1. škytavka
  2. škytnutí
/ˈɦɪkə(n)/
verb
1
škytat
pronoun
1. + 2. stad en district
Hildesheim
/ˈhɪndə/
noun
1. een vrouwelijk hert
laň
noun
záloha
noun
1. iets dat de voortgang verstoort
překážka
pronoun
1 taal die vooral gesproken wordt in de noordelijke staten van India
  1. hindský
  2. hindština
noun
hinduismus
noun
2. kinderspel, waarbij men zich deels op één been verplaatst
skákání panáka
verb
kulhat
verb
1. het geluid van een paard voortbrengen
  1. řehtat
  2. ržát
noun
hippies
noun
1. ovale paardenrenbaan
hippodrom
pronoun
  1. Hispaniola
  2. Haiti
noun
histogram
adjective
1. met betrekking tot de weefselleer
histologický
noun
  1. historik
  2. dějepisec
noun
2. geschiedenis van een volk, een land enz
  1. dějiny
  2. historie
adjective
  1. historický
  2. dějepisný
noun
Hitlerův pozdrav
adjective
1.
hitlerovský
/ˈhɪtə/
noun
  1. vedro
  2. hic
  3. horko
noun
vlna veder
noun
1. rangorde
hierarchie
adjective
1. van of volgens de opeenvolging van rangen
hierarchický
noun
houpací kůň
noun
1.
hobit
/hɔbi/
noun
1. een liefhebberij of bezigheid ter ontspanning voor in de vrije tijd
koníček
noun
1. orkestinstrument, behoort tot de houtblazers, het wordt met een dubbelriet aangeblazen
hoboj
noun
1. balspel waarbij twee elftallen de bal met een hockeystick in elkaars doel proberen te slaan
hokej
noun
hokejka
/ɦu/
adverb
1. op welke wijze
jak
/hud/, /ɦut/
noun
  1. 1. een hoofddeksel
  2. 2. deel van een zwam
klobouk
noun
1. iemand die hoofddeksels voor mensen maakt
kloboučník
/ɦuf/
noun
1. hoornachtig omhulsel aan de teentop
kopyto
noun
schvácení kopyt
noun
1. plant met grote bladeren die aan de rand van wateren groeit
devětsil
noun
1. hoefdragend zoogdier
kopytník
noun
podkova
noun
podkovář
/ɦuk/
noun
1. een punt waar twee benen of halve rechten samenkomen
  1. úhel
  2. roh
adjective
hranatý
noun
úhlová rychlost
/ˈhuk.steːn/
noun
  1. 1. een steen die gebruikt wordt om de hoekpunten van bouwwerken te verstevigen
  2. 2.
základní kámen
/ɦur/
noun
1. vrouw die tegen betaling seksuele diensten verricht
kurva
noun
1.
hurá
noun
1. pand waar mannen tegen betaling seks hebben met vrouwen
bordel
noun
1.
bordelmamá
noun
zkurvysyn
noun
1. reflexmatige explosieve uitademing
kašel
verb
1. reflexmatige explosief uitademen bij prikkeling van de luchtwegen
kašlat
interrogativeCardinalNumeral
1. welk aantal?
kolik
/huˈvɪ:ɫhɛɪt/
noun
1. de kwantiteit waarin iets aanwezig is
množství
indefiniteOrdinalNumeral
kolikátý
conjunction
1. drukt een tegenstelling uit
ačkoliv
/ɦɔf/
noun
  1. 1. de uitgebreide huishouding van een vorstelijke, bijvoorbeeld koninklijke familie
  2. 3. een stuk bebouwd land of tuin
  3. 2. een instelling waar recht gesproken wordt
dvůr
pronoun
Soudní dvůr Evropské unie
noun
polymerisatieproduct van etheen
polyethylen s vysokou hustotou
noun
1. een gebied waar relatief een hogere druk heerst dan elders, term uit de meteorologie
  1. anticyklóna
  2. tlaková výše
noun
papinův hrnec
noun
1. bepaald soort vis, Macruronus novaezelandiae
treskovník novozélandský
noun
1. en 2. (vruchtvlees van) plant Cucurbita maxima var. hubbaridianna
dýně hokkaidó
noun
1. grot, spelonk
jeskyně
noun
1. bepaald soort vogel, Columba oenas
holub doupňák
noun
1. theorie
holismus
/ˈɦɔlɑnt/
pronoun
  1. 1. een gedeelte van het westen van Nederland dat de provincies Noord-
  2. 2. heel Nederland
Holandsko
noun
1. scheikundig element met symbool Ho en atoomnummer 67
holmium
/ˈholokaust/
pronoun
holocaust
/ˈholokaust/
noun
1. massale vernietiging van mensen of dieren
holocaust
noun
holocén
noun
1. techniek waarmee een afbeelding in een plat vlak diepte of verschillende beelden lijkt weer te geven als je er onder uiteenlopende hoeken naar kijkt
holografie
noun
homeomorfismus
noun
aanhanger of beoefenaar van de homeopathische geneeswijze
homeopat
noun
homeopatie
adjective
1.volgens de homeopathie
homeopatický
noun
1. zelfregulering, chemisch en fysiologisch evenwicht
homeostáza
/ˈhɔməɫ/
noun
1. insect uit het geslacht Bombus dat in de taxonomie wordt beschouwd als een grote harige bij
čmelák
noun
homofobie
noun
1. gelijkklinkend woord
homofon
adjective
homogenní
noun
1. op dezelfde manier gespeld woord
homograf
noun
1. een huwelijk tussen twee mensen van hetzelfde geslacht
registrované partnerství
noun
homomorfismus
noun
1. een woord dat hetzelfde wordt uitgesproken als een ander woord maar in betekenis verschilt
homonymum
noun
homosexualita
adjective
1. betrekking hebbend op de liefde voor geslachtsgenoten
  1. homosexuální
  2. buzerantský
noun
1. man met seksuele voorkeur voor mannen of vrouw met seksuele voorkeur voor vrouwen
  1. homosexuál
  2. buzerant
/ˈhɔnd/, /ˈɦɔnt/
noun
1. Canis lupus familiaris, een zoogdier dat tot huisdier getemd is
  1. pes
  2. fena
/ˈɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 100
sto
pronoun
1.
Stoletá válka
noun
vzteklina
noun
růže šípková
/hɔn.ˈdyː.rɑs/, /ɦɔn.ˈduː.rɑs/
pronoun
1. een land in Centraal Amerika, officieel de Republiek Honduras
Honduras
adjective
1. inwoner van Honduras
honduraský
/hɔŋ(g).ˈɣar/, /ɦɔŋ.ˈɣar/, /ɦɔŋ.ˈχar/
noun
1. iemand afkomstig uit Hongarije
Maďar
/hɔŋ(g).ˈɣaːrs/, /ɦɔŋ.ˈɣars/, /ɦɔŋ.ˈχars/
adjective
1. betreffende Hongarije of het Hongaars
maďarština
/hɔŋ(g).ˈɣaːrs/, /ɦɔŋ.ˈɣars/, /ɦɔŋ.ˈχars/
pronoun
1. een Finoegrische taal die voornamelijk wordt gesproken in Hongarije
  1. maďarský
  2. maďarština
/hɔŋ(g).ˈɣar.sə/, /ɦɔŋ.ˈɣar.sə/, /ɦɔŋ.ˈχar.sə/
noun
Maďarka
/ˌhɔŋ(g)ɣaˈrɛɪ̯.jə/, /ˌɦɔŋɣaˈrɛː.jə/, /ˌɦɔɴχaˈrɛɪ̯.jə/
pronoun
1. land in het midden van Europa
  1. Maďarsko
  2. Uhry
/ˈɦɔŋər/
noun
1. behoefte aan voedsel
hlad
noun
1. een wijdverspreide honger als gevolg van voedselschaarste
  1. hladomor
  2. hlad
noun
1. het weigeren van voedsel uit protest
hladovka
/hɔŋˈkɔŋ/
pronoun
1. een speciale administratieve regio van de Volksrepubliek China
Hongkong
noun
1. een zoete stof die door bijen en enkele andere insecten uit bloemennectar wordt gewonnen
med
noun
1. een bij van de soort Apis mellifera die honing maakt uit nectar en bloemen bestuift
včela
noun
1. bepaald soort zoogdier, Mellivora capensis
medojed
adjective
žlutá medová
noun
plástev
noun
1. balsport waarbij de bal met een knuppel geslagen wordt en de spelers langs een drietal honken trachten rond te lopen tot zij weer de thuisplaat bereiken
baseball
/ɦoːft/
noun
1. een belangrijk lichaamsdeel, helemaal bovenaan het lichaam, waarin zich de hersenen...
hlava
/'ɦovduk/
noun
1. een vierkante lap stof die vooral door vrouwen driehoekig samengevouwen over het hoofd gedragen wordt
šátek na hlavu
noun
1. erläuterung
hlavní budova
noun
1. een letter die een groter formaat en meestal ook een andere vorm heeft dan een kleine letter
majuskule
/'ɦo:ftlɛtərɣə'vu:ləx/, /'ɦo:ftlɛtərʝə'vu:ləx/
adjective
1. woorden geschreven met een hoofdletter anders verwerkend dan dezelfde woorden zonder hoofdletter
závisející na velikosti písmen
noun
1. klein, vleugelloos en bloedzuigend insect dat parasiterend leeft in het hoofdhaar
veš
noun
1. de voorste pagina van een website
hlavní strana
noun
1. pijn in het hoofd
bolest hlavy
noun
1. iemand die eindverantwoordelijkheid draagt voor de inhoud van een krant of dergelijke publicatie
šéfredaktor
noun
1.
půjčka
/'ɦof(t).stɑt/
noun
1. een belangrijke stad waarvandaan het land, de staat, deelstaat of provincie wordt bestuurd
hlavní město
noun
bepaalde opdeling van tekst of beeld in een boek
kapitola
adverb
1. in belangrijke mate, in overwegende mate
hlavně
/ɦoʊ̯χ/ /'ɦoʊ̯χə/ /ˈɦoʊ̯χst/, /ɦoːx/ /'ɦoːɣə/ /ˈɦoːxst/
adjective
1, 2, 3, 4
vysoký
pronoun
1. boek in de Bijbel met liefdespoëzie
  1. Píseň písní
  2. Písnička
noun
silnoproud
noun
1. atletiekdiscipline waarbij het de bedoeling is over een tussen twee staanders bevestigde lat of touw te springen
skok do výšky
noun
  1. 2. niveau
    výška
  2. 1. een verheffing van de aardkorst
    výška nadmořská
/ˈɦoxtəvres/, /ˈɦoçtəvres/
noun
1. angst voor hoogten
akrofobie
noun
  1. velezrada
  2. vlastizrada
noun
2. hoge waterstand in 't algemeen
povodeň
noun
1. gedroogd gras
seno
noun
2.1. bepaald soort kleine standvlinder, Coenonympha pamphilus
okáč poháňkový
/ˈɦojbɛrx/
noun
1. een ter bewaring opgestapelde hoeveelheid gedroogd gras
  1. kupka sena
  2. stoh
noun
senná rýma
/ɦoːp/
noun
3. verwachting van iets wenselijks
naděje
adjective
1.
slyšitelný
/horn/
noun
1. hard en meestal gebogen uitsteeksel aan de kop van verschillende dieren
roh
pronoun
Africký roh
/hoːrnar/, /ho̝ːrnar/
noun
1. Vespa crabro, een soort grote wesp
sršeň
noun
1.
paroháč
noun
  1. 1. bepaald soort vogel, Upupa epops
    dudek
  2. 1. bepaalde plant die onder andere wordt gebruikt bij de bereiding van bier
    chmel
adjective
1. waaraan hoop op succes ontbreekt
beznadějný
/ˈɦoːpə(n)/
verb
1. wensen, graag zien dat er iets wel of niet voorvalt
doufat
/hɔː.rən/
verb
1. waarnemen met het oor zonder er noodzakelijkerwijs aandacht aan te besteden
slyšet
noun
1. onderdanige en onvrije gehoorzaamheid
nevolnictví
noun
  1. horizont
  2. obzor
noun
  1. obzor
  2. horizont
adjective
1. in de richting die haaks staat op die van de zwaartekracht van de aarde
horizontální
noun
1. een draagbaar voorwerp waarop de tijd kan worden afgelezen
hodinky
adjective
1. met betrekking tot hormonen
hormonální
noun
1. een stof die door een endocriene klier wordt afgescheiden ...
hormon
noun
horoskop
noun
horor
noun
1.
předkrm
/ˈɦɔrzəɫ/
noun
1. parasitaire vliegsoort
střeček
pronoun
Ozeáš
noun
1. opneming in een ziekenhuis
hospitalizace
noun
1.
hostel
/hoˈtɛl/, /ɦoˈtɛɫ/
noun
1. gebouw waar men tegen betaling kan eten en overnachten,...
hotel
/ˈɦɑʊdə(n)/
verb
1. niet laten varen, het bezit ervan niet verliezen
nechat
noun
  1. 1. een pose
  2. 2. gedragslijn, opstelling
postoj
/ɦɑʊ̯t/, /[ɦʌ̞̈ʊt]/
noun
1. het materiaal in het binnenste van houtige planten
  1. dřevo
  2. dříví
/ɦɑʊ̯tbɛi̯/
noun
1. enige bij onder de geslachtengroep Xylocopini
drvodělka
noun
1. houtblaasinstrument
dřevěný dechový nástroj
noun
1. bepaalde soort wilde duif, Columba palumbus
holub hřivnáč
/ˈhɑutə(n)/
adjective
dřevěný
noun
1. iemand die beroepsmatig houthakt
dřevorubec
adjective
1.
dřevnatý
noun
q. bepaald soort zoutwatervis, Coregonus oxyrinchus
síh
noun
1. verkoold hout
dřevěné uhlí
noun
1. een vogel uit de familie van snipachtigen, Scolopacidae
sluka lesní
noun
1. benaming voor verschillende in hout levende insectenlarven
červotoč
noun
1.
pila
verb
1. iets met een scherp werktuig trachten af te hakken
osekávat
noun
1.
houfnice
/hovəlɪŋ/
noun
1. een onderdaan die tot het dagelijkse gezelschap van een vorst behoort
dvořan
noun
zahradník
pronoun
1. binnenzee in Noordoost-Canada
Hudsonův záliv
verb
1. veinzen, doen alsof
předstírat
/hœːd/, /ɦœʏ̯t/, /ɦœːt/
noun
1. vel, de buitenste laag weefsel die het lichaam bedekt
kůže
/hœːx/, /ɦœʏ̯χ/, /ɦœːx/
noun
1. een lapje afhangend weefsel aan het uiteinde van het zachte verhemelte, waarmee onder andere het neuskanaal afgesloten kan worden
čípek
noun
1.
uplakánek
/ɦœy̯lə(n)/
verb
1. traanvocht uitscheiden door emotie
plakat
/hœːs/, /ɦœʏ̯s/, /ɦœːs/
noun
1. gebouw bestemd om in te wonen
  1. dům
  2. chata
noun
1. strafbepaling
domácí vězení
noun
pronajímatel
/ˈɦœyzdiːr/
noun
1. een dier dat in het huis of om het huis woont en leeft
domácí zvíře
noun
1. vrouw die andermans huishouden verzorgt
hospodyně
noun
1. bepaald soort knaagdier dat vaak in en rond gebouwen voorkomt, Mus domesticus
myš domácí
noun
  1. 2. iemand die het liefst thuis blijft
    pecivál
  2. 1. kleine zangvogel die liefst in de buurt van de mensen leeft
    vrabec
noun
číslo domu
noun
1. een vrouw die thuisblijft om het huishouden te doen
žena v domácnosti
noun
1. schoolwerk dat thuis verricht moet worden
domácí úloha
noun
1. Delichon urbica, een zwaluw die zijn nest tegen de huizen aanbouwt
jiřička
verb
1. iemand hulde of eer bewijzen
holdovat
/ɦʏlp/
noun
1. handeling om iemand steun of bijstand te verlenen
pomoc
noun
1. een werkwoord dat samen met een ander werkwoord de tijd of de hoedanigheid van het werkwoord vaststelt
pomocné sloveso
noun
1. bepaald soort groenblijvende boom of heester met stekelige leerachtige bladeren en rode bessen, Ilex aquifolium
cesmína
noun
1.
dub kermesový
adjective
humánní
noun
1.aanhanger van het humanisme
humanista
adjective
humanistický
adjective
humanitární
noun
1. puree van o.m. gekookte kikkererwten
hummus
noun
humor
adjective
vtipný
/ˈɦynəbɛt/
noun
1. neolithische begraafplaats
dolmen
verb
poskakovat
/ɦyrə(n)/
verb
1. tegen betaling gebruiken
  1. pronajmout
  2. najmout
verb
1. op de onderbenen gaan zitten
dřep
/ɦʏt/
noun
1. een primitieve woning
chata
/ɦyr/
noun
1. tijdelijk gebruik van goederen of diensten tegen betaling
nájem
noun
nájemce
adjective
1. geschikt om in het huwelijk te treden
na vdávání
/ɦiu̯ələk/
noun
1. ambtelijke of kerkelijke verbintenis tussen twee personen
manželství
noun
1. akte van de burgerlijke stand waarin staat dat twee mensen met elkaar getrouwd zijn
oddací list
noun
1.
seznamovací agentura
noun
1.
ctitel
/ˈɦiu̯ələksˌrɛɪ̯s/
noun
1. de reis die een pasgetrouwd stel gewoonlijk onmiddellijk na hun trouwen onderneemt
svatební cesta
/hʊ.ˈzaːʁ/
noun
1. een ruiterijsoldaat.
husar
noun
3. bolgewas
hyacint
adjective
1. met twee of meer heel verschillende eigenschappen
hybridní
/hi'drat/
noun
1.
hydrát
noun
1. chemisch proces waarbij water aan een scheikundige verbinding wordt toegevoegd
hydratace
verb
hydratovat
adjective
hydraulický
adjective
waterafstotend
hydrofobní
noun
hydrografie
noun
hydrologie
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de onderfamilie Hyaeninae
hyena
noun
hygiena
adjective
1. schoon, gezond
hygienický
noun
1.een instrument om vochtigheid van de lucht te meten
vlhkoměr
adjective
1. de vochtigheid van de lucht tot zich nemend
hygroskopický
adjective
1. overactief
hyperaktivní
adjective
  1. 1. als in een hyperbool d.w.z. zwaar overdreven
  2. 1. de vorm van een hyperbool hebbend of daarop lijkend
hyperbolický
noun
hyperbola
noun
hyperkorektnost
noun
1. een gekleurd en/of onderstreept tekstgedeelte dat een onderliggende verwijzing bevat
hyperlink
noun
1. een woord dat een verzameling van verwante specifiekere woorden samenvoegt, een overkoepelende term
hyperonymum
noun
1. verhoogde bloeddruk
hypertenze
noun
1.
hypnóza
verb
1. het onder hypnose brengen van mensen
hypnotizovat
noun
hypocentrum
adjective
hypochondr
noun
1. overdreven bezorgdheid om de eigen gezondheid
hypochondrie
/ˌhipoˈfizə/
noun
1. een klier aan de onderzijde van de hersenen, die o.a. groeihormoon produceert en de schildklier aanstuurt
hypofýza
noun
1. lichte vorm van ziekelijke aandrift (psychische opwindingstoestand)
hypomanie
noun
1. term die een subcategorie van een algemenere klasse aanduidt
hyponymum
noun
1. lage bloeddruk
hypotenze
noun
1. deel van de hersenen dat een directe verbinding heeft met het hormonale systeem
hypothalamus
adjective
hypoteční
noun
1. bezitloos bezwaren van een onroerend goed als onderpand
hypotéka
/ˌhipoteˈkeːrə(n)/, /ˌhipoteˈkɪːrə(n)/
verb
  1. 1.
  2. 2.
zastavit
noun
1. onderkoeling
podchlazení
adjective
op een vooronderstelling berustend
hypotetický
noun
1. zuurstoftekort in de weefsels
hypoxie
noun
1. Hyssopus officinalis, een gewas met geneeskundige kracht
yzop
noun
  1. hysterese
  2. hystereze
adjective
hysterický
noun
bepaalde suiker die veel in zoete vruchten voorkomt
cottage
adjective
1. door medisch ingrijpen veroorzaakt
iatrogenní
pronoun
1. een Europees schiereiland dat zich ten zuiden van de Pyreneeën bevindt...
Pyrenejský poloostrov
noun
1.
ibuprofen
noun
ikonografie
noun
1. een iconenwand die het altaar van het schip scheidt in de Russisch-orthodoxe kerk
ikonostas
noun
  1. 1. heiligenafbeelding, zoals vereerd in de kerken van het oosten
  2. 2.
ikona
verb
1. iets gunstiger of zelfs als ideaal beoordelen
idealizovat
noun
1. de volmaaktheid, de hoedanigheid van ideaal te zijn
ideálnost
/iˈde/
noun
1. gedachte, plan
  1. nápad
  2. idea
adjective
1. volledig hetzelfde, van dezelfde oorsprong
identický
noun
identifikace
verb
identifikovat
noun
1. geheel van eigenschappen dat je onderscheidt van anderen en bepaalt wie je bent
  1. totožnost
  2. identita
/ˌideo'ɣrɑm/
noun
1. een grafisch teken dat een voorwerp symboliseert
ideogram
/ˌideoloˈɣi/
noun
1. het geheel van ideeën dat ten grondslag ligt aan een wijsgerig stelsel, m.b.t. hun maatschappelijke of politieke strekking
ideologie
adjective
1. van, betreffend of volgens een ideologie
ideologický
noun
1. iemand die een ideologie opstelt
ideolog
adjective
1. het idioom betreffend
idiomatický
noun
1. een bijzondere uitdrukking in een bepaalde taal die samengesteld is door eigenaardig taalgebruik
idiom
/idi'ot/
adjective
1. zwakzinnig in de hoogste graad
idiot
/idi'ot/
noun
1. iemand die een grote maat van zwakzinnigheid heeft
idiot
adjective
1. van onbekende oorzaak
idiopatický
pronoun
ido
adjective
1. bekoorlijk door landelijke eenvoud en liefelijkheid
idylický
indefinitePronoun
někdo
/iːr/
noun
1. inwoner van Ierland, of iemand afkomstig uit Ierland
Ir
/ˈiːrlɑnd/, /ˈiːrlɑnt/
pronoun
1. een groot eiland in Noordwest-Europa
Irsko
/iːrs/
adjective
irský
/iːrs/
pronoun
1. een Keltische taal die wordt gesproken in Ierland
  1. irština
  2. irsky
  3. irská gaelština
/ˈiːrsə/
noun
Irka
pronoun
1.
Irské moře
suffix
  1. 1. anion in submaximale oxidatietoestand
  2. 2. mineraal
it
indefinitePronoun
1. een of ander ding
  1. něco
  2. cosi
/ˈiɣlo/
noun
1. sneeuwhut
iglú
noun
1. het zich toeleggen op betekenisloze uiterlijkheden
marnost
/'ɛɪ̯kə(n)/
verb
1. meting op juiste schaal brengen
kalibrovat
/ɛɪ̯s/, /ɛːs/
noun
  1. 1. de vaste vorm van water, bevroren water
    led
  2. 2. een lekkernij die in bevroren toestand wordt gegeten
    1. zmrzlina
    2. led
noun
3. kunstijsbaan
kluziště
noun
1. bepaald soort zoogdier, Ursus maritimus
  1. lední medvěd
  2. medvěd lední
noun
1. een zeer groot brok ijs dat in de zee drijft
kra
noun
1. een sterk, krachtig schip dat speciaal gebouwd en uitgerust wordt om zich een weg door het ijs te banen en alzo een vaargeul voor andere schepen te openen.
ledoborec
noun
1. bepaald soort vogel Gavia immer
potáplice lední
noun
1. ijssport waarbij twee teams van ieder vijf personen plus goalie met behulp van een stick een schijfje (puck) in het doel van de tegenstander proberen te schieten
lední hokej
/ˈɛɪʃə/
noun
1. portie van een uit roomijs of waterijs vervaardigde lekkernij
zmrzlina
/ˈɛɪ̯slɑnd/, /ˈɛɪ̯slɑnt/, /ˈɛːslɑnt/
pronoun
1.een Europees land, dat omgeven is door de Atlantische Oceaan en tussen Groenland en Europa in ligt. Tot 1944 behoorde IJsland bij Denemarken, maar tegenwoordig is het zelfstandig. De officiële naam is Lýðveldið Ísland.
Island
/ˈɛɪ̯sˌlɑndər/, /ˈɛːsˌlɑndər/
noun
1. inwoner van IJsland
Islanďan
/ˈɛɪ̯slɑnds/, /ˈɛɪ̯slɑnts/, /ˈɛːslɑnts/
pronoun
1. een Germaanse taal die wordt gesproken op IJsland
  1. islandština
  2. islandský jazyk
noun
1. ijspriem
sekáček na led
noun
1.een theevariant
ledový čaj
/ˈɛɪ̯sfoχɔɫ/, /ˈɛɪ̯zvoːɣəl/, /ˈɛːsfoːɣəl/
noun
1. bepaald soort blauwgroen vogeltje met oranje borst en spitse snavel, Alcedo atthis
ledňáček
/'ɛɪ̯zəl/, /'ɛɪ̯zəɫ/, /'ɛːzəɫ/
noun
1. onderkoelde regen die in ijs overgaat eenmaal in aanraking met de grond
ledovka
/ˈɛi̯zər/
noun
1. een scheikundig element met het symbool Fe en het atoomnummer 26
železo
noun
železná ruda
adjective
ocelová šedá
noun
doba železná
adjective
ledový
personalPronoun
1.
já
phraseologicalUnit
1. een verklaring van liefde aan iemand
miluji tě
noun
1. ontsteking van het laatste deel van de dunne darm
ileitida
noun
iluze
noun
ilustrace
noun
ilustrátor
verb
ilustrovat
adjective
imaginární
adjective
imbecil
/ˌimiˈtasi/, /ˌimiˈtatsi/
noun
1. nabootsing
napodobení
/ˌimiˈterən/
verb
1. doen wat iemand anders doet
imitovat
adjective
1.
ohromný
/ˈɪmiɣrɑnt/
noun
imigrant
noun
1. het zich metterwoon vestigen van vreemdelingen in een land
  1. imigrace
  2. přistěhovalectví
noun
1. onvatbaarheid voor een ziekte
imunita
noun
1. de leer van het afweersysteem dat verantwoordelijk is voor: afweer tegen besmettelijke ziekten...
imunologie
noun
impala
noun
1. de tijdsafhankelijke mate waarin een materiaal het passeren van elektrische lading bemoeilijkt
impedance
noun
imperiální
noun
imperialismus
/ɪmˈperijʏm/
noun
říše
adjective
1. te intiem en niet ter zake doende
drzý
noun
1. etterige huidontsteking
impetigo
noun
1. een stof, voorwerp, toestel etc. dat in een lichaam wordt aangebracht
implantát
verb
1.stilzwijgend ten gevolge hebben
naznačit
noun
1. zeer snel ineenklappen van een holle ruimte
imploze
noun
1. het niet geliefd zijn bij veel mensen
neoblíbenost
adjective
impotentní
noun
1. onvermogen tot geslachtsgemeenschap
impotence
noun
1. een organisator van toneeluitvoeringen, concerten enz.
impresário
noun
impresionismus
noun
1. ter plekke verbeterde versie van een muziekstuk, voorlezing enz.
improvizace
noun
improvizátor
verb
1. iets bedenken zonder vooropgesteld plan
improvizovat
/ɪmˈpʏls/
noun
2. product van massa en snelheid
hybnost
preposition
  1. 1.-12. in (ruimtelijk)
    1. v
    2. do
    3. ve
  2. 2. in (tijdelijk)
    1. v
    2. ve
phraseologicalUnit
1. in een omgeving waar weinig gepresteerd wordt...
  1. mezi slepými je jednooký králem
  2. mezi slepými jednooký králem
preposition
1. als vervanger van, als vervanging voor
  1. místo
  2. namísto
/ˌɪnɑkˈtif/
adjective
1. onwerkzaam, niks aan het doen
nečinný
verb
1. lucht uit de omgeving opnemen
nadechnout
/ˌɪnʌʊɣyˈratsi/
noun
1. de feestelijke of plechtige inwijding in een ambt
inaugurace
noun
1. het inbreken
vloupání
noun
inbus
noun
incest
preposition
1. met inbegrip van
včetně
/ˌiŋkɔmpəˈtɛn(t)si/
noun
  1. nekompetentnost
  2. neschopnost
noun
  1. 1. inhoudsopgave
  2. 2. index librorum prohibitorum
  3. 6. indexbestand
index
/ˈɪn.di.ja/
pronoun
1. soeverein land in het zuiden van Azië
Indie
noun
1. inwoner van Amerika voor de komst van de Europeanen
  1. Indián
  2. Indiánka
noun
1. de vorm van het werkwoord die de werkelijkheid aangeeft
indikativ
noun
ukazatel
/ɪn.ˈdi.ɣo/, /ɪn.ˈdi.χo/
noun
1. een kleur die in het het lichtspectrum voorkomt met een golflengte van 440 tot 420 nanometer
indigo
/ˌɪndisəˌosiˈan/, /ˌɪndisˌə̯osejˈaːn/
pronoun
1. de oceaan die tussen Oost-Afrika en Zuid-Azië ligt
Indický oceán
noun
1. een scheikundig element en zilvergrijs overgangsmetaal met het symbool In en het atoomnummer 49
indium
adjective
1. afzonderlijk, op zichzelf
individuální
noun
indoktrinace
verb
1. dwingen om bepaalde opvattingen te aanvaarden
indoktrinovat
/ɪndo'nezis/
pronoun
1. een taal die voornamelijk in Indonesië gesproken wordt
  1. indonéský
  2. indonéština
/ˌɪn.do.ˈne.zi.jə/
pronoun
1. een land dat bestaat uit een groot eilandengebied tussen Zuidoost-Azië en Australië
Indonésie
/ˈɪndrʌk/
verb
dojem
noun
indukčnost
noun
1. Nijverheid
průmysl
noun
1. een besmetting van lichaamsweefsel met ziekteverwekkers als bacteriën, virussen, schimmels of...
nákaza
noun
infiltrace
verb
infiltrovat
noun
1. stijging van het prijspeil waardoor het geld in waarde daalt
inflace
noun
1.
influencer
noun
1. de leer van de mechanische verzameling en verwerking van informatie
  1. informatika
  2. počítačová věda
noun
1. beoefenaar van de informatica
informatik
noun
1.
informace
noun
informační bezpečnost
noun
1. samenleving, waarin informatie als de belangrijkste productiefactor gezien wordt.
informační společnost
noun
1.
informační systém
adjective
infračervený
/ˈɪɱfrastrʏktyr/
noun
1. het totaal van onroerende voorzieningen zoals (spoor)wegen, vliegvelden,...
infrastruktura
noun
2. een opening waar iets doorheen kan
vchod
/ˌɪŋʒeˈɲør/
noun
1. iemand die is opgeleid in het hoger onderwijs om allerhande technische problemen op te lossen
  1. inženýr
  2. inženýrka
noun
2. verzamelnaam voor de inwendige organen van het darmkanaal
střevo
noun
1.
vhazování
noun
ingredience
noun
inhalátor
/'ɪnɦɑm/
noun
zátoka
/ɪnˈhems/
adjective
1. van oorsprong ergens voorkomend
místní
/ˈɪnhɑut/
noun
  1. 1. datgene wat bevat is in een ander lichaam
  2. 3. alles wat in een geschrift of ander medium staat
obsah
noun
1. overzicht van de onderwerpen of hoofdstukken in een boek
obsah
noun
1. feestelijke gelegenheid waarbij iemand wordt gehuldigd, zoals een koning/vorst door diens onderdanen, bij aanvaarding van diens ambt
inaugurace
/ini(t)ʃali'zerə(n)/
verb
1.
inicializovat
noun
iniciace
noun
1.
drážka
noun
1. regelmatig verkregen som geld
příjem
noun
1. een gekleurde vloeistof waarmee geschreven wordt
inkoust
/ˈɪŋtpot/
noun
1. een meestal glazen of plastic vaatje waar inkt in bewaard wordt
kalamář
/ˈɪŋktfɪs/
noun
1. een koppotig weekdier met vangarmen dat een inktachtig vocht afscheidt ter verdediging
krakatice
verb
naložit
verb
1. iets nieuws bedenken of maken
inovovat
/ˈɪmpɑkə(n)/
verb
  1. 2. in een omhulsel doen
  2. 1. in een verpakking doen
balit
/ɪ'mplɛnə(n)/
verb
1.
naplánovat
verb
1. diep in het geheugen vastleggen
vštípit
noun
1. een rechtbank van de Rooms-Katholieke Kerk, die was belast met de opsporing, het onderzoek en het opleggen van straffen van ketters
inkvizice
verb
1. een woning ~: een ruimte geschikt maken voor bewoning met vloerbedekking, behang, huisraad, enzovoort
zařizovat
/'ɪnsxepə(n)/
verb
1. aan boord gaan van een schip voor een reis ermee
nalodit
noun
1. geleedpotige met drie paar poten en geen, één of twee paar vleugels
hmyz
verb
naznačit
noun
1. horizontale draden die tijdens het weven tussen de opgespannen draden van de schering worden ingebracht
útek
noun
1. de fysieke moeite die men voor iets doet
  1. úsilí
  2. námaha
noun
inspektor
/ɪnspi'rasi/
noun
1. een gevoel over hoe men een klus kan aanpakken
inspirace
verb
1. de geest gaande maken
inspirovat
noun
  1. 3. een min of meer plechtige en officiële inwijding in een bepaald ambt
  2. 8. een kunstvorm
instalace
verb
  1. 2. het invoeren en gebruiksklaar maker van een computerprogramma
  2. 3. het aanleggen van een installatie
  3. 1. de formele aanvang van een officiële functie
instalovat
noun
2. organisatie, die vaak subsidie van de overheid krijgt en geen geld wil verdienen
instituce
verb
1. het eens zijn
kývnout
noun
1. gedrag dat geheel genetisch bepaald is
instinkt
verb
1. zwichten voor de zwaartekracht
spadnout
noun
instruktor
noun
1. een order, een aanwijzing
instrukce
noun
  1. 1. werktuig
    1. instrument
    2. nástroj
  2. 2. verkort voor muziekinstrument
    1. nástroj
    2. instrument
adjective
instrumentálka
/ˌɪnzyˈlinə/
noun
1. een hormoon gemaakt in de bètacellen van de pancreas in de zogenaamde eilandjes van Langerhans, dat de lever aanzet bloedglucose op te nemen en op te slaan in de vorm van glycogeen
inzulin
adjective
1. in goede staat, onaangetast
nedotčený
/ɪnˈtexə(n)del/
adverb
naopak
adjective
integrál
noun
integrál
/ɪntəˈɣra(t)si/
noun
integrace
/ɪntəɣriˈtɛit/
noun
1. onschendbaarheid, eerlijkheid, oprechtheid
integrita
/ɪntɛli'xɛnt/
adjective
1. met een goed verstand of daarvan blijk gevend
inteligentní
noun
een eigenschap van de werking van de hersenen
inteligence
noun
1.
inteligence
adjective
1. zeer krachtig, hevig
intenzivní
noun
1. onderlinge beïnvloeding
interakce
adjective
interdisciplinární
adjective
1. wekt interesse
zajímavý
noun
  1. 1. belang
  2. 2. belangstelling
  3. 3. iets waar belangstelling voor is
zájem
verb
1. nieuwsgierig maken
zajímat
noun
úrok
noun
  1. rozhraní
  2. interface
  3. interfejs
noun
3. gezamelijke werking van golven
interference
noun
intermezzo
/ɪntərnɑ(t)ʃo'nal/
adjective
1. meer dan één land
mezinárodní
pronoun
Mezinárodní měnový fond
pronoun
Mezinárodní úřad pro míry a váhy
noun
1. een wereldwijd netwerk van computers
internet
noun
1.
internetová kavárna
noun
1. Arts
internista
noun
interpolace
verb
1. uitleggen of opvatten
interpretovat
/'ɪntɛrpɵŋktsi/
noun
interpunkce
noun
  1. 1. tussenperiode
  2. 3. de afstand tussen twee verschillende tonen
interval
noun
1. vraaggesprek met iemand over diens opvattingen en ervaringen
interview
verb
1.een vraaggesprek met iemand houden
interviewovat
noun
1. internet
internety
noun
1. vergiftiging
otrava
adjective
1. in de spier
intramuskulární
adjective
1. in de ader gelegen of plaatvindend
nitrožilní
noun
  1. 2.
  2. 3.
intrika
verb
  1. 1. iets nieuws inbrengen of invoeren
  2. 2. een nieuw persoon toegang verschaffen
  3. 3. iemand voor het eerst voorstellen
zavést
/ˈɪntrɔn/
noun
1. stukje DNA dat zich bevindt in een gen maar dat niet wordt gebruikt om het eiwit te coderen
intron
noun
1.
introit
pronoun
inuktitutština
verb
zrušit
verb
2 iemands plaats tijdelijk innemen
zaskočit
noun
inventář
verb
investovat
noun
1. een opoffering in tijd, geld of mankracht ten behoeve van een doel dat pas op lange termijn wordt behaald
investice
/ˈɪnvluːt/
noun
  1. 1. inwerking van een persoon, zaak of omstandigheid op een andere
  2. 2. het vermogen om op anderen in te werken
vliv
adjective
vlivný
noun
vstup
/ˈɪnvurə(n)/
verb
1. iets nieuws introduceren
zavést
/ɪɱ.'wɛn.dɪx/, /ɪɱ.'ʋɛn.dəχ/, /ɪɱ.'β̞ɛn.dəx/
adjective
vnitřní
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Io
/jɔn/
noun
  1. iont
  2. ion
pronoun
1. randzee van de Middellandse Zee, gelegen tussen Zuid-Italië en West-Griekenland
Jónské moře
noun
ionosféra
/i'peʔadrɛs/
noun
1. een combinatie van getallen waarmee een computer in een IP-netwerk kan worden herkend
IP adresa
pronoun
1.
iránský
/i.ˈrɑk/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten dat voor een groot deel in en rond het stroomgebied van de rivieren de Eufraat en de Tigris ligt
Irák
/i.ˈrɑn/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten met als hoofdstad Teheran
Írán
noun
Íránec
noun
1. een scheikundig element met symbool Ir
iridium
noun
  1. 1. orgaan in het oog van vele organismen
  2. 2. benaming voor planten uit het geslacht Iris
duhovka
/ɪroˈniː/
noun
1. vorm van spot
ironie
adjective
1.
ironický
adjective
1. van geen belang voor de huidige zaak
irelevantní
/ˌɪ.ri.ˈɣeː.rə(n)/, /ˌɪ.ri.ˈχɪː.rə(n)/
verb
1. op grote schaal water naar landbouwgrond transporteren om de gewassen mee te bevloeien
zavlažovat
verb
1. op onaangename wijze prikkelen
dráždit
noun
1. een zenuwontsteking bij de heup
ischias
noun
1. godsdienst die na alle profeten uit het jodendom en Christus, Mohammed ...
islám
pronoun
Islámábád
noun
1. ruimtelijke afzondering
izolace
noun
  1. izomerace
  2. izomerizace
noun
1. gelijkheid in vorm
  1. isomorfie
  2. izomorfie
noun
  1. izomorfismus
  2. isomorfismus
  3. izomorfizmus
noun
1. een verzameling punten constante temperatuur gemeten of waar de temperatuur dezelfde waarde heeft
izoterma
noun
izotop
/ˈɪs.ra.hɛl/, /ˈɪs.ra.ɛɫ/
pronoun
1. land in het Midden-Oosten, gelegen aan de Middellandse Zee
Izrael
/italiˈjaːn/
noun
1. een persoon die uit Italië komt
Ital
/italiˈjaːns/
adjective
1. betreffende Italië of het Italiaans
italský
/italiˈjaːns/
pronoun
1. een Romaanse taal die wordt gesproken in Italië, San Marino, Vaticaanstad, Slovenië en Zwitserland
italština
/iˈtaːli.jə/
pronoun
1. een land
Itálie
adjective
iterační
suffix
  1. 1.
  2. 2.
itida
noun
slonovina
adjective
slonová kost
/i.ˈvoːr.kʏs/, /i.ˈvoːr.kʏst/, /i.ˈvo̝ːr.kʏst/
pronoun
een land in West-Afrika, officieel de Republique de Côte d'Ivoir
Pobřeží slonoviny
adjective
slonovinový
/jaː/
adverb
1. duidt bevestiging of instemming aan
  1. ano
  2. jo
/jaː/
interjection
1. kreet van opwinding
ano
/ja:r/
noun
1. de duur van een omloop van de aarde om de zon van circa 365 dagen.
rok
/ˈjar.ɣə.ˌtɛɪ̯.də/, /ˈjar.ɣə.ˌtɛː.də/, /ˈjar.χə.ˌtɛɪ̯.də/
noun
1. een deel van een jaar met unieke eigenschappen
roční období
/ˈjar.ləks/, /ˈjar.lɪks/
adjective
1. eenmaal per jaar
  1. každoroční
  2. coroční
/jɑxt/
noun
  1. 3. een snel vaartuig
    jachta
  2. 1. het achtervolgen van wild
    lov
noun
1. hond die speciaal gefokt wordt voor de jacht
chrt
noun
1. zeer snel, betrekkelijk groot Afrikaans katachtig roofdier, Acinonyx jubatus
gepard
/ˈjaːɣə(n)/
verb
1. bewegende wezens proberen te vangen
lovit
noun
1. iemand die op jacht gaat
  1. lovec
  2. myslivec
noun
lovec a sběrač
noun
1. een vrouw die jaagt
lovkyně
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera onca
jaguár
noun
jak
noun
1. Canis aureus, hondachtig roofdier
šakal
pronoun
Jakub
/jaˈkobʏs/
pronoun
Jakubův
adjective
1. een negatief gevoel veroorzaakt doordat iemand iets heeft of kan krijgen wat je ook wilt hebben of reeds hebt
žárlivý
/ʃɛm/
noun
1. een gelei van suiker en gekookt fruit, onder andere gebruikt als broodbeleg
džem
/(d)ʒa.mɛɪ̯.ka/, /dʒɑ.mɑɪ̯.ka/
pronoun
1. een eiland in de Grote Antillen ten zuiden van Cuba en ten westen van het eiland Hispaniola
Jamajka
noun
jamb
noun
1. een grote bijeenkomst van scouts in de leeftijd van 14 tot 17 jaar uit landen verspreid over de gehele wereld die eens per 4 jaar wordt georganiseerd
jamboree
verb
1. klagende, huilende geluiden maken
bědovat
noun
1. bepaalde zeevogel, Morus bassanus
terej
/jɑnyˈwaːri/
noun
1. de eerste maand van het jaar
leden
/jaˈpɑn/, /jɑˈpɑn/
pronoun
1. een land in het oosten van Azië
Japonsko
noun
Japonec
/jɑ'pɑns/
adjective
1. betreffende Japan of het Japans
japonský
/jɑ'pɑns/
pronoun
1. een taal die in Japan gesproken wordt
  1. japonština
  2. japonsky
pronoun
1. taalfamilie van Japans en een tiental verwante talen die in Japan worden gesproken
japonsko-rjúkjúské jazyky
noun
1.
bunda
noun
1. benaming voor planten uit het geslacht Jasminum
jasmín
noun
jaspis
pronoun
1. een taal die door meer dan 75 miljoen mensen op Java en Bali gesproken wordt
javánština
/'jɑʋɛl/
adverb
ja, antwoordend op een ontkennende vraag
ano
/ˈjemən/, /ˈjeːmən/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel de Republiek Jemen
Jemen
pronoun
1. en 2.
Jena
noun
1. Juniperus communis
jalovec
pronoun
  1. Jeremjáš
  2. Jeremiáš
noun
1.
kanystr
pronoun
Jersey
pronoun
Izajáš
/dʒɛt/
noun
1. een straalvliegtuig
jet
/ˈjøːxt/
noun
1. het jong zijn
  1. mládí
  2. mládež
noun
1. kriebel
svrbění
verb
svědit
/ˈje.zʏs/
pronoun
1. centrale figuur in het Nieuwe Testament
Ježíš
pronoun
1. Jezus van Nazareth
Ježíš Kristus
/je.zy.ˈit/
noun
1. een lid van de Sociëteit van Jezus
jezuita
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het oosten van het land
Džhárkhand
noun
1. een pijnlijke ontsteking als gevolg van gekristalliseerd uraat in een gewricht
  1. dna
  2. pakostnice
pronoun
1. Germaanse taal die door de Joden in West-Europa gesproken werd
jidiš
noun
džihád
/jEi/, /jɛɪ̯/, /jɛː/
personalPronoun
1. aangesproken persoon enkelvoud informeel
ty
/'jɔb/
pronoun
Jób
/ˈjodələ(n)/
verb
1. zingen met een snelle wisseling van borst- naar keelstem
jódlovat
/joˈdɪn/
noun
Židovka
/joˈdin/
noun
1.
  1. Žídka
  2. žídka
noun
1. scheikundig element met symbool I en atoomnummer 53
  1. jód
  2. jod
pronoun
Jugoslávie
pronoun
2.1 een van de vier Evangeliën
  1. Johan
  2. Jan
noun
rohovník
noun
joint
noun
  1. 1. speelgoed
  2. 2. sufferd
jojo
verb
žolík
/ˈjɔ.kə(n)/
verb
2. een relatief onschuldige leugen vertellen
kecat
adjective
1. van geringe leeftijd
mladý
noun
1. onvolwassen man
  1. chlapec
  2. hoch
  3. kluk
/jɔŋˈle.rə(n)/
verb
žonglovat
/jɔŋˈlør/
noun
  1. 1. rondreizend kunstenaar
  2. 2. rondreizend artiest
žongler
noun
1. schip
džunka
/jot/
noun
Žid
noun
  1. 1. aanhanger van het joodse geloof
    1. Žíd
    2. žíd
  2. 1. element jodium
    1. jód
    2. jod
adjective
1. te maken hebbend met het joodse geloof, het jodendom
židovský
phraseologicalUnit
1.
bůh ví
/jɔr.ˈda.ni.jə/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië
Jordánsko
noun
3. een kleinigheid, helemaal niets
iota
noun
verslaggever, iemand die nieuwsfeiten publiceert
  1. novinář
  2. žurnalista
/jɑu̯/
possessivePronoun
1.
tvůj
adjective
1. opgewekt en tegelijk aardig en vriendschappelijk in de omgang
srdečný
/joˈʔel/
pronoun
Joel
/jybələ/
verb
1. juichen
jásat
noun
1. feestelijke herdenking van de dag waarop iets gebeurde of begon
jubileum
pronoun
2. boek in de Bijbel
Judův
noun
1. naam voor planten uit het geslacht Lunaria
měsíčnice
/'jy.do/
noun
1. een Japanse vechtsport
judo
/jʏˈfrɑu/
noun
slečna
noun
1. houten pasvorm die op de schouders gedragen wordt en twee te dragen gewichten verbindt
jho
noun
1. een van de beenderen van de schedel
lícní kost
/jyˈlɛi/
noun
1. de zevende maand van het jaar
červenec
pronoun
Červencová revoluce
/ˈjʏli/
personalPronoun
1.
vy
noun
1. de zesde maand van het jaar
červen
noun
1. een verzamelnaam voor snel bereid en geserveerd voedsel dat vaak ongezond is
bufetová strava
/ˈjypiˌtɛr/
pronoun
Jupiter
adjective
1. betrekking hebbend op het recht en de rechtsleer
  1. právní
  2. právnický
noun
1. een deskundige op het gebied van rechtsleer
právník
/jʌrək/
noun
1. een kledingstuk voor vrouwen dat van de schouders tot op de benen reikt
šaty
noun
1. saus voor spijzen, bereid uit vleesnat
omáčka
adjective
de bastvezels
juta
noun
1. sieraad van grote schoonheid en hoge waarde
drahokam
noun
1. iemand die juwelen vervaardigt en erin handelt
klenotník
noun
1. krokodilachtige uit de onderfamilie Caimaninae van de familie alligators
kajman
noun
1. deel van schedel waarin tanden en kiezen zitten
čelist
noun
1. een mogelijk dodelijke infectieziekte veroorzaakt door Colistridium tetani
tetanus
adjective
1. zonder of met heel weinig hoofdhaar, veren, bladeren, begroeiing, enzovoort
plešatý
noun
1. het kaal zijn
plešatost
noun
1. een in zee vooruitstekende landpunt
mys
pronoun
1. de naam van de zuidwestelijkste punt van Afrika
Arkona
pronoun
1. de naam van de zuidwestelijkste punt van Afrika
mys Dobré naděje
pronoun
1. een van de hoofdsteden van Zuid-Afrika, gelegen bij de Kaap de Goede Hoop
Kapské Město
/kab.ˈvɛr.di.jə/, /kap.ˈfɛr.di.jə/
pronoun
1. een land in West-Afrika
Kapverdy
/kars/
noun
1. een staaf of klomp van brandbaar materiaal met een lont
  1. svíce
  2. svíčka
noun
nog in te delen vertalingen
mapa
/kartspɛl/
noun
  1. 1. een spel met speelkaarten
  2. 2. een spel kaarten
karetní
noun
1. voedingsproduct gemaakt van gestremde melk
sýr
noun
1.
fáčovina
noun
sléz
/'kɑbələ(n)/
verb
1. zacht stromen en geluid maken
zurčení
noun
1. lijn van 3 tot 6 ineengedraaide touwen van hennep, kunststof, staal of ander materiaal
kabel
noun
1. Gadus morhua, middelgrote zoutwatervis
treska
noun
kabinet
/'kabul/
pronoun
1. Afghaanse stad/provincie
Kábul
noun
1. sprookjesfiguur
gnóm
/ˈkɑ.xəl/, /ˈkɑ.xəɫ/, /ˈkɑ.χɔɫ/
noun
1. een apparaat waarin energie wordt omgezet in warmte met de bedoeling een ruimte te verwarmen
kamna
noun
1. dood lichaam van een dier
zdechlina
/ˈkɑdiʃ/
noun
1. een joods gebed waarin Gods naam wordt geheiligd
kadiš
noun
1. rand die om iets (m.n. een afbeelding of schilderij) heen wordt aangebracht
  1. rám
  2. rámec
/kɑf/
noun
1. de vliezen rondom de graankorrels
pleva
noun
1.
kaftan
noun
1. een gesloten kano om in wild water of op zee te varen
kajak
noun
1. overdekte gemeenschappelijke verblijfplaats op schepen
kajuta
/kaki/
noun
kaki
adjective
šedá khaki
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Blattodea
šváb
noun
1. rommelig geheel van vele klanken door elkaar
kakofonie
noun
1. tabel die de verdeling van het jaar in dagen, weken of jaren aangeeft, evt. met feestdagen enz.
kalendář
noun
1. jong van het rund en sommige andere zoogdieren.
tele
noun
telecí
verb
kalibrovat
noun
kalif
noun
chalífát
noun
1. scheikundig element met symbool K en atoomnummer 19
draslík
noun
chlorid draselný
/ˈkɑl(ə)k/
noun
aanduiding voor een aantal alkalische zouten van calcium
vápno
noun
1. bepaald soort gedomesticeerde vogel, Meleagris gallopavo
  1. krocan
  2. krůta
noun
2. orgaan van een kalkoen
krůtí játra
noun
vápenka
noun
vápenec
noun
1.
kaligrafie
/ˈkɑlmus/, /ˈkɑɫmus/
noun
kalmus
noun
klid
verb
1. een jong baren bij runderen
otelit
/kɑm/
noun
1. getand object om haren mee te verzorgen
hřeben
/kɑ'mel/
noun
1. bepaald soort hoefdier met twee bulten op de rug, Camelus bactrianus
velbloud
noun
chov velbloudů
/ka'melejɔn/
noun
  1. 2. veranderlijk persoon
    chameleon
  2. 1. tropische hagedis vooral bekend voor zijn snelle kleurveranderingen
    1. chameleon
    2. chameleón
noun
1. deel van een huis
pokoj
noun
soudruh
noun
1. een lange huisjas
župan
noun
komorní hudba
/ˌka.mə.ˈrun/
pronoun
1. een land in Midden-Afrika, officieel de Republiek Kameroen
Kamerun
noun
pokojová teplota
noun
kafr
noun
1.
kafrovník
noun
1. elk van de planten van het geslacht Matricaria
heřmánek
noun
1. mannenvest met lange mouwen en diepe zakken
košilka
/kɑmə(n)/
verb
1. met een kam haar in orde brengen
česat
noun
1. een plaats waar een aantal troepen geruime tijd of permanent gehuisvest zijn
tábor
verb
1. een vorm van openluchtrecreatie
kempovat
noun
1. geslacht van klimstruiken (Lonicera)
zimolez
/kɑmpiun/
noun
1. de winnaar van een kampioenschap
mistr
noun
1. wedstrijd waar bepaald wordt wie de kampioenstitel mag dragen
mistrovství
noun
vuur in een kamp waaromheen mensen zich (ter gezelligheid) verzamelen
táborák
noun
1. serviesgoed om vloeistoffen uit te schenken
džbán
pronoun
Lamanšský průliv
/ka'naːl/
noun
  1. průplav
  2. kanál
noun
1.1 bepaald soort vogel Serinus canarius
kanár divoký
pronoun
1. een stad gelegen in Zuid-Afghanistan en de hoofdstad van de gelijknamige provincie
Kandahár
noun
svícen
/kɑndiˈdat/
noun
  1. 1. iemand die zich verkiesbaar gesteld heeft voor een politiek ambt
  2. 2. iemand die zich beschikbaar gesteld heeft voor een baan of functie
kandidát
/kɑn'dɛɪ/
noun
1. gekristalliseerde, meestal bruine suiker
kandovaný
/kɑˈnel/
noun
1. een specerij van de gedroogde binnenbast van de kaneelboom,...
skořice
noun
1. benaming voor zoogdieren uit het geslacht Macropus
klokan
noun
1.
kandži
noun
1. een aandoening die gekenmerkt wordt door het ongecontroleerd vermenigvuldigen van cellen
rakovina
pronoun
1. taal die in de Indische staat Karnataka gesproken wordt
kannadština
noun
1. mens die of dier dat vlees van zijn eigen soort eet
kanibal
noun
1.
kanibalismus
noun
kánoe
noun
1. een instrument om explosieve projectielen weg te schieten
dělo
noun
1.
dělový člun
noun
  1. 1. mogelijkheid dat er iets gaat gebeuren
  2. 2. een mooie gelegenheid
  1. šance
  2. možnost
noun
  1. 1. eerste minister
  2. 2. hoofd van een kanselarij
kancléř
/kɑnt/
noun
1. een vorm van vlechtwerk
krajka
/kɑnˈtel/
noun
1. elk van de opstaande delen van de getande bovenkant van (oude) verdedigingsmuren
cimbuří
noun
1. eetgelegenheid in bedrijven, scholen, verenigingen
kantýna
noun
kanton
pronoun
een Chinese taal gesproken door ongeveer 54 miljoen mensen in het zuiden van China en ook buiten het land
kantonština
noun
1. een instelling waar allerlei administratieve handelingen worden uitgevoerd
úřad
noun
1. een titel die aan bepaalde geestelijken wordt verleend binnen enkele christelijke kerkgemeenschappen.
kanovník
noun
kaolin
/kɑp/
noun
2. een bedekking van het hoofd
kapuce
noun
1. klein kerkgebouw
kaple
noun
1. een priester van de katholieke kerk, werkzaam in een parochie
kaplan
verb
unést
noun
1. vroegere zeerover...
kaper
noun
1. markt waarop vermogenstitels worden verhandeld met een onbepaalde looptijd, of met looptijden vanaf circa twee jaar
kapitálový trh
noun
1.
hlavice
noun
1. (beroep) (scheepvaart) gezagvoerder van een schip [1], bijv. van een koopvaardijschip
kapitán
/'kɑpmɛs/
noun
1. stevig mes
mačeta
noun
kapoun
verb
rozbít
noun
kapa
noun
kadeřník
/kɑpsɛɪ̯zə(n)/, /kɑpsɛːzə(n)/
verb
1. ondersteboven komen liggen
převrhnout se
noun
1. de manier waarop het haar geknipt is
střih
noun
1. een geweer met ingekorte loop en soms ook ingekorte schoudersteun
karabina
noun
1. aard
charakter
verb
charakterizovat
noun
1. gebrande suiker
karamel
verb
1. door verhitting, suiker omzetten tot karamel
karamelizovat
noun
1. vorm van vermaak, waarbij muziek wordt afgespeeld van een lied, en de amateur zanger in een microfoon de tekst (die op een televisiescherm te lezen is) live zingt
karaoke
noun
1. japanse gevechtsport
karate
noun
1.
karavana
noun
plant en zaad
kardamom
noun
1. hoge geestelijke in de hiërarchie van de Rooms-Katholieke Kerk,...
kardinál
noun
1. en 2. bladeren van Cynara cardunculus
artyčok kardový
pronoun
1. een aan het Fins verwante taal die wordt gesproken in Karelië, Rusland en Finland
karelština
/kɑˈrelɪə/
pronoun
1. deel van Rusland
Karélie
noun
1.
karikatura
pronoun
1.
  1. Korutany
  2. Korutansko
pronoun
1., 2. en 3.
Karlovy Vary
noun
1. een rode kleurstof die wordt gewonnen uit een soort schildluis, de Cochenilleluis, Dactylopius coccus Costa
karmín
adjective
karmínová
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het zuiden van het land
Karnátaka
noun
1. gefermenteerde melk
podmáslí
verb
1. het langdurig mechanisch bewerken van melk
stloukat máslo
adjective
1. van, betreffende de Karolingers
karolinský
pronoun
Karparty
noun
1. bepaald soort grote zoetwatervis met een hoge rug, die van oorsprong uit Azië komt, Cyprinus carpio
kapr
noun
1. de verzameling verschijnselen die samenhangen met de oplosbaarheid van kalksteen onder invloed van koolzuur in de atmosfeer
kras
noun
tračník
/kɑrˈtɔn/
noun
1. bordpapier
karton
noun
karavela
noun
plant, zaad en specerij
kmín
/'kɑs/
noun
  1. 1. de bak die het ontvangen geld bevat
    pokladna
  2. 3. een doorzichtige -meest glazen- constructie...
    skleník
pronoun
Kašmír
pronoun
1. een Westslavische taal die gesproken wordt in het oosten van Pommeren
  1. kašubština
  2. kašubsky
noun
1.
trhák
pronoun
1. een grote door land omsloten zoutwatervlakte op de grens van Europa en Azië
Kaspické moře
noun
3. machine om ontvangen geld te registreren en te bewaren
pokladna
noun
1. iemand die het beheer heeft over de kas en de mutaties ervan bijhoudt
pokladní
/kɑs/, /kɑst/
noun
1. een meubel om gebruiksvoorwerpen in op te bergen, meestal voorzien van horizontale schappen
skříň
noun
  1. 1. de boom
  2. 1. de vrucht
kaštan
adjective
kaštanový
noun
1. streng gescheiden stand binnen de hindoeïstische samenleving
kasta
noun
1. een middeleeuwse versterkte woning
  1. zámek
  2. hrad
noun
1. benaming voor vogels uit het geslacht Casuarius
kasuár
noun
1. bepaald soort zoogdier, Felis sylvestris catus
  1. kočka
  2. kocour
noun
1. geheel van de afbraakprocessen in een lichaam
katabolismus
noun
katafalk
noun
katalyzátor
noun
    1. 1. belegeringswapen
    2. 3. lanceerinrichting voor vliegtuigen
    katapult
  1. 2. speeltuig
    prak
noun
2. gevolgen van alcoholgebruik
kocovina
/kɑtədral/
noun
1. een hoofdkerk van een bisdom
katedrála
noun
1. buisje dat tijdelijk in een lichaamsholte wordt aangebracht, bijv. om lichaamsvocht op te vangen of een medicijn toe te dienen
  1. cévka
  2. katétr
noun
1-2 scheikunde + elektronica
katoda
/ˌka.to.ˈlik/
adjective
  1. 1. overeenkomstig de geloofsleer van de Katholieke Kerk
  2. 2. te maken hebbend met de Katholieke Kerk
katolický
noun
  1. kationt
  2. kation
/kɑˈtun/
noun
1. een zachte vezel die uit de opperhuid (epidermis) van de zaden van de katoenplant groeit
bavlna
noun
1. een werktuig dat het mogelijk maakt een last met een beperkte kracht te verplaatsen
kladka
noun
1. bepaald soort loofboom Salix viminalis
vrba košíkářská
pronoun
1. gebergte
Kavkaz
noun
1. Corvus monedula, eem zwarte kraaiachtige zangvogel met een grijze nek
kavka
verb
žvýkat
noun
1. een zacht samenhangend snoepgoed dat niet bedoeld is om in te slikken
žvýkačka
noun
kaviár
noun
1. inwoner van Kazachstan
Kazach
pronoun
1. een taal die van oorsprong door de Kazachen in Kazachstan gesproken werd
kazaština
noun
vrouwelijke inwoner van Kazachstan
Kazaška
/ˈka.zɑx.stɑn/, /ˈka.zɑχ.stɑn/
pronoun
1. een land in Centraal-Azië en het uiterste oosten van Europa
Kazachstán
noun
1. inwoner van Kazachstan
Kazach
noun
1. gebouw waar soldaten gelegerd zijn
kasárna
noun
1. een mouwloos opperkleed dat door een priester gedragen wordt bij het lezen van de mis
kázule
pronoun
1. oudste zoon van Adam en Eva
Kain
/keːl/
noun
1. voorste, uitwendige gedeelte van de hals
  1. hrdlo
  2. krk
noun
1. pijnlijke irritatie van het slijmvlies in de keelholte, meestal door een ontsteking ervan
bolest v krku
/keːp/
noun
2. kleurrijke vinkensoort
pěnkava jikavec
/ˈkipər/
noun
brankář
noun
obratník
noun
milník
noun
kefír
/ˈke.xəl/
noun
1. een meetkundig lichaam met een cirkel als grondvlak en uitlopend in een punt
  1. kužel
  2. spratek
noun
1. een kromme gevormd door het snijden van een kegel met een plat vlak
kuželosečka
noun
1. een monarch van de allerhoogste rang, oorspronkelijk die van het Romeinse rijk
císař
noun
1. een vrouwelijke monarch van de allerhoogste rang, oorspronkelijk die van het Romeinse rijk
císařovna
adjective
imperiální
noun
1. een gebied waar een keizer het staatshoofd is
císařství
noun
1. operatieve verlossing
císařský řez
noun
1. een ondergrondse bergruimte
sklep
noun
kalich
/kɛɫt/
noun
1. lid van een Indo-Europees volk waarvan na de Romeinse tijd de meeste leden op de Britse eilanden en in Bretagne leven
Kelt
/ˈkɛl.tis/, /ˈkɛɫ.tis/
adjective
1. met betrekking tot Kelten
keltský
noun
1. bepaald soort vogel, Calidris pugnax
jespák bojovný
/ˈke.ni.ja/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika, de Republiek Kenia, grenzend aan Somalië, Ethiopië, Oeganda, Tanzania en de Indische Oceaan
Keňa
verb
  1. 1. bekend, vertrouwd zijn met
  2. 2. door studie of oefening geleerd hebben
znát
noun
znalec
noun
krokev
/ˈkɛpəl/
noun
1. hoofddeksel in de vorm van een ondiep bolsegment
kipa
noun
keramika
noun
1. ontsteking van oogbindvlies en hoornvlies
keratokonjunktivitida
/kɛrk/
noun
  1. 2. Christelijke organisatie voor beleving van een specifieke christelijke godsdienst
    1. církev
    2. kostel
  2. 3. Georganiseerde groep die bepaalde christelijke standpunten aanhangt
    kostel
  3. 1. openbaar gebouw voor religieuze handelingen of samenkomsten
    1. kostel
    2. církev
    3. chrám
/ˈkɛrk.bɑŋk/
noun
1. harde langwerpige constructie waar in een kerkgebouw waarop gelovigen tijdens een dienst kunnen zitten
kostelní lavice
noun
1. bijeenkomst van een christelijke gemeente waarin God vereerd wordt
bohoslužba
noun
1. terrein waar overledenen begraven worden
hřbitov
/ˈkɛr.klɔk/
noun
1. een bel in de toren van een kerk
kostelní zvon
noun
1. een toren bij een kerk
kostelní věž
/ˈkɛrgœːl/, /ˈkɛrkœʏ̯ɫ/, /ˈkɛrkœːl/
noun
1. bepaald soort vogel, Tyto alba
sova pálená
noun
1. een feest met attracties
posvícení
noun
1. energie geproduceerd door kernfusie of kernsplijting, waarmee in een kerncentrale elektriciteit wordt opgewekt
jaderná energie
noun
1. het proces waarbij twee atoomkernen botsen en één zwaardere kern vormen waarbij energie vrij komt
jaderná fúze
noun
jaderný reaktor
noun
1. een rampzalige gebeurtenis waarbij de brandstof van een kernreactor smelt door het wegvallen van de koeling
roztavení jádra
noun
1. een vrij zware fractie alkanen die met name als vliegtuigbrandstof gebruikt wordt
petrolej
noun
specerij
kari
adjective
žlutá kari
noun
1. steenvrucht van een kersenboom, Prunus subg. Cerasus
třešně
noun
1. benaming voor bomen waaraan kleine ronde vruchten groeien, uit het ondergeslacht Prunus subg. Cerasus
třešeň
/kɛr.ˈsta.vɔnt/, /kɛr.ˈz(d)a.vɔnd/
noun
Štědrý den
/ˈkɛrsd.bom/, /ˈkɛrz.bom/
noun
1. rond Kerstmis opgestelde naaldboom met allerlei versieringen
  1. vánoční stromek
  2. stromeček
/ˈkɛrs.dɑx/, /ˈkɛrs.dɑχ/, /ˈkɛrz.dɑx/
noun
první svátek vánoční
/ˈkɛr.stə.ˌnɪŋ/
noun
1. het proces waarbij heidense volkeren zich, al dan niet massaal, tot het christendom bekeren
christianizace
/ˈkɛrs.lid/, /ˈkɛrst.lit/
noun
1. een op Kerstmis betrekking hebbend lied
  1. koleda
  2. vánoční koleda
/ˈkɛrs(t)məs/, /ˈkɛrsmɪs/, /ˈkɛrstmɪs/
noun
1. een feest ter herinnering van de geboorte van Jezus met een vieringsdatum die verschilt per christelijke traditie
Vánoce
noun
1.
