symbol
3. akkoordsymbool
E
/aka'pɛla/
adverb
1. zonder instrumentale begeleiding
a cappella
pronoun
1. een stad in Denemarken
Åbenrå
verb
1. zachtjes strelen
  1. stryge
  2. ae
noun
1. lang vaartuig met een platte bodem en een brede boeg
ligter
noun
  1. 3. paling
  2. 4. kleine en jonge paling
  1. Ål
  2. ål
noun
1. bepaald soort struik met eetbare rode bessen Ribes rubrum
  1. ribes
  2. rode bær
noun
1. een struikachtige plant waarvan de aalbes de vrucht is
ribsbusk
noun
1.bepaald soort plant, Artemisia absinthium
have-malurt
noun
1. benaming voor vogels uit het geslacht Phalacrocorax
  1. skarv
  2. ålekrage
noun
ambolt
noun
1. knobbelachtige zwelling van aders in het onderste deel van de endeldarm en in de anus
  1. hæmorider
  2. hæmorroide
noun
2. knobbelachtige zwelling van aders in het onderste deel van de endeldarm en in de anus
  1. hæmorider
  2. hæmorroide
adjective
1. (predicatief) actief, in bedrijf
på
verb
1. door het bakken aankoeken, vasthechten
brænde på
noun
1. het smeedblok waarop de smid het gloeiend metaal smeedt
ambolt
verb
1. bij iemand (aan de deur) bellen
ringe på
verb
udbyde i licitation
noun
1. een kans om uitgekozen te worden voor een werk of levering
udbud
noun
1. een eerste betaling bij het kopen van iets op afbetaling of in termijnen
udbetaling
verb
1. over iets of iemand bij iemand (positief) vertellen en adviseren om datgene/diegene te gebruiken/in te schakelen
anbefale
noun
henstilling
noun
1. een brief waarin men iets of iemand aanbeveelt
anbefalingsbrev
noun
beundrer
noun
tilbeder
verb
  1. 1. aanreiken, bieden, offreren, presenteren
  2. 2. iets tegen bepaalde voorwaarden of prijs verhandelbaar stellen
byde på
noun
1. iemand die beroepshalve een advies, dienst of een product ter beschikking stelt
tilbudgiver
noun
1. een aanbieding
udbud
noun
tilbygning
verb
brænde på
verb
1. brengen naar
anbringen
noun
1. een beloning voor het aanwerven
dusør
noun
1. gerichte belangstelling of interesse
opmærksomhed
adverb
1. met belangstelling, met aandacht, met interesse
opmærksom
verb
3. met een dam van het water scheiden
inddige
noun
1. waardepapier
aktie
noun
1. eigenaar van aandelen, actionaris
aktieejer
noun
1. een houder van één of meer bewijzen van aandeel
  1. aktieejer
  2. aktionær
noun
aktiekapital
noun
1. de handel in aandelen in het algemeen
aktiemarked
noun
minde
verb
melde, ankomst ~
verb
1. dikker worden
gøre tykkere
verb
2. (iemand iets) berokkenen
gøre
noun
2.
rørelse
adjective
  1. gribende
  2. rørende
noun
1. het aandringen
trang
noun
tilstrømning
verb
2. iets proberen te verkrijgen
insistere
verb
1. vaster drukken
trykke
verb
1. vaster duwen
trykke
adverb
sammen
/an.ˈen.sxa.kə.lə(n)/, /an.ˈen.sχa.kə.lə(n)/
verb
1. met schakels verbinden
sammenføje
verb
1. betreffen
angå
/anˈɣandə/, /ˈanɣandə/
preposition
hvad angår
verb
glo pä med åben mund
adjective
1. een staat waarin je verkeert als iets je emotioneel geraakt heeft
rørt
noun
anliggende
adjective
2. een beetje dronken
bedugget
adjective
1. beschadigd door inwerking van iets
bevæget
adjective
besvogret
conjunction
1. geeft onderschikkend een reden aan
i betragtning av
noun
  1. 1.1. het melden van een delict bij de politie; aangifte doen
    1. klage
    2. indgive klage
  2. 1.2. het melden van inkomen bij de belastingen; aangifte doen
    1. oplyse sin indkomst
    2. selvangivelse
  3. 1.3. het melden van goederen bij de douane; aangifte doen
    toldangivelse
noun
selvangivelse(sblanket)
adjective
1. rechtstreeks grenzend aan iets anders
nærliggende
verb
1. vals aankijken
grine i møde
verb
gribe
adjective
1. aandoenlijk, ontroerend
  1. gribende
  2. rørende
verb
2. toenemen
vokse
verb
2. eigen of andermans woorden ontlenen
citere
adjective
1. lief doend, geneigd tot toenadering
kælen
noun
1. een letterlijke passage die door iemand anders aangehaald wordt uit een bron
citat
noun
1. leesteken om geciteerde woorden van die van de auteur te onderscheiden
anførelsestegn
noun
2. rijdend object dat achter de auto gehangen kan worden voor het vervoeren van goederen.
tilhænger
adjective
verserende
noun
1. toevoegsel
supplement
noun
anhænger
adjective
hengiven
verb
istemme
noun
1. iemand die een proces aanspant
anklager
verb
  1. 2. aanspreken
    antaste
  2. 1. enteren
    tiltale
verb
1. een bestemming bereiken
ankomme
noun
1. de bestemming bereiken, het aankomen
ankomst
noun
1. datgene wat iets tot gevolg heeft
anledning
verb
fastbinde
verb
1. moed inspreken
anbefale
noun
1. het inspreken van moed
opmuntring
noun
1. manier van aanpakken
fremgangsmåde
verb
  1. 3. een probleem oplossen
    1. angribe
    2. håndtere
    3. løse
  2. 2. in rechte vervolgen
    forfølge
  3. 1. aanvatten
    gribe
/ˈaːmpɑsə(n)/
verb
  1. 1. aansluiten, voegen naar, bruikbaar maken
  2. 2. aantrekken om te passen
tilpasse
verb
1. door beplanting aanbrengen
plante
verb
1. fysiek contact maken met iets
berøre
noun
  1. 1. aanvaller
  2. 2. een persoon, in de regel van het mannelijke geslacht die iemand anders aanvalt om seksuele redenen
angriber
noun
  1. 2. aanval
    overgreb
  2. 3. een fysieke aanval op iemand met als doel seksuele handelingen af te dwingen
    1. seksuelt overgreb
    2. sexovergreb
noun
1. vaste tafel met kastjes langs keukenwand
køkkenbænk
verb
1.
anråbe
noun
4. terroristische aanval
attentat
verb
3. passend maken
binde
noun
  1. 1. het recht om het bezit of genot van iets te vorderen
    krav
  2. 3. aanspraak maken
    kræve
noun
retligt ansvar
noun
1. overeenkomst waarbij je premie betaalt aan een verzekeraar zodat die zal betalen voor schade die je per ongeluk veroorzaakt of waarvoor je verantwoordelijk wordt gehouden
ansvarsforsikring
noun
1. apparaatje om vuur te maken
  1. lighter
  2. fyrtøj
noun
anstifter
verb
gnide
noun
1. een telbare hoeveelheid
antal
verb
1. (langzaam) beschadigen, aangrijpen
påvirke
adjective
1. bekoorlijk
  1. attraktiv
  2. tiltrækkende
verb
2. accepteren, in bezit ontvangen
acceptere
noun
1. een poging de tegenpartij geweld aan te doen of van zijn positie te beroven
angreb
verb
angribe
noun
  1. 2. een persoon in de voorste linie
  2. 1. iemand die aanvalt
angriber
verb
1. beginnen, starten
begynde
adjective
1. in het begin
første
verb
  1. 1. bevel voeren over
    anføre
  2. 3. bijbrengen als bewijs
    1. anføre
    2. bibringe
  3. 2. aanbrengen, naartoe transporteren
    1. indføre
    2. tilføre
verb
1. verzoeken, min of meer officieel
ansøge
adjective
nærværende
noun
  1. 1. het aanwijzen
  2. 2. vingerwijzing
henvisning
verb
1. een aanzoek doen
ansøge
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de orde der primaten
  1. abe
  2. abekat
noun
  1. 1. bloeiwijze van granen
  2. 2. bovenste deel van de halm van gras- of graangewassen
aks
noun
1. bepaald soort plant, Solanum tuberosum
kartoffel
/ˈardɑˌpəɫpyˈre/
noun
1. een puree van zeer fijn gemaakte, met melk aangemengde aardappels
kartoffelmos
noun
1. een salade die gemaakt wordt uit aardappelen
kartoffelsalat
/\ˈaːrt.bɛi̯\/
noun
2. eetbare vrucht van planten uit het geslacht Fragaria
jordbær
noun
1. bepaald soort plant, Arbutus unedo
  1. almindelig jordbærtræ
  2. jordbærtræ
noun
1. een schokkende of trillende beweging van een gedeelte van de aardkorst, meestal te wijten aan ...
  1. jordskaelv
  2. jordskælv
/ˈardə/
pronoun
Jorden
/ˈardə/
noun
  1. 2. grond
    jord
  2. 1. planeet
    1. jorden
    2. jord
noun
keramik
/artxɑs/
noun
1. een gas dat uit de aarde komt en dat grotendeels uit methaan bestaat
naturgas
noun
1. het ontginnen van aardgas
naturgasudvinding
/ˈart.kɔrst/
noun
1. het buitenste gedeelte van de planeet Aarde
jordskorpe
noun
geologi
noun
1. Microtus agrestus, een zoogdier uit de orde van knaagdieren
markmus
noun
råolie
/ˈartpɪːr/
noun
bepaald soort zonnebloem, Helianthus tuberosus
jordskok
/ˈardrɛiksˌkʏndə/
noun
geografi
adjective
1. betrekking hebbende op de aarde, tot de aarde behorend
jordisk
/ˈaːrtfɑrkə(n)/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Orycteropus afer
jordsvin
noun
1. bepaald soort altijd groene heester die zich met wortelvezels aan de omringende omgeving vasthecht, Glechoma hederacea
korsknap
noun
1. het naar beneden schuiven van een grote massa grond
jordskred
noun
1. Proteles cristatus, een lid van de familie der hyenas
jordulv
pronoun
1. een Waalse provinciehoofdstad
Arlon
noun
1. en 2. (blaadjes van) de plant Mentha spicata
grøn mynte
prefix
ærke-
/ˈaːrz.bɪz.dɔm/, /ˈaːrʦ.bɪs.dɔm/, /ˈaːrʦ.bɪz.dɔm/
noun
1. het belangrijkste gebied van een kerkprovincie, dat geleid wordt door de aartsbisschop.
ærkebispedømme
/ˈaːrzbɪsxɔp/, /ˈaːrʦbɪsxɔp/, /ˈaːrʦbɪsχɔp/
noun
1. de voornaamste bisschop van een kerkprovincie.
  1. ærkebiskop
  2. ærkebisp
noun
1. een hemelgeest in een rang boven een engel
ærkeængel
noun
1. een keizerlijke prins in het vroegere Oostenrijk-Hongarije
ærkehertug
noun
ærkehertugdømme
noun
1. adellijke titel, vrouw van een aartshertog
ærkehertuginde
/ˈarzələ(n)/
verb
1. onzeker zijn, twijfelen
betænkelighed
noun
1. speelkaart
es
noun
ådselæder
/'as.xir/
noun
1. bepaald soort roofvogel, Neophron percnopterus
ådselgrib
/ˈɑbɑkʏs/
noun
  1. 1. raam met staven
  2. 2. dekplaat van een kapiteel
abacus
/a.bɑ.ˈtwaːr/, /ɑ.bɑ.ˈtβ̞ar/
noun
1. een bedrijf waar dieren geslacht worden
slagtehus
noun
1. het inkorten van een woord of een frase
forkortelse
noun
1. een ophoping van pus in het lichaam, daarbij een onnatuurlijke holte vormend
absces
/ɑpˈxazis/
pronoun
1. een taal die in Abchazië gesproken wordt
abkhasisk
noun
abdikation
/ɑbˈdɛɪ̯/, /ɑbˈdɛː/
noun
1. klooster met aan de leiding een abt of abdis
abbedi
/ɑbˈdɪs/
noun
1. bestuurster van een abdij.
abbedisse
/ˌɑbdoʊmiˈnaːɫ/
adjective
1. de onderbuik betreffend
abdominal
noun
wegvoering
abduktion
noun
1. bepaald soort loofboom, Populus alba
sølv-Poppel
noun
aberration
pronoun
Abessinien
/ˌɑb.la.ˈtif/, /ˌɑb.la.ˈtiːf/
noun
1. de zesde naamval die onder meer de instantie aangeeft waarvan iets uitgaat of vertrekt
ablativ
/ˈɑb.laut/, /ˈɑp.lɔut/, /ˈɑp.lʌut/
noun
1. regelmatige, grammaticaal bepaalde klinkerwisseling
aflyd
adverb
1. ongewoon
  1. unormal
  2. abnorm
/ɑbɔ'ne/
noun
1. iemand die op iets geabonneerd is
abonnent
noun
abonnement
/ɑbɔ'nerə(n)/
verb
1. een abonnement aangaan
abonnere
noun
1. oorspronkelijke bewoner van Australië
aboriginer
noun
abrikos
noun
1. de afstand tot de opstaande as van een coördinatenstelsel
abscisse
/ɑp'sɪnt/
noun
1. sterkedrank op basis van anijs
absint
noun
bepaald soort plant, Artemisia absinthium
  1. have-malurt
  2. malurt
/ɑpsɔr'berə(n)/
verb
sluge
noun
opsugning
noun
abstinens
/ɑp'strɑksi/
noun
1. een begrip dat los staat van de dagelijkse werkelijkheid
abstraktion
/ɑpsʏrt/
adjective
1. erg onlogisch, belachelijk
absurd
/ɑb/, /ɑpt/
noun
1. het hoofd van een abdij
abbed
noun
akademi
/ɑkɑ'demis/
adjective
akademisk
noun
blød Akantus
noun
  1. 1. de manier waarop iemand de klanken uitspreekt
  2. 2. een teken dat op een klinker kan worden geplaatst
accent
noun
1. belasting die direct geheven wordt bij de aan- en verkoop van verbruiksgoederen
accise
verb
1. aan een andere omgeving wennen
akklimatisere
noun
1. een muziekinstrument waarbij door trekken en duwen een toon wordt geproduceerd
  1. akkordeon
  2. trækharmonika
noun
1. een toestel om elektriciteit op te slaan
akkumulator
/ˌɑkusaˈtif/, /ˌɑkyzaˈtiːf/
noun
1. naamval voor het lijdend voorwerp
akkusativ
noun
1. kleurloze, vluchtige, sterk riekende vloeistof die als oplosmiddel wordt gebruikt met als chemische formule: C₃H₆O
acetone
/ˌɑsəˈtilxoˌlinə/, /ˌɑsəˈtiɫχoˌlinə/, /ˌɑsɛˌtylxoˈlin(ə)/
noun
1. een neurotransmitter die vooral betrokken is bij de impulsoverdracht van de zenuw naar de skeletspiercellen
acetylkolin
/ˌɑ.sə.ti.ˈlen/
noun
1. een verbinding van waterstof en koolstof met de samenstelling H₂C₂, die als gasvormige brandstof voor het vormen van hete vlammen gebruikt wordt
acetylen
/xxxx/
noun
1.
acetylsalicylsyre
pronoun
1. figuur uit de Griekse mythologie
Achilleus
noun
1. kwetsbare plaats
akilleshæl
noun
akillessene
cardinalNumeral
1. het getal 8
otte
/ˈɑxtbaːn/
noun
1. een attractie met een karretje dat over een baan met bochten, stijgingen en dalingen rijdt
  1. rutsjebane
  2. rutschebane
cardinalNumeral
1. het getal 38
otteogtredive
cardinalNumeral
1. het getal 98
otteoghalvfems
cardinalNumeral
1. het getal 88
otteogfirs
cardinalNumeral
1. het getal 28
otteogtyve
cardinalNumeral
1. het getal 48
otteogfyrre
cardinalNumeral
1. het getal 58
otteoghalvtreds
cardinalNumeral
1. het getal 68
otteogtres
preposition
bag
adverb
1. in de laatste of een van de laatste posities in een rangschikking, op een verder weg liggende plaats
bagefter
noun
1. de bank in het achterste deel van een voertuig
bagsæde
noun
efternøler
noun
1. het achterste deel van het dek van een schip
agterdæk
noun
1. de indirecte oorzaak van actualiteiten
baggrund
/ˈɑxtərklɛɪŋkɪnt/
noun
1. het kind van iemands kleinkind
oldebarn
/ˈɑxtərklɛɪ̯nzon/
noun
1. de zoon van iemands kleinkind
oldebarn
verb
1. dumpen, weggaan van, verlaten
efterlade
adjective
1. achterstand vertonend in de ontwikkeling
retarderet
/ɑxtər'na/
adverb
1. iemand of iets volgend
  1. derefter
  2. siden
noun
1. een naam die van geslacht op geslacht en indien gewenst door het huwelijk overgedragen wordt
efternavn
noun
1. stag aan achterkant van zeil boot naar de top van de mast
agterstag
noun
1. een spiegel aan een auto of motorfiets waarmee men de situatie op de weg achter zich kan zien
bakspejl
/'ɑx.tər.vux.səl/
noun
1. een woorddeel dat achter de stam van een woord gevoegd wordt
suffiks
verb
1. iemand inhalen
forfølge
noun
forfølgelse
noun
1. een zak aan de achterkant van een kledingstuk
baglomme
noun
1. een vorm met acht hoeken
ottekant
/ɑxt'ɦukəx/
adjective
1.
oktagonal
/ˈɑxtˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 800
otte hundrede
suffix
agtig
noun
ottende
cardinalNumeral
1. "18", het getal tussen zeventien en negentien
atten
ordinalAdjective
attende
noun
acidose
noun
akne
pronoun
1. begripomschrijving
Aconcagua
pronoun
1. braziliaanse deelstaat gelegen in de Regio Noord van het land. Hoofdstad is Rio Branco
Acre
noun
1. gymnast
akrobat
noun
akronym
/ɑkˈtør/
noun
1. persoon
skuespiller
adjective
1. met iets bezig zijnde
aktiv
noun
1. Scheikundig element
actinium
noun
1. iets waarmee men actief is
aktivitet
noun
1. vrouw
skuespillerinde
noun
aktuar
/ɑktyˈwel/
adjective
aktuel
noun
1. een Chinese behandelingsmethode waarbij, ter genezing van een kwaal...
akupunktur
/aˈkyt/
adjective
1. plots ontstaan, op korte termijn verlopend
akut
pronoun
Adam
/ˈadɑmzɑpəl/
noun
deel van het strottenhoofd bij de man
adamsæble
noun
adapter
noun
1. bijlage
tillæg
noun
1. gifslang
hugorm
noun
slangetunge-familien (ophioglossaceae)
noun
1. chemisch product
tilsætningsstof
noun
1. bevoorrechte groep personen
adel
noun
1. benaming voor sommige soorten grote roofvogels
ørn
/adəm/
noun
ånde
/ˈa.də.mə(n)/
verb
1. de voor het leven nodige lucht inzuigen en weer uitdrijven
ånde
noun
1. door levende wezens ingezogen en uitgeblazen lucht
  1. åndedræt
  2. vejrtrækning
/a.de.'kʋat/
adverb
1. correct en passend bij het beoogde doel
adækvat
noun
1. bloedvat met zuurstofarm bloed
vene
noun
1. de afkorting voor Attention Deficit Hyperactivity Disorder,...
ADHD
noun
1. een woordsoort dat wordt gebruikt om een eigenschap of hoedanigheid van een zelfstandig naamwoord te benoemen
  1. adjektiv
  2. tillægsord
noun
1. een woordsoort dat wordt gebruikt om een eigenschap of hoedanigheid van een zelfstandig naamwoord te benoemen
  1. adjektiv
  2. tillægsord
/ˌɑtminɪsˈtrasi/, /ˌɑtminɪsˈtratsi/
noun
  1. 3. bestuur
  2. 1. de plaats waar gegevens zorgvuldig worden vastgelegd zodat ze later terug te vinden of te controleren zijn
administration
noun
1. opperbevelhebber van een oorlogsvloot
admiral
noun
1. de reciproke complexe impedantie
admittans
verb
1. een kind aannemen
adoptere
noun
adoption
/aˈdrɛs/
noun
1. aanduiding van de plaats waar iemand woont of iets is gevestigd
adresse
verb
  1. 1. Iets toezenden
  2. 2. adres in een computergeheugen benaderen
adressere
pronoun
1. randzee van de Middellandse Zee, gelegen tussen Italië en het Balkanschiereiland
Adriaterhavet
noun
1. een fenomeen dat optreedt aan het grensvlak van twee fasen, waarbij moleculen of atomen zich aan dit grensvlak hechten
adsorption
/ɑtˈfɛnt/
noun
1. een periode van vier weken voor Kerstmis    2. de tijd waarin de komst en wederkomst van Jezus Christus worden verwacht
advent
noun
1. de kalender bestaat vaak uit een platte kartonnen doos waarin 24 genummerde vakjes zijn aangebracht
  1. julekalender
  2. adventskalender
noun
1. een aankondiging in een krant, reclameblad, tijdschrift ...
annonce
/ɑtfiˈzerə(n)/
verb
1. raad geven aan
råde til
noun
1. pleiter, verdediger in rechtszaken
advokat
noun
aerodynamik
adverb
1. op onregelmatige tijden
af og til
noun
1. het onvermogen te spreken
afasi
verb
afbilde
noun
1.
aflagt stykke tøj
/ˈɑfdelɪŋ/
noun
1. groep van werknemers die aan soortgelijke taken werken
afdeling
verb
1. door onderhandelen een prijs omlaag zien te krijgen
købslå
verb
1. verbranden van overtollig gas via een hoge fakkel
afbrænding
noun
1. een gebonden morfeem dat aan een ander morfeem wordt toegevoegd om zo een nieuw woord te vormen
affiks
noun
affutage
noun
1. iemand die als officiële vertegenwoordiger naar een andere partij gestuurd wordt
sendebud
/ɑf.ˈxan/, /ɑf.ˈχan/
noun
  1. 2. Afghaans tapijt
    afghan-tæppe
  2. 1. Afghaanse windhond
    afghaner
/ɑf.ˈxans/, /ɑf.ˈχans/, /ɑv.ˈɣaːns/
adjective
1. gerelateerd aan Afghanistan
afghansk
/ɑf.ˈɣa.nɪ.ˌstɑn/, /ɑf.ˈχa.nɪ.ˌstɑn/, /ɑv.ˈɣa.nɪ.ˌstɑn/
pronoun
1. een land gelegen in Centraal-Azië.
Afghanistan
/ˈɑfxrɔnt/, /ˈɑfχrɔnt/, /ˈɑvɣrɔnd/
noun
1. een grote steile diepte
afgrund
adjective
afhængig
verb
1. geleidelijk land verliezen doordat de oever in het water verzakt
kælve
verb
1. het afwerken van de zijkant van een breiwerk
lukke af
verb
1. niet geschikt verklaren
afvise
noun
1. het inkorten van een woord of een frase
forkortelse
/ˈɑflat/
noun
1. een kwijtschelding van tijdelijke straffen die men zou moeten ondergaan na het sterven..
aflad
verb
1. de aandacht opvragen
aflede
noun
  1. 1. een gebeurtenis of activiteit die de gedachten op iets anders richt
  2. 2. een woord dat middels toevoeging van een voor-, in- of achtervoegsel gevormd wordt uit een ander
  3. 3. een serie logisch uit elkaar volgende uitdrukkingen die laten zien hoe een bepaalde formule volgt uit definities en axioma's
afledning
verb
1. brengen naar en achterlaten op de plek van bestemming
aflevere
noun
1. elk onderdeel van een tv-serie dat op regelmatige tijden wordt uitgebracht of uitgezonden
afsnit
verb
1. de sessie binnen een programma beëindigen
logge af
noun
1. korte spreuk met een kernachtige boodschap
aforisme
/ˈɑf.pɛr.sɪŋ/
noun
1. mensen onder voor de buitenwereld onzichtbare bedreiging zaken tegen hun wil laten doen
afpresning
verb
1. een pak slaag geven
tæske
pronoun
1. het continent ten zuiden van Europa, tussen de Indische en de Atlantische Oceaan.
Afrika
/afriˈkaːns/
adjective
1. komende van of betreffende het continent Afrika
afrikansk
/afriˈkaːns/
pronoun
1. een van het Nederlands afstammende taal die wordt gesproken in Zuid-Afrika en Namibië
afrikaans
noun
1.
afrodisiakum
verb
1. tot een einde brengen
afskaffe
noun
1. een begroeting bij het elkaar verlaten
afsked
/ˈɑfslɑxtɪŋ/
noun
1. het zinloos vermoorden van mensen op een gruwelijke manier
  1. blodbad
  2. massakre
/'ɑf.slœy.tə(n)/
verb
  1. 1. zorgen dat iets of iemand niet in, uit of door iets kan gaan, alle openingen dicht doen
  2. 2. zorgen dat iets niet meer werkt, alle verbindingen verbreken
spærre
noun
efterkommer
/ˈɑfstɑnt/
noun
1. de ruimte die zich ergens tussen bevindt
afstand
noun
een toestel dat vanaf afstand een ander toestel bestuurt
fjernbetjening
noun
1.
fratrædelse
verb
1. rekenkundige bewerking waarbij een getal met een getal verminderd wordt
fradrage
noun
1. onbruikbare resten die weggegooid worden
detritus
noun
apostat
noun
1. water dat gebruikt is in de industrie of in het huishouden en dat na gebruik geloosd wordt
spildevand
/ˈɑfwɑxtə(n)/, /ˈɑfʋɑxtə(n)/, /ˈɑfʋɑχtə(n)/
verb
1. wachten op wat er gaat gebeuren
afvente
noun
opvask
verb
1. overtollig water afvoeren
afvande
noun
1. de paden waarlangs water uit een stuk land afgevoerd kan worden
afvanding
adjective
1. niet op een bepaald tijdstip en plaats zijn
fraværende
noun
1. het afwezig zijn op een bepaald tijdstip en plaats
fraværelse
verb
1. niet de gangbare norm volgen
deviere
verb
1. een negatieve beslissing ergens over nemen
afvise
noun
1. iemand die iets naar een adres verzendt
afsender
verb
10. blokkeren
spærre
noun
  1. 1. een doorzichtige, maar soms ook opake variëteit van trigonaal kwarts...
  2. 2. een stenen voorwerp bestaande of vervaardigd uit agaat
agat
/a.ˈɣɛn.da/, /a.ˈχɛn.da/
noun
1. een notitieboek waarin afspraken genoteerd worden
arbejdsdagbog
noun
1. elk van de toestanden, afhankelijk van druk en temperatuur, waarin een stof kan voorkomen
fase (stof)
noun
agnosticisme
noun
1. iemand die ten aanzien van het bovennatuurlijke stelt dat dit niet te kennen valt
agnostiker
noun
agorafobi
noun
aggression
adjective
1. aanvallend
  1. agressiv
  2. aggressiv
/aɣriˈmoni/
noun
1. benaming voor overblijvende, kruidachtige planten uit het geslacht Agrimonia
agermåne
noun
1. de landbouwkunde
agronomi
/a.ˈhɔrn/
noun
1. een boom of heester van het geslacht Acer.
løn
noun
1. een virusziekte waarbij het natuurlijke afweersysteem van het lichaam steeds verder afgebroken wordt
aids
noun
1. beschermingssysteem in voertuigen
airbag
pronoun
1. hoofdstad van de Franse regio Corsica
Ajaccio
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noord-Rijnland-Westfalen, niet ver van Maastricht
Aachen
/'akər/
noun
2. vrucht van de eik
agern
noun
1. bepaald soort plant, Rorippa sylvestris
vej-guldkarse
noun
1. bepaald soort plant, Lapsana communis
almindelig haremad
noun
agerpadderok
noun
ager-snerle
noun
2. samenklank van drie of meer, verschillende tonen
akkord
/ˌakusˈtik/
noun
1. de voortplanting van klank in een besloten ruimte en de ervaring die deze voortplanting ...
akustik
noun
1. platte en rechthoekige tas
portefølje
pronoun
1. Braziliaanse deelstaat gelegen in de Regio Noordoost van het land. Hoofdstad is Maceio
Alagoas
/ɑɫbaˈneːs/
pronoun
1. taal die vooral in Albanië en Kosovo gesproken wordt
  1. albansk
  2. Albansk
/ɑlˈbaːni.jə/, /ɑɫˈbani.jə/
pronoun
1. een land in het westen van de Balkan, grenzend aan de Adriatische en de Ionische Zee en aan Griekenland, Macedonië, Kosovo en Montenegro
Albanien
noun
alabast
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Diomedeidae
albatros
noun
album
noun
1. vroegere occulte wetenschap, waarin o.a. werd geprobeerd om goud en edelmetalen uit andere elementen...
alkymi
noun
1. elk van de verbindingen uiteen groep koolwaterstoffen die gekenmerkt zijn...
alkohol
noun
alkoholisme
noun
1. de overmatige consumptie van alcoholhoudende drank
alkoholmisbrug
adjective
1. met een verwaarloosbaar alcoholgehalte
alkoholfri
noun
aldehyd
noun
Engels bier
ale
pronoun
1. keten van vulkanische eilanden in Alaska ,die zich boogvormig uitstrekt en een scheiding vormt tussen de Grote Oceaan en de Beringzee
Aleuterne
/ˈɑlfa/
noun
1. een aanduiding of markering van "de eerste" van een reeks
alfa
noun
de lettertekens van een taal
alfabet
adjective
1. gerangschikt volgens de letters van het alfabet
alfabetisk
noun
1.
alfastråling
/ˈɑɫɣəbra/
noun
1. deel van de wiskunde dat zich bezighoudt met de betrekkingen van door letters...
algebra
noun
almindelig
/ɑl.ɣə.'rɛɪ̯.jə/, /ɑɫ.ɣə.'rɛː.jə/, /ɑɫ.χə.'rɛɪ̯.jə/
pronoun
1. een land in Noord-Afrika, officieel de Democratische Volksrepubliek Algerije
Algeriet
adjective
1. Uit/afkomstig van Algerije
algerisk
/ɑɫˈxiːrs/, /ɑɫˈɣiːrs/
pronoun
1. Hoofdstad van Algerije
Algier
noun
algoritme
adverb
1. in deze plaats
  1. her
  2. hersteds
/ˈaː.liˌbi/
noun
1. het kunnen aantonen dat men elders was tijdens het zich voltrekken van een misdaad,...
alibi
noun
1. eetbare zeeslak
strandsnegl
/aˈlinija/
noun
afsnit
/ɑlk/
noun
1. bepaald soort zeevogel die veel op de zeekoet lijkt, maar een dikkere snavel heeft
alk
noun
alkan
noun
alkali
noun
1. een stikstof bevattende plantenbase
alkaloid
noun
1. een kleine raamloze zijkamer, vaak gebruikt als slaapkamer
alkove
pronoun
1. God in islamistisch of Arabische context
Allah
adjective
dagligdags
/ɑl.ˈen/
adjective
1. zonder gezelschap
alene
noun
allegori
adjective
1. betrekking hebbend op het uitbeelden van een abstract begrip
allegorisk
/ɑ.ˈlɛl/, /ɑ.ˈlɛɫ/
noun
1. elk van de alternatieve uitvoeringen van een gen, die allemaal in homologe chromosomen op dezelfde plaats liggen
allel
/ˈɑlən/
indefinitePronoun
1. alle
alle
/ˌɑlɛrˈɣi/
noun
1. een reactie van het immuunsysteem op lichaamsvreemde stoffen (allergenen), die op zich helemaal niet schadelijk hoeven te zijn
allergi
noun
wetenschap die allergieën bestudeert
allergologi
pronoun
1. een rooms-katholieke feestdag op 1 november ter gezamenlijke verering van alle heiligen van de Kerk
Allehelgensdag
indefinitePronoun
1. al het mogelijke, de gehele verzameling of hoeveelheid zonder uitzondering
al
noun
1. een bondgenootschap
alliance
noun
1. een grote krokodilachtige uit het geslacht Alligator
alligator
noun
1.
allofon
noun
almanak
noun
alnico
noun
allestedsnærværelse
noun
benaming voor bloeiende, succulente planten uit het geslacht Aloe
aloe
noun
  1. 1. bepaald soort zoogdier Vicugna pacos
    alpaka
  2. 2. zilverkleurige metaallegering
    nysølv
pronoun
1. een gebergte dat Italië van de rest van Europa scheidt
  1. Alperne
  2. Alper
noun
cembra-fyr
noun
1. iemand die de bergsport beoefent
alpinist
noun
1. bepaald soort Zuid-Europese verdovende en bedwelmende overblijvende plant
almindelig alrune
/ɑls/, /ɑs/
conjunction
2. indien
hvis
phraseologicalUnit
1. als de kat van huis is, dansen de muizen op tafel
når katten er ude, spiller musene på bordet
noun
bynke-ambrosie
noun
1. offertafel voor godsdienstige plechtigheden
alter
/ɑltərnaˈtif/
noun
1. een andere mogelijkheid of methode
alternativ
adverb
  1. 1. op elk moment, blijvend
  2. 2. telkens opnieuw
  3. 3. in elk geval
altid
noun
altruisme
adjective
1.
altruistisk
noun
1. altsaxofoon
altsax
/ˈɑltfiˌjoːl/
noun
1. een muziekinstrument in de familie van de strijkinstrumenten, verwant aan maar groter en lager klinkend dan de viool
bratsch
/alyˈminijʏm/
noun
1. scheikundig element met symbool Al en atoomnummer 13
aluminium
noun
løje
noun
1. een klier die enzymen afscheidt in de twaalfvingerige darm om de afbraak van zetmeel, vet en eiwitten te bevorderen
bugspytkirtel
/amɑl'ɣaːm/
noun
1. kwiklegering
amalgam
noun
  1. 1. kleine bladverliezende loofboom, Amygdalus dulcis
    1. mandel
    2. mandeltræ
  2. 1. eetbare pit van de amandelvrucht
    mandel
noun
  1. mandeltræ
  2. mandel
noun
1. een melkachtige drank die uit fijngemalen amandelen en water bereid kan worden
mandelmælk
noun
1. een mengsel van amandelen en suiker dat wordt gebruikt in o.a. gevulde speculaas en boterletters
marcipan(masse)
noun
smergel
noun
1. een persoon die iets als hobby doet
amatør
pronoun
Amazonfloden
noun
1. de officiële vertegenwoordiging van de ene regering in de hoofdstad van de andere.
ambassade
noun
1. iemand die door de ene staat is aangesteld om deze staat bij een andere staat te vertegenwoordigen
ambassadør
adjective
1. vervelend, onprettig
unbehagelig
adjective
1. vol van de wens en het vertrouwen om iets te bereiken
ambitiøs
noun
1. voertuig om gewonden of zieken van en naar het ziekenhuis te brengen
ambulance
pronoun
Ameland
noun
americium
/aˈmɪːriˌka/
abbreviation
1 en 2
Amerika
noun
  1. 2. een inwoner van de Verenigde Staten van Amerika
  2. 1. een persoon die in Amerika woont
amerikaner
adjective
1. betreffende of komende van Amerika
amerikansk
noun
1. bepaald soort snelgroeiende boom, Quercus rubra
rød-eg
noun
1. oorspronkelijk uit Amerika afkomstige soort zoetwatervis die ook in de Benelux voorkomt, Umbra pygmaea
lille hundefisk
noun
1. bepaald soort plant, Prunus serotina
glansbladet hæg
noun
1. Ursus americanus, een zwarte berensoort die in Noord - Amerika leeft.
Amerikansk sortbjørn
noun
1. een vaak prachtig violet gekleurde vorm van kristallijn kwarts, die kleine hoeveelheden titaan en ijzer bevat
ametyst
noun
1. in water en op land levend dier
amfibium
noun
amfiteater
noun
1. een door de oude Grieken en Romeinen gebruikte buikige kruik met twee oren
amfora
noun
aminosyre
noun
1. een chemische verbinding van stikstof en waterstof
ammoniak
noun
ammonium
noun
1. NH₄NO₃, het ammoniumzout van salpeterzuur
ammoniumnitrat
noun
1. een verklaring dat afgezien zal worden van strafvervolging voor een bepaalde groep
amnesti
noun
1. eencellige eukaryoot die van vorm kan veranderen door het uitsteken en intrekken van schijnvoetjes
amøbe
/a.'mɔrf/
adjective
1. niet geordened
amorf
/aˈmɔs/
pronoun
1. en 3. profeet en jongensnaam
Amos
noun
amplitude
noun
amplitudemodulation
noun
  1. 1. dichtgesmolten medicijnflesje, waarin steriele injectiestoffen worden afgeleverd
  2. 4. schenkkannetje voor wijn of water, gebruikt bij de mis
ampul
noun
ampere
noun
1. stroommeter
amperemeter
/ɑmstər'dɑm/
pronoun
1. de hoofdstad van Nederland, gelegen in de provincie Noord-Holland
Amsterdam
noun
amylase
adjective
1. met betrekking tot de darmuitgang van de mens
anal
noun
1. opbouw bij de stofwisseling waarbij simpele stoffen omgezet worden tot chemisch ingewikkeldere stoffen
anabolisme
noun
anakronisme
/anaˈkɔnda/
noun
1. zeer grote en zware wurgslang uit het geslacht Eunectes
anakonda
noun
anagram
noun
1. seks waarbij de anus en het rectum een rol spelen
analsex
noun
1. het voorkomen van mensen die niet kunnen lezen of schrijven
analfabetisme
noun
1. een pijnstiller
analgetikum
noun
analytiker
noun
1. een overeenkomst tussen twee verschillende zaken die bijv. kan dienen als basis voor een bepaalde redenering of vergelijking
analogi
/ɑnɐ'liːzə/
noun
analyse
verb
1. gedetailleerd en nauwkeurig bekijken
analysere
noun
1. een vraaggesprek naar de ziektegeschiedenis
anamnese
noun
1. een vrucht van de ananasplant
ananas
noun
anarki
noun
anarkisme
noun
anatomi
adjective
1. met betrekking tot de anatomie
anatomisk
noun
1. een persoon die kennis draagt van de (menselijke) anatomie
anatom
pronoun
Andalusien
pronoun
Andalusien
adjective
1. niet deze
anden
noun
1. diegene die je niet zelf bent
andre
cardinalNumeral
halvanden
/'ɑndərmɑns/
indefinitePronoun
1. genitief van een andere man, wordt gebruikt in bezittelijke zin
fremmed
conjunction
1. leidt een zin in die een andere gang van zaken aangeeft
hvis ikke
pronoun
Andesbjergene
noun
galtetand
pronoun
1. een kleine staat in Europa die grenst aan Frankrijk en Spanje
Andorra
adjective
1. van/uit Andorra
andorransk
noun
1. kruis van twee even lange, schuingeplaatste balken
andreaskors
pronoun
  1. 1. mythologische figuur
  2. 2. sterrenbeeld
Andromeda
noun
android
/a.nɛg.ˈdo.tə/
noun
1. een amusant, kort verhaal
anekdote
noun
1.
anæmi
adjective
1. aan bloedarmoede lijdend
anæmisk
/ɑnəmon/
noun
1. een plant van het geslacht Anemone
anemone
noun
anæstesi
/ɑŋəl'sɑksis/
pronoun
1. een West-Germaanse taal die tussen ca. tussen 400 en 1100 werd gesproken en die geldt als de rechtstreekse voorloper van het Middelengels
angelsaksisk
noun
anglikanisme
noun
1. woord of uitdrukking overgenomen uit het Engels of gevormd naar Engels voorbeeld
anglicisme
/ɑŋ.ˈ(g)ɣo.la/, /ɑŋ.ˈgo.la/
pronoun
1. een land in Zuidwest-Afrika, officieel de Republiek Angola grenzend aan...
Angola
noun
1. het gevoel dat er onheil of gevaar dreigt
frygt
pronoun
Anguilla
noun
1. bepaald soort schermbloemige plant, Pimpinella anisum
anis
noun
1. het zaad van de anijsplant
anis
noun
anion
noun
nellike
/ˈɑ.nʲər.re.voˌly.si/, /ˈɑ.ɲər.re.voˌly.tsi/
pronoun
1. geweldloze militaire staatsgreep
nellikerevolutionen
noun
  1. 1. onderdeel van een vaartuig
  2. 3. onderdeel van een uurwerk
  3. 2. muuranker
  4. 6. onderdeel van een elektromotor/dynamo
anker
pronoun
1. meisjesnaam
Anna
/ˌɑnɛkˈsatsi/
noun
1. het verplicht of gedwongen toetreden tot een groep
anneksion
/ɑny'lerə/
verb
1. iets afgelasten
  1. anulere
  2. annullere
noun
1-2 scheikunde + elektronica
anode
noun
1. afwijking van organen
anomali
noun
1. naamloosheid
anonymitet
noun
1. magerzucht, eetstoornis
anoreksi
noun
1. verlies van eetlust
anoreksi
adjective
1. niet tot de koolstofverbindingen behorend
uorganisk
noun
1. een postkaart met een afbeelding
postkort
noun
ansjos
pronoun
1. het continent rond de zuidpool van de aarde
Antarktis
noun
1. een vrij opgestelde elektrische geleider voor het uitzenden en/of ontvangen van elektromagnetische straling
antenne
noun
antibiotikum
noun
antikrist
noun
1. een weinig spannende, soms teleurstellende ontknoping van het verhaal
antiklimaks
noun
1. een deeltje waarvan een aantal fysische eigenschappen dezelfde zijn, maar andere eigenschappen (waaronder de lading) precies tegengesteld
antipartikel
/ˌɑntideprɛˈsivʏm/
noun
1. een middel tegen ziekelijke neerslachtigheid
antidepressiv
noun
1. een tegengif
  1. afgiftnings
  2. modgift
adjective
1. oud, maar waardevol
antikvarisk
noun
1. oude kunst-, sier- en gebruiksvoorwerpen, die verzameld en verhandeld worden
antikvarisk
noun
1.
antifonar
/ɑn.ˌti.(g)ɣ<sup>ʊ</sup>a.ɛn.bɑr.ˈbu.da/, /ɑn.ˌti.gwa.ɛn.bɑr.ˈbu.da/
pronoun
1. eilandstaat in het oostelijk deel van de Caribische Zee, op de grens met de Atlantische Oceaan
Antigua og Barbuda
noun
1. een hoofdpersonage in een verhaal met niet de typerende positieve eigenschappen van een held
anithelt
noun
antistof
pronoun
1. eilandengroep in de Caribische Zee
Antillerne
/ɑnti'lopə/
noun
1. een verzamelnaam voor slanke holhoornige hoefdieren die voornamelijk in Afrika leven
antilope
noun
1.
antistof
noun
antimon
pronoun
1. een provinciehoofdstad in Turkije
Antiokia
noun
1. stof die reacties tegengaat waarbij elektronen worden uitgewisseld
antioxidant
noun
1. negatieve gevoelens die men tegen iemand koestert
antipati
noun
1.
antipyretikum
noun
iemand met antisemitische denkbeelden
antisemit
noun
antiseptikum
noun
1. het tegenovergestelde
antitese
noun
1. een stof die veelal aan koelwater wordt toegevoegd om het vriespunt ervan te verlagen om bevriezen ervan te voorkomen
frostvæske
adjective
1. tegengesteld van betekenis
antonym
noun
1. woord met tegengestelde betekenis
antonym
/an.tra.ˈsit/, /ɑn.tra.ˈsit/
adjective
antracit
/an.tra.ˈsit/, /ɑn.tra.ˈsit/
noun
1. een vorm aan steenkopl die hoge temperatuur heeft gehad
antracit
noun
1. een infectieziekte die wordt veroorzaakt door de bacterie Bacillus anthracis
miltbrand
noun
antropologi
noun
antropolog
noun
antropomorfisme
noun
antroposofi
/ˈantˌwɛrpə(n)/, /ˈɑntˌʋɛrpə(n)/, /ˈɑntˌβ̞ɛrpə(n)/
pronoun
  1. 1. een provinciehoofdstad in België
  2. 2. een Belgische provincie
Antwerpen
/ˈɑnt.ʋɔːrt/
noun
1. de reactie op een vraag, van repliek voorzien
svar
noun
telefonsvarer
/ˈɑnt.ʋɔːr.də(n)/
verb
1. het geven van een antwoord
svare
noun
1. opening aan het eind van de endeldarm en aan het eind van het spijsverteringskanaal
endetarmsåbning
/aˈɔrta/
noun
1. de slagader die van het hart naar het lichaam, behalve de longen, loopt
aorta
noun
1. lusteloosheid
apati
pronoun
1. gebergte
Appenninerne
noun
2. internetsymbool @
snabel-a
noun
1. een eetlust opwekkende alcoholische drank die voor de maaltijd genuttigd wordt
aperitif
adjective
1. de punt, de kop, de kruin betreffende
apical
noun
1. einde van de wereld, zoals beschreven in het Bijbelboek Openbaringen
apokalypse
adjective
apokalyptisk
noun
1. wegval van slotklank
apokope
adjective
1. niet als gezaghebbend erkend
apokryfe
noun
1. geprogrammeerde celdood
apoptose
/ɑˈpɔstəl/
noun
  1. 1. leerling van Jezus
  2. 2. verkondiger van een nieuwe leer
apostel
noun
  1. 2. aanspreking van afwezige personen of zaken
  2. 1. afkappings- of weglatingsteken
apostrofe
/apo'tek/
noun
1. plaats waar men geneesmiddel en en andere gezondheidsproducten kan kopen.
apotek
noun
apoteker
noun
1. toepassing
app
noun
1. een door mensen gemaakt voorwerp dat is samengesteld uit verschillende onderdelen en een bepaalde functie heeft
apparat
/ɑ.ˈpɛl/, /ɑ.ˈpɛɫ/, /ˈɑ.pəl/, /ˈɑ.pəɫ/, /ˈɑpəɫ/
noun
1. vrucht
æble
noun
  1. æblecidereddike
  2. æbleeddike
noun
1. boom waaraan appels groeien
æbletræ
noun
1. een moes van gekookte appels
æblemos
noun
1. een vruchtensap bereid uit appels
  1. æblemost
  2. æblesaft
  3. æblejuice
/ˌɑpəlˈsin/
noun
1. Vrucht van de appelsienboom
appelsin
noun
1. gebak gevuld met stukjes vruchten van de appelboom
  1. æbletærte
  2. æblekage
noun
1. Campaea margaritaria
Perlemaler
/ɑ'plɔus/
noun
1. geklap in de handen als teken van goedkeuring of bewondering
applaus
/ɑˈprɪl/
noun
1. de vierde maand van het jaar
april
pronoun
Apulien
noun
nog uit te zoeken
akvarel
/ɑˈkʋariˌʲʏm/
noun
1. een bak met water waarin onderwaterflora en -fauna gehouden wordt.
akvarium
noun
1. grote bont gekleurde papegaai uit Zuid-Amerika
ara
/ˌɑ.ra.ˈbiːr/
noun
1. een persoon met het Arabisch als moedertaal
araber
/ɑ'rabis/
adjective
1. verwijzend naar de Arabische taal,cultuur,het alfabet of Arabië
arabisk
/ɑ'rabis/
pronoun
  1. 1. een taal oorspronkelijk van het Arabisch schiereiland en de taal waarin de Koran...
  2. 2. een van het Aramitisch afgeleid alfabet dat gebruikt wordt voor het schrijven van het Arabisch,...
arabisk
pronoun
Arabien
noun
tak van de zoölogie die zich bezighoudt met de studie van de spinachtigen
araknologi
pronoun
1. randzee van de Indische Oceaan, gelegen tussen Noord-Australië en de oostelijke eilanden van Indonesië
Arafurahavet
pronoun
Aragonien
noun
1. Een inwoner van Aragon
aragonisk
pronoun
1. taal gesproken in Aragon
aragonisk
/araˈmes/
adjective
aramæisk
noun
1. energie die door een krachtbron geleverd wordt bij verplaatsing van een voorwerp
arbejde
noun
1. iemand die voor een loon handmatige arbeid levert
arbejder
noun
arbejderbevægelsen
adjective
arbejdsintensiv
noun
1. inkomsten die men ontvangt door het uitvoeren van werk
løn
noun
1. ongeval dat tijdens het werk (of onderweg van en naar het werk) optreedt, bedrijfsongeval
arbejdsulykke
noun
1. onderdeel van het privaatrecht m.b.t. de normen die het recht op arbeid als sociaal grondrecht tot voorwerp hebben
arbejdsret
pronoun
Arkadien
noun
arkaisme
/ˌɑr.xe.ˌjo.lo.ˈɣi/, /ˌɑr.xɛ.jo.lo.ˈɣi/, /ˌɑr.χe.ˌjo.lo.ˈχi/
noun
1. studie van de niet-geschreven overblijfselen van het verleden
arkæologi
noun
arkæolog
noun
arketype
noun
arkiv
noun
1. een eilandengroep
øhav
noun
1. iemand die gebouwen ontwerpt
arkitekt
noun
1. de bouwstijl van een gebouw
  1. arkitektur
  2. bygningskunst
noun
arkitrav
/ɑrxivaːrɨs/
noun
1. een persoon die een archief beheert
arkivar
verb
1. iets geclassificeerd opslaan om het later gemakkelijk terug te vinden
arkivere
pronoun
1. naam voor het noordpoolgebied
Arktis
adjective
arktisk
adjective
1. extreem koud, behorend bij heel lage temperaturen
arktisk
pronoun
1. is de oceaan ten noorden van de continenten Azië en Noord-Amerika , waarin het grote ijsveld van de Noordpool ligt
Ishavet
noun
1. bepaald soort grote massief zeezoogdier met een kolossale kop, Balaena mysticetus
Grønlandshval
pronoun
1. een rivier in Frankrijk
Ardèche
noun
ar
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Ørnen
noun
1. roofvogel
ørn
adjective
1. zonder zich van mogelijk gevaar bewust te zijn
naiv
/ˌɑrɣɛnˈtɛɪ̯n/, /ˌɑrɣɛnˈtɛːn/, /ˌɑrχɛnˈtɛɪ̯n/
noun
1. iemand van Argentijnse komaf
argentiner
/ˌɑrɣɛnˈtini.jə/, /ˌɑrχɛnˈtini.jə/
pronoun
1. een Spaanstalig land in het zuiden van Zuid-Amerika tussen het Andesgebergte en de zuidelijke Atlantische Oceaan.
Argentina
/ˈɑrɣɔn/
noun
1. een scheikundig element en kleurloos edelgas met het symbool Ar en het atoomnummer 18
argon
/ˌɑrɣyˈmɛnt/
noun
1. een aangevoerd feit in een discussie om een zienswijze te ondersteunen
argument
noun
argumentation
/arijaˈnɪsmə/
noun
1.
arianisme
noun
1. een persoon die lid is van de aristocratie
aristokrat
noun
1. een regeringsvorm waarbij de heerschappij in handen is van een kleine groep, de zogenaamde aristocraten
aristokrati
adjective
1. volgens de principes van een aristocratie
aristokratisk
noun
1. onregelmatige hartslag
arytmi
/ɑrṃ/
adjective
  1. 1. weinig bezittend
  2. 2. beklagenswaardig
fattig
/ɑrṃ/
noun
1. lichaamsdeel
arm
noun
1. sieraad of merkteken dat om de pols of arm gedragen wordt
armbånd
/ɑrˈmens/, /ɑrˈmeːns/
adjective
1. betreffende Armenië of het Armeens
  1. armensk
  2. armenisk
/ɑrˈmens/, /ɑrˈmeːns/
pronoun
1. een taal die wordt gesproken in Armenië
  1. armensk
  2. armenisk
pronoun
det armenske folkedrab
noun
1.
fattighus
/ɑrˈmeni.jə/, /ɑrˈmeːni.jə/
pronoun
1. een GOS-lidstaat in de Kaukasus (Gemenebest van Onafhankelijke Staten). Het is een van de weinige landen die niet aan zee liggen. Het grenst in het oosten aan Azerbeidzjan, in het westen aan Turkije en de Naxçivan-exclave (Azer.), in het noorden aan Georgië en in het zuiden aan Iran
Armenien
noun
armlæn
/ˈɑrəmude/
noun
1. de toestand waarin iemand leeft die zeer weinig middelen voor zijn levensonderhoud heeft.
  1. fattigdom
  2. armod
pronoun
Arnhem
noun
1. (aangename) geur van spijzen, dranken, genotmiddelen enz
aroma
adjective
  1. 1. met geurstof
  2. 2. voldoende aan de regel van Hückel
aromatisk
noun
1. document
arrestordre
adjective
arrogant
noun
arsen
noun
1. stijlbeweging
Art deco
adjective
1. met betrekking tot de arteriën
arteriel
/ɑrˈtiːkəl/
noun
4. staat voor een zelfstandig naamwoord, geeft de bepaaldheid aan en het woordgeslacht
artikel
noun
1. het wapen dat vuursteun geeft aan de eigen troepen
artilleri
noun
1. de vlezige schutbladeren van de gesloten bloemknop worden als groente gegeten
artiskok
noun
1. gewrichtsontsteking
gigt
noun
1. een aandoening van het gewrichtskraakbeen
slidgigt
noun
1. geneeskundige die bevoegd is een praktijk uit te oefenen
læge
/a.ˈru.ba/, /a.ˈry.ba/
pronoun
1. een eiland in het zuidelijke gedeelte van de Caraïbische Zee
Aruba
noun
    1. 1. centrale staaf
    2. 2. lijn
    akse
  1. 1. verbrandingsrest
    aske
/ˈɑzbɑk/
noun
1. opvangbak
askebæger
noun
1. verzamelnaam van een aantal silicaten met een vezelige structuur
asbest
noun
askese
noun
askorbinsyre
noun
aseksualitet
noun
asfalt
noun
asyl
pronoun
1. hoofdstad van Turkmenistan
Asjkahabad
adjective
1. zonder sociaal besef
asocial
noun
aspartam
noun
1. Asperagas officinalis, een plant waarvan de jonge scheuten geteeld worden als groente
asparges
pronoun
1. een taal die in Assam, een staat in India, gesproken wordt
Assamesisk
/ˈɑsəˌpustər/
pronoun
1. het meisje dat hoofdpersoon is het het gelijknamige sprookje
Askepot
noun
1. een persoon die ondersteunt
assistent
noun
1. aanbod van producten
sortiment
noun
astat
noun
1. scheikundig element met symbool At en atoomnummer 85
astat
/ˈɑs.tə.ˌrɪs(x)/, /ˈɑs.tə.ˌrɪsk/
noun
1. typografisch symbool in de vorm van een sterretje
asterisk
noun
1. een klein vast hemellichaam dat net als een planeet om de zon draait
asteroide
noun
1. een ziekte die, door vernauwing van de luchtwegen, benauwdheid en hoestbuien veroorzaakt
astma
adjective
1. last hebbend van astma
kortåndet
/ɑstrolo'gi/
noun
1. de leer die gebeurtenissen aan het hemelgewelf in verband brengt met gebeurtenissen op aarde
astrologi
noun
1. een beoefenaar van de astrologie
astrolog
/ˌɑstroˈnaʊ̯t/, /ˌɑstroˈnɔʊ̯t/, /ˌɑstroˈnʌʊ̯t/
noun
1. een Amerikaanse ruimtevaarder
astronaut
noun
1. de wetenschap die de objecten in de ruimte bestudeert
astronomi
adjective
astronomisk
noun
astronom
pronoun
1. een taal die gesproken wordt in Asturië
asturisk
pronoun
1. een van de 17 autonome regio's van Spanje die in het noordwesten van het land ligt
Asturien
noun
1. eerste dag van de vastentijd
askeonsdag
noun
1. een aerosol van fijnverdeelde vulkanische as
askesky
adverb
asymmetrisk
adjective
1. zonder ziekteverschijnselen
asymptomatisk
/a.sɪmp.ˈtot/
noun
1. een lijn die door een kromme of functie willekeurig dicht benaderd wordt, maar deze nooit raakt
asymptote
adjective
asynkron
pronoun
de hoofdstad van Griekenland
Athen
/ˌa.te.ˈjɪsmə/, /ˌɑ.te.ˈjɪsmə/
noun
1. overtuiging dat goden niet bestaan
ateisme
/ˌa.te.ˈjɪst/, /ˌɑ.te.ˈjɪst/
noun
1. een persoon die niet gelooft in het bestaan van goden
ateist
pronoun
1. mythologisch eiland
Atlantis
pronoun
1. de tweede grootste oceaan op aarde, gelegen tussen Europa en Afrika enerzijds en Noord- en Zuid-Amerika anderzijds
Atlanterhavet
noun
1. anadrome vis die tot 4 meter lang en 250 kg zwaar kan worden, Acipenser oxyrinchus
almindelig stør
pronoun
  1. 1. figuur uit de Griekse mythologie
  2. 2. gebergte in Noord-Afrika
Atlas
noun
  1. 1. een boek dat geografische kaarten bevat
  2. 2. een verzameling van prenten, kaarten, afbeeldingen, tekeningen en dergelijke
  3. 3. de bovenste wervel in de hals die het hoofd draagt
atlas
/ɑtlet/
noun
1. iemand die grote prestaties op sportief gebied verricht
atlet
noun
sporttak waarin vooral lopen, springen en werpen aan bod komen
atletik
noun
  1. 1. een gasvormig omhulsel van een planeet of maan.
  2. 2. een stemming.
  3. 2. eenheid.
atmosfære
adjective
atmosfærisk
noun
atol
adjective
atonal
noun
atom
noun
atomkerne
noun
atomur
noun
1. de massa van een atoom, uitgedrukt in de atomaire massa-eenheid u
atommasse
noun
1. de kernlading van een atoom
atomnummer
pronoun
1. een stad in Frans-Vlaanderen
Arras
noun
2. centraal vertrek
atrium
noun
1. verschrompeling van organen
atrofi
noun
attaché
noun
1.
attometer
/ɑtrɪbʏˈtif/
adjective
1. wanneer het voor een zelfstandig naamwoord geplaatst wordt
attributiv
noun
4. tot het wezen (de entiteit) behorende eigenschap
attribut
/obɛrˈʒinə/
noun
2. purperachtige, vlezige vrucht
aubergine
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Augsburg
/ʌuˈɣɵrk/, /ʌˈʝʏrk/
noun
1. kleine, in het zuur ingemaakte komkommer
asie
/aʊ̯.ˈɣʏs.tʏs/, /ɔʊ̯.ˈɣʏs.təs/, /ʌʊ̯.ˈχʏs.təs/
noun
1. de achtste maand van het jaar
august
/ˈʌurɑ/
noun
  1. 1. energieveld
  2. 2. beginverschijnselen van een aanval
aura
noun
1. luisteren naar lichaamsgeruis van bijv. hart of longen
auskultation
/aʊ̯ˈstraːlɪs/, /ɔʊ̯ˈstraːlis/, /ʌʊ̯ˈstralis/
adjective
1. van Australië
australsk
pronoun
1. Australisch territorium waarin de federale hoofdstad Canberra gelegen is
Australian Capital Territory
/aʊ̯ˈstraːli.jə/, /ɔʊ̯ˈstrali.jə/, /ʌʊ̯ˈstrali.jə/
pronoun
1. een soevereine staat gelegen tussen de Indische Oceaan en de Grote Oceaan (officieel het Gemenebest van Australië) met de officiële taal Engels
Australien
/aʊ̯ˈstraːli.jər/, /ɔʊ̯ˈstraːli.jər/, /ʌʊ̯ˈstrali.jər/
noun
1. een inwoner van Australië
australier
/ɑustro'nezis/
adjective
behorend tot groep van talen
austronesisk
noun
autarki
/oˈtør/
noun
1. persoon die aan de basis staat van een origineel geschreven werk
  1. forfatter
  2. autor
/ʌuˈtɪsmə/, /ʌˈtɪsmə/
noun
1. ontwikkelingsstoornis
autisme
/ʌuˈtɪstɪs/, /ʌˈtɪstɪs/
adjective
1. lijdend aan autisme
autistisk
/ɑʊ̯to/
noun
1. voertuig met drie of meer wielen, een motor en een carrosserie
bil
adjective
1. met betrekking tot afweerstoffen gericht tegen de eigen lichaamsweefsels
autoimmun
noun
  1. selvbiografi
  2. autobiografi
adjective
autobiografisk
noun
1. auto geladen met explosieven gebruikt als wapen bij terroristische aanslagen
bilbombe
noun
1. een groot voertuig voor het vervoeren van een groot aantal passagiers
bus
adjective
1. oorspronkelijk in een bepaald gebied thuishorend
autokton
noun
autokrati
noun
autodafe
noun
1. handtekening van een beroemd persoon
autograf
adjective
  1. 1. niet bestuurd door de hand van de mens
  2. 2. vanzelfgaand
  3. 3. gedachteloos
automatisk
verb
1. automatisch doen werken
automatisere
noun
automatisering
noun
1. een bestuurder van een auto
bilist
/aʊ̯.to.no.ˈmi/, /ɔʊ̯.to.no.ˈmi/, /ʌʊ̯.to.no.ˈmi/
noun
autonomi
/ˌʌʊtoˈnom/
adjective
1. op zichzelf staand
autonom
noun
1. een lijkschouwing
autopsi
noun
bilradio
/ˈɑʊ̯.to.ˌrɛɪ.sxol/
noun
køreskole
adjective
autoritær
noun
1. weg voor snelverkeer (dat sneller kan en mag rijden dan 60 km per uur), met gescheiden rijbanen en ongelijkvloerse kruisingen
motorvej
/ ˈɑutospɔrt /
noun
1. verzamelnaam voor wedstrijden die verreden worden met een gemotoriseerd voertuig met vier of meer wielen
bilsport
/ˈɑʊ̯toˌvrɛɪ̯/, /ˈɔʊ̯toˌvrɛː/
adjective
1. zonder auto's
bilfri
/ɑu̯ˈtri.sə/
noun
1. persoon die aan de basis staat van een origineel geschreven werk
forfatterinde
pronoun
1. voormalige regio in Centraal-Frankrijk
Auvergne
/'avatɑr/
noun
2. (informatica) een kleine afbeelding die een bepaalde gebruiker symboliseert
avatar
/avə'rɛi/
noun
havari
pronoun
1. een stad in Frankrijk
Avignon
/ɑvoˈkado/
noun
1. een tropische vrucht van de avocadoboom
  1. avocado
  2. avokado
noun
1. de periode van de dag waarin het nacht wordt
aften
noun
1. een maaltijd die 's avonds genuttigd wordt
aftensmad
noun
1. verbod om zich op straat te begeven na een zekere tijd
udgangsforbud
adjective
1. gedurende de avond
aftenlig
noun
1. een school waarin in de avonduren lesgegeven wordt
aftenskole
noun
1. een onderneming waarvan de uitkomst niet bij voorbaat vaststaat
eventyr
noun
2. neiging om ongewone dingen te willen beleven
eventyrlyst
noun
1. een basisbegrip dat zonder bewijs aangenomen moet worden
aksiom
noun
1. de titel van een hoge sjiitische geestelijke
ayatollah
pronoun
1. een Indiaanse taal die in Zuid-Amerika wordt gesproken
aymara
noun
1. sierstruik van het geslacht rhododendron
azalea
/ˌazərbɛɪ̯ˈdʒan/, /ˌazərbɛːˈdʒan/
pronoun
1 en 2. Aziatisch land grenzend aan Rusland, Iran, Armenië en Georgië
Aserbajdsjan
/aˈzeːri/, /aˈzɪːri/
pronoun
1. Turkse taal die door 22 miljoen mensen vooral in Azerbeidzjan, maar ook in Iran, Georgië en Turkije wordt gesproken
aserbajdsjansk
adjective
1. afkomstig uit of betreffend Azië
asiatisk
noun
1. Soort olifant
Asiatisk elefant
noun
1. Berensoort
Asiatisk sortbjørn
/aˈzɛɪn/, /aˈzɛːn/
noun
1. en 2. verdund azijnzuur verkregen door oxidatie van verdund alcohol om voedsel te bereiden
eddike
noun
hjortetaktræ
noun
1. CH₃COOH
eddikesyre
noun
eddikesyreanhydrid
/azimɵt/
noun
1. horizontale hoek
azimut
pronoun
1. een continent ten oosten van Europa
Asien
pronoun
Acorerne
noun
1. een landinwaartse uitstulping van een zee of oceaan
bugt
noun
1. een stapel bijeengebonden plantaardig materiaal zoals hooi of tabak
halmballe
/baːn/
noun
3. traject van een projectiel/hemellichaam
kredsløb
/baːrt/
noun
1. gezichtsbeharing van de man
skæg
noun
3. bepaald soort vogel, Panurus biarmicas
skægmejse
noun
1. voortplantingsorgaan van vrouwen waarin de vrucht zich ontwikkelt
livmoder
noun
1. een vorm van kanker die zich in de baarmoederhals ontwikkelt
livmoderhalskræft
noun
1. stekelvinnige riviervis
aborre
/baːs/
noun
1. overste, leider, chef
chef
noun
1. iets met een gunstig effect
fordel
verb
1. gezellig praten over zaken van weinig belang
  1. sludre
  2. snakke
  3. småsnakke
  4. hyggesnakke
  5. pludre
noun
1. een mens in de allereerste fase van zijn/haar leven
baby
/ˈbe.bi.buːm/
noun
1. een periode waarin ongewoon veel kinderen geboren worden
babyboom
noun
sutteflaske
noun
1. elektronisch afluisterapparaat om geluid uit de kinderkamer elders op te vangen
babyalarm
noun
1. ziekenwagen die speciaal bestemd is voor pasgeboren kinderen
babyambulance
noun
1. een reservekopie van bestanden en andere gegevens die wordt gemaakt voor het geval het origineel verloren gaat
sikkerhedskopi
noun
bakterie
/bɑkteriɔfaɣ/
noun
1.
bakteriofag
noun
1. een wetenschap die zich bezighoudt met het bestuderen van bacteriën
bakteriologi
adjective
bakteriologisk
/bɑt/
noun
1. voorwerp waarin men zich wast met water
badekar
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Sleeswijk-Holstein
Bad Oldeslo
verb
  1. 1. een bad nemen
  2. 3. in bad doen
bade
pronoun
1.
Baden-Württemberg
noun
1. grote handdoek gemaakt van badstof om (delen van) het lichaam af te drogen na het wassen
badehåndklæde
noun
badekåbe
noun
1. een vertrek waar men zich kan wassen en verzorgen
badeværelse
noun
1. kledij bedoeld voor het baden en zwemmen
  1. badedragt
  2. badetøj
/ˈbɑtˌkœy̆p/
noun
1. een waterreservoir waarin één of enkele personen zich kunnen wassen en baden
badekar
noun
1.
bademåtte
noun
bademester
noun
1. een sport waarbij een shuttle met behulp van een racket over een net geslagen moet worden
badminton
noun
1. kledij bedoeld voor het baden en zwemmen
  1. badedragt
  2. badetøj
noun
1.
Baffinbugten
/ba.ˈɣaːʃ/, /ba.ˈχa.zʲə/
noun
1. een verzameling van eigendommen
bagage
verb
1. iets ernstigs onbelangrijk doen voorkomen
bagatellisere
/'begəɫ/
noun
1.
bagel
interjection
1. een uitroep die afkeuring over iets vies of ontoepasselijks uitdrukt
bah
/ba.ˈha.mas/, /ba.ˈɦa.mas/, /bɑ.ˈɦa.mas/
pronoun
1. een eilandengebied in het Caraïbische gebied
Bahamas
/ba.ˈrɛɪ̯n/, /bɑx.ˈrɛːn/, /bɑχ.ˈrɛɪ̯n/
pronoun
1. eilandstaat in de Perzische Golf en de Golf van Bahrein. Het ligt ingeklemd tussen Saoedi-Arabië in het westen en Qatar in het oosten en zuiden
Bahrain
noun
1. een steekwapen bovenop de loop van een geweer
bajonet
noun
1. de linkerzijde als men vanop een schip naar de boeg kijkt
bagbord
noun
bakelit
noun
1. deel van het baardhaar dat groeit vanaf de kaaklijnen tot aan de haargrens boven de oren.
bakkenbart
verb
1. voedsel bij hoge temperatuur in een oven of pan verhitten, meestal met wat olie of boter.
bage
noun
1. iemand die brood en taarten bakt
bager
noun
een werkplaats waar men brood, koek, banket en dergelijke, bakt
bageri
pronoun
1. de hoofdstad van Azerbeidzjan
Baku
noun
1. speciaal geprepareerd papier dat in de oven gebruikt wordt om te bakken etenswaar niet aan de bakplaat of de bakvorm te laten kleven
bagepapir
noun
1. rijsmiddel op basis van natriumbicarbonaat
bagepulver
noun
1. uit klei of leem gebakken steen
  1. mursten
  2. tegl
adjective
murstens-
noun
backfisch
noun
  1. 1. een object in de vorm van een bol dat gebruikt wordt bij balspelen
    1. bold
    2. kugle
  2. 1. een danspartij
    bal
noun
1. een driesnarig Russisch tokkelinstrument
balalajka
noun
  1. 1. evenwicht
  2. 2. een meetapparaat met twee armen (bedoeld om het verschil te kunnen meten)
  3. 3. (economie) een volledige opsomming van de waarde van alle bezit en alle tegoeden en ...
balance
pronoun
Baleariske Øer
/bɑlk/, /bɑɫk/
noun
1. deel van een constructie met een lengte die veel groter is dan de breedte en de hoogte in doorsnede
bjælke
pronoun
1. gebied...
Balkan
noun
1. een bouwkundig onderdeel
  1. altan
  2. balkon
noun
ballade
noun
1. vervanging van de nuttige lading door iets dat voldoende weegt om een schip te stabiliseren
ballast
noun
1.
bolddreng
noun
1. een artistieke dansvorm
ballet
noun
1. gedwongen verblijf elders dan waar men thuis is
eksil
noun
1. leer die de banen van projectielen bestudeert
ballistik
noun
1. een feestartikel bestaande uit een dun rubberen zakje dat met gas of lucht kan worden gevuld
ballon
noun
1. een pen die met een bal of kogel de inkt op het papier overbrengt
kuglepen
noun
balsamicoeddike
noun
balsam
noun
boldspil
pronoun
1. de nationale taal van Mali
bambara
noun
1. een reuzengrassoort dat afkomstig is uit Azië
bambus
noun
1. een vrucht van de bananenboom
banan
noun
  1. 1. een van de Midden-Amerikaanse staten zoals Honduras, Nicaragua, El Salvador of Guatemala, eens zo genoemd vanwege de bananenindustrie die daar alles overheerste
  2. 2. een in politiek en economisch opzicht corrupt en instabiel land, dat bovendien vaak rijk is aan grondstoffen
bananrepublik
noun
1. de schil van een banaaan
bananskal
noun
1. ringvormige omhulling van iets anders, vooral dienend voor de uitwendige bescherming
dæk
noun
1. een schurk of misdadiger
bandit
/ˌbɑŋ.(g)ɣə.la.ˈdɛʃ/, /ˌbɑŋ.lɑ.ˈdɛʃ/
pronoun
1. land in het zuiden van Azië dat ligt op het Indische subcontinent en grenst voor het grootste gedeelte aan India en voor een klein stukje aan Myanmar/Birma grenst
Bangladesh
noun
    1. 3. een financiële instelling
    2. 5. gebouw waarin een financiële instelling gevestigd is
    3. 6. een opslagsysteem voor gegevens of voorwerpen b.v. beeldbank, bloedbank, boekenbank, kennisbank, spermabank
    bank
  1. 4. een ondiepte in het water
    1. banke
    2. bank
  2. 1. een meubelstuk met zitplaats voor meer dan één persoon
    bænk
noun
1. een betaalmiddel van papier
pengeseddel
noun
1. een bakker die voornamelijk taarten, klein gebak en chocolade maakt
konditor
noun
1. iemand die financiële diensten verleent
bankier
noun
1. een rekening-courant bij een bank
bankkonto
noun
bankrøveri
noun
1. een handig hulpmiddel om werkstukken in vast te houden
skruestik
/ˈbɑnəlɪŋ/
noun
1. iemand die verbannen is
eksil
noun
banshee
/ˈbɑntu/
noun
  1. 1. lid van een volk
  2. 2. groep talen
bantu
/ˈbɑntutaːl/
noun
1. een taal die tot de Bantoetak van de Niger-Congotalen behoort
Bantusprog
noun
1. een kerkelijke straf
anatema
noun
benaming voor dikstammige bomen uit droge, warme gebieden uit het geslacht Adansonia
baobab
noun
barbar
adjective
1. zonder beperkingen opgelegd door beschaafd gedrag
barbarisk
/ˈbɑr.ba.ˌdɔs/, /ˈbɑr.be.ˌdɔs/
pronoun
1. een eiland in het Caribisch gebied, dat behoort tot de Bovenwindse Eilanden van de Kleine Antillen
Barbados
noun
1. bepaalde vissoort die voorkomt in de middenlopen van rivieren, Barbus barbus
barbe
noun
1. Een slaapmiddel in de vorm van een barbituurzuur verbinding
barbiturat
pronoun
Barcelona
noun
1. (informatica) een op artikelen, verpakkingen afgedrukte reeks smalle en brede streepjes waarmee in gecodeerde vorm productinformatie is vastgelegd die met een scanner kan worden gelezen
stregkode
/bɑrt/
noun
1. middeleeuws dichter en zanger bij de Kelten
barde
verb
1. op de wereld brengen
føde
noun
Barentshavet
noun
1. plat hoofddeksel zonder klep
baret
/bɑrx/
noun
1. gecastreerd mannetjesvarken
galt
noun
1. een mannenstem tussen bas en tenor
baryton
noun
barium
/bɑrn/
noun
1. eenheid van oppervlakte in de atoomfysica, 10−28 m²
barn
noun
1. een 17e eeuwse kunststroming die er naar streeft grootste, dramatische momenten en beweging uit te drukken
barokk
/ˈbaroˌmetər/
noun
1. een instrument dat de luchtdruk meet
barometer
noun
1. adellijke titel, in rang tussen jonkheer en burggraaf
baron
noun
1. vrouwelijke baron
baronesse
noun
baroni
noun
1. benaming voor baarsachtige zeeroofvissen uit het geslacht Sphyraena
barracuda
noun
1. straatversperring die de doorgang door een straat onmogelijk maakt
barrikade
noun
1. begrenzing, bescherming
barriere
noun
baryon
noun
1. een mafisch vulkanisch stollingsgesteente dat gevormd wordt door de stolling van lava of magma
basalt
noun
  1. 1. stof die een of meer hydroxylgroepen bevat en in een waterige oplossing OH-ionen afsplitst
  2. 2. ion of molecuul dat de neiging heeft een proton op te nemen
base
/baˈsilikəm/
noun
1. een keukenkruid
basilikum
noun
basilika
noun
1. grondslag
basis
/ˈbazɪsxoɫ/
noun
1. een school voor lager onderwijs
grundskole
/'bɑskən,lɑnd/
pronoun
  1. 1. geografische regio bij de Spaans-Franse grens
  2. 3. Spaanse autonome regio
Baskerlandet
noun
  1. 1. sport
  2. 2. bal
basketball
adjective
  1. 1. met betrekking tot de Basken
  2. 2. met betrekking tot de Baskische taal
baskisk
pronoun
1. taal die wordt gesproken door de Basken
baskisk
noun
1. een kind dat niet geboren is uit een wettig huwelijk
bastard
pronoun
1. een stad in de Belgische provincie Luxemburg
Bastogne
noun
bataljon
noun
1. een fijn, doorschijnend weefsel dat gemaakt kan zijn van linnen, wol, katoen, zijde of zelfs kunstzijde
batist
noun
1. een elektrotechnisch component waarin elektrische energie is opgeslagen
batteri
noun
1. een mineraal dat een belangrijk erts van aluminium vormt. Bauxiet bestaat voor een groot deel uit aluminiumoxide...
bauxit
noun
1. een aap met een korte staart en een vooruitstekende snuit
bavian
pronoun
1. stad in Zwitserland
Basel
noun
respirator
/bə.ʔˈɑnt.ʋɔːr.də(n)/
verb
1. de reactie op een vraag geven
svare
noun
Beatgenerationen
adjective
1. voorzien van een (lange) baard
skægget
verb
1.
smøre
adjective
1. brildragend
bebrillede
verb
1. van commentaar voorzien
kommentere
noun
becquerel
/bɛd/, /bɛt/
noun
  1. 2. afgeperkte en/of verhoogde plaats in een tuin, waarop bloemen of gewassen gekweekt worden
    bed
  2. 1. een meubel gemaakt om in te slapen
    seng
interjection
5. uitspraak om waardering en erkenning te tonen in dagelijks gebruik
tak
noun
sengelinned
verb
1. iets over iets heen plaatsen zodat het niet zichtbaar is
dække
noun
1. een persoon die vraagt om geld zonder daar iets voor te doen
tigger
verb
1. om een aalmoes vragen
tigge
verb
  1. 2. verpesten, verknoeien
  2. 3. te veel verwennen
  3. 4. verrotten, oneetbaar worden
fordærve
noun
1. iemand die een apparaat op een goede manier laat functioneren
operatør
adjective
  1. 1. dreigend bejegend
  2. 2. mogelijk op het punt staand van uitsterving
truet
verb
1. iemand met een mogelijk gevaar confronteren
true
adjective
dygtig
verb
1. iemand met kwade opzet in de waan brengen
bedrage
noun
1. de tak van wetenschap die het samenspel in organisaties en hun relatie met hun omgeving bestudeert
virksomhedsadministration
verb
1. triest stemmen
bekymre
/bek/
noun
1. stromend watertje
bæk
noun
1. bepaalde ondersoort van vissen die voorkomt in stromend water, Salmo trutta fario
bækørred
noun
1. zeldzaam visje dat inheems voorkomt in de Benelux, Lampetra planeri
  1. bæklampret
  2. bæknioje
noun
1. driedimensionaal kunstwerk
billede
noun
1. een beoefenaar van de beeldhouwkunst
billedhugger
noun
skærm
/beːn/
noun
  1. 1. ledemaat waarop wordt gestaan en waarmee wordt gelopen
    ben
  2. 3. stof waaruit benen/botten bestaan
    knogle
noun
1. een verkoper van vlees
slagter
noun
1. een sponsachtige, rode substantie die zich in het binnenste van beenderen bevindt
knoglemarv
/beːr/, /bɪːr/
noun
  1. 1. groot viervoetig zoogdier uit de familie Ursidae
    bjørn
  2. 1. mannetjesvarken
    orne
/beːst/
noun
1. dier
dyr
verb
1. het oraal bevredigen van een vrouw door haar geslachtsdelen te likken of met de tong te 'betasten'
slikke fisse
noun
1. bepaald soort lijster, Turdus torquatus
ringdrossel
noun
1. verlangen
begær
noun
1. een hofje waar vrouwen als geestelijke zusters tezamen leefden, zonder een kloostergelofte af te leggen
Berginerkloster
/bəˈχɪn/
noun
1. het eerste deel
begyndelse
verb
1. aanvangen
begynde
noun
begynder
noun
1. een plaats waar overledenen begraven liggen
  1. begravelsesplads
  2. kirkegård
noun
1. een ceremonie waarbij een overledene in een kist aan de aarde wordt toevertrouwd
begravelse
/bəˈɣrafənɪsɔndərˌnemər/
noun
1. Een persoon die de begrafenis van overledenen verzorgt
bedemand
verb
  1. 2. een overledene begraven
  2. 1. iets onder de grond stoppen
  3. 3. iets wegstoppen
begrave
adjective
forståelig
/bə.χrɛɪ.pə(n)/
verb
1. met het verstand vatten
forstå
/beˈɦaː/
noun
1. een kledingstuk voor vrouwen dat de borsten ondersteunt
brystholder
verb
4. op een bepaalde manier omgaan met een mens of een dier
behandle
noun
2. een handeling gericht op herstel
behandling
noun
1. ter versiering op de muur aangebrachte papieren bedekking
tapet
noun
1. een persoon om een bepaald geheel te regelen en te onderhouden of dit beroep
administrator
/ˈbə'huftə/
noun
1. iets wat benodigd is
behov
/bəˈhuvə(n)/
verb
2. nodig hebben
behøve
adjective
1. iets niet verliezen
holde
adjective
hjælpsom
pronoun
Bayern
pronoun
1. taal gesproken door ten minste 12 miljoen mensen in Oostenrijk...
bayersk
pronoun
1.
Bayerischer Wald
adjective
beige
/bɛɪrut/
pronoun
1. hoofdstad van Libanon
Beirut
noun
1. een scherp stuk gereedschap met een wigvormige snede
  1. mejsel
  2. stemmejern
verb
1. iets met een beitel (be)werken, met een scherp voorwerp steen bewerken
mejsle
verb
1. iemand op een bepaalde wijze behandelen
behandle
noun
1. snavel van vogels
næb
adjective
1. vertrouwd
kendt
verb
1. toegeven
  1. bekende
  2. tilstå
noun
1. een verklaring waarin men toegeeft een bepaalde daad gepleegd te hebben
tilståelse
noun
bægerglas
noun
2. gebeente tussen beide heupen
bækken
verb
1. ontevredenheid uiten, klachten indienen
klage
verb
1. kritiek uiten op iets of iemand
kritisere
noun
1. het zich inzetten voor iets dat belangrijk is voor iemand
forsvar
adjective
1. van grote betekenis
vigtig
noun
1. door de wet gedwongen betaling aan de overheid zonder individuele tegenprestatie
skat
noun
1. iemand die belasting betaalt
skatteyder
noun
skattely
verb
1. nare opmerkingen maken tegen of over een persoon
fornærme
adjective
1.
fornærmelig
noun
1. een krenking van iemands gevoel van eer of eigenwaarde
fornærmelse
adjective
1. van goede omgangsvormen getuigend
høflig
verb
1. met een leger omsingeld houden
belejre
verb
1. geld steken in een naar verwacht winstgevende onderneming
investere
noun
1. een plan van aanpak voor het oplossen van problemen in de meest ruime zin
  1. hensigt
  2. manér
  3. plan
adjective
1. (van panden) aangrenzend
tilstødende
adjective
belæst
/bɛlx/, /bɛɫx/, /bɛɫχ/
noun
1. een staatsburger van België
belgier
/ˈbɛl.ɣɪs/, /ˈbɛɫ.ɣis/, /ˈbɛɫ.χis/
adjective
1. met betrekking tot België
belgisk
pronoun
Belgisk Congo
/ˈbɛlɣijə/, /ˈbɛɫɣijə/, /ˈbɛɫχijə/
pronoun
Belgien
pronoun
1. de hoofdstad van Servië
Beograd
verb
1. een denkbeeld of gevoel vormgeven in iets tastbaars
indeholde
noun
1. zichtbaar gemaakte vorm van een idee of begrip
legemliggørelse
/be.ˈliː.zə/
pronoun
1. een Midden-Amerikaans land, en grenst aan Mexico in het noordwesten en Guatemala in het zuiden en westen. Aan het oosten grenst het aan de Caribische Zee
Belize
noun
1. tandwalvis die doorgaans bij volwassenheid melkwit van kleur is, Delphinapterus leucas
hvidhval
pronoun
1.
Baluchistan
noun
1. een ondelinge of schriftelijke verklaring waarin men iets belooft
løfte
verb
1. een prestatie of goede daad met geld of anderszins erkennen
belønne
noun
belønning
verb
1. toezeggen dat iets gedaan zal worden
  1. Løfte
  2. love
noun
1. de personen die het benodigde werk aan boord van een schip of vliegtuig verrichten
besætning
noun
1. de personen die het benodigde werk aan boord van een schip of vliegtuig verrichten
besætning
verb
1. het toevoegen van meststoffen aan de aarde
gøde
verb
1. iemand of iets nadeel toebrengen, iemand of iets schade toebrengen
forfordele
verb
  1. 3. bijna bereiken
    nærme
  2. 4. geen exacte berekening maar een bepaling
    tilnærme
  3. 1. naartoe gaan en aanspreken
    tiltale
pronoun
1. een taal die in Bangladesh en West-Bengalen gesproken wordt
bengali
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera tigris tigris
Bengalsk tiger
verb
1. wensen dat men zelf mocht hebben wat een ander heeft
misunde
/be.ˈnin/, /ˈbe.nɪn/
pronoun
1. een land in Afrika dat in het westen aan Togo grenst, in het noordwesten aan Burkina Faso, in het noordnoordoosten aan Niger in het oosten aan Nigeria. In het zuiden ligt het aan de Golf van Guinee
Benin
noun
benzen
/bɛn'zinə/
noun
1. een aardolieproduct bestaande uit een mengsel van alifatische koolwaterstoffen...
benzin
noun
beostær
verb
1. tot een oordeel komen over iets
bedømme
/bə.ˈpɛr.kɪŋ/
noun
1. iets dat ervoor zorgt dat de mogelijkheden beperkt worden
begrænsning
noun
1. plank, tafel
bord
/bə'rɛɪkən/
verb
  1. 1. fysiek bij de andere kant aankomen
  2. 2. het informeren van personen
  3. te controleren vertalingen
nå
/bə.ˈre.kə.nɪŋ/
noun
1. een numerieke uitwerking ergens van
beregning
/ˈberə(n)jɑxt/
noun
1. achter in het wild levende beren aangaan om ze te vangen of te doden
bjørnejagt
/bɛrx/
noun
  1. 1. hoge terreinverheffing
  2. 2. een grote hoeveelheid
bjerg
adjective
1. met bergen
bjergrig
noun
1. iemand die zich toelegt op het alpinisme
bjergbestiger
noun
1. Tadorna tadorna, een forse bijna gansachtige eend
gravand
noun
1. een soort geit die leeft op rotsachtige ondergrond in de bergen.
bjergged
noun
1. een langgerekt gebergte
bjergkæde
noun
1. ziekte veroorzaakt door een tekort aan vitamine B1 (thiamine)
beriberi
noun
1. overgebrachte korte communicatie, meestal over een recente gebeurtenis
budskab
verb
1. van nieuws voorzien over iets
rapportere
noun
beryl
pronoun
1. de zeestraat tussen de Grote Oceaan en de Noordelijke IJszee
Beringstrædet
pronoun
1. is de zee in het noordelijk deel van de Grote Oceaan
Beringhavet
verb
1. streng zeggen dat het gedrag wordt afgekeurd
bebrejde
/bɛrk/
noun
1. een katjes dragende loofboom met witte bast
birk
noun
berkelium
pronoun
  1. 1. de hoofdstad van Duitsland
  2. 2. een duitse deelstaat
Berlin
noun
1. de onverharde kant van een weg
rabat
noun
2. een van de drie in de Benelux inheemse modderkruipers, Barbatula barbatula
smerling
pronoun
1. eilandengroep in de Atlantische Oceaan
Bermuda
pronoun
1. de hoofdstad van Zwitserland
Bern
/bə'rumt/
adjective
1. onder velen bekend en bewonderd
berømt
noun
2. iemand die bekend is bij een groot publiek
celebritet
noun
1. een bezigheid waarmee men de kost verdient
erhverv
noun
1. dat deel van iemands leven dat te maken heeft met het werk dat men verricht
arbejdsliv
noun
1. een acute beschadiging van de hersenen die veroorzaakt wordt door een bloeduitstorting in de hersenen
apopleksi
verb
1. iemand met geweld zijn bezit ontnemen
berøve
/bəˈrilijʏm/
noun
1. een chemisch element en een donkergrijs aardalkalimetaal
beryllium
/bɛs/
noun
1. kleine vrucht
bær
adverb
1. vol met de neiging zich te verbergen voor anderen
skamfuld
verb
1. het toebrengen van schade
beskadige
/bə.ˈsxa.vɪŋ/, /bə.ˈsχa.vɪŋ/
noun
1. de complexe maatschappij waarin veel van de mensen in steden leven en hun voedsel door middel van landbouw verkrijgen
civilisation
/bə'sxɛi(d)ə/
adjective
1. geen te hoge verwachtingen van zichzelf hebbend
beskeden
verb
1. er zo goed mogelijk voor zorgen dat er niets verkeerd gebeurt
  1. beskytte
  2. beskærme
noun
1. een heilige onder wiens bescherming een bepaalde persoon of groep staat
  1. patron
  2. skytshelgen
/bə.ˈsxɛr.mɪŋ/, /bə.ˈsχɛr.mɪŋ/
noun
1. een beveiliging
beskyttelse
/bə'sxɪkbar/
adjective
1. waarover beschikt kan worden
tilgængelig
verb
1. in woorden uitdrukken
beskrive
/bə.ˈsrɛɪ̯.vɪŋ/, /bə.ˈsxrɛɪ̯.vɪŋ/, /bə.ˈsxrɛː.vɪŋ/
noun
1. een op schrift gestelde kenmerken van iets of iemand
beskrivelse
/bə.ˈsxʏl.di.ɣɪŋ/, /bə.ˈsxʏɫ.də.ɣɪŋ/, /bə.ˈsχʏɫ.də.χɪŋ/
noun
1. het aangeven dat iemand iets moreel of gerechtelijk verkeerds heeft gedaan
anklage
verb
2. een paard van een hoefijzer voorzien
sko
noun
2. vloeibaar deeg
dej
noun
1. gerechtelijke handeling waardoor iemand niet meer vrij over zijn eigendom kan beschikken
fogedforretning
/bə.ˈslɪ.sɪŋ/
noun
beslutning
adjective
1. niet in staat een besluit te nemen.
ubeslutsom
verb
1. de voorhuid van de penis wegsnijden
omskære
/bəˈsnɛidənɪs/
noun
omskæring
verb
  1. 1. een gesprek over een bepaald onderwerp voeren
  2. 2. recenseren
behandle
/bə.ˈspre.kɪŋ/
noun
1. een mondeling overleg
diskussion
pronoun
Bessarabien
verb
1. daadwerkelijk in het universum voorkomen
eksistere
noun
1. een verzameling van gegevens die een eenheid vormen
fil
noun
1.
bestik
verb
1. afspreken dat goederen of diensten geleverd zullen worden
bestille
noun
1. auto die structureel ingericht is voor het vervoer van goederen
varevogn
/bə.ˈstɛ.mɪŋ/
noun
1. het eindpunt van een route
destination
noun
bestøvning
noun
1. een geheel van systeemapplicaties dat de uitvoering van andere programma's bestuurt
  1. styresystem
  2. operativsystem
/bəˈstyrdər/
noun
1. een persoon die een voertuig of andere machine bestuurt
chauffør
noun
1. de zitting waarop de chauffeur van een voertuig zit
førersæde
noun
1.
bestyrelsesmøde
adjective
1. niet te duur om te betalen
overkommelig
/bə.ˈtaː.lə(n)/
verb
1. geld (of andere zaken) geven aan iemand om de kosten te voldoen
betale
noun
1. iemand die betaalt
betaler
/bə.ˈta.lɪŋ/
noun
1. het onderhandigen of overboeken van geld in ruil voor goed of dienst
betaling
noun
betalingsbalance
verb
1. ergens voor staan
betyde
noun
1. wat iets betekent, waar iets voor staat
betydning
/ˈbe.tɔɫ.ˌχø.zə/, /ˈbe.təl.ˌɣø.zə/, /ˈbe.təɫ.ˌɣø.zə/
pronoun
1. de één na helderste ster in het sterrenbeeld Orion, na Rigel
Betelgeuse
/'beːtər/
adverb
bedre
pronoun
1. stad in Judea, bekend als de geboorteplaats van Jesus
Betlehem
noun
1. vader van een overgrootouder
tipoldefader
verb
1. getuige worden van het feit dat iemand iets (verbodens) doet
overraske
verb
1. gaan over, als onderwerp hebben
angå
/bə.ˈtrɛ.kɪŋ/
noun
1. band of relatie tussen personen of groepen
relation
noun
1. boomsoort
bøg
noun
2. vrucht van de beuk, Fagus sylvatica
bog
/bøːl/
noun
1. uitvoerder van lijfstraffen
bøddel
noun
  1. 1. het beursgebouw waar aandelen gekocht en verkocht worden
  2. 2. een houder voor munten en biljetten
børs
/bøːrt/
noun
1. gelegenheid of opdracht die bewust telkens aan een andere persoon uit en groep gegeven wordt
omgang
verb
1. omvatten, in zich sluiten
indeholde
noun
1. iemand die zorgt voor de veiligheid, bijvoorbeeld door diefstal of geweld te voorkomen
  1. vogter
  2. vægter
noun
1. benaming voor zoogdieren uit het geslacht Castor
bæver
noun
1. Myocastor coypus, een schadelijk knaagdier, leeft vooral in moerassige omgeving
bæverrotte
verb
1. zeggen dat iets is zoals gevraagd is of verondersteld wordt
bekræfte
/bə.ˈvɛs.ti.ɣɪŋ(g)/, /bə.ˈvɛs.tə.ɣɪŋ/, /bə.ˈvɛs.tə.χɪŋ/
noun
1. het bevestigen, het mededelen aan iemand dat iets is zoals gevraagd is of verondersteld wordt
bekræftelse
noun
1. alle inwoners van een bepaald land, staat of gebied gerekend
befolkning
/bə'vrizə(n)/
verb
1. door afkoeling in vaste toestand komen
fryse
verb
1. iemand of een bevolking van gevangenschap of onderdrukking verlossen
befri
noun
1. persoon die andere bevrijdt
befrier
/bə.ˈvrɛɪ̯.dɪŋ/, /bə.ˈvrɛː.dɪŋ/
noun
1. het vrij maken van mensen die gevangen gehouden of onderdrukt worden
befrielse
adjective
1. door afkoeling in vaste toestand gekomen; volledig met ijs bedekt
frossen
verb
1. vuil maken; verontreinigen
besudle
noun
1. handeling waarbij men een goed van een ander ter bewaring aanneemt onder teruggaveverplichting
depositum
verb
1. toezicht houden op de veiligheid van iets of iemand
bevogte
/bə.ˈwa.kɪŋ/, /bə.ˈʋa.kɪŋ/, /bə.ˈβ̞a.kɪŋ/
noun
overvågning
/bə.ˈwaː.pə.nə(n)/
verb
  1. 1. iemand van wapens voorzien
  2. 2. zich bewapenen
bevæbne
/bə.ˈweː.ɣə(n)/, /bə.ˈʋe.χə(n)/, /bə.ˈβ̞e.ɣə(n)/
verb
1. van plaats veranderen
bevæge
/bə.ˈwe.ɣɪŋ(g)/, /bə.ˈʋe.χɪŋ/, /bə.ˈβ̞e.ɣɪŋ/
noun
  1. 1. in de staat verkeren waarin de locatie steeds verandert
  2. 2. van plaats/positie veranderen
  3. 3. een organisatie
bevægelse
/bə'wɛrkə(n)/
verb
1. veranderen om iets voor een of ander doel geschikt te maken
behandle
noun
1. datgene wat de juistheid van een bewering onweerlegbaar vast (kan) leggen
bevis
verb
1. aantonen; staven
påvise
/bəˈʋɔɫkt/
adjective
1. met wolken bedekt
skyet
verb
1. bekijken met respect
beundre
adjective
1. wat het verdient bewonderd te worden
beundringsværdig
/bə.ˈwɔn.də.rɪŋ/, /bə.ˈʋɔn.də.rɪŋ/, /bə.ˈβ̞ɔn.də.rɪŋ/
noun
1. het bekijken met enig ontzag
beundring
noun
1. iemand die in of op iets woont
beboer
/bəw'ɤstəlos/
adverb
1. in een toestand waarin men het bewustzijn voor de omgeving is verloren
bevidstløs
noun
1. de staat van het bewusteloos zijn
bevidstløshed
/bə'wɤ(st)sɛin/
noun
1. een toestand waarin men gewaarwordingen uit zijn omgeving ondergaat
bevidsthed
abbreviation
1. de achterste mast van een zeilschip
mesanmast
noun
1. voorwerp om stof en vuil bij elkaar te vegen
  1. kost
  2. fegekost
noun
1. de lange stok waaraan de borstel van een bezem bevestigd is
kosteskaft
verb
1. in gebruik nemen
besætte
noun
1. iemand die bezet, meer in het bijzonder de bezetter van een overwonnen natie in oorlogstijd
besætter
/bə.ˈzɛ.tɪŋ/
noun
1. toestand waarbij het grondgebied van een land wordt bestuurd door een ander land
okkupation
noun
1. een plaats die of een voorwerp dat door velen bezocht en bekeken wordt
seværdighed
/bezəx/
adjective
1. aan het werken
travl
/ˈbe.zəx.ɦʌː.də(n)/, /ˈbe.zəχ.ɦʌʊ.də(n)/, /ˈbeː.zɪx.haʊ̯.də(n)/
verb
zich bezighouden met iets
behandle
noun
2. het houden van een goed voor zichzelf
besiddelse
/bə'zɪtə(n)/
verb
1. iets in eigendom hebben
besidde
noun
1. de persoon die het bezit van iets heeft
besidder
verb
2. vuil maken
snavse
noun
1. het bezoeken
besøg
/bəˈzukə(n)/
verb
1. bij iemand langsgaan of langskomen
besøge
adjective
1. met zorgen beladen
urolig
adjective
1. met zweet op de huid
svedig
verb
1. tot een afsluiting brengen
afbryde
/bəˈɪnvludə(n)/
verb
1. iemand of iets proberen te veranderen, invloed nemen op
påvirke
pronoun
1. taal die in de Indiase staten Bihar and Jharkhand gesproken wordt
Bhojpuri
/bu.ˈtan/, /bu.ˈtɑn/
pronoun
1. een land in Azië dat in de Himalaya ingeklemd ligt tussen China, Tibet en India. Het zuidelijke gedeelte van Bhutan ligt op het Indisch subcontinent
Bhutan
pronoun
Biafra
noun
1. een skisport waarbij de deelnemers op bepaalde punten in een langlaufcircuit met een geweer...
skiskydning
/ˌbiblijote'kaːrɪs/
noun
1. beheerder van een bibliotheek
bibliotekar
/bib(l)ijo'tek/
noun
1. een plaats waar boeken verzameld staan
bibliotek
noun
  1. 1. tweehoofdige spier
  2. 1.2 spier in de bovenarm
biceps
verb
  1. 2. dringend iets vragen, smeken
    ansøge
  2. 1. in gebed zijn, een godheid iets vragen
    1. bede
    2. tilbede
noun
1. soort van aan de muur bevestigde kom of bak voor het met behulp van water reinigen van de geslachtsdelen, billen en anus na gebruik van het toilet, of om de voeten te wassen
bidet
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Mantodea
knæler
/ˈbɪt.stul/, /ˈbɪt.stuɫ/
noun
knæleskammel
noun
1. de erkenning van zonden aan een geestelijke
skrifte
noun
1. een meubelstuk dat bedoeld is voor het aanhoren en afleggen van de biecht
skriftestol
noun
1. een priester die biechten afneemt
skriftefader
noun
1. alcoholische drank die bereid is uit gefermenteerde mout
  1. øl
  2. bajer
noun
1. vette buik
ølmave
noun
1. een glas dat speciaal ontworpen is om bier uit te drinken
ølglas
noun
1. en 2. (groene sprietjes van) looksoort Allium schoenoprasum
purløg
/bist/
noun
1. colostrum van koe
råmælk
noun
  1. bede
  2. bederoe
noun
bifobi
/bɪx/, /bɪχ/
noun
1. een jong van het varken
  1. pattegris
  2. gris
noun
Almindelig Kongepen
/bɛɪ̯/
noun
1. benaming vliegende insecten uit het geslacht Antophila
bi
noun
1. (de heilige tekst van) het heilige boek der christenen
bibel
noun
1. een exemplaar van de originele Bijbel
bibel
/ˈbɛːdraʝə/, /ˈbɛːɪdraɣə/
noun
1. iemands aandeel
bidrag
verb
1. een aandeel leveren
bidrage
noun
1. benaming voor veelkleurige en insectenetende vogels die...
biæder
noun
1. kunstmatige behuizing waarbinnen een bijenvolk zijn raten kan bouwen, oorspronkelijk in de vorm van een gevlochten korf
bistade
/ˈbɛː.jə(n)ˌteɫt/
noun
1. het houden van bijen
  1. biavl
  2. apikultur
/ˈbɛɪ̯.ɣə.ˌlof/, /ˈbɛɪ̯.χə.ˌlof/, /ˈbɛː.ɣə.ˌlof/
noun
1. een geloof in iets extra's en onnatuurlijks
overtro
adjective
1. iemand die gelooft in bijgeloof
overtroisk
verb
  1. 3. rusten na een inspannende bezigheid
    komme sig
  2. 1. het bewustzijn herkrijgen
    komme til sig selv
/bɛɪ̯l/, /bɛːɫ/
noun
1. hakwerktuig met een smalle snee en een lange steel die vooral voor het kappen van bomen gebruikt
økse
/'bɛɪ.na/
adverb
1. op zo'n manier dat het niet veel scheelt of iets is zo
næsten
abbreviation
1.
nærdødsoplevelse
noun
1. breed bekende, niet-officiële naam van een persoon, een groep van personen of een zaak
  1. øgenavn
  2. kælenavn
noun
binyre
/ˈbɛi̯tə(n)/
verb
1. iets afsnijden of afscheuren door tanden tegen elkaar te duwen
bide
/bɛɪ̯ˌvuχlək ˈnamʋo̞rt/, /bɛːˌvuxlək ˈnamβ̞oːrt/, /ˌbɛɪ̯vuɣ(ə)lɪk ˈnaːmwoːrd/
noun
1. een woordsoort die wordt gebruikt om een eigenschap of hoedanigheid van...
  1. tillægsord
  2. adjektiv
noun
1. Artemisia vulgaris, een plant uit de composietenfamilie Asteraceae
grå-bynke
abbreviation
1. als voorbeeld, om tot voorbeeld te dienen
  1. for exempel
  2. for eksempel
/bɛiʋɛrkɪŋ/
noun
bivirkning
noun
1. een woord dat een bijvoeglijk naamwoord, een werkwoord, een telwoord of een ander bijwoord nader bepaalt
  1. adverbium
  2. biord
/bɛizɪn/
noun
1. een deel van een uiting dat een ondergeschikte rol speelt ten opzichte van de hoofdzin
bisætning
noun
1. tweedelige zwemkleding voor de vrouw
bikini
noun
1. elk van beide lichaamsdelen gevormd door de grote spieren die het bekken ...
  1. balde
  2. balle
noun
1. spel
billard
noun
1. gladde, massieve en vrijwel perfect bolvormige bal gebruikt in het biljartspel
bal
noun
1. een stuk van staatswege uitgegeven papier waaraan geldswaarde is toegekend
seddel
noun
1. bepaald soort inheemse gifplant, Hyoscyamus niger
bulmeurt
verb
1. vastmaken (evt. figuurlijk)
binde
noun
1. boekbinder
bogbinder
noun
1. en 2. (bladeren van) sla met een stevige rechte krop
romainesalat
/ˈbɪntˌʋeːf.səl/
noun
1. weefselsoort dat dient ter ondersteuning en verbinding
bindevæv
interjection
1. een uitroep gebruikt door spelers van bingo om aanspraak te maken op een overwinning
bingospil
noun
1. kansspel
bingospil
preposition
indenfor
/ˈbɪnənˌbɑnt/
noun
1. binnenste band, de band waarin de lucht aanwezig is
slange
verb
1. ergens in gaan
gå ind
noun
binnenoor
indre øre
noun
1. inwendige
inderste
noun
1. een wetenschapper die de biochemie beoefent
biokemiker
/'bioˌxemi/
noun
1. de wetenschap die de chemische processen van het leven op moleculair niveau bestudeert
biokemi
/ˈbiodivɛrsiˌtɛɪt/
noun
1. soortenrijkdom, het aantal verschillende diersoorten
biodiversitet
noun
biografi
adjective
biografisk
/ˌbiʲoloˈɣi/, /ˌbiʲoloˈχi/
noun
1. wetenschap van de levende wezens, levensvormen en levensverschijnselen
biologi
/ˌbijo'loːɣis/
adjective
    1. 1. te maken hebbend met de biologie
    2. 2. van gelijke afstamming
    biologisk
  1. 3. van dier en plantvriendelijke landbouw en veeteeld
    økologisk
/ˌbioˈlox/, /ˌbioˈloχ/
noun
1. een wetenschapper die de biologie beoefent
biolog
noun
biomasse
noun
1. gebouw waarin mensen in stoelen naar een film geprojecteerd op een groot scherm kunnen kijken
biograf
/ˈbɪzdɔm/
noun
1. kerkrechtelijk afgebakend gebied dat onder de bevoegdheid van een bisschop staat
  1. stift
  2. bispedømme
/bisɛksye:l/
adjective
1. seksueel gericht op beide geslachten
biseksuel
pronoun
1. streek en provincie van Spanje rond de stad Bilbao
Vizcaya
noun
vismuth
/bɪsxɔp/
noun
1. een christelijke geestelijke die aan het hoofd staat van een bisdom
  1. biskop
  2. bisp
/bɪt/
abbreviation
1. in de informatica en de computertechnologie de kleinste eenheid van informatie
bidsel
/bɪt/
noun
1. een metalen staaf die een paard in de bek gedaan wordt om het dier berijdbaar te maken.
bidsel
adverb
1. een vaak als onaangenaam ervaren smaak, niet behorend tot zout, zuur of zoet
bitter
noun
1. bepaalde vissoort die voorkomt in schoon stilstaand of langzaam stromend water Rhodeus amarus
amurbitterling
adjective
bizar
noun
1. Noord-Amerikaans zoogdier, Bison bison
bison
noun
1. hol orgaan dat gevuld is met een hoeveelheid gas en/of vloeistof
blære
noun
1. een luchtzak die samengedrukt kan worden om een sterke luchtstroom te veroorzaken
blæsebælg
noun
1. een muziekinstrument waarvan de klank wordt voortgebracht door een luchtstroom
blæseinstrument
noun
  1. 2. vel papier
    blad
  2. 1. plat, groen onderdeel van planten
    1. blad
    2. løv
adjective
zonder bladeren
bladløs
noun
1. een dun folie van goud dat wordt gebruikt voor decoratieve doeleinden
bladguld
/ˈblɑdɣrunˌkɔrəl/
noun
1
grønkorn
noun
1. een schadelijk klein insect dat zich voedt met het sap van jonge plantenscheuten...
bladlus
noun
1. hulpmiddel om bij te houden waar iemand is tijdens het lezen van een boek
bogmærke
/ˈblɑtsɛidɚ/
noun
1. elk van de beide zijden van een blad papier in boek, krant of tijdschrift
side
verb
1. geluid maken dat kenmerkend is voor een hond
gø
noun
1. een afgang veroorzaakt door eigen falen
skændsel
verb
1. het gedurende zeer korte tijd in kokend water gaar laten worden van voedingsmiddelen, zodat geur, smaak en uiterlijk optimaal behouden blijven
blanchere
/blɑŋk/
adjective
  1. 1. met lichte huidskleur
  2. 2. onbeschreven
hvid
noun
1. iemand met een van nature bleke (pigmentarme) huid
hvid
noun
1. bepaald soort zoetwatervis, Rutilus rutilus
  1. skalle
  2. almindelig skalle
  3. gråskalle
/ˈblatə(n)/
verb
het geluid van een schaap maken
bræge
/blʌʊ/
adjective
1. de kleur blauw hebbend
blå
/blʌʊ/
noun
1. primaire kleur die zich in het spectrum bevindt tussen cyaan en violet
blå
noun
1. bepaald soort visje van maximaal 11 cm dat van oorsprong uit Azië komt, Pseudorasbora parva
båndgrundling
noun
1. bepaald soort lijsterachtige, Luscinia svecica
blåhals
noun
1. Vaccinium corymbosum, een plant uit de heifamilie Ericaceae
storfrugtet Blåbær
noun
1. bepaald soort vaste plant, Vaccinium myrtillus
almindelig blåbær
noun
1. bepaalde soort roofvogel uit de familie van de arendachtigen, Circus cyaneus
blå kærhøg
noun
1. bepaald soort grote vogel, Ardea cinerea
fiskehejre
noun
1. Balaenoptera musculus, een baleinwalvis, de grootste van alle walvisachtige
blåhval
noun
1. bepaald soort vaste plant, Eryngium maritimum
strandmandstro
noun
1. bepaald soort karperachtige riviervis Vimba vimba
  1. vimme
  2. almindelig vimme
adjective
1. met blauwe ogen
blåøjet
noun
blåsyre
noun
1.
tømrerbi
/'bla.zə(n)/, /'ble.zə(n)/
verb
1. een luchtstroom veroorzaken
blæse
adjective
1. gering van kleur
bleg
noun
blegemiddel
verb
1. witter of lichter doen worden
blege
/blɛ.və(n)/
verb
  1. 1. niet veranderen
  2. 3. ergens vertoeven
blive
noun
  1. 2.1 cilindervormig luchtdicht afgesloten vaatje van dun metaal
    dåse
    1. 3. manier van kijken, gezichtsuitdrukking
    2. 4. gerichte waarneming met de ogen
    3. 5. vermogen om te zien
    blik
noun
dåseåbner
/blɪksəm/
noun
1. de lichtgevende stralen die uit de hemel barsten bij onweer
lyn
noun
1. een metalen stang of constructie die de bliksem aantrekt en naar de grond afvoert.
lynafleder
noun
1. iets dat bedoeld is om sterk de aandacht te trekken
blikfang
adjective
1. niet in staat te zien
blind
noun
1. over de ogen gebonden reep ondoorzichtige stof om het zien te verhinderen
bind for øjnene
/'blɪndɦɛɪt/
noun
1. een toestand waarin men niet in staat is te zien
blindhed
noun
1. rood lichaamsvocht in aderen
blod
noun
blodmangel
noun
1. het gesloten systeem van hart en vaten waardoor bloed stroomt
blodbanen
/ˈblutbɑt/
noun
1. een gebeurtenis waarbij op grote schaal bloed vergoten wordt
  1. blodbad
  2. massakre
noun
blodbank
noun
blodcelle
noun
blodtryk
verb
1. het vloeien van bloed
bløde
noun
blodtype
noun
1. Brits hondenras met grote kop, lange hangende oren en een lange staart
blodhund
noun
blødning
noun
blodprøve
noun
1. de vloeistof van het bloed waar geen bloedlichaampjes meer in zitten maar nog wel stollingseiwitten
blodplasma
adjective
1. rood als de kleur van bloed
blodrød
noun
serum
noun
blodsukker
noun
blodtransfusion
noun
1. bloeduitstorting in de huid
hæmatom
noun
1. een bloedader
blodåre
noun
1. het genetisch aan elkaar verwant zijn
blodslægtskab
/'blutʋɔrst/
noun
1. vleeswaar vervaardigd van het bloed en het vet van een varken
blodpølse
noun
blodhævn
noun
1. een worm die bloed zuigt uit mens en dier
blodigle
verb
  1. 1. het dragen van open, actieve bloeiwijzen
  2. 2. het bijzonder goed maken
blomstre
noun
  1. 1. een deel van plant met zaden
    blomst
  2. 2. fijngemalen poeder, meestal van granen
    mel
noun
1. ringvormig vlechtwerk van bloemen
blomsterkrans
noun
1. een tuin met veel bloemen
blomsterhave
pronoun
1.
