adverb
1. gedurende de avond
abends
adverb
1. gedurende de middag
mittags
/'smɔr.ɣəns/
adverb
1. in de ochtenduren van de dag
morgens
/ˈsnɑxs/
adverb
1. gedurende de nacht.
  1. in der Nacht
  2. des Nachts
adverb
1. in de ochtend
  1. morgens
  2. vormittags
/ˌsxraːvə(n)ˈɦaːɣə/, /ˌsχravə(n)ˈɦaχə/
pronoun
1. een stad en gemeente in de Nederlandse provincie [[Zuid-Holland]]
Den Haag
/ˌsɛrtoɣə(m)ˈbɔs/, /ˌsɛrtoχə(m)ˈbɔs/
pronoun
1. stad en gemeente in Noord-Brabant
  1. Herzogenbusch
  2. 's-Hertogenbosch
noun
(informatica) een apparaat dat driedimensionale objecten kan maken door laagje voor laagje materiaal aan te brengen
3D-Drucker
symbol
2. afkorting voor de toonsoort
A
noun
  1. 4. de naam van een toon
  2. 5. afkorting van “a-mineur”
a
/aka'pɛla/
adverb
1. zonder instrumentale begeleiding
a cappella
adverb
1. des te eerder, des te meer
  1. a fortiori
  2. erst recht, umso mehr
abbreviation
  1. 1. (muziek) het akkoord a - cis - e
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
A-Dur
abbreviation
  1. 1. het akkoord a-c-e
  2. 2. de toonsoort
a-Moll
/aˈɣrot/
abbreviation
  1. 1. (muziek) het akkoord a - cis - e
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
A-Dur
abbreviation
1. het akkoord a-cis-e
A-Dur-Akkord
noun
1. een majeurtoonladder met “a” als grondtoon
A-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “a” als grondtoon
A-Dur-Tonleiter
noun
1. een grotetertstoonladder met “a” als grondtoon
A-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “a” als grondtoon
A-Dur-Tonleiter
abbreviation
  1. 1. het akkoord a-c-e
  2. 2. de toonsoort
a-Moll
abbreviation
1. het akkoord a-c-e
a-Moll-Akkord
noun
1. een mineurtoonladder met “a” als grondtoon
a-Moll-Tonart
noun
1. een kleinetertstoonladder met a als grondtoon
a-Moll-Tonleiter
noun
1. een mineurtoonladder met “a” als grondtoon
a-Moll-Tonleiter
/aˈɣrot/
abbreviation
  1. 1. (muziek) het akkoord a - cis - e
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
A-Dur
abbreviation
1. het akkoord a-cis-e
A-Dur-Akkord
noun
1. een grotetertstoonladder met “a” als grondtoon
A-Dur-Tonart
noun
1. een grotetertstoonladder met "a" als grondtoon
A-Dur-Tonleiter
noun
1. een grotetertstoonladder met “a” als grondtoon
A-Dur-Tonleiter
noun
1. een grotetertstoonladder met “a” als grondtoon
A-Dur-Tonleiter
abbreviation
  1. 1. het akkoord a-c-e
  2. 2. de toonsoort
a-Moll
abbreviation
1. het akkoord a-c-e
a-Moll-Akkord
noun
1. een kleinetertstoonladder met “a” als grondtoon
a-Moll-Tonart
noun
1. een kleinetertstoonladder met a als grondtoon
a-Moll-Tonleiter
noun
1. een kleinetertstoonladder met “a” als grondtoon
a-Moll-Tonleiter
noun
1. een grotetertstoonladder met a als grondtoon
A-Dur-Tonleiter
pronoun
1. een stad in Denemarken
Apenrade
noun
1. streling, liefkozing
  1. Liebkosung
  2. Streicheln
noun
1. de mate waarin een mens of dier zich laat aaien of blij laat maken
Kuschelfaktor
verb
1. zachtjes strelen
  1. streicheln
  2. kosen
  3. liebkosen
noun
Streicheln
noun
  1. 1. (plantkunde) bepaalde soort esdoorn
    Ahorn
  2. 1. lang vaartuig met een platte bodem en een brede boeg
    1. Kahn
    2. Lastkahn
    3. Schleppkahn
    4. Kasten
noun
    1. 3. paling
    2. 4. kleine en jonge paling
    Aal
  1. 1. mestvocht
    1. Gülle
    2. Jauche
noun
1. bepaald soort struik met eetbare rode bessen Ribes rubrum
  1. Johannisbeere
  2. rote Johannisbeere
noun
1. een struikachtige plant waarvan de aalbes de vrucht is
Johannisbeerstrauch
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Aalen
phraseologicalUnit
1. aalmoezen geven verarmt niet
Almosen geben armet nicht
noun
1. geestelijke voor militairen, gevangenen en leden van jeugdbewegingen
  1. Feldgeistlicher
  2. Militärgeistlicher
noun
Senkgrube
noun
1.bepaald soort plant, Artemisia absinthium
wermutkraut
noun
1. benaming voor vogels uit het geslacht Phalacrocorax
Kormoran
noun
1. aalt
Jauche
noun
Amboss
noun
1. knobbelachtige zwelling van aders in het onderste deel van de endeldarm en in de anus
Hämorrhoiden
noun
2. knobbelachtige zwelling van aders in het onderste deel van de endeldarm en in de anus
Hämorrhoiden
adjective
1. kortademig
  1. asthmatisch
  2. engbrüstig
  3. kurzatmig
adjective
1. (predicatief) actief, in bedrijf
an
preposition
1. verbonden met, tegen, tegenaan
an
phraseologicalUnit
1. aan de wind
am Wind
noun
1. een aanvulling met aarde
  1. Anhäufelung
  2. Anschüttung
verb
1. door het bakken aankoeken, vasthechten
  1. anbrennen
  2. ansetzen
noun
1. het smeedblok waarop de smid het gloeiend metaal smeedt
Amboss
verb
1. ergens terechtkomen
hingeraten
verb
1. bij iemand (aan de deur) bellen
klingeln
noun
1. een kans om uitgekozen te worden voor een werk of levering
Ausschreibung
noun
1. een eerste betaling bij het kopen van iets op afbetaling of in termijnen
Anzahlung
verb
  1. 2. aanprijzen
    anpreisen
  2. 3. toevertrouwen
    anvertrauen
  3. 1. over iets of iemand bij iemand (positief) vertellen en adviseren om datgene/diegene te gebruiken/in te schakelen
    empfehlen
adjective
1. een aanbeveling verdienend
empfehlenswert
noun
Empfehlung
noun
1. een brief waarin men iets of iemand aanbeveelt
Empfehlungsbrief
adjective
1. waard om aanbeden te worden
reizend
verb
1. vereren van een god of heilige door daar een gebed aan te richten
anbeten
noun
  1. 1. vereerder van een goddelijk wezen
    Anbeter
  2. 2. verliefd persoon, die een ander het hof maakt
    Verehrer
noun
1. een verering, een eerbiedvolle bewondering
Anbetung
verb
    1. 1. aanreiken, bieden, offreren, presenteren
    2. 2. iets tegen bepaalde voorwaarden of prijs verhandelbaar stellen
    anbieten
  1. 4. zich ~ (van personen): zich aanmelden
    anmelden
  2. 3. zich ~ (van zaken): zich vertonen, zich voordoen
    1. erscheinen
    2. hervorkommen
    3. zeigen
noun
1. iemand die beroepshalve een advies, dienst of een product ter beschikking stelt
Anbieter
noun
1. iets voordelig te koop aanbieden
  1. Angebot
  2. Vorschlag
  3. Anerbieten
noun
Angebotspreis
verb
  1. 1. ergens naar blaffen
  2. 2. iemand toesnauwen
anbellen
verb
1. in dezelfde functie blijven
im Amt verbleiben
noun
1. een aanbieding
Angebot
/ˈambɔːrə(n)/
verb
1.
anbohren
noun
Anbau
/ˈambʌʊə(n)/
verb
1. ergens iets tegenaan bouwen
anbauen
/ˈambʌʊsəɫ/
noun
1. het aangebouwde
Anbau
/ˈambradə(n)/
verb
1. even laten braden
anbraten
verb
2. beginnen van tijd
anbrechen
noun
1. gerichte belangstelling of interesse
Aufmerksamkeit
adverb
1. met belangstelling, met aandacht, met interesse
  1. aufmerksam
  2. andächtig
noun
1. een gebied waaraan men bijzonder veel aandacht moet besteden
Interessengebiet
noun
1. een onderwerp dat bijzondere aandacht verdient of krijgt
Schwerpunkt
noun
1. een onderwerp waaraan men bijzondere aandacht moet besteden
Interessengebiet
noun
1. deel van een stad waar veel mensen met sociale, psychische en financiële problemen wonen
  1. Armutsviertel
  2. sozialer Brennpunkt
noun
1. waardepapier
Aktie
noun
1. eigenaar van aandelen, actionaris
  1. Aktionär
  2. Aktieninhaber
noun
1. een houder van één of meer bewijzen van aandeel
  1. Aktionär
  2. Aktieninhaber
noun
1. waarde van de aandelen bepaald door de vraag en het aanbod van de aandelen op de beurs
Börsenkurs
noun
1. de handel in aandelen in het algemeen
Aktienmarkt
noun
1. het totaal van aandelen die iemand beheert
  1. Aktienblock
  2. Aktienpaket
noun
  1. 2. een object ter herinnering ergens aan
  2. 1. een herinnering
Andenken
verb
anmelden
adjective
  1. rührend
  2. ergreifend
verb
  1. 1. vaster draaien
    anziehen
  2. 2. iets in werking stellen
    1. einschalten
    2. andrehen
    3. anknipsen
verb
  1. 2. ter sprake brengen
    1. ansprechen
    2. antragen
    3. vorschlagen
  2. 1. ergens naartoe dragen
    1. auftragen
    2. hertragen
    3. hintragen
noun
  1. Antrieb
  2. Trieb
noun
Antriebswelle
verb
2. doen bewegen
  1. antreiben
  2. treiben
noun
1.
Antrieb
verb
  1. 1. doorgaan met verzoeken
    1. beharren
    2. drängen
  2. 2. iets proberen te verkrijgen
    drängen
verb
1. vaster drukken
andrücken
verb
1. aanwijzen
  1. zeigen
  2. andeuten
  3. bezeichnen
/'ʔan.dɵr.və(n)/
verb
1. Moed hebben
  1. wagen
  2. den Mut haben
verb
1. vaster duwen
andrücken
noun
Aneinanderreihung
noun
1. iets dat belachelijk of schandelijk is
  1. Verhöhnung
  2. Hohn
  3. Verspotting
verb
1. betreffen
  1. betreffen
  2. angehen
adjective
1. bij de geboorte verkregen eigenschappen
angeboren
adjective
1. aangetrouwd; getrouwd met
angeheiratet
noun
Angelegenheit
adjective
1. een positief gevoel oproepend
angenehm
conjunction
1. verondersteld dat
  1. angenommen, dass
  2. falls
  3. sofern
adjective
2. een beetje dronken
  1. angetrunken
  2. beschwippst
adjective
1. met recht op schadeloosstelling bij het verloren gaan
eingeschrieben
verb
2. aanduiden
angeben
noun
  1. Angesicht
  2. Gesicht
noun
1. hevige pijnen in het aangezicht
Gesichtsschmerz
conjunction
1. geeft onderschikkend een reden aan
  1. da
  2. weil
noun
  1. 1.1. het melden van een delict bij de politie; aangifte doen
    1. Anzeige
    2. Anzeige erstatten
  2. 2. formulier of schriftelijke verklaring waarmee werd aangegeven
    1. Anzeigeformular
    2. Einkommensteuererklärung
    3. Zollerklärung
  3. 1.2. het melden van inkomen bij de belastingen; aangifte doen
    1. Steuererklärung
    2. bei der Steuer angeben
  4. 1.3. het melden van goederen bij de douane; aangifte doen
    1. Zollerklärung
    2. eine Zollerklärung abgeven
    3. indgive en toldangivelse
/ˈanɣɔrdə(n)/
verb
1. om het middel binden
gürten
adjective
1. rechtstreeks grenzend aan iets anders
angrenzend
verb
1. vals aankijken
angrinsen
adjective
1. aandoenlijk, ontroerend
  1. ergreifend
  2. packend
  3. rührend
noun
1. toename
  1. Zuwachs
  2. Zunahme
verb
  1. 1. zich vermeerderen
    vermehren
    1. 2. toenemen
    2. aangroeien met
    zunehmen
verb
1. met een haak vastmaken
anhängen
verb
  1. 4. hechter maken
    verstärken
  2. 2. eigen of andermans woorden ontlenen
    zitieren
noun
1. een letterlijke passage die door iemand anders aangehaald wordt uit een bron
Zitat
noun
1. leesteken om geciteerde woorden van die van de auteur te onderscheiden
Anführungszeichen
noun
2. rijdend object dat achter de auto gehangen kan worden voor het vervoeren van goederen.
Anhänger
noun
Anhänger
noun
1. de mate waarin een mens of dier trouw en toegenegen is
Anhänglichkeit
noun
4. aanspreking aan het begin van een brief
Anrede
verb
1.horen naar iemand
  1. zuhören
  2. anhören
verb
  1. 5. voortduren
    andauern
  2. 1. staande houden
    anhalten
  3. 3. in beslag nemen
    beschlagnahmen
  4. 2. arresteren
    festnehmen
noun
Verhaftung
verb
  1. 2. tot onderwerp van discussie maken
    1. anreißen
    2. anspielen
    3. ansprechen
  2. 1. door een bepaalde kaart uit te spelen een medespeler een aanwijzing geven
    anspielen
noun
1. bij de rechtbank ingediende beschuldiging of klacht
Anklage
noun
1. iemand die een proces aanspant
Ankläger
verb
  1. 2. aanspreken
    ansprechen
  2. 1. enteren
    entern
verb
  1. 2. iemand kleren aandoen
    ankleiden
  2. 3. zijn kledij aantrekken
    1. ankleiden
    2. anziehen
  3. 1. meubileren, van toebehoor of uitbreiding voorzien
    1. dekorieren
    2. verzieren
verb
1. kloppen om binnen te komen
anklopfen
noun
2. feit of gegeven op basis waarvan wordt voortgebouwd, verder geredeneerd enz.
Anknüpfungspunkt
verb
  1. 1. een bestemming bereiken
    ankommen
  2. 4. zwaarder worden
    zunehmen
noun
1. de bestemming bereiken, het aankomen
Ankunft
verb
  1. 1. bekendmaken
    ankündigen
  2. 2. voorspellen
    1. ankündigen
    2. verheißen
noun
Ankündigung
noun
1. datgene wat men aankoopt
Kauf
/ˈankopsɔm/
noun
1. het geldbedrag waarvoor iets is aangekocht
Ankaufsumme
verb
1. door kopen verwerven
  1. kaufen
  2. erwerben
  3. ankaufen
verb
ankreuzen
verb
  1. 1. iemand de baas kunnen zijn
    1. ankönnen
    2. bewältigen
    3. gewachsen sein
  2. een kledingstuk met fatsoen kunnen dragen
    tragen können
verb
1. aan land gaan
anlegen
noun
1.
Anlage
noun
Anlegestelle
noun
1. datgene wat iets tot gevolg heeft
Anlass
noun
Verführun
verb
1. tot zich lokken, aantrekken, bekoren, op aangename wijze boeien
  1. anlocken
  2. reizen
noun
    1. 3. een loop of tred voorafgaand aan een sprong, duik, enzovoort
    2. 2. het op toeren komen van een aandrijfmotor, machine etc.
    Anlauf
  1. 1. het op gang komen
    Anlaufen
  2. 4. een inleiding
    Vorbemerkung
  3. 5. bezoek
    Zulauf
noun
Anlaufhafen
noun
Anlaufkosten
noun
Anlaufzeit
verb
  1. 7. varend bezoeken
    1. anfahren
    2. anlaufen
    3. besuchen
  2. 5. een bepaalde kleur krijgen van opwinding of koude
    anlaufen
noun
Anzündhilfe
verb
  1. 1. een bepaalde substantie produceren
    anfertigen
  2. 3. doen branden
    1. anmachen
    2. anzünden
  3. 2. een nieuw exemplaar van iets maken, voornamelijk op een computer
    machen
noun
2. Waarschuwing dat men nog niet betaald heeft
Aufforderung
adjective
anmaßend
verb
  1. 1. zich opgeven
    anmelden
  2. 2. zich bekend maken met gebruikersnaam en wachtwoord
    1. einloggen
    2. anmelden
verb
anlegen
adjective
ansehnlich
noun
  1. aanmerking maken op
    beanstanden
  2. in aanmerking nemen
    berücksichtigen
adjective
1. goed uitziend, van een zekere schoonheid
anmutig
verb
1. moed inspreken
  1. ermuntern
  2. ermutigen
noun
1. het inspreken van moed
Ermutigung
noun
1. prijs ter aanmoediging
Förderpreis
verb
anmustern
verb
1. door naaien vastmaken
annähen
noun
Annahme
noun
1. de functie die bij een gegeven steekproefuitkomst als functie van een parameter de kansfunctie of kansdichtheid van die uitkomst aangeeft
Likelihood-Funktion
/ˈaːneːmər/
noun
1. iemand die een (bouw)werk uitvoert tegen een bepaalde prijs
Bauunternehmer
noun
Bauunternehmen
noun
1. manier van aanpakken
Vorgehensweise
/ˈaːmpɑsə(n)/
verb
  1. 1. aansluiten, voegen naar, bruikbaar maken
    anpassen
  2. 2. aantrekken om te passen
    anprobieren
noun
  1. 2. het zich aanpassen
  2. 1. een verandering in een richting
Anpassung
noun
aanpassingsvermogen
Anpassungsfähigkeit
noun
1. affiche
Plakat
verb
1. door beplanting aanbrengen
  1. anbauen
  2. anpflanzen
/ˈanrakˌsxɛrm/, /ˈanrakˌsχɛrm/
noun
1. een beeldscherm dat ook als invoerapparaat voor een computer kan worden gebruikt door het scherm aan te raken.
  1. Touchscreen
  2. Sensorbildschirm
  3. Tastschirm
verb
1. raad geven om iets te doen
empfehlen
verb
1. fysiek contact maken met iets
  1. berühren
  2. anfassen
noun
1. het aanraken
  1. Berührung
  2. Kontakt
noun
Berührungspunkt
verb
3. aantasten
angreifen
noun
  1. 1. aanvaller
    Angreifer
  2. 2. een persoon, in de regel van het mannelijke geslacht die iemand anders aanvalt om seksuele redenen
    1. Angreifer
    2. Vergewaltiger
noun
  1. 1. aantasting (van een verdrag, wet, de vrijheid, waardigheid)
    Angriff
  2. 2. aanval
    1. Angriff
    2. Übergriff
  3. 3. een fysieke aanval op iemand met als doel seksuele handelingen af te dwingen
    1. sexuelle Nötigung
    2. sexueller Übergriff
noun
1. vaste tafel met kastjes langs keukenwand
Anrichte
verb
1. veroorzaken, met name van schade
anrichten
verb
2. tegen iets rijden, een botsing veroorzaken
anfahren
noun
1. botsing met een voertuig
Zusammenstoß
verb
1. aan een draad rijgen
anreihen
noun
Anschaffung
verb
1. scherper maken
schärfen
noun
4. terroristische aanval
Attentat
noun
1. belastingsbrief
Steuerbescheid
verb
  1. 1. met moeite of in grote hoeveelheden aandragen
    1. anschleppen
    2. heranschleppen
    3. herbeischleppen
  2. 2. lang duren
    hinziehen
verb
  1. 2. agressief verkopen
    aufschwatzen
  2. 1. besmeren
    mörteln
verb
1. het eerste stuk er afsnijden
anschneiden
verb
1. met het water meedrijven en vervolgens aan land komen te liggen
  1. anspülen
  2. antreiben
verb
1. opwekken
  1. anregen
  2. anspornen
noun
  1. 1. het recht om het bezit of genot van iets te vorderen
    Anspruch
  2. 3. aanspraak maken
    1. beanspruchen
    2. in Anspruch nehmen
adjective
1. verantwoordelijk, om vergoeding of betaling aangesproken kunnen worden
verantwortlich
noun
  1. Verantwortlichkeit
  2. Haftpflicht
  3. Haftung
noun
1. overeenkomst waarbij je premie betaalt aan een verzekeraar zodat die zal betalen voor schade die je per ongeluk veroorzaakt of waarvoor je verantwoordelijk wordt gehouden
Haftpflichtversicherung
adjective
1. toegankelijk, geneigd tot conversatie
  1. ansprechbar
  2. zugänglich
noun
1. titel waarmee men iemand aanspreekt
Anrede
noun
1. woord(en) waarmee men iemand aanspreekt
Anrede
noun
  1. Ansager
  2. Ansprecher
  3. Begräbnisbitter
  4. Leichenbesorger
  5. Leichenlader
  6. Leichensager
verb
1. iets dicht op elkaar drukken door erop te stampen
  1. feststampfen
  2. festtreten
verb
1. langdurig aankijken
anstarren
verb
  1. 4. besmetten met een begin van rotting
    anstecken
  2. 1. doen ontbranden
    anzünden
noun
1. apparaatje om vuur te maken
Feuerzeug
noun
1. iemand die zich aanstelt
Ansteller
noun
  1. Geziertheit
  2. Gehabe
noun
Anstifter
verb
1. een ergernis
Anstoß
adjective
anstößig
noun
1. stoten tegen
anstoßen
noun
1. een telbare hoeveelheid
  1. Anzahl
  2. Zahl
verb
1. (langzaam) beschadigen, aangrijpen
angreifen
noun
Notizbuch
verb
1. opschrijven om te onthouden
einschreiben
noun
  1. Notiz
  2. Anmerkung
  3. Vermerk
verb
  1. 1. aanwrijven, beschuldigen van iets
    anzeigen
  2. 1. aantrekken
    anziehen
verb
  1. 1. bewijzen
    1. beweisen
    2. nachweisen
  2. 1. wijzen
    zeigen
noun
1. de werkwoordsmodus die de gewone werkelijkheid aangeeft
  1. Indikativ
  2. Wirklichkeitsform
adjective
1. mogelijk om aan te tonen
nachweislich
verb
  1. 1. met een trapbeweging starten
    antreten
  2. 2. aanstampen
    stampfen
verb
1. ontmoeten, vinden
  1. antreffen
  2. treffen
adjective
1. bekoorlijk
  1. attraktiv
  2. anziehend
  3. reizvoll
verb
  1. 2. aanlokken
    anlocken
  2. 4. een opwaartse trend, een stijgende lijn vertonen
    1. ansteigen
    2. anziehen
  3. 1. dankzij een kracht objecten naar zich toe doen bewegen
    anziehen
  4. 3. kleding aandoen
    1. anziehen
    2. ankleiden
  5. 5. zijn gedrag wijzigen naar aanleiding van een uitwendige invloed
    richten
adjective
1. te aanvaarden
  1. akzeptabel
  2. annehmbar
  3. hinnehmbar
verb
2. accepteren, in bezit ontvangen
  1. akzeptieren
  2. annehmen
  3. hinnehmen
noun
Akzeptierung
noun
  1. 1. iemand die aanvalt
    Angreifer
  2. 2. een persoon in de voorste linie
    1. Stürmer
    2. Angreifer
adjective
1. bekoorlijk
lieblich
noun
Angriffswaffe
noun
  1. Beginn
  2. Anfang
verb
1. beginnen, starten
  1. anfangen
  2. beginnen
noun
1. werkwoordswijs van mogelijkheid
Konjunktiv
/ˈanvulə(n)/
verb
1. gevoel hebben voor, bij intuïtie begrijpen
erfühlen
noun
  1. 1. het aanbrengen
  2. 2. het aangebrachte
  1. Nachschub
  2. Zufuhr
noun
1. een bevelhebber, een leider
  1. Anführer
  2. Leiter
  3. Intendant
  4. Kapitän
  5. Vorsteher
verb
  1. 1. bevel voeren over
    anführen
  2. 3. bijbrengen als bewijs
    1. anführen
    2. beibringen
  3. 2. aanbrengen, naartoe transporteren
    zuführen
noun
Führung
noun
1. vrouwelijke aanvoerder
Anführerin
noun
1. verzoek, vaak min of meer officieel
Antrag
noun
1. verzoek, vaak min of meer officieel
Antrag
verb
1. verzoeken, min of meer officieel
beantragen
/ˈanvʏlə(n)/
verb
1. het ontbrekende bijvoegen
  1. vervollständigen
  2. ergänzen
  3. auffüllen
adjective
1. die of dat aanvult
  1. zusätzlich
  2. komplementär
verb
2. sterker worden
zunehmen
noun
2. aangroei
Zuwachs
/'a:nwɑsən/
verb
1. toenemen, aangroeien
anschwellen
adjective
anwesend
noun
  1. 1. het aanwijzen
    1. Benennung
    2. Hinweis
  2. 2. vingerwijzing
    Hinweis
noun
  1. 1. iets nieuws dat erbij komt
    Erwerb
  2. 2. wat aangewonnen wordt of is
    Gewinn
verb
1. ten laste leggen
anhängen
noun
1. begin
  1. Anlauf
  2. Ansatz
noun
1. hoe men door anderen gezien wordt
Ansehen
/ˈanzuk/
noun
  1. 1. verzoek
    Gesuch
  2. 2. huwelijksaanzoek
    Heiratsantrag
verb
1. toenemen in omvang, luidheid of intensiteit
anschwellen
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de orde der primaten
  1. Affe
  2. Äffin
noun
  1. 1. bloeiwijze van granen
  2. 2. bovenste deel van de halm van gras- of graangewassen
Ähre
/aːrt/
noun
1. wezen, natuur, karakter
  1. Art
  2. Beschaffenheit
noun
1. bepaald soort plant, Lathyrus tuberosus
Knollen-Platterbse
noun
Erdalkalimetall
noun
1. bepaald soort plant, Solanum tuberosum
  1. Kartoffel
  2. Erdapfel
/ˈar.dɑ.pɔɫ.ke.vər/, /ˈar.dɑ.pəɫ.ke.vər/, /ˈaːrd.ɑ.pəl.ke.vər/
noun
1. bepaald soort tor, Leptinotarsa decemlineata
Kartoffelkäfer
noun
Kartoffelmehl
/ˈardɑpəɫˌmɛʃə/
noun
1. een mesje voor het schillen van aardappelen
Kartoffelschäler
/ˈardɑˌpəɫpyˈre/
noun
1. een puree van zeer fijn gemaakte, met melk aangemengde aardappels
Kartoffelpüree
noun
1. een salade die gemaakt wordt uit aardappelen
Kartoffelsalat
noun
Erdachse
noun
Erdatmosphäre
noun
1. een baan die de aarde rond de zon volgt
Erdbahn
/\ˈaːrt.bɛi̯\/
noun
2. eetbare vrucht van planten uit het geslacht Fragaria
Erdbeere
noun
1. bepaald soort plant, Arbutus unedo
  1. westlicher erdbeerbaum
  2. Erdbeerbaum
noun
1. jam van aardbeien
Erdbeermarmelade
noun
Erdbeerefladen
noun
1. bepaald soort plant, Trifolium fragiferum
erdbeer-klee
adjective
  1. Erdbeerrot
  2. erdbeerrot
noun
1. een schokkende of trillende beweging van een gedeelte van de aardkorst, meestal te wijten aan ...
Erdbeben
noun
Seismische Welle
noun
1. bewoner van de planeet aarde
  1. Erdbewohner
  2. Erdenbürger
noun
Erdboden
/ʔardbɔl/
noun
  1. Erdkugel
  2. Globus
/ˈardə/
noun
  1. de dampkring van de aarde
    Erdatmosphäre
    1. 1. planeet
    2. 2. grond
    Erde
adjective
stockfinster
adjective
1. van aarde gemaakt
  1. aus Erde
  2. irden
verb
  1. 4. met de aarde verbinden
    erden
  2. 5. ~ naar
    1. jmdm. ähneln
    2. ähnlich sein
  3. 1. zich thuis voelen, wennen, gewoon worden
    1. sich eingewöhnen
    2. sich einleben
noun
1. zandweg. Weg met onverhard wegdek
Sandweg
noun
Steingut
/artxɑs/
noun
1. een gas dat uit de aarde komt en dat grotendeels uit methaan bestaat
Erdgas
noun
1. het ontginnen van aardgas
Erdgasförderung
/ˈart.ɦɔ.mɔɫ/, /ˈart.ɦɔ.məɫ/, /ˈaːrd.hɔ.məl/
noun
1. benaming voor insecten uit vier nauw verwante soorten hommels, Bombus (Bombus), die hun nest onder de grond hebben
Hummel
/ˈar.dəx/, /ˈar.dəχ/, /ˈaːr.dɪx/
adjective
1. aangenaam in omgang
  1. freundlich
  2. nett
  3. gütig
  4. gefällig
  5. liebvoll
noun
1. het prettige, het bevallige
Freude
noun
Erdung
noun
1. de aarde, de blauwe planeet
Erdkugel
/ˈart.kɔrst/
noun
1. het buitenste gedeelte van de planeet Aarde
Erdkruste
noun
Geologie
noun
1. een wetenschapper die de aarde, haar geschiedenis en de processen...
Geologe
noun
Erdschicht
noun
Erdleitung
noun
Erdmännchen
noun
1. bepaling van de afmetingen van de aardbol
Geodäsie
noun
1. Microtus agrestus, een zoogdier uit de orde van knaagdieren
Erdmaus
noun
Rohöl
/ˈaːrtoliproˌdʏkt/
noun
1. verhandelbaar resultaat van het bewerken van aardolie
Erdölprodukt
/ˈartpɪːr/
noun
bepaald soort zonnebloem, Helianthus tuberosus
  1. Topinambur
  2. Erdapfel
/ˈardrɛiksˌkʏndə/
noun
  1. Erdkunde
  2. geografie
adjective
1. met betrekking tot de aardrijkskunde
geographisch
noun
Geograf
adjective
1. betrekking hebbende op de aarde, tot de aarde behorend
irdisch
noun
1. een plotselinge aardbeving
Erdstoss
noun
1. een continentale plaat
Kontinentalplatte
noun
Nacktschnecke
/ˈaːrtfɑrkə(n)/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Orycteropus afer
Erdferkel
noun
1. bepaald soort altijd groene heester die zich met wortelvezels aan de omringende omgeving vasthecht, Glechoma hederacea
  1. Gundelrebe
  2. Gundermann
noun
1. het naar beneden schuiven van een grote massa grond
Erdrutsch
noun
Geowissenschaften
noun
1. Proteles cristatus, een lid van de familie der hyenas
Erdwolf
noun
Regenwurm
pronoun
1. deelstaat van Oostenrijk
Aargau
pronoun
1. een Waalse provinciehoofdstad
Arel
noun
1. en 2. (blaadjes van) de plant Mentha spicata
grüne Minze
noun
1. bepaald soort parasitaire, maar onschadelijke rondworm van ca. 5–10 mm lengte, Enterobius vermicularis
Madenwurm
noun
1. de belangrijkste architect
Erzarchitekt
/ˈaːrz.bɪz.dɔm/, /ˈaːrʦ.bɪs.dɔm/, /ˈaːrʦ.bɪz.dɔm/
noun
1. het belangrijkste gebied van een kerkprovincie, dat geleid wordt door de aartsbisschop.
  1. Erzbistum
  2. Erzdiözese
/ˈaːrzbɪsxɔp/, /ˈaːrʦbɪsxɔp/, /ˈaːrʦbɪsχɔp/
noun
1. de voornaamste bisschop van een kerkprovincie.
  1. Erzbischof
  2. Erzbischöfin
/ˈaːrz.di.jo.ˌses/, /ˈaːrʦ.di.ʲo.ˌses/
noun
1. het belangrijkste gebied van een kerkprovincie, dat geleid wordt door de aartsbisschop.
  1. Erzbistum
  2. Erzdiözese
noun
1. een keizerlijke prins in het vroegere Oostenrijk-Hongarije
Erzherzog
noun
Erzherzogtum
noun
1. adellijke titel, vrouw van een aartshertog
Erzherzogin
noun
1. iemand die zeer veel liegt
Erzlügner
noun
Erzpriester
/'artsvɛɪɑnd/
noun
Erzfeind
noun
1. bepaald soort vaste waterplant, Myriophyllum spicatum
ähriges Tausendblatt
/ˈarzələ(n)/
verb
1. onzeker zijn, twijfelen
zögern
adjective
1. aarzelend
zögerlich
noun
1. onzekerheid, twijfel, weifel
  1. Zögern
  2. Zaudern
noun
Aasfresser
/'as.xir/
noun
  1. 1. bepaald soort roofvogel, Neophron percnopterus
    Aasgeier
  2. 2. iemand die profijt probeert te halen uit de tegenslag van iemand anders
    1. Aasgeier
    2. Halsabschneider
noun
Aaskäfer
noun
1. plank met handvat en venster waarin letters in alfabetische volgorde staan afgebeeld
Buchstabentafel
/ˈɑbɑkʏs/
noun
  1. 1. raam met staven
  2. 2. dekplaat van een kapiteel
Abakus
/a.bɑ.ˈtwaːr/, /ɑ.bɑ.ˈtβ̞ar/
noun
1. een bedrijf waar dieren geslacht worden
  1. Schlachthaus
  2. Schlachthof
pronoun
1. West-Kaukasische taal gesproken in Rusland en Turkije
Abasinische Sprache
noun
1. het inkorten van een woord of een frase
Abkürzung
noun
1. het alfabet
Abc
noun
1. de afkorting voor atomaire, bacteriologische en chemische wapens
ABC-Waffen
/ɑpˈxazis/
pronoun
1. een taal die in Abchazië gesproken wordt
  1. Abchasisch
  2. Abchasische Sprache
noun
  1. Abdankung
  2. Abdikation
/ɑbˈdɛɪ̯/, /ɑbˈdɛː/
noun
1. klooster met aan de leiding een abt of abdis
Abtei
/ɑbˈdɛɪ.kɛrk/, /ɑbˈdɛː.kɛrk/
noun
1. een kerk die bij een abdij hoort
Abteikirche
/ɑbˈdɪs/
noun
1. bestuurster van een abdij.
  1. Äbtissin
  2. Oberin
  3. Äbtin
noun
Bauch
/ˌɑbdoʊmiˈnaːɫ/
adjective
1. de onderbuik betreffend
abdominal
verb
1. van de middellijn af bewegen
abduzieren
noun
beweging vanuit neutrale uitgangshouding
Abduction
noun
1. bepaald soort loofboom, Populus alba
Silberpappel
adjective
1. afwijkend van de norm
aberrierend
adjective
1. volstrekt verachtelijk, zeer verwerpelijk
abjekt
/ˌɑb.la.ˈtif/, /ˌɑb.la.ˈtiːf/
noun
1. de zesde naamval die onder meer de instantie aangeeft waarvan iets uitgaat of vertrekt
Ablativ
/ˈɑb.laut/, /ˈɑp.lɔut/, /ˈɑp.lʌut/
noun
1. regelmatige, grammaticaal bepaalde klinkerwisseling
Ablaut
adverb
1. ongewoon
  1. unnormal
  2. abnormal
noun
1. onregelmatigheid
Abnormität
/ɑbomɪˈnabəl/
adjective
bijzonder slecht
  1. abscheulich
  2. scheußlich
/ɑbɔ'ne/
noun
1. iemand die op iets geabonneerd is
  1. Abonnent
  2. Abonnentin
noun
Abonnement
/ɑbɔ'nerə(n)/
verb
1. een abonnement aangaan
abonnieren
verb
1. een foetus weghalen
  1. abtreiben
  2. abortieren
/ɑ'bɔrtəs/
noun
  1. Abtreibung
  2. Schwangerschaftsabbruch
noun
1.
Abtreibungsartz
noun
1. (nationaal) beleid ten aanzien van abortussen
  1. Abtreibungspolitik
  2. Abtreibungsregelung
noun
Abtreibungsklinik
noun
1. (medisch) schaafwond, afkrabbing
  1. Abrasion
  2. Schürfwunde
/abri/
noun
1. een wachthuisje bij een halte van het openbaar vervoer
Wartehäuschen
noun
  1. Aprikose
  2. Marille
/ɑp'rʏpt/
adverb
1. onverwachts optredend
abrupt
noun
1. de afstand tot de opstaande as van een coördinatenstelsel
Abszisse
verb
1. met behulp van een touw van een steile wand afdalen
abseilen
noun
1.
  1. Absence
  2. Absenz
/ɑp'sɛnsi/
noun
Abwesenheit
/ɑp'sɪnt/
noun
1. sterkedrank op basis van anijs
Absinth
noun
bepaald soort plant, Artemisia absinthium
  1. Wermutkraut
  2. Wermut
/ɑpso'lysi/
noun
1. het vergeven van de zonden
Absolution
/ɑpso'lyt/
adjective
  1. 1. niet beschouwd in betrekking tot iets soortgelijks
  2. 2. volledig, volkomen
  3. 3. beslist, zeker
  4. 4. geheel onafhankelijk en zonder binding met iets of iemand anders
absolut
/ɑpsɔr'berə(n)/
verb
absorbieren
noun
Absorption
noun
1. absorptielijn
Absorptionslinie
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Abstatt
noun
Abstinenz
/ɑp'strɑksi/
noun
1. een begrip dat los staat van de dagelijkse werkelijkheid
Abstraktion
verb
1. concretiseren
abstrahieren
/ɑpsʏrt/
adjective
1. erg onlogisch, belachelijk
absurd
/ɑb/, /ɑpt/
noun
1. het hoofd van een abdij
Abt
noun
1. in ruime mate aanwezig of voorhanden zijn
Abundanz
noun
1. een vrouwelijk persoon met een academische opleiding
Akademikerin
noun
1. een mannelijk persoon met een academische opleiding
Akademiker
noun
Akademie
/ɑkɑ'demis/
adjective
akademisch
noun
Akantholyse
noun
tak van de zoölogie die zich bezighoudt met de studie van mijten en teken
Acarologie
noun
1. toename van de snelheid
Beschleunigung
noun
1. de manier waarop iemand de klanken uitspreekt
Akzent
noun
Betonung
adjective
akzeptabel
/ɑksɛp'terə/
verb
  1. 1. aanvaarden
  2. 2. aannemen, graag ontvangen
akzeptieren
/ˌɑsəˈswar/
noun
1. een attribuut dat als aanvulling dient
  1. Accessoire
  2. Zubehör
  3. Zubehörteil
/ɑksiˈdɛnt/
noun
  1. 2. een incidentele wijziging van toonhoogte
    Akzidens
  2. 1. ongeval, ongeluk
    Unfall
verb
1. aan een andere omgeving wennen
akklimatisieren
noun
1. een muziekinstrument waarbij door trekken en duwen een toon wordt geproduceerd
Akkordeon
noun
1. iemand die zijn beroep maakt van het inrichten en controleren van boekhoudingen en administraties
  1. Buchhalter
  2. Buchprüfer
verb
1. een officieel stempel van goedkeuring aan iets of iemand verlenen
akkreditieren
noun
1. een toestel om elektriciteit op te slaan
  1. Akkumulator
  2. Akku
  3. Batterie
noun
1. ophoping van stoffen
Akkumulation
noun
1. bepaald soort plant, Malpighia emarginata
acerola
noun
1. een ester of zout afgeleid van azijnzuur
  1. Acetat
  2. Azetat
/ˌɑsəˈtilxoˌlinə/, /ˌɑsəˈtiɫχoˌlinə/, /ˌɑsɛˌtylxoˈlin(ə)/
noun
1. een neurotransmitter die vooral betrokken is bij de impulsoverdracht van de zenuw naar de skeletspiercellen
Azetylcholin
/ˌɑ.sə.ti.ˈlen/
noun
1. een verbinding van waterstof en koolstof met de samenstelling H₂C₂, die als gasvormige brandstof voor het vormen van hete vlammen gebruikt wordt
Acetylen
noun
1. acetyleenlamp
Karbidlampe
/xxxx/
noun
1.
Acetylsalicylsäure
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Achern
pronoun
1. figuur uit de Griekse mythologie
Achilleus
noun
1. kwetsbare plaats
Achillesferse
noun
Achillessehne
cardinalNumeral
1. het getal 8
acht
/ˈɑxtbaːn/
noun
1. een attractie met een karretje dat over een baan met bochten, stijgingen en dalingen rijdt
Achterbahn
noun
1. gebrek aan aandacht voor mogelijke problemen
  1. Nachlässigkeit
  2. Unachtsamkeit
cardinalNumeral
1. het getal 38
achtunddreißig
ordinalAdjective
1. nummer achtendertig in een rij
achtunddreißigste
cardinalNumeral
1. het getal 98
achtundneunzig
adjective
1. respect verdienend
respektabel
cardinalNumeral
1. het getal 88
achtundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 28
achtundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 48
achtundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 58
achtundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 68
achtundsechzig
/ˈɑxtənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 78
achtundsiebzig
preposition
hinter
pronoun
1.
Hinterpommern
adverb
1. in de laatste of een van de laatste posities in een rangschikking, op een verder weg liggende plaats
hinten
noun
1. een afbeelding van iets zoals van achter bekeken
Hintenansicht
/ɑxtər'bɑks/
adjective
1. stiekem, stom
hinterlistig
verb
1. nog steeds ergens zijn waar anderen of iets anders niet meer aanwezig is
zurückbleiben
noun
Nachzügler
noun
3. de tweede begiftigde, legataris
Nacherbe
noun
1. de indirecte oorzaak van actualiteiten
Hintergrund
/ɑxtər'ɦalt/
adjective
1. niet langer van toepassing, niet langer als nuttig erkend
überholt
noun
1. een van de beenderen van de schedel
Hinterhauptsbein
noun
  1. 1. kamer gelegen langs de achterzijde van een gebouw
    Hinterzimmer
  2. 2. besloten ruimte op een weinig zichtbaree plaats die zich leent voor geheime bijeenkomsten
    1. Hinterzimmer
    2. Kulisse
noun
1. besluitvorming zonder discussie in een volksvertegenwoordiging en met vermijding van openbaarheid
  1. Hinterzimmerpolitik
  2. Politik im Hinterzimmer
noun
1. besluitvorming zonder discussie in een volksvertegenwoordiging en met vermijding van openbaarheid
  1. Hinterzimmerpolitik
  2. Politik im Hinterzimmer
/ˈɑxtərkɑnt/
noun
  1. Hinterseite
  2. Rückseite
/ˈɑxtərklɛɪŋkɪnt/
noun
1. het kind van iemands kleinkind
  1. Urenkel
  2. Urenkelin
/ˈɑxtərklɛɪ̯nzon/
noun
1. de zoon van iemands kleinkind
Urenkel
noun
3. toestel dat aan de achterkant van een tractor kan worden gemonteerd om lasten op te tillen
Hecklader
noun
1. streek die geografisch verder weg ligt, maar economisch verbonden is met een voorliggende streek of stad
Hinterland
verb
1. dumpen, weggaan van, verlaten
  1. zurücklassen
  2. hinterlassen
noun
1. lamp(en) aan de achterkant van een voertuig
Rücklicht
adjective
3. afkeurenswaardig, stompzinnig
dämlich
noun
1. achterste begrenzing van het speelveld
Grundlinie
verb
1. een vroegere tijd aangeven dan de juiste
  1. hinterherlaufen
  2. nachgehen
  3. zurückbleiben
/ɑxtər'na/
adverb
1. iemand of iets volgend
  1. hinterher
  2. nach
noun
1. een naam die van geslacht op geslacht en indien gewenst door het huwelijk overgedragen wordt
Nachname
noun
1. de achtergrond van o.a. schilderijen
Hintergrund
noun
1. ruit aan de achterkant van een voertuig die zorgt voor zicht achter op de weg
Heckscheibe
noun
1. stag aan achterkant van zeil boot naar de top van de mast
Achterstag
adjective
1. niet op tijd
  1. ausstehend
  2. überfällig
  3. rückständig
noun
  1. Armutsviertel
  2. sozialer Brennpunkt
verb
1. iets of iemand te laag waarderen, of in een ongunstige positie plaatsen
zurücksetzen
noun
1. de achterzijde van een schip
Heck
adverb
1. in achterwaartse richting
  1. rückwärts
  2. zurück
verb
1. slechter worden
zurückgehen
noun
1. een spiegel aan een auto of motorfiets waarmee men de situatie op de weg achter zich kan zien
  1. Rückspiegel
  2. Außenspiegel
/'ɑx.tər.vux.səl/
noun
1. een woorddeel dat achter de stam van een woord gevoegd wordt
  1. Suffix
  2. Nachsilbe
noun
1. dubbelzijdig uitgevoerde achterwielophanging van een motorfiets
Schwinge
noun
1. achterste deel
Hintern
noun
Hinterrad
noun
1. een zak aan de achterkant van een kledingstuk
Gesäßtasche
noun
1. een vorm met acht hoeken
Achteck
/ɑxt'ɦukəx/
adjective
1.
achteckig
/ˈɑxtˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 800
achthundert
cardinalNumeral
1. het getal 808
achthundertacht
cardinalNumeral
1. het getal 838
achthundertachtunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 898
achthundertachtundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 888
achthundertachtundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 828
achthundertachtundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 848
achthundertachtundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 858
achthundertachtundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 868
achthundertachtundsechzig
/ˌɑxthɔndərtˈɑxtənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 878
achthundertachtundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 818
achthundertachtzehn
cardinalNumeral
1. het getal 813
achthundertdreizehn
cardinalNumeral
1. het getal 830
achthundertdreißig
cardinalNumeral
1. het getal 803
achthundertdrei
cardinalNumeral
1. het getal 833
achthundertdreiunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 893
achthundertdreiundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 883
achthundertdreiundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 823
achthundertdreiundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 843
achthundertdreiundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 853
achthundertdreiundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 863
achthundertdreiundsechzig
/ˌɑxthɔndərˈdrijənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 873
achthundertdreiundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 801
achthunderteins
cardinalNumeral
1. het getal 831
achthunderteinunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 891
achthunderteinundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 881
achthunderteinundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 821
achthunderteinundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 841
achthunderteinundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 851
achthunderteinundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 861
achthunderteinundsechzig
/ˌɑxthɔndərtˈenənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 871
achthunderteinundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 811
achthundertelf
cardinalNumeral
1. het getal 809
achthundertneun
cardinalNumeral
1. het getal 839
achthundertneununddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 899
achthundertneunundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 889
achthundertneunundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 829
achthundertneunundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 849
achthundertneunundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 859
achthundertneunundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 869
achthundertneunundsechzig
/ˌɑxthɔndərtˈneɣənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 879
achthundertneunundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 819
achthundertneunzehn
cardinalNumeral
1. het getal 890
achthundertneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 880
achthundertachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 810
achthundertzehn
cardinalNumeral
1. het getal 812
achthundertzwölf
cardinalNumeral
1. het getal 802
achthundertzwei
cardinalNumeral
1. het getal 832
achthundertzweiunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 892
achthundertzweiundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 882
achthundertzweiundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 822
achthundertzweiundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 842
achthundertzweiundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 852
achthundertzweiundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 862
achthundertzweiundsechzig
/ˌɑxthɔndərˈtwejənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 872
achthundertzweiundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 820
achthundertzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 814
achthundertvierzehn
cardinalNumeral
1. het getal 840
achthundertvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 804
achthundertvier
cardinalNumeral
1. het getal 834
achthundertvierunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 894
achthundertvierundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 884
achthundertvierundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 824
achthundertvierundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 844
achthundertvierundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 854
achthundertvierundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 864
achthundertvierundsechzig
/ˌɑxthɔndərtˈfirənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 874
achthundertvierundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 805
achthundertfünf
cardinalNumeral
1. het getal 835
achthundertfünfunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 895
achthundertfünfundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 885
achthundertfünfundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 825
achthundertfünfundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 845
achthundertfünfundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 855
achthundertfünfundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 865
achthundertfünfundsechzig
/ˌɑxthɔndərtˈfɛifənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 875
achthundertfünfundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 815
achthundertfünfzehn
cardinalNumeral
1. het getal 850
achthundertfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 806
achthundertsechs
cardinalNumeral
1. het getal 836
achthundertsechsunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 896
achthundertsechsundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 886
achthundertsechsundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 826
achthundertsechsundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 846
achthundertsechsundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 856
achthundertsechsundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 866
achthundertsechsundsechzig
/ˌɑxthɔndərtˈsɛsənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 876
achthundertsechsundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 816
achthundertsechzehn
cardinalNumeral
1. het getal 860
achthundertsechzig
/ˌɑxthɔndərtˈsøvən/
cardinalNumeral
1. het getal 807
achthundertsieben
/ˌɑxthɔndərtˈsøvənənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 837
achthundertsiebenunddreißig
/ˌɑxthɔndərtˈsøvənəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 897
achthundertsiebenundneunzig
/ˌɑxthɔndərtˈsøvənənˌtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 887
achthundertsiebenundachtzig
/ˌɑxthɔndərtˈsøvənənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 827
achthundertsiebenundzwanzig
/ˌɑxthɔndərtˈsøvənəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 847
achthundertsiebenundvierzig
/ˌɑxthɔndərtˈsøvənəɱˌvɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 857
achthundertsiebenundfünfzig
/ˌɑxthɔndərtˈsøvənənˌsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 867
achthundertsiebenundsechzig
/ˌɑxthɔndərtˈsøvənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 877
achthundertsiebenundsiebzig
/ˌɑxthɔndərtˈsøvənˌtin/
cardinalNumeral
1. het getal 817
achthundertsiebzehn
/ˌɑxthɔndərtˈsøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 870
achthundertsiebzig
suffix
lich
noun
1. aanzien
Achtung
noun
achte
noun
1.
Achtelpause
cardinalNumeral
1. "18", het getal tussen zeventien en negentien
achtzehn
/ˌasidiˈtɛɪt/
noun
1. de zuurgraad, geeft aan hoeveel H+ er in een oplossing voorkomt
  1. Acidität
  2. Säuregrad
noun
Azidose
noun
Akne
pronoun
1. begripomschrijving
Aconcagua
noun
1. oude oppervlaktemaat
Acre
noun
1. gymnast
Akrobat
noun
1. blauwkleuring van handen, voeten
Blaufärbung der Gliedmßenenden
noun
Akronym
noun
1.
  1. Acryl
  2. Akryl
noun
acrylnitril-Butadien-Styrol
/ɑkˈtør/
noun
1. persoon
Schauspieler
adjective
1. met iets bezig zijnde
aktiv
noun
Bürgerinitiative
noun
1. de afstand die iets af kan leggen
  1. Aktionradius
  2. Reichweite
noun
Aktivist
noun
1. Scheikundig element
actinoide
noun
1. Scheikundig element
Actinium
noun
1. in geld uitgedrukte waarde van de bezittingen van een onderneming
Aktiva
verb
1. werkzaam maken
aktivieren
noun
1. iets waarmee men actief is
Aktivität
noun
1. bedrijvende vorm
  1. Aktiv
  2. Aktivum
  3. Tätigkeitsform
noun
1. vrouw
Schauspielerin
verb
aktualisieren
noun
Aktualität
noun
Aktuar
/ɑktyˈwel/
adjective
  1. aktuell
  2. gegenwärtig
noun
1. een Chinese behandelingsmethode waarbij, ter genezing van een kwaal...
Akupunktur
/aˈkyt/
adjective
1. plots ontstaan, op korte termijn verlopend
akut
/aˈdaɣijʏm/
noun
1.
  1. Adagium
  2. Sprichwort
/ˈadɑmzɑpəl/
noun
deel van het strottenhoofd bij de man
Adamsapfel
noun
1. aanpassingsvermogen
Anpassungsvermögen
noun
Adapter
noun
  1. 1. gifslang
  2. 2. persoon
  1. Viper
  2. Otter
noun
natternzungen
noun
1. verslaving
Abhängigkeit
noun
1. chemisch product
  1. Additiv
  2. Zusatzstoff
adjective
1. toegevoegd
zusätzlich
noun
1. toevoeging
Zusatzstoff
noun
1. bevoorrechte groep personen
Adel
noun
1. benaming voor sommige soorten grote roofvogels
Adler
noun
adlerfarn
verb
1. in de adelstand verheffen
adeln
pronoun
1. stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Adelsheim
/adəm/
noun
Atem
/ˈa.də.mə(n)/
verb
1. de voor het leven nodige lucht inzuigen en weer uitdrijven
atmen
/ˈa.də.ˌma.lə(n)/
verb
1. door levende wezens inblazen en uitblazen van lucht om zuurstof te krijgen
atmen
noun
1. door levende wezens ingezogen en uitgeblazen lucht
Atmung
noun
1. het systeem van luchtopname via de neus of mondholte, door de luchtpijp (trachea) met zijn vertakkingen naar de longen waardoor een organisme van zuurstof wordt voorzien
  1. Atmungssystem
  2. Atmungsapparat
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Rijnland-Palts
Adenau
noun
1. (lymfe)klierontsteking
  1. Drüsenentzündung
  2. Lymphknotenentzündung
noun
1. goedaardig klierweefselgezwel
  1. Adenom
  2. Drüsengeschwulst
/a.de.'kʋat/
adverb
1. correct en passend bij het beoogde doel
adäquat
noun
1. bloedvat met zuurstofarm bloed
  1. Ader
  2. Vene
/ˈa.dər.la.tɪŋ/, /ˈaː.dər.laː.tɪŋ(g)/
noun
  1. 1. (medisch) de handeling van het aderlaten
  2. 2. (figuurlijk) een groot verlies
Aderlass
/ɑtˈhezi/
noun
  1. 2. onderlinge aantrekkingskracht tussen ongelijke moleculen zonder dat er sprake is van een chemische binding
    1. Adhäsion
    2. Klebkraft
  2. 1. een vergroeiing van organen
    1. Adhäsion
    2. Verklebung
noun
1. een woordsoort dat wordt gebruikt om een eigenschap of hoedanigheid van een zelfstandig naamwoord te benoemen
  1. Adjektiv
  2. Eigenschaftswort
noun
1. een woordsoort dat wordt gebruikt om een eigenschap of hoedanigheid van een zelfstandig naamwoord te benoemen
  1. Adjektiv
  2. Eigenschaftswort
noun
1. toevoegsel
Hilfsmittel
/ˌɑtminɪsˈtrasi/, /ˌɑtminɪsˈtratsi/
noun
3. bestuur
Verwaltung
verb
1. zorgvuldig vastleggen van gegevens zodat het later terug te vinden of controleren is
verwalten
noun
1. opperbevelhebber van een oorlogsvloot
Admiral
noun
Admiralität
noun
1. de reciproke complexe impedantie
Admittanz
noun
1. ontsteking van de eierstokken en de eileiders
Adnexeentzündung
noun
1. jeugdig persoon, puber
Jugendlicher
verb
1. een kind aannemen
adoptieren
noun
Adoption
noun
1. met betrekking tot sympathische zenuwvezels die bij prikkeling stoffen produceren met een effect als van adrenaline
  1. Adrenalin absondern
  2. adrenalinbedingt
/aˈdrɛs/
noun
1. aanduiding van de plaats waar iemand woont of iets is gevestigd
  1. Anschrift
  2. Adresse
noun
1. een boek met alfabetisch en/of systematisch geordende adressen
Adressbuch
noun
Adreßänderung
pronoun
1. randzee van de Middellandse Zee, gelegen tussen Italië en het Balkanschiereiland
Adriatisches Meer
/ɑd.zɔr.ˈbeː.rə(n)/, /ɑt.sɔr.ˈbɪː.rə(n)/
verb
1. aantrekken, aan de oppervlakte binden
adsorbieren
noun
1. een fenomeen dat optreedt aan het grensvlak van twee fasen, waarbij moleculen of atomen zich aan dit grensvlak hechten
Adsorption
adjective
1. bijtend of samentrekkend
  1. Adstringent
  2. zusammenziehend
adjective
1. bijtend of samentrekkende stof, veelal gebruikt om bloeding of vochtafscheiding...
  1. Adstringent
  2. zusammenziehend
/a.ˈdu.ki.ˌbon/
noun
1. bepaald soort kleine, rode sojaboon, Phaseolus angularis
Adzukibohne
/ɑtˈfɛnt/
noun
1. een periode van vier weken voor Kerstmis    2. de tijd waarin de komst en wederkomst van Jezus Christus worden verwacht
Advent
noun
1.
  1. Adventkonzert
  2. Adventskonzert
noun
1. de kalender bestaat vaak uit een platte kartonnen doos waarin 24 genummerde vakjes zijn aangebracht
Adventskalender
noun
1.
Adventsfeier
noun
Inserent
noun
1. een aankondiging in een krant, reclameblad, tijdschrift ...
  1. Anzeige
  2. Annonce
noun
Werbeagentur
/ɑtfiˈzerə(n)/
verb
1. raad geven aan
  1. raten
  2. empfehlen
noun
1. raadgever, raadsman
Berater
noun
  1. 1. pleiter, verdediger in rechtszaken
    1. Rechtsanwalt
    2. Anwalt
    3. Advokat
    4. Fürsprecher
  2. alcoholische dikvloeibare drank van eieren, eierlikeur
    Eierlikör
noun
1. (juridisch) (beroep) iemand die de functie van aanklager bij een ressortsparket bij een Nederlands gerechtshof bekleedt
Generalstaatsanwalt
noun
Anwaltsbüro
noun
Aerodynamik
noun
1. een verzamelnaam voor muziekinstrumenten die een toon voortbrengen door een trillende luchtkolom
Aerophon
noun
weerkunde van de hogere luchtlagen
Aerologie
/ˌæːroˈzol/, /ˌɛːroˈzɔɫ/
noun
2. scheikunde
Aerosol
adverb
1. op onregelmatige tijden
ab und zu
noun
1. het onvermogen te spreken
Aphasie
verb
abbilden
noun
1. een grafisch beeld
  1. Abbildung
  2. Bild
verb
1. een besteld iets afzeggen
abbestellen
noun
1. een geleidelijke betaling in termijnen
Ratenzahlung
/ˈɑfbɛitə(n)/
verb
  1. 3. iemand boos en kortaf toespreken
    abbeizen
  2. 1. met de tanden verwijderen
    abbeißen
  3. 2. (iemand) afsnauwen, berispen, schelden
    1. anfauchen
    2. anschnauzen
    3. schelten
noun
1. chemisch product voor het zeer drastisch schoonmaken bijv
Abbeizmittel
/ˈɑvblɑfə(n)/
verb
1. door bejegening met ruwe woorden van zich afschrikken
  1. anfahren
  2. anschnauzen
verb
1. ontdoen van bramen (scherpe randen)
entgraten
noun
1. het kunnen breken van een molecuul in kleinere atomen of moleculen
Abbaubarkeit
verb
    1. 1. met de grond gelijk maken
    2. 3. door breken scheiden
    abbrechen
  1. 2. voortijdig beëindigen
    1. abbrechen
    2. beendigen
verb
abbröckeln
verb
1. van richting veranderen
abbiegen
noun
Abstieg
/ˈɑf.dɛ.kə(n)/, /ˈɑv.dɛ.kə(n)/
verb
1. iets over iets anders heen plaatsen
zudecken
verb
  1. 2. overdragen
    1. abführen
    2. abtragen
  2. 1. door dragen afslijten
    abtragen
verb
1. het vocht wegnemen
abtrocknen
/ˈɑfdroxduk/
noun
1. een doek waarmee men kan afdrogen
Geschirrtuch
/ˈɑfdrœʏpˌrɛk/, /ˈɑfdrœːpˌrɛk/
noun
1. een open raamwerk waarin pasgewassen vaatwerk gezet wordt om het aanhangende vocht af te laten vloeien
Geschirrkorb
verb
2. (op papier) weergeven d.m.v. een printer of een drukpers
abdrucken
verb
  1. 1. onder dwang iets verkrijgen
    1. abnötigen
    2. aufzwingen
    3. erzwingen
  2. 2. via de wet of regels iets bewerkstelligen
    aufzwingen
  3. 2. onweerlegbaar iets bewerkstelligen
    erzwingen
noun
Affäre
verb
1. verbranden van overtollig gas via een hoge fakkel
abfackeln
noun
1. een schijnbare gemoedsgesteldheid die niet met de werkelijkheid overeenstemt
Affektiertheit
adjective
1. van de gevoelens uitgaand en/of hiermee verbonden
affektiv
/ˌɑfiliˈja(t)si/
noun
2. acceptatie als lid van een vereniging of verbond
Aufnahme
verb
affiliieren
/ɑfiniˈtɛit/
noun
  1. 1. een geestelijk verwantschap
  2. 2.
  3. 3.
Affinität
noun
1. een gebonden morfeem dat aan een ander morfeem wordt toegevoegd om zo een nieuw woord te vormen
Affix
/ˌɑfriˈkat/
noun
1. een combinatie van twee medeklinkers, waarvan de eerste een plosief...
Affrikate
noun
Lafette
verb
  1. 2. afgeschoten worden
    abgehen
  2. 1. naar beneden gaan
    hinuntergehen
  3. 3. een slechte indruk nalaten
    sich blamieren
/'ɑfxəˌlɑstə(n)/
verb
1. de opdracht geven om iets niet door te laten gaan
absagen
noun
Absage
/ɑfxəlegə/
adjective
abgelegen
noun
Ableitung
/ˈɑfɣevə(n)/
verb
  1. 2. bij aanraking een substantie afscheiden
    abfärben
  2. 1. achterlaten op de plek van bestemming
    abgeben
preposition
1. buiten beschouwing latend
abgesehen von
/ɑf.ˈxan/, /ɑf.ˈχan/
noun
  1. 1. Afghaanse windhond
    Afghane
  2. 2. Afghaans tapijt
    Afghanteppich
/ɑf.ˈxans/, /ɑf.ˈχans/, /ɑv.ˈɣaːns/
adjective
1. gerelateerd aan Afghanistan
afghanisch
/ɑf.ˈɣa.nɪ.ˌstɑn/, /ɑf.ˈχa.nɪ.ˌstɑn/, /ɑv.ˈɣa.nɪ.ˌstɑn/
pronoun
1. een land gelegen in Centraal-Azië.
Afghanistan
noun
Abguss
/'ɑfxɔt/
noun
  1. Abgott
  2. Götze
/ɑfxodə'rɛi/
noun
Götzendienst
verb
1. door graven een aardlaag geheel verwijderen
abtragen
/ˈɑfxrɔnt/, /ˈɑfχrɔnt/, /ˈɑvɣrɔnd/
noun
1. een grote steile diepte
Abgrund
/ˈɑfxɵnst/, /ˈɑfxʏnst/
noun
1. gevoel
Missgunst
noun
1. restaurant waar maaltijden afgehaald kunnen worden
Restaurant, bei dem man Essen mitnehmen kann
verb
1. goederen die klaargelegd zijn in bezit komen nemen
abholen
verb
1. ~ van: naargelang iets verandert mee veranderen
  1. abhängen
  2. abhängig sein
noun
Abhängigkeit
verb
1. happen zodat er iets verdwijnt
abbeißen
verb
1. een valk de huif afnemen
abhauben
noun
1. een sterke behoefte om zich tegen iets te keren
Abneigung
verb
1. een voorstel verwerpen
verwerfen
verb
1. niet geschikt verklaren
missbilligen
/ˌɑfkørənsˈʋardəx/
adjective
1. afkeuring verdienend
  1. rügenswert
  2. tadelnswert
noun
1. het uitspreken van een negatief oordeel over iets
Missbilligung
verb
1. een idee stelen van iemand
absehen
verb
1. soort van ritueel waarbij men door op iets te kloppen, het lot probeert te sturen
auf Holz klopfen
verb
1. door kluiven alle vlees van een bot verwijderen
abnagen
/'ʔɑfkulən/
verb
  1. 1. kouder worden
  2. 2. kouder doen worden
  3. 3. minder boos worden
abkühlen
verb
zukommen auf
noun
  1. Herkunft
  2. origin
adjective
  1. afkomstig zijn
    stammen
  2. 1. komende van
    stammend
noun
Abfindungssumme
noun
1. het inkorten van een woord of een frase
Abkürzung
verb
1. vernietigend beoordelen
verreißen
/ˈɑflat/
noun
1. een kwijtschelding van tijdelijke straffen die men zou moeten ondergaan na het sterven..
Ablass
/ˈɑflatˌbrif/
noun
1. een papier waarmee officieel een aflaat verleend wordt
Ablassbrief
verb
1. vrachtgoed van een dek of van open wagen lossen
entladen
verb
  1. 1. het voorbereiden van de overledene(n) op de begrafenis
    ablegen
  2. 2. afstand overbruggen
    zurücklegen
verb
  1. 2. begrijpen, concluderen
    ableiten
  2. 1. de aandacht opvragen
    ablenken
noun
  1. 2. een woord dat middels toevoeging van een voor-, in- of achtervoegsel gevormd wordt uit een ander
    Ableitung
  2. 1. een gebeurtenis of activiteit die de gedachten op iets anders richt
    Ablenkung
noun
1. elk onderdeel van een tv-serie dat op regelmatige tijden wordt uitgebracht of uitgezonden
Folge
/ˈɑflopə(n)/, /ˈɑfloːpə(n)/
verb
2. hellen
abfallen
verb
  1. 1. de plaats innemen van
    ablösen
  2. 2. geheel of gedeeltelijk voldoen
    tilgen
noun
  1. 1. het aflossen
    1. Ablöse
    2. Ablösung
  2. 2. een bedrag waarmee een schuld wordt afgelost in termijnen
    1. Abzahlung
    2. Tilgung
verb
1. ongemerkt luisteren naar de communicatie van anderen
  1. lauschen
  2. belauschen
  3. spionieren
noun
1. korte spreuk met een kernachtige boodschap
Aphorismus
verb
1. ontnemen
  1. wegnehmen
  2. abnehmen
  3. arracher
/'ɑfpɑsə(n)/
verb
1. nauwkeurig afmeten
abmessen
/ˈɑf.pɛr.sɪŋ/
noun
1. mensen onder voor de buitenwereld onzichtbare bedreiging zaken tegen hun wil laten doen
Erpressung
verb
1. iets goedkoper maken
  1. herabsetzen
  2. reduzieren
verb
1. een pak rammel geven, afranselen
  1. durchprügeln
  2. verprügeln
  3. zusammenschlagen
verb
1. een pak slaag geven
  1. verprügeln
  2. verhauen
verb
1. een aankoop of schuld betalen
  1. bezahlen
  2. zahlen
verb
1. door middel van oefening voor iets geschikt maken
  1. abrichten
  2. dressieren
pronoun
1. het continent ten zuiden van Europa, tussen de Indische en de Atlantische Oceaan.
Afrika
noun
1. benaming voor planten uit het geslacht Tagetes
Studentenblume
/afriˈkaːns/
adjective
1. komende van of betreffende het continent Afrika
afrikanisch
/afriˈkaːns/
pronoun
1. een van het Nederlands afstammende taal die wordt gesproken in Zuid-Afrika en Namibië
Afrikaans
adjective
1.
afrikaanssprachig
noun
1. een verkeersweg waarlangs men naar beneden van een autoweg of autosnelweg af kan rijden
Ausfahrt
verb
  1. 1. het vervangen van een getal met te veel decimalen door het meest dichtbije getal met het gewenste aantal decimalen
    abrunden
  2. naar boven afronden
    aufrunden
verb
1. een pak ransel geven, afranselen
  1. durchprügeln
  2. tabasser
  3. verprügeln
  4. zusammenschlagen
verb
1. tot een einde brengen
abschaffen
noun
1. een begroeting bij het elkaar verlaten
Abschied
verb
1. afzonderen, uit de aanwezigheid van iets verwijderen
absondern
noun
Trennung
verb
2. met een scherm scheiden, omsluiten
abgrenzen
verb
  1. 2. met een scheurbeweging losmaken
    1. abreißen
    2. herunterreißen
  2. 1. door een scheurbeweging van een groter geheel losraken
    1. abreißen
    2. reißen
verb
1. met een schot doden
abschießen
/ɑfsxɪldərə(n)/
verb
1. een meestal niet geheel terechte weergave van iets of iemand geven
  1. schildern
  2. beschreiben
/af.sχɾɪft/
noun
Abschrift
noun
  1. 1. een mededeling dat een bedrag op een rekening verrekend is
    1. Abbuchung
    2. Lastschrift
  2. 1. een jaarlijks afgeboekt bedrag op een begroting om in rekening te brengen dat sommige goederen een beperkte levensduur beziten
    Abschreibung
verb
1. het schuin afwerken van de rand van een materiaal.
abschrägen
verb
1. door schuren gladmaken
  1. abscheuern
  2. abschmirgeln
noun
1. hevige afkeer
  1. Abscheu
  2. Ekel
/ˈɑfslɑxtɪŋ/
noun
1. het zinloos vermoorden van mensen op een gruwelijke manier
  1. Blutbad
  2. Massaker
noun
1. een uitrit die van een snelweg afvoert
Ausfahrt
verb
1. in een proces van slijtage verliezen
  1. abscheuern
  2. abschleifen
  3. verschleißen
/'ɑf.slœy.tə(n)/
verb
  1. 2. zorgen dat iets niet meer werkt, alle verbindingen verbreken
    1. abdrehen
    2. sperren
  2. 3. een officiële afspraak op papier maken, officieel regelen
    abschließen
  3. 4. een einde maken aan
    1. abschließen
    2. beenden
  4. 1. zorgen dat iets of iemand niet in, uit of door iets kan gaan, alle openingen dicht doen
    verschließen
noun
  1. 2. beëindiging
    1. Abschluss
    2. Beendigung
  2. 1. iets afsluiten
    1. Sperre
    2. Sperrung
    3. Unterbrechung
  3. 3. een voorwerp dat ervoor zorgt dat iets afgesloten wordt
    Verschluss
verb
  1. 1. ergens een stuk vanaf halen
    abschneiden
  2. 2. rakelings langs iemand naar dezelfde weghelft gaan
    schneiden
verb
1. met een snoer afbinden
abschnüren
verb
    1. 1. afdraaien
    2. 2. tot het einde toe spelen
    3. 3. iets door veelvuldig bespelen bederven en onbruikbaar maken
    abspielen
  1. 4. zich ~: gebeuren
    sich abspielen
noun
Widerspiegelung
noun
1. een overeenkomst
  1. Abmachung
  2. Absprache
verb
1. een onderling vergelijk vastleggen
vereinbaren
noun
Abkömmling
verb
1. ~ van: een nakomeling zijn van
abstammen
noun
1. de genetische voorgescheidenis van een individu, volk of soort
Abstammung
/ˈɑfstɑnt/
noun
1. de ruimte die zich ergens tussen bevindt
Abstand
noun
een toestel dat vanaf afstand een ander toestel bestuurt
  1. Fernbedienung
  2. Fernsteuerung
verb
  1. 1. door insteken van bijvoorbeeld een spade een hoeveelheid materiaal verwijderen
    abstechen
  2. 3. doen ontbranden
    anzünden
/'ɑfstɛlə(n)/
verb
1. regelbare parameters zo kiezen dat een toestel voor een bepaald doel gereed is
einstellen
/ɑfstɛmox/
noun
1. inrichting aan een radio- of tv-toestel waarop men kan aflezen hoe sterk de ontvangst is van het ontvangen radiosignaal
magisches Auge
verb
  1. 1. zijn scherpheid verliezen
  2. 3. iemands tegenwoordigheid van geest nadelig beïnvloeden
abstumpfen
verb
abstoßen
adjective
1. van iets dat men het liever op afstand houdt
abstoßend
/ɑf/, /ɑft/
noun
1. een kleine zweer in de mond ten gevolge van een virus
Aphte
noun
Abzweigdose
verb
3. zichtbaar, duidelijk worden
  1. sich abzeichnen
  2. sichtbar werden
noun
1. het weggaan
Abzug
noun
1. de eerste trap vanuit de middencirkel bij het begin van speeltijd van een voetbalwedstrijd
Anstoß
verb
  1. 8. (een man) seksueel bevredigen, aftrekken
    herunterholen
  2. 1. rekenkundige bewerking waarbij een getal met een getal verminderd wordt
    1. subtrahieren
    2. abziehen
  3. 7.
    wichsen
/ˈɑftrɛksəɫ/
noun
1. een vloeistof waarin men de oplosbare delen van iets heeft laten oplossen
Aufguss
/ˈɑftrɔɣələ(n)/
verb
1. door aanhoudende vriendelijke bede en zoet gevlei ietst van iemand verkrijgen, op slinkse manier loskrijgen
  1. abluchsen
  2. abschwatzen
  3. abschwindeln
verb
  1. 2. versieringen verwijderen
    abschmücken
  2. 1. ontdoen van alle tuig
    abtakeln
  3. 3. iemand een flinke afstraffing geven
    verprügeln
/ˈɑˌfaːrdəɣə(n)/
verb
1. iemand machtigen om iets te vertegenwoordigen, meestal een vereniging of een staat
  1. abordnen
  2. delegieren
noun
Delegation
/ ˈɑfɑlə(n) /
verb
    1. 3. ontrouw worden aan zijn geloof
    2. 2. de koers van een schip in de richting van de lijzijde wijzigen
    abfallen
  1. 4. vallen vanaf een hoger gelegen plek
    1. abfallen
    2. fallen
  2. 1. gewicht verliezen.
    abnehmen
  3. 5. niet meer meetellen
    ausscheiden
adjective
1. niet trouw of loyaal aan
abtrünnig
noun
1. het ontrouw worden aan zijn geloof
  1. Abtrünnigkeit
  2. Apostasie
noun
1.
Abfallverarbeitung
noun
1.
Abfallentsorgung
noun
1. water dat gebruikt is in de industrie of in het huishouden en dat na gebruik geloosd wordt
Abwasser
verb
1. met een doekje of papiertje vuil weghalen
abwischen
verb
  1. 1. zich ~: zichzelf een vraag stellen
  2. 2. zich ~: vraagtekens plaatsen bij
sich fragen
/ˈɑfwɑxtə(n)/, /ˈɑfʋɑxtə(n)/, /ˈɑfʋɑχtə(n)/
verb
1. wachten op wat er gaat gebeuren
abwarten
noun
Erwartung
noun
Abwasch
noun
1. een apparaat om automatisch de afwas te doen
Geschirrspülmaschine
noun
1. zeepproduct voor de afwas
Geschirrspülmittel
noun
1. een apparaat om automatisch de afwas te doen
Geschirrspülmaschine
noun
1. het sop waarin met het eetgerei schoonmaakt of -gemaakt heeft
Spülwasser
verb
1. overtollig water afvoeren
entwässern
noun
1. de paden waarlangs water uit een stuk land afgevoerd kan worden
Abfluß
/ɑfwergəsxʌt/
noun
1. verzamelterm voor vuurwapens waarmee verdedigers aanvallende vliegtuigen kunnen bestoken
Flugabwehrkanone
noun
  1. Antikörper
  2. Antistof
/ɑfˈwerə(n)/
verb
1. een aanval neutraliseren
  1. abwehren
  2. verhindern
verb
1. de laatste en kleine details afmaken
fertigstellen
adjective
1. niet op een bepaald tijdstip en plaats zijn
abwesend
noun
1. het afwezig zijn op een bepaald tijdstip en plaats
Abwesenheit
verb
1. niet de gangbare norm volgen
abweichen
/'ɑfʋɛɪzɪŋ/
noun
1. een bericht dat op een voorstel of aanzoek niet ingegaan wordt
Abweisung
noun
2. afhandeling van een bepaald zakelijk of technisch proces
Abwicklung
/ˈɑfʋɪsələ(n)/
verb
1. om en om plaatsvinden
abwechseln
verb
1. met een vegende beweging verwijderen of schoonmaken
  1. abwischen
  2. wegwischen
verb
1. aangeven dat men niet gaat komen
absagen
noun
1. een termijn mondeling afbestellen
  1. Absage
  2. Abbestellung
  3. Abmeldung
noun
1. iemand die iets naar een adres verzendt
  1. Absender
  2. Absenderin
verb
1. amputeren
amputieren
noun
1. iemand die door misleiding een buitensporige betaling voor iets weet te verkrijgen
Betrüger
noun
Abzocke
noun
  1. 1. iets waarmee je mensen kunt tegen houden zoals bijvoorbeeld een hek of een link
    Absperrung
  2. 2. amputatie van een lichaamsdeel
    1. Abtrennung
    2. Amputation
verb
  1. 2. lijden, ongemak doorstaan
    sich abmühen
  2. 1. besluiten iets niet te doen
    1. verzichten
    2. absehen von
/ˈɑfsɔndərɪŋ/
noun
1. het afzonderen
Absonderung
/ˈɑfzœʏχkɑp/, /ˈɑfzœːxkɑp/
noun
1. een huishoudelijk apparaat in de keuken dat de kookluchtjes moet afvoeren
Dunstabzugshaube
noun
  1. 1. een doorzichtige, maar soms ook opake variëteit van trigonaal kwarts...
  2. 2. een stenen voorwerp bestaande of vervaardigd uit agaat
Achat
adjective
  1. Achatgrau
  2. achatgrau
noun
1. een gebrek aan moedermelk
  1. Agalaktie
  2. fehlende Milchproduktion
/a.ˈɣɛn.da/, /a.ˈχɛn.da/
noun
  1. 2. een lijst van te bespreken punten op een vergadering
    Tagesordnung
  2. 1. een notitieboek waarin afspraken genoteerd worden
    1. Terminkalender
    2. Notizbuch
/'aɣɛns/
noun
1. een werkzame stof
Wirkstoff
/aɤ'ɛntsxɑp/
noun
1. lokale vertegenwoording van een grotere organisatie
Agentur
noun
1. verergeren of overdrijven
Verschlimmerung
noun
1. samenklontering
  1. Zusammenballung
  2. Zusammenschluss
noun
1. elk van de toestanden, afhankelijk van druk en temperatuur, waarin een stof kan voorkomen
Aggregatzustand
verb
  1. Börsenwucher treiben
  2. an der Börse spekulieren
  3. spekulieren
noun
1. opwinding
  1. Agitation
  2. Ruhelosigkeit
  3. allgemeine körperliche Unruhe
noun
Agnostizismus
noun
1. iemand die ten aanzien van het bovennatuurlijke stelt dat dit niet te kennen valt
  1. Agnostiker
  2. Agnostikerin
noun
1. spier die zelfstandig werkt
Agonist
noun
Agoraphobie
noun
1.
Agrafie
noun
1. vermindering van het aantal korrelcellen(witte bloedcellen) in het bloed
  1. Agranulozytose
  2. Granulozytenverminderung im Blut
noun
Agrarier
adjective
1. aanvallend
  1. aggressiv
  2. angriffslustig
noun
  1. 1. de neiging tot agressie
  2. 2. het agressief zijn
Aggressivität
/aɣriˈmoni/
noun
1. benaming voor overblijvende, kruidachtige planten uit het geslacht Agrimonia
odermennige
noun
1. de landbouwkunde
Agronomie
pronoun
Awakatekisch
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Ahaus
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Ahlen
/a.ˈhɔrn/
noun
1. een boom of heester van het geslacht Acer.
Ahorn
noun
Ahornsirup
pronoun
1.
Ahrgebirge
noun
1. een virusziekte waarbij het natuurlijke afweersysteem van het lichaam steeds verder afgebroken wordt
AIDS
noun
Haltung
noun
1. beschermingssysteem in voertuigen
Airbag
noun
1. een apparaat dat voor airconditioning zorgt
  1. Klimaanlage
  2. Airconditioner
noun
1. de regeling van de temperatuur en de vochtigheidsgraad van de lucht in een ruimte
Airconditioning
/ˈɛːrʃo/
noun
1. evenement waar publiek kan kijken naar bijzondere vliegtuigen en naar vluchten waarmee piloten hun vaardigheden laten zien
Flugschau
pronoun
1. hoofdstad van de Franse regio Corsica
Ajaccio
noun
1. Lamprotes c-aureum
Wiesenrauten-Goldeule
adjective
  1. ekelhaft
  2. widerlich
  3. unheimlich
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noord-Rijnland-Westfalen, niet ver van Maastricht
Aachen
/'akər/
noun
  1. 2. vrucht van de eik
    Eichel
  2. 1. koperen of ijzeren emmertje, dat men aan een touw neerlaat om water te putten
    Wassereimer
noun
1. bewegingsarmoede
  1. Akinese
  2. Akinesie
  3. Akinesis
  4. Bewegungsarmut
  5. Bewegungshemmung
  6. Bewegungslosigkeit
/ˈɑ.kər.ˌbo.tər.ˌblum/
noun
1. bepaald soort plant, Ranunculus arvensis
Acker-Hahnenfuß
noun
Agrarbetrieb
noun
  1. Bauer
  2. Landwirt
noun
1. bepaald soort plant, Cirsium arvense
Acker-Distel
noun
1. bepaald soort tweejarige- of meerjarige plant, Melilotus officinalis
gelber Steinklee
noun
1. bepaald soort vaste plant, Cerastium arvense
Acker-Hornkraut
noun
1. bepaald soort plant, Rorippa sylvestris
wilde Sumpfkresse
noun
1. bepaald soort plant, Lapsana communis
Gemeiner Rainkohl
noun
acker-schachtelhalm
noun
Ackerwinde
noun
1. bepaald soort eenjarige plant, Ajuga chamaepitys
Gelber Günsel
noun
  1. 1. overeenkomst
    Abkommen
  2. 2. samenklank van drie of meer, verschillende tonen
    Akkord
noun
1. akkoordsymbool
Akkordsymbol
/ˌakusˈtik/
noun
1. de voortplanting van klank in een besloten ruimte en de ervaring die deze voortplanting ...
Akustik
noun
  1. 2. onderdeel van een theatervoorstelling
    1. Akt
    2. Aufzug
  2. 1. officieel schriftelijk stuk
    Urkunde
adverb
1. reeds
  1. schon
  2. bereits
phraseologicalUnit
Affen bleiben Affen, wenn man sie auch in Seide, Sammet und Scharlach kleidet
phraseologicalUnit
  1. Lügen haben kurze Beine
  2. Lügen haben keine Beine
  3. die Lüge mag noch so geschwind sein, die Wahrheit holt sie ein
pronoun
1. Braziliaanse deelstaat gelegen in de Regio Noordoost van het land. Hoofdstad is Maceio
Alagoas
noun
1. het niet kunnen spreken
Alalie
/ɑlɑr'merən/
verb
1. door alarm oproepen of bijeenroepen
alarmieren
noun
1. een noodsignaal, vaak in de vorm van een luid geluid of een knipperend licht, dat voor dreigend gevaar waarschuwt
Alarmsignal
/ɑˈlɑrmsiˌstem/
noun
1.
Gefahrenmeldeanlage
/ɑɫbaˈneːs/
adjective
1. gerelateerd aan of afkomstig uit Albanië
albanisch
/ɑɫbaˈneːs/
noun
1. (mannelijke) inwoner van Albanië, of iemand afkomstig uit Albanië
Albaner
/ɑɫbaˈneːs/
pronoun
1. taal die vooral in Albanië en Kosovo gesproken wordt
  1. Albanisch
  2. albanisch
/ɑlˈbaːni.jə/, /ɑɫˈbani.jə/
pronoun
1. een land in het westen van de Balkan, grenzend aan de Adriatische en de Ionische Zee en aan Griekenland, Macedonië, Kosovo en Montenegro
Albanien
adjective
1. van albast vervaardigd
alabastern
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Diomedeidae
Albatros
pronoun
Albert-Kanal
noun
het ontbreken van pigmentkleurstof in de huid
Albinismus
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Albstadt
noun
1. in water oplosbaar eiwit dat veel in bloed voorkomt
Albumin
noun
1. vroegere occulte wetenschap, waarin o.a. werd geprobeerd om goud en edelmetalen uit andere elementen...
Alchemie
noun
1. elk van de verbindingen uiteen groep koolwaterstoffen die gekenmerkt zijn...
Alkohol
adjective
1. alcohol bevattend
alkoholisch
verb
1. met alcohol vermengen of behandelen
alkoholisieren
noun
  1. Alkoholismus
  2. Trunksucht
  3. Alkoholkrankheit
noun
Alkoholiker
noun
  1. Alkoholismus
  2. Alkoholabhängigkeit
adjective
1. met een verwaarloosbaar alcoholgehalte
alkoholfrei
adverb
1. in de eerder genoemde plaats
  1. dort
  2. dortselbst
noun
1. aldislamp
  1. Aldislampe
  2. Signallampe
adverb
1. zo, op deze manier
so
noun
Engels bier
Ale
pronoun
1. verzamelnaam voor een groep Duitse dialecten die gesproken worden door ongeveer zes miljoen mensen in Zuid-Duitsland, Zwitserland, Oostenrijk, Liechtenstein en Oost-Frankrijk
Alemannisch
pronoun
1. keten van vulkanische eilanden in Alaska ,die zich boogvormig uitstrekt en een scheiding vormt tussen de Grote Oceaan en de Beringzee
Alëuten
/aˈlɛrt/, /əˈlʏːrt/
adjective
1. oplettend
alert
noun
Wachsamkeit
/ˈɑlfa/
noun
1. een aanduiding of markering van "de eerste" van een reeks
Alpha
noun
de lettertekens van een taal
  1. Alphabet
  2. Abc
  3. ABC
adjective
1. gerangschikt volgens de letters van het alfabet
alphabetisch
/ɑl.fa.bæː.tɪ.ˈzeː.rə(n)/, /ɑɫ.fa.be.ti.ˈzɪː.rə(n)/
verb
1. lezen en schrijven aanleren
alphabetisieren
noun
1. ontkiemde zaden van luzerne
Luzerne
noun
1.
Alphastrahlung
noun
1. achterhaalde aanduiding voor de aanvoerder binnen een roedel wolven
Leitwolf
noun
1. Oryx dammah, een antilope van de droge streken in het midden-Oosten en Noord-Afrika
Säbelantilope
/ˈɑɫɣəbra/
noun
1. deel van de wiskunde dat zich bezighoudt met de betrekkingen van door letters...
Algebra
/ɑl.ɣə.'rɛɪ̯.jə/, /ɑɫ.ɣə.'rɛː.jə/, /ɑɫ.χə.'rɛɪ̯.jə/
pronoun
1. een land in Noord-Afrika, officieel de Democratische Volksrepubliek Algerije
Algerien
adjective
1. Uit/afkomstig van Algerije
algerisch
/ɑɫˈxiːrs/, /ɑɫˈɣiːrs/
pronoun
1. Hoofdstad van Algerije
Algier
noun
Algorithmus
noun
1. vizierliniaal
Alhidade
adverb
1. in deze plaats
  1. hier
  2. hierselbst
/aliɑs/
adverb
1. anders gezegd, ook wel genaamd
  1. alias
  2. auch bekannt als
/aliɑs/
noun
1. een bijnaam
Spitzname
/ˈaː.liˌbi/
noun
1. het kunnen aantonen dat men elders was tijdens het zich voltrekken van een misdaad,...
Alibi
noun
1. eetbare zeeslak
Strandschnecke
adjective
1. met betrekking tot de voeding
  1. Ernährungs-
  2. Nahrungs-
  3. ernährend
  4. nahrhaft
  5. nährend
  6. zur Nahrung dienend
noun
Alimentation
/aˈlinija/
noun
Absatz
/ɑlk/
noun
1. bepaald soort zeevogel die veel op de zeekoet lijkt, maar een dikkere snavel heeft
Tordalk
noun
Alkane
/ˈɑlkalimeˌtal/
noun
1. de naam voor elk element uit de eerste chemische reeks van het periodiek systeem
Alkalimetall
adjective
met betrekking tot alkali
alkalisch
noun
1. zuurverlies
  1. Alkalose
  2. Alkalämie
  3. Blut-pH-Erhöhung
  4. erhöhter Basenghehalt im Blut
noun
1. een stikstof bevattende plantenbase
Alkaloid
noun
Alken
/ɑlkˈmar/
pronoun
1. een stad en gemeente
Alkmaar
noun
1. vrouwelijke inwoner van Alkmaar
Alkmaarerin
noun
1. een kleine raamloze zijkamer, vaak gebruikt als slaapkamer
  1. Alkoven
  2. Bettnische
pronoun
1. God in islamistisch of Arabische context
Allah
/ˈɑlə/
indefinitePronoun
1. elke, geen, uitgezonderd
alle
adjective
alltäglich
/ɑl.ˈen/
adverb
1. slechts
  1. nur
  2. einzig
noun
1.
Alleinherrschaft
noun
1. iemand die met onbeperkte oppermacht regeert
Alleinherrscher
noun
1. iemand die geen partner heeft
Alleinstehende
noun
Allegorie
/ɑ.ˈlɛl/, /ɑ.ˈlɛɫ/
noun
1. elk van de alternatieve uitvoeringen van een gen, die allemaal in homologe chromosomen op dezelfde plaats liggen
Allel
/ˈɑlən/
cardinalNumeral
hoofdtelwoord
alle
/ˈɑlən/
indefinitePronoun
1. alle
alle
noun
1. stof die overgevoeligheid veroorzaakt
Allergen
/ˌɑlɛrˈɣi/
noun
1. een reactie van het immuunsysteem op lichaamsvreemde stoffen (allergenen), die op zich helemaal niet schadelijk hoeven te zijn
Allergie
adjective
1. overgevoelig
allergisch
noun
wetenschap die allergieën bestudeert
Allergologie
pronoun
1. een rooms-katholieke feestdag op 1 november ter gezamenlijke verering van alle heiligen van de Kerk
Allerheiligen
adjective
hochheilig
indefinitePronoun
allerlei
/ˌɑlərˈzilə(n)/
pronoun
1. Katholieke feestdag
Allerseelen
indefinitePronoun
1. al het mogelijke, de gehele verzameling of hoeveelheid zonder uitzondering
alles
noun
Allesfresser
noun
Legierung
noun
1. een bondgenootschap
Allianz
noun
1. een grote krokodilachtige uit het geslacht Alligator
Alligator
adjective
1. uit een ander land of plaats afkomstig
  1. ausländisch
  2. allochthon
noun
1. iemand die van elders afkomstig is
  1. Einwanderer
  2. Immigrant
noun
1.
Allophon
noun
1.een geneesmiddel dat de aanmaak van urinezuur tegengaat
Allopurinol
/ˌɑ.lo.tro.ˈpi/
noun
1. scheikundig verschijnsel
Allotropie
noun
Allüren
noun
1. een hoger gelegen weide in de bergen
Alm
/ɑɫmɑxt/
noun
1. absolute macht, macht over alles
  1. Allmacht
  2. Allmächtigkeit
noun
Almanach
noun
alnico
noun
  1. Allgegenwart
  2. Allgegenwärtigkeit
noun
1. haaruitval
  1. Haarausfall
  2. Alopezie
  3. Haarmangel
  4. Haarschwund
  5. Kahlköpfigkeit
noun
benaming voor bloeiende, succulente planten uit het geslacht Aloe
  1. Aloen
  2. Aloe
noun
1. bepaald soort succulent, Aloe vera
Echte Aloe
/ɑlp/
noun
1. een hooggelegen bergweide, met name in de Alpen
Alm
noun
  1. 1. bepaald soort zoogdier Vicugna pacos
    1. Alpaka
    2. Alpakahengst
  2. 2. zilverkleurige metaallegering
    neusilber
pronoun
1. een gebergte dat Italië van de rest van Europa scheidt
Alpen
noun
1. bepaald soort overblijvende plant die te vinden is in de meeste Europese gebergtes, Pulsatilla alpina
Alpen-Kuhschelle
noun
Zirbelkiefer
noun
1. een optisch fenomeen dat net voor zonsopgang en na zonsondergang in gebergten waar te nemen is en waarbij met name besneeuwde bergtoppen een roodachtig licht weerschijnen
Alpenglühen
noun
1. een van hout vervaardigd blaasinstrument met een lengte tot vier meter
Alphorn
noun
1. bepaald soort plant, Myosotis alpestris
Alpen-Vergissmeinnicht
verb
1. sport waarbij men op ski's een heuvel of berg afdaalt.
Ski Alpin
noun
1. iemand die de bergsport beoefent
Alpinist
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Alpirsbach
/ɑls/, /ɑs/
conjunction
  1. 3. in de hoedanigheid van
    als
  2. 2. indien
    1. falls
    2. wenn
  3. 1. wanneer
    1. wenn
    2. sobald
phraseologicalUnit
1. als de kat van huis is, dansen de muizen op tafel
Ist die Katze aus dem Haus, tanzen die Mäuse auf dem Tisch.
phraseologicalUnit
  1. 1. als mensen gretig aan het eten zijn, wordt er niet zo veel gepraat
  2. 2. iemand die druk is met winstgevende bezigheden praat daar niet over
maust die Katze, so miaut sie nicht
phraseologicalUnit
1. iemand die te veel heeft gedronken is niet meer in staat goede beslissingen te nemen
ist der Wein im Manne, ist der Verstand in der Kanne
noun
1. benaming voor planten van het composietengeslacht Artemisia
Wermut
noun
Beifußblättriges Traubenkraut
adverb
1. als beleefde aandrang bij een verzoek of versterking bij een bevel
bitte
conjunction
1. en ook
  1. als auch
  2. so wie
adverb
1. toch nog
  1. hinterher
  2. nachträglich
conjunction
1. luidt een vergelijking in
als ob
adverb
1. als beleefde aandrang bij een verzoek of versterking bij een bevel
bitte
noun
1. lage vrouwenstem
  1. Altstimme
  2. Alt
noun
1. offertafel voor godsdienstige plechtigheden
Altar
pronoun
1. Atair/Altair
  1. Altair
  2. Atair
noun
1. een eenvoudig houten blaasinstrument
Altblockflöte
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Altensteig
noun
1. toonverandering
Alteration
/ɑltərnaˈtif/
noun
1. een andere mogelijkheid of methode
Alternative
verb
1. (elkaar) min of meer regelmatig afwisselen
alternieren
conjunction
1. geeft in het tweede gedeelte meer specifiek aan wat er bedoeld wordt
  1. immerhin
  2. mindestens
  3. jedenfalls
noun
1. koperen blaasinstrument in alt stemming
Althorn
adverb
  1. 1. op elk moment, blijvend
  2. 2. telkens opnieuw
  3. 3. in elk geval
immer
phraseologicalUnit
1.
immerzu auf einem Ambosz schmieden
noun
  1. Altruismus
  2. Selbstlosigkeit
  3. Uneigennützigkeit
noun
1. altsaxofonist
  1. Altsaxofonist
  2. Altsaxophonist
noun
1. altsaxofoon
Altsaxofon
noun
1. altviolist
Bratscher
/ˈɑltfiˌjoːl/
noun
1. een muziekinstrument in de familie van de strijkinstrumenten, verwant aan maar groter en lager klinkend dan de viool
Bratsche
/alyˈminijʏm/
noun
1. scheikundig element met symbool Al en atoomnummer 13
Aluminium
noun
Aluminiumbronze
noun
Aluminiumfolie
adverb
schon
/ˌɑɫveˈol(ə)/
noun
1. wetenschappelijke benaming voor longblaasje
Alveole
noun
  1. 1. ontsteking van de longblaasjes
    Alveolitis
  2. 2. ontsteking van de tandkas
    1. Alveolitis
    2. Zahnalveolenentzündung
    3. Zahnfachentzündung
noun
  1. Ukelei
  2. Laube
noun
1. een klier die enzymen afscheidt in de twaalfvingerige darm om de afbraak van zetmeel, vet en eiwitten te bevorderen
  1. Bauchspeicheldrüse
  2. Pankreas
conjunction
1. luidt een handeling in die in de tijd voorafgaat aan die van de hoofdzin
  1. bevor
  2. ehe
adverb
schon wieder
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Rijnland-Palts
Alzey
/amɑl'ɣaːm/
noun
1. kwiklegering
Amalgam
noun
  1. 1. kleine bladverliezende loofboom, Amygdalus dulcis
    1. Mandel
    2. Mandelbaum
    1. 1. eetbare pit van de amandelvrucht
    2. 3. klier in de neus-keelholte
    Mandel
noun
  1. Mandelbaum
  2. Mandel
noun
1. een mengsel van amandelen en suiker dat wordt gebruikt in o.a. gevulde speculaas en boterletters
  1. Mandelmasse
  2. Marzipan
noun
Mandelblättrige Wolfsmilch
noun
1. of 2. (zaden van) geslacht Amaranthus
Amarant
noun
Schmirgel
noun
1. een persoon die iets als hobby doet
Amateur
noun
Amateurastronomie
noun
Amateurismus
noun
1. vrouw die iets als hobby doet en dus niet beroepsmatig
Amateurin
pronoun
Amazonas
noun
Amazonenameise
noun
Goldpflaume
noun
1. de officiële vertegenwoordiging van de ene regering in de hoofdstad van de andere.
Botschaft
noun
1. iemand die door de ene staat is aangesteld om deze staat bij een andere staat te vertegenwoordigen
  1. Botschafter
  2. Botschafterin
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Amberg
adjective
1. vervelend, onprettig
  1. ungut
  2. unwohl
  3. öde
adjective
beidhändig
/ɑmˈbi(t)si/
noun
Ambition
adjective
1. vol van de wens en het vertrouwen om iets te bereiken
ehrgeizig
adjective
1. op hetzelfde moment twee verschillende, meestal positieve en negatieve, waardes hebbend
ambivalent
noun
1.
Ambivalenz
verb
1. naar iets streven
anstreben
noun
1. lui oog
  1. Amblyopie
  2. Sehschwäche
  3. Schachsichtigkeit
noun
1. officiële betrekking
Amt
noun
1. iemand die aangesteld is in een door de overheid beheerde dienst
Beamte
noun
1. een vrouwelijk persoon die aangesteld is in een door de overheid beheerde dienst
Beamtin
/ɑmtsˈketə(n)/
noun
1. een halsketting als symbool van het ambt van een hoge ambtsdrager...
Amtskette
noun
1. voertuig om gewonden of zieken van en naar het ziekenhuis te brengen
  1. Krankenwagen
  2. Ambulanz
adjective
1. in staat om te lopen
ambulant
/ɑˈmɛxtəx/
adjective
1. sterk hijgend
atemlos
pronoun
Ameland
noun
1. het uitblijven van de menstruatie
  1. Fehlen der Menstruation
  2. fehlende Regelblutung
noun
1.een zoete likeur met amandelsmaak uit Italië
Amaretto
noun
Americium
/aˈmɪːriˌka/
abbreviation
1 en 2
Amerika
noun
2. een inwoner van de Verenigde Staten van Amerika
  1. Amerikaner
  2. Amerikanerin
adjective
1. betreffende of komende van Amerika
  1. amerikanisch
  2. US-amerikanisch
noun
1. vrouwelijke inwoner van Noord- of Zuid-Amerika
Amerikanerin
noun
1. bepaald soort karperachtige, Pimephales promelas
Fettköpfige Elritze
noun
1. bepaald soort snelgroeiende boom, Quercus rubra
Roteiche
noun
1. oorspronkelijk uit Amerika afkomstige soort zoetwatervis die ook in de Benelux voorkomt, Umbra pygmaea
Amerikanischer Hundsfisch
noun
1. bepaald soort eenjarige plant, Lepidium virginicum
Virginische Kresse
noun
1. bepaald soort plant, Mammea americana
Mammiapfel
noun
1. bepaald soort zoogdier, Martes americana
Fichtenmarder
noun
1. bepaald soort struik, Hamamelis virginiana
Virginische Zaubernuss
noun
1. bepaald soort plant, Prunus serotina
Späte Traubenkirsche
noun
1. Ursus americanus, een zwarte berensoort die in Noord - Amerika leeft.
Amerikanischer Schwärzbar
noun
1. in water en op land levend dier
  1. Amphibie
  2. Lurch
noun
1. een door de oude Grieken en Romeinen gebruikte buikige kruik met twee oren
  1. Amphore
  2. Amphora
noun
1. door de oude Grieken en Romeinen gebruikte buikige kruik met twee oren
  1. Amphora
  2. Amphore
adjective
1.
amphotere
pronoun
1. een taal die in Ethiopië gesproken wordt
Amharisch
pronoun
1. een taal die in Ethiopië gesproken wordt
Amharisch
noun
1. een organische verbinding die kan worden beschouwd afgeleid te zijn van ammoniak...
Amin
noun
Aminosäure
noun
Munition
noun
1. geheugenverlies
  1. Amnesie
  2. Erinnerungsverlust
  3. Gedächtnisschwund
noun
1. lamsvlies, het binnenste der eivliezen van het embryo in het moederlichaam
  1. Amnion
  2. Schafhaut
  3. Eihaut
  4. Embryonalhülle
  5. Wasserhaut
noun
1. eencellige eukaryoot die van vorm kan veranderen door het uitsteken en intrekken van schijnvoetjes
  1. Amöbe
  2. Wechseltierchen
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Amorbach
/aˈmɔs/
pronoun
1. en 3. profeet en jongensnaam
Amos
adjective
verliebt
/ˈɑmpəɫ/
adjective
1. omstandig, meer dan genoeg
  1. ausführlich
  2. weitläufig
adverb
1. nauwelijks
kaum
noun
Amplitude
noun
  1. 1. dichtgesmolten medicijnflesje, waarin steriele injectiestoffen worden afgeleverd
    Ampulle
  2. 4. schenkkannetje voor wijn of water, gebruikt bij de mis
    Messkännchen
verb
1. een lichaamsdeel chirurgisch verwijderen
  1. amputieren
  2. entfernen
noun
Ampere
noun
1. stroommeter
  1. Amperemeter
  2. Strommesser
noun
Brauner Senf
/ɑmstər'dɑm/
pronoun
1. de hoofdstad van Nederland, gelegen in de provincie Noord-Holland
Amsterdam
/ɑmstər'dɑmərtjə/
noun
1. een paaltje op het trottoir dat ongewenst parkeren voorkomt
Poller
noun
1. iets waarmee men zich vermaakt
Unterhaltung
verb
  1. 1. op aangename wijze een indruk op iemand maken, iemand doen (glim)lachen
    amüsieren
  2. 2. zich ~ met genoegen scheppen in een activiteit
    sich amüsieren
adjective
1. met betrekking tot de darmuitgang van de mens
anal
noun
1. opbouw bij de stofwisseling waarbij simpele stoffen omgezet worden tot chemisch ingewikkeldere stoffen
Anabolismus
adjective
1. weefselopbouwend
  1. Anabolikum
  2. anabol
  3. anabolisch
noun
Einsiedler
noun
  1. Anachronismus
  2. Zeitirrtum
/ɑnakroˈnɪstis/
adjective
1. niet passend in de tijdsvolgorde of in de periode waarin het wordt gepresenteerd
anachronistisch
/anaˈkɔnda/
noun
1. zeer grote en zware wurgslang uit het geslacht Eunectes
Anakonda
adjective
1.
anaerob
adjective
1. als gevolg van overgevoeligheid (allergie)
  1. anaphylaktisch
  2. allergisch
  3. überempfindlich
/ˌa.na.fi.lɑkˈsi/
noun
1. een medische term voor een snelle systemische allergische reactie
Anaphylaxie
noun
1. de concretisering van spirituele fenomen in teksten of toespraken
Anagogie
noun
  1. Analeptikum
  2. Anregungsmittel
  3. Aufputschmittel
  4. Belebungsmittel
  5. Stimulans
  6. Weckmittel
noun
1. een pijnstiller
  1. Analgetikum
  2. Schmerzmittel
  3. Analgeticum
  4. Antalgikum
noun
Analytiker
noun
1. een overeenkomst tussen twee verschillende zaken die bijv. kan dienen als basis voor een bepaalde redenering of vergelijking
Analogie
/ˌɑnəˈloːx/
adjective
2. tegenovergestelde van digitaal (geluidsopname, uurwerk)
analog
/ɑnɐ'liːzə/
noun
Analyse
verb
1. gedetailleerd en nauwkeurig bekijken
analysieren
noun
1. een vraaggesprek naar de ziektegeschiedenis
  1. Anamnese
  2. Krankengeschichte
  3. Vorgeschichte
noun
1. een vrucht van de ananasplant
Ananas
noun
Kapstachelbeere
noun
Anarchismus
noun
Anarchist
adjective
1. betrekking hebbend op anarchisme
anarchistisch
noun
Anatomie
noun
1. een persoon die kennis draagt van de (menselijke) anatomie
Anatom
pronoun
Andalusien
pronoun
Andalusien
adjective
1. niet deze
ander
cardinalNumeral
eineinhalb
adverb
  1. 1. op andere wijze
    anders
  2. 1. behalve
    außer
conjunction
1. leidt een zin in die een andere gang van zaken aangeeft
sonst
adverb
1. (maar) aan de andere kant
andererseits
pronoun
Anden
noun
1. Cichorium endiva, een eetbaar eenjarig gewas dat nauw verwant is aan witlof
Endivie
noun
Zieste
pronoun
1. een kleine staat in Europa die grenst aan Frankrijk en Spanje
Andorra
adjective
1. van/uit Andorra
andorranisch
noun
1. iemand die afkomstig is uit Andorra
Andorraner
noun
1. kruis van twee even lange, schuingeplaatste balken
Andreaskreuz
noun
Androgynie
noun
Andrologie
noun
Androloge
pronoun
    1. 1. mythologische figuur
    2. 2. sterrenbeeld
    Andromeda
  1. 3. melkwegstelsel
    Andromedagalaxie
noun
1. een sterrenstelsel met een spiraalvormige structuur in het sterrenbeeld Andromeda
Andromedanebel
/a.nɛg.ˈdo.tə/
noun
1. een amusant, kort verhaal
Anekdote
noun
1.
Anämie
/ɑnəmon/
noun
1. een plant van het geslacht Anemone
  1. Anemone
  2. Windröschen
noun
een medisch vakgebied
  1. Anästhesiologie
  2. Anaesthesiologie
noun
1. een medisch specialist die zich bezig houdt met het geven van anesthesie aan patiënten die een operatie of een pijnlijk, belastend onderzoek moeten ondergaan
Anästhesist
noun
1. geneeskundige die is gespecialiseerd in het verdoven van patiënten die een operatie of een pijnlijk, belastend onderzoek moeten ondergaan
Anästhesist
noun
een apolaire aromatische onverzadigde ether
Anethol
noun
  1. 2. een vishaak
    Angelhaken
  2. 1. het orgaan waarmee wespen, bijen en soortgelijke dieren steken
    1. Stachel
    2. Wehrstachel
noun
1. leer van de Engelen
Angelologie
/ɑŋəl'sɑksis/
pronoun
1. een West-Germaanse taal die tussen ca. tussen 400 en 1100 werd gesproken en die geldt als de rechtstreekse voorloper van het Middelengels
  1. Angelsächsisch
  2. angelsächsische Sprache
noun
Anglikanismus
noun
1. woord of uitdrukking overgenomen uit het Engels of gevormd naar Engels voorbeeld
Anglizismus
/ɑŋ.ˈ(g)ɣo.la/, /ɑŋ.ˈgo.la/
pronoun
1. een land in Zuidwest-Afrika, officieel de Republiek Angola grenzend aan...
Angola
/angoˈlaːr/
pronoun
1.Creoolse taal
Angolar
noun
1. het gevoel dat er onheil of gevaar dreigt
  1. Angst
  2. Bange
  3. Befürchtung
  4. Bangigkeit
noun
1. een angst veroorzakende droom
Angsttraum
adjective
ängstlich
pronoun
Anguilla
noun
1. bepaald soort schermbloemige plant, Pimpinella anisum
Anis
noun
is een bloemdragende plant die behoort tot de schermbloemenfamilie Umbelliferae of Apiaceae
Anispflanze
noun
Animalität
noun
Animationsfilm
verb
1. opmonteren, opvrolijken
animieren
noun
Lust
noun
Anion
noun
Nelke
/ˈɑ.nʲər.re.voˌly.si/, /ˈɑ.ɲər.re.voˌly.tsi/
pronoun
1. geweldloze militaire staatsgreep
Nelkenrevolution
noun
    1. 1. onderdeel van een vaartuig
    2. 3. onderdeel van een uurwerk
    3. 6. onderdeel van een elektromotor/dynamo
    Anker
  1. 2. muuranker
    1. Anker
    2. Maueranker
noun
1. een zwarte bal dat moet worden getoond op vaartuigen die bij daglicht ten anker liggen
Ankerball
noun
1. een drijver om aan te geven waar het anker van een geankerd schip ligt
  1. Ankerboje
  2. döpper
noun
1. een zwarte bal dat moet worden getoond op vaartuigen die bij daglicht ten anker liggen
Ankerball
verb
    1. 1. het anker uitgooien met de bedoeling het schip hiermede aan de bodem van het vaarwater vast te leggen, voor anker gaan, voor anker leggen
    2. 2. voor anker leggen
    3. 3. zich ergens een vaste positie verwerven, een zitplaats bemachtigen, ergens gaan wonen
    ankern
  1. 4. iets vastmaken/vastzetten met ankers
    verankern
pronoun
  1. 1. meisjesnaam
    Anna
  2. 2. spelwoord voor de letter a
    Anton
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Saksen
Annaberg-Buchholz
/ˌɑnɛkˈsatsi/
noun
1. het verplicht of gedwongen toetreden tot een groep
  1. Einverleibung
  2. Annexion
/ˌɑnɛkˈsɪːrə(n)/
verb
1. het toeëigenen van een grondgebied
einverleiben
noun
2. aankondiging
  1. Annonce
  2. Anzeige
verb
1. van kanttekeningen voorzien
annotieren
/ɑny'lerə/
verb
1. iets afgelasten
annullieren
noun
1. een uit de Bijbel afkomstige aankondiging van een engel aan de maagd Maria dat zij de zoon van God zou baren
Annunziation
noun
1. afwijking van organen
Anomalie
adjective
1. naamloos
  1. anonym
  2. unbekannt
noun
1. naamloosheid
Anonymität
adjective
1. (medisch) lijdend aan of betrekking hebbend op anorexia nervosa
  1. anorektisch
  2. magersüchtig
noun
1. magerzucht, eetstoornis
Magersucht
adjective
1. niet tot de koolstofverbindingen behorend
anorganisch
/a.nɔsˈmi/
noun
Anosmie
pronoun
Anschluss
noun
Anschluss
pronoun
1. een stad in de Oostenrijkse deelstaat Opper-Oostenrijk
Ansfelden
noun
1. een postkaart met een afbeelding
  1. Ansichtskarte
  2. Postkarte
noun
  1. Anschovis
  2. Sardelle
noun
  1. 1. tegenwerkend middel of orgaan
  2. 2. belangrijkste tegenspeler
Antagonist
pronoun
1. het continent rond de zuidpool van de aarde
  1. Antarktis
  2. Antarktika
noun
1. de naam voor het woord waarnaar een ander woord, meestal een betrekkelijk voornaamwoord, verwijst
Bezugswort
verb
2. een eerdere datum op een document schrijven dan die van de huidige dag
rückdatieren
noun
  1. 1. een vrij opgestelde elektrische geleider voor het uitzenden en/of ontvangen van elektromagnetische straling
    Antenne
  2. 2. een voelspriet bij dieren
    Fühler
noun
1. antennedraad
Antennendraht
noun
1. de vrije hoogte van een antenne
Antennenhöhe
noun
1. antennekabel
Antennenleitung
noun
1. antennekring
Antennenkreis
noun
1. hoge antenne-ondersteuningsconstructie
Antennenmast
noun
Anthologie
adverb
1. tegen
anti
noun
1. de tegenstander
Anti
adjective
1. wat overgevoeligheid tegengaat
antiallergisch
noun
1. geneesmiddel dat hartritmestoornis tegengaat
Antiarrhythmikum
noun
Antibiotikum
noun
Antiblockiersystem
noun
Antichrist
noun
1. een weinig spannende, soms teleurstellende ontknoping van het verhaal
Antiklimax
noun
1. een stof die de bloedstolling vertraagt of tegengaat
Antikoagulation
noun
Antikommunismus
noun
1. technieken voor het voorkomen van zwangerschap na geslachtsgemeenschap
Empfängnisverhütung
noun
Antikonzeptivum
noun
1. een methode van anticonceptie in de vorm van een pil, dat je niet zwanger wordt
Antibabypille
noun
1. middel tegen stuipen, toevallen (bij epilepsie)
Antikonvulsivum
noun
Antizyklon
verb
1. voorzien van een te vroege datum
rückdatieren
noun
1. een deeltje waarvan een aantal fysische eigenschappen dezelfde zijn, maar andere eigenschappen (waaronder de lading) precies tegengesteld
Antiteilchen
/ˌɑntideprɛˈsivʏm/
noun
1. een middel tegen ziekelijke neerslachtigheid
Antidepressivum
noun
1. geneesmiddel ter behandeling van suikerziekte
Antidiabetikum
noun
1. een tegengif
  1. Antidot
  2. Antidoton
adjective
  1. 1. oud, maar waardevol
  2. 2. met betrekking tot de klassiek Grieks-Romeinse oudheid
antik
noun
1. oude kunst-, sier- en gebruiksvoorwerpen, die verzameld en verhandeld worden
Antiquität
noun
  1. Antiquar
  2. Antiqitätenhändler
noun
1. vers dat gezongen wordt als inleiding of afsluiting van een psalm
Antiphon
/ɑn.ˌti.(g)ɣ<sup>ʊ</sup>a.ɛn.bɑr.ˈbu.da/, /ɑn.ˌti.gwa.ɛn.bɑr.ˈbu.da/
pronoun
1. eilandstaat in het oostelijk deel van de Caribische Zee, op de grens met de Atlantische Oceaan
Antigua und Barbuda
noun
1. een hoofdpersonage in een verhaal met niet de typerende positieve eigenschappen van een held
Antiheld
noun
1. vrouwelijk hoofdpersonage in een verhaal die niet de typische positieve eigenschappen heeft van een held
Antiheldin
noun
1. stof die de werking van de weefselstof histamine vermindert
Antihistaminikum
noun
1. bloeddrukverlagend middel
Antihypertensivum
noun
Antikörper
pronoun
1. eilandengroep in de Caribische Zee
Antillen
/ɑnti'lopə/
noun
1. een verzamelnaam voor slanke holhoornige hoefdieren die voornamelijk in Afrika leven
Antilope
noun
Antimon
pronoun
1. een provinciehoofdstad in Turkije
Antiochia
noun
1. stof die reacties tegengaat waarbij elektronen worden uitgewisseld
  1. Antioxidans
  2. Antioxidationsmittel
noun
1.
Antipyretikum
noun
1. winkel of bedrijf dat oude en tweedehands boeken verhandelt en verkoopt
Antiquariat
noun
iemand met antisemitische denkbeelden
Antisemit
adjective
1. anti-Joods, tegen het Joodse volk
antisemitisch
noun
Antisepsis
noun
Antiseptikum
noun
1.een middel dat gebruikt worden om de natuurlijke stollingsneiging van het bloed te onderdrukken
Antikoagulation
noun
1. het tegenovergestelde
  1. Gegensatz
  2. Kontrast
noun
Antitoxin
noun
1. een stof die veelal aan koelwater wordt toegevoegd om het vriespunt ervan te verlagen om bevriezen ervan te voorkomen
Frostschutzmittel
adjective
1. tegengesteld van betekenis
  1. antonymisch
  2. Antonym
noun
1. woord met tegengestelde betekenis
  1. Antonym
  2. Gegenwort
/an.tra.ˈsit/, /ɑn.tra.ˈsit/
noun
1. een vorm aan steenkopl die hoge temperatuur heeft gehad
Anthrazit
adjective
  1. Anthrazitgrau
  2. anthrazitgrau
noun
1. een infectieziekte die wordt veroorzaakt door de bacterie Bacillus anthracis
Milzbrand
noun
1. het eten van mensen
Anthropophagie
noun
Anthropologie
noun
Anthropologe
verb
  1. anthropomorphisieren
  2. vermenschlichen
noun
1. de studie naar de oorsprong van de voor- en familienamen van mensen.
Namenforschung
/ˈantˌwɛrpə(n)/, /ˈɑntˌʋɛrpə(n)/, /ˈɑntˌβ̞ɛrpə(n)/
pronoun
  1. 1. een provinciehoofdstad in België
  2. 2. een Belgische provincie
Antwerpen
/ˈɑnt.ʋɔːrt/
noun
1. de reactie op een vraag, van repliek voorzien
Antwort
noun
Anrufbeantworter
/ˈɑnt.ʋɔːr.də(n)/
verb
1. het geven van een antwoord
antworten
noun
1. opening aan het eind van de endeldarm en aan het eind van het spijsverteringskanaal
  1. After
  2. Anus
/aˈɔrta/
noun
1. de slagader die van het hart naar het lichaam, behalve de longen, loopt
Aorta
adjective
  1. 2. bijzonder, opmerkelijk
    1. bemerkenswert
    2. besonders
    3. eigen
    4. eigenartig
  2. 1. op zichzelf, afzonderlijk van het andere
    1. eigen
    2. separat
adjective
apathisch
noun
1. een eetlust opwekkende alcoholische drank die voor de maaltijd genuttigd wordt
Aperitif
noun
1. apertuurantenne
Aperturantenne
noun
1. stam van eencelligen, Apicomplexa
Sporentierchen
noun
1. einde van de wereld, zoals beschreven in het Bijbelboek Openbaringen
Apokalypse
noun
1. wegval van slotklank
Apokope
adjective
1. niet als gezaghebbend erkend
apokryphen
noun
1. een mondelinge of schriftelijke verdediging van een persoon, zaak of leer tegen onrechtvaardige aanvallen
Apologie
noun
Aporophobie
/ɑˈpɔstəl/
noun
  1. 1. leerling van Jezus
  2. 2. verkondiger van een nieuwe leer
Apostel
noun
  1. 1. afkappings- of weglatingsteken
    1. Apostroph
    2. Hochkomma
  2. 2. aanspreking van afwezige personen of zaken
    Apostrophe
/apo'tek/
noun
1. plaats waar men geneesmiddel en en andere gezondheidsproducten kan kopen.
Apotheke
noun
Apotheker
noun
Apotheose
noun
1. toepassing
App
pronoun
1. gebergte in het oostelijk deel van Noord-Amerika
Appalachen
noun
1. een door mensen gemaakt voorwerp dat is samengesteld uit verschillende onderdelen en een bepaalde functie heeft
Apparat
/ɑ.ˈpɛl/, /ɑ.ˈpɛɫ/, /ˈɑ.pəl/, /ˈɑ.pəɫ/, /ˈɑpəɫ/
noun
1. vrucht
Apfel
noun
  1. Apfelweinessig
  2. Apfelessig
noun
1. een bananenras met banaantjes van ongeveer 9 cm lang, die een beetje naar appels smaken
Apfelbanane
noun
1. boom waaraan appels groeien
Apfelbaum
noun
Kerngehäuseausstecher
/ˈɑpəɫflɑp/
noun
  1. 1. lekkernij gemaakt van bladerdeeg, driehoekig van vorm en gevuld met een mengsel van in blokjes gesneden appel en kaneel
  2. 2. lekkernij bestaande uit een schijf appel en gefrituurd deeg dat met oud en nieuw gegeten wordt
Apfeltasche
noun
1. een moes van gekookte appels
Apfelmus
noun
1. een vruchtensap bereid uit appels
Apfelsaft
/ˌɑpəlˈsin/
noun
1. Vrucht van de appelsienboom
  1. Apfelsine
  2. Orange
noun
1. een moes van gekookte appels
Apfelmus
noun
1. gebak gevuld met stukjes vruchten van de appelboom
Apfelkuchen
noun
1. Campaea margaritaria
Perlglanzspanner
/ɑˈpɛndɪks/
noun
2. wormvormig aanhangsel
Appendix
/ɑplɔudi'serə/
verb
1. in de handen klappen om goedkeuring of bewondering te tonen
applaudieren
/ɑ'plɔus/
noun
1. geklap in de handen als teken van goedkeuring of bewondering
Applaus
/ɑˈprɪl/
noun
1. de vierde maand van het jaar
  1. April
  2. Ostermond
noun
nog uit te zoeken
Aquarell
/ɑˈkʋariˌʲʏm/
noun
1. een bak met water waarin onderwaterflora en -fauna gehouden wordt.
Aquarium
noun
1. een sterkedrank, op basis van karwij, uit Scandinavië
Aquavit
noun
1. grote bont gekleurde papegaai uit Zuid-Amerika
Ara
/ɑ'rabis/
adjective
1. verwijzend naar de Arabische taal,cultuur,het alfabet of Arabië
arabisch
/ɑ'rabis/
pronoun
  1. 1. een taal oorspronkelijk van het Arabisch schiereiland en de taal waarin de Koran...
    1. Arabisch
    2. arabisch
  2. 2. een van het Aramitisch afgeleid alfabet dat gebruikt wordt voor het schrijven van het Arabisch,...
    1. arabisch
    2. Arabisch
noun
1. wetenschapper die de Arabische taal, cultuur en literatuur bestudeert
Arabist
noun
Erdnussöl
noun
tak van de zoölogie die zich bezighoudt met de studie van de spinachtigen
Arachnologie
pronoun
Aragonien
pronoun
1. taal gesproken in Aragon
Aragonesisch
noun
1. energie die door een krachtbron geleverd wordt bij verplaatsing van een voorwerp
Arbeit
verb
1. werk verrichten
arbeiten
noun
1. iemand die voor een loon handmatige arbeid levert
  1. Arbeiter
  2. Handwerker
noun
Arbeiterbewegung
noun
Arbeiterviertel
noun
Arbeiterwohnung
noun
1. het totaal aan beschikbare arbeidskrachten op de arbeidsmarkt
Arbeitsangebot
noun
Arbeitsanalyse
noun
Arbeitsmittlung
noun
Arbeitsamt
noun
Arbeitskonlikt
adjective
1.zonder arbeid
arbeitslos
noun
1. de interactie tussen vraag naar en aanbod van arbeid
Arbeitsmarkt
noun
1. verzekering tegen de financiële gevolgen van arbeidsongeschiktheid
Erwerbsunfähigkeitsversicherung
noun
1. ongeval dat tijdens het werk (of onderweg van en naar het werk) optreedt, bedrijfsongeval
Arbeitsunfall
noun
  1. Arbeitsstelle
  2. Stelle
noun
1. onderdeel van het privaatrecht m.b.t. de normen die het recht op arbeid als sociaal grondrecht tot voorwerp hebben
Arbeitsrecht
noun
Arbeitsteilung
noun
  1. systeem van gelijktijdige prijsbepaling
    Arbitrage
  2. resultaat van het handelen van een arbiter
    1. Entscheid
    2. Entscheidung
    3. Schiedsspruch
  3. handelen van een scheidsrechter
    Schlichtung
adjective
1. behorend tot of betrekking hebbend op een zeer oud tijdperk
archaisch
/ˌɑr.xe.ˌjo.lo.ˈɣi/, /ˌɑr.xɛ.jo.lo.ˈɣi/, /ˌɑr.χe.ˌjo.lo.ˈχi/
noun
1. studie van de niet-geschreven overblijfselen van het verleden
Archäologie
noun
Archäologe
noun
  1. Archetypus
  2. Archetyp
noun
Archiv
noun
Archivkunde
noun
1. een fonetisch element dat meerdere fonemen vertegenwoordigt die in een bepaalde fonologische context dezelfde oppervlaktevorm hebben
Archiphonem
noun
1. iemand die gebouwen ontwerpt
Architekt
adjective
1. betrekking hebbend op de architectuur
architektonisch
noun
  1. 1. de bouwstijl van een gebouw
    1. Architektur
    2. Baukunst
  2. na-oorlogse architektuur
    Nachkriegsarchitektur
verb
1. iets geclassificeerd opslaan om het later gemakkelijk terug te vinden
archivieren
noun
Arkologie
pronoun
1. naam voor het noordpoolgebied
  1. Arktis
  2. Nordpolargebiet
adjective
arktisch
pronoun
1. is de oceaan ten noorden van de continenten Azië en Noord-Amerika , waarin het grote ijsveld van de Noordpool ligt
Nordpolarmeer
noun
1. bepaald soort grote massief zeezoogdier met een kolossale kop, Balaena mysticetus
  1. Grönlandwal
  2. Nordwal
  3. Polarwal
pronoun
1. middelgebergte in het zuidoosten van België, Noord-Luxemburg en een klein stuk Frankrijk
Ardennen
pronoun
1. een rivier in Frankrijk
Ardèche
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Adler
noun
1. roofvogel
Adler
/ˌɑrɣɛnˈtɛɪ̯n/, /ˌɑrɣɛnˈtɛːn/, /ˌɑrχɛnˈtɛɪ̯n/
noun
1. iemand van Argentijnse komaf
Argentinier
/ˌɑrɣɛnˈtini.jə/, /ˌɑrχɛnˈtini.jə/
pronoun
1. een Spaanstalig land in het zuiden van Zuid-Amerika tussen het Andesgebergte en de zuidelijke Atlantische Oceaan.
Argentinien
noun
1. het plegen van bedrog of misleiding
Arglist
adjective
  1. hinterlistig
  2. verschlagen
noun
1. het arglistig zijn
Arglistigkeit
/ˈɑrɣɔn/
noun
1. een scheikundig element en kleurloos edelgas met het symbool Ar en het atoomnummer 18
Argon
/ˌɑrɣyˈmɛnt/
noun
  1. 1. een aangevoerd feit in een discussie om een zienswijze te ondersteunen
    Argument
  2. 2. een reden om iets te doen
    Grund
verb
1. met argumenten tot een conclusie trachten te komen
argumentieren
noun
1. gekoesterd gevoel van verdenking
Argwohn
noun
Arie
/arijaˈnɪsmə/
noun
1.
Arianismus
noun
1. een persoon die lid is van de aristocratie
Aristokrat
noun
1. een regeringsvorm waarbij de heerschappij in handen is van een kleine groep, de zogenaamde aristocraten
Aristokratie
noun
  1. Hausboot
  2. Wohnschiff
pronoun
1. massief tussen de Oostenrijkse deelstaten Vorarlberg en Tirol
Arlberg
/ɑrṃ/
adjective
  1. 1. weinig bezittend
  2. 2. beklagenswaardig
arm
/ɑrṃ/
noun
  1. 1. lichaamsdeel
    Arm
  2. 2. onderdeel van een organisatie
    Zweig
noun
1.een Franse brandewijn
Armagnac
/ɑrˈmen/, /ɑrˈmeːn/
noun
1. een inwoner van Armenië, of iemand afkomstig uit Armenië
  1. Armenier
  2. Armenierin
/ɑrˈmens/, /ɑrˈmeːns/
adjective
1. betreffende Armenië of het Armeens
  1. armenisch
  2. Armenisch
/ɑrˈmens/, /ɑrˈmeːns/
pronoun
1. een taal die wordt gesproken in Armenië
  1. Armenisch
  2. armenisch
/ɑrˈmensə/, /ɑrˈmeːnsə/
noun
Armenierin
pronoun
Völkermord an den Armeniern
/ɑrˈmeni.jə/, /ɑrˈmeːni.jə/
pronoun
1. een GOS-lidstaat in de Kaukasus (Gemenebest van Onafhankelijke Staten). Het is een van de weinige landen die niet aan zee liggen. Het grenst in het oosten aan Azerbeidzjan, in het westen aan Turkije en de Naxçivan-exclave (Azer.), in het noorden aan Georgië en in het zuiden aan Iran
Armenien
noun
Armlehne
/ˈɑrəmude/
noun
1. de toestand waarin iemand leeft die zeer weinig middelen voor zijn levensonderhoud heeft.
Armut
adjective
1. van weinig waarde
ärmlich
pronoun
Arnheim
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Arnsberg
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Thüringen
Arnstadt
/aruˈmens/
pronoun
1. een Romaanse taal die in de Balkan gesproken wordt
Aromunisch
noun
1. (aangename) geur van spijzen, dranken, genotmiddelen enz
Aroma
/aroˈmans/
pronoun
1. een Romaanse taal die in de Balkan gesproken wordt
Aromunisch
adjective
  1. 1. met geurstof
  2. 2. voldoende aan de regel van Hückel
aromatisch
verb
1. geur geven aan
aromatisieren
/ɑrpiˈtaːns/
pronoun
1. een Romaanse taal die wordt gesproken in Frankrijk, Italië en Zwitserland
Arpitanisch
noun
2. muziekbewerking
Arrangement
noun
1. document
Haftbefehl
verb
1. van overheidswege in hechtenis nemen
  1. festnehmen
  2. verhaften
/ɑriveːrən/
verb
1. de bestemming bereiken
ankommen
adjective
arrogant
noun
Arsen
noun
  1. 1. kunstvoorwerp of -product
  2. 4. een bewerkt voorwerp uit prehistorische tijd
  3. 5. een kunstmatig veroorzaakte misvorming; zelf toegebracht letsel
Artefakt
verb
1. de uitspraakklanken zorgvuldig vormen
artikulieren
noun
Künstler
noun
Künstlerin
/ɑrˈtiːkəl/
noun
  1. 3. een van de bepalingen waaruit een wet bestaat
    Artikel
  2. 2. een publicatie in een tijdschrift
    1. Artikel
    2. Beitrag
  3. 4. staat voor een zelfstandig naamwoord, geeft de bepaaldheid aan en het woordgeslacht
    1. Artikel
    2. Geschlechtswort
  4. 1. een voorwerp dat te koop is
    1. Artikel
    2. Ware
noun
1. het wapen dat vuursteun geeft aan de eigen troepen
Artillerie
adjective
1. (economie) op de originele of traditionele manier gemaakt
handwerklich
noun
1. de vlezige schutbladeren van de gesloten bloemknop worden als groente gegeten
Artischocke
noun
1. een aandoening van het gewrichtskraakbeen
Arthrose
noun
1. geneeskundige die bevoegd is een praktijk uit te oefenen
Arzt
/a.ˈru.ba/, /a.ˈry.ba/
pronoun
1. een eiland in het zuidelijke gedeelte van de Caraïbische Zee
Aruba
noun
1. afkorting van As-majeur
As
noun
    1. 2. lijn
    2. 1. centrale staaf
    Achse
  1. 3. deel van een plant
    Stengel
  2. 1. verbrandingsrest
    Asche
  3. 3. verlaagde toon a
    as
  4. 4. as-kleinetertstoonladder
    as-Moll
  5. 5. as-mineurgrondakkoord
    1. as-Moll
    2. as
abbreviation
  1. 1. het akkoord as - c - es
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
As-Dur
abbreviation
  1. 1. het akkoord as - ces - es
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
as-Moll
/(ʔ)ɑs'xrot/
abbreviation
  1. 1. het akkoord as - c - es
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
As-Dur
abbreviation
1. het akkoord as-c-es
As-Dur-Akkord
noun
1. een grotetertstoonladder met “as” als grondtoon
As-Dur-Tonleiter
noun
1. een grotetertstoonladder met “as” als grondtoon
As-Dur-Tonleiter
/(ʔ)ɑs'klɛɪn/
abbreviation
  1. 1. het akkoord as - ces - es
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
as-Moll
abbreviation
1. het akkoord as-ces-es
as-Moll-Akkord
noun
1. een mineurtoonladder met “as” als grondtoon
as-Moll-Tonart
noun
1. een kleinetertstoonladder met as als grondtoon
as-Moll-Tonleiter
/(ʔ)ɑsˌmaˈʒør/
abbreviation
  1. 1. het akkoord as - c - es
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
As-Dur
abbreviation
1. het akkoord as-c-es
As-Dur-Akkord
noun
1. een grotetertstoonladder met “as” als grondtoon
As-Dur-Tonart
noun
1. een grotetertstoonladder met "as" als grondtoon
As-Dur-Tonleiter
noun
1. een grotetertstoonladder met “as” als grondtoon
As-Dur-Tonleiter
/(ʔ)ɑsˌmi'nør/
abbreviation
  1. 1. het akkoord as - ces - es
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
as-Moll
abbreviation
1. het akkoord as-ces-es
as-Moll-Akkord
noun
1. een kleinetertstoonladder met as als grondtoon
as-Moll-Tonleiter
noun
1. een kleinetertstoonladder met as als grondtoon
as-Moll-Tonleiter
/ˈɑzbɑk/
noun
1. opvangbak
  1. Aschenbecher
  2. Ascher
noun
1. verzamelnaam van een aantal silicaten met een vezelige structuur
Asbest
noun
1. iemand die zich aan godsdienstige praktijken en boetedoeningen wijdt en zeer sober leeft
  1. Asket
  2. Asketin
pronoun
  1. 1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
  2. 2. een district in de Duitse deelstaat Beieren
Aschaffenburg
noun
Asexualität
noun
1. dubbel verlaagde toon a
Ases
abbreviation
1. het akkoord ases-ces-eses
Ases-Dur-Akkord
noun
1. een grotetertstoonladder met “ases” als grondtoon
Ases-Dur-Tonleiter
noun
1. “Ases-majeur”
Ases-Dur
abbreviation
1. het akkoord ases-ces-eses
Ases-Dur-Akkord
noun
1. een grotetertstoonladder met “ases” als grondtoon
Ases-Dur-Tonleiter
noun
1. een grotetertstoonladder met “ases” als grondtoon
Ases-Dur-Tonleiter
noun
Asphalt
/aˈsilsɛntrʏm/
noun
1. plaats waar mensen die als vluchteling of ontheemde uit een ander land zijn gekomen tijdelijk worden opgevangen
  1. Asylantenheim
  2. Asylheim
pronoun
1. hoofdstad van Turkmenistan
Aschgabat
pronoun
1.
Aschdod
pronoun
1.
Aschkelon
/ɑʃkə'nazi/
noun
1. Hoogduitse jood, jood afkomstig uit Midden- of Oost-Europa
Aschkenasi
/ɑʃkə'nazis/
noun
1. meervoud van Asjkenazi
Aschkenasim
/ɑʃkə'nazim/
noun
1. meervoud van Asjkenazi
Aschkenasim
adjective
1. zonder sociaal besef
  1. asozial
  2. unsozial
noun
1. Asperagas officinalis, een plant waarvan de jonge scheuten geteeld worden als groente
Spargel
noun
1. een middel tegen allerlei kwalen met als werkzame stof acetylsalicylzuur
Aspirin
pronoun
1. een taal die in Assam, een staat in India, gesproken wordt
Assamesisch
/ɑsɛrˈtif/
adjective
  1. selbstsicher
  2. selbstbewußt
noun
1. een persoon die ondersteunt
  1. Assistent
  2. Helfer
  3. Mitarbeiter
verb
1. tot compagnon maken of nemen
assoziieren
noun
1. aanbod van producten
Sortiment
noun
1. de wetenschappelijke studie van het oude Mesopotamië
Assyriologie
noun
Astat
noun
1. scheikundig element met symbool At en atoomnummer 85
Astat
noun
2. een bloem van de aster
Astern
/ˈɑs.tə.ˌrɪs(x)/, /ˈɑs.tə.ˌrɪsk/
noun
1. typografisch symbool in de vorm van een sterretje
  1. Sternchen
  2. Asterisk
noun
1. een klein vast hemellichaam dat net als een planeet om de zon draait
  1. Asteroid
  2. Planetoid
noun
1. een ziekte die, door vernauwing van de luchtwegen, benauwdheid en hoestbuien veroorzaakt
Asthma
noun
1. iemand die lijdt aan de longziekte astma
  1. Asthmakranker
  2. Asthmapatient
noun
1
Astrofotografie
noun
Astrograf
noun
1. een beoefenaar van de astrologie
Astrologe
noun
Astrometrie
/ˌɑstroˈnaʊ̯t/, /ˌɑstroˈnɔʊ̯t/, /ˌɑstroˈnʌʊ̯t/
noun
1. een Amerikaanse ruimtevaarder
Astronaut
noun
1. speciale voedingsmiddelen die door ruimtevaarders worden gebruikt tijdens een ruimtereis
Astronautennahrung
noun
1. de wetenschap die de objecten in de ruimte bestudeert
  1. Astronomie
  2. Sternenkunde
adjective
astronomisch
noun
Astronom
noun
Astroide
pronoun
1. een taal die gesproken wordt in Asturië
Asturisch
pronoun
1. een van de 17 autonome regio's van Spanje die in het noordwesten van het land ligt
Asturien
noun
1. eerste dag van de vastentijd
Aschermittwoch
noun
1. een aerosol van fijnverdeelde vulkanische as
Aschewolke
adverb
asymmetrisch
/a.sɪmp.ˈtot/
noun
1. een lijn die door een kromme of functie willekeurig dicht benaderd wordt, maar deze nooit raakt
Asymptote
adjective
asynchron
pronoun
1. Atair/Altair
  1. Altair
  2. Atair
/atɑkˈsi/
noun
1. een onzekere gang bij het lopen
Ataxie
noun
1. de werkruimte van een kunstenaar
Atelier
pronoun
de hoofdstad van Griekenland
Athen
/ˌa.te.ˈjɪsmə/, /ˌɑ.te.ˈjɪsmə/
noun
1. overtuiging dat goden niet bestaan
Atheismus
/ˌa.te.ˈjɪst/, /ˌɑ.te.ˈjɪst/
noun
1. een persoon die niet gelooft in het bestaan van goden
  1. Atheist
  2. Gottesleugner
/ɑtˈlɑntikʏm/
noun
Atlantikum
pronoun
1. mythologisch eiland
Atlantis
pronoun
1. de tweede grootste oceaan op aarde, gelegen tussen Europa en Afrika enerzijds en Noord- en Zuid-Amerika anderzijds
  1. Atlantik
  2. Atlantischer Ozean
noun
1. anadrome vis die tot 4 meter lang en 250 kg zwaar kan worden, Acipenser oxyrinchus
Atlantischer stör
noun
  1. 1. een boek dat geografische kaarten bevat
  2. 3. de bovenste wervel in de hals die het hoofd draagt
  3. 2. een verzameling van prenten, kaarten, afbeeldingen, tekeningen en dergelijke
  4. 1. satijn
Atlas
noun
sporttak waarin vooral lopen, springen en werpen aan bod komen
  1. Athletik
  2. Leichtathletik
noun
    1. 1. een gasvormig omhulsel van een planeet of maan.
    2. 2. eenheid.
    Atmosphäre
  1. 2. een stemming.
    1. Atmosphäre
    2. Ambiente
    3. Klima
noun
Atoll
adjective
atonal
noun
Atom
noun
Ordnungszahl
noun
Atomkern
noun
Atomuhr
noun
1. de massa van een atoom, uitgedrukt in de atomaire massa-eenheid u
Atommasse
noun
1. de kernlading van een atoom
  1. Atomzahl
  2. Ordnungszahl
noun
1.een groep geneesmiddelen die cholesterolsyntheseremmers of statinen worden genoemd
Atorvastatin
pronoun
1. een stad in Frans-Vlaanderen
Arras
noun
2. centraal vertrek
Atrium
noun
Achtung
noun
1. schriftelijk bewijs
  1. Zeugnis
  2. Attest
noun
  1. 1. formele getuigenverklaring
    1. Beglaubigung
    2. Bezeugung
  2. 2. bewijsplaats voor het bestaan van een woord in het verleden
    1. Beleg
    2. Bezeugung
noun
1. houding
Haltung
noun
1.
Attometer
/ɑtrɪbʏˈtif/
adjective
1. wanneer het voor een zelfstandig naamwoord geplaatst wordt
attributiv
adjective
1. afwijkend van het gemiddelde
atypisch
interjection
1. uitroep van pijn
au
noun
Morgenständchen
/obɛrˈʒinə/
noun
  1. 2. purperachtige, vlezige vrucht
    1. Aubergine
    2. Eierfrucht
  2. 1. plant uit de nachtschadefamilie
    1. Aubergine
    2. Eierpflanze
noun
Hörbuch
noun
1.
Verstärker
adjective
1. zichtbaar en hoorbaar
audio-visuell
noun
Auermetall
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Augsburg
/ʌuˈɣɵrk/, /ʌˈʝʏrk/
noun
1. kleine, in het zuur ingemaakte komkommer
  1. Gurke
  2. Gewürzgurke
/aʊ̯.ˈɣʏs.tʏs/, /ɔʊ̯.ˈɣʏs.təs/, /ʌʊ̯.ˈχʏs.təs/
noun
1. de achtste maand van het jaar
  1. August
  2. Ernting
noun
  1. 4. een grote zaal voor bijeenkomsten, voorstellingen enz. in een middelbare school, een museum of eenigerlei andere instelling
    Aula
  2. 3. een grote gehoorzaal van een universiteit
    Hörsaal
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Aulendorf
pronoun
1. een stad in Polen
Auschwitz
verb
1. luister naar de geluiden in het lichaam
auskultieren
/aʊ̯ˈstraːli.jə/, /ɔʊ̯ˈstrali.jə/, /ʌʊ̯ˈstrali.jə/
pronoun
1. een soevereine staat gelegen tussen de Indische Oceaan en de Grote Oceaan (officieel het Gemenebest van Australië) met de officiële taal Engels
Australien
/aʊ̯ˈstraːli.jər/, /ɔʊ̯ˈstraːli.jər/, /ʌʊ̯ˈstrali.jər/
noun
1. een inwoner van Australië
  1. Australier
  2. Australierin
/ɑustro'nezis/
adjective
behorend tot groep van talen
austronesisch
noun
Autarkie
/oˈtør/
noun
1. persoon die aan de basis staat van een origineel geschreven werk
Autor
noun
Autorrecht
noun
1. (telecommunicatie) (informatica) het proces waarbij iemand nagaat of een gebruiker,...
Authentisierung
verb
1. echtheid, oorsprong of rechtsgeldigheid vaststellen
  1. authentifizieren
  2. beglaubigen
  3. bestätigen
/ʌuˈtɪsmə/, /ʌˈtɪsmə/
noun
1. ontwikkelingsstoornis
Autismus
/ʌuˈtɪstɪs/, /ʌˈtɪstɪs/
adjective
1. lijdend aan autisme
autistisch
/ɑʊ̯to/
noun
1. voertuig met drie of meer wielen, een motor en een carrosserie
  1. Auto
  2. Wagen
noun
1. verkeersongeval waarbij minstens één auto betrokken is
  1. Autounfall
  2. Verkehrsunglück
noun
Autobahn
noun
  1. Autobiografie
  2. Selbstbiographie
noun
1. een groot voertuig voor het vervoeren van een groot aantal passagiers
  1. Bus
  2. Autobus
adjective
1. oorspronkelijk in een bepaald gebied thuishorend
autochthon
noun
1. de oorspronkelijke bewoner van een land
Autochthone
noun
Autokratie
noun
Autodafé
noun
Autofokus
noun
Eigenschrift
noun
Autographie
noun
1. handtekening van een beroemd persoon
Autogramm
noun
Autolyse
adjective
automagisch
adjective
  1. 1. niet bestuurd door de hand van de mens
  2. 2. vanzelfgaand
  3. 3. gedachteloos
automatisch
verb
1. automatisch doen werken
automatisieren
noun
Automatisierung
noun
1. een groot bedrijf dat zich toelegt op de toepasssing van de informatica bij andere bedrijven
IT-Konzern
noun
Automatismus
noun
1. een bestuurder van een auto
Autofahrer
noun
1. vakman die beroepshalve reparaties verricht aan en onderhoud doet van auto's
Automechaniker
/aʊ̯.to.no.ˈmi/, /ɔʊ̯.to.no.ˈmi/, /ʌʊ̯.to.no.ˈmi/
noun
Autonomie
/ˌʌʊtoˈnom/
adjective
1. op zichzelf staand
autonom
noun
Tretroller
noun
1. een lijkschouwing
Autopsie
/ɑʊ̯torɛi(d)ə(n)/
verb
1. zich voortbewegen door een auto te besturen
Auto fahren
/ˈɑʊ̯.to.ˌrɛɪ.sxol/
noun
Fahrschule
noun
1. weg voor snelverkeer (dat sneller kan en mag rijden dan 60 km per uur), met gescheiden rijbanen en ongelijkvloerse kruisingen
Autobahn
/ ˈɑutospɔrt /
noun
1. verzamelnaam voor wedstrijden die verreden worden met een gemotoriseerd voertuig met vier of meer wielen
Automobilsport
noun
Autosuggestion
noun
Autotransformator
/ˈɑʊ̯toˌvrɛɪ̯/, /ˈɔʊ̯toˌvrɛː/
adjective
1. zonder auto's
autofrei
/ɑu̯ˈtri.sə/
noun
1. persoon die aan de basis staat van een origineel geschreven werk
Autorin
pronoun
1. voormalige regio in Centraal-Frankrijk
Auvergne
/'avatɑr/
noun
2. (informatica) een kleine afbeelding die een bepaalde gebruiker symboliseert
Avatar
pronoun
1. een stad in Frankrijk
Avignon
/ɑvoˈkado/
noun
1. een tropische vrucht van de avocadoboom
  1. Avocado
  2. Avokato
/ˌavoˈkadobom/
noun
1. immergroene boom uit Midden-Amerika die de avocadoperen voortbrengt
  1. Avocado
  2. Avocadobaum
noun
1. de periode van de dag waarin het nacht wordt
Abend
noun
1. een maaltijd die 's avonds genuttigd wordt
  1. Abendessen
  2. Abendbrot
  3. Dinner
noun
Abendkleidung
noun
1. verbod om zich op straat te begeven na een zekere tijd
  1. Ausgangssperre
  2. Sperrzeit
adjective
1. gedurende de avond
abendlich
noun
  1. 1. de maaltijd die men 's avonds nuttigt
    Abendessen
  2. 2. de rituele viering van het laatste avondmaal dat Jesus met zijn leerlingen nuttigde voor zijn terechtstelling aan het kruis
    1. Abendmahl
    2. Kommunion
/ˈaːvɔntˌmɛns/
noun
1. iemand met een voorkeur voor bezigheden in de avonduren
  1. Nachtschwärmer
  2. Nachtrabe
noun
Abenddämmerung
noun
1. een school waarin in de avonduren lesgegeven wordt
Abendschule
noun
1. de uitvoering van een opera, toneelstuk, concert of iets dergelijks in de avond
Abendvorstellung
noun
1. iemand die graag het avontuur opzoekt
Abenteurer
noun
1. een onderneming waarvan de uitkomst niet bij voorbaat vaststaat
Abenteuer
noun
2. neiging om ongewone dingen te willen beleven
Abenteuerlust
adjective
1. de as betreffend of volgend, behorend tot de as
axial
noun
1. een basisbegrip dat zonder bewijs aangenomen moet worden
Axiom
noun
1. de titel van een hoge sjiitische geestelijke
Ajatollah
pronoun
1. een Indiaanse taal die in Zuid-Amerika wordt gesproken
Aymara
/ˌazərbɛɪ̯ˈdʒan/, /ˌazərbɛːˈdʒan/
pronoun
1 en 2. Aziatisch land grenzend aan Rusland, Iran, Armenië en Georgië
Aserbaidschan
/aˈzeːri/, /aˈzɪːri/
pronoun
1. Turkse taal die door 22 miljoen mensen vooral in Azerbeidzjan, maar ook in Iran, Georgië en Turkije wordt gesproken
Aserbaidschanisch
noun
1. Soort olifant
Asiatische Elefant
noun
1. Berensoort
Asiatischer Schwarzbär
/aˈzɛɪn/, /aˈzɛːn/
noun
1. en 2. verdund azijnzuur verkregen door oxidatie van verdund alcohol om voedsel te bereiden
Essig
noun
Essigbaum
noun
1. CH₃COOH
  1. Essigsäure
  2. Ethansäure
/azimɵt/
noun
1. horizontale hoek
  1. azimut
  2. Azimut
pronoun
1. een continent ten oosten van Europa
Asien
pronoun
1.
Côte d’Azur
adjective
  1. Azurblau
  2. azurblau
noun
  1. 1. verhoogde toon a
    aïs
  2. 3. aïs-mineurgrondakkoord
    1. aïs
    2. aïs-Moll
  3. 2. aïs-kleinetertstoonladder
    aïs-Moll
abbreviation
  1. 1. het akkoord aïs - cisis - eis
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Aïs-Dur
abbreviation
  1. 1. een akkoord aïs - cis - eis
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
ais-Moll
abbreviation
  1. 1. het akkoord aïs - cisis - eïs
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Aïs-Dur
abbreviation
1. het akkoord aïs-cisis-eïs
Ais-Dur-Akkord
noun
1. een majeurtoonladder met “aïs” als grondtoon
Aïs-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “aïs” als grondtoon
Ais-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “aïs” als grondtoon
Ais-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “aïs” als grondtoon
Ais-Dur-Tonleiter
abbreviation
  1. 1. een akkoord aïs - cis - eïs
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
ais-Moll
abbreviation
1. het akkoord aïs-cis-eïs
aïs-Moll-Akkord
noun
1. een mineurtoonladder met “aïs” als grondtoon
ais-Moll-Tonart
noun
1. een kleinetertstoonladder met “aïs” als grondtoon
aïs-Moll-Tonleiter
abbreviation
  1. 1. het akkoord aïs - cisis - eis
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Aïs-Dur
abbreviation
1. het akkoord aïs-cisis-eïs
Ais-Dur-Akkord
noun
1. een grotetertstoonladder met “aïs” als grondtoon
Ais-Dur-Tonart
noun
1. een grotetertstoonladder met "aïs" als grondtoon
Ais-Dur-Tonleiter
noun
1. een grotetertstoonladder met “aïs” als grondtoon
Ais-Dur-Tonleiter
noun
1. een grotetertstoonladder met “aïs” als grondtoon
Ais-Dur-Tonleiter
abbreviation
  1. 1. een akkoord aïs - cis - eis
    Ais-Moll
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
    ais-Moll
abbreviation
1. het akkoord aïs-cis-eïs
ais-Moll-Akkord
noun
1. een kleinetertstoonladder met “aïs” als grondtoon
aïs-Moll-Tonleiter
noun
1. een kleinetertstoonladder met “aïs” als grondtoon
aïs-Moll-Tonleiter
noun
1. tweemaal verhoogde toon “a”
aisis
noun
2. afkorting voor de toonsoort
H
noun
  1. 2. de toonnaam
  2. 3. afkorting van “b-mineur”
h
abbreviation
  1. 1. het akkoord b - dis - fis
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
H-Dur
abbreviation
  1. 1. het akkoord b-d-fis
  2. 2. de toonsoort
h-Moll
/be'ɣrot/
abbreviation
  1. 1. het akkoord b - dis - fis
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
H-Dur
abbreviation
1. het akkoord b-dis-fis
H-Dur-Akkord
noun
1. een majeurtoonladder met “b” als grondtoon
H-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “b” als grondtoon
H-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “b” als grondtoon
H-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “b” als grondtoon
H-Dur-Tonleiter
abbreviation
  1. 1. het akkoord b-d-fis
  2. 2. de toonsoort
h-Moll
abbreviation
1. het akkoord b-d-fis
b-Moll-Akkord
noun
1. een mineurtoonladder met “b” als grondtoon
h-Moll-Tonart
noun
1. een kleinetertstoonladder met “b” als grondtoon
h-Moll-Tonleiter
noun
1. een mineurtoonladder met “b” als grondtoon
h-Moll-Tonleiter
/be'ɣrot/
abbreviation
  1. 1. het akkoord b - dis - fis
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
H-Dur
abbreviation
1. het akkoord b-dis-fis
B-Dur-Akkord
noun
1. een grotetertstoonladder met “b” als grondtoon
H-Dur-Tonart
noun
1. een grotetertstoonladder met "b" als grondtoon
H-Dur-Tonleiter
noun
1. een grotetertstoonladder met “b” als grondtoon
H-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “b” als grondtoon
H-Dur-Tonleiter
abbreviation
  1. 1. het akkoord b-d-fis
  2. 2. de toonsoort
h-Moll
abbreviation
1. het akkoord b-d-fis
h-Moll-Akkord
noun
1. een kleinetertstoonladder met “b” als grondtoon
h-Moll-Tonart
noun
1. een kleinetertstoonladder met “b” als grondtoon
h-Moll-Tonleiter
noun
1. een kleinetertstoonladder met “b” als grondtoon
h-Moll-Tonleiter
noun
1. een grotetertstoonladder met b als grondtoon
H-Dur-Tonleiter
noun
1. een landinwaartse uitstulping van een zee of oceaan
  1. Bai
  2. Meerbusen
  3. Meeresbucht
noun
1. een stapel bijeengebonden plantaardig materiaal zoals hooi of tabak
  1. Ballen
  2. Knäuel
/baːn/
noun
    1. 2. verkeersweg
    2. 6. bovenblad van aambeeld
    Bahn
  1. 4. sportterrein
    1. Rennbahn
    2. Sportplatz
  2. 7. schietterrein
    Schießstand
  3. 1. het werk
    1. Stelle
    2. Arbeitsstelle
  4. 5. strook materiaal
    Streifen
  5. 3. traject van een projectiel/hemellichaam
    Trajectorie
adjective
1. nieuwe wegen openend, innoverend
bahnbrechend
noun
Bahnrad
noun
1. een stuk spoor tussen twee punten
Bahnstrecke
adjective
1. in gereed geld, cash
bar
noun
1. kleine verhoging of onderstel, waarop een doodskist wordt opgebaard of gedragen
Bahre
/baːrt/
noun
1. gezichtsbeharing van de man
Bart
noun
1. een alleen in India voorkomende zwarte aap met een kwastachtige staart en een opvallende grijze kraag
Bartaffe
noun
3. bepaald soort vogel, Panurus biarmicas
Bartmeise
noun
1. bepaalde soort paardenmossel met een behaarde schelp, Modiolus barbatus
Bartmuschel
noun
1. Myotis mystacinus, kleine vleermuis met behaarde bovenlip...
Kleine Bartfledermaus
noun
1. voortplantingsorgaan van vrouwen waarin de vrucht zich ontwikkelt
  1. Gebärmutter
  2. Mutterleib
noun
1. smal en buisvormig gedeelte van de baarmoeder dat aan een kant in de vagina eindigt ...
Gebärmutterhals
noun
1. een vorm van kanker die zich in de baarmoederhals ontwikkelt
  1. Gebärmutterhalskrebs
  2. Kollumkarzinom
  3. Zervixkarzinom
noun
1. stekelvinnige riviervis
  1. Barsch
  2. Flussbarsch
/baːs/
noun
1. overste, leider, chef
  1. Chef
  2. Boss
noun
1. iets met een gunstig effect
  1. Nutzen
  2. Vorteil
noun
1. onedelmoedige en overdreven zucht tot eigen voordeel
Profitsucht
adjective
1. inhalig
  1. eigennützig
  2. selbstsüchtig
verb
1. gezellig praten over zaken van weinig belang
  1. plaudern
  2. schwatzen
  3. schwätzen
  4. plappern
noun
Klatschtante
noun
Lagermetall
noun
1. een mens in de allereerste fase van zijn/haar leven
Baby
/ˈbebibɑt/
noun
1. kuip bedoeld om heel jonge kinderen in te wassen
Babybadewanne
/ˈbe.bi.buːm/
noun
1. een periode waarin ongewoon veel kinderen geboren worden
Bayboom
noun
Babyklappe
noun
Babyflasche
noun
1. elektronisch afluisterapparaat om geluid uit de kinderkamer elders op te vangen
  1. Babyphon
  2. Babyfon
noun
1 en 2
Babyfoto
noun
1. ziekenwagen die speciaal bestemd is voor pasgeboren kinderen
  1. Baby-Notarztwagen
  2. Neugeborenen-Notarztwagen
/ˈbebiˌlɛik/
noun
1. lichaam van een klein kind dat gestorven is
Babyleiche
noun
1. speelmateriaal dat geschikt is voor een baby
Babyspielzeug
noun
1. benaming voor soorten uit de klasse Bacilli
Bazillus
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Backnang
noun
  1. Bakterie
  2. Bakterium
noun
plantenziekte veroorzaakt door de bacterie
Feuerbrand
/bɑkteriɔfaɣ/
noun
1.
Bakteriophage
noun
1. een wetenschapper die zich bezighoudt met de bacteriologie
Bakteriologe
noun
2. een van de drie taxonomische domeinen, Bacteria
Bakterien
/bɑt/
noun
  1. 1. voorwerp waarin men zich wast met water
    Badewanne
  2. 2. hoeveelheid water of andere vloeistof waarin iets of iemand ondergedompeld kan worden
    Tauchbad
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Bad Aibling
pronoun
1. een stad in de Oostenrijkse deelstaat Stiermarken
Bad Aussee
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Bad Berleburg
pronoun
  1. 1. een stad in de Duitse deelstaat Rijnland-Palts
  2. 2. een district in de Duitse deelstaat Rijnland-Palts
Bad Dürkheim
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Bad Dürrheim
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Rijnland-Palts
Bad Ems
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Bad Friedrichshall
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Nedersaksen
Bad Gandersheim
pronoun
1. een stad in de Oostenrijkse deelstaat Opper-Oostenrijk
Bad Hall
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Bad Herrenalb
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Hessen
Bad Hersfeld
pronoun
1. een stad in de Oostenrijkse deelstaat Opper-Oostenrijk
Bad Ischl
pronoun
  1. 1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
  2. 2. een district in de Duitse deelstaat Beieren
Bad Kissingen
pronoun
  1. 1. een stad in de Duitse deelstaat Rijnland-Palts
  2. 2. een district in de Duitse deelstaat Rijnland-Palts
Bad Kreuznach
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Bad Krozingen
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Hessen
Bad König
pronoun
1.
Bad Laasphe
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Thüringen
Bad Langensalza
pronoun
1. een stad in de Oostenrijkse deelstaat Opper-Oostenrijk
Bad Leonfelden
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Bad Liebenzell
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Bad Mergentheim
pronoun
1.
Bad Münstereifel
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Rijnland-Palts
Bad Neuenahr-Ahrweiler
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Sleeswijk-Holstein
Bad Oldesloe
pronoun
1.
Bad Pyrmont
pronoun
1. een stad in de Oostenrijkse deelstaat Stiermarken
Bad Radkersburg
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Bad Reichenhall
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Thüringen
Bad Salzuflen
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Bad Schussenried
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Bad Säckingen
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Bad Teinach-Zavelstein
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Bad Urach
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Hessen
Bad Vilbel
pronoun
1. een stad in de Oostenrijkse deelstaat Neder-Oostenrijk
Bad Vöslau
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Bad Waldsee
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Bad Wildbad
pronoun
1.
Bad Wimpfen
verb
  1. 1. een bad nemen
  2. 3. in bad doen
baden
pronoun
1.
Baden-Baden
pronoun
1.
Baden-Württemberg
noun
1. openbare inrichting waar men tegen betaling een bad of douche kan nemen
Badehaus
noun
Bademantel
noun
1. een vertrek waar men zich kan wassen en verzorgen
  1. Badezimmer
  2. Bad
noun
1. bergmeubel bestemd voor een vertrek waar men zich kan wassen
  1. Badezimmerschrank
  2. Badezimmerschränkchen
noun
1. een meubel dat bestemd is voor of geplaatst is in een badkamer
Badezimmermöbel
/ˈbɑtkamərˌspixəl/
noun
1. aan de wand van een vertrek waar men zich kan wassen bevestigd glad oppervlak waarin men zichzelf goed weerkaatst kan zien
Badezimmerspiegel
noun
1. glad afgewerkte platte stenen, meestal van aardewerk, waarmee wanden of vloeren van badkamers worden bekleed
Badezimmerfliese
/ˈbɑtkamərvɛntiˈlatɔr/
noun
1. toestel dat de vaak vochtige lucht in een vertrek waar men zich kan wassen afvoert, zodat die door drogere lucht wordt vervangen
Badezimmerventilator
/ˈbɑtkamərˈvɛrᵊf/
noun
1. stof die wegens waterbestendigheid en schimmelwerende eigenschappen...
Badezimmerfarbe
/ˈbɑtkamərˈvlur/
noun
1. bodem van het vertrek waar men zich kan wassen, meestal met tegels of ander waterbestendig materiaal afgewerkt
Badezimmerboden
noun
1. kledij bedoeld voor het baden en zwemmen
Badebekleidung
noun
1. kledingstuk om in te zwemmen of te zonnen
Badeanzug
/ˈbɑtˌkœy̆p/
noun
1. een waterreservoir waarin één of enkele personen zich kunnen wassen en baden
Badewanne
noun
Bademeister
noun
1. een sport waarbij een shuttle met behulp van een racket over een net geslagen moet worden
  1. Badminton
  2. Federball
noun
1. kledij bedoeld voor het baden en zwemmen
  1. Badebekleidung
  2. Badeanzug
/bɑtplaːts/
noun
1. aan zee gelegen plaats waar mensen vaak gaan zwemmen
  1. Badeort
  2. Seebad
  3. Bad
  4. Badeplatz
/ba.ˈɣaːʃ/, /ba.ˈχa.zʲə/
noun
1. een verzameling van eigendommen
Gepäck
noun
Gepäckträger
noun
1. een aanhangwagen voor het vervoer van bagage
Gepäckwagen
verb
1. iets ernstigs onbelangrijk doen voorkomen
bagatellisieren
verb
1. het uitdiepen van een vaargeul door het verwijderen van overtollig sediment van de bodem
baggern
interjection
1. een uitroep die afkeuring over iets vies of ontoepasselijks uitdrukt
bah
/ba.ˈha.mas/, /ba.ˈɦa.mas/, /bɑ.ˈɦa.mas/
pronoun
1. een eilandengebied in het Caraïbische gebied
Bahamas
/ba.ˈrɛɪ̯n/, /bɑx.ˈrɛːn/, /bɑχ.ˈrɛɪ̯n/
pronoun
1. eilandstaat in de Perzische Golf en de Golf van Bahrein. Het ligt ingeklemd tussen Saoedi-Arabië in het westen en Qatar in het oosten en zuiden
Bahrain
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Beieren
Baiersbronn
/ˈbajəs/
noun
1. een gevangenis
Knast
noun
1. een steekwapen bovenop de loop van een geweer
Bajonett
noun
1. de linkerzijde als men vanop een schip naar de boeg kijkt
Backbord
noun
Bakelit
/'bakərə(n)/
verb
1. het strak inwikkelen van een baby in een deken of lappen.
pucken
noun
  1. Wiege
  2. Heimat
noun
1. een driewielige fiets die voorzien is van een laadbak
Lieferfahrrad
noun
1. deel van het baardhaar dat groeit vanaf de kaaklijnen tot aan de haargrens boven de oren.
  1. Backenbart
  2. Koteletten
verb
1. voedsel bij hoge temperatuur in een oven of pan verhitten, meestal met wat olie of boter.
backen
noun
1. iemand die brood en taarten bakt
Bäcker
noun
een werkplaats waar men brood, koek, banket en dergelijke, bakt
Bäckerei
noun
1. meervoud van het zelfstandig naamwoord bakkerijproduct
Backwaren
noun
1. een winkel waar bakkerijproducten verkocht worden
Bäckerei
pronoun
1. de hoofdstad van Azerbeidzjan
Baku
noun
1. speciaal geprepareerd papier dat in de oven gebruikt wordt om te bakken etenswaar niet aan de bakplaat of de bakvorm te laten kleven
Backpapier
noun
1. rijsmiddel op basis van natriumbicarbonaat
Backpulver
noun
1. uit klei of leem gebakken steen
  1. Backstein
  2. Ziegel
  3. Ziegelstein
noun
Backfisch
noun
  1. 1. een object in de vorm van een bol dat gebruikt wordt bij balspelen
    1. Ball
    2. Kugel
  2. 1. een danspartij
    Tanzball
noun
1. een driesnarig Russisch tokkelinstrument
Balalaika
verb
1. evenwicht behouden om er niet vanaf te vallen
balancieren
/balaˈnitɪs/
noun
1. ontsteking van de eikel bij de man.
  1. Balanitis
  2. Eichelentzündung
noun
  1. 3. (economie) een volledige opsomming van de waarde van alle bezit en alle tegoeden en ...
    1. Bilanz
    2. Saldo
  2. 1. evenwicht
    1. Gleichgewicht
    2. Balance
  3. 2. een meetapparaat met twee armen (bedoeld om het verschil te kunnen meten)
    Waage
pronoun
1.
Plattensee
noun
1. stoffen overdekking als ornament, meestal boven een troon, altaar of hemelbed
Baldachin
pronoun
  1. Balearische Inseln
  2. Balearen
noun
1. langgerekte bank van waarachter men klanten bedient
Schalter
pronoun
1. Austronesische taal die wordt gesproken door 3,3 miljoen mensen op of afkomstig van Bali
Balinesisch
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Balingen
/bɑlk/, /bɑɫk/
noun
  1. 1. deel van een constructie met een lengte die veel groter is dan de breedte en de hoogte in doorsnede
    1. Balken
    2. Träger
  2. 2. veelvlak met 6 rechthoekige zijvlakken, 8 hoekpunten en 12 ribben
    Quader
noun
1. wildgroei van cellen die leidt tot een of meer gezwellen in een testikel
Hodenkrebs
pronoun
1. een schiereiland aan het uiterste zuidwesten van Europa
Balkanhalbinsel
/ˈbɑlkə(n)/, /ˈbɑɫkə(n)/
verb
1. het geluid van een ezel maken
iahen
noun
1. een bouwkundig onderdeel
Balkon
noun
1. vervanging van de nuttige lading door iets dat voldoende weegt om een schip te stabiliseren
Ballast
/ˈbɑ.lə/
noun
branie, moed
Eier
noun
1.
Balljunge
noun
2. een damesschoen zonder sluiting en zonder hak
Ballerinaschuh
noun
1. een artistieke dansvorm
Ballett
noun
1. een man die ballet danst
Ballettänzer
noun
Ballettänzerin
noun
!. gokspelletje
  1. Hütchenspiel
  2. Nussschalenspiel
noun
1. gedwongen verblijf elders dan waar men thuis is
  1. Exil
  2. Verbannung
noun
1. leer die de banen van projectielen bestudeert
Ballistik
noun
1. een feestartikel bestaande uit een dun rubberen zakje dat met gas of lucht kan worden gevuld
  1. Luftballon
  2. Ballon
noun
1. een pen die de inkt met een bal of kogel op het papier overbrengt.
Kugelschreiber
noun
1. een pen die met een bal of kogel de inkt op het papier overbrengt
  1. Kugelschreiber
  2. Kuli
noun
  1. Balsamessig
  2. Balsamico
verb
1. het prepareren van een stoffelijk overschot om het tegen ontbinding te beschermen
einbalsamieren
noun
Frauenminze
noun
Ballspiel
pronoun
1.
Baltrum
noun
1. het paargedrag van met name vogels
Balz
noun
1. een laag hekwerk dat een min of verheven standplaats omsluit
Balustrade
noun
1.huidplooi waarin de testikels liggen
Hodensack
pronoun
1. de nationale taal van Mali
Bambara
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Bamberg
noun
1. een reuzengrassoort dat afkomstig is uit Azië
Bambus
noun
Bambussprosse
noun
Bambussprosse
noun
1. een vrucht van de bananenboom
Banane
noun
Bananenbrot
noun
  1. 1. een van de Midden-Amerikaanse staten zoals Honduras, Nicaragua, El Salvador of Guatemala, eens zo genoemd vanwege de bananenindustrie die daar alles overheerste
  2. 2. een in politiek en economisch opzicht corrupt en instabiel land, dat bovendien vaak rijk is aan grondstoffen
Bananenrepublik
noun
1. de schil van een banaaan
Bananenschale
noun
  1. 2. breed koord
    Band
  2. 3. groep muzikanten die een bepaald muzikaal repertoire ten gehore brengt
    1. Band
    2. Kapelle
    3. Combo
    4. Musikkapelle
  3. 5. de binnenrand van een biljarttafel
    Bande
  4. 1. ringvormige omhulling van iets anders, vooral dienend voor de uitwendige bescherming
    Reifen
  5. 4. relatie
    1. Verbindung
    2. Band
/bɑndaˈʒerə(n)/
verb
1. ter versteviging omzwachtelen met repen textiel
bandagieren
noun
  1. Montiereisen
  2. Reifenheber
noun
1. een schurk of misdadiger
Bandit
/bɑnˈdoneɔn/
noun
1. een wisseltonig instrument met doorslaande tongen en een blaasbalg
bandoneon
noun
1. apparaat waarmee men geluid kan vastleggen op magnetische tape
Tonbandgerät
noun
1. een toestel dat geluid opnam op een band magnetiseerbaar materiaal
Tonbandgerät
noun
1. bepaald soort zoogdier, Phoca fasciata
Bandrobbe
verb
1. zich een weg ~: een pad maken waar er geen was, resoluut doordringen in iets
sich einen Weg bahnen
/ˈbɑŋɦɛːt/, /ˈbɑŋɦɛːɪt/
noun
1. toestand van schrik
Ängstlichkeit
/ˌbɑŋ.(g)ɣə.la.ˈdɛʃ/, /ˌbɑŋ.lɑ.ˈdɛʃ/
pronoun
1. land in het zuiden van Azië dat ligt op het Indische subcontinent en grenst voor het grootste gedeelte aan India en voor een klein stukje aan Myanmar/Birma grenst
  1. Bangladesch
  2. Bangladesh
/ˈbɑŋmaːkʏˌrɛi/
noun
Einschüchterung
noun
    1. 3. een financiële instelling
    2. 6. een opslagsysteem voor gegevens of voorwerpen b.v. beeldbank, bloedbank, boekenbank, kennisbank, spermabank
    3. 4. een ondiepte in het water
    Bank
  1. 5. gebouw waarin een financiële instelling gevestigd is
    1. Bank
    2. Bankgebäude
  2. 1. een meubelstuk met zitplaats voor meer dan één persoon
    1. Sofa
    2. Bank
noun
1. een betaalmiddel van papier
  1. Banknote
  2. Geldschein
noun
Bankrott
/bɑŋ'kɛt/
noun
  1. 1. een feestelijke, officiële maaltijd
    Bankett
  2. 2. een vet en zoet gebak van bladerdeeg dat gevuld is met spijs
    Feingebäck
noun
1. een bakker die voornamelijk taarten, klein gebak en chocolade maakt
Konditor
noun
1. een bedrijf dat zich toelegt op het vervaardigen van gebak, taart en andere lekkernijen
Konditorei
noun
1. een stuk banket dat gemaakt is van bladerdeeg, gevuld is met amandelspijs, de vorm heeft van een letter (vaak de 'S') en vooral populair is rond Sinterklaas
Blätterteiggebäck in Buchstabenform
noun
1. een langwerpig stuk gebak, bestaand uit bladerdeeg en gevuld met amandelspijs
Mandelgebäck
noun
Bankgarantie
noun
1. iemand die financiële diensten verleent
  1. Bankier
  2. Banker
noun
1. een rekening-courant bij een bank
Bankkonto
noun
1. toestand van iemand die niet in staat is aan zijn financiële verplichtingen te voldoen
  1. Pleite
  2. Bankrott
  3. Konkurs
  4. Insolvenz
  5. Zahlungsunfähigkeit
noun
Bankraub
noun
1. verschijnsel waarbij een groot aantal klanten hun geld van hun bankrekening halen
Bankrun
noun
1. een handig hulpmiddel om werkstukken in vast te houden
Schraubstock
/ˈbɑnəlɪŋ/
noun
1. iemand die verbannen is
Exilant
noun
1. bansuri
Bansuri
/ˈbɑntutaːl/
noun
1. een taal die tot de Bantoetak van de Niger-Congotalen behoort
Bantusprache
noun
1. een kerkelijke straf
Bannfluch
noun
benaming voor dikstammige bomen uit droge, warme gebieden uit het geslacht Adansonia
  1. Affenbrotbaum
  2. Baobab
adjective
1. zonder beperkingen opgelegd door beschaafd gedrag
barbarisch
/ˈbɑr.ba.ˌdɔs/, /ˈbɑr.be.ˌdɔs/
pronoun
1. een eiland in het Caribisch gebied, dat behoort tot de Bovenwindse Eilanden van de Kleine Antillen
Barbados
/bɑrbɑˈrɪzmə/
noun
1. woord of uitdrukking uit een andere taal
Barbarismus
/ˈbɑrbəkju/
noun
  1. 1. apparaat
    1. Barbecue
    2. Grill
  2. 2. bijeenkomst
    Grillparty
noun
1. bepaalde vissoort die voorkomt in de middenlopen van rivieren, Barbus barbus
Barbe
noun
1. een herenkapper die ook baarden bijwerkt
Barbier
noun
1. Een slaapmiddel in de vorm van een barbituurzuur verbinding
Barbiturat
pronoun
Barcelona
noun
1. (informatica) een op artikelen, verpakkingen afgedrukte reeks smalle en brede streepjes waarmee in gecodeerde vorm productinformatie is vastgelegd die met een scanner kan worden gelezen
Barcode
/bɑrt/
noun
1. middeleeuws dichter en zanger bij de Kelten
Barde
pronoun
1. een gemeente in de Nederlandse provincie Zuid-Holland
Barendrecht
noun
Barentssee
noun
1. plat hoofddeksel zonder klep
  1. Barett
  2. Baskenmütze
/bɑrx/
noun
1. gecastreerd mannetjesvarken
  1. Borg
  2. Altschneider
noun
1. baritonsaxofoon
Baritonsaxophon
noun
Barium
noun
1. bepaald type zeilschip met drie of meer masten
Bark
noun
1. iemand die achter de bar staat en drankjes voor de gasten inschenkt
  1. Barmann
  2. Barkeeper
noun
Bernstein
noun
1. door een barograaf opgetekende registratie van de luchtdruk
Barogramm
noun
1. een 17e eeuwse kunststroming die er naar streeft grootste, dramatische momenten en beweging uit te drukken
Barock
/ˈbaroˌmetər/
noun
1. een instrument dat de luchtdruk meet
Barometer
noun
1. adellijke titel, in rang tussen jonkheer en burggraaf
  1. Baron
  2. Freiherr
noun
1. vrouwelijke baron
Baronin
noun
  1. Baronat
  2. Baronie
noun
lichamelijk letsel door snel veranderende atmosferische druk
Barotrauma
noun
  1. 3. beslissingsronde
    1. Ausscheidungsrunde
    2. Stichkampf
  2. 1. versperring
    1. Barrage
    2. Versperrung
  3. 2. dam
    1. Staudamm
    2. Talsperre
noun
1. straatversperring die de doorgang door een straat onmogelijk maakt
Barrikade
adjective
1. onverbiddelijk, onvriendelijk
barsch
verb
1. heftig breken of uiteenspatten
bersten
pronoun
2. apocrief boek uit de Bijbel
Baruch
adjective
  1. 1. fundamenteel
    basal
  2. 2. aan de basis liggend
    1. basal
    2. grundlegend
noun
1. een mafisch vulkanisch stollingsgesteente dat gevormd wordt door de stolling van lava of magma
Basalt
adjective
  1. Basaltgrau
  2. basaltgrau
noun
1. een eenvoudig houten blaasinstrument
Bassblockflöte
noun
Waage
noun
  1. 1. stof die een of meer hydroxylgroepen bevat en in een waterige oplossing OH-ionen afsplitst
  2. 2. ion of molecuul dat de neiging heeft een proton op te nemen
Base
verb
basieren
/baˈsilikəm/
noun
1. een keukenkruid
Basilikum
noun
Basilika
noun
1. fabeldier
Basilisk
noun
1. een vorm van democratie waarin zo veel mogelijk beslissingen actief door het kiesbevoegde volk worden genomen...
Basisdemokratie
noun
1.
Grundkenntnis
/ˈbazɪsxoɫ/
noun
1. een school voor lager onderwijs
Grundschule
/'bɑskən,lɑnd/
pronoun
  1. 1. geografische regio bij de Spaans-Franse grens
  2. 3. Spaanse autonome regio
Baskenland
noun
1. doel
Korb
noun
  1. 2. bal
    Basketball
  2. 1. sport
    1. Basketball
    2. basketbal
adjective
  1. 1. met betrekking tot de Basken
  2. 2. met betrekking tot de Baskische taal
baskisch
pronoun
1. taal die wordt gesproken door de Basken
  1. Baskisch
  2. baskisch
noun
1. geurige rijstzaden
Basmatireis
noun
1. bassaxofoon
Basssaxophon
noun
1. bekken met een ondoorlaatbare bodem waarin water opgelagen kan worden
Bassin
noun
  1. 1. contrabasspeler
  2. 2. baszanger
Bassist
abbreviation
1. continu voortgaande bas- en/of begeleidingspartij
  1. Generalbass
  2. Basso continuo
  3. Continuo
noun
1. buitenste laag...
Bast
noun
1. een kind dat niet geboren is uit een wettig huwelijk
Bastard
pronoun
1. een stad in de Belgische provincie Luxemburg
Bastnach
noun
1. het geld dat voor iets ontvangen is of ontvangen moet worden
Erträge
verb
1. helpen
  1. nutzen
  2. nützen
noun
1. stokje dat een dirigent bij het dirigeren hanteert
Taktstock
verb
2. geslachtsgemeenschap hebben
  1. ficken
  2. bumsen
  3. vögeln
noun
1. een elektrotechnisch component waarin elektrische energie is opgeslagen
Batterie
noun
1. eenheid van snelheid van informatieoverdracht van een datatransmissiekanaal (modem, telefoonlijn etc.)
Baud
noun
1.
Cremespeise
noun
1. een aap met een korte staart en een vooruitstekende snuit
Pavian
/ˈbɑks.tər/
noun
1. vochttoediening in de bloedvaten
Infusion
pronoun
  1. 1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
  2. 2. een district in de Duitse deelstaat Beieren
  3. 3. een voormalig markgraafschap en vorstendom
Bayreuth
pronoun
1. stad in Zwitserland
Basel
noun
Beatmungsgerät
/'biːmən/, /bə'amən/
verb
1. bevestigen dat men het eens is met iets
einverstanden sein mit
verb
1.
beängstigen
/bə.ʔˈɑnt.ʋɔːr.də(n)/
verb
1. de reactie op een vraag geven
beantworten
noun
Beat Generation
pronoun
1. deel van de Noordelijke IJszee, ten noordwesten van Canada en ten noorden van Alaska
Beaufortsee
adjective
1. voorzien van een (lange) baard
bärtig
verb
1. van bakens voorzien
  1. abbaken
  2. ausbaken
  3. bebaken
verb
  1. 1. vullen met gebouwen
    bebauen
  2. 2. landbouwgrond bewerken
    kultivieren
/bə.ˈbaʊ̯.wɪŋ/, /bə.ˈbɔʊ̯.β̞ɪŋ/, /bə.ˈbʌʊ̯.β̞ɪŋ/
noun
  1. 1. het construeren van een gebouw op een stuk land
  2. 2. de gebouwen op een stuk grond
Bebauung
noun
1. becijferde bas
bezifferter Bass
verb
  1. 1. uitrekenen
  2. 2. door cijfers aanwijzen
  3. 3. (muziek) notaties door cijfers aangeven
beziffern
noun
Becquerel
/bɛd/, /bɛt/
noun
  1. 2. afgeperkte en/of verhoogde plaats in een tuin, waarop bloemen of gewassen gekweekt worden
    Beet
  2. 1. een meubel gemaakt om in te slapen
    Bett
adjective
1. goed doordacht iets doen
bedacht
verb
  1. 3. een lidmaatschap of abonnement opzeggen
    abbestellen
  2. 2. weigeren aan te nemen
    ablehnen
  3. 1. erkentelijkheid tot uitdrukking brengen
    danken
interjection
5. uitspraak om waardering en erkenning te tonen in dagelijks gebruik
danke
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Bedburg
noun
Bettzeug
noun
1. een sierkleed voor over een bed
  1. Bettdecke
  2. Tagesdecke
  3. sengetæppe
  4. tæppe
verb
1. iets over iets heen plaatsen zodat het niet zichtbaar is
  1. bedecken
  2. zudecken
noun
Bettelarmband
verb
  1. 1. om een aalmoes vragen
    betteln
  2. 1. een deel toewijzen aan iemand
    bedenken
/bəˈdɛŋkələk/
adjective
1. wat bezorgdheid of afkeuring opwekt
  1. bedenklich
  2. zweifelhaft
verb
  1. 2. door nadenken vinden
    ausdenken
    1. 3. iets schenken aan
    2. 1. gedachten laten gaan over, denken over
    bedenken
  2. 4. zich ~: op een besluit terugkomen, van gedachten veranderen
    es sich anders überlegen
noun
  1. Wallfahrt
  2. Pilgerfahrt
/bəˈdinə(n)/
verb
1. eten en of drinken brengen in een horecagelegenheid
bedienen
noun
1. de groep van personen die eten en of drinken brengen in een horecagelegenheid
Bedienung
verb
1. aan discussie onderwerpen
  1. besprechen
  2. diskutieren
adjective
1. wat men wilde bereiken of uitdrukken
gedacht
verb
  1. 2. iets met een bepaald oogmerk doen
    1. beabsichtigen
    2. bezwecken
  2. 1. met een woord of toespeling iets of iemand aanduiden of proberen aan te duiden
    meinen
noun
  1. 1. het doel van een actie, dat wat men wil gaan doen of wil bereiken
    Absicht
  2. 2. de zin of strekking
    Sinn
noun
  1. Betrag
  2. Summe
adjective
  1. 1. dreigend bejegend
  2. 2. mogelijk op het punt staand van uitsterving
bedroht
verb
1. iemand met een mogelijk gevaar confronteren
bedrohen
adjective
erfahren
verb
1. iemand met kwade opzet in de waan brengen
  1. beschwindeln
  2. hereinlegen
noun
1. vrouw die bedriegt
Schwindler
/bəˈdrɛɪ̯f/, /bəˈdrɛːf/
noun
  1. 5. deel van een toneelspel
    1. Akt
    2. Aufzug
  2. 1. organisatie, samenspel van mensen en middelen om producten en of diensten te leveren
    Betrieb
noun
1. een specialist die een bedrijf adviseert in zaken de bedrijfvoering
Unternehmensberater
noun
Betriebsarzt
adjective
1. klaar om in bedrijf genomen te worden
betriebsbereit
noun
1. de tak van wetenschap die het samenspel in organisaties en hun relatie met hun omgeving bestudeert
Betriebswirtschaftslehre
noun
Geschäftsführer
noun
Betriebsleitung
noun
1. het geheel aan bedrijven in een bepaalde samenleving
Wirtschaft
verb
1. aan iets doen
treiben
/bəˈdrɛɪ̯vəχ/, /bəˈdrɛɪ̯vɪx/, /bəˈdrɛːvəx/
adjective
tot hard werken geneigd
rührig
verb
1. triest stemmen
betrüben
/bə'drɔx/
noun
1. het met kwade opzet misleiden van iemand
  1. Täuschung
  2. Betrug
verb
2. zich ~: zich redden, voor zichzelf zorgen
sein auskommen haben
noun
Schlafenszeit
verb
1. bedriegen
  1. hereinlegen
  2. beschwindeln
  3. verarschen
noun
1.1 Cimex lectularius, een parasitair insect
Bettwanze
verb
1. iemands bewustzijn verminderen of laten verliezen door blootstelling aan een bepaalde stof
betäuben
verb
  1. 1. onderwerpen of onderdrukken
  2. 2. in bedwang houden
bezwingen
/bek/
noun
1. stromend watertje
Bach
noun
1. bepaalde ondersoort van vissen die voorkomt in stromend water, Salmo trutta fario
Bachforelle
noun
1. zeldzaam visje dat inheems voorkomt in de Benelux, Lampetra planeri
  1. Bachneunauge
  2. Bachpricke
  3. Neunhocker
noun
1.
Gemeine Keiljungfer
noun
1. driedimensionaal kunstwerk
  1. Bild
  2. Abbild
noun
Bilderkennung
adjective
1. een beeld ergens van makend
  1. bildhaft
  2. darstellend
verb
1. uit steen een beeld vervaardigen
bildhauern
noun
1. een beoefenaar van de beeldhouwkunst
  1. Bildhauer
  2. Skulpteur
noun
1. een kunstvorm die ruimtelijke beelden voortbrengt, bijvoorbeeld door deze uit te houwen in steen
  1. Bildhauerei
  2. Bildhauerkunst
/'beltɦɑʊʋɛrk/
noun
1. een kunstwerk vervaardigd door het houwen van steen
  1. Skulptur
  2. Bildhauerwerk
  3. Plastik
noun
1.
Markenzeichen
noun
Bildschirm
noun
Bildersprache
noun
1. reeks getekende plaatjes die verzonnen of werkelijke gebeurtenissen vertellen
Bildergeschichte
/beːn/
noun
  1. 1. ledemaat waarop wordt gestaan en waarmee wordt gelopen
    Bein
  2. 3. stof waaruit benen/botten bestaan
    Knochen
noun
1. een verkoper van vlees
  1. Fleischer
  2. Metzger
noun
1. Het bedrijf van een beenhouwer
  1. Fleischerei
  2. Metzgerei
noun
1. een sponsachtige, rode substantie die zich in het binnenste van beenderen bevindt
Knochenmark
noun
Beinfreiheit
noun
Knochenhaut
/beːr/, /bɪːr/
noun
  1. 1. groot viervoetig zoogdier uit de familie Ursidae
    Bär
  2. 1. mannetjesvarken
    Eber
  3. 1. gier, mensendrek
    1. Jauche
    2. Fäkalien
noun
1. een put waarin fecaliën verzameld worden
Senkgrube
/beːst/
noun
1. dier
  1. Tier
  2. Bestie
/ˈbeːtʃjə/
noun
1. kleine hoeveelheid
bisschen
adjective
1. op een goede manier bekend staan
berühmt
noun
1. bepaald soort lijster, Turdus torquatus
Ringdrossel
noun
1. een bijzondere aanleg, een gave
  1. Talent
  2. Begabung
verb
1. iets doen dat onjuist of verboden is
  1. begehen
  2. verüben
/bəˈxanə xrɔnt/
abbreviation
1. een bouwlaag van een gebouw die ter hoogte van het maaiveld ligt
Erdgeschoss
noun
1. verlangen
  1. Begierde
  2. Wunsch
/bə.ɣə.ˈlɛɪ̯.də(n)/, /bə.ɣə.ˈlɛː.də(n)/, /bə.χə.ˈlɛɪ̯.də(n)/
verb
1. vergezellen
begleiten
noun
1. personen die iemand vergezellen of bewaken
Begleitung
verb
1. sterk verlangen om iets te bezitten
begehren
verb
1. een gift geven
beschenken
noun
1. een hofje waar vrouwen als geestelijke zusters tezamen leefden, zonder een kloostergelofte af te leggen
Beginenhof
verb
  1. 2. initiëren
    beginnen
  2. 1. aanvangen
    1. beginnen
    2. anfangen
noun
Anfangspunkt
noun
1. regel waar je je in ieder geval aan wilt houden
Prinzip
noun
1. begintoon
Finalis
noun
1. (plantk.) Begonia, een geslacht bloeiende planten uit de begoniafamilie
Begonie
noun
1. een plaats waar overledenen begraven liggen
  1. Friedhof
  2. Kirchhof
noun
1. een ceremonie waarbij een overledene in een kist aan de aarde wordt toevertrouwd
Beisetzung
/bəˈɣrafənɪsɔndərˌnemər/
noun
1. Een persoon die de begrafenis van overledenen verzorgt
  1. Bestatter
  2. Bestattungunternehmer
verb
  1. 2. een overledene begraven
    1. beerdigen
    2. begraben
  2. 3. iets wegstoppen
    1. begraben
    2. vergraben
  3. 1. iets onder de grond stoppen
    1. vergraben
    2. begraben
verb
1. beperken, limiteren
begrenzen
/bə.χrɛɪ.pə(n)/
verb
1. met het verstand vatten
verstehen
noun
  1. 2. datgene wat men ergens onder verstaat of hoe men iets kent
    1. Begriff
    2. идея
  2. 1. het verstaan of begrijpen van iets
    Verständnis
/bəˈɣrotɪŋ/
noun
1. raming van de te maken uitgaven voor de komende tijd
  1. Budget
  2. Etat
  3. Haushalt
  4. Haushaltsplan
  5. Kostenvoranschlag
verb
1. iemand al dan niet financieel voordeel schenken
begünstigen
/beˈɦaː/
noun
1. een kledingstuk voor vrouwen dat de borsten ondersteunt
  1. Büstenhalter
  2. BH
/bə.ˈhaː.ɣə(n)/
noun
1. aan iemand welgevallig zijn
  1. gefallen
  2. behagen
verb
1. een diploma of certificaat verwerven
bekommen
preposition
1. met uitzondering van
  1. ausgenommen
  2. außer
verb
  1. 2. bespreken, spreken of schrijven over
  2. 1. verwerken
  3. 3. medisch verzorgen
behandeln
noun
2. een handeling gericht op herstel
Behandlung
noun
1. ter versiering op de muur aangebrachte papieren bedekking
Tapete
noun
1. iemand die beroepsmatig behangsel op de muren aanbrengt
Tapezierer
noun
1. muurbedekking
Tapete
noun
1. met motieven bedrukt papier of andere vlakke materialen waarmee wanden van kamers worden bekleed
Tapete
noun
1. een persoon om een bepaald geheel te regelen en te onderhouden of dit beroep
  1. Verwalter
  2. Administrator
  3. Bewirtschafter
  4. Geschäftsführer
noun
1. iemand die iets beheerst
Beherrscher
adjective
1. zonder uitspatten
beherrscht
verb
1. zich ~: een provisorische oplossing bedenken voor een probleem dat men heeft bij gebrek aan middelen
sich behelfen
verb
  1. 1. het beheer hebben over iets
  2. 2. iets leiden, besturen
verwalten
/ˈbə'huftə/
noun
1. iets wat benodigd is
  1. Bedarf
  2. Bedürfnis
/bəˈhuvə(n)/
verb
  1. 2. nodig hebben
    1. brauchen
    2. benötigen
  2. 1. moeten
    müssen
adjective
2. net, fatsoenlijk
  1. gehörig
  2. ordentlich
verb
  1. 2. onderdeel uitmaken van wat gebruikelijk is of tot de fatsoensnormen gerekend wordt
  2. 1. onderdeel zijn van
gehören
noun
1. het behoeden voor of verhinderen van een teloorgang
Erhaltung
adjective
1. iets niet verliezen
behalten
noun
1. muziekinstrument met klokken
Glockenspiel
noun
1. iemand die een beiaard of carillon bespeelt
Glockenspieler
cardinalNumeral
1. alle twee
  1. beide
  2. beides
pronoun
Bayern
pronoun
1. taal gesproken door ten minste 12 miljoen mensen in Oostenrijk...
  1. Bairisch
  2. Bayerisch
  3. Ost-Oberdeutsch
pronoun
1.
  1. Bayerischer Wald
  2. Bayerwald
adjective
  1. Beige
  2. beige
adjective
  1. Beigebraun
  2. beigebraun
adjective
  1. Beigegrau
  2. beigegrau
adjective
  1. Beigerot
  2. beigerot
/bɛɪrut/
pronoun
1. hoofdstad van Libanon
Beirut
noun
1. een scherp stuk gereedschap met een wigvormige snede
  1. Meißel
  2. Beitel
noun
1.
Altenheim
verb
1. iemand op een bepaalde wijze behandelen
  1. begegnen
  2. behandeln
noun
    1. 2. mond van dieren
    2. 3. mond van een mens
    1. Maul
    2. Schnauze
  1. 1. snavel van vogels
    Schnabel
verb
1. van kabels voorzien
verkabeln
noun
1. iemand die zich recentelijk tot een bepaald geloof bekeerd heeft
  1. Bekehrte
  2. Bekehrter
  3. Konvertit
adjective
1. vertrouwd
bekannt
noun
Bekanntheit
verb
1. openbaar maken
bekannt machen
verb
1. toegeven
  1. bekennen
  2. gestehen
  3. zugeben
noun
  1. 1. een cilindervormig voorwerp waaruit je kunt drinken
    1. Becher
    2. Pokal
  2. 2. trofee
    Pokal
verb
1. tot een bepaald geloof overhalen
bekehren
noun
Becherglas
noun
1. het (doen) overgaan van iemand tot een bepaald geloof.
Bekehrung
noun
1. een boete die wordt opgelegd voor het overtreden van een wet
Geldstrafe
/bə.ˈkɛɪ̯.kə(n)/, /bə.ˈkɛː.kə(n)/
verb
1. ergens naar kijken
sich ansehen
noun
  1. 2. gebeente tussen beide heupen
  2. 1. vrij ondiepe maar brede schaal
  3. 3. (muziekinstrument) slaginstrument bestaande uit een metalen schaalvormige voorwerp
Becken
noun
Beckenboden
noun
2. metalen kapje dat onder of in plaats van een echte helm werd gedragen
Hirnhaube
/bəˈklaxdə/
noun
1. iemand die voor de rechter van iets beschuldigd wordt
Angeklagte
verb
  1. 1. op lelijke wijze iets met verf, modder of graffiti bedekken
    beschmieren
  2. 2. iemands goede naam schaden
    1. diffamieren
    2. verleumden
verb
  1. 2. iemands leed bejammeren
    1. bedauern
    2. bemitleiden
  2. 1. ontevredenheid uiten, klachten indienen
    1. sich beklagen
    2. sich beschweren
verb
  1. 2. een ambt vervullen
    bekleiden
  2. 1. met stof bedekken
    polstern
/bəˈkledɪŋ/
noun
1. een laag stof ter versiering en berscherming aangebracht op een hard oppervlak of een meubelstuk
  1. Bekleidung
  2. Polsterung
noun
1. datgene wat gebruikt wordt om iets te bekleden
Verkleidung
/bə'klɛmə(n)/
verb
2. een bedrukt gevoel geven
  1. bedrücken
  2. beengen
verb
1. de nadruk leggen op iets
betonen
verb
1. naar de top van iets, zoals een berg, klimmen
besteigen
verb
1. op listige wijze weten te regelen
  1. abkarten
  2. aushecken
verb
  1. 1. een goede of slechte uitwerking hebben
    1. bekommen
    2. bekömmlich sein
  2. 3. in eigendom krijgen
    1. bekommen
    2. erhalten
  3. 2. herstellen (van de schrik e.d.)
    genesen
adjective
1. aantrekkelijk, bekoring opwekkend
  1. bezaubernd
  2. charmant
/bəˈkopə(n)/
verb
1. iets ~ met een prijs ergens voor betalen
bezahlen
verb
1. aantrekkingskracht uitoefenen
  1. bezaubern
  2. entzücken
  3. reizen
noun
1. aangetrokken zijn
Reiz
verb
1. ervoor zorgen dat de kosten betaald worden
  1. bezahlen
  2. finanzieren
verb
2. kracht van wet geven
bekräftigen
noun
Ratifizierung
verb
1. kritiek uiten op iets of iemand
kritisieren
verb
1. belonen voor uitmuntendheid
auszeichnen
adjective
  1. geschickt
  2. kompetent
  3. fähig
noun
1. competentie
  1. Fähigkeit
  2. Geschicklichkeit
pronoun
2.
  1. Baal
  2. Bel
noun
  1. 9. eenheid van geluidsintensiteit
    Bel
  2. 1. klok, schel, zoemer
    1. Bimmel
    2. Glocke
    3. Klingel
    4. Schelle
    5. Summer
  3. 5. grote hoeveelheid gas in de bodem
    Gasvorkommen
  4. 6. een rond, schaalvormig metalen voorwerp in de vorm van een klok of halve bol al dan niet met klepel...
    Glocke
  5. 2. Falkenschelle
    Glöckchen
  6. 4. luchtblaas in water, zeepbel
    Luftblase
  7. 3. oorbel
    Ohrring
  8. 7. groot glas
    1. Schwenker
    2. Schwenkglas
/bəˈlɑɣələk/, /bəˈlɑχələk/
adjective
1. lachwekkend, om uit te lachen
lächerlich
verb
1. een lading aanbrengen op een lastdier of een voer- of vaartuig
beladen
verb
1. iemand agressief/intimiderend benaderen
bedrängen
noun
  1. 1. iemand die iemand anders lastig valt
    1. Angreifer
    2. Stalker
    3. Verfolger
  2. 2. tegenstander in de strijd
    1. Feind
    2. Gegenspieler
    3. Gegner
    4. Widersacher
verb
  1. 1. min of meer bij toeval op een bepaalde plaats geraken
    landen
  2. 2. met het schip onverhoeds aan land geraken
    stranden
noun
1. iets wat belangrijk is voor een persoon
  1. Belang
  2. Bedeutung
  3. Interesse
/bəˈlɑŋəlos/
adjective
  1. 1. zonder geldelijke belangen
    1. gratis
    2. unentgeltlich
  2. 2. uit liefdadigheid
    1. selbstlos
    2. uneigennützig
noun
Interessengruppe
/bəlɑŋˈhɛbənt/
adjective
1. er belang bij hebben
beteiligt
adjective
1. van grote betekenis
wichtig
noun
1. bereidheid en verlangen aandacht aan iets te schenken
Interesse
adjective
1. belangstelling oproepend
  1. fesselnd
  2. interessant
  3. packend
adjective
1.
belarussischsprachig
verb
1. gewichten plaatsen op
belasten
verb
1. iemands goede naam geweld aandoen met onware aantijgingen
  1. diffamieren
  2. verleumden
noun
1. de daad van het belasteren.
Verleumdung
noun
  1. 2. de mate waarin een machine belast wordt ofwel het vermogen dat van de machine
    Belastung
  2. 1. door de wet gedwongen betaling aan de overheid zonder individuele tegenprestatie
    Steuer
noun
1. overheidsdienst die de heffing en inning van belasting voor een staat verzorgt
Finanzamt
noun
Steuerparadis
noun
1. het vestigen een andere land om de hoge belastingen in het land van oorsprong te ontwijken
Steuerflucht
verb
1. nare opmerkingen maken tegen of over een persoon
  1. beleidigen
  2. kränken
  3. brüskieren
noun
1. een krenking van iemands gevoel van eer of eigenwaarde
Beleidigung
adjective
1. van goede omgangsvormen getuigend
höflich
noun
1. een sociale vaardigheid, die de omgang in de maatschappij vergemakkelijkt.
Höflichkeit
noun
1. beleefde aanspreekvorm, gebruikt tegen iemand die men niet tutoyeert.
Höflichkeitsform
/bəˈlɛx/
noun
  1. 2. voedzame en smakelijke bedekking van een boterham
    Belag
  2. 1. langdurige uitsluiting van de buitenwereld door een vijandige strijdmacht
    Belagerung
  3. 3. afgewerkte tegenkant van naaiwerk
    Besatz
verb
1. met een leger omsingeld houden
belagern
verb
1. geld steken in een naar verwacht winstgevende onderneming
anlegen
noun
1. geld besteed aan iets waarvan men verwacht dat het later meer waarde zal hebben
Kapitalanlage
noun
1. een plan van aanpak voor het oplossen van problemen in de meest ruime zin
Politik
/bəˈlɛmərə(n)/
verb
1. een factor vormen die een gebeurtenis of handeling (bijna) onmogelijk maakt
  1. behindern
  2. hemmen
noun
1. wat hinder en oponthoud veroorzaakt
Hindernis
verb
1. als onderpand voor een lening gebruiken
  1. beleihen
  2. verpfänden
noun
1. leesteken bestaand uit drie puntjes (…)
Auslassungspunkte
verb
1. iets of iemand storen in zijn/haar bezigheden
hindern
verb
1. meemaken
  1. erleben
  2. durchmachen
noun
1. een stedelijke wachttoren met een stormklok
  1. Glockenturm
  2. Belfried
/bɛlx/, /bɛɫx/, /bɛɫχ/
noun
1. een staatsburger van België
Belgier
/ˈbɛl.ɣɪs/, /ˈbɛɫ.ɣis/, /ˈbɛɫ.χis/
adjective
1. met betrekking tot België
belgisch
pronoun
Belgisch-Kongo
/ˈbɛlɣijə/, /ˈbɛɫɣijə/, /ˈbɛɫχijə/
pronoun
Belgien
pronoun
1. de hoofdstad van Servië
Belgrad
/bɛlhaməl/
noun
  1. 2. ondeugende jongen
    Balg
  2. 1. een gecastreerd mannelijk schaap dat met een bel om zijn nek vaak de kudde leidt
    Leithammel
/bə.ˈlɪx.tə(n)/, /bə.ˈlɪχ.tə(n)/
verb
    1. 1. licht schijnen op iets
    2. 2. van een bepaalde kant bekijken
    beleuchten
  1. 3. een bepaalde tijd licht laten vallen op de film om deze op te nemen
    belichten
/be.ˈliː.zə/
pronoun
1. een Midden-Amerikaans land, en grenst aan Mexico in het noordwesten en Guatemala in het zuiden en westen. Aan het oosten grenst het aan de Caribische Zee
Belize
verb
  1. 3. iemand opbellen, telefoneren naar iemand
    1. anrufen
    2. telefonieren
    1. 1. de deurbel over laten gaan
    2. 2. door middel van een bel een signaal geven
    klingeln
  2. 4. door middel van een bel roepen
    klingeln nach
noun
Blasenkammer
noun
1. tandwalvis die doorgaans bij volwassenheid melkwit van kleur is, Delphinapterus leucas
  1. Beluga
  2. Weißwal
noun
1. een ondelinge of schriftelijke verklaring waarin men iets belooft
  1. Versprechen
  2. Gelöbnis
verb
1. een prestatie of goede daad met geld of anderszins erkennen
belohnen
noun
Belohnung
verb
  1. 1. ergens overheen lopen
  2. 2. een geschat bedrag hebben
belaufen
verb
1. toezeggen dat iets gedaan zal worden
versprechen
/bɛlt/
noun
1. stortplaats voor afval
Müllhalde
noun
Mobilguthaben
noun
Klingelton
verb
1. aandachtig naar iets luisteren
anhören
verb
1. met moeite in handen krijgen
sich bemächtigen
noun
1. de personen die het benodigde werk aan boord van een schip of vliegtuig verrichten
  1. Besatzung
  2. Mannschaft
noun
1. de personen die het benodigde werk aan boord van een schip of vliegtuig verrichten
  1. Mannschaft
  2. Besatzung
adjective
1. bestrooid met uitwerpselen van sommige dieren waarmee men land vruchtbaar maakt
gedüngt
verb
1. het toevoegen van meststoffen aan de aarde
düngen
verb
1. trachten overeenstemming tussen twee partijen tot stand te brengen
  1. vermitteln
  2. schlichten
verb
1. amoureuze gevoelens voor iemand koesteren
  1. lieben
  2. lieb haben
verb
1. als een moeder verzorgen, optreden voor
bemuttern
verb
1.iemand een positievere kijk op de kansen geven
ermutigen
noun
1. iemand die zich bemoeit met zaken van anderen
  1. Wichtigtuer
  2. Einer der sich mischt mit Anderen
verb
  1. 1. zich inlaten met zaken waar men niets mee te maken heeft
    1. sich einmischen in
    2. sich mischen in
  2. 2. zich bekommeren om iemand
    sich kümmern um
/bəmujləkə(n)/, /bəmujləkən/
verb
1. moeilijker maken
erschweren
verb
1. iemand of iets nadeel toebrengen, iemand of iets schade toebrengen
  1. benachteiligen
  2. schaden
noun
2. buitengewoon onevenwicht tussen de contractuele prestaties van de betrokken partijen
  1. enorme Verletzung
  2. Übervorteilung
adjective
1. te benaderen, makkelijk mee te praten
  1. zugänglich
  2. anprechbar
verb
1. naartoe gaan en aanspreken
  1. herangehen
  2. herantreten
noun
  1. 2. gezichtspunt, de richting van waaruit men naar iets beschouwd .
    Annäherung
  2. 1. getalswaarde die voor een bepaald praktisch doel voldoende dicht in de buurt ligt van de exacte waarde van die grootheid.
    Approximation
/bəˈnadrʏkə(n)/
verb
  1. betonen
  2. hervorheben
adjective
  1. 1. moeilijk ademend
    1. beklemmt
    2. schwül
  2. 2. angstig
    ängstlich
/ˈbɛn.də/
noun
1. een informeel georganiseerde groep mensen, meestal met kwade of misdadige motieven
Bande
adjective
2. bekrompen
  1. engstirnig
  2. borniert
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera tigris tigris
Königstiger
/bəˈniu̯t/
adjective
1. reikhalzend uitziend naar iets
neugierig
verb
1. wensen dat men zelf mocht hebben wat een ander heeft
beneiden
/be.ˈnin/, /ˈbe.nɪn/
pronoun
1. een land in Afrika dat in het westen aan Togo grenst, in het noordwesten aan Burkina Faso, in het noordnoordoosten aan Niger in het oosten aan Nigeria. In het zuiden ligt het aan de Golf van Guinee
Benin
verb
1. nodig hebben
benötigen
/bə.ˈnu.mɪŋ/
noun
1. het toewijzen van een ambt aan iemand
  1. Berufung
  2. Ernennung
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Hessen
Bensheim
noun
Benzol
/bɛn'zinə/
noun
1. een aardolieproduct bestaande uit een mengsel van alifatische koolwaterstoffen...
Benzin
/bɛnˈzinəˌtɑŋk/, /bɛnˈzinəˌtɛŋk/
noun
Benzintank
noun
1. een druklamp die op vergaste benzine brandt
Starklichtlampe
noun
Benzol
noun
Beo
verb
1. tot een oordeel komen over iets
beurteilen
adjective
bestimmt
noun
1. een lidwoord voorafgaand aan een bepaald zelfstandig naamwoord
bestimmter Artikel
verb
2. vaststellen, voorschrijven, regelen
  1. festlegen
  2. bestimmen
noun
  1. 5. woordgroep die een van de delen van een zin nader bepaalt
    1. Adverbphrase
    2. adverbiales Satzglied
  2. 1. een voorwaarde
    1. Bedingung
    2. Bestimmung
verb
1. een verminderde reikwijdte geven
  1. beschränken
  2. limitieren
  3. eingrenzen
/bə.ˈpɛr.kɪŋ/
noun
1. iets dat ervoor zorgt dat de mogelijkheden beperkt worden
Begrenzung
/bə.ˈplɑn.tə(n)/
verb
1. bezetten met de geschikte planten
bepflanzen
verb
1. argumenten aandragen om een te nemen beslissing in bepaalde zin te beïnvloeden
plädieren
verb
1. onderzoeken of het de juiste is
  1. prüfen
  2. testen
  3. erproben
verb
1. overleg plegen over de gezamenlijk te voeren actie
  1. beraten
  2. beratschlagen
/'bɛrbərap/
noun
1. Macaca sylvanus
Berberaffe
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Berchtesgaden
noun
1. plank, tafel
Brett
pronoun
1.
Berdorf
verb
1. in staat zijn zelfstandig dagelijkse dingen te doen
erledigen
adjective
1. akkoord gaand, instemmend: bereid tot actie
bereit
verb
1. het klaarmaken van bijvoorbeeld een maaltijd
zubereiten
noun
1. de wil om iets te doen
Bereitschaft
adjective
1. tot hulp en dienst bereid zijn of daarvan blijk geven
bereitwillig
adjective
erreichbar
/bə'rɛɪkən/
verb
1. fysiek bij de andere kant aankomen
erreichen
adjective
1. iets dat gemaakt werd na berekeningen
geeignet
/ˈberə(n)jɑxt/
noun
1. achter in het wild levende beren aangaan om ze te vangen of te doden
Bärenjagd
/bɛrx/
noun
  1. 1. hoge terreinverheffing
    Berg
  2. 2. een grote hoeveelheid
    1. Berg
    2. Haufen
adjective
1. met bergen
  1. bergig
  2. gebirgig
noun
1. (fruit) een kleine, peervormige en zure citrusvrucht
Bergamotte
noun
1. iemand die zich toelegt op het alpinisme
Bergsteiger
noun
1. Tadorna tadorna, een forse bijna gansachtige eend
Brandgans
pronoun
1. stad in Noorwegen
Bergen
verb
  1. 3. in veiligheid brengen
    1. bergen
    2. retten
  2. 2. het in de haven brengen van een schip met problemen
    1. bergen
    2. unterbringen
  3. 1. het ergens plaatsen van iets om het te bewaren
    1. bewahren
    2. unterbringen
noun
1. een soort geit die leeft op rotsachtige ondergrond in de bergen.
Bergziege
noun
Bergführer
/ˈbɛrgɪŋ/
noun
1. het bergen van iets
Bergung
noun
1. een langgerekt gebergte
Bergkette
/ˈbɛrxrʏx/, /ˈbɛrχrʏχ/
noun
1. een langgerekte bergachtige hoogte
Gebirgsrücken
pronoun
1. een regio in de Duitse deelstat Noordrijn-Westfalen
Bergisches Land
noun
1. de steile zijkant van een berg
  1. Bergwand
  2. Felswand
noun
1. grasland ver boven de dalen in hooggelegen gebied
  1. Alm
  2. Bergweide
noun
1. ziekte veroorzaakt door een tekort aan vitamine B1 (thiamine)
Beriberi
noun
1. overgebrachte korte communicatie, meestal over een recente gebeurtenis
Nachricht
verb
1. van nieuws voorzien over iets
  1. berichten
  2. mitteilen
noun
Berichterstattung
noun
1. vrouwelijk dier van de berenfamilie, Ursidae
Bärin
pronoun
1. de zeestraat tussen de Grote Oceaan en de Noordelijke IJszee
Beringstraße
pronoun
1. is de zee in het noordelijk deel van de Grote Oceaan
Beringsee
/bə.ˈrɪs.pɪŋ/
noun
1. een strenge afkeuring van gedrag
  1. Rüge
  2. Tadel
  3. Verweis
/bɛrk/
noun
1. een katjes dragende loofboom met witte bast
Birke
noun
Berkelium
pronoun
  1. 1. de hoofdstad van Duitsland
  2. 2. een duitse deelstaat
Berlin
noun
1. de onverharde kant van een weg
Straßenrand
noun
2. een van de drie in de Benelux inheemse modderkruipers, Barbatula barbatula
  1. Barlau
  2. Bartgrundel
pronoun
1. eilandengroep in de Atlantische Oceaan
  1. Bermudas
  2. Bermuda
pronoun
1. de hoofdstad van Zwitserland
Bern
noun
1. Borago officinalis, een kruid dat zowel in de keuken als in de geneeskunde gebruikt wordt
Boretsch
pronoun
2. spelwoord voor de letter b
Berta
pronoun
1.