čemeřice černá
/ˈkɛr.stɑl/, /ˈkɛr.stɑɫ/
noun
1. een voorstelling van de geboorte van Jezus met figuren van hout of gips, die vooral in katholieke gezinnen rond Kerstmis in huis te vinden is, vaak onder de kerstboom
betlém
/ˈkɛrstɛr/
noun
vánoční hvězda
/ˈkɛrst.fa.ˌkɑn.si/, /ˈkɛrst.fa.ˌkɑn.ʦi/, /ˈkɛrz.va.ˌkɑn.si/
noun
1. een schoolvakantie op het einde van het jaar die gewoonlijk twee weken duurt
vánoční prázdniny
noun
  1. 2. keukenkruid
    kerblík
  2. 1. plant
    kerblík třebule
noun
1. een saus op basis van tomaten
kečup
noun
1. meestal rond metalen vat, vaak geschikt om onder druk gezet te worden
parní kotel
/ˈke.təl.dɑl/, /ˈke.təɫ.dɑɫ/, /ˈkeː.təl.dɑl/
noun
1. een half cirkelvormige vallei gevormd door de erosie die een gletsjer veroorzaakt
kar
noun
vodní kámen
noun
1. uit losse, vaak metalen, schakels in een enkele rij aaneengeregen voorwerp
řetězec
noun
1. iemand die vanwege afwijking van de katholieke leer tot misdadiger verklaard was
kacíř
/ˌkɛtəˈrɛɪ/
noun
1. het ingaan in woord of gedachte tegen de doctrines van de kerk
kacířství
noun
4. een snoer bestaande uit een draad die door doorboorde kralen of andere voorwerpen gevoerd is
náhrdelník
noun
1. een aanrijding van vanachter waarbij de aangereden auto doorschiet tegen zijn voorligger aan
karambol
noun
1. motorzaag die een ketting met getande schakels heeft
řetězová pila
/ˈkøːkə(n)/
noun
  1. 2. de wijze waarop in een land of streek gekookt wordt
    kuchyně
  2. 1. een plaats waar gekookt wordt, ruimte waarin mensen hun voedsel bereiden
    1. kuchyň
    2. kuchyně
pronoun
  1. Kolín
  2. Kolín nad Rýnem
noun
kurfiřt
noun
1. het besluit om uit verschillende mogelijkheden er één te nemen
volba
/ˈkevər/, /ˈkɛvər/
noun
1. bepaald insect
brouk
/ˈkiːbɔː(r)d/, /ˈkiːbɔː(r)t/
noun
  1. 2. een apparaat waarmee, door toetsen in te drukken, gegevens in een computer ingevoerd kunnen worden
    klávesnice
  2. 1. een elektronisch muziekinstrument met een toetsenbord
    1. klávesnice
    2. klaviatura
pronoun
1. taal die in Cambodja gesproken wordt
khmerský
/ˈkɪbuts/
noun
kibuc
noun
1.1 benaming voor roofvogels uit het geslacht Circus
moták
noun
1. verlenging van de onderzijde van een (zeil)schip
kýl
noun
bakterie
noun
1. het proces, waarbij het in een zaad aanwezige embryo of kiem door de zaadhuid heenbreekt en vervolgens tot een kiemplant uitgroeit
klíčení
adjective
1.
vybíravý
noun
1. een gebied, waar bij verkiezingen op dezelfde kandidaten kan worden gestemd
volební obvod
noun
volební právo
verb
1. het prikkelen van gevoelige stukken huid bij anderen door middel van licht aanraken
lechtat
noun
1. ademhalingsorgaan van vele in water levende dieren
žábry
pronoun
1. de hoofdstad van Oekraïne
Kyjev
noun
čejka
adjective
štěrková šedá
noun
1. (scheikunde) een zwak zuur dat is afgeleid van siliciumdioxide
kyselina křemičitá
verb
kiezen voor iets
rozhodnout
noun
1. iemand die stemt bij een politieke verkiezing
volič
verb
  1. koukat
  2. dívat se
  3. kouknout
  4. podívat se
noun
1. benaming voor amfibieën uit de orde Anura
žába
noun
1. en 2. (zaden van) de plant Cicer arietinum
  1. cizrna beraní
  2. cizrna
noun
  1. kilobajt
  2. kilobyte
abbreviation
1. kilogram
kilogram
noun
1. duizend meter
kilometr
noun
1. het vooruitstekende deel van de onderkaak
brada
noun
  1. 1. mens tussen 0 en 18 jaar
  2. 2. persoon voortkomend uit
dítě
noun
dětská práce
noun
1. een arts die gespecialiseerd is in de behandeling van kinderen
dětský lékař
noun
dětská kniha
noun
1. een kamer die speciaal is ingericht voor kinderen
dětský pokoj
noun
1. het om het leven brengen van een kind
vražda dítěte
noun
dětské jesle ve Spojených státech amerických
noun
1. een voertuig waarin zuigelingen of kleuters met de hand verreden kunnen worden
kočárek
noun
  1. 1. ziekte bij kinderen
  2. 2. fout, tekortkoming bij een nieuw voorwerp, project of plan
dĕtská nemoc
adjective
1. wat beweging veroorzaakt
kinetický
noun
chinin
/kɪŋk(h)ust/
noun
1. een bepaalde kinderziekte die veroorzaakt wordt door de bacterie Bordetella pertussis
černý kašel
noun
1. klein vrijstaand winkeltje waar men snoep, koffie, kranten en tijdschriften kan kopen
stánek
/kɪp/
noun
1. Gallus gallus domesticus, gedomesticeerde vogel uit de familie van de hoenderachtigen
  1. kuře
  2. slepice
  3. kur
noun
1.
slepičí vejce
noun
hok voor kippen
kurník
/ˈkɪpəvɛɫ/
noun
1. het verschijnsel waarbij als gevolg van kou de huid gaat kleine bubbeltjes vertoont
husí kůže
pronoun
1. de taal die in Kirgizië gesproken wordt
kyrgyzský
/kɪr.ˈɣi.zi.jə/, /kɪr.ˈχi.zi.jə/
pronoun
1. een land in Centraal Azië, officieel de Kirgizische Republiek, dat geheel door land omsloten is
Kyrgyzstán
/ˌki.ri.ˈbɑs/
pronoun
1. land in Oceanië, officieel de Republiek Kiribati
Kiribati
pronoun
1. taal die door 67 790 mensen in Kiribati, Fiji, Nauru, de Solomoneilanden, Tuvalu en Vanuatu wordt gesproken
kiribatský
/kɪts/
adjective
1. een zeiljacht met twee langsgetuigde masten
keč
noun
1. schijnkunst die niet aanslaat met veel versieringen en/of de verkeerde materialen waarvan de meeste mensen denken dat het wansmaak is
kýč
noun
2. vrucht van plantengeslacht Actinidia
  1. kiwi
  2. kivi
noun
elegie
pronoun
Pláč
/klaːr/
adjective
1. in staat van gereedheid gebracht, gereed
hotový
noun
1. een aanklacht
žaloba
verb
1. ongenoegen uiten
stěžovat
noun
fonetika
noun
1. afnemer van een product of dienst van een leverancier
zákazník
verb
1. applaudisseren
tleskat
noun
1. Papaver rhoeas, een plant met een felrode bloem uit de familie Papaveraceae
mák
noun
1. ± stuk rundvlees van de borst of klaprib, dat langdurig in een oven gebraden wordt
hrudí
noun
1. een houten blaasinstrument waarop de melodie wordt gespeeld in een harmonie
klarinet
/klɑs/
noun
  1. 1. een groep leerlingen die een tijdlang gezamenlijk les krijgen
  2. 2. een leerjaar op school
  3. 3. een klaslokaal
třída
noun
1. een ruimte in een school voor het geven van les aan scholieren
třída
noun
třída
/ˈklʌʊtərə(n)/
verb
1. klimmen, zich verticaal verplaatsen met behulp van alle vier de ledematen
drápat se
/klʌu/
noun
  1. 1. poot van een roofdier
  2. 2. hand
dráp
noun
1. toetsinstrument
cembalo
noun
jetel
noun
1. kaartkleur
kříže
verb
1. kleren aandoen
obléci
noun
1. het textiel voor de bedekking van het lichaam
oblečení
noun
1.
oblečení
noun
1. rijstsoort die veel zetmeel bevat
lepkavá rýže
noun
almara
noun
1. iemand wiens beroep bestaat uit het maken van kleding.
krejčí
/klɛɪ̯/, /klɛː/
noun
1. zeer fijne, vochthoudende grondsoort
  1. jíl
  2. hlína
adjective
1. van geringe grootte
malý
pronoun
Paleček
pronoun
Malá Asie
/ˈklɛɪndɔxtər/
noun
1. een dochter van iemands kind, een vrouwelijk kleinkind
vnučka
pronoun
1. een hoog aan het noordelijk halfrond duidelijk sterrenbeeld
Malý medvěd
noun
1. bepaald soort meeuw, Larus glaucoides
racek polární
noun
1.
racek žlutonohý
noun
1. bepaald soort zoetwatervis, Cobitis taenia
sekavec písečný
noun
1. bepaald soort vlinder, Aglais urticae
babočka kopřivová
noun
1. de handel die tatbare producten direct aan consumenten verkoopt
maloobchod
/ˈklɛːŋkɪnt/, /ˈklɛːɪŋkɪnt/
noun
1. kind van zoon of dochter
vnouče
noun
1. een zoon van iemands kind, een mannelijk kleinkind
vnuk
noun
1.
hliniště
noun
přízvuk
noun
1. verstelbare afsluiting
chlopeň
/ˈklepəl/
noun
peervormige staaf in een klok
srdce
/ˈkleː.rən/
noun
1. kleding of kledingstukken
oblečení
verb
2. praten, babbelen
povídat
noun
kecal
/kløːr/
noun
1. het onderscheid dat gemaakt wordt op basis van het verschil in golflengte van licht
barva
verb
1. van kleur voorzien met potloden, stiften, wasko etc.
barvit
adjective
1. zonder kleur
bezbarvý
noun
pastelka
adjective
1. vol opvallende kleuren
barevný
noun
1. stof waarmee men iets kleurt
barvivo
noun
klika
noun
2. orgaan
žláza
/ˈklivə(n)/
verb
1. langs een scherp breukvlak in tweeën hakken
proříznout
noun
1. steile hoge rots
útes
verb
1. een klikkend geluid maken
klik
noun
1. de gemiddelde natuurlijke gesteldheid van de lucht en het weer in een gebied op een planeet
  1. podnebí
  2. klima
noun
1. de verandering van het klimaat in een bepaald gebied over een bepaalde periode, m.n. de wereldwijde opwarming sinds de 19e eeuw
klimatická změna
noun
pásmo podnební
/klɪmɑtoloˈɣi/
noun
1. leer van de lucht- en weersgesteldheid.
klimatologie
verb
1. het bewegen in een omhooggaande richting dan wel over obstakels
lézt
/'klɪ.mɔp/
noun
1. Hedera helix, een groenblijvende houtige plant
břečťan
noun
1. planten die tegen voorwerpen aan omhoog kunnen groeien
popínavá rostlina
pronoun
1. een kunsttaal die uitgevonden is door Marc Okrand voor Star Trek-films
  1. klingonský
  2. klingonština
noun
1. een inrichting waar patiënten worden verpleegd
klinika
/klɪŋk/
noun
  1. 1. handvat om de deur te openen of te sluiten
    klika
  2. 2. constructie om een deur gesloten te houden
    petlice
/ˈklɪŋkər/
noun
1. een klank van de menselijke spraak waarbij geen obstructie in de ademstroom aangebracht wordt.
samohláska
noun
1. een metalen verbinding tussen twee platen bestaande uit twee cilidrische delen die van weerszijden,...
nýt
noun
1., 2. plant met kleverige bloemknoppen
lopuch
noun
  1. 1. een instrument dat de tijd bijhoudt
    hodiny
  2. 2. een belvormige idiofoon, vooral bekend van kerktorens en carillons
    zvon
/ˈklɔkɦœs/, /ˈklɔkɦœʏs/
noun
1. binnenste van een vrucht
jaderník
noun
1. klokkenbrons
zvonovina
/klɔmp/
noun
1. schoeisel van hout, eventueel in combinatie met leer
dřevák
verb
1. een identieke kopie van een levend wezen maken
klonovat
noun
1. een ten gevolge van erosie, diep uitgesleten rivierdal, met steile wanden
kaňon
/klon/
noun
1. een levend wezen dat een exacte genetische kopie is van een ander wezen
klon
/klostər/
noun
  1. 1. een gebouw waarin een kloostergemeenschap gevestigd is
  2. 2. een kloostergemeenschap als zodanig
klášter
verb
    1. 2. hoorbaar bewegen
    2. 5. verslaan
    bušit
  1. 3. in overeenstemming zijn
    štymovat
noun
  1. 1. toneelstuk
  2. 2. lachwekkend voorval
  3. 3. schijnvertoning
fraška
noun
1. iemand die alleen en in afzondering leeft
poustevník
/klyt/
noun
1. bepaald soort watervogel, Recurvirostra avosetta
tenkozobec
noun
1. tot een bol opgewonden draad
klubko
/ˈknaxdiːr/, /ˈknaɣdiːr/
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Rodentia
hlodavec
verb
hlodat
verb
1. met de tanden aanvreten
  1. hlodat
  2. hryzat
adjective
2. aantrekkelijk
hezký
verb
1. een massa soepel maken door er steeds in te knijpen
hníst
noun
1. bepaald soort vinkachtige, Carduelis cannabina
  1. konopka obecná
  2. konopka
noun
1. gewricht in het midden van het been dat het bovenbeen met het onderbeen verbindt
koleno
verb
1. op de knieën gaan
kleknout
noun
1. het schijfvormige bot in de knie
čéška
verb
1. tussen twee punten druk uitoefenen
štípat
noun
1.
kleště
/'knɪkə(n)/
verb
1. een verticale beweging met het hoofd maken
kývat
noun
1. balletje van glas, marmer, steen, hout of klei
kulička
noun
1. teken in de vorm van het kort toeknijpen van een oog om verstandhouding of waardering uit te drukken
mrknutí
noun
1.
suk
noun
1. looksoort Allium sativa met samengevouwen bol
  1. česnek kuchyňský
  2. česnek
noun
1. vingergewricht
kloub prstu
verb
  1. 2. (figuurlijk) vechten
    bojovat
  2. 1. vechten
    1. bojovat
    2. zápasit
noun
1. verdikte plantenwortel.
hlíza
noun
  1. 3. aan een jas e.d.
    knoflík
    1. 1. in een draad
    2. 2. snelheidsmaat
    uzel
noun
1. spleet die in een stuk stof is gemaakt zodat een ander stuk stof daaraan kan worden vastgemaakt
knoflíková dírka
verb
1. een vastzittende lus in een koord, draad of touw maken
vázat
noun
kyj
verb
1. omhelzen
chovat
noun
1. korte dikke stok, bedoeld om lijfstraf mee uit te delen
obušek
/knʌtsələ(n)/
verb
1. zelf voorwerpen uit liefhebberij vervaardigen met gebruik van gereedschap als hamer, zaag en schaaf
kutit
noun
1. een Australisch buideldier
  1. medvídek koala
  2. koala
noun
1. scheikundig element met symbool Co en atoomnummer 27
kobalt
adjective
kobaltová modrá
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Araneae
pavouk
noun
1. Ursus arctos middendorffi, de grootste beer en het grootste bekende landroofdier
medvěd kodiak
noun
1. vrouwelijk rund
kráva
noun
1. een platte pan met een lang handvat
pánev
/[ˈkuc̠͡ç̠jø̜]/
noun
2. klein baksel dat meestal bij de koffie of thee genuttigd wordt
  1. sušenka
  2. keks
noun
1. bepaald soort vogel, Cuculus canorus
  1. kukačka obecná
  2. kukačka
noun
klok
kukačkové hodiny
adjective
1. met een naar verhouding lagere temperatuur dan de warme of hete omgeving
chladný
/ˈku:li/
noun
kuli
noun
1. een huishoudelijk apparaat voorzien van een koelinstallatie,...
chladnička
noun
1. koelvloeistof
chladicí kapalina
noun
kobylí mléko
noun
  1. 1. een gewelf in de vorm van een halve bol of een halve ellipsoïde
  2. 2. een ruimtelijke figuur, veelvlak
  1. kopule
  2. kupole
pronoun
1. een taal die door de Koerden gesproken wordt
  1. kurdský‎
  2. kurdština
noun
1. kleine witte reigersoort
volavka rusohlavá
noun
kurz
/ˌku.tər.ˈʋaːls/
noun
1. aanduiding voor een onverstaanbare taal
hatmatilka
noun
1. vierwielig rijtuig met vering, vaak gesloten, dat getrokken wordt door paarden
kočár
noun
1. iemand die de paarden van een koets ment
kočí
/ˈkuwɛɪ̯t/, /ˈkuʋɛɪ̯t/, /ˈkuβ̞ɛ:t/
pronoun
1. een kleine olierijke monarchie op het Arabische schiereiland in Azië aan de kust van de Perzische Golf
Kuvajt
noun
1. draagbare bergruimte van stevig materiaal met een handvat, waarin spullen kunnen worden meegenomen tijdens het reizen
kufr
noun
1. het gedeelte van een auto waar de bagage in geplaatst wordt
kufr
noun
1. drank uit koffiebonen
  1. káva
  2. kafe
noun
káva s mlékem
noun
kávové zrno
noun
1. het donkere bezinksel van gemalen koffiebonen dat overblijft na het zetten van koffie
lógr
noun
1. een uitspanning waar men koffie kan nuttigen
kavárna
noun
1. een huishoudelijk apparaat waarin koffiebonen kunnen worden gemalen
kávomlýnek
noun
kávovník
noun
1-2. munitie
kulka
noun
1.
kuličkové ložisko
adjective
1. kogelvrij
neprůstřelný
noun
1. middeleeuws vrachtschip dat vooral door de Hanze werd gebruikt
koga
noun
kuchař
verb
  1. 1. vloeistof verwarmen totdat er zich in de hele vloeistof bellen vormen die naar boven stijgen en openspringen
    1. uvařit
    2. vařit
  2. 2. met behulp van ingrediënten een maaltijd klaarmaken
    vařit
noun
srdcovka jedlá
noun
1. bepaald soort zeevogel met een gekleurde kop en een lachende roep, Chroicocephalus ridibundus
racek chechtavý
/ˈko.kɔsˌbom/
noun
1. een palm die tot 30 m hoog kan worden en 4-6 m lange bladeren heeft
kokosovník ořechoplodý
/ˈko.kɔsˌmɛlk/, /ˈko.kɔsˌmɛɫk/
noun
1. vocht verkregen door het kiemwit van een kokosnoot met water te vermengen en uit te knijpen
kokosové mléko
/'kokɔsnot/
noun
1. holle vrucht van de kokospalm met wit vruchtvlees en een vezelige bast
kokosový ořech
/ˈko.kɔsˌpɑlm/, /ˈko.kɔsˌpɑɫm/
noun
1. een palm die tot 30 m hoog kan worden en 4-6 m lange bladeren heeft
kokosovník ořechoplodý
noun
kolchoz
noun
1. (elektrotechniek) (werktuigbouwkunde) thermische centrale die elektrische stroom opwekt door verbranding van steenkool
uhelná elektrárna
noun
1. ganzensoort
husa běločelá
noun
1. een zeer klein vogeltje met een zeer snelle vleugelslag van de familie Trochilidae uit de orde der grootvleugeligen
kolibřík
noun
sloup
noun
1. een hoge militaire rang
plukovník
noun
1. een rang in het Pruisische leger, het Duitse keizerlijke leger en de Wehrmacht, het leger van nazi-Duitsland
generálplukovník
adjective
1. betrekking hebbend op koloniën en het hebben van koloniën
koloniální
/'kolonijaˌlismə/
noun
1.
kolonialismus
/koˈloni/
noun
1. een vestiging van een deel van een bevolking, buiten het eigenlijke territorium van dat volk
kolonie
noun
kolonizace
verb
1. koloniën vormen
kolonizovat
noun
1. iemand die zich in een kolonie heeft gevestigd
kolonista
noun
kolos
adjective
kolosální
pronoun
Koloským
noun
1. eetgerei zoals een bord, maar dan dieper
mísa
/koˈmedi/
noun
1. een blijspel
komedie
noun
1. een licht hemellichaam van ijs, gas en stof, zich in een baan ver buiten die van de planeten bewegend, dat bij het naderen van de zon een wolk van gas en gruis in de vorm van een staart ontwikkelt
kometa
verb
  1. 2. een orgasme hebben
    1. přicházet
    2. přijet
  2. 1. bewegen van verder weg naar dichterbij
    1. přicházet
    2. přijít
noun
1. iemand die een publiek vermaakt door ze aan het lachen te brengen
komik
noun
plant, zaden en specerij
  1. římský kmín
  2. kmín římský
  3. kumin
/kɔm.ˈkɔ.mər/
noun
1. Cucumis sativus, een langwerpige vrucht die men vooral rauw als salade eet
  1. okurka setá
  2. okurka
/ˈkɔma/
noun
1. een leesteken dat een pauze aangeeft
čárka
noun
1. instrument waarvan de naald het magnetische noorden aanwijst
  1. kompas
  2. buzola
pronoun
Svobodný stát Kongo
/kɔˈnɛɪn/, /kɔˈnɛːn/
noun
1. zoogdier dat ook gedomesticeerd kan worden gehouden
králík
/ˈkonɪŋ/, /ˈkoːnɪŋ/
noun
  1. 1. het mannelijk hoofd van een koninkrijk
  2. 2. speelkaart waarvan de waarde meestal tussen die van de vrouw en de aas ligt
král
pronoun
Králů
/konɪˈŋɣɪn/, /konɪˈŋɪn/, /koʊnɪˈŋɪn/
noun
královna
pronoun
1. een stad in het voormalige Oost-Pruisen
Královec
/ˈkonɪŋklək/
adjective
1. betrekking hebbend op een koning, koningin, aan of bij hem, haar behorend, van hem, haar uitgaand
královský
/ˈkonɪŋkˌrɛɪ̯k/, /ˈkoːnɪŋkˌrɛɪ̯k/, /ˈkoːnɪŋkˌrɛːk/
noun
1. staatsvorm met een koning aan het hoofd
království
noun
1. de billen, het achterwerk
prdel
noun
1.
konvoj
/koːɪ/
noun
1. een uit tralies of gaas gemaakt voorwerp dat een ruimte omsluit
klec
noun
boek waaruit men leert koken
  1. kuchařka
  2. kuchařská kniha
noun
1.
kuchařství
noun
bod varu
noun
  1. 2. een zwarte brandstof die voornamelijk uit koolstof bestaat
    uhlí
  2. 1. een eetbare plant met veel ondersoorten uit de kruisbloemfamilie
    1. zelí
    2. kapusta
noun
1. reukloos gas dat ontstaat bij volledige verbranding van koolstof
oxid uhličitý
noun
1. een bepaald type verbinding van koolstof-, waterstof- en zuurstofatomen
uhlohydrát
noun
sýkora koňadra
noun
tuřín
noun
kedluben
/ˈkol.stɔf/
noun
2. een chemisch element en een kleurloos niet-metaal
uhlík
noun
oxid uhličitý
noun
1. verbinding met moleculen van één atoom zuurstof en één atoom koolstof (CO)
oxid uhelnatý
/kol'watərstɔf/
noun
1. een verbinding die uit koolstof en waterstof is opgebouwd
uhlovodík
adjective
žlutá hořčičná
/'kolzyr/
noun
1. H₂CO₃
kyselina uhličitá
noun
1. de hoeveelheid goederen of diensten die gekocht kan worden met een bepaald geldbedrag
kupní síla
noun
obchodník
noun
1. zeeschip voor het vervoer van handelsgoederen
obchodní loď
noun
1. een groep mensen die samen zingen
sbor
noun
1. rechte tussen twee cirkelpunten
tětiva
noun
1. (medisch) verhoging van de lichaamstemperatuur
horečka
adjective
košer
noun
1. beentje van vinger of teen
článek prstu
noun
    1. 1. hoofd van een dier
    2. 2. hoofd van een mens
    3. 9. zijde van een geldstuk met een afgebeeld hoofd
    hlava
  1. 1. porseleinen recipiënt met oor, om uit te drinken
    hrnek
noun
1.
hlavička
verb
1. in ruil voor geld iets in bezit krijgen
  1. kupovat
  2. koupit
pronoun
1.
Kodaň
noun
2. scheikundig element met symbool Cu en atoomnummer 29
měď
adjective
měděná hnědá
/kopi<sup>j</sup>'ɪːrə(n)/
verb
1. een duplicaat maken van
kopírovat
/ˈkɔplɑmp/
noun
1. een witte of gele lamp aan de voorzijde van een voertuig
světlomet
noun
  1. 1. een constructie die in een motor of voertuig mechanische krachten op een te onderbreken wijze overbrengt
  2. 3. een verbindingsstuk
  3. 2. een vaste maar beweeglijke verbinding tussen twee voorwerpen, bijvoorbeeld treinwagons
spojka
noun
1. een streepje om twee of meer woorden een eenheid te laten vormen
spojovník
noun
1. een werkwoord dat een eigenschap koppelt aan het onderwerp
spona
noun
1. stel van twee kleine luidsprekers die men tegen of in de oren plaatst
sluchátko
noun
1. skelet van de koraalpoliep
korál
adjective
korálová červená
pronoun
1. randzee van de Grote Oceaan
Korálové moře
pronoun
1. (de tekst van) het heilig boek van de islam
Korán
/koˈre.ja/
pronoun
1. een schiereiland in Oost-Azië
Korea
/koreˈjaːns/
pronoun
1. taal die in Korea gesproken wordt
  1. korejský
  2. korejština
noun
1. en 2. (gedroogde) zaden van Coriandrum sativum
koriandr
/korijɑndərzaːt/
noun
1. gedroogde zaden van Coriandrum sativum
semeno koriandro
pronoun
Korintským
noun
  1. op een bugel gelijkend koperen blaasinstrument
  2. 1. rang van vaandrig bij de cavalerie en de artillerie bij de Koninklijke Landmacht
kornet
noun
dřín
noun
1. een enkele zaad van graan
zrnko
/ˈkɔrəlˌhaɣəl/
noun
kroupa
noun
korzet
/kɔrst/
noun
1. een harde buitenste laag om iets dat verder relatief zacht is
kůra
noun
lišejník
adverb
  1. 2. van geringe lengte
  2. 1. van geringe duur
krátký
noun
1. verlaging van een te betalen bedrag
sleva
noun
korund
noun
1.
korveta
noun
kosmologie
noun
kosmonaut
adjective
1. op Kosovo betrekking hebbend
kosovský
/ˈkɔsɔˌvo/
pronoun
1. land op het Balkanschiereiland dat volgens Servië een provincie van Servië is, maar dat zichzelf als een onafhankelijke staat beschouwt
Kosovo
noun
2. voedsel, als onderdeel van het dagelijks bestaan
jídlo
adjective
1. zonder kosten
bezplatný
verb
1. als te betalen prijs hebben
stát
noun
1. kerkelijke bediende, die met de zorg van het kerkgebouw, en het vlot verloop van de kerkdiensten belast is
kostelník
noun
oblek
/kotəˈlɛt/
noun
1. een stuk vlees van een varken, kalf of lam
kotleta
noun
kutr
/kʌʊt/
adverb
1. niet warm, fris, kil, koel
  1. studený
  2. chladný
/ˈkɑu̯də/
noun
1. het koud zijn
zima
/kaʊ̯s/, /kɔʊ̯s/, /kʌʊ̯s/
noun
1. een aansluitend, meer of minder elastisch kledingstuk dat de voet en (een deel van) het been bedekt
punčocha
noun
1. lid van een hoofdzakelijk Slavisch ruitervolk
kozák
/kraɪ̯/, /kraːɪ̯/
noun
1.1 bepaald soort zwarte vogel, Corvus corone
vrána
/ˈkraɪ̯.jə/, /ˈkraː.jə/
verb
1. het voor de haan kenmerkende geluid voortbrengen
kokrhat
noun
  1. 1. nest van een kraai
  2. 2. uitkijkplaats in de mast van een schip
vraní hnízdo
/ˈkrakben/
noun
1. een speciale vorm van bindweefsel met een elastisch karakter als gevolg van eigenschappen van de extracellulaire matrix
chrupavka
noun
    1. 4. werktuig om voorwerpen in de hoogte te verplaatsen
    2. 2. iemand die op een bepaald gebied uitblinkt
    jeřáb
  1. 3. mechanisme waarmee de stroming van vloeistof of gas geregeld kan worden
    kohoutek
noun
1. bepaald soort grote vogel, Grus grus
jeřáb
noun
1. een voertuig waarop een kraan gemonteerd is
autojeřáb
noun
1. kreeftachtige die leeft in de nabijheid van water
krab
noun
1. vermogen om iets te verrichten
  1. síla
  2. moc
adjective
1. beschikkend over veel kracht
silný
pronoun
1. na Warschau en Łódź de op twee na grootste stad van Polen
Krakov
noun
1. een toestand van onwillekeurige en aanhoudende samentrekking van een spier
křeč
noun
1. twee uit de aorta ontspringende slagaders die de hartspier van bloed voorzien
věnčitá tepna
noun
1. klassiek massamedium, gedrukt op papier en gericht op het verspreiden van nieuws
noviny
/'krɑntəpaˌpir/
noun
1. een soort papier zoals waarop de kranten gedrukt worden
novinový papír
noun
1. houten of plastic doos met openingen in de zijkanten in een standaardformaat, vaak gebruikt voor opslag en het vervoer van flessen, fruit of andere waren
bedna
noun
kráter
pronoun
2. teken van de dierenriem van 21 juni tot 23 juli
Rak
/kreːft/
noun
1. zeekreeft, hommer
humr
noun
1. de hoogste breedtegraad van ca. 23,5 ° noorderbreedte waarboven de zon bij zonnestilstand in het zenit staat
obratník Raka
noun
1. Gryllidae
cvrček
pronoun
Kreml
pronoun
1. bij Griekenland behorend eiland in de Egeïsche Zee
Kréta
/krønə(n)/
verb
1. ongearticuleerde geluiden maken, vaak van pijn of ander leed
sténat
noun
1. voederbak
koryto
noun
višně
noun
1. iemand die zich toelegt op het voeren van oorlog, met name tussen stammen
válečník
noun
1. een olifant die vroeger tijdens op het land uitgevochten oorlogen werd ingezet als strijddier
válečný slon
noun
1. een raad die optreedt als rechtsorgaan in het krijgsrecht
vojenský
verb
1. luidkeels schreeuwend een hoog geluid voortbrengen
ječet
noun
  1. 1. wit mineraal dat uit calciumcarbonaat bestaat
  2. 2. schrijfmateriaal uit dat materiaal vervaardigd
křída
/krɪm/
pronoun
een schiereiland aan de noordkust van de Zwarte Zee
Krym
noun
  1. 1. een ronde figuur zoals een cirkel
  2. 2. een gemeenschap van mensen
kruh
noun
1. een hoeveelheid ordelijk gerangschikte atomen of moleculen in vaste vorm
  1. krystal
  2. křišťál
/krɪsta'lɛɪn/
adjective
1. een inwendige structuur bezittend die zichzelf eindeloos herhaalt
krystalický
noun
1. kristalvorming
krystalizace
noun
krystalografie
noun
krystalka
noun
  1. 1. uitingen waarmee bepaald gedrag, een bepaalde zienswijze e.d. van anderen worden veroordeeld of in twijfel getrokken
  2. 2. een document dat kunstzinnig commentaar levert op een optreden, tentoonstelling, boek , film of andere kunstuiting
kritika
adjective
  1. 1. ernaar geneigd vraagtekens te plaatsen achter iets
  2. 2. onder zulke omstandigheden dat er meer neutronen geproduceerd dan geabsorbeerd worden, waardoor een nucleaire kettingreactie op gang kan komen
kritický
/kroˈwatis/, /kroˈwaːtɪs/
adjective
chorvatština
/kroˈwatis/, /kroˈwaːtɪs/
pronoun
1. een taal die vooral in Kroatië gesproken wordt
  1. chorvatština
  2. chorvatský
/kroˈwatsi.jə/, /kroˈwaːsi.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Europa ten zuiden van Hongarije
  1. Chorvatsko
  2. Charvátsko
/krux/
noun
1. publieke drinkgelegenheid
hospoda
noun
1. een rol ragout die gepaneerd en gefrituurd wordt
kroketa
/krokoˈdɪl/
noun
1. een groot, in het water levend reptiel dat behoort tot de familie der Crocodylidae
krokodýl
noun
1. irisachtige lentebloem
krokus
verb
1. iemand tot koning of koningin maken door hem of haar in een ceremonie een kroon op het hoofd te zetten
korunovat
noun
kronika
noun
Chronická
/ˈkronɪŋ/
noun
ceremonie
korunovace
noun
1. hoofddeksel dat door een vorst gedragen wordt
koruna
/krœʏ̯t/, /krœːd/, /krœːt/
noun
bylina
verb
1. specerij bij een gerecht doen
okořenit
noun
2. winkel met levensmiddelen
hokynářství
noun
1. specerij van de kruidnagelboom
hřebíček
noun
džbán
/ˈkrœy.məl/
noun
drobek
noun
1. een soort braam
ostružiník moruška
/'krʌʏ.pə(n)/
verb
lézt
noun
  1. 1. geometrisch figuur
  2. 4. symbool
kříž
noun
1. kleine vinkachtige zangvogel
křivka
noun
1. Ribes uva-crispa
  1. srstka angrešt
  2. angrešt
/ˈkrœʏsər/
noun
  1. 1. een oorlogsschip dat hoge snelheden kan halen
  2. 2. een type jacht
křižník
verb
1. een vorm van executeren: aan het kruis hangen tot de dood erop volgt
ukřižovat
noun
1. een plaats waar twee of meer wegen elkaar kruisen
křižovatka
noun
1. ondernemingen van de westerse christenen tussen 1095 en 1271 in Palestina
křížová výprava
noun
1.
křižák
noun
křížová cesta
noun
křížovka
noun
1. kruiswoordpuzzel
křížovka
noun
1. een eenwielige kar met twee lange handgrepen voor het transport van zware, meestal losse lading
kolečko
noun
2. hulpmiddel bij het lopen
berle
/ˈkrʏl.spɛlt/
noun
1. hulpmiddel waarom je een haarlok kunt wikkelen om krullen te maken in stijlhaar
natáčka
noun
kulma
noun
1. scheikundig element met symbool Kr en atoomnummer 36
krypton
noun
1. 20-eeuwse stroming binnen de beeldende kunst waarin de werkelijkheid op een sterk vereenvoudigde manier wordt weergegeven
kubismus
noun
1. een regelmatig zesvlakkig lichaam, begrensd door zes gelijke vierkanten
  1. krychle
  2. kostka
/'kɵdə/
noun
1. een groep samenlevende (zoog)dieren
stádo
noun
1.
sýkora parukářka
/ˈkœʏ̯kə(n)/, /ˈkœːkə(n)/
noun
donzig jong vogeltje
kuře
noun
bednář
adjective
ctnostný
noun
1. deel van het been
lýtko
/kykələky/
interjection
1. het geluid van een haan
  1. kykyrikí
  2. kykyryký
noun
1. en 2. (citrusvrucht van) plant Citrus japonica
  1. kumquat
  2. kumkvat
verb
1. in staat zijn om, het vermogen hebben om
  1. moci
  2. umět
noun
1. toepassing van opvallende vaardigheid en verbeelding om iets moois of betekenisvols te scheppen
umění
noun
umělkyně
adjective
1. door menselijk, moedwillig ingrijpen tot stand gekomen
umělý
noun
1. sport waarbij individuelen, paren en groepen schaatsers rotaties, sprongen en andere bewegingen op het ijs maken, die vaak met muziek wordt uitgevoerd
krasobruslení
noun
1. een schilderes van kunstwerken
malířka
/ˈkʏns.tal/, /ˈkʏns.taɫ/
noun
1. een artificiële of geconstrueerde taal is een taal waarvan de structuur, vocabulair en grammatica speciaal ontworpen is door een individu of een kleine groep, inplaats van op een natuurlijke wijze geëvolueerd in een cultuur
umělý jazyk
/kʌnstwɛrk/
noun
1. resultaat van een inspanning om iets te maken dat bijzonder mooi of indringend is
dílo
/kʏrk/
noun
1. licht, poreus materiaal, afkomstig van de kurkeik
korek
/kʏr.kɛi̯k/, /kʏr.kɛːk/, /kʏrk.ʔɛi̯k/
noun
1. Quercus suber; een boom uit de napjesdragersfamilie
dub korkový
noun
1. een werktuig om flessen te ontkurken
vývrtka
noun
plant en specerij
kurkuma
noun
1. het de lippen ergens tegenaandrukken om affectie uit te drukken
  1. polibek
  2. pusa
noun
1. een met zacht materiaal gevulde zak, dienende om het (slaap)comfort van de gebruiker te verbeteren
  1. polštář
  2. polštářek
verb
1. een kus geven
líbat
/'kɵst/
noun
1. de waterkant langs de zee
  1. pobřeží
  2. břeh
/kɵt/
noun
vrouwelijk schaamdeel
  1. kunda
  2. píča
noun
1. een behandeling ter genezing van een ziekte of een ongezonde situatie (zoals een verslaving)
kúra
noun
1. een oord met geneeskrachtige baden
lázně
adjective
2. met een slecht karakter
zlý
noun
1. het innerlijk slecht zijn
zlomyslnost
/kʋɑp/
noun
2. een gedeelte van lever, longen of hersenen
lalok
noun
1. langwerpige, op de bodem levende zoetwatervis, Lota lota
mník
/kʋɑk/
noun
2. bepaalde reigersoort, Nycticorax nycticorax
kvakoš noční
verb
1. witter
kvákat
/kʋɑl/
noun
1. vrijzwemmend, voornamelijk in zee levend ongewerveld dier met een geleiachtig lichaam in de vorm van een klok of paraplu
medúza
noun
kvalifikace
verb
1. voldoen aan de voorwaarden om ergens aan mee te kunnen doen
kvalifikovat se
/kvalitɑ'tif/
adjective
1. naar de hoedanigheid, betreffende de kwaliteit
kvalitativní
noun
1. een peil van uitmuntendheid
kvalita
adjective
1. met betrekking tot de hoeveelheid
kvantitativní
noun
kvantita
noun
1. de kleinste natuurlijke eenheid die in onze kosmos voorkomt
kvantum
noun
kvantová chemie
noun
vorm van onkraakbare beveiliging voor elektronische communicatie
kvantová kryptografie
noun
getal dat in de kwantummechanica wordt gebruikt voor het beschrijven van de eigenschappen van bepaalde deeltjes
kvantové číslo
noun
1. studie en beschrijving van het gedrag van de kleinste deeltjes
kvantová mechanika
noun
een discipline van de natuurkunde die de kwantumeffecten die bij licht optreden bestudeert en gebruikt
kvantová optika
noun
een theoretisch kader voor de constructie van kwantummechanische modellen van veld-achtige systemen of, equivalent, veeldeeltjessystemen
kvantová teorie pole
noun
kvantové provázání
noun
  1. 3,4
    kvarta
  2. 1. een vierde deel
    čtvrtina
noun
1. een tijdsperiode van 25 jaar
čtvrtstoletí
noun
1. Coturnix coturnix, vederwild en hoendervogel
křepelka
noun
1. bepaald soort vogel, Crex crex
chřástal polní
noun
1. een groep van vier muzikanten
kvartet
noun
1. (in een toernooi) een van de vier wedstrijden waarin gestreden wordt voor een plaats in de halve finale(s)
čtvrtfinále
noun
1.
čtvrťová nota
noun
1.
čtvrťová pauza
noun
een vorm van siliciumdioxide
křemen
adjective
křemenná šedá
/kʋɑst/
noun
  1. 5. Limonade
    limonáda
  2. 3. Vreemd persoon
    podivín
  3. 1. Versiering
    střapec
noun
1.
čtyřverší
/ˈkwe.peːr/, /ˈkʋe.pɪːr/, /ˈkβ̞e.peːr/
noun
1. een peervormige vrucht van de Cydonia oblonga
  1. kdouloň obecná
  2. kdoule
/'kʋekə(n)/
verb
1. dieren of planten verzorgen en hun voortplanting mogelijk maken
chovat
verb
1. pijn of ergernis bezorgen
trápit
adjective
1. weinig beschermd tegen beschadiging
zranitelný
verb
  1. 1. beschadigen, schaden
  2. 2. beledigen, schofferen
zranit
noun
1. een scheikundig element en zilverwit overgangsmetaal met symbool Hg en atoomnummer 80
rtuť
noun
1. benaming voor vogels uit de geslachten Motacilla en Dendronanthus
konipas
noun
1. een metaal dat vloeibaar is bij kamertemperatuur
rtuť
noun
1.
kvinta
noun
1. een pot bestemd voor het opvangen van sputum
plivátko
/ˈkʋɪstəx/, /ˈkβ̞istəç/
adjective
1. op lichtzinnige wijze verbruikend
marnotratný
noun
kvitance
pronoun
1. de hoofdstad van Oekraïne
Kyjev
pronoun
La Mancha
pronoun
La Rioja
/lax/
adjective
  1. 1. niet ver boven iets anders zijn
  2. 2. niet vergevorderd zijn in een rangorde of volgorde
  3. 3. geluid met een klein aantal trillingen per tijdseenheid
  4. 4. met een beperkt aanzien
nízký
/lax/
noun
1. iets dat zich in twee richtingen uitstrekt maar in de derde een beperkte dikte heeft
vrstva
noun
nížina
noun
slaboproud
noun
1. weg die aan beide kanten wordt geflankeerd door bomen
  1. alej
  2. stromořadí
noun
1. een open plek in een bos
mýtina
noun
1. een schoen met een hoge schacht die een deel van het been bedekt
bota
adjective
2. 's avonds, 's nachts
pozdní
adjective
1. overtreffende trap van laat
poslední
adjective
retný
noun
1. met de lippen gevormde medeklinker, lipklank
retný
noun
1. ruimte voor wetenschappelijk onderzoek
laboratoř
noun
1. een stelsel van paden of dwaalwegen, zodanig aangelegd dat men daarin moeilijk de weg kan vinden
labyrint
/lɑx/, /lɑχ/
noun
1. een vrolijkheidsuiting door middel van het optrekken van de mondhoeken en vaak...
smích
verb
1. zichtbaar en/of hoorbaar blij zijn met iets of iets grappig vinden
  1. smát se
  2. smát
noun
1. enzym dat in de dunne darm lactose kan afbreken
laktáza
noun
1. houten of metalen voorwerp met treden om makkelijk op hoger gelegen plaatsen te komen
žebřík
noun
1. uitschuifbare bergplaats
zásuvka
noun
1. bergmeubel met een of meer platte bakken
komoda
noun
3. opeengehoopte elektriciteit
náboj
noun
nábojová hustota
pronoun
1. Romaanse taal gesproken door 35 duizend mensen in Italië en de Verenigde Staten
  1. ladino
  2. ladinsky
  3. ladinština
pronoun
1. op het Castiliaans gebaseerde taal van nakomelingen van Sefardische joden
ladino
noun
1. beschadiging van het weefsel in een organisme
léze
/lɑf/
adjective
1. een gebrek aan moed tonend
zbabělý
/ˈlɑfɦɛit/
noun
1. de neiging keuzes te maken die van weinig moed getuigen
zbabělost
noun
1. een gebied waar relatief een lagere druk heerst dan elders, term uit de meteorologie
  1. cyklóna
  2. tlaková níže
noun
1. ondiep meer
laguna
noun
1. stof die een dunne beschermlaag vormt nadat ze opgelost in een vluchtig oplosmiddel...
lak
noun
1. (beroep) Een lakei of dienaar is een bediende werkend aan een koninklijk hof
lokaj
/ˈlakə(n)/
noun
2. een rechthoekig stuk stof dat ter bedekking dient, m.n. bij het slapen
prostěradlo
noun
lakmus
noun
1. jong van het schaap
  1. jehně
  2. beránek
noun
1. soort Zuid-Amerikaans eeltpotig zoogdier Lama glama
lama
noun
1. in het water levende zoogdieren uit het geslacht Trichechus
kapustňák
noun
1.
laminát
/lɑmp/
noun
1. een voorwerp gemaakt om licht te geven
lampa
noun
1. kap over een lamp om het licht af te schermen
  1. abažúr
  2. stínítko
noun
1. een kan met waswater, vaak samen met een ondiepe teil, de waskom, bedoeld om zich in de morgen...
džbán
noun
lampion
noun
1. benaming voor vissen uit de familie Petromyzontidae
mihule
noun
1. een dubbelsnedig operatiemes
skalpel
noun
  1. 4. niet verstedelijkt gebied
    země
  2. 3. een geografisch gebied aan één bepaald gezag onderworpen
    1. země
    2. stát
/ˈlɑntbɑuw/
noun
1. het cultiveren van land voor de voortbrengst van voedsel en andere nuttige producten
zemědělství
adjective
2. met betrekking tot minder bevolkte, niet-stedelijke gebieden
venkovský
verb
1. vanuit de zee, de lucht of de ruimte voet op vaste bodem zetten
přistát
noun
2. vlucht van vliegtuigen...
přistání
noun
zeměměřič
noun
krajina
noun
1. smalle strook land die zich in zee of meer uitstrekt
mys
adjective
1. van grote duur
dlouhý
adjective
1.
dlouhonohý
noun
piškot
noun
1. een manier van voortbewegen op latten door de sneeuw
běžkování
noun
1.
langusta
preposition
1. terzijde van, evenwijdig aan
podél
/lɑŋskomə(n)/
verb
  1. 1. voorbijgaan
  2. 2. langsgaan, op bezoek komen
stavit se
/ˈlɑŋzam/
adjective
1. met weinig snelheid
nezajímavý
noun
1. een lang steekwapen met een metalen punt
kopí
noun
1. Chemisch element
lanthan
noun
lanthanoidy
noun
1. Chemisch element
lanthan
/ˈla.ɔs/
pronoun
1. een land in Azië grenzend aan Myanmar, China, Vietnam, Cambodja en Thailand
Laos
noun
1. een stuk van iets
záplata
noun
1. met een kijkbuis in de buikholte kijken en opereren
laparoskopie
pronoun
Laponsko
noun
1. een tijdelijke oplossing die geen definitieve oplossing is
provizorium
noun
1. jeugdstadium van de meeste insecten en veel amfibieën
larva
adjective
  1. 1. in het strottenhoofd gevormd
  2. 2. betreffende de larynx
  1. hrtanový
  2. laryngální
noun
1. lichtbron die uiterst intense lichtstraal van één kleur uitzendt
laser
noun
1. iemand die stukken metaal op een naad door sterke plaatselijke verhitting verbindt
svářeč
noun
1. een gedomesticeerd dier dat men gebruikt om vracht te vervoeren
soumar
verb
1. ten onrechte kwaadspreken over iemand
očernit
noun
2. gever van een lastgeving
mandant
noun
1. opdrachtovereenkomst met verplichting tot handelen in eigen of andermans naam
nařízení
noun
1. latei
překlad
verb
  1. 3. niet doen
  2. 4. niets veranderen
  3. 5. vertrekken
  4. 6. aansporing
nechat
adjective
1. sluimerend
latentní
/ˈlaː.tər/
adjective
později
/'la.tɛks/
noun
latex
pronoun
1. taal van de Romeinen in de oudheid, die later in gebruik bleef in religie en wetenschap
latina
adjective
latinský
pronoun
Latinská Amerika
noun
1. de reeks lettertekens oorspronkelijk gebruikt om teksten in het Latijn te schrijven en tegenwoordig met aanpassingen voor veel talen gebruikt
latinka
noun
boom en kruid
vavřín
noun
2. (gedroogde) bladeren van Laurus nobilis
bobkový list
pronoun
1.
Lausanne
pronoun
1.
Lužické hory
/laʊ̯/, /lʌʊ̯/, /lʌː/
adjective
1. een temperatuuraanduiding die tussen warm en koud ligt
vlažný
noun
1. vloeibaar gesteente dat uit een vulkaan tevoorschijn komt
láva
noun
1. koepelvormige structuur die ontstaat als lava die rijk is aan silica naar buiten treedt uit de barsten en spleten van een groeiende kussenachtige structuur
sopečný dóm
noun
1. Lavandula, een struik uit de lipbloemenfamilie Lamiaceae
levandule
/la'ʋaj/
noun
1. luid en storend geluid
hluk
/la'ʋinə/
noun
1. een sneeuwverschuiving op een berghelling
lavina
noun
1. Chemisch element
lawrencium
noun
projímadlo
noun
1. de vierde maag van een herkauwer, zoals een rund
slez
noun
1. fosfatidylcholine, een fosfolipide die de hoofdmoot uitmaakt van een fosfatidefractie die uit eidooier
lecitin
noun
přednášející
/ˈledəmat/
noun
1. een aan de romp aanhangend onderdeel van het lichaam dat door spieren bewogen kan worden...
končetina
noun
1. het niets doen, het niets te doen hebben
zahálka
noun
1. het genoegen scheppen in het leed van een ander
škodolibost
noun
1. een langwerpig fijnmazig net met als doel de gevangen vis een poosje te bewaren, rond of vierkant van vorm met een gesloten bodem en een vernauwing aan de bovenzijde
vrš
noun
1. de tijd dat iemand leeft of geleefd heeft, het totaal aantal levensjaren
věk
/lex/
adjective
1. zonder inhoud
prázdný
/lek/
noun
1. iemand die niet deskundig is op een bepaald gebied
laik
/lem/, /leɪm/
noun
1. kleihoudende grondsoort
hlína
adjective
antuková hnědá
/len/
noun
1. leengoed; vastgoed dat door de heer aan zijn vazal ten gebruike werd afgestaan
léno
/ˈlenvərˌtalɪŋ/
noun
1. woord dat aan een vreemde taal is ontleend in letterlijke vertaling en analoge constructie
kalk
/ˈlenʋɔːrt/
noun
1. een woord dat door een taal aan een andere taal ontleend is
přejaté slovo
noun
1. stof vervaardigd door het looien van een dierenhuid
kůže
noun
1. een boek bedoeld om er iets uit te leren
učebnice
noun
1.
učeň
noun
1. iemand die onderwijs volgt
žák
noun
1. stoornis bij het leren
specifické poruchy učení
adjective
čitelný
/lest/
noun
1. schoenvorm
kopyto
noun
1. conventioneel symbool in interpunctie
interpunkční znaménko
pronoun
2. teken van de dierenriem van 23 juli tot 23 augustus
Lev
noun
1. Panthera leo een groot katachtig roofdier met lange manen
lev
noun
1. plant van het geslacht Antirrhinum waarvan de bloem lijkt op de muil van een leeuw
hledík
noun
lví podíl
noun
skřivan
noun
1. vrouwtje van de leeuw
lvice
adjective
branie, moed
odvaha
adjective
1. wettig, rechtmatig
zákonný
noun
  1. 1-2. Romeinse officier of pauselijk gezant
    legát
  2. 1. testamentaire beschikking
    dědictví
adverb
legato
/ˈleːɣər/, /ˈleːχər/
noun
1. een militaire strijdmacht
  1. armáda
  2. vojsko
noun
1. Metaalverbinding van twee of meer elementen
slitina
noun
legie
/ˌleɣyˈwan/
noun
1. hagedis
leguán
noun
  1. 2. schrijflei
  2. 3. daklei
břidlicová tabulka
pronoun
Leiden
noun
příznačný motiv
adjective
břidlicová šedá
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Lipsko
noun
  1. 1. blauwgrijs gesteente
    břidlice
  2. 2. een plat stuk van dit gesteente
    břidlicová tabulka
noun
1. opening waardoor een vloeistof of een gas in of uit kan
díra
noun
únik
adjective
1. aangenaam van smaak
  1. chutný
  2. dobrý
noun
lilie
/ˈleːlək/
adjective
1. onprettig om naar te kijken, niet mooi
ošklivý
noun
3. een hulpstelling waarvan de juistheid in afwachting van nader bewijs wordt aangenomen
lemma
noun
1. een knaagdier dat vooral in het hoge noorden op de toendra's voorkomt
lumík
verb
  1. 1. iets wat eigendom is van een ander tijdelijk gebruiken, al dan niet in ruil voor een kleine vergoeding
  2. 2. iets aan iemand anders te leen geven
půjčit
noun
1. ontlener, leningnemer
vypůjčovatel
/ˈlɛŋktə/
noun
  1. 1. afmeting van een voorwerp
    délka
  2. 2. tijdsduur
    1. délka
    2. doba
    3. trvání
  3. 1. op welke meridiaan een plaats ligt
    1. délka
    2. zeměpisná délka
noun
délka
noun
půjčka
noun
leninismus
noun
  1. 1. een geslepen stuk transparant materiaal dat lichtstralen breekt
  2. 2. een stelsel van lenzen of lensdelen dat op een camera zit zodat er een scherp beeld op de film of CCD wordt geprojecteerd
  3. 3. een zeer kleine glazen of kunststof lens die men direct op de oogbol plaatst ter vervanging van een bril
čočka
noun
1. seizoen
jaro
pronoun
. spelwoord voor de letter l
Lev
/ˈlepəɫ/
noun
1. een voorwerp bestaande uit een greep en een kom(metje), waarmee vloeibaar voedsel wordt gegeten
  1. lžíce
  2. lžička
noun
1. een steltloper ter grootte van een ooievaar met een lepelvormige snavel
kolpík bílý
noun
1. bepaald soort vis met lepelvormig verbrede bek die 2 meter lang kan worden en meer dan 80 kilogram kan wegen, Polyodon spathula
veslonos americký
noun
lepra
noun
1.
lepton
/ˈleːraˑr/
noun
1. iemand die lesgeeft
učitel
noun
učitelka
/ˈleːrə/, /ˈlɪːrə/
verb
  1. 1. kennis of vaardigheid verwerven
    1. učit se
    2. naučit se
  2. 2. kennis of vaardigheid doen verwerven
    1. učit
    2. vyučovat
/lɛs/
noun
1. onderricht gedurende een korte tijd
lekce
/le.'sɔ.to/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel het Koninkrijk Lesotho
Lesotho
/ˈlɛsə(n)/
verb
1. met vocht de dorst beëindigen
hasit
noun
1. een standaard om bladmuziek op te plaatsen
řečnický pultík
/lɛt/
noun
1. een inwoner van Letland, of iemand afkomstig uit Letland
Lotyš
noun
  1. 1. een toestand van geestelijke ongevoeligheid
  2. 2.
letargie
/ˈlɛtlɑnd/, /ˈlɛtlɑnt/
pronoun
1. een Europees land aan de Oostzee
Lotyšsko
/ˈlɛtlɑnds/, /ˈlɛtlɑnts/
adjective
1. betreffende Letland
lotyšský
/lɛts/
adjective
1. betreffende Letland
lotyšský
/lɛts/
pronoun
1. de officiële taal van Letland
  1. lotyština
  2. lotyšsky
/ˈlɛtsə/
noun
1. inwoonster van Letland
Lotyška
noun
1. een teken om in geschreven taal een klank van de gesproken taal weer te geven
písmeno
/ˈlɛtərˌxrep/, /ˈlɛtərˌɣrep/
noun
1. elk van de groepen waarin een woord kan worden verdeeld
slabika
noun
1. een stylistisch samenhangende set tekens die meestal letters, cijfers en leestekens uitbeelden
rodina písma
/'lɛtərzɛtər/
noun
2. Ips typographus, een schorskever die vooral leeft op de spar
lýkožrout smrkový
/ˈløːɣən/, /ˈlʏːχən/
noun
1. mededeling die niet waar is, met de bedoeling om anderen te misleiden
lež
noun
1. iemand die bewust dingen zegt die niet waar zijn
lhář
noun
1. bloedkanker
leukemie
verb
1. steunen, het evenwicht bewaren door het eigen gewicht deels door iets anders te laten steunen
opřít
/ˈløːˌvə(n)/
pronoun
1. de provinciehoofdstad van Vlaams-Brabant in België
Lovaň
/'levən/
noun
  1. 1. een voortbestaan van organismen, gericht op groei en/of vermenigvuldiging
  2. 2. de tijdsspanne die men levend doorbrengt
  1. život
  2. žití
/'levən/
verb
1. het doormaken van het leven
žít
adjective
živý
adjective
1. vol opgewekte drukte
bystrý
adjective
1. tot de dood durend
  1. doživotní
  2. celoživotní
noun
způsob života
noun
1. het kunnen gaan leven
životaschopnost
noun
1. een bruinkleurig orgaan dat gal produceert
játra
noun
dodavatel
/ˈlevərˌblumpʲə/
noun
1. Hepatica nobilis, een plant uit de ranonkelfamilie
  1. Jaterník podléška
  2. jaterník trojlaločný
pronoun
Leviticus
noun
lexém
verb
1. zien en interpreteren van geschreven tekst
číst
noun
1. iemand die (een bepaald geschrift) leest
čtenář
/ˈli.ba.nɔn/, /ˈli.bɑ.nɔn/
pronoun
land in het Midden-Oosten, grenzend met Israël en Syrië, officieel de Libanese Republiek
Libanon
/li.ˈbɛl/, /li.ˈbɛɫ/
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Odonata
vážka
/libəˈral/
adjective
liberál
noun
liberalizmus
/li.'beː.ri.ja/, /li.'bɪː.ri.ja/
pronoun
land in West-Afrika, officieel de Republiek Liberia
Libérie
/'libido/
noun
1. geslachtsdrift
libido
adjective
1. op Libië betrekking hebbend
libyjský
/ˈli.bi.jə/
pronoun
1. een land in Noord-Afrika, officieel de Staat Libië
Libye
noun
librace
noun
1.de gangbare benaming voor het tekstboekje van een opera, operette, ballet of musical
libreto
noun
  1. 1. een geheel van botten, vlees en organen van een mens of dier
  2. 3. een hoeveelheid materie met een bepaalde vorm
tělo
/ˈlɪxamsbəˌweɣɪŋ/
noun
1. bezigheden die bijdragen aan de lichamelijke fitheid
cvičení
/ˈlɪxaːmzdeːl/
noun
1. onderdeel van een lichaam
část těla
noun
řeč těla
adjective
  1. 2. van een gewicht
    lehký
  2. 1. helder van kleur
    1. světlý
    2. světlo
noun
  1. 2. lichtbron
    světlo
  2. 1. Elektromagnetische golven
    1. světlo
    2. světlý
adjective
slonová kost světlá
adjective
1. een lichte oranje kleur die naar rood zweemt
světlečervená oranžová
adjective
světle šedá
adjective
světle zelená
noun
1. de afstand die het licht in één jaar aflegt, ongeveer 9460 miljard kilometer
světelný rok
adjective
světlá růžová
noun
1. de snelheid waarmee het licht zich voortplant in het luchtledige (ongeveer 299792 km/s)
rychlost světla
noun
1. iemand die behoort tot een groep, organisatie of sekte
člen
noun
1. de status van iemand als lid van een organisatie
členství
noun
1. een staat die toegetreden is tot een inter- of supranationale organisatie
členský stát
noun
člen
/ˈlixtə(n)ˌstɛɪ̯n/, /ˌlixtə(n)ˈstɛːn/, /ˌliχtə(n)ˈstɛɪ̯n/
pronoun
1. een klein land in Europa gelegen tussen Zwitserland en Oostenrijk
Lichtenštejnsko
/ˈlixtə(n)ˌstɛɪ̯nər/, /ˌlixtə(n)ˈstɛːnər/, /ˌliχtə(n)ˈstɛɪ̯nər/
noun
1. inwoner van Liechtenstein
  1. Lichtenštejnec
  2. Lichtenštejňan
/ˈlixtə(n)ˌstɛɪ̯nsə/, /ˌlixtə(n)ˈstɛːnsə/, /ˌliχtə(n)ˈstɛɪ̯nsə/
noun
1. vrouwelijke inwoner van Liechtenstein
  1. Lichtenštejnka
  2. Lichtenštejňanka
noun
1. muzikale vorm waarin tekst op muziek wordt verklankt
  1. píseň
  2. písnička
noun
1. een boek met een verzameling (kerkelijke) liederen
zpěvník
adverb
  1. 1. vriendelijk, zachtaardig
  2. 2. mooi, fijngebouwd
drahý
noun
1.het geven van hulp
  1. charita
  2. dobročinnost
noun
1. uiting of gevoel van grote genegenheid en/of het zich aangetrokken voelen
láska
noun
1. brief waarin men zijn liefde betuigt
líbesbríf
verb
1. liefde voelen tot iemand of iets
milovat
verb
laskat
verb
1. met opzet feiten vertellen die niet de waarheid zijn maar wel als dusdanig worden gepresenteerd
lhát
/lir/
noun
1. een Grieks snaarinstrument
lyra
noun
1. anatomie
tříslo
noun
1. benaming voor kevertje van de familie Coccinellidae
  1. beruška
  2. slunéčko
/ˌlivə'vraʊ̯wəˌbɛtstro/, /ˌlivəˌvrɔʊ̯β̞ə'bɛtstro/, /ˌlivəˌvrʌʊ̯β̞ə'bɛtstro/
noun
1.
mařinka vonná
noun
  1. 2. de draagkracht van een vliegtuig
    1. vztlak
    2. dynamický vztlak
  2. 1. een verticaal transportsysteem voor goederen en mensen
    výtah
noun
1. lifter
stopař
noun
1. opwaartse kracht
dynamický vztlak
noun
liga
noun
1. bindweefselband
vaz
noun
ligand
noun
lehokolo
verb
  1. 1. zich horizontaal in toestand van rust gelegd hebben
  2. 2. op een bepaalde plaats bevinden
ležet
/lɪχ.ˈni.nə/
noun
1. een aromatische verbinding die door nagenoeg alle planten wordt gemaakt en die de plant stevigheid geeft
lignin
/'lɪxplats/
noun
2. een plaats waar een boot kan liggen
kotviště
noun
1. een stoel waarin men gemakkelijk kan liggen
lehátko
pronoun
Ligurie
noun
1. olijfachtige heester veel gebruikt voor het maken van heggen
ptačí zob
verb
1. smart en ellende ondergaan
trpět
noun
1. een straf waarbij iemand lijfelijk pijn gedaan wordt
tělesný trest
noun
1. hybride kruising tussen een mannetjesleeuw en een vrouwtjestijger
liger
noun
1. dood lichaam
mrtvola
/ˈlɛi.kə(n)/
verb
2. naar aanschijn zijn
vypadat
noun
1. doek waarin men een overledene wikkelt; kleed dat men over een lijkkist legt tijdens de begrafenis
pokrývka rakve
noun
1. textiel waarin een overledene begraven wordt
rubáš
noun
1. een voortuig ingericht om een stoffelijk overschot te vervoeren
pohřební vůz
noun
1. plakmiddel
lepidlo
verb
1. twee of meer delen aan elkaar bevestigen met behulp van een kleefstof
lepit
/lɛi̯n/
noun
11. een band, riem om een huisdier in te tomen
vodítko
/ˈlɛɪnzat/
noun
1.
lněné semeno
/lɛist/
noun
1. een opsomming van zaken die onder elkaar staan
seznam
noun
1. benaming voor zangvogels uit de familie Turdidae
drozd
noun
1. geslacht van loofbomen, Sorbus
jeřáb (strom)
verb
lajknout
noun
1. een drank bereid met gestookte alcohol, aangevuld met smaakstoffen en veelal ook suiker
likér
verb
1. met de tong aanraken
lízat
/ˈlɪm.bʏrx/, /ˈlɪm.bʏrχ/
pronoun
  1. 5. een plaatsje in de Belgische provincie Luik
    Limbourg
  2. 1. provincie in het zuidoosten van Nederland
    Limburg
  3. 2. een provincie in België
    Limburk
/ˈlɪm.bʏrxs/, /ˈlɪm.bʏrχs/
pronoun
1. verzamelnaam van een reeks variëteiten van de Germaanse taalfamilie
  1. limburština
  2. limbursky
noun
limnologie
noun
1. Een citrusvrucht
  1. limeta
  2. limetka
noun
1. een drank die vervaardigd is van citroensap, suiker en water
limonáda
/ˈlɪndə/
noun
loofboom
lípa
noun
1. beoefenaar van de taalkunde
jazykovědec
noun
1. wetenschap die taal als onderzoeksobject heeft
jazykověda
/ˌliniˈ<sup>ʲ</sup>aɫ/
noun
1. een meetinstrument waarmee lengtes kunnen worden opgemeten
pravítko
noun
2. een verwijzing
odkaz
noun
1.
levobřežní
adjective
1. tegenovergestelde van rechts
  1. levý
  2. vlevo
adjective
1. wanneer men de linkerhand verkiest boven de rechter voor alledaagse handelingen
levoruký
noun
1.
kyselina linolová
noun
1. lange, smalle strook stof
páska
noun
1. een platte worm die parasiteert in de darm bij mens en dier
tasemnice
noun
pásová pila
noun
čočka
noun
1. anatomie
  1. ret
  2. pysk
/liˈpidə/
noun
1. vetten en vetachtige stoffen die in de biochemie een belangrijke rol spelen
lipid
noun
  1. 1. stift met zacht materiaal dat op de lippen opgebracht wordt om de kleur daarvan beter te laten uitkomen
  2. 2. zacht materiaal dat op de lippen opgebracht wordt om de kleur daarvan beter te laten uitkomen
rtěnka
noun
likvidita
noun
1. Typha
orobinec
/ˈlɪspələ(n)/
verb
šišlavost
pronoun
1.
Lisabon
noun
1.
litanie
/litər/
noun
1. een inhoudsmaat voor voornamelijk vloeistoffen en gassen
litr
adjective
literární
noun
  1. 2. het geheel van als kunstzinnig beschouwde geschreven werken, m.n. proza of poëzie
  2. 3. de verzameling geschreven en na controle door vakgenoten gepubliceerde mededelingen van een vakgebied
literatura
/ˈlitiˌʲʏm/
noun
1. chemisch element en een zilverwit alkalimetaal
lithium
noun
litotes
/liˈtaʊ̯.wə(n)/, /liˈtɑuwə(n)/, /liˈtɔʊ̯.β̞ə(n)/, /ˈliˌtʌʊ̯.β̞ə(n)/
pronoun
1. een Europees land ter hoogte van Wit-Rusland
Litva
/liˈtaʊ̯.wər/, /ˈlitɔʊ̯.β̞ər/, /ˈlitʌʊ̯.β̞ər/
noun
1. inwoner van Litouwen
  1. Litevec
  2. Litvan
/liˈtaʊ̯s/, /ˈlitɔʊ̯β̞s/, /ˈlitʌʊ̯s/
adjective
1. betreffende Litouwen of het Litouws
litevský
/liˈtaʊ̯s/, /ˈlitɔʊ̯β̞s/, /ˈlitʌʊ̯s/
pronoun
1. een Baltische taal die wordt gesproken in Litouwen
  1. litevština
  2. litevsky
/liˈtaʊ̯sə/, /ˈlitɔʊ̯β̞sə/, /ˈlitʌʊ̯sə/
noun
1. vrouwelijke inwoner van Litouwen
  1. Litevka
  2. Litvanka
noun
1. zichtbaar overblijfsel van een oude verwonding
jizva
noun
1. eertijds een dienst ten bate aan de gemeenschap waartoe de rijken verplicht waren...
liturgie
noun
1. scheikundig element met symbool Lv en atoomnummer 116
livermorium
noun
lobotomie
noun
1.
lokomotiva
verb
1. van lood vervaardigd
olověný
pronoun
  1. 1. eigennaam van Frankische herkomst
  2. 2. spelwoord voor de letter l
Ludvik
/ˈlu.jə(n)/
verb
1. een langgerekt klagend geluid voortbrengen
bučet
noun
lupa
noun
1. prijzen
pochvala
noun
1. snelheidsmeter voor zeegaande schepen
log
noun
1. de exponent van de macht waartoe een gegeven getal verheven moet worden om een ander getal te krijgen
logaritmus
noun
1. boek met gegevens over de navigatie
palubní deník
noun
logika
/ˈloɣis/
adjective
  1. 1. natuurlijk, voor de hand liggend
  2. 2. betrekking hebbend op de logica
logický
adjective
logistika
noun
1. beeldmerk, logogram, naambeeld
logo
noun
logoped
noun
1. het woord, de taal in het algemeen
logos
/lɔk/
noun
1. haarlok, pluk haar
lokna
noun
zábava
/ˈlɔlɪ/
noun
snoepje
lízátko
pronoun
Lombardie
/ˈlɔndən/
pronoun
1 en 2
Londýn
noun
1. orgaan waarin gaswisseling plaatsvindt tussen lucht en bloed ten behoeve van het metabolisme.
plíce
noun
plicník
/'lɔŋɔntsteːkɪŋ/
noun
1. een ontsteking in de longen
zápal plic
noun
1. bloedvat dat vanuit de rechter hartkamer naar de longen gaat
plicní tepna
noun
1. koord voor ontsteking
doutnák
noun
1. een scheikundig element met symbool Pb en atoomnummer 82
olovo
noun
1. vakman die zich bezighoudt met de aanleg en het onderhoud van sanitair, verwarmingsinstallaties, waterleidingen en/of riolering
instalatér
/lotlɛin/
noun
1. een lijn die een rechte hoek maakt met de raaklijn van de figuur waarop zij wordt neergelaten
kolmice
adjective
  1. 1. verticaal, in één lijn met het middelpunt van de aarde
  2. 2. in een rechte hoek
pravoúhlý
/loːts/
noun
2. iemand die schepen als stuurman begeleidt bij het varen van en naar een haven
lodivod
noun
1. een witte verfstof met bestanddelen van lood
olovnatá běloba
noun
  1. 1. gebladerde boom
  2. 2. bladverliezend boom
listnatý strom
adjective
listová zelená
/loːx/
noun
een alkalische substantie
louh
noun
1. (beroep) een persoon die van de huid van dieren leer maakt
koželuh
adjective
van groot gewicht
těžký
/loːn/
noun
1. financiële vergoeding voor geleverde arbeid
mzda
/loːp/
noun
voorste deel van een wapen
hlaveň
/ˈlopχraf/
noun
1. een uitgegraven geul, diep en breed genoeg dat men er in kan lopen...
zákop
verb
1. stappen, gaan
jít
noun
4. schaakstuk dat zich slechts diagonaal verplaatsen mag
střelec
noun
1. geld betaald voor iemands vrijlating
výkupné
verb
1. ervoor zorgen dat iets of iemand los wordt
odvazovat
pronoun
Lotrinsko
pronoun
1.
Louisiana
verb
1. blijk geven van bewondering
chválit
pronoun
1. naam van een van Jezus' discipelen
Lukáš
/lʏxt/
noun
1. mengsel van gassen waaruit de afmosfeer bestaat
  1. vzduch
  2. povětří
noun
1. een aanval vanuit de lucht op een grondpositie
nálet
noun
vzduchový filtr
noun
1. een vliegveld voor verkeersvliegtuigen met accommodatie voor ontvangst en vertrek van passagiers
letiště
/ˈlʏxmɑxt/, /ˈlʏχmɑχt/
noun
1. een krijgsmacht in de lucht die bestaant uit vliegtuigen, raketten, projectielen en personeel
letectvo
noun
průdušnice
noun
1. de luchtlagen boven een bepaald grondgebied
vzdušný prostor
noun
1. verkeer in de lucht
letectví
noun
1. een bedrijf dat vervoer door de lucht aanbiedt
aerolinie
noun
řízení letového provozu
adjective
letuschopný
noun
1. een stokje met een zwavelkopje, dienende om vuur te maken
  1. sirka
  2. zápalka
/lœʏ/, /lœː/
adjective
1. werkschuw, niet houden van inspanning of werk
líný
noun
2. benaming voor zoogdieren uit de onderorde Folivora
lenochod
noun
amplion
noun
plenka
noun
1. het ontbreken van de wil iets te doen
lenost
/lœʏ̯k/, /lœːk/
pronoun
  1. 1. een provinciehoofdstad in België
  2. 2. een Belgische provincie
Liège
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera pardus
  1. levhart
  2. leopard
/lœʏ̯s/, /lœːs/
noun
1. benaming voor verschillende meestal vleugelloze insecten die parasiteren op dieren en planten
veš
/'lœstərə(n)/
verb
1. gericht waarnemen met het oor
poslouchat
noun
1. luit
loutna
noun
1. rang in het leger
poručík
/ˈlykɑs/
pronoun
Lukáš
noun
1. geslachtsdeel van de man
  1. kokot
  2. čurák
adjective
  1. bederní
  2. lumbální
noun
1.
luminiscence
adjective
lunární
verb
1. de lunch gebruiken
obědvat
noun
1. en 2. (zaden van) geslacht Lupinus
  1. lupina
  2. vlčí bob
noun
1. tot meel vermalen zaden van de plant Lupinus
mouka z vičího bobu
noun
1. scheikundig element met symbool Lu en atoomnummer 71
lutecium
adjective
luteránský
/lyks/
noun
1. niet alledaagse dingen die gebruikt worden voor het persoonlijk genot
luxus
/ˈlyksəmˌbʏrx/, /ˈlyksəmˌbʏrχ/
pronoun
1.-3.
  1. Lucembursko
  2. Lucemburk
/ˈlyksəmˌbʏrɣər/, /ˈlyksəmˌbʏrχər/
noun
1. een inwoner of iemand die afkomstig is van het Groothertogdom Luxemburg
Lucemburčan
/ˈlyksəmˌbʏrxs/, /ˈlyksəmˌbʏrχs/
pronoun
1. een taal die in Luxemburg gesproken wordt
  1. lucemburština
  2. lucembursky
/ˈlyksəmˌbʏrxsə/, /ˈlyksəmˌbʏrχsə/
noun
1. inwoonster van Groothertogdom Luxemburg
Lucemburčanka
adjective
luxusní
pronoun
Lvov
adjective
1.
lymfatický
noun
míza
noun
lymfom
verb
1. iemand executeren zonder rechtsgeldig proces, met name door opknoping
lynčovat
noun
1. bepaald soort zoogdier, Lynx lynx
rys
pronoun
1.
Lyon
adjective
lyrik
/maːx/
noun
1. Orgaan
žaludek
pronoun
  1. 2. teken van de dierenriem waar de zon in staat van ca. 23 augustus tot ca. 23 september
  2. 1. sterrenbeeld van de dierenriem
Panna
/maːxt/, /maːçt/
noun
1. ongerepte jonge vrouw
panna
adjective
panenský
noun
1. eigenschap dat je niet eerder geslachtsverkeer hebt gehad
panenství
pronoun
Děvín
pronoun
Panenské ostrovy
/ˈmaɣdəˌvlis/, /ˈmaʝdəˌvlis/
noun
vlies
panenská blána
noun
žaludeční šťáva
/ˈmaɪ̯ə(n)/
verb
1. met een werktuig het bovengrondse deel ergens van verwijderen
kosit
noun
1. een hoeveelheid toebereid voedsel die voldoende is geruime tijd de lichamelijke behoefte te bevredigen
jídlo
noun
1.
stravenka
/maːn/
noun
měsíc
/maːnt/
noun
1. elk van de twaalf met een eigen naam onderscheiden tijdvakken van 28, 30 of 21 dagen waarin een jaar verdeeld wordt
měsíc
/ˈmaːndɑx/
noun
1. een dag van de week, de eerste dag na het weekeinde
  1. pondělí
  2. pondělek
noun
1. een publicatie die wekelijks verschijnt
měsíčník
/ˈman.də.ləks/, /ˈmaːn.də.lɪks/
adjective
1. iedere maand een keer
měsíční
/ˈman.də.ləks/, /ˈmaːn.də.lɪks/
adverb
1. iedere maand een keer
měsíční
noun
1. het zonlicht dat van de maan naar de aarde reflecteert
měsíční svit
noun
měsíční srpek
/ˈmansvərˌdœʏ̯stərɪŋ/, /ˈmansvərˌdœːstərɪŋ/
noun
1. het verschijnsel dat de maan verduisterd raakt doordat ze in de schaduw...
zatmění Měsíce
noun
mák
/maːr/
conjunction
1. tegenwerping, introduceert een zin(sdeel) dat het voorgaande zin(sdeel) tegenspreekt of er mee contrasteert
  1. ale
  2. avšak
noun
maršál
/maːrt/
noun
1. derde maand van het jaar
březen
pronoun
Revoluce roku 1848 v Německu
/mas/
pronoun
1. een rivier die onspringt in Frankrijk en door België en Nederland stroomt
Máza
/maːt/
noun
3. eenheid van lengte enz.
míra
noun
1. iets dat wordt beslist om een doel te treffen
opatření
/matsxɑpələk/
adjective
1. op de maatschappij betrekking hebbend
celospolečenský
noun
  1. 2. de wereld, omgang en verkeer der mensen
  2. 1. vereniging tot het drijven van handel
společnost
noun
2. gerecht op basis van gebogen pijpjes van deeg
makaróny
pronoun
1. een stad op een eiland aan de zuidkust van China, ten westen van Hong Kong
Macao
adjective
1. gerelateerd aan of afkomstig uit Macedonië
makedonský
pronoun
1. Slavische taal die vooral wordt gesproken in de Noord-Macedonië
makedonština
/ˌmasəˈdonisə/, /ˌmasəˈdoːnisə/
noun
1. vrouwelijke inwoner van Macedonië
  1. Makedonka
  2. Makedoňanka
/ˌmasəˈdoni.jə/, /ˌmasəˈdoːni.jə/
pronoun
  1. 3. land
  2. 1. historisch Grieks koninkrijk
  3. 2. regio in Griekenland
Makedonie
/ˌmasəˈdoni.jər/, /ˌmasəˈdoːni.jər/
noun
1. inwoner van Macedonië
  1. Makedonec
  2. Makedoňan
/mɑˈʃinə/
noun
stroj
/mɑˈʃinəˈri/
noun
1. geheel van machines
mašinérie
noun
1. het vermogen om elders de eigen wil op te leggen
moc
adjective
1.
bezmocný
/ˈmɑxtəx/, /ˈmɑxtɪx/, /ˈmɑχtəχ/
adjective
1. meer invloed hebben dan anderen
mocný
/ma.da.'ɣɑs.kɑr/, /ˌma.dɑ.'χɑs.kɑr/
pronoun
2. staat op het bovengenoemde eiland, de Republiek Madagaskar
Madagaskar
noun
1. Pootloze larve
larva
noun
1. Bellis perennis
sedmikráska chudobka
pronoun
Madrid
noun
1. criminele organisatie, oorspronkelijk van Sicilië
mafie
noun
1. kleur tussen rood en blauw
nachový
/ˈma.ɣər/, /ˈma.χər/
adjective
1.
hubený
adjective
1.met een bijzondere, bovennatuurlijke betekenis
magický
noun
magnalium
noun
  1. 1. gemagnetiseerd metaal
  2. 2. persoon, zaak of plaats
magnet
noun
magnetické pole
noun
1. Chemisch element
hořčík
noun
1. magnetisch, ijzer bevattend mineraal; magnetisch erts
magnetit
adjective
1. verschijnselen vertonend die toegeschreven kunnen worden aan een kringstroom...
magnetický
noun
  1. magnetismus
  2. magnetizmus
/ˈmɑɣ.nə.trɔn/, /ˈmɑχ.nə.trɔn/
noun
  1. 2. een type elektronenbuis
    magnetron
  2. 1. een toestel waarin met zeer korte en gerichte golven voedsel in zeer korte tijd warm kan worden gemaakt
    1. mikrovlnná trouba
    2. mikrovlnka
noun
1. boom met tulpachtige bloemen
magnólie
adjective
mahagonová hnědá
/mɑjs/
noun
1. een graansoort afkomstig uit Midden-Amerika
kukuřice
adjective
žlutá kukuřičná
noun
1. een etagewoning met eigen toegang waarbij woon- en slaapverdieping boven elkaar liggen
mezonet
noun
1. en 2. verbinding van glucose en koolhydraten of bindmiddel dat uit maiskorrels wordt gewonnen
kukuřičný škrob
noun
1.
majestátnost
noun
1. majeur
  1. dur
  2. durový
noun
major
/ma'kak/
noun
1. een aap behorende tot een geslacht (Macaca) van apen van de Oude Wereld
makak
noun
1. schoonheidsproducten
líčidlo
/ˈmaːkən/
verb
dělat
noun
1. bepaalde soort zeevis, Scomber scomber
makrela
noun
1. infectieziekte die veroorzaakt wordt door eencellige parasieten van het geslacht Plasmodium
malárie
/ma.'la.wi/, /ma.'la.ʋi/, /ma.'la.β̞i/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel de Republiek Zambia, dat niet aan de zee grenst
Malawi
pronoun
1. Dravidische taal die wordt gesproken door 47 miljoen mensen, vooral in de Indiase deelstaat Kerala
Malajalámský
/mɑl.ˈdi.və(n)/, /mɑɫ.ˈdi.və(n)/
pronoun
1. land in de Indische Oceaan
Maledivy
pronoun
Malachiáš
/mɑ.ˈlɛɪs/
pronoun
1. een Austronesische taal en de officiële taal van Maleisië, Brunei en Singapore die ook in delen van...
  1. malajský
  2. malajština
/maˈlɛ:zi.jə/, /maˈlɛɪ̯zi.jə/
pronoun
1. een land in het zuidoosten van Azië dat bestaat uit twee afzonderlijke delen die gescheiden worden door de Zuid-Chinese Zee
Malajsie
/malə(n)/
verb
1. tussen twee harde voorwerpen fijnwrijven
mlít
/'ma.li/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Mali
Mali
noun
1.
kroužková zbroj
/ˈmɑlta/, /ˈmɑɫta/
pronoun
  1. 1. eiland in de Middellandse Zee
  2. 2. land in de Middellandse Zee
Malta
/mɑlˈteːs/, /mɑɫˈtes/
noun
1. inwoner van Malta of iemand die van Malta afkomstig is
Malťan
/mɑlˈteːs/, /mɑɫˈtes/
pronoun
1. Semitische taal die wordt gesproken door 570 duizend mensen op Malta
  1. maltština
  2. maltsky
/mɑlˈteːsə/, /mɑɫˈtesə/
noun
1. vrouwelijke inwoner van Malta
Malťanka
noun
1. schadelijke software
  1. škodlivý software
  2. malware
/ˈmɑmaː/
noun
1.
maminka
/ˈmɑmi/
noun
1. moeder
maminka
noun
1. benaming voor zoogdieren uit het geslacht Mammuthus
mamut
/mɛn/
pronoun
1. een eiland in de Ierse Zee
  1. Man
  2. Mann
noun
1. persoon van het mannelijk geslacht
muž
pronoun
Manaus
noun
1. een sierknoop die de manchet aan de mouw van een overhemd sluit
manžetový knoflík
noun
1. een bak gemaakt van gevlochten rotan of tenen voorzien van een handvat
koš
noun
mandát
noun
1. Een citrusvrucht
mandarinka
noun
1. vloeistof uit een geperste mandarijn
mandarinková šťáva
noun
1. schil van Citrus reticulata, Citrus reticulata var. 'mandarine' of Citrus × tangerina
mandarinková kůra
noun
1. een klein, luitvormig tokkelinstrument met vier paar snaren waarop met een plectrum getokkeld wordt
mandolína
noun
1. bepaald soort zoogdier, Otaria flavescens, zeeroofdier dat leeft aan de kusten van het zuidelijk deel...
lachtan hřivnatý
/ˈmɑŋɣa/
noun
1. Japans stripboek
manga
noun
1. Chemisch element
mangan
/ˈmɑŋələ(n)/
verb
3. door de mangel halen, met een mangel glad maken
mandlovat
noun
mangrove
noun
maniak
/ mɑˈniːr/
noun
způsob
noun
1. openlijke bekendmaking van een staatshoofd, regering, leider of politieke partij
manifest
noun
1. en 2. (wortel van) de plant Manihot esculenta
maniok jedlý
noun
manipulace
adjective
  1. 1. tot geslacht behorend dat voor bevruchting zorgt
  2. 2. behorend tot het mannelijke woordgeslacht
  3. 3. gedrag
mužský
noun
vstavač mužský
noun
cvičení
noun
manometr
pronoun
1. taal die door de Mantsjoes gesproken werd.