Bloemfontein
noun
1. een kool met vlezige bleekgele bloemstengels die als groente gegeten wordt
blomkål
noun
antologi
noun
1. pot waarin men een plant kweekt
  1. urtepot
  2. urtepotte
noun
grydehår
noun
1. kledingstuk
bluse
noun
1.
blogger
noun
1. een eenvoudig houten blaasinstrument
blokfløjte
noun
blokade
verb
1.de toe- of doorgang versperren
  1. spærre
  2. afvise
noun
1. een werktuig om hout glad, vlak of dunner te maken
høvl
/blɔnd/, /blɔnt/
adjective
1.
blond
noun
1. cocktail van wodka en tomatensap
bloody mary
adverb
bar
noun
1. kledingstuk
bluse
verb
rood worden in het gezicht, bijvoorbeeld van verlegenheid of schaamte
rødme
/blɵt/
adjective
1. geen geld meer hebbend
flad
noun
1. zeer grote wurgslang
boa
noun
2. een brede baai aan de kustlijn
bugt
noun
tender
noun
1. bodhran
bodhrán
pronoun
1. de hoofdstad van Hongarije
Budapest
pronoun
Buddha
noun
1. volger van de leer van Boeddha
buddhist
noun
1. de voorkant van een schip
bov
noun
1. een beeld dat ter versiering aangebracht werd op de voorsteven van een schip
galionsfigur
noun
1. hoeveelheid water die vóór een bewegend schip (of ander voorwerp) wordt opgestuwd
bovbølge
verb
1. voortslepen door een of meer (andere) schepen
bugsere
noun
1. uitstekend rondhout aan de voorsteven van een zeilschip
bovspryd
noun
1. een drijvend en verankerd voorwerp om de vaargeul in ondiepe wateren aan te geven
bøje
/bujə(n)/
verb
1. kluisteren
jern
noun
1. een ingebonden bundel bedrukte of beschreven vellen papier
bog
noun
boucaniers
pronoun
1. de hoofdstad van Roemenië
Bukarest
noun
bogbinder
/ˈbuɡdel/
noun
1. drukwerk dat zoveel bladzijden heeft dat het in aparte band kan worden gebonden, maar waarvan de inhoud onderdeel is van een groter werk
bind
/ˈbukən/
verb
1. reserveren van bijvoorbeeld een hotelkamer
reservere
/ˈbu.kə.ˌkɑs/, /ˈbu.kə.ˌkɑst/
noun
1. een kast voor de opslag en het laten zien van boeken
  1. bogreol
  2. bogskab
noun
1. hulpmiddel dat ervoor zorgt dat boeken rechtop blijven staan op een niet geheel gevulde boekenplank
bogstøtte
noun
1. boekwinkel
boghandel
noun
1. iemand die de inkomsten en uitgaven van een organisatie bijhoudt
bogholder
noun
bijhouden van gegevens
  1. bogføring
  2. bogholderi
/ˈbu.klɔŋ(g)/, /ˈbu.klɔŋ/
noun
1. een long die gestapeld en gevouwen is in weefsel, zo dat de gevouwen...
boglunge
noun
bogbrænding
noun
1. en 2. (gepelde zaden van) plant Fagopyrum esculentum
boghvede
noun
fijn gemalen zaden van boekweit
boghvedemel
noun
1. geplette granen van Fagopyrum esculentum
boghvedeflager
/ˈbuk.wɪŋ.kəl/, /ˈbuk.ʋɪŋ.kɔɫ/, /ˈbuk.β̞ɪŋ.kəɫ/
noun
1. een winkel waar boeken verkocht worden
boghandel
/bumɑn/
noun
1. een denkbeeldig wezen dat als schrikbeeld dient
bussemand
noun
1. een gebogen werpstok die de neiging heeft terug te keren naar de werper
boomerang
/buːr/
noun
1. landbouwer
bonde
noun
  1. 1. een woning met bedrijfsruimte van een boer
    bondegård
  2. 2. een onderneming van een boer
    1. gård
    2. bondegård
/buːrən/
verb
3. een boer laten
ræbe
/burə'kol/
noun
1. en 2. (gekrulde bladeren van) bladgewas (kool)
grønkål
noun
1. bepaald soort samengesteldbloemige plant Tanacetum vulgare
rejnfan
/ˈburə(n)ˈzwalyw/
noun
1. een kleine trek- en zangvogel
landsvale
noun
1. het gehele lichaam, inclusief gezicht en ogen, verhullend gewaad gedragen door (streng) islamitische vrouwen
burka
noun
bod
noun
butik
noun
1.
bryst
/bɔf/
noun
2. ziekte
fåresyge
pronoun
1. historische landstreek in de Tsjechische Republiek
  1. Bohemia
  2. Bøhmen
noun
1. scheikundig element met symbool Bh en atoomnummer 107
bohrium
noun
1. mannelijke geit
buk
pronoun
1. meest gebruikte schrijfwijze van het Noors
bokmål
noun
1. een gevechtswapen bestaande uit een stuk ijzer dat men gebruikt om mee te slaan
knojern
noun
1. een tactische vechtsport
boksning
noun
1. handschoen gedragen tijdens het boksen
boksehandske
adverb
1. een glooiende uitstulping in een oppervlak vormend
oppustet
noun
  1. 2. min of meer rond voorwerp
    kugle
  2. 1. een driedimensionaal rond lichaam zie sfeer
    1. kugle
    2. bold
  3. 3. zie bloembol
    løg
noun
1. een helder oplichtend bolvormig object met een diameter van maximaal 40 centimeter, dat soms waargenomen wordt in de buurt van een blikseminslag en dan gedurende meerdere seconden zichtbaar is
kuglelyn
noun
1. Agrostemma githago
klinte
/boˈlivi.ja/
pronoun
1. een republiek in Zuid-Amerika die grenst aan Peru, Brazilië, Paraguay, Argentinië en Chili
Bolivia
pronoun
1. een stad in Italië
Bologna
noun
1. lid van een factie van de marxistische Russische Sociaaldemocratische Arbeiderspartij (RSDAP) die zich ...
bolsjevik
noun
bolsjevisme
/bɔm/
noun
1. vernietigingstuig dat gevuld is met explosieven
bombe
noun
1. auto geladen met explosieven gebruikt als wapen bij terroristische aanslagen
bilbombe
noun
1. beschieting met bommen, het werpen van bommen
bombardement
verb
1. bommen of andere projectielen afvuren op iets of iemand
bombe
noun
1. een brief die explodeert wanneer men hem opent
brevbombe
/bomə(n)/
verb
1. langdurig en uitgebreid praten over minder belangrijke zaken
  1. hyggesnakke
  2. sludre
  3. småsnakke
  4. snakke
  5. tale
noun
1. een mededeling dat er een bom gaat ontploffen
bombetrussel
noun
1. een militair vliegtuig dat is ontworpen voor het werpen van bommen op gronddoelen
bombefly
pronoun
1. eiland in het zuidelijke gedeelte van de Caraïbische Zee
Bonaire
noun
1. een andere macht waarmee een afspraak gemaakt is aan dezelfde zijde te zullen strijden
  1. forbundsfælle
  2. allieret
noun
sar
noun
1. Pan paniscus, een mensaap, staat samen met de chimpansee van alle diersoorten...
bonobo
/bɔnt/
noun
pels
noun
1. bepaalde vogelsoort uit de familie van plevieren, Charadrius hiaticula
stor præstekrave
noun
pelsfrakke
noun
1. overgebracht bericht
budskab
noun
(huishouden) lijst waarop staat welke inkopen gedaan moeten worden
indkøbsliste
/ˈbotsxɑpər/
noun
1. berichtenoverbrenger
bud
noun
  1. 1. wapen
  2. 2. cirkelboog
  3. 3. deel van bouwwerk
bue
noun
buebro
noun
1.
buelampe
noun
1. een sport waarbij pijlen worden weggeschoten naar een doel met behulp van een boog
bueskydning
pronoun
2. teken van de dierenriem van 22 november tot 22 december
  1. Skytten
  2. skytte
noun
1. iemand die schiet met een boog
bueskytte
noun
1. meerjarige plant met houten stam
træ
/ˈbom.ɣrɛns/, /ˈbom.χrɛns/
noun
1. een grens waarboven geen bomen meer groeien
trægrænse
noun
træ-Lyng
noun
1. Hyla arborea, klein kikkertje dat zich in bomen en heesters kan begeven
løvfrø
noun
1. bepaald soort vogeltje, Sitta europaea
spætmejse
/ˈbom.leː.β̞əˌrɪk/, /ˈbom.lɪː.β̞əˌrɪk/
noun
1. een vogelsoort die inheems is in Nederland en België
hedelærke
/ˈbom.mɑr.tər/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Martes martes
skovmår
noun
1. een rechtop gaande houten schacht van een boom
træstamme
noun
1. kleine sierlijke valk, familie van de torenvalk, Falco subbuteo
lærkefalk
noun
1. zaadje uit de peulvrucht van enige vlinderbloemige planten,...
  1. bønne
  2. bønner
noun
B. chemisch element en een zwart metalloïde
bor
/ˈbormɑˌʃinə/
noun
1. machine om te boren
boremaskine
noun
1. een schelpdier dat zich in hout, veen of zachte steensoorten ingraaft
boremusling
/boʊs/, /boːs/
adjective
1. kwaad, woedend
vred
/boʊt/, /boːt/
noun
1. klein vaartuig
båd
/ ˈbotsxun /
noun
1. een lichte soort van schoenen van zacht leer, ontwikkeld naar het voorbeeld van Indiaanse mocassins
sejlersko
/bɔRd/, /bɔrt/
noun
  1. 2. Vlak voorwerp aan een muur
    opslagstavle
  2. [1] Schijfvormig voorwerp
    tallerken
noun
1. een huis waarin tegen betaling seksuele diensten worden aangeboden
bordel
noun
brætspil
verb
1. met naald en draad versieringen aanbrengen op een stuk weefsel
brodere
verb
1. met een werktuig dat om zijn as draait een gat in iets maken
bore
noun
  1. 1. overeenkomst waarbij een borg zich garant stelt
  2. 2.
kaution
noun
1. een chemisch element en een zwart metalloïde
bor
pronoun
Borneo
noun
2. elk van de twee vooruitstekende klieren bij vrouwen waaruit zich de moedermelk afscheidt
bryst
noun
plat been waaraan de ribben aan de voorzijde vastgehecht zijn
brystben
noun
1. schoonmaakgereedschap met bos haren
børste
noun
1. is een vorm van kanker die uitgaat van het melkklierweefsel in de borst, meestal (maar niet altijd) bij vrouwen
brystkræft
noun
1. geraamte van de borst
brystkasse
noun
1. een groep bomen
skov
noun
skovjordbær
noun
hvid Anemone
noun
  1. 2. plant Vaccinium myrtillus
    blåbær
  2. 1. en 3. plant, en bessen, uit geslacht Vaccinium
    bølle
/ˈbɔsbɑuw/
noun
1. het systematisch bosbeheer (teelt en verzorging van bossen) voor de productie van hout
skovbrug
noun
1. brand van of in een bos
skovbrand
/ˈbɔsnis/, /ˈbɔsnɪs/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Bosnië
bosnisk
/ˈbɔsni.jə ɛn ˌhɛrtsəɣoˈviːna/, /ˈbɔsni.jə ɛn ˌɦɛrtsəɣoˈvina/, /ˈbɔsni.jə ɛn ˌɦɛrtsəχo(ʊ̯)ˈvina/
pronoun
1. republiek in het zuidoosten van Europa die ontstaan is bij het uiteenvallen van het voormalige Joegoslavië
Bosnien-Hercegovina
pronoun
1. zeestraat tussen de Zee van Marmara en de Zwarte Zee
Bosporus
noun
bocage
noun
1. jonge, onvolgroeide geboste ui met blad
forårs-løg
noun
1. bepaald soort vogel, Strix aluco
natugle
noun
1. een beheerder van een boswachterij
skovfoged
noun
1. bepaald soort loofboom Salix caprea
selje-pil
adjective
1. stomp
sløv
noun
  1. 3. onderdeel van het skelet
    1. ben
    2. knogle
  2. 1. platvis
    skrubbe
noun
botaniker
/ ˈbɔtbrøk /
noun
1. een onderbreking van een bot
knoglebrud
/ˈbotər/
noun
1. zuivelproduct
smør
noun
1. een snee brood
smørrebrød
noun
1. CH₃(CH₂)₂COOH
smørsyre
pronoun
1.
Den Botniske Bugt
/ˈbɔt.sə(n)/
verb
1. met een flinke snelheid tegen elkaar aankomen
kollidere
/ˈbɔt.sɪŋ/
noun
  1. 1. het botsen
    kollision
  2. 2. een conflict of ruzie
    sammenstød
/bɔ.ˈts<sup>ʊ</sup>a.na/, /bɔts.ˈʋa.na/, /bɔts.ˈβ̞a.na/
pronoun
1. een land dat geheel door land is omgeven in het zuiden van Afrika met ruim 1,5 miljoen inwoners, grenzend aan Namibië, Zimbabwe en Zuid-Afrika
Botswana
noun
2. een wegvernauwing, in het bijzonder een die voor vertraging zorgt
flaskehals
noun
1. het onderdeel van een verbrandingsmotor dat door een vonk het mengsel van brandstofdamp en lucht in de cilinder tot ontploffing brengt
tændrør
noun
1. een aftreksel van magere vleesresten, beenderen of vis
bouillon
noun
psychologische toestand waarin een persoon terugkerende eetbuien heeft
bulimi
noun
bouquet
pronoun
1. een van de 26 regio's van Frankrijk
Bourgogne
/ˈbɑu̯ə(n)/
verb
1. een constructie oprichten door het samenvoegen van onderdelen
bygge
noun
bygningsarbejder
noun
byggetilladelse
/ˈboː.vən/
preposition
1. op een plaats hoger gelegen dan
oppe
noun
1. het bovenste gedeelte van de arm tussen de schouder en de elleboog
overarm
/bovənˈdin/
adverb
1. op de koop toe, daarenboven
desuden
adjective
1. behorende tot een orde van dingen die buiten het menselijke ligt
overnaturlig
verb
1. iemand uitsluiten, niet meer willen werken voor, leveren aan of kopen bij
boykotte
noun
1. struik & 2. vrucht
brombær
/ˈbramslœʏpər/
noun
1. bepaald soort zangvogel, Sylvia curruca
gærdesanger
verb
1. slecht en onduidelijk praten met name van baby's
mumle
verb
1. vlees bereiden door het in vet te verhitten
stege
noun
punktskrift
/ˈbrɑnd/, /ˈbrɑnt/
noun
1. verbranding met vuur
brand
verb
1. verteerd worden door vuur
brænde
pronoun
1. een deelstaat in het oosten van Duitsland
Brandenburg
noun
1. een soort sterke drank
brændevin
noun
1. bepaald soort gans, Branta leucopsis
bramgås
noun
1. hout dat gebruikt wordt om te verbranden
brænde
verb
1. (vee) merken door het inbranden van een teken
brændemærke
noun
2-3. een harige plant die bij aanraking een brandend gevoel en zwelling veroorzaakt
brændenælde
noun
fokus
noun
1. iemand die expres brand veroorzaakt
  1. brandstifter
  2. ildspåsætter
noun
brandstiftelse
noun
1. stof waaruit door middel van verbranding of een ander chemisch proces energie wordt gewonnen
  1. brændstof
  2. brændsel
noun
een elektrochemisch toestel
brændselscelle
noun
brandvæsen
noun
brandstation
noun
1. lid van de brandweer
brandmand
noun
brandsår
noun
1. bepaalde karperachtige vissoort Abramis brama
brasen
/braˈʃɛːrə/
noun
1. dameskledingstuk
brystholder
/braˈzili.jə/
pronoun
1. een soevereine staat in Zuid-Amerika (officieel de Federale Repuliek van Brazilië, 'República Federativa do Brasil'), met als officiële taal het Portugees
Brasilien
/ˈbred.bɑnd/, /ˈbred.bɑnt/
noun
1. een internetverbinding met een hoog debiet
bredbånd
adjective
1. breed van borst en schouders
bredskuldret
adjective
1. breed van borst en schouders, breedgebouwd
bredskuldret
noun
1. afmeting loodrecht op de hoogte of de lengte
bredde
noun
1. cirkel van gelijke geografische breedten
breddegrad
noun
1. stevige metalen stang, meestal voorzien van een gespleten einde, de koevoet, gebruikt om zaken open te breken.
  1. brækjern
  2. koben
verb
1.
kalfatre
/ˈbrɛ.jə(n)/
verb
1. een weefsel vervaardigen uit een gesponnen draad met behulp twee of meer pennen
strikke
/ˈbrɛɪ̯nald/, /ˈbrɛɪ̯naɫt/, /ˈbrɛːnalt/
noun
1. een naald die gebruikt kan worden bij het breien
strikkepind
verb
  1. 1. in stukken uiteenvallen
  2. 5. in stukken uiteen doen vallen
  1. knuse
  2. smadre
noun
brydningsindeks
pronoun
Bremen
/ˈbrɛŋ.ə(n)/
verb
1. ergens heen gaan om iets of iemand daar af te geven
bringe
pronoun
1. een schiereiland in het noordwesten van Frankrijk
Bretagne
pronoun
1. een Keltische taal die wordt gesproken in Bretagne
bretonsk
noun
1. de uitkomst (quotiënt) van een deling van twee of meer gehele getallen
brøk
noun
breviar
noun
1. mogelijk vertrek van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie
Brexit
noun
  1. 1. een spel gespeeld door vier spelers, verdeeld in twee paren en gespeeld in dertien slagen
  2. 2. de kam van een elektrische gitaar
bridge
noun
1. verzonden geschreven boodschap
brev
noun
1. een korte brief in de vorm van een kaart
postkort
/bris/
noun
1. zachte frisse wind
brise
noun
postkasse
noun
1. een optisch instrument dat gebruikt wordt om de scherpte van het zicht te verbeteren
briller
noun
1. Bucephala clangula, een vogel uit de familie Anatidae
hvinand
noun
1. de houder waarin brillenglazen zijn gevat
brillestel
noun
brite
/brɪts/
adjective
1. gerelateerd aan Groot-Brittannië
britisk
pronoun
Britiske Jomfruøer
pronoun
Storbritannien
/ˈbrɔkɔlɪ/
noun
1. groente
broccoli
noun
brochure
/brudər/
noun
  1. 1. een broer
    broder
  2. 3. een kloosterling
    1. broder
    2. munk
adjective
broderlig
noun
1. moord van de ene broer op een andere broer, ook figuurlijk gebruikt
brodermord
noun
  1. 1. kerkelijk goedgekeurde vereniging
  2. 2. vereniging van beroepsgenoten
  3. 1. vriendschappelijke betrekking als tussen broers
broderskab
noun
1. bouwsel met glazen wanden voor het opkweken van gewassen
drivhus
noun
drivhuseffekt
noun
drivhusgas
noun
1. kledingstuk dat het onderlichaam en beide benen, elk met een afzonderlijke pijp omhult
bukser
noun
bukseben
/bruːr/
noun
1. een mannelijk kind van dezelfde ouders
  1. broder
  2. bror
noun
knallert
noun
knallert
noun
  1. 1. daar waar men informatie vandaan haalt
  2. 2. begin van een waterloop
kilde
adjective
1. met betrekking tot de luchtpijp-takken
bronkial
noun
1. ontsteking van de luchtpijptak
bronkitis
noun
bronze
noun
paartijd
brunst
adjective
1.van brons gemaakt
bronze-
verb
1.
bronze-
/broːt/
noun
1. een meelproduct dat gemaakt wordt door meeldeeg te bakken, te koken of te stomen
brød
noun
1. boom Artocarpus altilis
brødfrugttræ
noun
2. klein brood, vaak versierd, belegd of in een speciale vorm, voor één persoon
rundstykke
noun
brødrister
noun
1. vrucht van de broodboom Artocarpus altilis
brødfrugt
noun
brom
verb
1. (bier) brouwen
brygge
noun
1. iemand die bier maakt om te verhandelen
brygger
/brɔuə'rɛi/
noun
1. een bedrijf dat zich toelegt op het brouwen van bier
bryggeri
/brʏx/, /brʏχ/
noun
kunstmatige weg over een diepte
bro
pronoun
1. een Vlaamse provinciehoofdstad
Brügge
noun
brohoved
/brœy̯t/
noun
1. vrouw in tijd van de huwelijksplechtigheden
brud
noun
1. man die in het huwelijk treedt
brudgom
noun
1. een gift die een meisje van haar ouders meekrijgt als ze in het huwelijk treedt
medgift
noun
1. huwelijks-, trouwfeest
bryllupsfest
adjective
1. een kleur zoals die van walnoten, chocola of koffie hebbend
brun
noun
1. kleur zoals die van koffie of chocola
brun
/ˌbrœʏnəˈbeːr/
noun
1. Ursus arctos, een beer die in Europa, Azië en Amerika voorkomt.
brun bjørn
noun
1. hemellichaam met een massa tussen die van een gasreus en een ster, onvoldoende voor kernfusie tussen protonen
brun dværg
noun
1. bepaalde soort zoetwatervis Ameiurus nebulosus
  1. brun dværgmalle
  2. dværgmalle
noun
1. bepaald soort roofvogel, Circus aeruginosus
rørhøg
noun
1. grijsbruin knaagdier met een kale geringde staart Rattus norvegicus
brun rotte
noun
1. lid van de SA in Nazi-Duitsland
brunskjorte
noun
brunkul
/ˈbrœy̯nvɪs/
noun
1. familie Phocoenidae van kleine rondsnuitige tandwalvissen
marsvin
/bry.ˈnɛɪ̯/, /bry.ˈnɛː/
pronoun
2. een land op op het eiland Borneo, in Zuidoost-Azië. Het ligt aan de Zuid-Chinese Zee, en wordt verder geheel omringd door Maleisië
Brunei
noun
1. een vrouw met (donker)bruin (of zwart) haar en soms ook met een donkere gelaatstint
brunette
pronoun
Braunschweig
/brʏs/
noun
1. een ander kind van dezelfde ouders (zonder de connotatie met zorg)
søskende
pronoun
1. de hoofdstad van België
  1. Bruxelles
  2. Bryssel
adjective
3. vrijpostig
fræk
noun
1. de afkorting voor belasting over de toegevoegde waarde
moms
/'bɵfəl/
noun
1. verzamelnaam voor een aantal zware rundersoorten met vaak forse hoorns
bøffel
/ˈby.χəɫ/, /ˈbyː.ɣəl/
noun
1. een koperen blaaasinstrument.
flygelhorn
noun
1. zoogdier dat het jong in een buidel draagt
pungdyr
/bœʏ̯χə(n)/, /bœːɣə(n)/
verb
  1. 3. een buiging maken, zich buigen
    1. bukke
    2. bøje sig
  2. 1. krom maken
    bøje
noun
1. nijging als beleefde groet
buk
adjective
fleksibel
/bœʏ̯k/, /bœːk/
noun
1. het onderste deel van de voorkant van de romp van mens of dier dat van boven door het middenrif en van onderen door de bekkengordel begrenst is
  1. bug
  2. mave
noun
mavedans
/ˈbœʏ̯k.pɛɪ̯n/, /ˈbœːk.pɛɪ̯n/, /ˈbœːk.pɛːn/
noun
1. pijn in de buik
mavepine
noun
buktaler
noun
1.
bughinde
noun
1. de meest voorkomende vorm van pest en wordt veroorzaakt door de
byldepest
noun
1. een hol, cilindrisch voorwerp
rør
noun
2. buisklokken
rørklokker
/ˈbœʏ̯tə(n)/, /ˈbœːtə(n)/
adverb
ude
adjective
1. niet binnen het raamwerk van het huwelijk
uden om ægteskabet
noun
1. ieder land buiten het eigene
udland
/ˈbœytə(n)lɑndər/
noun
1. iemand die in het buitenland woont, of iemand afkomstig uit het buitenland
udlænding
adjective
1. op het buitenland betrekking hebbend
udenlandsk
noun
1.
offside
verb
  1. 1. een buis in de school geven
  2. 2. een buis in de school krijgen
dumpe
noun
1. bepaald soort middelgrote roofvogel, Buteo buteo
musvåge
/ˈbɵkən/
verb
1. het lichaam geheel vooroverbuigen om bij iets lagers te komen
bukke
/bʏl/
noun
1. mannelijk rund en het mannetje van sommige andere zoogdieren en zeezoogdieren
tyr
noun
1. een stevig gebouwde hond met een grote kop en afhangende liphoeken...
buldog
/bɵɫˈγ̊aːrs/
adjective
1. met betrekking tot Bulgarije of de Bulgaarse taal
bulgarsk
/bɵɫˈγ̊aːrs/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Bulgarije
bulgarsk
pronoun
1. een land in Zuidoost-Europa
Bulgarien
noun
1. gestoomde, daarna gedroogde en vervolgens grof gemalen of gebroken tarwekorrels, meestal durumtarwe
bulgur
noun
1. zware van rupsbanden voorziene machine om terreinen te egaliseren
bulldozer
/ˈbʏltrʏx/
noun
1. benaming voor een van de grotere baardwalvissen met lange borstvinnen
pukkelhval
noun
1. stootstang
kofanger
noun
1. zijdelings bijeengehouden verzameling langwerpige voorwerpen
bundt
noun
1. woning of vakantiehuis zonder bovenverdieping
bungalow
noun
1. zwaar versterkte verdedigingsstelling
bunker
noun
1. gasbrander met regelbare luchttoevoer die men gebruikt in een laboratorium
bunsenbrænder
noun
1. bepaald soort zoogdier, Mustela putorius
ilder
noun
1. kasteel
borg
noun
2. een (politie)kantoor
kontor
noun
bureaukrati
noun
1.
burette
noun
1. hoofd van het gemeentebestuur
borgmester
noun
borgmester
noun
1. inwoner van een stad of staat die bepaalde wettelijke rechten en plichten heeft
borger
/ˈbʏrɣərlək/
adjective
1. tot de burgers behorend, tot de middenstand behorend
borgerlig
noun
1.
civilsamfund
noun
1. een gewapende strijd tussen twee of meer bevolkingsgroepen binnen hetzelfde land, waarbij soms ook het leger betrokken is
borgerkrig
noun
1. een recht dat men geniet als staatsburger van een land
borgerlige rettigheder
noun
borgerskab
noun
vicegrevinde
/bur.ˌki.na.ˈfa.so/, /bur.ˌki.na.ˈfɑ.so/
pronoun
1. een republiek in West-Afrika voorheen Opper-Volta genaamd.
Burkina Faso
/bu.ˈrun.di/
pronoun
1. een land in Afrika dat grenst aan Democratische Republiek Congo, Rwanda en Tanzania
Burundi
/bɵs/
noun
1. vervoermiddel op de weg voor een aanzienlijk aantal passagiers
bus
noun
1. iemand die beroepsmatig reizigers vervoert in een bus
buschauffør
/ˈbʏshɑltə/, /ˈbʏshɑɫtə/
noun
1. een plek waar een bus stopt
busstoppested
noun
1. een ontplofbaar mengsel van fijngepoederde kool, zwavel en salpeter
krudt
noun
1. kledingstuk voor vrouwen.
brystholder
noun
1. C₄H10
butan
noun
1. een man naast wie men woont
nabo
noun
1. een (deel van een) wijk
  1. bydel
  2. kvarter
noun
1. vrouw woonachtig in het belendende huis
naboerske
noun
byzantiner
adjective
byzantinsk
noun
beta
/ˈbɛːtaˌdeltʲə/
noun
betapartikel
pronoun
1. en 2.
Böblingen
symbol
1. akkoordsymbool
C
/ˌkɑbɑˈrɛ(t)/
noun
1. een kleinkunst, vermaak met toneel, zang, dans, en voordracht
kabaret
noun
cabotage
/kakaˈoː/, /kaˈkɑu/
noun
1. product verkregen uit de bonen van de cacaoboom dat onder andere wordt gebruikt...
kakao
/kɑˈkʌʊbom/
noun
1. een boom waarvan uit de vruchten de cacao wordt gewonnen
kakaotræ
noun
1.
kakaosmør
noun
1. een poederachtige substantie die wordt verkregen door het uitpersen van de cacaomassa van cacaobonen
kakaopulver
noun
1. een vetplant met stekels
kaktus
/kaˈdoː/
noun
1. iets dat men aan iemand geeft, meestal ter gelegenheid van een speciale gebeurtenis
gave
noun
1. scheikundig element met symbool Cd en atoomnummer 48
  1. cadmium
  2. kadmium
noun
1. een eenvoudige eetgelegenheid, waar men een snelle hap kan nuttigen
cafeteria
noun
1. een alkaloïde met structuurformule C₈H10N₄O₂ die van nature wordt aangetroffen in koffiebonen en theebladeren
koffein
noun
1. een uitgaansgelegenheid waar men dranken kan nuttigen
værtshus
pronoun
Calabrien
noun
1. scheikundig element met symbool Ca en atoomnummer 20
  1. kalcium
  2. calcium
pronoun
Kaledonien
adjective
californisk
noun
1. een scheikundig element en vermoedelijk een grijs of zilverkleurig actinide met het symbool Cf en het atoomnummer 98
californium
pronoun
1. een van de vijftig deelstaten van de Verenigde Staten. De staat grenst aan de Pacifische Oceaan en aan de Mexicaanse deelstaat Baja California, alsmede aan de Amerikaanse deelstaten Nevada, Oregon en Arizona.
Californien
pronoun
  1. 1. nimf uit de Griekse mythologie
  2. 2. een van de vier grote manen van Jupiter
Callisto
noun
1. een eenheid van warmte, gelijk aan de warmte benodigd om een gram water een graad C in temperatuur te doen stijgen
kalorie
noun
1. gereformeerde substroming binnen het Christendom waarin o.a. het voorbestemd zijn centraal staat
calvinisme
/kɑm.ˈbɔ.dja/, /kɑm.ˈbɔ.tʃa/
pronoun
1. een land in Zuidoost-Azië dat in het noorden grenst aan Laos, in het noordwesten en westen aan Thailand en in het oosten en zuidoosten aan Vietnam
Cambodja
pronoun
Cambridge
/ˈkaməˌra/
noun
1. een apparaat om beelden mee te registreren
kamera
/kɑmuflerən/
verb
1. een voorwerp onopvallend maken
  1. camouflere
  2. sløre
pronoun
Campanien
/ˈkɑmpɪŋ/, /ˈkɛmpɪŋ/
noun
1. een terrein met voorzieningen om te kamperen
campingplads
/ˈka.na.da/, /ˈkɑ.nɑ.da/
pronoun
1. een soevereine staat in de noordelijke helft van Noord-Amerika
Canada
noun
1. bewust vervalst nieuwsbericht; valse hype
avisand
pronoun
  1. Kanariske Øer
  2. De Kanariske Øer
pronoun
1. de federale hoofdstad van Australië, gelegen in het Australisch Hoofdstedelijk Territorium
Canberra
noun
candela
noun
1. schimmelziekte van huid en slijmvliezen
candidiasis
pronoun
1. een van de 17 autonome regio’s en provincie in het noorden van Spanje gelegen ten oosten van Asturië en ten westen van Baskenland met de hoofdstad Santander
Kantabrien
noun
1. en 2. (vrucht van) plant Cucumis melo var. cantalupensis
kantalupmelon
/ˌkɑntaˈrɛɫ/
noun
1. bepaald soort eetbare paddenstoel met een lichte pepersmaak, Cantharellus cibarius
almindelig kantarel
noun
lærred
adjective
1. rubber
kautsjuk
/ˌkapiˈbaːra/
noun
1. Hydrochoerus hydrochaeris, een groot knaagdier...
kapivar
/ˌka.pɪ.la.ri.ˈtɛɪ̯t/
noun
kapillærkraft
noun
1. internationaalrechtelijke verklaring dat een partij de strijd tijdens een oorlog opgeeft
kapitulation
pronoun
Capri
noun
2.een omhulsel, veelal van gelatine met een medicijn erin
kapsel
/ˌka.py.ˈʃɔ̃ː/, /ˌkɑ.py.ˈʃɔn/
noun
1. hoofdkap bevestigd aan een kledingstuk
hætte
noun
1. bepaald soort zoogdier, Profelis caracal
karakal
/karákas/
pronoun
1. de hoofdstad van de Zuid-Amerikaanse staat Venezuela
Caracas
noun
1. kampeerwagen, woonwagen, aanhangwagen die kan dienen als woonst
campingvogn
noun
karbonat
noun
1. een organische verbinding die de functionele groep -COOH bezit
carboxylsyre
adjective
1. kankerverwekkend
carcinogen
noun
1. kankergezwel
karcinom
noun
1. aandrijfas die tevens de versnellingsbak van een auto met het differentieel verbindt
kardanaksel
/kɑrdijolo'xi/
noun
1. een medisch specialisme dat zich bezighoudt met het opsporen, diagnosticeren en behandelen van hartziekten
kardiologi
adjective
1. met betrekking tot hartziekten
kardiologisk
/kɑrdijo'lox/
noun
  1. hjertelæge
  2. kardiolog
pronoun
1. de zee ten westen van de Atlantische Oceaan, begrensd door de Kleine en de Grote Antillen, de noordkust van Zuid-Amerika en de oostkust van Midden-Amerika
Carabiske Hav
noun
1. volksfeest waarbij onder meer grote verkleedpartijen plaatsvinden,...
karneval
/kɑrniˈvor/
noun
1. een vleesetend dier
kødæder
noun
1. koetswerk van een voertuig
karrosseri
pronoun
Karthago
noun
1. iemand die land-, zee- en/of luchtkaarten maakt
kartograf
noun
1. de kunst en wetenschap van het vervaardigen van land-, zee- en/of luchtkaarten
kartografi
noun
1. een behuizing voor video- en audiobanden
kassette
noun
specerij
cassia
pronoun
1. landstreek in Spanje
Kastilien
pronoun
Castilla y León
pronoun
Castilla-La Mancha
noun
1. ontmanning, het volledig verwijderen van de teelballen bij de man
kastration
verb
1. een sterilisatie uitvoeren van een man of mannelijk dier door verwijdering van de zaadballen
kastrere
noun
1. een naamval
fald
noun
1. onderaardse ruimte, onderaards gangenstelsel in het algemeen
katakombe
pronoun
1. een Romaanse taal die wordt gesproken in Catalonië, Valencia, Aragón, Balearen, Andorra, Frankrijk en Italië
  1. catalansk
  2. katalansk
verb
1. in een register onderbrengen
katalogisere
pronoun
1. een van de 17 autonome regio’s van Spanje, gelegen in het noordoosten van het Iberisch Schiereiland; de twee officiële talen zijn Catalaans en Spaans
Catalonien
noun
1. de leer van een godsdienst in de vorm van vragen en antwoorden gebruikt in het godsdienstonderwijs...
katekismus
noun
1. onderdeel van een rangschikking, rang, groep.
kategori
noun
1. strijdmacht te paard
kavaleri
noun
1. benaming voor knaagdieren uit het geslacht Cavia
marsvin
noun
1. en 2. een peper, een scherp specerij
cayennepeber
pronoun
1. de hoofdstad van Egypte
Kairo
/ˈsedər/
noun
1. benaming voor bomen uit het geslacht Cedrus
ceder
noun
  1. 3. de kleinste eenheid binnen een levend organisme waarin alle genetische informatie vervat zit
  2. 4. een zeshoekige opslagplaats in een bijenraat
  3. 1. een kleine ruimte waar iemand voor straf moet zitten (in een gevangenis)
  4. 2. een kleine ruimte (in een klooster)
celle
noun
1. een viersnarig strijkinstrument dat tijdens het bespelen door de cellist tussen de knieën wordt gehouden
cello
/ˌsɛ.ly.ˈlo.zə/
noun
1. een polysacharide die door nagenoeg alle planten wordt gemaakt en die de plant stevigheid geeft
cellulose
/sɛlʋɑnd/
noun
1.
cellevæg
noun
1. een bouwmateriaal bestaande uit kalk, zand en grind
cement
noun
1. een fabriek waar cement geproduceerd wordt
cementfabrik
noun
1. hoge ambtenaar in de Romeinse republiek
censor
verb
1. bewust informatie uit de media weghalen
censurere
/sɛnˈsyr/
noun
1. de controle van de kant van de overheid op alles wat de media uitbrengen
censur
noun
cent
noun
1.
kentaur
/'sɛntiˌmetər/
noun
1. een lengtemaat die gelijk is aan één honderdste van een meter
centimeter
adjective
1. in het midden gelegen
central
/sɛn.ˌtral.a.fri.ˌkan.sə.re.py.ˈblik/, /sɛn.ˌtral.ɑ.fri.ˌkans.re.pʏ.ˈbliːk/, /sɛn.ˌtraɫ.a.fri.ˌkan.sə.re.py.ˈblik/
pronoun
1. een land in Midden-Afrika, officieel de Centraal-Afrikaanse Republiek, dat geheel door land wordt omsloten
Centralafrikanske Republik
pronoun
Centralasien
pronoun
Centraleuropa
noun
1. een verwarmingssysteem, waarbij de warmte centraal wordt opgewekt
centralvarme
noun
1. centrifugaalmachine
centrifuge
verb
1. met een centrifuge scheiden, zuiveren of drogen
centrifugere
noun
1. middelpunt
centrum
adjective
1. met betrekking tot de grote hersenen
cerebral
noun
1. een plechtige aangelegenheid
ceremoni
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Ceres
noun
cerium
noun
cæsium
pronoun
Ceuta
pronoun
Ceylon
noun
1.
chakra
pronoun
Kaldæa
/ʃɑmˈpɑɲə/
noun
1. een schuimwijn uit de champagnestreek in Frankrijk
champagne
noun
1. bepaald soort eetbare en speciaal gekweekte witte paddenstoel, Agaricus bisporus
champignon
noun
1. mensen onder voor de buitenwereld onzichtbare bedreiging zaken tegen hun wil laten doen
afpresning
verb
1. onder bedreiging een schandaal te veroorzaken iemand geld afhandig maken
afpresse
noun
1. grote wanorde
  1. kaos
  2. rod
noun
1. deelgebied van de wiskunde en natuurwetenschappen dat zich bezighoudt met het gedrag van dynamische systemen zoals dat sterk door hun begintoestand wordt bepaald.
kaosteori
adjective
kaotisk
noun
1. uitstraling
karisma
/ˈʃar.la.tan/
noun
charlatan
/sjarme/
noun
1. de eigenschappen van iemand waardoor die persoon aardig, leuk en vriendelijk wordt gevonden
charme
/χɑsiˈdɪsmə/
noun
1.
chasidisme
/ˈtʃɑtə(n)/, /ˈtʃɛtə(n)/
verb
1. op synchrone wijze met elkaar korte tekstberichten uitwisselen
chatte
/ʃaʊ̯.ˈføːr/, /ʃo.ˈføːr/, /ʃo.ˈfʏːr/
noun
1. de bestuurder van een motorvoertuig
chauffør
noun
chauvinisme
noun
1. Acinonyx jubatus, een zeer snel Afrikaans katachtig roofdier
gepard
noun
kemikalie
noun
1. wetenschap die zich bezig houdt met de kennis van de stoffen ...
kemi
adjective
1. dat wat tot de chemie behoort, volgens de chemie
kemisk
noun
grundstof
noun
1. behandeling van kanker met medicijnen
kemoterapi
/ʃɛk/
noun
check
/ˈxerʏp/
noun
1.
kerub
/sʲik/
noun
1. modieus verfijnd
stilig
/ˈʃi.li/
pronoun
1. een land in Zuid-Amerika, grenzend aan Peru, Bolivia en Argentinië en ingeklemd liggend tussen de Stille Zuidzee en het Andesgebergte
Chile
/ˈtʃɪlə(n)/
verb
1. tot rust komen, ontspannen
chille
/ˌʃɪm.pɑn.ˈse/
noun
1. Pan troglodytes, de meest aan de mens verwante mensaap, leeft in Centraal-Afrika
chimpanse
/ˈʃi.na/
pronoun
1. een land in Oost-Azië, officieel de Volksrepubliek China
Kina
noun
chinchilla
/ʃi.ˈnes/
adjective
1. betreffende China
kinesisk
/ʃi.ˈnes/
pronoun
  1. 1. de voornaamste taal die in China gesproken wordt
  2. 2. persoon
kinesisk
noun
(bladeren van) Brassica rapa subsp. pekinensis
kinakål
noun
1. bepaald soort kreeftachtige,
kinesisk uldhåndskrabbe
/ʃi'rʏr(ə)x/
noun
1. specialist
kirurg
noun
1. de wetenschap van en de vaardigheid in het opereren
kirurgi
noun
klor
noun
klorid
noun
kloroform
/ˌʃo.ko.ˈla/
noun
1. een lekkernij die gemaakt is van cacao, suiker en cacaoboter
chokolade
/ˌʃo.ko.ˈla.də/, /ˌʃɔko.ˈla.də/
noun
1. een lekkernij die gemaakt is van cacao, suiker en cacaoboter
chokolade
noun
1. drank gemaakt van cacao, suiker en melk
chokolademælk
noun
1. een veelal ronde, bruingekleurde taart, waarin chocolade of cacao verwerkt is
chokoladekage
noun
choker
/χoləra/
noun
1. een zeer besmettelijke infectieziekte die de darmen aantast
kolera
noun
1. vet dat in je lichaamscellen zit, zoals galvet, lichaamsvet
kolesterol
noun
koreograf
noun
koreografi
adjective
1. te maken hebbend met het christendom
  1. kristen
  2. kristelig
/ˈkrɪs.tən/
noun
1. een belijder van de christelijke godsdienst
kristen
/ˈkrɪ.stən.ˌdɔm/
noun
1. een religie gebaseerd op het evangelie en leven van Jezus zoals beschreven in het Nieuwe Testament
kristendom
/ˈxrɪstʏs/
pronoun
Kristus
/ˌɣro.mo.zo.ˈmal/, /ˌɣro.mo.zo.ˈmaɫ/, /ˌχro.mo.zo.ˈmaɫ/
adjective
1. met betrekking tot de chromosomen, de eiwitten die erfelijke informatie bevatten
kromosomal
/ˌχroʊmoʊˈsoʊm/
noun
1. staafachtig lichaampje
kromosom
/ˈkronis/
adjective
1. voortdurend, aanhoudend
kronisk
/xrono.lo'ɣiː/
noun
1. de wetenschap die zich bezig houdt met het rangschikken in de tijd van historische gebeurtenissen
kronologi
adjective
1. naar tijdstip gerangschikt
kronologisk
noun
krom
noun
1.
krysantemum
noun
1. groot, halfvleugelig insect, leeft in Zuid-Europa en in de tropen (Cicadidae)
cikade
/ˌsikoˈrɛɪ/
noun
cikorie
noun
1. vruchtenwijn uit gegist appelsap of perensap
  1. cider
  2. æblevin
noun
1. een enkelvoudig symbool om een telbaar aantal aan te duiden
ciffer
noun
cylinder
noun
1. bepaald soort naaldboom, Cupressus sempervirens
cypres
noun
  1. 1. attractie
  2. 2. chaotische toestand
cirkus
/ˈsɪrkəɫ/
noun
cirkel
/ˈsɪrkəlzax/
noun
1. motorzaag met een rond zaagblad
rundsav
noun
1.
cirrose
noun
1. aanhaling, ontleende passage
citat
noun
1. een snaarinstrument dat voornamelijk gebruikt wordt in het Duitstalige deel van Europa
  1. citar
  2. citer
verb
1. eigen of andermans woorden ontlenen
citere
noun
1. ovale, gele zure vrucht van de citroenboom
citron
noun
1. Melissa officinalis, een vaste plant die naar citroen ruikt; van de bladeren kan thee gezet worden
Citron-Melisse
noun
1. en 2. schil van een citroen
citronskal
noun
citronsyre
noun
1. Viverra, een geslacht van kleine slank gebouwde roofdieren dat ---
desmerdyr
/klʌstrofoˈbiː/, /klʌustrofoˈbiː/
noun
1. vrees voor afgesloten ruimten
klaustrofobi
/klʌʊˈsylə/
noun
1. een extra bepaling in een ambtelijke brief.
klausul
noun
1. klimplant uit de ranonkel familie met veel bloemen
skovranke
noun
1. gevoelig orgaan bovenaan de schaamspleet van de vrouw dat voor de seksuele opwinding zorgt
klitoris
noun
1. de gecombineerde darm- en urineuitgang bij bepaalde diersoorten
gat
noun
een verwijzing naar het internet
sky
/kloːn/, /klʌːun/
noun
  1. 1. komische artiest
  2. 2. bespottelijk iemand
klovn
/klɵp/
noun
  1. 1. besloten gemeenschap
  2. 3. golfstok
klub
/kowaˈli(t)si/
noun
1. verbond van twee of meer partijen, mogendheden of staten om een gemeenschappelijk doel te bereiken
koalition
noun
1. vrachtschip kleiner dan 1800 Brut Register Ton (1 BRT = 2,83 m³)
coaster
noun
1. een drug die bereid wordt uit de bladeren van de coca die euforie en ongevoeligheid voor pijn veroorzaakt en leidt tot verslaving
kokain
noun
1. drankje bestaande uit gemixte alcoholische dranken
cocktail
noun
kokon
/'kodə/
noun
kode
verb
1. in een code brengen
kode
noun
cognac
/kɔxniˈtif/
adjective
1. met betrekking tot het leerproces
kognitiv
noun
1. ontgaste steenkool
koks
noun
2. koolzuurhoudende frisdrank
cola
verb
1. met de vijand samenwerken
kollaborere
noun
1. een ruimte waarin les wordt gegeven aan studenten
høresal
noun
kolloid
/ko.ˈlɔm.bi.ja/
pronoun
1. een land in het noordwesten van Zuid-Amerika
Colombia
/ko'lɔnə/
noun
  1. 2. vijfde colonne: een groep mensen die zich voordoet als loyaal, maar die in dienst staat van de vijand en in het geheim ondermijnende acties uitvoert
    femte kolonne
  2. 1. rij van militairen of voertuigen in een groot aantal gelederen van kleine frontbreedte
    kolonne
noun
1. een kever die op de aardappelplant leeft van ongeveer 1 cm lang en met een geel...
coloradobille
noun
1. de eerste, gelige moedermelk
råmælk
/ˈkoːmaː/
noun
1. volkomen bewusteloosheid
koma
noun
komité
noun
kommandør
/kɔmən'tar/
noun
  1. 2. kritiek
    1. bemærkning
    2. kommentar
  2. 1. toelichting of verklaring
    1. kommentar
    2. bemærkning
/kɔmərˈʃel/, /kɔmɛrˈsjel/
adjective
1. zakelijk
kommerciel
noun
1. een groep personen aan wie een bepaalde opdracht wordt gegeven of die voor een bepaald doel bijeenkomen
kommission
/ˌkɔ.my.nɪ.ˈkaː.si/, /ˌkɔmyniˈkasi/, /ˌkɔmyniˈkaʦi/
noun
1. het uitwisselen van informatie
kommunikation
/kɔ.ˈmy.ni/, /kɔ.ˈmyː.nɪə̯/
noun
1. de gemeenschap met lichaam en bloed van Jezus Christus in de vorm van brood en wijn
kommunion
noun
kommuniké
/kɔmyˈnɪsmə/
noun
1. ideologie die gericht is op gemeenschappelijk bezit van productiemiddelen en verbruiksgoederen
kommunisme
noun
kommunist
noun
kommunitarisme
/ko.ˈmoː.rə(n)/, /ko.ˈmo̝ː.rə(n)/
pronoun
2. staat gevestigd op de gelijknamige eilanden
Comorerne
noun
2. het samengedrongen en daardoor stevig zijn
kompakthed
noun
1. wedijver, concurrentie
konkurrence
/kɔmplɛks/
adjective
1. ingewikkeld
kompleks
verb
1.(nodeloos) ingewikkeld maken
komplicere
noun
1. een lovende of vleiende opmerking
kompliment
noun
1. iemand die muziekstukken schrijft
komponist
noun
een samengesteld materiaal dat is opgebouwd uit verschillende componenten
kompositmateriale
noun
  1. 1. een muziekstuk, werkstuk van een componist
  2. 2. samenstelling
billedkomposition
noun
1. is het residu dat ontstaat na ontbinding van organisch materiaal (d.w.z. van plantaardige of dierlijke oorsprong)
kompost
verb
1. tot compost verwerken
kompostere
noun
1. samendrukking
kompression
/kɔmproˈmi/
noun
1. overeenkomst waarbij de betrokken partijen concessies doen...
kompromis
/kɔm.ˈpju.tər/, /kɔm.ˈpɪ̯uː.tər/
noun
1. informatieverwerkende machine
  1. datamat
  2. computer
noun
1. een programma dat geïnstalleerd en gebruikt kan worden op een computer
computerprogram
noun
1. een spel dat via of met de computer gespeeld wordt
computerspil
noun
1.
computervirus
noun
datalogi
noun
koncentration
noun
1. afgesloten terrein met barakken waar machthebbers bepaalde groepen mensen zonder rechtsgang onder dwang van de samenleving afgezonderd houden
koncentrationslejer
verb
1. op één plek samenbrengen
koncentrere
adjective
1. van cirkels of bollen dat ze het zelfde middelpunt hebben (maar niet dezelfde straal)
koncentrisk
noun
1. een ontwerp, een project
projekt
noun
1. een muziekuitvoering door een orkest etc.
koncert
/kɔn.si.ˈjɛr.ʒə/, /kɔn.ˈʒɛr.ʒə/
noun
1. een huisbewaarder, een toezichter in een gebouw
vicevært
noun
1. een besloten kerkvergadering van kardinalen waarbij een paus gekozen wordt
konklave
/ˌkɔŋklyˈderən/
verb
2. (overgankelijk) tot een besluit komen
slutte
/kɔnˈkret/
adjective
2. in realiteit bestaand
konkret
noun
1.
konkurrence
/kɔndɛn'zasi/
noun
kondensation
noun
1. elektrische component
  1. kondensator
  2. kapacitor
noun
  1. 2. voorwaarde
  2. 1. gezondheidstoestand
betingelse
noun
1. leerproces waarbij een organisme zich aanpast aan de omgeving
betingning
noun
  1. kondom
  2. præservativ
noun
elektrisk konduktans
noun
konføderation
noun
konference
noun
1. felgekleurde papiersnippers
konfetti
/kɔnfixy'rerə(n)/
verb
1. opbouwen en aanpassen aan eigen behoefte
konfigurere
noun
1.
konfirmation
verb
1. van staatswege in beslag nemen
konfiskere
noun
konformitet
noun
konfrontation
noun
konfucianisme
/kɔŋˈɣrɛs/, /kɔŋˈχrɛs/
noun
1. een grote vergadering van deskundigen op een bepaald vakgebied
kongres
adjective
1. de vorm hebbend van een (afgeknotte) kegel
konisk
noun
1. een noodzakelijk gevolg
konsekvens
/kɔnsɛrvaˈtif/
adjective
1. vasthoudend aan het oude en vertrouwde
konservativ
noun
konservatisme
noun
1. een school in het hoger onderwijs waar men zich kan laten opleiden tot professioneel musicus, acteur/actrice of danser(es)
konservatorium
noun
konsortium
pronoun
Konstantinopel
noun
1. verstopping, harde of uitblijvende ontlasting
forstoppelse
adjective
konstitutionel
/ˌkɔnstrʏkˈtif/
adjective
1. opbouwend
konstruktiv
noun
  1. 1. Romeins overheidspersoon
  2. 1. vertegenwoordiger
konsul
noun
1.
konsulat
noun
1. een deskundige raadgever
konsulent
noun
konsultation
verb
  1. 1. verorberen
  2. 2. verbruik van goederen en diensten in de economie
indtage
verb
1. contact opnemen met
kontakte
noun
1. een zeer kleine glazen of kunststof lens die men direct op de oogbol plaatst ter vervanging van een bril
kontaktlinse
noun
container
noun
containerskib
noun
1. verontreiniging of besmetting met chemische stof of bacterie
kontamination
/ˈkɔntɛkst/
noun
1. verband waarin iets zich voordoet
  1. kontekst
  2. sammenhæng
noun
1. een werelddeel
kontinent
/ˌkɔntinyˈweːrə(n)/
verb
1. voortzetten
  1. fortsætte
  2. vare
noun
kontinuitet
noun
1. het laagstklinkende muziekinstrument van de strijkinstrumenten
kontrabas
noun
1. (muziekinstrument) fagot waarvan de noten een octaaf lager klinken dan de gewone fagot
kontrafagot
adjective
kontraproduktiv
noun
kontrolrum
verb
1. inspecteren, toezicht houden, onderzoeken, nazien
kontrollere
adjective
1. onderwerp zijnde van een twist
kontroversiel
noun
konvektion
adjective
1.
cool
noun
1. scheikundig element met symbool Cn en atoomnummer 112
copernicium
/ˈkɔrnis/, /ˈkɔrnɪs/
pronoun
1. een Keltische taal die gesproken wordt in Cornwall
  1. kornisk
  2. Kornisk
pronoun
1. schiereiland in het zuidwesten van Engeland
  1. Kernow
  2. Cornwall
noun
1. iemand die is komen te overlijden als gevolg van het besmet geraakt te zijn met een coronavirus
coronadødsfald
noun
1. een epidemie van een coronavirus op wereldwijde schaal
coronapandemi
noun
1. samenhang
korrelation
verb
korrespondere
noun
1. roest, een langzame verbinding met zuurstof
korrosion
noun
1. bedrog vanwege oneerlijkheid
korruption
/'kɔrsɪkɑ/
pronoun
1. Frans eiland
Korsika
pronoun
1. een taal die op Corsica gesproken wordt
korsikansk
noun
cosinus
/ˌkɔs.ta.ˈri.ka/
pronoun
1. een staat in Midden-Amerika, tussen Panama en Nicaragua
Costa Rica
noun
coulomb
noun
strofe
noun
1. massamedium
avis
noun
1. Cucurbita pepo, een groente uit de komkommerfamilie
  1. courgette
  2. squash
noun
couscous
noun
1. hoed gedragen door een cowboy
cowboyhat
noun
1. bepaald soort zoogdier, Canis latrans
prærieulv
noun
1. een constante factor van een onbekende of van een veranderlijke grootheid
koefficient
noun
1. seks waarbij de man met zijn penis het lichaam van de partner binnengaat
coitus
noun
2. op samenwerking gegronde vereniging of bedrijf
kooperativ
noun
1. onderlinge afstemming, het coördineren
koordination
verb
1. zo organiseren dat alles en iedereen goed kan samenwerken
koordinere
noun
1. bepaald soort struik en 2. vrucht daarvan, Vaccinium macrocarpon
storfrugtet Tranebær
noun
1.
kreatin
noun
1. gedrevenheid of vaardigheid om iets oorspronkelijks te maken
kreativitet
noun
kreditkort
verb
kremere
noun
1. een taal die is ontstaan doordat bevolkingsgroepen die twee verschillende talen spraken met elkaar in contact kwamen en een nieuwe taal ontwikkelden
kreolsprog
/kreˈjeːrə(n)/
verb
1. iets nieuws maken, iets scheppen
skabe
noun
1. de misdadigheid, het begaan van misdaden
kriminalitet
adjective
1. met betrekking tot misdaad
kriminel
noun
1. iemand door zich onderhoudt door de wet te breken
kriminel
noun
1. sociologie van misdaad en misdadigheid
kriminologi
noun
1. een zware noodsituatie waarbij het functioneren van een stelsel ernstig verstoord raakt
krise
/kriˈterijʏm/
noun
1. toets, een doorslag gevende reden
kriterium
/krʋɑˈsɑ̃/
noun
1. halvemaanvormig broodje
croissant
noun
1. vakantie op een varend schip met uitgebreide voorzieningen voor de passagiers
krydstogt
noun
1. een passagierschip dat gebouwd en uitgerust wordt om er cruises mee te maken.
krydstogtskib
noun
kryptoanalyse
noun
1.
crepepapir
/ˈky.ba/
pronoun
eiland en land in het Caribisch gebied
Cuba
adjective
1. met betrekking tot de kookkunst
kulinarisk
noun
1. film die populair is bij een kleine maar betrokken groep fans
kultfilm
/kʏltyˈrel/
adjective
1.met betrekking tot cultuur
kulturel
noun
kult
/kɵl'tyːr/
noun
1. het patroon van menselijke activiteit en de symbolische structuren,...
kultur
/ky.ra.ˈsʌʊ̯/, /kyː.ra.ˈzaʊ̯/
pronoun
1. een eiland en 2. een land
Curaçao
noun
2. gele voedselkleurstof
  1. curcumin
  2. gurkemejeekstrakt
noun
curium
noun
1. een precisiesport die lijkt op bowls, jeu de boules en bocce, die op ijs gespeeld wordt gespeeld met zware stenen in plaats van metalen (of plastic) ballen
curling
adjective
1.
kursiv
verb
1. met schuine letters drukken
kursivere
noun
sving
noun
internetangreb
noun
1. wetenschap van de besturing van systemen
kybernetik
/ˈsiklis/
adjective
1. regelmatig terugkerend
cyklisk
noun
2.
orkan
noun
kiklop
noun
1. terugkerende, regelmatige reeks
cyklus
/ˈsinis/
adjective
kynisk
noun
1. inwoner van Cyprus
cypriot
adjective
1. op Cyprus betrekking hebbend
cypriotisk
/ˈki.prʏs/, /ˈsi.prʏs/
pronoun
land in de Middellandse Zee, tussen Europa en Azië, officieel de Republiek Cyprus, eiland in de Middellandse Zee
Cypern
/sɪˈrɪlɪs/
adjective
1. betrekking hebbend op een alfabet
kyrillisk
noun
1. een alfabet dat geschreven wordt in het cyrillisch schrift
kyrillisk alfabet
/ˈkɪstə/
noun
1. holte gevuld met vocht
cyste
/ˌsitɔˈplɑsma/
noun
cytoplasma
/ˈsitoskəˌlɛt/
noun
1.
cytoskelet
/daˈsit/
noun
1. vulkanisch stollingsgesteente.
dacit
noun
1. zoete bruine vrucht van de dadelpalm
daddel
noun
1. palm waaraan dadels groeien
daddelpalme
noun
1. iemand die iets (slechts) gedaan heeft
gerningsmand
/dɑx/, /dɑχ/
noun
  1. 1. tijd waarin een hemellichaam volledig om zijn as draait
  2. 2. tijd tussen zonsop- en zonsondergang
dag
noun
1. klassiek massamedium, gedrukt op papier en gericht op het verspreiden van nieuws
  1. dagblad
  2. avis
noun
dagbog
adverb
1. iedere dag
daglig
noun
1. het aanbreken van de nieuwe dag, de tijd net voor zonopkomst
daggry
/'dɑxlɪxt/
noun
1. licht van de zon
dagslys
noun
1. bepaalde soort dagvlinder, Aglais io
dagpåfugleøje
noun
daguerreotypi
noun
1. een oproep om voor een rechtbank te verschijnen
stævning
noun
1.
dahlia
pronoun
Dahomey
noun
1. deel dat een gebouw aan de bovenkant bedekt en bescherming biedt tegen het weer
tag
noun
1.
tækker
noun
1. een langgerekte bakvormige of halfronde constructie voor het afvoeren van (regen)water dat van het dak komt
tagrende
noun
1. iemand die op de straat leeft, zonder vaste verblijfplaats
hjemløs
noun
1. elkaar overlappende stenen of betonnen elementen waarmee een schuin dak lekdicht gedekt wordt
tagsten
noun
1. raam dat in een dak zit
kvistvindye
/dɑl/
noun
1. een laagte in een heuvel- of bergstreek
dal
pronoun
1.
Dalmatien
noun
1. weeftechniek, waarbij tekeningen aangebracht worden op een achtergrond van dezelfde kleur
damask
noun
1. een bord met honderd afwisselend witte en zwarte vakken waarop het damspel gespeeld wordt
dambræt
/daːmə/
noun
  1. 1. beschaafde vrouw
    dame
  2. 3. koningin in het schaakspel
    1. dame
    2. dronning
noun
1.
mine damer og herrer
phraseologicalUnit
1. etiquetteregel
damerne først
noun
1. Dama dama, behoort tot de familie Cervidae, hert met een breed plat gewei...
dådyr
verb
1. het damspel spelen
dam
/dɑmp/
noun
1. de gasvormige toestand van een stof, de toestand die ontstaan is door verdamping
damp
noun
2. huishoudelijk apparaat in de keuken dat de kookluchtjes moet afvoeren
emhætte
conjunction
1. na een vergrotende trap van een bijvoeglijk naamwoord of van een bijwoord.
end
pronoun
3. jongensnaam
Daniel
interjection
1. uitdrukking van dankbaarheid
tak
adjective
1. erkentelijk voor ontvangen hulp
taknemmelig
noun
1. het dankbaar zijn
  1. taknemmelighed
  2. taknemlighed
verb
takke
noun
1. een verzameling sierlijke bewegingen, meestal op basis van een muzikaal ritme
dans
verb
1. ritmisch bewegen
danse
noun
1. mannelijk persoon die danst
danser
/dɑnsə'rɛs/
noun
1. een vrouwelijk persoon die danst
danserinde
noun
1. iemand die op een dansschool dansles geeft
danselærer
noun
dansegulv
/ˈdɑpər/
adjective
geen angst voor gevaar tonend
modig
noun
1. mannelijke bij
drone
/dɑrm/
noun
1. onderdeel van het spijsverteringsstelsel tussen de maag en de anus
tarm
noun
darmstadtium
noun
1. evolutieleer die het ontstaan van de soorten verklaart door natuurlijke selectie uit varianten die bij reproductie optreden
darwinisme
/dɑs/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Meles meles
grævling
/ˈdɑs.lok/
noun
1. sterk riekende, eetbare plant uit de lookfamilie
ramsløg
conjunction
1. een voegwoord dat een lijdend-voorwerpszin inluidt
at
verb
1. meerdere dates, afspraakjes maken met iemand.
gå ud med
verb
1. de datum van ontstaan bepalen
datere
noun
de derde van de acht naamvallen van de Indo-Europese talen
dativ
noun
1. Russisch buitenverblijf
datja
noun
1. een tijdsaanduiding die bestaat uit een dag(nummer), een maand en een jaar
dato
noun
dauphin
noun
dug
pronoun
David
phraseologicalUnit
1. het opgeven
kaste håndklædet i ringen
/də ˌɦœy̯t ˈnit fɛrˈkoː.pə(n) ˌvoːr də ˈbeːr ɣəˈsxoː.tə(n) ˌɪs/
phraseologicalUnit
pels ikke bjørnen før den er skudt.
verb
1. een lastige kwestie voortvarend en vastberaden aanpakken
tage tyren ved hornene
verb
1. iets heel treffend verwoorden
ramme hovedet på sømmet
interjection
1. er is een onomkeerbare stap gezet
terningen er kastet
noun
  1. 1. Verkoper
  2. 2. Drugshandelaar
forhandler
noun
1. extreme subgenre van heavy metal
dødsmetal
noun
debat
/deˈbil/
noun
  1. 1. iemand die min of meer zwakzinnig is
  2. 2. bespottelijk iemand, halve gare, idioot
debil
noun
1. een mannelijk persoon die voor de eerste maal in het openbaar optreedt, speelt of publiceert
debutant
verb
1. voor de eerste keer doen
debutere
noun
  1. 2. hoofd van een faculteit
  2. 1. C10H22
dekan
verb
1. het afgieten van een vloeistof nadat de vaste stof in de vloeistof bezonken is
dekantere
noun
1. de twaalfde en tevens laatste maand van het jaar
december
noun
1. een lengtemaat met een waarde van één tiende meter
decimeter
/dekliˈna(t)si/
noun
1, 2
deklination
noun
1. laag uitgesneden halslijn bij vrouwenkleding
kavalergang
verb
1. methoden en technieken gebruikt om bouwwerken, meubels of andere objecten te verfraaien
udsmykke
noun
1. ongebakken kneedbare uitgangsmateriaal voor het bakken van diverse broden en gebak
dej
noun
1. rol om deeg uit te rollen
kagerulle
/ˈdeːl/
noun
  1. 1. een afsplitsing van een geheel
  2. 2. één uit een reeks
del
verb
1. meedoen, meevoelen
  1. deltage
  2. participere
noun
1. iemand die meedoet aan een wedstrijd of ander evenement
deltager
noun
1. symbool om deling aan te duiden
divisionstegn
noun
2. onderdeel van een atoom
partikel
noun
højenergifysik
noun
partikelaccelerator
noun
  1. participium
  2. tillægsform
/den/, /deːn/
noun
1. een inwoner van Denemarken
dansker
/dens/, /deːns/
adjective
1. betreffende Denemarken of het Deens
dansk
/dens/, /deːns/
pronoun
1. een Germaanse taal die wordt gesproken in Denemarken
dansk
/ˈdensə/, /ˈdeːnsə/
noun
dansker
noun
1. Duits hondenras dat gefokt werd als waakhond
Grand Danois
adjective
1. van iets dat het gebreken vertoont
ufuldstændig
noun
1. begripsbepaling
definition
verb
definere
noun
1. het vallen van het prijspeil waardoor het geld in waarde toeneemt
deflation
noun
6. verwijzing naar een lagere speelklasse
nedrykning
verb
1. drogen, droog maken, van vocht ontdoen
afvande
pronoun
  1. 1. Griekse god van de paniek
  2. 2. kleinste van de twee manen van Mars
Deimos
noun
1. een verdieping op een schip
dæk
noun
1. dikke deken gevuld met isolerend materiaal
dyne
/dekə(n)/
noun
1. een (vaak dikke) doek, met de functie om iemand te bedekken en daarmee warm te houden (tijdens de slaap)
tæppe
verb
  1. 1.
  2. 5. paren
dække
noun
gemmested
noun
1. een voorwerp om een hol open lichaam mee af te dekken
låg
noun
  1. 1. afvaardiging
  2. 3. schuldoverneming
delegation
verb
1. taken en verantwoordelijkheden doorgeven
delegere
verb
2. in meer dan één stuk snijden of hakken
dividere
pronoun
1. het nationaal hoofdstedelijk territorium van India waarin de nationale hoofdstad New Delhi gelegen is. Het territorium is gesitueerd in het noorden van het land
Delhi
noun
delta
noun
demagogi
noun
1. een aandoening van de hersenen waardoor de verstandelijke en cognitieve vermogens verminderen
demens
noun
demokrati
adjective
1. in overeenstemming met de principes van een democratie
demokratisk
noun
1. de studie van alles wat de omvang, samenstelling en spreiding van een bepaalde bevolkingsgroep en de veranderingen hierin betreft
demografi
verb
demonstrere
/dɛmpən/
verb
1. zwakker maken, de kracht verminderen van
amortisere
pronoun
1. de hoofdstad van de provincie Zuid-Holland en tevens de stad waar de Nederlandse regering zetelt
Haag
noun
dendrit
/ˈdenəˌmɑrkə(n)/, /ˈdeːnəˌmɑrkə(n)/
pronoun
1. een Scandinavisch land in Noord-Europa
Danmark
verb
  1. 1. een oplossing zoeken
  2. 3. een bepaalde mening toegedaan zijn
tænke
noun
otteradet ulvefod
noun
1. het been waaruit tanden bestaan
dentin
noun
deontologi
noun
deportation
noun
afskrivning
noun
1. ziekelijke neerslachtigheid
depression
/ˈdɛrdə/
noun
1. door drie gedeeld iets
tredjedel
/ˈdɛrdə/
ordinalAdjective
1. betrekking hebbend op nummer drie in een rij
tredje
noun
tredje person
pronoun
Det Tredje Rige
noun
1. huidontsteking
dermatit
noun
1. een specialisme binnen de geneeskunde dat zich bezighoudt met aandoeningen van de huid, de nagels en het haar, samen huidziekten genoemd
dermatologi
noun
1. Huidspecialist
dermatolog
cardinalNumeral
1. het getal 13
tretten
ordinalAdjective
trettende
cardinalNumeral
1. het getal 30
  1. tredive
  2. tredve
verb
desertere
noun
1.
desertør
noun
1. onjuiste of misleidende informatie, die bewust verstrekt wordt met het oogmerk...
desinformation
noun
1. een specialist
ekspert
noun
1. proces waarin een specifieke soort atomen of moleculen wordt losgemaakt uit een vaste stof en daaruit verdwijnt
desorption
noun
  1. dNA
  2. deoxyribonukleinsyre
adjective
1.
despotisk
noun
despoti
noun
dessert
noun
1. onderdeel, kleinigheid
detalje
verb
1. iemand van staatswege gevangen houden
tilbageholde
noun
1. iets dat goed is in zedelijk opzicht
dyd
adjective
1. bereid zich te gedragen in overeenstemming met algemeen aanvaarde waarden
dydig
/døk/
noun
1. vervorming van het oppervlak van een voorwerp in de vorm van een put of uitholling, meest veroorzaakt door botsing met een ander voorwerp
  1. bule
  2. bulk
/døːr/
noun
1. een afsluiting van een toegang tot een ruimte, gemaakt van hout, metaal of kunststof
dør
noun
1. een handvat waarmee een deur wordt geopend of gesloten
dørhåndtag
noun
1. een kleine mat, waarop men bij de deur de schoenen kan afvegen
dørmåtte
/dewteɾoˈnomjum/
pronoun
Femte Mosebog
/'devəntər/
adjective
1. gemeente en oudste stad in de provincie Overijssel
Deventer
noun
1. woord of korte tekst die snel en tegelijkertijd duidelijk een bepaalde boodschap moet overbrengen
motto
conjunction
1. geeft onderschikkend een reden aan
da
demonstrativePronoun
samme
/deʲɪsmə/
noun
deisme
noun
1. stofwisselingsziekte waarbij het lichaam geen of te weinig insuline produceert
diabetes
noun
1. band (met edelstenen versierd) voor om het hoofd
diadem
noun
1. vaststelling van een ziekte
diagnose
/'dɪɑɣnɔstɪ'seːrə(n)/
verb
1. aan de hand van verschijnselen de ziekte bepalen
diagnosticere
adjective
diagnostisk
adjective
diagonal
noun
een rechte lijn die twee niet-opeenvolgende hoekpunten van een veelhoek verbindt.
diagonal
noun
een vierkante matrix waarvan alle elementen buiten de hoofddiagonaal (↘) 0 zijn
diagonalmatrix
noun
1. een symbolische en grafische voorstelling van een aantal zaken en hun onderling verband
diagram
noun
diakon
/diaˈlɛkt/
noun
1. een variant van een taal met kenmerkende grammaticale, fonologische en andere kenmerken
dialekt
/ˌdi.ja.ˌlɛk.to.lo.ˈɣi/, /ˌdi.ja.ˌlɛk.to.lo.ˈχi/
noun
1. de wetenschap die regionale verschillen tussen taalvariëteiten bestudeert
dialektforskning
noun
dialog
noun
  1. 1. een uiterst hard, doorzichtig mineraal met kubische symmetrie dat uit koolstof bestaat
  2. 2. een edelsteen gesneden uit [1]
diamant
noun
1. middellijn
diameter
/diɑ're/
noun
1. darmstoornis die dunne ontlasting veroorzaakt
  1. diarré
  2. diarre
/diˈjaspora/
noun
diaspora
adjective
1. compact
tæt
preposition
1. op een korte afstand van
nær
noun
1. iemand die poëtische kunst voortbrengt
digter
noun
1. compactheid
densitet
noun
1. iemand die als enige de macht in een land in handen heeft
diktator
noun
1. staatsvorm waarbij de macht vrijwel volledig in handen van één of enkele personen ligt
diktatur
/ˈdɪk.tʏm/
noun
1. beschikkend gedeelte van een vonnis of arrest
afgørelse
demonstrativePronoun
  1. 1. wijst iets aan dat zich niet in de onmiddellijke nabijheid van de spreker bevindt
  2. 2. ter aankondiging van een bepaling
de
noun
2. een aanpassing in het eet- en voedingspatroon
diæt
/dif/
noun
1. iem. die steelt
tyv
noun
1. het zich onrechtmatig toe-eigenen van goederen of andere bezittingen die aan een ander toebehoren
tyveri
noun
bakke
/ˈdinən/
verb
1. werken voor; in dienst zijn van
tjene
noun
1.
tjeneste
/ˈdinst.plɪxt/
noun
1. verplichting om ergens te werken
værnepligt
adjective
1. waar de bodem ver naar beneden is
dyb
/'diptə/
noun
1. de mate waarin iets diep is
dybde
/diːr/
noun
1. met zintuigen uitgerust meercellig organisme dat zijn energie verkrijgt uit andere dierlijke of plantaardige organismen
dyr
adjective
1. waaraan men grote waarde hecht
kær
noun
1. arts voor dieren, met name kleine huisdieren
dyrlæge
noun
1. de verzameling van alle diersoorten
dyreriget
/ˈdiːrə(n)ˌtœʏ̯n/, /ˈdiːrə(n)ˌtœːn/
noun
1. een verzameling levende, oorspronkelijk wilde dieren.
zoologisk have
noun
1. de wetenschap die de dieren bestudeert.
zoologi
noun
1. dieselmotor
diesel
noun
dieselmotor
noun
vergelijking voor een functie waarin een of meer van de afgeleiden van die functie voorkomen
differentialligning
noun
differentiale
noun
1. infectieziekte
difteri
noun
1. het verschijnsel dat een diftong overgaat in een monoftong
brydning
adjective
digital
/dɛj/
noun
1. het deel van het menselijk been tussen heup en knie
lår
noun
lårben
noun
1. een waterkering ter bescherming van het achterliggende land
dige
/dɪk/
adjective
  1. 3. een naar verhouding grote lichaamsomvang hebbend
    tyk
    1. 1. een naar verhouding grote dwarsdoorsnede hebbend
    2. 2. de genoemde dwarsdoorsnede hebbend
    3. 4. ruim
    4. 5. hecht
    5. 6. nauw aaneengesloten
    6. 7. weinig vloeibaar
    tykt
noun
1. bepaalde soort vis, Chelon labrosus
tyklæbet grå multe
adverb
ofte
noun
  1. fedtbjerg
  2. fedtklump
/dɪ'lɛmɑ/
noun
moeilijke keuze
  1. dilemma
  2. knibe
noun
1. de plant en de bladeren van het kruid
dild
verb
1. het diner gebruiken
spise
noun
1. voorwerp
ting
noun
1. Canis lupus dingo, een Australische wilde hond
dingo
/ˌdinoˈsʌʊrəs/
noun
1. een lid van een uitgestorven groep van reptielen, waartoe de grootste landdieren behoren die ooit bestaan hebben
  1. dinosaurus
  2. dinosaur
noun
1. dag van de week die na maandag en voor woensdag komt
tirsdag
noun
diode
noun
1. een bewijs van bevoegdheid
diplom
noun
1. iemand die in het buitenland zorgt voor de politieke relaties met zijn eigen land
diplomat
noun
1. de kunst en de kunde van het voeren van overleg
diplomati
adjective
1. zonder te wachten, zonder iets daartussen
direkte
adverb
1. zonder te wachten, zonder omweg
direkte
noun
1. een leider van een orkest, koor of ander muziekgezelschap
dirigent
noun
1. beschrijvend overzicht van de elpee's of cd's van een artiest of muziekgroep
diskografi
adjective
1. zonder aandacht te trekken, onopvallend
diskret
noun
1. onverwachte onderlinge afwijking
diskrepans
noun
  1. diskrimination
  2. diskriminering
/ˈdɪskʏs/
noun
1. een zware werpschijf die gebruikt wordt bij de atletische sport discuswerpen.
  1. diskos
  2. skive
noun
1. een gedachtewisseling waarbij doorgaans verschillende meningen worden uitgewisseld
diskussion
verb
diskutere
noun
1. een atletiekdiscipline waarbij men een discus zo ver mogelijk probeert te werpen
diskoskast
noun
diskvalificering
/dɪsəl/
noun
3. houtbewerkingsbijl
skarøkse
noun
  1. doktorafhandling
  2. licentiat
adjective
dissident
adjective
1. naar het einde van de ledematen toe
distal
noun
tidsel
noun
1. verdeling, verspreiding
fordeling
noun
1. het gebied van een lokale overheid
distrikt
demonstrativePronoun
dette
noun
1. (weinig gebruikte) scheikundige term voor water (H2O)
dihydrogenmonoxid
/(d)ʒi.ˈbu.ti/, /dji.ˈbu.ti/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika 2. de hoofdstad van
Djibouti
pronoun
1.
Dnepr
noun
1. kubusvormig voorwerp met op elk van de zijden een van de ogenaantallen één tot en met zes
terning
noun
1. een vrouwelijk kind
datter
/ˈdɔktɔr/
abbreviation
1. een academicus die een goedgekeurd proefschrift heeft geschreven
doktor
noun
1. een verzameling leerstellingen of dogmas die niet ter discussie staan
doktrin
noun
1. een verzameling gegevens
dokument
/dokymɛn'taʦi/
noun
1. geschreven materiaal dat een bepaald onderwerp om- en beschrijft
dokumentation
noun
1. iemand die dood is, een gestorvene, overledene
afdød
/'do:dələk/
adjective
1. de dood veroorzakend
  1. dødbringende
  2. dødelig
/ˈdo.də(n)/
verb
1. iemand van het leven beroven.
  1. dræbe
  2. ihjelslå
  3. slå ihjel
noun
1. dans van De Dood
danse macabre
/ˈdodə(n)ˌmɪs/
noun
1. een mis opgedragen voor een overledene
rekviem
/ˈdudɔɫˌzɑk/, /ˈdudəlˌzɑk/
noun
1. een rietinstrument waarbij het riet indirect bespeeld wordt via een luchtzak
sækkepibe
noun
4. gordijn
tæppe
noun
  1. 1. een van de twee gemarkeerde ruimten op een sportveld
  2. 1. het punt waarop men zich richt
mål
noun
målgruppe
noun
1. de lijn die het doel scheidt van de rest van het veld
mållinje
noun
  1. målmand
  2. målvogter
noun
mål
verb
1. een actie ondernemen
  1. gøre
  2. lave
  3. aflægge
noun
1. een boom met zeer smakelijke maar stinkende vruchten
durian
noun
doge
pronoun
Doggerbanke
/'dɔɣma/
noun
1. een vastomlijnd geloofsartikel dat aan geen beredenering meer is onderworpen
dogme
adjective
dogmatisk
/dɔl/
noun
1. roeipen
told
/dɔlˈfɛɪ̯n/, /dɔlˈfɛːn/, /dɔɫˈfɛɪ̯n/, /ˈdɔlfɛɪ̯n/, /ˈdɔlfɛːn/, /ˈdɔɫfɛɪ̯n/
noun
1. familie Delphinidae van mittelgrote tandwalvissen met vooruitstekende snuit
delfin
noun
dolk
/ ˈdɔlɑr /
noun
1. munt en munteenheid
dollar
adjective
1. van weinig verstand getuigend
dum
noun
1. temming tot huisdier of cultuurgewas
domesticering
verb
1. tot huisdier of cultuurgewas temmen
domesticere
noun
2. vijfde trede van toonladder
dominant
/domiˈnɪːrə(n)/
verb
1. het meest nadrukkelijk op de voorgrond treden
dominere
/ˌdo.mi.ni.ˌkan.sə.re.py.ˈblik/, /ˌdo.mi.ni.ˌkans.re.pʏ.ˈbliːk/
pronoun
1. een land in het Caribisch gebied dat ten westen aan Haïti grenst en daarmee...
Dominikanske Republik
noun
1.
dominoeffekt
/ˈdɔm.kɔp/
noun
1. iemand die niet erg slim is
dumrian
/ˈdɔm.or/
noun
(milde benaming) dom persoon
dummerik
pronoun
1. een rivier in Europa die in het Zwarte Woud in Duitsland ontspringt en naar de Zwarte Zee stroomt.
Donau
noun
1. een zeer luid geluid bij onweer
torden
noun
1. een dag van de week die na woensdag en voor vrijdag komt
torsdag
adjective
1. zonder licht
mørk
noun
1. fijne veren die onder de taaiere buitenveren zitten, vaak gebruikt als vulstof voor kussens, dekbedden en slaapzakken
dun
noun
dyne
/doːt/
noun
  1. 1. de toestand na het leven
  2. 2. skeletvormige figuur, vaak met zeis, die bovengenoemde toestand personifieert
død
verb
1. door massaal bloedverlies het leven verliezen
forbløde
/ˈdotxan/
verb
1. het leven verlaten
dø
noun
  1. 1. (beroep) persoon
  2. 2. keversoort
graver
verb
1. heel erg hard moeten lachen
dø af grin
/ˈdoːts.ɛsˌka.dər/
noun
1. bende die gevormd is om een of meerdere personen te doden
dødspatrulje
noun
ligkiste
/dotslɑx/
noun
1. het iemand anders opzettelijk, maar zonder voorbedachten rade van het leven beroven
manddrab
noun
1.
dødsårsag
noun
1. als straf gedood worden
dødsstraf
/doːf/
adjective
1. niet of minder goed tot horen in staat zijn
døv
noun
døvhed
noun
æggeblomme
noun
  1. 1. stelsel van paden of dwaalwegen, zodanig aangelegd dat men daarin moeilijk de weg kan vinden
  2. 2. ingewikkelde zaak
labyrint
noun
1. plechtige besprenkeling of onderdompeling waarmee iemand tot een kerk gaat behoren
dåb
noun
1. de doop
dåb
/ˈdop.vɔnt/
noun
1. een bekken voor de bediening van de doop en het bewaren van het doopwater in een kerkgebouw
døbefont
/ˈdoːr/, /[doːr]/, /[dʊːr]/
preposition
    1. 1. bij lijdende vorm
    2. 2. oorzaak
    af
    1. 3. in
    2. 6. als achterzetsel: doorheen
    gennem
noun
2. een cruciale ontdekking
gennembrud
noun
1. scherp uitsteeksel aan een plant
torn
noun
1. Datura stramonium, een zeer giftige plant die hallucinogene alkaloïden bevat
almindelig pigæble
/ˈdornəkron/
noun
1. van doorntakken gevlochten kroon als symbool van het martelaarschap
tornekrone
noun
1. bepaalde soort vis, Squalus acanthias
pighaj
/dɔːrˈstan/
verb
1. ondanks moeilijkheden er nog goed voorstaan
døje
/doʊs/, /doːs/
noun
  1. 2. vagina
    dåse
  2. 1. een veelal kartonnen balkvormig opslagmiddel
    kasse
noun
1.
dopamin
verb
2. iemand ritueel met water besprenkelen of erin onderdompelen en zodoende tot een geloof toelaten
døbe
noun
1. stimulerende (genees)middelen
doping
/dɔrp/
noun
1. kleine, permanente nederzetting
landsby
noun
1. inwoner van een kleine plaats op het platteland
  1. landsbyboer
  2. landsbybo
verb
tærske
noun
1. toestel dat de graankorrels uit de korenaren slaat
tærskeværk
noun
tørst
noun
plejl
noun
1. hoeveelheid van een geneesmiddel die je per keer moet innemen
dosis
noun
1. een overheidsdienst die belast is met de controle op het internationaal goederenverkeer
told
/duʃ/
noun
1. stortbad
brusebad
noun
1.
shower gel
noun
1.
bruser
noun
1. een lipbloemige plant met bladeren die op die van de brandnetel lijken maar die niet branden.
døvnælde
noun
1. een set van twaalf
  1. dusin
  2. tylvt
/draːt/
noun
  1. 1. in elkaar gesponnen vezels
  2. 3. elektrisch verbindingsmateriaal
tråd
/drat.los/, /ˈdraːd.loːs/
adjective
1. waarbij geen draden nodig zijn voor de overdracht van een signaal
trådløs
/ˈdraxbar/, /ˈdraχbar/
adjective
1. te dragen, met de mogelijkheid gedragen te worden
bærbar
noun
1. ongemoduleerde elektromagnetische radiogolf
bærebølge
/ˈdraːɣ.mudər/
noun
rugemor
noun
1. stok waaraan men iets draagt
åg
noun
1. een machine die een ingeklemd werkstuk ronddraait zodat dit met beitels en boren kan worden bewerkt
drejebænk
noun
manuskript
noun
1. constructie van drie of vier deurbladen die rondom een gezamenlijke verticale as kunnen draaien, ter vervanging van een gewone deur m.n. gebruikt in winkels, ziekenhuizen enz.
svingdør
/ˈdraːi̯ən/
verb
Vertalingen: na te kijken
vende
noun
1. iemand die met een draaibank werkt
drejer
noun
1. iemand die voortdurend van mening verandert
vendekåbe
noun
1. strijkinstrument met strijkwiel
drejelire
noun
karrusel
noun
1. een mechanisch bediend of automatisch spelend orgel, meestal op straat spelend
lirekasse
pronoun
sterrenbeeld nabij de noordelijke hemelpool
Dragen
/draːk/
noun
1. fabeldier
drage
/drɑxtəx/
adjective
1. (van dieren) zwanger
drægtig
verb
  1. 1. al van de vloer houdend vervoeren
    bære
  2. 2. als kledingstuk of sieraad aanhebben
    have på
/ˈdraɣɔn/
noun
2. kruid
estragon
noun
1.
dragon
noun
1. vochtafvoering
dræning
verb
1. de afvloei van water bevorderen
afvande
noun
  1. 1. een droevige of aangrijpende gebeurtenis
  2. 2. een bepaald soort film of toneelstuk
drama
noun
1. innerlijke neiging om iets te doen
tilstrømning
/drɑŋk/
noun
  1. 2. vloeistof om de dorst te lessen
  2. 1. alcoholhoudende vloeistof
drik
verb
1. van paarden
traske
noun
1. grassoort
hejre
noun
1.
dreadlocks
verb
1. een bestraffende handeling in het vooruitzicht stellen
true
noun
1. onderdorpel van een kozijn
  1. tærskel
  2. dørtærskel
/ˈdrɛntə/
pronoun
1. provincie in het noorden van Nederland, die door Friesland, Groningen, Overijssel en het Duitse Nedersaksen wordt begrensd
Drenthe
pronoun
1.
Dresden
/ ˈdrɛsɪŋ /
noun
1. een soort saus, die meestal bestaat uit een combinatie van olie, water, citroensap of azijn en kruiden; saus, slasaus, vinaigrette
dressing
cardinalNumeral
1. telwoord
tre
noun
1. het cijfer 3
tre
adjective
1. met drie afmetingen, hoogte, breedte en diepte
tredimensional
noun
1. kleine vis die inheems is in de Benelux, Gasterosteus aculeatus
trepigget hundestejle
noun
1. tweedimensionale geometrische vorm, bestaande uit 3 hoeken en 3 zijden
trekant
adjective
trekantet
noun
1. kleine tweekleppige zoetwaterschelp, oorspronkelijk uit het bekken van de Kaspische ...
vandremusling
noun
trikolore
noun
1.
ride
cardinalNumeral
1. het getal 33
treogtredive
cardinalNumeral
1. het getal 93
treoghalvfems
cardinalNumeral
1. het getal 23
treogtyve
cardinalNumeral
1. het getal 43
treogfyrre
noun
1. gas dat in spuitbussen gebruikt wordt om de inhoud onder druk te zetten
drivmiddel
noun
1. bodem bestaand uit heel kleine korreltjes vergruisd gesteente, verzadigd met zoveel water dat alles wat zwaar is er in wegzakt
kviksand
adjective
presserende
/'drɪŋkə(n)/
noun
drikke
noun
water dat geschikt is om gedronken te worden
drikkevand
noun
3. paardenziekte
kværke
verb
1. vocht laten of doen verdampen
tørre
noun
1. een toestel dat natte voorwerpen, bijvoorbeeld wasgoed droogmaakt
tørretumbler
noun
1. uitwerpsel, ontlasting
lort
noun
1. Camelus dromedarius, herkauwer uit Afrika met vetbult op de rug
dromedar
verb
  1. 1. ervaren van een reeks gebeurtenissen of beelden tijdens de slaap
  2. je een voorstelling maken van wat je graag wil
drømme
/drɔŋkə(n)/
adjective
1. onder invloed van alcohol
beruset
noun
het zwaar onder invloed van alcohol zijn
fuldskab
/droːx/
adjective
1. geen of zeer weinig vocht bevattend.
tør
noun
2. droogzetinrichting voor schepen
tørdok
noun
1. lange periode zonder of met minder neerslag
tørke
noun
  1. 1. beelden die men ziet wanneer men slaapt
  2. 2. een gedachte waarvan met graag had gehad dat ze werkelijkheid werd
drøm
noun
zwart gekleurd snoepgoed
lakrids
noun
narko
noun
narkohandel
/'drɵksfər'slaːfdə/
noun
1. Verslaafd persoon
narkoman
noun
2. vrucht van de wijnstok
  1. vindrue
  2. drue
verb
dryppe
noun
vindruekerneolie
noun
1. pressie, kracht die over een oppervlakte uitgeoefend wordt
tryk
noun
1. een persoon die afdrukken maakt
trykker
noun
trommesæt
/drɵ.pəl/
noun
dråbe
noun
1. mythologisch, vrouwelijk wezen dat in een bos of boom leeft
dryade
/ˈdʏ.bəl.ˌstɛr/, /ˈdʏ.bəɫ.ˌstɛr/
noun
1. twee sterren die om elkaar heen bewegen
dobbeltstjerne
noun
1. een scheikundig element met het symbool Db
dubnium
adjective
1. grondig, met kracht, met volle inzet, niet te onderschatten
dygtig
/ˈdœy̯dələk/
adverb
  1. 1. niet mis te verstaan
  2. 2. goed te herkennen
tydelig
/dœʏ̯f/, /dœːf/
noun
1. vogel die een koerend geluid maakt, uit de familie Columbidae
due
/ˈdœy̯kə(n)/
verb
2.in het water springen zodat de armen eerst het water in gaan
dykke
noun
1. iemand die voor beroep of plezier zich onder de waterspiegel begeeft
dykker
noun
dykkerklokke
/dœy̯m/
noun
  1. 2. lengtemaat
    tomme
  2. 1. eerste, kortste en dikste vinger
    1. tommelfinger
    2. tommeltot
noun
1. het hoornen gedeelte van de eerste vinger van de hand
tommelfingernegl
/dœʏ̯n/, /dœːn/
noun
klit
noun
1. een toestand van weinig of geen verlichting
mørke
/dœʏ̯ts/, /dœːts/
adjective
1. betreffende Duitsland of het Duits
tysk
/dœʏ̯ts/, /dœːts/
pronoun
1. een taal die gesproken wordt in Duitsland, Oostenrijk, Zwitserland, Italië en België
tysk
/ˈdœʏ̯tsə/, /ˈdœːtsə/
noun
1. een vrouw van Duitse komaf
tysker
pronoun
  1. DDR
  2. Tyske Demokratiske Republik
/ˈdœʏ̯tsər/, /ˈdœːtsər/
noun
1. een inwoner van Duitsland
tysker
/ˈdœʏ̯tslɑnt/, /ˈdœːtslɑnd/, /ˈdœːtslɑnt/
pronoun
1. een Midden-Europese staat die wordt gevormd door een federatie van 16 deelstaten en die het Duits als officiële taal heeft
Tyskland
noun
  1. djævel
  2. fanden
noun
1. het gevoel zijn evenwicht te verliezen
svimmelhed
/ˈdœy̆zənt/
noun
1000
  1. tusind
  2. tusinde
noun
almindelig røllike
noun
1. geleedpotig dier met een groot aantal poten uit de klasse Chilopoda
skolopender
ordinalAdjective
tusinde
/dʏn/
adjective
2. van geringe dikte
tynd
noun
1. bepaalde soort vis, Chelon ramada
multe
noun
1. deel van het spijsverteringskanaal tussen de maag en de dikke darm
tyndtarm
noun
1. Abra sp.
pebermusling
/'dyːrə(n)/
verb
1. een bepaalde tijd in beslag nemen
vare
noun
1. enige tetraploïde tarwesoort die nog veel wordt verbouwd
  1. durumhvede
  2. hård hvede
conjunction
1.om die reden, daarom
altså
verb
niet goedkoop
dyr
/ˈdyːr.zam/
adjective
1. lang meegaand
holdbar
noun
2.
bæredygtighed
/dy.ʋǝⁿ/
verb
1. door druk uit te oefenen doen voortbewegen
skubbe
noun
1.
lygtemand
/dʋɑŋ/
noun
tvang
noun
1. werk dat onder dwang gedaan moet worden
tvangsarbejde
noun
1. een kledingstuk dat de drager bewegingsvrijheid van de armen en handen ontneemt
spændetrøje
noun
1. psychische stoornis die gekenmerkt wordt door dwanggedachten en dwanghandelingen
OCD
/dʋɑrs/
adverb
1.
over
/ˈdʋɑrsflœʏt/
noun
1. een blaasinstrument dat dwars op de lippen geblazen wordt
tværfløjte
noun
1. een buitengewoon klein mens
dværg
noun
1. Anser erythropus
dværggås
noun
1.
dværgplanet
noun
1. zeer kleine staat
mikrostat
noun
1. kleinste soort van de vinvissen, Balaenoptera acutorostrata
vågehval
verb
1. iemand tegen zijn wil iets opleggen
tvinge
noun
springstof waarin nitroglycerine door een poreuze stof wordt vastgehouden
dynamit
adjective
1. betrekking hebbend op een erfelijke heerser
dynastisk
noun
1. rode loop, bloeddiarree
dysenteri
/ˌdɪsfaˈzi/
noun
1. een ontwikkelingsstoornis bij kinderen
dysfasi
/dɪslɛkˈsi/
noun
1. het onvermogen om woorden, waarvan men wel de letters ziet, in hun betekenis te vatten
  1. dysleksi
  2. ordblindhed
noun
1. scheikundig element met symbool Dy en atoomnummer 66
dysprosium
pronoun
  1. 1. een district in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
  2. 1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Düren
noun
1. adres voor het ontvangen en verzenden van e-mail
e-mail-adresse
noun
1. een getijde waarbij het water van de zee zakt, in tegenstelling tot vloed, waarbij het water stijgt
ebbe
/ˈɛ.xo/, /ˈɛ.χo/
noun
1. een hoorbare terugkaatsing van een gemaakt geluid
ekko
noun
1. het dwangmatig herhalen van woorden of zinnen, zonder de betekenis ervan daadwerkelijk te doorgronden
ekkolali
noun
biosonar
adjective
2. waarachtig, juist, niet vervalst
virkelig
conjunction
1. een beperkende tegenwerping, introduceert een zin(sdeel) dat het voorgaande zin(sdeel) beperkt
dog
/ˈɛxtxəˌnot/
noun
1. een mannelijke huwelijkspartner
ægtemand
/ˈɛxtxəˌnotə/, /ˈɛχtχəˌnotə/
noun
1. een vrouwelijke huwelijkspartner
kone
noun
1. twee mensen die met elkaar getrouwd zijn
ægtepar
noun
1. formele verbreking van een huwelijksband
skilsmisse
adjective
eklektisk
/ˌe.ko.lo.ˈɣi/, /ˌe.ko.lo.ˈχi/
noun
1. de tak van wetenschap die het samenspel tussen organismen onderling en hun relatie met hun omgeving bestudeert
økologi
adjective
økologisk
noun
2. het geheel van productie, handelsverkeer en diensten binnen een bepaalde regio
  1. økonomi
  2. husholdning
adjective
1. betreffende economie
økonomisk
noun
1. deskundige op het gebied van de economie
økonom
noun
1. alle organismen in hun leefomgeving.
økosystem
noun
ektoplasma
noun
1. de naam voor elk element uit de achtste chemische reeks van het periodiek systeem
ædelgas
noun
1. Cervus elaphus, hertensoort
kronhjort
noun
1. een metaal dat niet licht aan corrosie of oxidatie ten prooi valt
ædelmetal
noun
1. een stuk edelgesteente
ædelsten
noun
udgave
/et/
noun
1. een plechtige verzekering dat men de waarheid spreekt of een belofte zal nakomen
ed
noun
1. echtgenoot of echtgenote
ægtefælle
/ˈekˌhoːrn/
noun
1. benaming voor knaagdieren uit de familie Sciuridae
egern
noun
1. Bolletus edulis, een eetbare paddenstoel
karl johan (svamp)
noun
1. verdikking van de huid
hård hud
adjective
  1. en
  2. et
verb
sku ikke en given hest i munden
phraseologicalUnit
1. iets kopen zonder te weten wat de koopwaar is
købe katten i sækken
noun
almindelig firblad
/eːnt/
noun
1. benaming voor veel watervogels uit de familie Anatidae
  1. and
  2. vildand
noun
1. insect uit de orde Ephemeroptera
døgnflue
noun
1.
fuglekøje
cardinalNumeral
1. het getal 31
  1. enogtredive
  2. enogtredve
cardinalNumeral
1. het getal 91
enoghalvfems
cardinalNumeral
1. het getal 81
enogfirs
/ˌe.nən.ˈtʋɪn.təχ/
cardinalNumeral
1. het getal 21
enogtyve
cardinalNumeral
1. het getal 41
enogfyrre
/ˈenənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 71
enoghalvfjerds
noun
  1. 2. maat waarin hoeveelheden worden uitgedrukt
  2. 1. bij elkaar horend geheel met kenmerkende eigenschappen
enhed
noun
1. een matrix waarvan alle diagonale elementen 1 zijn en alle andere 0
enhedsmatrix
noun
enhjørning
adjective
1. in het bezit van (slechts) één oog
enøjet
noun
1. kamer voor het verblijf van één persoon (bijvoorbeeld in een hotel of ziekenhuis)
enkeltværelse
adjective
1. dezelfde mening hebbend
enig
adjective
ensproget
noun
ensprogethed
noun
1.
ethjulet cykel
noun
1. de hoedanigheid van het eenzaam zijn
ensomhed
adjective
1. met of aan één kant, belang, partij etc.
ensidig
/er/
noun
1. aanzien, roem
ære
/ˈeːrɣɪstər/, /ˈɪːrχɪstər/
adverb
1. de voorlaatste dag die voltooid is
i forgårs
/ˈɪːrɣɪstərə(n)/, /ˈɪːrχɪstərə(n)/
adverb
1. de voorlaatste dag die voltooid is
i forgårs
/ˈeːrlək/
adverb
1. vrij van leugen en bedrog
ærlig
noun
1. het vertellen van de waarheid
ærlighed
noun
1. nummer één in een volgorde
første
phraseologicalUnit
1. grammaticale term die de spreker of sprekers aanduidt.
første person
pronoun
1. een militair conflict op wereldschaal, dat van 28 juli 1914 tot 11 november 1918 plaatsvond
1. verdenskrig
/ˈer.wrak/
noun
æresdrab
/ˈeːitbaːr/, /ˈeːtbaːr/
adjective
1. geschikt om gegeten te worden
spiselig
/ˈetkamər/
noun
1. een kamer waar maaltijden worden genuttigd
spisestue
/etlepəl/
noun
1.
spiseske
noun
1. de behoefte om voedsel tot zich te nemen.
appetit
noun
spisepind
noun
spiseforstyrrelse
/eːu̯/
noun
1. een periode van 100 jaar
  1. århundrede
  2. århundred
noun
1. een feestelijke herdenking naar aanleiding van het honderdjarig bestaan van iets
hundredårsdag
/eːwɪx/, /eːʋəχ/, /eːβ̞əx/
adjective
1. voortdurend, zonder einde
evig
/ɪːβ̞əχɛɪ̯t/
noun
1. alle tijd die nog zal komen
evighed
/e.ˈfe.zə/
pronoun
1. in de oudheid een grote Ionische haven- en handelsstad
Efesos
pronoun
1. boek in het Nieuwe Testament
Efeserne
adverb
1. doeltreffend
effektiv
/ɛx/, /ɛχ/
noun
1. een landbouw- of tuinbouwwerktuig dat gebruikt wordt voor het zaaiklaar maken van de grond
harve
verb
planere
adjective
egalitær
/ˈexəl/
noun
1. bepaald soort zoogdier Erinaceus europaeus
pindsvin
pronoun
Ægæerhavet
/e.ˈɣɪp.tə/, /e.ˈχɪp.tə/
pronoun
1. een Arabisch land op de grens van Afrika en Azië
  1. Ægypten
  2. Egypten
/ɛɪ/, /ɛɪ̯/, /ɛː/
noun
1. dierlijk voedingsmiddel voor de mens in een schaal
æg
noun
1. bepaald soort zeevogel, Somateria mollissima
edderfugl
adjective
1. betrekking hebbend op de visuele vermogens
eidetisk
noun
1. het geslachtsorgaan van de vrouw waarin eicellen gevormd worden
æggestok
/ˈɛi̯ɣə(n)/
adjective
egen
/'ʔɛɪɣəndɔm/
noun
1. eigendomsrecht
ejendom
noun
1. het meest omvattend zakeljike recht dat een eigenaar op zijn goed kan uitoefenen
ejendomsret
noun
1. een naam waardoor men een mens, dier of ding zich van andere van dezelfde soort onderscheidt
  1. egennavn
  2. proprium
noun
1. een gegeven karakteristiek die eigen is aan een bepaalde persoon of zaak
egenskab
/ɛi̯k/, /ɛːk/
noun
1. Quercus, een geslacht van loofbomen
eg
/ˈɛɪkəɫ/
noun
  1. 1. vrucht van de eik
  2. 2. top van een penis
agern
/ɛɪ̯kə(n)/, /ɛːkə(n)/
adjective
1. vervaardigd van het hout van de eik
ege-
/ɛilɑnt/
noun
1. een stuk land dat omringd is door water
  1. ø
  2. Ø
  3. holm
noun
1. iemand die op een eiland woont
  1. øbo
  2. øboer
noun
1. deel van de geslachtsorganen van de vrouw
æggeleder
/ˈɛɪ̯ndə/, /ˈɛːndə/
noun
1. het punt in ruimte of tijd waar iets ophoudt
ende
adverb
1. na een (te) lange tijd.
endelig
adjective
1. een einde hebbende
endelig
noun
1. scheikundig element met symbool Es en atoomnummer 99
einsteinium
/ɛɪ̯s/
noun
1. een dwingende vraag
krav
/ɛiwɪt/
noun
  1. 2. een tot een klasse van polymere stoffen met een hoog moleculair gewicht...
    1. protein
    2. æggehvidestof
  2. 1. het deel van een ei waarin de dooier ligt
    æggehvide
noun
ejakulation
verb
sperma uitwerpen
ejakulere
noun
1. bepaald soort zwartwitte kraaiachtige vogel, Pica pica
  1. skade
  2. husskade
noun
1. een oude lengtemaat gebaseerd op de lengte van de menselijke ellepijp, gewoonlijk 60 à 70 cm
alen
/ɛl.ˈsɑl.va.dɔr/, /ɛɫ.ˈsɑɫ.va.dɔr/
pronoun
1. land in Midden-Amerika dat grenst aan Guatemala, Honduras en de Stille Oceaan
El Salvador
noun
1. een groot hert uit de poolstreken met een opvallend groot en breed vertakt gewei
  1. elg
  2. elsdyr
noun
elasticitet
noun
1. vakman op gebied van elektriciteit
elektriker
/eˌlɛktrɪsiˈtɛɪt/
noun
2. de elektrische stroom als energiedrager
elektricitet
noun
1. een krachtcentale waar elektriciteit wordt opgewekt
elkraftværk
adjective
1. door middel van elektriciteit
elektrisk
abbreviation
1. hersenfilm
elektroencefalogram
noun
elektrode
noun
1. een magneet waarvan het veld door een elektrische stroom veroorzaakt wordt
elektromagnet
adjective
elektromagnetisk
noun
elektromagnetisme
noun
elektromotor
noun
1. een van de elementaire deeltjes, het lichtste deeltje met een elektrische lading
elektron
noun
1. de tak van elektrotechniek die zich bezighoudt met het gedrag van elektronen...
elektronik
adjective
elektronisk
noun
1. de studie en praktische toepassing van alles wat met elektriciteit en elektromagnetisme te maken heeft
elektroteknik
noun
grundstof
adjective
elementær
noun
elementarpartikel
cardinalNumeral
1. het getal 11
elleve
pronoun
1. een regionale Noord-Germaanse taal die gesproken wordt in de Zweedse gemeente Älvdalen
Elvdalsk
/ˈɛlf.də/, /ˈɛlv.də/
ordinalAdjective
1. nummer elf in een rij
ellevte
adjective
elitistisk
noun
1. Gewricht
albue
noun
1. armoedige, beklagenswaardige omstandigheden
elendighed
noun
  1. 1. twee-dimensionale figuur die wordt gevormd door alle punten waarvoor de som ...