Bernkastel-Kues
/bə'rumt/
adjective
1. onder velen bekend en bewonderd
berühmt
noun
2. iemand die bekend is bij een groot publiek
Zelebrität
/beˈrumə(n)/
verb
1. zich ~ op: krediet opeisen op basis van beweringen van verworvenheden of kunde
sich rühmen
noun
1. een bezigheid waarmee men de kost verdient
Beruf
noun
1. de plicht om te zwijgen over feiten en gegevens van derden, die iemand bij het uitoefenen van zijn beroep te weten is gekomen
Berufsgeheimnis
noun
Berufsgruppe
noun
  1. Arbeitskleidung
  2. Berufsbekleidung
adjective
1. in het kader van iemands ambt
beruflich
noun
Berufsverbot
noun
1. een acute beschadiging van de hersenen die veroorzaakt wordt door een bloeduitstorting in de hersenen
Schlaganfall
noun
1. een toestel dat rook produceert waarmee de imker zijn bijenvolk rustig kan houden
Smoker
verb
1. de oorzaak zijn van
  1. zufügen
  2. bereiten
adjective
1. met spijt vervuld
reuevoll
verb
1. iemand met geweld zijn bezit ontnemen
berauben
/'bɛrstə(n)/
verb
1. onder inwendige druk uit elkaar breken
bersten
/bə.ˈrʏs.tɪŋ/
noun
Ergebenheit
/bəˈrilijʏm/
noun
1. een chemisch element en een donkergrijs aardalkalimetaal
Beryllium
/bɛs/
noun
  1. 1. kleine vrucht
    Beere
  2. 2. (muziek) verlaagde b
    b
  3. 3. bes-kleinetertstoonladder
    b-Moll
  4. 4. bes-mineurgrondakkoord
    1. b-Moll
    2. b
abbreviation
  1. 1. het akkoord bes - d - f
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
B-Dur
abbreviation
  1. 1. het akkoord bes - des - f
    B-Moll
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
    b-Moll
/bɛs'xrot/
abbreviation
  1. 1. het akkoord bes - d - f
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
B-Dur
abbreviation
1. het akkoord bes-d-f
B-Dur-Akkord
noun
1. een grotetertstoonladder met “bes” als grondtoon
B-Dur-Tonleiter
abbreviation
  1. 1. het akkoord bes - des - f
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
b-Moll
abbreviation
1. het akkoord bes-des-f
b-Moll-Akkord
noun
1. een mineurtoonladder met “bes” als grondtoon
b-Moll-Tonart
noun
1. een kleinetertstoonladder met “bes” als grondtoon
b-Moll-Tonleiter
/bɛs'xrot/
abbreviation
  1. 1. het akkoord bes - d - f
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
B-Dur
abbreviation
1. het akkoord bes-d-f
B-Dur-Akkord
noun
1. een grotetertstoonladder met “bes” als grondtoon
B-Dur-Tonart
noun
1. een grotetertstoonladder met "bes" als grondtoon
B-Dur-Tonleiter
noun
1. een grotetertstoonladder met “bes” als grondtoon
B-Dur-Tonleiter
abbreviation
  1. 1. het akkoord bes - des - f
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
b-Moll
abbreviation
1. het akkoord bes-des-f
b-Moll-Akkord
noun
1. een kleinetertstoonladder met “bes” als grondtoon
b-Moll-Tonleiter
noun
1. een kleinetertstoonladder met “bes” als grondtoon
b-Moll-Tonleiter
adjective
1. net en goed opgevoed
  1. zivilisiert
  2. kultiviert
adverb
1. vol met de neiging zich te verbergen voor anderen
verschämt
verb
1. het toebrengen van schade
beschädigen
verb
1. verlegen maken
beschämen
/bəˈsxaːvə(n)/
verb
  1. 1. glad maken (met een schaaf)
    1. abhobeln
    2. hobeln
  2. 2. civiliseren
    zivilisieren
/bə'sxɛi(d)ə/
adjective
    1. 1. geen te hoge verwachtingen van zichzelf hebbend
    2. 2. niet de indruk makend te hoge verwachtingen van zichzelf te hebben
    3. 3. niet groots of talrijk
    bescheiden
  1. 4. niet opdringerig
    1. bescheiden
    2. zurückhaltend
noun
1. iemand die geregeld door iemand anders gesteund of in bescherming genomen wordt
Schützling
verb
1. er zo goed mogelijk voor zorgen dat er niets verkeerd gebeurt
  1. schützen
  2. beschützen
noun
  1. Gönner
  2. Schirmherr
noun
1. een heilige onder wiens bescherming een bepaalde persoon of groep staat
  1. Schutzheilige
  2. Schutzpatron
/bə.ˈsxɛr.mɪŋ/, /bə.ˈsχɛr.mɪŋ/
noun
1. een beveiliging
Schutz
verb
1. met geschut- of geweervuur bestoken
beschießen
/bə'sxɪkbar/
adjective
1. waarover beschikt kan worden
verfügbar
noun
1.e mogelijkheid om, indien nodig te kunnen beschikken over mensen, diensten of hulpmiddelen
Verfügbarkeit
verb
1. beslissen, regelen
entscheiden
adjective
1. onderhevig aan schimmelgroei
verschimmelt
/bəˈsxɪmələ(n)/
verb
1. aangevreten worden door schimmels
  1. schimmeln
  2. verschimmeln
verb
1. met scheldwoorden overladen
  1. beschimpfen
  2. verhöhnen
adjective
1. onder invloed van alcohol
betrunken
verb
1. bekijken als
betrachten
verb
1. in woorden uitdrukken
beschreiben
/bə.ˈsrɛɪ̯.vɪŋ/, /bə.ˈsxrɛɪ̯.vɪŋ/, /bə.ˈsxrɛː.vɪŋ/
noun
1. een op schrift gestelde kenmerken van iets of iemand
Beschreibung
/bə'sxœyt/
noun
1. een licht, tweemaal gebakken baksel van tarwe
Zwieback
/bəˈsxʌldəgə/
verb
1. iemand de schuld geven van iets
beschuldigen
/bə.ˈsxʏl.di.ɣɪŋ/, /bə.ˈsxʏɫ.də.ɣɪŋ/, /bə.ˈsχʏɫ.də.χɪŋ/
noun
1. het aangeven dat iemand iets moreel of gerechtelijk verkeerds heeft gedaan
  1. Beschuldigung
  2. Bezichtigung
verb
1. beschermen, met name tegen weer en wind
beschützen
noun
1. een reëel bewustzijn
  1. Bewusstsein
  2. Erkenntnis
verb
1. het reëel bewust worden van iets
erkennen
noun
1. dubbel verlaagde toon b
  1. Heses
  2. heses
abbreviation
1. het akkoord beses-des-fes
Heses-Dur-Akkord
noun
1. een grotetertstoonladder met “beses” als grondtoon
Heses-Dur-Tonleiter
abbreviation
1. het akkoord beses-deses-feses
heses-Moll-Akkord
noun
1. een mineurtoonladder met “beses” als grondtoon
heses-Moll-Tonart
noun
1. “Beses-majeur”
Beses-Dur
abbreviation
1. het akkoord beses-des-fes
Heses-Dur-Akkord
noun
1. een grotetertstoonladder met “beses” als grondtoon
Heses-Dur-Tonleiter
noun
1. een grotetertstoonladder met “beses” als grondtoon
Heses-Dur-Tonleiter
abbreviation
1. het akkoord beses-deses-feses
heses-Moll-Akkord
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Besigheim
noun
  1. 3. kleine metalen elementen
    Beschlag
  2. 1. confiscatie
    1. Beschlag
    2. Beschlagnahme
    3. Exekution
    4. Pfändung
  3. 2. vloeibaar deeg
    Teig
/bə.ˈslɪ.sɪŋ/
noun
Entscheidung
adjective
1. niet in staat een besluit te nemen.
unentschlossen
verb
  1. 2. afsluiten
    beenden
  2. 1. vaststellen hoe het moet
    beschließen
  3. besluiten tot
    entschließen
verb
1. een zachte massa op iets aanbrengen
beschmieren
noun
1. de plaats waar een gevaarlijke stof vandaan komt
Kontaminationsquelle
verb
1. insmeren met iets om vies te maken
beschmutzen
verb
1. de voorhuid van de penis wegsnijden
beschneiden
/bəˈsnujə(n)/
verb
1. in aantal doen verminderen
  1. beschneiden
  2. kappen
  3. kürzen
  4. schmälern
adjective
1. een snor dragend; in het bezit zijn van een snor
  1. schnurrbärtig
  2. schnauzbärtig
verb
  1. 2. minder geld uitgeven, bezuinigen
    sparen
  2. 1. minder van iets gebruiken of verbruiken
    1. sparen
    2. einsparen
adjective
bespielbar
verb
1. met aanzienlijke moeite waarnemen
  1. spüren
  2. verspüren
  3. wittern
verb
1. iemand onopgemerkt in de gaten houden
bespitzeln
adjective
1. uitermate vreemd
lächerlich
verb
1. de spot drijven met
verspotten
verb
  1. 1. een gesprek over een bepaald onderwerp voeren
    besprechen
  2. 3. vooruit bestellen
    reservieren
  3. 2. recenseren
    rezensieren
/bə.ˈspre.kɪŋ/
noun
1. een mondeling overleg
  1. Diskussion
  2. Besprechung
verb
1. druppels van een vloeistof ergens over strooien
besprengen
pronoun
Bessarabien
noun
Samenstelling van bessen en sap
Johannisbeersaft
adverb
  1. het best / het beste
    am besten
  2. 1. als bevestiging dat iets goed is om te doen
    1. durchaus
    2. sehr wohl
noun
1. zo goed mogelijk
Beste
verb
  1. 2.~ uit samengesteld zijn uit bepaalde delen
    bestehen
  2. 1. daadwerkelijk in het universum voorkomen
    1. bestehen
    2. geben
    3. existieren
noun
  1. 1. een verzameling van gegevens die een eenheid vormen
    Datei
  2. 3. een wapenstilstand
    Waffenstillstand
/bəˈstedə(n)/
verb
1. schaarse middelen een bestemming geven
  1. ausgeben
  2. spendieren
noun
1.
Besteck
/bəˈstɛl/
noun
1. een organisatie die als systeem een bepaald doel op een bepaalde manier dient
  1. Ordnung
  2. System
verb
1. afspreken dat goederen of diensten geleverd zullen worden
bestellen
/bə.ˈstɛ.lɪŋ/
noun
1. een verzoek of opdracht om diensten of goederen te leveren
Bestellung
noun
1. auto die structureel ingericht is voor het vervoer van goederen
Lieferwagen
/bə.ˈstɛ.mɪŋ/
noun
1. het eindpunt van een route
Bestimmung
adjective
1. (op afzienbare termijn) duurzaam
dauerhaft
/bəstɔrmə(n)/
verb
1. met een strijdmacht snel te voet een positie van de vijand trachten te overweldigen
bestürmen
noun
Bestürmung
verb
1. het wegdek verharden met klinkers of andere middelen om er een straat van de maken
bepflastern
verb
1. de strijd aanbinden met iets of iemand
bekämpfen
noun
1.een aanduiding voor een werk dat op korte termijn uitzonderlijk goed verkoopt
bestseller
verb
1. je er grondig in verdiepen
studieren
noun
Bestäubung
verb
  1. 1. zorgen dat [een toestel] de gewenste taken uitvoert
    steuern
  2. 2. het vervullen van regeringstaken over een gebied of organisatie
    verwalten
noun
1. een geheel van systeemapplicaties dat de uitvoering van andere programma's bestuurt
Betriebssystem
/bəˈstyrdər/
noun
  1. 2. een persoon die een bedrijf of organisatie leiding geeft
    1. Direktor
    2. Geschäftsführer
    3. Leiter
  2. 1. een persoon die een voertuig of andere machine bestuurt
    Fahrer
noun
Verwaltungsapparat
noun
1. (financieel) bankrekening waarmee alle betalingen gedaan worden, dit is meestal ook de rekening waarop het loon wordt ontvangen
Girokonto
/bə.ˈtaː.lə(n)/
verb
1. geld (of andere zaken) geven aan iemand om de kosten te voldoen
  1. bezahlen
  2. zahlen
noun
1. iemand die betaalt
Zahler
/bə.ˈta.lɪŋ/
noun
1. het onderhandigen of overboeken van geld in ruil voor goed of dienst
  1. Bezahlung
  2. Entgelt
noun
Zahlungsbilanz
noun
Zahlungsbetrug
noun
Zahlungsfrist
verb
1.
  1. sich gehören
  2. sich schicken
verb
1. een vloer of wand van tegels voorzien
fliesen
verb
1. ergens voor staan
bedeuten
noun
1. wat iets betekent, waar iets voor staat
  1. Bedeutung
  2. Sinn
/ˈbe.tɔɫ.ˌχø.zə/, /ˈbe.təl.ˌɣø.zə/, /ˈbe.təɫ.ˌɣø.zə/
pronoun
1. de één na helderste ster in het sterrenbeeld Orion, na Rigel
Beteigeuze
verb
1. in bedwang houden, intomen, bedwingen
  1. zügeln
  2. im Zaum halten
adjective
2. teleurgesteld
  1. betreten
  2. verdattert
pronoun
1. stad in Judea, bekend als de geboorteplaats van Jesus
  1. Betlehem
  2. Bethlehem
verb
1. iemand op valse gronden beschuldigen
  1. beschuldigen
  2. bezichtigen
verb
1. het aanbrengen van sierhout
vertäfeln
verb
  1. 1. een serie argumenten als een verhaal presenteren, bijvoorbeeld in een rechtszaak
    1. argumentieren
    2. ausführen
    3. darlegen
  2. 2. een politieke demonstratie houden
    demonstrieren
noun
Demonstrant
verb
  1. 1. ergens de aandacht op vestigen
    betonen
  2. 2. ergens blijk van geven
    erweisen
adjective
  1. Betongrau
  2. betongrau
noun
Betonmischer
noun
  1. Argumentation
  2. Ausführung
  3. Beweisführung
  4. Darlegung
  5. Erörterung
  6. Plädoyer
adjective
  1. bezaubernd
  2. zauberhaft
verb
1. getuige worden van het feit dat iemand iets (verbodens) doet
  1. ertappen
  2. erwischen
verb
1. gaan over, als onderwerp hebben
betreffen
noun
1. een voornaamwoord dat een betrekkelijke bijzin inleidt
Relativpronomen
noun
Relativität
verb
5. bewolkt raken
bewölken
/bə.ˈtrɛ.kɪŋ/
noun
  1. 2. bezigheid waarvoor je een geregeld inkomen krijgt
    1. Amt
    2. Stellung
  2. 1. band of relatie tussen personen of groepen
    Beziehung
  3. 3. samenhang of verband tussen zaken
    Bezug
verb
1. leedwezen tonen over iets
bedauern
/bətrørən'swardəx/
adjective
1. waard betreurd te worden
bedauerlich
adjective
  1. 1. die erbij horen
    beteiligt
  2. betrokken zijn bij
    beteiligt sein an
/bəˈtrɔkənə/
noun
1. iemand die zelf ergens bij betrokken is, die gelinkt is aan iets
Beteiligte
noun
Zuverlässigkeit
/bə.ˈtraʊ̯.bar.hɛɪ̯ds.ˌɪn.tər.ˌvɑl/, /bə.ˈtrɔʊ̯β̞.bar.ɦɛːts.ˌɪn.tər.ˌvɑɫ/, /bə.ˈtrʌʊ̯.bar.ɦɛɪ̯ts.ˌɪn.tər.ˌvɑɫ/
noun
1. een statistische intervalschatting voor een parameter
  1. Konfidenzintervall
  2. Mutungsintervall
  3. Vertrauensbereich
/bəˈtœʏxə(n)/
verb
  1. 1. iets duidelijk stellen
    1. bekunden
    2. bezeugen
    3. zollen
    4. äußern
  2. spijt betuigen
    1. bereuen
    2. entschuldigen
  3. zijn medeleven betuigen
    1. sein Beileid ausdrücken
    2. sein Beileid bekunden
/bɛtwetər/
noun
1. iemand die meent alles beter te weten dan anderen
Besserwisser
verb
  1. 2. aanvechten, tegenspreken
    1. anfechten
    2. bestreiten
  2. 1. iemand iets ~ iemand het recht ergens toe trachten te ontzeggen
    1. bestreiten
    2. anfechten
noun
  1. 1. boomsoort
    1. Buche
    2. Rotbuche
  2. 3. lange smalle centrale hal van een kruiskerk
    Schiff
/bøːl/
noun
  1. 2. wreedaard
    1. Rohling
    2. Sadist
    3. Sadistin
  2. 1. uitvoerder van lijfstraffen
    1. Scharfrichter
    2. Henker
adjective
1. overrijp, buikziek
  1. matschig
  2. überreif
noun
  1. 1. het beursgebouw waar aandelen gekocht en verkocht worden
    Börse
  2. 2. een houder voor munten en biljetten
    1. Börse
    2. Geldbörse
  3. 4. bijeenkomst waar producenten van een bepaald vakgebied meest nieuwe producten tentoonspreiden
    1. Messe
    2. Börse
  4. 3. toelage voor iemand die studeren wil
    Stipendium
noun
1. een makelaar aan de beurs
Börsenmakler
noun
1. bericht over de beurskoersen
Börsenbericht
noun
1. een makelaar aan de beurs
Börsenmakler
noun
het op een beurs genoteerd staan van een bedrijf
Börsennotierung
noun
1. een balkje dat ervoor dient in een supermarkt met een lopende band boodschappen van klanten te scheiden
Warentrenner
noun
1. eigendoms- en ontvangstbewijs waarin zeevrachtbrief en vervoersovereenkomst worden gecombineerd
Konnossement
adjective
1. breed, diep en stromingsarm genoeg om bevaren te worden
  1. befahrbar
  2. schiffbar
verb
2. het leven schenken aan een kind
gebären
adjective
1. -gewoonlijk vrouwelijke- schoonheid bezittend die bij anderen -gewoonlijk mannen- in de smaak valt
  1. entzückend
  2. lieblich
/bə.ˈvɑ.lɪŋ/
noun
1. het baren van een kind
  1. Entbindung
  2. Geburt
verb
  1. 2. begrijpen
    begreifen
  2. 1. omvatten, in zich sluiten
    enthalten
/bə.ˈvɛɪ̯.lə.χɪŋ/, /bə.ˈvɛɪ̯.lɪ.ɣɪŋ/, /bə.ˈvɛː.lə.ɣɪŋ/
noun
1. de genomen maatregelen die er zo goed mogelijk voor zorgen dat er niets verkeerds gebeurt
  1. Schutz
  2. Sicherheit
noun
1. verplicht uit te voeren opdracht zonder enige tegenspraak.
Befehl
verb
1. een dwingende opdracht geven.
befehlen
verb
1. hard en heftig trillen
  1. zittern
  2. beben
  3. frémir
noun
1. benaming voor zoogdieren uit het geslacht Castor
Biber
noun
1. een draadantenne van één of meer golflengten lang
Beverage-Antenne
noun
1. Myocastor coypus, een schadelijk knaagdier, leeft vooral in moerassige omgeving
  1. Biberratte
  2. Nutria
verb
  1. 1. zeggen dat iets is zoals gevraagd is of verondersteld wordt
    bestätigen
  2. 2. vastmaken
    1. fixieren
    2. befestigen
    3. aufhängen
/bə.ˈvɛs.ti.ɣɪŋ(g)/, /bə.ˈvɛs.tə.ɣɪŋ/, /bə.ˈvɛs.tə.χɪŋ/
noun
    1. 2. het bevestigd zijn, het vastzitten aan iets anders
    2. 3. datgene waarmee of waardoor twee of meer dingen aan elkaar vastzitten
    Befestigung
  1. 1. het bevestigen, het mededelen aan iemand dat iets is zoals gevraagd is of verondersteld wordt
    Bestätigung
verb
2. op een bepaalde plaats zijn
sich befinden
verb
1. (iets) een beetje nat maken
  1. befeuchten
  2. anfeuchten
/bə'vuxtɛit/
noun
Zuständigkeit
noun
1. alle inwoners van een bepaald land, staat of gebied gerekend
Bevölkerung
noun
1. de toename van de hoeveelheid bevolking
Bevölkerungszuwachs
noun
1. een bepaald deel van de bevolking in een samenleving of gebied
Bevölkerungsgruppe
verb
1. iemand ~: aan iemand bijzondere gunsten verlenen
  1. begünstigen
  2. vorziehen
verb
1. voorzien van benodigdheden
  1. beliefern
  2. bevorraten
verb
1. bijzondere rechten toekennen aan de één boven de ander
  1. privilegieren
  2. bevorrechtigen
verb
  1. 1. een hogere rang verlenen aan iemand
    befördern
  2. 2. aanmoedigen, promoten
    fördern
adjective
1. de eigenschap bezittend iets te bevorderen
förderlich
verb
1. beantwoorden aan een sterk verlangen
befriedigen
adjective
1. voldoening gevend
befriedigend
verb
1. iemand of een bevolking van gevangenschap of onderdrukking verlossen
befreien
/bə.ˈvrɛɪ̯.dɪŋ/, /bə.ˈvrɛː.dɪŋ/
noun
1. het vrij maken van mensen die gevangen gehouden of onderdrukt worden
Befreiung
verb
1. begrijpen, vermoeden
  1. begreifen
  2. einsehen
  3. erahnen
  4. ermessen
adjective
1. door afkoeling in vaste toestand gekomen; volledig met ijs bedekt
gefroren
verb
1. vuil maken; verontreinigen
beschmutzen
noun
1. persoon die een goed ter bewaring toevertrouwt
Hinterleger
noun
1. handeling waarbij men een goed van een ander ter bewaring aanneemt onder teruggaveverplichting
  1. Hinterlegung
  2. Verwahrung
noun
1. persoon die een goed voor een ander ter bewaring aanneemt
Verwahrer
verb
1. toezicht houden op de veiligheid van iets of iemand
bewachen
noun
  1. 2. een persoon die ervoor zorgt dat gevangenen niet ontsnappen, cipier, gevangenbewaarder
    Gefängniswärter
  2. 1. een persoon die toezicht houdt op de veiligheid van iets of iemand
    Wächter
/bə.ˈwa.kɪŋ/, /bə.ˈʋa.kɪŋ/, /bə.ˈβ̞a.kɪŋ/
noun
Bewachung
/bə.ˈwaː.pə.nə(n)/
verb
1. iemand van wapens voorzien
bewaffnen
/bə.ˈwa.pə.nɪŋ/, /bə.ˈʋa.pə.nɪŋ/, /bə.ˈβ̞a.pə.nɪŋ/
noun
Bewaffnung
verb
1. ervoor zorgen dat iets niet verloren raakt
  1. aufbewahren
  2. erhalten
/bə.ˈweː.ɣə(n)/, /bə.ˈʋe.χə(n)/, /bə.ˈβ̞e.ɣə(n)/
verb
1. van plaats veranderen
bewegen
noun
Bewegungsfreiheit
verb
1. iets met stelligheid verklaren waarvan het voor anderen niet duidelijk is of het waar is
behaupten
/bə'wɛrkə(n)/
verb
  1. 2. een bestand of map wijzigen om voor een ander doel geschikt te maken
    bearbeiten
  2. 1. veranderen om iets voor een of ander doel geschikt te maken
    1. bearbeiten
    2. behandeln
/bə.ˈwɛr.kɪŋ/, /bə.ˈʋɛr.kɪŋ/, /bə.ˈβ̞ɛr.kɪŋ/
noun
1. een verandering om iets voor een bepaald doel geschikt te maken
Bearbeitung
verb
  1. 1. wierookdampen over iets of iemand aanbrengen
    beweihräuchern
  2. 2. iemand lof toezwaaien
    1. beweihräuchern
    2. ehren
noun
1. datgene wat de juistheid van een bewering onweerlegbaar vast (kan) leggen
Beweis
adjective
beweisbar
noun
1.
Beweiskraft
noun
1. een stuk waarin iets als waar wordt gesteld
  1. Beleg
  2. Beweisstück
verb
  1. 1. aantonen; staven
    1. beweisen
    2. belegen
  2. 2. betuigen; een dienst bewijzen
    einen Dienst erweisen
noun
1. een groep personen die de macht uitoefent
Regierung
/bə'wɪn(t)smɑn/
noun
1. een man die als minister of staatssecretaris deel uitmaakt van een regering
Minister
verb
1. met wolken bedekt worden
bewölken
/bə.ˈwɔl.kɪŋ/, /bə.ˈʋɔɫ.kɪŋ/, /bə.ˈβ̞ɔɫ.kɪŋ/
noun
1. het geheel aan wolken dat in de lucht aanwezig is
Bewölkung
/bəˈʋɔɫkt/
adjective
1. met wolken bedekt
  1. bewölkt
  2. wolkig
noun
1. een persoon die iemand bewondert
Bewunderer
verb
1. bekijken met respect
bewundern
adjective
1. positief, enthousiast
bewundernd
/bə.ˈwɔn.də.rɪŋ/, /bə.ˈʋɔn.də.rɪŋ/, /bə.ˈβ̞ɔn.də.rɪŋ/
noun
1. het bekijken met enig ontzag
Bewunderung
noun
1. iemand die in of op iets woont
  1. Einwohner
  2. Bewohner
/bəw'ɤstəlos/
adverb
1. in een toestand waarin men het bewustzijn voor de omgeving is verloren
bewusstlos
noun
1. de staat van het bewusteloos zijn
Bewusstlosigkeit
/bə'wɤ(st)sɛin/
noun
1. een toestand waarin men gewaarwordingen uit zijn omgeving ondergaat
  1. Bewusstsein
  2. Bewußtsein
noun
  1. 1. het zeil in de bezaansmast
    Besan
  2. 1. de achterste mast van een zeilschip
    Besanmast
abbreviation
1. de achterste mast van een zeilschip
Besanmast
noun
1. voorwerp om stof en vuil bij elkaar te vegen
Besen
verb
1. zich pijn doen
verletzen
adjective
1. onder de invloed van een boze geest zijn
besessen
noun
1. iemand die bezet, meer in het bijzonder de bezetter van een overwonnen natie in oorlogstijd
  1. Besatzer
  2. Besatzungsmacht
/bə.ˈzɛ.tɪŋ/
noun
  1. 3. exclusief gebruik
    1. Belegung
    2. Besetzung
  2. 1. toestand waarbij het grondgebied van een land wordt bestuurd door een ander land
    1. Besatzung
    2. Besetzung
  3. 2. het aantal van elk type instrument dat in een orkest meespeelt
    Besetzung
noun
1. een strijdmacht die door zijn aanwezigheid op vreemde grond er de macht uitoefent
Besatzungsmacht
verb
1. naar een object kijken
besichtigen
/bə.ˈzɪx.ti.ɣɪŋ/, /bə.ˈzɪx.tə.ɣɪŋ/, /bə.ˈzɪχ.tə.χɪŋ/
noun
1. het bekijken
Besichtigung
verb
1. inspireren
begeistern
noun
1. een plaats die of een voorwerp dat door velen bezocht en bekeken wordt
Sehenswürdigkeit
/bezəx/
adjective
  1. 1. aan het werken
    beschäftigt
  2. 2. altijd aan het werken, vlijtig
    fleißig
verb
1. gebruik maken van iets
  1. anwenden
  2. gebrauchen
  3. verwenden
noun
1. iets waarmee men bezig is
Aktivität
/ˈbe.zəx.ɦʌː.də(n)/, /ˈbe.zəχ.ɦʌʊ.də(n)/, /ˈbeː.zɪx.haʊ̯.də(n)/
verb
  1. 1. de aandacht afleiden
  2. 2. iets te doen geven
beschäftigen
noun
2. het houden van een goed voor zichzelf
Besitz
noun
Sterke neiging om bezittingen te verwerven
Besitzgier
/bə'zɪtə(n)/
verb
1. iets in eigendom hebben
besitzen
noun
1. de persoon die het bezit van iets heeft
Besitzer
verb
  1. 2. vuil maken
    besudeln
  2. 1. te schande maken
    1. besudeln
    2. entehren
noun
  1. 1. het bezoeken
  2. 2. de personen die op visite zijn of komen
Besuch
/bəˈzukə(n)/
verb
  1. 1. bij iemand langsgaan of langskomen
    besuchen
  2. 2. iemand kwellen
    1. heimsuchen
    2. quälen
noun
1. een persoon die iemand of iets bezoekt
Besucher
verb
1. salaris geven aan
besolden
adjective
1. bijzonder dronken
besoffen
noun
Besorgnis
verb
1. iemand iets ~: bij iemand aan huis afleveren
liefern
/bə'zʌʏniɣə(n)/
verb
1. door zuinig met geld of iets anders om te gaan de uitgaven verminderen
  1. einsparen
  2. sparen
  3. reduzieren
  4. vermindern
verb
1. drinken met het doel zwaar dronken te worden
  1. besaufen
  2. betrinken
noun
1. moeilijkheid, bedenking
Einsprache
verb
1. zorgen dat een vrouw of vrouwtjesdier bevrucht wordt
schwängern
verb
  1. 2. opgeven
    Erliegen
  2. 1. zwichten
    erliegen
  3. bezwijken aan: sterven
    1. erliegen
    2. sterben
  4. bezwijken onder: kapot gaan door niet sterk genoeg te zijn
    standhalten
verb
1. het bewustzijn verliezen
ohnmächtig werden
adjective
1. heraldisch attribuut
mit offenem Maul
verb
1. iemand installeren in een ambt door de ambtseed af te nemen
vereidigen
verb
1. tot een afsluiting brengen
  1. beenden
  2. aufhören
noun
  1. Abschluss
  2. Beendigung
pronoun
1.
Beʾer Scheva
/bəˈɪnvludə(n)/
verb
1. iemand of iets proberen te veranderen, invloed nemen op
beeinflussen
/bu.ˈtan/, /bu.ˈtɑn/
pronoun
1. een land in Azië dat in de Himalaya ingeklemd ligt tussen China, Tibet en India. Het zuidelijke gedeelte van Bhutan ligt op het Indisch subcontinent
Bhutan
pronoun
Biafra
noun
1. een skisport waarbij de deelnemers op bepaalde punten in een langlaufcircuit met een geweer...
  1. biathlon
  2. Biathlon
verb
1. hevig trillen van kou of angst
  1. zittern
  2. beben
/ˈbɪbərxɛlt/
noun
1. een geldpremie die men krijgt om een gevaarlijke taak uit te oefenen
Gefahrenzulage
/ˌbi.bəˈlo/
noun
1. klein decoratief voorwerp
  1. Nippes
  2. Ziergegenstand
noun
1. theologische stroming die de teksten uit de Bijbel zeer letterlijk opvat
Biblizismus
/ˌbiblijotekaˈrɛsə/
noun
1. beheerster van een bibliotheek
Bibliothekarin
/ˌbiblijote'kaːrɪs/
noun
1. beheerder van een bibliotheek
Bibliothekar
/bib(l)ijo'tek/
noun
    1. 1. een plaats waar boeken verzameld staan
    2. 2. een instelling die boeken en andere media aan het publiek uitleent of ter inzage biedt
    Bibliothek
  1. [2]: openbare bibliotheek
    1. Stadtbibliothek
    2. Stadtbücherei
noun
  1. 1.2 spier in de bovenarm
    Bizeps
  2. 1. tweehoofdige spier
    1. Muskel
    2. Bizeps
verb
  1. 1. in gebed zijn, een godheid iets vragen
    beten
  2. 2. dringend iets vragen, smeken
    bitten
noun
1. soort van aan de muur bevestigde kom of bak voor het met behulp van water reinigen van de geslachtsdelen, billen en anus na gebruik van het toilet, of om de voeten te wassen
Bidet
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Mantodea
  1. Gottanbeterin
  2. Gottesanbeterin
/ˈbɪt.stul/, /ˈbɪt.stuɫ/
noun
Betpult
noun
1. de erkenning van zonden aan een geestelijke
Beichte
noun
1. de verplichting om datgene wat de priester tijdens de biecht verneemt geheim te houden
Beichtgeheimnis
noun
1. een meubelstuk dat bedoeld is voor het aanhoren en afleggen van de biecht
Beichtstuhl
noun
1. een priester die biechten afneemt
  1. Beichtvater
  2. Beichtiger
verb
1. als koper een prijs voorstellen
bieten
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Hessen
Biedenkopf
noun
1. dunne lap vlees van de bovenbil van een rund
Steak
pronoun
1.
Bielefeld
noun
1. alcoholische drank die bereid is uit gefermenteerde mout
Bier
/birbrɔuə'rɛi/
noun
1. een bedrijf dat zich toelegt op het brouwen van bier
Bierbrauerei
noun
1. vette buik
Bierbauch
noun
Bäckerhefe
noun
1. een glas dat speciaal ontworpen is om bier uit te drinken
Bierglas
noun
Bierbauch
noun
Bierdeckel
noun
1. en 2. (groene sprietjes van) looksoort Allium schoenoprasum
Schnittlauch
/bist/
noun
1. colostrum van koe
  1. Biestmilch
  2. Biest
noun
Rote Bete
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Bietigheim-Bissingen
verb
schnorren
noun
Schnorrer
noun
  1. Biphenyl
  2. Dibenzol
  3. Diphenyl
  4. Phenylbenzol
adjective
bifilar
noun
  1. Biphobie
  2. Bifeindlichkeit
/bɪx/, /bɪχ/
noun
1. een jong van het varken
  1. Ferkel
  2. Frischling
noun
1. de volgens de bigbangtheorie enorme explosie waaruit het heelal zo'n 13,7 miljard jaar geleden zou zijn ontstaan
Urknall
noun
Bigamie
/bɛɪ̯/
noun
1. benaming vliegende insecten uit het geslacht Antophila
  1. Biene
  2. Imme
verb
1. door gebruik te maken van goedgelovigheid misleiden
jemanden an der Nase herumführen
phraseologicalUnit
1. in het bijzonder, vooral
  1. par excellence
  2. schlechthin
noun
1.
Nebenhoden
noun
1. een andere heimelijke bedoeling naast die degene die men aangeeft
  1. Hintergedanke
  2. Nebenabsicht
  3. Nebenzweck
noun
1. een exemplaar van de originele Bijbel
Bibel
verb
mithalten
noun
1. bijkomende woordbetekenis
Nebenbedeutung
verb
2. zorgen dat iemand iets leert
beibringen
verb
1. een aandeel leveren
beitragen
/bɛi'embrɛŋə(n)/
verb
1. bij elkaar brengen
  1. sammeln
  2. versammeln
  3. zusammenbringen
verb
1. zorgen dat een groep mensen of dingen bij elkaar blijft
zusammenhalten
noun
1. de handeling van het bijeenroepen
Einberufung
noun
1. benaming voor veelkleurige en insectenetende vogels die...
Bienenfresser
/ˈbɛɪ̯.jə(n).ˌɦaʊ̯.dər/, /ˈbɛɪ̯.jə(n).ˌɦʌʊ̯.dər/, /ˈbɛː.jə(n).ˌɦɔʊ̯.dər/
noun
1. iemand die bijen houdt voor het verkrijgen van honing
  1. Bienenzüchter
  2. Imker
noun
1. moeder van alle bijen in een bijenkorf
Bienenkönigin
noun
1. kunstmatige behuizing waarbinnen een bijenvolk zijn raten kan bouwen, oorspronkelijk in de vorm van een gevlochten korf
Bienenkorb
noun
Bienen-Ragwurz
/ˈbɛː.jə(n)ˌteɫt/
noun
1. het houden van bijen
  1. Bienenzucht
  2. Imkerei
adjective
1. in dezelfde verzending opgenomen
  1. angehängt
  2. beielegt
  3. beigefügt
/ˈbɛɪ̯.ɣə.ˌlof/, /ˈbɛɪ̯.χə.ˌlof/, /ˈbɛː.ɣə.ˌlof/
noun
1. een geloof in iets extra's en onnatuurlijks
Aberglaube
adjective
1. iemand die gelooft in bijgeloof
abergläubisch
noun
klein, licht gerecht dat als begeleiding bij een andere maaltijdgang
Beilage
noun
1. holte
Nasennebenhöhle
/bɛɪˈkɑns/
adverb
fast
/bɛɪ̯l/, /bɛːɫ/
noun
1. hakwerktuig met een smalle snee en een lange steel die vooral voor het kappen van bomen gebruikt
  1. Axt
  2. Beil
noun
  1. 2. een bestand dat bij een e-mail is meegezonden
    Anhang
  2. 1. geschrift ter aanvulling
    Anlage
verb
  1. 2. meningsverschil of ruzie oplossen.
    1. beenden
    2. beilegen
  2. 1. toevoegen
    1. beilegen
    2. dazulegen
    3. zufügen
verb
1. licht laten schijnen op de handen van iemand die ergens mee bezig is
  1. leuchten
  2. light
/'bɛɪ.na/
adverb
1. op zo'n manier dat het niet veel scheelt of iets is zo
  1. fast
  2. beinahe
noun
1. breed bekende, niet-officiële naam van een persoon, een groep van personen of een zaak
  1. Spitzname
  2. Beiname
noun
Nebenniere
noun
Beipackzettel
noun
  1. 1. een extra smaak die er eigenlijk niet bij hoort
  2. 2. een minder aangename meewerkende factor
Beigeschmack
noun
2. van staatswege geboden basisuitkering
Sozialhilfe
verb
1. een naar verhouding kleine verandering aanbrengen in de instelling van iets
  1. anpassen
  2. einstellen
  3. justieren
  4. korrigieren
verb
1. een koerscorrectie uitvoeren
anpassen
/bɛi̯t/
noun
1. gat dat geslagen werd door een mens in het ijs van een bevroren wateroppervlak
  1. Eisloch
  2. Wune
/ˈbɛi̯tə(n)/
verb
1. iets afsnijden of afscheuren door tanden tegen elkaar te duwen
beißen
noun
Beifall
noun
1. extra verdiensten naast het loon, of naast zijn eigen beroep
  1. Nebeneinkünfte
  2. Nebeneinnahmen
verb
1. als extra ergens aan toevoegen
beifügen
noun
1. een werkwoordswijs waarmee men een wens of onzekerheid tot uitdrukking kan brengen.
Konjunktiv
/bɛɪ̯ˌvuχlək ˈnamʋo̞rt/, /bɛːˌvuxlək ˈnamβ̞oːrt/, /ˌbɛɪ̯vuɣ(ə)lɪk ˈnaːmwoːrd/
noun
1. een woordsoort die wordt gebruikt om een eigenschap of hoedanigheid van...
  1. Adjektiv
  2. Eigenschaftswort
noun
1. Artemisia vulgaris, een plant uit de composietenfamilie Asteraceae
Beifuß
abbreviation
1. als voorbeeld, om tot voorbeeld te dienen
  1. zum Beispiel
  2. beispielsweise
/'bɛɪʋɛrkə(n)/
verb
1.
aktualisieren
/bɛiʋɛrkɪŋ/
noun
Nebenwirkung
noun
Nebenwirkungen
adverb
1. soms, geregeld, van tijd tot tijd
mitunter
/ˈbɛɪ̯.wo.nə(n)/, /ˈbɛɪ̯.ʋo.nə(n)/, /ˈbɛː.β̞o.nə(n)/
verb
1. opzettelijk aanwezig zijn bij iets
miterleben
noun
1. een woord dat een bijvoeglijk naamwoord, een werkwoord, een telwoord of een ander bijwoord nader bepaalt
  1. Adverb
  2. Umstandswort
noun
Nebensache
adjective
1. alleen van dichtbij scherp kunnen zien
kurzsichtig
noun
1. een afwijking in de brandpuntsafstand van het oog waardoor alles op grotere afstand wazig gezien wordt
Kurzsichtigkeit
/bɛizɪn/
noun
1. een deel van een uiting dat een ondergeschikte rol speelt ten opzichte van de hoofdzin
Nebensatz
noun
1.vrouw met wie een man in ongehuwde staat...
Konkubine
/biˈzɔndər/, /bɛ<sup>ɪ</sup>ˈzɔndər/
adjective
1. een hoogst eigenaardige kwaliteit of eigenschap hebbend
  1. besondere
  2. besonderer
  3. besonderes
noun
1. tweedelige zwemkleding voor de vrouw
Bikini
verb
2. het nuttigen van voedsel
mampfen
noun
  1. 1. elk van beide lichaamsdelen gevormd door de grote spieren die het bekken ...
    1. Backe
    2. Hinterbacke
  2. uitdrukking: iemand op de billen slaan
    1. jemand auf den Hintern schlagen
    2. jemand den Hintern versohlen
adjective
1. aan twee kanten, in twee richtingen (buitenkanten)
  1. bilateral
  2. zweiseitig
noun
1. spel
  1. Billard
  2. Karambolagen
noun
1. gladde, massieve en vrijwel perfect bolvormige bal gebruikt in het biljartspel
billardkugel
noun
Billon
noun
1. de scheiding of spleet tussen beide billen
Afterfurche
noun
1. bepaald soort inheemse gifplant, Hyoscyamus niger
Bilsenkraut
noun
Bimetall
verb
1. vastmaken (evt. figuurlijk)
  1. binden
  2. fesseln
noun
1. boekbinder
Buchbinder
noun
1. en 2. (bladeren van) sla met een stevige rechte krop
  1. Römersalat
  2. Kochsalat
noun
1. een slijmvlies dat de sclera en de binnenste zijde van de oogleden bedekt
Bindehaut
noun
1.een ontsteking van het bindvlies dat de buitenkant van het oogwit en de binnenkant van de oogleden bekleedt
Konjunktivitis
/ˈbɪntˌʋeːf.səl/
noun
1. weefselsoort dat dient ter ondersteuning en verbinding
Bindegewebe
noun
1. kansspel
Bingo
/ˈbɪnənˌbɑnt/
noun
1. binnenste band, de band waarin de lucht aanwezig is
Schlauch
noun
1. binnendraad
Innengewinde
verb
1. ergens in gaan
  1. hineingehen
  2. eintreten
adverb
im Innem
noun
Innenseite
verb
1. een ruimte betreden
hineinkommen
adverb
1. binnen afzienbare tijd
  1. bald
  2. demnächst
  3. in Kürze
/'bɪnəkrɛɪɣə(n)/
verb
  1. 2. iets ontvangen, bijvoorbeeld per post
    empfangen
  2. 1. iets ongewild inslikken
    1. nehmen
    2. schlucken
noun
1. een deel van een land dat ver van kust of grens gelegen is
Inland
noun
binnenoor
Innenohr
noun
1. (langwerpig) schip dat hoofdzakelijk dient voor goederenvervoer op de binnenwateren.
Lastkahn
noun
1. binnenschroefdraad
Innengewinde
noun
Innenspiegel
/ˈbɪnə(n)ˌstɑt/
noun
1. een, meestal oud, stadscentrum
  1. Innenstadt
  2. Stadtmitte
noun
1. inwendige
Innerste
noun
1. een minder belangrijke en meestal kortere weg
  1. Abkürzung
  2. Abkürzungsweg
noun
Innentasche
noun
1. een band parallel aan de omtrek van een wapenschild
Inbord
noun
1. een knijpbril of binoculaire verrekijker, onder meer gebruikt om toneelvoorstellingen beter te zien
Binokel
adjective
1. voor twee ogen
binokular
noun
1. een wetenschapper die de biochemie beoefent
Biochemiker
/'bioˌxemi/
noun
1. de wetenschap die de chemische processen van het leven op moleculair niveau bestudeert
Biochemie
/ˈbiodivɛrsiˌtɛɪt/
noun
1. soortenrijkdom, het aantal verschillende diersoorten
Biodiversität
noun
  1. Biografie
  2. Biographie
/ˌbiʲoloˈɣi/, /ˌbiʲoloˈχi/
noun
1. wetenschap van de levende wezens, levensvormen en levensverschijnselen
Biologie
/ˌbijo'loːɣis/
adjective
    1. 1. te maken hebbend met de biologie
    2. 3. van dier en plantvriendelijke landbouw en veeteeld
    biologisch
  1. 2. van gelijke afstamming
    1. biologisch
    2. leiblich
/ˌbioˈlox/, /ˌbioˈloχ/
noun
1. een wetenschapper die de biologie beoefent
Biologe
noun
2. verzameling technieken gericht op het meten en vaststellen van alle meetbare eigenschappen van levende wezens
Biometrie
adjective
1. met betrekking tot het vaststellen van meetbare eigenschappen van levende wezens
biometrisch
noun
Bionik
noun
1. gebouw waarin mensen in stoelen naar een film geprojecteerd op een groot scherm kunnen kijken
Kino
noun
1.
Kinofilm
noun
1. een gebied met een uniform landschapstype waarin bepaalde organismen kunnen gedijen
Biotop
/bis/
noun
  1. 1. verhoogde toon b
    his
  2. 3. bis-mineurgrondakkoord
    1. his
    2. his-Moll
  3. 2. bis-kleinetertstoonladder
    his-Moll
abbreviation
  1. 1. het akkoord bis - disis - fisis
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
His-Dur
noun
  1. 1. het akkoord bis-dis-fisis
  2. 2. de mineur toonsoort op bis
his-Moll
abbreviation
1. Bis-groot
His-Dur
abbreviation
1. het akkoord bis-disis-fisis
his-Dur-Akkord
noun
1. een majeurtoonladder met “bis” als grondtoon
His-Dur-Tonleiter
noun
1. een grotetertstoonladder met “bis” als grondtoon
His-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “bis” als grondtoon
His-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “bis” als grondtoon
His-Dur-Tonleiter
abbreviation
1. bis-klein
his-Moll
abbreviation
1. het akkoord bis-dis-fisis
his-Moll-Akkord
noun
1. een mineurtoonladder met “bis” als grondtoon
his-Moll-Tonart
noun
1. een kleinetertstoonladder met “bis” als grondtoon
his-Moll-Tonleiter
abbreviation
1. Bis-majeur
His-Dur
abbreviation
1. het akkoord bis-disis-fisis
his-Dur-Akkord
noun
1. een grotetertstoonladder met “bis” als grondtoon
His-Dur-Tonart
noun
1. een grotetertstoonladder met "bis" als grondtoon
His-Dur-Tonleiter
noun
1. een grotetertstoonladder met “bis” als grondtoon
His-Dur-Tonleiter
noun
1. een grotetertstoonladder met “bis” als grondtoon
His-Dur-Tonleiter
abbreviation
1. bis-mineur
his-Moll
abbreviation
1. het akkoord bis-dis-fisis
his-Moll-Akkord
noun
1. een kleinetertstoonladder met “bis” als grondtoon
his-Moll-Tonleiter
noun
1. een kleinetertstoonladder met “bis” als grondtoon
his-Moll-Tonleiter
noun
1. middelgroot waterbewonend zoogdier
Bisamratte
pronoun
1. een stad in de Oostenrijkse deelstaat Vorarlberg
Bischofshofen
/ˈbɪzdɔm/
noun
1. kerkrechtelijk afgebakend gebied dat onder de bevoegdheid van een bisschop staat
  1. Bistum
  2. Diözese
/bisɛksye:l/
adjective
1. seksueel gericht op beide geslachten
bisexuell
noun
1. tweemaal verhoogde toon “b”
hisis
pronoun
1. de taal die naast Engels en Frans in de staat Vanuatu wordt gesproken
Bislamisch
noun
  1. Bismut
  2. Wismut
noun
1.een lipofiele selectieve bètablokker
Bisoprolol
/bɪsxɔp/
noun
1. een christelijke geestelijke die aan het hoofd staat van een bisdom
  1. Bischof
  2. Bischöfin
noun
1.
  1. Bischofsstab
  2. Hirtenstab
/bɪt/
abbreviation
1. in de informatica en de computertechnologie de kleinste eenheid van informatie
Bit
/bɪt/
noun
1. een metalen staaf die een paard in de bek gedaan wordt om het dier berijdbaar te maken.
Kandare
pronoun
1.
Bitburg
noun
Bitcoin
adverb
1. een vaak als onaangenaam ervaren smaak, niet behorend tot zout, zuur of zoet
bitter
/ˈbɪtərkrœʏt/
noun
  1. 1. naam voor planten uit het geslacht Picris
    Bitterkraut
  2. 1. naam voor planten uit het geslacht Lewisia
    Bitterwurz
noun
1. bepaalde vissoort die voorkomt in schoon stilstaand of langzaam stromend water Rhodeus amarus
Bitterling
/ˈbivɑk/
noun
1. kampement voor een leger of expeditie
Biwak
/bivɑ'kerən/
verb
in de open lucht een kamp hebben
biwakieren
noun
1. muts die tot onder de kin doorloopt met openingen om door te kijken en te ademen
Kapuzenmütze
adjective
bizarr
noun
1. Noord-Amerikaans zoogdier, Bison bison
Bison
noun
Tadel
/blaːr/
noun
1. onderhuidse vochtophoping
Bulla
noun
  1. 1. hol orgaan dat gevuld is met een hoeveelheid gas en/of vloeistof
  2. 2.
Blase
noun
1. een muziekinstrument waarvan de klank wordt voortgebracht door een luchtstroom
Blasinstrument
noun
1. een meetapparaat dat het alcoholpromillage in iemands bloed via de adem bepaalt
Atemtest
noun
  1. 1. plat, groen onderdeel van planten
    Blatt
  2. 2. vel papier
    1. Blatt
    2. Bogen
noun
Laubsauger
noun
Luftblase
noun
1. een deegsoort die in rechthoekige plakken wordt gebruikt
Blätterteig
adjective
zonder bladeren
blätterlos
noun
1. een dun folie van goud dat wordt gebruikt voor decoratieve doeleinden
Blattgold
/blɑt'xrun/
noun
Blattgrün
noun
1. een schadelijk klein insect dat zich voedt met het sap van jonge plantenscheuten...
Blattlaus
noun
1. muziek die in notenschrift op papier is gezet
Noten
noun
Laubsauger
noun
  1. 1. hulpmiddel om bij te houden waar iemand is tijdens het lezen van een boek
  2. 2. bewaarde hyperlink
Lesezeichen
/ˈblɑtsɛidɚ/
noun
1. elk van de beide zijden van een blad papier in boek, krant of tijdschrift
Seite
verb
1. geluid maken dat kenmerkend is voor een hond
bellen
adjective
2.
blach
noun
1. een afgang veroorzaakt door eigen falen
Blamage
verb
1. onteren
blamieren
/blɑŋk/
adjective
  1. 4. overspoeld
    geflutet
  2. 2. onbeschreven
    unbeschrieben
  3. 1. met lichte huidskleur
    weiß
noun
1. tint grijs met RAL-nummer 9006
  1. Weißaluminium
  2. weißaluminium
noun
1. iemand met een van nature bleke (pigmentarme) huid
  1. Weiße
  2. Weißer
noun
1. bepaald soort zoetwatervis, Rutilus rutilus
  1. Plötze
  2. Rotauge
  3. Schwal
  4. Brunhövd
  5. Furn
  6. Meefischli
/ˈblatə(n)/
verb
het geluid van een schaap maken
  1. blöken
  2. mähen
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Blaubeuren
/blʌʊ/
adjective
1. de kleur blauw hebbend
  1. blau
  2. Blau
/blʌʊ/
noun
1. primaire kleur die zich in het spectrum bevindt tussen cyaan en violet
  1. Blau
  2. blau
/ˈblʌʊɑɫɣə(n)/
noun
2. taxonomisch rijk binnen het domein van de bacteriën waarvan de leden zich met behulp van oxynogene fotosynthese voeden.
Cyanobakterien
noun
1. bepaald soort visje van maximaal 11 cm dat van oorsprong uit Azië komt, Pseudorasbora parva
  1. Bandslätting
  2. Blaubandgründling
noun
Schwarzaugen-Bindenspanner
noun
1. bepaald soort lijsterachtige, Luscinia svecica
Blaukehlchen
/blɑudrʏk/
noun
1. een directe fotografische kopie in witte lijnen op een achtergrond van Pruisisch blauw
Blaupause
noun
1. Vaccinium corymbosum, een plant uit de heifamilie Ericaceae
amerikanische Heidelbeere
noun
1. bepaald soort vaste plant, Vaccinium myrtillus
Heidelbeere
noun
1.
Blaue Federlibelle
noun
1. witte kraaiachtige met lavendelblauw verenkleed op de rug en kop Cyanocitta cristata
Blauhäher
noun
1. bepaalde soort roofvogel uit de familie van de arendachtigen, Circus cyaneus
Kornweihe
noun
1. bepaald soort grote vogel, Ardea cinerea
  1. Graureiher
  2. Fischreiher
noun
1. Balaenoptera musculus, een baleinwalvis, de grootste van alle walvisachtige
Blauwal
noun
1. bepaald soort vaste plant, Eryngium maritimum
Stranddistel
/ˈblɑuɣrɛis/
adjective
  1. Blaugrau
  2. blaugrau
/ˈblɑuɣrun/
adjective
  1. Blaugrün
  2. blaugrün
noun
1. soldaat of burger die lid is van de VN-vredesmacht
Blauhelm
/ˈblʌʊəχ/, /ˈblʌːβ̞əx/
adjective
2. op blauw lijkend
bläulich
adjective
  1. Blaulila
  2. blaulila
noun
1. bepaald soort karperachtige riviervis Vimba vimba
  1. Zährte
  2. Aßling
  3. Blaunase
  4. Gäse
  5. Halnfisch
  6. Meernase
noun
1. bepaald soort groenblijvende boom met scherp gepunte naalden uit de Rocky Mountains, Picea pungens
Blaufichte
noun
2. blauw gekleurde vlindersoorten uit het ondergeslacht Polyommatinae
Bläuling
/ˈblʌʊʋirə(n)/
noun
2. taxonomisch rijk binnen het domein van de bacteriën waarvan de leden zich met behulp van oxynogene fotosynthese voeden.
Cyanobakterien
noun
  1. Blausäure
  2. Cyanwasserstoff
/'bla.zə(n)/, /'ble.zə(n)/
verb
1. een luchtstroom veroorzaken
  1. blasen
  2. pusten
/bla'zun/
noun
1. een bord waarop een (adellijk) wapen is geschilderd en dat gedecoreerd is met sieraden
Wappen
adjective
1. gering van kleur
  1. blass
  2. bleich
noun
1. bepaald soort eenjarige plant, Alyssum alyssoides
Kelch-Steinkraut
adjective
  1. Blassbraun
  2. blassbraun
/ˈblekɣrun/
adjective
  1. Blassgrün
  2. blassgrün
adjective
  1. Rosé
  2. rosé
noun
Bleichwasser
noun
1. ontsteking van een ooglid
Blepharitis
verb
1. witter of lichter doen worden
bleichen
noun
Standmixer
noun
1. een verwonding die men door sportbeoefening heeft gekregen
Verletzung
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Saarland
Blieskastel
/blɛi̯/
adjective
  1. froh
  2. fröhlich
  3. freudig
noun
1. een aangename stemming
Freude
noun
1. opvanghuizen voor vrouwen, kinderen en tegenwoordig ook mannen die slachtoffer zijn van of bedreigd...
Frauenhaus
/ˈblɛɪ̯ɦɛɪ̯t/, /ˈblɛːɦɛːt/
noun
1. een positieve stemming
Freude
adjective
1. duidelijk
offensichtlich
verb
  1. 1. uit iets duidelijk (geworden) zijn
    1. erweisen
    2. herausstellen
    3. hervorgehen
    4. zeigen
  2. blijken uit
    hervorgehen
/blɛ.və(n)/
verb
  1. 1. niet veranderen
    bleiben
  2. 3. ergens vertoeven
    dauern
noun
  1. 1. metaal dat tot dunne bladen is uitgeslagen
    Blech
  2. 2.1 cilindervormig luchtdicht afgesloten vaatje van dun metaal
    1. Dose
    2. Büchse
    3. Konservenbüchse
    4. Konservendose
    5. Blechbüchse
    6. Blechdose
  3. 3.3 een blikken plaat (ook wel van ander materiaal) met handvat om stof en vuilnis in op te vegen
    Kehrblech
  4. 1.1 vertind dun plaatstaal
    Weißblech
  5. 1. enkele oogopslag
    Augenaufschlag
  6. 2. tijd die voor een oogopslag nodig is
    1. Augenblick
    2. Moment
    3. Nu
    1. 4. gerichte waarneming met de ogen
    2. 5. vermogen om te zien
    Blick
  7. 3. manier van kijken, gezichtsuitdrukking
    1. Blick
    2. Miene
  8. 6. bepaald soort plant, Potentilla anserina
    Gänsefingerkraut
noun
  1. Dosenöffner
  2. Büchsenöffener
/blɪksəm/
noun
1. de lichtgevende stralen die uit de hemel barsten bij onweer
Blitz
noun
Blitzkrieg
noun
1. iets dat bedoeld is om sterk de aandacht te trekken
Blickfang
adjective
1. niet in staat te zien
blind
noun
1. over de ogen gebonden reep ondoorzichtige stof om het zien te verhinderen
Augenbinde
noun
1. iemand die niet kan zien
Blinder
noun
Blinddarm
noun
Blinddarmentzündung
noun
1.
Blindenführhund
/'blɪndɦɛɪt/
noun
1. een toestand waarin men niet in staat is te zien
Blindheit
noun
1. een klinknagel voor plaatwerk dat slechts eenzijdig bereikbaar is
Blindniet
noun
1. een tang waarmee de zogenaamde pop- of blindklinknagels kunnen worden vastgeklemd
Blindnietzange
noun
1. een tang waarmee de zogenaamde pop- of blindklinknagels kunnen worden vastgeklemd
Blindnietzange
verb
1. in opvallende mate licht weerkaatsen of uitzenden
  1. glänzen
  2. blinken
noun
1. rood lichaamsvocht in aderen
Blut
noun
  1. Blutprobe
  2. Blutuntersuchung
noun
Blutarmut
/ˈblutbɑt/
noun
1. een gebeurtenis waarbij op grote schaal bloed vergoten wordt
  1. Massaker
  2. Massenmord
noun
Blutbank
noun
Blutsenkung
noun
Blutzelle
noun
2. afgestaan bloed
Blutspende
noun
Blutspender
noun
Blutdruck
verb
1. het vloeien van bloed
bluten
noun
1. een ziekte waarbij het bloed moeilijk stolt
Hämophilie
noun
Blutzucker
noun
Blutgruppe
noun
1. Brits hondenras met grote kop, lange hangende oren en een lange staart
Bluthund
adjective
  1. 1. met bloed (bedekt)
  2. 2. waarbij veel bloed vloeit, met veel slachtoffers
blutig
noun
Blutung
noun
Blutuntersuchung
noun
1. onderzoek van bloed met name naar de aanwezigheid van alcohol of drugs
Blutprobe
noun
1. een bloedstolsel in het lichaam op een plek waar het hinder veroorzaakt
  1. Blutgerinnsel
  2. Thrombus
pronoun
1. bijnaam voor de Raad van Beroerten
Blutrat
noun
Blutserum
noun
  1. Blutkreislauf
  2. Kreislauf
noun
1. spoor van bloed
Blutspur
noun
Blutzucker
noun
Blutzuckerspiegel
noun
Bluttransfusion
noun
1. bloeduitstorting in de huid
Bluderguss
noun
1. een bloedader
Blutgefäß
noun
vergiftiging door ziekteverwekkende bacteriën in het bloed
Blutvergiftung
noun
Blutphobie
/'blutʋɔrst/
noun
1. vleeswaar vervaardigd van het bloed en het vet van een varken
Blutwurst
noun
Blutrache
noun
1. een worm die bloed zuigt uit mens en dier
Blutegel
/bluj/, /bluɪ̯/
noun
  1. 1. toestand waarin een plant bloemen draagt
  2. 2. toestand waarin iemand of iets op zijn best is
Blüte
verb
  1. 1. het dragen van open, actieve bloeiwijzen
  2. 2. het bijzonder goed maken
blühen
noun
  1. 1. een deel van plant met zaden
    1. Blume
    2. Blüte
  2. 2. fijngemalen poeder, meestal van granen
    Mehl
noun
Blumenbeet
noun
1. bolvormig stengeldeel van een plant, onder de grond
Blumenzwiebel
/bluməkɔrso/
noun
1. optocht van met bloemen versierde voertuigen
Blumenkorso
/bluməkɔrso/
noun
1. een geur afkomstig van bloemen of die aan bloemen doet denken
Blumenduft
noun
  1. 2. een lokale winkel of onderneming die in bloemen handelt
    1. Blumengeschäft
    2. Blumenhandel
    3. Blumenladen
  2. 1. de handel in bloemen
    Blumenhandel
noun
1. ringvormig vlechtwerk van bloemen
Blumenkranz
/ˈblumənkwekər/
noun
1. iemand die bloemen kweekt
Blumenzüchter
noun
Blumenladen
noun
Blumenladen
pronoun
1.
Bloemfontein
noun
  1. 1. bloemenverkoper
    Blumenhändler
  2. 2. bloemenkweker
    Florist
noun
1. een kool met vlezige bleekgele bloemstengels die als groente gegeten wordt
  1. Blumenkohl
  2. Karfiol
noun
Blumenkohlblatt
noun
1.
  1. Blumenkohlsuppe
  2. Karfiolsuppe
noun
1. pot waarin men een plant kweekt
Blumentopf
noun
Topfschnitt
noun
  1. Puderzucker
  2. Staubzucker
noun
1. kledingstuk
Bluse
/blusəm/
verb
1. het bloemengeheel van een vruchtboom
Blüte
verb
1. bollend overhangen (van kledingstukken)
bauschen
noun
    1. 1. een vaak hoekig massief stuk materiaal
    2. 3. een onderdeel van een fluit
    Block
  1. 2. een katrol
    Rolle
noun
1. een eenvoudig houten blaasinstrument
Blockflöte
noun
1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord blok
  1. Klötzchen
  2. Würfelchen
noun
Blockade
/ˈblɔkə(n)/
verb
  1. 2.
    abblocken
  2. 1. heel hard studeren
    büffeln
noun
1. een werktuig om hout glad, vlak of dunner te maken
Hobel
/blɔnd/, /blɔnt/
adjective
1.
  1. blond
  2. hell
/blɔnˈdiːnə/
noun
1. blond meisje, blonde vrouw
Blondine
verb
1.in aanraking doen komen met
aussetzen
noun
1. het ongewapend, onbeschermd in contact komen met een gevaar
Exposition
adjective
1. met of op blote voeten
barfuß
noun
een rode kleur op de konen
Röte
noun
1. kledingstuk
Bluse
verb
rood worden in het gezicht, bijvoorbeeld van verlegenheid of schaamte
erröten
noun
1. een melancholieke muziekstijl
Blues
/blʏf/
noun
1. poging tot intimidatie
Bluff
noun
1. een onverwacht domme, vaak erg publieke, daad die meestal iemands geloofwaardigheid aantast
  1. Ausrutscher
  2. Patzer
  3. Schnitzer
  4. Bock
  5. Fauxpas
noun
1.
Löschboot
verb
1. het doven van een brand
löschen
noun
1. het blussen (van een brand)
Löscharbeit
noun
1. activiteiten van de brandweer om het vuur van een brand te doven
Löscharbeiten
/blɵt/
adjective
1. geen geld meer hebbend
  1. abgebrannt
  2. pleite
verb
  1. 2. blaten
    blöken
  2. 1. heel hard huilen
    1. heulen
    2. brüllen
    3. plärren
    4. weinen
noun
sneetje brood
  1. Brotschnitte
  2. Butterbrot
noun
1. zeer grote wurgslang
Boa
noun
Zündspule
verb
1. een sport waarbij een bochtig ijsparcours wordt afgelegd in een bestuurbare slee
Bobsport
noun
B 1. drank of substantie van slechte kwaliteit
Fusel
pronoun
1.
Bochum
noun
1. iemand die gezonden wordt om een bericht, dienst, voorwerp enz. af te leveren
Bote
noun
Bodenanalyse
noun
1. erosie van de bodem
Bodenerosion
/ˈbodəmˌkʏndə/
noun
Bodenkunde
adjective
bodenlos
noun
1. .
Bodenverschmutzung
noun
Bodenversauerung
pronoun
1.
Bodensee
noun
1. bodhran
Bodhrán
pronoun
1. de hoofdstad van Hongarije
Budapest
noun
1. volger van de leer van Boeddha
Buddhist
noun
1. iemand die zich onbehoorlijk of misdadig gedraagt
  1. Schurke
  2. Spitzbube
noun
1. de voorkant van een schip
Bug
noun
1. een beeld dat ter versiering aangebracht werd op de voorsteven van een schip
Galionsfigur
verb
1. voortslepen door een of meer (andere) schepen
bugsieren
noun
1. uitstekend rondhout aan de voorsteven van een zeilschip
Bugspriet
noun
1. een drijvend en verankerd voorwerp om de vaargeul in ondiepe wateren aan te geven
  1. Boje
  2. Tonne
/bujə(n)/
verb
  1. 2. fascineren
    1. faszinieren
    2. fesseln
  2. 1. kluisteren
    fesseln
adjective
interessant
noun
1. een ingebonden bundel bedrukte of beschreven vellen papier
Buch
noun
Bukanier
pronoun
1. de hoofdstad van Roemenië
Bukarest
noun
1. het bekleedsel aan de buitenkant van een boek
  1. Buchdeckel
  2. Bucheinband
  3. Einband
noun
Buchbinder
noun
1. de in de 15de eeuw ontwikkelde kunst om teksten door middel van een drukpers te vermenigvuldigen
Buchdruck
/ˈbukən/
verb
1. reserveren van bijvoorbeeld een hotelkamer
  1. reservieren
  2. buchen
/ˈbu.kə.ˌkɑs/, /ˈbu.kə.ˌkɑst/
noun
1. een kast voor de opslag en het laten zien van boeken
Bücherregal
noun
1. hulpmiddel om bij te houden waar iemand is tijdens het lezen van een boek
Lesezeichen
noun
1. iemand die zeldzame of oude boeken verzamelt
Büchersammler
noun
1. insect dat men veel in oude boeken kan vinden, Ctenolepisma longicaudata
Papierfischchen
noun
1. een bos snijbloemen, vaak sierlijk gerangschikt
  1. Blumenstrauß
  2. Bouquet
  3. Strauß
noun
1. boekwinkel
Buchhandel
noun
1. iemand die de inkomsten en uitgaven van een organisatie bijhoudt
Buchhalter
noun
bijhouden van gegevens
Buchhaltung
noun
1. verkleinwoord enkelvoud van boek
  1. Büchlein
  2. Heft
/ˈbu.klɔŋ(g)/, /ˈbu.klɔŋ/
noun
1. een long die gestapeld en gevouwen is in weefsel, zo dat de gevouwen...
  1. Buchlunge
  2. Fächerlunge
  3. Fächertracheen
noun
1. bepaald soort vogel, Fringilla coelebs
Buchfink
noun
1. en 2. (gepelde zaden van) plant Fagopyrum esculentum
Buchweizen
noun
fijn gemalen zaden van boekweit
Buchweizenmehl
noun
1. geplette granen van Fagopyrum esculentum
Buchweizenflocken
/ˈbuk.wɪŋ.kəl/, /ˈbuk.ʋɪŋ.kɔɫ/, /ˈbuk.β̞ɪŋ.kəɫ/
noun
1. een winkel waar boeken verkocht worden
  1. Buchhandlung
  2. Buchladen
/bumɑn/
noun
1. een denkbeeldig wezen dat als schrikbeeld dient
Butzemann
noun
1. een gebogen werpstok die de neiging heeft terug te keren naar de werper
Bumerang
/'bunən/
verb
  1. 2.Inwrijven met was tot het glanst.
    bohnern
  2. 1. schrobben tot het glanst
    schrubben
/buːr/
noun
  1. 1. landbouwer
    Bauer
  2. 4. speelkaart
    Bube
noun
  1. 2. een onderneming van een boer
    1. Bauernhof
    2. Farm
  2. 1. een woning met bedrijfsruimte van een boer
    1. Bauernhof
    2. Gehöft
/buːrən/
verb
3. een boer laten
rülpsen
/burə'kol/
noun
  1. 1. en 2. (gekrulde bladeren van) bladgewas (kool)
    Grünkohl
  2. 2. een stamppot van boerenkool met aardappelen
    Grünkohleintopf
/ˈbuː.rə(n).fər.ˌstɑnt/
noun
1. gezond verstand
gesunder Menschenverstand
noun
1. bepaald soort samengesteldbloemige plant Tanacetum vulgare
Rainfarn
/ˈburə(n)ˈzwalyw/
noun
1. een kleine trek- en zangvogel
Rauchschwalbe
pronoun
1. een van de 26 regio's van Frankrijk
Burgund
noun
1. het gehele lichaam, inclusief gezicht en ogen, verhullend gewaad gedragen door (streng) islamitische vrouwen
Burka
noun
Burkini
adjective
1. weinig beschaafd, weinig verfijnd
  1. grobschlächtig
  2. ungehobelt
noun
1. een bedrag dat je moet betalen als je een overtreding hebt begaan
Buße
noun
Pönitenz
verb
1. straf ondergaan
büßen
noun
Boutique
noun
1. klei waarmee je een voorbeeld voor een beeldhouwwerk kunt maken, klei die op school gebruikt wordt bij handenarbeid
  1. Knetgummi
  2. Knetmasse
noun
Busenfreund
/bɔf/
noun
  1. 1. geluk, mazzel
    Glück
  2. 2. ziekte
    1. Mumps
    2. Ziegenpeter
verb
1. geluk hebben
Dusel haben
noun
1. iemand wie alles meezit, een bofkont
Glückspilz
noun
1. iemand die onwaarschijnlijk veel geluk heeft, een boffer
Glückspilz
pronoun
1. historische landstreek in de Tsjechische Republiek
Böhmen
noun
1. scheikundig element met symbool Bh en atoomnummer 107
Bohrium
noun
1. mannelijke geit
  1. Ziegenbock
  2. Bock
/ˈbɔkə(n)/
verb
1. mokken omdat men zich verongelijkt voelt
bocken
noun
1. gerookte en gezouten haring
Bückling
pronoun
1. meest gebruikte schrijfwijze van het Noors
Bokmål
noun
1. een tactische vechtsport
Boxen
verb
1. vuistvechten als sport
boxen
noun
  1. 1. een persoon die het boksen beoefent
  2. 2. een lid van een geheime Chinese organisatie omstreeks 1900
Boxer
noun
1. handschoen gedragen tijdens het boksen
Boxhandschuh
noun
Schlagring
noun
straalvinnige vis (Boops boops) uit de familie van zeebrasems
Gelbstriemenbrasse
adverb
1. een glooiende uitstulping in een oppervlak vormend
  1. konvex
  2. aufgebläht
noun
  1. 3. zie bloembol
    Blumenzwiebel
  2. 1. een driedimensionaal rond lichaam zie sfeer
    1. Kugel
    2. Ball
noun
1. bolder
Poller
noun
1. Agrostemma githago
Kornrade
noun
1. een vierwielige ongemotoriseerde bak die wordt voortgetrokken aan een hendel vooraan
Bollerwagen
noun
1. gewas dat overwintert door in een al of niet ondergrondse bol, in feite een bolvormige ophoping van vlezige bladeren, voedsel op te slaan
Zwiebelgewächs
noun
1. hoed
Melone
noun
1. een bolvormige groep sterren zoals die in galactische halo's kunnen worden aangetroffen
kugelsternhaufen
/boˈlivi.ja/
pronoun
1. een republiek in Zuid-Amerika die grenst aan Peru, Brazilië, Paraguay, Argentinië en Chili
Bolivien
noun
1. bergtrui in de Ronde van Frankrijk
  1. Bergtrikot
  2. Bergtrikot der Tour de France
pronoun
1. een stad in Italië
Bologna
noun
Bolschewismus
noun
Schale
pronoun
1. hoofdstad van de Italiaanse autonome provincie Zuid-Tirol
Bozen
/bɔm/
noun
  1. 1. vernietigingstuig dat gevuld is met explosieven
    1. Bombe
    2. Sprengstoff
  2. 1. stop van een vat
    Stopfen
verb
1. bommen of andere projectielen afvuren op iets of iemand
  1. bombardieren
  2. beschießen
noun
1. een brief die explodeert wanneer men hem opent
Briefbombe
/bomə(n)/
verb
1. langdurig en uitgebreid praten over minder belangrijke zaken
  1. erzählen
  2. plaudern
noun
1. een mededeling dat er een bom gaat ontploffen
  1. Bombendrohung
  2. Bombenalarm
noun
1. een militair vliegtuig dat is ontworpen voor het werpen van bommen op gronddoelen
Bomber
pronoun
1. eiland in het zuidelijke gedeelte van de Caraïbische Zee
Bonaire
noun
1.
Praline
noun
1. een andere macht waarmee een afspraak gemaakt is aan dezelfde zijde te zullen strijden
Bundesgenosse
noun
  1. Allianz
  2. Bündnis
adjective
bündig
pronoun
1.
Bundestag
noun
Bohnenkraut
pronoun
1.
Bonn
noun
1. Pan paniscus, een mensaap, staat samen met de chimpansee van alle diersoorten...
  1. Bonobo
  2. Zwergschimpanse
/bɔnt/
adjective
1. met veel verschillende felle kleuren
bunt
/bɔnt/
noun
Pelz
noun
1. bepaalde vogelsoort uit de familie van plevieren, Charadrius hiaticula
Sandregenpfeifer
/xxxx/
noun
1. de handel in bont
Pelzhandel
noun
Pelzmantel
noun
1. van bont gemaakte jas
Pelzmantel
noun
  1. 2. levensmiddel of andere alledaagse aanschaf
    1. Besorgung
    2. Einkauf
  2. 1. overgebracht bericht
    1. Botschaft
    2. Nachricht
  3. 3. (eufemisme) kleine ~ "plassen", grote ~ "poepen"
    Geschäft
noun
(huishouden) lijst waarop staat welke inkopen gedaan moeten worden
  1. Einkaufszettel
  2. Einkaufsliste
noun
1. een tas waarin men de boodschappen kan doen bij het winkelen
Einkaufstasche
/ˈbotsxɑpər/
noun
1. berichtenoverbrenger
Bote
noun
  1. 1. wapen
  2. 3. deel van bouwwerk
  3. 2. cirkelboog
Bogen
noun
Bogenbrücke
noun
1.
  1. Bogenlampe
  2. Kohlebogenlampe
noun
1. een sport waarbij pijlen worden weggeschoten naar een doel met behulp van een boog
Bogenschießen
pronoun
2. teken van de dierenriem van 22 november tot 22 december
Schütze
noun
1. iemand die schiet met een boog
Bogenschütze
noun
1. meerjarige plant met houten stam
Baum
/ˈbom.bɑst/
noun
Baumrinde
/ˈbom.blɑt/
noun
1. een blad van een boom
Baumblatt
/ˈbom.blɑʊ̯.cə/, /ˈbom.blɔʊ̯.tʲə/
noun
1. bepaald soort dagvlinder, Celastrina argiolus
Faulbaum-Bläuling
noun
1. een stuk grond met vruchtbomen
  1. Obstgarten
  2. Baumgarten
  3. Bungert
/ˈbom.ɣrɛns/, /ˈbom.χrɛns/
noun
1. een grens waarboven geen bomen meer groeien
Baumgrenze
noun
Baumheide
/ˈbom.kɑp/
noun
1. het rooien van bomen
Holzernte
noun
1. Hyla arborea, klein kikkertje dat zich in bomen en heesters kan begeven
Laubfrosch
noun
1. bepaald soort vogeltje, Sitta europaea
Kleiber
/ˈbom.krœʏ̯.pər/, /ˈbom.krœː.pər/
noun
1. eepaald soort bruin vogeltje, Certhia brachydactyla
Gartenbaumläufer
/ˈbom.kɵn.də/, /ˈbom.kʏn.də/
noun
Dendrologie
/ˈbom.leː.β̞əˌrɪk/, /ˈbom.lɪː.β̞əˌrɪk/
noun
1. een vogelsoort die inheems is in Nederland en België
Heidelerche
/ˈbom.mɑr.tər/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Martes martes
  1. Baummarder
  2. Edelmarder
/ˈbom.mes.tər/
noun
1. een persoon die de slagboom naar de haven beheert en havengelden in ontvangst neemt
Hafenkapitän
/ˈbo.məˌlun/
noun
1. de vrucht van de meloenboom
Papayafrucht
/ˈbo.mɛs/
noun
1. een groot mes om bomen mee te schillen
  1. Ziehmesser
  2. Zugmesser
  3. Reifmesser
  4. Zieheisen
/ˈbomnɪmf/
noun
  1. 2. soort vlinder Idea leuconoe uit Zuidoost-Azië
    Baumnymphe
  2. 1. vrouwelijke halfgoden, sterk verbonden met een boom in de Griekse mythologie
    1. Dryade
    2. Baumnymphe
/ˈbom.pi.pər/
noun
1. een vogelsoort die inheems is vrijwel geheel europa
Baumpieper
/ bomrɛik /
adjective
1. rijk aan boomen en bosschen, dicht met bomen beplant
  1. baumreich
  2. bewaldet
/ˈbom.sxɔrs/, /ˈbom.sχɔrs/
noun
1. het dode buitenste deel van de bast van een boom
  1. Borke
  2. Rinde
/ˈbom.slɑk/
noun
1. een veelvoorkomende Europese slak
  1. Baumschnecke
  2. Baumschnirkelschnecke
  3. Gefleckte Schnirkelschnecke
/'bomslɑŋ/
noun
2. bepaald landdier zonder poten Dispholidus typus
Boomslang
noun
1. een rechtop gaande houten schacht van een boom
Baumstamm
/ˈbom.sœʏ̯.kər/, /ˈbom.sœː.kər/
noun
1. suiker gewonnen uit het sap van bomen
Ahornzucker
noun
1. kleine sierlijke valk, familie van de torenvalk, Falco subbuteo
Baumfalke
noun
1. zaadje uit de peulvrucht van enige vlinderbloemige planten,...
Bohne
noun
  1. A. rond zijn as ronddraaiend werktuig om gaten mee te maken
    Bohrer
  2. B. chemisch element en een zwart metalloïde
    Bor
noun
Bohrmeißel
/bɔːrt/
noun
  1. 1. het dek van een schip
    Bord
  2. 2. de verbrede bovenrand van een hemd rond de nek
    1. Kragen
    2. Hemdkragen
noun
Bohrfutter
noun
Bohrmeißel
/ˈbormɑˌʃinə/
noun
1. machine om te boren
Bohrmaschine
noun
1. een schelpdier dat zich in hout, veen of zachte steensoorten ingraaft
Bohrmuschel
noun
1. boorolie
Bohröl
noun
Bohrschiff
noun
1. hoge boorinstallatie
Bohrturm
/bo'zardəx/
adverb
1. met de intentie om kwaad te doen
  1. boshaft
  2. bösartig
noun
Bösartigkeit
noun
  1. 2. de hoedanigheid van het kwaadaardig zijn
    1. Boshaftigkeit
    2. Bosheit
    3. Böswilligkeit
  2. 1. de hoedanigheid van het boos zijn
    1. Zorn
    2. Ärger
noun
Bösewicht
/boʊt/, /boːt/
noun
1. klein vaartuig
Boot
noun
Bootsfahrt
/ ˈbotsxun /
noun
1. een lichte soort van schoenen van zacht leer, ontwikkeld naar het voorbeeld van Indiaanse mocassins
Bootsschuh
noun
1. een rang gelijk aan sergeant bij de marine en de hoogste onderofficier bij de koopvaardij
Bootsmann
noun
1. iemand die in havens schepen laadt en lost
Hafenarbeiter
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Bopfingen
pronoun
1.
Boppard
/bɔRd/, /bɔrt/
noun
  1. 2. Vlak voorwerp aan een muur
    Tafel
  2. [1] Schijfvormig voorwerp
    Teller
adjective
  1. Bordeauxviolett
  2. bordeauxviolett
noun
1. een huis waarin tegen betaling seksuele diensten worden aangeboden
Bordell
/ˈbɔr.də(n).ˌwɑr.mər/, /ˈbɔr.də(n).ˌβ̞ɑr.mər/, /ˈbɔr.də.ˌʋɑr.mər/
noun
1. een toestel om borden voor het eten te verwarmen
Tellerwärmer
noun
Karton
noun
Brettspiel
verb
1. met naald en draad versieringen aanbrengen op een stuk weefsel
sticken
noun
1. weefselversiering aangebracht met naaldwerk
Stickerei
/boreˈjal/
noun
Boreal
verb
1. met een werktuig dat om zijn as draait een gat in iets maken
bohren
noun
  1. 3. een gecastreerd mannetjesvarken
    Borg
  2. 1. iemand die garant staat voor een eventueel te betalen bedrag
    Bürge
  3. 2. borgsom, borgtocht, waarborgsom, cautie
    Kaution
noun
Federring
noun
1. overeenkomst waarbij een borg zich garant stelt
Bürgschaft
noun
1. een chemisch element en een zwart metalloïde
Bor
pronoun
1.
Borkum
noun
  1. 2. gezellige samenkomst met een drankje en een hapje
    1. Apero
    2. Apéro
  2. 1. drankje
    1. Pinnchen
    2. Schnaps
    3. Schnapsglas
noun
    1. 2. elk van de twee vooruitstekende klieren bij vrouwen waaruit zich de moedermelk afscheidt
    2. 1. bovenste deel van de voorkant van de romp van mens of dier
    Brust
  1. de borst geven
    stillen
noun
plat been waaraan de ribben aan de voorzijde vastgehecht zijn
Brustbein
noun
1. schoonmaakgereedschap met bos haren
  1. Bürste
  2. Pinsel
verb
1. schoonmaken met behulp van een borstel
bürsten
noun
lichaamsholte, gevormd door de 12 paar ribben, de 12 borstwervels en het borstbeen
Brusthöhle
noun
1. geraamte van de borst
Brustkorb
noun
1. lekkernij
  1. Fondant
  2. Zuckerplätzchen
noun
1. ingreep waarbij de vrouwenborst operatief wordt vergroot
Brustvergrößerung
noun
1. ingreep waarbij de vrouwenborst operatief wordt verkleind
Brustverkleinerung
noun
  1. 2. een bundel stelen of vezels
    1. Bund
    2. Bündel
    3. Strauß
  2. 1. een groep bomen
    Wald
noun
Walderdbeere
noun
Buschwindröschen
noun
Stein-Nelke
noun
1. Calopteryx virgo, een bepaald soort van de beekjuffers.
Blauflügel-Prachtlibelle
noun
  1. 2. plant Vaccinium myrtillus
    1. Heidelbeere
    2. Blaubeere
  2. 1. en 3. plant, en bessen, uit geslacht Vaccinium
    Heidelbeeren
/ˈbɔsbɑuw/
noun
1. het systematisch bosbeheer (teelt en verzorging van bossen) voor de productie van hout
Forstwirtschaft
noun
1. brand van of in een bos
Waldbrand
noun
1. bepaald soort knaagdier, Apodemus sylvaticus
Waldmaus
/ˈbɔsnis/, /ˈbɔsnɪs/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Bosnië
Bosnisch
/ˈbɔsni.jə ɛn ˌhɛrtsəɣoˈviːna/, /ˈbɔsni.jə ɛn ˌɦɛrtsəɣoˈvina/, /ˈbɔsni.jə ɛn ˌɦɛrtsəχo(ʊ̯)ˈvina/
pronoun
1. republiek in het zuidoosten van Europa die ontstaan is bij het uiteenvallen van het voormalige Joegoslavië
Bosnien und Herzegowina
/ˈbɔsni.jər/
noun
1. een inwoner van Bosnië en Herzegovina
Bosnier
noun
Sumpfrohrsänger
adjective
1. gekenmerkt door een verhoudingsgewijs groot aantal bossen; rijk aan bos
buschreich
/bɔsə'bɔl/
noun
1. een met slagroom gevulde soes van groot formaat die bedekt is met een laag chocolade
Mohrenkopf
noun
1. Sorex araneus, een dier in de familie van de spitsmuizen
Waldspitzmaus
pronoun
1. een stuwmeer in de Duitse deelstaat Saarland
Bostalsee
noun
1. jonge, onvolgroeide geboste ui met blad
Frühlingszwiebel
noun
1. bepaald soort vogel, Strix aluco
Waldkauz
noun
1. Nyctalus leislen, een vleermuis van de gladneuzen
Kleine Abendsegler
noun
1. een beheerder van een boswachterij
  1. Förster
  2. Forstmann
/ˈbɔs.ʋɑn.də.lɪŋ/, /ˈbɔs.β̞ɑn.də.lɪŋ/
noun
1. een wandeling door het bos
Waldspaziergang
noun
1. bepaald soort loofboom Salix caprea
Sal-weide
adjective
  1. 2. onbeleefd
    1. grob
    2. bäurisch
  2. 1. stomp
    stumpf
noun
  1. 1. platvis
    1. Flunder
    2. Butt
  2. 3. onderdeel van het skelet
    Knochen
noun
Botaniker
noun
1. een onderdeel van de biologie dat zich bezighoudt met de studie van planten
Botanik
/ ˈbɔtbrøk /
noun
1. een onderbreking van een bot
  1. Knochenbruch
  2. Fraktur
/ˈbotər/
noun
1. zuivelproduct
Butter
noun
1. een aantal planten uit het geslacht Ranunculus behorende tot de familie Ranunculaceae
  1. Hahnenfuß
  2. Butterblume
noun
1. gele variant van de sperzieboon
Butterbohne
noun
  1. 1. een snee brood
    1. Brotschnitte
    2. Butterbrot
  2. 2. een belegde snee brood
    belegtes Brot
/ˈbotərhɑm/
noun
1. meestal plastic doosje met daarin gesmeerde boterhammen voor de lunch, meegenomen naar school, op het werk enz.
  1. Brotbüchse
  2. Brotdose
noun
een koek, traditioneel bereid met roomboter, die gevuld wordt met amandelspijs
holländischer Butterkuchen
noun
1. een banketletter met roomboter en amandelen
Blätterteiggebäck in Buchstabenform
noun
1. een bakje om boter in te bewaren
Butterdose
noun
1. CH₃(CH₂)₂COOH
Buttersäure
/ˈbɔt.sə(n)/
verb
  1. 2. in een conflict of ruzie geraken
    1. zusammenstoßen
    2. anecken
    3. aufeinanderstoßen
  2. 1. met een flinke snelheid tegen elkaar aankomen
    1. zusammenstoßen
    2. prallen
/ˈbɔt.sɪŋ/
noun
  1. 1. het botsen
    1. Kollision
    2. Zusammenstoß
    3. Aufprall
  2. 2. een conflict of ruzie
    1. Konflikt
    2. Streit
/bɔ.ˈts<sup>ʊ</sup>a.na/, /bɔts.ˈʋa.na/, /bɔts.ˈβ̞a.na/
pronoun
1. een land dat geheel door land is omgeven in het zuiden van Afrika met ruim 1,5 miljoen inwoners, grenzend aan Namibië, Zimbabwe en Zuid-Afrika
Botsuana
noun
  1. 3. iets dat het tot stand komen van een bepaald proces bemoeilijkt
    Engpass
  2. 2. een wegvernauwing, in het bijzonder een die voor vertraging zorgt
    Engstelle
pronoun
1.
Bottrop
adjective
  1. frech
  2. kühn
/ˈbʌʊdəˌʋɛɪn/, /ˈbʌːdəˌβ̞ɛːn/
pronoun
1. een jongensnaam
Balduin
noun
1. het onderdeel van een verbrandingsmotor dat door een vonk het mengsel van brandstofdamp en lucht in de cilinder tot ontploffing brengt
Zündkerze
noun
1. een aftreksel van magere vleesresten, beenderen of vis
  1. Bouillon
  2. Brühe
noun
psychologische toestand waarin een persoon terugkerende eetbuien heeft
Bulimie
noun
Bourgeois
noun
Bourgeoisie
pronoun
1. een van de 26 regio's van Frankrijk
Burgund
noun
2. stuk vlees, meestal een poot
  1. Keule
  2. Schenkel
  3. Schlegel
noun
  1. Baufirma
  2. Bauunternehmen
/ˈbɑu̯ə(n)/
verb
1. een constructie oprichten door het samenvoegen van onderdelen
  1. bauen
  2. erbauen
noun
1. een persoon die dingen bouwt
Bauer
noun
1. (wetenschap)
Baukunde
noun
Ackerland
noun
  1. Baubetrieb
  2. Baufirma
  3. Baugesellschaft
noun
1. een plaats waar mensen iets bouwen
Baustelle
noun
Bauvorhaben
noun
1. steen om mee te bouwen
Baustein
/ˈbɔʊ̯β̞.tɛ.ˌrɛːn/, /ˈbʌʊ̯.tɛ.ˌrɛɪ̯n/
noun
1. een terrein waarop gebouwd wordt of kan worden
Baustelle
noun
Bauarbeiter
noun
  1. Baugenehmigung
  2. Baubewilligung
noun
1. een constructie van enige omvang die verbonden is met de grond en waarin men kan wonen of werken
Bau
/ˈboː.vən/
adverb
1. bovenaan, erboven, niet beneden, niet eronder
oben
/ˈboː.vən/
preposition
1. op een plaats hoger gelegen dan
oben
noun
1. het bovenste gedeelte van de arm tussen de schouder en de elleboog
Oberarm
noun
1.bovenbeen
Oberschenkel
/bovənˈdin/
adverb
1. op de koop toe, daarenboven
  1. außerdem
  2. überdies
noun
1. een van de beenderen van de schedel
Oberkiefer
noun
1. een hooggeplaatst raam, boven een deur of in het dak
Oberlicht
noun
Oberkörper
noun
Oberlippe
adjective
1. behorende tot een orde van dingen die buiten het menselijke ligt
übernatürlich
noun
Oberseite
noun
1. een sport waarbij de speler door middel van een bowlingbal moet proberen om alle tien de pins omver te gooien
Bowling
verb
1. iemand uitsluiten, niet meer willen werken voor, leveren aan of kopen bij
boykottieren
noun
1. pan met dikke wand, die geschikt is om er vlees enz. in te braden
Bratentopf
adjective
brav
noun
2. werktuig om vlas of hennep te braken of te kneden.
Flachsbreche
noun
Gewölle
noun
  1. 1. struik & 2. vrucht
    1. Brombeere
    2. Brombeerstrauch
  2. 3. beschadiging op een (metaal)oppervlak
    Grat
noun
1.
Brombeere
/ˈbramslœʏpər/
noun
1. bepaald soort zangvogel, Sylvia curruca
Klappergrasmücke
verb
1. slecht en onduidelijk praten met name van baby's
plappern
pronoun
1.
Brackenheim
verb
1. vlees bereiden door het in vet te verhitten
braten
noun
1. ongewoon langzame hartslag
Bradykardie
noun
Brailleschrift
verb
1.
schmoren
verb
  1. 2. vlas of hennep breken
    brechen
  2. 1. genuttigd voedselwaar ongewild door de mond naar buiten brengen
    1. erbrechen
    2. kotzen
noun
1.
Lagunen-Herzmuschel
noun
1. bedrijfstak
  1. Bereich
  2. Branche
  3. Fach
  4. Teilgebiet
/ˈbrɑnd/, /ˈbrɑnt/
noun
1. verbranding met vuur
  1. Brand
  2. Feuer
/ˈbrɑntbəˌstrɛidɪŋ/
noun
1. vuur dat schade aanricht tegengaan
Löscharbeiten
noun
1. een draagbaar toestel dat dient om een kleine of een beginnende brand te bestrijden
Handfeuerlöscher
verb
  1. 2.
    rösten
  2. 1. verteerd worden door vuur
    1. verbrennen
    2. brennen
pronoun
1. een deelstaat in het oosten van Duitsland
Brandenburg
noun
1. een apparaat dat een bepaalde vorm aan een vlam geeft
Brenner
noun
1. een soort sterke drank
  1. Branntwein
  2. Brandy
  3. Weinbrand
noun
1. bepaald soort gans, Branta leucopsis
  1. Weißwangengans
  2. Nonnengans
noun
1. een lens die het opvallende zonlicht op een klein oppervlak concentreert dat daardoor sterk verhit wordt
Brennglas
/ˈbrɑntkran/
noun
1. aansluitpunt voor een brandslang aan het waterleidingnet
Hydrant
verb
  1. 1. (vee) merken door het inbranden van een teken
  2. 2. stigmatiseren
brandmarken
noun
2-3. een harige plant die bij aanraking een brandend gevoel en zwelling veroorzaakt
Brennnessel
noun
Brennpunkt
/ˈbrɑntsxɑtə(n)/
verb
1. in oorlogstijd de bevolking een schatting opleggen op straffe van plundering en brand
brandschatzen
noun
Schlauchleitung
noun
1. iemand die expres brand veroorzaakt
Brandstifter
noun
Brandstiftung
noun
1. stof waaruit door middel van verbranding of een ander chemisch proces energie wordt gewonnen
  1. Treibstoff
  2. Brennstoff
noun
een elektrochemisch toestel
Brennstoffzelle
noun
1. pomp die bij verbrandingsmotoren...
Kraftstoffpumpe
noun
Kraftstoffbehälter
noun
Feuerwehr
noun
Löschfahrzeuge
noun
1. lid van de brandweer
Feuerwehrmann
noun
Löschfahrzeuge
noun
Brandwunde
noun
Brasse
noun
1. bepaalde karperachtige vissoort Abramis brama
  1. Brachse
  2. Brasse
  3. Blei
  4. Brachsen
/braˈʃɛːrə/
noun
1. dameskledingstuk
Büstenhalter
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Hessen
Braunfels
/braˈzili.jə/
pronoun
1. een soevereine staat in Zuid-Amerika (officieel de Federale Repuliek van Brazilië, 'República Federativa do Brasil'), met als officiële taal het Portugees
Brasilien
pronoun
1. een oude middeleeuwse stad in het hart van Roemenië die tevens de hoofdstad is van het gelijknamige district
Kronstadt
noun
1. bepaald soort orchidee, Epipactis helleborine
  1. Breitblättrige Sitter
  2. Breitblättrige Stendelwurz
  3. Breitblättrige Sumpfwurz
adjective
1. breed van borst en schouders
breitschultrig
adjective
1. breed van borst en schouders, breedgebouwd
breitschultrig
noun
  1. 1. afmeting loodrecht op de hoogte of de lengte
    Breite
  2. 2. deel van een meridiaan vanaf evenaar
    geographische Breite
noun
1. een cirkel parallel aan de evenaar
Breitenkreis
noun
1. cirkel van gelijke geografische breedten
  1. geographische Breite
  2. Breite
noun
1. een cirkel parallel aan de evenaar
Breitenkreis
adjective
1. tijd en ruimte nemend om alle kanten uitgebreid te bezien
ausführlich
adverb
1. op breedvoerige wijze
ausführlich
/ˈbreːɡbaːr/
adjective
zerbrechlich
noun
1. stevige metalen stang, meestal voorzien van een gespleten einde, de koevoet, gebruikt om zaken open te breken.
  1. Kuhfuß
  2. Brecheisen
  3. Nageleisen
noun
Bruchstelle
verb
1.
kalfatern
/ˈbrɛ.jə(n)/
verb
1. een weefsel vervaardigen uit een gesponnen draad met behulp twee of meer pennen
stricken
/ˈbrɛɪ̯nald/, /ˈbrɛɪ̯naɫt/, /ˈbrɛːnalt/
noun
1. een naald die gebruikt kan worden bij het breien
Stricknadel
noun
Strickarbeit
verb
  1. 5. in stukken uiteen doen vallen
  2. 1. in stukken uiteenvallen
  1. brechen
  2. zerbrechen
noun
1. richtingverandering van stralen
Brechung
noun
Brechungsindex
pronoun
Bremen
pronoun
1.
Bremerhaven
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Nedersaksen
Bremervörde
adjective
  1. Ginstergelb
  2. ginstergelb
pronoun
1. een schiereiland in het noordwesten van Frankrijk
Bretagne
noun
1. broekophouder
Hosenträger
pronoun
1. een Keltische taal die wordt gesproken in Bretagne
Bretonisch
noun
1. de uitkomst (quotiënt) van een deling van twee of meer gehele getallen
Bruch
noun
1. het diakritisch teken (met ronde vorm) dat een korte klinker weergeeft
Breve
noun
Brevier
noun
1. mogelijk vertrek van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie
Brexit
noun
2. de kam van een elektrische gitaar
Brücke
noun
1. verzonden geschreven boodschap
Brief
noun
Brief des Jeremia
noun
Briefgeheimnis
noun
1. tekst bovenaan een brief met gegevens van de afzender en de geadresseerde en de datum van verzending
Briefkopf
noun
1. een korte brief in de vorm van een kaart
Postkarte
noun
1. een doorgaans sierlijk mesje dat men gebruikt om briefomslagen met te openen
Brieföffner
noun
Briefpapier
/bris/
noun
1. zachte frisse wind
  1. Briese
  2. Brise
noun
  1. Briefkasten
  2. Postkasten
noun
Brei
noun
1. een optisch instrument dat gebruikt wordt om de scherpte van het zicht te verbeteren
Brille
/ˈbrɪl.beːr/, /ˈbrɪɫ.beːr/, /ˈbrɪɫ.bɪːr/
noun
1. een beer met grote cirkels rond de ogen, als een bril
Brillenbär
noun
2. Egira conspicillaris
Holzrindeneule
noun
1. Bucephala clangula, een vogel uit de familie Anatidae
Schellente
noun
  1. Brillantblau
  2. brillantblau
adjective
  1. Leuchthellorange
  2. leuchthellorange
adjective
  1. Leuchthellrot
  2. leuchthellrot
adjective
  1. Leuchtorange
  2. leuchtorange
adjective
  1. Brillantblau
  2. brillantblau
adjective
  1. Leuchtgelb
  2. leuchtgelb
adjective
  1. Leuchtgrün
  2. leuchtgrün
adjective
  1. Leuchtrot
  2. leuchtrot
noun
1. de lens van een bril, die oogafwijkingen corrigeert
Brillenglas
/ˈbrɪlə(n)ˌkokər/
noun
1. een stevige, beschermende huls voor een bril
Brillenetui
noun
1. de houder waarin brillenglazen zijn gevat
Brillenfassung
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Brilon
noun
1. reptiel, gevaarlijke gifslang
Brillenschlange
noun
1. het scharnierend zijstuk van een brilmontuur dat over de oorschelp ligt
Brillenbügel
/brɪts/
adjective
1. gerelateerd aan Groot-Brittannië
britisch
noun
2. een houten vlonder als slaapplaats van wachtsoldaten
  1. Feldbett
  2. Liege
  3. Pritsche
/ˈbrɔkɔlɪ/
noun
1. groente
Brokkoli
noun
Brokkolisuppe
noun
Broschüre
verb
1. knoeien, prutsen
  1. pfuschen
  2. vermurksen
  3. verpfuschen
/'bru.də(n)/
verb
1. een gelegd ei met lichaamswarmte warm houden
brüten
noun
1. bouwsel met glazen wanden voor het opkweken van gewassen
  1. Treibhaus
  2. Gewächshaus
noun
Treibhauseffekt
noun
Treibhausgas
noun
1. kledingstuk dat het onderlichaam en beide benen, elk met een afzonderlijke pijp omhult
Hose
noun
1. broek voor een vrouw die veel lijkt op een rok(je)
Hosenrock
noun
1. zak in een broek
Hosentasche
/bruːr/
noun
1. een mannelijk kind van dezelfde ouders
Bruder
noun
1. een blok met een grillige vorm, stuk van iets groters
Brocken
noun
1. een vervelend, lastig, knorrig persoon
Brummbär
noun
  1. Moped
  2. Mofa
noun
Bromid
noun
1. wetenschappelijke naam voor het scheikundig element Broom
Brom
noun
  1. Moped
  2. Mofa
noun
1. grote dikke blauwe vlieg die een brommend geluid maakt
Smeissfliege
noun
  1. 1. daar waar men informatie vandaan haalt
  2. 2. begin van een waterloop
  1. Quelle
  2. Ursprung
adjective
1. met betrekking tot de luchtpijp-takken
bronchial
noun
1. ontsteking van de luchtpijptak
Bronchitis
noun
1. medisch onderzoek van de luchtpijp d.m.v. een bronchoscoop
Bronchoskopie
noun
1. bepaalde vissoort, Salvelinus fontinalis
Bachsaibling
noun
Bronze
noun
paartijd
Brunst
noun
1. water dat uit de grond is gehaald, gebruikt als drinkwater of geneeskrachtig water
Quellwasser
verb
1.
bronzieren
/broːt/
noun
1. een meelproduct dat gemaakt wordt door meeldeeg te bakken, te koken of te stomen
Brot
/ˈbrod.bə.ˌlɛx/, /ˈbrod.bə.ˌlɛχ/
noun
1. eetbare waar die gebruikt wordt om brood te beleggen
Brotbelag
noun
1. boom Artocarpus altilis
Brotfruchtbaum
noun
2. klein brood, vaak versierd, belegd of in een speciale vorm, voor één persoon
Brötchen
noun
Brotmahlzeit
noun
Brotbackautomat
noun
Toaster
noun
1. vrucht van de broodboom Artocarpus altilis
Brotfrucht
noun
Brom
adjective
1. niet stevig
fragil
verb
1. in ruzie zijn, elkaar niet meer willen zien
zerstreiten
verb
1. (bier) brouwen
brauen
noun
1. iemand die bier maakt om te verhandelen
  1. Brauer
  2. Brauerin
/brɔuə'rɛi/
noun
1. een bedrijf dat zich toelegt op het brouwen van bier
  1. Brauerei
  2. Brauhaus
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Bruchsal
/brʏx/, /brʏχ/
noun
kunstmatige weg over een diepte
Brücke
pronoun
1. een Vlaamse provinciehoofdstad
Brügge
noun
Brückenkopf
/brœy̯t/
noun
1. vrouw in tijd van de huwelijksplechtigheden
Braut
noun
1. man die in het huwelijk treedt
Bräutigam
noun
1. jurk gedragen door een bruid
  1. Brautkleid
  2. Hochzeitskleid
noun
1. De twee mensen die met elkaar in het huwelijk treden
Brautpaar
noun
1. een gift die een meisje van haar ouders meekrijgt als ze in het huwelijk treedt
  1. Mitgift
  2. Aussteuer
noun
1.
  1. Brautzug
  2. Hochheitszug
noun
1.
Hochzeitstorte
adjective
1. nuttig, eenvoudig in het gebruik
  1. brauchbar
  2. anwendbar
noun
1. kosteloze lening voor tijdelijk gebruik onder voorwaarde van teruggave
  1. Leihe
  2. Gebrauchsleihe
noun
1. huwelijks-, trouwfeest
  1. Hochzeitsfeier
  2. Hochzeitsfest
noun
1.
Hochzeitstorte
adjective
1. een kleur zoals die van walnoten, chocola of koffie hebbend
  1. braun
  2. Braun
noun
1. kleur zoals die van koffie of chocola
  1. braun
  2. Braun
adjective
  1. Braunbeige
  2. braunbeige
/ˌbrœʏnəˈbeːr/
noun
1. Ursus arctos, een beer die in Europa, Azië en Amerika voorkomt.
Braunbär
noun
1. hemellichaam met een massa tussen die van een gasreus en een ster, onvoldoende voor kernfusie tussen protonen
Brauner Zwerg
noun
1. bepaalde soort zoetwatervis Ameiurus nebulosus
  1. Amerikanischer zwergwels
  2. Brauner katzenwels
  3. Katzenwels
  4. Zwergwels
noun
1. bepaald soort roofvogel, Circus aeruginosus
Rohrweihe
noun
1.
Spitzenfleck
noun
1. grijsbruin knaagdier met een kale geringde staart Rattus norvegicus
Wanderratte
noun
1.
Gemeine Winterlibelle
verb
  1. 1. bruin worden
  2. 1. iets bruin maken
bräunen
/ˈbrœyŋɣəˌbrɑnt/
adjective
1. door zonlicht donker gekleurd
braungebrannt
/ˈbrœyŋɣrɛis/
adjective
  1. Braungrau
  2. braungrau
adjective
  1. Braungrün
  2. braungrün
adjective
1. met bruine haren.
braunhaarig
noun
1. lid van de SA in Nazi-Duitsland
Braunhemd
/ˈbrœʏnəχ/, /ˈbrœːnəx/, /ˈbrœːnɪx/
adjective
2. op bruin lijkend
bräunlich
noun
Braunkohle
adjective
1. brood van tarwemeel dat nog zemelen bevat
  1. Braunrot
  2. braunrot
/ˈbrœy̯nvɪs/
noun
1. familie Phocoenidae van kleine rondsnuitige tandwalvissen
  1. Schweinswal
  2. Tümmler
noun
1.
Sprudelwasser
noun
Amerikaanse apen die een brullend lawaai kunnen produceren
Brüllaffe
pronoun
1. een stad in de Italiaanse autonome provincie Zuid-Tirol
Bruneck
/bry.ˈnɛɪ̯/, /bry.ˈnɛː/
pronoun
2. een land op op het eiland Borneo, in Zuidoost-Azië. Het ligt aan de Zuid-Chinese Zee, en wordt verder geheel omringd door Maleisië
  1. Brunei Darussalam
  2. Brunei
/ˈbrunɛɪs/
adjective
1. met betrekking tot of afkomstig van Brunei.
bruneisch
pronoun
Braunschweig
/brʏs/
noun
1. een ander kind van dezelfde ouders (zonder de connotatie met zorg)
Geschwister
pronoun
1. de hoofdstad van België
Brüssel
noun
1. inwoner van Brussel
Brüsseler
pronoun
1. een van de drie gewesten van België rond de hoofdstad Brussel
Region Brüssel-Hauptstadt
noun
1. vrouwelijke inwoner van Brussel
Brüsselerin
adjective
  1. 3. vrijpostig
    1. frech
    2. dreist
  2. 2.
    1. unverschämt
    2. despektierlich
    3. unhöflich
verb
1. met grofheid of geweld bejegenen
  1. brüskieren
  2. schikanieren
noun
Frechheit
noun
Bruttoinlandsprodukt
verb
1. nors en ruw bejegenen
brüskieren
adjective
1. nietsontziend en gewelddadig
  1. brutal
  2. rabiat
noun
1. de afkorting voor belasting over de toegevoegde waarde
  1. MwSt
  2. MwSt.
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Buchloe
adjective
1. met betrekking tot een budget, begroting
budgetär
/'bɵfəl/
noun
  1. 1. verzamelnaam voor een aantal zware rundersoorten met vaak forse hoorns
    Büffel
  2. 2. leer vervaardigd van de huid van een buffel
    Büffelleder
  3. 3. iemand die groot en stevig is
    Kleiderschrank
noun
1. een gebied dat op een of andere manier als buffer dient
Pufferzone
/ˈbyfɛt/
noun
  1. 1. meubelstuk waarin men tafelgoed en -zilver opbergt
  2. 2. toonbank waarop allerlei etenswaar ligt die men kan bekomen of zelf pakken
Büfett
/ˈby.χəɫ/, /ˈbyː.ɣəl/
noun
1. een koperen blaaasinstrument.
Flügelhorn
noun
1. zoogdier dat het jong in een buidel draagt
Beuteltier
/bœʏ̯χə(n)/, /bœːɣə(n)/
verb
  1. 1. krom maken
    beugen
  2. 2. krom worden
    biegen
  3. 3. een buiging maken, zich buigen
    sich verbeugen
  4. 4. aandacht besteden aan iets
    vertiefen
noun
  1. 6. vormverandering van woorden
    1. Beugung
    2. Flexion
  2. 1. nijging als beleefde groet
    Verbeugung
/bœʏ̯k/, /bœːk/
noun
1. het onderste deel van de voorkant van de romp van mens of dier dat van boven door het middenrif en van onderen door de bekkengordel begrenst is
Bauch
noun
Bauchtanz
noun
  1. Durchfall
  2. Diarrhöe
/ˈbœʏ̯k.pɛɪ̯n/, /ˈbœːk.pɛɪ̯n/, /ˈbœːk.pɛːn/
noun
1. pijn in de buik
Bauchschmerz
noun
1.
Bauchfell
noun
1. grote zeef voor het zeven van meel
Mehlsieb
noun
1. een hol, cilindrisch voorwerp
Rohr
noun
2. buisklokken
Röhrenglocken
noun
1. buisklokkenspel
Röhrenglocken
/bœʏ̯t/, /bœːt/
noun
goederen gewonnen door diefstaf of verovering
Beute
/ˈbœʏtə(n)bortmotər/
noun
1. een motor die aan de achterzijde (de spiegel) van een boot bevestigd is die als een roer dient en de boot voortstuwt.
Außenbordmotor
noun
1. buitendraad
Außengewinde
/ˈbœʏ̯tə(ɴ)χəˌʋon/, /ˈbœːtə(ŋ)ɣəˌβ̞on/, /ˌbœːtə(n)ɣəˈwoːn/
adjective
1. van het normale afwijkend
  1. außergewöhnlich
  2. ungewöhnlich
noun
1. een tweede woning in een landelijke of natuurrijke omgeving
  1. Landhaus
  2. Landsitz
  3. Zweitwohnung
adjective
  1. komisch
  2. seltsam
noun
Außenseite
noun
1. ieder land buiten het eigene
Ausland
/ˈbœytə(n)lɑndər/
noun
1. iemand die in het buitenland woont, of iemand afkomstig uit het buitenland
Ausländer
adjective
1. op het buitenland betrekking hebbend
ausländisch
noun
1. buitenschroefdraad
Außengewinde
/ˈbœy̯.tə(n)ˌsta:n.dər/
noun
iemand buiten de groep, van buiten
Außenseiter
noun
1. een tweede woning in een landelijke of natuurrijke omgeving
  1. Landhaus
  2. Landsitz
  3. Zweitwohnung
noun
Röhrenverstärker
noun
1. bepaald soort middelgrote roofvogel, Buteo buteo
  1. Bussard
  2. Mäusebussard
/ˈbɵkən/
verb
1. het lichaam geheel vooroverbuigen om bij iets lagers te komen
bücken
/bʏl/
noun
  1. 1. mannelijk rund en het mannetje van sommige andere zoogdieren en zeezoogdieren
    Bulle
  2. 1. oorkonde bij het behalen van een academische graad
    1. Diplom
    2. Bulle
  3. 2. pauselijke oorkonde
    päbstliche Bulle
noun
1. een gestroomlijnde boeg in de vorm van een bulb, om via de daardoor verminderde waterweerstand het brandstofverbruik te laten dalen
Bugwulst
noun
1. een stevig gebouwde hond met een grote kop en afhangende liphoeken...
Bulldogge
/bɵɫˈγ̊aːrs/
adjective
1. met betrekking tot Bulgarije of de Bulgaarse taal
  1. bulgarisch
  2. Bulgarisch
/bɵɫˈγ̊aːrs/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Bulgarije
  1. Bulgarisch
  2. bulgarisch
noun
Bulgarin
pronoun
1. een land in Zuidoost-Europa
Bulgarien
noun
1. gestoomde, daarna gedroogde en vervolgens grof gemalen of gebroken tarwekorrels, meestal durumtarwe
  1. Bulgur
  2. Bulgurweizen
noun
1. een schip dat speciaal gebouwd en uitgerust wordt om droge stortgoederen zoals ertsen, kolen, graan, enz, te vervoeren.
Frachtshiff
noun
  1. 3. benaming voor zeedieren met een bolle schelp, behorend tot het geslacht Bulla
    Blasenschnecke
  2. 4. zegel van paus, of van een keizer uit de oudheid
    Bulle
noun
1. zware van rupsbanden voorziene machine om terreinen te egaliseren
Bulldozer
/bʏ.lə.ˈtɛ̃/
noun
Bulletin
/ˈbʏltrʏx/
noun
1. benaming voor een van de grotere baardwalvissen met lange borstvinnen
Buckelwal
noun
1. stootstang
Stoßstange
noun
1. zijdelings bijeengehouden verzameling langwerpige voorwerpen
Bündel
noun
1. woning of vakantiehuis zonder bovenverdieping
Bungalow
noun
1. gasbrander met regelbare luchttoevoer die men gebruikt in een laboratorium
Bunsenbrenner
noun
1. bepaald soort zoogdier, Mustela putorius
Iltis
noun
1. een krachtige narcotische pijnstiller
Buprenorphin
noun
  1. 2. een (politie)kantoor
    Büro
  2. 1. een werkmeubel voor administratief- en studiewerk
    Schreibtisch
noun
Bürokratie
noun
1. een stoel die ontworpen is om in een kantooromgeving gebruikt te worden
Schreibtischstuhl
noun
1. overlast uit nabuurschap
nachbarrechtliche Belästigung
noun
1. onderdeel van het burgerlijk recht m.b.t. rechten, plichten en hinder uit de nabuurschap
  1. Nachbarrecht
  2. Nachbarschaftsrecht
noun
1. hoofd van het gemeentebestuur
  1. Bürgermeister
  2. Bürgermeisterin
noun
Bürgermeisterin
pronoun
1. deelstaat van Oostenrijk
Burgenland
noun
1.
  1. Bürgerschaft
  2. Zivilgesellschaft
noun
1. een gewapende strijd tussen twee of meer bevolkingsgroepen binnen hetzelfde land, waarbij soms ook het leger betrokken is
Bürgerkrieg
noun
1. een recht dat men geniet als staatsburger van een land
Bürgerrecht
noun
1. een recht dat men geniet als staatsburger van een land
Bürgerrechte
noun
1. edelman
  1. Burggraf
  2. Vicomte
noun
Burggräfin
noun
1. beitel met ruitvormige punt
Grabstichel
/bur.ˌki.na.ˈfa.so/, /bur.ˌki.na.ˈfɑ.so/
pronoun
1. een republiek in West-Afrika voorheen Opper-Volta genaamd.
Burkina Faso
/bu.ˈrun.di/
pronoun
1. een land in Afrika dat grenst aan Democratische Republiek Congo, Rwanda en Tanzania
Burundi
/bɵs/
noun
1. vervoermiddel op de weg voor een aanzienlijk aantal passagiers
  1. Bus
  2. Omnibus
  3. Autobus
noun
1. iemand die beroepsmatig reizigers vervoert in een bus
Busfahrer
/ˈbʏshɑltə/, /ˈbʏshɑɫtə/
noun
1. een plek waar een bus stopt
Bushaltestelle
noun
1.
  1. Kleinbus
  2. Minibus
noun
1. een ontplofbaar mengsel van fijngepoederde kool, zwavel en salpeter
Schießpulver
/ˈbʏsɔŋɣəˌvɑl/
noun
1. verkeersonɡeluk waarbij een tourinɡcar of een lijnbus is betrokken
  1. Busunfall
  2. Busunglück
noun
1. kledingstuk voor vrouwen.
  1. Büstenhalter
  2. BH
noun
Bustier
noun
1. C₄H10
Butan
noun
Butene
noun
1. en 2. (vruchtvlees) van plant Cucurbita moschata
  1. Butternusskürbis
  2. Butternutkürbis
  3. Moschuskürbis
/byr/
noun
1. een persoon die in andermans omgeving woont
Nachbar
noun
1. land dat grenst aan een bepaald land
Nachbarland
noun
1. een man naast wie men woont
Nachbar
noun
  1. 2. de nabijheid
    1. Nachbarschaft
    2. Nähe
    3. Umgebung
  2. 1. een (deel van een) wijk
    1. Viertel
    2. Stadtteil
noun
1. vrouw woonachtig in het belendende huis
Nachbarin
/bɑjt/
noun
1. het kleinste adresseerbare gedeelte van een computergeheugen
Byte
pronoun
1. en 2.
Böblingen
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Bönnigheim
noun
2. afkorting voor de toonsoort
C
noun
  1. 1. de toonnaam
  2. 2. afkorting van “c-mineur”
c
abbreviation
  1. 1. het akkoord c - e - g
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
C-Dur
abbreviation
  1. 1. het akkoord c - es - g
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
c-Moll
/se'ɣrot/
abbreviation
  1. 1. het akkoord c - e - g
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
C-Dur
abbreviation
1. het akkoord c-e-g
C-Dur-Akkord
noun
1. een majeurtoonladder met “c” als grondtoon
C-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met c als grondtoon
C-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “c” als grondtoon
C-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “c” als grondtoon
C-Dur-Tonleiter
/se'klɛɪn/
abbreviation
  1. 1. het akkoord c - es - g
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
c-Moll
abbreviation
1. het akkoord c-es-g
c-Moll-Akkord
noun
1. een mineurtoonladder met “c” als grondtoon
c-Moll-Tonart
noun
1. een kleinetertstoonladder met “c” als grondtoon
c-Moll-Tonleiter
noun
1. een mineurtoonladder met “c” als grondtoon
c-Moll-Tonleiter
/se'ɣrot/
abbreviation
  1. 1. het akkoord c - e - g
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
C-Dur
abbreviation
1. het akkoord c-e-g
C-Dur-Akkord
noun
1. een grotetertstoonladder met “c” als grondtoon
C-Dur-Tonart
noun
1. een grotetertstoonladder met c als grondtoon
C-Dur-Tonleiter
noun
1. een grotetertstoonladder met "c" als grondtoon
C-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “c” als grondtoon
C-Dur-Tonleiter
/se'klɛɪn/
abbreviation
  1. 1. het akkoord c - es - g
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
c-Moll
abbreviation
1. het akkoord c-es-g
c-Moll-Akkord
noun
1. een kleinetertstoonladder met “c” als grondtoon
c-Moll-Tonart
noun
1. een kleinetertstoonladder met d als grondtoon
c-Moll-Tonleiter
noun
1. een kleinetertstoonladder met “c” als grondtoon
c-Moll-Tonleiter
noun
1. c-sleutel
C-Schlüssel
noun
1. een grotetertstoonladder met c als grondtoon
C-Dur-Tonleiter
/ˌkɑbɑˈrɛ(t)/
noun
1. een kleinkunst, vermaak met toneel, zang, dans, en voordracht
  1. Kabarett
  2. Cabaret
noun
1. een beoefenaar van de cabaretkunst
Kabarettist
/kakaˈoː/, /kaˈkɑu/
noun
1. product verkregen uit de bonen van de cacaoboom dat onder andere wordt gebruikt...
Kakao
/kɑˈkʌʊbom/
noun
1. een boom waarvan uit de vruchten de cacao wordt gewonnen
Kakaobaum
noun
1. zaad dat zich in de peulvrucht van de cacaoboom bevindt
Kakaobohn
noun
1.
  1. Kakaobutter
  2. Kakaomass
noun
1. bepaald soort nachtvlinder, Ephestia elutella
Kakaomotte
noun
1. een poederachtige substantie die wordt verkregen door het uitpersen van de cacaomassa van cacaobonen
Kakaopulver
noun
  1. Kakaofrucht
  2. Kakaoschote
noun
1. een suikerrietdistillaat afkomstig uit Brazilië
Cachaça
noun
  1. Kadenz
  2. Rhytmus
/kaˈdoː/
noun
  1. 1. iets dat men aan iemand geeft, meestal ter gelegenheid van een speciale gebeurtenis
    Geschenk
  2. cadeau doen
    schenken
noun
1. scheikundig element met symbool Cd en atoomnummer 48
  1. Cadmium
  2. Kadmium
pronoun
1. het sterrenbeeld “Graveerstift“
Grabstichel
noun
1. een alkaloïde met structuurformule C₈H10N₄O₂ die van nature wordt aangetroffen in koffiebonen en theebladeren
Koffein
noun
1. een uitgaansgelegenheid waar men dranken kan nuttigen
Wirtschaft
noun
1. vrouw of meisje met de taak de betalingen van klanten in een winkel of amusementsbedrijf te verwerken
Kassiererin
/kɛˈsɔn/
noun
1. doosvormige constructie
  1. Caisson
  2. Senkkasten
noun
Caissonkrankheit
/ˈka.la/, /ˈkaː.la/
noun
1. een kleine ronde baai langs een steile kust met een nauwe doorgang naar de open zee
Cala
noun
1. een dialect van het Napolitaans, gesproken in Italië, meer bepaald Calabrië
Kalabresisch
noun
Kalzination
noun
1. scheikundig element met symbool Ca en atoomnummer 20
  1. Kalzium
  2. Calcium
noun
1.een geneesmiddel dat de calciumkanaaltjes in het celmembraan van spiercellen blokkeert
Calciumantagonist
noun
1. calciumcarbid
  1. Calciumcarbid
  2. Calciumacetylid
noun
1. berekening
Kalkulation
/kɑlkʏˈlatɔr/
noun
  1. 2. persoon
    Kalkulator
  2. 1. machine
    Rechenmaschine
verb
1. rekenen
  1. kalkulieren
  2. ausrechnen
  3. berechnen
noun
1. bepaald soort zoogdier, Zalophus californianus
Kalifornischer Seelöwe
noun
1. een scheikundig element en vermoedelijk een grijs of zilverkleurig actinide met het symbool Cf en het atoomnummer 98
Californium
pronoun
1. een van de vijftig deelstaten van de Verenigde Staten. De staat grenst aan de Pacifische Oceaan en aan de Mexicaanse deelstaat Baja California, alsmede aan de Amerikaanse deelstaten Nevada, Oregon en Arizona.
Kalifornien
noun
1. een eenheid van warmte, gelijk aan de warmte benodigd om een gram water een graad C in temperatuur te doen stijgen
Kalorie
adjective
1. weinig calorieën bevattend, light
kalorienarm
noun
meting van hoeveelheden vrijgekomen warmte
Kalorimetrie
noun
2. een woord of woordgroep die is gevormd door middel van een één-op-één vertaling...
Lehnübersetzung
verb
1. op doorschijnend papier of linnen overtrekken
kalkieren
noun
1.een sterke alcoholische drank
Calvados
noun
1. gereformeerde substroming binnen het Christendom waarin o.a. het voorbestemd zijn centraal staat
  1. Calvinismus
  2. Kalvinismus
pronoun
1. en 2.
Calw
/kɑm.ˈbɔ.dja/, /kɑm.ˈbɔ.tʃa/
pronoun
1. een land in Zuidoost-Azië dat in het noorden grenst aan Laos, in het noordwesten en westen aan Thailand en in het oosten en zuidoosten aan Vietnam
Kambodscha
pronoun
Cambridge
/ˈkaməˌra/
noun
1. een apparaat om beelden mee te registreren
  1. Kamera
  2. Fotoapparat
noun
1.
Kameraoperateur
noun
Camouflage
noun
1. net dat zorgt dat iets minder goed zichtbaar is
Tarnnetz
/kɑmuflerən/
verb
1. een voorwerp onopvallend maken
tarnen
/kɑmˈpɑɲə/
noun
Wahlkampf
/ˈkɑmpɪŋ/, /ˈkɛmpɪŋ/
noun
1. een terrein met voorzieningen om te kamperen
Campingplatz
/ˈkɑmpʏs/
noun
1. universiteitsterrein
Campus
/ˈka.na.da/, /ˈkɑ.nɑ.da/
pronoun
1. een soevereine staat in de noordelijke helft van Noord-Amerika
Kanada
noun
1. bewust vervalst nieuwsbericht; valse hype
Zeitungsente
pronoun
Kanarische Inseln
noun
Candela
verb
1. van groeven voorzien
riffeln
noun
1. elk van de (verticale) groeven op zuilen en pilasters
  1. Kannelur
  2. Kannelüre
/'ka.nɔn/
noun
1. de strengste vorm van een meerstemmige compositie, waarin de stemmen elkaar in de tijd verschoven imiteren
Kanon
noun
1. de waardigheid en taken van een kanunnik
Kanonikat
/ˌka.no.ˈnik/
adjective
2. kerkrechtelijk
kanonisch
verb
1. tot canon maken
kanonisieren
noun
1. het tot een canon maken
Kanonisierung
pronoun
1. een van de 17 autonome regio’s en provincie in het noorden van Spanje gelegen ten oosten van Asturië en ten westen van Baskenland met de hoofdstad Santander
Kantabrien
noun
1. en 2. (vrucht van) plant Cucumis melo var. cantalupensis
  1. Cantaloupe-Melone
  2. Warzenmelone
  3. Kantalupe
  4. Kantalupmelone
noun
Kantate
/ˌkɑntaˈrɛɫ/
noun
1. bepaald soort eetbare paddenstoel met een lichte pepersmaak, Cantharellus cibarius
  1. Pfifferling
  2. Eierschwamm
noun
Tarifvertrag
adjective
1. rubber
Kautschuk
/kɑˈpabəl/
adjective
1. kundig, bekwaam
fähig
noun
1. mogelijkheid om iets te bevatten
  1. Kapazität
  2. Fähigkeit
pronoun
1. Capella
  1. Capella
  2. Kapella
/ˌkapiˈbaːra/
noun
1. Hydrochoerus hydrochaeris, een groot knaagdier...
Wasserschwein
noun
1. internationaalrechtelijke verklaring dat een partij de strijd tijdens een oorlog opgeeft
Kapitulation
verb
1. het verzet staken, zich overgeven
kapitulieren
noun
1. kopje koffie dat uit gelijke delen espresso, melk en melkschuim bestaat
Cappuccino
pronoun
Capri
adjective
  1. Capriblau
  2. capriblau
noun
1. CH₃(CH₂)₈COOH
Caprinsäure
//
noun
1. paardensprong
Kapriole
noun
1. CH₃(CH₂)₄COOH
Capronsäure
noun
2.een omhulsel, veelal van gelatine met een medicijn erin
Kapsel
/ˌka.py.ˈʃɔ̃ː/, /ˌkɑ.py.ˈʃɔn/
noun
1. hoofdkap bevestigd aan een kledingstuk
Kapuze
noun
1. bepaald soort zoogdier, Profelis caracal
Karakal
noun
1. kampeerwagen, woonwagen, aanhangwagen die kan dienen als woonst
  1. Wohnwagen
  2. Caravan
noun
1.een anti-epilepticum
Carbamazepin
noun
1. carbid
  1. Calciumcarbid
  2. Calciumacetylid
noun
1. carbide
Carbide
noun
1. carbidgas/acetyleen
Acetylen
noun
1. carbidlamp
Karbidlampe
verb
1. omzetten van organische stof in koolstof
verkohlen
noun
1. carborundum
  1. Karborund
  2. Siliciumcarbid
noun
Vergaser
noun
1. toestel dat vloeibare brandstof (bv. benzine) in fijn verdeelde toestand vermengt met lucht
Vergaser
noun
1. carbuur
  1. Calciumcarbid
  2. Calciumacetylid
noun
1. aandrijfas die tevens de versnellingsbak van een auto met het differentieel verbindt
Kardanwelle
/kɑrdijo'lox/
noun
  1. Kardiologe
  2. Kardiologin
noun
1.
Schiffsmakler
pronoun
1. de zee ten westen van de Atlantische Oceaan, begrensd door de Kleine en de Grote Antillen, de noordkust van Zuid-Amerika en de oostkust van Midden-Amerika
Karabik
noun
1. muziekinstrument met klokken
Glockenspiel
noun
1. iemand die een beiaard of carillon bespeelt
Glockenspieler
noun
Karies
noun
1. volksfeest waarbij onder meer grote verkleedpartijen plaatsvinden,...
  1. Karneval
  2. Fasching
noun
1. stoet van versierde mensen en praalwagens
Karnevalsumzug
noun
1. optocht die deel uitmaakt van het carnavalsfeest
Karnevalsumzug
/kɑrniˈvor/
noun
1. een vleesetend dier
  1. Fleischfresser
  2. Karnivore
noun
1. loopbaan, werkgerelateerde maatschappelijke positie
Karriere
noun
1. koetswerk van een voertuig
Karosserie
noun
1. iemand die land-, zee- en/of luchtkaarten maakt
Kartograf
noun
1. de kunst en wetenschap van het vervaardigen van land-, zee- en/of luchtkaarten
Kartographie
noun
Kaschu
noun
1. een gelegenheid waar in een luxe omgeving gegokt wordt
Kasino
noun
1. Manihot esculenta, een eetbare wortelknol
Maniok
noun
1. een behuizing voor video- en audiobanden
Kassette
noun
Kassettengerät
noun
specerij
Zimtkassie
pronoun
1. landstreek in Spanje
Kastilien
pronoun
Kastilien und León
pronoun
Kastilien-La Mancha
noun
Kastrat
verb
1. een sterilisatie uitvoeren van een man of mannelijk dier door verwijdering van de zaadballen
kastrieren
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Castrop-Rauxel
noun
  1. 1. een naamval
    1. Fall
    2. Kasus
  2. 2. concrete voorbeeld(en) van iets in de praktijk, vooral gebruikt in wetenschappelijke uitleg en cursussen
    Vorbild
noun
1.
Kasuistik
noun
1. CAT
CAT
pronoun
1. een Romaanse taal die wordt gesproken in Catalonië, Valencia, Aragón, Balearen, Andorra, Frankrijk en Italië
  1. Katalanisch
  2. katalanisch
verb
1. in een register onderbrengen
katalogisieren
pronoun
1. een van de 17 autonome regio’s van Spanje, gelegen in het noordoosten van het Iberisch Schiereiland; de twee officiële talen zijn Catalaans en Spaans
Katalonien
noun
1.
Katalog
noun
1. vaartuig met twee drijvende delen (de rompen), die boven de waterlijn parallel aan elkaar gemonteerd zijn
Katamaran
noun
1. grijze staar, een troebeling van de ooglens die het zien verstoort
Katarakt
/ˌkatɑstroˈfal/
adjective
1. rampzalig
katastrophal
noun
1. een algemene ramp
Katastrophe
noun
1. onderdeel van een rangschikking, rang, groep.
Kategorie
adjective
1. oorzakelijk
kausal
noun
Kauterisation
verb
1. uitbranden van wonden
kauterisieren
/ˈkava/
noun
1. Spaanse mousserende wijn
Cava
noun
1. benaming voor knaagdieren uit het geslacht Cavia
Meerschweinchen
noun
1. een gat of ruimte bijv. gaatje door tandbederf
  1. Hohlraum
  2. Loch
noun
1. en 2. een peper, een scherp specerij
Cayennepfeffer
pronoun
1. de hoofdstad van Egypte
Kairo
noun
1. compact disc
CD
pronoun
1. een taal die op de Filipijnen en met name op het eiland Cebu gesproken wordt
Cebuano
noun
1. persoon die een vordering overdraagt
  1. Abtretende
  2. Zedent
/ˈsedər/
noun
1. benaming voor bomen uit het geslacht Cedrus
Zeder
noun
  1. 3. de kleinste eenheid binnen een levend organisme waarin alle genetische informatie vervat zit
  2. 4. een zeshoekige opslagplaats in een bijenraat
  3. 1. een kleine ruimte waar iemand voor straf moet zitten (in een gevangenis)
  4. 2. een kleine ruimte (in een klooster)
Zelle
noun
1.de wetenschap van organische cellen.
Zellbiologie
verb
1. plechtig herdenken
zelebrieren
noun
1. slagwerkinstrument met een klavier
Celesta
noun
1. de wetenschap van functies en processen binnen organische cellen
Zellphysiologie
adjective
zölibatär
/sɛlkɛrən/
noun
1.
Zellkern
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Celle
noun
1. musicus die een violoncello of kortweg een cello bespeelt
Cellist
noun
1. een viersnarig strijkinstrument dat tijdens het bespelen door de cellist tussen de knieën wordt gehouden
  1. Violoncello
  2. Cello
noun
1.
Zelluloid
/ˌsɛ.ly.ˈlo.zə/
noun
1. een polysacharide die door nagenoeg alle planten wordt gemaakt en die de plant stevigheid geeft
  1. Zellulose
  2. Zellstoff
noun
1. een omhulsel van de cel bestaande uit fosfolipiden en eiwitten
Zellmembran
/sɛlʋɑnd/
noun
1.
Zellwand
noun
1. een bouwmateriaal bestaande uit kalk, zand en grind
Zement
verb
  1. 1. met cement bestrijken
  2. 2. metaal gloeien met kool
zementieren
noun
1. een fabriek waar cement geproduceerd wordt
Zementfabrik
adjective
  1. Zementgrau
  2. zementgrau
noun
1.
Zementklinker
noun
1. een toestel voor het mengen van de bestanddelen van de mortel of beton
Mischmachine
noun
1.
Zementofen
noun
1. hoge ambtenaar in de Romeinse republiek
Zensor
verb
1. bewust informatie uit de media weghalen
zensieren
/sɛnˈsyr/
noun
1. de controle van de kant van de overheid op alles wat de media uitbrengen
Zensur
/'sɛntiˌmetər/
noun
1. een lengtemaat die gelijk is aan één honderdste van een meter
Zentimeter
adjective
1. in het midden gelegen
zentral
/sɛn.ˌtral.a.fri.ˌkan.sə.re.py.ˈblik/, /sɛn.ˌtral.ɑ.fri.ˌkans.re.pʏ.ˈbliːk/, /sɛn.ˌtraɫ.a.fri.ˌkan.sə.re.py.ˈblik/
pronoun
1. een land in Midden-Afrika, officieel de Centraal-Afrikaanse Republiek, dat geheel door land wordt omsloten
Zentralafrikanische Republik
pronoun
Zentralamerika
pronoun
Zentralasien
pronoun
Zentral-Bikolano
pronoun
Zentraleuropa
pronoun
1. Iraanse taal gesproken door 6 miljoen mensen in Irak en Iran
Kurdisch
noun
Zentrale
noun
1. een verwarmingssysteem, waarbij de warmte centraal wordt opgewekt
Zentralheizung
verb
1. op één punt samenbrengen
zentralisieren
verb
1. in het middelpunt brengen
zentrieren
adjective
1.
zentrifugal
noun
Fliehkraftkupplung
noun
1. pomp die een vloeistof verpompt door het met een draaiend rad naar buiten te slingeren
Kreiselpumpe
noun
1. centrifugaalmachine
Zentrifuge
verb
1. met een centrifuge scheiden, zuiveren of drogen
  1. zentrifugieren
  2. schleudern
noun
1. middelpunt
  1. Zentrum
  2. Mitte
noun
Keramik
noun
1. een plechtige aangelegenheid
Zeremonie
noun
  1. Cer
  2. Zer
/ˌsɛrtifiˈkat/
noun
1. een schriftelijk bewijs
  1. Zeugnis
  2. Attest
verb
1. het officieel verklaren dat iets geldig is of voldoet aan een norm (zwart op wit geven)
  1. zertifizieren
  2. bescheinigen
  3. bestätigen
  4. testieren
adjective
1. met betrekking tot de hals en de nek
zervikal
noun
  1. 1. verlaagde c
    ces
  2. 3. ces-mineurgrondakkoord
    1. ces
    2. ces-Moll
  3. 2. ces-kleinetertstoonladder
    ces-Moll
abbreviation
  1. 1. het akkoord ces - es - ges
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Ces-Dur
noun
  1. 1. het akkoord ces - eses - ges
  2. 2. de mineur toonsoort op ces
ces-Moll
abbreviation
1. het akkoord ces-es-ges
Ces-Dur-Akkord
noun
1. een grotetertstoonladder met “ces” als grondtoon
Ces-Dur-Tonleiter
abbreviation
1. het akkoord ces - eses - ges
ces-Moll-Akkord
noun
1. een mineurtoonladder met “ces” als grondtoon
ces-Moll-Tonart
noun
1. een kleinetertstoonladder met ces als grondtoon
ces-Moll-Tonleiter
noun
1. afkorting van Ces-majeurtoonsoort
Ces-Dur
abbreviation
1. het akkoord ces-es-ges
Ces-Dur-Akkord
noun
1. een grotetertstoonladder met “ces” als grondtoon
Ces-Dur-Tonart
noun
1. een grotetertstoonladder met "ces" als grondtoon
Ces-Dur-Tonleiter
noun
1. een grotetertstoonladder met “ces” als grondtoon
Ces-Dur-Tonleiter
abbreviation
1. het akkoord ces - eses - ges
ces-Moll-Akkord
noun
1. een kleinetertstoonladder met ces als grondtoon
ces-Moll-Tonleiter
noun
1. een kleinetertstoonladder met ces als grondtoon
ces-Moll-Tonleiter
noun
1. tweemaal verlaagde toon “c”
ceses
noun
  1. Caesium
  2. Cäsium
  3. Zäsium
noun
1. overdracht van schuldvordering
  1. Abtretung
  2. Zession
noun
1. persoon die een vordering verkrijgt
Zessionar
pronoun
Ceuta
interjection
1. kijk ook naar, vergelijk met
vgl.
adjective
1. in slechte stemming, slecht gehumeurd
missmutig
noun
1. traditionele houten berghut met schuin dak, van oorsprong uit het alpengebied
Chalet
verb
  1. 1. het op kamertemperatuur komen van (met name rode) wijn
  2. 1. het op kamertemperatuur laten komen van (met name rode) wijn
chambrieren
/ʃɑmˈpɑɲə/
noun
1. een schuimwijn uit de champagnestreek in Frankrijk
  1. Champagner
  2. Sekt
noun
1. bepaald soort eetbare en speciaal gekweekte witte paddenstoel, Agaricus bisporus
Zuchtchampignon
noun
Pilzsuppe
noun
Chanson
noun
1. mensen onder voor de buitenwereld onzichtbare bedreiging zaken tegen hun wil laten doen
Erpressung
verb
1. onder bedreiging een schandaal te veroorzaken iemand geld afhandig maken
erpressen
noun
1. grote wanorde
  1. Chaos
  2. Unordnung
noun
1. deelgebied van de wiskunde en natuurwetenschappen dat zich bezighoudt met het gedrag van dynamische systemen zoals dat sterk door hun begintoestand wordt bepaald.
  1. Chaosforschung
  2. Chaostheorie
adjective
chaotisch
noun
1. en 2. (vrucht van) een cultivar van de cantaloupe
Charentais-Melone
verb
  1. 1. met kracht aanvallen, een charge uitvoeren
    1. angreifen
    2. attackieren
  2. 5. bezwarende verklaaringen voor iemand afleggen
    belasten
  3. 4. overdrijven (zonder speciale bedoeling)
    chargieren
    1. 2. iets overdreven voorstellen om iemand of iets belachelijk te maken
    2. 3. overdrijven (in een toneelrol)
    übertreiben
noun
1. volksgericht waarbij een of enkele personen die de sociale normen hadden overtreden publiekelijk werden gestraft
Charivari
/ˈʃar.la.tan/
noun
  1. Scharlatan
  2. Quacksalber
adjective
1. aangenaam in omgang
charmant
/sjarme/
noun
1. de eigenschappen van iemand waardoor die persoon aardig, leuk en vriendelijk wordt gevonden
  1. Charme
  2. Reiz
verb
1. bekoren
  1. bezaubern
  2. entzücken
noun
1. iemand die vrouwen weet te bekoren
Charmeur
noun
  1. 3. charterpartij
    1. Befrachtungsvertrag
    2. Chartervertrag
  2. 2. handvest, beperkte grondwet
    Charta
  3. 4. chartervlucht
    Charterflug
noun
1. vlucht met afgehuurd vliegtuig
Charterflug
/χɑˈsit/
noun
2. aanhanger van het chassidisme
Chassid
/ˈtʃɑtə(n)/, /ˈtʃɛtə(n)/
verb
1. op synchrone wijze met elkaar korte tekstberichten uitwisselen
chatten
/ʃaʊ̯.ˈføːr/, /ʃo.ˈføːr/, /ʃo.ˈfʏːr/
noun
1. de bestuurder van een motorvoertuig
  1. Fahrer
  2. Chauffeur
noun
Chauvinist
adjective
  1. 2. met betrekking tot het chauvinisme
  2. 1. behept met een overdreven vorm van vaderlandsliefde
chauvinistisch
/ˈtʃɛkən/
verb
1. controleren, nakijken
überprüfen
noun
1. Acinonyx jubatus, een zeer snel Afrikaans katachtig roofdier
Gepard
noun
1. de baas, iemand die de leiding heeft
Chef(in)
noun
Chemiker
noun
1. wetenschap die zich bezig houdt met de kennis van de stoffen ...
Chemie
noun
chemisches Element
pronoun
1.
Chemnitz
/ʃɛk/
noun
Scheck
noun
2. eetbare hartvormige vrucht van Annona cherimola
Cherimoya
/tʃɛ.ˈrɔ.ki/, /ˈtʃeː.ro.keː/
pronoun
1. inheemse taal gesproken door enkele duizenden mensen in Noord-Amerika
Cherokee
noun
1. een rode wijn uit een gelijknamig wijnbouwgebied in Toscane
Chianti
noun
Chiasmus
/sʲik/
noun
  1. 1. modieus verfijnd
    1. schick
    2. chic
  2. 2. uit de hoge stand
    vornehm
adjective
  1. chilenisch‎‎
  2. chilenisch
/ˈʃi.li/
pronoun
1. een land in Zuid-Amerika, grenzend aan Peru, Bolivia en Argentinië en ingeklemd liggend tussen de Stille Zuidzee en het Andesgebergte
Chile
/ˈtʃɪlə(n)/
verb
1. tot rust komen, ontspannen
  1. chillen
  2. relaxen
/ˌʃɪm.pɑn.ˈse/
noun
1. Pan troglodytes, de meest aan de mens verwante mensaap, leeft in Centraal-Afrika
Schimpanse
/ˈʃi.na/
pronoun
1. een land in Oost-Azië, officieel de Volksrepubliek China
China
/ʃi.ˈnes/
adjective
1. betreffende China
  1. chinesisch
  2. Chinesisch
/ʃi.ˈnes/
pronoun
  1. 2. persoon
    1. Chinese
    2. Chinesisch
  2. 1. de voornaamste taal die in China gesproken wordt
    1. Chinesisch
    2. chinesisch
noun
(bladeren van) Brassica rapa subsp. pekinensis
Chinakohl
noun
1. bepaald soort grasachtige plant, Eleocharis dulcis
  1. Wasserkastanie
  2. Chinesische Wasserkastanie
noun
1. bepaald soort kreeftachtige,
  1. Chinesische Wollhandkrabbe
  2. Wollhandkrabbe
noun
  1. 2. een klein stukje halfgeleiderkristal waarop geïntegreerde circuits zijn aangebracht
    1. Chip
    2. integrierter Schaltkreis
  2. 1. dun reepje gefrituurde aardappel
    Kartoffelchip
/tʃɪps/, /ʃips/, /ʃɪps/
noun
1. dunne aardappelschijfjes, gebakken in vet of olie
Chips
noun
1. niet bezegelde, door identieke gedeeltes bevestigde oorkonde
Charta partita
/ʃi'rʏr(ə)x/
noun
1. specialist
Chirurg
noun
1. de wetenschap van en de vaardigheid in het opereren
Chirurgie
noun
Chlor
noun
1. een bacteriostatisch antibioticum dat de synthese van eiwitten in bacteriën remt
Chloramphenicol
noun
1. een mengsel van gelijke delen waterstof en chloor
Chlorknallgas
noun
Chlorid
noun
  1. Chloroform
  2. Trichlormethan
noun
1. taxonomische groep, Choanoflagellata
Kragengeißeltierchen
/xoˈanoflɑɣɛˌlatə(n)/
noun
1. taxonomische groep, Choanoflagellata
Kragengeißeltierchen
/ˌʃo.ko.ˈla/
noun
1. een lekkernij die gemaakt is van cacao, suiker en cacaoboter
Schokolade
/sʲoko'latʲə/
noun
2. stukje chocola
Schokoladenplätzchen
/ˌʃo.ko.ˈla.də/, /ˌʃɔko.ˈla.də/
noun
1. een lekkernij die gemaakt is van cacao, suiker en cacaoboter
Schokolade
noun
1. een met slagroom opgevulde soes van groot formaat, bedekt met een laag chocolade
Mohrenkopf
adjective
  1. Schokoladenbraun
  2. schokoladenbraun
noun
1.
Buchstabe aus Schokolade
noun
1. drank gemaakt van cacao, suiker en melk
  1. Kakao
  2. Schokolade
noun
1.
Schokoladencreme
noun
Schokoladepudding
noun
1.
  1. Schokoladenzigarette
  2. Schokozigarette
noun
1. een veelal ronde, bruingekleurde taart, waarin chocolade of cacao verwerkt is
Schokoladentorte
noun
1. chocoladewinkel, chocoladefabriek
Schokoladengeschäft
/χoləra/
noun
1. een zeer besmettelijke infectieziekte die de darmen aantast
Cholera
noun
1. vet dat in je lichaamscellen zit, zoals galvet, lichaamsvet
Cholesterin
verb
1. een emotionele schok bij iemand veroorzaken
schockieren
noun
1. muziekinstrumenten waarbij de toon wordt geproduceerd door een trillende snaar
Chordophone
noun
Choriongonadotropin
adjective
1. te maken hebbend met het christendom
christlich
/ˈkrɪs.tən/
noun
1. een belijder van de christelijke godsdienst
  1. Christ
  2. Christin
/ˈkrɪ.stən.ˌdɔm/
noun
1. een religie gebaseerd op het evangelie en leven van Jezus zoals beschreven in het Nieuwe Testament
Christentum
/ˈxrɪstʏs/
pronoun
Christus
noun
1. een geel pigment dat uit loodchromaat bestaat en in olieverven gebruikt wordt
chromgelb
/ˌxromatisiˈtɛɪt/, /ˌɣromatisiˈtɛɪt/, /ˌχromatisiˈtɛɪt/
noun
1. de kwaliteit van een kleur zoals gedefinieerd door zijn kleurvolheid en helderheid
Farbart
noun
  1. 1. de kleurenleer
  2. 2. de kleuring van de standaardtreden van een toonladder door incidentele toonverhogingen of -verlagingen
chromatik
adjective
1. “kleuring” van standaardtreden van een toonladder door incidentele toonverhogingen of - verlagingen
chromatik
noun
Chrom
/ˌχroʊmoʊˈsoʊm/
noun
1. staafachtig lichaampje
Chromosom
noun
1. theoretisch geluidssegment dat fonemen die alleen in duur verschillen van elkaar onderscheidt
Chronem
/ˈkronis/
adjective
1. voortdurend, aanhoudend
chronisch
noun
fotografie van bewegende objecten
Chronofotografie
/xrono.lo'ɣiː/
noun
1. de wetenschap die zich bezig houdt met het rangschikken in de tijd van historische gebeurtenissen
Kronologie
noun
1. een uurwerk waarop zeer kleine tijdsdelen kunnen worden afgelezen
  1. Stoppuhr
  2. Chronometer
noun
Chrom
adjective
  1. Chromoxidgrün
  2. chromoxidgrün
/ˌxi.lo.mi.ˈkrɔn/, /ˌχi.lo.mi.ˈkrɔn/
noun
1. een grote door darmwandcellen geproduceerde lipoproteïne, waarin lipiden uit het voedsel van de darmwandcellen naar andere weefsels worden getransporteerd
Chylomikron
noun
1. groot, halfvleugelig insect, leeft in Zuid-Europa en in de tropen (Cicadidae)
Zikade
noun
1. vruchtenwijn uit gegist appelsap of perensap
  1. Apfelwein
  2. Apfelmost
  3. Apfelschaumwein
noun
Zideressig
noun
  1. waardering van een prestatie
    Note
  2. 1. een enkelvoudig symbool om een telbaar aantal aan te duiden
    1. Ziffer
    2. Zahlzeichen
noun
2. een aan onroerend goed gerelateerde jaarlijkse uitkering aan de leen- of grondheer
Grundzins
noun
  1. Zylinder
  2. Walze
  3. Rollsiegel
adjective
1. zoals een cilinder, cilindervormig, buisvormig
zylindrisch
pronoun
1. een taal die tegenwoordig gesproken wordt in de gemeente Lusern in Trentino in Italië
Zimbrisch
noun
1.
Kino
noun
1. iemand die gevangenen bewaakt en verzorgt
Gefängniswärter
noun
  1. 1. omloop voor snelheidswedstrijden
    Rennstrecke
  2. 2. elektronisch netwerk
    Stromkreis
noun
1.
Umwälzpumpe
noun
1.
Umwälzpumpe
verb
1. in omloop zijn
  1. zirkulieren
  2. kursieren
  3. umlaufen
noun
  1. 1. attractie
    Zirkus
  2. 2. chaotische toestand
    1. Zirkus
    2. Aufheben
    3. Durcheinander
/ˈsɪrkəɫ/
noun
Kreis
verb
1. in cirkels ronddraaien of rondvliegen
kreisen
/ˈsɪrkəlzax/
noun
1. motorzaag met een rond zaagblad
Kreissäge
noun
1.
Zaunammer
noun
1.
  1. Zirhose
  2. Zirrhose
/'sɪrɵs/
noun
1. een zeer hoog drijvende wolk die eruitziet als katoenvlokken, pluimen of veren, in regelmatige strepen aan de hemel verdeeld
Zirrus
noun
1. afkorting van Cis-majeur
Cis
noun
  1. 1. verhoogde toon c
    cis
  2. 2. cis-kleinetertstoonladder
    cis-Moll
  3. 3. cis-mineurgrondakkoord
    1. cis-Moll
    2. cis
abbreviation
  1. 1. het akkoord cis - f - gis
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Cis-Dur
abbreviation
  1. 1. een akkoord cis - e - gis
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Cis-Moll
abbreviation
  1. 1. het akkoord cis - f - gis
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Cis-Dur
abbreviation
1. het akkoord cis-eïs-gis
Cis-Dur-Akkord
noun
1. een majeurtoonladder met “cis” als grondtoon
Cis-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “cis” als grondtoon
Cis-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “cis” als grondtoon
Cis-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “cis” als grondtoon
Cis-Dur-Tonleiter
abbreviation
  1. 1. een akkoord cis - e - gis
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
cis-Moll
abbreviation
1. het akkoord cis-e-gis
cis-Moll-Akkord
noun
1. een mineurtoonladder met “cis” als grondtoon
cis-Moll-Tonart
noun
1. een kleinetertstoonladder met “cis” als grondtoon
cis-Moll-Tonleiter
abbreviation
  1. 1. het akkoord cis - f - gis
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Cis-Dur
abbreviation
1. het akkoord cis-eïs-gis
Cis-Dur-Akkord
noun
1. een grotetertstoonladder met “cis” als grondtoon
Cis-Dur-Tonart
noun
1. een grotetertstoonladder met "cis" als grondtoon
Cis-Dur-Tonleiter
noun
1. een grotetertstoonladder met “cis” als grondtoon
Cis-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “cis” als grondtoon
Cis-Dur-Tonleiter
abbreviation
  1. 1. een akkoord cis - e - gis
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Cis-Moll
abbreviation
1. het akkoord cis-e-gis
cis-Moll-Akkord
noun
1. een kleinetertstoonladder met “cis” als grondtoon
cis-Moll-Tonleiter
noun
1. een kleinetertstoonladder met “cis” als grondtoon
cis-Moll-Tonleiter
verb
1. heel fijne reliëfversieringen in metalen voorwerpen maken
bosseln
noun
  1. 1. tweemaal verhoogde toon “c”
    cisis
  2. 3. cisis-mineurgrondakkoord
    1. cisis
    2. cisis-Moll
  3. 2. cisis-kleinetertstoonladder
    cisis-Moll
abbreviation
1. het akkoord cisis-eïs-gisis
cisis-Moll-Akkord
noun
1. een kleinetertstoonladder met “cisis” als grondtoon
cisis-Moll-Tonleiter
abbreviation
1. het akkoord cisis-eïs-gisis
cisis-Moll-Akkord
noun
1. een kleinetertstoonladder met “cisis” als grondtoon
cisis-Moll-Tonleiter
noun
1. een kleinetertstoonladder met “cisis” als grondtoon
cisis-Moll-Tonleiter
noun
1. aanhaling, ontleende passage
Zitat
noun
1. een snaarinstrument dat voornamelijk gebruikt wordt in het Duitstalige deel van Europa
Zither
verb
1. eigen of andermans woorden ontlenen
zitieren
noun
1. ovale, gele zure vrucht van de citroenboom
Zitrone
noun
1. uit China afkomstige boomsoort waarvan de citroen de vrucht is, Citrus limon
Zitronenbaum
adjective
  1. Zitronengelb
  2. zitronengelb
noun
1. Melissa officinalis, een vaste plant die naar citroen ruikt; van de bladeren kan thee gezet worden
Zitronenmelisse
noun
2. raspsel van de schil van een citroen
Zitronenzeste
noun
1. en 2. schil van een citroen
Zitronenschale
noun
1. dagvlinder van de Pieridaefamilie
Zitronenfalter
noun
  1. Citronensäure
  2. Zitronensäure
noun
Zitrusfrucht
noun
1. Viverra, een geslacht van kleine slank gebouwde roofdieren dat ---
  1. Zibetkatze
  2. Schleichkatze
noun
Bauingenieurwesen
verb
1. beschaving bijbrengen
zivilisieren
noun
Klassifikation
/klʌstrofoˈbiː/, /klʌustrofoˈbiː/
noun
1. vrees voor afgesloten ruimten
  1. Klaustrophobie
  2. Raumangst
/klʌʊˈsylə/
noun
1. een extra bepaling in een ambtelijke brief.
Klausel
noun
Clavulansäure
adjective
kleistogam
noun
1. de leiders van een kerkgenootschap
Klerus
noun
1. te veel gebruikte uitdrukking
Klischee
adjective
1. met betrekking tot de clitoris
klitoral
noun
1. gevoelig orgaan bovenaan de schaamspleet van de vrouw dat voor de seksuele opwinding zorgt
  1. Klitoris
  2. Kitzler
noun
1. een medicijn dat onder andere de bloedvaten verwijdt en de bloeddruk verlaagt
Clonidin
/kloːn/, /klʌːun/
noun
  1. 1. komische artiest
    1. Clown
    2. Pappnase
  2. 2. bespottelijk iemand
    1. Hanswurst
    2. Flitzpiepe
    3. Pappnase
/klɵp/
noun
  1. 3. golfstok
    1. Golfschläger
    2. Klub
  2. 1. besloten gemeenschap
    1. Klub
    2. Club
  3. 2. gemakkelijke stoel
    Klubsessel
noun
    1. 1. een compacte groep van gelijksoortige objecten, verschijnselen, klanken etc
    2. 2. een dissonant akkoord van meerdere opeenvolgende tonen
    Cluster
  1. 3. een groep sterrenstelsels
    Galaxienhaufen
/kowaˈli(t)si/
noun
1. verbond van twee of meer partijen, mogendheden of staten om een gemeenschappelijk doel te bereiken
Koalition
noun
1.
Koalitionsregierung
adjective
1.
koaxial
noun
Koaxialkabel
noun
1. gevaarlijke gifslang
Kobra
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Coburg
noun
1. een drug die bereid wordt uit de bladeren van de coca die euforie en ongevoeligheid voor pijn veroorzaakt en leidt tot verslaving
Kokain
pronoun
1.
Cochem
noun
1. heel stevig apparaat dat de gesprekken in de cockpit opneemt en bewaart, ook als het vliegtuig neerstort
  1. Cockpit-Stimmenaufzeichnungsgerät
  2. Cockpit-Stimmenrekorder
noun
1. drankje bestaande uit gemixte alcoholische dranken
Cocktail
noun
Cocktail-Shaker
/'kodə/
noun
  1. Kode
  2. Code
verb
1. in een code brengen
  1. kodieren
  2. verschlüsseln
noun
1. (geneeskunde) een ongeneeslijke stofwisselingsziekte die veroorzaakt wordt door een glutenintolerantie
  1. Coeliakie
  2. Zöliakie
pronoun
  1. 1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
  2. 2. een district in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Coesfeld
/kɔχ'nat/
noun
woord van zelfde afstamming
  1. Kognat
  2. Verwandte
noun
Kognak
noun
1. eigendoms- en ontvangstbewijs waarin zeevrachtbrief en vervoersovereenkomst worden gecombineerd
Konnossement
noun
Kohärenz
noun
2. een onderlinge aantrekking van moleculen van een zelfde stof
Zusammenhalt
noun
1. ontgaste steenkool
Koks
/kɔl/, /kɔɫ/
noun
  1. 2. bergpas, bergengte vooral bekend via het wielrennen
    1. Gebirgspass
    2. Pass
  2. 1. hoge kraag van een trui
    1. Rollkragen
    2. Stehkragen
noun
2. koolzuurhoudende frisdrank
Cola
noun
Jackett
noun
1. staafvormige darmbacterie
Colibakterium
noun
2
Kollaborateur
verb
1. met de vijand samenwerken
kollaborieren
noun
Collage
/ˌkɔlɑˈɣen/
noun
1.
Kollagen
noun
Kollekte
noun
Sammelbüchse
noun
Kollektion
adverb
kollektiv
noun
1. meerdere groepen die onder één noemer worden aangesproken
Kollektiv
/kɔˈleɣa/, /kɔˈleχa/
noun
  1. 1. een persoon die voor hetzelfde bedrijf werkt
  2. 2. een vak- of ambtgenoot
Kollege
noun
  1. 1. scholengemeenschap
    Kolleg
  2. 1. de tijd waarin een docent een bepaald onderwerp uitlegt aan studenten
    Vorlesung
noun
1. een ruimte waarin les wordt gegeven aan studenten
Hörsaal
noun
1. naam voor Schotse langharige herdershond
Collie
noun
Kollimator
noun
Kolloid
noun
1,2. collusie
Kollusion
pronoun
1.
  1. Colmar
  2. Kolmar
/ko.ˈlɔm.bi.ja/
pronoun
1. een land in het noordwesten van Zuid-Amerika
Kolumbien
noun
1. een inwoner van Colombia of persoon die de Colombiaanse nationaliteit bezit
Kolumbianer
/ko'lɔnə/
noun
  1. 2. vijfde colonne: een groep mensen die zich voordoet als loyaal, maar die in dienst staat van de vijand en in het geheim ondermijnende acties uitvoert
    Fünfte Kolonne
  2. 1. rij van militairen of voertuigen in een groot aantal gelederen van kleine frontbreedte
    1. Militärkolonne
    2. Kolonne
noun
1. een kever die op de aardappelplant leeft van ongeveer 1 cm lang en met een geel...
Kartoffelkäfer
noun
1. de eerste, gelige moedermelk
Kolostrum
noun
1. koker van soepel textiel die men om de hals kan dragen
  1. Schlauchschal
  2. Schlauchtuch
/ˈkoːmaː/
noun
1. volkomen bewusteloosheid
Koma
/ˈkomaˌzœypə(n)/
verb
1. alcohol consumeren totdat men het bewustzijn verliest
Komasaufen
noun
1. militair, bestemd om aan de strijd deel te nemen
  1. Kombattant
  2. Krieger
  3. Kämpfer
noun
Kombination
noun
1. werktuig waarmee je zowel op verschillende manieren kan vastknijpen als afknippen
  1. Kombinationszange
  2. Kombizange
verb
kombinieren
/kɔnˈfɔrt/
noun
1. een toestand waarin men zonder onrust, vrees of verlegenheid is
Komfort
noun
1. een installatie voor de regeling van de temperatuur en de vochtigheidsgraad van de lucht in een ruimte
Airconditioning
verb
2. bevelen
  1. befehlen
  2. kommandieren
adjective
kommanditär
/kɔ.ˈmɑn.do/
noun
  1. 2. speciaal getrainde groep militairen voor speciale missies
  2. 1. bevel, leiding
  3. 3. opdracht om een bepaald proces uit te voeren
  4. 1. iemand uit een eenheid die extra getraind wordt voor speciale missies
Kommando
/kɔmən'tar/
noun
  1. 1. toelichting of verklaring
    Kommentar
  2. 2. kritiek
    1. Kommentar
    2. Kritik
verb
1. van commentaar voorzien
kommentieren
noun
Kommentator
noun
Kommerz
/kɔmərˈʃel/, /kɔmɛrˈsjel/
adjective
1. zakelijk
  1. kommerziell
  2. geschäftlich
noun
Kommissariat
noun
2. een hoge rang bij de politie
Kommissar
noun
1. een groep personen aan wie een bepaalde opdracht wordt gegeven of die voor een bepaald doel bijeenkomen
  1. Kommission
  2. Ausschuss
noun
1. een kast met veel laatjes op werkhoogte om een baby aan te kleden
Kommode
noun
1. onrust bij een groep mensen
  1. Aufregung
  2. Erregung
adjective
gemeenschappelijk
kommunal
noun
Kommunitarismus
noun
Kommune
noun
Kommunikant
/ˌkɔ.my.nɪ.ˈkaː.si/, /ˌkɔmyniˈkasi/, /ˌkɔmyniˈkaʦi/
noun
1. het uitwisselen van informatie
Kommunikation
noun
1.
Kommunikationsfehler
noun
Kommunikationswissenschaft
/ˌkɔmyniˈkatsiˌmɪdəɫ/
noun
2. een apparaat dat communicatie vergemakkelijkt of onder nieuwe omstandigheden mogelijk maakt
Kommunikationsmittel
verb
2. met elkaar in contact komen
kommunizieren
/kɔ.ˈmy.ni/, /kɔ.ˈmyː.nɪə̯/
noun
1. de gemeenschap met lichaam en bloed van Jezus Christus in de vorm van brood en wijn
Kommunion
noun
1.
Kommunionsfeier
noun
Kommuniqué
/kɔmyˈnɪsmə/
noun
1. ideologie die gericht is op gemeenschappelijk bezit van productiemiddelen en verbruiksgoederen
Kommunismus
noun
Kommunist
noun
Kommunitarismus
pronoun
1. Bantoetaal gesproken op de Comoren, Madagaskar, Mayotte en Réunion
Komorisch
/ko.ˈmoː.rə(n)/, /ko.ˈmo̝ː.rə(n)/
pronoun
2. staat gevestigd op de gelijknamige eilanden
Komoren
adjective
1. ruimte beperkende uitvoering, gedrongen
Kompakt
noun
2. vennootschap
Kompanie
noun
1. iemand die voor een notaris verschijnt om een akte op te maken
Erschienene
verb
2. voor rechter of notaris verschijnen
erscheinen
adjective
1. op elkaar aansluitend, met elkaar in overeenstemming te brengen
kompatibel
//
noun
1. verenigbaarbeid van elektronische apparaten, softwareprogramma's, enz
Verträglichkeit
noun
1. iets wat minder is uitvallen, weer goed (proberen te) maken (met een extra toegift)
  1. Kompensation
  2. Abfindung
verb
1. iets goed (proberen te) maken, terug in balans brengen
kompensieren
adjective
1. bevoegd; bekwaam
kompetent
noun
1. een ontwikkelbaar vermogen van mensen waarmee ze in voorkomende situaties adequaat, gemotiveerd, proces- en resultaatgericht kunnen handelen
Kompetenz
noun
1. wedijver, concurrentie
  1. Wettbewerb
  2. Konkurrenz
noun
1. (informatica) computerprogramma dat een in een brontaal geschreven programma (broncode) vertaalt in een semantisch equivalent programma in een doeltaal (objectcode) (en meestal tegelijk met andere programma´s 'linkt')
Compiler
adjective
1. volledig, voltallig
  1. vollständig
  2. völlig
  3. voll
adjective
1. aanvullend
komplementär
noun
Komplementarität
/kɔmplɛks/
adjective
1. ingewikkeld
komplex
noun
1. de mate waarin iets complex is
Komplexität
noun
1. de studie van de complexiteit en mate van oplosbaarheid van wiskundige vraagstukken binnen het kader van...
Komplexitätstheorie
noun
1.
mittäter
verb
1.(nodeloos) ingewikkeld maken
komplizieren
noun
1. een lovende of vleiende opmerking
Kompliment
noun
1. iemand die muziekstukken schrijft
Komponist
noun
een samengesteld materiaal dat is opgebouwd uit verschillende componenten
Verbundwerkstoff
noun
  1. 1. een muziekstuk, werkstuk van een componist
    Komposition
  2. 2. samenstelling
    Zusammensetzung
noun
1. is het residu dat ontstaat na ontbinding van organisch materiaal (d.w.z. van plantaardige of dierlijke oorsprong)
Kompost
verb
1. tot compost verwerken
kompostieren
noun
Kompressibilität
noun
1. samendrukking
Kompression
noun
Kompresor
verb
1. samenpersen, compact maken
komprimieren
/kɔmproˈmi/
noun
1. overeenkomst waarbij de betrokken partijen concessies doen...
Kompromiss
/kɔm.ˈpju.tər/, /kɔm.ˈpɪ̯uː.tər/
noun
1. informatieverwerkende machine
  1. Computer
  2. Rechner
noun
1. ongeoorloofd gebruik van computer(gegevens)
Computerkriminalität
/kɔmˈpjutərə(n)/
verb
1. gebruikmaken van de computer
  1. am Computer arbeiten
  2. am Computer sitzen
  3. den Computer nutzen
noun
1. een spel dat via of met de computer gespeeld wordt
Computerspiel
noun
1. de taal waarin computerprogramma's worden geschreven, de programmeertaal.
Computersprache
noun
1.
Computervirus
noun
Informatik
noun
Konzentration
noun
1. afgesloten terrein met barakken waar machthebbers bepaalde groepen mensen zonder rechtsgang onder dwang van de samenleving afgezonderd houden
Konzentrationslager
verb
  1. 1. op één plek samenbrengen
    1. konzentrieren
    2. zusammenziehen
  2. 2. zich ~ op één zaak toespitsen
    sich konzentrieren
noun
1. een ontwerp, een project
Konzept
noun
1. bevruchting
Konzeption
noun
1. een muziekuitvoering door een orkest etc.
Konzert
noun
1. concertmeester
Konzertmeister
adjective
konziliar
noun
Konzil
/kɔn.si.ˈjɛr.ʒə/, /kɔn.ˈʒɛr.ʒə/
noun
1. een huisbewaarder, een toezichter in een gebouw
Hausmeister
noun
1. een besloten kerkvergadering van kardinalen waarbij een paus gekozen wordt
Konklave
/ˌkɔŋklyˈderən/
verb
2. (overgankelijk) tot een besluit komen
  1. schlussfolgern
  2. folgern
/kɔŋˈklyzi/
noun
Schlussfolgerung
/kɔnˈkret/
adjective
2. in realiteit bestaand
konkret
verb
1. een gegeven) concreet maken
konkretisieren
noun
1.vrouw met wie een man in ongehuwde staat...
Konkubine
adjective
1. gelijkgerechtigd, noch zekerheid noch voorrang hebbend
kurrent
noun
1. mededinger, wedijveraar
Konkurrent
noun
1.
Konkurrenz
/kɔndɛn'zasi/
noun
  1. Kondensierung
  2. Kondensation
noun
1. elektrische component
Kondensator
noun
elektrische Kapazität
verb
1. overgaan van gasvormige naar vloeibare toestand
kondensieren
noun
  1. 2. voorwaarde
    1. Bedingung
    2. Kondition
  2. 1. gezondheidstoestand
    Verfassung
verb
1. betuiging tonen van rouwbeklag
kondolieren
noun
  1. Kondom
  2. Präservativ
noun
1. benaming voor sommige roofvogels uit de Amerikaanse tak (Cathartidae) van de gierenfamilie
Kondor
noun
elektrischer Leitwert
noun
1. een medewerker van de spoorwegen die reizigers op vervoersbewijzen controleert en de orde in de trein of tram dient te bewaren
Schaffner
noun
1.
  1. Konfektion
  2. Anfertigung
noun
Konferenz
noun
1. felgekleurde papiersnippers
Konfetti
noun
1. samenstel van figuren
Konfiguration
verb
1. van staatswege in beslag nemen
konfiszieren
noun
Konflikt
noun
Konformität
noun
Konfrontation
verb
1.iemand laten zien wat diegene heeft gedaan
konfrontieren
noun
Kongenialität
/kɔŋˈɣrɛs/, /kɔŋˈχrɛs/
noun
1. een grote vergadering van deskundigen op een bepaald vakgebied
Kongress
adjective
kongruent
noun
Konjunktion
/ˈkɔn.jʏŋk.tif/
noun
1. aanvoegende wijs
Konjunktiv
noun
1. een werkloosheid die veroorzaakt wordt door vermindering van de bestedingen
konjunkturelle Arbeitslosigkeit
noun
1.een ontsteking van het bindvlies dat de buitenkant van het oogwit en de binnenkant van de oogleden bekleedt
Konjunktivitis
noun
Konnektor
noun
1. de bijklank of gevoelswaarde van een woord of woordgroep, die tot op zekere hoogte losstaat van de letterlijke betekenis
Konnotation
adjective
1. grondig, zorgvuldig, nauwgezet
gewissenhaft
/kɔnˈsɛnzʏs/
noun
  1. Konsens
  2. Einvernehmen
noun
1. een noodzakelijk gevolg
Konsequenz
/kɔnsɛrvaˈtif/
adjective
1. vasthoudend aan het oude en vertrouwde
  1. konservativ
  2. Konservativer
noun
1. een school in het hoger onderwijs waar men zich kan laten opleiden tot professioneel musicus, acteur/actrice of danser(es)
Konservatorium
noun
2. ingeblikt voedsel ter bewaring tegen bederf
Konserve
noun
Konservendose
verb
1.
konservieren
verb
konsignieren
/kɔnsɪstɔˈri/
noun
1. een vergadering van de paus met het college van kardinalen
Konsistorium
verb
1. vast en duurzaam maken
konsolidieren
noun
Konsonanz
adjective
1. Altijd onveranderlijk
  1. beständig
  2. konstant
noun
Konstantan
pronoun
Konstantinopel
/kɔnsta'terə(n)/
verb
1. vaststellen
  1. feststellen
  2. konstatieren
noun
1. een situatie waarin men zich geen raad meer weet
  1. Bestürzung
  2. Fassungslosigkeit
noun
1. een ontwerper van constructies
Konstrukteur
noun
  1. 1. Romeins overheidspersoon
  2. 1. vertegenwoordiger
Konsul
noun
1.
Konsulat
noun
1. een deskundige raadgever
Berater
noun
1. een deskundige raadgever
Beraterin
noun
1. een adviesgesprek met een arts of rechtsgeleerde
Konsultation
adjective
konsultativ
verb
1. raadplegen, advies vragen
konsultieren
/kɔnzyˈmɛnt/, /kɔnsyˈmɛnt/
noun
1. algemene term voor personen, huishoudens die goederen en diensten verbruiken ...
Konsument
noun
1.
  1. Konsumentengruppe
  2. Verbrauchergruppe
adjective
konsumtiv
/kɔn.ˈtɑk/, /kɔn.ˈtɑkt/
noun
  1. 1. een toestand waarbij twee voorwerpen elkaar raken
  2. 2. onderlinge communicatie
  3. 3. een contactpersoon
  4. 4. een verbinding van twee elektrische geleidingen
  5. 5. een elektrische schakelaar
  6. 6. de grens tussen stollings- en nevengesteente
Kontakt
noun
Steckdose
verb
1. contact opnemen met
kontaktieren
noun
1. een zeer kleine glazen of kunststof lens die men direct op de oogbol plaatst ter vervanging van een bril
Kontaktlinse
noun
Kontaktperson
noun
Container
noun
1. (België) plaats waar afval gesorteerd in containers gestort kan worden
Recyclinghof
noun
Containerschiff
noun
1. verontreiniging of besmetting met chemische stof of bacterie
  1. Kontamination
  2. Verschmutzung
adjective
1.
Barzahlung
/ˈkɔntɛkst/
noun
1. verband waarin iets zich voordoet
  1. Kontext
  2. Zusammenhang
noun
Kontiguïtät
noun
1. een werelddeel
  1. Kontinent
  2. Erdteil
adverb
  1. kontinuierlich
  2. andauernd
  3. durchgehend
  4. laufend
  5. permanent
  6. ständig
/ˌkɔntinyˈweːrə(n)/
verb
1. voortzetten
  1. fortsetzen
  2. weiterhin
noun
1. continuo
  1. Generalbass
  2. basso continuo
noun
Kontinuität
noun
1.
  1. contour
  2. isolinie
noun
1. een aanval tegen een aanval
  1. Gegenangriff
  2. Gegenschlag
noun
1. het laagstklinkende muziekinstrument van de strijkinstrumenten
Kontrabass
noun
1. contrabassaxofoon
Kontrabasssaxophon
/kɔnˈtrɑkt/
noun
1. een schriftelijk vastgelegde overeenkomst
  1. Vertrag
  2. Kontrakt
verb
1. een contract sluiten
kontrahieren
noun
1. vrijheid van rechtssubjecten om inhoud, werking en vorm van een overeenkomst te bepalen
Vertragsfreiheit
noun
1. vrijheid van rechtssubjecten om inhoud, werking en vorm van een overeenkomst te bepalen
Vertragsfreiheit
noun
1. een tegenstrijdigheid in de woorden, een innerlijke tegenspraak
innere Widerspruch
noun
1. een tegenstrijdigheid in de woorden, een innerlijke tegenspraak
innere Widerspruch
noun
1. toonhoogtereeks “C₁ tot en met B₁”
Kontraoktave
adjective
kontraproduktiv
noun
1. leer der meerstemmigheid
Kontrapunkt
noun
1. opvallende tegenstelling
  1. Kontrast
  2. Gegensatz
verb
1. een tegenstelling vormen
kontrastieren
noun
Beitrag
noun
Kontrolle
verb
1. inspecteren, toezicht houden, onderzoeken, nazien
  1. kontrollieren
  2. überprüfen
  3. besichtigen
noun
1. iemand die belast is met de controle
Krontolleur
noun
1. een overeenkomst
Absichtserklärung
noun
Konventionalität
/ˌkɔnvɛrˈɣɛnt/
adjective
1. in één punt samenkomend
konvergent
/kɔn.vɛr.ˈsa.tsi/
noun
  1. Gespräch
  2. Konversation
verb
1. een gesprek voeren
konversieren
adjective
1. bolrond, met een gebogen oppervlak
konvex
adjective
1.
geil
noun
1. scheikundig element met symbool Cn en atoomnummer 112
Copernicium
adjective
1. rijkelijk, overvloedig
  1. reichlich
  2. üppig
noun
1. een gezamenlijke productie
Koproduktion
verb
1. geslachtsgemeenschap hebben
kopulieren
pronoun
2. spelwoord voor de letter c
Cäsar
/ˈkɔrnis/, /ˈkɔrnɪs/
pronoun
1. een Keltische taal die gesproken wordt in Cornwall
Kornisch
adjective
1.
kornischsprachig
pronoun
1. schiereiland in het zuidwesten van Engeland
  1. Cornwall
  2. Kornwall
noun
1. een crisis rondom de uitbraak van een coronavirus
Koronakrise
noun
instrument dat gebruikt wordt voor het waarnemen van verschijnselen in de ijle atmosfeer rond de zon
Koronograf
noun
1. een epidemie van een coronavirus op wereldwijde schaal
Coronapandemie
adjective
korporatif
adjective
1. lichamelijk
körperlich
adjective
korpuskular
adjective
korrektionell
noun
Korrespondenz
/ˌkɔriˈʒeːrə(n)/, /ˌkɔriˈʒɪːrə(n)/
verb
1. iets van fouten ontdoen
korrigieren
noun
1. roest, een langzame verbinding met zuurstof
Korrosion
adjective
1. met behulp van geschenken, geld e.d. over te halen om zijn plicht, partij, of overtuiging te verzaken
korrupt
noun
1. bedrog vanwege oneerlijkheid
Korruption
/'kɔrsɪkɑ/
pronoun
1. Frans eiland
Korsika
pronoun
1. een taal die op Corsica gesproken wordt
  1. Korsisch
  2. korsisch
noun
1. bijnierschorshormoon
Corticosteroide
/ˌkɔs.ta.ˈri.ka/
pronoun
1. een staat in Midden-Amerika, tussen Panama en Nicaragua
  1. Costa Rica
  2. Kostarika
pronoun
1.
Cottbus
noun
Coulomb
/kup/
noun
1. staatsgreep
  1. Coup
  2. Putsch
  3. Staatsstreich
adjective
1. wat gebruikelijk is
gängig
noun
1. massamedium
  1. Zeitung
  2. Tageszeitung
noun
1. wielrenner, motor- of autoracer
Rennfahrer
noun
1. Cucurbita pepo, een groente uit de komkommerfamilie
Zucchini
noun
  1. Couscous
  2. Kuskus
noun
1. modeontwerper,ontwerper en maker van modieuze kledij
  1. Schneider
  2. Schneiderin
noun
1. een medisch apparaat waarin zieke of te vroeg geboren baby's in een gecontroleerde omgeving geobserveerd en verpleegd kunnen worden
  1. Brutkasten
  2. Inkubator
noun
1. iemand die tijdens de coronapandemie de maatregelen tegen de verspreiding...
  1. Covidiot
  2. Covidiotin
noun
1. veedrijver/veehoeder
Cowboy
noun
1. bepaald soort zoogdier, Canis latrans
  1. Kojote
  2. Präriewolf
noun
1. een constante factor van een onbekende of van een veranderlijke grootheid
Koeffizient
verb
1. samenvallen in ruimte of tijd
  1. zusammenfallen
  2. kollidieren
  3. überlappen
noun
1. seks waarbij de man met zijn penis het lichaam van de partner binnengaat
Koitus
noun
2. op samenwerking gegronde vereniging of bedrijf
Genossenschaft
adjective
op samenwerking gebaseerd
kooperativ
noun
1. iemand die zorgt dat de dingen in hun samenhang geregeld worden
Koordinator
verb
1. zo organiseren dat alles en iedereen goed kan samenwerken
koordinieren
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Crailsheim
noun
1. bepaald soort struik en 2. vrucht daarvan, Vaccinium macrocarpon
  1. Moosbeere
  2. Cranberry
  3. Großfrüchtige Moosbeere
adjective
1. met betrekking tot de schedel
kranial
noun
  1. 1. ernstig verkeersongeluk
    Crash
  2. 2. ineenstorting van de aandelenmarkt
    1. Crash
    2. Krach
verb
1. zwemmen met de crawlslag
kraulen
noun
1. een schepping, iets totaal nieuw
  1. Kreation
  2. Schöpfung
/krejaˈtif/
adjective
1. scheppend vermogen bezittend, met een scheppende geest
kreativ
noun
Kreationismus
noun
1. gedrevenheid of vaardigheid om iets oorspronkelijks te maken
Kreativität
noun
1. schepsel; iets dat gemaakt is
Geschöpf
noun
Kreditkarte
verb
1. als tegoed boeken
creditieren
noun
1. iemand aan wie iemand iets (meestal geld) verschuldigd is
Gläubiger
noun
  1. 1. religie
  2. 2. geloof of overtuiging
  3. 3. motto
Kredo
noun
Cree
noun
1. de lijkverbranding, de verassing
Einäscherung
noun
1. centrum voor lijkverbranding
Krematorium
verb
einäschern
noun
1. stam van oerbacteriën, Crenarchaeota
Crenarchaeota
noun
1. iemand die zich bezighoudt met de studie van pidgin- en creooltalen
Kreolist
noun
1. de wetenschap die pidgin- en creooltalen bestudeert.
Kreolistik
noun
1. in Latijns-Amerika geboren nazaten van een samensmelting van Afrikaanse slaven...)
Kreole
adjective
1.
Kreole
noun
1. een taal die is ontstaan doordat bevolkingsgroepen die twee verschillende talen spraken met elkaar in contact kwamen en een nieuwe taal ontwikkelden
Kreolsprache
verb
(dysfemisch) doodgaan, omkomen
krepieren
/kreˈjeːrə(n)/
verb
1. iets nieuws maken, iets scheppen
kreieren
verb
1. in de criminele sfeer plaatsen
kriminalisieren
noun
1. de misdadigheid, het begaan van misdaden
Kriminalität
adjective
1. met betrekking tot misdaad
kriminell
noun
1. iemand door zich onderhoudt door de wet te breken
Kriminelle
noun
1. sociologie van misdaad en misdadigheid
Kriminologie
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Saksen
Crimmitschau
noun
  1. 1. een zware noodsituatie waarbij het functioneren van een stelsel ernstig verstoord raakt
    Krise
  2. economische crisis
    Wirtschaftskrise
/kriˈterijʏm/
noun
1. toets, een doorslag gevende reden
Kriterium
/krʋɑˈsɑ̃/
noun
1. halvemaanvormig broodje
  1. Croissant
  2. Hörnchen
noun
Crompouce
adjective
1. beslissend, doorslaggevend
entscheidend
noun
1. vakantie op een varend schip met uitgebreide voorzieningen voor de passagiers
Kreuzfahrt
noun
1. een passagierschip dat gebouwd en uitgerust wordt om er cruises mee te maken.
Kreuzfahrtschiff
noun
1. een uitvaart waarbij het lijk tot stof wordt verpulverd door toepassing van vriesdrogen
Promession
noun
1. et behandelen van aangedaan weefsel door gebruik te maken van extreem lage temperaturen
Kryotherapie
noun
Kryptoanalyse
noun
Kryptoanalyse
noun
Kryptogramm
noun
1. een oppascentrum voor kinderen
  1. Kindertagesstätte
  2. Kinderkrippe
adjective
  1. Cremeweiß
  2. cremeweiß
noun
1.
Krepppapier
noun
1. CT
CT
noun
1. CT-scan
CT-scan
/ˈky.ba/
pronoun
eiland en land in het Caribisch gebied
Kuba
adjective
  1. 1. met betrekking tot de kookkunst
    kulinarisch
  2. culinair op zijn best
    leckersten
noun
1. film die populair is bij een kleine maar betrokken groep fans
Kultfilm
verb
1. in cultuur brengen
kultivieren
/kʏltyˈrel/
adjective
1.met betrekking tot cultuur
kulturell
/kɵl'tyːr/
noun
1. het patroon van menselijke activiteit en de symbolische structuren,...
Kultur
noun
1. taal die de standaardtaal is in een gebied waar ook dialecten worden gesproken
Kultursprache
noun
Kulturvolk
noun
1. een welriekende organische verbinding
Cumarin
noun
Kumulonimbus
noun
1. belangenbehartiging van meerderjarige
  1. Kuratel
  2. Pflegschaft
noun
Kurator
/ky.ra.ˈsʌʊ̯/, /kyː.ra.ˈzaʊ̯/
pronoun
1. een eiland en 2. een land
Curaçao
noun
2. gele voedselkleurstof
  1. Kurkumin
  2. Kurkumaextrakt
noun
1. scherpe lepel, gebruikt om de binnenwand van de baarmoeder af te schrapen
Kürette
noun
1. het bestuursorgaan van de Heilige Stoel ten behoeve van de gehele Rooms-katholieke Kerk
Kurie
noun
1.iets merkwaardigs
  1. Kuriosität
  2. Kuriosum
noun
Curium
noun
1. een precisiesport die lijkt op bowls, jeu de boules en bocce, die op ijs gespeeld wordt gespeeld met zware stenen in plaats van metalen (of plastic) ballen
Curling
adjective
1.
kursiv
/ˈkʏrsʏs/
noun
Kurs
noun
Kurve
noun
1. soort Engelse vla, gebonden door eidooiers of ook door eieren (oeufs au Karamel)...
Eiercreme
pronoun
1. en 2.
Cuxhaven
noun
3. cyanogeen
  1. Cyan
  2. Zyan
  3. Dicyan
/siˈanobɑkˌtɪ:riə(n)/
noun
1. benaming voor de groep Cyanobacteria
Cyanobakterien
noun
Cyberangriffe
noun
Internetcafé
noun
1. wetenschap van de besturing van systemen
Kybernetik
/ˈsiklis/
adjective
1. regelmatig terugkerend
zyklisch
noun
1. een kankerremmende stof
Cyclophosphamid
noun
een cycloalkaan
Cyclohexan
noun
2.
Wirbelwind
noun
Zyklop
noun
1. terugkerende, regelmatige reeks
Zyklus
noun
1. inwoner van Cyprus
Zyprer
adjective
1. op Cyprus betrekking hebbend
zyprisch
adjective
1. op Cyprus betrekking hebbend
zyprisch
/ˈki.prʏs/, /ˈsi.prʏs/
pronoun
land in de Middellandse Zee, tussen Europa en Azië, officieel de Republiek Cyprus, eiland in de Middellandse Zee
Zypern
/sɪˈrɪlɪs/
adjective
1. betrekking hebbend op een alfabet
  1. kyrillisch
  2. Kyrillisch
/ˈkɪstə/
noun
1. holte gevuld met vocht
Zyste
noun
2. afkorting voor de toonsoort
D
noun
  1. 1. de toonnaam
  2. 2. afkorting van “d-mineur”
d
abbreviation
  1. 1. het akkoord d - fis - a
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
D-Dur
abbreviation
  1. 1. een akkoord d - f - a
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
d-Moll
/dər/
personalPronoun
  1. 2. clitische vorm van haar, datief van zij, derde persoon enkelvoud
    ihr
  2. 1. clitische vorm van haar, accusatief van zij, derde persoon enkelvoud
    sie
/dər/
possessivePronoun
1. clitische vorm van haar, bezit aanduidend door een 3e persoon vrouwelijk enkelvoud
ihr
/de'ɣrot/
abbreviation
  1. 1. het akkoord d - fis - a
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
D-Dur
abbreviation
1. het akkoord d-fis-a
D-Dur-Akkord
noun
1. een majeurtoonladder met “d” als grondtoon
D-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met d als grondtoon
D-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “d” als grondtoon
D-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “d” als grondtoon
D-Dur-Tonleiter
abbreviation
  1. 1. een akkoord d - f - a
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
d-Moll
abbreviation
1. het akkoord d-f-a
d-Moll-Akkord
noun
1. een mineurtoonladder met “d” als grondtoon
d-Moll-Tonart
noun
1. een kleinetertstoonladder met d als grondtoon
d-Moll-Tonleiter
noun
1. een mineurtoonladder met “d” als grondtoon
d-Moll-Tonleiter
/de'ɣrot/
abbreviation
  1. 1. het akkoord d - fis - a
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
D-Dur
abbreviation
1. het akkoord d-fis-a
D-Dur-Akkord
noun
1. een grotetertstoonladder met “d” als grondtoon
D-Dur-Tonart
noun
1. een grotetertstoonladder met "d" als grondtoon
D-Dur-Tonleiter
noun
1. een grotetertstoonladder met "d" als grondtoon
D-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “d” als grondtoon
D-Dur-Tonleiter
abbreviation
  1. 1. een akkoord d - f - a
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
d-Moll
abbreviation
1. het akkoord d-f-a
d-Moll-Akkord
noun
1. een kleinetertstoonladder met “d” als grondtoon
d-Moll-Tonart
noun
1. een kleinetertstoonladder met d als grondtoon
d-Moll-Tonleiter
noun
1. een kleinetertstoonladder met “d” als grondtoon
d-Moll-Tonleiter
noun
1. een grotetertstoonladder met d als grondtoon
D-Dur-Tonleiter
/daːt/
noun
1. bewust gepleegde handeling
Tat
adjective
1. ook echt plaats vindend
  1. tatsächlich
  2. wirklich
/daːr/
adverb
1. op die plaats
  1. dort
  2. da
/daːr/
conjunction
1. omdat
  1. weil
  2. da
/dar.ˈχɪn(t)s/, /ˈdar.ɣɪn(t)s/
adverb
1. op een plaats in de verte
  1. dort
  2. drüben
adverbialPronoun
darin
adverbialPronoun
1. met dat, met die
damit
adverbialPronoun
1. met die reden
daher
noun
Bremse
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Dachau
/daˈsit/
noun
1. vulkanisch stollingsgesteente.
Dazit
noun
Dadaismus
noun
1. zoete bruine vrucht van de dadelpalm
Dattel
adverb
  1. 1. spoedig
    1. bald
    2. gleich
    3. sogleich
  2. 2. als je niet oppast, als je zo doorgaat
    gleich
noun
1. palm waaraan dadels groeien
Dattelpalme
noun
1. iemand die iets (slechts) gedaan heeft
Täter
/dɑx/, /dɑχ/
interjection
  1. 1. ontmoetingsgroet
    Tag
  2. 2. afscheidsgroet
    tschüss
/dɑx/, /dɑχ/
noun
  1. 1. tijd waarin een hemellichaam volledig om zijn as draait
  2. 2. tijd tussen zonsop- en zonsondergang
Tag
/ˌdɑɣɛˈnɑxtevəˌnɪŋ/, /ˌdɑɣɛˈnɑɣevəˌnɪŋ/, /ˌdɑχɛˈnɑχtevəˌnɪŋ/
noun
1. een dag waarop de dag en de nacht even lang duren
Tagundnachtgleiche
noun
1. klassiek massamedium, gedrukt op papier en gericht op het verspreiden van nieuws
  1. Tageszeitung
  2. Zeitung
noun
Tagebuch
noun
1. gedeelte van de dag
Tagesabschnitt
adverb
1. iedere dag
  1. täglich
  2. Tag
/ˈdaɣə(n)/, /ˈdaχə(n)/
verb
  1. 1. dag worden
    1. dämmern
    2. tagen
  2. 3. beginnen te beseffen, beginnen bewust te worden
    klar werden
  3. 2. dagvaarden: de opdracht geven op een bepaalde dag voor het hof te verschijnen
    vorladen
adjective
1. meerdere dagen durend
tagelang
noun
1. het aanbreken van de nieuwe dag, de tijd net voor zonopkomst
  1. Morgengrauen
  2. Morgendämmerung
/'dɑxlɪxt/
noun
1. licht van de zon
Tageslicht
noun
1. een reglementair teken dat op vaartuigen in bepaalde situaties bij daglicht moet worden getoond
Signalkörper
noun
1. bepaalde soort dagvlinder, Aglais io
Tagpfauenauge
verb
1. voor een rechtszitting oproepen
vorladen
noun
1. een oproep om voor een rechtbank te verschijnen
Vorladung
adjective
  1. Dahliengelb
  2. dahliengelb
noun
1. deel dat een gebouw aan de bovenkant bedekt en bescherming biedt tegen het weer
Dach
noun
1. een langgerekte bakvormige of halfronde constructie voor het afvoeren van (regen)water dat van het dak komt
  1. Dachrinne
  2. Regenrinne
noun
2. accentteken ^ dat vooral uit het Frans bekend is
  1. Accent circonflexe
  2. Zirkumflex
noun
1. iemand die op de straat leeft, zonder vaste verblijfplaats
  1. Obdachloser
  2. Obdachlose
noun
1. elkaar overlappende stenen of betonnen elementen waarmee een schuin dak lekdicht gedekt wordt
  1. Dachziegel
  2. Dachstein
noun
1. taal die sterk lijkt op een andere taal die wordt gesproken binnen hetzelfde gebied maar door een kleiner deel van de bevolking.
Dachsprache
/dɑl/
noun
1. een laagte in een heuvel- of bergstreek
Tal
verb
1. naar beneden gaan
  1. sinken
  2. heruntergehen
  3. zurückgehen
noun
1. het dalen, het lager worden
  1. Rückgang
  2. Abnahme
  3. Verringerung
noun
Dalmatiner
noun
1. (bij het damspel) twee gestapelde schijven
Dame
noun
1. een inwoner van Damascus
Damaszener
adjective
1. op Damascus betrekking hebbend
damaszener
noun
1. een inwoonster van Damascus
Damaszenerin
adjective
1. op Damascus betrekking hebbend
damaszener
noun
1. een inwoner van Damascus
Damaszener
/daːmə/
noun
  1. 3. koningin in het schaakspel
  2. 1. beschaafde vrouw
Dame
noun
Damentoilette
noun
1. Dama dama, behoort tot de familie Cervidae, hert met een breed plat gewei...
Damhirsch
verb
1. het damspel spelen
Dame spielen
/dɑmp/
noun
1. de gasvormige toestand van een stof, de toestand die ontstaan is door verdamping
Dampf
noun
1. het geleiden van damp of uitwaseming van warme geneesmiddelen naar een ziekelijk deel des lichaams voor inhalatie, huidreiniging
Inhalation
verb
1. damp, geur produceren
dampfen
noun
2. huishoudelijk apparaat in de keuken dat de kookluchtjes moet afvoeren
Dunstabzugshaube
noun
  1. 1. een deken van gassen die zich vormt rond een planeet of maan als...
    Atmosphäre
  2. 2. de dampkring van de aarde
    Erdatmosphäre
noun
1. een bordspel gespeeld op een bord met honderd vlakken met stenen die alleen diagonaal verzet kunnen worden
Damespiel
noun
1. de damwand
Spundwand
noun
1. een, speciaal geprofileerde, ijzeren plank waarmee damwanden worden samengesteld
Spundwandelement
adverb
  1. 1. als ... dan
    wenn ... dann
  2. 1. behalve
    außer
conjunction
1. na een vergrotende trap van een bijvoeglijk naamwoord of van een bijwoord.
als
conjunction
  1. beziehungsweise
  2. oder
pronoun
3. jongensnaam
Daniel
interjection
1. uitdrukking van dankbaarheid
  1. danke
  2. vielen Dank
  3. dankeschön
  4. ich danke dir
adjective
1. erkentelijk voor ontvangen hulp
dankbar
noun
1. het dankbaar zijn
Dankbarkeit
noun
1. een gezongen dankbetuiging
Danklied
noun
1. een dankbetuiging
Dankeschön
preposition
1. door de positieve werking van
dank
noun
1. een verzameling sierlijke bewegingen, meestal op basis van een muzikaal ritme
Tanz
verb
1. ritmisch bewegen
  1. tanzen
  2. danse
noun
1. mannelijk persoon die danst
Tänzer
/dɑnsə'rɛs/
noun
1. een vrouwelijk persoon die danst
Tänzerin
noun
1. iemand die op een dansschool dansles geeft
Tanzlehrer
noun
1. meisje dat in uniform marcheert tijdens de carnavalsfeesten
  1. Funkemariechen
  2. Funkenmariechen
  3. Regimentstochter
  4. Tanzmariechen
pronoun
Danzig
/ˈdɑpər/
adjective
geen angst voor gevaar tonend
  1. tapfer
  2. mutig
noun
1. mannelijke bij
  1. Drohne
  2. Drohn
/dɑrm/
noun
1. onderdeel van het spijsverteringsstelsel tussen de maag en de anus
Darm
noun
1. de micro-organismen in het maag-darmkanaal
Darmflora
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Hessen
Darmstadt
noun
Darmstadtium
noun
1. evolutieleer die het ontstaan van de soorten verklaart door natuurlijke selectie uit varianten die bij reproductie optreden
Darwinismus
/dɑs/
noun
  1. 1. bepaald soort zoogdier, Meles meles
    Dachs
  2. 1. lange, smalle reep stof die onder de kraag van het overhemd wordt vastgeknoopt
    1. Krawatte
    2. Schlips
  3. 2. een langwerpige en brede lap stof om de hals
    Schal
noun
1. paneel met instrumenten waarmee een voertuig of installatie kan worden bestuurd of bediend
Armaturenbrett
noun
Dackel
/ˈdɑs.lok/
noun
1. sterk riekende, eetbare plant uit de lookfamilie
  1. Bärlauch
  2. Rams
conjunction
1. een voegwoord dat een lijdend-voorwerpszin inluidt
  1. dass
  2. daß
demonstrativePronoun
1. wijst iets aan dat zich in een afstand van de spreker bevindt
das
noun
Datenbank
noun
1. een plaats waar informatie over bepaalde onderwerpen in digitale vorm verzameld,...
Datenbank
verb
1. de datum van ontstaan bepalen
datieren
noun
de derde van de acht naamvallen van de Indo-Europese talen
Dativ
noun
1. Russisch buitenverblijf
  1. Datsche
  2. Datscha
noun
1. een tijdsaanduiding die bestaat uit een dag(nummer), een maand en een jaar
Datum
noun
Tau
noun
Taupunkt
verb
  1. durchschlagend
  2. schallend
  3. überwältigend
pronoun
1. een gemeente in de Zwitser kanton Graubünden
Davos
article
1. (de) wordt gebruikt voor mannelijke en vrouwelijke zelfstandige naamwoorden in het enkelvoud en altijd voor het meervoud, waarbij het een specifieke persoon of ding aanduidt in plaats van het algemene geval
  1. der
  2. das
  3. die
phraseologicalUnit
1. wanneer iemand met verachting van datgene spreekt, wat hij graag zou willen hebben, maar niet kan krijgen
die Trauben sind ihm zu sauer
phraseologicalUnit
1. het opgeven
das Handtuch werfen
/də ˌɦœy̯t ˈnit fɛrˈkoː.pə(n) ˌvoːr də ˈbeːr ɣəˈsxoː.tə(n) ˌɪs/
phraseologicalUnit
Man soll das Fell des Bären nicht verteilen, bevor er erlegt ist.
/dəˌkɑdəˈbɛlamˌbɪndə(n)/
verb
1. als eerste iets moeilijks doen dat nodig is om een resultaat te bereiken
  1. der Katze die Schelle anhängen
  2. der Katze die Schelle umhängen
verb
1. een lastige kwestie voortvarend en vastberaden aanpakken
  1. den Stier bei den Hörnern packen
  2. den Stier bei den Hörnern fassen
phraseologicalUnit
1. mensen zijn de belangrijkste vijanden van mensen
der Mensch ist dem Menschen ein Mensch
verb
2. overlijden, doodgaan, sterven
den Löffel abgeben
phraseologicalUnit
1. iets lijkt in het begin altijd erger dan het is
es wird nichts so heiß gegessen, wie es gekocht wird
verb
1. iets heel treffend verwoorden
  1. den Nagel auf den Kopf treffen
  2. den Keil auf den Kopf schlagen
interjection
1. er is een onomkeerbare stap gezet
  1. der Würfel ist gefallen
  2. die Würfel sind gefallen
noun
  1. 2. Drugshandelaar
    Dealer
  2. 1. Verkoper
    Händler
noun
Debatte
/deˈbil/
adjective
  1. bespottelijk, ridicuul
  2. in lichte mate zwakzinnig
debil
/deˈbil/
noun
  1. 1. iemand die min of meer zwakzinnig is
  2. 2. bespottelijk iemand, halve gare, idioot
Schwachsinniger
verb
1. als vordering boeken
debitieren
noun
Schuldner
noun
1. een mannelijk persoon die voor de eerste maal in het openbaar optreedt, speelt of publiceert
Debütant
noun
1. een vrouwelijk persoon die voor de eerste maal in het openbaar optreedt, speelt of publiceert
Debütantin
verb
1. voor de eerste keer doen
debütieren
noun
  1. 2. hoofd van een faculteit
    Dekan
  2. 1. C10H22
    1. Dekan
    2. Decan
noun
1. verwildering van zeden
Dekadenz
noun
1.
Dekameter
verb
1. het afgieten van een vloeistof nadat de vaste stof in de vloeistof bezonken is
dekantieren
noun
1. een reactie waarbij een carboxylgroep afsplitst van de rest van het molecuul in de vorm van een koolstofdioxidemolecuul (CO₂)
Decarboxylierung
noun
1. de twaalfde en tevens laatste maand van het jaar
  1. Dezember
  2. Julmond
adverb
1. gedurende tientallen jaren
jahrzehntelang
noun
1. 1063
Dezilliarde
noun
1. 1060
Dezillion
noun
1.
Dezime
verb
1.sterk in aantal terugbrengen, gewoonlijk door afslachting
dezimieren
noun
1. een lengtemaat met een waarde van één tiende meter
Dezimeter
noun
Dezision
verb
1. letterkundige werken mondeling voordragen
deklamieren
noun
1. iemand die iets declareert
Deklarant
/dekliˈna(t)si/
noun
1, 2
Deklination
verb
1. uit code overbrengen in gewone taal
  1. entschlüsseln
  2. dekodieren
noun
1. laag uitgesneden halslijn bij vrouwenkleding
  1. Dekolletee
  2. Dekolleté
noun
Dekompression
noun
  1. 1. mislukking
    1. Fehlschlag
    2. Misserfolg
  2. 2. faillissement, bankroet
    1. Konkurs
    2. Pleite
    3. Bankrott
    4. Insolvenz
    5. Zahlungsunfähigkeit
verb
1. methoden en technieken gebruikt om bouwwerken, meubels of andere objecten te verfraaien
dekorieren
verb
1. bij decreet vaststellen
dekretieren
verb
deduzieren
noun
1. ongebakken kneedbare uitgangsmateriaal voor het bakken van diverse broden en gebak
Teig
noun
1. rol om deeg uit te rollen
  1. Nudelholz
  2. Teigrolle
noun
1. rol om deeg uit te rollen
  1. Nudelholz
  2. Teigrolle
/ˈdeːl/
noun
    1. 1. een afsplitsing van een geheel
    2. 2. één uit een reeks
    Teil
  1. 1. een werkruimte in de stal of schuur van een boerderij
    1. Deele
    2. Tenne
noun
  1. Winkelhalbierende
  2. Bisektrix
verb
1. meedoen, meevoelen
teilnehmen
noun
1. iemand die meedoet aan een wedstrijd of ander evenement
Teilnehmer
noun
  1. Dividend
  2. Zähler
noun
Teilzeitarbeit
noun
1. werk waarbij men minder werkt
  1. Teilzeitarbeit
  2. Teilzeitjob
  3. Teilzeitstelle
noun
1. werk waarbij men minder werkt
  1. Teilzeitarbeit
  2. Teilzeitjob
  3. Teilzeitstelle
noun
Teilchenphysik
noun
Teilchenbeschleuniger
noun
  1. Partizip
  2. Mittelwort
noun
2. de tijd van de dag waarop het licht dan wel donker wordt
Dämmerung
/den/, /deːn/
noun
1. een inwoner van Denemarken
Däne
/dens/, /deːns/
adjective
1. betreffende Denemarken of het Deens
  1. dänisch
  2. Dänisch
/dens/, /deːns/
pronoun
1. een Germaanse taal die wordt gesproken in Denemarken
  1. Dänisch
  2. dänisch
/ˈdensə/, /ˈdeːnsə/
noun
Dänin
noun
1. Duits hondenras dat gefokt werd als waakhond
Dänische Dogge
noun
1. ongeloof in het eigen succes.
Defätismus
noun
1. iemand die zich bij voorbaat neerlegt bij een mislukking
Defätist
verb
1. uit het raam gooien
defenestrieren
noun
1. verdediging, verweer
Verteidigung
noun
1. een apparaat waarmee met behulp van stroomstoten het normale hartritme hersteld kan worden
Defibrillator
noun
1. begripsbepaling
Definition
verb
definieren
noun
  1. 1. het vallen van het prijspeil waardoor het geld in waarde toeneemt
  2. 2. proces waarbij gesteenten door de wind worden afgesleten
Deflation
noun
Defragmentierung
adjective
  1. wel degelijk
    1. durchaus
    2. ganz bestimmt
    3. sehr wohl
  2. 1. goed tegen een stootje kunnend
    1. solide
    2. robust
    3. zuverlässig
  3. 2. (van personen) eerlijk, oprecht, net in zijn manieren
    1. solide
    2. tüchtig
    3. verlässlich
    4. zuverlässig
noun
1. een drukpers die volgens het hoogdrukprincipe werkt
Tiegeldruckpresse
noun
Entartung
noun
6. verwijzing naar een lagere speelklasse
  1. Abstieg
  2. Absteigen
verb
1. in rang verlagen
degradieren
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Rijnland-Palts
Deidesheim
noun
1. een verdieping op een schip
Deck
noun
1. dikke deken gevuld met isolerend materiaal
  1. Bettdecke
  2. Steppdecke
/dekə(n)/
noun
1. een (vaak dikke) doek, met de functie om iemand te bedekken en daarmee warm te houden (tijdens de slaap)
  1. Decke
  2. Bettdecke
noun
Zuchthengst
verb
1. koloniën vormen
dekolonisieren
/'dɛk.pɵnt/
noun
1.
Fixpunkt
noun
1.
Deckplatte
noun
1. ordinaire vrouw
  1. Schlampe
  2. Flittchen
noun
  1. 1. afvaardiging
    Delegation
  2. 3. schuldoverneming
    Schuldübernahme
verb
1. taken en verantwoordelijkheden doorgeven
  1. delegieren
  2. abordnen
verb
  1. 1. samen met een ander gebruiken
    teilen
  2. 2. in meer dan één stuk snijden of hakken
    1. teilen
    2. dividieren
noun
  1. Divisor
  2. Teiler
noun
  1. Mineral
  2. Erz
noun
Deliberation
noun
1. een wiskundige bewerking op twee getallen
Division
adjective
1.
Delinquent
noun
1. waanzinnigheid, acuut psychische stoornis ten gevolge van lichamelijke aandoening, vergiftiging...
Delirium
verb
1. gravend iets winnen
graben
noun
Demagogie
adjective
demissionär
noun
het tot vredessterkte terugbrengen van een leger
Demobilisierung
noun
  1. Demokratie
  2. Volksherrschaft
adjective
1. in overeenstemming met de principes van een democratie
demokratisch
noun
1. de studie van alles wat de omvang, samenstelling en spreiding van een bepaalde bevolkingsgroep en de veranderingen hierin betreft
Demografie
/ˌde.mo.ˈnim/
noun
1. naamwoord dat betrekking heeft op een bepaald land of volk
Volksbezeichnung
adjective
uit elkaar te halen
demontierbar
adjective
uit elkaar te halen
demontierbar
verb
  1. demoralisieren
  2. entmutigen
noun
1.
Demoversion
/dɛmpən/
verb
  1. 1. zwakker maken, de kracht verminderen van
    dämpfen
  2. 1. dichtgooien met grond of ander vast materiaal
    1. zuschütten
    2. zuwerfen
noun
1. Pinus soort naaldboom
  1. Kiefer
  2. Föhre
pronoun
1. de hoofdstad van de provincie Zuid-Holland en tevens de stad waar de Nederlandse regering zetelt
Den Haag
verb
denazifizieren
noun
Dendrit
/ˌdɛn.dro.loˈɣi/, /ˌdɛn.dro.loˈχi/
noun
1. de studie van bomen, heesters en andere houtachtige planten
Dendrologie
/ˈdenəˌmɑrkə(n)/, /ˈdeːnəˌmɑrkə(n)/
pronoun
1. een Scandinavisch land in Noord-Europa
Dänemark
verb
1. op spottende en laatdunkende wijze bekritiseren
herabsetzen
verb
  1. 3. een bepaalde mening toegedaan zijn
    1. denken
    2. finden
  2. 1. een oplossing zoeken
    1. denken
    2. meinen
noun
1. fout in het denkproces, onjuiste gedachtegang of redenering
Denkfehler
noun
  1. Kiefernzapfen
  2. Tannenapfel
adjective
  1. Tannengrün
  2. tannengrün
noun
1. Hyloicus pinastri, een donkergrijze nachtvlinder
Kiefernschwärmer
noun
Pinien-Prozessionsspinner
noun
Tannenbärlapp
noun
1. het been waaruit tanden bestaan
  1. Dentin
  2. Zahnbein
/ˈdejo/
noun
1. een middel dat gebruikt wordt om de geur van transpiratie weg te nemen of te voorkomen
Deo
/ˌdejodɔːˈrɑnt/
noun
1. een middel dat gebruikt wordt om de geur van transpiratie weg te nemen of te voorkomen
Deodorant
verb
1. onder dwang wegvoeren uit een gebied
deportieren
noun
  1. 1. bezinksel
    Bodensatz
  2. 1. bewaarplaats
    Depot
noun
  1. 1. ziekelijke neerslachtigheid
  2. 2. gebied met lage luchtdruk
  3. 3. langdurige inzinking in de economische ontwikkeling
Depression
verb
deprimieren
/dər/, /dɛr/
article
  1. 1. genitief meervoud van het bepaalde lidwoord de, het
  2. 2. genitief en datief vrouwelijk enkelvoud van het bepaalde lidwoord de
der
/ˈdɛrdə/
ordinalAdjective
1. betrekking hebbend op nummer drie in een rij
  1. dritter
  2. dritte
noun
Dativ
noun
dritte Person
pronoun
Drittes Reich
pronoun
Dritter Weltkrieg
noun
1. overeenkomst ten gunste van een derde die normaal erbuiten blijft
Vertrag zugunsten Dritter
verb
1. schade doen
schaden
demonstrativePronoun
  1. dergleiche
  2. dergleichen
noun
1. een afgeleide stof met een overeenkomstige structuur
Derivat
adverb
dermaßen
noun
1. huidontsteking
Dermatitis
noun
1. Huidspecialist
Dermatologe
cardinalNumeral
1. het getal 13
dreizehn
ordinalAdjective
dreizehnte
noun
1. ruimtelijke figuur met dertien vlakken
Tridekaeder
cardinalNumeral
1. het getal 30
dreißig
noun
1. afkorting van Des-majeur
Des
noun
  1. 1,2. verlaagde toon d
    des
  2. 4. des-mineurgrondakkoord
    1. des
    2. des-Moll
  3. 3. des-kleinetertstoonladder
    des-Moll
abbreviation
  1. 1. het akkoord des - f - as
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Des-Dur
abbreviation
  1. 1. het akkoord des - fes - as
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Des-Moll
/dɛs'xrot/
abbreviation
  1. 1. het akkoord des - f - as
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Des-Dur
abbreviation
1. het akkoord des-f-as
Des-Dur-Akkord
noun
1. een grotetertstoonladder met “des” als grondtoon
Des-Dur-Tonleiter
/dɛs'klɛɪn/
abbreviation
  1. 1. het akkoord des - fes - as
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
des-Moll
abbreviation
1. het akkoord des - fes - as
des-Moll-Akkord
noun
1. een mineurtoonladder met “des” als grondtoon
des-Moll-Tonart
noun
1. een kleinetertstoonladder met des als grondtoon
des-Moll-Tonleiter
/dɛs'xrot/
abbreviation
  1. 1. het akkoord des - f - as
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Des-Dur
abbreviation
1. het akkoord des-f-as
Des-Dur-Akkord
noun
1. een grotetertstoonladder met “des” als grondtoon
Des-Dur-Tonart
noun
1. een grotetertstoonladder met "des" als grondtoon
Des-Dur-Tonleiter
noun
1. een grotetertstoonladder met “des” als grondtoon
Des-Dur-Tonleiter
/dɛs'klɛɪn/
abbreviation
  1. 1. het akkoord des - fes - as
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
des-Moll
abbreviation
1. het akkoord des - fes - as
des-Moll-Akkord
noun
1. een kleinetertstoonladder met des als grondtoon
des-Moll-Tonleiter
noun
1. een kleinetertstoonladder met des als grondtoon
des-Moll-Tonleiter
noun
1. dubbel verlaagde toon d
  1. Deses
  2. deses
abbreviation
1. het akkoord deses-fes-ases
Deses-Dur-Akkord
noun
1. een grotetertstoonladder met “deses” als grondtoon
Deses-Dur-Tonleiter
noun
1. “Deses-majeur”
Deses-Dur
abbreviation
1. het akkoord deses-fes-ases
Deses-Dur-akkord
noun
1. een grotetertstoonladder met “deses” als grondtoon
Deses-Dur-Tonleiter
noun
1. een grotetertstoonladder met “deses” als grondtoon
Deses-Dur-Tonleiter
noun
  1. Designer
  2. Entwerfer
noun
1. onjuiste of misleidende informatie, die bewust verstrekt wordt met het oogmerk...
Desinformation
noun
Desintegration
adjective
1. met kennis van zaken
sachkundig
noun
1. een specialist
  1. Experte
  2. Sachverständige
  3. Sachverständiger
noun
Entlötlitze
noun
1.
Entlötlitze
adverb
1. geeft een tegenstelling aan met het voorafgaande
  1. trotzdem
  2. dennoch
noun
1. proces waarin een specifieke soort atomen of moleculen wordt losgemaakt uit een vaste stof en daaruit verdwijnt
desorption
noun
Desoxyribonukleinsäure
noun
Despot
noun
Despotismus
noun
  1. Dessert
  2. Nachtisch
/'dɛs'tɛits/
adjective
1. in die tijd gangbaar
damalig
/'dɛs'tɛits/
adverb
1. in die tijd
  1. damals
  2. dazumal
  3. seinerzeit
noun
1. onderdeel, kleinigheid
Detail
verb
  1. 1. iets of iemand zoeken en vinden
    aufspüren
  2. 2. ergens een signaal van door middel van apparatuur opvangen
    orten
/detɛkˈtivə/
noun
  1. 2. speurder die tracht misdaden op te lossen of bewijsmateriaal te verzamelen
    Detektiv
  2. 3. boek of programma over mensen die trachten misdaden op te lossen
    Kriminalroman
/detɛkˈtivəroˌmɑn/
noun
1. verhaal over een speurder die een misdrijf tracht op te lossen
Kriminalroman
noun
1. detector
Detektor
noun
1. bepalende factor in een ontwikkeling of een toestand
Determinante
noun
Detonator
noun
1. iets dat goed is in zedelijk opzicht
Tugend
adjective
1. bereid zich te gedragen in overeenstemming met algemeen aanvaarde waarden
  1. tugendhaft
  2. tugendsam
noun
1. ondeugend kind
  1. Bengel
  2. Taugenichts
/døk/
noun
  1. 1. vervorming van het oppervlak van een voorwerp in de vorm van een put of uitholling, meest veroorzaakt door botsing met een ander voorwerp
    1. Beule
    2. Delle
  2. 2. psychologische schade
    Dachschaden
verb
1. een deuk of deuken maken in iets
verbeulen
/døːr/
noun
1. een afsluiting van een toegang tot een ruimte, gemaakt van hout, metaal of kunststof
Tür
noun
1. een instrument waarmee bezoekers aangeven dat ze aan de deur staan
Klingel
noun
1. een mechaniek aan de bovenkant van een deur
Türschließer
noun
1. een instrument waarmee bezoekers aangeven dat ze aan de deur staan
Türklopfer
noun
1. een handvat waarmee een deur wordt geopend of gesloten
  1. Türknauf
  2. Türgriff
noun
1. handvat dat de grendel van een deur bedient.