Mandžu
/ˌmanɵsʲəvɑnˈɑləs/
noun
1. iemand die bekwaam is in het doen van allerlei verschillende klusjes
údržbář
noun
1. hoeveelheid werk die één persoon in één uur kan verrichten
člověkohodina
noun
1.
mužatka
pronoun
1. taal die door de Maori's wordt gesproken
Maoři
noun
1. variant van het communisme zoals uitgedragen en toegepast in China gedurende het derde kwart van de 20e eeuw
maoismus
noun
1. communist die zich vooral heeft laten inspireren door Mao Zedong
maoista
adjective
1.
maoistický
/mɑp/
noun
1. een stevig omhulsel voor papieren
  1. desky
  2. mapa
  3. sloha
noun
marabu
pronoun
1. taal die met name in Maharashtra, een staat in India gesproken wordt, onder andere in Mumbai (Bombay)
maráthský
noun
maraton
verb
pochodovat
noun
1. Viscum album
jmelí
noun
margarín
pronoun
Marie
noun
marináda
/maːˈrinə/
noun
1. zeemacht
námořnictvo
noun
1. lid van een goed getrainde, gespecialiseerde militaire eenheid
mariňák
pronoun
1.
Mariánské Lázně
noun
2. kruid
majoránka
/mɑr.ˈkeːr.stɪft/
noun
1. een viltstift waarmee met stukken tekst doet opvallen
zvýrazňovač
noun
adellijke titel, lager dan een hertog maar hoger dan een graaf
markýz
noun
  1. warenverkoop op pleinen en straten
  2. geheel van omstandigheden waaronder hoeveelheden van producten of diensten verhandeld worden
trh
noun
tržní hospodářství
/mɑremər/
noun
1. een fijnkorrelige getransformeerde kalksteen dat gepolijst gebruikt wordt in de bouw- en de beeldhouwkunst
mramor
noun
1. knaagdier dat vooral in het hooggebergte leeft maar ook veel als huisdier wordt gehouden
svišť
/ˌmɑrɔˈkan/
noun
1. inwoner van Marokko, iemand uit Marokko, persoon met de Marokkaanse nationaliteit
Maročan
adjective
1.
marocký
/ma.ˈrɔ.ko/
pronoun
1. land in het uiterste noordwesten van Afrika
Maroko
pronoun
Mars
noun
  1. 1. regelmatige manier van lopen met afgemeten passen, vooral gebruikt door soldaten...
  2. 2. een wandeltocht
  3. 3. een mand of bak die op de rug gedragen wordt
pochod
noun
1. een Italiaanse versterkte wijn die gemaakt wordt in de omgeving van Marsala op het westelijk deel van Sicilië
víno Marsala
noun
1.
marcipán
pronoun
1. een taal die op de Marshalleilanden gesproken wordt
maršalština
/mɑr.ʃəl.ɛɪ̯.lɑn.də(n)/, /mɑr.ʃəl.ɛː.lɑn.də(n)/, /mɑr.ʃəɫ.ɛɪ̯.lɑn.də(n)/
pronoun
1. een land in Oceanië
Marshallovy ostrovy
noun
1. iemand die voor een zaak lijdt of sterft en daarmee tot symbool wordt gezien van de strijd voor die zaak
mučedník
verb
1. een gevangene onderwerpen aan lichamelijke en/of geestelijke pijniging, voornamelijk teneinde informatie los te krijgen
mučit
noun
1. benaming voor zoogdieren uit het geslacht Martes
kuna
pronoun
Martinik
noun
1. de socialistische ideologie van de volgelingen van Karl Marx
marxismus
noun
1. schoonheidsmiddel
řasenka
pronoun
1. eilandengroep in de Indische Oceaan
Maskarény
noun
1.
maska
noun
1.
masochismus
/ˈmɑsaː/
noun
1. totale hoeveelheid materie in een object
hmotnost
noun
masáž
noun
1. moord op een groot aantal personen
masová vražda
noun
1. een wapen dat zeer velen doodt
zbraň hromadného ničení
verb
1. het toepassen van uitwendige druk op de zachte weefsels
masírovat
adjective
masivní
noun
  1. 1. lange, rechtop staande paal midden op het schip
  2. 4. hoge antenne
  3. 5. varkensvoer
stěžeň
noun
mastektomie
noun
1. grote hond met een heel los rimpelig vel bij het hoofd
doga
noun
1. het stimuleren van de eigen geslachtsdelen
onanie
verb
masturbovat
verb
zhmotnit
noun
hmota
adjective
1. geneigd om vroeg op te staan
ranní
/mɑtrɑs/
noun
1. lichaamsondersteunend onderdeel van een bed
matrace
noun
1. een rechthoekig blok getallen waaraan bepaalde rekenregels toegekend worden
matice
noun
1.
matrona
noun
1. een zeeman van de laagste rang
námořník
pronoun
  1. Matouš
  2. Matěj
/ˌmaʊ̯.ri.ˈta.ni.jə/, /ˌmɔʊ̯.ri.ˈta.ni.jə/, /ˌmʌʊ̯.ri.ˈta.ni.jə/
pronoun
1. een land in Noord-Afrika, officieel de Islamitische Republiek Mauritanië
  1. Mauritánie
  2. Mauretánie
/maʊ̯.'ri.si.jəs/, /mɔʊ̯.'ri.si.jəs/, /mʌʊ̯.'ri.tsi.jəs/
pronoun
1. een land in de Indische Oceaan, officieel de Republiek Mauritius
Mauricius
noun
1. groot en rijk versierd graf
mauzoleum
adjective
1. het grootst mogelijk
maximální
abbreviation
1. grootst mogelijke hoeveelheid
maximum
/ˌmajoˈnɛːzə/
noun
1. een saus op basis van eieren
majonéza
pronoun
Mayotte
noun
1. kinderziekte die veroorzaakt wordt door het Morbillivirus en gekenmerkt wordt door rode stipjes op de huid
spalničky
noun
1. een vrouw die een relatie heeft met een getrouwde man
milenka panovníka
/ˈmaʲɪs/, /ˈmɛɪ̯s/
noun
1. bepaalde graansoort afkomstig uit Midden-Amerika, Zea mays
kukuřice
noun
1.
mecenášství
adjective
1. met betrekking op de mechanica, machinaal, automatisch zonder na te denken
mechanický
noun
1. machinerie
  1. mechanismus
  2. mechanizmus
noun
1. metalen schijf, in het bijzonder als onderscheidingsteken na bepaalde prestaties
medaile
/ˈme.dəˌklɪŋ.kər/
noun
1. een klank waarbij de lucht niet ongehinderd door de mond naar buiten kan
souhláska
noun
1. verdriet over het leed van anderen
soucit
noun
2.
medián
noun
mediace
noun
1. het voorschrijven van geneesmiddelen
léky
noun
1. een chemische stof die een bepaalde, gewenste werking op het (dierlijk of menselijk) lichaam uitoefent
lék
adjective
1. op de geneeskunde betrekking hebbend
lékařský
noun
1. spirituele bezigheid
meditace
verb
meditovat
noun
1. Rubia tinctorum
mořena
/mel/, /meɫ/, /mɪːɫ/
noun
1. gemalen graan
  1. mouka
  2. moučka
  3. prášek
noun
1. kever ontstaan uit de meelworm die leeft van graan en meel
potemník moučný
/meːr/
noun
1. groot water dat helemaal omringd is door land
jezero
pronoun
1.
Ženevské jezero
noun
1. een groep die binnen een groter geheel in aantal meer dan de helft uitmaakt
většina
adjective
1. de leeftijd bereikt hebbend dat men alle rechten en plichten van een volwassene heeft
plnoletý
noun
1. één van een aantal Afrikaanse apensoorten uit de Cercopithecus-familie
kočkodan
noun
1. bepaald soort watervogel, Fulica atra
lyska černá
noun
1. een gehydrateerd magnesium-silicaat met de chemische formule Mg₄Si₆O15·6(H₂O), een fylosilicaat dat behoort tot de mica's.
mořská pěna
adjective
  1. 1. gerelateerd aan meerdere talen
    mnohojazyčný
  2. 2. (persoon) meerdere talen sprekend
    vícejazyčný
noun
1. de staat van meerdere talen te kunnen spreken
vícejazyčnost
/ˈmeːrvɑɫ/
noun
1. benaming voor grote roofvissen uit het geslacht Siluris
sumec
noun
1. Woord dat in die vorm aan meerdere voorwerpen, mensen of dieren refereert
  1. množné číslo
  2. plurál
noun
1. benaming voor kleine weinig schuwe vogels uit de familie Paridae
  1. sýkora
  2. sýkorovití
indefiniteCardinalNumeral
1. de grootste hoeveelheid, het hoogste aantal
většina
noun
1. baas, heer, patroon
mistr
adjective
1.
měřitelný
noun
1. eenheid die gebruikt wordt om meetresultaten in uit te drukken
měrná jednotka
/ˈmetɪnstryˌmɛnt/
noun
1. een instrument waarmee grootheden gemeten kunnen worden
měřicí přístroj
noun
1. meetklok
úchylkoměr
/'metkɵndə/
noun
1. tak van de wiskunde
geometrie
/meːβ̞/, /mɪːβ̞/
noun
1. benaming voor zeevogels uit de familie Laridae
racek
noun
  1. megabajt
  2. megabyte
noun
1. de vijfde maand van het jaar
  1. květen
  2. kvìten
noun
1.
máje
/ˈmɛɪ̯.dorn/
noun
1.
hloh
adjective
májová zelená
noun
1. Melolontha melolontha, schildvleugelig insect dat in mei te voorschijn komt
chroust
/'mɛɪlər/
noun
1. houtstapel
milíř
noun
1. de verkondiging van één of meerdere leugens terwijl men heeft gezworen de waarheid te vertellen
křivá přísaha
/mɛɪˈozə/
noun
1.
meióza
/ˈmɛɪ̯ʃə/, /ˈmɛːsjə/
noun
1. jonge vrouw
  1. holka
  2. dívka
  3. děvče
/ˈmɛɪ̯ʃəsˌnam/, /ˈmɛːsjəsˌnam/
noun
2. eigen achternaam van een vrouw die de naam van haar echtgenoot of geregistreerd partner voert
dívčí jméno
noun
1. scheikundig element met symbool Mt en atoomnummer 109
meitnerium
pronoun
1. geboorteplaats van Mohammed en bedevaartplaats voor islamieten
Mekka
adjective
met droevige gedachten aan de dagen van weleer
melancholický
pronoun
Melanésie
noun
1. een groep van organische pigmenten
melanin
noun
melanom
noun
1. een restproduct bij de suikerproductie
melasa
pronoun
1. tweede grootste stad van Australië en hoofdstad van de deelstaat Victoria
Melbourne
noun
1. Atriplex sp, een geslacht van meer dan tweehonderd soorten plantjes...
lebeda
pronoun
Melilla
/mɛlk/
noun
mléko
noun
mlékař
noun
1. chocolade die bereid is met room of melk
mléčná čokoláda
/mɛlkə(n)/
verb
1.
  1. dojit
  2. podojit
noun
1.het orgaan dat bij het zoogdier de melk produceert
mléčná žláza
/mɛlkku/
noun
1. een soort koe die gekweekt wordt voor haar melkproductie
dojnice
noun
1. een tand uit de eerste set tijdelijke tanden van de mens en sommige andere dieren (zoals de hond of de koe), die na verloop van tijd worden vervangen door de permanente tanden
mléčný zub
pronoun
1. het sterrenstelsel waarin wij ons bevinden en dat op donkere nachten als lichtende band aan de hemel te zien is.
Mléčná dráha
noun
1. organisch zuur
kyselina mléčná
noun
1. een opeenvolging van toonhoogtes die een bepaald muzikaal gestalte vormt
  1. melodie
  2. nápěv
noun
meloun
adjective
melounová žlutá
/mɛmbran/
noun
2. een omhulsel van de cel bestaande uit fosfolipiden en eiwitten
  1. blána
  2. membrána
noun
pomp waar de pompwerking ontstaat door een membraan te laten trillen
membránové čerpadlo
noun
1. een verzamelnaam voor muziekinstrumenten die toon/geluid voortbrengen door een trillend vel
membranofon
/ˈme:mə/
noun
mem
/ˌmɛndeˈleviʏm/
noun
mendelevium
/məˈneːr/, /məˈnɪːr/
noun
  1. 2. een nette man
  2. 1. een formele manier om een man aan te spreken
  3. in te delen
pan
verb
1. het homogeniseren van twee of meer zaken
míchat
noun
směs
noun
1.
menhir
noun
meniskus
noun
1. levensfase waarin vrouwen niet langer menstrueren
menopauza
noun
1. de Homo sapiens, het zoogdier waar wij toe gerekend worden
  1. člověk
  2. lidé
adjective
  1. 1. zoals de mens
  2. 2. goed voor de medemens
lidský
/ˈmɛnsələkɦɛjt/
noun
humanitnost
noun
obchodování s lidmi
noun
2. geheel van de fundamentele rechten en vrijheden die ieder mens toekomen
lidská práva
noun
1. een verzamelnaam voor alle mensen ter wereld met al hun onderlinge sociale relaties
lidstvo
noun
1. maandelijkse bloeding bij vrouwen en geslachtsrijpe meisjes
menstruace
noun
1.
menstruační cyklus
/ˌmɛn.taː.liˈtɛit/
noun
mentalita
noun
1. vluchtige olie die een belangrijk bestanddeel is van pepermuntolie,...
mentol
noun
jídelní lístek
noun
1.
panel nabídek
noun
1.
menuet
pronoun
Merkur
/meːrəl/, /ˈmɪːrəɫ/
noun
1. bepaald soort zwarte vogel met een gele snavel, Turdus merula
  1. kos
  2. kos černý
noun
1. zacht weefsel in de kern van een bot
morek
noun
1. halve cirkel die de beide polen met elkaar verbindt
poledník
noun
meritokracie
noun
2. een herkenbaar product door een bepaalde producent vervaardigd
značka
noun
1. vrouwelijk paard
  1. klisna
  2. kobyla
noun
1. snijwerktuig
nůž
noun
1.
mezon
adjective
1.
mezopotámský
noun
1. historische land tussen de rivieren Eufraat en Tigris, het huidige Irak
Mezopotámie
noun
mezosféra
/mɛˈsijɑs/
pronoun
1. de in de joodse Tenach voorspelde Redder die door God gezonden zal worden en die door de christenen met Jezus gelijkgesteld wordt
Mesiáš
noun
1. uitwerpselen van sommige dieren waarmee men land vruchtbaar maakt
  1. hnůj
  2. hnojivo
noun
1. een hoop waarop stalmest opgestapeld wordt
hnojiště
/ˈmɛstkevər/
noun
1. een donkergekleurde kever die zich met mest voedt
hovnivál
/mɛd/, /mɛt/
preposition
s
noun
1. ieder element dat gekenmerkt wordt door glans en het vermogen om warmte en elektriciteit te geleiden
kov
noun
1. instrument om metalen voorwerpen op te sporen
bezpečnostní rám
noun
1. het geheel van de biochemische processen op celniveau
metabolismus
/me.ta.ˈfɔːr/, /mæː.ta.ˈfoːr/
noun
1. beeldspraak waarbij men een woord B zegt in plaats van het woord A terwijl er tussen A en B een verband is van gelijkenis
metafora
noun
1. de wijsgerige leer die niet de werkelijkheid onderzoekt zoals ze ons gegeven wordt uit zintuiglijke ervaring, maar op zoek gaat naar het wezen van die werkelijkheid en wat haar constitueert
metafyzika
/ˌmetaˈfizis/
adjective
1. bovennatuurlijk; (nog) niet met de gangbare wetenschap te verklaren
metafyzický
noun
hutnictví
noun
proměna
noun
1. taal met behulp waarvan dezelfde of een andere taal wordt beschreven
metajazyk
verb
1. de waarde van een bepaalde grootheid bepalen door deze te vergelijken met een ijkwaarde
měřit
noun
1. een kortstondig lichtspoor aan de hemel door de verbranding van een uit de ruimte vallende meteoriet
meteor
/meteˌjoroloˈɣi/
noun
1. de studie van het weer en het klimaat
meteorologie
noun
meteorolog
noun
1. de SI-eenheid van lengte
metr
noun
společnice
noun
1. CH₄
  1. metan
  2. methan
  3. karban
noun
1.
  1. metanol
  2. karbinol
  3. methanol
  4. methylalkohol
/meˈtodə/
noun
metoda
noun
1. Een stroming in het protestantisme
metodismus
/ˌmetodoloˈɣi/, /ˌmetodoloˈχi/
noun
metodologie
noun
  1. metyl
  2. methyl
noun
měření
/mæː.to.ˈny.mi.ja/
noun
metonymie
/mæː.to.ny.ˈmiː/
noun
metonymie
adjective
metrický
noun
1. ondergronds openbaar vervoer
metro
/ˌmetroloˈɣi/
noun
1. de studie van het weer en het klimaat
metrologie
noun
metronom
noun
1. wereldstad
metropole
noun
1. bouwvakker gespecialiseerd in metselen
zedník
noun
1. stuk huisraad
nábytek
noun
1. groep (jacht)honden, e.d.
smečka
noun
1. formele manier om een vrouw aan te spreken
paní
adjective
mexický
/ˈmɛg.zi.ˌko/, /ˈmɛk.si.ˌko/
pronoun
1. een land in Amerika, officieel de Verenigde Mexicaanse Staten grenzend aan de Verenigde Staten, Belize en Guatemala, de Grote Oceaan en de Golf van Mexico
Mexiko
/mə'zuza/
noun
1.
mezuza
interjection
1. het geluid van een kat
mňau
verb
1. het geluid maken dat kenmerkend is voor een kat
mňoukat
noun
micela
/miˈxa/, /ˈmiʃa/
pronoun
Micheáš
/ˈmiːkroʔɔrɣaːnɪzmə/, /ˈmiːkroʔɔrʝaːnɪzmə/
noun
1. meestal eencellig wezen
mikroorganismus
noun
1. een levend micro-organisme
mikrob
noun
1. de tak van de biologie die zich bezighoudt met micro-organismen en hun effecten op de mens en andere levende organismen
mikrobiologie
noun
1.
mikrofiš
noun
mikrofon
/ˈmik.ro.χɔl(ə)f/, /ˈmɪk.ro.ɣɔlf/
noun
2. elektromagnetische golf van 0,1 mm tot 1 cm lengte
mikrovlna
noun
2.
mikrometr
/ˌmi.kro.ˈne.zi.ja/
pronoun
1. een land in Oceanië, officieel de Federale Staten van Micronesia
  1. Mikronésie
  2. Federativní státy Mikronésie
noun
geïntegreerde schakeling die de hele CVE van een computer bevat op één enkele chip
mikroprocesor
/mɪkroˈskoːp/
noun
1. instrument dat het beeld van heel kleine dingen sterk vergroot
  1. mikroskop
  2. drobnohled
noun
mikroskopie
adjective
1. zeer klein, voor het blote oog onzichtbaar
mikroskopický
noun
mikrosekunda
noun
1. het midden van de dag, 12.00
poledne
noun
1. een maaltijd die tussen de ochtend en de middag genuttigd wordt
oběd
/ˈmɪdəɫ/
noun
2. iets met behulp waarvan een doel bereikt kan worden
prostředek
/ˈmɪdəɫe:wə(n)/
noun
1. de periode tussen ongeveer 300 n.Chr. tot 1500 n.Chr.
středověk
/ˈmɪdəɫɪ:ws/
adjective
1. gerelateerd aan de middeleeuwen
středověký
pronoun
1. Hoogduitse dialecten uit de periode 1050-1350
střední horní němčina
pronoun
1. randzee van de Atlantische Oceaan, gelegen tussen Zuid-Europa, Noord-Afrika en West-Azië
Středozemní moře
/ˌmɪdəɫˈmatəx/
adjective
  1. 2. niet in positieve zin opvallen
  2. 1. zich rond het gemiddelde bevinden
průměrný
noun
1. van een cirkel of bol is het punt dat tot alle punten op de omtrek dezelfde afstand heeft
střed
noun
morcák prostrední
noun
1. vinger
prostředník
noun
1. het centrale deel
prostřední
pronoun
1. regio van Tsjechië
Středočeský kraj
noun
1. regio die bestaat uit Zuidwest-Azië en het noordoosten van Afrika
Střední východ
noun
1. maatschappelijke, economische klasse
střední třída
noun
střední ucho
noun
spier- en peesachtig tussenschot tussen borstholte en buikholte
bránice
noun
1.
maloobchodník
noun
1.
záložník
/ˌmɪdərˈnɑxt/, /ˌmɪdərˈnɑχt/
noun
1. het midden van de nacht, twaalf tot één uur 's nachts
půlnoc
noun
krize středního věku
verb
1. via de blaas als vloeistof lozen van lichamelijke afvalstoffen
  1. chcát
  2. čurat
noun
1. een kruipend, in grote kolonies levend omnivoor insect
mravenec
noun
1. benaming voor tandloze zoogdieren uit de onderorde Vermilingua
mravenečník
noun
1. HCOOH
kyselina mravenčí
noun
2. wortel
křen selský
noun
1. schele hoofdpijn
migréna
noun
migrace
verb
  1. 1. trekken, verhuizen, zich verplaatsen
  2. 2. gegevens zoals een bestand of code overzetten naar een ander computersysteem en/of netwerk
migrovat
/mɛi̯l/
abbreviation
míle
/mɛi̯n/
possessivePronoun
1. van mij
můj
noun
1. het bedrijven van winning van delfstoffen
hornictví
noun
1. een verticale, meestal cilindervormige toegangsweg tussen het aardoppervlak en plaatsen...
šachta
noun
1. een persoon die werkzaam is in de mijnbouw
  1. horník
  2. havíř
noun
1. benaming voor dieren uit de superorde Acariformes
roztoč
noun
1. hoofddeksel voor kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders
mitra
pronoun
1. stad in het noordwesten van Italië
Milán
/mi.li.ˈjøː/, /mɪɫˈjø/
noun
2. de wereldwijde natuurlijke omgeving
životní prostředí
/ˌmiliˈtæːr/, /ˌmiliˈtɛːr/
adjective
1. met het leger te maken hebbend
vojenský
/ˌmiliˈtæːr/, /ˌmiliˈtɛːr/
noun
1. lid van een leger
voják
noun
militarismus
noun
1. 1.000.000.000 (= 10⁹)
miliarda
noun
1. iemand die een vermogen heeft van meer dan een miljoen eenheden van een bepaalde valuta (bijvoorbeeld euro, dollar)
miliardář
noun
1. 1.000.000
  1. milión
  2. milion
noun
1. iemand die een vermogen heeft van meer dan een miljoen eenheden van een bepaalde valuta (bijvoorbeeld euro, dollar)
milionář
noun
1. dikke koude drank
koktejl
noun
1. een periode van 1000 jaar
  1. tisíciletí
  2. milénium
noun
1. een lengtemaat ter grootte van een duizendste meter
milimetr
noun
milisekunda
/mɪlt/
noun
1. een klier in de buikholte die een rol speelt bij het zuiveren en de opslag van bloed
slezina
/ˈmɪltfyr/
noun
1. een infectieziekte, die wordt veroorzaakt door de bacterie Bacillus anthracis
anthrax
noun
1.
citlivka
adverb
1. minus, verminderd met (-)
minus
/ˈmɪnɑxtɪŋ/
noun
1. het minderwaardig vinden, het geen gunstige mening hebben over
opovržení
noun
minaret
/ˈmɪndər/
indefiniteCardinalNumeral
1. vergrotende trap onverbogen vorm van weinig
méně
noun
1. een groep die binnen een groter geheel in aantal minder dan de helft uitmaakt
menšina
noun
menšinový jazyk
noun
komplex méněcennosti
pronoun
1. wereldwijd veel gebruikte netwerksite voor sociale contacten
Minecraft
/minəˈral/
noun
minerál
noun
1. water dat mineralen bevat die de smaak veranderen of het water een (vermeende) therapeutische waarde geven
  1. minerální voda
  2. minerálka
noun
mineralogie
noun
1. een sport en een populaire vakantiebezigheid. De bedoeling is een parcours van 18 holes met zo min mogelijk slagen af te leggen. Het spel is een variant op golf, met het verschil dat bij golf grote afstanden moeten worden overbrugd en met midgetgolf slechts enkele meters
minigolf
/ˈminimal/
adjective
1. het kleinst mogelijk
minimální
adjective
1.
minimalistický
abbreviation
1. kleinst mogelijke hoeveelheid
minimum
noun
1.
minisukně
noun
1. een persoon die deelneemt aan de regering van een land
ministr
noun
1. de minister die het kabinet aanvoert
premiér
/ˌminɪsˈtɪːri/
noun
1. een afdeling van een overheid waar het beleid van de regering wordt uitgevoerd
ministerstvo
/mɪnst/
indefiniteCardinalNumeral
nejméně
noun
mínus
adjective
mátová zelená
adjective
tyrkysová mátová
noun
  1. 1. tijdeenheid
    minuta
  2. 2. hoek
    1. minuta
    2. úhlová minuta
noun
miocén
noun
1. een godsdienstoefening in de katholieke kerk, een eucharistieviering
mše
noun
1. haat tegen mannen
misandrie
/'mɪsbrʌʏk/
noun
zneužití
noun
1. een handeling die een ernstig vergrijp tegen het wetboek van strafrecht is
zločin
noun
1. een misdaad of delict
  1. trestný čin
  2. zločin
noun
1.
nepříjemnost
verb
nedocenit
noun
potrat
adjective
1.
zavádějící
noun
1. iets dat niet goed is gegaan
neúspěch
noun
  1. 1. bepaald soort loofboom Mespilus germanica
  2. 2. vrucht van de mispelboom
mišpule
/məˈsxin/
adverb
1. duidt aan dat er een bepaalde kans bestaat dat de uitspraak waar is
  1. možná
  2. snad
noun
nevolnost
/ˈmɪsə(n)/
verb
  1. 1. niet raken, niet treffen
  2. 6. de afwezigheid voelen van
minout
noun
1. een doeleind dat verwezenlijkt dient te worden
misie
noun
1. laaghangende bewolking die het zicht belemmert
mlha
/ˈmɪsfərstɑnt/
noun
1. het verkeerd begrijpen van elkaars bedoelingen
nedorozumění
noun
1.wijn die gebruikt wordt in de misdiensten
mešní víno
/ˌmito'xɔndriɵm/
noun
1.
mitochondrie
/miˈtozə/
noun
1.
mitóza
/ˈmɪksə(n)/
verb
1. door elkaar mengen
mixovat
/moˈbilcə/
noun
1. draagbare telefoon
mobilní telefon
noun
mobilizace
noun
1. mengsel van aarde, vuil en water
bláto
/ˈmodə/
noun
móda
noun
model
noun
1.
modelářství
/moˈdɛrn/
adjective
1. van deze tijd, volgens de laatste mode
moderní
/mo.dɛr.ni.ˈzɪː.rə(n)/, /mo.dɛr.nɪ.ˈzeː.rə(n)/
verb
1. modern maken
modernizovat
/modɛrniˈzerɪŋ/
noun
modernizace
noun
modernost
noun
úprava
adjective
modulární
noun
modulace
noun
modul
/muː/
adjective
1. geneigd tot rusten of slapen
unavený
/mud/, /mut/
noun
1. dapperheid, lef, branie
odvaha
noun
1. een vrouwelijke ouder
  1. matka
  2. máti
noun
základní deska
adjective
1.met de liefde en zorg van een moeder
mateřský
noun
1. het fungeren als moeder
mateřství
noun
  1. mateřský jazyk
  2. mateřština
/ˈmuːdəx/, /ˈmuːdəç/
adjective
1. geen angst voor gevaar tonend
  1. odvážný
  2. statečný
noun
1. de diersoort waartoe het tamme schaap behoort, Ovis gmelini
muflon
/mu<sup>ɪ</sup>lɛ<sup>ɪ</sup>k/
adjective
1. niet gemakkelijk, waar moeite, geduld en inspanning voor vereist is
  1. obtížný
  2. těžký
noun
1. iets dat moeilijk of lastig is
obtížnost
/ˈmuitə/
noun
1. een grote inspanning
úsilí
adjective
1. geen moeite kostend
bez námahy
noun
  1. [A]
    1. matice
    2. matka
  2. [C] 1. drassig land, vooral gebruikt voor natte veengebieden
    marše
noun
marše
noun
moruše
noun
1. de regentijd in tropische gebieden met een droge tijd en een regentijd
monzun
verb
1. gedwongen zijn
muset
pronoun
1. een rivier die ontspringt in de Vogezen en na 544 kilometer bij Koblenz in de Rijn uitmondt
Mosela
noun
1. scheldnaam voor een Duitser
  1. Němčour
  2. skopčák
adjective
1. een keuze om iets te doen
možný
noun
1. iets wat gedaan kan worden of kan gebeuren
možnost
/'mo.χə(n)/
verb
1. toegestaan zijn
smět
noun
  1. 1. bepaald soort zoogdier, Talpa europaea
    1. krtek
    2. krt
  2. 3. hoeveelheid van een stof die net zo veel deeltjes bevat als er atomen...
    mol
/mɔlˈdaːvisə/, /mɔɫˈdavisə/
adjective
1. vrouwelijke inwoner van Moldavië
Moldavanka
/mɔlˈdaːvi.jə/, /mɔɫˈdavi.jə/
pronoun
1. een land en regio in Zuidoost-Europa grenzend aan Oekraïne en Roemenië
Moldavsko
/mɔlˈdaːvi.jər/, /mɔɫˈdavi.jər/
noun
1. inwoner van Moldavië
Moldavan
adjective
1. bestaande uit moleculen
molekulární
/moləˈkyle/
noun
1. het kleinste deeltje van een stof dat nog alle eigenschappen van die stof bezit
molekula
/moləˈkyɫ/
noun
1. het kleinste deeltje van een stof dat nog alle eigenschappen van die stof bezit
molekula
noun
1. installatie die de stroming van lucht of water gebruikt als energiebron
mlýn
/ˈmolənar/
noun
1. iemand die het werken in een molen als beroep heeft
mlynář
noun
1. een ronde steen die onder andere in windmolens en watermolens wordt gebruikt voor het malen van granen en andere producten, zoals boekweit, erwten en bonen, lijnkoeken en eikenschors
mlýnský kámen
adjective
1. een beetje dik, volslank
baculatý
noun
1. met brandbare stof gevulde glazen fles die via een lont of lap stof wordt ontstoken
Molotovův koktejl
noun
1.
  1. krtina
  2. krtinec
pronoun
Moluky
noun
1. Chemisch element
molybden
noun
1. zeer korte tijd
  1. moment
  2. okamžik
verb
1. geluiden maken die moeilijk te verstaan zijn
mumlat
/moˈnako/, /ˈmo.na.ko/
pronoun
  1. 1. een dwergstaatje in Zuid-Europa, officieel het Vorstendom Monaco, dat aan Frankrijk grenst
  2. 2. de hoofdstad van Monaco
Monako
noun
panovník
noun
1. is van origine een regeringsvorm waarbij alle macht bij één persoon berust
monarchie
/[mɔnt]/
noun
1. ingang van het spijsverteringskanaal
  1. ústa
  2. pusa
abbreviation
1. een zeer besmettelijke virusziekte (Aphtae epizooticae) die evenhoevige dieren, vooral runderen treft
slintavka a kulhavka
adjective
1. via het gesproken woord
ústní
noun
1. instrument met doorslaande tongen dat met de mond bespeeld wordt
harmonika
noun
1. een klein tokkelinstrument en lamellofoon waarbij de klank gevormd wordt door een dunne lamel aan te tokkelen waarbij het frame tussen de tanden of tegen de lippen wordt gehouden
brumle
/ˈmɔndɪŋ/
noun
1. plaats waar een rivier uitkomt in zee of meer
ústí
/ˈmɔntwatər/
noun
1. vloeistof waarmee de mondholte kan worden gespoeld
ústní voda
noun
mongolská skvrna
/mɔŋ.ˈ(g)ɣo.li.jə/, /mɔŋ.ˈɣo.li.jə/, /mɔŋ.ˈχo.li.jə/
pronoun
1. een land in Azië en omringd door China in het zuiden en Rusland in het noorden
Mongolsko
pronoun
1. macrotaal die de officiële taal van Mongolië is en die ook in China en Rusland gesproken wordt
  1. mongolský
  2. mongolština
/ˈmoniˌtɔr/
noun
beeldscherm
monitor
noun
1. een man die uit religieuze overwegingen teruggetrokken leeft, voornamelijk in een klooster
mnich
noun
3. plant
oměj
noun
1. een bril voor één oog
monokl
/ˈmonokʏɫˌtyːr/
noun
1. landbouw met één gespecialiseerd gewas
monokultura
noun
1. het verschijnsel dat een diftong overgaat in een monoftong.
monoftongizace
noun
1. het samenleven of getrouwd zijn met één persoon
monogamie
noun
1. een wetenschappelijk boek of verhandeling over één onderwerp of een beperkte groep van samenhangende onderwerpen, in het algemeen geschreven door één auteur
monografie
noun
1. figuur met initialen
monogram
noun
monolit
/ˌmonoˈlox/
noun
1. een gesprek gevoerd door één persoon, meestal op toneel
monolog
noun
1. het geheel beheersen van een markt door een enkele leverancier
monopol
noun
monoteismus
noun
1. schrikwekkend wezen
nestvůra
noun
montáž
/ˌmɔntəneˈgrɛɪ̯ns/, /ˌmɔntəneˈgrɛːns/, /ˌmɔntəneˈɣrɛɪ̯ns/
adjective
1. op Montenegro betrekking hebbend
černohorský
/ˌmɔntəˈnegro/, /ˌmɔntəˈneːɣro/
pronoun
1. land in Zuidoost-Europa gelegen aan de Adriatische Zee en grenzend aan Kroatië, Bosnië en Herzegovina, Servië en Albanië
Černá Hora
noun
montér
/mɔnsɛ'rɑ/
pronoun
Montserrat
noun
1. een groot gedenkteken
  1. monument
  2. pomník
/moːj/
adjective
1. prettig in voorkomen, aangenaam om naar te kijken, schoon
  1. hezký
  2. pěkný
/ˈmoːrd/, /ˈmoːrt/, /ˈmʊːrt/
noun
1. handeling met het doel en het gevolg dat iemand dood gaat
vražda
/mordənar/
noun
1. iemand die een moord gepleegd heeft
vrah
noun
vražedná zbraň
noun
1.
moralista
noun
1. een uitstel van betaling
moratorium
pronoun
Morava
pronoun
1. regio van Tsjechië
Moravskoslezský kraj
pronoun
1. autonome republiek van Rusland
Mordvinsko
/moˈrel/
adjective
morální
noun
1. de kleinst mogelijke morfosyntactische eenheid in een taal
morfém
/ˌmɔr.fo.lo.ˈɣi/, /ˌmɔr.fo.lo.ˈχi/
noun
1. de wetenschap die het vormgeven van woorden bestudeert
  1. morfologie
  2. tvarosloví
/ˈmɔrxə(n)/, /ˈmɔrɣə(n)/
adverb
1. eerstvolgende dag na vandaag
  1. zítra
  2. zítřek
/ˈmɔrxə(n)/, /ˈmɔrɣə(n)/
noun
1. eerste deel van de dag
jitro
noun
1. benaming voor de planeet Venus
jitřenka
noun
1. bijnaam van een lid van de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen
mormon
adjective
1. behorend tot, passend bij de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen
mormonský
/'mɔrsə(n)/
verb
1.
rozlít
noun
  1. 1. een kom waarin met een stamper allerlei stoffen fijn gestampt of fijngewreven worden
  2. 2,3 korte kanontypen
minomet
noun
mech
noun
1. een scheikundig element met het symbool Mc en het atoomnummer 115
  1. moscovium
  2. moskovium
noun
1. een boom uit de napjesdragersfamilie
dub cer
adjective
lišejníková šedá
adjective
mechová zelená
noun
1. gebedshuis
mešita
pronoun
1.
Moskva
noun
1. een geloofsaanhanger van de islam
muslim
noun
1. Mytilus edulis, een eetbaar tweekleppig schelpdier
slávka
noun
1. gistend vruchtensap, meestal van druiven
mošt
noun
1. een in de keuken gebruikte kruidenpasta
hořčice
noun
hořčičný plyn
noun
1.
hořčičné semínko
noun
1. een vlinderachtig insect
mol
noun
1.
motet
noun
2.3.
motiv
noun
motivace
/moːtiˈveːrə(n)/
verb
1. met redenen omkleden
motivovat
/'mo.tɔr/
noun
1. krachtbron
motor
noun
1. een klein tot middelgroot bootje dat voortbewogen wordt door middel van een motor
motorový člun
noun
motocykl
noun
1. het vermogen om het lichaam(sdeel) te bewegen
motorika
adjective
1. zonder motor
bezmotorový
noun
1. lichte neerslag in de vorm van heel kleine druppeltjes water
  1. mrholení
  2. mžení
noun
naftalín
noun
horské kolo
noun
1. de grondstof voor bier, jenever en whisky,...
slad
noun
1. fabriek waar van granen mout wordt gemaakt, door het in water te weken waardoor het onkiemt, en het daarna te drogen
sladovna
noun
1. dat deel van een kledingstuk dat de armen omvat
rukáv
/ˌmo.zɑm.ˈbik/, /ˌmo.zɑm.ˈbɪk/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel de republiek Mozambique
  1. Mosambik
  2. Mozambik
noun
mozaika
noun
1. Italiaanse kaas
mozzarella
/ˈmysli/, /ˈmyə̯zli/
noun
1. eten gemaakt van graanvlokken, zuivel, fruit en noten
müsli
noun
1. de persoon die vanuit een minaret van de moskee oproept tot de dagelijkse gebeden
muezzin
noun
1. kleine, vliegende insecten van de onderorde Nematocera
komár
noun
1. een kruising van een ezelhengst en een paardenmerrie
mula
noun
1. een kruising van een paardenhengst en een ezelin
mezek
noun
1.een leren of metalen korf die voor de bek van een dier gespannen wordt om bijten onmogelijk te maken
náhubek
/mœʏ̯s/, /mœːs/
noun
  1. 1. klein zoogdier, meestal van het geslacht "Mus"
  2. 3. computermuis
  1. myš
  2. myšák
adjective
myší šedá
noun
1. benaming voor vogels uit de orde Coliiformes
myšáci
noun
vzpoura
noun
1.
past
/ˈmʏltidɪsɪpliˌnɛ:r/
adjective
1. betrekking hebbend op meerdere disciplines
multidisciplinární
adjective
1. met, of aan veel kanten, belangen, partijen etc.
mnohostranný
noun
nadnárodní korporace
noun
roztroušená skleróza
noun
1. composietplaat die bestaat uit meer dan 3 gelijmde laagjes hout
překližka
noun
1. een door balseming en uitdroging geconserveerd lichaam van een dode
mumie
verb
1.van een overledene een mummie maken
mumifikovat
noun
1. en 2. (boon van) eenjarige plant Vigna radiata
  1. mung fazole
  2. mungo fazole
noun
1. en 2. (blaadjes van) het plantengeslacht Mentha
máta
noun
1. benaming voor kleine hertachtigen uit het geslacht Muntiacinae
muntžak
pronoun
Murcia
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Passeridae
vrabec
noun
1. een gebouw waarin voorwerpen van culturele waarde tentoongesteld worden
muzeum
noun
muzikál
noun
1.
muzikolog
noun
1. iemand die muziek maakt en ten gehore brengt
hudebník
noun
1.
mušketýr
/'mɵskɵs/
noun
1. de geurstof uitgescheiden door de geurklieren van bepaalde zoogdieren
pižmo
noun
1. plomp hoefdier met grote kop en brede snuit
pižmoň
noun
1. Ondatra zibethicus, een soort waterrat
ondatra
noun
1. stof
mutagen
noun
1. een sprongsgewijze verandering
mutace
noun
1. onvermogen om te spreken
mutismus
/myːr/
noun
1. verticale vlakke constructie van metselwerk
  1. zeď
  2. stěna
noun
mléčka zední
noun
múza
/my'zik/
noun
1. een akoestisch fenomeen
  1. hudba
  2. muzika
/myˈzikˌɪnstrymɛnt/
noun
1. instrument om muziek mee te spelen
hudební nástroj
noun
1.een school waar men muziek leert maken
hudební škola
noun
1. iemand die muziek maakt
hudebník
/ˌmikoloˈɣi/
noun
1. de wetenschap die zich bezig houdt met het bestuderen van schimmels
mykologie
/ˌmikoˈloɣis/
adjective
1. met betrekking tot schimmels
mykologický
/miˈkozə/
noun
1. een door een schimmel veroorzaakte ziekte
mykóza
noun
1. afwijking in de brandpuntsafstand van het oog waardoor alles op grotere afstand wazig gezien wordt
krátkozrakost
/miˈstɪːri/
noun
záhada
noun
mystik
/ˈmitə/
noun
mýtus
adjective
bájný
/mi.tɔ.lɔ.ɣi/
noun
  1. mytologie
  2. bájesloví
noun
1. ernstige konijnenziekte die verspreid wordt door vectoren (dragers) zoals muggen, konijnenvlooien...
myxomatóza
preposition
1. in tijd volgend op
po
noun
1.
šev
/'natlos/
adjective
1. zonder naad aan elkaar bevestigd
bezešvý
/'natlos/
adverb
1. zonder naad aan elkaar bevestigd
bezešvě
/naf/
noun
1. centrale as of middenstuk van een wiel of rad
náboj
noun
nábojová převodovka
/ˈnaːi̯ə(n)/
verb
1. naaldwerk verrichten
šít
noun
šicí stroj
/naːkt/
adjective
1. zonder beharing of andere fysieke bescherming van de huid, ontkleed
nahý
noun
1. het naakt zijn
nahota
noun
slimák
/nald/, /naɫt/
noun
1. gereedschap voor naaien
  1. jehla
  2. jehlice
noun
jehličnatý strom
noun
  1. 2. bekendheid, reputatie
    jméno
  2. 1. kort stukje tekst dat een persoon, instelling of object bijna identiek kan benoemen
    1. jméno
    2. název
noun
1. een dag waarop een heilige wordt herdacht
  1. jmeniny
  2. svátek
noun
1. iets of iemand met dezelfde naam
jmenovec
noun
jmenný prostor
noun
1. elk der buigingsvormen van een naamwoord
pád
/namwort/
noun
1. een woord dat een persoon of zaak noemt, bepaalt of aanduidt
jméno
/naːr/
adverb
1. in de richting van
do
/naːr/
preposition
1. in de richting van
do
preposition
1. aan de zijkant van
vedle
noun
bližní
adjective
1. zich in de onmiddellijke omgeving bevindend
blízký
noun
blízkost
/'na.bo.tsə(n)/
verb
1. nadoen, imiteren
napodobit
/ˈnabotsɪŋ/
noun
1. imitatie, het nadoen
napodobení
adjective
1. in de buurt ervan gelegen
sousední
/nɑx/, /nɑxt/, /nɑχt/
noun
1. de tijd tussen zonsondergang en zonsopkomst
noc
adjective
noční modrá
noun
1. een uitgaansgelegenheid voor volwassenen
noční klub
noun
1. een dier dat overdag slaapt en 's nachts actief is
noční živočich
noun
1. lijsterachtige zangvogel met een rossig bruine staart die heel mooi kan zingen
  1. slavík obecný
  2. slavík
adjective
noční
noun
noční stolek
noun
  1. 1. een zeer angstige droom
  2. 2. een schrikbeeld
noční můra
noun
1.
lilek
noun
1. vlinder die 's nachts actief is
můra
noun
lelek
noun
1. ongunstige eigenschap
nevýhoda
verb
přemýšlet
/'nadrɵk/
noun
1. een bijzondere aandacht die besteed wordt
důraz
noun
  1. 3. spijker
    1. hřebík
    2. nehet
  2. 1. hoornplaat op laatste teen- en vingerkootjes
    nehet
noun
1. schoonheidsmiddel
lak na nehty
noun
potomstvo
/na'gɔrno kara'bɑx/
pronoun
Náhorní Karabach
/ˈna.wɑtl̥̩/, /ˈna.wɑtl̩/
pronoun
1. benaming voor de talen die door de oorspronkelijke bewoners van Mexico gesproken worden
nahuatl
/ˈnahʏm/
pronoun
2. boek in de Bijbel
Nahum
noun
1. herfst
podzim
adjective
1. van iets dat in de nabije toekomst gaat gebeuren
blížící
/ˈnamələk/
abbreviation
totiž
pronoun
1. provincie in het oosten van België
Namur
preposition
1.
jménem
/na.'mi.bi.jə/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika
Namibie
noun
1. tijd aan het einde van de middag
odpoledne
noun
nandu
noun
nanogram
noun
1.
nanometr
noun
nanosekunda
noun
nanotechnologie
adjective
1. van na de oorlog
poválečný
pronoun
1. stad in Italië
Neapol
adjective
1.
napoleonský
adjective
1. een taal die in Napels, Campanië, Basilicata en noordelijk Calabrië gesproken wordt
neapolský
noun
narcis
noun
narcisismus
adjective
žlutá narcisová
noun
1. bepaald soort zeezoogdier, Monodon monoceros
narval
/naˈsal/
adjective
1. met betrekking tot de neus
nosní
noun
důsledek
noun
1. een veranderde smaak van iets dat men al heeft doorgeslikt heeft en in het begin anders smaakte
dochu? vína
adjective
1. gedrenkt in een vloeistof, meestal water
mokrý
noun
1. een groep mensen die zich door gemeenschappelijke taal, cultuur of politieke geschiedenis verbonden voelt
národ
noun
národní stát
adjective
1. op een volk met een eigen land betrekking hebbend
národní
noun
nacionální socialismus
noun
1. voorliefde voor het vaderlandse
nacionalismus
noun
nacionalista
noun
národnost
noun
sodík
noun
hydrogenuhličitan sodný
noun
1.2.3. stroming in de literatuur aan het eind van de 19e eeuw, die de mens beschouwt als bepaald door milieu en erfelijkheid en leer die de natuur boven alles stelt
naturalismus
noun
überhaupt
příroda
/naˈtyrkʏndə/, /naˈtyːrkʏndə/
noun
1. subdiscipline binnen de natuurwetenschap die zich bezighoudt met de bestudering van materie en
fyzika
noun
fyzik
adjective
1. uit de natuur afkomstig
přírodní
noun
1. mens van vlees en bloed die kan deelnemen aan het rechtsverkeer
fyzická osoba
noun
přírodní památka
noun
1. een ongelukkige gebeurtenis die door de natuur veroorzaakt wordt
přírodní katastrofa
noun
2. in de natuurlijke orde van de dingen gefundeerd
přirozené právo
/na.ˈu.ru/, /naˈuru/, /ˈnaʊ̯.ru/
pronoun
1. een land in de Stille Oceaan
Nauru
/nɑuruˈwans/
pronoun
1. taal die door 6 000 mensen wordt gesproken in Nauru
nauruský
adverb
1. slechts in geringe mate
stěží
pronoun
Navarra
/'navəl/
noun
pupek
noun
1. opeenhoping van wollig materiaal in iemands navel
pupeční žmolek
/ˈnavəlstrɛŋ/
noun
snoer dat de vrucht aan de moederkoek verbindt
pupeční šňůra
noun
navigace
noun
1. NAVO
NATO
pronoun
1.
Neckarsulm
noun
nekrofilie
noun
1. een biografie van een overleden persoon en/of een bespreking van diens werk
nekrolog
noun
1. de afsterving van weefsel
nekróza
noun
2. een perzikachtige vrucht van boom Prunus persica var. nucipersica
nektarinka
pronoun
1. deelstaat van Oostenrijk
Dolní Rakousy
pronoun
1. een in Noord-Duitsland en Nederland gesproken West-Germaanse taal...
  1. dolnoněmecky
  2. dolnoněmčina
noun
1. het aannemen van een houding waarbij geen aanspraak gemaakt wordt op macht of eer
pokora
noun
1. het verlies van een strijd
porážka
/ˈnedərˌlɑnt/, /ˈneːdərˌlɑnd/, /ˈneːdərˌlɑnt/
pronoun
1. land in het westen van Europa, grenzend aan Duitsland en België, belangrijkste deel van het Koninkrijk der Nederlanden
  1. Nizozemsko
  2. Nizozemí
/ˈne.dər.ˌlɑn.dər/
noun
1. inwoner van Nederland of persoon die de Nederlandse nationaliteit bezit
Nizozemec
/ˈne.dər.ˌlɑnds/, /ˈne.dər.ˌlɑnts/
adjective
1. met betrekking tot Nederland of de Nederlandse taal
  1. nizozemský
  2. nizozemská
  3. nizozemské
  4. nizozemčtí
/ˈne.dər.ˌlɑnds/, /ˈne.dər.ˌlɑnts/
pronoun
1. een West-Germaanse taal die als officiële taal gesproken wordt in Nederland, Vlaanderen, Suriname en op de Nederlandse Antillen
  1. nizozemština
  2. nizozemsky
  3. holandština
/ˈne.dər.ˌlɑn.tsə/, /ˈne.dər.ˌlɑnd.sə/
noun
1. vrouwelijke inwoner van Nederland, vrouw uit Nederland
Nizozemka
/ˌne.dər.lɑnt.sə.ɑn.ˈtɪ.lə(n)/, /ˌneː.dər.lɑnt.sə̯an.ˈtɪ.lə(n)/
pronoun
1. voormalig land binnen het Koninkrijk der Nederlanden
Nizozemské Antily
pronoun
Dolní Sasko
pronoun
1. een in Noord-Duitsland en Nederland gesproken West-Germaanse taal zonder Hoogduitse klankverschuiving
  1. dolnoněmecky
  2. dolnoněmčina
pronoun
1. een West-Slavische taal die in het gebied Neder-Lausitz in het oosten van Duitsland gesproken wordt
dolnolužická srbština
noun
1. een vestiging, een bewoonde plaats
osada
/neː/
interjection
1. ontkenning
ne
noun
  1. 2. kozijn
    bratranec
  2. 1. mannelijke oomzegger
    synovec
/nen/
interjection
nee
ne
noun
1. hemelwater
srážka
verb
1. te snel naar beneden verplaatsen
spadnout
adjective
1. ontkennend, afwijzend
negativ
/ˈne.ɣə(n)/, /ˈne.χə(n)/
cardinalNumeral
1. het getal 9
devět
/ˈne.ɣən.də/, /ˈne.χən.də/
ordinalAdjective
1. nummer negen in een rij
devátý
cardinalNumeral
1. het getal 99
devadesát devět
cardinalNumeral
1. het getal 29
  1. devětadvacet
  2. dvacet devět
noun
devítiúhelník
/ˈne.ɣə(n).ˌhɔn.dərd/, /ˈne.ɣə(n).ˌɦɔn.dərt/, /ˈne.χə(n).ˌɦɔn.dərt/
cardinalNumeral
1. het getal 900
devět set
cardinalNumeral
1. het getal 19
devatenáct
ordinalAdjective
devatenáctý
/ˈne.ɣə(n).təx/, /ˈne.ɣə(n).tɪx/, /ˈne.χə(n).təχ/
cardinalNumeral
1. het getal 90
devadesát
noun
1. iemand met voorouders uit Afrika bezuiden de Sahara met lichamelijke kenmerken daarvan
negr
verb
1. doen alsof iemand of iets niet bestaat
ignorovat
pronoun
Nehemiáš
/nɛk/
noun
1. achterste gedeelte van de hals
  1. šíje
  2. týl
/ˈne.mə(n)/
verb
1. iets vastpakken met de handen
  1. vzít
  2. brát
noun
neodym
/nejoˈɣen/
noun
geologisch tijdperk
neogén
adjective
1.
neoliberál
noun
neoliberalizmus
/nejoˈlitikʏm/
noun
neolit
/ˌne.jo.lo.ˈχɪs.mə/, /ˌne.jo.loː.ˈɣɪz.mə/
noun
1. een woord dat nieuw is of nieuw gevormd is
neologismus
noun
1. een chemisch element en een kleurloos edelgas
  1. neon
  2. neón
noun
neonacismus
/ˈnepɑɫ/, /ˈneːpɑl/
pronoun
1. een land in Azië, gelegen in de Himalaya tussen India en China (Tibet)
Nepál
pronoun
1. een taal die vooral in Nepal gesproken wordt
nepálský
noun
1. Chemisch element
neptunium
pronoun
Neptun
noun
1. iemand die sociaal en seksueel weinig in trek is en een grote voorliefde voor intellectuele zaken aan de dag legt
nerd
adverb
nikde
noun
  1. 1. benaming voor bepaalde pelsdieren uit de familie der marterachtigen
  2. 1. pels van een nerts
norek
adverb
1. lijdend aan gespannen zenuwen
nervózní
/nɛst/
noun
1. de verblijfplaats van een dier
hnízdo
/ˈnɛstələ(n)/
verb
1. het bouwen van een nest en het grootbrengen van jongen erin, gewoonlijk van vogels
hnízdit
noun
1. een geheel van fijne draden
síť
/ˈnɛcəs/
adjective
1. net, schoon
pořádný
/ˈnɛcəs/
adverb
1. op een nette manier
pořádný
noun
1. tweede maag van herkauwers
čepec
/'nɛtolon/
noun
1.
čistý plat
noun
1. een vlies aan de binnenkant van het oog waarop een beeld wordt gevormd
sítnice
noun
síť
/ˈnøːk.bar/
adjective
  1. prcatelný
  2. šukatelný
verb
1. geslachtsgemeenschap hebben met
jebat
pronoun
Norimberk
noun
1. zenuwontsteking
neuritida
verb
1. met gesloten mond zingen
broukat
noun
1.
neurochirurg
/ˈnøːroˌhipoˌfizə/, /ˈnʏːroˌhipoˌfizə/
noun
1. het neurale deel van de hypofyse, vanwaar bepaalde hormonen geproduceerd in de hypothalamus afgegeven worden
neurohypofýza
noun
1. een discipline binnen de biologie en geneeskunde die zich bezighoudt met alles wat aandoeningen van het centrale zenuwstelsel betreft
neurologie
adjective
1. met betrekking tot de zenuwen
neurologický
noun
neurolog
adjective
1. met betrekking tot zenuwen en spieren
nervosvalový
noun
een zeer belangrijke cel in het zenuwstelsel
neuron
noun
1. zenuwziekte
neuropatie
noun
neuropsychologie
adjective
1. met betrekking tot een ziekelijke houding
neurotický
/ˈnøːrotransˌmɪtər/, /ˈnøːrotrɑnsˌmɪtər/, /ˈnʏːrotrɑnsˌmɪtər/
noun
1. een chemische stof die fungeert als overbrenger van de zenuwprikkel
neurotransmiter
noun
neurověda
/nøʏs/, /nøːs/
noun
1. een orgaan dat gebruikt wordt bij de ademhaling en om te ruiken
nos
noun
1. een van de beenderen van de schedel
nosní kost
noun
1. bepaald soort zoogdier, Nasua nasua
nosál
noun
nozdra
noun
1. het eerste stuk van het luchtwegstelsel waar de ingeademde lucht doorheen gaat
nosní dutina
noun
1. een groot en zwaar zoogdier uit de familie van de Rhinocerotidae dat in Afrika en Azië leeft...
nosorožec
noun
1.
zoborožec
pronoun
1.
Neziderské jezero
/ˈnøsklɑŋk/
noun
1. een medeklinker die geproduceerd wordt met een gedeeltelijke obstructie ergens in het spraakkanaal
nazála
/nøˈtral/
adjective
  1. 1. geen partij kiezend in een conflict
  2. 2. natuurkunde: noch een positieve noch een negatieve lading dragend
  3. 4. scheikunde: noch zuur noch alkaline
neutrální
noun
1. een onpartijdige houding aanhouden ten opzichte van twee partijen met een geschil
neutralita
noun
neutrino
noun
neutron
noun
neutronová hvězda
noun
2. wolken in de nabijheid van de grond, ontstaan door plaatselijke oorzaken zoals door afkoeling of door menging van koude met warme vochtige lucht
mlhovina
/nuˈjɔːrk/
pronoun
1. deelstaat van de Verenigde Staten
New York
pronoun
1.
Newfoundland
noun
1. een van de voor de mens noodzakelijke vitaminen, een wateroplosbaar microvoedingsmiddel dat van belang is voor de menselijke gezondheid
niacin
noun
Píseň o Nibelunzích
/ˌni.ka.ˈra.gβ̞a/, /ˌni.ka.ˈra.ɣuwa/, /ˌni.kɑ.ˈra.gʋa/
pronoun
1. een staat in Midden-Amerika, tussen Honduras en Costa Rica
Nikaragua
noun
  1. 1. dochter van iemands broer of zus
    neteř
  2. 3. dochter van iemands oom of tante
    sestřenice
noun
nikotin
indefinitePronoun
1. geen enkel persoon
nikdo
noun
1. een van beide organen in de onderrug die het bloed zuiveren van afvalstoffen en deze uitscheiden in de urine.
ledvina
noun
1. glibberige stof, gewonnen uit het weefsel rond de beide organen die bij zoogdieren het bloed zuiveren
lůj
noun
1.
kýchnutí
noun
1. giftige plant die vroeg in het voorjaar bloeit
čemeřice
adverb
1. ontkenning, tegenovergestelde van 'wel'
  1. ne
  2. ne-
noun
1.
nekuřák
indefinitePronoun
1. geen enkel ding, geen enkele zaak
nic
noun
1. iemand die voor niets deugt
budižkničemu
postposition
přes
adverb
nicméně
/niβ̞/, /nyʊ̯/
adjective
  1. 1. recentelijk gemaakt
  2. woorden die in een of meer van de bovenstaande categorieën horen, maar waarvan niet bekend is in welke (voel u vrij deze woorden in de juiste categorie in te voegen)
  3. 5. in originele staat
  4. 7. recentelijk aangekomen of opgedoken
  5. 2. recentelijk ontdekt
  6. 4. onderscheidt nieuwere namen van oudere
  7. 3. huidige
  8. 6. vreemd, onbekend
nový
pronoun
Nová Kaledonie
pronoun
1.
Nová Guinea
/niβ̞.ˈze.lɑnt/, /nyʊ̯.ˈze.lɑnd/
pronoun
1. een land in het zuidwesten van de Grote Oceaan, gelegen naast Australië
Nový Zéland
pronoun
1. Australische deelstaat gelegen in het zuidoosten van het land
Nový Jižní Wales
noun
1. nieuwe maan
nov
pronoun
1. samenstelling van Bijbelboeken
Nový zákon
noun
1. iets dat nieuw is
novost
noun
1. feestdag ter gelegenheid van het begin van een nieuw jaar van de gebruikte kalender
Nový rok
/niu̯s/
noun
  1. 1. actuele ontwikkelingen
  2. 2. een uitzending in de media waarin berichten over actuele ontwikkelingen worden verspreid aan het publiek
noviny
/ˈniu̯sˌɣirəx/
adjective
1. verlangend om iets te weten of waar te nemen
zvědavý
/niu'sxirəxɛit/
noun
1. het verlangen naar kennis
zvědavost
verb
1. plotselinge, krachtige uitademing om de neus te reinigen van prikkelende stoffen
  1. kýchat
  2. kýchnout
/'ni.ɣər/, /'ni.χər/
pronoun
  1. 1. land in West-Afrika
  2. 2. een rivier in West-Afrika
Niger
/ni.'ɣeː.ri.ja/, /ni.'χɪː.ri.ja/
pronoun
1. een land in West-Afrika
Nigérie
noun
1. binnen de filosofie een begrip dat wordt gebruikt om de ontkenning van het bestaan van betekenis...
nihilismus
noun
1. zelfstandig denker die vindt dat voor werkelijke verbetering dingen die nu...
nihilista
pronoun
1.
Nil
noun
1. groot en zwaar in Afrika levend zoogdier, Hippopotamus amphibius
hroch
pronoun
Nijmegen
noun
nikáb
noun
1. Chemisch element
nikl
noun
  1. 1. wezen dat rivieren, bossen enz. bewoont
  2. 2. bekoorlijk meisje
  3. 4. insect in de tweede toestand van gedaanteverwisseling
nymfa
/niˈjobijʏm/
noun
1. Chemisch element
  1. niob
  2. niobium
noun
1. de hoogste staat die door de mens bereikt kan worden, en waardoor heiligheid behaald wordt; toestand van volkomen rust
nirvána
/nɪs/
noun
1. een inham in een muur
výklenek
noun
  1. 1. een zout van salpeterzuur dat het ion NO₃− bevat
  2. 2, een ester van salpeterzuur
dusičnan
noun
1. een verbinding van stikstof waarin dit element in de oxidatietoestand -3 optreedt
nitrid
pronoun
Niue
noun
1. de rang in een hiërarchie, stadium van ontwikkeling, enzovoort
úroveň
noun
1. scheikundig element
nobelium
noun
1. een jaarlijkse geldprijs voor wetenschappers en anderen die een opmerkelijke prestatie hebben geleverd
Nobelova cena
conjunction
ani
adverb
1. luidt een zin in die een onverwachte tegenstelling uitdrukt
nicméně
/'no.dəx/
adjective
1. waar behoefte aan is
nutný
verb
  1. 2. vermelden door het uitspreken van de naam
    nazvat
  2. 1. met een naam aanduiden
    říkat
noun
1. het getal onder de streep van een breuk
jmenovatel
noun
3. uitstulpingen aan as
vačka
noun
1. as met nokken
vačkový hřídel
noun
kočovník
adjective
1.
kočovný
noun
nomenklatura
adjective
nominální
noun
1. een eerste van de 8 naamvallen van de Indo-Europese talen
nominativ
/nɔn/
noun
inwoonster van een vrouwenklooster
  1. jeptiška
  2. řeholnice
adjective
nebinární
noun
1. C₉H20
nonan
adjective
1. achteloos, onbekommerd
nonšalantní
/ˈnɔŋkəɫ/
noun
1. broer of zwager van iemands vader of moeder
strýc
noun
2. soort eend, Mergellus albellus
  1. morčák bílý
  2. morčák malý
noun
naléhavý případ
adjective
osudný
/ˈnotzak/
noun
1. iets moeten hebben voor vaak praktische of medische redenen
nutnost
/ˈnoːit/
adverb
1. op geen enkel moment
nikdy
/noːr/, /no̝ːr/
noun
1. een inwoner van Noorwegen
  1. Nor
  2. Norvéžan
/nɔːrt ˈafrɪkɑ/, /nɔːrt ˈɑfrɪkɑ/
pronoun
gedeelte van het Afrikaanse continent ten noorden van de Sahara
Severní Afrika
pronoun
het continent dat ten noorden van [[Zuid-Amerika]] ligt, tussen de Grote, Arctische en de Atlantische Oceaan
Severní Amerika
/noːrd.ˈbra.bɑnt/, /no̝ːrd.ˈbra.bɑnt/, /ˌnoːrd.bra.bɑnd/
pronoun
1. een provincie in het zuiden van Nederland, die aan Gelderland, Limburg, Zeeland, Zuid-Holland en België grenst
Severní Brabantsko
pronoun
1.
Severní Dakota
pronoun
het noordelijk deel van Europa
severní Evropa
/noːrt.ˈɦɔ.lɑnt/, /no̝ːr.ˈtɔ.lɑnt/, /ˈnoːrd.hɔ.lɑnd/
pronoun
1. een provincie in het noordwesten van Nederland, ...
Severní Holandsko
/ˈɛlzɑs/
pronoun
1.
Severní Irsko
pronoun
1. regio van Finland
Severní Karélie
/ˌnoːrt koˈre.ja/, /ˌno̝ːrt koˈre.ja/
pronoun
1. een land in Oost-Azië, officieel de Democratische Volksrepubliek Korea
Severní Korea
pronoun
1.
Severní Makedonie
pronoun
1. Australisch territorium gelegen in het noorden van het land
Severní teritorium
noun
1. windrichting
sever
pronoun
Severní ostrov
pronoun
1. Noordpool
severní pól
/ˈnoːrdzeː/, /ˈnoːrtseː/, /ˈno̝ːrtse/
pronoun
1. zee tussen Groot-Brittannië, Noorwegen, Denemarken, Duitsland, Nederland en België
Severní moře
/noːrs/, /no̝ːrs/
adjective
1. betreffende Noorwegen en/of het Noors
  1. norský
  2. norština
/noːrs/, /no̝ːrs/
pronoun
1. de taal die wordt gesproken in Noorwegen
  1. norština
  2. norsky
/ˈnoːrˌweɣə(n)/, /ˈnoːrˌβ̞eɣə(n)/, /ˈno̝ːrˌʋeχə(n)/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa
Norsko
/noːt/
noun
1. (kookkunst) eetbaar, oliehoudend zaad, kern of pit met harde dop
ořech
noun
1. en 2. (gepeld) zaad van de nootmuskaatboom Myristica fragrans
muškátový oříšek
noun
norma
/nɔrˈmaɫ/
adjective
2. als norm dienend
normální
noun
normálnost
/nɔrˈmɑndɪə/
pronoun
1. streek in het noorden van Frankrijk
Normandie
noun
1. de studie van het ontstaan en verloop van ziekten
nosologie
noun
nostalgie
noun
1. jurist die bevoegd is om authentieke akten op te maken
  1. notář
  2. notářka
noun
notace
adjective
oříšková hnědá
noun
louskáček
noun
1. een verslag van een bijeenkomst
protokol
noun
1. de elfde maand van het jaar
listopad
adverb
1. op het huidige tijdstip
  1. teď
  2. nyní
noun
Núbijec
/nɵxtər/
adjective
1. niet onder de invloed van iets bedwelmends, vooral alcohol
střízlivý
/nykleʏs/
noun
1.
jádro
noun
1.
nudismus
/nɵl/
cardinalNumeral
1. getal
nula
/ˈnumeɾi/
pronoun
Numeri
adjective
1.
numerický
noun
1. de munt- en penningkunde
numizmatika
/ˈnʏmər/
abbreviation
1. een aanduiding met een getal
číslo
noun
1.
nuncius
adjective
užitečný
adjective
nylon
/o'azə/
noun
1. plek in een woestijn waar water voorhanden is en vegetatie groeit.
oáza
/oˈbɑtja/
pronoun
2. boek in de Bijbel
Abdijáš
noun
1. vetzucht
obezita
adjective
2. onpartijdig, volgens de feiten, neutraal
objektivní
noun
1. lens
  1. objektiv
  2. objektivní
adjective
neslušný
noun
1. (muziekinstrument) een fluit die veelal gemaakt wordt van gebakken klei
okarína
pronoun
1. een taal die in het zuiden van Frankrijk gesproken wordt
  1. okcitánština
  2. okcitánský
/ˌɔklyˈsif/
noun
1. een medeklinker die geproduceerd wordt met een volledige obstructie ergens in het spraakkanaal
  1. exploziva
  2. okluziva
adjective
okultní
noun
1. een zeer grote zee tussen verschillende werelddelen
oceán
adjective
modrá oceán
adjective
1.
oceánský
/oseˈjani.jə/, /oseˈjaːni.jə/
pronoun
1. de collectieve naam voor een groot aantal eilanden in de Stille Oceaan...
Oceánie
noun
1. bepaald soort zoogdier, Leopardus pardalis
  1. ocelot
  2. ocelot velký
noun
1. eerste deel van de dag, tussen ca. 6.00 en 12.00 uur
  1. ráno
  2. dopoledne
noun
1,2,3. toontrap, interval en toonhoogtereeks
oktáva
noun
1. C₈H18
oktan
noun
1. hoekmeetinstrument
oktant
/ɔkta'ʔedər/
noun
1. een regelmatig achtvlak, een ruimtelijke figuur begrensd door acht gelijkzijdige driehoeken
osmistěn
adjective
1. met betrekking tot het oog
oční
noun
1. lens waar men inkijkt
oční
noun
Óda
pronoun
Oděsa
/ˌø.kyˈme.nis/
adjective
1. tussen kerken, van meerdere kerkgenootschappen
ekumenický
noun
1. (medisch) waterzucht
otok
verb
1. proberen zonder fouten uit te voeren
cvičit
noun
1. test om de kennis te peilen
cvičení
/u.'ɣɑn.da/, /u.'χɑn.da/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika, officieel de Republiek Oeganda
Uganda
noun
1.
výr
/ukraˈɦins/, /ukraˈʔins/
pronoun
1. een Slavische taal die in Oekraïne gesproken wordt
  1. ukrajinský
  2. ukrajinština
/ukraˈɦinə/, /ukraˈʔinə/
pronoun
1. een land in Oost-Europa met als hoofdstad Kiev
Ukrajina
/ukraˈɦinər/, /ukraˈʔinər/
noun
1. een inwoner van Oekraïne
Ukrajinec
/ˌenoloˈɣi/
noun
1. de wetenschap van de wijnbereiding
enologie
/ˈuːrknɑl/
noun
1. de volgens de bigbangtheorie enorme explosie waaruit het heelal zo'n 13,7 miljard jaar geleden zou zijn ontstaan
velký třesk
/ˈuː.rɔs/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Bos primigenius
pratur
noun
džungle
/uˈsʲɑŋka/
noun
1. muts
ušanka
noun
1. tweekleppig weekdier uit de familie Ostreidae met onregelmatige schelpkleppen
ústřice
noun
1. bepaald soort eetbare paddenstoel die meestal groeit op de stam van een loofboom, Pleurotus ostreatus
hlíva
noun
1. een vrouwelijk hormoon
estrogen
noun
1. waterkant
břeh
noun
břehule
pronoun
1. een taal die verwant is aan het Turks en die door de Oezbeken gesproken wordt
uzbecký
/us.ˈbe.kɪ.stɑn/, /uz.ˈbe.kɪ.stɑn/
pronoun
1. een land in centraal Azië, officieel de Republiek Oezbekistan, dat geheel door land wordt omsloten
Uzbekistán
conjunction
  1. 1. keuze
    1. nebo
    2. anebo
  2. 2. onzekerheid
    zda
noun
1.
ofenzíva
verb
1. wijden aan
obětovat
/ɔ'fɛrtə/
noun
1. een aanbieding van goederen of diensten tegen een vaste prijs
kótace
adjective
1. erkend door bevoegd gezag
oficiální
noun
1. iemand die een rang in het leger bekleedt die hem of haar het bevel over...
důstojník
adjective
neoficiální
/ɔfˈtɑɫmis/
adjective
1. met betrekking tot het oog en/of de ziekten ervan.
hojivý
noun
1. de tak van de medische wetenschap die zich met het oog en het zicht bezig houdt
oftalmologie
noun
1. een scheikundig element met het symbool Og en het atoomnummer 118
oganesson
noun
1. Een bepaald tijdstip
okamžik
noun
2. plant die men gebruikt bij oogziekten
světlík
noun
1. ohm
ohm
noun
1. groot zoogdier dat nauw verwant is aan de giraffe
okapi
noun
1. een mineraal dat als gele of oranje kleurstof gebruikt wordt
okr
adjective
okrová hnědá
adjective
žlutá okrová
noun
1. walnoot
vlašský
pronoun
1. een van de vijftig deelstaten van de Verenigde Staten van Amerika.
Oklahoma
noun
1. holte tussen de arm en de romp
  1. podpaží
  2. podpaždí
noun
1. de tiende maand van het jaar
říjen
pronoun
Říjnová revoluce
adjective
1. betrekking hebbend op het reukzintuig
čichový
noun
1. vettige vloeistof
olej
noun
1. een baksel gemaakt van een vloeibaar gerezen beslag dat in hete olie gebakken is
kobliha
noun
1. fabriek waar ruwe aardolie wordt verwerkt tot aardolieproducten
ropná rafinerie
noun
1. groot dikhuidig en veelhoevig zoogdier met een lange slurf
  1. slon
  2. elefant
noun
oligarcha
noun
oligarchie
noun
1. stof met beperkt aantal gelijke delen
oligomer
noun
oligopol
/oˈlɛɪf/, /oˈlɛːf/
noun
1. een vrucht van de olijfboom
oliva
noun
1. bepaald soort boom, Olea europaea
olivovník
adjective
žlutá olivová
adjective
olivová šedá
adjective
olivová zelená
noun
1. fijne spijsolie verkregen door persing uit olijven
olivový olej
verb
1. met olie bewerken
olejovat
adjective
1. verband houdend met de Olympische Spelen
olympijský
/o.ˌlɪm.pi.sə.ˈspe.lə(n)/
pronoun
1. een vierjaarlijks sportevenement dat zijn oorsprong in de stad Olympia in de Griekse landstreek Elis heeft
olympijské hry
pronoun
1. evenement dat eens in de vier jaar wordt gehouden waarbij allerlei wintersporten competitief beoefend worden
Zimní olympijské hry
pronoun
Olymp
noun
1. moeder van een ouder
babička
/o.ˈman/, /ˈo.mɑn/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel het Sultanaat Oman
Omán
adjective
stínová šedá
/ˈɔmbʏdsˌmɑn/, /ˈɔmbʏtsˌmɑn/
noun
1. een ambtenaar die de taak heeft om als onpartijdige instantie klachten van individuele burgers tegen de overheid, instellingen en bedrijven te onderzoeken
ombudsman
/ɔm.'dɑt/
conjunction
1. geeft onderschikkend een reden aan
protože
/ɔmdrajə(n)/
verb
1. twee zijden van iets van plaats doen verwisselen
otočit
noun
omega
noun
1. een gerecht dat bereid wordt door geklutste eieren te bakken
omeleta
noun
  1. 1. de nabijheid
  2. 2. personenkring
okolí
verb
1. aan alle kanten omsluiten
uzavřít
verb
1. de armen om iemand slaan
objímat
verb
1.
sevřít
/ˈɔmkopə(n)/
verb
1. (iemand ~) met behulp van geschenken, geld e.d. overhalen om van zijn plicht, partij, overtuiging te verzakent
korumpovat
adverb
1. in neerwaartse richting
dolů
noun
1. iets dat totaal anders is geworden
přelom
noun
omnibus
noun
1. alleseter, zowel plantaardig als dierlijk voedsel
všežravec
noun
hoe de zaken er voorliggen
okolnost
/ˈɔmʋɛx/
noun
1. de weg die langer is dan de gewone of kortste verbinding tussen twee plaatsen
zajížďka
prefix
1. toegevoegd aan een bijvoeglijk naamwoord drukt dit voorvoegsel het tegendeel uit.
ne-
adjective
1. geen verbinding hebbend met
nezávislý
noun
deklarace nezávislosti
adverb
1. niet of zeer moeilijk te begrijpen, rationeel niet te volgen, onlogisch
nesrozumitelný
adjective
1. van delen van het lichaam dat er geen haar op zit, dat het niet met haar bedekt is
bezvlasý
adjective
1. niet behorend tot de kennis
neznámý
adjective
1. slecht gemanierd
nezdvořilý
adjective
1. zonder schaamte
bezostyšný
noun
1. gedrag dat schaamte op zou moeten roepen maar het bij die persoon niet doet
drzost
adjective
nepopsatelně
adjective
1. niet te vertrouwen
nespolehlivý
adjective
1.
neobyvatelný
adjective
neobydlený
noun
1. een medisch specialist die zich bezighoudt met de gezwelgroei, in het bijzonder met kanker
onkolog
adjective
1. zonder erkentelijk te zijn voor ontvangen hulp of producten
nevděčný
preposition
  1. ondanks dat
    navzdory
  2. 1. ook al is het zo dat
    přes
/ˈɔn.dər/
adverb
  1. 1. bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord zoals onderlopen.