  2. 2. een stijlfiguur waarbij een lopende zin wordt afgebroken, die echter door...
ellipse
noun
1. boomsoort
el
/ˈɛlzɑs/
pronoun
1. regio in Frankrijk
Alsace
noun
1. concrete figuur voor een abstract begrip
emblem
noun
emboli
noun
1. een organisme in het eerste ontwikkelingsstadium na de bevruchting
embryon
adjective
2. betrekking hebbend op de ongeboren vrucht van een organisme
embryonal
noun
1. longaandoening
lungeemfysem
noun
emigration
/ˌemiˈχrɪːrə(n)/
verb
1. naar het buitenland verhuizen
udvandre
/emɪˈraːt/
noun
1. gebied van een emir
emirat
/ˈɛmər/
noun
1. busvormig vat (met hengsel), waarin men vloeistoffen of vaste stoffen kan verplaatsen
spand
noun
1. bepaalde soort drietenige vogel Dromaius novaehollandiae
emu
noun
1.weergave van emoties door middel van een afbeelding, een teken of een combinatie van lees- en lettertekens
emotikon
noun
1. hevig gevoel, sterke gemoedsbeweging
emotion
adjective
1. wat op ervaring of proefneming berust
empirisk
noun
emulsion
conjunction
og
conjunction
1. zowel afzonderlijk van als gezamenlijk met elkaar
og/eller
noun
1. een stereo-isomeer dat het spiegelbeeld is van zijn tegenvoeter
enantiomer
noun
encefalopati
/ɛn.'kla.və/
noun
1. omsloten gebied
enklave
/ˌɛnsiklopeˈdi/
noun
1. een gestructureerde en geschreven verzameling van menselijke kennis, in boekvorm of digitaal
encyklopædi
noun
1. laatste deel van het spijsverteringskanaal vlak voor de anus
endetarm
adjective
1. van nature alleen in een specifiek gebied voorkomend
endemisk
noun
1. de wetenschap die zich bezighoudt met de afscheidingen van klieren in het lichaam
endokrinologi
noun
endokrinolog
noun
endoskop
noun
1. (kijk)onderzoek van lichaamsholten of inwendige kanalen
endoskopi
/enər'ʒi/, /enɛr'ʒi/
noun
1. het vermogen iets te doen
energi
adverb
1. aan de ene kant
på den ene side
adjective
1. angst veroorzakend
uhyggelig
noun
1. hemels wezen
engel
noun
1. deel van het Verenigd Koninkrijk
England
noun
1. een koor van engelen
englekor
/ˈɛ.ŋ(g)əls/, /ˈɛ.ŋɔɫs/, /ˈɛ.ŋəɫs/
adjective
1. als van, in of betrekking hebbend op Engelsen, Engeland of het Engels
engelsk
/ˈɛ.ŋ(g)əls/, /ˈɛ.ŋɔɫs/, /ˈɛ.ŋəɫs/
pronoun
1. de taal
engelsk
/ɛ.ŋɔɫs.mɑn/, /ɛ.ŋəls.man/, /ɛ.ŋəɫs.mɑn/
noun
1. iemand die in Engeland woont
englænder
adjective
2. uniek
eneste
noun
1. gewricht dat de voet met het been verbindt
ankel
noun
2. een band die om de enkel wordt gedragen
ankelkæde
noun
1. een woord dat in die vorm naar één voorwerp of mens verwijst of dat aanduidt dat slechts één persoon de handeling uitvoert
  1. ental
  2. singularis
/ɑŋ.ˈkɛː.tə/, /ɑ̃.ˈkɛt/
noun
1. een vragenlijst die aan meerdere personen wordt voorgelegd
spørgeundersøgelse
verb
1.
iscenesætte
/ɛntuˈʒɑs/, /ˌɑn.ty.ˈʒɑst/
adjective
1. hartstochelijk, met geestdrift
entusiastisk
noun
entitet
noun
entomologi
noun
entrecote
noun
1. een getal evenredig met de logaritme van het aantal realiseringmogelijkheden, ook wel gedefinieerd als de reversibele warmte gedeeld door de temperatuur
entropi
noun
1. papieren omslag voor brieven
  1. konvolut
  2. kuvert
/ɛnˈzim/
noun
1. een organische molecuul dat biologische reacties mogelijk maakt of versnelt zonder daarbij zelf...
enzym
noun
1. het punt op het aardoppervlak loodrecht boven de haard van de aardbeving
epicenter
/epideˈmi/
noun
1. besmettelijke ziekte die zich snel verspreidt onder een groep van mensen
epidemi
noun
epidemiologi
adjective
1. met betrekking tot verspreiding van ziekten onder (delen) van de bevolking
epidemiologisk
adjective
epidemisk
noun
epifyt
noun
epigon
noun
1. vallende ziekte, toevallen
epilepsi
adjective
episk
noun
epistasi
noun
1. dekweefsel, bovenste laag van de huid en slijmvliezen
epitel
/eˈpitetɔn/
noun
tilnavn
noun
1. een denkbeeldige cirkel die op een hemellichaam het noordelijk van het zuidelijk halfrond scheidt
ækvator
/ˌe.kwa.toː.ri.al.ɣi.ˈne.ja/, /ˌe.kʋa.to̝ː.ri.aɫ.χi.ˈne.ja/, /ˌe.kβ̞a.toː.ri.aɫ.ɣi.ˈne.ja/
pronoun
1. een land in Afrika grenzend aan Gabon en Kameroen
Ækvatorialguinea
noun
1. passage van de zon door het vlak van de evenaar
jævndøgn
noun
1. een scheikundig element en zilverwit lanthanide met het symbool Er en het atoomnummer 68
erbium
noun
1. oprichting van het mannelijk lid
erektion
adjective
1. wat op genetische wijze door nazaten verkregen kan worden
arvelig
noun
2. regeling voor troonwisseling
tronfølge
noun
1. overerfbare, langdurige of eeuwige pacht
forpagtning
noun
1. een veelal kostbaar goed van van generatie op generatie door vererving overgegeven wordt
arvestykke
pronoun
1.
Erfurt
noun
1. schending van Gods regels door de eerste mens Adam als last die op ieder mens rust
arvesynd
adverb
et eller andet sted
noun
een zaak die gevoelens van onvrede oproept
irritationsmoment
noun
ergonomi
/ˌeː.ri.ˈtre.ja/, /ˌɪː.ri.ˈtre.ja/
pronoun
1. een Afrikaans land grenzend aan Soedan, Ethiopië, Djibouti en de Rode Zee
Eritrea
/eriˈtres/
adjective
1. met betrekking tot of afkomstig van Eritrea
eritreisk
verb
  1. 1. inzien, toegeven
  2. 2. als wettig, echt, juist aanvaarden
anerkende
noun
1. een bevestiging van de juistheid of geldigheid van iets
anerkendelse
/ˌɛrˈkɛn.tə.lək/
adjective
taknemmelig
/ˈɛrkər/
noun
1. uitbouw aan een gevel
karnap
pronoun
1. + 2. stad en stadsdistrict
Erlangen
noun
1. stemming waarin men de dingen in hun wezenlijke waarde wil zien
alvor
noun
1-2. beschadiging en afslijting
erosion
noun
1. kunst die nadrukkelijk seksuele activiteiten laat zien
erotik
adjective
erotisk
noun
1. steen
malm
noun
1. een vorm van kennis
erfaring
noun
1. een bepaalde peulvrucht, een groentesoort
ært
noun
rosen
noun
1. bepaald soort loofboom Fraxinus excelsior
ask
noun
1. dwaze (jongens) streek
eskapade
/ɛsˌxatolo'gi/
noun
eskatologi
/ˈɛzdorᵊn/
noun
1. boom of heester uit het geslacht (
  1. ahorn
  2. løn
noun
1. een kleine tactische eenheid bij de cavalerie (tegenwoordig gemechaniseerd of gemotoriseerd) of ...
eskadron
adjective
esoterisk
pronoun
1. een internationale kunsttaal die oorspronkelijk ontworpen is door Ludovico Zamenhof
esperanto
noun
1. geconcentreerde koffie
espresso
noun
1. het meeste belangrijke
essens
/ɛsˈter/
pronoun
3. meisjesnaam
Ester
noun
1. een koolstofverbinding met de functionele groep -C(=O)-O-C-
ester
/ɛsˈtetiˌka/
noun
1. het filosofisch discours over het wezen van kunst of het wezen van schoonheid
æstetik
adjective
æstetisk
/ˈɛstis/, /ˈɛstɪs/
pronoun
1. een taal die vooral wordt gesproken in Estland
estisk
/ˈɛslɑnd/, /ˈɛstlɑnt/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa dat grenst aan Letland en Rusland
Estland
noun
1. een vrouwelijk hormoon
østrogen
noun
æstuarium
noun
1. dat wat iemand tot zich neemt om diens metabolisme in werking te houden
mad
verb
1. het nuttigen van voedsel
  1. spise
  2. æde
/etaˈnɔl/
noun
1. een chemische verbinding met twee koolstofatomen en een alcoholgroep
ætanol
noun
ætylen
noun
1. een organische verbinding met de functionele groep R-O-R'
æter
noun
1. een praktische wijsbegeerte die zich bezighoudt met wat goed en kwaad is
etik
adjective
1.
etiopisk
/ˌe.ti.ˈjo.pi.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika grenzend aan Eritrea, Djibouti, Somalië, Kenia en Soedan
Etiopien
adjective
etisk
noun
1. onderdeel van de pathologie dat zich bezighoudt met de oorzaken van ziekten
ætiologi
adjective
etnisk
adjective
1. betrekking hebbend op de beschrijving van volkeren
etnografisk
/ɛtnoːloːɣi/, /ɛtnoːloːʝi/
noun
etnologi
/ɛtər/
noun
1. wittig vocht met witte bloedlichaampjes en bacteriën dat bij een ontsteking afgescheiden wordt
materie
noun
  1. 1. woordherkomst
  2. 2. studie naar oorsprong en verandering van vorm en betekenis van woorden
etymologi
adjective
1.
etymologisk
noun
1-2.
eufemisme
noun
  1. 1. eufonium
  2. 2. een instrument van gestemde glazen
euphonium
/ˌø.fo̝.ˈri/
noun
1. verhoogd gevoel van welzijn
eufori
noun
eugenik
noun
eunuk
adjective
1.
eurasisk
pronoun
1. de naam van de grootste landmassa op aarde die de continenten Europa en Azië omvat
Eurasien
interjection
1.
heureka
/'øː.ro/, /'ɵː.ro/
abbreviation
1. munt en munteenheid
euro
/øːˈroːpa/, /ʏːˈropa/
pronoun
1. een continent op het noordelijk halfrond, dat ten noorden van Afrika en ten westen van Azië ligt
Europa
/ˌøːropeˈjaːn/, /ˌʏːropeˈjan/
noun
1. bewoner van het Europese continent of iemand die daarvan afkomstig is
europæer
/øːroˈpeːs/, /ʏːroˈpes/
adjective
1. afkomstig van of betreffend het continent Europa
europæisk
pronoun
Den Europæiske Menneskerettighedsdomstol
pronoun
Europa-Parlamentet
noun
1. Castor fiber, een knaagdier dat in Europa voorkomt
Europæisk bæver
pronoun
Den Europæiske Centralbank
pronoun
Europa-Kommissionen
pronoun
Den Europæiske Menneskerettighedsdomstol
pronoun
Den Europæiske Investeringsbank
noun
1. bepaald soort zoogdier, Mustela lutreola
  1. europæiske mink
  2. flodilderen
pronoun
Den Europæiske Ombudsmand
pronoun
Det Europæiske Råd
pronoun
Den Europæiske Revisionsret
/ˌøː.ro.ˌpe.sə.ˈy.ni/, /ˌʏː.ro.ˌpe.sə.ˈy.ni/
pronoun
unie van 27 Europese staten
  1. Den Europæiske Union
  2. Europæiske Union
noun
1. scheikundig element met symbool Eu en atoomnummer 63
europium
noun
1. handelingen die iemands leven beëindigen of het sterven bespoedigen, om pijn en lijden te verkorten
eutanasi
noun
eutrofiering
pronoun
1. eerste vrouw door God geschapen
Eva
noun
evakuering
/evɑky'erə(n)/
verb
evakuere
noun
1. bespreking en beoordeling van de gang van zaken
evaluering
noun
evangelium
/evəˈnar/, /ˈevənar/
noun
1. denkbeeldige cirkel die op een hemellichaam het noordelijk van het zuidelijk halfrond scheidt
ækvator
noun
1. belangrijke gebeurtenis
arrangement
noun
1.
  1. ligevægt
  2. balance
noun
1. een turntoestel dat bij het damesturnen wordt gebruikt
bom
noun
1. in het wild levende voorouder van het varken Sus scrofa
vildsvin
noun
1. wild varken
vildsvin
/ˌevoˈlysi/, /ˌevoˈlytsi/
noun
1. ontwikkeling, verandering
evolution
adjective
evolutions-
prefix
eks-
noun
1.
ex-mand
noun
1. onderzoek naar de kennis of vaardigheden van iemand door middel van ondervraging of opgedragen verrichtingen
  1. eksamen
  2. prøve
noun
1.
excentriker
noun
bandlysning
verb
ekskommunikere
verb
henrette
noun
1. uitvoering van een vonnis
tvangsauktion
noun
eksegese
noun
ekshibitionist
noun
eksistentialisme
pronoun
  1. Anden Mosebog
  2. Exodus
noun
exogami
noun
eksonym
noun
eksoplanet
noun
exosfære
adjective
1. vanuit verre vreemde landen
eksotisk
noun
ekspansion
noun
ekspedition
noun
eksperiment
verb
1.
eksperimentere
verb
eksplodere
noun
eksplosion
adjective
1. ontplofbaar
eksplosiv
noun
1. ontplofbare stof of voorwerp
eksplosiv
verb
1. goederen aan een afnemer in het buitenland verhandelen
eksport
noun
eksportør
noun
ekspressionisme
/ɛk'stazə/
noun
1. een toestand van buiten zichzelf zijn door verrukking
ekstase
noun
1. uittrekking
udvinding
adjective
2.
udenomsparlamentarisk
adjective
1. uiterst, uitzonderlijk
ekstrem
noun
højreekstremisme
pronoun
Extremadura
noun
ekstremisme
noun
1. iemand met radicale, extremistische standpunten, een aanhanger van een ideologie die ver van het politieke of maatschappelijke centrum ligt
ekstremist
pronoun
Ezekiel
/ˈezəɫ/
noun
1. bepaald paardachtig zoogdier, Equus asinus
æsel
pronoun
Ezra
/ˈfabəl/
noun
  1. 1. een kort moraliserend verhaal met dieren of zaken als handelende personen
  2. 2. een verzinsel
fabel
noun
1. plaats waar op industriële schaal productie bedreven wordt
fabrik
noun
fabriksarbejder
noun
fabrikant
pronoun
1. wereldwijd veel gebruikte netwerksite voor sociale contacten
Facebook
noun
1. document met een beschrijving van goederen die een bedrijf (aan een ander bedrijf) geleverd heeft
faktura
noun
  1. 3. product van een reeks factoren
  2. 1. hoofdafdeling van een universiteit
fakultet
/ˈfæːrøːə̯r/, /ˈfɛːrʏːr/
pronoun
1. en 2., eilandengroep, land
Færøerne
pronoun
1. een Germaanse taal die wordt gesproken op de Faeröer
færøsk
noun
1. (muziekinstrument) een houten blaasinstrument met dubbelriet
fagot
noun
1. staaf of stok die aan de bovenkant in een brandbare stof gedrenkt is, brandend zorgt het voor verlichting
fakkel
/ˈfaːlən/
verb
1. niet bereiken van doelen
dumpe
pronoun
Falklandsøerne
adjective
1. met betrekking tot het mannelijk lid
fallisk
/fa.ˈmi.li/, /fa.ˈmiː.lɪ̯ə/
noun
1. (bloed)verwantschap door een gemeenschappelijke oorsprong
familie
noun
1. naam die van generatie op generatie en indien gewenst door het huwelijk overgedragen wordt
efternavn
noun
1. onderdeel van het burgerlijk recht m.b.t. de familiale verhoudingen tussen personen
familieret
noun
fanatisme
noun
1. vermogen om nieuwe gedachten te kunnen vormen, mogelijk niet altijd op waarheid berust
fantasi
noun
farad
/ˈfarao/
noun
1.
farao
noun
1.
farisæer
noun
farmaceut
adjective
1. uit de farmacie, met betrekking tot de productie van geneesmiddelen
farmaceutisk
noun
farmaci
noun
farmakologi
adjective
1. leer van de geneesmiddelen en de interactie tussen deze en een levend biologisch systeem betreffende
farmakologisk
verb
1. iemands aandacht vasthouden
fascinere
/fɑˈsʲɪsmə/
noun
ideologie
fascisme
noun
1. periode als onderdeel van een langere ontwikkeling
fase
noun
faserum
/fɑt'sun/
noun
1. goede manieren
anstændighed
adjective
1. degelijk
ryddelig
/ˈfʌʊna/, /ˈfʌːna/
noun
1. het geheel aan dieren in een gebied
dyreliv
/fo.tœj/
noun
1. Soort stoel
armstol
noun
1. bepaald soort kleurrijke vogel, Phasianus colchicus
fasan
/fa.ˈsa.də/
noun
1. de zichtbare buitenmuur van een gebouw, specifiek die aan de voorkant
facade
/febryˈwaːri/
noun
1. de tweede maand van het jaar
  1. februar
  2. blidemåned
pronoun
  1. 2. Franse revolutie
    Februarrevolutionen (Frankrig)
  2. 1. Russische revolutie
    februarrevolutionen (Rusland)
noun
føderalisme
noun
1. een verbond van samenwerkende staten of lichamen die hun zelfstandigheid behouden
føderation
/fe:/
noun
1.
  1. fe
  2. alf
noun
1. een vermakelijke en vreugdevolle sociale gelegenheid
fest
noun
fridag
noun
1. een extra lekkere, uitgebreide maaltijd die men met meerdere mensen gebruikt als een feestelijke gebeurtenis
festmåltid
/fɛi̯t/
noun
1. een gebeurtenis of omstandigheid die werkelijk gebeurd is
kendsgerning
noun
1. het stimuleren van de penis met de mond, tong of keel
fellatio
noun
1. een zeilschip
feluke
noun
1. streven naar het opheffen van de achterstelling van vrouwen en vrouwelijke eigenschappen door een gelijkwaardige behandeling van mannen en vrouwen
feminisme
noun
plant en plantdelen van Trigonella foenum-graecum
bukkehorn
noun
plant, en zaad van, Trigonella foenum-graecum
bukkehornsfrø
adjective
fønikisk
noun
føniks
noun
1. Fennecus zerda, leeft in de woestijn en is de kleinste van alle vossen
fennek
noun
fænologi
/fenoˈmen/
noun
1. een verschijnsel
fænomen
noun
fænomenologi
/fenilɑlɑninə/
noun
1. aminozuur
fenylalanin
noun
1.
fermion
noun
1. scheikundig element met symbool Fm en atoomnummer 100
fermium
noun
1. samentrekking van afzonderlijke spiervezels en een vorm van hartritmestoornis
hjerteflimmer
noun
fibrom
noun
fantasi
adjective
fiktiv
/fits/
noun
1. tweewielig vervoermiddel dat door middel van spierkracht middels pedalen wordt voortbewogen
cykel
/ˈfits.brɵχ/, /ˈfits.brʏx/
noun
1. een brug voor fietsers
cykelbro
verb
1. op een fiets rijden
cykle
/ˈfitsərɛk/
noun
1. rek om fietsen te parkeren
cykelstativ
/ˈfiːtsər/
noun
1. iemand die met een fiets rijdt
cyklist
noun
cykelhjelm
/ˈfitspɑt/
noun
1. een weggedeelte of vrijliggend pad dat is gereserveerd voor het gebruik door fietsers en snorfietsers.
cykelsti
noun
cykelpumpe
noun
1. fietsonderdeel
støtteben
noun
cykeltaxi
noun
1. een heel fijn zaagje in de vorm van een dun zaagblad dat verticaal wordt gespannen in een lange horizontale beugel
løvsav
/ˈfi.(d)ʒi/, /ˈfi.dʒi/
pronoun
1. een land in Oceanië op het zuidelijk halfrond. Het bestaat uit 332 eilanden waarvan ongeveer 110 bewoond zijn
Fiji
adjective
  1. 1. van geringe dikte
  2. 3. leuk
fin
noun
finstøv
noun
filateli
/faɪl/
noun
1. bestand op de computer
fil
pronoun
3. naam van een boek uit het Nieuwe Testament
Filemon
/filiˈjal/
noun
1. een pand in een reeks van panden
filial
/ˌfi.li.ˈpɛɪ̯.nə(n)/, /ˌfi.lɪ.ˈpɛɪ̯.nə(n)/, /ˌfi.lɪ.ˈpɛː.nə(n)/
pronoun
1. republiek in Oost-Azië bestaande uit een archipel van 7107 eilanden
Filippinerne
/fili'pɛɪns/
pronoun
1. de officiële taal van de Filipijnen
filippinsk
pronoun
Filipperne
noun
  1. 1. een dunne laag
  2. 3. een opname van bewegende beelden die een verhaal vertelt
  3. 2. een dun en oprolbaar medium om beelden op te nemen in een camera
  4. 4. de filmindustrie
film
verb
1. beelden van iets vastleggen op film
filme
noun
1. feestelijk evenement waarbij het tonen van films centraal staat
filmfestival
noun
filologi
/filozoˈfi/
noun
1. de oudste theoretische discipline die het verlangen heeft en streeft naar kennis en wijsheid
filosofi
adjective
1.
filosofisk
/fɪltər/
noun
1. een voorwerp met kleine gaatjes waar water of gassen doorheen kunnen om gezuiverd te worden
filter
noun
2. het slotstuk van een meerdelig toneel- of muziekstuk
finale
verb
1. voorzien van de benodigde geldmiddelen
finansiere
verb
simulere
/ˈfɪnlɑnd/, /ˈfɪnlɑnt/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa
Finland
/fɪns/
adjective
1. betreffende Finland of het Fins
finsk
/fɪns/
pronoun
1. een taal die wordt gesproken in Finland
finsk
pronoun
1.
Den Finske Bugt
noun
  1. 1. een handelsvennootschap waarbij de vennoten hoofdelijk voor het geheel aansprakelijk zijn
  2. 2. een zaak of bedrijf
firma
adjective
fiskal
noun
1. een kanaalvormige zweer
fistel
noun
1. middel om iets vast te zetten, fixeermiddel
fiksativ
/fjɔrd/, /fjɔrt/
noun
1. een bepaald type van inham in een bergachtige kust, gekenmerkt door steile wanden die door gletsjerwerking zijn uitgesleten
fjord
noun
1. bepaald soort roze reigerachtige waadvogel met een haakvormige snavel...
flamingo
noun
1. een textielsoort van los gesponnen garen, gewoonlijk van geruwde wollen of katoenen stof, ...
flannel
adjective
2. in overdrachtelijke zin smakeloos
lamt
pronoun
1.
Flensborg
noun
1. scheikundig element met symbool Fl en atoomnummer 114
flerovium
noun
1. een langgerekt, cilindrisch en meestal van glas vervaardigd vat met een nauwe hals die met een dop of kurk af te sluiten is
flaske
/ˈflevoˌlɑnt/, /ˈfleːvoˌlɑnd/, /ˈfleːvoˌlɑnt/
pronoun
1. een provincie in het midden van Nederland, die door het IJsselmeer...
Flevoland
/flɛkˈsibəl/
adjective
1. het vermogen hebbend gebogen te worden
fleksibel
/ˈflɛk.si/
noun
2. vormverandering van een woord
bøjning
verb
flimre
/ˈflɔrəns/
pronoun
2. de hoofdstad van Toscane
Firenze
pronoun
1.
Florida
noun
1. betaalmiddel uit Florence dat later in heel Europa is gebruikt
florin
verb
1. spreken met gedempte stem
hviske
noun
  1. 1. buisvormig blaasinstrument
  2. 3. een scheepstype
  3. 4. een slank drinkglas
fløjte
verb
1. een fluit bespelen
fløjte
noun
2.
skovsanger
noun
1.
fløjt
noun
1. een chemisch element en een geelgroen halogeen
fluor
noun
1. het uitzenden van licht ...
fluorescens
noun
1. een zachte, fijngeweven stof, waarbij rechtopstaande pluizen, de zg. pool van zijde...
fløjl
noun
1. een ziekelijke vrees
fobi
/ˈfokʏs/
noun
2. een punt of verzameling van punten waar alle stralengangen samenkomen
fokus
/ˈfu.li/
noun
1. Myristica fragrans
muskatblomme
noun
1. een nog niet voldragen menselijke of dierlijke vrucht
foster
noun
A 1. driehoekig zeil bevestigd aan de voorstag
fok
verb
1. dieren houden om ze te laten voortplanten
avle
noun
1.
folie
noun
1. alles wat een volk creëert of heeft gecreëerd
folklore
noun
1. een voor een bepaald doel vastgelegd kapitaal
fond
noun
1.
fonem
/ˌfoneˈtik/
noun
1.
fonetik
adjective
fonetisk
/ˌfonoloˈɣi/
noun
1.
fonologi
/ˌfonɔˈloɣ/
noun
1. een persoon die fonologie gestudeerd heeft
fonolog
/fɔnˈtɛɪn/, /fɔnˈtɛːn/
noun
1. kunstmatige bron, aangelegd om water omhoog te spuiten
  1. fontæne
  2. springvand
noun
sut
noun
1. benaming voor zalmachtige zoetwatervissen uit de geslachten Salmo, Salvelinus en Oncorhynchus
  1. ørred
  2. örred
noun
1.
formaldehyd
/fɔrˈmel/
adjective
1. met inachtneming van strikte omgangsvormen
formel
noun
formel
pronoun
1. categorie in de autosport
Formel 1
/fɔrmyˈlir/
noun
1. een stuk papier waarop voorgedrukte vragen kunnen worden beantwoord
  1. formular
  2. blanket
noun
komfur
noun
1. een zout van een van de vormen van fosforzuur
fosfat
noun
1. met symbool P en atoomnummer 15
  1. fosfor
  2. phosphor
noun
1 en 2
  1. billede
  2. foto
noun
fotoalbum
adjective
1.op foto's een voordelige indruk makend
fotogen
noun
1. iemand die fotos maakt
fotograf
verb
1. een afbeelding maken door de projectie van beeld op een lichtgevoelige laag
fotografere
noun
1. de kunst om door chemische inwerking van licht op een gevoelige plaat afbeeldingen te maken
fotografi
noun
1. een fotografisch gemaakte kopie
fotokopi
noun
1. een elementair deeltje waaruit elektromagnetische straling is samengesteld
foton
verb
1. bewerken van foto's en ander digitaal beeldmateriaal via de computer
fotomanipulere
noun
1.
fotosyntese
noun
1. een toestel om mee te fotograferen
kamera
verb
1. iemand aftasten of er iets op het lijf gedragen wordt
kropsvisitere
/fɑut/
noun
1. vergissing, onjuistheid
fejl
/fwɑ.ˈjeː(r)/, /fʋa.ˈje/
noun
1. verzamelplaats, zaal voor de verpozing (bijvoorbeeld in een hotel of schouwburg)
foyer
/ˈfrɑksi/
noun
1. een klein deel
brøkdel
noun
fragment
noun
2. vrucht van de frambozenstruik
hindbær
noun
1. een scheikundig element met symbool Fr en atoomnummer 87
francium
noun
1. reeks afhangende draden die ter versiering aan de rand van een kleed of kledingstuk gehangen worden
frynse
/frɑŋk/
noun
munteenheid
franc
pronoun
Frankfurt am Main
adjective
frankisk
/ˈfrɑŋkrɛɪ̯k/, /ˈfrɑŋkrɛːk/
pronoun
1. een West-Europees land, grenzend aan België, Luxemburg, Duitsland, Zwitserland, Italië, Monaco, Spanje en Andorra
Frankrig
/frɑns/
adjective
1. betreffende Frankrijk of het Frans
fransk
/frɑns/
pronoun
1. een Gallo-Romaanse taal die vooral gesproken wordt in Frankrijk, België, Luxemburg...
fransk
pronoun
Fransk Guiana
pronoun
Fransk Polynesien
/ˈfrɑns.man/, /ˈfrɑns.mɑn/
noun
1. iemand uit Frankrijk
franskmand
adjective
  1. 2. taaluiting in het Frans
    fransksproget
  2. 1. de Franse taal sprekend
    1. fransktalende
    2. fransksproget
noun
1. het in frasen onderverdelen, met name gezegd van het articuleren van afzonderlijke muzikale zinnen in een muziekstuk, dat hierdoor als geheel beter moet klinken
frasering
/fratər/
noun
1. bepaald soort vogel, Linaria flavirostris
bjergirisk
noun
1. bedrog of gesjoemel door valsheid in geschrifte
bedrageri
noun
1.
gratisprogram
noun
  1. 1. Oorlogsschip
  2. 2. Driemaster
fregat
noun
fregatfugl
noun
1,2. aantal keren of herhalingen per tijdseenheid
frekvens
noun
frekvensmodulation
noun
freske
noun
1. bepaald soort klein marterachtig zoogdier, Mustela putorius furo
fritte
/frɔɪdɪˈaːns/
adjective
1. volgens de leer van Sigmund Freud of zoals men vindt in diens geschriften en leerstellingen
freudiansk
noun
1. en 2.
frisisk
pronoun
  1. 2. benaming voor een Germaanse taal
    frisisk
  2. 1. Westerlauwers Fries
    vestfrisisk
/ˈfrislɑnd/, /ˈfrislɑnt/
pronoun
1. provincie in het nooren van Nederland
Frisland
adjective
1. zojuist schoongemaakt, prettig ruikend
forfriskende
noun
  1. 1. voorkant
  2. 2. gevechtslinie
front
noun
1.
front
noun
bepaalde suiker die veel in zoete vruchten voorkomt
fruktose
/frœʏ̯t/, /frœːt/
noun
1. voedsel dat bestaat uit eetbare vruchten
frugt
noun
1.
frugttræ
noun
1. koude schotel met verschillende soorten fruit
abemad
adjective
1. van iets waarvan de verwachtingen in het geheel niet zijn uitgekomen
frustrerende
noun
fuga
noun
  1. 1. taak
  2. 2. positie binnen een bedrijf of organisatie
  3. 3. (wiskunde) afhankelijkheid tussen een element en een veranderlijke
  4. 4. (informatica) onderdeel van de broncode van een computerprogramma
funktion
noun
1. een orthodoxe, antiliberale godsdienstige richting
fundamentalisme
adjective
1. aan de basis staande
fundamental
noun
fungicid
noun
fusion
/fʏt/
noun
1. de benodigde energie en zin ergens voor
energi
noun
1. bepaald soort watervogel, Podiceps cristatus
toppet lappedykker
/ˈfizika/
noun
1. de wetenschap van de materie en de bestudering van het gedrag en de interactie in ruimte en tijd
fysik
noun
fysiker
noun
fysiologi
adjective
1. door de natuur bepaald, de natuurlijke verrichtingen van levende wezens of hun organen betreffend
fysiologisk
noun
fysioterapi
noun
plantesygdomme
noun
1. plantaardig plankton
planteplankton
/føn/
noun
1. een toestel dat een warme luchtstroom voortbrengt voor het drogen en opmaken van het kapsel
føn
/ɣaːj/
noun
1. middelgrote, gewoonlijk vrij kleurrijke zangvogel met een vrij lange staart, Garrulus glandarius
skovskade
/ɣaːn/, /χaːn/
verb
1. zich in een bepaalde richting bewegen
gå
/'ɣa.bɔn/, /ɣa.'bɔn/, /χa.'bɔn/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Gabonese Republiek
Gabon
adjective
1. op Gabon betrekking hebbend
gabonesisk
noun
1. echtgenoot, echtgenote
ægtefælle
/ɣadoˈlinijʏm/
noun
1. een scheikundig element met symbool Gd en atoomnummer 64
gadolinium
/ˈɣɑ.fəl/, /ˈɣɑ.fəɫ/, /ˈχɑ.fəɫ/
noun
  1. 1. rondhout
  2. 1. het gewei van een tweejarig hert of ree met twee uiteinden
gaffel
noun
1. bepaald soort zoogdier, Antilocapra americana
gaffelbuk
noun
1.
lysmand
noun
[A] 1. uit de lever afkomstig vocht dat een rol speelt in de spijsvertering, met name van vet
galde
adjective
galaktisk
pronoun
1. boek van het Nieuwe Testament
Galaterne
noun
1. een peervormig hol orgaan dat aan de rechterkant van het lichaam, achter (d.w.z. meer naar binnen) en onder de lever ligt
galdeblære
noun
galleri
/χɑlx/
noun
1. houten constructie bestaande uit één of meer staande balken met een horizontale balk haaks daarop en één of meer diagonale balken ter ondersteuning, in het verleden veel gebruikt om mensen door ophanging ter dood te brengen
galge
/'ɣɑlɣə(n)strɔp/
noun
1. een tot strop geknoopt touw zoals dat aan een galg gehangen wordt ter verhanging van een veroordeelde
løkke
adjective
  1. 1. een Spaanse regio in het noordwesten van het Iberisch schiereiland
  2. 2. betreffende het Galicisch
galicisk
pronoun
1. Romaanse taal gesproken in Galicië
galicisk
/ɣɑˈlisɪə/, /ʝɑˈlisɪə/
pronoun
  1. 1. Spaanse regio
  2. 2. historische landstreek
Galicien
pronoun
Galilæa
noun
1. historisch zeilschip
galeon
pronoun
1. uitgestorven taal
Gallisk
noun
1. een scheikundig element met symbool Ga en atoomnummer 31
gallium
pronoun
Gallien
noun
1. een langdurige naklank
efterklang
verb
1.
galopere
noun
1. een vaste structuur in de galwegen of de galblaas bestaande uit neergeslagen cholesterol, bilirubine of kalkzouten
galdesten
noun
galvanometer
/'ɣɑm.bi.ja/, /'χɑm.bi.ja/
pronoun
1. een land in West-Afrika
Gambia
adjective
gambisk
noun
1. schaakopening
gambit
/gɑŋ'gren/
noun
1. de afsterving en ontbinding van een levend organisme
gangræn
/ ˈgɛŋstər /
noun
1. een lid van een criminele organisatie
gangster
noun
1. benaming voor vogels uit de geslachten Anser en Branta
gås
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Ganymedes
/ˈɣa.pə(n)/, /ˈɣaː.pə(n)/, /ˈχa.pə(n)/
verb
  1. 2. met open mond vol verwondering ergens naar kijken
  2. 3. wijd openstaan
  3. 1. heel diep inademen met de mond ver open, moeilijk om bewust tegen te gaan
gabe
/ɣa.ˈra.zʲǝ/
noun
  1. 2. een bedrijf dat reparatieservices aan motorvoertuigen verricht
    autoværksted
  2. 1. een overdekte autostalling
    garage
/ɣa'rɑn(t)si/, /ɣa'rɑnsi/
noun
1. verklaring waarin men verklaart voor bepaalde gevolgen in te staan
garanti
noun
reje
pronoun
1.
Garonne
/ɣɑs/, /χɑs/
noun
1. aggregatietoestand
gas
noun
1. een buis waardoor verschillende materialen in gasvorm vervoerd kunnen worden
gasledning
noun
het rechter pedaal van een auto waarmee de brandstoftoevoer naar de motor geregeld wordt
gaspedal
/ɣɑst/, /χɑst/
noun
1. iemand die als bezoeker ergens wordt ontvangen, verwelkomd of op een bijzondere wijze behandeld
gæst
noun
1. iemand die tijdeljk naar een ander land komt om daar arbeid te verrichten
gæstearbejder
noun
1. een boek of elektronische versie daarvan waarin bezoekers hun opmerkingen achter kunnen laten
gæstebog
noun
1.
gæstehus
noun
1. maagwandontsteking
gastritis
noun
gastronomi
/ɣɑstˈfrɛɪ/, /ʝɑstˈfrɛː/
adjective
1. gul in het onthalen of herbergen van gasten
gæstfri
noun
gæstfrihed
noun
værtinde
/ɣɑt/, /χɑt/
noun
1. opening
hul
noun
1. politieke beweging in Frankrijk ontstaan na de Tweede Wereldoorlog gekenmerkt door een sterke nationale republiek, eenheid en een sterk presidentschap
Gaullisme
noun
gavial
noun
bøsseradar
pronoun
1. exclave van Palestina tussen Egypte, Israël en de Middellandse Zee
Gazastriben
noun
1. benaming voor slanke hoefdieren
gazelle
/ɣə/, /χə/
personalPronoun
1. tweede persoon enkelvoud. In Nederland verouderd, maar in België in dagelijks gebruik.
du
noun
tegnsprog
/ɣə'bɛt/
noun
1. het bidden
bøn
noun
1. een verzameling van bergen die met elkaar een groter geheel vormen
bjergkæde
/ɣə'bɵːrə(n)/
verb
1. plaatshebben, werkelijkheid worden
ske
noun
1. iets dat zich voordoet
begivenhed
/ɣəˈbit/, /χəˈbit/
noun
1. een deel van het aardoppervlak
område
noun
bud
/ɣəˈboːrtə/, /χəˈbo̝ːrtə/
noun
1. actie waarbij een organisme uit zijn/haar moeder komt en aan zijn zelfstandige leven begint
fødsel
noun
1. een getal dat aangeeft hoeveel geboorten er in een gebied in een bepaalde tijd hebben plaatsgevonden
fødselsrate
noun
1. een opvallende tijdelijke toename in het aantal geboorten
babyboom
adjective
  1. 1. ter wereld gebracht, gebaard
  2. 2. begonnen, ontstaan
  3. 3. door herkomst of natuurlijke aanleg
født
noun
1. een constructie waarin men kan wonen of werken
bygning
noun
1. een tekort
mangel
/ɣəˈbroːkən/, /χəˈbroːkən/
adjective
gebrokken
/ɣəˈbrœʏkən/, /χəˈbrœʏkən/
verb
1. zich bedienen van, toepassen
  1. bruge
  2. benytte
  3. tilbringe
/ɣə'brœːkər/, /χə'brœʏkər/
noun
1. iemand die iets gebruikt
bruger
noun
1.
brugernavn
noun
1. meestal schriftelijke instructie die bij een product wordt gegeven
brugsvejledning
/ɣə'dɑɣdə/, /ɣəˈdɑxtə/
noun
1. het nadenken, idee
tanke
noun
1. een reeks op elkaar volgende denkstappen
tankegang
noun
destilleret vand
noun
1. een in versmaat of in dichterlijke stijl opgesteld stuk
digt
/ɣə'dɛɪə(n)/
verb
1. voorspoedig groeien
trives
noun
1. de manier waarop iemand optreedt of iets ergens op reageert
  1. adfærd
  2. opførsel
verb
1. zich ~: de manieren die iemand meest in de omgang met anderen aan de dag legt
opføre sig
/xə'drɑxswɛizə/
noun
1.
opførsel
/ɣədʏɫt/
noun
1. de rust en bereidheid om te wachten
tålmod
/gə'dʌldəx/
adjective
1. bereid te wachten en tegenslagen te verdragen
tålmodig
preposition
tijdens
gennem
/ɣeːl/, /ɣeːɫ/, /χeɪɫ/
adjective
1. citroen-, goudkleurig
gul
/ɣeːl/, /ɣeːɫ/, /χeɪɫ/
noun
1. kleur tussen oranje en groen
gul
indefinitePronoun
1. ontkennend onbepaald lidwoord: tegenovergestelde van één, niet een
ingen
noun
1. smalle ranke zeevis met afgeplat lichaam en een lange snavelvormige bek, Belone belone
hornfisk
/ɣeːst/, /χeːst/
noun
  1. 1. dat wat zich afspeelt in iemands gedachten
  2. 2. een onsubstantieel wezen
ånd
adjective
1. met humor, gevat
åndrig
/ɣɪːwə(n)/
verb
1. gapen
gabe
noun
hvisken
noun
helhed
/ɣəɦɛɪm/
adverb
1. opzettelijk verborgen
hemmelig
/ɣəɦɛɪm/
noun
1. informatie die verborgen wordt en bestemd is om dat te blijven
hemmelig
noun
  1. 1. het deel van de hersenen waarin herinneringen worden opgeslagen
  2. 2. snel toegankelijke plaats om data op te slaan
hukommelse
noun
amnesi
noun
1. het organische systeem om geluiden waar te nemen
hørelse
noun
1.
hørevidde
/ɣə'hoːrzam/, /ɣə'ɦoːrzam/, /χə'ɦo̝ːrzam/
adjective
1. bereid gehoor te geven aan regels of bevelen
lydig
verb
1. gevolg geven aan een opdracht of bevel
adlyde
/ˈɣɛɪ̯t/, /ˈɣɛːt/, /ˈχɛɪ̯t/
noun
1. bepaald soort zoogdier Capra aegagrus hircus
ged
noun
gedeost
noun
voedzaam vocht dat tepels van een geit afscheiden
gedemælk
noun
1. gekko
gekko
noun
2. een product om haar mee in model te houden
gel
noun
ansigt
/ɣəˈlɑx/
noun
1. het lachen
latter
/ˈɣɛlt/, /ˈχɛlt/
noun
1. een ruilmiddel dat gegarandeerd wordt door een land waarmee goederen en diensten kunnen worden gekocht
  1. penge
  2. betalingsmiddel
/ˈɣɛldərˌlɑnd/, /ˈɣɛɫdərˌlɑnt/, /ˈχɛɫdərˌlɑnt/
pronoun
1. provincie in het oosten van Nederland, die door de Flevoland, Overijssel, Limburg, Noord-Brabant, Zuid-Holland, Utrecht en het Duitse Noord-Rijnland-Westfalen wordt omringd
Gelderland
adjective
1. waarvan de waarde of wettigheid erkend wordt
gyldig
noun
mønt
noun
1. de besteding van geld aan minder voordelige doeleinden dan mogelijk zou zijn geweest
spild af penge
noun
1. bepaalde infectieziekte, veroorzaakt door het gelekoortsvirus
gul feber
/ɣə.let.ˈpo.tə.ɣə/, /ɣə.ˈleːd.ˌpoː.ti.ɣə/, /χə.let.ˈpo.tə.χə/
noun
1. een dier met een uitwendig skelet van chitine
leddyr
/ɣǝ.'le.ɣǝn.ɦɛjt/
noun
1. mogelijkheid tot
lejlighed
noun
  1. 1. elektrische stroomgeleider
  2. 2. warmtegeleider
leder
/ɣəlɛɪgˈbenəx/
adjective
1 & 2.
ligebenet
noun
1. de mate waarin iets of iemand aan een ander doet denken
lighed
noun
lighed
noun
jævnstrøm
noun
1. het op hetzelfde moment plaatsvinden van meerdere gebeurtenissen
samtidighed
/ɣə'lɔftə/
noun
1. een plechtige verklaring iets voortaan te zullen doen of na te zullen laten
løfte
/ɣəˈlof/, /χəˈlof/
noun
1. godsdienst
religion
verb
1. overtuigd zijn dat iets waar is
tro
/ɣə.ˈlo.vi.ɣə/, /ɣə.ˈlo.və.ɣə/, /χə.ˈlo.və.χə/
noun
1. iemand die een bepaald geloof aanhangt
troende
noun
1. weinig nauwkerige maat voor hoe luid een bepaald geluid is
lydstyrke
/ɣəˈlɵk/, /χəˈlɵk/
noun
1. prettige loop van de omstandigheden
  1. held
  2. lykke
adjective
  1. 1. in een tevredene toestand zijn, zich goed voelen
    glad
  2. 2. door gunstig toeval, met mazzel
    lykkelig
adverb
1. op een gelukkige manier
lykkeligvis
noun
1. Zingiber officinale, een specerij met een scherpe smaak
ingefær
noun
1. fijngemalen gedroogde wortels van Zingiber officinale
malen ingefær
noun
  1. 1. het met één of meer andere deel hebben aan iets
  2. 3. geheel van personen of zaken die tot elkaar in een bepaald opzicht in een geregelde betrekking staan
  3. 2. samenleving
fællesskab
/ɣəmenˈsxɑpələk/, /χəmenˈsχɑpələk/
adjective
3. gerelateerd aan meer dan een entiteit
fælles
/ɣəˈmentə/, /ɣəˈmeɪntə/, /ʝəˈmentə/
noun
1. bestuurlijke eenheid
kommune
/ɣəˈmɪdəld/, /ɣəˈmɪdəlt/, /χəˈmɪdəɫt/
adverb
1. in de meeste gevallen
i gennemsnit
noun
1. de som van een aantal getallen gedeeld door het aantal ervan
gennemsnit
noun
1. in de Alpen levende soort berggeit
gemse
noun
1. drager van informatie van de erfelijke eigenschappen
gen
adjective
  1. nådesløs
  2. skånselsløs
noun
1. de laatste slag toegebracht aan een zwaargewonde vijand om hem uit zijn lijden te helpen
coup de grâce
adjective
kønsneutral
noun
1. een discipline van de geschiedkunde die zich bezighoudt met voorouderonderzoek dan wel de afstamming van de familienaam
  1. genealogi
  2. slægtsforskning
adjective
genealogisk
/γ̊əˈneːskʏndə/
noun
1. de wetenschap die zich richt op de aard, de oorzaken en de geneesmiddelen van ziekten
  1. lægevidenskab
  2. medicin
adjective
general
noun
1. iemand die het bevel heeft over een leger
general
noun
1. alle personen die min of meer tegelijkertijd geboren zijn
generation
/ˌɣenəˈratɔr/, /ˌχenəˈratɔr/
noun
1. een apparaat of persoon die iets genereert (doet ontstaan)
generator
pronoun
Første Mosebog
noun
1.de wetenschap van alles wat de werking van genen betreft, in het bijzonder erfelijke overdracht
genetik
/ɣəˈnetis/
adjective
1. gerelateerd aan de erfelijkheid
genetisk
noun
1. iemand die buitengewoon slim is of die ergens uitzonderlijk goed in is
geni
noun
1. naamval als aanduiding van bezit, oorsprong of hoeveelheid
genitiv
noun
1. stelselmatige uitroeiing van een volk
folkedrab
indefinitePronoun
nok
/xəˈnom/
noun
1. een verzameling van alle genen van de chromosomen van een organisme
genom
noun
1. het geheel van genetische kenmerken dat een soort onderscheidt
genotype
noun
1. categorie in een kunstvorm
genre
pronoun
1. Vlaamse provinciehoofdstad van Oost-Vlaanderen, België
Gent
noun
ensian
noun
gentrificering
pronoun
1. een stad in Noordwest-Italië
Genova
pronoun
2. stad in Zwitserland
Genève
adjective
geocentrisk
noun
geofysik
adjective
geofysisk
noun
1. aardrijkskunde
geografi
noun
1. aardkunde
geologi
adjective
1. op de geologie betrekking hebbend
geologisk
noun
geolog
noun
1. een tak van de wiskunde die zich bezighoudt met ruimtelijke figuren
geometri
noun
geomorfologi
noun
1. futensoort met zwarte nek, zwarte kop en een goudgele oorpluim, Podiceps nigricollis
sorhalset lappedykker
/ɣeˈjɔrɣis/, /ɣeˈjɔrɣɪs/, /χeˈjɔrχis/
pronoun
1. de taal die in Georgië gesproken wordt
georgisk
/ɣeˈjɔrɣi.jə/, /χeˈjɔrχi.jə/
pronoun
1. een soevereine staat in West-Azië, gelegen in de Kaukasus. De officiële taal is het Georgisch
Georgien
/ˈɣeː.rɑrd/, /ˈɣeː.rɑrt/, /ˈχɪː.rɑrt/
pronoun
1. jongensnaam
Gerhard
noun
1. een bepaald soort voedsel op een bepaalde wijze bereid
ret
noun
retfærdighed
noun
1. afsluitbare bak waarin gereedschap opgeborgen en bijeengehouden wordt
verktøjskasse
/ɣɛrˈmaːns/, /χɛrˈmans/
adjective
  1. 1. betrekking hebbend op de taal der Germanen of de talen die er van afstammen
  2. 1. op de Germanen betrekking hebbend
germansk
/ɣɛrˈmaːns/, /χɛrˈmans/
pronoun
1. taal zoals die eertijds door de Germanen gesproken werd
germansk
noun
1. woord of uitdrukking overgenomen uit het Duits of gevormd naar het Duits
fortyskning
noun
1. een scheikundig element met symbool Ge en atoomnummer 32
germanium
noun
1. tak van wetenschap die het "ouder worden" bestudeert
gerontologi
noun
2. en 3. (zaad van de) plant Hordeum vulgare
byg
/ɣə'rɵxt/
noun
  1. 1. lawaai; een klein geluid
    forlydende
  2. 2. een mededeling of nieuwtje dat de ronde doet maar nog niet bevestigd is, zodat je niet zeker bent of het waar is
    rygte
noun
1. zelfstandig gebruikte verbogen infinitief
gerundium
verb
1. iemands angst of zorgen ontzenuwen of minder aannemelijk maken
berolige
/ɣəˈsxɛŋk/, /ʝəˈsçɛŋk/
noun
1. iets dat men geeft
gave
/ɣəˈsxidəˌnɪs/
noun
2. de gebeurtenissen van het verleden
historie
noun
historiografi
/ˈɣeː.zəl/, /ˈχe.səɫ/
noun
1. werktuig van touwen of riempjes met knopen of stukjes metaal, waarmee men ter bestraffing op iemands lichaam slaat
svøbe
/ɣesələ(n)/
verb
1. iemand met een zweep of gesel tuchtigen
piske
/χəˈslɑχt/
noun
  1. 3. (biologisch) genus
    1. genus
    2. slægt
  2. 4. grammaticaal geslacht
    1. grammatisk køn
    2. køn
/ɣəˈslɑxtsɔrɣaːn/, /ʝəˈslɑxtsɔrʝaːn/
noun
1. lichaamsdeel
kønsorgan
/ɣɛsp/
noun
1. sluitmechanisme aan riemen e.d.
spænde
adjective
1. met sterk ontwikkelde stevige spieren
muskuløs
noun
1. een mondelinge conversatie waarbij informatie uitgewisseld wordt
samtale
noun
1. een persoon die deelneemt aan een gesprek
samtalepartner
/ɣəˈstentə/
noun
1. het materiaal waaruit de aardkorst bestaat, bestaande uit mineralen
bjergart
noun
tal
adjective
1. talent hebbend
begavet
noun
1. een elektrische centrale die functioneert op het verschil tussen eb en vloed
tidevandskraftværk
noun
1. de periodieke verandering van de waterstand ten gevolge van de stand van de maan
tidevand
noun
1. (elektrotechniek) (werktuigbouwkunde) elektrische centrale die werkt door middel van getijdenstromen ontstaan door het hoogteverschil tussen eb en vloed
tidevandskraftværk
noun
1.
trækkamp
adjective
trofast
adjective
1. voltooid deelwoord van trouwen
gift
noun
1. iemand die een gebeurtenis heeft meegemaak of op andere wijze, veelal onder ede, een verklaring kan geven ten aanzien van de ware toedracht van een zaak
vidne
verb
1. een veelal beëdigde verklaring afleggen ten aanzien van de ware toedracht van een zaak
  1. vidne
  2. bevidne
noun
vidnesbyrd
/ɣəˈvar/
noun
1. groot risico
fare
/ɣəˈvarlək/, /ɣəˈvaːrlɪk/, /χəˈvarlək/
adjective
1. gevaar met zich meebrengend
farlig
noun
1.
tilfælde
noun
1. iemand die gevangen genomen is
fange
/ɣǝvɑŋǝnis/
noun
1. een gebouw waarin personen gevangen worden gehouden vanwege hun misdaden
fængsel
noun
1een driehoekige rode reflector
advarselstrekant
/ɣəˈvɛxt/, /χəˈvɛxt/
noun
1. een handgemeen
kamp
/ˈɣevə(n)/, /ˈχevə(n)/
verb
1. overdragen van het bezit van iets aan iemand anders
give
noun
1. bepaald soort mooi getekende en gekleurde zeevis, Labrus bergylta
berggylt
noun
1. gewaarwording
følelse
noun
  1. 1. een aandoenlijkheid
  2. 2. de nauwkeurigheid van instrumenten
  3. 3. de spanning van een film
følsomhed
noun
1., 2.
følelsesløshed
/ɣəˈvɔlx/, /ɣəˈvɔɫx/, /χəˈvɔɫχ/
noun
1. iets dat voortkomt uit iets anders
konsekvens
noun
1. dat wat aanwast op het veld, maar nog niet geoogst is.
afgrøde
noun
gevær
noun
1. een stel uit been bestaande hoorns van herten; al dan niet vertakt
gevir
noun
1. elke kracht van meer dan geringe betekenis uitgeoefend op personen, goederen of zaken
vold
noun
hvælv
/ɣəˈʋetə(n)/
noun
1. het deel van iemand waarmee die persoon zijn daden op goed en kwaad beoordeelt
samvittighed
/ɣəˈʋɪxt/, /χəˈʋɪxt/
noun
1. de kracht die dat voorwerp op zijn ondersteuning of ophanging uitoefent
vægt
/xə'wɪxthɛfər/
noun
1.
vægtløfter
noun
1. het minder worden van de massa van een persoon of voorwerp
vægttab
noun
1. bepaald soort loofboom, Acer pseudoplatanus
ær
noun
1. Balaenoptera physalus, een groot zeezoogdier, lang en gestroomlijnd met puntige kop
finhval
noun
1. bepaald soort zoogdier, Phoca vitulina
spættet sæl
noun
1. Galanthus nivalis, een vroegbloeiend bolgewas met witte bloempjes
almindelig vintergæk
adverb
1. zoals de ervaring leert dat het meestal is
sædvanligvis
/ɣəˈwoːntə/, /ɣəˈβ̞oːntə/, /χəˈʋontə/
noun
1. vaste wijze om dingen te doen
vane
noun
1. verbinding
led
noun
gesandt
noun
2. middeleeuwse ambachtsman in een gilde die nog niet de rang van meester of baas had verworven
svend
/χəˈzɛləx/
adjective
  1. 2. sociaal aangenaam
  2. 3. knus
  3. 4. leuk, onderhoudend
hygge
noun
1. de voorkant van een menselijk hoofd
ansigt
/xə.ˈzɔnt/, /ɣə.ˈzɔnt/
adjective
  1. 1. vrij van ziektes en zeertes
  2. 2. bevorderlijk voor een goede conditie
sund
noun
1. welbevinden, in goede staat zijn
sundhed
noun
integreret kredsløb
/'ɣa.na/, /'χa.na/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Ghana
Ghana
adjective
1. op Ghana betrekking hebbend
ghanesisk
pronoun
Gibraltar
/ɣɪts/, /χɪts/
noun
persoon die een groep begeleid en uitleg geeft
guide
noun
1. rondhout bevestigd aan het onderlijk van een zeil
bom
/ɣiːr/, /χiːr/
noun
1. benaming voor grote aasetende roofvogels met een kale kop en machtige vleugels
grib
adjective
1. geen geld of bezit aan een ander willende geven
nærig
noun
2. en 3. (zaden van) de graansoort Panicum miliaceum
hirse
/ˈɣirˌzʋalyw/
noun
1. bepaald soort vogel, Apus apus
mursejler
noun
1. een soort emmer met sproeibuis om de planten te begieten
vandkande
noun
1. een bedrijf dat zich toelegt op het gieten van metalen voorwerpen
støberi
noun
1. Een (meestal ronde) holte in een gegoten product, waarin zich tijdens het gietproces onbedoeld lucht heeft opeengehoopt
Lunke
noun
støbejern
/ɣɪf/, /χɪf/
noun
1. substantie die in kleine hoeveelheden schadelijk of dodelijk is
gift
/ˈɣɪftəx/, /ˈχɪftəx/
adjective
1. gif bevattend
giftig
noun
gigabyte
adjective
gigantisk
/ˈɣɛɪ̯zəlaːr/, /ˈɣɛːzəlaːr/, /ˈχɛɪ̯zəlaːr/
noun
1. een veelal onschuldig persoon die tegen de eigen wil door een gijzelnemer gevangen wordt gehouden en die bedreigd wordt met het doel iets van derden gedaan te krijgen
gidsel
/'ɣɛɪzələ(n)/
verb
1. iemand gevangen nemen om daarmee een losprijs te bedingen
bortføre
/ˈɣɪldə/, /ˈχɪɫdə/
noun
gilde
noun
gin
noun
1.
ginseng
noun
1. (scheikunde) een uit calciumsulfaat en water uithardende witte vaste stof: CaSO₄·2H₂O
gips
/ʒi'rɑf/
noun
1. Herkauwend dier
giraf
noun
1. herkauwend dier dat in Midden-Afrika leeft met een zeer lange hals, Giraffa camelopardalis
giraf
noun
1. de naam voor een aantal soorten micro-organismen
gær
verb
fermentere
/ˈɣɪstər/, /ˈχɪstər/
adverb
1. de laatste dag die voltooid is
i går
/ˈɣɪstərə(n)/, /ˈχɪstərə(n)/
adverb
1. de laatste dag die voltooid is
i går
/ɣi'tar/
noun
1. een muziekinstrument
guitar
noun
glaciologi
adjective
glat
noun
gladiator
noun
1. betoverend uiterlijk, schone schijn
glamour
noun
1. Poecile palustris, een zangvogel uit de familie van echte mezen (Paridae)
sumpmejse
verb
1. in zekere mate licht weerspiegelen of voortbrengen
glimte
/ɣlɑs/, /χlɑs/
noun
    1. 3. om uit te drinken
    2. 1. niet-kristallijne vaste stof
    glas
  1. 2. op basis van SiO₂
    1. glas
    2. rude
noun
1. glasharmonica
glasharmonika
noun
glasnost
noun
isolatiemateriaal gemaakt van glas
glasuld
noun
1. een aandoening waarbij een verhoging van de druk in de oogbol onbehandeld...
  1. grøn stær
  2. glaukom
noun
1-2
emalje
noun
1. een ijsmassa die gevormd wordt op land en dik en groot genoeg is om bergafwaarts te stromen
  1. gletsjer
  2. bræ
adjective
1. glad, moeilijk houvast op te krijgen
glat
/ˈxlɛɪdə(n)/, /ˈɣlɛːdə(n)/
verb
1. met geringe wrijving gericht voortschuiven
glide
noun
1. een gelaatsuitdrukking die een geluidloze lach verraadt
smil
/'ɣlɪmlɑχən/
verb
1. zacht onhoorbaar lachen
smile
noun
1. een nachtelijk lichtgevend kevertje uit de familie Lampyridae
ildfuer
/ɣlut/
noun
glød
/ˈɣluilɑmp/
noun
1. een lamp die licht produceert met een gloeidraadje
glødelampe
noun
glosar
/'ɣly.tə(n)/
noun
gluten
noun
1. een metamorf gesteente met verschillend gekleurde banden of aders
gnejs
noun
1. Connochaetes, een dier behorende tot de familie Bovidae...
gnu
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het westen van het land
Goa
pronoun
1. bovennatuurlijk en volmaakt wezen, dat beschikt over superieure krachten en dat onsterfelijk is
Gud
/ɣɔd/, /ɣɔt/, /χɔt/
noun
1. hypothetisch bovennatuurlijk wezen dat verantwoordelijk wordt geacht...
gud
adjective
guddommelig
noun
1. een hypothetisch bovennatuurlijk wezen dat verantwoordelijk wordt geacht voor (bepaalde aspecten van) de werkelijkheid
deitet
pronoun
1. benaming voor het vrouwelijk opperwezen
Gudinde
noun
1. een vrouwelijke godheid
gudinde
noun
1.
religionsfrihed
noun
1. belediging of bespotting van God/een godheid
blasfemi
adjective
1. lasterlijk ten opzichte van God
blasfemisk
adjective
1. kwaliteit bezittend
god
adverb
1. op goede wijze
  1. godt
  2. vel
noun
1. iets concreets of abstracts dat men in bezit kan hebben
godt
/ˌɣudə.ˈvrɛɪ̯.dɑx/
pronoun
1. de vrijdag voor Pasen
  1. langfredag
  2. Langfredag
/ˌɣudəˈmɔrɣə(n)/
interjection
groet
god morgen
interjection
avondwens
godnat
interjection
1. een groet die in de avond gebruikt wordt
godaften
noun
1. trein die uitsluitend is bestemd om goederen te vervoeren
godstog
verb
1. toestemming verlenen
godkende
adjective
1. laag in prijs
billig
noun
gulag
/gɔlf/, /χɔl(ə)f/
noun
  1. 4. grote baai
    bugt
  2. 1, 2 en 3
    bølge
  3. 1. balspel waarbij een golfbal met een golfclub in een aantal slagen in de hole moet worden geslagen.
    golf
pronoun
1. zee die begrenst wordt door Mexico, de Verenigde Staten van Amerika en Cuba
Mexicanske Golf
pronoun
1.
Rigabugten
noun
golfbold
noun
bølgelængde
/ˈɣɔndəl/
noun
1. een pleziervaartuig in Venetië
gondol
noun
1. een hangend slagwerk
gong
verb
het uitvoeren van effecten die verbazing wekken van omstaanders
trylle
/ˈgu:gələ(n)/, /ˈɡu.ɡə.lə(n)/, /ˈɣu.ɣə.lə(n)/
verb
1. naar informatie zoeken op het internet, m.n. met Google
google
noun
googol
noun
googolplex
/χot/
noun
1. lid van een Oost-Germaans volk
goter
noun
grøft
/ˈɣotsten/
noun
1. een bak, meestal ingebouwd in een aanrecht, onder een kraan en met een afvoer
køkkenvask
noun
1. een band die om het middel gedragen wordt
bælte
noun
1. zoogdier met pantser van beweegbare schubben uit de familie Dasipodidae
bæltedyr
noun
helvedesild
/ɣɔrˈdɛːn/, /χɔrˈdɛɪn/
noun
1. doek ter afdekking
gardin
noun
1. Afrikaanse mensaap uit het geslacht Gorilla
gorilla
/ɣɔrs/, /χɔrs/
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Emberizidae
værling
noun
gryn
noun
gospel
pronoun
1. de uit de oostelijke tak van de Germaanse talen stammende en uitgestorven taal der Goten uit de eerste...
Gotisk
/ˈɣɔtlɑnt/, /ˈʝɔtlɑnt/
pronoun
1. Zweeds eiland
Gotland
/ɣʌʊt/
noun
1. een edelmetaal met atoomnummer 79 dat wordt aangegeven met het symbool Au, het is een geel metalliek overgangsmetaal
guld
phraseologicalUnit
guldmedalje
noun
1. bepaald soort klein vogeltje met een goudkleurig kruintje Regulus regulus
fuglekonge
noun
1. Canis aureus
guldsjakal
noun
guldfeber
noun
1. soort plevier, Pluvialis apricaria
hjejle
noun
morgenfrue
noun
1. een smid die met goud werkt
guldsmed
noun
1. bepaald soort vogel, Pyrrhul pyrrhula
dompap
/ˈɣaʊ̯d.vɪs/, /ˈɣɔʊ̯t.fɪs/, /ˈχʌʊ̯t.fɪs/
noun
1. bepaald soort kleine goudkleurige of rode vis die uit China afkomstig is en die door veel mensen thuis gehouden wordt, Carassius auratus auratus
guldfisk
noun
1. een stoofschotel van o.a. rundvlees, paprika en uien, tevens het nationale gerecht van Hongarije
gullasch
noun
1. het hoofd van een regering, van een kolonie, staat of andere subnationale staatseenheid
  1. guvernør
  2. statholder
noun
1. eenheid om hoeken te meten
grad
noun
1. geschiedkundige term voor een landsheer, oorspronkelijk belast met de rechtspraak...
greve
noun
amt
/ɣrax/, /χraχ/
adverb
1. met plezier, met graagte; dat doe ik graag
gerne
interjection
1. beleefd antwoord nadat je bedankt bent
det var så lidt
noun
1.
gral
noun
korn
noun
fiskeben
noun
2. ± (lid van) een linksgeoriënteerde, stedelijke elite
  1. champagnesocialist
  2. kystbanesocialist
noun
1. een instrument waarmee een hoek van een gekende grote uitgezet of gemeten kan worden
vinkelmåler
/ɣrɑf/, /χrɑf/
noun
  1. 1. ruimte om één of meer lijken in te begraven
  2. 2. plaats waar één of meer lijken begraven liggen
grav
noun
1. kunstmatige heuvel die is opgeworpen om als graf te dienen
gravhøj
noun
in plaatjes gekristalliseerde koolstof
grafit
adjective
grafisk
noun
1. op een grafsteen gegraveerde korte tekst, gewijd aan de overledene
epitafium
noun
1. een rechtopstaande gebeeldhouwde steen die de aanwezigheid van een graf markeert
gravsten
noun
1. een afgeleide eenheid voor massa in het SI-stelsel (éénduizendste van een kilogram, 0,001 kg)
gram
noun
1. een systeem van regels en principes voor het schrijven en spreken van een taal.
grammatik
adjective
  1. grammatikalsk
  2. grammatisk
noun
5. groep kubische mineralen
granat
noun
2. vrucht
granatæble
noun
1. wapen, of deel van een wapen, bestemd voor het lanceren van stuwloze ontploffende projectielen
granatkaster
/ɣɾaˈni:t/
noun
1. stollingsgesteente bestaande uit lichtgekleurde, met het blote oog onderscheidbare mineralen.
granit
noun
1. een gele of rode, enigszins bitter smakende citrusvrucht
  1. grapefrugt
  2. grape
noun
1. sap van de vrucht van de boom Citrus paradisi
  1. grapefrugtsaft
  2. grapefrugtjuice
/ˈɣrɑpəχ/
adjective
1. de lust tot (glim-) lachen opwekkend
komisk
noun
  1. 1. benaming voor planten uit de familie Poaceae
  2. 1.1 benaming voor planten uit de familie Poaceae die een oppervlak met sprietvormige groene bladeren begroeien
græs
/ɣrɑsmajər/
noun
plæneklipper
noun
1. Sylvia communis, een zangvogel uit de familie zangers Syviidae
tornsanger
noun
1. Anthus pratensis, een zangvogel uit de familie Motacillidae
engpiber
noun
græstørv
adjective
1. wat zonder betaling verkregen wordt
gratis
noun
1. bepaalde soort grijsbruine vogel met oranje snavel, Anser anser
grågås
noun
1. bepaalde soort roofvogel, Circus pygargus
hedehøg
noun
1. meest voorkomende poonsoort in de Noordzee, Eutrigla gurnardus
grå knurhane
verb
1. een gat in de grond maken met de handen of met een graafwerktuig
grave
verb
1. met een scherp gereedschap iets krassen in glas of metaal
gravere
noun
1. vrouwelijke graaf
grevinde
noun
1. de kracht die de wederzijdse aantrekking van massa veroorzaakt
  1. gravitation
  2. tyngdekraft
adjective
gregoriansk
/ɣre.ˈna.da/, /ɣrɛ.ˈna.da/, /χre.ˈna.da/
pronoun
land in het Caribisch gebied
Grenada
noun
  1. 2. de raaklijn tussen twee landen
  2. 1. een al dan niet denkbeeldige scheidingslijn
grænse
noun
1. assistent-scheidsrechter
linjedommer
/ɣrik/, /χrik/
noun
1. inwoner van Griekenland
græker
/ˈɣrikə(n)ˌlɑnd/, /ˈɣrikə(n)ˌlɑnt/, /ˈχrikə(n)ˌlɑnt/
pronoun
1. een land in het zuidoosten van Europa
Grækenland
/ɣriks/, /χriks/
pronoun
1. een taal die vooral wordt gesproken in Griekenland en op Cyprus
græsk
/ɣrip/
noun
1. een vierusziekte die jaarlijks vele mensen ziek maakt en die voor ouderen gevaarlijk kan zijn
influenza
noun
1. grof gemalen meel
semulje
/ɣrit/, /χrit/
noun
C. vissoort
slethvar
adjective
uhyggelig
noun
1. iemand die de taak heeft alle communicatie rond een zaak schriftelijk vast te leggen en te ordenen
kantorleder
noun
1. Oudgrieks fabeldier met de kop, voorpoten en vleugels van een adelaar en de romp, achterpoten en staart van een leeuw
grif
noun
grin
verb
1. plotseling iets of iemand beetpakken
gribe
adjective
1. de kleur grijs hebbend
grå
adjective
1. gelijkend op, of eigenschappen hebbend van grijs
grålig
/ɣrɛɪsˈɦarəx/
adjective
1. met grijs haar
gråhåret
noun
1. stevige zwarte walvis, met bolvormig voorhoofd en een heel kleine snuit
gråhval
noun
1.
blå glente
noun
1. bepaald soort zoogdier, Halichoerus grypus
gråsæl
verb
1. grijs worden, grijze haren krijgen
gråne
noun
onredelijk en willekeurig gedrag
grille
noun
ral
/ˈgrɪzliˌbeːr/, /ˈɣrɪzliˌbeːr/
noun
1. Ursus arctos horribilis, een Amerikaanse ondersoort van de bruine beer.
grizzlybjørn
/ɣruj/, /χruj/
noun
1. het groter worden
vækst
/ˈɣrui̯ə(n)/
verb
groter worden
vokse
adjective
1. met de kleur zoals bladeren van planten die meestal hebben
grøn
noun
1. kleur zoals bladeren van planten die meestal hebben, geel met blauw gemengd
grøn
/'ɣrun lɑxə(n)/
phraseologicalUnit
1. geforceerd glimlachen
galgenhumor
noun
  1. 1. groen verkeerslicht
  2. 2. toestemming
grønt lys
noun
1. Picus viridis
grønspætte
/ˈɣrun.lɑnd/, /ˈɣrun.lɑnt/, /ˈχrun.lɑnt/
pronoun
1. een groot eiland ten noordoosten van Canada, deel uitmakend van het koninkrijk Denemarken
Grønland
adjective
grønlandsk
noun
1. bepaald soort zeezoogdier, Balaena mysticetus
Grønlandshval
noun
1.
ir
noun
1. eetbare planten of delen daarvan
  1. grøntsag
  2. grønsag
/ɣrup/, /ʝrup/
noun
1. uit meerdere personen of eenheden bestaand geheel
gruppe
noun
flokimmunitet
noun
1.
gruppesex
noun
1. verkrachting door een groep personen
gruppevoldtægt
/ˈɣrut/, /ˈχrut/
noun
1. een uiting waarbij men elkaars aanwezigheid erkent wanneer men elkaar ontmoet
hilsen
noun
1.
jordbesidder
noun
råstof
noun
1. al het water dat zich in de aardbodem bevindt
grundvand
noun
1. wet die de principes van een staat definieert
  1. grundlov
  2. forfatning
/ˈɣroːˌnɪŋə(n)/, /ˈχroˌnɪŋə(n)/
pronoun
  1. 1. hoofdstad van de provincie Groningen
  2. 2. gemeente in de provincie Groningen waarin de stad Groningen ligt
  3. 3. provincie in het noorden van Nederland, die door Friesland, Drenthe en het Duitse Oost-Friesland wordt begrensd
Groningen
/ɣroːt/
adjective
  1. 1. meer dan normaal in formaat
  2. 2. bewonderenswaardig, goed
  3. 3. machtig, belangrijk
stor
/ˌɣroːd brɪˈtɑni.jə/, /ˌχrot brɪˈtɑni.jə/
pronoun
1. benaming voor het '[[Verenigd Koninkrijk|Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland]]', dat officieel met Verenigd Koninkrijk wordt aangeduid.
Storbritannien
noun
1. bedrijf dat in het groot handelt, dat aan de detailhandel levert
en groshandel
noun
1. adellijke titel die hoger is dan die van hertog maar lager dan die van koning
storfyrste
noun
1.
storhertugdømme
noun
vidvinkelobjektiv
noun
1. een moeder van een ouder
  1. bedstemor
  2. bedstemoder
noun
1. op een krachtige manier heel gul zijn
højsind
noun
øreræv
/ˈɣrotˌʌʊdər/
noun
1. de ouder van een ouder
bedsteforælder
noun
størrelse
/ˈɣroːtˌfaːdər/
noun
1. de vader van een ouder
  1. bedstefader
  2. bedstefar
noun
3. groothertog
storfyrste
noun
  1. 1. in de klassieke zeilvaart de onderste, grootste zeil aan de grote mast
  2. 2. in de moderne zeilvaart het zeil bevestigd met het voorlijk aan de achterkant van de (grootste) mast
storsejl
/ɣrɔt/
noun
1. een onderaardse holte
grotte
pronoun
1. hoog aan het noordelijk halfrond duidelijk zichtbaar sterrenbeeld
Store Bjørn
noun
1. bepaald soort vrij grote vogel met zwarte rug- en lichtere buikzijde, Dendrocopos major
stor flagspætte
noun
1. soort zeevogel van ongeveer 70 centimeter groot, Larus hyperboreus
gråmåge
noun
1. Limenitis populi, een dagvlinder uit de familie Nymphalisdae
poppelsommerfugl
noun
  1. storkekjove
  2. storkjove
noun
korn-Valmue
noun
1. soort zeevogel, Larus marinus
svartbag
pronoun
1. de naam voor de 5 grote meren op of nabij de grens tussen de Verenigde Staten en Canada
  1. Great Lakes
  2. Store søer
noun
1.
langakset trådspore
pronoun
1. de oceaan die ligt tussen Oost-Azië, Noord- en Zuid-Amerika en Australië
Stillehavet
noun
1. bepaald soort overblijvende plant, Sanguisorba officinalis
læge-Kvæsurt
noun
1. Balaena mysticetus, grote massieve walvis met een kolossale kop
Grønlandshval
noun
1. bepaalde soort zeevogel, te herkennen aan zijn zwarte kuif en snavel met een klein geel puntje, Sterna sandvicensis
splitterne
noun
stor skallesluger
noun
1. Melanitta fusca, een vrijwel geheel zwarte eendensoort die voornamelijk op zee voorkomt
fløjsand
adjective
1. op afschrikwekkende wijze buitenissig
grotesk
pronoun
1.
Grosnij
/ˈxrʏto/, /ˈɣrʏto/
noun
1. bepaald soort weidevogel en een van de grootste steltlopers
stor kobbersneppe
pronoun
Guadeloupe
/ˌgʋɑ.tə.ˈma.la/, /ˌgβ̞ɑ.tə.ˈma.la/, /ˌɣ<sup>ʊ</sup>a.tə.ˈma.la/
pronoun
land in Midden-Amerika, officieel de Republiek Guatemala
Guatemala
noun
1. en 2. (vrucht van) Psidium guajava
  1. guavabær
  2. guava
pronoun
Guernsey
noun
guerilla
/ɣi.ˈne/, /χi.ˈne/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Guinee
Guinea
/ˌɣi.ne.bɪ.ˈsaʊ̯/, /ˌɣi.ne.ˈbɪ.sɔʊ̯/, /ˌχi.ne.ˈbɪ.sʌʊ̯/
pronoun
1. bepaalde soort vlinder, Vanessa atalanta
Guinea-Bissau
pronoun
1. een taal die oorspronkelijk in Gujerat gesproken wordt. De taal wordt nu ook in Uganda, Tanzania, Kenia en Pakistan gesproken
gujarati
adjective
1. vrijgevig
gavmild
noun
gyldenris
/ɣɵlp/
noun
1. een door een strook stof afgesloten opening aan de voorzijde van een broek van de man,...
gylp
/ɣɵnst/, /χɵnst/
noun
1. het vrijwillig verlenen van een dienst of goed aan iemand om iemand ter wille te zijn
god vilje
adjective
fordelagtig
/ɣi.ˈja.na/, /ɣβ̞i.ˈja.na/, /χi.ˈja.na/
pronoun
1. een land in Zuid Amerika, officieel de Coöperatieve Republiek Guyana
Guyana
noun
1. oefeningen voor de gezondheid van een mens
gymnastik
noun
gynækologi
/ˌɣiroˈskop/
noun
gyroskop
pronoun
1.
Gørlitz
/ˈgœtɪŋən/
pronoun
1. + 2. stad en district
Göttingen
noun
1. een afscheiding bestaande uit kreupelhout of struikgewas
hæk
noun
1. bepaald soort loofboom, Carpinus betulus
avnbøg
/haːɪ̯/, /ɦaɪ̯/
noun
1. benaming voor roofvissen uit de superorde Selachimorpha
haj
/haːk/
noun
hage
noun
arkebuse
noun
2. elk van de tekens, rond of met hoeken, gebruikt in paren om woorden of getallen af te zonderen
parentes
noun
1. een naald die wordt gebruikt bij haakwerk
hæklenål
/ɦan/
noun
1. mannelijk dier bij de hoenderachtige vogels
  1. hane
  2. kok
noun
1.1 hoofdhaar, uitgroeisel van de epidermis dat delen van het hoofd bedekt
hår
personalPronoun
2. datief van zij, derde persoon enkelvoud
hendes
possessivePronoun
1. bezit aanduidend door een 3e persoon vrouwelijk enkelvoud
  1. hendes
  2. hende
noun
1. plaats in de woning bedoeld om er een vuur te branden
ildsted
noun
1. Lepus eropaeus, een konijnachtig zoogdier met lange achterpoten een gespleten lip en lange oren
hare
adjective
1. zich niet de tijd nemend
forhastet
/ɦaːt/
noun
1. sterk gevoel van vijandschap
had
pronoun
2. boek in de Bijbel
Habakkuk
noun
1. verzamelde mondelinge overleveringen van de uitspraken en instructies van Mohammed
hadith
noun
1. bepaalde soort vlinder, Vanessa atalanta
hadron
noun
1. scheikundig element met symbool Hf en atoomnummer 72
hafnium
noun
1. langstaartig, geschubd reptiel uit de onderorde Lacertilia
  1. firben
  2. øgle
/haɣəɫ/
noun
1. bolvormig ijs dat als neerslag uit de hemel valt
hagl
verb
1. het uit de hemel neerkomen van hagelstenen
hagle
pronoun
2. boek in de Bijbel
Haggaj
noun
hagiografi
noun
1. hiel van de voet
hæl
verb
3. bevestigen d.m.v. een haak
hænge
/ˈhaː.kə(n)ˌkrœys/
noun
hagekors
noun
1. houtgewas dat ieder 6-10 jaar gekapt wordt meestal om te gebruiken als brandhout
holt
/ˈɦɑkə(n)/
verb
hakke
/ˈɦalə(n)/
verb
1. ergens heengaan met als doel om iets of iemand mee terug te brengen
hente
/ɦɑlf/
adjective
1. de helft zijnde
halv
noun
1-2
halvleder
noun
halvgud
adverb
1. halverwege de vlaggenstok
på halv stang
noun
halvsøster
interjection
1. groet
god dag
verb
1. zinsbegoochelingen hebben
hallucinere
noun
hals
noun
1.
halsvene
noun
1.
alexanderparakit
noun
halskæde
noun
1. het te vasthoudend zijn
stædighed
/ˈhɑɫtə/
noun
1. een plaats waar gestopt wordt
holdeplads
noun
håndvægt
noun
1.
semifinale
/ɦɑm/
noun
1. vlees van de achterkant van een varken
skinke
noun
Hamborg
/ˈham.bʏr.ɣər/, /ˈhɑm.bʏr.ɣər/, /ˈhɑm.bʏr.χər/
noun
1. schijf gebraden gehakt
hamburger
noun
1. gecastreerde ram
bede
noun
  1. 1. werktuig dat kan worden gebruikt om te slaan
  2. 2. een van de gehoorsbeentjes in het oor
hammer
noun
1.
hammerhaj
noun
1. klein knaagdiertje dat als huisdier gehouden kan worden
hamster
/ɦɑnt/
noun
1. uiterste deel van de arm, voorbij de pols
hånd
noun
håndbagage
noun
håndbold
/ˈɦɑnt.buj/
noun
1. een paar aan elkaar verbonden afsluitbare ringen
håndjern
/ˈɦɑnt.buk/
noun
1. een boek waarin getracht wordt alle informatie nuttig voor een bepaalde bezigheid bijeen te brengen
håndbog
noun
1. een doek waarmee men zich afdroogt
  1. håndklæde
  2. papir
noun
håndtryk
/ˈɦɑndəl/
noun
1. de in- en verkoop van goederen
  1. handel
  2. byttehandel
verb
1. iets doen, al of niet met de handen, optreden
handle
noun
1. datgene dat gedaan is
  1. handling
  2. dåd
pronoun
Apostlenes Gerninger
noun
varemærke
verb
1. iets doen voortbestaan, aan iets vasthouden
vedligeholde
noun
1. binnenzijde van de hand
håndflade
noun
1. met de hand bediende rem
håndbremse
/hɑnd.sxun/, /ɦɑnt.sxun/, /ɦɑnt.sχun/
noun
1. een handkledingstuk met aparte vingers
handske
noun
underskrift
noun
2. klein aantal
håndfuld
/ˈhanə(n)kɑm/
noun
1. Cantharellus cibarius, een eetbare paddenstoel met een lichte pepersmaak
almindelig kantarel
noun
1. brug die is opgebouwd uit twee (soms één) hoge pijlers of pylonen waartussen een dikke kabel gespannen is...
hængebro
/ˈɦɑŋə(n)/
verb
hænge
/ˈɦɑŋmɑt/
noun
1. een doek dat aan de uiteinden opgehangen wordt en waarin personen kunnen liggen
hængekøje
noun
1. een slot dat aan een beugel hangt
hængelås
pronoun
1. stad in Duitsland
Hannover
noun
1. stad die deel uitmaakt van de Hanze
  1. hansestad
  2. hanseby
noun
1. voedsel of iets anders dat je door het openen en sluiten van je lippen in je mond krijgt
bid
noun
1. en 2 grof gemalen meel van harde tarwe (Triticum durum)
durumhvedesemulje
/'ɦɑrdər/
noun
1. Mugil curema, een straalvinnige vissoort
multe
adjective
1.
tunghør
noun
1. elektronische en mechanische delen in en om computersystemen
hardware
/ˈɦarɪŋ/
noun
1. zoutwatervis
sild
noun
1. bepaalde middelgrote haai en consumptievis, Lamna nasus
sildehaj
noun
1. tuingereedschap aan lange steel, met een reeks tanden aan de onderzijde
rive
noun
2. een grappig, koddig persoon in het algemeen
harlekin
noun
1. (muziekinstrument) een toetsinstrument dat gerekend wordt tot de aerofonen
harmonium
/ˈɦɑrnɑsˌmɑnəcjə/
noun
1. bepaald soort baarsachtige vis, Agonus catapractus
panserulk
noun
1.
harpe
noun
3. feeks
furie
/hɑrˈpun/, /ɦɑrˈpun/
noun
  1. 2. een speer met weerhaken
  2. 1. een grote pijl met weerhaken aan een touw
harpun
/ɦɑrs/
noun
1. het stroeve en plakkerige product van boomsappen, met name van naaldbomen
harpiks
/ɦɑrt/
noun
hjerte
noun
1.
hjerter knægt
noun
1.
hjerteinsufficiens
noun
1. verstopping van een kransslagader of een tak hiervan, leidend tot het afsterven van hartspierweefsel
hjerteinfarkt
noun
1. hartweefsel in de vorm van een vlies dat samengetrokken door een spiertje terugstromen van het verder gepompte bloed tegengaat
hjerteklap
/ˈhɑrtstɪlstand/, /ˈhɑrtstɪlstɑnt/, /ˈhɑrtstɪɫstɑnt/
noun
1. het stoppen van het kloppen van een hart
hjertestop
adjective
1. vorm van een hart hebbend
hjerteformet
noun
1. grafisch symbool #
hashtag
noun
1. scheikundig element met symbool Hs en atoomnummer 108
hassium
/'ɦatə(n)/
verb
kwade gevoelens jegens iemand koesteren
hade
interjection
atju
/ɦavə(n)/
noun
1. natuurlijke of aangelegde aanlegplaats voor schepen.
  1. havn
  2. port
/ˈɦaːvən.ˌɑrbɛidər /
noun
1. arbeider die in een haven werkt
havnearbejder
noun
  1. 1. éénjarig graangewas Avena sativa
    almindelig havre
  2. 1. en 2. (zaden van) eenjarig graangewas Avena sativa
    havre
/ˈhavərˌmɪːɫ/
noun
zeer fijn gemalen haver
havremel
noun
plantaardige melk op basis van hele haverkorrels
  1. havredrik
  2. havremælk
noun
met de zaadhuiden vergroeide vruchtwanden en kiemen van haverkorrels
havrefibre
noun
havervlokken
havregryn
noun
met de zaadhuiden vergroeide vruchtwanden en kiemen van haverkorrels
havreklid
/ˈɦavɪk/
noun
  1. 1. Accipiter gentilis, een roofvogel die op kleine zoogdieren en vogels jaagt
    duehøg
  2. 2. iemand die graag oorlog wil voeren
    høg
noun
høgeurt
pronoun
1. Polynesische taal gesproken in de Amerikaanse staat Hawaï
hawaiiansk
noun
1. een heester waaraan hazelnoten groeien
hassel
/ˈɦa.zəlˌmœːs/, /ˈɦa.zəɫˌmœʏ̯s/
noun
1. knaagdier in de familie van slaapmuizen, Muscardinus avellanarius
hasselmus
/ˈhazəɫˌnot/
noun
1. een vrucht van de hazelaar
hasselnød
/ˈhaː.zə(n)ˌlɪp/
noun
hareskår
/ha.ˈhi.ti/, /ɦa.ˈi.ti/, /ɦɑ.ˈi.ti/
pronoun
1. een land in het Caribisch gebied bezettend de westelijk derde van het eiland Hispaniola
Haiti
adjective
haitisk
noun
1. hoofdtelefoon met ingebouwde microfoon
høretelefon
/ˈɦɛbə(n)/
verb
  1. 1. bezitten
  2. 1. voor voltooide tijd
have
pronoun
1. officiële taal van Israël, de heilige taal van de Joden en de taal van de Tenach
  1. hebraisk
  2. hebræisk
adjective
1. blijk gevend van hebzucht, hebberig
grådig
adjective
1. zeer druk en chaotisch
hektisk
noun
1. 100 liter
hektoliter
noun
1.
hektometer
adverb
    1. 1. in de tegenwoordige tijd, in deze tijd
    2. 2. op deze dag
    i dag
  1. tot op heden
    til i dag
/heːl/
adjective
1. niet stuk
hel
/he.ˈlal/, /ɦe.ˈlaɫ/
noun
[1] het gehele tijd-ruimtecontinuüm waarin wij bestaan, samen met alle materie en energie
universet
noun
1. de christelijke aanduiding voor God
  1. Herre
  2. Herren
/ɦɪːr/
noun
1.
herr
noun
1.
herlighed
noun
agerpadderok
/hersə(n)/
verb
  1. 1. de macht uitoefenen
  2. 1. als epidemie aanwezig zijn in de bevolking
herske
noun
1. iemand die de macht uitoefent
hersker
/ɦeːt/
adjective
1.
hed
noun
1.
vægtstang
noun
hegemoni
noun
1. een zangvogel ter grootte van een huismus met opvallend grijs op de kop
jernspurv
/ˈhɛɪ̯də/, /ˈhɛːdə/
noun
1. een met heidekruid begroeide vlakte
hede
noun
1. mensen die geen jood of christen zijn
hedning
adjective
1. van de heidenen
hedensk
noun
1. bepaald soort grote schol, reus onder de platvissen en consumptievis, Hippoglossus hippoglossus
helleflynder
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
  3. 3.
Heilbronn
/ɦɛj.ləɣ/
adjective
1. door wijding aan het goddelijke bijzonder gemaakt
hellig
noun
1. plaats of gebouw gewijd aan een god of godin
helligdom
noun
helgen
noun
1.
Helligånden
noun
1.
hellig ibis
noun
1. de pauselijke regering
Den Hellige Stol
noun
vergrijp aan iets heiligs
helligbrøde
/'hɛɪmʋe/
noun
1. sterk verlangen naar een plek die als thuis ervaren wordt
hjemve
noun
1. werktuig gebruikt bij het verwerken van hennep of vlas
hegle
/ɦɛks/
noun
1. een over het algemeen vrouwelijk persoon aan wie bovennatuurlijke krachten worden toegeschreven
heks
/ˈhɛksə(n)ˌjɑxt/
noun
1. het jagen op vermeende heksen
heksejagt
noun
trolddom
/'ɦɛl/
noun
1. een plek waar de ziel van daartoe veroordeelde overledenen naar toe gaan
helvede
adverb
1. jammer genoeg, spijtig genoeg
desværre
/ɦɛlt/
noun
helt
noun
1. de durf en de kracht van mensen, die zich, met gevaar voor eigen leven, voor de goede zaak inzetten
heltemod
noun
1. het heel moedig en dapper zijn
mod
/'ɦelə(n)/
verb
1. gezond worden
læge
/ɦɛlft/
noun
halvdel
/ɦelɪˈkɔptər/
abbreviation
1. luchtvaartuig dat d.m.v. een hefschroef verticaal kan opstijgen en landen
helikopter
noun
1. overbezorgde vader of moeder die te veel wil nagaan en regelen wat een kind doet
curlingforælder
/ˈhe.lɪŋ/
noun
2. het verkopen van gestolen goederen zonder dat de verkoper ze zelf gestolen heeft
hæleri
adjective
heliocentrisk
noun
1. een chemisch element en een inert edelgas
helium
noun
1. lang middeleeuws wapen
hellebard
noun
1. inwoner van het oude Griekenland of persoon die de oud-Griekse nationaliteit bezit
hellener
noun
1. een glooiing in het landschap
skråning
/ɦɛlm/
noun
  1. 1. beschermend hoofddeksel
    hjelm
  2. 2. helmgras
    sand-hjælme
noun
ror
/ˈɦɛlpə(n)/
verb
1. iemand bijstaan
hjælpe
pronoun
1. de hoofdstad van Finland
Helsinki
/ɦɛm/
personalPronoun
  1. 1.
  2. 2.
ham
noun
1. roodkleurig mineraal dat ferri-oxidekristallen bevat
hæmatit
noun
1. kledingstuk voor het bovenlijf
skjorte
/ˈɦeːməl/
noun
  1. 1. lucht, onmetelijke ruimte die overal op aarde bovenaan zichtbaar is
  2. 2. het hiernamaals, leven na de dood
himmel
noun
himmellegeme
adjective
himmelsk
adjective
2. in rechte lijn gemeten
i fugleflugt
noun
halvkugle
noun
1. bloederziekte
hæmofili
noun
1. knobbelachtige zwelling van aders in het onderste deel van de endeldarm en in de anus
  1. hæmorider
  2. hæmorroide
/ɦɛn/
noun
1. vrouwtje van hoenderachtige vogels
høne
/ˈhɛndrɪk/
pronoun
  1. 1. mannelijke voornaam
  2. 2. spelwoord voor de letter h
Henrik
/ɦɛŋst/
noun
1. mannelijk paard
hingst
/ˈɦɛ.nəp/
noun
  1. almindelig hamp
  2. hamp
adjective
1. met betrekking tot de lever
hepatisk
noun
1. leverontsteking
hepatitis
/herɑl'dik/
noun
1. de wetenschap die zich bezighoudt met de wapenkunde
heraldik
noun
1. verzameling van, album met gedroogde planten
herbarium
noun
1. eet- en overnachtingsgelegenheid die kleiner, goedkoper en eenvoudiger is dan een hotel
  1. værtshus
  2. herberg
pronoun
  1. 1. Romeinse halfgod
  2. 2. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Herkules
/'ɦɛrdər/
noun
1. begeleider en bewaker van een kudde
hyrde
noun
1. hond die een kudde bewaakt
fårehund
noun
1. Geronticus eremita
eremitibis
noun
1. een kreeftachtige (Eupagurus bernhardus) uit de orde van tienpotigen, die in de schelp van een zeeslak woont
Eremitkrebs
verb
1. opnieuw tot een eenheid maken
genforene
noun
1. derde jaargetijde
  1. efterår
  2. høst
noun
1. bepaald soort plant, Colchicum autumnale
høst-Tidløs
adjective
bijvoeglijk naamwoord
gentaget
verb
  1. 1. iets opnieuw zeggen
  2. 1. iets opnieuw doen
gentage
noun
1. het nogmaals plaatsvinden
gentagelse
/ɦɛr.'ɪ.nə.rə(n)/
verb
1. opnieuw in gedachte brengen
minde om
noun
1. een herbivoor die zijn voedsel herkauwt
drøvtygger
noun
genkendelse
noun
oprindelse
verb
1. een wapen opnieuw vullen met ammunitie
lade
verb
1. opnieuw lezen
genlæse
/ˈɦɛr.mɑn/
pronoun
1. een jongensnaam
Herman
noun
1. bepaald klein wezelachtig zoogdier, Mustela erminea
  1. lækat
  2. hermelin
adjective
1. de uitleg van een (religieuze) tekst betreffend
hermeneutisk
pronoun
Hermes
noun
1. uitstulping van een orgaan of weefsel uit de lichaamsholte waar het normaliter in ligt
brok
verb
1. opnieuw ontdekken
genopdage
verb
genåbne
noun
een verdovend middel
heroin
noun
herpetologi
pronoun
1.
Herrenberg
noun
hjernedød
noun
1. brein
hjerne
noun
1. de buitenste laag van de grote hersenen
hjernebark
noun
1. schade aan de hersenen door uitwendig geweld
hjernerystelse
noun
indoctrinatietechniek
hjernevask
noun
1. benaming voor herkauwende zoogdieren uit de familie Cervidae
hjort
noun
1. een landsheer, oorspronkelijk van een hoger hiërarchisch niveau dan de markies
hertug
noun
1. het gebied dat onder leiding staat of stond van een hertog
hertugdømme
noun
1. adellijke titel, vrouw van een hertog
hertuginde
noun
1. de eenheid voor frequentie van trillingen
hertz
noun
  1. 1. het proces van hervormen
    gendannelse
  2. 3. beweging tot herstel der oorspronkelijke zuiverheid in de leer...
    reformation
pronoun
Hessen
/(ɦ)ət/, /hɛt/
personalPronoun
1. 3e persoon enkelvoud onzijdig
det
verb
kaste barnet ud med badevandet
/hət ˈre.γənt ˈpɛipə.ˌste.lə(n)/
phraseologicalUnit
Det regner som varmt brød.
/'he.tə(n)/, /'ɦe.tə(n)/
verb
1. de naam dragen
hedde
adjective
heterogen
adjective
1. gericht op het andere geslacht of betrekking hebbend op liefde voor mensen met een ander geslacht
heteroseksuel
pronoun
1. een dode taal die in het huidige Turkije werd gesproken
hittitisk
demonstrativePronoun
1. de gelijke identiteit bezittend; onzijdig enkelvoud, zowel zelfstandig als bijvoeglijk gebruikt
samme
noun
deel van beide zijkanten van het menselijk lichaam ter hoogte van het heupgewricht, waar het been met de romp verbonden is
hofte
noun
een kleine platte fles
lommelærke
adjective
1. betrekking op het vinden van iets
heuristisk
/ˈhøvəɫ/
noun
1. verhoging in het landschap die wat lager is dan een berg
bakke
noun
1. een enigszins uitstekend deel achteraan de voet
hæl
/ɦiːr/
adverb
1. op deze plaats
her
/hɑj/
adjective
1. in een euforische toestand van veranderd bewustzijn verkerend
høj
/hɛɪ̯/, /ɦɛɪ̯/, /ɦɛː/
personalPronoun
1. Nominatief mannelijk derde persoon enkelvoud
han
noun
1. een constructie om zware lasten op te tillen
kran
noun
1. een periodiek optredende, spontane, onwillekeurige samentrekking van het middenrif tijdens inademing...
  1. hikk
  2. hikke
/ˈɦɪkə(n)/
verb
1
hikke
pronoun
1. + 2. stad en district
Hildesheim
/ˈhɪndə/
noun
1. een vrouwelijk hert
hind
noun
baghold
noun
1. iets dat de voortgang verstoort
hindring
pronoun
1 taal die vooral gesproken wordt in de noordelijke staten van India
hindi
noun
hinduisme
noun
2. kinderspel, waarbij men zich deels op één been verplaatst
hinkerude
verb
1. het geluid van een paard voortbrengen
  1. vrinske
  2. pruste
noun
hippie
noun
histogram
noun
historiker
noun
  1. 2. geschiedenis van een volk, een land enz
  2. 1. verhaal
historie
adjective
historisk
/ˈhɪtə/
noun
hede
noun
hedebølge
noun
1. rangorde
hierarki
adjective
1. van of volgens de opeenvolging van rangen
hierarkisk
pronoun
1. hoofdstad van de Australische deelstaat Tasmanië
Hobart
noun
gyngehest
noun
1.
hobbit
/hɔbi/
noun
1. een liefhebberij of bezigheid ter ontspanning voor in de vrije tijd
hobby
noun
1. orkestinstrument, behoort tot de houtblazers, het wordt met een dubbelriet aangeblazen
obo
noun
1. balspel waarbij twee elftallen de bal met een hockeystick in elkaars doel proberen te slaan
hockey
/ɦu/
adverb
1. op welke wijze
  1. hvordan
  2. hvorledes
phraseologicalUnit
Hvad hedder du?
/hud/, /ɦut/
noun
  1. 1. een hoofddeksel
  2. 2. deel van een zwam
hat
noun
1. iemand die hoofddeksels voor mensen maakt
hattemager
/ɦuf/
noun
1. hoornachtig omhulsel aan de teentop
hov
noun
1. plant met grote bladeren die aan de rand van wateren groeit
hestehov
noun
1. hoefdragend zoogdier
hovdyr
noun
hestesko
noun
beslagsmed
/ɦuk/
noun
1. een punt waar twee benen of halve rechten samenkomen
hjørne
adjective
kantet
noun
vinkelhastighed
/ˈhuk.steːn/
noun
  1. 1. een steen die gebruikt wordt om de hoekpunten van bouwwerken te verstevigen
  2. 2.
grundsten
/ɦur/
noun
1. vrouw die tegen betaling seksuele diensten verricht
ludder
noun
1. pand waar mannen tegen betaling seks hebben met vrouwen
horehus
noun
1. bescherming die om een -meest vlak- voorwerp wordt aangebracht
betræk
noun
1. reflexmatige explosieve uitademing
hoste
verb
1. reflexmatige explosief uitademen bij prikkeling van de luchtwegen
hoste
interrogativeCardinalNumeral
1. welk aantal?
  1. hvor mange
  2. hvor meget
/huˈvɪ:ɫhɛɪt/
noun
1. de kwantiteit waarin iets aanwezig is
  1. mængde
  2. mål
conjunction
1. drukt een tegenstelling uit
selvom
pronoun
Den Europæiske Unions Domstol
noun
1. een gebied waar relatief een hogere druk heerst dan elders, term uit de meteorologie
anticyklon
noun
  1. 1. grot, spelonk
  2. 2. ondergrondse woning of schuilplaats van een dier
hule
noun
1. Ursus spelaeus, een grote berensoort, kwam in Europa voor in het Pleistoceen
hulebjørn
noun
1. bepaald soort vogel, Columba oenas
huldue
/ˈɦɔlɑnt/
pronoun
  1. 1. een gedeelte van het westen van Nederland dat de provincies Noord-
  2. 2. heel Nederland
Holland
noun
1. scheikundig element met symbool Ho en atoomnummer 67
holmium
/ˈholokaust/
pronoun
Holocaust
/ˈholoˌkɔːstɔntˌkɛnɪŋ/
noun
  1. Holocaust-benægtelse
  2. Holocaust-revisionisme
noun
Holocæn
noun
1. een term die het geheel van iets weergeeft, terwijl in werkelijkheid slechts een deel wordt bedoeld
holonym
noun
homeomorfi
noun
aanhanger of beoefenaar van de homeopathische geneeswijze
homøopat
noun
homøopati
adjective
1.volgens de homeopathie
homøopatisk
noun
1. zelfregulering, chemisch en fysiologisch evenwicht
homøostase
/ˈhɔməɫ/
noun
1. insect uit het geslacht Bombus dat in de taxonomie wordt beschouwd als een grote harige bij
  1. humle
  2. humlebi
noun
homofobi
noun
1. gelijkklinkend woord
homofon
noun
1.
homogenitet
noun
1. op dezelfde manier gespeld woord
homograf
noun
1. een huwelijk tussen twee mensen van hetzelfde geslacht
homoægteskab
noun
1. een woord dat hetzelfde wordt uitgesproken als een ander woord maar in betekenis verschilt
homonym
noun
homoseksualitet
adjective
1. betrekking hebbend op de liefde voor geslachtsgenoten
homoseksuel
/ˈhɔnd/, /ˈɦɔnt/
noun
1. Canis lupus familiaris, een zoogdier dat tot huisdier getemd is
hund
/ˈɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 100
  1. hundrede
  2. hundred
pronoun
1.
Hundredårskrigen
noun
hundegalskab
noun
hunderose
/hɔn.ˈdyː.rɑs/, /ɦɔn.ˈduː.rɑs/
pronoun
1. een land in Centraal Amerika, officieel de Republiek Honduras
Honduras
/hɔŋ(g).ˈɣar/, /ɦɔŋ.ˈɣar/, /ɦɔŋ.ˈχar/
noun
1. iemand afkomstig uit Hongarije
ungarer
/hɔŋ(g).ˈɣaːrs/, /ɦɔŋ.ˈɣars/, /ɦɔŋ.ˈχars/
adjective
1. betreffende Hongarije of het Hongaars
ungarsk
/hɔŋ(g).ˈɣaːrs/, /ɦɔŋ.ˈɣars/, /ɦɔŋ.ˈχars/
pronoun
1. een Finoegrische taal die voornamelijk wordt gesproken in Hongarije
ungarsk
/hɔŋ(g).ˈɣar.sə/, /ɦɔŋ.ˈɣar.sə/, /ɦɔŋ.ˈχar.sə/
noun
ungarer
/ˌhɔŋ(g)ɣaˈrɛɪ̯.jə/, /ˌɦɔŋɣaˈrɛː.jə/, /ˌɦɔɴχaˈrɛɪ̯.jə/
pronoun
1. land in het midden van Europa
Ungarn
/ˈɦɔŋər/
noun
1. behoefte aan voedsel
sult
noun
1. een wijdverspreide honger als gevolg van voedselschaarste
hungersnød
noun
1. het weigeren van voedsel uit protest
sultestrejke
/hɔŋˈkɔŋ/
pronoun
1. een speciale administratieve regio van de Volksrepubliek China
Hongkong
noun
1. een zoete stof die door bijen en enkele andere insecten uit bloemennectar wordt gewonnen
honning
noun
1. bepaald soort zoogdier, Mellivora capensis
honninggrævling
noun
1. balsport waarbij de bal met een knuppel geslagen wordt en de spelers langs een drietal honken trachten rond te lopen tot zij weer de thuisplaat bereiken
baseball
/ɦoːft/
noun
1. een belangrijk lichaamsdeel, helemaal bovenaan het lichaam, waarin zich de hersenen...
hoved
/'ɦovduk/
noun
1. een vierkante lap stof die vooral door vrouwen driehoekig samengevouwen over het hoofd gedragen wordt
hovedtørklæde
noun
1.
hovedret
noun
1. een letter die een groter formaat en meestal ook een andere vorm heeft dan een kleine letter
hovedstad
noun
1. klein, vleugelloos en bloedzuigend insect dat parasiterend leeft in het hoofdhaar
lus
noun
1. de voorste pagina van een website
forside
noun
1. pijn in het hoofd
hovedpine
noun
1.
hovedstol
/'ɦof(t).stɑt/
noun
1. een belangrijke stad waarvandaan het land, de staat, deelstaat of provincie wordt bestuurd
hovedstad
noun
1. een telwoord dat een hoeveelheid of aantal aanduidt
kardinaltal
adverb
1. in belangrijke mate, in overwegende mate
hovedsagelig
/ɦoʊ̯χ/ /'ɦoʊ̯χə/ /ˈɦoʊ̯χst/, /ɦoːx/ /'ɦoːɣə/ /ˈɦoːxst/
adjective
1, 2, 3, 4
høj
pronoun
1. boek in de Bijbel met liefdespoëzie
Højsangen
noun
højspænding
noun
  1. 1. een verheffing van de aardkorst
  2. 2. niveau
højde
noun
højderor
/ˈɦoxtəvres/, /ˈɦoçtəvres/
noun
1. angst voor hoogten
højdeskræk
noun
højvande
noun
højforræderi
noun
2. hoge waterstand in 't algemeen
højvande
noun
1. gedroogd gras
hø
noun
2.1. bepaald soort kleine standvlinder, Coenonympha pamphilus
okkergul randøje
/ˈɦojbɛrx/
noun
1. een ter bewaring opgestapelde hoeveelheid gedroogd gras
høstak
noun
høfeber
/ɦoːp/
noun
3. verwachting van iets wenselijks
håb
adjective
1.
hørbar
/horn/
noun
1. hard en meestal gebogen uitsteeksel aan de kop van verschillende dieren
horn
pronoun
Afrikas horn
noun
1.
hanrej
noun
  1. 1. bepaald soort vogel, Upupa epops
    hærfugl
  2. 1. bepaalde plant die onder andere wordt gebruikt bij de bereiding van bier
    humle
adjective
1. waaraan hoop op succes ontbreekt
håbløs
/ˈɦoːpə(n)/
verb
1. wensen, graag zien dat er iets wel of niet voorvalt
håbe
/hɔː.rən/
verb
1. waarnemen met het oor zonder er noodzakelijkerwijs aandacht aan te besteden
høre
noun
1. onderdanige en onvrije gehoorzaamheid
livegenskab
noun
horisont
noun
horisont
adjective
1. in de richting die haaks staat op die van de zwaartekracht van de aarde
vandret
noun
1. een draagbaar voorwerp waarop de tijd kan worden afgelezen
ur
adjective
1. met betrekking tot hormonen
hormonal
noun
1. een stof die door een endocriene klier wordt afgescheiden ...
hormon
noun
horoskop
noun
1.
forret
noun
1.
hortensia
/ˈɦɔrzəɫ/
noun
1. parasitaire vliegsoort
  1. brems
  2. bremse
pronoun
Hosea
noun
1. ziekenhuis, vooral voor militairen
hospital
noun
1. opneming in een ziekenhuis
hospitalisering
noun
1. offerbrood
hostie
/hoˈtɛl/, /ɦoˈtɛɫ/
noun
1. gebouw waar men tegen betaling kan eten en overnachten,...
hotel
/ˈɦɑʊdə(n)/
verb
  1. 1. niet laten varen, het bezit ervan niet verliezen
  2. 2. huisdieren verzorgen
holde
noun
1. een pose
holdning
/ɦɑʊ̯t/, /[ɦʌ̞̈ʊt]/
noun
1. het materiaal in het binnenste van houtige planten
træ
noun
1. houtblaasinstrument
træblæser
noun
1. bepaalde soort wilde duif, Columba palumbus
ringdue
noun
1. hoofdpijn en overgevoeligheid voor prikkels zoals die enige tijd na het gebruik van ...
tømmermænd
noun
1. iemand die beroepsmatig houthakt
skovhugger
noun
q. bepaald soort zoutwatervis, Coregonus oxyrinchus
snæbel
noun
1. verkoold hout
trækul
noun
1. een vogel uit de familie van snipachtigen, Scolopacidae
skovsneppe
noun
1.
savværk
noun
1.
haubits
/hovəlɪŋ/
noun
1. een onderdaan die tot het dagelijkse gezelschap van een vorst behoort
hofmand
noun
gartner
pronoun
1. bepaalde telescoop die als een kunstmaan rond de aarde draait
Hubble teleskopet
pronoun
1. binnenzee in Noordoost-Canada
Hudsonbugten
/hœːd/, /ɦœʏ̯t/, /ɦœːt/
noun
1. vel, de buitenste laag weefsel die het lichaam bedekt
  1. hud
  2. skind
noun
dermatolog
/hœːx/, /ɦœʏ̯χ/, /ɦœːx/
noun
1. een lapje afhangend weefsel aan het uiteinde van het zachte verhemelte, waarmee onder andere het neuskanaal afgesloten kan worden
drøbel
/ɦœy̯lə(n)/
verb
1. traanvocht uitscheiden door emotie
græde
/hœːs/, /ɦœʏ̯s/, /ɦœːs/
noun
1. gebouw bestemd om in te wonen
hus
noun
1. strafbepaling
husarrest
noun
gæstgiver
/ˈɦœyzdiːr/
noun
1. een dier dat in het huis of om het huis woont en leeft
husdyr
noun
1. vrouw die andermans huishouden verzorgt
husholderske
noun
1. bepaald soort knaagdier dat vaak in en rond gebouwen voorkomt, Mus domesticus
husmus
noun
1. kleine zangvogel die liefst in de buurt van de mensen leeft
gråspurv
/ˈhœysfredəbrøk/
noun
1. zonder toestemming binnendringen of aanwezig zijn in iemands woning
husfredskrænkelse
noun
1. een vrouw die thuisblijft om het huishouden te doen
husmor
noun
1. schoolwerk dat thuis verricht moet worden
hjemmearbejde
noun
1. een machtiging, uitgegeven door justitie, voor het binnentreden van de woning
ransagningskendelse
noun
1. Delichon urbica, een zwaluw die zijn nest tegen de huizen aanbouwt
bysvale
/ɦʏlp/
noun
1. handeling om iemand steun of bijstand te verlenen
hjælp
adjective
hjælpeløs
noun
1. een werkwoord dat samen met een ander werkwoord de tijd of de hoedanigheid van het werkwoord vaststelt
  1. hjælpeverbum
  2. hjælpeudsagnsord
noun
1. bepaald soort groenblijvende boom of heester met stekelige leerachtige bladeren en rode bessen, Ilex aquifolium
kristtorn
noun
1.aanhanger van het humanisme
humanist
adjective
humanistisk
noun
1.
himalayasanger
noun
1. puree van o.m. gekookte kikkererwten
hummus
noun
humor
/ˈɦynəbɛt/
noun
1. neolithische begraafplaats
dysse
verb
1. opspringen
hoppe
/ɦyrə(n)/
verb
1. tegen betaling gebruiken
  1. leje
  2. hyre
/ɦyr/
noun
1. tijdelijk gebruik van goederen of diensten tegen betaling
husleje
noun
1. de wettelijke bescherming die een huurder heeft in zijn relatie met de verhuurder
huslejeregulering
noun
lejer
noun
lejemorder
/ɦiu̯ələk/
noun
1. ambtelijke of kerkelijke verbintenis tussen twee personen
ægteskab
noun
1. notarieel contract waarin de vermogenspositie van beide huwelijkspartners wordt geregeld
ægtepagt
noun
1.
bejler
noun
1. een getrouwd persoon
ægtefælle
/ˈɦiu̯ələksˌrɛɪ̯s/
noun
1. de reis die een pasgetrouwd stel gewoonlijk onmiddellijk na hun trouwen onderneemt
bryllupsrejse
noun
1. notarieel contract waarin de vermogenspositie van beide huwelijkspartners wordt geregeld
ægtepagt
noun
3. bolgewas
hyacint
/hi'drat/
noun
1.
hydrat
verb
hydrere
adjective
hydraulisk
noun
hydrografi
noun
hydrologi
noun
1. de splitsing van scheikundige verbindingen door opneming van water
hydrolyse
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de onderfamilie Hyaeninae
hyæne
noun
hygiejne
adjective
1. schoon, gezond
hygiejnisk
noun
1.een instrument om vochtigheid van de lucht te meten
hygrometer
adjective
  1. 1. als in een hyperbool d.w.z. zwaar overdreven
  2. 1. de vorm van een hyperbool hebbend of daarop lijkend
hyperbolsk
noun
hyperbel
noun
1. een gekleurd en/of onderstreept tekstgedeelte dat een onderliggende verwijzing bevat
hyperlink
adjective
hypersonisk
noun
hypertermi
noun
1.
hypnose
/ˌhipoˈfizə/
noun
1. een klier aan de onderzijde van de hersenen, die o.a. groeihormoon produceert en de schildklier aanstuurt
hypofyse
noun
1. term die een subcategorie van een algemenere klasse aanduidt
hyponym
noun
1. bezitloos bezwaren van een onroerend goed als onderpand
pant
noun
1. onderkoeling
hypotermi
noun
1. tekortschietende ademhaling
hypoventilation
noun
bepaalde suiker die veel in zoete vruchten voorkomt
hytteost
pronoun
1. een Europees schiereiland dat zich ten zuiden van de Pyreneeën bevindt...