Türknopf
noun
1. een kleine mat, waarop men bij de deur de schoenen kan afvegen
Fußmatte
/dørwardər/
noun
1. gerechtelijk ambtenaar die exploten en executien doet, dagvaardingen uitbrengt en beslagen legt
Gerichtsvollzieher
noun
1. pennetje dat in een houten nagel wordt geslagen, zodat die vast komt te zitten
  1. Deutel
  2. Nagelkeil
/dewteɾoˈnomjum/
pronoun
Deuteronomium
verb
devalvieren
/'devəntər/
adjective
1. gemeente en oudste stad in de provincie Overijssel
Deventer
noun
1. woord of korte tekst die snel en tegelijkertijd duidelijk een bepaalde boodschap moet overbrengen
Motto
noun
1. een bijzondere verering voor een bepaalde persoon of een heilige
Devotion
conjunction
1. geeft onderschikkend een reden aan
weil
demonstrativePronoun
selbe
/deʲɪsmə/
noun
Deismus
noun
1. stofwisselingsziekte waarbij het lichaam geen of te weinig insuline produceert
Diabetes
adjective
diabolisch
noun
1. band (met edelstenen versierd) voor om het hoofd
Diadem
noun
1.
Diademmeerkatze
adjective
diaphan
noun
1.
Membranpumpe
noun
1. vaststelling van een ziekte
Diagnose
adjective
diagnostik
adjective
diagonal
noun
1. een symbolische en grafische voorstelling van een aantal zaken en hun onderling verband
Diagramm
noun
  1. Diakon
  2. Diakonin
/dijaˈkritis/
adjective
diakritisch
/diaˈlɛkt/
noun
1. een variant van een taal met kenmerkende grammaticale, fonologische en andere kenmerken
  1. Mundart
  2. Dialekt
noun
Dialektik
/ˌdi.ja.ˌlɛk.to.lo.ˈɣi/, /ˌdi.ja.ˌlɛk.to.lo.ˈχi/
noun
1. de wetenschap die regionale verschillen tussen taalvariëteiten bestudeert
Dialektologie
noun
1.
  1. Dialektforschung
  2. Mundartforschung
noun
Dialog
noun
1. bloedzuivering met een kunstnier
Dialyse
noun
  1. 1. een uiterst hard, doorzichtig mineraal met kubische symmetrie dat uit koolstof bestaat
  2. 2. een edelsteen gesneden uit [1]
Diamant
noun
1. middellijn
  1. Durchmesser
  2. Diameter
noun
Diarium
/diɑ're/
noun
1. darmstoornis die dunne ontlasting veroorzaakt
  1. Durchfall
  2. Diarrhö
/ˌdiatoˈmeə(n)/
noun
1. stam van eencellige organismen, Bacillariophyta
  1. Diatomeen
  2. Kieselalgen
/ˌdiaˈtomə(n)/
noun
1. stam van eencellige organismen, Bacillariophyta
  1. Diatomeen
  2. Kieselalgen
adjective
diatonisch
diatonisch
adjective
  1. 1. compact
    dicht
  2. 2. gesloten
    1. geschlossen
    2. dicht
preposition
1. op een korte afstand van
  1. nahe
  2. in der Nähe von
noun
1. iemand die poëtische kunst voortbrengt
  1. Dichter
  2. Poet
noun
1. compactheid
Dichte
verb
1. dicht maken door middel van een knoop
zuknöpfen
noun
1. in ritme, maat, en klank verwoorden
Dichtkunst
noun
1. iemand die als enige de macht in een land in handen heeft
Diktator
noun
1. staatsvorm waarbij de macht vrijwel volledig in handen van één of enkele personen ligt
  1. Diktatur
  2. Gewaltherrschaft
/dɪk'te/
noun
1. een tekst die wordt gedicteerd en door andere personen wordt opgeschreven als toets in het correct spellen
Diktat
verb
diktieren
/ˈdɪk.tʏm/
noun
1. beschikkend gedeelte van een vonnis of arrest
  1. Dispositiv
  2. Spruch
  3. Tenor
/diˈdimijʏm/
noun
1. scheikundige stof
Didym
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Hessen
Dieburg
noun
2. een aanpassing in het eet- en voedingspatroon
Diät
/dif/
noun
1. iem. die steelt
  1. Dieb
  2. Diebin
noun
1. het zich onrechtmatig toe-eigenen van goederen of andere bezittingen die aan een ander toebehoren
Diebstahl
pronoun
1.
Diekirch
noun
1.
Dienst
noun
1. een jonge dienstbode
Dienstmädchen
/ˈdinst.plɪxt/
noun
1. verplichting om ergens te werken
Wehrpflicht
adjective
1. waar de bodem ver naar beneden is
tief
noun
1.
Tieflader
noun
1.
Lot
adjective
  1. Tieforange
  2. tieforange
noun
1. een toestel bedoeld om voedingsmiddelen...
Gefrierschrank
noun
Gefrierschrank
/diːr/
noun
1. met zintuigen uitgerust meercellig organisme dat zijn energie verkrijgt uit andere dierlijke of plantaardige organismen
Tier
adjective
1. waaraan men grote waarde hecht
  1. lieb
  2. teuer
noun
1. arts voor dieren, met name kleine huisdieren
  1. Tierarzt
  2. Veterinär
noun
1. figuur in de vorm van een dier
Tierfigur
/ˈdiːrə(n)ˌtœʏ̯n/, /ˈdiːrə(n)ˌtœːn/
noun
1. een verzameling levende, oorspronkelijk wilde dieren.
  1. Zoo
  2. Tiergarten
  3. Tierpark
/ˈdirə(n)ˌvudər/
noun
1. voor vee of huisdieren bestemd voedingsmiddel
Tierfutter
noun
1. een instelling die zich bezighoudt met het verzorgen en kweken van exotische diersoorten en het tonen ervan aan betalend publiek
  1. Tiergarten
  2. Zoo
noun
1. wetenschap die zich richt op de aard, de oorzaken en de geneesmiddelen van dierziektes
  1. Veterinärmedizin
  2. Tiermedizin
  3. Tierheilkunde
noun
1. de wetenschap die de dieren bestudeert.
  1. Zoologie
  2. Tierkunde
/ˈdirpruf/
noun
1. onderzoek gedaan met proefdieren
Tierversuch
verb
2. de 'dieven' afplukken van (een plant)
ausgeizen
/ˈdivən.bɛndə/
noun
1. een groep mensen die samen diefstal plegen, meestal herhaaldelijk en georganiseerd
Diebesbande
noun
  1. Biphenyl
  2. Dibenzol
  3. Diphenyl
  4. Phenylbenzol
noun
Verleumdung
verb
diffamieren
noun
beveiliging die afschakelt indien twee stromen niet even groot zijn
Fehlerstromschutzschalter
noun
vergelijking voor een functie waarin een of meer van de afgeleiden van die functie voorkomen
Differentialgleichung
noun
1. ontwikkeling in een bepaalde richting, het zich ontwikkelen van cellen, weefsels etc. tot...
Differenzierung
/dɪfərɛn'(t)ʃerə(n)/
verb
  1. 2. (wiskunde) het berekenen van de lokale stijging in een functie, het bepalen van de afgeleide van een functie
    1. ableiten
    2. differenzieren
  2. 1. vanuit een homogeen geheel tot verschillende vormen komen
    1. differenzieren
    2. unterscheiden
noun
1. infectieziekte
Diphtherie
/ˈdɪftɔŋ/
noun
1. een foneem dat uit twee klinkers bestaat die binnen één lettergreep in elkaar overgaan
  1. Diphthong
  2. Zwielaut
noun
1. het verschijnsel dat een diftong overgaat in een monoftong
Diphthongierung
noun
1. middel dat
  1. Digestivum
  2. verdauungsfördernd
noun
1. het vastleggen van beelden met behulp van een digitale camera
Digitalfotografie
noun
Digitalisierung
verb
digitalisieren
noun
1. het digitaliseren
Digitalisierung
noun
Digraph
/dɛj/
noun
1. het deel van het menselijk been tussen heup en knie
  1. Schenkel
  2. Oberschenkel
noun
Oberschenkelknochen
noun
1. een waterkering ter bescherming van het achterliggende land
Deich
/dɪk/
adjective
    1. 1. een naar verhouding grote dwarsdoorsnede hebbend
    2. 2. de genoemde dwarsdoorsnede hebbend
    3. 6. nauw aaneengesloten
    4. 7. weinig vloeibaar
    5. 5. hecht
    6. 3. een naar verhouding grote lichaamsomvang hebbend
    dick
  1. 4. ruim
    1. gut
    2. voll
noun
1. bepaald soort gors, Oryzoborus crassirostris
Mohrenreisknacker
noun
1. (dierkunde) zoogdier met een dikke huid
  1. Dickhäuter
  2. Pachyderme
noun
  1. 3. kleine bruine motachtige dagvlindersoorten met een snelle schietvlucht
    Dickkopffalter
  2. 4. in het zand levende grondelsoort
    Sandgrundel
noun
1. bepaalde soort vis, Chelon labrosus
Dicklippige Meeräsche
adverb
oft
noun
  1. Fettsack
  2. Fettwanst
/dɪ'lɛmɑ/
noun
moeilijke keuze
Dilemma
noun
1. de plant en de bladeren van het kruid
Dill
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Hessen
Dillenburg
noun
1. zaden van Anethum graveolens
Dillsaat
noun
1. een geneesmiddel dat behoort tot de groep calciumantagonisten
Diltiazem
noun
Dimer
noun
  1. 1. afmeting in een bepaalde richting
  2. 2. parameter van een wiskundige ruimte
  3. 3. categorie waarin een fysische grootheid valt
Dimension
pronoun
1. Noordwest-Iraanse taal gesproken door 2,5 miljoen Koerden uit Turkije
Zazaische
noun
1.
Abblendlicht
/ˈdɪmə(n)/
verb
  1. 3. (informeel) rustig aan doen
    den Schnabel halten
  2. 1, 2. licht temperen
    dimmen
noun
  1. 2. feestmaal met gasten
    1. Diner
    2. Festessen
    3. Festmahl
  2. 1. warme maaltijd
    1. Essen
    2. Mahl
    3. Mahlzeit
verb
1. het diner gebruiken
dinieren
noun
1. voorwerp
  1. Ding
  2. Sache
/ˈdɪ.ŋəs/
noun
  1. Dingsbums
  2. Dingsda
  3. Dings
noun
1. Canis lupus dingo, een Australische wilde hond
Dingo
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Dingolfing
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Dinkelsbühl
noun
1. stam van eencelligen met een tweetal zweepstaartjes die in water leven, Dinoflagellata
Dinoflagellata
/ˈdinoflɑɣɛˌlatə(n)/
noun
1. stam van eencelligen met een tweetal zweepstaartjes die in water leven, Dinoflagellata
Dinoflagellaten
/ˌdinoˈsʌʊriər/
noun
1. een lid van een uitgestorven groep van reptielen, waartoe de grootste landdieren behoren die ooit bestaan hebben
  1. Dinosaurier
  2. Dinosaurus
/ˌdinoˈsʌʊrəs/
noun
1. een lid van een uitgestorven groep van reptielen, waartoe de grootste landdieren behoren die ooit bestaan hebben
  1. Dinosaurier
  2. Saurier
noun
1. dag van de week die na maandag en voor woensdag komt
Dienstag
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Dinslaken
noun
Diode
/dɪp/
noun
1. slechte (emotionele) periode
Tief
noun
1. een bewijs van bevoegdheid
Diplom
noun
1. iemand die in het buitenland zorgt voor de politieke relaties met zijn eigen land
Diplomat
noun
1. de functionarissen die hun staat in een bepaald land vertegenwoordigen
Diplomatisches Corps
noun
1. de kunst en de kunde van het voeren van overleg
Diplomatie
adjective
1. betrekking hebbende op de diplomatie
diplomatisch
noun
1. wetenschap die oorkonden typeert en beschrijft naar hun vorm
  1. Diplomatik
  2. Urkundenlehre
noun
1. een elektronisch testapparaat waarmee o.a. de resonantiefrequentie van een antenne of resonantiekring kan worden bepaald
Dipmeter
noun
Dipol
noun
1. dipoolantenne
Dipolantenne
verb
1. iets even in een vloeistof dopen
eintauchen
noun
2. een elektronisch testapparaat waarmee o.a. de resonantiefrequentie van een antenne of resonantiekring kan worden bepaald
Dipmeter
adjective
1. zonder te wachten, zonder iets daartussen
direkt
adverb
1. zonder te wachten, zonder omweg
direkt
noun
1. de leiding van een bedrijf, de directeur en of de topmanagers
Direktion
noun
1. passief onderdeel van een yagi-antenne
Direktor
noun
Direktorium
noun
1. staafje dat een dirigent bij het dirigeren hanteert
Taktstock
noun
1. een leider van een orkest, koor of ander muziekgezelschap
Dirigent
noun
1.
Dirigismus
pronoun
  1. 1. jongensnaam
    Dietrich
  2. 2. spelwoord voor de letter d
    Dora
noun
1. lijn die vanuit de masttop de giek draagt bij weggenomen zeil
Dirk
noun
1. afkorting van Dis-majeur
Dis
/dɪs/
noun
  1. 2. maaltijd
    Mahl
  2. 1. gedekte tafel
    1. Tafel
    2. Speisetafel
  3. 3. verhoogde toon d
    dis
  4. 4. dis-kleinetertstoonladder
    dis-Moll
  5. 5. dis-mineurgrondakkoord
    1. dis-Moll
    2. dis
abbreviation
  1. 1. het akkoord dis - fisis - aïs
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Dis-Dur
abbreviation
  1. 1. een akkoord dis - fis - ais
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Dis-Moll
abbreviation
  1. 1. het akkoord dis - fisis - aïs
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Dis-Dur
abbreviation
1. het akkoord dis-fisis-aïs
Dis-Dur-Akkord
noun
1. een majeurtoonladder met “dis” als grondtoon
Dis-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “dis” als grondtoon
Dis-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “dis” als grondtoon
Dis-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “dis” als grondtoon
Dis-Dur-Tonleiter
abbreviation
  1. 1. een akkoord dis - fis - ais
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
dis-Moll
abbreviation
1. het akkoord dis-fis-aïs
dis-Moll-Akkord
noun
1. een mineurtoonladder met “dis” als grondtoon
dis-Moll-Tonart
noun
1. een kleinetertstoonladder met “dis” als grondtoon
dis-Moll-Tonleiter
abbreviation
  1. 1. het akkoord dis - fisis - aïs
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Dis-Dur
abbreviation
1. het akkoord dis-fisis-aïs
Dis-Dur-Akkord
noun
1. een grotetertstoonladder met “dis” als grondtoon
Dis-Dur-Tonart
noun
1. een grotetertstoonladder met "dis" als grondtoon
Dis-Dur-Tonleiter
noun
1. een grotetertstoonladder met “dis” als grondtoon
Dis-Dur-Tonleiter
noun
1. een grotetertstoonladder met “dis” als grondtoon
Dis-Dur-Tonleiter
abbreviation
  1. 1. een akkoord dis - fis - ais
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
dis-Moll
abbreviation
1. het akkoord dis-fis-aïs
dis-Moll-Akkord
noun
1. een kleinetertstoonladder met “dis” als grondtoon
dis-Moll-Tonleiter
noun
1. een kleinetertstoonladder met “dis” als grondtoon
dis-Moll-Tonleiter
noun
2. rechtergedeelte van het toetsenbord
Diskant
adjective
  1. disziplinarisch
  2. disziplinär
noun
1. beschrijvend overzicht van de elpee's of cd's van een artiest of muziekgroep
Diskografie
adjective
1. zonder aandacht te trekken, onopvallend
diskret
noun
1. onverwachte onderlinge afwijking
Diskrepanz
noun
  1. 1. bescheidenheid of kiesheid
  2. 2. geheimhouding
Diskretion
noun
Diskriminierung
verb
  1. 1. maken van onderscheid
    1. differenzieren
    2. unterscheiden
  2. 2. ongeoorloofd onderscheid dat gemaakt wordt op grond van bepaalde kenmerken
    diskriminieren
/ˈdɪskʏs/
noun
1. een zware werpschijf die gebruikt wordt bij de atletische sport discuswerpen.
  1. Diskus
  2. Wurfscheibe
noun
1. een gedachtewisseling waarbij doorgaans verschillende meningen worden uitgewisseld
Diskussion
verb
diskutieren
noun
1. een atletiekdiscipline waarbij men een discus zo ver mogelijk probeert te werpen
Diskuswerfen
noun
1. tweemaal verhoogde toon “d”
disis
noun
Disjunktion
noun
1. Magneetschijf
Diskette
noun
Disqualifikation
noun
1. ongewone verplaatsing
Dislokation
/dɪsəl/
noun
3. houtbewerkingsbijl
  1. Dechsel
  2. Breitbeil
adjective
Dissident
/dɪso'nant/
noun
Dissonant
verb
1. afstand nemen
sich distanzieren
verb
1. afzonderen van een gezuiverd product door het verhitten van een mengsel en afkoelen van de dampen
destillieren
noun
1. verdeling, verspreiding
Vertrieb
adjective
distributiv
noun
1. het gebied van een lokale overheid
  1. Distrikt
  2. Bezirk
demonstrativePronoun
  1. dieser
  2. diese
  3. dieses
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Ditzingen
adjective
1. uiteenlopend
divergent
adjective
  1. 3. twee of meer
    einige
  2. 1. onderling duidelijk verschillend
    1. unterschiedlich
    2. verschieden
  3. 2. gekenmerkt door de aanwezigheid van mensen met een verschillend achtergrond
    vielfältig
noun
1. ontsteking van de darmuitstulpingen
Divertikulitis
noun
1. uitkering van (een deel van de) winst aan de aandeelhouders van een onderneming
Dividende
noun
1. legereenheid van 15.000 man
Division
noun
  1. 1&2.1. (weinig gebruikte) scheikundige term voor water (H2O)
  2. 1. (weinig gebruikte) scheikundige term voor water (H2O)
Dihydrogenmonoxid
noun
1. Een diëlektricum is een materiaal waarvan de polarisatie...
Dielektrikum
noun
1. specialist op het gebied van voeding en voedingspatronen
Diätist
noun
1. een vrouwelijke specialist op het gebied van voeding en voedingspatronen
Diätistin
/(d)ʒi.ˈbu.ti/, /dji.ˈbu.ti/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika 2. de hoofdstad van
Dschibuti
noun
1. de afkorting van desoxyribonucleic acid (desoxyribonucleïnezuur)
  1. DNS
  2. DNA
pronoun
1.
Dnjepr
noun
1. kubusvormig voorwerp met op elk van de zijden een van de ogenaantallen één tot en met zes
Würfel
noun
1.
Dobostorte
noun
1. een vrouwelijk kind
Tochter
/ˈdɔktɔr/
abbreviation
1. een academicus die een goedgekeurd proefschrift heeft geschreven
Doktor
noun
1.het hoogste diploma dat aan een universiteit behaald kan worden
  1. Doktorgrad
  2. Doktorwürde
noun
1. een verzameling leerstellingen of dogmas die niet ter discussie staan
Doktrin
noun
1. een verzameling gegevens
  1. Dokument
  2. Unterlagen
adjective
dokumentarisch
noun
1. een op waarheid beruste film
Dokumentarfilm
/dokymɛn'taʦi/
noun
1. geschreven materiaal dat een bepaald onderwerp om- en beschrijft
Dokumentation
verb
1. onderbouwen, staven
dokumentieren
noun
1. iemand die dood is, een gestorvene, overledene
Tote
noun
1. dodecafonie
Zwölftontechnik
adjective
1. dodecafonisch
dodekaphonisch
/'do:dələk/
adjective
1. de dood veroorzakend
tödlich
/ˈdo.də(n)/
verb
  1. 2. de tijd doden: iets doen om je niet te vervelen
    totschlagen
  2. 1. iemand van het leven beroven.
    1. töten
    2. umbringen
    3. ermorden
noun
Totenbuch
noun
1. het herdenken van de doden die vielen in de Tweede Wereldoorlog, meestal op 4 mei
  1. Totenehrung
  2. Totenfeier
/ˈdodə(n)ˌmɪs/
noun
1. een mis opgedragen voor een overledene
  1. Requiem
  2. Totenmesse
  3. Seelenmesse
verb
1. iets zelf construeren
selbermachen
/ˈdudɔɫˌzɑk/, /ˈdudəlˌzɑk/
noun
1. een rietinstrument waarbij het riet indirect bespeeld wordt via een luchtzak
  1. Sackpfeife
  2. Dudelsack
noun
1. geld, poen
  1. Moos
  2. Mäuse
  3. Penunze
  4. Zaster
noun
  1. 1. een van de twee gemarkeerde ruimten op een sportveld
    Tor
  2. 1. het punt waarop men zich richt
    Ziel
noun
Zielgruppe
adjective
1.
ziellos
noun
  1. Torwart
  2. Torhüter
adjective
  1. sachgerecht
  2. zweckentsprechend
  3. zweckgerecht
  4. zweckmäßig
/ˈduloːrˌzak/
noun
1. een oorzaak die gericht is op een specifiek doel; een doel dat tevens de oorzaak van iets is.
  1. Finalursache
  2. Zielursache
  3. Zweckursache
noun
Torpfosten
noun
Tor
noun
1. een gewenste situatie waar naar toe gewerkt wordt
Zielsetzung
noun
Torhüterin
noun
1. het punt waarop men zijn schiettuig richt
  1. Ziel
  2. Zielscheibe
verb
  1. 1. een actie ondernemen
    1. machen
    2. tun
  2. cadeau doen
    schenken
  3. iets van de hand doen
    verkaufen
verb
  1. 2. lichtjes slapen
    duseln
  2. 1. een stof door middel van een doezelaar dun uitwrijven
    wischen
noun
  1. Taubenmännchen
  2. Tauber
  3. Tauberich
  4. Täuber
  5. Täuberich
/dɔx/
noun
1. grote kortharige hond met brede kop
Dogge
pronoun
Doggerbank
/'dɔɣma/
noun
1. een vastomlijnd geloofsartikel dat aan geen beredenering meer is onderworpen
Dogma
pronoun
1. meer op de grens van Noord-Macedonië en Griekenland
Dojransee
noun
  1. 2. droogzetinrichting voor schepen
    Dock
  2. 1. onderdeel van een klavecimbel
    Springer
noun
1. stapelblok voor ondersteuning van een kiel
Stapel
verb
  1. 1. node betalen
    blechen
  2. 1. in dok brengen
    docken
noun
Arzt
noun
1. witte jas die een arts ter bescherming over zijn kleding draagt
Arztkittel
/ˈdɔkˌʋɛr.kər/
noun
1. iemand die in de havens werkt
Hafenarbeiter
/dɔl/
adjective
  1. 1. onzinnig
    toll
  2. 2. gek
    1. toll
    2. verrückt
/dɔl/
noun
2. U-vormig steunpunt waarin een roeispaan rust
  1. Dolle
  2. Rudergabel
/dɔl ɔp/
adjective
1. verrukt zijn van, verzot zijn op
auf etwas versessen sein
adjective
1. uitgelaten zijn, heel erg vrolijk van stemming, buitengewoon blij, enorm blij
  1. froh
  2. heilfroh
verb
1. doelloos, richtingloos rondlopen
  1. herumstreichen
  2. sich herumtreiben
  3. stromern
  4. umherstreifen
/dɔlˈfɛɪ̯n/, /dɔlˈfɛːn/, /dɔɫˈfɛɪ̯n/, /ˈdɔlfɛɪ̯n/, /ˈdɔlfɛːn/, /ˈdɔɫfɛɪ̯n/
noun
1. familie Delphinidae van mittelgrote tandwalvissen met vooruitstekende snuit
  1. Delphin
  2. Delfin
noun
Dolch
/ ˈdɔlɑr /
noun
1. munt en munteenheid
Dollar
pronoun
Dollart
verb
1. spelen, stoeien, spotten, gek doen
  1. herumtollen
  2. tollen
adjective
1. van weinig verstand getuigend
dumm
noun
1. hoofdkerk van een bisdom
Dom
/do.'ma.ʦi.jɵm/
noun
1. een hol orgaan waarin een plant aan andere organismes, zoals mieren, roofmijten, schimmels ...
Domatium
noun
1. temming tot huisdier of cultuurgewas
  1. Domestizierung
  2. Domestikation
verb
1. tot huisdier of cultuurgewas temmen
domestizieren
noun
2. automatische overschrijving van geldbedragen door de bank laten verrichten
Dauerauftrag
noun
2. vijfde trede van toonladder
Dominante
noun
1. dominantseptiemakkoord
Dominantseptakkord
noun
1. voorganger van een protestantse eredienst
  1. Pastor
  2. Pfarrer
  3. Priester
/domiˈnɪːrə(n)/
verb
1. het meest nadrukkelijk op de voorgrond treden
dominieren
/ˌdo.mi.ni.ˌkan.sə.re.py.ˈblik/, /ˌdo.mi.ni.ˌkans.re.pʏ.ˈbliːk/
pronoun
1. een land in het Caribisch gebied dat ten westen aan Haïti grenst en daarmee...
Dominikanische Republik
noun
1.
Dominoeffekt
/ˈdɔm.kɔp/
noun
1. iemand die niet erg slim is
Dummkopf
/ˈdɔm.or/
noun
(milde benaming) dom persoon
  1. Dummchen
  2. Dummerchen
adverb
1. zonder na te denken
dummerweise
noun
1. iemand die een (financiële) bijdrage levert
Donator
noun
1. een schenking
  1. Spende
  2. Beitrag
pronoun
1. een rivier in Europa die in het Zwarte Woud in Duitsland ontspringt en naar de Zwarte Zee stroomt.
Donau
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Donaueschingen
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Donauwörth
noun
1. een zeer luid geluid bij onweer
Donner
noun
1. een dag van de week die na woensdag en voor vrijdag komt
Donnerstag
adverb
1. de latere uren van de donderdag
Donnerstagabend
/ˈdɔndərə(n)/
verb
  1. 1. het weerklinken van luid gerommel ten gevolge van bliksemontlading.
    donnern
  2. 2. op luide en barse toon een bevel geven of zijn ongenoegen uiten.
    1. donnern
    2. wettern
  3. 3. met veel lawaai ergens afvallen.
    fallen
/'dɔndərslɑx/
noun
1. de luide knal die het inslaan van de bliksem veroorzaakt
Donnerschlag
verb
1. een gift geven
beschenken
adjective
1. zonder licht
dunkel
noun
1. toestand dat er geen licht is
Dunkel
noun
1. gever, bijv. orgaandonor: degene die zijn orgaan afstaat
  1. Spender
  2. Organspender
noun
1. tot mislukking gedoemd handelen, ingegeven door dwaas idealisme
Donquichotterie
noun
1. fijne veren die onder de taaiere buitenveren zitten, vaak gebruikt als vulstof voor kussens, dekbedden en slaapzakken
Daune
noun
Federbett
/doːt/
adjective
1. niet meer levend
tot
/doːt/
noun
  1. 2. skeletvormige figuur, vaak met zeis, die bovengenoemde toestand personifieert
    1. Tod
    2. Sensenmann
  2. 1. de toestand na het leven
    1. Tod
    2. tot
/ˈdotxan/
verb
1. het leven verlaten
sterben
adjective
1. bij de geboorte al overleden
totgeboren
verb
1. voltooid deelwoord van doodsteken
totgestochen
noun
  1. 1. (beroep) persoon
  2. 2. keversoort
Totengräber
noun
1.
Sarg
noun
3. hevige vrees
  1. Agonie
  2. Kreuz
  3. Todesangst
noun
het bed waarop iemand gestorven is
Tottenbett
/ˈdotsxitə(n)/
verb
1. doden met een schiettuig
  1. erschießen
  2. totschießen
/ˈdoːts.ɛsˌka.dər/
noun
1. bende die gevormd is om een of meerdere personen te doden
Todesschwadron
noun
Sarg
/dotslɑx/
noun
1. het iemand anders opzettelijk, maar zonder voorbedachten rade van het leven beroven
Totschlag
noun
1. als straf gedood worden
Todesstrafe
noun
1. grondverf
Grundanstrich
verb
3. voorbestemmen
vorherbestimmen
adjective
2. heel erg ziek
todkrank
verb
1.
verschweigen
/doːf/
adjective
1. niet of minder goed tot horen in staat zijn
taub
noun
  1. Gehörlosigkeit
  2. Taubheit
noun
1.
  1. Dämpftopf
  2. Kohlendämpfer
noun
1. smelten
Tauwetter
/'dojə(n)/
verb
1. het stijgen van de buitentemperatuur boven het vriespunt waardoor alle ijs en sneeuw begint te smelten
tauen
noun
  1. Dotter
  2. Eigelb
noun
1. stelsel van paden of dwaalwegen, zodanig aangelegd dat men daarin moeilijk de weg kan vinden
  1. Labyrinth
  2. Irrgarten
noun
1. de doop
Taufe
/ˈdop.vɔnt/
noun
1. een bekken voor de bediening van de doop en het bewaren van het doopwater in een kerkgebouw
Taufbecken
/ˈdoːr/, /[doːr]/, /[dʊːr]/
preposition
    1. 2. oorzaak
    2. 3. in
    3. 6. als achterzetsel: doorheen
    durch
  1. 1. bij lijdende vorm
    1. von
    2. durch
noun
2. een cruciale ontdekking
Durchbruch
verb
  1. 3. met kracht een doorgang maken, een weg door iets heen forceren
    brechen
  2. 1. een einde aan een heersende situatie maken
    durchbrechen
verb
1. tot een boog vervormen door een opgelegd gewicht
durchbiegen
/dorˈdɛŋkə(n)/, /do̝rˈdɛŋkə(n)/, /ˈdordɛŋkə(n)/, /ˈdo̝rdɛŋkə(n)/
verb
  1. 1. [doordénken] serieus en goed nadenken over een kwestie
    durchdenken
  2. 1. [dóórdenken] ergens over blijven denken, ergens aan blijven denken
    weiter nachdenken
verb
  1. beharren
  2. drängen
/ˈdoːrɣan/, /ˈdɔːrχan/
verb
1. tot het einde meemaken
weitermachen
/'dɔːrɣans/
adverb
1. in de meeste gevallen, met weinig uitzonderingen
  1. im Allgemeinen
  2. im allgemeinen
  3. in der Regel
noun
abgekartertes Spiel
/'doːrɣevə(n)/, /'do̝ːrχevə(n)/
verb
1. iets wat men ontvangen heeft aan de volgende persoon geven
weitergeben
adjective
1. ervaren, geroutineerd
  1. erfahren
  2. gewitzt
  3. routiniert
/'dɔːrɦalə(n)/
verb
  1. 2. niet slapen
    durchhalten
  2. 1. een streep ergens doorheen zetten
    durchstreichen
adverb
1. geheel door
hindurch
verb
  1. 1. het inwendige van iets onderzoeken door blootstelling aan penetrerende straling, zoals röntgen- of gammastraling
    durchleuchten
  2. 3. van licht doordringen
    1. durchleuchten
    2. durchscheinen
  3. 2. grondig onderzoeken
    1. durchleuchten
    2. testen
    3. untersuchen
/'do̝rlop/, /do̝rˈlop/
noun
  1. 2. (medisch) diarree
    Durchfall
  2. 1. het in zijn geheel zonder onderbreking doornemen
    Durchlauf
adverb
1. middendoor, in tweeën
  1. entzwei
  2. mittendurch
/dormɔdərən/
verb
1. moeizaam, knoeierig doorgaan
  1. durchwursteln
  2. weiterpfuschen
  3. weiterstümpern
  4. weiterwursteln
noun
1. scherp uitsteeksel aan een plant
  1. Dorn
  2. Grat
noun
1. Datura stramonium, een zeer giftige plant die hallucinogene alkaloïden bevat
  1. Gemeiner Stechapfel
  2. Weißer Stechapfel
/ˈdornəkron/
noun
  1. 1. van doorntakken gevlochten kroon als symbool van het martelaarschap
    Dornenkrone
  2. 2. roodkleurige, stekelige zeester
    Dornenkronenseestern
noun
1. bepaalde soort vis, Squalus acanthias
Dornhai
adjective
2. doorregen spek: spek met veel laagjes vlees tussen het vet in
durchwachsen
verb
durchreisen
verb
1. door te slikken uit de mondholte verwijderen
  1. herunterschlucken
  2. hinunterschlucken
  3. runterschlucken
noun
  1. 2. diameter
    1. Diameter
    2. Durchmesser
  2. 1. doorsnijvlak
    Durchschnitt
/ˈdɔːrsne/
adjective
  1. 1. iets of iemand waarvan de eigenschappen dicht bij het gemiddelde liggen
    Durchschnitt
  2. 2. snijvlak
    Schnitt
/dɔːrˈstan/
verb
  1. 1. ondanks moeilijkheden er nog goed voorstaan
    standhalten
  2. 2. overleven
    überleben
/doːrˈstrepə(n)/
verb
1. een lijn trekken
durchstreichen
/ˈdorvərˌkopə(n)/, /ˈdo̝rvərˌkopə(n)/
verb
1. iets verkopen dat onlangs is gekocht
weiterverkaufen
adjective
1. (van een water) geschikt om doorheen te lopen
durchwatbar
noun
Durchsetzer
/doːrˈzɪxtəx/, /doːrˈzɪxtɪx/, /do̝ːrˈzɪχtəχ/
adjective
[1] waar licht zo ongehinderd door kan treden dat het zicht erdoor niet belemmerd wordt
durchsichtig
/dorˈzin/, /do̝rˈzin/, /ˈdorzin/, /ˈdo̝rzin/
verb
  1. 1. dóórzien, vluchtig iets lezen
    durchsehen
  2. 1. inzien dat iets een poging tot bedrog is
    durchschauen
/doʊs/, /doːs/
noun
  1. 2. vagina
    1. Dose
    2. Büchse
  2. 5. informele naam voor toilet
    Klo
  3. 1. een veelal kartonnen balkvormig opslagmiddel
    1. Schachtel
    2. Kiste
    3. Karton
/dɔp/
noun
5. dop (gereedschap)
Nuss
verb
  1. 1. iets in een vloeistof steken
    eintauchen
  2. 3. een naam geven
    nennen
  3. 2. iemand ritueel met water besprenkelen of erin onderdompelen en zodoende tot een geloof toelaten
    taufen
noun
1. en 2. (zaden uit / peulen van) het gewas Pisum sativum L. subsp. sativum var. sativum
  1. Gartenerbse
  2. Markerbse
noun
1. stimulerende (genees)middelen
Doping
verb
1. het verwijderen van de peulenschillen van erwten, bonen, enzovoort
enthülsen
noun
1.
Erdnüsse in der Schale
noun
1. dopsleutel
Steckschlüssel
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Dormagen
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Dornbirn
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Dornhan
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Dornstetten
/dɔrp/
noun
1. kleine, permanente nederzetting
Dorf
noun
1. inwoner van een kleine plaats op het platteland
  1. Dorfbewohner
  2. Dörfler
noun
1. iemand die in een dorp woont
  1. Dorfbewohner
  2. Dörfler
noun
1.
Dorfzeitung
noun
1.
Dorfstraße
verb
dreschen
noun
Durst
noun
Dreschflegel
noun
1. vloer waarop gedorst wordt
  1. Tenne
  2. Dreschboden
pronoun
Dortmund-Ems-Kanal
verb
dosieren
noun
1. (medisch) verstrekte hoeveelheid
Dosierung
noun
1. hoeveelheid van een geneesmiddel die je per keer moet innemen
Dosis
/doˈsir/, /dɔˈʃe/, /ˈdɔs·jeː/
noun
1. verzameling documenten en andere vastgelegde informatie,...
  1. Akte
  2. Dossier
/dɔt/
noun
  1. 1. een pluk vezelig, wollig of donzig materiaal
    1. Dutt
    2. Knäuel
    3. Tupfer
  2. 2. (meestal als verkleinwoord) iets kleins en liefs
    1. Herzchen
    2. Schatz
noun
Dotation
noun
1.
Sumpfdotterblume
/ˈdɔtərɣeləˌwevər/
noun
1. soort zangvogel met een gele borst en buik
  1. Dottergelber Weber
  2. Dotterweber
noun
1. een overheidsdienst die belast is met de controle op het internationaal goederenverkeer
  1. Zoll
  2. Zollamt
verb
2. verdubbelen
verdoppeln
/duʃ/
noun
1. stortbad
Dusche
verb
1. een douche nemen
  1. duschen
  2. sich duschen
noun
1. een lipbloemige plant met bladeren die op die van de brandnetel lijken maar die niet branden.
  1. Taubnessel
  2. Bienensaug
verb
1. een bestand van een computer of server op afstand naar een lokale computer of server overbrengen
  1. downloaden
  2. herunterladen
noun
1. een set van twaalf
Dutzend
/ˈdɔktɔr/
noun
1. academische titel van iemand die een wetenschappelijk proefschrift succesvol verdedigd heeft
Dr.
/draːt/
noun
  1. 3. elektrisch verbindingsmateriaal
    Draht
    1. 1. in elkaar gesponnen vezels
    2. 2. de lijn in een verhaal
    Faden
  2. 4. bijnaam van de radiotelegrafist
    Funker
  3. 5. de schroefdraad
    Gewinde
noun
1.
Drahtantenne
/drat.los/, /ˈdraːd.loːs/
adjective
1. waarbij geen draden nodig zijn voor de overdracht van een signaal
  1. drahtlos
  2. schnurlos
noun
1. een constructie waarmee aan een draad of kabel de gewenste spanning kan worden gegegven
  1. Spannschloss
  2. Spannschraube
noun
1. een gehard stalen stift met schroefdraad om in een gat binnenschroefdraad te tappen
Gewindebohrer
/ˈdraxbar/, /ˈdraχbar/
adjective
1. te dragen, met de mogelijkheid gedragen te worden
tragbar
/ˈdraxbar/, /ˈdraχbar/
noun
1. een baar waarop iets gedragen kan worden
Tragbahre
noun
1. ongemoduleerde elektromagnetische radiogolf
Trägersignal
noun
1. frequentie van een draaggolf
Trägerfrequenz
/ˈdraːɣ.mudər/
noun
  1. Leih­mut­ter
  2. Leihmutter
noun
1. stok waaraan men iets draagt
  1. Tragjoch
  2. Tragstange
noun
  1. 3. een ondersteunende groep
    Basis
  2. 1. een vlak waarop een last gedragen wordt
    Tragfläche
  3. 2. een vleugel van een vliegtuig
    1. Tragfläche
    2. Tragflügel
noun
1. een machine die een ingeklemd werkstuk ronddraait zodat dit met beitels en boren kan worden bewerkt
  1. Drehbank
  2. Drehmaschine
noun
Drehbuch
noun
1. constructie van drie of vier deurbladen die rondom een gezamenlijke verticale as kunnen draaien, ter vervanging van een gewone deur m.n. gebruikt in winkels, ziekenhuizen enz.
Drehtür
/ˈdraːi̯ən/
verb
1. om een middelpunt bewegen
drehen
noun
1. iemand die met een draaibank werkt
Dreher
noun
Drehung
noun
1. iemand die voortdurend van mening verandert
Wendehals
noun
1. strijkinstrument met strijkwiel
Drehleier
noun
Karussell
noun
1. een mechanisch bediend of automatisch spelend orgel, meestal op straat spelend
  1. Drehorgel
  2. Leierkasten
noun
Drehpunkt
noun
1. zitmeubel voor één persoon waarvan de zitting kan draaien vooral in gebruik in kantoren
Drehstuhl
noun
Drefeld
pronoun
sterrenbeeld nabij de noordelijke hemelpool
Drache
/draːk/
noun
  1. 1. fabeldier
    1. Drache
    2. Drachen
  2. 2. open zeiljacht
    Drachen
/drɑxtəx/
adjective
1. (van dieren) zwanger
trächtig
/drɑf/
noun
  1. 2. looppas
    Laufschritt
  2. 1. draf bij viervoeters
    Trab
  3. 3. bezinksel
    Trester
verb
  1. 1. al van de vloer houdend vervoeren
  2. 2. als kledingstuk of sieraad aanhebben
tragen
noun
  1. 5. voorwerp dat iets ondersteund
    1. Stütze
    2. Unterlage
  2. 2. een dunne laag van een fotografische film die de lichtgevoelige emulsie beschermt...
    Zelluloid
/ˈdraɣɔn/
noun
2. kruid
  1. Estragon
  2. Dragon
noun
1. vochtafvoering
Drainage
noun
1. het bloed van een draak
Drachenblut
pronoun
1.
Drakensberge
noun
  1. 1. een droevige of aangrijpende gebeurtenis
  2. 2. een bepaald soort film of toneelstuk
Drama
noun
1. innerlijke neiging om iets te doen
  1. Antrieb
  2. Trieb
/drɑŋk/
noun
  1. 2. vloeistof om de dorst te lessen
  2. 1. alcoholhoudende vloeistof
  1. Getränk
  2. Trunk
noun
  1. 2. glaasje drank
    1. Drink
    2. Getränke
  2. 3. vloeibaar medicament
    1. Saft
    2. Sirup
/drɑŋkzʏxt/
noun
1. een ziekelijk verlangen naar alcoholische dranken
Trunksucht
/ˈdrɑs.tis/, /ˈdrɑs.tɪs/
adjective
1. doelgericht zeer ingrijpend
drastisch
verb
1. van paarden
traben
noun
1. grassoort
Trespe
noun
1.
Dreidel
noun
1. een alleen nog uitgesproken bestraffende behandeling
Drohung
verb
1. een bestraffende handeling in het vooruitzicht stellen
drohen
/ˈdrɛŋkə(n)/
verb
2. drinken geven aan
tränken
/ˈdrɛntə/
pronoun
1. provincie in het noorden van Nederland, die door Friesland, Groningen, Overijssel en het Duitse Nedersaksen wordt begrensd
Drenthe
pronoun
1.
Dresden
/ ˈdrɛsɪŋ /
noun
1. een soort saus, die meestal bestaat uit een combinatie van olie, water, citroensap of azijn en kruiden; saus, slasaus, vinaigrette
Dressing
noun
Durchschlag
cardinalNumeral
1. telwoord
  1. drei
  2. Drei
noun
1. het cijfer 3
  1. Drei
  2. drei
noun
Trinität
adjective
1. met drie afmetingen, hoogte, breedte en diepte
dreidimensional
noun
1. kleine vis die inheems is in de Benelux, Gasterosteus aculeatus
Stichling
noun
1. tweedimensionale geometrische vorm, bestaande uit 3 hoeken en 3 zijden
Dreieck
noun
1. kleine tweekleppige zoetwaterschelp, oorspronkelijk uit het bekken van de Kaspische ...
Wandermuschel
/ˈdriˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 300
dreihundert
cardinalNumeral
1. het getal 308
dreihundertacht
cardinalNumeral
1. het getal 338
dreihundertachtunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 398
dreihundertachtundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 388
dreihundertachtundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 328
dreihundertachtundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 348
dreihundertachtundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 358
dreihundertachtundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 368
dreihundertachtundsechzig
/ˌdrihɔndərtˈɑxtənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 378
dreihundertachtundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 318
dreihundertachtzehn
cardinalNumeral
1. het getal 313
dreihundertdreizehn
cardinalNumeral
1. het getal 330
dreihundertdreißig
cardinalNumeral
1. het getal 303
dreihundertdrei
cardinalNumeral
1. het getal 333
dreihundertdreiunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 393
dreihundertdreiundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 383
dreihundertdreiundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 323
dreihundertdreiundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 343
dreihundertdreiundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 353
dreihundertdreiundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 363
dreihundertdreiundsechzig
/ˌdrihɔndərˈdrijənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 373
dreihundertdreiundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 301
dreihunderteins
cardinalNumeral
1. het getal 331
dreihunderteinunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 391
dreihunderteinundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 381
dreihunderteinundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 321
dreihunderteinundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 341
dreihunderteinundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 351
dreihunderteinundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 361
dreihunderteinundsechzig
/ˌdrihɔndərtˈenənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 371
dreihunderteinundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 311
dreihundertelf
cardinalNumeral
1. het getal 309
dreihundertneun
cardinalNumeral
1. het getal 339
dreihundertneununddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 399
dreihundertneunundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 389
dreihundertneunundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 329
dreihundertneunundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 349
dreihundertneunundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 359
dreihundertneunundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 369
dreihundertneunundsechzig
/ˌdrihɔndərtˈneɣənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 379
dreihundertneunundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 319
dreihundertneunzehn
cardinalNumeral
1. het getal 390
dreihundertneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 380
dreihundertachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 310
dreihundertzehn
cardinalNumeral
1. het getal 312
dreihundertzwölf
cardinalNumeral
1. het getal 302
dreihundertzwei
cardinalNumeral
1. het getal 332
dreihundertzweiunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 392
dreihundertzweiundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 382
dreihundertzweiundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 322
dreihundertzweiundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 342
dreihundertzweiundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 352
dreihundertzweiundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 362
dreihundertzweiundsechzig
/ˌdrihɔndərˈtwejənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 372
dreihundertzweiundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 320
dreihundertzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 314
dreihundertvierzehn
cardinalNumeral
1. het getal 340
dreihundertvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 304
dreihundertvier
cardinalNumeral
1. het getal 334
dreihundertvierunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 394
dreihundertvierundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 384
dreihundertvierundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 324
dreihundertvierundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 344
dreihundertvierundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 354
dreihundertvierundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 364
dreihundertvierundsechzig
/ˌdrihɔndərtˈfirənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 374
dreihundertvierundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 305
dreihundertfünf
cardinalNumeral
1. het getal 335
dreihundertfünfunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 395
dreihundertfünfundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 385
dreihundertfünfundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 325
dreihundertfünfundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 345
dreihundertfünfundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 355
dreihundertfünfundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 365
dreihundertfünfundsechzig
/ˌdrihɔndərtˈfɛifənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 375
dreihundertfünfundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 315
dreihundertfünfzehn
cardinalNumeral
1. het getal 350
dreihundertfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 306
dreihundertsechs
cardinalNumeral
1. het getal 336
dreihundertsechsunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 396
dreihundertsechsundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 386
dreihundertsechsundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 326
dreihundertsechsundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 346
dreihundertsechsundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 356
dreihundertsechsundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 366
dreihundertsechsundsechzig
/ˌdrihɔndərtˈsɛsənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 376
dreihundertsechsundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 316
dreihundertsechzehn
cardinalNumeral
1. het getal 360
dreihundertsechzig
/ˌdrihɔndərtˈsøvən/
cardinalNumeral
1. het getal 307
dreihundertsieben
/ˌdrihɔndərtˈsøvənənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 337
dreihundertsiebenunddreißig
/ˌdrihɔndərtˈsøvənəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 397
dreihundertsiebenundneunzig
/ˌdrihɔndərtˈsøvənənˌtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 387
dreihundertsiebenundachtzig
/ˌdrihɔndərtˈsøvənənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 327
dreihundertsiebenundzwanzig
/ˌdrihɔndərtˈsøvənəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 347
dreihundertsiebenundvierzig
/ˌdrihɔndərtˈsøvənəɱˌvɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 357
dreihundertsiebenundfünfzig
/ˌdrihɔndərtˈsøvənənˌsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 367
dreihundertsiebenundsechzig
/ˌdrihɔndərtˈsøvənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 377
dreihundertsiebenundsiebzig
/ˌdrihɔndərtˈsøvənˌtin/
cardinalNumeral
1. het getal 317
dreihundertsiebzehn
/ˌdrihɔndərtˈsøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 370
dreihundertsiebzig
/ˈdriklɑŋk/
noun
  1. 2. akkoord van drie verschillende tonen
    Dreiklang
  2. 1. een foneem dat uit drie klinkers bestaat die binnen één lettergreep in elkaar overgaan
    Triphthong
pronoun
  1. Heilige Drei Könige
  2. Dreikönige
  3. Dreikönigstag
noun
  1. Dreikönigskuchen
  2. Königskuchen
adjective
met drie koppen
dreiköpfig
adverb
1. in drie gevallen
  1. dreimal
  2. drei Mal
adjective
1. met of aan twee kanten, belangen, partijen etc;
dreiseitig
cardinalNumeral
1. het getal 33
dreiunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 93
dreiundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 83
dreiundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 23
dreiundzwanzig
cardinalNumeral
23000
dreiundzwanzigtausend
cardinalNumeral
1. het getal 43
dreiundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 53
dreiundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 63
dreiundsechzig
/ˈdrijənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 73
dreiundsiebzig
noun
1. gas dat in spuitbussen gebruikt wordt om de inhoud onder druk te zetten
Treibstoff
noun
  1. Pleuel
  2. Pleuelstange
  3. Treibstange
noun
1. bodem bestaand uit heel kleine korreltjes vergruisd gesteente, verzadigd met zoveel water dat alles wat zwaar is er in wegzakt
Treibsand
verb
  1. e1. op het oppervlak van een vloeistof rusten
    schwimmen
  2. o1. iets of iemand voor zich uit doen bewegen
    treiben
noun
Presslufthammer
/ˈdrɪŋgbekər/
noun
1. een beker waaruit gedronken kan worden
Trinkbecher
/'drɪŋkə(n)/
noun
  1. trinken
  2. saufen
noun
1.
Trinkgeschirr
noun
water dat geschikt is om gedronken te worden
Trinkwasser
noun
badminton slag
Drive
noun
1. de mate van droef zijn
Traurigkeit
noun
1. drab die in wijn achterblijft na de fermentatie
Geläger
adverb
  1. traurig
  2. betrübt
verb
1. vocht laten of doen verdampen
  1. trocknen
  2. abtrocknen
noun
winkel van een drogist
Drogerie
/ˈdrɔx.re.də(n)/, /ˈdrɔχ.re.də(n)/
noun
1. een reden of redenering die niet klopt, maar wel aannemelijk lijkt
Trugschluss
noun
1. uitwerpsel, ontlasting
  1. Haufen
  2. Kot
  3. Scheiße
noun
1. Camelus dromedarius, herkauwer uit Afrika met vetbult op de rug
Dromedar
verb
  1. 1. ervaren van een reeks gebeurtenissen of beelden tijdens de slaap
  2. je een voorstelling maken van wat je graag wil
träumen
noun
Träumer
/drɔŋkə(n)/
adjective
1. onder invloed van alcohol
betrunken
noun
het zwaar onder invloed van alcohol zijn
  1. Trunkenheit
  2. Betrunkenheit
/droːx/
adjective
1. geen of zeer weinig vocht bevattend.
trocken
/ˈdroxduk/
noun
1. een doek waarmee men kan afdrogen
Geschirrtuch
noun
2. droogzetinrichting voor schepen
Dock
noun
  1. Trockner
  2. Wäschetrockner
noun
1.1 constructie met horizontale spijlen, gebruikt om gewassen wasgoed op te hangen zodat het kan drogen
Wäscheständer
noun
1. lange periode zonder of met minder neerslag
  1. Dürre
  2. Trockenheit
noun
  1. Wäschetrockner
  2. Trockner
adverb
1. op een neutrale toon
trocken
noun
  1. 1. beelden die men ziet wanneer men slaapt
  2. 2. een gedachte waarvan met graag had gehad dat ze werkelijkheid werd
Traum
noun
  1. slag waarmee de shuttle vlak achter het net wordt gespeeld
    1. Drop
    2. Stoppball
  2. zwart gekleurd snoepgoed
    1. Lakritze
    2. Lakritz
verb
  1. 2. iemand ergens afzetten
    absetzen
  2. 3. uit een vliegtuig laten neerkomen
    abwerfen
  3. 1. druppen, druppelen
    tropfen
noun
Drost
noun
Droge
noun
Rauschgifthandel
noun
Drogenhändler
noun
1. iemand die naar een plek reist om daar drugs te kopen en gebruiken
Drogentourist
/'drɵksfər'slaːfdə/
noun
1. Verslaafd persoon
  1. Drogensüchtiger
  2. Drogenabhängiger
  3. Junkie
noun
2. vrucht van de wijnstok
  1. Traube
  2. Weintraube
noun
Dussel
verb
tropfen
noun
1. geslachtziekte veroorzaakt door de bacterie Neisseria gonorrhea
  1. Tripper
  2. Gonorrhö
noun
1. een vruchtensap bereid uit druiven
Traubensaft
noun
1. bundel druiven
  1. Traube
  2. Beerentraube
adjective
  1. 2. weinig tijd latend, veel tijd eisend (van bezigheden)
    1. anspruchsvoll
    2. fordernd
  2. 4. met veel mensen, bedrijvigheid of verkeer
    1. belebt
    2. geschäftigd
    3. voll
    4. überfüllt
  3. 1. weinig tijd hebbend
    1. beschäftigd
    2. vielbeschäftigd
  4. 3. zeer actief zijnde
    1. lebhaft
    2. rastlos
noun
1. pressie, kracht die over een oppervlakte uitgeoefend wordt
Druck
verb
1. kracht uitoefenen op
drücken
adjective
1. benauwd
schwül
noun
1. een persoon die afdrukken maakt
Drucker
noun
1. een gaslamp met een gloeikous die brandt op vloeibare brandstof die onder druk wordt vergast
Starklichtlampe
noun
2. het druk zijn
  1. Hektik
  2. Betrieb
noun
1. papier gevuld door een printer of een drukpers
Druckwerk
noun
1. iemand die (beroepshalve) slagwerk speelt
  1. Drummer
  2. Schlagzeuger
noun
Schlagzeug
/drɵ.pəl/
noun
Tropfen
/drʌpələ/
verb
tropfen
noun
1. mythologisch, vrouwelijk wezen dat in een bos of boom leeft
Dryade
/dʏp/
noun
1. een extra geluid dat ingebracht wordt in een bestaand geluidsfragment
Tonmischung
/ˈdʏbəl/
adjective
1. tweemaal voorhanden
doppelt
noun
1.
Doppelkonzert
noun
Doppeldecker
noun
Doppelgänger
noun
twee pionnen van dezelfde speler die achter elkaar op één lijn staan
Doppelbauer
noun
1.dubbelrietinstrument
Doppelrohrblattinstrument
/ˈdʏ.bəl.ˌstɛr/, /ˈdʏ.bəɫ.ˌstɛr/
noun
1. twee sterren die om elkaar heen bewegen
Doppelstern
/ˈdɵbəlcə/
noun
3. benaming voor muntstuk met de waarde van een tiende van een munteenheid
Groschen
noun
1. een scheikundig element met het symbool Db
Dubnium
adjective
1. grondig, met kracht, met volle inzet, niet te onderschatten
tüchtig
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Rijnland-Palts
Dudeldorf
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Nedersaksen
Duderstadt
noun
1. een muziekstuk voor twee uitvoerders (instrumenten of stemmen)
Duett
/dʏf/
adjective
  1. 2. slaperig
    1. dösig
    2. verschlafen
  2. 1. saai, doods
    langweilig
/ˈdœy̯dələk/
adverb
  1. 2. goed te herkennen
    deutlich
  2. 1. niet mis te verstaan
    1. deutlich
    2. klar
noun
1. het evident en vanzelfsprekend zijn
Deutlichkeit
/dœʏ̯f/, /dœːf/
noun
1. vogel die een koerend geluid maakt, uit de familie Columbidae
Taube
adjective
  1. Taubenblau
  2. taubenblau
noun
1. wandplank van een vat
Daube
noun
  1. Unterseeboot
  2. U-Boot
noun
  1. Schwimmbrille
  2. Taucherbrille
  3. Tauchmaske
noun
1. speeltuigje
Stehaufmännchen
/ˈdœy̯kə(n)/
verb
  1. 2.in het water springen zodat de armen eerst het water in gaan
    1. springen
    2. tauchen
  2. 1. het zich onder water voortbewegen (van bijvoorbeeld duikboten) of zwemmen (van mensen)
    tauchen
noun
1. iemand die voor beroep of plezier zich onder de waterspiegel begeeft
  1. Taucher
  2. Taucherin
noun
Taucherglocke
noun
1. een masker gebruikt bij het duiken
Tauchmaske
noun
1.
Tauchanzug
/dœy̯m/
noun
  1. 1. eerste, kortste en dikste vinger
    Daumen
  2. 2. lengtemaat
    Zoll
/dœʏ̯n/, /dœːn/
noun
Düne
noun
Dünenlandschaft
pronoun
1.
Duisburg
adjective
1. in weinig of geen licht badend
finster
noun
1. een toestand van weinig of geen verlichting
Dunkelheit
/dœʏ̯ts/, /dœːts/
adjective
1. betreffende Duitsland of het Duits
  1. deutsch
  2. deutsche
  3. deutschen
  4. deutscher
  5. deutsches
/dœʏ̯ts/, /dœːts/
pronoun
1. een taal die gesproken wordt in Duitsland, Oostenrijk, Zwitserland, Italië en België
  1. Deutsch
  2. deutsch
/ˈdœʏ̯tsə/, /ˈdœːtsə/
noun
1. een vrouw van Duitse komaf
Deutsche
pronoun
Deutsche Demokratische Republik
noun
1. hond uit een oorspronkelijk in Duitsland gefokt ras
Deutscher Schäferhund
/ˈdœʏ̯tsər/, /ˈdœːtsər/
noun
1. een inwoner van Duitsland
  1. Deutscher
  2. Deutsche
/ˈdœʏ̯tslɑnt/, /ˈdœːtslɑnd/, /ˈdœːtslɑnt/
pronoun
1. een Midden-Europese staat die wordt gevormd door een federatie van 16 deelstaten en die het Duits als officiële taal heeft
Deutschland
noun
Teufel
noun
1. afgesloten kistje waaruit door een springveer opeens een figuur te voorschijn komt
  1. Schachtelteufel
  2. Schachtelmännchen
noun
1.
Taubenschlag
noun
1. iemand die duiven kweekt
  1. Brieftaubenzüchter
  2. Taubenzüchter
noun
1. een duivenhok op een paal of boven een gebouw uitstekend
Taubenschlag
noun
  1. Taubenweibchen
  2. Täubin
noun
1. het gevoel zijn evenwicht te verliezen
Schwindel
/ˈdœy̆zənt/
noun
1000
  1. tausend
  2. eintausend
noun
Gemeine Schafgarbe
noun
1. geleedpotig dier met een groot aantal poten uit de klasse Chilopoda
  1. Hundertfüßler
  2. Hundertfüssler
noun
1. oude munt
Dukat
noun
1. een in het water geplaatst stelsel van zware palen dat dient om schepen aan vast te leggen of...
  1. Dalbe
  2. Duckdalbe
  3. Dückdalbe
adjective
1. knop op vlaggenstok
  1. Fahnenspitze
  2. Fahnenstangenspitze
verb
1. bereid zijn iets ongestraft te laten
  1. ertragen
  2. dulden
pronoun
1.
Dülken
verb
  1. 2. storten, lozen
    abladen
  2. 3. zich ontdoen van (dingen en mensen)
    1. abschieben
    2. loswerden
  3. 4. een relatie beëindigen, een geliefde afdanken
    1. fallen lassen
    2. Schluß machen
  4. 1. produkten onder de gangbare prijs verkopen
    zu Dumpingpreisen verkaufen
/dʏn/
adjective
2. van geringe dikte
dünn
verb
1. voorkomen
dünken
noun
1. bepaalde soort vis, Chelon ramada
Dünnlippige Meeräsche
/ˈdʏ.nə/
noun
2. darmstoornis die dunne ontlasting veroorzaakt
  1. Dünnpfiff
  2. Dünnschiss
noun
1. deel van het spijsverteringskanaal tussen de maag en de dikke darm
Dünndarm
noun
1. Abra sp.
Pfeffermuschel
noun
1. gebruiksvoorwerp
Sparschäler
noun
2. duozitting
Reitkissen
noun
1. 1075
Duodezilliarde
noun
1. 1072
Duodezillion
noun
1.
Duodezime
noun
1. duool
Duole
noun
1. iemand die achterop de scooter, brom- of motorfiets meerijdt
Sozius
noun
1. een identiek tweede exemplaar van iets
Duplikat
/'dyːrə(n)/
verb
1. een bepaalde tijd in beslag nemen
  1. dauern
  2. währen
noun
1. enige tetraploïde tarwesoort die nog veel wordt verbouwd
Hartweizen
verb
1. ~ te de moed hebben om iets gewaagds te doen
  1. wagen
  2. trauen
conjunction
1.om die reden, daarom
  1. also
  2. deshalb
adverb
1. in die mate
  1. dermaßen
  2. derart
/dʏt/
noun
  1. Schläfchen
  2. Nickerchen
  3. Siesta
verb
  1. tijdsbestek
    Dauer
  2. niet goedkoop
    teuer
/ˈdyːr.zam/
adjective
1. lang meegaand
  1. dauerhaft
  2. nachhaltig
noun
2.
Nachhaltigkeit
/dyu̯/
noun
1. een zet, een stoot
  1. Stoß
  2. Schubs
/dy.ʋǝⁿ/
verb
1. door druk uit te oefenen doen voortbewegen
  1. stoßen
  2. drücken
noun
1. de afkorting voor digital versatile disc,...
DVD
noun
1. een reeks misleidende aanwijzingen nagelaten om iemand van het juiste spoor weg te leiden
  1. Abweg
  2. Irrweg
adjective
1. onverstandig, gek
  1. töricht
  2. närrisch
noun
1. iemand die onverstandig denkt en/of handelt
Tor
/dʋɑŋ/
noun
Zwang
noun
1. werk dat onder dwang gedaan moet worden
Zwangsarbeit
noun
Zwangsarbeiter
noun
1. een kledingstuk dat de drager bewegingsvrijheid van de armen en handen ontneemt
Zwangsjacke
/dʋɑrs/
adjective
quer
/dʋɑrs/
adverb
  1. 2. dwarsliggen
    sich in die Quere kommen
  2. 3. iemand iets dwarszitten
    stören
  3. 1.
    über
/ˈdwɑrzbomə(n)/
verb
1. tegenwerken, moeilijkheden geven
  1. behindern
  2. entgegenarbeiten
  3. querschlagen
  4. sabotieren
  5. stören
/ˈdʋɑrsflœʏt/
noun
1. een blaasinstrument dat dwars op de lippen geblazen wordt
Querflöte
adjective
querschiffs
/dʋɛi̯l/
noun
1. een stuk weefsel in natte vorm gebruikt om een gladde vloer te reinigen
  1. Wischtuch
  2. Feudel
noun
1. kleinste soort knaagdier van Europa Micromys minutus
Zwergmaus
noun
1.
Zwergplanet
noun
1. zeer kleine staat
Zwergstaat
noun
1. kleinste soort van de vinvissen, Balaenoptera acutorostrata
Zwergwal
verb
1. iemand tegen zijn wil iets opleggen
zwingen
noun
Dynamik
noun
springstof waarin nitroglycerine door een poreuze stof wordt vastgehouden
Dynamit
noun
Dynamo
/ˌdɪsfaˈzi/
noun
1. een ontwikkelingsstoornis bij kinderen
Dysphasie
noun
1.
Dysphemismus
noun
1. gestoorde werking
Fehlfunktion
noun
1. scheikundig element met symbool Dy en atoomnummer 66
Dysprosium
noun
1. stoornis in de spierspanning
Dystonie
noun
Dystopie
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Dülmen
pronoun
  1. 1. een district in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
  2. 1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Düren
pronoun
1.
Düsseldorf
noun
2. afkorting voor de toonsoort
E
noun
  1. 1. de toonnaam
  2. 2. afkorting van “e-mineur”
e
abbreviation
  1. 1. het akkoord e - gis - b
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
E-Dur
abbreviation
  1. 1. het akkoord e-g-b
  2. 2. de toonsoort
e-Moll
noun
1. een fiets met een elektrische motor
E-Bike
/eˈɣrot/, /ʔeˈχrot/
abbreviation
  1. 1. het akkoord e - gis - b
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
E-Dur
abbreviation
1. het akkoord e-gis-b
E-Dur-Akkord
noun
1. een majeurtoonladder met “e” als grondtoon
E-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met e als grondtoon
E-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “e” als grondtoon
E-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “e” als grondtoon
E-Dur-Tonleiter
/e'klɛɪn/, /e'klɛːn/
abbreviation
  1. 1. het akkoord e-g-b
  2. 2. de toonsoort
e-Moll
abbreviation
1. het akkoord e-g-b
e-Moll-Akkord
noun
1. een mineurtoonladder met “e” als grondtoon
e-Moll-Tonart
noun
1. een kleinetertstoonladder met “e” als grondtoon
e-Moll-Tonleiter
noun
1. een mineurtoonladder met “e” als grondtoon
e-Moll-Tonleiter
/ˈiːmeːɫ/, /ˈiːmɪːɫ/
noun
  1. 1. systeem voor het verzenden van berichten via een computernetwerk
  2. 2. bericht dat verstuurd is via e-mail
E-Mail
noun
1. adres voor het ontvangen en verzenden van e-mail
  1. E-Mail-Adresse
  2. Mail-Adresse
/eˈɣrot/, /ʔeˈχrot/
abbreviation
  1. 1. het akkoord e - gis - b
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
E-Dur
abbreviation
1. het akkoord e-gis-b
E-Dur-Akkord
noun
1. een grotetertstoonladder met “e” als grondtoon
E-Dur-Tonart
noun
1. een grotetertstoonladder met "e" als grondtoon
E-Dur-Tonleiter
noun
1. een grotetertstoonladder met "e" als grondtoon
E-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “e” als grondtoon
E-Dur-Tonleiter
/e'klɛɪn/, /e'klɛːn/
abbreviation
  1. 1. het akkoord e-g-b
  2. 2. de toonsoort
e-Moll
abbreviation
1. het akkoord e-g-b
e-Moll-Akkord
noun
1. een kleinetertstoonladder met “e” als grondtoon
e-Moll-Tonart
noun
1. een kleinetertstoonladder met “e” als grondtoon
e-Moll-Tonleiter
noun
1. een kleinetertstoonladder met “e” als grondtoon
e-Moll-Tonleiter
noun
1. een grotetertstoonladder met e als grondtoon
E-Dur-Tonleiter
/ˌodəkoˈlɔɲə/
noun
1. keulswater, reukwater
Kölnisch Wasser
noun
1. een getijde waarbij het water van de zee zakt, in tegenstelling tot vloed, waarbij het water stijgt
Ebbe
noun
1, edele houtsoort
Ebenholz
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Brandenburg
Eberswalde
/ˈɛ.xo/, /ˈɛ.χo/
noun
1. een hoorbare terugkaatsing van een gemaakt geluid
Echo
noun
1. beeld (of foto) van organen dat gemaakt wordt via geluidsgolven die worden teruggekaatst
  1. Sonografie
  2. Echografie
adjective
1. de echografie betreffend
echografisch
noun
1. het dwangmatig herhalen van woorden of zinnen, zonder de betekenis ervan daadwerkelijk te doorgronden
Echolalie
noun
Echoortung
noun
1. mensen die met elkaar getrouwd zijn
Eheleute
conjunction
1. een beperkende tegenwerping, introduceert een zin(sdeel) dat het voorgaande zin(sdeel) beperkt
  1. allerdings
  2. jedoch
  3. indessen
  4. aber
  5. indes
pronoun
1. en 2.
Echternach
/ˈɛxtxəˌnot/
noun
1. een mannelijke huwelijkspartner
  1. Ehemann
  2. Gatte
/ˈɛxtxəˌnotə/, /ˈɛχtχəˌnotə/
noun
1. een vrouwelijke huwelijkspartner
  1. Ehefrau
  2. Frau
noun
1. twee mensen die met elkaar getrouwd zijn
Ehepaar
noun
1. formele verbreking van een huwelijksband
  1. Scheidung
  2. Ehescheidung
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Sleeswijk-Holstein
Eckernförde
noun
1.
Eclair
adjective
  1. eklektisch‎
  2. eklektisch
/eˈklɪps/
noun
1. het verschijnsel waarbij een ster en twee of meer andere hemellichamen in één lijn komen te staan, waardoor de schaduw van het ene hemellichaam het andere verduistert
Eklipse
noun
1. een bril die de ogen beschermt bij het kijken naar de zon
Sonnenfinsternisbrille
/ˌe.ko.lo.ˈɣi/, /ˌe.ko.lo.ˈχi/
noun
1. de tak van wetenschap die het samenspel tussen organismen onderling en hun relatie met hun omgeving bestudeert
Ökologie
adjective
ökologisch
/ˌe.ko.ˈlox/, /ˌe.ko.ˈloχ/
noun
1. een wetenschapper die het samenspel tussen organismen onderling en hun relatie met hun omgeving bestudeert
  1. Ökologe
  2. Ökologin
noun
  1. 2. het geheel van productie, handelsverkeer en diensten binnen een bepaalde regio
    1. Wirtschaft
    2. Ökonomie
  2. 1. de leer die zich bezighoudt met de voortbrenging en verdeling van schaarse goederen en diensten
    Wirtschaftswissenschaft
adjective
  1. economische crisis
    Wirtschaftskrise
  2. 1. betreffende economie
    1. wirtschaftlich
    2. ökonomisch
noun
1. deskundige op het gebied van de economie
  1. Wirtschaftswissenschaftler
  2. Ökonom
noun
1. alle organismen in hun leefomgeving.
Ökosystem
noun
Ektoplasma
noun
1. oppervlakkige huidaandoening
Ekzem
adjective
edel
noun
1. de naam voor elk element uit de achtste chemische reeks van het periodiek systeem
Edelgas
noun
1. Cervus elaphus, hertensoort
Rothirsch
noun
1. iemand die tot de adel behoort
Edelmann
noun
1. een metaal dat niet licht aan corrosie of oxidatie ten prooi valt
Edelmetall
noun
1. een stuk edelgesteente
  1. Edelstein
  2. Juwel
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Rijnland-Palts
Edenkoben
pronoun
2. spelwoord voor de letter e
Emil
noun
Edukation
/et/
noun
1. een plechtige verzekering dat men de waarheid spreekt of een belofte zal nakomen
  1. Eid
  2. Schwur
noun
1. echtgenoot of echtgenote
  1. Ehegespons
  2. Ehepartei
  3. Gespons
/ˈekˌhoːrn/
noun
1. benaming voor knaagdieren uit de familie Sciuridae
  1. Eichhörnchen
  2. Hörnchen
noun
1. Bolletus edulis, een eetbare paddenstoel
Steinpilz
noun
1. verdikking van de huid
Schwiele
/ems/
pronoun
Ems
pronoun
Ems-Jade-Kanal
pronoun
Ems-Vechte-Kanal
adjective
  1. ein
  2. eins
verb
  1. 1. worden afgewezen door iemand die je amoureus benaderd hebt
    einen Korb bekommen
  2. een blauwtje laten lopen (afwijzen, weigeren een verzoek in te willigen)
    einen Korb geben
phraseologicalUnit
1. iets kopen zonder te weten wat de koopwaar is
die Katze im Sack kaufen
phraseologicalUnit
1. een kat in het nauw maakt rare sprongen
eine gequälte Katze findet den Weg ins Freie, auch wenn das Fenster geschlossen ist
/enˈtwetʲə/
noun
1.
Doppelpass
noun
Einbeere
noun
Monobraue
/eːnt/
noun
1. benaming voor veel watervogels uit de familie Anatidae
  1. Ente
  2. Hausente
noun
1. insect uit de orde Ephemeroptera
Eintagsfliege
noun
1.
  1. Entenkoje
  2. Vogelkoje
noun
Andelever
noun
1.
Entenfett
noun
Eintracht
/enˈdœydəx/
adjective
1. zonder twijfel
eindeutig
cardinalNumeral
1. het getal 31
einunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 91
einundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 81
einundachtzig
/ˌe.nən.ˈtʋɪn.təχ/
cardinalNumeral
1. het getal 21
einundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 41
einundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 51
einundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 61
einundsechzig
/ˈenənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 71
einundsiebzig
noun
1.
Elementarzelle
noun
Einhorn
adjective
1.
einsilbig
adverb
1. een enkele keer
einmal
adjective
1. wat één keer gebeurt
einmalig
adjective
1. in het bezit van (slechts) één oog
einäugig
noun
1. een gezin met slechts één ouder
Einelternfamilie
adjective
1. dezelfde mening hebbend
  1. einmütig
  2. einträchig
adjective
2. volledig met een stem sprekend, met instemming van iedereen
einstimmig
noun
1. afwezigheid van pracht en praal
Einfachheit
noun
1. de hoedanigheid van het eenzaam zijn
Einsamkeit
noun
2. eenling
Einzelgänger
adjective
1. met of aan één kant, belang, partij etc.
  1. einseitig
  2. unilateral
/er/
noun
1. aanzien, roem
Ehre
noun
Ehrfurcht
conjunction
1. geeft een tijdstip aan voor hetwelk iets anders plaatsheeft
  1. bevor
  2. ehe
/ˈeːrɣɪstər/, /ˈɪːrχɪstər/
adverb
1. de voorlaatste dag die voltooid is
vorgestern
/ˈɪːrɣɪstərə(n)/, /ˈɪːrχɪstərə(n)/
adverb
1. de voorlaatste dag die voltooid is
vorgestern
noun
Rehabilitation
/ˈeːrlək/
adverb
1. vrij van leugen en bedrog
ehrlich
noun
1. het vertellen van de waarheid
Ehrlichkeit
noun
Verleumdung
noun
1. eerste kwartier
  1. Halbmond
  2. erste Viertel
noun
1. de dag waarop christenen vieren dat Jezus opgestaan is uit de dood, op de derde dag na zijn kruisiging
erster Osterfeiertag
phraseologicalUnit
1. grammaticale term die de spreker of sprekers aanduidt.
erste Person
pronoun
1. een militair conflict op wereldschaal, dat van 28 juli 1914 tot 11 november 1918 plaatsvond
Erster Weltkrieg
adjective
ehrenvoll
/ˈer.wrak/
noun
Ehrenmord
noun
1. verlangen naar eer of roem
Ehrgeiz
/ˈeːitbaːr/, /ˈeːtbaːr/
adjective
1. geschikt om gegeten te worden
essbar
noun
1. een café waar ook maaltijden verkregen kunnen worden
Lokal
noun
1. voorwerpen die men gebruikt bij het nuttigen van de maaltijd
Essgeschirr
/ˈetkamər/
noun
1. een kamer waar maaltijden worden genuttigd
  1. Esszimmer
  2. Speisezimmer
noun
1. de behoefte om voedsel tot zich te nemen.
  1. Appetit
  2. Esslust
noun
Essstäbchen
/eːu̯/
noun
1. een periode van 100 jaar
Jahrhundert
/eːwɪx/, /eːʋəχ/, /eːβ̞əx/
adjective
1. voortdurend, zonder einde
ewig
/ɪːβ̞əχɛɪ̯t/
noun
1. alle tijd die nog zal komen
Ewigkeit
noun
4. tabel met de stand van de zon, de maan en de planeten voor elke dag van het jaar
Ephemeriden
/e.ˈfe.zə/
pronoun
1. in de oudheid een grote Ionische haven- en handelsstad
Ephesos
pronoun
1. boek in het Nieuwe Testament
  1. Epheserbrief
  2. Epheser
noun
  1. 1. uitwerking
    Effekt
  2. 2. verhandelbaar waardepapier
    Effekten
adverb
1. doeltreffend
effektiv
verb
1. gelijk of vlak maken
ebnen
adjective
1. nuttig effect hebbend
effizient
noun
1. de mate waarin nuttig gebruik gemaakt wordt van het beschikbare bij een bepaald proces
Effizienz
/ɛx/, /ɛχ/
noun
1. een landbouw- of tuinbouwwerktuig dat gebruikt wordt voor het zaaiklaar maken van de grond
Egge
/ˈexəl/
noun
1. bepaald soort zoogdier Erinaceus europaeus
Igel
noun
1. wilde roos met gestekelde takken, geurige blaadjes, felroze bloemen en scharlaken bottels
  1. Weinrose
  2. Zaunrose
pronoun
  1. Ägäisches Meer
  2. Ägäis
adjective
2. zichzelf als het middelpunt van alles zien
egozentrisch
/xxxx/
noun
1. het uitsluitend op eigen belangen en gewin uit zijn
Egoismus
noun
1. een zelfzuchtig persoon
Egoist
adjective
1. zelfzuchtig, gefocust op eigen voordeel
egoistisch
/e.ˈɣɪp.tə/, /e.ˈχɪp.tə/
pronoun
1. een Arabisch land op de grens van Afrika en Azië
  1. Ägypten
  2. Altes Ägypten
/ɛɪ/, /ɛɪ̯/, /ɛː/
noun
1. dierlijk voedingsmiddel voor de mens in een schaal
Ei
noun
1. bepaald soort zeevogel, Somateria mollissima
  1. Eiderente
  2. Eidergans
adjective
1. betrekking hebbend op de visuele vermogens
eidetisch
noun
1. het binnenste, gele deel, van een ei
  1. Eigelb
  2. Eidotter
/ˈɛijərbir/
noun
1. drank gemaakt met warm bier en geklopte eieren
Eierbier
noun
1. sierlijke beweging op muziek waarbij je geblinddoekt op de grond liggende eieren moet ontwijken
Eiertanz
noun
1. eierschaal
Eierschale
noun
1. iemand die handelt in eieren
Eierhändler
noun
Eierstecher
noun
Eierschneider
noun
1. de gele eidooier die in het midden van het ei zit
  1. Eigelb
  2. Eidotter
phraseologicalUnit
1. een gezin en woning zijn het belangrijkste wat een mens kan hebben
  1. eigen Nest das best
  2. eigener Herd is Goldes wert
  3. eigenes Haus das beste
interjection
1. uitroep als iemand door eigen verwijtbaar gedrag zelf nadeel gaat ervaren
geschieht dir recht!
noun
1. iemand die iets in eigendom heeft
Eigentümer
noun
1. een bijzondere hoedanigheid
Eigenart
noun
  1. Eigeninteresse
  2. Eigennutz
/'ʔɛɪɣəndɔm/
noun
1. eigendomsrecht
Eigentum
noun
1. het meest omvattend zakeljike recht dat een eigenaar op zijn goed kan uitoefenen
Eigentumsrecht
noun
1. een naam waardoor men een mens, dier of ding zich van andere van dezelfde soort onderscheidt
Eigenname
adjective
  1. 1.
  2. 2.
zeitgenössisch
/ɛi̯k/, /ɛːk/
noun
1. Quercus, een geslacht van loofbomen
Eiche
/ˈɛɪkəɫ/
noun
    1. 1. vrucht van de eik
    2. 2. top van een penis
    Eichel
  1. 3. dom persoon; sufferd, zak
    1. Trottel
    2. Eichel
/ˈɛi̯kəˌblɑd/, /ˈɛi̯kəˌblɑt/, /ˈɛːkəˌblɑt/
noun
1. blad van een eikenboom
Eichenblatt
/ˈɛɪ̯kəblɑdˌsla/, /ˈɛɪ̯kəblɑtˌsla/, /ˈɛːkəblɑtˌsla/
noun
1. variëteit van sla
Eichenblattsalat
noun
Eichenlaub
noun
1. plaaginsect waarvan de rupsen voor de mens gevaarlijke brandharen heeft
Eichen-Prozessionsspinner
/ɛilɑnt/
noun
1. een stuk land dat omringd is door water
  1. Insel
  2. Eiland
/ˌɛilɑnt ˈmɛn/
pronoun
Insel Man
noun
1. iemand die op een eiland woont
  1. Insulaner
  2. Insulanerin
noun
1. soeverein gebied dat geheel door zee wordt omringd
Inselstaat
noun
1. deel van de geslachtsorganen van de vrouw
Eileiter
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Nedersaksen
Einbeck
/ɛɪ̯nd/, /ɛɪ̯nt/, /ɛːnt/
noun
Ende
phraseologicalUnit
1.
Ende gut, alles gut
noun
1. het resultaat dat men op het einde van een periode heeft behaald
  1. Abschlussbilanz
  2. Jahresbilanz
noun
1. de definitieve uitkomst van een onderzoek
Schlussfolgerung
/ˈɛɪ̯ndə/, /ˈɛːndə/
noun
1. het punt in ruimte of tijd waar iets ophoudt
Ende
adverb
1. na een (te) lange tijd.
  1. endlich
  2. schließlich
/ɛintəksamə/
noun
1. (onderwijs) het examen aan het eind van een cursus of studie
Abschlussprüfung
verb
1. iets tot een besluit voeren
  1. enden
  2. beendigen
noun
1. eindmaat
Endmaß
noun
1. eindmaatblok
Parallelendmaß
noun
1. scheikundig element met symbool Es en atoomnummer 99
Einsteinium
/ɛɪ̯s/
noun
1. een dwingende vraag
  1. Forderung
  2. Anspruch
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Eisenach
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Brandenburg
Eisenhüttenstadt
pronoun
1.
Eisenstadt
noun
Kläger
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Thüringen
Eisfeld
noun
1. het tijdstip dat de eicel door de eierstok wordt afgestoten
  1. Ovulation
  2. Eisprung
adjective
1. met de vorm van een ei
eiförmig
/ɛiwɪt/
noun
  1. 1. het deel van een ei waarin de dooier ligt
    1. Eiweiß
    2. Eiklar
  2. 2. een tot een klasse van polymere stoffen met een hoog moleculair gewicht...
    1. Protein
    2. Eiweiß
noun
Ejakulation
verb
sperma uitwerpen
ejakulieren
noun
Ejektion
/e.ˈka/
noun
1. een kampioenschap waarin de besten van Europa het tegen elkaar opnemen
  1. EM
  2. EUM
noun
1. bepaald soort zwartwitte kraaiachtige vogel, Pica pica
Elster
noun
1. een oude lengtemaat gebaseerd op de lengte van de menselijke ellepijp, gewoonlijk 60 à 70 cm
Elle
/ɛl.ˈsɑl.va.dɔr/, /ɛɫ.ˈsɑɫ.va.dɔr/
pronoun
1. land in Midden-Amerika dat grenst aan Guatemala, Honduras en de Stille Oceaan
El Salvador
/eˈlɑn/
noun
1. animo
  1. Elan
  2. Schwung
noun
1. een groot hert uit de poolstreken met een opvallend groot en breed vertakt gewei
  1. Elch
  2. Elen
noun
Elastizität
adjective
1. van elastiek gemaakt
elastisch
adjective
1. rekbaar
elastisch
noun
Elastomer
pronoun
1.
Elbsandsteingebirge
adverb
1.
anderswo
noun
Elektion
/eləˈɣɑnt/
adverb
1. een prettige uitstraling hebbend door de subtiele afwerking
elegant
noun
1. vakman op gebied van elektriciteit
  1. Elektriker
  2. Elektrikerin
/eˌlɛktrɪsiˈtɛɪt/
noun
2. de elektrische stroom als energiedrager
Elektrizität
noun
1. een krachtcentale waar elektriciteit wordt opgewekt
Elektrizitätswerk
adjective
1. door middel van elektriciteit
  1. elektrisch
  2. Elektrizitäts-
noun
1. een voertuig dat wordt aangedreven door een elektromotor
Elektroauto
noun
1.
Elektrisiermachine
abbreviation
1. hersenfilm
Elektroenzephalogramm
noun
Elektrochemie
noun
Elektrode
noun
1. elektrofiets
Elektrorad
noun
1. een verzamelnaam voor muziekinstrumenten die met elektronische middelen toon/geluid voortbrengen
Elektrophon
noun
1. een magneet waarvan het veld door een elektrische stroom veroorzaakt wordt
Elektromagnet
adjective
elektromagnetisch
noun
Elektromagnetismus
noun
Electromyografie
noun
1. een van de elementaire deeltjes, het lichtste deeltje met een elektrische lading
Elektron
noun
1. duidt aan hoe de elektronen over de diverse schillen verdeeld zijn
Elektronenkonfiguration
noun
1. groep van elektronen binnen een atoom met eenzelfde energieniveau
Elektronenhülle
noun
1. de tak van elektrotechniek die zich bezighoudt met het gedrag van elektronen...
Elektronik
noun
1. de studie en praktische toepassing van alles wat met elektriciteit en elektromagnetisme te maken heeft
Elektrotechnik
adjective
elektrotechnisch
noun
1. legering van goud en zilver
  1. Elektron
  2. Elektrum
noun
Element
noun
Elementarteilchen
cardinalNumeral
1. het getal 11
elf
pronoun
1. een regionale Noord-Germaanse taal die gesproken wordt in de Zweedse gemeente Älvdalen
Älvdalisch
adjective
1.
älvdalischsprachig
/ˈɛlf.də/, /ˈɛlv.də/
ordinalAdjective
1. nummer elf in een rij
elfte
noun
1. haringachtige, die paait in de bovenloop van rivieren en beken en ooit inheems was in de Benelux, Alosa alosa
Maifisch
noun
  1. 2. een groep van elf
    Elf
  2. 1. sportploeg die uit elf spelers bestaat
    1. Elf
    2. Mannschaft
/elimi'nasi/
noun
  1. 4. de afstoting van verstorven delen
    Abstoßung
  2. 3. het wegwerken van een grootheid die in twee of meer vergelijkingen voorkomt
    Elimination
    1. 1. verwijdering of wegwerking
    2. 2. een moord
    1. Elimination
    2. Eliminierung
verb
  1. 1. verwijderen uit de vergelijking
    eliminieren
  2. 2. verwijderen uit de bevolking, doden
    1. eliminieren
    2. beseitigen
    3. ausscheiden
/əl'kar/
reciprocalPronoun
  1. 1. als wederzijds lijdend voorwerp
    1. einander
    2. sich
  2. in elkaar lassen
    zusammenschweißen
noun
1. Gewricht
  1. Ellbogen
  2. Ellenbogen
noun
1. armoedige, beklagenswaardige omstandigheden
Elend
adjective
1. erg onaangenaam
  1. miserabel
  2. elendig
/ˈɛləpɛɪp/, /ˈɛləpɛːp/
noun
bot in de onderarm
Elle
noun
  1. 1. twee-dimensionale figuur die wordt gevormd door alle punten waarvoor de som ...
  2. 2. een stijlfiguur waarbij een lopende zin wordt afgebroken, die echter door...
Ellipse
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Ellwangen
noun
  1. 1. boomsoort
    1. Erle
    2. Erlenbaum
  2. 1. priem
    1. Ahle
    2. Pfriem
/ˈɛlzɑs/
pronoun
1. regio in Frankrijk
Elsass
/ɛlˈzɑsis/
noun
1. Een verzameling Alemannische dialecten die in de Elzas (Frankrijk) gesproken worden
Elsässisch
/'ɛlzəɦantʲə/
noun
1. bepaalde keversoort, Agelastica alni
Blauer Erlenblattkäfer
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Elztal
/eˈmɑj/
noun
    1. 2. met email bedekt voorwerp
    2. 3. tandglazuur
    Email
  1. 1. glasachtige deklaag
    1. Email
    2. Emaille
noun
3. ontvoogding, gelijkstelling voor de wet
Emanzipation
noun
1. concrete figuur voor een abstract begrip
Emblem
noun
Embolie
noun
1. een organisme in het eerste ontwikkelingsstadium na de bevruchting
Embryo
noun
1. de wetenschap die zich met het ongeboren leven bezighoudt
Embryologie
noun
1. longaandoening
Emphysem
noun
Auswanderung
/ˌemiˈχrɪːrə(n)/
verb
1. naar het buitenland verhuizen
  1. auswandern
  2. emigrieren
/emɪˈraːt/
noun
1. gebied van een emir
Emirat
noun
2. uitzending van kleine deeltjes of van licht of andere elektromagnetische straling
  1. Emission
  2. Schadstoffausstoß
noun
1. emissielijn
Emissionslinie
pronoun
1.
Emlichheim
pronoun
  1. 1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
  2. 2. een district in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Emmendingen
/ˈɛmər/
noun
1. busvormig vat (met hengsel), waarin men vloeistoffen of vaste stoffen kan verplaatsen
  1. Eimer
  2. Kübel
noun
1. bepaalde soort drietenige vogel Dromaius novaehollandiae
Emu
adjective
1. zeer vatbaar voor gevoelens
emotional
/ˌɛmpiˈri/
noun
Empirie
adjective
1. wat op ervaring of proefneming berust
empirisch
noun
Emulsion
conjunction
und
noun
Enzephalopathie
noun
1. een brief van de paus aan alle katholieke gelovigen
Enzyklika
/ˌɛnsiklopeˈdi/
noun
1. een gestructureerde en geschreven verzameling van menselijke kennis, in boekvorm of digitaal
  1. Enzyklopädie
  2. Encyklopädie
noun
medewerker aan een encyclopedie
Enzyklopädist
noun
1. laatste deel van het spijsverteringskanaal vlak voor de anus
Mastdarm
adjective
1. van nature alleen in een specifiek gebied voorkomend
endemisch
noun
1. de wetenschap die zich bezighoudt met de afscheidingen van klieren in het lichaam
Endokrinologie
noun
Endokrinologe
adjective
1. van binnen uit
endogen
noun
Endoskop
noun
1. (kijk)onderzoek van lichaamsholten of inwendige kanalen
Endoskopie
noun
1.
  1. Energetik
  2. Energetismus
adjective
1. met betrekking tot arbeid of energie
energetisch
/enər'ʒi/, /enɛr'ʒi/
noun
1. het vermogen iets te doen
Energie
adverb
1. aan de ene kant
einerseits
adjective
  1. 2. met weinig tussenruimte
    eng
  2. 1. angst veroorzakend
    1. gruselig
    2. schaurig
    3. unheimlich
noun
1. hemels wezen
Engel
noun
1. deel van het Verenigd Koninkrijk
England
noun
1. een koor van engelen
Engelschor
/ˈɛ.ŋ(g)əls/, /ˈɛ.ŋɔɫs/, /ˈɛ.ŋəɫs/
adjective
1. als van, in of betrekking hebbend op Engelsen, Engeland of het Engels
  1. englisch
  2. Englisch
/ˈɛ.ŋ(g)əls/, /ˈɛ.ŋɔɫs/, /ˈɛ.ŋəɫs/
pronoun
1. de taal
  1. Englisch
  2. englisch
noun
1. een grotere en lagere uitvoering van de hobo
  1. Englischhorn
  2. Altoboe
/ɛ.ŋɔɫs.mɑn/, /ɛ.ŋəls.man/, /ɛ.ŋəɫs.mɑn/
noun
1. iemand die in Engeland woont
Engländer
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Engen
noun
1. enharmonie
Enharmonik
adjective
1. enharmonisch
enharmonisch
adjective
  1. 1. leuk, aardig, schattig
    1. außergewöhnlich
    2. einmalig
  2. 2. uniek
    1. einzigartig
    2. einzig
indefinitePronoun
1. een kleine mate
etwas
adjective
1. niet dubbel, bijvoorbeeld enkel spoor, enkele reis
  1. einfach
  2. einzeln
adverb
1. niet dubbel
einfach
indefinitePronoun
1. weinig, een paar
  1. einige
  2. wenige
noun
1. gewricht dat de voet met het been verbindt
  1. Knöchel
  2. Fußknöchel
/ˈɛŋkəlˌblɑt/
noun
Einzelblatt
indefinitePronoun
1. een onbepaald, meestal klein aantal
  1. einige
  2. manche
noun
1. enkelrietinstrument
Einfachrohrblattinstrument
noun
1. een woord dat in die vorm naar één voorwerp of mens verwijst of dat aanduidt dat slechts één persoon de handeling uitvoert
  1. Singular
  2. Einzahl
/eˈnɔrm/
adjective
1. buitensporig groot
enorm
/ɑŋ.ˈkɛː.tə/, /ɑ̃.ˈkɛt/
noun
1. een vragenlijst die aan meerdere personen wordt voorgelegd
Umfrage
verb
1.
inszenieren
verb
1. aan boord gaan en overnemenn
entern
/ɛntuˈʒɑs/, /ˌɑn.ty.ˈʒɑst/
adjective
1. hartstochelijk, met geestdrift
  1. begeistert
  2. enthusiastisch
  3. leidenschaftlich
/ɛntuˈʒɑs/, /ˌɑn.ty.ˈʒɑst/
noun
1. iemand die over iets of iemand geestdriftig is (vaak gebruikt als tweede deel van een samengesteld begrip
Enthusiast
noun
  1. Insektenkunde
  2. Entomologie
noun
1. de muziek die wordt gespeeld tussen twee akten of bedrijven van een theaterstuk, opera, ballet etc
  1. Zwischenspiel
  2. Entreakt
/ɛn'tre/
noun
  1. 1. ingang van een gebouw
    Eingang
  2. 2. entree betalen: het geldbedrag dat betaald moet worden om ergens binnen te mogen
    Eintrittspreis
noun
1. een getal evenredig met de logaritme van het aantal realiseringmogelijkheden, ook wel gedefinieerd als de reversibele warmte gedeeld door de temperatuur
Entropie
noun
Enumeration
noun
1. papieren omslag voor brieven
  1. Briefumschlag
  2. Umschlag
abbreviation
und so weiter
abbreviation
1. een aanduiding van het feit dat een verdere opsomming overbodig geacht wordt
und so weiter
/ɛnˈzim/
noun
1. een organische molecuul dat biologische reacties mogelijk maakt of versnelt zonder daarbij zelf...
Enzym
/ˈepɛnˌtezɪs/
noun
1. invoeging van middenlank
  1. Epenthese
  2. Epenthesis
noun
1. het punt op het aardoppervlak loodrecht boven de haard van de aardbeving
Epizentrum
/epideˈmi/
noun
1. besmettelijke ziekte die zich snel verspreidt onder een groep van mensen
  1. Epidemie
  2. Seuche
noun
Epidemiologie
noun
Epidermis
noun
epiphenomenon
/ˌepiˈfizə/
noun
1. een klier die onderdeel is van de epithalamus en melatonine uitscheidt
Zirbeldrüse
noun
Epiphyt
adjective
1. van de aard van een epigram
epigrammatisch
noun
1. vallende ziekte, toevallen
Epilepsie
adjective
epileptisch
noun
1. een naschrift toegevoegd aan een boek of film
  1. Nachwort
  2. Epilog
/ˈepipalejoˌlitikʏm/
noun
1. periode in de steentijd, waarin de overgang naar landbouw en veeteelt plaatsvindt
Epipaläolithikum
adjective
episch
adjective
episkopal
noun
Episode
adjective
epistolar
noun
1. dekweefsel, bovenste laag van de huid en slijmvliezen
Epithel
noun
1. woord dat gevormd is op basis van een eigennaam van een persoon
Eponym
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Eppingen
noun
1. een denkbeeldige cirkel die op een hemellichaam het noordelijk van het zuidelijk halfrond scheidt
Äquator
/ˌe.kwa.toː.ri.al.ɣi.ˈne.ja/, /ˌe.kʋa.to̝ː.ri.aɫ.χi.ˈne.ja/, /ˌe.kβ̞a.toː.ri.aɫ.ɣi.ˈne.ja/
pronoun
1. een land in Afrika grenzend aan Gabon en Kameroen
Äquatorialguinea
noun
1. passage van de zon door het vlak van de evenaar
Äquinoktium
noun
1. iets gelijkwaardigs
Äquivalent
noun
Gleichwertigkeit
adverb
  1. 2. als locatief deel van een voornaamwoordelijk bijwoord vervangt het een persoonlijk voornaamwoord: het, ze
    da
  2. 1. onbepaald bijwoord van plaats: ergens
    1. da
    2. es
  3. 3. partitief onder weglating van van
    1. davon
    2. hiervon
adverbialPronoun
1. vervangt achter dit, achter deze
  1. hierhinten
  2. hierhinter
  3. hinten
adjective
erbärmlich
noun
1. een scheikundig element en zilverwit lanthanide met het symbool Er en het atoomnummer 68
Erbium
pronoun
1.
Erding
noun
1. oprichting van het mannelijk lid
Erektion
noun
1. grond behorend bij boerderijhuis
Hofraum
noun
1. stuk van de erfenis zoals dat aan een bepaalde erfgenaam toekomt
Erbteil
noun
1. zakelijk recht op andermans onroerend goed
Dienstbarkeit
noun
1. wat door de erflater bij zijn overlijden wordt nagelaten
  1. Erbschaft
  2. Nachlass
noun
1. degene die andermans nalatenschap erft
Erbe
noun
Erbgut
noun
  1. 1. regeling voor de overgang van de nalatenschap
    Erbfolge
  2. 2. regeling voor troonwisseling
    Thronfolge
noun
1. overerfbare, langdurige of eeuwige pacht
Erbpacht
noun
1. het samenstel van regels dat de vererving regelt
Erbrecht
noun
1. een veelal kostbaar goed van van generatie op generatie door vererving overgegeven wordt
Erbstück
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Erftstadt
pronoun
1.
Erfurt
noun
1. overgeërfd inheems woord
Erbwort
noun
1. schending van Gods regels door de eerste mens Adam als last die op ieder mens rust
  1. Erbsünde
  2. Ursünde
adverb
irgendwo
verb
  1. 2. zich ~ aan gevoelens van onvrede ervaren
    sich ärgern
  2. 1. gevoelens van onvrede veroorzaken
    1. ärgern
    2. reizen
adverb
1. ergernis wekkend
ärgerlich
noun
een zaak die gevoelens van onvrede oproept
Ärger
noun
Ergonomie
noun
1.een alkaloïde met een vasoconstrictieve werking
Ergotamin
/ˌeː.ri.ˈtre.ja/, /ˌɪː.ri.ˈtre.ja/
pronoun
1. een Afrikaans land grenzend aan Soedan, Ethiopië, Djibouti en de Rode Zee
Eritrea
verb
  1. 2. als wettig, echt, juist aanvaarden
    anerkennen
  2. 1. inzien, toegeven
    1. zugeben
    2. einsehen
    3. erkennen
noun
1. een bevestiging van de juistheid of geldigheid van iets
Anerkennung
/ˌɛrˈkɛn.tə.lək/
adjective
erkenntlich
/ˈɛrkər/
noun
1. uitbouw aan een gevel
Erker
pronoun
1. + 2. stad en stadsdistrict
Erlangen
verb
1. door eigen inspanning kunnen beschikken over
erlangen
noun
Erlenmeyerkolben
/ərˈme/
adverbialPronoun
1. vervangt met het
damit
noun
1. stemming waarin men de dingen in hun wezenlijke waarde wil zien
Ernst
adjective
1. zonder grappen en serieus
ernsthaft
noun
1-2. beschadiging en afslijting
Erosion
noun
1. laagste peil tot waar een rivier de bodem in het stroomgebied door geleidelijk wegspoelen van grond kan verlagen
Erosionsbasis
adverbialPronoun
1. rond+het, rond+ze
darum herum
noun
1. (minderwaardig) middel om het oorspronkelijke te vervangen
Ersatz
noun
1. steen
Erz
pronoun
1.
Erzgebirge
noun
  1. 1. plotselinge, felle uiting
    Ausbruch
  2. 2. het uitstoten van gassen, rook en lava door een vulkaan
    Eruption
adverbialPronoun
  1. davon
  2. sein
adverbialPronoun
ervandoor gaan
davonmachen
adjective
1. bekwaam door ervaring
erfahren
verb
1. iets beleven
erfahren
noun
1. een vorm van kennis
  1. Erfahrung
  2. Erlebnis
/ˈʔɛr.və(n)/
verb
1. de eigendommen van een overledene, meestal een familielid, rechtens verkrijgen
erben
noun
1. een bepaalde peulvrucht, een groentesoort
Erbse
noun
1. speelgoedpistool, bestaande uit een buis waardoor erwten of kleine voorwerpen worden geblazen
Erbsenblasrohr
noun
1. een groenige, lobbige soep vervaardigd van erwten
Erbsensuppe
noun
1. de vorming van rode bloedlichaampjes
Erythropoese
pronoun
1. taal vooral in het oosten van Mordovië gesproken wordt
Ersa
noun
1. afkorting van Es-majeur
Es
noun
  1. 1. bepaald soort loofboom Fraxinus excelsior
    Esche
  2. 1. verlaagde e
    es
  3. 2. es-kleinetertstoonladder
    es-Moll
  4. 3. es-mineurgrondakkoord
    1. es-Moll
    2. es
abbreviation
  1. 1. het akkoord es - g - bes
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Es-Dur
abbreviation
  1. 1. het akkoord es - ges - bes
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Es-Moll
/(ʔ)ɛs'xrot/
abbreviation
  1. 1. het akkoord es - g - bes
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Es-Dur
abbreviation
1. het akkoord es-g-bes
Es-Dur-Akkord
noun
1. een grotetertstoonladder met “es” als grondtoon
Es-Dur-Tonleiter
/(ʔ)ɛs'klɛɪn/
abbreviation
  1. 1. het akkoord es - ges - bes
    Es-Moll
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
    es-Moll
abbreviation
1. het akkoord es - ges - bes
es-Moll-Akkord
noun
1. een mineurtoonladder met “es” als grondtoon
es-Moll-Tonart
noun
1. een kleinetertstoonladder met es als grondtoon
es-Moll-Tonleiter
/(ʔ)ɛs'xrot/
abbreviation
  1. 1. het akkoord es - g - bes
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Es-Dur
abbreviation
1. het akkoord es-g-bes
Es-Dur-Akkord
noun
1. een grotetertstoonladder met “es” als grondtoon
Es-Dur-Tonart
noun
1. een grotetertstoonladder met "es" als grondtoon
Es-Dur-Tonleiter
noun
1. een grotetertstoonladder met “es” als grondtoon
Es-Dur-Tonleiter
/(ʔ)ɛs'klɛɪn/
abbreviation
  1. 1. het akkoord es - ges - bes
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
es-Moll
abbreviation
1. het akkoord es - ges - bes
es-Moll-Akkord
noun
1. een kleinetertstoonladder met es als grondtoon
es-Moll-Tonleiter
noun
1. een kleinetertstoonladder met es als grondtoon
es-Moll-Tonleiter
noun
Eskalation
verb
1. stapsgewijs toenemen in omvang, intensiteit
eskalieren
/ɛsˌxatolo'gi/
noun
Eschatologie
pronoun
1.
Eschede
noun
1. staf met een daaromheen kronkelende slang, embleem van de geneeskundigen
Äskulapstab
/ˈɛzdorᵊn/
noun
1. boom of heester uit het geslacht (
Ahorn
noun
Ahornsirup
noun
1. dubbel verlaagde toon e
  1. Eses
  2. eses
abbreviation
1. het akkoord eses-ges-beses
Eses-Dur-Akkord
noun
1. een grotetertstoonladder met “eses” als grondtoon
Eses-Dur-Tonleiter
noun
1. “Eses-majeur”
Eses-Dur
abbreviation
1. het akkoord eses-ges-beses
Eses-Dur-Akkord
noun
1. een grotetertstoonladder met “eses” als grondtoon
Eses-Dur-Tonleiter
noun
1. een grotetertstoonladder met “eses” als grondtoon
Eses-Dur-Tonleiter
noun
1. een kleine tactische eenheid bij de cavalerie (tegenwoordig gemechaniseerd of gemotoriseerd) of ...
Schwadron
pronoun
1. een internationale kunsttaal die oorspronkelijk ontworpen is door Ludovico Zamenhof
Esperanto
noun
1. filologie van de kunsttaal Esperanto
Esperantologie
noun
1. geconcentreerde koffie
Espresso
noun
Espressomaschine
noun
Espressomaschine
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Esslingen
/ɛsˈter/
pronoun
3. meisjesnaam
Esther
noun
1. een koolstofverbinding met de functionele groep -C(=O)-O-C-
Ester
/ɛsˈtetiˌka/
noun
1. het filosofisch discours over het wezen van kunst of het wezen van schoonheid
Ästhetik
adjective
ästhetisch
/ˈɛstis/, /ˈɛstɪs/
pronoun
1. een taal die vooral wordt gesproken in Estland
Estnisch
/ˈɛslɑnd/, /ˈɛstlɑnt/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa dat grenst aan Letland en Rusland
Estland
noun
1. een vrouwelijk hormoon
Östrogen
noun
1. dat wat iemand tot zich neemt om diens metabolisme in werking te houden
  1. Essen
  2. essen
verb
1. het nuttigen van voedsel
  1. essen
  2. fressen
noun
Essenszeit
noun
1. C₂H₆
  1. Ethan
  2. Äthan
/etaˈnɔl/
noun
1. een chemische verbinding met twee koolstofatomen en een alcoholgroep
  1. Äthanol
  2. Ethanol
noun
Ethen
noun
1. een organische verbinding met de functionele groep R-O-R'
Äther
noun
1. een praktische wijsbegeerte die zich bezighoudt met wat goed en kwaad is
Ethik
/ˌe.ti.ˈjo.pi.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika grenzend aan Eritrea, Djibouti, Somalië, Kenia en Soedan
Äthiopien
adjective
ethisch
noun
koolwaterstofgroep
  1. Ethyl
  2. Äthyl
noun
1. stuk papier met informatie dat ergens opgeplakt zit
  1. Aufkleber
  2. Etikett
noun
1. tijdseenheid bestaande uit 24 uren
Tag
adjective
ethnisch
/ɛtnoːloːɣi/, /ɛtnoːloːʝi/
noun
Ethnologie
noun
Radiernadel
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Ettenheim
/ɛtər/
noun
1. wittig vocht met witte bloedlichaampjes en bacteriën dat bij een ontsteking afgescheiden wordt
Eiter
verb
1.
eitern
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Ettlingen
noun
  1. 2. studie naar oorsprong en verandering van vorm en betekenis van woorden
    1. Etymologie
    2. Herkunft
  2. 1. woordherkomst
    1. Etymologie
    2. Wortherkunft
noun
1. een rooms-katholiek sacrament dat een voortzetting is van het laatste avondmaal van Christus
Eucharistie
noun
1-2.
Euphemismus
/ˌœyfəˈmɪstis/
adjective
euphemistisch
noun
  1. 2. een instrument van gestemde glazen
    1. Eufonium
    2. Euphonium
  2. 1. eufonium
    1. Euphonium
    2. Eufonium
/ˌø.fo̝.ˈri/
noun
1. verhoogd gevoel van welzijn
Euphorie
/œykɑriotən/
noun
2. een van de drie taxonomische domeinen, Eukaryota
Eukaryote
noun
Eunuch
noun
1. bepaald soort zoogdier, Lynx lynx
Eurasischer Luchs
pronoun
1. de naam van de grootste landmassa op aarde die de continenten Europa en Azië omvat
Eurasien
interjection
1.
heureka
/'øː.ro/, /'ɵː.ro/
abbreviation
  1. 3. Macropus robustus, kangoeroe
    1. Bergkänguru
    2. Wallaroo
  2. 1. munt en munteenheid
    Euro
/øːˈroːpa/, /ʏːˈropa/
pronoun
1. een continent op het noordelijk halfrond, dat ten noorden van Afrika en ten westen van Azië ligt
Europa
/ˌøːropeˈjaːn/, /ˌʏːropeˈjan/
noun
1. bewoner van het Europese continent of iemand die daarvan afkomstig is
Europäer
/øːroˈpeːs/, /ʏːroˈpes/
adjective
1. afkomstig van of betreffend het continent Europa
europäisch
pronoun
Europäischer Gerichtshof für Menschenrechte
pronoun
  1. Europäisches Parlament
  2. Europaparlament
noun
1. Castor fiber, een knaagdier dat in Europa voorkomt
Europäischer Biber
pronoun
Europäische Zentralbank
pronoun
Europäische Kommission
pronoun
Europäischer Gerichtshof für Menschenrechte
pronoun
Europäische Investitionsbank
noun
1. bepaald soort zoogdier, Mustela lutreola
Europäischer Nerz
pronoun
Europäischer Bürgerbeauftragter
pronoun
Europäischer Rat
pronoun
Europäischer Rechnungshof
/ˌøː.ro.ˌpe.sə.ˈy.ni/, /ˌʏː.ro.ˌpe.sə.ˈy.ni/
pronoun
unie van 27 Europese staten
Europäische Union
noun
1. scheikundig element met symbool Eu en atoomnummer 63
Europium
pronoun
Europoort
noun
1.
  1. Euroskeptiker
  2. Euroskeptikerin
adjective
1.
euroskeptisch
/'ørotɔp/
noun
1. topconferentie
Eurogipfel
pronoun
Eurotunnel
adjective
1. in staat om een grote verscheidenheid aan zoutconcentraties te leven
euryhalin
pronoun
1. en 2.
Euskirchen
/œyˈtɛktikʏm/
noun
1. mengsel van twee stoffen in zo'n verhouding dat beide bij dezelfde temperatuur samen stollen of smelten
Eutektikum
noun
1. handelingen die iemands leven beëindigen of het sterven bespoedigen, om pijn en lijden te verkorten
Euthanasie
noun
Eutrophierung
/'øː.vəl/
noun
  1. 1. gebrek
    Makel
  2. 2. een slechte zaak
    Übel
pronoun
1. eerste vrouw door God geschapen
Eva
noun
Evakuierung
/evɑky'erə(n)/
verb
evakuieren
noun
1. bespreking en beoordeling van de gang van zaken
  1. Auswertung
  2. Evaluierung
noun
Evangelium
noun
1. volgeling van Jesus die het verhaal van zijn leven en sterven op schrift gesteld heeft
Evangelist
noun
Evasion
adjective
  1. 2. egaal
    eben
  2. 1. Deelbaar door twee
    gerade
/evəˈnar/, /ˈevənar/
noun
1. denkbeeldige cirkel die op een hemellichaam het noordelijk van het zuidelijk halfrond scheidt
Äquator
adverb
1. ook, tevens
  1. ebenfalls
  2. gleichfalls
noun
1. belangrijke gebeurtenis
  1. Veranstaltung
  2. Event
  3. Großereignis
/ˈevəmɪn/
adverb
1. ook niet
  1. auch nicht
  2. ebenfalls nicht
  3. ebenso wenig
adjective
1. evenredig
proportional
noun
1. evenredige stemming
temperierte Stimmung
adjective
eventuell
ordinalAdjective
1. in gelijke hoeveelheid
  1. ebensoviel
  2. gleichviel
noun
1.
  1. Gleichgewicht
  2. Equilibrium
adjective
1. in alle punten even ver in loodrechte zin verwijderd zijnde
parallel
noun
1. in het wild levende voorouder van het varken Sus scrofa
Wildschwein
noun
1. wild varken
Wildschwein
adjective
1. zeer duidelijk, klaarblijkelijk, in 't oog springend
  1. evident
  2. offensichtlich
noun
Evokation
/ˌevoˈlysi/, /ˌevoˈlytsi/
noun
1. ontwikkeling, verandering
Evolution
noun
1. theorie over de stapsgewijze ontwikkeling van het leven
Evolutionstheorie
noun
Evolutionist
noun
1. onderzoek naar de kennis of vaardigheden van iemand door middel van ondervraging of opgedragen verrichtingen
  1. Prüfung
  2. Examen
noun
1.
Exameter
verb
1.aan een examen onderwerpen
  1. prüfen
  2. examinieren
adjective
exzeptionell
noun
Auswuchs
noun
1. opgewondenheid
Exzitation
verb
exklamieren
noun
Exklusion
adjective
1. wat andere mogelijkheden uitsluit
eklusiv
noun
Exkommunikation
noun
Exkursion
noun
1. de verontschuldiging
Entschuldigung
verb
hinrichten
noun
2. uitvoerder van een testament
Testamentsvollstrecker
noun
  1. 3. gerechtelijke verkoop
    Zwangsversteigerung
  2. 1. uitvoering van een vonnis
    Zwangsvollstreckungsrecht
adjective
uitvoerend
exekutiv
noun
1. een peloton dat een executie uitvoert, een vuurpeloton
  1. Erschießungskommando
  2. Exekutionskommando
  3. Peloton
noun
Exegese
noun
Exhibition
noun
Exhibitionist
noun
Existentialismus
noun
Existenz
noun
1. onderzoek naar mogelijk leven buiten de aarde
Exobiologie
pronoun
Exodus
noun
1. uittocht van een grote groep mensen met als doel niet meer terug te komen
Exodus
noun
Exogamie
adjective
1. door oorzaken van buitenaf
exogen
noun
Exonym
/ɛ'ksot/
noun
1. een organisme dat zich heeft gevestigd in een land waar het oorspronkelijk niet vandaan komt
Neozoen
noun
Exoplanet
noun
Exorzismus
noun
Exosphäre
adjective
1. vanuit verre vreemde landen
exotisch
verb
1. in volume toenemen
expandieren
adjective
expansiv
noun
Expansionsgefäß
noun
  1. Experiment
  2. Versuch
adjective
1.
experimentell
verb
1.
experimentieren
/ɛkˈspɛːr/
noun
1. iemand die bijzonder goed bekend is met een bepaald onderwerp
Experte
noun
Expertise
noun
1. een computersysteem dat specifieke kennis van menselijke experts representeert en gebruikt om een probleem binnen een bepaald gebied op te lossen
Expertensystem
noun
Explikation
verb
  1. explodieren
  2. platzen
noun
1. het met winst draaiende houden
Betrieb
noun
1. steeds terugkerende uitgaven voor de gewone bedrijfsvoering
Betriebskosten
noun
1. steeds terugkerende uitgaven voor de gewone bedrijfsvoering
Betriebskosten
noun
Exploration
noun
Explosion
adjective
1. ontplofbaar
explosiv
noun
1. de verkoop van goederen aan het buitenland
Export
verb
1. goederen aan een afnemer in het buitenland verhandelen
  1. exportieren
  2. ausführen
adverb
absichtlich
noun
Ausdruck
adjective
1. veel expressie hebbend
expressiv
noun
Expressionist
/ɛk'stazə/
noun
1. een toestand van buiten zichzelf zijn door verrukking
Ekstase
/ɛkˈstɛnsi/
noun
1. het strekken van ledematen
Extension
/ɛksˈtɛrn/
adjective
1. uitwendig
extern
adjective
2. opzettelijk
  1. absichtlich
  2. extra
noun
1. ingedikt aftreksel
Extrakt
adjective
2.
außerparlamentarisch
noun
Extrapolation
adjective
extravertiert
adjective
1. uiterst, uitzonderlijk
extrem
pronoun
Extremadura
noun
  1. Extremismus
  2. Radikalismus
noun
1. iemand met radicale, extremistische standpunten, een aanhanger van een ideologie die ver van het politieke of maatschappelijke centrum ligt
Extremist
pronoun
Ezechiel
/ˈezəɫ/
noun
1. bepaald paardachtig zoogdier, Equus asinus
  1. Esel
  2. Eselin
noun
1. vrouwelijke ezel
Eselin
noun
1. hulpmiddel om iets te onthouden
Eselsbrücke
noun
  1. 2. omgevouwen hoek
  2. 1. oor van een ezel
Eselsohr
pronoun
Esra
noun
  1. 1. verhoogde toon e
    eïs
  2. 3. eïs-mineurgrondakkoord
    1. eïs
    2. eïs-Moll
  3. 2. eïs-kleinetertstoonladder
    eïs-Moll
abbreviation
  1. 1. het akkoord eïs - gisis - bis
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Eïs-Dur
noun
  1. 1. het akkoord eïs-gis-bis
  2. 2. de mineur toonsoort op eïs
eis-Moll
//
abbreviation
1. de toonladder of de kleine drieklank van Eïs-groot
Eis-Dur
abbreviation
1. het akkoord eïs-gisis-bis
Eis-Dur-akkord
noun
1. een majeurtoonladder met “eïs” als grondtoon
Eïs-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “eïs” als grondtoon
Eïs-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “eïs” als grondtoon
Eis-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “eïs” als grondtoon
Eis-Dur-Tonleiter
//
abbreviation
1. de toonladder of de kleine drieklank van eïs-klein
eis-Moll
abbreviation
1. het akkoord eïs-gis-bis
eïs-Moll-Akkord
noun
1. een mineurtoonladder met “eïs” als grondtoon
eis-Moll-Tonart
noun
1. een kleinetertstoonladder met “eïs” als grondtoon
eïs-Moll-Tonleiter
noun
1. “Eïs-majeur”
Eïs-Dur
abbreviation
1. het akkoord eïs-gisis-bis
Eis-Dur-Akkord
noun
1. een grotetertstoonladder met “eïs” als grondtoon
Eis-Dur-Tonart
noun
1. een grotetertstoonladder met "eïs" als grondtoon
Eïs-Dur-Tonleiter
noun
1. een grotetertstoonladder met “eïs” als grondtoon
Eïs-Dur-Tonleiter
noun
1. een grotetertstoonladder met “eïs” als grondtoon
Eis-Dur-Tonleiter
//
abbreviation
1. de toonladder of de kleine drieklank van eïs-klein
eis-Moll
abbreviation
1. het akkoord eïs-gis-bis
eis-Moll-Akkord
noun
1. een kleinetertstoonladder met “eïs” als grondtoon
eïs-Moll-Tonleiter
noun
1. een kleinetertstoonladder met “eïs” als grondtoon
eïs-Moll-Tonleiter
noun
1. tweemaal verhoogde toon “e”
eisis
noun
2. afkorting voor de toonsoort
F
noun
  1. 1. de toonnaam
  2. 2. afkorting van “f-mineur”
f
abbreviation
  1. 1. het akkoord f - a - c
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
F-Dur
abbreviation
  1. 1. het akkoord f-as-c
  2. 2. de toonsoort
f-Moll
/ʔɛfˈxrot/, /ʔɛfˈχrot/
abbreviation
  1. 1. het akkoord f - a - c
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
F-Dur
abbreviation
1. het akkoord f-a-c
F-Dur-Akkord
noun
1. een majeurtoonladder met “f” als grondtoon
F-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met f als grondtoon
F-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “f” als grondtoon
F-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “f” als grondtoon
F-Dur-Tonleiter
/ɛf'klɛɪn/
abbreviation
  1. 1. het akkoord f-as-c
  2. 2. de toonsoort
f-Moll
abbreviation
1. het akkoord f-as-c
f-Moll-Akkord
noun
1. een mineurtoonladder met “f” als grondtoon
f-Moll-Tonart
noun
1. een kleinetertstoonladder met “f” als grondtoon
f-Moll-Tonleiter
noun
1. een mineurtoonladder met “f” als grondtoon
f-Moll-Tonleiter
/ʔɛfˈxrot/, /ʔɛfˈχrot/
abbreviation
  1. 1. het akkoord f - a - c
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
F-Dur
abbreviation
1. het akkoord f-a-c
F-Dur-Akkord
noun
1. een grotetertstoonladder met “f” als grondtoon
F-Dur-Tonart
noun
1. een grotetertstoonladder met "f" als grondtoon
F-Dur-Tonleiter
noun
1. een grotetertstoonladder met "f" als grondtoon
F-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “f” als grondtoon
F-Dur-Tonleiter
/ɛf'klɛɪn/
abbreviation
  1. 1. het akkoord f-as-c
  2. 2. de toonsoort
f-Moll
abbreviation
1. het akkoord f-as-c
f-Moll-Akkord
noun
1. een kleinetertstoonladder met “f” als grondtoon
f-Moll-Tonart
noun
1. een kleinetertstoonladder met “f” als grondtoon
f-Moll-Tonleiter
noun
1. een kleinetertstoonladder met “f” als grondtoon
f-Moll-Tonleiter
noun
1. één van drie, bij de voortekening van een notenbalk behorende aanwijzers, die een lijn voor een bepaalde toon markeren, in dit geval de toon 'f'
F-Schlüssel
noun
1. een grotetertstoonladder met f als grondtoon
F-Dur-Tonleiter
/ˈfalɑŋst/
noun
1. angst om te falen
  1. Angst
  2. Prüfungsangst
/fam/
noun
  1. 1. reputatie
    1. Ruf
    2. Leumund
  2. 2. roem
    Ruhm
/ˈfabəl/
noun
  1. 2. een verzinsel
    1. Anglerlatein
    2. Jägerlatein
    3. Lügengeschichte
    4. Lügenmärchen
  2. 1. een kort moraliserend verhaal met dieren of zaken als handelende personen
    Fabel
  3. 3. een verhaallijn
    Handlungsverlauf
adjective
  1. 2. buitengewoon geweldig
    1. sagenhaft
    2. erstaunlich
    3. unglaublich
  2. 1. ongeloofwaardig
    1. unglaubhaft
    2. unglaubwürdig
verb
1. een product door middel van werktuigen bewerken of vervaardigen
  1. herstellen
  2. fabrizieren
  3. produzieren
noun
1. plaats waar op industriële schaal productie bedreven wordt
Fabrik
noun
Fabrikarbeiter
noun
Hersteller
pronoun
1. wereldwijd veel gebruikte netwerksite voor sociale contacten
Facebook
noun
1. cosmetische ingreep van de chirurgie ter verfraaiing van het gezicht
  1. Gesichtsstraffung
  2. Gesichtslifting
noun
  1. 2. een voordeel
    1. Fazilität
    2. Privileg
    3. Vorteil
  2. 1. een voorziening
    Vorkehrung
noun
1. tekstuitgave in de vorm van een fotografische afbeelding van handschrift of oude druk
Faksimileausgabe
noun
Faktion
noun
Faktor
noun
1. document met een beschrijving van goederen die een bedrijf (aan een ander bedrijf) geleverd heeft
Rechnung
/fɑkəltɑ'tif/
adjective
1. onverplicht of vrijwillig
fakultativ
/ˈfæːrøːə̯r/, /ˈfɛːrʏːr/
pronoun
1. en 2., eilandengroep, land
Färöer
pronoun
1. een Germaanse taal die wordt gesproken op de Faeröer
  1. Färöisch
  2. färöisch
noun
1. vernietiging door een cel van schadelijke bestanddelen
Phagozytose
noun
1. (muziekinstrument) een houten blaasinstrument met dubbelriet
Fagott
/ˌfajisəˈmɛnt/
noun
  1. 2. een in de wet geregelde procedure voor een persoon of onderneming die niet (meer) in staat is aan zijn financiële verplichtingen te voldoen.
    1. Konkurs
    2. Bankrott
    3. Insolvenz
  2. 1. de toestand van iemand die, blijkens rechterlijk onderzoek, niet in staat is aan zijn financiële verplichtingen te voldoen.
    1. Pleite
    2. Zahlungsunfähigkeit
noun
1. staaf of stok die aan de bovenkant in een brandbare stof gedrenkt is, brandend zorgt het voor verlichting
Fackel
/ˈfaːlən/
verb
1. niet bereiken van doelen
scheitern
noun
1. (hulp)wetenschap die de vorm en de geschiedenis van de ridderorden én andere onderscheidingen bestudeert
Ordenskunde
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Brandenburg
Falkensee
pronoun
  1. Falkland-Inseln
  2. Falklandinseln
adjective
1. met betrekking tot het mannelijk lid
phallisch
noun
Falsifikation
adjective
familiär
/fa.ˈmi.li/, /fa.ˈmiː.lɪ̯ə/
noun
1. (bloed)verwantschap door een gemeenschappelijke oorsprong
Familie
noun
Familienunternehmen
noun
1.
Familiengeschichte
noun
1. naam die van generatie op generatie en indien gewenst door het huwelijk overgedragen wordt
  1. Familienname
  2. Nachname
noun
1. onderdeel van het burgerlijk recht m.b.t. de familiale verhoudingen tussen personen
Familienrecht
noun
1.
Familientherapie
noun
1. vermogen om nieuwe gedachten te kunnen vormen, mogelijk niet altijd op waarheid berust
  1. Phantasie
  2. Fantasie
noun
Farad
/ˈfarao/
noun
1.
Pharao
noun
Pharaoameise
noun
1.
Pharisäer
adjective
1. uit de farmacie, met betrekking tot de productie van geneesmiddelen
pharmazeutisch
noun
  1. Pharmakologie
  2. Arzneimittelkunde
noun
Faszination
verb
1. iemands aandacht vasthouden
fazinieren
adjective
1. de aandacht opeisend
faszinierend
/fɑˈsʲɪsmə/
noun
ideologie
Faschismus
adjective
1. van het fascisme
faschistisch
noun
  1. 1. periode als onderdeel van een langere ontwikkeling
  2. schijngestalt (astronomie)
  3. toestanden in een kringproces
  4. verschijningsvorm van een stof
Phase
noun
Phasenraum
adjective
1. noodlottig
fatal
pronoun
1. militante politieke beweging in Palestina
Fatah
noun
Fatalität
/fɑt'sun/
noun
1. goede manieren
Anstand
adjective
  1. 1. degelijk
  2. 2. op een nette manier
  1. anständig
  2. ordentlich
adverb
1. uit fatsoen, om het fatsoenlijk te houden
anstandshalber
/ˈfʌʊna/, /ˈfʌːna/
noun
1. het geheel aan dieren in een gebied
  1. Fauna
  2. Tierwelt
/fo.tœj/
noun
1. Soort stoel
Fauteuil
adjective
Günstling
noun
Favorit
noun
1. bepaald soort kleurrijke vogel, Phasianus colchicus
Fasan
/fa.ˈsa.də/
noun
1. de zichtbare buitenmuur van een gebouw, specifiek die aan de voorkant
Fassade
/febryˈwaːri/
noun
1. de tweede maand van het jaar
  1. Februar
  2. Feber
  3. Hornung
pronoun
  1. 2. Franse revolutie
    Februarrevolution 1848
  2. 1. Russische revolutie
    Februarrevolution 1917
adjective
1. met betrekking tot de ontlasting
fäkal
noun
1. ontlasting
  1. Fäzes
  2. Stuhl
noun
Föderalismus
noun
1. een verbond van samenwerkende staten of lichamen die hun zelfstandigheid behouden
Föderation
/fe:/
noun
1.
Fee
noun
1. terugkoppeling
Feed-back
noun
Hexe
noun
1. een vermakelijke en vreugdevolle sociale gelegenheid
Fest
noun
Feiertag
noun
1. vaak kegelvormig hoofddeksel dat men draagt ter gelegenheid van een feestelijke gebeurtenis.
Festkappe
noun
Partylöwe
verb
1. deelnemen aan een feest en uiting geven aan feestvreugde
feiern
/ˌfe.jə.ˈrik/
adjective
1. sprookjesachtig mooi
feenhaft
/fɛi̯t/
noun
1. een gebeurtenis of omstandigheid die werkelijk gebeurd is
Tatsache
/fɛl/
adjective
heftig
verb
1. iemand geluk toewensen
gratulieren
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Fellbach
noun
1. een zeilschip
Felucke
/ˈfɛlsis/
adjective
1. rijk aan silica of silicahoudende mineralen
felsisch
noun
1. streven naar het opheffen van de achterstelling van vrouwen en vrouwelijke eigenschappen door een gelijkwaardige behandeling van mannen en vrouwen
  1. feminismus
  2. Feminismus
noun
1.
Femtometer
noun
plant en plantdelen van Trigonella foenum-graecum
Bockshornklee
noun
blad van de plant Trigonella foenum-graecum
Bockshornkleeblatt
noun
plant, en zaad van, Trigonella foenum-graecum
  1. Bockshornkleesaat
  2. Bockshornkleesamen
noun
Phönix
noun
1. Fennecus zerda, leeft in de woestijn en is de kleinste van alle vossen
Fennek
noun
Phänologie
/fenoˈmen/
noun
1. een verschijnsel
Phänomen
noun
Phänomenologie
noun
1. een basismolecule voor vele derivaten
Phenothiazine
/fenilɑlɑninə/
noun
1. aminozuur
Phenylalanin
noun
1. een pijnstillend, ontstekingsremmend en koortswerend middel
Phenylbutazon
noun
Phäochromozytom
adjective
feudal
pronoun
2. spelwoord voor de letter f
Friedrich
noun
1. scheikundig element met symbool Fm en atoomnummer 100
Fermium
noun
Ferrit
noun
1. ferrietantenne
  1. Ferritantenne
  2. Ferritstabantenne
noun
ferromagnetisme
Ferromagnetismus
noun
1. een schip dat speciaal gebouwd en uitgerust is om in een veerdienst ingelegd te worden.
Fähre
noun
1. een speciaal gebouwd en uitgerust schip om in een veerdienst ingelegd te worden.
Fähre
adjective
1. fanatiek, overtuigd
  1. inbrünstig
  2. leidenschaftlich
noun
1. verlaagde toon f
Fes
abbreviation
  1. 1. het akkoord fes - as - ces
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Fes-Dur
noun
  1. 1. het akkoord fes-ases-ces
  2. 2. de mineur toonsoort op fes
fes-Moll
abbreviation
1. het akkoord fes-as-ces
Fes-Dur-Akkord
noun
1. een grotetertstoonladder met “fes” als grondtoon
Fes-Dur-Tonleiter
abbreviation
1. het akkoord fes - ases - ces
fes-Moll-Akkord
noun
1. een mineurtoonladder met “fes” als grondtoon
fes-Moll-Tonart
noun
1. een kleinetertstoonladder met fes als grondtoon
fes-Moll-Tonleiter
noun
1. “Fes-majeur”
Fes-Dur
abbreviation
1. het akkoord fes-as-ces
Fes-Dur-Akkord
noun
1. een grotetertstoonladder met “fes” als grondtoon
Fes-Dur-Tonart
noun
1. een grotetertstoonladder met "fes" als grondtoon
Fes-Dur-Tonleiter
noun
1. een grotetertstoonladder met “fes” als grondtoon
Fes-Dur-Tonleiter
abbreviation
1. het akkoord fes - ases - ces
fes-Moll-Akkord
noun
1. een kleinetertstoonladder met fes als grondtoon
fes-Moll-Tonleiter
noun
1. een kleinetertstoonladder met fes als grondtoon
fes-Moll-Tonleiter
noun
1. tweemaal verlaagde toon “f”
feses
/ˈfɛstiˌvɑɫ/
noun
  1. 2. een groot evenement met zang en dans en muzikale optredens
    Festival
  2. 1. een reeks optredens
    Festspiele
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Feuchtwangen
noun
1. vervolgverhaal in een krant of tijdschrift, dan wel op de radio of televisie
Feuilleton
/fɛs/
noun
1. bepaald soort hoed van Turkse oorsprong
Fes
noun
1. eiwit
Fibrin
noun
1.
Fibrinogen
pronoun
1.
Fichtelgebirge
adjective
fiktiv
adjective
fidel
adjective
1. trots
stolz
/ˈfirəl(ə)jɛpə(n)/
noun
1. sport
Pultstockspringen
/ˈfirəl(ə)jɛpə(n)/
verb
1. aan fierljeppen doen
pultstockspringen
/fits/
noun
1. tweewielig vervoermiddel dat door middel van spierkracht middels pedalen wordt voortbewogen
  1. Fahrrad
  2. Velo
  3. Rad
/ˈfits.bɑnt/
noun
1. een binnen- of buitenband voor een fiets
Fahrradreifen
/ˈfits.brɵχ/, /ˈfits.brʏx/
noun
1. een brug voor fietsers
Fahrradbrücke
/ˈfits.kɵɫˌtyːr/, /ˈfits.kʏlˌtyːr/
noun
1. een cultuur gevormd rond het fietsen
Fahrradkultur
verb
1. op een fiets rijden
Rad fahren
noun
Fahrradmechaniker
/ˈfitsərɛk/
noun
1. rek om fietsen te parkeren
  1. Fahrradständer
  2. Fahrradabstellanlage
noun
1. een tijdelijke (soms overdekte) bewaarplaats voor één of meer fietsen
  1. Fahrradabstellplatz
  2. Fahrradraum
/ˈfiːtsər/
noun
1. iemand die met een fiets rijdt
  1. Radfahrer
  2. Radler
noun
Fahrradhelm
noun
1. onderdeel van de kettingaandrijving van een fiets
Fahrradkette
/ˈfits.kuˌriːr/
noun
1. iemand die beroepshalve dingen rondbrengt op de fiets
Fahrradkurier
/ˈfitspɑt/
noun
1. een weggedeelte of vrijliggend pad dat is gereserveerd voor het gebruik door fietsers en snorfietsers.
Radweg
noun
Luftpumpe
/ˈfits.snɛl.β̞ɛx/, /ˈfits.snɛɫ.ʋɛχ/
noun
1. een fietspad dat een voorrangsroute vormt voor langeafstandsfietsers
Radschnellweg
noun
Radsport
noun
1. fietsonderdeel
Fahrradständer
/ˈfitstrat/
noun
1. een straat waarop fietsers oververtegenwoordigd zijn en waarop auto's zich aan fietsers moeten aanpassen
Fahrradstraße
noun
Fahrradtaxi
noun
1. een tocht gemaakt op de fiets
Radtour
/ˈfits.vərˌhyːr/
noun
1. een bedrijf dat fietsen verhuurt
  1. Fahrradverleih
  2. Fahrradvermietung
/fitsadəl/, /fitsadəɫ/
noun
Fahrradsattel
noun
Figuration
adjective
figurativ
noun
1. een heel fijn zaagje in de vorm van een dun zaagblad dat verticaal wordt gespannen in een lange horizontale beugel
Laubsäge
/ˈfɛifəl/
noun
1. bepaald soort dwarsfluit
Pfeifer
/ˈfɛifər/
noun
1. bepaald soort kleine dwarsfluit
Pfeifer
/ˈfi.(d)ʒi/, /ˈfi.dʒi/
pronoun
1. een land in Oceanië op het zuidelijk halfrond. Het bestaat uit 332 eilanden waarvan ongeveer 110 bewoond zijn
Fidschi
adjective
  1. 1. van geringe dikte
  2. 3. leuk
fein
phraseologicalUnit
1. kerstwens
  1. frohe Feiertage
  2. frohe Festtage
  3. frohes Fest
noun
Feinstaub
noun
1. ontsteking aan vinger
  1. Nagelgeschwür
  2. Panaritium
noun
Philatelie
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Filderstadt
/faɪl/
noun
  1. 1. lange rij met stilstaande of langzaam voortbewegende voertuigen of personen
    Stau
  2. 1. bestand op de computer
    Datei
pronoun
3. naam van een boek uit het Nieuwe Testament
Philemon
/filiˈjal/
noun
1. een pand in een reeks van panden
Filiale
/ˌfi.li.ˈpɛɪ̯.nə(n)/, /ˌfi.lɪ.ˈpɛɪ̯.nə(n)/, /ˌfi.lɪ.ˈpɛː.nə(n)/
pronoun
1. republiek in Oost-Azië bestaande uit een archipel van 7107 eilanden
Philippinen
/fili'pɛɪns/
pronoun
1. de officiële taal van de Filipijnen
Philippinisch
pronoun
Philipper
noun
  1. 1. een dunne laag
  2. 3. een opname van bewegende beelden die een verhaal vertelt
  3. 2. een dun en oprolbaar medium om beelden op te nemen in een camera
Film
/fɪlm.ˈnwaʁ/
noun
1. film in de stijl en sfeer die in de eerste plaats wordt geassocieerd met misdaadfilms waarvan de hoofdfiguren in een existentieel bedreigende en nihilistische wereld leven
Film noir
noun
Filmkamera
verb
1. beelden van iets vastleggen op film
filmen
noun
1. feestelijk evenement waarbij het tonen van films centraal staat
Filmfestival
noun
Philologie
/ˌfiloːˈloːɣ/
noun
1. iemand die zich specialiseert in de studie van de taal en de cultuur van een mensengemeenschap
Philologe
/filozoˈfi/
noun
1. de oudste theoretische discipline die het verlangen heeft en streeft naar kennis en wijsheid
Philosophie
adjective
1.
philosophisch
noun
Philosoph
/fɪltər/
noun
1. een voorwerp met kleine gaatjes waar water of gassen doorheen kunnen om gezuiverd te worden
Filter
noun
1. filtrering
Filtrierung
verb
1. door middel van een filter zuiveren of afscheiden
  1. filtern
  2. filtrieren
noun
  1. 1. de beslissende wedstrijd in een toernooi tussen de laatste twee deelnemers
  2. 2. het slotstuk van een meerdelig toneel- of muziekstuk
Finale
noun
1. finalis
Finalis
noun
1. deelnemer aan slotwedstrijd
Finalist
noun
Finalität
verb
1. voorzien van de benodigde geldmiddelen
finanzieren
noun
1.
Finanzen
/ˈfɪnlɑnd/, /ˈfɪnlɑnt/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa
Finnland
/fɪns/
adjective
1. betreffende Finland of het Fins
  1. finnisch
  2. Finnisch
/fɪns/
pronoun
1. een taal die wordt gesproken in Finland
Finnisch
pronoun
1.
Finnischer Meerbusen
noun
  1. 2. een zaak of bedrijf
  2. 1. een handelsvennootschap waarbij de vennoten hoofdelijk voor het geheel aansprakelijk zijn
Firma
noun
1. software die in hardware ingeprogrammeerd is
Firmware
noun
1. een grofkorrelige substantie ontstaan uit sneeuw en ijs, van waaruit gletsjers ontspringen
Firn
noun
1. afkorting van Fis-majeur
Fis
noun
  1. 1. verhoogde toon f
    fis
  2. 2. fis-kleinetertstoonladder
    fis-Moll
  3. 3. fis-mineurgrondakkoord
    1. fis-Moll
    2. fis
abbreviation
  1. 1. het akkoord fis - aïs - cis
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Fis-Dur
abbreviation
  1. 1. een akkoord fis - a - cis
    Fis-Moll
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
    fis-Moll
abbreviation
  1. 1. het akkoord fis - aïs - cis
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Fis-Dur
abbreviation
1. het akkoord fis-aïs-cis
Fis-Dur-Akkord
noun
1. een majeurtoonladder met “fis” als grondtoon
Fis-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “fis” als grondtoon
Fis-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “fis” als grondtoon
Fis-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “fis” als grondtoon
Fis-Dur-Tonleiter
abbreviation
  1. 1. een akkoord fis - a - cis
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
fis-Moll
abbreviation
1. het akkoord fis-a-cis
fis-Moll-Akkord
noun
1. een mineurtoonladder met “fis” als grondtoon
fis-Moll-Tonart
noun
1. een kleinetertstoonladder met “fis” als grondtoon
fis-Moll-Tonleiter
abbreviation
  1. 1. het akkoord fis - aïs - cis
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Fis-Dur
abbreviation
1. het akkoord fis-aïs-cis
Fis-Dur-Akkord
noun
1. een grotetertstoonladder met “fis” als grondtoon
Fis-Dur-Tonart
noun
1. een grotetertstoonladder met "fis" als grondtoon
Fis-Dur-Tonleiter
noun
1. een grotetertstoonladder met “fis” als grondtoon
Fis-Dur-Tonleiter
noun
1. een grotetertstoonladder met “fis” als grondtoon
Fis-Dur-Tonleiter
abbreviation
  1. 1. een akkoord fis - a - cis
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
fis-Moll
abbreviation
1. het akkoord fis-a-cis
fis-Moll-Akkord
noun
1. een kleinetertstoonladder met “fis” als grondtoon
fis-Moll-Tonleiter
noun
1. een kleinetertstoonladder met “fis” als grondtoon
fis-Moll-Tonleiter
noun
1. een overheidsorgaan dat de heffing en inning van belasting voor een staat verzorgt
  1. Finanzamt
  2. Fiscus
noun
  1. 1. tweemaal verhoogde toon “f”
    fisis
  2. 3. fisis-mineurgrondakkoord
    1. fisis
    2. fisis-Moll
  3. 2. fisis-kleinetertstoonladder
    fisis-Moll
abbreviation
1. het akkoord fisis-aïs-cisis
fisis-Moll-Akkord
noun
1. een mineurtoonladder met “fisis” als grondtoon
fisis-Moll-Tonart
noun
1. een kleinetertstoonladder met “fisis” als grondtoon
fisis-Moll-Tonleiter
abbreviation
1. het akkoord fisis-aïs-cisis
fisis-Moll-Akkord
noun
1. een kleinetertstoonladder met “fisis” als grondtoon
fisis-Moll-Tonleiter
noun
1. een kleinetertstoonladder met “fisis” als grondtoon
fisis-Moll-Tonleiter
noun
1. een kanaalvormige zweer
Fistel
/ 'fɪt /
adjective
in goede lichamelijke conditie
fit
noun
1. conditie- of krachttraining, meestal in een sportzaal
Fitness
noun
Fixierung
noun
1. middel om iets vast te zetten, fixeermiddel
Fixativ
/fjɔrd/, /fjɔrt/
noun
1. een bepaald type van inham in een bergachtige kust, gekenmerkt door steile wanden die door gletsjerwerking zijn uitgesleten
Fjord
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Fladungen
noun
1. Uitstraling
Flair
noun
1. bepaald soort roze reigerachtige waadvogel met een haakvormige snavel...
Flamingo
/flɑŋk/
noun
  1. 1. zijkant van een samenhangend geheel
  2. 2. sterkst stijgende of dalende deel van een elektrisch signaal
Flanke
/flɑt/
noun
Etagenwohnung
adjective
een flauw biertje
schales
verb
1. door hitte of gebrek aan frisse licht het bewustzijn verliezen
ohnmächtig werden
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Flein
verb
1. overdreven lief tegen iemand doen
schmeicheln
pronoun
1.
Flensburg
noun
1. dun soort pannenkoekje dat zowel als hoofdgerecht en als nagerecht gegeten wordt
  1. Eierkuchen
  2. Pfannkuchen
noun
1. scheikundig element met symbool Fl en atoomnummer 114
Flerovium
noun
1. een langgerekt, cilindrisch en meestal van glas vervaardigd vat met een nauwe hals die met een dop of kurk af te sluiten is
  1. Flasche
  2. Buddel
adjective
  1. Flaschengrün
  2. flaschengrün
/flɛts/
adjective
1. een vale kleur hebbend
matt
/ˈflevoˌlɑnt/, /ˈfleːvoˌlɑnd/, /ˈfleːvoˌlɑnt/
pronoun
1. een provincie in het midden van Nederland, die door het IJsselmeer...
Flevoland
/flɛkˈsibəl/
adjective
1. het vermogen hebbend gebogen te worden
flexibel
/ˈflɛk.si/
noun
  1. 2. vormverandering van een woord
  2. 1. een buiging, een buigbeweging in een gewricht door de buigspieren
Flexion
verb
1. kruiperig vleien
lobhudeln
noun
4. (scheldwoord) iemand van het mannelijke geslacht met een seksuele voorkeur voor andere mannen
  1. Homo
  2. Schwule
adjective
  1. 2. groot van afmeting of hoeveelheid
    1. anständig
    2. kräftig
    3. stattlich
    4. tüchtig
  2. 1. stevig van lichaamsbouw
    1. kräftig
    2. stattlich
  3. 3. sterk van karakter
    tüchtig
adverb
1. in hoge mate
  1. anständig
  2. kräftig
  3. stattlich
  4. tüchtig
noun
Flipper
verb
1. op een levendige, onrustige, beweeglijke manier licht uitzenden of weerkaatsen
  1. funkeln
  2. glitzern
/floˈrɑ/
noun
1. plantenrijk in een bepaalde streek of periode
Flora
/ˈflɔrəns/
pronoun
2. de hoofdstad van Toscane
Florenz
noun
1. een zijden draad waarmee men de ruimte tussen de tanden reinigt
Zahnseide
noun
Fluktuation
verb
1. onregelmatig variëren (binnen bepaalde grenzen), schommelen
flutuieren
noun
1. vocht dat in de mond vloeit uit de speekselklieren
Speichel
verb
1. spreken met gedempte stem
flüstern
noun
  1. 3. een scheepstype
    1. Fleute
    2. Flöte
    1. 1. buisvormig blaasinstrument
    2. 4. een slank drinkglas
    Flöte
  2. 2. een signaalinstrument
    Trillerpfeife
noun
1. een luidruchtig en langdurig gefluit op de vingers door een menigte als teken van afkeuring
Pfeifkonzert
verb
1. een fluit bespelen
pfeifen
noun
1. musicus die een fluit bespeelt
Flötist
noun
  1. Flötenkessel
  2. Teekessel
noun
1. een chemisch element en een geelgroen halogeen
Fluor
noun
1. het uitzenden van licht ...
Fluoreszenz
noun
Fluorid
/ˌfly.wɔk.səˈti.nə/
noun
1. een antidepressivum
Fluoxetin
/flʏks/
noun
  1. 2.aantal krachtlijnen dat loodrecht door een oppervlakte-eenheid gaat
    Fluss
  2. 3. soldeervloeimiddel flux
    Flussmittel
noun
1. Sedimentaire gesteentelagen
Flysch
noun
1. een ziekelijke vrees
Phobie
/ˈfokʏs/
noun
2. een punt of verzameling van punten waar alle stralengangen samenkomen
Fokus
noun
1. benaming voor de hervormde federale ministeries in België
FÖD
noun
Brummtopf
/ˈfu.li/
noun
1. Myristica fragrans
Macis
noun
1. een nog niet voldragen menselijke of dierlijke vrucht
  1. Fötus
  2. Fetus
noun
  1. A 1. driehoekig zeil bevestigd aan de voorstag
    Fock
  2. A 3. bril
    Nasenfahrrad
  3. B 1. teelt van dieren
    Zucht
verb
1. dieren houden om ze te laten voortplanten
züchten
noun
Fockmaat
noun
Fockmaat
noun
1. voorste mast van een driemastschip
Fockmast
noun
  1. 1. bedrijfsmatige verwekking van dieren
    Zucht
  2. 2. bedrijf waar dieren worden verwekt
    Züchterei
noun
1. programma voor het fokken van dieren
Zuchtprogramm
noun
1. een blad met informatie of reclame
  1. Broschüre
  2. Faltblatt
noun
1.
Folie
noun
1.
Phonem
/ˌfoneˈtik/
noun
1.
Phonetik
verb
funkeln
noun
1. lettertype, karakterset
  1. Schriftart
  2. Schrifttyp
noun
1. nog niet verbeende plek in de schedel van een baby
Fontanelle
/fɔnˈtɛɪn/, /fɔnˈtɛːn/
noun
  1. 2. omhoogspuitende waterstraal
    Fontäne
  2. 1. kunstmatige bron, aangelegd om water omhoog te spuiten
    1. Springbrunnen
    2. Brunnen
verb
foppen
noun
Schnuller
verb
  1. 1. een beslissing afdwingen
    1. erzwingen
    2. forcieren
  2. 3. teveel van zichzelf vergen
    sich überanstrengen
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Forchtenberg
noun
1. benaming voor zalmachtige zoetwatervissen uit de geslachten Salmo, Salvelinus en Oncorhynchus
Forelle
noun
1. iemand die dagelijks heen en weer reist tussen de woongemeente en de werkgemeente
Pendler
adjective
1. (juridisch) betrekking hebbend op justitie
forensisch
noun
1. een resonantie (een significante smalle piek) op een bepaalde frequentie
Formant
adjective
formativ
/fɔrˈmel/
adjective
1. met inachtneming van strikte omgangsvormen
  1. formell
  2. förmlich
pronoun
1. categorie in de autosport
Formel 1
verb
1. in woorden omzetten
formulieren
noun
Formulierung
/fɔrmyˈlir/
noun
1. een stuk papier waarop voorgedrukte vragen kunnen worden beantwoord
Formular
noun
Herd
adjective
glücklich
noun
1. met symbool P en atoomnummer 15
Phosphor
noun
1.
Phosphoreszenz
adjective
fossil
noun
1 en 2
Foto
noun
Fotoalbum
noun
1. een toestel om mee te fotograferen
  1. Kamera
  2. Fotoapparat
noun
Photochemie
adjective
1.op foto's een voordelige indruk makend
fotogen
noun
1. iemand die fotos maakt
Fotograf
verb
1. een afbeelding maken door de projectie van beeld op een lichtgevoelige laag
fotografieren
noun
1. de kunst om door chemische inwerking van licht op een gevoelige plaat afbeeldingen te maken
Fotografie
noun
Fotogramm
noun
1. een fotografisch gemaakte kopie
Fotokopie
noun
Kopierapparat
verb
1. een fotokopie maken van iets
fotokopieren
noun
1. een elementair deeltje waaruit elektromagnetische straling is samengesteld
Photon
noun
1.
Photosynthese
noun
1. een toestel om mee te fotograferen
  1. Kamera
  2. Fotoapparat
noun
Fourier-Transformation
/fɑut/
noun
1. vergissing, onjuistheid
Fehler
pronoun
1. een hoogland in het centraal-westen van Guinee
Fouta Djallon
noun
1. foxtrot
Foxtrott
/fwɑ.ˈjeː(r)/, /fʋa.ˈje/
noun
1. verzamelplaats, zaal voor de verpozing (bijvoorbeeld in een hotel of schouwburg)
Foyer
adjective
1. van opvallende kwaliteit
  1. schön
  2. zierlich
phraseologicalUnit
1.
feine Handarbeit
/ˈfrɑksi/
noun
  1. 1. een klein deel
    Fraktion
  2. 2. gezamenlijke vertegenwoordigers van een politieke partij in een volksvertegenwoordiging
    1. Fraktion
    2. Klub
noun
1. de voorzitter van de vertegenwoordigers van een politieke partij
Fraktionsvorsitzende
noun
1. een botbreuk
Fraktur
noun
Fragmentation
noun
2. vrucht van de frambozenstruik
Himbeere
adjective
  1. Himbeerrot
  2. himbeerrot
noun
2. een stilstaand beeld uit een bewegende film
Bild
/ˈfremɪŋ/
noun
  1. Deutungsrahmen
  2. Framing
  3. Rahmen
noun
1. een scheikundig element met symbool Fr en atoomnummer 87
Francium
pronoun
Frankfurt am Main
adjective
fränkisch
/ˈfrɑŋkrɛɪ̯k/, /ˈfrɑŋkrɛːk/
pronoun
1. een West-Europees land, grenzend aan België, Luxemburg, Duitsland, Zwitserland, Italië, Monaco, Spanje en Andorra
Frankreich
/frɑns/
adjective
1. betreffende Frankrijk of het Frans
  1. französisch
  2. Französisch
/frɑns/
pronoun
  1. 1. een Gallo-Romaanse taal die vooral gesproken wordt in Frankrijk, België, Luxemburg...
    1. Französisch
    2. französisch
  2. 1. een mannelijke voornaam
    Franz
pronoun
1. variant van het West-Vlaams gesproken in het uiterste noorden van Frankrijk
Französisch-Westflämisch
adjective
  1. 1. de Franse taal sprekend
  2. 2. taaluiting in het Frans
französischsprachig
noun
1. een aantal woorden die een begrip uitdrukken, vaak een zinsdeel, soms een hele zin
Redewendung
verb
phrasieren
noun
1. het in frasen onderverdelen, met name gezegd van het articuleren van afzonderlijke muzikale zinnen in een muziekstuk, dat hierdoor als geheel beter moet klinken
Phrasierung
/fratər/
noun
1. bepaald soort vogel, Linaria flavirostris
Berghänfling
noun
1. bedrog of gesjoemel door valsheid in geschrifte
Betrug
noun
1. fraunhoferlijn
Fraunhoferlinie
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Frechen
noun
1. graanproduct gemaakt van geroosterde groene tarwe
  1. Farik
  2. Freekeh
noun
Fräsmachine
noun
Fräsmaschine
noun
1.
Freeware
noun
  1. 1. Oorlogsschip
  2. 2. Driemaster
Fregatte
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Freiburg
noun
1.
freies Ermessen
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Freilassing
noun
1,2. aantal keren of herhalingen per tijdseenheid
  1. Frequenz
  2. Häufigkeit
noun
1. frequentiemeter
Frequenzmesser
noun
1. frequentieteller
Frequenzzähler
noun
  1. 1. bepaald soort klein marterachtig zoogdier, Mustela putorius furo
    Frettchen
  2. C 1. metalen richel op de hals van een snaarinstrument (gitaar) waarop de snaar wordt afgeknepen
    Bund
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
  3. 3.
Freudenberg
pronoun
  1. 1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
  2. 2. een district in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Freudenstadt
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Freyung
verb
1. frezen
fräsen
/ˌfrikaˈtif/
noun
1. een medeklinker die geproduceerd wordt met een gedeeltelijke obstructie ergens in het spraakkanaal
  1. Frikativ
  2. Reibelaut
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Thüringen
Friedrichroda
pronoun
1.
Friedrichshafen
noun
1. en 2.
  1. Friese
  2. Friesländer
pronoun
  1. 2. benaming voor een Germaanse taal
    1. Friesisch
    2. friesisch
  2. 1. Westerlauwers Fries
    Westfriesisch
/ˈfrislɑnd/, /ˈfrislɑnt/
pronoun
1. provincie in het nooren van Nederland
Friesland
adjective
1.
friesischsprachig
noun
1. de benaming voor een gerecht van gefrituurde aardappelreepjes ('patat frites')
  1. Pommes frites
  2. Fritten
noun
  1. Frittenbude
  2. Pommesbude
noun
  1. Frittenbude
  2. Pommesbude
noun
Frikandel
noun
1. everjong
Frischling
noun
1. een gerecht vervaardigd van in reepjes gesneden aardappel gebakken in olie
  1. Fritten
  2. Pommes
noun
1. een huishoudtoestel dat gebruikt wordt om in olie bepaalde gerechten te frituren
Fritteuse
noun
Fritteuse
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Hessen
Fritzlar
pronoun
1. een taal die wordt gesproken in het noordoosten van Italië en in Slovenië
Furlanisch
pronoun
Friaul
verb
1. van verbazing of afkeuring de wenkbrauwen ophalen
  1. runzeln
  2. zusammenziehen
noun
bepaalde suiker die veel in zoete vruchten voorkomt
Fructose
/frœʏ̯t/, /frœːt/
noun
1. voedsel dat bestaat uit eetbare vruchten
  1. Obst
  2. Frucht
noun
1.
Obstbaum
noun
1. iemand die vruchten oogst van de bomen of struiken
Obstpflücker
/ˈfrœʏtsɑp/, /ˈfrœːtsɑp/
noun
1. sap gewonnen uit fruit
  1. Fruchtsaft
  2. Obstsaft
noun
Obstschale
noun
Obstbau
noun
1. een gevoel van ongenoegen omdat verwachte voortgang uitblijft
Frustration
verb
frustrieren
noun
Fuge
/fœyf/
noun
  1. Party
  2. Fete
noun
1. een groot model blokfluit
Fujara
pronoun
1.
Funchal
noun
  1. 1. taak
  2. 2. positie binnen een bedrijf of organisatie
  3. 3. (wiskunde) afhankelijkheid tussen een element en een veranderlijke
  4. 4. (informatica) onderdeel van de broncode van een computerprogramma
Funktion
noun
1. functie die als waarde een nieuwe functie oplevert
Funktionsgenerator
noun
  1. Synsemantikum
  2. Synsemantikon
verb
1. ~ als een bepaalde functie vervullen
funktionieren
noun
1. een orthodoxe, antiliberale godsdienstige richting
Fundamentalismus
adjective
1. aan de basis staande
fundamental
verb
1. een fundering aanbrengen
fundieren
noun
Fusion
verb
1. executeren voor een vuurpeloton
erschießen
/fʏt/
noun
1. de benodigde energie en zin ergens voor
Energie
adjective
antriebslos
noun
1.
Futurismus
noun
1. bepaald soort watervogel, Podiceps cristatus
  1. Haubentaucher
  2. Lappentaucher
/ˈfizika/
noun
1. de wetenschap van de materie en de bestudering van het gedrag en de interactie in ruimte en tijd
Physik
noun
Physiker
noun
Physiologie
noun
Physiotherapie
noun
Phytopathologie
noun
1. plantaardig plankton
Phytoplankton
/føn/
noun
1. een toestel dat een warme luchtstroom voortbrengt voor het drogen en opmaken van het kapsel
  1. Föhn
  2. Haartrockner
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Füssen
noun
2. afkorting voor de toonsoort
G
noun
  1. 1. de toonnaam
  2. 2. afkorting van “g-mineur”
g
abbreviation
  1. 1. het akkoord g - b - d
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
G-Dur
abbreviation
  1. 1. het akkoord g-bes-d
  2. 2. de toonsoort
g-Moll
/ɣe'ɣrot/
abbreviation
  1. 1. het akkoord g - b - d
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
G-Dur
abbreviation
1. het akkoord g-b-d
G-Dur-Akkord
noun
1. een majeurtoonladder met “g” als grondtoon
G-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met "g" als grondtoon
G-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “g” als grondtoon
G-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “g” als grondtoon
G-Dur-Tonleiter
/ɣe'klɛɪn/
abbreviation
  1. 1. het akkoord g-bes-d
  2. 2. de toonsoort
g-Moll
abbreviation
1. het akkoord g-bes-d
g-Moll-Akkord
noun
1. een mineurtoonladder met “g” als grondtoon
g-Moll-Tonart
noun
1. een kleinetertstoonladder met “g” als grondtoon
g-Moll-Tonleiter
noun
1. een mineurtoonladder met “g” als grondtoon
g-Moll-Tonleiter
/ɣe'ɣrot/
abbreviation
  1. 1. het akkoord g - b - d
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
G-Dur
abbreviation
1. het akkoord g-b-d
G-Dur-Akkord
noun
1. een grotetertstoonladder met “g” als grondtoon
G-Dur-Tonart
noun
1. een grotetertstoonladder met "g" als grondtoon
G-Dur-Tonleiter
noun
1. een grotetertstoonladder met "g" als grondtoon
G-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “g” als grondtoon
G-Dur-Tonleiter
/ɣe'klɛɪn/
abbreviation
  1. 1. het akkoord g-bes-d
  2. 2. de toonsoort
g-Moll
abbreviation
1. het akkoord g-bes-d
g-Moll-Akkord
noun
1. een kleinetertstoonladder met “g” als grondtoon
g-Moll-Tonart
noun
1. een kleinetertstoonladder met “g” als grondtoon
g-Moll-Tonleiter
noun
1. een kleinetertstoonladder met “g” als grondtoon
g-Moll-Tonleiter
noun
1. g-sleutel
G-Schlüssel
/ɣaːf/, /χaːf/
adjective
  1. 2. in de populaire smaak vallend
    1. geil
    2. modern
  2. 1. zonder beschadiging
    1. intakt
    2. makellos
    3. unbeschädigt
    4. vollständig
/ɣaːj/
noun
1. middelgrote, gewoonlijk vrij kleurrijke zangvogel met een vrij lange staart, Garrulus glandarius
Eichelhäher
/ɣaːn/, /χaːn/
verb
  1. voor iets gaan
    anstreben
  2. ervandoor gaan
    1. davonmachen
    2. türmen
  3. 1. zich in een bepaalde richting bewegen
    gehen
noun
Galerie
adverb
1. geleidelijk aan, bijna ongemerkt
nach und nach
noun
1. instelling die gratis voedsel beschikbaar stelt
  1. Garküche
  2. Suppenküche
/ɣas/
noun
1. een uit dunne gevlochten metalen draadjes gemaakte mat
Gaze
/'ɣa.bɔn/, /ɣa.'bɔn/, /χa.'bɔn/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Gabonese Republiek
Gabun
adjective
1. op Gabon betrekking hebbend
gabunisch
noun
1. echtgenoot, echtgenote
  1. Gattin
  2. Ehepartnerin
  3. Gatte
  4. Ehepartner
/ɣadoˈlinijʏm/
noun
1. een scheikundig element met symbool Gd en atoomnummer 64
Gadolinium
/ˈɣɑ.fəl/, /ˈɣɑ.fəɫ/, /ˈχɑ.fəɫ/
noun
    1. 1. het gewei van een tweejarig hert of ree met twee uiteinden
    2. 2. gevorkt werktuig
    Gabel
  1. 1. rondhout
    Gaffel
noun
1. bepaald soort zoogdier, Antilocapra americana
Gabelbock
noun
1. gaffelgetuigde schoener
Gaffelschoner
noun
1. een trapeziumvormig zeil dat aan de bovenkant uitgehouden wordt door een gaffel
Gaffelsegel
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Gaggenau
noun
  1. 1. eenheid van versnelling in het c.g.s-stelsel (centimeter-gram-seconde-stelsel)
    Gal
  2. [A] 1. uit de lever afkomstig vocht dat een rol speelt in de spijsvertering, met name van vet
    Galle
  3. [B] 2. uitwas aan blad van boom of struik
    1. Gallapfel
    2. Galle
    3. Pflanzengalle
  4. [B] 3. gezwel bij dieren (paardenbeen)
    Galle
  5. [B] 1. door luchtinsluiting gevormd holletje in (giet-) materiaal
    Lunker
adjective
1.erg vriendelijk en beleefd
galant
pronoun
1. boek van het Nieuwe Testament
Galater
noun
1. een peervormig hol orgaan dat aan de rechterkant van het lichaam, achter (d.w.z. meer naar binnen) en onder de lever ligt
Gallenblase
noun
1. de laatste maaltijd die een ter dood veroordeelde mag nuttigen
Henkersmahlzeit
/'ɣɑlɣə(n)strɔp/
noun
1. een tot strop geknoopt touw zoals dat aan een galg gehangen wordt ter verhanging van een veroordeelde
Schlinge
pronoun
1. Romaanse taal gesproken in Galicië
  1. Galizisch
  2. Galicisch
/ɣɑˈlisɪə/, /ʝɑˈlisɪə/
pronoun
  1. 1. Spaanse regio
    Galicien
  2. 2. historische landstreek
    Galizien
noun
1. woord of uitdrukking overgenomen uit het Frans of gevormd naar Frans voorbeeld
Gallizismus
adjective
1. betreffende het oude Gallië dan wel de Gallische taal
gallisch
pronoun
1. uitgestorven taal
  1. Gallisch
  2. gallisch
noun
1. een scheikundig element met symbool Ga en atoomnummer 31
Gallium
noun
1. streektaal die gesproken wordt in Frankrijk
Gallo
noun
1. versierde band langs de naad van een uniform
Galone
noun
1. de snelste gang van een paard
Galopp
noun
1. een vaste structuur in de galwegen of de galblaas bestaande uit neergeslagen cholesterol, bilirubine of kalkzouten
Gallenstein
adjective
1. door een elektrochemisch proces aangebracht
galvanisch
/ˌɣɑɫvaniˈzeːrə(n)/
verb
1. een laag zink opbrengen
  1. galvanisieren
  2. verzinken
/'ɣɑm.bi.ja/, /'χɑm.bi.ja/
pronoun
1. een land in West-Afrika
Gambia
adjective
gambisch
noun
  1. 1. bepaald soort liaan uit Indonesië, Uncaria gambir
  2. 2. stof
Gambir
noun
1. iemand die viola da gamba speelt
Gambist
noun
1. viola da gamba-speelster
Gambistin
noun
1. mannelijke gans (Anser en Branta)
Gänserich
noun
  1. 1. lange smalle ruimte
    1. Flur
    2. Gang
    3. Korridor
  2. 3. onderdeel van een maaltijd
    Gang
/'ɣɑŋbar/
adjective
1. wat gebruikelijk is
  1. gängig
  2. gangbar
/ˈɣɑŋbarhɛit/
noun
2.1 mate waarin een bepaalde groep taalgebruikers een woord of grammaticale constructie kent of toepast
  1. Gebräuchlichkeit
  2. Gängigkeit
noun
  1. 1. zenuwknoop
  2. 2. pijnlijke met vocht gevulde holte
Ganglion
/ˈɣɑŋ(g).pɑd/, /ˈɣɑŋ.pɑt/, /ˈχɑŋ.pɑt/
noun
1. een pad voor wandelaars, voetpad
Durchgang
/gɑŋ'gren/
noun
1. de afsterving en ontbinding van een levend organisme
Gangrän
/ ˈgɛŋstər /
noun
1. een lid van een criminele organisatie
Gangster
/ˈɣɑnəf/
noun
1.
Ganove
adjective
1. helemaal
ganz
noun
1. benaming voor vogels uit de geslachten Anser en Branta
Gans
noun
1. orgaan dat een grote rol speelt in de stofwisseling van een gans (Anser anser), na het slachten vaak gegeten als delicatesse
Gänseleber
noun
1.
Gänsefett
/ˈɣa.pə(n)/, /ˈɣaː.pə(n)/, /ˈχa.pə(n)/
verb
  1. 2. met open mond vol verwondering ergens naar kijken
    gaffen
  2. 1. heel diep inademen met de mond ver open, moeilijk om bewust tegen te gaan
    gähnen
  3. 3. wijd openstaan
    klaffen
/ɣa.ˈra.zʲǝ/
noun
  1. 2. een bedrijf dat reparatieservices aan motorvoertuigen verricht
    Autowerkstatt
  2. 1. een overdekte autostalling
    Garage
noun
1. een deur die toegang geeft tot de garage
  1. Garagentor
  2. Garagentür
/ɣarɑndɪːrə(n)/
verb
1. de uitkomst ergens van verzekeren
garantieren
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Nedersaksen
Garbsen
noun
1. een roe
Rute
noun
1. een keukengerei bestaande uit een stel gebogen draden waarmee geklopt en geklutst kan worden.
Schneebesen
noun
  1. bewaarplaats voor kleren
    1. Garderobe
    2. Kleideraufbewahrung
  2. 1. voorraad kleren
    1. Garderobe
    2. Kleidervorrat
noun
kamer voor het bewaren van kleding
Kleiderkammer
noun
Kummet
noun
1. bewegelijke pasvorm waaraan de trekstrengen bevestigd worden om het halsjuk uit te balanceren
Ortscheit
noun
1. samengebonden bundel halmen
Garbe
pronoun
  1. 1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
  2. 2. een district in de Duitse deelstaat Beieren
Garmisch-Partenkirchen
noun
Garnele
verb
1. versieren van voeding
garnieren
pronoun
1.
Garonne
/ɣɑs/, /χɑs/
noun
1. aggregatietoestand
Gas
noun
Gasheizofen
noun
1. lichtbron in een gaslamp
Gasstrumpf
noun
1. gaslamp
Gaslampe
noun
1. een buis waardoor verschillende materialen in gasvorm vervoerd kunnen worden
  1. Erdgasleitung
  2. Gasleitung
noun
het rechter pedaal van een auto waarmee de brandstoftoevoer naar de motor geregeld wordt
Gaspedal
/ɣɑst/, /χɑst/
noun
1. iemand die als bezoeker ergens wordt ontvangen, verwelkomd of op een bijzondere wijze behandeld
Gast
noun
1. iemand die tijdeljk naar een ander land komt om daar arbeid te verrichten
Gastarbeiter
noun
1. een boek of elektronische versie daarvan waarin bezoekers hun opmerkingen achter kunnen laten
Gästebuch
noun
Gastroenteritis
noun
Gastronomie
/ɣɑstˈfrɛɪ/, /ʝɑstˈfrɛː/
adjective
1. gul in het onthalen of herbergen van gasten
  1. gastfrei
  2. gastfreundlich
noun
  1. Gastfreundlichkeit
  2. Gastfreiheit
/ɣɑt/, /χɑt/
noun
  1. 1. opening
    Loch
  2. 2. een tekort of ontbrekend deel
    1. Lücke
    2. Mangel
  3. in de gaten springen
    einspringen
/ɣʌu/, /ʝʌu/
adverb
  1. 2. zeer binnenkort
    1. bald
    2. baldig
  2. 1. binnen een kort tijdsbestek
    1. schnell
    2. rasch
noun
  1. 2. een geschenk
    Geschenk
  2. 1. een bijzondere aanleg
    1. Talent
    2. Gabe
noun
1. benaming voor slanke hoefdieren
Gazelle
noun
1. klassiek massamedium, gedrukt op papier en primair gericht op het verspreiden van nieuws
Gazette
noun
1. onderhouden, kort gemaaid grasveld bij een huis
Rasen
/ɣə/, /χə/
personalPronoun
1. tweede persoon enkelvoud. In Nederland verouderd, maar in België in dagelijks gebruik.
du
adjective
1.
hüglig
/ɣə'ʔɑxt/
adjective
1. als waardig beschouwd, beleefdheidsvorm in aanhef brief
geachtet, geehrt
/xəˈbar/
noun
  1. 1. een beweging waarmee men iets wil zeggen
    Gebärde
  2. 2. een handeling waarmee men iets wil uitdrukken
    Geste
noun
1. meestal zoet, gebakken voedsel specifiek gemaakt om van te genieten
Gebäck
noun
  1. Gebärdensprache
  2. Zeichensprache
/ɣə'bɛt/
noun
1. het bidden
Gebet
noun
Gebet Manasses
noun
1. een verzameling van bergen die met elkaar een groter geheel vormen
  1. Gebirgskette
  2. Gebirge
/ɣə'bɵːrə(n)/
verb
1. plaatshebben, werkelijkheid worden
  1. geschehen
  2. passieren
noun
1. iets dat zich voordoet
  1. Ereignis
  2. Vorfall
  3. Vorkommnis
/ɣəˈbit/, /χəˈbit/
noun
1. een deel van het aardoppervlak
Gebiet
noun
1. de vorm waarin een werkwoord gebruikt wordt als iets zeker gedaan moet worden
Imperativ
noun
1. alle tanden en kiezen van een dier of mens
  1. Gebiss
  2. Zähne
/xəˈblat/
noun
  1. 1. het blaten van een schaap
    Geblöke
  2. 2. inhoudsloos gepraat, op een luide toon
    Geschrei
/ɣəˈbladərtə/, /χəˈbladərtə/
noun
1. een verzameling van bladeren van één of meer bomen
Blattwerk
adjective
1. met bloemversieringen
geblümt
noun
Gebot
noun
Gesindel
noun
1. een getal dat aangeeft hoeveel geboorten er in een gebied in een bepaalde tijd hebben plaatsgevonden
Geburtenrate
/ɣəˈboːr.təˌkɛrk/, /χəˈbo̝ːr.təˌkɛrk/
pronoun
1. een kerkgebouw in Bethlehem op de Westelijke Jordaanoever op de plaats waar Jezus geboren zou zijn
Geburtskirche
noun
Geburtsland
noun
1. het verschijnsel dat in een gebied in een bepaalde periode het aantal geboorten structureel hoger ligt dan het aantal sterfgevallen
Geburtenüberschuss
adjective
    1. 1. ter wereld gebracht, gebaard
    2. 2. begonnen, ontstaan
    geboren
  1. 3. door herkomst of natuurlijke aanleg
    1. geboren
    2. von Geburt
adjective
1. iemand met een beperkt verstand of die het aanwezige verstand niet gebruikt
  1. borniert
  2. engstirnig
  3. unbelehrbar
noun
1. een constructie waarin men kan wonen of werken
  1. Gebäude
  2. Bau
noun
  1. 2. een defect
    1. Gebrechen
    2. Mangel
  2. 1. een tekort
    Mangel
adjective
1. één of meerdere gebreken hebbend
mangelhaft
noun
Mangelkrankheit
noun
  1. 1. een standaard manier van doen
    Brauch
  2. 2. toepassen van iets
    1. Gebrauch
    2. Benutzung
adjective
1. naar gewoonte, zoals men regelmatig doet
üblich
/ɣəˈbrœʏkən/, /χəˈbrœʏkən/
noun
1. meervoud van het zelfstandig naamwoord gebruik
Sitten
/ɣəˈbrœʏkən/, /χəˈbrœʏkən/
verb
  1. 1. zich bedienen van, toepassen
    1. benutzen
    2. verwenden
    3. gebrauchen
  2. 2. eten, nuttigen
    1. einnehmen
    2. zu sich nehmen
/ɣə'brœːkər/, /χə'brœʏkər/
noun
1. iemand die iets gebruikt
Benutzer
noun
1.
Benutzername
adjective
1. van een product dat een beoogde eindgebruiker het effectief, efficiënt en naar tevredenheid kan gebruiken zonder dat een (langdurige) studie nodig is
verbraucherfreundlich
noun
1. meestal schriftelijke instructie die bij een product wordt gegeven
Gebrauchsanweisung
noun
Gebrauchsgegenstand
adjective
1. gemakkelijk te gebruiken, met aandacht voor bedieningsgemak ontworpen
benutzerfreundlich
adjective
1. ingewikkeld
kompliziert
/ɣə'dɑɣdə/, /ɣəˈdɑxtə/
noun
1. het nadenken, idee
Gedanke
noun
1. een reeks op elkaar volgende denkstappen
Gedankengang
/ɣəˈdɑɣdəˌstreːp/, /χəˈdɑχtəˌstrep/
noun
1. leesteken in de vorm van een half kastlijntje
Gedankenstrich
noun
1. minder dan het geheel
Teil
/ɣəˈdeltələk/, /ʝəˈdeltələk/
adjective
  1. teilweise
  2. teils
adjective
  1. 2. in de natuur als zodanig voorkomend
    gediegen
  2. 1. degelijk, grondig
    1. gründlich
    2. gediegen
noun
  1. Deputierter
  2. Abgeordneter
noun
destilliertes Wasser
noun
1. iemand die door de staat van zijn vrijheid beroofd is
Häftling
noun
1. een in versmaat of in dichterlijke stijl opgesteld stuk
  1. Gedicht
  2. Dichtung
verb
  1. dulden
  2. ertragen
  3. tolerieren
noun
Duldungspolitik
noun
1. de manier waarop iemand optreedt of iets ergens op reageert
  1. Verhalten
  2. Benehmen
verb
1. zich ~: de manieren die iemand meest in de omgang met anderen aan de dag legt
  1. sich benehmen
  2. sich verhalten
noun
1. vast patroon waardoor bepaald gedrag gekenmerkt wordt.
Verhaltensmuster
/ɣədʏɫt/
noun
1. de rust en bereidheid om te wachten
Geduld
/gə'dʌldəx/
adjective
1. bereid te wachten en tegenslagen te verdragen
geduldig
preposition
tijdens
während
/ɣeːl/, /ɣeːɫ/, /χeɪɫ/
adjective
1. citroen-, goudkleurig
  1. gelb
  2. Gelb
/ɣeːl/, /ɣeːɫ/, /χeɪɫ/
noun
  1. 1. kleur tussen oranje en groen
    1. Gelb
    2. gelb
  2. 2. vogelziekte
    gelber Knopf
adjective
1. een kleur hebbend die tussen geel en bruin in ligt
gelbbraun
adjective
  1. Gelbgrau
  2. gelbgrau
adjective
  1. Gelbgrün
  2. gelbgrün
adjective
  1. Gelborange
  2. gelborange
indefinitePronoun
1. ontkennend onbepaald lidwoord: tegenovergestelde van één, niet een
kein
noun
1. smalle ranke zeevis met afgeplat lichaam en een lange snavelvormige bek, Belone belone
Hornhecht
adjective
1. met betrekking tot de geest
geistig
adjective
1. met humor, gevat
geistreich
pronoun
1.
Geestland
noun
Geistererscheinung
/ɣ̟eːβ̞/, /χeːu/
noun
1. het zich uitrekken, meestal met open mond, bij slaperigheid, ontspanning of verveling
Gähnen
/ɣɪːwə(n)/
verb
1. gapen
gähnen
/ɣəˈɣevə(n)/, /χəˈχevə(n)/
noun
1. een bekend geval of feit
Information
adjective
1.onderbouwing
begründet
noun
1. fijngehakt of gemalen vlees
Gehackte
noun
Fleishwolf
/xəˈɦɛndiˌkɛpt/, /ɣəˈɦɑndiˌkɑpt/
adjective
1. met een lichamelijke afwijking
  1. behindert
  2. gehandikapt
noun
1. iemand met een beperking van lichamelijke, verstandelijke, psychische en/of sociale aard
  1. Behinderter
  2. Behinderte
noun
  1. Ganzheit
  2. Ganze
  3. Gänze
/ɣəɦɛɪm/
adverb
1. opzettelijk verborgen
geheim
/ɣəɦɛɪm/
noun
1. informatie die verborgen wordt en bestemd is om dat te blijven
  1. Geheimnis
  2. geheim
noun
  1. 1. het deel van de hersenen waarin herinneringen worden opgeslagen
    Gedächtnis
  2. 2. snel toegankelijke plaats om data op te slaan
    1. Speicher
    2. Gedächtnis
noun
Formgedächtnislegierung
noun
  1. Amnesie
  2. Erinnerungsverlust
  3. Gedächtnisschwund
noun
1. het organische systeem om geluiden waar te nemen
  1. Gehör
  2. Hörvermögen
noun
  1. Hörgerät
  2. Hörapparat
noun
1. een holle buis die de oorschelp met het middenoor verbindt
Gehörgang
noun
1. een beschadiging aan het gehoor waardoor men niet goed meer kan horen
Hörproblem
/ɣə'hoːrzam/, /ɣə'ɦoːrzam/, /χə'ɦo̝ːrzam/
adjective
1. bereid gehoor te geven aan regels of bevelen
  1. gehorsam
  2. folgsam
verb
1. gevolg geven aan een opdracht of bevel
gehorchen
verb
verplicht zijn
  1. gebunden
  2. verpflichtet
/ɣəˈhʏxt/
noun
1. een aantal bij elkaar staande huizen op het platteland
Weiler
noun
1. instrument voor het meten van radioactieve straling
Geigerzähler
/ɣɛi̯l/, /χɛi̯l/
adjective
geil
pronoun
1.
Geiselwind
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Hessen
Geisenheim
/ˈɣɛɪ̯t/, /ˈɣɛːt/, /ˈχɛɪ̯t/
noun
1. bepaald soort zoogdier Capra aegagrus hircus
  1. Ziege
  2. Geiß
noun
Ziegenkäse
noun
voedzaam vocht dat tepels van een geit afscheiden
Ziegenmilch
/ɣəˈjaxt/
adjective
1. druk; overvol; haastig; gestrest
hektisch
noun
1. het aanhoudend juichen
Jubel
/ɣɛk/, /χɛk/
adjective
  1. 4. knettergek
    1. behämmert
    2. verrückt
  2. 3. grappig
    lustig
  3. 1. ongebruikelijk, raar, vreemd, ongewoon
    merkwürdig
  4. 2. bezittende een zeer lage intelligentie, krankzinnig
    verrückt
/ˈɣɛkə(n)ˌprat/
noun
1. niet ernstig te nemen uitingen, onzinnige uitspraken
  1. Geschwafel
  2. Geschwätz
noun
1. gekko
Gecko
adjective
1. door drukking gekwetst
geprellt
noun
  1. Antlitz
  2. Gesicht
noun
1. de lijnen in het gezicht die een bepaalde uitdrukking geven
Gesichtszug
/ɣəˈlɑx/
noun
1. het lachen
Lachen
adjective
1. geëerd
  1. geehrt
  2. gefeiert
/ˈɣɛlt/, /ˈχɛlt/
noun
  1. 1. een ruilmiddel dat gegarandeerd wordt door een land waarmee goederen en diensten kunnen worden gekocht
    Geld
  2. voor hetzelfde geld
    genauso gut
  3. geld opzijzetten
    sparen
/ˈɣɛldərˌlɑnd/, /ˈɣɛɫdərˌlɑnt/, /ˈχɛɫdərˌlɑnt/
pronoun
1. provincie in het oosten van Nederland, die door de Flevoland, Overijssel, Limburg, Noord-Brabant, Zuid-Holland, Utrecht en het Duitse Noord-Rijnland-Westfalen wordt omringd
Gelderland
pronoun
Nierskanal
adjective
1. waarvan de waarde of wettigheid erkend wordt
gültig
noun
Geldmarkt
noun
Geldgeber
noun
1. straf die bestaat uit het betalen van een geldbedrag
Buße
noun
Geldstück
noun
1. de besteding van geld aan minder voordelige doeleinden dan mogelijk zou zijn geweest
Geldverschwendung
/ɣəˈledə(n)/, /χəˈledə(n)/
adverb
1. een woord om aan te duiden dat iets zich in het verleden af heeft gespeeld
her
/ɣə.let.ˈpo.tə.ɣə/, /ɣə.ˈleːd.ˌpoː.ti.ɣə/, /χə.let.ˈpo.tə.χə/
noun
1. een dier met een uitwendig skelet van chitine
Gliederfüßer
noun
1. iemand die onderricht en bekwaam is in een bepaalde tak van de wetenschap
Gelehrte
/ɣǝ.'le.ɣǝn.ɦɛjt/
noun
1. mogelijkheid tot
Gelegenheit
/ɣəˈlɛɪdələk/
adjective
1. in geordende, kalme opeenvolging van het een op het ander overgaand
allmählich
noun
  1. 1. elektrische stroomgeleider
  2. 2. warmtegeleider
Leiter
/ɣə'lɛɪdɪŋ/
noun
1. het verschijnsel waarbij transport van elektrische lading of warmte plaatsvindt in een materiaal
Leitung
verb
bitte
/ɣə.ˈlɪx/, /ˈɣe.ləx/, /ˈɣe.lɪx/, /ˈχe.ləχ/, /χə.ˈlɪχ/
adjective
2. op geel lijkend
gelblich
/ɣə'lɛɪk/
noun
  1. 1. juistheid, recht
    Recht
  2. gelijk hebben
    Recht haben
/ɣəlɛɪkˈaːrdəx/, /ʝəlɛkˈaːrdəx/
adjective
1. vele overeenkomsten vertonend
ähnlich
/ɣəlɛɪgˈbenəx/
adjective
1 & 2.
gleichschenklig
interjection
Gleiche brüder gleiche kappen
noun
Gleichheit
adjective
1.
gleichlautend
noun
Gleichrichter
verb
1. zeggen dat iets gelijk is zonder dat het dat ook echt is
gleichsetzen
noun
Gleichstrom
adjective
1. dezelfde toon voortbrengend bij in- en uitblazen
gleichtönig
adjective
1. alle zijden gelijk in lengte
gleichseitig
noun
1. gelijkzwevende stemming
temperierte Stimmung
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Hessen
Gelnhausen
adjective
1. met diepe insnijdingen die niet verder gaan dan de helft van het blad
  1. gelappt
  2. lappig
/ɣəˈlof/, /χəˈlof/
noun
1. godsdienst
Religion
noun
1. de mate waarin iets of iemand verdient geloofd te worden
  1. Glaubwürdigkeit
  2. Glaubhaftigkeit
verb
1. overtuigd zijn dat iets waar is
glauben
/ɣə.ˈlo.vəx/, /ɣə.ˈloː.vɪx/, /χə.ˈlo.vəχ/
adjective
1. vast en innig gelovend in een god of goden
gläubig
/ɣə.ˈlo.vi.ɣə/, /ɣə.ˈlo.və.ɣə/, /χə.ˈlo.və.χə/
noun
1. iemand die een bepaald geloof aanhangt
  1. Gläubige
  2. Gläubiger
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Gelsenkirchen
/ɣəˈlœʏt/, /χəˈlœʏt/
noun
  1. 2. standpunt, mening
    Auffassung
  2. 1. dat wat hoorbaar is
    1. Klang
    2. Schall
    3. Ton
    4. Geräusch
noun
1. Geluidsoverlast
Lärmbelästigung
noun
1. (filmkunst) film met geluid dat hoort bij de beelden die men ziet
Tonfilm
noun
1. Geluidsoverlast
Lärmbelästigung
noun
akustische Isolierung
noun
Lärmbelästigung
noun
1. weinig nauwkerige maat voor hoe luid een bepaald geluid is
Lautstärke
/ɣəˈlɵk/, /χəˈlɵk/
noun
1. prettige loop van de omstandigheden
Glück
adjective
  1. 1. in een tevredene toestand zijn, zich goed voelen
  2. 2. door gunstig toeval, met mazzel
glücklich
phraseologicalUnit
1. een traditionele wens bij een nieuw jaar
Ein glückliches Neues Jahr!
adverb
1. op een gelukkige manier
glücklicherweise
/ɣə.ˈlɵks.ˌvoː.ɣəl/, /χə.ˈlɵks.ˌvo(ʊ̯).χɔɫ/
noun
1. iemand die onwaarschijnlijk veel geluk lijkt te hebben
Glücksvogel
/ɣə.'mal/
noun
installatie die overtollig water een polder uitmaalt
Schöpfwerk
adjective
  1. gemäßigt
  2. maßvoll
noun
1. Zingiber officinale, een specerij met een scherpe smaak
Ingwer
noun
1. fijngemalen gedroogde wortels van Zingiber officinale
Ingwerpulver
noun
2. wat toebehoort aan alle mensen uit een samenleving gezamenlijk
  1. Allmende
  2. Gemeingut
noun
    1. 1. het met één of meer andere deel hebben aan iets
    2. 3. geheel van personen of zaken die tot elkaar in een bepaald opzicht in een geregelde betrekking staan
    Gemeinschaft
  1. 2. samenleving
    Gemeinwesen
  2. 4. geslachtsgemeenschap
    Geschlechtsverkehr
/ɣəmenˈsxɑpələk/, /χəmenˈsχɑpələk/
adjective
3. gerelateerd aan meer dan een entiteit
gemeinsam
noun
Gemeinschaftsgefühl
/ɣəˈmentə/, /ɣəˈmeɪntə/, /ʝəˈmentə/
noun
  1. 1. bestuurlijke eenheid
  2. 2. gezamenlijke gelovigen
Gemeinde
/ratslɪt/
noun
1. een lid van een gemeenteraad
  1. Ratsmitglied
  2. Gemeinderatsmitglied
  3. Stadtverordnete
noun
1. gemeenschap van onafhankelijke landen
Staatenbund
/ɣəˈmɪdəld/, /ɣəˈmɪdəlt/, /χəˈmɪdəɫt/
adjective
  1. gemiddelde leeftijd
    Durchschnittsalter
  2. 1. tot de middenmoot behorend
    1. Mittel-
    2. Durchschitt-
    3. im Durchschnitt
/ɣəˈmɪdəld/, /ɣəˈmɪdəlt/, /χəˈmɪdəɫt/
adverb
1. in de meeste gevallen
durchschnittlich
noun
1. de som van een aantal getallen gedeeld door het aantal ervan
  1. Durchschnit
  2. Durchschnitt
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Gemmingen
noun
1. een uiting van ontevredenheid, ongenoegen of ergernis
  1. Gemurre
  2. Gezeter
noun
1. in de Alpen levende soort berggeit
Gämse
noun
1. drager van informatie van de erfelijke eigenschappen
Gen
adjective
  1. gnadenlos
  2. schonungslos
noun
1. de laatste slag toegebracht aan een zwaargewonde vijand om hem uit zijn lijden te helpen
Fangschuss
/ɣə'nakən/
verb
1. dichterbij komen
nähern
/ˈdʒɛndər/
noun
1. sekse
Gender
noun
Gendergleichstellung
adjective
geschlechtsneutral
noun
1. een discipline van de geschiedkunde die zich bezighoudt met voorouderonderzoek dan wel de afstamming van de familienaam
  1. Genealogie
  2. Ahnenforschung
noun
Arzt
/γ̊əˈneːskʏndə/
noun
1. de wetenschap die zich richt op de aard, de oorzaken en de geneesmiddelen van ziekten
Medizin
noun
1. een chemische stof die een bepaalde, gewenste werking op het (dierlijk of menselijk) lichaam uitoefent
Medikament
/ɣə'neɣənɦɛɪt/
noun
1. het gesteld zijn op iemand
Zuneigung
noun
1. generale bas
Generalbass
noun
1. alle personen die min of meer tegelijkertijd geboren zijn
Generation
/ˌɣenəˈratɔr/, /ˌχenəˈratɔr/
noun
  1. 3. een machine die stroom opwekt
    Elektrischer Generator
  2. 4. toestel tot het verkrijgen van gas, gasgenerator
    Gasgenerator
  3. 1. een apparaat of persoon die iets genereert (doet ontstaan)
    Generator
verb
1. schaamte voelen
sich genieren
adjective
  1. 1. geneesmiddel
    Generikum
  2. 2. algemeen
    1. allgemein
    2. generell
  3. 3. tot een geslacht behorend
    generisch
noun
1. titels
  1. Vorspann
  2. Nachspann
pronoun
Genesis
noun
1.de wetenschap van alles wat de werking van genen betreft, in het bijzonder erfelijke overdracht
Genetik
noun
1. een wetenschapper op het gebied van de genetica
Genetiker
/ɣəˈnetis/
adjective
1. gerelateerd aan de erfelijkheid
genetisch
verb
  1. 1. ergatief: gezond worden, herstellen van ziekte of verwonding
    genesen
  2. 3. overgankelijk: iemand gezond maken
    heilen
/ xəˈneziŋ /
noun
1. het proces van het weer gezond worden
Genesung
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Gengenbach
adjective
1. briljant, zeer slim, uitmuntend
  1. genial
  2. ingeniös
noun
  1. 1. iemand die buitengewoon slim is of die ergens uitzonderlijk goed in is
    1. Genie
    2. Genius
  2. 1. technische eenheid in het leger
    1. Genietruppen
    2. Pioniere
/ɣəˈnipəx/, /ɣəˈnipɪx/, /χəˈnipəχ/
adjective
1. op een achterbakse manier en gemeen
hinterhältig
verb
1. voordeel hebben van iets
genießen
noun
1. naamval als aanduiding van bezit, oorsprong of hoeveelheid
  1. Genitiv
  2. genitivisch
indefinitePronoun
genug
noun
1. iets waar men plezier aan beleeft
Vergnügen
adjective
genügend
/xəˈnom/
noun
1. een verzameling van alle genen van de chromosomen van een organisme
Genom
noun
1. het geheel van genetische kenmerken dat een soort onderscheidt
Genotyp
noun
1. een gloeiend korreltje of brokstukje
Funke
pronoun
1. Vlaamse provinciehoofdstad van Oost-Vlaanderen, België
Gent
/ˈɣɛn.teː.ra.ˌpi/, /ˈχɛn.tɪː.ra.ˌpi/
noun
1. het inbrengen van genetisch materiaal in (menselijke) cellen in het kader van een geneeskundige behandeling
Gentherapie
noun
Enzian
adjective
  1. Enzianblau
  2. enzianblau
pronoun
1. een stad in Noordwest-Italië
Genua
noun
1. Grammaticaal geslacht
  1. Genus
  2. Geschlecht
pronoun
2. stad in Zwitserland
Genf
noun
Geochemie
noun
Geodäsie
noun
1. een meetinstrument in de vorm van een driehoek met een maatverdeling en een gradenboog
Geodreieck
noun
Geophysik
noun
Geograf
noun
1. aardrijkskunde
  1. Geographie
  2. Erdkunde
adjective
1. aardrijkskundig, met betrekking tot de aardrijkskunde
geographisch
noun
1. aardkunde
Geologie
adjective
1. op de geologie betrekking hebbend
geologisch
noun
Geologe
noun
1. een tak van de wiskunde die zich bezighoudt met ruimtelijke figuren
Geometrie
noun
Geomorphologie
noun
1. futensoort met zwarte nek, zwarte kop en een goudgele oorpluim, Podiceps nigricollis
Schwarzhalstaucher
adjective
1. toestemming hebbend
  1. erlaubt
  2. zulässig
/ɣeˈjɔrɣis/, /ɣeˈjɔrɣɪs/, /χeˈjɔrχis/
pronoun
1. de taal die in Georgië gesproken wordt
  1. Georgisch
  2. georgisch
/ɣeˈjɔrɣi.jə/, /χeˈjɔrχi.jə/
pronoun
1. een soevereine staat in West-Azië, gelegen in de Kaukasus. De officiële taal is het Georgisch
  1. Georgien
  2. Grusien
adjective
1.
geostationär
/ˈɣeː.rɑrd/, /ˈɣeː.rɑrt/, /ˈχɪː.rɑrt/
pronoun
2. spelwoord voor de letter g
Gustav
noun
1. Gerbillinae, een ondersoort van de familie Muridae, die daarnaast ook de muizen,...
Rennmäuse
noun
  1. 1. een bepaald soort voedsel op een bepaalde wijze bereid
  2. 2. rechtbank, de rechter
Gericht
noun
Gerichtshof
adjective
fertig
noun
1. een mechanisch instrument dat gebruikt wordt om werk te kunnen doen
  1. Gerät
  2. Werkzeug
noun
1. afsluitbare bak waarin gereedschap opgeborgen en bijeengehouden wordt
Werkzeugkasten
noun
1. een medisch specialist die de geriatrie beoefent
Geriater
noun
Geriatrie
/ɣə'rɪŋ/
adjective
1. klein in afmeting of getal
gering
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Gerlingen
/ɣɛrˈmaːns/, /χɛrˈmans/
adjective
  1. 1. betrekking hebbend op de taal der Germanen of de talen die er van afstammen
  2. 1. op de Germanen betrekking hebbend
Germanisch
/ɣɛrˈmaːns/, /χɛrˈmans/
pronoun
1. taal zoals die eertijds door de Germanen gesproken werd
Germanisch
noun
1. woord of uitdrukking overgenomen uit het Duits of gevormd naar het Duits
Germanismus
noun
1. een scheikundig element met symbool Ge en atoomnummer 32
Germanium
pronoun
  1. 1. een district in de Duitse deelstaat Beieren
  2. 1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Germersheim
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Gernsbach
/ɣə.ˈru.zə.ˌmus/, /χə.ˈru.zə.ˌmus/
noun
1. een achtergrondgeluid bestaande uit veel door elkaar sprekende stemmen
Stimmengewirr
pronoun
1.
Gerolstein
noun
1. tak van wetenschap die het "ouder worden" bestudeert
Gerontologie
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Hessen
Gersfeld
noun
2. en 3. (zaad van de) plant Hordeum vulgare
Gerste
noun
2. wit korreltje op het ooglid
  1. Hautgrieß
  2. Grießkörner
/ɣə'rɵxt/
noun
2. een mededeling of nieuwtje dat de ronde doet maar nog niet bevestigd is, zodat je niet zeker bent of het waar is
Gerücht
noun
1. zelfstandig gebruikte verbogen infinitief
Gerundium
verb
1. iemands angst of zorgen ontzenuwen of minder aannemelijk maken
beruhigen
noun
1. afkorting van Ges-majeur
Ges
noun
  1. 1. verlaagde g
    ges
  2. 3. ges-mineurgrondakkoord
    1. ges
    2. ges-Moll
  3. 2. ges-kleinetertstoonladder
    ges-Moll
abbreviation
  1. 1. het akkoord ges - bes - des
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Ges-Dur
abbreviation
  1. 1. een akkoord ges - beses - des
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Ges-Moll
/ɣɛs'xrot/
abbreviation
  1. 1. het akkoord ges - bes - des
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Ges-Dur
abbreviation
1. het akkoord ges-bes-des
Ges-Dur-Akkord
noun
1. een grotetertstoonladder met “ges” als grondtoon
Ges-Dur-Tonleiter
abbreviation
  1. 1. een akkoord ges - beses - des
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
ges-Moll
abbreviation
1. het akkoord ges - beses - des
ges-Moll-Akkord
noun
1. een mineurtoonladder met “ges” als grondtoon
ges-Moll-Tonart
noun
1. een kleinetertstoonladder met ges als grondtoon
ges-Moll-Tonleiter
/ɣɛs'xrot/
abbreviation
  1. 1. het akkoord ges - bes - des
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Ges-Dur
abbreviation
1. het akkoord ges-bes-des
Ges-Dur-Akkord
noun
1. een grotetertstoonladder met “ges” als grondtoon
Ges-Dur-Tonart
noun
1. een grotetertstoonladder met "ges" als grondtoon
Ges-Dur-Tonleiter
noun
1. een grotetertstoonladder met “ges” als grondtoon
Ges-Dur-Tonleiter
abbreviation
  1. 1. een akkoord ges - beses - des
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
ges-Moll
abbreviation
1. het akkoord ges - beses - des
ges-Moll-Akkord
noun
1. een kleinetertstoonladder met ges als grondtoon
ges-Moll-Tonleiter
noun
1. een kleinetertstoonladder met ges als grondtoon
ges-Moll-Tonleiter
/ɣəˈsxɛŋk/, /ʝəˈsçɛŋk/
noun
1. iets dat men geeft
Geschenk
/ɣəˈsxidə(n)/, /χəˈsχidə(n)/
verb
1. werkelijkheid worden
geschehen
/ɣəˈsxidəˌnɪs/
noun
2. de gebeurtenissen van het verleden
Geschichte
noun
Geschichtsschreibung
adjective
1. met de juiste eigenschappen
geeignet
noun
1. geweldloos conflict
Streit
noun
Streitpunkt
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Geseke
/ˈɣeː.zəl/, /ˈχe.səɫ/
noun
1. werktuig van touwen of riempjes met knopen of stukjes metaal, waarmee men ter bestraffing op iemands lichaam slaat
Geißel
/ɣesələ(n)/
verb
1. iemand met een zweep of gesel tuchtigen
  1. peitschen
  2. auspeitschen
noun
1. dubbel verlaagde toon g
  1. Geses
  2. geses
noun
Schum­me­lei
/χəˈslɑχt/
noun
  1. 3. (biologisch) genus
    Gattung
  2. 4. grammaticaal geslacht
    1. Genus
    2. Geschlecht
  3. 5. afstammelingen van één persoon
    Geschlecht
  4. 2. geslachtsorganen
    Geschlechtorgan
noun
1. seks waarbij de man met zijn penis het lichaam van de partner binnengaat
Geschlechtsverkehr
noun
Gonade
/ɣəˈslɑxtsɔrɣaːn/, /ʝəˈslɑxtsɔrʝaːn/
noun
1. lichaamsdeel
Geschlechtsorgan
noun
1. een aandoening aan de geslachtsorganen, vaak een seksueel overdraagbare aandoening
Geschlechtskrankheit
/ɣɛsp/
noun
1. sluitmechanisme aan riemen e.d.
Schnalle
adjective
  1. 2. in hoge mate werkzaam
    1. angespannt
    2. angestrengt
    3. gespannt
  2. 1. strak uitgerekt
    1. angespannt
    2. gespannt
  3. 3. ongemakkelijk, blijk gevend van stress, het punt van (uit-)barsten naderend
    1. gespannt
    2. spannungsgeladen
adjective
1. met sterk ontwikkelde stevige spieren
muskulös
noun
1. een mondelinge conversatie waarbij informatie uitgewisseld wordt
Gespräch
noun
1. geboefte
Gesindel
noun
1. grondverf
gesso
adjective
1. geleidelijk maar persistent
  1. stetig
  2. beständig
adverb
1. op gestage wijze
  1. beständig
  2. stetig
noun
1. een verticale vlakke constructie van stenen of houtsblokken zonder mortel tussen de stenen of blokken.
Trockenmauer
/ɣəˈstentə/
noun
1. het materiaal waaruit de aardkorst bestaat, bestaande uit mineralen
Gestein
verb
1. gebaren maken, vooral bij het spreken
gestikulieren
noun
1. bepaalde soort zoetwatervis, Alburnoides bipunctatus
Schneider
/ɣəˈdan/
adjective
2. van meubels dat ze een stoffen bekleding hebben
gepolstert
/ɣəˈstɔːrt/, /χəˈstɔːrt/
adjective
1. geen normale functionering van de geest hebbend
gestört
noun
Zahl
noun
1. een elektrische centrale die functioneert op het verschil tussen eb en vloed
Gezeitenkraftwerk
noun
1. de periodieke verandering van de waterstand ten gevolge van de stand van de maan
Gezeiten
noun
1. (elektrotechniek) (werktuigbouwkunde) elektrische centrale die werkt door middel van getijdenstromen ontstaan door het hoogteverschil tussen eb en vloed
Gezeitenkraftwerk
noun
1. een grafische registratie van de waterstand
Mareogramm
noun
1. een inrichting waarmee de waterhoogte kan worden vastgesteld
Mareograf
adjective
  1. 2.
    bekloppt
  2. getypt
    getippt
noun
1.
Tauziehen
adjective
1. voltooid deelwoord van trouwen
verheiratet
noun
1. iemand die een gebeurtenis heeft meegemaak of op andere wijze, veelal onder ede, een verklaring kan geven ten aanzien van de ware toedracht van een zaak
  1. Zeuge
  2. Zeugin
verb
1. een veelal beëdigde verklaring afleggen ten aanzien van de ware toedracht van een zaak
  1. zeugen
  2. bezeugen
noun
Zeugnis
pronoun
1.
Göhl
/xøl/
noun
  1. 3. een kleine uitholling ontstaan door erosie of de eroderende werking van water
    Ausfurchung
  2. 2. een lange en smalle verlaging in de bodem van een rivier
    Fahrrinne
  3. 5. een aanleg van ondergrondseinfrastructuur zoals kabels en leidingen
    1. Kabelkanal
    2. Kanal
  4. 4. een verdieping tussen de zandbanken in het wad
    Priel
  5. 1. een lange en smalle verlaging in de grond waar water door kan stromen
    Rinne
/ɣøːr/, /χøːr/
noun
1. gewaarwording met de neus van de aanwezigheid van een gasvormige uitwaseming
Geruch
/ɣəˈvar/
noun
1. groot risico
Gefahr
/ɣəˈvarlək/, /ɣəˈvaːrlɪk/, /χəˈvarlək/
adjective
1. gevaar met zich meebrengend
gefährlich
noun
Gefängnis
noun
1. iemand die gevangen genomen is
  1. Häftling
  2. Gefangener
/ɣǝvɑŋǝnis/
noun
1. een gebouw waarin personen gevangen worden gehouden vanwege hun misdaden
Gefängnis
noun
1. een veroordeling waarbij iemand een zekere tijd zijn vrijheid verliest
Gefängnisstrafe
noun
1een driehoekige rode reflector
  1. Warndreieck
  2. Warnschild
noun
1. een geldpremie die men krijgt om een gevaarlijke taak uit te oefenen
Gefahrenzulage
noun
1. een geldpremie die men krijgt om een gevaarlijke taak uit te oefenen
Gefahrenzulage
/ɣəˈvɛxt/, /χəˈvɛxt/
noun
1. een handgemeen
Gefecht
noun
1.
Kampfhubschrauber
noun
Kampfflugzeug
/ˈxeː.vəl/, /ˈɣeː.vəl/
noun
1. buitenmuur van een gebouw
Fassade
/ˈɣevə(n)/, /ˈχevə(n)/
verb
1. overdragen van het bezit van iets aan iemand anders
  1. geben
  2. abgeben
noun
1. bepaald soort mooi getekende en gekleurde zeevis, Labrus bergylta
Gefleckter Lippfisch
noun
2. (figuurlijk) voortdurende gehaaste verplaatsingen
Hektik
noun
1. gewaarwording
Gefühl
noun
  1. 3. de spanning van een film
    Empfindlichkeit
    1. 1. een aandoenlijkheid
    2. 2. de nauwkeurigheid van instrumenten
    1. Empfindlichkeit
    2. Sensibilität
noun
1. verschijnsel
  1. Empfindungstemperatur
  2. gefühlte Temperatur
noun
1. een verzamelnaam voor vogels die gekweekt worden als voedsel
Geflügel
/ɣəˈvɔlx/, /ɣəˈvɔɫx/, /χəˈvɔɫχ/
noun
  1. 2. een groep die volgt, die er achteraan of later komt
    Gefolge
  2. 1. iets dat voortkomt uit iets anders
    1. Konsequenz
    2. Folge
noun
1. een voornaam en omhullend kledingstuk
Gewand
noun
1. dat wat aanwast op het veld, maar nog niet geoogst is.
  1. Pflanze
  2. Gewächs
noun
Gewehr
noun
1. het gedeelte van het geweer dat bij het schieten tegen de schouder steunt
Gewehrkolben
noun
Gewehrschuss
noun
Gewehrfeuer
noun
1. een stel uit been bestaande hoorns van herten; al dan niet vertakt
Geweih
noun
1. elke kracht van meer dan geringe betekenis uitgeoefend op personen, goederen of zaken
Gewalt
noun
1. een daad van geweld
Gewalttat
/ɣə'ʋɛldəx/
adjective
2. bijzonder goed
großartig
/ɣəˈʋetə(n)/
noun
1. het deel van iemand waarmee die persoon zijn daden op goed en kwaad beoordeelt
Gewissen
adjective
1. vroegere
ehemalig
/ɣəˈʋɪxt/, /χəˈʋɪxt/
noun
1. de kracht die dat voorwerp op zijn ondersteuning of ophanging uitoefent
Gewicht
noun
1. een sport waarbij de beoefenaars proberen om zware gewichten op te heffen die aan stalen staven zijn bevestigd
Gewichtheben
noun
Wichtigtuerei
noun
1. het zonder gewicht zijn
Schwerelosigkeit
adjective
  1. gewiss
  2. gewiß
noun
1. Delphinus delphis, waarschijnlijk de meest bekende soort dolfijn na de tuimelaar
Gemeiner Delfin
noun
1. Balaenoptera physalus, een groot zeezoogdier, lang en gestroomlijnd met puntige kop
Finnwal
noun
de vrucht van de gewone walnoten- of okkernotenboom
Walnuss
noun
1. bepaald soort zoogdier, Phoca vitulina
Seehund
noun
1. een samengesteldbloemige veldbloem met zeer fijn ingesneden blad en wit, roze of paars bloemscherm
Gemeine Schafgarbe
noun
1. Galanthus nivalis, een vroegbloeiend bolgewas met witte bloempjes
Schneeglöckchen
adverb
1. zoals de ervaring leert dat het meestal is
gewöhnlich
/ɣəˈwoːntə/, /ɣəˈβ̞oːntə/, /χəˈʋontə/
noun
1. vaste wijze om dingen te doen
Gewohnheit
adverb
1. niets anders dan, niets minder dan
einfach
adjective
  1. 2. vervangen vanwege vooringenomenheid
    abgelehnt
  2. 1. geweigerd, verworpen
    1. abgelehnt
    2. gerügt
    3. kritisiert
    4. moniert
noun
1. verbinding
Gelenk
adjective
1. overwicht hebbend of gewicht hebbend
maßgebend
noun
2. alle zinsdelen behalve het onderwerp
Prädikat
/χəˈzɛləx/
adjective
  1. 4. leuk, onderhoudend
    erfrischend
  2. 3. knus
    gemütlich
  3. 2. sociaal aangenaam
    1. gemütlich
    2. erfrischend
noun
  1. 2. een aangename atmosfeer of omgeving
    Gemütlichkeit
  2. 1. het gezellig zijn
    Geselligkeit
noun
Gesellschaftsspiel
noun
  1. 3. dat wat men ziet, een landschap
    Aussicht
  2. 1. de voorkant van een menselijk hoofd
    Gesicht
noun
Horizont
noun
Gesichtspunkt
noun
1. doorzichtige kunststof gezichtsbedekking
  1. Gesichtsschild
  2. Gesichtsvisier
noun
1. huishouden bestaande uit een of meer ouders en hun kinderen
Familie
noun
Familienleben
/ɣəˈzɔx/, /ɣəˈzɔxt/, /χəˈzɔχt/
adjective
1.
gesucht
/xə.ˈzɔnt/, /ɣə.ˈzɔnt/
adjective
  1. 1. vrij van ziektes en zeertes
  2. 2. bevorderlijk voor een goede conditie
gesund
noun
1. welbevinden, in goede staat zijn
Gesundheit
noun
1. het volledige fysieke, spirituele en sociale welzijn
Gesundheitszustand
noun
1. een onnatuurlijke verdikking in het weefsel
  1. Geschwulst
  2. Tumor
adjective
1. geschikt voor iets
geeignet
noun
integrierter Schaltkreis
verb
1. betrokken
involviert
/'ɣa.na/, /'χa.na/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Ghana
Ghana
pronoun
Gibraltar
/ɣɪts/, /χɪts/
noun
persoon die een groep begeleid en uitleg geeft
  1. Führer
  2. Reiseführer
/ˈχibəɫ/
noun
1. bronskleurige zoetwatervis, Carassius gibelio
Gewöhnliche Karausche
/ˈɣixələ(n)/
verb
1. een snelle, wat ingehouden vorm van lachen
kichern
noun
1. rondhout bevestigd aan het onderlijk van een zeil
Baum
/ɣiːr/, /χiːr/
noun
1. benaming voor grote aasetende roofvogels met een kale kop en machtige vleugels
Geier
adjective
1. geen geld of bezit aan een ander willende geven
  1. geizig
  2. knauserig
noun
Geizhals
noun
2. en 3. (zaden van) de graansoort Panicum miliaceum
Hirse
/ˈɣirˌzʋalyw/
noun
1. bepaald soort vogel, Apus apus
Mauersegler
verb
  1. 1. een vloeistof vallend laten vloeien
  2. 2. regenen
gießen
noun
1. een soort emmer met sproeibuis om de planten te begieten
Gießkanne
noun
1. Een (meestal ronde) holte in een gegoten product, waarin zich tijdens het gietproces onbedoeld lucht heeft opeengehoopt
Lunker
noun
Gusseisen
/ɣɪf/, /χɪf/
noun
1. substantie die in kleine hoeveelheden schadelijk of dodelijk is
Gift
/ˈɣɪf.ɣrun/, /ˈχɪf.χrun/
adjective
giftgrün
noun
1. een giftige slang
Giftschlange
noun
1. geschenk, gave
  1. Gabe
  2. Geschenk
  3. Spende
/ˈɣɪftəx/, /ˈχɪftəx/
adjective
  1. 1. gif bevattend
  2. 2. zeer nijdig
giftig
noun
1. een miljard ampère
  1. GA
  2. Gigaampere
noun
1. gigahertz (1 miljard Hz)
Gigahertz
noun
1.