  2. 2. prepositionaal deel van een voornaamwoordelijk bijwoord zoals waaronder.
pod
/ˈɔn.dər/
preposition
  1. 1. niet gesorteerd
  2. 1. op een plaats die lager gelegen is dan het aangeduide.
pod
/ˌɔndərˈɑrṃ/
noun
1. gedeelte van de arm tussen de elleboog en de hand
předloktí
noun
1. het geheel van processen dat zich in iemands geest afspeelt en waar deze zich niet van bewust is
podvědomí
/ˌɔndərˈdanəx/
adjective
1. gehoorzaam aan een leider
poddajný
noun
1.
ponor
verb
1. onderhevig gemaakt worden
podstoupit
noun
2-3.
pokles
noun
1.
podrod
/ˈɔn.dər.ˌɣud/, /ˈɔn.dər.ˌɣut/, /ˈɔn.dər.ˌχut/
noun
1. kleding die direct op het lichaam gedragen wordt, doorgaans nog onder andere kleding
spodní prádlo
adjective
podzemní
verb
1. overleggen om tot een afspraak te komen
vyjednávat
/ɔndər'ɦɑndəlɪŋ/
noun
1. een proces van overleg waarbij partijen trachten tot een voor beiden aanvaardbare afspraak te komen
negociace
noun
1. handelingen verricht om iets in goede staat te houden.
údržba
verb
  1. 1. zorgen dat iets in goede staat blijft
  2. 3. zich onderhouden: een gesprek houden met iemand
bavit
noun
1. de onderste kaak
sanice
noun
1. gouverneur van een land of een provincie die als vervanger van de monarch optreedt
místokrál
noun
spodní ret
noun
podnikatelka
noun
1.
podnikatel
noun
1. een organisatie
podnik
noun
podnikatelský záměr
noun
1. de onderste delen van de rug; lumbale wervelkolom
bedra
verb
1. iets kleiner of van kleiner belang inschatten dan het in werkelijkheid blijkt
podcenit
verb
1. een verschil in aanmerking nemen
rozlišit
noun
1. handtekening
podpis
noun
2.
poddruh
noun
signatář
verb
podepisovat
noun
1. een geschreven vertaling die bij een film(pje) in beeld wordt gebracht
titulek
verb
1. iets dat al gehuurd is, verhuren aan iemand anders
podnajímat
/ɔndərˈvraxə(n)/
verb
1. iemand aan een intensieve reeks vragen onderwerpen
vyslýchat
/ˌɔndərˈwɛx/, /ˌɔndərˈʋɛχ/, /ˌɔndərˈβ̞ɛx/
adverb
1. bezig zijn zich van plek A naar plek B te verplaatsen
cestou
noun
  1. 2. zinsdeel waarnaar de persoonsvorm zich richt en dat bijv. de handelende persoon of zaak beschrijft
    podmět
  2. 1. waar iets over gaat, een thema
    téma
verb
1. gezag opleggen
podrobit si
noun
1. de voorziening van opleidingen
  1. vzdělání
  2. vzdělávání
noun
1. iemand die lesgeeft
učitel
noun
1. een oude benaming voor een vrouwelijke leraar op een lagere school of basisschool
učitelka
noun
ponorka
/ɔndər'zuːk/
noun
1. het onderzoeken van iets
výzkum
verb
vyšetřit
noun
1. iemand die een onderzoek uitvoert
badatel
/ˌɔn.dər.ˈzuk.stər/
noun
1. een vrouwelijk persoon die vraagstukken onderzoekt
badatelka
adjective
1. niet mis de verstaan, met slechts één betekenis
jednoznačný
adjective
1. zonder einde
nekonečný
noun
1.
jednorázovka
noun
1. het nog niet veel ondervinding hebben
nezkušenost
adjective
1. Niet deelbaar door twee
lichý
noun
1. de mate waarin iets of iemand geen fouten kan maken
neomylnost
preposition
1. los van
nedbající
noun
1. ongewenste dieren, die de mens op een of andere manier last bezorgen
havěť
noun
netrpělivost
/ɔnɣə'hoːrzam/, /ɔnɣə'ɦoːrzam/, /ɔnχə'ɦo̝ːrzam/
adjective
1. niet bereid gehoor te geven aan gestelde regels
neposlušný
adjective
2. niet onderricht in lezen en schrijven
negramotný
adjective
2. bijzonder, uitzonderlijk
neuvěřitelný
noun
1.het niet geloven
nevíra
adverb
nepohodlný
adjective
1.
nepsaný
noun
2. lichte ziekte
malátnost
/ɔnɣəvɑl/
noun
1. een ongeluk
nehoda
adjective
1. niet goed met de handen om kunnen gaan
nemotorný
adjective
1. zonder mogelijkheid om ongedaan gemaakt te worden
neodvolatelný
adjective
1. helemaal niet boeiend; niet belangwekkend; niet de moeite waard om over na te denken
nezajímavý
/ˈɔŋkəɫ/
noun
1. broer of zwager van iemands vader of moeder
strýc
noun
1. planten die voorkomen op plekken waar ze niet gewenst zijn
plevel
/ɔnlaŋs/
adverb
1. recentelijk, niet lang geleden
nedávno
adjective
nečitelný
noun
bezmocnost
adjective
1. waarover geen twijfel kan bestaan
nezaměnitelný
adjective
1. niet te verwezenlijken
nemožný
noun
1. iets dat niet kan gebeuren
nemožnost
adjective
1. niet noodzakelijk
  1. bezpotřebný
  2. nepotřebný
adjective
3. dwaas, naïef
hloupý
/ˌonomatoˈpe/
noun
1. door klanknabootsing gevormd woord
onomatopoie
adjective
1.
nerozpustný
adjective
neporazitelný
adjective
1. chaotisch, onduidelijk
nepřehledný
adjective
niet partijdig , niet bij een bepaalde stelling of kant aansluiten
nestranný
adjective
1. een negatief gevoel oproepend
nepohodlný
noun
1. schadeverwekkende inbreuk op een zorgvuldigheids- of rechtsnorm waardoor burgerrechtelijke aansprakelijkheid ontstaat
přečin
noun
1. niet-verplaatsbare zaak, bijv. grond, delfstoffen, beplantingen en opstallen
nemovitost
personalPronoun
1. 1e persoon meervoud als (direct of indirect) object of na een voorzetsel
  1. nám
  2. nás
possessivePronoun
1. van de 1e persoon meervoud
náš
/ɔnˈsxʏɫdəx/
adjective
1. niet schuldig
  1. nevinný
  2. bezelstný
adjective
nesmrtelný
noun
1. de eigenschap niet te zullen sterven
nesmrtelnost
noun
1. eerste maaltijd van de dag
snídaně
verb
1. de eerste maaltijd van de dag nuttigen
snídat
verb
  1. 2. het uiteen (laten) vallen van een chemische stof in een aantal andere
    rozložit
  2. 1. een organisatie opheffen
    rozpustit
/ɔntˈsɛɪ̯fərə(n)/, /ɔntˈsɛːfərə(n)/
verb
1. qua betekenis duiden
rozluštit
/ɔnˈdɛ.kə(n)/
verb
1. ergens achter komen
  1. objevit
  2. objevovat
noun
1. het vinden van iets nieuws
objevení
noun
vyvlastnění
verb
1.
vydědit
noun
1.
vydědění
/ɔntəˈvredənɦɛɪt/
noun
1. het gevoel niet genoeg te hebben en onvoldaan te zijn
nespokojenost
verb
1. van een illusie beroven
rozčarovat
verb
1. iemand doden door het hoofd van de romp te scheiden
podřezat
/ɔntˈɦɵlə(n)/, /ɔntˈɦʏlə(n)/
verb
  1. 1. van het hulsel ontdoen
  2. 2. openbaren van onbekende feiten
odhalit
verb
1. verklaren dat het gestelde niet waar is
popřít
verb
1. anatomiseren, analyseren
pitvat
verb
1. de ware aard laten zien van iets of iemand
demaskovat
verb
1. de moed ontnemen
odradit
verb
1. met iemand kennismaken en een gesprek voeren
potkávat
verb
1. terugbrengen uit een waan of roes
vystřízlivět
verb
1. arbeidsovereenkomst beëindigen
vyhodit
/ɔnt'slɑx/
noun
  1. 1. het verbreken van het dienstverband met een werknemer
  2. 2. beëindiging van een ziekenhuisopname
propuštění
verb
1. aan gevangenschap, dreigende gevangenneming of ander gevaar ontkomen
uniknout
verb
1. uit het aangelegde spoor geraken
vykolejit
/ɔnt.ˈstan/
verb
1. de verandering ondergaan van niet bestaan naar wel bestaan
vzniknout
noun
1. (medisch) ontsteking
zánět
/ɔn'tronə(n)/
verb
1. iemand van de macht beroven
sesadit
/ɔndˈvaŋ(g)ə(n)/, /ɔntfɑŋə(n)/
verb
  1. 1. het verkrijgen van zaken zoals loon en berichten
    1. obdržet
    2. přijmout
  2. 2. het op bezoek krijgen van gasten
    přijmout
adjective
hořlavý
verb
1. wederrechtelijk en onder dwang iemand weghalen
unášet
noun
1. het, tegen iemands zin, wederrechtelijk verplaatsen van een persoon
únos
verb
odzbrojit
verb
1. draineren
odvodnit
/ɔntʋɪkələ(n)/
verb
  1. 1. iets ~ een aanwezige aanleg tot bloei brengen
  2. 3. een film ~ het latente beeld van een belicht fotografisch materiaal chemisch zichtbaar maken
  3. 4. ontwerpen en uitvoeren op basis van onderzoek
  4. 2. zich ~ tot geleidelijk iets worden
vyvolat
noun
1. geleidelijke verandering in een zekere richting
  1. rozvoj
  2. vývoj
verb
vykloubit
adjective
1.
nezměněný
adjective
neodpovědný
/ɔnvərˈbœxbaːr/, /ɔnvərˈbœyxbaːr/
adjective
1. onmogelijk te verbuigen
nesklonný
adjective
1. niet te vergelijken
nesrovnatelný
adjective
1.
nezapomenutelný
/ɔnvɛrˈsxɪləɣˌɦɛit/
noun
1. houding waarbij men zich niets aantrekt van omstandigheden en de opvattingen van anderen
lhostejnost
adjective
1. duidt de onmogelijkheid aan de plaats van iets door iets anders in te laten nemen
nenahraditelný
adjective
1. niet van tevoren zien aankomen
nečekaný
adverb
nečekaně
/ˌɔn.vərˈʋust.bar/, /ˌɔn.vərˈβ̞ust.bar/
adjective
1. niet stuk te krijgen, buitengewoon robuust
nezničitelný
noun
příčestí přítomné
noun
přítomný čas
noun
imperfektum
adjective
1. waarvan de uitkomst niet bij voorbaat te kennen is
nepředvídatelný
adjective
1. bij verrassing optredend
nepředvídaný
adjective
1. een geringe kans bezittend om waar te worden of te blijken
nepravděpodobný
/ɔnʋɪːr/
noun
1. meteorologisch verschijnsel waarbij regen gepaard gaat met donder en bliksem
bouřka
adjective
neodolatelný
/ˈɔnwɪl/
noun
1. het de keuze maken om niet mee te werken
neochota
noun
een variëteit van kwarts
onyx
pronoun
1. christelijk gebed
otčenáš
adjective
neviditelný
noun
1.
neviditelnost
/ɔn'zɛidəx/
adjective
neutrum
noun
nesmysl
/ox/, /oːx/, /oχ/
noun
1. gezichtsorgaan voor het waarnemen van lichtprikkels
oko
/ˌox.ɔm.ˌox, ˌtɑnt.ɔm.ˈtɑnt/, /ˌoɣ.ɔm.ˌox, ˌtɑnd.ɔm.ˈtɑnd/, /ˌoχ.ɔm.ˌoχ, ˌtɑnt.ɔm.ˈtɑnt/
interjection
1. benadrukt volledige vergelding
oko za oko
noun
oční lékař
noun
1. ooggetuige
očitý svědek
noun
orbita
/ˈoχ.lɪt/
noun
1. een beschermend vlies van huid dat over de ogen bewogen kan worden
  1. oční víčko
  2. víčko
verb
1. het van het land halen van het rijpe gewas
  1. sklizeň
  2. úroda
verb
  1. 1. het volgroeide gewas van het veld halen
  2. 2. als reactie krijgen
sklízet
noun
1. vrouwelijk schaap
ovce
/'oɪ̯.bɔs/
noun
luh
noun
1. bepaald soort grote witte vogel met zwarte vleugelranden en rode poten, Ciconia ciconia
čáp
/oːɪt/
adverb
2. een mogelijk tijdstip in de toekomst
někdy
/oːk/
adverb
1. daarnaast; verder; tevens
  1. také
  2. též
  3. taky
noun
1. broer of zwager van iemands vader of moeder
  1. strýc
  2. strejda
/oːr/
noun
1. het lichaamsdeel waarmee geluiden kunnen worden gehoord
ucho
/ort/
noun
1. een bepaalde plaats
lokalita
noun
souzení
noun
1. klein voorwerp om de gehoorgang te blokkeren zodat je niet door lawaai gehinderd wordt
špunt do ucha
/ˈɔːrkɔndə/
noun
1. rechtskrachtig door getuigen bevestigd bewijsstuk, stammend uit de middeleeuwen
charta
noun
1. wetenschap die oorkonden typeert en beschrijft naar hun vorm
diplomatika
noun
1. een gewapende strijd tussen twee of meer bevolkingsgroepen en/of tussen twee of meer landen
  1. válka
  2. vojna
noun
1. een daad in tijd van oorlog die het oorlogsrecht of -gebruik schendt
válečný zločin
/ 'orlɔxsmɪsdadəxər/
noun
1. iemand die een oorlogsmisdaad pleegt of heeft gepleegd en daarvoor individueel aansprakelijk gesteld...
válečný zločinec
noun
  1. památník obětem války
  2. válečný památník
noun
válečná loď
noun
válečná vdova
/orsxɛlp/, /o̝rsχɛɫp/
noun
1. het uit het hoofd stekende deel van een oor
boltec
noun
počátek
noun
1.1 gewone oorworm (Forficula auricularia)
škvor
noun
příčina
adverb
východ
pronoun
Východní Asie
pronoun
1.
východní Berlín
pronoun
Východní Německo
pronoun
východní Evropa
/os.ˈti.mɔr/
pronoun
1. een land in Zuidoost-Azië, bestaande uit een gedeelte van het eiland Timor en de kleinere eilandjes Atauro en Jaco in het geheel
Východní Timor
adjective
východní
/ˈostə(n)/
noun
1. een van de windstreken, die op landkaarten overeenkomt met de rechterkant
východ
/ˈostə(n)ˌrɛɪ̯k/, /ˈoːstə(n)ˌrɛɪ̯k/, /ˈoːstə(n)ˌrɛːk/
pronoun
1. een republiek in Midden-Europa grenzend aan Zwitserland en Liechtenstein in het westen, aan Duitsland...
Rakousko
/ˈo.stə.ˌrɛɪ̯.kər/, /ˈo.stə.ˌrɛː.kər/, /ˈos.tə(n).ˌrɛɪ̯.kər/
noun
1. een inwoner van Oostenrijk of persoon die de Oostenrijkse nationaliteit bezit
  1. rakušan
  2. Rakušan
pronoun
1. zee die tussen Zweden en de Baltische staten ligt
Baltské moře
preposition
1. aan de bovenkant aanrakend, rustend op
na
noun
1. de vader van een ouder
  1. děda
  2. děd
/o'pal/
noun
1. een halfedelsteen en een amorfe variëteit van kwarts, SiO₂·nH₂O, gehydrateerd siliciumdioxide met een waterpercentage van soms wel 20%
opál
adjective
zelená opálová
/ˈɔˌbɛlə(n)/
verb
1. iemand telefonisch proberen te bereiken
telefonovat
/'ɔp.bla.zə(n)/
verb
2. een gas in een uitzetbare ruimte pompen
nafouknout
/'ɔbrɛŋs/, /'ɔbrɛŋst/
noun
1. dat wat opgebracht wordt, de baat die men heeft van zijn activiteiten
výnos
noun
1. een te verrichten werk
nařízení
verb
  1. 1. iemand iets te doen geven
    pověřit
  2. 2. als eerbewijs iets wijden aan iemand
    věnovat
/ˈoː.pə(n)/
adverb
1. niet gesloten
otevřený
adjective
1. vrij toegankelijk
veřejný
noun
1. openbaar toegankelijk personenvervoer
veřejná doprava
noun
1. laatste boek van de Bijbel
Zjevení
verb
  1. 1. laten beginnen, in bedrijf brengen
    otevřít
    1. 2. ontsluiten, openmaken wat afsluit of wat gesloten is
    2. 3. openstellen, toegankelijk maken
    3. 4. (informatica) een bestand inladen
    1. otevřít
    2. otevírat
/ˈoː.pə(n).ɣaːn/
verb
1. zich openen
otevřít
noun
1. een in hoofdzaak gezongen en orkestraal begeleid muziekdrama, gewoonlijk van ernstige aard
opera
noun
operand
noun
  1. 1. aantal gecoördineerde acties
  2. 2. een chirurgische ingreep
  3. 3. een bewerking op een object
operace
noun
1. ruimte waar heelkundige bewerkingen uitgevoerd worden
operační sál
noun
1.
opereta
noun
1. enthousiaste stemming, houding, instelling
nadšení
noun
1. het seksueel of emotioneel (te) gespannen zijn
vzrušení
verb
1. een voorwerp uit de bodem naar boven halen
vydobýt
verb
1.de tijd tot de volwassenheid doorbrengen
vyrůst
/'ɔpɦɑŋə(n)/
verb
3. aan de galg opknopen
  1. oběsit
  2. pověsit
/'ɔphoxə(n)/
verb
1.iets hoger maken dat het was
umocnit
verb
2. een activiteit beëindigen
přestat
noun
1. opiumbevattend geneesmiddel
opiát
noun
1. het ingedroogde melksap van de opiumpapaver of slaapbol (Papaver somniferum), een pijnstillend, verdovend en verslavend middel
opium
verb
1. zorgen dat iemands stemming verbeterd
povzbudit
/'ɔpklarə(n)/
verb
1. het ontstaan van open plekken in wat een gesloten wolkendek was
vyčistit
noun
2. de mate waarin de kiesgerechtigden gebruik maken van hun stemrecht in een verkiezing
volební účast
noun
vzdělávání
verb
1. bij voortduring aandachtig zijn
dávat pozor
verb
  1. 2. met bedrog iemand geld afhandig maken
    odejít bez placení
  2. 3. helder worden, meer licht gaan geven
    rozsvítit se
verb
    1. 1. een homogeen mengsel gaan vormen
    2. 2. een homogeen mengsel doen vormen
    rozpustit
  1. 3. een probleem ophelderen
    vyřešit
noun
  1. 1. een mengsel
    1. roztok
    2. řešení
  2. 2. een manier om van een probleem af te komen
    řešení
/ɔ'plʏxtə(n)/
verb
1.
ulevit
noun
1.het gevoel bevrijd te zijn van iets dat dreigde
úleva
noun
1. een uiting van een gedachte
připomínka
/'ɔpnam(ə)/
noun
2. geluid
nahrávka
verb
7. (beeld, geluid) registreren, vastleggen
nahrát
/ˈɔpniu/
adverb
1. nog een keer, een vorige gebeurtenis herhalend
opět
pronoun
1. deelstaat van Oostenrijk
Horní Rakousy
pronoun
Horní Volta
noun
1. bot in de bovenarm
kost pažní
/ˈɔpərvlɑk/
noun
1. vlak dat iets naar boven begrenst
plocha
/ɔpər'vlɑkəx/
adjective
  1. 1. niet diepgaand of niet grondig
  2. 2. zich aan de oppervlakte bevindend
povrchní
noun
2. uitgebreidheid
plocha
/ˌɔpoˈzitsi/
noun
2. mensen en partijen die niet tot de regeringspartijen horen
opozice
verb
1.
  1. docházet
  2. dojít
  3. tenčit se
adjective
1. de waarheid sprekend
upřímný
verb
  1. 1. iets uit de weg ruimen
    uklízet
  2. 3. iets in orde brengen, netjes maken
    1. uklízet
    2. uklidit
noun
1. een lange, grote en diepe lepel
naběračka
verb
2. aangedikte beweringen doen
chvástat
/ˈɔpslan/
verb
5. informatica: vastleggen of bewaren van gegevens
uložit
noun
výčet
verb
  1. 1. gaan staan
  2. 2. het bed verlaten
  1. vstát
  2. vstávat
/ˈɔpstɑnt/
noun
1. een massale, vaak gewelddadige, poging het heersende gezag af te schudden
povstání
noun
1. verrijzenis
vzkříšení
verb
1. nauwkeurig omschrijven en schriftelijk vastleggen zodat men het later nog kan raadplegen
zaznamenat
verb
1. bij elkaar tellen; het samenvoegen van twee of meer termen tot een totaal, de som genoemd
sečíst
noun
optika
noun
1. iemand die kundig is in de optica
optik
verb
1. met spierkracht iets van de grond opheffen
zvednout
noun
1. de verwachting dat gebeurtenissen gunstig gaan uitvallen
optimismus
noun
1. iemand die alles van de positieve kant beschouwt
optimista
adjective
1. van het positieve uitgaand
optimistický
adjective
volitelný
noun
optometrie
/ˈɔp.tre.də(n)/
noun
1. een kunstzinnig verschijnen voor een publiek
výstup
/ˈɔp.tre.də(n)/
verb
1. voor een publiek bepaalde handelingen verrichten, bijvoorbeeld in kunstzinnige zin
vystupovat
verb
vychovat
noun
  1. 2. iemands algemene vorming en ontwikkeling
    vzdělání
  2. 1. het proces waarin iemand wordt gevormd naar de normen van diens opvoeders, en daarmee meestal de samenleving waarin hij leeft
    výchova
noun
2. het onderdeel zijn van een zo gewenst plan
obmysl
adverb
1. bewust op deze manier
záměrný
noun
1. mensaap met lange armen en roodbruinachtig haar
orangutan
adjective
1. de kleur oranje hebbend
  1. oranžový
  2. pomerančový
pronoun
Oranžský svobodný stát
adjective
hnědooranžová
noun
1. plant van de talrijke orchideeënfamilie, m.n. benaming voor de kleurrijke bloemen
orchidea
noun
    1. 1. gewenste regelmaat
    2. 2. een hiërarchische organisatie
    pořádek
  1. 3. (biologie) een groep verwante organismen, onderdeel van een klasse en bestaande uit families
    řád
/ɔrdoˈvisijʏm/
noun
ordovik
noun
  1. 2. keukenkruid
  2. 1. Origanum vulgare
oregano
noun
1. Onderdeel van het organisme
orgán
noun
organela
/ˌɔrɣɑniˈzasi/, /ˌɔrχɑniˈzaʦi/
noun
  1. 3. een groep die een bepaald doel of of bepaalde rol heeft
  2. 1. het organiseren
  3. 2. de manier waarop iets georganiseerd is
organizace
pronoun
Organizace pro hospodářskou spolupráci a rozvoj
pronoun
Organizace pro bezpečnost a spolupráci v Evropě
noun
1. iemand die organiseert of die organisatietalent heeft
  1. organizér
  2. organizátor
/ɔr.ˈɣa.nɪs/, /ɔr.ˈχa.nɪs/
adjective
2. koolstof bevattend
organický
/ˌɔrɣɑniˈzeːrə(n)/, /ˌɔrχɑniˈzɪːrə(n)/
verb
  1. 1. een bepaalde structuur aanbrengen
  2. 2. iets, vaak een evenement, tot stand brengen
  1. srovnat
  2. uspořádat
noun
1. een afzonderlijk en volledig levend wezen dat voor zijn voortbestaan afhankelijk is van zijn eigen metabolisme en bestaat uit verschillende organen
organismus
/ˈɔrɣəɫ/
noun
1. een muziekinstrument dat bestaat uit meerdere losse pijpen waardoor lucht stroomt op een labium en dat ingedeeld wordt bij de aerofonen
varhany
/ˈɔrxi/
noun
orgie
adjective
  1. 1. enige of zeer zeldzaam in zijn soort
  2. 2. gemaakt door de eerste en oorspronkelijke maker
originál
noun
1. voorwerp, gemaakt door de eerste en oorspronkelijke maker, waarvan een of kopieën zijn gemaakt
originál
pronoun
1. de officiële taal van de Indiase staat Orissa
urijština
verb
orientovat
adjective
orientální červená
/ɔrk/
noun
1. fictieve wezentjes die in groepsverband leven en gewoonlijk de vijand van de mensen zijn
ork
/ˈɔr.ka/
noun
1. Orcinus orca, een walvissoort die vrij gedrongen van bouw is...
kosatka dravá
noun
1. een bijzonder hevige storm
  1. hurikán
  2. tropická cyklóna
/ɔrˈkɛst/
noun
1. een groep musici
orchestr
adjective
ornamentální
noun
ornitologie
noun
1. de tandheelkunde die gericht is op de vorming van een regelmatig gebit
ortodoncie
/ɔrtoˈdɔks/
adjective
  1. 1. star vasthoudend aan een bepaald geloof
  2. 2. star vasthoudend aan bepaalde opvattingen of gewoontes die algemeen zijn aanvaard
ortodoxní
/ɔrtodɔk'si/
noun
ortodoxie
noun
ortoped
noun
1. gecastreerde stier
vůl
verb
1. oscilleren
oscilovat
noun
osciloskop
noun
1. Chemisch element
osmium
noun
polévka z hovězí oháňky
pronoun
1. een taal uit de centrale Kaukasus
osetinský
pronoun
Osetie
/ˌɔstejoˈsit/, /ˌɔstejoˈsyt/, /ˌɔsteoˈsit/
noun
1. een cel die bot om zich heeft aangemaakt en daar nu door omgeven wordt
osteocyt
noun
1. een structuur in het binnenoor van gewervelden en een rolspelen in het waarnemen van geluid,...
otolit
pronoun
1. de hoofdstad van Canada
Ottawa
noun
1.1 bepaald soort zoogdier Lutra lutra
vydra
/aʊ̯d/, /ɔʊ̯t/, /ʌʊ̯t/
adjective
  1. 2. oud ding, concept
  2. 1. oud mens, dier
  3. 3. vorige
starý
noun
1. reeks boeken in de christelijke Bijbel die zijn ontleend aan de joodse Tenach
starý zákon
/ˈaʊ̯.dər/, /ˈɔʊ̯.dər/, /ˈʌʊ̯.dər/
noun
1. de moeder of vader van een kind
rodič
adjective
rodičovský
/ˈaʊ̯.dərs/, /ˈɔʊ̯.dərs/, /ˈʌʊ̯.dərs/
noun
1. meervoud van het zelfstandig naamwoord ouder
rodiče
noun
1. alles wat met het ouder zijn te maken heeft
rodičovství
adjective
1. niet langer gebruikt of in de mode
staromódní
noun
1. periode van eind september tot half november waarin het nog zomerachtig weer kan zijn
babí léto
pronoun
1. het Frans zoals dat in het noorden van Frankrijk gesproken werd van de 10e tot de 14e eeuw
starofrancouzština
pronoun
1. een nu dode taal die werd gesproken in Griekenland
starořečtina
/ɑʊ̭tɦɛɪ̭t/
noun
1. het tijdperk van de geschiedenis vóór de middeleeuwen
starověk
noun
archeolog
pronoun
1. de voorloper van het huidige Duits in de periode 700-1050
starohornoněmčina
pronoun
1. de Slavische taal die rond de negende eeuw rond Thessaloniki gesproken werd
staroslověnština
/'ʌʊtom/
noun
1.
prastrýc
adjective
starorůžová
pronoun
1. taal die vanaf de 10e tot in de 15e eeuw werd gesproken door de bewoners van Castilië
prašpanělština
/'ʌʊtɑntə/
noun
1.
prateta
noun
1. een meestal instrumentaal muziekstuk dat als opening fungeert van een opera of operette
předehra
/o'val/
adjective
1. in vorm gelijkend op een ei
ovál
/o'val/
noun
1. een figuur in de vorm van een ei
ovál
noun
vaječník
/ovə/
noun
1. besloten ruimte die verhit wordt om er voorwerpen in te smelten, te bakken enz.
pec
adverb
  1. 1. voorbij, gedaan
    přepínám
  2. 2. nog resterend
    zbývající
preposition
  1. 1. wat betreft
    o
    1. 2. op of langs de oppervlakte van
    2. 5. naar de andere kant van
    přepínám
    1. 6. meer dan
    2. 4. via, langs
    přes
adverb
1.
všude
noun
1. toestand waarbij een ruimte, gebied of land zo dichtbevolkt is dat het problemen geeft
přelidnění
verb
1. de feiten groter, kleiner, mooier of slechter voorstellen dan ze zijn
přehánět
noun
1.
přehánění
noun
  1. 1. een eigenschap die hetzelfde is
    dohoda
  2. 2. een bindende afspraak waarmee alle partijen instemmen
    úmluva
verb
2. in overeenstemming brengen
shodovat
/ˌovərˈʔetə(n)/
verb
1. uit gulzigheid te veel eten
přejídat se
noun
2. het van een toestand in een andere geraken
přechod
noun
1. de naam voor elk element uit het D-blok van het periodiek systeem der elementen
  1. přechodný kov
  2. přechodový kov
noun
1. reeks handelingen die gedaan wordt bij een belangrijke gebeurtenis in het leven
přechodový rituál
/'ovərɣavə/
noun
1. het opgeven van de strijd en zich aan de wijand onderwerpen
kapitulace
verb
1. braken
zvracet
noun
1. moeder van de grootvader of van de grootmoeder
  1. prababička
  2. prabába
/ˈovərɣrotˌvadər/
noun
1. een vader van een grootouder
praděd
verb
1. in de handen van een ander geven
předat
adverb
přes
noun
1. het overheersen
nadvláda
/ˌovəˈrɛɪ̯sɔɫ/, /ˌovəˈrɛɪ̯səl/, /ˌovəˈrɛːsəɫ/
pronoun
1. provincie in het oosten van Nederland
Overijssel
noun
1. een jas die hoofdzakelijk als bescherming van de kleding eronder wordt gedragen
kabát
noun
zemřelý
noun
1. organisatie waarbij verschillende partijen op een regelmatige basis met elkaar overleggen, onderhandelen en informatie uitwisselen
poradní orgán
/ˌovərˈlevə(n)/
verb
1. in leven blijven ondanks levensbedreigende omstandigheden of gebeurtenissen
  1. přežít
  2. přežívat
adjective
1. buitensporig
nadměrný
adverb
pozítří
verb
1. met de wielen van een voertuig over iets of iemand heen rijden
přejet
adjective
1.
přezrálý
verb
1. iets domineren, naar de achtergrond drukken
zastínit
verb
1. iets groter of van groter belang inschatten dan het in werkelijkheid blijkt
přecenit
/ˈo.vər.sxɔt/
noun
1. wat er overblijft, de rest
přebytek
verb
1. het ene geschrevene vervangen
přepsat
verb
1. een beurt doen missen
přeskočit
noun
3. trapje, laddertje om over een heining te komen
schůdky
verb
1. doorkruisen om de overzijde te bereiken
přecházet
verb
1. het onder water komen staan van een laaggelegen gebied
zaplavit
/ˌovərˈstromɪŋ/
noun
1. het binnenlopen van water in doorgaans droog gebied
povodeň
noun
1. een relatief licht strafbaar feit
přestupek
verb
1. een denkbeeld doen aanvaarden
  1. přesvědčit
  2. přesvědčovat
noun
1. sterke mening of geloof
přesvědčení
noun
hojnost
verb
1. aan iets een te hoge geldelijke waarde geven
nadhodnotit
/'ovərʋɛx/, /ovər'ʋɛx/
noun
1. een kruising van een weg met een spoorbaan
železniční přejezd
/ovər'ʋeɣən/, /ˈovərʋeɣən/
verb
de voor- en nadelen bezien alvorens een beslissing te nemen
zvažovat
noun
vítězství
verb
1. de winter doorbrengen
přezimovat
noun
1. toestand dat je het geheel kunt duidelijk overzien
přehled
noun
1. het gereedkomen van een eicel uit de eierstok.
ovulace
pronoun
Oxford
noun
oxidace
noun
  1. kysličník
  2. oxid
  3. oxyd
noun
1. (scheik.) een vorm van zuurstof met drie zuurstofatomen inplaats van twee
ozon
/ozɔnlax/
noun
1. laag in de atmosfeer die veel ozon bevat
ozonová vrstva
noun
4. (heraldiek) een loodrechte band midden over een wapenschild
kůl
noun
2. bepaald soort Europese kleine zangvogel, Saxicola rubetra
bramborníček
/paːr/
noun
  1. 1. twee van een soort die bij elkaar horen
  2. 2. twee geliefden die een relatie hebben
pár
/paːrt/
noun
  1. 3. schaakstuk
    1. jezdec
    2. kůň
  2. 1. tam hoefdier met manen
    1. kůň
    2. jezdec
noun
  1. 1. en 2. (bladeren of bloemen van) plant Taraxacum officinale
    1. pampeliška lékařská
    2. smetánka lékařská
    3. pampeliška
  2. 1. samengesteldbloemige plant Taraxacum officinale
    1. pampelišky smetánky
    2. pampeliška
noun
bob obecný
/'pardə(n)krɑxt/
abbreviation
maat voor arbeidsvermogen
koňská síla
noun
  1. 2. haardracht
    culík
    1. 1. sporenplant
    2. 3. staart van een paard
    přeslička
/ˈpardəˌstɑɫ/
noun
1. een stal bedoeld om paarden te huisvesten
konírna
adjective
1. met een kleur tussen rood en blauw
fialový
noun
1. diverse kleurschakeringen tussen blauw en rood.
fialová
adjective
modrofialová
noun
  1. 1. ei van chocolade of suiker dat op of omstreeks Pasen gegeten wordt
  2. 2. ter gelegenheid van Pasen gekleurd en versierd kippenei
kraslice
pronoun
Velikonoční ostrov
noun
velikonoční zajíček
noun
1. de dag die volgt op paaszondag
Velikonoční pondělí
noun
1. de dag waarop christenen vieren dat Jezus opgestaan is uit de dood, op de derde dag na zijn kruisiging
Velikonoční neděle
noun
kardiostimulátor
noun
pacht
noun
nájemce
/pɑsiˈfɪsmə/
noun
1. een wereldbeschouwing die duurzame vrede nastreeft en tegen oorlog en geweld is
pacifismus
/pɛːt/
noun
  1. 1. een kikker met een gedrongen lichaamsbouw en ruwe huid die een orgaan van Bidder bezit
    ropucha
  2. 1. een smalle weg of voetweg
    cestička
noun
1. vruchtlichaam van een doorgaans onder de grond levende schimmel of zwam
  1. houba
  2. hřib
noun
1. persoonlijke dienaar van iemand
páže
noun
strana
/ˈpa.kɪ.ˌstɑn/
pronoun
1. een land in het zuiden van Azië grenzend aan India, Afghanistan, Iran en China. De officiële naam is de Islamitische Republiek
  1. Pákistán
  2. Pakistan
  3. Pakistán
/'pɑkpapir/
noun
1. papier men gebruikt voor het (feestelijk) inpakken van voorwerpen
balicí papír
noun
1. Aziatische groene koolsoort met witte stelen Brassica rapa subsp. chinensis
  1. bok čoj
  2. pak čoj zelí
  3. čínské
/palaˈdɛin/
noun
2. een ridder of hofdienaar
paladin
/pa.ˈlaʊ̯/, /pa.ˈlɔʊ̯/, /pa.ˈlʌʊ̯/
pronoun
1. een eilandenstaat in Oceanië
Palau
noun
1. een aanzienlijk gebouw dat een openbare functie heeft of een (woon)huis voor een staatshoofd is
palác
noun
paleocén
/palejoˈɣen/
noun
1.
Paleogén
/ˈpalejoˌlitikʏm/
noun
1. eerste periode van de steentijd
paleolit
adjective
paleolitický
noun
1. aardkunde die gericht is op de bestudering van fossielen
paleontologie
/ˌpalejoˈzowikʏm/
noun
Paleozoikum
pronoun
Palermo
adjective
1.
palestinský
pronoun
Palestina
noun
paleta
noun
1. een symmetrisch woord dat van links naar rechts gelezen hetzelfde is als van rechts naar links gelezen. Voorbeelden: lepel en parterretrap maar ook kok en lol
palindrom
noun
1. chemisch element
palladium
noun
1. (sub-)tropisch gewas
palma
noun
palma
noun
kyselina palmitová
noun
palmový olej
pronoun
1. de zondag voor Pasen
Květná neděle
/pɑn/
noun
1. keukengereedschap om in te koken of braden
pánev
adjective
1.
panevropský
noun
1. geneesmiddel dat alle kwalen zou verhelpen
všelék
/ˈpa.na.ma/, /ˈpɑ.nə.ma/
pronoun
1. een land Centraal-Amerika
Panama
pronoun
Panamský průplav
noun
1. iemand afkomstig uit Panama
Panamec
noun
1. (zoogdieren) een beerachtig dier uit het Himalayagebied
panda
/ˌpɑndeˈmi/
noun
1. een epidemie op wereldwijde schaal
pandemie
/pɑn.deʲ'ɪsmə/
noun
1. een theologische positie
pandeismus
verb
1.met geklopt ei bestrijken en daarna bestrooien met paneermeel
  1. obalit
  2. obalovat
noun
1. blaasinstrument dat is samengesteld uit een reeks van eentonige fluiten
Panova flétna
noun
panika
noun
1. een platte, ronde koek die in een pan gebakken is
palačinka
noun
pansexualita
noun
kalhoty
noun
1. benaming voor verschillende grote katachtige roofdieren
panter
noun
1.
panteon
/pɑn.teʲ'ɪsmə/
noun
panteismus
/pɑnte'jɪstis/
adjective
1.
panteistický
noun
1. toneelspel alleen maar met gebaren en lichaamsuitdrukkingen dus zonder woorden
pantomima
noun
1. een beschermende laag om dieren of voorwerpen
pancéř
/ˈpɛnti/
noun
1. kledingstuk
punčocháče
noun
1. gerecht dat meestal bestaat uit melk die is gebonden met een zetmeelproduct zoals meel
kaše
noun
1.
papabile
/paˈpa.ja/
noun
  1. 2. vrucht van Carica papaya
    papája
  2. 1. meloenboom
    papája obecná
noun
1. benaming voor vogels uit de orde Psittaciformes
papoušek
noun
1.1 bepaald soort opvallende zeevogel die zelfs onder water kan vliegen, Fratercula arctica
papuchalk
noun
kancelářská sponka
/pɑ'pir/
noun
1. een dun vezelachtig beschrijfbaar materiaal
papír
noun
1. bouwmateriaal dat gemaakt wordt door papier te vermengen met natte lijm
papírmaš
/ˌpa.pu.wa.niβ̞.ɣi.ˈne.ja/, /ˌpa.pu.wa.niβ̞.χi.ˈne.ja/, /ˌpa.pu.wa.nyʊ̯.ɣi.ˈne.ja/
pronoun
land en staat in Oceanië
Papua-Nová Guinea
/ˈpaprika/, /ˈpɑprika/
noun
2. vrucht van een bepaalde gekweekte vorm van een peperplant, Capsicum annuum
paprika
adjective
bílá papyrus
noun
podobenství
/ˌparaˈboɫ/
noun
1. kegelsnede waarbij het snijvlak parallel loopt met een lijn die aan de kegel raakt en tevens het toppunt snijdt.
parabola
noun
padák
adjective
1. tot een paradigma behorend
paradigmatický
noun
ráj
/ˌpɑrɑˈdɛɪ̯svoɣəl/, /ˌpɑrɑˈdɛɪ̯svoχəɫ/, /ˌpɑrɑˈdɛːsvoɣəl/
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Paradisaeidae
rajka
noun
paradox
/ˌparadɔkˈsal/
adjective
1. tegenstrijdig lijkend
paradoxní
/ˈpa.ra.gʋɑɪ̯/, /ˈpa.ra.gβ̞ɑɪ̯/, /ˈpa.ra.ɣ<sup>ʊ</sup>ɛɪ̯/, /ˈparaˌɡwe/
pronoun
Paraguay
noun
rovnoběžnostěn
/paralɛloˈɣrɑm/, /pɑrɑlɛloˈʝrɑm/
noun
1. (wiskunde) een vierhoek waarvan de overstaande zijden evenwijdig zijn
rovnoběžník
noun
1. achtervolgingswaanzin
paranoia
/ˌpa.ra.ˈply/
noun
1. een scherm waarover een waterdichte stof is gespannen om zich te beschermen tegen de regen
deštník
noun
parapsychologie
noun
  1. 2.
    cizopasník
  2. 1. klaploper, iemand die ten koste van een ander leeft, een profiteur
    parazit
adjective
1. door parasieten veroorzaakt
  1. cizopasný
  2. parazitní
noun
1. leer en studie van de parasieten en het parasitisme
parazitologie
noun
slunečník
noun
1. een hard, rond voorwerp dat door bepaalde weekdieren wordt gemaakt,...
perla
noun
1.
ještěrka perlová
noun
1. benaming voor vogels uit het geslacht Numididae
perlička
/parəl'mur/
noun
1. het glanzende mineraal dat de binnenzijde van bepaalde schelpen bedekt
perleť
adjective
perlová myší šedá
adjective
perlová bílá
noun
parenchym
noun
vsuvka
noun
parfém
verb
naparfémovat
pronoun
1. de hoofdstad van Frankrijk
Paříž
noun
een inwoner van Parijs
Pařížan
noun
paritní bit
/pɑrᵊk/
noun
1. een groengebied bedoeld voor recreatie of natuurbehoud
park
noun
1. lang warm jack met een met bont gevoerde capuchon oorspronkelijk kledingstuk van de Inuits
bunda s kapucí
noun
1. garage voor het parkeren van motorvoertuigen
parkovací dům
noun
1. plek waar auto's of andere voertuigen geparkeerd kunnen worden
parkoviště
noun
parkovací kotouč
verb
1. (een voertuig) tijdelijk ergens laten staan
zaparkovat
noun
  1. 1. Openbaar Ministerie
  2. 2. afzonderlijke ruimte in gerechtszalen
  3. 3. parketvloer
parketová podlaha
noun
vogel
papoušek
noun
1. risicosport waarbij een traject met obstakels zo snel en vloeiend mogelijk moet worden afgelegd
parkour
noun
parlament
adjective
parlamentní
noun
1.
farník
noun
1. gemeenschap van gelovigen in de katholieke kerk die bij één kerkgebouw hoort
farnost
/pa.ˈrɔ.xiˌkɛrk/, /pa.ˈrɔ.χiˌkɛrk/
noun
1. een lokaal kerkgebouw dat het religieuze centrum van een parochie vormt
farní kostel
verb
parodovat
noun
1. ontsteking van het nagelbed
paronychie
noun
1. bof, ontsteking van de parotis (speekselklier in mond)
parotitida
noun
parsek
adjective
bij een bepaalde stelling of kant aansluiten
zaujatý
noun
1. klein deeltje
partikule
noun
  1. 1. iemand met wie men gezamenlijk iets onderneemt of handel drijft
  2. 3. iemand met wie men gehuwd of niet een relatie heeft
  3. 2. deelgenoot in spelen, speelgenoot, mededanser
partner
/pɑr.və.'ny/
noun
zbohatlík
noun
1. eenheid voor druk (symbool: Pa)
pascal
noun
1. het belangrijkste feest van het christendom, waarbij de Opstanding van Jesus centraal staat
Velikonoce
adjective
1. kort geleden geboren
novorozený
noun
  1. cestovní pas
  2. pas
noun
1. pop waarop men gemaakte kleren past
krejčovská panna
noun
1. de vaste oostelijke wind die waait tussen de 30 graden noorderbreedte en 30 graden zuiderbreedte en het reizen met zeilschepen over de oceaan aanzienlijk eenvoudiger maakt
pasát
noun
5. ontlasting, doorgang
pasáž
noun
1. iemand die al of niet tegen betaling meereist met een voer-, vaar- of vliegtuig
cestující
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Pasov
verb
1. precies de goede maat zijn, erin kunnen
padnout
noun
kružítko
noun
1
pašije
adjective
1. niet zelfstandig werkzaam
pasivní
noun
1. (eetbare) vrucht van het plantengeslacht Passiflora
  1. maracuja
  2. marakuja
adjective
pastelová modrá
adjective
oranžová pastelová
adjective
pastelová tyrkysová
adjective
pastelová fialová
verb
pasterizovat
noun
1. een document of ander kunstwerk zoals een toneel- of muziekstuk dat is gemaakt via nabootsing en/of het combineren van bepaalde kenmerken van een of meerdere originelen
pastiš
noun
1.
pastilka
noun
1. bepaald circa 20 cm lang knolgewas, Pastinaca sativa
  1. pastinák
  2. pastinák setý
noun
farář
adjective
1. in een toestand waarin een speler geen enkele zet meer kan doen
pat
noun
1. remise doordat een speler geen zet meer kan doen
pat
pronoun
1. benaming voor het zuidelijke deel van Zuid-Amerika, tussen de Colorado en de Straat van Magellaan
Patagonie
noun
1. gefrituurde aardappelreepjes
hranolky
noun
1. schotel voor de hostie
patena
adjective
1. & 2. vaderlijk
otcovský
adjective
1. de eigenschap bezittend om een ziekte te veroorzaken
  1. choroboplodný
  2. patogenní
noun
1. de tak van de geneeskunde die het ontstaan en verloop van ziektes bestudeert
patologie
adjective
1. ziekte betreffend
  1. patologický
  2. chorobný
adjective
zelená patina
/pɑˈsʲɛnt/
noun
iemand die medische hulp krijgt
pacient
noun
1.
patriarcha
noun
1. aanzienlijk persoon, burger, rijke koopman, regent, ...
patricij
noun
1. een vogel uit de familie van de fazanten
  1. koroptev
  2. orebice
noun
1. klein rond raam in een scheepswand dat waterdicht kan worden afgesloten
kruhové okno
noun
1. goede vaderlander
patriot
noun
patronymum
noun
hlídka
noun
1. stevig, maar smeerbaar mengsel van fijngemalen vlees
paštika
noun
1. een grote verstembare keteltrommel zoals gebruikt in een orkest
tympán
/'pɑupər/
noun
1. iemand die heel arm is
chudák
/pɑu̯s/
noun
1. hoofd van de katholieke kerk
papež
adjective
1. betrekking hebbend op de paus, het hoofd van de rooms-katholieke kerk
papežský
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Páva
noun
1. benaming voor siervogels uit het geslacht Pavo
  1. páv
  2. pávice
noun
1. bepaald soort tropische struik met prachtige bloemen, Caesalpinia pulcherrima
sapan nádherný
/ˈpɑʊzə/
noun
1. tijd waarin de hoofdactiviteit wordt onderbroken
pauza
noun
pavilon
/pɛx/, /pɛχ/
noun
1. de conditie waarin er tegenslag te verwerken is die niet door eigen schuld veroorzaakt is
smůla
adjective
pekuniární
noun
  1. 1. met de voet te bedienen hefboom
  2. 3. met de voet te bedienen hefboom van een muziekinstrument
pedál
noun
pediatrie
adjective
1. behorende tot het verlangen van een volwassene naar seksueel contact met kinderen
pedofil
noun
1. een volwassene die verlangt naar seksueel contact met kinderen
pedofil
noun
1.
pedofilie
noun
1. studie van de bovenste aardlaag
pedologie
noun
1. vrucht
hruška
/pes/
noun
1. een uitloper van spierweefsel die de spier aanhecht aan het bot
šlacha
noun
1.
kmotřenec
/pɛːl/, /pɛːɫ/
noun
1. niveau of stand van bijvoorbeeld water
hladina
/'pejorɑ'tif/
adjective
pejorativum
noun
smola
/pɛlgrɪm/
noun
poutník
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Pelecanidae
pelikán
/peloˈtɔn/
noun
een groep soldaten
peloton
adjective
veverčí šedá
noun
1. instrument om met inkt te schrijven of te tekenen
pero
noun
penicilín
noun
1. het mannelijke geslachtsdeel
penis
noun
1. kleinste Britse munt, Engelse stuiver
cent
noun
2. een gerecht bereid van (1)
dršťky
noun
malířský štětec
noun
penzijní fond
/pɛnʃo'nerɪŋ/
noun
1.
výslužba
noun
1. C₅H12
pentan
noun
pentagram
noun
1. een specerij van gemalen peperkorrels met een scherpe, hete smaak
pepř
noun
1. en 2. (bladeren van) de plant Mentha × piperita
máta peprná
/pɛpˈsinə/
noun
1. een verteringsenzym dat in de maag eiwitten in kleine stukken breekt
pepsin
preposition
  1. 3. over een periode van, over een afstand van.
    na
  2. 1. door middel van
    po
adverb
1. noodzakelijkerwijs
bezpodmínečný
/pɛrsɛnˈtaʒə/
noun
1. een percentsgewijze berekend bedrag of hoeveelheid
procento
adjective
1. door de huid heen
perkutánní
/perə(n)bom/
noun
1. een boom met peren als vrucht
  1. hrušeň
  2. hruška
noun
1. hervormingen zoals deze door Gorbatsjov werden voorgesteld in de Sovjet-Unie
perestrojka
/pɛrˈfɛkt/
adjective
1. zonder enig gebrek
dokonalý
noun
dokonalost
verb
1. meer perfect of volmaakt maken
zdokonalit
/ˌpɛrfoˈratɔr/
noun
1. een apparaat om gaten te maken in papier, karton, kunststof folie of metaalplaat.
děrovačka
noun
1.
pergola
noun
  1. okraj
  2. periferie
  3. periférie
noun
periapsida
noun
hráz
/pɪri'jodɘ/
noun
1. tijdperk
perioda
adjective
1. periodisch, regelmatig terugkerend
periodický
noun
1. tijdschrift
periodický
noun
periodická tabulka
noun
1. een dun schrijfmateriaal, gemaakt van huid van kalveren, koeien, geiten, schapen, konijnen of ezels
pergamen
noun
1. populistische en nationalistische politieke stroming in Argentinië
perónismus
noun
peroxid
/pɛˈrɔn/
noun
1. een hoge, lange zijstoep of verhoogde vrije stoep aan een station om in en uit te stappen
nástupiště
noun
vstupenka na nástupiště
noun
2. journalistieke media
tisk
noun
  1. 1. menselijk individu
  2. 2. grammaticaal begrip
  1. osoba
  2. člověk
adjective
1. betrekking hebbend of uitgevoerd door de persoon zelf
osobní
noun
1. een voornaamwoord dat in de plaats komt van een zelfstandig naamwoord of eigennaam en hiernaar verwijst
osobní zájmeno
noun
1. het geheel van kenmerken en gedragingen dat iemand uniek maakt
osobnost
noun
porucha osobnosti
/peˈru/
pronoun
1. een land in Zuid-Amerika
Peru
noun
1. sappige vrucht van de perzikboom
broskev
pronoun
1. een Indo-Iraanse taal die gesproken wordt in Iran, Afghanistan en Tadzjikistan
  1. perský
  2. perština
pronoun
1.
Perský záliv
pronoun
Péšávar
noun
1. de verwachting dat gebeurtenissen ongunstig gaan uitvallen
pesimismus
noun
pesimista
noun
(medisch) Dodelijke en besmettelijke ziekten veroorzaakt door de bacterie Yersinia pestis
mor
verb
1. jennen, treiteren
dotírat
noun
pesticidy
noun
1. bepaald soort vogel, Bombycilla garrulus
  1. brkoslav severní
  2. brkoslav
noun
1. tamelijk plat hoofddeksel met een klep
čepice
noun
2. kruid
petržel
noun
1. laag plat ronde bakje van glas of kunststof met een ruim eroverheen passend deksel
Petriho miska
noun
1.
petrochemie
noun
surová nafta
noun
1. gesteentekunde
petrologie
pronoun
  1. 1. discipel van Jezus
  2. 3. Peter
Petr
noun
1. overblijfsel van een opgerookte sigaret of sigaar
  1. nedopalek
  2. vajgl
noun
1. een jong kind in de leeftijd van een tot vier jaar
batole
noun
1.
phishing
pronoun
  1. 1. Griekse god van de paniek
  2. 2. grotere van de twee manen van Mars
Phobos
noun
1. groot snaarinstrument met klavier (algmeen)
  1. klavír
  2. piáno
/pɪˈkɑrdɪʲə/
pronoun
regio in Noord-Frankrijk
Pikardie
noun
1. piccolofluit
pikola
noun
1. een maaltijd in de vrije natuur
piknik
noun
1.
pikometr
noun
pikosekunda
noun
1. geslachtsdeel van de man, penis gebruikt voor onvolgroeide jongens
pinďour
verb
3. stiekem, snel of oppervlakkig naar iets kijken
nakouknout
noun
  1. 3. aardappel
    brambora
  2. 1. benaming voor vogels uit het geslacht Anthus
    linduška
adjective
1. bijzonder klein
maličký
/piːr/
noun
  1. 2. een in een zee of rivier uitstekende brug, dam of golfbreker
  2. 3. overdekte loopbrug op luchthaven
molo
pronoun
1. jongensnaam
Petr
noun
1. projectiel
  1. šíp
  2. šipka
/pɛɪ̯n/, /pɛːn/
noun
1. lichamelijk leed
bolest
/ˈpɛɪ̯nɑpəɫˌkliːr/, /ˈpɛːnɑpəlˌkliːr/
noun
1. klier in de hersenen, die melatonine uitscheidt
  1. epifýza
  2. šišinka
adjective
borovicová zelen
/ˈpɛːinlək/, /ˈpɛːnlək/
adjective
1. pijn gevend
  1. bolestný
  2. bolestivý
/'pɛːinstɪlər/
noun
1. middel
analgetikum
verb
2. een man oraal seksueel bevredigen
kouřiti
/ˈpɪkhʌʊʋɪ:ɫ/
noun
1. hakwerktuig met steel, voorzien van een punt aan de ene zijde en een beitelachtige voorziening aan de andere zijde
krumpáč
verb
4. (met de snavel) prikken
klovat
adjective
1. heel zwart
černočerný
noun
  1. 1
  2. 2
pilulka
noun
1. een bestuurder van een vliegtuig, luchtschip of race-auto
pilot
pronoun
1.
Plzeň
noun
1. bepaalde mezensoort, Cyanistes caeruleus
sýkora modřinka
/pɪn.ˈsɛt/
noun
1. een gevorkt werktuig bestaande uit twee armen waarvan de punt bijeengeknepen kan worden
pinzeta
noun
2. een vrucht van deze plant
arašíd
adjective
1. een soort broodbeleg dat bestaat uit een pasta van pinda's, slaolie en zout
  1. burákové máslo
  2. arašídové máslo
/ˈpɪŋɡwɪn/
noun
1. benaming voor niet-vliegende zeevogels uit de orde
tučňák
noun
1. de vijfde, kleinste en buitenste vinger
malíček
pronoun
1. Christelijk feest
Letnice
/piˈɔn/
noun
  1. 1. een schaakstuk dat alleen recht vooruit kan lopen en schuin vooruit slaan
    pěšec
  2. 2. subatomair deeltje dat bestaat uit twee quarks en dus een boson is
    pion
noun
průkopník
/pi.ˈpɛt/
noun
1. een instrument waarmee heel precieze hoeveelheden vloeistof kunnen worden afgemeten door de vloeistof erin op te zuigen, meestal een in het midden verwijde en spits uitlopende glazen buis
pipeta
noun
1.
pirát
noun
1.
  1. pyramida
  2. jehlan
noun
1. een ornament op een markant punt van een bouwwerk
fiála
verb
1. plassen
  1. chcát
  2. čurat
noun
pistácie
noun
1. een semi-automatisch handvuurwapen met een langwerpig magazijn in het handvat
pistole
noun
1. een beeldpunt
pixel
/ˈpidza/, /ˈpitsa/
noun
1. gerecht van een belegde broodbodem
pizza
noun
1. bodem van een pizza
korpus pizzy
pronoun
Piemont
noun
piezoelektřina
noun
1. vlak, plat en vrij dun stuk materiaal
štoček
/plaːts/
noun
1. een bepaalde ruimte of een bepaald punt in de ruimte
místo
noun
1. precieze plek waar een misdaad is gebeurd
místo činu
verb
1. op een bepaalde plaats zetten
umístit
noun
1. geneesmiddel zonder werkzame stof
placebo
/plɑˈfɔnt/
noun
1. de bovenkant van een ruimte in een gebouw
strop
verb
1. iemand (goedmoedig) pesten
škádlit
noun
plagiát
/ˈplɑg.bɑnt/
noun
1. een lintvormige drager die aan één of beide zijden bedekt is met kleefstoffen
lepicí páska
noun
  1. 2.
  2. 1.
plakát
noun
1. een voorgenomen handelswijze
plán
noun
1. een groot, rond en massief hemellichaam dat zelf geen licht geeft en in een vaste baan rond een ster draait
planeta
adjective
planetární
noun
1. een toestel om de bewegingen van planeten voor te stellen
planetárium
noun
1. stelsel van planeten om de zon of een ster
planetární soustava
noun
1. een brok vaste materie die net als een planeet in een baan rond de zon draait, maar kleiner is dan een planeet
planetka
noun
planimetrie
/plɑŋk/
noun
1. een plat en langwerpig stuk hout
prkno
noun
tréma
noun
  1. 1. organisme dat kooldioxide opneemt en zuurstof afgeeft
  2. 2. van stengel en bladeren voorzien gewas dat zijn voedsel uit de aarde opneemt
rostlina
noun
1. dier dat uitsluitend plantaardig voedsel eet
býložravec
noun
1. het onderdeel van de biologie dat zich bezighoudt met de studie van de planten
botanika
adjective
botanický
noun
  1. 1. een verzameling van vocht
  2. 2. een door veenafgraving ontstaan meer
kaluž
noun
1.
plazma
/plɑs.ˈmi.də/
noun
1. een ringvormig DNA-molecuul dat voornamelijk voorkomt voor bij bacteriën
plazmid
noun
1.
plazmon
verb
1. via de urinebuis vloeibare lichamelijke afvalstoffen lozen
lulat
/'plɑstik/, /'plɛstɪk/
noun
plastisch vervormbare polymere kunststof
plast
adjective
3. kneedbaar
plastický
noun
1. een chirurgisch specialisme waarin men zich richt op het uit esthetisch en/of functioneel oogpunt aanpassen van het uiterlijk
plastická chirurgie
noun
1. benaming voor loofbomen uit het geslacht Platanus
platan
noun
1. bepaalde omgeving waarin een computer werkt
platforma
noun
1. scheikundig element met symbool Pt en atoomnummer 78
platina
adjective
platinová šedá
/ˈplɑtvɪs/
noun
1. een orde van vissoorten die op hun zijde op de bodem leven, en geheel plat zijn
kambala
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Saksen
Plavno
adjective
met ceremonieel
slavnostní
noun
1. het plaatje waarmee snaren worden aangeslagen
trsátko
noun
náměstí
/ˈplɛinˌvreːs/
noun
agorafobie
noun
  1. 2. zelfklevend verband
  2. 1. (gipshoudend) kalkmengsel
náplast
noun
pleistocén
adjective
1. in aanwezigheid van allen
plenární
/plejoˈnɑsmə/
noun
1.
pleonasmus
noun
1.
kulík
noun
pleteň
noun
1. een taak die men op zich genomen heeft of opgelegd heeft gekregen
povinnost
/ˌplijoˈsen/
noun
pliocén
noun
1. landbouwgereedschap om de grond om te woelen
pluh
verb
2. land met de ploeg bewerken
orat
/ˈplɔfklɑŋk/
noun
1. een medeklinker die geproduceerd wordt met een volledige obstructie ergens in het spraakkanaal
  1. exploziva
  2. okluziva
/ploˈsif/
noun
1. medeklinker die geproduceerd wordt met een volledige obstructie...
  1. exploziva
  2. okluziva
  3. plozivní souhláska
noun
1. vlok droge, lichte stof met een open structuur
vločka
/'plɵkə(n)/
verb
  1. 1. (bloemen) afbreken of oogsten
  2. 2. ontdoen van de veren
  3. 4. (sport) een door de lucht vliegende bal grijpen
brnkat
verb
1. met geweld zich roerende goederen toeëigenen uit de woning van iemand anders
rabovat
pronoun
1.
Pluto
noun
1. Chemisch element
plutonium
noun
1. longontsteking
  1. zápal plic
  2. pneumonie
/po/
pronoun
1. stroom in Italië
Pád
verb
1. bereiden in warm maar niet kokend water
mírně povařit
noun
1. digitale radio-uitzending waarbij een audiobestand op internet wordt gezet...
podcast
pronoun
1.
Podolí
noun
1. Frans krulharig hondenras
pudl
noun
prach
noun
1. zeer fijn gemalen suiker
cukr moučka
noun
1. een hoop drukte en lawaai om niets
nepříjemnosti
noun
1. bepaald soort zoogdier, Felis concolor
puma
noun
1. uitgescheiden vaste afvalstoffen van mens of dier
hovno
noun
1. een van de oudste huisdieren van de mens
  1. kočka
  2. kocour
noun
1. sociaal-economische en politieke praktijk in Rusland in het begin van de 21 eeuw
putinismus
noun
  1. 1. razzia tegen joden
  2. 2. gewelddadige aanvallen...
pogrom
noun
  1. 1. staande jachthond
  2. 2. een variabele waar een geheugenadres in staat
ukazatel
noun
1.kaartspel
poker
noun
2. epidemische huidziekte
neštovice
pronoun
1. Polaris
Polárka
noun
polarita
/ˈpɔldəʀ/
noun
1. een bedijkt stuk land waarin de waterstand kunstmatig geregeld wordt
polder
/ˈpolə(n)/, /ˈpoːlə(n)/
pronoun
1. een land in het midden van Europa met de officiële naam Republiek Polen (Rzeczpospolita Polska)
Polsko
noun
polyp
/poˈlɛɪstə(n)/
verb
1. een stenen of glazen oppervlak bijzonder glad slijpen met steeds fijnere slijpmiddelen
leštit
/ˈpo.lɪs/
noun
1. schriftelijke vastlegging van een overeenkomst
pojistka
noun
1.
politička
noun
1. een discipline
politologie
noun
1. iemand die zich beroepsmatig met politiek bezighoudt
politik
noun
  1. 2. een politieagent
    1. policajt
    2. policista
  2. 1. een overheidsdienst die belast is met de handhaving van de openbare orde...
    policie
noun
policejní stanice
/poliˈtik/
adjective
1. betreffende de politiek
politický
/poliˈtik/
noun
1. datgene dat gerelateerd is aan het besturen van een land
politika
noun
2.(België) een diepe, grote lepel met een lange steel gebruikt voor het opdienen van soepen, sauzen e.d.
naběračka
noun
1. Chemisch element
polonium
noun
anatomie: 1. gewricht
zápěstí
noun
polyamid
noun
polyamorie
noun
polyandrie
noun
2. thermoplastisch polymeer
polykarbonát
adjective
polyester
noun
polyfonie
noun
polygamie
noun
polyglot
noun
1. een gesloten stelsel lijnsegmenten die samen een plat vlak omsluiten
mnohoúhelník
noun
1.
polymer
noun
polylaktid
noun
polymerizace
noun
polymethylmethakrylát
adjective
1. in meer dan een vorm binnen dezelfde groep voorkomend
polymorfní
noun
mnohotvarost
pronoun
1. eilanden in de Grote Oceaan of Stille Oceaan die samen Oceanië vormen
Polynésie
noun
thermoplastische kunststof, bereid door polymerisatie van propeen
polypropylen
noun
polysacharid
noun
1. het kunnen hebben van meerdere (verwante) betekenissen
polysémie
noun
1. godsdienst met meer dan één god
  1. mnohobožství
  2. polyteismus
noun
1. vermeerderde urinelozing
polyurie
noun
  1. 1.
  2. 2.
hruška
pronoun
1. historische regio in het zuiden van de Oostzee
Pomořansko
noun
  1. čerpadlo
  2. pumpa
/ˈpɔmpəlˌmus/, /ˈpɔmpəɫˌmus/
noun
2. een vrucht van deze boom
pomelo
verb
1. vloeistof of gas met behulp van een pomp verplaatsen
čerpat
noun
1. een zeer oud cultuurgewas uit Midden- en Zuid-Amerika
  1. dýně
  2. tykev
noun
1. naam voor verschillende munteenheden die in het Verenigd Koninkrijk en sommige Engelstalige landen worden gebruikt
libra
noun
kaart die tot de jaren 80 werd gebruikt voor het vastleggen van gegevens d.m.v. erin geponste gaatjes
děrný štítek
noun
1.
pontifikát
noun
1. werkschuit met een vlak dek
ponton
noun
1. een brug die bestaat uit op het water drijvende elementen
pontonový most
noun
1. paard uit een ras met een schofthoogte tot ongeveer anderhalve meter
poník
/'poːjər/
noun
1. een man die prostituees tegen betaling beschermt en helpt.
kuplíř
/pok/
noun
1. stang om het vuur op te porren
pohrabáč
/pol/, /poɫ/, /po̝ɫ/
noun
1. een inwoner van Polen, of iemand afkomstig uit Polen
Polák
noun
A 1. uiteinde van een draaiingsas
pól
noun
1. de begrenzing van het gebied waar 's zomer de middernachtszon gezien kan worden en 's winters de nacht een heel etmaal kan duren
polární kruh
noun
1.
polární záře
/poɫs/, /poːls/, /po̝ɫs/
pronoun
1. een taal die in Polen gesproken wordt
  1. polský
  2. polština
noun
1. bepaald soort zoogdier, Alopex lagopus
liška polární
/poːrt/
noun
1. met deuren afsluitbare doorgang door een muur
  1. brána
  2. vrata
noun
tlapa
noun
1. speeltuig
panenka
noun
1. kunstenaar achter poppenspel
loutkoherec
noun
1.
topol
noun
1. politieke stroming die vindt dat een maatschappelijke elite de belangen van het volk verwaarloost...
populismus
noun
pornografie
/pɔrsəlɛːn/, /pɔrsəˈlɛɪn/
noun
  1. 1. fijn, geglazuurd aardewerk
  2. 2. voorwerpen van fijn, geglazuurd aardewerk
porcelán
noun
1,2 portaal (entree)
portál
noun
1. portaalkraan
portálový jeřáb
noun
1. geldbuidel
peněženka
noun
1.schilderij, foto of andere artistieke voorstelling van een persoon
  1. portrét
  2. podobizna
/'pɔrtyɣɑl/
pronoun
1. een land in het zuidwesten van Europa, officieel de Portugese Republiek
Portugalsko
/ˌpɔr.ty.ˈɣes/, /ˌpɔr.ty.ˈχes/
adjective
1. verwijzend naar Portugal of naar de Portugese taal
  1. portugalský
  2. portugalština
/ˌpɔr.ty.ˈɣes/, /ˌpɔr.ty.ˈχes/
noun
1. inwoner van Portugal
portugalský
/ˌpɔr.ty.ˈɣes/, /ˌpɔr.ty.ˈχes/
pronoun
2. taal gesproken in Portugal
portugalština
noun
1. bepaald soort vis, Gymnocephalus cernuus
ježdík
verb
pózovat
/po'zisi/
noun
  1. 1. een stand van het lichaam
  2. 2. een innerlijke houding
  3. 3. een plaats van waaruit men iets onderneemt
  4. 4. een toestand waarin iemand zich bevindt
  5. 6. een maatschappelijke stand
  6. 7. de ligging van de hand
  7. 8. een opstelling van troepen en materieel
  8. 5. een vaste betrekking
pozice
adjective
kladný
noun
  1. 1. de opvatting dat alleen de empirische wetenschappen geldige kennis opleveren
  2. 2. een levensinstelling waarbij je ervan uitgaat dat alles goed komt
pozitivismus
noun
  1. pozitron
  2. antielektron
  3. positron
/pɔs/, /pɔst/
noun
1. toegezonden materiaal, zoals brieven; poststuk - poststukken
pošta
noun
1. postbeambte
  1. listonoš
  2. pošťák
noun
poštovní směrovací číslo
noun
1. een afgerichte duif die berichten kan overbrengen
poštovní holub
noun
1. bepaalde soort eenjarige groene plant, Portulaca oleracea
šrucha zelná
noun
1. kantoor dat zich bezighoudt met de bezorging van post en vaak ook andere diensten levert ...
pošta
noun
1.
postmoderna
noun
1.
postprodukce
adjective
1. na een letsel
posttraumatický
/ˈpɔseɣəl/, /ˈpɔseχəɫ/
noun
1. betalingsmiddel voor het verzenden van post
  1. poštovní známka
  2. známka
noun
hrnec
/ˈpɔ.dɑs/
noun
potaš
adjective
1. mogelijkheid
potencionální
noun
1. schrijfgerei met een zachte stift vervaardigd van klei en grafiet ingebed in een houten huls
  1. tužka
  2. olůvko
noun
1. iets wat bestaat uit een samenraapsel van fragmenten uit andere werken
megamix
pronoun
1.
Postupim
noun
1. bepaald soort zeezoogdier, Physeter macrocephalus
  1. vorvaň
  2. vorvaň obrovský
/po.ˈwe.tɪs/, /po.ˈβ̞e.tis/
adjective
1. uit de poëzie, gelijkend op poëzie
básnický
noun
1. in ritme, maat en klank verwoorden
poezie
/prax/, /praç/
pronoun
hoofdstad van Tsjechië
Praha
noun
1. Cynomys, een eekhoornachtig zoogdier uit Noord-Amerika dat een scherp blaffend geluid maakt
psoun stepní
/prɑkˈtɛɪ̯k/, /prɑkˈtɛːk/
noun
2. hoe dingen werkelijk gaan...
praxe
adjective
1. op een manier die ook echt uitgevoerd kan worden
praktický
/ˌprazejoˈdimijʏm/
noun
1. Chemisch element
  1. praseodym
  2. prazeodym
/ˈpraː.tə(n)/
verb
1. zich met behulp van de stem uiten
mluvit
adjective
nejistý
/presəˈdɛnt/
noun
  1. 1. eerder plaatsgevonden hebbend geval
  2. 2. bestaande jurisprudentie die dient ter beslechting van een vergelijkbaar geschil
precedens
noun
precese
noun
3. (grammaticaal) gezegde
predikát
pronoun
Kazatel
noun
kázání
noun
1. een gebonden morfeem dat voor een ander woord geplaatst wordt om iets aan de betekenis toe te voegen
předpona
noun
pravěk
noun
1. en 2 (bladeren van) plant Allium porrum
  1. pór
  2. pórek
noun
1. de eerste vaak feestelijke vertoning van een film, toneelstuk of een andere vorm van entertainment
premiéra
noun
obrázková kniha
noun
1. bereiding van chemische stof, geneesmiddel e.d
preparát
noun
1. het staatshoofd van een republiek
  1. prezident
  2. prezidentka
adjective
1.
prezidentský
noun
1. de verkiezing van een president
prezidentské volby
noun
1. het bestuur van een vereniging (vooral van studentenverenigingen en politieke organisaties)
prezidium
noun
1. vaak fraai gevormd, zwaar voorwerp dat men boven op een stapel losse papieren kan leggen zodat de papieren niet kunnen wegwaaien
těžítko
noun
provedení
noun
3. iemand die preuts is
prudérní
/prøts/
adjective
1. zeer ingetogen, overdreven kuis
cudný
noun
1. ongezond langdurige erectie van de penis
priapizmus
noun
1. priemgetal
prvočíslo
noun
1. iemand die de religieuze (offer) rituelen verzorgt
kněz
noun
1. een vrouw die de taak heeft religieuze rituelen te verzorgen
kněžka
noun
1. de gevraagde geldsom bij verkoop
cena
noun
1. een bord (vaak van vilt) waar met behulp van punaises foto's en andere papierwerken op kunnen worden opgespeld
nástěnka
noun
1. materiaal bestaande uit een dubbele, in elkaar gedraaide metalen draad...
ostnatý drát
noun
  1. 2. kerkelijke titel
    nehetnatec
  2. 1. benaming voor zoogdieren uit de orde Primates
    primát
noun
primatologie
adjective
  1. 1. alle kortste translatievectors in de richting van de hoofdassen van de rotatiesymmetrie hebbend.
  2. 2. de drie kortste niet in hetzelfde vlak liggende translatievectors als ribben van de eenheidscel hebbend.
primitivní
/'primyla/
noun
1.
  1. petrklíč
  2. prvosenka
noun
  1. 1. hoogste adellijke titel van een man of jongen
  2. 2. laagste koninklijke titel van een man of jongen
  1. princ
  2. kníže
adjective
1. als horend of passend bij een prins of prinses, bestaand uit prinsen of prinsessen
knížecí
noun
  1. 1. de hoogste adellijke titel van een vrouw of meisje
  2. 2. de laagste koninklijke titel van een vrouw of meisje
princezna
/ˈprɪntər/
noun
1. toestel om gegevens af te drukken onder andere op papier.
tiskárna
noun
verze k vytisknutí
noun
převorství
noun
hranol
verb
1. omvormen van staatsbedrijven, overheidsdiensten tot particuliere, private bedrijven
privatizovat
adjective
1. voor persoonlijk gebruik gereserveerd
soukromý
noun
1. de tijd die besteed wordt aan persoonlijke bezigheden
soukromí
/proˈberə(n)/
verb
  1. 1. testen
  2. 2. onderzoeken
  3. 3. iets met succes trachten te beëindigen waarvan men niet weet of het gaat lukken
snažit
noun
1. iets dat schade teweegbrengt of de voortgang van iets anders in de weg staat
problém
adjective
1. een probleem vormend
problematický
/prosəˈdyrə/, /proseˈdyrə/
noun
  1. 1.
  2. 4.