Den Iberiske Halvø
noun
ikonografi
noun
1. een iconenwand die het altaar van het schip scheidt in de Russisch-orthodoxe kerk
ikonostase
noun
  1. 1. heiligenafbeelding, zoals vereerd in de kerken van het oosten
  2. 2.
ikon
verb
1. iets gunstiger of zelfs als ideaal beoordelen
idealisere
/iˈde/
noun
1. gedachte, plan
  1. idé
  2. begreb
noun
1. geheel van eigenschappen dat je onderscheidt van anderen en bepaalt wie je bent
identitet
/ˌideo'ɣrɑm/
noun
1. een grafisch teken dat een voorwerp symboliseert
ideogram
/ˌideoloˈɣi/
noun
1. het geheel van ideeën dat ten grondslag ligt aan een wijsgerig stelsel, m.b.t. hun maatschappelijke of politieke strekking
ideologi
adjective
1. van, betreffend of volgens een ideologie
ideologisk
noun
1. iemand die een ideologie opstelt
ideolog
adjective
1. het idioom betreffend
idiomatisk
noun
1. een bijzondere uitdrukking in een bepaalde taal die samengesteld is door eigenaardig taalgebruik
idiom
/idi'ot/
adjective
1. zwakzinnig in de hoogste graad
idiot
/idi'ot/
noun
1. iemand die een grote maat van zwakzinnigheid heeft
idiot
adjective
1. van onbekende oorzaak
idiopatisk
pronoun
ido
adjective
1. bekoorlijk door landelijke eenvoud en liefelijkheid
idyllisk
personalPronoun
1. clitische vorm van de 3e persoon enkelvoud mannelijk nominatief
han
/i.də.ˈreːn/
indefinitePronoun
1. elke persoon
alle
indefinitePronoun
nogen
/iːr/
noun
1. inwoner van Ierland, of iemand afkomstig uit Ierland
irer
/ˈiːrlɑnd/, /ˈiːrlɑnt/
pronoun
1. een groot eiland in Noordwest-Europa
Irland
/iːrs/
pronoun
1. een Keltische taal die wordt gesproken in Ierland
irsk
pronoun
1.
Irske Hav
suffix
  1. 1. anion in submaximale oxidatietoestand
  2. 2. mineraal
it
indefinitePronoun
1. een of ander ding
noget
/ˈiɣlo/
noun
1. sneeuwhut
iglo
adjective
1. vol van zelfbewondering, een te hoge dunk hebbend van het eigen voorkomen en/of de eigen bekwaamheden
forfængelig
noun
1. het zich toeleggen op betekenisloze uiterlijkheden
forfængelighed
/ɛɪ̯s/, /ɛːs/
noun
  1. 1. de vaste vorm van water, bevroren water
  2. 2. een lekkernij die in bevroren toestand wordt gegeten
is
noun
1. bepaald soort zoogdier, Ursus maritimus
isbjørn
noun
1. een zeer groot brok ijs dat in de zee drijft
isbjerg
noun
1. en 2 (bladeren van) Lactuca sativa var. capitata
  1. iceberg-salat
  2. issalat
noun
1. een sterk, krachtig schip dat speciaal gebouwd en uitgerust wordt om zich een weg door het ijs te banen en alzo een vaargeul voor andere schepen te openen.
isbryder
noun
1. bepaald soort vogel Gavia immer
islom
noun
1. ijssport waarbij twee teams van ieder vijf personen plus goalie met behulp van een stick een schijfje (puck) in het doel van de tegenstander proberen te schieten
ishockey
/ˈɛɪʃə/
noun
1. portie van een uit roomijs of waterijs vervaardigde lekkernij
is
/ˈɛɪ̯slɑnd/, /ˈɛɪ̯slɑnt/, /ˈɛːslɑnt/
pronoun
1.een Europees land, dat omgeven is door de Atlantische Oceaan en tussen Groenland en Europa in ligt. Tot 1944 behoorde IJsland bij Denemarken, maar tegenwoordig is het zelfstandig. De officiële naam is Lýðveldið Ísland.
Island
/ˈɛɪ̯slɑnds/, /ˈɛɪ̯slɑnts/, /ˈɛːslɑnts/
pronoun
1. een Germaanse taal die wordt gesproken op IJsland
islandsk
noun
1. ijspriem
issyl
noun
1.een theevariant
iste
/ˈɛɪ̯sfoχɔɫ/, /ˈɛɪ̯zvoːɣəl/, /ˈɛːsfoːɣəl/
noun
1. bepaald soort blauwgroen vogeltje met oranje borst en spitse snavel, Alcedo atthis
isfugl
/'ɛɪ̯zəl/, /'ɛɪ̯zəɫ/, /'ɛːzəɫ/
noun
1. onderkoelde regen die in ijs overgaat eenmaal in aanraking met de grond
glatis
/ˈɛi̯zər/
noun
1. een scheikundig element met het symbool Fe en het atoomnummer 26
jern
noun
jernmalm
noun
læge-jernurt
noun
1. een verbinding van ijzer en zuurstof, waarin zuurstof de oxidatietoestand -2 bezit
jernoxid
noun
jernalder
noun
1. eenvoudige handelswaren gemaakt van metaal
isenkram
personalPronoun
1.
jeg
phraseologicalUnit
1. een verklaring van liefde aan iemand
jeg elsker dig
noun
illusion
adjective
1. beroemd, zeer bekend van reputatie
berømt
noun
illustrator
/ˌimiˈtasi/, /ˌimiˈtatsi/
noun
1. nabootsing
efterligning
/ˌimiˈterən/
verb
1. doen wat iemand anders doet
efterligne
noun
1. iemand die bijen houdt voor het verkrijgen van honing
biavler
/ˈɪmiɣrɑnt/
noun
indvandrer
noun
1. het zich metterwoon vestigen van vreemdelingen in een land
immigration
verb
1. een land binnenkomen om zich er te vestigen
immigrere
noun
1. de leer van het afweersysteem dat verantwoordelijk is voor: afweer tegen besmettelijke ziekten...
immunologi
adjective
1. met betrekking tot onvatbaarheid voor schadelijke invloeden
immunologisk
noun
impala
noun
1. de tijdsafhankelijke mate waarin een materiaal het passeren van elektrische lading bemoeilijkt
impedans
noun
imperialisme
/ɪmˈperijʏm/
noun
imperium
adjective
1. te intiem en niet ter zake doende
uforskammet
noun
1. een stof, voorwerp, toestel etc. dat in een lichaam wordt aangebracht
implantat
verb
1.stilzwijgend ten gevolge hebben
antyde
noun
1. zeer snel ineenklappen van een holle ruimte
implosion
verb
  1. importere
  2. indføre
noun
1. een organisator van toneeluitvoeringen, concerten enz.
impresario
noun
1. ter plekke verbeterde versie van een muziekstuk, voorlezing enz.
improvisation
verb
1. iets bedenken zonder vooropgesteld plan
improvisere
/ɪmˈpʏls/
noun
  1. 2. product van massa en snelheid
    impuls
  2. 1. innerlijke drang
    1. tilstrømning
    2. løft
preposition
2. in (tijdelijk)
  1. i
  2. på
phraseologicalUnit
1. in een omgeving waar weinig gepresteerd wordt...
i de blindes land er den enøjede mand konge
preposition
1. als vervanger van, als vervanging voor
i stedet for
verb
1. lucht uit de omgeving opnemen
inhalere
/ˌɪnʌʊɣyˈratsi/
noun
1. de feestelijke of plechtige inwijding in een ambt
indvielse
noun
1. het inbreken
indbrud
noun
1. iets schenden
overgreb
noun
1. iemand die onvoldoende of nooit seks heeft ondanks dit wel te willen
incel
noun
incest
/ˈɪntʃɛˌkə(n)/
verb
1. zich aanmelden aan een balie om een instapkaart te krijgen en eventueel bagage af te geven.
indskrive
/ˌiŋkɔmpəˈtɛn(t)si/
noun
inkompetence
noun
1. het onvermogen om urine of ontlasting op te houden
inkontinens
/ˌɪndərˈdad/, /ˌɪndərˈdat/
adverb
1. een bevestiging dat iets het geval is
faktisk
/ˈɪn.di.ja/
pronoun
1. soeverein land in het zuiden van Azië
Indien
noun
1. inwoner van Amerika voor de komst van de Europeanen
indianer
noun
1. de vorm van het werkwoord die de werkelijkheid aangeeft
indikativ
noun
indikator
/ˌɪndisəˌosiˈan/, /ˌɪndisˌə̯osejˈaːn/
pronoun
1. de oceaan die tussen Oost-Afrika en Zuid-Azië ligt
Indisk Ocean
noun
1. een scheikundig element en zilvergrijs overgangsmetaal met het symbool In en het atoomnummer 49
indium
adjective
1. afzonderlijk, op zichzelf
individuel
noun
indoktrinering
verb
1. dwingen om bepaalde opvattingen te aanvaarden
indoktrinere
/ɪndo'nezis/
pronoun
1. een taal die voornamelijk in Indonesië gesproken wordt
indonesisk
/ˌɪn.do.ˈne.zi.jə/
pronoun
1. een land dat bestaat uit een groot eilandengebied tussen Zuidoost-Azië en Australië
Indonesien
verb
1. het veranderen van de economie door het vergroten van de nijverheid
industrialisere
noun
1. Nijverheid
industri
noun
1. traagheid
inerti
noun
1. een besmetting van lichaamsweefsel met ziekteverwekkers als bacteriën, virussen, schimmels of...
infektion
verb
infiltrere
/ɪɱfinitif/
noun
1. het hele werkwoord
infinitiv
noun
1. tussengevoegd morfeem
infix
noun
1. stijging van het prijspeil waardoor het geld in waarde daalt
inflation
noun
1.
influencer
noun
1. de leer van de mechanische verzameling en verwerking van informatie
  1. datalogi
  2. informatik
noun
1. beoefenaar van de informatica
datalog
noun
1.
  1. information
  2. informationer
noun
informationssikkerhed
noun
1. samenleving, waarin informatie als de belangrijkste productiefactor gezien wordt.
informationssamfund
noun
1.
informationssystem
adjective
infrarød
/ˈɪɱfrastrʏktyr/
noun
1. het totaal van onroerende voorzieningen zoals (spoor)wegen, vliegvelden,...
infrastruktur
noun
2. een opening waar iets doorheen kan
indgang
/ˌɪŋʒeˈɲør/
noun
1. iemand die is opgeleid in het hoger onderwijs om allerhande technische problemen op te lossen
ingeniør
noun
2. verzamelnaam voor de inwendige organen van het darmkanaal
tarm
noun
1.
indkast
noun
ingrediens
/ˈɪŋɣrep/
verb
indgreb
pronoun
1. Finoegrische taal die door ongeveer 300 Ingriërs gesproken wordt
ingrisk
noun
inhalator
/'ɪnɦɑm/
noun
vig
/ˈɪnhɑut/
noun
1. datgene wat bevat is in een ander lichaam
indhold
noun
1. overzicht van de onderwerpen of hoofdstukken in een boek
indholdsfortegnelse
noun
1. feestelijke gelegenheid waarbij iemand wordt gehuldigd, zoals een koning/vorst door diens onderdanen, bij aanvaarding van diens ambt
indvielse
/ˌiniˈtʃalwort/
noun
1. en 2.
initialforkortelse
noun
initiation
noun
injektion
noun
1. regelmatig verkregen som geld
indkomst
noun
1. een gekleurde vloeistof waarmee geschreven wordt
blæk
/ˈɪŋtpot/
noun
1. een meestal glazen of plastic vaatje waar inkt in bewaard wordt
blækhus
/ˈɪŋktfɪs/
noun
1. een koppotig weekdier met vangarmen dat een inktachtig vocht afscheidt ter verdediging
blæksprutte
verb
  1. 3. invoeren
    indføre
    1. 1. op gang brengen
    2. 2. begin maken aan een verhaal
    indlede
noun
1. een rechtbank van de Rooms-Katholieke Kerk, die was belast met de opsporing, het onderzoek en het opleggen van straffen van ketters
inkvisition
noun
1. geleedpotige met drie paar poten en geen, één of twee paar vleugels
insekt
adverb
i lige måde
noun
insinuation
verb
2. zich ~: moeite doen
anstrenge
noun
1. de fysieke moeite die men voor iets doet
anstrengelse
noun
inspektør
/ɪnspi'rasi/
noun
1. een gevoel over hoe men een klus kan aanpakken
inspiration
verb
1. de geest gaande maken
inspirere
noun
  1. 1. de actie van het installeren
  2. 8. een kunstvorm
installation
verb
1. het op juiste wijze afregelen van een toestel
indstille
noun
2. organisatie, die vaak subsidie van de overheid krijgt en geen geld wil verdienen
institution
noun
1. gedrag dat geheel genetisch bepaald is
instinkt
verb
instruere
noun
  1. 1. werktuig
  2. 2. verkort voor muziekinstrument
instrument
/ˌɪnzyˈlinə/
noun
1. een hormoon gemaakt in de bètacellen van de pancreas in de zogenaamde eilandjes van Langerhans, dat de lever aanzet bloedglucose op te nemen en op te slaan in de vorm van glycogeen
insulin
adjective
1. in goede staat, onaangetast
intakt
/ɪnˈtexə(n)del/
adverb
tværtimod
noun
een eigenschap van de werking van de hersenen
intelligens
noun
intelligenskvotient
noun
1.
intelligentsia
noun
1. onderlinge beïnvloeding
interaktion
adjective
1. wekt interesse
interessant
noun
  1. 1. belang
  2. 2. belangstelling
  3. 3. iets waar belangstelling voor is
interesse
verb
1. nieuwsgierig maken
interessere
noun
rente
noun
brugergrænseflade
/ɪntərnɑ(t)ʃo'nal/
adjective
1. meer dan één land
international
pronoun
Internationale Valutafond
noun
1. een wereldwijd netwerk van computers
internet
noun
1.
internetcafé
noun
1. uitlegging, vertaling
tolkning
/'ɪntɛrpɵŋktsi/
noun
tegnsætning
verb
1.een vraaggesprek met iemand houden
interviewe
adjective
1. in de spier
intramuskulær
adjective
1. in de ader gelegen of plaatvindend
intravenøs
noun
  1. 2.
  2. 3.
intrige
verb
  1. 1. interesse wekken, fascineren
  2. 2. met slinkse streken te werk gaan
intrigere
adjective
egentlig
/ˈɪntrɔn/
noun
1. stukje DNA dat zich bevindt in een gen maar dat niet wordt gebruikt om het eiwit te coderen
intron
noun
1. een opoffering in tijd, geld of mankracht ten behoeve van een doel dat pas op lange termijn wordt behaald
investering
/ˈɪnvluːt/
noun
1. inwerking van een persoon, zaak of omstandigheid op een andere
løft
adjective
indflydelsesrig
/ˈɪnvurə(n)/
verb
  1. 2. gegevens in een electronisch apparaat stoppen
    indftaste
  2. 1. iets nieuws introduceren
    indføre
noun
indbygger
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Io
/jɔn/
noun
ion
pronoun
1. randzee van de Middellandse Zee, gelegen tussen Zuid-Italië en West-Griekenland
Ioniske Hav
noun
ionosfære
/i'peʔadrɛs/
noun
1. een combinatie van getallen waarmee een computer in een IP-netwerk kan worden herkend
IP-adresse
pronoun
1.
iransk
/i.ˈrɑk/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten dat voor een groot deel in en rond het stroomgebied van de rivieren de Eufraat en de Tigris ligt
Irak
/i.ˈrɑn/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten met als hoofdstad Teheran
Iran
noun
iraner
noun
1. een scheikundig element met symbool Ir
iridium
/ɪroˈniː/
noun
1. vorm van spot
ironi
adjective
1.
ironisk
noun
1. godsdienst die na alle profeten uit het jodendom en Christus, Mohammed ...
islam
pronoun
Islamabad
noun
1. ruimtelijke afzondering
isolation
verb
  1. 1. persoonlijk
  2. 2. chemisch
isolere
noun
isomorfi
noun
isotop
/ˈɪs.ra.hɛl/, /ˈɪs.ra.ɛɫ/
pronoun
1. land in het Midden-Oosten, gelegen aan de Middellandse Zee
Israel
/italiˈjaːn/
noun
1. een persoon die uit Italië komt
italiener
/italiˈjaːns/
pronoun
1. een Romaanse taal die wordt gesproken in Italië, San Marino, Vaticaanstad, Slovenië en Zwitserland
italiensk
/iˈtaːli.jə/
pronoun
1. een land
Italien
adjective
iterativ
noun
elfenben
/i.ˈvoːr.kʏs/, /i.ˈvoːr.kʏst/, /i.ˈvo̝ːr.kʏst/
pronoun
een land in West-Afrika, officieel de Republique de Côte d'Ivoir
Elfenbenskysten
/jaː/
adverb
1. duidt bevestiging of instemming aan
ja
/jaː/
interjection
1. kreet van opwinding
ja
/ja:r/
noun
1. de duur van een omloop van de aarde om de zon van circa 365 dagen.
år
/ˈjar.ɣə.ˌtɛɪ̯.də/, /ˈjar.ɣə.ˌtɛː.də/, /ˈjar.χə.ˌtɛɪ̯.də/
noun
1. een deel van een jaar met unieke eigenschappen
årstid
/ˈjar.ləks/, /ˈjar.lɪks/
adjective
1. eenmaal per jaar
årlig
noun
1.
åring
/jɑxt/
noun
  1. 1. het achtervolgen van wild
  2. 3. een snel vaartuig
jagt
noun
1. hond die speciaal gefokt wordt voor de jacht
  1. hund
  2. jagthund
/jɑxtɦʏt/
noun
1. uitkijktoren bij het jagen
jagthytte
noun
1. zeer snel, betrekkelijk groot Afrikaans katachtig roofdier, Acinonyx jubatus
gepard
noun
1. wettelijke toestemming om te jagen
jagttegn
/ˈjaːɣə(n)/
verb
1. bewegende wezens proberen te vangen
jage
noun
1. iemand die op jacht gaat
jæger
noun
jæger og samler
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera onca
jaguar
noun
  1. yakokse
  2. yak
noun
1. Canis aureus, hondachtig roofdier
sjakal
pronoun
Jakob
/jaˈkobʏs/
pronoun
Jakob
adjective
1. een negatief gevoel veroorzaakt doordat iemand iets heeft of kan krijgen wat je ook wilt hebben of reeds hebt
jaloux
/ʃɛm/
noun
1. een gelei van suiker en gekookt fruit, onder andere gebruikt als broodbeleg
syltetøj
/(d)ʒa.mɛɪ̯.ka/, /dʒɑ.mɑɪ̯.ka/
pronoun
1. een eiland in de Grote Antillen ten zuiden van Cuba en ten westen van het eiland Hispaniola
Jamaica
noun
jambe
adjective
1. met het ritme van een jambe
jambisk
noun
1. een grote bijeenkomst van scouts in de leeftijd van 14 tot 17 jaar uit landen verspreid over de gehele wereld die eens per 4 jaar wordt georganiseerd
jamboree
/jɑnyˈwaːri/
noun
1. de eerste maand van het jaar
januar
pronoun
  1. 2. Romeinse god
  2. 3. maan
Janus
/jaˈpɑn/, /jɑˈpɑn/
pronoun
1. een land in het oosten van Azië
Japan
noun
japaner
/jɑ'pɑns/
adjective
1. betreffende Japan of het Japans
japansk
/jɑ'pɑns/
pronoun
1. een taal die in Japan gesproken wordt
japansk
noun
1.
jakke
noun
jaspis
pronoun
1. een taal die door meer dan 75 miljoen mensen op Java en Bali gesproken wordt
  1. javanesisk
  2. javansk
noun
1. Rhinoceros sondaicus, neushoornsoort levend op West-Java en in Vietnam
Javanæsehornet
/'jɑʋɛl/
adverb
ja, antwoordend op een ontkennende vraag
jo
/ˈdʒɛ:zɑŋəˌrɛs/
noun
1. een vrouwelijke persoon die zich op het zingen van jazz toelegt
jazzsangerinde
/ˈjeɣəns/, /ˈjeχəns/
preposition
1. tegenover
imod
/jeˈhova/
pronoun
Jehova
/ˈjemən/, /ˈjeːmən/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel de Republiek Jemen
Yemen
pronoun
1. en 2.
Jena
noun
  1. 1. Juniperus communis
    ene
  2. 2. vrucht
    enebær
pronoun
Jeremias
noun
1.
benzindunk
pronoun
Esajas
/ˈjøːxt/
noun
1. het jong zijn
ungdom
noun
vandrehjem
/ˈje.zʏs/
pronoun
1. centrale figuur in het Nieuwe Testament
Jesus
pronoun
1. Jezus van Nazareth
Jesus Kristus
/je.zy.ˈit/
noun
1. een lid van de Sociëteit van Jezus
jesuit
noun
1. een pijnlijke ontsteking als gevolg van gekristalliseerd uraat in een gewricht
gigt
pronoun
1. Germaanse taal die door de Joden in West-Europa gesproken werd
jiddisch
noun
jihad
/jEi/, /jɛɪ̯/, /jɛː/
personalPronoun
1. aangesproken persoon enkelvoud informeel
du
/'jɔb/
pronoun
Job
/ˈjodələ(n)/
verb
1. zingen met een snelle wisseling van borst- naar keelstem
jodle
/ˈjo.də(n).kuk/
noun
jødekage
/joˈdɪn/
noun
jødinde
/joˈdin/
noun
1.
jødinde
noun
1. scheikundig element met symbool I en atoomnummer 53
jod
pronoun
Jugoslavien
pronoun
2.1 een van de vier Evangeliën
  1. Johannes
  2. Jens
noun
johannesbrød
noun
joint
verb
joker
adjective
1. van geringe leeftijd
ung
noun
1. een directe nakomeling van een dier
unge
noun
1. onvolwassen man
dreng
/ˈjɔŋə(n)sˌnam/
noun
[1] een voornaam die doorgaans gegeven wordt aan kinderen van het vrouwelijk geslacht
drengenavn
/jɔŋˈle.rə(n)/
verb
jonglere
/jɔŋˈlør/
noun
  1. 2. rondreizend artiest
  2. 1. rondreizend kunstenaar
  3. 3. de artiest die zo veel mogelijk objecten weet op te gooien...
jonglør
noun
1. schip
junke
noun
1. aanhanger van het joodse geloof
jøde
adjective
1. te maken hebbend met het joodse geloof, het jodendom
jødisk
phraseologicalUnit
1.
Vorherre ved
/jɔr.ˈda.ni.jə/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië
Jordan
noun
verslaggever, iemand die nieuwsfeiten publiceert
journalist
/jɑu̯/
possessivePronoun
1.
din
/joˈʔel/
pronoun
Joel
noun
1. feestelijke herdenking van de dag waarop iets gebeurde of begon
jubilæum
pronoun
2. boek in de Bijbel
Judas
noun
1. vriendelijk gebaar van een iemand die veinst een vriend te zijn, kort voordat zijn ware bedoelingen duidelijk worden
judaskys
/'jy.do/
noun
1. een Japanse vechtsport
judo
noun
1. bepaald soort eenjarige plant met sterk greduceerde veerdelige bladeren, Nigella damascena
jomfru i det grønne
/jʏˈfrɑu/
noun
frøken
noun
1. houten pasvorm die op de schouders gedragen wordt en twee te dragen gewichten verbindt
åg
noun
1. een van de beenderen van de schedel
kindben
/jyˈlɛi/
noun
1. de zevende maand van het jaar
juli
pronoun
Julirevolutionen
/ˈjʏli/
personalPronoun
1.
I
noun
1. de zesde maand van het jaar
juni
noun
1. een verzamelnaam voor snel bereid en geserveerd voedsel dat vaak ongezond is
junkfood
/ˈjypiˌtɛr/
pronoun
Jupiter
/jʌrək/
noun
1. een kledingstuk voor vrouwen dat van de schouders tot op de benen reikt
kjole
noun
1. een groep mensen die oordeelkundig geacht wordt en gevraagd een oordeel ergens over uit te spreken
jury
noun
1. saus voor spijzen, bereid uit vleesnat
sovs
adjective
de bastvezels
jute
noun
1. sieraad van grote schoonheid en hoge waarde
juvel
noun
1. iemand die juwelen vervaardigt en erin handelt
  1. juveler
  2. juvelér
noun
1. krokodilachtige uit de onderfamilie Caimaninae van de familie alligators
kaiman
noun
1. deel van schedel waarin tanden en kiezen zitten
kæbe
noun
1. een mogelijk dodelijke infectieziekte veroorzaakt door Colistridium tetani
stivkrampe
adjective
1. zonder of met heel weinig hoofdhaar, veren, bladeren, begroeiing, enzovoort
skaldet
noun
1. een in zee vooruitstekende landpunt
kap
pronoun
1. de naam van de zuidwestelijkste punt van Afrika
Kap Det Gode Håb
pronoun
Kap Horn
pronoun
1. een van de hoofdsteden van Zuid-Afrika, gelegen bij de Kaap de Goede Hoop
Cape Town
/ˈkaːp.stɑn.dər/
noun
1. kaapstander
spiler
/kab.ˈvɛr.di.jə/, /kap.ˈfɛr.di.jə/
pronoun
1. een land in West-Afrika
Kap Verde
verb
1. het behandelen van ruwe katoen of wol met behulp van een kaard
karte
/kars/
noun
1. een staaf of klomp van brandbaar materiaal met een lont
  1. lys
  2. kerte
noun
  1. nog in te delen vertalingen
  2. 2. bedrukt kartonnen vel dat met de post verstuurd kan worden
  3. 3. kartonnen of plastic vel uit een kaartspel, om mee te spelen
kort
/kartspɛl/
noun
1. een spel met speelkaarten
kortspil
noun
1. voedingsproduct gemaakt van gestremde melk
ost
noun
1.
ostelærred
/ˈkasxaf/, /ˈkasχaf/
noun
1. een gebruiksvoorwerp waarmee een dun plakje van een stuk kaas kan worden gesneden
ostehøvl
/'kɑbələ(n)/
verb
1. zacht stromen en geluid maken
mumle
noun
1. lijn van 3 tot 6 ineengedraaide touwen van hennep, kunststof, staal of ander materiaal
kabel
noun
1. Gadus morhua, middelgrote zoutwatervis
  1. torsk
  2. kabliau
/'kabul/
pronoun
1. Afghaanse stad/provincie
Kabul
noun
1. sprookjesfiguur
gnom
/ˈkɑ.xəl/, /ˈkɑ.xəɫ/, /ˈkɑ.χɔɫ/
noun
1. een apparaat waarin energie wordt omgezet in warmte met de bedoeling een ruimte te verwarmen
kakkelovn
/ˈkɑxtəl/, /ˈkɑxtəɫ/, /ˈkɑχtəɫ/
noun
1. een jong van een paard.
føl
noun
1. dood lichaam van een dier
kadaver
/ˈkɑdiʃ/
noun
1. een joods gebed waarin Gods naam wordt geheiligd
kaddish
noun
  1. 1. rand die om iets (m.n. een afbeelding of schilderij) heen wordt aangebracht
  2. 2. situationele context, raamwerk, verband
ramme
/kɑf/
noun
1. de vliezen rondom de graankorrels
avne
noun
1. een gesloten kano om in wild water of op zee te varen
kajak
/kaki/
noun
kaki
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Blattodea
kakerlak
noun
1. rommelig geheel van vele klanken door elkaar
kakofoni
noun
1. tabel die de verdeling van het jaar in dagen, weken of jaren aangeeft, evt. met feestdagen enz.
kalender
noun
1. een periode van een jaar, beginnend op 1 januari en eindigend op 31 december
kalenderår
noun
1. jong van het rund en sommige andere zoogdieren.
kalv
noun
kalvekød
noun
kalif
noun
kalifat
noun
1. scheikundig element met symbool K en atoomnummer 19
kalium
noun
kaliumchlorid
/ˈkɑl(ə)k/
noun
aanduiding voor een aantal alkalische zouten van calcium
kalk
noun
1. bepaald soort gedomesticeerde vogel, Meleagris gallopavo
kalkun
noun
kalksten
/kɑlm/
adjective
1. weinig in beroering, zonder opwinding
stille
noun
ro
verb
1. een jong baren bij runderen
kælve
/kɑm/
noun
1. getand object om haren mee te verzorgen
kam
/kɑ'mel/
noun
1. bepaald soort hoefdier met twee bulten op de rug, Camelus bactrianus
kamel
/ka'melejɔn/
noun
  1. 1. tropische hagedis vooral bekend voor zijn snelle kleurveranderingen
  2. 2. veranderlijk persoon
kamæleon
noun
1. deel van een huis
  1. rum
  2. værelse
noun
kammerat
noun
1. een lange huisjas
morgenkåbe
noun
kammermusik
/ˌka.mə.ˈrun/
pronoun
1. een land in Midden-Afrika, officieel de Republiek Kameroen
Cameroun
noun
stueplante
noun
stuetemperatur
noun
kamfer
noun
1. elk van de planten van het geslacht Matricaria
kamille
/kɑmə(n)/
verb
1. met een kam haar in orde brengen
  1. kæmme
  2. rede
noun
  1. 1. een plaats waar een aantal troepen geruime tijd of permanent gehuisvest zijn
  2. 2. een kampeerplaats met een groep van bij elkaar horende tenten
lejr
noun
1. geslacht van klimstruiken (Lonicera)
gedeblad
/kɑmpiun/
noun
1. de winnaar van een kampioenschap
mester
noun
1. wedstrijd waar bepaald wordt wie de kampioenstitel mag dragen
mesterskab
noun
vuur in een kamp waaromheen mensen zich (ter gezelligheid) verzamelen
bål
noun
1. serviesgoed om vloeistoffen uit te schenken
kande
pronoun
Engelske Kanal
/ka'naːl/
noun
kanal
noun
1.1 bepaald soort vogel Serinus canarius
kanariefugl
pronoun
1. een stad gelegen in Zuid-Afghanistan en de hoofdstad van de gelijknamige provincie
Kandahar
noun
lysekrone
/kɑndiˈdat/
noun
  1. 1. iemand die zich verkiesbaar gesteld heeft voor een politiek ambt
  2. 2. iemand die zich beschikbaar gesteld heeft voor een baan of functie
kandidat
/kɑˈnel/
noun
1. een specerij van de gedroogde binnenbast van de kaneelboom,...
kanel
noun
1. benaming voor zoogdieren uit het geslacht Macropus
kænguru
noun
1. een aandoening die gekenmerkt wordt door het ongecontroleerd vermenigvuldigen van cellen
kræft
pronoun
1. taal die in de Indische staat Karnataka gesproken wordt
kannada
noun
1. mens die of dier dat vlees van zijn eigen soort eet
kannibal
noun
1.
kannibalisme
noun
kano
noun
1. een instrument om explosieve projectielen weg te schieten
kanon
noun
1.
kanonbåd
noun
  1. 1. mogelijkheid dat er iets gaat gebeuren
  2. 2. een mooie gelegenheid
chance
noun
  1. 1. eerste minister
  2. 2. hoofd van een kanselarij
kansler
noun
hasardspil
/kɑnt/
noun
  1. 1. een vorm van vlechtwerk
    1. blonde
    2. knipling
  2. aan de kant zetten
    droppe nogen
  3. Het gras aan de andere kant
    græsset er altid grønnere på den anden side
  4. aan de andere kant
    på den anden side
    1. 2. richting
    2. 3. zijde
    side
noun
1. eetgelegenheid in bedrijven, scholen, verenigingen
kantine
pronoun
een Chinese taal gesproken door ongeveer 54 miljoen mensen in het zuiden van China en ook buiten het land
kantonesisk
noun
1. een instelling waar allerlei administratieve handelingen worden uitgevoerd
kontor
noun
1. een gebouw waarin één of meer organisaties hun kantoor hebben ondergebracht
kontorbygning
noun
1. een titel die aan bepaalde geestelijken wordt verleend binnen enkele christelijke kerkgemeenschappen.
kannik
/kɑp/
noun
2. een bedekking van het hoofd
hætte
noun
1. klein kerkgebouw
kapel
noun
1. een priester van de katholieke kerk, werkzaam in een parochie
kapellan
verb
kapre
noun
1. vroegere zeerover...
kaper
noun
1.
kapitæl
noun
1. (beroep) (scheepvaart) gezagvoerder van een schip [1], bijv. van een koopvaardijschip
kaptajn
noun
1. bepaald soort zeevogel, Larus ridibundus
hættemåge
noun
kapun
/ka'pɔtʲə/
noun
2.
kondom
noun
barber
/'kɑ.pər.tʲə/
noun
2. klein groen bloemknopje van de kappertjesplant, Capparis spinosa, dat meestal op zuur bewaard wordt en dat als kruiderij gebruikt wordt
kapers
/kɑpsɛɪ̯zə(n)/, /kɑpsɛːzə(n)/
verb
1. ondersteboven komen liggen
kæntre
noun
1. de manier waarop het haar geknipt is
frisure
noun
1. tafelfles met wijde buik en smalle hals
karaffel
noun
1. aard
karakter
noun
1. gebrande suiker
karamel
noun
1. vorm van vermaak, waarbij muziek wordt afgespeeld van een lied, en de amateur zanger in een microfoon de tekst (die op een televisiescherm te lezen is) live zingt
karaoke
noun
1. japanse gevechtsport
karate
noun
1.
karavane
/kɑrboˈnadə/
noun
1. een stuk vlees van een varken, kalf of lam
karbonade
noun
plant en zaad
kardemomme
noun
1. hoge geestelijke in de hiërarchie van de Rooms-Katholieke Kerk,...
kardinal
noun
1. en 2. bladeren van Cynara cardunculus
kardon
pronoun
1. een aan het Fins verwante taal die wordt gesproken in Karelië, Rusland en Finland
karelsk
/kɑˈrelɪə/
pronoun
1. deel van Rusland
Karelen
verb
1. een karikatuur maken van
karikere
noun
1.
karikatur
pronoun
1.
Kärnten
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het zuiden van het land
Karnataka
noun
1. gefermenteerde melk
kærnemælk
pronoun
Karpaterne
noun
1. bepaald soort grote zoetwatervis met een hoge rug, die van oorsprong uit Azië komt, Cyprinus carpio
karpe
noun
tyktarm
/kɑrˈtɔn/
noun
  1. 1. bordpapier
  2. 2. verpakking
karton
noun
karavel
noun
plant, zaad en specerij
kommen
/'kɑs/
noun
3. een doorzichtige -meest glazen- constructie...
drivhus
pronoun
Kashmir
pronoun
1. een Westslavische taal die gesproken wordt in het oosten van Pommeren
kasjubisk
pronoun
1. een grote door land omsloten zoutwatervlakte op de grens van Europa en Azië
Kaspiske Hav
noun
3. machine om ontvangen geld te registreren en te bewaren
kasseapparat
noun
1. iemand die het beheer heeft over de kas en de mutaties ervan bijhoudt
kassedame
/kɑs/, /kɑst/
noun
1. een meubel om gebruiksvoorwerpen in op te bergen, meestal voorzien van horizontale schappen
skab
noun
  1. 1. de vrucht
  2. 1. de boom
kastanje
adjective
kastanjebrun
noun
1. streng gescheiden stand binnen de hindoeïstische samenleving
kaste
noun
1. een middeleeuwse versterkte woning
slot
noun
1. een systeem van rangen en standen in de maatschappij
kastesystem
noun
1. een kastenstelsel
kastesystem
noun
1. bepaald soort zoogdier, Felis sylvestris catus
kat
noun
1. geheel van de afbraakprocessen in een lichaam
katabolisme
noun
katalysator
noun
    1. 1. belegeringswapen
    2. 3. lanceerinrichting voor vliegtuigen
    katapult
  1. 2. speeltuig
    slangebøsse
noun
2. gevolgen van alcoholgebruik
tømmermænd
/kɑtədral/
noun
1. een hoofdkerk van een bisdom
  1. domkirke
  2. katedral
noun
1. buisje dat tijdelijk in een lichaamsholte wordt aangebracht, bijv. om lichaamsvocht op te vangen of een medicijn toe te dienen
kateter
noun
1-2 scheikunde + elektronica
katode
/ˌka.to.ˈlik/
adjective
  1. 1. overeenkomstig de geloofsleer van de Katholieke Kerk
  2. 2. te maken hebbend met de Katholieke Kerk
katolsk
noun
kation
/kɑˈtun/
noun
1. een zachte vezel die uit de opperhuid (epidermis) van de zaden van de katoenplant groeit
bomuld
noun
1. een werktuig dat het mogelijk maakt een last met een beperkte kracht te verplaatsen
talje
pronoun
Kattegat
noun
kattegræs
pronoun
1. gebergte
Kaukasus
noun
1. Corvus monedula, eem zwarte kraaiachtige zangvogel met een grijze nek
allike
verb
tygge
noun
1. een zacht samenhangend snoepgoed dat niet bedoeld is om in te slikken
tyggegummi
noun
kaviar
pronoun
1. een taal die van oorsprong door de Kazachen in Kazachstan gesproken werd
kasakhisk
/ˈka.zɑx.stɑn/, /ˈka.zɑχ.stɑn/
pronoun
1. een land in Centraal-Azië en het uiterste oosten van Europa
Kasakhstan
noun
1. inwoner van Kazachstan
kasakher
noun
1. gebouw waar soldaten gelegerd zijn
kaserne
noun
1. een mouwloos opperkleed dat door een priester gedragen wordt bij het lezen van de mis
messehagel
pronoun
1. oudste zoon van Adam en Eva
Kain
/keːl/
noun
1. voorste, uitwendige gedeelte van de hals
  1. svælg
  2. strube
/kelɔntstekɪŋ/
noun
1. een infectie van de slijmhuid van de keel
halsbetændelse
noun
1. pijnlijke irritatie van het slijmvlies in de keelholte, meestal door een ontsteking ervan
halsonde
/keːp/
noun
2. kleurrijke vinkensoort
kvækerfinke
/ˈkipər/
noun
målmand
noun
1. telkens terugkerend tijdstip waarop iets gebeurt
gang
noun
vendekreds
/ˈke.xəl/
noun
1. een meetkundig lichaam met een cirkel als grondvlak en uitlopend in een punt
kegle
noun
1. een kromme gevormd door het snijden van een kegel met een plat vlak
keglesnit
noun
1.
moræneler
noun
1. een monarch van de allerhoogste rang, oorspronkelijk die van het Romeinse rijk
kejser
noun
1. een vrouwelijke monarch van de allerhoogste rang, oorspronkelijk die van het Romeinse rijk
kejserinde
adjective
kejserlig
noun
1. een gebied waar een keizer het staatshoofd is
  1. kejserrige
  2. kejserdømme
noun
1. operatieve verlossing
kejsersnit
noun
1. een ondergrondse bergruimte
kælder
noun
kalk
noun
tjener
/kɛɫt/
noun
1. lid van een Indo-Europees volk waarvan na de Romeinse tijd de meeste leden op de Britse eilanden en in Bretagne leven
kelter
/ˈkɛl.tis/, /ˈkɛɫ.tis/
adjective
1. met betrekking tot Kelten
keltisk
noun
1. bepaald soort vogel, Calidris pugnax
brushane
/ˈke.ni.ja/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika, de Republiek Kenia, grenzend aan Somalië, Ethiopië, Oeganda, Tanzania en de Indische Oceaan
Kenya
verb
1. bekend, vertrouwd zijn met
kende
/ˈkɛnɪs/
noun
1. wat je weet of hebt geleerd
viden
noun
  1. 1. een teken waaraan iets of iemand herkenbaar is
    kendetegn
  2. 2. een identificatienummer van een (gemotoriseerd) voertuig
    registreringsnummer
/ˈkɛpəl/
noun
1. hoofddeksel in de vorm van een ondiep bolsegment
kippa
noun
keramik
/kɛrk/
noun
  1. 1. openbaar gebouw voor religieuze handelingen of samenkomsten
  2. 2. Christelijke organisatie voor beleving van een specifieke christelijke godsdienst
  3. 3. Georganiseerde groep die bepaalde christelijke standpunten aanhangt
kirke
/ˈkɛrk.bɑŋk/
noun
1. harde langwerpige constructie waar in een kerkgebouw waarop gelovigen tijdens een dienst kunnen zitten
stolestade
noun
1. bijeenkomst van een christelijke gemeente waarin God vereerd wordt
gudstjeneste
/kɛrkər/
noun
1. een ondergrondse ruimte die bestemd is voor het opsluiten van gevangenen
fangekælder
/ ˈkɛrkχɑŋər /
noun
1. een gelovige die zich naar de kerk begeeft om de kerkdienst bij te wonen
kirkegænger
/ ˈkɛrkχɑŋstər /
noun
1. een gelovige vrouw die zich naar de kerk begeeft om de kerkdienst bij te wonen
kirkegænger
noun
1. terrein waar overledenen begraven worden
kirkegård
/ˈkɛr.klɔk/
noun
1. een bel in de toren van een kerk
kirkeklokke
noun
1. een toren bij een kerk
kirketårn
/ˈkɛrgœːl/, /ˈkɛrkœʏ̯ɫ/, /ˈkɛrkœːl/
noun
1. bepaald soort vogel, Tyto alba
slørugle
noun
1. energie geproduceerd door kernfusie of kernsplijting, waarmee in een kerncentrale elektriciteit wordt opgewekt
atomkraft
noun
1. ouders en hun minderjarige kinderen
kernefamilie
noun
atomreaktor
noun
1. een rampzalige gebeurtenis waarbij de brandstof van een kernreactor smelt door het wegvallen van de koeling
nedsmeltning
noun
1. een vrij zware fractie alkanen die met name als vliegtuigbrandstof gebruikt wordt
petroleum
noun
specerij
karry
noun
1. steenvrucht van een kersenboom, Prunus subg. Cerasus
kirsebær
/kɛr.ˈsta.vɔnt/, /kɛr.ˈz(d)a.vɔnd/
noun
juleaften
/ˈkɛrsd.bom/, /ˈkɛrz.bom/
noun
1. rond Kerstmis opgestelde naaldboom met allerlei versieringen
juletræ
noun
julegave
/ˈkɛrs.dɑx/, /ˈkɛrs.dɑχ/, /ˈkɛrz.dɑx/
noun
første juledag
/ˈkɛrs.kart/, /ˈkɛrst.kart/
noun
1. een wenskaart die wordt gekenmerkt door een kerstgroet en wensen voor het komende nieuwe jaar
julekort
/ˈkɛrs.lid/, /ˈkɛrst.lit/
noun
1. een op Kerstmis betrekking hebbend lied
julesang
/ˈkɛrs(t)məs/, /ˈkɛrsmɪs/, /ˈkɛrstmɪs/
noun
1. een feest ter herinnering van de geboorte van Jezus met een vieringsdatum die verschilt per christelijke traditie
jul
noun
1.
almindelig julerose
/ˈkɛr.stɑl/, /ˈkɛr.stɑɫ/
noun
1. een voorstelling van de geboorte van Jezus met figuren van hout of gips, die vooral in katholieke gezinnen rond Kerstmis in huis te vinden is, vaak onder de kerstboom
julekrybbe
/ˈkɛrstɛr/
noun
julestjerne
/ˈkɛrst.fa.ˌkɑn.si/, /ˈkɛrst.fa.ˌkɑn.ʦi/, /ˈkɛrz.va.ˌkɑn.si/
noun
1. een schoolvakantie op het einde van het jaar die gewoonlijk twee weken duurt
juleferie
/ˈkɛrst.fər.ˌsiː.rɪŋ/, /ˈkɛrz.vɛr.ˌsiː.rɪŋ/
noun
1. aangekochte of zelfgemaakte voorwerpen die gebruikt worden ter versiering ter gelegenheid van Kerstmis
juledekoration
noun
  1. 1. plant
    have-kørvel
  2. 2. keukenkruid
    kørvel
noun
1. een saus op basis van tomaten
ketchup
noun
2. waterketel
kedel
noun
1.een goederenwagon waarop een ketel gemonteerd is, geschikt voor het vervoer van vloeibare producten
tankvogn
noun
zuurvergiftiging bij suikerziekte
ketoacidose
noun
1. iemand die vanwege afwijking van de katholieke leer tot misdadiger verklaard was
kætter
/ˌkɛtəˈrɛɪ/
noun
1. het ingaan in woord of gedachte tegen de doctrines van de kerk
kætteri
noun
4. een snoer bestaande uit een draad die door doorboorde kralen of andere voorwerpen gevoerd is
halskæde
noun
1. een aanrijding van vanachter waarbij de aangereden auto doorschiet tegen zijn voorligger aan
karambolage
noun
1. motorzaag die een ketting met getande schakels heeft
kædesav
/ˈkøːkə(n)/
noun
  1. 1. een plaats waar gekookt wordt, ruimte waarin mensen hun voedsel bereiden
  2. 2. de wijze waarop in een land of streek gekookt wordt
køkken
pronoun
  1. Köln
  2. Køln
noun
kurfyrste
/'kø:s/
noun
gelegenheid
valg
verb
1. gezellig praten zonder al te veel diepgang
  1. sludre
  2. snakke
  3. hyggesnakke
  4. småsnakke
  5. tale
noun
1. het besluit om uit verschillende mogelijkheden er één te nemen
valg
/ˈkevər/, /ˈkɛvər/
noun
1. bepaald insect
bille
/ˈkiːbɔː(r)d/, /ˈkiːbɔː(r)t/
noun
2. een apparaat waarmee, door toetsen in te drukken, gegevens in een computer ingevoerd kunnen worden
tastatur
/ˈkɪbuts/
noun
kibbutz
verb
1. wederrechtelijk en onder dwang iemand weghalen
  1. bortføre
  2. kidnappe
/ˈkɪd.ˌnɑ.pər/, /ˈkɪt.ˌnɑ.pər/, /ˈkɪt.ˌnɛ.pər/
noun
1. iemand die mensen kidnapt of ontvoert
bortfører
noun
1.1 benaming voor roofvogels uit het geslacht Circus
kærhøg
noun
1. verlenging van de onderzijde van een (zeil)schip
køl
noun
1.
Kiel Bugt
noun
1. spoor van waterstroom (achter een schip)
kølvand
noun
kim
/'kim.ʋɔr.təl/
noun
1. eerste worteltje van een zaailing
kimrod
noun
1. minimale aantal stemmen dat vereist is om verkozen te worden in een vertegenwoordiging
spærregrænse
noun
1. een gebied, waar bij verkiezingen op dezelfde kandidaten kan worden gestemd
valgkreds
noun
stemmeret
noun
1. de wijze waarop de volksvertegenwoordiging bij verkiezingen wordt gekozen.
valgmetoder
noun
1. ademhalingsorgaan van vele in water levende dieren
gælle
pronoun
1. de hoofdstad van Oekraïne
Kiev
noun
vibe
noun
1. (scheikunde) een zwak zuur dat is afgeleid van siliciumdioxide
kiselsyre
verb
1. uit meerdere mogelijkheden één nemen
vælge
verb
  1. kikke
  2. se
noun
1. iemand die kijkt
seer
noun
1. benaming voor amfibieën uit de orde Anura
frø
noun
1. legsel
frøyngel
noun
1. en 2. (zaden van) de plant Cicer arietinum
kikært
noun
1. fijn gemalen kikkererwten
kikærtemel
abbreviation
1. kilogram
kilogram
noun
1. duizend meter
kilometer
noun
1. het vooruitstekende deel van de onderkaak
hage
noun
  1. 1. mens tussen 0 en 18 jaar
  2. 2. persoon voortkomend uit
  1. barn
  2. børn
noun
børnearbejde
noun
1. een arts die gespecialiseerd is in de behandeling van kinderen
børnelæge
noun
børnebog
noun
1. kindermeisje (in een huishouden)
barnepige
noun
1. het om het leven brengen van een kind
barnemord
noun
1. een voertuig waarin zuigelingen of kleuters met de hand verreden kunnen worden
barnevogn
noun
1. een ziekenhuis gespecialiseerd in de behandeling van kinderen
børnehospital
noun
  1. 1. ziekte bij kinderen
  2. 2. fout, tekortkoming bij een nieuw voorwerp, project of plan
børnesygdom
noun
1. kind dat deelneemt aan een gewapend conflict
  1. barnesoldat
  2. børnesoldat
adjective
1. wat beweging veroorzaakt
bevægelsesmæssig
noun
kinin
/kɪŋk(h)ust/
noun
1. een bepaalde kinderziekte die veroorzaakt wordt door de bacterie Bordetella pertussis
kighoste
noun
1. klein vrijstaand winkeltje waar men snoep, koffie, kranten en tijdschriften kan kopen
kiosk
/kɪp/
noun
  1. 1. Gallus gallus domesticus, gedomesticeerde vogel uit de familie van de hoenderachtigen
    1. høne
    2. kylling
  2. 2. kippenvlees
    kylling
noun
1.
hønseæg
noun
hok voor kippen
hønsehus
/ˈkɪpəvɛɫ/
noun
1. het verschijnsel waarbij als gevolg van kou de huid gaat kleine bubbeltjes vertoont
gåsehud
noun
kyllingefedt
noun
1. voer speciaal geschikt voor kippen
hønsefoder
pronoun
1. de taal die in Kirgizië gesproken wordt
kirgisisk
/kɪr.ˈɣi.zi.jə/, /kɪr.ˈχi.zi.jə/
pronoun
1. een land in Centraal Azië, officieel de Kirgizische Republiek, dat geheel door land omsloten is
Kirgisistan
/ˌki.ri.ˈbɑs/
pronoun
1. land in Oceanië, officieel de Republiek Kiribati
Kiribati
pronoun
1. taal die door 67 790 mensen in Kiribati, Fiji, Nauru, de Solomoneilanden, Tuvalu en Vanuatu wordt gesproken
kiribatisk
noun
2. een tijdelijke omsluiting gebouwd in het water
cellefangedæmning
/kɪts/
adjective
1. een zeiljacht met twee langsgetuigde masten
ketch
noun
2. vrucht van plantengeslacht Actinidia
  1. kiwi
  2. kiwifrugt
noun
elegi
pronoun
Klagesangene
pronoun
1. denkbeeldig mannetje dat mensen 's nachts iets in de ogen strooit zodat ze kunnen slapen
  1. Ole Lukøje
  2. Jon Blund
noun
1. een aanklacht
klage
verb
1. ongenoegen uiten
klage
noun
1. in het algemeen wordt hiermee het totaal aan eigenschappen van een geluid aangeduid
lyd
noun
1. afnemer van een product of dienst van een leverancier
kunde
noun
1. plotselinge, luidruchtige slag
smæld
noun
1. bepaald soort zoogdier, Cystophora cristata
klapmyds
noun
1. Papaver rhoeas, een plant met een felrode bloem uit de familie Papaveraceae
  1. valmue
  2. korn-valmue
noun
1. ± stuk rundvlees van de borst of klaprib, dat langdurig in een oven gebraden wordt
spidsbryst
noun
1. een houten blaasinstrument waarop de melodie wordt gespeeld in een harmonie
klarinet
/klɑs/
noun
  1. 1. een groep leerlingen die een tijdlang gezamenlijk les krijgen
  2. 2. een leerjaar op school
  3. 3. een klaslokaal
klasse
noun
1. een ruimte in een school voor het geven van les aan scholieren
klasseværelse
/klʌu/
noun
  1. 1. poot van een roofdier
  2. 2. hand
klo
noun
kløftehammer
noun
1. toetsinstrument
cembalo
noun
kløver
noun
1.
klør knægt
noun
1. kaartkleur
klør
noun
1. het textiel voor de bedekking van het lichaam
tøj
noun
1.
beklædningsgenstand
noun
1. rijstsoort die veel zetmeel bevat
klæberis
noun
1. zachte borstel waarmee men stof van kleding kan verwijderen
klædebørste
noun
klædeskab
noun
1. iemand wiens beroep bestaat uit het maken van kleding.
skrædder
/klɛɪ̯/, /klɛː/
noun
1. zeer fijne, vochthoudende grondsoort
ler
adjective
1. van geringe grootte
lille
noun
almindelig brandbæger
pronoun
Lilleasien
/ˈklɛɪndɔxtər/
noun
1. een dochter van iemands kind, een vrouwelijk kleinkind
barnebarn
pronoun
1. een hoog aan het noordelijk halfrond duidelijk sterrenbeeld
Lille Bjørn
noun
1. bepaald soort meeuw, Larus glaucoides
hvidvinget måge
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Lille Hund
noun
1.
sildemåge
noun
1. de handel die tatbare producten direct aan consumenten verkoopt
detailhandel
/ˈklɛːŋkɪnt/, /ˈklɛːɪŋkɪnt/
noun
1. kind van zoon of dochter
barnebarn
noun
1. een zoon van iemands kind, een mannelijk kleinkind
barnebarn
verb
3. voortdurend blijven praten over onbelangrijke onderwerpen
  1. hyggesnakke
  2. sludre
  3. småsnakke
  4. snakke
  5. tale
noun
1. de onweerstaanbare drang om te stelen
kleptomani
/ˈkleː.rən/
noun
1. kleding of kledingstukken
tøj
verb
2. praten, babbelen
  1. snakke
  2. sludre
  3. småsnakke
  4. hyggesnakke
  5. tale
noun
sladretaske
/kløːr/
noun
1. het onderscheid dat gemaakt wordt op basis van het verschil in golflengte van licht
  1. farve
  2. kulør
noun
farveblyant
adjective
1. vol opvallende kleuren
farverig
noun
klik
noun
2. orgaan
kirtel
/ˈklivə(n)/
verb
1. langs een scherp breukvlak in tweeën hakken
kløve
noun
1. steile hoge rots
klint
noun
1. kort geluid
smæld
verb
1. een klikkend geluid maken
smælde
noun
1. de gemiddelde natuurlijke gesteldheid van de lucht en het weer in een gebied op een planeet
klima
noun
1. de verandering van het klimaat in een bepaald gebied over een bepaalde periode, m.n. de wereldwijde opwarming sinds de 19e eeuw
klimaændring
noun
klimaområde
/klɪmɑtoloˈɣi/
noun
1. leer van de lucht- en weersgesteldheid.
klimatologi
/klɪmɑtoˈloxɪs/
adjective
1. op het klimaat betrekking hebbend
klimatologisk
noun
  1. 1. iemand die de bergsport beoefend
  2. 2. iemand die bij het wielrennen goed een berg op kan fietsen
klatrer
/'klɪ.mɔp/
noun
1. Hedera helix, een groenblijvende houtige plant
  1. vedbend
  2. efeu
noun
1. sport- of speeltoestel waarop men klimt
klatrestativ
pronoun
1. een kunsttaal die uitgevonden is door Marc Okrand voor Star Trek-films
klingonsk
noun
1. een inrichting waar patiënten worden verpleegd
klinik
adjective
1. direct voor de arts (hulpverlener) zichtbaar
klinisk
/klɪŋk/
noun
1. handvat om de deur te openen of te sluiten
klinke
verb
1. een bepaalde klank voortbrengen
lyde
/ˈklɪŋkər/
noun
  1. 3. een harde baksteen die door zijn structuur geen water opzuigt
    klinke
  2. 1. een klank van de menselijke spraak waarbij geen obstructie in de ademstroom aangebracht wordt.
    1. vokal
    2. selvlyd
noun
1. een metalen verbinding tussen twee platen bestaande uit twee cilidrische delen die van weerszijden,...
nitte
noun
1., 2. plant met kleverige bloemknoppen
burre
noun
  1. 2. een belvormige idiofoon, vooral bekend van kerktorens en carillons
    klokke
  2. 1. een instrument dat de tijd bijhoudt
    ur
noun
klokkeblomst
noun
  1. 2. smal hoog bouwwerk met bovenin een of meer wijzerplaten van een uurwerk
  2. 1. smal hoog bouwwerk met bovenin een of meer lui- of slagklokken of een carillon
klokketårn
/klɔmp/
noun
1. schoeisel van hout, eventueel in combinatie met leer
træsko
verb
1. een identieke kopie van een levend wezen maken
klone
noun
1. een ten gevolge van erosie, diep uitgesleten rivierdal, met steile wanden
canyon
/klon/
noun
1. een levend wezen dat een exacte genetische kopie is van een ander wezen
klon
/klostər/
noun
  1. 1. een gebouw waarin een kloostergemeenschap gevestigd is
  2. 2. een kloostergemeenschap als zodanig
kloster
verb
1. tegen iets slaan
banke
noun
1. tot een bol opgewonden draad
  1. nøgle
  2. garnnøgle
/ˈknaxdiːr/, /ˈknaɣdiːr/
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Rodentia
gnaver
verb
1. met de tanden aanvreten
gnave
noun
1. een mengsel van zuurstof en waterstof in (ongeveer) de verhouding 1:2
knaldgas
verb
1. een hard geluid of knal geven
brage
adjective
2. aantrekkelijk
flot
verb
1. hoorbaar zijdelings bezwijken
smælde
verb
1. geluid voortbrengen door twee hard oneffen voorwerpen met kracht over elkaar heen te bewegen
smælde
verb
1. een massa soepel maken door er steeds in te knijpen
ælte
noun
1. bepaald soort vinkachtige, Carduelis cannabina
tornirisk
verb
1. binden, boeien
knebeln
noun
1. gewricht in het midden van het been dat het bovenbeen met het onderbeen verbindt
knæ
verb
1. op de knieën gaan
knæle
verb
1. tussen twee punten druk uitoefenen
knibe
/'knɪkə(n)/
verb
1. een verticale beweging met het hoofd maken
nikke
noun
1. balletje van glas, marmer, steen, hout of klei
kugle
verb
2. een klikkend geluid met de vingers maken
smælde
noun
knopsvane
noun
1.
knast
noun
1. looksoort Allium sativa met samengevouwen bol
hvidløg
noun
1. vingergewricht
kno
verb
1. vechten
  1. kæmpe
  2. slås
noun
  1. 1. verdikte plantenwortel.
    knold
  2. 2. koolraap, een eetbare wortel van een plant uit het geslacht Brassica.
    roe
noun
  1. 3. aan een jas e.d.
    knap
  2. 2. snelheidsmaat
    1. knob
    2. knude
  3. 1. in een draad
    1. knude
    2. knob
noun
1. spleet die in een stuk stof is gemaakt zodat een ander stuk stof daaraan kan worden vastgemaakt
knaphul
verb
1. een vastzittende lus in een koord, draad of touw maken
binde
noun
kølle
verb
1. omhelzen
knuse
noun
1. een Australisch buideldier
koala
noun
1. scheikundig element met symbool Co en atoomnummer 27
kobolt
adjective
koboltblå
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Araneae
edderkop
noun
1. Ursus arctos middendorffi, de grootste beer en het grootste bekende landroofdier
Kodiak bjørn
noun
1. vrouwelijk rund
ko
noun
kage
noun
1. een platte pan met een lang handvat
stegepande
/[ˈkuc̠͡ç̠jø̜]/
noun
2. klein baksel dat meestal bij de koffie of thee genuttigd wordt
småkage
noun
1. bepaald soort vogel, Cuculus canorus
gøg
noun
klok
kukur
noun
1. een huishoudelijk apparaat voorzien van een koelinstallatie,...
køleskab
/ˈkuːmɛlk/
noun
komælk
noun
1. een gewelf in de vorm van een halve bol of een halve ellipsoïde
kuppel
noun
1. een vereniging of stichting waarin een aantal belangenorganisaties vertegenwoordigd zijn
paraplyorganisation
pronoun
1. een taal die door de Koerden gesproken wordt
kurdisk
noun
1. kleine witte reigersoort
kohejre
noun
kurs
noun
1. overdekte ruimte waarin koeien kunnen verblijven
stald
verb
1. iets geliefds nauw aan het hart houden
  1. kramme
  2. nusse
/ˌku.tər.ˈʋaːls/
noun
1. aanduiding voor een onverstaanbare taal
kaudervælsk
noun
1. vierwielig rijtuig met vering, vaak gesloten, dat getrokken wordt door paarden
hestevogn
noun
1. iemand die de paarden van een koets ment
kusk
noun
1. stevige metalen stang voorzien van een gespleten einde, gebruikt om er zaken mee open te breken
  1. brækjern
  2. koben
/ˈkuwɛɪ̯t/, /ˈkuʋɛɪ̯t/, /ˈkuβ̞ɛ:t/
pronoun
1. een kleine olierijke monarchie op het Arabische schiereiland in Azië aan de kust van de Perzische Golf
Kuwait
noun
1. draagbare bergruimte van stevig materiaal met een handvat, waarin spullen kunnen worden meegenomen tijdens het reizen
kuffert
noun
1. het gedeelte van een auto waar de bagage in geplaatst wordt
bagagerum
noun
1. drank uit koffiebonen
kaffe
noun
café au lait
noun
kaffebønne
noun
1. een uitspanning waar men koffie kan nuttigen
café
noun
1. een huishoudelijk apparaat waarin koffiebonen kunnen worden gemalen
kaffekværn
noun
kaffe-slægten
noun
  1. 1-2. munitie
  2. 3. metalen bal gebruikt bij kogelstaten
kugle
noun
1. een gat ontstaan door doorboring door een kogel
skudsår
noun
1.
kugleleje
noun
1. benaming voor zeevissen uit het geslacht Tetraodontidae
pindsvinefisk
adjective
1. kogelvrij
skudsikker
noun
kok
verb
  1. 1. vloeistof verwarmen totdat er zich in de hele vloeistof bellen vormen die naar boven stijgen en openspringen
  2. 2. met behulp van ingrediënten een maaltijd klaarmaken
koge
noun
  1. 2. een keukenapparaat waarin iets kan gekookt worden
    koger
  2. 1. een smal cilindervormig hol voorwerp
    kogger
noun
almindelige hjertemusling
noun
1. bepaald soort zeevogel met een gekleurde kop en een lachende roep, Chroicocephalus ridibundus
hættemåge
/ˈko.kɔsˌbom/
noun
1. een palm die tot 30 m hoog kan worden en 4-6 m lange bladeren heeft
kokos
/ˈko.kɔsˌmɛlk/, /ˈko.kɔsˌmɛɫk/
noun
1. vocht verkregen door het kiemwit van een kokosnoot met water te vermengen en uit te knijpen
kokosmælk
/'kokɔsnot/
noun
1. holle vrucht van de kokospalm met wit vruchtvlees en een vezelige bast
kokosnød
/ˈko.kɔsˌo.li/
noun
1. een soort olie gewonnen uit kokosnoten
kokosolie
/ˈko.kɔsˌpɑlm/, /ˈko.kɔsˌpɑɫm/
noun
1. een palm die tot 30 m hoog kan worden en 4-6 m lange bladeren heeft
kokos
/ˈko.kɔsˌvles/
noun
1. vruchtvlees van de kokosnoot
kokoskød
noun
kolkhoz
noun
1. ganzensoort
blisgås
noun
1. een zeer klein vogeltje met een zeer snelle vleugelslag van de familie Trochilidae uit de orde der grootvleugeligen
kolibri
noun
klumme
noun
1. een hoge militaire rang
oberst
noun
1. een rang in het Pruisische leger, het Duitse keizerlijke leger en de Wehrmacht, het leger van nazi-Duitsland
generaloberst
adjective
1. betrekking hebbend op koloniën en het hebben van koloniën
kolonial
/'kolonijaˌlismə/
noun
1.
kolonialisme
/koˈloni/
noun
1. een vestiging van een deel van een bevolking, buiten het eigenlijke territorium van dat volk
koloni
verb
1. koloniën vormen
kolonisere
noun
1. iemand die zich in een kolonie heeft gevestigd
kolonist
adjective
kolossal
pronoun
Kolossenserne
/koˈmedi/
noun
1. een blijspel
komedie
noun
1. een licht hemellichaam van ijs, gas en stof, zich in een baan ver buiten die van de planeten bewegend, dat bij het naderen van de zon een wolk van gas en gruis in de vorm van een staart ontwikkelt
komet
verb
1. bewegen van verder weg naar dichterbij
komme
pronoun
1. macrotaal die door 220 duizend mensen in Rusland gesproken wordt
Komi
noun
plant, zaden en specerij
spidskommen
adjective
komisk
/kɔm.ˈkɔ.mər/
noun
1. Cucumis sativus, een langwerpige vrucht die men vooral rauw als salade eet
agurk
/ˈkɔma/
noun
1. een leesteken dat een pauze aangeeft
komma
noun
1. instrument waarvan de naald het magnetische noorden aanwijst
kompas
pronoun
Fristaten Congo
/kɔˈnɛɪn/, /kɔˈnɛːn/
noun
1. zoogdier dat ook gedomesticeerd kan worden gehouden
kanin
/ˈkonɪŋ/, /ˈkoːnɪŋ/
noun
  1. 1. het mannelijk hoofd van een koninkrijk
  2. 2. speelkaart waarvan de waarde meestal tussen die van de vrouw en de aas ligt
konge
pronoun
  1. Anden Kongebog
  2. Første Kongebog
/konɪˈŋɣɪn/, /konɪˈŋɪn/, /koʊnɪˈŋɪn/
noun
dronning
noun
kongeskab
noun
3. een dagvlinder uit de Nymphalidae-familie
sørgekåbe
noun
1. een bewuste moord op een koning.
kongemord
noun
1.
kongevand
/ˈkonɪŋklək/
adjective
1. betrekking hebbend op een koning, koningin, aan of bij hem, haar behorend, van hem, haar uitgaand
kongelig
/ˈkonɪŋkˌrɛɪ̯k/, /ˈkoːnɪŋkˌrɛɪ̯k/, /ˈkoːnɪŋkˌrɛːk/
noun
1. staatsvorm met een koning aan het hoofd
  1. kongerige
  2. kongedømme
noun
1. de billen, het achterwerk
røv
noun
1.
konvoj
/koːɪ/
noun
1. een uit tralies of gaas gemaakt voorwerp dat een ruimte omsluit
bur
noun
boek waaruit men leert koken
kogebog
noun
komfur
noun
1.
kogekunst
noun
kogepunkt
noun
  1. 2. een zwarte brandstof die voornamelijk uit koolstof bestaat
    kul
  2. 1. een eetbare plant met veel ondersoorten uit de kruisbloemfamilie
    kål
noun
1. reukloos gas dat ontstaat bij volledige verbranding van koolstof
kuldioxid
noun
1. een bepaald type verbinding van koolstof-, waterstof- en zuurstofatomen
kulhydrat
noun
musvit
noun
  1. kålrabi
  2. kålroe
noun
  1. glaskål
  2. glaskålrabi
/ˈkol.stɔf/
noun
2. een chemisch element en een kleurloos niet-metaal
  1. kulstof
  2. carbon
  3. karbon
noun
carbonkredsløb
noun
1. verbinding met moleculen van één atoom zuurstof en één atoom koolstof (CO)
kulilte
noun
1. bepaald soort vis met donker gekleurde mondholte en rug die voorkomt in het hoge noorden van de Atlantische Oceaan, Pollachius virens
sej
/kol'watərstɔf/
noun
1. een verbinding die uit koolstof en waterstof is opgebouwd
  1. kulbrinte
  2. karbonhydrid
noun
raps
/'kolzyr/
noun
1. H₂CO₃
kulsyre
noun
1. de hoeveelheid goederen of diensten die gekocht kan worden met een bepaald geldbedrag
købekraft
noun
købmand
noun
1. zeeschip voor het vervoer van handelsgoederen
handelsskib
noun
1. een groep mensen die samen zingen
kor
noun
1. rechte tussen twee cirkelpunten
korde
noun
1. (medisch) verhoging van de lichaamstemperatuur
feber
noun
1. beentje van vinger of teen
falanks
noun
    1. 1. hoofd van een dier
    2. 2. hoofd van een mens
    3. 9. zijde van een geldstuk met een afgebeeld hoofd
    hoved
  1. 1. porseleinen recipiënt met oor, om uit te drinken
    kop
verb
1. in ruil voor geld iets in bezit krijgen
købe
pronoun
1.
København
noun
2. scheikundig element met symbool Cu en atoomnummer 29
kobber
noun
1. een ambachtsman die platen koper of andere zachte metalen bewerkt. Dit bewerken omvat verschillende bewerkingen, zoals knippen, buigen, solderen en felsen
kobbersmed
/kopi<sup>j</sup>'ɪːrə(n)/
verb
1. een duplicaat maken van
kopiere
/ˈkɔplɑmp/
noun
1. een witte of gele lamp aan de voorzijde van een voertuig
kørelys
noun
1. voetbediening om de verbinding tussen de motor van een voertuig en de wielen te verbreken
koblingspedal
noun
1. een streepje om twee of meer woorden een eenheid te laten vormen
bindestreg
noun
1. een werkwoord dat een eigenschap koppelt aan het onderwerp
kopula
verb
  1. 1. een bal een stotende beweging met het hoofd geven
  2. 2. de kop verwijderen
heade
/ˈkɔpəx/, /ˈkɔpəç/
adjective
1. vasthoudend aan eigen wil of inzicht
stædig
noun
1. stel van twee kleine luidsprekers die men tegen of in de oren plaatst
hovedtelefon
noun
1. skelet van de koraalpoliep
koral
pronoun
1. randzee van de Grote Oceaan
Koralhavet
pronoun
1. (de tekst van) het heilig boek van de islam
  1. Koranen
  2. Koran
/koˈre.ja/
pronoun
1. een schiereiland in Oost-Azië
Korea
/koreˈjaːns/
pronoun
1. taal die in Korea gesproken wordt
  1. Koreansk
  2. koreansk
noun
1. Corbula gibba
hampefrømusling
noun
1. en 2. (gedroogde) zaden van Coriandrum sativum
koriander
/korijɑndərblɑt/
noun
1. (gedroogd) blad van Coriandrum sativum
korianderblade
/korijɑndərzaːt/
noun
1. gedroogde zaden van Coriandrum sativum
korianderfrø
pronoun
Korintherne
noun
kornel
noun
korset
/kɔrst/
noun
1. een harde buitenste laag om iets dat verder relatief zacht is
skorpe
noun
lav
adverb
  1. 1. van geringe duur
  2. 2. van geringe lengte
kort
noun
1. verlaging van een te betalen bedrag
rabat
noun
korund
noun
1.
korvet
noun
kosmologi
noun
kosmonaut
noun
1. het gehele tijd-ruimte continuüm waarin wij bestaan, samen met alle materie en energie
kosmos
adjective
1. op Kosovo betrekking hebbend
kosovansk
/ˈkɔsɔˌvo/
pronoun
1. land op het Balkanschiereiland dat volgens Servië een provincie van Servië is, maar dat zichzelf als een onafhankelijke staat beschouwt
Kosovo
adjective
dyr
verb
1. als te betalen prijs hebben
koste
noun
dragt
noun
lønmodtager
/kotəˈlɛt/
noun
1. een stuk vlees van een varken, kalf of lam
kotelet
noun
kutter
/kʌʊt/
adverb
1. niet warm, fris, kil, koel
kold
/ˈkɑu̯də/
noun
1. het koud zijn
kulde
noun
1. de afsterving en ontbinding van een levend organisme
  1. gangræn
  2. koldbrand
/kaʊ̯s/, /kɔʊ̯s/, /kʌʊ̯s/
noun
1. een aansluitend, meer of minder elastisch kledingstuk dat de voet en (een deel van) het been bedekt
strømpe
noun
2. extreem lange peulvrucht
meterbønne
noun
1. lid van een hoofdzakelijk Slavisch ruitervolk
kosak
/kraɪ̯/, /kraːɪ̯/
noun
1.1 bepaald soort zwarte vogel, Corvus corone
krage
noun
  1. 1. nest van een kraai
  2. 2. uitkijkplaats in de mast van een schip
udkigstønde
/ˈkrakben/
noun
1. een speciale vorm van bindweefsel met een elastisch karakter als gevolg van eigenschappen van de extracellulaire matrix
brusk
noun
4. werktuig om voorwerpen in de hoogte te verplaatsen
kran
noun
1. bepaald soort grote vogel, Grus grus
trane
noun
1. kreeftachtige die leeft in de nabijheid van water
krabbe
noun
1. vermogen om iets te verrichten
kraft
pronoun
1. na Warschau en Łódź de op twee na grootste stad van Polen
Krakow
/ˈkrakə(n)/
verb
1. een krakend geluid maken
smælde
noun
1. illegale bewoner
bz'er
noun
1. een toestand van onwillekeurige en aanhoudende samentrekking van een spier
krampe
noun
1. klassiek massamedium, gedrukt op papier en gericht op het verspreiden van nieuws
avis
noun
krater
pronoun
2. teken van de dierenriem van 21 juni tot 23 juli
  1. Krebsen
  2. krebs
/kreːft/
noun
1. zeekreeft, hommer
hummer
noun
1. de hoogste breedtegraad van ca. 23,5 ° noorderbreedte waarboven de zon bij zonnestilstand in het zenit staat
Krebsens vendekreds
noun
1. Gryllidae
fårekylling
pronoun
Kreml
pronoun
1. bij Griekenland behorend eiland in de Egeïsche Zee
Kreta
verb
2. gekreukt raken
krølle
/krɪp/
noun
3,4,5. golfbrekertjes
høfde
noun
1. iemand die zich toelegt op het voeren van oorlog, met name tussen stammen
kriger
noun
krigsherre
noun
1. een handeling die erop gericht is om door list en bedrog de vijand te misleiden, zoals het verspreiden van valse geruchten
krigslist
noun
1. een olifant die vroeger tijdens op het land uitgevochten oorlogen werd ingezet als strijddier
krigselefant
verb
1. luidkeels schreeuwend een hoog geluid voortbrengen
skrige
noun
  1. 1. wit mineraal dat uit calciumcarbonaat bestaat
    1. krid
    2. kridt
  2. 2. schrijfmateriaal uit dat materiaal vervaardigd
    kridt
/krɪm/
pronoun
een schiereiland aan de noordkust van de Zwarte Zee
Krim
noun
  1. 1. een ronde figuur zoals een cirkel
    cirkel
  2. 2. een gemeenschap van mensen
    kreds
noun
1. een hoeveelheid ordelijk gerangschikte atomen of moleculen in vaste vorm
krystal
/krɪsta'lɛɪn/
adjective
1. een inwendige structuur bezittend die zichzelf eindeloos herhaalt
krystallinsk
verb
  1. 1. ordeningsproces
  2. 2. doen ordenen
krystallisere
noun
diodemodtager
noun
  1. 1. uitingen waarmee bepaald gedrag, een bepaalde zienswijze e.d. van anderen worden veroordeeld of in twijfel getrokken
  2. 2. een document dat kunstzinnig commentaar levert op een optreden, tentoonstelling, boek , film of andere kunstuiting
kritik
/kroˈwatis/, /kroˈwaːtɪs/
pronoun
1. een taal die vooral in Kroatië gesproken wordt
  1. Kroatisk
  2. kroatisk
/kroˈwatsi.jə/, /kroˈwaːsi.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Europa ten zuiden van Hongarije
Kroatien
/krux/
noun
1. publieke drinkgelegenheid
  1. værtshus
  2. knejpe
/krokoˈdɪl/
noun
1. een groot, in het water levend reptiel dat behoort tot de familie der Crocodylidae
krokodille
noun
1. irisachtige lentebloem
krokus
verb
1. iemand tot koning of koningin maken door hem of haar in een ceremonie een kroon op het hoofd te zetten
krone
noun
krønike
noun
  1. Anden Krønikebog
  2. Første Krønikebog
/ˈkronɪŋ/
noun
ceremonie
kroning
noun
1. hoofddeksel dat door een vorst gedragen wordt
krone
noun
1. en 2. (bladeren van) éénjarige plant Cichorium endiva var. latifolia
bredbladet endivie
/krœʏ̯t/, /krœːd/, /krœːt/
noun
urt
verb
1. specerij bij een gerecht doen
krydre
noun
2. winkel met levensmiddelen
brugs
noun
1. specerij van de kruidnagelboom
  1. nellike
  2. kryddernellike
/krœyjər/
noun
1. iemand die bagage vervoert op o.a. stations en vliegvelden
bærer
noun
  1. krukke
  2. dunk
  3. varmedunk
/ˈkrœy.məl/
noun
krumme
noun
1. een soort braam
multebær
/'krʌʏ.pə(n)/
verb
kravle
noun
  1. 4. symbool
  2. 1. geometrisch figuur
  1. kors
  2. kryds
noun
1. kleine vinkachtige zangvogel
korsnæb
noun
1. Ribes uva-crispa
stikkelsbær
noun
1.
allogami
/ˈkrœʏsər/
noun
  1. 1. een oorlogsschip dat hoge snelheden kan halen
  2. 2. een type jacht
krydser
verb
1. een vorm van executeren: aan het kruis hangen tot de dood erop volgt
korsfæste
noun
1. een plaats waar twee of meer wegen elkaar kruisen
kryds
noun
1. kruissleutel
krydsnøgle
noun
1. ondernemingen van de westerse christenen tussen 1095 en 1271 in Palestina
korstog
noun
1.
korsfarer
noun
krydsordsopgave
noun
1. kruiswoordpuzzel
krydsordsopgave
noun
1. een eenwielige kar met twee lange handgrepen voor het transport van zware, meestal losse lading
trillebør
noun
2. hulpmiddel bij het lopen
krykke
noun
1. en 2. (bladeren van) éénjarige plant Cichorium endiva
kruset endivie
noun
krøllejern
noun
1. scheikundig element met symbool Kr en atoomnummer 36
krypton
noun
1. 20-eeuwse stroming binnen de beeldende kunst waarin de werkelijkheid op een sterk vereenvoudigde manier wordt weergegeven
kubisme
noun
1. een regelmatig zesvlakkig lichaam, begrensd door zes gelijke vierkanten
terning
/'kɵdə/
noun
1. een groep samenlevende (zoog)dieren
flok
noun
1.
topmejse
/ˈkœʏ̯kə(n)/, /ˈkœːkə(n)/
noun
donzig jong vogeltje
kylling
noun
bødker
adjective
kysk
noun
  1. 1. deel van het been
    1. kalv
    2. læg
  2. 2. visseneitjes
    rogn
noun
1. kuit bevattende wijfjesvis
hunfisk
/kykələky/
interjection
1. het geluid van een haan
  1. kykeliky
  2. kykliky
noun
1. en 2. (citrusvrucht van) plant Citrus japonica
kumquat
verb
1. in staat zijn om, het vermogen hebben om
kunne
noun
1. toepassing van opvallende vaardigheid en verbeelding om iets moois of betekenisvols te scheppen
kunst
noun
kunstnerinde
adjective
1. door menselijk, moedwillig ingrijpen tot stand gekomen
kunstig
noun
1. een combinatie van chemische stoffen die aan de aarde wordt toegevoegd ter bemesting daarvan
kunstgødning
noun
1. sport waarbij individuelen, paren en groepen schaatsers rotaties, sprongen en andere bewegingen op het ijs maken, die vaak met muziek wordt uitgevoerd
kunstskøjteløb
noun
1. een schilderes van kunstwerken
malerinde
/ˈkʏns.tal/, /ˈkʏns.taɫ/
noun
1. een artificiële of geconstrueerde taal is een taal waarvan de structuur, vocabulair en grammatica speciaal ontworpen is door een individu of een kleine groep, inplaats van op een natuurlijke wijze geëvolueerd in een cultuur
kunstsprog
/kʌnstwɛrk/
noun
1. resultaat van een inspanning om iets te maken dat bijzonder mooi of indringend is
kunstværk
/kʏrk/
noun
1. licht, poreus materiaal, afkomstig van de kurkeik
kork
/kʏr.kɛi̯k/, /kʏr.kɛːk/, /kʏrk.ʔɛi̯k/
noun
1. Quercus suber; een boom uit de napjesdragersfamilie
kork-eg
noun
1. een werktuig om flessen te ontkurken
proptrækker
noun
plant en specerij
gurkemeje
noun
1. het de lippen ergens tegenaandrukken om affectie uit te drukken
kys
noun
1. een met zacht materiaal gevulde zak, dienende om het (slaap)comfort van de gebruiker te verbeteren
pude
verb
1. een kus geven
kysse
noun
1.
pudekamp
/'kɵst/
noun
1. de waterkant langs de zee
kyst
noun
1. het bedrijven van meestal beroepsmatige scheepvaart langs kusten en op zeearmen
kystfart
/kɵt/
noun
vrouwelijk schaamdeel
  1. fisse
  2. kusse
/kʋɑp/
noun
2. een gedeelte van lever, longen of hersenen
hjernelap
noun
1. langwerpige, op de bodem levende zoetwatervis, Lota lota
knude
/kwɑ'drat/
noun
kvadrat
/kʋɑk/
noun
2. bepaalde reigersoort, Nycticorax nycticorax
nathejre
verb
1. witter
kvække
/kʋɑl/
noun
1. vrijzwemmend, voornamelijk in zee levend ongewerveld dier met een geleiachtig lichaam in de vorm van een klok of paraplu
  1. gople
  2. vandmand
/kvalitɑ'tif/
adjective
1. naar de hoedanigheid, betreffende de kwaliteit
kvalitativ
noun
2. eigenschap
kvalitet
adjective
1. met betrekking tot de hoeveelheid
kvantitativ
noun
getal dat in de kwantummechanica wordt gebruikt voor het beschrijven van de eigenschappen van bepaalde deeltjes
kvantetal
noun
1. studie en beschrijving van het gedrag van de kleinste deeltjes
kvantemekanik
noun
een theoretisch kader voor de constructie van kwantummechanische modellen van veld-achtige systemen of, equivalent, veeldeeltjessystemen
kvantefeltteori
noun
kvantemekanisk sammenfiltring
noun
1. Coturnix coturnix, vederwild en hoendervogel
vagtel
noun
1. bepaald soort vogel, Crex crex
  1. engsnarre
  2. vagtelkonge
noun
1. een groep van vier muzikanten
kvartet
noun
1. (in een toernooi) een van de vier wedstrijden waarin gestreden wordt voor een plaats in de halve finale(s)
kvartfinale
noun
1.
fjerdedelsnode
noun
1.
fjerdedelspause
noun
een vorm van siliciumdioxide
kvarts
/kʋɑst/
noun
1. Versiering
kvast
/ˈkwe.peːr/, /ˈkʋe.pɪːr/, /ˈkβ̞e.peːr/
noun
1. een peervormige vrucht van de Cydonia oblonga
kvæde
/'kʋekə(n)/
verb
1. dieren of planten verzorgen en hun voortplanting mogelijk maken
avle
verb
1. pijn of ergernis bezorgen
pine
adjective
1. weinig beschermd tegen beschadiging
sårbar
/kʋɛi̯t/
adjective
kwijt zijn
forsvundet
noun
1. een scheikundig element en zilverwit overgangsmetaal met symbool Hg en atoomnummer 80
kviksølv
noun
1. benaming voor vogels uit de geslachten Motacilla en Dendronanthus
vipstjert
noun
1. een metaal dat vloeibaar is bij kamertemperatuur
kviksølv
noun
1. een pot bestemd voor het opvangen van sputum
spyttebakke
verb
1. druk met de staart zwaaien.
logre
noun
kvittering
pronoun
1. de hoofdstad van Oekraïne
Kiev
noun
1. muzieknoot
la
pronoun
La Mancha
pronoun
La Rioja
/lax/
adjective
  1. 1. niet ver boven iets anders zijn
  2. 2. niet vergevorderd zijn in een rangorde of volgorde
  3. 3. geluid met een klein aantal trillingen per tijdseenheid
  4. 4. met een beperkt aanzien
lav
noun
lavland
noun
lavvande
noun
1. toestand van volkomen eb
lavvande
noun
1. weg die aan beide kanten wordt geflankeerd door bomen
allé
noun
1. een schoen met een hoge schacht die een deel van het been bedekt
støvle
adjective
  1. 1. na het voorziene ogenblik
  2. 2. 's avonds, 's nachts
sen
adjective
1. overtreffende trap van laat
  1. sidst
  2. sidste
noun
1. ruimte voor wetenschappelijk onderzoek
laboratorium
noun
1. een stelsel van paden of dwaalwegen, zodanig aangelegd dat men daarin moeilijk de weg kan vinden
labyrint
/lɑx/, /lɑχ/
noun
1. een vrolijkheidsuiting door middel van het optrekken van de mondhoeken en vaak...
latter
verb
1. zichtbaar en/of hoorbaar blij zijn met iets of iets grappig vinden
  1. le
  2. grine
noun
1. vluchtige verbinding, N₂O
lattergas
noun
is een suiker die o.a. in melk voorkomt
laktose
noun
het niet kunnen verdragen van melksuiker
laktoseintolerans
noun
1. houten of metalen voorwerp met treden om makkelijk op hoger gelegen plaatsen te komen
stige
noun
1. uitschuifbare bergplaats
skuffe
/ˈlaːdə(n)/
verb
1. van een lading voorzien
lade
noun
3. opeengehoopte elektriciteit
ladning
noun
1. beschadiging van het weefsel in een organisme
læsion
/lɑf/
adjective
1. een gebrek aan moed tonend
fej
/ˈlɑfɦɛit/
noun
1. de neiging keuzes te maken die van weinig moed getuigen
fejhed
noun
1. ondiep meer
  1. lagune
  2. strandsø
pronoun
1. stad in Pakistan
Lahore
noun
1. stof die een dunne beschermlaag vormt nadat ze opgelost in een vluchtig oplosmiddel...
lak
noun
1. (beroep) Een lakei of dienaar is een bediende werkend aan een koninklijk hof
lakaj
/ˈlakə(n)/
verb
1. iemand iets verwijten
afvise
noun
1. jong van het schaap
lam
noun
1. soort Zuid-Amerikaans eeltpotig zoogdier Lama glama
lama
/lɑmp/
noun
1. een voorwerp gemaakt om licht te geven
lampe
noun
1. kap over een lamp om het licht af te schermen
lampeskærm
noun
1. een kan met waswater, vaak samen met een ondiepe teil, de waskom, bedoeld om zich in de morgen...
kande
noun
1. plant met paarse bloemen die op de kwelders voorkomt, Limonium vulgare
tætblomstret hindebæger
noun
  1. 3. een geografisch gebied aan één bepaald gezag onderworpen
  2. 4. niet verstedelijkt gebied
land
/ˈlɑntbɑuw/
noun
1. het cultiveren van land voor de voortbrengst van voedsel en andere nuttige producten
landbrug
noun
1.
landbro
noun
1. een dier dat op het land leeft
landdyr
adjective
2. met betrekking tot minder bevolkte, niet-stedelijke gebieden
landlig
verb
1. vanuit de zee, de lucht of de ruimte voet op vaste bodem zetten
lande
noun
1. iemand uit hetzelfde land
landsmand
noun
2. vlucht van vliegtuigen...
landing
noun
landingsstel
noun
landskab
noun
1. schildpad uit de familie Testudinidae
skildpadde
noun
1. smalle strook land die zich in zee of meer uitstrekt
pynt
adjective
1. van grote duur
lang
adjective
1.
langbenet
adjective
1.lang en smal
langstrakt
noun
1.
languster
noun
1. benaming voor muggen met opvallend lange broze poten, die de familie Tipulidae vormen
stankelben
preposition
1. terzijde van, evenwijdig aan
hen ad
/ˈlɑŋzam/
adjective
1. met weinig snelheid
langsom
noun
1. een lang steekwapen met een metalen punt
lanse
noun
1. Chemisch element
lanthan
noun
lanthanider
noun
1. Chemisch element
lantan
/ˈla.ɔs/
pronoun
1. een land in Azië grenzend aan Myanmar, China, Vietnam, Cambodja en Thailand
Laos
noun
1. een stuk van iets
lap
noun
1. met een kijkbuis in de buikholte kijken en opereren
laparoskopi
pronoun
Lappland
noun
1. kleine draagbare computer
bærbar computer
noun
1. jeugdstadium van de meeste insecten en veel amfibieën
larve
noun
lasagna
noun
1. lichtbron die uiterst intense lichtstraal van één kleur uitzendt
laser
noun
1. krachtige geconcentreerde lichtstraal met licht van maar één golflengte
laserstråle
verb
1. door plaatselijke sterke verhitting van de voeg twee metalen voorwerpen met elkaar verbinden
svejse
noun
1. iemand die stukken metaal op een naad door sterke plaatselijke verhitting verbindt
svejser
noun
1. een gedomesticeerd dier dat men gebruikt om vracht te vervoeren
arbejdsdyr
noun
1. onterechte beweringen die iemand in een kwaad daglicht stellen
bagvaskelse
noun
1. actie met als doel iets of iemand in de goede naam aan te tasten
smædekampagne
adjective
1. sluimerend
latent
/ˈlaː.tər/
adjective
senere
/'la.tɛks/
noun
latex
pronoun
1. taal van de Romeinen in de oudheid, die later in gebruik bleef in religie en wetenschap
latin
adjective
latinsk
pronoun
Latinamerika
noun
1. de reeks lettertekens oorspronkelijk gebruikt om teksten in het Latijn te schrijven en tegenwoordig met aanpassingen voor veel talen gebruikt
latinske alfabet
noun
boom en kruid
laurbær
noun
2. (gedroogde) bladeren van Laurus nobilis
  1. laurbær
  2. laurbærblad
pronoun
1.
Lausanne
noun
1. vloeibaar gesteente dat uit een vulkaan tevoorschijn komt
lava
noun
1. bepaald kruid, Levisticum officinale, dat zowel in de keuken als in de geneeskunde gebruikt wordt
løvstikke
noun
1. Lavandula, een struik uit de lipbloemenfamilie Lamiaceae
lavendel
/la'ʋaj/
noun
1. luid en storend geluid
larm
/la'ʋinə/
noun
1. een sneeuwverschuiving op een berghelling
lavine
noun
1. Chemisch element
lawrencium
noun
afføringsmiddel
noun
1. een grote mobiele medische (militaire) installatie die tijdelijk de taken van een ziekenhuis kan overnemen
lazaret
noun
forelæser
/let/
noun
1. verdriet en pijn
kval
noun
1. de tijd dat iemand leeft of geleefd heeft, het totaal aantal levensjaren
alder
/lex/
adjective
1. zonder inhoud
tom
/lek/
noun
1. iemand die niet deskundig is op een bepaald gebied
lægfolk
/lem/, /leɪm/
noun
1. kleihoudende grondsoort
ler
/len/
noun
1. leengoed; vastgoed dat door de heer aan zijn vazal ten gebruike werd afgestaan
len
/ˈlenvərˌtalɪŋ/
noun
1. woord dat aan een vreemde taal is ontleend in letterlijke vertaling en analoge constructie
oversættelseslån
/ˈlenʋɔːrt/
noun
1. een woord dat door een taal aan een andere taal ontleend is
  1. låneord
  2. fremmedord
noun
1. stof vervaardigd door het looien van een dierenhuid
læder
noun
1. een boek bedoeld om er iets uit te leren
lærebog
noun
1.
lærling
noun
1. iemand die onderwijs volgt
elev
adjective
læsbar
noun
1. een bril die op leesafstand een scherp beeld geeft
læsebriller
/lest/
noun
1. schoenvorm
læst
noun
1. conventioneel symbool in interpunctie
tegnsætning
pronoun
2. teken van de dierenriem van 23 juli tot 23 augustus
  1. Løven
  2. løve
noun
1. Panthera leo een groot katachtig roofdier met lange manen
  1. løve
  2. løvinde
noun
1. plant van het geslacht Antirrhinum waarvan de bloem lijkt op de muil van een leeuw
løvemund
noun
broderpart
noun
lærke
noun
1. vrouwtje van de leeuw
  1. hunløve
  2. løvinde
noun
1. testamentaire beschikking
arv
/ˈleːɣər/, /ˈleːχər/
noun
1. een militaire strijdmacht
  1. hær
  2. arme
noun
1. Metaalverbinding van twee of meer elementen
legering
noun
legion
/ˌleɣyˈwan/
noun
1. hagedis
leguan
noun
ledemotiv
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Leipzig
noun
1. blauwgrijs gesteente
skifer
adjective
1. vloeistof of gas doorlatend
læk
noun
1. opening waardoor een vloeistof of een gas in of uit kan
utæthed
verb
1. vloeistof laten ontsnappen
lække
adjective
1. aangenaam van smaak
lækker
noun
lilje
/le.li.tʲə.vɑn.da.ləⁿ/
noun
1. bepaald soort kleine tot 30 centimeter hoge vaste plant, Convallaria majalis
liljekonval
/ˈleːlək/
adjective
1. onprettig om naar te kijken, niet mooi
grim
noun
3. een hulpstelling waarvan de juistheid in afwachting van nader bewijs wordt aangenomen
lemma
noun
1. een knaagdier dat vooral in het hoge noorden op de toendra's voorkomt
lemming
noun
1. laagste deel van de rug voor het kruis
lænd
verb
1. iets wat eigendom is van een ander tijdelijk gebruiken, al dan niet in ruil voor een kleine vergoeding
låne
noun
1. ontlener, leningnemer
låntager
/ˈlɛŋktə/
noun
  1. 1. afmeting van een voorwerp
  2. 2. tijdsduur
længde
noun
længdegrad
noun
lån
noun
leninisme
noun
  1. 1. een geslepen stuk transparant materiaal dat lichtstralen breekt
  2. 2. een stelsel van lenzen of lensdelen dat op een camera zit zodat er een scherp beeld op de film of CCD wordt geprojecteerd
  3. 3. een zeer kleine glazen of kunststof lens die men direct op de oogbol plaatst ter vervanging van een bril
linse
noun
1. seizoen
  1. forår
  2. vår
pronoun
. spelwoord voor de letter l
Leo
/ˈlepəɫ/
noun
1. een voorwerp bestaande uit een greep en een kom(metje), waarmee vloeibaar voedsel wordt gegeten
ske
noun
1. een steltloper ter grootte van een ooievaar met een lepelvormige snavel
skestork
noun
spedalskhed
/ˈleːraˑr/
noun
1. iemand die lesgeeft
lærer
/ˈleːrə/, /ˈlɪːrə/
verb
1. kennis of vaardigheid verwerven
lære
/lɛs/
noun
1. onderricht gedurende een korte tijd
time
noun
1. letsel
læsion
/le.'sɔ.to/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel het Koninkrijk Lesotho
Lesotho
/ˈlɛsə(n)/
verb
1. met vocht de dorst beëindigen
slukke
/lɛt/
noun
1. een inwoner van Letland, of iemand afkomstig uit Letland
lette
/ˈlɛtlɑnd/, /ˈlɛtlɑnt/
pronoun
1. een Europees land aan de Oostzee
Letland
/lɛts/
pronoun
1. de officiële taal van Letland
lettisk
/ˈlɛtsə/
noun
1. inwoonster van Letland
lette
noun
1. lichamelijke schade met name aangericht in een ongeluk of gevecht
skade
noun
1. een teken om in geschreven taal een klank van de gesproken taal weer te geven
bogstav
/ˈlɛtərˌxrep/, /ˈlɛtərˌɣrep/
noun
1. elk van de groepen waarin een woord kan worden verdeeld
stavelse
/ˈløːɣən/, /ˈlʏːχən/
noun
1. mededeling die niet waar is, met de bedoeling om anderen te misleiden
løgn
noun
1. iemand die bewust dingen zegt die niet waar zijn
løgner
adjective
  1. 2. prettig, aangenaam
    1. dejligt
    2. fin
    3. flink
  2. 1. grappig, schalks, vermakelijk
    morsom
  3. 3. kalm, bedaard
    rollig
noun
1. bloedkanker
leukæmi
/ˈløːˌvə(n)/
pronoun
1. de provinciehoofdstad van Vlaams-Brabant in België
Leuven
/'levən/
noun
  1. 1. een voortbestaan van organismen, gericht op groei en/of vermenigvuldiging
  2. 2. de tijdsspanne die men levend doorbrengt
liv
/'levən/
verb
1. het doormaken van het leven
leve
adjective
1. tot de dood durend
livsvarig
noun
livsstil
noun
1. een bruinkleurig orgaan dat gal produceert
lever
noun
leverandør
/ˈlevərˌblumpʲə/
noun
1. Hepatica nobilis, een plant uit de ranonkelfamilie
  1. blå anemone
  2. leverurt
pronoun
Tredje Mosebog
noun
leksem
adjective
leksikal
verb
1. zien en interpreteren van geschreven tekst
læse
noun
1. iemand die (een bepaald geschrift) leest
læser
noun
aflæsning
/ˈli.ba.nɔn/, /ˈli.bɑ.nɔn/
pronoun
land in het Midden-Oosten, grenzend met Israël en Syrië, officieel de Libanese Republiek
Libanon
/li.ˈbɛl/, /li.ˈbɛɫ/
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Odonata
guldsmed
/libəˈral/
adjective
frisindet
noun
liberalisme
/li.'beː.ri.ja/, /li.'bɪː.ri.ja/
pronoun
land in West-Afrika, officieel de Republiek Liberia
Liberia
/'libido/
noun
1. geslachtsdrift
libido
adjective
1. op Libië betrekking hebbend
libysk
/ˈli.bi.jə/
pronoun
1. een land in Noord-Afrika, officieel de Staat Libië
Libyen
noun
libracion
noun
  1. 1. een geheel van botten, vlees en organen van een mens of dier
  2. 3. een hoeveelheid materie met een bepaalde vorm
  3. 2. een instantie
krop
/ˈlɪxaːmzdeːl/
noun
1. onderdeel van een lichaam
kropsdel
noun
kropssprog
adjective
    1. Vertalingen: na te kijken en onderverdelen per verklaring
    2. 2. van een gewicht
    let
  1. 1. helder van kleur
    1. lys
    2. bleg
noun
  1. 1. Elektromagnetische golven
    lys
  2. 2. lichtbron
    1. lys
    2. lyskilde
noun
1. de afstand die het licht in één jaar aflegt, ongeveer 9460 miljard kilometer
lysår
noun
1. de snelheid waarmee het licht zich voortplant in het luchtledige (ongeveer 299792 km/s)
lysets hastighed
noun
lysforurening
noun
1. iemand die behoort tot een groep, organisatie of sekte
medlem
noun
1. de status van iemand als lid van een organisatie
medlemskab
noun
1. Equisetum palustre
kær padderok
noun
  1. kendeord
  2. artikel
/ˈlixtə(n)ˌstɛɪ̯n/, /ˌlixtə(n)ˈstɛːn/, /ˌliχtə(n)ˈstɛɪ̯n/
pronoun
1. een klein land in Europa gelegen tussen Zwitserland en Oostenrijk
Liechtenstein
noun
1. muzikale vorm waarin tekst op muziek wordt verklankt
sang
noun
1. een boek met een verzameling (kerkelijke) liederen
sangbog
noun
1.het geven van hulp
velgørenhed
noun
1. uiting of gevoel van grote genegenheid en/of het zich aangetrokken voelen
kærlighed
adjective
1. niet getuigend van enige vorm van liefde
kærlighedsløs
noun
liefdesrelatie
kærlighedsforhold
verb
1. liefde voelen tot iemand of iets
elske
adjective
kærlig
verb
kærtegne
verb
1. met opzet feiten vertellen die niet de waarheid zijn maar wel als dusdanig worden gepresenteerd
lyve
/lir/
noun
1. een Grieks snaarinstrument
lyre
noun
1. anatomie
lyske
noun
1. benaming voor kevertje van de familie Coccinellidae
mariehøne
/ˌlivə'vraʊ̯wəˌbɛtstro/, /ˌlivəˌvrɔʊ̯β̞ə'bɛtstro/, /ˌlivəˌvrʌʊ̯β̞ə'bɛtstro/
noun
1.
skovmærke
noun
1. een verticaal transportsysteem voor goederen en mensen
elevator
noun
1. opwaartse kracht
opdrift
noun
liga
noun
1. bindweefselband
ledbånd
noun
liggecykel
verb
1. zich horizontaal in toestand van rust gelegd hebben
ligge
noun
1. een stoel waarin men gemakkelijk kan liggen
chaiselong
pronoun
Liguria
noun
1. olijfachtige heester veel gebruikt voor het maken van heggen
liguster
verb
1. smart en ellende ondergaan
lide
phraseologicalUnit
1. zinsdeel waarop de actie die wordt uitgedrukt door een overgankelijk werkwoord rechtstreeks van toepassing is
  1. direkte objekt
  2. genstandsled
noun
livegenskab
pronoun
1. een Finoegrische taal die in Estland en Letland gesproken wordt
livisk
noun
1. levenslange rente
livrente
noun
1. hybride kruising tussen een mannetjesleeuw en een vrouwtjestijger
liger
suffix
  1. 1. het hebben van de karakteristieken (bv. kinderlijk)
  2. 2. in staat zijn tot (bv. redelijk)
  3. 3. toevoeging om van een werkwoord of zelfstandig naamwoord een bijvoeglijk naamwoord te maken (bv. gevaarlijk)
lig
noun
1. dood lichaam
lig
noun
1. een voortuig ingericht om een stoffelijk overschot te vervoeren
rustvogn
noun
1. plakmiddel
lim
/lɛi̯n/
noun
11. een band, riem om een huisdier in te tomen
hundesnor
/ˈlɛɪnzat/
noun
1.
hørfrø
/lɛist/
noun
1. een opsomming van zaken die onder elkaar staan
liste
noun
1. benaming voor zangvogels uit de familie Turdidae
drossel
noun
1. geslacht van loofbomen, Sorbus
røn
noun
ligtorn
noun
1. een drank bereid met gestookte alcohol, aangevuld met smaakstoffen en veelal ook suiker
likør
verb
1. met de tong aanraken
slikke
noun
1. lichte tint van paars
lilla
noun
1. en 2. (zaden van) plant Phaseolus lunatus
  1. limabønne
  2. månebønne
  3. sukkerbønne
/ˈlɪm.bʏrx/, /ˈlɪm.bʏrχ/
pronoun
1. provincie in het zuidoosten van Nederland
Limburg
/ˈlɪm.bʏrxs/, /ˈlɪm.bʏrχs/
pronoun
1. verzamelnaam van een reeks variëteiten van de Germaanse taalfamilie
  1. limburgisk
  2. limburgsk
noun
limnologi
noun
1. Een citrusvrucht
lime
noun
1. een drank die vervaardigd is van citroensap, suiker en water
limonade
/ˈlɪndə/
noun
loofboom
lind
noun
1. beoefenaar van de taalkunde
lingvist
noun
1. wetenschap die taal als onderzoeksobject heeft
lingvistik
/ˌliniˈ<sup>ʲ</sup>aɫ/
noun
1. een meetinstrument waarmee lengtes kunnen worden opgemeten
lineal
noun
2. een verwijzing
henvisning
adjective
1. tegenovergestelde van rechts
venstre
adjective
1. wanneer men de linkerhand verkiest boven de rechter voor alledaagse handelingen
venstrehåndet
noun
1. lange, smalle strook stof
bånd
noun
1. een platte worm die parasiteert in de darm bij mens en dier
bændelorm
noun
båndsav
noun
linse
noun
1. anatomie
læbe
/liˈpidə/
noun
1. vetten en vetachtige stoffen die in de biochemie een belangrijke rol spelen
lipid
noun
  1. 1. stift met zacht materiaal dat op de lippen opgebracht wordt om de kleur daarvan beter te laten uitkomen
  2. 2. zacht materiaal dat op de lippen opgebracht wordt om de kleur daarvan beter te laten uitkomen
læbestift
noun
1. Typha
dunhammer
/ˈlɪspələ(n)/
verb
lispe
pronoun
1.