Gigameter
noun
1. gigapascal (1 miljard Pa)
Gigapascal
noun
1. een miljard volt
  1. GV
  2. Gigavolt
noun
1. een miljard watt
  1. GW
  2. Gigawatt
/ˈɣɛɪ̯zəlaːr/, /ˈɣɛːzəlaːr/, /ˈχɛɪ̯zəlaːr/
noun
1. een veelal onschuldig persoon die tegen de eigen wil door een gijzelnemer gevangen wordt gehouden en die bedreigd wordt met het doel iets van derden gedaan te krijgen
Geisel
/'ɣɛɪzələ(n)/
verb
1. iemand gevangen nemen om daarmee een losprijs te bedingen
entführen
noun
1. iemand die personen in gijzeling houdt
Geiselnehmer
noun
1. het gevangen houden of nemen van iemand ten einde iets af te dwingen
  1. Beugehaft
  2. Geiselhaft
  3. Geiselnahme
noun
1. iemand die personen in gijzeling neemt
Geiselnehmer
/ɣɪɫ/
noun
1. een harde schelle ongearticuleerde uitroep
Schrei
/ˈɣɪlə(n)/, /ˈχɪlə(n)/
verb
1. een harde schelle ongearticuleerde uitroep slaken
schreien
noun
Gin
/ɣɪnts/
adverb
1. daar in de verte
  1. da drüben
  2. dort
  3. dort drüben
noun
  1. 1. (scheikunde) een uit calciumsulfaat en water uithardende witte vaste stof: CaSO₄·2H₂O
  2. 2. pleister, gipshoudend kalkmengsel
Gips
/ʒi'rɑf/
noun
1. Herkauwend dier
Giraffe
pronoun
1. sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Giraffe
noun
1. herkauwend dier dat in Midden-Afrika leeft met een zeer lange hals, Giraffa camelopardalis
Giraffe
verb
1. geld overmaken door het uitschrijven van een giro
überweisen
noun
1. (financieel) (geschiedenis) in Nederland rekening-courant
Girokonto
noun
1. afkorting van Gis-majeur
Gis
noun
  1. 1. verhoogde toon g
    gis
  2. 2. gis-kleinetertstoonladder
    gis-Moll
  3. 3. gis-mineurgrondakkoord
    1. gis-Moll
    2. gis
abbreviation
  1. 1. het akkoord gis - bis - dis
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Gis-Dur
abbreviation
  1. 1. een akkoord gis - b - dis
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
gis-Moll
abbreviation
  1. 1. het akkoord gis - bis - dis
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Gis-Dur
abbreviation
1. het akkoord gis-bis-dis
Gis-Dur-Akkord
noun
1. een majeurtoonladder met “gis” als grondtoon
Gis-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “gis” als grondtoon
Gis-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “gis” als grondtoon
Gis-Dur-Tonleiter
noun
1. een majeurtoonladder met “gïs” als grondtoon
Gis-Dur-Tonleiter
abbreviation
  1. 1. een akkoord gis - b - dis
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
gis-Moll
abbreviation
1. het akkoord gis-b-dis
gis-Moll-Akkord
noun
1. een mineurtoonladder met “gis” als grondtoon
gis-Moll-Tonart
noun
1. een kleinetertstoonladder met “gis” als grondtoon
gis-Moll-Tonleiter
abbreviation
  1. 1. het akkoord gis - bis - dis
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
Gis-Dur
abbreviation
1. het akkoord gis-bis-dis
Gis-Dur-Akkord
noun
1. een grotetertstoonladder met “gis” als grondtoon
Gis-Dur-Tonart
noun
1. een grotetertstoonladder met "gis" als grondtoon
Gis-Dur-Tonleiter
noun
1. een grotetertstoonladder met “gis” als grondtoon
Gis-Dur-Tonleiter
noun
1. een grotetertstoonladder met “gïs” als grondtoon
Gis-Dur-Tonleiter
abbreviation
  1. 1. een akkoord gis - b - dis
  2. 2. de toonsoort waarvan #1 het grondakkoord is
gis-Moll
abbreviation
1. het akkoord gis-b-dis
gis-Moll-Akkord
noun
1. een kleinetertstoonladder met “gis” als grondtoon
gis-Moll-Tonleiter
noun
1. een kleinetertstoonladder met “gis” als grondtoon
gis-Moll-Tonleiter
noun
  1. 1. tweemaal verhoogde toon “g”
    gisis
  2. 3. gisis-mineurgrondakkoord
    1. gisis
    2. gisis-Moll
  3. 2. gisis-kleinetertstoonladder
    gisis-Moll
noun
  1. 1. het akkoord gisis-bis-disis
  2. 2. de mineur toonsoort op gisis
gisis-Moll
abbreviation
1. het akkoord gisis-bis-disis
gisis-Moll-Akkord
noun
1. een mineurtoonladder met “gisis” als grondtoon
gisis-Moll-Tonart
noun
1. een kleinetertstoonladder met “gisis” als grondtoon
gisis-Moll-Tonleiter
abbreviation
1. het akkoord gisis-bis-disis
gisis-Moll-Akkord
noun
1. een kleinetertstoonladder met “gisis” als grondtoon
gisis-Moll-Tonleiter
noun
1. een kleinetertstoonladder met “gisis” als grondtoon
gisis-Moll-Tonleiter
verb
1. een vermoeden uitspreken over iets
  1. vermuten
  2. raten
noun
1. de naam voor een aantal soorten micro-organismen
  1. Hefe
  2. Hefepilz
/ˈɣɪstər/, /ˈχɪstər/
adverb
1. de laatste dag die voltooid is
gestern
adverb
1. de avond vóór de afgelopen nacht
gestern Abend
/ˈɣɪstərə(n)/, /ˈχɪstərə(n)/
adverb
1. de laatste dag die voltooid is
gestern
adverb
1. de avond vóór de afgelopen nacht
gestern Abend
/ɣi'tar/
noun
1. een muziekinstrument
Gitarre
adjective
  1. Tiefschwarz
  2. tiefschwarz
pronoun
1. stad in Armenië
Gjumri
verb
1. met een laag suiker bedekken en dan verhitten zodat de suiker glanzend wordt, kan ook gedaan worden met honing
glasieren
noun
Glaziologie
adjective
glatt
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Gladbeck
noun
Gladiator
verb
  1. 1. gelijk, effen maken
    glattmachen
  2. 3. vereffenen, aanzuiveren
    glätten
  3. 2. glanzig, glimmend maken, polijsten
    polieren
verb
1. door strijken glad of effen maken
  1. glätten
  2. ausbügeln
  3. glattbügeln
noun
1. betoverend uiterlijk, schone schijn
Glamour
/ˈɣlɑns.kol/, /ˈɣlɑns.koɫ/, /ˈχlɑns.ko̝ɫ/
noun
1. een vorm van steenkool die sterk verhit is geweest
Anthrazit
verb
1. in zekere mate licht weerspiegelen of voortbrengen
glänzen
/ɣlɑs/, /χlɑs/
noun
  1. 2. op basis van SiO₂
  2. 1. niet-kristallijne vaste stof
  3. 3. om uit te drinken
Glas
noun
Glaskörper
noun
1. een container voor het gescheiden inzamelen van glasafval
Altglascontainer
noun
1. iemand die glazen voorwerpen maakt
Glasbläser
noun
1. glasharmonica
Glasharmonika
noun
1.
Glasnudel
noun
Glasnost
noun
Glasübergangstemperatur
noun
isolatiemateriaal gemaakt van glas
Glaswolle
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Saksen
Glauchau
noun
1. een aandoening waarbij een verhoging van de druk in de oogbol onbehandeld...
  1. Glaukom
  2. grüner Star
noun
Fensterputzer
verb
  1. 1. met een laag glazuur bedekken
  2. 2. met een laag glanzende suiker bedekken
glasieren
noun
1. een ijsmassa die gevormd wordt op land en dik en groot genoeg is om bergafwaarts te stromen
  1. Gletscher
  2. Ferner
adjective
1. glad, moeilijk houvast op te krijgen
  1. glatt
  2. rutschig
  3. glibberig
  4. schleimig
noun
Glyphe
noun
  1. Rutsche
  2. Rutschebahn
/ˈxlɛɪdə(n)/, /ˈɣlɛːdə(n)/
verb
1. met geringe wrijving gericht voortschuiven
gleiten
noun
1. toestel met vleugels, maar zonder motor dat vanaf een hoogte langzaam daalt onder een vlakke hoek
Schulgleiter
noun
1.een verlager van het bloedglucose
Glimpirid
noun
1. een gelaatsuitdrukking die een geluidloze lach verraadt
Lächeln
/'ɣlɪmlɑχən/
verb
1. zacht onhoorbaar lachen
lächeln
noun
1. een nachtelijk lichtgevend kevertje uit de familie Lampyridae
  1. Glühwürmchen
  2. Leuchtkäfer
noun
1. een voortgaand proces van wereldwijde economische, culturele en politieke integratie
Globalisierung
/ɣlut/
noun
Glut
verb
glühen
noun
1. de lichtbron van een geprepareerd weefsel in een gaslamp
Glühstrumpf
/ˈɣluilɑmp/
noun
1. een lamp die licht produceert met een gloeidraadje
  1. Glühbirne
  2. Glühlampe
noun
Glossar
/ˈglɔ.si/, /ˈɣlɔ.siː/
adjective
1. mooi en duur
Hochglanz-
/ˈglɔ.si/, /ˈɣlɔ.siː/
noun
1. een chic tijdschrift dat gedrukt wordt op glanspapier
Hochglanzmagazin
/ˈɣlɔtɪs/
noun
1. stemspleet
Glottis
/ˈɣlɔtɪˌslɑx/
noun
1. een klank die met de stembanden in de keel geproduceerd wordt en tot de plosieven gerekend wordt
  1. Glottisschlag
  2. Knacklaut
/ˌɣlykɑˈɣɔn/, /ˌχlykɑˈχɔn/
noun
1. een hormoon gemaakt in de alfacellen van de pancreas in de zogenaamde eilandjes van Langerhans, dat de lever aanzet glycogeen af te breken en de zo vrijgekomen glucose aan het bloed af te geven
Glucagon
noun
1. druivensuiker
Glukose
/ˈɣlyː.rə(n)/
verb
1. in het geheim aandachtig naar iemand kijken
  1. spähen
  2. schielen
noun
Glutaminsäure
/'ɣly.tə(n)/
noun
Gluten
noun
  1. Glyzerin
  2. Glycerin
  3. Glycerol
noun
  1. Glyzerin
  2. Glycerin
  3. Glycerol
/ˌɣlikɔˈɣen/
noun
1. een opvanghuis voor wezen
Glykogen
noun
Glykol
noun
1. een metamorf gesteente met verschillend gekleurde banden of aders
Gneis
verb
1. wat onderdrukt plezier hebben
schmunzeln
noun
1. Connochaetes, een dier behorende tot de familie Bovidae...
Gnu
noun
2. doelpunt
Tor
pronoun
1.
Goch
pronoun
1. bovennatuurlijk en volmaakt wezen, dat beschikt over superieure krachten en dat onsterfelijk is
Gott
/ɣɔd/, /ɣɔt/, /χɔt/
noun
1. hypothetisch bovennatuurlijk wezen dat verantwoordelijk wordt geacht...
Gott
verb
1. je vromer voordoen dan je eigenlijk bent, schijnheilig zijn
Gott einen flächsenen Bart flechten
adjective
göttlich
noun
1. gebrek aan eerbied of geloof in een godheid
Gottlosigkeit
noun
1. een hypothetisch bovennatuurlijk wezen dat verantwoordelijk wordt geacht voor (bepaalde aspecten van) de werkelijkheid
Gottheit
pronoun
1. benaming voor het vrouwelijk opperwezen
Göttin
noun
1. een vrouwelijke godheid
Göttin
interjection
1. plaats waar overledenen begraven zijn
  1. Friedhof
  2. Gottesacker
noun
1. een geloof en alle daar bij horende rituelen en doctrines
Religion
noun
1. oorlog veroorzaakt door godsdienstige verschillen
Glaubenskrieg
noun
  1. 1. belediging of bespotting van God/een godheid
    1. Blasphemie
    2. Gotteslästerung
  2. 2. een vloek
    Fluch
interjection
1. een grove vloek die grote boosheid of sterke verontwaardiging uitdrukt
gottverdammt
adjective
1. kwaliteit bezittend
gut
adverb
1. op goede wijze
gut
noun
1. iets concreets of abstracts dat men in bezit kan hebben
  1. Gut
  2. gut
noun
naar (iemands) goeddunken
  1. nach Belieben
  2. nach Ermessen
/ˌɣudə.ˈvrɛɪ̯.dɑx/
pronoun
1. de vrijdag voor Pasen
Karfreitag
pronoun
1. de week vanaf Palmzondag tot Stille Zaterdag
  1. Karwoche
  2. Heilige Woche
  3. Osterwoche
  4. Stille Woche
interjection
guten Tag
/ˌɣudəˈmɔrɣə(n)/
interjection
groet
guten Morgen
interjection
avondwens
  1. Gute Nacht!
  2. gute Nacht
interjection
1. een groet die in de avond gebruikt wordt
guten Abend
noun
1. trein die uitsluitend is bestemd om goederen te vervoeren
Güterzug
noun
1. het al te veel vertrouwen hebben in wat mensen zeggen
  1. Naivität
  2. Gutgläubigkeit
/ˌxutxəˈlœʏmt/, /ˌɣutxəˈlœʏmt/
adjective
1. in een toestand van vrolijkheid verkerend.
  1. aufgeräumt
  2. gut aufgelegt
noun
1. de hoedanigheid van het goed zijn
Güte
verb
1. toestemming verlenen
  1. billigen
  2. zulassen
noun
1. een positieve beoordeling
  1. Zustimmung
  2. approval
adjective
1. laag in prijs
  1. billig
  2. preiswert
  3. preisgünstig
verb
1. argumenten aanvoeren om iets dubieus of verkeerds als acceptabel te zien
  1. beschönigen
  2. schönreden
/ˈɣutsxɪks/, /ˈχutsχɪks/
adverb
1. op een constructieve, coöperatieve manier
anstandshalber
/'ɣutfɪndə(n)/
verb
1. toestemming verlenen
  1. für gut befinden
  2. gut finden
  3. zustimmen
noun
1. het goedwillend zijn
Wohlwollen
noun
1. gevoel dat je graag van iets wil gaan genieten
Lust
/ɣɔk/, /χɔk/
noun
  1. 2. een keuze zonder het juiste antwoord te weten
    1. Glücksspiel
    2. Wagnis
  2. 3. neus
    1. Rüssel
    2. Zinken
    3. Gurke
    4. Kolben
/ˈɣɔkən/, /ˈχɔkən/
verb
1. iets van waarde, veelal geld, inzetten op de mogelijke uitkomst van iets onzekers
zocken
noun
Glücksspiel
noun
Goldrausch
/gɔlf/, /χɔl(ə)f/
noun
  1. 4. grote baai
    1. Golf
    2. Bucht
  2. 1, 2 en 3
    Welle
  3. 1. balspel waarbij een golfbal met een golfclub in een aantal slagen in de hole moet worden geslagen.
    Golf
pronoun
1. zee die begrenst wordt door Mexico, de Verenigde Staten van Amerika en Cuba
Golf von Mexiko
pronoun
1.
Rigaischer Meerbusen
noun
Golfbahn
noun
Golfball
noun
1. constructie om de kracht van watergolven te weerstaan
Wellenbrecher
noun
Hohlleiter
noun
verpakkingsmateriaal, bestaande uit één of meer lagen dun, gegolfd karton
Wellpappe
noun
Wellenlänge
noun
Wellenkraftenergie
noun
Golfstrom
noun
1. vergelijking die het verloop van een golf in tijd en ruimte beschrijft
Wellengleichung
/ˈɣɔlvən/, /ˈχɔlvən/
verb
1. een golfvormige beweging maken
  1. flattern
  2. wehen
/ɣɔm/
noun
  1. 1. een gum
  2. 2. een kleverige vloeistof die wordt gemaakt van het sap van bomen
Gummi
noun
Gon
/ˈɣɔndəl/
noun
1. een pleziervaartuig in Venetië
Gondel
noun
1. een hangend slagwerk
Gong
noun
1. een geslachtziekte die veroorzaakt wordt door de bacterie Neisseria gonorrhea
  1. Tripper
  2. Gonorrhö
/ˈgu:gələ(n)/, /ˈɡu.ɡə.lə(n)/, /ˈɣu.ɣə.lə(n)/
verb
1. naar informatie zoeken op het internet, m.n. met Google
  1. googeln
  2. googlen
noun
Googol
/ˈɣoːi̯ən/, /ˈχoːi̯ən/
verb
1. het door de lucht verplaatsen van een voorwerp, al dan niet naar een doelwit
werfen
/ˈɣotsten/
noun
1. een bak, meestal ingebouwd in een aanrecht, onder een kraan en met een afvoer
Abwaschbecken
noun
1. een band die om het middel gedragen wordt
Gürtel
noun
1. zoogdier met pantser van beweegbare schubben uit de familie Dasipodidae
Gürteltier
/ɣɔrˈdɛːn/, /χɔrˈdɛɪn/
noun
1. doek ter afdekking
  1. Vorhang
  2. Gardine
/ɣɔrˈdɛɪnrɪːɫ/
noun
1. een rail waaraan een gordijn opgehangen kan worden
Vorhangschiene
noun
1. (bouwkunde) houten dwarsbalk of ligger
Pfette
noun
1. Afrikaanse mensaap uit het geslacht Gorilla
Gorilla
pronoun
1. Maleis-Polynesische taal die wordt gesproken door een miljoen mensen in de provincie Gorontalo op Sulawesi in Indonesië
Gorontalo
/ɣɔrs/, /χɔrs/
noun
  1. 1. benaming voor vogels uit de familie Emberizidae
    Ammer
  2. 2. buitendijks land
    Salzwiese
noun
Grütze
pronoun
  1. 1. een stad in de Duitse deelstaat Nedersaksen
  2. 2. een district in de Duitse deelstaat Nedersaksen
Goslar
noun
Gospelmusik
noun
1.
Gotik
pronoun
1. de uit de oostelijke tak van de Germaanse talen stammende en uitgestorven taal der Goten uit de eerste...
Gotisch
adjective
1.
gotischsprachig
/ˈɣɔtlɑnt/, /ˈʝɔtlɑnt/
pronoun
1. Zweeds eiland
Gotland
/χɔtspə/
noun
Chuzpe
/ɣʌʊt/
noun
1. een edelmetaal met atoomnummer 79 dat wordt aangegeven met het symbool Au, het is een geel metalliek overgangsmetaal
Gold
noun
1. Physalis peruviana
Kapstachelbeere
noun
1. bepaald soort vis, Sparus aurata
Goldbrasem
noun
korinthisches Erz
adjective
1. met een kleur die een combinatie is tussen goudkleurig en bruin
kastanienbraun
phraseologicalUnit
Goldmedaille
adjective
  1. Goldgelb
  2. goldgelb
noun
  1. 2. kevers uit de familie Chrysomelidae met als goud blinkende schilden
    Blattkäfer
  2. 1. bepaald soort klein vogeltje met een goudkleurig kruintje Regulus regulus
    1. Goldhähnchen
    2. Wintergoldhähnchen
adjective
1. met goudkleurig haar.
goldhaarig
noun
1. Canis aureus
Goldschakal
noun
Goldfieber
noun
1. soort plevier, Pluvialis apricaria
Goldregenpfeifer
noun
Ringelblume
noun
1.
Gouda
noun
1. een smid die met goud werkt
Goldschmied
noun
1. bepaald soort vogel, Pyrrhul pyrrhula
  1. Gimpel
  2. Dompfaff
/ˈɣaʊ̯d.vɪs/, /ˈɣɔʊ̯t.fɪs/, /ˈχʌʊ̯t.fɪs/
noun
1. bepaald soort kleine goudkleurige of rode vis die uit China afkomstig is en die door veel mensen thuis gehouden wordt, Carassius auratus auratus
Goldfisch
noun
1. een stoofschotel van o.a. rundvlees, paprika en uien, tevens het nationale gerecht van Hongarije
Gulasch
noun
1. het hoofd van een regering, van een kolonie, staat of andere subnationale staatseenheid
  1. Gouverneur
  2. Statthalter
  3. Steuermann
  4. stadtholder
noun
2. district, gewest, provincie
Gau
noun
1. vent, een kerel
  1. Bursche
  2. Kerl
noun
1. eenheid om hoeken te meten
Grad
noun
1. geschiedkundige term voor een landsheer, oorspronkelijk belast met de rechtspraak...
Graf
/ɣrax/, /χraχ/
adverb
1. met plezier, met graagte; dat doe ik graag
  1. gerne
  2. bereit
interjection
1. beleefd antwoord nadat je bedankt bent
gern geschehen
noun
Getreide
noun
Gräte
noun
  1. 1. (wijk van) een reeks grachten rondom het centrum van een stad (bijv. in Amsterdam)
    Grachtengürtel
  2. 2. ± (lid van) een linksgeoriënteerde, stedelijke elite
    1. Salonsozialist
    2. Toskanafraktion
noun
1. een instrument waarmee een hoek van een gekende grote uitgezet of gemeten kan worden
Winkelmesser
adjective
1. trapsgewijs
graduell
noun
1. woord of uitdrukking overgenomen uit het Oudgrieks of gevormd naar Oudgrieks voorbeeld
Graezismus
/ɣrɑf/, /χrɑf/
noun
  1. 1. ruimte om één of meer lijken in te begraven
  2. 2. plaats waar één of meer lijken begraven liggen
Grab
noun
1. een grafische voorstelling van een verzameling gegevens
Grafik
noun
in plaatjes gekristalliseerde koolstof
Graphit
adjective
  1. Graphitgrau
  2. graphitgrau
adjective
  1. Graphitschwarz
  2. graphitschwarz
noun
  1. 1. het binnengaan van een graf of tombe met als doel er artefacten...
  2. 2. het binnengaan van een graf of tombe om het lichaam van een begravene te onteren...
Grabraub
noun
1. een rechtopstaande gebeeldhouwde steen die de aanwezigheid van een graf markeert
Grabstein
noun
1. een afgeleide eenheid voor massa in het SI-stelsel (éénduizendste van een kilogram, 0,001 kg)
Gramm
noun
1. een systeem van regels en principes voor het schrijven en spreken van een taal.
Grammatik
adjective
grammatisch
noun
  1. 5. groep kubische mineralen
    Granat
  2. 2. met springlading gevuld projectiel
    Granate
noun
  1. 2. vrucht
    1. Granatapfel
    2. Grenadine
  2. 1. boom
    Granatapfelbaum
/ɣɾaˈni:t/
noun
1. stollingsgesteente bestaande uit lichtgekleurde, met het blote oog onderscheidbare mineralen.
Granit
adjective
  1. Granitgrau
  2. granitgrau
adjective
granular
noun
Granulation
/ɣrɑp/, /χrɑp/
noun
1. verhaal dat of handeling die erop gericht is om de lachlust op te wekken
  1. Scherz
  2. Spaß
noun
1. een gele of rode, enigszins bitter smakende citrusvrucht
  1. Grapefruit
  2. Pampelmuse
noun
1. sap van de vrucht van de boom Citrus paradisi
  1. Grapefruitsaft
  2. Pampelmussaft
noun
1.een Italiaanse alcoholische drank
Grappa
/ˈɣrɑpəχ/
adjective
1. de lust tot (glim-) lachen opwekkend
  1. lustig
  2. ulkig
  3. spassig
noun
  1. 1. benaming voor planten uit de familie Poaceae
  2. 1.1 benaming voor planten uit de familie Poaceae die een oppervlak met sprietvormige groene bladeren begroeien
Gras
adjective
  1. Grasgrün
  2. grasgrün
noun
Grasland
/ɣrɑsmajər/
noun
Rasenmäher
noun
1. Sylvia communis, een zangvogel uit de familie zangers Syviidae
Dorngrasmücke
noun
1. Anthus pratensis, een zangvogel uit de familie Motacillidae
Wiesenpieper
/ˈɣrɑs.trɪ.mər/, /ˈχrɑs.trɪ.mər/
noun
1. een apparaat dat gras maait op moeilijke plekken en randen van het gazon
Rasentrimmer
/ˈɣrɑsvɛlt/, /ˈɣrɑzvɛld/, /ˈχrɑsvɛɫt/
noun
1. een veld dat door met name gras wordt begroeid
Grasplatz
/ˈɣrɑsvlɑktə/, /ˈχrɑsvlɑktə/
noun
1. een groot stuk land dat met gras is begroeid
Grasfläche
noun
1. het afzien van de uitvoering van een straf
Begnadigung
adjective
1. wat zonder betaling verkregen wordt
  1. gratis
  2. kostenlos
  3. frei
adjective
1. donkergrijs, kleurloos
grau
noun
1. bepaalde soort grijsbruine vogel met oranje snavel, Anser anser
Graugans
noun
1. bepaalde soort roofvogel, Circus pygargus
Wiesenweihe
noun
1. meest voorkomende poonsoort in de Noordzee, Eutrigla gurnardus
Grauer Krurrhahn
noun
1.
Graue Gartenwanze
noun
Grauschleier
noun
1. beitel met ruitvormige punt
Stichel
noun
Graveur
noun
1. beitel met ruitvormige punt
Stichel
noun
1. graveernaald
Graviernadel
noun
1. graveersteker
Stichel
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Grabstichel
noun
1. graveerstift
  1. Grabstichel
  2. Graviernadel
verb
1. een gat in de grond maken met de handen of met een graafwerktuig
graben
verb
1. met een scherp gereedschap iets krassen in glas of metaal
gravieren
noun
Graveur
noun
1. vrouwelijke graaf
Gräfin
noun
1. de kracht die de wederzijdse aantrekking van massa veroorzaakt
  1. Gravitation
  2. Schwerkraft
pronoun
1.
Graz
/'χrazə(n)/
verb
1. het eten van gras en andere bodemvegetatie zoals bijvoorbeeld runderen dit doen
  1. weiden
  2. grasen
  3. äsen
adverb
grazioso
adjective
gregorianisch
noun
Gran
/ɣre.ˈna.da/, /ɣrɛ.ˈna.da/, /χre.ˈna.da/
pronoun
land in het Caribisch gebied
Grenada
noun
  1. 1. een al dan niet denkbeeldige scheidingslijn
    Grenze
  2. 2. de raaklijn tussen twee landen
    1. Grenze
    2. Gemerke
noun
1. een smalle, ondiepe uitgraving in de grond voor de afvoer van teveel water
  1. Graben
  2. Straßengraben
  3. Wassergraben
/ˈxretəx/
adjective
1. reikhalzend uitzien naar iets, gespitst op iets, happig op iets
  1. begierig
  2. gierig
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Grevenbroich
pronoun
1. en 2.
Grevenmacher
noun
1. een elektronisch testapparaat waarmee o.a. de resonantiefrequentie van een antenne of resonantiekring kan worden bepaald
Dipmeter
/ˈɣrikə(n)ˌlɑnd/, /ˈɣrikə(n)ˌlɑnt/, /ˈχrikə(n)ˌlɑnt/
pronoun
1. een land in het zuidoosten van Europa
Griechenland
/ɣriks/, /χriks/
pronoun
1. een taal die vooral wordt gesproken in Griekenland en op Cyprus
  1. Griechisch
  2. griechisch
noun
3.bepaald soort zeezoogdier, Globicephala melas
Grindwal
/ɣrip/
noun
1. een vierusziekte die jaarlijks vele mensen ziek maakt en die voor ouderen gevaarlijk kan zijn
  1. Grippe
  2. Influenza
/ˈɣriprɪk/, /ˈχriprɪk/
noun
1. een vaccinatie tegen een griepvirus
Grippeimpfung
noun
1. grof gemalen meel
Grieß
noun
1.
  1. Grießbrei
  2. Grießkoch
  3. Grießmus
/ɣrit/, /χrit/
noun
  1. C. vissoort
    Glattbutt
  2. A. jonge vrouw, meisje
    Mädel
  3. B. grutto
    Uferschnepfe
adjective
  1. gruselig
  2. schaurig
  3. unheimlich
noun
1. een schrijfgerei van vrij zachte steen, vaak leisteen, waarmee kan worden geschreven op een schrijfplankje dat van dezelfde leisteen is gemaakt (de lei)
Schiefergriffel
verb
1. met een ijzeren schrijfstift schrijven of graveren
gravieren
verb
1. door krassen voor altijd vastleggen in een duurzaam materiaal
gravieren
noun
1. Oudgrieks fabeldier met de kop, voorpoten en vleugels van een adelaar en de romp, achterpoten en staart van een leeuw
Greif
verb
1. plotseling iets of iemand beetpakken
  1. greifen
  2. ergreifen
adjective
1. de kleur grijs hebbend
grau
noun
tint grijs met RAL-nummer 9007
  1. Graualuminium
  2. graualuminium
noun
1. oude man
Greis
adjective
  1. Graubeige
  2. graubeige
adjective
  1. Graublau
  2. graublau
adjective
  1. Graubraun
  2. graubraun
/ɣrɛɪsˈɦarəx/
adjective
1. met grijs haar
grauhaarig
adjective
  1. Grauweiß
  2. grauweiß
noun
1. stevige zwarte walvis, met bolvormig voorhoofd en een heel kleine snuit
Grauwal
noun
1. bepaald soort zoogdier, Halichoerus grypus
  1. Kegelrobbe
  2. Grauer Seehund
noun
Grill
noun
Kies
/ˈgrɪzliˌbeːr/, /ˈɣrɪzliˌbeːr/
noun
1. Ursus arctos horribilis, een Amerikaanse ondersoort van de bruine beer.
Grizzlybär
noun
1. lange en smalle uitholling, insnijding, diepe rand
  1. Einschnitt
  2. Falte
  3. Falz
  4. Gehrung
  5. Kannelüre
  6. Kerbe
/ɣruj/, /χruj/
noun
1. het groter worden
  1. Wuchs
  2. Zunahme
/ˈɣrui̯ə(n)/
verb
groter worden
wachsen
noun
Wachtumsprozess
adjective
1. met de kleur zoals bladeren van planten die meestal hebben
  1. grün
  2. Grün
noun
1. kleur zoals bladeren van planten die meestal hebben, geel met blauw gemengd
  1. Grün
  2. grün
/'ɣrun lɑxə(n)/
phraseologicalUnit
1. geforceerd glimlachen
grün lachen
adjective
  1. Grünbeige
  2. grünbeige
adjective
  1. Grünblau
  2. grünblau
adjective
  1. Grünbraun
  2. grünbraun
noun
1. de jonge scheuten van Asparagus officinalis
grüner Spargel
/ˈɣru.nə ˈbom.bo.a/, /ˈχru.nə ˈbom.bo.a/
noun
1. een grote groene slang die voorkomt in delen van Zuid-Amerika
  1. Grüne Hundskopfboa
  2. Grüner Hundskopfschlinger
/ˈɣru.nə ˈɦɔnts.kɔp.bo.a/, /ˈχru.nə ˈɦɔnts.kɔp.bo.a/
noun
1. een grote groene slang die voorkomt in delen van Zuid-Amerika
  1. Grüne Hundskopfboa
  2. Grüner Hundskopfschlinger
noun
1. benaming voor dieren uit het geslacht Pelophylax
  1. Grünfrosch
  2. Wasserfrosch
noun
1. bepaald soort orchidee, Coeloglossum viride
Grüne Hohlzunge
adjective
  1. Grüngrau
  2. grüngrau
/ˈɣru.nəx/, /ˈɣru.nɪx/, /ˈχru.nəχ/
adjective
2. op groen lijkend
grünlich
/ˈɣrun.lɑnd/, /ˈɣrun.lɑnt/, /ˈχrun.lɑnt/
pronoun
1. een groot eiland ten noordoosten van Canada, deel uitmakend van het koninkrijk Denemarken
Grönland
adjective
  1. grönländisch
  2. Grönländisch
noun
1. bepaald soort zeezoogdier, Balaena mysticetus
  1. Grönlandwal
  2. Nordwal
  3. Polarwal
pronoun
1. de zee ten westen van Groenland
Grönlandsee
noun
1.
Grünspan
noun
1. eetbare planten of delen daarvan
Gemüse
/ɣrup/, /ʝrup/
noun
1. uit meerdere personen of eenheden bestaand geheel
Gruppe
verb
1. in groepen stellen
gruppieren
noun
Herdenimmunität
noun
1. verkrachting door een groep personen
Gruppenvergewaltigung
noun
rechtszaak met groep als partij
Sammelklage
/ˈɣrut/, /ˈχrut/
noun
1. een uiting waarbij men elkaars aanwezigheid erkent wanneer men elkaar ontmoet
  1. Gruß
  2. Begrüßung
/ˈɣrutə(n)/
noun
1. iemand goedendag of gedag zeggen
grüßen
noun
1. mijnbouw) een mijn waar delfstoffen gewonnen worden, onderaards of dagbouw
Grube
/ɣrɔk/, /ɣrɔx/
noun
1. alcoholisch mengsel van rum, suiker en heet water
Grog
noun
1. het in eigendom hebben van een stuk van de aarde
Grundeigentum
noun
1. benaming voor vissen uit de familie Gobiidae
Grundel
verb
gründeln
verb
  1. 2. het grondvesten van een bedrijf
    gründen
  2. 3. het in de grondverf zetten
    gründieren
  3. 1. het peilen van waterdiepte
    peilen
noun
1. het gebied waarover een instantie of overheid het beheer heeft
Hoheitsgebiet
adjective
  1. 2. smaak naar aarde smakend
    erdig
  2. 1. vrijwel overal aandacht aan schenkend
    gründlich
noun
Gründer
noun
Grundrecht
noun
1. grondschaaf voor het vlakken van bodems
Grundhobel
noun
  1. Rohstoff
  2. Grundstoff
noun
  1. 1. een zuivere sinustoon
    Grundfrequenz
  2. 2. de laagste toon van een toonladder
    Grundton
noun
1. verf voor eerste verflaag
  1. Grundanstrich
  2. Grundierfarbe
noun
1. al het water dat zich in de aardbodem bevindt
Grundwasser
noun
1. wet die de principes van een staat definieert
  1. Verfassung
  2. Grundgesetz
  3. Konstitution
/ˈɣroːˌnɪŋə(n)/, /ˈχroˌnɪŋə(n)/
pronoun
  1. 1. hoofdstad van de provincie Groningen
  2. 2. gemeente in de provincie Groningen waarin de stad Groningen ligt
  3. 3. provincie in het noorden van Nederland, die door Friesland, Drenthe en het Duitse Oost-Friesland wordt begrensd
Groningen
/ɣroːt/
adjective
    1. 1. meer dan normaal in formaat
    2. 2. bewonderenswaardig, goed
    3. 3. machtig, belangrijk
    groß
  1. 4. volwassen
    1. groß
    2. erwachsen
/ɣroːt/
adverb
1. in ruime mate
großartig
noun
bepaald soort eenjarige sierplant, Tagetes erecta
aufrechte Studentenblume
adjective
1. met een zeer forse penis
gut bestückt
/ˌɣroːd brɪˈtɑni.jə/, /ˌχrot brɪˈtɑni.jə/
pronoun
1. benaming voor het '[[Verenigd Koninkrijk|Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland]]', dat officieel met Verenigd Koninkrijk wordt aangeduid.
Großbritannien
noun
1. het grotetertsakkoord
Durakkord
noun
1. de verzameling van alle grootboekrekeningen met de wijzigingen die zich gedurende een bepaalde periode voordoen
Hauptbuch
verb
1. het ouderschap over opgroeiende kinderen uitoefenen
aufziehen
noun
1. cirkel op bol met gelijk middelpunt
Großkreis
pronoun
1. stad in Namibië
Grootfontein
noun
1.
Großhändler
noun
Größenwahn
noun
1. adellijke titel die hoger is dan die van hertog maar lager dan die van koning
Großherzog
noun
1.
Großherzogtum
noun
Weitwinkelobjektiv
noun
1.
Großinquisitor
noun
1. een moeder van een ouder
  1. Großmutter
  2. Oma
  3. Omi
noun
1. Plecotus auritus, vleermuissoort die de naam te danken heeft aan de bijzonder grote oren
Braune Langohr
noun
Löffelhund
/ˈɣrotˌʌʊdər/
noun
1. de ouder van een ouder
Großeltern
adjective
1. verheven, groot van opzet
  1. großartig
  2. grandios
noun
Großtuerei
noun
Größe
/ˈɣroːtˌfaːdər/
noun
1. de vader van een ouder
  1. Großvater
  2. Opa
noun
  1. 2. in de moderne zeilvaart het zeil bevestigd met het voorlijk aan de achterkant van de (grootste) mast
    Großsegel
  2. 1. in de klassieke zeilvaart de onderste, grootste zeil aan de grote mast
    1. Großsegel
    2. Hauptsegel
noun
1.
Großschot
noun
1. authentieke uitgifte met uitvoerbare titel
Ausfertigung
noun
Großhandelspreis
noun
1. Limax Maximus, een naaktslak
Tigerschnegel
pronoun
1. hoog aan het noordelijk halfrond duidelijk zichtbaar sterrenbeeld
Großer Bär
noun
1. grote bruine nachtvlinder met witte strepen, Arctia caja
Brauner Bär
noun
1. bepaald soort vrij grote vogel met zwarte rug- en lichtere buikzijde, Dendrocopos major
Buntspecht
noun
1. soort zeevogel van ongeveer 70 centimeter groot, Larus hyperboreus
Eismöwe
noun
1. de eindhersenen en de tussenhersenen vormen samen de grote hersenen
Großhirn
noun
1. Limenitis populi, een dagvlinder uit de familie Nymphalisdae
Großer Eisvogel
noun
Grosse Raubmöwe
noun
Klatschmohn
noun
1. soort zeevogel, Larus marinus
Mantelmöwe
pronoun
1. de naam voor de 5 grote meren op of nabij de grens tussen de Verenigde Staten en Canada
Große Seen
noun
1.
Große Händelwurz
pronoun
1. de oceaan die ligt tussen Oost-Azië, Noord- en Zuid-Amerika en Australië
  1. Pazifik
  2. Pazifischer Ozean
noun
1. bepaald soort overblijvende plant, Sanguisorba officinalis
Großer Wiesenknopf
noun
1. Balaena mysticetus, grote massieve walvis met een kolossale kop
  1. Grönlandwal
  2. Nordwal
  3. Polarwal
noun
1. bepaalde soort zeevogel, te herkennen aan zijn zwarte kuif en snavel met een klein geel puntje, Sterna sandvicensis
Brandseeschwalbe
noun
1. Aythya valisineria, de grote neef van de [[w:Tafeleend|Europese tafeleend]]...
Riesentafelente
noun
1. Melanitta fusca, een vrijwel geheel zwarte eendensoort die voornamelijk op zee voorkomt
Samtente
noun
1. kledingzaak voor mensen met een fors postuur
Übergrößengeschäft
adjective
1. op afschrikwekkende wijze buitenissig
grotesk
noun
1. een toonladder met een grote terts
Durtonart
noun
1. een toonladder met een grote terts
Durtonleiter
noun
1. een toonladder met een grote terts
Durtonleiter
noun
1. een toonladder met een grote terts
Durtonart
noun
Grütze
/ˈxrʏto/, /ˈɣrʏto/
noun
1. bepaald soort weidevogel en een van de grootste steltlopers
Uferschnepfe
noun
Gräueltat
adjective
1. afschuw opwekkend
  1. grauenvoll
  2. grausig
  3. grässlich
/'ɣryzələ'mɛntə(n)/
noun
1. stukken die ontstaan wanneer een voorwerp breekt
Scherben
pronoun
Guadeloupe
/ˌgʋɑ.tə.ˈma.la/, /ˌgβ̞ɑ.tə.ˈma.la/, /ˌɣ<sup>ʊ</sup>a.tə.ˈma.la/
pronoun
land in Midden-Amerika, officieel de Republiek Guatemala
Guatemala
adjective
guatemaltekisch
adjective
guatemaltekisch
noun
1. en 2. (vrucht van) Psidium guajava
  1. Guaven
  2. Guave
pronoun
Guernsey
noun
Guerilla
/ɣi.ˈne/, /χi.ˈne/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Guinee
Guinea
pronoun
1. een taal die oorspronkelijk in Gujerat gesproken wordt. De taal wordt nu ook in Uganda, Tanzania, Kenia en Pakistan gesproken
  1. Gudscharati
  2. Gujaratisch
adjective
1. vrijgevig
  1. generös
  2. großzügig
  3. freigebig
/ˈxʏlzəx/
adjective
1. met overmatige gretigheid iets verorberend
gefräßig
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Gummersbach
verb
gönnen
noun
1. toewijzing van een aanbesteding of levering
Zuschlag
adjective
günstig
noun
1. een levendbarend tandkarpertje en aquariumvisje uit Zuid-Amerika
Guppy
pronoun
1. het zuidelijk deel van Luxemburg
Gutland
noun
Gutmensch
noun
1. een gootvormige steekbeitel voor houtbewerking
Hohlmeißel
adjective
guyanisch‎‎
/ɣi.ˈja.na/, /ɣβ̞i.ˈja.na/, /χi.ˈja.na/
pronoun
1. een land in Zuid Amerika, officieel de Coöperatieve Republiek Guyana
Guyana
adjective
guyanisch‎‎
/ɣɪm/
noun
  1. 2. gymnasium
    Gymnasium
  2. 1. gymnastiekles
    Gymnastik
noun
  1. 1.
  2. 2.
Gymnasium
noun
1. oefeningen voor de gezondheid van een mens
Gymnastik
/ɣinəkoˈlox/
noun
Gynäkologe
pronoun
  1. 1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
  2. 2. een district in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Göppingen
pronoun
1.
Görlitz
/ˈgœtɪŋən/
pronoun
1. + 2. stad en district
Göttingen
pronoun
  1. 1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
  2. 2. een district in de Duitse deelstaat Beieren
Günzburg
noun
1. een afscheiding bestaande uit kreupelhout of struikgewas
Hecke
noun
1. bepaald soort loofboom, Carpinus betulus
  1. Hainbuche
  2. Weißbuche
/haːɪ̯/, /ɦaɪ̯/
noun
1. benaming voor roofvissen uit de superorde Selachimorpha
  1. Hai
  2. Haifisch
/haːk/
noun
Haken
noun
Arkebuse
noun
2. elk van de tekens, rond of met hoeken, gebruikt in paren om woorden of getallen af te zonderen
Klammer
noun
1. een naald die wordt gebruikt bij haakwerk
Häkelnadel
adjective
1. onder een rechte hoek
rechtwinkelig
adjective
1. mogelijk om bereikt of verwezenlijkt te worden
  1. machbar
  2. realisierbar
/ˈɦal.mɛs/, /ˈɦaɫ.mɛs/
noun
1. een groot mes om bomen mee te schillen
  1. Ziehmesser
  2. Zugmesser
  3. Reifmesser
  4. Zieheisen
/ɦan/
noun
1. mannelijk dier bij de hoenderachtige vogels
Hahn
noun
1.1 hoofdhaar, uitgroeisel van de epidermis dat delen van het hoofd bedekt
Haar
personalPronoun
  1. 2. datief van zij, derde persoon enkelvoud
    ihr
  2. 1. accusatief van zij, derde persoon enkelvoud
    sie
possessivePronoun
1. bezit aanduidend door een 3e persoon vrouwelijk enkelvoud
  1. ihr
  2. ihre
noun
1.
Haarband
noun
1. plaats in de woning bedoeld om er een vuur te branden
Herd
noun
Fön
noun
Haarspalter
noun
Haarspalterei
noun
  1. Haarlack
  2. Haarspray
noun
1. een heel klein scheurtje dat vaak onzichtbaar is maar de sterkte van een constructie wel aantast
Haarriss
noun
1. een doorgaans dunne speld waarmee het haar kan worden opgestoken.
Haarnadel
/ˈharspɛldˌboχt/
noun
1. een zeer scherpe bocht in de weg, gelijkend op een haarspeld, die gebruikt wordt om op een beperkte ruimte sterke hoogteverschillen te overbruggen
  1. Haarnadelkehre
  2. Haarnadelkurve
  3. Spitzkehre
noun
  1. Haargefaß
  2. Kapillargefaß
noun
1. Lepus eropaeus, een konijnachtig zoogdier met lange achterpoten een gespleten lip en lange oren
Hase
/hast/
adverb
1. bijna
  1. fast
  2. nahezu
  3. beinahe
/hast/
noun
1. de drang hebben om iets snel te doen
  1. Eile
  2. Hast
/'ɦastən/
verb
1. trachten om dat wat men te doen heeft snel af te maken
sich beeilen
/ˈhastəxəˌsput ɪˈzeldə(n)ˌɣut/
interjection
1. iets overhaast doen levert vaak fouten op
  1. Eile mit Weile
  2. Eilen tut selten gut
  3. Eileviel kommt zu spät ans Ziel
/ɦaːt/
noun
1. sterk gevoel van vijandschap
Hass
pronoun
2. boek in de Bijbel
Habakuk
/ˈhabiˌtɑt/
noun
1. het natuurlijke leefgebied van een organisme
Habitat
adjective
1. uit gewoonte
habituell
verb
1. inbreken in een informatiesysteem
hacken
noun
1. iemand die zich onbevoegd toegang verschaft tot een computersysteem
Hacker
noun
  1. Botten
  2. Haff
  3. Lagune
  4. Liman
  5. Noor
noun
1. scheikundig element met symbool Hf en atoomnummer 72
Hafnium
noun
1. langstaartig, geschubd reptiel uit de onderorde Lacertilia
  1. Eidechse
  2. Echse
/haɣəɫ/
noun
  1. 1. bolvormig ijs dat als neerslag uit de hemel valt
    1. Hagel
    2. Schrot
  2. 2. verzameling van stukjes metaal -vaak lood- waarmee geschoten wordt in plaats van een kogel
    Schrotkugel
noun
1. een bui met hagel
Hagelschauer
verb
1. het uit de hemel neerkomen van hagelstenen
hageln
noun
1. een vuurwapen om voornamelijk hagelpatronen mee af te schieten
Schrotflinte
noun
    1. 2. het met kracht neervallen van de hagel
    2. 3. hagelschade
    Hagelschlag
  1. 1. een soort broodbeleg, bestaande uit strooisel van chocolade of gekleurde suiker
    1. Hagelzucker
    2. Schokoladenstreusel
/ˈhaɣəlˌsten/
noun
1. een klontje ijs dat als neerslag uit de lucht komt
Hagelkorn
noun
1. zware hagelbui met heel harde wind
Hagelsturm
noun
1. een bui waarin veel hagel valt en waarin het tijdelijk ook hard waait
Hagelschauer
pronoun
2. boek in de Bijbel
Haggai
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Haigerloch
noun
1.
Haiku
noun
  1. 1. hiel van de voet
    1. Ferse
    2. Absatz
  2. 3. werktuig om de grond mee open te hakken
    Hacke
/ˈhaː.kə(n)ˌkrœys/
noun
Hakenkreuz
verb
2. moeilijk en onzeker spreken met herhaling van klanken
stottern
/ɦɑl/
noun
  1. 1. ruimte achter de voordeur
    1. Diele
    2. Flur
    3. Korridor
    4. Eingangshalle
  2. 2. een entreeruimte in een gebouw of huis, een ontvangstruimte
    1. Eingangshalle
    2. Empfangshalle
    3. Foyer
    4. Lounge
  3. 3. een grote overdekte ruimte gericht op het uitvoeren van activiteiten
    Halle
  4. 1. hardheid van de grond tengevolge van de vorst, plek bevroren grond, hardbevroren aardkorst
    Frostboden
/ˈɦalə(n)/
verb
1. ergens heengaan met als doel om iets of iemand mee terug te brengen
  1. holen
  2. bekommen
  3. erreichen
adjective
1. gedeeltelijk automatisch
halbautomatisch
noun
Halbbruder
noun
1-2
Halbleiter
noun
1. een halfgeleider met een negatieve indirecte bandgap
Halbmetall
adjective
2. waaruit de helft van de vetten verwijderd is
teilentrahmt
noun
1. de tijd waarin een exponentieel vervalled proces tot de helft van zijn oorspronkelijke waarde vermindert
Halbwertszeit
noun
Halbschwester
noun
1.
Halbschwester
pronoun
2.
  1. Halle
  2. Halle an der Saale
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Hallein
/ˈɦɑ.ləˌkɛrk/
noun
1. een kerk met meerdere beuken
Hallenkirche
interjection
1. groet
hallo
pronoun
1.
Hallstatt
noun
Halluzination
verb
1. zinsbegoochelingen hebben
halluzinieren
noun
1. gras- of graanstengel
Stroh
noun
1. stralenkrans die het hoofd van een heilige in afbeeldingen omgeeft
Heiligenschein
noun
Halogen
noun
Halogenide
noun
Hals
noun
1. een om de hals en nek gesnoerde band
Halsband
noun
1. slagader in de hals
Halsschlagader
noun
1. halsketting
Halskette
noun
Halfter
/ɦɑlt/
interjection
1. aansporing om te stoppen
Halt
/ˈhɑɫtə/
noun
  1. 2. een plaats waar een bus stopt
    Bushaltestelle
  2. 1. een plaats waar gestopt wordt
    Haltestelle
noun
Hantel
noun
1.
halbe Pause
noun
1.schijngestalte van de maan
  1. Halbmond
  2. erste Viertel
/ɦɑm/
noun
  1. 2. dikke dij van een mens
    Oberschenkel
  2. 1. vlees van de achterkant van een varken
    Schinken
noun
Hamburg
/ˈham.bʏr.ɣər/, /ˈhɑm.bʏr.ɣər/, /ˈhɑm.bʏr.χər/
noun
1. schijf gebraden gehakt
Hamburger
noun
1. gecastreerde ram
  1. Hammel
  2. Schöps
pronoun
1.
Hameln
noun
  1. 1. werktuig dat kan worden gebruikt om te slaan
  2. 2. een van de gehoorsbeentjes in het oor
Hammer
noun
1. klein knaagdiertje dat als huisdier gehouden kan worden
Hamster
verb
1. een voorraad aanleggen bij voedselschaarste
hamstern
noun
Hauptfrage
pronoun
1.
Hanau
/ɦɑnt/
noun
  1. 1. uiterste deel van de arm, voorbij de pols
    Hand
  2. uit de hand lopen
    außer Kontrolle geraten
  3. iets van de hand doen
    verkaufen
/ˈɦɑnt.ɑl.faˌbɛt/, /ˈɦɑnt.ɑɫ.faˌbɛt/
noun
1. een verzameling gebaren waarmee alle letters van een alfabet worden uitgebeeld
Fingeralphabet
/ˈɦɑnt.ɑr.bɛɪ̯t/, /ˈɦɑnt.ɑr.bɛːt/
noun
Handarbeit
/ˈɦɑnt.ɑr.bɛɪ̯.dər/, /ˈɦɑnt.ɑr.bɛː.dər/
noun
Handarbeiter
noun
Handgepäck
noun
Handball
/ˈɦɑnt.buj/
noun
1. een paar aan elkaar verbonden afsluitbare ringen
Handschellen
/ˈɦɑnt.buk/
noun
1. een boek waarin getracht wordt alle informatie nuttig voor een bepaalde bezigheid bijeen te brengen
Handbuch
noun
  1. 1. een doek waarmee men zich afdroogt
    Handtuch
  2. de handdoek in de ring werpen (gooien)
    aufgeben
/ˈɦɑndəl/
noun
1. de in- en verkoop van goederen
Handel
verb
  1. 1. iets doen, al of niet met de handen, optreden
  2. 2. handel drijven
handeln
noun
1. datgene dat gedaan is
  1. Akt
  2. Handlung
  3. Tat
pronoun
Apostelgeschichte
noun
Handelsunternehmen
noun
1. commerciële organisatie die zich met de -gewoonlijk koloniale- handel bezighield.
Handelsgesellschaft
noun
Handelsmarke
noun
1. verhandelbaar waardepapier aan toonder of aan order
  1. Handelswechsel
  2. Warenwechsel
noun
2. deel van het privaatrecht m.b.t. handelszaken
Handelsrecht
noun
Handelsregister
noun
  1. 1. een taal die in het internationale handelsverkeer wordt gebruikt als lingua franca
    Handelssprache
  2. 2. de in de handelswereld gebruikelijke vakterminologie
    Kaufmannssprache
noun
Handelsware
/'ɦɑn.dəl.ʋɛɪ.zə/
noun
  1. 1. de wijze van handelen, manier van doen
    1. Ansatz
    2. Herangehensweise
    3. Vorgangsweise
    4. Vorgehensweise
  2. 2. gedrag
    1. Vorgangsweise
    2. Vorgehensweise
/ˈɦɑn.dən.ɑr.bɛɪ̯t/, /ˈɦɑn.dən.ɑr.bɛːt/
noun
Handarbeit
/ˈhɑntɣəmen/
noun
Handgemenge
verb
3. zich een positie in een groep verzekeren
sich behaupten
/ˈɦɑndɪɣ/, /ˈɦɑndɪχ/
adjective
1. goed met de handen om kunnen gaan
geschickt
noun
1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord hand
Händchen
noun
1. gewicht aan een touw
Lot
noun
1. binnenzijde van de hand
Handfläche
noun
1. gewicht aan een touw
Lot
noun
1. met de hand bediende rem
Handbremse
/hɑnd.sxun/, /ɦɑnt.sxun/, /ɦɑnt.sχun/
noun
1. een handkledingstuk met aparte vingers
Handschuh
/hɑnˈtɑstələk/
adjective
fummelnd
noun
Unterschrift
/ˈhanə(n)kɑm/
noun
  1. 2.
    Hahnenkamm
  2. 1. Cantharellus cibarius, een eetbare paddenstoel met een lichte pepersmaak
    Pfifferling
/ɦɑŋ/
noun
1. de neiging tot iets
  1. Hang
  2. Neigung
/ˈɦɑŋə(n)/
verb
hängen
noun
  1. 2. hangend sierraad
    Anhänger
  2. 1. voorwerp waaraan men iets kan hangen
    Kleiderbügel
/ˈɦɑŋmɑt/
noun
1. een doek dat aan de uiteinden opgehangen wordt en waarin personen kunnen liggen
Hängematte
noun
1. een slot dat aan een beugel hangt
Vorhängeschloss
pronoun
1. stad in Duitsland
Hannover
noun
  1. 1. toneelfiguur, het meest overeenkomende Harlekijn
    1. Hans Wurst
    2. Hanswurst
  2. 3. belachelijk persoon
    Hanswurst
  3. 2. grappenmaker
    1. Hanswurst
    2. Kasper
noun
1. stad die deel uitmaakt van de Hanze
Hansestadt
noun
2. (voeding) (kookkunst) klein gerechtje
  1. Happen
  2. Imbiss
  3. Zwischenmahlzeit
noun
1. een goede afloop
Happy End
/ɦɑrt/
adverb
1. stevig, een uitwendige kracht onverzettelijk weerstaand
hart
phraseologicalUnit
1. (informatica) Vooralsnog het meest gebruikte externe geheugen in een computer
Festplatte
noun
1. en 2 grof gemalen meel van harde tarwe (Triticum durum)
Hartweizengrieß
verb
  1. 2. psychisch tegen moeilijkheden bestand maken
    abhärten
  2. 1. hard maken, met name van staal door verhitten, afschrikken en hameren
    härten
adjective
1. niet bereid om ergens lering uit te trekken
unbelehrbar
noun
1. een vrouwelijke beoefenaar van de hardloopsport
Läuferin
/ˈhɑrdlopˌwɛdstrɛɪ̯d/, /ˈhɑrtlopˌʋɛtstrɛɪ̯t/, /ˈhɑrtlopˌβ̞ɛtstrɛːt/
noun
1. een wedstrijd waarbij de deelnemers op een vooraf bepaald parcours hardlopen
Wettlauf
noun
1. een mannelijke beoefenaar van de hardloopsport
Läufer
adverb
  1. laut
  2. hörbar
phraseologicalUnit
1. de woorden tijdens het lezen uitspreken
laut lesen
noun
  1. 2. (verkeer) iemand die te snel rijdt met een auto of motorfiets
    Raser
  2. 1. (sport) iemand die heel snel kan schaatsen of fietsen
    Rennfahrer
verb
1. met bij temperaturen boven 450°C gesmolten metaal voorwerpen van metalen...
hartlöten
adjective
1. zonder medelijden
  1. herzlos
  2. hartherzig
noun
1. elektronische en mechanische delen in en om computersystemen
Hardware
noun
  1. 1. het voor vrouwen bestemde deel van een woning van een mohammedaan
  2. 2. groep vrouwen die een relatie hebben met één man
Harem
/ˈɦarɪŋ/
noun
1. zoutwatervis
Hering
noun
1. bepaalde middelgrote haai en consumptievis, Lamna nasus
Heringshai
noun
1. tuingereedschap aan lange steel, met een reeks tanden aan de onderzijde
  1. Harke
  2. Rechen
verb
1. standaardiseren
harmonisieren
noun
1. (muziekinstrument) een toetsinstrument dat gerekend wordt tot de aerofonen
Harmonium
noun
1. een wapenuitrusting gemaakt van metalen platen die het lichaam volledig of grotendeels bedekt
Harnisch
/ˈɦɑrnɑsˌmɑnəcjə/
noun
1. bepaald soort baarsachtige vis, Agonus catapractus
Steinpicker
noun
1.
Harfe
/hɑrˈpun/, /ɦɑrˈpun/
noun
  1. 2. een speer met weerhaken
  2. 1. een grote pijl met weerhaken aan een touw
Harpune
verb
1. het vangen van vissen door middel van een harpoen
harpunieren
/ɦɑrs/
noun
1. het stroeve en plakkerige product van boomsappen, met name van naaldbomen
Harz
noun
1. een draadvormige soldeer met een kern van hars
Lötzinn mit Flußmittelseele
noun
1. soldeertin in draadvorm met een kern van hars
Lötzinn mit Flußmittelseele
/ɦɑrt/
noun
Herz
noun
1. het afsterven van hartspierweefsel door afsluiting van een kransslagader of een tak hiervan
  1. Herzinfarkt
  2. Myokardinfarkt
adverb
  1. 2. van uitingen) eerlijk, oprecht
    1. aufrecht
    2. ehrlich
    3. herzlich
  2. 1. (van personen) aardig, gastvrij en spontaan
    herzlich
adjective
herzhaft
noun
1. verstopping van een kransslagader of een tak hiervan, leidend tot het afsterven van hartspierweefsel
  1. Herzinfarkt
  2. Myokardinfarkt
  3. Herzanfall
noun
  1. Einlassventil
  2. 1. hartweefsel in de vorm van een vlies dat samengetrokken door een spiertje terugstromen van het verder gepompte bloed tegengaat
    Herzklappe
noun
Herzrhytmus
noun
Herzschlag
noun
Kardiologe
/ˈhɑrtstɪlstand/, /ˈhɑrtstɪlstɑnt/, /ˈhɑrtstɪɫstɑnt/
noun
1. het stoppen van het kloppen van een hart
Herzstillstand
/hɑrtsˈtɔxtələk/
adjective
  1. 2. (van uitingen) met groot verlangen of grote liefde
    1. begeistert
    2. heftig
    3. sehnsüchtig
    4. temperamentvoll
    5. vehement
  2. 1. (van personen) met hartstocht vervuld, door hartstocht beheerscht
    leidenschaftlich
/hɑrtsˈtɔxtələk/
adverb
1. op eene wijze die van hartstocht blijk geeft
  1. heftig
  2. leidenschaftlich
  3. stark
adjective
1. sterke emoties van schok en ontzetting oproepend
herzzerreißend
adjective
1. vorm van een hart hebbend
herzförmig
noun
1. een taai ondoorzichtig vliesachtig zakje in de thorax, waarin het hart zich bevindt
Herzbeutel
noun
1. softdrug, bereid uit ingedikt sap van gedroogde en fijngestampte vrouwelijke hennepbloemen
Haschisch
noun
1. scheikundig element met symbool Hs en atoomnummer 108
Hassium
/'ɦatə(n)/
verb
kwade gevoelens jegens iemand koesteren
hassen
interjection
hatschi
pronoun
  1. 1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
  2. 2. een plaats in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Hattingen
noun
1. iemand die behoort tot het gelijknamige volk
Hausa
pronoun
1. taal die wordt gesproken door meer dan 85 miljoen mensen, vooral in Niger en Nigeria
Hausa
/ˌotkuˈtyr/
noun
Haute Couture
noun
1. een droge doosvrucht, die minstens driemaal zo lang als breed is, zoals bij koolzaad en pinksterbloem.
Schote
/ɦavə(n)/
noun
1. natuurlijke of aangelegde aanlegplaats voor schepen.
Hafen
/ˈɦaːvən.ˌɑrbɛidər /
noun
1. arbeider die in een haven werkt
Hafenarbeiter
noun
1. een golfbreker bij een haven
  1. Hafenmole
  2. Wellenbrecher
noun
1. havenarbeider, dokwerker, bootwerker
Hafenarbeiter
noun
1. en 2. (zaden van) eenjarig graangewas Avena sativa
  1. Hafer
  2. Haber
/ˈhavərˌmɪːɫ/
noun
zeer fijn gemalen haver
Hafermehl
noun
plantaardige melk op basis van hele haverkorrels
Hafermilch
noun
Haferbrei
noun
met de zaadhuiden vergroeide vruchtwanden en kiemen van haverkorrels
Haferfaser
noun
havervlokken
Haferflocken
noun
met de zaadhuiden vergroeide vruchtwanden en kiemen van haverkorrels
Haferkleie
/ˈɦavɪk/
noun
  1. 1. Accipiter gentilis, een roofvogel die op kleine zoogdieren en vogels jaagt
    Habicht
  2. 2. iemand die graag oorlog wil voeren
    1. Habicht
    2. Falke
noun
1. een heester waaraan hazelnoten groeien
  1. Hasel
  2. Haselnußstrauch
/ˈɦa.zəlˌmœːs/, /ˈɦa.zəɫˌmœʏ̯s/
noun
1. knaagdier in de familie van slaapmuizen, Muscardinus avellanarius
Haselmaus
/ˈhazəɫˌnot/
noun
1. een vrucht van de hazelaar
Haselnuss
/ˈhaː.zə(n)ˌlɪp/
noun
Hasenscharte
noun
1. snelle hond wordt ingezet voor wedrennen of jacht op hazen
Windhund
/ha.ˈhi.ti/, /ɦa.ˈi.ti/, /ɦɑ.ˈi.ti/
pronoun
1. een land in het Caribisch gebied bezettend de westelijk derde van het eiland Hispaniola
Haiti
adjective
haitianisch
noun
1. geheel van therapeutische en paranormale handelingen die men onder behandeling van een alternatief therapeut ondergaat of als zelftherapie uitvoert
Heilarbeit
/ˈɦɛbə(n)/
verb
  1. 1. bezitten
    haben
  2. 4. het mis hebben
    irren
  3. 1. voor voltooide tijd
    haben
pronoun
1. officiële taal van Israël, de heilige taal van de Joden en de taal van de Tenach
  1. Hebräisch
  2. hebräisch
pronoun
  1. Hebräer
  2. Hebräerbrief
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Hechingen
noun
1. heckelfoon
Heckelphon
adjective
1. zeer druk en chaotisch
hektisch
noun
1. 100 liter
Hektoliter
noun
1.
Hektometer
noun
1. hectopascal (100 Pa)
Hektopascal
/ˈɦeː.də/
noun
1. werk, afval van vlas of hennep
  1. Hede
  2. Werg
suffix
1. een achtervoegsel van hoedanigheid dat van een bijvoeglijk een zelfstandig naamwoord in het meervoud maakt
heiten
adverb
  1. 1. in de tegenwoordige tijd, in deze tijd
    1. derzeit
    2. heutzutage
  2. heden ten dage
    gegenwärtig
  3. 2. op deze dag
    heute
/ˌɦe:dənˈda:xs/
adjective
1. gangbaar in de huidige tijd
  1. gegenwärtig
  2. heute
  3. heutzutage
noun
1. leer dat genot het hoogste goed is
Hedonismus
noun
Hechtdorsch
/heːl/
adjective
1. niet stuk
ganz
/heːl/
adverb
1. in hoge mate
  1. ganz
  2. sehr
/he.ˈlal/, /ɦe.ˈlaɫ/
noun
[1] het gehele tijd-ruimtecontinuüm waarin wij bestaan, samen met alle materie en energie
  1. Weltall
  2. Universum
noun
1. de tak van de geneeskunde die met operatie probeert te genezen
Chirurgie
noun
1. de christelijke aanduiding voor God
Herr
/ɦɪːr/
noun
1.
Herr
adjective
1.
  1. lecker
  2. köstlich
noun
1.
  1. Herrschaft
  2. Herrlichkeit
noun
Acker-Schachtelhalm
/hersxɑˈpɛi/
noun
1. geheel der dingen waarover iemands macht zich uitstrekt, waarover hij heerst (bewind uitoefent) en het daarbij horende gezag geniet
Herrschaft
/hersə(n)/
verb
  1. 1. de macht uitoefenen
  2. 1. als epidemie aanwezig zijn in de bevolking
herrschen
noun
1. iemand die de macht uitoefent
Herrscher
/ˈhes.tərˌslɑk/
noun
1. algemeen in Europa voorkomende landslakkensoort
  1. Baumschnecke
  2. Baumschnirkelschnecke
  3. Gefleckte Schnirkelschnecke
/ɦeːt/
adjective
1.
heiß
/ˈhetoft/, /ˈheːthof/
noun
[1] een persoon die snel boos wordt
Hitzkopf
noun
1.
Hebel
verb
  1. heben
  2. erheben
noun
1. oude eenheid van lichtsterkte
Hefnerkerze
noun
1. een luchtvaartuig dat door middel van een hefschroef verticaal kan opstijgen en landen
  1. Helikopter
  2. Hubschrauber
noun
1. het handvat van een mes
  1. Griff
  2. Heft
/ɦɛftəx/
adjective
1. extreem in mate
heftig
/ɦɛftəx/
adverb
1. in extreme mate
heftig
noun
Gabelstapler
/ˈhɛfwil/
noun
2 combinatie van roller en hefboom, gebruikt om zware voorwerpen te verplaatsen
Heberolle
noun
1. een (meestal lijnvormige) aanplanting van struiken en/of bomen die dient om ruimten te scheiden
Hecke
noun
1. een zangvogel ter grootte van een huismus met opvallend grijs op de kop
Heckenbraunelle
noun
1. een stuk tuingereedschap dat gebruikt wordt om heggen te snoeien
Heckenschere
noun
Heide
/ˈhɛɪ̯də/, /ˈhɛːdə/
noun
1. een met heidekruid begroeide vlakte
Heide
noun
1. landschap gekenmerkt door veel heidevelden
Heidelandschaft
noun
1. mensen die geen jood of christen zijn
Heide
noun
1. een verzamelnaam voor de polytheïstische religies waarmee het zich verspreidende christendom in aanraking kwam
Heidentum
adjective
1. van de heidenen
heidnisch
adjective
  1. Erikaviolett
  2. erikaviolett
/ɦɛjl/
noun
  1. 1. voordeel
    Segen
  2. 2. voordeel
    Vorteil
noun
1. bepaald soort grote schol, reus onder de platvissen en consumptievis, Hippoglossus hippoglossus
Heilbutt
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
  3. 3.
Heilbronn
/ɦɛj.ləɣ/
adjective
1. door wijding aan het goddelijke bijzonder gemaakt
heilig
noun
1. plaats of gebouw gewijd aan een god of godin
Heiligtum
noun
1.
  1. Heilige Geist
  2. Heiliger Geist
phraseologicalUnit
Heiliger Graal
noun
1. de pauselijke regering
Heiliger Stuhl
noun
vergrijp aan iets heiligs
Sakrileg
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Heilsbronn
adjective
heilkräftig
/ˈɦɛɪmələk/, /ˈɦɛːmələk/
adjective
1. geheim, opzettelijk verborgen
heimlich
/'hɛɪmʋe/
noun
1. sterk verlangen naar een plek die als thuis ervaren wordt
Heimweh
noun
  1. 2. sterke afkeer
    1. Abneigung
    2. Ekel
  2. 1. werktuig gebruikt bij het verwerken van hennep of vlas
    Hechel
noun
1. gedicht waarin ondeugden of misstanden aan de kaak worden gesteld
  1. Spottgedicht
  2. Spottschrift
verb
  1. 1. bekritiseren, openlijk beschuldigen of veroordelen
    1. brandmarken
    2. scharf kritisieren
    3. verurteilen
  2. 2. vlasvezels van de laatste aanhangsels ontdoen
    hecheln
/ɦɛks/
noun
1. een over het algemeen vrouwelijk persoon aan wie bovennatuurlijke krachten worden toegeschreven
Hexe
noun
  1. 1. magische bezem waarop heksen worden verondersteld te kunnen vliegen
  2. 2. door een zwam veroorzaakte woekering in de takken van gezonde bomen
Hexenbesen
/ˈhɛksə(n)ˌjɑxt/
noun
1. het jagen op vermeende heksen
Hexenjagd
noun
1. stag die loopt van de achterkant van de boot naar de top van de mast
Achterstag
noun
1. het geheel van staven etc. waardoor een hek wordt gevormd, rastering of balustrade
  1. Geländer
  2. Gitter
/'ɦɛl/
noun
1. een plek waar de ziel van daartoe veroordeelde overledenen naar toe gaan
Hölle
adverb
1. jammer genoeg, spijtig genoeg
leider
/ɦɛlt/
noun
Held
adjective
1. duidelijk en zuiver
  1. klar
  2. sauber
noun
1.
ganze Note
noun
1.
ganze Pause
/'ɦelə(n)/
verb
  1. 2. gestolen goed in ontvangst nemen
    hehlen
  2. 1. gezond worden
    heilen
/ˈhelər/
noun
  1. 1. iemand die bereid is om gestolen goederen op te kopen
    Hehler
  2. 2. iemand die de gezondheid van anderen herstelt of althans behandelt
    Heiler
/ɦɛlft/
noun
Hälfte
pronoun
1. mythologische hond
  1. Höllenhund
  2. Kerberos
  3. Zerberus
/ɦelɪˈkɔptər/
abbreviation
1. luchtvaartuig dat d.m.v. een hefschroef verticaal kan opstijgen en landen
  1. Hubschrauber
  2. Helikopter
noun
1. overbezorgde vader of moeder die te veel wil nagaan en regelen wat een kind doet
Helicoptervater
/ˈhe.lɪŋ/
noun
  1. 2. het verkopen van gestolen goederen zonder dat de verkoper ze zelf gestolen heeft
    Hehlerei
  2. 1. het gezond worden of maken van iemand
    Heilung
adjective
heliozentrisch
noun
1. een chemisch element en een inert edelgas
Helium
noun
1. lang middeleeuws wapen
Hellebarde
noun
Hellenismus
noun
1. een glooiing in het landschap
  1. Hang
  2. Abhang
/ɦɛlm/
noun
  1. 1. beschermend hoofddeksel
    Helm
  2. 2. helmgras
    1. Strandhafer
    2. Sandhafer
noun
Pinne
/ˈɦɛlpə(n)/
verb
1. iemand bijstaan
helfen
/ɦɛm/
personalPronoun
  1. 2.
    ihm
  2. 1.
    ihn
noun
1. kledingstuk voor het bovenlijf
Hemd
/ˈɦeːməl/
noun
  1. 1. lucht, onmetelijke ruimte die overal op aarde bovenaan zichtbaar is
  2. 2. het hiernamaals, leven na de dood
Himmel
noun
Himmelbett
noun
1. lijkbezorging waarbij het lichaam van een dode een plaats boven de grond krijgt waar het door dieren wordt opgegeten
Himmelsbestattung
noun
Himmelskörper
adjective
  1. Himmelblau
  2. himmelblau
adjective
2. in rechte lijn gemeten
Luftlinie
pronoun
1. de herdenking dat Jezus Christus na zijn verrijzenis opgevaren is naar God Zijn Vader in de hemel
Himmelfahrt
noun
1. christelijke feestdag waarin gevierd wordt dat Jezus na de opstanding naar de Hemel ging
  1. Christi Himmelfahrt
  2. Himmelfahrtstag
noun
Blitz
noun
1. hemiool
Hemiole
noun
Halbkugel
noun
1. stofwisselingsziekte waarbij het lichaam teveel ijzer uit het voedsel opneemt
Hämochromatose
noun
1. bloederziekte
  1. Bluterkrankheit
  2. Hämophilie
noun
1. knobbelachtige zwelling van aders in het onderste deel van de endeldarm en in de anus
Hämorrhoiden
/ɦɛn/
noun
1. vrouwtje van hoenderachtige vogels
Henne
noun
  1. Hendiadyoin
  2. Hendiadys
/ˈhɛndrɪk/
pronoun
  1. 1. mannelijke voornaam
  2. 2. spelwoord voor de letter h
Heinrich
pronoun
1. Belgische provincie
Hennegau
noun
1. visserswerktuig
Angelrute
/ɦɛŋst/
noun
  1. 1. mannelijk paard
    Hengst
  2. 3. harde klap
    Hieb
/ˈɦɛ.nəp/
noun
Hanf
noun
ästige Sommerwurz
noun
1. henry
Henry
noun
1. C31H64
Hentriacontan
adjective
1. met betrekking tot de lever
hepatisch
noun
1. leverontsteking
Hepatitis
noun
1. gelijktijdige vergroting van de lever en de milt
Hepatosplenomegalie
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Hessen
Heppenheim
noun
1. C₇H16
Heptan
noun
1. ruimtelijke figuur met zeven vlakken
Heptaeder
/herɑl'dik/
noun
1. de wetenschap die zich bezighoudt met de wapenkunde
Heraldik
noun
1. verzameling van, album met gedroogde planten
Herbarium
noun
1. eet- en overnachtingsgelegenheid die kleiner, goedkoper en eenvoudiger is dan een hotel
  1. Gasthaus
  2. Gasthof
  3. Wirtshaus
verb
  1. 2. tot verblijf dienen
    beherbergen
  2. 3. bevatten
    enthalten
  3. 1. huisvesten
    1. unterbringen
    2. einquartieren
noun
1. dier dat zich met plantaardig voedsel voedt
Pflanzenfresser
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Herbolzheim
verb
1. plechtig aandacht schenken aan een gebeurtenis uit het verleden
gedenken
noun
Andenken
/hɛrˈdɛŋkɪŋsˌdinst/
noun
1. een (kerk)dienst ter herdenking
Gedächtnisgottesdienst
/'ɦɛrdər/
noun
1. begeleider en bewaker van een kudde
  1. Pastor
  2. Pfarrer
  3. Priester
noun
1.
Schäferin
noun
1. hond die een kudde bewaakt
Schäferhund
/ˈhɛr.dərsˌyr/
noun
1.
Schäferstunde
/ˈhɛr.dərsˌyr.tjə/
noun
1.
Schäferstunde
adjective
hereditär
noun
1. een geestelijke die in afzondering leeft
Eremit
noun
1. Geronticus eremita
Waldrapp
noun
1. een kreeftachtige (Eupagurus bernhardus) uit de orde van tienpotigen, die in de schelp van een zeeslak woont
Einsiedlerkrebs
verb
1. opnieuw tot een eenheid maken
wiedervereinigen
noun
1. een toilet of wc-ruimte voor mannen
Herrentoilette
pronoun
  1. 1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
  2. 2. een district in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Herford
noun
1. derde jaargetijde
Herbst
noun
1. herfstdag
Herbsttag
/ˈhɛrfstmant/
noun
1. herfstmaand
Herbstmonat
noun
1. herfstnacht
Herbstnacht
noun
1. evenaarpassage van de zon richting zuid
Herbstpunkt
noun
1. bepaald soort plant, Colchicum autumnale
Herbst-Zeitlose
noun
Herbstwetter
adjective
  1. bijvoeglijk naamwoord
  2. bijwoord: herhaaldelijke keren
wiederholt
verb
1. iets opnieuw zeggen
wiederholen
noun
1. het nogmaals plaatsvinden
Wiederholung
noun
1. lastige en hinderlijke veldmosterd die meestal op en rond akkers groeit
  1. Acker-Senf
  2. wilder Senf
/ɦɛr.'ɪ.nə.rə(n)/
verb
  1. 1. opnieuw in gedachte brengen
    erinnern
  2. 2. uit het geheugen opdiepen
    sich erinnern
noun
1.een extra mogelijkheid om een succes te behalen nadat dit eerder mislukt is
Neustart
noun
1. een herbivoor die zijn voedsel herkauwt
Wiederkäuer
noun
Erkennung
noun
1. een muziekje dat kenmerkend is voor een bepaald tv- of radioprogramma
Erkennungsmelodie
noun
  1. Herkunft
  2. Provenienz
/hɛrˈlevə(n)/
verb
1. opnieuw tot leven komen, opnieuw opbloeien
aufleben
verb
1. opnieuw lezen
wiederlesen
/ˈɦɛr.mɑn/
pronoun
1. een jongensnaam
Hermann
noun
1. bepaald klein wezelachtig zoogdier, Mustela erminea
Hermelin
adjective
1. luchtdicht
hermetisch
/ɦɛr'nemə(n)/
verb
  1. 3. opnieuw de draad van het gesprek opnemen
    1. fortfahren
    2. wiederaufnehmen
  2. 2. opnieuw opvoeren
    1. wiederaufführen
    2. wiederholen
  3. 1. opnieuw krijgen, opnieuw verkrijgen
    1. wiedererlangen
    2. zurückbekommen
  4. 4. opnieuw innemen
    zurückerobern
  5. 5. nemen wat men eerst heeft gegeven
    zurücknehmen
noun
1. uitstulping van een orgaan of weefsel uit de lichaamsholte waar het normaliter in ligt
Hernie
/hɛrˈniwə(n)/
verb
  1. 1. door nieuwe kracht weer nieuw maken, nieuw leven inblazen
    1. erneuern
    2. neugestalten
  2. 3. opnieuw doen, vernieuwen, weer nieuw maken
    1. erneuern
    2. nochmals tun
    3. wiederholen
  3. 2. renoveren
    1. erneuern
    2. renovieren
    3. restaurieren
    4. wiederherstellen
noun
Wiedereröffnung
verb
1. een eerder verloren positie opnieuw veroveren
  1. wiedererobern
  2. zurückrobern
noun
een verdovend middel
Heroin
pronoun
1.
Herrenberg
noun
1. veel en onaangenaam geluid
Lärm
verb
1. opnieuw oprijzen, opnieuw gaan leven of functioneren
auferstehen
verb
1. zeggen dat iets, dat je eerder gezegd hebt, niet klopt
  1. widerrufen
  2. zurücknehmen
noun
Hirntod
noun
1. brein
  1. Gehirn
  2. Hirn
noun
1. de buitenste laag van de grote hersenen
Hirnrinde
noun
1. schade aan de hersenen door uitwendig geweld
Gehirnerschütterung
noun
indoctrinatietechniek
  1. Gehirnwäche
  2. Gehirnwäsche
noun
1. een terugkeer naar een vorige toestand
Wiederherstellung
verb
  1. 1. terug werkend krijgen, repareren
    reparieren
  2. 3. weer invoeren
    wiederherstellen
noun
1. muzieksymbool
Auflösungszeichen
noun
1. benaming voor herkauwende zoogdieren uit de familie Cervidae
Hirsch
noun
1. een jong hert
  1. Haschli
  2. Hirschkalb
noun
1. een landsheer, oorspronkelijk van een hoger hiërarchisch niveau dan de markies
Herzog
noun
1.
Herzoginkartoffel
noun
1. de eenheid voor frequentie van trillingen
Hertz
pronoun
1.
Herongen
verb
1. een activiteit opnieuw beginnen na deze eerder gestaakt te hebben
wiederaufnehmen
/ɦɛrˈvɔr.mər/
noun
1. een persoon die hervormingen nastreeft
  1. Reformer
  2. Reformator
noun
3. beweging tot herstel der oorspronkelijke zuiverheid in de leer...
Reformation
adjective
1. opnieuw vol te maken
nachfüllbar
/hɛr.ˈzin/, /ɦɛr.ˈzin/
verb
1. opnieuw naar iets kijken om veranderingen aan te brengen
überarbeiten
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Herzogenaurach
pronoun
1.
Herzogenrath
pronoun
Hessen
/(ɦ)ət/, /hɛt/
article
1. bepaald lidwoord
  1. der
  2. das
  3. die
/(ɦ)ət/, /hɛt/
indefinitePronoun
1. 3e persoon enkelvoud onzijdig
es
phraseologicalUnit
1. het kan me niets schelen
  1. es ist mir egal
  2. es ist mir scheißegal
  3. ich scheiße drauf
verb
das Kind mit dem Bade ausschütten
verb
1. een aanpak kiezen die niet helpt om het doel te bereiken
  1. die Ochsen hinter den Pflug spannen
  2. das Pferd beim Schwanz aufzäumen
  3. die Pferde hinter den Wagen spannen
/hət ˈre.γənt ˈpɛipə.ˌste.lə(n)/
phraseologicalUnit
Es regnet in Strömen.
noun
1. luchtvoertuig dat zijn draagvermogen ontleent aan lucht die wordt opgewarmd door een brander en vastgehouden in een grote zak van licht materiaal
Heißluftballon
/'he.tə(n)/, /'ɦe.tə(n)/
verb
1. de naam dragen
heißen
noun
Heterogenität
adjective
1. aan de zijkant (buitenkant)
heterolateral
adjective
1.
heteronormativ
noun
1.
Heteronormativität
adjective
1. gericht op het andere geslacht of betrekking hebbend op liefde voor mensen met een ander geslacht
heterosexuell
/ˈhetroziˌgot/
adjective
1. in het bezit zijnde van twee allelen van een gen bij een (diploïd) organisme
  1. heterozygot
  2. mischerbig
relativePronoun
1. wat
  1. was
  2. das, was
  3. dasjenige, was
pronoun
1. een dode taal die in het huidige Turkije werd gesproken
Hethitisch
noun
Hetze
demonstrativePronoun
  1. 1. de gelijke identiteit bezittend; onzijdig enkelvoud, zowel zelfstandig als bijvoeglijk gebruikt
    dasselbe
  2. voor hetzelfde geld
    genauso gut
noun
deel van beide zijkanten van het menselijk lichaam ter hoogte van het heupgewricht, waar het been met de romp verbonden is
Hüfte
/ɦøs/
adjective
1. hoffelijk, beleefd
höflich
/ɦøs/
adverb
1. werkelijk, echt
wirklich
/ˈhøvəɫ/
noun
1. verhoging in het landschap die wat lager is dan een berg
Hügel
/'ɦøvəlɑxtəx/
adjective
1. met aanzienlijke hellingen en hoogteverschillen
hügelig
/'ɦevəl/
noun
2. een geheel met vloeistof gevulde pijp of slang waarvan het ene einde lager gehouden wordt dan de andere, waardoor vloeistof van de laatste mond naar de eerste stroomt
Heber
/'ɦevəx/
adjective
1. sterk in mate
hevig
noun
1. C₆H14
Hexan
noun
1. een enigszins uitstekend deel achteraan de voet
Ferse
noun
1. iemand die overdreven kruiperig en onderdanig jegens iemand anders is
Speichellecker
noun
1.
Fersensporn
/ɦiːr/
adverb
1. op deze plaats
hier
/ˈhirɑxtər/
adverbialPronoun
1. vervangt achter dit, achter deze
  1. hierhinten
  2. hierhinter
  3. hinten
adverbialPronoun
1. in deze richting
hierher
adverbialPronoun
1. met dit, met deze
hiermit
noun
1. leven na de dood
Jenseits
adverbialPronoun
  1. 1. betreffend dit, hierover
    diesbezüglich
  2. 2. in deze buurt, in deze contreien
    in der Gegend
noun
Hightech-Unternehmen
/hɛɪ̯/, /ɦɛɪ̯/, /ɦɛː/
personalPronoun
1. Nominatief mannelijk derde persoon enkelvoud
er
verb
1. zwaar ademhalen ten gevolge van een lichamelijke inspanning
  1. keuchen
  2. hecheln
noun
  1. 2. hijswerktuig
    Hebezeug
  2. 1. het hijsen
    Hochziehen
  3. 3. de hoeveelheid die men in één keer op kan hijsen
    Hub
  4. 4. klap
    Knall
verb
1. iets met een touw of kabel in opwaartse richting trekken, al dan niet middels een katrol
hissen
noun
1. een constructie om zware lasten op te tillen
Kran
noun
1. een periodiek optredende, spontane, onwillekeurige samentrekking van het middenrif tijdens inademing...
Schluckauf
/ˈɦɪkə(n)/
verb
1
schlucksen
noun
1. vrolijkheid of gelach
Heiterkeit
noun
  1. Hilbertraum
  2. Hilbertscher Raum
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Hilchenbach
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Thüringen
Hildburghausen
pronoun
1. + 2. stad en district
Hildesheim
/ˈhɪndə/
noun
1. een vrouwelijk hert
  1. Hinde
  2. Hirschkuh
/'ɦɪndərə(n)/
verb
behindern
noun
1. iets dat de voortgang verstoort
  1. Hemmnis
  2. Hindernis
pronoun
1 taal die vooral gesproken wordt in de noordelijke staten van India
Hindi
noun
2. kinderspel, waarbij men zich deels op één been verplaatst
  1. Himmel und Hölle
  2. Hüpfspiel
  3. Paradiesspiel
  4. Tempelhüpfen
  5. hickelkasten
verb
  1. hinken
  2. humpeln
verb
1. het geluid van een paard voortbrengen
wiehern
verb
1. zich met kleine sprongetjes voortbewegen
hüpfen
noun
Hippie
noun
1. ovale paardenrenbaan
Hippodrom
noun
Hippopotomonstrosesquippedaliophobie
noun
Hiragana
/hirimotu/
pronoun
1. een van de drie officiële talen van Papoea-Nieuw-Guinea
Hiri Motu
pronoun
Hispaniola
noun
1. woord of uitdrukking overgenomen uit het Spaans of gevormd naar Spaans voorbeeld
Hispanismus
noun
Histogramm
noun
Historizität
noun
Historiker
noun
  1. 2. geschiedenis van een volk, een land enz
  2. 1. verhaal
Geschichte
adjective
  1. historisch
  2. geschichtlich
noun
Hitlergruß
/ˈhɪtə/
noun
Hitze
noun
Hitzewelle
noun
1. menselijk immuundeficiëntievirus
HIV
noun
1. rangorde
Hierarchie
/ɦɔbəl/
noun
1. een kleine verhoging in de weg
Hubbel
/ɦɔbələç/, /ˈɦɔbələx/
adjective
1. met hobbels, oneffen
  1. uneben
  2. holprig
noun
Schaukelpferd
/hɔbi/
noun
1. een liefhebberij of bezigheid ter ontspanning voor in de vrije tijd
Hobby
noun
1. orkestinstrument, behoort tot de houtblazers, het wordt met een dubbelriet aangeblazen
Oboe
noun
1. iemand die hobo speelt
Oboist
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Hockenheim
noun
1. balspel waarbij twee elftallen de bal met een hockeystick in elkaars doel proberen te slaan
Hockey
noun
Hockeyschläger
pronoun
1. stad in Israël
Hod haScharon
/ɦu/
adverb
1. op welke wijze
wie
phraseologicalUnit
Wie heißt du?
phraseologicalUnit
  1. Wie heißen Sie?
  2. Wie ist Ihr Name?
/hud/, /ɦut/
noun
  1. 1. een hoofddeksel
    Hut
  2. 2. deel van een zwam
    1. Schirm
    2. Hut
noun
  1. een functie die men vervult
    Eigenschaft
  2. een gesteldheid
    Zustand
/ˈhu.də(n)/, /ˈɦu.də(n)/
verb
1. een kudde dieren verzorgen en in de gaten houden
hüten
noun
1. kunststof mascotte om voor de achterruit van een auto te plaatsen
Wackeldackel
/ɦuf/
noun
1. hoornachtig omhulsel aan de teentop
Huf
noun
Hufrehe
noun
1. hoefdragend zoogdier
Huftier
noun
Hufeisen
noun
1. nagel waarmee de hoefsmid de hoefijzers aan de hoeven vastnagelt
Hufnagel
noun
Hufschmied
/ɦuk/
noun
1. een punt waar twee benen of halve rechten samenkomen
  1. Ecke
  2. Winkel
noun
1. een huis dat zich op de hoek van de straat bevindt
Eckhaus
noun
1. stellage met een vorm die goed in de hoek van een kamer past, bestemd voor het opbergen of tentoonstellen van voorwerpen
Eckregal
noun
1. met kussens beklede bank die een zitting heeft in twee delen haaks op elkaar, zodat hij goed in de hoek van een kamer kan staan
Ecksofa
/ˈhuk.steːn/
noun
  1. 1. een steen die gebruikt wordt om de hoekpunten van bouwwerken te verstevigen
    Eckstein
  2. 2.
    Grundstein
noun
1. benaming voor vogels uit de orde Galliformes
Hühnervogel
noun
4. Onderdeel van een rolstoel
  1. Greifreifen
  2. Greifring
/ɦur/
noun
1. vrouw die tegen betaling seksuele diensten verricht
Hure
noun
1. pand waar mannen tegen betaling seks hebben met vrouwen
Hurenhaus
noun
Hurenkind
noun
1. bescherming die om een -meest vlak- voorwerp wordt aangebracht
Hülle
noun
1. reflexmatige explosieve uitademing
Husten
verb
1. reflexmatige explosief uitademen bij prikkeling van de luchtwegen
husten
interrogativeCardinalNumeral
1. welk aantal?
  1. wie viel
  2. wieviel
/huˈvɪ:ɫhɛɪt/
noun
1. de kwantiteit waarin iets aanwezig is
  1. Menge
  2. Quantität
indefiniteOrdinalNumeral
wievielte
adverb
inwieweit
conjunction
1. drukt een tegenstelling uit
  1. obwohl
  2. obgleich
/huˈzo/
adverb
1. vraagt naar de logica achter een bepaalde bewering
wieso
/ɦɔf/
noun
  1. 3. een stuk bebouwd land of tuin
    1. Bauernhof
    2. Hof
  2. 2. een instelling waar recht gesproken wordt
    Gerichtshof
  3. 1. de uitgebreide huishouding van een vorstelijke, bijvoorbeeld koninklijke familie
    1. Hof
    2. Königshof
pronoun
Gerichtshof der Europäischen Union
pronoun
1. plateau
Hohes Venn
noun
polymerisatieproduct van etheen
Polyethylen hoher Dichte
noun
1. een gebied waar relatief een hogere druk heerst dan elders, term uit de meteorologie
  1. Hochdruckgebiet
  2. Hoch
noun
Schnellkochtopf
noun
1. hoge cilindervormige hoed
Zylinder
noun
  1. instelling waar hoger onderwijs wordt gegeven in bepaalde vakken
    Fachhochschule
  2. onderwijsinstelling voor hoger beroepsonderwijs
    1. Hochschule
    2. Universität
noun
1. een spoorweg geschikt voor hogesnelheidstreinen met snelheden van meer dan 200 km/h
Hochgeschwindigkeitsstrecke
abbreviation
1. een trein geschikt voor dienstsnelheden van 200km/h en hoger
Hochgeschwindigheitszug
pronoun
1. een stad in de Oostenrijkse deelstaat Vorarlberg
Hohenems
noun
1. een bepaald dierenverblijf
  1. Schlag
  2. Stall
  3. Verschlag
noun
1. bepaald soort vis, Macruronus novaezelandiae
  1. Blauer Seehecht
  2. Hoki
noun
Schubladendenken
noun
1. en 2. (vruchtvlees van) plant Cucurbita maxima var. hubbaridianna
Hokkaidokürbis
adjective
1. zonder inhoud, zonder betekenis, leeg
hohl
adverb
1. verdiept, concaaf
hohl
noun
  1. 2. ondergrondse woning of schuilplaats van een dier
    1. Bau
    2. Höhle
  2. 1. grot, spelonk
    1. Höhle
    2. Grotte
noun
1. een langs de lengteas gekromde houtbeitel
Hohlmeißel
/ˈhɔɫbəˌʋonər/
noun
  1. 1. een dier dat in holen leeft
    Höhlenbewohner
  2. 2. een mens die in holen leeft
    Höhlenmensch
noun
1. Ursus spelaeus, een grote berensoort, kwam in Europa voor in het Pleistoceen
Hölenbär
noun
1. bepaald soort vogel, Columba oenas
Hohltaube
noun
1. theorie
Holismus
/ˈɦɔlɑnt/
pronoun
  1. 1. een gedeelte van het westen van Nederland dat de provincies Noord-
  2. 2. heel Nederland
Holland
verb
  1. laufen
  2. rennen
noun
1. scheikundig element met symbool Ho en atoomnummer 67
Holmium
noun
1. een tweedelige holle klinknagel
Hohlniet
/ˈholokaust/
pronoun
Holocaust
/ˈholoˌkɔːstɔntˌkɛnɪŋ/
noun
Holocaustleugnung
noun
1. techniek waarmee een afbeelding in een plat vlak diepte of verschillende beelden lijkt weer te geven als je er onder uiteenlopende hoeken naar kijkt
Holographie
/'ɦɔltə/
noun
1. een lege ruimte ingesloten is iets anders
  1. Hohlraum
  2. Höhle
pronoun
  1. 1. een stad in de Duitse deelstaat Nedersaksen
  2. 2. een district in de Duitse deelstaat Nedersaksen
Holzminden
noun
aanhanger of beoefenaar van de homeopathische geneeswijze
Homöopath
noun
Homöopathie
adjective
1.volgens de homeopathie
homöopathisch
noun
1. zelfregulering, chemisch en fysiologisch evenwicht
  1. Homöostase
  2. Selbstregulation
/ˈhɔməɫ/
noun
1. insect uit het geslacht Bombus dat in de taxonomie wordt beschouwd als een grote harige bij
Hummel
noun
1.
homoerotisch
noun
Homophobie
noun
1. gelijkklinkend woord
Homophon
adjective
homogen
noun
1. op dezelfde manier gespeld woord
Homograph
noun
1. een huwelijk tussen twee mensen van hetzelfde geslacht
gleichgeschlechtliche Ehe
noun
1. een woord dat hetzelfde wordt uitgesproken als een ander woord maar in betekenis verschilt
Homonym
noun
Homonymie
adjective
1. betrekking hebbend op de liefde voor geslachtsgenoten
homosexuell
noun
1. man met seksuele voorkeur voor mannen of vrouw met seksuele voorkeur voor vrouwen
Homosexuelle
/ˈhomoziˌgot/
adjective
1. in het bezit van slechts één allel van een gen
  1. reinerbig
  2. gleicherbig
/ˈhɔnd/, /ˈɦɔnt/
noun
1. Canis lupus familiaris, een zoogdier dat tot huisdier getemd is
  1. Hund
  2. Hündin
noun
1. heel vervelend, vermoeiend en ondankbaar werk
Scheißjob
/ˈhɔn.də.ˌʋer/
noun
Hundewetter
/ˈɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 100
  1. hundert
  2. einhundert
cardinalNumeral
1. het getal 108
einhundertacht
cardinalNumeral
1. het getal 138
einhundertachtunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 198
einhundertachtundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 188
einhundertachtundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 128
einhundertachtundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 148
einhundertachtundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 158
einhundertachtundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 168
einhundertachtundsechzig
/ˌhɔndərtˈɑxtənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 178
einhundertachtundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 118
einhundertachtzehn
cardinalNumeral
1. het getal 113
einhundertdreizehn
cardinalNumeral
1. het getal 130
einhundertdreißig
cardinalNumeral
1. het getal 103
einhundertdrei
cardinalNumeral
1. het getal 133
einhundertdreiunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 193
einhundertdreiundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 183
einhundertdreiundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 123
einhundertdreiundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 143
einhundertdreiundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 153
einhundertdreiundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 163
einhundertdreiundsechzig
/ˌhɔndərˈdrijənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 173
einhundertdreiundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 100.000, een tiende deel van een miljoen
  1. einhunderttausend
  2. hunderttausend
cardinalNumeral
1. het getal 101
einhunderteins
cardinalNumeral
1. het getal 131
einhunderteinunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 191
einhunderteinundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 181
einhunderteinundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 121
einhunderteinundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 141
einhunderteinundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 151
einhunderteinundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 161
einhunderteinundsechzig
/ˌhɔndərtˈenənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 171
einhunderteinundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 111
einhundertelf
pronoun
1.
Hundertjähriger Krieg
cardinalNumeral
1. het getal 109
einhundertneun
cardinalNumeral
1. het getal 139
einhundertneununddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 199
einhundertneunundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 189
einhundertneunundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 129
einhundertneunundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 149
einhundertneunundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 159
einhundertneunundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 169
einhundertneunundsechzig
/ˌhɔndərtˈneɣənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 179
einhundertneunundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 119
einhundertneunzehn
cardinalNumeral
1. het getal 190
einhundertneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 180
einhundertachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 110
einhundertzehn
cardinalNumeral
1. het getal 112
einhundertzwölf
cardinalNumeral
1. het getal 102
einhundertzwei
cardinalNumeral
1. het getal 132
einhundertzweiunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 192
einhundertzweiundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 182
einhundertzweiundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 122
einhundertzweiundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 142
einhundertzweiundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 152
einhundertzweiundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 162
einhundertzweiundsechzig
/ˌhɔndərˈtwejənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 172
einhundertzweiundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 120
einhundertzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 114
einhundertvierzehn
cardinalNumeral
1. het getal 140
einhundertvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 104
einhundertvier
cardinalNumeral
1. het getal 134
einhundertvierunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 194
einhundertvierundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 184
einhundertvierundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 124
einhundertvierundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 144
einhundertvierundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 154
einhundertvierundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 164
einhundertvierundsechzig
/ˌhɔndərtˈfirənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 174
einhundertvierundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 105
einhundertfünf
cardinalNumeral
1. het getal 135
einhundertfünfunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 195
einhundertfünfundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 185
einhundertfünfundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 125
einhundertfünfundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 145
einhundertfünfundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 155
einhundertfünfundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 165
einhundertfünfundsechzig
/ˌhɔndərtˈfɛifənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 175
einhundertfünfundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 115
einhundertfünfzehn
cardinalNumeral
1. het getal 150
einhundertfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 106
einhundertsechs
cardinalNumeral
1. het getal 136
einhundertsechsunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 196
einhundertsechsundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 186
einhundertsechsundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 126
einhundertsechsundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 146
einhundertsechsundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 156
einhundertsechsundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 166
einhundertsechsundsechzig
/ˌhɔndərtˈsɛsənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 176
einhundertsechsundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 116
einhundertsechzehn
cardinalNumeral
1. het getal 160
einhundertsechzig
/ˌhɔndərtˈsøvən/
cardinalNumeral
1. het getal 107
einhundertsieben
/ˌhɔndərtˈsøvənənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 137
einhundertsiebenunddreißig
/ˌhɔndərtˈsøvənəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 197
einhundertsiebenundneunzig
/ˌhɔndərtˈsøvənənˌtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 187
einhundertsiebenundachtzig
/ˌhɔndərtˈsøvənənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 127
einhundertsiebenundzwanzig
/ˌhɔndərtˈsøvənəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 147
einhundertsiebenundvierzig
/ˌhɔndərtˈsøvənəɱˌvɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 157
einhundertsiebenundfünfzig
/ˌhɔndərtˈsøvənənˌsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 167
einhundertsiebenundsechzig
/ˌhɔndərtˈsøvənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 177
einhundertsiebenundsiebzig
/ˌhɔndərtˈsøvənˌtin/
cardinalNumeral
1. het getal 117
einhundertsiebzehn
/ˌhɔndərtˈsøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 170
einhundertsiebzig
noun
Tollwut
noun
1. bepaalde kleine soort haai van ongeveer 1 m lengte, Scyliorhinus canicula
Katzenhai
noun
1.
Hundswurz
noun
Hunds-Rose
/hɔn.ˈdyː.rɑs/, /ɦɔn.ˈduː.rɑs/
pronoun
1. een land in Centraal Amerika, officieel de Republiek Honduras
Honduras
adjective
1. inwoner van Honduras
honduranisch
/hɔŋ(g).ˈɣar/, /ɦɔŋ.ˈɣar/, /ɦɔŋ.ˈχar/
noun
1. iemand afkomstig uit Hongarije
Ungar
/hɔŋ(g).ˈɣaːrs/, /ɦɔŋ.ˈɣars/, /ɦɔŋ.ˈχars/
adjective
1. betreffende Hongarije of het Hongaars
  1. ungarisch
  2. Ungarisch
/hɔŋ(g).ˈɣaːrs/, /ɦɔŋ.ˈɣars/, /ɦɔŋ.ˈχars/
pronoun
1. een Finoegrische taal die voornamelijk wordt gesproken in Hongarije
Ungarisch
/hɔŋ(g).ˈɣar.sə/, /ɦɔŋ.ˈɣar.sə/, /ɦɔŋ.ˈχar.sə/
noun
Ungarin
/ˌhɔŋ(g)ɣaˈrɛɪ̯.jə/, /ˌɦɔŋɣaˈrɛː.jə/, /ˌɦɔɴχaˈrɛɪ̯.jə/
pronoun
1. land in het midden van Europa
Ungarn
/ˈɦɔŋər/
noun
1. behoefte aan voedsel
Hunger
noun
1. het sterven dat veroorzaakt wordt door een gebrek aan voedsel
Hungertod
adjective
1. grote behoefte aan voedsel hebbend
hungrig
noun
1. een wijdverspreide honger als gevolg van voedselschaarste
  1. Hungersnot
  2. Hunger
noun
1. het weigeren van voedsel uit protest
Hungerstreik
noun
1. een zoete stof die door bijen en enkele andere insecten uit bloemennectar wordt gewonnen
Honig
noun
1. een bij van de soort Apis mellifera die honing maakt uit nectar en bloemen bestuift
Honigbiene
noun
1. bepaald soort zoogdier, Mellivora capensis
Honigdachs
adjective
  1. Honiggelb
  2. honiggelb
noun
1. en 2. (vrucht van) plant Cucumis melo var. inodorus
Honigmelone
noun
  1. Bienenwabe
  2. Honigwabe
adjective
  1. 1. zeer zoet
    honigsüß
  2. 3.
    1. rührselig
    2. schnulzig
  3. 2.
    1. süßlich
    2. honigsüß
/ɦoːft/
noun
  1. 1. een belangrijk lichaamsdeel, helemaal bovenaan het lichaam, waarin zich de hersenen...
    1. Kopf
    2. Haupt
  2. 2. het hoogste of het voorste deel
    Kopfende
  3. 3. iemand die gezag heeft over anderen
    1. Leiter
    2. Leiterin
    3. Leitung
  4. 5. golfbreker bij haveningang
    Mole
  5. iets over het hoofd zien
    übersehen
noun
1. een kledingstuk dat (een deel van) het hoofd bedekt
Kopfbedeckung
/'ɦovduk/
noun
1. een vierkante lap stof die vooral door vrouwen driehoekig samengevouwen over het hoofd gedragen wordt
Kopftuch
noun
1. erläuterung
Hauptgebäude
noun
1.
  1. Hauptgericht
  2. Hauptgang
noun
1. een scheikundig element uit de reeks hoofdgroepmetalen van het periodiek systeem
Metall
noun
1. haardos bovenop, opzij en aan de achterkant van een mensenhoofd
Kopfhaar
noun
1.voornaamste kantoor van een instelling
  1. Hauptsitz
  2. Zentrale
noun
Kopfkissen
noun
1. een letter die een groter formaat en meestal ook een andere vorm heeft dan een kleine letter
  1. Großbuchstabe
  2. Majuskel
noun
1. klein, vleugelloos en bloedzuigend insect dat parasiterend leeft in het hoofdhaar
Laus
/ˈɦoft.mɑn/
noun
1. iemand die de aanvoerder van een stam is
Hauptmann
noun
1. de voorste pagina van een website
Hauptseite
noun
1. pijn in het hoofd
  1. Kopfschmerz
  2. Kopfweh
/'ɦof(t).plɑts/
noun
1. de belangrijkste plaats van een gebied
Hauptort
noun
Hauptgewinn
noun
Hauptpunkt
noun
1. iemand die eindverantwoordelijkheid draagt voor de inhoud van een krant of dergelijke publicatie
  1. Chefredakteur
  2. Herausgeber
  3. Verleger
verb
1. een rekensom uit je hoofd maken
Kopfrechnen
/'ɦof(t).stɑt/
noun
1. een belangrijke stad waarvandaan het land, de staat, deelstaat of provincie wordt bestuurd
Hauptstadt
noun
1. het tuig dat een paard om het hoofd gedaan wordt om het dier berijdbaar te maken
  1. Zaum
  2. Zaumzeug
noun
bepaalde opdeling van tekst of beeld in een boek
Kapitel
noun
1. een telwoord dat een hoeveelheid of aantal aanduidt
Grundzahl
noun
5.
das Hauptwerk
adverb
1. in belangrijke mate, in overwegende mate
hauptsächlich
/ɦoʊ̯χ/ /'ɦoʊ̯χə/ /ˈɦoʊ̯χst/, /ɦoːx/ /'ɦoːɣə/ /ˈɦoːxst/
adjective
1, 2, 3, 4
hoch
pronoun
1.
Hochelten
pronoun
1. een groep Alemannische dialecten die gesproken worden in Zwitserland, Oostenrijk en het zuiden van de Elzas
Hochalemannisch
adjective
1. te emotionele of plechtige manier van spreken of schrijven; vol bombast
hochtrabend
noun
1. iemand met titel professor die aan een hogeschool of universiteit een leerstoel in een bepaald vak bekleedt en die het onderzoek en onderwijs in dit vak leidt
Hochschullehrer
pronoun
1. boek in de Bijbel met liefdespoëzie
  1. Hoheslied
  2. Hohelied
noun
1. overschatting van eigen kunnen
Hochmut
adjective
2. gebruikt als aanspreektitel voor leden van de Staten-Generaal tijdens de Republiek
hochmögend
noun
1. smeltoven
Hochofen
pronoun
1. een Slavische taal die gesproken wordt in Polen (Opper-Silezië), Tsjechië en Duitsland
  1. Oberschlesisch
  2. Oberschlesische
noun
Hochspannung
noun
1. atletiekdiscipline waarbij het de bedoeling is over een tussen twee staanders bevestigde lat of touw te springen
Hochsprung
noun
2. opvallend goede prestatie
  1. Glanzleistung
  2. Glanzstück
adjective
höchstwahrscheinlich
noun
  1. 1. een verheffing van de aardkorst
  2. 2. niveau
Höhe
noun
1. instrument dat de hoogte boven het aardoppervlakte aangeeft
Höhenmesser
noun
  1. 1. bijzonder belangrijk of goed ogenblik
  2. 3. orgasme
Höhepunkt
noun
Höhenruder
/ˈɦoxtəvres/, /ˈɦoçtəvres/
noun
1. angst voor hoogten
  1. Höhenangst
  2. Akrophobie
noun
Höhensonne
noun
Hochwasser
noun
Hochverrat
noun
Hochebene
noun
1. iemand die een hoog ambt bekleedt of anderszins een hoge positie in de maatschappij bezit
Würdenträger
noun
2. hoge waterstand in 't algemeen
Hochwasser
noun
1. midden in de zomer wanneer het het warmste is
Hochsommer
noun
1. gedroogd gras
Heu
/ˈɦojbɛrx/
noun
1. een ter bewaring opgestapelde hoeveelheid gedroogd gras
  1. Heuhaufen
  2. Heuschober
/ˈhojɣraf/
noun
1. spade met lange, dwarse greep, om een vak uit een hooiberg te snijden
Heuspaten
noun
Heufieber
noun
1. vorkvormig landbouwwerktuig waarmee bijvoorbeeld hooi wordt opgestoken
  1. Heugabel
  2. Gabel
/ɦoːp/
noun
  1. 1. stapel
    1. Haufen
    2. Stapel
  2. 3. verwachting van iets wenselijks
    Hoffnung
  3. 2. grote hoeveelheid
    Menge
adjective
hoffnungsvoll
noun
Hörgerät
/hoːrnar/, /ho̝ːrnar/
noun
1. Vespa crabro, een soort grote wesp
Hornisse
noun
1.
Hornantenne
/ˈhornlax/, /ˈho̝rnlaχ/
noun
1. de bovenste laag van de huid bestaande uit verhoornde cellen
Stratum corneum
noun
1. bepaald soort vogel, Upupa epops
Wiedehopf
adjective
1. waaraan hoop op succes ontbreekt
hoffnungslos
/ˈɦoːpə(n)/
verb
1. wensen, graag zien dat er iets wel of niet voorvalt
hoffen
noun
1.
Hauptmann
noun
1. de bedrijfstak die alle eet- en drinkgelegenheden en hotels omvat
  1. Gaststättengewerbe
  2. Horeca
noun
1. een onderneming die zich met hotel-, restaurant- of cafézaken bezighoudt
  1. Gastronomiebetrieb
  2. Gaststättenbetrieb
/hɔː.rən/
verb
1. waarnemen met het oor zonder er noodzakelijkerwijs aandacht aan te besteden
hören
noun
Horizont
noun
Horizont
adjective
1. in de richting die haaks staat op die van de zwaartekracht van de aarde
horizontal
pronoun
1.
Horkheim
noun
1. een draagbaar voorwerp waarop de tijd kan worden afgelezen
Uhr
adjective
1. met betrekking tot hormonen
hormonal
noun
1. een stof die door een endocriene klier wordt afgescheiden ...
Hormon
noun
Horoskop
/ˈɦɔrzəɫ/
noun
1. parasitaire vliegsoort
  1. Dasselfliege
  2. Biesfliege
pronoun
Hosea
/ˈhɔs.pɛs/, /ˈɦɔs.pɛs/
noun
1. een man die een of meer kamers in zijn eigen woonhuis ter beschikking stelt aan een kostganger of commensaal
Zimmerwirt
/ˈhɔs.pi.ˌta/, /ˈɦɔs.pi.ˌta/
noun
1. een vrouw die een of meer kamers in haar eigen woonhuis ter beschikking stelt aan een kostganger of commensaal
Zimmerwirtin
noun
1. ziekenhuis, vooral voor militairen
Hospital
noun
1. offerbrood
Hostie
noun
1. het vijandig zijn
  1. Feindseligkeit
  2. Feindlichkeit
/hoˈtɛl/, /ɦoˈtɛɫ/
noun
1. gebouw waar men tegen betaling kan eten en overnachten,...
Hotel
noun
1. de eigenaar van een hotel
  1. Hotelier
  2. Hotelbesitzer
noun
1. een kamer die voor gasten per nacht te huur is in een hotel
Hotelzimmer
noun
Hotelschule
/hoˈtɛl.wezə(n)/
noun
1. alles wat te maken heeft met het bedrijf van hotels in een land of gebied
  1. Hotellerie
  2. Hotelwesen
noun
Hotpants
noun
1.de tijd dat producten veilig kunnen gebruikt worden
Haltbarkeit
noun
Haltbarkeitsdatum
/ˈɦɑʊdə(n)/
verb
  1. iets op peil houden
    aufrechterhalten
  2. 1. niet laten varen, het bezit ervan niet verliezen
    1. behalten
    2. halten
  3. iets tegen het licht houden
    durchleuchten
  4. 2. huisdieren verzorgen
    halten
  5. iets op afstand houden
    verzögern
noun
1. het onder zich hebben van andermans goed
  1. Detention
  2. Innehabung
noun
  1. 2. gedragslijn, opstelling
    1. Fassung
    2. Attitüde
  2. 1. een pose
    1. Haltung
    2. Pose
/ɦɑʊ̯t/, /[ɦʌ̞̈ʊt]/
noun
1. het materiaal in het binnenste van houtige planten
Holz
/ɦɑʊ̯tbɛi̯/
noun
1. enige bij onder de geslachtengroep Xylocopini
Holzbiene
noun
1. houtblaasinstrument
Holzblasinstrument
noun
1. houtblazer
Holzbläser
noun
Holzdrehbank
noun
1. beitel met handgreep voor het bewerken van houten werkstukken op een houtdraaibank
Holz-drehenmeissel
noun
1. bepaalde soort wilde duif, Columba palumbus
  1. Ringeltaube
  2. Holztaube
  3. Wildtaube
noun
1. iemand die beroepsmatig houthakt
Holzfäller
noun
q. bepaald soort zoutwatervis, Coregonus oxyrinchus
  1. Schnäpel
  2. Gangfish
noun
1. jas die sluit met staafjes en lussen
Dufflecoat
/ˈɦɑʊ̯t.kɑp/, /ˈɦɔʊ̯t.kɑp/
noun
1. het rooien van bomen
Holzernte
noun
1. een door koken onder druk uit hout verkregen grondstof voor papier
Holzstoff
noun
1. verkoold hout
Holzkohle
noun
Holzstich
noun
1. een vogel uit de familie van snipachtigen, Scolopacidae
Waldschnepfe
noun
1. benaming voor verschillende in hout levende insectenlarven
Holzwurm
verb
1. iets met een scherp werktuig trachten af te hakken
hauen
noun
1.
Haubitze
/hovəlɪŋ/
noun
1. een onderdaan die tot het dagelijkse gezelschap van een vorst behoort
Höfling
noun
Gärtner
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Saksen
Hoyerswerda
verb
1. water uit een boot scheppen
schöpfen
pronoun
1. bepaalde telescoop die als een kunstmaan rond de aarde draait
Hubble-Weltraumtelescop
pronoun
1.
Hudson
pronoun
1. binnenzee in Noordoost-Canada
Hudson Bay
noun
1. man die zich lomp, onbehouwen en/of aanstootgevend gedraagt
Rüpel
noun
Heuchler
noun
1. het huichelen
Heuchelei
verb
1. veinzen, doen alsof
heucheln
/hœːd/, /ɦœʏ̯t/, /ɦœːt/
noun
  1. 1. vel, de buitenste laag weefsel die het lichaam bedekt
    Haut
  2. 2. de buitenbekleding van een schip
    1. Schiffsbekleidung
    2. Schiffsbeplankung
noun
  1. Dermatologe
  2. Hautartzt
noun
1. de verschillende soorten cellen die de verschillende weefsels van de huid vormen
Hautzelle
noun
1. het verschijnsel dat de geleiding van een hoogfrequente wisselstroom zich slechts voordoet aan de oppervlakte...
Skin-Effekt
adjective
1. bij het heden behorend
  1. jetzig
  2. derzeitig
  3. heutig
noun
1. specialist in de geneeskunde
  1. Dermatologe
  2. Hautarzt
/hœytsiktə/
noun
1. aandoening van de huid
Hautkrankheit
noun
1. kapje dat een valk wordt opgezet om de vogel rustig te houden
Haube
/hœːx/, /ɦœʏ̯χ/, /ɦœːx/
noun
1. een lapje afhangend weefsel aan het uiteinde van het zachte verhemelte, waarmee onder andere het neuskanaal afgesloten kan worden
  1. Gaumenzäpfchen
  2. Uvula
noun
1. de uitspraak van de letter r met trilling van de huig
Zäpfchen-R
/ɦœy̯lə(n)/
verb
1. traanvocht uitscheiden door emotie
  1. weinen
  2. heulen
/hœːs/, /ɦœʏ̯s/, /ɦœːs/
noun
1. gebouw bestemd om in te wonen
Haus
noun
1. adres waar men woont, i.t.t. werkadres
Privatanschrift
noun
1. strafbepaling
Hausarrest
noun
1. een arts die de eerste lijn van opvang vormt voor een aantal vaste patiënten in de buurt
Hausarzt
/ˈɦœyzdiːr/
noun
1. een dier dat in het huis of om het huis woont en leeft
Haustier
noun
1. iemand die een huis bezit
  1. Hausbesitzer
  2. Hauseigentümer
noun
Haushuhn
noun
1. Hond die men als huisdier houdt
Haushund
noun
1. een familie die een samenwonende economische eenheid vormt
Haushaltung
noun
1. vrouw die andermans huishouden verzorgt
Haushälterin
noun
1. iemand die vaak slechte huizen (woningen) tegen woekerprijzen verhuurt, een onbarmhartige woekeraar ofwel malafide huiseigenaar
Miethai
noun
Wohnzimmer
noun
  1. 2. eenvoudig middeltje dat men gebruikt voor het oplossen van een huishoudelijk probleem
    Haushalttipp
  2. 1. iets dat men zonder bewijs als geneesmiddel gebruikt
    Hausmittel
noun
1. bepaald soort knaagdier dat vaak in en rond gebouwen voorkomt, Mus domesticus
Hausmaus
noun
  1. 1. kleine zangvogel die liefst in de buurt van de mensen leeft
    1. Haussperling
    2. Spatz
  2. 2. iemand die het liefst thuis blijft
    Stubenhocker
noun
Hausnummer
/ˈɦœy̯s.raːt/
noun
1. alle roerende niet eetbare goederen in een huis
Hausrat
noun
1. iemand die beroepsmatig schilderwerken aan en in gebouwen uitvoerd
Anstreicher
noun
1. stof in een woning
Hausstaub
noun
  1. 2. het onderkomen dat iemand al of niet vindt
    Unterbringung
  2. 1. het huisvesten van iemand
    Unterkunft
/ˈhœysfredə/
noun
1. recht op ongestoord wonen
Hausfrieden
/ˈhœysfredəbrøk/
noun
1. zonder toestemming binnendringen of aanwezig zijn in iemands woning
Hausfriedensbruch
noun
1. een vrouw die thuisblijft om het huishouden te doen
Hausfrau
noun
1. schoolwerk dat thuis verricht moet worden
Hausaufgabe
noun
1. Delichon urbica, een zwaluw die zijn nest tegen de huizen aanbouwt
Mehlschwalbe
noun
1.een rilling als gevolg van afschuw of koude
  1. Fröstein
  2. Schauder
noun
1. het hebben van een woonhuis
Hausbesitz
verb
1. iemand hulde of eer bewijzen
huldigen
/ɦʏlp/
noun
1. handeling om iemand steun of bijstand te verlenen
  1. Hilfe
  2. Beistand
noun
1. iemand die vakmensen helpt bij het doen van hun werk
Hilfsarbeiter
adjective
1. graag bereid te helpen
hilfsbereit
noun
1. iemand die zich toelegt op het verlenen van hulp in algemene zin
Sozialarbeiter
noun
1. een werkwoord dat samen met een ander werkwoord de tijd of de hoedanigheid van het werkwoord vaststelt
  1. Hilfsverb
  2. Hilfszeitwort
noun
1. bepaald soort groenblijvende boom of heester met stekelige leerachtige bladeren en rode bessen, Ilex aquifolium
  1. Stechpalme
  2. Hülse
noun
1.aanhanger van het humanisme
Humanist
adjective
humanitär
/ɦʏˈmør/
noun
mentale of emotionele toestand
Laune
noun
1. puree van o.m. gekookte kikkererwten
Hummus
/ˈɦynəbɛt/
noun
1. neolithische begraafplaats
  1. Hünengrab
  2. Dolmen
  3. Großsteingrab
verb
1.
  1. schmachten
  2. sich sehnen
  3. verlangen
/ˈhʏŋkərɪŋ/
noun
1. het heftige, pijnlijke verlangen naar iets of iemand
  1. Sehnsucht
  2. Verlangen
pronoun
1. een middelgebergte in Duitse deelstaaten Rijnland-Palts en Saarland
Hunsrück
verb
hüpfen
/ɦyrə(n)/
verb
1. tegen betaling gebruiken
  1. mieten
  2. heuern
pronoun
1.
Hurghada
/ɦyr/
noun
1. tijdelijk gebruik van goederen of diensten tegen betaling
Miete
noun
1. een auto die niet in eigendom is maar voor een korte periode en tegen betaling wordt gehuurd
  1. Mietauto
  2. Mietwagen
/ˈhyːr.fits/
noun
1. een fiets die is uitgehuurd of bedoeld is om uit te huren
Leihrad
noun
Auftragsmörder
noun
1. onderdeel van het burgerlijk recht m.b.t. de huur en verhuur van woon- en bedrijfsruimte
Mietrecht
noun
1.
  1. Mietzuschuss
  2. Wohngeld
/ɦiu̯ələk/
noun
1. ambtelijke of kerkelijke verbintenis tussen twee personen
  1. Hochzeit
  2. Heirat
  3. Trauung
noun
ondertrouw; in ondertrouw gaan, aangifte doen
  1. Aufgebot
  2. das Aufgebot bestellen
noun
1. een voorstel om in het huwelijk te treden
Heiratsantrag
noun
1. akte van de burgerlijke stand waarin staat dat twee mensen met elkaar getrouwd zijn
Eheurkunde
noun
1. het gezamenlijke avontuur aangegaan bij het trouwen
Ehehafen
noun
1. notarieel contract waarin de vermogenspositie van beide huwelijkspartners wordt geregeld
Ehevertrag
/ˈɦiu̯ələksˌrɛɪ̯s/
noun
1. de reis die een pasgetrouwd stel gewoonlijk onmiddellijk na hun trouwen onderneemt
  1. Hochzeitsreise
  2. Flitterwochen
noun
1. notarieel contract waarin de vermogenspositie van beide huwelijkspartners wordt geregeld
Ehevertrag
/hʊ.ˈzaːʁ/
noun
1. een ruiterijsoldaat.
Husar
noun
1.
Oliviersalat
/hi'drat/
noun
1.
Hydrat
noun
1. een speciale uitgeruste waterkraan geplaatst ten behoeve van de brandweer
Überflurhydrant
adjective
waterafstotend
wasserabweisend
noun
Hydrographie
noun
1. een grafiek van het watervolume als functie van de tijd
Hydrogramm
noun
Hydrologie
noun
1. de splitsing van scheikundige verbindingen door opneming van water
Hydrolyse
noun
  1. Hydroxygruppe
  2. Hydroxylgruppe
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de onderfamilie Hyaeninae
Hyäne
noun
Hygiene
adjective
1. schoon, gezond
hygienisch
noun
1. een toestel dat de relatieve luchtvochtigheid registreert
  1. Hygrograf
  2. Hygrograph
noun
1. door een hygrograaf opgetekende registratie van de luchtvochtigheid
Hygrogramm
noun
1.een instrument om vochtigheid van de lucht te meten
Hygrometer
noun
Hype
noun
Hyperbel
noun
  1. Hyperkorrektur
  2. Schlimmbesserung
noun
1. een gekleurd en/of onderstreept tekstgedeelte dat een onderliggende verwijzing bevat
Hyperlink
noun
1. een woord dat een verzameling van verwante specifiekere woorden samenvoegt, een overkoepelende term
  1. Hyperonym
  2. Oberbegriff
/ˌhipəroniˈmi/
noun
1. een algemener begrip zijn ten opzichte van een bepaald voorbeeld daarvan
Hyperonymie
noun
1. verhoogde bloeddruk
erhöhte Blutdruck
noun
Hyperthermie
noun
Hyperurikämie
noun
1. het sneller-dan-normaal ademhalen, ofwel oppervlakkig ofwel diep
Hyperventilation
noun
1. overmaat aan vitamine
Hypervitaminose
noun
Hypozentrum
/ɦipoˈkrit/
adjective
1. huichelachtig
heuchlerisch
/ɦipoˈkrit/
noun
1. iemand die voordoet bepaalde waarden te huldigen, maar zich er zelf niet aan houdt
Heuchler
noun
1. huichelarij
  1. Heuchelei
  2. Hypokrisie
/ˌhipoˈfizə/
noun
1. een klier aan de onderzijde van de hersenen, die o.a. groeihormoon produceert en de schildklier aanstuurt
Hypophyse
noun
  1. Kofferwort
  2. Schachtelwort
noun
1. term die een subcategorie van een algemenere klasse aanduidt
  1. Unterbegriff
  2. Hyponym
noun
1. de schuine zijde van een rechthoekige driehoek
Hypotenusa
noun
1. bezitloos bezwaren van een onroerend goed als onderpand
  1. Hypothek
  2. Grundpfand
noun
1. onderkoeling
Hypothermie
noun
Hypothese
noun
1. tekortschietende ademhaling
Hypoventilation
noun
1. Hyssopus officinalis, een gewas met geneeskundige kracht
Ysop
/ɦe/
interjection
  1. 3. uitroep van verrassing
    1. ah
    2. oh
    1. 2. uitroep van verbazing
    2. 4. versterking van een vraag
    he
  2. 1. uitroep om aandacht
    1. he
    2. heda
pronoun
  1. 1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
  2. 2. een district in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Höxter
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Hüfingen
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Hürth
noun
bepaalde suiker die veel in zoete vruchten voorkomt
Hüttenkäse
noun
1. een mineraal met de chemische formule UO₂.5(UO₃) .10(H₂O)
Ianthinit
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Ibbenbüren
pronoun
1. een Europees schiereiland dat zich ten zuiden van de Pyreneeën bevindt...
Iberische Halbinsel
noun
1. een vogel met een lange gebogen snavel behorend tot de familie Threskiornithidae
Ibis
noun
Ikonografie
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Rijnland-Palts
Idar-Oberstein
verb
1. iets gunstiger of zelfs als ideaal beoordelen
idealisieren
/ideja'lɪst/
noun
  1. 1. iemand die idealen nastreeft
  2. 2. (filosofie) aanhanger van het idealisme
Idealist
noun
1. de volmaaktheid, de hoedanigheid van ideaal te zijn
Idealität
adverb
1. in het ideale geval
idealerweise
/iˈde/
noun
1. gedachte, plan
  1. Idee
  2. Gedanke
adjective
1. volledig hetzelfde, van dezelfde oorsprong
identisch
noun
Indentifikation
noun
1. een nummer waarmee men geïdentificeerd wordt
Geheimnummer
verb
identifizieren
noun
1. geheel van eigenschappen dat je onderscheidt van anderen en bepaalt wie je bent
  1. Identität
  2. Gleichheit
/idɛnti'tɛitskart/
noun
1. een identiteitsbewijs dat op een kaart gedrukt is
  1. Personalausweis
  2. Ausweis
/ˌideo'ɣrɑm/
noun
1. een grafisch teken dat een voorwerp symboliseert
Ideogramm
/ˌideoloˈɣi/
noun
1. het geheel van ideeën dat ten grondslag ligt aan een wijsgerig stelsel, m.b.t. hun maatschappelijke of politieke strekking
Ideologie
adjective
1. van, betreffend of volgens een ideologie
ideologisch
noun
1. iemand die een ideologie opstelt
Ideologe
adjective
ideell
noun
1. een verzamelnaam voor muziekinstrumenten die toon/geluid voortbrengen door trillend materiaal
Idiophon
adjective
1. het idioom betreffend
idiomatisch
noun
1. een bijzondere uitdrukking in een bepaalde taal die samengesteld is door eigenaardig taalgebruik
Idiom
/idi'ot/
noun
1. iemand die een grote maat van zwakzinnigheid heeft
Idiot
adjective
1. van onbekende oorzaak
idiopathisch
pronoun
Ido
/idoliserə(n)/
verb
1. buitensporig vereren
schwärmen
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Hessen
Idstein
noun
1. een genre gedichten, korte verhalen en schilderijen
Idyll
adjective
1. bekoorlijk door landelijke eenvoud en liefelijkheid
idyllisch
personalPronoun
1. clitische vorm van de 3e persoon enkelvoud mannelijk nominatief
er
/i.də.ˈreːn/
indefinitePronoun
1. elke persoon
jedermann
indefinitePronoun
1.
  1. aller
  2. jedermanns
  3. jedes
indefinitePronoun
jemand
pronoun
Ypern
/ˈiːrlɑnd/, /ˈiːrlɑnt/
pronoun
1. een groot eiland in Noordwest-Europa
Irland
/iːrs/
pronoun
1. een Keltische taal die wordt gesproken in Ierland
  1. Irisch
  2. Gälisch
  3. Irisch-Gälisch
pronoun
1.
Irische See
indefinitePronoun
1. een of ander ding
  1. etwas
  2. irgendetwas
adverb
1. in bescheiden mate
etwas
adverb
irgendwo
noun
1.alkylerend oncolyticum
Ifosfamid
noun
1.
Iftar-Mahlzeit
/ˈiɣlo/
noun
1. sneeuwhut
  1. Iglu
  2. Schneehaus
adjective
  1. ignorant
  2. unwissend
noun
1. het zich toeleggen op betekenisloze uiterlijkheden
Eitelkeit
/'ɛɪ̯kə(n)/
verb
1. meting op juiste schaal brengen
kalibrieren
/ɛːɫ/
adjective
1. met een lage dichtheid
dünn
/ɛɪ̯s/, /ɛːs/
noun
  1. 1. de vaste vorm van water, bevroren water
  2. 2. een lekkernij die in bevroren toestand wordt gegeten
Eis
noun
3. kunstijsbaan
Eisbahn
noun
1. bepaald soort zoogdier, Ursus maritimus
  1. Eisbär
  2. Polarbär
noun
1. en 2 (bladeren van) Lactuca sativa var. capitata
Eisbergsalat
noun
1. een sterk, krachtig schip dat speciaal gebouwd en uitgerust wordt om zich een weg door het ijs te banen en alzo een vaargeul voor andere schepen te openen.
Eisbrecher
verb
1. een discipline van het kunstschaatsen
  1. eistanzen
  2. Eistanzen
noun
1. bepaald soort vogel Gavia immer
Eistaucher
noun
1. ijssport waarbij twee teams van ieder vijf personen plus goalie met behulp van een stick een schijfje (puck) in het doel van de tegenstander proberen te schieten
Eishockey
/ˈɛɪʃə/
noun
1. portie van een uit roomijs of waterijs vervaardigde lekkernij
  1. Speiseeis
  2. Eis
  3. Eiskrem
adjective
1. bijzonder koud, zo koud als ijs
eiskalt
/ˈɛɪ̯slɑnd/, /ˈɛɪ̯slɑnt/, /ˈɛːslɑnt/
pronoun
1.een Europees land, dat omgeven is door de Atlantische Oceaan en tussen Groenland en Europa in ligt. Tot 1944 behoorde IJsland bij Denemarken, maar tegenwoordig is het zelfstandig. De officiële naam is Lýðveldið Ísland.
Island
/ˈɛɪ̯sˌlɑndər/, /ˈɛːsˌlɑndər/
noun
1. inwoner van IJsland
Isländer
/ˈɛɪ̯slɑnds/, /ˈɛɪ̯slɑnts/, /ˈɛːslɑnts/
pronoun
1. een Germaanse taal die wordt gesproken op IJsland
  1. Isländisch
  2. isländisch
noun
1. ijspriem
Eispick
/ˈɛisəl/
pronoun
1. Gelderse IJssel
  1. Ijssel
  2. Issel
  3. IJssel
noun
1.een theevariant
Eistee
/ˈɛɪ̯sfoχɔɫ/, /ˈɛɪ̯zvoːɣəl/, /ˈɛːsfoːɣəl/
noun
1. bepaald soort blauwgroen vogeltje met oranje borst en spitse snavel, Alcedo atthis
Eisvogel
noun
1
Eiswasser
noun
1. een zoete geurige wijn die vaak als dessertwijn wordt gedronken en gemaakt is van bevroren druiven
Eiswein
/ɛɪvərˈzʏxtɪx/
adjective
1. een negatief gevoel veroorzaakt doordat iemand iets heeft of kan krijgen wat je ook wilt hebben of reeds hebt
eifersüchtig
/'ɛɪ̯zəl/, /'ɛɪ̯zəɫ/, /'ɛːzəɫ/
noun
1. onderkoelde regen die in ijs overgaat eenmaal in aanraking met de grond
Eisregen
verb
1. een gevoel van koude ervaren van schrik of angst
schaudern
pronoun
1.een rivier in West-Vlaanderen (België) en Frans-Vlaanderen (Frankrijk)
Yser
/ˈɛi̯zər/
noun
1. een scheikundig element met het symbool Fe en het atoomnummer 26
Eisen
noun
Eisenerz
adjective
  1. Eisengrau
  2. eisengrau
noun
Echtes Eisenkraut
noun
1. een verbinding van ijzer en zuurstof, waarin zuurstof de oxidatietoestand -2 bezit
Eisenoxid
noun
Eisenzeit
personalPronoun
1.
ich
phraseologicalUnit
1. een verklaring van liefde aan iemand
ich liebe dich
noun
Illustrator
pronoun
1.
Ilsede
pronoun
1.
Ilsfeld
/ˌimiˈtasi/, /ˌimiˈtatsi/
noun
1. nabootsing
Imitation
noun
iemand die een ander persoon nadoet
Imitator
/ˌimiˈterən/
verb
1. doen wat iemand anders doet
  1. nachahmen
  2. imitieren
noun
1. iemand die bijen houdt voor het verkrijgen van honing
  1. Imker
  2. Bienenzüchter
/ˈɪmatəriˌjel/
adjective
  1. immateriell
  2. unstofflich
noun
Immatrikulation
noun
Immensität
adverb
1. op ieder moment
  1. immer
  2. stets
/ˈɪmiɣrɑnt/
noun
Immigrant
noun
1. het zich metterwoon vestigen van vreemdelingen in een land
  1. Einwanderung
  2. Immigration
noun
Immobilisation
noun
1. onvatbaarheid voor een ziekte
Immunität
adjective
1. onvatbaar
immun
noun
Impala
noun
1. de tijdsafhankelijke mate waarin een materiaal het passeren van elektrische lading bemoeilijkt
Impedanz
noun
1. een stof, voorwerp, toestel etc. dat in een lichaam wordt aangebracht
Implantat
noun
1. inplanting
Implantation
verb
1. het in een lichaam aanbrengen van een stof, voorwerp, toestel etc
implantieren
noun
1. verwikkeling
Implikation
verb
1.stilzwijgend ten gevolge hebben
implizieren
noun
1. zeer snel ineenklappen van een holle ruimte
Implosion
verb
1. ontzag inboezemen
imponieren
noun
1. onvermogen tot geslachtsgemeenschap
Impotenz
noun
1. een organisator van toneeluitvoeringen, concerten enz.
Impresario
noun
1. ter plekke verbeterde versie van een muziekstuk, voorlezing enz.
Improvisation
verb
1. iets bedenken zonder vooropgesteld plan
improvisieren
/ɪmˈpʏls/
noun
  1. 1. innerlijke drang
    1. Antrieb
    2. Auftrieb
  2. 2. product van massa en snelheid
    Impuls
preposition
  1. 1.-12. in (ruimtelijk)
  2. 2. in (tijdelijk)
in
adverb
1. snel doordat het weinig moeite kost, vlot alsof het gemakkelijk is
im Handumdrehen
phraseologicalUnit
1. in een omgeving waar weinig gepresteerd wordt...
unter den Blinden ist der Einäugige König
adverb
1. werkelijk aanwezig, in het echt
  1. höchstpersönlich
  2. leibhaftig
  3. persönlich
preposition
1. als vervanger van, als vervanging voor
  1. anstatt
  2. statt
  3. anstelle
noun
1. het niet actief zijn; het niet in beweging zijn
  1. Inaktivität
  2. Nichtstun
  3. Stillstand
verb
1. lucht uit de omgeving opnemen
einatmen
adjective
unangemessen
pronoun
1. meer in Finland
Inarisee
/ˌɪnʌʊɣyˈratsi/
noun
1. de feestelijke of plechtige inwijding in een ambt
Inauguration
adjective
inaugural
verb
1. een zuigeling geheel in windselen inwikkelen
wickeln
adjective
1. erbij horend, erbij geteld
inbegriffen
verb
1. met een ram zich toegang verschaffen tot een afgesloten ruimte
  1. eindreschen
  2. einschlagen
/ɪmbɪndə/
verb
    1. 1. door stevige omwikkeling bijeenhouden
    2. 2. losse geschriften tot een enkel boekwerk verwerken
    einbinden
  1. 3. minder heftig tekeergaan
    zurückstecken
noun
1. alle roerende niet eetbare goederen in een huis
Hausrat
noun
1. het inbreken
Einbruch
verb
4. met een brandijzer merken
einbrennen
verb
1. zich met geweld een toegang verschaffen
einbrechen
noun
  1. Einbruchalarm
  2. Einbruchmeldeanlage
noun
3. terugbrengen van een als voorschot op de erfenis geschonken goed dat dient te worden verrekend met het erfdeel
  1. Ausgleich
  2. Ausgleichung
noun
1. iets schenden
  1. Rechtsbruch
  2. Rechtsverletzung
  3. violation
  4. Übergriff
noun
Inbusschlüssel
/ˌɪŋkɑˈsaːsi/, /ˌɪŋkɑˈsaːʦi/
noun
1. (het) incasseren.
  1. Einkassierung
  2. Einziehung
/ˌɪŋkɑˈseːrbaːr/, /ˌɪŋkɑˈsɪːrbaːr/
adjective
1. geïncasseerd kunnende worden.
  1. einkassierbar
  2. einlösbar
  3. einziehbar
/ˌɪŋkɑˈseːrə(n)/, /ˌɪŋkɑˈsɪːrə(n)/
verb
  1. 2. te verduren krijgen.
    einstecken
  2. 1. (geld) in ontvangst nemen.
    1. kassieren
    2. einkassieren
    3. betreiben
    4. einziehen
/ˌɪŋkɑˈseːrɪŋ/, /ˌɪŋkɑˈsɪːrɪŋ/
noun
1. (het) incasseren.
  1. Einkassierung
  2. Einziehung
noun
1. onderneming die zich bezighoudt met het innen van openstaande vorderingen in opdracht van, hoofdzakelijk, andere ondernemingen
Inkassobüro
/ˈɪntʃɛˌkə(n)/
verb
  1. 2. via een chipkaart contactloos aanmelden (voor gebruik van het openbaar vervoer)
    1. anmelden
    2. einchecken
  2. 1. zich aanmelden aan een balie om een instapkaart te krijgen en eventueel bagage af te geven.
    einchecken
noun
1. een opschudding verwekkend voorval
Zwischenfall
/ˌɪnsidɛnˈtɪːɫ/
adjective
1. niet stelselmatig voorkomend
gelegentlich
noun
Inzisiv
noun
1. hellingmeter
  1. Klinometer
  2. Neigungsmesser
adjective
1. inclusief, meegerekend, met inbegrip van
  1. eingeschlossen
  2. inklusive
preposition
1. met inbegrip van
einschließlich
/ˌɪnkoheˈrɛnt/, /ˌɪŋko(h)ɪˈrɛnt/, /ˌɪŋkoheˈrɛnt/
adjective
1. geen samenhangend geheel vormen
  1. inkohärent
  2. zusammenhanglos
/ˌɪnkoheˈrɛnt/, /ˌɪŋko(h)ɪˈrɛnt/, /ˌɪŋkoheˈrɛnt/
adverb
1. op een niet samenhangend manier
  1. inkohärent
  2. zusammenhanglos
adjective
1. onverenigbaar
inkompatibel
/ˌiŋkɔmpəˈtɛn(t)si/
noun
Inkompetenz
noun
1. het onvermogen om urine of ontlasting op te houden
Inkontinenz
noun
Inkubator
/ˌɪŋkʏltyˈrasi/, /ˌɪŋkʏltyˈraʦi/
noun
1. het proces waarbij elementen uit een bepaalde religie of cultuur geïntegreerd worden in een andere cultuur.
Inkulturation
noun
Einteilung
verb
2. zich iets ~: begrip kunnen opbrengen voor iets
  1. sich hineindenken
  2. sich versetzen
  3. sich vorstellen
/ˌɪndərˈdad/, /ˌɪndərˈdat/
adverb
1. een bevestiging dat iets het geval is
tatsächlich
/ˈɪn.di.ja/
pronoun
1. soeverein land in het zuiden van Azië
Indien
noun
1. inwoner van Amerika voor de komst van de Europeanen
  1. Indianer
  2. Indianerin
noun
1. aanwijzing
  1. Indiz
  2. Hinweis
adjective
indikativ
noun
1. de vorm van het werkwoord die de werkelijkheid aangeeft
Indikativ
noun
Indikator
verb
1. aanwijzen van zorg
indizieren
conjunction
1. onder de voorwaarde dat
  1. wenn
  2. falls
/ɪn.ˈdi.ɣo/, /ɪn.ˈdi.χo/
noun
  1. 2. een kleurstof met de blauwige kleur indigo die oorspronkelijk gewonnen werd uit planten van het geslacht Indigofera
    Indigo
  2. 1. een kleur die in het het lichtspectrum voorkomt met een golflengte van 440 tot 420 nanometer
    1. Indigo
    2. Indigoblau
adjective
indirekt
phraseologicalUnit
1. zinsdeel dat de actie van een overgankelijk werkwoord niet rechtstreeks ondergaat,...
Dativobjekt
noun
1. een antilope uit de familie Bovidae
Hirschziegenantilope
/ˌɪndisəˌosiˈan/, /ˌɪndisˌə̯osejˈaːn/
pronoun
1. de oceaan die tussen Oost-Afrika en Zuid-Azië ligt
Indischer Ozean
noun
1. een scheikundig element en zilvergrijs overgangsmetaal met het symbool In en het atoomnummer 49
Indium
adjective
1. afzonderlijk, op zichzelf
individuell
noun
Indoktrination
verb
1. dwingen om bepaalde opvattingen te aanvaarden
indoktrinieren
verb
1. in een lichte slaap vallen
einnicken
/ɪndo'nezis/
pronoun
1. een taal die voornamelijk in Indonesië gesproken wordt
  1. Indonesisch
  2. indonesisch
/ˌɪn.do.ˈne.zi.jə/
pronoun
1. een land dat bestaat uit een groot eilandengebied tussen Zuidoost-Azië en Australië
Indonesien
/ˈɪndrʌk/
verb
Eindruck
adjective
1. een grote indruk achterlatend
eindrucksvoll
noun
Induktivität
noun
    1. 1. gevolgtrekking
    2. 2. het opgang komen van een ontwikkeling door beïnvloeding door een ander deel
    3. 3. de beïnvloedende werking op andere mensen
    4. 4. het redeneren uitgaande van de afwijking
    5. 7. spanningsopwekking in geleider
    6. 5. bewijsvoering uitgaande van typende gevallen
    Induktion
  1. 6. klankverandering
    Vokalwechsel
verb
1. het veranderen van de economie door het vergroten van de nijverheid
industrialisieren
noun
1. Nijverheid
Industrie
noun
1. zone voor grote bedrijven en industrie
Industriegebiert
adverb
1. snel en onverwachts
plötzlich
verb
1. iemand door middel van een injectie beschermen tegen een ziekte
impfen
noun
1. document dat bevestigt dat iemand een bepaalde vaccinatie ondergaan heeft
  1. Impfnachweis
  2. Impfpass
noun
1. traagheid
Beharrung
noun
1.
Inessiv
/ɪnfɛk'terən/
verb
  1. anstecken
  2. infizieren
noun
Schlussfolgerung
adjective
  1. 1. minderwaardig
    minderwertig
  2. 2. (militair) lager in rang, ondergeschikt
    1. nachgeordnet
    2. untergeordnet
noun
1. hel, oord van helse verschrikkingen
Inferno
noun
Infiltration
verb
infiltrieren
/ɪɱfinitif/
noun
1. het hele werkwoord
Infinitiv
noun
1. stijging van het prijspeil waardoor het geld in waarde daalt
Inflation
noun
Inflexibilität
noun
2. de eigenschap dat een elektrisch geladen lichaam...
Influenz
noun
1. de leer van de mechanische verzameling en verwerking van informatie
Informatik
noun
1. beoefenaar van de informatica
Informatiker
noun
1.
  1. Information
  2. Auskunft
noun
1. samenleving, waarin informatie als de belangrijkste productiefactor gezien wordt.
Informationsgesellschaft
noun
1. materiaal dat ter informatie dient, vaak in de vorm van een tekst
Informationsmaterial
noun
1.
Informationssystem
/ɪnfɔr'meːl/
adjective
informell
verb
1. inlichten
informieren
adjective
  1. infrarot
  2. Infrarot
/ˈɪɱfrastrʏktyr/
noun
1. het totaal van onroerende voorzieningen zoals (spoor)wegen, vliegvelden,...
Infrastruktur
noun
1. vochttoediening in de bloedvaten
Infusion
verb
  1. van start gaan
    beginnen
  2. ergens op reageren
    eingehen
  3. binnengaan
    hineingehen
noun
  1. 2. een opening waar iets doorheen kan
    1. Eingang
    2. Öffnung
  2. 1. een trefwoord dat te vinden is in een woordenboek
    1. Eintrag
    2. Lemma
    3. Stichwort
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Ingelfingen
/ˌɪŋʒeˈɲør/
noun
1. iemand die is opgeleid in het hoger onderwijs om allerhande technische problemen op te lossen
  1. Ingenieur
  2. Ingenieurin
adjective
  1. findig
  2. erfinderisch
  3. gewitzt
adjective
1. bescheiden, rustig, stemmig
andächtig
conjunction
1. in het geval dat
falls
adjective
1. niet eenvoudig en zeer samengesteld
kompliziert
pronoun
1.
Ingolstadt
verb
  1. 1. door een gat of graaf aan te leggen zich dekking verschaffen
    1. einbuddeln
    2. eingraben
  2. 2. zich nestelen in de bodem of in het lichaam van een andere levensvorm
    eingraben
/ˈɪŋɣrep/
verb
Eingriff
verb
  1. 1. handelen om een probleem te voorkomen of op te lossen
    eingreifen
  2. 2. zich beslissend mengen in het verloop van iets
    intervenieren
pronoun
1. Finoegrische taal die door ongeveer 300 Ingriërs gesproken wordt
Ingrisch
/'ɪnɦɑm/
noun
Einbuchtung
/ɪnˈhems/
adjective
1. van oorsprong ergens voorkomend
einheimisch
adjective
1. onlosmakelijk verbonden
inhärent
/ˈɪnhɑut/
noun
    1. 1. datgene wat bevat is in een ander lichaam
    2. 3. alles wat in een geschrift of ander medium staat
    Inhalt
  1. 2. ruimtelijke capaciteit
    Volumen
noun
1. overzicht van de onderwerpen of hoofdstukken in een boek
Inhaltsverzeichnis
noun
1. feestelijke gelegenheid waarbij iemand wordt gehuldigd, zoals een koning/vorst door diens onderdanen, bij aanvaarding van diens ambt
Inauguration
/ˌiniˈtʃalwort/
noun
1. en 2.
  1. Akronym
  2. Initialwort
noun
Initiation
/inisjaˈtif/
noun
1. het ter hand nemen van iets nieuws
Initiative
adjective
initiell
verb
1. het inbrengen van een vloeistof in een gesloten vat of lichaam middels een holle naald
  1. injizieren
  2. einspritzen
noun
Injektion
verb
1. door verdamping bij het kookpunt het volume van een vloeistof verkleinen
einkochen
noun
1. regelmatig verkregen som geld
Einkommen
verb
1. door kopen een voorraad aanleggen
einkaufen
noun
1. een gekleurde vloeistof waarmee geschreven wordt
Tinte
/ˈɪŋtpot/
noun
1. een meestal glazen of plastic vaatje waar inkt in bewaard wordt
Tintenfass
noun
1. inktsteen
Reibstein
/ˈɪŋktfɪs/
noun
1. een koppotig weekdier met vangarmen dat een inktachtig vocht afscheidt ter verdediging
Tintenfisch
/ˈɪn.lɛxˌkrœy.ʃə/
noun
1.
Slipeinlage
/ˈɪnlɛɪdɪŋ/, /ˈɪnlɛːdɪŋ/
noun
1. een tekst waarmee men een indruk probeert te geven van de inhoud van een langere tekst
Einleitung
verb
1. opheldering geven
  1. informieren
  2. aufklären
  3. unterrichten
/ˈɪnlɛɪvə(n)/
verb
  1. 1. iemand in een groep opnemen
    einreihen
  2. 2. het toe-eigenen van een grondgebied
    einverleiben
/ˈɪnlɛɪvɪŋ/
noun
  1. 1. het verplicht of gedwongen toetreden tot een groep
  2. 2. annexatie, een proces van het met geweld grondgebied toe-eigenen
Einverleibung
verb
einmachen
/ɪnˈmɪdəls/
adverb
1. in de tussentijd
  1. inzwischen
  2. mittlerweile
verb
1. verschuldigd geld in ontvangst nemen
  1. einkassieren
  2. einziehen
verb
1. iets nieuws bedenken of maken
innovieren
pronoun
1.
Innsbruck
noun
1. het aanvaarden van een aflevering
Entgegennahme
/ˈɪmpɑkə(n)/
verb
  1. 2. in een omhulsel doen
    1. einpacken
    2. verpacken
  2. 1. in een verpakking doen
    einwickeln
verb
1. diep in het geheugen vastleggen
  1. einprägen
  2. einschärfen
noun
1. een rechtbank van de Rooms-Katholieke Kerk, die was belast met de opsporing, het onderzoek en het opleggen van straffen van ketters
Inquisition
verb
1. een woning ~: een ruimte geschikt maken voor bewoning met vloerbedekking, behang, huisraad, enzovoort
einrichten
noun
1. een weg die van de straat naar een gebouw e.d. voert
Einfahrt
verb
1. iets ouds verkopen terwijl men een nieuwe versie koopt
austauschen
/'ɪnsxepə(n)/
verb
1. aan boord gaan van een schip voor een reis ermee
einschiffen
adjective
1. van een persoon dat deze genegen is zich aan te passen aan andere mensen
  1. fügsam
  2. nachgiebig
verb
1. een lidmaatschap of deelnemerschap schriftelijk vastleggen
  1. einschreiben
  2. immatrikulieren
noun
1. geleedpotige met drie paar poten en geen, één of twee paar vleugels
Insekt
noun
1.1 zoogdier uit de taxonomische orde Eulipotyphla
Insektenfresser
noun
  1. 3. het inslaan van iets
    Einschlagen
  2. 1. horizontale draden die tijdens het weven tussen de opgespannen draden van de schering worden ingebracht
    1. Schuss
    2. Einschlag
    3. Einschuss
/ˈɪnslapə(n)/
verb
  1. 1. in slapende toestand geraken
    einschlafen
  2. 2. met een overdosis slaapmiddel een dier laten overlijden
    einschläfern
verb
1. iets door de keel de slokdarm in doen bewegen
schlucken
/ˈɪn.slœʏ̯.tə(n)/, /ˈɪn.slœː.tə(n)/
verb
  1. 3. iets bijvoegen
    1. beilegen
    2. einschließen
  2. 1. opsluiten in iets
    einschließen
  3. 2. iets omgeven
    umschließen
adjective
1. onbeschaamd, grof, brutaal
  1. frech
  2. unverschämt
noun
  1. Frechheit
  2. Unverfrorenheit
  3. Unverschämtheit
verb
2. zich ~: moeite doen
bemühen
noun
1. de fysieke moeite die men voor iets doet
  1. Anstrengung
  2. Aufwand
verb
1. de geest gaande maken
inspirieren
/ˈɪnsprak/
noun
Mitsprache
noun
  1. 3. een min of meer plechtige en officiële inwijding in een bepaald ambt
    Amtseinführung
    1. 8. een kunstvorm
    2. 1. de actie van het installeren
    Installation
verb
  1. 1. de formele aanvang van een officiële functie
    einweisen
    1. 2. het invoeren en gebruiksklaar maker van een computerprogramma
    2. 3. het aanleggen van een installatie
    installieren
verb
  1. 1. het op juiste wijze afregelen van een toestel
    einstellen
  2. 2. het in het leven roepen van een organisatie
    gründen
noun
  1. 2. organisatie, die vaak subsidie van de overheid krijgt en geen geld wil verdienen
    1. Anstalt
    2. Einrichtung
  2. 1. keer dat je iets instelt, of wat ingesteld is
    Einrichtung
  3. 3. manier waarop je bezig bent met en denkt over wat je doet
    Einstellung
verb
1. het eens zijn
zustimmen
verb
1. zwichten voor de zwaartekracht
zusammenstürzen
noun
  1. 1. het kapot gaan van een constructie door naar beneden vallen
    1. Einsturz
    2. Einstürzen
  2. 2. (figuurlijk) psychisch of lichamelijk niet meer goed kunnen functioneren door uitputting
    Zusammenbruch
noun
Instrukteur
noun
1. een order, een aanwijzing
  1. Einweisung
  2. Instruktion
  3. Unterricht
noun
  1. 2. verkort voor muziekinstrument
    1. Instrument
    2. Musikinstrument
  2. 1. werktuig
    1. Instrument
    2. Werkzeug
adjective
instrumentell
adjective
instrumentell
noun
Insubordination
adjective
insular
/ˌɪnzyˈlinə/
noun
1. een hormoon gemaakt in de bètacellen van de pancreas in de zogenaamde eilandjes van Langerhans, dat de lever aanzet bloedglucose op te nemen en op te slaan in de vorm van glycogeen
Insulin
adjective
1. in goede staat, onaangetast
intakt
/ɪnˈtexə(n)del/
adverb
zum Gegenteil
/ɪntəˈɣra(t)si/
noun
Integration
verb
1. tot een samenhangende groep maken
integrieren
/ɪntəɣriˈtɛit/
noun
1. onschendbaarheid, eerlijkheid, oprechtheid
Integrität
/ɪntɛli'xɛnt/
adjective
1. met een goed verstand of daarvan blijk gevend
intelligent
noun
een eigenschap van de werking van de hersenen
Intelligenz
noun
1. sterkte
Intensität
noun
1. onderlinge beïnvloeding
Interaktion
/ɪntərɑk'tif/
adjective
interaktiv
/ˌɪntərˈsɪti/
noun
1. een trein die tussen grote steden rijdt zonder op tussengelegen stations te stoppen
Intercity
adjective
1. wekt interesse
interessant
adverb
1. onderstreept dat het gezegde opmerkelijk is.
interessanterweise
noun
  1. 1. belang
  2. 2. belangstelling
  3. 3. iets waar belangstelling voor is
Interesse
verb
  1. 1. nieuwsgierig maken
    interessieren
  2. 2. zich ~ voor: belangstelling hebben voor iets
    sich interessieren
noun
Zins
noun
Schnittstelle
noun
3. gezamelijke werking van golven
Interferenz
/ˌɪn.tərˈkɛr.kə.lək/
adjective
1. tussen kerken, van meerdere kerkgenootschappen
ökumenisch
noun
1. regelafstand
  1. Zeilenabstand
  2. Zeilendurchschuss
  3. Interlinea
noun
1.
  1. Zwischenspiel
  2. Interludium
adjective
1. inwendig, binnen
intern
/ɪntərnɑ(t)ʃo'nal/
adjective
1. meer dan één land
international
pronoun
Internationaler Währungsfonds
pronoun
Internationales Büro für Maß und Gewicht
verb
1. een verplichte verblijfplaats aanwijzen
internieren
noun
1. een wereldwijd netwerk van computers
Internet
noun
1.
internetcafé
noun
1. encyclopedie die via internet te raadplegen is
Internet-Enzyklopädie
noun
1. organisatie of persoon die diensten levert op of via het internet
Internetprovider
noun
1. Arts
Internist
adjective
1. voor interpretatie vatbaar
interpretierbar
noun
  1. 1. tussenperiode
  2. 3. de afstand tussen twee verschillende tonen
Intervall
noun
1. vraaggesprek met iemand over diens opvattingen en ervaringen
Interview
verb
1.een vraaggesprek met iemand houden
interviewen
/ɪntimi'dɪːrə(n)/
verb
1. iemands gedrag beïnvloeden door hem angst aan te jagen
einschüchtern
noun
1. onverdraagzaamheid
Intoleranz
adjective
1. zonder de mogelijkheid van een lijdend of meewerkend voorwerp
intransitiv
noun
1. onovergankelijk werkwoord
  1. Intransitiv
  2. Intransitivum
/ɪntroˈdʏksi/
noun
de presentatie van iets nieuws, of de inleiding van een nieuwkomer
  1. Einführung
  2. Introduktion
/ˈɪntrɔn/
noun
1. stukje DNA dat zich bevindt in een gen maar dat niet wordt gebruikt om het eiwit te coderen
Intron
noun
Introspektion
adjective
introvertiert
/ɪn'tʌsə/
adverb
1. gedurende de tijd die het genoemde vereist
inzwischen
verb
  1. 2 iemands plaats tijdelijk innemen
    einspringen
  2. 1 vallend iets binnengaan
    1. fallen
    2. hereinfallen
    3. hineinfallen
noun
Ersatzmann
noun
Inversion
verb
invertieren
verb
investieren
noun
1. een opoffering in tijd, geld of mankracht ten behoeve van een doel dat pas op lange termijn wordt behaald
Investition
noun
Investbank
verb
2. een persoon op een doorgaans vriendelijke en vrijblijvende manier vragen om iets te doen
invitieren
/ˈɪnvluːt/
noun
  1. 1. inwerking van een persoon, zaak of omstandigheid op een andere
  2. 2. het vermogen om op anderen in te werken
Einfluss
adjective
einflussreich
noun
1. een kring of gebied waarbinnen iemand of een staat invloed heeft
Einflussbereich
noun
Einfügung
/ˈɪnvurə(n)/
verb
  1. 1. iets nieuws introduceren
    einführen
  2. 2. gegevens in een electronisch apparaat stoppen
    eingeben
verb
1.
einfrieren
/ɪɱ.'wɛn.dɪx/, /ɪɱ.'ʋɛn.dəχ/, /ɪɱ.'β̞ɛn.dəx/
adjective
  1. inner
  2. innerlich
  3. inwendig
/ˈɪɱwɪləɣə(n)/
verb
1. aan een verzoek voldoen
  1. bewilligen
  2. einwilligen
preposition
1.
in Sachen
verb
1. bijeenbrengen
  1. einsammeln
  2. sammeln
noun
Einsatz
noun
  1. 1. op het spel zetten
  2. 2. beschikbare hulpmiddelen gebruiken
einsetzen
/ˈɪnzɪx/, /ˈɪnzɪxt/, /ˈɪnzɪχt/
noun
  1. 1. het doorhebben hoe iets in elkaar zit
    Durchblick
  2. 3. inzage
    1. Einblick
    2. Einsicht
  3. 2. het erkennen van iets
    Einsicht
/ˈɪnzin/
verb
  1. 1. documenten (vluchtig) lezen
    einsehen
  2. 2. begrijpen hoe iets werkt
    erkennen
noun
het inzinken
Zusammenbruch
/jɔn/
noun
Ion
adjective
1. wat ionen betreft
ionisch
noun
Ionosphäre
/i'peʔadrɛs/
noun
1. een combinatie van getallen waarmee een computer in een IP-netwerk kan worden herkend
IP-Adresse
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Iphofen
/i.ˈrɑk/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten dat voor een groot deel in en rond het stroomgebied van de rivieren de Eufraat en de Tigris ligt
Irak
/i.ˈrɑn/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten met als hoofdstad Teheran
Iran
noun
1. een scheikundig element met symbool Ir
Iridium
noun
  1. 1. orgaan in het oog van vele organismen
    Iris
  2. 2. benaming voor planten uit het geslacht Iris
    1. Iris
    2. Schwertlilien
/ɪroˈniː/
noun
1. vorm van spot
Ironie
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Rijnland-Palts
Irrel
/ˌɪ.ri.ˈɣa.si/, /ˌɪ.ri.ˈχa.tsi/
noun
1. het op grote schaal water naar landbouwgrond transporteren om de gewassen mee te bevloeien
Bewässerung
/ˌɪ.ri.ˈɣeː.rə(n)/, /ˌɪ.ri.ˈχɪː.rə(n)/
verb
1. op grote schaal water naar landbouwgrond transporteren om de gewassen mee te bevloeien
bewässern
adjective
1. in hoge mate vervelend
irritierend
verb
1. op onaangename wijze prikkelen
  1. reizen
  2. irritieren
noun
1. plaatselijk tekort aan bloedtoevoer
Ischämie
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Iserlohn
pronoun
1.
Isernhagen
noun
1. godsdienst die na alle profeten uit het jodendom en Christus, Mohammed ...
Islam
pronoun
Islamabad
/ˌɪslaˈmit/
noun
1. een geloofsaanhanger van de islam
Islamit
noun
  1. 1. ruimtelijke afzondering
    Isolation
  2. 2. het voorkomen van geleiding van energie of stroom
    Isolierung
noun
1. afsluitbaar vat dat zo is gemaakt dat een verschil in temperatuur tussen de inhoud en de omgeving...
Isolierkanne
verb
  1. 1. persoonlijk
  2. 2. chemisch
  3. 3. elektrisch
  4. 4. warmte
isolieren
noun
  1. contour
  2. isolínie
adjective
1. bij constante temperatuur
  1. isotherm
  2. isothermisch
noun
1. een verzameling punten constante temperatuur gemeten of waar de temperatuur dezelfde waarde heeft
Isotherme
noun
Isotop
noun
Isotopie
/ˈɪs.ra.hɛl/, /ˈɪs.ra.ɛɫ/
pronoun
1. land in het Midden-Oosten, gelegen aan de Middellandse Zee
Israel
pronoun
1. Romaanse taal die gesproken wordt door ongeveer 1.000 mensen in Zuid-Europa
Istrorumänisch
/italiˈjaːn/
noun
1. een persoon die uit Italië komt
Italiener
/italiˈjaːns/
pronoun
1. een Romaanse taal die wordt gesproken in Italië, San Marino, Vaticaanstad, Slovenië en Zwitserland
  1. Italienisch
  2. italienisch
/italiˈjaːnsə/
noun
1. vrouwelijke persoon die uit Italië komt
Italienierin
/iˈtaːli.jə/
pronoun
1. een land
Italien
adjective
iterativ
pronoun
2. dorp in Nedersaksen
Itterbeck
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Sleeswijk-Holstein
Itzehoe
/iveˈʔɛfbəˌhɑndəlɪŋ/, /iveˈʲɛvbəˌhɑndəlɪŋ/
noun
1. zorg gericht op het bereiken van zwangerschap door eicellen na bevruchting buiten het lichaam in de baarmoeder te plaatsen
IVF-Behandlung
noun
Elfenbein
adjective
  1. Elfenbein
  2. elfenbeinfarben
/i.ˈvoːr.kʏs/, /i.ˈvoːr.kʏst/, /i.ˈvo̝ːr.kʏst/
pronoun
een land in West-Afrika, officieel de Republique de Côte d'Ivoir
Elfenbeinküste
pronoun
. spelwoord voor de letter i
Ida
/jaː/
adverb
1. duidt bevestiging of instemming aan
ja
/jaː/
interjection
1. kreet van opwinding
ja
/ˈjaneˌvrax/, /ˈjaneˌvraχ/
noun
1. vraag waarop met ja of nee geantwoord moet worden
Ja-Nein-Frage
noun
1. sleeplijn
Zugleine
/'jaxpɑt/
noun
1. een pad langs de kant van een kanaal of vaart waarover eertijds de trekdieren van de trekschuit werden voortgedreven
  1. Leinpfad
  2. Treidelpfad
  3. Treidelweg
/ja:r/
noun
1. de duur van een omloop van de aarde om de zon van circa 365 dagen.
Jahr
/ˈjar.ɣə.ˌtɛɪ̯.də/, /ˈjar.ɣə.ˌtɛː.də/, /ˈjar.χə.ˌtɛɪ̯.də/
noun
1. een deel van een jaar met unieke eigenschappen
Jahreszeit
/ˈjar.ləks/, /ˈjar.lɪks/
adjective
1. eenmaal per jaar
jährlich
/jɑxt/
noun
  1. 3. een snel vaartuig
    1. Jacht
    2. Yacht
  2. 2. het achtervolgen van misdadigers door de politie
    1. Mörderjagd
    2. Verbrecherjagd
noun
1.
Jagdrevier
noun
1.
Jagdrevier
noun
Jachthafen
noun
1. jachthobo
Oboe da Caccia
noun
1. hond die speciaal gefokt wordt voor de jacht
Jagdhund
noun
1. een hoorn als signaalinstrument op de jacht
  1. Jagdhorn
  2. Parforcehorn
noun
1. landhuis oorspronkelijk bestemt voor jagers
Jagdhaus
/jɑxtɦʏt/
noun
1. uitkijktoren bij het jagen
Jagdhütte
adjective
1. (te) snel, hastig
hektisch
noun
1. zeer snel, betrekkelijk groot Afrikaans katachtig roofdier, Acinonyx jubatus
Gepard
noun
1. persoon die toeziet op naleving van jachtwet
  1. Wildhüter
  2. Jagdaufseher
noun
Jagdzeit
noun
1. de taal die vaak bij de jacht gebruikt wordt.
  1. Jägersprache
  2. Waidmannssprache
noun
1.
Jagdrevier
noun
  1. Cutaway
  2. Cut
pronoun
1.
Jadebusen
/ˈjaːɣə(n)/
verb
  1. 1. bewegende wezens proberen te vangen
    jagen
  2. 1. slepen van schuiten
    treideln
noun
  1. 2. jachtvliegtuig
    1. Jagdflugzeug
    2. Kampfflugzeug
  2. 1. iemand die op jacht gaat
    Jäger
noun
Jäger und Sammler
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Jagsthausen
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera onca
Jaguar
noun
1. bepaald soort zoogdier, Herpailurus yaguaroundi
Jaguarundi
/ˈjɑːwe/
pronoun
Jahwe
/ˈjɑːwɛ/
pronoun
Jahwe
noun
  1. Yak
  2. Jak
noun
1. Canis aureus, hondachtig roofdier
Schakal
/ˈjaknɪkər/
noun
  1. 2. pomp met een tegengewicht die constant op en neer gaat
    Erdölpumpenbock
  2. 1. iemand die de eigen mening niet uitspreekt
    Jasager
noun
1. benaming voor bepaald soort mosselachtig schelpdier
Jakobsmuschel
/jaˈkobʏs/
pronoun
Jakobus
adjective
1. een negatief gevoel veroorzaakt doordat iemand iets heeft of kan krijgen wat je ook wilt hebben of reeds hebt
eifersüchtig
/jɑˈluːrshɛɪt/, /jɑˈluːrshɛːt/
noun
1. een wrok die iemand koestert omdat men een ander niet gunt wat men zelf begeert
Eifersucht
/jɑluˈziː/
noun
  1. 2. zonnescherm
    Jalousie
  2. 1. gevoel
    Neid
/ʃɛm/
noun
1. een gelei van suiker en gekookt fruit, onder andere gebruikt als broodbeleg
Marmelade
/(d)ʒa.mɛɪ̯.ka/, /dʒɑ.mɑɪ̯.ka/
pronoun
1. een eiland in de Grote Antillen ten zuiden van Cuba en ten westen van het eiland Hispaniola
Jamaika
interjection
1. uitroep van teleurstelling
schade
verb
1. klagende, huilende geluiden maken
jammern
/'jɑmərlək/
adverb
1. beklagenswaardig, bedroevend
jämmerlich
/jɑn/
pronoun
. spelwoord voor de letter j
Julius
noun
1. bepaalde zeevogel, Morus bassanus
  1. Tölpel
  2. Basstölpel
/jɑnyˈwaːri/
noun
1. de eerste maand van het jaar
  1. Januar
  2. Jänner
  3. Hartung
/jaˈpɑn/, /jɑˈpɑn/
pronoun
1. een land in het oosten van Azië
Japan
noun
Japaner
noun
1. iets dat gemaakt is in Japan of door een Japanse firma
Japaner
/jɑ'pɑns/
adjective
1. betreffende Japan of het Japans
japanisch
/jɑ'pɑns/
pronoun
1. een taal die in Japan gesproken wordt
Japanisch
/jɑr.ˈɣɔn/
noun
  1. 2. vaktaal, taalgebruik binnen een bepaalde groep, vaak moeilijk te volgen voor een buitenstaander
    1. Jargon
    2. Fachsprache
  2. 1. koeterwaals
    Kauderwelsch
/ˈjaːrəx/
adjective
1. iemand is jarig tijdens zijn verjaardag
Geburtstag haben
noun
1. iemand die jarig is
  1. Geburtstagskind
  2. Jubilar
noun
1.
  1. Jacke
  2. Mantel
noun
1. benaming voor planten uit het geslacht Jasminum
Jasmin
noun
1. Rhinoceros sondaicus, neushoornsoort levend op West-Java en in Vietnam
Java-Nashorn
/'jɑʋɛl/
adverb
ja, antwoordend op een ontkennende vraag
doch
/jaʋɔːrt/
noun
1. het bevestigende antwoord op een huwelijksaanzoek
  1. Jawort
  2. grand oui
/ˈdʒɛ:zɑŋəˌrɛs/
noun
1. een vrouwelijke persoon die zich op het zingen van jazz toelegt
  1. Jazz-Sängerin
  2. Jazzsängerin
/jə/
possessivePronoun
1. tweede persoon enkelvoud onbenadrukte vorm van jouw
dein
/ˈjemən/, /ˈjeːmən/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel de Republiek Jemen
Jemen
pronoun
1.
Jemgum
pronoun
1. en 2.
Jena
/jə'nevər/
noun
1. gedestilleerde alcoholische drank vervaardigd op basis van graan (mout)
Genever
noun
  1. 1. Juniperus communis
    Wacholder
  2. 2. vrucht
    Wacholderbeere
verb
  1. piesacken
  2. triezen
pronoun
  1. Jeremia
  2. Jeremias
noun
Klagelied
pronoun
Jersey
pronoun
Jesaja
/dʒɛt/
noun
1. een straalvliegtuig
Jet
/ˈjøːxt/
noun
1. het jong zijn
Jugend
adjective
1. jong, fris, onbevangen
jugendlich
/ˈjøxt.kɛrk/, /ˈjøχt.kɛrk/
noun
1. een kerk gericht op jongeren, vaak met een evangeliserend karakter
Jugendkirche
noun
1. kriebel
Juckreiz
verb
jucken
pronoun
1.
Jever
/ˈje.zʏs/
pronoun
1. centrale figuur in het Nieuwe Testament
Jesus
pronoun
1. Jezus van Nazareth
Jesus Christus
pronoun
2. apocrief boek uit de Bijbel
Jesus Sirach
/je.zy.ˈit/
noun
1. een lid van de Sociëteit van Jezus
Jesuite
noun
1. een pijnlijke ontsteking als gevolg van gekristalliseerd uraat in een gewricht
Gicht
pronoun
1. Germaanse taal die door de Joden in West-Europa gesproken werd
Jiddisch
adjective
1.
jiddischsprachig
adjective
1.
jiddischsprachig
/jEi/, /jɛɪ̯/, /jɛː/
personalPronoun
1. aangesproken persoon enkelvoud informeel
  1. du
  2. dich
verb
1. iemand aanspreken met jij en jou in plaats van met u
duzen
/'jɔb/
pronoun
  1. Hiob
  2. Job
  3. Ijob
/ˈjodələ(n)/
verb
1. zingen met een snelle wisseling van borst- naar keelstem
jodeln
noun
Judentum
noun
1.
Iodid
/joˈdɪn/
noun
Jüdin
/joˈdin/
noun
1.
Jüdin
noun
1. scheikundig element met symbool I en atoomnummer 53
  1. Jod
  2. Iod
pronoun
Jugoslawien
noun
Jogginghose
pronoun
  1. 2.1 een van de vier Evangeliën
    Johannes
  2. 4. spelwoord voor de letter j
    Julius
noun
Johannisbrotbaum
pronoun
. spelwoord voor de letter j
Julius
noun
1. speelgoed
  1. Jo-Jo
  2. Yo-Yo
verb
Joker
/ˈjɔ.kə(n)/
verb
2. een relatief onschuldige leugen vertellen
flunkern
/joˈna/
pronoun
Jona
adjective
1. van geringe leeftijd
jung
noun
1. een directe nakomeling van een dier
Junge
noun
1. aanspreektitel voor een groep jongeren
junge Leute
noun
1. onvolwassen man
  1. Junge
  2. Knabe
/ˈjɔŋə(n)sˌnam/
noun
[1] een voornaam die doorgaans gegeven wordt aan kinderen van het vrouwelijk geslacht
Jungenname
noun
1. meervoud van het zelfstandig naamwoord jongere
Jugend
noun
1. het taalgebruik van jongeren
Jugendsprache
/jɔŋˈlør/
noun
  1. 1. rondreizend kunstenaar
    Jongleur
  2. 2. rondreizend artiest
    Spielmann
noun
1. schip
Dschunke
/jot/
noun
  1. Jude
  2. Jüdin
noun
  1. 1. aanhanger van het joodse geloof
    Jude
  2. 1. element jodium
    1. Jod
    2. Iod
adjective
1. te maken hebbend met het joodse geloof, het jodendom
jüdisch
/jɔr.ˈda.ni.jə/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië
Jordanien
noun
Jordankurve
/jɑu̯/
personalPronoun
  1. dich
  2. dir
/ʒurˈnaɫ/
noun
  1. 2. een boek waarin dagelijks de gebeurtenissen worden bijgehouden
    Chronik
  2. 1. een televisieprogramma dat dagelijks het nieuws brengt
    Nachrichtenjournal
noun
verslaggever, iemand die nieuwsfeiten publiceert
Journalist
/jɑu̯/
possessivePronoun
1.
dein
adjective
1. opgewekt en tegelijk aardig en vriendschappelijk in de omgang
  1. herzlich
  2. leutselig
/joˈʔel/
pronoun
Joel
noun
1. 21e-eeuws gevechtsvliegtuig dat ook gronddoelen kan aanvallen en nauwelijks zichtbaar is voor vijandelijke radar
JAST
/jybələ/
verb
1. juichen
jubeln
noun
1. feestelijke herdenking van de dag waarop iets gebeurde of begon
Jubiläum
noun
1. herdenkingsnummer van een krant of tijdschrift
Jubiläumsausgabe
pronoun
2. boek in de Bijbel
Judas
noun
1. kus die Judas aan Jezus gaf
Judaskuss
noun
1. vriendelijk gebaar van een iemand die veinst een vriend te zijn, kort voordat zijn ware bedoelingen duidelijk worden
Judaskuss
noun
1. naam voor planten uit het geslacht Lunaria
  1. Silberblatt
  2. Judaspfennig
pronoun
2. apocrief boek uit de Bijbel
Judit
/'jy.do/
noun
1. een Japanse vechtsport
Judo
//
noun
1. een van de twee houten blokken van een wantspanner
Jungfer
adjective
1. zoals het moet, waar
richtig
noun
1. een van de beenderen van de schedel
Jochbein
/jyˈlɛi/
noun
1. de zevende maand van het jaar
  1. Juli
  2. Heuert
pronoun
Julirevolution von 1830
/ˈjʏli/
personalPronoun
    1. 2.
    2. 3.
    1. euch
    2. ihr
  1. 1.
    ihr
/ˈjʏli/
possessivePronoun
1. jullie
  1. euer
  2. euere
noun
1. de zesde maand van het jaar
  1. Juni
  2. Brachet
noun
2. rotzooi
Ramsch
/ˈjypiˌtɛr/
pronoun
Jupiter
noun
  1. 1. kanton
  2. 2. gebergte
Jura
adjective
1. betrekking hebbend op het recht en de rechtsleer
  1. juristisch
  2. rechtlich
noun
Rechtsprechung
noun
1. een deskundige op het gebied van rechtsleer
Jurist
/jʌrək/
noun
1. een kledingstuk voor vrouwen dat van de schouders tot op de benen reikt
Kleid
noun
1. persoon die deel uitmaakt van een jury
Jurymitglied
noun
1. (huishouden) diepe opscheplepel met gebogen steel
Soßenlöffel
adjective
de bastvezels
Jute
noun
1. iemand die juwelen vervaardigt en erin handelt
  1. Juwelier
  2. juwelier
noun
1. krokodilachtige uit de onderfamilie Caimaninae van de familie alligators
Kaiman
noun
  1. 1. deel van schedel waarin tanden en kiezen zitten
    Kiefer
  2. 3. een houten of stenen podest, waarop de te straffen misdadigers tentoon werden gesteld
    Schandpfahl
  3. 4. hard meelgebak
    Schiffszwieback
  4. 2. een wang
    Wange
  5. iets aan de kaak stellen
    anprangern
noun
1. een van de beenderen van de schedel
Unterkiefer
noun
1. een mogelijk dodelijke infectieziekte veroorzaakt door Colistridium tetani
Tetanus
adjective
1. zonder of met heel weinig hoofdhaar, veren, bladeren, begroeiing, enzovoort
kahl
noun
1. persoon
  1. Glatzkopf
  2. Kahlkopf
verb
1. door plukken kaal maken
rupfen
noun
1. (landbouw) het vellen van alle bomen op een stuk grond
Kahlschlag
noun
2. klein stukje uitgebraden vet, spek of reuzel
Griebe
noun
  1. 1. een in zee vooruitstekende landpunt
    Kap
  2. 1. (Vlaams) belangrijk moment, mijlpaal
    Meilenstein
pronoun
1. de naam van de zuidwestelijkste punt van Afrika
Kap Arkona
pronoun
1. de naam van de zuidwestelijkste punt van Afrika
Kap der Guten Hofffnung
pronoun
Kap Horn
pronoun
1. een kaap in Zuidwest-Spanje, bekend om de gelijknamige zeeslag die er uitgevochten werd
Kap Trafalgar
noun
Usambaraveilchen
noun
1. bepaald soort zoogdier, Arctocephalus pusillus pusillus
Südafrikanische Seebär
pronoun
1. een van de hoofdsteden van Zuid-Afrika, gelegen bij de Kaap de Goede Hoop
Kapstadt
/ˈkaːp.stɑn.dər/
noun
1. kaapstander
  1. Spill
  2. Gangspill
/kab.ˈvɛr.di.jə/, /kap.ˈfɛr.di.jə/
pronoun
1. een land in West-Afrika
  1. Kapverden
  2. Kap Verde
verb
1. het behandelen van ruwe katoen of wol met behulp van een kaard
kardieren
/kars/
noun
1. een staaf of klomp van brandbaar materiaal met een lont
Kerze
noun
1. het schijnsel van een brandende kaars
Kerzenlicht
noun
  1. 2. bedrukt kartonnen vel dat met de post verstuurd kan worden
  2. 3. kartonnen of plastic vel uit een kaartspel, om mee te spelen
  3. 1. schematische afbeelding van een ruimtelijk gebied op een plat vlak in een verkleinde schaal
  4. nog in te delen vertalingen
Karte
/kartspɛl/
noun
  1. 1. een spel met speelkaarten
  2. 2. een spel kaarten
Kartenspiel
noun
1. voedingsproduct gemaakt van gestremde melk
Käse
noun
2.
Käser
/ ˈkasfaˈbrik /
noun
1. een groot bedrijf waar men kaas maakt
Käsefabrik
/ˈkasfɔndy/
noun
1. een gerecht waarbij etenswaren in een saus van kaas gedompeld worden
Fondue
/ˈkasxaf/, /ˈkasχaf/
noun
1. een gebruiksvoorwerp waarmee een dun plakje van een stuk kaas kan worden gesneden
Käsehobel
/ˈkasufle/
noun
1. een gefrituurde snack van een stuk kaas met daaromheen bladerdeeg en paneermeel
frittierter panierter Käse
/kɑˈbal/
noun
1. zeer luide verstoring van rust en orde
Radau
/'kɑbələ(n)/
verb
1. zacht stromen en geluid maken
  1. plätschern
  2. rieseln
noun
1. lijn van 3 tot 6 ineengedraaide touwen van hennep, kunststof, staal of ander materiaal
  1. Kabel
  2. Drahtseil
  3. Stahltrosse
noun
1. Gadus morhua, middelgrote zoutwatervis
  1. Dorsch
  2. Kabeljau
noun
1. en 2. lever van Gadus morhua voor opslag van bloed, galproductie en stofwisseling
Dorschleber
noun
1. een tang waarmee de hulsjes van kabelschoenen aan elektriciteitssnoeren en kabels worden vastgeknepen
Aderendhülsenzange
noun
1. straatmeubel waarin elektriciteit over verschillende stroomdraden wordt verdeeld
  1. Kabelverteilerkasten
  2. Kabelverteilerschrank
/'kabul/
pronoun
1. Afghaanse stad/provincie
Kabul
noun
1. sprookjesfiguur
  1. Wichtelmännchen
  2. Heinzelmännchen
  3. Hutzelmännchen
/ˈkɑ.xəl/, /ˈkɑ.xəɫ/, /ˈkɑ.χɔɫ/
noun
1. een apparaat waarin energie wordt omgezet in warmte met de bedoeling een ruimte te verwarmen
  1. Ofen
  2. Heizung
pronoun
1.
Kachelotplate
noun
1. een persoon die ovens, haarden en gelijkaardige stookplaatsen alsmede rookkanalen ontwerpt en bouwt maar niet installeert
  1. Ofensetzer
  2. Hafner
  3. Hafnerin
  4. Ofenbauer
  5. Ofenbauerin
/ˈkɑxtəl/, /ˈkɑxtəɫ/, /ˈkɑχtəɫ/
noun
1. een jong van een paard.
  1. Fohlen
  2. Füllen
  3. Gleiter
verb
1. een afbakening maken van de eigendomsrechten van grondbezit en deze in kaart brengen
eintragen
noun
1. dood lichaam van een dier
Kadaver
/ˈkɑdiʃ/
noun
1. een joods gebed waarin Gods naam wordt geheiligd
Kaddisch
noun
1. beschoeide of gemetselde oeverstrook waaraan de schepen kunnen aanleggen
Kai
noun
  1. 2. situationele context, raamwerk, verband
    1. Hintergrund
    2. Rahmen
    3. Zusammenhang
  2. 3. geschoolde medewerkers in een organisatie
    Kader
  3. 1. rand die om iets (m.n. een afbeelding of schilderij) heen wordt aangebracht
    Rahmen
/kɑf/
noun
1. de vliezen rondom de graankorrels
Spreu
pronoun
1. en 2.
Kaiserslautern
noun
1. een gesloten kano om in wild water of op zee te varen
Kajak
noun
1. overdekte gemeenschappelijke verblijfplaats op schepen
Kajüte
verb
1. een vis van de ingewanden ontdoen
ausnehmen
/ˈkɑkhœʏs/
noun
1. toilet
  1. Plumpsklo
  2. Scheißhaus
adjective
  1. Khakigrau
  2. khakigrau
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Blattodea
  1. Schabe
  2. Kakerlake
noun
1. rommelig geheel van vele klanken door elkaar
Kakophonie
pronoun
1.
Kaldenkirchen
noun
1. kaalhoofdig iemand
  1. Glatzkopf
  2. Kahlkopf
  3. Kahler
noun
1. tabel die de verdeling van het jaar in dagen, weken of jaren aangeeft, evt. met feestdagen enz.
Kalender
noun
1. jong van het rund en sommige andere zoogdieren.
Kalb
noun
Kalif
noun
Kalifat
noun
1. scheikundig element met symbool K en atoomnummer 19
Kalium
noun
1. bepaald soort gedomesticeerde vogel, Meleagris gallopavo
  1. Truthahn
  2. Truthenne
  3. Pute
noun
2. orgaan van een kalkoen
Putenleber
noun
Kalkofen
noun
  1. Kalkstein
  2. Kalk
noun
1.
Kalligraphie
/ˌkɑ.lɪ.ˈpi.ɣɪs/
adjective
1. met een mooi achterste
kallipygisch
/kɑlm/
adjective
1. weinig in beroering, zonder opwinding
ruhig
verb
  1. 1. kalm worden
    1. beruhigen
    2. besänftigenn
  2. 3. zich kalmeren
    1. sich beruhigen
    2. sich besänftigen
/ˈkɑlmus/, /ˈkɑɫmus/
noun
Kalmus
noun
1. een afgeschoten stalling voor één kalf in een stal
Kälberbox
noun
1. het houden en opfokken van kalveren voor de productie van kalfsvlees
Kälberhaltung
noun
1. eerste, voorbijgaande verliefdheid, jeugdige verliefdheid, jeugdliefde
  1. Jugendliebe
  2. Schwärmerei
noun
  1. 1. koop en verkoop van kalveren in het algemeen
  2. 2. een plek waar vraag en aanbod van kalveren bij elkaar komen
Kälbermarkt
noun
1. iemand die kalveren slachtrijp opkweekt
Kälbermäster
noun
1. een bedrijf dat zich met het houden en opfokken van kalveren voor de productie van kalfsvlees bevat
Kälbermästerei
/kɑm/
noun
  1. 1. getand object om haren mee te verzorgen
    Kamm
  2. 3. onderdeel van een snaarinstrument
    Steg
/kɑ'mel/
noun
1. bepaald soort hoefdier met twee bulten op de rug, Camelus bactrianus
  1. Kamel
  2. Trampeltier
noun
Kamelzucht
/ka'melejɔn/
noun
  1. 1. tropische hagedis vooral bekend voor zijn snelle kleurveranderingen
  2. 2. veranderlijk persoon
Chamäleon
noun
1. deel van een huis
  1. Zimmer
  2. Raum
  3. Gemach
  4. Stube
noun
Kamerad
noun
1. een lange huisjas
  1. Hausmantel
  2. Morgenmantel
/ka.mər.lɪt/
noun
1. iemand die een zetel in een der kamers van de volksvertegenwoordiging bekleedt
  1. Abgeordneter
  2. Parlamentsmitglied
  3. Volksvertreter
/ˌka.mə.ˈrun/
pronoun
1. een land in Midden-Afrika, officieel de Republiek Kameroen
Kamerun
noun
Zimmerpflanze
noun
1. een meubelstuk bestaand uit meerdere panelen, die verbonden zijn door scharnieren of op andere wijze
Wandschirm
noun
  1. Raumtemperatur
  2. Zimmertemperatur
noun
1. kamertoon
Kammerton
noun
  1. Kampfer
  2. Campher
noun
1. elk van de planten van het geslacht Matricaria
Kamille
/kɑmə(n)/
verb
1. met een kam haar in orde brengen
kämmen
noun
  1. 1. een plaats waar een aantal troepen geruime tijd of permanent gehuisvest zijn
    1. Feldlager
    2. Lager
    3. Camp
  2. 2. een kampeerplaats met een groep van bij elkaar horende tenten
    1. Jugendlager
    2. Zeltlager
noun
1. iemand die, gewoonlijk tijdens de vakantie, in een tent bivakkeert
Camper
verb
1. een vorm van openluchtrecreatie
  1. zelten
  2. campen
noun
1. geslacht van klimstruiken (Lonicera)
  1. Geißblatt
  2. Heckenkirsche
/kɑmpiun/
noun
1. de winnaar van een kampioenschap
Meister
noun
vuur in een kamp waaromheen mensen zich (ter gezelligheid) verzamelen
Lagerfeuer
noun
1. een winkel op een kamp of een kampeerterrein
Laden
noun
  1. 1. serviesgoed om vloeistoffen uit te schenken
    Kanne
  2. 1. een Mongoolse of Turkse vorst
    Khan
pronoun
Ärmelkanal
/ka'naːl/
noun
Kanal
verb
1. rechttrekken tot een kanaal
kanalisieren
noun
1.1 bepaald soort vogel Serinus canarius
  1. Kanarienvogel
  2. Kanarengirlitz
adjective
1. een heldergele kleur zoals die van sommige kanaries
kanariengelb
pronoun
1. een stad gelegen in Zuid-Afghanistan en de hoofdstad van de gelijknamige provincie
Kandahar
noun
Leuchter
noun
kandelaar met verscheidene armen
Kandelaber
/kɑndiˈdat/
noun
  1. 1. iemand die zich verkiesbaar gesteld heeft voor een politiek ambt
    Kandidat
  2. 2. iemand die zich beschikbaar gesteld heeft voor een baan of functie
    1. Kandidat
    2. Bewerber
noun
Kandiszucker
/kɑˈnel/
noun
1. een specerij van de gedroogde binnenbast van de kaneelboom,...
Zimt
noun
1.
Zimtwanze
noun
1. tot poeder vermalen kaneel
Zimtpulver
noun
1. benaming voor zoogdieren uit het geslacht Macropus
  1. Känguruh
  2. Känguru
/kanɪs/
noun
  1. 4.1
    1. Birne
    2. Dötz
    3. Rübe
  2. 4.3
    Leib
  3. 4.2
    Maul
noun
2. iemand die iets doet dat buitengewoon gevonden wordt.
  1. Ass
  2. Könner
noun
1. een aandoening die gekenmerkt wordt door het ongecontroleerd vermenigvuldigen van cellen
Krebs
noun
1. een zwelling van het weefsel door kwaadaardige groei
Krebsgeschwulst
noun
1. onderzoek naar de verschillende aspecten van kwaadaardige aandoeningen
Krebsforschung
noun
Onkologe
noun
  1. 1. mens die of dier dat vlees van zijn eigen soort eet
    1. Kannibale
    2. Menschenfresser
  2. 2. woesteling
    1. Kannibale
    2. Wüterich
noun
Kanu
noun
1. een instrument om explosieve projectielen weg te schieten
Kanone
noun
1.
Kanonenboot
noun
Kanonenkugel
noun
  1. 2. een mooie gelegenheid
    1. Möglichkeit
    2. Gelegenheit
    3. Chance
  2. 1. mogelijkheid dat er iets gaat gebeuren
    1. Wahrscheinlichkeit
    2. Chance
noun
  1. 1. eerste minister
  2. 2. hoofd van een kanselarij
Kanzler
adjective
1. (veel) kans op succes hebbend
aussichtsreich
noun
Glücksspiel
noun
Wahrscheinlichkeitsverteilung
/kɑnt/
noun
  1. 3. zijde
    Seite
  2. 1. een vorm van vlechtwerk
    Spitze
  3. aan de andere kant
    andererseits
/kɑnˈtel/
noun
1. elk van de opstaande delen van de getande bovenkant van (oude) verdedigingsmuren
Zinne
noun
1. eetgelegenheid in bedrijven, scholen, verenigingen
Kantine
verb
1. troepen legeren in dorpen en steden
einquartieren
noun
1. een instelling waar allerlei administratieve handelingen worden uitgevoerd
Büro
noun
1. een titel die aan bepaalde geestelijken wordt verleend binnen enkele christelijke kerkgemeenschappen.
Kanoniker
noun
1. de waardigheid en taken van een kanunnik
Kanonikat
noun
1. de waardigheid en taken van een kanunnik
Kanonikat
noun
1. klein kerkgebouw
Kapelle
noun
1. een priester van de katholieke kerk, werkzaam in een parochie
Kaplan
verb
kapern
/ˈka.pər.ˌbrif/
noun
1. een brief door de overheid of koning werd geschreven, waarmee een schip dat die brieven aan boord had het recht werd gegeven om schepen van vijandelijke mogendheden aan te vallen en leeg te roven
Kaperbrief
pronoun
1. een stad in de Oostenrijkse deelstaat Stiermarken
Kapfenberg
verb
1. kapitaal laten aangroeien
kapitalisieren
noun
  1. 1. persoon die fanatiek met geld bezig is
  2. 2. aanhanger van het kapitalisme
Kapitalist
noun
1.
Kapitell
noun
  1. 2. (beroep) (militair) een rang in de hiërarchie net boven die van luitenant
    Hauptmann
  2. 1. (beroep) (scheepvaart) gezagvoerder van een schip [1], bijv. van een koopvaardijschip
    1. Kapitän
    2. Hauptmann
noun
1.
Kapitel
/kaˈpɪ.təl.ˌkɛrk/, /kaˈpɪ.təɫ.ˌkɛrk/
noun
1. een kerkgebouw in een dorp
  1. Chorherrenstift
  2. Kanonikerstift
  3. Kollegiatstift
  4. Säkularkanonikerstift
noun
1. bepaald soort zeevogel, Larus ridibundus
Lachmöwe
/'kɑpmɛs/
noun
1. stevig mes
Machete
noun
Kapaun
adjective
  1. 2. niet meer goed functionerend
    1. defekt
    2. beschädigt
    3. gebrochen
    4. unterbrochen
    5. zerbrochen
  2. 1. gebroken
    1. kaputt
    2. zerbrochen
/ka'pɔtʲə/
noun
2.
Gummi
/'kɑpə(n)/
verb
  1. 1. het hoofdhaar knippen en in model brengen
    frisieren
  2. 2. een boom onderaan met een bijl hakken tot die omvalt
    fällen
  3. 3. met een snelle slag met een mes of bijl een verbinding verbreken
    kappen
noun
Friseur
/'kɑ.pər.tʲə/
noun
2. klein groen bloemknopje van de kappertjesplant, Capparis spinosa, dat meestal op zuur bewaard wordt en dat als kruiderij gebruikt wordt
Kaper
/kɑpsɛɪ̯zə(n)/, /kɑpsɛːzə(n)/
verb
1. ondersteboven komen liggen
kentern
noun
1. de manier waarop het haar geknipt is
  1. Frisur
  2. Haarschnitt
noun
  1. 1. pretenties
    Schnöselei
  2. 2. kapsones hebben, hoge dunk van zichzelf hebben
    verschnöselt
noun
1. opschepper
  1. Schnösel
  2. Wichtigtuer
noun
1. tafelfles met wijde buik en smalle hals
Karaffe
noun
  1. 1. aard
  2. 2. letter
Charakter
noun
1. gebrande suiker
Karamell
verb
1. door verhitting, suiker omzetten tot karamel
karamellisieren
pronoun
1. stad in Namibië
Karasburg
noun
1. japanse gevechtsport
Karate
noun
1.
Karawane
/kɑrboˈnadə/
noun
1. een stuk vlees van een varken, kalf of lam
Kotelett
noun
1. bepaald soort zoogdier, Bubalis bubalis
Wasserbüffel
noun
plant en zaad
Kardamom
noun
1. hoge geestelijke in de hiërarchie van de Rooms-Katholieke Kerk,...
Kardinal
noun
1. en 2. bladeren van Cynara cardunculus
  1. Kardone
  2. Cardy
noun
1. benaming voor vogels uit het geslacht Acrocephalus
Rohrsänger
pronoun
2. spelwoord voor de letter k
Kaufmann
pronoun
1. een aan het Fins verwante taal die wordt gesproken in Karelië, Rusland en Finland
Karelisch
verb
1. een karikatuur maken van
karikieren
noun
1.
  1. Karikaturenzeichner
  2. Karikaturist
pronoun
1.
Kärnten
pronoun
Karl-Marx-Stadt
pronoun
  1. 1., 2. en 3.
  2. 4.
Karlsbad
pronoun
  1. 1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
  2. 2. een district in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Karlsruhe
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Karlstadt
noun
  1. Karmelitanerin
  2. Karmeliterin
adjective
  1. Karminrot
  2. karminrot
noun
1. de rode kleur van karmijn
karmesinrot
noun
1. gefermenteerde melk
Buttermilch
verb
1. het langdurig mechanisch bewerken van melk
buttern
pronoun
Karpaten
noun
1. bepaald soort grote zoetwatervis met een hoge rug, die van oorsprong uit Azië komt, Cyprinus carpio
Karpfen
noun
1. een lading ter grootte van die van een volbeladen kar
  1. Fuhre
  2. Ladung
noun
1. de verzameling verschijnselen die samenhangen met de oplosbaarheid van kalksteen onder invloed van koolzuur in de atmosfeer
Karst
/kɑrˈtɔn/
noun
  1. 2. verpakking
    Karton
  2. 1. bordpapier
    1. Karton
    2. Pappe
noun
plant, zaad en specerij
Kümmel
noun
1. gedroogde (gemalen) aromatische zaad van Carum carvi
Kümmelsamen
/'kɑs/
noun
  1. 1. de bak die het ontvangen geld bevat
    Kasse
  2. 3. een doorzichtige -meest glazen- constructie...
    1. Treibhaus
    2. Gewächshaus
noun
Kassenbuch
pronoun
1. een Westslavische taal die gesproken wordt in het oosten van Pommeren
  1. Kaschubisch
  2. kaschubisch
pronoun
1. een grote door land omsloten zoutwatervlakte op de grens van Europa en Azië
Kaspisches Meer
noun
1. vrouw of meisje die/dat in een winkel de kassa bedient
Kassiererin
pronoun
1. Duitse stad
Kassel
noun
1. iemand die het beheer heeft over de kas en de mutaties ervan bijhoudt
Kassierer
noun
1. vrouw die het beheer heeft over contant geld en de kaswijzigingen bijhoudt
Kassiererin
noun
1. vrouw of meisje met de taak de betalingen van klanten in een winkel of amusementsbedrijf te verwerken
Kassiererin
/kɑs/, /kɑst/
noun
  1. 3. gevangenis
    Bau
  2. 4. een groot gebouw
    Kasten
  3. 2. een televisietoestel (meestal als verkleinwoord: kastje)
    Kiste
  4. 1. een meubel om gebruiksvoorwerpen in op te bergen, meestal voorzien van horizontale schappen
    1. Schrank
    2. Kasten
noun
  1. 1. de vrucht
  2. 1. de boom
Kastanie
adjective
  1. Kastanienbraun
  2. kastanienbraun
noun
  1. Kastanienmus
  2. Maronencreme
  3. Maronencrème
noun
  1. 1. streng gescheiden stand binnen de hindoeïstische samenleving
  2. 2. een zeer gesloten sociale kring
Kaste
noun
1. een middeleeuwse versterkte woning
  1. Schloss
  2. Kastell
noun
1. een systeem van rangen en standen in de maatschappij
Kastensystem
noun
1. een kastenstelsel
Kastensystem
noun
  1. 1. bepaald soort zoogdier, Felis sylvestris catus
    Katze
  2. iemand een kat geven
    jemandem eins auf den Deckel geben
noun
1. geheel van de afbraakprocessen in een lichaam
Katabolismus
adjective
1. aan een kat herinnerend of erop gelijkend.
katzenartig
noun
2. afzonderlijk karakter uit het Japans lettergreepschrift voor leenwoorden
Katakana
noun
  1. Kataplexie
  2. Schrecklähmung
  3. Schreckstarre
noun
    1. 1. belegeringswapen
    2. 3. lanceerinrichting voor vliegtuigen
    Katapult
  1. 2. speeltuig
    1. Schleuder
    2. Zwille
    3. Katapult
noun
  1. 1. mannetje van de kat
    Kater
  2. 2. gevolgen van alcoholgebruik
    1. Kater
    2. Katzenjammer
/kɑtədral/
noun
1. een hoofdkerk van een bisdom
  1. Kathedrale
  2. Dom
noun
1. buisje dat tijdelijk in een lichaamsholte wordt aangebracht, bijv. om lichaamsvocht op te vangen of een medicijn toe te dienen
Katheter
noun
1-2 scheikunde + elektronica
Kathode
/ˌka.to.ˈlik/
adjective
  1. 1. overeenkomstig de geloofsleer van de Katholieke Kerk
  2. 2. te maken hebbend met de Katholieke Kerk
katholisch
/ka.ˈtɛɪf/, /kɑ.ˈtɛːf/
adjective
1. ellendig, ongelukkig
elend
/ka.ˈtɛɪf/, /kɑ.ˈtɛːf/
noun
  1. 1. ellendeling, stakker
    1. Dreckskerl
    2. Hundsfott
    3. armer Schlucker
  2. 2. feeks, boosaardig vrouwmens
    Hexe
noun
Kation
/kɑˈtun/
noun
1. een zachte vezel die uit de opperhuid (epidermis) van de zaden van de katoenplant groeit
Baumwolle
noun
1. een werktuig dat het mogelijk maakt een last met een beperkte kracht te verplaatsen
  1. Rolle
  2. Flaschenzug
pronoun
Kattegat
/ˈkɑtə(n)ˌbɑk/
noun
1. een bak waarin katten hun behoefte kunnen doen
Katzenklo
noun
  1. Katzenminze
  2. Katzenkraut
  3. Katzenmelisse
noun
Katzenzunge
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Kaufbeuren
noun
1. Corvus monedula, eem zwarte kraaiachtige zangvogel met een grijze nek
Dohle
verb
kauen
noun
1. een zacht samenhangend snoepgoed dat niet bedoeld is om in te slikken
Kaugummi
noun
Kaugummi
noun
Kaviar
noun
1. inwoner van Kazachstan
Kasache
pronoun
1. een taal die van oorsprong door de Kazachen in Kazachstan gesproken werd
  1. Kasachisch
  2. kasachisch
/ˈka.zɑx.stɑn/, /ˈka.zɑχ.stɑn/
pronoun
1. een land in Centraal-Azië en het uiterste oosten van Europa
Kasachstan
noun
1. inwoner van Kazachstan
Kasache
noun
1. gebouw waar soldaten gelegerd zijn
Kaserne
noun
1. een mouwloos opperkleed dat door een priester gedragen wordt bij het lezen van de mis
  1. Kasel
  2. Messgewand
/keːl/
noun
1. voorste, uitwendige gedeelte van de hals
  1. Kehle
  2. Rachen
noun
1. dokter die zich gespecialiseerd heeft in ziekten van organen binnen het hoofd die direct contact met de buitenlucht hebben
Hals-Nasen-Ohren-Arzt
/kelɔntstekɪŋ/
noun
1. een infectie van de slijmhuid van de keel
Halsentzündung
noun
1. pijnlijke irritatie van het slijmvlies in de keelholte, meestal door een ontsteking ervan
  1. Halsweh
  2. Halsschmerz
/keːp/
noun
2. kleurrijke vinkensoort
Bergfink
/ˈkipər/
noun
  1. Torwart
  2. Torhüter
noun
1. telkens terugkerend tijdstip waarop iets gebeurt
Mal
noun
Wendekreis
noun
1. een steile wand waarachter grond of water wordt vastgehouden
Stützmauer
noun
1. risterploeg die zijn werk in twee richtingen kan verrichten
Wendepflug
noun
Wendepunkt
noun
1. een steile wand waarachter grond of water wordt vastgehouden
Stützwand
noun
1.
  1. Hinterseite
  2. Kehrseite
  3. Rückseite
noun
1. langharige, middelgrote hond met pluimstaart
Spitz
pronoun
1. stad in Namibië
Keetmanshoop
verb
  1. 1. blaffen van een kleine hond
    1. belfern
    2. blaffen
    3. kläffen
  2. 2. kijven, luidkeels ruzie maken van vrouwen
    keifen
noun
1. klein hondje dat hinderlijk veel blaft
Kläffer
noun
Kefir
noun
  1. 1. een blok met een schuine kant
    1. Keil
    2. Hemmschuh
  2. 2. snaardemper
    Stimmkeil
/ˈke.xəl/
noun
1. een meetkundig lichaam met een cirkel als grondvlak en uitlopend in een punt
Kegel
noun
1. een kromme gevormd door het snijden van een kegel met een plat vlak
Kegelschnitt
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Kehl
/'kɛɪɦɑrt/
adverb
1. bijzonder hard: zo hard als een kei
  1. knallhart
  2. steinhart
/kɛil/
noun
  1. 2. keil (kegel)
    Kegel
  2. 1. keil (wig)
    Keil
noun
1.
  1. Blocklehm
  2. Geschiebelehm
noun
1. een monarch van de allerhoogste rang, oorspronkelijk die van het Romeinse rijk
  1. Kaiser
  2. Imperator
noun
1. een vrouwelijke monarch van de allerhoogste rang, oorspronkelijk die van het Romeinse rijk
Kaiserin
adjective
kaiserlich
noun
1. een gebied waar een keizer het staatshoofd is
  1. Kaiserreich
  2. Imperium
noun
1. operatieve verlossing
Kaiserschnitt
adjective
1. modieus
  1. flott
  2. keck
  3. kess
noun
1. een ondergrondse bergruimte
Keller
pronoun
  1. 1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
  2. 2. een district in de Duitse deelstaat Beieren
Kelheim
pronoun
1. Belgische gemeente in de Oostkantons
Kelmis
noun
  1. Kellner
  2. Ober
/kɛɫt/
noun
1. lid van een Indo-Europees volk waarvan na de Romeinse tijd de meeste leden op de Britse eilanden en in Bretagne leven
Kelte
/kɛɫtən/
noun
2. Indo-Europees volk waarvan de meeste leden op de Britse eilanden en in Bretagne leven
Kelten
/ˈkɛl.tis/, /ˈkɛɫ.tis/
adjective
1. met betrekking tot Kelten
keltisch
noun
1. bepaald soort vogel, Calidris pugnax
Kampfläufer
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Kempten
/ˈke.ni.ja/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika, de Republiek Kenia, grenzend aan Somalië, Ethiopië, Oeganda, Tanzania en de Indische Oceaan
Kenia
noun
Kennzeichen
/'kɛnmɛrkə(n)/
verb
1. een herkenningspunt ergens van zijn
kennzeichnen
adverb
1. zoals inmiddels duidelijk is geworden
offenbar
verb
  1. 1. bekend, vertrouwd zijn met
  2. 2. door studie of oefening geleerd hebben
kennen
noun
Kenner
/ˈkɛnɪs/
noun
  1. 1. wat je weet of hebt geleerd
    1. Wissen
    2. Kenntnis
  2. buiten kennis
    bewusstlos
  3. 1. iemand met wie men bekend is
    Bekannte
noun
  1. 1. een teken waaraan iets of iemand herkenbaar is
  2. 2. een identificatienummer van een (gemotoriseerd) voertuig
Kennzeichen
noun
1. een identificatiedocument voor voertuigen
Kraftfahrzeugschein
noun
1. een combinatie van cijfers en letters op de kentekenplaat van een motorvoertuig of aanhanger
Kennzeichennummer
noun
1. een strook metaal waarop een kentekennummer is vermeld
Kennzeichenschild
/ˈkɛpəl/
noun
1. hoofddeksel in de vorm van een ondiep bolsegment
  1. Kippa
  2. Käppchen
noun
Keramik
noun
Kerl
/kɛrk/
noun
  1. 1. openbaar gebouw voor religieuze handelingen of samenkomsten
  2. 2. Christelijke organisatie voor beleving van een specifieke christelijke godsdienst
  3. 3. Georganiseerde groep die bepaalde christelijke standpunten aanhangt
Kirche
/ˈkɛrk.aˌsil/, /ˈkɛrk.aˌsiɫ/
noun
1. recht op ongestoord verblijf in een kerk tijdens religieuze bezigheden
Kirchenasyl
/ˈkɛrk.bɑn/
noun
1. uitsluiting van de sacramenten of de kerkgemeenschap
Exkommunikation
/ˈkɛrk.bɑŋk/
noun
1. harde langwerpige constructie waar in een kerkgebouw waarop gelovigen tijdens een dienst kunnen zitten
Kirchenbank
/ˈkɛrk.bəˌlɑs.tɪŋ/
noun
1. een vorm van belasting die door kerkgenootschappen geheven wordt
Kirchensteuer
noun
1. de bovenste bedekking van een christelijk religieus gebouw
Kirchendach
noun
1. bijeenkomst van een christelijke gemeente waarin God vereerd wordt
Gottesdienst
/ˈkɛr.kə.lək/
adjective
1. verband hebbend met de kerk
kirchlich
/kɛrkər/
noun
1. een ondergrondse ruimte die bestemd is voor het opsluiten van gevangenen
Kerker
/ ˈkɛrkχɑŋər /
noun
1. een gelovige die zich naar de kerk begeeft om de kerkdienst bij te wonen
  1. Kirchengänger
  2. Kirchgänger
/ ˈkɛrkχɑŋstər /
noun
1. een gelovige vrouw die zich naar de kerk begeeft om de kerkdienst bij te wonen
  1. Kirchengängerin
  2. Kirchgängerin
/ˈkɛrk.ɣəˌbɔʊ̯/, /ˈkɛrk.χəˌbɑʊ̯/
noun
1. een bel naast de ingang van de sacristie die tijdens kerkdiensten geluid wordt
  1. Kirchengebäude
  2. Kirche
/ˈkɛrk.ɣəˌsxi.də.nɪs/, /ˈkɛrk.χəˌsχi.də.nɪs/
noun
1. een deel van de wereldgeschiedenis zoals die zich verhoudt tot het christendom
Kirchengeschichte
/ˈkɛrk.hɛrˌvɔr.mər/
noun
2. een persoon die betrokken was bij het ontstaan en/of vormkrijgen van de reformatie
Reformator
/ˈkerk.ɦɪsˌtoː.ri/, /ˈkerk.ɦɪsˌto̝ː.ri/
noun
1. een deel van de wereldgeschiedenis zoals die zich verhoudt tot het christendom
Kirchengeschichte
noun
1. terrein waar overledenen begraven worden
  1. Friedhof
  2. Kirchhof
/ˈkɛr.klɔk/
noun
1. een bel in de toren van een kerk
Kirchenglocke
noun
1. lied bedoeld om tijdens de eredienst of mis te zingen
Kirchenlied
pronoun
1.
Kirchrath
noun
1. een toren bij een kerk
Kirchturm
/ˈkɛrgœːl/, /ˈkɛrkœʏ̯ɫ/, /ˈkɛrkœːl/
noun
1. bepaald soort vogel, Tyto alba
Schleiereule
noun
1. grotere ruimte in een gebouw bestemd voor missen of vieringen
Kirchensaal
noun
1. een feest met attracties
Kirmes
noun
1.
  1. Jahrmarktsorgel
  2. Kirmesorgel
noun
  1. het binnenste
  2. het meest belangrijke
Kern
/ˈkɛrnandrɛɪvɪŋ/
noun
aangedreven door kernenergie
Atomantrieb
adjective
1. raak gezegd, in weinig woorden raak samenvattend
kernig
adverb
1. op kernachtige wijze
kernig
noun
Kernkraftwerk
noun
1. energie geproduceerd door kernfusie of kernsplijting, waarmee in een kerncentrale elektriciteit wordt opgewekt
  1. Kernenergie
  2. Atomenergie
noun
1. het proces waarbij twee atoomkernen botsen en één zwaardere kern vormen waarbij energie vrij komt
Kernfusion
noun
1.
Atomrakete
noun
  1. Kernreaktor
  2. Atomreaktor
noun
1. een rampzalige gebeurtenis waarbij de brandstof van een kernreactor smelt door het wegvallen van de koeling
Kernschmelze
noun
1. datgene wat hoofdzaak is van datgene waar men verantwoordelijk voor is
Hauptaufgabe
noun
Kernwaffe
noun
Schlüsselsatz
noun
specerij
Curry
adjective
  1. Currygelb
  2. currygelb
noun
1. steenvrucht van een kersenboom, Prunus subg. Cerasus
Kirsche
/ˈkɛr.sə.ˌlaːr/
noun
  1. 1. een boom uit het geslacht Prunus
    Kirschbaum
  2. 2. het hout van een boom uit het geslacht Prunus
    1. Kirschbaumholz
    2. Kirschholz
noun
1. benaming voor bomen waaraan kleine ronde vruchten groeien, uit het ondergeslacht Prunus subg. Cerasus
Kirschbaum
/kɛr.ˈsta.vɔnt/, /kɛr.ˈz(d)a.vɔnd/
noun
Heiligabend
/ˈkɛrsd.bɑɫ/, /ˈkɛrz.bɑl/
noun
1. een bal die men als versiering ophangt aan de takken van een kerstboom
  1. Christbaumkugel
  2. Weihnachtskugel
noun
Weihnachtsbotschaft
/ˈkɛrsd.bom/, /ˈkɛrz.bom/
noun
1. rond Kerstmis opgestelde naaldboom met allerlei versieringen
  1. Weihnachtsbaum
  2. Christbaum
noun
Weihnachtsgeschenk
/ˈkɛrs.dɑx/, /ˈkɛrs.dɑχ/, /ˈkɛrz.dɑx/
noun
Weihnachtstag
/ˈkɛrstdine/
noun
1. een maaltijd uit meerdere gangen op grond van Kerstmis
  1. Weihnachtsessen
  2. Weihnachtsmahl
/ˈkɛr.stə.ˌnə(n)/
verb
2. heidense volkeren, al dan niet massaal, tot het christendom bekeren; veelal in historische context
christianisieren
/ˈkɛr.stə.ˌnɪŋ/
noun
1. het proces waarbij heidense volkeren zich, al dan niet massaal, tot het christendom bekeren
Christianisierung
/ˈkɛrs.kart/, /ˈkɛrst.kart/
noun
1. een wenskaart die wordt gekenmerkt door een kerstgroet en wensen voor het komende nieuwe jaar
Weihnachtskarte
/ˈkɛrs.lid/, /ˈkɛrst.lit/
noun
1. een op Kerstmis betrekking hebbend lied
Weihnachtslied
/ˈkɛrs(t)məs/, /ˈkɛrsmɪs/, /ˈkɛrstmɪs/
noun
1. een feest ter herinnering van de geboorte van Jezus met een vieringsdatum die verschilt per christelijke traditie
Weihnachten
/kɛrst.ˈnɑxt/, /kɛrst.ˈnɑχt/, /ˈkɛrs.nɑx/
noun
1. de nacht van 24 op 25 december
  1. Christnacht
  2. Heilige Nacht
/ˈkɛr.sto.ˌmat/
noun
1. een trostomaat zo groot als een kers
Kirschtomate
/ˈkɛr.stɑl/, /ˈkɛr.stɑɫ/
noun
1. een voorstelling van de geboorte van Jezus met figuren van hout of gips, die vooral in katholieke gezinnen rond Kerstmis in huis te vinden is, vaak onder de kerstboom
  1. Weihnachtskrippe
  2. Krippe
/ˈkɛrstɛr/
noun
Weihnachtsstern
/ˈkɛr.stɔl/, /ˈkɛr.stɔɫ/
noun
1. een speciaal brood gebakken voor de kerst gevuld met noten, vruchten en spijs
  1. Christstollen
  2. Stolle
  3. Stollen
/ˈkɛrst.fa.ˌkɑn.si/, /ˈkɛrst.fa.ˌkɑn.ʦi/, /ˈkɛrz.va.ˌkɑn.si/
noun
1. een schoolvakantie op het einde van het jaar die gewoonlijk twee weken duurt
Weihnachtsferien
noun
Weihnachtsurlaub
/ˈkɛrst.fər.ˌsiː.rɪŋ/, /ˈkɛrz.vɛr.ˌsiː.rɪŋ/
noun
1. aangekochte of zelfgemaakte voorwerpen die gebruikt worden ter versiering ter gelegenheid van Kerstmis
  1. Weihnachtsschmuck
  2. Weihnachtsdekoration
noun
  1. 2. keukenkruid
    Kerbel
  2. 1. plant
    echter Kerbel
noun
Kerbelsuppe
noun
1. een saus op basis van tomaten
Ketchup
noun
  1. 1. meestal rond metalen vat, vaak geschikt om onder druk gezet te worden
    Kessel
  2. 3. keteldal
    Talkessel
  3. 2. waterketel
    Wasserkessel
/ˈke.təl.dɑl/, /ˈke.təɫ.dɑɫ/, /ˈkeː.təl.dɑl/
noun
1. een half cirkelvormige vallei gevormd door de erosie die een gletsjer veroorzaakt
  1. Kar
  2. Bergkessel
  3. Talkessel
noun
Kesselstein
noun
1. uit losse, vaak metalen, schakels in een enkele rij aaneengeregen voorwerp
Kette
noun
zuurvergiftiging bij suikerziekte
Ketoazidose
noun
1. iemand die vanwege afwijking van de katholieke leer tot misdadiger verklaard was
Ketzer
/ˌkɛtəˈrɛɪ/
noun
1. het ingaan in woord of gedachte tegen de doctrines van de kerk
Ketzerei
noun
  1. 3. een eindeloze band van schakels met rollen of haken, die over kettingwielen gespannen, kracht overbrengt
    Antriebskette
  2. 4. een snoer bestaande uit een draad die door doorboorde kralen of andere voorwerpen gevoerd is
    Halskette
    1. 2. een stevige, maar buigzame verbinding van in elkaar grijpende ringen of achtvormige schakels
    2. 1. een aaneengesloten reeks van gelijksoortige elementen, gebeurtenissen etc.