  1. postup
  2. procedura
/pro'sɛnt/
noun
1. een honderdste deel
procento
/proˈsɛs/
noun
2. opeenvolging van gebeurtenissen, gang van zaken
proces
noun
procesní právo
/proˈsɛˌsi/
noun
procesí
noun
  1. producent
  2. výrobce
noun
1. het resultaat van een bewerking
výrobek
noun
1. voortbrenging
produkce
adjective
1. vruchten afwerpend
produktivní
noun
  1. 1. konijn waarop er geëxperimenteerd wordt
  2. 2. proefpersoon
pokusný králík
noun
zkušební doba
verb
  1. 1. onderzoeken hoe iets smaakt
  2. 2. smaak waarnemen
ochutnat
noun
1. een persoon die boodschappen van een godheid aan de mensen doorgeeft
prorok
/proˈfɛsɔr/
noun
1. de aanspreektitel voor een hoogleraar
profesor
noun
progesteron
noun
1. een applicatie voor de computer
program
noun
programovací jazyk
verb
1. het schrijven van computerporgramma
programovat
noun
programátor
adjective
  1. 1. vooruitstrevend
  2. 2-3
pokrokový
/proˈjɛkt/
noun
1. een zaak die men denkt uit te voeren of te onderzoeken
projekt
noun
promítání
noun
toestel om een afbeelding op een scherm te projecteren
projektor
noun
proletariát
noun
proletář
noun
1. snelle vermenigvuldiging
množení
noun
  1. 1. inleidende rede van een tekst
  2. 3. de inleiding tot een theaterstuk
  3. 2. een korte tijdrit die als openingsrit wordt verreden
prolog
noun
1. een scheikundig element met het symbool Pm en het atoomnummer 61; een zilverwit à grijs lanthanide
promethium
/proˈmotsi/
noun
  1. 1. een verhoging in rang
  2. 2. bevordering naar een hogere speelklasse
propagace
noun
1. en 2. (peulvrucht van) Phaseolus coccineus
fazol šarlatový
noun
1. dat wat door een dier wordt buitgemaakt
kořist
/prost/
interjection
1. heildronk
na zdraví
noun
1. C₃H₈
propan
noun
1. activiteiten of materiaal gericht op het beïnvloeden van de mening of het gedrag...
propaganda
noun
propen
noun
1. CH₃CH₂COOH
kyselina propionová
noun
1.een klier tussen de blaas en de penis van de man
prostata
verb
1. iemand dwingen tot het aanbieden van seksuele diensten
prostituovat
noun
1. het tegen betaling ter beschikking stellen van het lichaam voor het seksuele genot van een ander
prostituce
noun
1. scheikundig element met symbool Pa en atoomnummer 91
protaktinium
noun
1.
protagonista
noun
2.
protekcionismus
/ˌprotəroˈzowikʏm/
noun
proterozoikum
noun
1. een uiting van ontevredenheid met het gevolgde beleid
protest
verb
1. grote bezwaren uiten
protestovat
noun
1.
bílkovina
noun
1. een kunstmatig lichaamsdeel
protéza
pronoun
1. hypothetische, gereconstrueerde taal waar vele Europese talen, waaronder het Nederlands en het Frans, van afstammen
praindoevropský
noun
4. geheel van voorschriften en afspraken in de internationale diplomatieke omgang
protokol
adjective
1. in, van of betrekking hebbend op de gereconstrueerde taal die vroeger door de Germanen werd gesproken
pragermánský
pronoun
1. reconstructie van de taal zoals die vroeger door de Germanen werd gesproken
pragermánština
/'protɔn/
noun
proton
noun
1.
protoplazma
noun
1. oorspronkelijk model, eerste model van een product
prototyp
adjective
1. met betrekking tot de Provence
provensálský
/pro.ˈvɪn.si/
noun
1. een staatkundig onderdeel van een land
provincie
noun
provokace
adjective
  1. 1. niet dichterlijk, in gewone taal
  2. 2. weinig opmerkelijk, saai
jednotvárný
noun
1. een kunstmatig haarstuk waarmee het hoofd bedekt wordt
paruka
noun
2. vrucht van de pruimenboom
  1. slíva
  2. švestka
pronoun
Prusko
noun
1. iemand die slecht werk levert
fušer
/psɑlm/
noun
1. elk van honderdvijftig gezangen uit de Tenach en het Oude Testament
žalm
pronoun
1. boek in de Bijbel met lofliederen op God
Žalmů
noun
onechte programmeertaal
pseudokód
/psœydoˈnim/
noun
1. een aangenomen naam waaronder men iets publiceert
pseudonym
noun
  1. pavěda
  2. pseudověda
noun
1. schubziekte met overmatige vette schilfers van de huid
lupénka
/ˌpsɪxeˈdelɪs/
adjective
1. de werking van het bewustzijn verruimend
psychedelický
noun
psychiatr
noun
psychiatrie
adjective
1. met betrekking tot de behandeling van geestelijke stoornissen
psychiatrický
adjective
1. geestelijk
psychický
/psixoloˈɣi/, /psiχoloˈχi/
noun
1. de wetenschap die zich bezighoudt met het onderzoek naar bewustzijnsverschijnselen
psychologie
adjective
1. met betrekking tot het gevoelsleven.
psychologický
/ˌpsi.χo.ˈloχ/, /ˌpsɪ.xo.ˈlox/
noun
1. een beoefenaar van de psychologie
psycholog
noun
1.iemand die lijdt aan een persoonlijkheidsstoornis die antisociaal gedrag veroorzaakt
psychopat
/psi'xozə/
noun
1. een geestesziekte waarbij men wanen heeft
psychóza
adjective
1. met betrekking tot het verband tussen geest en lichaam
psychosomatický
noun
1. stroming in de psychologie
psychoterapie
noun
1. het proces van seksuele rijping van kind naar volwassene en het gedrag dat daar bij hoort
puberta
adjective
reklamní
/pyˈblik/
adjective
  1. 1. vrij toegangelijk , openbaar
    veřejný
  2. 2. wat het publiek aangaat
    1. veřejný
    2. veřejnost
/pyˈblik/
noun
1. een groep toeschouwers
  1. obecenstvo
  2. veřejnost
noun
1. harde rubberen schijf gebruikt bij ijshockey
puk
noun
1. nagerecht, vaak zoet, koud en op basis van melk
pudink
pronoun
1. een met de Verenigde Staten geassocieerde vrijstaat in het oostelijk deel van de Caribische Zee
Portoriko
noun
pemza
/pœʏ̯n/, /pœːn/
noun
1. een massa vergruizelde steen
suť
noun
1. een damesschoen zonder sluiting en met hoge hak
střevíc
noun
1. een prik
punkce
pronoun
1. taal die in de Punjab, zowel in India als in Pakistan gesproken wordt
  1. paňdžábština
  2. paňdžábsky
noun
1. een positie in de ruimte
bod
noun
1. taps toelopende houder met een mesje dat bedoeld is voor het aanslijpen van een verse punt aan een potlood
ořezávátko
noun
1. een leesteken dat twee nauw aan elkaar gerelateerde zinnen tot een geheel verbindt (;)
středník
noun
1. oogappel
zornice
noun
1. pasgeboren hond, jonge hond
štěně
noun
1. chocolade van zuivere cacaopasta plus suiker
hořká čokoláda
noun
1. streven naar puurheid
purismus
noun
1.
purista
/pyri'tɛins/
adjective
1. (te) vroom, sober, ingetogen en streng
puritánský
adjective
  1. brunatý
  2. brunátný
adjective
purpurově červená
adjective
purpurová fialková
/pɵt/
noun
1. een pijpvormige uitholling in een oppervlak
studna
noun
2. distelvink
stehlík
noun
acroniem van polyvinylchloride
polyvinylchlorid
noun
1.
Pygmej
noun
1. gemakkelijk zittende hemd en broek die 's nachts in bed kunnen worden gedragen
pyžamo
pronoun
1. een gebergte op de grens van Frankrijk en Spanje
Pyreneje
noun
2. een vaste stof die het structuurtype heeft waarvan [1] het archetype is
pyrit
/piˈrozɪs/
noun
1. een brandend gevoel ten gevolge van oprisping van maagzuur
pyróza
noun
1. een niet-giftige en grote wurgslang
krajta
/kɑt/
noun
1. blad van een bedektzadige plant Catha edulis
kata jedlá
/ka'tar/, /ka'tɑr/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten
Katar
noun
1. een motorfiets of brommer op vier wielen
čtyřkolka
noun
1. volgeling van een religieuze beweging gekend onder de naam Genootschap der Vrienden
kvaker
noun
1. tijdelijke afzondering van personen, dieren of zaken die besmet zouden kunnen zijn met ziektekiemen
karanténa
/kwɑrk/
noun
kvark
noun
kvasar
noun
kvaternion
pronoun
1. macrotaal die door indianen in Ecuador, Peru en Bolivia wordt gesproken
kečuánština
pronoun
1.
Quedlinburg
noun
1. iemand die voortdurend klaagt over onrecht dat hem zou zijn aangedaan
kverulant
/kwiˈnowa/
noun
1. Zuid-Amerikaanse plant (Chenopodium quinoa) en 2. zaden van die plant
merlík čilský
noun
1. spel waarbij de deelnemers vragen moeten proberen te beantwoorden
  1. kvíz
  2. kviz
noun
1. resultaat van de deling van het deeltal door de deler
podíl
interjection
1. horizontaal draaibare boom aan mast
ráhno
/rat/, /raːd/
noun
  1. 1. aanbeveling hoe om te gaan met een probleem
  2. 2. een orgaan dat bestaat uit leden die raadgevende of beslissende bevoegdheden bezitten
rada
pronoun
Rada Evropské unie
pronoun
Rada Evropy
adjective
1.
poradní
noun
1. iets waarnaar men moet raden
  1. hlavolam
  2. hádanka
noun
1. iets dat een raadsel is; iets wat men nog niet begrijpt
tajemnost
adjective
doporučeníhodný
/raːf/
noun
1. grootste van alle zangvogels, met flinke snavel, Corvus corax
  1. krkavec
  2. havran
noun
1.
tečna
noun
1. venster: muuropening om lucht en licht door te laten
okno
noun
1. en 2. (stengels van) plant Rheum rhabarbarum
rebarbora
noun
1. vocht uit de stengels van Rheum rhabarbarum
rebarborová štáva
/rɑˈbɛin/
noun
rabín
noun
  1. rasismus
  2. rasizmus
adjective
1. voortkomend uit de opvatting dat mensen door afstamming kunnen worden ingedeeld in grote groepen...
rasistický
noun
raketa
noun
1. wielvormig voorwerp dat kracht overbrengt binnen een machine of op het water
kolo
noun
1. techniek
radar
adjective
bezradný
verb
1. een gissing maken naar iets
uhádnout
noun
  1. 1. een serie van in elkaar grijpende raderen
  2. 2.
soukolí
adjective
2. straalsgewijs
radiální
noun
1. de SI-eenheid voor een hoek
radián
noun
1. een toestel dat door straling warmte afgeeft, ofwel ter verwarming van een ruimte, ofwel ter koeling van bijvoorbeeld een motor
radiátor
verb
radikalizovat
noun
radikalismus
noun
1. bepaalde soort uit de kruisbloemfamilie, Raphanus sativus
ředkvička
/ˈradijo/
noun
  1. 1. toestel
  2. 2. medium
  1. rádio
  2. rozhlas
adjective
radioaktivní
noun
1.
radioaktivita
noun
radiobiologie
noun
1. frequentie van radiogolven
radiofrekvence
noun
1. het medisch specialisme...
radiologie
noun
radiolog
noun
1. scheikundig element met symbool Ra en atoomnummer 88
  1. radium
  2. rádium
noun
1. met symbool Rn en atoomnummer 86
radon
noun
rafinérie
noun
ragú
noun
  1. 1. een metalen staaf waar het wiel van een railvoertuig op rijdt
  2. 2. een baan waar een railvoertuig over rijdt
kolej
pronoun
1. Indische taal gesproken door 50 miljoen mensen in de staat Rajasthan in India
Rádžasthánština
/rakəl/
noun
1. werktuig in de vorm van een wisser waarmee inkt door een zeefraam gedrukt wordt
rakle
noun
1. cilindervormig projectiel dat door een naar achteren gerichte ontploffing wordt voortbewogen
  1. raketa
  2. střela
pronoun
2. teken van de dierenriem van 21 maart tot 20 april
  1. Beran
  2. Skopec
noun
1. mannelijk schaap
beran
/rɑnt/
noun
1. de bovenkant van een bak of vat
okraj
noun
hodnost
noun
1. bepaald soort vogel, Asio otus
kalous ušatý
/rɑnt'sun/
noun
1. beperkte dagelijks verstrekte hoeveelheid voedsel en andere primaire levensbenodigdheden
příděl
noun
1.
rapír
noun
1. een muziek of dichtwerk dat contrasterende delen bevat en toch een eenheid vormt
rapsodie
noun
rasa
noun
1. een grofgetande vijl die wordt gebruikt om rondingen aan hout te maken
struhadlo
verb
1. met een rasp afvijlen en fijnmaken
strouhat
/ˈrɑstərelɛkˌtronəmikroˌskop/
noun
1. een type elektronenmicroscoop waarmee men direct oppervlaktestructuren goed kan afbeelden.
  1. rastrovací elektronový mikroskop
  2. skenovací elektronový mikroskop
  3. řádkovací elektronový mikroskop
/rɑt/
noun
1. een muisachtig knaagdier uit het geslacht Rattus
  1. krysa
  2. potkan
noun
  1. 1. een eenvoudige muziek- en signaalinstrument dat geluid geeft doordat bij het rondslingeren een tandrad een latje repeterend weggedrukt en laat terugvallen
  2. 2. een mechaniek met kamrad en pal, dat een asdraaiing slechts in één richting toelaat
řehtačka
noun
1. bepaald soort loofboom, Populus tremula
osika
noun
1. gifslang uit het geslacht Crotalus
chřestýš
verb
1. bekrachtigen van een internationaal verdrag door het nationale parlement of regering
ratifikovat
noun
racionalizace
noun
racionalismus
adverb
1. ongekookt en vers
syrový
verb
1. heel snel rijden
pádit
noun
reaktance
noun
1. een actie die een gevolg is van een stimulus
reakce
noun
zkumavka
/'reʲaɣɛns/
noun
1. een chemische stof die deelneemt aan een reactie
činidlo
verb
1. op een nieuwe situatie actie ondernemen
reagovat
adjective
1. van iets dat het werkelijkheid kan worden
uskutečnitelný
verb
uskutečnit
noun
realismus
noun
realista
noun
het reanimeren
oživování
verb
povstat
noun
1. soort raadsel
rébus
verb
1. een beoordelend verslag schrijven, meestal van een culturele gebeurtenis
recenzovat
adjective
1. een korte tijd geleden gebeurd of begonnen
nedávný
noun
1. voorschrift voor de bereiding van een gerecht
recept
noun
2. een plaats waar iemand binnenkomende gasten of klanten ontvangt
recepce
noun
recese
noun
1. het geheel van rechtsregels en instituties van het recht
právo
noun
1. hoek van 90 graden
pravý úhel
/ˈrɛxtə ˈklɪɯɪŋ/
noun
1. lengtegraad op de hemelbol
rektascenze
noun
2. geheel van de fundamentele rechten en vrijheden die ieder mens toekomen
lidská práva
/ˈrɛxtər/
noun
1. persoon die rechtspreekt, persoon die een oordeel velt
  1. soudce
  2. soudkyně
noun
1.
pravobřežní
pronoun
Soudců
/'rɛxtuk/
noun
1. een vierhoek met vier rechte hoeken
obdélník
adjective
1. tegenovergestelde van links
pravý
/ɾɛχts.pɛɾ.soːn/
noun
1. groepering van goederen of natuurlijke personen die kan deelnemen aan het rechtsverkeer
právnická osoba
noun
1. staat waarvan de macht gereguleerd en beperkt wordt door het geldende recht
právní stát
adjective
1. in overeenstemming met bepaalde ethische beginselen
spravedlivý
verb
1. onderbouwen volgens bepaalde ethische beginselen
obhajovat
noun
1. de overeenstemming met bepaalde ethische beginselen
spravedlnost
noun
  1. 1. (juridisch) herhaling van een misdrijf, het opnieuw vervallen in dezelfde zonde
  2. 2. (medisch) het zich opnieuw vertonen van een reeds doorstane en schijnbaar genezen ziekte
recidiva
verb
1.
opakovat se
noun
recidivista
noun
recitativ
verb
recitovat
noun
1,2 informatie over, en aanprijzing van diensten, producten en ideeën
reklama
noun
rekombinace
verb
1. weder opbouwen
rekonstruovat
/rəˈkɔrt/
noun
  1. 1. beste prestatie
  2. 3. bij elkaar behorende gegevens
rekord
verb
1. na verbruik weer omzetten in iets bruikbaars
recyklovat
noun
  1. 1. iemand die berichten verzamelt en bewerkt voor publicatie
  2. 2. iemand die teksten corrigeert en klaarmaakt voor publicatie
redaktor
verb
1. actie ondernemen om iets of iemand uit de moeilijkheden te halen
zachránit
noun
záchrana
noun
1. een speciaal gebouwde en uitgeruste boot om het schip in geval van nood veilig te kunnen verlaten.
záchranný člun
noun
3. een ankerplaats buitengaats
rejda
adverb
1. op een beredeneerde wijze
rozumně
/ˈre.də(n)/
noun
1. een motivatie door iemand bedacht of beredeneerd
důvod
/ˌredəˈnɪːrɪŋ/
noun
1. het proces waarmee men van een aantal argumenten, premissen of axioma's tot een standpunt of conclusie komt
uvažování
noun
1. eigenaar van een schip
rejdař
noun
1. sierlijk slank hert, komt bijna in heel Europa voor
srnec
adjective
světle žlutohnědá
adverb
1. al
  1. už
  2. již
noun
1. een opeenvolgende rij van gebeurtenissen
řada
noun
1. een stemming over een wetsvoorstel, waarbij gestemd wordt door het volk zelf...
referendum
noun
1. verwijzing
pramen
noun
odraz
noun
1. een onwillekeurige reactie op bepaalde prikkels
reflex
noun
  1. lom
  2. refrakce
noun
refrén
/ˈreɣəɫ/
noun
3. een voorschrift, richtlijn, norm
pravidlo
verb
1. zorgen dat het gebeurt
regulovat
noun
2. ordelijke schikking in de ruimte
frekvence
adjective
1. aan een bepaalde regel gehoorzamend
pravidelný
/reχən/
noun
1. neerslag van tot druppels gecondenseerde waterdamp
  1. déšť
  2. dešť
adjective
1. regelmatig regenend of neigend naar regen
deštivý
/ˈreːχənboːx/
noun
1. een natuurfenomeen dat na regen als een verschijnende veelkleurige boog te zien is
duha
noun
1. het gekleurde vlies in het oog waarin de pupil zich bevindt
duhovka
noun
1. een tijdelijke periode van regen tengevolge van het overtrekken van een wolkenveld
přeháňka
/ˈreɣənə(n)/
verb
1. het vallen van neerslag in de vorm van waterdruppels
pršet
noun
2. herstelgroei
regenerace
noun
1. een waterdichte overjas die geschikt is voor regenachtig weer
pláštěnka
noun
1. toestel dat de hoeveelheid gevallen neerslag in een bepaalde periode op een bepaalde plaats meet
  1. dešťoměr
  2. srážkoměr
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Řezno
noun
1. een paraplu
deštník
noun
vladařství
noun
dešťová voda
/'reɣəʋɔrm/
noun
1. benaming voor dieren uit de familie Lumbricidae
žížala
noun
1. een bos in een klimaat met het hele jaar door neerslag
deštný les
noun
koliha malá
verb
1. het uitoefenen van de politieke macht...
vládnout
/re.'ɣeː.rɪŋ(g)/, /rə.'ɣeː.rɪŋ/, /rə.'χɪː.rɪŋ/
noun
1. een groep van personen die een land bestuurt, specifiek het staatshoofd en alle ministers
vláda
noun
didaskalie
noun
1. bestuur van een land, vaak onderdrukkend, dwingend, alles omvattend
režim
noun
  1. pluk
  2. regiment
noun
1. geografisch gebied
region
adjective
1. op de streek betrekking hebbend
regionální
verb
1. vastleggen in een register
registrovat
noun
rehabilitace
noun
1. reidans
kolový tanec
noun
1. benaming voor ooievaarachtige watervogels uit de familie Ardeidae
volavka
/rɛɪ̯s/
noun
1. grote, lange tocht of trip
cesta
noun
cestovní kancelář
verb
1. onderweg zijn
cestovat
/ˈrɛɪzəɣər/
noun
1. persoon op reis
cestující
noun
2. raamwerk
věšák
/ˈre.kə.nə(n)/
verb
1. getallen manipuleren
počítat
noun
  1. 2. mogelijkheid om bij een bank onder een eigen nummer betalingen te doen en te ontvangen en geld te sparen of te lenen
    konto
  2. 1. de optelsom van te betalen bedragen
    účtenka
noun
de leer van de operaties die op getallen worden uitgevoerd (optellen, aftrekken, vermenigvuldigen, delen, ...)
aritmetika
noun
1.
  1. abak
  2. abakus
noun
1. een verstoring van de openbare orde door een menigte, meestal gepaard gaand met geweld en politieoptreden
bitka
noun
1. een min of meer vast verband
relace
noun
1. een natuurkundige theorie die ervan uitgaat dat de tijd een relatief begrip is
teorie relativity
/rəlɛksə(n)/
verb
1. de tijd nemen zich te ontspannen
relaxovat
adjective
1. van toepassing
relevantní
noun
význam
/rə'liɣi/
noun
1. een godsdienst
náboženství
/relɪˈɣɪøs/, /relɪˈʝɪøs/
adjective
1. te maken hebbend met godsdienst of geloof
náboženský
noun
1. een overblijfsel van het lichaam van een heilige of een voorwerp dat...
relikvie
noun
reliéf
noun
1. een mechanisme dat iets vertraagt of tot stilstand brengt
brzda
/rəˈmedi/, /reˈmedi/
noun
1. een medicijn of een op genezing gerichte behandeling
lék
verb
1. snelheid doen verminderen
brzdit
adjective
1. met betrekking tot de nier
ledvinový
noun
1. een hertachtig zoogdier met een breed uitlopend gewei
sob
noun
1. Chemisch element
  1. rhenium
  2. dvimangan
/ˈrɛn.ku.kuk/
noun
1. benaming voor vogels uit het geslacht Geococcyx
kukačka kohoutí
noun
oprava
noun
1. paard dat gefokt is met het doel om aan paardenrennen deel te nemen
závodní kůň
noun
oprava
verb
1.
repatriovat
noun
1. vlaskam
  1. drhlen
  2. drhlice
noun
repertoár
verb
zastupovat
/rɛp'til/
noun
1.
plaz
/repʏˈbliːk/
noun
1. staatsvorm
republika
pronoun
Spojené provincie nizozemské
noun
republikán
adjective
republikánský
noun
1. de manier waarop iemand bekend is
reputace
noun
rýt
adjective
rezedová zelená
noun
1. iemand die oproepbaar is voor militaire dienst in tijden van oorlog, oorlogsdreiging of andere situaties waarin inzet van het leger nodig is
záložnice
/resər'vʷar/
noun
1. plaats waar water of een andere vloeistof bewaard kan worden
rezervoár
noun
elektrický odpor
noun
2. pixeldichtheid
rozlišení
noun
rezonance
/rɛsˈpɛkt/
noun
eerbied uit hoogachting of angst
respekt
verb
  1. 1. iemand in aanzien houden
  2. 2. iets naleven
respektovat
/rɛst/
noun
1. wat er overblijft
zbytek
noun
  1. restauraci
  2. restaurace
noun
2. het minitieus herstellen van een voorwerp van kunstzinnig of historisch belang
restaurace
pronoun
1. Romaanse taal die gesproken wordt door 40.000 mensen in Zwitserland
rétorománština
noun
1.
řečnická otázka
noun
1. een verouderd toestel voor het destilleren bestaande uit een vat met een neergebogen tuit
destilační baňka
/rətu'ʃeːrə(n)/, /rətu'ʃɪːrə(n)/
verb
retušovat
noun
1. jachthond die het geschoten wild apporteert (naar de jager brengt)
retrívr
/ˈre.tro.ˌflɛks/
noun
1. een medeklinkerklank die gevormd wordt door de tong om te buigen zodat het met de onderkant naar het verhemelte staat
cerebrální
noun
1. overzicht van iemands oeuvre (waarin dus wordt teruggekeken)
retrospektiva
noun
1. een buitengewoon grote man
obr
noun
1. verkregen door uitsmelting van varkensvet
sádlo
noun
1. Heracleum mantegazzianum, een meerjarige plant uit de schermbloemenfamilie
bolševník velkolepý
noun
1. bepaald soort vaste plant, Equisetum telmateia
přeslička největší
noun
1. een beer die leeft in de hooggelegen hellingen van berggebieden in centraal China
panda velká
noun
1. en 2. (vruchtvlees) van plant Cucurbita maxima
  1. dýně obrovská
  2. tykev velkoplodá
noun
1. kermisattractie
ruské kolo
noun
revanšismus
noun
1-3. streven naar herziening (van het marxisme, de geschiedenis)
revizionismus
noun
1.
revoluce
adjective
revolucionář
noun
1. een handvuurwapen met een roterende trommel met kogels
  1. revolver
  2. kolt
noun
  1. 1. theatershow
  2. 2. tijdschrift
revue
noun
převtělení
pronoun
Republika Rhodesie
pronoun
1. een rivier van 812 km lengte die ontspringt in Zwitserland, door Frankrijk naar het zuiden stroomt en uitmondt in de Middellandse Zee
Rhôna
noun
1. elk van de platte, boogvormige beenderen die de borstkas omsluiten
žebro
noun
1. het geraamte van de borst
hrudní koš
noun
rNA
noun
1.
ribozom
verb
  1. 1. op een bepaald doel afstemmen
  2. 2. zich ~ op: een bepaald doel nastreven
zaměřit
/ˈrɪxtɪŋ/, /ˈrɪχtɪŋ/
preposition
1. de kant op van
směr
noun
  1. 1. aanwijzing voor een te volgen gedrag
  2. 2. (juridisch) bindend voorschrift
směrnice
noun
1. oorspronkelijk een bereden en bepantserde ruiter die de ridderslag ontvangen had
  1. rytíř
  2. vítěz
noun
stračka
/rim/
noun
  1. 1. een band van leer of een ander materiaal
    opasek
  2. 3. hoeveelheid papier voor het drukken van 20 boeken, eerst 480 later 500 vellen
    rys
/rit/
noun
  1. 1. plantensoort
    rákos
  2. 2. onderdeel muziekinstrument
    rákosí
adjective
rákosová zelená
noun
2. drinkbuisje
slámka
noun
suiker, verkregen uit het sap van suikerriet
třtinový cukr
noun
1. karperachtige zoetwatervis
perlín
noun
rákosník proužkovaný
noun
1. een ondiepte in water, koraalbank, klip
útes
pronoun
1.
Riga
/rɛɪ̯/, /rɛː/
noun
  1. 2. een opeenvolging van elementen
    posloupnost
  2. 1. geordende opstelling van een aantal eenheden in één richting
    řada
/ˈrɛɪ̯bəˌwɛɪ̯s/, /ˈrɛɪ̯bəˌʋɛɪ̯s/, /ˈrɛːbəˌβ̞ɛːs/
noun
1. een officieel document waarmee de bezitter bevoegd is om een motorvoertuig te besturen
řidičský průkaz
/ˈrɛɪ̯də(n)/, /ˈrɛːdə(n)/
verb
  1. 3. zich voortbewegen op een rijdier (bijv. een paard)
  2. 1. zich verplaatsen met behulp van een voertuig
  3. 2. iemand met een voertuig ergens heen brengen
jet
pronoun
1.
Rijeka
/rɛɪ̯k/, /rɛːk/
adjective
1. veel geld en/of eigendommen hebbend
bohatý
/rɛɪ̯k/, /rɛːk/
noun
1. een staat of natie onder een vorst of heerser
říše
/ˈrɛik.dɔm/
noun
1. het bezitten van veel geld en goud
bohatství
noun
1. fraai uitgevoerde bol met bovenop een kruis die symbolisch de wereld voorstelt
královské jablko
noun
  1. 1. bevroren dauw
    námraza
  2. 1. gelijkheid van klank in een vers
    rým
/rɛɪ̯n/, /rɛːn/
pronoun
1. een van de langste en belangrijkste rivieren van Europa die op de grens ligt tussen Midden- en West-Europa.
Rýn
pronoun
Porýní
pronoun
Porýní-Falc
adjective
1. geschikt voor de oogst
zralý
noun
1. bevroren dauw
námraza
pronoun
1. stad in Noord-Frankrijk nabij de Belgische grens
Lille
/rɛi̯st/
noun
1. graan van het geslacht Oryza
rýže
noun
1.Aziatisch twee- of driewielig karretje voor personen vervoer
rikša
verb
chvět se
noun
1. een oppervlakkige vouw of golving, in het bijzonder van de menselijke huid
vráska
noun
  1. 1. cirkelvormig sieraad voor om de vinger
  2. 2. cirkelvormig voorwerp
  3. 5. ringweg
prsten
noun
1. een zangvogel uit de familie van mussen en sneeuwvinken
vrabec polní
noun
1. Natrix natrix
  1. užovka
  2. užovka obojková
noun
1. vierde vinger gerekend vanaf de duim
  1. prsteník
  2. prsteníček
noun
1. een vaak ondergronds kanaal voor de afvoer van drek
kanalizace
noun
1. een mogelijk gevaar voor schade
riziko
/rɪt/
noun
1. een reis in een voertuig
jízda
noun
1. een zich in de tijd herhalend patroon van geluiden
rytmus
noun
1. deel van een bandje of orkest dat het ritme van een muziekstuk aangeeft
rytmika
noun
2. ritssluiting
zdrhovadlo
adjective
obřad
/riːˈviːr/
noun
1. een natuurlijke waterstroom
  1. řeka
  2. rijeka
noun
1. bepaald soort slanke eetbare Euraziatisch zoetwatervis, Gobio gobio
hrouzek
noun
1. een soort kreeft die in riviertjes leeft
rak
/ˌritsoˈsfeːr/, /ˌritsoˈsfɪːr/
noun
1. gedeelte van de bodem waarin het ecosysteem onder invloed van plantenwortels staat
rhizosféra
noun
rubín
adjective
rubínová
/ˈro.bɔt/
noun
1. machine die beschikt over een stoffelijke vorm en een beslissingsmodel
robot
noun
1. muziek- en dansstijl
rock'n'roll
verb
1. op een vervelende manier over anderen praten
drbat
noun
červená řepa
noun
1.
červený trpaslík
pronoun
Červený kříž
noun
1. bepaald soort zoogdier, Lynx rufus
rys červený
noun
1. een alcoholhoudende drank die verkregen wordt door de gisting van rode druiven
červené víno
noun
1.
luňák červený
pronoun
1. langgerekte binnenzee, gelegen tussen Azië en Afrika
Rudé moře
noun
1. en 2. donkerrood sluitkoolgewas
červené zelí
noun
1. chemisch element met symbool Rh
rhodium
/ˈrubəl/
noun
rubl
noun
2. staaf
tyč
verb
1.zich met behulp van roeispanen in een boot ergens begeven
veslovat
noun
1. bepaalde soort kraaiachtige vogel, Corvus frugilegus
havran polní
adjective
1. zonder zorg over de gevolgen of het gevaar van een handeling
bezohledný
/ruˈmens/, /ruˈmeːns/
adjective
1. betreffende Roemenië of het Roemeens
  1. rumunský
  2. rumunština
/ruˈmens/, /ruˈmeːns/
pronoun
1. een Romaanse taal die wordt gesproken in Roemenië
  1. rumunština
  2. rumunský
/ruˈmeni.jə/, /ruˈmeːni.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Europa ten noorden van Bulgarije
Rumunsko
noun
roentgenium
/rup/
noun
1. een vrij harde klank geproduceerd met stemgeluid
křik
/'rupi/
noun
1.
rupie
/'rupɪŋ/
noun
1. een taak waarvoor een persoon zich verplicht voelt, vaak met religieuze invloed
poslání
noun
1. vlak waarmee gestuurd wordt
kormidlo
/ˈrur.bɑ.kə(n)/
verb
1. een kooktechniek voor het bereiden van voedsel in een wok
osmažit
/rurɛi/
noun
1. een gerecht van gebakken eieren en losgeklopte melk
míchaná vajíčka
verb
  1. 1. een vloeistof met een spaan in ronde beweging brengen
  2. 4. in opstand komen
míchat
noun
1. beweegbare, stoffelijke zaak
movitost
/rus/
noun
opojení
noun
1. geoxideerd ijzer
rez
verb
  1. 1. het langzaam oxideren van ijzerhoudende materialen
  2. 2. door roest vast gaan zitten
rezavět
/rut/
noun
1. koolstofneerslag die ontstaat door onvolledige verbanding van koolstofhoudende stoffen
saze
//
pronoun
1. een Slavische taal die gesproken wordt door Roethenen
rusínština
noun
1. benaming voor brede, platte vissen met een smalle staart uit de superorde Rajomorphii
rejnok
noun
1. en 2. (zaden van) plant Secale cereale
  1. žito seté
  2. žito
/ˈrɔɣəbrod/
noun
1. een van rogge gebakken brood
žitný chléb
noun
1. buis- of kegelvormig kledingstuk
sukně
noun
1. zet in een schaakspel
rošáda
/ˈroːkə(n)/
verb
  1. 2. nuttigen door het inhaleren van de rook ervan
  2. 1. rook afgeven
  3. 3. conserveren door langdurige blootstelling aan rook
kouřit
verb
1.1. het doen van een zet waarbij de koning en een toren elkaar passeren
provést rošádu
noun
sukničkář
verb
1. zich wentelend over een oppervlak bewegen
valit
noun
1. vervoermiddel voor mensen die slecht ter been zijn
invalidní vozík
noun
1. trap met bewegende treden
  1. eskalátor
  2. pohyblivé schody
noun
B 1. volk in Europa en Azië dat traditioneel een zwervend bestaan leidt
Rom
adjective
1.
románský
noun
1. een lang soort verhaal in boekvorm
román
/romaˈnɛs/
pronoun
Taal door veel zigeuners gesproken
cikánština
noun
1. (kool van) groentesoort Brassica oleracea convar. botrytis var. botrytis
romanesco
noun
1.
romantismus
adjective
romantický
/ˈro:mə/
pronoun
1. de hoofdstad van Italië
Řím
adjective
1. met betrekking tot Rome
římský
/roˈmɛɪnsə rɛɪk/
pronoun
1. een historisch rijk dat op zijn hoogtepunt de gehele Middellandse Zeeregio in handen had
Římská říše
noun
  1. blešák
  2. leší trh
noun
2. het gedeelte van een vliegtuig zonder vleugels en stabilo
trup
adjective
1. cirkelvormig
kulatý
noun
2. een wedstrijd in de vorm van een rondrit
kolo
verb
1. op een plaats langdurig verblijven zonder iets te doen te hebben
lelkovat
noun
oběžník
/ˈrɔnsəˌlə(n)/
verb
verbovat
/rod/, /rot/
adjective
1. de kleur rood hebbend
  1. červený
  2. rudý
/rod/, /rot/
noun
1. een primaire kleur zoals die van licht met een golflengte tussen de ca. 620 en 740 nm.
  1. červený
  2. červeň
noun
1. bepaald soort struik, Daphne mezereum
lýkovec jedovatý
adjective
červenavý
noun
2. bepaald soort vrij gedrongen vogeltje met opvallende bruinrode keel, Erithacus rubecula
červenka
adjective
červenohnědá
noun
1.
berneška rudokrká
pronoun
1. sprookjesfiguur
Červená Karkulka
adjective
červená lila
noun
hýl rudý
adjective
červeno oranžová
adjective
červenofialová
noun
1. exotische roof- en zoetwatervis die voorkomt in de wateren van de Benelux, Leuciscus aspius
bolen
/ˈrovdir/
noun
1. dier dat zijn prooi bejaagt en doodt
šelma
noun
1. benaming voor gewervelde waterdieren met kieuwen die hun prooi bejagen en doden
dravá ryba
/ˈroˌfoχɔɫ/, /ˈroːˌfoːɣəl/, /ˈroːˌvoːɣəl/
noun
1. eierleggend dier met veren, twee vleugels, twee klauwen en een snavel dat zijn prooi bejaagt en doodt
dravý pták
/roːk/
noun
1. damp, zichtbaar gas
  1. dým
  2. kouř
noun
1. een verbod om te roken
zákaz kouření
noun
1. de vette delen van melk waarvan boter gemaakt wordt
smetana
/roːs/
noun
1. bloem
růže
/'rɔskɑm/
noun
1. een grof soort kam die voor het verzorgen van paarden of het schoonmaken van andere borstels gebruikt wordt
hřeblo
adjective
rood, rossig (van haar)
zrzavý
pronoun
1.
Rostock
verb
1. vlas blootstellen aan fermentatie om het pectine te verwijderen dat de stengel samenhoudt
máčet
noun
2. bepaald soort vuurwerk dat na het aansteken van de lont wordt weggegooid en dan een harde knal geeft
petarda
noun
  1. 2. een rond, pleinvormig kruispunt van wegen
    kruhový objezd
  2. 1. een rond gebouw
    rotunda
noun
1. een grote ruwe steen
skála
/ˈrɔtstœʏn/, /ˈrɔtstœːn/
noun
1. een tuin met rotspartijen en rotsplanten
skalka
noun
1. Duits hondenras, stevig gebouwd, kortharig met brede kop, korte snuit en hangoren
rotvajler
noun
plánovač tras
noun
1. iemand die door geweldpleging iemand besteelt
  1. lupič
  2. zloděj
/roːzə/, /rɔːs/, /rɔːzə/
adjective
1. heel bleke of lichte rode kleur, met soms ook blauwe tinten
  1. karafiát
  2. růžový
noun
2. keukenkruid
  1. rozmarýn
  2. rozmarýna lékařská
noun
1. schijnvrucht van wilde rozen
šípek
noun
1. een gebedssnoer met 165 kralen
růženec
noun
1. kleine gedroogde vruchtjes van Vitis vinifera
hrozinka
/ˈrɵ.bər/
noun
  1. guma
  2. pryž
noun
1. Chemisch element
rubidium
noun
1. en 2. (bladeren van) eenjarige plant Eruca sativa
roketa setá
adjective
základní
/rɵx/
noun
1. zijde van de romp tegenover de buik en borst gelegen
  1. záda
  2. hřbet
noun
ragby
noun
páteř
noun
mícha
noun
opěradlo
noun
1. pijn in de rug
bolest zad
noun
  1. batoh
  2. ruksak
pronoun
1. een regio in de Duitse deelstat Noordrijn-Westfalen
Porůří
noun
1. traliewerk waarachter hooi ligt
jesle
/rœʏkə(n)/, /rœːkə(n)/
verb
  1. 2. een geur verspreiden
    1. cítit
    2. čichat
  2. 1. een geur waarnemen
    1. čichat
    2. cítit
/rœʏl/, /rœːl/
noun
výměna
noun
směnný obchod
noun
stuk gereedschap waarmee men een boorgat iets ruimer kan maken
výstružník
noun
3. heelal
  1. vesmír
  2. prostor
noun
1. vaartuig geschikt om zich buiten de aardse atmosfeer te begeven
kosmická loď
noun
kosmická stanice
/rœʏn/
noun
1. gecastreerde hengst
valach
noun
1. structuurloos en voortdurend geluid dat een continuüm van toonhoogten bevat
šum
noun
1. bepaald soort zoetwatervis die zich graag tussen het riet ophoudt, Scardinius erythrophtalmus
perlín ostrobřichý
noun
2. een vierhoek waarvan de zijden gelijk in lengte zijn
kosočtverec
noun
1. een apparaatje dat de ruiten van een auto automatisch wist met een bewegende arm met wisserblad
stěrač
noun
1. berijder van een rijdier
jezdec
noun
een sterkedrank die bereid wordt uit het sap van suikerriet
rum
/rʏnd/, /rʏnt/
noun
1. holhoornig herkauwend zoogdier
skot
/ˈrʏntfleːs/
noun
1. het vlees van een volwassen rund
  1. hovězí
  2. hovězí maso
/ˈrynə/
noun
1. een schriftteken van het Oud-Germaanse alfabet
runy
noun
1. vlinderlarve
housenka
noun
1. een inwoner van Rusland
Rus
/'rʏs/
noun
plant
sítina
noun
1. autoritaire nationalistische ideologie in Rusland
rašismus
pronoun
1. een soevereine staat met het Russisch als officiële taal die zich uitstrekt van het oosten van Europa tot het oosten van Azië
Rusko
/ˈrʏsis/
adjective
1. betreffende Rusland of het Russisch
  1. ruský
  2. ruská
  3. ruské
/ˈrʏsis/
pronoun
1. een Slavische taal die gesproken wordt in Rusland
  1. ruština
  2. ruský jazyk
/rɵst/
noun
  1. 2. tijdelijke toestand van ontspanning na arbeid, moeite of inspanning
    klid
  2. 6. steunpunt
    oddech
  3. 3. periode van weinig of geen activiteit
    odpočinek
    1. 5. moment van stilte in muziek
    2. 4. pauze in een wedstrijd
    pauza
  4. 1. voortdurende toestand van kalmte
    pohoda
verb
1. werk of andere activiteit staken om het lichaam in staat te stellen weer op krachten te komen
odpočívat
adjective
1. kalm, weinig sensorische prikkels creërend
klidný
noun
1. scheikundig element met symbool Ru en atoomnummer 44
ruthenium
noun
1. scheikundig element met symbool Rf en atoomnummer 104
rutherfordium
adjective
  1. 1. oneffen, niet glad
  2. 2. grof, onbesuisd
hrubý
/ryˈinə/
noun
1. een zeer vervallen gebouw
  1. zřícenina
  2. ruina
/ˌryiˈnerə(n)/
verb
  1. 1. helemaal kapotmaken
  2. 2. iemand financieel te gronde richten
  1. ruinovat
  2. zruinovat
/ru.ˈwɑn.da/, /ru.ˈʋɑn.da/, /ˈrβ̞ɑn.da/
pronoun
1. een land in Oost Afrika, officieel de Rwandese Republiek, dat geheel door land omsloten wordt
Rwanda
noun
1. scheikundig element met symbool Rg en atoomnummer 111
roentgenium
noun
1.
rentgen
/saɪ̯/, /saːɪ̯/
adjective
nudný
pronoun
1. zijrivier van de Moezel
Sára
pronoun
1.
Sársko
pronoun
Saba
noun
1. bepaald soort zoogdier, Marter zibellina
soboľ asijský
noun
1. een vijandige ingreep op zaken om deze te laten mislukken of te vernielen
sabotáž
verb
sabotovat
noun
sabotér
noun
sacharid
noun
1. caloriearme kunstmatige zoetstof die geen directe invloed heeft het bloedsuikergehalte
  1. sacharin
  2. cukerín
  3. zuckerin
noun
1. een disacharide, bestaande uit een glucose-eenheid en een fructose-eenheid
sacharóza
noun
1. plechtige gebeurtenis in de katholieke kerk
svátost
noun
1. een ruimte in een rooms-katholieke kerk, waarin men alles bewaart dat nodig kan zijn om een kerkdienst te houden.
sakristie
noun
sadismus
noun
1. iemand die bevrediging zoekt in het pijnigen van een ander
sadista
adjective
sadistický
noun
1. een kostbare, transparante blauwe edelsteensoort die een variant is van korund (α-Al₂O₃)
safír
adjective
safírová modrá
noun
1. specerij bereid uit de saffraankrokus Crocus sativus
šafrán
adjective
žlutá šafránová
/ˈsaɣə/
noun
pověst
pronoun
1. zandwoestijn in Noord-Afrika
Sahara
/sent.ˌvɪn.sɛnt.ɛn.də.χre.na.ˈdi.nəs/
pronoun
1. land in het Caraïbisch gebied
Svatý Vincenc a Grenadiny
pronoun
1. Duitse deelstaat
Sasko
pronoun
Sasko-Anhaltsko
noun
salát
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Caudata
salamandr
/ˈsalami/
noun
1. Italiaanse worst
salám
noun
gedroogde stukjes van de echte salie
šalvěj
pronoun
1. koning van Israël
Šalamoun
/ˈsa.lo.mɔns.ˌɛɪ̯.lɑn.də(n)/, /ˈsa.lo.mɔns.ˌɛː.lɑn.də(n)/
pronoun
1. land in Melanesië
Šalamounovy ostrovy
noun
1. een lage tafel die in een woonkamer staat
konferenční stolek
/sɑlpetər/
noun
1. een mineraal bestaande uit kaliumnitraat
ledek
noun
1. een sterk zure chemische verbinding met de formule HNO₃ of een waterige oplossing daarvan
kyselina dusičná
noun
1. scheikundig element met symbool Sm en atoomnummer 62
samarium
adverb
spolu
verb
1. meerdere uitgekozen zaken tot een geheel maken
složit
noun
2. verbinding van twee of meer zelfstandige woorden
složenina
verb
1. met een of meer aan hetzelfde werken
spolupracovat
noun
1. het samenwerken van meerdere personen
spolupráce
/sa.ˈmo.wa/
pronoun
1. een land in Oceanië ten noorden van Nieuw-Zeeland en ten oosten van Australië...
Samoa
pronoun
1. een taal die gesproken wordt door 370.337 mensen in Samoa, Amerikaans-Samoa, Fiji, Nieuw-Zeeland, Tonga en de Verenigde Staten
samojský
/ˈsɑmuˌrɑɪ/
noun
1. een lid van de vroegere Japanse krijgsstand
samuraj
pronoun
1. Baltische taal gesproken door 500 duizend mensen in Litouwen
žmudština
pronoun
Samuel
/ˌsan maˈrino/
pronoun
1. een dwergstaat in Italië met republikeinse staatsinrichting.
San Marino
/'sɑŋksi/
noun
1. strafmaatregel
sankce
/sɑnˈdal/
noun
1. schoeisel
sandál
noun
1. een bepaald houtsoort (Santalum album of verwante soorten)
santal
noun
1. een Spaanse licht-alcoholische drank
sangria
pronoun
1. klassieke taal en een van de officiële talen van India
sanskrt
/saʊ̯.to.ˌme.je̞n.prɪn.ˈtsi.pə/, /ˌsa.o.to.me.ʔɛn.ˈprɪn.si.pə/, /ˌsʌu.to.me.ɛn.ˈprɪn.si.pə/
pronoun
1. land en eilandengroep aan de westkust van Afrika in de Golf van Guinee
Svatý Tomáš a Princův ostrov
/sa.ˌu.di.ɑ.ˈra.bi.jə/, /zaʊ̯.di.ja.ˈra.bi.jə/
pronoun
1. en 2., land en staat in Azië
Saúdská Arábie
noun
1. plantenvocht
  1. džus
  2. šťáva
noun
1. soldaat die loopgraven maakt
ženista
adjective
1. vol met sap
šťavnatý
noun
1. plant die van organisch afval leeft
saprofág
noun
1.
sarkasmus
adjective
1.
sarkastický
noun
1. een stenen doodskist
sarkofág
noun
sarkom
noun
1. klein zilverkleurig haringachtig visje, Sardina pilchardus
sardinka
noun
1. straalvinnige visSardina pilchardus, uit de familie van haringen
sardinka obecná
noun
1. een Italiaans eiland in de Middellandse Zee
Sardinie
/sɑr'donis/
adjective
1. op een bittere manier grijnzen of lachen
sardonický
/ˈsatɑn/
pronoun
Satan
noun
1. aanbidding van Satan
satanismus
/sɑtɛ'lit/
noun
družice
noun
1. een weefsel vervaardigd met een weeftechniek, waarbij de kruispunten van de ketting-...
ledňák
noun
satira
pronoun
1.
  1. Saturn
  2. Saturnus
/saˌudiaˈrabijə/
pronoun
1. en 2., land en staat in Azië
Saúdská Arábie
/saˈul/
pronoun
2. jongensnaam
Saul
/'saʊna/
noun
1. een ruimte waarvan de temperatuur verhoogd wordt, zodat het lichaam begint te zweten (een zweetbad)
sauna
/sɑu̯s/
noun
1. een vloeibare substantie die meestal over een gerecht wordt gedaan voor extra smaak
omáčka
/ˈsa.va/
pronoun
1. een rivier in Zuidoost-Europa met een lengte van 940 km.
Sáva
noun
1. een grasland met verspreid voorkomende bomengroei
savana
noun
1. en 2. (bladeren van) Brassica oleracea convar. capitata var. sabauda)
hlávková kapusta
/sɑkso'fon/
noun
1. een metalen blaasinstrument met een enkel riet
saxofon
/skɑn.ˈdeː.rə(n)/, /skɑn.ˈdɪː.rə(n)/
verb
2. ritmisch declameren met één sterke nadruk per versvoet.
skandovat
pronoun
1. Denemarken, Noorwegen en Zweden.
Skandinávie
noun
1. scheikundig element met symbool Sc en atoomnummer 21
skandium
noun
skener
noun
1. sierlijk bewerkte staf, symbool voor het gezag van een regerende vorst
žezlo
/ˈskɛptɪs/
adjective
1. geneigd tot twijfel
skeptický
noun
1. een werktuig om hout glad, vlak of dunner te maken
hoblík
noun
3. machine voor het bewerken van metaal
obrážečka
noun
odřenina
interjection
šach
noun
2. het schaakspel als zodanig
šachy
/ˈsxagbɔrt/, /ˈsχagbɔrt/
noun
1. een vierkant bord met 64 donkere en lichte vakjes waarop schaak gespeeld wordt
šachovnice
adverb
mat
noun
1. een spel met verschillende stukken op een schaakbord
šachy
/ˈsxakstʌk/
noun
1. een onderdeel van het schaken dat over het schaakbord bewogen wordt.
šachová figurka
noun
  1. 3. verhouding van de grootte tussen een model en een echt voorwerp
  2. 4. bepaalde ijking op een grafiek, as of eenheid
měřítko
/sxaːldir/
noun
1. een dier met een schaal als uitwendig skelet
korýš
noun
1.
stydká kost
noun
1. kleine parasieten die voorkomen in het schaamhaar, maar ook op wimpers...
  1. filcka
  2. veš muňka
/'sxa:m.tə/
noun
1. eerste betekenisomschrijving
stud
adjective
1. zonder schaamte
bezostyšný
noun
1. Ovis aries, een holhoornige herkauwer waarvan de gedomesticeerde soort wol levert
ovce
noun
  1. 3. grijporgaan van sommige schaaldieren en spinachtigen
    klepeto
  2. 1. werktuig om te knippen
    nůžky
adjective
1. weinig in aantal of hoeveelheid
vzácný
/'sxarstə/
noun
1. eerste betekenisomschrijving
nedostatek
noun
1. een ijzer dat onder de schoenen wordt gebonden of aan de schoenen is vastgemaakt, om zich daarmee over het ijs te verplaatsen
brusle
verb
1. zich voortbewegen op schaatsen
bruslit
noun
2. bepaald soort insect, Gerris lacustris
vodoměrka
noun
1.
bruslař
/ˈsxɑxt/
noun
1. (holle) buis
dřík
noun
1. geheel van beschadigingen
škoda
/ˈsxadələk/
adjective
1. schade toebrengend
škodlivý
/ˈsxaː.dyu̯/
noun
1. een slechts door indirect zonlicht beschenen oppervlak
stín
verb
1. iemand ongemerkt volgen
sledovat
noun
vypínač
noun
1. een sedimentair gesteente
břidlice
verb
1. blaasinstrument met een rechte conische boring en een los dubbel riet dat de toon vormt
šalmaj
/ˈsxaː.mə(n)/, /ˈsχa.mə(n)/
verb
1. schaamte voelen
hanbit
verb
1.
škrábnout
noun
1. een zaak die iemand in opspraak brengt en waarvan mensen schande spreken
skandál
noun
1. iets wat bij het publiek minachting oproept, iets oneervols
hanba
noun
1. een paal op een plein, waaraan mensen bij wijze van straf werden vastgemaakt om vernederd...
pranýř
noun
  1. 1. (militair) in het veld opgeworpen versterkingswerk
  2. 4. (sport) springschans
hradba
noun
1. een wintersport waarbij op skis van een helling (de schans) gesprongen wordt. Het doel daarbij is om zowel zo ver als zo mooi mogelijk te springen
skoky na lyžích
noun
1. een plank om iets op te zetten
police
/sxɑrˈnir/
noun
1. draaiverbinding
pant
noun
3. vogel uit de familie van de scharrelaars
mandelík hajní
noun
  1. 1. verzamelde rijkdom
    poklad
  2. 2. lieverd
    zlato
/'sxɑtə(n)/, /'sχɑtə(n)/
verb
2. benaderen van een waarde door berekening
odhadnout
adjective
1. leuk, aardig, enig
roztomilý
verb
1. gladmaken door middel van een schaaf.
hoblovat
noun
1. een stellage voorzien van een galg of een valbijl waar veroordeelden terechtgesteld worden
šibenice
noun
1. houder waarin men een zwaard of mes kan steken
pochva
/'sχedəl/
noun
lebka
/sxeːf/
noun
1. afvaldeeltje van de houtpijp
pazdeří
/sxeːl/
adjective
1. het gebrek hebbend dat de oogassen niet op eenzelfde punt gericht kunnen worden
šilhavý
noun
1. voorkant van het onderbeen van de mens tussen de knie en de enkel
holeň
/ˈsxenben/
noun
holeň
noun
plavčík
noun
1. (scheepvaart) een werkgebied
loděnice
/ˈsxɪːrkʋɑst/
noun
1. een dikke kwast waarmee men scheerzeep aanbrengen
štětka na holení
/sxeːrmɛs/, /sχɪːrmɛs/
noun
1. een bijzonder scherp mes waarmee men zich kan scheren
břitva
noun
  1. 1. het uiteenhalen van iets in zijn onderdelen
  2. 2. de lijn aan weerszijden waarvan haar naar de ene of de andere kant valt
separace
/'sxɛɪtsrɛxtər/
noun
1. iemand die tijdens een spel de spelregels toepast
rozhodčí
noun
1. wetenschap die zich bezig houdt met de studie van de samenstelling en de bouw van de stoffen
chemie
adjective
1. dat wat tot de scheikunde behoort, volgens de scheikunde
chemický
noun
chemik
adjective
ječivý
/ˈsχɛldə/
pronoun
1.een rivier die ontspringt in de gemeente Gouy in noordelijk Frankrijk
Šelda
/'sxɛltwoːrt/
noun
1. een term die bedoeld is om iets of iemand te beledigen
nadávka
/sxɛlp/
noun
1. een uit kalk gewoonlijk uitwendig skelet, dat door een weekdier wordt aangemaakt
krunýř
noun
1. bepaald soort kabeljauwachtige consumptievis, Melanogrammus aeglefinus
treska skvrnitá
noun
schéma
noun
2. de tijd van de dag waarop het licht dan wel donker wordt
soumrak
/sxɛndə(n)/
verb
1. iets niet in acht nemen
porušit
pronoun
Schengen
noun
1. lepelvormig werktuig
lopata
noun
1. iets nieuws dat uit het niets gemaakt is
stvoření
/sxeːrə(n)/, /sχɪːrə(n)/
verb
  1. 1. baard afsnijden
  2. 2. zich de baard kort afsnijden
  1. holit
  2. oholit
/sxɛrf/, /sχɛrf/
noun
1. een onregelmatig gevormd stuk materie dat deel heeft uitgemaakt van een groter geheel
střep
noun
1. verticale draden van het weefgetouw
osnova
/sxɛr'mɵʦəlɪŋ/
noun
  1. půtka
  2. šarvátka
adjective
1. goed snijdend
ostrý
noun
ostrostřelec
adjective
mazaný
noun
1.
nýmand
noun
náčrt
noun
1. tekenboek
skicák
verb
  1. 1. met een minimum van pennenstreken een voorlopige en gewoonlijk uitwisbare afbeelding van iets maken
  2. 2. in overdrachtelijke zin: een korte maar rake beschrijving van iets geven
naskicovat
/sxøːr/, /sχʏːr/
noun
1. een kloof in een vlies of weefsel
trhlina
noun
1. ziekte ten gevolge van ascorbinezuurdeficiëntie
  1. skorbut
  2. kurděje
/sxʏːrə(n)/
verb
1. in twee of meer delen trekken
roztrhnout
adverb
  1. skoro
  2. téměř
noun
1. een landmassa die voor het grootste deel door water omgeven wordt, en slechts op (relatief) smalle verbinding heeft met het vasteland.
poloostrov
pronoun
Schiermonnikoog
/ˈsxi.tə(n)/, /ˈsχi.tə(n)/
verb
1. een projectiel afvuren met een wapen
  1. střelit
  2. střílet
noun
1. een draad met loden balletje om de loodrechte stand van iets te onderzoeken
olovnice
noun
1. een confrontatie waarbij partijen elkaar beschieten
střelba
/sxɛi̯f/
noun
1. plat en rond voorwerp
plátek
noun
1. een rem, waarbij op de as van het af te remmen toestel een schijf meedraait, die door middel van remblokken afgeremd kan worden.
kotoučová brzda
verb
3. straling uitzenden
svítit
/sxɛɪ̯nˈhɛɪ̯lɪx/, /sxɛːnˈhɛːləx/, /sχɛɪ̯nˈhɛɪ̯ləχ/
adjective
1. tegen beter weten in de schijn van goedheid of onschuld ophoudend
bigotní
/sxɛɪt/
noun
1. vaste uitwerpselen
hovno
/sxɛɪtə(n)/, /sxɛːtə(n)/, /sχɛɪtə(n)/
verb
1. poepen
srát
noun
1. buitenste bekleding van een vrucht
kůra
/sxɪlt/
noun
1. (militair) een voorwerp dat als afweer tegen de aanval van de vijand voor zich gehouden wordt
štít
noun
1. een kunstenaar die geschilderde afbeeldingen maakt
malíř
verb
  1. 1. een kunstwerk vervaardigen door met verf een beeld op een oppervlak te maken
  2. 2. een bouwwerk of voorwerp van een beschermend laag verf voorzien
  3. 1-2.
malovat
/ˌsxɪldə'rɛː/, /ˌsχɪɫdə'rɛɪ/
noun
1. een met verf op doek of andere achtergrond gemaakte afbeelding
malba
noun
1. Unio pictorum
velevrub malířský
noun
1. een van beide figuren -menselijk of anderszins- die het wapen flankeren
štítonoš
/sxɪldkliːr/, /sxɪɫtkliːr/, /sχɪɫtkliːr/
noun
1. klier
štítná žláza
noun
štolba
noun
1. orde van reptielen waarvan het voornaamste kenmerk is dat het lichaam omsloten wordt door een verhard rug- en buikschild
želva
noun
1. een band langs de omtrek van een wapenschild
lem
verb
1. de schil van een vrucht verwijderen
loupat
noun
1. Oostenrijkse munt
šilink
noun
  1. 1. paardenras met een grotendeels witte vacht met fijne grijze of blauwige tekening
  2. 2. zwamsoort of substantie die op dode of levende organismen groeit.
plíseň
noun
1. ziekte door schimmels
mykóza
noun
2. rijk binnen de eukaryoten, Fungi
houba
noun
  1. 1. groot zeewaardig vaartuig
  2. 2. grootste ruimte in de lengterichting van een kruiskerk
loď
/sxɪbrøk/
noun
1. een gebeurtenis waarbij een schip zinkt of op de klippen loopt
ztroskotání
noun
1. gesteente
svor
noun
1. een chronische geestesziekte met perioden van verwardheid en psychose
schizofrenie
noun
1. gepaneerd kalfsvlees
řízek
noun
1. alles wat men om de voeten heen kan dragen, zoals schoenen en laarzen
obuv
/sxun/
noun
1. voetbekleedsel
bota
noun
1.
člunozobec africký
noun
1. een 18e eeuws langsgetuigd zeilschip met oorspronkelijk 2, maar later ook meer masten
škuner
noun
švec
noun
1. veter om een schoen of laars dicht te rijgen
tkanička
/ˈsxɔfəl/, /ˈsχɔfəɫ/
noun
1. een horizontaal liggend scherp geslepen mes van staal dat bevestigd is aan een houten steel
motyka
noun
1. schouder van paard of rund
kohoutek
noun
1. mechanisme om schokken te dempen
tlumič
noun
1. heftige uitwerking
dopad
noun
1. bepaald soort platvis, Pleuronectus platessa
platýs evropský
noun
1. zwart-witte waadvogel met luide roep, Haematopus ostralegus
ústřičník
noun
1. iemand die basisonderwijs of voortgezet onderwijs volgt
žák
noun
1. een hangend speeltuig bestaande uit touw en een zitje, vooral gebruikt in kinderspeeltuinen
houpačka
verb
1. op een schommel heen en weer bewegen
houpat se
noun
fluktuace
/ˈsxɔməlstul/
noun
1. een stoel, gewoonlijk op gebogen staanders, waarop men heen en weer kan schommelen
houpací křeslo
noun
1. samengebonden bundel halmen
snop
/sxoːl/, /sxoːɫ/, /sχoːɫ/
noun
  1. 1. een onderwijsinstelling waar les wordt gegeven aan leerlingen
  2. 2. een zwemmende groep gelijksoortige vissen
škola
/ˈsxoːl.tɑs/
noun
aktovka
/ˈsxombruːr/
noun
1. de echtgenoot van iemands broer of zus, of de broer van iemands echtgenoot of echtgenote.
švagr
noun
1. de vrouw van een zoon of dochter
snacha
/ˈsxoːn·hɛɪt/
noun
1. de hoedanigheid prachtig en aantrekkelijk te zijn
krása
noun
1. klein foutje
nedokonalost
noun
soutěž krásy
/ˈsxonmudər/
noun
1. de moeder van de huwelijkspartner
  1. tchyně
  2. tchýně
noun
1. de vader van de huwelijkspartner
tchán
noun
1. de man van een dochter of zoon
zeť
noun
1. rookkanaal boven een stookplaats
komín
noun
1. een persoon wiens werk het verwijderen van roet uit schoorstenen is
kominík
/sxot/, /sχot/
noun
1. de bovenkant van de dijen van iemand die zit
klín
noun
1. graafwerktuig
lopata
/'sxɔ.pə(n)/
noun
1. kaartkleur
piky
pronoun
2. teken van de dierenriem van 23 oktober tot 22 november
Štír
noun
1. spinachtige met scharen en gifstekel
štír
noun
1. een lap stof die voorgebonden wordt gewoonlijk rond de middel om de kleding te beschermen ...
zástěra
noun
1. een persoon afkomstig uit Schotland
Skot
noun
  1. 2. tussenwand
    deflektor
  2. 1. afvuren
    panák
noun
3. kop en schotel
podšálek
/ˈsxɔtlɑnt/, /ˈsçɔtlɑnt/
pronoun
1. deel van het Verenigd Koninkrijk
Skotsko
/ˌsxɔts.ɣa.ˈe.lis/, /ˌsxɔts.ɣa.ˈe.lɪs/, /ˌsχɔts.χa.ˈe.lis/
pronoun
1. Keltische taal die door ongeveer 60.000 personen wordt gesproken op de Schotse eilanden ...
skotská gaelština
noun
1. deel van romp tussen arm en hals
rameno
noun
1. het vlakke driehoekige bot dat de achterzijde van de schouder vormt
lopatka
verb
škrábat
/sxreu̯/, /sχrɪːu̯/
noun
1. een luide (uit)roep
výkřik
/ˈsxreːʋə(n)/
verb
1. luid en geforceerd gebruiken van het stemgeluid
křičet
/srɪft/, /sxrɪf/, /sxrɪft/
noun
    1. 3. de letter- en cijfertekens van een taal
    2. 4. de lettersoort gebruikt in boeken, teksten en inscripties
    písmo
  1. 1. een dun boekje met lege bladzijden om in te schrijven
    sešit
/ˈsrɛɪ̯də(n)/, /ˈsxrɛɪ̯də(n)/, /ˈsxrɛːdə(n)/
verb
1. bedachtzaam en statig lopen
kráčet
noun
1. een mechanisch apparaat, voorzien van druktoetsen waarmee schrifttekens op papier gezet kunnen worden
psací stroj
/ˈsrɛɪ̯fstər/, /ˈsxrɛɪ̯fstər/, /ˈsxrɛːfstər/
noun
1. een persoon van het vrouwelijk geslacht die op professionele manier boeken of verhalen schrijft
spisovatelka
/'srɛɪ̯fʋɛɪ̯zə/, /'sxrɛɪ̯fwɛɪ̯zə/, /'sxrɛːfβ̞ɛːzə/
noun
1. spelling
pravopis
/sxrɛɪn/, /sçrɛːn/
noun
kistje
svatyně
/ˈsxrɛ(i)və(n)/
verb
1. tekst in tekens vastleggen
psát
/ˈs(x)rɛɪvər/
noun
2. een persoon die beroepsmatig schrijft
spisovatel
noun
přestupný den
noun
1. een jaar met 366 dagen
přestupný rok
noun
1. voorwerp dat wordt gebruikt om andere voorwerpen vast te zetten
šroub
noun
1. een werktuig om schroeven vast of los te draaien
šroubovák
/sxʏp/
noun
1. een van meerdere overlappende plaatjes van keratine die aan een kant vastzitten...
šupina
adjective
nesmělý
verb
1. snel heen en weer bewegen om iets te mengen
třást
noun
  1. šuplera
  2. šupléra
/sxʌʏm/
noun
1. iets dat veel luchtbellen bevat
pěna
adjective
  1. 2. betrekking hebbend op seks
    oplzlý
  2. 1. niet-loodrecht
    šikmý
noun
lomítko
noun
  1. 1. een geldbedrag dat ondanks de verplichting daartoe niet betaald wordt
    dluh
  2. 2. een verantwoordelijkheid die iemand wordt toegeschreven voor een laakbare gebeurtenis of toestand
    vina
noun
1. iemand aan wie iemand iets (meestal geld) verschuldigd is
věřitel
/'sxɵldəx/
adverb
vinen
/sxyrə(n)/
verb
1. een oppervlak glad maken door wrijving met een ruw oppervlak van grotere hardheid
drhnout
/sxɵrft/
noun
1. een huidaandoening veroorzaakt door de schurftmijt
prašivina
/sxɵrk/
noun
1. persoon die kwaad in de zin heeft en/of bedrijft
padouch
noun
2. een blad dat in de oksel van een bloem of bloeiwijze onmiddellijk daaronder staat
listen
/sxyːr/, /sχyːr/
noun
1. een opslagplaats voor veldvruchten en gereedschappen
stodola
pronoun
1.
Schwerin
noun
1. ziekelijke verharding
skleróza
noun
1. een zijdelingse verkromming van de rug (wervelkolom), waardoor één of twee bochten ontstaan
skolióza
verb
bodovat
noun
1. scouting
skauting
/ˈskrɪp.si/
noun
1. een werkstuk over een (literatuur-) onderzoek dat gemaakt wordt om een opleiding te kunnen voltooien
diplomová práce
verb
1. scrollen
skrolovat
noun
scéna
noun
1. scheikundig element met symbool Sg en atoomnummer 106
seaborgium
noun
  1. 1. omgekeerde van de cosinus
  2. 2. lijn die een kromme op twee punten snijdt
sečna
noun
  1. 1. SI-grondeenheid van tijd
  2. 5. een interval met een toonafstand
  1. sekunda
  2. vteřina
noun
1. schrijfmeubel met laatjes
sekretář
noun
1. hoge functionaris binnen grote organisaties, zoals de Verenigde Naties, NAVO, FIFA
generální tajemník
noun
1. afscheiding
sekrece
noun
1. het verlagen van de staat van het bewustzijn van een patiënt met het doel een medische procedure of ingreep aangenamer te maken
sedace
adjective
usedlý
pronoun
Sedna
pronoun
Sofoniáš
/sɛɪn/
noun
3. een verkeerslicht of verkeersbord voor treinen
návěstidlo
pronoun
1. een rivier in Frankrijk
Seina
noun
1. een toestel dat beweging en of trillingen van de aardkorst waarneemt en registreert
seismograf
noun
1. de wetenschap van de aardbevingen
seismologie
/sɛɪ̯.ˈzun/, /sɛː.ˈzun/
noun
  1. 1. elk van de vier periodes waarin het jaar verdeeld wordt
    1. období
    2. roční období
  2. 2. een jaarlijks terugkerende periode
    sezóna
/sɛks/
noun
2. geslachtsgemeenschap
sex
noun
1. sekse
pohlavnost
noun
  1. sexismus
  2. sexizmus
adjective
1.
sexistický
noun
sexualita
/sɛksy'el/
adjective
1. op de geslachtsdrift betrekking hebbend
pohlavní
/ˌsɛksʏwolo'ɣi/
noun
sexuologie
/ˈsɛktə/
noun
1. religieuze groepering die opziet naar een bepaald mens als leider
sekta
noun
1. bepaald soort plant, Apium graveolens
celer
noun
zaškrtávací pole
noun
1. Scheikundig element met symbool Se en atoomnummer 34
  1. selen
  2. selenium
noun
  1. selen
  2. selenium
/sɛlfi/
noun
1. een foto die iemand van zichzelf heeft genomen
selfíčko
pronoun
Sellafield
noun
1. taalkunde
sémantika
/se'mɑntis/
adjective
1. de semantiek betreffend
sémantický
noun
een half jaar
  1. pololetí
  2. půlrok
noun
sémiotika
adjective
1.
semitský
noun
senát
noun
senátor
/ˈse.ne.ˌɣɑl/, /ˈse.ne.ˌχɑɫ/
pronoun
1. land in West-Afrika
Senegal
/seˈnil/
adjective
1. aan de ouderdom eigen, door de ouderdom afgetakeld
senilní
noun
1. sterke beroering door een verrassend voorval of bericht
senzace
noun
separatismus
adjective
sépiová hnědá
noun
1. een gehydrateerd magnesium-silicaat met de chemische formule Mg₄Si₆O15·6(H₂O), een fylosilicaat dat behoort tot de mica's.
mořská pěna
noun
1. ernstige onstekingsreactie
otrava krve
noun
1. negende maand van het jaar
září
adjective
1.vredig en kalm
klidný
noun
1. muzikaal eerbetoon
serenáda
noun
1. het helder en kalm zijn
klid
noun
1. een rang onder de onderofficieren
četař
noun
1. serialisme
serialismus
noun
1. een aantal elementen op volgorde
série
adverb
1. ernstig
seriózní
/sə.'rɪŋ/
noun
1. boomsoort met welriekende bloesem, meest paars of wit in de vorm van een kaars
šeřík
noun
1. een slang
had
noun
1. glazen veranda
zimní zahrada
noun
1. de vloeibare stof die overblijft als bloed is gestold
sérum
noun
1. een computer die of computerprogramma dat diensten verleent aan andere programma's
server
/sɛrˈvɛt/
noun
1. een doek die men aan tafel gebruikt om er de mond en vingers mee af te vegen
ubrousek
/ˈsɛrvis/, /ˈsɛrvɪs/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Servië
  1. srbský
  2. srbština
/ˈsɛrvi.jə/
noun
1. een land in Zuidoost-Europa.
Srbsko
/ˈsɛrvi.jər/
noun
1. een inwoner van Servië, of iemand afkomstig uit Servië
Srb
/sɛrvoːkroːˈaːtis/
pronoun
srbochorvatština
noun
1. een uit Afrika afkomstige plant uit de familie Pedaliaceae
sezam
noun
1. verzameling
sada
noun
1. hoekmeetinstrument
sextant
/se.ˈʃɛ.lə(n)/, /sɛɪ̯.ˈʃɛ.lə(n)/
pronoun
1. een land in de Indische Oceaan, officieel de Republiek der Seychellen
Seychely
noun
1. het geheel van gedachten en gevoelens die de gemoederen in een bepaalde omgeving bezighouden
atmosféra
noun
1.
sfinga
/ˈʃɑm.po/
noun
1. product, meestal in vloeibare vorm, dat bedoeld is om het haar te wassen.
  1. šampón
  2. šampon
noun
1. een vorm van software die zonder of met weinig restricties verspreid mag worden,...
shareware
noun
1. een Spaanse versterkte wijn
šery
noun
1.
houževnatec jedlý
noun
šintoismus
/ʃɔk/
noun
1. een toestand die ontstaat door acute te geringe bloedtoevoer naar weefsels door ondervulling van het slagaderlijk systeem
šok
noun
1. een schaatsdiscipline waarbij op een baan van 111,12 meter op diverse afstanden geschaatst wordt door meerdere rijders tegelijk
rychlobruslení na krátké dráze
abbreviation
1. Internationaal Stelsel van Eenheden
Soustava SI
noun
salašník
pronoun
Sibiř
adjective
2. zeer onduidelijk
Sibylin
pronoun
1. Romaanse taal die wordt gesproken door 10 miljoen mensen op Sicilië, in Zuid-Calabrië en Salento
sicilský
/sɪˈsɪlɪʲə/
pronoun
Italiaans eiland ten zuiden van het Italiaanse schiereiland
Sicílie
noun
1. bepaald soort grote, palingachtige vis die zware stroomstoten kan afgeven, Electrophorus electricus
paúhoř elektrický
verb
zdobit
/ˌsʲɛ.rɑ.le.ˈjo.ne/, /ˌʃæː.ra.le.ˈjo.nə/, /ˌʃɛ.ra.le.ˈjo.nə/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Sierra Leone
Sierra Leone
noun
doutník
/sɪɣɑˈrɛt/, /sɪʝɑˈrɛt/
noun
in papier gerolde tabak
cigareta
noun
1.
sigma
adjective
signální modrá
adjective
signální hnědá
adjective
signální žlutá
adjective
signální šedá
adjective
signální zelená
adjective
signální oranžová
adjective
fialová signální
adjective
signální bílá
adjective
signální černá
/ˈsɪkəl/
noun
1. maaiwerktuig met halvemaanvormig lemmet
srp
/siˈleziˌʲə/
pronoun
1. een historische regio in Midden-Europa
Slezsko
noun
1. afbeelding van een ondoorzichtig object dat sterk contrasteert met de achtergrond en zo een duidelijke vorm heeft, maar verder egaal van kleur is
silueta
noun
křemičitan
noun
1. Scheikundig element met symbool Si en atoomnummer 14
křemík
noun
1. organische silicium verbinding
silikon
verb
předstírat
noun
1. Vrucht van de sinaasappelboom
pomeranč
pronoun
1. een taal die ontworpen is door J. R. R. Tolkien en gebaseerd is op het Welsh
sindarština
pronoun
1.
Sindelfingen
noun
1. makkelijk baantje, taak
trafika
/sɪŋ.(g)ɣa.poːr/, /sɪŋ.gɑ.poːr/, /sɪŋ.gɑ.po̝ːr/
pronoun
1. een stadstaat in Zuidoost-Azië
Singapur
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Sinsheim
/ˌsɪntøˈsta(t)sijʏs/
pronoun
Svatý Eustach
/sɪnt.'maːr.tən/
pronoun
1. eiland in het noordoostelijke gedeelte van de Caraïbische Zee
Svatý Martin
pronoun
Svatá Helena
noun
třezalka tečkovaná
pronoun
1.
Řeka svatého Vavřince
pronoun
1. een stad in Rusland, het voormalige Leningrad
  1. Petrohrad
  2. Sankt Petěrburg
noun
sinus
noun
1. een toestel om een akoestisch alarmsignaal weer te geven
siréna
pronoun
1. Sirius
Sirius
noun
1. een instrument dat rinkelende geluid voortbrengt
sistrum
noun
1.
sitár
/sity'waː(t)si/
noun
1. hoe de zaken er voorliggen
situace
noun
1. een langwerpige lap stof die om de hals gedragen wordt
šál
verb
1. op minder fatsoenlijke manier handel drijven
melouchařit
noun
1.
šach
noun
1. een kleine uiensoort
šalotka
noun
1. aan een spit geroosterde stukjes vlees en paprika
šašlik
/'ʃɛkɛl/
noun
1.
šekel
noun
1. een brede, gekleurde band die vaak gedragen wordt als een waardigheidsteken
šerpa
noun
Ší'itský islám
/ˈʃɪksə/
noun
1.