Lissabon
/litər/
noun
1. een inhoudsmaat voor voornamelijk vloeistoffen en gassen
liter
adjective
litterær
noun
  1. 2. het geheel van als kunstzinnig beschouwde geschreven werken, m.n. proza of poëzie
  2. 3. de verzameling geschreven en na controle door vakgenoten gepubliceerde mededelingen van een vakgebied
litteratur
/ˈlitiˌʲʏm/
noun
1. chemisch element en een zilverwit alkalimetaal
  1. lithium
  2. litium
/liˈtaʊ̯.wə(n)/, /liˈtɑuwə(n)/, /liˈtɔʊ̯.β̞ə(n)/, /ˈliˌtʌʊ̯.β̞ə(n)/
pronoun
1. een Europees land ter hoogte van Wit-Rusland
Litauen
/liˈtaʊ̯.wər/, /ˈlitɔʊ̯.β̞ər/, /ˈlitʌʊ̯.β̞ər/
noun
1. inwoner van Litouwen
litauer
/liˈtaʊ̯s/, /ˈlitɔʊ̯β̞s/, /ˈlitʌʊ̯s/
pronoun
1. een Baltische taal die wordt gesproken in Litouwen
litauisk
noun
1. zichtbaar overblijfsel van een oude verwonding
ar
noun
1. eertijds een dienst ten bate aan de gemeenschap waartoe de rijken verplicht waren...
liturgi
noun
1. scheikundig element met symbool Lv en atoomnummer 116
livermorium
verb
1. poging de besluitvorming te beïnvloeden
lobbye
noun
lobotomi
pronoun
1. eigennaam van Frankische herkomst
Ludvig
/ˈlu.jə(n)/
verb
1. een langgerekt klagend geluid voortbrengen
brøle
noun
1. met vlees en groente gevulde en gefrituurde lap deeg
forårsrulle
noun
lup
noun
1. prijzen
ros
noun
1. de exponent van de macht waartoe een gegeven getal verheven moet worden om een ander getal te krijgen
logaritme
noun
1. boek met gegevens over de navigatie
logbog
noun
1. een vissersschip, tegenwoordig met een motor aangedreven, dat vroeger een loggergetuigd zeilschip was
lugger
noun
1. trapeziumvormig zeil aan de voorste mast op een logger
luggersejl
noun
logik
adjective
logistik
noun
1. een herkeningsteken
logogram
/lɔk/
noun
1. haarlok, pluk haar
lok
verb
1. mens of dier verleiden ergens heen te komen
lokke
noun
morskab
/ˈlɔlɪ/
noun
snoepje
slikkepind
pronoun
Lombardiet
/ˈlɔndən/
pronoun
1 en 2
London
noun
1. orgaan waarin gaswisseling plaatsvindt tussen lucht en bloed ten behoeve van het metabolisme.
lunge
/'lɔŋɔntsteːkɪŋ/
noun
1. een ontsteking in de longen
lungebetændelse
noun
1. koord voor ontsteking
lunte
noun
1. een scheikundig element met symbool Pb en atoomnummer 82
bly
noun
1. vakman die zich bezighoudt met de aanleg en het onderhoud van sanitair, verwarmingsinstallaties, waterleidingen en/of riolering
blikkenslager
adjective
  1. 1. verticaal, in één lijn met het middelpunt van de aarde
  2. 2. in een rechte hoek
ret
/loːts/
noun
2. iemand die schepen als stuurman begeleidt bij het varen van en naar een haven
lods
/lo:f/
noun
løv
/loːx/
noun
een alkalische substantie
lud
adjective
van groot gewicht
tung
/loːn/
noun
1. financiële vergoeding voor geleverde arbeid
løn
/loːp/
noun
voorste deel van een wapen
løb
/ˈlopχraf/
noun
1. een uitgegraven geul, diep en breed genoeg dat men er in kan lopen...
skyttegrav
verb
1. stappen, gaan
gå
noun
4. schaakstuk dat zich slechts diagonaal verplaatsen mag
løber
noun
1. geld betaald voor iemands vrijlating
løsesum
pronoun
Lorraine
pronoun
1.
Louisiana
verb
1. blijk geven van bewondering
rose
pronoun
1. naam van een van Jezus' discipelen
Lukas
/lʏxt/
noun
1. mengsel van gassen waaruit de afmosfeer bestaat
  1. luft
  2. atmosfære
noun
1. een aanval vanuit de lucht op een grondpositie
luftangreb
noun
varmluftballon
noun
luftbehandling
noun
luftfilter
noun
1. een vliegveld voor verkeersvliegtuigen met accommodatie voor ontvangst en vertrek van passagiers
lufthavn
/ˈlʏxmɑxt/, /ˈlʏχmɑχt/
noun
1. een krijgsmacht in de lucht die bestaant uit vliegtuigen, raketten, projectielen en personeel
  1. flyvevåben
  2. luftvåben
noun
luftrør
noun
1. de luchtlagen boven een bepaald grondgebied
luftrum
noun
1. verkeer in de lucht
luftfart
noun
1. een bedrijf dat vervoer door de lucht aanbiedt
flyselskab
noun
1.
luftfartøj
noun
1.
flyveleder
noun
flyvekontroltjeneste
noun
1. een stokje met een zwavelkopje, dienende om vuur te maken
tændstik
/lœʏ/, /lœː/
adjective
1. werkschuw, niet houden van inspanning of werk
doven
noun
2. benaming voor zoogdieren uit de onderorde Folivora
dovendyr
noun
højtaler
noun
ble
noun
1. het ontbreken van de wil iets te doen
dovenskab
/lœʏ̯k/, /lœːk/
pronoun
  1. 1. een provinciehoofdstad in België
  2. 2. een Belgische provincie
Liège
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera pardus
leopard
/lœʏ̯s/, /lœːs/
noun
1. benaming voor verschillende meestal vleugelloze insecten die parasiteren op dieren en planten
lus
/'lœstərə(n)/
verb
1. gericht waarnemen met het oor
lytte
noun
1. luit
lut
noun
1. rang in het leger
løjtnant
/ˈlykɑs/
pronoun
Lukas
noun
1. geslachtsdeel van de man
pik
noun
1.
luminescens
verb
1. de lunch gebruiken
spise frokost
noun
1. en 2. (zaden van) geslacht Lupinus
lupin
noun
1. scheikundig element met symbool Lu en atoomnummer 71
lutetium
adjective
lutheransk
/lyks/
noun
1. niet alledaagse dingen die gebruikt worden voor het persoonlijk genot
luksus
/ˈlyksəmˌbʏrx/, /ˈlyksəmˌbʏrχ/
pronoun
1.-3.
  1. Luxembourg
  2. Luxemborg
/ˈlyksəmˌbʏrɣər/, /ˈlyksəmˌbʏrχər/
noun
1. een inwoner of iemand die afkomstig is van het Groothertogdom Luxemburg
luxemburger
adjective
luksuriøs
pronoun
Lviv
adjective
1. met betrekking tot de witte bloedlichaampjes
lymphocytisk
verb
1. iemand executeren zonder rechtsgeldig proces, met name door opknoping
lynche
noun
1. bepaald soort zoogdier, Lynx lynx
los
pronoun
1.
Lyon
adjective
lyrisk
/maːx/
noun
1. Orgaan
mave
pronoun
  1. 2. teken van de dierenriem waar de zon in staat van ca. 23 augustus tot ca. 23 september
  2. 1. sterrenbeeld van de dierenriem
  1. Jomfruen
  2. jomfru
/maːxt/, /maːçt/
noun
1. ongerepte jonge vrouw
jomfru
adjective
jomfru
pronoun
Magdeburg
pronoun
Jomfruøer
noun
mavesyre
/ˈmaɪ̯ə(n)/
verb
1. met een werktuig het bovengrondse deel ergens van verwijderen
klippe
/ma:l/
verb
1 1. telkens terugkerend tijdstip waarop iets gebeurt
gang
noun
1. een hoeveelheid toebereid voedsel die voldoende is geruime tijd de lichamelijke behoefte te bevredigen
måltid
/maːn/
noun
måne
/maːnt/
noun
1. elk van de twaalf met een eigen naam onderscheiden tijdvakken van 28, 30 of 21 dagen waarin een jaar verdeeld wordt
måned
/ˈmaːndɑx/
noun
1. een dag van de week, de eerste dag na het weekeinde
mandag
/ˈman.də.ləks/, /ˈmaːn.də.lɪks/
adverb
1. iedere maand een keer
månedlig
noun
månelanding
/ˈmansvərˌdœʏ̯stərɪŋ/, /ˈmansvərˌdœːstərɪŋ/
noun
1. het verschijnsel dat de maan verduisterd raakt doordat ze in de schaduw...
måneformørkelse
noun
birkes
/maːr/
conjunction
1. tegenwerping, introduceert een zin(sdeel) dat het voorgaande zin(sdeel) tegenspreekt of er mee contrasteert
men
noun
marskal
/maːrt/
noun
1. derde maand van het jaar
marts
pronoun
Martsrevolutionen
/mas/
pronoun
1. een rivier die onspringt in Frankrijk en door België en Nederland stroomt
Maas
/mas/
noun
1. een van de geknoopte ringen waaruit een net bestaat
maske
noun
1. iets dat wordt beslist om een doel te treffen
foranstaltning
/matsxɑpələk/
adjective
1. op de maatschappij betrekking hebbend
samfundsmæssig
noun
  1. 2. de wereld, omgang en verkeer der mensen
  2. 1. vereniging tot het drijven van handel
samfund
pronoun
1. een stad op een eiland aan de zuidkust van China, ten westen van Hong Kong
Macao
pronoun
1. Slavische taal die vooral wordt gesproken in de Noord-Macedonië
  1. Makedonisk
  2. makedonsk
/ˌmasəˈdoni.jə/, /ˌmasəˈdoːni.jə/
pronoun
  1. 3. land
  2. 1. historisch Grieks koninkrijk
  3. 2. regio in Griekenland
  1. Makedonien
  2. Græsk Makedonien
/ˌmasəˈdoni.jər/, /ˌmasəˈdoːni.jər/
noun
1. inwoner van Macedonië
makedoner
/mɑˈʃinə/
noun
maskine
noun
1. een ruimte voor machines
maskinrum
/mɑˈʃinəˈri/
noun
1. geheel van machines
maskineri
noun
1. het vermogen om elders de eigen wil op te leggen
magt
/ˈmɑxtəx/, /ˈmɑxtɪx/, /ˈmɑχtəχ/
adjective
1. meer invloed hebben dan anderen
mægtig
verb
1. aan iemand anders het recht overdragen in je naam te handelen
autorisere
noun
1.
magtbalance
noun
1. gevecht om de macht
magtkamp
noun
makroobjektiv
/ma.da.'ɣɑs.kɑr/, /ˌma.dɑ.'χɑs.kɑr/
pronoun
2. staat op het bovengenoemde eiland, de Republiek Madagaskar
Madagaskar
noun
1. Pootloze larve
maddike
noun
1. Bellis perennis
tusindfryd
pronoun
Madrid
noun
1.
madrilener
noun
1. criminele organisatie, oorspronkelijk van Sicilië
mafia
noun
1. kleur tussen rood en blauw
magenta
/ˈma.ɣər/, /ˈma.χər/
adjective
1.
  1. mager
  2. tynd
noun
magnalium
noun
  1. 1. gemagnetiseerd metaal
  2. 2. persoon, zaak of plaats
magnet
noun
magnetfelt
noun
1. Chemisch element
magnesium
adjective
1. verschijnselen vertonend die toegeschreven kunnen worden aan een kringstroom...
magnetisk
noun
magnetisme
/ˈmɑɣ.nə.trɔn/, /ˈmɑχ.nə.trɔn/
noun
1. een toestel waarin met zeer korte en gerichte golven voedsel in zeer korte tijd warm kan worden gemaakt
mikrobølgeovn
noun
1. boom met tulpachtige bloemen
magnolia
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het westen van het land
Maharashtra
/mɑjs/
noun
1. een graansoort afkomstig uit Midden-Amerika
majs
noun
1. en 2. verbinding van glucose en koolhydraten of bindmiddel dat uit maiskorrels wordt gewonnen
majsstivelse
noun
1.
majestæt
noun
major
noun
1. schoonheidsproducten
sminke
/ˈmaːkən/
verb
  1. lave
  2. gøre
  3. aflægge
noun
1. iemand die iets maakt of gemaakt heeft
fabrikant
noun
1. bepaalde soort zeevis, Scomber scomber
makrel
noun
1. infectieziekte die veroorzaakt wordt door eencellige parasieten van het geslacht Plasmodium
malaria
/ma.'la.wi/, /ma.'la.ʋi/, /ma.'la.β̞i/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel de Republiek Zambia, dat niet aan de zee grenst
Malawi
pronoun
1. Dravidische taal die wordt gesproken door 47 miljoen mensen, vooral in de Indiase deelstaat Kerala
malayalam
/mɑl.ˈdi.və(n)/, /mɑɫ.ˈdi.və(n)/
pronoun
1. land in de Indische Oceaan
Maldiverne
pronoun
Malachis
/mɑ.ˈlɛɪs/
pronoun
1. een Austronesische taal en de officiële taal van Maleisië, Brunei en Singapore die ook in delen van...
malajisk
/maˈlɛ:zi.jə/, /maˈlɛɪ̯zi.jə/
pronoun
1. een land in het zuidoosten van Azië dat bestaat uit twee afzonderlijke delen die gescheiden worden door de Zuid-Chinese Zee
Malaysia
/'ma.li/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Mali
Mali
adjective
1. kwaadaardig
malign
noun
1.
ringbrynje
noun
1. de grondstof voor bier, jenever en whisky, vervaardigd door het laten kiemen...
malt
/ˈmɑlta/, /ˈmɑɫta/
pronoun
  1. 1. eiland in de Middellandse Zee
  2. 2. land in de Middellandse Zee
Malta
/mɑlˈteːs/, /mɑɫˈtes/
pronoun
1. Semitische taal die wordt gesproken door 570 duizend mensen op Malta
maltesisk
/ˈmɑmaː/
noun
1.
mor
noun
1. benaming voor zoogdieren uit het geslacht Mammuthus
mammut
noun
1. persoon van het mannelijk geslacht
mand
noun
1. een persoon die de leiding heeft over een afdeling binnen een organisatie
leder
pronoun
Manaus
noun
1. een sierknoop die de manchet aan de mouw van een overhemd sluit
manchetknap
noun
1. een bak gemaakt van gevlochten rotan of tenen voorzien van een handvat
kurv
noun
1. Een citrusvrucht
mandarin
noun
1. schil van Citrus reticulata, Citrus reticulata var. 'mandarine' of Citrus × tangerina
mandarinskaller
noun
1. een klein, luitvormig tokkelinstrument met vier paar snaren waarop met een plectrum getokkeld wordt
mandolin
noun
1. Chrysocyon brachyurus, Zuid-Amerikaanse wilde hondachtige, meer verwant met de vos dan met de wolf
mankeulv
/manəsxɛɪn/
noun
1. Het door de maan weerkaatste licht dat op de aarde schijnt, maanlicht
måneskin
/ˈmɑŋɣa/
noun
1. Japans stripboek
manga
noun
1. Chemisch element
mangan
noun
mangrove
noun
1. ziekelijke neiging (opgewonden psychische toestand)
mani
/ mɑˈniːr/
noun
måde
noun
1. openlijke bekendmaking van een staatshoofd, regering, leider of politieke partij
manifest
noun
1. en 2. (wortel van) de plant Manihot esculenta
  1. maniok
  2. cassava
  3. kassava
noun
manipulation
adjective
  1. 1. tot geslacht behorend dat voor bevruchting zorgt
  2. 2. behorend tot het mannelijke woordgeslacht
mandlig
noun
1. Plumbago auriculata
Kap-blyrod
noun
manøvre
noun
manometer
/ˌmanɵsʲəvɑnˈɑləs/
noun
1. iemand die bekwaam is in het doen van allerlei verschillende klusjes
altmuligmand
noun
1. hoeveelheid werk die één persoon in één uur kan verrichten
mandetime
pronoun
1. taal die door de Maori's wordt gesproken
maori
noun
1. variant van het communisme zoals uitgedragen en toegepast in China gedurende het derde kwart van de 20e eeuw
maoisme
noun
1. communist die zich vooral heeft laten inspireren door Mao Zedong
maoist
/mɑp/
noun
  1. 2. een gebundelde verzameling gegevens
  2. 3. deel van het bestandssysteem
mappe
pronoun
1. taal die met name in Maharashtra, een staat in India gesproken wordt, onder andere in Mumbai (Bombay)
Marathi
noun
  1. maraton
  2. maratonløb
verb
marchere
noun
1. Viscum album
mistelte
noun
margarine
pronoun
Maria
/maːˈrinə/
noun
1. zeemacht
marine
adjective
1. donkerblauw
marineblå
noun
1. lid van een goed getrainde, gespecialiseerde militaire eenheid
mariner
noun
2. kruid
merian
/mɑr.kɪː.rə(n)/
verb
1. het afbakenen van een grens
markere
noun
adellijke titel, lager dan een hertog maar hoger dan een graaf
markis
noun
  1. warenverkoop op pleinen en straten
  2. geheel van omstandigheden waaronder hoeveelheden van producten of diensten verhandeld worden
marked
noun
markedsøkonomi
/mɑremər/
noun
1. een fijnkorrelige getransformeerde kalksteen dat gepolijst gebruikt wordt in de bouw- en de beeldhouwkunst
marmor
noun
1. knaagdier dat vooral in het hooggebergte leeft maar ook veel als huisdier wordt gehouden
murmeldyr
adjective
1.
marokkansk
/ma.ˈrɔ.ko/
pronoun
1. land in het uiterste noordwesten van Afrika
Marokko
pronoun
Mars
noun
  1. 1. regelmatige manier van lopen met afgemeten passen, vooral gebruikt door soldaten...
  2. 2. een wandeltocht
  3. 3. een mand of bak die op de rug gedragen wordt
march
noun
1. een Italiaanse versterkte wijn die gemaakt wordt in de omgeving van Marsala op het westelijk deel van Sicilië
Marsala
noun
1.
marcipan
pronoun
1. een taal die op de Marshalleilanden gesproken wordt
marshallesisk
/mɑr.ʃəl.ɛɪ̯.lɑn.də(n)/, /mɑr.ʃəl.ɛː.lɑn.də(n)/, /mɑr.ʃəɫ.ɛɪ̯.lɑn.də(n)/
pronoun
1. een land in Oceanië
Marshalløerne
noun
1. sponzig snoepje
marshmallow
noun
1. iemand die voor een zaak lijdt of sterft en daarmee tot symbool wordt gezien van de strijd voor die zaak
martyr
noun
1. benaming voor zoogdieren uit het geslacht Martes
mår
pronoun
Martinique
noun
1. de socialistische ideologie van de volgelingen van Karl Marx
marxisme
noun
1. schoonheidsmiddel
mascara
pronoun
1. eilandengroep in de Indische Oceaan
Mascarenerne
noun
1.
maske
noun
1.
masochisme
/ˈmɑsaː/
noun
1. totale hoeveelheid materie in een object
masse
noun
massakre
noun
massage
noun
1. moord op een groot aantal personen
massemord
noun
1. een wapen dat zeer velen doodt
masseødelæggelsesvåben
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Massenbachhausen
verb
1. het toepassen van uitwendige druk op de zachte weefsels
massere
noun
1. lange, rechtop staande paal midden op het schip
mast
noun
  1. 1. ontsteking van de borstklier
  2. 2. ontsteking van de uier
mastitis
noun
1. het stimuleren van de eigen geslachtsdelen
onani
verb
masturbere
noun
dobbelt halvstik
noun
1. een tastbare stof
materiale
verb
materialisere
noun
stof
/mɑtrɑs/
noun
1. lichaamsondersteunend onderdeel van een bed
madras
adjective
1.
matriarkal
noun
1. een rechthoekig blok getallen waaraan bepaalde rekenregels toegekend worden
matrix
noun
1. een zeeman van de laagste rang
matros
pronoun
Matthæus
/ˌmaʊ̯.ri.ˈta.ni.jə/, /ˌmɔʊ̯.ri.ˈta.ni.jə/, /ˌmʌʊ̯.ri.ˈta.ni.jə/
pronoun
1. een land in Noord-Afrika, officieel de Islamitische Republiek Mauritanië
Mauretanien
/maʊ̯.'ri.si.jəs/, /mɔʊ̯.'ri.si.jəs/, /mʌʊ̯.'ri.tsi.jəs/
pronoun
1. een land in de Indische Oceaan, officieel de Republiek Mauritius
Mauritius
noun
1. groot en rijk versierd graf
gravkapel
adjective
1. het grootst mogelijk
maksimal
noun
1.
maximumkort
/ˌmajoˈnɛːzə/
noun
1. een saus op basis van eieren
mayonnaise
pronoun
Mayotte
noun
1. kinderziekte die veroorzaakt wordt door het Morbillivirus en gekenmerkt wordt door rode stipjes op de huid
mæslinger
/ˈmaʲɪs/, /ˈmɛɪ̯s/
noun
1. bepaalde graansoort afkomstig uit Midden-Amerika, Zea mays
majs
noun
mekaniker
adjective
1. met betrekking op de mechanica, machinaal, automatisch zonder na te denken
mekanisk
noun
1. machinerie
mekanisme
noun
1. metalen schijf, in het bijzonder als onderscheidingsteken na bepaalde prestaties
medalje
/ˈme.dəˌklɪŋ.kər/
noun
1. een klank waarbij de lucht niet ongehinderd door de mond naar buiten kan
  1. konsonant
  2. medlyd
noun
1. verdriet over het leed van anderen
medfølelse
noun
mægling
noun
1. een chemische stof die een bepaalde, gewenste werking op het (dierlijk of menselijk) lichaam uitoefent
  1. medicin
  2. lægemiddel
adjective
1. op de geneeskunde betrekking hebbend
medicinsk
noun
1. spirituele bezigheid
meditation
/ˈmeɣevə(n)/, /ˈmeχevə(n)/
verb
give efter
noun
1. Rubia tinctorum
krap
/mel/, /meɫ/, /mɪːɫ/
noun
1. gemalen graan
mel
noun
1. niet-biologische moeder in een lesbisch koppel
medmoder
/meːr/
noun
1. groot water dat helemaal omringd is door land
sø
pronoun
1.
Genevesøen
noun
1. een groep die binnen een groter geheel in aantal meer dan de helft uitmaakt
flertal
adjective
1. de leeftijd bereikt hebbend dat men alle rechten en plichten van een volwassene heeft
fuldmyndig
noun
1. bepaald soort koudbloedige groene waterdieren Pelophylax ridibundus
latterfrø
noun
1. bepaald soort watervogel, Fulica atra
blishøne
adjective
  1. 2. (persoon) meerdere talen sprekend
  2. 1. gerelateerd aan meerdere talen
flersproget
/ˈmeːrvɑɫ/
noun
1. benaming voor grote roofvissen uit het geslacht Siluris
malle
noun
1. Woord dat in die vorm aan meerdere voorwerpen, mensen of dieren refereert
flertal
noun
1. benaming voor kleine weinig schuwe vogels uit de familie Paridae
mejse
noun
1. baas, heer, patroon
mester
adjective
1.
målbar
/'metkɵndə/
noun
1. tak van de wiskunde
geometri
/meːβ̞/, /mɪːβ̞/
noun
1. benaming voor zeevogels uit de familie Laridae
måge
verb
medføre
noun
megalomani
noun
1. de vijfde maand van het jaar
maj
noun
1.
majstang
/mɛi̯t/
noun
pige
noun
1. Melolontha melolontha, schildvleugelig insect dat in mei te voorschijn komt
oldenborre
noun
1. de verkondiging van één of meerdere leugens terwijl men heeft gezworen de waarheid te vertellen
mened
/mɛɪˈozə/
noun
1.
  1. meiose
  2. meiosis
/ˈmɛɪ̯ʃə/, /ˈmɛːsjə/
noun
1. jonge vrouw
pige
/ˈmɛɪ̯ʃəsˌnam/, /ˈmɛːsjəsˌnam/
noun
2. eigen achternaam van een vrouw die de naam van haar echtgenoot of geregistreerd partner voert
pigenavn
noun
1. scheikundig element met symbool Mt en atoomnummer 109
meitnerium
pronoun
1. geboorteplaats van Mohammed en bedevaartplaats voor islamieten
Mekka
adjective
met droevige gedachten aan de dagen van weleer
melankolsk
pronoun
Melanesien
noun
1. een abnormaal zwarte huid en haar of veren door een aangeboren overmaat aan het organisch pigment “melanine”
melanisme
noun
melanom
noun
1. een restproduct bij de suikerproductie
melasse
pronoun
1. tweede grootste stad van Australië en hoofdstad van de deelstaat Victoria
Melbourne
noun
1. Atriplex sp, een geslacht van meer dan tweehonderd soorten plantjes...
mælde
pronoun
Melilla
/mɛlk/
noun
mælk
noun
mælkemand
noun
1. chocolade die bereid is met room of melk
mælkechokolade
noun
svinemælk
/mɛlkə(n)/
verb
1.
malke
noun
1.het orgaan dat bij het zoogdier de melk produceert
mælkekirtel
noun
1. een tand uit de eerste set tijdelijke tanden van de mens en sommige andere dieren (zoals de hond of de koe), die na verloop van tijd worden vervangen door de permanente tanden
mælketand
pronoun
1. het sterrenstelsel waarin wij ons bevinden en dat op donkere nachten als lichtende band aan de hemel te zien is.
mælkevejen
noun
1. organisch zuur
mælkesyre
noun
1. een opeenvolging van toonhoogtes die een bepaald muzikaal gestalte vormt
melodi
adjective
aangenaam klinkend
melodiøs
noun
melon
/mɛmbran/
noun
2. een omhulsel van de cel bestaande uit fosfolipiden en eiwitten
membran
/ˌmɛndeˈleviʏm/
noun
mendelevium
/məˈneːr/, /məˈnɪːr/
noun
2. een nette man
gentleman
verb
1. het homogeniseren van twee of meer zaken
blande
noun
1.
bautasten
noun
1. het hebben van een andere opinie over iets
meningsuoverensstemmelse
noun
1. levensfase waarin vrouwen niet langer menstrueren
menopause
noun
1. de Homo sapiens, het zoogdier waar wij toe gerekend worden
menneske
adjective
  1. 1. zoals de mens
  2. 2. goed voor de medemens
menneskelig
noun
1. de bekendste en de meest gevreesde haai, Carcharodon carcharias
store hvidhaj
noun
menneskehandel
noun
2. geheel van de fundamentele rechten en vrijheden die ieder mens toekomen
menneskerettigheder
noun
1. het schenden van mensenrechten
  1. menneskerettighedskrænkelse
  2. menneskerettighedsovertrædelse
pronoun
1. benaming voor Jezus Christus als eerder door Daniël aangekondigde verlosser
menneskesøn
noun
1. een verzamelnaam voor alle mensen ter wereld met al hun onderlinge sociale relaties
menneskehed
noun
1. maandelijkse bloeding bij vrouwen en geslachtsrijpe meisjes
menstruation
noun
1. bloed dat vrijkomt bij het menstrueren van een vrouw
menstruationsblod
noun
1.
menstruationscyklus
/ˌmɛn.taː.liˈtɛit/
noun
mentalitet
noun
1. vluchtige olie die een belangrijk bestanddeel is van pepermuntolie,...
mentol
noun
mentor
noun
menu
noun
1.
menulinje
pronoun
Merkur
/meːrəl/, /ˈmɪːrəɫ/
noun
1. bepaald soort zwarte vogel met een gele snavel, Turdus merula
solsort
verb
fortøje
noun
2.
marv
noun
1. halve cirkel die de beide polen met elkaar verbindt
meridian
noun
meritokrati
noun
2. een herkenbaar product door een bepaalde producent vervaardigd
mærke
noun
1. vrouwelijk paard
hoppe
noun
1. snijwerktuig
kniv
noun
1. historische land tussen de rivieren Eufraat en Tigris, het huidige Irak
Mesopotamien
noun
mesosfære
noun
1.
knivsmed
/mɛˈsijɑs/
pronoun
1. de in de joodse Tenach voorspelde Redder die door God gezonden zal worden en die door de christenen met Jezus gelijkgesteld wordt
Messias
noun
1. uitwerpselen van sommige dieren waarmee men land vruchtbaar maakt
  1. møg
  2. gødning
/ˈmɛstkevər/
noun
1. een donkergekleurde kever die zich met mest voedt
skarabæ
/mɛd/, /mɛt/
preposition
med
noun
1. ieder element dat gekenmerkt wordt door glans en het vermogen om warmte en elektriciteit te geleiden
metal
noun
1. instrument om metalen voorwerpen op te sporen
metaldetektor
noun
1. stofwisselprodukt
metabolit
noun
1. het geheel van de biochemische processen op celniveau
stofskifte
/me.ta.ˈfɔːr/, /mæː.ta.ˈfoːr/
noun
1. beeldspraak waarbij men een woord B zegt in plaats van het woord A terwijl er tussen A en B een verband is van gelijkenis
metafor
noun
1. de wijsgerige leer die niet de werkelijkheid onderzoekt zoals ze ons gegeven wordt uit zintuiglijke ervaring, maar op zoek gaat naar het wezen van die werkelijkheid en wat haar constitueert
metafysik
noun
metallurgi
noun
1. taal met behulp waarvan dezelfde of een andere taal wordt beschreven
metasprog
noun
1. een kortstondig lichtspoor aan de hemel door de verbranding van een uit de ruimte vallende meteoriet
meteor
/meteˌjoroloˈɣi/
noun
1. de studie van het weer en het klimaat
meteorologi
/meteoroˈloʝɪs/, /meteɔroˈloɣis/
adjective
1. betrekking hebbend op de meteorologie
meteorologisk
noun
meteorolog
noun
1. de SI-eenheid van lengte
meter
noun
ledsager
noun
1. CH₄
metan
/meˈtodə/
noun
metode
noun
1. Een stroming in het protestantisme
metodisme
/ˌmetodoloˈɣi/, /ˌmetodoloˈχi/
noun
metodik
/mæː.to.ˈny.mi.ja/
noun
metonymi
/mæː.to.ny.ˈmiː/
noun
metonymi
noun
1. ondergronds openbaar vervoer
  1. metro
  2. undergrundsbane
/ˌmetroloˈɣi/
noun
1. de studie van het weer en het klimaat
metrologi
noun
metronom
noun
1. bouwvakker gespecialiseerd in metselen
murer
noun
1. stuk huisraad
møbel
noun
1. groep (jacht)honden, e.d.
flok
noun
1. formele manier om een vrouw aan te spreken
fru
adjective
mexicansk
/ˈmɛg.zi.ˌko/, /ˈmɛk.si.ˌko/
pronoun
1. een land in Amerika, officieel de Verenigde Mexicaanse Staten grenzend aan de Verenigde Staten, Belize en Guatemala, de Grote Oceaan en de Golf van Mexico
Mexico
/mə'zuza/
noun
1.
mezuzah
interjection
1. het geluid van een kat
  1. miav
  2. mjav
verb
1. het geluid maken dat kenmerkend is voor een kat
mjave
/miˈxa/, /ˈmiʃa/
pronoun
Mika
/ˈmiːkroʔɔrɣaːnɪzmə/, /ˈmiːkroʔɔrʝaːnɪzmə/
noun
1. meestal eencellig wezen
mikroorganisme
noun
1. een levend micro-organisme
mikrobe
noun
1. de tak van de biologie die zich bezighoudt met micro-organismen en hun effecten op de mens en andere levende organismen
mikrobiologi
/ˈmik.ro.χɔl(ə)f/, /ˈmɪk.ro.ɣɔlf/
noun
2. elektromagnetische golf van 0,1 mm tot 1 cm lengte
mikrobølge
noun
  1. 2.
  2. 1. een meetinstrument waarmee zeer nauwkeurig dikten, afstanden en diepten kunnen worden gemeten
mikrometer
/ˌmi.kro.ˈne.zi.ja/
pronoun
1. een land in Oceanië, officieel de Federale Staten van Micronesia
Mikronesien
/mɪkroˈskoːp/
noun
1. instrument dat het beeld van heel kleine dingen sterk vergroot
mikroskop
adjective
1. zeer klein, voor het blote oog onzichtbaar
mikroskopisk
noun
mikrosekund
noun
1. het midden van de dag, 12.00
middag
noun
1. een maaltijd die tussen de ochtend en de middag genuttigd wordt
frokost
/ˈmɪdəɫ/
noun
1. middendeel van het lichaam
talje
/ˈmɪdəɫe:wə(n)/
noun
1. de periode tussen ongeveer 300 n.Chr. tot 1500 n.Chr.
middelalder
/ˈmɪdəɫɪ:ws/
adjective
1. gerelateerd aan de middeleeuwen
middelalderlig
pronoun
1.
middelfransk
pronoun
1. Hoogduitse dialecten uit de periode 1050-1350
middelhøjtysk
pronoun
1. randzee van de Atlantische Oceaan, gelegen tussen Zuid-Europa, Noord-Afrika en West-Azië
Middelhavet
/ˌmɪdəɫˈmatəx/
adjective
2. niet in positieve zin opvallen
middelmådig
pronoun
1. de West-Germaanse taal die van 1100-1400 in het noorden van Duitsland, met name in de Hanzesteden gesproken werd
middelnedertyske sprog
pronoun
1. de voorloper van het Nieuwnederlands.
Middelnederlandsk
noun
toppet skallesluger
noun
1. vinger
  1. langfinger
  2. langemand
noun
1. het centrale deel
midten
pronoun
1. het gebied tussen Noord-Amerika en Zuid-Amerika
Mellemamerika
noun
1. regio die bestaat uit Zuidwest-Azië en het noordoosten van Afrika
Mellemøsten
noun
1. maatschappelijke, economische klasse
middelklasse
noun
mellemøre
noun
spier- en peesachtig tussenschot tussen borstholte en buikholte
mellemgulv
noun
1.
midtbanespiller
noun
  1. 2. (gulden) middenweg, de ideale positie tussen twee uitersten
    gyldne middelvej
  2. 1. weg, pad tussen twee andere wegen
    midterste vej
/ˌmɪdərˈnɑxt/, /ˌmɪdərˈnɑχt/
noun
1. het midden van de nacht, twaalf tot één uur 's nachts
midnat
noun
midnatssol
noun
midtlivskrise
noun
1. een kruipend, in grote kolonies levend omnivoor insect
myre
noun
1. benaming voor tandloze zoogdieren uit de onderorde Vermilingua
myresluger
noun
1. HCOOH
myresyre
noun
2. wortel
peberrod
noun
1. slapjanus, kleinzerig persoon
skvat
noun
1. schele hoofdpijn
migræne
noun
migration
verb
  1. 1. trekken, verhuizen, zich verplaatsen
  2. 2. gegevens zoals een bestand of code overzetten naar een ander computersysteem en/of netwerk
migrere
verb
1. ontwijken, trachten niet in aanraking te komen met iets of iemand
undgå
/mɛi̯l/
abbreviation
mil
noun
1. een paal die op elke mijl staat
milepæl
/mɛi̯n/
possessivePronoun
1. van mij
min
noun
1. het bedrijven van winning van delfstoffen
minedrift
noun
1. een persoon die werkzaam is in de mijnbouw
minearbejder
noun
1. benaming voor dieren uit de superorde Acariformes
mide
noun
1. hoofddeksel voor kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders
mitra
pronoun
1. stad in het noordwesten van Italië
Milano
/mi.li.ˈjøː/, /mɪɫˈjø/
noun
2. de wereldwijde natuurlijke omgeving
miljø
/ˌmiliˈtæːr/, /ˌmiliˈtɛːr/
adjective
1. met het leger te maken hebbend
militær
noun
militarisme
noun
1. 1.000.000.000 (= 10⁹)
milliard
noun
1. iemand die een vermogen heeft van meer dan een miljoen eenheden van een bepaalde valuta (bijvoorbeeld euro, dollar)
milliardær
noun
1. 1.000.000
million
noun
1. iemand die een vermogen heeft van meer dan een miljoen eenheden van een bepaalde valuta (bijvoorbeeld euro, dollar)
millionær
noun
1. dikke koude drank
milkshake
noun
1. een periode van 1000 jaar
årtusinde
noun
1. een lengtemaat ter grootte van een duizendste meter
millimeter
noun
millisekund
/mɪlt/
noun
1. een klier in de buikholte die een rol speelt bij het zuiveren en de opslag van bloed
milt
/ˈmɪltfyr/
noun
1. een infectieziekte, die wordt veroorzaakt door de bacterie Bacillus anthracis
miltbrand
adverb
1. minus, verminderd met (-)
minus
/ˈmɪnɑxtɪŋ/
noun
1. het minderwaardig vinden, het geen gunstige mening hebben over
foragt
/ˈmɪndər/
indefiniteCardinalNumeral
1. vergrotende trap onverbogen vorm van weinig
færre
noun
1. een groep die binnen een groter geheel in aantal minder dan de helft uitmaakt
minoritet
noun
mindretalssprog
noun
mindreværdsfølelse
pronoun
1. wereldwijd veel gebruikte netwerksite voor sociale contacten
Minecraft
/minəˈral/
noun
mineral
noun
1. water dat mineralen bevat die de smaak veranderen of het water een (vermeende) therapeutische waarde geven
  1. mineralvand
  2. danskvand
noun
mineralogi
/ˈminimal/
adjective
1. het kleinst mogelijk
minimal
noun
1. een persoon die deelneemt aan de regering van een land
  1. gesandt
  2. minister
noun
1. de minister die het kabinet aanvoert
premierminister
/ˌminɪsˈtɪːri/
noun
1. een afdeling van een overheid waar het beleid van de regering wordt uitgevoerd
ministerium
noun
  1. 1. tijdeenheid
  2. 2. hoek
minut
noun
1. een godsdienstoefening in de katholieke kerk, een eucharistieviering
messe
noun
1. haat tegen mannen
mandehad
/'mɪsbrʌʏk/
noun
misbrug
noun
1. een handeling die een ernstig vergrijp tegen het wetboek van strafrecht is
forbrydelse
verb
1. iemand slecht behandelen en pijn doen of verwonden
mishandle
noun
1. het moedwillig toebrengen...
mishandling
noun
spontan abort
noun
1. iets dat niet goed is gegaan
nedbrud
noun
  1. 1. bepaald soort loofboom Mespilus germanica
  2. 2. vrucht van de mispelboom
mispel
/məˈsxin/
adverb
1. duidt aan dat er een bepaalde kans bestaat dat de uitspraak waar is
måske
noun
kvalme
adjective
1. waarvan men misselijk wordt
kvalmende
/ˈmɪsə(n)/
verb
1. niet raken, niet treffen
savne
noun
1. laaghangende bewolking die het zicht belemmert
tåge
/ˈmɪsfərstɑnt/
noun
1. het verkeerd begrijpen van elkaars bedoelingen
misforståelse
/ˌmito'xɔndriɵm/
noun
1.
mitokondrie
/miˈtozə/
noun
1.
mitose
/ˈmɪksə(n)/
verb
1. door elkaar mengen
mikse
/moˈbilcə/
noun
1. draagbare telefoon
mobiltelefon
noun
mobilisering
noun
1. mengsel van aarde, vuil en water
mudder
noun
1. door modder verontreinigd water
muddervand
/ˈmodə/
noun
mode
noun
1. (luchtvaart) een op schaal nagebouwd vliegtuig dat vaak op afstand bestuurd kan worden en kan vliegen
modelfly
/moˈdɛrn/
adjective
1. van deze tijd, volgens de laatste mode
moderne
noun
modernitet
noun
modulation
/muː/
adjective
1. geneigd tot rusten of slapen
træt
/mud/, /mut/
noun
1. dapperheid, lef, branie
mod
noun
1. een vrouwelijke ouder
  1. mor
  2. moder
noun
1. een dag ter ere van de moeders
mors dag
/ˈmudər.kuk/
noun
alternatieve benaming van placenta
moderkage
noun
1. het fungeren als moeder
moderskab
noun
modersmål
/ˈmuːdəx/, /ˈmuːdəç/
adjective
1. geen angst voor gevaar tonend
modig
noun
1. de diersoort waartoe het tamme schaap behoort, Ovis gmelini
muflon
/mu<sup>ɪ</sup>lɛ<sup>ɪ</sup>k/
adjective
1. niet gemakkelijk, waar moeite, geduld en inspanning voor vereist is
vanskelig
noun
1. iets dat moeilijk of lastig is
sværhed
/ˈmuitə/
noun
1. een grote inspanning
  1. besvær
  2. umage
noun
  1. [A]
    møtrik
  2. [C] 1. drassig land, vooral gebruikt voor natte veengebieden
    marsk
noun
  1. sump
  2. marsk
  3. morads
noun
morbær
noun
1. de regentijd in tropische gebieden met een droge tijd en een regentijd
monsun
verb
1. gedwongen zijn
skulle
noun
1. scheldnaam voor een Duitser
pølsetysker
adjective
1. een keuze om iets te doen
mulig
noun
1. iets wat gedaan kan worden of kan gebeuren
mulighed
/'mo.χə(n)/
verb
1. toegestaan zijn
må
noun
  1. 1. drinkbeker
  2. 2. paardenziekte
krus
noun
  1. 1. bepaald soort zoogdier, Talpa europaea
    muldvarp
  2. 3. hoeveelheid van een stof die net zo veel deeltjes bevat als er atomen...
    mol
/mɔlˈdaːvi.jə/, /mɔɫˈdavi.jə/
pronoun
1. een land en regio in Zuidoost-Europa grenzend aan Oekraïne en Roemenië
  1. Moldavien
  2. Moldova
/moləˈkyle/
noun
1. het kleinste deeltje van een stof dat nog alle eigenschappen van die stof bezit
molekyle
/moləˈkyɫ/
noun
1. het kleinste deeltje van een stof dat nog alle eigenschappen van die stof bezit
molekyle
noun
1. installatie die de stroming van lucht of water gebruikt als energiebron
mølle
/ˈmolənar/
noun
1. iemand die het werken in een molen als beroep heeft
møller
noun
1. een ronde steen die onder andere in windmolens en watermolens wordt gebruikt voor het malen van granen en andere producten, zoals boekweit, erwten en bonen, lijnkoeken en eikenschors
klods om benet
noun
1. met brandbare stof gevulde glazen fles die via een lont of lap stof wordt ontstoken
molotovcocktail
noun
1.
muldvarpeskud
noun
1. Chemisch element
  1. molybdæn
  2. molybden
noun
1. zeer korte tijd
øjeblik
verb
1. geluiden maken die moeilijk te verstaan zijn
mumle
/moˈnako/, /ˈmo.na.ko/
pronoun
  1. 1. een dwergstaatje in Zuid-Europa, officieel het Vorstendom Monaco, dat aan Frankrijk grenst
  2. 2. de hoofdstad van Monaco
Monaco
noun
monark
noun
1. is van origine een regeringsvorm waarbij alle macht bij één persoon berust
monarki
/[mɔnt]/
noun
1. ingang van het spijsverteringskanaal
mund
abbreviation
1. een zeer besmettelijke virusziekte (Aphtae epizooticae) die evenhoevige dieren, vooral runderen treft
mund- og klovsyge
noun
1. instrument met doorslaande tongen dat met de mond bespeeld wordt
  1. mundharmonika
  2. mundharpe
noun
1. een klein tokkelinstrument en lamellofoon waarbij de klank gevormd wordt door een dunne lamel aan te tokkelen waarbij het frame tussen de tanden of tegen de lippen wordt gehouden
jødeharpe
noun
1. dat deel van een blaasinstrument dat in de mond genomen wordt of aan de lippen gezet
mundstykke
/mɔŋ.ˈ(g)ɣo.li.jə/, /mɔŋ.ˈɣo.li.jə/, /mɔŋ.ˈχo.li.jə/
pronoun
1. een land in Azië en omringd door China in het zuiden en Rusland in het noorden
Mongoliet
pronoun
1. macrotaal die de officiële taal van Mongolië is en die ook in China en Rusland gesproken wordt
mongolsk
noun
1. een man die uit religieuze overwegingen teruggetrokken leeft, voornamelijk in een klooster
munk
noun
3. plant
stormhat
noun
1. een bril voor één oog
monokel
/ˈmonokʏɫˌtyːr/
noun
1. landbouw met één gespecialiseerd gewas
monokultur
/ˈmonɔfˌtɔŋ/
noun
1. de benaming voor één enkele klinker die de nucleus vormt van een lettergreep
monoftong
noun
1. het samenleven of getrouwd zijn met één persoon
monogami
noun
1. figuur met initialen
monogram
noun
monolit
/ˌmonoˈlox/
noun
1. een gesprek gevoerd door één persoon, meestal op toneel
enetale
noun
1. het geheel beheersen van een markt door een enkele leverancier
monopol
noun
monoteisme
noun
1. schrikwekkend wezen
uhyre
/ˌmɔntəneˈgrɛɪ̯ns/, /ˌmɔntəneˈgrɛːns/, /ˌmɔntəneˈɣrɛɪ̯ns/
pronoun
1. vorm van het Servo-Kroatisch, gesproken in Montenegro
montenegrinsk
/ˌmɔntəˈnegro/, /ˌmɔntəˈneːɣro/
pronoun
1. land in Zuidoost-Europa gelegen aan de Adriatische Zee en grenzend aan Kroatië, Bosnië en Herzegovina, Servië en Albanië
Montenegro
/mɔnsɛ'rɑ/
pronoun
Montserrat
noun
1. een groot gedenkteken
monument
/moːj/
adjective
1. prettig in voorkomen, aangenaam om naar te kijken, schoon
smuk
/ˈmoːrd/, /ˈmoːrt/, /ˈmʊːrt/
noun
1. handeling met het doel en het gevolg dat iemand dood gaat
mord
/mordənar/
noun
1. iemand die een moord gepleegd heeft
morder
noun
massakre
noun
mordvåben
noun
1. anekdote met een verrassend en komisch slot
vittighed
/moˈral/
noun
moral
noun
1. een uitstel van betaling
moratorium
pronoun
  1. Mähren
  2. Mæhren
/moˈrel/
adjective
moralsk
noun
1. de kleinst mogelijke morfosyntactische eenheid in een taal
morfem
/ˌmɔr.fo.lo.ˈɣi/, /ˌmɔr.fo.lo.ˈχi/
noun
1. de wetenschap die het vormgeven van woorden bestudeert
morfologi
/ˈmɔrxə(n)/, /ˈmɔrɣə(n)/
adverb
1. eerstvolgende dag na vandaag
  1. i morgen
  2. imorgen
/ˈmɔrxə(n)/, /ˈmɔrɣə(n)/
noun
1. eerste deel van de dag
morgen
noun
1. benaming voor de planeet Venus
morgenstjerne
noun
1. pejoratieve benaming voor een hond, bastaardhond
køter
noun
1. bijnaam van een lid van de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen
mormon
adjective
stendød
/'mɔrsə(n)/
verb
1.
spilde
noun
  1. 1. een kom waarin met een stamper allerlei stoffen fijn gestampt of fijngewreven worden
  2. 2,3 korte kanontypen
  1. morter
  2. mortér
noun
mos
noun
1. een scheikundig element met het symbool Mc en het atoomnummer 115
moscovium
noun
1. een boom uit de napjesdragersfamilie
frynseeg
noun
1. gebedshuis
  1. moske
  2. moské
pronoun
1.
Moskva
noun
1. een geloofsaanhanger van de islam
muslim
noun
1. Mytilus edulis, een eetbaar tweekleppig schelpdier
musling
noun
1. een in de keuken gebruikte kruidenpasta
sennep
noun
sennepsgas
noun
1.
sennepsfrø
noun
1. een vlinderachtig insect
møl
noun
2.3.
motiv
noun
motivation
/'mo.tɔr/
noun
1. krachtbron
motor
noun
motorcykel
noun
spoorvoertuig
motorvogn
noun
mølkugle
noun
mountainbike
noun
1. de grondstof voor bier, jenever en whisky,...
malt
noun
1. dat deel van een kledingstuk dat de armen omvat
ærme
/ˌmo.zɑm.ˈbik/, /ˌmo.zɑm.ˈbɪk/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel de republiek Mozambique
Mozambique
noun
mosaik
/ˈmysli/, /ˈmyə̯zli/
noun
1. eten gemaakt van graanvlokken, zuivel, fruit en noten
  1. mysli
  2. müsli
noun
1. de persoon die vanuit een minaret van de moskee oproept tot de dagelijkse gebeden
muezzin
noun
1. kleine, vliegende insecten van de onderorde Nematocera
myg
noun
1. een kruising van een ezelhengst en een paardenmerrie
muldyr
noun
1. een kruising van een paardenhengst en een ezelin
  1. mulæsel
  2. muldyr
/mœʏ̯s/, /mœːs/
noun
  1. 1. klein zoogdier, meestal van het geslacht "Mus"
  2. 3. computermuis
mus
noun
1. benaming voor vogels uit de orde Coliiformes
musefugle
noun
mytteri
noun
1.
musefælde
noun
multinationalt selskab
noun
1. composietplaat die bestaat uit meer dan 3 gelijmde laagjes hout
krydsfiner
noun
1. een door balseming en uitdroging geconserveerd lichaam van een dode
mumie
noun
1. en 2. (boon van) eenjarige plant Vigna radiata
  1. mung-bønne
  2. mungbønne
noun
1. en 2. (blaadjes van) het plantengeslacht Mentha
mynte
pronoun
Murcia
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Passeridae
spurv
noun
1. een gebouw waarin voorwerpen van culturele waarde tentoongesteld worden
museum
noun
musical
noun
1. iemand die muziek maakt en ten gehore brengt
musiker
/'mɵskɵs/
noun
1. de geurstof uitgescheiden door de geurklieren van bepaalde zoogdieren
zibet
noun
1. plomp hoefdier met grote kop en brede snuit
moskusokse
noun
1. Ondatra zibethicus, een soort waterrat
bisamrotte
noun
1. stof
mutagen
noun
1. een sprongsgewijze verandering
mutation
/myːr/
noun
1. verticale vlakke constructie van metselwerk
  1. væg
  2. mur
noun
vægmaleri
noun
skovsalat
noun
muse
/my'zik/
noun
1. een akoestisch fenomeen
musik
/myˈzikˌɪnstrymɛnt/
noun
1. instrument om muziek mee te spelen
musikinstrument
noun
1.een school waar men muziek leert maken
musikskole
noun
1. iemand die muziek maakt
musiker
/ˌmikoloˈɣi/
noun
1. de wetenschap die zich bezig houdt met het bestuderen van schimmels
mykologi
noun
1. een kanker van de witte bloedcellen die bekend staan als de plasmacellen of B-cellen die antilichamen produceren
myelomatose
noun
1. afwijking in de brandpuntsafstand van het oog waardoor alles op grotere afstand wazig gezien wordt
nærsynethed
/miˈstɪːri/
noun
mysterium
noun
mystiker
/ˈmitə/
noun
myte
/mi.tɔ.lɔ.ɣi/
noun
mytologi
preposition
1. in tijd volgend op
efter
noun
1.
søm
/naf/
noun
1. centrale as of middenstuk van een wiel of rad
nav
/ˈnaːi̯ə(n)/
verb
1. naaldwerk verrichten
sy
noun
symaskine
/naːkt/
adjective
1. zonder beharing of andere fysieke bescherming van de huid, ontkleed
nøgen
noun
1. het naakt zijn
nøgenhed
/nald/, /naɫt/
noun
1. gereedschap voor naaien
nål
noun
nåletræ
noun
  1. 1. kort stukje tekst dat een persoon, instelling of object bijna identiek kan benoemen
  2. 2. bekendheid, reputatie
navn
noun
1. een dag waarop een heilige wordt herdacht
navnedag
noun
1. iets of iemand met dezelfde naam
navne
noun
1. elk der buigingsvormen van een naamwoord
fald
/namwort/
noun
1. een woord dat een persoon of zaak noemt, bepaalt of aanduidt
  1. nomen
  2. navneord
/naːr/
adverb
1. in de richting van
efter
/naːr/
preposition
1. in de richting van
efter
preposition
1. aan de zijkant van
næste
adjective
1. zich in de onmiddellijke omgeving bevindend
nær
noun
nærhed
/nɑx/, /nɑxt/, /nɑχt/
noun
1. de tijd tussen zonsondergang en zonsopkomst
nat
noun
1. een uitgaansgelegenheid voor volwassenen
natklub
noun
1. een dier dat overdag slaapt en 's nachts actief is
natdyr
noun
1. lijsterachtige zangvogel met een rossig bruine staart die heel mooi kan zingen
  1. nattergal
  2. sydlig nattergal
noun
1. kleding die men in bed aanheeft tijdens het slapen
nattøj
noun
natbord
noun
  1. 1. een zeer angstige droom
  2. 2. een schrikbeeld
mareridt
noun
1. vlinder die 's nachts actief is
møl
noun
1. ongunstige eigenschap
ulempe
noun
1. denkbeeldig punt aan de sterrenhemel loodrecht onder de waarnemer
nadir
/'nadrɵk/
noun
1. een bijzondere aandacht die besteed wordt
vægt
/ˈnaː.ɣəˌbor.tə/
noun
3. de moederkoek, navelstreng en vliezen die het lichaam van de moeder verlaten nadat de baby is geboren
efterbyrd
noun
  1. 1. hoornplaat op laatste teen- en vingerkootjes
  2. 3. spijker
negl
noun
1. schoonheidsmiddel
neglelak
noun
1.
sømpistol
noun
dessert
noun
eftertid
/ˈna.wɑtl̥̩/, /ˈna.wɑtl̩/
pronoun
1. benaming voor de talen die door de oorspronkelijke bewoners van Mexico gesproken worden
  1. Nahuatl
  2. nahuatl
/ˈnahʏm/
pronoun
2. boek in de Bijbel
Nahum
noun
1. herfst
efterår
/ˈnamələk/
abbreviation
nemlig
pronoun
1. provincie in het oosten van België
Namur
preposition
1.
på vegne af
/na.'mi.bi.jə/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika
Namibia
noun
1. tijd aan het einde van de middag
eftermiddag
noun
nanosekund
pronoun
1. stad in Italië
  1. Napoli
  2. Neapel
noun
  1. narcis
  2. påskelilje
noun
narcissisme
noun
1. bepaald soort zeezoogdier, Monodon monoceros
narhval
noun
1. een veranderde smaak van iets dat men al heeft doorgeslikt heeft en in het begin anders smaakte
eftersmag
adjective
1. gedrenkt in een vloeistof, meestal water
våd
noun
1. een groep mensen die zich door gemeenschappelijke taal, cultuur of politieke geschiedenis verbonden voelt
nation
noun
nationalstat
noun
nationalsocialisme
noun
1. voorliefde voor het vaderlandse
nationalisme
noun
nationalist
noun
nationalitet
noun
natrium
noun
natron
noun
1.2.3. stroming in de literatuur aan het eind van de 19e eeuw, die de mens beschouwt als bepaald door milieu en erfelijkheid en leer die de natuur boven alles stelt
naturalisme
noun
überhaupt
natur
noun
1. een buiten de mens om werkende kracht
naturkraft
/naˈtyrkʏndə/, /naˈtyːrkʏndə/
noun
1. subdiscipline binnen de natuurwetenschap die zich bezighoudt met de bestudering van materie en
fysik
noun
fysiker
adjective
1. uit de natuur afkomstig
naturlig
noun
1. een ongelukkige gebeurtenis die door de natuur veroorzaakt wordt
naturkatastrofe
/na.ˈu.ru/, /naˈuru/, /ˈnaʊ̯.ru/
pronoun
1. een land in de Stille Oceaan
Nauru
adverb
1. slechts in geringe mate
knap
pronoun
Navarra
/'navəl/
noun
navle
verb
1. overmatig bezig zijn met zichzelf
navlepilleri
/ˈnavəlstrɛŋ/
noun
snoer dat de vrucht aan de moederkoek verbindt
navlestreng
noun
navigering
noun
1. NAVO
NATO
verb
1. ontbrekende informatie trachten te achterhalen
spørge
pronoun
1.
Neckarsulm
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Neckarwestheim
noun
1. een biografie van een overleden persoon en/of een bespreking van diens werk
nekrolog
noun
1. de afsterving van weefsel
nekrose
noun
2. een perzikachtige vrucht van boom Prunus persica var. nucipersica
nektarin
pronoun
1. deelstaat van Oostenrijk
Niederösterreich
pronoun
1. een in Noord-Duitsland en Nederland gesproken West-Germaanse taal...
  1. nedertysk
  2. plattysk
noun
1. het verlies van een strijd
  1. nederlag
  2. usejr
/ˈnedərˌlɑnt/, /ˈneːdərˌlɑnd/, /ˈneːdərˌlɑnt/
pronoun
1. land in het westen van Europa, grenzend aan Duitsland en België, belangrijkste deel van het Koninkrijk der Nederlanden
  1. Nederlandene
  2. Nederland
/ˈne.dər.ˌlɑn.dər/
noun
1. inwoner van Nederland of persoon die de Nederlandse nationaliteit bezit
nederlænder
/ˈne.dər.ˌlɑnds/, /ˈne.dər.ˌlɑnts/
adjective
1. met betrekking tot Nederland of de Nederlandse taal
nederlandsk
/ˈne.dər.ˌlɑnds/, /ˈne.dər.ˌlɑnts/
pronoun
1. een West-Germaanse taal die als officiële taal gesproken wordt in Nederland, Vlaanderen, Suriname en op de Nederlandse Antillen
  1. nederlandsk
  2. hollandsk
/ˈne.dər.ˌlɑn.tsə/, /ˈne.dər.ˌlɑnd.sə/
noun
1. vrouwelijke inwoner van Nederland, vrouw uit Nederland
nederlænder
/ˌne.dər.lɑnt.sə.ɑn.ˈtɪ.lə(n)/, /ˌneː.dər.lɑnt.sə̯an.ˈtɪ.lə(n)/
pronoun
1. voormalig land binnen het Koninkrijk der Nederlanden
Nederlandske Antiller
pronoun
Niedersachsen
pronoun
1. een in Noord-Duitsland en Nederland gesproken West-Germaanse taal zonder Hoogduitse klankverschuiving
  1. plattysk
  2. nedertysk
pronoun
1. een West-Slavische taal die in het gebied Neder-Lausitz in het oosten van Duitsland gesproken wordt
lavsorbisk
/neː/
interjection
1. ontkenning
nej
noun
  1. 2. kozijn
    fætter
  2. 1. mannelijke oomzegger
    nevø
/nen/
interjection
nee
nej
noun
1. hemelwater
nedbør
verb
1. het vliegvermogen verliezen en onzacht op de aarde terugvallen
crashe
adjective
1. ontkennend, afwijzend
negativ
noun
1. een in het kader van een fotografisch procédé ontwikkelde plaat of film met een lichtgevoelige laag, waarop de lichtwaarden omgekeerd zijn t.o.v. de werkelijkheid
negativ
/ˈne.ɣə(n)/, /ˈne.χə(n)/
cardinalNumeral
1. het getal 9
ni
/ˈne.ɣən.də/, /ˈne.χən.də/
ordinalAdjective
1. nummer negen in een rij
niende
cardinalNumeral
1. het getal 39
niogtredive
cardinalNumeral
1. het getal 99
nioghalvfems
cardinalNumeral
1. het getal 29
niogtyve
cardinalNumeral
1. het getal 49
niogfyrre
cardinalNumeral
1. het getal 69
niogtres
/ˈne.ɣə(n).ˌhɔn.dərd/, /ˈne.ɣə(n).ˌɦɔn.dərt/, /ˈne.χə(n).ˌɦɔn.dərt/
cardinalNumeral
1. het getal 900
ni hundrede
cardinalNumeral
1. het getal 19
nitten
ordinalAdjective
nittende
/ˈne.ɣə(n).təx/, /ˈne.ɣə(n).tɪx/, /ˈne.χə(n).təχ/
cardinalNumeral
1. het getal 90
  1. halvfems
  2. halvfemsindstyve
noun
1. iemand met voorouders uit Afrika bezuiden de Sahara met lichamelijke kenmerken daarvan
neger
verb
1. doen alsof iemand of iets niet bestaat
ignorere
pronoun
1. taal gesproken door 6 000 000 mensen
Negerhollandsk
pronoun
Nehemias
/nɛk/
noun
1. achterste gedeelte van de hals
nakke
/ˈne.mə(n)/
verb
1. iets vastpakken met de handen
tage
noun
1. kunststroming
nyklassicisme
noun
neodym
/ˌne.jo.lo.ˈχɪs.mə/, /ˌne.jo.loː.ˈɣɪz.mə/
noun
1. een woord dat nieuw is of nieuw gevormd is
neologisme
noun
1. een chemisch element en een kleurloos edelgas
neon
noun
neonazisme
noun
1. nieuwvorming
neoplasi
/ˈnepɑɫ/, /ˈneːpɑl/
pronoun
1. een land in Azië, gelegen in de Himalaya tussen India en China (Tibet)
Nepal
pronoun
1. een taal die vooral in Nepal gesproken wordt
nepalesisk
/nepo'tɨzmə/
noun
1.
nepotisme
noun
1. Chemisch element
neptunium
pronoun
Neptun
noun
1. iemand die sociaal en seksueel weinig in trek is en een grote voorliefde voor intellectuele zaken aan de dag legt
nørd
adverb
ingen steder
noun
  1. 1. benaming voor bepaalde pelsdieren uit de familie der marterachtigen
  2. 1. pels van een nerts
mink
adverb
1. lijdend aan gespannen zenuwen
nervøs
/nɛst/
noun
1. de verblijfplaats van een dier
rede
noun
1. een geheel van fijne draden
  1. net
  2. garn
noun
1. plant
brændenælde
/ˈnɛcəs/
adverb
1. op een nette manier
ryddelig
noun
1. tweede maag van herkauwers
netmave
adverb
netto
noun
1. een vlies aan de binnenkant van het oog waarop een beeld wordt gevormd
nethinde
noun
net
/ˈnøːk.bar/
adjective
knepbar
verb
1. geslachtsgemeenschap hebben met
kneppe
pronoun
Nürnberg
noun
1. een discipline binnen de biologie en geneeskunde die zich bezighoudt met alles wat aandoeningen van het centrale zenuwstelsel betreft
neurologi
noun
1. zenuwziekte
nervebetændelse
adjective
1. met betrekking tot een ziekelijke houding
neurotisk
noun
neurovidenskab
/nøʏs/, /nøːs/
noun
1. een orgaan dat gebruikt wordt bij de ademhaling en om te ruiken
næse
noun
1.
næseabe
noun
næsebor
noun
1. een groot en zwaar zoogdier uit de familie van de Rhinocerotidae dat in Afrika en Azië leeft...
næsehorn
noun
1.
næsehornsfugl
/nøˈtral/
adjective
1. geen partij kiezend in een conflict
  1. neutral
  2. upartisk
noun
1. een onpartijdige houding aanhouden ten opzichte van twee partijen met een geschil
neutralitet
noun
neutrino
noun
neutron
noun
neutronstjerne
noun
1. bepaald soort zoogdier, Neofelis nebulosa
træleopard
noun
tågeskov
/nuˈjɔːrk/
pronoun
1. deelstaat van de Verenigde Staten
New York
pronoun
1.
Newfoundland
noun
1. een van de voor de mens noodzakelijke vitaminen, een wateroplosbaar microvoedingsmiddel dat van belang is voor de menselijke gezondheid
niacin
noun
Nibelungenlied
/ˌni.ka.ˈra.gβ̞a/, /ˌni.ka.ˈra.ɣuwa/, /ˌni.kɑ.ˈra.gʋa/
pronoun
1. een staat in Midden-Amerika, tussen Honduras en Costa Rica
Nicaragua
noun
  1. 3. dochter van iemands oom of tante
    kusine
  2. 1. dochter van iemands broer of zus
    niece
noun
nikotin
indefinitePronoun
1. geen enkel persoon
ingen
noun
1. een van beide organen in de onderrug die het bloed zuiveren van afvalstoffen en deze uitscheiden in de urine.
nyre
noun
1. een samengroeisel in het nierbekken dat meestal uit urinezuur en urinezure zouten bestaat
nyresten
noun
1. glibberige stof, gewonnen uit het weefsel rond de beide organen die bij zoogdieren het bloed zuiveren
flomme
noun
1.
nys
noun
1. giftige plant die vroeg in het voorjaar bloeit
nyserod
adverb
1. ontkenning, tegenovergestelde van 'wel'
  1. ikke
  2. ej
noun
1. klein, vaak beugelvormig, metalen voorwerp met twee spitse uiteinden
hæfteklamme
indefinitePronoun
1. geen enkel ding, geen enkele zaak
  1. intet
  2. ingenting
noun
1. iemand die voor niets deugt
døgenigt
adjective
1. zonder argwaan, argeloos
intetanende
postposition
trods
adverb
alligevel
/niβ̞/, /nyʊ̯/
adjective
  1. 3. huidige
    1. nuværende
    2. ny
    1. woorden die in een of meer van de bovenstaande categorieën horen, maar waarvan niet bekend is in welke (voel u vrij deze woorden in de juiste categorie in te voegen)
    2. 4. onderscheidt nieuwere namen van oudere
    3. 5. in originele staat
    4. 7. recentelijk aangekomen of opgedoken
    5. 2. recentelijk ontdekt
    6. 6. vreemd, onbekend
    ny
  2. 1. recentelijk gemaakt
    1. ny
    2. frisk
pronoun
Ny Kaledonien
pronoun
1.
Ny Guinea
/niβ̞.ˈze.lɑnt/, /nyʊ̯.ˈze.lɑnd/
pronoun
1. een land in het zuidwesten van de Grote Oceaan, gelegen naast Australië
New Zealand
pronoun
1. Australische deelstaat gelegen in het zuidoosten van het land
New South Wales
noun
1. nieuwe maan
nymåne
pronoun
1. samenstelling van Bijbelboeken
Nye Testamente
noun
1. feestdag ter gelegenheid van het begin van een nieuw jaar van de gebruikte kalender
nytår
/niu̯s/
noun
  1. 1. actuele ontwikkelingen
  2. 2. een uitzending in de media waarin berichten over actuele ontwikkelingen worden verspreid aan het publiek
nyt
/ˈniu̯sˌɣirəx/
adjective
1. verlangend om iets te weten of waar te nemen
nysgerrig
/niu'sxirəxɛit/
noun
1. het verlangen naar kennis
nysgerrighed
noun
1. een televisiezender die de gehele dag nieuws en achtergrondinformatie uitzendt
nyhedskanal
verb
1. plotselinge, krachtige uitademing om de neus te reinigen van prikkelende stoffen
nyse
/'ni.ɣər/, /'ni.χər/
pronoun
  1. 1. land in West-Afrika
  2. 2. een rivier in West-Afrika
Niger
/ni.'ɣeː.ri.ja/, /ni.'χɪː.ri.ja/
pronoun
1. een land in West-Afrika
Nigeria
noun
1. binnen de filosofie een begrip dat wordt gebruikt om de ontkenning van het bestaan van betekenis...
nihilisme
pronoun
1.
Nilen
noun
1. groot en zwaar in Afrika levend zoogdier, Hippopotamus amphibius
flodhest
pronoun
Nijmegen
noun
nikab
noun
1. Chemisch element
nikkel
noun
  1. 1. wezen dat rivieren, bossen enz. bewoont
  2. 2. bekoorlijk meisje
  3. 4. insect in de tweede toestand van gedaanteverwisseling
nymfe
adverb
1. op geen enkel moment
aldrig
/niˈjobijʏm/
noun
1. Chemisch element
niobium
/nɪs/
noun
1. een inham in een muur
niche
noun
  1. 1. een zout van salpeterzuur dat het ion NO₃− bevat
  2. 2, een ester van salpeterzuur
nitrat
pronoun
Niue
noun
1. de rang in een hiërarchie, stadium van ontwikkeling, enzovoort
niveau
noun
1. scheikundig element
nobelium
noun
1. een jaarlijkse geldprijs voor wetenschappers en anderen die een opmerkelijke prestatie hebben geleverd
Nobelprisen
conjunction
hverken
/'no.dəx/
adjective
1. waar behoefte aan is
fornødne
verb
  1. 1. met een naam aanduiden
  2. 2. vermelden door het uitspreken van de naam
kalde
noun
1. het getal onder de streep van een breuk
nævner
noun
3. uitstulpingen aan as
kam
noun
1. as met nokken
kamaksel
noun
nomade
adjective
1.
nomadisk
noun
nomenklatur
noun
1. een eerste van de 8 naamvallen van de Indo-Europese talen
nominativ
/nɔn/
noun
inwoonster van een vrouwenklooster
nonne
adjective
1. achteloos, onbekommerd
nonchalant
noun
1. nonius
skydelære
noun
nonsens
noun
2.
nød
noun
nødstilfælde
adjective
skæbnesvanger
noun
undtagelsestilstand
/ˈnoːit/
adverb
1. op geen enkel moment
aldrig
/noːr/, /no̝ːr/
noun
1. een inwoner van Noorwegen
nordmand
/nɔːrt ˈafrɪkɑ/, /nɔːrt ˈɑfrɪkɑ/
pronoun
gedeelte van het Afrikaanse continent ten noorden van de Sahara
Nordafrika
pronoun
het continent dat ten noorden van [[Zuid-Amerika]] ligt, tussen de Grote, Arctische en de Atlantische Oceaan
Nordamerika
/noːrd.ˈbra.bɑnt/, /no̝ːrd.ˈbra.bɑnt/, /ˌnoːrd.bra.bɑnd/
pronoun
1. een provincie in het zuiden van Nederland, die aan Gelderland, Limburg, Zeeland, Zuid-Holland en België grenst
Noord-Brabant
pronoun
het noordelijk deel van Europa
Nordeuropa
/noːrt.ˈɦɔ.lɑnt/, /no̝ːr.ˈtɔ.lɑnt/, /ˈnoːrd.hɔ.lɑnd/
pronoun
1. een provincie in het noordwesten van Nederland, ...
Noord-Holland
/ˈɛlzɑs/
pronoun
1.
Nordirland
pronoun
1. regio van Finland
Norra Karelen
/ˌnoːrt koˈre.ja/, /ˌno̝ːrt koˈre.ja/
pronoun
1. een land in Oost-Azië, officieel de Democratische Volksrepubliek Korea
Nordkorea
pronoun
1.
Nordmakedonien
abbreviation
1. een van de Samitalen die in Scandinavië gesproken wordt
nordsamisk
pronoun
1. Australisch territorium gelegen in het noorden van het land
Northern Territory
noun
1. windrichting
nord
pronoun
Nordøen
noun
1.
nordlys
pronoun
1. Noordpool
nordpolen
/ˈnoːrdzeː/, /ˈnoːrtseː/, /ˈno̝ːrtse/
pronoun
1. zee tussen Groot-Brittannië, Noorwegen, Denemarken, Duitsland, Nederland en België
  1. Nordsøen
  2. Vesterhavet
/noːrs/, /no̝ːrs/
adjective
1. betreffende Noorwegen en/of het Noors
norsk
/noːrs/, /no̝ːrs/
pronoun
1. de taal die wordt gesproken in Noorwegen
norsk
/ˈnoːrˌweɣə(n)/, /ˈnoːrˌβ̞eɣə(n)/, /ˈno̝ːrˌʋeχə(n)/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa
Norge
/noːt/
noun
  1. 3. (muziek) een geluid van zekere tijdsduur
    node
  2. 1. (kookkunst) eetbaar, oliehoudend zaad, kern of pit met harde dop
    nød
noun
  1. 2. gepeld zaad van de nootmuskaatboom Myristica fragrans
    muskat
  2. 1. en 2. (gepeld) zaad van de nootmuskaatboom Myristica fragrans
    muskatnød
noun
norm
/nɔrˈmaɫ/
adjective
2. als norm dienend
normal
noun
1. in overeenstemming brengen met een norm
normalisering
noun
normalitet
/nɔrˈmɑndɪə/
pronoun
1. streek in het noorden van Frankrijk
Normandiet
noun
nostalgi
noun
1. jurist die bevoegd is om authentieke akten op te maken
notar
noun
nøddeknækker
noun
1. muzieknotatiesysteem
nodeskrift
noun
1. een verslag van een bijeenkomst
mødereferat
noun
1. de elfde maand van het jaar
november
pronoun
Novemberrevolutionen
adverb
1. op het huidige tijdstip
nu
/nɵxtər/
adjective
1. niet onder de invloed van iets bedwelmends, vooral alcohol
ædru
noun
1.
nudisme
/nɵl/
cardinalNumeral
1. getal
nul
/ˈnumeɾi/
pronoun
Fjerde Mosebog
adjective
1.
numerisk
/ˈnʏmər/
abbreviation
1. een aanduiding met een getal
nummer
adjective
nyttig
pronoun
1.
  1. Godthåb
  2. Nuuk
adjective
nylon
noun
2. afwijking van de normale stand van de benen, waarbij de knieën naar buiten staan
hjulben
/o'azə/
noun
1. plek in een woestijn waar water voorhanden is en vegetatie groeit.
oase
/oˈbɑtja/
pronoun
2. boek in de Bijbel
Obadias
noun
1. vetzucht
overvægt
noun
1. lens
objektiv
verb
1. in buitensporige, ziekelijke mate boeien
besætte
noun
1. (muziekinstrument) een fluit die veelal gemaakt wordt van gebakken klei
okarina
pronoun
1. een taal die in het zuiden van Frankrijk gesproken wordt
occitansk
adjective
okkult
noun
1. een zeer grote zee tussen verschillende werelddelen
  1. ocean
  2. verdenshav
/oseˈjani.jə/, /oseˈjaːni.jə/
pronoun
1. de collectieve naam voor een groot aantal eilanden in de Stille Oceaan...
Oceanien
noun
1. bepaald soort zoogdier, Leopardus pardalis
ozelot
noun
1. eerste deel van de dag, tussen ca. 6.00 en 12.00 uur
morgen
/ˈɔxtəntblɑt/
noun
1. een krant die 's morgens vroeg wordt bezorgd
morgenavis
/ˈɔxtəntkrɑnt/
noun
1. een blad dat 's morgens vroeg wordt bezorgd
morgenavis
/ˈɔxtəntzɔn/
noun
1. zonneschijn vroeg in de morgen
morgonsol
noun
1,2,3. toontrap, interval en toonhoogtereeks
oktav
noun
oktantal
noun
1. hoekmeetinstrument
oktant
/ɔkta'ʔedər/
noun
1. een regelmatig achtvlak, een ruimtelijke figuur begrensd door acht gelijkzijdige driehoeken
oktaeder
noun
ode
pronoun
Odessa
/ˌø.kyˈme.nis/
adjective
1. tussen kerken, van meerdere kerkgenootschappen
økumenisk
noun
1. (medisch) waterzucht
ødem
verb
1. proberen zonder fouten uit te voeren
træne
noun
1. test om de kennis te peilen
øvelse
/u.'ɣɑn.da/, /u.'χɑn.da/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika, officieel de Republiek Oeganda
Uganda
noun
1.
hornugle
/ukraˈɦins/, /ukraˈʔins/
pronoun
1. een Slavische taal die in Oekraïne gesproken wordt
  1. Ukrainsk
  2. ukrainsk
/ukraˈɦinə/, /ukraˈʔinə/
pronoun
1. een land in Oost-Europa met als hoofdstad Kiev
Ukraine
/ˌenoloˈɣi/
noun
1. de wetenschap van de wijnbereiding
ønologi
/ˈuː.rɔs/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Bos primigenius
urokse
noun
jungle
pronoun
OECD
noun
1. tweekleppig weekdier uit de familie Ostreidae met onregelmatige schelpkleppen
østers
noun
1. een vrouwelijk hormoon
østrogen
noun
1. waterkant
bred
pronoun
1. een taal die verwant is aan het Turks en die door de Oezbeken gesproken wordt
usbekisk
/us.ˈbe.kɪ.stɑn/, /uz.ˈbe.kɪ.stɑn/
pronoun
1. een land in centraal Azië, officieel de Republiek Oezbekistan, dat geheel door land wordt omsloten
Usbekistan
conjunction
1. keuze
eller
adjective
1. aanvallend
offensiv
noun
1.
offensiv
verb
  1. 1. wijden aan
  2. 2. doden van een dier
ofre
/ɔ'fɛrtə/
noun
1. een aanbieding van goederen of diensten tegen een vaste prijs
citation
adjective
1. erkend door bevoegd gezag
officiel
noun
1. iemand die een rang in het leger bekleedt die hem of haar het bevel over...
officer
adjective
uofficiel
noun
1. de tak van de medische wetenschap die zich met het oog en het zicht bezig houdt
oftalmologi
noun
1. een scheikundig element met het symbool Og en het atoomnummer 118
oganesson
noun
1. Een bepaald tijdstip
øjeblik
noun
1. ohm
ohm
noun
1. groot zoogdier dat nauw verwant is aan de giraffe
okapi
noun
1. een mineraal dat als gele of oranje kleurstof gebruikt wordt
okker
noun
1. walnoot
valnød
pronoun
1. een van de vijftig deelstaten van de Verenigde Staten van Amerika.
Oklahoma
noun
okra
noun
1. holte tussen de arm en de romp
armhule
noun
1. de tiende maand van het jaar
oktober
pronoun
Oktoberrevolutionen
noun
1. vettige vloeistof
olie
noun
oliekrise
noun
1. fabriek waar ruwe aardolie wordt verwerkt tot aardolieproducten
olieraffinaderi
noun
1. een gebeurtenis waarbij grote hoeveelheden olie in het milieu terecht komen en daar schade aanrichten
oliekatastrofe
noun
1. een sedimentair fijnkorrelig gesteente dat organische en chemische stoffen bevat en waar synthetisch olie en gas uit gewonnen kan worden
olieskifer
noun
1. groot dikhuidig en veelhoevig zoogdier met een lange slurf
elefant
noun
oligark
noun
  1. oligarki
  2. fåmandsvælde
noun
1. stof met beperkt aantal gelijke delen
oligomer
noun
oligopol
/oˈlɛɪf/, /oˈlɛːf/
noun
1. een vrucht van de olijfboom
oliven
noun
1. bepaald soort boom, Olea europaea
oliventræ
noun
1. fijne spijsolie verkregen door persing uit olijven
olivenolie
noun
  1. 1.
  2. 2.
  3. 3.
olympiade
/o.ˌlɪm.pi.sə.ˈspe.lə(n)/
pronoun
1. een vierjaarlijks sportevenement dat zijn oorsprong in de stad Olympia in de Griekse landstreek Elis heeft
Olympiske lege
pronoun
1. evenement dat eens in de vier jaar wordt gehouden waarbij allerlei wintersporten competitief beoefend worden
Vinter-OL
noun
1. moeder van een ouder
bedstemor
/o.ˈman/, /ˈo.mɑn/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel het Sultanaat Oman
Oman
/ˈɔmbʏdsˌmɑn/, /ˈɔmbʏtsˌmɑn/
noun
1. een ambtenaar die de taak heeft om als onpartijdige instantie klachten van individuele burgers tegen de overheid, instellingen en bedrijven te onderzoeken
ombudsmand
/ɔm.'dɑt/
conjunction
1. geeft onderschikkend een reden aan
  1. da
  2. fordi
noun
1. een gerecht dat bereid wordt door geklutste eieren te bakken
omelet
noun
1. de nabijheid
miljø
verb
1. de armen om iemand slaan
  1. omfavne
  2. kramme
adverb
1. omhoog
op
/ˈɔmkopə(n)/
verb
1. (iemand ~) met behulp van geschenken, geld e.d. overhalen om van zijn plicht, partij, overtuiging te verzakent
bestikke
adverb
1. in neerwaartse richting
ned
noun
1. kleine rondwandeling, korte tocht die weer bij het vertrekpunt eindigt
gåtur
noun
1. alleseter, zowel plantaardig als dierlijk voedsel
omnivor
noun
hoe de zaken er voorliggen
omstændighed
noun
1. de lengte van een gesloten kromme
omkreds
/ˈɔm.vɔl.kɪŋ/
noun
store udskiftning
prefix
1. toegevoegd aan een bijvoeglijk naamwoord drukt dit voorvoegsel het tegendeel uit.
u-
adjective
1. geen verbinding hebbend met
uafhængig
noun
uafhængighedserklæring
adjective
1. niet mogelijk om te kunnen veranderen of vermijden
uafvendelig
noun
onager
adverb
1. niet of zeer moeilijk te begrijpen, rationeel niet te volgen, onlogisch
uforståelig
adjective
1. niet behorend tot de kennis
ukendt
adjective
1. slecht gemanierd
uhøflig
adjective
1. niet te vertrouwen
upålidelig
adjective
1.
ubeboelig
adjective
ubeboet
noun
1. een medisch specialist die zich bezighoudt met de gezwelgroei, in het bijzonder met kanker
onkolog
adjective
1. zonder erkentelijk te zijn voor ontvangen hulp of producten
utaknemlig
preposition
1. ook al is het zo dat
trods
/ˈɔn.dər/
preposition
1. niet gesorteerd
under
/ˌɔndərˈɑrṃ/
noun
1. gedeelte van de arm tussen de elleboog en de hand
underarm
verb
1. actie ondernemen om een in gang zijnd proces tot staan te brengen
afbryde
noun
1. kledingstuk dat onder de gewone broek wordt gedragen
underbukser
noun
undersåt
/ˌɔndərˈdanəx/
adjective
1. gehoorzaam aan een leider
lydig
verb
1. onderhevig gemaakt worden
gennomgå
noun
4.
undergang
noun
1.
underslægt
noun
  1. 2. (schertsend) in verwijzing naar zichzelf
  2. 1. die het bericht ondertekend heeft
undertegnet
/ˈɔn.dər.ˌɣud/, /ˈɔn.dər.ˌɣut/, /ˈɔn.dər.ˌχut/
noun
1. kleding die direct op het lichaam gedragen wordt, doorgaans nog onder andere kleding
undertøj
noun
forhandler
/ɔndər'ɦɑndəlɪŋ/
noun
1. een proces van overleg waarbij partijen trachten tot een voor beiden aanvaardbare afspraak te komen
forhandling
noun
1. handelingen verricht om iets in goede staat te houden.
vedligeholdelse
verb
3. zich onderhouden: een gesprek houden met iemand
  1. hyggesnakke
  2. sludre
  3. småsnakke
  4. snakke
  5. tale
noun
1. de onderste kaak
underkæbe
verb
1. bewust worden van iets
erkende
noun
1. gouverneur van een land of een provincie die als vervanger van de monarch optreedt
vicekonge
noun
underlæbe
verb
1. een bedrijf of actie in werking stellen
foretage
noun
1. een organisatie
virksomhed
noun
forretningsplan
verb
1. iets kleiner of van kleiner belang inschatten dan het in werkelijkheid blijkt
undervurdere
noun
1. handtekening
underskrift
noun
2.
underart
noun
underskriver
verb
underskrive
noun
1. een geschreven vertaling die bij een film(pje) in beeld wordt gebracht
undertekst
verb
1. iets dat al gehuurd is, verhuren aan iemand anders
fremleje
/ɔndərˈvraxə(n)/
verb
1. iemand aan een intensieve reeks vragen onderwerpen
  1. forhøre
  2. spørge
  3. udspørge
/ˌɔndərˈwɛx/, /ˌɔndərˈʋɛχ/, /ˌɔndərˈβ̞ɛx/
adverb
1. bezig zijn zich van plek A naar plek B te verplaatsen
på vej
noun
  1. 1. waar iets over gaat, een thema
    emne
  2. 2. zinsdeel waarnaar de persoonsvorm zich richt en dat bijv. de handelende persoon of zaak beschrijft
    grundled
noun
1. de voorziening van opleidingen
  1. uddannelse
  2. opdragelse
noun
1. iemand die lesgeeft
lærer
noun
undervandsbåd
verb
  1. undersøge
  2. efterforske
noun
1. iemand die een onderzoek uitvoert
forsker
adjective
1. niet mis de verstaan, met slechts één betekenis
entydig
adjective
  1. falsk
  2. uægte
adjective
1. Niet deelbaar door twee
ulige
noun
1. ongewenste dieren, die de mens op een of andere manier last bezorgen
skadedyr
noun
utålmodighed
/ɔnɣə'hoːrzam/, /ɔnɣə'ɦoːrzam/, /ɔnχə'ɦo̝ːrzam/
adjective
1. niet bereid gehoor te geven aan gestelde regels
ulydig
adjective
1. niet getrouwd
ugift
/ˌɔnɣəˈlɛi̯k/, /ˌɔnχəˈlɛi̯k/
adjective
1. niet met elkaar overeenstemmend
forskellig
adjective
2. bijzonder, uitzonderlijk
utrolig
adjective
2. bijzonder, uitzonderlijk
utrolig
adverb
1. geen geloof verdienend (omdat het onwaarschijnlijk overkomt)
trolig
/ˈɔnɣəˌlɵk/, /ˈɔnɣəˌlʏk/
noun
1. een onvoorziene gebeurtenis met negatieve en soms zelfs fatale gevolgen
uheld
adjective
1. niet gepast, niet geschikt
upassende
/ɔnɣəvɑl/
noun
1. een ongeluk
ulykke
abbreviation
bij benadering
ungefær
adjective
uset
adjective
1. niet goed met de handen om kunnen gaan
  1. klodset
  2. kluntet
adjective
1. zonder mogelijkheid om ongedaan gemaakt te worden
uigenkaldelig
noun
1. planten die voorkomen op plekken waar ze niet gewenst zijn
ukrudt
adjective
2. zonder omwegen
direkte
adjective
1. waarover geen twijfel kan bestaan
umiskendelig
adjective
1. niet te verwezenlijken
umulig
noun
1. iets dat niet kan gebeuren
umulighed
/ˌonomatoˈpe/
noun
1. door klanknabootsing gevormd woord
onomatopoietikon
adjective
1.expres je anders voordoen dan je bent
uoprigtig
noun
1. een werkwoord dat niet vergezeld kan worden door een lijdend voorwerp of een meewerkend voorwerp in een zin
intransitivt verbum
adjective
1.van iets of iemand dat er nog nooit een betere is geweest
uovertruffen
adjective
uovervindelig
adjective
niet partijdig , niet bij een bepaalde stelling of kant aansluiten
upartisk
noun
1. schadeverwekkende inbreuk op een zorgvuldigheids- of rechtsnorm waardoor burgerrechtelijke aansprakelijkheid ontstaat
erstatningsret
adjective
  1. onzuiver, onkuis
  2. vuil
urenlig
noun
1. het verstoord zijn van de maatschappelijke of sociale orde, rust
uro
possessivePronoun
1. van de 1e persoon meervoud
vores
/ɔnˈsxʏɫdəx/
adjective
1. niet schuldig
uskyldig
adjective
udødelig
noun
1. de eigenschap niet te zullen sterven
udødelighed
/ɔntˈberə(n)/
verb
1. iets missen waaraan men grote behoefte heeft
  1. savne
  2. undvære
noun
1. eerste maaltijd van de dag
morgenmad
verb
1. de eerste maaltijd van de dag nuttigen
morgenkaffe
verb
1. een organisatie opheffen
afskaffe
noun
afskovning
verb
1. niet aanwezig zijn terwijl dit wel zou moeten of verwacht wordt
savne
/ɔntˈsɛɪ̯fərə(n)/, /ɔntˈsɛːfərə(n)/
verb
1. qua betekenis duiden
afkode
/ɔnˈdɛ.kə(n)/
verb
1. ergens achter komen
  1. opdage
  2. få øje på
noun
1. het vinden van iets nieuws
opdagelse
/ɔntəˈvredənɦɛɪt/
noun
1. het gevoel niet genoeg te hebben en onvoldaan te zijn
utilfredshed
verb
1. van een illusie beroven
desillusionere
verb
1. iemand doden door het hoofd van de romp te scheiden
halshugge
verb
1. in het geheugen bewaren
huske
/ɔntˈɦɵlə(n)/, /ɔntˈɦʏlə(n)/
verb
  1. 1. van het hulsel ontdoen
    afsløre
  2. 2. openbaren van onbekende feiten
    1. afsløre
    2. blotlægge
/ɔnt.ˈkɑl.kə(n)/, /ɔnt.ˈkɑɫ.kə(n)/
verb
1. kalk van een metalen oppervlak verwijderen
afkalke
/ɔnt.ˈkɑl.kɪŋ/, /ɔnt.ˈkɑɫ.kɪŋ/
noun
1. het verwijderen van kalk van een metalen oppervlak
afkalkning
verb
1. verklaren dat het gestelde niet waar is
  1. benægte
  2. nægte
verb
løsne
verb
2. van verkeer
lette
verb
1. anatomiseren, analyseren
dissekere
verb
1. de moed ontnemen
gøre modløs
verb
1. met iemand kennismaken en een gesprek voeren
møde
adjective
1. aandoenlijk, aangrijpend
  1. gribende
  2. rørende
verb
1. van de schoonheid beroven
vansire
verb
1. arbeidsovereenkomst beëindigen
afskedige
/ɔnt'slɑx/
noun
1. het verbreken van het dienstverband met een werknemer
afskedigelse
verb
1. kleine organismen zoals bacteriën gericht doden
desinficere
noun
1. een weg of methode waarlangs men kan wegvluchten
flugtvej
/ɔnt.ˈstan/
verb
1. de verandering ondergaan van niet bestaan naar wel bestaan
opstå
noun
1. (medisch) ontsteking
betændelse
adjective
letantændelig
verb
1. wederrechtelijk en onder dwang iemand weghalen
bortføre
noun
1. het, tegen iemands zin, wederrechtelijk verplaatsen van een persoon
bortførelse
verb
afvæbne
adjective
1. zo vriendelijk en onschuldig dat alle boosheid verdwijnt
afvæbnende
verb
1. draineren
dræne
/ɔntʋɪkələ(n)/
verb
  1. 1. iets ~ een aanwezige aanleg tot bloei brengen
  2. 2. zich ~ tot geleidelijk iets worden
  3. 3. een film ~ het latente beeld van een belicht fotografisch materiaal chemisch zichtbaar maken
  4. 4. ontwerpen en uitvoeren op basis van onderzoek
udvikle
noun
1. geleidelijke verandering in een zekere richting
udvikling
noun
1.
afsaltning
adjective
uansvarlig
adjective
1. niet geneigd om zich door smeekbeden tot andere handelwijze te laten bewegen
ubønhørlig
/ɔnvərˈbœxbaːr/, /ɔnvərˈbœyxbaːr/
adjective
1. onmogelijk te verbuigen
ubøjelig
adjective
1.
uforglemmelig
/ɔnvɛrˈsxɪləɣˌɦɛit/
noun
1. houding waarbij men zich niets aantrekt van omstandigheden en de opvattingen van anderen
ligegyldighed
adjective
1. niet in de doeltaal omgezet
uoversat
adjective
1. niet van tevoren zien aankomen
uventet
adverb
uventet
noun
præsens participium
noun
imperfektum
noun
1. het zo jong zijn dat men nog niet meerderjarig is
umodenhed
adjective
1. waarvan de uitkomst niet bij voorbaat te kennen is
uforudsigelig
noun
1. het niet kunnen weten wat de toekomst brengen zal
uforudsigelighed
adjective
1. bij verrassing optredend
uforudset
adjective
1. een geringe kans bezittend om waar te worden of te blijken
utrolig
/ɔnʋɪːr/
noun
1. meteorologisch verschijnsel waarbij regen gepaard gaat met donder en bliksem
tordenvejr
adjective
uimodståelig
adjective
1. zich niet gezond voelend
småsyg
adjective
1. niet voldoend aan de eisen van de wetenschap
uvidenskabelig
/ˈɔnwɪl/
noun
1. het de keuze maken om niet mee te werken
uvilje
noun
een variëteit van kwarts
onyks
noun
1. benaming voor torren uit de familie Coccinellidae
mariehøne
pronoun
1. christelijk gebed
fadervor
adjective
usynlig
noun
1.
usynlighed
/ɔn'zɛidəx/
adjective
neutrum
/ox/, /oːx/, /oχ/
noun
1. gezichtsorgaan voor het waarnemen van lichtprikkels
øje
/ˌox.ɔm.ˌox, ˌtɑnt.ɔm.ˈtɑnt/, /ˌoɣ.ɔm.ˌox, ˌtɑnd.ɔm.ˈtɑnd/, /ˌoχ.ɔm.ˌoχ, ˌtɑnt.ɔm.ˈtɑnt/
interjection
1. benadrukt volledige vergelding
øje for øje
noun
øjenlæge
noun
1. ooggetuige
øjenvidne
noun
1.
øjenhøjde
noun
øjenhule
/ˈoχ.lɪt/
noun
1. een beschermend vlies van huid dat over de ogen bewogen kan worden
øjenlåg
verb
1. het van het land halen van het rijpe gewas
høst
verb
1. het volgroeide gewas van het veld halen
høste
noun
1. vrouwelijk schaap
  1. hunfår
  2. moderfår
noun
1. bepaald soort grote witte vogel met zwarte vleugelranden en rode poten, Ciconia ciconia
stork
/oːk/
adverb
1. daarnaast; verder; tevens
også
noun
1. broer of zwager van iemands vader of moeder
  1. onkel
  2. farbror
/oːr/
noun
1. het lichaamsdeel waarmee geluiden kunnen worden gehoord
øre
noun
1. een ornament dat in of op het oor aangebracht wordt
ørering
/ort/
noun
1. een bepaalde plaats
sted
noun
1. klein voorwerp om de gehoorgang te blokkeren zodat je niet door lawaai gehinderd wordt
øreprop
noun
1. wetenschap die oorkonden typeert en beschrijft naar hun vorm
diplomatik
noun
1. een gewapende strijd tussen twee of meer bevolkingsgroepen en/of tussen twee of meer landen
krig
verb
  1. føre krig
  2. krigføre
noun
krigsforkæmper
noun
1. een daad in tijd van oorlog die het oorlogsrecht of -gebruik schendt
krigsforbrydelse
/ 'orlɔxsmɪsdadəxər/
noun
1. iemand die een oorlogsmisdaad pleegt of heeft gepleegd en daarvoor individueel aansprakelijk gesteld...
krigsforbryder
noun
krigsmindesmærke
noun
krigsskib
/'orlɔxsfərklarɪŋ/
noun
1. een officiële mededeling van een land dat het oorlog gaat voeren
krigserklæring
/ˈorɔntˌstekɪŋ/
noun
1. een ontsteking van het oor
ørebetændelse
noun
origo
adjective
1. zoals het in begin was
oprindelig
noun
1.1 gewone oorworm (Forficula auricularia)
ørentvist
noun
ørehænger
adverb
øst
pronoun
Fjernøsten
pronoun
1.
Østberlin
pronoun
Østtyskland
pronoun
Østeuropa
/os.ˈti.mɔr/
pronoun
1. een land in Zuidoost-Azië, bestaande uit een gedeelte van het eiland Timor en de kleinere eilandjes Atauro en Jaco in het geheel
Østtimor
/ostˈflandərə(n)/
pronoun
1. Belgische provincie
Østflandern
adjective
østlig
/ˈostə(n)/
noun
1. een van de windstreken, die op landkaarten overeenkomt met de rechterkant
øst
pronoun
1. een gemeente in de Belgische provincie West-Vlaanderen
Oostende
/ˈostə(n)ˌrɛɪ̯k/, /ˈoːstə(n)ˌrɛɪ̯k/, /ˈoːstə(n)ˌrɛːk/
pronoun
1. een republiek in Midden-Europa grenzend aan Zwitserland en Liechtenstein in het westen, aan Duitsland...
Østrig
/ˈo.stə.ˌrɛɪ̯.kər/, /ˈo.stə.ˌrɛː.kər/, /ˈos.tə(n).ˌrɛɪ̯.kər/
noun
1. een inwoner van Oostenrijk of persoon die de Oostenrijkse nationaliteit bezit
østriger
pronoun
1. zee die tussen Zweden en de Baltische staten ligt
Østersøen
preposition
  1. 3. omhoog
    oppe
  2. 1. aan de bovenkant aanrakend, rustend op
    på
noun
1. de vader van een ouder
  1. bedstefar
  2. bedstefader
/o'pal/
noun
1. een halfedelsteen en een amorfe variëteit van kwarts, SiO₂·nH₂O, gehydrateerd siliciumdioxide met een waterpercentage van soms wel 20%
opal
/ˈɔˌbɛlə(n)/
verb
1. iemand telefonisch proberen te bereiken
ringe
noun
1. een te verrichten werk
opgave
verb
1. iemand iets te doen geven
give opgave
/ˈoː.pə(n)/
adverb
1. niet gesloten
åben
adjective
1. vrij toegankelijk
offentlig
noun
1. laatste boek van de Bijbel
Åbenbaring
verb
  1. 2. ontsluiten, openmaken wat afsluit of wat gesloten is
  2. 3. openstellen, toegankelijk maken
  3. 1. laten beginnen, in bedrijf brengen
  4. 4. (informatica) een bestand inladen
åbne
/ˈoː.pə(n).ɣaːn/
verb
1. zich openen
åbne
noun
1. plechtigheid als opening van een evenement
åbningsceremoni
noun
1. een in hoofdzaak gezongen en orkestraal begeleid muziekdrama, gewoonlijk van ernstige aard
opera
noun
  1. 1. aantal gecoördineerde acties
  2. 2. een chirurgische ingreep
  3. 3. een bewerking op een object
operation
noun
1. ruimte waar heelkundige bewerkingen uitgevoerd worden
operationsstue
verb
1. alles gebruiken tot het op is
bruge
noun
1. het seksueel of emotioneel (te) gespannen zijn
ophidselse
verb
1. een voorwerp uit de bodem naar boven halen
grave
verb
1.de tijd tot de volwassenheid doorbrengen
blive voksen
/'ɔpɦɑŋə(n)/
verb
  1. 3. aan de galg opknopen
    hænge
  2. 2. een telefoongesprek beëindigen
    lægge på
verb
2. een activiteit beëindigen
ophøre
noun
1. opiumbevattend geneesmiddel
opiat
noun
1. een steekproefsgewijs onderzoek naar de mening van de bevolking
meningsmåling
noun
1. het ingedroogde melksap van de opiumpapaver of slaapbol (Papaver somniferum), een pijnstillend, verdovend en verslavend middel
opium
/'ɔpklarə(n)/
verb
1. het ontstaan van open plekken in wat een gesloten wolkendek was
klare op
noun
1. totaal aantal afdrukken van een drukwerk dat in één keer wordt vervaardigd
oplag
noun
uddannelse
noun
1. schip dat gebruikt wordt voor onderwijs (aan zeevarenden)
skoleskib
verb
3. een probleem ophelderen
løse
noun
1. een mengsel
løsning
/ɔ'plʏxtə(n)/
verb
1.
lette
noun
1.het gevoel bevrijd te zijn van iets dat dreigde
lettelse
noun
anakrusis
noun
1. een uiting van een gedachte
bemærkning
verb
7. (beeld, geluid) registreren, vastleggen
indspille
/ˈɔpniu/
adverb
1. nog een keer, een vorige gebeurtenis herhalend
igen
pronoun
1. deelstaat van Oostenrijk
Oberösterreich
pronoun
Øvre Volta
noun
1. bot in de bovenarm
overarmsknogle
/ɔpər'vlɑkəx/
adjective
  1. 1. niet diepgaand of niet grondig
  2. 2. zich aan de oppervlakte bevindend
overfladisk
noun
  1. 2. uitgebreidheid
    areal
  2. 1. vlak dat iets naar boven begrenst
    overflade
noun
overfladevand
verb
2. aangedikte beweringen doen
blære sig
/ˈɔpslan/
verb
5. informatica: vastleggen of bewaren van gegevens
gemme
noun
  1. opsummering
  2. optælling
verb
  1. 1. gaan staan
    rejse sig
  2. 2. het bed verlaten
    stå op
/ˈɔpstɑnt/
noun
1. een massale, vaak gewelddadige, poging het heersende gezag af te schudden
  1. opstand
  2. oprør
/ˈɔpstɛːɣə(n)/, /ˈɔpstɛːɪχə(n)/
verb
1. in de lucht stijgen
lette
verb
1. nauwkeurig omschrijven en schriftelijk vastleggen zodat men het later nog kan raadplegen
optegne
verb
1. bij elkaar tellen; het samenvoegen van twee of meer termen tot een totaal, de som genoemd
addere
noun
optik
noun
1. iemand die kundig is in de optica
optiker
verb
1. met spierkracht iets van de grond opheffen
  1. løfte
  2. hæve
adjective
1. van het positieve uitgaand
optimistisk
adjective
frivillig
/ˈɔp.tre.də(n)/
verb
1. voor een publiek bepaalde handelingen verrichten, bijvoorbeeld in kunstzinnige zin
optræde
verb
opdrage
noun
  1. 1. het proces waarin iemand wordt gevormd naar de normen van diens opvoeders, en daarmee meestal de samenleving waarin hij leeft
    opdragelse
  2. 2. iemands algemene vorming en ontwikkeling
    uddannelse
noun
1. iemand die een ambt bekleedt na iemand anders
efterfølger
noun
2. het proces van temperatuursverhoging
opvarmning
noun
1. innerlijke drang
tilstrømning
verb
2. draaiend onder spanning zetten
trække op
verb
5. taxidermie bedrijven
udstoppe
/'ɔpsʋɛlə(n)/
verb
1. in volume toenemen
svulme
noun
1. mensaap met lange armen en roodbruinachtig haar
orangutang
adjective
1. de kleur oranje hebbend
  1. orange
  2. orangefarvet
noun
1.
orange høsommerfugl
pronoun
Oranjefristaten
noun
1. plant van de talrijke orchideeënfamilie, m.n. benaming voor de kleurrijke bloemen
gøgeurt
noun
  1. 3. (biologie) een groep verwante organismen, onderdeel van een klasse en bestaande uit families
  2. 1. gewenste regelmaat
  3. 2. een hiërarchische organisatie
orden
adjective
ordentlig
verb
ordne
noun
  1. 2. keukenkruid
    oregano
  2. 1. Origanum vulgare
    vild merian
noun
1. Onderdeel van het organisme
organ
/ˌɔrɣɑniˈzasi/, /ˌɔrχɑniˈzaʦi/
noun
  1. 3. een groep die een bepaald doel of of bepaalde rol heeft
  2. 1. het organiseren
  3. 2. de manier waarop iets georganiseerd is
organisation
/ˌɔrɣɑniˈzeːrə(n)/, /ˌɔrχɑniˈzɪːrə(n)/
verb
  1. 1. een bepaalde structuur aanbrengen
  2. 2. iets, vaak een evenement, tot stand brengen
organisere
noun
1. een afzonderlijk en volledig levend wezen dat voor zijn voortbestaan afhankelijk is van zijn eigen metabolisme en bestaat uit verschillende organen
organisme
/ˈɔrɣəɫ/
noun
1. een muziekinstrument dat bestaat uit meerdere losse pijpen waardoor lucht stroomt op een labium en dat ingedeeld wordt bij de aerofonen
orgel
/ˈɔrxi/
noun
orgie
pronoun
1. de officiële taal van de Indiase staat Orissa
oriya
verb
orientere
/ɔrk/
noun
1. fictieve wezentjes die in groepsverband leven en gewoonlijk de vijand van de mensen zijn
ork
/ˈɔr.ka/
noun
1. Orcinus orca, een walvissoort die vrij gedrongen van bouw is...
  1. dræberhval
  2. spækhuggerne
noun
1. een bijzonder hevige storm
  1. orkan
  2. hurricane
  3. tropisk cyklon
  4. tyfon
/ɔrˈkɛst/
noun
1. een groep musici
orkester
noun
ornitologi
noun
1. de tandheelkunde die gericht is op de vorming van een regelmatig gebit
ortodonti
/ɔrtoˈdɔks/
adjective
  1. 1. star vasthoudend aan een bepaald geloof
  2. 2. star vasthoudend aan bepaalde opvattingen of gewoontes die algemeen zijn aanvaard
ortodoks
/ɔrtodɔk'si/
noun
ortodoksi
adjective
1. rechthoekig
  1. ortogonal
  2. vinkelret
noun
ortopæd
noun
1. gecastreerde stier
okse
noun
oscilloskop
pronoun
  1. 1. de hoofdstad en grootste stad van Noorwegen en is gelegen in het zuidoosten van het land
  2. 2. een provincie in Noorwegen
Oslo
noun
1. Chemisch element
osmium
pronoun
1. een taal uit de centrale Kaukasus
Ossetisk
pronoun
Ossetien
noun
1. een structuur in het binnenoor van gewervelden en een rolspelen in het waarnemen van geluid,...
otolit
pronoun
1. de hoofdstad van Canada
Ottawa
noun
1.1 bepaald soort zoogdier Lutra lutra
odder
/aʊ̯d/, /ɔʊ̯t/, /ʌʊ̯t/
adjective
    1. 2. oud ding, concept
    2. 1. oud mens, dier
    gammel
  1. 3. vorige
    tidligere
noun
1. reeks boeken in de christelijke Bijbel die zijn ontleend aan de joodse Tenach
det gamle testamente
/ˈaʊ̯.dər/, /ˈɔʊ̯.dər/, /ˈʌʊ̯.dər/
noun
1. de moeder of vader van een kind
forælder
/ˈaʊ̯.dərs/, /ˈɔʊ̯.dərs/, /ˈʌʊ̯.dərs/
noun
1. meervoud van het zelfstandig naamwoord ouder
forældre
adjective
1. niet langer gebruikt of in de mode
gammeldags
pronoun
1. het Frans zoals dat in het noorden van Frankrijk gesproken werd van de 10e tot de 14e eeuw
oldfransk
pronoun
1. een nu dode taal die werd gesproken in Griekenland
oldgræsk
/ɑʊ̭tɦɛɪ̭t/
noun
1. het tijdperk van de geschiedenis vóór de middeleeuwen
oldtid
noun
arkæolog
pronoun
1. de voorloper van het huidige Duits in de periode 700-1050
oldhøjtysk
pronoun
1. een taal die de voorganger van de Scandinavische talen was
  1. norrønt
  2. oldnordisk
pronoun
1. een taal die de voorloper van het Noors was
gammelnorsk
/ɑutˈsɑksis/
pronoun
1. de voorloper van het huidige Nedersaksisch in de periode 650-1100
oldnedertysk
pronoun
1. taal die vanaf de 10e tot in de 15e eeuw werd gesproken door de bewoners van Castilië
oldspansk
noun
1. een meestal instrumentaal muziekstuk dat als opening fungeert van een opera of operette
ouverture
/o'val/
adjective
1. in vorm gelijkend op een ei
oval
/o'val/
noun
1. een figuur in de vorm van een ei
oval
/ovə/
noun
1. besloten ruimte die verhit wordt om er voorwerpen in te smelten, te bakken enz.
ovn
adverb
  1. 1. voorbij, gedaan
    skift
  2. 2. nog resterend
    tilbage
preposition
  1. 1. wat betreft
    om
    1. 2. op of langs de oppervlakte van
    2. 5. naar de andere kant van
    3. 6. meer dan
    skift
adverb
1.
overalt
noun
1. toestand waarbij een ruimte, gebied of land zo dichtbevolkt is dat het problemen geeft
overbefolkning
verb
1. de feiten groter, kleiner, mooier of slechter voorstellen dan ze zijn
overdrive
noun
1.
overdrivelse
noun
2. een bindende afspraak waarmee alle partijen instemmen
aftale
verb
2. in overeenstemming brengen
overensstemme
verb
3. veranderen in
forvandle
noun
2. het van een toestand in een andere geraken
overgang
noun
1. reeks handelingen die gedaan wordt bij een belangrijke gebeurtenis in het leven
overgangsrite
verb
1. braken
  1. brække sig
  2. kaste op
noun
1. moeder van de grootvader of van de grootmoeder
oldemoder
/ˈovərɣrotˌvadər/
noun
1. een vader van een grootouder
oldefar
adverb
over
noun
1. het overheersen
herredømme
/ˌovəˈrɛɪ̯sɔɫ/, /ˌovəˈrɛɪ̯səl/, /ˌovəˈrɛːsəɫ/
pronoun
1. provincie in het oosten van Nederland
Overijssel
noun
1. een jas die hoofdzakelijk als bescherming van de kleding eronder wordt gedragen
frakke
noun
1. een pagina bestemd voor overleg
diskussionsside
/ˌovərˈlevə(n)/
verb
1. in leven blijven ondanks levensbedreigende omstandigheden of gebeurtenissen
overleve
conjunction
1. omdat of aangezien, geeft onderschikkend een reden aan
da
adverb
i overmorgen
verb
1. ergens de nacht doorbrengen
overnatte
verb
1. met de wielen van een voertuig over iets of iemand heen rijden
køre over
verb
1. iets domineren, naar de achtergrond drukken
overskygge
verb
1. iets groter of van groter belang inschatten dan het in werkelijkheid blijkt
overvurdere
/ˈo.vər.sxɔt/
noun
1. wat er overblijft, de rest
overskud
verb
1. een beurt doen missen
overspringe
noun
3. trapje, laddertje om over een heining te komen
stente
verb
1. doorkruisen om de overzijde te bereiken
krydse
verb
1. het onder water komen staan van een laaggelegen gebied
oversvømme
/ˌovərˈstromɪŋ/
noun
1. het binnenlopen van water in doorgaans droog gebied
oversvømmelse
verb
1. bepaalde denkbeeldige of daadwerkelijke lijnen te buiten gaan
overtræde
noun
1. een relatief licht strafbaar feit
overtrædelse
verb
1. een denkbeeld doen aanvaarden
  1. overbevise
  2. overtyde
noun
1. sterke mening of geloof
overbevisning
verb
  1. overfodre
  2. overlæsse
/'ovərʋɛx/, /ovər'ʋɛx/
noun
1. een kruising van een weg met een spoorbaan
jernbaneoverskæring
noun
overvægt
noun
sejr
noun
  1. 1. toestand dat je het geheel kunt duidelijk overzien
    overblik
  2. 2. samenvatting van de inhoud, beschrijving in hoofdlijnen
    oversigt
pronoun
OSCE
noun
1. het gereedkomen van een eicel uit de eierstok.