    3. 5. schering, de rechte draden waartussen de inslag ingeweven wordt
    Kette
noun
1. een aanrijding van vanachter waarbij de aangereden auto doorschiet tegen zijn voorligger aan
Massenkarambolage
noun
1. metalen, linnen of plastic hoes om een fietsketting die ook de tandwielen omvat, bedoeld om de ketting en de kleding van de fietser te beschermen
  1. Kettenschutz
  2. Kettenhaube
  3. Kettenkasten
noun
1. motorzaag die een ketting met getande schakels heeft
Kettensäge
/ˈkøːkə(n)/
noun
  1. 1. een plaats waar gekookt wordt, ruimte waarin mensen hun voedsel bereiden
  2. 2. de wijze waarop in een land of streek gekookt wordt
Küche
noun
1. alle gebruiksvoorwerpen in de keuken
Küchengeräte
noun
1. een met papier/gerecycled papier omwikkelde kartonnen rol die vaak in de keuken word opgehangen in een houder om vervolgens gebruikt te worden als je bijvoorbeeld een glas drinken omgooit
Küchenrolle
noun
1.
Stufenleiter
/ˈkøkə(n)ˌʋɛkər/
noun
1. een apparaatje dat in de keuken gebruikt wordt om de tijd te meten
Kurzzeitwecker
noun
1. uit natriumchloride bestaand voedingszout
Kochsalz
pronoun
Köln
noun
1. een lokaal, Ripuarische dialect dat in Keulen wordt gesproken
Kölsch
noun
Elitetruppe
verb
1.zich een oordeel vormen over de waarde of deugdelijkheid van iets
prüfen
noun
  1. 1. proces van het keuren
    Prüfung
  2. 2. onderzoek
    Untersuchung
noun
Elitetruppe
noun
1. merkteken als bewijs van keuring
Gütesiegel
noun
1.
Elitetruppen
noun
Kurfürst
/'kø:s/
noun
gelegenheid
Wahl
verb
1. gezellig praten zonder al te veel diepgang
  1. plaudern
  2. erzählen
noun
1. het besluit om uit verschillende mogelijkheden er één te nemen
  1. Wahl
  2. Auswahl
/ˈkevər/, /ˈkɛvər/
noun
1. bepaald insect
Käfer
/ˈkiːbɔː(r)d/, /ˈkiːbɔː(r)t/
noun
  1. 1. een elektronisch muziekinstrument met een toetsenbord
    1. Klaviatur
    2. Keyboard
    3. Tastatur
    4. Manual
  2. 2. een apparaat waarmee, door toetsen in te drukken, gegevens in een computer ingevoerd kunnen worden
    Tastatur
pronoun
1. taal die in Cambodja gesproken wordt
Khmer
/kɪbələ(n)/
verb
1. woordenstrijd hebben
zanken
/ˈkɪbuts/
noun
Kibbuz
verb
1. wederrechtelijk en onder dwang iemand weghalen
kidnappen
/ˈkɪd.ˌnɑ.pər/, /ˈkɪt.ˌnɑ.pər/, /ˈkɪt.ˌnɛ.pər/
noun
1. iemand die mensen kidnapt of ontvoert
  1. Entführer
  2. Kidnapper
  3. kidnapper
noun
1.1 benaming voor roofvogels uit het geslacht Circus
Weihe
noun
  1. 1. verlenging van de onderzijde van een (zeil)schip
  2. 1. plectrum
Kiel
noun
1.
Kieler Bucht
noun
1. onderdeel aan de bovenkant van de toets van een strijkinstrument
  1. Obersattel
  2. Sattel
noun
  1. 1. spoor van waterstroom (achter een schip)
    Kielwasser
  2. 2. (uitdrukking) in het
    im Kielwasser
noun
Keim
/'kim.ʋɔr.təl/
noun
1. eerste worteltje van een zaailing
  1. Keimwurzel
  2. Wurzelkeim
noun
1. pijn in één of meerdere kiezen
Zahnschmerzen
noun
Wahlrecht
noun
1. de wijze waarop de volksvertegenwoordiging bij verkiezingen wordt gekozen.
Wahlsystem
noun
minachtende aanduiding voor het electoraat
Wahlvieh
verb
1. het prikkelen van gevoelige stukken huid bij anderen door middel van licht aanraken
kitzeln
pronoun
1. de hoofdstad van Oekraïne
Kiew
noun
Kiebitz
adjective
  1. Kieselgrau
  2. kieselgrau
noun
Kieselstein
/ˈkizəɫˌʋirə(n)/
noun
2. stam van eencellige organismen, Bacillariophyta
  1. Diatomeen
  2. Kieselalgen
noun
1. (scheikunde) een zwak zuur dat is afgeleid van siliciumdioxide
Kieselsäure
verb
  1. kiezen voor iets
    entscheiden
  2. 1. uit meerdere mogelijkheden één nemen
    wählen
noun
1. iemand die stemt bij een politieke verkiezing
Wähler
noun
1. een statistische bepaling van het aantal kijkers en hun waardering van een bepaald televisieprogramma
  1. Einschaltquote
  2. Quote
verb
  1. gucken
  2. kucken
  3. wachen
noun
1. iemand die kijkt
Zuschauer
verb
1. ruzie maken, een woordenstrijd hebben
  1. keifen
  2. zetern
noun
  1. 1. benaming voor amfibieën uit de orde Anura
    Frosch
  2. 2. een dubbele haak ter bevestiging van een touw
    Klampe
noun
1. legsel
Froschlaich
noun
1. en 2. (zaden van) de plant Cicer arietinum
Kichererbse
noun
1. fijn gemalen kikkererwten
Kichererbsenmehl
noun
1. kikker- of paddenlarve
Kaulquappe
noun
  1. 1. informele afkorting van "kilogram" de SI-eenheid van massa (symbool: kg)
  2. 2. informele afkorting van "kilogram" een niet-SI-eenheid van gewicht of kracht
Kilo
noun
1. duizend ohm
Kiloohm
noun
1. duizend ampère
  1. Kiloampere
  2. kA
abbreviation
1. kilogram
Kilogramm
noun
1. duizend henry
Kilohenry
noun
1. duizend hertz
Kilohertz
noun
1. duizend meter
Kilometer
noun
1. kilopascal (1000 Pa)
Kilopascal
noun
1. duizend siemens
Kilosiemens
noun
1. duizend volt
  1. Kilovolt
  2. kV
noun
1. duizend watt
  1. Kilowatt
  2. kW
interjection
  1. 1. horizon
    Horizont
  2. 3. strook aan de zijkant van een enkel blad
    Umbug
noun
1.
Stapel
noun
Horizont
noun
1. de kleine spiegel van in sextant of octant
Horizntspiegel
noun
1. het vooruitstekende deel van de onderkaak
Kinn
noun
  1. 1. mens tussen 0 en 18 jaar
  2. 2. persoon voortkomend uit
Kind
adjective
1. zich niet als volwassene gedragend alsof men nog een kind is
kindisch
noun
Kinderarbeit
noun
1. een arts die gespecialiseerd is in de behandeling van kinderen
Kinderarzt
noun
1. toeslag van staatswege, bedoeld om de opvoeding van kinderen gemakkelijker te maken
Kindergeld
noun
1.
Kinderbischof
noun
Kinderbuch
noun
Streichelzoo
noun
  1. Ganztagskindergarten
  2. Kindertagesstätte
  3. Kita
noun
Kinderheilkunde
noun
Kinderhand
noun
  1. 2. kinderverzorgster belast met de verzorging van kinderen, en het toezicht over de kinderen in een instelling
    Kinderbetreuerin
  2. 1. kindermeisje (in een huishouden)
    Kindermädchen
noun
1. een kamer die speciaal is ingericht voor kinderen
Kinderzimmer
noun
1. natuurstenen kei met ronde bovenkant gebruikt voor verharden van wegen
  1. Katzenkopf
  2. Pflasterstein
noun
Kinderreim
noun
1. de behandeling van een kind met het toebrengen van fysieke of psychische schade als doel
  1. Kindesmissbrauch
  2. Kindesmisshandlung
noun
1. het om het leven brengen van een kind
Kindermord
noun
Kinderbetreuung
noun
1.
Kinderschreck
noun
Spielgarten
noun
  1. 1. ziekte bij kinderen
  2. 2. fout, tekortkoming bij een nieuw voorwerp, project of plan
Kinderkrankheit
noun
1. kind dat deelneemt aan een gewapend conflict
Kindersoldat
adjective
1. geschikt voor kinderen, met voorzieningen die gezinnen met kinderen waarderen
kinderfreundlich
noun
  1. Physiotherapie
  2. Heilgymnastik
noun
Chinin
noun
Lümmel
/kɪŋk(h)ust/
noun
1. een bepaalde kinderziekte die veroorzaakt wordt door de bacterie Bordetella pertussis
Keuchhusten
noun
1. klein vrijstaand winkeltje waar men snoep, koffie, kranten en tijdschriften kan kopen
  1. Kiosk
  2. Verkaufsstand
/kɪp/
noun
  1. 1. Gallus gallus domesticus, gedomesticeerde vogel uit de familie van de hoenderachtigen
    1. Huhn
    2. Hühnchen
  2. 2. kippenvlees
    1. Huhn
    2. Hühnerfleisch
noun
1.
Hühnerei
noun
hok voor kippen
  1. Hühnerstall
  2. Hühnerhaus
noun
1. orgaan dat een grote rol speelt in de stofwisseling van een hoen, na het slachten vaak gegeten als delicatesse
Pouletleber
/ˈkɪpəvɛɫ/
noun
1. het verschijnsel waarbij als gevolg van kou de huid gaat kleine bubbeltjes vertoont
Gänsehaut
noun
Hühnerfett
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Kirchentellinsfurt
/kɪr.ˈɣi.zi.jə/, /kɪr.ˈχi.zi.jə/
pronoun
1. een land in Centraal Azië, officieel de Kirgizische Republiek, dat geheel door land omsloten is
Kirgisistan
/ˌki.ri.ˈbɑs/
pronoun
1. land in Oceanië, officieel de Republiek Kiribati
Kiribati
noun
1. een alcoholische drank die bereid wordt door gegist kersensap te destilleren
Kirschwasser
/kɪts/
adjective
1. een zeiljacht met twee langsgetuigde masten
Ketsch
noun
1. schijnkunst die niet aanslaat met veel versieringen en/of de verkeerde materialen waarvan de meeste mensen denken dat het wansmaak is
Kitsch
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Kitzbühel
pronoun
  1. 1. een district in de Duitse deelstaat Beieren
  2. 1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Kitzingen
noun
2. vrucht van plantengeslacht Actinidia
  1. Kiwi
  2. Kiwifrucht
pronoun
Klagelieder
/klaːr/
adjective
  1. 1. in staat van gereedheid gebracht, gereed
    fertig
  2. 2. helder, duidelijk
    klar
adjective
1. kennelijk
  1. offenkundig
  2. evident
verb
  1. 2. uit ingrediënten klaarmaken
    bereiten
  2. 1. voorbereiden
    1. bereitmachen
    2. herrichten
  3. 3. iemand bevredigen en tot een orgasme brengen
    es machen
verb
1. iets moeilijks in orde of ten einde brengen
schaffen
pronoun
1. denkbeeldig mannetje dat mensen 's nachts iets in de ogen strooit zodat ze kunnen slapen
Sandmann
noun
1. een aanklacht
  1. Klage
  2. Beschwerde
noun
1. een blok met kladpapier
  1. Konzeptblock
  2. Notizblock
noun
Kladde
verb
1. ongenoegen uiten
klagen
adjective
1. een beetje vochtig aanvoelend
  1. klamm
  2. feucht
noun
1. fijn net waaronder men slaapt om muggen buiten te houden
Moskitonetz
noun
2. een klem of haak waaraan een touw kan worden bevestigd
Klampe
noun
1. in het algemeen wordt hiermee het totaal aan eigenschappen van een geluid aangeduid
  1. Klang
  2. Laut
noun
Korpus
noun
gedicht waarvan de woorden niets betekenen en waarbij dus alleen de klank ertoe doet
Lautgedicht
noun
gedicht waarbij niet de betekenis van de woorden maar de klank centraal staat
Lautgedicht
noun
Phonetik
/ˈklɑŋknabotsɪŋ/
noun
  1. 1. het (proberen) een zelfde geluid te produceren
  2. 2. een woord dat is ontstaan uit het proberen een geluid na te doen
Lautmalerei
noun
  1. Schallgefäß
  2. lydpotte
/ˈklɑŋk.və.ˌrɑn.də.rɪŋ/
noun
1. het verschijnsel dat een klank in een taal in de loop van de tijd vervangen wordt door een andere klank
Lautwandel
/ˈklɑŋk.vər.ˌsχœʏ̯.vɪŋ/
noun
1. het verschijnsel dat een klank in een taal in de loop van de tijd vervangen wordt door een andere klank
  1. Lautverschiebung
  2. Lautwandel
noun
1. afnemer van een product of dienst van een leverancier
  1. Kunde
  2. Klient
noun
1. een verzameling klantgegevens (persoonlijke gegevens, bankgegevens, bestelgeschiedenis, lopende bestellingen,...
Kundenkonto
noun
1. maatregelen van een bedrijf om iemand als klant te behouden
Kundenbindung
noun
Kundenkarte
noun
Kundenwerbung
noun
  1. 2. bestraffing
    Klaps
  2. 1. plotselinge, luidruchtige slag
    Knacks
noun
1.
Reifenpanne
noun
Schmarotzer
noun
1. bepaald soort zoogdier, Cystophora cristata
Klappmütze
verb
1. applaudisseren
  1. klatschen
  2. applaudieren
/ˈklɑ.pərˌve.zəl/, /ˈklɑ.pərˌve.zəɫ/
noun
1. een vezel gewonnen uit de schil van een kokosnoot
  1. Kokosfaser
  2. Coir
noun
1. Papaver rhoeas, een plant met een felrode bloem uit de familie Papaveraceae
  1. Mohn
  2. Klatschmohn
  3. Klatschrose
  4. Kornrose
noun
1. een schaats die bij het langeafstandsschaatsen gebruikt wordt
Klappschlittschuh
/ˈklɑpstuːl/
noun
stoel met opklapbare zitting
Klappstuhl
noun
  1. 2. hoogtepunt van een uitvoering, concert
    Höhepunkt
  2. 1. ± stuk rundvlees van de borst of klaprib, dat langdurig in een oven gebraden wordt
    Rinderbrust
noun
1. een houten blaasinstrument waarop de melodie wordt gespeeld in een harmonie
Klarinette
noun
1. klarinettist
  1. Klarinetbläser
  2. Klarinettist
noun
1. een soort trompet met een schelle klank
Bügelhorn
/klɑs/
noun
    1. 1. een groep leerlingen die een tijdlang gezamenlijk les krijgen
    2. 2. een leerjaar op school
    Klasse
  1. 3. een klaslokaal
    Schulzimmer
noun
1. een ruimte in een school voor het geven van les aan scholieren
  1. Klassenzimmer
  2. Klassenraum
noun
1. een leerling die in naam van de klas waar hij deel van uitmaakt het woord voert.
Klassensprecher
noun
1. een vrouwelijke klassenvertegenwoordiger
Klassensprecherin
adjective
klassisch
/ˈklʌʊtərə(n)/
verb
1. klimmen, zich verticaal verplaatsen met behulp van alle vier de ledematen
  1. klettern
  2. klimmen
  3. steigen
/klʌu/
noun
  1. 2. hand
    1. Klaue
    2. Kralle
  2. 1. poot van een roofdier
    1. Kralle
    2. Klaue
    3. Fänge
noun
Zimmermanshammer
noun
1. klauwplaat
Spannfutter
noun
  1. 1. langwerpig vierkant toetsinstrument dat behoort tot de muzikale familie van de toetsinstrumenten.
    1. Clavichord
    2. Klavichord
  2. een ongebonden klavechord
    1. ein bundfreies Clavichord
    2. ein ungebundenes Clavichord
  3. een gebonden klavechord
    ein gebundenes Clavichord
noun
1. toetsinstrument
Cembalo
noun
Klee
noun
1. kaartkleur
Kreuz
noun
1. langwerpig vierkant toetsinstrument dat behoort tot de muzikale familie van de toetsinstrumenten.
Klavichord
verb
  1. 1. kleren aandoen
  2. 2. met weefsel bedekken, van kleding voorzien
kleiden
noun
1. het textiel voor de bedekking van het lichaam
Kleidung
noun
1. rek van hout, metaal of kunststof waaraan je jassen en overhemden kunt hangen
Kleiderbügel
noun
1.
  1. Kleidungstück
  2. Kleidungsstück
noun
  1. Ankleiderin
  2. Garderobiere
pronoun
1. stad in Duitsland
Kleve
/ˈmɑjsɛtmel/
noun
1. bindmiddel dat uit de korrels van kleefmais wordt gewonnen
Wachsmaisstärke
noun
1. rijstsoort die veel zetmeel bevat
Klebreis
noun
1. rek van hout, metaal of kunststof waaraan je jassen en overhemden kunt hangen
Kleiderbügel
noun
Kleiderschrank
noun
1. iemand wiens beroep bestaat uit het maken van kleding.
Schneider
noun
1. nachtvlindersoort waarvan de rupsen textiel eten
Kleidermotte
/klɛɪ̯/, /klɛː/
noun
1. zeer fijne, vochthoudende grondsoort
  1. Ton
  2. Lehm
adjective
1. van geringe grootte
klein
noun
  1. gemeines Greiskraut
  2. gemeines Kreuzkraut
  3. gewöhnliches Greiskraut
noun
1. het kleinetertsakkoord
Mollakkord
adjective
  1. 1. de klasse tussen de gegoede burgerij en de arbeiders
    1. kleinbürgerlich
    2. spießbürgerlich
  2. 2. benepen, bekrompen
    1. spießig
    2. kleinbürgerlich
    3. spießbürgerlich
noun
1. cirkel op bol met verschillende middelpunten
Kleinkreis
/ˈklɛɪndɔxtər/
noun
1. een dochter van iemands kind, een vrouwelijk kleinkind
Enkelin
pronoun
1. een hoog aan het noordelijk halfrond duidelijk sterrenbeeld
Kleiner Bär
noun
1. roestbruine nachtvlinder met weinig kleur, Phragmatobia fuliginosa
  1. Rostflügelbär
  2. Zimtbär
noun
1. bepaald soort meeuw, Larus glaucoides
Polarmöwe
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Kleiner Hund
noun
1. bepaald soort zoetwatervis, Cobitis taenia
Steinbeisser
noun
1. een toonladder met een kleine terts
Molltonleiter
noun
1. een toonladder met een kleine terts
Molltonleiter
noun
1. een toonladder met een kleine terts
Molltonleiter
noun
1. een toonladder met een kleine terts
Molltonleiter
/ˈklɛːnɣɛlt/
noun
1. geld in kleine coupures, vooral in munten
Kleingeld
/ˈklɛːŋkɪnt/, /ˈklɛːɪŋkɪnt/
noun
1. kind van zoon of dochter
  1. Enkelkind
  2. Enkelin
  3. Enkel
noun
1. klein voorwerp van hoge waarde
Kleinod
noun
1. werkwijze of structuur waarin hoeveelheden of aantallen beperkt zijn
Übersichtlichkeit
noun
1. kleinseptiemakkoord
Mollseptakkord
noun
1.
Kleinvieh
noun
1. een zoon van iemands kind, een mannelijk kleinkind
  1. Enkel
  2. Enkelsohn
noun
1. kleisteen
Tonstein
noun
1. een werktuig waarin iets door samendrukken bijeengehouden of vastgezet kan worden
  1. Klammer
  2. Klemme
noun
  1. Betonung
  2. Akzent
  3. Nachdruck
/ˈklepəl/
noun
peervormige staaf in een klok
Klöppel
noun
1. de onweerstaanbare drang om te stelen
Kleptomanie
verb
2. praten, babbelen
  1. plaudern
  2. schwatzen
  3. schwätzen
  4. plauschen
noun
1. nonsens, geleuter
Quatsch
/kløːr/
noun
1. het onderscheid dat gemaakt wordt op basis van het verschil in golflengte van licht
Farbe
verb
1. van kleur voorzien met potloden, stiften, wasko etc.
färben
noun
1. het maken van foto's waarbij in de afbeelding de kleurindrukken van het origineel benaderd worden
Farbfotografie
adjective
1. een kleur hebbend (gekleurd) of een verscheidenheid aan kleuren vertonend
farbig
noun
Buntstift
adjective
1. vol opvallende kleuren
farbenprächtig
noun
1. stof waarmee men iets kleurt
Farbstoff
noun
1. een jong kind in de leeftijd van vier tot zes jaar
Kindergartenkind
verb
kleben
noun
2. orgaan
Drüse
/ˈklivə(n)/
verb
1. langs een scherp breukvlak in tweeën hakken
spalten
noun
1. steile hoge rots
Klippe
noun
    1. 1. kort geluid
    2. 2. actie op en computerscherm
    Klick
  1. 3. soort medeklinker
    Klicklaut
verb
2. met een muis of anderszins een keuze kenbaar maken door op een vlak op het scherm te drukken
klicken
noun
1. de gemiddelde natuurlijke gesteldheid van de lucht en het weer in een gebied op een planeet
Klima
noun
iemand die voortdurend de mening uitdraagt dat een rampzalige...
Klimaalarmist
noun
Klimaleugner
noun
Klimaskeptiker
noun
1. de verandering van het klimaat in een bepaald gebied over een bepaalde periode, m.n. de wereldwijde opwarming sinds de 19e eeuw
  1. Klimawandel
  2. Klimaveränderung
noun
Klimazone
/klɪmɑtoloˈɣi/
noun
1. leer van de lucht- en weersgesteldheid.
Klimatologie
verb
  1. 2. stijgen, omhooggaan, groeien, hoger worden of komen
    1. aufsteigen
    2. verbessern
  2. 1. het bewegen in een omhooggaande richting dan wel over obstakels
    1. klettern
    2. steigen
    3. klimmen
/'klɪ.mɔp/
noun
1. Hedera helix, een groenblijvende houtige plant
Efeu
noun
1. planten die tegen voorwerpen aan omhoog kunnen groeien
Kletterpflanze
noun
1. klimconstructie
Klettergerüst
pronoun
1. een kunsttaal die uitgevonden is door Marc Okrand voor Star Trek-films
Klingonisch
noun
1. een inrichting waar patiënten worden verpleegd
Klinik
/klɪŋk/
noun
  1. 2. constructie om een deur gesloten te houden
    Klinke
  2. 1. handvat om de deur te openen of te sluiten
    Türgriff
verb
1. een bepaalde klank voortbrengen
klingen
/ˈklɪŋkər/
noun
  1. 3. een harde baksteen die door zijn structuur geen water opzuigt
    Klinker
  2. 1. een klank van de menselijke spraak waarbij geen obstructie in de ademstroom aangebracht wordt.
    1. Vokal
    2. Selbstlaut
noun
1. morfologisch proces waarbij de klinkers veranderen binnen een bepaald paradigma, zoals bij sterke werkwoorden
  1. Vokalalternanz
  2. Vokalwechsel
noun
1. een metalen verbinding tussen twee platen bestaande uit twee cilidrische delen die van weerszijden,...
Niet
adverb
1. zo duidelijk dat een misverstand uitgesloten is
klipp und klar
noun
1. plant met kleverige bloemknoppen
Klette
noun
  1. 1., 2. plant met kleverige bloemknoppen
  2. 4. een zeer aanhankelijke persoon
Klette
noun
  1. 2. een belvormige idiofoon, vooral bekend van kerktorens en carillons
    Glocke
  2. 1. een instrument dat de tijd bijhoudt
    Uhr
/ˈklɔkɦœs/, /ˈklɔkɦœʏs/
noun
1. binnenste van een vrucht
Gehäuse
verb
2. een geluid voortbrengen dat als "klok" klinkt
  1. blubbern
  2. glucken
  3. gluckern
  4. glucksen
noun
1. iemand die een klokkenspel, beiaard of carillon bespeelt
Glockenspieler
noun
1. muziekinstrument met klokken
Glockenspiel
noun
1. iemand die een beiaard of carillon bespeelt
Glockenspieler
noun
1. een constructie die dient voor het ophangen van een of meerdere klokken
Glockenstuhl
/klɔmp/
noun
  1. 1. schoeisel van hout, eventueel in combinatie met leer
    Holzschuh
  2. 2. een vrij vormeloze hoeveelheid materiaal
    Klumpen
verb
1. een identieke kopie van een levend wezen maken
  1. klonen
  2. klonieren
noun
1. een hoeveelheid verdikt materiaal met een omvang die niet goed te definiëren is.
Klumpen
noun
1. een brok min of meer vaste stof in een vloeiende massa
Klümpchen
noun
1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord klont
Klümpchen
noun
1. een ten gevolge van erosie, diep uitgesleten rivierdal, met steile wanden
Schlucht
/klon/
noun
1. een levend wezen dat een exacte genetische kopie is van een ander wezen
Klon
/klostər/
noun
  1. 1. een gebouw waarin een kloostergemeenschap gevestigd is
  2. 2. een kloostergemeenschap als zodanig
Kloster
noun
3. informele benaming voor teelbal
  1. Eier
  2. Klöten
noun
Arschloch
noun
  1. Treibjagd
  2. Hetzjagd
verb
  1. 1. tegen iets slaan
    klopfen
  2. 2. hoorbaar bewegen
    1. klopfen
    2. schlagen
    1. 5. verslaan
    2. 4. in toestand brengen
    schlagen
  3. 3. in overeenstemming zijn
    stimmen
/ˈklɔpt/
interjection
bevestiging
  1. richtig
  2. stimmt
pronoun
1. een stad in de Oostenrijkse deelstaat Neder-Oostenrijk
Klosterneuburg
verb
1. het op bepaalde wijzen splijten van een diamant
spalten
noun
  1. 3. schijnvertoning
    Farce
  2. 2. lachwekkend voorval
    1. Farce
    2. Komödie
  3. 1. toneelstuk
    1. Posse
    2. Schwank
  4. 4. groep samenlevende dieren
    Schwarm
/klœʏs/, /klœːs/
noun
1. een tegen inbraak en brand beveiligde kist of kast
  1. Safe
  2. Tresor
  3. Schließfach
noun
afsluitbare deur van een brandkast
Tresortür
/klœʏt/, /klœːt/
noun
  1. 2. een brokkelige onsamenhangende massa
    1. Brocken
    2. Klumpen
  2. 1. de aarde om een wortelstelsel van een plant
    Wurzelballen
verb
1. een bot in handen houden en er vlees van afhappen
  1. kauen an
  2. nagen an
noun
1. iemand die alleen en in afzondering leeft
Einsiedler
noun
een woning van een kluizenaar
  1. Einsiedelei
  2. Klause
  3. Ermitage
noun
1. een onhandig persoon
Stümper
/klyt/
noun
1. bepaald soort watervogel, Recurvirostra avosetta
Säbelschnäbler
noun
1. tot een bol opgewonden draad
Knäuel
noun
1.
KMI
/ˈknaxdiːr/, /ˈknaɣdiːr/
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Rodentia
  1. Nagetier
  2. Nager
noun
1. jongen, jongeman
Knabe
noun
2. aan een kapstok te hangen voorwerp om kleding over te hangen
Kleiderbügel
verb
knabbern
verb
1. met de tanden aanvreten
nagen
noun
    1. 1. kort, droog geluid van iets dat breekt (knakt)
    2. 3. beschadiging, schade
    Knacks
  1. 2. breuk, waarbij de delen blijven samenhangen
    Sprung
noun
Knackwurst
noun
1. een mengsel van zuurstof en waterstof in (ongeveer) de verhouding 1:2
Knallgas
verb
1. een hard geluid of knal geven
knallen
noun
Auspufftopf
adjective
1. opvallend helder en verzadigd roze
knallrosa
adjective
  1. 2. aantrekkelijk
    hübsch
  2. 1. verstandig
    klug
verb
1. hoorbaar zijdelings bezwijken
knacken
verb
1. geluid voortbrengen door twee hard oneffen voorwerpen met kracht over elkaar heen te bewegen
  1. knarren
  2. quietschen
verb
1. de kaken op elkaar geklemd over elkaar bewegen, gewoonlijk uit ergernis of frustratie
knirschen
verb
1. een massa soepel maken door er steeds in te knijpen
kneten
verb
1. pijnlijk drukken
  1. drucken
  2. spannen
noun
  1. Engpaß
  2. Flaschenhals
adjective
1. ontzettend gek
  1. behämmert
  2. verrückt
noun
1. bepaald soort vinkachtige, Carduelis cannabina
  1. Bluthänfling
  2. Hänfling
adjective
  1. 1. knus
    1. behaglich
    2. gemütlich
  2. 2. bekrompen
    1. borniert
    2. kleinbürgerlich
    3. kleinkariert
    4. spießig
noun
  1. 1. een prop, doek of stuk plakband waarmee iemand het spreken belet wordt
    Knebel
  2. 2. grote brede snor
    Schnurrbart
verb
1. binden, boeien
knebeln
noun
  1. 1. gewricht in het midden van het been dat het bovenbeen met het onderbeen verbindt
    Knie
  2. iets onder de knie hebben
    beherrschen
noun
  1. 1.2. buiging als vorm van sportbeoefening
    Kniebeuge
  2. 2. (figuurlijk) op nederige wijze uitgevoerde inwilliging van een wens
    Kniefall
  3. 1.1. buiging als eerbetoon
    Niederknien
verb
1. op de knieën gaan
knien
noun
1. het schijfvormige bot in de knie
Kniescheibe
noun
1. een ouderwetse bril die op de neus geknepen werd gedragen
  1. Zwicker
  2. Binokel
verb
1. tussen twee punten druk uitoefenen
kneifen
/'knɪkə(n)/
verb
1. een verticale beweging met het hoofd maken
nicken
noun
1. balletje van glas, marmer, steen, hout of klei
  1. Murmel
  2. Bucker
  3. Knicker
noun
1. Caesalpinia bonduc
Molukkenbohne
noun
1. opvouwbaar mes waarbij vaak een veer zorgt voor het uitklappen
Klappmesser
verb
1. open- en dichtgaan van de ogen
zwinkern
noun
1. teken in de vorm van het kort toeknijpen van een oog om verstandhouding of waardering uit te drukken
Augenzwinkern
verb
2. een klikkend geluid met de vingers maken
schnipsen
verb
1.
blinken
noun
2. oranje knipperende lamp aan de zijkant van een voertuig, gebruikt om aan te geven dat men het voertuig naar rechts of links wil manoeuvreren
  1. Blinker
  2. Blinkleuchte
verb
1. een licht knetterend geluid maken
knistern
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Knittlingen
noun
Pfuscherei
noun
  1. 2. bundel ineengedraaid haar
    Dutt
  2. 1. karwats
    Knute
noun
1. looksoort Allium sativa met samengevouwen bol
Knoblauch
noun
1. vingergewricht
  1. Fingerknöchel
  2. Knöchel
verb
1. vechten
  1. kämpfen
  2. fechten
noun
  1. 3. aftands werkpaard.
    Gaul
  2. 1. verdikte plantenwortel.
    Knolle
  3. 2. koolraap, een eetbare wortel van een plant uit het geslacht Brassica.
    Rübe
noun
Rübe
noun
  1. Knollensellerie
  2. Sellerie
noun
  1. 3. aan een jas e.d.
    Knopf
    1. 1. in een draad
    2. 2. snelheidsmaat
    Knoten
noun
1. een platte knoopvormige batterij die meestal in draagbare elektronische apparatuur wordt gebruikt
Knopfzelle
noun
  1. 1. een kruispunt van twee of meer grote wegen
    1. Autobahndreieck
    2. Autobahnkreuz
    3. Verkehrsknotenpunkt
  2. 3. een plaats waar spoorwegen uit verschillende richtingen bijeenkomen, vaak voorzien van een station en/of een rangeerterrein
    Eisenbahnknotenpunkt
  3. 2. het punt waar twee rechte stukken van een open of gesloten veelhoek bij elkaar komen
    Knoten
noun
1. spleet die in een stuk stof is gemaakt zodat een ander stuk stof daaraan kan worden vastgemaakt
Knopfloch
verb
1. een vastzittende lus in een koord, draad of touw maken
knoten
noun
1.
Wirbelkasten
/'knɔrə(n)/
verb
1. een geluid voortbrengen zoals een varken
grunzen
adjective
1. zeer slecht
  1. lausig
  2. mies
noun
  1. 2. speelgoed
    1. Kuscheltier
    2. Stofftier
  2. 1. omhelzing
    Liebkosung
noun
1. een stoffen pop meestal in de vorm van een dier waarop een kind vaak al zijn liefde richt
  1. Kuscheltier
  2. Stofftier
verb
1. omhelzen
  1. knutschen
  2. schmusen
noun
1. korte dikke stok, bedoeld om lijfstraf mee uit te delen
Knüppel
adjective
1. aangenaam van gezelschap en eniszins intiem
  1. gemütlich
  2. lauschig
  3. muckelig
noun
1.
  1. Bartmücke
  2. Gnitze
/knʌtsələ(n)/
verb
1. zelf voorwerpen uit liefhebberij vervaardigen met gebruik van gereedschap als hamer, zaag en schaaf
basteln
noun
1. een Australisch buideldier
  1. Koala
  2. Koalabär
noun
1. scheikundig element met symbool Co en atoomnummer 27
  1. Kobalt
  2. Cobalt
adjective
  1. Kobaltblau
  2. kobaltblau
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Araneae
Spinne
noun
1. Ursus arctos middendorffi, de grootste beer en het grootste bekende landroofdier
Kodiakbär
noun
1. vrouwelijk rund
Kuh
noun
1. behuizing voor rundvee
Kuhstall
noun
1. de platte ronde uitwerpselen van een koe
Kuhfladen
noun
  1. Kuchen
  2. Keks
  3. Plätzchen
  4. Zwieback
verb
1. tot een klont, een koek worden
pappen
noun
1. een platte pan met een lang handvat
Bratpfanne
/[ˈkuc̠͡ç̠jø̜]/
noun
2. klein baksel dat meestal bij de koffie of thee genuttigd wordt
Keks
noun
1. bepaald soort vogel, Cuculus canorus
Kuckuck
noun
klok
Kuckucksuhr
/ˈku:li/
noun
Kuli
noun
Kühlung
noun
1. een huishoudelijk apparaat voorzien van een koelinstallatie,...
Kühlschrank
noun
1. koelolie
Kühlöl
noun
1. koelvloeistof
Kühlflüssigkeit
noun
  1. Kumys
  2. Kumyss
noun
  1. 3. een overkoepelend orgaan
    Dachverband
    1. 1. een gewelf in de vorm van een halve bol of een halve ellipsoïde
    2. 2. een ruimtelijke figuur, veelvlak
    Kuppel
/ˈku.pəlˌkɛrk/, /ˈku.pəɫˌkɛrk/
noun
1. een kerkgebouw waarbij het schip overdekt wordt door een koepelvormige kap
Kuppelkirche
noun
1. taalvariant die sprekers van uiteenlopende nauw verwante talen of dialecten voor onderlinge communicatie gebruiken
Dachsprache
pronoun
1. een taal die door de Koerden gesproken wordt
  1. Kurdisch
  2. kurdisch
noun
1. kleine witte reigersoort
Kuhreiher
noun
1.
  1. Bote
  2. Kurier
noun
  1. Kurs
  2. Fahrtrichtung
  3. Satz
noun
  1. 2. de spilkoers van een munteenheid wijzigt door het aanbod of de vraag te veranderen
    Kursbewegung
  2. 1. een kleine wijziging van de richting
    Kurskorrektur
noun
1. meter waarop de koers af te lezen valt
Kurskreisel
noun
1. radiobaken waarmee de koers bepaald kan worden
Kursfunkfeuer
noun
1. kleine wijziging van de koers om de gewenste richting te behouden
Kurskorrektur
noun
Rennrad
noun
1. de uitgezette koers die een vliegtuig / vaartuig zou moeten volgen
Kleidungstück
noun
1.
Kursänderung
noun
1. overdekte ruimte waarin koeien kunnen verblijven
Kuhstall
verb
1. iets geliefds nauw aan het hart houden
  1. hegen
  2. umsorgen
/ˌku.tər.ˈʋaːls/
noun
1. aanduiding voor een onverstaanbare taal
Kauderwelsch
noun
1. vierwielig rijtuig met vering, vaak gesloten, dat getrokken wordt door paarden
Kutsche
noun
1. iemand die de paarden van een koets ment
Kutscher
noun
1. stevige metalen stang voorzien van een gespleten einde, gebruikt om er zaken mee open te breken
  1. Brechstange
  2. Kuhfuß
  3. Brecheisen
/ˈkuwɛɪ̯t/, /ˈkuʋɛɪ̯t/, /ˈkuβ̞ɛ:t/
pronoun
1. een kleine olierijke monarchie op het Arabische schiereiland in Azië aan de kust van de Perzische Golf
Kuwait
noun
1. draagbare bergruimte van stevig materiaal met een handvat, waarin spullen kunnen worden meegenomen tijdens het reizen
Koffer
noun
1. het gedeelte van een auto waar de bagage in geplaatst wordt
Kofferraum
noun
1. samensmelting van twee of meer bestaande woorden
  1. Kofferwort
  2. Schachtelwort
noun
  1. 1. drank uit koffiebonen
    Kaffee
  2. 2. gemalen gebrande koffiebonen
    1. Kaffee
    2. Kaffeemehl
noun
  1. Milchkaffee
  2. Verkehrter Kaffee
noun
1. sterk geconcentreerd aftreksel van koffie
Kaffee-Extrakt
noun
Kaffeebohne
noun
1. het donkere bezinksel van gemalen koffiebonen dat overblijft na het zetten van koffie
Kaffeesatz
noun
1. een uitspanning waar men koffie kan nuttigen
Café
/ˈkɔ.fi.ˌka.mər/
noun
Pausenraum
noun
1.
Kaffeeküche
noun
1. een huishoudelijk apparaat waarin koffiebonen kunnen worden gemalen
Kaffeemühle
noun
Kaffeepflanze
noun
2.
Kaffeetafel
noun
  1. 1-2. munitie
  2. 3. metalen bal gebruikt bij kogelstaten
Kugel
noun
1.
Kugellager
noun
1.
Kugelmühle
noun
1. benaming voor zeevissen uit het geslacht Tetraodontidae
Kugelfische
noun
Koch
verb
  1. 2. met behulp van ingrediënten een maaltijd klaarmaken
    kochen
  2. 1. vloeistof verwarmen totdat er zich in de hele vloeistof bellen vormen die naar boven stijgen en openspringen
    1. kochen
    2. sieden
noun
  1. 1. een smal cilindervormig hol voorwerp
    1. Behälter
    2. Köcher
    3. Röhre
  2. 2. een keukenapparaat waarin iets kan gekookt worden
    Kocher
verb
1. behaagziek zijn
kokettieren
noun
1. bepaald soort zeevogel met een gekleurde kop en een lachende roep, Chroicocephalus ridibundus
Lachmöwe
/ˈko.kɔsˌbom/
noun
1. een palm die tot 30 m hoog kan worden en 4-6 m lange bladeren heeft
Kokospalme
/ˈko.kɔs.maˌkron/
noun
1. een ronde koek op kokosbasis op een stuk rond ouwel
Kokosmakrone
/ˈko.kɔsˌmɛlk/, /ˈko.kɔsˌmɛɫk/
noun
1. vocht verkregen door het kiemwit van een kokosnoot met water te vermengen en uit te knijpen
Kokosmilch
/'kokɔsnot/
noun
1. holle vrucht van de kokospalm met wit vruchtvlees en een vezelige bast
Kokosnuss
/ˈko.kɔsˌo.li/
noun
1. een soort olie gewonnen uit kokosnoten
  1. Kokosöl
  2. Kokosfett
  3. Kokosnussöl
/ˈko.kɔsˌpɑlm/, /ˈko.kɔsˌpɑɫm/
noun
1. een palm die tot 30 m hoog kan worden en 4-6 m lange bladeren heeft
Kokospalme
/ˈko.kɔsˌve.zəl/, /ˈko.kɔsˌve.zəɫ/
noun
1. een vezel gewonnen uit de schil van een kokosnoot
  1. Kokosfaser
  2. Coir
/ˈko.kɔsˌvles/
noun
1. vruchtvlees van de kokosnoot
Kokosfleisch
noun
hoge witte muts
Kochmütze
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Kolbermoor
noun
Kohlenhändler
noun
1. iemand die houtskool maakt door onder uitsluiting van zuurstof hout te verhitten
Kohlemeiler
noun
1. (elektrotechniek) (werktuigbouwkunde) thermische centrale die elektrische stroom opwekt door verbranding van steenkool
Kohlekraftwerk
noun
Kohlengrube
/ˈkolə(n)ˌsxɔp/, /ˈkolə(n)ˌsχɔp/
noun
1. een schep om kolen mee te scheppen
Kohlenschaufel
noun
1. een zeer klein vogeltje met een zeer snelle vleugelslag van de familie Trochilidae uit de orde der grootvleugeligen
Kolibri
noun
1. een rang in het Pruisische leger, het Duitse keizerlijke leger en de Wehrmacht, het leger van nazi-Duitsland
Generaloberst
verb
1. koloniën vormen
kolonisieren
noun
1. iemand die zich in een kolonie heeft gevestigd
Kolonist
noun
Koloß
pronoun
Kolosser
noun
1. eetgerei zoals een bord, maar dan dieper
Schüssel
/koˈmedi/
noun
  1. 1. een blijspel
  2. 2. aanstellerij
Komödie
noun
1. een licht hemellichaam van ijs, gas en stof, zich in een baan ver buiten die van de planeten bewegend, dat bij het naderen van de zon een wolk van gas en gruis in de vorm van een staart ontwikkelt
Komet
verb
  1. boven water komen
    1. Wasser
    2. auftauchen
  2. tussenbeide komen
    1. eingreifen
    2. einschalten
    1. 1. bewegen van verder weg naar dichterbij
    2. 2. een orgasme hebben
    kommen
  3. niet uit de verf komen
    nicht zur Geltung kommen
pronoun
1. macrotaal die door 220 duizend mensen in Rusland gesproken wordt
Komi
adjective
1. lachlust opwekkend
komisch
noun
1. iemand die een publiek vermaakt door ze aan het lachen te brengen
Komiker
noun
plant, zaden en specerij
  1. Kreuzkümmel
  2. Kumin
  3. Cumin
  4. Römischer Kümmel
noun
bepaalde suiker die veel in zoete vruchten voorkomt
Kümmelkörner
adjective
komisch
/kɔm.ˈkɔ.mər/
noun
1. Cucumis sativus, een langwerpige vrucht die men vooral rauw als salade eet
Gurke
/ˈkɔma/
noun
1. een leesteken dat een pauze aangeeft
  1. Komma
  2. Beistrich
noun
1. instrument waarvan de naald het magnetische noorden aanwijst
Kompass
noun
1. een persoon die werkzaam is in de mijnbouw
Bergmann
noun
Ankunft
verb
1. plaatsen van levensmiddelen in suiker om deze te zoeten en te conserveren
kandieren
/kɔˈnɛɪn/, /kɔˈnɛːn/
noun
1. zoogdier dat ook gedomesticeerd kan worden gehouden
  1. Kaninchen
  2. Karnickel
/ˈkonɪŋ/, /ˈkoːnɪŋ/
noun
  1. 1. het mannelijk hoofd van een koninkrijk
  2. 2. speelkaart waarvan de waarde meestal tussen die van de vrouw en de aas ligt
König
pronoun
Könige
noun
  1. Dreikönigskuchen
  2. Königskuchen
/konɪˈŋɣɪn/, /konɪˈŋɪn/, /koʊnɪˈŋɪn/
noun
Königin
noun
1. een spil met conische tandwielen, die de rotatie van de krukas van een zuigermotor overbrengt op de nokkenas
Königswelle
pronoun
1. een stad in het voormalige Oost-Pruisen
Königsberg
noun
2. nationale feestdag in België (15 november) ter ere van de Belgische koning
Festtag des Königs
noun
  1. 1. mantel gedragen door een koning of koningin ten tijde van zijn of haar huldiging
    Königsmantel
  2. 3. een dagvlinder uit de Nymphalidae-familie
    Trauermantel
noun
1. een bewuste moord op een koning.
Königsmord
/ˈkonɪŋklək/
adjective
1. betrekking hebbend op een koning, koningin, aan of bij hem, haar behorend, van hem, haar uitgaand
königlich
/ˈkonɪŋkˌrɛɪ̯k/, /ˈkoːnɪŋkˌrɛɪ̯k/, /ˈkoːnɪŋkˌrɛːk/
noun
1. staatsvorm met een koning aan het hoofd
  1. Königreich
  2. Königtum
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Konstanz
noun
1. de billen, het achterwerk
  1. Arsch
  2. Hintern
  3. Gesäß
noun
1.
Konvoi
/koːɪ/
noun
  1. 4. slaapplaats op een schip
    Koje
  2. 1. een uit tralies of gaas gemaakt voorwerp dat een ruimte omsluit
    Käfig
  3. 3. stal
    Stall
noun
boek waaruit men leert koken
  1. Kochbuch
  2. Rezeptbuch
/ˈkok.ɛɪ̯.lɑnd/, /ˈkok.ɛɪ̯.lɑnt/, /ˈkok.ɛː.lɑnt/
noun
1. een fornuis met toebehoren midden in de keuken
Kochinsel
noun
Herd
noun
1.
Kochkunst
noun
Kochtopf
noun
Kochpunkt
/ˈkokʋɛkər/
noun
1. een apparaatje dat in de keuken gebruikt wordt om de tijd te meten
Kurzzeitwecker
noun
  1. 1. een eetbare plant met veel ondersoorten uit de kruisbloemfamilie
    1. Kohl
    2. Kraut
  2. 2. een zwarte brandstof die voornamelijk uit koolstof bestaat
    Kohle
noun
Kohlebürste
noun
1. reukloos gas dat ontstaat bij volledige verbranding van koolstof
Kohlenstoffdioxid
noun
Kohlefaden
noun
1. een bepaald type verbinding van koolstof-, waterstof- en zuurstofatomen
Kohlenhydrat
noun
Kohlmeise
noun
Kohlenstoffmonoxid
noun
  1. Kohlrübe
  2. Steckrübe
noun
Kohlrabi
/ˈkol.stɔf/
noun
2. een chemisch element en een kleurloos niet-metaal
Kohlenstoff
noun
Kohlenstoffdioxid
noun
1. verbinding met moleculen van één atoom zuurstof en één atoom koolstof (CO)
Kohlenstoffmonoxid
noun
1. bepaald soort vis met donker gekleurde mondholte en rug die voorkomt in het hoge noorden van de Atlantische Oceaan, Pollachius virens
Köhler
/kol'watərstɔf/
noun
1. een verbinding die uit koolstof en waterstof is opgebouwd
  1. Kolhenwasserstoff
  2. Kohlenwasserstoff
noun
Raps
adjective
  1. Rapsgelb
  2. rapsgelb
/'kolzyr/
noun
1. H₂CO₃
Kohlensäure
noun
1. een gas, bestaande uit een verbinding van koolstof en zuurstof (CO₂)
  1. Kohlendioxid
  2. Kohlenstoffdioxid
noun
1. de hoeveelheid goederen of diensten die gekocht kan worden met een bepaald geldbedrag
Kaufkraft
noun
Kaufmann
noun
1. zeeschip voor het vervoer van handelsgoederen
Handelsschiff
noun
1.goederen die een koopman wilt verkopen
Handelsware
noun
    1. 2. een groep mensen die samen zingen
    2. 3. een groep mensen die samen zingen
    Chor
  1. 1. een groep mensen die samen zingen
    1. Chor
    2. Sängerchor
noun
1. streng van in elkaar gedraaide vezels
  1. Schnur
  2. Kordel
noun
1. rechte tussen twee cirkelpunten
Sehne
noun
1. (medisch) verhoging van de lichaamstemperatuur
Fieber
adjective
koscher
noun
1. hielbeentje van het paard
  1. Fessel
  2. Köte
noun
1. beentje van vinger of teen
  1. Phalanx
  2. Fingerglied
noun
    1. 1. hoofd van een dier
    2. 9. zijde van een geldstuk met een afgebeeld hoofd
    Kopf
  1. 2. hoofd van een mens
    1. Kopf
    2. Haupt
  2. 1. de korte kant van een baksteen
    Kopfseite
  3. 1. porseleinen recipiënt met oor, om uit te drinken
    Tasse
noun
1. iemand waarop iedereen zijn ergernis over een misstand afreageert
Sündenbock
verb
1. in ruil voor geld iets in bezit krijgen
kaufen
pronoun
1.
Kopenhagen
noun
  1. 2. scheikundig element met symbool Cu en atoomnummer 29
    Kupfer
  2. 1. persoon die koopt
    1. Käufer
    2. Käuferin
noun
1.
Blechbläser
adjective
  1. Kupferbraun
  2. kupferbraun
noun
1. het zich onrechtmatig toe-eigenen van koper of andere koperhoudende legeringen zoals brons of messing
Kupferdiebstahl
noun
1. een ambachtsman die platen koper of andere zachte metalen bewerkt. Dit bewerken omvat verschillende bewerkingen, zoals knippen, buigen, solderen en felsen
  1. Kupferschmied
  2. Kesselmacher
noun
1. een afschrift of andere reproductie van een document of ander voorwerp
Kopie
noun
Kopiergerät
/kopi<sup>j</sup>'ɪːrə(n)/
verb
  1. 1. een duplicaat maken van
    kopieren
  2. 2. imiteren
    nachmachen
noun
1. kopje
  1. Koppche
  2. Tässchen
/ˈkɔplɑmp/
noun
1. een witte of gele lamp aan de voorzijde van een voertuig
Scheinwerfer
abbreviation
1. lijstaanvoerder van een sportcompetitie
  1. Spitzenreiter
  2. Tabellenführer
noun
  1. 1. iemand die probeert mensen van verschillende groepen met elkaar in contact te brengen (met name voor een huwelijk)
    1. Ehestifter
    2. Heiratsvermittler
    3. Heiratsvermittlerin
  2. 2. iemand die probeert twee mensen met elkaar in contact te brengen (met name voor een niet-huwelijkse relatie)
    1. Kuppler
    2. Kupplerin
noun
  1. 1. een constructie die in een motor of voertuig mechanische krachten op een te onderbreken wijze overbrengt
  2. 3. een verbindingsstuk
  3. 2. een vaste maar beweeglijke verbinding tussen twee voorwerpen, bijvoorbeeld treinwagons
Kupplung
noun
1. een streepje om twee of meer woorden een eenheid te laten vormen
Bindestrich
noun
1. een werkwoord dat een eigenschap koppelt aan het onderwerp
  1. Kopula
  2. Kopulaverb
verb
    1. 1. een bal een stotende beweging met het hoofd geven
    2. 2. de kop verwijderen
    köpfen
  1. 4. in een krantenkop vermelden
    titeln
/'kɔpəsnɛlə(n)/
verb
1. het verzamelen van de afgesneden hoofden van overwonnen vijanden
Kopfjagd
/ˈkɔpəx/, /ˈkɔpəç/
adjective
1. vasthoudend aan eigen wil of inzicht
  1. stur
  2. dickköpfig
  3. störrisch
noun
1. ± combinatie van een glas bier en een glas sterke drank, al dan niet gemengd
Herrengedeck
noun
1. stel van twee kleine luidsprekers die men tegen of in de oren plaatst
  1. Kopfhörer
  2. Ohrhörer
noun
1. skelet van de koraalpoliep
Koralle
adjective
  1. Korallenrot
  2. korallenrot
pronoun
1. randzee van de Grote Oceaan
  1. Korallensee
  2. Korallenmeer
pronoun
1. (de tekst van) het heilig boek van de islam
Koran
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Hessen
Korbach
adjective
1. vastbesloten, vastberaden
  1. beherzt
  2. decidido
  3. resolut
/koˈre.ja/
pronoun
1. een schiereiland in Oost-Azië
Korea
/koreˈjaːns/
pronoun
1. taal die in Korea gesproken wordt
  1. Koreanisch
  2. koreanisch
noun
1. een mand van vlechtwerk
Korb
noun
1. een balsport waarbij een bal door een mand (korf) moet worden gegooid
Korfball
noun
1. Corbula gibba
Korbmuschel
noun
1. en 2. (gedroogde) zaden van Coriandrum sativum
Koriander
/korijɑndərblɑt/
noun
1. (gedroogd) blad van Coriandrum sativum
Korianderblatt
noun
1. gemalen gedroogde zaden van Coriandrum sativum
Korianderpulver
/korijɑndərzaːt/
noun
1. gedroogde zaden van Coriandrum sativum
Koriandersamen
pronoun
  1. 1. Korintherbrief
  2. 2. Korintherbrief
noun
  1. op een bugel gelijkend koperen blaasinstrument
    Kornett
  2. 1. rang van vaandrig bij de cavalerie en de artillerie bij de Koninklijke Landmacht
    1. Kornett
    2. Fähnrich
  3. 1. soort sleepnet dat over de zeebodem getrokken wordt
    Kurre
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Kornwestheim
/ˈkɔrəlˌhaɣəl/
noun
Graupel
noun
Korsett
/kɔrst/
noun
1. een harde buitenste laag om iets dat verder relatief zacht is
Kruste
adverb
    1. 2. van geringe lengte
    2. 1. van geringe duur
    kurz
  1. op korte termijn
    kurzfristig
/kɔrtˈadəməxhɛːɪt/, /kɔrtˈadəməçhɛːt/
noun
1. het snel buiten adem zijn en/of het gevoel van benauwdheid
Kurzatmigkeit
noun
1.
Kurzfilm
noun
1. verlaging van een te betalen bedrag
  1. Ermäßigung
  2. Rabatt
/ˈkɔrt.slœy.tɪŋ/
noun
1. het plaatsvinden van een gewenste of ongewenste weerstandloze verbinding in een stroomkring
Kurzschluss
verb
stutzen
noun
Korund
noun
1. een staaf waarmee schoten, vallen en andere lijnen op zeilschepen worden belegd
Belegnagel
noun
Kosmologie
noun
Kosmonaut
noun
1. het gehele tijd-ruimte continuüm waarin wij bestaan, samen met alle materie en energie
Kosmos
adjective
1. op Kosovo betrekking hebbend
kosovarisch
/ˈkɔsɔˌvo/
pronoun
1. land op het Balkanschiereiland dat volgens Servië een provincie van Servië is, maar dat zichzelf als een onafhankelijke staat beschouwt
Kosovo
noun
2. voedsel, als onderdeel van het dagelijks bestaan
Kost
adjective
  1. teuer
  2. kostbar
adjective
1. zonder kosten
kostenlos
verb
  1. 2. als tegenprestatie vereisen
    1. erfordern
    2. kosten
  2. 1. als te betalen prijs hebben
    kosten
/'kɔstənplats/
noun
Kostenstellenrechnung
noun
1. kerkelijke bediende, die met de zorg van het kerkgebouw, en het vlot verloop van de kerkdiensten belast is
  1. Küster
  2. Kirchendiener
  3. Kierchendienerin
  4. Mesner
  5. Sakristan
noun
  1. 1. totaal van de uitgaven die een producent doet om een product te maken
    Selbstkostenpreis
  2. 2. (uitdrukking) tegen kostprijs
    zum Selbstkostenpreis
noun
1. een school waar de leerlingen vijf dagen per week niet alleen les volgen, maar ook maar ook kost en inwoning krijgen
Internat
noun
  1. Anzug
  2. Kostüm
noun
Ernährer
/kotəˈlɛt/
noun
1. een stuk vlees van een varken, kalf of lam
Kotelett
verb
1. de maaginhoud via de mond weer naar buiten werken
kotzen
noun
Kutter
/kɑu̯/
noun
  1. 2. een virusinfectie aan keel of neus
    Erkältung
  2. 1. lage temperatuur
    Kälte
/kʌʊt/
adverb
1. niet warm, fris, kil, koel
kalt
/kʌʊtˈbludəx/
adjective
  1. 2. zonder emotie
    kaltblütig
  2. 1. niet de eigen lichaamstemperatuur regulerend
    1. kaltblütig
    2. wechselwarm
  3. 3. erg gevoelig voor kou
    kälteempfindlich
/ˈkɑu̯də/
noun
1. het koud zijn
Kälte
noun
1.
  1. Kälteeinbruch
  2. Kältewelle
noun
1. de afsterving en ontbinding van een levend organisme
  1. Brand
  2. Gangrän
/kaʊ̯s/, /kɔʊ̯s/, /kʌʊ̯s/
noun
  1. 2. een hulpmiddel om een brandstof in licht om te zetten, dat deel uitmaakt van een olie- of petroleumlamp
    Docht
  2. 1. een aansluitend, meer of minder elastisch kledingstuk dat de voet en (een deel van) het been bedekt
    Strumpf
noun
  1. 2. extreem lange peulvrucht
    Spargelbohne
  2. 1. elastische band om de kous op te houden
    Strumpfband
adjective
1. van een persoon dat hij het sneller dan de meeste andere mensen koud heeft...
kälteempfindlich
noun
  1. 1. rand van een raam of deur waar de ruit of de deur in gevat is
    1. Fensterrahmen
    2. Zarge
  2. 1. zoon van oom of tante
    1. Cousin
    2. Vetter
/krax/
noun
  1. 3. de naam van voorwerpen die op een kraag lijken, zoals een opstaande rand
    1. Blechkragen
    2. Kragen
    1. 1. een kledingstuk rond de hals
    2. 2. een omgeslagen rand van een kledingstuk bij de halsopening
    Kragen
  2. 4. een witte rand schuim op een glas bier
    1. Krone
    2. Schaumkrone
noun
1. een, vaak geornamenteerde, uitstekende steen aan een gevel die een dragende functie heeft
  1. Konsole
  2. Kragstein
/kraɪ̯/, /kraːɪ̯/
noun
1.1 bepaald soort zwarte vogel, Corvus corone
  1. Krähe
  2. Krähenvogel
noun
  1. 1. nest van een kraai
  2. 2. uitkijkplaats in de mast van een schip
Krähennest
noun
  1. 3. zich onbevoegd toegang verschaffen tot iets
    Einbruch
  2. 2. inktvis zonder inwendig skelet
    1. Gemeine Krake
    2. Gewöhnliche Krake
    3. Oktopus
  3. 1. zeemonster, waarschijnlijk de inmiddels goed gedocumenteerde reuzenpijlinktvis
    Krake
/ˈkrakben/
noun
1. een speciale vorm van bindweefsel met een elastisch karakter als gevolg van eigenschappen van de extracellulaire matrix
Knorpel
noun
1. een woning bewoond door mensen die daar juridisch geen recht hebben
Haus
noun
Bude
noun
Entbindungsklinik
noun
  1. 2. iemand die op een bepaald gebied uitblinkt
    Ass
  2. 3. mechanisme waarmee de stroming van vloeistof of gas geregeld kan worden
    Hahn
noun
1. kraanlijn
Dirk
noun
1. bepaald soort grote vogel, Grus grus
Kranich
noun
1. kreeftachtige die leeft in de nabijheid van water
  1. Krebs
  2. Krabbe
verb
1. met de nagels bewerken
  1. kratzen
  2. schaben
noun
1. (gereedschap) voorwerp om mee te krabben, onmisbaar voor schilders die oude verflagen willen verwijderen of mensen die jeuk op hun rug hebben.
  1. Kratzer
  2. Schaber
noun
1. vermogen om iets te verrichten
Kraft
adjective
1. beschikkend over veel kracht
kräftig
noun
Kraftmeier
noun
Kraftausdruck
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Kraichtal
pronoun
1. na Warschau en Łódź de op twee na grootste stad van Polen
Krakau
noun
1. baksel in de vorm van een acht
Brezel
/ˈkrakə(n)/
verb
  1. 4. een pand illegaal bewonen
    besetzen
  2. 6. een chiropractische handeling verrichten op iemands ruggengraat
    einrenken
    1. 2. openbreken
    2. 3. inbreken in iemands computer
    knacken
  3. 1. een krakend geluid maken
    knarren
  4. 5. een pand illegaal bewonen
    verreißen
noun
1. illegale bewoner
Hausbesetzer
noun
1. een toestand van onwillekeurige en aanhoudende samentrekking van een spier
Krampf
noun
1. klassiek massamedium, gedrukt op papier en gericht op het verspreiden van nieuws
  1. Zeitung
  2. Tageszeitung
/'krɑntəpaˌpir/
noun
1. een soort papier zoals waarop de kranten gedrukt worden
Zeitungspapier
noun
3. langrekte oppervlaktebeschadiging voorwerp veroorzaakt door het bewegen van een scherpe ...
  1. Kratzer
  2. Schramme
/kreˈditkrizɪs/, /krəˈditkrizəs/
noun
1.
  1. Kreditklemme
  2. Kreditknappheit
pronoun
2. teken van de dierenriem van 21 juni tot 23 juli
Krebs
/kreːft/
noun
1. zeekreeft, hommer
Hummer
noun
1. de hoogste breedtegraad van ca. 23,5 ° noorderbreedte waarboven de zon bij zonnestilstand in het zenit staat
  1. Wendekreis des Krebses
  2. nördlicher Wendekreis
/krek/
noun
  1. 4. een kleine watergeul; vaak zijarm van een rivier(tje)
    1. Bach
    2. Kriek
  2. 2. een smal stilstaand water, vooral naar een dijkdoorbraak.
    Binnensee
  3. 1. een kleine beschermde inham
    1. Bucht
    2. Kriek
  4. 5. een smal vaarwater tussen ondiepten of eilanden
    1. Fahrrinne
    2. Priel
  5. 3. een kleine, door de natuur gevormde zeearm
    1. Fjord
    2. Förde
    3. Meeresarm
    4. Priel
noun
1. Gryllidae
Grille
noun
  1. 2. gierigaard
    1. Geizkragen
    2. Knauser
  2. 1. druif
    Korinthe
  3. 3. zitvlak
    Po
adjective
  1. geizig
  2. knauserig
pronoun
1. bij Griekenland behorend eiland in de Egeïsche Zee
Kreta
verb
1. de vorming van kreukels op een voorheen glad oppervlak
  1. zerknittern
  2. knittern
/krønə(n)/
verb
1. ongearticuleerde geluiden maken, vaak van pijn of ander leed
  1. ächzen
  2. stöhnen
noun
1.laag stuikgewas waarbij de takken van de boompjes door elkaar heen groeien
Unterholz
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Kreuztal
/krɪp/
noun
  1. 3,4,5. golfbrekertjes
    Buhne
  2. 2. eenvoudig soldatenbed
    Feldbett
  3. 1. voederbak
    Futterkrippe
noun
1. voederbak
Futterkrippe
noun
1. ondeugd van ezel of paard
Krippenbeißer
verb
1. ruzie maken
  1. zanken
  2. zänkisch
adjective
1. zich onvriendelijk gedragend
kribbelig
noun
  1. 2. onrustig, rusteloos gevoel (om te bewegen, reizen, e.d.)
    Fieber
  2. 1. ongemak dat jeuk e.d. veroorzaakt
    Juckreiz
noun
1. droge niet productieve hoest
Reizhusten
noun
  1. 2. een klein persoon
    Persönchen
  2. 1. een klein soort kip
    Zwerghuhn
/ˈkrɛɪ.ɣə(n)/
verb
1. verwerven, ontvangen
bekommen
noun
1. iemand die zich toelegt op het voeren van oorlog, met name tussen stammen
Krieger
noun
Kriegsherr
noun
Kriegsmacht
noun
1. een olifant die vroeger tijdens op het land uitgevochten oorlogen werd ingezet als strijddier
Kriegselefant
noun
1. een raad die optreedt als rechtsorgaan in het krijgsrecht
Kriegsgericht
verb
1. luidkeels schreeuwend een hoog geluid voortbrengen
kreischen
noun
  1. 4. voorwerp dat wordt gebruikt in de biljartsport om de top van de keu minder glad te maken
    Billardkreide
    1. 1. wit mineraal dat uit calciumcarbonaat bestaat
    2. 2. schrijfmateriaal uit dat materiaal vervaardigd
    Kreide
  2. 3. een periode die deel uitmaakt van het mesozoïcum
    Kreidezeit
/krɪm/
pronoun
een schiereiland aan de noordkust van de Zwarte Zee
Krim
pronoun
1. een van de Turkse talen, gesproken door ongeveer een half miljoen mensen, oorspronkelijk van de Krim afkomstig, maar door een deportatie in 1944, nu vooral in Oezbekistan en Kirgizië, maar ook in Moldavië, Roemenië en Turkije gesproken
Krimtatarisch
verb
1. kleiner in omvang worden
schrumpfen
noun
1. een tang waarmee de hulsjes van kabelschoenen aan elektriciteitssnoeren en kabels worden vastgeknepen
Crimpzange
noun
  1. 2. een gemeenschap van mensen
    Kreis
  2. 1. een ronde figuur zoals een cirkel
    1. Kreis
    2. Zirkel
noun
Kreislauf
noun
1. een hoeveelheid ordelijk gerangschikte atomen of moleculen in vaste vorm
Kristall
verb
1. ordeningsproces
kristallisieren
noun
Detektorempfänger
noun
elk van de hoofdafdelingen waartoe men de grondvormen van de kristallen teruggebracht heeft
Kristallsystem
noun
Kristallzucker
noun
Kristallwasser
adjective
1. op het scherp van de snede, met onzekere uitkomst, zeer ernstig
kritisch
noun
  1. 1. uitingen waarmee bepaald gedrag, een bepaalde zienswijze e.d. van anderen worden veroordeeld of in twijfel getrokken
  2. 2. een document dat kunstzinnig commentaar levert op een optreden, tentoonstelling, boek , film of andere kunstuiting
Kritik
adjective
  1. 1. ernaar geneigd vraagtekens te plaatsen achter iets
  2. 2. onder zulke omstandigheden dat er meer neutronen geproduceerd dan geabsorbeerd worden, waardoor een nucleaire kettingreactie op gang kan komen
kritisch
/kroˈwatis/, /kroˈwaːtɪs/
pronoun
1. een taal die vooral in Kroatië gesproken wordt
  1. Kroatisch
  2. kroatisch
/kroˈwatsi.jə/, /kroˈwaːsi.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Europa ten zuiden van Hongarije
Kroatien
/krux/
noun
1. publieke drinkgelegenheid
  1. Kneipe
  2. Wirtschaft
noun
1. iemand die een kroeg bedrijft
Wirt
adjective
1. krullend
kraus
/ˈkrus.har/
noun
  1. Kraushaar
  2. krauses Haar
verb
1. sterk krullen van haar
sich krausen
/krokoˈdɪl/
noun
1. een groot, in het water levend reptiel dat behoort tot de familie der Crocodylidae
Krokodil
noun
2. uitingen van gespeeld verdriet of berouw
Krokodilsträne
/kroko'dɪlwɑxtər/
noun
1.
Krokodilwächter
noun
1. irisachtige lentebloem
Krokus
adjective
1. niet recht
krumm
noun
1. kromhoorn
Krummhorn
noun
1. een gebogen lijn
Kurve)
verb
  1. 1. krom maken
  2. 2. bochtig zijn
krümmen
noun
Krummholz
verb
1. vervorming van hout, planken enz. onder invloed van vochtigheid en/of temperatuursveranderingen
  1. verdrehen
  2. verziehen
verb
1. iemand tot koning of koningin maken door hem of haar in een ceremonie een kroon op het hoofd te zetten
krönen
noun
Chroniken
/ˈkronɪŋ/
noun
ceremonie
Krönung
/ˈkrɔŋkələ(n)/
verb
1. in veel bochten lopen of bewegen
schlängeln
noun
  1. 1. hoofddeksel dat door een vorst gedragen wordt
    Krone
  2. 7. een lichtbron bestaande uit een krans van lichtbronnen
    Kronleuchter
noun
1. een metalen dopje voor het afsluiten van flessen
Kronkorken
noun
1. een prins die in een monarchie de eerste is die de rechtmatige vorst opvolgt bij aftreden of overlijden
Kronprinz
noun
1. opstapeling van bladeren
Kopf
noun
1. en 2. (bladeren van) éénjarige plant Cichorium endiva var. latifolia
  1. Eskariol
  2. Winterendivie
  3. glatte Endivie
noun
1. slaplant waarvan de bladeren een vaste krop vormen
Kopfsalat
/krœʏ̯t/, /krœːd/, /krœːt/
noun
Kraut
verb
1. specerij bij een gerecht doen
würzen
noun
  1. 2. winkel met levensmiddelen
    Lebensmittelgeschäft
  2. 1. winkelier in levensmiddelen
    Lebensmittelhändler
noun
1.
Lebensmittelgeschäft
noun
Kräuterkäse
noun
Mimose
noun
1.
Gewürzkuchen
noun
1. specerij van de kruidnagelboom
  1. Gewürznelke
  2. Nelke
/krœyjər/
noun
1. iemand die bagage vervoert op o.a. stations en vliegvelden
Gepäckträger
noun
Krug
/'krʌʏ.pə(n)/
verb
kriechen
noun
    1. 1. geometrisch figuur
    2. 4. symbool
    Kreuz
  1. 5. christelijk religieus symbool afgeleid van de kruiziging van Jezus Christus
    1. Kreuz
    2. Kruzfix
noun
1. Ribes uva-crispa
Stachelbeere
/ˈkrœʏsər/
noun
  1. 1. een oorlogsschip dat hoge snelheden kan halen
  2. 2. een type jacht
Kreuzer
noun
1. een door een blok hout verschuifbare liniaal, die is voorzien van een ijzeren punt
Streichmaß
verb
1. een vorm van executeren: aan het kruis hangen tot de dood erop volgt
kreuzigen
noun
Kreuzigung
noun
1.
Abblendlicht
noun
1. een plaats waar twee of meer wegen elkaar kruisen
  1. Kreuzung
  2. Straßenkreuz
noun
1. een schakelaar met vier aansluitpunten (A₁, A₂ en B₁, B₂), die in een van de mogelijke standen kruiselings worden verbonden
Kreuzschalter
noun
1. kruissleutel
Kreuzschlüssel
/ˈkrœʏspɪn/, /ˈkrœːspɪn/
noun
1. in Nederland en België algemeen voorkomende spinnensoort, Araneus diadematus
Kreuzspinne
noun
1. een door een metalen blok verschuifbare liniaal, die is voorzien van een ijzeren punt
Streichmaß
noun
Kreuzweg
noun
Kreuzworträtsel
noun
1. kruiswoordpuzzel
Kreuzworträtsel
noun
1. een eenwielige kar met twee lange handgrepen voor het transport van zware, meestal losse lading
Schubkarre
noun
  1. 1. simpel zitmeubel zonder leuningen
    Hocker
  2. 3. simpel handvat waarmee een deur geopend kan worden
    Knauf
  3. 2. hulpmiddel bij het lopen
    Krücke
noun
1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord kruk
  1. Hocker
  2. Schemel
noun
1. een element in de vorm van een kruis met zijbalken aan ieder eind
Krückenkreuz
noun
  1. 2. lok haar die de vorm van [1] aanneemt
    Locke
  2. 1. spiraalsgewijs gekromde vorm
    Schnörkel
noun
1. en 2. (bladeren van) éénjarige plant Cichorium endiva
  1. Krausblättrige Endivie
  2. Krausblättrige Frisée
  3. krauser Salat
/ˈkrʏɫsla/
noun
1. slaplant met gekrulde bladeren
Friséesalat
/ˈkrʏl.spɛlt/
noun
1. hulpmiddel waarom je een haarlok kunt wikkelen om krullen te maken in stijlhaar
Lockenwickler
noun
Lockenstab
noun
1. scheikundig element met symbool Kr en atoomnummer 36
Krypton
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Rijnland-Palts
Kröv
/kup/
noun
1. Zweeds buitenspel
Kubb
verb
1. met behulp van een trechtervormige bak over een oppervlak verspreiden
kübeln
noun
1. 20-eeuwse stroming binnen de beeldende kunst waarin de werkelijkheid op een sterk vereenvoudigde manier wordt weergegeven
Kubismus
noun
1. een regelmatig zesvlakkig lichaam, begrensd door zes gelijke vierkanten
  1. Würfel
  2. Kubus
verb
1. kort en zacht hoesten
hüsteln
/'kɵdə/
noun
  1. 1. een groep samenlevende (zoog)dieren
    Herde
  2. een kudde schapen
    Schafherde
noun
1. een dier als lid van een kudde
Herdentier
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Kufstein
noun
1. opstaande haarlok op het hoofd
  1. Haartolle
  2. Tolle
/ˈkœʏ̯kə(n)/, /ˈkœːkə(n)/
noun
donzig jong vogeltje
  1. Küken
  2. Kücken
noun
  1. 1. uitholling, holte, diepte
    1. Loch
    2. Grube
    3. Kuhle
    4. Mulde
  2. 1. zakvormig visnet
    1. Fangnetz
    2. Kescher
  3. 2. achterste deel van een sleepnet
    Schleppnetz
noun
1. wijd, houten, metalen of plastic vat
Fass
adjective
keusch
noun
  1. 2. visseneitjes
    Rogen
  2. 1. deel van het been
    Wade
/kykələky/
interjection
1. het geluid van een haan
kikeriki
noun
1. en 2. (citrusvrucht van) plant Citrus japonica
Kumquat
/ˈkʏndə/
noun
2. bekwaamheid in een vak, wetenschap of in algemene zin
  1. Kenntnis
  2. Kunde
/ˈkʏnə/, /ˡkʏnə/
noun
1. geslacht, sekse
Geschlecht
verb
  1. 1. in staat zijn om, het vermogen hebben om
    können
  2. af kunnen
    weg können
noun
1. toepassing van opvallende vaardigheid en verbeelding om iets moois of betekenisvols te scheppen
Kunst
noun
1.
  1. Absorber
  2. Kunstantenne
noun
1. iemand die zijn creatieve talenten gebruikt om kunst te maken
Künstler
noun
Künstlerin
noun
Kunstkopf
noun
Kunstmarkt
adjective
1. door menselijk, moedwillig ingrijpen tot stand gekomen
künstlich
noun
1. een combinatie van chemische stoffen die aan de aarde wordt toegevoegd ter bemesting daarvan
Kunstdünger
noun
1. iemand die de kunstschaatssport beoefent
Kunstreiter
noun
1. schaats speciaal gemaakt voor het kunstschaatsen
Kunstlaufschlittschuh
noun
1. sport waarbij individuelen, paren en groepen schaatsers rotaties, sprongen en andere bewegingen op het ijs maken, die vaak met muziek wordt uitgevoerd
Eiskunstlauf
noun
1. een materiaal dat langs chemische weg vervaardigd is, veelal een polymeer
Kunststoff
noun
1. kunststroming
Kunstströmung
/ˈkʏns.tal/, /ˈkʏns.taɫ/
noun
1. een artificiële of geconstrueerde taal is een taal waarvan de structuur, vocabulair en grammatica speciaal ontworpen is door een individu of een kleine groep, inplaats van op een natuurlijke wijze geëvolueerd in een cultuur
  1. konstruierte Sprache
  2. Plansprache
/kʌnstwɛrk/
noun
1. resultaat van een inspanning om iets te maken dat bijzonder mooi of indringend is
Kunstwerk
/kʏrk/
noun
  1. 1. afdichting voor flessen, gemaakt uit de veerkrachtige schors van een bepaalde boomsoort, Quercus suber
    1. Pfropfen
    2. Korken
    3. Stöpsel
  2. 1. licht, poreus materiaal, afkomstig van de kurkeik
    Kork
/kʏr.kɛi̯k/, /kʏr.kɛːk/, /kʏrk.ʔɛi̯k/
noun
1. Quercus suber; een boom uit de napjesdragersfamilie
Korkeiche
noun
1. een werktuig om flessen te ontkurken
Korkenzieher
noun
1. kurkentrekkerregel
Korkenzieherregel
noun
plant en specerij
  1. Kurkuma
  2. Curcuma
noun
1. het de lippen ergens tegenaandrukken om affectie uit te drukken
Kuss
pronoun
  1. 1. een district in de Duitse deelstaat Beieren
  2. 1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Kusel
noun
1. een met zacht materiaal gevulde zak, dienende om het (slaap)comfort van de gebruiker te verbeteren
Kissen
verb
1. een kus geven
küssen
noun
1.
  1. Kissenschlacht
  2. Polsterschlacht
noun
1. een vorm van uitvloeiingsgesteente, dat het uiterlijk heeft van min of meer op elkaar gestapelde kussentjes
Kissenlava
/'kɵst/
noun
1. de waterkant langs de zee
  1. Küste
  2. Ufer
noun
1. grens tussen land en zee, wijze waarop de kust gevormd is
Küste
noun
1. kustgebied
Küstenstreifen
noun
1. een vrij klein handelsschip bedoeld voor de zeevaart in de kustwateren
  1. Küstenschiff
  2. Küstendampfer
noun
Küstenwache
/kɵt/
interjection
  1. Scheiße
  2. Scheisse
/kɵt/
noun
vrouwelijk schaamdeel
  1. Fotze
  2. Votze
/ˈkɵtwɛɪf/
noun
1.
Schlampe
noun
  1. 1. een behandeling ter genezing van een ziekte of een ongezonde situatie (zoals een verslaving)
    Kur
  2. 2. vreemd gedrag, bijzondere karaktertrek
    Macke
noun
1. een oord met geneeskrachtige baden
Kurort
adjective
2. met een slecht karakter
  1. boshaft
  2. bösartig
noun
  1. 1. het innerlijk slecht zijn
  2. 2. het schadelijk zijn (bijv. van een ziekte)
Bösartigkeit
/ˈkwatsxɪks/, /ˈkʋatsχɪks/, /ˈkβ̞atsxɪks/
adverb
1. op een niet-constructieve, niet-coöperatieve manier
übel
/kʋɑp/
noun
  1. 2. een gedeelte van lever, longen of hersenen
    Lappen
  2. 1. een weke massa vlees of vet aan het lichaam
    Wulst
noun
1. langwerpige, op de bodem levende zoetwatervis, Lota lota
  1. Quappe
  2. Aalquappe
noun
1. een jongen die dingen doet die men niet goedkeurt, maar die men toch aardig vindt
  1. Lausebengel
  2. Lümmel
/kʋɑk/
noun
2. bepaalde reigersoort, Nycticorax nycticorax
Nachtreiher
verb
1. witter
quaken
/ˈkʋɑkˌsɑlvər/
noun
1. iemand die bedrieglijk minderwaardige geneeskunde uitoefent
Quacksalber
/kʋɑl/
noun
1. vrijzwemmend, voornamelijk in zee levend ongewerveld dier met een geleiachtig lichaam in de vorm van een klok of paraplu
  1. Qualle
  2. Meduse
verb
1. voldoen aan de voorwaarden om ergens aan mee te kunnen doen
qualifizieren
/kvalitɑ'tif/
adjective
1. naar de hoedanigheid, betreffende de kwaliteit
qualitativ
noun
1.
  1. Qualitätskontrolle
  2. Qualitätssicherung
noun
1. de kleinste natuurlijke eenheid die in onze kosmos voorkomt
Quant
noun
Quantenchemie
noun
Quantenchromodynamik
noun
Quantencomputer
noun
vorm van onkraakbare beveiliging voor elektronische communicatie
Quantenkryptografie
noun
een theorie die een integratie is van de relativistische versie van de Wetten van Maxwell met de theorie van de kwantummechanica
Quantenelektrodynamik
noun
Quantenphysik
noun
getal dat in de kwantummechanica wordt gebruikt voor het beschrijven van de eigenschappen van bepaalde deeltjes
Quantenzahl
noun
een theorie die kwantummechanica en relativiteitstheorie met elkaar zou moeten verenigen
Quantengravitation
noun
een discipline van de natuurkunde die de kwantumeffecten die bij licht optreden bestudeert en gebruikt
Quantenoptik
noun
fysisch potentiaalproces, dat een vlak potentiaalverloop vertoont omringt met heel hoge wanden
Quantentopf
noun
Quantenschaum
noun
een theoretisch kader voor de constructie van kwantummechanische modellen van veld-achtige systemen of, equivalent, veeldeeltjessystemen
Quantenfeldtheorie
noun
Quantenverschränkung
noun
  1. 3,4
    Quarte
  2. 1. een vierde deel
    Viertel
noun
een kwart van een kalenderjaar
Quartal
noun
1. een tijdsperiode van 25 jaar
Vierteljahrhundert
noun
1. Coturnix coturnix, vederwild en hoendervogel
Wachtel
noun
1. bepaald soort vogel, Crex crex
Wachtelkönig
noun
1. een groep van vier muzikanten
Quartett
noun
1. (in een toernooi) een van de vier wedstrijden waarin gestreden wordt voor een plaats in de halve finale(s)
Viertelfinale
noun
  1. 3. legering
    Quartier
  2. 2. kwartier als maanfase
    Viertel
  3. 1. kwart uur
    Viertelstunde
noun
1.
Viertelnote
noun
1. kwartool
Quartole
noun
1.
Viertelpause
noun
een vorm van siliciumdioxide
Quarz
noun
1. kwartsextakkoord
Quartsextakkord
adjective
  1. Quarzgrau
  2. quarzgrau
noun
1.
Brutreaktor
/ˈkwe.peːr/, /ˈkʋe.pɪːr/, /ˈkβ̞e.peːr/
noun
1. een peervormige vrucht van de Cydonia oblonga
Quitte
/'kʋekə(n)/
verb
1. dieren of planten verzorgen en hun voortplanting mogelijk maken
züchten
verb
  1. 1. het doorsijpelen van water onder een dijklichaam door
    1. hervorquellen
    2. quellen
  2. 1. pijn of ergernis bezorgen
    quälen
noun
1. zaak, geschil, probleem
  1. Frage
  2. Sache
  3. Angelegenheit
adjective
1. weinig beschermd tegen beschadiging
  1. verletzlich
  2. empfindlich
  3. verwundbar
  4. verletzbar
verb
  1. 2. beledigen, schofferen
    verletzen
  2. 1. beschadigen, schaden
    1. verletzen
    2. beschädigen
    3. schaden
verb
1. een vloed van speeksel onwillekeurig uit de mond laten lopen
  1. geifern
  2. sabbern
/kʋɛɪtə(n)/
verb
1. een belofte inlossen of aan een verplichting voldoen
sich entledigen
/ˈkʋɛːtrakə(n)/
verb
2. niet meer weten waar iets is
  1. loswerden
  2. verlieren
noun
Schulderlass
noun
1. een scheikundig element en zilverwit overgangsmetaal met symbool Hg en atoomnummer 80
Quecksilber
noun
1. benaming voor vogels uit de geslachten Motacilla en Dendronanthus
  1. Bachstelze
  2. Stelze
noun
1. een metaal dat vloeibaar is bij kamertemperatuur
Quecksilber
noun
1.
Quinte
noun
1. kwintool
Quintole
verb
1. druk met de staart zwaaien.
  1. wedeln
  2. schweifwedeln
  3. schwänzeln
verb
1. met de staart heen en weer bewegen als teken van vrolijkheid
  1. schwänzeln
  2. wedeln
/ˈkʋɪstəx/, /ˈkβ̞istəç/
adjective
  1. 2. royaal gevend
    freigebig
  2. 1. op lichtzinnige wijze verbruikend
    verschwenderisch
pronoun
1. de hoofdstad van Oekraïne
Kiew
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Rijnland-Palts
Kyllburg
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Brandenburg
Königs Wusterhausen
pronoun
1.
Königswinter
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Künzelsau
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Kürnbach
noun
1. muzieknoot
La
pronoun
La Mancha
pronoun
La Rioja
/lax/
adjective
    1. 2. niet vergevorderd zijn in een rangorde of volgorde
    2. 3. geluid met een klein aantal trillingen per tijdseenheid
    3. 4. met een beperkt aanzien
    niedrig
  1. 1. niet ver boven iets anders zijn
    1. niedrig
    2. tief
/lax/
noun
1. iets dat zich in twee richtingen uitstrekt maar in de derde een beperkte dikte heeft
  1. Schicht
  2. Lage
noun
Flachland
noun
1. toestand van volkomen eb
Niedrigwasser
noun
1. weg die aan beide kanten wordt geflankeerd door bomen
Allee
noun
1. een open plek in een bos
  1. Lichtung
  2. Waldlichtung
noun
1. een schoen met een hoge schacht die een deel van het been bedekt
Stiefel
adjective
  1. 2. 's avonds, 's nachts
    spät
  2. 1. na het voorziene ogenblik
    verspätet
adjective
1. overtreffende trap van laat
letzt
noun
1. laatste kwartier
abnehmender Halbmond
noun
1. een student die bezig is met het laatste jaar van zijn studie
Student
/lɑp/
noun
  1. 1. een ruimte ingericht voor het doen van natuurwetenschappelijk onderzoek
    1. Labor
    2. Laboratorium
  2. 3. een gebouw waarin ruimtes zoals [1] gehuisvest zijn
    1. Laboratoriumsgebäude
    2. Laborgebäude
noun
1. ruimte voor wetenschappelijk onderzoek
  1. Labor
  2. Laboratorium
noun
1. een stelsel van paden of dwaalwegen, zodanig aangelegd dat men daarin moeilijk de weg kan vinden
Labyrinth
/lɑ.ˈka.zə/
noun
1. een enzym dat met behulp van koperionen andere stoffen kan oxideren
Laccase
verb
1. zichtbaar en/of hoorbaar blij zijn met iets of iets grappig vinden
lachen
noun
1. vluchtige verbinding, N₂O
Lachgas
noun
is een suiker die o.a. in melk voorkomt
  1. Milchzucker
  2. Lactose
  3. Laktose
noun
het niet kunnen verdragen van melksuiker
Laktoseintoleranz
noun
1. iets dat ontbreekt
Lücke
noun
1. houten of metalen voorwerp met treden om makkelijk op hoger gelegen plaatsen te komen
Leiter
/ˈlɑdərə(n)/
noun
1. beschadigd raken waardoor een of meer draadjes in een fijn weefsel losraken en een langgerekt patroon van mazen ontstaat
Laufmaschen bekommen
noun
Drehleiterfahrzeug
/ˈlɑdərˈzɑt/
adjective
1. zwaar onder invloed van alcohol
sturzbetrunken
noun
1. uitschuifbare bergplaats
Schublade
noun
1. bergmeubel met een of meer platte bakken
Kommode
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Ladenburg
noun
  1. 1. goederen die vervoerd worden
  2. 3. opeengehoopte elektriciteit
Ladung
pronoun
1. Romaanse taal gesproken door 35 duizend mensen in Italië en de Verenigde Staten
Ladinisch
adjective
1.
ladinischsprachig
noun
1. beschadiging van het weefsel in een organisme
Läsion
/lɑf/
adjective
  1. 2. onaangenaam smakeloos
    fade
  2. 1. een gebrek aan moed tonend
    1. feige
    2. feig
/ˈlɑfart/
noun
1. iemand die door zijn angst wegvlucht uit gevaarlijke situaties.
Feigling
/ˈlɑfɦɛit/
noun
1. de neiging keuzes te maken die van weinig moed getuigen
Feigheit
noun
1. een gebied waar relatief een lagere druk heerst dan elders, term uit de meteorologie
Tiefdruckgebiet
noun
1. een land waarin de lonen laag zijn waardoor er op een goedkope wijze goederen geproduceerd kunnen worden
Billiglohnland
noun
1. ondiep meer
  1. Lagune
  2. Botten
  3. Haff
  4. Liman
  5. Noor
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Rijnland-Palts
Lahnstein
pronoun
1. stad in Pakistan
Lahore
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Laichingen
noun
1. (beroep) Een lakei of dienaar is een bediende werkend aan een koninklijk hof
Lakai
/ˈlakə(n)/
noun
  1. 2. een rechthoekig stuk stof dat ter bedekking dient, m.n. bij het slapen
    1. Laken
    2. Bettlaken
  2. 1. wollen stof die eerst is geweven en daarna vervilt
    Walkstoffe
noun
Lackmus
/ˈlɑk.mus.ˌpruf/
noun
Lackmustest
adjective
  1. 3. versleten door te ver doordraaien (bijvoorbeeld van schroeven)
    1. abgenutzt
    2. dollgedreht
    3. überdreht
  2. 4. heel erg dronken
    besoffen
  3. 2. lui, futloos
    1. faul
    2. träge
  4. 1. niet in staat om te bewegen
    1. lahm
    2. gelähmt
noun
1. jong van het schaap
  1. Lamm
  2. Lammfleisch
noun
1. soort Zuid-Amerikaans eeltpotig zoogdier Lama glama
Lama
/ˈlɑmərə(n)/
verb
1. het werpen van jongen
lammen
/lɑmp/
noun
1. een voorwerp gemaakt om licht te geven
Lampe
noun
1. kap over een lamp om het licht af te schermen
  1. Lampenschirm
  2. Abatjour
noun
1. lont van een olie- of gaslamp
Lampendocht
noun
1.
  1. Laternenlauf
  2. Laternenlaufen
  3. Laternenumzug
noun
1. benaming voor vissen uit de familie Petromyzontidae
  1. Neunauge
  2. Lamprete
noun
1. plant met paarse bloemen die op de kwelders voorkomt, Limonium vulgare
  1. Gewöhnlicher Strandflieder
  2. Widerstoss
noun
1. een dubbelsnedig operatiemes
Lanzette
noun
  1. 5. het eigen land, het land waar men geboren is
    Heimat
    1. 4. niet verstedelijkt gebied
    2. 1. gedeelte van het aardoppervlak dat boven water uitsteekt
    3. 2. dat deel van de aardbodem dat geschikt is voor bebouwing...
    Land
  2. 3. een geografisch gebied aan één bepaald gezag onderworpen
    1. Land
    2. Staat
noun
1. verkrijgen van nieuw land
Landgewinnung
/ˈlɑntbɑuw/
noun
1. het cultiveren van land voor de voortbrengst van voedsel en andere nuttige producten
Landwirtschaft
noun
1. een type bedrijf gericht op landbouw
  1. Betrieb
  2. Landwirtscaft
/lɑntbɑuwər/
noun
1. iemand die met landbouw of/en veeteelt zijn geld verdient
  1. Bauer
  2. Landwirt
noun
1. een dier dat op het land leeft
landtier
adjective
  1. 1. met betrekking tot of geldend voor het hele land
    landesweit
  2. 2. met betrekking tot minder bevolkte, niet-stedelijke gebieden
    ländlich
verb
1. vanuit de zee, de lucht of de ruimte voet op vaste bodem zetten
landen
pronoun
1.
Landenge von Perekop
noun
1. iemand uit hetzelfde land
  1. Landsmann
  2. Landsmännin
noun
1. een groot huis op het platteland
  1. Landhaus
  2. Villa
/ˈlɑntɛɪ̯s/, /ˈlɑntɛːs/
noun
1. de vaste vorm van water, bevroren water
Eiskappe
noun
1. soort vlinder, Araschnia levena
Landkärtchen
noun
1.klimaat dat niet wordt beïnvloed door een zee of oceaan, onder meer gekenmerkt door grote temperatuurverschillen...
  1. Kontinentalklima
  2. Landesklima
  3. Landklima
noun
1. landmeetkunde
Landesvermessung
noun
1. een markant punt in een landschap, langs de kust, of aan de horizon
Wahrzeichen
/ˈlɑntrat/
noun
Landrat
noun
Landscheide
noun
Landscheide
noun
1. schildpad uit de familie Testudinidae
Landschildkröte
pronoun
1. en 2.
Landshut
/ˈlɑntsmɑn/
noun
2. landgenoot
Landsmann
noun
Landessprache
pronoun
1.
Landstuhl
noun
1. smalle strook land die zich in zee of meer uitstrekt
  1. Landzunge
  2. Halbinsel
adjective
  1. 2. van grote lengte
    groß
  2. 1. van grote duur
    lang
noun
1. langdraadantenne
Langdrahtantenne
adjective
1.een lange tijd durend
länger
noun
Löffelbiskuit
noun
1. een vrouwelijke atleet die zich specialiseert in het lopen van afstanden boven 1500 meter
Langstreckenläuferin
noun
1. mannelijke atleet die zich specialiseert in het lopen van afstanden boven 1500 meter
Langstreckenläufer
pronoun
1.
Langeoog
noun
1. een manier van voortbewegen op latten door de sneeuw
  1. Skilanglauf
  2. Langlauf
noun
1.
Languste
noun
1. benaming voor kleine Noorse kreeft
Langustine
noun
1. benaming voor muggen met opvallend lange broze poten, die de familie Tipulidae vormen
  1. Schnake
  2. Schneider
/lɑŋskomə(n)/
verb
  1. 1. voorbijgaan
    1. längskommen
    2. vorbeikommen
  2. 2. langsgaan, op bezoek komen
    1. vorbeikommen
    2. längskommen
noun
1.
Langspielfilm
adjective
1. in de lengterichting van het schip
längsschiffs
/ˈlɑŋzam/
adjective
1. met weinig snelheid
langsam
noun
1. een vorm van arbeidsconflict waarbij de werkers niet thuis blijven maar opzettelijk langzaam werken
Bummelstreik
noun
gezuiverd vet van schapenwol
Lanolin
noun
1. een lang steekwapen met een metalen punt
Lanze
noun
  1. 1. constructie van glas en metaal of hout, zodat wind en regen geen vat op een brandende lichtbron hebben
  2. 2. bovenste open geleding(en) van een toren, vaak achtkantig
Laterne
noun
1. Chemisch element
Lanthan
noun
Lanthanoide
noun
1. Chemisch element
Lanthan
/ˈla.ɔs/
pronoun
1. een land in Azië grenzend aan Myanmar, China, Vietnam, Cambodja en Thailand
Laos
pronoun
1. een taal die in Laos gesproken wordt
Laotisch
noun
1. een stuk van iets
  1. Flicken
  2. Lappen
noun
1. kat waarvan de pels oogt als een lappendeken
mehrfarbige Katze
noun
1. kleine draagbare computer
Laptop
noun
1. jeugdstadium van de meeste insecten en veel amfibieën
Larve
adjective
2. betreffende de larynx
Kehlkopf-
noun
1. metalen instrument met een handvat en spatel om de larynx ...
Laryngoskop
noun
1. Bovenste deel van de luchtpijp
  1. Kehlkopf
  2. Larynx
noun
Lasagne
noun
1. een bril die de ogen bij laswerk tegen ultraviolette straling beschermt
Schweißbrille
noun
Stabelektrode
noun
1. lichtbron die uiterst intense lichtstraal van één kleur uitzendt
Laser
noun
1. een masker dat de ogen bij laswerk tegen ultraviolette straling beschermt
  1. Schweißerhelm
  2. Schweißmaske
noun
1. hoornvliesontsteking door blootstelling aan uv-straling
  1. Photokeratitis
  2. Schneeblindheit
verb
  1. 1. door plaatselijke sterke verhitting van de voeg twee metalen voorwerpen met elkaar verbinden
    schweißen
  2. in elkaar lassen
    zusammenschweißen
noun
1. iets wat een mens hindert
  1. Bürde
  2. Last
noun
1. een gedomesticeerd dier dat men gebruikt om vracht te vervoeren
  1. Lasttier
  2. Saumtier
noun
1. onterechte beweringen die iemand in een kwaad daglicht stellen
Verleumdung
noun
2. gever van een lastgeving
Auftraggeber
noun
1. opdrachtovereenkomst met verplichting tot handelen in eigen of andermans naam
Auftrag
adjective
1.
  1. lästig
  2. unbequem
/ˈlɑs.təx.fɑ.lə(n)/, /ˈlɑs.təχ.fɑ.lə(n)/, /ˈlɑs.tɪɣ.vɑ.lə(n)/
verb
  1. 2. op vervelende wijze iemands aandacht trekken door na te roepen, dreigende of obscene gebaren te maken e.d.
    1. anpöbeln
    2. belästigen
  2. 1. op hinderlijke wijze iemands aandacht opeisen, storen, hinderen in iemands concentratie of bezigheden
    stören
noun
1. latei
Sturz
verb
  1. laten uitvallen
    ausfallen lassen
  2. laten vallen
    1. fallenlassen
    2. streichen
    3. wegfallen
    4. weglassen
    1. 3. niet doen
    2. 4. niets veranderen
    3. 5. vertrekken
    4. 6. aansporing
    lassen
adjective
1. sluimerend
latent
adjective
1. aan de zijkant (buitenkant)
  1. seitlich
  2. lateral
/'la.tɛks/
noun
Latex
pronoun
1. taal van de Romeinen in de oudheid, die later in gebruik bleef in religie en wetenschap
  1. Latein
  2. Lateinisch
pronoun
Lateinamerika
noun
1. de reeks lettertekens oorspronkelijk gebruikt om teksten in het Latijn te schrijven en tegenwoordig met aanpassingen voor veel talen gebruikt
lateinische Alphabet
noun
1. woord of uitdrukking overgenomen uit het Latijn of gevormd naar Latijns voorbeeld
Latinismus
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Lauchheim
noun
boom en kruid
Lorbeer
noun
2. (gedroogde) bladeren van Laurus nobilis
Lorbeerblatt
pronoun
1.
Lausanne
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Thüringen
Lauscha
pronoun
1.
Lausitzer Gebirge
/laʊ̯/, /lʌʊ̯/, /lʌː/
adjective
1. een temperatuuraanduiding die tussen warm en koud ligt
  1. lauwarm
  2. lau
noun
Lorbeerkranz
noun
1. vloeibaar gesteente dat uit een vulkaan tevoorschijn komt
Lava
noun
1. meubel of plaats in een gebouw met voorzieningen om zich te wassen
Waschbecken
noun
1. koepelvormige structuur die ontstaat als lava die rijk is aan silica naar buiten treedt uit de barsten en spleten van een groeiende kussenachtige structuur
  1. Lavadom
  2. Lavakuppel
  3. Vulkandom
noun
1. bepaald kruid, Levisticum officinale, dat zowel in de keuken als in de geneeskunde gebruikt wordt
Liebstöckel
noun
1. Lavandula, een struik uit de lipbloemenfamilie Lamiaceae
Lavendel
verb
1-2 bij tegenwind zigzagsgewijs opzeilen
  1. lavieren
  2. kreuzen
/la'ʋaj/
noun
1. luid en storend geluid
Lärm
/la'ʋinə/
noun
1. een sneeuwverschuiving op een berghelling
Lawine
noun
1. Chemisch element
Lawrencium
noun
1. een grote mobiele medische (militaire) installatie die tijdelijk de taken van een ziekenhuis kan overnemen
Lazarett
/la'zyːr/
noun
  1. 1. kostbaar blauw gesteente
    Lapislazuli
  2. 4. transparante verflaag
    Lasur
  3. 5. transparante verf
    1. Lasur
    2. Lasurfarbe
  4. 2. helderblauwe kleur
    ultramarin
noun
1. de vierde maag van een herkauwer, zoals een rund
  1. Labmagen
  2. Käsemagen
noun
1.verwijst naar alles wat gelezen kan worden
Lektüre
/lɛt/
noun
1. elektronische lichtbron in de vorm van een diode die licht uitstraalt
Leuchtdiode
/ˈledəmat/
noun
1. een aan de romp aanhangend onderdeel van het lichaam dat door spieren bewogen kan worden...
  1. Gliedmaße
  2. Glied
/leːdən/
noun
1. meervoud van het zelfstandig naamwoord lid
Mitglieder
noun
1. lijst van leden, m.n. van een vereniging
Mitgliederliste
verb
1. de inhoud volledig verwijderen
  1. entleeren
  2. leeren
noun
1. het niets doen, het niets te doen hebben
  1. Muße
  2. Nichtstun
/let/
noun
1. verdriet en pijn
Leid
noun
1. het genoegen scheppen in het leed van een ander
Schadenfreude
noun
Lebensraum
noun
    1. 1. de tijd dat iemand leeft of geleefd heeft, het totaal aantal levensjaren
    2. 2. een bepaald tijdstip in iemands leven
    Alter
  1. gemiddelde leeftijd
    Durchschnittsalter
noun
Altersgruppe
noun
1. middelen tot levensonderhoud, proviand
Wegzehrung
/lex/
adjective
1. zonder inhoud
leer
verb
1. geleidelijk zijn inhoud verliezen
leer laufen
/lek/
noun
  1. 1. iemand die niet deskundig is op een bepaald gebied
  2. 2. iemand die niet tot de geestelijke stand behoort, gewone gelovige
Laie
/lem/, /leɪm/
noun
1. kleihoudende grondsoort
Lehm
adjective
  1. Lehmbraun
  2. lehmbraun
noun
1. een plaats waar iets ontbreekt
Lücke
/len/
noun
1. leengoed; vastgoed dat door de heer aan zijn vazal ten gebruike werd afgestaan
Lehen
noun
1. staatsvorm
  1. Feudalismus
  2. Benefizialwesen
  3. Feudalswesen
  4. Lehenswesen
  5. Lehnswesen
/ˈlenvərˌtalɪŋ/
noun
1. woord dat aan een vreemde taal is ontleend in letterlijke vertaling en analoge constructie
Lehnübersetzung
/ˈlenʋɔːrt/
noun
1. een woord dat door een taal aan een andere taal ontleend is
Lehnwort
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
  3. 3.
Leer
noun
  1. 1. stof vervaardigd door het looien van een dierenhuid
    Leder
  2. 2. theorie, doctrine
    Lehre
adjective
1. gemakkelijk te leren, goed te leren
lernbar
noun
1. een boek bedoeld om er iets uit te leren
Lehrbuch
adjective
1.
lernbegierig
noun
1. iemand die lesgeeft
Lehrkraft
noun
1. iemand die onderwijs volgt
  1. Schüler
  2. Schülerin
noun
1. schema in de tijd van leeractiviteiten om vastgestelde leerdoelen te bereiken en de leerstof,...
Lehrplan
noun
1. de verzameling van alle leermaterialen die een lerende dient te bestuderen
  1. Lehrstoff
  2. Lernstoff
noun
2. rubberen opzetstuk tussen pijpstukken
Flachdichtung
/ˈlervlʏxt/
noun
1. als oefening weer terug naar huis vliegen van postduiven die voor dat doel eerst samen zijn weggebracht
Übungsflug
noun
1. een boek met teksten, meestal om kinderen te leren lezen
Lesebuch
noun
1. een bril die op leesafstand een scherp beeld geeft
Lesebrille
noun
1. een lint dat aan de kop van van een boekblok bevestigd is en waarmee je kunt aangeven waar je weer wil beginnen met lezen
Leseband
/lest/
noun
  1. 1. schoenvorm
    Leisten
  2. 2. gestalte
    Wuchs
noun
1. conventioneel symbool in interpunctie
Satzzeichen
pronoun
2. teken van de dierenriem van 23 juli tot 23 augustus
Löwe
noun
1. Panthera leo een groot katachtig roofdier met lange manen
  1. Löwe
  2. Löwin
noun
Löwenanteil
noun
Lerche
noun
1. vrouwtje van de leeuw
Löwin
adjective
branie, moed
Mumm
adjective
1. wettig, rechtmatig
  1. erlaubt
  2. rechtmäßig
noun
  1. 1-2. Romeinse officier of pauselijk gezant
    Legat
  2. 1. testamentaire beschikking
    1. Vermächtnis
    2. Legat
verb
1. de wet zodanig aanpassen dat iets niet langer een vergrijp is
legalisieren
noun
1. een inrichting in een pluimveehouderij waarin legkippen in grote aantallen in kleine hokjes gehouden en verzorgd worden
Legebatterie
/ˈleːɣər/, /ˈleːχər/
noun
1. een militaire strijdmacht
  1. Armee
  2. Heer
/lə'ɣɪːrən/
verb
  1. 1. een leger inkwartieren
    1. einquartieren
    2. lagern
  2. 1. verschillende metalen tot een verbinding samensmelten
    legieren
noun
1. Metaalverbinding van twee of meer elementen
Legierung
noun
1. tenten en/of gebouwen waarin een leger is ondergebracht
Biwak
/ˈlɛɣə(n)/, /ˈlɛχə(n)/
verb
1. doen liggen
legen
/ˌleɣyˈwan/
noun
  1. 1. hagedis
  2. 2. stootkussen
Leguan
noun
  1. 3. daklei
    Dachschiefer
  2. 2. schrijflei
    Schiefertafel
noun
2. band waaraan een kind leert lopen
Gängelband
noun
1. iemand daken voorziet van leien al of niet met metalen zoals koper
  1. Dachdecker
  2. Schieferdecker
pronoun
Leiden
verb
1. een leidinggevende functie hebben
  1. leiten
  2. führen
/ˈlɛɪ̯dər/, /ˈlɛːdər/
noun
  1. 1. iemand die leidt of bestuurt
    1. Anführer
    2. Führer
    3. Leiter
  2. 2. een persoon of ploeg die op de eerste plaats staat in een competitie of wedstrijd
    1. Spitzenreiter
    2. Tabellenführer
noun
  1. 1. het bepalen wat een groep of organisatie behoort te doen
  2. 3. een buis, pijp of slang die een vloeistof...
Leitung
noun
Leitungswasser
noun
Leitmotiv
noun
  1. Leitton
  2. Strebeton
pronoun
1. een rivier
Leie
adjective
  1. Schiefergrau
  2. schiefergrau
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Leinfelden-Echterdingen
pronoun
1.
Leingarten
noun
1. leioog
  1. Schotleitöse
  2. Öse
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Leipzig
noun
  1. 1. blauwgrijs gesteente
    Schiefer
  2. 2. een plat stuk van dit gesteente
    1. Schiefertafel
    2. Tafel
adjective
1. vloeistof of gas doorlatend
  1. leck
  2. undicht
noun
1. opening waardoor een vloeistof of een gas in of uit kan
Leck
adjective
1. aangenaam van smaak
lecker
/ˌlɛ.kər.ˈnɛi/
noun
Leckerei
noun
Lilie
/le.li.tʲə.vɑn.da.ləⁿ/
noun
1. bepaald soort kleine tot 30 centimeter hoge vaste plant, Convallaria majalis
  1. Maiglöckchen
  2. Maiblümchen
/ˈleːlək/
adjective
1. onprettig om naar te kijken, niet mooi
  1. hässlich
  2. unschön
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Lemgo
noun
    1. 3. een hulpstelling waarvan de juistheid in afwachting van nader bewijs wordt aangenomen
    2. 1. het eerste woord van een artikel in een woordenboek of encyclopedie
    Lemma
  1. 2. een woordenboekartikel
    Wörterbuchartikel
noun
1. een knaagdier dat vooral in het hoge noorden op de toendra's voorkomt
Lemming
noun
1. laagste deel van de rug voor het kruis
Lende
verb
  1. 2. iets aan iemand anders te leen geven
    1. borgen
    2. leihen
    3. ausleihen
  2. 1. iets wat eigendom is van een ander tijdelijk gebruiken, al dan niet in ruil voor een kleine vergoeding
    1. borgen
    2. sich leihen
noun
  1. 2. uitlener, leninggever
    1. Darlehensgeber
    2. Verleiher
  2. 1. ontlener, leningnemer
    1. Entleiher
    2. Darlehensnehmer
noun
1. kabeljauwachtige zoutwatervis, Molva molva
Leng
/ˈlɛ.ŋə(n)/
verb
3. langer worden
sich längen
/ˈlɛŋktə/
noun
  1. 1. afmeting van een voorwerp
    Länge
  2. 2. tijdsduur
    1. Länge
    2. Dauer
  3. 1. op welke meridiaan een plaats ligt
    1. Länge
    2. Längengrad
noun
Längengrad
verb
1. verzachten, minder indringend of nijpend maken
lindern
noun
Darlehen
noun
    1. 1. een geslepen stuk transparant materiaal dat lichtstralen breekt
    2. 2. een stelsel van lenzen of lensdelen dat op een camera zit zodat er een scherp beeld op de film of CCD wordt geprojecteerd
    Linse
  1. 3. een zeer kleine glazen of kunststof lens die men direct op de oogbol plaatst ter vervanging van een bril
    1. Linse
    2. Kontaklinse
    3. lentilla
noun
1. seizoen
  1. Frühling
  2. Frühjahr
  3. Lenz
noun
1. lentedag
Frühlingstag
/ˈlɛntəmant/
noun
1. lentemaand
Frülingsmonat
noun
1. lentenacht
Frülingsnacht
noun
1. evenaarpassage van de zon richting noord
  1. Frühlingspunkt
  2. Widderpunkt
noun
Frühlingswetter
pronoun
. spelwoord voor de letter l
Leo
pronoun
1. een stad in de Oostenrijkse deelstaat Opper-Oostenrijk
Leonding
/ˈlepəɫ/
noun
1. een voorwerp bestaande uit een greep en een kom(metje), waarmee vloeibaar voedsel wordt gegeten
Löffel
noun
1. een steltloper ter grootte van een ooievaar met een lepelvormige snavel
  1. Löffler
  2. Löffelreiher
noun
2. benaming voor kruisbloemige planten van het geslacht Cochlearia
Löffelkraut
noun
1. bepaald soort vis met lepelvormig verbrede bek die 2 meter lang kan worden en meer dan 80 kilogram kan wegen, Polyodon spathula
Löffelstör
noun
  1. Aussatz
  2. Lepra
noun
Leprologe
adjective
1. met een smal gelaat en een smalle lichaamsbouw
leptosom
/ˈleːraˑr/
noun
1. iemand die lesgeeft
Lehrer
noun
Lehrerin
/ˈleːrə/, /ˈlɪːrə/
verb
  1. 2. kennis of vaardigheid doen verwerven
    lehren
  2. 1. kennis of vaardigheid verwerven
    lernen
/lɛs/
noun
1. onderricht gedurende een korte tijd
  1. Lektion
  2. Unterricht
noun
Lehrbuch
noun
1. letsel
Läsion
/le.'sɔ.to/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel het Koninkrijk Lesotho
Lesotho
/ˈlɛsə(n)/
verb
1. met vocht de dorst beëindigen
löschen
noun
1.
Pultdach
/lɛt/
noun
1. een inwoner van Letland, of iemand afkomstig uit Letland
Lette
noun
  1. 2.
  2. 1. een toestand van geestelijke ongevoeligheid
Lethargie
/ˈlɛtlɑnd/, /ˈlɛtlɑnt/
pronoun
1. een Europees land aan de Oostzee
Lettland
/ˈlɛtlɑnds/, /ˈlɛtlɑnts/
adjective
1. betreffende Letland
lettisch
/lɛts/
adjective
1. betreffende Letland
lettisch
/lɛts/
pronoun
1. de officiële taal van Letland
  1. Lettisch
  2. lettisch
/ˈlɛtsə/
noun
1. inwoonster van Letland
Lettin
noun
1. lichamelijke schade met name aangericht in een ongeluk of gevecht
Verletzung
noun
1. een teken om in geschreven taal een klank van de gesproken taal weer te geven
Buchstabe
/ˈlɛtərˌxrep/, /ˈlɛtərˌɣrep/
noun
1. elk van de groepen waarin een woord kan worden verdeeld
Silbe
noun
1. de studie van de literatuur
Literaturwissenschaft
/ˈlɛtərˌtekə(n)/
noun
1. elk van de symbolen voor een klank waaruit een alfabet is opgebouwd
Schriftzeichen
noun
1. een stylistisch samenhangende set tekens die meestal letters, cijfers en leestekens uitbeelden
Schriftart
/'lɛtərzɛtər/
noun
  1. 2. Ips typographus, een schorskever die vooral leeft op de spar
    Buchdrucker
  2. 1. tekstopmaker
    1. Schriftsetzer
    2. Metteur
/ˈløːɣən/, /ˈlʏːχən/
noun
1. mededeling die niet waar is, met de bedoeling om anderen te misleiden
Lüge
noun
1. iemand die bewust dingen zegt die niet waar zijn
Lügner
adjective
  1. 3. kalm, bedaard
    1. gelassen
    2. gemächlich
  2. 1. grappig, schalks, vermakelijk
    lustig
  3. 2. prettig, aangenaam
    1. toll
    2. nett
    3. fein
noun
1. bloedkanker
Leukämie
verb
1. steunen, het evenwicht bewaren door het eigen gewicht deels door iets anders te laten steunen
  1. lehnen
  2. anlehnen
noun
  1. 1. iets waartegen men aan kan leunen
    Geländer
  2. 2. de achterkant van een stoel
    1. Lehne
    2. Stuhllehne
noun
1. een stoel met leuningen om lekker in te zitten
Lehnstuhl
/ˈløːˌvə(n)/
pronoun
1. de provinciehoofdstad van Vlaams-Brabant in België
Löwen
pronoun
1.
  1. Levantinisches Meer
  2. Levantisches Meer
/'levən/
noun
  1. 2. de tijdsspanne die men levend doorbrengt
  2. 1. een voortbestaan van organismen, gericht op groei en/of vermenigvuldiging
Leben
/'levən/
verb
1. het doormaken van het leven
leben
noun
1.
Waldeidechse
noun
Lebensende
adjective
1. tot de dood durend
lebenslang
noun
  1. Lebensfreude
  2. Lebenslust
noun
1. een van de goederen die het leven in stand houden, zoals etenswaren
Lebensmittel
noun
Lebensraum
noun
1. een bruinkleurig orgaan dat gal produceert
Leber
noun
1.
Leberabszess
/ˈlevərˌblumpʲə/
noun
1. Hepatica nobilis, een plant uit de ranonkelfamilie
  1. Leberblümchen
  2. Dreilappiges Leberblümchen
  3. Gewöhnliches Leberblümchen
  4. Leberblume
  5. Leberwindblume
  6. Märzblümchen
noun
Großer Leberegel
/ˈlevərə(n)/
verb
1. voor de aanvoer van iets zorg dragen
liefern
pronoun
1.
Leverkusen
noun
Lebertran
/leˈvijatɑn/
noun
1. reusachtige waterslang
Leviathan
pronoun
Levitikus
noun
Lexem
verb
1. zien en interpreteren van geschreven tekst
lesen
noun
1. iemand die (een bepaald geschrift) leest
Leser
noun
Lesung
/ˈli.ba.nɔn/, /ˈli.bɑ.nɔn/
pronoun
land in het Midden-Oosten, grenzend met Israël en Syrië, officieel de Libanese Republiek
Libanon
/li.ˈbɛl/, /li.ˈbɛɫ/
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Odonata
Libelle
noun
Liberalität
/li.'beː.ri.ja/, /li.'bɪː.ri.ja/
pronoun
land in West-Afrika, officieel de Republiek Liberia
Liberia
/'libido/
noun
1. geslachtsdrift
  1. Libido
  2. Geschlechtstrieb
adjective
1. op Libië betrekking hebbend
  1. libysk
  2. libysch
/ˈli.bi.jə/
pronoun
1. een land in Noord-Afrika, officieel de Staat Libië
Libyen
noun
  1. 3. een hoeveelheid materie met een bepaalde vorm
    Körper
  2. 1. een geheel van botten, vlees en organen van een mens of dier
    1. Körper
    2. Leib
  3. 2. een instantie
    Körperschaft
/ˈlɪxamsbəˌweɣɪŋ/
noun
1. bezigheden die bijdragen aan de lichamelijke fitheid
körperliche Betätigung
noun
1. de specifieke anatomie van iemands lichaam
Körperbau
noun
1. haar dat niet op het hoofd van iemand groeit
Körperhaar
noun
Körpersprache
adjective
1. met betrekking tot het lichaam
körperlich
adjective
  1. 1. helder van kleur
    1. hell
    2. Licht
    1. 2. van een gewicht
    2. Vertalingen: na te kijken en onderverdelen per verklaring
    leicht
noun
  1. 1. Elektromagnetische golven
    1. Licht
    2. hell
  2. 2. lichtbron
    1. Lichtquelle
    2. Licht
adjective
  1. Hellelfenbein
  2. hellelfenbein
adjective
1. een lichte oranje kleur die naar rood zweemt
  1. Hellrotorange
  2. hellrotorange
adjective
hellblau
noun
1. gas dat in een gasfabriek wordt geproduceerd door steenkool te verhitten zonder toetreding van zuurstof
  1. Leuchtgas
  2. Stadtgas
adjective
  1. Lichtgrau
  2. lichtgrau
adjective
  1. Lichtgrün
  2. lichtgrün
adjective
1. met lichte haren.
hellhaarig
noun
2.
  1. Altersklasse
  2. Jahrgang
noun
1. de afstand die het licht in één jaar aflegt, ongeveer 9460 miljard kilometer
Lichtjahr
noun
Lichtpunkt
adjective
  1. Hellrosa
  2. hellrosa
noun
1.
Feuerschiff
noun
1. de snelheid waarmee het licht zich voortplant in het luchtledige (ongeveer 299792 km/s)
Lichtgeschwindigkeit
/ˈlɪxtstɛrktə/
noun
1. helderheid van een lichtbron
Lichtstärke
noun
Lichtstrom
noun
1. het lichtzinnig zijn
  1. Leichtsinnigkeit
  2. Unbesonnenheit
noun
  1. 4. ooglid
    1. Augenlid
    2. Lid
  2. 9. deksel
    Deckel
  3. 3. mannelijk geslachtsdeel
    Glied
  4. 5. deel van het lichaam
    1. Glied
    2. Körperglied
    3. Körperteil
  5. 1. iemand die behoort tot een groep, organisatie of sekte
    Mitglied
  6. 6. deel van een insect
    Segment
  7. 8. deel van een samengesteld woord
    1. Silbe
    2. Wortteil
noun
1. iemand die lid is van een organisatie, voornamelijk een kerk
Mitglied
noun
1. de status van iemand als lid van een organisatie
Mitgliedschaft
noun
1. een staat die toegetreden is tot een inter- of supranationale organisatie
  1. Mitgliedsland
  2. Mitgliedstaat
noun
  1. Artikel
  2. Geschlechtswort
  3. Begleiter
/ˈlixtə(n)ˌstɛɪ̯n/, /ˌlixtə(n)ˈstɛːn/, /ˌliχtə(n)ˈstɛɪ̯n/
pronoun
1. een klein land in Europa gelegen tussen Zwitserland en Oostenrijk
Liechtenstein
noun
1. muzikale vorm waarin tekst op muziek wordt verklankt
Lied
adverb
  1. 1. vriendelijk, zachtaardig
    lieb
  2. 2. mooi, fijngebouwd
    1. lieb
    2. hübsch
noun
1.het geven van hulp
Wohltätigkeit
noun
1. uiting of gevoel van grote genegenheid en/of het zich aangetrokken voelen
Liebe
adjective
1. niet getuigend van enige vorm van liefde
  1. herzlos
  2. lieblos
noun
1. verhouding, liefdesgeschiedenis
Liebesaffäre
noun
1. brief waarin men zijn liefde betuigt
Liebesbrief
noun
1. roman met liefdesperikelen als hoofdonderwerp
Liebesroman
noun
1. het verdriet dat iemand voelt bij een onbeantwoorde, of verbroken liefde
Liebeskummer
noun
liefdesrelatie
  1. Liebesbeziehung
  2. Liebesverhältnis
verb
1. liefde voelen tot iemand of iets
lieben
adjective
liebend
noun
Liebhaber
verb
  1. liebkosen
  2. schmusen
verb
1. met opzet feiten vertellen die niet de waarheid zijn maar wel als dusdanig worden gepresenteerd
lügen
/lir/
noun
  1. 1. een Grieks snaarinstrument
    1. Lyra
    2. Leier
  2. 2. een werktuig om te hijsen, trekken of slepen
    Winde
noun
1. anatomie
Leiste
noun
1.
Leistenbruch
noun
1. benaming voor kevertje van de familie Coccinellidae
Marienkäfer
noun
Liebeling
/ˌlivə'vraʊ̯wəˌbɛtstro/, /ˌlivəˌvrɔʊ̯β̞ə'bɛtstro/, /ˌlivəˌvrʌʊ̯β̞ə'bɛtstro/
noun
1.
Waldmeister
noun
  1. 2. de draagkracht van een vliegtuig
    Auftrieb
  2. 1. een verticaal transportsysteem voor goederen en mensen
    1. Aufzug
    2. Lift
    3. Fahrstuhl
verb
1. liften (meerijden)
trampen
noun
1. lifter
  1. Anhalter
  2. Tramper
noun
1. opwaartse kracht
Auftrieb
noun
Liegerad
verb
  1. 1. zich horizontaal in toestand van rust gelegd hebben
  2. 2. op een bepaalde plaats bevinden
liegen
noun
1. de wijze waarop iets of iemand gelegen is
Lage
/'lɪxplats/
noun
  1. 2. een plaats waar een boot kan liggen
    Ankerplatz
  2. 1. een plaats waar iemand of iets ligt
    Liegeplatz
noun
1. een stoel waarin men gemakkelijk kan liggen
Liegestuhl
pronoun
1. randzee van de Middellandse Zee, gelegen tussen Noordwest-Italië en Corsica
Ligurisches Meer
noun
1. olijfachtige heester veel gebruikt voor het maken van heggen
  1. Liguster
  2. Rainweide
noun
1. de kant waar de wind niet vandaan komt
Lee
/lɛɪdələk/
adjective
1. zonder verzet ongemak verdragend
passiv
verb
1. smart en ellende ondergaan
leiden
phraseologicalUnit
1. zinsdeel waarop de actie die wordt uitgedrukt door een overgankelijk werkwoord rechtstreeks van toepassing is
  1. Akkusativobjekt
  2. direktes Objekt
adverb
tatenlos
/lɛi̯f/
noun
1. lichaam
Körper
noun
1. deel van een kledingstuk dat ervoor zorgt dat het bovenlijf bedekt wordt
Leibchen
pronoun
1. een Finoegrische taal die in Estland en Letland gesproken wordt
Livisch
noun
1. levenslange rente
Leibrente
noun
1. een spreuk waarnaar iemand zijn leven inricht
Wahlspruch
noun
1. een straf waarbij iemand lijfelijk pijn gedaan wordt
  1. Körperstrafe
  2. Leibesstrafe
/ˈlɛɪfʋɑxt/
noun
  1. 1. de wacht die met de bewaking van een vorst of aanzienlijk persoon belast is
    Leibwache
  2. 2. een lid van een lijfwacht
    Leibwächter
suffix
  1. 1. het hebben van de karakteristieken (bv. kinderlijk)
    1. haft
    2. lich
    1. 2. in staat zijn tot (bv. redelijk)
    2. 3. toevoeging om van een werkwoord of zelfstandig naamwoord een bijvoeglijk naamwoord te maken (bv. gevaarlijk)
    lich
noun
  1. 1. dood lichaam
    1. Leiche
    2. Leichnam
  2. 1. zijde van een zeil
    Liek
/ˈlɛːkbar/, /ˈlɛːɪkbar/
noun
1. baar voor een lijk
Totenbahre
/ˈlɛɪkˌbəzɔrxər/
noun
1. een begrafenisondernemer
Leichenbestatter
/ˈlɛɪkˌbɪdər/
noun
1. de aanzegger van een sterfgeval
Leichenbitter
/ˈlɛi.kə(n)/
verb
  1. 1. uitzien als
    gleichen
  2. 2. naar aanschijn zijn
    scheinen
  3. lijken op iets
    ähneln
/lɛikə(n)hœys/
noun
1. een plaats waar lijken tijdelijk opgebaard liggen
  1. Leichenhalle
  2. Totenhalle
/ˈlɛɪkxeˌʋat/
noun
1. de kleding waarin een overledene begraven wordt
  1. Totenhemd
  2. Leichenhemd
/ˈlɛɪ̯.kɪs/, /ˈlɛɪ̯k.kɪst/, /ˈlɛːk.kɪst/
noun
1. de kist waarin een overledene ter aarde besteld wordt
Sarg
noun
1. ± arts die het lichaam van een overledene onderzoekt om de doodsoorzaak vast te stellen
Forensiker
noun
1. textiel waarin een overledene begraven wordt
  1. Leichenhemd
  2. Totenhemd
noun
1. plakmiddel
  1. Kleber
  2. Klebstoff
  3. Leim
verb
1. twee of meer delen aan elkaar bevestigen met behulp van een kleefstof
  1. leimen
  2. kleben
noun
1. een actie ondernomen om een uiteengevallen kabinet opnieuw bijeen te brengen
Rettungsversuch
/lɛi̯n/
noun
  1. 2.
    1. Gerade
    2. gerade Linie
  2. 11. een band, riem om een huisdier in te tomen
    1. Hundeleine
    2. Leine
  3. 1. een streep
    Linie
noun
1. motor waarbij alle cilinders in één lijn staan
Reihenmotor
/ˈlɛinrɛidəɾ/
noun
1. iemand die bloemen en planten vanuit de vrachtwagen en in beperkte mate op bestelling verkoopt aan bloemenwinkeliers
Blumengroßhändler
/lɛinˈvrindələk/
adjective
1. weinig calorieën bevattend, waar je niet dik van wordt
kalorienarm
/ˈlɛɪnzat/
noun
1.
Leinsamen
/lɛist/
noun
  1. 4. een vooruitspringende rand aan een gebouw
    Leiste
  2. 1. een opsomming van zaken die onder elkaar staan
    Liste
  3. 2. een rand in een speciale vorm om iets in te vatten, zoals een schilderij
    1. Rahmen
    2. Bilderrahmen
  4. 3. een kader of omtrek
    Umrandung
noun
1. iemand op de eerste plaats staat van de kandidatenlijst van een partij in een verkiezing
Spitzenkandidat
noun
1. benaming voor zangvogels uit de familie Turdidae
Drossel
noun
1. geslacht van loofbomen, Sorbus
Mehlbeere
noun
1. iemand op de eerste plaats staat van de kandidatenlijst van een partij in een verkiezing
Spitzenkandidat
noun
Leesegel
adjective
schleppend
noun
1. de kant van het schip die uit de wind ligt
Leeseite
noun
Hühnerauge
verb
1. met de tong aanraken
lecken
noun
1. lichte tint van paars
lila
noun
1. en 2. (zaden van) plant Phaseolus lunatus
  1. Limabohne
  2. Mondbohne
/ˈlɪm.bʏrx/, /ˈlɪm.bʏrχ/
pronoun
  1. 1. provincie in het zuidoosten van Nederland
  2. 2. een provincie in België
Limburg
/ˈlɪm.bʏrxs/, /ˈlɪm.bʏrχs/
pronoun
1. verzamelnaam van een reeks variëteiten van de Germaanse taalfamilie
Limburgisch
adjective
1.
limburgischsprachig
noun
Limnologie
noun
1. Een citrusvrucht
  1. Limone
  2. Limette
noun
1. een drank die vervaardigd is van citroensap, suiker en water
Limonade
noun
1. verlengde luxueuze auto waarin meestal meer dan vier personen vervoerd kunnen worden.
Limousine
/ˈlɪndə/
noun
loofboom
Linde
noun
1. beoefenaar van de taalkunde
Linguist
noun
1. wetenschap die taal als onderzoeksobject heeft
Linguistik
adjective
  1. linguistisch
  2. sprachwissenschaftlich
/ˌliniˈ<sup>ʲ</sup>aɫ/
noun
1. een meetinstrument waarmee lengtes kunnen worden opgemeten
Lineal
noun
  1. 2. een verwijzing
    1. Link
    2. Verknüpfung
  2. 1. een betrekking of relatie
    Verbindung
noun
1. linkerhandregel
Linkehandregel
adjective
1. tegenovergestelde van rechts
  1. links
  2. link
adjective
1. wanneer men de linkerhand verkiest boven de rechter voor alledaagse handelingen
linkshändig
adverb
1. in een rondgaande beweging tegen de klok
linksdrehend
noun
1. product afkomstig uit vlas
  1. Leinen
  2. Leinwand
noun
1. lintkabel
Bandleitung
noun
1. een platte worm die parasiteert in de darm bij mens en dier
Bandwurm
noun
Bandsäge
noun
1. anatomie
  1. Lippe
  2. Lefze
/liˈpidə/
noun
1. vetten en vetachtige stoffen die in de biochemie een belangrijke rol spelen
Lipid
noun
Lippenbekenntnis
noun
  1. 1. stift met zacht materiaal dat op de lippen opgebracht wordt om de kleur daarvan beter te laten uitkomen
  2. 2. zacht materiaal dat op de lippen opgebracht wordt om de kleur daarvan beter te laten uitkomen
Lippenstift
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Lippstadt
noun
1. Typha
Rohrkolben
/ˈlɪspələ(n)/
verb
lispeln
pronoun
1.
Lissabon
/'lɪst/
noun
  1. 2. vermogen om een oplossing die tegenstrevers verrast, te bedenken
    List
  2. 1. een oplossing voor een probleem waardoor tegenstrevers worden verrast
    1. List
    2. snare
noun
  1. 2. het geheel van als kunstzinnig beschouwde geschreven werken, m.n. proza of poëzie
  2. 3. de verzameling geschreven en na controle door vakgenoten gepubliceerde mededelingen van een vakgebied
Literatur
/ˈlitiˌʲʏm/
noun
1. chemisch element en een zilverwit alkalimetaal
Lithium
noun
  1. Lithographie
  2. Steindruck
noun
1. de wetenschap van de beschrijving en het ontstaan van sedimentgesteenten (steen- en rotsenkunde)
Lithologie
/liˈtaʊ̯.wə(n)/, /liˈtɑuwə(n)/, /liˈtɔʊ̯.β̞ə(n)/, /ˈliˌtʌʊ̯.β̞ə(n)/
pronoun
1. een Europees land ter hoogte van Wit-Rusland
Litauen
/liˈtaʊ̯.wər/, /ˈlitɔʊ̯.β̞ər/, /ˈlitʌʊ̯.β̞ər/
noun
1. inwoner van Litouwen
Litauer
/liˈtaʊ̯s/, /ˈlitɔʊ̯β̞s/, /ˈlitʌʊ̯s/
adjective
1. betreffende Litouwen of het Litouws
litauisch
/liˈtaʊ̯s/, /ˈlitɔʊ̯β̞s/, /ˈlitʌʊ̯s/
pronoun
1. een Baltische taal die wordt gesproken in Litouwen
  1. Litauisch
  2. litauisch
/liˈtaʊ̯sə/, /ˈlitɔʊ̯β̞sə/, /ˈlitʌʊ̯sə/
noun
1. vrouwelijke inwoner van Litouwen
Litauerin
noun
1. zichtbaar overblijfsel van een oude verwonding
Narbe
noun
1. eertijds een dienst ten bate aan de gemeenschap waartoe de rijken verplicht waren...
Liturgie
noun
1. litze
Litze
abbreviation
1. litzedraad
  1. Hochfrequenzlitze
  2. Litze
noun
1. scheikundig element met symbool Lv en atoomnummer 116
Livermorium
noun
1. vloeibaar gemaakt aardgas
LNG
pronoun
1.
Lobberich
noun
Lobotomie
noun
1. officiële instructie waardoor mensen of informatie een plaats of gebied niet mogen verlaten of binnenkomen
Massenquarantäne
verb
  1. 2. wollen stof
    Loden
  2. 1. van lood vervaardigd
    bleiern
  3. 3. het peilen van waterdiepte
    peilen
pronoun
  1. 1. eigennaam van Frankische herkomst
  2. 2. spelwoord voor de letter l
Ludwig
noun
1. de kant waar de wind vandaan komt
Luv
noun
1. de kant waar de wind op staat
  1. Luvseite
  2. Windseite
noun
1. met vlees en groente gevulde en gefrituurde lap deeg
Frühlingsrolle
verb
1. scheel kijken
schielen
noun
Lupe
noun
op de loer liggen
lauern
noun
Fleckenmusang
noun
  1. 2. groente
    Chicorée
  2. 1. prijzen
    Lob
verb
1. iemand lof toezwaaien
lobpreisen
noun
1. snelheidsmeter voor zeegaande schepen
  1. Log
  2. Logge
noun
  1. 1. boek met gegevens over de navigatie
    Logbuch
  2. 2. een chronologisch dagboek
    Tagebuch
verb
1. de onwaarheid of onjuistheid aantonen van iets
Lügen strafen
verb
1. vaart bepalen
loggen
noun
1. een vissersschip, tegenwoordig met een motor aangedreven, dat vroeger een loggergetuigd zeilschip was
Lugger
noun
Logik
/ˈloɣis/
adjective
  1. 1. natuurlijk, voor de hand liggend
  2. 2. betrekking hebbend op de logica
logisch
adverb
1. op een logische manier
logischerweise
adjective
Logistik
noun
1. beeldmerk, logogram, naambeeld
  1. Logo
  2. Zeichen
  3. Markenzeichen
noun
1. een herkeningsteken
Logogram
noun
  1. Logopäde
  2. Sprachlehrer
/ˈloʒban/
pronoun
1. een kunsttaal ontwikkeld door James Cooke Brown
Lojban
/lɔk/
noun
1. haarlok, pluk haar
Locke
/loˈkal/
adjective
1. plaatselijk, van beperkte omvang
  1. lokal
  2. örtlich
noun
1. stuk vlees of vis bedoeld om een dier mee te kunnen vangen.
Köder
noun
1. plaatsbepaling
Ortung
verb
2. de plaats vaststellen van
lokalisieren
verb
  1. 2. als eerste deel van samenstellingen
    Lock-
  2. 1. mens of dier verleiden ergens heen te komen
    anlocken
noun
Spaß
/ˈlɔlɪ/
noun
snoepje
  1. Lutscher
  2. Dauerlutscher
  3. Lolli
noun
1. zeevis, behorende tot de dorsvissen
Lumb
pronoun
Lombardei
adjective
zich op een onwellevende en onbehouwen manier gedragend
  1. rüde
  2. ungehobelt
/ˈlɔndən/
pronoun
1 en 2
London
adjective
1. van werk of andere activiteit dat je er voordeel van ondervindt; dat het de moeite waard is
  1. lohnend
  2. lukrativ
  3. rentabel
noun
1. orgaan waarin gaswisseling plaatsvindt tussen lucht en bloed ten behoeve van het metabolisme.
Lunge
/ˈlɔŋblaʃə/
noun
1. een blaasje in de longen waarin gasuitwisseling plaatsvindt
Lungenbläschen
noun
1. zwelling veroorzaakt door (allergische) overgevoeligheid
Lungenödem
/'lɔŋɔntsteːkɪŋ/
noun
1. een ontsteking in de longen
  1. Lungenentzündung
  2. Pneumonie
noun
1. bloedvat dat vanuit de rechter hartkamer naar de longen gaat
Lungenarterie
/ˌlɔnsdeˈlit/
noun
1. zeer harde vorm van diamant
Lonsdaleit
noun
1. koord voor ontsteking
  1. Zündschnur
  2. Lunte
/'lo.xənə(n)/
verb
1. iets tot een leugen verklaren
leugnen
noun
1. een scheikundig element met symbool Pb en atoomnummer 82
Blei
noun
1. vakman die zich bezighoudt met de aanleg en het onderhoud van sanitair, verwarmingsinstallaties, waterleidingen en/of riolering
  1. Klempner
  2. Installateur
/loːts/
noun
  1. 2. iemand die schepen als stuurman begeleidt bij het varen van en naar een haven
    Lotse
  2. 1. gebouw voor opslag van goederen
    1. Schuppen
    2. Lager
adjective
bleifrei
noun
1. een witte verfstof met bestanddelen van lood
Bleiweiß
/lo:f/
noun
Blattwerk
noun
  1. 1. gebladerde boom
  2. 2. bladverliezend boom
Laubbaum
adjective
  1. Laubgrün
  2. laubgrün
/loːx/
noun
een alkalische substantie
Lauge
verb
1. het bewerken van een dierenhuid ter vervaardiging van leer
  1. lohen
  2. gerben
noun
1. (beroep) een persoon die van de huid van dieren leer maakt
Gerber
adjective
van groot gewicht
schwer
noun
1. benaming voor planten uit het geslacht Allium
  1. Lauchgewächs
  2. Zwiebelgewächs
/loːn/
noun
1. financiële vergoeding voor geleverde arbeid
Lohn
noun
Lohnarbeit
/xxxx/
noun
1. dienst waarvoor men loon ontvangt
Arbeitsverhältnis
noun
Lohnliste
/loːp/
noun
voorste deel van een wapen
Lauf
noun
1. bovenzijde van een voetzool
Lauffläche
/ˈlopˌfoχɔɫ/, /ˈloːbˌvoːɣəl/, /ˈloːpˌfoːɣəl/
noun
  1. 1. loopvogel als taxonomische benaming
  2. 2. vogel die niet kan vliegen
  1. Laufvogel
  2. Laufvögel
/-los/
suffix
1. een achtervoegsel dat het ontbreken van het eerste aangeeft
los
/lot/
noun
Sproß
verb
  1. Het kwik loopt op.
    Das Thermometer steigt.
  2. uit de hand lopen
    außer Kontrolle geraten
  3. 1. stappen, gaan
    1. gehen
    2. laufen
    3. schreiten
  4. aan komen lopen
    1. herankommen
    2. zulaufen
  5. 2. rennen
    1. laufen
    2. rennen
preposition
tijdens het verloop van
während
noun
  1. 2. sleutel waarmee een hele serie verschillende sloten geopend kan worden
    1. Generalschlüssel
    2. Hauptschlüssel
    3. Passepartout
    4. Zentralschlüssel
    1. 4. schaakstuk dat zich slechts diagonaal verplaatsen mag
    2. 1. iemand die loopt
    3. 5. langgerekt stuk vloerbedekking
    Läufer
noun
1.Dit geneesmiddel behoort tot de benzodiazepinen
Lorazepam
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Hessen
Lorsch
pronoun
1.
Lorup
verb
plotseling woeden
ausbrechen
noun
1. een onverantwoordelijk iemand
lockere Vogel
noun
1. geld betaald voor iemands vrijlating
Lösegeld
verb
1. iets dat met een gesp bevestigd is losmaken
losschnallen
verb
1. ervoor zorgen dat iets of iemand los wordt
  1. lösen
  2. losmachen
  3. auflösen
noun
1. geld dat men aan ontvoerders moet betalen om de ontvoerde persoon weer vrij te krijgen
Lösegeld
/ˈlɔs.rʏ.kə(n)/
verb
1. met een ruk losmaken
losreiben
/ˈlɔsə(n)/
verb
  1. 2. afschieten
    1. abfeuern
    2. abschießen
  2. 5. afhaken, achteropraken
    den Anschluss verlieren
  3. 3. ontladen, afladen
    entladen
  4. 1. losser maken
    lockern
  5. 4. zich ontdoen van
    loswerden
verb
1. door trekken losmaken
losreißen
noun
  1. 1. toevalskans of teken daarvan
    Los
  2. 2. noodlot, wat het toeval iemand toebedenkt
    Schicksal
pronoun
Lothringen
adjective
1. onguur, verdacht, met een slechte reputatie
  1. dubios
  2. fragwürdig
  3. suspekt
  4. zwielichtig
noun
1. bankstel gestoffeerd met geschikt materiaal voor buitengebruik
Loungemöbel
noun
1. het geheel van bladeren van een of meer bomen
Blätter
verb
1.iets uitwerpen, kwijt zien te raken, gewoonlijk een vloeistof
abführen
pronoun
1. naam van een van Jezus' discipelen
Lukas
/lʏxt/
noun
1. mengsel van gassen waaruit de afmosfeer bestaat
Luft
noun
1. een aanval vanuit de lucht op een grondpositie
Luftangriff
noun
Heißluftballon
noun
Luftmatratze
noun
1. lijkbezorging waarbij het lichaam van een dode een plaats boven de grond krijgt waar het door dieren wordt opgegeten
Himmelsbestattung
noun
Luftbehandlung
noun
  1. Klimagerät
  2. Luftbehandlungsgerät
  3. Lüftungsanlage
  4. Lüftungsgerät
noun
fotografie vanuit de lucht
  1. Luftfotografie
  2. Luftbildfotografie
noun
1. een vliegveld voor verkeersvliegtuigen met accommodatie voor ontvangst en vertrek van passagiers
  1. Flughafen
  2. Flugplatz
noun
1. muziekinstrumenten die een toon voortbrengen door een trillende luchtkolom
Luftklinger
noun
Luftkissen
noun
1. een vaartuig dat zowel over water als over land op een luchtkussen voortzweeft.
Luftkissenfahrzeug
/ˈlʏxmɑxt/, /ˈlʏχmɑχt/
noun
1. een krijgsmacht in de lucht die bestaant uit vliegtuigen, raketten, projectielen en personeel
Luftwaffe
noun
1. een matras die gevuld is met lucht
Luftmatratze
noun
Luftröhre
noun
1. de luchtlagen boven een bepaald grondgebied
Luftraum
noun
1. demonstratie met (stunt)vliegtuigen, parachutespringen etc.
Flugschau
noun
1. verkeer in de lucht
Luftfahrt
noun
1. een bedrijf dat vervoer door de lucht aanbiedt
  1. Luftfahrtgesellschaft
  2. Fluglinie
noun
Flugleitung
noun
1. een stokje met een zwavelkopje, dienende om vuur te maken
  1. Streichholz
  2. Zündholz
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Brandenburg
Luckenwalde
adjective
1. bijzonder en leuk, apart op een leuke manier
spielerisch
pronoun
1. en 2.
Ludwigsburg
pronoun
1.
Ludwigshafen
/lœʏ/, /lœː/
adjective
1. werkschuw, niet houden van inspanning of werk
faul
/lœʏ/, /lœː/
noun
1. groep mensen
Leute
noun
  1. 1. werkschuw persoon
    Faulpelz
  2. 2. benaming voor zoogdieren uit de onderorde Folivora
    Faultier
/lœʏ̯t/, /lœːd/, /lœːt/
adjective
laut
/ˈlœʏ̯dən/, /ˈlœːdən/
verb
  1. 2. het weerklinken van het geluid van een klok
    klingen
  2. 1. doen klinken, gewoonlijk van een bel
    läuten
noun
Windel
noun
1. het ontbreken van de wil iets te doen
  1. Faulheit
  2. Trägheit
/lœʏ̯k/, /lœːk/
pronoun
  1. 1. een provinciehoofdstad in België
  2. 2. een Belgische provincie
Lüttich
/lœʏ̯k/, /lœːk/
noun
  1. 3. openklappende plank die een raam afdekt en beschermt
    1. Fensterladen
    2. Laden
  2. 4. onderdeel van een altaar-schilderij
    Flügel
  3. 1. openklappend vlak, klapdeur
    1. Klappe
    2. Kläppchen
  4. 2. afdekking van een scheepsruim
    Luke
noun
Faulpelz
pronoun
Schlaraffenland
noun
1. de stemming van een persoon op een bepaald tijdstip
Stimmung
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera pardus
Leopard
/lœʏ̯s/, /lœːs/
noun
1. benaming voor verschillende meestal vleugelloze insecten die parasiteren op dieren en planten
Laus
/'lœstərə(n)/
verb
  1. 2. een bevel opvolgen
    1. gehorchen
    2. hören auf
  2. 1. gericht waarnemen met het oor
    1. zuhören
    2. hören
noun
1. luit
Laute
noun
1. luitist
Lautenist
noun
1. iemand die erg lui is
Faulpelz
/ˈlykɑs/
pronoun
Lukas
verb
1. tot een succes leiden
gelingen
noun
1. geslachtsdeel van de man
  1. Schwanz
  2. Penis
  3. Pimmel
  4. Rute
verb
1. onzinnige of onbelangrijke dingen zeggen
  1. schwafeln
  2. schwätzen
noun
1.
Lumineszenz
adjective
lunar
/lɵnsʲ/
noun
1. een maaltijd rond of iets na het middaguur
Mittagessen
verb
1. de lunch gebruiken
  1. zu Mittag essen
  2. lunchen
noun
  1. 1. en 2. (zaden van) geslacht Lupinus
    Lupine
  2. 2. zaden van geslacht Lupinus
    Lupinensamen
noun
1. tot meel vermalen zaden van de plant Lupinus
  1. Lupinenmehl
  2. Süßlupinenmehl
noun
1. woord of uitdrukking overgenomen uit het Portugees of gevormd naar Portugees voorbeeld
Lusitanismus
pronoun
1. een stad in de Oostenrijkse deelstaat Vorarlberg
Lustenau
/ˈlʏstəɣhɛit/
noun
1. opgewekte stemming
  1. Fröhlichkeit
  2. Heiterkeit
  3. Lustigkeit
noun
Lustmord
noun
1. scheikundig element met symbool Lu en atoomnummer 71
Lutetium
/lyw/
adjective
  1. 2. redelijk warm, lauw
    laut
  2. 1. uit de wind, windstil
    windgeschützt
/ˈlywə(n)/
verb
1. minder hard gaan waaien, minder hevig worden
abflauen
/'lywtə/
noun
1. een windloze plek
Windschatten
/lyks/
noun
1. niet alledaagse dingen die gebruikt worden voor het persoonlijk genot
Luxus
/ˈlyksəmˌbʏrx/, /ˈlyksəmˌbʏrχ/
pronoun
1.-3.
Luxemburg
/ˈlyksəmˌbʏrɣər/, /ˈlyksəmˌbʏrχər/
noun
1. een inwoner of iemand die afkomstig is van het Groothertogdom Luxemburg
Luxemburger
/ˈlyksəmˌbʏrxs/, /ˈlyksəmˌbʏrχs/
adjective
1. betreffende Luxemburg of het Luxemburgs
luxemburgisch
/ˈlyksəmˌbʏrxs/, /ˈlyksəmˌbʏrχs/
pronoun
1. een taal die in Luxemburg gesproken wordt
Luxemburgisch
adjective
1.
luxemburgischsprachig
pronoun
  1. Lwiw
  2. Lemberg
noun
Lymphangitis
adjective
1. met betrekking tot de witte bloedlichaampjes
lymphozytär
verb
1. iemand executeren zonder rechtsgeldig proces, met name door opknoping
lynchen
noun
1. bepaald soort zoogdier, Lynx lynx
Luchs
pronoun
1.
Lyon
pronoun
1. feministische kunsttaal...
Láadan
pronoun
  1. 1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
  2. 2. een district in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Lörrach
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Löwenstein
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Lüdenscheid
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Lügde
pronoun
  1. 1. een stad in de Duitse deelstaat Nedersaksen
  2. 2. een district in de Duitse deelstaat Nedersaksen
  3. 3. een vroegere vorstendom
Lüneburg
pronoun
1. een heide- en boslandschap in Nedersaksen
Lüneburger Heide
/mṇ/
possessivePronoun
1. van de eerste persoon enkelvoud
mein
/maːx/
noun
1. Orgaan
Magen
noun
1. het kanaal
Verdauungstrakt
pronoun
  1. 2. teken van de dierenriem waar de zon in staat van ca. 23 augustus tot ca. 23 september
  2. 1. sterrenbeeld van de dierenriem
  3. 3. de moeder van Jesus
Jungfrau
/maːxt/, /maːçt/
noun
1. ongerepte jonge vrouw
Jungfrau
pronoun
Magdeburg
/ˈmaɣdəˌvlis/, /ˈmaʝdəˌvlis/
noun
vlies
Jungfernhäutchen
noun
1. een pijnlijk gevoel in de maagstreek
Magenschmerz
/maxsɑp/
noun
1.maagsap
Magensaft
noun
Magensäure
/ˈmaɪ̯ə(n)/
verb
1. met een werktuig het bovengrondse deel ergens van verwijderen
mähen
noun
Mähfeld
/ma:l/
verb
  1. 2 1. de handeling van eten zoals die dagelijks op geregelde tijden plaatsvindt
    1. Mahlzeit
    2. Mahl
  2. 1 1. telkens terugkerend tijdstip waarop iets gebeurt
    Mal
noun
1. een hoeveelheid toebereid voedsel die voldoende is geruime tijd de lichamelijke behoefte te bevredigen
  1. Mahlzeit
  2. Mahl
/maːn/
noun
Mond
/maːnt/
noun
1. elk van de twaalf met een eigen naam onderscheiden tijdvakken van 28, 30 of 21 dagen waarin een jaar verdeeld wordt
Monat
/ˈmaːndɑx/
noun
1. een dag van de week, de eerste dag na het weekeinde
Montag
/mandɑxˈɔxtənt/
adverb
1. de voormiddag van een maandag
  1. Montagmorgen
  2. Montagvormittag
/ˈman.də.ləks/, /ˈmaːn.də.lɪks/
adverb
1. iedere maand een keer
monatlich
noun
1. het loon dat men met arbeid in één maand verdient
Monatslohn
/ˈmaneˌklɪps/
noun
1. het verschijnsel dat de maan in de schaduw van de aarde komt te staan, waardoor deze verduisterd raakt
Mondfinsternis
noun
1. het zonlicht dat van de maan naar de aarde reflecteert
Mondlicht
noun
Mondsichel
/ˈmansvərˌdœʏ̯stərɪŋ/, /ˈmansvərˌdœːstərɪŋ/
noun
1. het verschijnsel dat de maan verduisterd raakt doordat ze in de schaduw...
Mondfinsternis
noun
  1. Mohnsamen
  2. Mohnsaat
/maːr/
conjunction
1. tegenwerping, introduceert een zin(sdeel) dat het voorgaande zin(sdeel) tegenspreekt of er mee contrasteert
  1. aber
  2. sondern
/maːrt/
noun
1. derde maand van het jaar
  1. März
  2. Lenzing
pronoun
Deutsche Revolution 1848/49
/mas/
pronoun
1. een rivier die onspringt in Frankrijk en door België en Nederland stroomt
Maas
/mas.ˈtrɪxt/, /mas.ˈtrɪχt/, /məs.ˈtreːx/
pronoun
1. een stad en gemeente in de Nederlandse provincie Limburg, tevens de hoofdstad hiervan
Maastricht
/maːt/
noun
  1. 1. makker
    Kamerad
  2. 2. kaartpartner
    Kumpel
  3. 5. grootte van kledingstuk/schoen
    Maß
  4. 3. eenheid van lengte enz.
    1. Maß
    2. Takt
  5. 6. (muziek) manier om een muziekstuk ritmisch in te delen
    Takt
noun
1. een glas met maatverdelingen
Messbecher
noun
1. maatblok
Endmaß
noun
Martinsbirne
noun
1. een glazen kolf met een geijkte maatstreep voor het nauwkeurig bepalen van een volume vloeistof
Messkolben
noun
1. iets dat wordt beslist om een doel te treffen
Maßnahme
/matsxɑpələk/
adjective
1. op de maatschappij betrekking hebbend
gesellschaftlich
noun
  1. 2. de wereld, omgang en verkeer der mensen
  2. 1. vereniging tot het drijven van handel
Gesellschaft
noun
1. een vertikale lijn op een notenbalk
Taktstrich
pronoun
1. Slavische taal die vooral wordt gesproken in de Noord-Macedonië
Mazedonisch
/ˌmasəˈdoni.jə/, /ˌmasəˈdoːni.jə/
pronoun
    1. 1. historisch Grieks koninkrijk
    2. 2. regio in Griekenland
    1. Makedonien
    2. Mazedonien
  1. 3. land
    1. Mazedonien
    2. Makedonien
/mɑˈʃɛtə/
noun
1. licht gebogen zwaard
Machete
/mɑˈʃinə/
noun
Maschine
noun
1. geweer waarmee kort na elkaar meerdere schoten kunnen worden afgevuurd, ...
Maschinengewehr
noun
1. een ruimte voor machines
Maschinenraum
noun
1. licht machinegeweer
Maschinenpistole
/mɑˈʃinəˈri/
noun
1. geheel van machines
Maschinerie
noun
Maschinist
noun
1. een persoon met gezag
  1. Gewalthaber
  2. Machthaber
/ˈmɑxtəx/, /ˈmɑxtɪx/, /ˈmɑχtəχ/
adjective
1. meer invloed hebben dan anderen
mächtig
noun
1.het gebruiken van macht voor doeleinden waarvoor het niet bedoeld is
Machtmissbrauch
noun
1. gevecht om de macht
Machtkampf
noun
  1. 1.
    Gleichgewicht der Kräfte
  2. 2.
    Machtverhältnis
noun
1. een handwerktechniek om decoraties of weefsel te maken, door het met de hand knopen van draden
Macramé
noun
Makro-Objektiv
noun
het fotograferen van voorwerpen op korte afstand door middel van een macro-objectief
Makrofotografie
noun
Makromoleküle
noun
Makromoleküle
/ma.da.'ɣɑs.kɑr/, /ˌma.dɑ.'χɑs.kɑr/
pronoun
2. staat op het bovengenoemde eiland, de Republiek Madagaskar
Madagaskar
noun
  1. 1. Pootloze larve
    Made
  2. 2. een stuk grasland dat gemaaid of geweid wordt
    Wiese
noun
1. Bellis perennis
Gänseblümchen
noun
1. wijn van het eiland Madeira die door een verhoogd alcoholgehalte en lange rijping bij hoge temperaturen lang houdbaar is
Madeirawein
pronoun
Madrid
noun
1. muzikale stroming uit de 16e eeuw, waarbij het door middel van toonschilderingen uitbeelden van woorden en tekst centraal staat
Madrigalismus
/mɑf/
adjective
1. vreemd, onverwacht, ongebruikelijk, raar
blöd
noun
1. criminele organisatie, oorspronkelijk van Sicilië
  1. Mafia
  2. Maffia
/ˈmafis/
adjective
1. arm aan silica of silicahoudende mineralen
mafisch
/ˈma.ɣər/, /ˈma.χər/
adjective
1.
mager
pronoun
1. verpersoonlijking van de dood
Sensenmann
noun
1. magerzucht, eetstoornis
Magersucht
noun
1. toverkunst; kracht waar een tovenaar over beschikt om dingen te verwezenlijken die een bovennatuurlijke indruk maken
  1. Magie
  2. Zauberei
adjective
1.met een bijzondere, bovennatuurlijke betekenis
magisch
noun
1. een persoon die rechtspreekt
Magistrat
noun
  1. 1. gemagnetiseerd metaal
  2. 2. persoon, zaak of plaats
Magnet
noun
Magnetstreifen
noun
Magnetfeld
noun
1. Chemisch element
Magnesium
noun
1.het magnesiumzout van stearinezuur
Magnesiumstearat
noun
Magnetismus
/ˈmɑɣ.nə.trɔn/, /ˈmɑχ.nə.trɔn/
noun
  1. 2. een type elektronenbuis
    Magnetron
  2. 1. een toestel waarin met zeer korte en gerichte golven voedsel in zeer korte tijd warm kan worden gemaakt
    Mikrowellengerät
noun
1. boom met tulpachtige bloemen
Magnolien
pronoun
1. Indiase deelstaat gelegen in het westen van het land
Maharashtra
adjective
  1. Mahagonibraun
  2. mahagonibraun
noun
1. e-mailadres
  1. E-Mail-Adresse
  2. Mail-Adresse
/ˈmɑjnfrɑŋkis/
pronoun
1. nauw aan het Duits verwante taal van 4,9 miljoen mensen in het stroomgebied van de Main
Mainfrankisch
/mɑjs/
noun
1. een graansoort afkomstig uit Midden-Amerika
Mais
adjective
  1. Maisgelb
  2. maisgelb
noun
Maisöl
noun
1. een etagewoning met eigen toegang waarbij woon- en slaapverdieping boven elkaar liggen
Maisonette
/ˈmɑjsʋɔrtəɫˌbo̝ːrdər/
noun
1. bepaald soort tor, Diabrotica virgifera
Maiswurzelbohrer
/ˈmɑjswɔrtəlˌkevər/
noun
1. bepaald soort tor, Diabrotica virgifera
Maiswurzelbohrer
noun
1. en 2. verbinding van glucose en koolhydraten of bindmiddel dat uit maiskorrels wordt gewonnen
Maisstärke
noun
1.
Majestät
noun
1. majeur
Dur
noun
1. het grotetertsakkoord
Durakkord
noun
1. een toonladder met een grote terts
Durtonart
noun
1. een grotetertstoonladder
Durtonleiter
noun
1. een toonladder met een grote terts
Durtonleiter
noun
1. een toonladder met een grote terts
Durtonart
noun
Majorat
adjective
1. gedwee, tam, niet wild
  1. folgsam
  2. gehorsam
  3. zahm
noun
1. schoonheidsproducten
Make-up
/ˈmaːkən/
verb
  1. 3. optellen tot een bepaald bedrag
    1. ausmachen
    2. kosten
  2. 1. in elkaar zetten
    machen
  3. 2. ervoor zorgen dat iets weer werkt
    reparieren
adjective
1. niet moeilijk, waar weinig moeite en inspanning voor vereist is
  1. leicht
  2. einfach
/mɑkər/
noun
1. iemand aan wie men door persoonlijke voorkeur verbonden is
Gefährte
noun
1. bepaalde soort zeevis, Scomber scomber
Makrele
/mɑl/
adjective
1. blijk gevend van gebrek aan gezond verstand
  1. bekloppt
  2. durchgeknallt
  3. irre
  4. malle
  5. plemplem
  6. verrückt
noun
1. infectieziekte die veroorzaakt wordt door eencellige parasieten van het geslacht Plasmodium
Malaria
noun
1. mug die de malariaparasiet kan overbrengen
Malaria-Mücke
/ma.'la.wi/, /ma.'la.ʋi/, /ma.'la.β̞i/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel de Republiek Zambia, dat niet aan de zee grenst
Malawi
pronoun
1. Dravidische taal die wordt gesproken door 47 miljoen mensen, vooral in de Indiase deelstaat Kerala
Malayalam
/mɑl.ˈdi.və(n)/, /mɑɫ.ˈdi.və(n)/
pronoun
1. land in de Indische Oceaan
Malediven
pronoun
Malachias
/mɑ.ˈlɛɪs/
pronoun
1. een Austronesische taal en de officiële taal van Maleisië, Brunei en Singapore die ook in delen van...
Malaiisch
/maˈlɛ:zi.jə/, /maˈlɛɪ̯zi.jə/
pronoun
1. een land in het zuidoosten van Azië dat bestaat uit twee afzonderlijke delen die gescheiden worden door de Zuid-Chinese Zee
  1. Malaysia
  2. Malaysien
/malə(n)/
verb
1. tussen twee harde voorwerpen fijnwrijven
mahlen
/'ma.li/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Mali
Mali
noun
3. vetereinde
  1. Nadel
  2. Nestelspitze
noun
1.
Kettenhemd
/ˈmɑləprat/
noun
1. niet ernstig te nemen uitingen, onzinnige uitspraken
  1. Gerede
  2. Geschwafel
  3. Geschwätz
noun
1. stok voor slagwerkinstrumenten
Stick
adjective
1. zacht en sappig
  1. zart
  2. sanft
noun
1. de grondstof voor bier, jenever en whisky, vervaardigd door het laten kiemen...
Malz
/ˈmɑlta/, /ˈmɑɫta/
pronoun
  1. 1. eiland in de Middellandse Zee
  2. 2. land in de Middellandse Zee
Malta
/mɑlˈteːs/, /mɑɫˈtes/
noun
1. inwoner van Malta of iemand die van Malta afkomstig is
  1. Malteser
  2. Malteserin
/mɑlˈteːs/, /mɑɫˈtes/
pronoun
1. Semitische taal die wordt gesproken door 570 duizend mensen op Malta
Maltesisch
/mɑlˈteːsə/, /mɑɫˈtesə/
noun
1. vrouwelijke inwoner van Malta
Malteserin
noun
Maltose
noun
1. schadelijke software
  1. Schadsoftware
  2. Malware
  3. Schadprogramm
/ˈmɑmaː/
noun
1.
Mama
/ˈmɑmi/
noun
1. moeder
  1. Mammi
  2. Mutti
noun
1. benaming voor zoogdieren uit het geslacht Mammuthus
Mammut
/mɛn/
pronoun
1. een eiland in de Ierse Zee
Man
noun
  1. 2. een echtgenoot, een getrouwde man
    Ehemann
  2. 1. persoon van het mannelijk geslacht
    Mann
  3. 3. een mens
    Mensch
noun
  1. 1. de leiding van een organisatie, de verzameling managers
  2. 2. de activiteit van het besturen van een organisatie
Führung
noun
1. een adviseur van het management in het bedrijfsleven, bij de overheid en in andere organisaties in zaken beleidsmatige en organisatorische vraagstukken
Unternehmensberater
noun
1. een persoon die de leiding heeft over een afdeling binnen een organisatie
Leiter
pronoun
Manaus
noun
1. een sierknoop die de manchet aan de mouw van een overhemd sluit
Manschettenknopf
noun
1. een bak gemaakt van gevlochten rotan of tenen voorzien van een handvat
  1. Korb
  2. Warenkorb
noun
1. hoeveelheid werk die één persoon op één werkdag kan verzetten
  1. Manntag
  2. Personentag
pronoun
1. Mandarijns Chinees
Hochchinesisch
noun
1. Een citrusvrucht
Mandarine
noun
1. vloeistof uit een geperste mandarijn
  1. Mandarinensaft
  2. Mandarinesaft
noun
1. schil van Citrus reticulata, Citrus reticulata var. 'mandarine' of Citrus × tangerina
Mandarinenschale
noun
1. situatie waarbij een onroerend goed bestemd is tot gemeenschappelijk gebruik van aanpalende erven
Gemeinschaftseigentum
noun
1. een klein, luitvormig tokkelinstrument met vier paar snaren waarop met een plectrum getokkeld wordt
Mandoline
noun
1. Chrysocyon brachyurus, Zuid-Amerikaanse wilde hondachtige, meer verwant met de vos dan met de wolf
Mähnenwolf
/manəsxɛɪn/
noun
1. Het door de maan weerkaatste licht dat op de aarde schijnt, maanlicht
  1. Mondschein
  2. Mondlicht
/ˈmɑŋɣa/
noun
1. Japans stripboek
Manga
noun
1. Chemisch element
Mangan
/'mɑnɣɑt/
noun
1.
  1. Einstiegsloch
  2. Mannloch
/ˈmɑŋəɫ/
noun
  1. 3. in mangel; in ruil
    Austausch
  2. 2. mangelwortel
    Futterrübe
  3. 1. een werktuig met twee tegen elkaar draaiende rollen ...
    Mangel
/ˈmɑŋələ(n)/
verb
  1. 2. ruilen, aan ruilhandel doen
    1. austauschen
    2. vertauschen
  2. 1. ontbreken, tekortschieten
    1. fehlen
    2. mangeln
  3. 3. door de mangel halen, met een mangel glad maken
    mangeln
noun
1. onderfamilie van de civetkatten, zeer snelle en behendige roofdiertjes...
  1. Mungo
  2. Manguste
noun
Mangrove
/ mɑˈniːr/
noun
  1. Art
  2. Weise
verb
  1. algemeen bekend maken, aan iedereen laten blijken
    bekunden
  2. 3. waarneembaar worden
    zeigen
noun
1. en 2. (wortel van) de plant Manihot esculenta
  1. Maniok
  2. Cassave
noun
Manipulation
noun
Defekt
adjective
  1. 1. tot geslacht behorend dat voor bevruchting zorgt
  2. 2. behorend tot het mannelijke woordgeslacht
männlich
noun
männliches Knabenkraut
pronoun
1.
Mannheim
noun
  1. Finimeter
  2. Manometer
/ˈmɑnslɑx/
noun
1. doodslag
Totschlag
noun
3. schelpdier uit de orde Ostreoida
Kammmuschel
noun
1.
Mannweib
pronoun
1. een Keltische taal die (als tweede taal) wordt gesproken op het eiland Man
  1. Manx
  2. Manx-Gälisch
pronoun
1. taal die door de Maori's wordt gesproken
Maori
/mɑp/
noun
  1. 1. een stevig omhulsel voor papieren
  2. 2. een gebundelde verzameling gegevens
Mappe
pronoun
1. inheemse taal gesproken door 440 duizend mensen in Chili en Argentinië
Mapudungun
pronoun
1. taal die met name in Maharashtra, een staat in India gesproken wordt, onder andere in Mumbai (Bombay)
Marathisch
pronoun
1. een stad in de Oostenrijkse deelstaat Opper-Oostenrijk
Marchtrenk
noun
1. monopoolantenne die bestaat uit één stralend element dat verticaal op het aardvlak is opgesteld
Marconi-Antenne
noun
Funker
pronoun
2. boek in de Bijbel
Markus
/ˈmarə/
noun
  1. 1. gerucht
    Gerücht
  2. 2. bericht
    Kunde
noun
1. een inrichting waarmee de waterhoogte kan worden geregistreerd
Mareograf
noun
1. grafische registratie van de waterhoogte opgetekend door een maregraaf
Mareogramm
noun
1. Viscum album
Mistel
noun
Margarine
noun
1. bepaald soort zoogdier, Leopardus wiedii
  1. Langschwanzkatze
  2. Margay
/mɑrɣiˈnal/
adjective
1. aan de rand of de rand betreffend
marginal
noun
1. het hoogfeest ter gedachtenis van de aankondiging (annunciatie) van de geboorte van Jezus aan Maria
  1. Verkündigung
  2. Annunziation
pronoun
1. een stad in de Oostenrijkse deelstaat Stiermarken
Mariazell
pronoun
2. spelwoord voor de letter m
Martha
/mɑˈrɪmba/
noun
1. een zeer grote houten xylofoon uit Guatemala met onder elke toets een resonator van houtsnijwerk
  1. Marimba
  2. Marymba
noun
Marinade
/maːˈrinə/
noun
1. zeemacht
Marine
adjective
1. donkerblauw
marineblau
noun
1. lid van een goed getrainde, gespecialiseerde militaire eenheid
Marineinfanterist
pronoun
1.
Marienbad
noun
2. kruid
Majoran
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Markdorf
/mɑr.ˈkeːr.stɪft/
noun
1. een viltstift waarmee met stukken tekst doet opvallen
  1. Marker
  2. Markierstift
  3. Textmarker
noun
1. een markeerstift die doorzichtige fluorescerende inkt bevat die erg opvalt
Marker
/mɑr.kɪː.rə(n)/
verb
1. het afbakenen van een grens
markieren
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Markgröningen
noun
adellijke titel, lager dan een hertog maar hoger dan een graaf
  1. Marquis
  2. Markgraf
noun
  1. warenverkoop op pleinen en straten
  2. geheel van omstandigheden waaronder hoeveelheden van producten of diensten verhandeld worden
Markt
noun
Marktanbetung
noun
Marktwirtschaft
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Marktobersdorf
noun
Marketingforschung
pronoun
2. boek in de Bijbel
Markus
/mɑremər/
noun
1. een fijnkorrelige getransformeerde kalksteen dat gepolijst gebruikt wordt in de bouw- en de beeldhouwkunst
Marmor
noun
1. knaagdier dat vooral in het hooggebergte leeft maar ook veel als huisdier wordt gehouden
Murmeltier
/ˌmɑrɔˈkan/
noun
1. inwoner van Marokko, iemand uit Marokko, persoon met de Marokkaanse nationaliteit
Marokkaner
/ma.ˈrɔ.ko/
pronoun
1. land in het uiterste noordwesten van Afrika
Marokko
adjective
1. betrekking hebbend op de maronieten
maronitisch
pronoun
Mars
noun
  1. 3. een mand of bak die op de rug gedragen wordt
    Kiepe
  2. 1. regelmatige manier van lopen met afgemeten passen, vooral gebruikt door soldaten...
    Marsch
  3. 4. het halfronde platform aan de top van het onderste deel van de mast van een zeilschip
    Mastkorb
  4. 2. een wandeltocht
    Wanderung
noun
1. een Italiaanse versterkte wijn die gemaakt wordt in de omgeving van Marsala op het westelijk deel van Sicilië
Marsala
noun
Marschbefehl
noun
1.
Marzipan
pronoun
1. een taal die op de Marshalleilanden gesproken wordt
Marshallisch
/mɑr.ʃəl.ɛɪ̯.lɑn.də(n)/, /mɑr.ʃəl.ɛː.lɑn.də(n)/, /mɑr.ʃəɫ.ɛɪ̯.lɑn.də(n)/
pronoun
1. een land in Oceanië
Marshallinseln
pronoun
1. omvangrijk materieel hulpplan van de VS voor Europa na de Tweede Wereldoorlog
Marshallplan
noun
1. iemand die voor een zaak lijdt of sterft en daarmee tot symbool wordt gezien van de strijd voor die zaak
Märtyrer
verb
1. een gevangene onderwerpen aan lichamelijke en/of geestelijke pijniging, voornamelijk teneinde informatie los te krijgen
  1. foltern
  2. martern
noun
1. benaming voor zoogdieren uit het geslacht Martes
Marder
noun
Marder
noun
1. traditioneel en stelselmatig beoefende stijl van vechten
  1. Kampfkunst
  2. Kampfsport
pronoun
2. spelwoord voor de letter m
Martha
noun
1. schoonheidsmiddel
  1. Wimperntusche
  2. Mascara
noun
1.
Maske
/ˈmɑsaː/
noun
1. totale hoeveelheid materie in een object
Masse
noun
Massaker
noun
1. moord op een groot aantal personen
Massenmord
noun
1. toerisme in populaire vakantiegebieden waarbij men bij voorkeur ook nog eens allemaal in dezelfde periode komt opdraven
Massentourismus
noun
1. een wapen dat zeer velen doodt
Massenvernichtungswaffe
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Massenbachhausen
verb
1. het toepassen van uitwendige druk op de zachte weefsels
massieren
noun
  1. 1. lange, rechtop staande paal midden op het schip
  2. 4. hoge antenne
  3. 5. varkensvoer
  4. 2. palen waartussen (elektriciteits- of telefoon-)draden gespannen kunnen worden
Mast
noun
  1. 1. ontsteking van de borstklier
    1. Mastitis
    2. Brustdrüsenentzündung
  2. 2. ontsteking van de uier
    1. Mastitis
    2. Euterentzündung
noun
  1. Werkstoffwissenschaft
  2. Materialwissenschaft
noun
Materie
/maθe'mat/
noun
Matematiker
noun
Matematiker
adjective
1. in geringere mate dan mogelijk of gewenst
  1. moderat
  2. mäßig
verb
1. minder uitbundig of extreem optreden
mäßigen
adjective
1. geneigd om vroeg op te staan
früh aufstehend
noun
2. kapsel waarbij de de zijkanten van het haar meestal opgeschoren of kort zijn, maar de achterkant lang
  1. Vokuhila
  2. Matte
/mɑtrɑs/
noun
1. lichaamsondersteunend onderdeel van een bed
Matratze
noun
1. een rechthoekig blok getallen waaraan bepaalde rekenregels toegekend worden
Matrix
noun
1. een zeeman van de laagste rang
Matrose
pronoun
1.
Matterhorn
pronoun
  1. Matthäus
  2. Matthaeus
pronoun
1.
Maulbronn
/ˌmaʊ̯.ri.ˈta.ni.jə/, /ˌmɔʊ̯.ri.ˈta.ni.jə/, /ˌmʌʊ̯.ri.ˈta.ni.jə/
pronoun
1. een land in Noord-Afrika, officieel de Islamitische Republiek Mauritanië
Mauretanien
/maʊ̯.'ri.si.jəs/, /mɔʊ̯.'ri.si.jəs/, /mʌʊ̯.'ri.tsi.jəs/
pronoun
1. een land in de Indische Oceaan, officieel de Republiek Mauritius
Mauritius
adjective
1. het grootst mogelijk
maximal
abbreviation
1. grootst mogelijke hoeveelheid
Maximum
noun
1.
Maximumkarte
noun
1. de hoogst toegestane snelheid voor voertuigen op een openbare weg
  1. Geschwindigkeitsbegrenzung
  2. Tempolimit
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Rijnland-Palts
Mayen
/ˌmajoˈnɛːzə/
noun
1. een saus op basis van eieren
  1. Majonäse
  2. Mayonnaise
pronoun
Mayotte
noun
1. kinderziekte die veroorzaakt wordt door het Morbillivirus en gekenmerkt wordt door rode stipjes op de huid
Masern
/ˈmɑzəl/
noun
1. goed geluk
  1. Masel
  2. Masen
  3. Massel
noun
1. een vrouw die een relatie heeft met een getrouwde man
Mätresse
/ˈmaʲɪs/, /ˈmɛɪ̯s/
noun
1. bepaalde graansoort afkomstig uit Midden-Amerika, Zea mays
Mais
/ˈmaʲɪsɣel/
adjective
  1. Maisgelb
  2. maisgelb
/ˈmaʲɪsˌoli/
noun
Maisöl
/ˈmaɪswɔrtəlˌboːrdər/, /ˈmɑjsβ̞ɔrtəlˌboːrdər/
noun
1. Diabrotica virgifera, een schadelijke kever
Maiswurzelbohrer
noun
Berufsschule
noun
Mechaniker
noun
1.
Mäzenatentum
noun
Mechanik
adjective
1. met betrekking op de mechanica, machinaal, automatisch zonder na te denken
mechanisch
noun
1. machinerie
Mechanismus
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Mechernich
pronoun
Mecklenburg
pronoun
Mecklenburg-Vorpommern
noun
1. metalen schijf, in het bijzonder als onderscheidingsteken na bepaalde prestaties
Medaille
noun
1.
Vertragspartner
/medə'delzam/
adjective
1. bereid informatie te delen
mitteilsam
/ˈmedəˌdelən/
verb
  1. 2. doen vernemen
    1. mitteilen
    2. anzeigen
    3. berichten
    4. melden
  2. 1. deelnemen, deel hebben
    1. teilhaben
    2. teilnehmen
noun
1. informatie die bekend wordt gemaakt
Mitteilung
verb
1. samen met anderen naar iets dingen
konkurrieren
noun
1. verdriet over het leed van anderen
  1. Mitleid
  2. Erbarmen
adjective
1. gericht op, rekening houdend met de medemens
mitmenschlich
/ˌmedəˈmɛnsələkɦɛɪ̯t/, /ˌmedəˈmɛnsələkɦɛːt/, /ˌmedəˈmɛnsəlɪkhɛɪ̯d/
noun
1. het beste met andere mensen voorhebben en mensen dat ook betonen
Mitmenschlichkeit
noun
1. behulpzaam persoon bij een misdrijf
  1. Mittäter
  2. Mitschuldige
/ˈme.də.sxo.ˌliːr/, /ˈme.də.sχo.ˌliːr/
noun
1. iemand die ook op school zit
Mitschüler
noun
iemand die samen met jou een opleiding volgt; iemand die ook een student is
Kommilitone
noun
1. iemand die met anderen in hetzelfde bedrijf, organisatie of vestiging werkt
Mitarbeiter
noun
1. iemand die zich bezighoudt met het onderzoek naar en de beschrijving van de geschiedenis van de media
Medienhistoriker
noun
Mediation
noun
1. een chemische stof die een bepaalde, gewenste werking op het (dierlijk of menselijk) lichaam uitoefent
  1. Medizin
  2. Arznei
  3. Medikament
noun
Arzt
adjective
1. op de geneeskunde betrekking hebbend
medizinisch
noun
1. spirituele bezigheid
Meditation
verb
1. iets/iemand ~ iets/iemand met zich mee vervoeren
mitbringen
/ˈmedelə(n)/
verb
1. een feit vertellen
mitteilen
/ˈmedɛŋkə(n)/
verb
1. participeren in een denkproces
mitdenken
/ˈmeɣan/, /ˈmeχan/
verb
1. op hetzelfde moment dezelfde richting uitgaan
  1. mitfahren
  2. mitgehen
/ˈmeɣevə(n)/, /ˈmeχevə(n)/
verb
  1. nachgeben
  2. mitgeben
verb
1. anderen helpen iets te doen
mithelfen
noun
1. Rubia tinctorum
  1. Färberkrapp
  2. Färberröte
/mel/, /meɫ/, /mɪːɫ/
noun
1. gemalen graan
Mehl
noun
1. dunne, oppervlakkige schimmelaantasting van planten waarbij op diverse plantendelen...
Mehltau
/ˈme.ma.kə(n)/
verb
1. getuige zijn van een gebeurtenis
  1. durchmachen
  2. erleben
  3. mitmachen
noun
1. niet-biologische moeder in een lesbisch koppel
Mitmutter
verb
1. bij het vertrek meevoeren
mitnehmen
/meːr/
indefiniteCardinalNumeral
  1. 1. vergrotende trap van veel
    mehr
  2. en dies meer
    und so weiter
/meːr/
noun
1. groot water dat helemaal omringd is door land
See
pronoun
1.
  1. Genfersee
  2. Genfer See
pronoun
1. meer tussen Italië en Zwitserland
  1. Luganer See
  2. Luganersee
noun
1. een drijver waaraan boten kunnen afmeren
Festmacheboje
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Meerbusch
indefiniteCardinalNumeral
1. verscheidene
mehrere
noun
1. een groep die binnen een groter geheel in aantal meer dan de helft uitmaakt
  1. Mehrheit
  2. Mehrzahl
  3. Überzahl
noun
1. het bezit van meer dan 50% van de aandelen van een onderneming
Mehrheitsbeteiligung
adjective
1. de leeftijd bereikt hebbend dat men alle rechten en plichten van een volwassene heeft
  1. volljährig
  2. mündig
  3. großjährig
noun
1. één van een aantal Afrikaanse apensoorten uit de Cercopithecus-familie
Meerkatze
noun
1. bepaald soort koudbloedige groene waterdieren Pelophylax ridibundus
Seefrosch
noun
1. bepaald soort watervogel, Fulica atra
Blässhuhn
noun
1. meerpaal
  1. Dalbe
  2. Duckdalbe
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Meersburg
noun
1. een gehydrateerd magnesium-silicaat met de chemische formule Mg₄Si₆O15·6(H₂O), een fylosilicaat dat behoort tot de mica's.
Meerschaum
adjective
  1. 2. (persoon) meerdere talen sprekend
  2. 1. gerelateerd aan meerdere talen
  1. mehrsprachig
  2. multilingual
noun
1. de staat van meerdere talen te kunnen spreken
  1. Mehrsprachigkeit
  2. Multilingualismus
/ˈmeːrvɑɫ/
noun
1. benaming voor grote roofvissen uit het geslacht Siluris
Wels
noun
1. Woord dat in die vorm aan meerdere voorwerpen, mensen of dieren refereert
  1. Mehrzahl
  2. Plural
noun
1. een extra waarde
  1. Mehrwert
  2. Zusatznutzen
noun
1. benaming voor kleine weinig schuwe vogels uit de familie Paridae
Meise
/meːst/
indefiniteCardinalNumeral
2. het meest / meest
am häufigsten
adverb
1. in het merendeel van de gevallen
meistens
noun
1. baas, heer, patroon
Meister
noun
Meisterwurz
noun
1. een grensstreep, een eindstreep
  1. Ziel
  2. Ziellinie
noun
Messapparatur
noun
1. eenheid die gebruikt wordt om meetresultaten in uit te drukken
Maßeinheit
/ˈmetɪnstryˌmɛnt/
noun
1. een instrument waarmee grootheden gemeten kunnen worden
Messinstrument
noun
1. meetklok
  1. Feinmessuhr
  2. Messuhr
noun
1. een speciale meetpen aan het meetsnoer van een meetapparaat
Tastkopf
/'metkɵndə/
noun
1. tak van de wiskunde
Geometrie
/ˈmetlɑt/
noun
1. een langwerpig voorwerp waarmee maten opgenomen worden
Messlatte
noun
1. de stift van het meetsnoer van een meetapparaat
Prüfspitze
noun
1. de pen van het meetsnoer van een meetapparaat
Prüfspitze
/meːβ̞/, /mɪːβ̞/
noun
1. benaming voor zeevogels uit de familie Laridae
Möwe
verb
mitführen
/ˈmewɛrkəntˌforwɛrᵊp/
phraseologicalUnit
1. zinsdeel dat de actie van een overgankelijk niet rechtstreeks ondergaat,...
Dativobjekt
/'mezɪŋə(n)/
verb
1. gezamenlijk met anderen zingen
mitsingen
noun
1.een antimalariamiddel
Mefloquin
noun
1. een miljoen ampère
  1. MA
  2. Megaampere
noun
Megabyte
noun
1. een miljoen henry
Megahenry
noun
1. megahertz (1 miljoen Hz)
Megahertz
noun
1.
Megameter
noun
1. megapascal (1 miljoen Pa)
Megapascal
noun
1. een miljoen siemens
Megasiemens
noun
1. een miljoen volt
  1. Megavolt
  2. MV
noun
1. een miljoen watt
  1. Megawatt
  2. MW
noun
1. een miljoen ohm
  1. Megohm
  2. MΩ
noun
1. de vijfde maand van het jaar
  1. Mai
  2. Wonnemond
/ˈmɛɪ̯.dorn/
noun
1.
Weißdorn
adjective
  1. Maigrün
  2. maigrün
noun
1. Melolontha melolontha, schildvleugelig insect dat in mei te voorschijn komt
Maikäfer
noun
1. Convallaria majalis
Maiglöckchen
/'mɛɪlər/
noun
1. houtstapel
Kohlenmeiler
noun
1. de verkondiging van één of meerdere leugens terwijl men heeft gezworen de waarheid te vertellen
Meineid
pronoun
  1. 1. een stad in de Duitse deelstaat Thüringen
  2. 2. een gemeente in de Oostenrijkse deelstaat Vorarlberg
Meiningen
/mɛɪˈozə/
noun
1.
Meiose
noun
Rübe
/ˈmɛɪ̯ʃə/, /ˈmɛːsjə/
noun
1. jonge vrouw
Mädchen
/ˈmɛɪ̯ʃəsˌnam/, /ˈmɛːsjəsˌnam/
noun
  1. 2. eigen achternaam van een vrouw die de naam van haar echtgenoot of geregistreerd partner voert
  2. 1. voornaam die doorgaans gegeven wordt aan kinderen van het vrouwelijk geslacht
Mädchenname
noun
  1. 2. rondreizend artiest
    Spielmann
  2. 1. rondreizend kunstenaar
    Troubadour
noun
1. scheikundig element met symbool Mt en atoomnummer 109
Meitnerium
pronoun
1. geboorteplaats van Mohammed en bedevaartplaats voor islamieten
Mekka
adjective
met droevige gedachten aan de dagen van weleer
melancholisch
noun
1. een groep van organische pigmenten
Melanine
noun
1. een abnormaal zwarte huid en haar of veren door een aangeboren overmaat aan het organisch pigment “melanine”
Melanismus
noun
Melanom
noun
1. een restproduct bij de suikerproductie
Melasse
noun
1. Atriplex sp, een geslacht van meer dan tweehonderd soorten plantjes...
Melde
verb
1. iets rapporteren, bekendmaken
melden
/mɛl.dɪŋ(g)/
noun
1. een bericht over een gebeurtenis
  1. Bericht
  2. Meldung
pronoun
Melilla
/mɛlk/
noun
Milch
noun
Milchmann
noun
1. chocolade die bereid is met room of melk
Milchschokolade
noun
Gänsedisteln
/mɛlkə(n)/
verb
1.
melken
noun
1. alle tijdelijke tanden en kiezen van een dier of mens, die na verloop van tijd worden vervangen door permanente tanden
Milchgebiss
noun
1.het orgaan dat bij het zoogdier de melk produceert
Milchdrüse
/mɛlkku/
noun
1. een soort koe die gekweekt wordt voor haar melkproductie
Milchkuh
noun
1. koorts bij een koe die pas gekalfd heeft
Milchfieber
noun
Milchbart
noun
1. een tand uit de eerste set tijdelijke tanden van de mens en sommige andere dieren (zoals de hond of de koe), die na verloop van tijd worden vervangen door de permanente tanden
Milchzahn
noun
1. zoogdieren die gehouden worden voor de melkproductie
Milchvieh
pronoun
1. het sterrenstelsel waarin wij ons bevinden en dat op donkere nachten als lichtende band aan de hemel te zien is.
Milchstraße
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Mellrichstadt
noun
1. een opeenvolging van toonhoogtes die een bepaald muzikaal gestalte vormt
Melodie
adjective
aangenaam klinkend
  1. melodisch
  2. melodiös
noun
1. een toneelvorm begeleid door muziek, gewoonlijk met een goede afloop
Melodram
noun
Melone
adjective
  1. Melonengelb
  2. melonengelb
/mɛmbran/
noun
2. een omhulsel van de cel bestaande uit fosfolipiden en eiwitten
Membran
noun
pomp waar de pompwerking ontstaat door een membraan te laten trillen
Membranpumpe
noun
1. een verzamelnaam voor muziekinstrumenten die toon/geluid voortbrengen door een trillend vel
Fellklinger
/ˈme:mə/
noun
Mem
pronoun
1.
Memmert
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Memmingen
verb
1. uit het hoofd leren
memorieren
indefinitePronoun
1. iemand, maar niemand in het bijzonder
man
/ˌmɛndeˈleviʏm/
noun
Mendelevium
/menə(n)/
verb
3. denken, een mening toegedaan zijn
  1. glauben
  2. meinen
noun
Mischmasch
verb
1. het homogeniseren van twee of meer zaken
  1. mischen
  2. vermengen
  3. mengen
noun
Gemisch
noun
1. taalvorm die is ontstaan door contact tussen sprekers van verschillende talen
Mischsprache
noun
1. grote groep mensen dicht op elkaar
Menge
/ˈmeːnɪŋ/
noun
1. oordeel, opinie
Meinung
noun
1. het hebben van een andere opinie over iets
Meinungsverschiedenheit
noun
Meniskus
noun
1. de Homo sapiens, het zoogdier waar wij toe gerekend worden
Mensch
noun
1. een gemeenschappelijke naam voor dieren uit de orde van de primaten
Menschenaffe
/ˈmɛns.ɑx.təx/, /ˈmɛns.ɑx.tɪx/, /ˈmɛns.ɑχ.təχ/
adjective
1. gelijkend op de mens
menschenähnlich
adjective
  1. 1. zoals de mens
  2. 2. goed voor de medemens
menschlich
noun
1. de bekendste en de meest gevreesde haai, Carcharodon carcharias
Weißen Hai
noun
2. geheel van de fundamentele rechten en vrijheden die ieder mens toekomen
Menschenrechte
noun
1. het schenden van mensenrechten
Menschenrechtsverletzung
noun
Menschenschmuggel
pronoun
1. benaming voor Jezus Christus als eerder door Daniël aangekondigde verlosser
Menschensohn
noun
1. een verzamelnaam voor alle mensen ter wereld met al hun onderlinge sociale relaties
Menschheit
noun
1. maandelijkse bloeding bij vrouwen en geslachtsrijpe meisjes
Menstruation
noun
1. bloed dat vrijkomt bij het menstrueren van een vrouw
  1. Menstruationsblut
  2. menstruasjonsblod
noun
1.
Menstruationszyklus
noun
1.
Menstruationsunterwächse
adjective
menstruell
/ˌmɛn.taː.liˈtɛit/
noun
Mentalität
verb
1. hard slaan
schlagen
pronoun
1. een stad in de Italiaanse autonome provincie Zuid-Tirol
Meran
pronoun
Merkur
/meːrəl/, /ˈmɪːrəɫ/
noun
1. bepaald soort zwarte vogel met een gele snavel, Turdus merula
  1. Amsel
  2. Schwarzdrossel
verb
  1. vertäuen
  2. belegen
noun
1. een landstreek waar zich veel meren bevinden
Seengebiet
noun
  1. 1. zacht weefsel in de kern van een bot
    1. Knochenmark
    2. Mark
  2. 2.
    Mark
noun
  1. 1. een kenteken aangebracht ter identificatie van iets
    1. Label
    2. Markenzeichen
  2. 2. een herkenbaar product door een bepaalde producent vervaardigd
    Marke
adjective
1. vreemd, raar
  1. außergewöhnlich
  2. bemerkenswert
  3. seltsam
noun
1. een term die een deel van iets anders weergeeft
Meronym
noun
Merowinger
noun
1. vrouwelijk paard
  1. Stute
  2. Mähre
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Saksen-Anhalt
Merseburg
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Saarland
Merzig
noun
1. snijwerktuig
Messer
noun
1.
Meson
noun
1. historische land tussen de rivieren Eufraat en Tigris, het huidige Irak
Mesopotamien
noun
Mesosphäre
noun
1.
Messerspitze
/ˈmɛssxedə/
noun
  1. 1. een nauwsluitende houder waarin het lemmet van een mes ter bescherming opgeborgen wordt
    Messerscheide
  2. 2. een marien tweekleppig weekdier, met een geheel rechte schelp
    Messerscheidemuschel
/mɛˈsijɑs/
pronoun
1. de in de joodse Tenach voorspelde Redder die door God gezonden zal worden en die door de christenen met Jezus gelijkgesteld wordt
Messias
noun
1. uitwerpselen van sommige dieren waarmee men land vruchtbaar maakt
  1. Dünger
  2. Mist
noun
1. een hoop waarop stalmest opgestapeld wordt
Misthaufen
/ˈmɛstkevər/
noun
1. een donkergekleurde kever die zich met mest voedt
Mistkäfer
noun
Misthaufen
noun
1. dieren die vetgemest worden om als slachtvee voor voedsel te dienen
Mastvieh
noun
1. mestvocht
Jauche
/mɛd/, /mɛt/
preposition
mit
/mɛt ˈnamə/
abbreviation
  1. 2. in het bijzonder (gebruikt om een of meer zaken uit een aantal bij de naam aan te duiden)
    1. besonders
    2. insbesondere
    3. und zwar
    4. vor allem
  2. 1. met de volgende naam
    1. genannt
    2. mit Namen
verb
1. situaties die eigenlijk hetzelfde zijn toch heel anders beoordelen
mit zweierlei Maß messen
noun
1. ieder element dat gekenmerkt wordt door glans en het vermogen om warmte en elektriciteit te geleiden
Metall
noun
1. machine die een ingeklemd werkstuk van metaal snel ronddraait zodat dit met beitels en boren kan worden bewerkt
Metalldrehbank
noun
1. het geheel van de biochemische processen op celniveau
Stoffwechsel
/me.ta.ˈfɔːr/, /mæː.ta.ˈfoːr/
noun
1. beeldspraak waarbij men een woord B zegt in plaats van het woord A terwijl er tussen A en B een verband is van gelijkenis
Metapher
/ˌmetaˈfizis/
adjective
1. bovennatuurlijk; (nog) niet met de gangbare wetenschap te verklaren
metaphysisch
noun
1. metallofoon
Glockenspiel
noun
Halbmetall
noun
Mettalurgie
noun
1. vorm van logica die de grondbeginselen van de logica bestudeert
Metalogik
noun
1. METAR
METAR
noun
1. taal met behulp waarvan dezelfde of een andere taal wordt beschreven
Metasprache
noun
1. wetenschappelijke theorie waarmee een of meerdere andere theorieën beschreven worden
Metatheorie
noun
Metathese
/mɛ.ˈden/, /mɛ.ˈten/
adverb
  1. 1. onmiddellijk
    sofort
  2. 2. tegelijkertijd
    zugleich
verb
1. de waarde van een bepaalde grootheid bepalen door deze te vergelijken met een ijkwaarde
messen
noun
1. een kortstondig lichtspoor aan de hemel door de verbranding van een uit de ruimte vallende meteoriet
Meteor
/meteˌjoroloˈɣi/
noun
1. de studie van het weer en het klimaat
Meteorologie
/meteoroˈloʝɪs/, /meteɔroˈloɣis/
adjective
1. betrekking hebbend op de meteorologie
meteorologisch
noun
Meteorologe
noun
  1. 3. iemand die meet
    Messer
  2. 2. meetinstrument
    Messgerät
  3. 1. de SI-eenheid van lengte
    Meter
/metərɔpnemər/
noun
1. iemand die de meterstand komt opnemen
Ableser
noun
1. een medicament uit de groep biguaniden dat vooral gebruikt wordt bij de behandeling van suikerziekte
Metformin
noun
1. CH₄
Methan
noun
1.
  1. Methanol
  2. Methylalkohol
/meˈtodə/
noun
Methode
noun
1. Een stroming in het protestantisme
  1. Methodistische und Wesleyanische Kirchen
  2. Methodismus
/ˌmetodoloˈɣi/, /ˌmetodoloˈχi/
noun
Methodologie
noun
Methyl
noun
Messung
/mæː.to.ˈny.mi.ja/
noun
Metonymie
/mæː.to.ny.ˈmiː/
noun
Metonymie
adjective
  1. 1. betrekking hebbend op, gesteld in versmaat
  2. 2. volgens het metrieke stelsel
  3. 3. volgens het op een factor twee gebaseerde systeem voor de tijdsduur van muzieknoten en rusten
metrisch
noun
1. ondergronds openbaar vervoer
  1. U-Bahn
  2. Untergrundbahn
/ˌmetroloˈɣi/
noun
1. de studie van het weer en het klimaat
Metrologie
noun
Metronom
noun
1. wereldstad
  1. Metropole
  2. Weltstadt
noun
1. bouwvakker gespecialiseerd in metselen
Maurer
verb
1. losse stenen met voegspecie samenvoegen om zo een muur te bouwen.
mauern
/ˌmɛ.tər.ˈtɛɪ̯t/
adverb
1. na verloop van (een zekere) tijd
mit der Zeit
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Saarland
Mettlach
pronoun
  1. 1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
  2. 2. een district in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Mettmann
pronoun
1.
Metzingen
noun
1. stuk huisraad
Möbel
/'møbəl.kʏnst/
noun
1. de esthetische en creatieve vormgeving van functionele meubels
Möbelkunst
noun
1. een vakman die beroepsmatig meubels vervaardigt
Tischler
noun
Möbel
noun
  1. 2. (onbeheersbare) groep mensen, menigte
    1. Menge
    2. Menschenmenge
    3. Pöbel
  2. 1. groep (jacht)honden, e.d.
    Rotte
noun
1. formele manier om een vrouw aan te spreken
Frau
/ˈmɛg.zi.ˌko/, /ˈmɛk.si.ˌko/
pronoun
1. een land in Amerika, officieel de Verenigde Mexicaanse Staten grenzend aan de Verenigde Staten, Belize en Guatemala, de Grote Oceaan en de Golf van Mexico
Mexiko
/ˈmɛtsə/
noun
1.
  1. Mezze
  2. Meze
interjection
1. het geluid van een kat
  1. miau
  2. meow
verb
1. het geluid maken dat kenmerkend is voor een kat
  1. miauen
  2. maunzen
noun
Mizelle
/miˈxa/, /ˈmiʃa/
pronoun
Micha
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Hessen
Michelstadt
noun
1. een antischimmelmiddel
Miconazol
noun
1. een miljoenste ohm
Mikroohm
/ˈmiːkroʔɔrɣaːnɪzmə/, /ˈmiːkroʔɔrʝaːnɪzmə/
noun
1. meestal eencellig wezen
Mikroorganismus
noun
1. een miljoenste ampère
  1. Mikroampere
  2. μA
noun
1. een levend micro-organisme
Mikrobe
noun
1. de tak van de biologie die zich bezighoudt met micro-organismen en hun effecten op de mens en andere levende organismen
Mikrobiologie
noun
Mikrocomputer
noun
1. een miljoenste farad
Mikrofarad
/ˌmikroɣraˈfi/
noun
  1. 1. een afbeelding volgens een beeld in een microscoop
  2. 1. een zeer klein handschrift
Mikrographie
noun
1. een miljoenste henry
Mikrohenry
noun
  1. 2.
    Mikrometer
  2. 1. een meetinstrument waarmee zeer nauwkeurig dikten, afstanden en diepten kunnen worden gemeten
    1. Mikrometer
    2. Messschraube
    3. Mikrometerschraube
/ˌmi.kro.ˈne.zi.ja/
pronoun
1. een land in Oceanië, officieel de Federale Staten van Micronesia
Mikronesien
noun
geïntegreerde schakeling die de hele CVE van een computer bevat op één enkele chip
Mikroprozessor
/mɪkroˈskoːp/
noun
1. instrument dat het beeld van heel kleine dingen sterk vergroot
Mikroskop
noun
Mikrosekunde
noun
1. een miljoenste siemens
Mikrosiemens
noun
1. een miljoenste volt
Mikrovolt
noun
1. een miljoenste watt
  1. Mikrowatt
  2. μW
noun
  1. 1. het midden van de dag, 12.00
    1. Mittag
    2. Tagesmitte
  2. 2. het gedeelte van de dag tussen 12.00 en 18.00 uur
    Nachmittag
noun
1. de breedtegraad bij maximale zonshoogte
Mittagsbreite
noun
1. een maaltijd die tussen de ochtend en de middag genuttigd wordt
Mittagessen
noun
1. de zonshoogte om 12 uur ware plaatselijke tijd
Mittagshöhe
/ˈmɪdəɫ/
noun
  1. 1. het midden
    Mitte
    1. 2. iets met behulp waarvan een doel bereikt kan worden
    2. 4. geld, bezit
    3. 3. iets dat wordt aangewend om ziekte, ongesteldheid te bestrijden
    Mittel
  2. door middel van
    1. mit Hilfe von
    2. mittels
  3. 1. middendeel van het lichaam
    1. Bauch
    2. Gürtellinie
/ˈmɪdəɫe:wə(n)/
noun
1. de periode tussen ongeveer 300 n.Chr. tot 1500 n.Chr.
Mittelalter
/ˈmɪdəɫɪ:ws/
adjective
1. gerelateerd aan de middeleeuwen
mittelalterlich
pronoun
1.
Mittelfranzösisch
noun
1.
Mittelgebirge
pronoun
1. Hoogduitse dialecten uit de periode 1050-1350
Mittelhochdeutsch
pronoun
1. randzee van de Atlantische Oceaan, gelegen tussen Zuid-Europa, Noord-Afrika en West-Azië
Mittelmeer
noun
1. middellijn
Durchmesser
noun
1. een lijn die loodrecht op het midden van een lijnstuk staat
Streckensymmetrale
/ˌmɪdəɫˈmatəx/
adjective
  1. 1. zich rond het gemiddelde bevinden
    durchschnittlich
  2. 2. niet in positieve zin opvallen
    mittelmäßig
pronoun
1. de West-Germaanse taal die van 1100-1400 in het noorden van Duitsland, met name in de Hanzesteden gesproken werd
Mittelniederdeutsch
pronoun
1. de voorloper van het Nieuwnederlands.
Mittelniederländisch
noun
1. van een cirkel of bol is het punt dat tot alle punten op de omtrek dezelfde afstand heeft
Zentrum
noun
  1. 1. vinger
    Mittelfinger
  2. 2. als beledigend gebaar
    Stinkefinger
noun
1. het centrale deel
Mitte
pronoun
1. het gebied tussen Noord-Amerika en Zuid-Amerika
Mittelamerika
pronoun
1. regio van Tsjechië
Mittelböhmische Region
pronoun
Mitteleuropa
noun
Mittelohr
noun
spier- en peesachtig tussenschot tussen borstholte en buikholte
Zwerchfell
noun
Gesamtschule
noun
1.
Mittelspurschleicher
noun
  1. 1. weg, pad tussen twee andere wegen
    Mittelweg
  2. 2. (gulden) middenweg, de ideale positie tussen twee uitersten
    1. goldene Mitte
    2. goldener Mittelweg
/ˌmɪdərˈnɑxt/, /ˌmɪdərˈnɑχt/
noun
1. het midden van de nacht, twaalf tot één uur 's nachts
Mitternacht
noun
1.
  1. Christmesse
  2. Christmette
  3. Mitternachtsmesse
  4. Mitternachtsmette
noun
Mitternachtssonne
verb
1. via de blaas als vloeistof lozen van lichamelijke afvalstoffen
  1. pissen
  2. pinkeln
  3. strullen
  4. urinieren
  5. Wasser lassen
noun
1. een kruipend, in grote kolonies levend omnivoor insect
Ameise
noun
Ameisenigel
noun
1. benaming voor tandloze zoogdieren uit de onderorde Vermilingua
Ameisenbär
verb
  1. pingelig
  2. schikanieren
noun
1. HCOOH
Ameisensäure
noun
2. wortel
Meerrettich
noun
  1. 1. slapjanus, kleinzerig persoon
    Sensibelchen
  2. 2. (scheldwoord) slappe, verwijfde homoseksueel
    Tunte
noun
1. schele hoofdpijn
Migräne
noun
1. # persoonlijke of familiaire voorgeschiedenis waarin men uit een ander land is weggegaan
Migrationshintergrund
abbreviation
  1. mich
  2. mir
verb
1. ontwijken, trachten niet in aanraking te komen met iets of iemand
meiden
/mɛi̯l/
abbreviation
Meile
noun
1. een paal die op elke mijl staat
Meilenstein
verb
1. in gedachten verzonken zijn
  1. träumen
  2. dösen
/mɛi̯n/
noun
  1. 1. onderaardse plaats waar delfstoffen gewonnen worden
  2. 2. voorwerp gevuld met springstof die ontploft bij aanraking
Mine
/mɛi̯n/
possessivePronoun
1. van mij
mein
noun
1. het bedrijven van winning van delfstoffen
Bergbau
adverb
1. van mijn kant
meinerseits
noun
  1. 1. een aanspreektitel voor een man
  2. 2. de heer des huizes
Herr
noun
1. een persoon die werkzaam is in de mijnbouw
  1. Bergmann
  2. Bergarbeiter
noun
1.
  1. Bergarbeiterstadt
  2. Bergbaustadt
noun
1. benaming voor dieren uit de superorde Acariformes
Milbe
noun
1. hoofddeksel voor kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders
  1. Mitra
  2. Bischofsmütze
verb
  1. 1. richten op een doel
    1. transformieren
    2. umgestalten
    3. verwandeln
    4. verzaubern
    5. zielen
  2. 2. gericht werpen
    werfen
pronoun
1. stad in het noordwesten van Italië
Mailand
/mi.li.ˈjøː/, /mɪɫˈjø/
noun
2. de wereldwijde natuurlijke omgeving
Umwelt
/miliˈjøɑutoriˌtɛit/
noun
1. zelfstandig onderdeel van de overheid dat optreedt tegen vervuiling die levende wezens bedreigt
  1. Umweltbehörde
  2. Umweltbundesamt
/miɫˈjøkʏnˌdə/
noun
Ökologie
noun
Umweltrecht
/ˌmiliˈtæːr/, /ˌmiliˈtɛːr/
adjective
  1. 2. militaire regering
    1. Junta
    2. Militärjunta
    3. Militärregierung
  2. 1. met het leger te maken hebbend
    militärisch
/ˌmiliˈtæːr/, /ˌmiliˈtɛːr/
noun
1. lid van een leger
  1. Soldat
  2. Soldatin
noun
1. 1.000.000.000 (= 10⁹)
Milliarde
noun
1. iemand die een vermogen heeft van meer dan een miljoen eenheden van een bepaalde valuta (bijvoorbeeld euro, dollar)
Milliardär
noun
1. 1.000.000
Million
noun
1. iemand die een vermogen heeft van meer dan een miljoen eenheden van een bepaalde valuta (bijvoorbeeld euro, dollar)
Millionär
noun
1. dikke koude drank
Milchshake
noun
1. een periode van 1000 jaar
Jahrtausend
noun
1. een duizendste ampère
  1. Milliampere
  2. mA
noun
1. een duizendste farad
Millifarad
noun
1. een duizendste henry
Millihenry
noun
1. een lengtemaat ter grootte van een duizendste meter
Millimeter
pronoun
1. een plaats in de gemeente Berg en Dal
Millingen am Rhein
noun
1. een duizendste ohm
Milliohm
noun
Millisekunde
noun
1. een duizendste siemens
Millisiemens
noun
1. een duizendste volt
Millivolt
noun
1. een duizendste watt
  1. Milliwatt
  2. mW
/mɪlt/
noun
1. een klier in de buikholte die een rol speelt bij het zuiveren en de opslag van bloed
Milz
pronoun
  1. 1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
  2. 2. een district in de Duitse deelstaat Beieren
Miltenberg
/ˈmɪltfyr/
noun
1. een infectieziekte, die wordt veroorzaakt door de bacterie Bacillus anthracis
Milzbrand
noun
1. gezichtsuitdrukking
  1. Mimenspiel
  2. Mimik
  3. Pantomime
adverb
1. minus, verminderd met (-)
  1. minus
  2. weniger
noun
1. vrouw die tegen betaling het kind van een andere vrouw zoogt
Amme
/mɪnɑxtə(n)/
verb
1.
  1. missachten
  2. geringschätzen
/ˈmɪnɑxtɪŋ/
noun
1. het minderwaardig vinden, het geen gunstige mening hebben over
Verachtung
/ˈmɪndər/
indefiniteCardinalNumeral
1. vergrotende trap onverbogen vorm van weinig
weniger
/ˈmɪndərˌbrudər/
noun
1. lid van de franciscanenorde
Minderbruder
noun
1. een groep die binnen een groter geheel in aantal minder dan de helft uitmaakt
  1. Minderheit
  2. Minorität
  3. Minderzahl
  4. Unterzahl
noun
Minderheitensprache
adjective
1. onder de 18 jaar, waardoor de rechten en plichten van een volwassene nog niet gelden
  1. minderjährig
  2. unmündig
pronoun
Chinese taal gesproken door ongeveer 9,5 miljoen mensen in het zuidoosten van China
Min Dong
pronoun
1. wereldwijd veel gebruikte netwerksite voor sociale contacten
Minecraft
/minəˈral/
noun
Mineral
noun
1. water dat mineralen bevat die de smaak veranderen of het water een (vermeende) therapeutische waarde geven
  1. Mineralwasser
  2. Wasser
noun
1. groentesoep
Minestrone
adjective
1. mineur
Moll
noun
1. het kleinetertsakkoord
Mollakkord
noun
1. een toonladder met een kleine terts
Molltonleiter
noun
1. een toonladder met een kleine terts
Molltonleiter
noun
1. een toonladder met een kleine terts
Molltonleiter
noun
1. een toonladder met een kleine terts
Molltonleiter
noun
1. een toonladder met een kleine terts
Molltonleiter
noun
1.
  1. Kleinbus
  2. Minibus
noun
1.
  1. Minigame
  2. Minispiel
noun
1. een sport en een populaire vakantiebezigheid. De bedoeling is een parcours van 18 holes met zo min mogelijk slagen af te leggen. Het spel is een variant op golf, met het verschil dat bij golf grote afstanden moeten worden overbrugd en met midgetgolf slechts enkele meters
Minigolf
abbreviation
1. kleinst mogelijke hoeveelheid
Minimum
noun
1. een persoon die deelneemt aan de regering van een land
  1. Minister
  2. Ministerin
noun
1. de minister die het kabinet aanvoert
Premierminister
/ˌminɪsˈtɪːri/
noun
  1. 1. een afdeling van een overheid waar het beleid van de regering wordt uitgevoerd
    Ministerium
  2. Openbaar Ministerie
    Staatsanwaltschaft
noun
1. bepaald zoogdier, Neovison vison
Nerz
noun
  1. 1. jaloezie in de liefde
  2. 2. jaloezie in de liefde
Eifersucht
noun
Minuspunkt
noun
  1. 2. rondreizend artiest
    Spielmann
  2. 1. rondreizend kunstenaar
    Troubadour
noun
Minuszeichen
adjective
  1. Minzgrün
  2. minzgrün
adjective
  1. Minttürkis
  2. minttürkis
noun
  1. 1. tijdeenheid
  2. 2. hoek
Minute
adverb
het mis hebben
irren
noun
1. een godsdienstoefening in de katholieke kerk, een eucharistieviering
Messe
/'mɪsbrʌʏk/
noun
Missbrauch
/mɪzˈbrœykən/, /mɪzˈbrœːkən/
verb
op een slechte wijze gebruik maken van iets of iemand
missbrauchen
noun
1. is iemand die de priester helpt tijdens het opdragen van de mis
  1. Messdiener
  2. Ministrant
noun
1. een misdaad of delict
  1. Verbrechen
  2. Straftat
noun
1.
Missgeschick
verb
1.
schiefgehen
/mɪzˈdʒɛndərən/
verb
verwijzen naar een persoon met termen die het verkeerde gender uitdrukken
misgendern
verb
1.een mislukte poging doen iets te grijpen
fehlgreifen
verb
1. niet aanstaan, niet behagen
missfallen
verb
1. iemand slecht behandelen en pijn doen of verwonden
  1. misshandeln
  2. malträtieren
noun
1. het moedwillig toebrengen...
Mißhandlung
verb
  1. verkennen
  2. verleugnen
noun
Fehleinschätzung
noun
Fehlgeburt
verb
1. iemand in de waan van iets brengen
  1. täuschen
  2. irreführen
noun
Irreführung
/'mɪslopə(n)/
verb
  1. 2. fout aflopen
    1. gehen
    2. schiefgehen
  2. 1. niet op de juiste tijd op de juiste plaats zijn om iets mee te maken
    verpassen
/mɪsˈlʏkə(n)/
verb
verkeerd aflopen, zonder het gewenste resultaat
  1. fehlschlagen
  2. missglücken
noun
1. iets dat niet goed is gegaan
  1. Fehlschlag
  2. Misserfolg
noun
  1. 1. bepaald soort loofboom Mespilus germanica
  2. 2. vrucht van de mispelboom
Mispel
verb
1. spot of afkeuring over iemand of iets uitspreken
verachten
/məˈsxin/
adverb
1. duidt aan dat er een bepaalde kans bestaat dat de uitspraak waar is
vielleicht
verb
1. schieten zonder het doel te treffen
verschießen
adjective
  1. 2. een nare indruk makend, onuitstaanbaar
    1. ekelhaft
    2. elend
  2. 1. tot braken geneigd
    übel
/ˈmɪsə(n)/
verb
  1. 2. niet halen
    1. erreichen
    2. erwischen
    3. verpassen
  2. 1. niet raken, niet treffen
    verpassen
noun
1. een doeleind dat verwezenlijkt dient te worden
  1. Mission
  2. Militäreinsatz
  3. Militärmission
noun
Missionar
noun
1. laaghangende bewolking die het zicht belemmert
Nebel
noun
Nebelbank
noun
1. bepaald soort groenblijvende plant die als halfparasiet op bomen leeft, Viscum album
Mistel
noun
1.
Nebelscheinwerfer
noun
  1. 1. een verkeerde greep
    Fehlgriff
  2. 2. een verkeerd begrip
    Mißverständnis
/ˈmɪsfərstɑnt/
noun
1. het verkeerd begrijpen van elkaars bedoelingen
Missverständnis
noun
Missformung
noun
1.wijn die gebruikt wordt in de misdiensten
  1. Messwein
  2. Altarwein
/ˌmito'xɔndriɵm/
noun
1.