šikse
/ʃul/
noun
synagoga
noun
skateboard
noun
1. samenstel van onderdelen dat het lichaam stevigheid geeft
kostra
noun
lyže
noun
1.
scink
verb
1. zich over sneeuw voortbewegen op twee aan de voeten bevestigde lange latten
lyžovat
/ˈskɔp.jə/
pronoun
1. de hoofdstad van Noord-Macedonië
Skopje
noun
  1. 1. plant van de soort Lactuca
    locika
  2. 2 en 3. (bladeren van) Lactuca sativa
    1. locika salátová
    2. locika setá
/slaːf/
noun
1. een persoon die het bezit is van een ander
otrok
verb
  1. 1. een klap uitdelen; met de arm of een vastgehouden voorwerp een snelle, rakende beweging maken
  2. 2. het voorbrengen van geluid door ergens op te slaan
bít
/slap/
noun
  1. 1. periode van inactiviteit
    spánek
  2. 3. zijvlak van het hoofd
    1. spánek
    2. skráň
noun
1. een kamer die hoofdzakelijk gebruikt wordt om in te slapen
ložnice
noun
  1. spacák
  2. spací pytel
/slɑxtə(n)/
verb
1. een dier doden voor het vlees of als offer
porazit
noun
řezník
noun
1. slachthuis
řeznictví
noun
2. iets of iemand die kwalijke gevolgen ondervindt van een gebeurtenis
oběť
noun
2. het opzettelijk doen belanden van een hand of een voorwerp op iemand
rána
noun
1. een ader die van het hart af stroomt
tepna
/ˈslɑxbom/, /ˈslɑçbom/
noun
balk die dwars over een weg kan worden neergelaten als afsluiting
hraniční závora
noun
1. een verkoper van vlees
řezník
noun
1. groot scherp mes gebruikt om stukken vlees af te snijden van een geslacht dier
řeznický nůž
noun
1. slagpen
zápalník
noun
šlehačka
noun
1. groot schip met zware bewapening
bitevní loď
noun
1. buitengewoon lange tand van bepaalde soorten zoogdieren
kel
/ˈslaxfɛlt/
noun
1. een gebied waarop een militair treffen tussen twee legers plaatsvindt of plaatsgevonden heeft
bojiště
noun
2. een onoplosbaar afvalproduct bij het smelten van metaal
struska
noun
1. benaming voor geschubde dieren met langgerekt lijf en een vaak glad lichaam zonder ledematen, die de onderorde Serpentes vormen
had
adjective
1. met de vorm of het gedrag van een langgerekt reptiel zonder poten
hadovitý
noun
hadí jed
adjective
štíhlý
adjective
bezesný
noun
  1. nespavost
  2. insomnie
verb
1. in een toestand van lichamelijke rust verkeren
  1. spánek
  2. spát
/ˈsla.pə.rəx/, /ˈsla.pə.rəχ/, /ˈsla.pə.rɪx/
adjective
1. behoefte tot slaap vertonend
ospalý
/ˈsla.pə.rəx.ˌɦɛːt/, /ˈsla.pə.rəχ.ˌɦɛɪ̯t/, /ˈsla.pə.rɪx.ˌhɛɪ̯d/
noun
2. de neiging te gaan slapen
ospalost
/ˈslaː.və(n)ˌsxɪp/
noun
otrokářská loď
noun
1.
otrokářství
adjective
slovanský
pronoun
Slovan
pronoun
1.
Slavonie
/slɛçt/
adjective
1. niet goed
špatný
adjective
hůř
adverb
1. alleen maar, vervoeging van slecht
jen
noun
1. Falco peregrinus, een roofvogel en de snelst vliegende vogel ter wereld
sokol stěhovavý
noun
1. een voertuig dat wordt voortgetrokken en dat voorzien is van twee glijders
saně
noun
1. bepaald soort plant met blauwe vruchten, Prunus spinosa
trnka
noun
1. een krachtige boot die andere vaartuigen versleept
remorkér
pronoun
Šlesvicko-Holštýnsko
verb
1. (langzaam) ergens heen lopen, futloos of lusteloos
vléci se
verb
1. trekkend over de grond of het wateroppervlak verplaatsen
táhnout
/sløːtəl/, /sløːtəɫ/, /ˈslø.tɔɫ/
noun
  1. 1. werktuig om te (ont)sluiten
  2. 4. een aanwijzing of code waarmee een raadsel kan worden opgelost, een geheim(schrift) ontcijferd, een cijferslot geopend of toegang kan worden verkregen
  3. 3. een voorwerp bedoeld om er een mechaniek zoals van een klok of speeldoos mee op te winden, een kraan open te draaien e.d.
klíč
noun
1. het bot dat het borstbeen met de schouder verbindt
klíční kost
/ˈsløtəɫˌbɔs/
noun
1. aantal sleutels dat aan eenzelfde ring of band hangt
svazek klíčů
/ˈsløtəɫχɑt/, /ˈsløːtəlɣɑt/
noun
1. een gat in een slot waardoor een sleutel moet worden gestoken om hem te openen
klíčová dírka
/ˈsløtəɫˌɦɑŋər/
noun
1. ring om sleutels aan te hangen, vaak voorzien van een logo of label.
klíčenka
noun
1.
klíčové slovo
/slɛɪm/
noun
1. kleverige stof die door slijmvliezen uitgescheiden wordt
sliz
noun
1. slijm afscheidend membraan
sliznice
noun
brousek
verb
  1. 1. de slokdarm in
  2. 2. verdragen
spolknout
adjective
1. intelligent, snel van begrip
chytrý
/slɪp/
noun
1. kort, strak onderbroekje zonder pijpen
slipy
/slɪpə(n)/
verb
1. door gladheid over de weg schuiven
dostat smyk
noun
1. een brandewijn gedestilleerd uit gefermenteerde pruimen
slivovice
noun
kamaše
noun
1. een klein scheepstype dat op het dek van een groter schip wordt meegevoerd
šalupa
noun
jícen
noun
bourací koule
/sloːt/
noun
1. smal watergang om of tussen weilanden
příkop
verb
1. een structuur ontmantelen, afbreken
demolovat
/slopə'rɛi/
noun
1. sloopbedrijf
šrotiště
adjective
1. zonder de nodige zorg uitgevoerd
ležérní
noun
  1. 2. een middeleeuwse versterkte woning
  2. 1. mechanisme waarmee in combinatie met bijvoorbeeld een sleutel een deur of een raam kan worden afgesloten
zámek
noun
zámečník
/sloˈvens/, /sloˈveːns/, /sloˈweːns/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Slovenië
  1. slovinský
  2. slovinština
/sloˈveni.jə/, /sloˈveːni.jə/, /sloˈweːni.jə/
pronoun
1. een land in Centraal-Europa
Slovinsko
/slo.ˈwaks/, /slo.ˈʋaks/, /slo.ˈβ̞aks/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Slowakije
  1. slovenština
  2. slovensky
/ˌslowaˈkɛɪ̯.jə/, /ˌsloʋaˈkɛɪ̯.jə/, /ˌsloβ̞aˈkɛː.jə/
pronoun
1. een land in Midden-Europa; het oostelijke deel van het voormalige Tsjechoslowakije.
Slovensko
noun
závoj
noun
1. Alternatieve route die meestal gebruikt wordt om files te mijden
zkratka
noun
  1. zdymadlo
  2. plavební komora
noun
1. symbool voor een verticaal streepje
pipa
verb
1. toedoen, dichtmaken
zavřít
/ˈslœʏ̯.tər/, /ˈslœː.tər/
noun
1. een element van een fotocamera
závěrka
noun
1. verlengde snuit
chobot
verb
1.
srkat
/slyw/
adjective
1. op een doortrapte wijze slim
lstivý
noun
  1. 2. gewaarwording bij het proeven van eten en drank
  2. 3. bepaalde subjectieve voorkeur
chuť
verb
1. ~ naar een bijzonder sterk verlangen hebben naar iets dat men ontbeert
tesknit
adjective
1. goed van smaak zijnd of van een goede smaak genietend
chutný
noun
smaragd
adjective
smaragdová zelená
noun
1. harde slag
smeč
verb
1. het bewerken van metalen door deze heet te maken en met een hamer te slaan om het materiaal de gewenste vorm te geven
kout
noun
1. atelier, werkplaats van een smid, smederij
kovárna
noun
1. is ijzer dat wordt gemaakt door het te smeden
kovaná ocel
noun
1. afscheiding die men onder de voorhuid van de penis kan aantreffen
smegma
/smekə(n)/
verb
1. nederig om een gunst verzoeken
prosit
noun
dřemlík tundrový
verb
1. van vaste in vloeibare vorm overgaan
  1. tavit
  2. tát
/ˈsmɛltkrus/
noun
1. vuurvaste pot voor het mengen van gesmolten metaal
tavicí kelímek
/smɛltpʌnt/
noun
1. de temperatuur waarbij iets gaat smelten
teplota tání
verb
1. met een zachte massa bestrijken
namazat
noun
1. besmet materiaal
kontaminant
/ˈsmø.lə(n)/
verb
  1. 1. zacht en langzaam branden zonder vlammen
  2. 2. verborgen aanwezig zijn
doutnat
noun
1. iemand die gloeiend metaal bewerkt met een hamer op een aambeeld
kovář
noun
1. smient
hvízdák
/smɛitə(n)/
verb
1. hard gooien of werpen
hodit
/smul/
noun
1. (vulgair of informeel) mond
tlama
noun
smoking
noun
pašeračka
verb
  1. 3. iets in enig vet aanbraden, vervolgens vocht toevoegen en afdekken om het zachtjes gaar te laten worden
  2. 2. onderdrukken
dusit
/ɛsɛˈmɛsə(n)/
verb
1. een sms-bericht versturen
esemeskovat
noun
  1. 1. strip- en tekenfilmfiguur in de vorm van een soort blauwe kabouter met een wit mutsje
  2. 3. iemand die niet meetelt
Šmoula
noun
2. schoondochter
snacha
noun
1. muziekinstrument met snaren
strunný nástroj
noun
1. muziekinstrumenten waarbij de toon wordt geproduceerd door een trillende snaar
chordofon
noun
teorie strun
/ˈsnavəɫ/
noun
1. bek van een vogel of schildpad
zobák
noun
1. bepaald soort vis die in de middenloop van een rivier leeft, Chondrostoma nasus
ostroretka
/sneʊ̯/, /sneːβ̞/, /snɪːβ̞/
noun
1. in kristallen bevroren water
sníh
/ˈsneʊ̯bɑl/, /ˈsnɪːwbɑɫ/
noun
1. een tot een bal samengepakte hoeveelheid sneeuw, vaak bedoeld voor een speels sneeuwballengevecht
sněhová koule
noun
1. een laag sneeuw op de bodem, die wordt gevormd als gevolg van sneeuwval en sneeuwstormen en gedurende een bepaalde periode blijft liggen
sněhová pokrývka
verb
1. het vallen van hemelwater onder de vorm van sneeuwvlokken
sněžit
noun
husa sněžní
noun
1.
sněhule
noun
1. patrijsachtige vogel uit koude streken, die in de zomer een bruinig...
bělokur
/'snewjɑxt/
noun
1. sneeuwval bij harde wind
blizard
noun
1. een pop die gemaakt is van sneeuw
sněhulák
noun
1. een pop die gemaakt is van sneeuw
sněhulák
/'snew.stɔrm/
noun
  1. sněhová bouře
  2. blizard
noun
1. bepaald soort vogel, Bubo scandiacus
sovice sněžní
noun
sněžení
/'snewvlɔk/
noun
1. een kleine massa aaneengehechte sneeuwkristallen
sněhová vločka
pronoun
Sněhurka
/snɛɫ/
adjective
rychlý
noun
1. de verandering in de tijd van de plaats van een voorwerp
rychlost
noun
1. meter die de snelheid meet van de lucht (luchtvaart)
rychloměr
noun
mangold
/ˈsnɛɪdə(n)/
verb
1. met een scherp voorwerp in stukken delen
řezat
noun
2. met een mes gemaakte snee
řez
noun
průsečík
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Scolopacidae
bekasina
/ˈsnujə(n)/
verb
1. terugbrengen op gewenste lengte
prořezat
noun
1. bepaald soort roofvis die in zoete wateren voorkomt, Esox lucius
štika
noun
1. bepaald soort zoetwaterroofvis, Sander lucioperca
  1. candát
  2. candát obecný
noun
1. een meestal grotendeels van suiker vervaardigde lekkernij
sladkost
noun
  1. 2. vogel
    cvrčilka slavíková
  2. 1. beharing
    knír
noun
  1. 1. een holle gebogen buis van rubber of plastic, met een mondstuk, dat je in staat stelt adem te halen als je aan het wateroppervlak zwemt met je hoofd onder water.
  2. 2. een toestel voor luchtverversing in een onderzeeboot.
šnorchl
noun
1. een slijmerige afscheiding uit de neusholte
nudle
noun
1. jonge onverlaat, iemand die nog niet meetelt
smrkáč
noun
1. soort skiplank
snowboard
noun
1. reukorgaan van dieren
čumák
verb
1. door beurtelings de neus samen te knijpen en door de neus te blazen slijm uit de neusholte verwijderen
  1. smrkat
  2. smrknout
verb
1. ademen met een niet goed geopende luchtpijp, waardoor een rochelend geluid ontstaat
chrápat
/soʃal/
adjective
  1. 1. betrekking hebbend op de menselijke samenleving
  2. 2. geneigd om in groepen te leven
sociální
noun
1.
sociální distancování
noun
1. aanzien dat of voorname positie die iemand heeft in een groep of samenleving
sociální status
noun
  1. socialismus
  2. socializmus
noun
socialista
noun
1. visuele voorstelling van de affectieve relaties in een sociale groep
sociogram
noun
1. wetenschap
sociologie
noun
sociolog
noun
1.iemand die lijdt aan een persoonlijkheidsstoornis die antisociaal gedrag veroorzaakt
sociopat
/su.ˈdɑn/, /zu.ˈdaːn/
pronoun
1. land in Noordoost Afrika dat voor een groot deel in en rond het stroomgebied van de rivier Nijl ligt, officieel de Republiek Sudan
Súdán
noun
súfismus
noun
sunnitský islám
noun
1. vloeibaar gerecht
polévka
noun
súra
noun
1. gebeurtenissen of bezigheden die meer aandacht vereisen dan wenselijk is
bugr
noun
suverenita
noun
1. de verzamelnaam voor besturings- en toepassingsprogramma's,...
  1. software
  2. softvér
noun
1. kous die tot net boven de enkel komt
ponožka
noun
1. een voetstuk, voornamelijk voor beelden
podstavec
/sɔlˈdaːt/
noun
1. krijgsman met de laagste rang binnen een strijdmacht
voják
noun
1. een stuk gereedschap om mee te solderen
páječka
noun
1. brander waarmee men kan solderen
opalovací lampa
noun
1. metaalmengsel waarmee men
pájka
verb
1. een door verhitting vloeibare tussenstof aanbrengen tussen losse metaaldelen waardoor deze na afkoeling vast verbonden blijven
pájet
adjective
solidární
noun
solidarita
noun
solipsismus
/ˈsolo/
noun
sólo
/sɔm/
noun
1. resultaat van een optelling
  1. suma
  2. součet
pronoun
1. een taal die vooral wordt gesproken in Somalië
  1. somálsky
  2. Somálsky
/so.'ma.li.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika, officieel de Somalische Republiek
Somálsko
adjective
1. met betrekking tot het lichaam
somatický
adjective
  1. 1. in neergeslagen stemming
    chmurný
  2. 2. een neergeslagen stemming veroorzakend
    zasmušilý
noun
1. instrumentaal muziekstuk
sonáta
noun
  1. 1. een peilstift om de ruimte binnen een lichaam te verkennen, of om er gegevens op te nemen
  2. 3. een onbemand ruimtevaartuig
  3. 2. een instrument om voeding in vloeibare vorm toe te dienen
sonda
/ˈsɔːrt/
noun
2. een groep levende wezens die een bepaald aantal kenmerken gemeenschappelijk heeft en...
druh
noun
2. de naam van de groep waartoe iets behoort
obecné jméno
noun
1. sopraansaxofoon
sopránsaxofon
pronoun
1. een groep Slavische talen die wordt gesproken in het oosten van Saksen en het zuidoosten van Brandenburg
lužickosrbský
noun
čirok
verb
1. orde in een verzameling aanbrengen door soort bij soort te leggen
třídit
verb
1. zijn rol zachtjes voorzeggen
napovědět
noun
1. klein voorwerp dat helpt om aan een prettige ervaring met een plaats of persoon terug te denken
suvenýr
pronoun
Sovětský svaz
noun
1. een staaf die de naaf en de velg van een wiel verbindt
paprsek
/spaːns/
adjective
1. met betrekking tot Spanje of het Spaans
  1. španělština
  2. španělský
/spaːns/
pronoun
1. een taal die oorspronkelijk werd gesproken in (het centrale deel van) Spanje,...
  1. španělský
  2. španělština
/ˈspan.sə/
noun
1.
Španělka
noun
1. spaarbank
spořitelna
/'spar.zam/
adjective
1. zorg dragend niet te verspillen
spořivý
noun
1. brede, zware schep, bedoeld voor het spitten van grond
rýč
noun
špagety
noun
1. plankje e.d. om arm of been rust te geven
dlaha
verb
1. fixeren van een gewricht
dát do dlahy
noun
1. hondenras
španěl
/ˈspɑ.ɲard/, /ˈspɑɲ.jart/
noun
1. een inwoner van Spanje, of iemand afkomstig uit Spanje
Španěl
/ˈspɑ.ɲə/, /ˈspɑɲ.jə/
pronoun
1. een land in het zuidwesten van Europa op het Iberisch Schiereiland
Španělsko
noun
  1. 1. mechanische spanning
  2. 2. emotionele spanning
napětí
noun
1. afstand tussen uiteinden
rozpětí křídel
noun
2. benaming voor een naaldboom uit het geslacht Picea
smrk
/ˈspa.rə(n)/
verb
  1. 3. ontzien
    spořit
  2. 1. geld niet uitgeven
    šetřit
/spɑr'tans/
adjective
1.zonder luxe
spartánský
noun
1.
blatník
noun
1. spaan, lepel, e.d. met plat, bot uiteinde om mee te smeren
obracečka
noun
1. tussenruimte tussen twee woorden
mezera
noun
1. een gedroogd plantendeel, anders dan een groen blad of stengel, dat als geur-, kleur- of smaakstof aan voedsel wordt toegevoegd
koření
noun
1. benaming voor middelgrote robuuste vogels behorende tot de familie Picidae
  1. datel
  2. strakapúd
/spe.si.ˈjal/, /spe.ˈsjaːl/, /spe.ˈʃaːl/
adjective
1. op een positieve manier anders dan het andere
speciální
verb
specializovat
/ˈspesɪɑlɪst/
noun
  1. 1. persoon die ergens veel verstand van heeft
  2. 2. arts die een bepaald onderdeel van de geneeskunde beoefent
specialista
noun
1. specificatie
specifikace
verb
1. in details beschrijven
specifikovat
adjective
1. kenmerkend
specifický
adverb
1. in het bijzonder
specifický
noun
spektroskopie
noun
1. kleurenband
spektrum
adjective
spekulativní
verb
1. inzetten op een bepaalde kans, meestal met hoog risico
spekulovat
noun
1. vocht dat in de mond vloeit uit de speekselklieren
slina
noun
1. een klier die speeksel produceert en naar de mondholte afscheidt
slinná žláza
/ˈspelɣud/, /ˈspelɣut/, /ˈspɪːɫχut/
noun
1. één of meer voorwerpen voor kinderen om mee te spelen
hračka
noun
  1. angličák
  2. autíčko na hraní
noun
hrací karta
noun
1. het vrolijk en ongedwongen bezig zijn zoals dat past bij jonge kinderen of jonge dieren
hravost
noun
1.1 bepaald soort plant met niervormige bladeren, botergele bloemen en wortelknolletjes, Ficaria verna
orsej jarní
/spɪːr/
noun
1. lange stok met een punt eraan, (werd) gebruikt voor de jacht of oorlogvoering
  1. oštěp
  2. kopí
noun
1. opzienbarend schouwspel
podívaná
noun
1. bezigheid ter ontspanning volgens vaste regels met elementen als competitie, behendigheid, inzicht en kans
hra
/ˈspeːlə(n)/
verb
hrát
noun
  1. 1. deelnemer aan een spel
  2. 2. een partij
hráč
verb
1. letters in de juiste volgorde plaatsen
hláskovat
/ˈspɛlɪŋ/
noun
1. de al dan niet vastgelegde manier waarop de woorden van een taal geschreven worden
pravopis
noun
1. grove tarwesoort
špalda
noun
1. een tak van de wiskunde waarin het nemen van beslissingen centraal staat
teorie her
noun
semeno
noun
1.
spermie
noun
1. vorming van zaadcellen
spermatogeneze
noun
1. Accipiter nisus, een kleine snelle roofvogel
krahujec
noun
1. en 2. (peul van) cultivar van Phaseolus vulgaris
zelená fazolka
pronoun
1.
Špýr
noun
1. beelden terugkaatsend voorwerp
zrcadlo
noun
1. een orgaan
sval
verb
1.
být za školou
noun
1. metalen pin waarmee twee voorwerpen door doorboring vast verbonden kunnen worden
hřebík
noun
klínové písmo
noun
3. iets wat of iemand die een centrale plaats inneemt
duše
noun
1. geleedpotig dier met acht poten
pavouk
noun
1. bepaald soort snelgroeiende, eenjarige plant, Spinacia oleracea
  1. špenát setý
  2. špenát zelný
  3. špenát
verb
1. een lange draad vervaardigen door enkele vezels in elkaar te vervlechten
příst
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Araneae
pavouk
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Araneae
pavouk
noun
1. een door een spin gemaakt net om insecten te vangen
pavučina
noun
špion
noun
1. de handeling van het spioneren
špionáž
noun
1. een kromme lijn
spirála
noun
1. benaming voor de groep Spirochaetes
spirochéty
noun
1. draaiende staak waarop men vlees of een geslacht dier spietst en boven of naast een hittebron roostert
rožeň
pronoun
1. een Noorse eilandengroep
Špicberky
noun
1. klein muisachtig diertje met spitse snuit en korte poten, behorend tot de familie Soricidae
rejsek
/splet/
noun
mezírka
noun
1. miltvergroting
splenomegalie
/'splɪntər/
noun
1. klein puntig scherfje
tříska
noun
  1. 1. een cilindrische vorm
  2. 2. een element van zelfinductie
  3. 3. fotografische
cívka
noun
1.
sputnik
noun
houba
noun
sponzor
verb
1. als sponsor fungeren voor iets of iemand
sponzorovat
adjective
spontánní
adjective
houbovitý
noun
1. een geestverschijning die een bepaald gebouw of bepaalde locatie onveilig maakt
přízrak
noun
1. twee met elkaar verbonden ijzeren staven waarover een trein rijdt
stopa
adjective
1. verdwenen zonder aanwijzing van waarnaartoe
bez stopy
noun
železnice
adjective
ojedinělý
/spɔrt/
noun
  1. 2. trede van een ladder
    příčka
  2. 1. lichaamsbeweging
    sport
noun
1. beoefenaar van een sport
sportovec
adjective
2.
sportovec
noun
iemand die zich toelegt op het bedrijven van sport
sportovec
noun
1. vrouw die sport op een hoog niveau beoefent
sportovkyně
verb
1. zich met belachelijk makende of oneerbiedige scherts uiten
dělat si legraci
noun
1. een zangvogel die geluiden kan nabootsen
sedmihlásek hajní
/sprak/
noun
1. het vermogen om te spreken
řeč
noun
1. een systeem van regels en principes voor het schrijven en spreken van een taal
gramatika
/ˈsprekyːr/
noun
1. de tijd waarin een hulpverlener patiënten te woord staat
ordinační hodiny
noun
přísloví
noun
1. Sturnus vulgaris, een middelgrote zangvogel
  1. špaček obecný
  2. špaček
/ˈspreːkə(n)/
verb
1. zich met behulp van de stem uiten
  1. mluvit
  2. hovořit
/ˈspɾøkə(n)/
noun
Přísloví
verb
1. na zich tegen de zwaartekracht afgezet te hebben een korte vrije val door de lucht maken
  1. skočit
  2. skákat
noun
1. stuk touw
švihadlo
noun
1. een insect van de Orthoptera-orde
kobylka
noun
1. bepaald soort vrij kleine vogel met gestreepte bovenzijde en monotone zang, Locustella naevia
cvrčilka zelená
noun
1. een bruin vlekje op de huid dat veroorzaakt wordt door ultraviolet licht
piha
noun
skok
noun
1. verzonnen vertelling
pohádka
noun
Sprattus sprattus
šprot obecný
noun
2. een uitloper van de spruitkool
růžičková kapusta
noun
1. slijmvliesontsteking in mond of darmen
kandidóza
/'spy.ɣə(n)/
verb
1. speeksel uit de mond doen uitschieten
plivat
noun
1. spuigat
palubní odtok
verb
2. ergatief: snel stromen
chrlit
noun
spyware
noun
squash
/sri.ˈlɑŋ.ka/
pronoun
1. een republiek in Azië gelegen op een eiland ten zuiden van India
  1. Srí Lanka
  2. Šrí Lanka
/staːɫ/
noun
1. een legering van ijzer en koolstof
ocel
adjective
ocelová modrá
/stalwɔl/
noun
drátěnka
/staːn/
verb
1. zich in verticale toestand van rust bevinden
stát
noun
  1. 1. een verlengstuk van de ruggengraat bij sommige dieren
    1. ocas
    2. chvost
  2. 2. het achterste stuk van een vliegtuig of een auto
    1. ocasní plochy letadla
    2. ocas
noun
mlynařík dlouhoocasý
noun
kometa
noun
  1. 1. een land
  2. 1. toestand
stát
noun
1. iemand die burgerrechten in een staat heeft
státní občan
noun
1. illegale afzetting van een regering
puč
noun
1. iemand die in een staat het hoogste gezag bekleedt of personifieert
hlava státu
noun
1.
nepřítel státu
adjective
1. standvastig, duurzaam
stabilní
noun
stabilizátor
noun
stabilita
noun
1. de vleugel op de staart van een vliegtuig
  1. pevná plocha výškového kormidla
  2. stabilizátor
/'stakɛrəvɛn/
noun
1. caravan met vaste staplaats
mobilní dům
/stɑd/, /stɑt/
noun
Woonplaats
město
/ˈstɑdhœːs/, /ˈstɑthœʏs/, /ˈstɑthœːs/
noun
1. een gebouw waar de stadsdiensten gehuisvest zijn
radnice
noun
stadión
/ˈstɑt.stat/
noun
1. staatsvorm
městský stát
noun
1. een stok bedoeld voor ondersteuning of onderscheiding van een persoon
hůl
noun
stáž
noun
1.
stagflace
verb
1. een werkonderbreking of (ludieke) actie houden voor betere arbeidsvoorwaarden of meer loon
stávkovat
/'stakɪŋ/
noun
1. het neerleggen van de werkzaamheden, meest uit protest of om verbeteringen af te dwingen
stávka
/stɑl/
noun
1. ruimte bestemd voor de huisvesting van dier(en)
  1. vepřín
  2. stáj
noun
1. variant van het marxisme-leninisme gekenmerkt door een totalitair nationalistisch...
stalinismus
noun
1.
podkoní
noun
  1. 4. op verwantschap berustende samenlevingsvorm van meer families in beschavingen met weinig verstedelijking
  2. 2. deel van de boom tussen de wortels en de kruin
  3. 7.
kmen
/'stɑmbom/
noun
1-2
rodokmen
noun
kmenová buňka
noun
2. vijzelstamper
palička
/ˈstɑn.dard.ˌɑf.wɛɪ̯.kɪŋ/, /ˈstɑn.dart.ˌɑf.ʋɛɪ̯.kɪŋ/, /ˈstɑn.dart.ˌɑf.β̞ɛː.kɪŋ/
noun
1. spreidingsmaat
směrodatná odchylka
/ˈstɑn.dar.de.vi.ˈja.si/, /ˈstɑn.dar.de.vi.ˈja.tsi/, /ˈstɑn.dar.te.vi.ˈja.si/
noun
1. spreidingsmaat
směrodatná odchylka
noun
1. officieel vastgelegde taalvorm die binnen een bepaald gebied als de voorgeschreven norm geldt.
  1. spisovný jazyk
  2. standardní jazyk
noun
1. een kunstzinnige afbeelding vaak van een persoon in drie dimensies, meestal gehouwen in steen of gegoten in metaal
socha
/stɑmplats/
noun
1. een vaste plaats waar iemand zich bevindt
zastávka
noun
1. een sterke, stinkende geur
  1. smrad
  2. zápach
/stɑp/
noun
1. het plaatsen van de ene voet voor de andere bij het gaan
krok
noun
1. een gestructureerde hoop spullen
hromada
noun
1.Twee bedden op elkaar
palanda
/ˈstɑ.pə(n)/
verb
1. het lichaam vooruit bewegen door een of meer keer een voet naar voren te zetten
kráčet
verb
zírat
noun
1. een begin ergens van
  1. začátek
  2. počátek
  3. start
noun
1. stabiel onderstel voor camera
stativ
adjective
vznešený
/sta.ˈsʲɔn/
noun
1. plaats waar voertuigen kunnen stoppen
  1. nádraží
  2. stanice
noun
statistika
adjective
1. cijfermatig berekend
statistický
noun
1. plaats in een vast geheel of een bepaald proces
  1. stav
  2. status
noun
1. huidige stand van zaken
status quo
adjective
zákonný
adverb
1. voortdurend
vždy
noun
1. zeer smal straatje
ulička
/steːk/
noun
  1. 1. een penetratie met een scherp puntig voorwerp
    bodnutí
  2. 3. een eenmalige doorvoering van een draad door een weefsel, meestal met behulp van een naald
    steh
noun
1. een spel waarbij twee ridders elkaar met lansen trachtten uit het zadel te werpen
klání
noun
1.
rudl
noun
kastrol
/sten/, /steːn/
noun
1. een harde stof, vaak op kiezel gebaseerd maar omvattende vele soorten
kámen
noun
1. vogel uit de familie der arendachtigen
orel skalní
pronoun
2. teken van de dierenriem van 22 december tot 20 januari
Kozoroh
noun
1.1 bepaald soort zoogdier, Capra ibex
kozorožec
noun
obratník Kozoroha
/ste.nɛi̯k/, /ste.nɛːk/, /sten.ʔɛi̯k/
noun
1. Quercus ilex; een boom uit de napjesdragersfamilie
  1. dub cesmínovitý
  2. dub cesmínový
adjective
kamenná šedá
noun
1.
kamenolom
noun
kameník
noun
1. zwart-bruine stof die ontstaan is door plantenafzettingen en gebruikt wordt als energiebron
černé uhlí
noun
1. bepaald soort zoogdier, Martes foina
kuna skalní
/ˈstentɛit/
noun
Doba kamenná
/ˈstenœʏ̯ɫ/, /ˈsteːnœːl/
noun
1. bepaald soort vogel, Athene noctua
sýček
noun
vlezige vrucht waarvan het binnenste deel steenhard is
peckovice
noun
1. de kennis van het op verborgen wijze overbrengen van informatie
steganografie
noun
2. werkvloerconstructie in de bouw
lešení
/stɛil/, /stɛːl/
adjective
1.
strmý
noun
1. een groot knaagdier met stekelige vacht
dikobraz
verb
1. doorboren, prikken
bodnout
noun
1. stekker
zástrčka
verb
1. iets wegnemen van iemand en het zich wederrechtelijk toe-eigenen
ukrást
/ˈstɛ.lə(n)/
verb
2. beweren, verklaren
tvrdit
noun
1.
pozitiv
noun
1. een bewering die men als waarheid aangenomen wil zien worden
teze
/stɛlsəl/
noun
  1. 1. een geordend geheel, samenstel van delen
  2. 2. een systeem
systém
/stɛlt/
noun
chůdy
noun
  1. 1. het geluid dat door het trillen van de menslijke stembanden wordt geproduceerd
  2. 2. het geluid dat een mens bij het spreken voortbrengt
  3. 3. het geluid dat een mens bij het zingen voortbrengt
hlas
noun
1. geluidvoortbrengende plooien in het strottenhoofd
hlasivka
/ˈstɛmbɪljɛt/
noun
1. formulier om te stemmen
hlasovací lístek
/stεmə(n)/
verb
  1. 1. deelnemen aan een verkiezing
    hlasovat
    1. 2. een instrument op de juiste toonhoogte brengen
    2. 3. iemand een bepaald gevoel geven
    ladit
/ˈstɛmpəl/, /ˈstɛmpəɫ/
noun
  1. A3. beschrijvende plantkunde: bovenste gedeelte van de stamper in een bloem
    blizna
    1. A:1. voorwerp met een ingesneden oppervlak waarmee afdrukken gemaakt kunnen worden met inkt of in lak
    2. A2. een afdruk van [1]
    razítko
/stɛmvɔrək/
noun
1. stemvork
ladička
verb
1. met steenworpen doden
  1. kamenovat
  2. ukamenovat
noun
poprava ukamenováním
noun
1. vervoermiddel op twee wielen, (gedeeltelijk) met de voet aangedreven
koloběžka
noun
  1. 1. een hemellichaam, een gasbol die licht uitzendt door kernfusie
  2. 2. een beroemdheid
hvězda
noun
steradián
noun
badyán
noun
stereochemie
noun
stereometrie
noun
stereotyp
adjective
smrtelný
verb
  1. 1. iets vrij maken van micro-organismen
  2. 2. onvruchtbaar maken
sterilizovat
noun
1. onvruchtbaarheid
neplodnost
/stɛrk/
adjective
1. krachtig
silný
noun
1. benaming voor slanke meeuwachtige vogels uit de familie Sternidae
rybák
noun
1. verzameling dicht bijeen staande sterren
hvězdokupa
noun
1. wetenschap die de objecten in de ruimte bestudeert
astronomie
/stɛrən'kʏndəɣə/
noun
astronom
noun
galaxie
noun
  1. astrologie
  2. hvězdopravectví
noun
1. een sterfelijk wezen
smrtelník
verb
1. overgaan van levende toestand naar dode toestand
  1. umřít
  2. umírat
noun
  1. karambola
  2. čínská hvězdice
/steto'skop/
noun
1. een medisch instrument waarmee men geluiden in het lichaam kan beluisteren
stetoskop
/'stønə(n)/
verb
1. een deel van de last op zich nemen, hulp verlenen
  1. podporovat
  2. podpořit
noun
1. bepaald soort anadrome vis, Acipenser sturio
jeseter
noun
letuška
verb
1. de grondslag voor iets leggen, iets instellen
založit
noun
2. zelfstandig vermogen met rechtspersoonlijkheid opgericht op de verwezenlijking...
nadace
/ˈstif.mu.dər/
noun
1. latere levenspartner van vader dan de eigen moeder
macecha
noun
1. echtgenoot van iemands moeder, die niet de eigenlijke vader is
otčím
pronoun
  1. 1. sterrenbeeld van de dierenriem
  2. 2. astrologisch teken
Býk
/stiːr/
noun
býk
pronoun
1. deelstaat van Oostenrijk
Štýrsko
/stɛif/
adjective
ztuhlý
/ˈstɛi̯xˌbøː.ɣəl/
noun
1. voetsteun voor de ruiter
třmen
/stɛi̯l/
noun
  1. 1. handelswijze
  2. 3. beschrijvende plantkunde: buisvormige, middelste gedeelte van de stamper
sloh
noun
řečnická figura
verb
škrobit
/ˈstɪkstɔf/
noun
1. een chemisch element en een kleurloos niet-metaal
dusík
/[stɪɫ]/
adjective
  1. 1. geen of weinig geluid producerend
  2. 2. onbeweeglijk
  3. 3. rustig, kalm
stálý
pronoun
1. dag na Goede Vrijdag en voor Pasen
Bílá sobota
noun
zátiší
/'stɪl.tə/
noun
ticho
adjective
1. zonder iets openlijk uitgesproken te hebben
mlčky
noun
1. bepaald soort zoogdier, Mephitis mephitis
skunk
verb
1. een onaangename geur hebben
páchnout
adjective
smradlavý
noun
1. (studie)beurs
stipendium
adjective
  1. 1. precies op tijd komend
  2. nauwgezet
přesný
adverb
1. met grote precisie
přesný
adjective
stochastický
pronoun
1. de hoofdstad van Zweden
Stockholm
/stul/, /stuɫ/
noun
1. zitmeubel
  1. křeslo
  2. židle
/'stulɣɑŋ/
noun
  1. 2.
    stolice
  2. 1.
    vyprázdnění
noun
1. een kabelbaan waarin je zittend een hoogte overbrugt
sedačková lanová dráha
noun
1. heel kleine deeltjes
prach
noun
1. meubelstoffeerder
čalounice
adjective
1. tot de materie behorend of eruit bestaand, materieel
hmotný
adjective
prachová šedá
/'stɔfʋɪsəlɪɳ/
noun
1. het geheel van chemische processen dat gepaard gaat met het in leven zijn van een wezen
metabolismus
noun
1. een elektrisch toestel dat stof en kleine deeltjes opzuigt
  1. vysavač
  2. lux
noun
stechiometrie
/stɔk/
noun
hůl
noun
bageta
verb
přikládat
noun
1.Suricata suricatta, roofdier behorend tot de mangoesten
surikata
noun
1. gedroogde kabeljauw of kabeljauwachtige vis, zoals heek, leng, lom, schelvis en koolvis
sušená ryba
/ˈstɔlɪŋsɣəˌstentə/
noun
1. gesteente bestaande uit gestolde lava of gestold magma.
  1. magmatická hornina
  2. vyvřelá hornina
adjective
  1. 1. geluidloos
  2. 2. niet in staat te spreken
němý
noun
1.
němý
noun
pára
noun
1. warme ruimte
parní koupel
noun
1. een schip dat met behulp van stoom wordt voortbewogen
parník
noun
1. een locomotief die wordt aangedreven door een stoommachine
parní lokomotiva
noun
1. een machine die door middel van stoom drijfkracht ontwikkelt
parní stroj
noun
1. een schip dat voortgedreven wordt middels een stoommachine
parník
noun
parní turbína
noun
1. grote slagtand
kel
/'stɔbɔrt/
noun
1.
stopka
noun
1
štětina
/ˈstorə(n)/
verb
1.het functioneren nadelig beïnvloeden
rušit
noun
1. erg harde wind
  1. vichřice
  2. bouřlivý vítr
noun
een toestel, balk, e.d. om een deur, poort te forceren
beranidlo
noun
1. benaming voor zeevogels uit de familie Procellariidae
buřňáček
noun
přeháňka
noun
1. het storten van geld op een bankrekening
vklad
verb
1. dezelfde lettergreep een aantal malen herhalend moeilijk uit zijn woorden komen
koktání
noun
1. een wijsbegeerte die leert slechts de rede te volgen en de hartstochten uit te bannen
stoicismus
/straɫ/, /ˈstral/
noun
2. een bundel elektromagnetische straling
paprsek
/strat/
noun
1. een weg tussen de huizen in een bewoonde plaats
ulice
pronoun
1. zeestraat tussen het Australisch vasteland en Papoea-Nieuw-Guinea
Torresův průliv
pronoun
1.
Gibraltarský průliv
noun
1. hoofdstad van de Franse regio Grand Est
Štrasburk
noun
  1. 1. soep
  2. 2. zuivelproduct
stračatela
noun
1. onprettige maatregel of behandeling ter vergelding van een misdaad of overtreding
trest
adjective
1.
trestný
noun
trestná lavice
adjective
beztrestný
noun
1.
beztrestnost
/ˈstrɑfə(n)/
verb
1. negatieve consequenties verbinden aan een als verkeerd geziene daad
trestat
/'strɑfrɛxt/
noun
1. het geheel van rechtsregels waarmee bepaalde handelingen strafbaar worden gesteld
trestní právo
noun
1. directe vrije trap
penalta
noun
1. gedeelte van het voetbalveld
pokutové území
noun
  1. záření
  2. radiace
pronoun
1.
Stralsund
noun
1. Strook land langs de kust
  1. pláž
  2. břeh
/straˈteɣ/
noun
1. een persoon die strategieën uitwerkt
stratég
noun
1. een plan om iets te bereiken
strategie
noun
stratosféra
noun
1. een kegelvormige vulkaan met traagvloeibare lava
stratovulkán
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Straubing
noun
3. een veeg of streep met een werktuig
tah
/ˈstrek.tal/, /ˈstrek.taɫ/
noun
2. één of meer taalvariëteiten van de overheid dit label hebben gekregen
regionální jazyk
noun
2. lijnvormig patroon
pruh
verb
natáhnout
verb
1. neerslaan van opgeloste eiwitten
srazit
noun
oplossing die spijsverteringsenzymen bevat
syřidlo
noun
1.
  1. streptokok
  2. streptokokkus
  3. streptokokus
noun
1. spanning, geestelijke druk.
  1. stres
  2. stress
verb
1. een doel willen bereiken
snažit se
noun
1. een slagwapen in de vorm van een metalen staf met een versterkte kop
palcát
noun
válečný vůz
verb
2. wasgoed desinfecteren en gladmaken met hulp van een heet ijzer, een strijkijzer
žehlit
/ˈstrɛɪ̯.gɛɪ̯zər/, /ˈstrɛɪ̯k.ʔɛɪ̯zər/, /ˈstrɛː.kɛːzər/
noun
1. een huishoudelijk gereedschap dat gebruikt wordt om textiel glad te strijken
žehlička
noun
1. gestreken snaarinstrument
smyčcový nástroj
noun
1. een plankvormig voorwerp, gewoonlijk op een inklapbaar onderstel, bedoeld als ondergrond waarop kleding gestreken kan worden
žehlicí prkno
noun
1. een constructie waarmee de snaren van een strijkinstrument in trilling gebracht worden
smyčec
noun
1. een boek met een verhaal in beeldvorm
komiks
/stro/
noun
1. droge bloeistengels van graangewassen
sláma
adjective
1. de wrijvingsweerstand van een ruw oppervlak
hrubý
noun
1. hoed
slamák
/'stromɪŋ/
noun
  1. 1. voortbewegen van een vloeistof
  2. 2. bepaalde beweging die zekere denkbeelden gemeen heeft
proud
noun
1. scheikundig element met symbool Sr en atoomnummer 38
  1. stroncium
  2. strontium
noun
1. zweertje op het ooglid
ječné zrno
/stroːm/
noun
2. elektriciteit
proud
noun
oblast spádová
noun
1. dikke, viskeuze, geconcentreerde vloeistof waarin een grote hoeveelheid suikers zijn opgelost
sirup
noun
1. lus van stevig touw
oprátka
noun
kravata
noun
hrtan
/strʏkˈtyr/
noun
de interne opmaak van een geheel
struktura
noun
1. heester
keř
verb
1. het evenwicht verliezen doordat men met de voet verstrikt raakt
klopýtnutí
noun
1. bepaald soort in heel Europa voorkomende plant, Calluna vulgaris
vřes obecný
noun
1. iemand die vanuit een hinderlaag reizigers berooft
zbojník
/ˈstrœʏ̯sˌfoχɔɫ/, /ˈstrœːsˌfoːɣəl/, /ˈstrœːzˌvoːɣəl/
noun
1. Struthio camelus, grote loopvogel, die niet kan vliegen
pštros
noun
1. zeer vergiftig alkaloïde
strychnin
noun
1. iemand die hoger onderwijs volgt
  1. student
  2. študent
verb
1. het volgen van een opleiding en verwerven van kennis als voornaamste bezigheid
studovat
noun
1.
studium
noun
  1. 3. een eenkamerappartement
    garsoniéra
    1. 1. werkplaats van een beeldend kunstenaar
    2. 2. plaats waar geluidsopnamen, films of televisie- of radioprogramma's gemaakt worden
    studio
/stɵx/
adverb
1 weerbarstig
neohebný
noun
1.
pyl
noun
1. onderste deel van de ruggengraat, de laatste vier vergroeide ruggenwervels
kostrč
/stɵk/
noun
1. deel
figura
noun
kaskadérka
pronoun
  1. 1. hoofdstad van de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
  2. 2. een plaats in de Amerikaanse staat Arkansas
Stuttgart
/styːr/
noun
1. een hulpmiddel waarmee een bestuurder richting kan geven aan een voertuig
volant
noun
1. de rechterzijde als men vanop een schip naar de boeg kijkt
  1. palubní deska
  2. pravobok
noun
1. knuppel of stok waarmee gestuurd kan worden in een vliegtuig
řídící páka
noun
1. een stuk software dat een verbinding legt tussen de hardware en het besturingssysteem
ovladač
noun
1. vaste of regelbare waterkering
jez
noun
1. kunstmatig meer
nádrž
noun
subdominant
subdominanta
adjective
subjektivní
noun
2. het proces waarbij een vaste stof overgaat in zijn dampfase
sublimace
noun
subsidiarita
verb
1. van overheidswege financiële hulp voor een bepaalde activiteit, ver- of aankoop verlenen
dotovat
noun
1. stof (stoffen)
látka
noun
1. zelfstandig naamwoord
podstatné jméno
adjective
subtropický
noun
1. gewenste resultaat van een opzet
úspěch
adjective
1. succes hebbend
úspěšný
/suˈdɑn/
pronoun
land in Noordoost Afrika, officieel de Republiek Sudan
Súdán
noun
1. een woorddeel dat achter de stam van een woord gevoegd wordt
sufix
noun
1. zoetstof
cukr
noun
1. bepaalde ondersoort van de biet waaruit bietsuiker gewonnen wordt
cukrovka
noun
1. Coereba flaveola, een klein zangvogeltje uit de tropische delen van de Amerika's...
banakit americký
noun
1. een vaatje bedoeld om een voorraadje suiker op tafel te brengen
cukřenka
noun
1. een rietsoort die verbouwd wordt vanwege zijn suikergehalte en waaruit rietsuiker gewonnen wordt
cukrová třtina
/ˈsœʏkərˌspɪn/, /ˈsœːkərˌspɪn/
noun
1. lekkernij bestaande uit een hoeveelheid gesponnen suiker aan een stokje
cukrová vata
noun
1. stofwisselingsziekte waarbij het bloed een te hoog gehalte aan suiker bevat
cukrovka
noun
síran
noun
sulfid
noun
1. zouten die het sulfiet-ion SO₃2- bevatten
siřičitan
pronoun
Sumatra
noun
1. fictieve figuur uit een stripverhaal of een film die over bovenmenselijke krachten beschikt
superhrdina
adjective
vyšší
noun
supermarket
noun
het verschijnsel waarbij een ster op spectaculaire wijze explodeert
supernova
adjective
nadzvukový
noun
1. iets dat als aanvulling toegevoegd wordt
doplněk
/ˌsy.ri.ˈna.mə/
pronoun
1. een land in Zuid-Amerika
Surinam
noun
surrealismus
pronoun
1. een Bantoetaal die veel gesproken wordt in Oost-Afrika
  1. svahilsky
  2. svahilština
noun
svastika
/ˈswa.zi.ˌlɑnd/, /ˈsʋa.zi.ˌlɑnt/, /ˈsβ̞a.zi.ˌlɑnt/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel het Koninkrijk Swaziland
Svazijsko
/'swɛtʃʏːrt/
noun
1.
mikina
pronoun
1. de grootste stad van Australië en de hoofdstad van de deelstaat Nieuw-Zuid-Wales
Sydney
noun
syfilis
adjective
slabičný
noun
1. een logische redenering waaruit een conclusie afgeleid wordt
sylogismus
adjective
1.samenlevend en samenwerkend
symbiotický
verb
1. een betekenis hebben die verwijst naar
představovat
noun
1. Teken
symbol
noun
symfonie
adjective
1.
symfonický
noun
souměrnost
/si'metris/
adjective
1. aan twee zijden, bijvoorbeeld spiegelbeeldig gelijk
souměrný
noun
1. een gevoel van toegenegenheid
sympatie
/sɪmˈpoziəm/
noun
1. een wetenschappelijke samenkomst waarop verschillende wetenschappers een lezing houden over een bepaald onderwerp
sympozium
adjective
1. met betrekking tot ziekteverschijnselen
symptomatický
noun
symptomatologie
noun
1. ziekteverschijnsel
  1. příznak
  2. symptom
noun
1. gebedshuis van joden.
synagoga
noun
synapse
noun
synchronicita
adjective
synchronní
verb
synchronizované plavání
noun
  1. 1. plotseling bewustzijnsverlies
  2. 3. wegval van middenklank
mdloba
/sɪnˈdrom/
noun
1. ziektebeeld
syndrom
noun
1. situatie waarbij het samengaan van delen groter is dan de som der delen
synergie
noun
1. gelijkbetekenend woord
synonymum
adjective
syntaktický
/sɪnˈtɑksəs/
noun
1.
  1. syntax
  2. syntaxe
noun
1. samenstelling
syntéza
adjective
1. op kunstmatige manier gefabriceerd
falešný
verb
syntetizovat
/ˈsi.ri.jə/, /ˈzi.ri.jə/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel de Arabische Republiek Syrië
Sýrie
/siˈstem/
noun
1. een uit meerdere interagerende onderdelen bestaand stelsel...
  1. systém
  2. soustava
/ˌsisteˈmatis/
adjective
1. stelselmatig, ordelijk volgens een systeem opgezet
systematický
noun
1. dun kledingstuk voor het bovenlichaam met korte mouwen en zonder kraag
tričko
pronoun
1.
Tajo
/taːl/
noun
1. systeem van spraakklanken door middel waarvan mensen met elkaar communiceren en de schriftelijke...
  1. jazyk
  2. řeč
noun
1. uitdrukkingen en zegswijzen uit een bepaalde taal
idiom
noun
1. talengroepen die een zelfde voorgeschiedenis hebben
jazyková rodina
/ˈtalklɑŋk/
noun
1.
foném
noun
1. wetenschap
lingvistika
noun
1. een beoefenaar van de taalkunde
jazykovědec
noun
1. een beoefenaar van de taalkunde
jazykovědec
/taːrt/
noun
1. cirkelvormig zoet gebak
koláč
noun
1. een genotsmiddel afkomstig van de bladeren van de tabaksplant, wordt gerookt, gekauwd en gesnoven
tabák
noun
dýmka
noun
1. een geordende lijst met gegevens
tabulka
noun
tabernákulum
noun
1. pastille
tableta
noun
1. een algemeen aanvaard moreel verbod; iets dat onbespreekbaar of ondenkbaar is
tabu
cardinalNumeral
1. het getal 80
osmdesát
pronoun
Osmdesátiletá válka
noun
tachykardie
noun
takt
/tɑkˈtik/
noun
1. een manier om onder gegeven omstandigheden een doel te bereiken
taktika
/ˈtɑkt.fɔɫ/
adjective
taktní
pronoun
1. de officiële taal van Tadzjikistan en een variant van het Perzisch
tádžický
/taˈdʒikɪˌstɑn/
pronoun
1. een land in een land in Centraal-Azië met als hoofdstad Doesjanbe
Tádžikistán
noun
1. taf
taft
/ˈtafəɫ/
noun
1. een meubelstuk met poten, bedoeld om dingen op te zetten of te leggen
  1. stůl
  2. deska
/ˈtafəlˌklet/
noun
kleed dat als bescherming of versiering over een tafel ligt
ubrus
noun
1. (sport) een spel waarbij twee spelers, ieder met een batje, een pingpongbal op tafel houden
stolní tenis
noun
1. voetbal op een tafel met opstaande randen
fotbálek
pronoun
Tahiti
noun
1. naaldbossen in koude streken
tajga
/ˌtɑjkoˈnaʊ̯t/, /ˌtɑjkoˈnɔʊ̯t/, /ˌtɑjkoˈnʌʊ̯t/
noun
1. een Chinese ruimtevaarder.
taikonaut
/tɑj'ʋɑn/
pronoun
  1. Tchaj-wan
  2. Taiwan
noun
tchajwanský
/tɑk/
noun
1. een deel van een boom of struik
větev
noun
1. bijzondere aanleg
talent
/tɑɫx/
noun
2. het harde vet van sommige herkauwers
lůj
noun
1. benaming voor kleine vogels uit het geslacht Anas of het geslacht Callonetta
čírka
noun
talisman
/tɑlk/
noun
mastek
/'tɑlɪn/
pronoun
1. de hoofdstad van Estland
Tallinn
/ˈtɑlmut/
noun
1.
Talmud
pronoun
1. een kunsttaal gemaakt in 1980 door R. Ben Madison voor zijn micronatie Talossa
talossština
adjective
1. groot in aantal
početný
noun
1. en 2. (vruchten van de) tamarindeboom
tamarind
noun
1. muziekinstrument
tamburína
pronoun
1. taal die gesproken wordt in India, Sri Lanka, Singapore, en Maleisië
tamilský
noun
  1. 1. hard en wittige gecalcificeerde structuur in de mond
  2. 2. scherp uitsteeksel
zub
noun
1. een medisch specialist op het gebied van de tandheelkunde
zubař
noun
1. fiets
tandem
noun
1. borsteltje om de tanden mee te reinigen
  1. zubní kartáček
  2. kartáček na zuby
noun
1. puntig instrumentje om etensresten tussen de tanden te verwijderen
párátko
noun
1. wetenschap voor de verzorging van de tanden
zubní lékařství
/ˈtand.pɑs.taː/, /ˈtɑnt.pɑs.ta/
noun
1. een poetsmiddel voor de tanden
zubní pasta
/tɑntpɛin/
noun
1. pijn in één of meerdere tanden
bolest zubů
/ˈtɑntfles/
noun
1. deel van het mondslijmvlies waarin de tanden vastzitten
dáseň
noun
zubové čerpadlo
noun
1. een zijden draad waarmee men de ruimte tussen de tanden reinigt
zubní nit
/tɑŋ/
noun
1. een uit twee delen opgebouwd gereedschap waarvan de beide delen op één punt aan elkaar vastzitten...
kleště
pronoun
Tanger
/tɑŋk/, /tɛŋk/
noun
  1. 1. een groot vat
    1. nádrž
    2. tank
    3. cisterna
  2. 2. een oorlogsvoertuig
    tank
noun
1. schip
  1. tanker
  2. cisternová loď
  3. tanková loď
noun
tanin
noun
1. scheikundig element met symbool Ta en atoomnummer 73
tantal
noun
1. scheikundig element met symbool Ta en atoomnummer 73
tantal
noun
1. zus of schoonzus van iemands vader of moeder
teta
/ˌtɑn.za.ˈni.ja/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika
  1. Tanzanie
  2. Tanzánie
noun
1. een Chinese filosofische en religieuze stroming
taoismus
noun
koberec
noun
1. zetmeel verkregen uit de wortelknol van Manihot esculenta
  1. tapioka
  2. tapiokový škrob
/ˈtapɪr/
noun
1. hoefdier, zo groot als een ezel en met een kleine beweeglijke slurf
tapír
noun
1. gifspin
tarantule
/tɑˈrif/
noun
1. een vastgesteld bedrag per eenheid
tarif
noun
1.
tarot
noun
tára
pronoun
1. taal uit de Turkse talen met ongeveer anderhalf miljoen sprekers die vooral wordt gesproken in Tatarstan, een deelrepubliek van Rusland maar ook in andere delen van de vroegere Sovjet-Unie en daarbuiten
tatarský
/ˈtɑrʋə/
noun
  1. 3. zaad van tarwe
  2. 2. meest verbouwde tarwe soort (Triticum aestivum)
pšenice
noun
1. en 2 grof gemalen meel van (gewone) tarwe (Triticum)
pšeničná krupice
noun
1. zak die men meeneemt om er zaken in te bergen die men bij zich wil hebben
taška
pronoun
Tasmánie
pronoun
1. randzee van de Grote Oceaan, gelegen tussen Australië en Nieuw-Zeeland
Tasmanovo moře
verb
hmatat
pronoun
1. taal uit de Turkse talen met ongeveer anderhalf miljoen sprekers die vooral wordt gesproken in Tatarstan, een deelrepubliek van Rusland maar ook in andere delen van de vroegere Sovjet-Unie en daarbuiten
tatarský
pronoun
1. de autonome republiek van Rusland met de hoofdstad Kazan
Tatarstán
noun
1. een tekening die met naald en inkt blijvend in de huid is aangebracht
tetování
/tatuʷ'erə(n)/
verb
1. met een naald en inkt een blijvende tekening in de huid inbrengen
tetovat
/tɑuˈge/
noun
1. uitlopers van mungbonen
mungo klíčky
noun
tautologie
/tɑk.si/
noun
1. een voertuig bestemd om tegen betaling klanten van de ene plaats naar de andere te brengen
  1. taxi
  2. taxík
noun
1. een opstelplaats voor taxi's waar zij wachten op passagiers
stanoviště taxi
verb
1. over de grond op wielen voortbewegen van vliegtuigen
rolovat
noun
taxonomie
preposition
1. plaats
k
/tiːm/
noun
  1. 1. een ploeg van bij elkaar horende spelers
  2. 2. een groep samenwerkende mensen
tým
noun
1. scheikundig element met symbool Tc en atoomnummer 43
technecium
noun
1. De bewerkingen en verrichtingen die nodig zijn om iets tot stand te brengen
technika
adjective
1. op techniek betrekking hebbend
technický
noun
technokracie
noun
technika
/tef/
noun
1. wijfjeshond
fena
noun
1. achtpotige parasiet uit de orde Ixodida
klíště
noun
1. vingers van de voet
  1. prst
  2. prst na noze
noun
žabky
/ter/
adjective
1. broos, breekbaar
křehký
/ter/
noun
1. olieachtige vloeistof met een zeer hoge viscositeit
dehet
noun
1. kubusvormig voorwerp met op elk van de zijden een van de ogenaantallen één tot en met zes
kostka
noun
1. een bouwvakker die wandtegels zet en vloertegels legt
obkladač
/ˈteɣəmut/, /ˈteχəmut/
adverb
1. tegen (personen)
naproti
/teːɣən/, /teːχən/
preposition
1. zijdelings aanleunend
proti
noun
1. druk in tegenovergestelde zin
protitlak
noun
1. een middel dat de werking van een gif neutraliseert of afzwakt
protijed
preposition
1. aan de overzijde van
naproti
noun
1. hetgeen wat precies voorstelt wat iets helemaal niet is
  1. opak
  2. protiklad
noun
1. iemand die de pauselijke titel opeist zonder door het Vaticaan als paus erkent te zijn
vzdoropapež
noun
1. vijand, rivaal
protivník
noun
1. voorbeeld dat aantoont dat iets niet juist is
protipříklad
noun
1. wind tegen
protivítr
noun
1. vorm die aangeeft dat het huidige moment bedoeld wordt
přítomný čas
noun
1. het geen zin hebben in iets
váhavost
noun
1. symbool, signaal, aanduiding
  1. znamení
  2. znak
noun
1. iemand die beroepsmatig tekent
kreslíř
verb
een tekening maken
kreslit
noun
1. een door tekenen ontstane afbeelding of voorstelling
kresba
noun
1. verzameling letters en/of woorden
text
noun
1. een computerprogramma waarmee teksten kunnen worden geschreven en bewerkt
textový procesor
noun
1. natuurlijke processen
tektonika
adjective
1. betrekking hebbend op de aardplaten, de breuken in de aardplaten en hun verschuivingen
tektonický
noun
  1. 1. toestel waarmee tekeningen...
  2. 2. faxpost
fax
/ˌtelefoˈneːrən/
verb
1. een telefoon gebruiken
telefonovat
noun
telefonie
noun
telefonista
/ˌtelə'fon/, /ˌteːlə'foːn/
noun
1. een toestel waarmee men geluid over kan brengen door middel van galvanische stroom
telefon
noun
telegraf
verb
1. per telegraaf berichten
telegrafovat
noun
telegram
noun
telemetrie
noun
1. een optisch instrument, waarmee ver verwijderde objecten bekeken kunnen worden
  1. dalekohled
  2. teleskop
adverb
1. een onaangenaam gevoel hebbend omdat een verwachting of hoop niet uitgekomen is
rozčarovaný
verb
1. iemand op onaangename wijze verrassen, vaak door een belofte niet na te komen
zklamat
noun
1. een emotie opgeroepen door het niet uitkomen van een verwachting
zklamání
noun
  1. 2. medium
    1. televize
    2. televizor
  2. 1. elektrisch apparaat
    1. televizor
    2. televize
/tɛlx/
noun
1. lid van een familie
potomek
noun
1.
jinochod
/ˈtɛɫkəns/
adverb
2. steeds
neustálý
verb
1. aantal bepalen
počítat
/ˈtɛlər/
noun
1. het getal boven de streep van een breuk
čitatel
noun
1. scheikundig element met symbool Te en atoomnummer 52
  1. tellur
  2. telur
noun
1. scheikundig element met symbool Te en atoomnummer 52
  1. tellur
  2. telur
noun
1.
  1. abakus
  2. abak
pronoun
1. een Dravidische taal met ongeveer 70 miljoen sprekers
teluguský
noun
číslovka
verb
1. tam maken
krotit
/ˈtɛm.pəl/, /ˈtɛm.pəɫ/
noun
1. een gebouw voor godsverering
chrám
noun
templář
noun
tempera
noun
temperament
/ˈtɛmpɛrɑtyːr/
noun
  1. 2. stemming van tonen
    temperatura
  2. 1. grootheid die de warmte weergeeft
    1. teplota
    2. temperatura
adverb
1. luidt het eerste lid van een opsomming van minstens twee argumenten in
za prvé
noun
1. beweging in bepaalde richting, neiging
sklon
noun
1. wagen achter een locomotief
tendr
pronoun
1. het grootste eiland van de Canarische Eilanden, een tot Spanje behorende eilandengroep
Tenerife
noun
1. balsport
tenis
/tɛnˈslɔtə/
adverb
1. immers
koneckonců
noun
1. verplaatsbare constructie van over stokken of buizen gespannen doek die als (tijdelijk) onderdak dient
stan
noun
chapadlo
/tɛnˈtonstɛlɪŋ/
noun
1. een uitstalling van voorwerpen om door het grote publiek bekeken te worden
výstava
/ˈtɛn.zɛɪ/
conjunction
1. behalve wanneer
dokud ne
noun
1. een gepigmenteerd knopvormig uitsteeksel op de borst van de mens
  1. bradavka
  2. prsní bradavka
noun
1. scheikundig element met symbool Tb en atoomnummer 65
terbium
verb
1. het beëindigen van een mensenleven op gerechtelijk bevel
popravit
/tɛrəm/
noun
1. een woord of uitdrukking
výraz
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Isoptera
termit
/tɛrˈmɛin/
noun
1. een vast tijdstip waarop iets gaat gebeuren of iets gebeurd moet zijn
lhůta
noun
  1. terminologie
  2. názvosloví
noun
terpen
noun
1. een vetoplossend oplosmiddel dat uit de sappen van bepaalde dennensoorten gewonnen kan worden
terpentýn
adjective
zemní hnědá
noun
een met een horecaterras vergelijkbare plek in een tuin
terasa
/tɛ'rɛin/
noun
1. een stuk grond van enige omvang
kraj
noun
1. grondgebied
teritorium
noun
het ontwrichten van een samenleving door terreurdaden tegen burgers, vaak met een politiek of religieus oogmerk
terorismus
noun
1. iemand die terroristische aanslagen beraamt, pleegt of wil plegen met een godsdienstig of politiek doel
terorista
noun
1.
tercie
/trʏχ/, /təˈrʏx/
adverb
terug van weggeweest
zpátky
verb
vrátit
noun
zpětná vazba
/tɛr.ˈwɛɪ̯l/, /tɛr.ˈʋɛɫ/
conjunction
  1. 1. gedurende de periode dat nog een andere actie aan de gang is
  2. 2. hoewel
zatímco
pronoun
1. naam van twee boeken uit het Nieuwe Testament
Tesalonickým
/ˈtɛ.se.ˌrɑk/, /ˈtɛ.se.ˌrɑkt/
noun
1. vierdimensionale hyperkubus
teserakt
/tɛst/
noun
  1. 1. probeersel
  2. 3. toets
test
noun
1. akte met een wilsbeschikking voor na de dood
testament
noun
1. een infectieziekte die door een gifstof leidt tot spierspasmen
tetanus
adjective
1. als hoofdas van de rotatiesymmetrie een viertallige as bezittend
tetragonální
noun
1. een door vier gelijkzijdige driehoeken ingesloten lichaam
čtyřstěn
/ˈtøɣəl/, /ˈtøʝəl/
noun
1. stuurriem van rijdier
uzda
/təˈvredə(n)/
adjective
1. geen behoefte voelend om aanmerkingen te maken
spokojený
/təvredənɦɛɪt/
noun
1. het gevoel genoeg te hebben en voldaan te zijn
spokojenost
verb
1. een arbeidsbetrekking verlenen aan iemand
zaměstnat
noun
1. de manier waarop iets is samengesteld, hoe het materiaal aanvoelt en hoe de structuur eruit ziet
struktura povrchu
pronoun
1. de officiële taal van Thailand
  1. thajský
  2. thajština
/ˈtɑɪ̯.lɑnt/, /ˈtɛɪ̯.lɑnd/
pronoun
1. een land in Azië dat vroeger Siam heette
Thajsko
noun
1. grijze stof van de tussenhersenen
thalamus
noun
1. scheikundig element met symbool Tl en atoomnummer 81
thallium
noun
1. een uitgaansgelegenheid waar theatervoorstellingen gegeven worden
divadlo
/teː/
noun
čaj
noun
1. blad van de theestruik
čajový lístek
noun
1. een kleine lepel om thee mee te roeren
čajová lžička
pronoun
1.de grootste rivier van Engeland
Temže
noun
1. kan met deksel en schenktuit waarin een warme drank wordt bereid door bladeren in heet water te laten trekken
čajník
noun
1. theeplant
čajovník
/tema/
noun
1. een onderwerp dat behandelt wordt
  1. téma
  2. tema
  3. thema
noun
1. staatsvorm die gebaseerd is op goddelijke
teokracie
noun
1. leer over God, het goddelijke en de godsdienst
teologie
adjective
1.
teologický
noun
1. een beoefenaar van de theologie
teolog
/ˌteɔːˈretis/
adjective
1. wat niet perse in de werkelijkheid voorkomt, m.b.t. feiten en wetten berustende ...
teoretický
noun
1. een wetenschappelijk model of uitspraak over waarnemingen in de empirie
teorie
adjective
1. genezend; op de geneeswijze betrekking hebbend
léčebný
noun
1. een methode om aan de genezing van zieken te werken
terapie
noun
1. elektronisch muziekinstrument
theremin
noun
1. de leer van warmte en arbeid
termodynamika
/ˈtɛrmoˌmetər/
noun
1. een meetinstrument om temperaturen te meten
teploměr
noun
termosféra
noun
termostat
noun
1. synoniemenwoordenboek
tezaurus
noun
1.
teze
/ˈtora/
pronoun
1.-3.
Tóra
noun
1. scheikundig element met symbool Th en atoomnummer 90
thorium
pronoun
1. uitgestorven Indo-Europese taal uit de Balkan
thráčtina
/tœʏs/, /tœːs/
noun
1. een plek waar iemand woont en zich veilig voelt
doma
noun
1. multimedia opstelling die van een huiskamer een bioscoopzaak maakt
domácí kino
noun
1. scheikundig element met symbool Tm en atoomnummer 69
thulium
noun
tyristor
noun
thyroxin
pronoun
2. de rivier die stroomt door Rome
Tibera
pronoun
  1. 1. voormalig land
    Tibet
  2. 1. autonome regio
    1. Tibet
    2. Tibetská autonomní oblast
noun
1. een inwoner van Tibet, of iemand afkomstig uit Tibet
Tibeťan
adjective
1. gerelateerd aan of afkomstig uit Tibet
tibetský
pronoun
1. een taal die wordt gesproken in Tibet en buiten Tibet door een grote groep vluchtelingen
  1. tibetština
  2. tibetsky
noun
1. zenuwtrek
tik
pronoun
  1. 1. Zwitsers kanton
  2. 1. zijrivier van de Po
Ticino
cardinalNumeral
1. het getal 10
deset
ordinalAdjective
1. nummer tien in een rij
  1. desátý
  2. desátá
noun
deset tisíc
noun
10000-úhelník
noun
desetiúhelník
noun
  1. 1. met het aantal van tien
  2. 2. ongeveer tien
desítka
noun
1. vrouwelijke borst
bradavka
/tɛit/, /tɛɪ̯d/, /tɛːt/
noun
1. onstuitbare gang der dingen van toekomst door het heden naar het verleden
čas
adjective
1. voor een beperkte tijd, niet permanent
dočasný
adverb
1. voor een beperkte tijd, niet permanent
provizorně
/ˈtɛːtmɑˌʃinə/, /ˈtɛːɪtmɑˌʃinə/
noun
1. machine om mee door de tijd te reizen
stroj času
noun
epocha
adjective
1. een aanzienlijke hoeveelheid tijd vereisend
časově náročný
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera tigris
tygr
noun
1. bepaald soort kleine, van oorsprong Aziatische mug met tijgerstrepen op de romp en de pootjes, Aedes albopictus
komár tygrovaný
noun
3. kruid gebruikt in de keuken
  1. tymián
  2. mateřídouška
pronoun
Tilburg
noun
řezivo
noun
1. iemand die zich beroepsmatig vooral met houtbewerking bezighoudt
tesař
pronoun
1. randzee van de Indische Oceaan, gelegen tussen Noordwest-Australië en Timor
Timorské moře
pronoun
Timoteus
noun
scheikundig element
cín
noun
1.
tinktura
adjective
1.van tin vervaardigd
cínový
noun
1. prikkelend gevoel
brnění
/ˈtɪ.pə.lar.stər/
noun
2. prostituée op straat
šlapka
noun
1. Italiaans dessert
tiramisu
noun
tyran
/tirɑ'nik/
adjective
1.
tyranský
pronoun
  1. 1. regio
  2. 2. deelstaat van Oostenrijk
Tyrolsko
/ti'tan/
noun
titan
noun
1. scheikundig element met symbool Ti en atoomnummer 22
titan
noun
  1. 1. opschrift van een document
  2. 2. aanduiding van een persoon
titul
/ˈtitʏs/
pronoun
Titus
noun
1. een kleine zangvogel uit de Zangers Sylviidae
budníček menší
verb
1. het doen opnemen van bijvoorbeeld een medicijn door iemand
podat
adjective
1.te bereiken
dostupný
noun
1. benaming voor tropische vogels uit de familie Ramphastidae
tukan
noun
1.
  1. budoucí čas
  2. futurum
noun
budoucnost
adjective
1. van de tijd die komen gaat
budoucí
verb
1. verduidelijken
vysvětlit
/tun/
adverb
1. op of na dat tijdstip
pak
/tun/
conjunction
1. op het tijdstip dat
když
noun
1. grote moerassige en boomloze vlakte in de noordelijke poolstreken
tundra
adjective
tehdejší
noun
1. het reizen voor ontspanning
  1. turistika
  2. turismus
noun
1. een mannelijk persoon die voor zijn plezier reist
turista
noun
1. een vrouwelijk persoon die voor haar plezier reist
turistka
verb
1. het auteurschap of de eigenaar van iets associëren met iemand
připisovat
verb
1. iets niet verbieden, iets mogelijk maken
dovolit
/'tustɑnt/
noun
  1. geheel van omstandigheden
  2. een ongelukkige situatie
stav
verb
1. iemand zo mishandelen dat hij of zij zichtbaar lichamelijk letsel heeft
potrhat
noun
3. een knop op het bedieningspaneel van een schrijfmachine of computer die het mogelijk maakt een symbool in te typen
klávesa
/ˈtutsə(m)ˌbɔrt/
noun
1,2 een apparaat waarmee, door toetsen in te drukken, gegevens in een computer e.d. ingevoerd kunnen worden
klávesnice
noun
1. steen voor het bepalen van het goudgehalte
prubířský kámen
/ˈtuːvɑl/
noun
1. een gebeurtenis of omstandigheid die vooraf niet te voorzien of niet te berekenen is geweest
náhoda
adjective
náhodný
noun
náhoda
/'tuvlut/
noun
1.
příliv
verb
1. tot vermeerdering bijvoegen
doplnit
noun
1. datgene wat met een groter geheel verenigd wordt
přídavek
noun
1. het in de gaten houden, het letten op
dohled
noun
talár
/'to.ɣo/, /ˈto.χo/
pronoun
1. een land in West-Afrika
Togo
/tʋɑ'lɛt/
noun
1. een plaats waar men zich kan ontlasten
záchod
/ˈtɔki ˈpoːnaː/
pronoun
1. bepaalde minimalistische kunsttaal
toki pona
pronoun
1. de hoofdstad van Japan
Tokio
noun
1. snaarinstrument waarvan de snaren worden getokkeld
trsací hudební nástroj
/tɔl/
noun
  1. 3. plaats waar men slechts tegen betaling mag passeren
  2. 4. geld dat men bij een tol geheven wordt
mýto
noun
1. een persoon die gesproken tekst (meteen) vertaalt naar gesproken tekst in een andere taal
tlumočník
noun
1. weg voor het gebruik waarvan betaald moet worden
placená dálnice
/toˈmat/
noun
1. een eetbare vrucht van de tomatenplant
  1. rajče
  2. rajské jablíčko
adjective
tomatová červená
noun
1. strijdbijl van de Noord-Amerikaanse indianen
tomahavk
noun
kečup
noun
1. een vruchtensap dat uit tomaten is bereid
rajčatová šťáva
noun
1. naam voor koperlegeringen met zink
tombak
noun
1. loterij
tombola
noun
1. röntgenfoto waarbij slechts één vlak scherp wordt afgebeeld (doorsnede)
tomografie
noun
3. een gewichteenheid van 1000 kilogram
tuna
noun
1. iemand die een toneelstukken schrijft
dramatik
/tonə(n)/
verb
2. laten zien
ukazovat
noun
  1. 1. beweeglijk lichaamsdeel in de mond van mensen en veel dieren
  2. 2. wat gesproken wordt
jazyk
pronoun
Tonga
noun
1. een gewelf in de vorm van een halve cilinder
valená klenba
noun
1. benaming voor snelle oceaanvissen uit het geslacht Thunnus
tuňák
noun
tonzilektomie
noun
angína
/ton/
noun
een geluid met een bepaalde herkenbare hoogte
tón
noun
1. toonhoogte
tón
noun
1. een stijgende of dalende opeenvolging van tonen
stupnice
noun
1. hoogste punt, (bovenste) uiteinde
vrchol
noun
topaz
noun
topologie
/tɔːrə(n)/
noun
  1. 2. een bepaald schaakstuk in de vorm van een toren
  2. 1. een hoog bouwwerk
věž
noun
1. meest algemene Europese valk die vaak in nestkasten en gebouwen nestelt, Falco tinnunculus
poštolka
noun
1. een draaiende, trechtervormige uitstulping onder een wolk tijdens een onweersbui
tornádo
noun
torpédo
noun
1. snel, wendbaar oorlogsschip dat torpedo's kan afvuren
torpédovka
noun
torus
pronoun
Toskánsko
interjection
1. een groet bij het vertrek die de hoop uitspreekt elkaar weer te zien
na shledanou
noun
1. alle onderdelen tezamen
úhrn
noun
totalitarismus
conjunction
dokud
noun
totem
noun
1. een luxe autobus om reizen of uitstappen mee te maken
autokar
/tɑu̯/
noun
1. een middel om zaken bij elkaar te binden
lano
noun
1. een mannelijk iemand die kan toveren
čaroděj
noun
1. een vrouwelijk iemand die kan toveren
kouzelnice
noun
1. magisch handboek
grimoár
noun
1. giftigheid
jedovatost
/ˌtɔk.si.ˌko.lo.ˈɣi/, /ˌtɔk.si.ˌko.lo.ˈχi/
noun
1. de wetenschap die de werking van giftige stoffen op biologische systemen bestudeert
toxikologie
noun
1. vocht dat uit klieren bij de ogen vloeit
slza
noun
1.
slzný plyn
noun
tracheitida
/ˈtrɑktɔr/
noun
motorvoertuig
traktor
/tradisʲoˈnel/
adjective
1. zoals de gewoonte dat meebrengt, van oudsher
tradiční
noun
1. transformator
trafo
/traˈxedi/
noun
  1. 1. een toneelspel dat handelt over een bedroevende gebeurtenis
  2. 2. gebeurtenis met een droevige of rampzalige afloop
tragédie
adjective
tragický
verb
1. het doen van lichamelijke oefeningen
trénovat
noun
trenér
noun
1. een oefening
trénink
noun
1. de af te leggen of afgelegde weg van een voorwerp door de ruimte
dráha
verb
hostit
/tram/, /trɑm/, /trɛm/
noun
1. railvoertuig dat meestal in steden voor personenvervoer gebruikt wordt
  1. tramvaj
  2. šalina
noun
trampolína
/ˈtra.nə(n).ˌdɑl/, /ˈtra.nə(n).ˌdɑɫ/
noun
  1. 1. plek van enorm verdriet
  2. 2. alle verdriet en smart gevoeld in het leven
slzavé údolí
noun
transakce
/trɑnsˈkrɪpsi/
noun
  1. 1. de conversie naar een geschreven tekst van een andere geschreven, getypte of gedrukte tekst.