Ægløsning
pronoun
Oxford
noun
oxid
noun
1. (scheik.) een vorm van zuurstof met drie zuurstofatomen inplaats van twee
ozon
/ozɔnlax/
noun
1. laag in de atmosfeer die veel ozon bevat
ozonlag
noun
  1. 3. een doelpaal
  2. 1. een langwerpig stuk materiaal dat in de grond staat
stolpe
noun
1. in zee levend weekdier dat zich in hout boort, Teredo navalis
pæleorm
noun
2. bepaald soort Europese kleine zangvogel, Saxicola rubetra
bynkefugl
/paːrt/
noun
  1. 1. tam hoefdier met manen
    1. hest
    2. springer
  2. 3. schaakstuk
    1. springer
    2. hest
noun
  1. 1. samengesteldbloemige plant Taraxacum officinale
    1. almindelig mælkebøtte
    2. mælkebøtte
  2. 1. en 2. (bladeren of bloemen van) plant Taraxacum officinale
    1. mælkebøtte taraxacum
    2. mælkebøtte
/'pardə(n)krɑxt/
abbreviation
maat voor arbeidsvermogen
hestekraft
noun
1. bepaald soort schelpdier, Modiolus modiolus
hestemusling
noun
2. haardracht
hestehale
/ˈpardəˌstɑɫ/
noun
1. een stal bedoeld om paarden te huisvesten
stald
noun
hestekød
noun
2. bepaald soort vastgehecht oesterachtig schelpdier met een onregelmatige vorm, Anomia ephippium
saddeløsters
noun
1. paardenzuring is een vaste plant die behoort tot de duizendknoopfamilie Polygonaceae
by-skræppe
/ˈpaːrt.rɛidə(n)/
noun
het rijden op een paard, ter ontspanning of als sportbeoefening
ridning
adjective
1. met een kleur tussen rood en blauw
violet
noun
  1. 2. ter gelegenheid van Pasen gekleurd en versierd kippenei
  2. 1. ei van chocolade of suiker dat op of omstreeks Pasen gegeten wordt
påskeæg
pronoun
Påskeøen
noun
påskehare
noun
1. de dag waarop christenen vieren dat Jezus opgestaan is uit de dood, op de derde dag na zijn kruisiging
påskesøndag
noun
pacemaker
noun
lejer
pronoun
1. oceaan die ligt tussen Oost-Azië, Noord- en Zuid-Amerika en Ausralië
Stillehavet
/pɑsiˈfɪsmə/
noun
1. een wereldbeschouwing die duurzame vrede nastreeft en tegen oorlog en geweld is
pacifisme
/pɛːt/
noun
  1. 1. een kikker met een gedrongen lichaamsbouw en ruwe huid die een orgaan van Bidder bezit
    1. tudse
    2. padde
  2. 1. een smalle weg of voetweg
    sti
noun
1. vruchtlichaam van een doorgaans onder de grond levende schimmel of zwam
svamp
/paˈeʎa/
noun
1. gerecht
paella
noun
1. persoonlijke dienaar van iemand
page
noun
side
noun
1. de meest voorkomende vorm van zee-ijs en bestaat uit op elkaar geschoven ijsschollen; opeengepakt drijfijs
pakis
/ˈpa.kɪ.ˌstɑn/
pronoun
1. een land in het zuiden van Azië grenzend aan India, Afghanistan, Iran en China. De officiële naam is de Islamitische Republiek
Pakistan
/pa.ˈlaʊ̯/, /pa.ˈlɔʊ̯/, /pa.ˈlʌʊ̯/
pronoun
1. een eilandenstaat in Oceanië
Palau
noun
1. een aanzienlijk gebouw dat een openbare functie heeft of een (woon)huis voor een staatshoofd is
palads
/palejoˈɣen/
noun
1.
Palæogen
/ˈpalejoˌlitikʏm/
noun
1. eerste periode van de steentijd
ældste stenalder
adjective
palæolitisk
noun
1. aardkunde die gericht is op de bestudering van fossielen
palæontologi
/ˌpalejoˈzowikʏm/
noun
Palæozoikum
pronoun
Palermo
adjective
1.
  1. palæstinensisk
  2. palæstinsk
pronoun
Palæstina
noun
palet
noun
palimpsest
noun
1. een symmetrisch woord dat van links naar rechts gelezen hetzelfde is als van rechts naar links gelezen. Voorbeelden: lepel en parterretrap maar ook kok en lol
palindrom
noun
1. bepaald soort langwerpige consumptievis, Anguilla anguilla
ål
noun
1. chemisch element
palladium
noun
1.
Fuglekongesanger
noun
1. (sub-)tropisch gewas
palme
noun
palmetræ
noun
palmitinsyre
noun
palmeolie
pronoun
1. de zondag voor Pasen
  1. Palmesøndag
  2. palmesøndag
/pɑn/
noun
1. keukengereedschap om in te koken of braden
pande
/ˈpa.na.ma/, /ˈpɑ.nə.ma/
pronoun
1. een land Centraal-Amerika
Panama
pronoun
Panamakanalen
noun
1. (zoogdieren) een beerachtig dier uit het Himalayagebied
panda
/ˌpɑndeˈmi/
noun
1. een epidemie op wereldwijde schaal
pandemi
/pɑn.deʲ'ɪsmə/
noun
1. een theologische positie
pandeisme
noun
1. de theologische positie dat God immanent is in de gehele schepping en dat het universum een deel is van God en dat God de drijvende kracht vormt achter het universum
panenteisme
verb
1.met geklopt ei bestrijken en daarna bestrooien met paneermeel
panere
noun
1. blaasinstrument dat is samengesteld uit een reeks van eentonige fluiten
panfløjte
noun
panik
noun
1. een platte, ronde koek die in een pan gebakken is
pandekage
noun
omniseksualitet
noun
1. benaming voor verschillende grote katachtige roofdieren
panter
/pɑn.teʲ'ɪsmə/
noun
panteisme
/paˈpa.ja/
noun
  1. 1. meloenboom
    melontræ
  2. 1. en 2. (vrucht van) de boom Carica papaya
    papaja
noun
1. een plantengeslacht waarin ook de opiumpapaver thuis hoort
valmeu
noun
1. benaming voor vogels uit de orde Psittaciformes
papegøje
noun
1.1 bepaald soort opvallende zeevogel die zelfs onder water kan vliegen, Fratercula arctica
lunde
noun
clips
/pɑ'pir/
noun
1. een dun vezelachtig beschrijfbaar materiaal
papir
noun
1. bouwmateriaal dat gemaakt wordt door papier te vermengen met natte lijm
papmaché
/ˌpa.pu.wa.niβ̞.ɣi.ˈne.ja/, /ˌpa.pu.wa.niβ̞.χi.ˈne.ja/, /ˌpa.pu.wa.nyʊ̯.ɣi.ˈne.ja/
pronoun
land en staat in Oceanië
Papua Ny Guinea
/ˈpaprika/, /ˈpɑprika/
noun
2. vrucht van een bepaalde gekweekte vorm van een peperplant, Capsicum annuum
  1. peberfrugt
  2. paprika
noun
lignelse
/ˌparaˈboɫ/
noun
1. kegelsnede waarbij het snijvlak parallel loopt met een lijn die aan de kegel raakt en tevens het toppunt snijdt.
parabel
noun
faldskærm
adjective
1. tot een paradigma behorend
paradigmatisk
noun
paradis
/ˌpɑrɑˈdɛɪ̯svoɣəl/, /ˌpɑrɑˈdɛɪ̯svoχəɫ/, /ˌpɑrɑˈdɛːsvoɣəl/
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Paradisaeidae
paradisfugl
noun
paradoks
/ˈpa.ra.gʋɑɪ̯/, /ˈpa.ra.gβ̞ɑɪ̯/, /ˈpa.ra.ɣ<sup>ʊ</sup>ɛɪ̯/, /ˈparaˌɡwe/
pronoun
Paraguay
noun
parallelepipedum
/paralɛloˈɣrɑm/, /pɑrɑlɛloˈʝrɑm/
noun
1. (wiskunde) een vierhoek waarvan de overstaande zijden evenwijdig zijn
parallelogram
noun
1. achtervolgingswaanzin
paranoia
/ˌpa.ra.ˈply/
noun
1. een scherm waarover een waterdichte stof is gespannen om zich te beschermen tegen de regen
paraply
noun
parapsykologi
noun
1. klaploper, iemand die ten koste van een ander leeft, een profiteur
parasit
noun
parasol
noun
1. bepaald soort zoogdier, Lynx pardinus
Spansk los
noun
1. een hard, rond voorwerp dat door bepaalde weekdieren wordt gemaakt,...
perle
noun
1. rond gepolijste gepelde gerst
perlebyg
noun
1. benaming voor vogels uit het geslacht Numididae
perlehøne
/parəl'mur/
noun
1. het glanzende mineraal dat de binnenzijde van bepaalde schelpen bedekt
perlemor
noun
perfume
verb
parfumere
pronoun
1. de hoofdstad van Frankrijk
Paris
noun
een inwoner van Parijs
pariser
noun
paritetsbit
/pɑrᵊk/
noun
1. een groengebied bedoeld voor recreatie of natuurbehoud
park
noun
1. garage voor het parkeren van motorvoertuigen
p-hus
noun
1. een installatie met klok die na de muntinworp de toegestane parkeertijd aangeeft
parkometer
noun
1. plek waar auto's of andere voertuigen geparkeerd kunnen worden
parkeringsplads
noun
parkeringsskive
verb
1. (een voertuig) tijdelijk ergens laten staan
parkere
noun
  1. 1. Openbaar Ministerie
  2. 2. afzonderlijke ruimte in gerechtszalen
  3. 3. parketvloer
parket
noun
vogel
parakit
noun
parlament
noun
1.
sjæl
noun
1. gemeenschap van gelovigen in de katholieke kerk die bij één kerkgebouw hoort
sogn
/pa.ˈrɔ.xiˌkɛrk/, /pa.ˈrɔ.χiˌkɛrk/
noun
1. een lokaal kerkgebouw dat het religieuze centrum van een parochie vormt
sognekirke
verb
parodiere
noun
1. ontsteking van het nagelbed
paronychion
noun
parsec
adjective
bij een bepaalde stelling of kant aansluiten
partisk
noun
1. klein deeltje
partikel
noun
    1. 2. deelgenoot in spelen, speelgenoot, mededanser
    2. 3. iemand met wie men gehuwd of niet een relatie heeft
    kompagnon
  1. 1. iemand met wie men gezamenlijk iets onderneemt of handel drijft
    partner
noun
1. eenheid voor druk (symbool: Pa)
pascal
noun
1. het belangrijkste feest van het christendom, waarbij de Opstanding van Jesus centraal staat
påske
adjective
1. kort geleden geboren
nyfødt
noun
pas
noun
1. de vaste oostelijke wind die waait tussen de 30 graden noorderbreedte en 30 graden zuiderbreedte en het reizen met zeilschepen over de oceaan aanzienlijk eenvoudiger maakt
passat
noun
1. iemand die al of niet tegen betaling meereist met een voer-, vaar- of vliegtuig
passager
noun
1. stoel in een vervoersmiddel voor iemand die het voertuig niet bestuurt; stoel naast de chauffeur
passagerside
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Passau
verb
1. precies de goede maat zijn, erin kunnen
passe sammen
noun
1. (eetbare) vrucht van het plantengeslacht Passiflora
passionsfrugt
noun
1. de benaming voor een aantal Italiaanse deegproducten
pasta
noun
1. een document of ander kunstwerk zoals een toneel- of muziekstuk dat is gemaakt via nabootsing en/of het combineren van bepaalde kenmerken van een of meerdere originelen
pastiche
noun
1. bepaald circa 20 cm lang knolgewas, Pastinaca sativa
pastinak
noun
sognepræst
noun
1. model van kledingstuk precies aansluitend op het lichaam
pasform
pronoun
1. benaming voor het zuidelijke deel van Zuid-Amerika, tussen de Colorado en de Straat van Magellaan
Patagonien
noun
1. de tak van de geneeskunde die het ontstaan en verloop van ziektes bestudeert
patologi
adjective
1. ziekte betreffend
patologisk
/pɑˈsʲɛnt/
noun
iemand die medische hulp krijgt
patient
noun
1.
patriark
noun
1. aanzienlijk persoon, burger, rijke koopman, regent, ...
patricier
noun
1. een vogel uit de familie van de fazanten
agerhøne
noun
1. klein rond raam in een scheepswand dat waterdicht kan worden afgesloten
koøje
noun
1. goede vaderlander
patriot
noun
patronym
noun
patrulje
noun
1. wagen waarmee de politie rondrijdt om inspecties uit te voeren
patruljebil
noun
1. stevig, maar smeerbaar mengsel van fijngemalen vlees
pate
noun
1. een grote verstembare keteltrommel zoals gebruikt in een orkest
pauke
/'pɑupər/
noun
1. iemand die heel arm is
fattiglem
/pɑu̯s/
noun
1. hoofd van de katholieke kerk
pave
adjective
1. betrekking hebbend op de paus, het hoofd van de rooms-katholieke kerk
pavelig
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Påfuglen
noun
1. benaming voor siervogels uit het geslacht Pavo
påfugl
/ˈpɑʊzə/
noun
1. tijd waarin de hoofdactiviteit wordt onderbroken
pause
noun
  1. 1. met de voet te bedienen hefboom
  2. 3. met de voet te bedienen hefboom van een muziekinstrument
pedal
noun
pædiatri
adjective
1. behorende tot het verlangen van een volwassene naar seksueel contact met kinderen
pædofil
noun
1. een volwassene die verlangt naar seksueel contact met kinderen
pædofil
noun
1.
pædofili
noun
1. vrucht
pære
/pes/
noun
1. een uitloper van spierweefsel die de spier aanhecht aan het bot
sene
noun
1.
gudsøn
/'pejorɑ'tif/
adjective
nedsættende udsagn
/pɛlgrɪm/
noun
pilgrim
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Pelecanidae
pelikan
noun
1. zoogdier waarvan de behaarde huid als bont gebruikt wordt
pelsdyr
noun
1. instrument om met inkt te schrijven of te tekenen
pen
noun
penicillin
noun
1. het mannelijke geslachtsdeel
penis
noun
1. de eerste afdeling van de maag van herkauwers
vom
noun
pensel
noun
pensionskasse
noun
1. C₅H12
pentan
noun
pentagram
noun
1. een specerij van gemalen peperkorrels met een scherpe, hete smaak
peber
verb
1. met peper bestrooien, kruiden
pebre
noun
peberkværn
noun
1. en 2. (bladeren van) de plant Mentha × piperita
peber-mynte
noun
1. vluchtige olie, uit de bladeren en bloesemtoppen van de pepermuntstruik Mentha × piperita bereid
pebermynteolie
preposition
1. door middel van
efter
/perə(n)bom/
noun
1. een boom met peren als vrucht
pæretræ
noun
1. hervormingen zoals deze door Gorbatsjov werden voorgesteld in de Sovjet-Unie
perestrojka
/ˌpɛrfoˈratɔr/
noun
1. een apparaat om gaten te maken in papier, karton, kunststof folie of metaalplaat.
hullemaskine
noun
1.
pergola
noun
mellemkød
/pɪri'jodɘ/
noun
1. tijdperk
periode
adjective
1. periodisch, regelmatig terugkerend
periodisk
noun
periodiske system
noun
1. een dun schrijfmateriaal, gemaakt van huid van kalveren, koeien, geiten, schapen, konijnen of ezels
pergament
adjective
1. voortdurend
permanent
noun
1. populistische en nationalistische politieke stroming in Argentinië
peronisme
/pɛˈrɔn/
noun
1. een hoge, lange zijstoep of verhoogde vrije stoep aan een station om in en uit te stappen
perron
noun
  1. 1. instrument waarmee druk uitgeoefend kan worden
  2. 2. journalistieke media
presse
noun
  1. 1. menselijk individu
  2. 2. grammaticaal begrip
person
adjective
1. betrekking hebbend of uitgevoerd door de persoon zelf
personlig
noun
1. een voornaamwoord dat in de plaats komt van een zelfstandig naamwoord of eigennaam en hiernaar verwijst
personligt pronomen
noun
1. het geheel van kenmerken en gedragingen dat iemand uniek maakt
personlighed
noun
personlighedsforstyrrelse
/pɛrspɛkˈtif/
noun
perspektiv
/peˈru/
pronoun
1. een land in Zuid-Amerika
Peru
noun
1. perversiteit, tegennatuurlijkheid, verdorvenheid
perversion
noun
1. sappige vrucht van de perzikboom
fersken
noun
1. gepureerde vruchten van de perzikenboom
ferskenpuré
pronoun
1. een Indo-Iraanse taal die gesproken wordt in Iran, Afghanistan en Tadzjikistan
persisk
pronoun
1.
Persiske Bugt
pronoun
Peshawar
noun
(medisch) Dodelijke en besmettelijke ziekten veroorzaakt door de bacterie Yersinia pestis
pest
noun
pesticid
noun
1. bepaald soort vogel, Bombycilla garrulus
silkehale
noun
1. tamelijk plat hoofddeksel met een klep
kasket
noun
1.
petameter
/petəkɪnt/
noun
gudbarn
noun
2. kruid
persille
noun
1. laag plat ronde bakje van glas of kunststof met een ruim eroverheen passend deksel
petriskål
noun
1. een symbool, figuur of andere afbeelding die in de rotsen is gekrast, gekerfd of gehakt
helleristning
noun
petroleum
noun
1. gesteentekunde
petrologi
pronoun
  1. 1. discipel van Jezus
  2. 3. Peter
  1. Peter
  2. Peder
noun
1. overblijfsel van een opgerookte sigaret of sigaar
skod
noun
2. en 3. (peulen van) Pisum sativum var. saccharatum
sukkerært
noun
1. een jong kind in de leeftijd van een tot vier jaar
småbarn
pronoun
  1. 1. Griekse god van de paniek
  2. 2. grotere van de twee manen van Mars
Phobos
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Phoenix
noun
1. musicus die een piano bespeelt
pianist
noun
1. groot snaarinstrument met klavier (algmeen)
klaver
/pɪˈkɑrdɪʲə/
pronoun
regio in Noord-Frankrijk
Picardie
noun
1. piccolofluit
piccolofløjte
noun
1. een maaltijd in de vrije natuur
picnic
noun
1.
pikometer
noun
1. geslachtsdeel van de man, penis gebruikt voor onvolgroeide jongens
tissemand
noun
1. benaming voor vogels uit het geslacht Anthus
piber
adjective
1. bijzonder klein
bittesmå
/piːr/
noun
2. een in een zee of rivier uitstekende brug, dam of golfbreker
mole
pronoun
1. jongensnaam
  1. Peder
  2. Peter
  3. Per
noun
1. projectiel
pil
/pɛɪ̯n/, /pɛːn/
noun
1. lichamelijk leed
smerte
noun
1. een houtige zaaddoos van een aantal naaldbomen
grankogle
/'pɛːinstɪlər/
noun
1. middel
smertestillende
noun
1. samenstel van pijpen om vloeistoffen of gassen door te leiden
rørledning
noun
  1. 2. houweel
    hakke
  2. 1. penis
    pik
/ˈpɪkhʌʊʋɪ:ɫ/
noun
1. hakwerktuig met steel, voorzien van een punt aan de ene zijde en een beitelachtige voorziening aan de andere zijde
spidshakke
verb
4. (met de snavel) prikken
pikke
adjective
1. heel zwart
begsort
noun
  1. 1
  2. 2
pille
noun
1. een bestuurder van een vliegtuig, luchtschip of race-auto
pilot
noun
1. bepaalde mezensoort, Cyanistes caeruleus
blåmejse
/pɪn.ˈsɛt/
noun
1. een gevorkt werktuig bestaande uit twee armen waarvan de punt bijeengeknepen kan worden
pincet
adjective
1. een soort broodbeleg dat bestaat uit een pasta van pinda's, slaolie en zout
jordnøddesmør
/ˈpɪŋɡwɪn/
noun
1. benaming voor niet-vliegende zeevogels uit de orde
pingvin
noun
1. de vijfde, kleinste en buitenste vinger
lillefinger
pronoun
1. Christelijk feest
pinse
/piˈɔn/
noun
1. een schaakstuk dat alleen recht vooruit kan lopen en schuin vooruit slaan
bonde
noun
pioner
noun
1.
  1. pirat
  2. sørøver
noun
1.
pyramide
noun
  1. 1. het beroven of plunderen van een schip op open zee
  2. 2. opzettelijke schending van het auteursrecht door het ongeoorloofd namaken van goederen of ...
piratkopiering
noun
1. een ornament op een markant punt van een bouwwerk
korsblomst
noun
pistacienød
noun
1. een semi-automatisch handvuurwapen met een langwerpig magazijn in het handvat
pistol
noun
1. een beeldpunt
pixel
/ˈpidza/, /ˈpitsa/
noun
1. gerecht van een belegde broodbodem
pizza
noun
  1. 1. persoon
  2. 2. bedrijf of winkel
pizzabager
noun
1. deeg voor de bodem van een pizza
pizzadej
noun
1. iemand die pizza's bezorgt
pizzabud
noun
1. restaurant
pizzeria
pronoun
Piemonte
noun
wijdverspreid onheil, ongemak
plage
/plaːts/
noun
1. een bepaalde ruimte of een bepaald punt in de ruimte
  1. plads
  2. sted
noun
1. precieze plek waar een misdaad is gebeurd
  1. gerningssted
  2. åsted
verb
1. op een bepaalde plaats zetten
placere
noun
1. geneesmiddel zonder werkzame stof
placebo
/plɑˈfɔnt/
noun
1. de bovenkant van een ruimte in een gebouw
loft
verb
1. iemand (goedmoedig) pesten
drille
noun
plagiat
/ˈplɑg.bɑnt/
noun
1. een lintvormige drager die aan één of beide zijden bedekt is met kleefstoffen
  1. tape
  2. klisterbånd
noun
2.
plakat
noun
1. een voorgenomen handelswijze
plan
noun
1. een groot, rond en massief hemellichaam dat zelf geen licht geeft en in een vaste baan rond een ster draait
planet
noun
1. een toestel om de bewegingen van planeten voor te stellen
planetarium
noun
1. een brok vaste materie die net als een planeet in een baan rond de zon draait, maar kleiner is dan een planeet
  1. asteroide
  2. planetoide
/plɑŋk/
noun
1. een plat en langwerpig stuk hout
bræt
noun
lampefeber
noun
  1. 1. organisme dat kooldioxide opneemt en zuurstof afgeeft
  2. 2. van stengel en bladeren voorzien gewas dat zijn voedsel uit de aarde opneemt
plante
/plɑntˈaːr.dəx/
adjective
1. tot de planten behorend, uit planten bestaand of daarvan afkomstig
plante
verb
1. (een plant) in de aarde zetten om te laten groeien of bloeien
  1. plante
  2. så
noun
1. het onderdeel van de biologie dat zich bezighoudt met de studie van de planten
botanik
noun
1. een verzameling van vocht
pyt
noun
1.
plasma
verb
1. via de urinebuis vloeibare lichamelijke afvalstoffen lozen
tisse
/'plɑstik/, /'plɛstɪk/
noun
plastisch vervormbare polymere kunststof
plast
noun
1. benaming voor loofbomen uit het geslacht Platanus
platan
noun
1. scheikundig element met symbool Pt en atoomnummer 78
platin
/ˈplɑtvɪs/
noun
1. een orde van vissoorten die op hun zijde op de bodem leven, en geheel plat zijn
fladfisk
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Saksen
Plauen
noun
1. het plaatje waarmee snaren worden aangeslagen
plekter
noun
torv
/ˈplɛinˌvreːs/
noun
agorafobi
noun
2. zelfklevend verband
plaster
/plejoˈnɑsmə/
noun
1.
dobbeltkonfekt
noun
1.
brokfugl
noun
1. een taak die men op zich genomen heeft of opgelegd heeft gekregen
pligt
noun
1. landbouwgereedschap om de grond om te woelen
plov
verb
2. land met de ploeg bewerken
pløje
noun
sprængning af hæveautomat
/ploˈsif/
noun
1. medeklinker die geproduceerd wordt met een volledige obstructie...
klusil
noun
1. vlok droge, lichte stof met een open structuur
fnug
/'plɵkə(n)/
verb
  1. 1. (bloemen) afbreken of oogsten
  2. 4. (sport) een door de lucht vliegende bal grijpen
  3. 2. ontdoen van de veren
plukke
verb
1. met geweld zich roerende goederen toeëigenen uit de woning van iemand anders
plyndre
conjunction
plus
noun
plustegn
pronoun
1.
Pluto
noun
1. Chemisch element
plutonium
/po/
pronoun
1. stroom in Italië
Po
noun
1. digitale radio-uitzending waarbij een audiobestand op internet wordt gezet...
podcast
pronoun
1.
Podolien
noun
1. Frans krulharig hondenras
puddelhund
noun
pulver
noun
1. zeer fijn gemalen suiker
flormelis
noun
1. bepaald soort zoogdier, Felis concolor
puma
noun
1. uitgescheiden vaste afvalstoffen van mens of dier
lort
noun
1. een van de oudste huisdieren van de mens
kat
noun
1. sociaal-economische en politieke praktijk in Rusland in het begin van de 21 eeuw
putinisme
noun
  1. 1. razzia tegen joden
  2. 2. gewelddadige aanvallen...
pogrom
noun
1.kaartspel
poker
noun
1. emotieloos gezicht
pokeransigt
noun
2. epidemische huidziekte
kopper
pronoun
1. Polaris
Polarstjernen
noun
polaritet
/ˈpɔldəʀ/
noun
1. een bedijkt stuk land waarin de waterstand kunstmatig geregeld wordt
kog
/ˈpolə(n)/, /ˈpoːlə(n)/
pronoun
1. een land in het midden van Europa met de officiële naam Republiek Polen (Rzeczpospolita Polska)
Polen
/poˈlɛɪstə(n)/
verb
1. een stenen of glazen oppervlak bijzonder glad slijpen met steeds fijnere slijpmiddelen
polere
noun
1. een discipline
politologi
noun
1. iemand die zich beroepsmatig met politiek bezighoudt
politiker
noun
1. een overheidsdienst die belast is met de handhaving van de openbare orde...
politi
noun
1. een persoon die belast is met hulpverlening en met de handhaving van de openbare orde en veiligheid
politibetjent
noun
politistation
/poliˈtik/
adjective
1. betreffende de politiek
politisk
/poliˈtik/
noun
1. datgene dat gerelateerd is aan het besturen van een land
politik
noun
1.(Nederland) een vrij vlakke, houten of kunststoffen lepel gebruikt voor het roeren van voedsel dat toebereid wordt
træske
noun
1. Chemisch element
  1. polonium
  2. plonium
noun
anatomie: 1. gewricht
håndled
noun
polyamori
noun
polyandri
noun
2. thermoplastisch polymeer
polykarbonat
noun
polyfoni
noun
polygami
noun
polyglot
noun
1. een gesloten stelsel lijnsegmenten die samen een plat vlak omsluiten
polygon
noun
1.
polymer
noun
polymælkesyre
pronoun
1. eilanden in de Grote Oceaan of Stille Oceaan die samen Oceanië vormen
Polynesien
noun
thermoplastische kunststof, bereid door polymerisatie van propeen
polypropylen
noun
1. het kunnen hebben van meerdere (verwante) betekenissen
polysemi
noun
1. godsdienst met meer dan één god
polyteisme
noun
1. en 2. (vrucht van de) boom Citrus maxima × Citrus ×paradisi
pomelo
pronoun
1. historische regio in het zuiden van de Oostzee
Pommern
noun
pumpe
/ˈpɔmpəlˌmus/, /ˈpɔmpəɫˌmus/
noun
  1. 1. bepaald soort tot tien meter hoge boom, Citrus maxima
    grapefrugt
  2. 2. een vrucht van deze boom
    1. grapefrugt
    2. pomelo
noun
1. een zeer oud cultuurgewas uit Midden- en Zuid-Amerika
græskar
noun
1. naam voor verschillende munteenheden die in het Verenigd Koninkrijk en sommige Engelstalige landen worden gebruikt
pund
noun
kaart die tot de jaren 80 werd gebruikt voor het vastleggen van gegevens d.m.v. erin geponste gaatjes
hulkort
noun
1. werkschuit met een vlak dek
ponton
noun
1. een brug die bestaat uit op het water drijvende elementen
pontonbro
noun
1. paard uit een ras met een schofthoogte tot ongeveer anderhalve meter
pony
/'poːjər/
noun
1. een man die prostituees tegen betaling beschermt en helpt.
alfons
/pol/, /poɫ/, /po̝ɫ/
noun
1. een inwoner van Polen, of iemand afkomstig uit Polen
polak
noun
A 1. uiteinde van een draaiingsas
pol
noun
1. de begrenzing van het gebied waar 's zomer de middernachtszon gezien kan worden en 's winters de nacht een heel etmaal kan duren
polarcirkel
noun
1.
polarlys
/poɫs/, /poːls/, /po̝ɫs/
pronoun
1. een taal die in Polen gesproken wordt
polsk
noun
1. bepaald soort zoogdier, Alopex lagopus
polarræv
noun
1. benaming voor zeevissen uit familie Triglidae
knurhane
/poːrt/
noun
1. met deuren afsluitbare doorgang door een muur
port
noun
pote
noun
1. speeltuig
dukke
noun
1. een in het klein uitgevoerde versie
dukkehus
noun
1. kunstenaar achter poppenspel
dukkefører
noun
  1. 1.
  2. 3. een groep organismen
population
noun
1.
  1. poppel
  2. poppeltræ
noun
1. politieke stroming die vindt dat een maatschappelijke elite de belangen van het volk verwaarloost...
populisme
noun
pornografi
/pɔrsəlɛːn/, /pɔrsəˈlɛɪn/
noun
  1. 1. fijn, geglazuurd aardewerk
  2. 2. voorwerpen van fijn, geglazuurd aardewerk
porcelæn
noun
1. portaalkraan
portalkran
noun
1. geldbuidel
pung
noun
2. zuilengalerij
porticus
noun
1.schilderij, foto of andere artistieke voorstelling van een persoon
portræt
/'pɔrtyɣɑl/
pronoun
1. een land in het zuidwesten van Europa, officieel de Portugese Republiek
Portugal
/ˌpɔr.ty.ˈɣes/, /ˌpɔr.ty.ˈχes/
adjective
1. verwijzend naar Portugal of naar de Portugese taal
portugisisk
/ˌpɔr.ty.ˈɣes/, /ˌpɔr.ty.ˈχes/
noun
1. inwoner van Portugal
  1. portugiser
  2. portugisisk
/ˌpɔr.ty.ˈɣes/, /ˌpɔr.ty.ˈχes/
pronoun
2. taal gesproken in Portugal
portugisisk
/pɔr.ty.ˈɣe.sə/, /ˌpɔr.ty.ˈχe.sə/
noun
1. vrouw
portugiser
/po'zisi/
noun
  1. 5. een vaste betrekking
    plads
    1. 1. een stand van het lichaam
    2. 2. een innerlijke houding
    3. 3. een plaats van waaruit men iets onderneemt
    4. 4. een toestand waarin iemand zich bevindt
    5. 6. een maatschappelijke stand
    6. 7. de ligging van de hand
    7. 8. een opstelling van troepen en materieel
    position
adjective
positiv
/pɔs/, /pɔst/
noun
1. toegezonden materiaal, zoals brieven; poststuk - poststukken
post
noun
1. postbeambte
postbud
noun
1. een afgerichte duif die berichten kan overbrengen
brevdue
noun
1. kantoor dat zich bezighoudt met de bezorging van post en vaak ook andere diensten levert ...
postkontor
noun
1.
postmodernisme
adjective
1. na een letsel
posttraumatisk
/ˈpɔseɣəl/, /ˈpɔseχəɫ/
noun
1. betalingsmiddel voor het verzenden van post
  1. frimærke
  2. mærke
noun
lebbe
/ˈpɔ.dɑs/
noun
potaske
verb
1. ondiep in de aarde stoppen, met name van bollen, wortels, zaden e.d. om deze te laten groeien
plante
adjective
1. mogelijkheid
potentiel
noun
1. schrijfgerei met een zachte stift vervaardigd van klei en grafiet ingebed in een houten huls
blyant
noun
1. iets wat bestaat uit een samenraapsel van fragmenten uit andere werken
medley
noun
1. deel van een gebroken pot van aardewerk
potteskår
noun
1. bepaald soort zeezoogdier, Physeter macrocephalus
  1. kaskelothval
  2. kaskelot
/prax/, /praç/
pronoun
hoofdstad van Tsjechië
Prag
noun
2. een hulpmiddel in de vorm van een stuk hout en een lus die om de bovenlip aangebracht wordt om een paard rustig te houden
brems
/prɑkˈtɛɪ̯k/, /prɑkˈtɛːk/
noun
  1. 1. ruimte waarin een arts zijn beroep uitoefent
  2. 2. hoe dingen werkelijk gaan...
  3. 4. gewoonte(n), manier van doen
praksis
/ˌprazejoˈdimijʏm/
noun
1. Chemisch element
  1. praseodymium
  2. praseodym
/ˈpraː.tə(n)/
verb
1. zich met behulp van de stem uiten
tale
/preˈkɑmbrijʏm/
noun
prækambrium
/ˌpredikaˈtif/
adjective
prædikativ
pronoun
Prædikeren
noun
prædiken
noun
forhistorie
noun
1. en 2 (bladeren van) plant Allium porrum
porre
noun
1. de eerste vaak feestelijke vertoning van een film, toneelstuk of een andere vorm van entertainment
premiere
noun
billedbog
noun
1. bereiding van chemische stof, geneesmiddel e.d
præparat
noun
1. het staatshoofd van een republiek
præsident
noun
1. het bestuur van een vereniging (vooral van studentenverenigingen en politieke organisaties)
præsidium
noun
1. vaak fraai gevormd, zwaar voorwerp dat men boven op een stapel losse papieren kan leggen zodat de papieren niet kunnen wegwaaien
brevvægt
noun
præstation
noun
3. iemand die preuts is
sippe
/prøts/
adjective
1. zeer ingetogen, overdreven kuis
sippet
noun
1. ongezond langdurige erectie van de penis
priapisme
noun
1. priemgetal
primtal
noun
1. iemand die de religieuze (offer) rituelen verzorgt
præst
noun
1. de gevraagde geldsom bij verkoop
pris
noun
1. een bord (vaak van vilt) waar met behulp van punaises foto's en andere papierwerken op kunnen worden opgespeld
opslagstavle
noun
1. materiaal bestaande uit een dubbele, in elkaar gedraaide metalen draad...
pigtråd
noun
  1. 1. benaming voor zoogdieren uit de orde Primates
  2. 2. kerkelijke titel
primat
adjective
  1. 1. alle kortste translatievectors in de richting van de hoofdassen van de rotatiesymmetrie hebbend.
  2. 2. de drie kortste niet in hetzelfde vlak liggende translatievectors als ribben van de eenheidscel hebbend.
primitiv
noun
  1. 1. hoogste adellijke titel van een man of jongen
  2. 2. laagste koninklijke titel van een man of jongen
  1. prins
  2. fyrste
adjective
1. als horend of passend bij een prins of prinses, bestaand uit prinsen of prinsessen
prinselig
noun
  1. 1. de hoogste adellijke titel van een vrouw of meisje
  2. 2. de laagste koninklijke titel van een vrouw of meisje
prinsesse
/ˈprɪntər/
noun
1. toestel om gegevens af te drukken onder andere op papier.
printer
noun
1. (elektrotechniek) plaat waarop elektronische bedrading aanwezig is, aangebracht met frees- of etstechnieken
printplade
noun
prisme
/pri'vatrɛxt/
noun
1. vakgebied van het recht m.b.t. de onderlinge verhoudingen tussen private personen, maar ook hun privébelangen
privatret
adjective
1. voor persoonlijk gebruik gereserveerd
privat
noun
1. de tijd die besteed wordt aan persoonlijke bezigheden
pivatliv
/proˈberə(n)/
verb
  1. 3. iets met succes trachten te beëindigen waarvan men niet weet of het gaat lukken
  2. 2. onderzoeken
  3. 1. testen
prøve
noun
1. iets dat schade teweegbrengt of de voortgang van iets anders in de weg staat
  1. dilemma
  2. knibe
  3. problem
adjective
1. met problemen behept
problematik
adjective
1. een probleem vormend
problematisk
/prosəˈdyrə/, /proseˈdyrə/
noun
  1. 1.
  2. 4.
fremgangsmåde
/pro'sɛnt/
noun
1. een honderdste deel
procent
/proˈsɛs/
noun
2. opeenvolging van gebeurtenissen, gang van zaken
forløb
noun
procesret
noun
1. het resultaat van een bewerking
produkt
noun
1. voortbrenging
produktion
noun
1. konijn waarop er geëxperimenteerd wordt
forsøgskanin
noun
afhandling
noun
prøveperiode
verb
  1. 1. onderzoeken hoe iets smaakt
  2. 2. smaak waarnemen
smage
noun
1. een persoon die boodschappen van een godheid aan de mensen doorgeeft
profet
/proˈfɛsɔr/
noun
1. de aanspreektitel voor een hoogleraar
professor
noun
progesteron
noun
1. een applicatie voor de computer
program
noun
programmeringssprog
/proˈjɛkt/
noun
1. een zaak die men denkt uit te voeren of te onderzoeken
projekt
noun
projektion
noun
toestel om een afbeelding op een scherm te projecteren
projektor
noun
proletariat
noun
proletar
noun
1. verhandelbare schuldbekentenis
gældsbrev
noun
1. een scheikundig element met het symbool Pm en het atoomnummer 61; een zilverwit à grijs lanthanide
promethium
/proˈmotsi/
noun
2. bevordering naar een hogere speelklasse
oprykning
noun
1. en 2. (peulvrucht van) Phaseolus coccineus
pralbønne
noun
1. dat wat door een dier wordt buitgemaakt
bytte
/prost/
interjection
1. heildronk
skål
noun
1. C₃H₈
propan
noun
1. activiteiten of materiaal gericht op het beïnvloeden van de mening of het gedrag...
propaganda
noun
propeller
noun
1.een klier tussen de blaas en de penis van de man
prostata
noun
prostatakræft
verb
1. iemand dwingen tot het aanbieden van seksuele diensten
prostituere
noun
1. het tegen betaling ter beschikking stellen van het lichaam voor het seksuele genot van een ander
prostitution
noun
1. scheikundig element met symbool Pa en atoomnummer 91
protactinium
noun
1.
hovedperson
noun
2.
protektionisme
noun
1. een uiting van ontevredenheid met het gevolgde beleid
protest
verb
1. grote bezwaren uiten
protestere
noun
protestsanger
noun
1.
protein
noun
1. een kunstmatig lichaamsdeel
protese
pronoun
1. hypothetische, gereconstrueerde taal waar vele Europese talen, waaronder het Nederlands en het Frans, van afstammen
protoindoeuropæisk
noun
4. geheel van voorschriften en afspraken in de internationale diplomatieke omgang
protokol
/'protɔn/
noun
proton
noun
1. oorspronkelijk model, eerste model van een product
prototype
/pro.ˈvɪn.si/
noun
1. een staatkundig onderdeel van een land
provins
adjective
  1. 1. niet dichterlijk, in gewone taal
  2. 2. weinig opmerkelijk, saai
prosaisk
noun
1. een kunstmatig haarstuk waarmee het hoofd bedekt wordt
paryk
verb
2. droevig zijn zonder geluid te maken
surmule
noun
2. vrucht van de pruimenboom
blomme
noun
sveske
noun
1. kerftabak die geschikt is om gepruimd te worden (om op te kauwen)
skråtobak
pronoun
  1. Preussen
  2. Prøjsen
/psɑlm/
noun
1. elk van honderdvijftig gezangen uit de Tenach en het Oude Testament
salme
pronoun
1. boek in de Bijbel met lofliederen op God
Salmerne
/psœydoˈnim/
noun
1. een aangenomen naam waaronder men iets publiceert
pseudonym
noun
pseudovidenskab
/ˌpsɪxeˈdelɪs/
adjective
1. de werking van het bewustzijn verruimend
psykedelisk
noun
psykiater
noun
psykiatri
adjective
1. met betrekking tot de behandeling van geestelijke stoornissen
psykiatrisk
adjective
1. geestelijk
psykisk
noun
1. stroming in de psychologie
psykoanalyse
/psixoloˈɣi/, /psiχoloˈχi/
noun
1. de wetenschap die zich bezighoudt met het onderzoek naar bewustzijnsverschijnselen
psykologi
adjective
1. met betrekking tot het gevoelsleven.
psykologisk
/ˌpsi.χo.ˈloχ/, /ˌpsɪ.xo.ˈlox/
noun
1. een beoefenaar van de psychologie
psykolog
noun
1.iemand die lijdt aan een persoonlijkheidsstoornis die antisociaal gedrag veroorzaakt
psykopat
/psi'xozə/
noun
1. een geestesziekte waarbij men wanen heeft
psykose
adjective
1. met betrekking tot het verband tussen geest en lichaam
psykosomatisk
noun
1. stroming in de psychologie
psykoterapi
noun
1. het proces van seksuele rijping van kind naar volwassene en het gedrag dat daar bij hoort
pubertet
/pyˈblik/
adjective
2. wat het publiek aangaat
offentlig
/pyˈblik/
noun
1. een groep toeschouwers
publikum
noun
gangbare benaming voor de status van werken die geheel vrij zijn van auteursrechten en naburige rechten
offentligt domæne
noun
1. harde rubberen schijf gebruikt bij ijshockey
puk
noun
1. nagerecht, vaak zoet, koud en op basis van melk
budding
pronoun
1. een met de Verenigde Staten geassocieerde vrijstaat in het oostelijk deel van de Caribische Zee
Puerto Rico
noun
pimpsten
noun
1. een prik
punktur
noun
  1. 1. een spits toelopend uiteinde
    prik
  2. 1. een positie in de ruimte
    punktum
noun
1. taps toelopende houder met een mesje dat bedoeld is voor het aanslijpen van een verse punt aan een potlood
blyantspidser
noun
1. een leesteken dat twee nauw aan elkaar gerelateerde zinnen tot een geheel verbindt (;)
semikolon
noun
  1. 2. leerling
  2. 1. oogappel
pupil
noun
1. pasgeboren hond, jonge hond
hvalp
noun
1. chocolade van zuivere cacaopasta plus suiker
  1. mork chokolade
  2. mørk chokolade
noun
1. streven naar puurheid
rensning
adjective
purpurfarvet
noun
1.
purpurhejre
/pɵt/
noun
1. een pijpvormige uitholling in een oppervlak
brønd
noun
2. distelvink
stillits
noun
1. een stevig aan dek of boord verankerd oog waaraan het want of een stag want wordt bevestigd
røstjern
/pyzəl/, /pʏzɔl/
noun
1. een raadsel of moeilijke opgave die men als tijdverdrijf probeert op te lossen
puslespil
noun
acroniem van polyvinylchloride
polyvinylchlorid
noun
1.
pygmæ
noun
1. gemakkelijk zittende hemd en broek die 's nachts in bed kunnen worden gedragen
pyjamas
pronoun
1. een gebergte op de grens van Frankrijk en Spanje
Pyrenæerne
noun
2. een vaste stof die het structuurtype heeft waarvan [1] het archetype is
pyrit
noun
1.
pyroman
noun
1. een niet-giftige en grote wurgslang
pyton
/kɑt/
noun
1. blad van een bedektzadige plant Catha edulis
  1. kat
  2. khat
  3. kath
/ka'tar/, /ka'tɑr/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten
Qatar
noun
1. volgeling van een religieuze beweging gekend onder de naam Genootschap der Vrienden
kvæker
noun
1. tijdelijke afzondering van personen, dieren of zaken die besmet zouden kunnen zijn met ziektekiemen
karantæne
/kwɑrk/
noun
kvark
pronoun
1. macrotaal die door indianen in Ecuador, Peru en Bolivia wordt gesproken
quechua
pronoun
1.
Quedlinburg
pronoun
1. Australische deelstaat gelegen in het noordoosten van het land
Queensland
/kwiˈnowa/
noun
1. Zuid-Amerikaanse plant (Chenopodium quinoa) en 2. zaden van die plant
quinoa
noun
1. spel waarbij de deelnemers vragen moeten proberen te beantwoorden
quiz
noun
1. resultaat van de deling van het deeltal door de deler
kvotient
interjection
1. horizontaal draaibare boom aan mast
rå
/rat/, /raːd/
noun
  1. 2. een orgaan dat bestaat uit leden die raadgevende of beslissende bevoegdheden bezitten
  2. 1. aanbeveling hoe om te gaan met een probleem
råd
pronoun
Rådet for Den Europæiske Union
pronoun
Europarådet
adjective
1.
rådgivende
verb
1. een bron van informatie of ervaring aanspeken
  1. rådspørge
  2. konsultere
noun
1. iets waarnaar men moet raden
gåde
/raːf/
noun
1. grootste van alle zangvogels, met flinke snavel, Corvus corax
ravn
noun
1.
tangent
noun
1. venster: muuropening om lucht en licht door te laten
vindue
noun
1. en 2. (stengels van) plant Rheum rhabarbarum
rabarber
noun
1. vocht uit de stengels van Rheum rhabarbarum
rabarberjuice
/rɑˈbɛin/
noun
rabbiner
noun
racisme
adjective
1. voortkomend uit de opvatting dat mensen door afstamming kunnen worden ingedeeld in grote groepen...
racistisk
noun
ketsjer
noun
1. techniek
radar
noun
  1. 1. een serie van in elkaar grijpende raderen
  2. 2.
gear
noun
1. de SI-eenheid voor een hoek
radian
noun
radikalisme
noun
1. bepaalde soort uit de kruisbloemfamilie, Raphanus sativus
radise
/ˈradijo/
noun
  1. 1. toestel
  2. 2. medium
radio
adjective
radioaktiv
noun
1.
radioaktivitet
noun
1. het medisch specialisme...
radiologi
noun
radiolog
noun
1. scheikundig element met symbool Ra en atoomnummer 88
radium
noun
1. met symbool Rn en atoomnummer 86
radon
noun
raffinaderi
noun
ragout
noun
  1. 1. een metalen staaf waar het wiel van een railvoertuig op rijdt
  2. 2. een baan waar een railvoertuig over rijdt
skinne
noun
1. cilindervormig projectiel dat door een naar achteren gerichte ontploffing wordt voortbewogen
  1. raket
  2. missil
pronoun
2. teken van de dierenriem van 21 maart tot 20 april
  1. Vædderen
  2. vædder
noun
1. mannelijk schaap
  1. væder
  2. vædder
noun
1. een harige vrucht uit de zeepboomfamilie
rambutan
noun
1. een grote catastrofale gebeurtenis met ernstige gevolgen
katastrofe
/rɑnt/
noun
1. de bovenkant van een bak of vat
skygge
noun
rang
noun
1. bepaald soort vogel, Asio otus
skovhornugle
/rɑnt'sun/
noun
1. beperkte dagelijks verstrekte hoeveelheid voedsel en andere primaire levensbenodigdheden
ration
noun
1. een muziek of dichtwerk dat contrasterende delen bevat en toch een eenheid vormt
rapsodi
noun
race
noun
1. een grofgetande vijl die wordt gebruikt om rondingen aan hout te maken
rivejern
verb
1. met een rasp afvijlen en fijnmaken
rive
/rɑt/
noun
1. een muisachtig knaagdier uit het geslacht Rattus
rotte
noun
  1. 2. een mechaniek met kamrad en pal, dat een asdraaiing slechts in één richting toelaat
  2. 1. een eenvoudige muziek- en signaalinstrument dat geluid geeft doordat bij het rondslingeren een tandrad een latje repeterend weggedrukt en laat terugvallen
rørnøgle
noun
1. bepaald soort loofboom, Populus tremula
bævreasp
noun
1. gifslang uit het geslacht Crotalus
klapperslange
verb
1. bekrachtigen van een internationaal verdrag door het nationale parlement of regering
ratificere
noun
1.
rationalitet
noun
1.
rottegift
noun
1. vierhoekig zeil dat met de bovenkant aan een ronde houten balk is vastgemaakt
råsejl
noun
reaktans
noun
1. een actie die een gevolg is van een stimulus
reaktion
noun
reagensglas
noun
realisme
noun
realist
noun
1. soort raadsel
rebus
adjective
1. een korte tijd geleden gebeurd of begonnen
nylig
noun
  1. 1. voorschrift voor de bereiding van een gerecht
    1. opskrift
    2. recept
  2. 2. doktersvoorschrift voor (de bereiding van) een geneesmiddel
    1. recept
    2. opskrift
noun
2. een plaats waar iemand binnenkomende gasten of klanten ontvangt
reception
noun
recession
noun
1. het geheel van rechtsregels en instituties van het recht
  1. ret
  2. lige
noun
1. hoek van 90 graden
ret vinkel
noun
2. geheel van de fundamentele rechten en vrijheden die ieder mens toekomen
menneskerettigheder
/ˈrɛxtər/
noun
1. persoon die rechtspreekt, persoon die een oordeel velt
dommer
pronoun
Dommerbogen
noun
rettighedshaver
/'rɛxtuk/
noun
1. een vierhoek met vier rechte hoeken
rektangel
adjective
1. het in een rechte hoek staan van lijnen of vlakken
  1. ortogonal
  2. vinkelret
adjective
1. tegenovergestelde van links
højre
noun
1. het voeren van een gerechtszaak
  1. retssag
  2. rettergang
noun
1. doelgerichte wilsuiting die rechtsgevolgen heeft
retshandel
verb
1. rechterknop van een computermuis gebruiken
højreklikke
noun
1. staat waarvan de macht gereguleerd en beperkt wordt door het geldende recht
retsstat
/rɛx'streks/
adjective
1. zonder omwegen
direkte
/rɛx(t)sak/
noun
1. het voeren van een rechtsgeding
  1. retssag
  2. rettergang
noun
1. de ruimte waar een rechtszitting gehouden wordt
retssal
adjective
1. in overeenstemming met bepaalde ethische beginselen
retfærdig
verb
1. onderbouwen volgens bepaalde ethische beginselen
begrunde
noun
recidivist
adjective
1. een dimensie bezittend die de omgekeerde is van een andere dimensie
reciprok
noun
recitativ
verb
recitere
noun
1,2 informatie over, en aanprijzing van diensten, producten en ideeën
reklame
/rəˈkɔrt/
noun
  1. 1. beste prestatie
  2. 3. bij elkaar behorende gegevens
rekord
noun
1. het herstel van krachten
genbrug
verb
1. actie ondernemen om iets of iemand uit de moeilijkheden te halen
redde
noun
3. een ankerplaats buitengaats
red
/ˈre.də(n)/
noun
1. een motivatie door iemand bedacht of beredeneerd
grund
noun
1. eigenaar van een schip
reder
noun
rederi
noun
1. sierlijk slank hert, komt bijna in heel Europa voor
rådyr
adverb
1. al
allerede
noun
1. een opeenvolgende rij van gebeurtenissen
række
noun
refleksion
noun
refraktion
noun
  1. omkvæd
  2. refræn
/ˈreɣəɫ/
noun
3. een voorschrift, richtlijn, norm
regel
adjective
1. aan een bepaalde regel gehoorzamend
regelmæssig
/reχən/
noun
1. neerslag van tot druppels gecondenseerde waterdamp
regn
adjective
1. regelmatig regenend of neigend naar regen
regnfuld
/ˈreːχənboːx/
noun
1. een natuurfenomeen dat na regen als een verschijnende veelkleurige boog te zien is
regnbue
noun
1. het gekleurde vlies in het oog waarin de pupil zich bevindt
regnbuehinden
/ˈreɣə(n)ˌdrʏpəɫ/
noun
1. een druppel die als regen uit de lucht naar beneden valt
regndråbe
/ˈreɣənə(n)/
verb
1. het vallen van neerslag in de vorm van waterdruppels
regne
noun
1. een waterdichte overjas die geschikt is voor regenachtig weer
regnfrakke
noun
1. toestel dat de hoeveelheid gevallen neerslag in een bepaalde periode op een bepaalde plaats meet
regnmåler
noun
1. een verticale buis die aan een dakgoot is bevestigd en dient om het hemelwater dat op het dak valt, af te voeren
nedløbsrør
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Regensburg
noun
1. een paraplu
paraply
noun
regentskab
noun
regnvand
/'reɣəʋɔrm/
noun
1. benaming voor dieren uit de familie Lumbricidae
regnorm
noun
1. een bos in een klimaat met het hele jaar door neerslag
regnskov
noun
småspove
verb
1. het uitoefenen van de politieke macht...
styre
/re.'ɣeː.rɪŋ(g)/, /rə.'ɣeː.rɪŋ/, /rə.'χɪː.rɪŋ/
noun
1. een groep van personen die een land bestuurt, specifiek het staatshoofd en alle ministers
regering
/ˌreɣiˈsidə/
noun
1. een bewuste moord op een koning.
kongemord
noun
1. bestuur van een land, vaak onderdrukkend, dwingend, alles omvattend
regime
noun
regiment
noun
1. geografisch gebied
region
noun
filminstruktør
noun
rehabilitation
noun
1. benaming voor ooievaarachtige watervogels uit de familie Ardeidae
hejre
adjective
1. zonder vuil
ren
verb
1. zichtbare en onzichtbare vervuiling van een oppervlak verwijderen
rengøre
/rɛɪ̯s/
noun
1. grote, lange tocht of trip
rejse
noun
rejsebureau
verb
1. onderweg zijn
rejse
/ˈrɛɪzəɣər/
noun
  1. 1. persoon op reis
  2. 2. persoon die vaak reist
rejsende
noun
1. de optelsom van te betalen bedragen
regning
noun
de leer van de operaties die op getallen worden uitgevoerd (optellen, aftrekken, vermenigvuldigen, delen, ...)
aritmetik
noun
1. een verstoring van de openbare orde door een menigte, meestal gepaard gaand met geweld en politieoptreden
oprør
/rəlɛksə(n)/
verb
1. de tijd nemen zich te ontspannen
relaxe
/rə'liɣi/
noun
1. een godsdienst
religion
/relɪˈɣɪøs/, /relɪˈʝɪøs/
adjective
1. te maken hebbend met godsdienst of geloof
religiøs
noun
1. een overblijfsel van het lichaam van een heilige of een voorwerp dat...
relikvie
/relɪŋ/
noun
1. een leuning boven de verschansing die een scheepsdek omgeeft
ræling
noun
relief
noun
1. een mechanisme dat iets vertraagt of tot stilstand brengt
bremse
/rəˈmedi/, /reˈmedi/
noun
1. een medicijn of een op genezing gerichte behandeling
lægemiddel
verb
1. snelheid doen verminderen
bremse
/ˈrɛm.spor/
noun
  1. 1. spoor van een rubberband
  2. 2.
bremsespor
noun
bremsevæske
adjective
1. met betrekking tot de nier
renalis
noun
1. een hertachtig zoogdier met een breed uitlopend gewei
  1. rensdyr
  2. ren
noun
1. Chemisch element
rhenium
noun
  1. [A] 1. zeer snel lopen
  2. [B] 1. een snelheidsproef op de weg of in het terrein
løbe
/rənoˈverə(n)/
verb
1. opknappen, repareren, vernieuwen
renovere
noun
reparation
/rɛp'til/
noun
1.
  1. krybdyr
  2. reptil
/repʏˈbliːk/
noun
1. staatsvorm
republik
pronoun
De Forenede Nederlande
noun
republikaner
adjective
republikansk
noun
1. de manier waarop iemand bekend is
anseelse
noun
1. mis opgedragen voor een overledene
rekviem
noun
1.
reservehjul
noun
1. iemand die oproepbaar is voor militaire dienst in tijden van oorlog, oorlogsdreiging of andere situaties waarin inzet van het leger nodig is
reservist
/resər'vʷar/
noun
1. plaats waar water of een andere vloeistof bewaard kan worden
beholder
noun
bolig
noun
resistans
noun
resonans
/rɛsˈpɛkt/
noun
eerbied uit hoogachting of angst
respekt
/rɛst/
noun
1. wat er overblijft
rest
noun
restaurant
/rezɵl'tat/
noun
1. een uitkomst
resultat
noun
1. apensoort waarbij de resusfactor het eerst ontdekt werd
rhesusabe
pronoun
1. Romaanse taal die gesproken wordt door 40.000 mensen in Zwitserland
rætoromansk
noun
1.
retorisk spørgsmål
noun
1. een verouderd toestel voor het destilleren bestaande uit een vat met een neergebogen tuit
destillerkolbe
noun
3. vergoeding aan de grondeigenaar voor opstalrecht
løn
noun
1. een buitengewoon grote man
kæmpe
noun
1. bepaald soort vaste plant, Equisetum telmateia
elfenbens-padderok
noun
1. een beer die leeft in de hooggelegen hellingen van berggebieden in centraal China
panda
noun
1. kermisattractie
pariserhjul
noun
1-3. streven naar herziening (van het marxisme, de geschiedenis)
revisionisme
noun
revisor
noun
1.
revolution
adjective
revolutionær
noun
1. een handvuurwapen met een roterende trommel met kogels
revolver
noun
1. theatershow
revy
noun
reinkarnation
noun
  1. 1. (verouderd) hereniging
  2. 3. het weerzien van voormalige studenten, collega's, enz.
genforening
pronoun
Rhodesia
pronoun
1. een rivier van 812 km lengte die ontspringt in Zwitserland, door Frankrijk naar het zuiden stroomt en uitmondt in de Middellandse Zee
Rhône
noun
1. elk van de platte, boogvormige beenderen die de borstkas omsluiten
ribben
noun
1. een van de platte, dunne, boogvormige beenderen die de borstkas omsluiten
ribben
noun
rNA
/ˈrɪxtɪŋ/, /ˈrɪχtɪŋ/
preposition
1. de kant op van
retning
noun
  1. 2. (juridisch) bindend voorschrift
    direktiv
  2. 1. aanwijzing voor een te volgen gedrag
    retningslinje
noun
1. oorspronkelijk een bereden en bepantserde ruiter die de ridderslag ontvangen had
ridder
noun
ridderspore
/rim/
noun
  1. 1. een band van leer of een ander materiaal
    drivrem
    1. 2. steel met een bladvormig uiteinde, bedoeld om een vaartuig voort te bewegen
    2. 3. hoeveelheid papier voor het drukken van 20 boeken, eerst 480 later 500 vellen
    åre
/rit/
noun
  1. 1. plantensoort
  2. 2. onderdeel muziekinstrument
rør
noun
2. drinkbuisje
sugerør
noun
suiker, verkregen uit het sap van suikerriet
rørsukker
noun
sivsanger
noun
1. een ondiepte in water, koraalbank, klip
rev
pronoun
1.
Riga
/rɛɪ̯/, /rɛː/
noun
  1. 2. een opeenvolging van elementen
    følge
  2. 1. geordende opstelling van een aantal eenheden in één richting
    række
noun
1. weggedeelte bestemd voor voertuigen
gade
/ˈrɛɪ̯bəˌwɛɪ̯s/, /ˈrɛɪ̯bəˌʋɛɪ̯s/, /ˈrɛːbəˌβ̞ɛːs/
noun
1. een officieel document waarmee de bezitter bevoegd is om een motorvoertuig te besturen
kørekort
/ˈrɛɪ̯də(n)/, /ˈrɛːdə(n)/
verb
1. zich verplaatsen met behulp van een voertuig
køre
pronoun
1.
Rijeka
/rɛɪ̯k/, /rɛːk/
adjective
1. veel geld en/of eigendommen hebbend
rig
/rɛɪ̯k/, /rɛːk/
noun
1. een staat of natie onder een vorst of heerser
rige
/ˈrɛik.dɔm/
noun
1. het bezitten van veel geld en goud
rigdom
noun
1. fraai uitgevoerde bol met bovenop een kruis die symbolisch de wereld voorstelt
rigsæble
noun
rigsdaler
noun
  1. 1. bevroren dauw
  2. 1. gelijkheid van klank in een vers
rim
/rɛɪ̯n/, /rɛːn/
pronoun
1. een van de langste en belangrijkste rivieren van Europa die op de grens ligt tussen Midden- en West-Europa.
Rhinen
pronoun
Rhinland
pronoun
Rheinland-Pfalz
noun
1. bevroren dauw
rim
pronoun
1. stad in Noord-Frankrijk nabij de Belgische grens
Lille
noun
ris
/rɛi̯st/
noun
1. graan van het geslacht Oryza
ris
noun
1. zoet gerecht van rijst met melk gekookt
risengrød‎
noun
kørebane
noun
1. een alcoholische drank met als basis rijst
risvin
noun
1. ingrediënt dat bestaat uit met de zaadhuiden vergroeide vruchtwanden en kiemen
risklid
verb
  1. 1. opstijgen
  2. 2. uitzetten en luchtig worden
hæve
noun
1.Aziatisch twee- of driewielig karretje voor personen vervoer
rickshaw
verb
bævre
noun
1. een oppervlakkige vouw of golving, in het bijzonder van de menselijke huid
rynke
noun
  1. 1. cirkelvormig sieraad voor om de vinger
  2. 2. cirkelvormig voorwerp
  3. 5. ringweg
ring
noun
1. een zangvogel uit de familie van mussen en sneeuwvinken
skovspurv
noun
1. Natrix natrix
snog
noun
1. vierde vinger gerekend vanaf de duim
ringfinger
/'rɪŋwɛx/
noun
1. een weg die als een ring rond een bepaald gebied ligt
ringvej
noun
1. een vaak ondergronds kanaal voor de afvoer van drek
afløb
noun
1. een mogelijk gevaar voor schade
risiko
/rɪt/
noun
1. een reis in een voertuig
ridt
noun
1. een zich in de tijd herhalend patroon van geluiden
rytme
noun
1. deel van een bandje of orkest dat het ritme van een muziekstuk aangeeft
rytmesektion
noun
2. ritssluiting
lynlås
adjective
ritual
/riːˈviːr/
noun
1. een natuurlijke waterstroom
flod
noun
1. een soort kreeft die in riviertjes leeft
krebs
/ˌritsoˈsfeːr/, /ˌritsoˈsfɪːr/
noun
1. gedeelte van de bodem waarin het ecosysteem onder invloed van plantenwortels staat
rhizosfære
noun
rubin
/ˈro.bɔt/
noun
1. machine die beschikt over een stoffelijke vorm en een beslissingsmodel
robot
noun
1. kwaadsprekerij, achterklap
sladder
noun
1. iemand die (veel) roddelt
sladrehank
verb
1. op een vervelende manier over anderen praten
  1. sladre
  2. bagtale
noun
rødbede
pronoun
Røde Kors
noun
1. bepaald soort zoogdier, Lynx rufus
rødlos
noun
1. een alcoholhoudende drank die verkregen wordt door de gisting van rode druiven
rødvin
noun
1. Canis rufus, een lid van de Canivora, leefde in het gehele oostelijk deel van de Verenigde Staten...
rødulv
noun
1.
rød glente
pronoun
1. langgerekte binnenzee, gelegen tussen Azië en Afrika
Røde Hav
/ˌro.də.ˈhɔnt/
noun
1. een infectieziekte waarbij het gehele lichaam met rode plekken en bulten bedekt is
røde hunde
noun
1. en 2. donkerrood sluitkoolgewas
rødkål
noun
1. chemisch element met symbool Rh
rhodium
/ˈrubəl/
noun
rubel
verb
1.zich met behulp van roeispanen in een boot ergens begeven
ro
noun
1. bepaalde soort kraaiachtige vogel, Corvus frugilegus
råge
adjective
1. zonder zorg over de gevolgen of het gevaar van een handeling
letsindig
/ruˈmens/, /ruˈmeːns/
adjective
1. betreffende Roemenië of het Roemeens
rumænsk
/ruˈmens/, /ruˈmeːns/
pronoun
1. een Romaanse taal die wordt gesproken in Roemenië
rumænsk
/ruˈmeni.jə/, /ruˈmeːni.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Europa ten noorden van Bulgarije
Rumænien
noun
røntgenium
/'rupɪŋ/
noun
1. een taak waarvoor een persoon zich verplicht voelt, vaak met religieuze invloed
kald
noun
1. vlak waarmee gestuurd wordt
ror
/rurɛi/
noun
1. een gerecht van gebakken eieren en losgeklopte melk
røræg
verb
1. een vloeistof met een spaan in ronde beweging brengen
røre
noun
1. geoxideerd ijzer
rust
adjective
rusten
/rut/
noun
1. koolstofneerslag die ontstaat door onvolledige verbanding van koolstofhoudende stoffen
sod
noun
1. benaming voor brede, platte vissen met een smalle staart uit de superorde Rajomorphii
rokke
noun
1. en 2. (zaden van) plant Secale cereale
rug
/ˈrɔɣəbrod/
noun
1. een van rogge gebakken brood
rugbrød
noun
1. plat gewalste granen van rogge
rugflager
noun
1. buis- of kegelvormig kledingstuk
  1. skørt
  2. nederdel
noun
1. zet in een schaakspel
rokade
/ˈroːkə(n)/
verb
  1. 2. nuttigen door het inhaleren van de rook ervan
  2. 1. rook afgeven
  3. 3. conserveren door langdurige blootstelling aan rook
ryge
verb
1.1. het doen van een zet waarbij de koning en een toren elkaar passeren
rokere
noun
skørtejæger
noun
1. een gordijn dat bij het sluiten van een ronde stok wordt afgerold
rullegardin
noun
1. looprek op wieltjes
rollator
verb
1. zich wentelend over een oppervlak bewegen
rulle
noun
1. vervoermiddel voor mensen die slecht ter been zijn
  1. rullestol
  2. kørestol
noun
1. trap met bewegende treden
rulletrappe
noun
B 1. volk in Europa en Azië dat traditioneel een zwervend bestaan leidt
roma
adjective
1.
romansk
noun
1. een lang soort verhaal in boekvorm
roman
/romaˈnɛs/
pronoun
Taal door veel zigeuners gesproken
romani
/roˈmɑns(x)rɛɪvər/
noun
1. een mannelijke persoon die romans schrijft
romanforfatter
adjective
romantisk
/ˈro:mə/
pronoun
1. de hoofdstad van Italië
Rom
/roˈmɛɪnsə rɛɪk/
pronoun
1. een historisch rijk dat op zijn hoogtepunt de gehele Middellandse Zeeregio in handen had
Romerriget
noun
loppemarked
/ˈrɔməlpɔt/
noun
rummelpot
noun
1. het lichaam van een mens of dier zonder ledematen, kop of staart
torso
adjective
1. cirkelvormig
rund
adverb
ærligt talt
/rod/, /rot/
adjective
1. de kleur rood hebbend
rød
/rod/, /rot/
noun
1. een primaire kleur zoals die van licht met een golflengte tussen de ca. 620 en 740 nm.
rød
noun
1. bepaald soort struik, Daphne mezereum
peberbusk
noun
1. bepaald soort vis, Sebastes marinus
rødfisk
noun
2. bepaald soort vrij gedrongen vogeltje met opvallende bruinrode keel, Erithacus rubecula
  1. rødhals
  2. rødkælk
adjective
1. met rood gekleurde haren
rødhåret
pronoun
1. sprookjesfiguur
lille Rødhætte
noun
1. en 2. (bladeren van) Cichorium intybus var. foliosum
radicchio
noun
karmindompap
noun
1. het openlijk en gewelddadig wegnemen van hetgeen een ander toebehoort
ran
noun
1. exotische roof- en zoetwatervis die voorkomt in de wateren van de Benelux, Leuciscus aspius
asp
/ˈrovdir/
noun
1. dier dat zijn prooi bejaagt en doodt
rovdyr
noun
1. benaming voor gewervelde waterdieren met kieuwen die hun prooi bejagen en doden
rovfisk
/ˈroˌfoχɔɫ/, /ˈroːˌfoːɣəl/, /ˈroːˌvoːɣəl/
noun
1. eierleggend dier met veren, twee vleugels, twee klauwen en een snavel dat zijn prooi bejaagt en doodt
  1. rovfugle
  2. rovfugl
/roːk/
noun
1. damp, zichtbaar gas
røg
noun
1. apparaat dat een zeer luid signaal afgeeft als er rook aanwezig is
røgdetektor
noun
1. een verbod om te roken
rygeforbud
noun
1. de vette delen van melk waarvan boter gemaakt wordt
fløde
/roːs/
noun
1. bloem
rose
noun
oksesteg
/'rɔskɑm/
noun
1. een grof soort kam die voor het verzorgen van paarden of het schoonmaken van andere borstels gebruikt wordt
strigle
pronoun
1.
Rostock
noun
1. kleine wit-zwarte gans met een ver klinkende rott-rott roep, Branta bernicla
knortegås
noun
2. bepaald soort vuurwerk dat na het aansteken van de lont wordt weggegooid en dan een harde knal geeft
kanonslag
noun
1. een grote ruwe steen
klippe
/ˈrɔtstœʏn/, /ˈrɔtstœːn/
noun
1. een tuin met rotspartijen en rotsplanten
stenhøj
/ra<sup>ʊ</sup>/, /rʌʊβ̞/, /rʌːβ̞/
noun
1. grote smart of droefenis na een verlies
sorg
/rʌʊβ̞ə(n)/, /rʌːβ̞ə(n)/
verb
1. de emotionele nasleep van het overlijden van een geliefd persoon
sørge
noun
1. iemand die door geweldpleging iemand besteelt
røver
/roːzə/, /rɔːs/, /rɔːzə/
adjective
1. heel bleke of lichte rode kleur, met soms ook blauwe tinten
  1. lyserød
  2. rosa
noun
2. keukenkruid
rosmarin
noun
1. schijnvrucht van wilde rozen
hyben
noun
1. een gebedssnoer met 165 kralen
rosenkrans
noun
1.
rosenhave
noun
rosenvand
noun
1. kleine gedroogde vruchtjes van Vitis vinifera
rosin
/ˈrɵ.bər/
noun
gummi
noun
1. Chemisch element
rubidium
noun
1. en 2. (bladeren van) eenjarige plant Eruca sativa
  1. rucola
  2. salatsennep
adjective
basal
/rɵx/
noun
1. zijde van de romp tegenover de buik en borst gelegen
ryg
noun
  1. rygrad
  2. rygsøjle
noun
rygmarv
noun
1.
rygfinne
noun
rygsæk
noun
1. traliewerk waarachter hooi ligt
hæs
/rœʏkə(n)/, /rœːkə(n)/
verb
  1. 1. een geur waarnemen
  2. 2. een geur verspreiden
lugte
/rœʏl/, /rœːl/
noun
bytte
noun
byttehandel
noun
3. heelal
rum
noun
rumdragt
noun
rumsonde
noun
rumstation
noun
rumfærge
/ˈrœʏ̯m.tə.ˌʋɑn.də.lɪŋ/, /ˈrœːm.tə.ˌβ̞ɑn.də.lɪŋ/
noun
1. het uitvoeren van een activiteit buiten een ruimteschip
rumvandring
/rœʏn/
noun
1. gecastreerde hengst
vallak
noun
1. structuurloos en voortdurend geluid dat een continuüm van toonhoogten bevat
lyd
noun
1. bepaald soort zoetwatervis die zich graag tussen het riet ophoudt, Scardinius erythrophtalmus
rudskalle
noun
  1. 2. een vierhoek waarvan de zijden gelijk in lengte zijn
    rombe
    1. 1. een glazen plaat in een venster
    2. 5. figuur uit een kaartspel
    ruder
noun
1.
ruder knægt
noun
1. een apparaatje dat de ruiten van een auto automatisch wist met een bewegende arm met wisserblad
vinduesvisker
noun
  1. 1. berijder van een rijdier
  2. 2. uitstekend stukje
rytter
verb
2. masturberen
  1. onanere
  2. masturbere
noun
een sterkedrank die bereid wordt uit het sap van suikerriet
rom
/rʏnd/, /rʏnt/
noun
1. holhoornig herkauwend zoogdier
kvæg
/ˈrʏntfleːs/
noun
1. het vlees van een volwassen rund
oksekød
/ˈrynə/
noun
1. een schriftteken van het Oud-Germaanse alfabet
rune
noun
1. vlinderlarve
kålorm
noun
1. een inwoner van Rusland
russer
/'rʏs/
noun
plant
siv
pronoun
1. een soevereine staat met het Russisch als officiële taal die zich uitstrekt van het oosten van Europa tot het oosten van Azië
Rusland
/ˈrʏsis/
adjective
1. betreffende Rusland of het Russisch
russisk
/ˈrʏsis/
pronoun
1. een Slavische taal die gesproken wordt in Rusland
russisk
/rɵst/
noun
  1. 2. tijdelijke toestand van ontspanning na arbeid, moeite of inspanning
    hvile
  2. 1. voortdurende toestand van kalmte
    1. stilhed
    2. ro
verb
1. werk of andere activiteit staken om het lichaam in staat te stellen weer op krachten te komen
hvile
adjective
1. kalm, weinig sensorische prikkels creërend
rolig
noun
1. scheikundig element met symbool Ru en atoomnummer 44
ruthenium
noun
1. scheikundig element met symbool Rf en atoomnummer 104
rutherfordium
noun
1. toestand waarin men in ernstig conflict is met anderen
strid
/ryˈinə/
noun
1. een zeer vervallen gebouw
ruin
/ˌryiˈnerə(n)/
verb
1. helemaal kapotmaken
ødelægge
/ru.ˈwɑn.da/, /ru.ˈʋɑn.da/, /ˈrβ̞ɑn.da/
pronoun
1. een land in Oost Afrika, officieel de Rwandese Republiek, dat geheel door land omsloten wordt
Rwanda
noun
1.
røntgenstråle
pronoun
1.
  1. Rygen
  2. Rügen
/saɪ̯/, /saːɪ̯/
adjective
kedelig
pronoun
1.
Saarland
pronoun
Saba
noun
1.
sabbatsdag
noun
1. bepaald soort zoogdier, Marter zibellina
zobel
noun
1. een vijandige ingreep op zaken om deze te laten mislukken of te vernielen
sabotage
verb
sabotere
noun
sabotør
noun
1. caloriearme kunstmatige zoetstof die geen directe invloed heeft het bloedsuikergehalte
  1. sakkarin
  2. saccharin
noun
1. een disacharide, bestaande uit een glucose-eenheid en een fructose-eenheid
saccharose
noun
1. plechtige gebeurtenis in de katholieke kerk
sakramente
noun
1. een ruimte in een rooms-katholieke kerk, waarin men alles bewaart dat nodig kan zijn om een kerkdienst te houden.
sakristi
noun
sadisme
noun
1. iemand die bevrediging zoekt in het pijnigen van een ander
sadist
adjective
sadistisk
noun
1. een kostbare, transparante blauwe edelsteensoort die een variant is van korund (α-Al₂O₃)
safir
noun
1. specerij bereid uit de saffraankrokus Crocus sativus
safran
/ˈsaɣə/
noun
saga
pronoun
1. zandwoestijn in Noord-Afrika
Sahara
/sent.ˌvɪn.sɛnt.ɛn.də.χre.na.ˈdi.nəs/
pronoun
1. land in het Caraïbisch gebied
Saint Vincent og Grenadinerne
pronoun
Saint Pierre og Miquelon
noun
1. Falco cherrug
slagfalk
pronoun
1. Duitse deelstaat
Sachsen
pronoun
Sachsen-Anhalt
noun
salat
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Caudata
salamander
/ˈsalami/
noun
1. Italiaanse worst
salami
noun
gedroogde stukjes van de echte salie
salvie
pronoun
1. koning van Israël
Salomo
/ˈsa.lo.mɔns.ˌɛɪ̯.lɑn.də(n)/, /ˈsa.lo.mɔns.ˌɛː.lɑn.də(n)/
pronoun
1. land in Melanesië
Salomonøerne
noun
1. een lage tafel die in een woonkamer staat
kaffebord
/sɑlpetər/
noun
1. een mineraal bestaande uit kaliumnitraat
salpeter
noun
1. een sterk zure chemische verbinding met de formule HNO₃ of een waterige oplossing daarvan
salpetersyre
pronoun
Samaria
noun
1. scheikundig element met symbool Sm en atoomnummer 62
samarium
noun
lap
noun
1. het samenstellen
blanding
/ˈsaːməvɑtɪŋ/
noun
1. een beknopte beschrijving van een inhoud
abstract
verb
1. met een of meer aan hetzelfde werken
samarbejde
noun
1. het samenwerken van meerdere personen
samarbejde
/ˈsamə(n)ˌzʋɪːrə(n)/
verb
1. geheimelijk met anderen samenwerken ten nadele van een derde partij
sammensværge sig
pronoun
1. een verzameling talen die gesproken worden in Noorwegen, Zweden, Finland en Rusland door de Saami
samisk
/sa.ˈmo.wa/
pronoun
1. een land in Oceanië ten noorden van Nieuw-Zeeland en ten oosten van Australië...
Samoa
/ˈsɑmuˌrɑɪ/
noun
1. een lid van de vroegere Japanse krijgsstand
samurai
pronoun
1. Baltische taal gesproken door 500 duizend mensen in Litouwen
samogitisk
pronoun
Samuel
/ˌsan maˈrino/
pronoun
1. een dwergstaat in Italië met republikeinse staatsinrichting.
San Marino
/'sɑŋksi/
noun
1. strafmaatregel
sanktion
/sɑnˈdal/
noun
1. schoeisel
sandal
/ˈsɑntwɪtʃ/
noun
amagermad
noun
1. een Spaanse licht-alcoholische drank
sangria
pronoun
1. klassieke taal en een van de officiële talen van India
sanskrit
/saʊ̯.to.ˌme.je̞n.prɪn.ˈtsi.pə/, /ˌsa.o.to.me.ʔɛn.ˈprɪn.si.pə/, /ˌsʌu.to.me.ɛn.ˈprɪn.si.pə/
pronoun
1. land en eilandengroep aan de westkust van Afrika in de Golf van Guinee
  1. São Tomé og Príncipe
  2. Sao Tome og Principe
/sa.ˌu.di.ɑ.ˈra.bi.jə/, /zaʊ̯.di.ja.ˈra.bi.jə/
pronoun
1. en 2., land en staat in Azië
Saudi-Arabien
noun
1. plantenvocht
saft
noun
1. soldaat die loopgraven maakt
sappør
adjective
1. vol met sap
saftig
noun
1.
sarkasme
noun
1. een stenen doodskist
sarkofag
noun
1. klein zilverkleurig haringachtig visje, Sardina pilchardus
sardin
noun
1. straalvinnige visSardina pilchardus, uit de familie van haringen
sardin
noun
1. een Italiaans eiland in de Middellandse Zee
Sardinien
/ˈsatɑn/
pronoun
Satan
noun
1. aanbidding van Satan
satanisme
/sɑtɛ'lit/
noun
satellit
noun
satyr
noun
satire
/saˈtiris/
adjective
satirisk
pronoun
1.
Saturn
/saˌudiaˈrabijə/
pronoun
1. en 2., land en staat in Azië
Saudi-Arabien
/saˈul/
pronoun
2. jongensnaam
Saul
/'saʊna/
noun
1. een ruimte waarvan de temperatuur verhoogd wordt, zodat het lichaam begint te zweten (een zweetbad)
sauna
/sɑu̯s/
noun
1. een vloeibare substantie die meestal over een gerecht wordt gedaan voor extra smaak
sovs
/ˈsa.va/
pronoun
1. een rivier in Zuidoost-Europa met een lengte van 940 km.
Sava
noun
1. een grasland met verspreid voorkomende bomengroei
savanne
noun
1. en 2. (bladeren van) Brassica oleracea convar. capitata var. sabauda)
savoykål
noun
savoykål
noun
1. iemand die (beroepshalve) saxofoon speelt
saksofonist
/sɑkso'fon/
noun
1. een metalen blaasinstrument met een enkel riet
saxofon
/skɑn.ˈdeː.rə(n)/, /skɑn.ˈdɪː.rə(n)/
verb
2. ritmisch declameren met één sterke nadruk per versvoet.
skandere
adjective
skandinavisk
pronoun
1. Denemarken, Noorwegen en Zweden.
Skandinavien
noun
1. scheikundig element met symbool Sc en atoomnummer 21
  1. scandium
  2. skandium
noun
1. sierlijk bewerkte staf, symbool voor het gezag van een regerende vorst
scepter
/ˈskɛptɪs/
adjective
1. geneigd tot twijfel
skeptisk
noun
1. een werktuig om hout glad, vlak of dunner te maken
høvl
interjection
skak
noun
2. het schaakspel als zodanig
skak
/ˈsxagbɔrt/, /ˈsχagbɔrt/
noun
1. een vierkant bord met 64 donkere en lichte vakjes waarop schaak gespeeld wordt
skakbræt
adverb
skakmat
noun
1. een spel met verschillende stukken op een schaakbord
skak
/ˈsxakstʌk/
noun
1. een onderdeel van het schaken dat over het schaakbord bewogen wordt.
skakbrik
noun
  1. 3. verhouding van de grootte tussen een model en een echt voorwerp
  2. 4. bepaalde ijking op een grafiek, as of eenheid
målestok
/sxaːldir/
noun
1. een dier met een schaal als uitwendig skelet
krebsdyr
noun
1.
kønsben
noun
1. huidplooi bij de opening van de vulva, aan beide zijden van de vagina
kusselæber
noun
1. kleine parasieten die voorkomen in het schaamhaar, maar ook op wimpers...
fladlus
/'sxa:m.tə/
noun
1. eerste betekenisomschrijving
skam
adjective
1. zonder schaamte
skamløs
noun
1. Ovis aries, een holhoornige herkauwer waarvan de gedomesticeerde soort wol levert
får
noun
  1. 3. grijporgaan van sommige schaaldieren en spinachtigen
    klo
  2. 1. werktuig om te knippen
    saks
adjective
1. weinig in aantal of hoeveelheid
knap
noun
1. een ijzer dat onder de schoenen wordt gebonden of aan de schoenen is vastgemaakt, om zich daarmee over het ijs te verplaatsen
skøjte
verb
1. zich voortbewegen op schaatsen
skøjte
noun
2. bepaald soort insect, Gerris lacustris
skøjteløber
noun
1.
skøjteløber
noun
1. geheel van beschadigingen
skade
/ˈsxaː.dyu̯/
noun
1. een slechts door indirect zonlicht beschenen oppervlak
skygge
verb
1. iemand ongemerkt volgen
skygge
noun
1. een sedimentair gesteente
lerskifer
/ˈsxaː.mə(n)/, /ˈsχa.mə(n)/
verb
1. schaamte voelen
skamme sig
noun
1. een zaak die iemand in opspraak brengt en waarvan mensen schande spreken
skandale
noun
1. iets wat bij het publiek minachting oproept, iets oneervols
skam
noun
1. een paal op een plein, waaraan mensen bij wijze van straf werden vastgemaakt om vernederd...
gabestok
noun
  1. 1. (militair) in het veld opgeworpen versterkingswerk
  2. 4. (sport) springschans
skanse
noun
1. een wintersport waarbij op skis van een helling (de schans) gesprongen wordt. Het doel daarbij is om zowel zo ver als zo mooi mogelijk te springen
skihop
noun
1. een plank om iets op te zetten
hylde
noun
1. bepaald soort platvis Limanda limanda
ising
/sxɑrˈnir/
noun
1. draaiverbinding
hængsel
noun
3. vogel uit de familie van de scharrelaars
ellekrage
noun
1. verzamelde rijkdom
skat
/'sxɑtə(n)/, /'sχɑtə(n)/
verb
2. benaderen van een waarde door berekening
estimere
verb
1. gladmaken door middel van een schaaf.
høvle
noun
1. een stellage voorzien van een galg of een valbijl waar veroordeelden terechtgesteld worden
skafot
noun
1. houder waarin men een zwaard of mes kan steken
skede
/'sχedəl/
noun
  1. hovedskal
  2. kranium
noun
1. voorkant van het onderbeen van de mens tussen de knie en de enkel
skinneben
/ˈsxenben/
noun
skinneben
noun
1. (scheepvaart) een werkgebied
værft
noun
1. het verkeer op het water
skibsfart
noun
1. het uiteenhalen van iets in zijn onderdelen
adskillelse
/'sxɛɪtsrɛxtər/
noun
1. iemand die tijdens een spel de spelregels toepast
dommer
noun
1. wetenschap die zich bezig houdt met de studie van de samenstelling en de bouw van de stoffen
kemi
adjective
1. dat wat tot de scheikunde behoort, volgens de scheikunde
kemisk
noun
kemiker
adjective
skinger
/ˈsχɛldə/
pronoun
1.een rivier die ontspringt in de gemeente Gouy in noordelijk Frankrijk
Schelde
/'sxɛltwoːrt/
noun
1. een term die bedoeld is om iets of iemand te beledigen
skældsord
/sxɛlp/
noun
1. een uit kalk gewoonlijk uitwendig skelet, dat door een weekdier wordt aangemaakt
muslingeskal
noun
1. bepaald soort kabeljauwachtige consumptievis, Melanogrammus aeglefinus
kuller
noun
skema
noun
2. de tijd van de dag waarop het licht dan wel donker wordt
skumring
/sxɛndə(n)/
verb
1. iets niet in acht nemen
krænke
pronoun
Schengen
noun
1. lepelvormig werktuig
skovl
/ˈsxɛpə(n)/
verb
1. doen ontstaan uit niets
skabe
noun
1. iets nieuws dat uit het niets gemaakt is
skabelse
/sxeːrə(n)/, /sχɪːrə(n)/
verb
  1. 1. baard afsnijden
  2. 2. zich de baard kort afsnijden
barbere
/sxɛrf/, /sχɛrf/
noun
1. een onregelmatig gevormd stuk materie dat deel heeft uitgemaakt van een groter geheel
skår
/sxɛr'mɵʦəlɪŋ/
noun
skærmydsel
adjective
1. goed snijdend
  1. skarp
  2. spids
noun
1. gestolde zure lava die vele scherpe randen vertoont
apalhraun
noun
finskytte
noun
skarphed
adjective
dreven
noun
skitse
verb
  1. 1. met een minimum van pennenstreken een voorlopige en gewoonlijk uitwisbare afbeelding van iets maken
  2. 2. in overdrachtelijke zin: een korte maar rake beschrijving van iets geven
skitsere
/sxøːr/, /sχʏːr/
noun
1. een kloof in een vlies of weefsel
flænge
noun
1. ziekte ten gevolge van ascorbinezuurdeficiëntie
skørbug
noun
1. een landmassa die voor het grootste deel door water omgeven wordt, en slechts op (relatief) smalle verbinding heeft met het vasteland.
halvø
pronoun
Schiermonnikoog
/ˈsxi.tə(n)/, /ˈsχi.tə(n)/
verb
  1. 1. een projectiel afvuren met een wapen
  2. 2. de bal een trap geven
skyde
adjective
1.iemand die snel een vuurwapen wil gebruiken
skydegal
noun
1. een confrontatie waarbij partijen elkaar beschieten
skyderi
/sxɛi̯f/
noun
1. plat en rond voorwerp
  1. skive
  2. diskos
noun
1. een rem, waarbij op de as van het af te remmen toestel een schijf meedraait, die door middel van remblokken afgeremd kan worden.
skivebremse
/sxɛɪt/
noun
1. vaste uitwerpselen
lort
/sxɛɪtə(n)/, /sxɛːtə(n)/, /sχɛɪtə(n)/
verb
1. poepen
skide
noun
1. buitenste bekleding van een vrucht
skræl
/sxɪlt/
noun
1. (militair) een voorwerp dat als afweer tegen de aanval van de vijand voor zich gehouden wordt
skjold
noun
1. een kunstenaar die geschilderde afbeeldingen maakt
  1. maler
  2. kunstmaler
verb
  1. 1. een kunstwerk vervaardigen door met verf een beeld op een oppervlak te maken
  2. 2. een bouwwerk of voorwerp van een beschermend laag verf voorzien
  3. 1-2.
male
/ˌsxɪldə'rɛː/, /ˌsχɪɫdə'rɛɪ/
noun
1. een met verf op doek of andere achtergrond gemaakte afbeelding
maleri
noun
1. een van beide figuren -menselijk of anderszins- die het wapen flankeren
skjoldholder
/sxɪldkliːr/, /sxɪɫtkliːr/, /sχɪɫtkliːr/
noun
1. klier
skjoldbruskkirtel
noun
væbner
noun
1. orde van reptielen waarvan het voornaamste kenmerk is dat het lichaam omsloten wordt door een verhard rug- en buikschild
skildpadde
verb
1. de schil van een vrucht verwijderen
skrælle
noun
2. rijk binnen de eukaryoten, Fungi
svamp
noun
  1. 1. groot zeewaardig vaartuig
  2. 2. grootste ruimte in de lengterichting van een kruiskerk
skib
/sxɪbrøk/
noun
1. een gebeurtenis waarbij een schip zinkt of op de klippen loopt
skibbrud
noun
1. gesteente
skifer
noun
1. een chronische geestesziekte met perioden van verwardheid en psychose
skizofreni
noun
1. gepaneerd kalfsvlees
schnitzel
noun
1. alles wat men om de voeten heen kan dragen, zoals schoenen en laarzen
fodtøj
/sxun/
noun
1. voetbekleedsel
sko
noun
1.
træskonæb
noun
1. een 18e eeuws langsgetuigd zeilschip met oorspronkelijk 2, maar later ook meer masten
skonnert
noun
skomager
noun
1. veter om een schoen of laars dicht te rijgen
snørebånd
/ˈsxɔfəl/, /ˈsχɔfəɫ/
noun
1. een horizontaal liggend scherp geslepen mes van staal dat bevestigd is aan een houten steel
hakke
noun
1. heftige uitwerking
indvirkning
noun
1. zwart-witte waadvogel met luide roep, Haematopus ostralegus
strandskade
noun
1. iemand die basisonderwijs of voortgezet onderwijs volgt
elev
noun
1. een hangend speeltuig bestaande uit touw en een zitje, vooral gebruikt in kinderspeeltuinen
gynge
/ˈsxɔməlstul/
noun
1. een stoel, gewoonlijk op gebogen staanders, waarop men heen en weer kan schommelen
gyngestol
noun
  1. 1. samengebonden bundel halmen
  2. 2. wiskundige structuur
knippe
/sxoːl/, /sxoːɫ/, /sχoːɫ/
noun
  1. 1. een onderwijsinstelling waar les wordt gegeven aan leerlingen
  2. 2. een zwemmende groep gelijksoortige vissen
skole
noun
tavle
noun
skolebarn
/ˈsxoːl.tɑs/
noun
skoletaske
/sxoːn/
adjective
2. proper
ren
prefix
sviger-
/ˈsxombruːr/
noun
1. de echtgenoot van iemands broer of zus, of de broer van iemands echtgenoot of echtgenote.
svoger
/ˈsxonbrʏs/
noun
svigersøskende
noun
1. de vrouw van een zoon of dochter
svigerdatter
noun
1.
svigerfamilie
/ˈsxoːn·hɛɪt/
noun
1. de hoedanigheid prachtig en aantrekkelijk te zijn
skønhed
noun
skønhedskonkurrence
verb
1. reinigen
  1. rense
  2. oprydde
  3. rengøre
/ˈsxonmudər/
noun
1. de moeder van de huwelijkspartner
svigermor
noun
1. de vader van de huwelijkspartner
svigerfar
noun
1. de man van een dochter of zoon
svigersøn
/ˈsxonzʉs/
noun
1. de echtgenote van iemands broer of zus, of de zus van iemands echtgenoot of echtgenote.
svigerinde
noun
1. de echtgenote van broer of zus, of de zus van de echtgenoot of echtgenote
svigerinde
noun
1. rookkanaal boven een stookplaats
skorsten
noun
1. een persoon wiens werk het verwijderen van roet uit schoorstenen is
skorstensfejer
/sxot/, /sχot/
noun
3. een lijn, aan de benedenhoek (de schoothoek) van een zeil bevestigd om het zeil mee in de wind te richten
skøde
/ˈsxotkɔmˌpjutər/
noun
1. een invouwbare, draagbare computer
bærbar computer
noun
1. graafwerktuig
skovl
/'sxɔ.pə(n)/
noun
1. kaartkleur
spar
noun
1. aas van schoppen
spar es
noun
1.
spar knægt
pronoun
2. teken van de dierenriem van 23 oktober tot 22 november
  1. Skorpionen
  2. skorpion
noun
1. spinachtige met scharen en gifstekel
skorpion
/sxɔrs/
noun
1. buitenste laag van (boom)stam
bark
noun
have-skorzoner
noun
1. een lap stof die voorgebonden wordt gewoonlijk rond de middel om de kleding te beschermen ...
forklæde
verb
1. tekortkomen, ontbreken
knibe
noun
1. een persoon afkomstig uit Schotland
skotte
noun
1. afvuren
skud
noun
3. kop en schotel
underkop
/ˈsxɔtlɑnt/, /ˈsçɔtlɑnt/
pronoun
1. deel van het Verenigd Koninkrijk
Skotland
pronoun
1. een Engels dialect dat gesproken wordt in Schotland
Skotsk
/ˌsxɔts.ɣa.ˈe.lis/, /ˌsxɔts.ɣa.ˈe.lɪs/, /ˌsχɔts.χa.ˈe.lis/
pronoun
1. Keltische taal die door ongeveer 60.000 personen wordt gesproken op de Schotse eilanden ...
skotsk gælisk
noun
1. deel van romp tussen arm en hals
skulder
noun
1. het vlakke driehoekige bot dat de achterzijde van de schouder vormt
skulderblad
noun
1. het naar boven bewegen van de schouders als teken dat iemand het niet weet of niet interesseert is, soms is het een uitdrukking van machteloosheid
skuldertræk
verb
skrabe
/sxreu̯/, /sχrɪːu̯/
noun
1. een luide (uit)roep
skrig
/ˈsxreːʋə(n)/
verb
1. luid en geforceerd gebruiken van het stemgeluid
skrige
/srɪft/, /sxrɪf/, /sxrɪft/
noun
  1. 3. de letter- en cijfertekens van een taal
  2. 4. de lettersoort gebruikt in boeken, teksten en inscripties
skrift
noun
1. een mechanisch apparaat, voorzien van druktoetsen waarmee schrifttekens op papier gezet kunnen worden
skrivemaskine
/sxrɛɪn/, /sçrɛːn/
noun
kistje
helligdom
/ˈsxrɛ(i)və(n)/
verb
1. tekst in tekens vastleggen
skrive
/ˈs(x)rɛɪvər/
noun
2. een persoon die beroepsmatig schrijft
forfatter
noun
1. een jaar met 366 dagen
skudår
noun
1. een extra seconde die aan de tijdrekening wordt toegevoegd om in rekening te brengen dat de draaiing van de aarde enigszins aan wisselingen onderhevig is
skudsekund
noun
1. voorwerp dat wordt gebruikt om andere voorwerpen vast te zetten
skrue
noun
1.
skruelåg
noun
1. een werktuig om schroeven vast of los te draaien
skruetrækker
/sxʏp/
noun
1. een van meerdere overlappende plaatjes van keratine die aan een kant vastzitten...
skæl
adjective
frygtsom
verb
1. snel heen en weer bewegen om iets te mengen
ryste
noun
skydelære
/sxʌʏm/
noun
1. iets dat veel luchtbellen bevat
skum
noun
skråstreg
verb
1. over de grond verplaatsen
skubbe
noun
  1. 1. een geldbedrag dat ondanks de verplichting daartoe niet betaald wordt
    gæld
  2. 2. een verantwoordelijkheid die iemand wordt toegeschreven voor een laakbare gebeurtenis of toestand
    skyld
noun
1. schriftelijk bewijs van financiële schuld
skylderklæring
/'sxɵldəx/
adverb
skyldig
/sxɵrft/
noun
1. een huidaandoening veroorzaakt door de schurftmijt
skab
/sxɵrk/
noun
1. persoon die kwaad in de zin heeft en/of bedrijft
skurk
noun
1. onfatsoenlijke staat
slyngelstat
/sxyːr/, /sχyːr/
noun
1. een opslagplaats voor veldvruchten en gereedschappen
lade
noun
1. ziekelijke verharding
sklerose
noun
1. een zijdelingse verkromming van de rug (wervelkolom), waardoor één of twee bochten ontstaan
skoliose
verb
score
noun
1.
målscorer
/ˈskrɪp.si/
noun
1. een werkstuk over een (literatuur-) onderzoek dat gemaakt wordt om een opleiding te kunnen voltooien
  1. afhandling
  2. disputats
verb
1. scrollen
scrolle
noun
scene
noun
1. scheikundig element met symbool Sg en atoomnummer 106
seaborgium
noun
  1. 1. SI-grondeenheid van tijd
  2. 2. eenheid voor hoeken
  3. 3. een korte hoeveelheid tijd
  4. 4. de tweede trap van een diatonische toonladder
  5. 5. een interval met een toonafstand
sekund
noun
1. zeer sterke lijm die vrijwel onmiddellijk hecht
superlim
noun
1. hoge functionaris binnen grote organisaties, zoals de Verenigde Naties, NAVO, FIFA
generalsekretær
/səkʏnˈdɛːr/
adjective
sekundær
adjective
sedimentær
pronoun
Zefanias
pronoun
1. een rivier in Frankrijk
Seinen
noun
1. een toestel dat beweging en of trillingen van de aardkorst waarneemt en registreert
seismograf
noun
1. de wetenschap van de aardbevingen
seismologi
/sɛɪ̯.ˈzun/, /sɛː.ˈzun/
noun
1. elk van de vier periodes waarin het jaar verdeeld wordt
årstid
noun
1. sekse
køn
noun
sexisme
adjective
1.
sexistisk
noun
seksualitet
/sɛksy'el/
adjective
1. op de geslachtsdrift betrekking hebbend
seksuel
noun
1.
seksuelt misbrug
noun
1. infectieziekte die vooral wordt overgedragen door seksueel contact
  1. kønssygdom
  2. seksuelt overført sygdom
noun
1. ziekten die vooral worden overgedragen door seksueel contact.
kønssygdomme
/ˌsɛksʏwolo'ɣi/
noun
sexologi
/ˈsɛks.wɛr.kər/
noun
sexarbejder
adjective
1. betrekking hebbend op een sekte
sekterisk
/ˈsɛktə/
noun
1. religieuze groepering die opziet naar een bepaald mens als leider
sekt
noun
1. bepaald soort plant, Apium graveolens
selleri
noun
1. Scheikundig element met symbool Se en atoomnummer 34
selen
noun
selen
/sɛlfi/
noun
1. een foto die iemand van zichzelf heeft genomen
selfie
/se'mɑntis/
adjective
1. de semantiek betreffend
betydningsmæssig
noun
een half jaar
semester
noun
semiotik
adjective
1.
semitisk
noun
senat
noun
senator
/ˈse.ne.ˌɣɑl/, /ˈse.ne.ˌχɑɫ/
pronoun
1. land in West-Afrika
Senegal
/seˈnil/
adjective
1. aan de ouderdom eigen, door de ouderdom afgetakeld
senil
noun
1. sterke beroering door een verrassend voorval of bericht
sensation
noun
separatisme
noun
1. ernstige onstekingsreactie
blodforgiftning
noun
1. negende maand van het jaar
september
noun
1. muzikaal eerbetoon
serenade
noun
1. een rang onder de onderofficieren
sergent
noun
1. een aantal elementen op volgorde
række
adverb
1. ernstig
alvorlig
/sə.'rɪŋ/
noun
1. boomsoort met welriekende bloesem, meest paars of wit in de vorm van een kaars
syren
noun
1. een slang
slange
noun
1. de vloeibare stof die overblijft als bloed is gestold
serum
noun
1. bepaald soort zoogdier, Leptailurus serval
serval
noun
servefelt
noun
1. een computer die of computerprogramma dat diensten verleent aan andere programma's
server
/sɛrˈvɛt/
noun
1. een doek die men aan tafel gebruikt om er de mond en vingers mee af te vegen
serviet
/ˈsɛrvis/, /ˈsɛrvɪs/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Servië
serbisk
/ˈsɛrvi.jə/
noun
1. een land in Zuidoost-Europa.
Serbien
/ˈsɛrvi.jər/
noun
1. een inwoner van Servië, of iemand afkomstig uit Servië
Serber
/sɛrvoːkroːˈaːtis/
pronoun
  1. serbo-kroatisk
  2. serbokroatisk
noun
1. een uit Afrika afkomstige plant uit de familie Pedaliaceae
sesam
noun
sesamolie
noun
1. verzameling
samling
noun
sekst
noun
1. hoekmeetinstrument
sekstant
/se.ˈʃɛ.lə(n)/, /sɛɪ̯.ˈʃɛ.lə(n)/
pronoun
1. een land in de Indische Oceaan, officieel de Republiek der Seychellen
Seychellerne
noun
1. het geheel van gedachten en gevoelens die de gemoederen in een bepaalde omgeving bezighouden
atmosfære
noun
1.
sfinks
/ˈʃɑm.po/
noun
1. product, meestal in vloeibare vorm, dat bedoeld is om het haar te wassen.
shampoo
noun
1. een Spaanse versterkte wijn
sherry
/ʃɔk/
noun
1. een toestand die ontstaat door acute te geringe bloedtoevoer naar weefsels door ondervulling van het slagaderlijk systeem
chok
/ˈʃo.pro.sɛs/
noun
skueproces
abbreviation
1. Internationaal Stelsel van Eenheden
Système International d'Unités
noun
1. bepaald zoogdier, Santhera tigris altaica
  1. amurtiger
  2. sibiriske tiger
pronoun
Sibirien
pronoun
1. Romaanse taal die wordt gesproken door 10 miljoen mensen op Sicilië, in Zuid-Calabrië en Salento
siciliansk
/sɪˈsɪlɪʲə/
pronoun
Italiaans eiland ten zuiden van het Italiaanse schiereiland
Sicilien
noun
1. bepaald soort grote, palingachtige vis die zware stroomstoten kan afgeven, Electrophorus electricus
elektriske ål
verb
pryde
/ˌsʲɛ.rɑ.le.ˈjo.ne/, /ˌʃæː.ra.le.ˈjo.nə/, /ˌʃɛ.ra.le.ˈjo.nə/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Sierra Leone
Sierra Leone
noun
cigar
/sɪɣɑˈrɛt/, /sɪʝɑˈrɛt/
noun
in papier gerolde tabak
cigaret
/sɪɲˈaːl/
noun
1,2,3,4,5,6. vorm van informatie
signal
noun
sikh
/ˈsɪkəl/
noun
1. maaiwerktuig met halvemaanvormig lemmet
segl
/siˈleziˌʲə/
pronoun
1. een historische regio in Midden-Europa
Schlesien
noun
1. afbeelding van een ondoorzichtig object dat sterk contrasteert met de achtergrond en zo een duidelijke vorm heeft, maar verder egaal van kleur is
silhuet
noun
1. Scheikundig element met symbool Si en atoomnummer 14
silicium
noun
1. organische silicium verbinding
silikone
noun
1. Vrucht van de sinaasappelboom
appelsin
pronoun
1.
Sindelfingen
noun
1. makkelijk baantje, taak
ben
/ˌsɪŋɣaˈles/
pronoun
1. een taal die op Sri Lanka gesproken wordt
Singalesisk
/sɪŋ.(g)ɣa.poːr/, /sɪŋ.gɑ.poːr/, /sɪŋ.gɑ.po̝ːr/
pronoun
1. een stadstaat in Zuidoost-Azië
Singapore
/ˈsɪŋk.sə(n)/
noun
1. christelijk feest waarbij herdacht wordt dat de Heilige Geest over de apostelen neergedaald is
pinse
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Sinsheim
/sɪnt.'maːr.tən/
pronoun
1. eiland in het noordoostelijke gedeelte van de Caraïbische Zee
Saint Martin
pronoun
Saint Helena
noun
prikbladet Perikon
pronoun
1.