  1. Mitochondrium
  2. Mitochondrion
/miˈtozə/
noun
1.
Mitose
conjunction
1. indien, op voorwaarde dat
  1. unter der Bedingung, dass
  2. vorausgesetzt
conjunction
  1. mitsamt
  2. samt
  3. zusammen mit
  4. zusamt
pronoun
Mittellandkanal
noun
1. mengsel
Gemisch
adjective
1. gemakkelijk verplaatsbaar of bewegend
mobil
/moˈbilcə/
noun
1. draagbare telefoon
  1. Mobiltelefon
  2. Handy
  3. Funktelefon
noun
Mobilmachung
noun
1. beweeglijkheid
Mobilität
/'mɔkɑsɛː/, /mokɑ'sæː/
noun
  1. 1. een Noord-Amerikaans indianenschoeisel
    Mokassin
  2. 2. een leren lage schoen, zonder veters
    Slipper
noun
1.een reversibele monoamino-oxidaseremmer
Moclobemid
noun
(informeel) ± Marokkaan, iemand van Noordafrikaanse afkomst
Nafri
noun
1. mengsel van aarde, vuil en water
Schlamm
noun
1. door modder verontreinigd water
Schmutzwasser
/ˈmodə/
noun
Mode
noun
1.
Modellbau
noun
1. (luchtvaart) een op schaal nagebouwd vliegtuig dat vaak op afstand bestuurd kan worden en kan vliegen
Modellflugzeug
adjective
1. gematigd
  1. maßvoll
  2. moderat
noun
Mäßigung
/moˈdɛrn/
adjective
1. van deze tijd, volgens de laatste mode
modern
/mo.dɛr.ni.ˈzɪː.rə(n)/, /mo.dɛr.nɪ.ˈzeː.rə(n)/
verb
1. modern maken
modernisieren
noun
Modernismus
noun
Modernität
adjective
1. volgens de mode
modisch
noun
Modifikation
adjective
modular
/muː/
adjective
1. geneigd tot rusten of slapen
müde
/mud/, /mut/
noun
1. dapperheid, lef, branie
Mut
/ˈmudəlos/
adjective
1. somber doordat men de hoop heeft verloren
mutlos
noun
1. een vrouwelijke ouder
Mutter
noun
Hauptplatine
noun
1. een dag ter ere van de moeders
Muttertag
/ˈmudər.kuk/
noun
alternatieve benaming van placenta
Mutterkuchen
/ˈmu.dərs.kɪnt/
noun
1. onzelfstandig, afhankelijk kind dat (te) erg op de moeder is gericht
Muttersöhnchen
noun
Muttersprache
/ˈmuːdəx/, /ˈmuːdəç/
adjective
1. geen angst voor gevaar tonend
mutig
adjective
1. expres, opzettelijk, met boze opzet, weloverwogen
  1. absichtlich
  2. mutwillig
  3. vorsätzlich
noun
1. de diersoort waartoe het tamme schaap behoort, Ovis gmelini
Mufflon
noun
1. toestand waarin je door afmatting behoefte hebt om uit te rusten
  1. Ermüdung
  2. Müdigkeit
noun
  1. Wichtigtuer
  2. er steckt die Nase in alles
/mu<sup>ɪ</sup>lɛ<sup>ɪ</sup>k/
adjective
1. niet gemakkelijk, waar moeite, geduld en inspanning voor vereist is
  1. schwer
  2. schwierig
  3. mühevoll
noun
1. iets dat moeilijk of lastig is
Schwierigkeit
/ˈmuitə/
noun
1. een grote inspanning
Mühe
adjective
1. geen moeite kostend
mühelos
adjective
mühsam
noun
  1. [A]
    Mutter
  2. [C] 1. drassig land, vooral gebruikt voor natte veengebieden
    Marschland
noun
Marschland
noun
1. schildpad uit de familie Emydidae
Sumpfschildkröte
noun
Maulbeere
noun
Maulbeerbaum
noun
1. wijfjesvos
Füchsin
noun
1. de regentijd in tropische gebieden met een droge tijd en een regentijd
Monsun
verb
  1. 1. gedwongen zijn
    müssen
  2. zou moeten
    müsste
noun
1. huwelijk ingegeven door zwangerschap
  1. Andreas-Hofer-Hochzeit
  2. Traufe
pronoun
1. een rivier die ontspringt in de Vogezen en na 544 kilometer bij Koblenz in de Rijn uitmondt
Mosel
noun
1. scheldnaam voor een Duitser
Piefke
adverb
1. misschien, tot de mogelijkheden behoren
möglicherweise
noun
1. iets wat gedaan kan worden of kan gebeuren
Möglichkeit
/'mo.χə(n)/
verb
1. toegestaan zijn
  1. dürfen
  2. mögen
  3. möchten
noun
Großmacht
noun
2. paardenziekte
Mauke
noun
1. zware hamer met korte steel
Fäustel
noun
1. een vernietigende klap als met een moker
Hammerschlag
verb
1. merkbaar ergens gefrustreerd over zijn
schmollen
pronoun
1. een taal die in het zuiden van Mordovië gesproken wordt
Mokscha
noun
  1. 1. bepaald soort zoogdier, Talpa europaea
    Maulwurf
  2. 3. hoeveelheid van een stof die net zo veel deeltjes bevat als er atomen...
    Mol
/mɔlˈdaːvisə/, /mɔɫˈdavisə/
adjective
1. vrouwelijke inwoner van Moldavië
Moldauerin
/mɔlˈdaːvi.jə/, /mɔɫˈdavi.jə/
pronoun
1. een land en regio in Zuidoost-Europa grenzend aan Oekraïne en Roemenië
  1. Moldawien
  2. Moldau
/mɔlˈdaːvi.jər/, /mɔɫˈdavi.jər/
noun
1. inwoner van Moldavië
Moldauer
adjective
1. bestaande uit moleculen
molekular
/moləˈkyle/
noun
1. het kleinste deeltje van een stof dat nog alle eigenschappen van die stof bezit
Molekül
/moləˈkyɫ/
noun
1. het kleinste deeltje van een stof dat nog alle eigenschappen van die stof bezit
Molekül
noun
1. installatie die de stroming van lucht of water gebruikt als energiebron
Mühle
/ˈmolənar/
noun
1. iemand die het werken in een molen als beroep heeft
Müller
noun
1. molenarm
Flügel
adjective
1. een beetje dik, volslank
mollig
noun
1. met brandbare stof gevulde glazen fles die via een lont of lap stof wordt ontstoken
Molotowcocktail
noun
1. benaming voor knaagdieren uit de familie Bathyergidae
Graumulle
noun
1.
Maulwurfshügel
noun
1. Chemisch element
Molybdän
noun
1. zeer korte tijd
Moment
adverb
1. op dit moment
  1. Moment
  2. momentan
  3. zurzeit
verb
1. geluiden maken die moeilijk te verstaan zijn
murmeln
/moˈnako/, /ˈmo.na.ko/
pronoun
  1. 1. een dwergstaatje in Zuid-Europa, officieel het Vorstendom Monaco, dat aan Frankrijk grenst
  2. 2. de hoofdstad van Monaco
Monaco
noun
1. is van origine een regeringsvorm waarbij alle macht bij één persoon berust
Monarchie
/[mɔnt]/
noun
1. ingang van het spijsverteringskanaal
  1. Mund
  2. Maul
abbreviation
1. een zeer besmettelijke virusziekte (Aphtae epizooticae) die evenhoevige dieren, vooral runderen treft
Maul- und Klauenseuche
noun
1. het onderste deel van de mond dat de mondholte afsluit, m.n. het gedeelte onder de tong
Mundboden
adjective
1. verhinderen dat iemand kritiek of andere onwelgevallige informatie bekentmaakt
mundtot
adjective
1. via het gesproken woord
mündlich
noun
1. instrument met doorslaande tongen dat met de mond bespeeld wordt
Mundharmonika
noun
1. het inwendige deel van de mond
Mundhöhle
/ˈmɔndɪŋ/
noun
1. plaats waar een rivier uitkomt in zee of meer
Mündung
/ˈmɔnt.kɑp/
noun
  1. Gesichtsmaske
  2. Schutzmaske
noun
1. dat deel van een blaasinstrument dat in de mond genomen wordt of aan de lippen gezet
Mundstück
/ˈmɔntwatər/
noun
1. vloeistof waarmee de mondholte kan worden gespoeld
  1. Mundspülung
  2. Mundwasser
adjective
monetär
/mɔŋ.ˈ(g)ɣo.li.jə/, /mɔŋ.ˈɣo.li.jə/, /mɔŋ.ˈχo.li.jə/
pronoun
1. een land in Azië en omringd door China in het zuiden en Rusland in het noorden
Mongolei
noun
1. iemand met het syndroom van Down
Mongole
pronoun
1. macrotaal die de officiële taal van Mongolië is en die ook in China en Rusland gesproken wordt
  1. Mongolisch
  2. mongolisch
/ˈmoniˌtɔr/
noun
beeldscherm
Monitor
noun
1. een man die uit religieuze overwegingen teruggetrokken leeft, voornamelijk in een klooster
Mönch
noun
  1. 3. plant
    1. Eisenhut
    2. Sturmhut
    3. Akonit
    4. Mönchskappe
  2. 1. van een monnikspij
    1. Kutte
    2. Mönchskutte
noun
1. deze stof blokkeert de werking van monoamino-oxidase
Monoaminooxidase-Hemmer
noun
Monobraue
noun
1. een bril voor één oog
Monokel
/ˈmonokʏɫˌtyːr/
noun
1. landbouw met één gespecialiseerd gewas
Monokultur
/ˈmonɔfˌtɔŋ/
noun
1. de benaming voor één enkele klinker die de nucleus vormt van een lettergreep
Monophthong
noun
1. het verschijnsel dat een diftong overgaat in een monoftong.
  1. Monophtongierung
  2. Monophtongisierung
noun
1. een wetenschappelijk boek of verhandeling over één onderwerp of een beperkte groep van samenhangende onderwerpen, in het algemeen geschreven door één auteur
  1. Monografie
  2. Monographie
noun
1. figuur met initialen
Monogram
/mo.no.'klin/
adjective
1. een symmetrie bezittend die ten hoogste een tweetallige hoofdas of een spiegelvlak bevat
monoklin
noun
Monolith
/ˌmonoˈlox/
noun
1. een gesprek gevoerd door één persoon, meestal op toneel
  1. Monolog
  2. Selbstgespräch
noun
1. het geheel beheersen van een markt door een enkele leverancier
Monopol
noun
1. toestand waarin men het monopolie van iets bezit
Monopolstellung
noun
1. monopoolantenne
Monopolantenne
pronoun
1.
Monschau
noun
  1. 1. schrikwekkend wezen
    Monster
  2. 2. een willekeurige hoeveelheid ontnomen aan een grotere massa
    1. Muster
    2. Probe
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Rijnland-Palts
Montabaur
noun
  1. Montage
  2. Zusammenbau
/ˌmɔntəˈnegro/, /ˌmɔntəˈneːɣro/
pronoun
1. land in Zuidoost-Europa gelegen aan de Adriatische Zee en grenzend aan Kroatië, Bosnië en Herzegovina, Servië en Albanië
Montenegro
verb
1. de juiste beelden achter elkaar zetten
montieren
noun
Monteur
/mɔnsɛ'rɑ/
pronoun
Montserrat
noun
2. de houder waarin brillenglazen zijn gevat
Fassung
noun
1. een groot gedenkteken
  1. Denkmal
  2. Monument
adjective
zeer groot en indrukwekkend
monumental
noun
1. datum (vaak jaarlijks terugkerend) waarop extra aandacht wordt gegeven aan cultureel erfgoed
Denkmaltag
/moːj/
adjective
1. prettig in voorkomen, aangenaam om naar te kijken, schoon
  1. schön
  2. hübsch
/ˈmoːrd/, /ˈmoːrt/, /ˈmʊːrt/
noun
1. handeling met het doel en het gevolg dat iemand dood gaat
Mord
verb
1. rondgaan om moorden te plegen
morden
/mordənar/
noun
1. iemand die een moord gepleegd heeft
  1. Mörder
  2. Mörderin
noun
Massaker
noun
Mordwaffe
noun
1. een paard met zwarte kop, poten en manen
Mohrenkopf
noun
1. anekdote met een verrassend en komisch slot
Witz
noun
1. een mannelijk persoon die vaak moppert
Nörgler
noun
1. een vrouwelijk persoon die vaak moppert
Nörglerin
verb
1. onvrede uiten
  1. murren
  2. nörgeln
adjective
1. veel mopperend
nörgelig
noun
Sittenpolizei
adjective
moralisierend
noun
1. een uitstel van betaling
Moratorium
pronoun
Mähren
pronoun
1. regio van Tsjechië
Mährisch-Schlesische Region
adverb
1. fel
  1. hartnäckig
  2. verbissen
pronoun
1. autonome republiek van Rusland
Mordwinien
noun
1. de kleinst mogelijke morfosyntactische eenheid in een taal
Morphem
noun
1.een alkaloïde dat het werkzame bestanddeel van opium is
Morphin
/ˌmɔr.fo.lo.ˈɣi/, /ˌmɔr.fo.lo.ˈχi/
noun
1. de wetenschap die het vormgeven van woorden bestudeert
  1. Morphologie
  2. Wortbildung
/ˈmɔrxə(n)/, /ˈmɔrɣə(n)/
adverb
1. eerstvolgende dag na vandaag
  1. morgen
  2. Morgen
/ˈmɔrxə(n)/, /ˈmɔrɣə(n)/
noun
1. eerste deel van de dag
Morgen
adverb
morgen Abend
noun
1. een bruidsschat die binnen het Morganatische huwelijk door een man aan zijn vrouw wordt gegeven de ochtend na de huwelijksnacht
Morgengabe
noun
1. de rode lucht bij zonsopgang
  1. Morgenrot
  2. Morgenröte
noun
  1. 2. Tragopogon, een plantengeslacht uit de composietenfamilie (Compositae oftewel Asteraceae)
    1. Bocksbart
    2. Wiesenbocksbart
  2. 1. benaming voor de planeet Venus
    Morgenstern
pronoun
1.
Morschen
adjective
mausetot
noun
1. seinalfabet
  1. Morsealphabet
  2. Morsecode
  3. Morsezeichen
/'mɔrsə(n)/
verb
1.
kleckern
adjective
1. onzindelijk, slonzig
  1. schlampig
  2. schmutzig
noun
1. het sterftecijfer
  1. Sterblichkeit
  2. Mortlität
noun
  1. 1. een kom waarin met een stamper allerlei stoffen fijn gestampt of fijngewreven worden
  2. 2,3 korte kanontypen
Mörser
noun
Moos
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Mosbach
noun
1. een scheikundig element met het symbool Mc en het atoomnummer 115
Moscovium
adjective
  1. Moosgrau
  2. moosgrau
adjective
  1. Moosgrün
  2. moosgrün
noun
1. gebedshuis
Moschee
noun
1. Mytilus edulis, een eetbaar tweekleppig schelpdier
  1. Muschel
  2. Miesmuschel
noun
1. een in de keuken gebruikte kruidenpasta
Senf
noun
  1. Senfgas
  2. Yperit
adjective
1. met de gele kleur van mosterd
  1. senffarben
  2. senfgelb
noun
1. kleur geel als die van mosterd
Senfgelb
noun
Senfsuppe
noun
1. een vlinderachtig insect
  1. Motte
  2. Nachtfalter
noun
2.3.
Motiv
noun
Motivation
/moːtiˈveːrə(n)/
verb
1. met redenen omkleden
  1. motivieren
  2. begründen
/'mo.tɔr/
noun
  1. 1. krachtbron
    Motor
  2. 2. voertuig
    Motorrad
noun
1. een klein tot middelgroot bootje dat voortbewogen wordt door middel van een motor
Motorboot
noun
1. een op de motorfiets te dragen veiligheidsbril die de ogen tegen stof, insecten e.d. beschermt
Motorradbrille
noun
Motorrad
noun
1. het vermogen om het lichaam(sdeel) te bewegen
Motorik
noun
Motorjacht
noun
1.
Motorbremse
noun
spoorvoertuig
Triebwagen
noun
1. lichte neerslag in de vorm van heel kleine druppeltjes water
  1. Sprühregen
  2. Nieselregen
  3. Niesel
verb
1. regenen in zeer fijne druppeltjes
  1. nieseln
  2. fisseln
noun
Mottenkugel
noun
Geländerad
noun
1. de grondstof voor bier, jenever en whisky,...
Malz
noun
1. dat deel van een kledingstuk dat de armen omvat
Ärmel
/ˈmuː.və(n)/
verb
1. weggaan
abhauen
/ˌmo.zɑm.ˈbik/, /ˌmo.zɑm.ˈbɪk/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel de republiek Mozambique
Mosambik
adjective
1. met betrekking tot de Mozarabiërs of het Mozarabisch
mozarabisch
noun
Mosaik
noun
1. Italiaanse kaas
Mozzarella
noun
1. MRI
MRT
noun
1. slijmvlies
Schleimhaut
adjective
1. overvol
rappelvoll
/ˈmysli/, /ˈmyə̯zli/
noun
1. eten gemaakt van graanvlokken, zuivel, fruit en noten
  1. Müsli
  2. Müesli
/mɵf/
adjective
1. onaangenaam en bedorven ruikend
muffig
noun
1. kleine, vliegende insecten van de onderorde Nematocera
Mücke
verb
  1. kritisieren
  2. kämpfen
  3. schikanieren
noun
1. het vitten op kleinigheden
Haarspalterei
noun
  1. 1. bek van een groot dier
    Maul
  2. kruising tussen een paard en een ezel
    Maultier
noun
1. een kruising van een ezelhengst en een paardenmerrie
Maultier
noun
1. een kruising van een paardenhengst en een ezelin
Maulesel
noun
1.een leren of metalen korf die voor de bek van een dier gespannen wordt om bijten onmogelijk te maken
Maulkorb
noun
1. klap in het gezicht
  1. Maulschelle
  2. Ohrfeige
/mœʏ̯s/, /mœːs/
noun
  1. 1. klein zoogdier, meestal van het geslacht "Mus"
  2. 3. computermuis
Maus
adjective
  1. Mausgrau
  2. mausgrau
/ˈmœʏʃjə/
noun
1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord muis
Mäuschen
/ˈmœʏsmɑt/, /ˈmœːsmɑt/
noun
1. een onderlegger voor een computermuis
Mauspad
noun
1. benaming voor vogels uit de orde Coliiformes
Mausvögel
verb
1. in opstand komen tegen wettige autoriteit
meutern
pronoun
1.
Mühlhausen
pronoun
1. een gebied in het oosten van Luxemburg
Mullerthal
/ˈmʏltidɪsɪpliˌnɛ:r/
adjective
1. betrekking hebbend op meerdere disciplines
multidisziplinär
adjective
1. met, of aan veel kanten, belangen, partijen etc.
  1. multilateral
  2. vielseitig
noun
multinationales Unternehmen
noun
1. composietplaat die bestaat uit meer dan 3 gelijmde laagjes hout
Sperrholz
noun
Multiplikator
noun
1. een door balseming en uitdroging geconserveerd lichaam van een dode
Mumie
verb
1.van een overledene een mummie maken
mummifizieren
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Munderkingen
noun
1. en 2. (boon van) eenjarige plant Vigna radiata
Mungbohne
/mʏˈnitsi/, /mʏˈnisi/
noun
schietbenodigdheden
Munition
/myˈnitsiˌbrot/
noun
1. brood volgens voorschriften door leger als voedsel aan manschappen verstrekt
Kommissbrot
/myˈni(t)sikɪst/
noun
1. metalen doos om patronen en andere projectielen met een explosieve lading veilig te kunnen vervoeren
Munitionsbehälter
noun
  1. 1. en 2. (blaadjes van) het plantengeslacht Mentha
    Minze
  2. 3. geldstuk
    Münze
  3. 6. geldsoort
    Währung
  4. 5. muntzijde van geldstuk
    Zahl
//
noun
1.munteenheid
Währung
noun
  1. 1. een stuk metaal omvormen tot een munt
  2. 2. iets of iemand als mikpunt hebben
münzen
noun
Münzkunde
pronoun
Murcia
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Passeridae
  1. Spatz
  2. Sperling
noun
1. een gebouw waarin voorwerpen van culturele waarde tentoongesteld worden
Museum
verb
1. het ten gehore brengen van muziek door middel van een muziekinstrument of de stem
musizieren
noun
1. iemand die muziek maakt en ten gehore brengt
  1. Musiker
  2. Musikant
noun
1. en 2. (vruchtvlees) van plant Cucurbita moschata
  1. Butternusskürbis
  2. Butternutkürbis
  3. Moschuskürbis
noun
1. en 2. (vruchtvlees) van plant Cucurbita moschata
  1. Butternusskürbis
  2. Butternutkürbis
  3. Moschuskürbis
/'mɵskɵs/
noun
1. de geurstof uitgescheiden door de geurklieren van bepaalde zoogdieren
Moschus
noun
1. hertachtig dier in Centraal-Azië
Moschushirsch
noun
1. plomp hoefdier met grote kop en brede snuit
Moschusochse
noun
1. en 2. (vruchtvlees) van plant Cucurbita moschata
  1. Butternusskürbis
  2. Butternutkürbis
  3. Moschuskürbis
noun
1. Ondatra zibethicus, een soort waterrat
Bisamratte
noun
1. stof
Mutagen
noun
1. proces waardoor de genetische informatie van een organisme verandert en er een nieuw stabiel organisme ontstaat
Mutagenese
noun
1. een sprongsgewijze verandering
Mutation
verb
1. iemands lichaam blijvend en misvormend letsel toebrengen
verstümmeln
noun
1. onvermogen om te spreken
Mutismus
/mʏʦ/
noun
1. hoofddeksel van textiel zonder harde rand.
Mütze
adjective
  1. mutual
  2. mutuell
/myːr/
noun
  1. 1. verticale vlakke constructie van metselwerk
    1. Mauer
    2. Wand
  2. 1. kruidachtige plant
    Vogelmiere
noun
1. kas waarvan een zijde samenvalt met een muur
  1. Gewächshaus
  2. Glashaus
  3. Treibhaus
/my'zik/
noun
1. een akoestisch fenomeen
Musik
noun
Musikereignis
/myˈzikˌɪnstrymɛnt/
noun
1. instrument om muziek mee te spelen
Musikinstrument
noun
1.een school waar men muziek leert maken
Musikschule
noun
1.het bestuderen van de muziek in al haar vormen
Musikwissenschaft
noun
1. iemand die muziek maakt
  1. Musiker
  2. Musikant
/ˌmikoloˈɣi/
noun
1. de wetenschap die zich bezig houdt met het bestuderen van schimmels
  1. Pilzkunde
  2. Mykologie
/miˈkozə/
noun
1. een door een schimmel veroorzaakte ziekte
Mykose
noun
1. afwijking in de brandpuntsafstand van het oog waardoor alles op grotere afstand wazig gezien wordt
Kurzsichtigkeit
/mi.tɔ.lɔ.ɣi/
noun
Mythologie
noun
1.
Málaga-Wein
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Mössingen
pronoun
1. stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Mühlacker
noun
Münchhausen-Syndrom
pronoun
1. de culturele en economische regio rondom de Duitse stad Münster
Münsterland
pronoun
1. Nedersaksische taalvariëteit die wordt gesproken in de streek rond de Duitse stad Münster
  1. Münsterländer Platt
  2. Münsterländisch
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Hessen
Münzenberg
pronoun
  1. 1. een meer in de Duitse deelstaat Mecklenburg-Voor-Pommeren
  2. 2. een voormalig district in de Duitse deelstaat Mecklenburg-Voor-Pommeren
Müritz
preposition
1. in tijd volgend op
  1. nach
  2. hinter
/ˈnaːɦaːpə(n)/, /ˈnaːʔapə(n)/
verb
1. doen wat iemand anders doet
nachahmen
/naf/
noun
1. centrale as of middenstuk van een wiel of rad
Nabe
noun
1. kapje dat het midden van een wiel afdekt
Radkappe
noun
Nabenschaltung
noun
1. een doos waarin naaigerei bewaard wordt
Nähkasten
/ˈnaːi̯ə(n)/
verb
  1. 3. iemand een veraderlijke streek leveren
    anschmieren
  2. 2. geslachtsgemeenschap hebben
    1. ficken
    2. bumsen
    3. vögeln
  3. 1. naaldwerk verrichten
    nähen
noun
Nähmaschine
noun
1. een vrouw die naaiwerk verricht
Näherin
/naːkt/
adjective
1. zonder beharing of andere fysieke bescherming van de huid, ontkleed
nackt
noun
1. het naakt zijn
Nacktheit
noun
Nacktschnecke
noun
1. een strand waar het gebruikelijk en toegestaan is naakt te baden
FKK-Strand
/nald/, /naɫt/
noun
1. gereedschap voor naaien
Nadel
noun
Nadelbaum
noun
Nadelsimse
/ˈnaɫtʋʌʊt/
noun
1. een groot bos bestaande uit naaldbomen
Nadelwald
noun
  1. 1. kort stukje tekst dat een persoon, instelling of object bijna identiek kan benoemen
    Name
  2. 2. bekendheid, reputatie
    1. Name
    2. Ruf
noun
1.
Markenzeichen
noun
1. een dag waarop een heilige wordt herdacht
Namenstag
noun
Namensschild
noun
1. elk der buigingsvormen van een naamwoord
  1. Fall
  2. Kasus
noun
1.
  1. Fallendung
  2. Kasusendung
/namwort/
noun
1. een woord dat een persoon of zaak noemt, bepaalt of aanduidt
  1. Nomen
  2. Namenwort
  3. Nennwort
noun
  1. Prädikativ
  2. Prädikativum
/naːr/
adjective
1. onaangenaam, niet leuk
bitter
/naːr/
adverb
1. in de richting van
nach
adjective
1. ijverig en vlug
  1. eifrig
  2. emsig
  3. fleißig
preposition
1. aan de zijkant van
neben
verb
  1. nationalisieren
  2. verstaatlichen
noun
1. liefde jegens de medemens
Nächstenliebe
noun
2. nationalisering
  1. Nationalisierung
  2. Verstaatlichung
noun
1. een verdere behandeling na de hoofdingreep
Nachbehandlung
adjective
1. zich in de onmiddellijke omgeving bevindend
nah
/'na.bo.tsə(n)/
verb
1. nadoen, imiteren
  1. nachahmen
  2. imitieren
  3. nachmachen
/ˈnabotsɪŋ/
noun
1. imitatie, het nadoen
  1. Imitation
  2. Nachahmung
adjective
1. in de buurt ervan gelegen
benachbart
/nɑx/, /nɑxt/, /nɑχt/
noun
1. de tijd tussen zonsondergang en zonsopkomst
Nacht
adjective
  1. Nachtblau
  2. nachtblau
noun
1. het verrichten van nachtelijke werkzaamheden volgens een diensrooster
  1. Nachtdienst
  2. Nachtschicht
noun
1. een dier dat overdag slaapt en 's nachts actief is
Nachttier
noun
1. lijsterachtige zangvogel met een rossig bruine staart die heel mooi kan zingen
Nachtigall
noun
1. dag en nacht duren evenlang
  1. Tagundnachtgleiche
  2. Äquinoktium
noun
Nachthemd
/ˈnɑxtjɑˌpɔn/
noun
1. kledij die vrouwen 's nachts dragen
Nachthemd
noun
1. kaars waarmee men naar bed gaat en die men laat opbranden
Nachtlicht
noun
1. lage kast of tafel zonder laden die bij het hoofdeinde van het bed staat
  1. Nachtkasten
  2. Nachttisch
noun
  1. Nachtkästchen
  2. Nachttisch
noun
1. iemand die het prettig vind om pas laat in de nacht te gaan slapen
  1. Nachtrabe
  2. Nachtschwärmer
noun
  1. 1. een zeer angstige droom
  2. 2. een schrikbeeld
  1. Albtraum
  2. Alptraum
noun
  1. Nachtkasten
  2. Nachttisch
noun
1. een verbinding door middel van een nachttrein
Nachtzugverbindung
noun
1. vlinder die 's nachts actief is
Nachtfalter
noun
1.
Nachtarbeit
noun
1. een speciale kijker of bril waarbij lichtversterking wordt toegepast
Nachtsichtgerät
noun
1. ongunstige eigenschap
Nachteil
adjective
1. kwalijk, schadelijk
schädlich
verb
nachdenken
verb
1. In aantocht zijn
näher kommen
adverb
1. geeft een gevolg in tijd aan: daarna
danach
noun
1. denkbeeldig punt aan de sterrenhemel loodrecht onder de waarnemer
Nadir
verb
1. doen wat iemand anders doet
  1. nachahmen
  2. nachmachen
verb
1. zeker maken dat een bewering of gevolgtrekking klopt
untersuchen
/ˈnaː.ɣəˌbor.tə/
noun
3. de moederkoek, navelstreng en vliezen die het lichaam van de moeder verlaten nadat de baby is geboren
Nachgeburt
noun
  1. 1. hoornplaat op laatste teen- en vingerkootjes
    Nagel
  2. 3. spijker
    1. Nagel
    2. Stift
noun
1. een balk met gaten waarin korvijnagels worden gestoken
Nagelbank
noun
1. een weefsel onder en achter de nagel, waar de nagel uitgroeit
Nagelbett
noun
  1. Gewürznelkenkäse
  2. Nelkenkäse
noun
1. schoonheidsmiddel
Nagellack
noun
1.
Druckluftnagler
adverb
1. voor het overgrote deel
nahezu
noun
  1. Dessert
  2. Nachtisch
noun
Nachkommenschaft
/ˈna.wɑtl̥̩/, /ˈna.wɑtl̩/
pronoun
1. benaming voor de talen die door de oorspronkelijke bewoners van Mexico gesproken worden
Nahuatl
/ˈnahʏm/
pronoun
2. boek in de Bijbel
Nahum
noun
1. herfst
Herbst
noun
Nachkomme
verb
2. in een testament toebedelen
vermachen
noun
1. wat door de erflater bij zijn overlijden overgedragen wordt
  1. Erbschaft
  2. Nachlass
noun
1. een fout doordat er iets nagelaten wordt
Nachlässigkeit
noun
1. een geneesmiddelengroep van pijnbestrijders
Nalbuphin
/ˈnamələk/
abbreviation
nämlich
pronoun
1. provincie in het oosten van België
  1. Namur
  2. Namür
/na.'mi.bi.jə/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika
Namibia
noun
1. tijd aan het einde van de middag
Nachmittag
noun
1. een miljardste ampère
  1. Nanoampere
  2. nA
noun
1. nanofarad
Nanofarad
noun
1. nanohenry
Nanohenry
noun
1.
Nanometer
noun
Nanotechnologie
noun
1. nanovolt
  1. Nanovolt
  2. nV
noun
1. een miljardste watt
  1. Nanowatt
  2. nW
adjective
1. van na de oorlog
nachkriegisch
pronoun
1. stad in Italië
Neapel
noun
1.
Deckchen
noun
Narzisse
noun
Narzissmus
adjective
  1. Narzissengelb
  2. narzissengelb
noun
1. een kunstmatige algehele verdoving
Narkose
pronoun
1. de taal van de Narom
narom
noun
1. bepaald soort zeezoogdier, Monodon monoceros
Narwal
/ˈna.slɑx.ˌwɛrk/, /ˈna.slɑx.ˌβ̞ɛrk/, /ˈna.slɑχ.ˌʋɛrk/
noun
1. een boek dat dient om iets in op te zoeken
Nachschlagewerk
noun
1. een veranderde smaak van iets dat men al heeft doorgeslikt heeft en in het begin anders smaakte
  1. Beigeschmack
  2. Nachgeschmack
/ˈna.smø.lə(n)/
verb
1. na een brand zacht en langzaam verder branden zonder vlammen
  1. nachglimmen
  2. nachschwelen
noun
  1. 2. de anticlimax na de coïtus
  2. 1. dans, toneel of muziek ter afsluiting van een theaterstuk, opera, ballet etc.
Nachspiel
/ˈnaː.spøː.rə(n)/
verb
1. nauwkeurig onderzoeken
  1. nachforschen
  2. nachspüren
verb
  1. 1. achter iemand aangaan
    nachforchen
  2. 1. feiten of een verloop trachten te achterhalen
    nachspüren
verb
1. een doel trachten te bereiken
nachstreben
adjective
1. gedrenkt in een vloeistof, meestal water
nass
noun
1. een groep mensen die zich door gemeenschappelijke taal, cultuur of politieke geschiedenis verbonden voelt
Nation
noun
Nationalstaat
adjective
1. op een volk met een eigen land betrekking hebbend
  1. national
  2. eigenvölkisch
  3. völkisch
noun
Nationalsozialismus
verb
  1. nationalisieren
  2. verstaatlichen
noun
1. voorliefde voor het vaderlandse
Nationalismus
noun
  1. Nationalist
  2. Nationalistin
noun
Nationalität
noun
Natrium
noun
  1. Feuchtigkeit
  2. Nässe
verb
einbürgern
noun
1.2.3. stroming in de literatuur aan het eind van de 19e eeuw, die de mens beschouwt als bepaald door milieu en erfelijkheid en leer die de natuur boven alles stelt
Naturalismus
noun
Naturismus
noun
  1. De aard van iets of iemand
    Beschaffenheit
  2. überhaupt
    Natur
noun
1. het beheer van natuur, deels gericht op het in balans houden ervan
  1. Landschaftsschutz
  2. Naturschutz
noun
fotografie van de natuur
Naturfotografie
noun
1. natuurhoorn
Naturhorn
/naˈtyrkʏndə/, /naˈtyːrkʏndə/
noun
1. subdiscipline binnen de natuurwetenschap die zich bezighoudt met de bestudering van materie en
Physik
noun
Physiker
adjective
1. uit de natuur afkomstig
natürlich
adverb
1. vanzelfsprekend
natürlich
noun
1. mens van vlees en bloed die kan deelnemen aan het rechtsverkeer
natürliche Person
adverb
1. op een natuurlijke manier
natürlicherweise
noun
Naturdenkmal
noun
1. een ongelukkige gebeurtenis die door de natuur veroorzaakt wordt
Naturkatastrophe
noun
2. in de natuurlijke orde van de dingen gefundeerd
Naturrecht
noun
1. een verticale vlakke constructie van natuursteen
Natursteinmauer
noun
1. een mannelijke persoon die natuurtekeningen vervaardigt
Naturzeichner
noun
Naturvolk
/na.ˈu.ru/, /naˈuru/, /ˈnaʊ̯.ru/
pronoun
1. een land in de Stille Oceaan
Nauru
/nɑuruˈwans/
pronoun
1. taal die door 6 000 mensen wordt gesproken in Nauru
Nauruisch
adjective
1. een geringe breedte hebbend
eng
adverb
1. slechts in geringe mate
kaum
adjective
1. met veel aandacht, op details lettend
genau
noun
1. de mate waarin men zaken tot in de puntjes behandelt
  1. Exaktheit
  2. Genauigkeit
  3. Präzision
  4. Akkuratesse
pronoun
1. taal die het zuidwesten van de Verenigde Staten wordt gesproken door 170 duizend Navajo's
Navajo
pronoun
Navarra
/'navəl/
noun
  1. Nabel
  2. Bauchnabel
noun
1. opeenhoping van wollig materiaal in iemands navel
Bauchnabelfussel
/ˈnavəlstrɛŋ/
noun
snoer dat de vrucht aan de moederkoek verbindt
Nabelschnur
noun
1. varkensachtig dier, met een kort gedrongen gestalte en korte kop
Nabelschwein
noun
Navigation
verb
1. ontbrekende informatie trachten te achterhalen
  1. erkundigen
  2. nachfragen
noun
1. iemand met een specifieke voorouder of specifieke voorouders
Nachkommen
verb
1. herhalen wat iemand anders al gezegd heeft, bevestigen wat iemand anders al gezegd heeft
nachsagen
/ˈnatsi/
noun
1. een aanhanger, lid van de Nationalsozialistische Deutsche Arbeiterpartei
Nazi
noun
1. interstellaire gas- en stofwolken die worden beschouwd als de geboorteplaats van de sterren
Nebel
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Neckargemünd
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Hessen
Neckarsteinach
pronoun
1.
Neckarsulm
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Neckarwestheim
noun
1. een biografie van een overleden persoon en/of een bespreking van diens werk
Nekrolog
noun
1. suikerrijke vloeistof die door veel planten wordt geproduceerd
Nektar
noun
2. een perzikachtige vrucht van boom Prunus persica var. nucipersica
Nektarine
pronoun
1. deelstaat van Oostenrijk
Niederösterreich
pronoun
1. een in Noord-Duitsland en Nederland gesproken West-Germaanse taal...
Niederdeutsch
adjective
1.
  1. niederdeutschsprachig
  2. plattdeutschsprachig
/ˈne.dər.ˌfrɑŋ.kis/
noun
1. de verzamelnaam voor een aantal West-Germaanse talen en taalvariëteiten die van het Oudnederfrankisch afstammen
Niederfränkisch
noun
1. het aannemen van een houding waarbij geen aanspraak gemaakt wordt op macht of eer
Demut
noun
1. het verlies van een strijd
Niederlage
/ˈnedərˌlɑnt/, /ˈneːdərˌlɑnd/, /ˈneːdərˌlɑnt/
pronoun
1. land in het westen van Europa, grenzend aan Duitsland en België, belangrijkste deel van het Koninkrijk der Nederlanden
  1. Niederlande
  2. Holland
/ˈne.dər.ˌlɑn.dər/
noun
1. inwoner van Nederland of persoon die de Nederlandse nationaliteit bezit
Niederländer
/ˈne.dər.ˌlɑnds/, /ˈne.dər.ˌlɑnts/
adjective
1. met betrekking tot Nederland of de Nederlandse taal
  1. niederländisch
  2. holländisch
/ˈne.dər.ˌlɑnds/, /ˈne.dər.ˌlɑnts/
pronoun
1. een West-Germaanse taal die als officiële taal gesproken wordt in Nederland, Vlaanderen, Suriname en op de Nederlandse Antillen
  1. Niederländisch
  2. Holländisch
/ˈne.dər.ˌlɑn.tsə/, /ˈne.dər.ˌlɑnd.sə/
noun
1. vrouwelijke inwoner van Nederland, vrouw uit Nederland
Niederländerin
/ˌne.dər.lɑnt.sə.ɑn.ˈtɪ.lə(n)/, /ˌneː.dər.lɑnt.sə̯an.ˈtɪ.lə(n)/
pronoun
1. voormalig land binnen het Koninkrijk der Nederlanden
Niederländische Antillen
noun
1. gebarentaal gebruikt door de dovengemeenschap van Nederland
Niederländische Gebärdensprache
pronoun
Niedersachsen
pronoun
1. een in Noord-Duitsland en Nederland gesproken West-Germaanse taal zonder Hoogduitse klankverschuiving
  1. Niederdeutsch
  2. Plattdeutsch
pronoun
1. een West-Slavische taal die in het gebied Neder-Lausitz in het oosten van Duitsland gesproken wordt
Niedersorbisch
noun
1. een vestiging, een bewoonde plaats
  1. Ansiedlung
  2. Siedlung
/neː/
interjection
1. ontkenning
  1. nein
  2. nee
  3. nö
  4. na
noun
  1. 2. kozijn
    1. Cousin
    2. Vetter
  2. 1. mannelijke oomzegger
    Neffe
/nen/
interjection
nee
nein
verb
1. slordig schrijven
kritzeln
noun
1. de wetenschap die de Nederlandse taal- en letterkunde bestudeert
  1. Nederlandistik
  2. Niederlandistik
verb
1. laten zakken
niederholen
noun
  1. 2. bezinksel
    Ablagerung
  2. 1. hemelwater
    Niederschlag
/ˈnerslɑχˌmetər/
noun
1. een toestel dat de hoeveelheid gevallen neerslag meet
Niederschlagsmesser
verb
1. het vliegvermogen verliezen en onzacht op de aarde terugvallen
abstürzen
/ˈnerstromə(n)/
verb
1. naar lager gelegen plaatsen vloeien
herabströmen
verb
1. iets op een lagere plek plaatsen
hinstellen
noun
Nephrologie
noun
1.
Nephrologe
noun
1. het ontkennen
Leuchnung
adjective
1. ontkennend, afwijzend
negativ
noun
1. een in het kader van een fotografisch procédé ontwikkelde plaat of film met een lichtgevoelige laag, waarop de lichtwaarden omgekeerd zijn t.o.v. de werkelijkheid
  1. Negativ
  2. negativ
/ˈne.ɣə(n)/, /ˈne.χə(n)/
cardinalNumeral
1. het getal 9
neun
/ˈne.ɣən.də/, /ˈne.χən.də/
ordinalAdjective
1. nummer negen in een rij
neunte
cardinalNumeral
1. het getal 39
neununddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 99
neunundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 89
neunundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 29
neunundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 49
neunundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 59
neunundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 69
neunundsechzig
/ˈneɣənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 79
neunundsiebzig
noun
Neineck
/ˈne.ɣə(n).ˌhɔn.dərd/, /ˈne.ɣə(n).ˌɦɔn.dərt/, /ˈne.χə(n).ˌɦɔn.dərt/
cardinalNumeral
1. het getal 900
neunhundert
cardinalNumeral
1. het getal 908
neunhundertacht
cardinalNumeral
1. het getal 938
neunhundertachtunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 998
neunhundertachtundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 988
neunhundertachtundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 928
neunhundertachtundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 948
neunhundertachtundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 958
neunhundertachtundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 968
neunhundertachtundsechzig
/ˌneɣənˌhɔndərtˈɑxtənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 978
neunhundertachtundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 918
neunhundertachtzehn
cardinalNumeral
1. het getal 913
neunhundertdreizehn
cardinalNumeral
1. het getal 930
neunhundertdreißig
cardinalNumeral
1. het getal 903
neunhundertdrei
cardinalNumeral
1. het getal 933
neunhundertdreiunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 993
neunhundertdreiundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 983
neunhundertdreiundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 923
neunhundertdreiundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 943
neunhundertdreiundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 953
neunhundertdreiundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 963
neunhundertdreiundsechzig
/ˌneɣənˌhɔndərˈdrijənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 973
neunhundertdreiundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 901
neunhunderteins
cardinalNumeral
1. het getal 931
neunhunderteinunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 991
neunhunderteinundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 981
neunhunderteinundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 921
neunhunderteinundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 941
neunhunderteinundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 951
neunhunderteinundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 961
neunhunderteinundsechzig
/ˌneɣənˌhɔndərtˈenənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 971
neunhunderteinundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 911
neunhundertelf
cardinalNumeral
1. het getal 909
neunhundertneun
cardinalNumeral
1. het getal 939
neunhundertneununddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 999
neunhundertneunundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 989
neunhundertneunundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 929
neunhundertneunundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 949
neunhundertneunundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 959
neunhundertneunundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 969
neunhundertneunundsechzig
/ˌneɣənˌhɔndərtˈneɣənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 979
neunhundertneunundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 919
neunhundertneunzehn
cardinalNumeral
1. het getal 990
neunhundertneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 980
neunhundertachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 910
neunhundertzehn
cardinalNumeral
1. het getal 912
neunhundertzwölf
cardinalNumeral
1. het getal 902
neunhundertzwei
cardinalNumeral
1. het getal 932
neunhundertzweiunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 992
neunhundertzweiundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 982
neunhundertzweiundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 922
neunhundertzweiundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 942
neunhundertzweiundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 952
neunhundertzweiundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 962
neunhundertzweiundsechzig
/ˌneɣənˌhɔndərˈtwejənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 972
neunhundertzweiundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 920
neunhundertzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 914
neunhundertvierzehn
cardinalNumeral
1. het getal 940
neunhundertvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 904
neunhundertvier
cardinalNumeral
1. het getal 934
neunhundertvierunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 994
neunhundertvierundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 984
neunhundertvierundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 924
neunhundertvierundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 944
neunhundertvierundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 954
neunhundertvierundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 964
neunhundertvierundsechzig
/ˌneɣənˌhɔndərtˈfirənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 974
neunhundertvierundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 905
neunhundertfünf
cardinalNumeral
1. het getal 935
neunhundertfünfunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 995
neunhundertfünfundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 985
neunhundertfünfundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 925
neunhundertfünfundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 945
neunhundertfünfundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 955
neunhundertfünfundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 965
neunhundertfünfundsechzig
/ˌneɣənˌhɔndərtˈfɛifənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 975
neunhundertfünfundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 915
neunhundertfünfzehn
cardinalNumeral
1. het getal 950
neunhundertfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 906
neunhundertsechs
cardinalNumeral
1. het getal 936
neunhundertsechsunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 996
neunhundertsechsundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 986
neunhundertsechsundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 926
neunhundertsechsundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 946
neunhundertsechsundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 956
neunhundertsechsundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 966
neunhundertsechsundsechzig
/ˌneɣənˌhɔndərtˈsɛsənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 976
neunhundertsechsundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 916
neunhundertsechzehn
cardinalNumeral
1. het getal 960
neunhundertsechzig
/ˌneɣənˌhɔndərtˈsøvən/
cardinalNumeral
1. het getal 907
neunhundertsieben
/ˌneɣənˌhɔndərtˈsøvənənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 937
neunhundertsiebenunddreißig
/ˌneɣə(n)ˌhɔndərtˈsøvənəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 997
neunhundertsiebenundneunzig
/ˌneɣənˌhɔndərtˈsøvənənˌtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 987
neunhundertsiebenundachtzig
/ˌneɣənˌhɔndərtˈsøvənənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 927
neunhundertsiebenundzwanzig
/ˌneɣənˌhɔndərtˈsøvənəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 947
neunhundertsiebenundvierzig
/ˌneɣənˌhɔndərtˈsøvənəɱˌvɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 957
neunhundertsiebenundfünfzig
/ˌneɣənˌhɔndərtˈsøvənənˌsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 967
neunhundertsiebenundsechzig
/ˌneɣənˌhɔndərtˈsøvənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 977
neunhundertsiebenundsiebzig
/ˌneɣənˌhɔndərtˈsøvənˌtin/
cardinalNumeral
1. het getal 917
neunhundertsiebzehn
/ˌneɣənˌhɔndərtˈsøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 970
neunhundertsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 19
neunzehn
/ˈne.ɣə(n).təx/, /ˈne.ɣə(n).tɪx/, /ˈne.χə(n).təχ/
cardinalNumeral
1. het getal 90
neunzig
noun
1. iemand met voorouders uit Afrika bezuiden de Sahara met lichamelijke kenmerken daarvan
Neger
verb
1. doen alsof iemand of iets niet bestaat
  1. ignorieren
  2. negieren
pronoun
1. taal gesproken door 6 000 000 mensen
Negerholländisch
noun
1. vrouw met een donkere huidskleur en vaak zwart kroeshaar wier voorouders afkomstig zijn uit Afrika bezuiden de Sahara
Negerin
noun
1. lekkernij, bestaande uit een rond wafeltje, een bolletje schuim (van suiker en ei) en een overkapping van chocolade
Negerkuss
noun
1. een afgelegen gehucht
  1. Kaff
  2. Kuhdorf
  3. Kuhkaff
  4. Nest
  5. Provinznest
pronoun
Nehemia
/nɛk/
noun
1. achterste gedeelte van de hals
  1. Nacken
  2. Genick
noun
1. (anatomie) een wervel van het cervicale deel van de wervelkolom
  1. Halswirbel
  2. Nackenwirbel
/ˈne.mə(n)/
verb
  1. intrek nemen
    einziehen
  2. 1. iets vastpakken met de handen
    1. nehmen
    2. greifen
  3. op de schop nemen
    völlig umgestalten
noun
Neodym
/ˌne.jo.lo.ˈχɪs.mə/, /ˌne.jo.loː.ˈɣɪz.mə/
noun
1. een woord dat nieuw is of nieuw gevormd is
Neologismus
noun
1. een chemisch element en een kleurloos edelgas
Neon
noun
Neonazismus
noun
1. licht afkomstig van een neonlamp
Neonlicht
noun
1. nieuwvorming
Neoplasie
noun
Neoplasma
noun
Neoplasma
adjective
1. onecht, vals
  1. unecht
  2. falsch
/ˈnepɑɫ/, /ˈneːpɑl/
pronoun
1. een land in Azië, gelegen in de Himalaya tussen India en China (Tibet)
Nepal
pronoun
1. een taal die vooral in Nepal gesproken wordt
Nepalesisch
/nepo'tɨzmə/
noun
1.
Nepotismus
noun
1. Chemisch element
Neptunium
pronoun
Neptun
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Neresheim
adverb
  1. nirgends
  2. nirgendwo
adverb
1. lijdend aan gespannen zenuwen
nervös
/nɛst/
noun
1. de verblijfplaats van een dier
Nest
noun
1. Bij nestblijvers zijn de jongen bij de geboorte nog niet ver genoeg ontwikkeld en moeten langere tijd in hetzelfde nest of hol doorbrengen
Nesthocker
/ˈnɛstələ(n)/
verb
1. het bouwen van een nest en het grootbrengen van jongen erin, gewoonlijk van vogels
nisten
noun
1. een vetergat, vaak voorzien van een ringetje tegen het uitscheuren
Öse
noun
1. een ringetje dat in een vetergat is aangebracht om het tegen uitscheuren te beschermen
Öse
noun
Nestor
/nɛst'flidənt/
adjective
1. jongen hebbend die nestvlieders zijn
nestflüchtend
/'nɛstflidər/
noun
1. een diersoort, meestal een vogel, waarvan de jongen slechts korte tijd op het nest blijven
Nestflüchter
adverb
  1. 2. juist
    1. eben
    2. genau
  2. 1. kort geleden
    1. eben
    2. gerade
    3. soeben
pronoun
1.
Netanja
noun
een drop die wordt beantwoord met een drop
  1. Drop am Netz
  2. Netzdrop
noun
1. plant
Nessel
noun
Nesseltier
/ˈnɛcəs/
adjective
1. net, schoon
  1. ordentlich
  2. sauber
/ˈnɛcəs/
adverb
1. op een nette manier
  1. ordentlich
  2. sauber
noun
1. managen van netwerken
netzwerkmanagement
noun
1. onderdeel van de grafentheorie dat zich richt op de studie van grafen als vertegenwoordigers van de samenhang binnen de te onderzoeken netwerken
Netzwerkforschung
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Hessen
Neu-Isenburg
pronoun
  1. 1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
  2. 2. een district in de Duitse deelstaat Beieren
Neu-Ulm
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Rijnland-Palts
Neuerburg
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Neuffen
/ˈnøːk.bar/
adjective
fickbar
verb
1. geslachtsgemeenschap hebben met
  1. ficken
  2. bumsen
  3. vögeln
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Neukirchen-Vluyn
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Sleeswijk-Holstein
Neumünster
pronoun
1. een gemeente in het Zwitser kanton Schaffhausen
Neunkirch
noun
1. de studie van alles wat met de ontwikkeling en werking van het zenuwstelsels te maken heeft.
Neurobiologie
noun
1. de chemische processen in zenuwstelsels
Neurochemie
noun
1. het ontstaan van nieuwe zenuwcellen in levende organismen, dat zowel voor als na de geboorte plaatsvindt
Neurogenese
noun
1. een discipline binnen de biologie en geneeskunde die zich bezighoudt met alles wat aandoeningen van het centrale zenuwstelsel betreft
  1. Neurologie
  2. Nervenkunde
noun
Neurologe
noun
een zeer belangrijke cel in het zenuwstelsel
  1. Neuron
  2. Nervenzelle
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Brandenburg
Neuruppin
/nøʏs/, /nøːs/
noun
1. een orgaan dat gebruikt wordt bij de ademhaling en om te ruiken
Nase
noun
1. dokter die zich gespecialiseerd heeft in ziekten van organen binnen het hoofd die direct contact met de buitenlucht hebben
Hals-Nasen-Ohren-Arzt
noun
1. een van de beenderen van de schedel
Nasenbein
noun
1. bepaald soort zoogdier, Nasua nasua
Nasenbär
noun
  1. Nasenloch
  2. Nüster
noun
1. het eerste stuk van het luchtwegstelsel waar de ingeademde lucht doorheen gaat
Nasenhöhle
noun
1. een groot en zwaar zoogdier uit de familie van de Rhinocerotidae dat in Afrika en Azië leeft...
  1. Nashorn
  2. Rhinozeros
pronoun
1.
Neusiedler See
/ˈnøsklɑŋk/
noun
1. een medeklinker die geproduceerd wordt met een gedeeltelijke obstructie ergens in het spraakkanaal
  1. Nasal
  2. Nasallaut
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Neuss
noun
neusvleugel
Nasenflügel
/nøˈtral/
adjective
    1. 2. natuurkunde: noch een positieve noch een negatieve lading dragend
    2. 4. scheikunde: noch zuur noch alkaline
    neutral
  1. 1. geen partij kiezend in een conflict
    1. neutral
    2. nullleiter
noun
1. een onpartijdige houding aanhouden ten opzichte van twee partijen met een geschil
Neutralität
noun
1. een officiële verklaring van een neutrale houding
Neutralitätserklärung
noun
Neutron
verb
  1. 2. onduidelijk nasaal praten
    nuscheln
  2. 3. over zinloze dingen praten
    quatschen
  3. 1. snuffelen
    schnüffeln
noun
2. wolken in de nabijheid van de grond, ontstaan door plaatselijke oorzaken zoals door afkoeling of door menging van koude met warme vochtige lucht
  1. Nebel
  2. Dunst
  3. Nebelschleier
noun
1. bepaald soort zoogdier, Neofelis nebulosa
Nebelparder
noun
Nebelwald
noun
  1. Begleitschaden
  2. Kollateralschaden
  3. Nebenschaden
noun
1. afgeleide toon
Nebenton
/nuˈjɔːrk/
pronoun
1. deelstaat van de Verenigde Staten
New York
pronoun
Newari
pronoun
1.
Neufundland
/ngoˈla/
pronoun
1. een Creoolse taal die in Sao Tomé en Principe door enkele duizenden bewoners wordt gesproken
Angolar
noun
1. een van de voor de mens noodzakelijke vitaminen, een wateroplosbaar microvoedingsmiddel dat van belang is voor de menselijke gezondheid
  1. Niacin
  2. Nikotinsäure
noun
Nibelungenlied
/ˌni.ka.ˈra.gβ̞a/, /ˌni.ka.ˈra.ɣuwa/, /ˌni.kɑ.ˈra.gʋa/
pronoun
1. een staat in Midden-Amerika, tussen Honduras en Costa Rica
  1. Nicaragua
  2. Nikaragua
noun
  1. 3. dochter van iemands oom of tante
    1. Cousine
    2. Base
  2. 1. dochter van iemands broer of zus
    Nichte
  3. 4. mannelijke homoseksueel
    1. Schwuler
    2. Tunte
    3. Tucke
noun
1. Zweeds volksinstrument
  1. Nyckelharpa
  2. Schlüsselfidel
pronoun
2. spelwoord voor de letter n
Nordpol
noun
1. een van de voor de mens noodzakelijke vitaminen...
Nicotinsäure
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Niedernhall
indefinitePronoun
1. geen enkel persoon
  1. niemand
  2. keiner
noun
1. een van beide organen in de onderrug die het bloed zuiveren van afvalstoffen en deze uitscheiden in de urine.
Niere
noun
1. een samengroeisel in het nierbekken dat meestal uit urinezuur en urinezure zouten bestaat
Nierenstein
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Rijnland-Palts
Nierstein
noun
1. glibberige stof, gewonnen uit het weefsel rond de beide organen die bij zoogdieren het bloed zuiveren
Flomenschmalz
verb
1.
niesen
adverb
1. ontkenning, tegenovergestelde van 'wel'
  1. nicht
  2. kein
noun
1. klein, vaak beugelvormig, metalen voorwerp met twee spitse uiteinden
Heftklammer
noun
Nichtmetall
noun
1.
Nichtraucher
noun
1.
Nichtwähler
noun
1. een apparaat dat nietjes in een stapeltje papieren kan slaan om deze bij elkaar te houden
Hefter
/nitəx/
adjective
  1. 2. ongeldig
    ungültig
  2. 1. verwaarloosbaar klein
    unscheinbar
noun
1. klein, vaak beugelvormig, metalen voorwerp met twee spitse uiteinden
Heftklammer
noun
1. apparaat dat nietjes in een stapeltje papieren kan slaan om deze bij elkaar te houden
  1. Tacker
  2. Heftmaschine
indefinitePronoun
1. geen enkel ding, geen enkele zaak
nichts
noun
1. ledigheid
  1. Müßiggang
  2. Nichtstun
noun
1. iemand die voor niets deugt
  1. Nichtsnutz
  2. Taugenichts
adverb
  1. trotzdem
  2. dennoch
/ˈnitʋar/
interjection
oder
/niβ̞/, /nyʊ̯/
adjective
  1. 1. recentelijk gemaakt
  2. woorden die in een of meer van de bovenstaande categorieën horen, maar waarvan niet bekend is in welke (voel u vrij deze woorden in de juiste categorie in te voegen)
  3. 4. onderscheidt nieuwere namen van oudere
  4. 7. recentelijk aangekomen of opgedoken
  5. 5. in originele staat
  6. 2. recentelijk ontdekt
  7. 3. huidige
  8. 6. vreemd, onbekend
neu
/niβ̞.ˈze.lɑnt/, /nyʊ̯.ˈze.lɑnd/
pronoun
1. een land in het zuidwesten van de Grote Oceaan, gelegen naast Australië
Neuseeland
noun
1. nieuwe maan
Neumond
pronoun
1. samenstelling van Bijbelboeken
Neues Testament
noun
1. feestdag ter gelegenheid van het begin van een nieuw jaar van de gebruikte kalender
Neujahr
noun
1.
Neujahrstauch
noun
1. een feest dat gevierd wordt vanwege het begin van het nieuwe jaar
Neujahrsfest
/niwˈjarskart/
noun
1. een kaart die verstuurd wordt voor Nieuwjaar met nieuwjaarswensen
Neujahrskarte
noun
1.
Neujahrslied
noun
1. uiting waarmee men elkaar traditioneel het beste wenst voor het nieuwe jaar
Neujahrswunsch
pronoun
1. De rechtstreekse opvolger van het Middelnederlands, de Nederlandse taal zoals die vanaf ca. 1500...
Neuniederländisch
/niu̯s/
noun
  1. 1. actuele ontwikkelingen
    1. Nachricht
    2. Nachrichten
  2. 2. een uitzending in de media waarin berichten over actuele ontwikkelingen worden verspreid aan het publiek
    Tagesschau
noun
1.een regelmatige publicatie
Rundschreiben
/ˈniu̯sˌɣirəx/
adjective
1. verlangend om iets te weten of waar te nemen
neugierig
adverb
1. nergens
  1. nirgends
  2. nirgendwo
verb
1. plotselinge, krachtige uitademing om de neus te reinigen van prikkelende stoffen
niesen
/'ni.ɣər/, /'ni.χər/
pronoun
  1. 1. land in West-Afrika
  2. 2. een rivier in West-Afrika
Niger
/ni.'ɣeː.ri.ja/, /ni.'χɪː.ri.ja/
pronoun
1. een land in West-Afrika
Nigeria
/nɛɪt/
noun
1. grondige afkeer
Neid
noun
1. buiging als beleefde groet
Verbeugung
noun
1. groot en zwaar in Afrika levend zoogdier, Hippopotamus amphibius
  1. Nilpferd
  2. Flusspferd
pronoun
  1. Nijmegen
  2. Nimwegen
verb
  1. drängen
  2. drücken
  3. zwängen
adjective
  1. 2. dringend
    dringend
  2. 1. ernstig
    ernsthaft
noun
Niqab
noun
1. Chemisch element
Nickel
noun
Taugenichts
noun
3. wolk
Nimbus
noun
  1. 1. wezen dat rivieren, bossen enz. bewoont
  2. 4. insect in de tweede toestand van gedaanteverwisseling
  3. 2. bekoorlijk meisje
Nymphe
adverb
1. op geen enkel moment
nie
/niˈjobijʏm/
noun
1. Chemisch element
Niob
noun
2. een hol koppelstukje
Nippel
verb
1. met kleine slokjes drinken
nippen
/nɪs/
noun
1. een inham in een muur
Nische
noun
1. een verbinding van stikstof waarin dit element in de oxidatietoestand -3 optreedt
Nitride
noun
1. een zout dat het ion NO₂− bevat
Nitrite
noun
vloeibare springstof
Nitroglyzerin
pronoun
Niue
/ˈnivoˌmetər/
noun
1. een toestel dat de hoeveelheid gevallen sneeuw (d.i. vaste neerslag) meet
Schneemesser
/nəʊflaiˈzɔ:nə/
noun
1. een gebied waar een vliegverbod heerst
Flugverbotszone
noun
1. scheikundig element
Nobelium
noun
1. een jaarlijkse geldprijs voor wetenschappers en anderen die een opmerkelijke prestatie hebben geleverd
Nobelpreis
adverb
1. luidt een zin in die een onverwachte tegenstelling uitdrukt
  1. dennoch
  2. nichtsdestoweniger
  3. trotzdem
/'no.dəx/
adjective
1. waar behoefte aan is
  1. erforderlich
  2. notwendig
  3. nötig
verb
  1. 1. met een naam aanduiden
  2. 2. vermelden door het uitspreken van de naam
nennen
noun
1. het getal onder de streep van een breuk
Nenner
/'nɔ.ɣɑl/
adverb
1. tamelijk, in aanzienlijke mate
ziemlich
adverb
nochmal
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Saarland
Nohfelden
noun
3. uitstulpingen aan as
Nocken
noun
1. as met nokken
Nockenwelle
noun
Nomenklatur
noun
1. een eerste van de 8 naamvallen van de Indo-Europese talen
Nominativ
/nɔn/
noun
inwoonster van een vrouwenklooster
Nonne
adjective
  1. nichtbinär
  2. zwischengeschlechtlich
  3. diversgeschlechtlich
  4. abinär
noun
1. C₉H20
Nonan
adjective
1. achteloos, onbekommerd
  1. lässig
  2. nonchalant
noun
1.
None
noun
1. nonius
Nonius
/ˈnɔŋkəɫ/
noun
1. broer of zwager van iemands vader of moeder
Onkel
noun
2. soort eend, Mergellus albellus
Zwergsäger
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Saarland
Nonnweiler
noun
  1. Unsinn
  2. Nonsens
  3. Blödsinn
  4. Quatsch
noun
  1. 2.
  2. 1.
Not
noun
Notaggregat
noun
Notfall
noun
1. een opvallend gekleurde hamer met een scherpe punt voor het in noodsituaties inslaan van ruiten die voorzien zijn van veiligheidsglas
Nothammer
noun
1. datgene wat het toeval iemand doet overkomen
Schicksal
noun
1. een installatie die zorgt voor de stroomvoorziening als de normale stroomvoorziening uitvalt
Notstromversorgung
noun
Ausnahmezustand
noun
  1. 1. zeer slecht weer
    Unwetter
  2. 1. noodzakelijke verdediging van zichzelf of iemand anders, diens eerbaarheid of bezittingen
    Notwehr
/ˈnotzak/
noun
1. iets moeten hebben voor vaak praktische of medische redenen
Notwendigkeit
adjective
1. erg nodig
  1. erforderlich
  2. notwendig
  3. nötig
/ˈnoːit/
adverb
1. op geen enkel moment
  1. nie
  2. niemals
/noːr/, /no̝ːr/
noun
1. een inwoner van Noorwegen
Norweger
/ˈnoːrd/, /ˈnoːrt/, /ˈno̝ːrt/
adverb
Nord
/nɔːrt ˈafrɪkɑ/, /nɔːrt ˈɑfrɪkɑ/
pronoun
gedeelte van het Afrikaanse continent ten noorden van de Sahara
Nordafrika
pronoun
het continent dat ten noorden van [[Zuid-Amerika]] ligt, tussen de Grote, Arctische en de Atlantische Oceaan
Nordamerika
/noːrd.ˈbra.bɑnt/, /no̝ːrd.ˈbra.bɑnt/, /ˌnoːrd.bra.bɑnd/
pronoun
1. een provincie in het zuiden van Nederland, die aan Gelderland, Limburg, Zeeland, Zuid-Holland en België grenst
Nordbrabant
pronoun
het noordelijk deel van Europa
Nordeuropa
/noːrt.ˈɦɔ.lɑnt/, /no̝ːr.ˈtɔ.lɑnt/, /ˈnoːrd.hɔ.lɑnd/
pronoun
1. een provincie in het noordwesten van Nederland, ...
Nordholland
/ˌnoːrt koˈre.ja/, /ˌno̝ːrt koˈre.ja/
pronoun
1. een land in Oost-Azië, officieel de Democratische Volksrepubliek Korea
  1. Nordkorea
  2. Demokratische Volksrepublik Korea
pronoun
1.
Nordmazedonien
pronoun
  1. Kaiser-Wilhelm-Kanal
  2. Nord-Ostsee-Kanal
pronoun
Nordrhein-Westfalen
pronoun
Nordtirol
noun
1. windrichting
Norden
noun
1. degene die men ter noorderzijde als buur heeft
nördliche Nachbar
noun
1.
Nordlicht
pronoun
1. wordt beschouwd als het noordelijkste punt van het Europese vasteland
Nordkap
/ˈnoːrtkrɔmp/
noun
1. bepaalde soort in zee levend schelpdier, Arctica islandica
Islandmuschel
adverb
Nordnordost
adverb
Nordnordwest
adverb
Nordost
pronoun
1. Noordpool
Nordpol
noun
1,2,3. noordpool
Nordpol
pronoun
1. een vorm van skisport waarbij de twee onderdelen van het Noords skiën, schansspringen en langlaufen, gecombineerd worden
Nordische Kombination
noun
1. grote gestroomlijnde vinvis met brede platte U-vormige snuit, Balaenoptera borealis
Seiwal
adverb
Nordwest
/ˈnoːrdzeː/, /ˈnoːrtseː/, /ˈno̝ːrtse/
pronoun
1. zee tussen Groot-Brittannië, Noorwegen, Denemarken, Duitsland, Nederland en België
Nordsee
/noːrs/, /no̝ːrs/
adjective
1. betreffende Noorwegen en/of het Noors
  1. norwegisch
  2. Norwegisch
/noːrs/, /no̝ːrs/
pronoun
1. de taal die wordt gesproken in Noorwegen
  1. Norwegisch
  2. norwegisch
/ˈnoːrˌweɣə(n)/, /ˈnoːrˌβ̞eɣə(n)/, /ˈno̝ːrˌʋeχə(n)/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa
Norwegen
/noːt/
noun
  1. 3. (muziek) een geluid van zekere tijdsduur
    1. Note
    2. nota
  2. 1. (kookkunst) eetbaar, oliehoudend zaad, kern of pit met harde dop
    Nuss
  3. 2. (plantkunde) boomvrucht met verhoute vruchtwand
    Nussfrucht
noun
  1. 2. gepeld zaad van de nootmuskaatboom Myristica fragrans
    Muskat
  2. 1. en 2. (gepeld) zaad van de nootmuskaatboom Myristica fragrans
    Muskatnuss
indefinitePronoun
1. (informeel) niets of nul
nix
noun
1. gevangenis
Knast
pronoun
1.
Norderney
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Sleeswijk-Holstein
Norderstedt
noun
1. sport waarbij gelopen wordt met aangepaste skistokken
Nordic Walking
verb
1. wandelen met gebruik van stokken zoals bij het langlaufen
nordicwalken
noun
Norm
/nɔrˈmaɫ/
adjective
  1. 1. gangbaar, gewoon
    1. gewohnt
    2. regulär
    3. üblich
  2. 2. als norm dienend
    normal
noun
Normalität
adverb
1. in het normale geval
normalerweise
/nɔrˈmɑndɪə/
pronoun
1. streek in het noorden van Frankrijk
Normandie
adjective
1. onvriendelijk en zwijgzaam, kortaf
missmutig
noun
Nostalgie
noun
1. jurist die bevoegd is om authentieke akten op te maken
  1. Notar
  2. Notarin
noun
1. set van vijf lijnen
Notenlinien
noun
1. een boomsoort uit het geslacht Juglans
  1. Nussbaum
  2. Walnussbaum
adjective
  1. Nussbraun
  2. nussbraun
noun
Nussknacker
noun
1. muzieknotatiesysteem
Notenschrift
verb
1. aantekeningen maken
notieren
noun
1. benul, bewustzijn
  1. Ahnung
  2. Idee
noun
1. aantekenboekje met afscheurbare blaadjes
Notizblock
noun
1. een verslag van een bijeenkomst
Protokoll
noun
Protokollführer
adverb
1. op dit moment
jetzt
interjection
1. drukt verbazing of verontwaardiging uit
  1. na ja
  2. nun
  3. nun ja
/nʌu ˈɛn/
interjection
1. uitdrukking van onverschilligheid
na und
noun
1. schuldvernieuwing
  1. Neuerungsvertrag
  2. Novation
noun
1. de elfde maand van het jaar
  1. November
  2. Nebelung
pronoun
Novemberrevolution
noun
1. een groepje met een ongewoon aantal van negen muzieknoten of rusten
Novemole
noun
1. een groepje met een ongewoon aantal van negen muzieknoten of rusten
Novemole
noun
Novität
adverb
1. op het huidige tijdstip
  1. jetzt
  2. nun
adverb
1. op onregelmatige tijden
ab und zu
noun
1. een minimaal verschil
  1. Abstufung
  2. Nuance
verb
1. een klein verschil duidelijk laten uitkomen
  1. differenzieren
  2. nuancieren
/nɵxtər/
adjective
1. niet onder de invloed van iets bedwelmends, vooral alcohol
nüchtern
/nykleʏs/
noun
1.
Zellkern
/ˈnykleəsˌsypraxiɑsˈmatikəs/, /ˈnykleəsˌsypraχiɑsˈmatikəs/
noun
1. een groep gespecialiseerde neuronen in de hypothalamus die het ritme van de biologische klok in zoogdieren regelt
  1. Nucleus suprachiasmaticus
  2. SCN
  3. Suprachiasmatischer Nucleus
noun
1.
Nudismus
/nɵl/
cardinalNumeral
1. getal
  1. null
  2. Null
noun
Nullpunkt
/ˈnumeɾi/
pronoun
Numeri
noun
1. de munt- en penningkunde
Numismatik
/ˈnʏmər/
abbreviation
1. een aanduiding met een getal
Nummer
noun
1. een op een voertuig aangebracht teken met een registratienummer
Kenzeichenschild
noun
1. metalen of kunststoffen plaat aangbracht op een voertuig met het kenteken ervan
Kennzeichenschild
noun
1. een geïsoleerde bergtop, -rand of -piek in een gebied met permanente ijsbedekking, die vrij is van sneeuw en ijs.
Nunatak
noun
1.
Nuntius
/nʏt/
noun
1. baat, voordeel
Nutzen
adjective
nützlich
phraseologicalUnit
1.
Nadelarbeit
/'nɵtəɣə(n)/
verb
1. voedsel gebruiken
  1. konsumieren
  2. verzehren
pronoun
1.
Nuuk
noun
1. een verhoogde urinelozing in de nacht
Nykturie
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Nördlingen
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Nümbrecht
noun
2. afwijking van de normale stand van de benen, waarbij de knieën naar buiten staan
O-Beine
noun
1. onvoltooid verleden tijd
Präteritum
/o'azə/
noun
1. plek in een woestijn waar water voorhanden is en vegetatie groeit.
Oase
/oˈbɑtja/
pronoun
2. boek in de Bijbel
Obadja
noun
Obedienz
noun
1. een bediende in een restaurant of café
  1. Ober
  2. Kellner
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Oberammergau
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Oberderdingen
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Oberkirch
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Oberkochen
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Oberstdorf
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Hessen
Oberursel
/ˈɔpjɛkt/
noun
1. voorwerp
Objekt
adjective
2. onpartijdig, volgens de feiten, neutraal
objektiv
noun
1. lens
Objektiv
noun
  1. 2. avondmaalsbrood
    Abendmahlsbrot
  2. 1. hostie, ouwel
    1. Hostie
    2. Oblate
noun
  1. 2. avondmaalsbrood
    Abendmahlsbrot
  2. 1. hostie, ouwel
    1. Hostie
    2. Oblate
noun
Obskurität
verb
1. in buitensporige, ziekelijke mate boeien
besessen sein
noun
1. iemand die observeert, een observator, waarnemer
Beobachter
noun
1. (beroep) iemand die observeert (waarnemingen doet)
Beobachter
verb
1.gericht via de zintuigen van iets kennis nemen
  1. beobachten
  2. observieren
noun
1.
Hindernis
noun
1. (muziekinstrument) een fluit die veelal gemaakt wordt van gebakken klei
Okarina
adjective
1. nu en dan voorkomend
gelegentlich
pronoun
1. een taal die in het zuiden van Frankrijk gesproken wordt
Okzitanisch
noun
1. een zeer grote zee tussen verschillende werelddelen
Ozean
adjective
  1. Ozeanblau
  2. ozeanblau
/oseˈjani.jə/, /oseˈjaːni.jə/
pronoun
1. de collectieve naam voor een groot aantal eilanden in de Stille Oceaan...
  1. Ozeanien
  2. Austronesien
noun
1. bepaald soort zoogdier, Leopardus pardalis
Ozelot
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Ochsenfurt
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Ochsenhausen
noun
1. eerste deel van de dag, tussen ca. 6.00 en 12.00 uur
  1. Morgen
  2. Vormittag
/ˈɔxtəntɑˈpɛɫ/
noun
1. tijdstip vroeg in de morgen waarop alle leden van een groep bijeengeroepen worden om hun aanwezigheid te bewijzen
Morgenappell
/ˈɔxtəntbørt/
noun
  1. 3. voeding van vee of andere dieren in de vroege morgen
    Morgenfütterung
  2. 1. een preek in de morgen als taak van een bepaalde prediger
    Morgenpredigt
  3. 4. seks in de morgen
    Morgensex
  4. 2. voeding in de vroege morgen
    Stillen
/ˈɔxtəntblɑt/
noun
1. een krant die 's morgens vroeg wordt bezorgd
  1. Morgenzeitung
  2. Morgenblatt
/ˈɔxtəntbʏləˈtə̃/
noun
  1. 2. een nieuwsuitzending 's morgens
    1. Morgenjournal
    2. Morgennachrichten
  2. 1. een kort dagbericht dat in de morgen uitgegeven wordt
    1. Tagesbericht
    2. Tagesbulletin
/ˈɔxtəntfilə/
noun
1. een verkeersopstopping in de vroege morgen
Verkehrsstau
/ˈɔxtəntxəˈbɛt/
noun
1. het eerste gebed na het ontwaken of na het opstaan
Morgengebet
/ˈɔxtəntkrɑnt/
noun
1. een blad dat 's morgens vroeg wordt bezorgd
Morgenzeitung
verb
1. de eerste maaltijd van de dag nuttigen
frühstücken
noun
1. een persoon die meestal vroeg opstaat en zich `s morgens het meest fit voelt en reeds vroeg actief is
  1. Frühaufsteher
  2. Morgenmensch
/ˈɔxtəntmɪst/
noun
1. een weersverschijnsel vroeg in de morgen waarbij kleine waterdruppeltjes in de lucht zweven, wat de zicht merkbaar beperkt
  1. Frühnebel
  2. Morgennebel
/ˈɔxtəntnevəl/
noun
1. een weersverschijnsel vroeg in de morgen waarbij kleine waterdruppeltjes of andere stofdeeltjes in de lucht zweven, wat het vergezicht beperkt
  1. Frühdunst
  2. Morgendunst
/ˈɔxtəntzɔn/
noun
1. zonneschijn vroeg in de morgen
Morgensonne
noun
1,2,3. toontrap, interval en toonhoogtereeks
Oktave
noun
1. C₈H18
Octan
noun
1. hoekmeetinstrument
Oktant
verb
1.
oktavieren
/ɔkta'ʔedər/
noun
1. een regelmatig achtvlak, een ruimtelijke figuur begrensd door acht gelijkzijdige driehoeken
Oktaeder
noun
1. 1051
Oktilliarde
noun
1. 1048
Oktillion
noun
1. achtarmige inktvis
Krake
noun
Ode
pronoun
Odessa
/ˌø.kyˈme.nis/
adjective
1. tussen kerken, van meerdere kerkgenootschappen
ökumenisch
noun
1. test om de kennis te peilen
Übung
/ˈufə(n)vlʏxt/
noun
1. vliegtocht om de vaardigheid van een piloot te verbeteren of de betrouwbaarheid van een vliegtuig of piloot te testen
Übungsflug
/u.'ɣɑn.da/, /u.'χɑn.da/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika, officieel de Republiek Oeganda
Uganda
adjective
1. een inwoner van Oeganda
Ugander
noun
1.
Uhu
/ukraˈɦins/, /ukraˈʔins/
pronoun
1. een Slavische taal die in Oekraïne gesproken wordt
  1. Ukrainisch
  2. ukrainisch
/ukraˈɦinsə/, /ukraˈʔinsə/
noun
1. een inwoonster van Oekraïne
Ukrainerin
noun
1. munteenheid van Oekraïne
ukrainische Hrywnja
adjective
1.
ukrainischsprachig
/ukraˈɦinə/, /ukraˈʔinə/
pronoun
1. een land in Oost-Europa met als hoofdstad Kiev
Ukraine
/ukraˈɦinər/, /ukraˈʔinər/
noun
1. een inwoner van Oekraïne
Ukrainer
noun
1.
Trottel
/un/
noun
1.
  1. Knilch
  2. Macker
/ˌenoloˈɣi/
noun
1. de wetenschap van de wijnbereiding
Önologie
prefix
ur-
noun
een bos dat van oudsher bestaat
Primärwald
/ˈuːrknɑl/
noun
1. de volgens de bigbangtheorie enorme explosie waaruit het heelal zo'n 13,7 miljard jaar geleden zou zijn ontstaan
Urknall
/ˈuː.rɔs/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Bos primigenius
  1. Auerochse
  2. Ur
noun
Urwald
/uˈsʲɑŋka/
noun
1. muts
Uschanka
noun
1. ontsteking van de slokdarm
Ösophagitis
noun
1. tweekleppig weekdier uit de familie Ostreidae met onregelmatige schelpkleppen
Auster
noun
1.
  1. Austernzucht
  2. Austernkultur
noun
1. iemand die zijn brood verdiende met het vissen op (wilde) oesters
Austernfischer
noun
1. bepaald soort eetbare paddenstoel die meestal groeit op de stam van een loofboom, Pleurotus ostreatus
Austernseitling
noun
1. een vrouwelijk hormoon
Östrogen
noun
1. waterkant
Ufer
pronoun
1. een taal die verwant is aan het Turks en die door de Oezbeken gesproken wordt
  1. Usbekisch
  2. usbekisch
/us.ˈbe.kɪ.stɑn/, /uz.ˈbe.kɪ.stɑn/
pronoun
1. een land in centraal Azië, officieel de Republiek Oezbekistan, dat geheel door land wordt omsloten
Usbekistan
conjunction
  1. 2. onzekerheid
    ob
  2. 1. keuze
    1. oder
    2. entweder ... oder
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Offenburg
adjective
1. aanvallend
offensiv
noun
1.
Offensive
verb
1. wijden aan
opfern
noun
1. een lam dat als offer geslacht wordt
Opferlamm
/ɔ'fɛrtə/
noun
1. een aanbieding van goederen of diensten tegen een vaste prijs
Offerte
adjective
1. erkend door bevoegd gezag
offiziell
verb
1. aanbieden, specifiek het aanbieden van een dienst of product door een bedrijf
  1. anbieten
  2. offerieren
/ɔfˈtɑɫmis/
adjective
1. met betrekking tot het oog en/of de ziekten ervan.
ophthalmisch
noun
1. de tak van de medische wetenschap die zich met het oog en het zicht bezig houdt
Augenheilkunde
noun
Augenarzt
noun
1. een scheikundig element met het symbool Og en het atoomnummer 118
Oganesson
verb
1. de aanblik hebben van
aussehen
noun
1. Een bepaald tijdstip
Augenblick
noun
1. ohm
Ohm
noun
1. groot zoogdier dat nauw verwant is aan de giraffe
Okapi
noun
1. een mineraal dat als gele of oranje kleurstof gebruikt wordt
Ocker
adjective
  1. Ockerbraun
  2. ockerbraun
adjective
  1. Ockergelb
  2. ockergelb
noun
1. walnoot
Walnuß
pronoun
1. een van de vijftig deelstaten van de Verenigde Staten van Amerika.
Oklahoma
pronoun
1. de hoofdstad en grootste stad van de Amerikaanse staat Oklahoma en hoofdplaats van Oklahoma County.
Oklahoma City
noun
Okra
noun
1. holte tussen de arm en de romp
  1. Achselhöhle
  2. Achsel
noun
1. beharing in de holte tussen de bovenarm en de romp
Achselhaar
noun
1. de tiende maand van het jaar
Oktober
pronoun
Oktoberrevolution
interjection
1. goed, in orde
  1. in Ordnung
  2. alles klar
  3. okay
  4. O.K.
  5. o.k.
noun
1. bepaalde soort sierplant, Nerium oleander
Oleander
noun
1. vettige vloeistof
Öl
noun
1. een baksel gemaakt van een vloeibaar gerezen beslag dat in hete olie gebakken is
Berliner
noun
Ölkrise
noun
raffinage van aardolie
Erdölraffinerie
noun
1. een gebeurtenis waarbij grote hoeveelheden olie in het milieu terecht komen en daar schade aanrichten
Ölpest
noun
1. een sedimentair fijnkorrelig gesteente dat organische en chemische stoffen bevat en waar synthetisch olie en gas uit gewonnen kan worden
Ölschiefer
noun
1. het belangrijkste enkelvoudig onverzadigde vetzuur met brutoformule C18H34O₂
  1. Ölsäure
  2. Oleinsäure
noun
1. groot dikhuidig en veelhoevig zoogdier met een lange slurf
Elefant
noun
  1. Oligarch
  2. Oligarchin
noun
Oligarchie
/ˌoliɣoˈsen/
noun
Oligozän
noun
1. stof met beperkt aantal gelijke delen
Oligomer
/oˈlɛɪf/, /oˈlɛːf/
noun
1. een vrucht van de olijfboom
Olive
noun
1. bepaald soort boom, Olea europaea
  1. Olivenbaum
  2. Ölbaum
adjective
  1. Olivbraun
  2. olivbraun
adjective
  1. Olivgelb
  2. olivgelb
adjective
  1. Olivgrau
  2. olivgrau
adjective
  1. Olivgrün
  2. olivgrün
/oˈlɛɪ̯fkløːrɪx/, /oˈlɛɪ̯fklʏːrəχ/, /oˈlɛːfkløːrəx/
adjective
1. de kleur van olijven hebbend
  1. grünlich
  2. olivenfarben
  3. olivenfarbig
noun
1. fijne spijsolie verkregen door persing uit olijven
Olivenöl
verb
1. met olie bewerken
ölen
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Olpe
adjective
olympisch
adjective
1. verband houdend met de Olympische Spelen
olympisch
/o.ˌlɪm.pi.sə.ˈspe.lə(n)/
pronoun
1. een vierjaarlijks sportevenement dat zijn oorsprong in de stad Olympia in de Griekse landstreek Elis heeft
  1. Olympische Spiele
  2. Olympiade
pronoun
1. evenement dat eens in de vier jaar wordt gehouden waarbij allerlei wintersporten competitief beoefend worden
Olympische Winterspiele
noun
1. moeder van een ouder
  1. Großmutter
  2. Oma
  3. Omi
/o.ˈman/, /ˈo.mɑn/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel het Sultanaat Oman
Oman
verb
1. de armen om iemand heen slaan
umarmen
adjective
  1. Umbragrau
  2. umbragrau
verb
1. doden, om het leven brengen
umbringen
/ˈɔmbʏdsˌmɑn/, /ˈɔmbʏtsˌmɑn/
noun
1. een ambtenaar die de taak heeft om als onpartijdige instantie klachten van individuele burgers tegen de overheid, instellingen en bedrijven te onderzoeken
Ombudsmann
verb
1. iets of iemand fysiek insluiten waardoor onsnapping niet meer mogelijk is
  1. einkreisen
  2. umschließen
/ɔm.'dɑt/
conjunction
1. geeft onderschikkend een reden aan
weil
/ɔmdrajə(n)/
verb
1. twee zijden van iets van plaats doen verwisselen
umdrehen
noun
1. een gerecht dat bereid wordt door geklutste eieren te bakken
  1. Omelett
  2. Omelette
verb
1. zich eromheen bevinden
umgeben
noun
  1. 1. de nabijheid
  2. 2. personenkring
Umgebung
adverb
1. om, rond, rondom, aan alle kanten, langs alle kanten
herum
verb
1. aan alle kanten omsluiten
  1. einzäunen
  2. umzäunen
verb
  1. 2. aannemen
    annehmen
  2. 1. de armen om iemand slaan
    umarmen
adverb
1. omhoog
aufwärts
verb
1. iets boven de gewone positie brengen
emporheben
verb
1. rondom met een laag bedekken
umhüllen
verb
1. de andere zijde boven- of voorleggen
umdrehen
verb
1. andere kleren aandoen
umkleiden
/ˈɔmkomə(n)/
verb
1. bij een gebeurtenis het leven laten
umkommen
/ˈɔmkopə(n)/
verb
1. (iemand ~) met behulp van geschenken, geld e.d. overhalen om van zijn plicht, partij, overtuiging te verzakent
  1. bestechen
  2. kaufen
adverb
1. in neerwaartse richting
  1. hinab
  2. hinunter
verb
1. op een andere manier laden; naar een ander vervoermiddel overladen
umladen
verb
1. het uitzetten van een alternatief pad rondom een ontoegankelijk deel van de weg
umleiten
verb
1. omgeven met lijnen
  1. umgrenzen
  2. umranden
noun
4. nagelriemontsteking, paronychia
  1. Nagelbettentzündung
  2. Onychie
  3. Paronychie
noun
1. iets dat totaal anders is geworden
  1. Umbruch
  2. Umkehr
  3. Umschlag
  4. Umschwung
  5. Wende
noun
1. de achterkant van een blad papier
Rückseite
noun
1. alleseter, zowel plantaardig als dierlijk voedsel
Omnivore
/ɔm.ˈplɑn.tə(n)/, /ˈɔm.plɑn.tə(n)/
verb
2. op een andere plaats zetten
  1. umpflanzen
  2. verpflanzen
verb
1. door praten van gevoelens doen veranderen
umstimmen
verb
1. het duidelijk aftekenen van de grenzen van een vlak
  1. umgrenzen
  2. umranden
verb
1. aan alle kanten omsluiten
umzäunen
verb
1. via een langere weg naar een bestemming gaan
einen Umweg machen
verb
1. aan alle kanten omgeven
umringen
noun
1. een organisatie die zich richt op het verzorgen van radio- of televisieprogramma's
  1. Fernsehanstalt
  2. Rundfunk
  3. Rundfunk- und Fernsehanstalt
  4. Rundfunkanstalt
noun
1. beleid t.a.v. de omroep (radio en TV)
Rundfunkpolitik
noun
1. regeling en organisatie van de omroep
Rundfunkwesen
noun
  1. Ansager
  2. Moderator
verb
1. door roeren homogeen maken
umrühren
verb
1. omroeren
umrühren
verb
1. aan alle kanten omsluiten
umzingeln
noun
  1. 1. het bekleedsel aan de buitenkant van een boek.
    Umschlag
  2. 2. een doek om een ziek lichaamsdeel
    Verband
noun
Zuschauer
noun
hoe de zaken er voorliggen
Umstand
verb
1. iets met een slag om laten vallen
umstoßen
/ˈɔmtovərə(n)/
verb
1. iets een andere vorm of functie geven
  1. transformieren
  2. verwandeln
  3. umformen
  4. umgestalten
  5. verzaubern
noun
    1. 1. de lengte van een gesloten kromme
    2. 3. omvang van een lichaam
    Umfang
  1. 4. het gebied rondom een bepaalde plaats
    1. Umfeld
    2. Umgebung
  2. 2. grenslijn
    Umriss
/ˈɔm.vɔl.kɪŋ/
noun
  1. Ethnomorphose
  2. Großer Austausch
  3. Umvolkung
/ˈɔmʋɛx/
noun
1. de weg die langer is dan de gewone of kortste verbinding tussen twee plaatsen
Umweg
noun
  1. 2. algemene grootscheepse verandering
    Revolution
  2. 1. politieke revolutie
    1. Revolution
    2. Umsturz
  3. 3. volledige draaiing
    Umdrehung
preposition
um … willen
/ˈɔmʋɪsələ(n)/
verb
  1. 1. van plaats laten ruilen met een ander
    tauschen
  2. 2. verruilen voor een ander
    umtauschen
prefix
1. toegevoegd aan een bijvoeglijk naamwoord drukt dit voorvoegsel het tegendeel uit.
un-
adjective
1. geen verbinding hebbend met
unabhängig
noun
Unabhängigkeitserklärung
adjective
1. dat iets niet van een andere zaak te scheiden is
untrennbar
adjective
1. helemaal bij elkaar horend
untrennbar
adjective
1. niet mogelijk om te kunnen veranderen of vermijden
unabwendbar
adverb
1. niet of zeer moeilijk te begrijpen, rationeel niet te volgen, onlogisch
unverständlich
noun
  1. Unverständlichkeit
  2. Unverständnis
adjective
1. niet behorend tot de kennis
unbekannt
adjective
1. slecht gemanierd
  1. unhöflich
  2. unmanierlich
adjective
3. het is niet duidelijk om wie of wat het gaat
unbestimmt
noun
1. de onverbogen werkwoordsvorm die naar persoon en getal onvervoegd is
Infinitiv
adjective
unbereitbar
noun
1. gedrag dat schaamte op zou moeten roepen maar het bij die persoon niet doet
  1. Frechheit
  2. Unverfrorenheit
  3. Unverschämtheit
/ɔmbə'sxɔfthɛit/
noun
1. brutaal gedrag
  1. Unverfrorenheit
  2. Unverschämtheit
  3. Dreistigkeit
  4. Grobheit
  5. Respektlosigkeit
  6. Schamlosigheit
adverb
  1. 4. vaak afgezwakt, bij overdrijving erg, bijzonder
    1. arg
    2. besonders
    1. 2. vaak afgezwakt, bij overdrijving bijzonder, groot, erg
    2. 3. op onbeschrijfelijke wijze
    1. arg
    2. besonders
    3. groß
  2. 1. waarvan het niet mogelijk is een (goede) beschrijving te geven
    unbeschreiblich
adjective
  1. 2. zonder winnaar of verliezer
    unentschieden
  2. 1. nog onzeker, in afwachting van een besluit
    unentschlossen
  3. 3. besluiteloos, aarzelend
    1. unentschlossen
    2. zögerlich
adjective
unbespielbar
adjective
1.
unbefahrbar
/'ɔmbə'wexələk/
adjective
  1. 1. zonder enige beweging
    1. bewegungslos
    2. regungslos
  2. 2. niet bewogen kunnen worden
    unbeweglich
adjective
unbeweisbar
noun
1. het niet langer gebruiken van iets
außer Gebrauch
noun
1. een medisch specialist die zich bezighoudt met de gezwelgroei, in het bijzonder met kanker
Onkologe
preposition
  1. ondanks dat
    obwohl
  2. 1. ook al is het zo dat
    trotz
noun
1.een middel tegen misselijkheid en braken door chemotherapie,door bestraling en na operaties
Ondansetron
/ˈɔn.dər/
adverb
  1. 1. bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord zoals onderlopen.
  2. 2. prepositionaal deel van een voornaamwoordelijk bijwoord zoals waaronder.
unter
/ˈɔn.dər/
preposition
1. op een plaats die lager gelegen is dan het aangeduide.
  1. unter
  2. unterhalb
/ˌɔndərˈɑrṃ/
noun
1. gedeelte van de arm tussen de elleboog en de hand
Unterarm
verb
  1. 1. weinig aandacht aan iets besteden
    beachten
  2. 2. te weinig belichten (bij een foto maken)
    unterbelichten
noun
1. het geheel van processen dat zich in iemands geest afspeelt en waar deze zich niet van bewust is
Unterbewusstsein
verb
1. actie ondernemen om een in gang zijnd proces tot staan te brengen
unterbrechen
/ɔn.dər.ˈbre.kɪŋ/, /ɔn.dər.ˈbreː.kɪŋ(g)/
noun
  1. 1. een tijdelijk staken van activiteit door een onverwachte gebeurtenis
    Unterbrechung
  2. 2. een kort ophouden van bezigheden als pauze
    1. Unterbrechung
    2. Pause
noun
1. kledingstuk dat onder de gewone broek wordt gedragen
Unterhose
/ˈɔndərde:l/
noun
1. deel van een groter geheel
  1. Komponente
  2. Teilstück
  3. Zubehör
noun
1. onderdominant
  1. Subdominante
  2. Unterdominante
verb
1. onder een vloeistofoppervlak laten zakken
untertauchen
noun
1. de onderste horizontale balk tussen de verticale stijlen van een kozijn
Fensterbank
verb
1. een wens, verlangen, uiting of ontwikkeling eventueel met geweld tegengaan
unterdrücken
verb
  1. 1. onder water gaan
    tauchen
  2. 2. in de illegaliteit treden
    untertauchen
/ˈɔndərˌdœykər/
noun
1. een persoon die zich schuil houdt
Untergetauchte
noun
1.
Unterfamilie
noun
een chemische verbinding met de formule H₃PO₂.
  1. Phosphinsäure
  2. phosphorundersyrling
verb
  1. 1. onderhevig gemaakt worden
    1. erleiden
    2. erfahren
    3. unterziehen
  2. iets ondergaan
    unterziehen
  3. 2. te gronde gaan
    untergehen
noun
  1. 4.
    Ruin
  2. 1.
    Untergang
  3. 2-3.
    1. Untergang
    2. Verfall
adjective
  1. 1. van minder belang
    nachgeordnet
  2. 2. aan iemand onderworpen
    untergeordnet
noun
  1. 1. die het bericht ondertekend heeft
    Unterzeichnete
  2. 2. (schertsend) in verwijzing naar zichzelf
    meine Wenigkeit
/ˈɔn.dər.ˌɣud/, /ˈɔn.dər.ˌɣut/, /ˈɔn.dər.ˌχut/
noun
1. kleding die direct op het lichaam gedragen wordt, doorgaans nog onder andere kleding
Unterwäsche
noun
1.de grond onder de oppervlaktelaag
Untergrund
noun
  1. Unterhändler
  2. Verhandlungsführer
  3. forhandler
noun
Unterhemd
adjective
1. onderworpen zijn aan het gezag van iets of iemand
  1. untergeben
  2. unterstellt
  3. unterworfen
  4. zugehörig
noun
  1. 2. een gesprek waarin ...
    Unterhaltung
  2. 1. handelingen verricht om iets in goede staat te houden.
    1. Wartung
    2. Instandhaltung
verb
  1. 3. zich onderhouden: een gesprek houden met iemand
    1. plaudern
    2. unterhalten
  2. 1. zorgen dat iets in goede staat blijft
    1. unterhalten
    2. ernähren
noun
1. de onderste kaak
Unterkiefer
noun
Unterseite
/ˈɔndərkledɪŋ/
noun
1. kleding die onder de zichtbare kledingstukken wordt gedragen
Unterwäsche
noun
1. gouverneur van een land of een provincie die als vervanger van de monarch optreedt
Vizekönig
adjective
1. tussen de betrokken partijen
gegenseitig
adverb
1. op onderlinge wijze
untereinander
noun
Unterlippe
noun
Unternehmerin
verb
1. een bedrijf of actie in werking stellen
unternehmen
noun
1.
Unternehmertum
noun
1. vereniging van en voor ondernemers
Unternehmervereinigung
noun
1. een organisatie
Unternehmen
noun
Geschäftsplan
/ɔn.də.'rɔn.s<sup>j</sup>ə/
noun
  1. Gespräch unter vier Augen
  2. vertrauliches Gespräch
noun
Unterpfand
verb
1. onderwijzen
lehren
verb
1. iets kleiner of van kleiner belang inschatten dan het in werkelijkheid blijkt
unterschätzen
verb
  1. 2. iemands bijzonder gedrag erkennen, bijvoorbeeld middels een medaille
    auszeichnen
  2. 4. zich onderscheiden
    sich unterscheiden
  3. 1. een verschil in aanmerking nemen
    unterscheiden
noun
2. toegekend eerbewijs of uitgereikte decoratie
Auszeichnung
noun
1. het vermogen om het verschil tussen het een en het ander te kunnen waarnemen
  1. Unterscheidungsvermögen
  2. Urteilsvermögen
/ɔndər'sxɛpə(n)/
verb
1. ervoor zorgen dat iets dat onderweg is zijn bestemming niet haalt
abfangen
noun
  1. 2. tekst onder een afbeelding
    Bildunterschrift
  2. 1. handtekening
    1. Unterschrift
    2. Signatur
adverb
1. verticaal omgekeerd
  1. kopfüber
  2. umgedreht
  3. verkehrt herum
noun
Chassis
verb
1. helpen, bijstaan
unterstützen
verb
1. een streep onder een woord of passage zetten
unterstreichen
/ˌɔndərˈtitələ(n)/
verb
1. ondertiteling aanbrengen
untertiteln
noun
1. een geschreven vertaling die bij een film(pje) in beeld wordt gebracht
Untertitel
adverb
1. in de tussentijd
inzwischen
/ɔndə'rʌʏ̭txəɦalt/
verb
1. iemand ten val brengen
umnieten
verb
unterteilen
/ˌɔndərˈvɪndə(n)/
verb
1. door ervaring ergens achter komen
erleben
noun
1. iemand die aan een vraaggesprek of opinieonderzoek onderworpen wordt
Befragte
/ɔndərˈvraxə(n)/
verb
1. iemand aan een intensieve reeks vragen onderwerpen
  1. verhören
  2. vernehmen
  3. befragen
noun
1. het onderwerpen aan indringende vragen van een arrestant of gevangene
  1. Verhør
  2. Vernehmung
/ˌɔn.dər.ˈʋa.tər.ˌfo.to.χra.ˌfi/, /ˌɔn.dər.ˈβ̞a.tər.ˌfo.to.ɣra.ˌfi/
noun
1. een vorm van fotografie onder water
Unterwasserfotografie
/ˌɔndərˈwɛx/, /ˌɔndərˈʋɛχ/, /ˌɔndərˈβ̞ɛx/
adverb
1. bezig zijn zich van plek A naar plek B te verplaatsen
unterwegs
noun
  1. 1. de kringen van de criminaliteit
  2. 2. het schimmenrijk van de doden
Unterwelt
noun
  1. 2. zinsdeel waarnaar de persoonsvorm zich richt en dat bijv. de handelende persoon of zaak beschrijft
    1. Subjekt
    2. Satzgegenstand
  2. 1. waar iets over gaat, een thema
    1. Thema
    2. Gegenstand
verb
  1. 1. gezag opleggen
    unterwerfen
  2. 2. zich overgeven
    1. unterwerfen
    2. ergeben
noun
1.
Unterwerfung
noun
1. de voorziening van opleidingen
  1. Unterricht
  2. Bildung
  3. Ausbildung
verb
1. scholing verzorgen voor iemand
  1. lehren
  2. unterrichten
  3. unterweisen
noun
1. iemand die lesgeeft
Lehrer
noun
Unterseeboot
noun
1. een vaartuig dat onder het wateroppervlak kan varen
Unterseeboot
/ɔndər'zuːk/
noun
1. het onderzoeken van iets
  1. Untersuchung
  2. Nachforschung
  3. Prüfung
verb
untersuchen
noun
1. iemand die een onderzoek uitvoert
Forscher
/'ɔndərzuksˌmetodoloˈɣi/, /'ɔndərzuksˌmetodoloˈχi/
noun
1. de leer over de methoden en technieken voor onderzoek
Forschungsmethodologie
/ˌɔn.dər.ˈzuk.stər/
noun
1. een vrouwelijk persoon die vraagstukken onderzoekt
Forscherin
noun
1. ondes Martenot
Ondes Martenot
/'ɔndøxt/
noun
1. slechte gewoonte
Untugend
adjective
1. niet diep
  1. seicht
  2. flach
adjective
1. een fictieve toestand waarin een mens of ander wezen terechtkomt als hij/het is gestorven, maar teruggehaald is uit de dood
untot
adjective
1. niet mis de verstaan, met slechts één betekenis
  1. eindeutig
  2. unmissverständlich
adjective
1. zonder einde
unendlich
noun
1.
One-Night-Stand
adjective
1. ter zake nieuw
unerfahren
adjective
1. Niet deelbaar door twee
ungerade
preposition
1. los van
  1. unbeschadet
  2. ungeachtet
adjective
1. niet conform datgene wat gebruikelijk is
  1. ungebräuchlich
  2. ungewöhnlich
  3. unüblich
adjective
1. niet verwond door het gebeuren
unverletzt
noun
1. ongewenste dieren, die de mens op een of andere manier last bezorgen
Ungeziefer
adjective
  1. 2. illegaal, zonder geldige verblijfsvergunning
    1. passlos
    2. undokumentiert
  2. 1. zonder vastlegging in blijvende vorm, zonder schriftelijk bewijs
    1. unbelegt
    2. undokumentiert
noun
Ungeduld
/ɔnɣə'hoːrzam/, /ɔnɣə'ɦoːrzam/, /ɔnχə'ɦo̝ːrzam/
adjective
1. niet bereid gehoor te geven aan gestelde regels
ungehorsam
noun
1. het niet opvolgen van opgelegde regels
Ungehorsam
adjective
1. niet getrouwd
unverheiratet
adjective
2. niet gecensureerd op aanstootgevende passages
unzensiert
adjective
  1. 2. niet onderricht in lezen en schrijven
    an­al­pha­be­tisch
  2. 1. niet belezen, hebbende een gebrekkige, literaire kennis
    unbelesen
adjective
2. bijzonder, uitzonderlijk
  1. unglaublich
  2. unwahrscheinlich
noun
1.het niet geloven
Unglaube
adjective
2. bijzonder, uitzonderlijk
  1. unglaublich
  2. unwahrscheinlich
adverb
1. geen geloof verdienend (omdat het onwaarschijnlijk overkomt)
unglaubwürdig
/ˈɔnɣəˌlɵk/, /ˈɔnɣəˌlʏk/
noun
1. een onvoorziene gebeurtenis met negatieve en soms zelfs fatale gevolgen
  1. Unfall
  2. Unglück
noun
Unglückszahl
noun
  1. 2. kwaal aan het lichaam
    Leiden
  2. 1. onaangename verstoring
    1. Unannehmlichkeit
    2. Ungemach
noun
  1. Verdruss
  2. Unmut
adjective
1. fatsoenshalve verboden
unerlaubt
/ɔnɣəvɑl/
noun
1. een ongeluk
Unfall
abbreviation
bij benadering
  1. etwa
  2. ungefähr
adjective
1. niet goed met de handen om kunnen gaan
  1. unbeholfen
  2. tollpatschig
/ˈɔnɦɛːl/, /ˈɔnɦɛːɪl/
noun
1. groot ongeluk
Unheil
adjective
1. zonder mogelijkheid om ongedaan gemaakt te worden
unwiderruflich
adjective
1. niet met de oren waarneembaar
unhörbar
adjective
1. niet correct
  1. falsch
  2. unrichtig
/ˈɔŋkəɫ/
noun
1. broer of zwager van iemands vader of moeder
Onkel
adjective
1. niet vatbaar voor omkoping en corruptie
  1. unbestechlich
  2. integer
  3. íntegro
noun
1. planten die voorkomen op plekken waar ze niet gewenst zijn
Unkraut
phraseologicalUnit
1. het slechte is moeilijk uit te roeien
Unkraut vergeht nicht
noun
1. gif of andere methode om planten die op de verkeerde plaats staan uit te roeien
  1. Herbizid
  2. Unkrautvernichtungsmittel
  3. Unkrautvertilgungsmittel
/ɔŋ.kʏn.dəx/, /ɔŋ.kʏn.dəχ/, /ɔŋ.kʏn.dɪx/
adjective
1. niet kundig, niet over kennis of vaardigheden beschikkend om iets bepaalds te kunnen
unkundig
/ɔnlaŋs/
adverb
1. recentelijk, niet lang geleden
  1. neulich
  2. unlängst
adjective
unlesbar
noun
Ohnmacht
adjective
2. zonder omwegen
direkt
adverb
1. zonder uitstel
unverzüglich
adjective
1. waarover geen twijfel kan bestaan
unleugbar
adjective
1. niet te verwezenlijken
unmöglich
adjective
3. dwaas, naïef
  1. einfältig
  2. leichtgläubig
  3. naiv
/ˌonomatoˈpe/
noun
1. door klanknabootsing gevormd woord
  1. Onomatopoese
  2. Onomatopöie
adjective
1.expres je anders voordoen dan je bent
unaufrichtig
adjective
  1. unabsichtlich
  2. unbeabsichtig
/ˈɔnovərˌɣɑŋkələk/, /ˌɔnovərˈɣɑŋkələk/
adjective
1. (van een werkwoord) zonder lijdend voorwerp waarop de werking van het werkwoord overgedragen wordt
intransitiv
noun
1. een werkwoord dat niet vergezeld kan worden door een lijdend voorwerp of een meewerkend voorwerp in een zin
intransitives Verb
adjective
1. chaotisch, onduidelijk
unübersichtlich
adjective
1. een negatief gevoel oproepend
  1. unangenehm
  2. ungemütlich
noun
Unrecht
noun
1. schadeverwekkende inbreuk op een zorgvuldigheids- of rechtsnorm waardoor burgerrechtelijke aansprakelijkheid ontstaat
unerlaubte Handlung
noun
1. niet-verplaatsbare zaak, bijv. grond, delfstoffen, beplantingen en opstallen
unbewegliche Sache
noun
1. iemand die opschudding teweegbrengt met schrikbarende verhalen die vaak overdreven of gewoonweg onwaar zijn
  1. Aufwiegler
  2. Unruhestifer
personalPronoun
1. 1e persoon meervoud als (direct of indirect) object of na een voorzetsel
uns
possessivePronoun
1. van de 1e persoon meervoud
unser
/ˌɔnsamə(n)ˈhɑŋənd/, /ˌɔnsamə(n)ˈhɑŋənt/
adjective
1. geen samenhangend geheel vormen
  1. inkohärent
  2. zusammenhanglos
/ˌɔnsamə(n)ˈhɑŋənd/, /ˌɔnsamə(n)ˈhɑŋənt/
adverb
1. op een niet samenhangend manier
  1. inkohärent
  2. zusammenhanglos
adjective
1. als twee of meer verschillende zaken niet meer uit elkaar gehaald kunnen worden na menging
untrennbar
noun
1.
Unschärfe
/ɔnˈsxʏɫdəx/
adjective
1. niet schuldig
unschuldig
adjective
unsterblich
adjective
1. moeilijk in toom te houden
unbändig
adjective
entartet
verb
1. overgaan in iets verkeerds
  1. entarten
  2. ausarten
/ɔntˈberə(n)/
verb
1. iets missen waaraan men grote behoefte heeft
entbehren
noun
1. het missen van zaken die noodzakelijk zijn om voort te kunnen leven
  1. Not
  2. Elend
noun
1. eerste maaltijd van de dag
Frühstück
verb
1. de eerste maaltijd van de dag nuttigen
frühstücken
noun
1. grote ruimte (in een hotel) waar een groep mensen het ontbijt kan gebruiken
Frühstücksraum
/ɔndˈbladərə(n)/, /ɔntˈbladərə(n)/
verb
1. (een plant, boom, struik of gewas) van de bladeren ontdoen
entblättern
verb
1. de bedekking van iets wegnemen, gewoonlijk een lichaamsdeel
  1. blecken
  2. entblößen
verb
1. niet aanwezig zijn terwijl dit wel zou moeten of verwacht wordt
fehlen
/ɔntˈsɛɪ̯fərə(n)/, /ɔntˈsɛːfərə(n)/
verb
1. qua betekenis duiden
  1. entziffern
  2. entschlüsseln
verb
1. het verwijderen van enkele of alle organen van het darmkanaalstelsel
ausweiden
/ɔnˈdɛ.kə(n)/
verb
  1. 1. ergens achter komen
  2. 2. een onbekend gebied verkennen en onderzoeken
entdecken
noun
Entdeckungsreise
verb
1. ophouden bevroren te zijn
  1. entfrosten
  2. abtauen
/ɔntˈdopɪŋ/
noun
1. het uitstappen uit de kerk met het schrappen uit het doopregister
Kirchenaustritt
/ɔnˈdœykə(n)/
verb
  1. 1. door zich te bukken, aan iets ontkomen
    1. ausweichen
    2. entgehen
    3. entkommen
  2. 5. (om een onderwerp) ontsnappen
    1. ausweichen
    2. entgehen
    3. entkommen
    4. entrinnen
  3. 3. aan gevaren of onaangenaamheden weten te ontkomen
    1. ausweichen
    2. entweichen
  4. 2. door onder iets te schuilen zich tegen zonnestralen vrij te waren
    1. bewahren
    2. schützen
  5. 4. zich aan een verplichting weten te onttrekken
    entziehen
  6. de belasting ontduiken
    hinterziehen
noun
Enteignung
verb
1. van zijn of haar eer beroven
entehren
noun
1.
Enterbung
/ɔntəˈvredə(n)/
adjective
1. behoefte voelend om aanmerkingen te maken
unzufrieden
/ɔntəˈvredənɦɛɪt/
noun
1. het gevoel niet genoeg te hebben en onvoldaan te zijn
Unzufriedenheit
verb
1. iemand iets afhandig maken
abluchsen
verb
1. van een illusie beroven
entzaubern
noun
1. rituele toelating tot een studentencorps
  1. In­i­ti­a­ti­ons­ri­tus
  2. Neulingstaufe
noun
1. de manier waarop men iemand als gast ontvangt
Empfang
verb
1. bewust kiezen voor ontspanning als reactie op werkdruk
entschleunigen
verb
1. iemand gastvrij verwelkomen
empfangen
verb
  1. 2. de gewijde functie van iets verwijderen
    1. deconsecrate
    2. entweihen
    3. unconsecrate
  2. 1. iets wat gewijd is schenden, onteren
    1. entheiligen
    2. entweihen
verb
1. iemand doden door het hoofd van de romp te scheiden
  1. enthaupten
  2. köpfen
verb
  1. 1. in het geheugen bewaren
    1. merken
    2. behalten
  2. 2. bewust iets niet doen
    verzichten auf
/ɔntˈɦɵlə(n)/, /ɔntˈɦʏlə(n)/
verb
  1. 2. openbaren van onbekende feiten
    1. enthüllen
    2. aufdecken
  2. 1. van het hulsel ontdoen
    1. enthüllen
    2. vorstellen
verb
1. in staat van verbijstering brengen
bestürzen
/ɔnt.ˈkɑl.kə(n)/, /ɔnt.ˈkɑɫ.kə(n)/
verb
1. kalk van een metalen oppervlak verwijderen
entkalken
/ɔnt.ˈkɑl.kɪŋ/, /ɔnt.ˈkɑɫ.kɪŋ/
noun
1. het verwijderen van kalk van een metalen oppervlak
Entkalkung
verb
1. verklaren dat het gestelde niet waar is
  1. leugnen
  2. dementieren
  3. verleugnen
  4. verneinen
  5. verweigern
noun
1. handeling of uiting waarmee iemand kan laten weten dat iets niet waar is
  1. Leugnung
  2. Verneinung
verb
1. de kleur doen verdwijnen
entfärben
verb
1. ergens aan ontsnappen
entwischen
verb
1. een fles van de afsluitende kurk ontdoen
entkorken
noun
  1. 1.
    Ausladung
  2. 2.
    Entladung
  3. 3.
    Explosion
verb
1. anatomiseren, analyseren
  1. analysieren
  2. zergliedern
noun
Anatomie
verb
  1. aufblühen
  2. erblühen
verb
1. van luister of aanzien beroven
den Glanz nehmen
verb
1. door te castreren of het amputeren van de penis, iemand ontdoen van zijn mannelijkheid
  1. entmannen
  2. kastrieren
verb
1. de ware aard laten zien van iets of iemand
  1. entlarven
  2. demaskieren
  3. enttarnen
verb
1. aan menselijkheid verliezen
entmenschlichen
verb
1. de moed ontnemen
entmutigen
verb
1. met iemand kennismaken en een gesprek voeren
begegnen
noun
  1. 1. het toevallige samenkomen
    1. Begegnung
    2. Treffen
  2. 1. vriendschappelijke ontmoeting
    Freundschaftspiel
verb
1. zorgen dat iemand ergens niet meer over beschikt
  1. nehmen
  2. abnehmen
adjective
unzurechnungsfähig
noun
Entsteiner
noun
Explosion
verb
1. ontwarren
aufdröseln
verb
1. de regelmaat verstoren
durcheinander bringen
verb
1. gevoelens van medeleven, vertedering of getroffenheid oproepen
berühren
adjective
1. aandoenlijk, aangrijpend
  1. rührend
  2. ergreifend
verb
1. een gebouw of gebied voorgoed verlaten en leeg achterlaten
räumen
verb
1. van de schoonheid beroven
verunzieren
verb
  1. 3. beëindigen van een ziekenhuisopname
    entlassen
  2. 1. arbeidsovereenkomst beëindigen
    1. entlassen
    2. feuern
/ɔnt'slɑx/
noun
  1. 2. beëindiging van een ziekenhuisopname
    Entlassung
  2. 1. het verbreken van het dienstverband met een werknemer
    1. Entlassung
    2. Kündigung
verb
1. kleine organismen zoals bacteriën gericht doden
desinfizieren
verb
1. aan gevangenschap, dreigende gevangenneming of ander gevaar ontkomen
  1. entkommen
  2. entwischen
verb
1. uit het aangelegde spoor geraken
entgleisen
verb
1. ontstaan op een bepaalde plek
entspringen
verb
1.
  1. keimen
  2. sprießen
  3. entsprießen
/ɔnt.ˈstan/
verb
1. de verandering ondergaan van niet bestaan naar wel bestaan
entstehen
/ɔnt.'ste.kə(n)/
verb
  1. 1. in vlammen (doen) opgaan
  2. 3. geïnfecteerd raken
entzünden
noun
  1. 2. ontbranding
    Anzündung
  2. 1. (medisch) ontsteking
    Entzündung
/ɔntˈstɛl.tə.nɪs/, /ɔntˈstɛɫ.tə.nɪs/
noun
1. toestand van plotselinge en grote schrik, verwarring en/of paniek
  1. Schreck
  2. Bestürzung
  3. Erschütterung
noun
1. het niet voorhanden zijn, ontbreken, niet aanwezig zijn, verhinderd zijn (meestal door factoren buiten de macht van de betrokkene bijvoorbeeld ziekte, familieomstandigheden)
  1. Abwesenheit
  2. Ermangelung
noun
1.
Entzauberung
/ɔn.ˈtrɛ.kə(n)/
verb
1. een bijdrage of deel ergens uit verwijderen
entziehen
/ɔn'trɛkɪŋ/
noun
1.
Entzug
/ɔn'tronə(n)/
verb
1. iemand van de macht beroven
entthronen
/ɔntʌxt/
noun
1. seks die tegen de heersende moraal ingaat
Unzucht
verb
1. iets zeggen wat men liever voor zich gehouden had
herausrutschen
noun
1. een elektrische geleider voor de ontvangst van radiofrequente straling
Empfangantenne
/ɔndˈvaŋ(g)ə(n)/, /ɔntfɑŋə(n)/
verb
  1. 2. het op bezoek krijgen van gasten
    empfangen
  2. 1. het verkrijgen van zaken zoals loon en berichten
    1. erhalten
    2. empfangen
    3. bekommen
noun
Zulässigkeit
adjective
  1. entflammbar
  2. entzündlich
verb
1. vlam vatten
entflammen
verb
1. wederrechtelijk en onder dwang iemand weghalen
  1. entführen
  2. kidnappen
noun
1. het, tegen iemands zin, wederrechtelijk verplaatsen van een persoon
  1. Entführung
  2. Kinderraub
  3. Menschenraub
verb
1. niet meer abonneren
entfolgen
verb
  1. 2. iets los vouwen
    entfalten
  2. 1. iets verklaren
    1. entfalten
    2. darlegen
verb
1. uit de slaap weer tot vol bewustzijn terugkeren
  1. aufwachen
  2. erwachen
  3. våkne
verb
1. een moeilijk waarneembaar object beginnen waar te nemen
  1. gewahr werden
  2. gewahren
verb
entwirren
/ɔntˈʋɛrpə(n)/
verb
1. bedenken en uitwerken op papier
entwerfen
/ɔntˈwɛrpˌmetodoloˈɣi/, /ɔntˈʋɛrpˌmetodoloˈχi/, /ɔntˈβ̞ɛrpˌmetodoloˈɣi/
noun
1. de leer over de methoden en technieken voor onderzoek
Designmethodologie
/ɔntʋɪkələ(n)/
verb
    1. 1. iets ~ een aanwezige aanleg tot bloei brengen
    2. 3. een film ~ het latente beeld van een belicht fotografisch materiaal chemisch zichtbaar maken
    3. 4. ontwerpen en uitvoeren op basis van onderzoek
    entwickeln
  1. 2. zich ~ tot geleidelijk iets worden
    heranreifen
noun
1. geleidelijke verandering in een zekere richting
Entwicklung
noun
verwonding door losmaking uit het gewricht
Luxation
noun
1. grote mate van schrik
Entsetzen
/ɔntˈzin/
verb
1. het iemand gemakkelijker maken dan die persoon het anders zou hebben gehad door die persoon minder te belasten
schonen
verb
1. van opgelost zout ontdoen
entsalzen
verb
1. van opgelost zout ontdoen, ontzilten
entsalzen
adjective
1. nooit oprakend
unerschöpflich
adjective
1. niet geneigd om zich door smeekbeden tot andere handelwijze te laten bewegen
unerbittlich
adjective
1.niet te verdragen
unerträglich
adjective
1.
  1. unablässig
  2. unbeirrt
adjective
unvermeidbar
adjective
1. zijn verstand niet gebruikend en daardoor ook grote risico's lopend
unvernünftig
noun
  1. Gelassenheit
  2. Unerschütterlichkeit
adjective
1. niet van tevoren zien aankomen
unerwartet
adjective
1.
  1. umgehend
  2. unverzüglich
/ˌɔn.vərˈʋust.bar/, /ˌɔn.vərˈβ̞ust.bar/
adjective
1. niet stuk te krijgen, buitengewoon robuust
  1. unzerstörbar
  2. unvernichtbar
noun
Partizip Präsens
noun
Präsens
noun
Imparfait
/ˌɔnvorˈzɪxtəxhɛːt/, /ˌɔnvorˈzɪxtɪxhɛɪ̯t/, /ˌɔnvo̝rˈzɪχtəχhɛɪ̯t/
noun
1. een gedraging die gemakkelijk tot ongelukken kan leiden
Unvorsichtigkeit
noun
Unzufriedenheit
adjective
1. een geringe kans bezittend om waar te worden of te blijken
unwahrscheinlich
adjective
1. door niets aan het wankelen te krijgen
unerschütterlich
/ɔnʋɪːr/
noun
1. meteorologisch verschijnsel waarbij regen gepaard gaat met donder en bliksem
Gewitter
noun
Gewitterböhe
adjective
1. zich niet gezond voelend
  1. schlecht
  2. unwohl
  3. übel
adjective
unwissend
noun
een variëteit van kwarts
Onyx
/ˌɔn.zəˌli.vəˈvrɑʊ̯.əˌkɛrk/, /ˌɔn.zəˌli.vəˈvrɔʊ̯.əˌkɛrk/
noun
1. een veel voorkomende naam van katholieke kerken
  1. Frauenkirche
  2. Liebfrauenkirche
noun
1. benaming voor torren uit de familie Coccinellidae
Marienkäfer
adjective
unsichtbar
/ɔn'zɛidəx/
adjective
Neutrum
adjective
1.zonder enige betekenis of nut
  1. sinnlos
  2. unsinnig
  3. töricht
/ox/, /oːx/, /oχ/
noun
1. gezichtsorgaan voor het waarnemen van lichtprikkels
Auge
noun
2. een oogbol
Augapfel
noun
Augenarzt
noun
1. een bril voor één oog
Monokel
/ˈoχ.lɪt/
noun
1. een beschermend vlies van huid dat over de ogen bewogen kan worden
  1. Augenlid
  2. Lid
verb
1. het van het land halen van het rijpe gewas
Ernte
verb
  1. 2. als reactie krijgen
    ernten
  2. 1. het volgroeide gewas van het veld halen
    1. ernten
    2. einheimsen
noun
  1. 1. een systeem om informatie te verzamelen
  2. 2. een landbouwmachine
Erntemaschine
noun
1. een deel van het oog dat de beeldinformatie doorgeeft aan de hersenen
Sehnerv
noun
1. vrouwelijk schaap
  1. Mutterschaf
  2. Zibbe
/'oɪ̯.bɔs/
noun
Auwald
noun
1. bepaald soort grote witte vogel met zwarte vleugelranden en rode poten, Ciconia ciconia
Storch
/oːɪt/
adverb
  1. 1. op een zeker tijdstip in het verleden
    1. einmal
    2. einst
    3. irgendwann
  2. 2. een mogelijk tijdstip in de toekomst
    1. je
    2. jemals
/oːk/
adverb
1. daarnaast; verder; tevens
auch
noun
1. broer of zwager van iemands vader of moeder
Onkel
/oːr/
noun
  1. 3. handvat waaraan je een stuk servies kunt optillen
    Henkel
  2. 1. het lichaamsdeel waarmee geluiden kunnen worden gehoord
    Ohr
noun
1. een ornament dat in of op het oor aangebracht wordt
Ohrring
/ort/
noun
1. een bepaalde plaats
  1. Ort
  2. Platz
  3. Stelle
  4. Stätte
noun
1. een mening, een opinie
Meinung
noun
Geizhals
noun
1. klein voorwerp om de gehoorgang te blokkeren zodat je niet door lawaai gehinderd wordt
  1. Ohrenstöpsel
  2. Ohropax
  3. Ohrstöpsel
  4. Gehörschutzpfropfen
/ˈɔːrkɔndə/
noun
1. rechtskrachtig door getuigen bevestigd bewijsstuk, stammend uit de middeleeuwen
Charta
noun
1. wetenschap die oorkonden typeert en beschrijft naar hun vorm
  1. Diplomatik
  2. Urkundenlehre
noun
1.het onderste deel van de oorschelp bestaande uit vetweefsel
Ohrläppchen
noun
1. een gewapende strijd tussen twee of meer bevolkingsgroepen en/of tussen twee of meer landen
Krieg
noun
Kriegsbeute
noun
Kriegshetzer
noun
1. iemand die met ernstige gebreken kampt door deelname aan een gewapend conflict...
Kriegsinvalide
noun
1. een daad in tijd van oorlog die het oorlogsrecht of -gebruik schendt
Kriegsverbrechen
/ 'orlɔxsmɪsdadəxər/
noun
1. iemand die een oorlogsmisdaad pleegt of heeft gepleegd en daarvoor individueel aansprakelijk gesteld...
  1. Kriegsverbrecher
  2. Kriegsverbrecherin
noun
Kriegsschiff
noun
Kriegswitwe
/ˈorɔntˌstekɪŋ/
noun
1. een ontsteking van het oor
  1. Ohrenentzündung
  2. ørebetennelse
/orsxɛlp/, /o̝rsχɛɫp/
noun
1. het uit het hoofd stekende deel van een oor
Ohrmuschel
noun
stroperige vloeistof in de gehoorgangen
Ohrenschmalz
noun
Ursprung
noun
1.1 gewone oorworm (Forficula auricularia)
Ohrwurm
noun
Ohrwurm
noun
Ursache
adverb
Ost
pronoun
Ost-Asien
pronoun
1.
  1. Ost-Berlin
  2. Ostberlin
pronoun
Ost-Europa
pronoun
Ostfriesland
/os.ˈti.mɔr/
pronoun
1. een land in Zuidoost-Azië, bestaande uit een gedeelte van het eiland Timor en de kleinere eilandjes Atauro en Jaco in het geheel
  1. Osttimor
  2. Timor-Leste
pronoun
Osttirol
adjective
1.Afkomstig van Oost-Vlaanderen
Ostflämisch
/ostˈflandərə(n)/
pronoun
1. Belgische provincie
Ostflandern
/ˈostə(n)/
noun
1. een van de windstreken, die op landkaarten overeenkomt met de rechterkant
  1. Osten
  2. Ost
/ˈostə(n)ˌrɛɪ̯k/, /ˈoːstə(n)ˌrɛɪ̯k/, /ˈoːstə(n)ˌrɛːk/
pronoun
1. een republiek in Midden-Europa grenzend aan Zwitserland en Liechtenstein in het westen, aan Duitsland...
Österreich
/ˈo.stə.ˌrɛɪ̯.kər/, /ˈo.stə.ˌrɛː.kər/, /ˈos.tə(n).ˌrɛɪ̯.kər/
noun
1. een inwoner van Oostenrijk of persoon die de Oostenrijkse nationaliteit bezit
  1. Österreicher
  2. Österreicherin
/'ostərˌems/
pronoun
1.
Osterems
pronoun
1. deel van het zuidoosten van België dat van het Duitse Keizerrijk verkregen is tijdens de Eerste Wereldoorlog en waar men Duits spreekt
  1. Ostbelgien
  2. Ostkantone
noun
1. oostelijke zeeoever
Ostküste
adverb
Ostnordost
pronoun
1. zee die tussen Zweden en de Baltische staten ligt
Ostsee
adverb
Ostsüdost
preposition
  1. op termijn
    irgendwann
  2. op korte termijn
    kurzfristig
verb
  1. 3. (van een ambassadeur) laten komen om een kritiek op beleid van zijn regering over te brengen
    herbeizitieren
  2. 1. laten komen om verantwoording af te leggen en vermaningen te krijgen
    1. sich vorknüpfen
    2. zur Verantwortung ziehen
noun
1. de vader van een ouder
  1. Opa
  2. Großvater
adjective
1. ondoorzichtig
opak
/o'pal/
noun
1. een halfedelsteen en een amorfe variëteit van kwarts, SiO₂·nH₂O, gehydrateerd siliciumdioxide met een waterpercentage van soms wel 20%
Opal
adjective
  1. Opalgrün
  2. opalgrün
/ˈɔˌbɛlə(n)/
verb
1. iemand telefonisch proberen te bereiken
anrufen
verb
1. op een veilige plaats wegdoen
  1. wegräumen
  2. wegschließen
verb
1. toegeven dat men iets kwaads gedaan heeft
  1. beichten
  2. zugeben
/'ɔp.bla.zə(n)/
verb
  1. 3. op overdreven manier beschrijven
    1. aufbauschen
    2. dramatisieren
    3. hochspielen
  2. 2. een gas in een uitzetbare ruimte pompen
    1. aufpumpen
    2. aufblasen
  3. 1. doen ontploffen
    sprengen
verb
1. het naar boven komen van gasbellen door een vloeistof
  1. aufbrodeln
  2. aufsprudeln
noun
1. het opbouwen
Aufbauarbeit
/ˈɔpbɑu(w)ə(n)/
verb
  1. 1. maken uit losse onderdelen
    1. aufbauen
    2. aufstellen
  2. 2. laten ontstaan
    1. aufbauen
    2. errichten
verb
2. de grond openen voor werkzaamheden
aufbrechen
/'ɔbrɛŋs/, /'ɔbrɛŋst/
noun
1. dat wat opgebracht wordt, de baat die men heeft van zijn activiteiten
Erlös
conjunction
damit
/ˈɔbdinə(n)/
verb
1. eten en drinken op tafel zetten
  1. servieren
  2. auftischen
  3. auftragen
verb
  1. op de huid aanbrengen
    auftragen
  2. verkrijgen
    1. auftreiben
    2. auftun
    3. ergattern
    4. sammeln
noun
1. een te verrichten werk
  1. Auftrag
  2. Aufgabe
/'ɔpdrɛɪvə(n)/
verb
1. iets naar boven toe doen bewegen
hochtreiben
adverb
1. snel en onverwachts
plötzlich
/ˈɔpɛːsə(n)/
verb
eisen dat iets of iemand waarop men recht heeft, wordt overgegeven
fordern
/ˈoː.pə(n)/
adverb
  1. open en bloot
    1. hüllenlos
    2. unverhüllt
  2. 1. niet gesloten
    1. offen
    2. auf
adjective
  1. Openbaar Ministerie
    Staatsanwaltschaft
  2. 1. vrij toegankelijk
    öffentlich
noun
1. openbaar toegankelijk personenvervoer
öffentlicher Verkehr
noun
  1. Veröffentlichung
  2. Bekanntmachung
verb
1. wat voorheen een geheim was algemeen bekend maken
  1. offenbaren
  2. offenlegen
noun
1. laatste boek van de Bijbel
Offenbarung
verb
  1. 1. laten beginnen, in bedrijf brengen
    1. eröffnen
    2. aufmachen
  2. 4. (informatica) een bestand inladen
    öffnen
    1. 2. ontsluiten, openmaken wat afsluit of wat gesloten is
    2. 3. openstellen, toegankelijk maken
    1. öffnen
    2. aufmachen
/ˈoː.pə(n).ɣaːn/
verb
1. zich openen
  1. sich öffnen
  2. aufgehen
/ˈopə(n)lək/
adjective
1. zonder te verbergen, in het openbaar
öffentlich
noun
1. buiten de deur, onder blote hemel
Freilicht-
verb
1. de sluiting van iets verbreken
öffnen
verb
1. (wettelijk) toegankelijk maken
öffnen
noun
1. een in hoofdzaak gezongen en orkestraal begeleid muziekdrama, gewoonlijk van ernstige aard
Oper
noun
1. een gebouw waarin opera's worden opgevoerd
Opernhaus
adjective
1. ...d.m.v. een operatie
operativ
noun
1. ruimte waar heelkundige bewerkingen uitgevoerd worden
Operationssaal
noun
1. iemand die opera's zingt
Opernsänger
verb
  1. 1. aan een chirurgische ingreep onderwerpen
    operieren
  2. 2. acties uitvoeren, optreden
    1. operieren
    2. arbeiten
noun
1.
Operette
noun
1. felgele delfstof, zwavelarsenicum (As₂S₃)
  1. Auripigment
  2. Rauschgelb
  3. Arsenblende
  4. Operment
verb
2. iets er beter uit doen zien
verschönern
/ˈɔpɣavə/
noun
Aufgabe
verb
1. alles gebruiken tot het op is
  1. aufbrauchen
  2. verbrauchen
adjective
1. opgewonden, nerveus en agressief en dus vervelend
hektisch
adverb
1. geïsoleerd van de buitenwereld
verhaftet
noun
1. enthousiaste stemming, houding, instelling
Begeisterung
verb
1. de strijd staken en zich gewonnen geven
aufgeben
noun
1.
Ausgrabung
verb
1.de tijd tot de volwassenheid doorbrengen
  1. aufwachsen
  2. heranwachsen
verb
  1. 1. een voorwerp of persoon bij iets/iemand vandaan halen
    abholen
  2. 5. een bestand van een computer of server naar een andere computer of server overbrengen
    1. herunterladen
    2. überspielen
    3. übertragen
/'ɔpɦɑŋə(n)/
verb
  1. 1. iets in een hangende positie bevestigen
    aufhängen
  2. 2. een telefoongesprek beëindigen
    1. aufhängen
    2. auflegen
  3. 3. aan de galg opknopen
    1. hängen
    2. aufhängen
    3. henken
    4. aufknüpfen
    5. erhängen
noun
1. lawaai, onrust, ophef, tumult, geraas, spektakel
  1. Aufheben
  2. Aufruhr
  3. Aufstand
  4. Trara
/'ɔpɦɛfə(n)/
verb
2. een instelling of regel ongedaan maken
  1. abschaffen
  2. aufheben
noun
  1. 1. het optillen
    1. Aufheben
    2. Aufhebung
  2. 2, 3.
    Aufhebung
verb
1. duidelijkheid scheppen in iets
  1. aufklären
  2. erklären
  3. erläutern
noun
1. verduidelijking
Erläuterung
verb
1. kwaad en opgewonden maken
  1. aufhetzen
  2. aufstacheln
noun
1. wettelijke verplichting om pluimvee in het hok te houden
  1. Stallhaltungspflicht
  2. Stallpflicht
verb
1. op elkaar stapelen
  1. anhäufen
  2. aufhäufen
verb
2. een activiteit beëindigen
aufhören
noun
1. een mening of oordeel
Meinung
noun
1. onderzoek naar de mening van...
Meinungsumfrage
noun
1. een steekproefsgewijs onderzoek naar de mening van de bevolking
  1. Meinungsumfrage
  2. Meinungsforschung
noun
1. het ingedroogde melksap van de opiumpapaver of slaapbol (Papaver somniferum), een pijnstillend, verdovend en verslavend middel
Opium
/'ɔpklarə(n)/
verb
1. het ontstaan van open plekken in wat een gesloten wolkendek was
aufklaren
noun
1. het wegtrekken van de bewolking
Aufklärung
/ˈɔpklɪmə(n)/
verb
1. een hoger punt trachten te bereiken
  1. erklimmen
  2. heraufklettern
  3. hinaufklettern
  4. hochsteigen
verb
2.verbeteringen aanbrengen
herrichten
noun
  1. 3. het boven de horizon verschijnen van een hemellichaam
    Aufgang
  2. 1. de toename in belang van een staat, stand, technologie of organisatie
    Aufstieg
  3. 2. de mate waarin de kiesgerechtigden gebruik maken van hun stemrecht in een verkiezing
    Wahlbeteiligung
verb
1. in zijn geheel kopen van een verzameling artikelen
aufkaufen
verb
1. niet uiten (en dus binnenhouden) van gevoelens zoals woede
  1. hinunterschlucken
  2. verschlucken
/ˈɔp.la.jə(n)/
verb
  1. 1. plotseling heviger gaan branden
  2. 2. plotseling in brand vliegen
  3. 3. plotseling hevig de kop opsteken
auflodern
verb
  1. 1. een materiële lading op iets aanbrengen
  2. 2. een elektrische lading op iets aanbrengen
laden
noun
1. totaal aantal afdrukken van een drukwerk dat in één keer wordt vervaardigd
  1. Auflage
  2. Auflagenhöhe
verb
1. kennis en vaardigheid bijbrengen
ausbilden
noun
Ausbildung
verb
1. bij voortduring aandachtig zijn
aufpassen
verb
1. weer tot bloei komen
aufleben
verb
1. uiteindelijk als resultaat geven
verursachen
verb
  1. 1. van de bodem opheffen
    aufheben
  2. 3. helder worden, meer licht gaan geven
    1. aufhellen
    2. aufleuchten
    3. ausbleichen
    4. lüften
    5. lüpfen
  3. 2. met bedrog iemand geld afhandig maken
    1. beschwindeln
    2. betrügen
    3. prellen
noun
1. een mannelijk persoon die oplicht
  1. Hochstapler
  2. Gauner
noun
1. bedrog waarbij men iemand geld of goed afhandig weet te maken
  1. Betrug
  2. Schwindel
noun
1. bedrog waarbij men iemand geld of goed afhandig weet te maken
  1. Betrug
  2. Schwindel
adjective
  1. 1. het vermogen bezittend opgelost te worden
    lösbar
  2. 2. scheikunde: het vermogen bezittend in oplossing te gaan
    löslich
noun
1. de hoeveelheid van een stof die maximaal in een gegeven hoeveelheid oplosmiddel oplost
Löslichkeit
noun
  1. 1. een mengsel
  2. 2. een manier om van een probleem af te komen
Lösung
noun
1.het gevoel bevrijd te zijn van iets dat dreigde
Erleichterung
noun
  1. Auftakt
  2. Anakrusis
adjective
1. bijzonder genoeg om opgemerkt te worden
bemerkenswert
noun
1. een uiting van een gedachte
Bemerkung
adjective
1.
aufmerksam
verb
1. opvrolijken, animeren
aufmuntern
noun
1. een ruimte die speciaal geschikt is gemaakt om muziek op te nemen
Tonstudio
/ˈɔpniu/
adverb
1. nog een keer, een vorige gebeurtenis herhalend
  1. wieder
  2. erneut
  3. aufs Neue
verb
  1. 4./5. zich opofferen
    opfern
  2. 1./2./3. bij noodzaak moeten gebruiken, laten doden of bewust prijsgeven
    1. opfern
    2. aufopfern
verb
  1. 2. gaan uitvoeren
    1. anpacken
    2. ausführen
  2. 3. iemand gevangen nemen
    1. aufgreifen
    2. festnehmen
  3. 1. pakken en oprapen
    1. aufheben
    2. aufnehmen
verb
  1. 2. bij de kinderen blijven en op ze letten
    1. achtgeben
    2. aufpassen
    3. hüten
  2. 1. opletten dat er niet iets ergs gebeurt
    aufpassen
pronoun
1. deelstaat van Oostenrijk
Oberösterreich
noun
1. bot in de bovenarm
Oberarmknocken
verb
1. iets voorstellen
  1. suggerieren
  2. vorschlagen
noun
1. leider van een stam
Oberhaupt
pronoun
1. een Westslavische taal die in het gebied Opper-Lausitz in het oosten van Duitsland gesproken wordt
Obersorbisch
/ɔpər'vlɑkəx/
adjective
  1. 1. niet diepgaand of niet grondig
  2. 2. zich aan de oppervlakte bevindend
oberflächlich
noun
Oberflächenwasser
verb
1. met genoegen opeten
  1. aufknabbern
  2. verputzen
  3. verspeisen
/ˌɔpoˈzitsi/
noun
2. mensen en partijen die niet tot de regeringspartijen horen
Opposition
verb
1. het vuur feller doen branden door erin te poken
anschüren
verb
1.
  1. aufheben
  2. aufnehmen
verb
  1. 1. in verticale stand brengen
    aufrichten
  2. 2. een instelling in het leven roepen
    1. gründen
    2. errichten
verb
1. in de hoogte stijgen, stijgend verschijnen
aufgehen
verb
  1. 1. doen verschijnen
    aufrufen
  2. 2. (gevoelens) veroorzaken
    hervorrufen
noun
Aufruhr
/ˈɔprɔlə(n)/
verb
    1. 1. zich ~, tot een rol vormen
    2. 2. ergens een rol van maken
    aufrollen
  1. 3. een (semi-)georganiseerde groep arresteren
    1. hochgehen lassen
    2. hochnehmen
verb
1. kwaad en opgewonden maken
  1. aufhetzen
  2. aufstacheln
verb
  1. 3. iets in orde brengen, netjes maken
    aufräumen
  2. 2. iets uitverkopen
    ausverkaufen
  3. 1. iets uit de weg ruimen
    wegräumen
noun
1. een lange, grote en diepe lepel
  1. Schöpflöffel
  2. Kelle
verb
  1. 2. aangedikte beweringen doen
    1. angeben
    2. aufschneiden
  2. 1. voedsel uit een schaal of pan op een bord doen
    auftragen
noun
1. iemand die vaak opschept tot ergernis van anderen
  1. Angeber
  2. Aufschneider
verb
1. haast maken
(sich) beeilen
verb
schuddend ordenen
aufschütteln
/'ɔpsxɵdɪŋ/
noun
1. een reactie van schok, verbazing of afkeer op een daad of gebeurtenis
  1. Aufregung
  2. Wirbel
/ˈɔpslan/
verb
5. informatica: vastleggen of bewaren van gegevens
speichern
noun
Lagerraum
verb
1. in zich opnemen
absorbieren
verb
1.
einschließen
noun
  1. Aufzählung
  2. Enumeration
verb
1. in de hoogte springen
aufspringen
verb
  1. 3. (koken) op het vuur staan
    1. aufgesetzt sein
    2. aufgestellt sein
    1. 1. gaan staan
    2. 2. het bed verlaten
    aufstehen
/ˈɔpstɑnt/
noun
1. een massale, vaak gewelddadige, poging het heersende gezag af te schudden
Aufstand
noun
1. iemand die zich gewapenderhand verzet tegen het heersende gezag
  1. Aufständische
  2. Aufständischer
noun
1. verrijzenis
Auferstehung
verb
aufstarten
/ˈɔpstɛːɣə(n)/, /ˈɔpstɛːɪχə(n)/
verb
  1. 1. in de lucht stijgen
  2. 2. te paard stijgen
aufsteigen
verb
1. met de post verzenden
  1. verschicken
  2. senden
  3. absenden
  4. versenden
verb
1. bij elkaar tellen; het samenvoegen van twee of meer termen tot een totaal, de som genoemd
  1. addieren
  2. zusammenzählen
noun
1. het samenvoegen van een of meer termen tot een totaal, de som
Addition
noun
Optik
noun
1. iemand die kundig is in de optica
Optiker
verb
  1. sich verficken
  2. sich verpissen
noun
4
Annaeherungsart
verb
1. met spierkracht iets van de grond opheffen
  1. aufheben
  2. heben
verb
optimieren
noun
1. iemand die alles van de positieve kant beschouwt
Optimist
noun
1. een vrouwelijk iemand die alles van de positieve kant beschouwt
Optimistin
noun
Umzug
noun
Optometrie
/ˈɔp.tre.də(n)/
noun
1. een kunstzinnig verschijnen voor een publiek
Auftritt
/ˈɔp.tre.də(n)/
verb
1. voor een publiek bepaalde handelingen verrichten, bijvoorbeeld in kunstzinnige zin
  1. spielen
  2. aufführen
verb
1.
  1. sich verficken
  2. sich verpissen
/'ɔpfɑlə(n)/
verb
1.
auffallen
adverb
1. op een opvallende manier
Auffälligerweise
noun
Auffassung
noun
1. het proces waarin iemand wordt gevormd naar de normen van diens opvoeders, en daarmee meestal de samenleving waarin hij leeft
  1. Erziehung
  2. Bildung
verb
  1. 1. uitvoeren wat een ander aangeraden of bevolen heeft
    befolgen
  2. 2. iemands functie overnemen
    nachfolgen
noun
1. iemand die een ambt bekleedt na iemand anders
Nachfolger
verb
1. opmonteren, animeren
aufmuntern
noun
  1. 2. het proces van temperatuursverhoging
    1. Erderwärmung
    2. Erwärmung
  2. 1. het doen stijgen van de temperatuur
    Erhitzung
verb
  1. 1. opmonteren, animeren
    1. ermutigen
    2. ermuntern
  2. 2. doen ontstaan
    1. erregen
    2. erwecken
noun
1. innerlijke drang
  1. Antrieb
  2. Trieb
verb
  1. 4. zich ~ over: iets doen dat tot emotionele spanning leidt
    aufregen
  2. 1. rond een as of klos wikkelen
    aufwickeln
  3. 2. draaiend onder spanning zetten
    aufziehen
verb
1. door wrijven glanzend maken
aufpolieren
verb
  1. 2. iets wat men uit het hoofd geleerd heeft laten horen
    aufsagen
  2. 1. mededelen dat men een eerdere overeenkomst beëindigt
    kündigen
verb
  1. verschicken
  2. absenden
  3. senden
noun
2. het onderdeel zijn van een zo gewenst plan
Absicht
adverb
1. bewust op deze manier
  1. absichtlich
  2. vorsätzlich
noun
1. iemand die toezicht houdt
Aufseher
verb
  1. 2. iets met angst en vrees bekijken
  2. 1. in hoog aanzien hebben, van hogere status achten
fürchten
/ɔpˈsɛi/
adverb
beiseite
/'ɔpsʋɛlə(n)/
verb
1. in volume toenemen
  1. anschwellen
  2. aufbauschen
  3. aufquellen
noun
1. mensaap met lange armen en roodbruinachtig haar
Orang-Utan
pronoun
1.
Oranienburg
adjective
1. de kleur oranje hebbend
  1. orange
  2. Orange
pronoun
Oranje-Freistaat
adjective
  1. Orangebraun
  2. orangebraun
pronoun
1. en 2.
Oranjemund
/ɔˈratɔr/
noun
1. redenaar
Redner
noun
1. plant van de talrijke orchideeënfamilie, m.n. benaming voor de kleurrijke bloemen
Orchidee
noun
  1. 2. aanduiding om de grootte van een getal mee uit te drukken, uitgedrukt als de exponent van de dichtstbijzijnde macht van 10
  2. 1. ruwe indicatie van de omvang, met weinig precisie aangeduide hoeveelheid
Größenordnung
adjective
ordentlich
noun
  1. 2. verplicht uit te voeren opdracht zonder enige tegenspraak
    1. Befehl
    2. Anweisung
  2. 1. een verzoek om diensten of goederen te leveren
    Bestellung
adjective
ordinär
noun
  1. 2. keukenkruid
  2. 1. Origanum vulgare
Oregano
noun
  1. 1. Onderdeel van het organisme
  2. 2. Communicatiemiddel
Organ
noun
  1. Organelle
  2. Organell
/ˌɔrɣɑniˈzasi/, /ˌɔrχɑniˈzaʦi/
noun
  1. 3. een groep die een bepaald doel of of bepaalde rol heeft
  2. 1. het organiseren
  3. 2. de manier waarop iets georganiseerd is
Organisation
pronoun
Organisation für wirtschaftliche Zusammenarbeit und Entwicklung
pronoun
Organisation für Sicherheit und Zusammenarbeit in Europa
noun
1. een adviseur van het bedrijfsleven, de overheid en andere organisaties in beleidsmatige en organisatorische vraagstukken
Unternehmensberater
noun
1. de tak van wetenschap die het samenspel in organisaties en hun relatie met hun omgeving bestudeert
Organisationsforschung
noun
1. iemand die organiseert of die organisatietalent heeft
  1. Organisator
  2. Veranstalter
adjective
1.wat de organisatie betreft
organisatorisch
/ɔr.ˈɣa.nɪs/, /ɔr.ˈχa.nɪs/
adjective
  1. 1. met betrekking tot een orgaan of de organen
  2. 2. koolstof bevattend
organisch
/ˌɔrɣɑniˈzeːrə(n)/, /ˌɔrχɑniˈzɪːrə(n)/
verb
  1. 1. een bepaalde structuur aanbrengen
  2. 2. iets, vaak een evenement, tot stand brengen
organisieren
noun
1. een afzonderlijk en volledig levend wezen dat voor zijn voortbestaan afhankelijk is van zijn eigen metabolisme en bestaat uit verschillende organen
  1. Organismus
  2. Lebewesen
/orɣa'nɪst/
noun
1. musicus die zich toelegt op het bespelen van het orgel
  1. Organist
  2. Kantor
  3. Orgelspieler
/ɔr.ˈɣaː.no.ɣe.ˌneːzə/
noun
1. het zich ontwikkelen van organen uit enkele typen weefsel
Organogenese
noun
1. diagram dat laat zien hoe taken en zeggenschap in een bedrijf of ander samenwerkingsverband zijn verdeeld
Organigramm
/ˈɔrɣəɫ/
noun
1. een muziekinstrument dat bestaat uit meerdere losse pijpen waardoor lucht stroomt op een labium en dat ingedeeld wordt bij de aerofonen
Orgel
/ˈɔrxi/
noun
Orgie
pronoun
2. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Orion
pronoun
1. de officiële taal van de Indiase staat Orissa
Oriya
adjective
  1. Orientrot
  2. orientrot
/ˈɔr.ka/
noun
1. Orcinus orca, een walvissoort die vrij gedrongen van bouw is...
Schwertwal
noun
1. een bijzonder hevige storm
  1. Hurrikan
  2. Taifun
  3. Zyklon
  4. tropischer Wirbelsturm
/ɔrˈkɛst/
noun
1. een groep musici
Orchester
noun
1. orkesthoorn
Waldhorn
adjective
ornamental
noun
  1. Vogelkunde
  2. Ornithologie
noun
1. de tandheelkunde die gericht is op de vorming van een regelmatig gebit
Kieferorthopädie
noun
1. een tandarts-specialist die de vorm, groei en ontwikkeling van het gebit en de kaken bestudeert
Kieferorthopäde
/ɔrtoˈdɔks/
adjective
  1. 2. star vasthoudend aan bepaalde opvattingen of gewoontes die algemeen zijn aanvaard
    orthodox
  2. 1. star vasthoudend aan een bepaald geloof
    1. orthodox
    2. strenggläubig
/ɔrtodɔk'si/
noun
Orthodoxie
adjective
1. rechthoekig
rechtwinklig
noun
Orthopäde
noun
Orthopäde
noun
1. gecastreerde stier
Ochse
noun
1. oscillatie
Oszillation
noun
1. oscillator
Oszillator
verb
1. oscilleren
oszillieren
pronoun
  1. 1. de hoofdstad en grootste stad van Noorwegen en is gelegen in het zuidoosten van het land
  2. 2. een provincie in Noorwegen
Oslo
noun
1. Chemisch element
Osmium
noun
Ochsenschwanzsuppe
pronoun
1. een taal uit de centrale Kaukasus
Ossetisch
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Osterburken
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Ostfildern
pronoun
1. de hoofdstad van Canada
Ottawa
noun
1.1 bepaald soort zoogdier Lutra lutra
  1. Fischotter
  2. Otter
pronoun
2. spelwoord voor de letter o
Otto
noun
1. verbrandingsmotor waarbij de menging van de brandstof met de lucht plaatsvindt vóór de compressie
Ottomotor
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Saarland
Ottweiler
adjective
1. grappig, koddig
drollig
/aʊ̯d/, /ɔʊ̯t/, /ʌʊ̯t/
adjective
  1. 2. oud ding, concept
  2. 1. oud mens, dier
  3. 3. vorige
alt
adjective
1.
altbacken
noun
1. reeks boeken in de christelijke Bijbel die zijn ontleend aan de joodse Tenach
Altes Testament
pronoun
1. het Engels zoals dat tussen ca. 400 en 1100 werd gesproken en dat wordt gezien als de rechtstreekse voorloper van het Middelengels en nog later het moderne Engels
  1. Altenglisch
  2. Angelsächsisch
/ˈaʊ̯.dər/, /ˈɔʊ̯.dər/, /ˈʌʊ̯.dər/
noun
1. de moeder of vader van een kind
  1. Elter
  2. Elternteil
noun
1. het huis waarin iemand is opgegroeid
Elternhaus
/ˈaʊ̯.dərs/, /ˈɔʊ̯.dərs/, /ˈʌʊ̯.dərs/
noun
1. meervoud van het zelfstandig naamwoord ouder
Eltern
adjective
1. niet langer gebruikt of in de mode
altmodisch
noun
1. periode van eind september tot half november waarin het nog zomerachtig weer kan zijn
Altweibersommer
pronoun
1. uitgestorven Westgermaanse taal der Franken uit de 4e tot de 8e eeuw
Altfränkisch
pronoun
1. het Frans zoals dat in het noorden van Frankrijk gesproken werd van de 10e tot de 14e eeuw
Altfranzösisch
pronoun
1. een nu dode taal die werd gesproken in Griekenland
Altgriechisch
/ɑʊ̭tɦɛɪ̭t/
noun
1. het tijdperk van de geschiedenis vóór de middeleeuwen
  1. Altertum
  2. Antike
noun
Archäologe
pronoun
1. de voorloper van het huidige Duits in de periode 700-1050
Althochdeutsch
noun
Silvester
/ˈɑʊ̯t.kɛrk/, /ˈɔʊ̯t.kɛrk/
pronoun
1. een dorp in de provincie Friesland
  1. Aldtsjerk
  2. Oudkerk
pronoun
1. de Slavische taal die rond de negende eeuw rond Thessaloniki gesproken werd
Altkirchenslawisch
pronoun
1. een West-Germaanse taal die gesproken werd tussen ongeveer 800 en 1150 in delen van Nederland, België, Frankrijk en Duitsland en die de voorloper was van het Middelnederlands en vervolgens het huidige Nederlands.
Altniederländisch
pronoun
1. een taal die de voorganger van de Scandinavische talen was
Altnordisch
pronoun
1. een taal die de voorloper van het Noors was
Altnorwegisch
/'ʌʊtom/
noun
1.
Großonkel
adjective
  1. Altrosa
  2. altrosa
/ɑutˈsɑksis/
pronoun
1. de voorloper van het huidige Nedersaksisch in de periode 650-1100
Altsächsisch
pronoun
1. taal die vanaf de 10e tot in de 15e eeuw werd gesproken door de bewoners van Castilië
Altspanisch
/'ʌʊtɑntə/
noun
1.
Großtante
noun
1. een meestal instrumentaal muziekstuk dat als opening fungeert van een opera of operette
Ouvertüre
noun
  1. Knacker
  2. alter
noun
1. bekende Griekse alcoholische drank
Ouzo
/ovə/
noun
1. besloten ruimte die verhit wordt om er voorwerpen in te smelten, te bakken enz.
  1. Ofen
  2. Backofen
noun
1. een persoon die ovens, haarden en gelijkaardige stookplaatsen alsmede rookkanalen ontwerpt en bouwt...
  1. Hafner
  2. Hafnerin
  3. Ofenbauer
  4. Ofenbauerin
  5. Ofensetzer
noun
1.
Ofentür
noun
1. paal waarmee brood in en uit de oven gehaald wordt
  1. Brotschieber
  2. Ofenschaufel
  3. Ofenschieber
noun
1. een persoon die ovens, haarden en gelijkaardige stookplaatsen alsmede rookkanalen plaatst en installeert
  1. Ofensetzer
  2. Ofensetzerin
noun
1. (huishouden) ovenvaste schaal waarin gerechten worden bereid of verwarmd
Auflaufform
preposition
6. meer dan
über
adverb
1.
überall
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Overath
noun
1. toestand waarbij een ruimte, gebied of land zo dichtbevolkt is dat het problemen geeft
Übervölkerung
verb
1. overhouden
bleiben
verb
  1. 1. naar een andere rekening overzetten
    umbuchen
  2. 2. meer dan eenmaal verhuren
    überbuchen
noun
Nachbar von gegenüber
/ˌovərˈdɑx/
adverb
1. tijdens de uren van de dag
tagsüber
verb
1. opnieuw doen
  1. wiederholen
  2. aufs Neue machen
verb
1. verbluffen
verblüffen
noun
Überdosis
verb
1.
übertragen
adjective
1. buiten proportie weergegeven
übertrieben
verb
1. de feiten groter, kleiner, mooier of slechter voorstellen dan ze zijn
  1. übertreiben
  2. aufbauschen
adverb
1.
quer
verb
2. tot een bindende afspraak komen
  1. absprechen
  2. übereinkommen
noun
  1. 2. een bindende afspraak waarmee alle partijen instemmen
    1. Vertrag
    2. Abkommen
    3. Übereinkommen
    4. Übereinkunft
  2. 1. een eigenschap die hetzelfde is
    1. Ähnlichkeit
    2. Übereinstimmung
verb
1. gelijkenis vertonen
entsprechen
verb
  1. 7. eroverheen gaan
    1. benutzen
    2. überschreiten
  2. 8. een belsignaal laten klinken
    klingeln
  3. 2. iets anders gaan gebruiken
    1. umstellen
    2. übergehen
  4. 6. minder worden en uiteindelijk weggaan
    verschwinden
    1. 1. van de ene toestand in de andere veranderen
    2. 3. veranderen in
    3. 4. van eigenaar veranderen
    übergehen
noun
1. de naam voor elk element uit het D-blok van het periodiek systeem der elementen
Übergangsmetall
noun
Übergangspunkt
/ˌovərˈɣɑŋkələk/
adjective
1. (van een werkwoord) een lijdend voorwerp bezittend waarop de werking van het werkwoord overgedragen wordt
transitiv
/'ovərɣavə/
noun
  1. 2. een volledige toewijding
    Hingabe
  2. 1. het opgeven van de strijd en zich aan de wijand onderwerpen
    Kapitulation
verb
  1. 1. braken
    1. erbrechen
    2. sich übergeben
  2. 2. capituleren
    1. kapitulieren
    2. sich ergeben
noun
1. te groot lichaamsgewicht
Fettsucht
noun
1. moeder van de grootvader of van de grootmoeder
  1. Urgroßmutter
  2. Urgrossmutter
/ˈovərɣrotˌvadər/
noun
1. een vader van een grootouder
  1. Urgroßvater
  2. Urgrossvater
verb
1. iemand zo ver proberen te krijgen ergens in mee te gaan
  1. überreden
  2. rumkriegen
noun
Oberhand
verb
1. in de handen van een ander geven
  1. aushändigen
  2. übergeben
adverb
  1. darüber
  2. hinweg
  3. über
verb
1. de macht uitoefenen over een ander volk
beherrschen
/ˈovərɦɛit/
noun
1. het geheel aan gezagvoerende lichamen
  1. Regierung
  2. Behörden
  3. Obrigkeit
noun
Staatsbetrieb
noun
1. bemoeienis door de overheid
  1. Einmischung des Staates
  2. staatliche Einmischung
/ˈovərˌɦɛmt/
noun
Oberhemd
adverb
  1. 1. wanorde
    durch einander sein
  2. 2. ruzie
    verfeindet sein
verb
1. op heftige wijze voorwerpen door elkaar smijten
durcheinanderwerfen
verb
  1. 2. de rust verstoren met pijnlijke kwesties
    anschüren
  2. 1. in wanorde brengen
    durcheinander bringen
verb
  1. 1. wanordelijk dooreen liggen
    durcheinander sein
  2. 2. onderling verdeeld zijn
    verfeindet sein
verb
1. op heftige wijze tegen iemand opbotsen
anprallen
verb
1. op onbezonnen wijze iemand neerschieten
niederknallen
verb
1. op heftige wijze voorwerpen door elkaar gooien
durcheinanderwerfen
verb
1. op onbezonnen wijze iemand neersteken
niederstecken
/ˌovərˈhorə(n)/, /ˌovərˈho̝rə(n)/
verb
1. nagaan of iemand bepaalde kennis in voldoende mate tot zich genomen heeft door het stellen van vragen over deze kennis
überprüfen
/ˌovərˈhorɪŋ/, /ˌovərˈho̝rɪŋ/
noun
1. het nagaan of iemand bepaalde kennis in voldoende mate tot zich genomen heeft door het stellen van vragen over deze kennis
Abfragen
adjective
1. overblijvende
  1. sonstig
  2. übrig
/ˌovəˈrɛɪ̯sɔɫ/, /ˌovəˈrɛɪ̯səl/, /ˌovəˈrɛːsəɫ/
pronoun
1. provincie in het oosten van Nederland
Overijssel
verb
1. andere kant bereiken
ankommen
noun
1. stuw
Wehr
/ˈo.vər.ˌlɑs/, /ˈo.vər.ˌlɑst/
noun
1. hinder op een onacceptabel niveau
Belästigung
adjective
1. gestorven, doodgegaan
verstorben
/ovərˈlɛx/
noun
1. beraad, beraadslaging
  1. Rücksprache
  2. Überlegung
verb
1. gezamenlijk bespreken
  1. beraten
  2. überlegen
noun
1. organisatie waarbij verschillende partijen op een regelmatige basis met elkaar overleggen, onderhandelen en informatie uitwisselen
  1. Beratungsorgan
  2. beratendes Organ
/ˌovərˈlevə(n)/
verb
1. in leven blijven ondanks levensbedreigende omstandigheden of gebeurtenissen
überleben
noun
1. iemand die een levensbedreigende situatie overleefd heeft
Überlebende
verb
1. ophouden met leven
sterben
noun
1. een verklaring die wordt afgegeven door een arts, en waarmee deze verklaart dat een bepaalde persoon is overleden
Totenschein
noun
1. een hevel aangebracht aan de zijde van een vat dat geleidelijk gevuld wordt, waardoor het vat leegloopt wanneer een bepaald peil bereikt is
Abflussheber
verb
  1. 2. in de strijd van zijde wisselen
    1. überlaufen
    2. Seite wechseln
  2. 1. tot boven de rand van een vat of dijk gevuld raken
    1. überlaufen
    2. übergehen
  3. 1.
    überlaufen
verb
  1. 1. opnieuw maken
    aufs Neue machen
  2. 2. laten overschrijven
    überweisen
adjective
  1. 1. buitensporig
    exzessiv
  2. 2. een halve toon groter dan een rein of groot interval
    übermäßig
phraseologicalUnit
1. een interval van een octaaf plus een halve toon
übermäßige Oktave
phraseologicalUnit
1. een interval van een kwart plus een halve toon
übermäßige Quarte
phraseologicalUnit
1. een interval van een kwint plus een halve toon
übermäßige Quinte
phraseologicalUnit
1. een interval van een prime plus een halve toon
übermäßige Prime
phraseologicalUnit
1. een interval van een grote seconde plus nog een halve toon
übermäßige Sekunde
phraseologicalUnit
1. een interval van een grote seconde plus nog een halve toon
übermäßige Sekunde
phraseologicalUnit
1. een interval van een grote septiem plus een halve toon
übermäßige Septime
phraseologicalUnit
1. een interval van een grote sext plus een halve toon
übermäßige Sexte
phraseologicalUnit
1. een interval van een grote terts plus nog een halve toon
übermäßige Terz
conjunction
1. omdat of aangezien, geeft onderschikkend een reden aan
weil
adverb
  1. Übermorgen
  2. übermorgen
verb
1. ergens de nacht doorbrengen
übernachten
verb
  1. 1., 2.
  2. 3. opvolgen van advies
übernehmen
noun
Überproduktion
verb
1. met de wielen van een voertuig over iets of iemand heen rijden
überfahren
verb
1. iets groter of van groter belang inschatten dan het in werkelijkheid blijkt
  1. überschätzen
  2. überbewerten
noun
Überziegschuh
/ˈo.vər.sxɔt/
noun
1. wat er overblijft, de rest
  1. Überschuss
  2. Rest
  3. Restbestand
verb
1. de overzijde van een grens betreden
überschreiten
noun
Überweisung
/ˌovərˈspɑnə(n)/
adjective
  1. 1. ziek door een te zware belasting op geestelijk vlak
    überanstrengt
  2. 2. (handel) overbelast, te actief
    überfordert
/ˌovərˈspɑnə(n)/
verb
  1. 2. ergens overheen spannen
  2. 1. te sterk gespannen
überspannen
noun
1. seks hebben met een ander dan de echtgenoot of vaste partner
  1. Ehebruch
  2. Fremdgehen
/ˌovərˈstɑx/
adverb
overstag gaan
wenden
noun
  1. 3. trapje, laddertje om over een heining te komen
    1. Mauertritt
    2. Zauntritt
  2. 2. verandering van vervoermiddel
    Umsteigen
verb
1. doorkruisen om de overzijde te bereiken
überqueren
verb
1. overladen met allerlei zaken
  1. überladen
  2. überschwemmen
/ˌovərˈstromɪŋ/
noun
1. het binnenlopen van water in doorgaans droog gebied
  1. Hochwasser
  2. Überschwemmung
adjective
1. wat in te ruime mate aanwezig is
überflüssig
verb
1. bepaalde denkbeeldige of daadwerkelijke lijnen te buiten gaan
übertreten
noun
1. een relatief licht strafbaar feit
  1. Verstoß
  2. Übertretung
verb
1.een voorheen behaald niveau te boven gaan
übertreffen
verb
1. een denkbeeld doen aanvaarden
überzeugen
adjective
überzeugend
noun
1. sterke mening of geloof
Überzeugung
verb
  1. 1. bij verrassing iemand belagen of overweldigen
  2. 2. bij verrassing een pand aanvallen (om bijv. te beroven
  3. 3. zodanig verassen en verbazen dat je er niet direct een antwoord op hebt
überfallen
noun
Überhitzung
/ˈovərˌvliɣə(n)/, /ˈovərˌvliχə(n)/
verb
    1. 1. ergens overheen vliegen
    2. 2. van de ene afdeling naar de volgende gaan, bijvoorbeeld bij scouting
    fliegen über
  1. 3. iets met een vliegtuig ergens brengen
    hinüberfliegen
/ovərˈvluːdəx/, /ovərˈvluːdəç/
adjective
1. in ruime hoeveelheid aanwezig
  1. reichlich
  2. üppig
adjective
1. meer dan vol, te vol
  1. rappelvoll
  2. übervoll
/'ovərʋɛx/, /ovər'ʋɛx/
noun
1. een kruising van een weg met een spoorbaan
Bahnübergang
/ovər'ʋeɣən/, /ˈovərʋeɣən/
verb
de voor- en nadelen bezien alvorens een beslissing te nemen
erwägen
noun
Übergewicht
noun
Sieg
verb
1. woekerend bedekken
überwuchern
verb
    1. 3. zie vertalen
    2. 1. van de ene kant naar de andere brengen
    übersetzen
  1. 2. van het ene systeem naar het andere systeem brengen
    übertragen
noun
  1. 1. toestand dat je het geheel kunt duidelijk overzien
    Überblick
  2. 2. samenvatting van de inhoud, beschrijving in hoofdlijnen
    1. Übersicht
    2. Zusammenfassung
adjective
1. door een goed overzicht kunnen de omvang, de gevolgen etc. eenvoudig worden ingeschat
überschaubar
noun
1. het gereedkomen van een eicel uit de eierstok.
  1. Ovulation
  2. Eisprung
pronoun
Oxford
noun
Oxidation
noun
Oxid
adjective
  1. Oxidrot
  2. oxidrot
noun
1. (scheik.) een vorm van zuurstof met drie zuurstofatomen inplaats van twee
Ozon
/ozɔnlax/
noun
1. laag in de atmosfeer die veel ozon bevat
Ozonschicht
/ˌooˈsit/
noun
1. een eicel voordat het eerste poollichaampje gevormd wordt
Oozyt
/pa:/
noun
1. vader
Papa
/pajə(n)/
verb
1. het leggen en bevruchten van eieren door vissen
laichen
noun
1. tijd van het jaar dat vissen zich voortplanten
Laichzeit
noun
  1. 2. (informeel) een penis in erectie
    1. Latte
    2. Stange
    1. 4. (heraldiek) een loodrechte band midden over een wapenschild
    2. 1. een langwerpig stuk materiaal dat in de grond staat
    Pfahl
  2. 3. een doelpaal
    Pfosten
noun
1. een dorp dat uit paalwoningen bestaat
Pfahldorf
noun
1. constructie om afkalving van oever tegen te gaan
Pfahlbuhne
noun
Pfahlbau
noun
1. in zee levend weekdier dat zich in hout boort, Teredo navalis
Schiffsbohrwurm
/paːr/
indefinitePronoun
1. meerdere, maar niet heel veel
ein paar
/paːr/
noun
  1. 1. twee van een soort die bij elkaar horen
  2. 2. twee geliefden die een relatie hebben
Paar
/paːrt/
noun
  1. 6. touw onder een ra om op te staan
    Fußpeerd
  2. 1. tam hoefdier met manen
    1. Pferd
    2. Springer
  3. 2. turntoestel
    1. Seitpferd
    2. Pauschenpferd
  4. 3. schaakstuk
    1. Springer
    2. Pferd
noun
  1. 1. en 2. (bladeren of bloemen van) plant Taraxacum officinale
    1. Löwenzahn
    2. Pusteblume
  2. 1. samengesteldbloemige plant Taraxacum officinale
    gewöhnlicher Löwenzahn
noun
Ackerbohne
/'pardə(n)krɑxt/
abbreviation
maat voor arbeidsvermogen
  1. Pferdestärke
  2. PS
noun
1. een zeer zwaar middel
  1. Radikalkur
  2. Rosskur
/ˈpardəmolə/
noun
1. een ronddraaiende attractie met paarden om op te zitten
  1. Karussell
  2. karusell
noun
1. bepaald soort schelpdier, Modiolus modiolus
Pferdemuschel
noun
1. de postdienst zoals deze vóór de mechanisatie te paard verzorgd werd
Posthalterei
noun
Pferderennen
/ˈpardəˌstɑɫ/
noun
1. een stal bedoeld om paarden te huisvesten
  1. Pferdestal
  2. Pferdestall
noun
2. bepaald soort vastgehecht oesterachtig schelpdier met een onregelmatige vorm, Anomia ephippium
  1. Sattelmuschel
  2. Zwiebelmuschel
noun
1. paardenzuring is een vaste plant die behoort tot de duizendknoopfamilie Polygonaceae
Wasserampfer
/ˈpaːrt.rɛidə(n)/
noun
  1. het rijden op een paard, ter ontspanning of als sportbeoefening
    1. Reiten
    2. Springreiten
  2. zich, zittend op de rug van een paard, verplaatsen
    reiten
adjective
1. met een kleur tussen rood en blauw
violett
noun
1. diverse kleurschakeringen tussen blauw en rood.
Violett
adjective
  1. Violettblau
  2. violettblau
adjective
1. bij paren, twee aan twee
paarweise
noun
  1. 2. ongezuurd brood dat de joden bij het paasfeest eten
    1. Matze
    2. Matzen
    3. Mazze
    4. Mazzen
  2. 1. krentenbrood, met Pasen gegeten
    Osterbrot
noun
1. een van de twee dagen van het paasfeest, paaszondag of paasmaandag
  1. Ostertag
  2. Osterfeiertag
noun
1.
Ostergottesdienst
noun
  1. 2. ter gelegenheid van Pasen gekleurd en versierd kippenei
  2. 1. ei van chocolade of suiker dat op of omstreeks Pasen gegeten wordt
Osterei
noun
Osterhase
noun
1. de dag die volgt op paaszondag
Ostermontag
noun
Osterprozession
noun
1. vakantieperiode
Osterferien
noun
  1. Osternacht
  2. Ostervigil
  3. Osterwache
noun
  1. Osternacht
  2. Ostervigil
  3. Osterwache
noun
1. de week na Pasen
Osterfeiertage
noun
1. de dag waarop christenen vieren dat Jezus opgestaan is uit de dood, op de derde dag na zijn kruisiging
Ostersonntag
suffix
path
noun
Herzschrittmacher
noun
Pacht
pronoun
1. oceaan die ligt tussen Oost-Azië, Noord- en Zuid-Amerika en Ausralië
  1. Pazifik
  2. Pazifischer Ozean
noun
aanhanger van het pacifisme
Pazifist
/pɛːt/
noun
  1. 1. een kikker met een gedrongen lichaamsbouw en ruwe huid die een orgaan van Bidder bezit
    Kröte
  2. 1. een smalle weg of voetweg
    1. Pfad
    2. Fußweg
  3. 1. deel van een fietsframe
    Ausfallende
noun
1. vruchtlichaam van een doorgaans onder de grond levende schimmel of zwam
Pilz
noun
  1. Zauberpilz
  2. Paddo
  3. Psilo
  4. Shroom
pronoun
  1. 1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
  2. 2. een district in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
  3. 3. een vroegere prinsbisdom
Paderborn
/paˈeʎa/
noun
1. gerecht
Paella
noun
Seite
/pɑk/
noun
  1. 3. een stel bovenkleren
    Anzug
  2. 2. lading
    1. Haufen
    2. Packen
  3. 1. pakket
    1. Päckchen
    2. Paket
  4. 4. een groep wolven
    Wolfsrudel
noun
1. als lastdier gebruikt hoefdier, Equus asinus
Lastesel
noun
Lagerhaus
noun
1. de meest voorkomende vorm van zee-ijs en bestaat uit op elkaar geschoven ijsschollen; opeengepakt drijfijs
Packeis
/ˈpa.kɪ.ˌstɑn/
pronoun
1. een land in het zuiden van Azië grenzend aan India, Afghanistan, Iran en China. De officiële naam is de Islamitische Republiek
Pakistan
verb
  1. 2. arresteren
    fassen
  2. 1. in de handen nemen
    1. nehmen
    2. greifen
    3. packen
    4. schnappen
noun
1. Aziatische groene koolsoort met witte stelen Brassica rapa subsp. chinensis
  1. Pak Choi
  2. Chinesischer Senfkohl
/palaˈdɛin/
noun
  1. 2. een ridder of hofdienaar
  2. 1. een slaafse aanhanger
Paladin
/pa.ˈlaʊ̯/, /pa.ˈlɔʊ̯/, /pa.ˈlʌʊ̯/
pronoun
1. een eilandenstaat in Oceanië
Palau
pronoun
1. taal gesproken in Palau
Palauisch
noun
1. een aanzienlijk gebouw dat een openbare functie heeft of een (woon)huis voor een staatshoofd is
  1. Palast
  2. Schloss
/palejoˈɣen/
noun
1.
Paläogen
/ˈpalejoˌlitikʏm/
noun
1. eerste periode van de steentijd
Paläolithikum
adjective
paläolithisch
noun
1. aardkunde die gericht is op de bestudering van fossielen
Paläontologie
/ˌpalejoˈzowikʏm/
noun
Paläozoikum
noun
Palette
noun
1. een spatelvormig stuk gereedschap dat de kunstschilder gebruikt om op het palet een gebruikshoeveelheid verf van de juiste kleur te mengen
Palettmesser
noun
1. een symmetrisch woord dat van links naar rechts gelezen hetzelfde is als van rechts naar links gelezen. Voorbeelden: lepel en parterretrap maar ook kok en lol
Palindrom
noun
1. bepaald soort langwerpige consumptievis, Anguilla anguilla
  1. Aal
  2. Europäischer Aal
noun
1. chemisch element
Palladium
noun
Pallium
noun
  1. 2. binnenzijde van de hand
    1. Handfläche
    2. Handteller
  2. 1. (sub-)tropisch gewas
    Palme
noun
1. blad van een palmboom
  1. Palmenblatt
  2. Palmwedel
noun
  1. Palme
  2. Palmenbaum
noun
Palmitinsäure
noun
Palmöl
noun
Een sterk geurende suiker die wordt verkregen uit het sap van palmbomen
Palmzucker
pronoun
1. de zondag voor Pasen
Palmsonntag
noun
1. boomloze grasvlakte in Argentinië en Uruguay
Pampa
/pɑn/
noun
1. keukengereedschap om in te koken of braden
  1. Pfanne
  2. Bratpfanne
adjective
1.
paneuropäisch
noun
1. geneesmiddel dat alle kwalen zou verhelpen
  1. Allheilmittel
  2. Panazee
/ˈpa.na.ma/, /ˈpɑ.nə.ma/
pronoun
1. een land Centraal-Amerika
Panama
noun
  1. Panamahut
  2. Panama
pronoun
Panamakanal
noun
  1. 2. een gebouw
    Gebäude
  2. 4. kanaaldeel
    Staustrecke
noun
1. (zoogdieren) een beerachtig dier uit het Himalayagebied
Panda
/ˌpɑndeˈmi/
noun
1. een epidemie op wereldwijde schaal
Pandemie
/pɑn.deʲ'ɪsmə/
noun
1. een theologische positie
Pandeismus
noun
1. bank van lening waar men geld kan krijgen als men een pand in bewaring geeft, dit pand kan men...
Pfandhaus
noun
1. de theologische positie dat God immanent is in de gehele schepping en dat het universum een deel is van God en dat God de drijvende kracht vormt achter het universum
Panentheismus
noun
1. blaasinstrument dat is samengesteld uit een reeks van eentonige fluiten
Panflöte
noun
1. het streven naar de vereniging van alle Griekse volkeren
Panhellenismus
noun
1. een platte, ronde koek die in een pan gebakken is
  1. Pfannkuchen
  2. Eierkuchen
noun
Hose
noun
1. benaming voor verschillende grote katachtige roofdieren
  1. Panther
  2. Panter
noun
1.
Pantheon
/pɑn.teʲ'ɪsmə/
noun
Pantheismus
/pɑnˈtɔfəldirtʲə/
noun
1. eencellig diertje
Pantoffeltierchen
noun
1. een beschermende laag om dieren of voorwerpen
Panzer
verb
1. met een pantser bekleden
panzern
noun
1. een voertuig op wielen dat uitgerust is met een verstevigde buitenzijde om gewelddadige aanvallen te kunnen weerstaan
  1. Radpanzer
  2. gepanzertes Fahrzeug
noun
1. stam van eencelligen met een tweetal zweepstaartjes die in water leven, Dinoflagellata
Dinoflagellaten
noun
1. gerecht dat meestal bestaat uit melk die is gebonden met een zetmeelproduct zoals meel
Brei
noun
1. informele benaming voor vader door zijn kind
Papa
noun
1.
Papabile
/paˈpa.ja/
noun
  1. 1. meloenboom
    1. Melonenbaum
    2. Papayabaum
  2. 1. en 2. (vrucht van) de boom Carica papaya
    Papaya
noun
1. een plantengeslacht waarin ook de opiumpapaver thuis hoort
Mohn
noun
1. benaming voor vogels uit de orde Psittaciformes
Papagei
noun
1.1 bepaald soort opvallende zeevogel die zelfs onder water kan vliegen, Fratercula arctica
Papageitaucher
noun
Papierkram
noun
Büroklammer
pronoun
1. taal die wordt gesproken op een aantal eilanden in het Caribisch gebied, waaronder de Benedenwindse Eilanden Aruba, Bonaire en Curaçao en daar officiële status heeft
Papiamentu
pronoun
1. een taal die wordt gesproken op een aantal eilanden in het Caribisch gebied, waaronder de Benedenwindse Eilanden Aruba, Bonaire en Curaçao en daar officiële status heeft
Papiamentu
/pɑ'pir/
noun
1. een dun vezelachtig beschrijfbaar materiaal
Papier
/ˌpa.pu.wa.niβ̞.ɣi.ˈne.ja/, /ˌpa.pu.wa.niβ̞.χi.ˈne.ja/, /ˌpa.pu.wa.nyʊ̯.ɣi.ˈne.ja/
pronoun
land en staat in Oceanië
Papua-Neuguinea
/ˈpaprika/, /ˈpɑprika/
noun
  1. 2. vrucht van een bepaalde gekweekte vorm van een peperplant, Capsicum annuum
    1. Paprika
    2. Gemüsepaprika
  2. 1. bepaalde gekweekte vorm van een peperplant, Capsicum annuum
    1. Paprika
    2. Paprikapflanze
adjective
  1. Papyrusweiß
  2. papyrusweiß
/ˌparaˈboɫ/
noun
1. kegelsnede waarbij het snijvlak parallel loopt met een lijn die aan de kegel raakt en tevens het toppunt snijdt.
Parabel
noun
1. paraboolreflector
Parabolantenne
noun
1. iemand die parachutespringt
Fallschirmspringer
noun
Paradies
noun
1. Paradisea liliastrum een lelie die met name in de Alpen voorkomt
weisse Trichterlilie
/ˌpɑrɑˈdɛɪ̯svoɣəl/, /ˌpɑrɑˈdɛɪ̯svoχəɫ/, /ˌpɑrɑˈdɛːsvoɣəl/
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Paradisaeidae
Paradiesvogel
noun
Paradoxon
/ˌparadɔkˈsal/
adjective
1. tegenstrijdig lijkend
paradox
noun
1. bij iemand of iets behorende zaken
Drum und Dran
noun
Paraffin
noun
1. achtervoeging van slotklank
Epithese
/ˈpa.ra.gʋɑɪ̯/, /ˈpa.ra.gβ̞ɑɪ̯/, /ˈpa.ra.ɣ<sup>ʊ</sup>ɛɪ̯/, /ˈparaˌɡwe/
pronoun
Paraguay
noun
Parallaxe
adjective
1. evenwijdig
parallel
noun
1. een cirkel parallel aan de evenaar
Breitenkreis
noun
1. een cirkel parallel aan de evenaar
Breitenkreis
noun
  1. Parallelepiped
  2. Parallelflach
/paralɛloˈɣrɑm/, /pɑrɑlɛloˈʝrɑm/
noun
1. (wiskunde) een vierhoek waarvan de overstaande zijden evenwijdig zijn
Parallelogramm
/ˌpa.ra.ˈply/
noun
1. een scherm waarover een waterdichte stof is gespannen om zich te beschermen tegen de regen
Regenschirm
noun
  1. 1. klaploper, iemand die ten koste van een ander leeft, een profiteur
    Parasit
  2. 2.
    Schmarotzer
noun
1. leer en studie van de parasieten en het parasitisme
Parasitologie
noun
Sonnenschirm
noun
1.benaming voor witsporige plaatjeszwammen uit het geslacht Macrolepiota
  1. Riesenschirmpilz
  2. Riesenschirmling
noun
1. in het kaf voorgekookte rijst
parboiled Reis
noun
1. bepaald soort zoogdier, Lynx pardinus
  1. Pardelluchs
  2. Luchs Spaniens
noun
1. een hard, rond voorwerp dat door bepaalde weekdieren wordt gemaakt,...
Perle
noun
1. rond gepolijste gepelde gerst
  1. Graupen
  2. Perlgerste
noun
1. benaming voor vogels uit het geslacht Numididae
Perlhuhn
/parəl'mur/
noun
1. het glanzende mineraal dat de binnenzijde van bepaalde schelpen bedekt
Perlmutt
adjective
  1. Perlenzian
  2. perlenzian
adjective
  1. Perldunkelgrau
  2. perldunkelgrau
adjective
  1. Perlgrün
  2. perlgrün
adjective
  1. Perlrubinrot
  2. perlrubinrot
adjective
  1. Perlviolett
  2. perlviolett
adjective
  1. Perlgold
  2. perlgold
adjective
  1. Perlbeige
  2. perlbeige
noun
Perlkupfer
adjective
perlkupfer
adjective
  1. Perlhellgrau
  2. perlhellgrau
adjective
  1. Perlopalgrün
  2. perlopalgrün
adjective
  1. Perlrosa
  2. perlrosa
adjective
  1. Perlbrombeer
  2. perlbrombeer
adjective
  1. Perlmausgrau
  2. perlmausgrau
adjective
  1. Perlnachtblau
  2. perlnachtblau
adjective
  1. Perlorange
  2. perlorange
noun
1. schelpdier dat een oester kan voortbrengen
Perlmuschel
adjective
  1. Perlweiß
  2. perlweiß
noun
Parenchym
verb
parfümieren
pronoun
1. de hoofdstad van Frankrijk
Paris
noun
1.
Paarungsrad
noun
Paritätsbit
noun
  1. Standlicht
  2. Parkleuchte
noun
1. een installatie met klok die na de muntinworp de toegestane parkeertijd aangeeft
Parkuhr
noun
1. plek waar auto's of andere voertuigen geparkeerd kunnen worden
  1. Parkplatz
  2. Parklücke
noun
Parkscheibe
verb
1. (een voertuig) tijdelijk ergens laten staan
  1. parken
  2. parkieren
noun
vogel
Sittich
noun
1. een halfgedomesticeerd konijn dat in parken gehouden wordt
Gehegekaninchen
noun
1. risicosport waarbij een traject met obstakels zo snel en vloeiend mogelijk moet worden afgelegd
Freirennen
noun
Parlament
noun
1. iemand die door middel van verkiezingen is verkozen om de bevolking van een land te vertegenwoordigen in het parlement
  1. Abgeordneter
  2. Parlamentarier
noun
1. gemeenschap van gelovigen in de katholieke kerk die bij één kerkgebouw hoort
Pfarrgemeinde
/pa.ˈrɔ.xiˌkɛrk/, /pa.ˈrɔ.χiˌkɛrk/
noun
1. een lokaal kerkgebouw dat het religieuze centrum van een parochie vormt
  1. Pfarrkirche
  2. Parochialkirche
noun
1. woord dat een of meerdere morfemen met een ander woord deelt en daardoor soms met dat andere woord verward kan worden
Paronym
noun
1. ontsteking van het nagelbed
  1. Nagelbettentzündung
  2. Onychie
  3. Paronychie
noun
1. iemand die deelneemt aan een activiteit
  1. Teilnehmer
  2. Teilnehmerin
/pɑrˈsʲeːl/
adverb
teils
noun
5. spel dat wordt gespeeld, potje, wedstrijd
partia
adjective
bij een bepaalde stelling of kant aansluiten
parteiisch
noun
Parteiführung
noun
1. (huishouden) gereedschap waarmee een appel of een peer in één handeling in partjes kan worden gesneden en van zijn klokhuis kan worden ontdaan
Apfelteiler
noun
  1. 3. iemand met wie men gehuwd of niet een relatie heeft
    1. Partner
    2. Partnerin
    3. Ehepartner
    4. Ehepartnerin
  2. 1. iemand met wie men gezamenlijk iets onderneemt of handel drijft
    1. Partner
    2. Partnerin
    3. Geschäftspartner
    4. Geschäftspartnerin
  3. 2. deelgenoot in spelen, speelgenoot, mededanser
    1. Spielpartner
    2. Spielpartnerin
    3. Tanzpartner
    4. Tanzpartnerin
noun
1. feest
Party
/pɑr.və.'ny/
noun
  1. Parvenü
  2. Neureiche
adverb
3. niet eerder dan
erst
noun
    1. 3. identiteitsbewijs
    2. 5. schot naar een medespeler
    Pass
  1. 4. doorgang tussen bergtoppen
    1. Pass
    2. Gebirgspass
noun
1. een paspop met het figuur van een bovenlijf
Schneiderbüste
noun
1. eenheid voor druk (symbool: Pa)
Pascal
noun
1. het belangrijkste feest van het christendom, waarbij de Opstanding van Jesus centraal staat
Ostern
adjective
1. kort geleden geboren
neugeboren
noun
1. een ruimte in een kledingzaak waarin men kleding kan passen
Ankleideraum
noun
  1. B. elk van de twee verticale staven waarmee die deur bij het draaien van het slot bovenin en onderin wordt vergrendeld
    Baskülenriegel
  2. A 2. iets belachelijks
    Lächerlichkeit
  3. A 1. schotschrift of smaadschrift waarin men iets of iemand belachelijk maakt
    Schmähschrift
noun
  1. Reisepass
  2. Pass
noun
1. pop waarop men gemaakte kleren past
Schneiderpuppe
noun
Passagierflugzeug
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Passau
verb
1. precies de goede maat zijn, erin kunnen
passen
noun
Zirkel
verb
1. voorbijgaan, voorbijsteken, inhalen
passieren
noun
1
Passion
noun
1. (eetbare) vrucht van het plantengeslacht Passiflora
  1. Passionsfrucht
  2. Maracuja
noun
1. de benaming voor een aantal Italiaanse deegproducten
Teigwaren
adjective
  1. Pastellblau
  2. pastellblau
adjective
  1. Pastellgelb
  2. pastellgelb
adjective
  1. Pastellorange
  2. pastellorange
adjective
  1. Pastelltürkis
  2. pastelltürkis
adjective
  1. Pastellviolett
  2. pastellviolett
noun
1. een document of ander kunstwerk zoals een toneel- of muziekstuk dat is gemaakt via nabootsing en/of het combineren van bepaalde kenmerken van een of meerdere originelen
Pastiche
noun
1.
Pastille
noun
1. bepaald circa 20 cm lang knolgewas, Pastinaca sativa
  1. Pastinake
  2. Pastinak
noun
  1. Pfarrer
  2. Pastor
  3. Priester
/ˈpɑstɔr/
noun
  1. Pfarrer
  2. Pastor
  3. Priester
adjective
1. in een toestand waarin een speler geen enkele zet meer kan doen
patt
noun
  1. 1. remise doordat een speler geen zet meer kan doen
    Patt
  2. 4. een van beide houders die het wiel in de vork houdt
    Ausfallende
    1. 1. reep stof met een knoopsgat aan het uiteinde
    2. 3. gekleurd strookje stof op een uniform
    Patte
pronoun
1. benaming voor het zuidelijke deel van Zuid-Amerika, tussen de Colorado en de Straat van Magellaan
Patagonien
noun
1. gefrituurde aardappelreepjes
Pommes frites
noun
  1. Frittenbude
  2. Pommesbude
adjective
1. & 2. vaderlijk
väterlich
adjective
1. de eigenschap bezittend om een ziekte te veroorzaken
  1. krankheitserregend
  2. pathogen
noun
1. een organisme dat een ziekte verwekt
Krankheitserreger
noun
1. de tak van de geneeskunde die het ontstaan en verloop van ziektes bestudeert
Pathologie
adjective
1. ziekte betreffend
  1. pathologisch
  2. krankhaft
noun
1. een medisch specialist die de pathologie beoefent
Pathologe
adjective
  1. Patinagrün
  2. patinagrün
noun
1. een al dan niet omheinde binnenplaats bij een huis of ander pand
  1. Patio
  2. Terrasse
  3. Veranda
/pɑˈsʲɛnt/
noun
iemand die medische hulp krijgt
Patient
noun
1.
  1. Krankenakte
  2. Patientenakte
noun
1. een vogel uit de familie van de fazanten
Rebhuhn
noun
1.
Wachtelhund
noun
1. klein rond raam in een scheepswand dat waterdicht kan worden afgesloten
Bullauge
noun
1. goede vaderlander
Patriot
verb
patrouillieren
noun
1. iemand die pronkt (met zijn of haar bezit)
  1. Angeber
  2. Großtuer
  3. Protz
pronoun
1. stad in Thailand
Pattaya
noun
1. een grote verstembare keteltrommel zoals gebruikt in een orkest
Pauke
noun
1. paukenist
Pauker
adjective
1. afkomstig van de apostel Paulus
paulinisch
/pɑu̯s/
noun
1. hoofd van de katholieke kerk
  1. Papst
  2. Päpstin
adjective
1. betrekking hebbend op de paus, het hoofd van de rooms-katholieke kerk
  1. päpstlich
  2. papal
noun
1. benaming voor siervogels uit het geslacht Pavo
  1. Pfau
  2. Pfauhahn
noun
1. bepaald soort tropische struik met prachtige bloemen, Caesalpinia pulcherrima
Pfauenstrauch
/ˈpɑʊzə/
noun
1. tijd waarin de hoofdactiviteit wordt onderbroken
Pause
pronoun
1. een taal gesproken in Taiwan, één van de 17 Paiwanische talen
Pazeh
/peˈse/
noun
1. een computer voor persoonlijk gebruik
PC
/pɛx/, /pɛχ/
noun
1. de conditie waarin er tegenslag te verwerken is die niet door eigen schuld veroorzaakt is
Pech
noun
  1. 1. met de voet te bedienen hefboom
  2. 3. met de voet te bedienen hefboom van een muziekinstrument
  3. 2. voetklavier van een orgel
Pedal
noun
1. harp met pedalen
Pedalharfe
/ˌklavəˈxɔrt/
noun
1. een klavechord dat is voorzien van een pedaalwerk
Pedalklavicord
noun
Paddel
noun
Kinderarzt
noun
Pädiatrie
noun
1. een volwassene die verlangt naar seksueel contact met kinderen
Pädophile
noun
1. vrucht
Birne
adjective
1. de vorm hebbend van een peer, dus rond met één enkele uitloper
birnenförmig
/pes/
noun
1. een uitloper van spierweefsel die de spier aanhecht aan het bot
Sehne
noun
1. een aandoening van een pees en de aanhechting ervan aan het bot
Sehnenscheidenentzündung
noun
  1. Pate
  2. Patenonkel
noun
1. mythisch paardachtig wezen met de hoorn van een eenhoorn en vleugels als Pegasus
Pegahorn
/pɛːl/, /pɛːɫ/
noun
1. niveau of stand van bijvoorbeeld water
Pegel
noun
1. een antenne met voorkeur voor één richting
Peilantenne
verb
  1. 1. de waterdiepte bepalen
    peilen
  2. 2. onderzoeken wat mensen vinden of voelen
    untersuchen
noun
1.
Schauglas
noun
1. peiling
Peilung
noun
1. gewicht aan een touw
Lot
noun
Peilstock
/ˈpɛɪ̯nzə(n)/, /ˈpɛːnzə(n)/
verb
1. heel diep nadenken
  1. sinnen
  2. grübeln
verb
1. overgankelijk blootstellen aan een sterke oplossing van zout
pökeln
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Pelecanidae
Pelikan
/peloˈtɔn/
noun
een groep soldaten
Peloton
noun
1.
Erdnüsse in der Schale
noun
1. de dichtbehaarde huid van verschillende dieren
  1. Fell
  2. Pelz
noun
1. zoogdier waarvan de behaarde huid als bont gebruikt wordt
Pelztier
adjective
  1. Fehgrau
  2. fehgrau
noun
Pelzmantel
noun
1. (kleding) een mantel vervaardigd van het bont van pelsdieren
Pelzmantel
noun
  1. 2. dat gedeelte van een vulpen waarmee de inkt over het papier verdeeld wordt
    Feder
  2. 3. lange, stevige veer van vogels
    1. Feder
    2. Vogelfeder
  3. 4. dunne staaf om in of door iets te steken
    Nadel
  4. 1. instrument om met inkt te schrijven of te tekenen
    1. Stift
    2. Kugelschreiber
noun
1. een directe vrije trap voor de aanvallende partij na een zware overtreding van de verdedigende partij binnen het strafschopgebied
Strafstoß
noun
1. het mannelijke geslachtsdeel
Penis
noun
1. loon uitgesteld tot de tijd dat iemand niet langer actief is op de arbeidsmarkt
Pension
noun
Pensionsfonds
noun
1.
  1. Pensionssparen
  2. Rentensparen
noun
1. C₅H12
Pentan
noun
1. C15H32
Pentadecan
noun
Pentagramm
noun
1.behoort tot een groep geneesmiddelen die morfine-achtige pijnstillers of opiaten worden genoemd
Pentazocin
noun
1. dit geneesmiddel zorgt dat bloedcellen minder makkelijk aan elkaar kleven
Pentoxifyllin
noun
1. een specerij van gemalen peperkorrels met een scherpe, hete smaak
Pfeffer
noun
1. vaatje met al dan niet gemalen peperkorrels dat op tafel gezet wordt
Pfefferstreuer
adjective
1. zeer hoog in prijs, uitermate duur
teuer
verb
1. met peper bestrooien, kruiden
pfeffern
noun
1. een zoete koek die gekruid is met peper
Pfefferkuchen
noun
Pfeffermühle
noun
1. en 2. (bladeren van) de plant Mentha × piperita
Pfefferminze
noun
Pfefferminzblatt
noun
1. vluchtige olie, uit de bladeren en bloesemtoppen van de pepermuntstruik Mentha × piperita bereid
Pfefferminzöl
noun
1. een rond stuk peperkoek dat traditioneel veel rond Sinterklaas gegeten worden
Pfeffernuss
noun
Pfefferstreuer
/pɛpˈsinə/
noun
1. een verteringsenzym dat in de maag eiwitten in kleine stukken breekt
Pepsin
adverb
1. noodzakelijkerwijs
unbedingt
/pɛrsɛnˈtaʒə/
noun
1. een percentsgewijze berekend bedrag of hoeveelheid
Prozentsatz
noun
1. gewaarworden door een van de zintuigen
  1. Beobachtung
  2. Perzeption
pronoun
1. een gemeente in de Oostenrijkse deelstaat Neder-Oostenrijk
Perchtoldsdorf
noun
Gewehrschuß
/perə(n)bom/
noun
1. een boom met peren als vrucht
  1. Birnbaum
  2. Birne
noun
1. vruchtensap dat uit peren is bereid
Birnensaft
noun
1. hervormingen zoals deze door Gorbatsjov werden voorgesteld in de Sovjet-Unie
  1. Perestroika
  2. Perestrojka
/pɛrˈfɛkt/
adjective
1. zonder enig gebrek
perfekt
noun
  1. Perfektion
  2. Vollkommenheit
verb
1. meer perfect of volmaakt maken
  1. vervollkommnen
  2. perfektionieren
/ˌpɛrfoˈratɔr/
noun
1. een apparaat om gaten te maken in papier, karton, kunststof folie of metaalplaat.
  1. Locher
  2. Perforator
adjective
1. aan de buitenzijde
peripher
noun
Peripherie
noun
  1. Perihel
  2. Perihelium
noun
  1. Perineum
  2. Damm
/pɪri'jodɘ/
noun
    1. 1. tijdperk
    2. 4. repeterende getallenreeks
    Periode
    1. 2. menstruatie
    2. 5. cyclus
    Zyklus
adjective
1. periodisch, regelmatig terugkerend
periodisch
noun
1. tijdschrift
Zeitschrift
noun
Periodensystem
noun
1.
Periodensystem der Elemente
adjective
1. voortdurend
dauerhaft
noun
1. krullen in het haar
Dauerwelle
noun
1. populistische en nationalistische politieke stroming in Argentinië
Peronismus
/pɛˈrɔn/
noun
1. een hoge, lange zijstoep of verhoogde vrije stoep aan een station om in en uit te stappen
  1. Bahnsteig
  2. Perron
noun
Bahnsteigkarte
noun
2. journalistieke media
Presse
noun
1. schriftelijke verklaring om iets via de media bekend te maken
  1. Pressemeldung
  2. Pressemitteilung
  3. Pressetext
noun
1. maatregelen tot beperking van de persvrijheid
Pressezensur
noun
Perseveration
noun
Figur
noun
  1. het onderwijzend personeel
    1. Lehrerschaft
    2. Lehrkörper
  2. 1. de personen die een bedrijf in loondienst heeft
    Personal
//
noun
1. een motorvoertuig voor het vervoer van enkele mensen
  1. Personenauto
  2. Pkw
noun
  1. 1. menselijk individu
  2. 2. grammaticaal begrip
  1. Person
  2. Mensch
noun
1. een voornaamwoord dat in de plaats komt van een zelfstandig naamwoord of eigennaam en hiernaar verwijst
Personalpronomen
noun
1. het geheel van kenmerken en gedragingen dat iemand uniek maakt
Persönlichkeit
/pɛrˈsoːnsˌfɔrm/
noun
1. finiet werkwoord
  1. finites Verb
  2. finite Verbform
pronoun
1. hoofdstad van de Australische deelstaat West-Australië
Perth
/peˈru/
pronoun
1. een land in Zuid-Amerika
Peru
noun
1. perversiteit, tegennatuurlijkheid, verdorvenheid
Perversion
verb
1. iets bederven, slecht maken
pervertieren
noun
1. sappige vrucht van de perzikboom
Pfirsich
noun
1. gepureerde vruchten van de perzikenboom
Pfirsichpüree
pronoun
1. een Indo-Iraanse taal die gesproken wordt in Iran, Afghanistan en Tadzjikistan
  1. Farsi
  2. Persisch
pronoun
1.
Persischer Golf
pronoun
Peschawar
noun
Pessimist
noun
(medisch) Dodelijke en besmettelijke ziekten veroorzaakt door de bacterie Yersinia pestis
Pest
verb
1. jennen, treiteren
  1. piesacken
  2. harceler
  3. reizen
noun
Pestizid
noun
1. iemand die veel en gemeen plaagt
  1. Plagegeist
  2. Quälgeist
noun
1. bepaald soort vogel, Bombycilla garrulus
Seidenschwanz
noun
1. tamelijk plat hoofddeksel met een klep
  1. Schirmmütze
  2. Mütze
noun
1.
Petameter
noun
1. spel waarbij men metalen ballen zo dicht mogelijk naar een klein houten balletje moet gooien
pétanque
/peˈtɛki/
noun
Petechie
/petəkɪnt/
noun
Patenkind
noun
2. kruid
Petersilie
noun
1. laag plat ronde bakje van glas of kunststof met een ruim eroverheen passend deksel
Petrischale
noun
1.
Petrochemie
noun
1. een druklamp die op vergaste petroleum brandt
Starklichtlampe
noun
1. gesteentekunde
Petrologie
pronoun
  1. 1. discipel van Jezus
  2. 3. Peter
Peter
noun
1. overblijfsel van een opgerookte sigaret of sigaar
  1. Kippe
  2. Stummel
noun
2. en 3. (peulen van) Pisum sativum var. saccharatum
  1. Zuckererbse
  2. Kefen
  3. Zuckerschoten
noun
1. een jong kind in de leeftijd van een tot vier jaar
Kleinkind
pronoun
1.
Pforzheim
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Pfullendorf
noun
1.
Phishing
pronoun
  1. 2. grotere van de twee manen van Mars
  2. 1. Griekse god van de paniek
Phobos
noun
1. musicus die een piano bespeelt
Pianist
noun
  1. 1. groot snaarinstrument met klavier (algmeen)
    1. Klavier
    2. Piano
  2. 2. buffetpiano
    Pianino
noun
Klavierlehrer
noun
Klavierstimmer
/pɪˈkɑrdɪʲə/
pronoun
regio in Noord-Frankrijk
  1. Picardie
  2. Pikardie
noun
1. piccolofluit
Pikkoloflöte
noun
1. piccolosaxofoon
Soprillosaxofon
noun
  1. 1. een apparaat om grammofoonplaten af te spelen
    Plattenspieler
  2. 2. een kleine open vrachtauto
    Pritschenwagen
noun
1. een carrosserie-uitvoering van een bestelwagen, waarbij de wagen bestaat uit een passagiers- en bestuurdersgedeelte, met daarachter een open laadbak
  1. Pickup
  2. Pritschenwagen
adjective
1. piekfijn, heel mooi, onberispelijk verzorgd
picobello
noun
1. een biljoenste ampère
  1. Pikoampere
  2. pA
noun
1. picofarad
Pikofarad
noun
1. picohenry
Pikohenry
noun
1.
Pikometer
noun
1. picovolt
  1. Pikovolt
  2. pV
noun
1. een biljoenste watt
  1. Pikowatt
  2. pW
noun
1. een taal die ontstaat wanneer twee bevolkingsgroepen die verschillende talen spreken...
Pidgin
noun
1. een taal die ontstaat wanneer twee bevolkingsgroepen die verschillende talen spreken met elkaar in contact komen, maar die niemands moedertaal is
Pidgin-Sprache
verb
± langdurig nadenken
grübeln
noun
1. geslachtsdeel van de man, penis gebruikt voor onvolgroeide jongens
  1. Pimmel
  2. Dödel
verb
  1. 3. stiekem, snel of oppervlakkig naar iets kijken
    lugen
  2. 1.2 het geluid van de vogeltjes
    piepen
  3. 1.3 het geluid van een hijgende adem
    piepsen
  4. 1.4 het fijn schril geluid van een krakende scharnier
    quietschen
noun
1. jong slachtkuiken
Küken
noun
Polystyrol
/piːr/
noun
  1. 3. overdekte loopbrug op luchthaven
    Flugsteig
  2. 2. een in een zee of rivier uitstekende brug, dam of golfbreker
    1. Mole
    2. Seebrücke
  3. 1. een regenworm
    Regenwurm
noun
ringetje, staafje enz.
Piercing
noun
1. ondiep zwembad geschikt voor heel kleine kinderen die nog niet kunnen zwemmen
Planschbecken
pronoun
1. jongensnaam
Peter
pronoun
1. hoofdstad van KwaZoeloe-Natal
Pietermaritzburg
noun
  1. Erbsenzähler
  2. Griffelspitzer
adjective
  1. kleinlich
  2. pingelig
noun
1. een organische of minerale stof met een vaste kleur
Pigment
noun
1. projectiel
Pfeil
noun
1. zuil, pilaar
Pfeiler
noun
1. weekdier met lange tentakels en zuignappen, o.a. van het geslacht Loligo
Kalmar
/pɛɪ̯n/, /pɛːn/
noun
  1. 2. geestelijk leed
    1. Gram
    2. Pein
  2. 1. lichamelijk leed
    Schmerz
  3. pijn doen
    schmerzen
  4. 1. pijnboom, een naaldboom uit het geslacht Pinus
    1. Kiefer
    2. Pinie
/ˈpɛɪ̯nɑpəɫˌkliːr/, /ˈpɛːnɑpəlˌkliːr/
noun
1. klier in de hersenen, die melatonine uitscheidt
Zirbeldrüse
adjective
  1. Kieferngrün
  2. kieferngrün
verb
1. het opzettelijk veroorzaken van pijn bij iemand
  1. peinigen
  2. quälen
  3. martern
/ˈpɛːinlək/, /ˈpɛːnlək/
adjective
1. pijn gevend
  1. schmerzhaft
  2. schmerzend
adjective
1.wat de pijn doet ophouden
schmerzstillend
/'pɛːinstɪlər/
noun
1. middel
Schmerzmittel
noun
1. samenstel van pijpen om vloeistoffen of gassen door te leiden
Rohrleitung
noun
1.
Orgel
noun
1. pijpsleutel
Rohrschlüssel
noun
1. pijptang, een zware verstelbare tang
Rohrzange
noun
  1. 3. pek
    Pech
  2. 1. penis
    1. Schwanz
    2. Pimmel
    3. Rute
  3. 2. houweel
    Spitz­ha­cke
adjective
1. zeer donker
  1. stockdunkel
  2. stockfinster
noun
  1. 1. africhter van paarden
    1. Pferdetrainer
    2. horse coach
  2. 2. bestuurder van een sulky bij drafsport
    Trabrennfahrer
/ˈpɪkhʌʊʋɪ:ɫ/
noun
1. hakwerktuig met steel, voorzien van een punt aan de ene zijde en een beitelachtige voorziening aan de andere zijde
  1. Kreuzhacke
  2. Spitzhacke
verb
  1. 3. dulden, accepteren
    dulden
  2. 2. iets nemen, ontnemen
    1. entnehmen
    2. nehmen
  3. 1. iets wegnemen van iemand en het zich wederrechtelijk toe-eigenen
    klauen
  4. 4. (met de snavel) prikken
    picken
adjective
1. heel zwart
pechschwarz
noun
1. christelijke kluizenaar die als boetedoening een groot gedeelte van zijn leven op de top van een hoge zuil doorbracht
Säulenheilige
noun
1. een bestuurder van een vliegtuig, luchtschip of race-auto
Pilot
pronoun
1.
Pilsen
noun
1. bepaalde mezensoort, Cyanistes caeruleus
Blaumeise
noun
1. een dun metalen staafje waarmee iets bevestigd kan worden
  1. Bolzen
  2. Stift
noun
1. een ouderwetse bril die op de neus geknepen werd gedragen
Pincenez
noun
  1. 2. een vrucht van deze plant
  2. 1. een tot de vlinderbloemenfamilie behorende plant
Erdnuss
noun
Erdnussallergie
adjective
1. een soort broodbeleg dat bestaat uit een pasta van pinda's, slaolie en zout
  1. Erdnussbutter
  2. beurre de cacahouète
/ˈpɪŋɡwɪn/
noun
1. benaming voor niet-vliegende zeevogels uit de orde
Pinguin
noun
1. de vijfde, kleinste en buitenste vinger
  1. kleine Finger
  2. kleiner Finger
/ˈpɪŋkən)/
verb
3. (verouderd) knippen met de ogen
zwinkern
noun
Pfingstbewegung
pronoun
1. Christelijk feest
Pfingsten
noun
1. tweede pinksterdag
Pfingstmontag
noun
1. de zaterdag voor Pinksteren
Pfingstsamstag
/ˈpɪnə(n)/
verb
  1. 1. het opnemen van geld bij een daartoe bedoeld apparaat
    Geld abheben
  2. 2. het elektronisch betalen met een pinpas
    1. mit Karte bezahlen
    2. mit Karte zahlen
/ˈpɪmpɑs/
noun
1. betaalkaart waarmee bedragen rechtstreeks worden afgeschreven van de bankrekening van de betaler.
  1. Bankkarte
  2. Servicekarte
noun
3. een glas bier van welk formaat ook
Krug
/piˈɔn/
noun
  1. 1. een schaakstuk dat alleen recht vooruit kan lopen en schuin vooruit slaan
    Bauer
  2. 2. subatomair deeltje dat bestaat uit twee quarks en dus een boson is
    Pion
noun
  1. Pionier
  2. Bahnbrecher
/pi.ˈpɛt/
noun
1. een instrument waarmee heel precieze hoeveelheden vloeistof kunnen worden afgemeten door de vloeistof erin op te zuigen, meestal een in het midden verwijde en spits uitlopende glazen buis
Pipette
/ˌpi.pɛ.ˈteː.rə(n)/, /ˌpi.pɛ.ˈtɪː.rə(n)/, /ˌpɪ.pɛ.ˈteː.rə(n)/
verb
1. met een pipet vloeistof overbrengen
pipettieren
noun
1.
  1. Pirat
  2. Seeräuber
  3. Korsar
noun
1.
Pyramide
noun
Pyramiden-Günsel
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Rijnland-Palts
Pirmasens
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Saksen
Pirna
noun
1. een ornament op een markant punt van een bouwwerk
  1. Dachknauf
  2. Turmkugel
noun
1. een ornament op een markant punt van een bouwwerk
  1. Dachknauf
  2. Turmkugel
noun
Piroplasmose
noun
een NSAID ontstekingsremmer en pijnstiller
Piroxicam
noun
1. een lange cilindrische holte die de blaas verbindt met de buitenkant van het lichaam
Harnröhre
noun
1. een dier uit de taxonomische orde van de Isopoda, bijv. een ruwe pissebed
Assel
verb
1. plassen
  1. pissen
  2. pinkeln
  3. strullen
  4. Wasser lassen
  5. urinieren
noun
Pistazie
noun
1. een semi-automatisch handvuurwapen met een langwerpig magazijn in het handvat
Pistole
noun
1. licht machinegeweer
Maschinenpistole
noun
  1. 2. kaarsen- of lampenpit
    Docht
  2. 1. zaadhoudende kern van verschillende vruchten
    1. Kern
    2. Stein
noun
1. een bulterriër die gekweekt wordt om zijn grote vechtlust
Pittbull
adjective
    1. 3. hard, brutaal
    2. 4. die zich goed weet te verweren
    dreist
  1. 1. niet te onderschatten
    1. gewaltig
    2. herausfordernd
  2. 2. stevig en scherp van smaak
    1. würzig
    2. schmackhaft
verb
  1. 2. draaien met één voet aan de grond
    pivotieren
  2. 1. op een steunpunt in het midden ronddraaien
    1. sich drehen
    2. sich um die eigene Achse drehen
noun
1. een beeldpunt
Pixel
/ˈpidza/, /ˈpitsa/
noun
1. gerecht van een belegde broodbodem
Pizza
noun
1. bodem van een pizza
Pizzaboden
noun
1. deeg voor de bodem van een pizza
Pizzateig
noun
1. restaurant
Pizzeria
noun
Piezoelektrizität
noun
wijdverspreid onheil, ongemak
Plage
/plaːts/
noun
  1. 3. een dorp of stad (woonplaats)
    Ortschaft
  2. 2. een plein
    Platz
  3. 1. een bepaalde ruimte of een bepaald punt in de ruimte
    1. Platz
    2. Ort
  4. in plaats van
    statt
noun
1. precieze plek waar een misdaad is gebeurd
Tatort
verb
  1. 2. aan een kwalificatie voldoen waardoor men toegelaten wordt tot een bepaalde wedstrijd
    aufsstellen
  2. 1. op een bepaalde plaats zetten
    1. platzieren
    2. stellen
noun
1. het aantal argumenten van een relatie of functie
Stelligkeit
/platsˈvɪndə(n)/
verb
1. gebeuren, geschieden, plaatshebben
stattfinden
noun
1. moederkoek, orgaan dat verbinding vormt tussen moeder en de zich ontwikkelende vrucht in de buik van de moeder.