  2. 3.
transkripce
/trɑnsˈfɛːr/
noun
1. overdracht
  1. převod
  2. transfer
noun
transfobie
abbreviation
transformátor
noun
1. het inbrengen van bloed in het bloedvatenstelsel
transfuze
noun
  1. tranzistor
  2. transistor
/'trɑnzitif/
adjective
tranzitivní
noun
translace
noun
1.
transliterace
noun
transmuž
pronoun
1.
Podněstersko
adjective
1. lichtdoorlatend
zřetelný
verb
1. in een andere toonsoort overzetten
transponovat
noun
doprava
pronoun
Sedmihradsko
pronoun
Transvaal
noun
  1. 1. verbinding tussen twee op verschillende hoogte liggende vloeren of terreinen,...
    1. schodiště
    2. schody
  2. 1. benaming voor vogels uit de familie Otididae
    drop
/trɑˈpezə/
noun
  1. 1. een zweefrek voor acrobaten
  2. 2. een hulpmiddel voor het buiten boord hangen om een zeilboot in balans te houden
visutá hrazda
/trɑˈpezɪʏm/
noun
1. een vierhoek waarvan twee zijden evenwijdig lopen
lichoběžník
noun
psychische stoornis, ontstaan door een schokkende ervaring
trauma
adjective
1. door een letsel ontstaan
traumatický
verb
1.
traumatizovat
noun
transvestita
noun
2. satelliet
satelit
noun
1. taps toelopende buis, gebruikt voor het vullen van vaten
  1. nálevka
  2. trychtýř
noun
1. een titelwoord van een stuk tekst in een catalogus, woordenboek of encyclopedie
heslo
adjective
1.
trejfe
noun
1. een rij wagons die door een krachtvoertuig (bijvoorbeeld een locomotief) voortbewogen wordt
vlak
verb
1. op een voorwerp een kracht uitoefenen in een richting die ervan wegvoert
  1. táhnout
  2. tahat
noun
1. pop
tahací panák
noun
1. een vogel die 's winters een andere verblijfplaats kiest dan in de broedtijd
tažný pták
/trɛkzɑk/
noun
1. een instrument met een blaasbalg die een wisseltonig stelsel doorslaande tongen bedient in diatonische stemming
melodeon
noun
1. diakritisch teken
diereze
noun
smutek
noun
1. bepaald soort boom met dunne neerhangende takken, Salix babylonica
plačící vrba
noun
2. overlegprocedure, in het wetgevend proces, tussen Parlement, Commissie en Raad van de EU
trialog
noun
1. een slaginstrument in de vorm van een vrijhangende metalen driehoek
triangl
noun
soud
noun
1. de plaatsen voor het publiek
tribuna
pronoun
1.
Trevír
cardinalNumeral
trilion
noun
1.
trilobit
noun
1. een chemische verbinding
trimer
/ˌtrinidɑd ɛn toˈbaːɣo/, /ˌtrinidɑt ɛn toˈbaːɣo/, /ˌtrinidɑt ɛn toˈbaχo/
pronoun
1. een land in het Caribisch gebied bestatend uit twee eilanden, officieel de Republiek Trinidad en Tobago
Trinidad a Tobago
noun
1. een muziekstuk voor drie spelers
trio
noun
trioda
noun
1. triool
triola
noun
triskaidekafobie
/ˈtritsijʏm/
noun
1. een isotoop van waterstof
tritium
noun
1.
tritón
pronoun
Terst
noun
1. duurzaam voorwerp dat na een overwinning als symbool daarvan aan de winnaar wordt uitgereikt
trofej
noun
1. een langgerekte voederbak.
koryto
pronoun
Trója
/'trɔ.li.bɵs/
noun
trolejbus
/ˌtrɔmboˌsitopeˈni/
noun
1. het symptoom dat men een te laag aantal bloedplaatjes of trombocyten heeft.
trombocytopenie
noun
1. een koperen blaasinstrument
  1. pozoun
  2. trombón
noun
1. de vorming van een bloedprop in een bloedvat of het hart
  1. trombus
  2. krevní sraženina
noun
1. een cilindervormig, met een vel bespannen slaginstrument
buben
noun
bubnová magnetická paměť
noun
bubínek
noun
1. een koperen blaasinstrument met ventielen
  1. trumpeta
  2. trubka
noun
1. Psophia crepitans
trubač agami
/troːn/
noun
1. zetel waar een vorst op zit tijdens formele plechtigheden
trůn
noun
1. steun bij verdriet of pijn
cena útěchy
noun
1. streken tussen beide keerkringen
tropy
noun
troposféra
noun
  1. 2. de bundel vruchten die uit een dergelijke bloeiwijze voortkomen
  2. 1.
hrozen
adjective
1. erg blij met wat men (bereikt) heeft
hrdý
noun
2. het gevoel dat men wil pronken met wat men heeft of doet
pýcha
noun
1. stroming binnen het leninisme, die Stalins politiek te weinig marxistisch vindt en een minder autoritaire en meer internationalistische benadering voorstaat
trockismus
/trɔˈtʋar/
noun
1. een opvanghuis voor wezen
chodník
noun
  1. 1. rondreizend kunstenaar
  2. 2. rondreizend artiest
trubadúr
/trʌʊ/
noun
1. het zich houden aan...
věrnost
verb
1. het aangaan van een officiële verplichting tussen twee personen om voor elkaar te zorgen
  1. brát si
  2. oženit se
  3. vdát se
  4. vdávat se
  5. vzít si
  6. ženit se
/ˈtrɑuwəns/
adverb
1. overigens
ostatně
noun
snubní prsten
/tryk/
noun
1. een handeling om op een slimme manier een doel te bereiken
fígl
noun
lanýž
noun
1. een warm kledingstuk voor over het bovenlichaam
  1. pulovr
  2. svetr
/tsaːr/
noun
1. vroegere Russische keizer
car
noun
1.
carevna
/tʃad/, /tʃat/
pronoun
1. een land in Centraal-Afrika, officieel de Republiek Tsjaad
Čad
/ˈtʃɛxis/, /ˈtʃɛxɪs/, /ˈtʃɛχis/
adjective
1. op Tsjechië betrekking hebbend
český
/ˈtʃɛxis/, /ˈtʃɛxɪs/, /ˈtʃɛχis/
pronoun
1. Slavische taal die vooral wordt gesproken in de Tsjechische Republiek
  1. čeština
  2. česky
pronoun
1. een land in [[Midden-Europa]].
Česká republika
/ˈtʃɛxi.jə/, /ˈtʃɛχi.jə/
pronoun
1. een land in Midden-Europa, officieel de Tsjechische Republiek, en is het westelijke deel van het voormalige Tsjecho-Slowakije.
Česko
pronoun
1. een vroegere staat in Europa, ten zuiden van Polen (van 1918 tot 1993)
Československo
/tʃɛnobil/
pronoun
Černobyl
pronoun
1. een taal die in Tsjetsjenië gesproken wordt
  1. čečenština
  2. čečensky
  3. čečenčina
pronoun
1.
  1. Čečensko
  2. Čečenská republika
/tsuˈnami/
noun
1. een grote vloedgolf
tsunami
noun
1. een koperen blaasinstrument met lage toon
tuba
/ˌtybɛrkyˈlozə/
noun
1. een ziekte veroorzaakt de de tuberculosebacterie Mycobacterium tuberculosis
tuberkulóza
noun
káznice
noun
1.
tuf
/tœy̯x/
noun
4. harnas
postroj
/tœy̯n/
noun
1. begrensd stuk grond waarop gewassen worden geplant of verbouwd
zahrada
noun
1. vorm van gewassenkwekerij die zich specifiek toelegt op het intensief telen van groenten, bloemen, planten, bomen, bollen of zaden
zahradnictví
noun
1.
zahradnictví
noun
1. en 2. cultuurplant en eetbaar kruid Lepidum sativum
řeřicha zahradní
noun
zahradník
verb
schenkpijp aan een kan of ketel
hubice
noun
1. hoofddeksel
turban
noun
tyl
noun
1. plant
tulipán
/tyˈmʏlt/
noun
1.
nepokoj
/ty.ˈne.zi.jə/, /tʏ.ˈne.zi.jə/
pronoun
land in Noord-Afrika, officieel de Republiek Tunesië
Tunisko
noun
1. lange bloes of korte jurk vaak gedragen over een lange broek door vrouwen
tunika
noun
1. een kunstmatige ondergrondse doorgang
tunel
noun
1. een schoepenrad als energieopwekker
turbína
/ˌtyːrəˈlyːr/
noun
1. een weidevogel
vodouš rudonohý
verb
1. veen als brandstof
rašelina
noun
1. het delven en gebruiksklaar maken van turf
těžba rašeliny
pronoun
1. de hoofdstad van de regio Piëmont en de provincie Turijn
Turín
/tʏrk/
noun
1. Inwoner van Turkije
Turek
/tʏrˈkɛɪ̯.jə/, /tʏrˈkɛː.jə/
pronoun
1. land in Europa en Azië
Turecko
pronoun
1. de taal die door de Turkmenen in Turkmenistan en Afghanistan gesproken wordt
  1. turkmenština
  2. turkmensky
pronoun
Turkmenistán
/tʏrˈkojs/, /tʏrˈko̝js/
noun
1. een steen bestaande uit het mineraal turkoois
  1. tyrkys
  2. tyrkysový
adjective
tyrkysová modrá
adjective
tyrkysová zelená
/tʏrks/
pronoun
1. een taal die vooral in Turkije gesproken wordt
  1. turecký
  2. turečtina
noun
1. bepaald soort tuinplant, Lilium martagon
lilie zlatohlavá
noun
1.
hrdlička zahradní
/ˈtʏ.sən/
preposition
1. met iets aan minimaal twee kanten het kind staat tussen haar ouders
mezi
/ˌtʏsənˈdoːrtjə/
noun
1. een versnapering, iets te eten tussen de maaltijden door
svačina
noun
intervence
/ˈtʏsə(n).ʋɛrpsəɫ/
noun
1. een uitroep, een woord, een frase of een zin die een expressie van emotie is
citoslovce
verb
1. elkaar met jij en jou aanspreken
tykat
/ˌtu.va.ˈlu/
pronoun
1. een land in Oceanië
Tuvalu
pronoun
1. Austronesische taal, gesproken door 13.080 mensen in Tuvalu, Fiji, Kiribati, Nauru en Nieuw-Zeeland
tuvalský
/twaːlf/, /tʋaːl(ə)f/
cardinalNumeral
1. het getal 12
dvanáct
ordinalAdjective
1. nummer twaalf in een rij
dvanáctý
/tʋeː/
cardinalNumeral
1. het getal 2
  1. dva
  2. dvě
/tʋeː/
noun
1. het cijfer twee
  1. dvojka
  2. dva
noun
1. geribbeld wollen weefsel
tvíd
/ˈtʋeːdə/
ordinalAdjective
druhý
noun
1. 26 december
2. svátek vánoční
noun
druhá osoba
pronoun
1. het geheel van afzonderlijke militaire conflicten die van 1939 tot 1945...
  1. druhá světová válka
  2. Druhá světová válka
/ˈtweːˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 200
dvě stě
cardinalNumeral
1. het getal 220
dvě stě dvacet
/ˈtwelɪŋ/, /ˈtʋelɪŋ/, /ˈtβ̞elɪŋ/
noun
1. twee wezens die met zijn tweeën tegelijk in één buik ontwikkeld zijn
dvojče
pronoun
2. teken van de dierenriem, traditioneel behorend bij geboortedata van ongeveer 21 mei tot 21 juni
Blíženci
noun
1. kamer waar twee personen kunnen slapen
dvoulůžkový pokoj
noun
2.iets met belangrijke, duidelijke voordelen maar met minstens even belangrijke, vaak minder duidelijke nadelen.
dvousečný meč
adjective
  1. bilingvní
  2. dvojjazyčný
  3. dvoujazyčný
noun
bilingvismus
noun
1. een uitdrukking, bestaande uit twee eentermen, die gescheiden worden door het optelteken (+) of aftrekteken (-)
binomický
noun
1. wezen dat op twee voeten loopt
dvojnohý
cardinalNumeral
1. het getal 92
devadesát dva
cardinalNumeral
1. het getal 22
  1. dvacet dva
  2. dvaadvacet
cardinalNumeral
1. het getal 42
čtyřicet dva
/ˈtʋɛɪfəɫ/
noun
1. gevoel van onzekerheid ten aanzien van wat men in een gegeven situatie moet doen, geloven e.d.
  1. pochybnost
  2. pochyba
verb
na te gaan
pochybovat
/twɛɪ̯x/, /tʋɛɪ̯χ/, /tβ̞ɛːx/
noun
1. een dun buigzaam takje van een boom of struik
větvička
/ˈtʋɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 20
dvacet
ordinalAdjective
dvacátý
noun
1.
Eridino jablko
noun
tyfus
noun
1. door bepaalde karakteristieken herkenbare soort
typ
adjective
1. wat kenmerkend is voor iets of iemand
charakteristický
adjective
2. kenmerkend
typický
noun
2. grafische vorm van tekst
typografie
noun
tyrosin
pronoun
1. randzee van de Middellandse Zee, gelegen tussen het Italiaans vasteland, Sicilië, Sardinië en Corsica
Tyrhénské moře
/yː/
personalPronoun
u (pers.vnw.)
vy
noun
1. bocht van 180°
obrat o 180 stupňů
/ˈyfo/
noun
1. vliegend voorwerp waarvan de identiteit niet bekend is, meestal in verband met een (vermeende) buitenaardse oorsprong
UFO
/œʏ̯/, /œː/
noun
1. Allium cepa, een eetbaar bolgewas
cibule
/œyjəsup/
noun
1. een uit uien bereide soep
cibulačka
noun
1. de melkklier van een herkauwer
vemeno
/œʏ̯ɫ/, /œːl/
noun
1. benaming voor vogels uit de orde Strigiformes
sova
/œʏ̯t/, /œːt/
preposition
1. geeft aan van welke plaats iets komt
  1. z
  2. ze
/ˈœytˌadəmən/
verb
vydechnout
/ˈœʏtbenə(n)/, /ˈœːdbeːnə(n)/, /ˈœːtbenə(n)/
verb
1. het been uit (het vlees) halen
vykostit
verb
zadávat subdodavatelské zakázky
verb
1. iets een groter oppervlak laten innemen
rozšířit
verb
1. uitschakelen
vypnout
verb
1. een gevoel of gedachte in taal verwoorden
vyjadřovat
/ˈœytrʏkɪŋ/, /ˈœːdrʏkɪŋ(g)/, /ˈœːtrʏkɪŋ/
noun
  1. 2. verbinding van woorden
  2. 3. geheel van sprekende gelaatstrekken
  3. 4. het uitdrukken, uiting
výraz
/œʏˈtɛɪndələk/
adverb
1. na een hele tijd
  1. konečně
  2. nakonec
verb
    1. 1. ophouden met branden
    2. 3. naar de bar, disco of restaurant gaan
    pohasnout
  1. 4. naar buiten gaan
    vyjít
/'œʏtχɑŋ/, /'œːtɣaŋ/
noun
východ
/'œytxəmɛrxəlt/
adjective
1.
vychrtlý
adverb
1. dodelijk vermoeid
vyčerpaný
noun
1. een persoon die of bedrijf dat boeken of andere publicaties in omloop brengt
vydavatel novin
noun
het vermogen van iemand om zich voor een lange tijd in te spannen of pijn te verdragen
vytrvalost
verb
pročesat
verb
1. uit een aantal mogelijkheden één of meer selecteren
vybrat
verb
  1. 7. rondkomen
    obejít se
    1. 1. naar buiten komen
    2. 5. het bekend worden
    3. 6. iets als resultaat hebben
    vycházet
/ˈœʏ̯tlat/, /ˈœːtlaːt/
noun
1. een opening waardoor iets als afvalproducten naar buiten kan treden
výfuk
/'ʌʏt.no.də.ɣə(n)/
verb
1. iemand verzoeken iets bij te wonen
pozvat
noun
1. een verzoek om iets bij te wonen
pozvání
noun
1. de toestand waarin iets of iemand aan het eind van zijn of haar krachten is
vyčerpání
noun
1. uitputtende oorlog, oorlogsvoering
opotřebovací válka
noun
1. een plaats of opening waardoor of waarlangs men kan of moet uitrijden
výjezd
verb
1. doden tot er niets meer te doden valt
vyhubit
/ˈœtruːp/, /ˈœytruːp/
noun
1. wat men uitroept, luid geuite woorden of klanken
výkřik
verb
  1. 1. officieel verklaren
    vykládat
  2. 2. uit emotie luid roepen
    vykřiknout
noun
1. !, een leesteken dat uitdrukt dat de zin een uitroep, bevel of uitdrukking van verbazing is
vykřičník
verb
1. uitrusten
vybavit
noun
1. benodigdheden voor een taak
vybavení
/œytspra:k/
noun
1. manier waarop iets ten gehore gebracht wordt
výslovnost
noun
1. woordenboek dat ook aangeeft hoe de woorden uitgesproken moeten worden
slovník výslovností
noun
2. kort plezierreisje
výlet
verb
1.
vyjmenovat
/ˈœytrɛkə(n)/
verb
1. van je lichaam af halen
svlékat
verb
zavádět
noun
1. persoon die uitvindingen doet
vynálezce
noun
1. de daad van het uitvinden, het ontdekken van een nieuwe methode of een nieuw toestel
vynález
noun
vytáčka
verb
2. afhandelen, voltrekken, ten uitvoer brengen
vykonat
noun
1.
odbočka
noun
2. vaste uitgescheiden afvalstoffen van een mens of dier
stolice
noun
výměna
noun
metastáza
noun
1. complete uitrusting van kleren, linnengoed, borden, etc. van een bruid of bruidspaar
výbava nevìsty
noun
  1. 1. wat men van de omgeving vanaf een bepaalde plek kan zien
  2. 2. verwachting, iets waar men naar kan uitzien
pohled
/œytsɔndərɪŋ/
noun
1. een geval waarbij men iets niet onder een regel laat vallen
výjimka
noun
1. een lichtbewapende bereden soldaat in enkele Europese legers
hulán
/ʏltɪˈmatʏm/
noun
1. laatste eis
ultimátum
adjective
ultramarínová
adjective
1. van elektromagnetische straling, net buiten het gebied van het spectrum dat met het menselijk oog zichtbaar is
ultrafialový
/ˈumlʌʊt/
noun
2. vocaalwijziging o.i.v. een klinker in de volgende lettergreep
přehláska
/ʏnɑˈnim/
adjective
1. met eenheid van stemmen
jednohlasný
/y.ˈnik/
adjective
1. enige in zijn soort
jedinečný
adjective
1. alom bekend, vertegenwoordigd of erkend
univerzální
/ynivɛrzitɛɪt/
noun
1. een instelling voor hoger onderwijs, wetenschappelijk onderzoek en dienstverlening
  1. univerzita
  2. universita
  3. vysoká škola
noun
1. het gehele tijd-ruimtecontinuüm waarin wij bestaan, samen met alle materie en energie
vesmír
/ʌnstər/
noun
1. een eenvoudig weegtoestel gebaseerd op een balans met ongelijke armen
přezmen
noun
1. scheikundig element met symbool Uub en atoomnummer 112
ununbium
noun
1. een scheikundig element met het symbool Uuo en het atoomnummer 118
ununoctium
noun
1. een scheikundig element met het symbool Uup en het atoomnummer 115
ununpentium
verb
1. een bestand van een lokale computer of server naar een computer of server op afstand overbrengen
nahrát
noun
1. scheikundig element met symbool U en atoomnummer 92
  1. uran
  2. uranium
noun
1. scheikundig element met symbool U en atoomnummer 92
  1. uran
  2. uranium
pronoun
  1. Uran
  2. Uranos
  3. Uranus
  4. Úran
  5. Úranos
pronoun
1. de officiële taal van Pakistan en een van de officiële talen van India
  1. urdský
  2. urdština
noun
karbamid
noun
1. een vloeistof die bij dieren door de nieren wordt geproduceerd en periodiek wordt geloosd
moč
noun
1.bij zoogdieren een orgaan dat de urine uit de nieren verzamelt en deze opslaat tot het moment van urineren
močový měchýř
noun
1. een lange cilindrische holte die de blaas verbindt met de buitenkant van het lichaam
močová trubice
noun
1. de buis die loopt tussen het nierbekken en de blaas
močovod
/ˌyriˈnɪːrə(n)/
verb
1. het via de blaas lozen van lichamelijke afvalstoffen in de vorm van vloeistof
močit
noun
1.
kyselina močová
noun
1. eerste betekenisomschrijving
urna
noun
urologie
/ˈu.ru.ˌgʋɑɪ̯/, /ˈu.ru.ˌgβ̞ɑɪ̯/, /ˈuruˌɡwe/, /ˌu.ru.ˈɣ<sup>ʊ</sup>ɛɪ̯/
pronoun
1. en 2. land en staat in Zuid-Amerika
Uruguay
/yʔɛsˈbeʔport/
noun
1. aansluitmogelijkheid waardoor apparaten gegevens uit kunnen wisselen volgens de USB-standaard
  1. USB
  2. USB port
/yʔɛsˈbeʔstɪk/
noun
USB flash disk
noun
samozvanec
/ˌytoˈpi/
noun
1. een volmaakte toestand die niet te bereiken is
utopie
adjective
utopický
/ˈytrɛx/, /ˈytrɛxt/, /ˈytrɛχt/
pronoun
2. de hoofdstad van de provincie Utrecht
Utrecht
/yːr/
noun
1. een eenheid van tijd die bestaat uit 60 minuten
hodina
/yu̯/
possessivePronoun
bezittelijk voornaamwoord uw
váš
adjective
vágní
/vaːk/
adverb
1. vele malen
často
noun
± onderscheidende vlag van een schip en/of militaire eenheid
vlajka
noun
jalovice
noun
3. het varen, het bedrijven van scheepvaart als beroep
cesta
noun
1. een aardewerken of glazen kruik, vooral bedoeld voor het in het water zetten van bloemen
váza
noun
volné místo
/vakˈsæː/, /vɑkˈsɛː/
noun
1. uit verzwakte ziekteverwekkers bestaande entstof om afweer op te bouwen
  1. vakcína
  2. očkovací látka
noun
1. een inenting
očkování
noun
1. materievrije ruimte
vakuum
noun
1.
sáh
noun
1. een mannelijke ouder
  1. otec
  2. táta
noun
1. een dag waarop vaders extra verwend worden
Den otců
noun
1. een land of staat waar iemand geboren en opgegroeid is
  1. vlast
  2. domovina
noun
otcovství
/ˈva.ɣə.ˌvyːr/, /ˈva.χə.ˌvyːr/
noun
1. een toestand waar de zielen van gestorven personen gereinigd worden.
očistec
noun
1. het vrouwelijke geslachtsorgaan
pochva
adjective
poševní
/vɑˈkɑn(t)si/
noun
  1. 1. jaarlijks terugkerende periode waarin leerlingen en personen vrijaf hebben
  2. 2. reis in een jaarlijks terugkerende periode waarin je vrijaf hebt
dovolená
noun
1. vakvereniging van arbeiders ter verdediging van hun belangen
odbory
noun
1. een man die zijn vak of professie verstaat
řemeslník
/vɑɫ/
noun
    1. 1. omlaag gaan
    2. 2. ten gevolge van de zwaartekracht naar beneden gaan
    3. 3. onvrijwillig ergens op terecht komen
    pád
  1. 10. apparaat met een vallende deur of klem met als doel dieren te vangen
    past
pronoun
Valencie
noun
valence
noun
1. CH₃(CH₂)₃COOH
kyselina valerová
noun
valin
/vɑlk/
noun
1. roofvogel
sokol
/vɑlkə'rɛɪ/
noun
1. africhten van roofvogels
sokolnictví
noun
1. een laagte tussen bergen
údolí
verb
1. vrijelijk onder invloed van de zwaartekracht naar de aarde bewegen
  1. padat
  2. padnout
noun
1.
penězokaz
noun
1. mythologisch ondood wezen
  1. upír
  2. vampýr
preposition
2. geeft herkomst aan
  1. od
  2. ode
noun
1. scheikundig element met symbool V en atoomnummer 23
  1. vanad
  2. vanadium
adverb
1. op deze dag
  1. dnes
  2. dneska
noun
1. moedwillige en nodeloze beschadiging of vernietiging van andermans of openbaar eigendom
  1. vandalismus
  2. vandalství
verb
  1. 1. te pakken krijgen
  2. 2. onderscheppen
chytat
/ˈvɑŋ.re(i)l/
noun
1. metalen stroken langs autowegen, die dient om te voorkomen dat auto's van de rijbaan raken
zábradlí
/vɑ'nijə/
noun
een smaak- en geurstof geëxtraheerd van de vanilleplant
vanilka
noun
1. vloeistof onttrokken aan vanillestokjes in een ethanol oplossing
  1. vanilkový výtažek
  2. vanilkový extrakt
adverb
1. de komende nacht
dnes v noci
/va.nu.ˈwa.tu/
pronoun
1. een land in Oceanië, officieel de Republiek Vanuatu
Vanuatu
noun
1. Varanidae, de grootste levende hagedis
varan
noun
1. een sporenplant
kapraď
adjective
zelená
noun
varianta
/ˌva.ri.ˈjɑn.si/, /ˌva.ri.ˈjɑn.tsi/
noun
1. een maat voor de spreiding van een variabele of van een verdeling gedefinieerd als de wortel uit de variantie
rozptyl
noun
1. een tam zwijn, gehouden voor zijn vet en vlees
  1. prase
  2. svině
pronoun
1. baai op de Cubaanse kust
Zátoka Sviní
noun
2. lever van een varken
vepřová játra
noun
vepřový tuk
noun
vepřové
adjective
1. met betrekking tot de bloedvaten
cévní
noun
vazelína
noun
1. vaatvernauwing
vazokonstrikce
/vɑstə'lɑnt/
noun
1. land in verbinding met continentale landmassa
pevnina
verb
1. zich onthouden van voedsel
postit
pronoun
masopust
verb
1. iets of iemand grijpen en vasthouden
chytit
verb
1. bevestigen dat iets zo is.
určit
noun
  1. 1. ronde ton waar allerhande vloeistoffen in opgeslagen worden
    1. barel
    2. sud
  2. 3. ader
    céva
noun
1. het gevoelig zijn voor iets; het kunnen overnemen van een eigenschap
náchylnost
/vatiˈkanstɑt/, /vatiˈkaːnstɑd/, /vatiˈkaːnstɑt/
pronoun
1. land in Europa, het kleinste onafhankelijke land ter wereld, het territorium van de Heilige Stoel.
Vatikán
noun
vazal
noun
rvačka
noun
vektor
/veː/
noun
1. door de mens om economische redenen gehouden dieren
dobytek
/feɪɫ/, /veːl/
indefiniteCardinalNumeral
1. groot in hoeveelheid
hodně
noun
1. een gesloten stelsel lijnsegmenten die samen een plat vlak omsluiten
mnohoúhelník
adjective
1.
mnohoúhelníkový
noun
násobek
noun
1. bepaald soort zoogdier, Gulo gulo
rosomák
noun
1.
krtonožka
/veːr/, /vɪːr/
noun
  1. 2. mechanische tong of spiraal waarop door buiging spanning gezet kan worden
    pružina
  2. 1. lichaamsbedekking van een vogel
    péro
/ˈvɪːrtin/
cardinalNumeral
1. het getal 14
  1. čtrnáct
  2. čtrnáctka
ordinalAdjective
čtrnáctý
/ˈfɪːrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 40
čtyřicet
ordinalAdjective
čtyřicátý
noun
veganství
verb
1. zonder water schoonmaken met een borstel
zamést
adjective
1. als of voor vegetariërs
vegetariánský
noun
vegetarián
/ˈvɛilə(n)/
verb
1. verkopen op een openbare verkoping waar een prijs vastgesteld wordt
dražit
adjective
1. niet aan gevaar blootstaand
bezpečný
noun
1. een situatie waarin een bepaald gevaar niets kan aanrichten
bezpečnost
pronoun
1. orgaan van de Verenigde Naties met als primaire verantwoordelijkheid ...
Rada bezpečnosti OSN
noun
1. een afsluitbare gebogen pin waarmee men twee stukken stof bijeen kan houden, voorzien van een veiligheidskapje dat voorkomt dat men zich eraan bezeren kan
sichrhajcka
/ˈvɛɪ̯.lɪŋ/, /ˈvɛː.lɪŋ/
noun
1. een plaats waar goederen bij opbod of afslag verkocht worden
  1. aukce
  2. dražba
noun
  1. 1. dunne laag
    arch
  2. 2. afgestroopte huid
    škraloup
/vɛlt/
noun
nog na te kijken
pole
noun
1. een simpel bed op pootjes dat snel geplaatst kan worden
kavalec
/ ˈvɛltflɛs /
noun
1. een afsluitbare en draagbare fles, meestal uit metaal of plastic vervaardigd, die gebruikt wordt om de drager buitenshuis van vocht te voorzien
polní láhev
noun
polní nemocnice
noun
skřivan polní
noun
1. en 2. (bladeren van) kruidachtige plant Valerianella locusta
  1. polníček
  2. kozlíček polní
noun
živec
/vɛltɔxt/
noun
1. een trektocht van een leger met het doel de vijand te verslaan
kampaň
noun
1.
kalous pustovka
/ˈvɛld.zyː.rɪŋ/, /ˈvɛɫ.tsyː.rɪŋ/
noun
1. bepaald soort overblijvende plant, Rumex acetosa
šťovík kyselý
/vɛlx/, /vɛlχ/
noun
1. de buitenrand van een wiel waar de band omheen zit
ráfek
verb
1. neer doen komen, doen vallen
kácet
pronoun
1. een taal die in de Veneto-regio gesproken wordt
benátský
//
pronoun
1. provincie in Italië
Benátky
pronoun
Benátsko
/ˌvenəzyˈweːla/, /ˌvenəzyˈβ̞ela/, /ˌvenəzyˈβ̞eːla/
pronoun
1. een land in het noorden van Zuid-Amerika
Venezuela
noun
1. soort naaldboom (Taxus baccata)
tis
noun
  1. 1., 2., 3. of 3. (zaad, bladeren of knol van) plant Foeniculum vulgare
    fenykl
  2. 2. plant Foeniculum vulgare
    fenykl obecný
noun
1. onderneming of bedrijf met meerdere aandeelhouders
společnost
noun
1. muuropening om lucht en licht door te laten
okno
noun
parapet
adjective
okenní šedá
noun
ventil
noun
větrání
noun
  1. větrák
  2. ventilátor
/vɛn.ˈtri.kɔɫ/, /vɛn.ˈtri.kəl/, /vɛn.ˈtri.kəɫ/
noun
1. elk van twee kamers van het hart
komora
pronoun
1. planeet
Venuše
noun
mucholapka podivná
adverb
1. op grote afstand
daleký
/vərˈɑxtə(n)/, /vərˈɑçtə(n)/
verb
  1. 1. in hoge mate minachten
  2. 2. trotseren
opovrhovat
/vərˈadəmɪŋ/
noun
1.
oddech
/vɛ.ˈrɑf.sxy.wə(n)/
verb
1. afschuw hebben voor
hnusit
verb
    1. 1. zodanig aan iets werken of iets behandelen dat het anders wordt
    2. 3. anders worden
    změnit
  1. 2. zodanig aan zichzelf werken of zichzelf behandelen dat men anders wordt
    1. změnit
    2. měnit
noun
1. iets dat anders is geworden
změna
noun
1. de verplichting om ervoor te zorgen dat iets goed verloopt
odpovědnost
adjective
1. met woorden
slovní
adverb
1. als je iets vreemd vindt omdat je het niet verwacht had
ohromený
verb
1. iemand van regeringswege dwingen een bepaald gebied te verlaten
vyhnat
verb
1. door iets onverwachts gevoelsmatig treffen
ohromit
verb
1. iets ergens plaatsen waar het niet gemakkelijk door anderen gevonden wordt
ukrýt
/vər.ˈbe.tə,rɪŋ/
noun
1. een verandering ten goede
zlepšení
/vɛɾ.'bi:.dǝ(n)/
verb
1. een bepaalde handeling strafbaar stellen
  1. zakázat
  2. zakazovat
verb
  1. 1. twee of meer onderdelen aan elkaar vastmaken
  2. 2. met iets of iemand contact maken via de telefoonlijn
  3. 3. behandelen door het aanbrengen van verband
spojit
/vər.ˈbɪn.dɪŋ/, /vɛr.ˈbɪn.dɪŋ(g)/
noun
1. verbinden of samenvoegen
spojení
noun
2. twee-personen-verhouding waarbij de ene tot een prestatie gerechtigd, de andere tot dezelfde verplicht is
povinnost
adjective
modrošedá
noun
pobyt
verb
1. verstomd doen staan van verbazing
být záhadou
/vərˈbɔt/
noun
1. strafmaatregel
zákaz
verb
1. verteerd worden door vuur of hitte
popálit
noun
spalování
noun
2. de totale verbruikte hoeveelheid
spotřeba
verb
2. het stelselmatig veranderen van de uitgang van een naamwoord al naargelang de functie van het woord in de zin
ohýbat
/vər.ˈbœʏ̯.χɪŋ/, /vər.ˈbœː.ɣɪŋ/
noun
1. naamwoordsflexie
deklinace
verb
1. met een laagje chroom bedekken
chromovat
adverb
podezřelý
noun
1. iemand die verdacht wordt
podezřelý
verb
1. overgaan van een gecondenseerde fase, vast of vloeibaar, naar de gasfase
vypařit
noun
1.
odpaření
verb
1. beschermen tegen een aanval
bránit
noun
obhajoba
verb
1. in kleinere stukken uiteendoen
dělit
verb
1. het vermoeden hebben van iets slechts
podezírat
/vər.ˈdɛŋ.kɪŋ/
noun
1. het vermoeden van het uitvoeren van een (strafbaar) feit
podezření
verb
  1. 2. geld verkrijgen door arbeid of een andere prestatie
    vydělat
  2. 1. het recht op een beloning of bestraffing verwerven
    zasloužit
noun
2. goede, opbouwende daad
zásluha
/vɛr.ˈdi.pə(n)/
verb
1. dieper maken
prohloubit
verb
  1. 1. dikker worden
  2. 2. dikker doen worden
houstnout
interjection
hergot
adjective
neřestný
noun
1. een gevoel van droefheid
smutek
verb
  1. 1. driemaal zo groot maken
  2. 2. driemaal zo groot worden
ztrojnásobit
verb
1.uit het land verjagen
vyhnat
noun
tonoucí
verb
2. iets (m.n. geld) ontvreemden/stelen
zpronevěřit
/vər.ˈdœʏ̯.stə.rɪŋ/, /vər.ˈdœː.stə.rɪŋ/, /vɛr.ˈdœːs.tə.rɪŋ(g)/
noun
zatmění
verb
2. door toevoeging van oplosmiddel de concentratie verlagen
zředit
/vərˈdʋɛɪnə(n)/
verb
1. wegraken
zmizet
noun
1. het verdwijnen
zmizení
/vɛrɛɪsə(n)/
verb
1. nodig hebben
  1. vyžadovat
  2. žádat
  3. dožadovat
  4. požadovat
/vəˈrenəχt ˈkonɪŋkˌrɛɪ̯k/, /vəˈreːnəxt ˈkoːnɪŋkˌrɛːk/, /vəˈreːnɪx ˈkoːnɪŋkˌrɛɪ̯k/
pronoun
  1. Spojené království
  2. Velká Británie
/vɛrenəɣdə arabisə emiratən/
pronoun
land in het Midden-Oosten, officieel de Verenigde Arabische Emiraten, vaak afgekord tot V.A.E.
Spojené arabské emiráty
pronoun
1. unie van Egypte en Syrië van 1958 tot 1961, en de officiële naam van Egypte van 1961 tot 1971
Sjednocená arabská republika
noun
Organizace spojených národů
pronoun
1. een land dat een groot deel van het Noord-Amerikaanse continent beslaat en opgedeeld is in vijftig staten
  1. Spojené státy
  2. Spojené státy americké
/və.ˌre.nəx.də.ˈsta.tə(n).vɑn.ɑ.ˈmeː.ri.ka/, /və.ˌreɪ̯.nəχ.də.ˌsta.tə(n).vɑn.ɑ.ˈmɪː.ri.ka/, /vɛ.ˌʁe.nɪx.də.ˈsta.tə(n).va.na.ˈmeː.ʁi.ka/
pronoun
1. een land dat een groot deel van het Noord-Amerikaanse continent beslaat en opgedeeld is in vijftig staten
Spojené státy americké
verb
1. afzonderlijke delen tot één geheel maken
sjednotit
/və.ˈre.nə.ɣɪŋ/, /və.ˈre.nə.χɪŋ/, /vər.ˈe.ni.ɣɪŋ(g)/
noun
1. groepering van mensen die op een bepaald doel gericht is
sdružení
verb
1. tot onderwerp van aanbidding hebben, eer bewijzen
uctívat
verb
1. erger worden of maken
zhoršit
/vɛrf/
noun
1. de algemene benaming voor een product dat bedoeld is om voorwerpen te beschermen...
barva
verb
1. mooier maken
zkrášlit
verb
občerstvit
/vərˈɣadəˌrɪŋ/, /vərˈχadəˌrɪŋ/
noun
1. een georganiseerde bijeenkomst voor bespreking en overleg
shromáždění
noun
pomněnka
adjective
1. niet goed kunnen onthouden
zapomnětlivý
noun
odplata
verb
1. geel worden door veroudering of invloed van de omgeving
zežloutnout
adjective
1. goed te vergelijken
srovnatelný
verb
1. de overeenkomsten en verschillen van twee zaken in beschouwing nemen
  1. porovnat
  2. porovnávat
/vɛrɣə'lɛɪkɪŋ/
abbreviation
  1. 1. relatie tussen twee zaken
    porovnání
  2. 2. wiskundige uitdrukking
    rovnice
verb
1. uit het geheugen verloren gaan
  1. zapomenout
  2. zapomínat
verb
1. vergiffenis schenken
  1. odpustit
  2. odpouštět
/vərˈxit/
noun
1. teiltje met gaten
cedník
/vərˈɣɪf/
noun
1. iets dat levende wezens schaadt
jed
noun
1. het iemand niet kwalijk nemen van iets; het kwijtschelden van een schuld
odpuštění
verb
1. blootstellen aan een voor het lichaam schadelijke vreemde stof
otrávit
noun
de toestand van vergiftigd worden
otrava
verb
1. eerste betekenisomschrijving
mýlit se
noun
1. bolle lens waardoor de voorwerpen die men bekijkt groter lijken
lupa
noun
1. een toename in grootte
zvětšení
/vər'xœyzə(n)/
verb
1.
hanět
verb
1. een voorwerp bedekken met een dun laagje goud
  1. pozlatit
  2. zlatit
noun
1. een officiële (noodzakelijke) toestemming om een bepaalde activiteit uit te voeren
povolení
/vər'ɦal/
noun
1. verslag (mondeling of schriftelijk) van een waargebeurde of verzonnen gebeurtenis
příběh
noun
sklon
verb
1. voorkomen, ervoor zorgen dat iets niet gebeurt
zabránit
/vərˈɦɔʊ̯.dɪŋ/, /vərˈɦʌʊ̯.dɪŋ/, /vɛrˈhaʊ̯.dɪŋ/
noun
  1. 3. een intieme, duurzame relatie tussen twee personen
  2. 1.
  3. 2. de betrekking van personen onderling
poměr
verb
1. van woonplaats veranderen
přeštěhovat se
/vərˈhœʏzɪŋ/, /vərˈhœːzɪŋ/
noun
1. de verwisseling van één (semi-) permanente woonplaats voor een andere
stěhování
noun
1. de dag waarop iemand viert dat hij of zij geboren werd
narozeniny
noun
1. het niet meer afdwingbaar zijn van een vordering door het verloop van de tijd
promlčení
verb
1. jonger maken
omladit
noun
1. het geheel van verplaatsingen waarbij goederen of personen vervoerd worden
  1. doprava
  2. provoz
adjective
dopravní modrá
noun
1. gestandaariseerd bord met aanwijzingen voor mensen in het verkeer
dopravní značka
adjective
žlutá dopravní
adjective
dopravní zelená
noun
1. een installatie die middels gekleurde lichten het verkeer op een kruispunt regelt
semafor
adjective
dopravní oranžová
adjective
dopravní purpurová
adjective
dopravní červená
adjective
dopravní bílá
adjective
dopravní černá
noun
2. militaire verkenning
průzkum
verb
1. iemand door een stemming een ambt doen toekomen
volit
/vər.ˈki.zɪŋ/, /vɛr.ˈki.zɪŋ(g)/
noun
1. het kiezen door middel van stemming
  1. volba
  2. volby
/vɛrˈklarə(n)/
verb
1. duidelijk maken
vysvětlit
/vər.ˈkla.rɪŋ/, /vɛr.ˈkla.rɪŋ(g)/
noun
  1. 2. plechtige bekendmaking
  2. 1 het verklaren
  3. 3. opheldering
  4. 4. schriftelijk stuk
prohlášení
/vərˈklɛɪ̯nʋɔːrt/
noun
1. woord waardoor iets als klein of weinig wordt voorgesteld
zdrobnělina
noun
bonzák
verb
podělat
verb
zfušovat
noun
1. het verkopen (voor geld aan een ander geven)
prodej
/vərˈkopə(n)/
verb
1. goederen tegen betaling aan een nieuwe eigenaar geven
  1. prodávat
  2. prodat
noun
1. iemand die goederen of diensten verkoopt
prodavač
verb
1. iemand met geweld tot seksueel verkeer dwingen
  1. znásilnit
  2. znásilňovat
noun
1. een seksuele daad onder dwang
znásilnění
verb
1. in bezit krijgen, verwerven
získat
/vər'lɑmə(n)/
verb
1. van het vermogen zich te bewegen beroven
ochromit
noun
1. toestand waarin men niet is staat is zich te bewegen
ochrnutí
noun
1. de voorafgaande tijd
minulost
noun
minulý čas
/vər.ˈlɛɪ̯.dɪŋ/, /vər.ˈlɛː.dɪŋ/, /vɛr.ˈlɛɪ̯.dɪŋ/
noun
1. het verleiden van iets of iemand
svádění
/vərlenə(n)/
verb
1. iemand begunstigen met iets, iemand iets toestaan
poskytnout
/vərˈlɛŋə(n)/
verb
2. langer laten duren
prodloužit
noun
elektrisch snoer voorzien van stekker en contrastekker
prodlužovačka
noun
1. het teloorgaan, kwijtraken
ztráta
verb
  1. 2. niet winnen
    prohrát
  2. 1. iets kwijt raken
    1. ztratit
    2. ztrácet
noun
dovolenka
noun
1. iets wat heel aantrekkelijk is, maar verkeerd en zondig is
pokoušení
adjective
zasnoubená
noun
1. iemand die toegezegd heeft met een partner in het huwelijk te willen treden
  1. snoubenec
  2. snoubenka
noun
2. de beroepsmatige begeleiding tijdens iemands zwangerschap en de bevalling
porodnictví
/vər.ˈlɔ.sɪŋ/, /vɛr.ˈlɔ.sɪŋ/
noun
1. de bevrijding van de gevolgen van de zonden van de mens door het geloof in Jesus
spása
verb
1.aan lichaamsgewicht verliezen
zhubnout
verb
1. iemand prettig en leuk bezighouden
bavit
verb
1. een feit noemen in een verhaal of tekst
zmínit
noun
zmínka
verb
míchat
verb
1. het herhaald optellen van een getal; een rekenkundige bewerking waarvan de uitkomst het product wordt genoemd
násobit
/vər.ˌme.nəx.ˈvʏɫ.də.ɣɪŋ/, /vər.ˌme.nəχ.ˈvʏɫ.də.χɪŋ/, /vɛr.ˌme.nɪx.ˈvʏl.di.ɣɪŋ(g)/
noun
1 .een vermeerdering tot een veelvoud van het oorspronkelijke aantal
násobení
/vərˈmɛi̯də(n)/
verb
1. trachten te ontwijken
vyhýbat se
adjective
2. in een tint rood met RAL-nummer 2002
rumělka
noun
  1. 1. bepaalde rode kleurstof op basis van kwik(I)sulfide, HgS
    cinabarit
    1. 2. naar oranje zwemende dieprode kleur
    2. 3. tint rood met RAL-nummer 2002
    rumělka
noun
1. een waarschijnlijke waarheid
domněnka
noun
únava
/vərˈmoχə(n)/
noun
2. de kwaliteiten om iets te kunnen doen
výkon
verb
1. gewelddadig van het leven beroven
zabít
noun
1. versterkte wijn, op smaak gebracht met aromatische planten en kruiden
vermut
verb
1. een einde maken aan, het bestaan uitwissen van, volledig tenietdoen
ničit
noun
1. einde maken aan het bestaan van iets
destrukce
noun
obnovení
noun
1. een oplossing van filmvormende stoffen in vluchtige oplosmiddelen...
fermež
verb
1. een bepaalde aanname maken
předpokládat
noun
předpoklad
adverb
1. gevoelens koesterend dat men te na gekomen is
rozhněvaný
/və.rɔn.ˈtʋar.də.χɪŋ/, /və.rɔn.ˈtβ̞ar.də.ɣɪŋ/, /vɛr.ɔnt.ˈwar.di.ɣɪŋ(g)/
noun
1. boosheid
nevole
verb
1. in een rechtszaak een oordeel uitspreken
proklínat
verb
1. de oorzaak zijn van
způsobit
noun
nařízení
adjective
zastaralý
/vərovərə(n)/
verb
1. een gebied door een militaire operatie in zijn macht nemen
dobýt
noun
dobytí
noun
1. het materiaal waarin iets verpakt is
zabalení
noun
  1. 1. iemand die beroepshalve patiënten verpleegt
  2. 2. een deskundige in de verpleegkunde
ošetřovatel
verb
1. een zieke verzorgen
ošetřovat
adjective
1. door iets of iemand gedwongen
povinný
/vər.ˈplɪx.tɪŋ/, /vər.ˈplɪχ.tɪŋ/, /vɛr.ˈplɪx.tɪŋ(g)/
noun
1. iets dat moet
povinnost
/vəˈraːt/
noun
1. het schenden van trouw
zrada
verb
2. een geheim prijsgeven
zradit
noun
1. iemand die verraad pleegt
zrádce
adjective
perfidní
/və.ˈra.sɪŋ/, /və.ˈrɑ.sɪŋ/, /vɛ.ˈrɑ.sɪŋ(g)/
noun
1. een geheel onverwachte gebeurtenis
překvapení
/ˈvɛrəˌkɛːkər/, /ˈvɛrəˌkɛːɪkər/
noun
1. een optisch instrument om voorwerpen op grote afstand te kunnen waarnemen door het vergrotend effect van het instrument
dalekohled
verb
1. rijker maken
obohatit
noun
  1. 2. dichtregel
  2. 3. couplet
verš
noun
  1. 1. militaire versterking
  2. 2. reling van een schip
hrazení
/vər'sxɛɪnə(n)/
verb
  1. 1. aan het licht treden, zichtbaar worden
  2. 3. voor het gerecht verschijnen
objevit
noun
objevení se
/vɛrsxɛɪnsəɫ/
noun
1. iets dat zich voordoet
  1. jev
  2. úkaz
noun
1. een aspect dat bij vergelijking anders is
rozdíl
adverb
1. zo erg dat men er van schrikt
hrozný
verb
1. het verbranden van materiaal zonder aanwezigheid van vuur
spálit
verb
1. door uitdroging rimpelig en klein worden
scvrknout se
/ˈfɛrsi/
noun
  1. 1. specifieke vorm of variant van een uitgave
  2. 2. bepaalde verklaring of interpretatie van een gebeurtenis
verze
/vɛrˈsi:rə(n)/
verb
3.
flirtovat
noun
1.iemand die verslaafd is aan iets
závislák
verb
1. een definitieve overwinning boeken op een tegenstander
porazit
verb
1. te lang blijven slapen met als gevolg dat men een afspraak mist
zaspat
verb
1. slechter worden
zhoršit
verb
1. grote hoeveelheden geheel verorberen
hltat
verb
1. een grotere snelheid (doen) bereiken
urychlit
noun
  1. 3. mechaniek voor overdracht van aandrijving
    převod
    1. 1. toename van het tempo
    2. 2. tweede tijdsafgeleide van de positie
    zrychlení
noun
1. een schakelinrichting aan een motorvoertuig om van de ene naar de andere versnelling te gaan
převodovka
verb
1. tot splinters maken
štípat
noun
2. denkkracht, denkvermogen (met betrekking tot het brein)
rozum
adjective
zkamenělý
verb
1. sterker maken
posílit
noun
1. signaalversterker
zesilovač
verb
1. doen stikken
dusit
verb
1. ter beschikking stellen
dodat
noun
1.
vyvrtnutí
verb
1. omzetten van geschreven of gesproken informatie naar een andere taal
  1. překládat
  2. přeložit
noun
  1. překladatel
  2. překladatelka
/vərˈtalɪŋ/
noun
1. iets dat vertaald is
  1. překlad
  2. překládání
adjective
1.
milý
noun
1. iemand die de plaats van een ander inneemt
zástupce
noun
1. een verhaal dat bedoeld is om verteld te worden
vyprávění
verb
1. voedsel afbreken
trávit
adverb
  1. svislý
  2. vertikální
noun
2. de actie van het vertrekken of weggaan
  1. odchod
  2. odjezd
verb
1. weggaan
odejít
/vər.ˈtrɛk.stat/
noun
1. een tabel waarop staat aangegeven wanneer en op welk perron een trein of bus vertrekt
hodinový
noun
útěcha
noun
1. het geloof in betrouwbaarheid van een persoon
důvěra
verb
rozmazat
noun
1 verslechteren
hniloba
verb
1. een bedrieglijke kopie maken van een waardevol voorwerp
falšovat
/vər'vɑŋə(n)/
verb
1. het ene de plaats doen innemen van het andere
nahradit
verb
1. met verf bestrijken
malovat
verb
1. iets viermaal zo groot maken
zčtyřnásobit
verb
A.1 omvormen van een werkwoord om wijze, tijd en persoon uit te drukken
časovat
/vər.ˈvu.ɣɪŋ/, /vər.ˈvu.χɪŋ/, /vɛr.ˈvu.ɣɪŋ(g)/
noun
1. werkwoordsflexie
časování
noun
1. voorwerp bestemd om personen of goederen naar een andere plaats te brengen
vozidlo
/vər'vɔlɣən/
verb
2. niet rusten voor iemand bestraft of geweld aangedaan is
perzekvovat
noun
2. het vervolgen of vervolgd worden
perzekuce
noun
1. een ongeplande verandering van de oorspronkelijke vorm
deformace
verb
1. vreemd maken, van eigenaar doen wisselen
odcizit
verb
1. het (doen) uitkomen van een voorspelling of belofte
splnit
verb
1.
uráčit se
adjective
1. niet de moeite om zich met iets bezig te houden
  1. zanedbatelný
  2. zanedbatelná
  3. zanedbatelné
verb
1. iets niet de benodigde verzorging schenken
zanedbat
verb
1. ergens van uitgaan
očekávat
/vər.ˈʋɑχ.tɪŋ/, /vər.ˈβ̞ɑx.tɪŋ/, /vɛr.ˈwɑx.tɪŋ(g)/
noun
datgene wat verwacht wordt
očekávání
noun
1. familielid
příbuzný
noun
2. overeenkomst, affiniteit
vztah
/vər.ˈʋɑr.mɪŋ/, /vər.ˈβ̞ɑr.mɪŋ/, /vɛr.ˈwɑr.mɪŋ(g)/
noun
  1. 2. een installatie die voor het verwarmen zorgt
  2. 1. het proces van verwarmen
topení
/vɛrˈʋɑrən/
verb
2. door elkaar halen
  1. splést
  2. zaměnit
/vər.ˈʋɑ.rɪŋ/, /vər.ˈβ̞ɑ.rɪŋ/, /vɛr.ˈwɑ.rɪŋ(g)/
noun
1. een verwarde toestand
zmatek
noun
obrana
verb
oslabit
/və(r).ˈʋɛ.kə(n)/
verb
doen ontstaan (ook in biologische zin)
zplodit
adjective
rozmazlený
noun
1. het verkrijgen van iets
nabývaní
noun
1. het verwijderen
odstranění
/vər'wɛift/
adjective
1.
zženštilý
adjective
2. (bijvoeglijk naamwoord) vernielend
ničitel
noun
1.
desertifikace
noun
1. lichamelijk letsel
zranění
noun
akumulátor
verb
  1. 1. bijeenbrengen
  2. 2. een verzameling hebben of aanleggen
  3. 3. bijeenkomen
sbírat
/vər.ˈza.mə.lɪŋ/, /vɛr.ˈza.mə.lɪŋ(g)/
noun
2. wiskundige verzameling
množina
/vərzekərar/
noun
1. een bedrijf dat tegen betaling van een premie een bepaald risico voor een klant dekt
pojišťovatel
verb
2. tegen betaling van een premie ...
pojistit
/vər.ˈze.kə.rɪŋ/, /vɛr.ˈze.kə.rɪŋ(g)/
noun
1. overeenkomst waarmee men zorgt voor vergoeding van schade, diefstal e.d...
pojištění
noun
1. handelingen gericht tegen de heersende macht of de aanvallende vijand
odpor
noun
1. beweging van het verzet, de gezamenlijke mensen die zich verzetten tegen een overheerser
odboj
verb
4. met een laag zink afdekken
pozinkovat
verb
1. aan iemand vragen iets al dan niet te doen
  1. žádat
  2. požádat
verb
1. vrede laten sluiten
smířit
/vɛrzʋɑkə(n)/
verb
1. zwakker maken
oslabit
noun
1. een mouwloos jasje, te dragen onder de jas van het kostuum
vesta
noun
vestibul
noun
pevnost
adjective
1. dik, vet inhoudend
tlustý
noun
  1. 1. gladde, zeer vette vloeistoffen, smeermiddelen
  2. 2. gespecialiseerd dierlijk weefsel
tuk
noun
  1. 1. een voormalig militair die gevochten heeft, een uitgediend krijgsman
  2. 2. een ervaren en oud persoon in een bepaald onderwerpgebied, zoals een sporter, geleerde, etc.
veterán
adjective
veterinární
noun
1. veto
veto
noun
tuková tkáň
noun
2.
tlusťoch
/ˈvɛtzyr/
noun
1. een keten van ten minste twee koolstofatomen en een carboxylgroep
mastná kyselina
noun
1. jong van bepaalde hoefdieren als het paard, de ezel, de kameel en de zebra
hříbě
noun
1.
vexilologie
noun
1. een vezel is een lang, dun filament waarvan de lengte ten minste drie keer groter is dan de doorsnede
vlákno
noun
1. marimba met metalen toetsen en vibratosysteem
vibrafon
noun
  1. bludný kruh
  2. začarovaný kruh
/viːr/
noun
1. het getal tussen de drie en de vijf
  1. čtyři
  2. čtvery
/ˈviːrdə/
ordinalAdjective
1. nummer vier in een rij
čtvrtý
verb
1. een feest vieren
slavit
cardinalNumeral
1. het getal 84
osmdesát čtyři
cardinalNumeral
1. het getal 24
  1. dvacet čtyři
  2. čtyřiadvacet
cardinalNumeral
1. het getal 44
čtyřicet čtyři
cardinalNumeral
1. het getal 64
šedesát čtyři
noun
1. een geometrische tweedimensionale vorm, bestaande uit vier hoeken en derhalve ook vier zijden
čtyřúhelník
/ˈviːrˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 400
čtyřista
ordinalAdjective
1. nummer vierhonderd in een rij
čtyřstý
adjective
1. met de vorm van een vierkant
  1. čtvercový
  2. čtverec
noun
1. geometrische tweedimensionale vorm, bestaande uit 4 gelijke hoeken van 90 graden en 4 zijden met gelijke lengte
čtverec
noun
1.
metr čtvereční
noun
1. dat getal dat met zichzelf vermenigvuldigd een gegeven getal oplevert
druhá odmocnina
adjective
1. uitgerust met vier wielen
  1. čtyřkolový
  2. čtyřkolý
pronoun
Lucernské jezero
pronoun
Vietnam
pronoun
1. de officiële taal van Vietnam
  1. vietnamský
  2. vietnamština
noun
1. iemand met wie men op voet van oorlog leeft
nepřítel
adjective
1. van de vijand
nepřátelský
adjective
1. zich als een vijand gedragend
nepřátelský
/vɛi̯f/
cardinalNumeral
1. het getal 5
  1. pět
  2. patery
/ˈvɛɪ̯f.də/, /ˈvɛɪ̯v.də/, /ˈvɛːv.də/
ordinalAdjective
1. nummer vijf in een rij
pátý
cardinalNumeral
1. het getal 35
pětatřicet
cardinalNumeral
1. het getal 95
devadesát pět
cardinalNumeral
1. het getal 85
osmdesát pět
cardinalNumeral
1. het getal 25
  1. dvacet pět
  2. pětadvacet
cardinalNumeral
1. het getal 45
pětačtyřicet
cardinalNumeral
1. het getal 55
padesát pět
cardinalNumeral
1. het getal 65
pětašedesát
/ˈvɛifənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 75
sedmdesát pět
noun
1. een geometrische tweedimensionale vorm, bestaande uit vijf hoeken en derhalve ook vijf zijden
pětiúhelník
/ˈvɛi̯fˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 500
pět set
noun
1. atletiekmeerkamp met vijf onderdelen
pětiboj
/ˈvɛi ̯ftin/
cardinalNumeral
15
patnáct
ordinalAdjective
patnáctý
noun
patnáctiúhelník
/ˈfɛi̯ftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 50
padesát
noun
1.
padesátiletý
noun
1. vrucht van de vijgenboom
fík
noun
1. een werktuig met een ruw, gegroefd of gekerfd oppervlak dat het mogelijk maakt dunne lagen van een voorwerp te verwijderen
pilník
noun
1. tamelijk klein door de mens aangelegd water
rybník
noun
1. een groot en vrijstaand huis
vila
pronoun
1.
Bělák
verb
1. van het vel ontdoen
stahovat
noun
door langdurig bewerken verdichte wol
filc
/vɪn/
noun
1. uitstekend lichaamsdeel van vissen en andere aquatische dieren
ploutev
/'vɪndə(n)/
verb
1. iets aantreffen nadat ernaar gezocht is
  1. najít
  2. nacházet
  3. nalézat
  4. nalézt
noun
1. de mate waarin iemand goed is in het vinden van nieuwe oplossingen
vynalézavost
noun
1. extremiteiten van de hand
prst
/ˈvɪ.ŋər.ˌɑf.drʏk/, /ˈvɪ.ŋər.ˌɑv.drʏk/
noun
1. een afdruk op een oppervlak van een vinger met meestal de unieke, persoonsgebonden figuur...
otisk prstu
/'vɪŋərə(n)/
verb
1. met de hand of vinger bevredigen
prstit
/'vɪŋərˌɦut/
noun
1. hard dopje dat het eerste kootje van de vinger beschermt bij het naaien
náprstek
noun
náprstník
noun
  1. pěnkava obecná
  2. pěnkava
noun
1. knie- of beenviool
gamba
noun
1. (kleur) een kleur tussen blauw en ultraviolet, met een golflengte tussen de 430 en 380 nm
fialový
noun
1. musicus die een viool bespeelt
houslista
noun
1. een viersnarig strijkinstrument dat tijdens het bespelen door de violoncellist of cellist tussen de knieën wordt gehouden
  1. violoncello
  2. cello
  3. violončelo
  4. čelo
noun
1. strijkinstrument
housle
noun
1. benaming voor planten uit het geslacht Viola
fialka
adjective
1. door een virus veroorzaakt
virový
noun
1.
virologie
noun
1. (beroep) deskundige op het gebied van virussen en virusziekten
virolog
adjective
1.
virtuální
adjective
virtuos
/virəs/
noun
  1. 2.
    1. virus
    2. počítačový virus
  2. 1.
    1. virus
    2. vir
noun
  1. 1. Pisces, gewerveld dier met kieuwen, levend in water
  2. 2. het vlees van een vis
ryba
noun
1. Pandion haliaetus, een vooral visetende roofvogel die de enige soort uit de familie Pandionidae is
orlovec
adjective
1. met betrekking tot de ingewanden
vnitřní
noun
1.
viskóza
noun
1. de wijze waarop men zaken beoordeelt of beschouwt
názor
/vizi'ɣotis/
adjective
1.
vizigótský
noun
1. een droombeeld
vidina
adjective
vizionář
noun
1. vlechtwerk van touw om zeedieren te vangen of in water te bewaren
rybářská síť
pronoun
2. teken van de dierenriem, traditioneel behorend bij geboortedata van ongeveer 19 februari tot 21 maart
Ryby
verb
  1. 1. proberen te vangen
  2. 2. proberen te weten te komen
rybařit
noun
1. iemand die beroepsmatig vist
rybář
/vizyʋel/
adjective
1. betreffende het zicht, betreffende het zienbare
zrakový
noun
vízum
noun
živost
noun
1. een stof die het lichaam in kleine hoeveelheden nodig heeft, maar niet of bijna niet door het lichaam zelf aangemaakt kan worden en derhalve in voldoende mate via voedsel of supplement ingenomen moet worden
vitamín
noun
  1. 2. klep aan een hoofddeksel
    hledí
  2. 1. een richttoestel op de loop van een vuurwapen
    zaměřovač
  3. 1. minister of hoog staatsdienaar
    vezír
pronoun
1. Nederlands zoals dat in Vlaanderen gesproken wordt
  1. vlámský
  2. vlámština
noun
1. bepaald soort kraaiachtige vogel, Garrulus glandarius
sojka
pronoun
1. de noordelijke deelstaat van België
  1. Flandry
  2. Vlámsko
/vlɑχ/
noun
1. lap stof met een vast patroon van kleuren die gevoerd wordt als symbool van een organisatie, beweging of natie
vlajka
/ˈvlɑɣəˌsxɪp/
noun
1. schip waarop zich de bevelvoerder over een vloot of eskader bevindt
vlajková loď
noun
1. bepaald soort vis, Thymallus thymallus
  1. lipan podhorní
  2. lipan
/vlɑk/
adjective
1. zonder bergen of dalen
vodorovný
noun
1. bepaald soort giftige vaste plant die sporen vormt, Diphasiastrum complanatum
plavuník zploštělý
noun
1. gebied met weinig of geen hoogteverschillen
rovina
noun
1. kleinste vorm van vuur
plamen
noun
oblouková pec
/'vlamɪŋ/
noun
1. een inwoner van Vlaanderen of iemand afkomstig uit Vlaanderen
Vlám
noun
len
noun
1. bepaald soort vinkachtige vogel Carduelis cannabina
konopka
noun
1. een gebonden pluk haar
cop
/ˈvlɛx.tə(n)/, /ˈvlɛχ.tə(n)/
verb
1. in elkaar strengelen
plést
noun
1. klein vliegend zoogdier
  1. netopýr
  2. letoun
noun
  1. 2. spierweefsel van dieren dat opgegeten kan worden als onderdeel van de voeding
  2. 1. spierweefsel van bepaalde organen
maso
noun
1. een vleesetend dier
masožravec
verb
1. (onoprechte) complimenten geven, meestal om bij iemand in de gunst te komen
  1. lichotit
  2. pochlebovat
noun
lichotník
noun
1. een vieze plek
skvrna
noun
  1. 1. lichaamsdeel van bepaalde diersoorten
  2. 3. muziekinstrument
křídlo
noun
1. gevleugelde vrucht
dvounažka
/'vløxəlspelər/
noun
1.
hráč na křídle
/vlix/, /vliχ/
noun
1. tweevleugelig insect
moucha
noun
1. groot vaartuig dat is ingericht voor het opstijgen, landen, vervoer en onderhoud van meerdere vliegtuigen
letadlová loď
/ˈvli.ɣə(n)/, /ˈvli.χə(n)/
verb
1. zich door de lucht voortbewegen
  1. létat
  2. letět
noun
1. bepaald soort paddenstoel, Amanita muscaria
muchomůrka červená
noun
1. een voorwerp dat door de wind aan een draad in de lucht opgelaten kan worden
drak
/ˈvlixtœːx/, /ˈvliχtœʏχ/
noun
1. vervoermiddel dat speciaal ontworpen is voor het reizen door de lucht
  1. letadlo
  2. letoun
/ˈvlixfɛɫt/
noun
1. een terrein waar vliegtuigen kunnen landen en opstijgen
letiště
noun
1. sneldraaiend wiel met grote massa
setrvačník
noun
bez
/'vlirbɛs/
noun
1. bessen van de gewone vlier
bezinka
noun
1. benaming voor nectar etende insecten uit de orde Lepidoptera
motýl
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Siphonaptera
blecha
noun
1. verhoging van de waterstand
příliv
noun
1.
přílivová vlna
adjective
1. in staat te vloeien, gezegd van de aggregatietoestand van stoffen die niet vast en niet gasvormig zijn
tekutý
/ˈvlujə(n)/
verb
1. zacht stromen
téct
adjective
2. zonder haperingen een taal kunnen spreken
plynný
noun
2.
piják
noun
1. een stof in die aggregatietoestand waarin het geen eigen vorm heeft, maar wel een eigen volume
  1. kapalina
  2. tekutina
verb
1. uitroepen van vloekwoorden, beledigende taal gebruiken
klít
/vlur/
noun
podlaha
/vloːt/
noun
1. bij elkaar horende schepen
flota
noun
1. een drijvende constructie
vor
noun
1. het zich door luchtruim bewegen
let
/'vlɵxtəlɪŋ/
noun
1.
uprchlík
/vlɵxtə(n)/
verb
1. (onovergankelijk) trachten te ontkomen aan dreigend gevaar
utéct
noun
1.
číslo letu
noun
1. snel en oppervlakkig seksueel contact
rychlovka
pronoun
1. wereldwijde organisatie waarin alle landen kunnen samenwerken
OSN
noun
1. de vijfde naamval waarin een naamwoord staat dat aanduidt tot wie het woord wordt gericht
vokativ
adjective
vlhký
noun
1. de mate van vocht
vlhkost
verb
1. van voedsel voorzien
krmit
/ˈvu.dɪŋ(g)/, /ˈvu.dɪŋ/
noun
1. voedsel
výživa
noun
1. toevoeging aan voeding
Přídatná látka
noun
1. voedingsmiddel dat bedoeld is als aanvulling op de normale voeding
doplněk stravy
noun
1. alles wat een organisme tot zich neemt om het metabolisme in werking te houden
potrava
adjective
1.
výživný
/ˈvuxʋoːrt/
noun
spojka
verb
1. gewaarworden door aanraking, meestal met betrekking tot temperatuur of druk
cítit
/ˈvuː.rɪŋ(g)/, /ˈvuː.rɪŋ/
noun
1. de binnenbekleding van een voorwerp
podšívka
pronoun
sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Vozka
/ˈvuːrtœx/, /ˈvuːrtœyx/
noun
1. vervoermiddel over land
vozidlo
noun
  1. 1. voortzetting van het been beneden de enkel
    1. noha
    2. chodidlo
  2. 3. oude lengtemaat
    1. noha
    2. stopa
/ˈvut.bɑɫ/
noun
1. een balsport waarbij twee teams van 11 spelers met hun voeten (of hoofd) een bal in het doel van de tegenstander proberen te krijgen
  1. fotbal
  2. kopaná
noun
1. iemand die zich te voet door het verkeer verplaatst
chodec
/'vutpɑt/
noun
1. een pad voor voetgangers
cesta
noun
stopa
noun
1. de onderzijde van de voet
chodidlo
/ˈvoːɣəl/, /ˈvoχɔɫ/
noun
1. een gewerveld dier (Aves) met twee vleugels, twee poten, een snavel en veren...
pták
noun
1. enige zoogdier met een snavel, Ornithorhynchus anatinus
ptakopysk
/ˈvoɣəlˌɛː/, /ˈvoχəɫˌɛɪ/
noun
1. een ei van een vogel
ptačí vejce
noun
1. gezien vanuit de lucht; gezien vanuit de positie van een vliegende vogel
ptačí perspektiva
noun
1. grote behaarde spin die leeft in de tropische streken
tarantule
noun
1. manshoge pop
strašák
noun
1. het geluid dat vogels maken
cvrlikání
pronoun
1. gebergte
Vogézy
pronoun
1.
Vojvodina
/vɔl/, /vɔɫ/
adjective
1. geheel gevuld
plný
pronoun
1. een kunstmatige taal die in 1880 door Johann Martin Schleyer gemaakt werd
volapük
verb
1. een eis vervullen
vyhovovat
indefinitePronoun
1. toereikend, genoeg
dostačující
/'vɔlxə(n)/
verb
1. achterna gaan
sledovat
adjective
1. dat later komt
příští
preposition
1. geeft een bron aan voor de gegeven redenering
podle
noun
sekvenční obvod
adjective
1.
povolný
/vɔlk/
noun
  1. 1. een groep mensen die een aantal dingen gemeenschappelijk hebben, zoals afstamming, taal, gewoontes of overlevering
  2. 2. de inwoners van een land
lid
pronoun
Společnost národů
noun
genocida
noun
1. brood van meel met zemelen
celozrnný chléb
noun
1.
bakalářská etymologie
noun
1. lied dat dienst doet als symbool voor een volk of een natie
národní hymna
noun
lidová republika
/'vɔlkstɛlɪŋ/
noun
1.
sčítání lidu
/ˈvɔlks.tœʏn/
noun
2. moestuin beschikbaar gesteld aan stadsbewoners
rodinná zahrádka
noun
1. fase of schijngestalte van de maan, waarbij de naar de aarde gekeerde zijde, geheel door de zon wordt verlicht en daardoor zichtbaar is
úplněk
noun
1. de fase of schijngestalte van de maan, waarbij de naar de aarde gekeerde zijde, geheel door de zon wordt verlicht en daardoor zichtbaar is
úplněk
noun
  1. 2. bal
    volejbal
  2. 1. spel
    1. volejbal
    2. odbíjená
/vɔlˈmaːkt/
adverb
1. zonder enig gebrek
dokonalý
noun
1. rechtsbevoegdheid om namens een ander te handelen
plná moc
noun
volt
noun
1. spanningmeter
voltmetr
noun
1. het woord dat deel heeft aan het werkwoord en aan het naamwoord en als afgesloten gezien wordt
příčestí minulé
noun
plusquamperfektum
noun
  1. 3. fysieke informatiedrager
    hlasitost
  2. 1. ruimtelijke capaciteit
    1. objem
    2. hlasitost
/volymi'nøs/
adjective
1.
objemný
adjective
1. een leeftijd bereikt hebbend waarop men volgroeid en onafhankelijk kan zijn
dospělý
noun
1. iemand die volgroeid is
dospělý
noun
nalezenec
noun
1. een gloeiend korreltje of brokstukje
jiskra
noun
1. een beslissing van een rechter in dagvaardingsprocedures
trest
noun
1. Haïtiaanse religie
vúdú
/vor/
preposition
  1. 7. ten behoeve van, ten gunste van
    pro
    1. 4. eerder in tijd
    2. 1. dichterbij dan
    před
noun
1. iets ter navolging
příklad
verb
1. handelingen verrichten die een latere gebeurtenis mogelijk moeten maken
  1. připravit
  2. připravovat
/ˈvor.bə.rɛɪ̯.dɪŋ(g)/, /ˈvor.bə.rɛː.dɪŋ/, /ˈvo̝r.bə.rɛɪ̯.dɪŋ/
noun
1. het voorbereiden
příprava
/vorˈbɛɪ̯ɣan/, /vorˈbɛːɣan/, /vo̝rˈbɛɪ̯χan/
verb
  1. 1. langs een bepaald punt gaan.