Saint Lawrence
pronoun
1. een stad in Rusland, het voormalige Leningrad
Sankt Petersborg
noun
sinus
noun
1. een toestel om een akoestisch alarmsignaal weer te geven
sirene
pronoun
1. Sirius
Hundestjernen
noun
1.
sitar
/sity'waː(t)si/
noun
1. hoe de zaken er voorliggen
situation
noun
1. een langwerpige lap stof die om de hals gedragen wordt
halstørklæde
/ʃɑ'blo:n/
noun
skabelon
noun
1.
shah
noun
1. een kleine uiensoort
skalotteløg
noun
1. een brede, gekleurde band die vaak gedragen wordt als een waardigheidsteken
skærf
noun
shiisme
/ʃul/
noun
synagoge
/ʃoˈfɑr/
noun
1.
shofar
noun
skateboard
noun
1. samenstel van onderdelen dat het lichaam stevigheid geeft
skelet
noun
ski
noun
1. bril die tijdens het skiën gedragen wordt
skibriller
/ˈskɔp.jə/
pronoun
1. de hoofdstad van Noord-Macedonië
Skopje
noun
  1. 1. plant van de soort Lactuca
  2. 4. salade
salat
/slaːf/
noun
1. een persoon die het bezit is van een ander
slave
verb
  1. 1. een klap uitdelen; met de arm of een vastgehouden voorwerp een snelle, rakende beweging maken
  2. 2. het voorbrengen van geluid door ergens op te slaan
slå
/slap/
noun
  1. 1. periode van inactiviteit
    1. søvn
    2. sove
  2. 3. zijvlak van het hoofd
    tinding
noun
1.
sovesofa
noun
1. een kamer die hoofdzakelijk gebruikt wordt om in te slapen
soveværelse
noun
1. melodie met eenvoudige tekst die gezongen wordt om een kind in slaap te krijgen
vuggevise
noun
sovepose
/slɑp/
noun
1. doekje om op te morsen
hagesmæk
/slɑxtə(n)/
verb
1. een dier doden voor het vlees of als offer
slagte
noun
slagter
/ˈslɑx.hœːs/, /ˈslɑxt.ɦœːs/, /ˈslɑχ.tœʏ̯s/
noun
1. een bedrijf waar dieren geslacht worden
slagtehus
noun
2. iets of iemand die kwalijke gevolgen ondervindt van een gebeurtenis
offer
noun
2. het opzettelijk doen belanden van een hand of een voorwerp op iemand
slag
noun
1. een ader die van het hart af stroomt
  1. pulsåre
  2. arterie
noun
1. een verkoper van vlees
slagter
noun
1. slagpen
slagstift
noun
flødeskum
noun
1. groot schip met zware bewapening
slagskib
/ˈslaxfɛlt/
noun
1. een gebied waarop een militair treffen tussen twee legers plaatsvindt of plaatsgevonden heeft
slagmark
noun
1. door schade sterk naar één kan overhellen van een schip
slagside
noun
  1. 2. een onoplosbaar afvalproduct bij het smelten van metaal
    slagge
    1. 1. een buikpotig weekdier (huisjesslak)
    2. 1. een buikpotig weekdier (wijngaardslak)
    snegl
noun
1. met een ~: erg langzaam
sneglefart
noun
1. Rostrhamus sociabilis, een roofvogel van de moerassen van de warmere streken van de beide...
snegleglente
noun
1. benaming voor geschubde dieren met langgerekt lijf en een vaak glad lichaam zonder ledematen, die de onderorde Serpentes vormen
slange
adjective
1. met de vorm of het gedrag van een langgerekt reptiel zonder poten
slangeagtig
noun
slangetæmmer
adjective
slank
noun
søvnløshed
verb
1. in een toestand van lichamelijke rust verkeren
sove
/ˈsla.pə.rəx/, /ˈsla.pə.rəχ/, /ˈsla.pə.rɪx/
adjective
1. behoefte tot slaap vertonend
søvnig
/ˈsla.pə.rəx.ˌɦɛːt/, /ˈsla.pə.rəχ.ˌɦɛɪ̯t/, /ˈsla.pə.rɪx.ˌhɛɪ̯d/
noun
2. de neiging te gaan slapen
søvnighed
noun
slavehandel
/ˈslaː.və(n)ˌsxɪp/
noun
slaveskib
noun
1.
slaveri
adjective
slavisk
pronoun
Slavisk
pronoun
1.
Slavonien
/slɛçt/
adjective
1. niet goed
dårlig
adjective
værre
noun
1. iemand die kwaad doet of in de zin heeft
skurk
noun
1. Falco peregrinus, een roofvogel en de snelst vliegende vogel ter wereld
vandrefalk
noun
1. een voertuig dat wordt voortgetrokken en dat voorzien is van twee glijders
slæde
noun
1. bepaald soort plant met blauwe vruchten, Prunus spinosa
slåen
noun
1. een krachtige boot die andere vaartuigen versleept
slæbebåd
noun
1. vlechtwerk van touw dat over een waterbodem gesleept kan worden om zo waterdieren te vangen
slæbegarn
pronoun
Slesvig
pronoun
Slesvig-Holsten
verb
  1. 1. (langzaam) ergens heen lopen, futloos of lusteloos
  2. 2. (langzaam) ergens heen lopen zonder specifiek doel (zonder negatieve bijklank)
slentre
verb
1. trekkend over de grond of het wateroppervlak verplaatsen
hal
/sløːtəl/, /sløːtəɫ/, /ˈslø.tɔɫ/
noun
  1. 1. werktuig om te (ont)sluiten
  2. 4. een aanwijzing of code waarmee een raadsel kan worden opgelost, een geheim(schrift) ontcijferd, een cijferslot geopend of toegang kan worden verkregen
  3. 3. een voorwerp bedoeld om er een mechaniek zoals van een klok of speeldoos mee op te winden, een kraan open te draaien e.d.
nøgle
/ˈsløtəɫχɑt/, /ˈsløːtəlɣɑt/
noun
1. een gat in een slot waardoor een sleutel moet worden gestoken om hem te openen
nøglehul
/ˈsløtəɫˌɦɑŋər/
noun
1. ring om sleutels aan te hangen, vaak voorzien van een logo of label.
nøglering
noun
1.
nøgleord
/slɪp/
noun
1.
  1. silt
  2. slam
/slɛːk/, /slɛːɪk/
noun
1. mengsel van aarde, vuil en water
slam
/slɛɪm/
noun
1. kleverige stof die door slijmvliezen uitgescheiden wordt
slim
noun
1. slijm afscheidend membraan
slimhinde
noun
slibesten
verb
1. de slokdarm in
sluge
noun
1. een klein scheepstype dat op het dek van een groter schip wordt meegevoerd
slup
noun
spiserør
/sloːt/
noun
1. smal watergang om of tussen weilanden
grøft
verb
1. een structuur ontmantelen, afbreken
demolere
noun
  1. 1. mechanisme waarmee in combinatie met bijvoorbeeld een sleutel een deur of een raam kan worden afgesloten
    lås
  2. 2. een middeleeuwse versterkte woning
    slot
noun
låsesmed
/sloˈvens/, /sloˈveːns/, /sloˈweːns/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Slovenië
  1. Slovensk
  2. slovensk
/sloˈveni.jə/, /sloˈveːni.jə/, /sloˈweːni.jə/
pronoun
1. een land in Centraal-Europa
Slovenien
noun
1. film met vertraagde beelden
slowmotion
/slo.ˈwaks/, /slo.ˈʋaks/, /slo.ˈβ̞aks/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Slowakije
  1. Slovakisk
  2. slovakisk
/ˌslowaˈkɛɪ̯.jə/, /ˌsloʋaˈkɛɪ̯.jə/, /ˌsloβ̞aˈkɛː.jə/
pronoun
1. een land in Midden-Europa; het oostelijke deel van het voormalige Tsjechoslowakije.
Slovakiet
noun
slør
verb
blunde
noun
1. het in een lichte slaap verkeren
blund
noun
1. Alternatieve route die meestal gebruikt wordt om files te mijden
genvej
noun
sluse
verb
1. toedoen, dichtmaken
lukke
/ˈslœʏ̯.tər/, /ˈslœː.tər/
noun
1. een element van een fotocamera
lukke
noun
1. een afsluitbare gebogen pin waarmee men twee stukken stof bijeen kan houden, voorzien van een veiligheidskapje dat voorkomt dat men zich eraan bezeren kan
sikkerhedsnål
adjective
ranglet
noun
1. verlengde snuit
snabel
noun
  1. 2. gewaarwording bij het proeven van eten en drank
  2. 3. bepaalde subjectieve voorkeur
smag
/ˈsmaː.kə.los/
adjective
  1. 1. (van voedsel) geen smaak hebbend
  2. 2. (figuurlijk) geen fatsoen of gevoel voor esthetiek of mode hebbend, vulgair
smagløs
noun
smaragd
verb
1. het bewerken van metalen door deze heet te maken en met een hamer te slaan om het materiaal de gewenste vorm te geven
smede
noun
1. is ijzer dat wordt gemaakt door het te smeden
smedejern
noun
1. een zacht soort kaas dat uitgesmeerd kan worden op bijvoorbeeld brood
smøreost
noun
1. afscheiding die men onder de voorhuid van de penis kan aantreffen
nakkeost
/smekə(n)/
verb
1. nederig om een gunst verzoeken
bønfalde
noun
dværgfalk
verb
1. van vaste in vloeibare vorm overgaan
smelte
/ˈsmɛltkrus/
noun
1. vuurvaste pot voor het mengen van gesmolten metaal
smeltedigel
/smɛltpʌnt/
noun
1. de temperatuur waarbij iets gaat smelten
smeltepunkt
noun
1. iemand die gloeiend metaal bewerkt met een hamer op een aambeeld
smed
noun
1. smient
pibeand
/smɛitə(n)/
verb
1. hard gooien of werpen
kaste
noun
smoking
noun
smugler
/ˈsmɔ.kə.lə(n)/
verb
1. wederrechtelijk goederen over een grens brengen om heffingen te ontduiken
smugle
noun
1. strip- en tekenfilmfiguur in de vorm van een soort blauwe kabouter met een wit mutsje
smølf
noun
2. lang zeer dun rond en flexibel voorwerp
streng
noun
strengteori
/ˈsnavəɫ/
noun
1. bek van een vogel of schildpad
næb
/sne/
noun
  1. 1. inkeping gemaakt door het snijden met een mes of ander scherp voorwerp
  2. 2. een afgeneden plak, meestal van brood
snit
/sneʊ̯/, /sneːβ̞/, /snɪːβ̞/
noun
1. in kristallen bevroren water
sne
/ˈsneʊ̯bɑl/, /ˈsnɪːwbɑɫ/
noun
1. een tot een bal samengepakte hoeveelheid sneeuw, vaak bedoeld voor een speels sneeuwballengevecht
snebold
noun
sneboldeffekt
adjective
1. verblind door de hevige schittering van de sneeuw
sneblind
noun
1. een laag sneeuw op de bodem, die wordt gevormd als gevolg van sneeuwval en sneeuwstormen en gedurende een bepaalde periode blijft liggen
snedække
verb
1. het vallen van hemelwater onder de vorm van sneeuwvlokken
sne
noun
snegås
noun
1.
snespurv
noun
1. patrijsachtige vogel uit koude streken, die in de zomer een bruinig...
fjeldrype
/'snewjɑxt/
noun
1. sneeuwval bij harde wind
snestorm
noun
1. een pop die gemaakt is van sneeuw
snemand
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera uncia
sneleopard
noun
1. een pop die gemaakt is van sneeuw
snemand
/ˈsneʊ̯.sxœː.vər/, /ˈsneːβ̞.sxœː.vər/, /ˈsnɪːβ̞.sχœʏ̯.vər/
noun
1. een apparaat met een steel en een blad waarmee scheeuw verschoven kan worden
sneskraber
/'snew.stɔrm/
noun
snestorm
noun
1. bepaald soort vogel, Bubo scandiacus
sneugle
noun
snefald
/'snewvlɔk/
noun
1. een kleine massa aaneengehechte sneeuwkristallen
snefnug
pronoun
Snehvide
/snɛɫ/
adjective
hurtig
noun
1. de verandering in de tijd van de plaats van een voorwerp
hastighed
noun
bladbede
/ˈsnɛɪdə(n)/
verb
1. met een scherp voorwerp in stukken delen
skære
noun
2. met een mes gemaakte snee
afsnit
verb
hulke
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Scolopacidae
sneppefugle
/ˈsnujə(n)/
verb
1. terugbrengen op gewenste lengte
beskære
noun
1. bepaald soort roofvis die in zoete wateren voorkomt, Esox lucius
gedde
noun
1. bepaald soort zoetwaterroofvis, Sander lucioperca
sandart
noun
1. beharing
overskæg
noun
1. een slijmerige afscheiding uit de neusholte
snot
noun
1. reukorgaan van dieren
snude
verb
1. ademen met een niet goed geopende luchtpijp, waardoor een rochelend geluid ontstaat
snorke
/soʃal/
adjective
  1. 1. betrekking hebbend op de menselijke samenleving
  2. 2. geneigd om in groepen te leven
  3. 3. gevoel hebbend voor de nood van de medeleden van de samenleving
social
noun
1.
fysisk afstand
noun
socialisme
noun
socialist
pronoun
1. officiële naam van Joegoslavië van 1963 tot 1992
Socialistiske Føderative Republik Jugoslavien
noun
1. wetenschap
sociologi
noun
sociolog
/su.ˈdɑn/, /zu.ˈdaːn/
pronoun
1. land in Noordoost Afrika dat voor een groot deel in en rond het stroomgebied van de rivier Nijl ligt, officieel de Republiek Sudan
Sudan
noun
sunni-islam
noun
1. vloeibaar gerecht
suppe
noun
sura
noun
suverænitet
noun
1. de verzamelnaam voor besturings- en toepassingsprogramma's,...
  1. software
  2. programmel
noun
sojaolie
noun
1. kous die tot net boven de enkel komt
  1. sok
  2. strømpe
noun
2. extra online identiteit
sokkedukke
/sɔlˈdaːt/
noun
1. krijgsman met de laagste rang binnen een strijdmacht
soldat
noun
2. orchideeënsoort
  1. ridder-gøgeurt
  2. riddergøgeurt
noun
1. een stuk gereedschap om mee te solderen
loddekolbe
noun
1. brander waarmee men kan solderen
blæselampe
noun
1. metaalmengsel waarmee men
loddemetal
verb
1. een door verhitting vloeibare tussenstof aanbrengen tussen losse metaaldelen waardoor deze na afkoeling vast verbonden blijven
lodde
noun
solidaritet
noun
solipsisme
noun
jobansøgning
pronoun
1. een taal die vooral wordt gesproken in Somalië
somali
/so.'ma.li.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika, officieel de Somalische Republiek
Somalia
noun
1. instrumentaal muziekstuk
sonate
/ˈsɔːrt/
noun
2. een groep levende wezens die een bepaald aantal kenmerken gemeenschappelijk heeft en...
art
noun
2. de naam van de groep waartoe iets behoort
appellativ
pronoun
1. een groep Slavische talen die wordt gesproken in het oosten van Saksen en het zuidoosten van Brandenburg
  1. Sorbisk
  2. sorbisk
verb
1. orde in een verzameling aanbrengen door soort bij soort te leggen
sortering
noun
1. klein voorwerp dat helpt om aan een prettige ervaring met een plaats of persoon terug te denken
souvenir
pronoun
Sovjetunionen
noun
1. een staaf die de naaf en de velg van een wiel verbindt
  1. eger
  2. ege
/ˈspakbeɪn/
noun
bot in de onderarm
spoleben
/spaːns/
adjective
1. met betrekking tot Spanje of het Spaans
spansk
/spaːns/
pronoun
1. een taal die oorspronkelijk werd gesproken in (het centrale deel van) Spanje,...
spansk
/ˈspan.sə/
noun
1.
spanier
noun
1. afgesloten voorwerp waarin contant geld opgespaard wordt
sparegris
noun
1. brede, zware schep, bedoeld voor het spitten van grond
spade
noun
spaghetti
/ˈspɑ.ɲard/, /ˈspɑɲ.jart/
noun
1. een inwoner van Spanje, of iemand afkomstig uit Spanje
spanier
/ˈspɑ.ɲə/, /ˈspɑɲ.jə/
pronoun
1. een land in het zuidwesten van Europa op het Iberisch Schiereiland
Spanien
noun
  1. 1. mechanische spanning
  2. 2. emotionele spanning
spænding
noun
1. afstand tussen uiteinden
vingefang
noun
2. benaming voor een naaldboom uit het geslacht Picea
gran
/ˈspa.rə(n)/
verb
  1. 3. ontzien
    opspare
  2. 1. geld niet uitgeven
    spare
/spɑr'tans/
adjective
1.zonder luxe
spartansk
noun
1.
bagskærm (back panel)
noun
1. spaan, lepel, e.d. met plat, bot uiteinde om mee te smeren
palet
noun
1. tussenruimte tussen twee woorden
mellemrum
noun
1. een gedroogd plantendeel, anders dan een groen blad of stengel, dat als geur-, kleur- of smaakstof aan voedsel wordt toegevoegd
krydderi
noun
1. benaming voor middelgrote robuuste vogels behorende tot de familie Picidae
spætte
/spe.si.ˈjal/, /spe.ˈsjaːl/, /spe.ˈʃaːl/
adjective
1. op een positieve manier anders dan het andere
speciel
noun
1. kleurenband
  1. spekter
  2. spektrum
verb
1. inzetten op een bepaalde kans, meestal met hoog risico
spekulere
noun
1. vocht dat in de mond vloeit uit de speekselklieren
spyt
noun
1. een klier die speeksel produceert en naar de mondholte afscheidt
spytkirtel
/ˈspelɣud/, /ˈspelɣut/, /ˈspɪːɫχut/
noun
1. één of meer voorwerpen voor kinderen om mee te spelen
legetøj
noun
legetøjsbil
noun
spillekort
noun
1.1 bepaald soort plant met niervormige bladeren, botergele bloemen en wortelknolletjes, Ficaria verna
almindelig vorterod
/spɪːr/
noun
1. lange stok met een punt eraan, (werd) gebruikt voor de jacht of oorlogvoering
spyd
noun
1. opzienbarend schouwspel
skue
noun
1. bezigheid ter ontspanning volgens vaste regels met elementen als competitie, behendigheid, inzicht en kans
spil
/ˈspeːlə(n)/
verb
spille
noun
  1. 1. deelnemer aan een spel
  2. 2. een partij
spiller
noun
1. onjuiste schrijfwijze van een woord
stavefejl
verb
1. letters in de juiste volgorde plaatsen
stave
/ˈspɛlɪŋ/
noun
1. de al dan niet vastgelegde manier waarop de woorden van een taal geschreven worden
  1. ortografi
  2. retskrivning
noun
1. grove tarwesoort
spelt
noun
1. een tak van de wiskunde waarin het nemen van beslissingen centraal staat
spilteori
noun
sperm
noun
1.
sæd
noun
1. Accipiter nisus, een kleine snelle roofvogel
spurvehøg
noun
1. en 2. (peul van) cultivar van Phaseolus vulgaris
grønne bønne
pronoun
1.
Speyer
noun
1. beelden terugkaatsend voorwerp
spejl
noun
1. een orgaan
muskel
/ˈspiːrpɛɪ̯n/, /ˈspiːrpɛːn/
noun
1. pijn in een spier
ømme muskler
verb
2. ter dood brengen door doorboring met een spies
spidde
verb
1.
pjække
noun
1. metalen pin waarmee twee voorwerpen door doorboring vast verbonden kunnen worden
søm
noun
kileskrift
noun
1. geleedpotig dier met acht poten
edderkop
noun
1. bepaald soort snelgroeiende, eenjarige plant, Spinacia oleracea
spinat
noun
1. voorlichter
spindoktor
verb
2. snorren, een brommend geluid maken
spinde
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Araneae
edderkop
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Araneae
edderkop
noun
1. een door een spin gemaakt net om insecten te vangen
spindelvæv
noun
spion
noun
1. de handeling van het spioneren
spionage
noun
1. een kromme lijn
spiral
noun
1. benaming voor de groep Spirochaetes
spirokæter
noun
1. draaiende staak waarop men vlees of een geslacht dier spietst en boven of naast een hittebron roostert
spid
noun
2. binnen een ploeg een aanvallende speler die een positie opzoekt waarin hij een doelpunt kan maken
angriber
pronoun
1. een Noorse eilandengroep
Svalbard
noun
1. klein muisachtig diertje met spitse snuit en korte poten, behorend tot de familie Soricidae
spidsmus
/splet/
noun
spalte
/'splɪntər/
noun
1. klein puntig scherfje
splint
noun
2. een element van zelfinductie
spole
noun
1.
sputnik
noun
1. versvoet met twee beklemtoonde lettergrepen
spondæ
noun
svamp
noun
1. een geestverschijning die een bepaald gebouw of bepaalde locatie onveilig maakt
spøgelse
noun
1. een legendarisch schip dat zonder bemanning eeuwig blijft rondvaren
spøgelsesskib
noun
1. verspreking door verwisseling van klanken van verschillende woorden
bakke snagvendt
noun
1. twee met elkaar verbonden ijzeren staven waarover een trein rijdt
spor
adjective
1. verdwenen zonder aanwijzing van waarnaartoe
sporløs
noun
jernbane
adjective
sporadisk
noun
1. bepaald soort loofboom, Frangula alnus
almindelig tørst
/spɔrt/
noun
1. lichaamsbeweging
  1. sport
  2. idræt
noun
1. beoefenaar van een sport
sportsmand
noun
iemand die zich toelegt op het bedrijven van sport
idrætsmand
noun
1. vrouw die sport op een hoog niveau beoefent
idrætskvinde
noun
1. een zangvogel die geluiden kan nabootsen
gulbug
/sprak/
noun
1. het vermogen om te spreken
tale
/'sprakhɛrkɛnɪŋ/
noun
1. het omzetten van geluiden in taal
talegenkendelse
noun
1. een systeem van regels en principes voor het schrijven en spreken van een taal
grammatik
noun
1. geneigdheid om veel te praten
snaksomhed
noun
ordsprog
noun
1. Sturnus vulgaris, een middelgrote zangvogel
stær
/ˈspreːkə(n)/
verb
1. zich met behulp van de stem uiten
  1. tale
  2. snakke
/ˈspɾøkə(n)/
noun
Ordsprogene
verb
1. na zich tegen de zwaartekracht afgezet te hebben een korte vrije val door de lucht maken
  1. hoppe
  2. springe
noun
1. een insect van de Orthoptera-orde
græshoppe
noun
1. bepaald soort vrij kleine vogel met gestreepte bovenzijde en monotone zang, Locustella naevia
græshoppesanger
noun
1. een bruin vlekje op de huid dat veroorzaakt wordt door ultraviolet licht
fregne
noun
hop
noun
1. verzonnen vertelling
eventyr
noun
Sprattus sprattus
brisling
noun
1. slijmvliesontsteking in mond of darmen
trøske
/'spy.ɣə(n)/
verb
1. speeksel uit de mond doen uitschieten
spytte
noun
1. spuigat
lænseport
noun
sprayflaske
noun
spionprogram
noun
squash
/sri.ˈlɑŋ.ka/
pronoun
1. een republiek in Azië gelegen op een eiland ten zuiden van India
Sri Lanka
/ˈstaf.kɛrk/
noun
1. een geheel uit hout opgetrokken kerkgebouw, met een typische bouwstijl die voornamelijk in Scandinavië wordt aangetroffen
stavkirke
noun
stavblender
/staːɫ/
noun
1. een legering van ijzer en koolstof
stål
/stalwɔl/
noun
ståluld
/staːn/
verb
1. zich in verticale toestand van rust bevinden
stå
noun
  1. 1. een verlengstuk van de ruggengraat bij sommige dieren
  2. 2. het achterste stuk van een vliegtuig of een auto
hale
noun
halemejse
noun
komet
noun
1.
halefinne
noun
  1. 1. een land
  2. 1. toestand
stat
noun
1. iemand die burgerrechten in een staat heeft
statsborger
noun
1. illegale afzetting van een regering
statskup
noun
1. iemand die in een staat het hoogste gezag bekleedt of personifieert
statsoverhoved
adjective
1. standvastig, duurzaam
stabil
noun
stabilitet
/stɑd/, /stɑt/
noun
Woonplaats
by
/ˈstɑdhœːs/, /ˈstɑthœʏs/, /ˈstɑthœːs/
noun
1. een gebouw waar de stadsdiensten gehuisvest zijn
rådhus
noun
stadion
/ˈstɑt.stat/
noun
1. staatsvorm
bystat
noun
1. een vernieuwing van verpauperde stadswijken
byfornyelse
noun
1. een stok bedoeld voor ondersteuning of onderscheiding van een persoon
stang
noun
1. een touw of kabel waarmee een mast stabiel wordt gehouden
stag
noun
praktik
noun
1.
stagflation
verb
1. een werkonderbreking of (ludieke) actie houden voor betere arbeidsvoorwaarden of meer loon
strejke
/'stakɪŋ/
noun
1. het neerleggen van de werkzaamheden, meest uit protest of om verbeteringen af te dwingen
strejke
noun
1. iemand die veel pech heeft, veel tegenslagen meemaakt
stakkel
/stɑl/
noun
1. ruimte bestemd voor de huisvesting van dier(en)
stald
noun
1. variant van het marxisme-leninisme gekenmerkt door een totalitair nationalistisch...
stalinisme
verb
in een stal zetten
stalde
noun
  1. 4. op verwantschap berustende samenlevingsvorm van meer families in beschavingen met weinig verstedelijking
  2. 2. deel van de boom tussen de wortels en de kruin
stamme
/'stɑmbom/
noun
1-2
anetavle
noun
stamcelle
noun
2. vijzelstamper
pistil
noun
1. een kunstzinnige afbeelding vaak van een persoon in drie dimensies, meestal gehouwen in steen of gegoten in metaal
statue
/stɑmplats/
noun
1. een vaste plaats waar iemand zich bevindt
holdeplads
noun
1. een sterke, stinkende geur
stank
/stɑp/
noun
1. het plaatsen van de ene voet voor de andere bij het gaan
trit
noun
1. een gestructureerde hoop spullen
stabel
noun
1.Twee bedden op elkaar
køje
verb
glo
adjective
anselig
/sta.ˈsʲɔn/
noun
  1. 2. een zender die radio- of televisieprogramma's uitzendt
    1. radiostation
    2. station
  2. 1. plaats waar voertuigen kunnen stoppen
    1. station
    2. banegård
noun
statistik
adjective
1. cijfermatig berekend
statistisk
noun
1. plaats in een vast geheel of een bepaald proces
anseende
noun
1. huidige stand van zaken
status quo
noun
statut
verb
1. aantonen, bevestigen, ondersteunen
stadfæste
adverb
1. voortdurend
altid
noun
1. zeer smal straatje
stræde
/steːk/
noun
3. een eenmalige doorvoering van een draad door een weefsel, meestal met behulp van een naald
sting
noun
1. een spel waarbij twee ridders elkaar met lansen trachtten uit het zadel te werpen
dyst
noun
1.
sækkevogn
noun
kasserolle
/sten/, /steːn/
noun
1. een harde stof, vaak op kiezel gebaseerd maar omvattende vele soorten
sten
noun
1. vogel uit de familie der arendachtigen
kongeørn
pronoun
2. teken van de dierenriem van 22 december tot 20 januari
  1. Stenbukken
  2. stenbuk
noun
1.1 bepaald soort zoogdier, Capra ibex
stenbuk
noun
Stenbukkens vendekreds
/ste.nɛi̯k/, /ste.nɛːk/, /sten.ʔɛi̯k/
noun
1. Quercus ilex; een boom uit de napjesdragersfamilie
  1. sten-eg
  2. steneg
noun
1.
stenbrud
noun
stenhugger
noun
1. zwart-bruine stof die ontstaan is door plantenafzettingen en gebruikt wordt als energiebron
stenkul
/ˈstentɛit/
noun
Stenalder
/ˈstenœʏ̯ɫ/, /ˈsteːnœːl/
noun
1. bepaald soort vogel, Athene noctua
kirkeugle
noun
vlezige vrucht waarvan het binnenste deel steenhard is
stenfrugt
noun
1. hardloopwedstrijd met hindernissen
forhindringsløb
noun
1. de kennis van het op verborgen wijze overbrengen van informatie
steganografi
/stɛil/, /stɛːl/
adjective
1.
stejl
noun
1. een groot knaagdier met stekelige vacht
  1. hulepindsvin
  2. træpindsvin
verb
1. doorboren, prikken
stikke
noun
1. stekker
stikprop
verb
1. iets wegnemen van iemand en het zich wederrechtelijk toe-eigenen
stjæle
/stɛlt/
noun
stylte
noun
  1. 6. een keuze gemaakt door een stemmer (kiezer) bij een stemming (verkiezing)
    afstemning
  2. 1. het geluid dat door het trillen van de menslijke stembanden wordt geproduceerd
    stemme
noun
1. geluidvoortbrengende plooien in het strottenhoofd
stemmebånd
noun
1.
valglokale
/stεmə(n)/
verb
  1. 1. deelnemen aan een verkiezing
  2. 2. een instrument op de juiste toonhoogte brengen
  3. 3. iemand een bepaald gevoel geven
stemme
/ˈstɛmpəl/, /ˈstɛmpəɫ/
noun
  1. A2. een afdruk van [1]
  2. A:1. voorwerp met een ingesneden oppervlak waarmee afdrukken gemaakt kunnen worden met inkt of in lak
stempel
/stɛmvɔrək/
noun
1. stemvork
stemmegaffel
verb
1. met steenworpen doden
stene
noun
stening
noun
  1. 1. een hemellichaam, een gasbol die licht uitzendt door kernfusie
  2. 2. een beroemdheid
stjerne
noun
steradian
noun
stjerneanis
noun
stereotyp
/ˈstɛrvbɛt/
noun
1. het bed waarop men sterft
dødsleje
adjective
dødelig
noun
1. een getal dat aangeeft hoeveel sterfgevallen er in een gebied in een bepaalde tijd hebben plaatsgevonden
dødelighed
/stɛrk/
adjective
  1. 1. krachtig
  2. 2. geconcentreerd
uregelmæssig
noun
1. benaming voor slanke meeuwachtige vogels uit de familie Sternidae
terne
noun
1. verzameling dicht bijeen staande sterren
stjernehob
noun
1. wetenschap die de objecten in de ruimte bestudeert
astronomi
/stɛrən'kʏndəɣə/
noun
astronom
noun
galakse
verb
1. overgaan van levende toestand naar dode toestand
dø
noun
  1. stjernefrugt
  2. karambole
/steto'skop/
noun
1. een medisch instrument waarmee men geluiden in het lichaam kan beluisteren
stetoskop
/'stønə(n)/
verb
1. een deel van de last op zich nemen, hulp verlenen
støtte
noun
1. bepaald soort anadrome vis, Acipenser sturio
stør
noun
stewardesse
verb
1. de grondslag voor iets leggen, iets instellen
grundlægge
noun
2. zelfstandig vermogen met rechtspersoonlijkheid opgericht op de verwezenlijking...
grundlæggelse
/ˈstif.mu.dər/
noun
1. latere levenspartner van vader dan de eigen moeder
stedmor
noun
1. echtgenoot van iemands moeder, die niet de eigenlijke vader is
stedfar
pronoun
  1. 1. sterrenbeeld van de dierenriem
  2. 2. astrologisch teken
  1. Tyren
  2. tyr
/stiːr/
noun
tyr
pronoun
1. deelstaat van Oostenrijk
Steiermark
/stɛif/
adjective
stiv
/ˈstɛi̯xˌbøː.ɣəl/
noun
1. voetsteun voor de ruiter
stigbøjle
noun
Fuld mast
/ˈstɪkstɔf/
noun
1. een chemisch element en een kleurloos niet-metaal
  1. kvælstof
  2. nitrogen
/[stɪɫ]/
adjective
  1. 1. geen of weinig geluid producerend
  2. 2. onbeweeglijk
  3. 3. rustig, kalm
stille
pronoun
1. de oceaan die ligt tussen Oost-Azië, Noord- en Zuid-Amerika en Australië
Stillehavet
noun
stilleben
/'stɪl.tə/
noun
stilhed
noun
1. bepaald soort zoogdier, Mephitis mephitis
skunk
verb
1. een onaangename geur hebben
stinke
pronoun
1. de hoofdstad van Zweden
Stockholm
/stul/, /stuɫ/
noun
1. zitmeubel
stol
/'stulɣɑŋ/
noun
2.
afføring
noun
    1. 2. weefsel, textiel
    2. 1. materiaal, chemische verbinding
    stof
  1. 1. heel kleine deeltjes
    støv
/'stɔfʋɪsəlɪɳ/
noun
1. het geheel van chemische processen dat gepaard gaat met het in leven zijn van een wezen
stofskifte
noun
1. een elektrisch toestel dat stof en kleine deeltjes opzuigt
støvsuger
noun
støkiometri
/stɔk/
noun
kæp
noun
1.Suricata suricatta, roofdier behorend tot de mangoesten
surikat
noun
1. gedroogde kabeljauw of kabeljauwachtige vis, zoals heek, leng, lom, schelvis en koolvis
tørfisk
/ˈstɔlɪŋsɣəˌstentə/
noun
1. gesteente bestaande uit gestolde lava of gestold magma.
magmatisk bjergart
adjective
  1. 1. geluidloos
  2. 2. niet in staat te spreken
stum
noun
een bijzonder onverstandige daad
dumhed
adjective
1. zo verbaasd dat men er het zwijgen toe doet
paf
noun
1. een brandstof waarmee men verwarmingsketels stookt
fyringsolie
noun
damp
noun
1. een schip dat met behulp van stoom wordt voortbewogen
dampskib
noun
1. een locomotief die wordt aangedreven door een stoommachine
damplokomotiv
noun
1. een machine die door middel van stoom drijfkracht ontwikkelt
dampmaskine
noun
1. een schip dat voortgedreven wordt middels een stoommachine
dampskib
noun
dampturbine
noun
1. grote slagtand
stødtand
/ˈstɔplɪxt/
noun
1. een installatie die middels gekleurde lichten het verkeer op een kruispunt regelt
trafiksignal
noun
1. naald die men gebruikt bij het repareren van weefsels of breiwerk
stoppenål
noun
1
børste
/ˈstorə(n)/
verb
1.het functioneren nadelig beïnvloeden
forstyrre
noun
1. erg harde wind
storm
noun
een toestel, balk, e.d. om een deur, poort te forceren
rambuk
noun
1. benaming voor zeevogels uit de familie Procellariidae
stormfugl
noun
1. een wijsbegeerte die leert slechts de rede te volgen en de hartstochten uit te bannen
stoicisme
/straɫ/, /ˈstral/
noun
  1. 1. de lijn van middelpunt naar omtrek
    radius
  2. 2. een bundel elektromagnetische straling
    stråle
/strat/
noun
  1. 1. een weg tussen de huizen in een bewoonde plaats
    gade
  2. 2. een smalle doorgang tussen twee zeeën
    1. stræde
    2. sund
pronoun
1. zeestraat tussen het Australisch vasteland en Papoea-Nieuw-Guinea
Torresstrædet
pronoun
1.
Gibraltarstrædet
noun
1. hoofdstad van de Franse regio Grand Est
Strasbourg
noun
1. onprettige maatregel of behandeling ter vergelding van een misdaad of overtreding
straf
adjective
1.
strafbar
noun
1.
straffrihed
/ˈstrɑfə(n)/
verb
1. negatieve consequenties verbinden aan een als verkeerd geziene daad
straffe
/'strɑfrɛxt/
noun
1. het geheel van rechtsregels waarmee bepaalde handelingen strafbaar worden gesteld
  1. kriminalret
  2. strafferet
noun
1. directe vrije trap
straffespark
adjective
1. nauwzittend
snæver
noun
stråling
pronoun
1.
Stralsund
noun
1. Strook land langs de kust
strand
verb
1. aan de grond vastlopen
strande
noun
1. Mya arenaria
sandmusling
noun
1. strandkrab
strandkrabbe
noun
1. een plan om iets te bereiken
strategi
noun
stratosfære
noun
1. een kegelvormige vulkaan met traagvloeibare lava
stratovulkan
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Straubing
noun
3. een veeg of streep met een werktuig
streg
noun
2. lijnvormig patroon
stribe
verb
strække
verb
1. zachtjes met de hand over iets of iemand strijken
stryge
noun
oplossing die spijsverteringsenzymen bevat
osteløbe
noun
1. spanning, geestelijke druk.
stress
verb
1. een doel willen bereiken
arbejde med stor anstrengelse
noun
  1. 1. een handgemeen
  2. 2. een militair treffen
kamp
noun
stridsvogn
verb
2. wasgoed desinfecteren en gladmaken met hulp van een heet ijzer, een strijkijzer
stryge
/ˈstrɛɪ̯.gɛɪ̯zər/, /ˈstrɛɪ̯k.ʔɛɪ̯zər/, /ˈstrɛː.kɛːzər/
noun
1. een huishoudelijk gereedschap dat gebruikt wordt om textiel glad te strijken
strygejern
noun
1. gestreken snaarinstrument
strygeinstrument
noun
1. een plankvormig voorwerp, gewoonlijk op een inklapbaar onderstel, bedoeld als ondergrond waarop kleding gestreken kan worden
strygebræt
noun
1. een constructie waarmee de snaren van een strijkinstrument in trilling gebracht worden
bue
/stro/
noun
1. droge bloeistengels van graangewassen
halm
noun
1. hoed
stråhat
noun
1. scheikundig element met symbool Sr en atoomnummer 38
strontium
noun
1. zweertje op het ooglid
bygkorn
/stroːm/
noun
  1. 2. elektriciteit
  2. 1. rivier, beek
strøm
noun
afvandingsområde
noun
1. dikke, viskeuze, geconcentreerde vloeistof waarin een grote hoeveelheid suikers zijn opgelost
sirup
noun
1. lus van stevig touw
løkke
noun
slips
noun
strubehoved
/strʏkˈtyr/
noun
de interne opmaak van een geheel
struktur
noun
1. heester
busk
verb
1. het evenwicht verliezen doordat men met de voet verstrikt raakt
snuble
noun
1. bepaald soort in heel Europa voorkomende plant, Calluna vulgaris
hedelyng
noun
1. iemand die vanuit een hinderlaag reizigers berooft
landevejsrøver
/ˈstrœʏ̯sˌfoχɔɫ/, /ˈstrœːsˌfoːɣəl/, /ˈstrœːzˌvoːɣəl/
noun
1. Struthio camelus, grote loopvogel, die niet kan vliegen
struds
noun
1. iemand die hoger onderwijs volgt
student
verb
1. het volgen van een opleiding en verwerven van kennis als voornaamste bezigheid
studere
noun
1.
studium
noun
1. onderste deel van de ruggengraat, de laatste vier vergroeide ruggenwervels
haleben
/stɵk/
noun
  1. 1. deel
    brik
  2. 2. kunst/nijverheid
    lap
noun
stuntman
/'styːrə(n)/
verb
2. het stuur van een auto bedienen.
køre
pronoun
1. hoofdstad van de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Stuttgart
/styːr/
noun
1. een hulpmiddel waarmee een bestuurder richting kan geven aan een voertuig
rat
noun
1. de rechterzijde als men vanop een schip naar de boeg kijkt
styrbord
noun
1. iemand die een vaartuig bestuurt
rorgænger
noun
1. vaste of regelbare waterkering
stemmeværk
noun
1. kunstmatig meer
reservoir
noun
subdominant
subdominant
adjective
subjektiv
noun
1. door de overheid beschikbaar gestelde fondsen bedoeld om een prijs te verlagen...
tilskud
noun
1. stof (stoffen)
masse
noun
1. zelfstandig naamwoord
navneord
/sʌp'til/
adjective
  1. 1. alleen bij nauwkeurig toezien of voor fijn gevoel waar te nemen of te begrijpen
  2. 2. fijn onderscheidend, scherpzinnig
hårfin
adjective
subtropisk
noun
1. een luidspreker die speciaal is ontworpen voor het weergeven van lage tot zeer lage tonen
subwoofer
noun
1. gewenste resultaat van een opzet
succes
noun
1.
arvefølgekrig
pronoun
1. hoofdstad van het Boliviaans departement Chuquisaca
Sucre
/suˈdɑn/
pronoun
land in Noordoost Afrika, officieel de Republiek Sudan
Sudan
noun
1. een woorddeel dat achter de stam van een woord gevoegd wordt
suffiks
noun
1. zoetstof
sukker
noun
1. bepaalde ondersoort van de biet waaruit bietsuiker gewonnen wordt
sukkerroe
noun
1. Coereba flaveola, een klein zangvogeltje uit de tropische delen van de Amerika's...
banansmutte
noun
1. een rietsoort die verbouwd wordt vanwege zijn suikergehalte en waaruit rietsuiker gewonnen wordt
sukkerrør
/ˈsœʏkərˌspɪn/, /ˈsœːkərˌspɪn/
noun
1. lekkernij bestaande uit een hoeveelheid gesponnen suiker aan een stokje
  1. sukkerspin
  2. candyfloss
noun
sukkervand
noun
1. stofwisselingsziekte waarbij het bloed een te hoog gehalte aan suiker bevat
sukkersyge
noun
1.gezoete schil van de vrucht van de sukadeboom
sukat
noun
1., 2. en 3. (gedroogde vrycht van) een variëteit van de druif Vitis vinifera
sultana
pronoun
Sumatra
noun
super
noun
1. fictieve figuur uit een stripverhaal of een film die over bovenmenselijke krachten beschikt
superhelt
adjective
overlegen
noun
  1. supermarket
  2. supermarked
noun
het verschijnsel waarbij een ster op spectaculaire wijze explodeert
supernova
noun
1. een plank waarop men surft
sejlbræt
/ˌsy.ri.ˈna.mə/
pronoun
1. een land in Zuid-Amerika
Surinam
noun
surrealisme
pronoun
1. een Bantoetaal die veel gesproken wordt in Oost-Afrika
Swahili
noun
svastika
/ˈswa.zi.ˌlɑnd/, /ˈsʋa.zi.ˌlɑnt/, /ˈsβ̞a.zi.ˌlɑnt/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel het Koninkrijk Swaziland
Swaziland
pronoun
1. de grootste stad van Australië en de hoofdstad van de deelstaat Nieuw-Zuid-Wales
Sydney
noun
syfilis
adjective
1.samenlevend en samenwerkend
symbiotisk
verb
1. een betekenis hebben die verwijst naar
symbolisere
noun
1. Teken
symbol
noun
symfoni
adjective
1.
symfonisk
noun
symmetri
/si'metris/
adjective
1. aan twee zijden, bijvoorbeeld spiegelbeeldig gelijk
symmetrisk
/sɪmˈpoziəm/
noun
1. een wetenschappelijke samenkomst waarop verschillende wetenschappers een lezing houden over een bepaald onderwerp
symposium
noun
symptomatologi
noun
1. ziekteverschijnsel
symptom
noun
1. gebedshuis van joden.
synagoge
adjective
synkron
noun
  1. 1. plotseling bewustzijnsverlies
  2. 3. wegval van middenklank
synkope
/sɪnˈdrom/
noun
1. ziektebeeld
syndrom
noun
1. gelijkbetekenend woord
synonym
adjective
syntaktisk
/sɪnˈtɑksəs/
noun
  1. 1.
  2. 2.
syntaks
noun
1. samenstelling
syntese
verb
syntetisere
/ˈsi.ri.jə/, /ˈzi.ri.jə/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel de Arabische Republiek Syrië
Syrien
/siˈstem/
noun
1. een uit meerdere interagerende onderdelen bestaand stelsel...
system
noun
1. dun kledingstuk voor het bovenlichaam met korte mouwen en zonder kraag
t-shirt
adjective
1. met de vorm van de hoofdletter T
T-formet
pronoun
1.
Tajo
adjective
  1. 1. moeizaam en plastisch vervormend onder mechanische belasting
  2. 2. moeilijk te snijden, kauwen (van vlees)
sej
noun
1. een erfelijke aandoening van de exocriene klieren, gekenmerkt door de afscheiding van taai (visceus) slijm (mucus)
cystisk fibrose
/taːk/
noun
1. een te verrichten werk
opgave
/taːl/
noun
1. systeem van spraakklanken door middel waarvan mensen met elkaar communiceren en de schriftelijke...
sprog
noun
1. uitdrukkingen en zegswijzen uit een bepaalde taal
idiom
noun
1. talengroepen die een zelfde voorgeschiedenis hebben
sprogfamilie
/talfɔut/
noun
1. een fout tegen de grammatica van een taal
talefejl
/ˈtalklɑŋk/
noun
1.
fonem
noun
1. wetenschap
  1. lingvistik
  2. sprogvidenskab
noun
1. een beoefenaar van de taalkunde
lingvist
noun
1. de wetenschap die taal als onderzoeksobject heeft
sprogvidenskab
noun
1. een beoefenaar van de taalkunde
lingvist
/taːrt/
noun
1. cirkelvormig zoet gebak
tærte
noun
1. een genotsmiddel afkomstig van de bladeren van de tabaksplant, wordt gerookt, gekauwd en gesnoven
tobak
noun
pibe
noun
1. een geordende lijst met gegevens
tabel
noun
1. pastille
tablet
noun
1. een algemeen aanvaard moreel verbod; iets dat onbespreekbaar of ondenkbaar is
tabu
cardinalNumeral
1. het getal 80
  1. firs
  2. firsindstyve
pronoun
Firsårskrigen
noun
takykardi
/tɑkˈtik/
noun
1. een manier om onder gegeven omstandigheden een doel te bereiken
taktik
pronoun
1. de officiële taal van Tadzjikistan en een variant van het Perzisch
tadsjikisk
/taˈdʒikɪˌstɑn/
pronoun
1. een land in een land in Centraal-Azië met als hoofdstad Doesjanbe
Tadsjikistan
noun
1. taf
taft
/ˈtafəɫ/
noun
1. een meubelstuk met poten, bedoeld om dingen op te zetten of te leggen
bord
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Taffelbjerget
noun
1. (sport) een spel waarbij twee spelers, ieder met een batje, een pingpongbal op tafel houden
bordtennis
noun
1. voetbal op een tafel met opstaande randen
bordfodbold
pronoun
1. taal die op de Filipijnen gesproken wordt
tagalog
pronoun
Tahiti
pronoun
1. een Polynesche taal uit de Oceanische tak van de Austronesische talen gesproken op Tahiti
tahitisk
noun
1. naaldbossen in koude streken
nåleskov
/ˌtɑjkoˈnaʊ̯t/, /ˌtɑjkoˈnɔʊ̯t/, /ˌtɑjkoˈnʌʊ̯t/
noun
1. een Chinese ruimtevaarder.
taikonaut
/tɑj'ʋɑn/
pronoun
Taiwan
noun
taiwansk
/tɑk/
noun
1. een deel van een boom of struik
gren
noun
1. bijzondere aanleg
talent
/tɑɫx/
noun
2. het harde vet van sommige herkauwers
talg
/tɑlk/
noun
fedtsten
/'tɑlɪn/
pronoun
1. de hoofdstad van Estland
  1. Tallinn
  2. Reval
/ˈtɑlmut/
noun
1.
Talmud
adjective
1. groot in aantal
talrig
noun
  1. 1. en 2. (vruchten van de) tamarindeboom
    tamarind
  2. 1. bepaald soort tropische boom, Tamarindus indica
    tamarindetræ
noun
1. muziekinstrument
tamburin
pronoun
1. taal die gesproken wordt in India, Sri Lanka, Singapore, en Maleisië
tamilsk
noun
  1. 1. hard en wittige gecalcificeerde structuur in de mond
  2. 2. scherp uitsteeksel
tand
noun
1. een medisch specialist op het gebied van de tandheelkunde
tandlæge
noun
1. het been waaruit tanden voor het grootste deel bestaan
dentin
noun
1. fiets
tandem
noun
1. borsteltje om de tanden mee te reinigen
tandbørste
noun
1. puntig instrumentje om etensresten tussen de tanden te verwijderen
tandstikker
noun
1. wetenschap voor de verzorging van de tanden
odontologi
/ˈtand.pɑs.taː/, /ˈtɑnt.pɑs.ta/
noun
1. een poetsmiddel voor de tanden
tandpasta
/tɑntpɛin/
noun
1. pijn in één of meerdere tanden
tandpine
/ˈtɑntfles/
noun
1. deel van het mondslijmvlies waarin de tanden vastzitten
tandkød
/'tɑntʋil/
noun
1. een wiel met een gekartelde rand bedoeld om in te grijpen in die van een ander ter overdracht van aandrijfkracht
tandhjul
noun
tandhjulspumpe
noun
1. een zijden draad waarmee men de ruimte tussen de tanden reinigt
tandtråd
/tɑŋ/
noun
1. een uit twee delen opgebouwd gereedschap waarvan de beide delen op één punt aan elkaar vastzitten...
tang
pronoun
Tanger
/tɑŋk/, /tɛŋk/
noun
1. een groot vat
tank
noun
tannin
noun
1. scheikundig element met symbool Ta en atoomnummer 73
tantal
noun
1. zus of schoonzus van iemands vader of moeder
  1. moster
  2. tante
  3. faster
/ˌtɑn.za.ˈni.ja/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika
Tanzania
noun
1. een Chinese filosofische en religieuze stroming
daoisme
noun
tæppe
noun
1. zetmeel verkregen uit de wortelknol van Manihot esculenta
  1. tapioca
  2. tapiocastivelse
  3. tapiokastivelse
/ˈtapɪr/
noun
1. hoefdier, zo groot als een ezel en met een kleine beweeglijke slurf
tapir
verb
1. tappen van vloeistof
tappe
noun
1. militair afsluitend signaal
tappenstreg
noun
1. gifspin
tarantel
noun
1. grote eetbare platvis
pighvar
noun
1.
tarot
pronoun
1. taal uit de Turkse talen met ongeveer anderhalf miljoen sprekers die vooral wordt gesproken in Tatarstan, een deelrepubliek van Rusland maar ook in andere delen van de vroegere Sovjet-Unie en daarbuiten
tatarisk
pronoun
1. stad in Estland
Tartu
/ˈtɑrʋə/
noun
  1. 3. zaad van tarwe
  2. 2. meest verbouwde tarwe soort (Triticum aestivum)
hvede
noun
zemelen van tarwekorrels
vetekli
noun
1. zak die men meeneemt om er zaken in te bergen die men bij zich wil hebben
taske
pronoun
Tasmanien
pronoun
1. randzee van de Grote Oceaan, gelegen tussen Australië en Nieuw-Zeeland
Tasmanske Hav
pronoun
1. taal uit de Turkse talen met ongeveer anderhalf miljoen sprekers die vooral wordt gesproken in Tatarstan, een deelrepubliek van Rusland maar ook in andere delen van de vroegere Sovjet-Unie en daarbuiten
tatarisk
pronoun
1. de autonome republiek van Rusland met de hoofdstad Kazan
Tatarstan
noun
1. een tekening die met naald en inkt blijvend in de huid is aangebracht
tatovering
/tatuʷ'erə(n)/
verb
1. met een naald en inkt een blijvende tekening in de huid inbrengen
tatovere
/tɑuˈge/
noun
1. uitlopers van mungbonen
mungbonnespirer
noun
tautologi
/tɑk.si/
noun
1. een voertuig bestemd om tegen betaling klanten van de ene plaats naar de andere te brengen
  1. taxi
  2. taxa
noun
1. een opstelplaats voor taxi's waar zij wachten op passagiers
taxaholdeplads
verb
1. over de grond op wielen voortbewegen van vliegtuigen
taxie
noun
  1. Taksonomi
  2. taksonomi
/tiːm/
noun
  1. 1. een ploeg van bij elkaar horende spelers
  2. 2. een groep samenwerkende mensen
team
noun
1. scheikundig element met symbool Tc en atoomnummer 43
technetium
noun
1. De bewerkingen en verrichtingen die nodig zijn om iets tot stand te brengen
teknik
adjective
1. op techniek betrekking hebbend
teknisk
noun
teknokrati
adjective
1.
teknokratisk
noun
teknologi
/tef/
noun
1. wijfjeshond
  1. tæve
  2. hunhond
noun
1. achtpotige parasiet uit de orde Ixodida
flåt
noun
1. vingers van de voet
tå
noun
tånegl
/ter/
noun
1. olieachtige vloeistof met een zeer hoge viscositeit
tjære
noun
1. kubusvormig voorwerp met op elk van de zijden een van de ogenaantallen één tot en met zes
terning
noun
1. een bouwvakker die wandtegels zet en vloertegels legt
fliselægger
/teːɣən/, /teːχən/
preposition
  1. 1. zijdelings aanleunend
    1. imod
    2. mod
  2. 2. oneens met, ter bestrijding van
    mod
noun
1. een middel dat de werking van een gif neutraliseert of afzwakt
modgift
preposition
1. aan de overzijde van
over for
noun
1. hetgeen wat precies voorstelt wat iets helemaal niet is
modsat
noun
1. iemand die de pauselijke titel opeist zonder door het Vaticaan als paus erkent te zijn
modpave
noun
1. ernstige pech, toestand met belangrijke tegenslag
forfald
verb
1. zich met woorden verzetten
modsige
verb
1. al mopperend protesteren
brokke
noun
1. vijand, rivaal
modstander
adjective
1. niet overeenstemmend
  1. modstridende
  2. modsigelsesfuld
verb
1. minder gunstig verlopen dan verwacht
skuffe
noun
1. wind tegen
modvind
noun
1. vorm die aangeeft dat het huidige moment bedoeld wordt
nutid
noun
1. het geen zin hebben in iets
utilbøjelighed
noun
1. symbool, signaal, aanduiding
tegn
noun
1. iemand die beroepsmatig tekent
tegner
verb
een tekening maken
tegne
/ˈtekə(n)ˌfɪlm/, /ˈtekə(n)ˌfɪɫm/
noun
1. een film waarin een getekende realiteit wordt verbeeld
animationsfilm
noun
1. een door tekenen ontstane afbeelding of voorstelling
tegning
noun
1. verzameling letters en/of woorden
tekst
adjective
skriftlig
noun
1. natuurlijke processen
tektonik
adjective
1. betrekking hebbend op de aardplaten, de breuken in de aardplaten en hun verschuivingen
tektonisk
/ˌtelefoˈneːrən/
verb
1. een telefoon gebruiken
telefonere
noun
telefoni
/ˌtelə'fon/, /ˌteːlə'foːn/
noun
1. een toestel waarmee men geluid over kan brengen door middel van galvanische stroom
telefon
noun
1. is een boek met een grote verzameling telefoonnummers gerangschikt op naam en woonplaats
telefonbog
noun
1. een uniek nummer toegewezen aan een telefoonaansluiting
telefonnummer
noun
telegraf
verb
1. per telegraaf berichten
telegrafere
noun
telegram
noun
1. een optisch instrument, waarmee ver verwijderde objecten bekeken kunnen worden
  1. teleskop
  2. kikkert
adverb
1. een onaangenaam gevoel hebbend omdat een verwachting of hoop niet uitgekomen is
skuffet
verb
1. iemand op onaangename wijze verrassen, vaak door een belofte niet na te komen
skuffe
adjective
1.
skuffende
noun
1. een emotie opgeroepen door het niet uitkomen van een verwachting
skuffelse
noun
  1. 2. medium
  2. 1. elektrisch apparaat
  1. fjernsyn
  2. tv
verb
1. aantal bepalen
tælle
/ˈtɛlər/
noun
1. het getal boven de streep van een breuk
tæller
noun
1. scheikundig element met symbool Te en atoomnummer 52
telur
pronoun
1. een Dravidische taal met ongeveer 70 miljoen sprekers
telugu
noun
  1. talord
  2. numerale
verb
1. tam maken
tæmme
/ˈtɛm.pəl/, /ˈtɛm.pəɫ/
noun
1. een gebouw voor godsverering
tempel
noun
tempera
noun
temperament
/ˈtɛmpɛrɑtyːr/
noun
1. grootheid die de warmte weergeeft
temperatur
noun
1. blauwdruk
skabelon
adverb
1. luidt het eerste lid van een opsomming van minstens twee argumenten in
for det første
adjective
1. gekleurd door bijbedoelingen
tendensiøs
pronoun
1. het grootste eiland van de Canarische Eilanden, een tot Spanje behorende eilandengroep
Tenerife
noun
1. balsport
tennis
noun
1.een frame met een open ring waarover een netwerk van snaren is gespannen en een handvat waarmee men tennis kan spelen
tennisketsjer
/tɛnˈslɔtə/
adverb
1. immers
endelig
noun
1. verplaatsbare constructie van over stokken of buizen gespannen doek die als (tijdelijk) onderdak dient
telt
noun
fangarm
/tɛnˈtonstɛlə(n)/
verb
1. voor een publiek toonbaar maken
udstille
/tɛnˈtonstɛlɪŋ/
noun
1. een uitstalling van voorwerpen om door het grote publiek bekeken te worden
udstilling
/ˈtɛn.zɛɪ/
conjunction
1. behalve wanneer
medmindre
noun
1. een gepigmenteerd knopvormig uitsteeksel op de borst van de mens
brystvorte
noun
1. scheikundig element met symbool Tb en atoomnummer 65
terbium
verb
1. het beëindigen van een mensenleven op gerechtelijk bevel
henrette
/tɛrəm/
noun
1. een woord of uitdrukking
led
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Isoptera
termitter
noun
terminologi
adjective
1. ontmoedigd, somber vanwege tegenslag
nedslået
noun
terpen
noun
1. een vetoplossend oplosmiddel dat uit de sappen van bepaalde dennensoorten gewonnen kan worden
terpentin
noun
een met een horecaterras vergelijkbare plek in een tuin
terrasse
/tɛ'rɛin/
noun
1. een stuk grond van enige omvang
grund
noun
het ontwrichten van een samenleving door terreurdaden tegen burgers, vaak met een politiek of religieus oogmerk
terrorisme
noun
1. iemand die terroristische aanslagen beraamt, pleegt of wil plegen met een godsdienstig of politiek doel
terrorist
pronoun
Terschelling
/tɛrsjɛːr/
adjective
tertiær
noun
1.
terts
/trʏχ/, /təˈrʏx/
adverb
terug van weggeweest
tilbage
/təˈrʏxbrɛŋə(n)/
verb
  1. 1. naar het punt van vertrek brengen
  2. 2. naar de eigenaar brengen
reklamere
/təˈrʏχaːn/
verb
1. naar de punt van vertrek gaan
falde tilbage
verb
give tilbage
noun
1. ontstaan van een nieuw woord doordat een bestaand woord van een vermeend voorvoegsel, achtervoegsel of uitgang wordt ontdaan
subtraktionsdannelse
/tɛr.ˈwɛɪ̯l/, /tɛr.ˈʋɛɫ/
conjunction
  1. 1. gedurende de periode dat nog een andere actie aan de gang is
  2. 2. hoewel
  1. mens
  2. medens
pronoun
1. naam van twee boeken uit het Nieuwe Testament
Thessaloniker
/tɛst/
noun
1. probeersel
test
noun
1. akte met een wilsbeschikking voor na de dood
testamente
noun
1. een infectieziekte die door een gifstof leidt tot spierspasmen
stivkrampe
/ˈtøɣəl/, /ˈtøʝəl/
noun
1. stuurriem van rijdier
tøjle
/təvredənɦɛɪt/
noun
1. het gevoel genoeg te hebben en voldaan te zijn
tilfredshed
noun
tekstil
noun
1. de manier waarop iets is samengesteld, hoe het materiaal aanvoelt en hoe de structuur eruit ziet
tekstur
pronoun
1. de officiële taal van Thailand
thailandsk
/ˈtɑɪ̯.lɑnt/, /ˈtɛɪ̯.lɑnd/
pronoun
1. een land in Azië dat vroeger Siam heette
Thailand
noun
1. grijze stof van de tussenhersenen
thalamus
noun
1. scheikundig element met symbool Tl en atoomnummer 81
thallium
noun
1. een uitgaansgelegenheid waar theatervoorstellingen gegeven worden
teater
/teː/
noun
  1. te
  2. the
suffix
bewaarplaats
tek
noun
1. een kleine lepel om thee mee te roeren
teske
pronoun
1.de grootste rivier van Engeland
Themsen
noun
1. kan met deksel en schenktuit waarin een warme drank wordt bereid door bladeren in heet water te laten trekken
  1. tekande
  2. tepotte
/tema/
noun
1. een onderwerp dat behandelt wordt
tema
noun
1. staatsvorm die gebaseerd is op goddelijke
teokrati
noun
1. leer over God, het goddelijke en de godsdienst
teologi
adjective
1.
teologisk
noun
1. een beoefenaar van de theologie
teolog
/ˌteɔːˈretis/
adjective
1. wat niet perse in de werkelijkheid voorkomt, m.b.t. feiten en wetten berustende ...
teoretisk
noun
1. een wetenschappelijk model of uitspraak over waarnemingen in de empirie
teori
noun
iemand die een patiënt behandelt
terapeut
noun
1. een methode om aan de genezing van zieken te werken
terapi
noun
1. elektronisch muziekinstrument
theremin
noun
1. de leer van warmte en arbeid
termodynamik
/ˈtɛrmoˌmetər/
noun
1. een meetinstrument om temperaturen te meten
termometer
noun
termosfære
noun
termostat
noun
1. synoniemenwoordenboek
  1. tesaurus
  2. synonymordbog
noun
1.
tese
/ˈtora/
pronoun
1.-3.
Tora
noun
1. scheikundig element met symbool Th en atoomnummer 90
thorium
/tœʏs/, /tœːs/
noun
1. een plek waar iemand woont en zich veilig voelt
hjemme
noun
1. geheel van organisaties en activiteiten waarmee de burgerbevolking een bijdrage aan de oorlog levert
hjemmefront
noun
1. scheikundig element met symbool Tm en atoomnummer 69
thulium
noun
tyristor
noun
thyroxin
pronoun
2. de rivier die stroomt door Rome
Tiberen
pronoun
  1. 1. autonome regio
  2. 1. voormalig land
Tibet
pronoun
1. een taal die wordt gesproken in Tibet en buiten Tibet door een grote groep vluchtelingen
tibetansk
pronoun
  1. 1. Zwitsers kanton
  2. 1. zijrivier van de Po
Ticino
cardinalNumeral
1. het getal 10
ti
noun
2. kerkbelasting
tiende
ordinalAdjective
1. nummer tien in een rij
tiende
noun
ti tusind
noun
1. jongere tussen 10 en 20 jaar oud
teenager
noun
1. biljet van tien euro
tier
noun
1. vrouwelijke borst
brystvorte
/tɛit/, /tɛɪ̯d/, /tɛːt/
noun
1. onstuitbare gang der dingen van toekomst door het heden naar het verleden
tid
adjective
1. voor een beperkte tijd, niet permanent
midlertidig
adverb
1. voor een beperkte tijd, niet permanent
forbigående
preposition
1. gedurende de tijd dat
under
noun
tidsånden
/ˈtɛːtmɑˌʃinə/, /ˈtɛːɪtmɑˌʃinə/
noun
1. machine om mee door de tijd te reizen
tidsmaskine
noun
epoke
adjective
1. een aanzienlijke hoeveelheid tijd vereisend
tidskrævende
noun
1. blad waarvan met vaste tussenpozen afleveringen verschijnen
tidsskrift
noun
spild af tid
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera tigris
tiger
noun
3. kruid gebruikt in de keuken
timian
pronoun
Tilburg
noun
1. iemand die zich beroepsmatig vooral met houtbewerking bezighoudt
tømmermand
pronoun
1. randzee van de Indische Oceaan, gelegen tussen Noordwest-Australië en Timor
Timorhavet
pronoun
Timotheus
noun
scheikundig element
tin
noun
tinnitus
noun
1. prikkelend gevoel
snurrer og stikker
noun
1. Italiaans dessert
tiramisu
noun
tyran
/ti'tan/
noun
titan
noun
1. scheikundig element met symbool Ti en atoomnummer 22
titan
noun
  1. 1. opschrift van een document
  2. 2. aanduiding van een persoon
titel
/ˈtitʏs/
pronoun
Titus
noun
1. een kleine zangvogel uit de Zangers Sylviidae
gransanger
noun
1. plaats waarlangs men ergens binnen kan gaan
adgang
adjective
1.te bereiken
tilgængelig
noun
1. benaming voor tropische vogels uit de familie Ramphastidae
tukan
noun
fremtid
adjective
1. van de tijd die komen gaat
fremtidig
/tun/
adverb
1. op of na dat tijdstip
da
/tun/
conjunction
1. op het tijdstip dat
da
noun
1. grote moerassige en boomloze vlakte in de noordelijke poolstreken
tundra
adjective
daværende
verb
  1. 1. in de praktijk brengen
  2. 2. gebruiken
anvende
noun
1.
turako
noun
1. het reizen voor ontspanning
turisme
noun
1. een mannelijk persoon die voor zijn plezier reist
turist
verb
1. het auteurschap of de eigenaar van iets associëren met iemand
tilskrive
/ˈtuspra:k/
noun
1. een voordracht voor een groter publiek
tale
/'tustɑnt/
noun
  1. geheel van omstandigheden
  2. een ongelukkige situatie
tilstand
noun
een toezegging dat iets geoorloofd is
samtykke
noun
1. gerecht waarmee een maaltijd kan worden afgesloten
dessert
noun
3. een knop op het bedieningspaneel van een schrijfmachine of computer die het mogelijk maakt een symbool in te typen
tangent
/ˈtutsə(m)ˌbɔrt/
noun
1,2 een apparaat waarmee, door toetsen in te drukken, gegevens in een computer e.d. ingevoerd kunnen worden
tastatur
noun
1. steen voor het bepalen van het goudgehalte
prøvesten
/ˈtuːvɑl/
noun
1. een gebeurtenis of omstandigheid die vooraf niet te voorzien of niet te berekenen is geweest
sammenfald
noun
tilfælde
verb
betro
/'tuvlut/
noun
1.
tilstrømning
verb
1. tot vermeerdering bijvoegen
tilføje
verb
tilføre
/'to.ɣo/, /ˈto.χo/
pronoun
1. een land in West-Afrika
Togo
/tʋɑ'lɛt/
noun
  1. 1. een plaats waar men zich kan ontlasten
    toilet
  2. 3. persoonlijke verzorging
    toilette
pronoun
1. de hoofdstad van Japan
Tokyo
noun
1. snaarinstrument waarvan de snaren worden getokkeld
strengeinstrument
/tɔl/
noun
  1. 3. plaats waar men slechts tegen betaling mag passeren
  2. 4. geld dat men bij een tol geheven wordt
bompenge
noun
1. een persoon die gesproken tekst (meteen) vertaalt naar gesproken tekst in een andere taal
tolk
noun
1. weg voor het gebruik waarvan betaald moet worden
betalingsvej
/toˈmat/
noun
1. een eetbare vrucht van de tomatenplant
tomat
noun
1. strijdbijl van de Noord-Amerikaanse indianen
tomahawk
noun
ketchup
noun
1. een vruchtensap dat uit tomaten is bereid
tomatsaft
noun
1. naam voor koperlegeringen met zink
tombak
noun
1. loterij
tombola
noun
3. een gewichteenheid van 1000 kilogram
ton
noun
1. iemand die een toneelstukken schrijft
dramatiker
/tonə(n)/
verb
2. laten zien
vise
noun
  1. 4. om zijn verfijnde smaak gewilde soort van platvis, Solea solea
    søtunge
    1. 1. beweeglijk lichaamsdeel in de mond van mensen en veel dieren
    2. 2. wat gesproken wordt
    tunge
pronoun
Tonga
noun
1. benaming voor snelle oceaanvissen uit het geslacht Thunnus
  1. tun
  2. tunfisk
noun
tonsillektomi
/ton/
noun
een geluid met een bepaalde herkenbare hoogte
farvetone
noun
1. een stijgende of dalende opeenvolging van tonen
skala
noun
fakkel
noun
1. hoogste punt, (bovenste) uiteinde
tinde
noun
topas
noun
topologi
/tɔːrə(n)/
noun
  1. 2. een bepaald schaakstuk in de vorm van een toren
  2. 1. een hoog bouwwerk
tårn
noun
1. meest algemene Europese valk die vaak in nestkasten en gebouwen nestelt, Falco tinnunculus
tårnfalk
noun
1. een draaiende, trechtervormige uitstulping onder een wolk tijdens een onweersbui
tornado
noun
torpedo
noun
torus
pronoun
Toscana
interjection
1. een groet bij het vertrek die de hoop uitspreekt elkaar weer te zien
farvel
noun
1. alle onderdelen tezamen
total
/ˈto.to.ˌlɔs/
noun
van vaartuigen, voertuigen en goederen dat het economisch niet meer verantwoord is...
kondemnation
noun
totalitarisme
noun
totem
/ˈtoːtɘmˌpaːl/
noun
1. een houten standbeeld
totempæl
/tɑu̯/
noun
1. een middel om zaken bij elkaar te binden
reb
noun
1. een mannelijk iemand die kan toveren
troldmand
noun
1. een vrouwelijk iemand die kan toveren
troldkvinde
verb
trylle
/ˌtɔk.si.ˌko.lo.ˈɣi/, /ˌtɔk.si.ˌko.lo.ˈχi/
noun
1. de wetenschap die de werking van giftige stoffen op biologische systemen bestudeert
toksikologi
/ˌtɔk.si.ko.ˈlo.ɣis/, /ˌtɔk.si.ko.ˈlo.ɣɪs/, /ˌtɔk.si.ko.ˈlo.χis/
adjective
1. met betrekking tot gifstoffen
toksikologisk
/ˌtɔk.si.ko.ˈlox/, /ˌtɔk.si.ko.ˈloχ/
noun
1. een wetenschapper die de werking van giftige stoffen op biologische systemen bestudeert
toksikolog
/traːx/
adjective
1. met geringe snelheid
langsom
noun
  1. 2. olie bereid uit het spek van zeezoogdieren als walvissen en robben
    tran
  2. 1. vocht dat uit klieren bij de ogen vloeit
    tåre
noun
1.
tåregas
noun
1. klier, gelegen boven de oogbollen, die traanvocht produceert
tårekirtel
/ˈtrɑktɔr/
noun
motorvoertuig
traktor
/tradisʲoˈnel/
adjective
1. zoals de gewoonte dat meebrengt, van oudsher
traditionel
/traˈxedi/
noun
  1. 1. een toneelspel dat handelt over een bedroevende gebeurtenis
  2. 2. gebeurtenis met een droevige of rampzalige afloop
tragedie
adjective
1.met een lach en een tran
tragikomisk
adjective
tragisk
verb
1. het doen van lichamelijke oefeningen
træne
noun
1. een oefening
træning
/tram/, /trɑm/, /trɛm/
noun
1. railvoertuig dat meestal in steden voor personenvervoer gebruikt wordt
sporvogn
noun
trampolin
noun
transaktion
noun
transcendens
/trɑnsˈkrɪpsi/
noun
  1. 1. de conversie naar een geschreven tekst van een andere geschreven, getypte of gedrukte tekst.
  2. 2. het vastleggen van de uitspraak van een gesproken tekst op schrift.
  3. 3.
  4. 4. het omzetten van een muziekstuk naar een andere vorm of bezetting.
transskription
noun
transfeminisme
noun
transfobi
abbreviation
transformator
noun
1. het inbrengen van bloed in het bloedvatenstelsel
transfusion
noun
transistor
noun
forflyttelse
noun
1.
translitteration
noun
transfyr
pronoun
1.
Transnistrien
noun
transport
verb
1. personen of objecten naar een andere plek brengen
transportere
pronoun
Transsylvanien
pronoun
Transvaal
adjective
transversal
noun
transkvinde
noun
  1. 1. verbinding tussen twee op verschillende hoogte liggende vloeren of terreinen,...
  2. 1. benaming voor vogels uit de familie Otididae
trappe
/trɑˈpezə/
noun
  1. 1. een zweefrek voor acrobaten
  2. 2. een hulpmiddel voor het buiten boord hangen om een zeilboot in balans te houden
trapez
/trɑˈpezɪʏm/
noun
1. een vierhoek waarvan twee zijden evenwijdig lopen
trapez
noun
psychische stoornis, ontstaan door een schokkende ervaring
traume
adjective
1. door een letsel ontstaan
traumatisk
noun
transvestit
noun
1. taps toelopende buis, gebruikt voor het vullen van vaten
tragt
noun
1.
trædemølle
verb
1. raak schieten
  1. træffe
  2. ramme
noun
1. een rij wagons die door een krachtvoertuig (bijvoorbeeld een locomotief) voortbewogen wordt
tog
verb
  1. 1. op een voorwerp een kracht uitoefenen in een richting die ervan wegvoert
  2. 2. een lijn aanbrengen
  3. 3. een lange tocht uitvoeren
trække
noun
1. pop
sprællemand
noun
1. een vogel die 's winters een andere verblijfplaats kiest dan in de broedtijd
trækfugl
noun
1. bepaald soort boom met dunne neerhangende takken, Salix babylonica
hængepil
noun
1. een slaginstrument in de vorm van een vrijhangende metalen driehoek
triangel
noun
1.
triatlon
noun
tribunal
noun
1. de plaatsen voor het publiek
talerstol
pronoun
1.
Trier
adjective
1. somber stemmend
sørgelig
noun
glycerid
cardinalNumeral
trillion
noun
1.
trimaran
/ˌtrinidɑd ɛn toˈbaːɣo/, /ˌtrinidɑt ɛn toˈbaːɣo/, /ˌtrinidɑt ɛn toˈbaχo/
pronoun
1. een land in het Caribisch gebied bestatend uit twee eilanden, officieel de Republiek Trinidad en Tobago
Trinidad og Tobago
noun
triode
noun
  1. 1. feestelijke intocht
  2. 2. grootse overwinning of prestatie
triumf
verb
sejre
noun
1. triool
triol
noun
triskaidekafobi
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Triton
noun
1.
tritonus
pronoun
Trieste
noun
1. duurzaam voorwerp dat na een overwinning als symbool daarvan aan de winnaar wordt uitgereikt
trofæ
noun
1. een langgerekte voederbak.
trug
pronoun
Troja
/'trɔ.li.bɵs/
noun
trolleybus
noun
1. een koperen blaasinstrument
  1. basun
  2. trombone
noun
1. de vorming van een bloedprop in een bloedvat of het hart
blodprop
noun
1. een cilindervormig, met een vel bespannen slaginstrument
tromme
noun
tromlelager
noun
1. het strakgespannen vel van een trommel dat geluid maakt als erop wordt geslagen
trommeskind
noun
trommehinde
noun
trompe-l’œil
noun
1. een koperen blaasinstrument met ventielen
trompet
/troːn/
noun
1. zetel waar een vorst op zit tijdens formele plechtigheden
trone
noun
1. steun bij verdriet of pijn
trøst
verb
1. als iemand verdriet of pijn heeft deze persoon geestelijke steun geven
trøste
noun
troposfære
noun
  1. 1.
    blomsterklase
  2. 2. de bundel vruchten die uit een dergelijke bloeiwijze voortkomen
    klase
adjective
1. erg blij met wat men (bereikt) heeft
stolt
noun
1. stroming binnen het leninisme, die Stalins politiek te weinig marxistisch vindt en een minder autoritaire en meer internationalistische benadering voorstaat
trotskisme
noun
  1. 1. rondreizend kunstenaar
  2. 2. rondreizend artiest
trubadur
/trʌʊ/
adjective
1. op wie men steeds opnieuw een beroep kan doen
tro
verb
1. het aangaan van een officiële verplichting tussen twee personen om voor elkaar te zorgen
gifte sig
noun
vielsesring
/tryk/
noun
1. een handeling om op een slimme manier een doel te bereiken
fidus
noun
trøffel
noun
1. een warm kledingstuk voor over het bovenlichaam
sweater
/tsaːr/
noun
1. vroegere Russische keizer
zar
noun
1.
zarina
/tʃad/, /tʃat/
pronoun
1. een land in Centraal-Afrika, officieel de Republiek Tsjaad
Tchad
/ˈtʃɛxis/, /ˈtʃɛxɪs/, /ˈtʃɛχis/
pronoun
1. Slavische taal die vooral wordt gesproken in de Tsjechische Republiek
tjekkisk
pronoun
1. een land in [[Midden-Europa]].
Den Tjekkiske Republik
/ˈtʃɛxi.jə/, /ˈtʃɛχi.jə/
pronoun
1. een land in Midden-Europa, officieel de Tsjechische Republiek, en is het westelijke deel van het voormalige Tsjecho-Slowakije.
Tjekkiet
pronoun
1. een vroegere staat in Europa, ten zuiden van Polen (van 1918 tot 1993)
Tjekkoslovakiet
/tʃɛnobil/
pronoun
Tjernobyl
pronoun
1. een taal die in Tsjetsjenië gesproken wordt
tjetjensk
pronoun
1.
Tjetjenien
/tsuˈnami/
noun
1. een grote vloedgolf
flodbølge
noun
1. een koperen blaasinstrument met lage toon
tuba
/ˌtybɛrkyˈlozə/
noun
1. een ziekte veroorzaakt de de tuberculosebacterie Mycobacterium tuberculosis
tuberkulose
/tœy̯x/
noun
4. harnas
seletøj
noun
1. het geheel van masten, bomen, zeilen en touwwerk van moderne zeilschepen
rig
noun
1. Tursiops truncatus, dolfijnsoort met robuust gestroomlijnd lichaam
øresvin
/tœy̯n/
noun
1. begrensd stuk grond waarop gewassen worden geplant of verbouwd
have
noun
1. vorm van gewassenkwekerij die zich specifiek toelegt op het intensief telen van groenten, bloemen, planten, bomen, bollen of zaden
havebrug
noun
1. Sylvia borin, een zangvogel ...
havesanger
noun
1. en 2. cultuurplant en eetbaar kruid Lepidum sativum
have-karse
noun
gartner
noun
haveslange
noun
1. hoofddeksel
turban
noun
1. plant
tulipan
/tyˈmʏlt/
noun
1.
tummel
/ty.ˈne.zi.jə/, /tʏ.ˈne.zi.jə/
pronoun
land in Noord-Afrika, officieel de Republiek Tunesië
Tunesien
noun
1. een kunstmatige ondergrondse doorgang
tunnel
noun
1. een schoepenrad als energieopwekker
turbine
/ˌtyːrəˈlyːr/
noun
1. een weidevogel
rødben
verb
1. veen als brandstof
tørv
noun
1. het delven en gebruiksklaar maken van turf
udvinding af tørv
pronoun
1. de hoofdstad van de regio Piëmont en de provincie Turijn
Torino
/tʏrk/
noun
1. Inwoner van Turkije
tyrk
/tʏrˈkɛɪ̯.jə/, /tʏrˈkɛː.jə/
pronoun
1. land in Europa en Azië
Tyrkiet
pronoun
Turkmenistan
/tʏrˈkojs/, /tʏrˈko̝js/
noun
1. een steen bestaande uit het mineraal turkoois
turkis
/tʏrks/
pronoun
1. een taal die vooral in Turkije gesproken wordt
  1. Tyrkisk
  2. tyrkisk
noun
1. bepaald soort tuinplant, Lilium martagon
krans-Lilje
noun
1.
tyrkerdue
/ˈtʏ.sən/
preposition
1. met iets aan minimaal twee kanten het kind staat tussen haar ouders
mellem
/ˌtʏsənˈdoːrtjə/
noun
1. een versnapering, iets te eten tussen de maaltijden door
snack
noun
indblandning
/ˈtʏsə(n).ʋɛrpsəɫ/
noun
1. een uitroep, een woord, een frase of een zin die een expressie van emotie is
udråbsord
/ˌtu.va.ˈlu/
pronoun
1. een land in Oceanië
Tuvalu
/twaːlf/, /tʋaːl(ə)f/
cardinalNumeral
1. het getal 12
tolv
ordinalAdjective
1. nummer twaalf in een rij
tolvte
/tʋeː/
cardinalNumeral
1. het getal 2
to
/tʋeː/
noun
1. het cijfer twee
  1. to
  2. total
/ˈtʋeːdə/
ordinalAdjective
  1. anden
  2. andet
noun
1. 26 december
2. juledag
pronoun
1. het geheel van afzonderlijke militaire conflicten die van 1939 tot 1945...
2. verdenskrig
/ˈtweːˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 200
to hundrede
cardinalNumeral
1. het getal 220
tohundrede og tyve
/ˈtwelɪŋ/, /ˈtʋelɪŋ/, /ˈtβ̞elɪŋ/
noun
1. twee wezens die met zijn tweeën tegelijk in één buik ontwikkeld zijn
tvilling
pronoun
2. teken van de dierenriem, traditioneel behorend bij geboortedata van ongeveer 21 mei tot 21 juni
Tvillingen
noun
1.
dobbeltseng
noun
1. kamer waar twee personen kunnen slapen
dobbeltværelse
noun
2.iets met belangrijke, duidelijke voordelen maar met minstens even belangrijke, vaak minder duidelijke nadelen.
tveægget sværd
adjective
tosproget
cardinalNumeral
1. het getal 32
toogtredive
cardinalNumeral
1. het getal 92
tooghalvfems
cardinalNumeral
1. het getal 22
toogtyve
cardinalNumeral
1. het getal 42
toogfyrre
cardinalNumeral
1. het getal 62
toogtres
/ˈtʋɛɪfəɫ/
noun
1. gevoel van onzekerheid ten aanzien van wat men in een gegeven situatie moet doen, geloven e.d.
tvivl
verb
na te gaan
tvivle
/twɛɪ̯x/, /tʋɛɪ̯χ/, /tβ̞ɛːx/
noun
1. een dun buigzaam takje van een boom of struik
  1. kvist
  2. gren
/ˈtʋɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 20
tyve
ordinalAdjective
tyvende
noun
1.
stridens æble
noun
tyfus
noun
1. door bepaalde karakteristieken herkenbare soort
type
adjective
2. kenmerkend
typisk
noun
2. grafische vorm van tekst
typografi
pronoun
1. randzee van de Middellandse Zee, gelegen tussen het Italiaans vasteland, Sicilië, Sardinië en Corsica
Det Tyrrhenske Hav
/yː/
personalPronoun
u (pers.vnw.)
du
noun
1. bocht van 180°
U-vending
/ˈyfo/
noun
1. vliegend voorwerp waarvan de identiteit niet bekend is, meestal in verband met een (vermeende) buitenaardse oorsprong
ufo
/œʏ̯/, /œː/
noun
1. Allium cepa, een eetbaar bolgewas
løg
/œyjəsup/
noun
1. een uit uien bereide soep
løgsuppe
noun
1. de melkklier van een herkauwer
yver
/œʏ̯ɫ/, /œːl/
noun
1. benaming voor vogels uit de orde Strigiformes
ugle
/œʏ̯t/, /œːt/
preposition
1. geeft aan van welke plaats iets komt
fra
/ˈœytˌadəmən/
verb
ånde ud
verb
udlicitere
noun
2.
outsourcing
verb
1. iets een groter oppervlak laten innemen
udvide
verb
1. een gevoel of gedachte in taal verwoorden
udtrykke
/ˈœytrʏkɪŋ/, /ˈœːdrʏkɪŋ(g)/, /ˈœːtrʏkɪŋ/
noun
  1. 2. verbinding van woorden
  2. 3. geheel van sprekende gelaatstrekken
  3. 4. het uitdrukken, uiting
udtryk
/œʏˈtɛɪndələk/
adverb
1. na een hele tijd
endelig
/ˈœʏ̯tə(n)/, /ˈœːtə(n)/
verb
2. zeggen
fuldkommen
verb
4. naar buiten gaan
forlade
/'œʏtχɑŋ/, /'œːtɣaŋ/
noun
udgang
noun
1. de aannames en veronderstellingen waar men van uitgaat
udgangspunkt
/'œytxəmɛrxəlt/
adjective
1.
mager
adverb
1. dodelijk vermoeid
opbrugt
verb
  1. 1. financiële middelen aanspreken
    offentliggøre
  2. 2. een geschrift in drukvorm verspreiden
    udgive
noun
1. een persoon die of bedrijf dat boeken of andere publicaties in omloop brengt
ansvarshavende redaktør
noun
  1. 1. het dusdanig weinig voedsel laten nuttigen dat dit op den duur verhongering tot gevolg heeft, meestal doelbewust
  2. 2. het uitgehongerd/verhongerd zijn
hunger
verb
finkæmme
verb
1. uit een aantal mogelijkheden één of meer selecteren
udvælge
noun
1. plantkunde
udløber
/'ʌʏt.no.də.ɣə(n)/
verb
1. iemand verzoeken iets bij te wonen
ansøge
noun
1. een verzoek om iets bij te wonen
  1. indbydelse
  2. invitation
/ˈœʏtpɑkə(n)/, /ˈœːtpɑkə(n)/
verb
1. uit een verpakking halen
pakke ud
noun
1. uitputtende oorlog, oorlogsvoering
udmattelseskrig
/ˈœtruːp/, /ˈœytruːp/
noun
1. wat men uitroept, luid geuite woorden of klanken
udråb
verb
1. officieel verklaren
udråbe
noun
1. !, een leesteken dat uitdrukt dat de zin een uitroep, bevel of uitdrukking van verbazing is
udråbstegn
/ˈœʏtslapə(n)/, /ˈœːtslapə(n)/
verb
1. 's ochtends langer slapen dan normaal
sove længe
/œytspra:k/
noun
1. manier waarop iets ten gehore gebracht wordt
udtale
noun
1. woordenboek dat ook aangeeft hoe de woorden uitgesproken moeten worden
udtaleordbog
noun
2. kort plezierreisje
udflugt
noun
1. persoon die uitvindingen doet
opfinder
noun
1. de daad van het uitvinden, het ontdekken van een nieuwe methode of een nieuw toestel
opfindelse
verb
    1. 3. software runnen
    2. 1. exporteren
    udføre
  1. 2. afhandelen, voltrekken, ten uitvoer brengen
    1. udføre
    2. gennemføre
noun
1.
afvigelse
noun
2. vaste uitgescheiden afvalstoffen van een mens of dier
afføring
noun
bytte
noun
metastase
noun
1. complete uitrusting van kleren, linnengoed, borden, etc. van een bruid of bruidspaar
brudekiste
noun
  1. 1. wat men van de omgeving vanaf een bepaalde plek kan zien
  2. 2. verwachting, iets waar men naar kan uitzien
udsigt
/œytsɔndərɪŋ/
noun
1. een geval waarbij men iets niet onder een regel laat vallen
undtagelse
/ʏltɪˈmatʏm/
noun
1. laatste eis
ultimatum
adjective
1. van elektromagnetische straling, net buiten het gebied van het spectrum dat met het menselijk oog zichtbaar is
ultraviolet
pronoun
Umbrien
/ˈumlʌʊt/
noun
  1. 1. trema dat een vocaalwijziging aangeeft
  2. 2. vocaalwijziging o.i.v. een klinker in de volgende lettergreep
omlyd
/ʏnɑˈnim/
adjective
1. met eenheid van stemmen
enstemmig
/y.ˈnik/
adjective
1. enige in zijn soort
enestående
adjective
akademiker
/ynivɛrzitɛɪt/
noun
1. een instelling voor hoger onderwijs, wetenschappelijk onderzoek en dienstverlening
universitet
noun
1.
universitetsby
noun
1. het gehele tijd-ruimtecontinuüm waarin wij bestaan, samen met alle materie en energie
univers
/ʌnstər/
noun
1. een eenvoudig weegtoestel gebaseerd op een balans met ongelijke armen
bismervægt
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Untergruppenbach
noun
1. een scheikundig element met het symbool Uuo en het atoomnummer 118
ununoctium
noun
1. een scheikundig element met het symbool Uup en het atoomnummer 115
ununpentium
verb
1. een bestand van een lokale computer of server naar een computer of server op afstand overbrengen
uploade
noun
1. scheikundig element met symbool U en atoomnummer 92
uran
noun
1. scheikundig element met symbool U en atoomnummer 92
uran
pronoun
Uranus
pronoun
1. de officiële taal van Pakistan en een van de officiële talen van India
urdu
noun
2. Ethylcarbmaat
uretan
noun
urea
noun
1. de mate waarin iets dringend gewenst of nodig is
Uopsættelighed
noun
1. een vloeistof die bij dieren door de nieren wordt geproduceerd en periodiek wordt geloosd
urin
noun
1.bij zoogdieren een orgaan dat de urine uit de nieren verzamelt en deze opslaat tot het moment van urineren
urinblære
noun
1. een lange cilindrische holte die de blaas verbindt met de buitenkant van het lichaam
urinrør
/ˌyriˈnɪːrə(n)/
verb
1. het via de blaas lozen van lichamelijke afvalstoffen in de vorm van vloeistof
urinere
noun
1.
urinsyre
noun
1. eerste betekenisomschrijving
urne
noun
urologi
/ˈu.ru.ˌgʋɑɪ̯/, /ˈu.ru.ˌgβ̞ɑɪ̯/, /ˈuruˌɡwe/, /ˌu.ru.ˈɣ<sup>ʊ</sup>ɛɪ̯/
pronoun
1. en 2. land en staat in Zuid-Amerika
Uruguay
/yʔɛsˈbeʔstɪk/
noun
USB-nøgle
/ˌytoˈpi/
noun
1. een volmaakte toestand die niet te bereiken is
utopi
adjective
utopisk
/ˈytrɛx/, /ˈytrɛxt/, /ˈytrɛχt/
pronoun
2. de hoofdstad van de provincie Utrecht
Utrecht
/yːr/
noun
1. een eenheid van tijd die bestaat uit 60 minuten
time
/yu̯/
possessivePronoun
bezittelijk voornaamwoord uw
Deres
adjective
utydelig
/vaːk/
adverb
1. vele malen
ofte
noun
1. een aspirant-reserveofficier
fenrik
/ˈvarɣøːl/, /ˈvarχʏːɫ/
noun
  1. 1. een relatief smalle strook in een groter water die geschikt is om te bevaren
  2. 2. een strook bevaarbaar water tussen twee zandbanken
  1. sejlløb
  2. sejlrende
noun
1. richting waarin een vaartuig zich voortbeweegt
sejlretning
noun
kvie
noun
3. het varen, het bedrijven van scheepvaart als beroep
fart
/ˈvaːrtœx/, /ˈvaːrtœyx/
noun
1. vervoermiddel op water
fartøj
noun
1. een aardewerken of glazen kruik, vooral bedoeld voor het in het water zetten van bloemen
vase
/vakˈsæː/, /vɑkˈsɛː/
noun
1. uit verzwakte ziekteverwekkers bestaande entstof om afweer op te bouwen
vaccine
noun
1. materievrije ruimte
vakuum
noun
1.
favn
noun
1. een mannelijke ouder
  1. far
  2. fader
noun
1. een dag waarop vaders extra verwend worden
  1. Fars dag
  2. fars dag
noun
1. een land of staat waar iemand geboren en opgegroeid is
fædreland
/ˈva.ɣə.ˌvyːr/, /ˈva.χə.ˌvyːr/
noun
1. een toestand waar de zielen van gestorven personen gereinigd worden.
skærsild
noun
1. het vrouwelijke geslachtsorgaan
vagina
adjective
vaginal
/vɑˈkɑn(t)si/
noun
  1. 1. jaarlijks terugkerende periode waarin leerlingen en personen vrijaf hebben
  2. 2. reis in een jaarlijks terugkerende periode waarin je vrijaf hebt
ferie
noun
1. vakvereniging van arbeiders ter verdediging van hun belangen
fagforening
noun
1. een man die zijn vak of professie verstaat
håndværker
/vɑɫ/
noun
    1. 1. omlaag gaan
    2. 2. ten gevolge van de zwaartekracht naar beneden gaan
    3. 3. onvrijwillig ergens op terecht komen
    fald
  1. 10. apparaat met een vallende deur of klem met als doel dieren te vangen
    fælde
pronoun
Valencia
noun
1. 14 februari, de dag van de verliefden
valentinsdag
noun
valin
/vɑlk/
noun
1. roofvogel
falk
/vɑlkə'rɛɪ/
noun
1. africhten van roofvogels
falkejagt
noun
1. een laagte tussen bergen
dal
verb
1. vrijelijk onder invloed van de zwaartekracht naar de aarde bewegen
falde
noun
1. bepaald soort vrij algemeen voorkomende plant, Anthemis arvensis
Ager-gåseurt
/ˈvɑlstrɪk/
noun
1. een contraptie of manipulatie bedoeld mens of dier te vangen
snare
noun
1. mythologisch ondood wezen
vampyr
preposition
  1. 1. geeft bezit aan
    af
  2. 2. geeft herkomst aan
    fra
noun
1. scheikundig element met symbool V en atoomnummer 23
vanadium
adverb
i aften
adverb
1. op deze dag
i dag
noun
1. moedwillige en nodeloze beschadiging of vernietiging van andermans of openbaar eigendom
hærværk
verb
  1. 1. te pakken krijgen
  2. 2. onderscheppen
fange
/ˈvɑŋ.re(i)l/
noun
1. metalen stroken langs autowegen, die dient om te voorkomen dat auto's van de rijbaan raken
autoværn
/vɑŋs/, /vɑŋst/
noun
fangst
/vɑ'nijə/
noun
een smaak- en geurstof geëxtraheerd van de vanilleplant
vanilje
noun
1. vloeistof onttrokken aan vanillestokjes in een ethanol oplossing
  1. vaniljeekstrakt
  2. vaniljeessens
adverb
1. de komende nacht
i aften
/va.nu.ˈwa.tu/
pronoun
1. een land in Oceanië, officieel de Republiek Vanuatu
Vanuatu
noun
1. Varanidae, de grootste levende hagedis
varan
noun
1. een sporenplant
bregne
noun
variant
/ˌva.ri.ˈjɑn.si/, /ˌva.ri.ˈjɑn.tsi/
noun
1. een maat voor de spreiding van een variabele of van een verdeling gedefinieerd als de wortel uit de variantie
varians
noun
variation
noun
  1. 2.
    svin
  2. 1. een tam zwijn, gehouden voor zijn vet en vlees
    1. svin
    2. gris
noun
onder-/zijkant van de buik van een varken
Slag
noun
2. lever van een varken
svinelever
noun
svinefedt
noun
svinekød
/vɑstə'lɑnt/
noun
1. land in verbinding met continentale landmassa
fastland
verb
1. zich onthouden van voedsel
faste
noun
1. ronde ton waar allerhande vloeistoffen in opgeslagen worden
tønde
/vatiˈkanstɑt/, /vatiˈkaːnstɑd/, /vatiˈkaːnstɑt/
pronoun
1. land in Europa, het kleinste onafhankelijke land ter wereld, het territorium van de Heilige Stoel.
Vatikanstaten
noun
vasal
/vɛxt/
pronoun
1. Overijsselse Vecht
Vechte
adjective
1.
krigerisk
noun
vektor
/veː/
noun
1. door de mens om economische redenen gehouden dieren
kvæg
/feɪɫ/, /veːl/
indefiniteCardinalNumeral
1. groot in hoeveelheid
meget
noun
1. een gesloten stelsel lijnsegmenten die samen een plat vlak omsluiten
polygon
noun
multiplum
noun
1. bepaald soort zoogdier, Gulo gulo
jærv
/veːr/, /vɪːr/
noun
  1. 2. mechanische tong of spiraal waarop door buiging spanning gezet kan worden
    fjeder
  2. 1. lichaamsbedekking van een vogel
    fjer
noun
1. een overzetvaartuig
færge
/ˈvɪːrtin/
cardinalNumeral
1. het getal 14
fjorten
ordinalAdjective
fjortende
/ˈfɪːrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 40
  1. fyrre
  2. fyrretyve
noun
1. het onderhouden en fokken van vee.
kvægavl
noun
veganisme
verb
1. zonder water schoonmaken met een borstel
feje
noun
vegetar
adjective
1. niet aan gevaar blootstaand
sikker
noun
1. een situatie waarin een bepaald gevaar niets kan aanrichten
sikkerhed
pronoun
1. orgaan van de Verenigde Naties met als primaire verantwoordelijkheid ...
FN's sikkerhedsråd
noun
1. een afsluitbare gebogen pin waarmee men twee stukken stof bijeen kan houden, voorzien van een veiligheidskapje dat voorkomt dat men zich eraan bezeren kan
sikkerhedsnål
/ˈvɛɪ̯.lɪŋ/, /ˈvɛː.lɪŋ/
noun
1. een plaats waar goederen bij opbod of afslag verkocht worden
auktion
noun
  1. 1. dunne laag
    blad
  2. 2. afgestroopte huid
    1. skind
    2. hud
adjective
velar
/vɛlt/
noun
nog na te kijken
felt
/ ˈvɛltflɛs /
noun
1. een afsluitbare en draagbare fles, meestal uit metaal of plastic vervaardigd, die gebruikt wordt om de drager buitenshuis van vocht te voorzien
feltflaske
noun
sanglærke
noun
1. en 2. (bladeren van) kruidachtige plant Valerianella locusta
vårsalat
noun
feldspat
/vɛltɔxt/
noun
1. een trektocht van een leger met het doel de vijand te verslaan
kampagne
noun
1.
mosehornugle
/ˈvɛld.zyː.rɪŋ/, /ˈvɛɫ.tsyː.rɪŋ/
noun
  1. 1. bepaald soort overblijvende plant, Rumex acetosa
    almindelig syre
  2. 1. en 2. (bladeren van) de plant Rumex acetosa
    syre
/vɛlx/, /vɛlχ/
noun
1. de buitenrand van een wiel waar de band omheen zit
fælg
verb
1. neer doen komen, doen vallen
fælde
noun
cykelbane
pronoun
1. een taal die in de Veneto-regio gesproken wordt
venetiansk
//
pronoun
1. provincie in Italië
Venedig
pronoun
Veneto
/ˌvenəzyˈweːla/, /ˌvenəzyˈβ̞ela/, /ˌvenəzyˈβ̞eːla/
pronoun
1. een land in het noorden van Zuid-Amerika
Venezuela
noun
1. soort naaldboom (Taxus baccata)
taks
noun
  1. 2. plant Foeniculum vulgare
    almindelig fennikel
  2. 1., 2., 3. of 3. (zaad, bladeren of knol van) plant Foeniculum vulgare
    fennikel
noun
1. gedroogde zaden van Foeniculum vulgare
fennikelfrø
noun
1. onderneming of bedrijf met meerdere aandeelhouders
selskab
noun
1. muuropening om lucht en licht door te laten
vindue
noun
vindueskarm
noun
ventil
noun
ventilation
noun
ventilator
pronoun
1. planeet
Venus
noun
fluefanger
adverb
1. op grote afstand
fjern
/vərˈɑxtə(n)/, /vərˈɑçtə(n)/
verb
  1. 1. in hoge mate minachten
  2. 2. trotseren
foragte
verb
1. een overdreven bewondering koesteren
idolisere
/vɛ.ˈrɑf.sxy.wə(n)/
verb
1. afschuw hebben voor
afsky
verb
  1. 1. zodanig aan iets werken of iets behandelen dat het anders wordt
    forandre
  2. 2. zodanig aan zichzelf werken of zichzelf behandelen dat men anders wordt
    ændre
noun
1. iets dat anders is geworden
  1. forandring
  2. ændring
adjective
2. de verantwoordelijkheid hebbend
ansvarlig
noun
1. de verplichting om ervoor te zorgen dat iets goed verloopt
ansvar
adjective
1. met woorden
verbal
adverb
1. als je iets vreemd vindt omdat je het niet verwacht had
overrasket
verb
1. iemand van regeringswege dwingen een bepaald gebied te verlaten
forvise
verb
1. door iets onverwachts gevoelsmatig treffen
overraske
verb
1. onvoltooid deelwoord van verbazen
utrolig
noun
1. grote verwondering
overraskelse
/vər.ˈbe.tə,rɪŋ/
noun
1. een verandering ten goede
forbedring
/vɛɾ.'bi:.dǝ(n)/
verb
1. een bepaalde handeling strafbaar stellen
forbyde
adjective
1. verbazingwekkend
utrolig
verb
  1. 1. twee of meer onderdelen aan elkaar vastmaken
  2. 2. met iets of iemand contact maken via de telefoonlijn
  3. 3. behandelen door het aanbrengen van verband
forbinde
/vər.ˈbɪn.dɪŋ/, /vɛr.ˈbɪn.dɪŋ(g)/
noun
3. communicatie
forbindelse
/vərˈbɔt/
noun
1. strafmaatregel
forbud
verb
1. verteerd worden door vuur of hitte
brænde
noun
forbrænding
verb
2. het stelselmatig veranderen van de uitgang van een naamwoord al naargelang de functie van het woord in de zin
bøje
/vər.ˈbœʏ̯.χɪŋ/, /vər.ˈbœː.ɣɪŋ/
noun
1. naamwoordsflexie
deklination
adverb
mistænkelig
noun
1. iemand die verdacht wordt
mistænkt
verb
1. overgaan van een gecondenseerde fase, vast of vloeibaar, naar de gasfase
fordampe
verb
1. beschermen tegen een aanval
forsvare
verb
1. het vermoeden hebben van iets slechts
suspekt
/vər.ˈdɛŋ.kɪŋ/
noun
1. het vermoeden van het uitvoeren van een (strafbaar) feit
mistanke
adverb
længere
verb
  1. 1. het recht op een beloning of bestraffing verwerven
    fortjene
  2. 2. geld verkrijgen door arbeid of een andere prestatie
    tjene
noun
2. goede, opbouwende daad
fordel
/vər.ˈdi.pɪŋ/
noun
3. alle ruimten op één hoogte in een gebouw
etage
interjection
hulens
adjective
depraveret
verb
1. de pijnprikkel onderdrukken, bijvoorbeeld door het toedienen van een medicijn
bedøve
noun
1. bereidheid om te aanvaarden dat anderen zich gedragen op een manier die je niet goed vindt
tolerance
verb
  1. 1. driemaal zo groot maken
  2. 2. driemaal zo groot worden
tredoble
noun
drukning
verb
2. iets (m.n. geld) ontvreemden/stelen
begå underslæb
/vər.ˈdœʏ̯.stə.rɪŋ/, /vər.ˈdœː.stə.rɪŋ/, /vɛr.ˈdœːs.tə.rɪŋ(g)/
noun
formørkelse
/vərˈdʋɛɪnə(n)/
verb
1. wegraken
forsvinde
noun
1. het verdwijnen
forsvinding
/vərenˈvʌʊdəχtʃiˌnes/, /vərenˈvʌːdəxtʃiˌnes/
phraseologicalUnit
1. het schrift waarmee het Chinees met name op het vasteland van China geschreven wordt
  1. forenklet kinesisk
  2. simplificeret kinesisk
verb
forevige
/vɛrɛɪsə(n)/
verb
1. nodig hebben
  1. kræve
  2. forlange
  3. fordre
/vəˈrenəχt ˈkonɪŋkˌrɛɪ̯k/, /vəˈreːnəxt ˈkoːnɪŋkˌrɛːk/, /vəˈreːnɪx ˈkoːnɪŋkˌrɛɪ̯k/
pronoun
  1. Forenede Kongerige
  2. Storbritannien
/vɛrenəɣdə arabisə emiratən/
pronoun
land in het Midden-Oosten, officieel de Verenigde Arabische Emiraten, vaak afgekord tot V.A.E.
Forenede Arabiske Emirater
pronoun
1. unie van Egypte en Syrië van 1958 tot 1961, en de officiële naam van Egypte van 1961 tot 1971
Forenede Arabiske Republik
noun
Forenede Nationer
pronoun
1. een land dat een groot deel van het Noord-Amerikaanse continent beslaat en opgedeeld is in vijftig staten
Amerikas Forenede Stater
/və.ˌre.nəx.də.ˈsta.tə(n).vɑn.ɑ.ˈmeː.ri.ka/, /və.ˌreɪ̯.nəχ.də.ˌsta.tə(n).vɑn.ɑ.ˈmɪː.ri.ka/, /vɛ.ˌʁe.nɪx.də.ˈsta.tə(n).va.na.ˈmeː.ʁi.ka/
pronoun
1. een land dat een groot deel van het Noord-Amerikaanse continent beslaat en opgedeeld is in vijftig staten
Amerikas Forenede Stater
verb
1. afzonderlijke delen tot één geheel maken
forene
/və.ˈre.nə.ɣɪŋ/, /və.ˈre.nə.χɪŋ/, /vər.ˈe.ni.ɣɪŋ(g)/
noun
  1. 1. groepering van mensen die op een bepaald doel gericht is
    forening
  2. 3. een operatie die twee of meer verzamelingen samenvoegt
    foreningsmængde
verb
1. erger worden of maken
f
/vɛrf/
noun
1. de algemene benaming voor een product dat bedoeld is om voorwerpen te beschermen...
farve
noun
1. iets preciezer aangepast maken
raffinement
verb
1. Franstalig maken/worden
forfranske
/vər.ˈɣa.də.rə(n)/, /vər.ˈχa.də.rə(n)/, /vɛr.ˈɣa.də.rə(n)/
verb
1. in vergadering bijeenkomen, een vergadering bijwonen
mødes
noun
forglemmigej
adjective
1. niet goed kunnen onthouden
glemsom
noun
gengældelse
verb
1. geel worden door veroudering of invloed van de omgeving
gulne
verb
1. de overeenkomsten en verschillen van twee zaken in beschouwing nemen
  1. sammenligne
  2. jævnføre
/vɛrɣə'lɛɪkɪŋ/
abbreviation
  1. 2. wiskundige uitdrukking
    ligning
  2. 1. relatie tussen twee zaken
    sammenligning
noun
1. het geel worden, m.n. door veroudering
gulning
verb
1. uit het geheugen verloren gaan
glemme
verb
1. vergiffenis schenken
tilgive
/vərˈɣɪf/
noun
1. iets dat levende wezens schaadt
gift
verb
1. blootstellen aan een voor het lichaam schadelijke vreemde stof
forgifte
noun
de toestand van vergiftigd worden
forgiftning
noun
1. bolle lens waardoor de voorwerpen die men bekijkt groter lijken
forstørrelsesglas
noun
1. een toename in grootte
forstørrelse
verb
1. een voorwerp bedekken met een dun laagje goud
forgylde
noun
1. een officiële (noodzakelijke) toestemming om een bepaalde activiteit uit te voeren
licens
verb
1. een probleem uit de weg ruimen
lette
noun
1. een indringende ondervraging van een gevangene of verdachte
forhør
/vərˈɦɔʊ̯.dɪŋ/, /vərˈɦʌʊ̯.dɪŋ/, /vɛrˈhaʊ̯.dɪŋ/
noun
  1. 1.