  1. Mutterkuchen
  2. placenta
/plɑˈfɔnt/
noun
  1. 1. de bovenkant van een ruimte in een gebouw
    Decke
  2. 2. hoogste niveau
    Höchstgrenze
verb
  1. 1. iemand (goedmoedig) pesten
    necken
  2. 1. iemand lastigvallen
    plagen
/ˈplɑɣə(n)ˌɦʏt/, /ˈplɑχəˌɦʏt/
noun
1. een hut bedekt met plaggen
Plaggenhütte
verb
1. steenachtige, houten of andere ondergronden met plamuur egaliseren of repareren
  1. grundieren
  2. spachteln
noun
1. een spatelvormig stuk gereedschap waarmee bij het plamuren kleine oneffenheden kunnen worden gladgestreken
Spachtel
noun
1. een voorgenomen handelswijze
Plan
noun
1. een groot, rond en massief hemellichaam dat zelf geen licht geeft en in een vaste baan rond een ster draait
  1. Planet
  2. Wandelstern
verb
1. snel varen met een boot waarbij de romp op het water glijdt
gleiten
noun
1. een toestel om de bewegingen van planeten voor te stellen
Planetarium
noun
1. stelsel van planeten om de zon of een ster
Planetensystem
noun
1. een brok vaste materie die net als een planeet in een baan rond de zon draait, maar kleiner is dan een planeet
  1. Asteroid
  2. Planetoid
  3. Kleinplanet
noun
Planimetrie
/plɑŋk/
noun
1. een plat en langwerpig stuk hout
  1. Brett
  2. Planke
noun
Lampenfieber
verb
  1. 1. bestemmen voor een of meer toekomstige activiteiten
  2. 2. tot een samenhangend geheel van toekomstige activiteiten maken
planen
noun
Planologie
noun
  1. 1. organisme dat kooldioxide opneemt en zuurstof afgeeft
    Pflanze
  2. 2. van stengel en bladeren voorzien gewas dat zijn voedsel uit de aarde opneemt
    1. Pflanze
    2. Gewächs
/plɑntˈaːr.dəx/
adjective
1. tot de planten behorend, uit planten bestaand of daarvan afkomstig
pflanzlich
verb
1. (een plant) in de aarde zetten om te laten groeien of bloeien
pflanzen
noun
1. dier dat uitsluitend plantaardig voedsel eet
Pflanzenfresser
noun
1. het onderdeel van de biologie dat zich bezighoudt met de studie van de planten
Botanik
noun
Botaniker
noun
1. een lange cilindrische holte die de blaas verbindt met de buitenkant van het lichaam
Harnröhre
/plɑs.ˈmi.də/
noun
1. een ringvormig DNA-molecuul dat voornamelijk voorkomt voor bij bacteriën
Plasmid
verb
1. via de urinebuis vloeibare lichamelijke afvalstoffen lozen
pinkeln
noun
(kindertaal, kinderlijk) penis
Schniepel
/'plɑstik/, /'plɛstɪk/
noun
plastisch vervormbare polymere kunststof
Kunststoff
noun
Plastizität
noun
1. een chirurgisch specialisme waarin men zich richt op het uit esthetisch en/of functioneel oogpunt aanpassen van het uiterlijk
Plastische Chirurgie
adverb
  1. 1. vlak van vorm met verwaarloosbare hoogteverschillen
    flach
  2. 2. van weinig culterele diepgang getuigend
    1. vulgär
    2. bäurisch
    3. deftig
noun
Plattbodenschiff
verb
1. iets met kracht samendrukken
plattdrücken
noun
1. scheikundig element met symbool Pt en atoomnummer 78
  1. Platin
  2. Platina
adjective
1. een variant van de blonde haarkleur, herinnerend aan de kleur van platina.
platinblond
adjective
  1. Platingrau
  2. platingrau
noun
1. platte of afgezaagde zinsnede
Plattitüde
verb
1. met een strijkende beweging vlak maken
plätten
/ˌplɑtəˈvɛil/
noun
Flachfeile
noun
1. het landelijke gebied buiten de steden
Land
/ˈplɑtvɪs/
noun
1. een orde van vissoorten die op hun zijde op de bodem leven, en geheel plat zijn
Plattfisch
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Saksen
Plauen
pronoun
1. taal die tegenwoordig gesproken wordt in Canada en in dertien andere landen van mennonieten of menisten
Plautdietsch
adjective
met ceremonieel
feierlich
noun
een sociale gebeurtenis die met ernst en ceremonieel gepaard gaat
  1. Zeremonie
  2. Feierlichkeit
noun
1. het plaatje waarmee snaren worden aangeslagen
  1. Plektrum
  2. Plektron
noun
1.
Pflegeunterbringung
/'pleɣə(n)/
verb
  1. 1. een gewoonlijk verboden handeling uitvoeren
    1. begehen
    2. verüben
  2. 2. gewoon zijn, vaak doen
    1. pflegen
    2. gewohn sein
noun
Platz
/ˈplɛinˌvreːs/
noun
  1. Platzangst
  2. Agoraphobie
noun
  1. 2. zelfklevend verband
    1. Pflaster
    2. Heftpflaster
  2. 1. (gipshoudend) kalkmengsel
    Putzmörtel
verb
2. iets met kalkspecie of gips bestrijken
gipsen
/plɛk/
noun
1. plaats, positie
  1. Ort
  2. Stelle
noun
1. vergadering waaraan alle betrokkenen kunnen deelnemen
Plenartagung
noun
1. bijeenkomst waarbij alle betrokkenen aanwezig kunnen zijn
Plenartagung
noun
1. vergadering waarbij alle betrokkenen aanwezig kunnen zijn
Plenarsitzung
noun
1. vergadering waaraan alle leden deelnemen
  1. Plenum
  2. Vollversammlung
/plejoˈnɑsmə/
noun
1.
Pleonasmus
verb
1. plat maken
  1. zerdrücken
  2. zerquetschen
noun
1. machine die wegen effent
  1. Straßenwalze
  2. Walze
noun
1.
Regenpfeifer
noun
1. een taak die men op zich genomen heeft of opgelegd heeft gekregen
Pflicht
noun
1. op zeegaande vrachtschepen aangebracht merkteken
  1. Freibordmarke
  2. Plimsoll-Marke
verb
1. het aanbrengen van fijne plooien in een gesteven stof
plissieren
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Plochingen
noun
  1. 2. groep personen
    1. Mannschaft
    2. Team
    3. Gruppe
  2. 1. landbouwgereedschap om de grond om te woelen
    Pflug
  3. 3. ploegendienst
    Schicht
verb
2. land met de ploeg bewerken
pflügen
noun
Schichtdienst
noun
1. snijdend deel van ploeg
Pflugschar
noun
Automatensprengung
verb
1. iets in losse vouwen opstapelen
falten
/ploˈsif/
noun
1. medeklinker die geproduceerd wordt met een volledige obstructie...
Plosiv
adjective
1. snel en onverwacht
plötzlich
adjective
2. het deugt er, in orde, naar behoren
sicher
noun
1. vlok droge, lichte stof met een open structuur
Flocke
/plɵk/
noun
1. uitgetrokken bundeltje
Büschel
/'plɵkə(n)/
verb
    1. 1. (bloemen) afbreken of oogsten
    2. 4. (sport) een door de lucht vliegende bal grijpen
    pflücken
  1. 2. ontdoen van de veren
    rupfen
  2. 3. iemand geld afzetten
    1. rupfen
    2. schröpfen
verb
1. met geweld zich roerende goederen toeëigenen uit de woning van iemand anders
plündern
conjunction
plus
noun
Pluspunkt
noun
Pluszeichen
pronoun
1.
Pluto
noun
1. Chemisch element
Plutonium
/ˌplyvioˈɣraf/
noun
1. een toestel dat de hoeveelheid gevallen neerslag meet
Pluviograph
/ˈplyvioˌmetər/
noun
1. een toestel dat de hoeveelheid gevallen neerslag meet
Niederschlagsmesser
noun
1. longontsteking
Lungenentzündung
/po/
pronoun
1. stroom in Italië
Po
noun
1. een pot, meestal uit kunststof of eertijds geëmailleerd ijzer, waar men zijn behoefte in kan doen
  1. Nachtgeschirr
  2. Nachttopf
noun
1. digitale radio-uitzending waarbij een audiobestand op internet wordt gezet...
Podcast
pronoun
1.
Podolien
noun
1. Frans krulharig hondenras
Pudel
noun
  1. Pulver
  2. Puder
noun
1. platte doos voor cosmetisch poeder
Puderdose
/pudərsnew/
noun
1. fijne sneeuw
Pulverschnee
noun
1. zeer fijn gemalen suiker
  1. Puderzucker
  2. Staubzucker
noun
1. een vrij klein stilstaand water
  1. Pfuhl
  2. Tümpel
noun
Abzieher
noun
1. bepaald soort zoogdier, Felis concolor
Puma
noun
1. geld
Kröten
noun
1. uitgescheiden vaste afvalstoffen van mens of dier
Kot
/ˈpurɪm/
noun
1. feest waarbij de Joden vieren dat ze niet meer door vijanden als Haman worden bedreigd
Purim
noun
1. een van de oudste huisdieren van de mens
Katze
noun
1. sociaal-economische en politieke praktijk in Rusland in het begin van de 21 eeuw
Putinismus
/ˈputsə(n)/
verb
1. door middel van wrijven zaken schoner maken
putzen
verb
1. in eigen vocht gaar laten worden
rösten
/ˈpoɣə(n)/, /ˈpoχə(n)/
verb
1. iets met succes trachten te volbrengen, waarvan men niet weet of het gaat lukken
trachten
noun
1. staande jachthond
Pointer
noun
1.kaartspel
Poker
noun
2. epidemische huidziekte
Pocken
adjective
1.
polabischsprachig
pronoun
1. Polaris
Polarstern
verb
polarisieren
noun
Polarität
/ˈpɔldəʀ/
noun
1. een bedijkt stuk land waarin de waterstand kunstmatig geregeld wordt
  1. Polder
  2. Koog
/ˈpolə(n)/, /ˈpoːlə(n)/
pronoun
1. een land in het midden van Europa met de officiële naam Republiek Polen (Rzeczpospolita Polska)
Polen
pronoun
1.
Polesien
/ˈpo.lɪs/
noun
1. schriftelijke vastlegging van een overeenkomst
  1. Police
  2. Versicherungsschein
noun
1.
Politikerin
noun
1. iemand die zich beroepsmatig met politiek bezighoudt
Politiker
noun
  1. 1. een overheidsdienst die belast is met de handhaving van de openbare orde...
    Polizei
  2. 2. een politieagent
    Polizist
noun
1. een persoon die belast is met hulpverlening en met de handhaving van de openbare orde en veiligheid
Polizist
noun
1. iemand die in dienst is van de politie
  1. Polizeibeamter
  2. Polizist
noun
  1. Polizeiwache
  2. Polizeirevier
/poliˈtik/
adjective
1. betreffende de politiek
politisch
/poliˈtik/
noun
1. datgene dat gerelateerd is aan het besturen van een land
Politik
noun
1. iemand wiens taak het is de wet te handhaven en overtreders in de kraag te grijpen
  1. Polizeibeamter
  2. Polizist
noun
1. een spannend verhaal met een beschrijving van het werk van de politie
Kriminalroman
noun
1. stuifmeel
Pollen
noun
  1. 1.(Nederland) een vrij vlakke, houten of kunststoffen lepel gebruikt voor het roeren van voedsel dat toebereid wordt
    1. Kochlöffel
    2. Holzkelle
    3. Kelle
  2. 2.(België) een diepe, grote lepel met een lange steel gebruikt voor het opdienen van soepen, sauzen e.d.
    1. Schöpflöffel
    2. Kelle
noun
1. verontreiniging
Verschmutzung
noun
1. Chemisch element
Polonium
noun
anatomie: 1. gewricht
Handgelenk
noun
1. een uurwerk dat om de pols gedragen wordt
Armbanduhr
noun
Sprungstab
noun
Polyamide
noun
Polyandrie
noun
2. thermoplastisch polymeer
Polycarbonate
noun
1. een polyamoreuze groep van personen die met elkaar verbonden zijn door hun overlappende romantische, seksuele of platonische relaties
Polykül
noun
Polyglott
noun
1. een gesloten stelsel lijnsegmenten die samen een plat vlak omsluiten
  1. Polygon
  2. Vieleck
noun
1.
Polymer
noun
polylactide
noun
Polymethylmethacrylat
adjective
1. in meer dan een vorm binnen dezelfde groep voorkomend
polymorph
noun
Polymorphie
noun
thermoplastische kunststof, bereid door polymerisatie van propeen
Polypropylen
noun
1. het kunnen hebben van meerdere (verwante) betekenissen
Polysemie
noun
1. godsdienst met meer dan één god
Polytheismus
noun
1. zeilboot
Polyvalk
noun
1. volgens een achterhaalde theorie, een toestand van water met abnormale eigenschappen
Polywasser
noun
1. en 2. (vrucht van de) boom Citrus maxima × Citrus ×paradisi
Pomelo
pronoun
1. historische regio in het zuiden van de Oostzee
Pommern
adjective
1.
  1. pommerisch
  2. pommersch
noun
Pumpe
/ˈpɔmpəlˌmus/, /ˈpɔmpəɫˌmus/
noun
  1. 1. bepaald soort tot tien meter hoge boom, Citrus maxima
    Pampelmuse
  2. 2. een vrucht van deze boom
    1. Pampelmuse
    2. Pomelo
verb
1. vloeistof of gas met behulp van een pomp verplaatsen
pumpen
noun
Feuerwehrmann
noun
1. een zeer oud cultuurgewas uit Midden- en Zuid-Amerika
Kürbis
noun
1.
Kürbissuppe
noun
1. een stuk gereedschap dat dient om de binnenzijde van de loop van een vuurwapen schoon te maken
Wischstock
noun
1. naam voor verschillende munteenheden die in het Verenigd Koninkrijk en sommige Engelstalige landen worden gebruikt
Pfund
noun
1. instrument dat of machine die gaten slaat in papier, metalen platen e.d.
Stanze
verb
gaten in iets (vaak papier of metaal) maken door middel van een pons
  1. lochen
  2. punzen
  3. stanzen
noun
kaart die tot de jaren 80 werd gebruikt voor het vastleggen van gegevens d.m.v. erin geponste gaatjes
Lochkarte
/ˈpɔntis/
pronoun
1. een variant van het Grieks die vroeger vooral gesproken werd in de streek Pontus, en momenteel vooral in Griekenland.
Pontisch
noun
1. werkschuit met een vlak dek
Ponton
noun
1. paard uit een ras met een schofthoogte tot ongeveer anderhalve meter
Pony
/'poːjər/
noun
1. een man die prostituees tegen betaling beschermt en helpt.
  1. Zuhälter
  2. pimp
/pok/
noun
  1. 2. versnellingshendel van een auto
    Schaltknüppel
  2. 1. stang om het vuur op te porren
    Schürhaken
/pol/, /poɫ/, /po̝ɫ/
noun
1. een inwoner van Polen, of iemand afkomstig uit Polen
Pole
noun
A 1. uiteinde van een draaiingsas
Pol
noun
1. de begrenzing van het gebied waar 's zomer de middernachtszon gezien kan worden en 's winters de nacht een heel etmaal kan duren
Polarkreis
noun
1. hond uit een ras dat gefokt is in het Noordpoolgebied
Polarhund
noun
1.
Polarlicht
/poɫs/, /poːls/, /po̝ɫs/
adjective
1. gerelateerd aan Polen of het Pools
polnisch
/poɫs/, /poːls/, /po̝ɫs/
pronoun
1. een taal die in Polen gesproken wordt
  1. Polnisch
  2. polnisch
/ˈpɔːɫshoxtə/
noun
1. de hoogte van de hemelpool
Polhöhe
pronoun
1.
Polarstern
noun
1. bepaald soort zoogdier, Alopex lagopus
Polarfuchs
noun
1. benaming voor zeevissen uit familie Triglidae
  1. Knurrhahn
  2. Seehahn
/poːrt/
noun
1. met deuren afsluitbare doorgang door een muur
Tor
noun
Pfote
noun
1. speeltuig
Puppe
noun
Popcorn
noun
1. holle nagel waarvan de rand omgebogen wordt door met een speciale tang (de popnageltang) te trekken aan een stift die dan afbreekt
Blindniet
noun
1. een tang waarmee de zogenaamde pop- of blindklinknagels kunnen worden vastgeklemd
Blindnietzange
noun
1. gezicht met weinig uitdrukking of karakter
Puppengesicht
noun
  1. 2. popperig huisje
    Puppenhaus
  2. 1. een in het klein uitgevoerde versie
    1. Puppenstube
    2. Puppenhaus
noun
Puppenspiel
noun
1. kunstenaar achter poppenspel
Puppenspieler
noun
1. het populair zijn van iemand of iets
Popularität
noun
1.
Population
noun
1.
Pappel
noun
1. politieke stroming die vindt dat een maatschappelijke elite de belangen van het volk verwaarloost...
Populismus
noun
Pornographie
/pɔrsəlɛːn/, /pɔrsəˈlɛɪn/
noun
  1. 1. fijn, geglazuurd aardewerk
  2. 2. voorwerpen van fijn, geglazuurd aardewerk
Porzellan
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Porta Westfalica
noun
1,2 portaal (entree)
Portal
noun
1. portaalkraan
Portalkran
noun
  1. Kofferwort
  2. Schachtelwort
noun
platte houder voor geld, kredietkaarten, naamkaartjes en dergelijke
Portemonnaie
noun
  1. 1. geldbuidel
    Portemonnaie
  2. 2. (uitdrukking) pijn in de portemonnee hebben
    einen Igel in der Tasche haben
noun
1. een deel van een voorraad toebedeeld aan een bepaald persoon
Portion
noun
1.schilderij, foto of andere artistieke voorstelling van een persoon
  1. Porträt
  2. Bildnis
noun
1. fotografie met het menselijk gelaat als onderwerp
Porträtfotografie
/'pɔrtyɣɑl/
pronoun
1. een land in het zuidwesten van Europa, officieel de Portugese Republiek
Portugal
/ˌpɔr.ty.ˈɣes/, /ˌpɔr.ty.ˈχes/
adjective
1. verwijzend naar Portugal of naar de Portugese taal
  1. portugiesisch
  2. Portugiesisch
/ˌpɔr.ty.ˈɣes/, /ˌpɔr.ty.ˈχes/
noun
1. inwoner van Portugal
  1. Portugiese
  2. Portugiesisch
/ˌpɔr.ty.ˈɣes/, /ˌpɔr.ty.ˈχes/
pronoun
2. taal gesproken in Portugal
  1. Portugiesisch
  2. portugiesisch
/pɔr.ty.ˈɣe.sə/, /ˌpɔr.ty.ˈχe.sə/
noun
1. vrouw
Portugiesin
noun
1. bepaald soort vis, Gymnocephalus cernuus
Kaulbarsch
/po'zisi/
noun
  1. 7. de ligging van de hand
    1. Lage
    2. Stellung
  2. 5. een vaste betrekking
    Position
    1. 1. een stand van het lichaam
    2. 2. een innerlijke houding
    3. 3. een plaats van waaruit men iets onderneemt
    4. 6. een maatschappelijke stand
    5. 8. een opstelling van troepen en materieel
    1. Position
    2. Stellung
  3. 4. een toestand waarin iemand zich bevindt
    1. Situation
    2. Stellung
adjective
positiv
noun
Positron
adjective
possessiv
/pɔs/, /pɔst/
noun
1. toegezonden materiaal, zoals brieven; poststuk - poststukken
Post
noun
Postanschrift
noun
1. postbeambte
  1. Postbote
  2. Briefträger
  3. Zusteller
noun
Postleitzahl
noun
1. een afgerichte duif die berichten kan overbrengen
Brieftaube
noun
1. bepaalde soort eenjarige groene plant, Portulaca oleracea
Portulak
/ˈpɔstə(n)/
verb
  1. 2. op wacht staan
    die Wache halten
  2. 1. op de post doen
    1. in den Briefkasten stecken
    2. zur Post bringen
noun
1. het later komen, het tegenovergestelde van prioriteit
  1. Nachrangigsein
  2. Posteriorität
noun
1. posthoorn
Posthorn
noun
1. posthoorn
Posthorn
noun
1. koerier die de post vervoerde
  1. Postillion
  2. Postkutscher
noun
1. kantoor dat zich bezighoudt met de bezorging van post en vaak ook andere diensten levert ...
Postamt
noun
Postkutsche
adjective
1.
postkolonial
noun
Postkolonialismus
/pɔstˈlydijʊm/
noun
1. een muzikale afsluiting van een theaterstuk, opera, ballet etc.
  1. Nachspiel
  2. Postludium
noun
Postpaket
adjective
1. na een letsel
posttraumatisch
noun
1. de vorm van een rechtopstaande mens
  1. Figur
  2. Gestalt
  3. estatura
  4. formes
noun
Postanweisung
/ˈpɔ(st)sɑk/
noun
1. zak om poststukken in te verzamelen en te vervoeren
Postsack
/ˈpɔseɣəl/, /ˈpɔseχəɫ/
noun
1. betalingsmiddel voor het verzenden van post
  1. Briefmarke
  2. Postwertzeichen
noun
  1. Topf
  2. Lesbe
verb
1. ondiep in de aarde stoppen, met name van bollen, wortels, zaden e.d. om deze te laten groeien
pflanzen
noun
1. regelbare weerstand
Potentiometer
noun
3. afgerond spel
  1. Partie
  2. game
noun
1. schrijfgerei met een zachte stift vervaardigd van klei en grafiet ingebed in een houten huls
  1. Bleistift
  2. Stift
noun
1. man die ongevraagd zijn ontblote penis aan voorbijgangers laat zien
  1. Brieföffner
  2. Mädchenschreck
  3. Schleuderer
  4. Schlitzöffner
noun
1. regelbare weerstand
Poti
pronoun
1.
Potsdam
noun
1. bepaald soort zeezoogdier, Physeter macrocephalus
Pottwal
adjective
1. teleurstellend klein of gering
dürftig
/po.ˈwe.tɪs/, /po.ˈβ̞e.tis/
adjective
1. uit de poëzie, gelijkend op poëzie
  1. dichterisch
  2. poetisch
noun
1. in ritme, maat en klank verwoorden
Poesie
/prax/, /praç/
pronoun
hoofdstad van Tsjechië
Prag
noun
  1. 1. een kleine schuit met platte bodem
    1. Frachtkahn
    2. Lastkahn
  2. 2. een hulpmiddel in de vorm van een stuk hout en een lus die om de bovenlip aangebracht wordt om een paard rustig te houden
    Nasenbremse
/ˈpraːt.jəs.ˌma.kər/
noun
1. vlotte prater
Redner
noun
1. Utetheisa pulchella
Harlekinbär
noun
1. Cynomys, een eekhoornachtig zoogdier uit Noord-Amerika dat een scherp blaffend geluid maakt
Präriehund
/ˈprɑkə(n)/
verb
1. eten fijndrukken
  1. zerstampfen
  2. zermatschen
/prɑkˈtɛɪ̯k/, /prɑkˈtɛːk/
noun
  1. 4. gewoonte(n), manier van doen
    Praktik
  2. 2. hoe dingen werkelijk gaan...
    Praxis
adjective
1. op een manier die ook echt uitgevoerd kan worden
praktisch
noun
1.
Praline
noun
  1. 1. elk van de borsten van een zogende vrouw
    Brust
  2. 3. de uier van een zoogdier
    Euter
  3. 2. de vrouwenborst in het algemeen
    weibliche Brust
/ˌprazejoˈdimijʏm/
noun
1. Chemisch element
Praseodym
/ˈpraː.tə(n)/
verb
1. zich met behulp van de stem uiten
sprechen
/prɑu/
noun
1. een soort kano
Piroge
/ˈpreborejal/
noun
Präboreal
/presəˈdɛnt/
noun
  1. 2. bestaande jurisprudentie die dient ter beslechting van een vergelijkbaar geschil
    Präjudiz
  2. 1. eerder plaatsgevonden hebbend geval
    Präzedens
noun
Prädator
noun
3. (grammaticaal) gezegde
Prädikat
noun
  1. Prädikatsadjektiv
  2. adjektivisches Prädikativum
noun
  1. Prädikatsnomen
  2. substantivisches Prädikativum
/ˌpredikaˈtif/
adjective
prädikativ
verb
1.de leer van een geloof verkondigen
predigen
pronoun
Kohelet
noun
Predigt
verb
1. de voorkeur geven
  1. vorziehen
  2. bevorzugen
noun
1. een gebonden morfeem dat voor een ander woord geplaatst wordt om iets aan de betekenis toe te voegen
Vorsilbe
noun
1. en 2 (bladeren van) plant Allium porrum
  1. Lauch
  2. Porree
verb
1. een preek houden
predigen
noun
1. een muzikale introductie tot een muziekstuk
  1. Vorspiel
  2. Prélude
noun
1. een fantasiestuk of een muzikale introductie tot een muziekstuk
  1. Präludium
  2. Vorspiel
noun
Kopfgeldjäger
noun
1. de minister die het kabinet aanvoert
  1. Premierminister
  2. Bundeskanzler
  3. Bundeskanzlerin
  4. Premier
noun
1. de eerste vaak feestelijke vertoning van een film, toneelstuk of een andere vorm van entertainment
Premiere
noun
1.briefkaart waarbij aan één kant een foto of tekening staat en aan de andere zijde tekst en adres geschreven kunnen worden
Ansichtskarte
noun
Bilderbuch
noun
1. voorhuid van penis
Vorhaut
noun
Prärogative
adjective
1. aanwezig
anwesend
/ˌpresɛnˈtatsi/
noun
1. het presenteren van iets
Vorstellung
verb
1. op een goed voorbereide wijze aanbieden aan anderen
  1. präsentieren
  2. anbieten
adjective
1. voorbehoedmiddel
  1. Kondom
  2. Präservativ
noun
1. het staatshoofd van een republiek
Präsident
noun
1. de verkiezing van een president
Präsidentenwahl
noun
1. vaak fraai gevormd, zwaar voorwerp dat men boven op een stapel losse papieren kan leggen zodat de papieren niet kunnen wegwaaien
Briefbeschwerer
verb
1. dwingen tot grote spoed
pressieren
noun
  1. Leistung
  2. Errungenschaft
  3. Durchführung
  4. Tat
verb
1. een overtuigende sociale bijdrage leveren
leisten
/ˌpresiˈnɑptis/
adjective
1. voor de synaps, d.i. de spleet tussen twee zenuwcellen, liggend
präsynaptisch
noun
Spaßbremse
/prøts/
adjective
1. zeer ingetogen, overdreven kuis
prüde
noun
1. ongezond langdurige erectie van de penis
Priapismus
noun
1. priem
Ahle
verb
1. met een priem bewerken
stechen
noun
1. priemgetal
Primzahl
noun
1. iemand die de religieuze (offer) rituelen verzorgt
  1. Priester
  2. Pastor
noun
1. een vrouw die de taak heeft religieuze rituelen te verzorgen
Priesterin
/ˈprɛikə(n)/
verb
1. opvallend zichtbaar zijn
prangen
noun
  1. 1. de gevraagde geldsom bij verkoop
  2. 2. een uitzonderlijke beloning, bijvoorbeeld voor een bepaalde prestatie
Preis
/ˈprɛis.xevə(n)/
verb
2. iets als verloren moeten beschouwen
preisgeben
noun
  1. Impuls
  2. Anstoß
  3. Stimulanz
noun
1. materiaal bestaande uit een dubbele, in elkaar gedraaide metalen draad...
Stacheldraht
/ˈprɪkələn/
verb
  1. 5. (seksueel) opwinden
    1. erregen
    2. reizen
    1. 3. ergeren
    2. 2. aanzetten, aansporen
    reizen
  2. 4. (medisch) irriteren
    1. reizen
    2. prickeln
  3. 1. (herhaaldelijk) prikken
    stacheln
noun
  1. 2. kerkelijke titel
    Primas
  2. 1. benaming voor zoogdieren uit de orde Primates
    Primat
noun
1. prime
Prime
/'primyla/
noun
1.
  1. Primel
  2. Schlüsselblume
adjective
prinzipiell
noun
  1. 1. hoogste adellijke titel van een man of jongen
  2. 2. laagste koninklijke titel van een man of jongen
  1. Prinz
  2. Fürst
noun
  1. 1. de hoogste adellijke titel van een vrouw of meisje
  2. 2. de laagste koninklijke titel van een vrouw of meisje
Prinzessin
/ˈprɪntər/
noun
1. toestel om gegevens af te drukken onder andere op papier.
Drucker
noun
1. (elektrotechniek) plaat waarop elektronische bedrading aanwezig is, aangebracht met frees- of etstechnieken
Leiterplatte
noun
Druckversion
/pri'vatrɛxt/
noun
1. vakgebied van het recht m.b.t. de onderlinge verhoudingen tussen private personen, maar ook hun privébelangen
Privatrecht
noun
Privatsphäre
verb
1. omvormen van staatsbedrijven, overheidsdiensten tot particuliere, private bedrijven
privatisieren
verb
1. voorrechten schenken aan iemand
privilegieren
adjective
1. voor persoonlijk gebruik gereserveerd
privat
noun
1. de tijd die besteed wordt aan persoonlijke bezigheden
Privatleben
noun
1.
Privatwirtschaft
/proˈberə(n)/
verb
  1. 2. onderzoeken
    1. probieren
    2. untersuchen
  2. 1. testen
    1. testen
    2. ausprobieren
  3. 3. iets met succes trachten te beëindigen waarvan men niet weet of het gaat lukken
    versuchen
noun
1. iets dat schade teweegbrengt of de voortgang van iets anders in de weg staat
Problem
noun
Problemviertel
adjective
1. met problemen behept
  1. problematisch
  2. Problematik
noun
1. het geheel van problemen en bijzonderheden rond een vraagstuk
Problematik
adjective
1. een probleem vormend
problematisch
/prosəˈdyrə/, /proseˈdyrə/
noun
  1. 1.
  2. 4.
Prozedur
/pro'sɛnt/
noun
1. een honderdste deel
percent
adjective
1. in procenten (als percentage) uitgedrukt
prozentual
/proˈsɛs/
noun
  1. 2. opeenvolging van gebeurtenissen, gang van zaken
    Prozess
  2. 1. het voeren van een gerechtszaak
    1. Prozeß
    2. Rechtssache
abbreviation
  1. 2. bekeuring
    Anzeige
  2. 1. de akte waarmee een overheidsambtenaar verslag uitbrengt over wat hij in de uitoefening van zijn functies heeft verricht
    Protokoll
noun
Verfahrensrecht
/proˈsɛˌsi/
noun
Prozession
/prosɛsirʏps/
noun
1. larve van een processievlinder, Thaumetopoeinae
Prozessionsraupe
noun
1. wegvallen van een of meer klanken aan het begin van een woord
  1. Aphärese
  2. Aphäresis
noun
4. het hoofd van het Parket bij de Nederlandse Hoge Raad
Generalstaatsanwalt
noun
Produzent
verb
1. bij voortduring vervaardigen
  1. herstellen
  2. produzieren
noun
1. het resultaat van een bewerking
Produkt
noun
1. voortbrenging
Produktion
noun
Produktionsprozeß
noun
  1. 2. experiment
  2. 4. monster
Probe
noun
1. een dier waarop proeven gedaan worden
Versuchstier
noun
  1. 2. proefpersoon
  2. 1. konijn waarop er geëxperimenteerd wordt
Versuchskaninchen
noun
1. een les waarin men kan ondervinden of een cursus of opleiding geschikt is voor de leerling
Probestunde
noun
Probezeit
verb
  1. 1. onderzoeken hoe iets smaakt
    1. kosten
    2. probieren
  2. 2. smaak waarnemen
    schmecken
noun
1. een persoon die boodschappen van een godheid aan de mensen doorgeeft
Prophet
noun
1. een persoon, die beroepsmatig werkzaam is
professionell
/proˈfɛsɔr/
noun
1. de aanspreektitel voor een hoogleraar
Professor
noun
1. een applicatie voor de computer
Programm
noun
Programmiersprache
verb
1. het schrijven van computerporgramma
programmieren
/proˈjɛkt/
noun
1. een zaak die men denkt uit te voeren of te onderzoeken
Projekt
noun
toestel om een afbeelding op een scherm te projecteren
Projektor
noun
  1. Proletarier
  2. Proletarierin
noun
  1. 1. inleidende rede van een tekst
  2. 3. de inleiding tot een theaterstuk
  3. 2. een korte tijdrit die als openingsrit wordt verreden
Prolog
noun
1. verhandelbare schuldbekentenis
  1. Eigenwechsel
  2. Solawechsel
noun
1. een uitvaart waarbij het lijk tot stof wordt verpulverd door toepassing van vriesdrogen
Promession
noun
1. een scheikundig element met het symbool Pm en het atoomnummer 61; een zilverwit à grijs lanthanide
Promethium
/proˈmotə(n)/
verb
1. reclame maken voor
aufbauen
/proˈmotsi/
noun
  1. 2. bevordering naar een hogere speelklasse
    1. Aufstieg
    2. Aufsteigen
  2. 1. een verhoging in rang
    Beförderung
noun
  1. Doktorand
  2. Doktorandin
noun
1. en 2. (peulvrucht van) Phaseolus coccineus
  1. Feuerbohne
  2. Käferbohne
  3. Wollbohne
verb
1. vertoon maken met mooie dingen
prunken
noun
1. dat wat door een dier wordt buitgemaakt
Beute
/prost/
interjection
1. heildronk
  1. prost
  2. zum Wohle
/ˈprostə(n)/
verb
1. het glas heffen en een gelukwens uitbrengen
  1. anstoßen
  2. zuprosten
noun
1. samengepakte massa weefsel of papier, vaak gebruikt om iets af te stoppen
Propf
noun
1. C₃H₈
Propan
noun
1. activiteiten of materiaal gericht op het beïnvloeden van de mening of het gedrag...
Propaganda
noun
  1. 1. voortplanting of uitbreiding
  2. 2.
Propagation
noun
Propen
noun
1. CH₃CH₂COOH
Propionsäure
adjective
1. evenredig
proportional
noun
1.een klier tussen de blaas en de penis van de man
Prostata
verb
1. iemand dwingen tot het aanbieden van seksuele diensten
prostituieren
noun
1. het tegen betaling ter beschikking stellen van het lichaam voor het seksuele genot van een ander
Prostitution
noun
1. scheikundig element met symbool Pa en atoomnummer 91
Protactinium
noun
1.
Protagonist
noun
1. christen die is aangesloten bij het protestantisme, een van de kerkgenootschappen ontstaan door afsplitsing van de Rooms-Katholieke Kerk in de zestiende eeuw
Protestant
/ˌpro.tə.ˈstɑnts/
adjective
1. gerelateerd aan het protestantisme
  1. protestantisch
  2. evangelisch
verb
1. grote bezwaren uiten
protestieren
noun
Protestlied
noun
1.
Protein
noun
1. voorvoeging van beginklank
Prothese
pronoun
1. hypothetische, gereconstrueerde taal waar vele Europese talen, waaronder het Nederlands en het Frans, van afstammen
Urindogermanisch
noun
4. geheel van voorschriften en afspraken in de internationale diplomatieke omgang
Protokoll
adjective
1. in, van of betrekking hebbend op de gereconstrueerde taal die vroeger door de Germanen werd gesproken
  1. urgermanisch
  2. protogermanisch
pronoun
1. reconstructie van de taal zoals die vroeger door de Germanen werd gesproken
  1. Protogermanisch
  2. Urgermanisch
/'protɔn/
noun
Proton
noun
1. oorspronkelijk model, eerste model van een product
Prototyp
/pro.ˈvɪn.si/
noun
1. een staatkundig onderdeel van een land
Provinz
noun
Provokation
noun
1. een kunstmatig haarstuk waarmee het hoofd bedekt wordt
Perücke
noun
2. vrucht van de pruimenboom
Pflaume
noun
  1. Trockenpflaumen
  2. Dörrpflaumen
/ˈprœy̯mə(n)/
verb
1. tabak kauwen
priemen
noun
  1. Pflaumenbaum
  2. Zwetschenbaum
noun
1. kerftabak die geschikt is om gepruimd te worden (om op te kauwen)
Kautabak
pronoun
Preußen
noun
1. een variant van de kleur blauw met een groenachtige ondertoon
preußischblau
noun
  1. Ramsch
  2. Kram
/psɑlm/
noun
1. elk van honderdvijftig gezangen uit de Tenach en het Oude Testament
Psalm
pronoun
1. boek in de Bijbel met lofliederen op God
Psalmen
noun
onechte programmeertaal
Pseudocode
/psœydoˈnim/
noun
1. een aangenomen naam waaronder men iets publiceert
Pseudonym
noun
1. schubziekte met overmatige vette schilfers van de huid
  1. Schuppenflechte
  2. Psoriasis
/ˌpsɪxeˈdelɪs/
adjective
1. de werking van het bewustzijn verruimend
  1. psychedelisch
  2. bewusstseinserweiternd
noun
Psychiater
noun
Psychiatrie
adjective
1. met betrekking tot de behandeling van geestelijke stoornissen
psychiatrisch
adjective
1. geestelijk
  1. psychisch
  2. seelisch
noun
1. stroming in de psychologie
Psychoanalyse
/psixoloˈɣi/, /psiχoloˈχi/
noun
1. de wetenschap die zich bezighoudt met het onderzoek naar bewustzijnsverschijnselen
Psychologie
adjective
1. met betrekking tot het gevoelsleven.
psychologisch
/ˌpsi.χo.ˈloχ/, /ˌpsɪ.xo.ˈlox/
noun
1. een beoefenaar van de psychologie
Psychologe
noun
1. de bewuste, vanuit de hersenen gestuurde beweging
Psychomotorik
noun
1.iemand die lijdt aan een persoonlijkheidsstoornis die antisociaal gedrag veroorzaakt
Psychopath
adjective
1. betrekking hebbend op de psychopathologie
psychopathologisch
/psi'xozə/
noun
1. een geestesziekte waarbij men wanen heeft
Psychose
/ˌpsiχoso'ʃal/
adjective
1. Het zielenleven betreffend voor zover dit door sociale factoren beïnvloed wordt
psychosozial
noun
1. stroming in de psychologie
Psychotherapie
noun
psychisch trauma dat wordt opgelopen na het meemaken van een afschuwelijke gebeurtenis
Psychotrauma
noun
1. het proces van seksuele rijping van kind naar volwassene en het gedrag dat daar bij hoort
Pubertät
noun
Pubertät
verb
1. bekend maken aan een doorgaans groot publiek via een bepaald medium
publizieren
noun
Bekanntheit
/pyˈblik/
adjective
2. wat het publiek aangaat
  1. öffentlich
  2. Öffentlichkeit
/pyˈblik/
noun
1. een groep toeschouwers
Publikum
noun
1. harde rubberen schijf gebruikt bij ijshockey
Puck
noun
1. nagerecht, vaak zoet, koud en op basis van melk
Pudding
pronoun
1. een met de Verenigde Staten geassocieerde vrijstaat in het oostelijk deel van de Caribische Zee
Puerto Rico
noun
Bimsstein
/pœʏ̯n/, /pœːn/
noun
1. een massa vergruizelde steen
  1. Schutt
  2. Trümmerschutt
/pœyn(h)op/
noun
  1. 2. een bende
    Durcheinander
  2. 1. een hoop puin, meestal door de verwoesting van bouwwerken
    1. Schutthaufen
    2. Trümmerhaufen
adjective
1. met puisten bezet
  1. pickelig
  2. pustulös
noun
1. gewoonlijk aardewerken kroes voor bier met een deksel
Krug
/pʌlovər/
noun
1. gebreide herentrui met mouwen die over een overhemd gedragen wordt
Pullover
noun
1. een klopping
Pulsation
noun
1. een damesschoen zonder sluiting en met hoge hak
Pumps
pronoun
1. taal die in de Punjab, zowel in India als in Pakistan gesproken wordt
Pandschabi
noun
1. een positie in de ruimte
  1. Punkt
  2. Spitze
noun
1. taps toelopende houder met een mesje dat bedoeld is voor het aanslijpen van een verse punt aan een potlood
Anspitzer
adjective
1. spits
spitz
noun
1. een leesteken dat twee nauw aan elkaar gerelateerde zinnen tot een geheel verbindt (;)
Semikolon
noun
Tüte
noun
Spitzsieb
noun
  1. 1. onder voogdij staand kind
    Mündel
  2. 2. leerling
    Schüler
  3. 1. oogappel
    Pupille
noun
1. pasgeboren hond, jonge hond
  1. Welpe
  2. Hündchen
noun
1. chocolade van zuivere cacaopasta plus suiker
Bitterschokolade
noun
gerecht van fijngestampte of gezeefde aardappelen, tomaten, vruchten, groenten enz
Püree
noun
1. streven naar puurheid
Purismus
adjective
violett
adjective
  1. Purpurrot
  2. purpurrot
adjective
  1. Purpurviolett
  2. purpurviolett
/pɵt/
noun
1. een pijpvormige uitholling in een oppervlak
Brunnen
noun
2. distelvink
Stieglitz
noun
1. puttingijzer
Rüsteisen
/pyzəl/, /pʏzɔl/
noun
1. een raadsel of moeilijke opgave die men als tijdverdrijf probeert op te lossen
Puzzle
noun
acroniem van polyvinylchloride
Polyvinylchlorid
noun
1. gemakkelijk zittende hemd en broek die 's nachts in bed kunnen worden gedragen
  1. Schlafanzug
  2. Pyjama
noun
1. een oranje verkeerskegel, gebruikt bij wegwerkzaamheden
  1. Leitkegel
  2. Verkehrsleitkegel
pronoun
1. een gebergte op de grens van Frankrijk en Spanje
Pyrenäen
noun
Pyrolyse
noun
1. onweerstaanbare drang om brand te stichten
Pyromanie
/piˈrozɪs/
noun
1. een brandend gevoel ten gevolge van oprisping van maagzuur
  1. Pyrosis
  2. Sodbrennen
noun
1. een niet-giftige en grote wurgslang
  1. Python
  2. Pythonschlange
pronoun
1. een stad in de Oostenrijkse deelstaat Neder-Oostenrijk
Pöchlarn
/kɑt/
noun
1. blad van een bedektzadige plant Catha edulis
  1. Kathstrauch
  2. abessinischer Tee
/ka'tar/, /ka'tɑr/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten
Katar
/kʋa/
preposition
1. wat betreft
was betrifft
noun
1. vierkanaals stereofonie
Quadrophonie
noun
1. een met vier paarden bespannen tweewielige wagen van de oude Grieken en Romeinen
Quadriga
noun
Quadrilliarde
noun
  1. 1. een Franse contradans uit de 18e eeuw
  2. 1. een omberspel met vier spelers
Quadrille
verb
1. een quadrille dansen
eine Quadrille tanzen
adjective
1. viervoudig
vierfach
noun
1. volgeling van een religieuze beweging gekend onder de naam Genootschap der Vrienden
Quäker
noun
1. de kleinste natuurlijke eenheid die in onze kosmos voorkomt
Quant
noun
1. tijdelijke afzondering van personen, dieren of zaken die besmet zouden kunnen zijn met ziektekiemen
Quarantäne
/kwɑrk/
noun
Quark
/kwɑrˈtɛːr/
noun
Quartär
noun
Quasar
adverb
1. in schijn
quasi
/kwɑtʃ/, /kʋɑtsʲ/
noun
1. onzin
Quatsch
noun
1.
Quattrocento
pronoun
1.
Quedlinburg
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Saksen-Anhalt
Querfurt
noun
1. iemand die voortdurend klaagt over onrecht dat hem zou zijn aangedaan
Querulant
/kwiˈnowa/
noun
1. Zuid-Amerikaanse plant (Chenopodium quinoa) en 2. zaden van die plant
Quinoa
noun
Quinquagintilliarde
noun
Quintilliarde
pronoun
3. spelwoord voor de letter q
Quelle
noun
1. spel waarbij de deelnemers vragen moeten proberen te beantwoorden
Quiz
noun
  1. 2. spelwoord voor de letter q
    Quelle
  2. 1. resultaat van de deling van het deeltal door de deler
    Quotient
interjection
1. horizontaal draaibare boom aan mast
Rah
/rat/, /raːd/
noun
Goede raad is duur.
  1. Da ist guter Rat teuer.
  2. Guter Rat ist teuer.
pronoun
Rat der Europäischen Union
noun
1.
Elferrat
pronoun
Europarat
verb
1. een bron van informatie of ervaring aanspeken
  1. konsultieren
  2. zu Rate ziehen
noun
1. iets waarnaar men moet raden
Rätsel
/ratsəlɑxtəx/
adjective
1. onbegrijpelijk door dubbelzinnige of verborgen informatie
rätselhaft
noun
  1. 3. lid van gerechtshof, Hoge Raad
    1. Gerichtsrat
    2. Mittglied des Obersten Gerichtshofes
  2. 4. raadsheer
    Läufer
noun
1. een lid van een gemeenteraad
  1. Ratsmitglied
  2. Gemeinderatsmitglied
  3. Stadtverordnete
adjective
ratsam
/raːf/
noun
1. grootste van alle zangvogels, met flinke snavel, Corvus corax
  1. Rabe
  2. Kolkrabe
noun
  1. 1. venster: muuropening om lucht en licht door te laten
    Fenster
  2. 2. lijst, kader
    Rahmen
noun
1. een richtinggevoelige antenne van enkele spoelwindingen
Rahmenantenne
adjective
1. afwijkend van gewoonlijk, verbazing opwekkend
skurril
noun
1. en 2. (stengels van) plant Rheum rhabarbarum
Rhabarber
noun
1. vocht uit de stengels van Rheum rhabarbarum
Rhabarbersaft
/rɑˈbɛin/
noun
Rabbiner
noun
1. wedstrijd waarbij het erom gaat een bepaald traject of parcours zo snel mogelijk af te leggen
Wettlauf
noun
Rennwagen
noun
1. een baan om snelheidswedstrijden op te houden
Rennbahn
noun
1. (sport) iemand die aan een race deelneemt
Renner
noun
Rassismus
noun
1. wielvormig voorwerp dat kracht overbrengt binnen een machine of op het water
Rad
noun
1. radarantenne
Radarantenne
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Saksen
Radeberg
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Saksen
Radebeul
verb
1. een gissing maken naar iets
raten
noun
1.een scheepstype dat wordt voortbewogen door schoepenraderen
Raddampfer
noun
1. een scheepstype dat wordt voortbewogen door schoepenraderen
Raddampfer
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Radevormwald
adjective
2. straalsgewijs
radial
noun
1. de SI-eenheid voor een hoek
Radiant
noun
1.
Sternmotor
noun
1. een toestel dat door straling warmte afgeeft, ofwel ter verwarming van een ruimte, ofwel ter koeling van bijvoorbeeld een motor
  1. Heizkörper
  2. Kühler
  3. Radiator
verb
radikalisieren
noun
Radikalismus
noun
1. bepaalde soort uit de kruisbloemfamilie, Raphanus sativus
  1. Radieschen
  2. Rettich
/ˈradijo/
noun
  1. 1. toestel
  2. 2. medium
  1. Radio
  2. Rundfunkgerät
noun
1. radio-omroep
Hörfunk
noun
1.
Radioaktivität
noun
  1. Radiobiologie
  2. Strahlenbiologie
/ˌradioˈlaria/
noun
1. taxonomische groep van in zee levende eencelligen, Radiolaria
  1. Radiolarien
  2. Strahlentierchen
noun
1. het medisch specialisme...
  1. Radiologie
  2. Röntgenologie
noun
Radiologe
noun
Durchleuchtung
noun
1. hoge ondersteuningsconstructie voor radiozendantennes
Funkturm
noun
1. scheikundig element met symbool Ra en atoomnummer 88
Radium
pronoun
1.
Radolfzell
noun
1. met symbool Rn en atoomnummer 86
Radon
/'ra.fəl/
noun
1. een losgeraakte draad van een weefsel
Franse
/ˈrafələ(n)/
verb
1. van een geweven stof of touw dat deze vanaf de rand of uiteinde uit elkaar valt
ausfransen
noun
het raffineren
Raffination
noun
Ragout
noun
  1. 2. een baan waar een railvoertuig over rijdt
    1. Bahn
    2. Eisenbahn
  2. 4. een metalen richel waarover een gordijn dat aan wieltjes hangt, kan rollen
    Gardinenstange
  3. 1. een metalen staaf waar het wiel van een railvoertuig op rijdt
    Schiene
verb
  1. 2. emoties opwekken
    berühren
  2. 1. een klap, schot of stoot toebrengen
    1. treffen
    2. berühren
  3. 1. in een bepaalde toestand of situatie komen
    geraten
  4. 2. maakt een ergatieve constructie met een bijvoeglijk naamwoord of voltooid deelwoord
    werden
noun
1. cilindervormig projectiel dat door een naar achteren gerichte ontploffing wordt voortbewogen
Rakete
noun
  1. Rauke
  2. Arugula
  3. Raukelkohl
  4. Senfkohl
noun
1. tint van een kleur zoals gedefinieerd door een Duitse organisatie voor handelsnormen
RAL-Farbe
pronoun
2. teken van de dierenriem van 21 maart tot 20 april
Widder
noun
1. mannelijk schaap
  1. Widder
  2. Schafbock
noun
1. Spectroscopische analysemethode
Raman-Spektroskopie
/ˈramə(n)/
verb
1. inschatten, vaak middels berekening
schätzen
noun
Blitzeinbruch
noun
1. mannetje van een dier uit de familie der Haasachtigen
  1. Bock
  2. Rammler
noun
1. gammel voertuig op wielen
  1. Blechkiste
  2. Klapperkiste
  3. Schrottkarre
noun
1. een gammel voertuig
  1. Blechkiste
  2. Klapperkiste
  3. Schrottkarre
verb
  1. 1. een botsing op een vijandelijk schip veroorzaken
  2. 2. met een zwaar voorwerp een poort of deur inslaan
rammen
noun
1. een grote catastrofale gebeurtenis met ernstige gevolgen
Katastrophe
adjective
1. op een ramp uitdraaiend
katastrophal
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Rijnland-Palts
Ramstein-Miesenbach
/rɑnt/
abbreviation
1. een munteenheid in Zuid-Afrika
Rand
/rɑnt/
noun
  1. 3. de buitenkant van een gebied of een ding
    1. Kante
    2. Rand
  2. 1. de bovenkant van een bak of vat
    1. Rand
    2. Kante
  3. 2. het extern gedeelte van de stad, beschouwd als zijnde onder invloed van het centrum
    1. Randgebiet
    2. Randzone
    3. Stadtrand
noun
Peripheriegerät
pronoun
1. ringvormige groep steden in het westen van Nederland, met als belangrijkste centra Amsterdam, Rotterdam, Utrecht en Den Haag
Randstad
verb
1. een bepaalde volgorde in iets aanbrengen
ordnen
noun
1. een telwoord dat een rangorde of volgorde aanduidt
  1. Ordinalzahl
  2. Ordnungszahl
noun
1. ranket
Rankett
pronoun
1. een gemeente in de Oostenrijkse deelstaat Vorarlberg
Rankweil
verb
1. iemand met een stok of karwats een pak slaag geven
prügeln
adjective
1. snel, vlug
rasch
verb
  1. 1. met de hand oppakken
    1. aufheben
    2. aufnehmen
  2. 2. verzamelen
    sammeln
noun
2. schriftelijk bericht over de voortgang op school
Zeugnis
verb
1. het uitbrengen van een verslag of rapport
  1. berichten
  2. melden
noun
Rasse
adjective
  1. 2. een bepaalde (stereo)type vertegenwoordigend
    Vollblut-
  2. 1. zuiver van ras, (bij uitbreiding) met dezelfde afkomst, streek of overtuiging als de ouders en grootouders
    1. Vollblut-
    2. reinrassig
    3. vollblütig
noun
1. hond die voldoet aan de kenmerken van een bepaald hondenras
Rassehund
noun
1. een grofgetande vijl die wordt gebruikt om rondingen aan hout te maken
Reibe
verb
1. met een rasp afvijlen en fijnmaken
reiben
pronoun
1. en 2.
Rastatt
/ˈrɑstərelɛkˌtronəmikroˌskop/
noun
1. een type elektronenmicroscoop waarmee men direct oppervlaktestructuren goed kan afbeelden.
Rasterelektronenmikroskop
noun
1. vijfpuntige tekenpen
Rastral
/rɑt/
noun
1. een muisachtig knaagdier uit het geslacht Rattus
Ratte
noun
  1. 2. een mechaniek met kamrad en pal, dat een asdraaiing slechts in één richting toelaat
    1. Knarre
    2. Gesperre
  2. 1. een eenvoudige muziek- en signaalinstrument dat geluid geeft doordat bij het rondslingeren een tandrad een latje repeterend weggedrukt en laat terugvallen
    Ratsche
noun
1. gifslang uit het geslacht Crotalus
Klapperschlange
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Ratingen
noun
Rationalismus
noun
1. een stevige ijzeren ring aan de wal waaraan de meertouwen van schepen worden vastgelegd
  1. Rattenblech
  2. Rattenteller
noun
1. schade, verwoesting
  1. Schaden
  2. Verwüstung
pronoun
1. en 2.
Ravensburg
noun
1. een diepe, steile insnijding in een terrein
Schlucht
noun
1. kleine vierkante deegplakjes die gevuld zijn met gehakt, tomaten en kruiden, overgoten met bijpassende saus
Ravioli
noun
1. een op zijde gelijkende kunstvezel
Bezirk
verb
1. heel snel rijden
rasen
adjective
  1. 1. bijzonder heftig
    1. frenetisch
    2. rasend
  2. 2. bijzonder boos
    1. rasend
    2. wütend
noun
Blindwiderstand
noun
1. een actie die een gevolg is van een stimulus
Reaktion
noun
1. een turbine die draait als gevolg van de reactiewerking
Reaktionsturbine
noun
Reagenzglas
verb
1. op een nieuwe situatie actie ondernemen
reagieren
adjective
1. van iets dat het werkelijkheid kan worden
  1. machbar
  2. realisierbar
verb
realisieren
adverb
1. in werkelijkheid
realiter
noun
het reanimeren
Wiederbelebung
/reani'merən/
verb
1. het kunstmatig overnemen van de ademhaling en de bloedsomloop, indien er sprake is van een circulatiestilstand
reanimieren
verb
  1. 1. rebellerend onvoltooid deelwoord van rebelleren, attributief gebruikt
  2. 2. rebellerend onvoltooid deelwoord van rebelleren, bijwoordelijk gebruikt
  1. rebellierend
  2. trotzig
  3. widerspenstig
noun
Rebellion
adjective
1. opstandig, balorig, geneigd tot verzet
  1. aufständisch
  2. rebellisch
noun
1. soort raadsel
  1. Rebus
  2. Bilderrätsel
adjective
1. onwillig, tegendraads
widerspenstig
verb
1. een beoordelend verslag schrijven, meestal van een culturele gebeurtenis
rezensieren
adverb
1. nog niet lang geleden
  1. kürzlich
  2. neulich
  3. vor kurzem
noun
  1. 1. voorschrift voor de bereiding van een gerecht
    1. Rezept
    2. Kochrezept
  2. 2. doktersvoorschrift voor (de bereiding van) een geneesmiddel
    1. Rezept
    2. Verordnung
noun
1. bestanddeel dat gevoelig is voor prikkels
Rezeptor
noun
1. een instelling waar rechtgesproken wordt
Gericht
noun
1. een rechte lijn
Gerade (Linie)
noun
1. hoek van 90 graden
rechter Winkel
/ˈrɛxtə ˈklɪɯɪŋ/
noun
1. lengtegraad op de hemelbol
Rektaszension
adjective
  1. gerichtlich
  2. richterlich
noun
2. geheel van de fundamentele rechten en vrijheden die ieder mens toekomen
Menschenrechte
noun
1. student in de rechtsgeleerdheid
Jurastudent
/ˈrɛxtər/
adjective
1. aan de tegenovergestelde zijde van het lichaam waar gewoonlijk het hart zit
rechts
/ˈrɛxtər/
noun
1. persoon die rechtspreekt, persoon die een oordeel velt
  1. Richter
  2. Richterin
noun
1. de hand aan de overzijde van waar zich in het lichaam gewoonlijk het hart bevindt
Rechte
noun
1. rechterhandregel
Rechtehandregel
pronoun
Richter
noun
Rechtsinhaber
/'rɛxtuk/
noun
1. een vierhoek met vier rechte hoeken
Rechteck
adjective
1. het in een rechte hoek staan van lijnen of vlakken
rechtwinklig
adjective
1. volgens het recht, de wet
rechtmäßig
adjective
1. tegenovergestelde van links
  1. rechts
  2. recht
adverb
1. onder een min of meer rechte hoek naar rechts van richting wijzigen
nach rechts
noun
1. feit of samenstelling van feiten waaraan het recht rechtsgevolgen verbindt
  1. Rechtstatsache
  2. juristische Tatsache
noun
1. het voeren van een gerechtszaak
  1. Prozeß
  2. Rechtssache
noun
Jurist
noun
1. kennis of studie van recht
Rechtswissenschaft
noun
Rechtsgleichheit
noun
1. doelgerichte wilsuiting die rechtsgevolgen heeft
Rechtshandlung
/ˈrɛxtsɔm/
adverb
1. in een rondgaande beweging met de klok mee
rechtsdrehend
/ɾɛχts.pɛɾ.soːn/
noun
1. groepering van goederen of natuurlijke personen die kan deelnemen aan het rechtsverkeer
juristische Person
/ˈrɛɣtspoːˌsitsi/
noun
1. het geheel van iemands rechten en plichten
Rechtslage
noun
1. het proces waarin door een rechter een oordeel wordt gevormd over een rechtszaak
Rechtsprechung
noun
Rechtsfrage
noun
1. staat waarvan de macht gereguleerd en beperkt wordt door het geldende recht
Rechtsstaat
noun
1. drager van subjectieve rechten en plichten
Rechtssubjekt
/rɛx'streks/
adjective
1. zonder omwegen
direkt
/rɛx'streks/
adverb
1. zonder omwegen
geradewegs
noun
Gerichtsverfahren
noun
Rechtswissenschaft
/rɛx(t)sak/
noun
1. het voeren van een rechtsgeding
  1. Prozeß
  2. Rechtssache
noun
1. de ruimte waar een rechtszitting gehouden wordt
Gerichtssaal
noun
Gerichtsverhandlung
adjective
1. in overeenstemming met bepaalde ethische beginselen
gerecht
verb
1. onderbouwen volgens bepaalde ethische beginselen
rechtfertigen
noun
1. de overeenstemming met bepaalde ethische beginselen
Gerechtigkeit
noun
Rechtfertigungsgrund
verb
2. corrigeren
berichtigen
adjective
  1. orthodox
  2. strenggläubig
noun
Gerichtsverhandlung
noun
  1. 1. (juridisch) herhaling van een misdrijf, het opnieuw vervallen in dezelfde zonde
  2. 2. (medisch) het zich opnieuw vertonen van een reeds doorstane en schijnbaar genezen ziekte
Rückfall
adjective
1. een dimensie bezittend die de omgekeerde is van een andere dimensie
  1. entgegengesetzt
  2. reziprok
  3. umgekehrt
adjective
1. een dimensie bezittend die de omgekeerde is van een andere dimensie
  1. reziprok
  2. entgegengesetzt
  3. umgekehrt
noun
  1. 3. beklag
    Reklamation
  2. 1,2 informatie over, en aanprijzing van diensten, producten en ideeën
    1. Reklame
    2. Werbung
  3. reclame maken voor
    werben
verb
1. geld terugvragen
reklamieren
verb
1.
  1. resozialisieren
  2. integrieren
  3. reintegrieren
noun
Resozialisierung
noun
Rekombination
adjective
1. een aanbeveling verdienend
empfehlenswert
verb
1. weder opbouwen
rekonstruieren
/rəˈkɔːrɦɑʊ̯tstər/
noun
  1. 2. een vrouwlijk dier met het beste resultaat in een bepaalde categorie
    Rekordhalterin
  2. 1. een vrouw die de beste prestatie heeft verricht in een sport
    1. Rekordhalterin
    2. Rekordinhaberin
noun
Erholung
noun
1. plaats waar mensen hun afval gescheiden kunnen inleveren voor verwerking en hergebruik
Recyclinghof
verb
1. na verbruik weer omzetten in iets bruikbaars
  1. recyceln
  2. wiederverwerten
noun
  1. 1. iemand die berichten verzamelt en bewerkt voor publicatie
    Herausgeber
  2. 2. iemand die teksten corrigeert en klaarmaakt voor publicatie
    Redakteur
adjective
redaktionell
verb
1. actie ondernemen om iets of iemand uit de moeilijkheden te halen
retten
noun
1. iemand die iemand anders redt
Retter
noun
Rettungsring
noun
1. een speciaal gebouwde en uitgeruste boot om het schip in geval van nood veilig te kunnen verlaten.
Rettungsboot
noun
3. een ankerplaats buitengaats
Reede
adjective
  1. 1. wat op nuchtere wijze te beredeneren is
    1. angemessen
    2. adäquat
    3. redlich
  2. 2. de eigenschap bezittend nuchter te redeneren
    1. nüchtern
    2. redlich
/ˈre.də(n)/
noun
1. een motivatie door iemand bedacht of beredeneerd
Grund
/ˌredəˈnɪːrɪŋ/
noun
1. het proces waarmee men van een aantal argumenten, premissen of axioma's tot een standpunt of conclusie komt
Argumentation
noun
1. eigenaar van een schip
Reeder
noun
Reederei
/ˈrɛtstər/
noun
1. vrouwelijk persoon die een ander uit de nood helpt
Retterin
/redypliˈkatsi/
noun
1. vorming van een nieuw woorden of zinsneden door geheel of gedeeltelijke herhalen van een deel daarvan
Reduplikation
noun
1. sierlijk slank hert, komt bijna in heel Europa voor
Reh
adjective
  1. Rehbraun
  2. rehbraun
adverb
1. al
  1. schon
  2. bereits
noun
1. een opeenvolgende rij van gebeurtenissen
Reihe
noun
1. een glycoproteïne dat vooral een belangrijke rol speelt bij het sturen van de neuronale migratie...
Reelin
noun
1. een naar verhouding smalle maar lange strook materiaal die ergens van afgesneden of afgebroken is
  1. Riegel
  2. Streifen
noun
  1. 2. kont, billen
    1. Arsch
    2. Hintern
  2. 1. een (soms opengereten) spleet
    1. Riefe
    2. Riss
noun
1. een stemming over een wetsvoorstel, waarbij gestemd wordt door het volk zelf...
Referendum
verb
1. een beeld weerkaatsen
reflektieren
noun
  1. Reflexion
  2. Abbild
noun
1. voorwerp bestemd om geluid of elektromagnetische straling zoals licht terug te kaatsen
Reflektor
adjective
refraktär
noun
Brechung
noun
  1. Refrain
  2. Kehrreim
noun
Remter
noun
1. overeenkomst tussen coalitiepartijen die bij de vorming van een coalitieregering gesloten wordt
Koalitionsvertrag
/ˈreɣəɫ/
noun
  1. 3. een voorschrift, richtlijn, norm
    Regel
    1. 1. een zin in een tekst
    2. 2. een vers in een gedicht
    Zeile
adjective
1. aan een bepaalde regel gehoorzamend
regelmäßig
adverb
1. op gezette tijden
regelmäßig
noun
1.Het volgen van vaste regels
Regelmaßigkeit
noun
1. een apparaat of een verzameling apparatuur om het gedrag van een of ander systeem of proces te regelen
Regelkreis
/reχən/
noun
1. neerslag van tot druppels gecondenseerde waterdamp
Regen
adjective
1. regelmatig regenend of neigend naar regen
regnerisch
/ˈreːχənboːx/
noun
1. een natuurfenomeen dat na regen als een verschijnende veelkleurige boog te zien is
Regenbogen
noun
1. een trui voor de wereldkampioen wielrennen
Regenbogentrikot
noun
1. het gekleurde vlies in het oog waarin de pupil zich bevindt
  1. Iris
  2. Regenbogenhaut
noun
1. een tijdelijke periode van regen tengevolge van het overtrekken van een wolkenveld
Regenschauer
/ˈreɣənə(n)/
verb
1. het vallen van neerslag in de vorm van waterdruppels
regnen
noun
2. herstelgroei
Regeneration
noun
Regenerator
noun
1. een waterdichte overjas die geschikt is voor regenachtig weer
  1. Regenmantel
  2. Regenjacke
noun
1. toestel dat de hoeveelheid gevallen neerslag in een bepaalde periode op een bepaalde plaats meet
  1. Niederschlagsmesser
  2. Regenmesser
noun
1. een verticale buis die aan een dakgoot is bevestigd en dient om het hemelwater dat op het dak valt, af te voeren
Fallrohr
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Regensburg
noun
1. een paraplu
Regenschirm
noun
Regentschaft
noun
Regenfall
noun
Regenwasser
/'reɣəʋɔrm/
noun
1. benaming voor dieren uit de familie Lumbricidae
Regenwurm
noun
1. een bos in een klimaat met het hele jaar door neerslag
Regenwald
noun
Regenbrachvogel
verb
1. het uitoefenen van de politieke macht...
regieren
/re.'ɣeː.rɪŋ(g)/, /rə.'ɣeː.rɪŋ/, /rə.'χɪː.rɪŋ/
noun
  1. 2. militaire regering
    1. Junta
    2. Militärjunta
    3. Militärregierung
  2. 1. een groep van personen die een land bestuurt, specifiek het staatshoofd en alle ministers
    Regierung
/rəˈxerɪŋs.krisɪs/
noun
1. een politieke situatie met grotere problemen van de regering uit verschillende redenen
Regierungskrise
/ˌreɣiˈsidə/
noun
1. een bewuste moord op een koning.
Königsmord
noun
1. bestuur van een land, vaak onderdrukkend, dwingend, alles omvattend
Regime
noun
Regiment
noun
1. geografisch gebied
Region
noun
1. regionaal taalgebruik binnen de landstaal
Regiolekt
adjective
1. op de streek betrekking hebbend
regional
noun
  1. 1. het cultiveren van streektradities
  2. 2. (politiek) het streven naar gewestelijke autonomie
Regionalismus
verb
1. vastleggen in een register
registrieren
adjective
regulativ
noun
Regulativ
noun
Regelator
noun
Rehabilitation
noun
  1. 2. een dans/zangkoor
    Chor
  2. 3. verkorte vorm van "reidans"
    1. Reigen
    2. Reigentanz
  3. 1. een groep personen of wezens
    Reihe
noun
1. reidans
  1. Reigen
  2. Reigentanz
noun
1. benaming voor ooievaarachtige watervogels uit de familie Ardeidae
Reiher
adjective
1. zonder vuil
  1. sauber
  2. rein
  3. klar
verb
1. zichtbare en onzichtbare vervuiling van een oppervlak verwijderen
reinigen
noun
Reinigungsritual
adjective
1. met een zuiver witte kleur
  1. Reinweiß
  2. reinweiß
/rɛɪ̯s/
noun
1. grote, lange tocht of trip
Reise
noun
Reisebüro
noun
Reiseführer
noun
Reisebüro
noun
  1. 2. iemand die reizigers begeleidt
    1. Fremdenführer
    2. Führer
    3. Reiseführer
  2. 1. een document met informatie gericht op een toerist of reiziger
    Reiseführer
noun
Reisekosten
noun
Reiseleiter
noun
Reisezeit
noun
Reise Versicherung
verb
1. onderweg zijn
reisen
/ˈrɛɪzəɣər/
noun
1. persoon op reis
Reisende
noun
Tabellenkalkultion
/ˈre.kə.nə(n)/
verb
  1. 2. in rekening brengen
    berechnen
  2. 1. getallen manipuleren
    rechnen
pronoun
1. orgaan dat toezicht houdt op het financieel beheer van de Belgische overheid op nationaal en provinciaal niveau
Rechnungshof
noun
1. de optelsom van te betalen bedragen
Rechnung
noun
de leer van de operaties die op getallen worden uitgevoerd (optellen, aftrekken, vermenigvuldigen, delen, ...)
Arithmetik
noun
1. apparaat dat rekenkundige berekeningen kan uitvoeren
Rechenmaschine
noun
1.
Rechenbrett
noun
1. een verzoekschrift waarmee men zich tot de rechter of een bestuursorgaan kan wenden om een bepaalde voorziening te krijgen
  1. Bittschrift
  2. Gesuch
noun
1. een verstoring van de openbare orde door een menigte, meestal gepaard gaand met geweld en politieoptreden
  1. Aufruhr
  2. Krawall
  3. Aufstand
noun
  1. 3. iemand waarmee men zakelijke contacten onderhoudt
    1. Beziehung
    2. Kontakt
  2. 2. een persoonlijke, vaak amoureuze verhouding
    1. Beziehung
    2. Verhältnis
  3. 1. een min of meer vast verband
    1. Beziehung
    2. Zusammenhang
/rəlaˈtif/
adverb
1. betrekkelijk
relativ
noun
1.
Werbegeschenk
verb
relativieren
/rəlɛksə(n)/
verb
1. de tijd nemen zich te ontspannen
  1. relaxen
  2. ausspannen
  3. sich entspannen
noun
Relikt
/rə'liɣi/
noun
1. een godsdienst
Religion
/relɪˈɣɪøs/, /relɪˈʝɪøs/
adjective
1. te maken hebbend met godsdienst of geloof
religiös
noun
1. een overblijfsel van het lichaam van een heilige of een voorwerp dat...
Reliquie
/relɪŋ/
noun
1. een leuning boven de verschansing die een scheepsdek omgeeft
Reling
noun
Relief
noun
1. een mechanisme dat iets vertraagt of tot stilstand brengt
Bremse
noun
1. de afstand die een rijdend voertuig nodig heeft om tot stilstand te komen
Bremsweg
noun
1. achterblijvend magnetisme
Remanenz
/rəˈmedi/, /reˈmedi/
noun
  1. 2. iets dat iets anders corrigeert of iets schadelijks wegwerkt
    Gegenmittel
  2. 1. een medicijn of een op genezing gerichte behandeling
    Heilmittel
pronoun
1. en 2.
Remich
noun
  1. Bremslicht
  2. Bremsleuchte
verb
1. snelheid doen verminderen
bremsen
noun
2. geremdheid, belemmering
Inhibition
/rəmɔn'strɑnt/
noun
1. een Nederlandse calvinist die in de 17e eeuw volgeling van Arminius was
Remonstrant
noun
1. een Nederlandse calviniste die in de 17e eeuw volgeling van Arminius was
Remonstrantin
pronoun
1.
Remscheid
noun
1. remslaap
REM-Schlaf
/ˈrɛm.spor/
noun
  1. 1. spoor van een rubberband
  2. 2.
Bremsspur
noun
1. de afstand die een rijdend voertuig nodig heeft om tot stilstand te komen
Bremsweg
/rɛn/
verb
  1. 1. een kippenverblijf
    Auslauf
  2. 2. een snelheidsproef op de weg of in het terrein
    Rennen
adjective
1. als iets meer baten dan kosten heeft
  1. lohnend
  2. lukrativ
  3. rentabel
noun
1. een hertachtig zoogdier met een breed uitlopend gewei
  1. Rentier
  2. Ren
noun
1.
Rentierschlitten
noun
1. Chemisch element
Rhenium
noun
  1. [B] 1. een snelheidsproef op de weg of in het terrein
    Rennen
  2. [A] 1. zeer snel lopen
    1. rennen
    2. laufen
noun
1. (sport) een wielrenner
Rennfahrer
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Renningen
noun
Renoviering
/rənoˈverə(n)/
verb
1. opknappen, repareren, vernieuwen
renovieren
noun
1. paard dat gefokt is met het doel om aan paardenrennen deel te nemen
Rennpferd
noun
  1. 2. periodieke geldelijke opbrengst
    Rente
  2. 1. op geregelde tijden te betalen geldbedrag voor het vruchtgebruik van een geleende som geld
    Zins
noun
1. het reorganiseren
Reorganisation
noun
Reparation
verb
1. iets weer in werkende staat brengen
reparieren
noun
1. vlaskam
  1. Riffel
  2. Riffelkamm
verb
1. de zaadbol van het vlas scheiden
riffeln
/re.pe.ˈteː.rə(n)/
verb
1. een toneel- of muziekstuk bij wijze van proef op- of uitvoeren
einstudieren
noun
Konter
/rɛp'til/
noun
1.
  1. Reptil
  2. Kriechtier
  3. Wurm
/repʏˈbliːk/
noun
1. staatsvorm
Republik
pronoun
Republik der Vereinigten Niederlande
noun
Republikaner
noun
1. de manier waarop iemand bekend is
  1. Ruf
  2. Leumund
noun
1. mis opgedragen voor een overledene
  1. Requiem
  2. Totenmesse
  3. Seelenmesse
noun
Reseda
adjective
  1. Resedagrün
  2. resedagrün
verb
1. vrijhouden
reservieren
noun
1.
Reserverad
/resər'vʷar/
noun
1. plaats waar water of een andere vloeistof bewaard kan worden
Reservoir
/ri'sɛtə(n)/
verb
zurücksetzen
noun
elektrischer Widerstand
noun
Resonanz
noun
1. resonantiekring
  1. Resonanzkreis
  2. Schwingkreis
/rɛsˈpɛkt/
noun
eerbied uit hoogachting of angst
Respekt
adjective
1. eerbiedwaardig
respektabel
noun
het restant — 1. wat is overgebleven
Überbleibsel
noun
  1. Restaurant
  2. Gaststätte
noun
1. (kunst) (beroep) iemand die kunstwerken restaureert
Restaurator
noun
2. het minitieus herstellen van een voorwerp van kunstzinnig of historisch belang
  1. Restauration
  2. Restaurant
/rɛstɪːrə(n)/
verb
1. ~ van: ergens van overblijven
restieren
adjective
1. nog aanwezig zijn
restlich
noun
1. een opgelegde beperking
Restriktion
/rezɵl'tat/
noun
1. een uitkomst
Ergebnis
noun
1.
Erfolgsrechnung
noun
1. apensoort waarbij de resusfactor het eerst ontdekt werd
Rhesusaffe
noun
1.
  1. Retentionsrecht
  2. Zurückbehaltungsrecht
adjective
1. de gedaante van een netwerk hebbend
retikulär
pronoun
1. Romaanse taal die gesproken wordt door 40.000 mensen in Zwitserland
  1. Bündnerromanisch
  2. Churwelsch
adjective
1.
rätoromanischsprachig
noun
1.
rhetorische Frage
noun
3. vergoeding aan de grondeigenaar voor opstalrecht
  1. Bauzins
  2. Erbbauzins
noun
1. jachthond die het geschoten wild apporteert (naar de jager brengt)
Retriever
/ˈre.tro.ˌflɛks/
noun
1. een medeklinkerklank die gevormd wordt door de tong om te buigen zodat het met de onderkant naar het verhemelte staat
  1. Retroflex
  2. retroflex
adjective
1. terugkijkend naar het verleden
  1. rückblickend
  2. retrospektiv
noun
1. overzicht van iemands oeuvre (waarin dus wordt teruggekeken)
Retrospektive
noun
1. een mannelijke hond
Rüde
noun
  1. 1. geur
    Geruch
  2. 2. gewaarwording van geur via de neus
    Riechen
noun
1. een vloeistof die bedoeld is om een aangename geur te verspreiden
Riechwasser
noun
Rheuma
/'rørɪŋ/
noun
1. drukte die de rust verstoort of de saaiheid verdrijft
Trubel
noun
1. een buitengewoon grote man
  1. Riese
  2. Hüne
adjective
  1. 2. in zeer hoge mate, enorm
    1. enorm
    2. gigantisch
    3. kolossal
  2. 1. zeer groot
    1. riesig
    2. hünenhaft
    3. stattlich
adjective
riesengroß
noun
1. verkregen door uitsmelting van varkensvet
Schmalz
adjective
riesengroß
noun
1. bepaald soort zoogdier, Pteronura brasiliensis
Riesenotter
noun
1. bepaald soort vaste plant, Equisetum telmateia
Riesen-Schachtelhalm
noun
1. een beer die leeft in de hooggelegen hellingen van berggebieden in centraal China
Großer Panda
noun
1. en 2. (vruchtvlees) van plant Cucurbita maxima
Riesen-Kürbis
noun
1. kermisattractie
Riesenrad
noun
Riesenschildkröte
noun
1. geheel van medische en sociale maatregelen, die ten doel hebben de validiteit van patiënten zover mogelijk te herstellen
Rehabilitation
/ˈrevə(n)/
verb
1. het effectieve oppervlak verkleinen door samenvouwing of oprolling
reffen
/re­və­ˈrɑ̃­s(ə)/
noun
Knicks
noun
  1. 4. politieke stroming die herziening van bepaalde verdragen over het afstaan van gebieden wil
    Revanchismus
  2. 1-3. streven naar herziening (van het marxisme, de geschiedenis)
    Revisionismus
noun
Wirtschaftsprüfer
noun
1.
Revolution
noun
1. een handvuurwapen met een roterende trommel met kogels
Revolver
/revɔlˈveːrə(n)/
verb
grondig onderzoeken
  1. prüfen
  2. studieren
noun
  1. 3. het weerzien van voormalige studenten, collega's, enz.
    Klassentreffen
  2. 2. (verouderd) regelmatige bijeenkomst van personen
    Treffen
  3. 1. (verouderd) hereniging
    wiedervereinigung
pronoun
1.
Rheinberg
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Rheine
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Rheinstetten
pronoun
Rhodesien
pronoun
1. een rivier van 812 km lengte die ontspringt in Zwitserland, door Frankrijk naar het zuiden stroomt en uitmondt in de Middellandse Zee
Rhone
pronoun
1. een middelgebergte in het hart van Duitsland
Rhön
noun
1. elk van de platte, boogvormige beenderen die de borstkas omsluiten
Rippe
noun
1. een van de platte, dunne, boogvormige beenderen die de borstkas omsluiten
Rippe
/ˈrɪbəl/
noun
smalle verhoging aan een voorwerp
Riffel
noun
1. het geraamte van de borst
  1. Brustkorb
  2. Brustkasten
noun
Ribonukleinsäure
pronoun
2. spelwoord voor de letter r
Richard
noun
1. een antenne met voorkeur voor één richting
Richtantenne
verb
  1. 2. zich ~ op: een bepaald doel nastreven
    1. ausrichten
    2. richten
  2. 1. op een bepaald doel afstemmen
    1. richten
    2. zielen
/ˈrɪxtɪŋ/, /ˈrɪχtɪŋ/
preposition
1. de kant op van
Richtung
noun
1. aanwijzing voor een te volgen gedrag
  1. Richtlinie
  2. Vorgabe
noun
Richtpreis
noun
bepaald soort snelgroeiende tropische boom, Ricinus communis
Wunderbaum
noun
1. oorspronkelijk een bereden en bepantserde ruiter die de ridderslag ontvangen had
Ritter
noun
2. onderscheiding die door de koning wordt gegeven aan mensen die een uitzonderlijke prestatie hebben geleverd
Orden
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Riedlingen
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Hessen
Riedstadt
pronoun
1. een gemeente in de Zwitser kanton Basel-Stad
Davos
verb
1. een sterke geur of stank verspreiden
riechen
/rim/
noun
  1. 1. een band van leer of een ander materiaal
    Gürtel
  2. 2. steel met een bladvormig uiteinde, bedoeld om een vaartuig voort te bewegen
    Ruder
/rit/
noun
  1. 2. onderdeel muziekinstrument
    1. Rohrblatt
    2. Rohr
  2. 1. plantensoort
    1. Schilf
    2. Reet
/ˈri.tə(n)/
adjective
1. gemaakt van riet
  1. Rohr
  2. Schilf
  3. schilfen
adjective
  1. Schilfgrün
  2. schilfgrün
noun
1. rietinstrument
Rohrblattinstrument
noun
2. drinkbuisje
  1. Trinkhalm
  2. Strohhalm
noun
suiker, verkregen uit het sap van suikerriet
Rohrzucker
noun
Schilfrohrsänger
noun
1. een ondiepte in water, koraalbank, klip
Riff
noun
1.een antibioticum
Rifampicin
pronoun
1.
Riga
/rɛɪ̯/, /rɛː/
noun
  1. 1. geordende opstelling van een aantal eenheden in één richting
  2. 2. een opeenvolging van elementen
Reihe
noun
  1. 1. weggedeelte bestemd voor voertuigen
    Fahrbahn
  2. 3. verharde strook van een vliegveld
    1. Landebahn
    2. Startbahn
/ˈrɛɪ̯bəˌwɛɪ̯s/, /ˈrɛɪ̯bəˌʋɛɪ̯s/, /ˈrɛːbəˌβ̞ɛːs/
noun
1. een officieel document waarmee de bezitter bevoegd is om een motorvoertuig te besturen
  1. Führerschein
  2. Fahrerlaubnis
/ˈrɛɪ̯də(n)/, /ˈrɛːdə(n)/
verb
    1. 1. zich verplaatsen met behulp van een voertuig
    2. 2. iemand met een voertuig ergens heen brengen
    fahren
  1. 3. zich voortbewegen op een rijdier (bijv. een paard)
    reiten
pronoun
1.
Rijeka
/ˈrɛɪɣə(n)/
verb
1. met een naald een draad ergens doorvoeren
fädeln
/rɛɪ̯k/, /rɛːk/
adjective
1. veel geld en/of eigendommen hebbend
reich
/rɛɪ̯k/, /rɛːk/
noun
1. een staat of natie onder een vorst of heerser
Reich
/ˈrɛik.dɔm/
noun
1. het bezitten van veel geld en goud
Reichtum
adverb
1. overvloedig, niet nauw rekenend
reichlich
noun
1. fraai uitgevoerde bol met bovenop een kruis die symbolisch de wereld voorstelt
Reichsapfel
noun
Reichstaler
noun
Reichskanzler
noun
1. (verkeer) (onderwijs) een onderdeel van een rijopleiding voor het behalen van een rijbewijs
Fahrstunde
noun
  1. 1. bevroren dauw
    Raureif
  2. 1. gelijkheid van klank in een vers
    Reim
/rɛɪ̯n/, /rɛːn/
pronoun
1. een van de langste en belangrijkste rivieren van Europa die op de grens ligt tussen Midden- en West-Europa.
Rhein
pronoun
Rhein-Herne-Kanal
pronoun
Rheinland
pronoun
Rheinland-Pfalz
pronoun
1. provincie in het westen van Pruisen
  1. Provinz Rheinland
  2. Rheinpreußen
  3. Rheinprovinz
  4. Rhenish Prussia
noun
1. Duitse wijn uit de Rijnstreek
Rheinwein
adjective
1. geschikt voor de oogst
reif
noun
1. bevroren dauw
Raureif
noun
1. voor rijden geschikt paard
Reitpferd
verb
rijp worden
reifen
/rɛi̯st/
noun
1. graan van het geslacht Oryza
Reis
noun
Fahrstreifen
noun
Reiswasser
noun
1. ingrediënt dat bestaat uit met de zaadhuiden vergroeide vruchtwanden en kiemen
Reiskleie
verb
1. met een scheurende beweging uit elkaar trekken
reißen
noun
  1. 1. wagen die door een of meer paarden getrokken wordt
    Kutsche
  2. 2. een van de wagens van trein of tram
    1. Wagen
    2. Waggon
    3. Wagon
verb
1. bij elkaar halen, opruimen
harken
verb
overeind rijzen
aufgehen
noun
1. een oppervlakkige vouw of golving, in het bijzonder van de menselijke huid
  1. Falte
  2. Hautfalte
/'rɪmpələ(n)/
verb
1. plooien of golven in het oppervlak vormen
kräuseln
noun
    1. 1. cirkelvormig sieraad voor om de vinger
    2. 2. cirkelvormig voorwerp
    3. 3. plaats waar gestreden wordt
    Ring
  1. 5. ringweg
    1. Ringstraße
    2. Ring
  2. de handdoek in de ring werpen (gooien)
    aufgeben
verb
1. dieren (vogels) voorzien van een genummerde band
beringen
noun
1. Natrix natrix
Ringelnatter
noun
1. vierde vinger gerekend vanaf de duim
Ringfinger
noun
  1. 2. huidziekte door een schimmel veroorzaakt
    1. Flechtengrind
    2. Ringelflechte
  2. 1. gelede worm van de stam Annelida
    Ringelwurm
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Nedersaksen
Rinteln
/rijoɡrɑnˈdɛnsər hunsˈrykiʃ/
pronoun
1. vorm van Duits zoals gesproken in het zuiden van Brazilië
Riograndenser Hunsrückisch
noun
1. een vaak ondergronds kanaal voor de afvoer van drek
  1. Abwasserkanal
  2. Kanalisationsschacht
noun
1. bruine rat, rioolrat,
Wanderratte
noun
1. apparatuur die het mogelijk maakt water uit de riolen weer voor gebruik gereed te maken
Kläranlage
pronoun
1. een Rijnfrankisch dialect dat behoot tot de Middelduitse dialectgroep
Ripuarisch
noun
1. een mogelijk gevaar voor schade
Risiko
noun
1. een zich in de tijd herhalend patroon van geluiden
Rhythmus
noun
  1. Rhythmik
  2. Rhythmus
noun
1. de larve van een kever uit de familie kniptorren (Elateridae)
Drahtwurm
noun
2. ritssluiting
Reißverschluss
adjective
rituell
noun
Ritual
/riːˈviːr/
noun
1. een natuurlijke waterstroom
  1. Fluss
  2. Strom
noun
1. bepaald soort slanke eetbare Euraziatisch zoetwatervis, Gobio gobio
Gründling
noun
1. een soort kreeft die in riviertjes leeft
Flusskrebs
noun
Flusswasser
noun
Rubin
adjective
  1. Rubinrot
  2. rubinrot
/ˈro.bɔt/
noun
1. machine die beschikt over een stoffelijke vorm en een beslissingsmodel
Roboter
noun
1. kwaadsprekerij, achterklap
  1. Klatsch
  2. Tratsch
verb
1. op een vervelende manier over anderen praten
  1. klatschen
  2. tratschen
  3. lästern
  4. durchhecheln
noun
  1. Rote Beete
  2. Rote Rübe
noun
1.
Roter Zwerg
noun
1. Trifolium pratense, een overblijvend kruid uit de vlinderbloemenfamilie
  1. Rotklee
  2. Wiesenklee
noun
1. rossig gekleurde zaden (zemel en kern) van aan gewone rijst (Oryza sativa) verwante planten
roter Reis
noun
1. een alcoholhoudende drank die verkregen wordt door de gisting van rode druiven
Rotwein
noun
1. Canis rufus, een lid van de Canivora, leefde in het gehele oostelijk deel van de Verenigde Staten...
Rotwolf
pronoun
1. langgerekte binnenzee, gelegen tussen Azië en Afrika
Rotes Meer
/ˌro.də.ˈhɔnt/
noun
1. een infectieziekte waarbij het gehele lichaam met rode plekken en bulten bedekt is
Röteln
noun
1. en 2. donkerrood sluitkoolgewas
Rotkohl
noun
1. chemisch element met symbool Rh
Rhodium
noun
Rhododendron
noun
1. bundel takken waarmee geslagen kan worden
Rute
noun
1. bundel takken waarmee geslagen kan worden
Rute
noun
1. een groep
Rudel
noun
Ruderboot
verb
1.zich met behulp van roeispanen in een boot ergens begeven
rudern
noun
  1. 1. iemand die roeit
    Ruderer
  2. 2. een havenwerker die de meertrossen van schepen aan de meerpalen vastmaakt
    Schiffsbevestiger
noun
1. bepaalde soort kraaiachtige vogel, Corvus frugilegus
Saatkrähe
adjective
1. zonder zorg over de gevolgen of het gevaar van een handeling
  1. tollkühn
  2. verwegen
noun
1. eer en glorie
Ruhm
/ruˈmens/, /ruˈmeːns/
adjective
1. betreffende Roemenië of het Roemeens
  1. rumänisch
  2. Rumänisch
/ruˈmens/, /ruˈmeːns/
pronoun
1. een Romaanse taal die wordt gesproken in Roemenië
  1. Rumänisch
  2. rumänisch
/ruˈmeni.jə/, /ruˈmeːni.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Europa ten noorden van Bulgarije
Rumänien
noun
  1. Roentgenium
  2. Röntgenium
/rup/
noun
1. een vrij harde klank geproduceerd met stemgeluid
Ruf
/'ru.pə(n)/
verb
  1. op het matje roepen
    herbeizitieren
  2. 1. met verheffing van stem de aandacht van iemand trachten te verkrijgen
    rufen
/'rupɪŋ/
noun
1. een taak waarvoor een persoon zich verplicht voelt, vaak met religieuze invloed
Berufung
pronoun
1. rivier in Limburg
Rur
noun
1. vlak waarmee gestuurd wordt
  1. Ruder
  2. Steuerruder
/ˈrur.bɑ.kə(n)/
verb
1. een kooktechniek voor het bereiden van voedsel in een wok
  1. pfannenrühren
  2. kurzbraten
/rurɛi/
noun
1. een gerecht van gebakken eieren en losgeklopte melk
Rührei
verb
1. een vloeistof met een spaan in ronde beweging brengen
rühren
adjective
rührend
noun
1. beweegbare, stoffelijke zaak
  1. Fahrnis
  2. bewegliche Sache
noun
1. (scheepvaart) het achterste deel van een roer
  1. Ruderschieber
  2. Ruderschwanz
pronoun
1.
  1. Roermond
  2. Rurmund
noun
1.
Passiergerät
/rus/
noun
  1. Rausch
  2. Taumel
noun
1. geoxideerd ijzer
Rost
verb
  1. 3. (kippen) op stok zitten
    auf der Stange sitzen
  2. 4. (biologie) het in groepen doorbrengen van de nacht van vliegend wild
    1. aufbaumen
    2. aufholzen
  3. 2. door roest vast gaan zitten
    einrosten
  4. 1. het langzaam oxideren van ijzerhoudende materialen
    1. rosten
    2. verrosten
adjective
rostig
adjective
1. roestbestendig
rostfrei
/rut/
noun
1. koolstofneerslag die ontstaat door onvolledige verbanding van koolstofhoudende stoffen
Ruß
pronoun
1.
Roetgen
//
pronoun
1. een Slavische taal die gesproken wordt door Roethenen
Russinisch
adjective
1.
ruthenischsprachig
//
noun
1. een inwoner van Oekraïne
Russinen
noun
1. benaming voor brede, platte vissen met een smalle staart uit de superorde Rajomorphii
Rochen
noun
1. en 2. (zaden van) plant Secale cereale
Roggen
/ˈrɔɣəbrod/
noun
1. een van rogge gebakken brood
Roggenbrot
noun
1. gekiemde en gedroogde granen van rogge
Roggenmalz
noun
1. plat gewalste granen van rogge
Roggenflocken
noun
1. met de zaadhuiden vergroeide vruchtwanden en kiemen van roggekorrels
Roggenschrot
noun
KO-tropfen
noun
  1. 2. rokkostuum
    Frack
  2. 1. buis- of kegelvormig kledingstuk
    Rock
noun
1. zet in een schaakspel
Rochade
/ˈroːkə(n)/
verb
    1. 2. nuttigen door het inhaleren van de rook ervan
    2. 1. rook afgeven
    rauchen
  1. 3. conserveren door langdurige blootstelling aan rook
    räuchern
verb
1.1. het doen van een zet waarbij de koning en een toren elkaar passeren
rochieren
noun
Schürzenjäger
noun
1. looprek op wieltjes
Rollator
verb
  1. rollend materieel
    Fuhrpark
  2. 1. zich wentelend over een oppervlak bewegen
    rollen
noun
Rollschuh
noun
1. vervoermiddel voor mensen die slecht ter been zijn
  1. Rollstuhl
  2. Krankenfahrstuhl
noun
1. trap met bewegende treden
  1. Rolltreppe
  2. Fahrtreppe
noun
1. de verdeling van de rollen in een toneelstuk of in het maatschappelijke leven
Rollenverteilung
noun
1. een lang soort verhaal in boekvorm
Roman
noun
1.
Romanze
pronoun
1.
Romandie
/romaˈnɛs/
pronoun
Taal door veel zigeuners gesproken
  1. Romanes
  2. Romani
noun
1. (kool van) groentesoort Brassica oleracea convar. botrytis var. botrytis
Romanesco
/roˈmani/
pronoun
Taal door veel zigeuners gesproken
  1. Romanes
  2. Romani
noun
1.
Romanisierung
/ˌromaniˈzeːrə(n)/, /ˌromaniˈzɪːrə(n)/
verb
1. Romaanse invloeden ondergaan
romanisieren
/roˈmɑns(x)rɛɪvər/
noun
1. een mannelijke persoon die romans schrijft
  1. Romanautor
  2. Schriftsteller
/ˈro:mə/
pronoun
1. de hoofdstad van Italië
Rom
adjective
1. met betrekking tot Rome
römisch
/roˈmɛɪnsə rɛɪk/
pronoun
1. een historisch rijk dat op zijn hoogtepunt de gehele Middellandse Zeeregio in handen had
  1. Römisches Reich
  2. Römerreich
noun
  1. Flohmarkt
  2. Trödelmarkt
/ˈrɔməlpɔt/
noun
Brummtopf
noun
  1. 2. het gedeelte van een vliegtuig zonder vleugels en stabilo
    Rumpf
  2. 1. het lichaam van een mens of dier zonder ledematen, kop of staart
    Torso
adjective
1. cirkelvormig
rund
adverb
1. om
herum
preposition
1. om
etwa
/rɔndelə(n)/
verb
1. rondgaande aan ieder een deel geven
  1. herumgeben
  2. herumreichen
/rɔntˈdrajə(n)/
verb
1. een cirkelvormige beweging maken
  1. drehen
  2. herumdrehen
noun
  1. 3. het afleggen van bezoeken in een kring
  2. 1. het afleggen van een rondgaande weg
  3. 2. het draaien om een spil
Rundgang
verb
1. op een plaats langdurig verblijven zonder iets te doen te hebben
herumlungern
noun
1. een antenne zonder voorkeursrichting
  1. Rundstrahlantenne
  2. Rundstrahler
noun
Kreisverkehr
verb
1. naar vele plaatsen onderweg zijn
  1. herumreisen
  2. umherreisen
noun
  1. Rundbrief
  2. Rundschreiben
verb
1. doelloos rondlopen
schlendern
noun
1. een antenne zonder voorkeursrichting
  1. Rundstrahlantenne
  2. Rundstrahler
noun
1. een antenne zonder voorkeursrichting
  1. Rundstrahlantenne
  2. Rundstrahler
verb
1. zonder duidelijk doel van de ene plaats naar de andere gaan
herumziehen
/ˈrɔnd.vart/, /ˈrɔnt.vart/
noun
1. een ronde varen met het doel de omgeving te bekijken
Rundfahrt
/ˈrɔŋ.kə(n)/
verb
  1. 1. het maken van een aanhoudend geluid dat het midden houdt tussen zoemen en sputteren
    brummen
  2. 3. diep slapen
    ratzen
  3. 2. bovengenoemd geluid produceren tijdens het slapen
    schnarchen
/ˈrɔnsəˌlə(n)/
verb
rekrutieren
/rod/, /rot/
adjective
1. de kleur rood hebbend
rot
/rod/, /rot/
noun
1. een primaire kleur zoals die van licht met een golflengte tussen de ca. 620 en 740 nm.
  1. Rot
  2. rot
noun
1. bepaald soort struik, Daphne mezereum
Echter Seidelbast
adjective
rötlich
noun
1. bepaald soort vis, Sebastes marinus
Rotbarsch
noun
2. bepaald soort vrij gedrongen vogeltje met opvallende bruinrode keel, Erithacus rubecula
Rotkehlchen
adjective
  1. Rotbraun
  2. rotbraun
adjective
1. zo heet dat het rood licht uitstraalt
rot glühend
noun
1.
Rothalsgans
adjective
1. met rood gekleurde haren
  1. fuchsig
  2. rothaarig
pronoun
1. sprookjesfiguur
Rotkäppchen
/rotˈkɛrk/
pronoun
1. een dorp in de provincie Friesland
  1. Readtsjerk
  2. Roodkerk
adjective
  1. Rotlila
  2. rotlila
noun
1. en 2. (bladeren van) Cichorium intybus var. foliosum
  1. Radicchio
  2. roter Chicorée
noun
Karmingimpel
adjective
  1. Rotorange
  2. rotorange
adjective
  1. Rotviolett
  2. rotviolett
noun
1. bepaald soort vis die leeft in de Atlantische Oceaan, Lutjanus campechanus
Nördlicher Schnapper
noun
  1. 2. de korst van een wond
    Kruste
  2. 1. het openlijk en gewelddadig wegnemen van hetgeen een ander toebehoort
    Raub
noun
1. exotische roof- en zoetwatervis die voorkomt in de wateren van de Benelux, Leuciscus aspius
Rapfen
/ˈrovdir/
noun
1. dier dat zijn prooi bejaagt en doodt
Raubtier
noun
1. benaming voor gewervelde waterdieren met kieuwen die hun prooi bejagen en doden
Raubfisch
/ˈroˌfoχɔɫ/, /ˈroːˌfoːɣəl/, /ˈroːˌvoːɣəl/
noun
1. eierleggend dier met veren, twee vleugels, twee klauwen en een snavel dat zijn prooi bejaagt en doodt
  1. Raubvogel
  2. Greifvogel
noun
1. sterke neiging om te roven
Raubgier
/'rojən/
verb
1. het uit de grond halen van een oogst
roden
/roːk/
noun
1. damp, zichtbaar gas
Rauch
noun
Rauchmelder
noun
Rauchpunkt
noun
1. een verbod om te roken
Rauchverbot
noun
1. een wolk van rook
Rauchwolke
noun
1. gerookte worst
geräucherte Wurst
noun
1. de vette delen van melk waarvan boter gemaakt wordt
  1. Sahne
  2. Rahm
noun
1. een soort boter dat, in tegenstelling tot margarine, gemaakt wordt van room
Butter
noun
1. (voeding) consumptie-ijs dat voor minimaal 5% bestaat uit melkvet
  1. Milcheis
  2. Sahneeis
/roːs/
noun
  1. 1. bloem
    Rose
  2. 3. aandoening
    Schuppen
  3. 2. midden van een schietschijf
    Schwarze
noun
1. een elektronisch testapparaat waarmee o.a. de resonantiefrequentie van een antenne of resonantiekring kan worden bepaald
Dipmeter
verb
1. in de gloed van een vuur of andere warmtebron gaar laten worden
rösten
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
  3. 3.
Rosenheim
verb
1. een paard met borstel en kam reinigen
striegeln
pronoun
1.
Rostock
noun
1. wijn met een lichtrode kleur
Rosé
verb
1. vlas blootstellen aan fermentatie om het pectine te verwijderen dat de stengel samenhoudt
  1. rösten
  2. rotten
verb
2. draaien om een as
rotieren
noun
1. kleine wit-zwarte gans met een ver klinkende rott-rott roep, Branta bernicla
Ringelgans
noun
2. bepaald soort vuurwerk dat na het aansteken van de lont wordt weggegooid en dan een harde knal geeft
Böller
noun
  1. 2. een rond, pleinvormig kruispunt van wegen
    1. Kreisverkehr
    2. Kreisel
    3. Verteilerkreis
  2. 1. een rond gebouw
    1. Rotunde
    2. Rundbau
noun
1. een grote ruwe steen
Fels
adjective
1.waar veel rotsen zijn
felsig
noun
1. een eiland dat vooral uit rotsen bestaat
Felseninsel
/ˈrɔtstœʏn/, /ˈrɔtstœːn/
noun
1. een tuin met rotspartijen en rotsplanten
Steingarten
noun
1. een zich min of meer loodrecht verheffend deel van een berg
Felswand
noun
Rotte
pronoun
Rottumeroog
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Rottweil
noun
1. Duits hondenras, stevig gebouwd, kortharig met brede kop, korte snuit en hangoren
Rottweiler
/ra<sup>ʊ</sup>/, /rʌʊβ̞/, /rʌːβ̞/
noun
1. grote smart of droefenis na een verlies
Trauer
/rʌʊβ̞ə(n)/, /rʌːβ̞ə(n)/
verb
1. de emotionele nasleep van het overlijden van een geliefd persoon
trauern
noun
1.
Leichenhalle
noun
  1. Trauerzug
  2. Trauergefolge
noun
1. iemand die door geweldpleging iemand besteelt
  1. Räuber
  2. Freibeuter
/roːzə/, /rɔːs/, /rɔːzə/
adjective
1. heel bleke of lichte rode kleur, met soms ook blauwe tinten
  1. rosa
  2. Rosa
noun
2. keukenkruid
Rosmarin
noun
1. schijnvrucht van wilde rozen
Hagebutte
noun
1. een gebedssnoer met 165 kralen
Rosenkranz
noun
Rosenwasser
noun
1. kleine gedroogde vruchtjes van Vitis vinifera
Rosine
/ˈrɵ.bər/
noun
Gummi
noun
1. boot van rubber met luchtkamers die zorgen voor het drijfvermogen
Schlauchboot
noun
1. Chemisch element
Rubidium
noun
1. en 2. (bladeren van) eenjarige plant Eruca sativa
  1. Rucola
  2. Garten-Senfrauke
adjective
rudimentär
pronoun
2. spelwoord voor de letter r
Richard
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Thüringen
Rudolstadt
/rɵx/
noun
1. zijde van de romp tegenover de buik en borst gelegen
Rücken
noun
  1. Rückgrat
  2. Wirbelsäule
noun
Rückenmark
noun
Rückenverletzung
noun
Rückenlehne
noun
1. pijn in de rug
Rückenschmerzen
noun
1.
  1. Rückenflosse
  2. Finne
noun
Rucksack
/ˈrʌɣzɛidə/
noun
Rückseite
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Thüringen
Ruhla
pronoun
1. een regio in de Duitse deelstat Noordrijn-Westfalen
Ruhrgebiet
noun
1. traliewerk waarachter hooi ligt
Raufe
/rœʏkə(n)/, /rœːkə(n)/
verb
  1. 1. een geur waarnemen
    riechen
  2. 2. een geur verspreiden
    1. riechen
    2. stinken
noun
1. een boeket
Blumenstrauß
/rœʏl/, /rœːl/
noun
Tausch
verb
1. overeenkomen bezit tegen dat van een ander uit te wisselen
tauschen
noun
Tauschhandel
/rœy̯m/
adjective
1. van grote omvang of uitgestrektheid
geräumig
/rœy̯m/
noun
1. de laadruimte van een schip
Laderaum
noun
stuk gereedschap waarmee men een boorgat iets ruimer kan maken
Reibahle
adjective
1. meer dan voldoende
reichlich
adverb
1.op meer dan voldoende wijze
reichlich
noun
  1. 1. beschikbare uitgestrektheid
    Platz
  2. 2. vertrek, kamer
    1. Raum
    2. Zimmer
  3. 3. heelal
    1. Weltraum
    2. Raum
noun
1. verzameling symmetrie-elementen -translaties, rotaties en combinaties daarvan- die samen een ruimtevullende groep vormen
Raumgruppe
noun
Raumzug
noun
1. vaartuig geschikt om zich buiten de aardse atmosfeer te begeven
  1. Raumschiff
  2. Raumfahrzeug
noun
1. in een baan om de aarde door de mens achtergelaten voorwerpen
Weltraumschrott
noun
1. het zich in de ruimte buiten de dampkring van de aarde begeven
Raumfahrt
noun
Raumfähre
/ˈrœʏ̯m.tə.ˌʋɑn.də.lɪŋ/, /ˈrœːm.tə.ˌβ̞ɑn.də.lɪŋ/
noun
1. het uitvoeren van een activiteit buiten een ruimteschip
Weltraumspaziergang
/rœʏn/
noun
1. gecastreerde hengst
Wallach
noun
1. structuurloos en voortdurend geluid dat een continuüm van toonhoogten bevat
  1. Rauschen
  2. Störgeräusch
noun
1. ruisniveau
Rauschpegel
noun
1. bepaald soort zoetwatervis die zich graag tussen het riet ophoudt, Scardinius erythrophtalmus
Rotfeder
noun
  1. 1. een glazen plaat in een venster
    Fensterscheibe
  2. 5. figuur uit een kaartspel
    Karo
  3. 2. een vierhoek waarvan de zijden gelijk in lengte zijn
    1. Raute
    2. Rhombus
noun
1.
  1. Karokönig
  2. Schellenkönig
noun
1. installatie om de ruiten van een auto schoon te sproeien
Scheibenwaschanlage
noun
1. een apparaatje dat de ruiten van een auto automatisch wist met een bewegende arm met wisserblad
Scheibenwischer
noun
1. vloeibaar product dat in de motorruimte van een auto wordt bewaard om over de ramen te spuiten wanneer de ruitenwissers worden gebruikt
Scheibenwaschwasser
noun
  1. 3. plank op de nokgording
    Firstbohle
  2. 2. uitstekend stukje
    Reiter
  3. 1. berijder van een rijdier
    1. Reiter
    2. Reiterin
noun
  1. Kavallerie
  2. Reiterei
noun
1.
Reiterstandbild
verb
  1. 1. in een snelle beweging trekken
    reißen
  2. 2. masturberen
    1. wichsen
    2. masturbieren
/ˈrʏk.wɪnd/, /ˈrʏk.ʋɪnt/, /ˈrʏk.β̞ɪnt/
noun
1. een zeer harde windvlaag
Windstoß
noun
een sterkedrank die bereid wordt uit het sap van suikerriet
Rum
/rʏnd/, /rʏnt/
noun
  1. 2. een dom en onhandig iemand
    Kuh
  2. 1. holhoornig herkauwend zoogdier
    Rind
noun
Rinderbouillon
noun
1. als vee gehouden runderen
Rindvieh
/ˈrʏntfleːs/
noun
1. het vlees van een volwassen rund
Rindfleisch
/ˈrynə/
noun
1. een schriftteken van het Oud-Germaanse alfabet
Rune
noun
1. vlinderlarve
Raupe
noun
1. een inwoner van Rusland
Russe
/'rʏs/
noun
plant
Binse
noun
1. autoritaire nationalistische ideologie in Rusland
Raschismus
pronoun
1. een soevereine staat met het Russisch als officiële taal die zich uitstrekt van het oosten van Europa tot het oosten van Azië
Russland
/ˈrʏsis/
adjective
1. betreffende Rusland of het Russisch
  1. russisch
  2. Russisch
/ˈrʏsis/
pronoun
1. een Slavische taal die gesproken wordt in Rusland
  1. Russisch
  2. russisch
/rɵst/
noun
  1. 4. pauze in een wedstrijd
    1. Halbzeit
    2. Halbzeitpause
  2. 5. moment van stilte in muziek
    Pause
  3. 2. tijdelijke toestand van ontspanning na arbeid, moeite of inspanning
    1. Ruhe
    2. Ruhepause
  4. 7. bevestigingspunt voor het want
    Rüste
  5. 1. voortdurende toestand van kalmte
    1. Stille
    2. Ruhe
  6. 6. steunpunt
    Stützpunkt
noun
Ruhetag
verb
1. werk of andere activiteit staken om het lichaam in staat te stellen weer op krachten te komen
ruhen
adjective
1. kalm, weinig sensorische prikkels creërend
ruhig
noun
2. steunpunt
Stützpunkt
noun
  1. 1.
    Ruhepunkt
  2. 2.
    Stützpunkt
adjective
  1. al zijn inzet verspeeld hebbend
  2. niets (meer) bezittend
  1. abgebrannt
  2. blank
  3. pleite
noun
1. scheikundig element met symbool Ru en atoomnummer 44
Ruthenium
noun
1. scheikundig element met symbool Rf en atoomnummer 104
Rutherfordium
adjective
  1. 1. oneffen, niet glad
  2. 2. grof, onbesuisd
rau
noun
1. toestand waarin men in ernstig conflict is met anderen
  1. Streit
  2. Auseinandersetzung
/ryˈinə/
noun
1. een zeer vervallen gebouw
Ruine
/ˌryiˈnerə(n)/
verb
  1. 1. helemaal kapotmaken
    1. ruinieren
    2. zerstören
  2. 2. iemand financieel te gronde richten
    1. ruinieren
    2. zugrunde richten
/ru.ˈwɑn.da/, /ru.ˈʋɑn.da/, /ˈrβ̞ɑn.da/
pronoun
1. een land in Oost Afrika, officieel de Rwandese Republiek, dat geheel door land omsloten wordt
Ruanda
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Thüringen
Römhild
noun
1. scheikundig element met symbool Rg en atoomnummer 111
  1. Roentgenium
  2. Röntgenium
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Röttingen
adjective
rücksichtslos
pronoun
1.
Rügen
noun
1. het gevoel van samen een geheel te zijn
Zusammengehörigkeit
pronoun
1. zijrivier van de Moezel
Saar
pronoun
1.
Saarburg
pronoun
1.
Saarland
pronoun
1. en 2.
Saarlouis
pronoun
Saba
verb
1. likken en zuigen aan iets
lutschen
noun
1. bepaald soort zoogdier, Marter zibellina
Zobel
noun
1. een vijandige ingreep op zaken om deze te laten mislukken of te vernielen
Sabotage
verb
sabotieren
noun
Saboteur
noun
Saccharide
noun
1. caloriearme kunstmatige zoetstof die geen directe invloed heeft het bloedsuikergehalte
Saccharin
noun
1. een disacharide, bestaande uit een glucose-eenheid en een fructose-eenheid
Saccharose
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Sachsenheim
noun
1. plechtige gebeurtenis in de katholieke kerk
Sakrament
adjective
sakramental
noun
1. een ruimte in een rooms-katholieke kerk, waarin men alles bewaart dat nodig kan zijn om een kerkdienst te houden.
Sakristei
noun
1. iemand die bevrediging zoekt in het pijnigen van een ander
  1. Sadist
  2. Sadistin
/sɑˈfarɪ/
noun
1. expeditie in de wildgebieden in Afrika
Safari
noun
1. een kostbare, transparante blauwe edelsteensoort die een variant is van korund (α-Al₂O₃)
Saphir
adjective
  1. Saphirblau
  2. saphirblau
noun
1. specerij bereid uit de saffraankrokus Crocus sativus
Safran
adjective
  1. Safrangelb
  2. safrangelb
/ˈsaɣə/
noun
Sage
/sent.ˌvɪn.sɛnt.ɛn.də.χre.na.ˈdi.nəs/
pronoun
1. land in het Caraïbisch gebied
St. Vincent und die Grenadinen
noun
  1. 2. inroeping van de bevoegdheid van de rechter
    Anrufung
  2. 3. feodaal recht op de beheersing over een vastgoed
    Gewere
  3. 1. directe eigendomsovergang onder algemene titel op de erfgenamen
    1. Vonselbsterwerb
    2. Besitzergreifung
noun
Japanse alcoholische drank
Sake
interjection
1. krachtterm, drukt verbazing uit
  1. Donnerwetter
  2. sackerlot
  3. sapperlot
pronoun
1. Duitse deelstaat
Sachsen
pronoun
Sachsen-Anhalt
noun
1. sisklank achter een zelfstandig naamwoord om bezit te duiden
sächsischer Genitiv
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Caudata
Salamander
/ˈsalami/
noun
1. Italiaanse worst
Salami
noun
1. regelmatige, meestal maandelijkse beloning voor werk verricht in een werkverband
Gehalt
noun
1. het eindbedrag wanneer alle tegoeden en verplichtingen in rekening gebracht zijn
Saldo
/sali'silzyr/
noun
1. een organisch carbonzuur dat oorspronkelijk gewonnen wordt uit wilgenbast
Salicylsäure
noun
gedroogde stukjes van de echte salie
Salbei
/ˈsa.lo.mɔns.ˌɛɪ̯.lɑn.də(n)/, /ˈsa.lo.mɔns.ˌɛː.lɑn.də(n)/
pronoun
1. land in Melanesië
Salomonen
/salɔn'fejɪχ/, /salɔn'fɛ:ɦɪx/
adjective
1. van iets dat eerst omstreden was dat het nu algemeen geaccepteerd is in officiële kringen
salonfähig
noun
1.
  1. Salondame
  2. Salonnière
noun
iemand die met de mond socialistische opvattingen belijdt
  1. Kathedersozialist
  2. Salonsozialist
/sɑlpetər/
noun
1. een mineraal bestaande uit kaliumnitraat
Salpeter
noun
1. een sterk zure chemische verbinding met de formule HNO₃ of een waterige oplossing daarvan
Salpetersäure
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Nedersaksen
Salzgitter
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Saksen-Anhalt
Salzwedel
noun
1. scheikundig element met symbool Sm en atoomnummer 62
Samarium
pronoun
1.een rivier die in Picardië (Frankrijk) ontspringt en via Charleroi naar Namen loopt waar ze na 194 km in de Maas vloeit
Sambre
adverb
zusammen
noun
1. gezin met kinderen van één of beide partners uit een eerdere relatie met een ander
  1. Patchworkfamilie
  2. Stieffamilie
/ˈsamə(n)ˌhɑŋə(n)/
verb
1. in onderling verband met elkaar staan
zusammenhängen
verb
1. bij elkaar verzamelen
zusammenkomen
noun
1. een bevolking die een sociaal geheel vormt
Gesellschaft
noun
1. wijze waarop verschillende personen bij een spel elkaar steunen of een geheel vormen
Zusammenspiel
verb
1. meerdere uitgekozen zaken tot een geheel maken
  1. zusammenstellen
  2. zusammensetzen
noun
1. woord dat gevormd is uit door drie onafhankelijke woorden aan elkaar te koppelen
komplexes Kompositum
noun
  1. 2. verbinding van twee of meer zelfstandige woorden
    1. Kompositum
    2. Zusammenstellung
  2. 1. het samenstellen
    Zusammenstellung
verb
1. in elkaar trekken
zusammenziehen
/ˈsaːməvɑtɪŋ/
noun
1. een beknopte beschrijving van een inhoud
  1. Zusammenfassung
  2. Inhaltsangabe
verb
1. bij elkaar doen
zusammenfügen
verb
1. met een of meer aan hetzelfde werken
zusammenarbeiten
noun
1. het samenwerken van meerdere personen
Zusammenarbeit
verb
1.met elkaar een huis bewonen alsof je getrouwd bent
zusammenleben
/ˈsamə(n)ˌzʋɪːrə(n)/
verb
1. geheimelijk met anderen samenwerken ten nadele van een derde partij
sich verschwören
pronoun
1. een verzameling talen die gesproken worden in Noorwegen, Zweden, Finland en Rusland door de Saami
Sami
pronoun
1. een verzameling talen die gesproken worden in Noorwegen, Zweden, Finland en Rusland door de Saami
Sami
/sa.ˈmo.wa/
pronoun
1. een land in Oceanië ten noorden van Nieuw-Zeeland en ten oosten van Australië...
Samoa
/ˈsɑmuˌrɑɪ/
noun
1. een lid van de vroegere Japanse krijgsstand
Samurai
adverb
1. ieder de helft
  1. halb und halb
  2. halbe-halbe
  3. halbpart
pronoun
Samuel
/ˌsan maˈrino/
pronoun
1. een dwergstaat in Italië met republikeinse staatsinrichting.
San Marino
/'sɑŋksi/
noun
1. strafmaatregel
Sanktion
/sɑnˈdal/
noun
1. schoeisel
Sandale
noun
1. een bepaald houtsoort (Santalum album of verwante soorten)
Sandelholz
verb
1. met behulp van ingrijpende maatregelen een einde maken aan een ongezonde financiële toestand
sanieren
noun
1. een Spaanse licht-alcoholische drank
  1. Sangría
  2. Sangria
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Sankt Augustin
pronoun
1. klassieke taal en een van de officiële talen van India
  1. Sanskrit
  2. sanskritisch
/saʊ̯.to.ˌme.je̞n.prɪn.ˈtsi.pə/, /ˌsa.o.to.me.ʔɛn.ˈprɪn.si.pə/, /ˌsʌu.to.me.ɛn.ˈprɪn.si.pə/
pronoun
1. land en eilandengroep aan de westkust van Afrika in de Golf van Guinee
São Tomé und Príncipe
/sa.ˌu.di.ɑ.ˈra.bi.jə/, /zaʊ̯.di.ja.ˈra.bi.jə/
pronoun
1. en 2., land en staat in Azië
Saudi-Arabien
noun
1. plantenvocht
Saft
interjection
1. krachtterm, kreet van verbazing of ergernis
  1. Donnerwetter
  2. sackerlot
  3. sapperlot
adjective
1. vol met sap
saftig
adjective
1. vol met sap
saftreich
noun
1. plant die van organisch afval leeft
Saprobiont
noun
1.
Sarkasmus
noun
1. een stenen doodskist
Sarkophag
noun
1. lage spiermassa en daardoor verminderde spierkracht als gevolg van ouder worden, immobiliteit en leefstijl, dieet of ziekte
Sarkopenie
noun
1. klein zilverkleurig haringachtig visje, Sardina pilchardus
Sardine
noun
1. straalvinnige visSardina pilchardus, uit de familie van haringen
sardine
noun
1. een Italiaans eiland in de Middellandse Zee
Sardinien
pronoun
1. Romaanse taal die wordt gesproken door 1,3 miljoen mensen op Sardinië
Sardisch
/'sɑrən/
verb
1. iemand voortdurend lastig vallen
  1. reizen
  2. quälen
adjective
1.
saterfriesischsprachig
noun
Satire
noun
Sättigungspunkt
verb
saturieren
pronoun
1.
Saturn
noun
1. een kleine, niet gerookte worst die in lange snoeren vervaardigd wordt
Wurst
/saˌudiaˈrabijə/
pronoun
1. en 2., land en staat in Azië
Saudi-Arabien
pronoun
1. een gebied in de Duitse deelstaten Noordrijn-Westfalen en Hessen
Sauerland
/'saʊna/
noun
1. een ruimte waarvan de temperatuur verhoogd wordt, zodat het lichaam begint te zweten (een zweetbad)
Sauna
/sɑu̯s/
noun
1. een vloeibare substantie die meestal over een gerecht wordt gedaan voor extra smaak
  1. Soße
  2. Sauce
noun
1. (huishouden) lepel waarmee men saus opschept
Soßenlöffel
/ˈsa.va/
pronoun
1. een rivier in Zuidoost-Europa met een lengte van 940 km.
  1. Save
  2. Sau
  3. Sawe
noun
1. een grasland met verspreid voorkomende bomengroei
Savanne
verb
1. schrijven van digitale gegevens naar een gegevensdrager
speichern
noun
1. en 2. (bladeren van) Brassica oleracea convar. capitata var. sabauda)
Wirsing
noun
Wirsing
noun
1. iemand die (beroepshalve) saxofoon speelt
  1. Saxophonist
  2. Saxofonist
/sɑkso'fon/
noun
1. een metalen blaasinstrument met een enkel riet
  1. Saxophon
  2. Saxofon
noun
2. een soort duikerspak
  1. Taucheranzug
  2. Skaphander
/skɑn.ˈdeː.rə(n)/, /skɑn.ˈdɪː.rə(n)/
verb
2. ritmisch declameren met één sterke nadruk per versvoet.
skandieren
noun
1. scheikundig element met symbool Sc en atoomnummer 21
  1. Scandium
  2. Skandium
noun
1. sierlijk bewerkte staf, symbool voor het gezag van een regerende vorst
Zepter
/ˈskɛptɪs/
adjective
1. geneigd tot twijfel
skeptisch
noun
1. een werktuig om hout glad, vlak of dunner te maken
Hobel
interjection
Schach
noun
2. het schaakspel als zodanig
  1. Schach
  2. Schachspiel
/ˈsxagbɔrt/, /ˈsχagbɔrt/
noun
1. een vierkant bord met 64 donkere en lichte vakjes waarop schaak gespeeld wordt
Schachbrett
/ˈsxakˌleːraˑr/
noun
Schachlehrer
adverb
schachmatt
noun
1. een spel met verschillende stukken op een schaakbord
  1. Schach
  2. Schachspiel
/ˈsxakstʌk/
noun
1. een onderdeel van het schaken dat over het schaakbord bewogen wordt.
Schachfigur
noun
  1. 2. buitenkant van een ei of vrucht
  2. 1. voorwerp waar men iets kan inleggen
Schale
/sxaːldir/
noun
1. een dier met een schaal als uitwendig skelet
Schalentier
noun
1. huidplooi bij de opening van de vulva, aan beide zijden van de vagina
Schamlippe
noun
1. kleine parasieten die voorkomen in het schaamhaar, maar ook op wimpers...
Filzlaus
noun
1.het deel van het menselijk lichaam waar zich de liezen en geslachtsorganen bevinden
Schamgegend
/'sxa:m.tə/
noun
1. eerste betekenisomschrijving
Scham
pronoun
1.
Schaan
noun
  1. 1. Ovis aries, een holhoornige herkauwer waarvan de gedomesticeerde soort wol levert
    Schaf
  2. een kudde schapen
    Schafherde
noun
  1. 1. werktuig om te knippen
  2. 3. grijporgaan van sommige schaaldieren en spinachtigen
Schere
adjective
1. weinig in aantal of hoeveelheid
  1. knapp
  2. selten
  3. rar
/'sxarstə/
noun
1. eerste betekenisomschrijving
Mangel
noun
1. een ijzer dat onder de schoenen wordt gebonden of aan de schoenen is vastgemaakt, om zich daarmee over het ijs te verplaatsen
Schlittschuh
verb
1. zich voortbewegen op schaatsen
  1. eislaufen
  2. schlittschuhlaufen
noun
2. bepaald soort insect, Gerris lacustris
Wasserläufer
noun
3. plank bij een weefgetouw waarop de voeten kunnen rusten
Fußbank
noun
1. geheel van beschadigingen
Schaden
noun
1. een eis tot schadevergoeding
Schadenersatzforderung
/ˈsxadələk/
adjective
1. schade toebrengend
schädlich
verb
1. zorgen dat een geleden nadeel zoveel mogelijk hersteld of vergoed wordt
entschädigen
/sxadə/
verb
1. iets of iemand schade toebrengen
schaden
noun
1. het genoegen scheppen in het leed van een ander
Schadenfreude
noun
Entschädigung
/ˈsxaː.dyu̯/
noun
1. een slechts door indirect zonlicht beschenen oppervlak
Schatten
verb
1. iemand ongemerkt volgen
beschatten
noun
Schalter
verb
1. een verbinding tot stand brengen
schalten
noun
1. een schakelaar die om een bepaald tijdstip automatisch de schakeling omzet
  1. Schaltuhr
  2. Zeitschaltuhr
/sxa'kerɪŋ/
noun
1. kleurnuance, verschillende tinten van één kleur
Schattierung
noun
1. een sedimentair gesteente
Tonschiefer
noun
1. gas uit schalie
Schiefergas
verb
1. blaasinstrument met een rechte conische boring en een los dubbel riet dat de toon vormt
Schalmei
adjective
  1. 2. gering in omvang
    dürftig
  2. 1. waarvoor men zich schaamt
    ärmlich
/ˈsxaː.mə(n)/, /ˈsχa.mə(n)/
verb
1. schaamte voelen
  1. sich schämen
  2. schämen
verb
1.
streifen
noun
1. een zaak die iemand in opspraak brengt en waarvan mensen schande spreken
Skandal
noun
1. iets wat bij het publiek minachting oproept, iets oneervols
Schande
noun
1. een paal op een plein, waaraan mensen bij wijze van straf werden vastgemaakt om vernederd...
  1. Pranger
  2. Schandpfahl
noun
  1. 1. (militair) in het veld opgeworpen versterkingswerk
  2. 4. (sport) springschans
Schanze
noun
1. korf met aarde of steenvulling
  1. Gabione
  2. Schanzkorb
noun
1. een wintersport waarbij op skis van een helling (de schans) gesprongen wordt. Het doel daarbij is om zowel zo ver als zo mooi mogelijk te springen
Skispringen
noun
1. een plank om iets op te zetten
  1. Regal
  2. Schrankfach
  3. Brett
  4. Einlegeboden
noun
1. verblijf voor schapen die als kleinvee worden gehouden
Schafstall
noun
1. bepaald soort platvis Limanda limanda
Kliesche
verb
5. Seksuele handeling
Tribadie
noun
Scherenschleifer
adjective
scharlachrot
/sxɑrˈnir/
noun
1. draaiverbinding
Scharnier
noun
3. vogel uit de familie van de scharrelaars
Blauracke
verb
4. in de grond wroeten
scharren
noun
1. een kip die op een zo natuurlijk mogelijke wijze mag leven en vrij bewegen (scharrelen)
Freilandhuhn
/ˈsxɑrəɫˌvɑrkə(n)/
noun
1. een vrijlopend varken dat op een zo natuurlijk mogelijke manier mag leven
Freilandschwein
/ˈsxɑrə(n)/
verb
1. schrapen, kraben
scharren
noun
1. verzamelde rijkdom
  1. Schatz
  2. Tresor
noun
  1. Süße
  2. Kätzchen
  3. Schatzi
  4. Schätzchen
  5. Süßer
/'sxɑtə(n)/, /'sχɑtə(n)/
verb
  1. 2. benaderen van een waarde door berekening
  2. 1. op prijs stellen
schätzen
adjective
1. leuk, aardig, enig
niedlich
verb
1. schavelen
schamfilen
verb
  1. 3. door middel van een schaaf in plakjes snijden.
    hobeln
  2. 1. gladmaken door middel van een schaaf.
    1. hobeln
    2. reiben
  3. 2. verwonden door wegscheuring van de huid.
    1. schürfen
    2. schrammen
verb
1. schavielen
Schamfilen
noun
1. houder waarin men een zwaard of mes kan steken
Scheide
/'sχedəl/
noun
  1. Schädel
  2. Kranium
noun
Schädelfraktur
/sxeːf/
adjective
1. niet recht, schuin
schief
/sxeːf/
noun
1. afvaldeeltje van de houtpijp
Schä­be
/sxeːl/
adjective
1. het gebrek hebbend dat de oogassen niet op eenzelfde punt gericht kunnen worden
schielend
noun
1. voorkant van het onderbeen van de mens tussen de knie en de enkel
  1. Schiene
  2. Schienbein
/ˈsxenben/
noun
Schienbein
noun
1.
Schiffarzt
noun
1. hard en droog baksel, geschikt voor lange (zee)reizen
Hartkeks
noun
Schiffbau
noun
1.
Schiffarzt
verb
1. het vanaf de wal slepen van schuiten
treideln
noun
1. iemand die de maaltijden op een schip verzorgt
Smutje
noun
1. de goederen die in het ruim van een vrachtschip vervoerd worden
Schiffsladung
noun
1. een ruimte voor het opslaan van goederen in een schip
Schiffsraum
noun
1. een scheepsinstrument waarmee de brug aan de machinekamer het toerental en de draairichting van de schroef aanvraagt
Maschinentelegraf
noun
1. het verkeer op het water
  1. Schifffahrt
  2. Schiffsverkehr
noun
Rasierapparat
/ˈsxɪːrkʋɑst/
noun
1. een dikke kwast waarmee men scheerzeep aanbrengen
Rasierpinsel
/sxeːrmɛs/, /sχɪːrmɛs/
noun
1. een bijzonder scherp mes waarmee men zich kan scheren
Rasiermesser
/ˈsxeːrzep/, /ˈsχɪːrzep/
noun
1. zeep die gebruikt wordt om tijdens het scheren de huid te beschermen
Rasierseife
/sxet/, /sχet/
noun
1. gasontlading uit de darm
Furz
noun
  1. 3. het verbreken van een huwelijk
    Scheidung
  2. 1. het uiteenhalen van iets in zijn onderdelen
    Trennung
noun
1. wetenschap die zich bezig houdt met de studie van de samenstelling en de bouw van de stoffen
Chemie
adjective
1. dat wat tot de scheikunde behoort, volgens de scheikunde
chemisch
noun
Chemiker
noun
1.
Scheidetrichter
/ˈsχɛldə/
pronoun
1.een rivier die ontspringt in de gemeente Gouy in noordelijk Frankrijk
Schelde
/sxɛldə(n)/
verb
1. krenkende of beledigende woorden uitspreken op heftige of ruwe toon
schimpfen
/'sxɛltwoːrt/
noun
1. een term die bedoeld is om iets of iemand te beledigen
Schimpfwort
verb
1. een verschil maken
kümmern
/sxɛlp/
noun
1. een uit kalk gewoonlijk uitwendig skelet, dat door een weekdier wordt aangemaakt
Schale
noun
1. bepaald soort kabeljauwachtige consumptievis, Melanogrammus aeglefinus
Schellfisch
noun
Schema
adjective
1. volgens een schema
schematisch
/ˈsxemər/
noun
1. de periode van verminderend licht tussen dag en nacht
Zwielicht
/ˈsxemərə(n)/
verb
1. donker of licht worden, tussen licht en donker zijn
dämmern
adjective
  1. 1. wat minder helder licht vlak voordat het avond wordt
    dämmerig
  2. 2. wat minder duidelijk is, misschien illegaal is en dus het daglicht niet kan verdragen
    zwielichtig
noun
2. de tijd van de dag waarop het licht dan wel donker wordt
Dämmerung
/sxɛndə(n)/
verb
1. iets niet in acht nemen
verletzen
pronoun
Schengen
/'sxɛŋ.kə(n)/
verb
  1. 2. overgieten
    einschenken
  2. 1. geven
    schenken
noun
1. lepelvormig werktuig
  1. Schaufel
  2. Schippe
noun
1. ambt
Beigeordnete
/ˈsxɛpə(n)/
verb
  1. 1. doen ontstaan uit niets
    schaffen
  2. 1. met bijv. een lepel of spaan een hoeveelheid van een bep. materiaal uit iets (bijv. een vat) naar boven halen, of het juist daarin doen
    schöpfen
noun
1. iets nieuws dat uit het niets gemaakt is
Schöpfung
noun
1. creatuur; iets dat gemaakt is
Geschöpf
/sxeːrə(n)/, /sχɪːrə(n)/
verb
  1. 3. rakelings over een oppervlak bewegen
    1. gleiten
    2. streifen
  2. 2. zich de baard kort afsnijden
    rasieren
  3. 1. baard afsnijden
    1. rasieren
    2. scheren
/sxɛrf/, /sχɛrf/
noun
  1. 1. een onregelmatig gevormd stuk materie dat deel heeft uitgemaakt van een groter geheel
    Scherbe
  2. 2. een fragment van een granaat
    Splitter
noun
1. verticale draden van het weefgetouw
  1. Webkette
  2. Kette
noun
  1. 2.1. een monitor van een technisch toestel
    1. Bildschirm
    2. Monitor
  2. 3. een bloeiwijze waarbij alle zijassen (bloemstelen) uit één punt ontspringen
    Dolde
  3. 2.2. een onderdeel van een bioscoop
    1. Kinoleinwand
    2. Leinwand
  4. 1.2. een schut tegen het directe zonlicht
    1. Paravent
    2. Spanische Wand
    3. Stellwand
  5. 1.4. een ongevallenpreventie
    1. Plane
    2. Schutzwand
  6. 2.3. een projectiescherm
    Projektionswand
  7. 1. soort van doek wat iets anders aan het zicht moet onttrekken, of gebruikt wordt ter bescherming
    Schutzwand
  8. 1.5. een schut tegen zicht of wind
    1. Sichtschutz
    2. Windschutz
  9. 1.1. een schut tegen het directe zonlicht
    Sonnenschirm
  10. 1.3. een gordijnachtige doek in een schouwburg
    1. Theatervorhang
    2. Vorhang
/sxɛr'mɵʦəlɪŋ/
noun
Scharmützel
adjective
1. goed snijdend
scharf
noun
  1. Scharfrichter
  2. Henker
noun
Scharfschütze
verb
1. als grap opmerken
scherzen
verb
  1. 1. met een minimum van pennenstreken een voorlopige en gewoonlijk uitwisbare afbeelding van iets maken
  2. 2. in overdrachtelijke zin: een korte maar rake beschrijving van iets geven
skizzieren
verb
1. lawaai maken als een ekster
  1. schackern
  2. schäckern
/sxøːr/, /sχʏːr/
noun
1. een kloof in een vlies of weefsel
Riss
noun
1. ziekte ten gevolge van ascorbinezuurdeficiëntie
Skorbut
/sxʏːrə(n)/
verb
1. in twee of meer delen trekken
reißen
noun
3. wiskundige zigzaglijn op de as van een assenstelsel
Skalierungsunterbrechung
adverb
fast
noun
1. een landmassa die voor het grootste deel door water omgeven wordt, en slechts op (relatief) smalle verbinding heeft met het vasteland.
Halbinsel
pronoun
Schiermonnikoog
/ˈsxi.tə(n)/, /ˈsχi.tə(n)/
verb
  1. 1. een projectiel afvuren met een wapen
  2. 2. de bal een trap geven
schießen
noun
1. een draad met loden balletje om de loodrechte stand van iets te onderzoeken
  1. Lot
  2. Senkblei
  3. Senklot
noun
1. een confrontatie waarbij partijen elkaar beschieten
Schießerei
noun
1. (industrie) een draaibare klos in een schuitje die bij het weven door het vak van de ...
Schussspule
/sxɛi̯f/
noun
1. plat en rond voorwerp
  1. Scheibe
  2. Diskus
noun
1. een rem, waarbij op de as van het af te remmen toestel een schijf meedraait, die door middel van remblokken afgeremd kan worden.
Scheibenbremse
/sxɛi̯n/
adverb
  1. 1. bedriegelijk voorkomen
    Schein
  2. 2. zweem
    Schimmer
/ˈsxɛːnbar/, /ˈsχɛɪnbar/
adjective
1. naar aanzien
scheinbar
verb
  1. 1. zich voordoen, vaak op bedrieglijke wijze
    1. erscheinen
    2. scheinen
  2. 2. naar verluidt
    scheinen
  3. 3. straling uitzenden
    1. scheinen
    2. leuchten
noun
1. de periodiek wisselende aanblik van de maan (en de planeet Venus) ten gevolge van de veranderende belichting door de zon
Phase
/sxɛɪ̯nˈhɛɪ̯lɪx/, /sxɛːnˈhɛːləx/, /sχɛɪ̯nˈhɛɪ̯ləχ/
adjective
1. tegen beter weten in de schijn van goedheid of onschuld ophoudend
scheinheilig
/'sxɛi̯n.ɦi.u̯ə.lək/
noun
1. huwelijk voor de schijn
Scheinehe
noun
1. een procedure die tot doel heeft slechts de illusie of schone schijn op te houden
Farce
/sxɛɪtə(n)/, /sxɛːtə(n)/, /sχɛɪtə(n)/
verb
1. poepen
scheißen
noun
  1. 3. verval van strafvordering tegen betaling van een geldsom
    Diversion
  2. 1. compromis, overeenkomst waarbij iedereen iets toegeeft
    Kompromiss
  3. 2. beslechting door partijen van hun rechtsgeschil(len)
    Vergleich
noun
1. buitenste bekleding van een vrucht
  1. Schale
  2. Rinde
/sxɪlt/
noun
1. (militair) een voorwerp dat als afweer tegen de aanval van de vijand voor zich gehouden wordt
Schild
noun
  1. 1. een kunstenaar die geschilderde afbeeldingen maakt
  2. 2. een handwerksman die huizen schildert
Maler
verb
  1. 1. een kunstwerk vervaardigen door met verf een beeld op een oppervlak te maken
    malen
  2. 2. een bouwwerk of voorwerp van een beschermend laag verf voorzien
    1. malen
    2. streichen
    3. anstreichen
/ˌsxɪldə'rɛː/, /ˌsχɪɫdə'rɛɪ/
noun
1. een met verf op doek of andere achtergrond gemaakte afbeelding
  1. Gemälde
  2. Bild
/sxɪldərkʌnst/
noun
1. een beeldende kunst die zich bezighoudt met het met penseel en verf op een plat vlak aanbrengen van lijnen en kleuren
Malerei
noun
1. een spatelvormig stuk gereedschap dat de kunstschilder gebruikt om mee te schilderen
  1. Malmesser
  2. Malspachtel
noun
1. een van beide figuren -menselijk of anderszins- die het wapen flankeren
Schildhalter
/sxɪldkliːr/, /sxɪɫtkliːr/, /sχɪɫtkliːr/
noun
1. klier
Schilddrüse
noun
1. kwaadaardige groei in de schildklier
Schilddrüsenkrebs
noun
1. orde van reptielen waarvan het voornaamste kenmerk is dat het lichaam omsloten wordt door een verhard rug- en buikschild
Schildkröte
noun
Baumwanze
noun
1. een band langs de omtrek van een wapenschild
Schildrand
verb
1. de schil van een vrucht verwijderen
schälen
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Schiltach
noun
  1. 1. paardenras met een grotendeels witte vacht met fijne grijze of blauwige tekening
  2. 2. zwamsoort of substantie die op dode of levende organismen groeit.
Schimmel
noun
Schimmelkäse
noun
2. rijk binnen de eukaryoten, Fungi
Pilz
noun
  1. 1. groot zeewaardig vaartuig
  2. 2. grootste ruimte in de lengterichting van een kruiskerk
Schiff
/sxɪbrøk/
noun
1. een gebeurtenis waarbij een schip zinkt of op de klippen loopt
Schiffbruch
noun
1. het slachtoffer van een schipbreuk
Shiffbrüchiger
noun
1. gesteente
  1. Schiefer
  2. Glimmerschiefer
verb
  1. 2. opvallen
    1. glänzen
    2. herausragen
    3. hervorstechen
  2. 1. een sterk licht verspreiden
    1. glänzen
    2. strahlen
/'sxɪtərənt/
adjective
  1. 2. prachtig, bijzonder mooi
    1. brillant
    2. außergewöhnlich
    3. blendend
    4. gewaltig
    5. glänzend
    6. hervorragend
    1. funkelnd
    2. glänzend
noun
1. een chronische geestesziekte met perioden van verwardheid en psychose
Schizophrenie
pronoun
1. een stad in de Oostenrijkse deelstaat Stiermarken
Schladming
noun
1. Duitse sentimentele muziek
Schlager
noun
2. stakker, stumper, pechvogel
Schlemihl
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Thüringen
Schleusingen
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Hessen
Schlüchtern
pronoun
1.
Schmalkalden
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Thüringen
Schmölln
noun
1. bepaald Duits hondenras
Schnauzer
verb
1. van schoeisel voorzien
beschuhen
noun
1. alles wat men om de voeten heen kan dragen, zoals schoenen en laarzen
Schuhwerk
/sxun/
noun
1. voetbekleedsel
  1. Schuh
  2. Lackschuh
noun
1. een 18e eeuws langsgetuigd zeilschip met oorspronkelijk 2, maar later ook meer masten
  1. Schoner
  2. Schooner
  3. Schuner
noun
1. iemand die als vak schoenen repareert
Schuster
noun
Schuhanzieher
noun
  1. Schuster
  2. Schuhmacher
noun
1. veter om een schoen of laars dicht te rijgen
  1. Schnürsenkel
  2. Schuhband
  3. Senkel
noun
1. een mineraal met de chemische formule (UO₂)₈O₂(OH)12·12H₂O
Schoepit
/ˈsxɔfəl/, /ˈsχɔfəɫ/
noun
1. een horizontaal liggend scherp geslepen mes van staal dat bevestigd is aan een houten steel
  1. Hacke
  2. Stoßhacke
noun
Missachtung
noun
  1. 1. schouder van paard of rund
    Widerrist
  2. 1.
    Schuft
noun
  1. 1. een plotsklapse en hevige beweging
    1. Erdstoß
    2. Stoß
  2. 3. een blootstelling aan een elektrische potentiaal
    1. Schlag
    2. Stromschlag
  3. 2. een gebeurtenis die iemand hevig van de wijs brengt
    1. Schock
    2. Trauma
noun
1. onderdeel dat een granaat bij inslag tot ontploffing brengt
  1. Aufschlagzünder
  2. Fallzünder
  3. Perkussionszünder
noun
1. mechanisme om schokken te dempen
Stoßdämpfer
noun
1. bepaald soort platvis, Pleuronectus platessa
Scholle
noun
1. zwart-witte waadvogel met luide roep, Haematopus ostralegus
Austernfischer
verb
1. aan een opleiding onderwerpen
  1. schulen
  2. ausbilden
noun
1. een school die verschillende schooltypen omvat
Gesamtschule
noun
1. iemand die basisonderwijs of voortgezet onderwijs volgt
Schüler
noun
1. een hangend speeltuig bestaande uit touw en een zitje, vooral gebruikt in kinderspeeltuinen
Schaukel
verb
1. op een schommel heen en weer bewegen
  1. schaukeln
  2. schwingen
/ˈsxɔməlstul/
noun
1. een stoel, gewoonlijk op gebogen staanders, waarop men heen en weer kan schommelen
Schaukelstuhl
noun
1. samengebonden bundel halmen
Garbe
/sxoːl/, /sxoːɫ/, /sχoːɫ/
noun
  1. 1. een onderwijsinstelling waar les wordt gegeven aan leerlingen
  2. 2. een zwemmende groep gelijksoortige vissen
Schule
noun
1. een agenda, speciaal voor scholieren
Aufgabenheft
noun
Tafel
noun
Schultag
noun
1. (onderwijs) examen dat door een school wordt afgenomen
  1. Abitur
  2. Reifeprüfung
  3. Schulprüfung
/ˈsxolɣan/, /ˈsχoɫχan/
verb
1. op een school ingeschreven staan en daar lessen volgen
zur Schule gehen
noun
Schulgeld
noun
1. jongen die naar school gaat
Schuljunge
noun
Schulkind
/ˈsxolkrɑnt/, /ˈsçolkrɑnt/
noun
1. een krant die uitgegeven wordt door een school
Schulzeitung
noun
Schulausflug
/sxols/, /sχo̝ɫs/
adjective
1. zoals op school
schulisch
/ˈsxoːl.tɑs/
noun
  1. Schultasche
  2. Schulranzen
  3. Schulmappe
noun
  1. 2. De tijden van de dag dat men naar school gaat
    Schulstunden
  2. 1.De levensfase dat men naar school gaat
    Schulzeit
noun
Schulabbruch
noun
Schwiegerbruder
/ˈsxombruːr/
noun
1. de echtgenoot van iemands broer of zus, of de broer van iemands echtgenoot of echtgenote.
  1. Schwager
  2. Schwiegerbruder
/ˈsxonbrʏs/
noun
Schwiegergeschwister
noun
1. de vrouw van een zoon of dochter
Schwiegertochter
/ˈsxoːn·hɛɪt/
noun
  1. 1. de hoedanigheid prachtig en aantrekkelijk te zijn
  2. 2. iemand (gewoonlijk een vrouw) die schoonheid bezit
Schönheit
noun
Kosmetiksalon
noun
Schönheitswettbewerb
noun
1. te grote neiging tot opruimen
Putzfimmel
/ˈsxonmudər/
noun
1. de moeder van de huwelijkspartner
Schwiegermutter
noun
1. de vader van de huwelijkspartner
Schwiegervater
noun
1. de man van een dochter of zoon
  1. Schwiegersohn
  2. Eidam
/ˈsxonzʉs/
noun
1. de echtgenote van iemands broer of zus, of de zus van iemands echtgenoot of echtgenote.
Schwägerin
noun
1. de echtgenote van broer of zus, of de zus van de echtgenoot of echtgenote
Schwägerin
noun
1. rookkanaal boven een stookplaats
  1. Schornstein
  2. Schlot
noun
1. een persoon wiens werk het verwijderen van roet uit schoorstenen is
Schornsteinfeger
/ˈsxoːrwɑl/, /ˈsxoːrβ̞ɑl/, /ˈsχɔːrʋɑl/
noun
1. een lange, smalle landtong die gevormd wordt door afzetting van zand in een bocht van de zeekust, en die de bocht op deze manier geheel of gedeeltelijk afsluit van de open zee
Nehrung
/sxot/, /sχot/
noun
  1. 2. baarmoeder
    Gebärmutter
  2. 4. het onderdeel van een deurslot dat uit de deur schuift en in de sluitplaat op de deurpost valt
    1. Riegel
    2. Sperrriegel
  3. 3. een lijn, aan de benedenhoek (de schoothoek) van een zeil bevestigd om het zeil mee in de wind te richten
    Schot
  4. 1. de bovenkant van de dijen van iemand die zit
    Schoß
/ˈsxotkɔmˌpjutər/
noun
1. een invouwbare, draagbare computer
Laptop
noun
Schussfeld
noun
  1. 1. graafwerktuig
    1. Schaufel
    2. Spaten
  2. op de schop nemen
    völlig umgestalten
  3. 1. trappende aanraking met de voet
    Fußtritt
/'sxɔ.pə(n)/
noun
1. kaartkleur
Pik
/'sxɔ.pə(n)/
verb
1. een trap geven
treten
/sχɔr/
noun
Salzwiese
pronoun
2. teken van de dierenriem van 23 oktober tot 22 november
Skorpion
noun
1. spinachtige met scharen en gifstekel
Skorpion
/sxɔrs/
noun
1. buitenste laag van (boom)stam
Borke
verb
  1. 1. voorlopig of tijdelijk verbieden een functie uit te voeren
    1. suspendieren
    2. sperren
  2. 2. tijdelijk onderbreken
    unterbrechen
noun
Schwarzwurzel
verb
1. tekortkomen, ontbreken
  1. fehlen
  2. hapern
  3. mangeln
noun
  1. 2. wat opgediend wordt, gerecht
    Gericht
  2. 1. ronde schaal
    Teller
  3. 3. kop en schotel
    1. Untertasse
    2. Teller
noun
1. schotelantenne
Parabolantenne
/ˈsxɔtlɑnt/, /ˈsçɔtlɑnt/
pronoun
1. deel van het Verenigd Koninkrijk
Schottland
pronoun
1. een Engels dialect dat gesproken wordt in Schotland
Scots
noun
1. een wond veroorzaakt door een kogel
Schusswunde
noun
1. deel van romp tussen arm en hals
  1. Schulter
  2. Achsel
noun
1. het vlakke driehoekige bot dat de achterzijde van de schouder vormt
Schulterblatt
noun
1. het hoofd van het dorpsbestuur van een schoutambt vanaf de hoge middeleeuwen
Schultheiß
noun
1. een gebouw voor het vertonen en bijwonen van voorstellingen, optredens en performances
  1. Schauspielhaus
  2. Theater
noun
1. een spel dat een publiek van toeschouwers beoogt te boeien
Schauspiel
noun
1. oppervlakkige beschadiging van de huid door een ongeval
  1. Kratzer
  2. Schramme
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Schramberg
/ˈsrɑndər/, /ˈsxrɑndər/
adjective
1. van intelligentie getuigend
  1. findig
  2. gewitzt
/'srɑpə(n)/, /'sxrɑpə(n)/
verb
  1. 2. doorhalen, verwijderen van een lijst
    1. durchstreichen
    2. absagen
    3. streichen
  2. 3. bezuinigen, een einde maken aan een programma of uitgavenpost
    1. einsparen
    2. streichen
  3. 4. ontslaan
    1. entlassen
    2. kündigen
  4. 1. met een scherp voorwerp zoals een mes de oppervlaktelaag verwijderen
    1. schaben
    2. abkratzen
    3. schrappen
/ˈsxreːʋə(n)/
verb
1. luid en geforceerd gebruiken van het stemgeluid
schreien
/srɪft/, /sxrɪf/, /sxrɪft/
noun
  1. 1. een dun boekje met lege bladzijden om in te schrijven
    Heft
    1. 3. de letter- en cijfertekens van een taal
    2. 4. de lettersoort gebruikt in boeken, teksten en inscripties
    Schrift
/ˈsrɛɪ̯də(n)/, /ˈsxrɛɪ̯də(n)/, /ˈsxrɛːdə(n)/
verb
1. bedachtzaam en statig lopen
schreiten
noun
1. een mechanisch apparaat, voorzien van druktoetsen waarmee schrifttekens op papier gezet kunnen worden
Schreibmaschine
/ˈsrɛɪ̯fstər/, /ˈsxrɛɪ̯fstər/, /ˈsxrɛːfstər/
noun
1. een persoon van het vrouwelijk geslacht die op professionele manier boeken of verhalen schrijft
  1. Schriftstellerin
  2. Autorin
/'srɛɪ̯fʋɛɪ̯zə/, /'sxrɛɪ̯fwɛɪ̯zə/, /'sxrɛːfβ̞ɛːzə/
noun
  1. 1. spelling
    1. Rechtschreibung
    2. Orthografie
  2. 2. stijl van schrijven
    Schreibweise
adjective
1. wijdbeens
rittlings
/sxrɛɪn/, /sçrɛːn/
noun
kistje
Schrein
verb
1. branderig aanvoelen
brennen
noun
  1. Schreiner
  2. Tischler
/ˈsxrɛ(i)və(n)/
noun
1. een stuk in tekens vastgelegde tekst
Schreiben
/ˈsxrɛ(i)və(n)/
verb
1. tekst in tekens vastleggen
  1. schreiben
  2. verfassen
/ˈs(x)rɛɪvər/
noun
2. een persoon die beroepsmatig schrijft
  1. Schriftsteller
  2. Autor
/'sxrɪkdrat/
noun
1. draad onder spanning in een hekwerk
Elektrozaun
noun
Schalttag
noun
1. een jaar met 366 dagen
Schaltjahr
noun
1. een extra seconde die aan de tijdrekening wordt toegevoegd om in rekening te brengen dat de draaiing van de aarde enigszins aan wisselingen onderhevig is
Schaltsekunde
verb
1. met water en een harde borstel reinigen
schrubben
noun
  1. 2. werktuig met twee of meer gebogen bladen die door draaiing een schip of vliegtuig voortbewegen
    1. Schiffsschraube
    2. Propeller
    3. propeller
    1. 1. voorwerp dat wordt gebruikt om andere voorwerpen vast te zetten
    2. 3. sprong met een draai om de lengteas
    Schraube
noun
1. schroefdraad
Schraubengewinde
noun
1. een meetinstrument waarmee zeer nauwkeurig dikten, afstanden en diepten kunnen worden gemeten
  1. Messschraube
  2. Mikrometer
  3. Mikrometerschraube
noun
1. een constructie waarmee aan een draad of kabel de gewenste spanning kan worden gegegven
  1. Spannschloss
  2. Spannschraube
verb
1. de oppervlakte een beetje verbranden
  1. ansengen
  2. versengen
  3. absengen
  4. sengen
noun
1. een werktuig om schroeven vast of los te draaien
  1. Schraubendreher
  2. Schraubenzieher
  3. Schrauber
/ ˈsxrɔkə(n) /
verb
1. zo snel mogelijk eten
schlingen
noun
1. berg met metaalafval
Schrotthaufen
/ˈs(χ)rotpremi/, /ˈsxrotpremi/
noun
1. een regeling vanwege de overheid.
  1. Abwrackprämie
  2. Verschrottungsprämie
  3. Umweltprämie
  4. Ökoprämie
/sxʏp/
noun
1. een van meerdere overlappende plaatjes van keratine die aan een kant vastzitten...
Schuppe
noun
1. Annona squamosa, een vruchtboom die op de Antillen voorkomt
Rahmapfel
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de familie Manidae
Schuppentier
adjective
schüchtern
verb
1. snel heen en weer bewegen om iets te mengen
schütteln
noun
  1. Messschieber
  2. Schieblehre
verb
1. zich verbergen
  1. Schutz suchen
  2. abschirmen
  3. verbergen
/sxʌʏm/
noun
1. iets dat veel luchtbellen bevat
Schaum
noun
  1. Schaumlöffel
  2. Schaumkelle
noun
  1. Schaumlöffel
  2. Schaumkelle
noun
1. een soort wijn die koolzuurbelletjes bevat
Schaumwein
adjective
  1. 2. betrekking hebbend op seks
    1. anzüglich
    2. schlüpfrig
  2. 1. niet-loodrecht
    1. schief
    2. schräg
noun
Schrägstrich
/sxœyt/
noun
  1. 1. een eenvoudig open vaartuig
    1. Boot
    2. Kahn
    3. Schute
  2. 2. een spoelhouder
    Schütze
verb
1. over de grond verplaatsen
schieben
noun
  1. 1. een geldbedrag dat ondanks de verplichting daartoe niet betaald wordt
    Schuld
  2. 2. een verantwoordelijkheid die iemand wordt toegeschreven voor een laakbare gebeurtenis of toestand
    1. Schuld
    2. Verschulden
noun
1. schriftelijk bewijs van financiële schuld
Schuldanerkenntnis
noun
1. iemand aan wie iemand iets (meestal geld) verschuldigd is
Gläubiger
noun
1. iemand die iets (meestal geld) aan iemand anders verschuldigd is
Schuldner
noun
1. langdurig verlies van vrijheid als gevolg van een schuld die niet kan worden afgelost
Schuldknechtschaft
/'sxʏ.nəx/
adjective
  1. 3. laag, onfatsoenlijk (van gedrag, handelingen en bewoordingen)
    1. anzüglich
    2. schäbig
  2. 2. laag, onbetamelijk (van karakter)
    1. kleinlich
    2. schäbig
  3. 1. haveloos, armoedig
    1. schäbig
    2. ärmig
/sxyrə(n)/
verb
1. een oppervlak glad maken door wrijving met een ruw oppervlak van grotere hardheid
  1. scheuern
  2. schmirgeln
  3. schaben
noun
Grabmilben
/sxɵrk/
noun
1. persoon die kwaad in de zin heeft en/of bedrijft
  1. Schurke
  2. Gauner
noun
Schiffsschleuse
noun
Schießscharte
/sxyːr/, /sχyːr/
noun
1. een opslagplaats voor veldvruchten en gereedschappen
Scheune
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Schwabach
pronoun
1. stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Schwaigern
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Thüringen
Schwallungen
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Beieren
Schwangau
pronoun
1. een stad in de Oostenrijkse deelstaat Neder-Oostenrijk
Schwechat
noun
1. eenhandsfluit
Schwegel
pronoun
  1. 1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
  2. 2. een district in de Duitse deelstaat Beieren
Schweinfurt
pronoun
1.
Schwerin
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Schwetzingen
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Schwäbisch Gmünd
pronoun
  1. 1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
  2. 2. een district in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Schwäbisch Hall
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Schöntal
verb
1. fonkelen
funkeln
noun
1. het aantal behaalde punten
Ergebnis
/sku.bi.ˈdu/
noun
  1. Scoubidou
  2. Hexentreppchen
noun
1. scouting
Pfadfinder
/ˈskrɪp.si/
noun
1. een werkstuk over een (literatuur-) onderzoek dat gemaakt wordt om een opleiding te kunnen voltooien
Dissertation
noun
1. scheikundig element met symbool Sg en atoomnummer 106
Seaborgium
noun
  1. 1. omgekeerde van de cosinus
  2. 2. lijn die een kromme op twee punten snijdt
Sekante
noun
  1. 1. SI-grondeenheid van tijd
  2. 5. een interval met een toonafstand
Sekunde
adverb
1. gedurende meerdere seconden
sekundenlang
/səkrəta'rɛsə/
noun
vrouw
Sekretärin
/səkre'tarəs/
noun
1. functie in organisatie
Sekretar
noun
1. hoge functionaris binnen grote organisaties, zoals de Verenigde Naties, NAVO, FIFA
Generalsekretär
adjective
säkular
noun
1. type personenauto
Limousine
noun
1. het verlagen van de staat van het bewustzijn van een patiënt met het doel een medische procedure of ingreep aangenamer te maken
  1. Sedierung
  2. Sedation
noun
1. 1099
Sedezilliarde
noun
Sederabend
adjective
sedimentär
pronoun
Sedna
pronoun
Zephanja
/sə'fɑrd/
noun
1. jood uit Portugal, Spanje, Noord-Afrika of het Midden-Oosten
  1. Sepharde
  2. Sephardi
/sə'fɑrdə(n)/
noun
1. meervoud van Sefard
  1. Sepharden
  2. Sephardim
noun
Segmentation
noun
Segregation
noun
Sederabend
/sɛɪn/
noun
  1. 3. een verkeerslicht of verkeersbord voor treinen
    1. Eisenbahnsignal
    2. Signal
  2. aanduiding, aanwijzing
    1. Signal
    2. Zeichen
  3. 1. een betekenisvolle beweging
    1. Zeichen
    2. Signal
    3. Fingerzeig
    4. Wink
pronoun
1. een rivier in Frankrijk
Seine
verb
  1. 2. het overbrengen van een bericht
    funken
  2. 1. geven van een teken
    signalen geben
noun
1. seinlamp
Signallampe
noun
1. een toestel dat beweging en of trillingen van de aardkorst waarneemt en registreert
  1. Seismograph
  2. Seismograf
noun
1. grafische voorstelling van een door een seismograaf waargenomen aardbeving
Seismogramm
noun
1. de wetenschap van de aardbevingen
Seismologie
noun
1. een toestel dat beweging en of trillingen van de aardkorst waarneemt en registreert
Seismometer
/sɛɪ̯.ˈzun/, /sɛː.ˈzun/
noun
  1. 1. elk van de vier periodes waarin het jaar verdeeld wordt
    Jahreszeit
  2. 2. een jaarlijks terugkerende periode
    Saison
noun
1. arbeider in een seizoenbedrijf
Saisonarbeiter
noun
Saisonarbeit
noun
Saisonarbeiter
/sɛks/
noun
2. geslachtsgemeenschap
Sex
noun
1. sekse
Geschlecht
noun
Sexualität
noun
1. infectieziekte die vooral wordt overgedragen door seksueel contact
Geschlechtskrankheit
noun
1. ziekten die vooral worden overgedragen door seksueel contact.
sexuell übertagbare Krankheiten
/ˌsɛksʏwolo'ɣi/
noun
  1. Sexualforschung
  2. Sexuologie
/ˌsɛksʏwo'loɣ/
noun
Sexologe
/ˈsɛks.wɛr.kər/
noun
  1. Sexarbeiter
  2. Sexarbeiterin
/ˈsɛktə/
noun
1. religieuze groepering die opziet naar een bepaald mens als leider
Sekte
noun
1. sekthuis
Sekthaus
noun
1. tuinkruid, vergelijkbaar met peterselie, maar dan met een veel sterkere smaak
Sellerie
noun
1. bepaald soort plant, Apium graveolens
Sellerie
adjective
1. uitkiezend
selektiv
noun
1. Scheikundig element met symbool Se en atoomnummer 34
Selen
noun
1. een medicijn tegen de ziekte van Parkinson
Selegilin
noun
1. een verbinding van seleen waarin dit element de oxidatietoestand -2 bezit
Selenide
noun
Selen
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Hessen
Seligenstadt
pronoun
Sellafield
noun
1. taalkunde
Semantik
noun
een half jaar
  1. Semester
  2. Halbjahr
noun
Semit
noun
Senat
/ˈse.ne.ˌɣɑl/, /ˈse.ne.ˌχɑɫ/
pronoun
1. land in West-Afrika
Senegal
/seˈnil/
adjective
1. aan de ouderdom eigen, door de ouderdom afgetakeld
senil
noun
1.
  1. Boulevardblatt
  2. People-Magazin
adjective
sensationell
/ˈsɛnsɔr/
noun
1.
Sensor
adjective
sensuell
adjective
1.in vaak overdreven mate op gevoelens spelend
sentimental
adjective
  1. Sepiabraun
  2. sepiabraun
noun
1. een gehydrateerd magnesium-silicaat met de chemische formule Mg₄Si₆O15·6(H₂O), een fylosilicaat dat behoort tot de mica's.
  1. Sepiolith
  2. Meerschaum
noun
1. negende maand van het jaar
  1. September
  2. Scheiding
noun
1.
Septime
noun
1. septiemakkoord
Septimeakkord
noun
1.
Septime
noun
1. septimool
Septole
noun
1. septool
Septole
/ˌse.kwɛn.si.ˈjeːl/
adjective
sequenziell
/seˈkoja/, /seˈkɔja/
noun
1.1 benaming voor bomen uit het geslacht Sequoia
Sequoia
noun
1.
  1. Serendipitität
  2. Serendipität
noun
1. een rang onder de onderofficieren
Feldwebel
noun
1. serialisme
Serialimus
noun
Seriemörder
adverb
1. ernstig
  1. ernsthaft
  2. seriös
noun
Serin
/sə.'rɪŋ/
noun
1. boomsoort met welriekende bloesem, meest paars of wit in de vorm van een kaars
Flieder
noun
1. een neurotransmitter met een overwegend inhiberende werking
Serotonin
noun
1. een vergiftiging met serotonine
Serotonin-Syndrom
noun
1. een slang
  1. Schlange
  2. Serpent
noun
  1. Serrano-Schinken
  2. Serranoschinken
noun
  1. 2. gebouw(tje) met veel glas voor het kweken van planten
    1. Gewächshaus
    2. Glashaus
    3. Treibhaus
  2. 1. glazen veranda
    Wintergarten
noun
1. bepaald soort zoogdier, Leptailurus serval
Serval
noun
1. een computer die of computerprogramma dat diensten verleent aan andere programma's
Server
verb
  1. 2. de bal opslaan
    aufschlagen
  2. 1. iets op tafel opdienen
    1. servieren
    2. auftragen
/sɛrˈvɛt/
noun
1. een doek die men aan tafel gebruikt om er de mond en vingers mee af te vegen
Serviette
noun
1. ring om een opgerold servet bijeen te houden
Serviettenring
/ˈsʏːrvɪs/
noun
1. bediening, diensten ten behoeve van de klanten.
  1. Dienst
  2. Service
/ˈsɛrvis/, /ˈsɛrvɪs/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Servië
  1. Serbisch
  2. serbisch
/ˈsɛrvi.jə/
noun
1. een land in Zuidoost-Europa.
Serbien
/ˈsɛrvi.jər/
noun
1. een inwoner van Servië, of iemand afkomstig uit Servië
Serbe
/sɛrvoːkroːˈaːtis/
pronoun
Serbokroatisch
noun
1. een uit Afrika afkomstige plant uit de familie Pedaliaceae
Sesam
noun
Sesamöl
pronoun
1.de langste Britse rivier
Severn
noun
Sexte
noun
1. sextakkoord (drieklank)
Sextakkord
noun
1. hoekmeetinstrument
Sextant
noun
1. sextool
Sextole
/se.ˈʃɛ.lə(n)/, /sɛɪ̯.ˈʃɛ.lə(n)/
pronoun
1. een land in de Indische Oceaan, officieel de Republiek der Seychellen
Seychellen
noun
  1. 3. bolvormig vlak rond een centraal punt
    Athmosphäre
  2. 1. het geheel van gedachten en gevoelens die de gemoederen in een bepaalde omgeving bezighouden
    Stimmung
noun
1.
Sphinx
noun
1. een traditioneel Japanse fluit die aangeblazen op de rand van het boveneind.
Shakuhachi
/ˈʃɑm.po/
noun
1. product, meestal in vloeibare vorm, dat bedoeld is om het haar te wassen.
  1. Shampoo
  2. Schampon
noun
1. shanty
  1. Seemannslied
  2. Shanty
noun
1. een vorm van software die zonder of met weinig restricties verspreid mag worden,...
Shareware
noun
1. een Spaanse versterkte wijn
Sherry
noun
1. klein hondenras, afkomstig uit Tibet
Shih Tzu
noun
1. hemdachtig kledingstuk
Shirt
/ˈʃowa/
pronoun
1. Holocaust
Schoah
/ʃɔp/
noun
1. een winkel
Shop
noun
1. het winkelen, het boodschappen doen
  1. Einkaufsbummel
  2. Shopping
noun
1. een schaatsdiscipline waarbij op een baan van 111,12 meter op diverse afstanden geschaatst wordt door meerdere rijders tegelijk
Shorttrack
noun
1. graafmachine op banden met een beweegbare laadschop die zowel kan graven als grond verplaatsen
Radlader
/ˈʃo.pro.sɛs/
noun
Schauprozess
noun
1. Internationaal Stelsel van Eenheden
Internationales Einheitensystem
noun
zevende muzieknoot in de toonladder
Si
noun
1. SI-eenheid
SI-Einheit
abbreviation
1. Internationaal Stelsel van Eenheden
Internationales Einheitensystem
noun
Geschwister
adverb
2. het staat zo letterlijk in de brontekst
sic
pronoun
1. Romaanse taal die wordt gesproken door 10 miljoen mensen op Sicilië, in Zuid-Calabrië en Salento
  1. Sizilianisch
  2. sizilianisch
/sɪˈsɪlɪʲə/
pronoun
Italiaans eiland ten zuiden van het Italiaanse schiereiland
Sizilien
noun
1. bepaald soort grote, palingachtige vis die zware stroomstoten kan afgeven, Electrophorus electricus
Zitteraal
noun
1. naam voor soorten platvis die hun prooi kunnen verdoven met een elektrische stroomstoot
Zitterrochen
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Siegburg
noun
1. siemens
Siemens
/ˈsirat/
noun
1. een voorwerp, meestal van edele metalen en edelstenen, dat bedoeld is het menselijk lichaam te tooien
  1. Schmuck
  2. Schmuckstück
/ˈsiradə(n)/
noun
1. naamwoord meervoud van sieraad
Schmuck
/ˌsʲɛ.rɑ.le.ˈjo.ne/, /ˌʃæː.ra.le.ˈjo.nə/, /ˌʃɛ.ra.le.ˈjo.nə/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Sierra Leone
Sierra Leone
noun
Zigarre
/sɪɣɑˈrɛt/, /sɪʝɑˈrɛt/
noun
in papier gerolde tabak
Zigarette
pronoun
1. en 2.
Sigmaringen
/sɪɲˈaːl/
noun
1,2,3,4,5,6. vorm van informatie
Signal
noun
1. signaal-ruisafstand
Signal-Rauschabstand
noun
1. signaal-ruisverhouding
Signal-Rausch-Verhältnis
adjective
  1. Signalblau
  2. signalblau
adjective
  1. Signalbraun
  2. signalbraun
adjective
  1. Signalgelb
  2. signalgelb
adjective
  1. Signalgrau
  2. signalgrau
adjective
  1. Signalgrün
  2. signalgrün
noun
1. signaallamp
Signallampe
adjective
  1. Signalorange
  2. signalorange
adjective
  1. Signalrot
  2. signalrot
noun
1. signaalruisafstand
Signal-Rauschabstand
noun
1. signaalruisverhouding
Signal-Rausch-Verhältnis
noun
1. signaalspanning aan de ontvangantenne
Signalstärke
adjective
  1. Signalviolett
  2. signalviolett
adjective
  1. Signalweiß
  2. signalweiß
adjective
  1. Signalschwarz
  2. signalschwarz
verb
1. constateren en waarschuwen
  1. feststellen
  2. hinweisen auf
  3. sichten
  4. wahrnehmen
/sɪχnifiˈkɑnt/
adjective
1. belangrijk
signifikant
verb
1. langzaam wegvloeien
sickern
noun
1. benaming voor een hoefdier Cervus nippon
Sikahirsch
/ˈsɪkəl/
noun
1. maaiwerktuig met halvemaanvormig lemmet
Sichel
/siˈleziˌʲə/
pronoun
1. een historische regio in Midden-Europa
Schlesien
noun
1. afbeelding van een ondoorzichtig object dat sterk contrasteert met de achtergrond en zo een duidelijke vorm heeft, maar verder egaal van kleur is
  1. Silhouette
  2. Schattenriss
noun
Silicate
noun
1. Scheikundig element met symbool Si en atoomnummer 14
  1. Silizium
  2. Silicium
noun
1. siliciumcarbide
  1. Karborund
  2. Siliciumcarbid
pronoun
2. spelwoord voor de letter s
  1. Samuel
  2. Siegfried
noun
1. het uit winstbejag verhandelen van geestelijke (kerkelijke) goederen of ambten
Simonie
noun
1. vereenvoudiging
Vereinfachung
noun
1. Vrucht van de sinaasappelboom
  1. Orange
  2. Apfelsine
noun
1. boom van de Citrus sinensis
  1. Apfelsinenbaum
  2. Orangenbaum
noun
1. jam waarin de schillen van sinaasappel met het vruchtvlees worden meeverwerkt
Orangenmarmelade
noun
1. vruchtvlees van een sinaasappel, nadat het sap verwijderd is
Orangenfruchtfleisch
noun
1. een vruchtensap die uit sinaasappels bereid is
Orangensaft
pronoun
Sinai
pronoun
1.
Sindelfingen
adverb
1. in de tijd die erop volgde
seitdem
noun
1. makkelijk baantje, taak
Sinekure
/ˌsɪŋɣaˈles/
pronoun
1. een taal die op Sri Lanka gesproken wordt
Singhalesisch
/sɪŋ.(g)ɣa.poːr/, /sɪŋ.gɑ.poːr/, /sɪŋ.gɑ.po̝ːr/
pronoun
1. een stadstaat in Zuidoost-Azië
Singapur
noun
1. kort onderhemd zonder mouwen
Unterhemd
noun
de linguïstieke en culturele assimilatie van termen en concepten naar die van de taal en cultuur van China
Sinisierung
/ˈsɪŋk.sə(n)/
noun
1. christelijk feest waarbij herdacht wordt dat de Heilige Geest over de apostelen neergedaald is
Pfingsten
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Sinsheim
/ˌsɪntøˈsta(t)sijʏs/
pronoun
Sint Eustatius
/sɪnt.'maːr.tən/
pronoun
1. eiland in het noordoostelijke gedeelte van de Caraïbische Zee
St. Martin
noun
1. bepaald Zwitsers ras van grote dogachtige honden
Bernhardiner
noun
1. Pecten jakobeus
Jakobsmuschel
noun
Echtes Johanniskraut
noun
1. feestdag van een niet-bestaande heilige
Sankt Nimmerlein
pronoun
1. een stad in Rusland, het voormalige Leningrad
Sankt Petersburg
noun
  1. 2. mythische figuur
    Sankt Nikolaus
  2. 1. feest
    Sankt Nikolausfest
noun
feest met cadeaus dat in Nederland, België en andere landen jaarlijks wordt gevierd
Sankt Nikolausfest
noun
Sinus
noun
Sinusknoten
noun
1. een toestel om een akoestisch alarmsignaal weer te geven
Sirene
pronoun
1. Sirius
Sirius
/ˈsɪsklɑŋk/
noun
1. een medeklinker die geproduceerd wordt met een gedeeltelijke obstructie ergens in het spraakkanaal
  1. Frikativ
  2. Reibelaut
verb
1. hoogfrequente ruis voortbrengen, zoals het geluid van de s-klank
zischen
noun
1.
Sitar
/sity'waː(t)si/
noun
1. hoe de zaken er voorliggen
Situation
/ʃɑ'blo:n/
noun
Schablone
verb
1. op minder fatsoenlijke manier handel drijven
schachern
noun
1. een kleine uiensoort
Schalotte
pronoun
Schmini Azeret
/sʲezə(n)/, /ˈʃezə(n)/
verb
1. er niet in slagen een studie of overhoring succesvol te voltooien
durchfallen
noun
Schia
/ʃul/
noun
Synagoge
noun
1. iemand die heimelijk bedriegt
Schummler
/ˈʃu.mə.lə(n)/
verb
schum­me­ln
verb
1. iets met touw stevig vastzetten, zodat deze niet kan overgaan bij transport
zurren
verb
1. lopen met een zware lading
schleppen
/ʃʋɑ/
noun
1. toonloze klinker
Schwa
noun
1. een Noordse hofdichter, heldendichter, volksdichter, dichterzanger en geschiedschrijver.
  1. Skalde
  2. Barde
noun
Skateboard
noun
1. samenstel van onderdelen dat het lichaam stevigheid geeft
Skelett
adjective
1. lijkend op een geraamte
skelettartig
noun
1. een kort, humoristisch optreden in de podiumkunst, vaak als onderdeel van een revue of show
Sketch
noun
  1. 1. soort fiets met ski's in plaats van wielen
    Skibob
  2. 2. afdaling van een besneeuwde helling op een soort fiets met ski's in plaats van wielen
    Skibobsport
noun
1. bril die tijdens het skiën gedragen wordt
Skibrille
noun
Skilehrer
noun
1. een kabelbaan voor skiërs
Skilift
noun
1. skin-effect
Skin-Effekt
verb
1. zich over sneeuw voortbewegen op twee aan de voeten bevestigde lange latten
  1. Ski
  2. Ski fahren
/skiər/
noun
1. een mannelijk iemand die aan skiën doet
Skiläufer
/ˈskɔp.jə/
pronoun
1. de hoofdstad van Noord-Macedonië
Skopje
noun
  1. 2 en 3. (bladeren van) Lactuca sativa
    1. Lattich
    2. Gartensalat
    3. Gartenlattich
  2. 4. salade
    Salat
  3. 1. plant van de soort Lactuca
    1. lattiche
    2. Salat
/slaːf/
noun
1. een persoon die het bezit is van een ander
  1. Sklave
  2. trell
/slaːx/
noun
1. het uitdelen of ontvangen van klappen
Prügel
verb
  1. 3. ergens plotseling mee beginnen
    ausschlagen
    1. 1. een klap uitdelen; met de arm of een vastgehouden voorwerp een snelle, rakende beweging maken
    2. 2. het voorbrengen van geluid door ergens op te slaan
    schlagen
/slap/
noun
  1. 1. periode van inactiviteit
    Schlaf
  2. 3. zijvlak van het hoofd
    Schläfe
noun
1. een van de beenderen van de schedel
Schläfenbein
noun
1. een kamer die hoofdzakelijk gebruikt wordt om in te slapen
  1. Schlafzimmer
  2. Schlafstube
noun
1. melodie met eenvoudige tekst die gezongen wordt om een kind in slaap te krijgen
  1. Schlaflied
  2. Wiegenlied
/ˈslapmɑt/
noun
1. een mat waarop geslapen kan worden
Schlafmatte
noun
1. een geneesmiddel dat slaap veroorzaakt
Schlafmittel
noun
1. meestal in een punt uitlopend hoofdbedekking van textiel, gedragen tijdens de nachtrust
Schlafmütze
noun
3. glaasje sterke drank dat men 's avonds voor het slapen gaan drinkt
Schlaftrunk
adjective
einschläferrnd
noun
Schlafsack
noun
Schlafkrankheit
/slɑp/
noun
1. doekje om op te morsen
  1. Lätzchen
  2. Latz
noun
Salatschleuder
noun
1. slachthuis
  1. Metzgerei
  2. Schlachterei
  3. Schlachthaus
  4. Schlachthof
/ˈslɑx.hœːs/, /ˈslɑxt.ɦœːs/, /ˈslɑχ.tœʏ̯s/
noun
1. een bedrijf waar dieren geslacht worden
  1. Schlachthaus
  2. Schlachthof
noun
2.
Massaker
noun
  1. 2. iets of iemand die kwalijke gevolgen ondervindt van een gebeurtenis
    1. Opfer
    2. Beute
  2. 1. een dier dat gedood wordt als offer voor een godheid
    Schlachtopfer
  3. 3. in het bijzonder iemand die sterft (of gewond raakt) ten gevolge van een gebeurtenis (ramp of gewelddaad)
    Todesopfer
noun
1. hulp aan slachtoffers
Opferhilfe
noun
  1. 2. het opzettelijk doen belanden van een hand of een voorwerp op iemand
    Schlag
  2. aan de slag gaan
    beginnen
phraseologicalUnit
1.
Schlacht um Verdun
noun
1. een ader die van het hart af stroomt
Arterie
/ˈslɑxbom/, /ˈslɑçbom/
noun
balk die dwars over een weg kan worden neergelaten als afsluiting
  1. Schlagbaum
  2. Schranke
/ˈslaːɣə(n)/, /ˈslaːχə(n)/
verb
2. het examen succesvol beëindigen
bestehen
noun
1. een verkoper van vlees
  1. Fleischer
  2. Metzger
noun
1. bedrijf van een slager
  1. Fleischerei
  2. Metzgerei
noun
1. groot scherp mes gebruikt om stukken vlees af te snijden van een geslacht dier
Fleischermesser
noun
1. muziekinstrument waarop wordt geslagen
Schlaginstrument
noun
Schlagsahne
noun
1.
Sahnetorte
/ˈslaxfɛlt/
noun
1. een gebied waarop een militair treffen tussen twee legers plaatsvindt of plaatsgevonden heeft
Schlachtfeld
noun
1. door schade sterk naar één kan overhellen van een schip
Schlagseite
noun
  1. 2. een onoplosbaar afvalproduct bij het smelten van metaal
    Schlacke
  2. 1. een buikpotig weekdier (wijngaardslak)
    Schnecke
  3. 1. een buikpotig weekdier (huisjesslak)
    1. Schnecke
    2. Gehäuseschnecke
noun
1. Rostrhamus sociabilis, een roofvogel van de moerassen van de warmere streken van de beide...
Schneckenweih
noun
1. kom waarin sla wordt klaargemaakt en opgediend
Salatschüssel
noun
1. waardeloze persoon
  1. Faulpelz
  2. Nichtsnutz
  3. Taugenichts
noun
1. benaming voor geschubde dieren met langgerekt lijf en een vaak glad lichaam zonder ledematen, die de onderorde Serpentes vormen
Schlange
noun
Schlangenbeschwörer
noun
Schlangengift
adjective
schlank
adjective
schlaflos
noun
Schlaflosigkeit
verb
1. in een toestand van lichamelijke rust verkeren
schlafen
noun
Schläfer
/ˈsla.pə.rəx/, /ˈsla.pə.rəχ/, /ˈsla.pə.rɪx/
adjective
1. behoefte tot slaap vertonend
schläfrig
/ˈsla.pə.rəx.ˌɦɛːt/, /ˈsla.pə.rəχ.ˌɦɛɪ̯t/, /ˈsla.pə.rɪx.ˌhɛɪ̯d/
noun
  1. 2. de neiging te gaan slapen
    Schlafbedürfnis
  2. 1. het gevoel slaperig te zijn, afwezig zijn met gedachten
    Verschlafenheit
noun
1. iemand waarmee men een slaapvertrek deelt, een kameraad
  1. Stubenkamerad
  2. Zimmerkollege
noun
Sklavenarbeit
noun
Sklavenhandel
/ˈslaː.və(n)ˌsxɪp/
noun
Sklavenschiff
noun
1. rolletje gehakt (gemalen en gekruid) met een lapje spek erom)
Roulade
adjective
slawisch
pronoun
Slawe
/slɛçt/
adjective
1. niet goed
  1. schlecht
  2. schlimm
noun
1. iemand die kwaad doet of in de zin heeft
Bösewicht
noun
1. de hoedanigheid van het slecht zijn
  1. Schlechtigkeit
  2. Niederträchtigkeit
adverb
1. alleen maar, vervoeging van slecht
nur
noun
1. Falco peregrinus, een roofvogel en de snelst vliegende vogel ter wereld
Wanderfalke
noun
1. een voertuig dat wordt voortgetrokken en dat voorzien is van twee glijders
Schlitten
noun
1. een krachtige boot die andere vaartuigen versleept
Schlepper
noun
1. vlechtwerk van touw dat over een waterbodem gesleept kan worden om zo waterdieren te vangen
Schleppnetz
pronoun
Schleswig
pronoun
Schleswig-Holstein
noun
1. het met een bijl in houtblokken hakken van boomstammen
Verschleiß
verb
1. met een slee door de sneeuw glijden
  1. Schlitten fahren
  2. rodeln
noun
1. grote hamer
Pfahlhammer
noun
1. grote hamer
Pfahlhammer
verb
1. onmatig eten of drinken
  1. schlemmen
  2. schmausen
verb
  1. 2. (langzaam) ergens heen lopen zonder specifiek doel (zonder negatieve bijklank)
    bummeln
  2. 1. (langzaam) ergens heen lopen, futloos of lusteloos
    1. lungern
    2. schlendern
verb
  1. iets in de wacht slepen
    1. bekommen
    2. ergattern
  2. 1. trekkend over de grond of het wateroppervlak verplaatsen
    1. schleifen
    2. schleppen
noun
Schlampe
noun
1. sleufantenne
Schlizantenne
noun
Alltagstrott
/sløːtəl/, /sløːtəɫ/, /ˈslø.tɔɫ/
noun
    1. 1. werktuig om te (ont)sluiten
    2. 3. een voorwerp bedoeld om er een mechaniek zoals van een klok of speeldoos mee op te winden, een kraan open te draaien e.d.
    3. 5. een aandeel of functie die in een groep van groot belang is
    Schlüssel
  1. 4. een aanwijzing of code waarmee een raadsel kan worden opgelost, een geheim(schrift) ontcijferd, een cijferslot geopend of toegang kan worden verkregen
    1. Schlüssel
    2. Code
  2. 2. moer- of Engelse sleutel
    Schraubenschlüssel
noun
1. het bot dat het borstbeen met de schouder verbindt
Schlüsselbein
/ˈsløtəɫˌbɔs/
noun
1. aantal sleutels dat aan eenzelfde ring of band hangt
Schlüsselbund
verb
  1. 1.
  2. 2.
tüfteln
/ˈsløtəɫχɑt/, /ˈsløːtəlɣɑt/
noun
1. een gat in een slot waardoor een sleutel moet worden gestoken om hem te openen
Schlüsselloch
/ˈsløtəɫˌɦɑŋər/
noun
1. ring om sleutels aan te hangen, vaak voorzien van een logo of label.
Schlüsselanhänger
noun
Schlüsselübergabe
noun
1. Zweeds volksinstrument
Schlüsselfidel
noun
1.
Schlüsselwort
/slɪp/
noun
1.
Schlick
/slirt/
noun
  1. 2. een lang, dun, slap hangend voorwerp met betrekking tot damp, mist, rook
    1. Dampfschwaden
    2. Nebelschwaden
    3. Rauchschwaden
    4. Schwaden
  2. 1. een lang, dun, slap hangend voorwerp met betrekking tot haar
    1. Haarsträhne
    2. Locke
    3. Strähne
  3. 7. een lange magere person
    1. Kolonne
    2. Reihe
    3. Schlange
  4. 6. een lange rij
    1. Lange
    2. langer Kerl
  5. 3. een lang, dun, na het koken slap hangend voorwerp met betrekking tot spaghetti
    1. Nudelstrang
    2. Spaghettistrang
    3. Strang
  6. 5. een lang, dun voorwerp met betrekking tot techniek
    Schliere
  7. 4. een lang, dun voorwerp met betrekking tot vormgeving bij deeg, kaasmassa
    1. Teigschlange
    2. Teigstrang
/slɛːk/, /slɛːɪk/
noun
1. mengsel van aarde, vuil en water
Schlamm
/slɛɪm/
noun
1. kleverige stof die door slijmvliezen uitgescheiden wordt
Schleim
noun
1. een met vocht gevuld 'kussentje' tussen een pees en de onderliggende botstructuur bij een gewricht, dicht bij de aanhechting van de pees op het bot
Schleimbeutel
noun
1. slijm afscheidend membraan
Schleimhaut
verb
1. door wrijving met een hard fijnverdeeld poeder het oppervlak van een vast voorwerp spiegelglad maken
  1. glattschleifen
  2. polieren
  3. schleifen
noun
  1. Schleifstein
  2. Wetzstein
/slɛɪ̯.ˈta.zʲə/, /ˈslɛɪ̯.taːʃ/
noun
1. schade die door langdurig gebruik geleidelijk aangericht wordt
  1. Abnutzung
  2. Verschleiß
  3. Erosion
verb
1. de slokdarm in
schlucken
adjective
1. intelligent, snel van begrip
  1. klug
  2. schlau
  3. erfinderisch
  4. findig
  5. gewitzt
verb
schwingen
noun
Pendeluhr
/slɪp/
noun
  1. 1. kort, strak onderbroekje zonder pijpen
    1. Unterhose
    2. Slip
  2. 1. punt van een stof die naar beneden hangt
    Zipfel
/slɪpə(n)/
verb
1. door gladheid over de weg schuiven
  1. rutschen
  2. schleudern
  3. schlittern
verb
1. foutieve uitspraak van de letter s
lispeln
noun
1. een brandewijn gedestilleerd uit gefermenteerde pruimen
Sliwowitz
noun
1. een brandewijn gedestilleerd uit gefermenteerde pruimen
Sliwowitz
noun
Gamasche
noun
1. iemand die op grove wijze onordelijk is
  1. Schlampe
  2. Schludrian
noun
1. een klein scheepstype dat op het dek van een groter schip wordt meegevoerd
  1. Schaluppe
  2. Slup
/slɔf/
noun
1n een comfortabel soort schoeisel bedoeld om in huis te gedragen te worden
  1. Pantoffel
  2. Puschen
  3. Schluffen
noun
Speiseröhre
/slop/
noun
  1. 2. de daad van het slopen, afbreken
    1. Abbruch
    2. Abriss
    3. Demontage
  2. 1. een stoffen omslag om een kussen
    Kissenbezug
noun
Vorschlaghammer
noun
  1. Abbruchbirne
  2. Abrissbirne
  3. Abbruchkugel
  4. Abrisskugel
/sloːt/
noun
1. smal watergang om of tussen weilanden
Graben
verb
1. een structuur ontmantelen, afbreken
  1. abreißen
  2. abbrechen
adjective
1. zonder de nodige zorg uitgevoerd
  1. nachlässig
  2. schlampig
  3. schluderig
noun
1. een fout doordat er iets nagelaten wordt
  1. Schlamperei
  2. Schlampigkeit
noun
  1. 1. mechanisme waarmee in combinatie met bijvoorbeeld een sleutel een deur of een raam kan worden afgesloten
    Schloss
  2. 2. een middeleeuwse versterkte woning
    1. Schloss
    2. Kastell
noun
Schlosser
noun
Schlusskurs
noun
1. slottoon
Finalis
/sloˈvens/, /sloˈveːns/, /sloˈweːns/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Slovenië
  1. Slowenisch
  2. Windisch
/sloˈveni.jə/, /sloˈveːni.jə/, /sloˈweːni.jə/
pronoun
1. een land in Centraal-Europa
Slowenien
pronoun
1. internationale hulptaal
Slovio
/slo.ˈwaks/, /slo.ˈʋaks/, /slo.ˈβ̞aks/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Slowakije
Slowakisch
/ˌslowaˈkɛɪ̯.jə/, /ˌsloʋaˈkɛɪ̯.jə/, /ˌsloβ̞aˈkɛː.jə/
pronoun
1. een land in Midden-Europa; het oostelijke deel van het voormalige Tsjechoslowakije.
Slowakei
noun
Schleier
noun
Schleichhandel
/ˈslœʏpə(n)/, /ˈslœːpə(n)/
verb
1. zeer voorzichtig lopen, op zo'n manier dat ontdekking vermeden kan worden
schleichen
noun
1.
  1. Scharfschütze
  2. franctirador
noun
Schleuse
noun
Schleusentor
verb
  1. 1. toedoen, dichtmaken
    schließen
  2. [een overeenkomst] sluiten
    treffen
noun
1. een afsluitbare gebogen pin waarmee men twee stukken stof bijeen kan houden, voorzien van een veiligheidskapje dat voorkomt dat men zich eraan bezeren kan
Sicherheitsnadel
adjective
schlaksig
noun
1. verlengde snuit
Rüssel
noun
1. zoogdier uit de orde Proboscidea
Rüsseltier
verb
1.
schlürfen
noun
Geschmacksknospe
verb
1. ~ naar een bijzonder sterk verlangen hebben naar iets dat men ontbeert
schmachten
adjective
1. goed van smaak zijnd of van een goede smaak genietend
  1. lecker
  2. schmackhaft
/ˈsmaː.kə.los/
adjective
  1. 1. (van voedsel) geen smaak hebbend
    geschmacklos
  2. 2. (figuurlijk) geen fatsoen of gevoel voor esthetiek of mode hebbend, vulgair
    1. geschmacklos
    2. kitschig
verb
1. blijk geven van minachting
schmähen
adjective
höhnisch
noun
Smaragd
adjective
  1. Smaragdgrün
  2. smaragdgrün
noun
1.
  1. Falkenlibelle
  2. Gemeine Smaragdlibelle
adjective
1. lijden veroorzakend
schlimm
/ˈsmɑrtə(n)xɛlt/
noun
1. financiele vergoeding voor geleden leed
  1. Genugtuung
  2. Schmerzengeld
  3. Schmerzensgeld
noun
1. smarting
Tausendfüßler
noun
1. harde slag
Smash
verb
1. het bewerken van metalen door deze heet te maken en met een hamer te slaan om het materiaal de gewenste vorm te geven
schmieden
noun
1. atelier, werkplaats van een smid, smederij
Schmiede
noun
1. een blok van metaal waarop een smid kan smeden
Amboss
noun
1. is ijzer dat wordt gemaakt door het te smeden
Schmiedeeisen
noun
  1. Schmiergeld
  2. Bestechungsgeld
noun
1. een zacht soort kaas dat uitgesmeerd kan worden op bijvoorbeeld brood
Schmelzkäse
noun
1. een ventiel voor doorsmeervet
Schmiernippel
noun
Schmieröl
/smekə(n)/
verb
1. nederig om een gunst verzoeken
  1. anflehen
  2. flehen
noun
1. (bloemplanten)
Schmiele
noun
Merlin
verb
1. van vaste in vloeibare vorm overgaan
schmelzen
noun
Schmelzflussinde
/ˈsmɛltkrus/
noun
  1. 2.
    Schmelztiegel
  2. 1. vuurvaste pot voor het mengen van gesmolten metaal
    1. Schmelztiegel
    2. Tiegel
/smɛltpʌnt/
noun
1. de temperatuur waarbij iets gaat smelten
Schmelzpunkt
noun
1. de hoeveelheid warmte die opgenomen wordt bij het smelten van een kristallijne vaste stof
Schmelzwärme
noun
1. water dat afkomstig is van gesmolten sneeuw of ijs
Schmelzwasser
noun
Schmierung
noun
ziekelijke angst voor verontreiniging
Angst vor Schmutz
/ˈsmø.lə(n)/
verb
  1. 1. zacht en langzaam branden zonder vlammen
    1. glimmen
    2. schwelen
  2. 2. verborgen aanwezig zijn
    schwelen
noun
1. iemand die gloeiend metaal bewerkt met een hamer op een aambeeld
  1. Schmied
  2. Schmiedin
noun
1. werkplaats van een smid
Schmiede
/smɛitə(n)/
verb
1. hard gooien of werpen
schmeißen
verb
1. met smaak en genoegen eten
  1. schlemmen
  2. schmausen
/smul/
noun
  1. 2. (vulgair of informeel) aangezicht
    1. Fratze
    2. Visage
  2. 1. (vulgair of informeel) mond
    Maul
noun
Smoking
/ˈsmɔ.kə.lə(n)/
verb
1. wederrechtelijk goederen over een grens brengen om heffingen te ontduiken
schmuggeln
/smoːr.vər.lift/
adjective
  1. smoorverliefd worden
    verknallen
  2. 1. erg verliefd
    verknallt
verb
  1. 1. iemand of iets het ademen beletten
    1. erdrosseln
    2. ersticken
    3. erwürgen
  2. 3. iets in enig vet aanbraden, vervolgens vocht toevoegen en afdekken om het zachtjes gaar te laten worden
    1. schmoren
    2. brutzeln
  3. 2. onderdrukken
    unterdrücken
noun
  1. 2. berichtje verstuurd met een gsm
    SMS
  2. 1. dienst om met behulp van een mobiele telefoon korte berichten te versturen en te ontvangen
    SMS-Dienst
/ɛsɛˈmɛsə(n)/
verb
1. een sms-bericht versturen
simsen
verb
1. genietend eten
  1. schlemmen
  2. schmausen
  3. schnabulieren
/ˈsmʏl.pa:p/
noun
Feinschmecker
noun
  1. 1. strip- en tekenfilmfiguur in de vorm van een soort blauwe kabouter met een wit mutsje
  2. 3. iemand die niet meetelt
Schlumpf
noun
2. lang zeer dun rond en flexibel voorwerp
Saite
noun
1. muziekinstrument met snaren
Saiteninstrument
noun
1. muziekinstrumenten waarbij de toon wordt geproduceerd door een trillende snaar
Chordophone
noun
1. een zaak waar men snacks en andere gefrituurde etenswaren verkoopt
  1. Imbiss
  2. Imbissbude
  3. Imbissstand
  4. Imbissstube
/'snɑpə(n)/
verb
1. iets vatten in de zin van begrijpen, doorhebben
kapieren
/ˈsnavəɫ/
noun
1. bek van een vogel of schildpad
Schnabel
/sner/
noun
1. een minachtende of vernederende opmerking
höhnische Bemerkung
/sneʊ̯/, /sneːβ̞/, /snɪːβ̞/
noun
1. in kristallen bevroren water
  1. Schnee
  2. Grieß
/ˈsneʊ̯bɑl/, /ˈsnɪːwbɑɫ/
noun
1. een tot een bal samengepakte hoeveelheid sneeuw, vaak bedoeld voor een speels sneeuwballengevecht
Schneeball
noun
Kettenreaktion
adjective
1. verblind door de hevige schittering van de sneeuw
schneeblind
noun
1. hoornvliesontsteking door blootstelling aan een overmaat aan uv-straling op open sneeuwvlakten
Schneeblindheit
noun
1. bril ter voorkoming van sneeuwblindheid
Schneebrille
noun
1. een bui sneeuw
Schneeschauer
noun
1. een laag sneeuw op de bodem, die wordt gevormd als gevolg van sneeuwval en sneeuwstormen en gedurende een bepaalde periode blijft liggen
Schneedecke
verb
1. het vallen van hemelwater onder de vorm van sneeuwvlokken
schneien
noun
Schneegans
noun
1. patrijsachtige vogel uit koude streken, die in de zomer een bruinig...
Alpenschneehuhn
noun
1. iglo
  1. Iglu
  2. Schneehütte
noun
1. een pop die gemaakt is van sneeuw
Schneemann
noun
1. een toestel dat de hoeveelheid gevallen sneeuw (d.i. vaste neerslag) meet
Schneemesser
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera uncia
Schneeleopard
noun
1. een pop die gemaakt is van sneeuw
Schneemann
/snewrœymə(n)/
noun
1. de verwijdering van sneeuw van wegen, trottoirs, enz.
  1. Schneeräumung
  2. snerydning
/snewrœymə(n)/
verb
1. het verwijderen van sneeuw van wegen, trottoirs, enz.
Schnee räumen
/ˈsneʊ̯.sxœː.vər/, /ˈsneːβ̞.sxœː.vər/, /ˈsnɪːβ̞.sχœʏ̯.vər/
noun
    1. 2. een voertuig dat is uitgerust met een mechaniek waarmee het sneeuw kan verplaatsen
    2. 3. een mechaniek waarmee een voertuig uitgerust kan worden zodat het er sneeuw mee kan schuiven
    Schneepflug
  1. 1. een apparaat met een steel en een blad waarmee scheeuw verschoven kan worden
    1. Schneeschaufel
    2. Schneeschieber
    3. Schneeschippe
/'snew.stɔrm/
noun
Schneesturm
noun
1. bepaald soort vogel, Bubo scandiacus
  1. Schneeeule
  2. Schnee-Eule
/'snewvlɔk/
noun
1. een kleine massa aaneengehechte sneeuwkristallen
Schneeflocke
pronoun
Schneewittchen
/snɛɫ/
adjective
  1. schnell
  2. rasch
noun
  1. met (een) halsbrekende snelheid
    Affenzahn
  2. 1. de verandering in de tijd van de plaats van een voorwerp
    Geschwindigkeit
noun
1. meter die de snelheid meet van de lucht (luchtvaart)
Fahrtmesser
noun
1. een overtreding van de gestelde maximumsnelheid op de openbare weg
Geschwindigkeitsübertretung
/'snɛlʋɛx/
noun
1. een grote brede weg speciaal voor motorvoertuigen
Autobahn
noun
Mangold
noun
1. en 2. (peulvrucht van) ras van Phaseolus vulgaris
Schnittbohne
/ˈsnɛɪdə(n)/
verb
1. met een scherp voorwerp in stukken delen
schneiden
noun
1. vrolijk stapellied, waarbij een voorzanger telkens de regels van een nieuw couplet als een vraag zingt, waarna de andere zangers die als antwoord herhalen
  1. Hobelbank
  2. Schnitzelbank
noun
1. gehard stalen blokje met een van schroefdraad voorzien gat, waarmee men uitwendige schroefdraad kan snijden
Schneideisen
noun
1. snijmoer
Schneidmutter
noun
1. snijolie
Schneidöl
noun
1. snijplaat
Schneideisen
noun
Schnittpunkt
noun
Echter Sellerie
verb
schluchzen
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Scolopacidae
Schnepfe
/ˈsnujə(n)/
verb
1. terugbrengen op gewenste lengte
stutzen
noun
1.
Gartenmesser
/ˈsnujsxar/, /ˈsnujsχar/
noun
1. een stevige, korte schaar voor het snoeien van planten, struiken e.d.
Baumschere
noun
1. bepaald soort roofvis die in zoete wateren voorkomt, Esox lucius
Hecht
noun
1. bepaald soort zoetwaterroofvis, Sander lucioperca
Zander
noun
1. een meestal grotendeels van suiker vervaardigde lekkernij
Bonbon
noun
1. soepele elektriciteitskabel die binnenshuis gebruikt wordt
Anschlusskabel
noun
  1. 2. vogel
    Rohrschwirl
  2. 1. beharing
    1. Schnurrbart
    2. Schnauzbart
noun
  1. 1. een holle gebogen buis van rubber of plastic, met een mondstuk, dat je in staat stelt adem te halen als je aan het wateroppervlak zwemt met je hoofd onder water.
  2. 2. een toestel voor luchtverversing in een onderzeeboot.
Schnorchel
verb
1. het zwemmen in het water met een duikbril, snorkel, mogelijk duiklood en vaak ook zwemvinnen waarbij diegene met het gezicht naar beneden kijkt en via de snorkel ademhaalt
schnorcheln
noun
1. soort skiplank
Snowboard
verb
  1. 1. aandachtig ruiken
    schnüffeln
  2. 2. nieuwsgierig doorzoeken
    stöbern
noun
1. reukorgaan van dieren
Schnauze
verb
  1. 1. door beurtelings de neus samen te knijpen en door de neus te blazen slijm uit de neusholte verwijderen
  2. 2. het inkorten van de lont van een brandende kaars om het walmen te beperken
schnäuzen
noun
1.
Schnarch
verb
1. ademen met een niet goed geopende luchtpijp, waardoor een rochelend geluid ontstaat
schnarchen
/soʃal/
adjective
  1. 1. betrekking hebbend op de menselijke samenleving
  2. 2. geneigd om in groepen te leven
  3. 3. gevoel hebbend voor de nood van de medeleden van de samenleving
sozial
adjective
1. betrekking hebbend op bedrijvigheid waar maatschappelijke doelstellingen belangrijker zijn dan winst
sozialwirtschaftlich
noun
Sozialisierung
verb
3. in bezit geven van de gemeenschap in plaats van in bezit zijn van een particulier
  1. sozialisieren
  2. vergemeinschaften
  3. vergesellschaften
noun
Sozialismus
pronoun
1. officiële naam van Joegoslavië van 1963 tot 1992
Sozialistische Föderative Republik Jugoslawien
/soʃo'ekonomis/
adjective
1.
sozioökonomisch
noun
1. visuele voorstelling van de affectieve relaties in een sociale groep
Soziogramm
noun
Soziolekt
noun
1. wetenschap
  1. Soziologie
  2. Gesellschaftskunde
adjective
1. betrekking hebbend op of product zijn van de sociologie
soziologisch
noun
1.iemand die lijdt aan een persoonlijkheidsstoornis die antisociaal gedrag veroorzaakt
Sociopath
/so.si.e.'tɛit/
abbreviation
  1. 1. een gezelligheidsvereniging
    1. Klub
    2. Verein
  2. 2. een gebouw of lokaal waarin een sociëteit bijeenkomsten houdt
    1. Klubhaus
    2. Vereinsheim
noun
Sodawasser
/su.ˈdɑn/, /zu.ˈdaːn/
pronoun
1. land in Noordoost Afrika dat voor een groot deel in en rond het stroomgebied van de rivier Nijl ligt, officieel de Republiek Sudan
Sudan
noun
Sufi-Meister
noun
Sufismus
noun
Sunniten
noun
1. vloeibaar gerecht
Suppe
noun
1. diep bord
Suppenteller
/'supəł/
adjective
  1. 1. Yodio buigend en zich aanpassend
    1. beugsam
    2. biegsam
    3. flexibel
  2. 2. weinig problemen ondervindend
    flexibel
noun
2. lepel waarmee soep gegeten wordt
Suppenlöffel
noun
1. een geglazuurde schaal om soep of stoofpot uit te serveren
  1. Suppenschüssel
  2. Suppenterrine
noun
1.
Windbeutel
noun
1. gebeurtenissen of bezigheden die meer aandacht vereisen dan wenselijk is
  1. Brass
  2. Heckmeck
  3. Theater
  4. Ärger
verb
1. dommelen, half slapen
  1. träumen
  2. dösen
  3. dümmeln
noun
Sophismus
noun
1. medicijn tegen slapeloosheid en misselijkheid dat ernstige afwijkingen kan veroorzaken bij ongeboren kinderen
Contergan
noun
1. de verzamelnaam voor besturings- en toepassingsprogramma's,...
Software
noun
Softwareentwickler
noun
1. eiwitrijke boon van de sojaplant
Sojabohne
noun
Sojaöl
noun
1. kous die tot net boven de enkel komt
  1. Socke
  2. Strumpf
noun
1. een voetstuk, voornamelijk voor beelden
Sockel
noun
2. extra online identiteit
Sockenpuppe
noun
1. vergoeding aan de opstalgever voor opstalrecht
  1. Bauzins
  2. Erbbauzins
/sɔlˈdaːt/
noun
1. krijgsman met de laagste rang binnen een strijdmacht
  1. Soldat
  2. Soldatin
noun
  1. 2. orchideeënsoort
    Helm-Knabenkraut
  2. 3. een langwerpig stukje toast
    Toast-Stäbchen
noun
1. een stuk gereedschap om mee te solderen
Lötkolben
noun
1. soldeertin
Lötzinn
noun
1. een handpomp waarmee gesmolten soldeertin bij het lossolderen kan worden opgezogen
Entlötpumpe
verb
1. een door verhitting vloeibare tussenstof aanbrengen tussen losse metaaldelen waardoor deze na afkoeling vast verbonden blijven
löten
adjective
solemn
noun
Magnetspule
adjective
solidarisch
noun
Solidarität
pronoun
1.
Solingen
noun
Solipsismus
noun
Bewerbung
noun
1. keerpunt van de zon
Sonnewende
pronoun
1.
Soltau
/sɔm/
noun
1. resultaat van een optelling
Summe
pronoun
1. een taal die vooral wordt gesproken in Somalië
  1. Somalisch
  2. Somali
/so.'ma.li.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika, officieel de Somalische Republiek
Somalia
adjective
  1. 1. in neergeslagen stemming
    deprimiert
  2. 2. een neergeslagen stemming veroorzakend
    trübselig
verb
1. met autoriteit een bevel geven
auffordern
indefinitePronoun
1. een onbepaald, meestal klein aantal
  1. einige
  2. manche
noun
1. instrumentaal muziekstuk
Sonate
noun
  1. 1. een peilstift om de ruimte binnen een lichaam te verkennen, of om er gegevens op te nemen
  2. 3. een onbemand ruimtevaartuig
  3. 2. een instrument om voeding in vloeibare vorm toe te dienen
Sonde
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Thüringen
Sondershausen
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Sonthofen
/ˈsɔːrt/
noun
  1. 2. een groep levende wezens die een bepaald aantal kenmerken gemeenschappelijk heeft en...
    Art
  2. 1. een groep voorwerpen die een bepaald aantal kenmerken gemeenschappelijk heeft en...
    1. Gattung
    2. Art
phraseologicalUnit
1. compactheid
Dichte
/ˌsɔporaˈtif/
adjective
einschläfernd
noun
1. een eenvoudig houten blaasinstrument
Sopranblockflöte
noun
1. sopraansaxofoon
Sopransaxofon
noun
1. een eenvoudig houten blaasinstrument
Sopraninoblockflöte
noun
1. een sopraninosaxofoon
Sopraninosaxophon
noun
1. een soprillosaxofoon
Soprillosaxofon
pronoun
1. een groep Slavische talen die wordt gesproken in het oosten van Saksen en het zuidoosten van Brandenburg
  1. Sorbisch
  2. sorbisch
adjective
1.
sorbischsprachig
/ˈsorəs/
noun
1.
Zores
interjection
1. een informele verontschuldiging of excuses
Entschuldigung
verb
1. orde in een verzameling aanbrengen door soort bij soort te leggen
sortieren
noun
1. klein voorwerp dat helpt om aan een prettige ervaring met een plaats of persoon terug te denken
  1. Andenken
  2. Souvenir
noun
1. een staaf die de naaf en de velg van een wiel verbindt
Speiche
/ˈspakbeɪn/
noun
bot in de onderarm
  1. Speiche
  2. Radius
/ˈspandər/
noun
1. langwerpig stukje hout dat bij het hakken afvalt.
Span
/spaːns/
adjective
1. met betrekking tot Spanje of het Spaans
  1. spanisch
  2. Spanisch
/spaːns/
pronoun
1. een taal die oorspronkelijk werd gesproken in (het centrale deel van) Spanje,...
  1. Spanisch
  2. spanisch
/ˈspan.sə/
noun
1.
Spanierin
noun
1.
  1. Russischer Bär
  2. Spanische Flagge
adjective
1.
spanischsprachig
noun
Spareinlage
noun
  1. Esparnisse
  2. Spargroschen
noun
1. spaarbank
Sparkasse
/ˈsparlɑmp/
noun
1. een energiezuinige lamp
Sparlampe
noun
  1. 2. (figuurlijk) financiële reserve
    Notgroschen
  2. 1. afgesloten voorwerp waarin contant geld opgespaard wordt
    1. Spardose
    2. Sparschwein
    3. Sparbüchse
/'spar.zam/
adjective
1. zorg dragend niet te verspillen
sparsam
noun
1. brede, zware schep, bedoeld voor het spitten van grond
Spaten
noun
  1. Spaghetti
  2. Spagetti
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Rijnland-Palts
Spangdahlem
/ˈspɑ.ɲard/, /ˈspɑɲ.jart/
noun
1. een inwoner van Spanje, of iemand afkomstig uit Spanje
Spanier
/ˈspɑ.ɲə/, /ˈspɑɲ.jə/
pronoun
1. een land in het zuidwesten van Europa op het Iberisch Schiereiland
Spanien
verb
1. onder trekkracht brengen
spannen
noun
1. schakeling die een elektrische spanning afgeeft waarvan de grootte onafhankelijk is van de belasting
Spannungsquelle
noun
1. een constructie waarmee aan een draad of kabel de gewenste spanning kan worden gegegven
  1. Spannschloss
  2. Spannschraube
noun
1. een constructie waarmee aan een draad of kabel de gewenste spanning kan worden gegegven
  1. Spannschloss
  2. Spannschraube
noun
1. afstand tussen uiteinden
Spannweite
noun
2. benaming voor een naaldboom uit het geslacht Picea
Fichte
/ˈspa.rə(n)/
verb
1. geld niet uitgeven
sparen
noun
Spritzer
noun
1.
  1. Schutzblech
  2. Kotflügel
verb
1. het voorzichtig door elkaar scheppen van twee of meer producten met behulp van een spatel
unterheben
noun
1. tussenruimte tussen twee woorden
Leerzeichen
noun
1. een langwerpige toets op de onderste rij van het toetsenbord waarmee een spatie in de tekst kan worden aangebracht
Leertaste
noun
1. de lange toets die in het midden van het standaardtoetsenbord zit een waarmee men een spatie kan typen
Leertaste
/ˈspɑtə(n)/
verb
  1. plätschen
  2. spritzen
noun
1. benaming voor middelgrote robuuste vogels behorende tot de familie Picidae
Specht
/spe.si.ˈjal/, /spe.ˈsjaːl/, /spe.ˈʃaːl/
adjective
1. op een positieve manier anders dan het andere
speziell
noun
  1. 1. bijzondere kennis of vaardigheid van iemand
  2. 2. bijzonder product
Spezialität
noun
1. specificatie
Spezifikation
verb
1. in details beschrijven
spezifizieren
adjective
1. kenmerkend
spezifisch
adverb
1. in het bijzonder
spezifisch
noun
1. SPECT
SPECT
adjective
spektakulär
noun
donkere of juist lichte lijn in het spectrum van licht
Spektrallinie
/ˌspe.ky.ˈlas/
noun
1. een harde, droge kruidkoek, die vooral rond Sinterklaas gegeten wordt, soms gevuld met amandelspijs
Spekulatius
noun
  1. Spekulatiuscreme
  2. Spekulatiuscrème
noun
1. iemand die bij het kopen of verkopen op korte termijn veel winst verwacht te maken door prijsstijging of prijsdaling
Spekulant
verb
1. inzetten op een bepaalde kans, meestal met hoog risico
spekulieren
noun
  1. Spekulatiuscreme
  2. Spekulatiuscrème
noun
1. vocht dat in de mond vloeit uit de speekselklieren
Speichel
noun
1. een klier die speeksel produceert en naar de mondholte afscheidt
Speicheldrüse
noun
Spielzeugauto
noun
Pause
noun
  1. 2. rondreizend artiest
    Spielmann
  2. 1. rondreizend kunstenaar
    1. Spielmann
    2. Minstrel
noun
  1. 1. meubelstuk
  2. 2. bedieningsorganen van een muziekinstrument
Spieltisch
noun
1. een omheinde plek grond met speelobjecten voor kinderen
Spielplatz
noun
2. tepel van een zoogdier
  1. Zitze
  2. Brustwarze
noun
1.1 bepaald soort plant met niervormige bladeren, botergele bloemen en wortelknolletjes, Ficaria verna
Scharbockskraut
noun
1. een big dat nog gezoogd wordt
Spanferkel
/spɪːr/
noun
1. lange stok met een punt eraan, (werd) gebruikt voor de jacht of oorlogvoering
Speer
noun
1. onderhuidse vetlaag bij varkens
Speck
noun
1. opzienbarend schouwspel
Spektakel
noun
1. bezigheid ter ontspanning volgens vaste regels met elementen als competitie, behendigheid, inzicht en kans
Spiel
/'spɛl.kɔm.pju.tər/
noun
1. een computersysteem dat specifiek gemaakt is om spellen op te spelen
Spielkonsole
/ˈspeːlə(n)/
verb
spielen
noun
1. onjuiste schrijfwijze van een woord
Rechtschreibfehler
verb
1. letters in de juiste volgorde plaatsen
buchstabieren
noun
1. spelletje
Spielchen
/ˈspɛlɪŋ/
noun
1. de al dan niet vastgelegde manier waarop de woorden van een taal geschreven worden
  1. Rechtschreibung
  2. Orthographie
noun
1. een spleetvormige holte in een berg
Höhle
noun
1. fijn gemalen zaden van Triticum spelta
  1. Dinkelmehl
  2. Dinkelweizenmehl
/spɛltmɪːɫ/
noun
1. fijn gemalen zaden van Triticum spelta
  1. Dinkelmehl
  2. Dinkelweizenmehl
noun
1. Accipiter nisus, een kleine snelle roofvogel
Sperber
noun
1. bepaald soort zangvogel, Sylvia nisoria
Sperbergrasmücke
noun
1. en 2. (peul van) cultivar van Phaseolus vulgaris
grüne Bohne
noun
1.een weggeslingerde druppel
Spritzer
noun
1. speciaal opgeleide hond voor het zoeken en volgen van reuksporen
Spürhond
pronoun
1.
Speyer
pronoun
1. Spica
Spica
noun
  1. 1. spie
    Keil
  2. 2. (inleg-) spie
    Passfeder
noun
1. beelden terugkaatsend voorwerp
Spiegel
pronoun
1.