  2. 2. tot verleden gaan behoren
jít kolem
/ˈvorbodə/
noun
1. vooruitgestuurde bode (letterlijk)
předzvěstník
noun
3. (tennis)
výhoda
/'voːrdøːr/
noun
1. de hoofddeur aan de voorzijde van een woning
hlavni dveøe
noun
1. de persoon die voorafgaand aan een zeker persoon dezelfde positie bekleedde
předchůdce
noun
1. eerste, meestal lichte gang van een maaltijd
předkrm
noun
předtucha
adverb
nadobro
/vɔːr.'ɦɑn.də(n)/
adjective
1. beschikbaar, voorradig
po ruce
noun
1. het deel van het gezicht tussen de wenkbrauwen, de normale haarlijn en de slapen
čelo
noun
1. voorhuid van penis
předkožka
noun
1. het opruimen en poetsen van een woning in het voorjaar
jarní úklid
/ˈvoːrkør/
noun
1. de neiging tot kiezen van het één boven het ander
preference
verb
1. hardop een tekst lezen ten aanhoren van anderen
předčítat
/vorˈlopəx/, /vorˈlopəç/
adjective
1. tijdelijk in afwachting van iets definitiefs
předběžný
noun
1. naam die bij de geboorte aan een persoon wordt gegeven, en die aan de familienaam voorafgaat.
křestní jméno
/ˈvɔːr.nam.ˌʋɔːrt/
noun
1. een woord dat verwijst naar iets anders zonder ze te noemen
  1. zájmeno
  2. pronomen
noun
1. een bijwoord ter vervanging van de combinatie voorzetsel met voornaamwoord,...
zájmenné příslovce
noun
předsudek
noun
1. iemand van wie afgestammen wordt
předek
noun
přednost
noun
1. glazen vlak aan de voorkant van een voertuig dat zorgt voor zicht op de weg en bescherming tegen weer en wind
přední sklo
/'vɔːrsxrɛɪvə(n)/
verb
1. een schriftelijke opdracht geven
nařizovat
noun
  1. 3. liefdesspel als opmaat voor seks
  2. 1. voorbereidende inleiding
předehra
adjective
1. van tevoren te verwachten
předvídatelný
noun
1. de mate waarin het mogelijk is betrouwbare voorspellingen te doen
předvídatelnost
verb
1. een uitspraak doen over toekomstige gebeurtenissen
předpovídat
noun
předpověď
noun
prosperita
/'vorsprɔŋ/
noun
1. de mate waarin men verder gevorderd is dan anderen
náskok
noun
1. iemand die voor iets is
hlasatel
noun
1. hetgeen dat voorgesteld wordt
návrh
verb
  1. 1. een plan voorleggen
    navrhnout
  2. 2. een beeld geven
    prezentovat
noun
  1. 2. plus- of minteken voor een getal
  2. 1. signaal dat aan een gebeurtenis voorafgaat
  3. 3. symbolen aan het begin van een notenbalk
znamení
noun
1. het voortzetten van iets
pokračování
noun
1. het proces van technologische en economische groei van een samenleving
pokrok
noun
1.
předek
noun
1.
preejakulační tekutina
/ˈvoːrvuxsəɫ/
noun
1. een gebonden morfeem dat voor een ander woord geplaatst wordt om iets aan de betekenis toe te voegen
předpona
noun
1. omstandigheid die noodzakelijk is of gemaakt wordt wil iets anders plaats of...
předpoklad
noun
1. een object, iets dat fysiek bestaat
předmět
noun
1. een onverbuigbaar woord dat de aard van de relatie tussen verschillende elementen in de zin aangeeft
předložka
/vɔːrˈzɪxtəx/
adverb
1. op een oplettende manier
  1. opatrný
  2. obezřetný
/vɔːr.'zin/
verb
1. herkennen als toekomstige ontwikkeling
předvídat
noun
líc
noun
1. hoofd van een bestuur, leider van een vergadering
předseda
pronoun
1. deelstaat van Oostenrijk
Vorarlbersko
/vɔɾ.dǝ.ɾɪŋ/
noun
1. vooruitgang, progressie
pokrok
indefiniteOrdinalNumeral
1. degene die of datgene dat eerder een positie innam
  1. bývalý
  2. předchozí
noun
  1. 2. voorwerp bestaande uit een greep en (meestal 3 of 4) tanden, waarmee vast voedsel wordt gegeten
  2. 1. aftakking van een boomtak of van een weg
  3. 5. (schaak) situatie waarbij één eigen stuk tegelijkertijd twee of meer vijandelijke stukken aanvalt
vidlička
noun
  1. 1. ruimtelijke begrenzing van een voorwerp
  2. 2. sjabloon of bak waarin iets gegoten...
forma
/vɔrst/
noun
2. weersomstandigheden
mráz
noun
1.
knížectví
adjective
1. van het weer dat het koud en vriezend is
mrazivý
noun
1. bepaald zoogdier, Vulpes vulpes
liška
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Lištičky
/vra:x/, /vra:χ/
noun
1. een verzoek om inlichting
otázka
noun
1. een leesteken (?) dat men aan het eind van een zin plaatst om deze vragend te maken
otazník
noun
1. een schip dat uitsluitend bedoeld is voor het vervoer van goederen
nákladní loď
noun
1. een wagen voor goederenvervoer
nákladní auto
noun
řidič kamionu
/ˈvraɣə(n)/, /ˈvraχə(n)/
verb
  1. 1. mondeling of schriftelijk informatie verzoeken
    1. ptát se
    2. zeptat se
  2. 2. mondeling of schriftelijk actie verzoeken
    1. žádat
    2. prosit
noun
1. ontbreken van oorlog
mír
noun
1.
doba míru
adjective
    1. 2. gek, onwerkelijk
    2. 3. niet bekend
    bizarní
  1. 1. van buiten, niet van hier
    cizí
verb
1. het nuttigen van voedsel op een meestal onbeleefde wijze
žrát
noun
1. een blij gevoel
radost
/ˈvrøx.də.ˌvyːr/, /ˈvrøɣ.də.ˌvyːr/, /ˈvrøχ.də.ˌvyːr/
noun
1. een groots door mensen opgebouwd en gecontroleerd vuur om iets te vieren
táborák
/ˈvrezə(n)/
verb
1. bang zijn, angst hebben
bát
noun
1. een persoon met wie je een speciale persoonlijke band hebt
přítel
adjective
1. met het nodige respect
přátelský
noun
2. de vrouwelijke persoon met wie je verkering hebt
přítelkyně
noun
1. gelijkwaardige relatie tussen personen die elkaar wederzijds genegen zijn en een vergelijkbare relatie tegelijkertijd ook met anderen kunnen hebben
  1. přátelství
  2. družba
/vrispʌnt/
noun
bod mrazu
noun
1. een toestel bedoeld om voedingsmiddelen in bevroren toestand gebracht, te bewaren
mrazák
adjective
1. ongebonden, niet in beweging beperkt
volný
noun
1. een dag van de week die na donderdag en voor zaterdag komt
pátek
noun
1.
volnomyšlenkář
verb
1. zonder voorbehoud beschikbaar stellen, toegankelijk maken
uvolnit
adjective
1. een ongehuwde man of vrouw
svobodná
noun
1. een ongehuwde man of vrouw
starý mládenec
/ˈvrɛi̯ɦɛi̯t/
noun
1. het vrij zijn
svoboda
noun
1. krijger, rebel of activist die zich inzet voor de vrijheid van zijn of haar onderdrukte volk, en door de vijand vaak gezien als terrorist of militant
bojovník za svobodu
noun
zednář
adjective
1. niet gedwongen
dobrovolný
/ˈvruxlaˌtɛin/
pronoun
1. de voorganger van het klassiek Latijn
archaická latinka
/ˈvruxlaˌtɛin/
pronoun
1. de voorganger van het klassiek Latijn
archaická latinka
adjective
1. in goede stemming
veselý
noun
1. een aangename stemming waarin men veel lacht, zich goed voelt en het leven optimistisch bekijkt
veselost
noun
1.
nábožnost
noun
  1. 2. de vrouwelijke partner in een huwelijk
    1. žena
    2. manželka
    3. choť
  2. 1. een volwassen vrouwelijke mens
    1. žena
    2. ženská
    3. ženština
adjective
ženský
noun
1.
ženství
noun
2. grootste in Europa voorkomende orchideeënsoort, Cypripedium calceolus
střevičník pantoflíček
noun
1. volgroeid vruchtbeginsel
plod
/'vrɵɣbar/
adjective
1. in staat vrucht af te werpen
  1. plodný
  2. fertilní
/'vrʏxt.bar.ɦɛɪ̯t/, /'vrʏxt.bar.ɦɛːt/, /'vrʏɣ.ba.rɛɪ̯d/
noun
1. het vermogen vrucht te dragen
plodnost
noun
plodová voda
/vœy̯l/
noun
viezigheid, onreine materie
špína
/'vœylnɪsbɑk/
noun
1. een bak waarin men huisvuil verzamelt
popelnice
/ˈvœʏɫnɪsˌʋaxə(n)/, /ˈvœːɫnɪsˌβaɣə(n)/
noun
1. een auto van de vuilophaaldienst
popelářský vůz
noun
1. gebalde hand
pěst
adjective
vulgární
noun
  1. sopka
  2. vulkán
noun
1. de vaak explosieve activiteit waarmee in een vulkaan opgebouwde spanningen zich ontladen
sopečná erupce
adjective
1. betrekking hebbend op de processen die in een vulkaan plaatsvinden
sopečný
noun
1. natuurlijke processen
vulkanismus
noun
1. bepaalde soort vlinder, Vanessa atalanta
vulkanologie
verb
1. vol maken
vyplnit
/ˈvʏl.pɛn/, /ˈvʏɫ.pɛn/
noun
1. een schrijfpen met holle houder waarin zich een inktreservoir bevindt
plnící pero
noun
1. de schaamspleet, de ingang tot de vagina
vulva
/vyːr/
noun
1. lichtverschijnsel bij brand
  1. oheň
  2. hoření
pronoun
1. een archipel aan de zuidpunt van Zuid-Amerika
Ohňová země
adjective
ohnivě červená
noun
1.
  1. pazourek
  2. buližník
noun
1. een hoog lichtbaken aan de kust
maják
noun
1. een wapen dat een kogel schiet met behulp van een chemische ontploffing
palná zbraň
noun
1. voorwerpen die gevuld zijn met ontploffende, brandbare en lichtgevende stofmengsels
ohňostroj
noun
1. een Zuid-Afrikaans blaasinstrument
vuvuzela
pronoun
1. meer in Zweden
Vänern
noun
1. scherm in halve schijfvorm
vějíř
/ˈʋakɦɔnt/
noun
1. een hond die het huis of een erf bewaakt
hlídací pes
/wal/
pronoun
(eigennaam) 1. brede zijrivier van de Rijn in Nederland
Waal
pronoun
1. een taal die verwant is aan het Frans en die in Wallonië gesproken wordt
wallonský
/ʋar/
adverb
1. op welke plaats
kde
verb
ručit
/ʋaːrt/
noun
A 1. baas van een herberg, taveerne of café
hostinský
noun
hodnota
/ˈʋardəˌlos/
adjective
1. geen waarde hebbend
bezcenný
/'wardəordel/
noun
1.
hodnotový soud
noun
1. document met geldswaarde
cenný papír
noun
1. het hechten van een waarde aan iets of het tonen daarvan
ocenění
/'ʋardəˌvɔl/
adjective
1. een grote waarde hebbend
cenný
/'ʋar.dəx/
adjective
1. op een wijze die in overeenstemming met het eergevoel is
důstojný
noun
1. dat wat waar is
pravda
verb
1. iets via de zintuigen in zich opnemen
vnímat
noun
1. iets via de zintuigen registreren
pozorování
/ʋarˈɔm/
noun
1. door welke oorzaak?
proč
adjective
1. aannemelijk, iets dat vermoedelijk zo is
  1. asi
  2. pravděpodobný
adverb
1. aannemelijk, iets dat vermoedelijk zo is
pravděpodobně
/ˈʋaːrsxyu̯ə(n)/
verb
1. iemand verwittigen dat er mogelijke gevaren, problemen of gevolgen zijn
varovat
/'ʋaːr.sχy.ʋɪŋ/
noun
1. een mededeling dat er onaangename gevolgen op til zijn
varování
/ˈʋɑx.tə(n)/, /ˈβɑx.tə(n)/
verb
1. op dezelfde plaats of in dezelfde situatie blijven tot iemand komt of iets gebeurt
čekat
noun
1. ruimte of vertrek voor wachtenden, bijvoorbeeld bij een arts of op een station
čekárna
/ˈʋɑxtlɛɪst/
noun
1. een lijst met wachtenden
pořadník
noun
1. een aantal elementen die in een bepaalde volgorde op een gebeurtenis wachten
fronta
noun
1. een geheim woord dat men moet produceren om ergens toegelaten te worden
heslo
pronoun
1. een binnenzee die aan de ene kant grenst aan de Waddeneilanden en de Noordzee en aan de andere kant begrensd wordt door het vasteland van Nederland, Duitsland en Denemarken
součást Severního moře
verb
1. door ondiep water lopen
brodit se
interjection
1. krachtig geluid met korte tussenpozen, zoals een hond dat kan uitstoten
haf
noun
1. plat gebak dat vervaardigd wordt in een wafelijzer
vafle
/ˈʋaːɣə(n)/, /ˈʋaːχə(n)/
noun
2. een auto
  1. vůz
  2. auto
adjective
1.
wagnerovský
/ʋa'ɣɔn/
noun
1. een voertuig dat deel uitmaakt van een trein
vagón
/ˈwa.kə(n)/, /ˈʋa.kə(n)/, /ˈβ̞a.kə(n)/
verb
  1. 1. opzettelijk wakker zijn
  2. 4. letten op, beschermen
  3. 2. wakker zijn
bdít
adjective
1. niet in slaap
  1. bdící
  2. bdělý
/'ʋɑkflɑktə/
noun
1. groot ijsvrij gebied te midden van pakijs
polynie
pronoun
1. een van de delen van het Verenigd Koninkrijk, gelegen op een groot eiland in het noordwesten van Europa.
Wales
noun
1. een draagbare radio en/of CD-speler met koptelefoon
walkman
noun
klokan wallaby
pronoun
1.
wallisština
/ʋɑˈlonɪə/
pronoun
Valonsko
/wɑlrʌs/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Odobenus rosmarus
mrož
noun
4. dans
valčík
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de onderorde Cetacea
velryba
/ʋɑnt/
noun
stěna
noun
1. een misdaad, een slechte of gruwelijke handeling
násilí
/ˈʋɑn.də.ˌlar/, /ˈβ̞ɑn.də.ˌlar/
noun
1. iemand die buitenshuis een stuk loopt
chodec
/ˈʋɑn.də.lɪŋ/
noun
1. het lopend afleggen van een bepaalde afstand
procházka
noun
1. zijkant van het gezicht onder het oog
tvář
/ˈʋɑnɦop/
noun
1. een ellendige toestand waarin men geen uitkomst meer ziet
  1. beznaděj
  2. zoufalství
verb
zoufat
verb
1. onvast op de voeten staan, dreigen te vallen
kolébat
/ˈʋɑŋkəɫˌmotɔr/
noun
1. een verbrandingsmotor die niet met heen en weer gaande zuigers werkt, maar met een roterende zuiger.
Wankelův motor
/ʋɑ.ˈneːr/
adverb
1. op welke tijd
kdy
verb
1. graan zuiveren van kaf door het in de wind op te werpen of te laten vallen
fukarovat
/ʋɑnt/
noun
1. handschoen
palčák
verb
1. niet vertrouwen
nedůvěřovat
noun
vstavač štěničný
/ˈʋaːpən/
noun
  1. 2. een wapenschild
    1. erb
    2. znak
  2. 1. een werktuig van geweld
    1. zbraň
    2. erb
noun
obchodník se zbraněmi
noun
erb
noun
1. een overeenkomst met de vijand om de vijandelijkheden op te schorten
příměří
noun
závody ve zbrojení
verb
1. ronddwalen
obcházet
noun
1. een grote winkel die een uitgebreid assortiment aan goederen verkoopt
obchodní dům
/ʋɑrṃ/
adjective
Na te kijken en uit te splitsen vertalingen
teplý
noun
  1. 1. de mate waarin het weer warm is.
  2. 2. de hoeveelheid thermische energie.
teplo
noun
1. het gelijktijdig opwekken van warmte en kracht
kogenerace
noun
1. een verwarmingsinstallatie die via mechanische arbeid warmte onttrekt aan een koude omgeving en deze toevoert aan een warmere omgeving
  1. čerpadlo tepelné
  2. tepelné čerpadlo
noun
výměník
pronoun
1. hoofdstad van Polen
Varšava
/ʋɑs/
noun
1. weke laagsmeltende en waterafstotende stof
vosk
noun
1. klein Noord-Amerikaans zoogdier, Procyon lotor
mýval
noun
1. Nyctereutes procyonoides, een zoogdier en roofdier uit de familie Canidae
psík mývalovitý
noun
geribbeld bord waarop men de was kan doen
valcha
/ˈwɑs.knɛɪ̯.pər/, /ˈʋɑs.knɛɪ̯.pər/, /ˈβ̞ɑs.knɛː.pər/
noun
1. een knijper die gemaakt is van hout of plastic om nat wasgoed aan een waslijn te klemmen
kolíček
noun
1. een apparaat dat op automatische wijze wasgoed reinigt
pračka
/'ʋɑsə(n)/
verb
1. iets schoonmaken
prát
noun
1. een bak waarin men zich of iets wast
umyvadlo
/ʋɑt/
interrogativePronoun
vragend voornaamwoord
co
adjective
vodní modrá
noun
vodní pára
adjective
1. ondoordringbaar voor water
vodotěsný
noun
vachta trojlistá
noun
vodní filtr
/ˈwatərˌɣlɑtɦɛɪ̯t/, /ˈʋatərˌχlɑtɦɛɪ̯t/, /ˈβ̞atərˌɣlɑtɦɛːt/
noun
1. verschijnsel waarbij een dunne waterfilm ontstaat.
aquaplaning
noun
1.1 bepaald soort watervogel, Gallinula chloropus
slípka zelenonohá
noun
1. benaming voor planten uit het geslacht Rorippa
řeřicha
noun
1. een leidingnetwerk om drinkwater vanuit een waterreservoir naar de verbruiker te vervoeren
vodovod
/ˈwatərˌlɛin/
noun
2. de grens tussen onderwaterschip en bovenwaterschip
čára ponoru
pronoun
2. teken van de dierenriem van 20 januari tot 19 februari
Vodnář
/ˈʋaːtərməˌlun/
noun
1. Citrullus vulgaris, een grote vrucht met vochtig en rood vruchtvlees
vodní meloun
noun
  1. průsvitka
  2. vodotisk
noun
vodoměr
noun
2. een molen die door stromend water aangedreven wordt
vodní mlýn
noun
bepaald soort eenjarige waterplant met eetbare knollen, Trapa natans
kotvice plovoucí
noun
1. een werktuig dat gebruikt wordt om zeker te stellen dat iets loodrecht op de richting van de zwaartekracht komt te staan
libela
noun
rdesno peprník
noun
1. Elodeo sp.
vodní mor
noun
vodní dýmka
noun
1. pistool waaruit een straal water kan spuiten
stříkací pistole
noun
vodní rostlina
noun
1. een balsport waarbij twee ploegen van zeven spelers elkaar in het water bestrijden
vodní pólo
noun
1. platte grijptang met verstelbaar scharnier
hasák
noun
1. put waaruit men water haalt
kašna
noun
1. een schoepenrad dat draait door de stroming van het water
vodní kolo
noun
1. bepaald soort watervogel, Rallus aquaticus
chřástal vodní
noun
rákosník ostřicový
noun
1. ski voor het waterskiën
vodní lyžování
noun
1. in Nederland en Vlaanderen voorkomende soort waterjuffer, Enallagma cyathigerum
šidélko kroužkované
noun
1. Argyroneta aquatica, middelgrote spin die in stilstaande wateren leeft
vodouch stříbřitý
noun
1. bepaald soort bruine, bolle vogel met witte borst, Cinclus cinclus
skorec
noun
chrlič
/ˈʋatərˌstɔf/
noun
1. een chemisch element en een kleurloos niet-metaal
vodík
noun
1. een atoom van het chemisch element waterstof.
vodíkový atom
noun
vodíková vazba
noun
vodní hodiny
noun
1. plaats waar stromend water bij een hoogteverschil zijn weg al vallend voortzet
vodopád
noun
znečištění vody
noun
1. een vliegtuig dat kan opstijgen en landen op het water
hydroplán
noun
zasobování vodou
noun
Žabník
noun
1. plukje watten bevestigd op een houten of plastic stokje, gebruikt voor bepaalde medische doeleinden...
tyčinka do uší
/ʋese/
noun
1. toilet
WC
noun
1. een dienst die particulieren of bedrijven ruimte aanbiedt voor het opslaan van informatie, afbeeldingen, of andere inhoud die toegankelijk is via een website
webhosting
verb
1. geld wagen op een toekomstige gebeurtenis
  1. vsadit
  2. sázet
noun
sázka
noun
zvratné zájmeno
noun
1. een werkwoord waarbij de handelende persoon tevens het voorwerp van de handeling is
zvratné sloveso
/wedərˈzɛits/
adjective
vzájemný
verb
soutěžit
noun
1. een strijd van twee of meer personen om uit te maken wie op een bepaald gebied de beste is
soutěž
/ˈʋeːdyʋə/
noun
vrouw
vdova
/'ʋedyʋnar/
noun
man
vdovec
/ˈʋeːf.xəˌtɑu̯/
noun
1. toestel waarmee garen tot weefsel gevlochten wordt
  1. tkalcovský stav
  2. tkací stroj
noun
  1. 1. een dunne geweven stof of textiel
  2. 2. een groep van gelijkaardige lichaamscellen die dezelfde functie in een levend organisme vervullen
tkáň
noun
jitrocel
pronoun
teken van de dierenriem van 23 september to 23 oktober
Váhy
noun
1. een meetinstrument waarmee het gewicht kan worden bepaald
váhy
/wek/, /ʋek/, /β̞ek/
noun
1. tijdseenheid van 7 dagen
týden
/'ʋekblɑt/
noun
1. een publicatie die wekelijks verschijnt
týdeník
noun
měkkýš
/ˈʋikɛnt/
noun
1. periode van vrijdagavond tot en met zondagnacht
víkend
/weːr/, /ʋɪːr/, /β̞eːr/
noun
  1. 1. atmosferische gesteldheid
    počasí
  2. 1. hamel, gesneden ram
    skopec
noun
1. bericht of mededeling over de toestand van het weer
zpráva o počasí
noun
1. kaart van een bepaald gebied waarop de weerssituatie is weergegeven
  1. mapa s povětrnostní situací
  2. synoptická mapa
verb
1. door elastische botsing van richting veranderen
odrážet
noun
1. iemand die beroepsmatig het weer bestudeert
meteorolog
verb
1. een eerdere bewering ontkrachten
vyvrátit
adjective
1. onwillig, recalcitrant, zich verzettend
rezilientní
noun
    1. 1. een reactie die poogt een bepaalde actie tegen te werken
    2. 2. de tegenstand die een stroom in een geleider ondervindt
    rezistor
  1. 3. een elektronica-onderdeel
    1. rezistor
    2. odpor
noun
. een mythisch wezen dat bij volle maan van mens in wolf verandert
vlkodlak
/ʋes/
noun
sirotek
/ˈʋeshœʏs/
noun
1. een opvanghuis voor wezen
sirotčinec
/ʋɛχ/, /β̞ɛx/
noun
1. smalle strook grond voor het verkeer
  1. cesta
  2. silnice
/ˈʋeχə(n)/, /β̞eɣə(n)/
verb
  1. 1. het gewicht/de massa bepalen
  2. 2. een bepaald gewicht/massa als eigenschap hebben
  1. vážit
  2. zvážit
/ˈwɛ.ɣaːn/, /ˈʋɛ.χan/
verb
1. zich ergens vandaan begeven
odcházet
verb
1. te midden van andere informatie iets niet insluiten
vynechat
/ʋɛɪ/
noun
  1. 1. een stuk grasland voor begrazing door vee
    louka
  2. 2. een vloeistof die ontstaat als restproduct bij het kaasmaken
    syrovátka
pronoun
1. de grootste rivier van Polen
Visla
noun
louka
noun
1.
motýlice lesklá
noun
1. bepaalde soort hommel, Bombus pratorum
čmelák luční
noun
1. het niet voldoen aan een verzoek of opdracht
odmítnutí
/'ʋɛɪlɑnt/
noun
1. een stuk grasland in gebruik voor de begrazing door vee
louka
pronoun
Výmarská republika
/ˈwɛɪ̯nɪx/, /ˈʋɛɪ̯nəχ/, /ˈβ̞ɛːnəx/
noun
  1. 1. in een kleine hoeveelheid, niet veel
  2. 2. in een klein aantal
málo
/ˈwe.kə(n)/, /ˈʋe.kə(n)/, /ˈβ̞e.kə(n)/
verb
1. door langdurig in een vloeistof te leggen zacht, plooibaar of beter wasbaar maken
namočit
verb
  1. 1. wakker maken
  2. 2. veroorzaken
budit
/ˈʋɛkər/
noun
1. een apparaat dat gebruikt wordt om de tijd bij te houden en een functie heeft die veel geluid produceert op een ingestelde tijd
budík
noun
dobrodinec
adjective
1. financieel goed gesitueerd
zámožný
/ˌʋɛləsˈʋar/
adverb
1. geeft een toegeving aan
avšak
/ʋɛlk/
relativePronoun
jaký
/ˈʋɛɫkɔm/
interjection
1. begroeting
  1. vítejte
  2. vítáme tě
/ʋɛˈlɪxt/
adverb
1. mogelijk, misschien
možná
pronoun
1. hoofdstad van Nieuw-Zeeland, gelegen op het Noordereiland
Wellington
/wɛlp/
noun
1. jong van hond, wolf, leeuw e.d.
mládě
adjective
  1. velšský
  2. waleský
pronoun
1. een Keltische taal die wordt gesproken in Wales
  1. velština
  2. waleština
  3. velšsky
noun
1. een vrouwelijke inwoner van Wales
Velšanka
/ˌʋɛltə'rʏstə(n)/
interjection
dobrou noc
verb
prosperovat
adjective
1.
benevolentní
noun
1. het welwillend zijn
laskavost
/'wɛlzɛin/
noun
1. wanneer een individu of maatschappij zich in een goede toestand bevindt ...
blahobyt
noun
1. het gemak waarin iets of iemand van richting kan veranderen
bystrost
pronoun
1. de hoofdstad van Oostenrijk
Vídeň
noun
1. knokige rand boven het oog, meestal begroeid met haar
obočí
verb
zvykat
/ʋεns/
noun
přání
noun
zbožné přání
adjective
1. wat men zou wensen
žádoucí
/'ʋɛnsən/
verb
chtít
pronoun
1. de Fins-Oegrische taal met circa 8000 sprekers gesproken in het noordwesten van Rusland
vepština
/ˈweː.ʁəlt/, /ˈʋɪː.rɔɫt/, /ˈβ̞eː.rəɫt/
noun
1. de aarde
svět
noun
1. een kaart van het oppervlak van de aarde in de vorm van een bol
zeměkoule
/ˈweːrəlˌdeːl/, /ˈʋɪːrəɫˌdeːɫ/, /ˈβ̞eːrəlˌdel/
noun
1. een groot boven de zee uitstekend stuk droog land en de omringende eilanden die op hetzelfde continentale plat liggen
kontinent
/xxxx/
noun
1. uniek en als collectief bezit beschouwd cultureel of natuurlijk erfgoed
světové dědictví
pronoun
Světová zdravotnická organizace
pronoun
1. intergouvernementele organisatie die toeziet op de naleving van afspraken over de handel tussen landen
Světová obchodní organizace
noun
1. een gewapende strijd tussen een zeer groot aantal landen, met name gebruikt voor de Eerste en de Tweede Wereldoorlog.
světová válka
noun
1. een tentoonstelling waaraan landen uit de wereld aan kunnen deelnemen
světová výstava
/wɛr(ə)f/
noun
1. een scheepswerf
loděnice
/ʋɛrk/
noun
    1. 1. dat wat gedaan moet worden
    2. 2. beroep
    3. 3. de plek waar men werkt, werkplek
    práce
  1. hede, afval van vlas of hennep
    koudel
noun
1. werkbank
ponk
noun
1 een dag waarop gewerkt wordt
pracovní den
adjective
1. niet verbeeld
opravdový
/'ʋɛrkələkɦɛɪt/
noun
1. de omstandigheden zoals deze daadwerkelijk bestaan
skutečnost
/ʋɛrkən/
verb
1. arbeid verrichten, lichte vorm van zwoegen
pracovat
noun
1. persoon die of bedrijf dat werk verschaft aan anderen
zaměstnavatel
noun
1.
pracovní kapitál
/ˈʋɛrkrɑxt/
noun
1. een persoon die gewoonlijk tegen betaling werk verricht
pracovní síla
adjective
nezaměstnaný
/wɛrkˈloshɛit/
noun
  1. 1. het werkloos zijn
  2. 2. het aandeel van de beroepsbevolking zonder betaalde baan
nezaměstnanost
noun
1. uitkering voor iemand die buiten zijn of haar schuld om werkloos is
podpora v nezaměstnanosti
noun
1.
nezaměstnaný
noun
2. krachtige computer die men voornamelijk gebruikt voor applicaties die veel rekenkracht vereisen
pracovní stanice
noun
1.
obráběcí stroj
noun
  1. 1.dagen per week waarop er gewerkt wordt
  2. 2.het totaal aantal arbeidsuren per week
pracovní týden
noun
1. woordsoort die in de eerste plaats een handeling of toestand uitdrukt
sloveso
adjective
1.
slovesný
verb
1. met een krachtige zwaai van de arm iets uit de hand naar iets of iemand heen laten gaan
vrhnout
noun
1. bot van de wervelkolom
obratel
noun
páteř
noun
1. een zwart-geel gestreept vliesvleugelig insect
vosa
noun
1.
včelojed
noun
kruštík
/ʋɛst/
adverb
západ
pronoun
1. grootste van de Australische deelstaten, gelegen in het westen van het land
Západní Austrálie
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het oosten van het land
Západní Bengálsko
pronoun
1.
Západní Berlín
pronoun
Západní Německo
pronoun
1. het westelijk deel van Europa
západní Evropa
noun
1. een inwoner van West-Euroa, of iemand afkomstig uit West-Europa
Západoevropan
adjective
1. op West-Europa betrekking hebbend
západoevropský
pronoun
1. de taal die de voorouder is van de huidige West-Germaanse talen
západogermánské jazyky
adjective
západní
pronoun
Západní Sahara
/ˈʋɛs.tə(n)/
noun
západ
pronoun
Vestfálsko
/wɛt/
noun
1. een door de overheid opgestelde regel
zákon
phraseologicalUnit
Murphyho zákon
/ˈʋeː.tə(n)/
verb
1. ergens kennis van hebben
vědět
/'ʋetənsxɑp/
noun
  1. 2. georganiseerde activiteit
  2. 1. het weten van de mens
věda
/,ʋetən'sxapələk/
adjective
vědecký
/ˈʋetəˌsxɑpər/
noun
1. iemand die de wetenschap beoefent
vědec
/ˈwɛtələk/
adjective
2. tot de wet behorend
zákonný
/ˈweː.və(n)/, /ˈʋe.və(n)/
verb
1. draden e.d. dooreenvlechten
tkát
noun
1. bepaald soort zoogdier, Mustela nivales
  1. lasice
  2. kolčava
/ˈʋeː.zə(n)/
noun
  1. 1. individu
    bytost
  2. 2. aard
    esence
noun
1. een sterke drank die uit gerst of uit maïs en rogge gestookt is
whisky
noun
1. een glad, wit gekleurd metalen bord waarop men met behulp van een viltstift met uitwisbare inkt kan schrijven of tekenen en waarop men met een magneet voorwerpen kan klemmen
bílá tabule
/wiː/, /ʋiː/, /β̞iː/
relativePronoun
  1. 1. vragend voornaamwoord
  2. 2. betrekkelijk voornaamwoord
kdo
interjection
degene die aan het eind het beste uit de strijd komt is de daadwerkelijke winnaar
kdo se směje naposled, ten se směje nejlépe
noun
1. een bedje voor een pasgeboren zuigeling, vaak met een hemel van fijn gaas en soms met de mogelijkheid het kind zachtjes heen en weer te bewegen
kolébka
/ˈwiɣə(n)/
verb
1. zachtjes heen en weer bewegen, gewoonlijk om een zuigeling in slaap te brengen
kolébat
noun
1. ronddraaiende schijf
kolo
noun
1. de afstand tussen de twee middelpunten van de voor- en achteras
rozvor
noun
1. de sport van het wielrennen
cyklistika
/'wiː.lə.wal/
noun
1. zwart-gele zangvogel
žluva
noun
botička
pronoun
1. een stad in de Oostenrijkse deelstaat Neder-Oostenrijk
Vídeňské Nové Město
/ˈʋiː.roːk/
noun
1. gomhars, gebruikt als reukoffer
kadidlo
/ʋit/
noun
1. een softdrug die bestaat uit gedroogde hennep
tráva
adjective
1. vorm van een wig hebbend
klínovitý
/wɛɪ̯/, /ʋɛɪ̯/, /β̞ɛː/
personalPronoun
1. 1e persoon meervoud nominatief
my
verb
1. geheel voor een bepaald doel bestemmen
věnovat se
adjective
1. overal aanwezig, vindbaar
rozšířený
/ʋɛi̯f/
noun
1. vrouw
ženská
/wɛɪ̯n/, /ʋɛɪ̯n/, /β̞ɛːn/
noun
1. sterke drank van gegiste druiven
víno
noun
1.
vinárna
noun
1. Japanse wijnbes
ostružiník japonský
noun
het verbouwen van druiven voor de productie van wijn
vinařství
noun
1. een druif die wordt gebruikt om wijn van te maken
hrozen
noun
hlemýžď zahradní
noun
1.
vinotéka
adjective
vínová
noun
routa vonná
/wɛɪ̯s/, /ʋɛɪ̯s/, /β̞ɛːs/
adjective
1. van groot inzicht getuigend
moudrý
adverb
moudře
noun
1. gerijpt inzicht
moudrost
noun
1. tweede vinger, gelegen tussen de middelvinger en de duim
ukazovák
noun
1. gewijd water
svěcená voda
noun
1. steel met slappe borstel waarmee in de liturgie van de Rooms-Katholieke Kerk de priester wijwater over de gelovigen heen sprenkelt
kropenka
verb
ukazovat
noun
1. de plaat van een klok waarop de wijzers de tijd aangeven
ciferník
pronoun
1. een door de Wikimedia Foundation gecreëerde rechtenvrije encyclopedie op het internet...
Wikipedie
noun
1. een gebruiker op Wikipedia
wikipedista
/ˈwɪkə/
noun
1. (plantkunde) naam voor planten uit het geslacht Vicia
vikev
/ˈwikʃoˌnɛri/, /ˈʋɪkʃəˌnɛri/
pronoun
1. deelproject van de Wikimedia Foundation met als doel het produceren van een compleet ...
  1. Wikislovník
  2. Wikcionář
/ʋɪl/
noun
1. de bereidheid of zin om iets te doen
vůle
adjective
3. onbeschaafd, bruusk
divoký
noun
  1. 1. dieren die niet onder menselijke beheersing zijn opgegroeid
  2. 3. vlees van een wild dier
zvěř
noun
1. bepaald soort zoogdier, Sus scrofa
  1. divočák
  2. kanec
  3. prase divoké
noun
1. (onevenhoevigen) Equus africanus
divoký osel
noun
1. een bosachtig gebied dat weinig door de mens geregeld is
divočina
noun
1. Salix sp.
vrba
adjective
náladový
/ˈwɪləm/, /ˈʋɪləm/, /ˈβ̞ɪləm/
pronoun
1. een jongensnaam
Vilém
/ˈʋɪ.lən/
verb
1. iets als verlangen of voorkeur hebben
chtít
adverb
1. met opzet
  1. naschvál
  2. schválně
  3. záměrně
noun
1. onvermogen om te handelen, ook al weet je wat je moet doen
abulie
noun
řasa
/ʋɪnt/
noun
1. stroming van lucht veroorzaakt door luchtdrukverschillen
vítr
noun
  1. 3. bepaald soort karperachtige zoetwatervis, Leuciscus idus
    jelec jesen
  2. 2. benaming voor slingerende planten met kegelvormige bloemen uit het geslacht Convolvus
    svlačec
noun
větrná energie
adjective
1. weerstoestand waarbij er veel wind aanwezig is
větrný
noun
1.
větrovka
noun
1. molen die door de wind gedreven wordt
větrný mlýn
noun
větrná růžice
noun
1. periode met geen of weinig wind
bezvětří
noun
náraz vĕtru
noun
1.
korouhvička
noun
1. ronde open zak, meestal is de zak in het rood en wit, die de richting en de sterkte van de wind aangeeft
  1. indikátor směru větru
  2. větrný pytel
noun
1. plaats waar koopwaar wordt verkocht
  1. obchod
  2. prodejna
noun
1. gebied of overdekte galerij waar meerdere winkels en horecazaken zijn gevestigd
nákupní středisko
noun
1. een wagentje dat in winkels wordt gebruikt om tijdens het winkelen producten in te verzamelen
nákupní vozík
noun
1. degene die een strijd of wedstrijd in zijn voordeel beslist
vítěz
/ˈwɪnə(n)/, /ˈʋɪnə(n)/, /ˈβ̞ɪnə(n)/
verb
  1. 1. als beste partij uit een wedstrijd komen
  2. 2. iets verkrijgen voor een goede prestatie bij een wedstrijd
vyhrát
/ʋɪnst/
noun
1. datgene wat men meer heeft dan voordat men investeerde
zisk
/ʋɪntər/
noun
1. seizoen
zima
noun
zimní deprese
noun
1. bepaald soort loofboom, Quercus petrae
dub zimní
noun
1. klein gedrongen vogeltje met opgewipt staartje,
  1. střízlík obecný
  2. střízlík
adjective
1. typerend voor de winter
zimní
noun
1. een toestand van hypothermie en inactiviteit bij sommige warmbloedige dieren in de winter
hibernace
noun
zimní sport
noun
čírka obecná
/ʋɪp/
noun
1. een speeltuig bestaande uit een balk die in het midden op een verhoogde steun rust
houpačka
noun
1. bepaald soort zooɡdier, Bison bonasus
zubr
noun
1. de formele studie van patronen en structuren.
  1. matematika
  2. matika
/ʋɪsˈkʏndəx/
adjective
1. op wiskunde betrekking hebbend of er gebruik van makend
matematický
noun
matematik
/ʋɪsəl/
noun
1. speciale constructie in een spoorweg om een voertuig naar een ander spoor te leiden
výhybka
noun
drobné
noun
wisselkoers
měnový kurz
/'wɪsəlslɑx/
noun
1.
polohovka
noun
1. wisselstroom
střídavý proud
/ʋɪt/
adverb
1. kleur
bílý
/ʋɪt/
noun
1. lichtst mogelijke kleur
  1. bílý
  2. bílá
/wɪt.ˈrʏs.lɑnd/, /ʋɪt.ˈrʏs.lɑnt/, /β̞ɪt.ˈrʏs.lɑnt/
pronoun
land in Oost-Europa.
Bělorusko
/ˌwɪtˈrʏsɪs/, /ˌʋɪtˈrʏsis/, /ˌβ̞ɪtˈrʏsis/
pronoun
1. een Slavische taal die vooral in Wit-Rusland wordt gesproken
  1. běloruský
  2. běloruština
noun
1.
páskovka keřová
adjective
1. van een metaal dat het zo heet is dat het een wit licht uitstraalt
zářivý
adjective
pastelová zelená
pronoun
1. dag voor Goede Vrijdag
Zelený čtvrtek
noun
1.
bílý trpaslík
noun
1. Carcharodon carcharias, de bekendste en de meest gevreesde haai
žralok bílý
pronoun
Bílý dům
noun
1. zangvogel (Motacilla alba)
konipas bílý
noun
1. alcoholhoudende drank die verkregen wordt door de gisting van voornamelijk witte druiven
bílé víno
pronoun
Bílé moře
noun
1. en 2. (bladeren van) sluitkoolgewas dat lichtgroen tot wit van kleur is
hlávkové zelí
/we.ˈka/, /ʋe.ˈka/, /β̞e.ˈka/
noun
1. een kampioenschap waarin de besten van de wereld het tegen elkaar opnemen
MS
noun
1. een heldere, kleurloze en nagenoeg geurloze sterkedrank
vodka
/ˈʋudə/
noun
1. een gevoel van erge kwaadheid
hněv
interjection
1. krachtig geluid met korte tussenpozen, zoals een hond dat kan uitstoten
haf
noun
1. iemand die woeker drijft
lichvář
noun
lichva
noun
1. klein, gravend, muisachtig knaagdier met stompe snuit
hraboš
/ˈʋunzdɑx/
noun
1. een dag van de week die na dinsdag en voor donderdag komt
středa
noun
1.mannetjeseend
kačer
noun
1. een onherbergzaam gebied dat door niemand verzorgd wordt
poušť
noun
1. grote dorre vlakte, met weinig neerslag en weinig vegetatie
poušť
/ˈvɔɪ̯vɔtsxɑp/
noun
1. naam voor bepaalde bestuurlijke gebieden in Oost-Europa
vojvodství
noun
1. ronde pan die wordt gebruikt in de oosterse keuken, vooral om te roerbakken
pánev wok
/ʋɔl/
noun
1. weefsel van wollen garens
vlna
/wɔlf/, /ʋɔlf/
noun
1. bepaald zoogdier, Canis lupus
vlk
noun
1. scheikundig element met symbool W en atoomnummer 74
wolfram
noun
rulík zlomocný
noun
pryšec
noun
1. bepaalde soort vlinder, Vanessa atalanta
nosorožec srstnatý
noun
1. samenhangende verzameling van merendeels zwevende waterdruppeltjes
  1. mrak
  2. oblak
/ˈwɔlkə(n)ˌkrɑbər/, /ˈʋɔɫkə(ŋ)ˌkrɑbər/, /ˈβ̞ɔɫkə(ŋ)ˌkrɑbər/
noun
1. een zeer hoog gebouw dat met bewolkt weer zichtbaar in de wolken kan steken
mrakodrap
/wɔlə(n)/
adjective
1. gemaakt van wol
vlněný
/wɔlˈvɪn/, /ʋɔlˈvɪn/
noun
vrouwelijke wolf
vlčice
pronoun
1.
Volyň
noun
vombat
/wɔnd/, /ʋɔnt/, /β̞ɔnt/
noun
1. een beschadiging in of aan het lichaam
rána
noun
1. een gebeurtenis waaraan een bovennatuurlijke oorsprong toegeschreven wordt
  1. zázrak
  2. div
/ˈwo.nə(n)/, /ˈʋo.nə(n)/, /ˈβ̞o.nə(n)/
verb
1. een permanente behuizing hebben
bydlet
noun
1. een kamer ingericht om in te wonen en gasten te ontvangen
obývací pokoj
/ʋoːrt/, /ˈʋʊːrt/, /ˈβoːrd/, /ˈβoːrt/
noun
  1. 2. belofte
    1. slib
    2. slovo
    1. 1. spraakklank of betekeniseenheid die bestaat uit minimaal één vrij morfeem en minimaal nul gebonden morfemen
    2. 3. het woord van god of de inhoud van de bijbel
    3. 4. de natuurlijke eenheid van informatie voor een bepaalde computerarchitectuur
    slovo
/ˈʋɔːrdə(n)ˌbuk/
noun
1. een boek waarin de woorden en uitdrukkingen van een taal zijn gerangschikt met hun...
slovník
noun
slovní zásoba
noun
1. categorie waarin bepaalde woorden naar gelang het grammaticale gebruik in onderverdeeld worden
slovní druh
noun
1. persoon
mluvčí
noun
1. volgorde van woorden in een zin
slovosled
/ˈwɔrdə(n)/, /ˈʋɔrdə(n)/, /ˈβ̞ɔrdə(n)/
verb
být
noun
1.
workoholik
/ʋɔrm/
noun
1. een betrekkelijk klein, lang, ongewerveld dier met een zacht lichaam
červ
adjective
1. door wormen aangevreten
červivý
/ʋɔrp/
noun
  1. 1. de handeling van het werpen van iets
  2. 2. het aantal jonge dieren dat een moederdier bij één dracht op de wereld zet
hod
noun
1. een toegebonden eind darm of vlies dat gevuld is met vleeswaar
  1. klobása
  2. párek
verb
zápasit
noun
1. aftreksel van mout
mladina
/ˈʋɔrtəl/
noun
    1. 2. Ondergronds gedeelte van een plant
    2. 3. Getal
    3. 4. Woord
    kořen
  1. 1. Groente peen
    mrkev
/ʋʌʊ̯/, /β̞ʌːβ̞/
noun
A 1. benaming voor roofvogels uit het geslacht Milvus
luňák
noun
1. het vergelden van doorgemaakt lijden
pomsta
noun
vrak
verb
juridisch
odmítnout
noun
1. knobbeltje
bradavice
adjective
1. heel onvriendelijk
krutý
noun
1. bovenkant van de voet tussen tenen en enkel
nárt
verb
1.
mstít
noun
mstitel
verb
1. handeling
mnout
noun
tření
noun
1. Buccinum undatum
surmovka
noun
1. Numenius arquata, een vogel uit de familie van de snipachtigen (Scolopacidae)
koliha velká
/ˈɪksɑs/
noun
1.
osa x
noun
2. afwijking van de normale stand van de benen, waarbij de knieën naar binnen gericht zijn.
nohy do x
/ksɑnˈtinə/
noun
1. een organische stof die in vlees, urine en andere dierlijke stoffen voorkomt
xantin
/ksenofoˈbi/
noun
1. een afkeer van alles wat vreemd of buitenlands is
xenofobie
noun
1. iemand die een sterke afkeer van vreemdelingen heeft
xenofob
/ˈksenɔn/
noun
1. een scheikundig element en kleurloos edelgas met het symbool Xe en het atoomnummer 54
xenon
noun
xerofyt
/ksiˈlem/
noun
1.
xylém
/ksiˈlen/
noun
1. een oplosmiddel voor stoffen als lak en rubber
xylen
/ˌksiliˈtɔl/
noun
1. een zoetstof die bereid is door hydrogenatie van xylose
xylitol
noun
1. melodisch slaginstrument dat bestaat uit een reeks op toon gestemde hardhouten staafjes waar met kleine hamertjes op geslagen wordt
xylofon
/ˌksiloɣraˈfi/
noun
  1. 1. houtsnijkunst
  2. 2. houtsnede of houtgravure
dřevoryt
pronoun
1. de hoofdstad van Ivoorkust
Yamoussoukro
noun
1. actieve, mannelijke beginsel in de kosmos (volgens de Chinese filosofie), een van beide principes die samen de tao vormen
jang
noun
  1. 1. een Angelsaksische lengtemaat (3 voet is 0,9144 m)
  2. 2. een Engelse vlaktemaat (12,14 ha)
yard
noun
1. de munteenheid van Japan
jen
/ˈjeti/
noun
1. een legendarisch monster met de bijnaam 'de verschrikkelijke sneeuwman' die voor zou komen in de Himalaya
sněžný muž
noun
1. het passieve vrouwelijke beginsel in de kosmos volgens de Chinese filosofie, een van beide principes die samen de tao vormen
jin
/ˈjoxa/
noun
1. het streven om door lichamelijke en geestelijke methoden van concentratie...
jóga
/ˈjɔxərt/, /ˈjɔχərt/
noun
1. lichtzuur en enigszins lobbig zuivelproduct,...
jogurt
noun
1. een beoefenaar van de yoga
jogín
noun
1. scheikundig element met symbool Yb en atoomnummer 70
  1. ytterbium
  2. yterbium
noun
1.
yttrium
noun
1. een ronde nomadentent
jurta
/zaːt/
noun
1. een bevruchte kiem waaruit een nieuwe plant van dezelfde soort groeit
semeno
/'zadlɛɪdər/
noun
chámovod
/zax/
noun
1. een stuk gereedschap met een scherp getand metalen blad om voorwerpen in stukken te verdelen
pila
noun
1. een uit houtvezels bestaande stof die ontstaat bij het zagen van hout
piliny
/'zaxsəl/
noun
1. een uit houtvezels bestaande stof die ontstaat bij het zagen van hout
piliny
noun
1. benaming voor haaiachtige vissen met aan de kop een zaagvormig uitsteeksel uit de familie Pristidae
piloun
verb
1. zaad strooien
sít
noun
1. uit zaad opgekweekte plant, het stadium volgend op de kiemplant
semenáč
pronoun
2. boek in de Bijbel
Zachariáš
adverb
1. gemakkelijk samen te drukken en/of te buigen
měkký
noun
zitplaats op dier of fiets
sedlo
verb
1. een zadel plaatsen op
osedlat
noun
1. een persoon die zadels maakt
sedlář
/ˈza.ɣə(n)/, /ˈza.χə(n)/
verb
1. in stukken delen door middel van een zaag
řezat
/[ˈzɑː.greb]/
pronoun
1. hoofdstad van Kroatië
Záhřeb
noun
  1. 2. een plek in kleding waarin kleine spullen kunnen worden meegedragen
    kapsa
  2. 1. slappe, vormeloze tas
    pytel
/ˈzɑgduk/
noun
1. een doek om de neus in te snuiten
kapesník
/zaːkən/
noun
2. commerciële activiteiten
věc
/'zakəmɑn/
noun
1. iemand die met zakendoen zijn brood verdient
podnikatel
noun
služební cesta
noun
kapesné
noun
1. iemand die ongemerkt waardevolle zaken steelt
kapsář
noun
1. lamp op zakformaat
baterka
/ˈzɑkmɛs/
noun
1. een klein invouwbaar mes, vaak met extra gereedschappen
kapesní nůž
noun
1. een woordenboek in klein formaat
kapesní slovník
noun
smeerbare massa om op de huid aan te brengen
balzám
/zɑlm/, /zɑɫm/
noun
1. benaming voor een aantal vissoorten uit de familie Salmonidae
losos
adjective
lososová oranžová
adjective
lososová růžová
/zɑlvə(n)/
verb
2. het aanbrengen van een welriekende olie, meestal als inhuldiging in een politieke of religieuze hoedanigheid
pomazat
/'zɑm.bi.ja/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel de Republiek Zambia, dat geheel door land wordt omsloten
Zambie
noun
1. losse massa die bestaat uit miljoenen stukjes steen en schelpen
písek
noun
1. een bak gevuld met zand om in te spelen
pískoviště
noun
1. een ophoping van zand op de bodem van een zee of meer
pisčina
adjective
písková
noun
1. een van zand gebouwd miniatuurkasteel
hrad z písku
noun
1. toestel waarmee de tijd wordt gemeten door zand uit het bovenste reservoir via een smalle doorgang naar het onderste reservoir te laten lopen
přesýpací hodiny
noun
pískovec
noun
een harde, droge wind die boven een woestijngebied een grote hoeveelheid zand en stof doet opwaaien
písečná bouře
/ˈzɑŋər/
noun
1. een mannelijk iemand die zingt
zpěvák
noun
1. een vrouwelijk iemand die zingt
zpěvačka
noun
1. Turdus philomelos, een lijstersoort die algemeen is in Nederland en Vlaanderen
drozd zpěvný
pronoun
1.
Zaragoza
noun
1. een dag van de week die na vrijdag en voor zondag komt
sobota
/za.ˈiː.rə/
pronoun
Zair
noun
1. Bos taurus indicus een rund dat in het Indische subcontinent en Afrika wordt...
zebu
noun
1. zwart-wit gestreepte paardachtige
zebra
noun
1. een patroon van witte strepen aangebracht op het wegdek ter aanduiding van een beschermde voetgangersoversteekplaats
přechod pro chodce
/ze/, /zeː/
noun
1. uitgestrektheid zoutwater
moře
noun
1. op de zeebodem levend bolvormig stekelig ongewerveld diertje
  1. ježovka
  2. mořský ježek
noun
1. smalle doorgang tussen twee zeeën
průliv
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Actiniaria
sasanka
noun
1. aardbeving waarvan het epicentrum op de bodem van de zee ligt
podmořské zemětřesení
noun
1. het grondvlak van een zee
mořské dno
noun
1. bepaald soort grote zeevis, Lophius piscatorius
ďas
noun
1. werktuig om grovere van fijnere bestanddelen te scheiden
síto
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de familie Phocidae
tuleň
/ˈzekut/
noun
1. zwart-witte zeevogel, Uria aalge
alkoun úzkozobý
noun
1. benaming voor op de op komkommers lijkende zeedieren uit de klasse Holothuroidea
sumýš
noun
1. in zee levende kreeft
humr
/ˈzelɑnt/, /ˈzeːlɑnd/, /ˈzeːlɑnt/
pronoun
1. een provincie in het zuidwesten van Nederland, die aan Noord-Brabant, Zuid-Holland, België en de Noordzee grenst
Zeeland
noun
1. grote oorrob
lachtan
noun
1. bepaald soort karperachtiɡe zoetwatervis, Tinca tinca
lín obecný
noun
námořník
noun
1. mythisch zeewezen
mořská panna
noun
1. afstandsmaat, in gebruik op zee, 1852m
námořní míle
noun
1. rob uit het geslacht Mirounga
rypouš
/ˈzeʔɔtər/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Enhydra lutris
vydra mořská
noun
1. schuimverwerkend reinigingsmiddel
mýdlo
noun
2. inwendige schelp van een zeekat (een tienarmige inktvis)
sépiová kost
noun
2. bordspel
lodě
noun
1. benaming voor schijfvormige zeedieren met vijf armen uit de klasse Asteroidea
hvězdice
noun
1. iemand die voor zijn beroep de zee bevaart
mořeplavec
noun
2. allerlei eetbare schaal- en schelpdieren
mořské plody
/ˈzeʋatər/
noun
1. water waarin diverse zouten zijn opgelost en waarmee de zeeën gevuld zijn
voda mořská
noun
1. in zee levend wier
chaluha
noun
1. misselijkheid als gevolg van de onregelmatige beweging van een schip
mořská nemoc
noun
mořský savec
noun
1.
vítězství
/ˈzexəl/
noun
  1. 1. een middel om een voorwerp zodanig af te sluiten dat er later nagegaan kan worden of het geopend is
  2. 2. een stukje papier meestal voorzien van een plaklaag dat dient om aan te geven dat betaling heeft plaatsgevonden
pečeť
/ˈzeːɣə(n)/, /ˈzeːχə(n)/
noun
  1. 1. verlening van goddelijke of bovennatuurlijke bijstand
    požehnání
  2. 4. breed en naar verhouding niet erg hoog sleepnet
    nevod
verb
1. de zegen geven
požehnat
noun
1. een geslacht van zowel bladverliezende als groenblijvende kruidachtige planten
ostřice
verb
1. mededelen
  1. říct
  2. říkat
noun
1. doek dat in een mast gehesen is met als doel wind te vangen
plachta
noun
1. een boot waarmee gezeild kan worden
plachetnice
adjective
stanová šedá
/ˈzɛɪlə(n)/
verb
1. voortgestuwd worden door de druk van de wind tegen een opgehouden zeil
plachtit
noun
1. iemand die zeilen vervaardigt
plachtář
noun
1. een schip waarmee gezeild kan worden
plachetnice
noun
1. maaiwerktuig met gebogen snijblad en lange stok
kosa
/ˈze.kər/
adjective
1. waaraan niet getwijfeld hoeft te worden
jistý
/ˈze.kə.rə(n)/
verb
1. het touw waarmee iemand klimt op een veilige manier vasthouden
jistit
/'zekərɦɛɪt/
noun
jistota
noun
1. elektronisch element ter voorkoming van een te grote stroom
pojistka
adverb
1. bijzonder weinig voorkomend
zřídka
adjective
1. naar verhouding gering in aantal
vzácné
/zɛlf/, /zɛɫf/
demonstrativePronoun
  1. 1. in eigen persoon
  2. 2. in tegenstelling met iets anders
sám
noun
  1. 2. de mogelijkheid voor een volk om te bepalen onder welke soevereiniteit het wil vallen
  2. 1. wilsvrijheid van het individu
sebeurčení
demonstrativePronoun
tentýž
noun
1. beoordeling van het zelf, meestal gericht op dat wat verbeterd zou moeten worden
sebekritika
/ˈzɛɫfmoːrt/
noun
1. handeling waarbij men een einde maakt aan zijn eigen leven.
sebevražda
/'zɛlfpɔrtrɛt/
noun
1. een kunstwerk gebaseerd op de afbeelding van het eigen gezicht
autoportrét
adverb
dokonce
noun
1. woordsoort die een zekere mate van zelfstandigheid van het genoemde uitdrukt, in veel talen standaard gecombineerd met een lidwoord
podstatné jméno
noun
1. verbranding van zichzelf
sebeupálení
noun
1. verdediging van zichzelf
sebeobrana
adjective
samozvaný
noun
1. de opoffering van de eigenbelangen ten gunste van een ander
sebezapření
/ˌzɛlᵊfɛrˈnitəxənt/
adjective
1. zo ontworpen dat er na afloop praktisch niets van overblijft
sebezničující
noun
B 1. ingrediënt dat bestaat uit met de zaadhuiden vergroeide vruchtwanden en kiemen
otruby
noun
1.
prostor ve vysílání
/zenɪt/
noun
1. het denkbeeldige punt loodrecht omhoog aan de hemelkoepel
zenit
noun
1. een onderdeel van het perifeer zenuwstelsel, bestaande uit gebundelde uitlopers van zenuwcellen
nerv
noun
1. het gehele zenuwsysteem
soustava nervová
verb
mydlit
noun
1. het getal 6
  1. šest
  2. šestery
/ˈzɛs.də/, /ˈzɛz.də/
ordinalAdjective
nummer zes in een rij
šestý
cardinalNumeral
1. het getal 26
  1. dvacet šest
  2. šestadvacet
/zɛsɦuk/
noun
1. een geometrische tweedimensionale vorm, bestaande uit zes hoeken en derhalve ook zes zijden
šestiúhelník
/ˈzɛsˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 600
šest set
cardinalNumeral
1. het getal 16
šestnáct
ordinalAdjective
šestnáctý
noun
1. gedeelte van het voetbalveld
pokutové území
cardinalNumeral
1. het getal 60
šedesát
noun
1.
šedesátiletý
ordinalAdjective
šedesátý
/zɛt/
noun
handeling gedurende een spelbeurt
tah
noun
  1. 1. constructie bestemd om prettig op te zitten
  2. 2. lidmaatschap van een raad of vergadering met een beperkt aantal leden
  3. 3. plaats waar een organisatie gevestigd is
sídlo
noun
škrob
noun
1. een medicament in de vorm van een pil die via de anus toegediend wordt
čípek
noun
sazba
noun
1. vrouwelijk varken of everzwijn
svině
/ˈsʏː.rə(n)/, /ˈzøː.rə(n)/
verb
1. veelvuldig en langdurig klagen over weinig belangrijke zaken
naříkat
/zœys/
pronoun
1. Griekse oppergod
Zeus
/ˈzøvən/
cardinalNumeral
1. het getal 7
sedm
/ˈze.vən.də/
ordinalAdjective
sedmý
/ˈzøvənəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 97
devadesát sedm
/ˈzøvənənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 27
  1. dvacet sedm
  2. sedmadvacet
noun
sedmiúhelník
/ˈzeːvə(n)ˌɦɔndərt/, /ˈzøvənˌhɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 700
sedm set
/ˈzøvənˌtin/
cardinalNumeral
1. het getal 17
sedmnáct
ordinalAdjective
sedmnáctý
/ˈzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 70
sedmdesát
noun
1. wat gezien kan worden
viditelnost
adjective
viditelný
adjective
1. lichamelijke toestand
  1. nemocný
  2. chorobný
  3. churavý
noun
chorý
/ˈzi.kǝn.ˌɦœʏs/
noun
1. instelling voor onderzoek, behandeling en verpleging van zieken
nemocnice
noun
1. een van de zeven sacramenten van de Rooms-Katholieke Kerk alsmede van de Orthodoxe Kerk dat door een priester wordt toegediend aan zieken die in doodsgevaar verkeren
svátost nemocných
noun
  1. nemoc
  2. choroba
noun
Crohnova choroba
noun
1. ziekte die het centrale zenuwstelsel steeds verder aantast
Parkinsonova nemoc
/zil/
noun
1. het veronderstelde wezen van het niet-stoffelijke van de mens
duše
verb
1. waarnemen met het oog
  1. vidět
  2. uvidět
/siˈɣønər/
noun
cikán
/sɛɪ̯/, /zɛɪ̯/, /zɛː/
personalPronoun
  1. 1. 3e persoon enkelvoud vrouwelijk
    ona
  2. 2. 3e persoon meervoud
    1. oni
    2. ony
    3. ona
noun
  1. 2. vezel van de cocon van de zijdevlinder
    hedvábí
  2. 1. kant
    strana
adjective
hedvábná šedá
/ˈzɛɪdə(n)/, /ˈzɛːdə(n)/
adjective
  1. 2. op zijde gelijkend
  2. 1. van zijde, van zijdegaren vervaardigd
hedvábný
possessivePronoun
1. derde persoon enkelvoud m/o
  1. jeho
  2. svůj
verb
  1. 5. gelijk zijn aan.
  2. 1. bestaan
  3. 3. zich bevinden.
  4. 6. tot de groep behoren van
  5. 11. zijn + voltooid deelwoord: hulpwerkwoord van de voltooide tijd van de lijdende vorm
  6. 7. de eigenschap hebben.
  7. 10. zijn + voltooid deelwoord: hulpwerkwoord van de voltooide tijd van ergatieven
být
noun
1. een rivier die niet in zee maar in een andere rivier uitmondt
přítok
noun
stříbro
adjective
stříbrný
adjective
stříbrošedá
noun
1. grote meeuwensoort
racek stříbřitý
noun
1
kulík bledý
noun
1. benaming voor naaldbomen uit het geslacht Abies
jedle
noun
1.1 bepaald soort insect Lepisma saccharina
rybenka domácí
/'zɪlvərvlisrɛist/
noun
rijst waarvan de zemelen en de kiem niet verwijderd zijn
hnědá rýže
/zɪm.ˈbɑ.b<sup>ʊ</sup>ə/, /zɪm.ˈbɑp.wə/
pronoun
land in zuidelijk Afrika, officieel de Republiek Zimbabwe
Zimbabwe
noun
1. een serie woorden die gezamenlijk in syntactisch verband een afgerond geheel vormen
věta
verb
1. het musiceren met de menselijke stem
zpívat
noun
1. , een scheikundig element met symbool Zn en atoomnummer 30. Het is een blauw/wit overgangsmetaal
zinek
verb
1. in een vloeistof, meestal water, traag naar beneden zakken
potopit
adjective
zinková žlutá
adjective
1. iets dat geen zin (nut) heeft
beze smyslu
/ˈzɪntœx/, /ˈzɪntœyx/
noun
1. orgaan
smysl
/zijoˈnɪsmə/
noun
sionismus
noun
1. scheikundig element met symbool Zr en atoomnummer 40
zirkonium
/zɪr'koːn/
noun
1. een mineraal
zirkon
noun
1. een plaats waar men kan zitten
místo
/ˈzɪ.tə(n)/
verb
1. op het zitvlak rusten
sedět
conjunction
  1. 1. in die mate als
  2. 2. bijvoorbeeld
jako
conjunction
1. geeft aan welke gebeurtenis eerst moe(s)t plaatsvinden
jakmile
verb
1. proberen te vinden
hledat
noun
2. een richtmiddel op een camera of vuurwapen
hledáček
pronoun
1. Bantoetaal die door 12 miljoen mensen in Zuid-Afrika wordt gesproken
zulský
verb
1. een vrij zacht continu geluid voortbrengen dat op de z-klank lijkt
bzučet
verb
1. met de mond liefkozen
líbat
/ˈzut/
adjective
1. ter omschrijving van een vaak als aangename ervaren smaak zoals die van suiker
sladký
noun
1.
sladká voda
noun
1. een zetmeel houdende knol behorend tot dezelfde orde van planten als de aardappel
povijnice batátová
/ˈzu.tə(n)/
verb
1. zoet maken
cukrovat
noun
sladkost
/ˈzuthʌʊt/
noun
1. Glycyrrhiza glabra, een plant die tot de vlinderbloemigen behoort
lékořice
noun
2. zoetstof zonder suiker
náhradní sladidlo
adjective
sladkokyselý
/ˈzoːɣ.ə(n)/
verb
1. moedermelk geven
kojit
/zo.ɣə.'namt/
adverb
1. naar (betwijfelde) bewering
takzvaný
/ˈzɔldər/
noun
3. ruimte onder een (schuin) dak
  1. podkroví
  2. půda
/zolə(n)/
verb
1.
podrazit
noun
1. door magie uit de dood teruggebracht persoon
zombie
noun
léto
noun
1. bepaald soort loofboom, Quercus robur
dub letní
noun
1. Anas querquedula
čírka modrá
noun
1. regeling waarbij de klok gedurende de lente- en zomermaanden een uur vooruit wordt gezet
letní čas
noun
1. de ster waar de planeet aarde omheen draait, hemellichaam dat de aarde overdag verlicht
slunce
noun
1.
hříšník
noun
1. een dag van de week die na zaterdag en voor maandag komt
neděle
adverb
nedělní
noun
1. overtreding van een goddelijke wet of regel
hřích
noun
  1. 1.
  2. 2.
obětní beránek
preposition
1. In afwezigheid van
  1. bez
  2. beze
adjective
hříšný
/zɔndəɣə(n)/
verb
1. het overtreden van een religieuze wet
hřešit
noun
1. een catostrofale Bijbelse vloed
potopa světa
/ˈzoːnə/
noun
1. bepaald gebied dat is afgebakend van aangrenzend gebied
pásmo
noun
1. de zichtbare elektromagnetische straling van de ster waarrond onze aarde draait
sluneční světlo
/'zɔnəʔenɛr'ɣi/
noun
1. energie die gewonnen wordt uit de straling van de zon
sluneční energie
verb
1. een of meerdere zonnebaden nemen
opalovat se
/ˈzɔnəˌblum/
noun
1. bepaald soort tot 3 meter hoge plant met een grote gele bloem, Helianthus annuus
slunečnice
noun
1.
slunečnicový olej
noun
1. substantie tegen verbranding van de huid
opalovací krém
noun
1. een bril met speciale glazen (dikwijls polaroid) om de ogen tegen het zonlicht te beschermen
sluneční brýle
noun
fotovoltaický článek
noun
Píseň tvorstva
/ˈzɔnəpɑˌnel/, /ˈzɔnəpɑˌnɪːɫ/
noun
1. een paneel dat stralingsenergie van de zon omzet in elektriciteit
solární modul
noun
1. het licht dat van de zon afkomstig is
sluneční svit
noun
1.
sluneční soustava
noun
sluneční erupce
noun
1. magnetische onregelmatigheid aan de oppervlakte van de zon die vanaf de aarde te zien is als een wat donkere vlek
sluneční skvrna
/ˈzɔnəˌwɛndə/, /ˈzɔnəˌʋɛndə/, /ˈzɔnəˌβ̞ɛndə/
noun
1. de gebeurtenis waarbij de zon, vanuit de aarde gezien, de meest noordelijke of zuidelijke positie (de keerkringen) bereikt
slunovrat
noun
sluneční hodiny
noun
1. de stroom deeltjes die de zon uitstraalt
sluneční vítr
adjective
1. zonovergoten, met zonneschijn
slunečný
/zɔn'zɔndərχɑŋ/
noun
1. het ondergaan van de zon
západ slunce
/ˈzɔnsvərˌdœʏ̯stərɪŋ/, /ˈzɔnsvərˌdœːstərɪŋ/
noun
1. het verschijnsel dat de maan voor de zon langstrekt, waardoor het zonlicht geblokkeerd wordt
zatmění slunce
/zuː/
noun
1. verzameling levende, oorspronkelijk wilde dieren.
zoo
/ˈzox.diːr/, /ˈzoːɣ.diːr/, /ˈzoχ.diːr/
noun
1. werveldier dat zijn jongen zoogt
savec
noun
  1. 1. onderkant van de voet
  2. 3. onderkant van een schaaf
podrážka
/zoːn/
noun
1. een mannelijk kind
syn
noun
1. behoedzame overweging
starost
adjective
1. onbekommerd, zonder zorgen
bezstarostný
noun
1. (economie) een stelsel en systematiek voor de regulering van de zorgvoorziening
zdravotnictví
/zɑu̯t/
adjective
1. zout bevattend of zout smakend
  1. slaný
  2. salgado
/zɑu̯t/
noun
1. alledaagse naam voor keukenzout
  1. sůl
  2. sal
verb
1. met zout conserveren
osolit
/ˈzɑutˌvacə/
noun
2. tafelgereedschap dat het zout bevat en strooit
slánka
noun
1. decoratieve pot die het zout bevat
slánka
noun
1. een oplossing
kyselina solná
/ˈzo.zo/
adjective
všelijaký
noun
zoofilie
noun
zoogeografie
noun
1. de wetenschap die de dieren bestudeert.
zoologie
/zoʔo'lox/
noun
1. een wetenschapper die zich bezig houdt met de studie van dieren.
zoolog
noun
1. hoorbare uitademing
vzdech
verb
1. hoorbaar diep uitademen, meestal als uiting van frustratie
vzdychat
/zœʏ̯t/, /zœːd/, /zœːt/
adverb
jih
/zœʏ̯t.'a.fri.ka/, /zœː'.dɑ.fri.ka/, /zœːt.'a.fri.ka/
pronoun
land in het zuiden van Afrika
  1. Jihoafrická republika
  2. Jižní Afrika
adjective
1.
jihoafrický
/ˌzœʏ̯t aˈmɪːrika/, /ˌzœːd aˈmeːrika/
pronoun
een continent dat ten zuiden van Noord-Amerika ligt, tussen de Grote en de Atlantische Oceaan
Jižní Amerika
pronoun
1. Australische deelstaat in het zuiden
Jižní Austrálie
pronoun
1. regio van Tsjechië
Jihočeský kraj
pronoun
1.
Jižní Karolína
pronoun
1. is een randzee van de Grote Oceaan en ligt ten zuiden van China
Jihočínské moře
pronoun
1.
Jižní Dakota
pronoun
het zuidelijk deel van Europa
jižní Evropa
/zœʏ̯.ˈtɔ.lɑnt/, /zœːt.ˈɦɔ.lɑnt/, /ˈzœːd.hɔ.lɑnd/
pronoun
1. een provincie in het zuidwesten van Nederland, die aan Noord-Holland, Utrecht, Gelderland, Noord-Brabant, Zeeland en de Noordzee grenst
Jižní Holandsko
/ˌzœʏ̯t koˈre.ja/, /ˌzœːt koˈre.ja/
pronoun
1. en 2., land en republiek in Azië
Jižní Korea
/ˌzœʏ̯t koreˈjans/, /ˌzœːt koreˈjaːns/
adjective
1.
jihokorejský
pronoun
1. regio van Tsjechië
Jihomoravský kraj
/ˈzœy̯.də(n)/
noun
jih
pronoun
1. grootste eiland van Nieuw-Zeeland
Jižní ostrov
adverb
jihovýchod
pronoun
1. Noordpool
jižní pól
adjective
1. op het zuidwesten betrekking hebbend
jihozápadní
/ˈzœy̯.ɣə(n)/
verb
1. (met de mond) naar zich toe trekken
  1. sát
  2. nasávat
noun
píst
noun
1. platworm met zuignappen waarmee hij zich aan zijn gastheer kan vastzuigen
motolice
verb
1. zwaar of gulzig drinken
chlastat
adjective
oranžová pravá
adjective
bílá
/zɵlk/
exclamativePronoun
takový
noun
1. en 2. een geslacht van meest overblijvende, kruidachtige planten uit de duizendknoopfamilie...
šťovík
noun
1. een ander kind van dezelfde ouders van het vrouwelijk geslacht
sestra
noun
1. vrouwelijk kind van dezelfde ouders
sestra
noun
2. de gemeenschap van vrouwen in algemene of meer beperkte zin
sesterství
/zyːr/
adjective
1. een smaak hebbend zoals van citroensap of azijn
kyselý
/zyːr/
noun
1. zure vloeistof
  1. kyselina
  2. kyselý
noun
1. fijngesneden en licht gezouten kool die enige tijd gefermenteerd is
kysané zelí
/ˈzyːrstɔf/
noun
1. een scheikundig element en een bij kamertemperatuur kleurloos twee-atomig gas O₂
kyslík
verb
1. begroeten door met de hand heen en weer te bewegen
houpat
noun
maják
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Labuť
/zʋan/
noun
1. benaming voor watervogels met lange sierlijke hals uit het geslacht Cygnus
labuť
adjective
van groot gewicht
těžký
noun
1. een lang, scherp wapen
meč
noun
1.1 bepaald soort zeevis, Xiphias gladius
  1. mečoun obecný
  2. mečoun
noun
1. Orcinus orca, een soort van walvis, vrij gedrongen van bouw en een opvallende rugvin
kosatka dravá
adjective
1. van groot lichaamsgewicht
silný
noun
1. de kracht die de wederzijdse aantrekking van massa veroorzaakt
gravitace
pronoun
Švábsko
/ˈzʋa.ɣər/
noun
švagr
/zʋɑk/
adjective
slabý
noun
1. benaming voor trekvogels uit de familie Hirundinidae
vlaštovka
adjective
1. de toestand waarin een vrouw verkeert wanneer er in de baarmoeder een bevruchting heeft plaatsgevonden
těhotný
noun
1. de tijd dat een vrouw een ongeboren kind met zich draagt
těhotenství
noun
2. produkt dat via de urine tekenen van een zwangerschap onthult
těhotenský test
adjective
1. kleur die wordt waargenomen als iets helemaal geen licht weerkaatst of uitstraalt
černý
noun
1. gebied van de ruimte-tijd waaruit niets, zelfs geen licht kan ontsnappen omdat de zwaartekracht te sterk is
černá díra
noun
1. betaalmiddelen die afkomstig zijn uit belastingontduiking of onwettige handel
špinavé peníze
adjective
modročerná
noun
1. een publicatie van gegevens over een misstand
černá kniha
adjective
černohnědá
noun
1. vruchtje van Ribes nigrum
černý rybíz
noun
  1. 1. systeem, apparaat of voorwerp waarvan bekend is wat het doet maar niet hoe het werkt
  2. 2. crashbestendig apparaat met vluchtgegevens
černá skříňka
noun
1. Plegadis falcinellus
ibis hnědý
phraseologicalUnit
černý trh
noun
1.
sýkora uhelníček
noun
nosorožec dvourohý
noun
1.
čáp černý
noun
1.
datel
noun
1.
rybák černý
pronoun
1. gebergte in het zuidwesten van Duitsland
Schwarzwald
pronoun
1. de zee die ligt ingeklemd tussen Europa en Klein-Azië
Černé moře
noun
1. bepaald soort zee-eend, Melanitta nigra
turpan černý
adjective
černošedá
adjective
černozelená
noun
1. pessimist
  1. netopýr
  2. škarohlíd
adjective
červenočerná
/zʋavəl/
noun
1. scheikundig element met symbool S en atoomnummer 16
síra
noun
oxid siřičitý
adjective
sírová žlutá
noun
1. een sterk zuur bestaande uit zwavel, waterstof en zuurstof met een wateronttrekende en bijtende werking
kyselina sírová
/ˈzweːdə(n)/, /ˈzʋedə(n)/, /ˈzβ̞eːdə(n)/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa, grenzend aan Noorwegen en Finland. De officiële naam is het Koninkrijk Zweden (Konungariket Sverige)
Švédsko
/zweds/, /zʋets/, /zβ̞ets/
adjective
1. betreffende Zweden of het Zweeds
  1. švédský
  2. švédština
/zweds/, /zʋets/, /zβ̞ets/
pronoun
1. een Germaanse taal die wordt gesproken in Zweden en Finland
  1. švédský
  2. švédština
verb
1. vlieg uit de familie
pestřenka
verb
plachtění
noun
1. een piloot die een zweefvliegtuig bestuurt en/of die de sport zweefvliegen beoefent
pilot kluzáku
noun
1. toestel met vleugels dat zich ongemotoriseerd door de lucht verplaatst door gebruik te maken van opstijgende luchtstromingen
  1. kluzák
  2. větroň
noun
1. vliegveld waar men zweefvliegen beoefend
letiště pro větroně
noun
1. een handwapen in de vorm van een lang ineengedraaid stuk leer dat met een zwiepende beweging pijnlijke slagen uit kan delen
bič
noun
1.
vřed
noun
1. vocht dat door de huid wordt uitgescheiden als koeling en middel om sommige afvalstoffen kwijt te raken
pot
noun
1.een klier in het lichaam dat zweet produceert
potní žláza
/ˈzwɛmbɑd/, /ˈzʋɛmbɑt/, /ˈzβ̞ɛmbɑt/
noun
1. een bassin om in te zwemmen
bazén
noun
1. kledingstuk voor mannen dat gebruikt wordt om in te zwemmen
plavky
noun
1. kledij bedoeld voor het baden en zwemmen
plavky
verb
1. zich gecoördineerd door het water voortbewegen
  1. plavat
  2. plavání
/zʋɛrm/
noun
1. een grote groep gezamenlijk op- en rondtrekkende personen, dieren of zaken, gewoonlijk vogels of insecten
roj
noun
1. klierachtig, hormoonvormend orgaan
brzlík
verb
1. ervan afzien te spreken
mlčet
adjective
1. weinig sprekend
mlčenlivý
noun
mlčenlivost
noun
1. een varken
prase
/ˈzʋɛinəstɑl/
noun
1. ruimte bestemd voor de huisvesting van varkens; 2. (figuurlijk) vuile boel
chlívek
/ˈzwɪtsər/, /ˈzʋɪtsər/, /ˈzβ̞ɪtsər/
noun
1. een inwoner van Zwitserland, of iemand afkomstig uit Zwitserland
Švýcar
/ˈzwɪtsərˌlɑnd/, /ˈzʋɪtsərˌlɑnt/, /ˈzβ̞ɪtsərˌlɑnt/
pronoun
1. een soeverein land in het zuiden van Centraal-Europa met als hoofdstad Bern en als officiële talen het Duits, het Frans, het Italiaans en het Reto-Romaans
Švýcarsko
pronoun
Zwolle
noun
zygota
pronoun
Curych
pronoun
  1. Alandy
  2. Ålandeilaanden
interjection
1. inleiding op een opmerking die met het voorgaande verbonden is
a pak
/ˈɔŋstrøm/
noun
1. lengtemaat met een waarde van 10-10 m
angstrom
/eːn/
cardinalNumeral
1. de inhoud van de kleinste niet-lege verzameling
  1. jeden
  2. jedna
  3. jedno
/eːn/
noun
1. het getal 1
jednička