  2. 2. de betrekking van personen onderling
  3. 3. een intieme, duurzame relatie tussen twee personen
forhold
verb
  1. 1. van woonplaats veranderen
  2. 2. de inboedel van een ander overbrengen
flytte
/vərˈhœʏzɪŋ/, /vərˈhœːzɪŋ/
noun
1. de verwisseling van één (semi-) permanente woonplaats voor een andere
flytning
noun
1. de dag waarop iemand viert dat hij of zij geboren werd
fødselsdag
noun
1.
fødselsdagskage
verb
1. jonger maken
forny
/vər'jɔŋɪŋ/
noun
2. vernieuwen van de (levens)krachten
foryngelse
noun
1. het geheel van verplaatsingen waarbij goederen of personen vervoerd worden
  1. færdsel
  2. trafik
noun
1. gestandaariseerd bord met aanwijzingen voor mensen in het verkeer
  1. færdselstavle
  2. vejskilt
noun
1. een installatie die middels gekleurde lichten het verkeer op een kruispunt regelt
trafiksignal
noun
2. militaire verkenning
rekognoscering
verb
1. iemand door een stemming een ambt doen toekomen
vælge
/vər.ˈki.zɪŋ/, /vɛr.ˈki.zɪŋ(g)/
noun
1. het kiezen door middel van stemming
valg
/vɛrˈklarə(n)/
verb
  1. 2. een officieel standpunt uitspreken
    erklære
  2. 1. duidelijk maken
    forklare
/vər.ˈkla.rɪŋ/, /vɛr.ˈkla.rɪŋ(g)/
noun
  1. 1 het verklaren
  2. 3. opheldering
forklaring
noun
forræder
verb
dumme sig
noun
1. het verkopen (voor geld aan een ander geven)
salg
/vərˈkopə(n)/
verb
1. goederen tegen betaling aan een nieuwe eigenaar geven
sælge
noun
1. iemand die goederen of diensten verkoopt
sælger
noun
1. een virusinfectie aan keel of neus
forkølelse
verb
1. iemand met geweld tot seksueel verkeer dwingen
voldtage
noun
1. een seksuele daad onder dwang
  1. seksuelt overgreb
  2. sexovergreb
verb
1. in bezit krijgen, verwerven
opnå
noun
1. toestand waarin men niet is staat is zich te bewegen
lammelse
verb
1. weggaan
forlade
noun
1. de voorafgaande tijd
fortid
noun
datid
verb
1. tot kwaad brengen
friste
/vər.ˈlɛɪ̯.dɪŋ/, /vər.ˈlɛː.dɪŋ/, /vɛr.ˈlɛɪ̯.dɪŋ/
noun
1. het verleiden van iets of iemand
forføring
/vərˈlɛŋə(n)/
verb
1. langer maken
forlænge
/vər.ˈlɛ.ŋɪŋ/, /vɛr.ˈlɛ.ŋɪŋ/
noun
3. extra speeltijd
forlænget spilletid
noun
elektrisch snoer voorzien van stekker en contrastekker
forlængerledning
verb
3. minder moeilijk maken
lette
noun
1. het teloorgaan, kwijtraken
tab
verb
1. iets kwijt raken
  1. tabe
  2. miste
noun
1. iets wat heel aantrekkelijk is, maar verkeerd en zondig is
fristelse
adjective
forlovet
noun
1. iemand die toegezegd heeft met een partner in het huwelijk te willen treden
forlovede
/vər.ˈlɔ.sɪŋ/, /vɛr.ˈlɔ.sɪŋ/
noun
1. de bevrijding van de gevolgen van de zonden van de mens door het geloof in Jesus
frelse
verb
1. een feit noemen in een verhaal of tekst
omtale
verb
blande
verb
1. het herhaald optellen van een getal; een rekenkundige bewerking waarvan de uitkomst het product wordt genoemd
multiplicere
/vər.ˌme.nəx.ˈvʏɫ.də.ɣɪŋ/, /vər.ˌme.nəχ.ˈvʏɫ.də.χɪŋ/, /vɛr.ˌme.nɪx.ˈvʏl.di.ɣɪŋ(g)/
noun
1 .een vermeerdering tot een veelvoud van het oorspronkelijke aantal
multiplikation
/vərˈmɛi̯də(n)/
verb
1. trachten te ontwijken
  1. undgå
  2. undvige
noun
  1. 1. bepaalde rode kleurstof op basis van kwik(I)sulfide, HgS
  2. 2. naar oranje zwemende dieprode kleur
cinnoberrød
verb
1. iemands lichaam blijvend en misvormend letsel toebrengen
lemlæste
conjunction
1. omdat of aangezien, geeft onderschikkend een reden aan
da
adverb
1. naar men denkt, maar niet zeker weet
  1. antagelig
  2. formentlig
  3. formodentlig
noun
1. een waarschijnlijke waarheid
  1. vormodning
  2. formodning
noun
træthed
verb
1. gewelddadig van het leven beroven
myrde
noun
1. einde maken aan het bestaan van iets
ødelæggelse
noun
forurening
verb
1. veroordeeld (bijvoeglijk naamwoord)
tiltalt
verb
1. in een rechtszaak een oordeel uitspreken
dømme
verb
1. de oorzaak zijn van
forårsage
noun
forordning
/vərovərə(n)/
verb
1. een gebied door een militaire operatie in zijn macht nemen
erobre
noun
erobring
noun
1. het materiaal waarin iets verpakt is
emballage
noun
  1. 1. iemand die beroepshalve patiënten verpleegt
  2. 2. een deskundige in de verpleegkunde
sygeplejerske
noun
1. vrouw die zorg verleent aan zieken of gewonden
sygeplejerske
adjective
1. vernietigend
knusende
adjective
1. door iets of iemand gedwongen
obligatorisk
verb
1. tot regel maken dat iets moet
forpligte
/vər.ˈplɪx.tɪŋ/, /vər.ˈplɪχ.tɪŋ/, /vɛr.ˈplɪx.tɪŋ(g)/
noun
1. iets dat moet
forpligtelse
verb
1. een plant voorzien van een andere, doorgaans grotere, pot
ompotte
/vəˈraːt/
noun
1. het schenden van trouw
forræderi
verb
2. een geheim prijsgeven
forråde
noun
1. iemand die verraad pleegt
forræder
adjective
forræderisk
verb
1. iemand onverwachts met iets confronteren
overraske
/və.ˈra.sɪŋ/, /və.ˈrɑ.sɪŋ/, /vɛ.ˈrɑ.sɪŋ(g)/
noun
1. een geheel onverwachte gebeurtenis
overraskelse
/ˈvɛrəˌkɛːkər/, /ˈvɛrəˌkɛːɪkər/
noun
1. een optisch instrument om voorwerpen op grote afstand te kunnen waarnemen door het vergrotend effect van het instrument
kikkert
verb
1. rijker maken
berige
noun
  1. 2. dichtregel
  2. 3. couplet
vers
/vər'sxɛɪnə(n)/
verb
  1. 1. aan het licht treden, zichtbaar worden
  2. 3. voor het gerecht verschijnen
forekomme
/vɛrsxɛɪnsəɫ/
noun
1. iets dat zich voordoet
fænomen
noun
1. een aspect dat bij vergelijking anders is
forskel
verb
1. in bepaalde opzichten niet hetzelfde zijn
uenig
/ˈfɛrsi/
noun
  1. 1. specifieke vorm of variant van een uitgave
  2. 2. bepaalde verklaring of interpretatie van een gebeurtenis
version
noun
1.iemand die verslaafd is aan iets
addict
/vərˈslɑx/
noun
1. bericht over een gebeurtenis of toestand
rapport
noun
  1. reporter
  2. korrespondent
verb
1. te lang blijven slapen met als gevolg dat men een afspraak mist
sove over sig
verb
1. slechter worden
forværres
verb
1. een grotere snelheid (doen) bereiken
accelerere
noun
1. toename van het tempo
acceleration
noun
1. een schakelinrichting aan een motorvoertuig om van de ene naar de andere versnelling te gaan
gearkasse
verb
1. de toegankelijkheid van een weg ongedaan maken
spærre
verb
1.
forstene
verb
3. beter bestand maken tegen aanvallen
spidse
/vər.ˈstɛr.kɪŋ/, /vɛr.ˈstɛr.kɪŋ(g)/
noun
  1. 1. het versterken
  2. 2. extra hulp in probleemsituaties
  3. 3,4. signaalversterking
forstærkning
verb
1. doen stikken
kvæle
noun
1.
kvælning
/vərˈstorə(n)/
verb
1. uit de concentratie brengen, onderbreken wat men aan het doen is
forstyrre
noun
1.
åndsfraværelse
noun
1.
forstuvning
noun
1. in de poëzie gebruikte term voor een combinatie van beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen
versefod
verb
1. omzetten van geschreven of gesproken informatie naar een andere taal
oversætte
noun
oversætter
/vərˈtalɪŋ/
noun
1. iets dat vertaald is
oversættelse
noun
1. iemand die de plaats van een ander inneemt
repræsentant
verb
1. een al of niet ware gebeurtenis verhalen
fortælle
noun
1. een verhaal dat bedoeld is om verteld te worden
fortælling
verb
1. voedsel afbreken
fordøje
adverb
lodret
noun
2. de actie van het vertrekken of weggaan
afgang
noun
afgangstid
noun
trøst
noun
1. het geloof in betrouwbaarheid van een persoon
  1. tillid
  2. tiltro
noun
  1. 1 verslechteren
    forfald
  2. 3 verschil in waterstand
    nedgang
/vər'vɑŋə(n)/
verb
1. het ene de plaats doen innemen van het andere
erstatte
noun
kedsomhed
verb
1. met verf bestrijken
farve
verb
A.1 omvormen van een werkwoord om wijze, tijd en persoon uit te drukken
bøje
/vər.ˈvu.ɣɪŋ/, /vər.ˈvu.χɪŋ/, /vɛr.ˈvu.ɣɪŋ(g)/
noun
1. werkwoordsflexie
konjugation
verb
1. personen of objecten naar een andere plek brengen
befordre
noun
1. voorwerp bestemd om personen of goederen naar een andere plaats te brengen
køretøj
/vər'vɔlɣən/
verb
  1. 2. niet rusten voor iemand bestraft of geweld aangedaan is
  2. 1. een handeling voortzetten of de draad opnieuw opnemen
  3. 3. voor het gerecht beschuldigen
forfølge
noun
2. het vervolgen of vervolgd worden
forfølgelse
noun
1. een ongeplande verandering van de oorspronkelijke vorm
deformering
verb
1. vreemd maken, van eigenaar doen wisselen
fremmedgøre
adjective
1. zich boven anderen verheven voelend
indbildsk
adjective
1. niet de moeite om zich met iets bezig te houden
ubetydelig
verb
1. iets niet de benodigde verzorging schenken
ignorere
verb
1. ergens van uitgaan
forvente
/vər.ˈʋɑχ.tɪŋ/, /vər.ˈβ̞ɑx.tɪŋ/, /vɛr.ˈwɑx.tɪŋ(g)/
noun
datgene wat verwacht wordt
forventning
adjective
1. geparenteerd, familie zijnd
beslægtet
noun
2. overeenkomst, affiniteit
forhold
/vər.ˈʋɑr.mɪŋ/, /vər.ˈβ̞ɑr.mɪŋ/, /vɛr.ˈwɑr.mɪŋ(g)/
noun
  1. 1. het proces van verwarmen
  2. 2. een installatie die voor het verwarmen zorgt
opvarmning
/vər.ˈʋɑ.rɪŋ/, /vər.ˈβ̞ɑ.rɪŋ/, /vɛr.ˈwɑ.rɪŋ(g)/
noun
1. een verwarde toestand
forvirring
verb
svække
adjective
forkælet
noun
1. het verkrijgen van iets
erhvervelse
noun
1. het verwijderen
bortførsel
/vər'wɛift/
adjective
1.
kvindagtig
/vər'ʋɛɪzə(n)/
verb
1. naar iets of iemand anders wijzen of sturen
henvise
noun
1. lichamelijk letsel
sår
verb
1. minder erg maken
blødgøre
verb
  1. 1. bijeenbrengen
  2. 3. bijeenkomen
  3. 2. een verzameling hebben of aanleggen
samle
/vər.ˈza.mə.lɪŋ/, /vɛr.ˈza.mə.lɪŋ(g)/
noun
2. wiskundige verzameling
mængde
/vərzekərar/
noun
1. een bedrijf dat tegen betaling van een premie een bepaald risico voor een klant dekt
assurandør
verb
  1. 1. verklaren dat iets ...
  2. 2. tegen betaling van een premie ...
forsikre
/vər.ˈze.kə.rɪŋ/, /vɛr.ˈze.kə.rɪŋ(g)/
noun
  1. 1. overeenkomst waarmee men zorgt voor vergoeding van schade, diefstal e.d...
  2. 2. de mededeling dat iets ...
forsikring
noun
1. handelingen gericht tegen de heersende macht of de aanvallende vijand
modstand
noun
1. beweging van het verzet, de gezamenlijke mensen die zich verzetten tegen een overheerser
modstandsbevægelse
verb
4. met een laag zink afdekken
forzinke
verb
1. aan iemand vragen iets al dan niet te doen
ansøge
adjective
1. dik, vet inhoudend
fed
noun
  1. 1. gladde, zeer vette vloeistoffen, smeermiddelen
  2. 2. gespecialiseerd dierlijk weefsel
fedt
/vɛtblɑt/
noun
1.1 bepaald soort vleesetende plant, Pinguicula vulgaris
almindelig vibefedt
noun
  1. 1. een voormalig militair die gevochten heeft, een uitgediend krijgsman
  2. 2. een ervaren en oud persoon in een bepaald onderwerpgebied, zoals een sporter, geleerde, etc.
veteran
adjective
veterinær
verb
1. een dier/persoon overvloedig en calorierijk voedsel aanbieden zodat deze in gewicht aankomt
opfede
noun
1. veto
veto
/ˈvɛtzyr/
noun
1. een keten van ten minste twee koolstofatomen en een carboxylgroep
fedtsyre
noun
1. jong van bepaalde hoefdieren als het paard, de ezel, de kameel en de zebra
føl
noun
1.
vexillologi
noun
1. een vezel is een lang, dun filament waarvan de lengte ten minste drie keer groter is dan de doorsnede
fiber
preposition
1. langs
via
noun
1. communie gegeven aan een stervende als deel van de laatste sacramenten
viaticum
noun
1. marimba met metalen toetsen en vibratosysteem
vibrafon
noun
vicepræsident
noun
ond cirkel
pronoun
1. Australische deelstaat gelegen in het zuidoosten van het land
Victoria
/viːr/
noun
1. het getal tussen de drie en de vijf
fire
/ˈviːrdə/
ordinalAdjective
1. nummer vier in een rij
fjerde
verb
1. een feest vieren
fejre
cardinalNumeral
1. het getal 34
fireogtredive
cardinalNumeral
1. het getal 24
fireogtyve
cardinalNumeral
1. het getal 44
fireogfyrre
cardinalNumeral
1. het getal 54
fireoghalvtreds
noun
1. een geometrische tweedimensionale vorm, bestaande uit vier hoeken en derhalve ook vier zijden
firkant
/ˈviːrˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 400
fire hundrede
adjective
1. met de vorm van een vierkant
kvadrat
noun
1. geometrische tweedimensionale vorm, bestaande uit 4 gelijke hoeken van 90 graden en 4 zijden met gelijke lengte
kvadrat
noun
1.
kvadratmeter
noun
1. dat getal dat met zichzelf vermenigvuldigd een gegeven getal oplevert
kvadratrod
pronoun
Vierwaldstättersøen
adjective
1. smerig
beskidt
pronoun
Vietnam
pronoun
1. de officiële taal van Vietnam
vietnamesisk
noun
1. iemand met wie men op voet van oorlog leeft
fjende
adjective
1. van de vijand
fjendtlig
adjective
1. zich als een vijand gedragend
fjendtlig
noun
1. een toestand van op voet van oorlog zijn
animositet
/vɛi̯f/
cardinalNumeral
1. het getal 5
fem
/ˈvɛɪ̯f.də/, /ˈvɛɪ̯v.də/, /ˈvɛːv.də/
ordinalAdjective
1. nummer vijf in een rij
femte
cardinalNumeral
1. het getal 35
femogtredive
cardinalNumeral
1. het getal 25
femogtyve
cardinalNumeral
1. het getal 45
femogfyrre
cardinalNumeral
1. het getal 55
femoghalvtreds
noun
1. een geometrische tweedimensionale vorm, bestaande uit vijf hoeken en derhalve ook vijf zijden
  1. femkant
  2. pentagon
/ˈvɛi̯fˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 500
fem hundrede
noun
1. atletiekmeerkamp met vijf onderdelen
femkamp
/ˈvɛi ̯ftin/
cardinalNumeral
15
femten
ordinalAdjective
femtende
/ˈfɛi̯ftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 50
  1. halvtreds
  2. halvtredsindstyve
noun
1.
halvtredsårig
noun
1. vrucht van de vijgenboom
figen
noun
figenblad
noun
1. een werktuig met een ruw, gegroefd of gekerfd oppervlak dat het mogelijk maakt dunne lagen van een voorwerp te verwijderen
fil
noun
1. tamelijk klein door de mens aangelegd water
dam
/ˈvikɪŋ/
noun
1. Scandinavische krijger, behorend tot de noordelijke tak van de Germanen
viking
noun
1. een groot en vrijstaand huis
villa
noun
door langdurig bewerken verdichte wol
filt
/vɪn/
noun
1. uitstekend lichaamsdeel van vissen en andere aquatische dieren
finne
/'vɪndə(n)/
verb
1. iets aantreffen nadat ernaar gezocht is
finde
noun
1. extremiteiten van de hand
  1. finger
  2. tå
/ˈvɪ.ŋər.ˌɑf.drʏk/, /ˈvɪ.ŋər.ˌɑv.drʏk/
noun
1. een afdruk op een oppervlak van een vinger met meestal de unieke, persoonsgebonden figuur...
fingeraftryk
/'vɪŋərə(n)/
verb
1. met de hand of vinger bevredigen
give finger
noun
1. bepaalde grassoort, Eleusine coracana
fingerhirse
/'vɪŋərˌɦut/
noun
1. hard dopje dat het eerste kootje van de vinger beschermt bij het naaien
fingerbøl
noun
fingerbøl
noun
topje van een vinger
fingerspids
noun
finke
noun
1. knie- of beenviool
gambe
noun
1. (kleur) een kleur tussen blauw en ultraviolet, met een golflengte tussen de 430 en 380 nm
violet
noun
1. musicus die een viool bespeelt
violinist
noun
1. strijkinstrument
violin
noun
1. benaming voor planten uit het geslacht Viola
viol
noun
1.
virologi
noun
1. (beroep) deskundige op het gebied van virussen en virusziekten
virolog
adjective
1.
virtuel
noun
virtuos
/virəs/
noun
  1. 1.
  2. 2.
virus
noun
  1. 1. Pisces, gewerveld dier met kieuwen, levend in water
  2. 2. het vlees van een vis
fisk
noun
1. Pandion haliaetus, een vooral visetende roofvogel die de enige soort uit de familie Pandionidae is
fiskeørn
noun
fiskekrog
noun
1. de wijze waarop men zaken beoordeelt of beschouwt
sigt
adjective
visionær
noun
1. vlechtwerk van touw om zeedieren te vangen of in water te bewaren
fiskenet
noun
1. vloeibare substantie gemaakt van vergiste vis
fiskesovs
pronoun
2. teken van de dierenriem, traditioneel behorend bij geboortedata van ongeveer 19 februari tot 21 maart
Fiskene
verb
1. proberen te vangen
fiske
noun
1. iemand die beroepsmatig vist
fisker
noun
fiskefartøj
/vizyʋel/
adjective
1. betreffende het zicht, betreffende het zienbare
visuel
noun
visum
noun
  1. 2. hoeveelheid gevangen vis
    fiskefangst
  2. 1. het vangen van vis
    fiskeri
noun
1. een stof die het lichaam in kleine hoeveelheden nodig heeft, maar niet of bijna niet door het lichaam zelf aangemaakt kan worden en derhalve in voldoende mate via voedsel of supplement ingenomen moet worden
vitamin
noun
  1. 1. een richttoestel op de loop van een vuurwapen
    sigte
  2. 1. minister of hoog staatsdienaar
    vesir
/vlax/
noun
1. een plotselinge windstoot
kastevind
adjective
1. betrekking hebbende op Vlaanderen of de Vlamingen
flamsk
pronoun
1. Nederlands zoals dat in Vlaanderen gesproken wordt
flamsk
pronoun
1. Belgische provincie
Flamsk Brabant
noun
1. bepaald soort kraaiachtige vogel, Garrulus glandarius
skovskade
pronoun
1. de noordelijke deelstaat van België
Flandern
/vlɑχ/
noun
1. lap stof met een vast patroon van kleuren die gevoerd wordt als symbool van een organisatie, beweging of natie
  1. flag
  2. fane
/ˈvlɑɣəˌsxɪp/
noun
1. schip waarop zich de bevelvoerder over een vloot of eskader bevindt
flagskib
noun
1. bepaald soort vis, Thymallus thymallus
stalling
/vlɑk/
adjective
1. zonder bergen of dalen
jævn
noun
1. bepaald soort giftige vaste plant die sporen vormt, Diphasiastrum complanatum
flad ulvefod
noun
1. gebied met weinig of geen hoogteverschillen
slette
noun
1. kleinste vorm van vuur
flamme
/'vlamɪŋ/
noun
1. een inwoner van Vlaanderen of iemand afkomstig uit Vlaanderen
flamlænder
noun
hør
noun
1. een gebonden pluk haar
fletning
/ˈvlɛx.tə(n)/, /ˈvlɛχ.tə(n)/
verb
1. in elkaar strengelen
flette
noun
1. klein vliegend zoogdier
flagermus
noun
  1. 1. spierweefsel van bepaalde organen
  2. 2. spierweefsel van dieren dat opgegeten kan worden als onderdeel van de voeding
kød
noun
1. een vleesetend dier
kødæder
verb
1. (onoprechte) complimenten geven, meestal om bij iemand in de gunst te komen
smigre
noun
1. een vieze plek
plet
noun
  1. 3. muziekinstrument
    flygel
    1. 1. lichaamsdeel van bepaalde diersoorten
    2. 5. een deel van een leger
    vinge
noun
1.iemand die bevelen van een hoger geplaatst persoon overbrengt
adjunkt
/vlix/, /vliχ/
noun
1. tweevleugelig insect
flue
noun
flyveaske
noun
1. groot vaartuig dat is ingericht voor het opstijgen, landen, vervoer en onderhoud van meerdere vliegtuigen
hangarskib
/ˈvli.ɣə(n)/, /ˈvli.χə(n)/
verb
1. zich door de lucht voortbewegen
flyve
noun
1. benaming voor zeevissen uit de familie Exocoetidae
flyvefisk
noun
1. een apparaat om een vlieg mee dood te slaan
fluesmækker
noun
1. bepaald soort paddenstoel, Amanita muscaria
rød fluesvamp
noun
1. een voorwerp dat door de wind aan een draad in de lucht opgelaten kan worden
drage
/ˈvlixtœːx/, /ˈvliχtœʏχ/
noun
1. vervoermiddel dat speciaal ontworpen is voor het reizen door de lucht
  1. flyvemaskine
  2. fly
/ˈvlixfɛɫt/
noun
1. een terrein waar vliegtuigen kunnen landen en opstijgen
lufthavn
noun
1. sneldraaiend wiel met grote massa
svinghjul
noun
hyld
/'vlirbɛs/
noun
1. bessen van de gewone vlier
hyldebær
noun
1. benaming voor nectar etende insecten uit de orde Lepidoptera
sommerfugl
noun
butterfly
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Siphonaptera
loppe
noun
1. verhoging van de waterstand
  1. flod
  2. højvande
noun
1.
flodbølge
adjective
1. in staat te vloeien, gezegd van de aggregatietoestand van stoffen die niet vast en niet gasvormig zijn
flydende
/ˈvlujə(n)/
verb
1. zacht stromen
strømme
adjective
2. zonder haperingen een taal kunnen spreken
flydende
noun
2.
  1. klatpapir
  2. trækpapir
noun
1. een stof in die aggregatietoestand waarin het geen eigen vorm heeft, maar wel een eigen volume
  1. flydende
  2. væske
/vlur/
noun
gulv
noun
loppemarked
/vloːt/
noun
1. bij elkaar horende schepen
flåde
noun
1. een drijvende constructie
flåde
noun
1. het zich door luchtruim bewegen
flyvning
/'vlɵxtəlɪŋ/
noun
1.
flygtning
/vlɵxtə(n)/
verb
1. (onovergankelijk) trachten te ontkomen aan dreigend gevaar
flygte
noun
1.
rutenummer
pronoun
1. wereldwijde organisatie waarin alle landen kunnen samenwerken
FN
adjective
fugtig
noun
1. de mate van vocht
fugtighed
verb
1. van voedsel voorzien
  1. fodre
  2. føde
/vudərə(n)/
verb
1. voedsel verschaffen aan dieren
fodre
/ˈvu.dɪŋ(g)/, /ˈvu.dɪŋ/
noun
1. voedsel
ernæring
noun
1. toevoeging aan voeding
tilsætningsstof
noun
1. voedingsmiddel dat bedoeld is als aanvulling op de normale voeding
kosttilskud
noun
1. alles wat een organisme tot zich neemt om het metabolisme in werking te houden
føde
adjective
1.
nærende
/ˈvuxʋoːrt/
noun
bindeord
verb
1. gewaarworden door aanraking, meestal met betrekking tot temperatuur of druk
føle
verb
  1. 3. dieren te eten geven
    1. fodre
    2. føde
  2. 4. een kind eten in de mond stoppen
    1. fodre
    2. skeføde
  3. 2. kleding aan de binnenkant van een isolerende laag voorzien
    fore
  4. 1. geleiden, ergens heen brengen
    1. føre
    2. gelede
/ˈvuː.rɪŋ(g)/, /ˈvuː.rɪŋ/
noun
1. de binnenbekleding van een voorwerp
for
/ˈvuːrtœx/, /ˈvuːrtœyx/
noun
1. vervoermiddel over land
køretøj
noun
  1. 3. oude lengtemaat
    fod
  2. 1. voortzetting van het been beneden de enkel
    1. fod
    2. fødder
/ˈvut.bɑɫ/
noun
1. een balsport waarbij twee teams van 11 spelers met hun voeten (of hoofd) een bal in het doel van de tegenstander proberen te krijgen
  1. fodbold
  2. fodboldhold
noun
1. iemand die zich te voet door het verkeer verplaatst
fodgænger
/'vutpɑt/
noun
1. een pad voor voetgangers
  1. fortov
  2. gangsti
noun
fodspor
noun
fodspor
noun
1. de onderzijde van de voet
fodsål
/ˈvoːɣəl/, /ˈvoχɔɫ/
noun
1. een gewerveld dier (Aves) met twee vleugels, twee poten, een snavel en veren...
fugl
noun
1. enige zoogdier met een snavel, Ornithorhynchus anatinus
næbdyr
/ˈvoɣəlˌɛː/, /ˈvoχəɫˌɛɪ/
noun
1. een ei van een vogel
fugleæg
noun
almindelig fuglegræs
noun
1. gezien vanuit de lucht; gezien vanuit de positie van een vliegende vogel
fugleperspektiv
noun
1. manshoge pop
fugleskræmsel
noun
1. het geluid dat vogels maken
fuglesang
pronoun
1.
Vojvodina
/vɔl/, /vɔɫ/
adjective
1. geheel gevuld
fuld
pronoun
1. een kunstmatige taal die in 1880 door Johann Martin Schleyer gemaakt werd
  1. volapyk
  2. Volapük
verb
1. geheel uitvoeren
fuldende
/'vɔlxə(n)/
verb
1. achterna gaan
følge
adjective
1. dat later komt
næste
preposition
1. geeft een bron aan voor de gegeven redenering
  1. ifølge
  2. i henhold til
adjective
1.
føjelig
/vɔlk/
noun
  1. 1. een groep mensen die een aantal dingen gemeenschappelijk hebben, zoals afstamming, taal, gewoontes of overlevering
  2. 2. de inwoners van een land
folk
pronoun
  1. Folkeforbundet
  2. Folkeforbund
noun
folkedrab
noun
1. brood van meel met zemelen
fuldkornsbrød
noun
1. tarwe met zemelen en kiem
fuldkornshvede
noun
1.
folkeetymologi
noun
1. lied dat dienst doet als symbool voor een volk of een natie
nationalsang
noun
folkerepublik
/'vɔlkstɛlɪŋ/
noun
1.
folketælling
/ˈvɔlks.tœʏn/
noun
2. moestuin beschikbaar gesteld aan stadsbewoners
kolonihave
noun
1. een vergadering van de gehele bevolking
  1. folkeforsamling
  2. ting
noun
1. verhaal dat (ook) mondeling wordt overgedragen
folkesagn
noun
1. fase of schijngestalte van de maan, waarbij de naar de aarde gekeerde zijde, geheel door de zon wordt verlicht en daardoor zichtbaar is
fuldmåne
noun
  1. 1. spel
  2. 2. bal
volleyball
/vɔlˈmaːkt/
adverb
1. zonder enig gebrek
perfekt
noun
volt
adverb
1.
fuldtids-
noun
1. spanningmeter
voltmeter
noun
1. het woord dat deel heeft aan het werkwoord en aan het naamwoord en als afgesloten gezien wordt
præteritum participium
noun
førnutid
noun
pluskvamperfektum
verb
1. ten einde brengen
  1. fuldføre
  2. fuldende
noun
  1. 1. ruimtelijke capaciteit
  2. 3. fysieke informatiedrager
lydstyrke
noun
1. iemand die volgroeid is
voksen
noun
hittebarn
noun
1. een gloeiend korreltje of brokstukje
gnist
noun
1. een beslissing van een rechter in dagvaardingsprocedures
dom
noun
1. Haïtiaanse religie
voodoo
/vor/
noun
1. ploegsnede
  1. fure
  2. solc
/vor/
preposition
  1. 7. ten behoeve van, ten gunste van
    for
  2. 4. eerder in tijd
    1. før
    2. inden
noun
1. iets ter navolging
eksempel
verb
1. handelingen verrichten die een latere gebeurtenis mogelijk moeten maken
forberede
/ˈvor.bə.rɛɪ̯.dɪŋ(g)/, /ˈvor.bə.rɛː.dɪŋ/, /ˈvo̝r.bə.rɛɪ̯.dɪŋ/
noun
1. het voorbereiden
forberedelse
/ˈvorbodə/
noun
1. vooruitgestuurde bode (letterlijk)
forvarsel
noun
1. doorwaadbare plaats
vad
noun
  1. 1. profijt
  2. 2. aangename eigenschap
fordel
/'voːrdøːr/
noun
1. de hoofddeur aan de voorzijde van een woning
gadedør
/ˈvoːrˌdrɪ.ŋə(n)/
verb
springe over køen
noun
1. de persoon die voorafgaand aan een zeker persoon dezelfde positie bekleedde
forgænger
adverb
for altid
noun
forhammer
noun
1. het deel van het gezicht tussen de wenkbrauwen, de normale haarlijn en de slapen
pande
noun
1. voorhuid van penis
forhud
/vorɪ'nxənomə(n)/
adjective
1.
  1. fordomsfuld
  2. forudindtaget
/'vɔːr.ko.mə(n)/, /vɔːr.'ko.mə(n)/
verb
1. met regelmaat ergens te vinden zijn
forekomme
verb
1. hardop een tekst lezen ten aanhoren van anderen
læse
/vorˈlopəx/, /vorˈlopəç/
adjective
1. tijdelijk in afwachting van iets definitiefs
foreløbig
noun
1. naam die bij de geboorte aan een persoon wordt gegeven, en die aan de familienaam voorafgaat.
fornavn
/ˈvɔːr.nam.ˌʋɔːrt/
noun
1. een woord dat verwijst naar iets anders zonder ze te noemen
  1. stedord
  2. pronomen
verb
1. vooraf voor waar aannemen van een stelling om hiermee tot een conclusie te komen
forudsætte
noun
fordom
noun
1. iemand van wie afgestammen wordt
forfader
noun
forside
adjective
på lager
noun
1. glazen vlak aan de voorkant van een voertuig dat zorgt voor zicht op de weg en bescherming tegen weer en wind
forrude
noun
3. liefdesspel als opmaat voor seks
forspil
noun
1. de mate waarin het mogelijk is betrouwbare voorspellingen te doen
forudsigelighed
verb
1. een uitspraak doen over toekomstige gebeurtenissen
forudsige
/'vorsprɔŋ/
noun
1. de mate waarin men verder gevorderd is dan anderen
forspring
noun
1. hetgeen dat voorgesteld wordt
forslag
verb
1. een plan voorleggen
foreslå
adverb
1. van nu af aan, in het vervolg
fra nu af
noun
1. het proces van technologische en economische groei van een samenleving
fremskridt
noun
1.
forfader
noun
1.
opstillingsmøde
verb
1.
forvarme
noun
1.
præejakulat
/ˈvoːrvuxsəɫ/
noun
1. een gebonden morfeem dat voor een ander woord geplaatst wordt om iets aan de betekenis toe te voegen
præfiks
noun
1. omstandigheid die noodzakelijk is of gemaakt wordt wil iets anders plaats of...
forudsætning
noun
1. een object, iets dat fysiek bestaat
  1. ting
  2. objekt
noun
1. een onverbuigbaar woord dat de aard van de relatie tussen verschillende elementen in de zin aangeeft
  1. forholdsord
  2. præposition
/vɔːrˈzɪxtəx/
adverb
1. op een oplettende manier
forsigtig
/vɔːr.'zin/
verb
  1. 2. beschikbaar maken, voorzorgen treffen voor
    forsyne
  2. 1. herkennen als toekomstige ontwikkeling
    forudse
noun
1. hoofd van een bestuur, leider van een vergadering
formand
/'vɔː.rə/
noun
1. ploegsnede
  1. fure
  2. solc
indefiniteOrdinalNumeral
1. degene die of datgene dat eerder een positie innam
foregående
noun
  1. 2. voorwerp bestaande uit een greep en (meestal 3 of 4) tanden, waarmee vast voedsel wordt gegeten
  2. 1. aftakking van een boomtak of van een weg
  3. 5. (schaak) situatie waarbij één eigen stuk tegelijkertijd twee of meer vijandelijke stukken aanvalt
  4. 3. bepaald landbouwwerktuig (vergelijk met hooivork, mestvork)
  5. 4. fietsonderdeel waarin het wiel wordt bevestigd: telescopische vork, voorvork en achtervork
gaffel
noun
1. ruimtelijke begrenzing van een voorwerp
form
noun
1. het proces en het resultaat van ontwerpen van het uiterlijk
udformning
noun
1. een sacrament waardoor een gedoopte de kracht van de Heilige Geest ontvangt om zijn geloof standvastig te kunnen belijden
konfirmation
/vɔrst/
noun
2. weersomstandigheden
frost
noun
1.
fyrstedømme
noun
1. bepaald zoogdier, Vulpes vulpes
ræv
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Ræven
noun
1. bepaald soort plant, Vaccinium vitis-idaea
tyttebær
/vra:x/, /vra:χ/
noun
1. een verzoek om inlichting
spørgsmål
noun
1. een leesteken (?) dat men aan het eind van een zin plaatst om deze vragend te maken
spørgsmålstegn
/ˡvrɑxtɑuto/
noun
1. een auto voor goederenvervoer
lastbil
noun
1.
fragtbrev
noun
1. een schip dat uitsluitend bedoeld is voor het vervoer van goederen
fragtskib
noun
1.
fragtfly
noun
1. een wagen voor goederenvervoer
  1. lastvogn
  2. lastbil
noun
lastbilchauffør
/ˈvraɣə(n)/, /ˈvraχə(n)/
verb
  1. 2. mondeling of schriftelijk actie verzoeken
    bede
  2. 1. mondeling of schriftelijk informatie verzoeken
    1. spørge
    2. ansøge
noun
1. ontbreken van oorlog
fred
noun
1.
fredstid
adjective
1. van buiten, niet van hier
fremmed
noun
1. een blij gevoel
  1. fryd
  2. glæde
/ˈvrøx.də.ˌvyːr/, /ˈvrøɣ.də.ˌvyːr/, /ˈvrøχ.də.ˌvyːr/
noun
1. een groots door mensen opgebouwd en gecontroleerd vuur om iets te vieren
bål
/ˈvrezə(n)/
verb
1. bang zijn, angst hebben
frygte
noun
1. een persoon met wie je een speciale persoonlijke band hebt
ven
noun
2. de vrouwelijke persoon met wie je verkering hebt
veninde
noun
1. gelijkwaardige relatie tussen personen die elkaar wederzijds genegen zijn en een vergelijkbare relatie tegelijkertijd ook met anderen kunnen hebben
venskab
noun
1. schade aangebracht aan smaak zowel als structuur van bevroren voedsel
frysebrand
/ˈvrisdroɣə(n)/
verb
1. industriële droogmethode voor onder andere het conserveren van voedingsmiddelen
Frysetørre
/vrispʌnt/
noun
frysepunkt
verb
fryse
noun
1. een toestel bedoeld om voedingsmiddelen in bevroren toestand gebracht, te bewaren
dybfryser
adjective
1. ongebonden, niet in beweging beperkt
fri
noun
1. een dag van de week die na donderdag en voor zaterdag komt
fredag
adjective
1. een ongehuwde man of vrouw
ungkarl
noun
1. een ongehuwde man of vrouw
ungkarl
noun
frihandel
/ˈvrɛi̯ɦɛi̯t/
noun
1. het vrij zijn
frihed
noun
1. krijger, rebel of activist die zich inzet voor de vrijheid van zijn of haar onderdrukte volk, en door de vijand vaak gezien als terrorist of militant
frihedskæmper
verb
1. toestaan om uit gevangenschap weg te gaan
befri
noun
frimurer
noun
  1. frikendelse
  2. frifindelse
noun
fristat
adjective
1. niet gedwongen
frivillig
/ˈvrud.vrɑu/
noun
1. een vrouw die een bevalling begeleidt
  1. jordemoder
  2. jordemor
/ˈvruxər/, /ˈvruɣər/
adverb
1. (zoals) in het verleden
forhen
adjective
1. in goede stemming
munter
noun
  1. 1. een volwassen vrouwelijke mens
    kvinde
  2. 2. de vrouwelijke partner in een huwelijk
    1. kvinde
    2. kone
adjective
  1. feminin
  2. kvindelig
noun
1.
kvindelighed
noun
2. grootste in Europa voorkomende orchideeënsoort, Cypripedium calceolus
fruesko
noun
1. volgroeid vruchtbeginsel
frugt
/'vrɵɣbar/
adjective
  1. 1. in staat vrucht af te werpen
  2. 2. tot resultaat leidend
frugtbar
/'vrʏxt.bar.ɦɛɪ̯t/, /'vrʏxt.bar.ɦɛːt/, /'vrʏɣ.ba.rɛɪ̯d/
noun
1. het vermogen vrucht te dragen
frugtbarhed
noun
1. boom die eetbare vruchten voortbrengt
frugttræ
/ˈvrʏxtə(n)ˌsɑp/, /ˈvrʏχtə(n)ˌsɑp/
noun
1. sap gewonnen uit fruit
  1. frugtjuice
  2. frugtsaft
noun
fostervand
/vœy̯l/
noun
viezigheid, onreine materie
snavs
/'vœylnɪsbɑk/
noun
1. een bak waarin men huisvuil verzamelt
skraldespand
/ˈvœʏɫnɪsˌʋaxə(n)/, /ˈvœːɫnɪsˌβaɣə(n)/
noun
1. een auto van de vuilophaaldienst
skraldevogn
noun
1. gebalde hand
  1. næve
  2. knytnæve
adjective
vulgær
noun
vulkan
noun
1. de vaak explosieve activiteit waarmee in een vulkaan opgebouwde spanningen zich ontladen
vulkanudbrud
noun
1. natuurlijke processen
vulkanisme
noun
1. bepaalde soort vlinder, Vanessa atalanta
vulkanologi
noun
het materiaal waarmee iets opgevuld is
fyldning
/ˈvʏl.pɛn/, /ˈvʏɫ.pɛn/
noun
1. een schrijfpen met holle houder waarin zich een inktreservoir bevindt
fyldepen
noun
1. de schaamspleet, de ingang tot de vagina
vulva
/vyːr/
noun
1. lichtverschijnsel bij brand
ild
pronoun
1. een archipel aan de zuidpunt van Zuid-Amerika
Ildlandet
noun
1.
flint
noun
1. een hoog lichtbaken aan de kust
  1. fyr
  2. fyrtårn
noun
1. een wapen dat een kogel schiet met behulp van een chemische ontploffing
ildvåben
noun
1. voorwerpen die gevuld zijn met ontploffende, brandbare en lichtgevende stofmengsels
fyrværkeri
pronoun
1. meer in Zweden
Vänern
pronoun
1. meer in Zweden
Vättern
noun
1. benaming voor vogels uit de onderorde Charadrii
vadefugl
noun
1. scherm in halve schijfvorm
vifte
verb
1. een waaier gebruiken
vifte
/ˈʋakɦɔnt/
noun
1. een hond die het huis of een erf bewaakt
vagthund
adverb
1. oplettend
vågent
adjective
1. betrekking hebbend op Wallonië of de Walen
vallonsk
pronoun
1. een taal die verwant is aan het Frans en die in Wallonië gesproken wordt
  1. Vallonsk
  2. vallonsk
adjective
vanvittig
/ʋar/
adverb
1. op welke plaats
hvor
verb
garant
/ʋaːrt/
noun
A 1. baas van een herberg, taveerne of café
vært
noun
værdi
/ˈʋardəˌlos/
adjective
1. geen waarde hebbend
værdiløs
noun
1. document met geldswaarde
værdipapir
/'ʋardəˌvɔl/
adjective
1. een grote waarde hebbend
værdifuld
/'ʋar.dəx/
adjective
1. op een wijze die in overeenstemming met het eergevoel is
værdig
noun
1. dat wat waar is
sandhed
verb
1. iets via de zintuigen in zich opnemen
begribe
noun
1. iets via de zintuigen registreren
iagttagelse
/ʋarˈɔm/
noun
1. door welke oorzaak?
hvorfor
adjective
1. aannemelijk, iets dat vermoedelijk zo is
  1. sandsynligvis
  2. sandsynlig
/ˈʋaːrsxyu̯ə(n)/
verb
1. iemand verwittigen dat er mogelijke gevaren, problemen of gevolgen zijn
advare
/'ʋaːr.sχy.ʋɪŋ/
noun
1. een mededeling dat er onaangename gevolgen op til zijn
advarsel
/ʋɑxt/
noun
  1. 1. iemand die tot taak heeft iets te bewaken
  2. 2. een tijd waarin men de taak heeft iets te bewaken
vagt
/ˈʋɑx.tə(n)/, /ˈβɑx.tə(n)/
verb
1. op dezelfde plaats of in dezelfde situatie blijven tot iemand komt of iets gebeurt
vente
/ˈʋɑxtlɛɪst/
noun
1. een lijst met wachtenden
venteliste
noun
1. een aantal elementen die in een bepaalde volgorde op een gebeurtenis wachten
kø
noun
ventetid
noun
1. een geheim woord dat men moet produceren om ergens toegelaten te worden
feltråb
pronoun
1. een binnenzee die aan de ene kant grenst aan de Waddeneilanden en de Noordzee en aan de andere kant begrensd wordt door het vasteland van Nederland, Duitsland en Denemarken
Vadehavet
verb
1. door ondiep water lopen
vade
interjection
1. krachtig geluid met korte tussenpozen, zoals een hond dat kan uitstoten
  1. vov
  2. vuf
noun
1. plat gebak dat vervaardigd wordt in een wafelijzer
vaffel
noun
1. een toestel waarin wafels gebakken worden
vaffeljern
/ˈʋaːɣə(n)/, /ˈʋaːχə(n)/
noun
2. een auto
bil
/ˈʋaːɣə(n)/, /ˈʋaːχə(n)/
verb
1. een poging ondernemen
vove
noun
1. het houten wiel van een wagen of kar
vognhjul
noun
1. reisziekte
transportsyge
/ˈwa.kə(n)/, /ˈʋa.kə(n)/, /ˈβ̞a.kə(n)/
verb
  1. 1. opzettelijk wakker zijn
  2. 4. letten op, beschermen
være oppe
/'ʋɑkflɑktə/
noun
1. groot ijsvrij gebied te midden van pakijs
våge
pronoun
1. een van de delen van het Verenigd Koninkrijk, gelegen op een groot eiland in het noordwesten van Europa.
Wales
pronoun
1. een speciale hemel in de Noorse mythologie, voorbehouden voor de gesneuvelden in de strijd
Valhal
noun
1. een draagbare radio en/of CD-speler met koptelefoon
walkman
pronoun
1. Germaanse strijdgodin
valkyrie
/ʋɑˈlonɪə/
pronoun
Vallonien
/wɑlrʌs/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Odobenus rosmarus
hvalros
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de onderorde Cetacea
hval
/ʋɑnt/
noun
væg
noun
1. een van de beenderen van de schedel
isseben
/ˈʋɑn.də.lɪŋ/
noun
1. het lopend afleggen van een bepaalde afstand
gåtur
/ˈʋɑn.dəɫ.ˌsχun/, /ˈβ̞ɑn.dəɫ.ˌsxun/
noun
1. een schoeisel dat speciaal geschikt is om grote wandelingen mee te maken
vandrestøvle
/ˈʋɑn.dəɫ.ˌstrat/, /ˈβ̞ɑn.dəɫ.ˌstrat/
noun
1. een straat die alleen voor voetgangers en bestemmingsverkeer toegankelijk is
gågade
noun
1. zijkant van het gezicht onder het oog
kind
noun
1. een slecht en lelijk mens of dier
skrummel
/ˈʋɑnɦop/
noun
1. een ellendige toestand waarin men geen uitkomst meer ziet
fortvivlelse
/ˈʋɑŋkəɫˌmotɔr/
noun
1. een verbrandingsmotor die niet met heen en weer gaande zuigers werkt, maar met een roterende zuiger.
wankelmotor
/ʋɑ.ˈneːr/
adverb
1. op welke tijd
  1. hvornår
  2. når
noun
1. het niet nakomen van een overeenkomst
kontraktbrud
/ʋɑnt/
noun
  1. 2. scheepvaart
    vant
  2. 1. handschoen
    1. vante
    2. luffe
verb
1. niet vertrouwen
mistillid
/ˈʋaːpən/
noun
  1. 1. een werktuig van geweld
  2. 2. een wapenschild
våben
noun
1. een internationale sanctie waarbij een partij geen wapens kan aankopen
våbenembargo
noun
våbenhandler
noun
våbenskjold
noun
1. een korte tekst die de bedoeling van iets weergeeft
motto
noun
1. een overeenkomst met de vijand om de vijandelijkheden op te schorten
våbenhvile
noun
1. een grote winkel die een uitgebreid assortiment aan goederen verkoopt
stormagasin
/ʋɑrṃ/
adjective
Na te kijken en uit te splitsen vertalingen
varm
noun
2. de hoeveelheid thermische energie.
varme
noun
1. een verwarmingsinstallatie die via mechanische arbeid warmte onttrekt aan een koude omgeving en deze toevoert aan een warmere omgeving
varmepumpe
noun
varmeveksler
pronoun
1. hoofdstad van Polen
Warszawa
/ʋɑs/
noun
1. weke laagsmeltende en waterafstotende stof
voks
noun
1. klein Noord-Amerikaans zoogdier, Procyon lotor
vaskebjørn
noun
1. Nyctereutes procyonoides, een zoogdier en roofdier uit de familie Canidae
mårhund
noun
geribbeld bord waarop men de was kan doen
vaskebræt
noun
1. een toestel om de kleding die uit de wasmachine komt te drogen
tørretumbler
noun
1. een apparaat dat op automatische wijze wasgoed reinigt
vaskemaskine
noun
1. zeep in een vorm om kleding en ander textiel in water te reinigen
vaskemiddel
/'ʋɑsə(n)/
verb
  1. 1. iets schoonmaken
  2. 2. zichzelf schoonmaken
vaske
noun
1. een plaats waar men kleding en textiel kan (laten) wassen (zonder personeel)
møntvaskeri
noun
1. een bak waarin men zich of iets wast
  1. vask
  2. håndvask
/ʋɑt/
interrogativePronoun
vragend voornaamwoord
hvad
noun
1. een bed waarvan het matras gevuld is met water
vandseng
noun
vanddamp
adjective
1. ondoordringbaar voor water
  1. vandtæt
  2. vandfast
noun
almindelig bukkeblad
/ˈʋatərˌdrʏpəɫ/
noun
1. kleine hoeveelheid water die bolvormig is wanneer hij ergens ligt / vrij valt en die...
vanddråbe
/ˈʋaːtərən/
verb
3. waterachtig vocht afscheiden
fælde tårer
noun
vandfilter
/ˈwatərˌɣlɑtɦɛɪ̯t/, /ˈʋatərˌχlɑtɦɛɪ̯t/, /ˈβ̞atərˌɣlɑtɦɛːt/
noun
1. verschijnsel waarbij een dunne waterfilm ontstaat.
  1. aquaplaning
  2. dækslip
noun
1.1 bepaald soort watervogel, Gallinula chloropus
grønbenet rørhøne
noun
1. apparaat dat een zeer sterke straal water kan produceren
vandkanon
noun
1. benaming voor planten uit het geslacht Rorippa
brøndkarse
noun
vandkraft
noun
1. een leidingnetwerk om drinkwater vanuit een waterreservoir naar de verbruiker te vervoeren
vandforsyning
noun
1. een - min of meer - lijnvormig watervoerend object met vrij wateroppervlak
vandløb
pronoun
2. teken van de dierenriem van 20 januari tot 19 februari
  1. Vandmanden
  2. vandmand
/ˈʋaːtərməˌlun/
noun
1. Citrullus vulgaris, een grote vrucht met vochtig en rood vruchtvlees
vandmelon
noun
vandmærke
noun
2. een molen die door stromend water aangedreven wordt
vandmølle
noun
vand-Mynte
noun
1. een werktuig dat gebruikt wordt om zeker te stellen dat iets loodrecht op de richting van de zwaartekracht komt te staan
nivelleringsinstrument
noun
1. Elodeo sp.
vandpest
noun
vandpibe
noun
1. pistool waaruit een straal water kan spuiten
vandpistol
noun
vandplante
noun
2. goedaardige infectieziekte die gepaard gaat met het verschijnen van rode vlekjes op de huid die daarna overgaan in jeukende blaasjes
vannkopper
noun
1. een balsport waarbij twee ploegen van zeven spelers elkaar in het water bestrijden
vandpolo
noun
1. platte grijptang met verstelbaar scharnier
  1. papegøjenæb
  2. papegøjetang
noun
1. een schoepenrad dat draait door de stroming van het water
møllehjul
noun
1. bepaald soort watervogel, Rallus aquaticus
vandrikse
noun
1. grote halfaquatische woelmuis
mosegrise
noun
vandsanger
noun
1. ski voor het waterskiën
vandskiløb
noun
1. Argyroneta aquatica, middelgrote spin die in stilstaande wateren leeft
vandedderkop
noun
gargoil
/ˈʋatərˌstɔf/
noun
1. een chemisch element en een kleurloos niet-metaal
  1. brint
  2. hydrogen
noun
hydrogenbinding
noun
1. een toren die zorgt voor een gelijkmatige waterdruk in het waterleidingnet
vandtårn
noun
1. plaats waar stromend water bij een hoogteverschil zijn weg al vallend voortzet
vandfald
noun
1.
  1. akvarelfarve
  2. vandfarve
noun
vandforurening
noun
1. een vliegtuig dat kan opstijgen en landen op het water
vandfly
noun
vandforsyning
noun
hundegalskab
noun
skeblad
noun
1. (medisch) waterzucht
ødem
noun
1. plukje watten bevestigd op een houten of plastic stokje, gebruikt voor bepaalde medische doeleinden...
vatpind
/ʋese/
noun
1. toilet
wc
noun
1. een digitale videocamera die via het internet beelden en geluid verstuurt
web cam
verb
1. geld wagen op een toekomstige gebeurtenis
vædde
noun
væddemål
noun
refleksiv pronomen
noun
1. een werkwoord waarbij de handelende persoon tevens het voorwerp van de handeling is
refleksiv verbum
/wedərˈzɛits/
adjective
gensidig
verb
konkurrere
noun
1. een strijd van twee of meer personen om uit te maken wie op een bepaald gebied de beste is
konkurrence
/ˈʋeːdyʋə/
noun
vrouw
enke
/'ʋedyʋnar/
noun
man
enkemand
/ˈʋeːf.xəˌtɑu̯/
noun
1. toestel waarmee garen tot weefsel gevlochten wordt
væv
noun
2. een groep van gelijkaardige lichaamscellen die dezelfde functie in een levend organisme vervullen
væv
noun
vejbred
pronoun
teken van de dierenriem van 23 september to 23 oktober
  1. Vægten
  2. vægt
noun
1. een meetinstrument waarmee het gewicht kan worden bepaald
vægt
/wek/, /ʋek/, /β̞ek/
adjective
1. slap
blød
/wek/, /ʋek/, /β̞ek/
noun
1. tijdseenheid van 7 dagen
uge
/'ʋekblɑt/
noun
1. een publicatie die wekelijks verschijnt
ugeblad
noun
bløddyr
/ˈʋikɛnt/
noun
1. periode van vrijdagavond tot en met zondagnacht
weekend
adjective
1. lichtdroevig gestemd
vemodig
/weːr/, /ʋɪːr/, /β̞eːr/
noun
  1. 1. atmosferische gesteldheid
    vejr
  2. 1. hamel, gesneden ram
    bede
  3. 2. spocht, vochtstip
    skader
noun
1. kaart van een bepaald gebied waarop de weerssituatie is weergegeven
vejrkort
verb
1. door elastische botsing van richting veranderen
reflektere
/ʋerˈkɵndəx/, /ʋerˈkʏndəç/
adjective
1. betrekking hebbend op de weerkunde
meteorologisk
noun
    1. 2. de tegenstand die een stroom in een geleider ondervindt
    2. 1. een reactie die poogt een bepaalde actie tegen te werken
    modstand
  1. 3. een elektronica-onderdeel
    1. modstand
    2. resistor
noun
. een mythisch wezen dat bij volle maan van mens in wolf verandert
varulv
/ʋes/
noun
forældreløst barn
/ˈʋeshœʏs/
noun
1. een opvanghuis voor wezen
børnehjem
/ʋɛχ/, /β̞ɛx/
noun
1. smalle strook grond voor het verkeer
  1. gade
  2. vej
/ˈʋeχə(n)/, /β̞eɣə(n)/
verb
  1. 1. het gewicht/de massa bepalen
  2. 2. een bepaald gewicht/massa als eigenschap hebben
veje
noun
vejkort
verb
1. fysiek in steeds minder goede staat komen te verkeren
sygne hen
verb
1. te midden van andere informatie iets niet insluiten
udelade
/ʋɛɪ/
noun
  1. 1. een stuk grasland voor begrazing door vee
    eng
  2. 2. een vloeistof die ontstaat als restproduct bij het kaasmaken
    valle
pronoun
1. de grootste rivier van Polen
Wisła
noun
eng
noun
1. het niet voldoen aan een verzoek of opdracht
afslag
/'ʋɛɪlɑnt/
noun
1. een stuk grasland in gebruik voor de begrazing door vee
eng
pronoun
Weimarrepublikken
/ˈwɛɪ̯nɪx/, /ˈʋɛɪ̯nəχ/, /ˈβ̞ɛːnəx/
noun
  1. 1. in een kleine hoeveelheid, niet veel
  2. 2. in een klein aantal
lidt
/ˈwe.kə(n)/, /ˈʋe.kə(n)/, /ˈβ̞e.kə(n)/
verb
1. door langdurig in een vloeistof te leggen zacht, plooibaar of beter wasbaar maken
dyppe
/ˈʋɛkər/
noun
1. een apparaat dat gebruikt wordt om de tijd bij te houden en een functie heeft die veel geluid produceert op een ingestelde tijd
vækkeur
adjective
1. financieel goed gesitueerd
velhavende
/ʋɛlk/
relativePronoun
  1. hvilken
  2. hvilket
  3. hvilke
/ˈʋɛɫkɔm/
adjective
1. gewenst zijn te blijven
velkommen
/ˈʋɛɫkɔm/
interjection
1. begroeting
velkommen
pronoun
1. hoofdstad van Nieuw-Zeeland, gelegen op het Noordereiland
Wellington
noun
1.
begær
adjective
1.
velopdragen
/wɛlp/
noun
1. jong van hond, wolf, leeuw e.d.
unge
pronoun
1. een Keltische taal die wordt gesproken in Wales
walisisk
noun
1. een vrouwelijke inwoner van Wales
waliser
/ˌʋɛltə'rʏstə(n)/
interjection
godnat
noun
1. het welwillend zijn
velvilje
/'wɛlzɛin/
noun
1. wanneer een individu of maatschappij zich in een goede toestand bevindt ...
velbefindende
noun
1. het gemak waarin iets of iemand van richting kan veranderen
smidighed
pronoun
1. de hoofdstad van Oostenrijk
Wien
noun
1. knokige rand boven het oog, meestal begroeid met haar
øjenbryn
verb
vænne
/ʋεns/
noun
ønske
noun
ønsketænkning
adjective
1. wat men zou wensen
ønskelig
/'ʋɛnsən/
verb
ønske
/ˈweː.ʁəlt/, /ˈʋɪː.rɔɫt/, /ˈβ̞eː.rəɫt/
noun
1. de aarde
  1. verden
  2. menneskehed
pronoun
Verdensbanken
noun
1. een kaart van het oppervlak van de aarde in de vorm van een bol
jordklode
/ˈweːrəlˌdeːl/, /ˈʋɪːrəɫˌdeːɫ/, /ˈβ̞eːrəlˌdel/
noun
1. een groot boven de zee uitstekend stuk droog land en de omringende eilanden die op hetzelfde continentale plat liggen
verdensdel
/xxxx/
noun
1. uniek en als collectief bezit beschouwd cultureel of natuurlijk erfgoed
verdensarv
pronoun
Verdenssundhedsorganisationen
pronoun
1. intergouvernementele organisatie die toeziet op de naleving van afspraken over de handel tussen landen
WTO
noun
1. persoon die of team dat tijdens een toernooi of competitie om de wereldtitel in een bepaalde tak van sport winnaar is
verdensmester
noun
1. een gewapende strijd tussen een zeer groot aantal landen, met name gebruikt voor de Eerste en de Tweede Wereldoorlog.
verdenskrig
noun
1. een tentoonstelling waaraan landen uit de wereld aan kunnen deelnemen
verdensudstilling
adjective
1. onbekend buiten de eigen leefruimte
verdensfremmed
/wɛr(ə)f/
noun
1. een scheepswerf
værft
/ʋɛrk/
noun
  1. 1. dat wat gedaan moet worden
  2. 2. beroep
arbejde
noun
1. werkbank
arbejdsbord
noun
1 een dag waarop gewerkt wordt
arbejdsdag
adjective
1. niet verbeeld
virkelig
/'ʋɛrkələkɦɛɪt/
noun
1. de omstandigheden zoals deze daadwerkelijk bestaan
virkelighed
/ʋɛrkən/
verb
1. arbeid verrichten, lichte vorm van zwoegen
arbejde
noun
1. persoon die of bedrijf dat werk verschaft aan anderen
arbejdsgiver
adjective
arbejdsløs
/wɛrkˈloshɛit/
noun
  1. 1. het werkloos zijn
  2. 2. het aandeel van de beroepsbevolking zonder betaalde baan
arbejdsløshed
noun
1. uitkering voor iemand die buiten zijn of haar schuld om werkloos is
arbejdsløshedsunderstøttelse
noun
arbejdsløshedsforsikring
/ʋɛrkˈnemǝr/
noun
1. iemand die voor een ander werkt en daarvoor betaald wordt
arbejdstager
noun
1. fysieke en sociale omgeving waarin men arbeid verricht
arbejdsforhold
noun
2. krachtige computer die men voornamelijk gebruikt voor applicaties die veel rekenkracht vereisen
arbejdsstation
noun
1.
arbejdssprog
noun
  1. 1.dagen per week waarop er gewerkt wordt
  2. 2.het totaal aantal arbeidsuren per week
arbejdsuge
/ʋɛrkʋɛɩ̭zə/
noun
1. de manier waarop men te werk gaat
arbejdsmetode
noun
1. woordsoort die in de eerste plaats een handeling of toestand uitdrukt
  1. verbum
  2. udsagnsord
verb
1. met een krachtige zwaai van de arm iets uit de hand naar iets of iemand heen laten gaan
kaste
noun
  1. rygrad
  2. rygsøjle
noun
1. een zwart-geel gestreept vliesvleugelig insect
  1. hveps
  2. gedehams
noun
1.
hvepsevåge
noun
1. een zeer smalle taille
hvepsetalje
pronoun
Vestafrika
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het oosten van het land
Vestbengalen
pronoun
1.
Vestberlin
pronoun
Vesttyskland
pronoun
1. het westelijk deel van Europa
Vesteuropa
adjective
1. op West-Europa betrekking hebbend
vesteuropæisk
pronoun
1. Belgische provincie
Vestflandern
adjective
vestre
pronoun
Vestsahara
/ˈʋɛs.tə(n)/
noun
vest
/ʋɛs.tǝɾs/
adjective
1.
vestlig
noun
1.
vestnilfeber
adverb
vestnordvest
/wɛt/
noun
1. een door de overheid opgestelde regel
lov
phraseologicalUnit
Murphy's lov
/ˈʋeː.tə(n)/
verb
1. ergens kennis van hebben
vide
/'ʋetənsxɑp/
noun
  1. 2. georganiseerde activiteit
  2. 1. het weten van de mens
videnskab
/,ʋetən'sxapələk/
adjective
videnskabelig
/ˈʋetəˌsxɑpər/
noun
1. iemand die de wetenschap beoefent
videnskabsmand
noun
videnskabsfilosofi
/ˈwɛtələk/
adjective
2. tot de wet behorend
lovlig
/ˈweː.və(n)/, /ˈʋe.və(n)/
verb
1. draden e.d. dooreenvlechten
væve
noun
1. bepaald soort zoogdier, Mustela nivales
  1. brud
  2. væsel
/ˈʋeː.zə(n)/
noun
1. individu
væsen
noun
1. een sterke drank die uit gerst of uit maïs en rogge gestookt is
whisky
noun
1. een glad, wit gekleurd metalen bord waarop men met behulp van een viltstift met uitwisbare inkt kan schrijven of tekenen en waarop men met een magneet voorwerpen kan klemmen
whiteboard
noun
1. het verkrijgen van informatie door middel van bovennatuurlijke of niet wetenschappelijk aangetoonde middelen
divination
/wiː/, /ʋiː/, /β̞iː/
relativePronoun
  1. 1. vragend voornaamwoord
  2. 2. betrekkelijk voornaamwoord
hvem
interjection
degene die aan het eind het beste uit de strijd komt is de daadwerkelijke winnaar
den der ler sidst, ler bedst
noun
1. een bedje voor een pasgeboren zuigeling, vaak met een hemel van fijn gaas en soms met de mogelijkheid het kind zachtjes heen en weer te bewegen
vugge
/ˈwiɣə(n)/
verb
1. zachtjes heen en weer bewegen, gewoonlijk om een zuigeling in slaap te brengen
gynge
noun
1. het plotseling zonder duidelijke oorzaak overlijden van een zuigeling
vuggedød
noun
1. ronddraaiende schijf
hjul
noun
1. de sport van het wielrennen
cyklisme
/'wiː.lə.wal/
noun
1. zwart-gele zangvogel
pirol
noun
hjulklemme
/ˈʋiː.roːk/
noun
1. gomhars, gebruikt als reukoffer
røgelse
pronoun
1.
Wiesbaden
/ʋit/
noun
1. een softdrug die bestaat uit gedroogde hennep
tjald
adjective
1. vorm van een wig hebbend
kileformet
noun
1. koepelvormig huis gebruikt door de Noord-Amerikaanse indianen
wigwam
/wɛɪ̯/, /ʋɛɪ̯/, /β̞ɛː/
personalPronoun
1. 1e persoon meervoud nominatief
vi
/ˈʋixə(n)/
pronoun
Wijchen
verb
1. geheel voor een bepaald doel bestemmen
byde
conjunction
1. geeft onderschikkend een reden aan
da
/wɛɪ̯n/, /ʋɛɪ̯n/, /β̞ɛːn/
noun
1. sterke drank van gegiste druiven
vin
noun
1. een druif die wordt gebruikt om wijn van te maken
vindrue
noun
1. een glas dat speciaal ontworpen is om wijn uit te drinken
vinglas
noun
1.
årgang
noun
1. een lijst waarop men de wijnen die te verkrijgen zijn in een restaurant, wijnhuis, enz... vermeldt in soorten, jaartallen en prijzen
vinliste
noun
rude
/ˈʋɛi̯n.stɔk/
noun
1. klimplant waaraan druiven groeien
vinstok
/wɛɪ̯s/, /ʋɛɪ̯s/, /β̞ɛːs/
adjective
1. van groot inzicht getuigend
vis
noun
1. gerijpt inzicht
visdom
noun
1. tweede vinger, gelegen tussen de middelvinger en de duim
pegefinger
/ˈʋɛi.tɪŋ/
noun
1. bepaald soort straalvinnige vis, Merlangius merlangus
hvilling
noun
1. gewijd water
vievand
verb
pege
noun
1. de plaat van een klok waarop de wijzers de tijd aangeven
urskive
noun
1. een constructiesysteem voor internetpagina's waar, in het algemeen, iedereen alle pagina's kan wijzigen
wiki
/ʋɪkifiˈsɪːrə(n)/
verb
1. een tekst aanpassen aan het wikisysteem
wikifere
pronoun
1. een door de Wikimedia Foundation gecreëerde rechtenvrije encyclopedie op het internet...
Wikipedia
/ˈwikʃoˌnɛri/, /ˈʋɪkʃəˌnɛri/
pronoun
1. deelproject van de Wikimedia Foundation met als doel het produceren van een compleet ...
Wikiordbog
/ʋɪl/
noun
1. de bereidheid of zin om iets te doen
vilje
adjective
3. onbeschaafd, bruusk
vild
noun
1. bepaald soort zoogdier, Sus scrofa
vildsvin
noun
1. (onevenhoevigen) Equus africanus
vildæsel
noun
1. Lycaon pictus, een zoogdier en roofdier uit de orde Carnivora dat veel op een hond lijkt ...
hyænehund
noun
1. een bosachtig gebied dat weinig door de mens geregeld is
vildmark
noun
1. Salix sp.
pil
noun
vilkårlighed
adjective
vilkårlig
/ˈwɪləm/, /ˈʋɪləm/, /ˈβ̞ɪləm/
pronoun
1. een jongensnaam
Vilhelm
/ˈʋɪ.lən/
verb
1. iets als verlangen of voorkeur hebben
ville
/ˈʋɪmpəɫ/
noun
vimpel
noun
øjenvippe
/ʋɪnt/
noun
1. stroming van lucht veroorzaakt door luchtdrukverschillen
  1. vind
  2. luftstrøm
adjective
1. weerstoestand waarbij er veel wind aanwezig is
blæsende
noun
1.
vindjakke
noun
1. molen die door de wind gedreven wordt
vindmølle
noun
1. een gebied waar windenergie gewonnen wordt met behulp van een aantal molens
vindmøllepark
noun
vindrose
noun
1. periode met geen of weinig wind
vindstille
noun
vindstød
noun
1.
vejrhane
noun
1. ronde open zak, meestal is de zak in het rood en wit, die de richting en de sterkte van de wind aangeeft
vindpose
noun
1. plaats waar koopwaar wordt verkocht
  1. butik
  2. forretning
noun
1. gebied of overdekte galerij waar meerdere winkels en horecazaken zijn gevestigd
indkøbscenter
noun
1. een wagentje dat in winkels wordt gebruikt om tijdens het winkelen producten in te verzamelen
indkøbsvogn
noun
1. degene die een strijd of wedstrijd in zijn voordeel beslist
vinder
noun
1. een vrouwelijk persoon die een (wed)strijd in haar voordeel beslist
vinder
/ˈwɪnə(n)/, /ˈʋɪnə(n)/, /ˈβ̞ɪnə(n)/
verb
1. als beste partij uit een wedstrijd komen
vinde
/ʋɪnst/
noun
1. datgene wat men meer heeft dan voordat men investeerde
gevinst
noun
1.
overskudsdeling
/ʋɪntər/
noun
1. seizoen
vinter
noun
vinterdepression
noun
1. bepaald soort loofboom, Quercus petrae
vintereg
noun
1. klein gedrongen vogeltje met opgewipt staartje,
gærdesmutte
noun
1. een toestand van hypothermie en inactiviteit bij sommige warmbloedige dieren in de winter
dvale
noun
vintersport
noun
krikand
/ʋɪp/
noun
1. een speeltuig bestaande uit een balk die in het midden op een verhoogde steun rust
vippe
noun
1. bepaald soort zooɡdier, Bison bonasus
visent
noun
1. de formele studie van patronen en structuren.
matematik
/ʋɪsˈkʏndəx/
adjective
1. op wiskunde betrekking hebbend of er gebruik van makend
matematisk
/ʋɪsəl/
noun
  1. 1. speciale constructie in een spoorweg om een voertuig naar een ander spoor te leiden
    sporskifte
  2. 2. handelspapier voor de overdracht van geld
    veksel
/'wɪsəlslɑx/
noun
1.
medley
noun
1. wisselstroom
vekselstrøm
/ʋɪt/
adverb
1. kleur
hvid
/ʋɪt/
noun
1. lichtst mogelijke kleur
hvid
/wɪt.ˈrʏs.lɑnd/, /ʋɪt.ˈrʏs.lɑnt/, /β̞ɪt.ˈrʏs.lɑnt/
pronoun
land in Oost-Europa.
  1. Belarus
  2. Hviderusland
/ˌwɪtˈrʏsɪs/, /ˌʋɪtˈrʏsis/, /ˌβ̞ɪtˈrʏsis/
pronoun
1. een Slavische taal die vooral in Wit-Rusland wordt gesproken
hviderussisk
adjective
hvidlig
noun
1. een document dat beschrijft hoe overheidsbeleid, een technologie, en/of product een specifiek probleem oplost
hvidbog
noun
witte wijnazijn met toegevoegde druivenmost
hvid balsamicoeddike
pronoun
1. dag voor Goede Vrijdag
skærtorsdag
noun
1.
hvid dværg
noun
1. Carcharodon carcharias, de bekendste en de meest gevreesde haai
store hvidhaj
pronoun
Det hvide hus
noun
1. zangvogel (Motacilla alba)
hvid vipstjert
noun
1. gepelde en gepolijste rijst
hvide ris
noun
1. halfvleugelige uit de familie
mellus
noun
1. alcoholhoudende drank die verkregen wordt door de gisting van voornamelijk witte druiven
hvidvin
pronoun
Hvidehavet
noun
1. en 2. (bladeren van) sluitkoolgewas dat lichtgroen tot wit van kleur is
hvidkål
noun
1. een heldere, kleurloze en nagenoeg geurloze sterkedrank
vodka
verb
1. met veel geweld gaande zijn van een natuurverschijnsel
rase
/'ʋudənt/
adjective
1. bijzonder boos
rasende
interjection
1. krachtig geluid met korte tussenpozen, zoals een hond dat kan uitstoten
  1. vov
  2. vuf
noun
1. iemand die woeker drijft
  1. ågerkarl
  2. pengeudlåner
noun
åger
noun
1. klein, gravend, muisachtig knaagdier met stompe snuit
studsmus
noun
1. grote halfaquatische woelmuis
mosegrise
/ˈʋunzdɑx/
noun
1. een dag van de week die na dinsdag en voor donderdag komt
onsdag
noun
1.mannetjeseend
andrik
noun
1. een onherbergzaam gebied dat door niemand verzorgd wordt
ødemark
noun
1. grote dorre vlakte, met weinig neerslag en weinig vegetatie
ørken
/ˈvɔɪ̯vɔtsxɑp/
noun
1. naam voor bepaalde bestuurlijke gebieden in Oost-Europa
voivodskab
noun
1. ronde pan die wordt gebruikt in de oosterse keuken, vooral om te roerbakken
wok
/ʋɔl/
noun
1. weefsel van wollen garens
uld
/wɔlf/, /ʋɔlf/
noun
1. bepaald zoogdier, Canis lupus
ulv
noun
1. scheikundig element met symbool W en atoomnummer 74
wolfram
noun
galnebær
noun
vortemælk
noun
1. bepaalde soort vlinder, Vanessa atalanta
uldhåret næsehorn
noun
1. samenhangende verzameling van merendeels zwevende waterdruppeltjes
sky
/ˈwɔlkə(n)ˌkrɑbər/, /ˈʋɔɫkə(ŋ)ˌkrɑbər/, /ˈβ̞ɔɫkə(ŋ)ˌkrɑbər/
noun
1. een zeer hoog gebouw dat met bewolkt weer zichtbaar in de wolken kan steken
skyskraber
/wɔlə(n)/
adjective
1. gemaakt van wol
ulden
/wɔlˈvɪn/, /ʋɔlˈvɪn/
noun
vrouwelijke wolf
ulvinde
pronoun
1.
Volhynien
noun
vombat
/wɔnd/, /ʋɔnt/, /β̞ɔnt/
noun
1. een beschadiging in of aan het lichaam
sår
noun
1. een gebeurtenis waaraan een bovennatuurlijke oorsprong toegeschreven wordt
mirakel
/ˈwo.nə(n)/, /ˈʋo.nə(n)/, /ˈβ̞o.nə(n)/
verb
1. een permanente behuizing hebben
bo
noun
1. een kamer ingericht om in te wonen en gasten te ontvangen
stue
noun
bolig
/ʋoːrt/, /ˈʋʊːrt/, /ˈβoːrd/, /ˈβoːrt/
noun
  1. 1. mannetjeseend
    andrik
    1. 1. spraakklank of betekeniseenheid die bestaat uit minimaal één vrij morfeem en minimaal nul gebonden morfemen
    2. 3. het woord van god of de inhoud van de bijbel
    3. 4. de natuurlijke eenheid van informatie voor een bepaalde computerarchitectuur
    ord
  2. 2. belofte
    1. æresord
    2. ord
/ˈʋɔːrdə(n)ˌbuk/
noun
1. een boek waarin de woorden en uitdrukkingen van een taal zijn gerangschikt met hun...
ordbog
noun
ordforråd
noun
1. categorie waarin bepaalde woorden naar gelang het grammaticale gebruik in onderverdeeld worden
ordklasse
noun
1. persoon
talsmand
noun
1. volgorde van woorden in een zin
ordstilling
/ˈwɔrdə(n)/, /ˈʋɔrdə(n)/, /ˈβ̞ɔrdə(n)/
verb
  1. 2. gaan zijn, zich ontwikkelen tot
  2. 1. vormt de lijdende vorm
blive
noun
1.
arbejdsnarkoman
/ʋɔrm/
noun
1. een betrekkelijk klein, lang, ongewerveld dier met een zacht lichaam
orm
/ʋɔrp/
noun
  1. 1. de handeling van het werpen van iets
    kast
  2. 2. het aantal jonge dieren dat een moederdier bij één dracht op de wereld zet
    kuld
noun
1. een toegebonden eind darm of vlies dat gevuld is met vleeswaar
pølse
verb
bryde
noun
1. aftreksel van mout
urt
/ˈʋɔrtəl/
noun
  1. 1. Groente peen
    gulerod
    1. 2. Ondergronds gedeelte van een plant
    2. 3. Getal
    3. 4. Woord
    rod
noun
gulerodskage
pronoun
1. Finoegrische taal die door de Woten in Ingrië gesproken werd
Votiansk
/ʋʌʊ̯/, /β̞ʌːβ̞/
noun
  1. A 1. benaming voor roofvogels uit het geslacht Milvus
    glente
  2. B 1. bepaald soort plant, Reseda luteola
    1. farve-vau
    2. farvereseda
noun
1. het vergelden van doorgemaakt lijden
hævn
noun
skibsvrag
noun
1. knobbeltje
vorte
adjective
1. heel onvriendelijk
grusom
verb
1.
hævne
noun
hævner
verb
1. handeling
gnide
noun
1. oorspronkelijk een rol van twee ineengedraaide repen stof, gevuld met haar of wol, aangebracht bovenop de helm om vijandelijke slagen te breken
vulst
noun
1. Buccinum undatum
konk
noun
1. Numenius arquata, een vogel uit de familie van de snipachtigen (Scolopacidae)
storspove
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Wüstenrot
/ˈɪksɑs/
noun
1.
x-akse
noun
2. afwijking van de normale stand van de benen, waarbij de knieën naar binnen gericht zijn.
kalveknæet
/ksenofoˈbi/
noun
1. een afkeer van alles wat vreemd of buitenlands is
xenofobi
noun
1. iemand die een sterke afkeer van vreemdelingen heeft
fremmedhader
/ˈksenɔn/
noun
1. een scheikundig element en kleurloos edelgas met het symbool Xe en het atoomnummer 54
xenon
noun
xerofyt
/ksiˈlem/
noun
1.
vedvæv
/ˌksiliˈtɔl/
noun
1. een zoetstof die bereid is door hydrogenatie van xylose
xylitol
noun
1. melodisch slaginstrument dat bestaat uit een reeks op toon gestemde hardhouten staafjes waar met kleine hamertjes op geslagen wordt
xylofon
pronoun
1. de hoofdstad van Ivoorkust
Yamoussoukro
noun
1. actieve, mannelijke beginsel in de kosmos (volgens de Chinese filosofie), een van beide principes die samen de tao vormen
yang
noun
  1. 1. een Angelsaksische lengtemaat (3 voet is 0,9144 m)
  2. 2. een Engelse vlaktemaat (12,14 ha)
yard
noun
1. een zeiljacht met twee langsgetuigde masten
yawl
noun
1. het passieve vrouwelijke beginsel in de kosmos volgens de Chinese filosofie, een van beide principes die samen de tao vormen
yin
/ˈjoxa/
noun
1. het streven om door lichamelijke en geestelijke methoden van concentratie...
yoga
/ˈjɔxərt/, /ˈjɔχərt/
noun
1. lichtzuur en enigszins lobbig zuivelproduct,...
  1. yoghurt
  2. jogurt
noun
1. scheikundig element met symbool Yb en atoomnummer 70
ytterbium
noun
1.
yttrium
noun
1. jong, kindloos persoon die snel carrière gemaakt heeft en een exclusieve, trendgevoelige levensstijl heeft
yuppie
noun
1. een ronde nomadentent
jurte
/zaːt/
noun
1. een bevruchte kiem waaruit een nieuwe plant van dezelfde soort groeit
frø
/ˈzatsɛl/
noun
1. de mannelijke geslachtscel
sædcelle
/'zadlɛɪdər/
noun
sædleder
/zax/
noun
1. een stuk gereedschap met een scherp getand metalen blad om voorwerpen in stukken te verdelen
sav
noun
1. een uit houtvezels bestaande stof die ontstaat bij het zagen van hout
savsmuld
/'zaxsəl/
noun
1. een uit houtvezels bestaande stof die ontstaat bij het zagen van hout
savsmuld
noun
1. benaming voor haaiachtige vissen met aan de kop een zaagvormig uitsteeksel uit de familie Pristidae
savfisk
verb
1. zaad strooien
så
pronoun
2. boek in de Bijbel
Zakarias
adverb
1. gemakkelijk samen te drukken en/of te buigen
blød
noun
zitplaats op dier of fiets
  1. sadel
  2. saddel
noun
1. een persoon die zadels maakt
saddelmager
/ˈza.ɣə(n)/, /ˈza.χə(n)/
verb
1. in stukken delen door middel van een zaag
save
/[ˈzɑː.greb]/
pronoun
1. hoofdstad van Kroatië
Zagreb
noun
  1. 2. een plek in kleding waarin kleine spullen kunnen worden meegedragen
    lomme
  2. 1. slappe, vormeloze tas
    sæk
/ˈzɑgduk/
noun
1. een doek om de neus in te snuiten
lommetørklæde
/'zakəmɑn/
noun
1. iemand die met zakendoen zijn brood verdient
forretningsmand
noun
handelsrejse
noun
lommepenge
noun
1. lamp op zakformaat
lommelygte
/ˈzɑkmɛs/
noun
1. een klein invouwbaar mes, vaak met extra gereedschappen
lommekniv
noun
smeerbare massa om op de huid aan te brengen
salve
/zɑlm/, /zɑɫm/
noun
1. benaming voor een aantal vissoorten uit de familie Salmonidae
laks
noun
1. een stuk zalm dat door zorgvuldig snijden ontdaan is van alle minderwaardige bestanddelen
laksefilet
/zɑlvə(n)/
verb
2. het aanbrengen van een welriekende olie, meestal als inhuldiging in een politieke of religieuze hoedanigheid
salve
/'zɑm.bi.ja/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel de Republiek Zambia, dat geheel door land wordt omsloten
Zambia
noun
1. losse massa die bestaat uit miljoenen stukjes steen en schelpen
sand
noun
1. een bak gevuld met zand om in te spelen
sandkasse
noun
1. een ophoping van zand op de bodem van een zee of meer
sandbanke
noun
1. benaming voor de zoetwatervis Sander lucioperca
sandart
noun
1. bepaalde vaste plant die van nature in Noord-Europa en aan de West-Europese kusten voorkomt, Leymus arenarius
Almindelig Marehalm
noun
1. een van zand gebouwd miniatuurkasteel
sandslot
noun
1. toestel waarmee de tijd wordt gemeten door zand uit het bovenste reservoir via een smalle doorgang naar het onderste reservoir te laten lopen
timeglas
noun
sandsten
noun
1. zandweg. Weg met onverhard wegdek
sandvej
/ˈzɑŋər/
noun
1. een mannelijk iemand die zingt
sanger
noun
1. een vrouwelijk iemand die zingt
sangerinde
noun
1. Turdus philomelos, een lijstersoort die algemeen is in Nederland en Vlaanderen
sangdrossel
noun
1. een dunvloeibare transparante lak, meest op basis van nitrocellulose, opgelost in een ester of alcohol
zaponlak
pronoun
1.
Zaragoza
noun
1. een dag van de week die na vrijdag en voor zondag komt
lørdag
/za.ˈiː.rə/
pronoun
Zaire
noun
1. zwart-wit gestreepte paardachtige
zebra
noun
1. een patroon van witte strepen aangebracht op het wegdek ter aanduiding van een beschermde voetgangersoversteekplaats
fodgængerovergang
adjective
1. zoals het volgens normen en waarden behoort
moralsk
/ze/, /zeː/
noun
1. uitgestrektheid zoutwater
  1. hav
  2. sø
noun
1. op de zeebodem levend bolvormig stekelig ongewerveld diertje
søpindsvin
noun
1. smalle doorgang tussen twee zeeën
stræde
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Actiniaria
søanemone
noun
1. bepaald soort roofvogel die in kustgebieden leeft, Haliaeetus albicilla
havørn
noun
1. blad van de plant Zeeaster
Strand-Asters
noun
1. baarsachtige zeevis, Dicentrarchus labrax
bars
noun
1. aardbeving waarvan het epicentrum op de bodem van de zee ligt
undersøisk jordskælv
noun
1. het grondvlak van een zee
havbund
noun
1. bepaald soort grote zeevis, Lophius piscatorius
tudsefisk
noun
1. werktuig om grovere van fijnere bestanddelen te scheiden
si
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de familie Phocidae
spættet sæl
noun
1. plantenetend zoogdier uit de orde Sirenia
søko
/ˈzekut/
noun
1. zwart-witte zeevogel, Uria aalge
lomvie
noun
1. benaming voor op de op komkommers lijkende zeedieren uit de klasse Holothuroidea
søpølse
noun
1. in zee levende kreeft
hummer
/ˈzelɑnt/, /ˈzeːlɑnd/, /ˈzeːlɑnt/
pronoun
1. een provincie in het zuidwesten van Nederland, die aan Noord-Brabant, Zuid-Holland, België en de Noordzee grenst
Zeeland
noun
1. grote oorrob
søløve
noun
1. bepaald soort karperachtiɡe zoetwatervis, Tinca tinca
suder
/ˈzelœʏpart/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Hydrurga leptonyx
søleopard
noun
sømand
noun
1. mythisch zeewezen
havfrue
noun
1. afstandsmaat, in gebruik op zee, 1852m
sømil
/ˈzeʔɔtər/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Enhydra lutris
havodder
noun
1. schuimverwerkend reinigingsmiddel
sæbe
noun
1. bolvormig vlies van water en zeep dat een hoeveelheid gas (meestal lucht) omringt
sæbeboble
noun
  1. 2. bordspel
    sænke slagskibe
  2. 1. militair treffen op zee
    søslag
noun
1. benaming voor schijfvormige zeedieren met vijf armen uit de klasse Asteroidea
søstjerne
noun
1. bepaald soort platvis, Solea solea
søtunge
noun
1. iemand die voor zijn beroep de zee bevaart
søfarer
noun
1. scheepvaart over de zee
søfart
noun
2. allerlei eetbare schaal- en schelpdieren
alt godt fra havet
noun
1. de mate waarin een schip of bemanning zeewaardig is
sødygtighed
/ˈzeʋatər/
noun
1. water waarin diverse zouten zijn opgelost en waarmee de zeeën gevuld zijn
havvand
noun
1. in zee levend wier
tang
adjective
søsyg
noun
1. misselijkheid als gevolg van de onregelmatige beweging van een schip
søsyge
noun
havpattedyr
noun
1. zout, uit zeewater gewonnen
havsalt
noun
1.
sejr
/ˈzexəl/
noun
1. een middel om een voorwerp zodanig af te sluiten dat er later nagegaan kan worden of het geopend is
segl
/ˈzeɣəɫˌrɪŋ/
noun
1. een ring die aan de rugzijde voorzien is van een gravure, waarmee een zegel kan worden gestempeld
signetring
/ˈzeːɣə(n)/, /ˈzeːχə(n)/
noun
1. verlening van goddelijke of bovennatuurlijke bijstand
velsignelse
verb
1. de zegen geven
  1. velsigne
  2. signe
noun
1. een geslacht van zowel bladverliezende als groenblijvende kruidachtige planten
star
verb
1. mededelen
sige
/ˈzεɣə(n)ˌsxɑp/, /ˈzεχə(n)ˌsχɑp/
noun
1. het recht om over iets te beslissen
ret til at bestemme
noun
1. doek dat in een mast gehesen is met als doel wind te vangen
sejl
noun
1. een boot waarmee gezeild kan worden
  1. sejlbåd
  2. kutter
noun
1. vereniging van zeilers
sejlklub
noun
1. een grof, stevig weefsel waarvan zeilen gemaakt worden
sejldug
/ˈzɛilɛiɣə(n)ˌsxɑp/
noun
1. hoe een schip reageert op de stand van de tuigage - in het bijzonder de zeilen - en veranderingen in die stand
sejlegenskab
/ˈzɛɪlə(n)/
verb
  1. 1. voortgestuwd worden door de druk van de wind tegen een opgehouden zeil
  2. 2. zich in een zeilboot met behulp van de wind over het water voortbewegen
sejle
noun
  1. 1. iemand die het zeilen beoefent
  2. 2. een zeilboot
sejler
noun
1. al of niet gewast stevig garen bestaande uit meerdere strengen hennep, vlas of kunststof
sejlgarn
/ˈzɛilklar/
adjective
1. gereed om te gaan zeilen
sejlklar
noun
1. iemand die zeilen vervaardigt
sejlmager
noun
1. surfplank
sejlbræt
noun
1. een reis per zeilboot
sejlads
noun
1. een schip waarmee gezeild kan worden
  1. sejler
  2. sejlskib
noun
1. de sport van het zeilen
sejlsport
/ˈzɛilvardəx/
adjective
1. gereed om te gaan zeilen
sejlklar
noun
1. een zeilboot of zeilschip
  1. sejlbåd
  2. sejlskib
noun
1. maaiwerktuig met gebogen snijblad en lange stok
le
/ˈze.kər/
adjective
1. waaraan niet getwijfeld hoeft te worden
sikker
/'zekərɦɛɪt/
noun
sikkerhed
noun
1. elektronisch element ter voorkoming van een te grote stroom
sikring
adverb
1. bijzonder weinig voorkomend
sjældent
adjective
1. naar verhouding gering in aantal
sjælden
/zɛlf/, /zɛɫf/
demonstrativePronoun
  1. 1. in eigen persoon
  2. 2. in tegenstelling met iets anders
selv
noun
2. de mogelijkheid voor een volk om te bepalen onder welke soevereiniteit het wil vallen
selvbestemmelse
demonstrativePronoun
samme
/ˈzɛɫfmoːrt/
noun
1. handeling waarbij men een einde maakt aan zijn eigen leven.
selvmord
/'zɛlfpɔrtrɛt/
noun
1. een kunstwerk gebaseerd op de afbeelding van het eigen gezicht
selvportræt
adverb
endog
noun
1. woordsoort die een zekere mate van zelfstandigheid van het genoemde uitdrukt, in veel talen standaard gecombineerd met een lidwoord
  1. navneord
  2. substantiv
noun
1. verbranding van zichzelf
selvafbrænding
noun
1. verdediging van zichzelf
selvforsvar
noun
1. het zichzelf in een oneervolle, schaamte veroorzakende positie brengen
selvfornedrelse
noun
1.
sendetid
/zenɪt/
noun
1. het denkbeeldige punt loodrecht omhoog aan de hemelkoepel
zenit
noun
1. een onderdeel van het perifeer zenuwstelsel, bestaande uit gebundelde uitlopers van zenuwcellen
nerve
/ˈzenʏˌʋɑxtəx/
adjective
1. onrustig, bezorgd en gespannen over iets wat gaat gebeuren
nervøs
noun
1. het gehele zenuwsysteem
nervesystem
noun
1. het getal 6
seks
/ˈzɛs.də/, /ˈzɛz.də/
ordinalAdjective
nummer zes in een rij
sjette
cardinalNumeral
1. het getal 36
seksogtredive
cardinalNumeral
1. het getal 26
seksogtyve
cardinalNumeral
1. het getal 46
seksogfyrre
cardinalNumeral
1. het getal 56
seksoghalvtreds
/zɛsɦuk/
noun
1. een geometrische tweedimensionale vorm, bestaande uit zes hoeken en derhalve ook zes zijden
sekskant
cardinalNumeral
1. het getal 16
seksten
ordinalAdjective
sekstende
cardinalNumeral
1. het getal 60
  1. tres
  2. tresindstyve
noun
1.
tredsårig
ordinalAdjective
tresindstyvende
/zɛt/
noun
handeling gedurende een spelbeurt
træk
noun
  1. 1. constructie bestemd om prettig op te zitten
  2. 2. lidmaatschap van een raad of vergadering met een beperkt aantal leden
  3. 3. plaats waar een organisatie gevestigd is
sæde
noun
stivelse
noun
1. vrouwelijk varken of everzwijn
so
/zœys/
pronoun
1. Griekse oppergod
Zeus
/ˈzøvən/
cardinalNumeral
1. het getal 7
syv
/ˈze.vən.də/
ordinalAdjective
syvende
/ˈzøvənənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 37
syvogtredive
/ˈzøvənəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 97
syvoghalvfems
/ˈzøvənənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 27
syvogtyve
/ˈzøvənəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 47
syvogfyrre
/ˈzøvənənˌsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 67
syvogtres
/ˈzøvənˌtin/
cardinalNumeral
1. het getal 17
sytten
ordinalAdjective
syttende
/ˈzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 70
  1. halvfjerds
  2. halvfjerdsindstyve
adjective
1. lichamelijke toestand
syg
noun
1. compensatie voor loon gederfd door ziekte
sygeløn
/ˈzi.kǝn.ˌɦœʏs/
noun
1. instelling voor onderzoek, behandeling en verpleging van zieken
  1. hospital
  2. sygehus
noun
sygdom
noun
1. ziekte die het centrale zenuwstelsel steeds verder aantast
Parkinsons sygdom
noun
patologi
/zil/
noun
1. het veronderstelde wezen van het niet-stoffelijke van de mens
sjæl
verb
1. waarnemen met het oog
  1. se
  2. få øje på
/sɛɪ̯/, /zɛɪ̯/, /zɛː/
personalPronoun
  1. 2. 3e persoon meervoud
    de
  2. 1. 3e persoon enkelvoud vrouwelijk
    hun
noun
2. vezel van de cocon van de zijdevlinder
silke
possessivePronoun
1. derde persoon enkelvoud m/o
  1. sin
  2. sitt
verb
  1. 5. gelijk zijn aan.
  2. 6. tot de groep behoren van
  3. 1. bestaan
  4. 11. zijn + voltooid deelwoord: hulpwerkwoord van de voltooide tijd van de lijdende vorm
  5. 3. zich bevinden.
  6. 7. de eigenschap hebben.
  7. 10. zijn + voltooid deelwoord: hulpwerkwoord van de voltooide tijd van ergatieven
være
noun
1. een rivier die niet in zee maar in een andere rivier uitmondt
biflod
noun
sølv
phraseologicalUnit
sølvmedalje
noun
1. grote meeuwensoort
sølvmåge
noun
1
strandhjejle
noun
1. benaming voor naaldbomen uit het geslacht Abies
ædelgran
noun
1.1 bepaald soort insect Lepisma saccharina
sølvfisk
/'zɪlvərvlisrɛist/
noun
rijst waarvan de zemelen en de kiem niet verwijderd zijn
brune ris
/zɪm.ˈbɑ.b<sup>ʊ</sup>ə/, /zɪm.ˈbɑp.wə/
pronoun
land in zuidelijk Afrika, officieel de Republiek Zimbabwe
Zimbabwe
noun
1. een serie woorden die gezamenlijk in syntactisch verband een afgerond geheel vormen
sætning
noun
1. een jong kind leren om de natuurlijke behoeften te beheersen en alleen uit te oefenen op een aangewezen plek
pottetræning
verb
1. het musiceren met de menselijke stem
synge
noun
1. , een scheikundig element met symbool Zn en atoomnummer 30. Het is een blauw/wit overgangsmetaal
zink
verb
1. in een vloeistof, meestal water, traag naar beneden zakken
synke
noun
1.syntactische eenheid binnen een zin
frase
/ˈzɪntœx/, /ˈzɪntœyx/
noun
1. orgaan
  1. fornuft
  2. sans
/zijoˈnɪsmə/
noun
zionisme
noun
1. scheikundig element met symbool Zr en atoomnummer 40
zirkonium
/zɪr'koːn/
noun
1. een mineraal
zirkon
/ˈzɪ.tə(n)/
verb
1. op het zitvlak rusten
sidde
conjunction
  1. 1. in die mate als
  2. 2. bijvoorbeeld
som
conjunction
1. geeft aan welke gebeurtenis eerst moe(s)t plaatsvinden
så snart som
noun
zuav
verb
1. proberen te vinden
  1. søge
  2. lede
noun
2. een richtmiddel op een camera of vuurwapen
søger
noun
1. een reis die men onderneemt op zoek naar iets
eftersøgning
noun
1. deel van een computerscherm waar je een zoekopdracht kunt invullen
søgefelt
pronoun
1. Bantoetaal die door 12 miljoen mensen in Zuid-Afrika wordt gesproken
Zulu
verb
1. met de mond liefkozen
kysse
/ˈzut/
adjective
1. ter omschrijving van een vaak als aangename ervaren smaak zoals die van suiker
sød
noun
1.
ferskvand
noun
1. een zetmeel houdende knol behorend tot dezelfde orde van planten als de aardappel
sød kartoffel
noun
sødme
/ˈzuthʌʊt/
noun
1. Glycyrrhiza glabra, een plant die tot de vlinderbloemigen behoort
lakrids
noun
2. zoetstof zonder suiker
kunstigt sødemiddel
/ˈzɔldər/
noun
3. ruimte onder een (schuin) dak
loft
noun
1. door magie uit de dood teruggebracht persoon
zombie
noun
sommer
/ˈzomərblum/
noun
1. kleurrijke en geurige bloeiwijze van een plant die typisch in het warmste deel van het jaar bloeit
sommerblomst
noun
1. bepaald soort loofboom, Quercus robur
stilk-Eg
/ˈzo.mər.ˌhœʏ̯s/, /ˈzo.mər.ˌhœːs/
noun
1. huis om de zomer en de vakanties door te brengen
sommerhus
noun
1. Anas querquedula
atlingand
noun
1. regeling waarbij de klok gedurende de lente- en zomermaanden een uur vooruit wordt gezet
sommertid
noun
1. de ster waar de planeet aarde omheen draait, hemellichaam dat de aarde overdag verlicht
  1. sol
  2. Solen
noun
1. een dag van de week die na zaterdag en voor maandag komt
søndag
noun
1. overtreding van een goddelijke wet of regel
synd
noun
  1. 1.
  2. 2.
syndebuk
preposition
1. In afwezigheid van
uden
adjective
syndig
/zɔndəɣə(n)/
verb
1. het overtreden van een religieuze wet
synde
noun
1. een catostrofale Bijbelse vloed
syndflod
/ˈzoːnə/
noun
1. bepaald gebied dat is afgebakend van aangrenzend gebied
zone
noun
1. de zichtbare elektromagnetische straling van de ster waarrond onze aarde draait
sollys
/'zɔnəʔenɛr'ɣi/
noun
1. energie die gewonnen wordt uit de straling van de zon
solenergi
/zɔnəbɑt/
noun
het doelbewust de huid aan de stralen van de zon blootstellen om bruin te worden
solbad
verb
1. een of meerdere zonnebaden nemen
solbade
/ˈzɔnəˌblum/
noun
1. bepaald soort tot 3 meter hoge plant met een grote gele bloem, Helianthus annuus
solsikke
noun
1.
solsikkeolie
noun
1. de vaak pijnlijke gevolgen van een blootstelling van de huid aan een te grote dosis ultraviolet licht
solskoldning
noun
1. substantie tegen verbranding van de huid
solbeskytter
noun
1. een bril met speciale glazen (dikwijls polaroid) om de ogen tegen het zonlicht te beschermen
solbriller
noun
solcelle
noun
solvarmepanel
/ˈzɔnəpɑˌnel/, /ˈzɔnəpɑˌnɪːɫ/
noun
1. een paneel dat stralingsenergie van de zon omzet in elektriciteit
solpanel
noun
1. het licht dat van de zon afkomstig is
solskin
noun
1.
solsystem
noun
solstråle
noun
soludbrud
noun
1. magnetische onregelmatigheid aan de oppervlakte van de zon die vanaf de aarde te zien is als een wat donkere vlek
solplet
/ˈzɔnəˌwɛndə/, /ˈzɔnəˌʋɛndə/, /ˈzɔnəˌβ̞ɛndə/
noun
1. de gebeurtenis waarbij de zon, vanuit de aarde gezien, de meest noordelijke of zuidelijke positie (de keerkringen) bereikt
solhverv
noun
solur
noun
1. de stroom deeltjes die de zon uitstraalt
solvind
/zɔn'zɔndərχɑŋ/
noun
1. het ondergaan van de zon
solnedgang
noun
1. het opkomen van de zon
solopgang
/ˈzɔnsvərˌdœʏ̯stərɪŋ/, /ˈzɔnsvərˌdœːstərɪŋ/
noun
1. het verschijnsel dat de maan voor de zon langstrekt, waardoor het zonlicht geblokkeerd wordt
solformørkelse
/ˈzox.diːr/, /ˈzoːɣ.diːr/, /ˈzoχ.diːr/
noun
1. werveldier dat zijn jongen zoogt
pattedyr
noun
  1. 1. onderkant van de voet
  2. 3. onderkant van een schaaf
sål
/zoːn/
noun
1. een mannelijk kind
søn
noun
  1. 1. behoedzame overweging
  2. 2. verpleging, voorzien in een behoefte
bekymring
/zɑu̯t/
adjective
1. zout bevattend of zout smakend
salt
/zɑu̯t/
noun
1. alledaagse naam voor keukenzout
salt
verb
1. met zout conserveren
salte
/ˈzɑutˌvacə/
noun
2. tafelgereedschap dat het zout bevat en strooit
saltbøsse
noun
saltvand
noun
1. een oplossing
saltsyre
adverb
1. evenzeer
både
noun
zoofili
noun
1. de wetenschap die de dieren bestudeert.
zoologi
/zoʔo'lox/
noun
1. een wetenschapper die zich bezig houdt met de studie van dieren.
zoolog
noun
1. hoorbare uitademing
suk
verb
1. hoorbaar diep uitademen, meestal als uiting van frustratie
sukke
/zœʏ̯t/, /zœːd/, /zœːt/
adverb
syd
/zœʏ̯t.'a.fri.ka/, /zœː'.dɑ.fri.ka/, /zœːt.'a.fri.ka/
pronoun
land in het zuiden van Afrika
Sydafrika
adjective
1.
sydafrikansk
/ˌzœʏ̯t aˈmɪːrika/, /ˌzœːd aˈmeːrika/
pronoun
een continent dat ten zuiden van Noord-Amerika ligt, tussen de Grote en de Atlantische Oceaan
Sydamerika
pronoun
1.
South Carolina
pronoun
1. is een randzee van de Grote Oceaan en ligt ten zuiden van China
Sydkinesiske Hav
pronoun
1.
South Dakota
pronoun
het zuidelijk deel van Europa
Sydeuropa
/zœʏ̯.ˈtɔ.lɑnt/, /zœːt.ˈɦɔ.lɑnt/, /ˈzœːd.hɔ.lɑnd/
pronoun
1. een provincie in het zuidwesten van Nederland, die aan Noord-Holland, Utrecht, Gelderland, Noord-Brabant, Zeeland en de Noordzee grenst
Zuid-Holland
/ˌzœʏ̯t koˈre.ja/, /ˌzœːt koˈre.ja/
pronoun
1. en 2., land en republiek in Azië
Sydkorea
/ˌzœʏ̯t koreˈjans/, /ˌzœːt koreˈjaːns/
adjective
1.
sydkoreansk
pronoun
1. Oeralische taal gesproken door 600 mensen in Noorwegen en Zweden
sydsamisk
adjective
1.
sydlig
/ˈzœy̯.də(n)/
noun
syd
pronoun
1. grootste eiland van Nieuw-Zeeland
Sydøen
noun
sydlys
adverb
sydøst
pronoun
1. Noordpool
sydpolen
noun
1. hoofddeksel
sydvest
adverb
sydsydøst
/ˈzœy̯.ɣə(n)/
verb
1. (met de mond) naar zich toe trekken
suge
noun
stempel
noun
søjle
noun
1.
drukkenbolt
noun
1. voedingsmiddel op basis van melk
mejeriprodukt
/ˈzʏ.lə(n)/
verb
skal
noun
1. en 2. een geslacht van meest overblijvende, kruidachtige planten uit de duizendknoopfamilie...
skræppe
noun
1. een ander kind van dezelfde ouders van het vrouwelijk geslacht
søster
noun
1. vrouwelijk kind van dezelfde ouders
søster
/zyːr/
adjective
1. een smaak hebbend zoals van citroensap of azijn
sur
/zyːr/
noun
1. zure vloeistof
  1. syre
  2. sur
noun
1. fijngesneden en licht gezouten kool die enige tijd gefermenteerd is
surkål
/ˈzyːrstɔf/
noun
1. een scheikundig element en een bij kamertemperatuur kleurloos twee-atomig gas O₂
  1. ilt
  2. oxygen
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Svanen
/zʋan/
noun
1. benaming voor watervogels met lange sierlijke hals uit het geslacht Cygnus
svane
adjective
van groot gewicht
tung
noun
1. water waarin de waterstofatomen vervangen zijn door de waterstofisotoop deuterium
tungt vand
noun
1. een lang, scherp wapen
sværd
noun
1.1 bepaald soort zeevis, Xiphias gladius
sværdfisk
noun
1. Orcinus orca, een soort van walvis, vrij gedrongen van bouw en een opvallende rugvin
  1. spækhuggerne
  2. spækhugger
noun
1. de kracht die de wederzijdse aantrekking van massa veroorzaakt
  1. gravitation
  2. tyngdekraft
/ˈzwɑbər/
noun
gulvmoppe
/ˈzʋa.ɣər/
noun
svoger
/zwaɣəˈrɛs/
noun
1. de echtgenote van iemands broer of zus, of de zus van iemands echtgenoot of echtgenote.
svigerinde
/zwaɣəˈrɨn/
noun
1. de echtgenote van iemands broer of zus, of de zus van iemands echtgenoot of echtgenote.
svigerinde
/zʋɑk/
adjective
svag
noun
1. benaming voor trekvogels uit de familie Hirundinidae
svale
adjective
1. de toestand waarin een vrouw verkeert wanneer er in de baarmoeder een bevruchting heeft plaatsgevonden
  1. svanger
  2. gravid
noun
1. de tijd dat een vrouw een ongeboren kind met zich draagt
  1. graviditet
  2. svangerskab
noun
graviditetskvalme
noun
2. produkt dat via de urine tekenen van een zwangerschap onthult
graviditetstest
adjective
1. kleur die wordt waargenomen als iets helemaal geen licht weerkaatst of uitstraalt
sort
noun
1. gebied van de ruimte-tijd waaruit niets, zelfs geen licht kan ontsnappen omdat de zwaartekracht te sterk is
sort hul
noun
1. betaalmiddelen die afkomstig zijn uit belastingontduiking of onwettige handel
sorte penge
noun
1. vruchtje van Ribes nigrum
solbær
phraseologicalUnit
sort marked
noun
1.
sortmejse
noun
sort næsehorn
noun
1.
Sort Stork
noun
1.
sortspætte
noun
1.
sortterne
pronoun
1. gebergte in het zuidwesten van Duitsland
Schwarzwald
pronoun
1. de zee die ligt ingeklemd tussen Europa en Klein-Azië
Sortehavet
noun
1. bepaald soort vogel, Sylvia atricapilla
munk
/zʋavəl/
noun
1. scheikundig element met symbool S en atoomnummer 16
svovl
noun
1. een sterk zuur bestaande uit zwavel, waterstof en zuurstof met een wateronttrekende en bijtende werking
svovlsyre
/ˈzweːdə(n)/, /ˈzʋedə(n)/, /ˈzβ̞eːdə(n)/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa, grenzend aan Noorwegen en Finland. De officiële naam is het Koninkrijk Zweden (Konungariket Sverige)
Sverige
/zweds/, /zʋets/, /zβ̞ets/
adjective
1. betreffende Zweden of het Zweeds
svensk
/zweds/, /zʋets/, /zβ̞ets/
pronoun
1. een Germaanse taal die wordt gesproken in Zweden en Finland
svensk
noun
1. toestel met vleugels dat zich ongemotoriseerd door de lucht verplaatst door gebruik te maken van opstijgende luchtstromingen
svævefly
noun
1. een handwapen in de vorm van een lang ineengedraaid stuk leer dat met een zwiepende beweging pijnlijke slagen uit kan delen
pisk
noun
1.
byld
noun
1. vocht dat door de huid wordt uitgescheiden als koeling en middel om sommige afvalstoffen kwijt te raken
sved
/ˈzwɛmbɑd/, /ˈzʋɛmbɑt/, /ˈzβ̞ɛmbɑt/
noun
1. een bassin om in te zwemmen
svømmebassin
noun
1. kledingstuk voor mannen dat gebruikt wordt om in te zwemmen
badebukser
noun
1. kledij bedoeld voor het baden en zwemmen
  1. badedragt
  2. badetøj
verb
1. zich gecoördineerd door het water voortbewegen
  1. svømme
  2. svømmetur
noun
1. een tocht zonder een vastgesteld reisplan
gåtur
/zʋɛrm/
noun
1. een grote groep gezamenlijk op- en rondtrekkende personen, dieren of zaken, gewoonlijk vogels of insecten
sværm
verb
sejle
/'zʋevɪŋ/
noun
1. een geluidsverschijnsel dat veroorzaakt wordt door de interferentie van twee tonen met een gering verschil in toonhoogte
beat
noun
1. draai, zwaai
svung
verb
1. ervan afzien te spreken
tie
adjective
1. weinig sprekend
fåmælt
noun
fåmælthed
noun
1. een varken
svin
/ˈzʋɛinəstɑl/
noun
1. ruimte bestemd voor de huisvesting van varkens; 2. (figuurlijk) vuile boel
svinesti
/ˈzwɪtsər/, /ˈzʋɪtsər/, /ˈzβ̞ɪtsər/
noun
1. een inwoner van Zwitserland, of iemand afkomstig uit Zwitserland
schweizer
pronoun
1. verzamelnaam voor een groep Duitse dialecten die gesproken worden door ongeveer zes miljoen mensen in Zuid-Duitsland, Zwitserland, Oostenrijk, Liechtenstein en Oost-Frankrijk
schweizertysk
/ˈzwɪtsərˌlɑnd/, /ˈzʋɪtsərˌlɑnt/, /ˈzβ̞ɪtsərˌlɑnt/
pronoun
1. een soeverein land in het zuiden van Centraal-Europa met als hoofdstad Bern en als officiële talen het Duits, het Frans, het Italiaans en het Reto-Romaans
  1. Schweiz
  2. Svejts
pronoun
Zwolle
noun
zygote
pronoun
Zürich
/ˈɔŋstrøm/
noun
1. lengtemaat met een waarde van 10-10 m
ångstrøm
/eːn/
cardinalNumeral
1. de inhoud van de kleinste niet-lege verzameling
  1. en
  2. een