Spiekeroog
noun
  1. 1. een orgaan
    Muskel
  2. 2. ronde paal op een schip
    Spiere
noun
1. bepaald soort klein zilverwit visje, Osmerus eperlanus
Stint
/ˈspiːrpɛɪ̯n/, /ˈspiːrpɛːn/
noun
1. pijn in een spier
  1. Muskelkater
  2. Muskelschmerz
noun
1.een spierkwetsuur waarbij de spiervezels uitgerekt worden
Muskelzerrung
verb
2. ter dood brengen door doorboring met een spies
aufspießen
verb
1.
schwänzen
noun
1. spijgat
Speigatt
noun
  1. 4. (uitdrukking) ± Spijkers op laag water zoeken.
    Haarspalterei betreiben.
  2. 1. metalen pin waarmee twee voorwerpen door doorboring vast verbonden kunnen worden
    Nagel
  3. 2. (uitdrukking) ± De spijker op de kop slaan.
    den Nagel auf den Kopf treffen.
noun
1. een broek van spijkerstof
  1. Jeans
  2. Jeanshose
  3. Nietenhose
noun
Keilschrift
noun
1. bereid voedsel
Speise
noun
Verdauung
/spɛj.tǝ:/
verb
1. berouw veroorzaken
Leid tun
noun
  1. 2. de as waar iets rond draait
    1. Achse
    2. Drehpunkt
  2. 3. iets wat of iemand die een centrale plaats inneemt
    1. Mittelpunkt
    2. Seele
    3. Stütze
    4. Säule
  3. 1. een kaapstaander
    Spill
adjective
verschwenderisch
noun
1. geleedpotig dier met acht poten
Spinne
noun
1. bepaald soort snelgroeiende, eenjarige plant, Spinacia oleracea
Spinat
/spɪndɘ/
noun
1. een voorraadkast, een provisiekast
Spind
noun
  1. 1. een klos waarop de katoen- of vlasdraad wordt gewonden
  2. 2.
Spindel
noun
1. toetsinstrument met schuin geplaatste snaren
Spinet
verb
  1. 2. snorren, een brommend geluid maken
    schnurren
  2. 1. een lange draad vervaardigen door enkele vezels in elkaar te vervlechten
    spinnen
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Araneae
Spinne
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Araneae
Spinne
noun
1. een door een spin gemaakt net om insecten te vangen
Spinnennetz
noun
Spion
noun
1. benaming voor de groep Spirochaetes
Spirochäten
noun
Spirometrie
adjective
  1. 2. scherpzinnig
    scharfsinnig
  2. 1. in een punt uitkomend
    spitz
noun
  1. 3. klein vrachtschip, binnenschip (ook wel gebruikt als woonboot)
    Frachtkahn
  2. 5. type hond met een spitse snuit
    Spitz
  3. 4. scherp, puntig uiteinde
    Spitze
  4. 1. grote drukte in het verkeer op terugkerende tijdstippen
    1. Stoßzeit
    2. Spitze
  5. 2. binnen een ploeg een aanvallende speler die een positie opzoekt waarin hij een doelpunt kan maken
    Stürmer
pronoun
1. een Noorse eilandengroep
  1. Spitzbergen
  2. Svalbard
noun
1. klein muisachtig diertje met spitse snuit en korte poten, behorend tot de familie Soricidae
Spitzmaus
adjective
1. scherpzinnig
  1. geistreich
  2. witzig
noun
1. spleetantenne
Schlizantenne
noun
1. een vulkanische uitbarsting waarbij magma over een langgerekte spleet in de aardkorst het oppervlak bereikt
Spalteneruption
verb
1. langs een nerf in tweeën breken
spalten
/'splɪntər/
noun
1. klein puntig scherfje
  1. Splitter
  2. Spreißel
verb
  1. 1. in twee of meer delen uiteen gaan
    teilen
  2. 2. in twee of meer delen opdelen
    1. teilen
    2. spalten
noun
2. plaats waar iets zich splitst
  1. Abzweigung
  2. Gabelung
  3. Verzweigung
adjective
1. binnen een kort tijdsbestek
  1. baldig
  2. schnell
adverb
1. binnen een kort tijdsbestek
  1. bald
  2. gleich
  3. kurzfristig
noun
  1. 1. een cilindrische vorm
  2. 3. fotografische
  3. 2. een element van zelfinductie
Spule
verb
spülen
noun
1. een geestverschijning die een bepaald gebouw of bepaalde locatie onveilig maakt
Gespenst
noun
1. een schaaf om bolle oppervlakken glad te schaven
Schweifhobel
noun
1. een legendarisch schip dat zonder bemanning eeuwig blijft rondvaren
Geisterschiff
noun
1. twee met elkaar verbonden ijzeren staven waarover een trein rijdt
  1. Gleis
  2. Spur
adjective
1. verdwenen zonder aanwijzing van waarnaartoe
spurlos
noun
  1. Schiene
  2. Gleis
noun
Eisenbahn
noun
1. een gelijkvloerse kruising tussen een verkeersweg en een spoorweg
  1. Bahnübergang
  2. Eisenbahnübergang
noun
1. bepaald soort loofboom, Frangula alnus
Faulbaum
/spɔrt/
noun
  1. 1. lichaamsbeweging
    Sport
  2. 2. trede van een ladder
    Sprosse
  3. 3. stoelspaak
    Steg
verb
1. aan sport doen
Sport treiben
noun
1. beoefenaar van een sport
Sportler
noun
iemand die zich toelegt op het bedrijven van sport
Sportler
noun
  1. Sneaker
  2. Sportschuh
  3. Turnschuh
noun
1. terrein waar men een sport beoefenen kan
  1. Sportfläche
  2. Sportgelände
noun
1. (sport) grasveld met doelpalen, grenslijnen e.d. waarop diverse sporten worden bedreven
Sportplatz
noun
1. een vereniging voor personen die eenzelfde sport beoefenen of die nauw betrokken zijn bij diezelfde sport
Sportverein
noun
    1. 2. reclameboodschap
    2. 3. lamp
    Spot
  1. 1. het spotten
    Spott
verb
1. zich met belachelijk makende of oneerbiedige scherts uiten
spaßen
noun
1. een zangvogel die geluiden kan nabootsen
Gelbspötter
noun
1. (bouwkunde) luchtruimte tussen twee muren van een dubbele
Hohlraum
noun
1. een dubbele muur met ruimte ertussen
Hohlwand
/sprak/
noun
1. het vermogen om te spreken
Sprache
noun
1. een spreekstoornis
  1. Sprachfehler
  2. Sprachstörung
noun
Sprachkanal
noun
1. een systeem van regels en principes voor het schrijven en spreken van een taal
  1. Grammatik
  2. Sprachlehre
adjective
snel geneigd tot spreken
gesprächig
verb
1. korte heldere lichtflitsjes voortbrengen door weerkaatsing of door vonkjes
  1. funkeln
  2. glitzern
noun
1. een voordracht voor een publiek over een bepaald onderwerp
  1. Referat
  2. Vortrag
noun
1. een kamer waar men een gesprek met iemand kan voeren
Sprechzimmer
/'sprekor/
noun
  1. 1. een groep mensen die gezamenlijk leuzen schreeuwt
  2. 2. de leus die door een groep mensen gezamenlijk wordt uitgeschreeuwd
Sprechchor
noun
1. de taal die men bij het gewone spreken gebruikt
Umgangssprache
/ˈsprekyːr/
noun
1. de tijd waarin een hulpverlener patiënten te woord staat
Sprechstunde
noun
Sprichwort
/sprekˈwordələk/
adjective
1.volgens het spreekwoord
sprichwörtlich
noun
1. Sturnus vulgaris, een middelgrote zangvogel
Star
noun
1. een balk in het want waarin korvijnagels zijn geplaatst
Nagelbrett
/ˈspreːkə(n)/
verb
1. zich met behulp van de stem uiten
  1. sprechen
  2. reden
/ˈspɾøkə(n)/
noun
Sprüche
noun
1. Antidorcas marsupialis, een aan de gazelle verwante antilope, leeft in Zuid-Afrika
Springbock
verb
  1. in de gaten springen
    einspringen
  2. 1. na zich tegen de zwaartekracht afgezet te hebben een korte vrije val door de lucht maken
    springen
noun
Springpferd
noun
1. stuk touw
Springseil
noun
1. een insect van de Orthoptera-orde
  1. Heuschrecke
  2. Grashüpfer
  3. gresshoppe
noun
1. bepaald soort vrij kleine vogel met gestreepte bovenzijde en monotone zang, Locustella naevia
Feldschwirl
noun
1. een bruin vlekje op de huid dat veroorzaakt wordt door ultraviolet licht
Sommersprosse
noun
1. verzonnen vertelling
Märchen
noun
Sprattus sprattus
  1. Sprott
  2. europäische Sprotte
noun
2. een uitloper van de spruitkool
Rosenkohl
noun
1. koolsoort waarvan de gekookte okselknoppen als spruitjes gegeten worden
Rosenkohl
noun
1. slijmvliesontsteking in mond of darmen
Soor
/'spy.ɣə(n)/
verb
1. speeksel uit de mond doen uitschieten
spucken
noun
1. spuigat
Speigatt
verb
1. overgankelijk: snel doen stromen
spritzen
noun
Sprühflasche
noun
Feuerwehrmann
noun
  1. Zeug
  2. Sache
/spɵlə(n)/
noun
  1. Dinge
  2. Sachen
noun
  1. Spionagesoftware
  2. Spyware
noun
Squash
/sri.ˈlɑŋ.ka/
pronoun
1. een republiek in Azië gelegen op een eiland ten zuiden van India
Sri Lanka
/st/
suffix
2.vormt de overtreffende trap van bijvoeglijke naamwoorden
ste
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
St. Blasien
pronoun
1.
St. Pölten
/ˈstaf.kɛrk/
noun
1. een geheel uit hout opgetrokken kerkgebouw, met een typische bouwstijl die voornamelijk in Scandinavië wordt aangetroffen
  1. Stabkirche
  2. Mastenkirche
noun
  1. Stabmixer
  2. Pürierstab
noun
Pfosten
noun
1. overeenkomst voorlopig een einde te maken aan de gevechtshandelingen
Feuerpause
/staːɫ/
noun
  1. 2. een monster van een stof, een kleine hoeveelheid van iets als proef
    1. Muster
    2. Probe
  2. 1. een legering van ijzer en koolstof
    Stahl
adjective
  1. Stahlblau
  2. stahlblau
/stalwɔl/
noun
Stahlwolle
/staːn/
verb
1. zich in verticale toestand van rust bevinden
stehen
noun
  1. 1. een verlengstuk van de ruggengraat bij sommige dieren
  2. 2. het achterste stuk van een vliegtuig of een auto
  1. Schwanz
  2. Schweif
noun
Steißbein
noun
Schwanzmeise
noun
Komet
noun
  1. 1. een land
    Staat
  2. de staat van dienst
    Erfahrung
  3. 1. toestand
    1. Zustand
    2. Staat
  4. in staat stellen
    ermöglichen
noun
1. iemand die burgerrechten in een staat heeft
  1. Staatsbürger
  2. staatsborgar
  3. staatsborger
noun
1. illegale afzetting van een regering
  1. Putsch
  2. Staatsstreich
noun
1. iemand die in een staat het hoogste gezag bekleedt of personifieert
Staatsoberhaupt
/ˈstats.kɛrk/
noun
1. een kerkstroming die tot officiële staatsgodsdienst is gemaakt in een samenleving zonder scheiding van kerk en staat
Staatskirche
noun
Verfassungsrecht
adjective
1. standvastig, duurzaam
stabil
noun
Stabilisator
noun
Stabilität
noun
1. de vleugel op de staart van een vliegtuig
Hohenruderflosse
adverb
1.
staccato
noun
1.
Staccato
/stɑd/, /stɑt/
noun
Woonplaats
  1. Stadt
  2. Gemeinde
noun
2. iemand die in dezelfde grote plaats is geboren
Landsmann
/ˈstɑdhœːs/, /ˈstɑthœʏs/, /ˈstɑthœːs/
noun
1. een gebouw waar de stadsdiensten gehuisvest zijn
Rathaus
noun
Stadion
noun
1.
Stadttor
/ˈstɑt.stat/
noun
1. staatsvorm
Stadtstaat
noun
1. een vernieuwing van verpauperde stadswijken
Stadtsanierung
/ˈstɑts.ʋɑn.də.lɪŋ/, /ˈstɑts.β̞ɑn.də.lɪŋ/
noun
1. een wandeling door een stad, meestal met als doel belangrijkste plekken te bezichtigen
  1. Stadtbummel
  2. Stadtführung
noun
Stadtviertel
pronoun
1. een gemeente in Luxemburg
Stadtbredimus
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Nedersaksen
Stadthagen
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Stadtlohn
noun
1. een stok bedoeld voor ondersteuning of onderscheiding van een persoon
Stock
noun
1. rente berekend over een bedrag op een rekening-courant over de periode tussen twee wijzigingen
Staffel
noun
1. een touw of kabel waarmee een mast stabiel wordt gehouden
Stag
noun
1.
Stagflation
verb
  1. 2. beëindigen
    einstellen
  2. 1. een werkonderbreking of (ludieke) actie houden voor betere arbeidsvoorwaarden of meer loon
    streiken
/'stakɪŋ/
noun
1. het neerleggen van de werkzaamheden, meest uit protest of om verbeteringen af te dwingen
Streik
noun
1. iemand die veel pech heeft, veel tegenslagen meemaakt
armer Teufel
/stɑl/
noun
  1. 4. verkoopruimte
    Bude
  2. 2. renstal
    Rennstall
  3. 1. ruimte bestemd voor de huisvesting van dier(en)
    Stall
noun
meervoud van stal
Ställe
verb
in een stal zetten
stallen
noun
1. de geur en de atmosfeer in een stal
Stallgeruch
noun
  1. 1. dikke houtige stengel van een struik
    Stamm
  2. 2. deel van de boom tussen de wortels en de kruin
    1. Stamm
    2. Baumstamm
  3. 4. op verwantschap berustende samenlevingsvorm van meer families in beschavingen met weinig verstedelijking
    1. Stamm
    2. Volksstamm
  4. 7.
    Wortstamm
noun
Stammzelle
verb
1.
stammeln
noun
2. vijzelstamper
Stößel
noun
1. gerecht van groente, aardappelen of een andere wortelplant, waar met een stamper gewerkt wordt
  1. Eintopf
  2. Stamppot
adjective
1. zo vol dat het lijkt alsof het aangestampt is
rappelvoll
noun
1. toon, zonder verhoging of verlaging, van een diatonische toonladder
Stammton
/ˈstɑn.dard.ˌɑf.wɛɪ̯.kɪŋ/, /ˈstɑn.dart.ˌɑf.ʋɛɪ̯.kɪŋ/, /ˈstɑn.dart.ˌɑf.β̞ɛː.kɪŋ/
noun
1. spreidingsmaat
Standardabweichung
/ˈstɑn.dar.de.vi.ˈja.si/, /ˈstɑn.dar.de.vi.ˈja.tsi/, /ˈstɑn.dar.te.vi.ˈja.si/
noun
1. spreidingsmaat
Standardabweichung
verb
1. alles onderwerpen aan een vooraf bepaalde standaard
standardisieren
noun
1. standaardmuziektoon
Kammerton
noun
1. officieel vastgelegde taalvorm die binnen een bepaald gebied als de voorgeschreven norm geldt.
  1. Schriftsprache
  2. Standardsprache
  3. Ausbausprache
noun
1. een kunstzinnige afbeelding vaak van een persoon in drie dimensies, meestal gehouwen in steen of gegoten in metaal
  1. Statue
  2. Standbild
noun
1. korte woordelijke bestraffing
  1. Rüge
  2. Standpauke
/stɑmpʌnt/
noun
1. Houding ten aanzien van een vraagstuk
Stellungnahme
noun
1. snel uitgevoerde berechtiging (m.n. executies)
Standrecht
adverb
1.
standrechtlich
/stɑntvɑstəxhɛɪt/
noun
1. het trouw zijn aan de eigen principes
  1. Standfestigkeit
  2. Standhaftigkeit
/stɑŋ/
noun
1. meestal metalen voorwerp in de vorm van een lange stijve cilinder
Stange
noun
1. een sterke, stinkende geur
Gestank
verb
1. iets uit plaatmateriaal (metaal, rubber, leer etc.) slaan of daarin aanbrengen met een snijdende stempel
stanzen
noun
  1. 1. een gestructureerde hoop spullen
    1. Haufen
    2. Stapel
  2. 2. de tijdelijke constructie waarop een in aanbouw of reparatie zijnd schip rust
    Stapel
noun
1.Twee bedden op elkaar
  1. Etagenbed
  2. Stockbett
noun
1. elk van de constructies van gestapelde houten blokken waarmee schepen worden ondersteund
Stapel
/ˈstɑ.pə(n)/
verb
  1. 2. een avondje uit gaan
    1. ausgehen
    2. bummeln
  2. 1. het lichaam vooruit bewegen door een of meer keer een voet naar voren te zetten
    schreiten
noun
1. een begin ergens van
Start
verb
  1. 2. ergens een begin mee maken
    1. anfangen
    2. beginnen
    3. starten
  2. 1. iets op gang brengen
    starten
noun
Starthilfekabel
adjective
1. klaar zijn om te gaan beginnen
startklar
noun
Startpunkt
/ˈstatə(n)ˌbɛibəl/
noun
1. de bijbelvertaling in het Nederlands die in opdracht van de Staten-Generaal in 1637 voor het eerst verscheen
Bibel
noun
1. stabiel onderstel voor camera
Stativ
noun
1. reeds betaalde bijdrage die men weer terugkrijgt bij de inlevering van de verpakking (of een gebruiksvoorwerp)
  1. Pfand
  2. Depot
  3. Einsatz
noun
Pfandflasche
adjective
stattlich
/sta.ˈsʲɔn/
noun
  1. 1. plaats waar voertuigen kunnen stoppen
    1. Bahnhof
    2. Station
    3. Bahnstation
  2. 2. een zender die radio- of televisieprogramma's uitzendt
    1. Fernsehstation
    2. Rundfunkstation
    3. Sendestation
noun
het stilstaand gedeelte van een motor of generator
Stator
noun
  1. 1.1 aanzien in de maatschappij
    1. Ansehen
    2. Status
  2. 1. plaats in een vast geheel of een bepaald proces
    Status
noun
1. huidige stand van zaken
Status quo
noun
  1. Stadtbewohner
  2. Städter
adverb
1. voortdurend
stets
noun
1. zeer smal straatje
Gasse
noun
1.
Stichprobe
noun
1. een werktuig om moeren en bouten vast of los te draaien
  1. Gabelschlüssel
  2. Maulschlüssel
noun
  1. 1. een spel waarbij twee ridders elkaar met lansen trachtten uit het zadel te werpen
    1. Lanzenstechen
    2. Tjost
  2. een juridisch steekspel
    Rechtsstreit
noun
1.
Sackkarre
/sten/, /steːn/
noun
1. een harde stof, vaak op kiezel gebaseerd maar omvattende vele soorten
Stein
adjective
steinig
noun
1. vogel uit de familie der arendachtigen
Steinadler
noun
2. berg opgebouwd uit losse stenen die uit een mijn zijn gekomen als bijproduct van de mijnbouw
Halde
pronoun
2. teken van de dierenriem van 22 december tot 20 januari
Steinbock
noun
1.1 bepaald soort zoogdier, Capra ibex
Steinbock
noun
  1. Wendekreis des Steinbocks
  2. südlicher Wendekreis
noun
Steinbohrer
noun
Lithographie
/ste.nɛi̯k/, /ste.nɛːk/, /sten.ʔɛi̯k/
noun
1. Quercus ilex; een boom uit de napjesdragersfamilie
Steineiche
adjective
  1. Steingrau
  2. steingrau
noun
1.
Steinbruch
noun
gebrochenes English
noun
1. zwart-bruine stof die ontstaan is door plantenafzettingen en gebruikt wordt als energiebron
Steinkohle
noun
1. een kooi of gaaswerk van roestvrij materiaal, waarin losse brokken stenen bijeen worden gehouden
  1. Gabione
  2. Steinkorb
noun
1. visueel baken in de bergen om zich te kunnen oriënteren
Steinmännchen
adjective
steinreich
/ˈstentɛit/
noun
Steinzeit
/ˈstenœʏ̯ɫ/, /ˈsteːnœːl/
noun
1. bepaald soort vogel, Athene noctua
  1. Steinkauz
  2. Steineule
noun
vlezige vrucht waarvan het binnenste deel steenhard is
  1. Steinfrucht
  2. Steinobst
noun
Steinwolle
noun
1. de kennis van het op verborgen wijze overbrengen van informatie
  1. Steganographie
  2. Steganografie
noun
  1. 1. aanleggelegenheid
    1. Anleger
    2. Bootssteg
  2. 2. werkvloerconstructie in de bouw
    Gerüst
/stɛil/, /stɛːl/
adjective
1.
steil
pronoun
1. een stad in het Zwitser kanton Schaffhausen
Stein am Rhein
pronoun
1. een meer in de Duitse deelstaat Nedersaksen
Steinhuder Meer
/ˈste.kəl/
noun
1. een langwerpig, scherp stukje van bijvoorbeeld een plant of dier
Stachel
noun
1. benaming voor kleine vissen met puntige doorns op de rug en de buik uit de familie Gasterosteidae
Stichling
/stekələx/
adjective
1. met stekels bezet
stachelig
noun
1. een groot knaagdier met stekelige vacht
Stachelschwein
verb
  1. 2. doen ontvlammen
    1. anstecken
    2. entflammen
  2. 1. doorboren, prikken
    1. stechen
    2. stacheln
noun
1. stekker
Stecker
/stɛl/, /stɛɫ/
conjunction
1. verondersteld dat
  1. angenommen, dass
  2. falls
  3. sofern
verb
1. iets wegnemen van iemand en het zich wederrechtelijk toe-eigenen
stehlen
noun
  1. 3. getimmerte ter ondersteuning
    Gerüst
  2. 2. stelling, stander
    1. Gestell
    2. Stellage
adjective
stellar
/ˈstɛ.lə(n)/
verb
  1. 2. beweren, verklaren
    1. behaupten
    2. anführen
  2. in staat stellen
    ermöglichen
  3. 1. doen staan
    stellen
noun
1. een bewering die men als waarheid aangenomen wil zien worden
  1. These
  2. Position
  3. Stellung
/stɛlsəl/
noun
  1. 1. een geordend geheel, samenstel van delen
  2. 2. een systeem
System
/stɛlt/
noun
Stelze
noun
  1. 5. een orgelregister
    Register
    1. 1. het geluid dat door het trillen van de menslijke stembanden wordt geproduceerd
    2. 2. het geluid dat een mens bij het spreken voortbrengt
    3. 3. het geluid dat een mens bij het zingen voortbrengt
    Stimme
  2. 6. een keuze gemaakt door een stemmer (kiezer) bij een stemming (verkiezing)
    1. Votum
    2. Wahl
noun
1. geluidvoortbrengende plooien in het strottenhoofd
Stimmband
noun
1.
Stimmstock
noun
  1. 2. het houden van een verkiezing of de uitslag daarvan
    1. Abstimmung
    2. Wahl
  2. 1. een bus waarin ingevulde stemformulieren verzameld worden
    Wahlurne
noun
1. het uitbrengen van een stem door de stemgerechtigden
Urnengang
noun
1.computer die bij stemmingen (m.n. verkiezingen) gebruikt wordt om de uitgebrachte stemmen elektronisch te verwerken
Wahlgerät
noun
1. stemhamer
Stimmhammer
/ˈstɛmɦɔkʲə/
noun
1. schrijfblad omringd door drie wanden waarbinnen een kiezer zich bij een verkiezing afzondert
Wahlkabine
noun
1. een draaibare stift met draaiknop van een muziekinstrument
Wirbel
/stεmə(n)/
verb
    1. 2. een instrument op de juiste toonhoogte brengen
    2. 3. iemand een bepaald gevoel geven
    stimmen
  1. 1. deelnemen aan een verkiezing
    1. wählen
    2. stimmen
/ˈstɛmpəl/, /ˈstɛmpəɫ/
noun
  1. A3. beschrijvende plantkunde: bovenste gedeelte van de stamper in een bloem
    1. Narbe
    2. Stigma
    1. A:1. voorwerp met een ingesneden oppervlak waarmee afdrukken gemaakt kunnen worden met inkt of in lak
    2. A2. een afdruk van [1]
    Stempel
noun
1. een draaibare stift van een muziekinstrument
  1. Stimmnägel
  2. Wirbel
noun
1. verplichting om te stemmen
Wahlpflicht
noun
Wahlrecht
noun
1. een draaibare stift met draaiknop van een muziekinstrument
Wirbel
noun
1. stemtoonhoogte
Kammerton
noun
kiezers die zich in hun stemgedrag laten beïnvloeden
Stimmvieh
/stɛmvɔrək/
noun
1. stemvork
Stimmgabel
noun
1. langgerekt en stevig orgaan van een vaatplant dat water en voedingstoffen vervoert
Stängel
verb
1. met steenworpen doden
steinigen
noun
Steinigung
noun
1. iemand die stenografische verslagen maakt
  1. Stenograf
  2. Stenograph
noun
1. vervoermiddel op twee wielen, (gedeeltelijk) met de voet aangedreven
  1. Roller
  2. Tretroller
noun
1. gras dat goed tegen de droogte van de halfwoestijn kan
Steppengras
noun
  1. 2. een beroemdheid
    1. Star
    2. Stern
  2. 1. een hemellichaam, een gasbol die licht uitzendt door kernfusie
    1. Stern
    2. Star
noun
Steradiant
noun
Stereochemie
noun
  1. Stereometrie
  2. Raumgeometrie
/ˈstɛrvbɛt/
noun
1. het bed waarop men sterft
Sterbebett
noun
Sterbetag
adjective
sterblich
noun
1. het voorkomen van een gebeurtenis waarbij iemand overlijdt
Sterbefall
noun
Sterbort
/'sterftə/
noun
1. het aantal sterfgevallen in een bepaalde tijd of in bepaalde omstandigheden
  1. Mortalität
  2. Sterblichkeit
noun
1. een getal dat aangeeft hoeveel sterfgevallen er in een gebied in een bepaalde tijd hebben plaatsgevonden
  1. Mortalität
  2. Sterberate
noun
1. het verschijnsel dat in een gebied in een bepaalde periode het aantal sterfgevallen structureel hoger ligt dan het aantal geboorten
  1. Geburtendefizit
  2. Sterbeüberschuss
adjective
1. zonder microbiële besmetting, heel schoon
  1. steril
  2. keimfrei
verb
  1. 1. iets vrij maken van micro-organismen
  2. 2. onvruchtbaar maken
sterilisieren
/stɛrk/
adjective
1. krachtig
stark
/'stɛrktə/
noun
1. de mate waarin iets sterk is
Stärke
noun
1.
Sternmotor
noun
1. benaming voor slanke meeuwachtige vogels uit de familie Sternidae
Seeschwalbe
noun
  1. Sterol
  2. Sterine
noun
Steroide
noun
1. verzameling dicht bijeen staande sterren
Sternhaufen
noun
1. wetenschap die de objecten in de ruimte bestudeert
  1. Astronomie
  2. Sternenkunde
/stɛrən'kʏndəɣə/
noun
Astronom
noun
1. een - vooralsnog hypothetisch - ruimtevaartuig in staat tot interstellair reizen
Sternenschiff
noun
  1. Galaxie
  2. Sternsysteme
noun
Sternwarte
noun
Sterndeuter
verb
1. overgaan van levende toestand naar dode toestand
sterben
/ˈstɛːrvənsˌdyr/
adjective
1. zeer hoog in prijs, uitermate duur
  1. sündhaft
  2. teuer
noun
  1. Karambole
  2. Baumstachelbeere
/støn/
noun
  1. 3. sociale uitkering
    Sozialhilfe
  2. 1. iets om op te steunen
    Stütze
  3. 2. morele of materiële hulp
    Unterstützung
noun
1. balk waarop iets steunt
Stützbalken
/'stønə(n)/
verb
  1. 3. van vermoeidheid of pijn een kreunend geluid maken
    stöhnen
  2. 2. ~ op: de last gedeeltelijk op iets leggen
    stützen
  3. 1. een deel van de last op zich nemen, hulp verlenen
    1. unterstützen
    2. beistehen
noun
Stützpunkt
noun
1. bepaald soort anadrome vis, Acipenser sturio
Stör
adjective
4. voedzaam (zonder verfijning)
  1. deftig
  2. kräftig
adjective
erbaulich
noun
2. zelfstandig vermogen met rechtspersoonlijkheid opgericht op de verwezenlijking...
Stiftung
noun
Aufkleber
/ˈstif.mu.dər/
noun
1. latere levenspartner van vader dan de eigen moeder
Stiefmutter
noun
1. echtgenoot van iemands moeder, die niet de eigenlijke vader is
Stiefvater
adjective
heimlich
pronoun
  1. 1. sterrenbeeld van de dierenriem
  2. 2. astrologisch teken
Stier
/stiːr/
noun
  1. Stier
  2. Bulle
/ˈstirənvɛxtər/
noun
1. een persoon die in een stierengevecht de stier uitdaagt, bevecht en uiteindelijk doodt
  1. Matador
  2. Stierkämpfer
pronoun
1. deelstaat van Oostenrijk
Steiermark
noun
Stigmatisation
verb
  1. 2. (figuurlijk) onuitwisbare wonden toebrengen
    brandmarken
  2. 1. (religie) wonden toebrengen zoals Jesus deze tijdens zijn kruisiging verkreeg
    stimatisieren
/stɛif/
adjective
steif
noun
Stärke
/ˈstɛi̯xˌbøː.ɣəl/
noun
1. voetsteun voor de ruiter
Steigbügel
/ˈstɛi̯ɣə(n)/
verb
1. naar boven gaan, toenemen
steigen
/stɛi̯l/
noun
  1. 3. beschrijvende plantkunde: buisvormige, middelste gedeelte van de stamper
    Griffel
  2. 2. post
    Pfosten
  3. 1. handelswijze
    Stil
noun
1. leer van de uitdrukkingswijze en zijn middelen
  1. Stilistik
  2. Stilkunde
noun
1. stilistische niveau van taalgebruik
  1. Stilebene
  2. Stilfärbung
  3. Stilschicht
noun
Ständer
verb
  1. 1. om het leven komen door zuurstofgebrek in de hersenen
    ersticken
  2. 2. een stuk stof middels een aantal vrij losse steken op zijn plaats houden
    sticken
/ˈstɪkstɔf/
noun
1. een chemisch element en een kleurloos niet-metaal
  1. Stickstoff
  2. Nitrogen
noun
Stickstoffdioxid
/[stɪɫ]/
adjective
    1. 1. geen of weinig geluid producerend
    2. 3. rustig, kalm
    1. ruhig
    2. still
  1. 2. onbeweeglijk
    1. ruhig
    2. unbeweglich
adverb
1. zonder opgemerkt te zijn
  1. allmählich
  2. langsam
noun
1. mes waarbij het lemmet uit het handvat kan klappen
  1. Springmesser
  2. Schnappmesser
pronoun
1. de oceaan die ligt tussen Oost-Azië, Noord- en Zuid-Amerika en Australië
  1. Pazifischer Ozean
  2. Pazifik
pronoun
1. dag na Goede Vrijdag en voor Pasen
Karsamstag
noun
  1. Stilleben
  2. Stillleben
/'stɪl.tə/
noun
Stille
noun
1. een natuurgebied waar men geen lawaai mag maken
Lärmschutzgebiet
adjective
1. zonder iets openlijk uitgesproken te hebben
stillschweigend
noun
1. krachtige aanzet
Stimulans
verb
1. maatregelen nemen om iets te bevorderen
stimulieren
noun
1. bepaald soort zoogdier, Mephitis mephitis
  1. Stinktier
  2. Skunk
verb
1. een onaangename geur hebben
stinken
adjective
stinkend
noun
  1. 2. gemeen persoon
    Drecksack
  2. 1. persoon die stinkt
    Stinker
noun
  1. 2. gemeen persoon
    Drecksack
  2. 1. persoon die stinkt
    Stinker
noun
1. (studie)beurs
Stipendium
adjective
  1. 1. precies op tijd komend
  2. nauwgezet
pünktlich
adverb
1. met grote precisie
pünktlich
noun
1. actievoering waarbij voorschriften en regels naar de letter gevolgd worden
Dienst nach Vorschrift
noun
1. Kuehneromyces mutabilis
Gemeines Stockschwämmchen
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Stockach
pronoun
1. een stad in de Oostenrijkse deelstaat Neder-Oostenrijk
Stockerau
pronoun
1. de hoofdstad van Zweden
Stockholm
/stul/, /stuɫ/
noun
1. zitmeubel
Stuhl
/'stulɣɑŋ/
noun
  1. 1.
    Stuhlgang
  2. 2.
    1. Stuhlgang
    2. Stuhl
/ˈstuɫpot/
noun
1. de poot van een stoel
Stuhlbein
noun
1. een kabelbaan waarin je zittend een hoogte overbrugt
  1. Sesselbahn
  2. Sessellift
noun
  1. 2. trottoir
    1. Bürgersteig
    2. Gehsteig
    3. Trottoir
  2. 1. verhoging bij de ingang van een woning
    1. Eingangstreppe
    2. Türstufe
noun
1. een element dat de scheiding verzorgt tussen een rijbaan en het meestal hoger gelegen trottoir
Bordstein
adjective
2. indruk maken door sterk te zijn of sterk proberen te zijn
  1. bullig
  2. stämmig
noun
1. een in een lange rij optrekkende groep mensen of dieren
Zug
noun
  1. 2. de locatie
    Gestüt
  2. 1. het telen van paarden
    Pferdenzucht
noun
  1. 2. weefsel, textiel
    Stoff
  2. 1. heel kleine deeltjes
    Staub
noun
1. een bril die de ogen bij stofwerk tegen ultraviolette straling beschermt
Staubbrille
adjective
  1. het stoffelijk overschot
    die sterblichen Überreste, die Leiche
  2. 1. tot de materie behorend of eruit bestaand, materieel
    1. greifbar
    2. stofflich
noun
1. zachte borstel met een steel die ervoor dient om stof te verwijderen
Handfeger
adjective
  1. Staubgrau
  2. staubgrau
/ˈstɔfoːrˌzak/
noun
1. de stof waaruit een voorwerp ontstaan is en die zich in dit voorwerp bevindt.
  1. Stoffursache
  2. materiale Ursache
/'stɔfʋɪsəlɪɳ/
noun
1. het geheel van chemische processen dat gepaard gaat met het in leven zijn van een wezen
  1. Stoffwechsel
  2. Metabolismus
noun
1. een elektrisch toestel dat stof en kleine deeltjes opzuigt
Staubsauger
noun
Stöchiometrie
/stɔk/
noun
Stock
noun
1. stokanker
Stockanker
noun
Baguette
/ˈstoː.kəˌbrɑnt/
noun
1. iemand die als een vuur de gemoederen of onrust aanwakkert
Feuerbrand
noun
2. een favoriet gespreksonderwerp
Steckenpferd
/ˈstɔlə(n)/
verb
1. overgaan van een vloeibare naar een vaste toestand
erstarren
/ˈstɔlɪŋsɣəˌstentə/
noun
1. gesteente bestaande uit gestolde lava of gestold magma.
  1. magmatisches Gestein
  2. Erstarrungsgestein
adjective
  1. 3. dom
    1. blöd
    2. dämlich
  2. 3. saai en waardeloos
    1. dämlich
    2. lahm
    1. 1. geluidloos
    2. 2. niet in staat te spreken
    stumm
verb
  1. 2. zichtbaar waterdamp afgeven
    dampfen
  2. 1. iets ter reiniging en desinfectie met stoom bewerken
    dämpfen
  3. 3. etenswaar garen door het in hete stoom te hangen
    1. dünsten
    2. schmoren
noun
  1. 1. dom persoon
    1. Dödel
    2. Trottel
  2. 2. iemand die domme dingen doet
    Tollpatsch
noun
een bijzonder onverstandige daad
  1. Dummheit
  2. Stupidität
adjective
1. zo verbaasd dat men er het zwijgen toe doet
  1. perplex
  2. sprachlos
noun
1. een brandstof waarmee men verwarmingsketels stookt
Heizöl
noun
Dampf
noun
1. warme ruimte
  1. Dampfbad
  2. Schwitzbad
noun
1. een schip dat met behulp van stoom wordt voortbewogen
Dampfschiff
noun
Dampfkessel
noun
Snellkocher
noun
1. een locomotief die wordt aangedreven door een stoommachine
Dampflokomotive
noun
1. een machine die door middel van stoom drijfkracht ontwikkelt
Dampfmaschine
noun
1. een muziekinstrument met een reeks door stroom aangeblazen stoomfluiten
Dampforgel
noun
1.
Dampfpumpe
noun
1. een schip dat voortgedreven wordt middels een stoommachine
  1. Dampfschiff
  2. Dampfer
noun
Dampfturbine
noun
1. door stoom voortbewogen weg wals
Dampfwalze
noun
1. stoorsignaal
Störsignal
noun
1. grote slagtand
Stoßzahn
/ˈstɔ.pɔɫ.ˌbart/, /ˈstɔ.pəl.ˌbard/, /ˈstɔ.pəɫ.ˌbart/
noun
1. een baard waarvan de haren slechts enkele millimeters lang zijn, alsof deze pas een à twee dagen oud is
Stoppelbart
/'stɔpər/
noun
1. een voorwerp waarmee iets afgestopt of afgesloten kan worden
Stöpsel
noun
Kitt
noun
1. zonnegordijn aan de binnenkant van een venster, rolgordijn
Rollo
/ˈstorə(n)/
verb
1.het functioneren nadelig beïnvloeden
stören
noun
1. een hinderlijke onderbreking, een bepaald proces wordt onderbroken of bemoeilijkt
Störung
noun
1. erg harde wind
Sturm
noun
3. snelle pas
Sturmschritt
noun
een toestel, balk, e.d. om een deur, poort te forceren
Rammbock
noun
Sturmwetter
verb
1. het terugdraaien van een automatische incasso
  1. stornieren
  2. annullieren
noun
Platzregen
noun
1. het storten van geld op een bankrekening
Einzahlung
verb
1. met een korte snelle beweging (weg)duwen
stoßen
verb
1. dezelfde lettergreep een aantal malen herhalend moeilijk uit zijn woorden komen
stottern
/stɑu̯t/
adjective
  1. 2. zonder angst
    1. kühn
    2. wagemütig
  2. 4. seksueel prikkelend
    1. spitzbübisch
    2. unanständig
  3. 1. in overtreding van een gestelde regel, met onvoldoende respect
    1. spitzbübisch
    2. unartig
    3. ungezogen
    4. böse
verb
  1. glazig stoven
    dünsten
  2. 1. over een vrij laag vuur iets afgesloten in enig vocht gaar laten worden
    1. dünsten
    2. schmoren
/straɫ/, /ˈstral/
noun
  1. 1. de lijn van middelpunt naar omtrek
    1. Halbmesser
    2. Radius
    1. 2. een bundel elektromagnetische straling
    2. 3. spuitend gas of vloeistof
    Strahl
noun
1.
Strahlantrieb
adjective
  1. rotzbesoffen
  2. sturzbetrunken
noun
1. jachtvliegtuig met straalmotor
Düsenjäger
/strat/
noun
  1. 1. een weg tussen de huizen in een bewoonde plaats
  2. 2. een smalle doorgang tussen twee zeeën
Straße
pronoun
1. zeestraat tussen het Tasmaans hoofdeiland en de Furneauxgroep
Banks-Straße
pronoun
1.
Straße von Kertsch
/ˈstracjə/, /ˈstratjə/
noun
1. verkleinwoord van straat
Gasse
noun
1. de naam die aan een straat gegeven wordt voor de herkenbaarheid
Straßenname
noun
1. een bord in de openbare ruimte met daarop de naam van de straat waar men zich bevindt
  1. Straßennamensschild
  2. Straßenschild
noun
1. hoofdstad van de Franse regio Grand Est
Straßburg
noun
1. informele, soms ruwe taal met veel invloed uit talen van immigranten,...
Gossenjargon
noun
  1. 1. soep
  2. 2. zuivelproduct
Stracciatella
noun
1. onprettige maatregel of behandeling ter vergelding van een misdaad of overtreding
  1. Strafe
  2. Bestrafung
noun
Strafbank
/ˈstrɑfə(n)/
verb
1. negatieve consequenties verbinden aan een als verkeerd geziene daad
  1. bestrafen
  2. strafen
noun
Sanktion
noun
Strafprozeß
noun
Strafprozessrecht
noun
Strafpunkt
/'strɑfrɛxt/
noun
1. het geheel van rechtsregels waarmee bepaalde handelingen strafbaar worden gesteld
Strafrecht
noun
1. directe vrije trap
Strafstoß
noun
1. gedeelte van het voetbalveld
  1. Strafraum
  2. 16-Meter-Raum
noun
1. een rechtszaak die door de strafrechter behandeld wordt
Strafsache
adjective
  1. 1. nauwzittend
    eng
  2. 4. zonder franje
    schlank
  3. 3. streng
    streng
adverb
  1. 1. op een later moment
    1. bald
    2. demnächst
    3. gleich
  2. 3. een korte tijd geleden
    1. soeben
    2. vorhin
/ˈstralə(n)/
verb
  1. 2. licht weerkaatsen
    1. scheinen
    2. funkeln
    3. strahlen
    1. 1. straling uitzenden
    2. 3. een heel blije uitdrukking op het gezicht hebben
    strahlen
noun
Strahlung
pronoun
1.
Stralsund
noun
1. Strook land langs de kust
  1. Strand
  2. Ufer
verb
1. aan de grond vastlopen
stranden
noun
1. Mya arenaria
Sandklaffmuschel
/straˈteɣ/
noun
1. een persoon die strategieën uitwerkt
Stratege
noun
1. een plan om iets te bereiken
Strategie
noun
1. iemand die stoepen, straten, trottoirs of pleinen betegelt
Pflasterer
noun
Stratosphäre
noun
1. een kegelvormige vulkaan met traagvloeibare lava
Schichtvulkan
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Straubing
noun
Sollzahl
noun
angestrebte(r) Zeitpunkt
noun
Sollgewicht
/ˈstref.kɛrk/
pronoun
1. een dorp in de provincie Zuid-Holland
Streefkerk
noun
Sollwert
noun
1. een gebied met een eigen karakter
  1. Region
  2. Gefilde
/ˈstrek.tal/, /ˈstrek.taɫ/
noun
2. één of meer taalvariëteiten van de overheid dit label hebben gekregen
  1. Regiolekt
  2. Regionalsprache
noun
1.
  1. Dialektmusik
  2. Mundartmusik
noun
  1. 4. koppelteken
    Bindestrich
  2. 3. (figuurlijk) begrenzing die niet overtreden dient te worden, schreef
    Grenze
  3. 2. lijnvormig patroon
    Streifen
  4. 1. een min of meer rechte getrokken lijn of lijnstuk
    Strich
noun
  1. 2. typografisch teken "-"
  2. 1.
Strich
noun
1.
Strichcode
/dɑm/
noun
1. de strekdam
Leitdamm
verb
  1. strecken
  2. ausstrecken
verb
1. zachtjes met de hand over iets of iemand strijken
  1. streicheln
  2. kosen
  3. liebkosen
noun
1. een uiting van tederheid
  1. Liebkosung
  2. Streicheln
verb
1. neerslaan van opgeloste eiwitten
cailler
noun
oplossing die spijsverteringsenzymen bevat
Lab
noun
4. riem waarmee een trekdier voor een wagen wordt gespannen
Strang
noun
1. spanning, geestelijke druk.
Stress
noun
het willen bereiken van een doel
Bestreben
verb
1. een doel willen bereiken
streben
noun
  1. 2. een militair treffen
    1. Kampf
    2. Schlacht
  2. 1. een handgemeen
    1. Streit
    2. Kampf
verb
1. ondanks weerstand een doel proberen te bereiken
  1. kämpfen
  2. streiten
noun
1. een persoon die strijdt
Kämpfer
adjective
widersprüchlich
noun
1. een slagwapen in de vorm van een metalen staf met een versterkte kop
Streitkolben
noun
2. geheel van de militaire organisaties die een staat ter beschikking staan
Streitkräfte
noun
Streitfrage
noun
Streitwagen
verb
  1. 2. wasgoed desinfecteren en gladmaken met hulp van een heet ijzer, een strijkijzer
    bügeln
  2. 3. iets laten zakken
    1. niederholen
    2. einholen
noun
1. strijker
Streicher
/ˈstrɛɪ̯.gɛɪ̯zər/, /ˈstrɛɪ̯k.ʔɛɪ̯zər/, /ˈstrɛː.kɛːzər/
noun
1. een huishoudelijk gereedschap dat gebruikt wordt om textiel glad te strijken
Bügeleisen
noun
1. gestreken snaarinstrument
Streichinstrument
noun
1. een plankvormig voorwerp, gewoonlijk op een inklapbaar onderstel, bedoeld als ondergrond waarop kleding gestreken kan worden
Bügelbrett
noun
1. een boek met een verhaal in beeldvorm
  1. Bildergeschichte
  2. Comicstrip
noun
1. een boek met een verhaal in beeldvorm
  1. Comicstrip
  2. Bildergeschichte
verb
1. het zich ontdoen van alle kleding of een groot deel van de kleding die het lichaam bedekt, vaak met een erotische bijbedoeling
strippen
/stro/
noun
1. droge bloeistengels van graangewassen
Stroh
adjective
1. blond in strokleur
  1. strohblond
  2. strohgelg
adjective
  1. 1. de wrijvingsweerstand van een ruw oppervlak
    rau
  2. 1. moeilijk beweegbaar (verschuifbaar)
    schwerfällig
adjective
1. met een gele kleur die lijkt op de kleur van stro
strohgelb
noun
1. hoed
  1. Strohut
  2. Strohhut
verb
1. in overeenstemming zijn met
entsprechen
/'stromən/
verb
1. voortbewegen van vloeistoffen
  1. fließen
  2. strömen
/'stromɪŋ/
noun
  1. 1. voortbewegen van een vloeistof
  2. 2. bepaalde beweging die zekere denkbeelden gemeen heeft
Strömung
noun
  1. Kacke
  2. Scheiße
noun
iemand die domme dingen doet
  1. Arschloch
  2. Scheißkopf
noun
1. scheikundig element met symbool Sr en atoomnummer 38
Strontium
noun
1. zweertje op het ooglid
Gerstenkorn
/ˈstrojsxadə/
noun
1. schade die per persoon relatief klein is maar omvangrijk in zijn geheel en alleen verhaald kan worden door een collectieve schadeclaim.
Streuschaden
noun
Streuwiese
noun
  1. 2. strook stof of papier
    Band
  2. 1, strook
    Streifen
/ˈstroklɑt/
noun
Straklatte
/stroːm/
noun
2. elektriciteit
Strom
noun
1. een ideale stroombron levert een stroom waarvan de grootte onafhankelijk is van de belasting
Stromquelle
noun
1. elekriciteitsdraad
Stromkabel
noun
  1. Stromgebiet
  2. Gewässereinzugsgebiet
noun
1. materiaal met een naar verhouding hoog aantal beweeglijke ladingsdragers, waardoor het een elektrische stroom makkelijk doorlaat
Leiter
adverb
1. tegen de stroom in, in de richting van de mond naar de oorsprong, tegen de richting van de stroom
  1. flussauf
  2. stromauf
  3. flussufwärts
  4. stromaufwärts
noun
1. dikke, viskeuze, geconcentreerde vloeistof waarin een grote hoeveelheid suikers zijn opgelost
Sirup
noun
  1. Honigwaffel
  2. Sirupwaffel
noun
Krawatte
noun
1. hoeveelheid geld waarmee men financiële tegenvallers kan opvangen
Notgroschen
noun
1. versiering gemaakt uit gedroogde graanstengels in de vorm van een figuur met uitstekende punten ...
Strohstern
noun
  1. Kehle
  2. Gurgel
noun
1. een dun, dekselachtig kraakbeenklepje, bedekt met een slijmvlies, dat zich aan de basis van de tong bevindt
Kelhdeckel
noun
Kehlkopf
noun
Structuralismus
adjective
1. met betrekking tot de opbouw van een geheel
strukturell
/strʏkˈtyr/
noun
de interne opmaak van een geheel
Struktur
noun
1. heester
  1. Strauch
  2. Busch
verb
1. het evenwicht verliezen doordat men met de voet verstrikt raakt
  1. stolpern
  2. straucheln
noun
Stolperstein
noun
1. begroeiing die bestaat uit bij elkaar staande planten met houtige stengels die zich al direct boven de grond vertakken
Gebüsch
noun
1. bepaald soort in heel Europa voorkomende plant, Calluna vulgaris
  1. Besenheide
  2. Heidekraut
noun
1. iemand die vanuit een hinderlaag reizigers berooft
  1. Wegelagerer
  2. Straßenräuber
/ˈstrœʏ̯sˌfoχɔɫ/, /ˈstrœːsˌfoːɣəl/, /ˈstrœːzˌvoːɣəl/
noun
1. Struthio camelus, grote loopvogel, die niet kan vliegen
Strauß
noun
1. krop
Struma
noun
1. zeer vergiftig alkaloïde
Strychnin
noun
1. een ruimte om te studeren
Studierzimmer
noun
1. iemand die hoger onderwijs volgt
Student
noun
1. hoogbouwgebouw waarin meerdere studenten op kamers wonen
Studentenwohnung
noun
1. organisatie van en/of voor studenten
Studentenorganisation
verb
1. het volgen van een opleiding en verwerven van kennis als voornaamste bezigheid
studieren
noun
1.
Kursus
noun
Stipendum
noun
Lehrbuch
noun
Studiefinanzierung
noun
1. vriend die men kent van de studie
Studienfreund
noun
  1. 1. werkplaats van een beeldend kunstenaar
  2. 2. plaats waar geluidsopnamen, films of televisie- of radioprogramma's gemaakt worden
Studio
/stɵx/
adverb
1 weerbarstig
  1. hart
  2. spröde
  3. steif
noun
1.
Pollen
noun
1. onderste deel van de ruggengraat, de laatste vier vergroeide ruggenwervels
Steißbein
/ˈstœʏ̯.tə(n)/, /ˈstœː.tə(n)/
verb
  1. 1. een beweging tot staan brengen
    1. aufhalten
    2. stoppen
  2. 2. door botsing in omgekeerde richting gaan bewegen
    stoßen
/stɵk/
noun
7. aantrekkelijk persoon
Kracher
noun
1. Soort bouwvakker
  1. Stuckateur
  2. Gipser
verb
1. onhandig bezig zijn
herumfummeln
noun
Stuntman
adjective
1. dom, bot, stompzinnig
dumm
noun
onverstandigheid, onverstandige/ondoordachte daad
  1. Dummheit
  2. Stupidität
/'styːrə(n)/
verb
7. [een persoon] ergens heen doen gaan
schicken
noun
1. een balk waarmee iets gestut wordt, steunbalk
Stützbalken
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Stutensee
verb
1. iets door het plaatsen van een steun voor omvallen behoeden
stützen
pronoun
1. hoofdstad van de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Stuttgart
/styːr/
noun
1. een hulpmiddel waarmee een bestuurder richting kan geven aan een voertuig
Steuer
noun
1. de rechterzijde als men vanop een schip naar de boeg kijkt
Steuerbord
noun
Ruderhaus
noun
1. knuppel of stok waarmee gestuurd kan worden in een vliegtuig
Steuerknüppel
/ˈstyrlos/
adjective
  1. 1. zonder sturing in sociaal opzicht
    richtungslos
  2. 2. zonder sturing in mechanisch opzicht
    steuerlos
noun
1. iemand die een vaartuig bestuurt
Steuermann
adjective
mürrisch
noun
1. vaste of regelbare waterkering
Wehr
/stywadɔːr/
noun
1. degene die verantwoordelijk is voor het gebalanceerd laden en lossen van schepen
Stauer
noun
1. waterkering voor energiewinning
  1. Staudamm
  2. Talsperre
noun
1. kunstmatig meer
Stausee
noun
1.
Eisrandlage
noun
Styrol
/ˈsʏbɑtˌlɑntikʏm/
noun
Subatlantikum
/ˈsʏborejal/
noun
Subboreal
noun
1. toonhoogtereeks “C₂ tot en met B₂”
Subkontraoktave
noun
subdominant
  1. Subdominante
  2. Unterdominante
adverb
1.
sofort
noun
1. een werkwoordswijs waarmee men een wens of onzekerheid tot uitdrukking kan brengen.
Konjunktiv
noun
2. het proces waarbij een vaste stof overgaat in zijn dampfase
Sublimation
noun
Unterordnung
noun
Abonnement
verb
1. van overheidswege financiële hulp voor een bepaalde activiteit, ver- of aankoop verlenen
subventionieren
noun
1. zelfstandig naamwoord
  1. Substantiv
  2. Nomen
noun
1. taal die in eerste instantie werd gesproken binnen een gemeenschap of gebied waar nu een andere taal de omgangstaal is
Substratsprache
/sʌp'til/
adjective
  1. 1. alleen bij nauwkeurig toezien of voor fijn gevoel waar te nemen of te begrijpen
  2. 2. fijn onderscheidend, scherpzinnig
subtil
noun
1. (aardrijkskunde) de gezamenlijke streken waar een subtropisch klimaat heerst
Subtropen
adjective
1. gezagsondermijnend
subversiv
noun
1. gewenste resultaat van een opzet
Erfolg
noun
Erbschaftsteuer
adjective
1. succes hebbend
erfolgreich
/suˈdɑn/
pronoun
land in Noordoost Afrika, officieel de Republiek Sudan
Sudan
noun
1. een woorddeel dat achter de stam van een woord gevoegd wordt
Suffix
noun
1. zoetstof
Zucker
noun
1.
  1. Praline
  2. Zuckermandel
noun
1. bepaalde ondersoort van de biet waaruit bietsuiker gewonnen wordt
Zuckerrübe
noun
1. Coereba flaveola, een klein zangvogeltje uit de tropische delen van de Amerika's...
  1. Zuckervogel
  2. Bananaquit
noun
Süßwaren
noun
1. blokvormig stukje kristalsuiker
Würfelzucker
noun
1. een vaatje bedoeld om een voorraadje suiker op tafel te brengen
Zuckerdose
noun
1. een rietsoort die verbouwd wordt vanwege zijn suikergehalte en waaruit rietsuiker gewonnen wordt
Zuckerrohr
noun
Zuckerrohrplantage
/ˈsœʏkərˌspɪn/, /ˈsœːkərˌspɪn/
noun
1. lekkernij bestaande uit een hoeveelheid gesponnen suiker aan een stokje
Zuckerwatte
noun
Zuckerwasser
noun
1. stofwisselingsziekte waarbij het bloed een te hoog gehalte aan suiker bevat
Diabetes
noun
1. dom, onhandig persoon
Trottel
verb
1. kampen met een gebrekkige gezondheid of lichamelijk gebrek
plagen
noun
Sulfate
noun
Sulfide
noun
1. een organische verbinding met een sulfonamide functionele groep
Sulfonamide
noun
1.een organische verbinding die een sulfonylgroep gekoppeld aan een ureumgroep bevat
Sulfonylharnstoffe
noun
1., 2. en 3. (gedroogde vrycht van) een variëteit van de druif Vitis vinifera
  1. Sultana
  2. Sultanina
adjective
  1. lakonisch
  2. lapidar
noun
2. sturend deel van de persoonlijkheid dat door opvoeding en socialisatie wordt gevormd en sociale normen en waarden bevat
Über-Ich
/ˈsypərˌfekʏnˈdasi/, /ˈsypərˌfekʏnˈdaʦi/
noun
1. een dubbele zwangerschap.
Superfekundation
noun
1. afwezigheid van elektrische weerstand
Supraleitung
noun
1. fictieve figuur uit een stripverhaal of een film die over bovenmenselijke krachten beschikt
Superheld
noun
1. een staat die zoveel macht heeft dat ze de wereldpolitiek beslissend kan beïnvloeden
Supermacht
noun
Supermarkt
noun
het verschijnsel waarbij een ster op spectaculaire wijze explodeert
Supernova
noun
1. taal die wordt gesproken binnen een gemeenschap of gebied waar eerst een andere taal (de substraattaal) de omgangstaal was
Superstratsprache
noun
1. iets dat als aanvulling toegevoegd wordt
Supplement
noun
1. iemand die een bepaalde club steunt
  1. Fan
  2. Fussballfan
noun
1. een plank waarop men surft
Surfbrett
/ˌsy.ri.ˈna.mə/
pronoun
1. een land in Zuid-Amerika
  1. Surinam
  2. Suriname
/sʏrˈpriːzə/
noun
1. een op een speciale manier ingepakt cadeau
Überraschung
/ˌsʏrvɛ'jerə(n)/
verb
1. toezicht houden
beaufsichtigen
noun
Suspension
pronoun
1. een Bantoetaal die veel gesproken wordt in Oost-Afrika
  1. Suaheli
  2. Swahili
pronoun
1. stad in Namibië
Swakopmund
/sʋɑɫm/, /sβ̞ɑɫm/, /zwɑlm/
pronoun
1. een kleine rivier die in de Maas uitmondt.
Schwalm
/ˈswa.zi.ˌlɑnd/, /ˈsʋa.zi.ˌlɑnt/, /ˈsβ̞a.zi.ˌlɑnt/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel het Koninkrijk Swaziland
Swasiland
noun
een sportieve katoenen trui
Pullover
noun
1. oude (riet-) fluit
Schwegel
adjective
syllabisch
adjective
syllabisch
noun
1. een logische redenering waaruit een conclusie afgeleid wordt
Syllogismus
noun
1. Teken
Symbol
adjective
1.
  1. sinfonisch
  2. symphonisch
/si'metris/
adjective
1. aan twee zijden, bijvoorbeeld spiegelbeeldig gelijk
symmetrisch
noun
1. een gevoel van toegenegenheid
Sympathie
/sɪmˈpoziəm/
noun
1. een wetenschappelijke samenkomst waarop verschillende wetenschappers een lezing houden over een bepaald onderwerp
  1. Symposion
  2. Symposium
adjective
1. met betrekking tot ziekteverschijnselen
symptomatisch
noun
1. ziekteverschijnsel
Symptom
noun
1. gebedshuis van joden.
Synagoge
verb
synchronisieren
verb
Synchronschwimmen
/sɪnˈdrom/
noun
1. ziektebeeld
Syndrom
noun
1. gelijkbetekenend woord
Synonym
noun
Synonymie
noun
een beknopte weergave, een overzicht
Synopsis
/ˈsi.ri.jə/, /ˈzi.ri.jə/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel de Arabische Republiek Syrië
Syrien
/siˈstem/
noun
1. een uit meerdere interagerende onderdelen bestaand stelsel...
System
noun
  1. 1. een interdiscipline tussen informatie en bedrijfskunde, gericht op het analyseren van systemen, voorafgaande aan reorganisatie en of automatisering van bedrijfsprocessen
  2. 2. een werkwijze om verschijnselen te bestuderen voorafgaande aan de ontwikkeling van informatiesystemen
Systemanalyse
noun
Systemadministrator
noun
1. een werkwijze om verschijnselen te bestuderen als een geheel met een onderlinge samenhang en een wisselwerking met de omgeving
systematische Verfahren
noun
Systemdenken
noun
Systemeigenschaft
noun
1. de tak van wetenschap die het samenspel in organisaties en hun relatie met hun omgeving bestudeert
Systems Engineering
noun
Systementwurf
noun
1. de ontwerper van een systeem
Systemanalytiker
noun
1. een werkwijze om verschijnselen te bestuderen als een geheel met een onderlinge samenhang en een wisselwerking met de omgeving
Systempsychologie
noun
1. de theorie over de systematische beschouwing van systemen in de natuur, wetenschap en of maatschappij
Systemtheorie
noun
1.
Systemische Therapie
noun
1. de wetenschap en wetenschappen gebaseerd op het systeemdenken.
Systemwissenschaft
noun
1. een persoon die systematisch te werk gaat
Systematiker
noun
1. een aangebrachte ordening
Systematik
/ˌsisteˈmatis/
adjective
1. stelselmatig, ordelijk volgens een systeem opgezet
systematisch
verb
1. het stelselmatig ordenen volgens een vooropgezet systeem
systematisieren
noun
1. een aangebrachte ordening
systematisierung
noun
1. dun kledingstuk voor het bovenlichaam met korte mouwen en zonder kraag
T-Shirt
adjective
  1. 1. moeizaam en plastisch vervormend onder mechanische belasting
  2. 2. moeilijk te snijden, kauwen (van vlees)
zäh
noun
1. het vermogen energie op te nemen door te vervormen zonder te breken
Zähigkeit
noun
1. een erfelijke aandoening van de exocriene klieren, gekenmerkt door de afscheiding van taai (visceus) slijm (mucus)
Mukoviszidose
/taːk/
noun
1. een te verrichten werk
  1. Aufgabe
  2. Auftrag
/ˈtakstrɑf/
noun
1. een door de rechter opgelegde straf waarbij de veroordeelde een bepaald aantal uren verplicht en zonder betaald te worden moet werken
gemeinnützige Arbeit als Ersatzstrafe
/taːl/
noun
1. systeem van spraakklanken door middel waarvan mensen met elkaar communiceren en de schriftelijke...
Sprache
noun
1. een achterstand in de beheersing van de taal
  1. Sprachrückstand
  2. Sprachschwäche
adjective
1. een gebrekkige taalbeheersing en woordenschat hebbend
sprachlich zurückgeblieben
noun
1. een gebrekkige ontwikkeling van de taalbeheersing en de woordenschat
Spracharmut
/talɑtlɑs/
noun
1. een verzameling van taalkaarten of dialectkaarten
Sprachatlas
noun
1. een belemmering in de communicatie, veroorzaakt door het verschil in taal
Sprachbarriere
/ˈtaːlbəˌɦeːrsɪŋ/
noun
1. het vermogen zich te kunnen uitdrukken in een of meer talen
Sprachbeherrschung
noun
Sprachlehrbuch
noun
1. een cursus met als doel, het aanleren van een taal
Sprachkurs
noun
1. uitdrukkingen en zegswijzen uit een bepaalde taal
Idiom
noun
1. talengroepen die een zelfde voorgeschiedenis hebben
Sprachfamilie
/talfɔut/
noun
1. een fout tegen de grammatica van een taal
  1. Sprachverstoß
  2. sprachliche Fehler
noun
1. een gebied waar een bepaalde taal gesproken wordt
Sprachraum
noun
1. de manier...
Sprachgebrauch
noun
1. de geschiedenis van de talen
Sprachgeschichte
/ˈtalɣəˌvul/, /ˈtaɫχəˌvuɫ/
noun
1. het vermogen om het juiste gebruik van een taal aan te voelen
Sprachgefühl
noun
1. grens van een taalgebied
Sprachgrenze
noun
1. performatief taalgebruik
Sprechakt
/ˈtalklɑŋk/
noun
1.
Phonem
noun
1. wetenschap
  1. Linguistik
  2. Sprachwissenschaft
adjective
1. volgens de regels van de taalkunde
  1. linguistisch
  2. sprachwissenschaftlich
noun
1. een beoefenaar van de taalkunde
  1. Linguist
  2. Sprachwissenschaftler
  3. Sprachwissenschaftlerin
noun
1. een les met als doel, het aanleren van een taal
  1. Sprachkurs
  2. Sprachunterricht
noun
1. een oefening om de taal beter te leren
Sprachübung
noun
1. het verschaffen van taallessen
Sprachunterricht
/ˈtaɫɔntʋɪkəlɪŋˌstɔːrnɪs/
noun
1. een ontwikkelingsstoornis bij kinderen, waarbij het kind meer begrijpt van wat anderen ...
Dysphasie
/ˈtalstrɛːit/, /ˈtalstrɛːt/
noun
1. een strijd om de talen die in een bepaalde situatie gebruikt moeten worden of de wijze waarop de taal gebruikt moet worden
  1. Sprachenkampf
  2. Sprachenstreit
noun
1.
Sprachtypologie
noun
1. de vaardigheid van een vlot gebruik van de taal
  1. Sprachgewandtheit
  2. Sprachkenntnisse
noun
Sprachwandel
noun
1. achteruitgang van een taal vooral op gebied van woordenschat
Sprachverarmung
noun
1. de vooruitgang van een taal op gebied van taaleigen woordenschat en uitdrukkingen
Sprachbereicherung
noun
1. het steeds meer gebruiken van ruwe woorden
Sprachverrohung
noun
Spracherwerb
noun
1. de wetenschap die taal als onderzoeksobject heeft
  1. Sprachwissenschaft
  2. Linguistik
noun
1. een beoefenaar van de taalkunde
  1. Linguist
  2. Sprachwissenschaftler
  3. Sprachwissenschaftlerin
noun
Sprachreinigung
/taːrt/
noun
  1. 1. cirkelvormig zoet gebak
    1. Kuchen
    2. Torte
  2. 3. scheldwoord
    1. Schachtel
    2. Schraube
noun
1. grafische weergave vernoemd naar cirkelvormig etenswaar
  1. Tortendiagramm
  2. Kuchendiagramm
noun
1. een genotsmiddel afkomstig van de bladeren van de tabaksplant, wordt gerookt, gekauwd en gesnoven
Tabak
noun
Tabakkäfer
noun
Tabakspfeife
noun
1. een geordende lijst met gegevens
Tabelle
noun
  1. Tabernakel
  2. Hütte des Stifts
  3. Stiftshütte
noun
  1. 1. pastille
    Tablette
  2. 2. plak
    Tafel
noun
1. een algemeen aanvaard moreel verbod; iets dat onbespreekbaar of ondenkbaar is
Tabu
/tɑ.bu.ˈrɛt/
noun
1. stoeltje zonder leuning voor rug of armen
  1. Hocker
  2. Schemel
noun
1. taborfluit
Galoubet
cardinalNumeral
1. het getal 80
achtzig
pronoun
Achtzigjähriger Krieg
noun
Tachykardie
verb
1. op (on)geoorloofde manier een tegenstander aanvallen
  1. angreifen
  2. grätschen
/tɑkˈtik/
noun
1. een manier om onder gegeven omstandigheden een doel te bereiken
Taktik
/ˈtɑkt.fɔɫ/
adjective
taktvol
/taˈdʒikɪˌstɑn/
pronoun
1. een land in een land in Centraal-Azië met als hoofdstad Doesjanbe
Tadschikistan
noun
1. taf
Taft
/ˈtafəɫ/
noun
1. een meubelstuk met poten, bedoeld om dingen op te zetten of te leggen
Tisch
noun
Tischgeschirr
/ˈtafəlˌklet/
noun
kleed dat als bescherming of versiering over een tafel ligt
  1. Tischdecke
  2. Tischtuch
noun
1.
Tischmesser
/ˈtafəɫˌpot/
noun
1. een verticaal deel van een tafel dat ter ondersteuning dient
Tischbein
noun
Tischrede
noun
1. (sport) een spel waarbij twee spelers, ieder met een batje, een pingpongbal op tafel houden
Tischtennis
noun
1. voetbal op een tafel met opstaande randen
Tischfußball
noun
1.een meestal goedkope wijn zonder specifieke afkomst, die aangenaam bij een doordeweekse maaltijd wordt gedronken.
Tischwein
noun
1. fijn zout
Tafelsalz
noun
1. taft
Taft
pronoun
1. taal die op de Filipijnen gesproken wordt
Tagalog
noun
Tagliatelle
noun
1. een soort van pasta, gemaakt van gemalen sesamzaad met toevoeging van o.a. citrussap, knoflook, peterselie...
  1. Tahin
  2. Tahina
  3. Tahini
/tɑjˈfuːn/
noun
1. een hevige wervelstorm in de Chinese Zee en de Stille Oceaan die ontstaat uit een tropische depressie.
Taifun
/ˌtɑjkoˈnaʊ̯t/, /ˌtɑjkoˈnɔʊ̯t/, /ˌtɑjkoˈnʌʊ̯t/
noun
1. een Chinese ruimtevaarder.
Taikonaut
noun
1. het middelste deel van het lichaam
  1. Taille
  2. taille
/tɑj'ʋɑn/
pronoun
Taiwan
noun
Taiwanisch
/tɑk/
noun
1. een deel van een boom of struik
  1. Ast
  2. Zweig
noun
1. takel
Flaschenzug
noun
1. het geheel van masten en de verstaging van traditionele zeilschepen
Takelage
noun
Baumsäge
/ˈtaləˌkɛnəs/
noun
1. kennis van verschillende talen
Sprachkenntnisse
noun
1. een speciaal talent voor het aanleren van vreemde talen
Sprachtalent
noun
1. bijzondere aanleg
  1. Talent
  2. Begabung
adjective
1. begaafd
  1. begabt
  2. talentier
  3. talentvoll
/tɑɫx/
noun
  1. 1. huidvet, een vetachtige substantie die geproduceerd wordt door talgklieren
    Talg
  2. 2. het harde vet van sommige herkauwers
    1. Talg
    2. Unschlitt
    3. Inselt
noun
1.een klier om de haarzakjes, die talg afgeeft
Talgdrüse
noun
2. islamitische guerrillabeweging in Afghanistan en het westen van Pakistan
Taliban
/tɑlk/
noun
Talk
/'tɑlɪn/
pronoun
1. de hoofdstad van Estland
  1. Tallinn
  2. Reval
adjective
1. met betrekking tot Talossa of het Talossaans
talossanisch
pronoun
1. een kunsttaal gemaakt in 1980 door R. Ben Madison voor zijn micronatie Talossa
Talossanisch
adjective
1. groot in aantal
zahlreich
/tɑm/
adjective
1. (dierkunde) gewend aan omgang met mensen
zahm
noun
  1. 1. en 2. (vruchten van de) tamarindeboom
    Tamarinde
  2. 1. bepaald soort tropische boom, Tamarindus indica
    Tamarindenbaum
noun
1. trommelslager die de maat aangeeft bij het marcheren van soldaten
Trommler
adverb
1. nogal, in relatief grote mate
ziemlich
pronoun
1. taal die gesproken wordt in India, Sri Lanka, Singapore, en Maleisië
  1. Tamilisch
  2. Tamile
noun
1. einde van een touw
Tampen
noun
  1. 1. hard en wittige gecalcificeerde structuur in de mond
    Zahn
  2. 2. scherp uitsteeksel
    1. Zahn
    2. Sägezahn
noun
1. een medisch specialist op het gebied van de tandheelkunde
  1. Zahnarzt
  2. Zahnärztin
/xxxx/
noun
1. angst voor een behandeling bij de tandarts
Zahnbehandlungsangst
noun
1. de helpster van de tandarts
Zahnarzthelferin
/'tɑndɑrtzbor/
noun
1. een soort kleine boor waarmee de tandarts zieke tanden openboort
Zahnbohrer
noun
1. aantasting van tandglazuur en het tandbeen door bacteriën
  1. Karies
  2. Zahnfäule
noun
1. het been waaruit tanden voor het grootste deel bestaan
  1. Dentin
  2. Zahnbein
noun
1. fiets
Tandem
noun
1. borsteltje om de tanden mee te reinigen
Zahnbürste
verb
1. knarsen met de tanden
mit den Zähnen knirschen
noun
1. puntig instrumentje om etensresten tussen de tanden te verwijderen
Zahnstocher
noun
1. het blinkend glazuur op de tandkroon die rond het tandbeen gelegen is
Zahnschmelz
noun
1. wetenschap voor de verzorging van de tanden
Zahnmedizin
/ˈtand.pɑs.taː/, /ˈtɑnt.pɑs.ta/
noun
1. een poetsmiddel voor de tanden
  1. Zahnpasta
  2. Zahncreme
/tɑntpɛin/
noun
1. pijn in één of meerdere tanden
  1. Zahnweh
  2. Zahnschmerzen
noun
1. een dun, vaak onzichtbaar, kleverig laagje dat zich gedurende de dag op de gebitselementen afzet
Zahnbelag
noun
1. tandaanslag
Zahnbelag
noun
Zahnrad
noun
1. de maker van kunstgebitten en kunsttanden
Zahntechniker
/ˈtɑntfles/
noun
1. deel van het mondslijmvlies waarin de tanden vastzitten
Zahnfleisch
noun
1. een ontsteking van het tandvlees
Zahnfleischenzündung
noun
  1. Karies
  2. Zahnfäule
noun
1. een zijden draad waarmee men de ruimte tussen de tanden reinigt
Zahnseide
/tɑŋ/
noun
1. een uit twee delen opgebouwd gereedschap waarvan de beide delen op één punt aan elkaar vastzitten...
Zange
noun
Tanga
pronoun
Tanger
noun
  1. 1. tango
    Tango
  2. 3. spelwoord voor de letter t
    Theodor
/tɑŋk/, /tɛŋk/
noun
  1. 2. een oorlogsvoertuig
    Kampfpanzer
  2. 1. een groot vat
    1. Tank
    2. Panzer
noun
1. schip
Tanker
noun
1. aanduiding voor de persoon die de moed had om voor een pantserwagen met kanon te gaan staan als vorm van geweldloos verzet
Tank Man
noun
1. scheikundig element met symbool Ta en atoomnummer 73
Tantal
noun
1. scheikundig element met symbool Ta en atoomnummer 73
Tantal
noun
1. zus of schoonzus van iemands vader of moeder
Tante
/ˌtɑn.za.ˈni.ja/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika
Tansania
noun
  1. 5. schroefdraadsnijgereedschap
    Gewindebohrer
  2. 8. aftakking van kabel of leiding
    Steckdose
  3. 1. uitsteeksel, stomp
    1. Stummel
    2. Stumpf
  4. 2. uiteinde van as
    Zapfen
  5. 7. aftapkraan aan vat
    Zapfhahn
noun
1. plakband
Klebeband
noun
Teppich
noun
Teppichfresser
noun
1. zetmeel verkregen uit de wortelknol van Manihot esculenta
  1. Tapioka
  2. Tapiokastärke
  3. Maniokstärke
  4. Tapiocastärke
/ˈtapɪr/
noun
1. hoefdier, zo groot als een ezel en met een kleine beweeglijke slurf
Tapir
noun
1. tapkruk
Windeisen
verb
1. tappen van vloeistof
zapfen
noun
1. horecagelegenheid waar men m.n. bier kan drinken
Schankwirtschaft
noun
1. gifspin
Tarantel
/tɑˈrif/
noun
1. een vastgesteld bedrag per eenheid
Tarif
noun
1. tarota
Tarota
noun
Tara
pronoun
1. taal uit de Turkse talen met ongeveer anderhalf miljoen sprekers die vooral wordt gesproken in Tatarstan, een deelrepubliek van Rusland maar ook in andere delen van de vroegere Sovjet-Unie en daarbuiten
Tatarisch
pronoun
1. stad in Estland
  1. Dorpat
  2. Tartu
  3. Dörpt
/ˈtɑrʋə/
noun
  1. 3. zaad van tarwe
  2. 2. meest verbouwde tarwe soort (Triticum aestivum)
Weizen
/ˈtɑrʋəˌbrot/, /ˈtɑrβ̞əˌbrot/
noun
1. een brood op basis van tarwemeel
Weizenbrot
noun
1. en 2 grof gemalen meel van (gewone) tarwe (Triticum)
Weizengrieß
noun
1. (voorgekookte) geplette tarwegranen
Weizenflocken
noun
zemelen van tarwekorrels
  1. Weizenkleie
  2. Weizenspeisekleie
noun
1. zak die men meeneemt om er zaken in te bergen die men bij zich wil hebben
Tasche
pronoun
Tasmanien
pronoun
1. randzee van de Grote Oceaan, gelegen tussen Australië en Nieuw-Zeeland
Tasmansee
verb
tasten
noun
  1. 2. taster van insect
  2. 3. een instrument
Fühler
pronoun
1. taal uit de Turkse talen met ongeveer anderhalf miljoen sprekers die vooral wordt gesproken in Tatarstan, een deelrepubliek van Rusland maar ook in andere delen van de vroegere Sovjet-Unie en daarbuiten
  1. Tatarisch
  2. tatarisch
pronoun
1. de autonome republiek van Rusland met de hoofdstad Kazan
Tatarstan
noun
1. een tekening die met naald en inkt blijvend in de huid is aangebracht
Tätowierung
/tatuʷ'erə(n)/
verb
1. met een naald en inkt een blijvende tekening in de huid inbrengen
tätowieren
noun
1. een tekening die met naald en inkt blijvend in de huid is aangebracht
Tätowierung
noun
1. een tekening die met naald en inkt blijvend in de huid is aangebracht
Tätowierung
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Tauberbischofsheim
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Saksen
Taucha
/tɑuˈge/
noun
1. uitlopers van mungbonen
  1. Mungobohnenkeime
  2. Mungobohnenkeimlinge
  3. Mungobohnensprosse
/tɑk.si/
noun
1. een voertuig bestemd om tegen betaling klanten van de ene plaats naar de andere te brengen
Taxi
noun
Taxonomie
preposition
1. plaats
zu
/tiːm/
noun
  1. 1. een ploeg van bij elkaar horende spelers
  2. 2. een groep samenwerkende mensen
Team
noun
1. scheikundig element met symbool Tc en atoomnummer 43
Technetium
noun
1. iemand die techniek toepast
Techniker
noun
1. De bewerkingen en verrichtingen die nodig zijn om iets tot stand te brengen
Technik
noun
1. zachte pluizige speelgoedbeer
Teddybär
/tef/
noun
1. wijfjeshond
Hündin
noun
1. achtpotige parasiet uit de orde Ixodida
Zecke
noun
1. vingers van de voet
  1. Zeh
  2. Zehe
noun
1. elk van de botjes in de teen
Zehenglied
noun
  1. Flipflop
  2. Schlarpe
/ter/
adjective
1. broos, breekbaar
  1. zart
  2. zerbrechlich
/ter/
noun
1. olieachtige vloeistof met een zeer hoge viscositeit
Teer
noun
1. kubusvormig voorwerp met op elk van de zijden een van de ogenaantallen één tot en met zes
Würfel
noun
1. hybride kruising tussen een mannetjestijger en een vrouwtjesleeuw
Töwe
/ˈteɣəɫ/
noun
1. een rechthoekig stenen voorwerp dat meestal wordt gebruikt voor het bedekken van oppervlakten
  1. Fliese
  2. Kachel
/təɣəˈlɛɪk/
adverb
1. op hetzelfde moment
  1. gleichzeitig
  2. zugleich
adverb
gleichzeitig
noun
1. een bouwvakker die wandtegels zet en vloertegels legt
Fliesenleger
/ˈteɣəmut/, /ˈteχəmut/
adverb
1. tegen (personen)
entgegen
/teːɣən/, /teːχən/
preposition
  1. 1. zijdelings aanleunend
  2. 2. oneens met, ter bestrijding van
gegen
adverb
1. tegen
dagegen
noun
1. een aanval tegen een aanval
  1. Gegenangriff
  2. Gegenschlag
noun
1. een actie tegen een actie
Gegenaktion
noun
1. een argument dat men tegen iets inbrengt
Gegenargument
noun
1. contrast
  1. Gegenstück
  2. Gegenteil
noun
1. een bericht dat een vorig bericht tegenspreekt
Abmeldung
noun
1. een beweging in tegengestelde zin
Gegenbewegung
noun
1. een bezoek ter beantwoording van een ander bezoek
Gegenbesuch
verb
1. zodanig brassen dat de wind van voor in de zeilen valt en het schip geen vaart meer maakt
gegenbrassen
noun
1. het tegenovergestelde
Gegenteil
/ˌteɣə(n)ˈdrats/
adjective
1. tegen de draad, weerspannig
aufsässig
noun
1. druk in tegenovergestelde zin
Widerdruck
verb
1. proberen iets te stoppen of te verhinderen
entgegenwirken
noun
1. ~ geven: ergens tegenin gaan
Gegenwirkung
/ˈteɣə(n)ɣəstɛɫt/
adjective
1. de negatieve waarde van iets hebbend
  1. entgegengesetzt
  2. gegensätzlich
noun
1. een middel dat de werking van een gif neutraliseert of afzwakt
Gegengift
noun
1. iemand of iets met vergelijkbare functie of eigenschappen aan gene zijde van een scheidslijn
  1. Gegenstück
  2. Gegenteil
verb
  1. 2. verhinderen
    1. abhalten
    2. verhindern
  2. 1. iets of iemand stoppen
    aufhalten
adverb
1. zich tegen iets verzettend
gegen etwas
noun
1. een andere kandidaat uit een tegenpartij
Gegenkandidat
/'te.ɣən.ko.mə(n)/
verb
1. bij toeval ontmoeten
begegnen
verb
1. lachend tegemoet zien
zulächeln
noun
Gegenlicht
noun
1. een foto gemaakt bij verlichting achter het tafereel
Gegenlichtaufnahme
noun
1. tegemoetkomend voertuig
Gegenverkehr
adverb
1. tegen de natuur in
widernatürlich
noun
1. tegenaanval
Gegenoffensive
adjective
1. precies andersom
entgegengesetzt
noun
1. hetgeen wat precies voorstelt wat iets helemaal niet is
Gegenteil
noun
1. de andere partij
Gegenpartei
noun
1. iemand met een tegengesteld karakter
Gegenpol
noun
1. een prestatie als vergoeding
Gegenleistung
/ˈteɣə(n)ˌslɑx/, /ˈteχə(n)ˌslɑχ/
noun
1. het gebeuren van ongeluk
Missgeschick
verb
1. weerstand bieden door wilde bewegingen te maken
  1. sich sträuben
  2. sich wehren
noun
  1. 1. een speler van de tegenpartij
  2. 2. iemand die met een ander samenspeelt
Gegenspieler
noun
1. ernstige pech, toestand met belangrijke tegenslag
Unannehnlichkeiten
noun
1. tegenspreken, ontkennen
  1. Widerspruch
  2. Widerrede
verb
1. zich met woorden verzetten
widersprechen
verb
1. al mopperend protesteren
  1. aufmucken
  2. murren
noun
1. verzet
Widerstand
noun
1. vijand, rivaal
  1. Gegner
  2. Widersacher
noun
  1. in tegenstelling tot
    Gegensatz
  2. 1. het tegenovergestelde
    1. Gegensatz
    2. Kontrast
noun
het iemend tegenwerken
Widerstand
verb
iemand tegenwerken
Widerstand leisen gegen
noun
iemand die tegenwerkt
Gegner
verb
1. weerstand bieden
  1. mucken
  2. murren
  3. sich sträuben
adjective
1. niet overeenstemmend
  1. widersprüchlich
  2. widerspruchsvoll
noun
1. iets tegenstrijdigs
Widerspruch
verb
1. minder gunstig verlopen dan verwacht
enttäuschen
noun
1. tegenslag
Enttäuschung
noun
Antipode
noun
1. voorbeeld dat aantoont dat iets niet juist is
Gegenbeispiel
noun
1. een voorstel als antwoord op een voorafgaand voorstel
Gegenvorschlag
noun
1. de overeenkomstige waarde
Gegenwert
noun
1. verdediging
  1. Widerstand
  2. Gegenwehr
verb
1. zich tegen iets verzetten
entgegenarbeiten
noun
1. tegenstand
Widerstand
verb
  1. einwenden
  2. entgegnen
noun
Einwand
noun
1. wat iets in evenwicht houdt
Gegenwicht
noun
1. wind tegen
Gegenwind
adjective
  1. 2. aanwezig
    1. gegenwärtig
    2. anwesend
  2. 1. huidig
    1. gegenwärtig
    2. heutig
noun
1. vorm die aangeeft dat het huidige moment bedoeld wordt
  1. Gegenwart
  2. Präsens
noun
1. aanwezigheid
Anwesenheit
noun
1. het geen zin hebben in iets
  1. Widerwille
  2. Abneigung
noun
  1. Guthaben
  2. Vermögenswerte
noun
1. vaste verblijfplaats
  1. Heim
  2. Zuhause
verb
  1. heimsuchen
  2. plagen
  3. verwüsten
noun
1. symbool, signaal, aanduiding
  1. Zeichen
  2. Anzeichen
noun
1. iemand die beroepsmatig tekent
Zeichner
noun
Skizzenbuch
verb
een tekening maken
zeichnen
/ˈtekə(n)ˌfɪlm/, /ˈtekə(n)ˌfɪɫm/
noun
1. een film waarin een getekende realiteit wordt verbeeld
  1. Zeichentrickfilm
  2. Zeichenfilm
noun
  1. 4. een bouwkundig ontwerp
    Bauzeichnung
  2. 2. een ondertekening
    1. Unterschrift
    2. Unterzeichnung
    1. 1. een door tekenen ontstane afbeelding of voorstelling
    2. 3. een wijze waarop iets van figuren is voorzien of zich in figuren vertoont
    3. 5. een beschrijving
    Zeichnung
noun
1. een ontbrekende hoeveelheid
Mangel
noun
1. verzameling letters en/of woorden
Text
noun
1. discipline binnen de toegepaste taalkunde
  1. Textlinguistik
  2. Textologie
noun
1. gestructureerde ontwikkeling van tekst
Textentwurf
adjective
textuell
noun
1. een computerprogramma waarmee teksten kunnen worden geschreven en bewerkt
  1. Textautomat
  2. Textverarbeitungsgerät
noun
1. natuurlijke processen
Tektonik
/ˌtelefoˈneːrən/
verb
1. een telefoon gebruiken
telefonieren
noun
Telefonie
adjective
1.
telefonisch
/ˌtelə'fon/, /ˌteːlə'foːn/
noun
1. een toestel waarmee men geluid over kan brengen door middel van galvanische stroom
  1. Telefon
  2. Fernsprecher
  3. Telephon
noun
1. is een boek met een grote verzameling telefoonnummers gerangschikt op naam en woonplaats
Telefonbuch
noun
  1. Telefongespräch
  2. conversation téléphonique
noun
1. een uniek nummer toegewezen aan een telefoonaansluiting
Telefonnummer
noun
1. een toestel waarmee men geluid over kan brengen door middel van galvanische stroom
Telefonapparat
noun
  1. Telegraf
  2. Telegraph
verb
1. per telegraaf berichten
telegrafieren
noun
berichten overseinen door middel van de telegraaf
Telegrafie
adjective
  1. Telegrau
  2. telegrau
noun
1. grijs met RAL-nummer 7045
Telegrau 1
noun
1. tint grijs met RAL-nummer 7046
Telegrau 2
noun
1. tint grijs met RAL-nummer 7047
Telegrau 4
adjective
  1. Telemagenta
  2. telemagenta
noun
Telemetrie
verb
1. door nauwgezette verzorging doen groeien
  1. anbauen
  2. ziehen
  3. züchten
noun
1. iemand die zich bezighoudt met verbouwen van bloemen, planten, fruit enz
Züchter
noun
1. een optisch instrument, waarmee ver verwijderde objecten bekeken kunnen worden
  1. Teleskop
  2. Fernrohr
verb
1. iemand op onaangename wijze verrassen, vaak door een belofte niet na te komen
enttäuschen
noun
1. een emotie opgeroepen door het niet uitkomen van een verwachting
Enttäuschung
noun
  1. 2. medium
    1. Fernsehen
    2. Fernseher
  2. 1. elektrisch apparaat
    1. Fernseher
    2. Fernsehen
noun
1. televisieomroep
Fernsehen
/ˌteləˈviziˌseːri/, /ˌteləˈviziˌsɪːri/
noun
1. een opeenvolging van afleveringen van een programma op de televisie
Fernsehserie
noun
1. een technische norm waaraan een televisiesignaal moet voldoen
Fernsehnorm
noun
Fernsehansprache
noun
1. een toestel dat een elektrisch of elektromagnetisch signaal omzet in beeld en geluid
  1. Fernseher
  2. Fernsehapparat
  3. Fernsehempfänger
  4. Fernsehgerät
noun
  1. Telex
  2. Fernschreiber
pronoun
1. een gemeente in de Oostenrijkse deelstaat Tirol
Telfs
pronoun
1.
Telgte
/ˈtɛɫkəns/
adverb
  1. 1. elke keer
    jedes Mal
  2. 2. steeds
    ständig
verb
1. aantal bepalen
zählen
/ˈtɛlər/
noun
1. het getal boven de streep van een breuk
Zähler
noun
1. scheikundig element met symbool Te en atoomnummer 52
Tellur
noun
1. scheikundig element met symbool Te en atoomnummer 52
Tellur
noun
1.
Rechenbrett
pronoun
1.
Teltow
pronoun
1. een Dravidische taal met ongeveer 70 miljoen sprekers
Telugu
noun
  1. Zahlwort
  2. Numerale
verb
1. tam maken
zähmen
/ˈtɛm.pəl/, /ˈtɛm.pəɫ/
noun
1. een gebouw voor godsverering
Tempel
noun
Temperament
/ˈtɛmpɛrɑtyːr/
noun
1. grootheid die de warmte weergeeft
Temperatur
adjective
temporal
adverb
1. luidt het eerste lid van een opsomming van minstens twee argumenten in
erstens
noun
1. beweging in bepaalde richting, neiging
Tendenz
noun
1. een peesontsteking
Sehnenscheidenentzündung
pronoun
1. het grootste eiland van de Canarische Eilanden, een tot Spanje behorende eilandengroep
Teneriffa
noun
1. een scheikundig element met het symbool Ts en het atoomnummer 117
Tenness
noun
1. balsport
Tennis
noun
Tennislehrer
noun
1. onderwijs in tenissen
Tennisstunde
noun
Tennisshuh
noun
Tenor
noun
1. een eenvoudig houten blaasinstrument
Tenorblockflöte
noun
1. tenorsaxofoon
Tenorsaxophon
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de orde Tenrecidae
Tenrek
/tɛnˈslɔtə/
adverb
1. immers
endlich
noun
  1. 2. café, restaurant of andere openbare plek
    Lokal
  2. 1. verplaatsbare constructie van over stokken of buizen gespannen doek die als (tijdelijk) onderdak dient
    Zelt
noun
1. het toetsen van kennis opgedaan bij één vak
  1. Prüfung
  2. Tentamen
/ˈtɛntəˌkɑmp/
noun
1. een kamp met tenten als behuizing
Zeltlager
/tɛnˈtonstɛlə(n)/
verb
1. voor een publiek toonbaar maken
ausstellen
/tɛnˈtonstɛlɪŋ/
noun
1. een uitstalling van voorwerpen om door het grote publiek bekeken te worden
  1. Ausstellung
  2. Schau
noun
1. snaarinstrument uit de luitfamilie
Theorbe
noun
1. een gepigmenteerd knopvormig uitsteeksel op de borst van de mens
Brustwarze
noun
alcoholische drank afkomstig uit Mexico
Tequila
noun
1.
Terameter
noun
1. scheikundig element met symbool Tb en atoomnummer 65
Terbium
/təˈrɛxt/
adjective
1. gegrond op een juist oordeel, dat wat het goede is
richtig
/təˈrɛxt/
adverb
1. teruggevonden
  1. gefunden
  2. wieder da
verb
1. uiteindelijk, vaak per ongeluk, ergens geraken
  1. landen
  2. fallen
  3. geraten
verb
1. het beëindigen van een mensenleven op gerechtelijk bevel
hinrichten
noun
Hinrichtung
verb
1. met teer besmeren
teeren
verb
1. iemands geduld op de proef stellen door hem te irriteren
  1. provozieren
  2. reizen
/tɛrəm/
noun
1. een woord of uitdrukking
Terminus
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Isoptera
Termite
/tɛrˈmɛin/
noun
  1. 1. een vast tijdstip waarop iets gaat gebeuren of iets gebeurd moet zijn
    1. Frist
    2. Termin
  2. op termijn
    auf Termin, bald
  3. op korte termijn
    kurzfristig
noun
1. licht-donkergrens
Terminator
noun
Terminologie
/tərˌnaʊərˈnot/
adverb
1. bijna niet, op het nippertje
  1. gerade noch
  2. knapp
  3. mit knapper Not
adjective
1. ontmoedigd, somber vanwege tegenslag
nie­der­ge­schla­gen
pronoun
1. een stad in de Oostenrijkse deelstaat Neder-Oostenrijk
Ternitz
noun
Terpen
noun
1. een vetoplossend oplosmiddel dat uit de sappen van bepaalde dennensoorten gewonnen kan worden
Terpentin
adjective
  1. Terrabraun
  2. terrabraun
noun
een met een horecaterras vergelijkbare plek in een tuin
Terrasse
/tɛ'rɛin/
noun
1. een stuk grond van enige omvang
Gelände
noun
Terror
noun
1. grondgebied
Territorium
noun
het ontwrichten van een samenleving door terreurdaden tegen burgers, vaak met een politiek of religieus oogmerk
Terrorismus
noun
1. iemand die terroristische aanslagen beraamt, pleegt of wil plegen met een godsdienstig of politiek doel
  1. Terrorist
  2. Terroristin
pronoun
Terschelling
/ˈtɛrsəl/
noun
1. mannetje van een roofvogelsoort
Terzel
adverb
  1. 2. zo, aanstonds
    gleich
  2. 1. onmiddellijk, meteen
    unverzüglich
/tɛrsjɛːr/
noun
Tertiär
noun
1.
Terz
noun
1. tertssextakkoord
Sextakkord
/trʏχ/, /təˈrʏx/
adverb
terug van weggeweest
zurück
noun
Rückzahlung
/tə'rʌxblɪk/
noun
1. een blik op voorbijgegane zaken
Rückblick
adjective
1. terugkijkend naar het verl
  1. rückblickend
  2. retrospektiv
/təˈrʏxbrɛŋə(n)/
verb
  1. 2. naar de eigenaar brengen
  2. 1. naar het punt van vertrek brengen
zurückbringen
/t(ə)ˈrʏɣ.drɪŋə(n)/
verb
  1. 2. beperken, zie ook verminderen
    1. beschränken
    2. einschränken
  2. 1. dringen naar de oorspronkelijke richting
    1. zurückstoßen
    2. zurückwerfen
/təˈrʏχaːn/
verb
1. naar de punt van vertrek gaan
  1. zurückgehen
  2. zurückkehren
verb
1. weer gebruikmaken van iets ouds en vertrouwds
zurückgreifen
verb
1. een min of meer elastische botsing ondergaan
zurückprallen
verb
1. gaan naar een plaats waar men eerder vandaan kwam
zurückkehren
/tə'rʌxkomə/
verb
1. opnieuw naar een plaats komen waar men eerder geweest is
  1. zurückkehren
  2. zurückkommen
verb
1.
  1. zurückbekommen
  2. wiedererlangen
  3. zurückerhalten
verb
1. terug plaatsen
zurücklegen
noun
Rückreise
verb
1. iets (of iemand) weer naar de plaats doen vertrekken waar het vandaan kwam
zurückschicken
/təˈrʏxˌtɔxt/
noun
1. de tocht terug naar een eerder beginpunt
Rückfahrt
noun
1. ontstaan van een nieuw woord doordat een bestaand woord van een vermeend voorvoegsel, achtervoegsel of uitgang wordt ontdaan
Rückbildung
/tɛr.ˈwɛɪ̯l/, /tɛr.ˈʋɛɫ/
conjunction
  1. 1. gedurende de periode dat nog een andere actie aan de gang is
    während
  2. 2. hoewel
    1. während
    2. obwohl
pronoun
1. naam van twee boeken uit het Nieuwe Testament
Thessalonicher
/ˈtɛ.se.ˌrɑk/, /ˈtɛ.se.ˌrɑkt/
noun
1. vierdimensionale hyperkubus
Tesserakt
/tɛst/
noun
  1. 3. toets
    1. Examen
    2. Prüfung
  2. 1. probeersel
    Test
noun
  1. 1. akte met een wilsbeschikking voor na de dood
  2. 1. gedeelte van de bijbel
Testament
noun
1. teelbal, zaadbal
  1. Testikel
  2. Hoden
noun
1. een kans om iets te toetsen
Testmöglichkeit
noun
1. de stift aan het meetsnoer van een meetapparaat
Prüfspitze
noun
1.behoort tot de groep geneesmiddelen die tetracycline-antibiotica worden genoemd
Tetracyclin
adjective
1. als hoofdas van de rotatiesymmetrie een viertallige as bezittend
tetragonal
noun
1. een door vier gelijkzijdige driehoeken ingesloten lichaam
Tetraeder
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Tettnang
/tøx/
noun
1. een grote slok
  1. Schluck
  2. Zug
/ˈtøɣəl/, /ˈtøʝəl/
noun
1. stuurriem van rijdier
Zügel
pronoun
2. spelwoord voor de letter t
Theodor
noun
1. datgene wat over is boven de gewenste hoeveelheid
  1. Zuviel
  2. Übermaß
adverb
daarbij, ook
zugleich
/təˈvredə(n)/
adjective
1. geen behoefte voelend om aanmerkingen te maken
zufrieden
/təvredənɦɛɪt/
noun
1. het gevoel genoeg te hebben en voldaan te zijn
Zufriedenheit
/tə'vredənˌstɛlə(n)/
verb
1. ervoor zorgen dat iemand tevreden wordt
  1. zufriedenstellen
  2. zufrieden stellen
verb
1. veroorzaken
  1. herbeiführen
  2. hervorrufen
  3. verursachen
verb
1. een arbeidsbetrekking verlenen aan iemand
beschäftigen
noun
1. een inwoner van Texas, of iemand afkomstig uit Texas
Texaner
pronoun
Texel
/tɛk'stilɪndʌstri/
noun
de industrie van het maken van stoffen en kleding met textiel
Textilindustrie
pronoun
1. de officiële taal van Thailand
Thailändisch
/ˈtɑɪ̯.lɑnt/, /ˈtɛɪ̯.lɑnd/
pronoun
1. een land in Azië dat vroeger Siam heette
Thailand
noun
1. grijze stof van de tussenhersenen
Thalamus
noun
1. scheikundig element met symbool Tl en atoomnummer 81
Thallium
adverb
  1. jetzt
  2. nun
noun
1. een uitgaansgelegenheid waar theatervoorstellingen gegeven worden
Theater
noun
1. een organisatie die zich bezighoudt met het repeteren en uitvoeren van theatervoorstellingen
Theaterensemble
/teː/
noun
Tee
/ˈteduk/
noun
1. katoenen of linnen doek, m.n. gebruikt om serviesgoed, bestek, pannen e.d. mee af te drogen
Geschirrtuch
suffix
bewaarplaats
thek
noun
1. een kleine lepel om thee mee te roeren
Teelöffel
pronoun
1.de grootste rivier van Engeland
Themse
noun
1. een gevoerde kap om de thee warm te houden
  1. Teewärmer
  2. Teemütze
noun
1. kan met deksel en schenktuit waarin een warme drank wordt bereid door bladeren in heet water te laten trekken
Teekanne
/tema/
noun
1. een onderwerp dat behandelt wordt
Thema
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Thüringen
Themar
noun
Theobromin
pronoun
2. spelwoord voor de letter t
Theodor
noun
1. leer over God, het goddelijke en de godsdienst
Theologie
noun
1. een beoefenaar van de theologie
Theologe
/ˌteɔːˈretis/
adjective
1. wat niet perse in de werkelijkheid voorkomt, m.b.t. feiten en wetten berustende ...
theoretisch
noun
1. een wetenschappelijk model of uitspraak over waarnemingen in de empirie
Theorie
noun
iemand die een patiënt behandelt
Therapeut
noun
1. een methode om aan de genezing van zieken te werken
Therapie
noun
1. elektronisch muziekinstrument
Theremin
noun
1. een poedermengsel van een onedel metaal, gewoonlijk aluminium, en een oxide van een edeler metaal, vaak ijzer of koper
Thermit
adjective
1. met betrekking tot warmte
thermisch
noun
1. de leer van warmte en arbeid
Thermodynamik
adjective
thermodynamisch
noun
1. grafische registratie van de temperatuur opgetekend door een thermograaf of camera
Thermogramm
/ˈtɛrmoˌmetər/
noun
1. een meetinstrument om temperaturen te meten
Thermometer
noun
Thermosphäre
noun
1. synoniemenwoordenboek
Thesaurus
/ˈtiosɵlˌfat/
noun
1.
Thiosulfat
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Saarland
Tholey
/ˈtora/
pronoun
1.-3.
Thora
noun
1. scheikundig element met symbool Th en atoomnummer 90
Thorium
noun
Threonin
/tœʏs/, /tœːs/
noun
1. een plek waar iemand woont en zich veilig voelt
Zuhause
/tœysbəzɔrɣə(n)/
verb
1. afleveren aan huis
  1. ins Haus liefern
  2. ins Haus zustellen
noun
  1. 1.haven waar een schip geregistreerd is
  2. 2.plaats waar iemand zich thuis voelt of thuis hoort
Heimathafen
noun
1. scheikundig element met symbool Tm en atoomnummer 69
Thulium
noun
Thyratron
noun
Thyristor
noun
Thyroxin
/ˌtiroˈid/, /ˌtiroˈit/
noun
1.een klier gelegen aan de voorzijde van de hals
Schilddrüse
pronoun
Thüringen
pronoun
1.
Thüringer Wald
noun
Tiara
pronoun
2. de rivier die stroomt door Rome
Tiber
pronoun
  1. 1. autonome regio
  2. 1. voormalig land
Tibet
adjective
1. gerelateerd aan of afkomstig uit Tibet
tibetisch
pronoun
1. een taal die wordt gesproken in Tibet en buiten Tibet door een grote groep vluchtelingen
  1. Tibetisch
  2. tibetanisch
pronoun
  1. 1. Zwitsers kanton
  2. 1. zijrivier van de Po
Tessin
cardinalNumeral
1. het getal 10
zehn
noun
2. kerkbelasting
Zehnt
ordinalAdjective
1. nummer tien in een rij
zehnte
noun
Zehntausendeck
noun
1. jongere tussen 10 en 20 jaar oud
Teenager
noun
1. biljet van tien euro
Zehneuroschein
noun
1.
Licht-Marienkäfer
noun
1. vrouwelijke borst
Titte
pronoun
1. taal gesproken door meer dan 5 miljoen mensen in Eritrea, Ethiopië, Duitsland en Israël
Tigrinya
/tɛit/, /tɛɪ̯d/, /tɛːt/
noun
1. onstuitbare gang der dingen van toekomst door het heden naar het verleden
Zeit
noun
Zeitleiste
adjective
1. voor een beperkte tijd, niet permanent
vorläufig
adverb
1. voor een beperkte tijd, niet permanent
vorübergehend
preposition
1. gedurende de tijd dat
während
noun
Zeitgeist
noun
1. iemand die in dezelfde historische periode leefde
Zeitgenosse
noun
1. een schakelaar die om een bepaald tijdstip automatisch de schakeling omzet
Zeitschaltuhr
adjective
1.
zeitlos
/ˈtɛːtmɑˌʃinə/, /ˈtɛːɪtmɑˌʃinə/
noun
1. machine om mee door de tijd te reizen
Zeitmaschine
noun
  1. Ära
  2. Epoche
adjective
1. een aanzienlijke hoeveelheid tijd vereisend
  1. zeitraubend
  2. Zeit raubend
noun
1. het laten zien hoe laat het is; het laten zien wanneer iets gebeurd is
Zeitangabe
noun
1. schakelaar die men op een bepaalde tijd kan afstellen
  1. Zeitschalter
  2. Zeitschaltuhr
noun
1. blad waarvan met vaste tussenpozen afleveringen verschijnen
Zeitschrift
noun
  1. 1. afsluitmechanisme van een kluis of ruimte waarin een of meer uurwerken zijn verwerkt
    1. Zeitschloss
    2. Zeitverschluss
  2. 1. afgebakende periode
    Zeitschlitz
noun
1. een punt in de tijd
Zeitpunkt
noun
  1. Zeitverschwendung
  2. Zeitvergeudung
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera tigris
Tiger
noun
1. bepaald soort zoogdier, Leopardus tigrinus
Tigerkatze
noun
3. kruid gebruikt in de keuken
  1. Thymian
  2. Quendel
noun
1. verkeerde letters aanslaan bij tikken
Tippfehler
/ˈtɪkə(n)/
verb
  1. iemand op de vingers tikken
    1. jemandem auf die Finger klopfen
    2. jemanden rügen
  2. 2. het regelmatige, korte maar energieke geluid van zo'n slag of klap
    ticken
  3. 3. typen
    tippen
pronoun
1. wereldwijd veel gebruikte netwerksite voor het tonen van korte filmpjes
TikTok
noun
  1. 1. het tillen
    1. Aufheben
    2. Heben
  2. 1. een houten constructie die vaak in een punt water overbrugt
    1. Balkenbrücke
    2. Holzbrücke
  3. 2. een vogelbehuizing zonder ren
    Taubenschlag
pronoun
Tilburg
/tɪlə(n)/
verb
  1. 1. van de grond opheffen
    heben
  2. 2. iemand tekortdoen
    übervorteilen
verb
1. houten zaken in elkaar zetten
zimmern
noun
Bauholz
noun
1. iemand die zich beroepsmatig vooral met houtbewerking bezighoudt
Zimmermann
noun
1. plat potlood van stevige constructie dat toch dunne lijntjes kan trekken
  1. Zimmermannsbleistift
  2. Zimmererbleistift
  3. Zimmermannsstift
noun
1. een vrouw die zich beroepsmatig vooral met houtbewerking bezighoudt
Zimmerfrau
pronoun
  1. Timotheus
  2. Tim
noun
scheikundig element
Zinn
noun
1. elk van de stukjes onderbroken muur bovenaan een wand van een gebouw of vestingwerk
Zinne
noun
Tinnitus
verb
2.
  1. funkeln
  2. glitzern
pronoun
2. spelwoord voor de letter t
Theodor
noun
1. een handpomp waarmee gesmolten soldeertin bij het lossolderen kan worden opgezogen
Entlötpumpe
noun
1. een tent tent met een puntdak die o.a. gebruikt wordt door de Noord-Amerikaanse indianen
Tipi
/ˈtɪ.pə.lar.stər/
noun
2. prostituée op straat
  1. Strichmädchen
  2. auf dem Strich
noun
Tyrann
noun
1. onrechtmatige heerschappij, gekenmerkt door willekeur en geweld
Tyrannei
pronoun
  1. 1. regio
  2. 2. deelstaat van Oostenrijk
Tirol
/ti'tan/
noun
Titan
noun
Titandioxid
noun
1. scheikundig element met symbool Ti en atoomnummer 22
Titan
noun
  1. 1. opschrift van een document
  2. 2. aanduiding van een persoon
Titel
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Titisee-Neustadt
noun
Titration
/ˈtitʏs/
pronoun
Titus
noun
1. een kleine zangvogel uit de Zangers Sylviidae
Zilpzalp
adjective
1. heel erg vol zodat er niets meer bij kan
rappelvoll
verb
  1. 2. lijden aan een ongemak
    abquälen
  2. 1. zich ergens zorgen over maken
    1. brüten
    2. grübeln
pronoun
2. apocrief boek uit de Bijbel
  1. Tobias
  2. Tobit
/dɔx/, /tɔx/, /tɔχ/
adverb
    1. 1. gebruikt om iets extra te benadrukken
    2. 3. om bevestiging vragend
    doch
  1. 2. in weerwil van iets
    trotzdem
noun
  1. 2. activiteit waarbij men naar een of meer bestemmingen gaat
    1. Reise
    2. Fahrt
  2. 1. bewegende koude lucht binnen een ruimte als gevolg van openingen naar buiten
    Zug
noun
1. tochtdeur
Windvangtür
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Todtnau
verb
1. het eigendom zijn van
gehören
verb
1. het doen opnemen van bijvoorbeeld een medicijn door iemand
verabreichen
noun
1. plaats waarlangs men ergens binnen kan gaan
Zugang
noun
Eintrittspreis
adjective
1.te bereiken
zugänglich
/ˈtuɣəˌstan/
adjective
1. wat mag, geoorloofd
  1. erlaubt
  2. zulässig
verb
  1. 1. toestaan
    1. eingestehen
    2. zugeben
  2. 2. erkennen
    zugeben
/ˈtuxɪft/
noun
  1. 1. iets dat als overmaat, als extra gave geschonken wordt
    1. Beilage
    2. Zugabe
  2. 1. extra stuk muziek , dans enz. als dank voor het applaus als de voorstelling al is afgelopen
    Zugabe
verb
1. met gejuich begroeten
zujubeln
noun
1. benaming voor tropische vogels uit de familie Ramphastidae
Tukan
noun
1.
  1. Futur
  2. Zukunft
noun
Zukunft
verb
  1. 1. niet onmogelijk maken of verbieden
    1. erlauben
    2. zulassen
  2. 2. toegang verschaffen
    zulassen
verb
1. verduidelijken
  1. erläutern
  2. verdeutlichen
/ˈtulɪxˌtɪŋ/
noun
1. nadere tekst om het te verduidelijken
Erläuterung
/tun/
adverb
  1. 2. in een vervlogen tijd
    damals
  2. 1. op of na dat tijdstip
    1. dann
    2. danach
/tun/
conjunction
1. op het tijdstip dat
  1. als
  2. während
noun
1. het groter worden in aantal of maat
Zunahme
noun
1. grote moerassige en boomloze vlakte in de noordelijke poolstreken
Tundra
verb
1. groter worden in getal of maat
zunehmen
adverb
damals
adjective
damalig
adjective
1. dat wat er goed bij hoort of op van toepassing is
  1. anwendbar
  2. brauchbar
verb
  1. 1. in de praktijk brengen
  2. 2. gebruiken
anwenden
noun
  1. 2. het in de practijk brengen van iets
  2. 1. een manier waarop iets gebruikt wordt
Anwendung
noun
1. het reizen voor ontspanning
Tourismus
noun
1. een mannelijk persoon die voor zijn plezier reist
Tourist
noun
1. een vrouwelijk persoon die voor haar plezier reist
Touristin
/tusxɔuər/
noun
1. iemand die naar iets kijkt
Zuschauer
verb
1. het auteurschap of de eigenaar van iets associëren met iemand
zuschreiben
noun
1. een bonus vanwege een specifieke situatie
Zuschlag
/ˈtuspra:k/
noun
1. een voordracht voor een groter publiek
Rede
verb
1. iets niet verbieden, iets mogelijk maken
erlauben
/'tustɑnt/
noun
  1. een ongelukkige situatie
    Zustand
  2. geheel van omstandigheden
    1. Zustand
    2. Beschaffenheit
noun
1. een werktuig dat uit meer dan één onderdeel bestaat
  1. Apparat
  2. Gerät
  3. Maschine
noun
een toezegging dat iets geoorloofd is
  1. Zustimmung
  2. Einwilligung
verb
1. iemand zo mishandelen dat hij of zij zichtbaar lichamelijk letsel heeft
zurichten
noun
1. gerecht waarmee een maaltijd kan worden afgesloten
  1. Dessert
  2. Nachtisch
noun
1. het deelnemen aan iets, lid worden
Eingang
noun
3. een knop op het bedieningspaneel van een schrijfmachine of computer die het mogelijk maakt een symbool in te typen
Taste
/ˈtutsə(m)ˌbɔrt/
noun
  1. 3. klavier van een toetsinstrument
    Klaviatur
  2. 1,2 een apparaat waarmee, door toetsen in te drukken, gegevens in een computer e.d. ingevoerd kunnen worden
    Tastatur
noun
1. muziekinstrument met een toetsenbord
Tasteninstrument
/ˈtuːvɑl/
noun
  1. 2. een aanval van epilepsie
    Anfall
  2. 1. een gebeurtenis of omstandigheid die vooraf niet te voorzien of niet te berekenen is geweest
    Zufall
adjective
zufällig
verb
1. tot vermeerdering bijvoegen
hinzufügen
noun
1. datgene wat met een groter geheel verenigd wordt
Zufügung
noun
2. een gebonden morfeem dat aan een ander morfeem wordt toegevoegd om zo een nieuw woord te vormen
Affix
/tuʋɛɪ̭zə(n)/
verb
1. goederen of fondsen een bestemming geven
  1. zuweisen
  2. zuordnen
verb
1. beloven
  1. versprechen
  2. zusagen
noun
1. het in de gaten houden, het letten op
Aufsicht
adjective
1. populair, gaaf, cool
toll
/'to.ɣo/, /ˈto.χo/
pronoun
1. een land in West-Afrika
Togo
/tʋɑ'lɛt/
noun
1. een plaats waar men zich kan ontlasten
Toilette
pronoun
1. een taal die in Papoea-Nieuw-Guinea gesproken wordt
Tok Pisin
/ˈtɔki ˈpoːnaː/
pronoun
1. bepaalde minimalistische kunsttaal
Toki Pona
noun
1. snaarinstrument waarvan de snaren worden getokkeld
Zupfinstrument
noun
  1. Prolet
  2. Ba­nau­se
/tɔl/
noun
  1. 2. kinderspeeltuig
    Kreisel
    1. 3. plaats waar men slechts tegen betaling mag passeren
    2. 4. geld dat men bij een tol geheven wordt
    1. Zoll
    2. Maut
/tolɑj/
pronoun
1. taal in Papoea-Nieuw-Guinea
Kuanua
noun
1. een persoon die gesproken tekst (meteen) vertaalt naar gesproken tekst in een andere taal
Dolmetscher
noun
Dolmetschers
verb
dolmetschen
/toˈmat/
noun
1. een eetbare vrucht van de tomatenplant
  1. Tomate
  2. Paradeiser
adjective
  1. Tomatenrot
  2. tomatenrot
noun
1. strijdbijl van de Noord-Amerikaanse indianen
Tomahawk
noun
Ketchup
noun
1. een vruchtensap dat uit tomaten is bereid
Tomatensaft
noun
1. naam voor koperlegeringen met zink
Tombak
noun
1. röntgenfoto waarbij slechts één vlak scherp wordt afgebeeld (doorsnede)
Tomografie
/tɔmˈpus/
noun
1. een gebakje bestaande uit geglazuurd bladerdeeg met room
Cremeschnittchen
noun
  1. 1. een vat in de vorm van...
  2. 3. een gewichteenheid van 1000 kilogram
Tonne
/tonə(n)/
verb
2. laten zien
zeigen
noun
1. traditioneel Okinawaans wapen
tonfa
noun
  1. 2. wat gesproken wordt
    1. Sprache
    2. Zunge
  2. 1. beweeglijk lichaamsdeel in de mond van mensen en veel dieren
    1. Zunge
    2. Lasche
pronoun
Tonga
pronoun
1. stad in het zuiden van Belgisch-Limburg
Tongern
noun
1. een gewelf in de vorm van een halve cilinder
Tonnengewölbe
noun
1. erotisch getinte kus waarbij de tongen van de partners elkaar raken
Zungenkuss
noun
tonica
Grundton
noun
1. benaming voor snelle oceaanvissen uit het geslacht Thunnus
Thunfisch
/ˈtɔnsɪl/
noun
1. een amandel
Mandel
verb
1. iets versieren
schmücken
noun
1. stuurriem van rijdier
Zügel
noun
1. het klankkarakter van een toonladder
Tonart
noun
1. een winkeltafel waarop waren worden getoond en afgerekend
  1. Ladentheke
  2. Tresen
  3. Verkaufstisch
noun
Komponist
noun
1. toongenerator
Tongenerator
noun
1. het klankkarakter van een toonladder
Tonart
noun
1. toonhoogte
Tonhohe
noun
1. toonkunst
Tonkunst
noun
1. een stijgende of dalende opeenvolging van tonen
Tonleiter
noun
1. toonhoogtenspectrum
Tonumfang
noun
1. een volgens bepaalde schema stijgende of dalende opeenvolging van tonen
Tonleiter
/'tonsort/
noun
1. een stelsel van toonafstanden dat gebruikt wordt in een muziekstuk
Tonart
noun
1. woede, gram
Zorn
noun
Fackel
/ˈtostə(n)/
verb
1. een heildronk uitbrengen, op iets of iemand drinken
toasten
noun
  1. 1. hoogste punt, (bovenste) uiteinde
    Gipfel
  2. 3. de leiding van een bedrijf, de directeur en of de topmanagers
    1. Leiter
    2. Leiterin
    3. Leitung
  3. 2. grootst mogelijke, hoogst bereikbare (topsnelheid, topsport)
    Spitzen-
noun
Topas
noun
1. het onderwerp van gesprek
Thema
noun
1. onderdeel aan de bovenkant van de toets van een gitaar
  1. Obersattel
  2. Sattel
adjective
1. de borsten bloot latend
  1. oben ohne
  2. barbusig
  3. topless
adjective
1. verband houdend met de nauwkeurige beschrijving van een gebied
topografisch
noun
1. een eigennaam die een geografisch begrip benoemt
Toponym
verb
1. een plant besnoeien door de groeitoppen te verwijderen
  1. beschneiden
  2. stutzen
noun
1. uitstekend resultaat
  1. Hochleistung
  2. Spitzenleistung
noun
1. sport op het hoogste niveau, vaak professioneel
Leistungssport
noun
1. onderdeel aan de bovenkant van de toets van een strijkinstrument
  1. Obersattel
  2. Sattel
noun
Käfer
/tɔːrə(n)/
noun
  1. 2. een bepaald schaakstuk in de vorm van een toren
  2. 1. een hoog bouwwerk
Turm
noun
1. meest algemene Europese valk die vaak in nestkasten en gebouwen nestelt, Falco tinnunculus
Turmfalke
noun
1. een draaiende, trechtervormige uitstulping onder een wolk tijdens een onweersbui
  1. Tornado
  2. Windhose
noun
Torpedo
noun
Torus
/ˈtɔsti/
noun
1. een dubbele boterham met kaas en eventueel ander beleg die in een tosti-ijzer is verwarmd
Käse-Schinken-Toast
conjunction
1. het punt dat benaderd wordt
bis
preposition
tot dusver|
bisher
/tɔt.ʋe.dər.ˈɦoː.rə(n)/
interjection
1. een groet waarmee iemand aan de telefoon afscheid neemt
auf Wiederhören
/tɔt.ˈʋeːr.zins/
interjection
1. een groet waarmee iemand afscheid neemt
auf Wiedersehen
interjection
1. een groet bij het vertrek die de hoop uitspreekt elkaar weer te zien
auf Wiedersehen
/ˈto.to.ˌlɔs/
noun
van vaartuigen, voertuigen en goederen dat het economisch niet meer verantwoord is...
Totalschaden
adjective
1.
totalitär
noun
Totalität
/ˈtoːtɘmˌpaːl/
noun
1. een houten standbeeld
Totempfahl
noun
1. een luxe autobus om reizen of uitstappen mee te maken
Reisebus
noun
  1. 1. een toegangspoortje dat personen slechts stuk voor stuk doorlaat
    Drehkreuz
  2. 2.een knelverband
    1. Stauschlauch
    2. Tourniquet
noun
1. een mannelijk iemand die kan toveren
Zauberer
verb
hexen
/ˈtovərkʏnst/
noun
1. mogelijkheid om langs bovennatuurlijke weg resultaten te bereiken
  1. Zauber
  2. Zauberkunst
noun
1. staf om mee te toveren
Zauberstab
/ˌtɔk.si.ˌko.lo.ˈɣi/, /ˌtɔk.si.ˌko.lo.ˈχi/
noun
1. de wetenschap die de werking van giftige stoffen op biologische systemen bestudeert
Toxikologie
adjective
1. giftig
toxisch
noun
1. klierziekte veroorzaakt door het virus toxoplasma
Toxoplasmose
/traːx/
adjective
1. met geringe snelheid
langsam
noun
  1. 2. ook inertie genoemd
  2. 1. het langzaam zijn
Trägheit
noun
  1. 2. olie bereid uit het spek van zeezoogdieren als walvissen en robben
    Tran
  2. 1. vocht dat uit klieren bij de ogen vloeit
    Träne
noun
1. een van de beederen van de schedel
Tränenbein
noun
Tränennasengang
noun
1.
Tränengas
/ˈtraːnɦøvəl/
noun
1. verhevenheid in de ooghoek aan de zijde van de neus
  1. Tränenkarunkel
  2. Tränenwärzchen
noun
Tränennasengang
noun
1. klier, gelegen boven de oogbollen, die traanvocht produceert
Tränendrüse
pronoun
1.
Traben-Trarbach
noun
1. (medisch) het opensnijden van de luchtpijp
Luftröhrenschnitt
noun
Tracheitis
/ˈtrɑktɔr/
noun
motorvoertuig
  1. Traktor
  2. Schlepper
  3. Trecker
/tradisʲoˈnel/
adjective
1. zoals de gewoonte dat meebrengt, van oudsher
  1. traditionell
  2. herkömmlich
phraseologicalUnit
traditionelles Chinesisch
noun
1. transformator
Trafo
/traˈxedi/
noun
  1. 1. een toneelspel dat handelt over een bedroevende gebeurtenis
  2. 2. gebeurtenis met een droevige of rampzalige afloop
Tragödie
noun
1. ± iemand in opleiding, voor een functie in een onderneming of organisatie
Azubi
verb
1. het doen van lichamelijke oefeningen
trainieren
noun
1. een oefening
Training
pronoun
1. een stad in de Oostenrijkse deelstaat Neder-Oostenrijk
Traiskirchen
/trɛ.dyˈɲɔ̃/
noun
1. het teken, een liggend streepje, dat wordt geplaatst tussen delen van een...
Bindestrich
noun
1. de af te leggen of afgelegde weg van een voorwerp door de ruimte
  1. Bahn
  2. Route
  3. Strecke
/tram/, /trɑm/, /trɛm/
noun
1. railvoertuig dat meestal in steden voor personenvervoer gebruikt wordt
Straßenbahn
noun
1. een morfine-achtige pijnstiller
Tramadol
noun
Trampolin
verb
tranchieren
/ˈtra.nə(n).ˌdɑl/, /ˈtra.nə(n).ˌdɑɫ/
noun
  1. 1. plek van enorm verdriet
  2. 2. alle verdriet en smart gevoeld in het leven
Jammertal
adjective
1. dwars door Siberië
transsibirisch
noun
Transaktion
/trɑnsˈkrɪpsi/
noun
  1. 1. de conversie naar een geschreven tekst van een andere geschreven, getypte of gedrukte tekst.
    1. Abschrift
    2. Abschreiben
    3. Übertragung
    1. 3.
    2. 2. het vastleggen van de uitspraak van een gesproken tekst op schrift.
    Transkription
  2. 4. het omzetten van een muziekstuk naar een andere vorm of bezetting.
    1. Transkription
    2. Umschreibung
noun
1.
  1. Querhaus
  2. Transept
  3. Querschiff
abbreviation
  1. Transformator
  2. Trafo
noun
Transistor
/'trɑnzitif/
adjective
transitiv
noun
1.
Transkription
noun
1. verplaatsing, overplaatsing
Translokation
noun
Transmutation
adjective
1. lichtdoorlatend
  1. durchsichtig
  2. transparent
noun
1. folie uit plastiek waarop tekst, figuren en foto's worden aangebracht ter ondersteuning van...
  1. Dia
  2. Klarsichtfolie
noun
1. doorzichtbaarheid
Transparenz
verb
1. de overzetting van biologisch materiaal naar een andere plaats in hetzelfde of naar een ander lichaam
transplantieren
verb
1. in een andere toonsoort overzetten
transponieren
noun
Transport
noun
1. rollende band zonder einde voor het vervoer van materiaal of goederen
Transportband
noun
  1. Transportbetrieb
  2. Transportunternehmen
verb
1. personen of objecten naar een andere plek brengen
  1. transportieren
  2. befördern
noun
1. overzetting naar andere toonsoort
Transposition
pronoun
  1. Siebenbürgen
  2. Transsilvanien
  3. Transsylvanien
pronoun
Transvaal
noun
  1. 1. verbinding tussen twee op verschillende hoogte liggende vloeren of terreinen,...
    Treppe
  2. 1. benaming voor vogels uit de familie Otididae
    Trappe
noun
Tretboot
/trɑˈpezə/
noun
  1. 1. een zweefrek voor acrobaten
  2. 2. een hulpmiddel voor het buiten boord hangen om een zeilboot in balans te houden
Trapez
/trɑˈpezɪʏm/
noun
1. een vierhoek waarvan twee zijden evenwijdig lopen
Trapez
noun
Treppenlift
adjective
  1. 2. in trappen, stap voor stap
    1. gestaffelt
    2. schrittweise
  2. 1. op de wijze van een trap
    1. stufenweise
    2. stufig
/ˈtrɑptredə/
noun
1. een deel van een trap waarop men kan staan
Treppenstufe
/ˈtrɑptre/
noun
1. een deel van een trap waarop men kan staan
Treppenstufe
noun
1. vlak terrein waarop je zonder officiële organisatie of voorzieningen kunt voetballen
Bolzplatz
noun
psychische stoornis, ontstaan door een schokkende ervaring
Trauma
verb
1.
traumatisieren
noun
1. taps toelopende buis, gebruikt voor het vullen van vaten
Trichter
noun
1. 1081
Tredezilliarde
noun
1. 1078
Tredezillion
/tre/
noun
  1. 2. opstapje dat deel uitmaakt van een ladder
    1. Sprosse
    2. Leitersprosse
  2. 1. opstapje dat deel uitmaakt van een trap
    Stufe
verb
1. raak schieten
treffen
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Thüringen
Treffurt
noun
1. een titelwoord van een stuk tekst in een catalogus, woordenboek of encyclopedie
Stichwort
noun
1. een krachtige vissersboot die met een trechtervormig net vist
Trawler
noun
1. een rij wagons die door een krachtvoertuig (bijvoorbeeld een locomotief) voortbewogen wordt
  1. Zug
  2. Eisenbahn
noun
1. het benutten van een trein
Zugbenutzung
noun
  1. Bahnfahrt
  2. Zugfahrt
/ˈtrɛɪtərə(n)/
verb
1. rottigheid uithalen ten nadele van iemand met het doel diegene dwars te zitten
quälen
verb
  1. 4. aandacht opwekken
    1. anziehen
    2. anlocken
    1. 1. op een voorwerp een kracht uitoefenen in een richting die ervan wegvoert
    2. 2. een lijn aanbrengen
    3. 3. een lange tocht uitvoeren
    ziehen
  2. iemand over de streep trekken
    überzeugen
noun
2. een tractor
  1. Traktor
  2. Schlepper
  3. Trecker
noun
1. paard dat een voertuig trekt
Zugpferd
noun
1. pop
Hampelmann
/'trɛk.sxʌʏt/
noun
1. vaartuig
Kahn
noun
1. benaming voor sprinkhanen die normaal gesproken solitair leven,...
Wanderheuschrecke
noun
1. gegraven waterweg
Kanal
noun
1. een vogel die 's winters een andere verblijfplaats kiest dan in de broedtijd
Zugvogel
noun
1. een pad langs de kant van een kanaal of vaart waarover eertijds de trekdieren van de trekschuit werden voortgedreven
  1. Leinpfad
  2. Treidelpfad
  3. Treidelweg
/trɛkzɑk/
noun
1. een instrument met een blaasbalg die een wisseltonig stelsel doorslaande tongen bedient in diatonische stemming
Quetschkommode
noun
1. diakritisch teken
Trema
noun
  1. ontwikkeling in een bepaalde richting
    1. Neigung
    2. Tendenz
  2. nieuwe mode
    Trend
noun
1.
Dreidel
pronoun
Trentino
pronoun
Trentino-Südtirol
verb
1. verdrietige gevoelens koesteren, vaak na het verlies van iemand of iets
trauern
noun
1. bepaald soort boom met dunne neerhangende takken, Salix babylonica
Trauerweide
/'trøzəlar/
noun
1. iemand die niet opschiet en te veel tijd verdoet
Trödler
noun
Triade
noun
1. behendigheidswedstrijd
Trial
noun
1. een slaginstrument in de vorm van een vrijhangende metalen driehoek
Triangel
noun
1. de plaatsen voor het publiek
Tribüne
pronoun
1.
Trier
/ˈtrɪf.tɔŋ/
noun
1. een foneem dat uit drie klinkers bestaat die binnen één lettergreep in elkaar overgaan
Triphthong
noun
Triglyzeride
adjective
1. aan drie kanten, in twee richtingen (buitenkanten)
  1. dreiseitig
  2. trilateral
cardinalNumeral
Trillion
/'trɪlə(n)/
verb
1. snel heen een weer bewegen
  1. vibrieren
  2. zittern
noun
1.
Trimm-dich-Pfad
noun
1. een periode van drie maanden
Trimester
/ˌtrinidɑd ɛn toˈbaːɣo/, /ˌtrinidɑt ɛn toˈbaːɣo/, /ˌtrinidɑt ɛn toˈbaχo/
pronoun
1. een land in het Caribisch gebied bestatend uit twee eilanden, officieel de Republiek Trinidad en Tobago
Trinidad und Tobago
noun
  1. 3. seksuele activiteit met drie personen
    Dreier
  2. 1. een muziekstuk voor drie spelers
    Trio
noun
Triode
noun
2. grootse overwinning of prestatie
Triumph
noun
1. triool
Triole
noun
1. de meest voorkomende vorm van dizuurstof in de grondtoestand die twee ongepaarde elektronen per molecule bezit
Triplet-Sauerstoff
noun
1. compositieplaat betaande uit 3 laagjes gelijmd hout in verschillende vezelrichtingen
Sperrholz
noun
1.
Tritonus
noun
1. politiek leiderschap dat uit drie gelijkwaardige personen bestaat
Triumvirat
adjective
trivial
pronoun
Triest
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Trochtelfingen
noun
1. troepen
Streitkräfte
pronoun
1. een stad in de Oostenrijkse deelstaat Stiermarken
Trofaiach
noun
1. duurzaam voorwerp dat na een overwinning als symbool daarvan aan de winnaar wordt uitgereikt
Trophäe
noun
1. een driekantige platte schep met handvat voor het opbrengen van metselspecie
Maurerkelle
noun
  1. 2. een langgerekte, nauwe en diepe kloof in de zeebodem veroorzaakt door subductie van een tektonische plaat.
    Tiefseegraben
  2. 1. een langgerekte voederbak.
    Trog
/'trɔ.li.bɵs/
noun
Trolleybus
/ˌtrɔmboˌsitopeˈni/
noun
1. het symptoom dat men een te laag aantal bloedplaatjes of trombocyten heeft.
Thrombozytopenie
noun
1. een koperen blaasinstrument
Posaune
noun
1. de vorming van een bloedprop in een bloedvat of het hart
  1. Thrombose
  2. Thrombus
/ˈtrɔmbʏs/
noun
1. bloedprop
  1. Blutgerinnsel
  2. Thrombus
noun
1. een cilindervormig, met een vel bespannen slaginstrument
Trommel
noun
  1. Trockner
  2. Wäschetrockner
verb
1. ritmisch op iets slaan
trommeln
noun
Trommelspeicher
noun
1. onderdeel van een wiel, waarin twee halfcirkelvormige lichamen van binnenuit tegen de wand van een cilinder rond de as worden gedrukt
Trommelbremse
noun
Trommelfell
noun
1. een koperen blaasinstrument met ventielen
Trompete
noun
1. musicus die een trompet bespeelt
Trompeter
/troːn/
noun
1. zetel waar een vorst op zit tijdens formele plechtigheden
Thron
noun
1. het aftreden als vorst
Thronverzicht
noun
1. aanvaarding van vorstelijke macht, met de daarbij horende ceremonie
  1. Inthronisation
  2. Krönung
noun
1. steun bij verdriet of pijn
Trost
verb
1. als iemand verdriet of pijn heeft deze persoon geestelijke steun geven
trösten
noun
1. streken tussen beide keerkringen
Tropen
noun
Troposphäre
noun
    1. 2. de bundel vruchten die uit een dergelijke bloeiwijze voortkomen
    2. 1.
    Traube
  1. 3. een scheepskabel
    Trosse
adjective
  1. 2. vervuld van grootsheid
    1. hochmütig
    2. überheblich
  2. 1. erg blij met wat men (bereikt) heeft
    stolz
noun
  1. 2. het gevoel dat men wil pronken met wat men heeft of doet
    Stolz
  2. 1. denken dat men beter is dan anderen
    1. Stolz
    2. Hochmut
preposition
1. ondanks
  1. trotz
  2. ungeachtet
verb
1. niet laten afschrikken door iemand of iets
trotzen
/trɔˈtʋar/
noun
1. een opvanghuis voor wezen
  1. Bürgersteig
  2. Gehsteig
  3. Gehweg
noun
1. opstaande rand van een trottoir
Bordstein
noun
  1. 2. rondreizend artiest
    Spielmann
  2. 1. rondreizend kunstenaar
    Troubadour
noun
1. middeleeuws dichter en zanger in Noord-Frankrijk
Trouvère
/trʌʊ/
adjective
1. op wie men steeds opnieuw een beroep kan doen
  1. treu
  2. loyal
  3. treuherzig
/trʌʊ/
noun
1. het zich houden aan...
  1. Treue
  2. Loyalität
  3. Treuherzigkeit
noun
Hochzeitstag
verb
1. het aangaan van een officiële verplichting tussen twee personen om voor elkaar te zorgen
heiraten
/ˈtrɑuwəns/
adverb
1. overigens
übrigens
/trɑupɑk/
noun
1. een bruidegomskostuum dat aan de trouwdag wordt gedragen
Hochzeitsanzug
noun
  1. Ehering
  2. Trau­ring
/tryk/
noun
1. een handeling om op een slimme manier een doel te bereiken
Trick
/tryk/
noun
  1. 1. vrachtauto waarvan de aanhangwagen op een draaibaar onderstel zit
    1. Lastwagen
    2. Truck
  2. 3. open vrachtwagen
    Pritschenwagen
  3. 2. het zelfrijdende deel van een vrachtwagen-opleggercombinatie
    1. Sattelschlepper
    2. Sattelzugmaschine
noun
Trüffel
noun
1. een warm kledingstuk voor over het bovenlichaam
Pullover
noun
Tryptophan
/tsaːr/
noun
1. vroegere Russische keizer
Zar
/tʃad/, /tʃat/
pronoun
1. een land in Centraal-Afrika, officieel de Republiek Tsjaad
Tschad
/ˈtʃɛxis/, /ˈtʃɛxɪs/, /ˈtʃɛχis/
pronoun
1. Slavische taal die vooral wordt gesproken in de Tsjechische Republiek
  1. Tschechisch
  2. tschechisch
pronoun
1. een land in [[Midden-Europa]].
Tschechische Republik
/ˈtʃɛxi.jə/, /ˈtʃɛχi.jə/
pronoun
1. een land in Midden-Europa, officieel de Tsjechische Republiek, en is het westelijke deel van het voormalige Tsjecho-Slowakije.
  1. Tschechien
  2. Tschechei
pronoun
1. een vroegere staat in Europa, ten zuiden van Polen (van 1918 tot 1993)
Tschechoslowakei
/tʃɛnobil/
pronoun
  1. Tschornobyl
  2. Tschernobyl
pronoun
1. een taal die in Tsjetsjenië gesproken wordt
Tschetschenisch
/tsuˈnami/
noun
1. een grote vloedgolf
Tsunami
noun
1. een koperen blaasinstrument met lage toon
Tuba
noun
1. een verpakking in kokervorm gemaakt van metaal of plastic gevuld met een halfvloeibare stof
Tube
/ˌtybɛrkyˈlozə/
noun
1. een ziekte veroorzaakt de de tuberculosebacterie Mycobacterium tuberculosis
Tuberkulose
noun
Zuchthaus
noun
Disziplinarrecht
pronoun
1. grensdorp in Duitsland
Tüddern
noun
1. het geheel van masten, bomen, zeilen en touwwerk van moderne zeilschepen
Takelage
noun
1. Tursiops truncatus, dolfijnsoort met robuust gestroomlijnd lichaam
  1. Großtümmler
  2. große Tümmler
/tœy̯n/
noun
1. begrensd stuk grond waarop gewassen worden geplant of verbouwd
Garten
noun
1. vorm van gewassenkwekerij die zich specifiek toelegt op het intensief telen van groenten, bloemen, planten, bomen, bollen of zaden
Gartenbau
noun
Gartenbauer
/'tœn.bruk/
noun
1. een mouwloze overal met gespen
Latzhose
noun
Gärtner
noun
1. Sylvia borin, een zangvogel ...
Gartengrasmücke
/ˈtœʏnhœʏs/
noun
1. een gebouwtje in een tuin voor recreatief gebruik
Gartenhaus
noun
Gärtner
noun
1. en 2. cultuurplant en eetbaar kruid Lepidum sativum
Gartenkresse
noun
bepaald soort kruidachtige plant, Lobelia erinus
  1. Blaue Lobelie
  2. Männertreu
noun
Gärtner
noun
Petersilie
noun
Gartenschlauch
noun
Garten-Wolfsmilch
verb
schenkpijp aan een kan of ketel
Tülle
noun
1. hoofddeksel
Turban
noun
1. plant
Tulpe
noun
1. een gezwel
  1. Geschwulst
  2. Tumor
/ty.ˈne.zi.jə/, /tʏ.ˈne.zi.jə/
pronoun
land in Noord-Afrika, officieel de Republiek Tunesië
Tunesien
noun
1. een kunstmatige ondergrondse doorgang
  1. Tunnel
  2. Stollen
noun
1. een schoepenrad als energieopwekker
Turbine
verb
1. veen als brandstof
Torf
noun
1. het delven en gebruiksklaar maken van turf
Torfabbau
pronoun
1. de hoofdstad van de regio Piëmont en de provincie Turijn
Turin
/tʏrk/
noun
1. Inwoner van Turkije
Türke
/tʏrˈkɛɪ̯.jə/, /tʏrˈkɛː.jə/
pronoun
1. land in Europa en Azië
Türkei
pronoun
1. de taal die door de Turkmenen in Turkmenistan en Afghanistan gesproken wordt
  1. Turkmenisch
  2. turkmenisch
pronoun
Turkmenistan
/tʏrˈkojs/, /tʏrˈko̝js/
noun
1. een steen bestaande uit het mineraal turkoois
Türkis
adjective
  1. Türkisblau
  2. türkisblau
adjective
  1. Türkisgrün
  2. türkisgrün
adjective
1. met de blauwgroene kleur turkoois.
türkis
/tʏrks/
pronoun
1. een taal die vooral in Turkije gesproken wordt
  1. Türkisch
  2. türkisch
noun
1. bepaald soort tuinplant, Lilium martagon
Türkenbund
pronoun
1. stad in Finland
Turku
adjective
1. blauwgroene kleur.
türkis
/ˈtʏ.sən/
preposition
1. met iets aan minimaal twee kanten het kind staat tussen haar ouders
zwischen
adverb
tussenbeide komen
  1. eingreifen
  2. einschalten
adverb
1. in de tussentijd
zwischendurch
/ˌtʏsənˈdoːrtjə/
noun
1. een versnapering, iets te eten tussen de maaltijden door
  1. Zwischenmahlzeit
  2. Imbiss
verb
1. tussenbeide komen, interveniëren
  1. beteiligen
  2. mitbezahlen
  3. mitzahlen
noun
  1. Eingriff
  2. Intervention
noun
1. het plastic velletje tussen plakjes vleeswaren
Trennfolie
noun
1.
Zwischenspiel
/ˈtʏsə(n).ʋɛrpsəɫ/
noun
1. een uitroep, een woord, een frase of een zin die een expressie van emotie is
  1. Interjektion
  2. Empfindungswort
verb
1. elkaar met jij en jou aanspreken
duzen
pronoun
  1. 1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
  2. 2. een district in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Tuttlingen
/ˌtu.va.ˈlu/
pronoun
1. een land in Oceanië
Tuvalu
pronoun
1. Austronesische taal, gesproken door 13.080 mensen in Tuvalu, Fiji, Kiribati, Nauru en Nieuw-Zeeland
Tuvaluisch
noun
2. een elektrisch apparaat om bewegende beelden en geluid te ontvangen
  1. Fernsehapparat
  2. Glotze
  3. TV
/twaːlf/, /tʋaːl(ə)f/
cardinalNumeral
1. het getal 12
zwölf
ordinalAdjective
1. nummer twaalf in een rij
zwölfte
noun
1. twaalftoonmuziek
Zwölftonmusik
noun
1. twaalftoonstechniek
Zwölftontechnik
noun
1. Oryzoborus crassirostris, een kleine vinkensoort uit Midden- en Zuid-Amerika
  1. Dickschnabelreisammer
  2. Mohrenreisknacker
/tʋeː/
cardinalNumeral
1. het getal 2
  1. zwei
  2. zwo
/tʋeː/
noun
1. het cijfer twee
  1. Zwei
  2. zwei
phraseologicalUnit
(wie) Erbsen in einer Schote
/ˈtʋeːdə/
ordinalAdjective
zweite
noun
1. 26 december
zweiter Weihnachsfeiertag
noun
1. de dag die volgt op paaszondag
  1. zweiter Osterfeiertag
  2. zweiter Ostertag
pronoun
1. het geheel van afzonderlijke militaire conflicten die van 1939 tot 1945...
Zweiter Weltkrieg
/tʋedəˈɦɑn(t)s/, /tʋedəˈɦɑnts/
adjective
1. reeds door iemand bezeten geweest
gebraucht
/ˈtweːˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 200
zweihundert
cardinalNumeral
1. het getal 208
zweihundertacht
cardinalNumeral
1. het getal 238
zweihundertachtunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 298
zweihundertachtundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 288
zweihundertachtundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 228
zweihundertachtundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 248
zweihundertachtundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 258
zweihundertachtundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 268
zweihundertachtundsechzig
/ˌtwehɔndərtˈɑxtənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 278
zweihundertachtundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 218
zweihundertachtzehn
cardinalNumeral
1. het getal 213
zweihundertdreizehn
cardinalNumeral
1. het getal 230
zweihundertdreißig
cardinalNumeral
1. het getal 203
zweihundertdrei
cardinalNumeral
1. het getal 233
zweihundertdreiunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 293
zweihundertdreiundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 283
zweihundertdreiundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 223
zweihundertdreiundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 243
zweihundertdreiundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 253
zweihundertdreiundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 263
zweihundertdreiundsechzig
/ˌtwehɔndərˈdrijənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 273
zweihundertdreiundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 201
zweihunderteins
cardinalNumeral
1. het getal 231
zweihunderteinunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 291
zweihunderteinundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 281
zweihunderteinundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 221
zweihunderteinundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 241
zweihunderteinundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 251
zweihunderteinundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 261
zweihunderteinundsechzig
/ˌtwehɔndərtˈenənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 271
zweihunderteinundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 211
zweihundertelf
cardinalNumeral
1. het getal 209
zweihundertneun
cardinalNumeral
1. het getal 239
zweihundertneununddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 299
zweihundertneunundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 289
zweihundertneunundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 229
zweihundertneunundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 249
zweihundertneunundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 259
zweihundertneunundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 269
zweihundertneunundsechzig
/ˌtwehɔndərtˈneɣənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 279
zweihundertneunundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 219
zweihundertneunzehn
cardinalNumeral
1. het getal 290
zweihundertneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 280
zweihundertachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 210
zweihundertzehn
cardinalNumeral
1. het getal 212
zweihundertzwölf
cardinalNumeral
1. het getal 202
zweihundertzwei
cardinalNumeral
1. het getal 232
zweihundertzweiunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 292
zweihundertzweiundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 282
zweihundertzweiundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 222
zweihundertzweiundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 242
zweihundertzweiundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 252
zweihundertzweiundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 262
zweihundertzweiundsechzig
/ˌtwehɔndərˈtwejənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 272
zweihundertzweiundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 220
zweihundertzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 214
zweihundertvierzehn
cardinalNumeral
1. het getal 240
zweihundertvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 204
zweihundertvier
cardinalNumeral
1. het getal 234
zweihundertvierunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 294
zweihundertvierundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 284
zweihundertvierundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 224
zweihundertvierundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 244
zweihundertvierundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 254
zweihundertvierundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 264
zweihundertvierundsechzig
/ˌtwehɔndərtˈfirənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 274
zweihundertvierundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 205
zweihundertfünf
cardinalNumeral
1. het getal 235
zweihundertfünfunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 295
zweihundertfünfundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 285
zweihundertfünfundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 225
zweihundertfünfundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 245
zweihundertfünfundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 255
zweihundertfünfundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 265
zweihundertfünfundsechzig
/ˌtwehɔndərtˈfɛifənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 275
zweihundertfünfundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 215
zweihundertfünfzehn
cardinalNumeral
1. het getal 250
zweihundertfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 206
zweihundertsechs
cardinalNumeral
1. het getal 236
zweihundertsechsunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 296
zweihundertsechsundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 286
zweihundertsechsundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 226
zweihundertsechsundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 246
zweihundertsechsundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 256
zweihundertsechsundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 266
zweihundertsechsundsechzig
/ˌtwehɔndərtˈsɛsənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 276
zweihundertsechsundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 216
zweihundertsechzehn
cardinalNumeral
1. het getal 260
zweihundertsechzig
/ˌtwehɔndərtˈsøvən/
cardinalNumeral
1. het getal 207
zweihundertsieben
/ˌtwehɔndərtˈsøvənənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 237
zweihundertsiebenunddreißig
/ˌtwehɔndərtˈsøvənəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 297
zweihundertsiebenundneunzig
/ˌtwehɔndərtˈsøvənənˌtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 287
zweihundertsiebenundachtzig
/ˌtwehɔndərtˈsøvənənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 227
zweihundertsiebenundzwanzig
/ˌtwehɔndərtˈsøvənəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 247
zweihundertsiebenundvierzig
/ˌtwehɔndərtˈsøvənəɱˌvɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 257
zweihundertsiebenundfünfzig
/ˌtwehɔndərtˈsøvənənˌsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 267
zweihundertsiebenundsechzig
/ˌtwehɔndərtˈsøvənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 277
zweihundertsiebenundsiebzig
/ˌtwehɔndərtˈsøvənˌtin/
cardinalNumeral
1. het getal 217
zweihundertsiebzehn
/ˌtwehɔndərtˈsøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 270
zweihundertsiebzig
/ˈtʋeklɑŋk/
noun
1. een foneem dat uit twee klinkers bestaat die binnen één lettergreep in elkaar overgaan
  1. Diphthong
  2. Zwielaut
noun
1. de tijd van de dag waarop het licht dan wel donker wordt
Dämmerung
/ˈtwelɪŋ/, /ˈtʋelɪŋ/, /ˈtβ̞elɪŋ/
noun
1. twee wezens die met zijn tweeën tegelijk in één buik ontwikkeld zijn
Zwilling
pronoun
2. teken van de dierenriem, traditioneel behorend bij geboortedata van ongeveer 21 mei tot 21 juni
Zwillinge
adjective
1.om de twee maanden
zweimonatlich
noun
1.
Doppelbett
noun
1. kamer waar twee personen kunnen slapen
Doppelzimmer
/ˈtwesprɔŋ/
noun
  1. 1. plaats waar een weg zich in tweeën splitst
    1. Abzweigung
    2. Gabelung
    3. cross-roads
  2. 2. voor een beslissende keuze staan
    Scheideweg
/ˈtʋestrɛɪt/
noun
  1. 1. conflict tussen twee mensen
    1. Duell
    2. Zweikampf
  2. 3. inwendige strijd bij het maken van een keuze
    innere Zwiespalt
noun
  1. 1. welgeteld twee
    Doppelpack
  2. 2. een groep van twee
    1. Duo
    2. Gespann
    3. Paar
adjective
  1. zweisprachig
  2. bilingual
adjective
1. met, of aan twee kanten, belangen, partijen etc.
  1. zweiseitig
  2. bilateral
cardinalNumeral
1. het getal 32
zweiunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 92
zweiundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 82
zweiundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 22
zweiundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 42
zweiundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 52
zweiundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 62
zweiundsechzig
/ˈtwejənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 72
zweiundsiebzig
pronoun
1. een Nedersaksische taalvariëteit die wordt gesproken in Twente
Twents
/ˈtʋɛɪfəɫ/
noun
1. gevoel van onzekerheid ten aanzien van wat men in een gegeven situatie moet doen, geloven e.d.
Zweifel
verb
na te gaan
zweifeln
/tʋɛɪ.fəɫ.χə.vɑɫ/, /tβ̞ɛː.fəl.ɣə.vɑl/
noun
1. een situatie of entiteit waarover getwijfeld wordt
Zweifelsfall
/twɛɪ̯x/, /tʋɛɪ̯χ/, /tβ̞ɛːx/
noun
1. een dun buigzaam takje van een boom of struik
Zweig
/ˈtʋɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 20
zwanzig
ordinalAdjective
zwanzigste
noun
2. een dans uit de jaren 1960
twist
/ˈtwɪstə(n)/, /ˈtʋɪstə(n)/, /ˈtβ̞ɪstə(n)/
verb
  1. 1. onenigheid hebben
  2. 2. een discussie voeren
sich streiten
/tɑjˈkuːn/
noun
1. een rijk persoon die een groot deel van een bepaalde bedrijfstak in handen heeft.
Tycoon
/tiˈfon/, /tɑjˈfuːn/
noun
1. een hevige wervelstorm in de Chinese Zee en de Stille Oceaan die ontstaat uit een tropische depressie.
Taifun
noun
1. trommelholte van het oor
Tympanalorgan
noun
1. verkeerde letters aanslaan bij typen
Druckfehler
/ˈtɛɪ̯.pə(n)/
verb
1. gegevens invoeren
tippen
adjective
1. wat kenmerkend is voor iets of iemand
  1. bezeichnend
  2. charakteristisch
  3. kennzeichnend
  4. typisch
adjective
  1. 1. vreemd, eigenaardig
    merkwürdig
  2. 2. kenmerkend
    1. typisch
    2. kennzeichnend
noun
1. iemand die zich bezighoudt met het vormgeven, zetten en drukken van teksten
  1. Schriftsetzer
  2. Typograph
noun
2. grafische vorm van tekst
  1. Typographie
  2. Typografie
noun
Tyrosin
pronoun
1. randzee van de Middellandse Zee, gelegen tussen het Italiaans vasteland, Sicilië, Sardinië en Corsica
Tyrrhenisches Meer
/tɵltə(n)/
verb
1. een bepaalde manier van het voortbewegen van een paard
tölten
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Tönisvorst
pronoun
  1. 1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
  2. 2. een district in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
  3. 3. een bestuurlijke regio in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Tübingen
/yː/
noun
1. u
u
/yː/
personalPronoun
u (pers.vnw.)
Sie
noun
1. bocht van 180°
u-förmige Kurve
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Mecklenburg-Voor-Pommeren
Ueckermünde
pronoun
  1. 1. een stad in de Duitse deelstaat Nedersaksen
  2. 2. een district in de Duitse deelstaat Nedersaksen
Uelzen
/ˈyfo/
noun
1. vliegend voorwerp waarvan de identiteit niet bekend is, meestal in verband met een (vermeende) buitenaardse oorsprong
  1. UFO
  2. Ufo
adjective
1. een inwoner van Uganda
Ugander
noun
1. een antenne voor het uhf-gebied
UHF-Antenne
/œʏ̯/, /œː/
noun
1. Allium cepa, een eetbaar bolgewas
Zwiebel
/œyjəsup/
noun
1. een uit uien bereide soep
Zwiebelsuppe
noun
1. de melkklier van een herkauwer
Euter
/œʏ̯ɫ/, /œːl/
noun
1. benaming voor vogels uit de orde Strigiformes
  1. Eule
  2. Uhu
/œʏ̯t/, /œːt/
preposition
1. geeft aan van welke plaats iets komt
aus
noun
1. het uitademen
Ausatmung
verb
1. uitdiepen door middel van baggeren
ausbaggern
verb
1. iets uitdrijven of wegjagen
bannen
noun
  1. 1. een plotselinge, felle uiting
    Ausbruch
  2. 2. het uitstoten van gassen, rook en lava door een vulkaan
    1. Ausbruch
    2. Eruption
verb
1. de economische mogelijkheden van iets winstgevend benutten
  1. betreiben
  2. führen
  3. leiten
verb
1. in beeld voorstellen
darstellen
verb
1. met een beitel uithakken
  1. aushauen
  2. ausmeißeln
/ˈœʏtbenə(n)/, /ˈœːdbeːnə(n)/, /ˈœːtbenə(n)/
verb
1. het been uit (het vlees) halen
  1. ausbeinen
  2. entbeinen
verb
auslagern
noun
2.
Auslagerung
verb
    1. 3. (adem, lucht, rook e.a.) naar buiten blazen
    2. 4. door blazen leegmaken, schoonmaken of zuiveren
    ausblasen
  1. 2. doven door te blazen
    1. ausblasen
    2. auspusten
  2. 1. bijkomen, op adem komen, uitrusten
    1. durchatmen
    2. schöpfen
    3. sich erholen
noun
1. hevige berisping
  1. Rüffel
  2. Standpauke
  3. Verweis
verb
1. iets een groter oppervlak laten innemen
  1. ausdehnen
  2. erweitern
  3. ausstrecken
  4. vergrößern
  5. ausbreiten
  6. ausweiten
verb
    1. 1. zichzelf bevrijden uit gevangenschap
    2. 2. plotseling beginnen van een oorlog, ramp, ziekte e.d
    ausbrechen
  1. 3. het verwijderen van een deel van een gebouw, zoals een muur of een vloer
    herausbrechen
verb
1. eieren verwarmen totdat deze uitkomen
ausbrüten
/ˈœʏtbœʏtiŋ/
noun
1. het gebruik van iemand maken zonder daar naar waarde voor te belonen
Ausbeutung
verb
1. iemand met woord of daad tot actie prikkelen
  1. herausfordern
  2. provozieren
/ˈœʏdaχɪŋ/, /ˈœːdaɣɪŋ/
noun
1. taak die moeilijk te verwezenlijken valt
Herausforderung
verb
1. meerdere personen ergens op trakteren
verteilen
/ˈœydɛiə(n)/
verb
  1. 3. dikker worden
    anschwellen
  2. 1. meer of groter worden, toenemen
    1. anschwellen
    2. wachsen
  3. 2. in omvang toenemen, aangroeien
    ausdehnen
verb
  1. 1. uitschakelen
    1. ausmachen
    2. ausschalten
  2. 2. kleding afleggen
    1. ausziehen
    2. entkleiden
verb
1. iemand op opvallende wijze kleden
herausputzen
verb
1. zich in verschillende richting bewegen
variieren
adjective
1. van allerlei soorten
  1. auseinander gehend
  2. unterschiedlich
/œʏˈtɛɪndələk/
adverb
1. na een hele tijd
  1. schließlich
  2. letztendlich
  3. endlich
/ˈœʏ̯tə(n)/, /ˈœːtə(n)/
verb
2. zeggen
äußern
adverb
  1. natürlich
  2. gewiß
  3. selbstverständlich
verb
1. ophouden met branden
ausgehen
noun
1. de aannames en veronderstellingen waar men van uitgaat
Ausgangspunkt
/ˈœʏtχavə/, /ˈœːdɣavə/, /ˈœːtxavə/
noun
  1. 2. reeks van uitgeven literaire werken
    Auflage
    1. 1. bedrag dat men uitgeeft
    2. 4. uitgegeven werk
    Ausgabe
  2. 3. het uitgeven van een werk
    Herausgabe
adjective
1. heel goed doordacht, (te) slim
  1. ausgeklügelt
  2. durchdacht
adverb
1. dodelijk vermoeid
erschöpft
verb
  1. 1. financiële middelen aanspreken
    ausgeben
  2. 2. een geschrift in drukvorm verspreiden
    herausgeben
noun
1. een persoon die of bedrijf dat boeken of andere publicaties in omloop brengt
  1. Herausgeber
  2. Chefredakteur
  3. Verleger
verb
1. door glijden ten val komen
  1. ausgleiten
  2. ausrutschen
verb
2. een brei- of haakwerkje ontdoen
herausholen
/œʏtˈhems/
adjective
1. van oorsprong ergens niet voorkomend
exotisch
noun
het vermogen van iemand om zich voor een lange tijd in te spannen of pijn te verdragen
Ausdauer
noun
  1. 1. gelegenheid waarbij mensen uitgaan en vertier zoeken
    1. Bummel
    2. Runde
  2. 2. bol van Allium cepa gebruikt om voedsel op smaak te brengen
    Perlzwiebel
verb
1. honend toeroepen
ausbuhen
noun
1. betaling van geld op basis van sociale wetgeving
Leistung
verb
1. uit een aantal mogelijkheden één of meer selecteren
auswählen
verb
  1. 2. met verlangen op iets wachten
    1. erfreuen
    2. freuen
  2. 1. voorzichtig zijn
    vorsichtig sein
verb
  1. 7. rondkomen
    1. auskommen
    2. zurechtkommen
  2. 8. gelegen komen
    gelegen kommen
    1. 1. naar buiten komen
    2. 5. het bekend worden
    3. 6. iets als resultaat hebben
    herauskommen
  3. 3. tevoorschijn komen
    hervorkommen
/'œʏ̯tkɔmst/, /'œːtkɔms/, /'œːtkɔmst/
noun
  1. 1. de afloop van een bepaald proces
  2. 2. middel
  3. 3. resultaat van een bewerking
Lösung
/œytkopə(n)/
verb
  1. 1. door geld afkopen, iemand geld betalen om daardoor bepaalde rechten te verwerven of...
    1. abfinden
    2. auszahlen
    3. entschädigen
    4. freikaufen
    5. loskaufen
  2. 3. (een voorraad) geheel opkoopen
    aufkaufen
  3. 2. (een winkel)) geheel leegkoopen
    leerkaufen
  4. 1. zich vrijkopen, afkopen
    freikaufen
/ˈœʏ̯tlat/, /ˈœːtlaːt/
noun
1. een opening waardoor iets als afvalproducten naar buiten kan treden
  1. Auspuff
  2. Abfluss
  3. Auslass
verb
1. vrachtgoed uit een scheepsruim of uit overdekte wagen lossen
entladen
noun
1. een verhaal bedoeld om iets begrijpelijk te maken
Erklärung
verb
  1. 2. iets groter, langer of ruimer maken
    auslassen
  2. 3. iets leggend uitspreiden
    auslegen
  3. 1. iets doen begrijpen
    1. erklären
    2. darlegen
verb
1. iets voor tijdelijk gebruik aan een ander afstaan
  1. verleihen
  2. ausleihen
verb
1. een verlangen tot verzadiging kunnen botvieren
ausleben
verb
1. een gevangene in handen van een andere autoriteit overdragen
ausliefern
noun
Ausrichtung
verb
  1. 2. nieuwe takjes en blaadjes krijgen
    1. ausschlagen
    2. austreiben
    3. knospen
  2. 1. een ruimte verlaten
    hinauslaufen
adjective
1. voortreffelijk
  1. ausgezeichnet
  2. hervorragend
/'ʌʏt.no.də.ɣə(n)/
verb
1. iemand verzoeken iets bij te wonen
einladen
noun
1. een verzoek om iets bij te wonen
Einladung
verb
1. in praktijk brengen
ausüben
/ˈœʏtpɑkə(n)/, /ˈœːtpɑkə(n)/
verb
  1. 1. uit een verpakking halen
  2. 2. uit een omhulsel halen
auspacken
/ˈœʏ̯tpʏtə(n)/, /ˈœːtpʏtə(n)/
verb
1. volledig leeghalen
  1. ausbeuten
  2. leerräumen
noun
1. de toestand waarin iets of iemand aan het eind van zijn of haar krachten is
Erschöpfung
noun
1. uitputtende oorlog, oorlogsvoering
Zermürbungskrieg
verb
1. aan bepaalde mensen iets bijzonders overhandigen
verleihen
/œytˈrɛkə(n)/
verb
1. door trekken of uitstrekken groter maken
  1. auseinanderziehen
  2. dehnen
  3. strecken
  4. verlängern
noun
1. een plaats of opening waardoor of waarlangs men kan of moet uitrijden
Ausfahrt
verb
1. doden tot er niets meer te doden valt
ausrotten
noun
1. benodigdheden voor een taak
Ausrüstung
verb
2.door andere schakeling deactiveren
  1. abschalten
  2. ausschalten
verb
4. uitlopen, uitspruiten
  1. ausschießen
  2. hochschießen
verb
  1. 1.
    ausziehen
  2. 2. uitstellen
    1. hinausschieben
    2. aufschieben
verb
1. door slaan iets eruit- of wegkrijgen
ausschlagen
/'œɪtslɑχ/
noun
  1. 3. ziekteverschijnsel van de huid
    Ausschlag
  2. 1. afloop, resultaat
    Ergebnis
/ˈœʏtslapə(n)/, /ˈœːtslapə(n)/
verb
1. 's ochtends langer slapen dan normaal
ausschlafen
verb
1. zijn best doen, mogelijk overdreven
abquälen
noun
Streber
verb
1. niet langer tot de mogelijkheden rekenen
ausschließen
/œʏtˈslœʏtənt/
adjective
1. geen ruimte voor andere mogelijkheden latend
ausschließlich
noun
1. firmament, de hemel
Firmament
verb
1. besparen
sparen
/œytspra:k/
noun
1. manier waarop iets ten gehore gebracht wordt
Aussprache
noun
1. woordenboek dat ook aangeeft hoe de woorden uitgesproken moeten worden
Aussprachewörterbuch
noun
2. kort plezierreisje
  1. Ausflug
  2. Tour
verb
  1. 2. de ogen met een scherp voorwerp stekend verwijderen
    ausstechen
  2. 1. in grootte de rest voorbijstreven
    1. ausstechen
    2. überragen
    3. übertrumpfen
  3. 3. uitstrekken, bijvoorbeeld van een ledemaat
    ausstrecken
/'ʌʏt.ste.kənt/, /ʌʏt.'ste.kənt/
adjective
2. uitmuntend
ausgezeichnet
verb
1. naar een later tijdstip verschuiven
  1. aufschieben
  2. verschieben
  3. zurückstellen
  4. hinausschieben
verb
1. vooraf uitzoeken hoe het zal worden
  1. austüfteln
  2. entwerfen
  3. entwickeln
  4. konzipieren
  5. skizzieren
verb
Abstrich
noun
2. biologisch materiaal van de baarmoedermond dat op een objectglaasje wordt uitgesmeerd
  1. Pap-Abstrich
  2. Pap-Test
/ˈœytrɛkə(n)/
verb
  1. 1. van je lichaam af halen
    1. ausziehen
    2. entkleiden
  2. 4. er tijd of geld voor beschikbaar stellen
    bereitstellen
  3. 2. uit iets anders trekken
    herausziehen
  4. 5. lostrekken, wegtrekken
    1. losziehen
    2. wegziehen
  5. 6. weggaan uit
    1. verlassen
    2. weggehen
noun
1. uitvaleinde
Ausfallende
noun
Nabe mit Schnellspannachsen
adjective
1.
auswählt
noun
1. persoon die uitvindingen doet
Erfinder
verb
  1. 2. afhandelen, voltrekken, ten uitvoer brengen
    1. ausführen
    2. erledigen
    3. durchführen
  2. 1. exporteren
    1. exportieren
    2. ausführen
adverb
ausführlich
noun
  1. 1. uitgroeisel
  2. 2. ongewenste of ziekelijke doorontwikkeling
Auswuchs
noun
.
  1. Freibordmarke
  2. Plimsoll-Marke
verb
1. naar buiten werpen
  1. auswerfen
  2. herauswerfen
  3. hinauswerfen
noun
2. de afvalstoffen van de spijsvertering van mens en dier zoals deze uitgeworpen worden
Ausscheidungen
verb
  1. 3. (in België) emigreren; ook verhuizen naar een ander landsgedeelte in België
    1. auswandern
    2. emigrieren
    3. umziehen
  2. 1. van richting veranderen om een obstakel te vermijden
    ausweichen
  3. 2. naar een ander land vluchten, veelal om politieke redenen
    1. emigrieren
    2. flüchten
verb
  1. 1. na een juridisch proces naar een ander land sturen
    ausweisen
  2. 2. de waarheid aan het licht brengen
    zeigen
noun
Metastase
noun
1. complete uitrusting van kleren, linnengoed, borden, etc. van een bruid of bruidspaar
Aussteuer
verb
  1. 2. iemand dwingen een gebied of gebouw te verlaten
    1. ausweisen
    2. hinaussetzen
  2. 1. in volume toenemen
    1. expandieren
    2. sich ausdehnen
noun
  1. 2. verwachting, iets waar men naar kan uitzien
    Aussicht
  2. 1. wat men van de omgeving vanaf een bepaalde plek kan zien
    1. Aussicht
    2. Ausblick
noun
Aussichtspunkt
/'œy̆t.sin/
verb
1. een zekere aanblik hebben
aussehen
verb
  1. 1. een selectie maken uit een grotere verzameling
    aussuchen
  2. 2. onderzoeken totdat het duidelijk wordt
    herausfinden
verb
1. buiten een bepaalde regel plaatsen
ausschließen
/œytsɔndərɪŋ/
noun
1. een geval waarbij men iets niet onder een regel laat vallen
Ausnahme
noun
Sperrgebiet
/œʏtˈzɔndərlək/
adjective
1. niet alledaags, niet gewoon
außergewöhnlich
/ʏltɪˈmatʏm/
noun
1. laatste eis
Ultimatum
adjective
. in een diepe tint blauw met RAL-nummer 5002
ultramarinblau
noun
  1. 1. blauwe verfstof, blauw pigment dat van nature wordt aangetroffen in het mineraal lazuriet
    Ultramarin
  2. 2. tint blauw met RAL-nummer 5002
    Ultramarinblau
adjective
  1. Ultramarinblau
  2. ultramarinblau
adjective
1. van elektromagnetische straling, net buiten het gebied van het spectrum dat met het menselijk oog zichtbaar is
ultraviolett
/ˈumlʌʊt/
noun
  1. 2. vocaalwijziging o.i.v. een klinker in de volgende lettergreep
  2. 1. trema dat een vocaalwijziging aangeeft
Umlaut
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Thüringen
Ummerstadt
/ʏnɑˈnim/
adjective
1. met eenheid van stemmen
  1. einhellig
  2. einstimmig
noun
1. 1069
Undezilliarde
noun
1. 1066
Undezillion
noun
1.
Undezime
noun
Unizität
/y.ˈnik/
adjective
1. enige in zijn soort
  1. einzigartig
  2. einmalig
adjective
1. éénzijdig
  1. einseitig
  2. unilateral
adjective
1. alom bekend, vertegenwoordigd of erkend
universell
/ynivɛrzitɛɪt/
noun
1. een instelling voor hoger onderwijs, wetenschappelijk onderzoek en dienstverlening
  1. Universität
  2. Hochschule
noun
1. het gehele tijd-ruimtecontinuüm waarin wij bestaan, samen met alle materie en energie
  1. Universum
  2. Weltall
  3. All
  4. Welt
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Rijnland-Palts
Unkel
pronoun
  1. 1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
  2. 2. een district in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Unna
/ʌnstər/
noun
  1. 2. een eenvoudig weegtoestel gebaseerd op de rek van een veer
    Federwaage
  2. 1. een eenvoudig weegtoestel gebaseerd op een balans met ongelijke armen
    Laufgewichtswaage
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Untergruppenbach
noun
1. scheikundig element met symbool Uub en atoomnummer 112
Ununbium
noun
1. een scheikundig element met het symbool Uup en het atoomnummer 115
Ununpentium
noun
1. een gemoderniseerde versie van een computerprogramma
Update
verb
1.
aktualisieren
verb
1. een bestand van een lokale computer of server naar een computer of server op afstand overbrengen
  1. uploaden
  2. heraufladen
noun
1. scheikundig element met symbool U en atoomnummer 92
Uran
noun
1. scheikundig element met symbool U en atoomnummer 92
Uran
pronoun
Uranus
noun
1. een trek van de landelijke gebieden naar de stad
Urbanisierung
pronoun
1. de officiële taal van Pakistan en een van de officiële talen van India
Urdu
noun
2. Ethylcarbmaat
Urethan
noun
1. een lange cilindrische holte die de blaas verbindt met de buitenkant van het lichaam
Harnröhre
noun
1. de mate waarin iets dringend gewenst of nodig is
Dringlichkeit
noun
1. een vloeistof die bij dieren door de nieren wordt geproduceerd en periodiek wordt geloosd
Urin
noun
1.bij zoogdieren een orgaan dat de urine uit de nieren verzamelt en deze opslaat tot het moment van urineren
Harnblase
noun
1. een lange cilindrische holte die de blaas verbindt met de buitenkant van het lichaam
Harnröhre
noun
1. de buis die loopt tussen het nierbekken en de blaas
Harnleiter
/ˌyriˈnɪːrə(n)/
verb
1. het via de blaas lozen van lichamelijke afvalstoffen in de vorm van vloeistof
  1. urinieren
  2. harnen
noun
Urinal
noun
1. eerste betekenisomschrijving
Urne
noun
Urologin
noun
Urologie
noun
Urologe
pronoun
1. de Latijnse naam van het sterrenbeeld de Grote Beer
  1. Großer Bär
  2. Ursa Major
pronoun
1. de Latijnse naam van het sterrenbeeld de Kleine Beer
  1. Kleiner Bär
  2. Ursa Minor
/ˈu.ru.ˌgʋɑɪ̯/, /ˈu.ru.ˌgβ̞ɑɪ̯/, /ˈuruˌɡwe/, /ˌu.ru.ˈɣ<sup>ʊ</sup>ɛɪ̯/
pronoun
  1. 1. en 2. land en staat in Zuid-Amerika
    Uruguay
  2. 1. rivier in Zuid-Amerika
    Río Uruguay
/ˌytoˈpi/
noun
1. een volmaakte toestand die niet te bereiken is
Utopie
/ˈytrɛx/, /ˈytrɛxt/, /ˈytrɛχt/
pronoun
  1. 4. spelwoord voor de letter u
    Ulrich
  2. 2. de hoofdstad van de provincie Utrecht
    Utrecht
/yːr/
noun
  1. 1. een eenheid van tijd die bestaat uit 60 minuten
    1. Stunde
    2. Uhr
  2. 2. tijdstip, ogenblik
    Uhr
noun
1. een mechaniek dat de tijd bijhoudt of aangeeft
Uhr
noun
Uveitis
/yu̯/
possessivePronoun
bezittelijk voornaamwoord uw
Ihr
noun
1. voltooid tegenwoordige tijd
  1. Perfekt
  2. Präsensperfekt
adjective
  1. unbestimmt
  2. vage
  3. ungenau
  4. vag
/vaːk/
adverb
1. vele malen
  1. oft
  2. häufig
adjective
1. het vaakst / vaakst
am häufigsten
/val/, /vaɫ/
adjective
1. tot bijna kleurloos verbleekt
fahl
noun
± onderscheidende vlag van een schip en/of militaire eenheid
  1. Seeflagge
  2. Fahne
noun
1. desertie
Fahnenflucht
/ˈvaːrdəxɦɛːt/, /ˈvaːrdəxɦɛːɪt/
noun
1. het vermogen om een handeling bekwaam uit te voeren of een probleem juist op te lossen
Fertigkeit
/ˈvarɣøːl/, /ˈvarχʏːɫ/
noun
  1. 1. een relatief smalle strook in een groter water die geschikt is om te bevaren
  2. 2. een strook bevaarbaar water tussen twee zandbanken
  1. Fahrrinne
  2. Fahrtrinne
noun
1. richting waarin een vaartuig zich voortbeweegt
Kurs
noun
  1. Färse
  2. Kalbin
  3. Queene
noun
  1. 3. het varen, het bedrijven van scheepvaart als beroep
    1. Fahrt
    2. Schifffahrt
  2. 1. opgebouwde snelheid
    Geschwindigkeit
  3. 2. kanaal, bevaarbaar gemaakte watergang
    Kanal
/ˈvaːrtœx/, /ˈvaːrtœyx/
noun
1. vervoermiddel op water
Wasserfahrzeug
noun
Wasserstraße
noun
1. een aardewerken of glazen kruik, vooral bedoeld voor het in het water zetten van bloemen
Vase
noun
1. van oorsprong een aardenwerken vaas aan één zijde bespannen met een trommelvlies, nu ook in andere uitvoeringen verkrijgbaar
Vasentrommel
/ˈvatbʏndəl/
noun
1.
  1. Leitbündel
  2. Gefäß
  3. Gefäßbündel
noun
1. een apparaat om automatisch de afwas te doen
Geschirrspülmaschine
noun
1. een apparaat om automatisch de afwas te doen
Geschirrspülmaschine
noun
  1. freie Stelle
  2. Stellenausschreibung
/vakˈsæː/, /vɑkˈsɛː/
noun
1. uit verzwakte ziekteverwekkers bestaande entstof om afweer op te bouwen
  1. Impfstoff
  2. Vakzin
noun
1. een inenting
  1. Impfung
  2. Vakzination
  3. Vakzinierung
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Thüringen
Vacha
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Thüringen
Vachdorf
noun
1. behaarde huid van een dier, vel van woldragende dieren, met de wol erop
  1. Pelz
  2. Fell
noun
1. materievrije ruimte
Vakuum
noun
Vakuumpumpe
noun
1. een mannelijke ouder
Vater
noun
1. een dag waarop vaders extra verwend worden
  1. Vatertag
  2. Herrentag
noun
1. een land of staat waar iemand geboren en opgegroeid is
Vaterland
noun
Vaterschaft
/ˈvadsəχ/
adjective
1. loom, lui, slaperig, traag
  1. träge
  2. faul
/ˈva.ɣə.ˌvyːr/, /ˈva.χə.ˌvyːr/
noun
1. een toestand waar de zielen van gestorven personen gereinigd worden.
  1. Fegefeuer
  2. Purgatorium
  3. Reinigungsort
noun
1. het vrouwelijke geslachtsorgaan
  1. Vagina
  2. Scheide
noun
1. een pelswerk, een heraldische kleur die een regelmatige verdeling is van twee tinten
Feh
/vɑˈkɑn(t)si/
noun
  1. 1. jaarlijks terugkerende periode waarin leerlingen en personen vrijaf hebben
    1. Ferien
    2. Urlaub
  2. 2. reis in een jaarlijks terugkerende periode waarin je vrijaf hebt
    1. Urlaub
    2. Ferien
noun
Urlaubstag
noun
1. vakvereniging van arbeiders ter verdediging van hun belangen
  1. Fachgewerkschaft
  2. Gewerkschaft
/ˈva.kər/
adverb
1. vergrotende trap van vaak
öfter
/'vɑgjɑrxɔn/
noun
1.
  1. Berufsjargon
  2. Fachjargon
  3. Fachsprache
noun
1. een man die zijn vak of professie verstaat
Fachmann
noun
1. vaardigheid in een beroep of handel, de vaardigheid om hoog kwalitatief werk af te leveren
  1. Fachkompetenz
  2. Sachverstand
noun
1. (onderwijs) school waar men voor een bepaald vak wordt opgeleid
Fachschule
/vɑɫ/
noun
10. apparaat met een vallende deur of klem met als doel dieren te vangen
Falle
noun
1. het begin van de avond, gekenmerkt door schemer
frühe Abend
pronoun
Valencia
pronoun
1. Catalaans zoals dat gesproken wordt in Valencia en omgeving
Valencianisch
noun
  1. Valenz
  2. Wertigkeit
noun
1. 14 februari, de dag van de verliefden
Valentinstag
noun
1. CH₃(CH₂)₃COOH
Valeriansäure
noun
Gültigkeit
noun
Valin
/vɑlk/
noun
  1. 1. roofvogel
    Falke
  2. 2. open zeiljacht
    Valk
noun
1. bedrijver van valkerij
Falkner
/vɑlkə'rɛɪ/
noun
1. africhten van roofvogels
  1. Beizjagd
  2. Falknerei
noun
1. een laagte tussen bergen
  1. Tal
  2. Senke
verb
  1. 1. vrijelijk onder invloed van de zwaartekracht naar de aarde bewegen
    fallen
  2. laten vallen
    1. fallenlassen
    2. streichen
    3. weglassen
noun
1. scharnierend vloerschot
Falltür
verb
valorisieren
noun
1. bepaald soort vrij algemeen voorkomende plant, Anthemis arvensis
Hundskamille
noun
1. dunne, oppervlakkige aantasting van planten door eencelligen uit de familie Peronosporaceae
Falscher Mehltau
/ˈvɑlstrɪk/
noun
1. een contraptie of manipulatie bedoeld mens of dier te vangen
  1. Fallstrick
  2. List
noun
1.
  1. Free-Fall-Tower
  2. Freifallturm
noun
1.
Wertstellungsdatum
noun
1. mythologisch ondood wezen
Vampir
preposition
  1. 1. geeft bezit aan
  2. 2. geeft herkomst aan
von
noun
1. scheikundig element met symbool V en atoomnummer 23
  1. Vanadium
  2. Vanadin
adverb
heute Abend
adverb
  1. 1. op deze dag
    1. heute
    2. Heute
  2. vandaag de dag
    1. heute
    2. heutzutage
noun
1. moedwillige en nodeloze beschadiging of vernietiging van andermans of openbaar eigendom
Vandalismus
adverb
er vandoor gaan
davonfahren
verb
  1. 1. te pakken krijgen
  2. 2. onderscheppen
fangen
noun
Fangnetz
/ˈvɑŋ.re(i)l/
noun
1. metalen stroken langs autowegen, die dient om te voorkomen dat auto's van de rijbaan raken
Leitplanke
/vɑ'nijə/
noun
een smaak- en geurstof geëxtraheerd van de vanilleplant
Vanille
noun
1. vloeistof onttrokken aan vanillestokjes in een ethanol oplossing
Vanilleextrakt
noun
Vanillestange
adverb
1. tijdens de middag van de lopende dag
heute Mittag
adverb
1. de afgelopen ochtend
heute Morgen
adverb
  1. 1. de komende nacht
    heute Nacht
  2. 2. de afgelopen nacht
    1. heute Nacht
    2. letzte Nacht
adverb
1. de afgelopen ochtend
heute Morgen
/va.nu.ˈwa.tu/
pronoun
1. een land in Oceanië, officieel de Republiek Vanuatu
Vanuatu
preposition
1. door een bepaalde reden
wegen
noun
1. Varanidae, de grootste levende hagedis
Waran
pronoun
1.
Varel
noun
1. een sporenplant
  1. Farne
  2. Farn
adjective
  1. Farngrün
  2. farngrün
noun
Variante
noun
Variation
noun
Krampfader
noun
  1. 1. een tam zwijn, gehouden voor zijn vet en vlees
    Schwein
  2. 2.
    1. Schwein
    2. Ferkel
pronoun
1. baai op de Cubaanse kust
Schweinebucht
noun
onder-/zijkant van de buik van een varken
Schweinebauch
noun
1. geslacht van kruidachtige planten, Polygonum
Knöteriche
/'vɑr.kəns.ɦas/
noun
1. haas van een varken
  1. Filet
  2. Schweinelende
/ˈvɑrkə(n)slerə(n)/
adjective
1. van varkensleer vervaardigd
schweinsledern
noun
2. lever van een varken
Schweineleber
noun
1. virusziekte die bij varkens voorkomt
  1. Schweinepest
  2. europäische Schweinepest
  3. klassische Schweinepest
noun
1. overdekt verblijf voor varkens
  1. Saustall
  2. Schweinestall
noun
2. lever van een varken
Schweinezunge
noun
Schweinefett
noun
Schweinefleisch
noun
Vaseline
adverb
3. hoogstwaarschijnlijk
höchstwahrscheinlich
/vɑstə'lɑnt/
noun
1. land in verbinding met continentale landmassa
  1. Festland
  2. Kontinent
noun
Fastenzeit
verb
1. zich onthouden van voedsel
fasten
noun
Immobilie
noun
ejendomsmægler
verb
1. iets of iemand grijpen en vasthouden
  1. enfassen
  2. ergreifen
verb
2. zich met inspanning ergens aan vasthouden
festklammern
verb
1. iets of iemand grijpen en vasthouden
  1. enfassen
  2. ergreifen
verb
1. met een of meer spelden vastmaken
feststecken
verb
1. met spijkers bevestigen
nageln
verb
1. zeker zijn
  1. festliegen
  2. feststehen
noun
1. contractuele formalisering van een bereikte schikking
Vergleichsvertrag
noun
  1. 2. standaard inhoudsmaat
    Barrel
  2. 1. ronde ton waar allerhande vloeistoffen in opgeslagen worden
    Fass
  3. 3. ader
    Gefäß
/vatiˈkanstɑt/, /vatiˈkaːnstɑd/, /vatiˈkaːnstɑt/
pronoun
1. land in Europa, het kleinste onafhankelijke land ter wereld, het territorium van de Heilige Stoel.
Vatikanstadt
verb
  1. 2. begrijpen
    1. begreifen
    2. kapieren
    3. verstehen
  2. 1. vastgrijpen
    1. ergreifen
    2. festnehmen
  3. 3. opdoen
    fassen
noun
1.
Fassung
pronoun
1.
  1. Waadt
  2. Waadtland
/vɛxt/
pronoun
1. Overijsselse Vecht
Vechte
/ˈvɛxtər/
noun
1. iemand die een gevecht niet uit de weg gaat
Kämpfer
noun
  1. Kampflust
  2. Streitlust
noun
Schlägerei
/ˈveda/
pronoun
1. elk van de vier voornaamste heilige hindoegeschriften
Veda
noun
1. middeleeuws, meestal vijfsnarig strijkinstrument
Fiedel
/veː/
noun
1. door de mens om economische redenen gehouden dieren
  1. Vieh
  2. Nutzvieh
noun
1. iemand die zich specialiseert in de geneeskunst van dieren
  1. Tierarzt
  2. Veterinär
noun
Viehhandel
noun
Viehhalter
noun
  1. intensieve veehouderij
    Massentierhaltung
  2. 1. bedrijf voor het houden van vee
    Viehhaltung
/feɪɫ/, /veːl/
indefiniteCardinalNumeral
1. groot in hoeveelheid
  1. viel
  2. viele
  3. vielen
adverb
1. in de meeste gevallen, vaak
  1. oft
  2. vorallem
  3. überwiegend
adjective
vielversprechend
noun
1. een gesloten stelsel lijnsegmenten die samen een plat vlak omsluiten
  1. Vieleck
  2. Polygon
adjective
1.
  1. vieleckig
  2. polygonal
noun
1. bepaald soort zoogdier, Gulo gulo
Vielfraß
adjective
  1. 2. met diverse belangen, gebruiksmogelijkheden, interessen etc.
  2. 1. met een groot aantal kanten, vlakken, facetten
vielseitig
/ven/
noun
1. grondsoort
Torf
noun
1.
Moltebeere
/veːr/, /vɪːr/
noun
  1. 1. lichaamsbedekking van een vogel
    Feder
  2. 2. mechanische tong of spiraal waarop door buiging spanning gezet kan worden
    1. Feder
    2. Sprungfeder
  3. 1. boot of schip toegewijd aan het onderhouden van een regelmatige verbinding over een rivier of een ander water
    Fähre
noun
1. een persoon die een veer bedient
Fährmann
noun
1. een overzetvaartuig
Fähre
noun
Federring
/ˈvɪːrtin/
cardinalNumeral
1. het getal 14
vierzehn
ordinalAdjective
vierzehnte
noun
1. ruimtelijke figuur met veertien vlakken
Tetradekaeder
/ˈfɪːrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 40
vierzig
noun
1. buikwind
Furz
noun
Viehbestand
noun
1. het onderhouden en fokken van vee.
  1. Viehzucht
  2. Viehhaltung
  3. Viehwirtschaft
noun
Veganismus
verb
  1. 1. zonder water schoonmaken met een borstel
    1. fegen
    2. kehren
  2. 2. door ergens langs te strijken verplaatsen of verwijderen
    1. wegfegen
    2. wegwischen
adjective
1. als of voor vegetariërs
vegetarisch
/ˈvɛilə(n)/
verb
1. verkopen op een openbare verkoping waar een prijs vastgesteld wordt
versteigern
adjective
1. niet aan gevaar blootstaand
sicher
noun
1. een situatie waarin een bepaald gevaar niets kan aanrichten
Sicherheit
noun
1. een bril die de ogen beschermt
Schutzbrille
noun
1. een stevige band die iemand in een voer- of vliegtuig vasthoudt in zijn zetel ter bescherming tegen onverhoedse bewegingen
Sicherheitsgurt
noun
1. een klep die een opening in een reservoir of een leiding afsluit en die geopend wordt als de inwendige spanning te hoog wordt
Sicherheitsventil
pronoun
1. orgaan van de Verenigde Naties met als primaire verantwoordelijkheid ...
Sicherheitsrat der Vereinten Nationen
noun
1. een beweegreden die de bevordering van de veiligheid betreft
Sicherheitsgrund
noun
Sicherheitsschuhe
noun
1. een afsluitbare gebogen pin waarmee men twee stukken stof bijeen kan houden, voorzien van een veiligheidskapje dat voorkomt dat men zich eraan bezeren kan
Sicherheitsnadel
/ˈvɛɪ̯.lɪŋ/, /ˈvɛː.lɪŋ/
noun
1. een plaats waar goederen bij opbod of afslag verkocht worden
  1. Versteigerung
  2. Auktion
verb
1. zich onecht voordoen
  1. vorgeben
  2. heucheln
  3. tun (als ob)
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Beieren
Veitshöchheim
noun
  1. 1. dunne laag
    1. Blatt
    2. Bogen
  2. 2. afgestroopte huid
    1. Haut
    2. Fell
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Velbert
/vɛlt/
noun
    1. 1. open stuk land
    2. nog na te kijken
    Feld
  1. 2. stuk land voor het bedrijven van een sport
    1. Spielfeld
    2. Feld
noun
1. een simpel bed op pootjes dat snel geplaatst kan worden
Feldbed
/ ˈvɛltflɛs /
noun
1. een afsluitbare en draagbare fles, meestal uit metaal of plastic vervaardigd, die gebruikt wordt om de drager buitenshuis van vocht te voorzien
Feldflasche
noun
Feldlazarett
noun
Feldlerche
noun
1. Microtus arvalis, familie van de woelmuis
Feldmaus
noun
1. en 2. (bladeren van) kruidachtige plant Valerianella locusta
  1. Feldsalat
  2. Rapunzel
noun
1. een treffen tussen twee of meer legers
Schlacht
noun
2. intensiteit van de elektromagnetische straling
Feldstärke
/vɛltɔxt/
noun
1. een trektocht van een leger met het doel de vijand te verslaan
Feldzug
noun
1.
Feldweg
/ˈvɛld.zyː.rɪŋ/, /ˈvɛɫ.tsyː.rɪŋ/
noun
1. en 2. (bladeren van) de plant Rumex acetosa
Sauerampfer
/ˈveːlən/
verb
  1. ertragen
  2. dulden
/vɛlx/, /vɛlχ/
noun
1. de buitenrand van een wiel waar de band omheen zit
Felge
noun
1. een verzamelnaam voor muziekinstrumenten die toon/geluid voortbrengen door een trillend vel
Fellklinger
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Vellberg
pronoun
1. een taal die in de Veneto-regio gesproken wordt
Venezianisch
//
pronoun
1. provincie in Italië
Venedig
pronoun
Venetien
/ˌvenəzoˈlan/, /ˌvenəzoˈlaːn/
noun
1. een inwoner van Venezuela
Venezolaner
/ˌvenəzyˈweːla/, /ˌvenəzyˈβ̞ela/, /ˌvenəzyˈβ̞eːla/
pronoun
1. een land in het noorden van Zuid-Amerika
Venezuela
noun
1. soort naaldboom (Taxus baccata)
Eibe
noun
1., 2., 3. of 3. (zaad, bladeren of knol van) plant Foeniculum vulgare
Fenchel
noun
1. gedroogde zaden van Foeniculum vulgare
  1. Fenchelsaat
  2. Fenchelsamen
noun
1. onderneming of bedrijf met meerdere aandeelhouders
Gesellschaft
noun
1. muuropening om lucht en licht door te laten
Fenster
noun
Fensterbank
adjective
  1. Fenstergrau
  2. fenstergrau
noun
1. kerel, man
Kerl
noun
  1. Ventilator
  2. Lüfter
verb
1. verse lucht in een ruimte brengen
lüften
/vɛn.ˈtri.kɔɫ/, /vɛn.ˈtri.kəl/, /vɛn.ˈtri.kəɫ/
noun
1. elk van twee kamers van het hart
Ventrikel
pronoun
1. planeet
Venus
noun
Venus-Frauenspiegel
noun
Venusfliegenfalle
adverb
1. op grote afstand
  1. weit
  2. fern
verb
1.
verschönern
adjective
1. waarvoor men geen enkel respect kan opbrengen
verächtlich
/vərˈɑxtə(n)/, /vərˈɑçtə(n)/
verb
  1. 1. in hoge mate minachten
    1. verachten
    2. missachten
  2. 2. trotseren
    1. verachten
    2. trotzen
noun
Verachtung
adjective
1. op grote afstand
abgelegen
verb
1. een overdreven bewondering koesteren
  1. anbeten
  2. verabgöttern
/vɛ.ˈrɑf.sxy.wə(n)/
verb
1. afschuw hebben voor
verabscheuen
verb
1. Amerikaans maken
amerikanisieren
verb
  1. 3. anders worden
    1. verändern
    2. ändern
  2. 1. zodanig aan iets werken of iets behandelen dat het anders wordt
    1. ändern
    2. verwandeln
    3. abändern
    4. umändern
noun
1. iets dat anders is geworden
Änderung
noun
Verantwortlicher
noun
1. de verplichting om ervoor te zorgen dat iets goed verloopt
  1. Verantwortlichkeit
  2. Verantwortung
noun
1. een geneesmiddel behorende tot de groep van calciumblokkers
Verapamil
verb
1. armer worden
verarmen
adverb
1. als je iets vreemd vindt omdat je het niet verwacht had
verwundert
noun
1. Een verbandgaas dient ter bedekking van een wond
Verbandmull
verb
1. iemand van regeringswege dwingen een bepaald gebied te verlaten
verbannen
/vər.ˈbɑ.nɪŋ/
noun
1. het verbod opgelegd krijgen naar een bepaalde plaats terug te keren
Verbannung
verb
  1. 1. door iets onverwachts gevoelsmatig treffen
    erstaunen
  2. 2. door iets onverwachts gevoelsmatig getroffen worden
    1. sich wundern
    2. staunen
verb
1. onvoltooid deelwoord van verbazen
  1. erstaunlich
  2. überraschend
noun
1. grote verwondering
  1. Erstaunen
  2. Verwunderung
  3. Überraschung
  4. Staunen
/vərˌbazɪŋˈʋɛkənt/
adjective
1. wat verbazing opwekt, wat buitengewoon is
  1. erstaunenswert
  2. erstaunlich
verb
    1. 1. kunstzinnig weergeven
    2. 2. een weergave zijn van
    darstellen
  1. 4. een ongerechtvaardigd hoge dunk van zichzelf hebben
    einbilden
/vər.ˈbeːɫ.dɪŋ/, /vər.ˈbɪːɫ.dɪŋ/, /vɛr.ˈbeːl.dɪŋ(g)/
noun
  1. 2. iets visualiseren, ergens een beeld bij maken
    Phantasie
  2. 1. zich iets visueel voorstellen, ergens in het hoofd een beeld van maken
    Vorstellung
verb
1. iets ergens plaatsen waar het niet gemakkelijk door anderen gevonden wordt
  1. verbergen
  2. verstecken
/vərˈbetərə/
verb
  1. 2. van fouten ontdoen
    1. korrigieren
    2. verbessern
  2. 1. (iets) beter maken, de kwaliteit verhogen
    verbessern
/vər.ˈbe.tə,rɪŋ/
noun
1. een verandering ten goede
  1. Verbesserung
  2. Aufbesserung
verb
1. van staatswege in beslag nemen
  1. beschlagnahmen
  2. konfiszieren
  3. einziehen
verb
verwirken
/vɛɾ.'bi:.dǝ(n)/
verb
1. een bepaalde handeling strafbaar stellen
  1. verbieten
  2. untersagen
verb
1.in verwarring of extreme verbazing brengen
  1. entsetzen
  2. erschüttern
adjective
1. verbazingwekkend
erstaunlich
verb
1. zijn gevoelens van ergernis of pijn onder controle houden
verbeißen
verb
  1. 2. met iets of iemand contact maken via de telefoonlijn
    verbinden
  2. 1. twee of meer onderdelen aan elkaar vastmaken
    1. verbinden
    2. anschlieβen
  3. 3. behandelen door het aanbrengen van verband
    1. verbinden
    2. bandagieren
/vər.ˈbɪn.dɪŋ/, /vɛr.ˈbɪn.dɪŋ(g)/
noun
  1. 1. verbinden of samenvoegen
  2. 3. communicatie
  3. 2. scheikunde
Verbindung
noun
Fugenelement
noun
Verbindungspunkt
noun
1. teken in de vorm van een kort liggend lijntje
Bindestrich
noun
2. twee-personen-verhouding waarbij de ene tot een prestatie gerechtigd, de andere tot dezelfde verplicht is
Schuldverhältnis
verb
1. bitter maken
verbittern
adjective
  1. Fernblau
  2. fernblau
verb
1. alle kleur verliezen
  1. erblassen
  2. erbleichen
noun
1. een plaats waar men, al dan niet noodgedwongen, verblijft
Aufenthaltsort
verb
1. een onplezierig feit verbergen met schone schijn
  1. beschönigen
  2. kaschieren
  3. schönreden
  4. verblümen
/vərˈbɔt/
noun
1. strafmaatregel
Verbot
noun
  1. Allianz
  2. Bündnis
noun
1. emotioneel contact met een ander
  1. Verbundenheit
  2. Verflochtenheit
adjective
1.onzichtbaar gemaakt
  1. verborgen
  2. versteckt
verb
  1. 2.planten telen
    1. anbauen
    2. bauen
  2. 1.anders bouwen
    umbauen
verb
1. verteerd worden door vuur of hitte
verbrennen
noun
Verbrennung
noun
1. motor waarbij de kracht wordt opgewekt door verbranding van een brandstof
Verbrennungsmotor
verb
1. in vele kleine brokstukken breken
zerschmettern
noun
Versprödung
noun
2. de totale verbruikte hoeveelheid
  1. Verbrauch
  2. Verzehr
  3. Verbrauchswert
verb
1. door buiging blijvend vervormen
verbiegen
/vər.ˈbœʏ̯.χɪŋ/, /vər.ˈbœː.ɣɪŋ/
noun
1. naamwoordsflexie
  1. Deklination
  2. Beugung
verb
1. met een laagje chroom bedekken
verchromen
verb
1. coderen
verschlüsseln
verb
1. een zitting opschorten tot een nadere datum
vertagen
verb
1. beschermen tegen een aanval
verteidigen
noun
Verteidigung
verb
1. in kleinere stukken uiteendoen
  1. teilen
  2. einteilen
  3. verteilen
noun
Verteilunf
verb
1. het vermoeden hebben van iets slechts
verdächtigen
/vər.ˈdɛŋ.kɪŋ/
noun
1. het vermoeden van het uitvoeren van een (strafbaar) feit
  1. Verdacht
  2. Argwohn
verb
  1. verderben
  2. zerstören
/ˈvɛrdərˈzɛtə(n)/
verb
1. voortzetten, doorgaan met
fortsetzen
/vərˈdɪxtsəl/
noun
1. iets dat niet bestaat
Erdichtung
verb
  1. 2. geld verkrijgen door arbeid of een andere prestatie
  2. 1. het recht op een beloning of bestraffing verwerven
verdienen
/vɛr.ˈdi.pə(n)/
verb
  1. 2. ernstig nadenken over
    sich vertiefen (in)
  2. 1. dieper maken
    vertiefen
/vər.ˈdi.pɪŋ/
noun
  1. 3. alle ruimten op één hoogte in een gebouw
    1. Etage
    2. Stockwerk
    3. Stock
  2. 1. het dieper maken
    Vertiefung
verb
  1. 1. dikker worden
  2. 2. dikker doen worden
  1. eindicken
  2. verdicken
verb
  1. 1. dor worden
    1. ausdorren
    2. verdorren
  2. 2. dor maken
    verwelken
adjective
verdorben
verb
1. de pijnprikkel onderdrukken, bijvoorbeeld door het toedienen van een medicijn
  1. betäuben
  2. lindern
noun
1. bereidheid om te aanvaarden dat anderen zich gedragen op een manier die je niet goed vindt
  1. Toleranz
  2. Duldsamkeit
/vərˈdrɑx/
noun
1. een wettelijk wederzijds bindende overeenkomst tussen twee of meer staten
Vertrag
verb
  1. 1. bestand zijn tegen
    1. aushalten
    2. ertragen
  2. 2. kunnen verteren
    vertragen
noun
1. een gevoel van droefheid
  1. Gram
  2. Kummer
  3. Trauer
  4. Schmerz
  5. Verdruß
  6. Ärger
adjective
1. in sombere stemming
  1. traurig
  2. betrübt
verb
1.uit het land verjagen
vertreiben
verb
  1. 1. in het water omkomen
    ertrinken
    1. 2. in het water doen omkomen
    2. 3. door drinken van alcohol doen verdwijnen
    ertränken
noun
Ertrinken
/vər.ˈdro.ɣə(n)/, /vər.ˈdro.χə(n)/, /vɛr.ˈdro.ɣə(n)/
verb
1. gevaarlijk veel water verliezen
  1. austrocknen
  2. vertrocknen
verb
1. duidelijker maken
erläutern
/vər.ˈdœʏ̯.də.lə.kɪŋ/, /vər.ˈdœː.də.lə.kɪŋ/, /vɛr.ˈdœː.də.li.kɪŋ(g)/
noun
1. iets wat ter verduidelijking dient
Erklärung
verb
  1. 2. iets (m.n. geld) ontvreemden/stelen
    1. unterschlagen
    2. veruntreuen
    1. 1. donkerder maken
    2. 3. verplicht afplakken van alle ramen om de nachtelijke geallieerde bombardementen te bemoeilijken, tijdens de Tweede Wereldoorlog
    verdunkeln
/vər.ˈdœʏ̯.stə.rɪŋ/, /vər.ˈdœː.stə.rɪŋ/, /vɛr.ˈdœːs.tə.rɪŋ(g)/
noun
Finsternis
verb
  1. verirren
  2. verlaufen
  3. verfahren
/vərˈdʋɛɪnə(n)/
verb
  1. 2. afnemen
    schwinden
    1. 1. wegraken
    2. 3. uit het zicht gaan
    verschwinden
noun
1. het verdwijnen
  1. Verschwinden
  2. Verschwindung
noun
Fluchtpunkt
verb
  1. 1. in de adelstand verheffen
    adeln
  2. 2. edeler maken, verfijnen
    veredeln
/vərenˈvʌʊdəχtʃiˌnes/, /vərenˈvʌːdəxtʃiˌnes/
phraseologicalUnit
1. het schrift waarmee het Chinees met name op het vasteland van China geschreven wordt
vereinfachtes Chinesisch
/vəreɱˈvɑudəɣɪŋ/
noun
1. wat iets simpeler maakt
Vereinfachung
verb
verewigen
/vɛrɛɪsə(n)/
verb
1. nodig hebben
  1. erfordern
  2. benötigen
adjective
1. benodigd, noodzakelijk
erforderlich
noun
Erfordernis
/vəˈrenəχt ˈkonɪŋkˌrɛɪ̯k/, /vəˈreːnəxt ˈkoːnɪŋkˌrɛːk/, /vəˈreːnɪx ˈkoːnɪŋkˌrɛɪ̯k/
pronoun
Vereinigtes Königreich
/vɛrenəɣdə arabisə emiratən/
pronoun
land in het Midden-Oosten, officieel de Verenigde Arabische Emiraten, vaak afgekord tot V.A.E.
Vereinigte Arabische Emirate
noun
Vereinte Nationen
pronoun
1. een land dat een groot deel van het Noord-Amerikaanse continent beslaat en opgedeeld is in vijftig staten
Vereinigte Staaten von Amerika
/və.ˌre.nəx.də.ˈsta.tə(n).vɑn.ɑ.ˈmeː.ri.ka/, /və.ˌreɪ̯.nəχ.də.ˌsta.tə(n).vɑn.ɑ.ˈmɪː.ri.ka/, /vɛ.ˌʁe.nɪx.də.ˈsta.tə(n).va.na.ˈmeː.ʁi.ka/
pronoun
1. een land dat een groot deel van het Noord-Amerikaanse continent beslaat en opgedeeld is in vijftig staten
Vereinigte Staaten von Amerika
verb
1. afzonderlijke delen tot één geheel maken
vereinen
/və.ˈre.nə.ɣɪŋ/, /və.ˈre.nə.χɪŋ/, /vər.ˈe.ni.ɣɪŋ(g)/
noun
  1. 1. groepering van mensen die op een bepaald doel gericht is
    1. Verein
    2. Vereinigung
    3. Verband
  2. 3. een operatie die twee of meer verzamelingen samenvoegt
    Vereinigung
verb
1. erger worden of maken
verschlimmern
/vɛrf/
noun
  1. 1. de algemene benaming voor een product dat bedoeld is om voorwerpen te beschermen...
    Farbe
  2. niet uit de verf komen
    nicht zur Geltung kommen
verb
1. fijner of gevoeliger maken
  1. verfeinern
  2. veredeln
/vɛrflax/
noun
1. een laag verhard, vaak met pigment gekleurd materiaal ooit aangebracht in vloeibare vorm
Farbschicht
/vɛr.ˈfu.jə(n)/
verb
1. afschuw hebben van
verabscheuen
verb
1. mooier maken
  1. verschönern
  2. schmücken
verb
1. Franstalig maken/worden
  1. französieren
  2. französisieren
verb
  1. zerknittern
  2. zerknüllen
adjective
1. grote gevolgen hebbend
weitgehend
/vər.ˈɣa.də.rə(n)/, /vər.ˈχa.də.rə(n)/, /vɛr.ˈɣa.də.rə(n)/
verb
1. in vergadering bijeenkomen, een vergadering bijwonen
tagen
/vərˈɣadəˌrɪŋ/, /vərˈχadəˌrɪŋ/
noun
1. een georganiseerde bijeenkomst voor bespreking en overleg
  1. Versammlung
  2. Besprechung
  3. Sitzung
verb
vergällen
verb
1. gefascineerd naar iets staren
  1. begaffen
  2. bestaunen
verb
1. bijeenbrengen
sammeln
adjective
1. niet goed kunnen onthouden
  1. vergesslich
  2. zerstreut
verb
1. geel worden door veroudering of invloed van de omgeving
vergilben
adjective
1. goed te vergelijken
vergleichbar
verb
1. de overeenkomsten en verschillen van twee zaken in beschouwing nemen
vergleichen
/vɛrɣə'lɛɪkɪŋ/
abbreviation
  1. 2. wiskundige uitdrukking
    Gleichung
  2. 1. relatie tussen twee zaken
    1. Vergleich
    2. Vergleichung
verb
1. iets eenvoudiger of makkelijker maken
  1. erleichtern
  2. vereinfachen
/'vɛrɣə(n)/
verb
1. als noodzakelijke voorwaarde hebben
  1. erfordern
  2. abfordern
  3. benötigen
  4. einfordern
  5. fordern
verb
1. uit het geheugen verloren gaan
vergessen
verb
  1. 1. vergiffenis schenken
    1. vergeben
    2. verzeihen
  2. 2. vergiftigen
    vergiften
/vərˈxevənsxəzɪnt/
adjective
1. klaar om anderen te vergeven
  1. nachsichtig
  2. nachtragend
  3. versöhnlich
  4. verträglich
noun
1. het iemand niet kwalijk nemen van iets; het kwijtschelden van een schuld
Vergebung
verb
1. met iemand meegaan
begleiten
/vərˈxit/
noun
1. teiltje met gaten
Seiher
/vərˈɣɪf/
noun
1. iets dat levende wezens schaadt
  1. Gift
  2. Giftstoff
noun
1. het iemand niet kwalijk nemen van iets; het kwijtschelden van een schuld
Vergebung
verb
1. blootstellen aan een voor het lichaam schadelijke vreemde stof
vergiften
verb
1. eerste betekenisomschrijving
irren
/vər.ˈɣɪ.sɪŋ/, /vər.ˈχɪ.sɪŋ/, /vɛr.ˈɣɪ.sɪŋ(g)/
noun
1. iets doen dat niet juist is, of een verkeerde conclusie trekken
Irrtum
verb
1. aan iemand compensatie verlenen voor gemaakte kosten of geleden schade
vergüten
/vərˈxudɪŋ/
noun
1. compensatie voor gemaakte kosten of geleden schade
  1. Entgelt
  2. Vergütung
verb
1.iemands iets onoorbaars of onzedigs aandoen
sich vergreifen
verb
  1. 1., 2. grijs worden, grijze haren krijgen
    ergrauwen
  2. 3. ouder worden
    vergreisen
noun
1. bolle lens waardoor de voorwerpen die men bekijkt groter lijken
  1. Lupe
  2. Vergrößerungsglas
verb
1. groter doen worden
  1. vergrößern
  2. ausbreiten
/vərˈɣrotəndə trɑp/
noun
1. de vorm die het bijvoeglijk naamwoord aanneemt in vergelijkingen
  1. Komparativ
  2. Höherstufe
  3. Mehrstufe
noun
1. een toename in grootte
Vergrößerung
/vər'ɦal/
noun
1. verslag (mondeling of schriftelijk) van een waargebeurde of verzonnen gebeurtenis
Geschichte
noun
Abhandlung
noun
1.
Gaumen
verb
  1. 3. iemand ~ vreugde bereiden
    erfreuen
  2. 1. zich ~: blijdschap ervaren
    sich freuen
  3. 2. zich ~ op: reikhalzend uitzien naar iets
    sich freuen auf
verb
1. heviger worden
verstärken
verb
1. voorkomen, ervoor zorgen dat iets niet gebeurt
verhindern
verb
1. hoger doen worden
erhöhen
/vər.ˈɦo.ɣɪŋ/, /vər.ˈɦo.χɪŋ/, /vɛr.ˈho.ɣɪŋ/
noun
  1. 1. een plaats die hoger aangelegd is dan zijn omgeving
    Erhebung
  2. 3. een verhoogde lichaamstemperatuur
    Erhöhung
  3. 2. het hoger maken van een prijs, premie e.d.
    1. Erhöhung
    2. Preiserhöhung
noun
1. een indringende ondervraging van een gevangene of verdachte
  1. Verhör
  2. Vernehmung
verb
1. iemand onderwerpen aan indringende vragen, met name over diens rol in strafbare handelingen
  1. verhören
  2. befragen
/vərˈɦɔʊ̯.dɪŋ/, /vərˈɦʌʊ̯.dɪŋ/, /vɛrˈhaʊ̯.dɪŋ/
noun
  1. 2. de betrekking van personen onderling
    1. Beziehung
    2. Verhältnis
  2. 3. een intieme, duurzame relatie tussen twee personen
    1. Liebesverhältnis
    2. Verhältnis
  3. 1.
    Verhältnis
verb
1. een houtachtige structuur krijgen
verholzen
verb
  1. 1. van woonplaats veranderen
  2. 2. de inboedel van een ander overbrengen
umziehen
/vərˈhœʏzɪŋ/, /vərˈhœːzɪŋ/
noun
1. de verwisseling van één (semi-) permanente woonplaats voor een andere
Umzug
verb
1. iets niet openlijk zeggen of tonen
verhüllen
verb
1. nagaan, controleren
verifizieren
/ˈveː.rɪŋ/, /ˈvɪː.rɪŋ/
noun
1. mechanisme dat dient om schokken op te vangen
Federung
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Veringenstadt
verb
2. overgankelijk meer innerlijk, minder oppervlakkig maken
verinnerlichen
noun
1. de dag waarop iemand viert dat hij of zij geboren werd
  1. Geburtstag
  2. Jahrestag
  3. Wiegenfest
noun
1.
Geburtstagstorte
noun
1. het niet meer afdwingbaar zijn van een vordering door het verloop van de tijd
Verjährung
verb
1. jonger maken
verjüngen
verb
1. kalkachtig worden
verkalken
adjective
1. niet openlijk, ondergronds
  1. verdeckt
  2. verkappt
noun
1. het geheel van verplaatsingen waarbij goederen of personen vervoerd worden
Verkehr
/vər'kersaxɛnt/
noun
1.
  1. Verkehrspolizist
  2. Verkehrspolizistin
adjective
  1. Verkehrsblau
  2. verkehrsblau
noun
1. gestandaariseerd bord met aanwijzingen voor mensen in het verkeer
  1. Verkehrsschild
  2. Verkehrszeichen
adjective
  1. Verkehrsgelb
  2. verkehrsgelb
adjective
  1. Verkehrsgrau
  2. verkehrsgrau
noun
Verkehrsgrau A
noun
Verkehrsgrau B
adjective
  1. Verkehrsgrün
  2. verkehrsgrün
noun
1. geluidsoverlast veroorzaakt door het verkeer
Verkehrslärm
noun
1. een installatie die middels gekleurde lichten het verkeer op een kruispunt regelt
  1. Ampel
  2. Verkehrsampel
noun
1. in de maatschappij gangbare mening of verwachting die bij een vermogensrechtelijke kwestie van belang is
Verkehrsauffassung
adjective
  1. Verkehrsorange
  2. verkehrsorange
adjective
  1. Verkehrspurpur
  2. verkehrspurpur
adjective
  1. Verkehrsrot
  2. verkehrsrot
adjective
  1. Verkehrsweiß
  2. verkehrsweiß
adjective
  1. Verkehrsschwarz
  2. verkehrsschwarz
verb
  1. 2. waarnemingen in een vijandelijk of onbekend gebied uitvoeren om strategische informatie in te winnen
    aufklären
  2. 1.
    erkunden
noun
  1. 2. militaire verkenning
    Aufklärung
  2. Erkundung
verb
1. iemand door een stemming een ambt doen toekomen
  1. wählen
  2. auserwählen
/vər.ˈki.zɪŋ/, /vɛr.ˈki.zɪŋ(g)/
noun
1. het kiezen door middel van stemming
Wahl
adjective
1. (spreektaal) verliefd zijn op
vernarrt
/vɛrˈklarə(n)/
verb
  1. 1. duidelijk maken
    erklären
  2. 2. een officieel standpunt uitspreken
    1. erklären
    2. deklarieren
    3. verkünden
    4. melden
/vər.ˈkla.rɪŋ/, /vɛr.ˈkla.rɪŋ(g)/
noun
  1. 4. schriftelijk stuk
    Attest
    1. 2. plechtige bekendmaking
    2. 3. opheldering
    Erklärung
  2. 1 het verklaren
    1. Erklärung
    2. spiegazione
verb
1. tot minder grote proporties terugbrengen
verkleinern
noun
1. een afname in grootte
Verkleinerung
/vərˈklɛɪ̯nʋɔːrt/
noun
1. woord waardoor iets als klein of weinig wordt voorgesteld
  1. Diminutiv
  2. Verkleinerungswort
noun
1. het van kleur veranderen
Verfärbung
/vərˈklɪkə(n)/
verb
  1. 2. heimelijk informatie doorgeven
    1. anzeigen
    2. verraten
  2. 1. een informatie overbrengen
    1. ausplaudern
    2. hinterbringen
  3. 3. iets van iemand aan iemand anders vertellen
    1. denunzieren
    2. petzen
    3. verpfeifen
noun
Spitzel
verb
  1. verkorksen
  2. Scheiße bauen
verb
verbocken
noun
1. het verkopen (voor geld aan een ander geven)
Verkauf
noun
Verkaufsstelle
/vərˈkopə(n)/
verb
  1. 1. goederen tegen betaling aan een nieuwe eigenaar geven
    verkaufen
  2. iets per opbod verkopen
    versteigern
noun
1. iemand die goederen of diensten verkoopt
Verkäufer
noun
1. een virusinfectie aan keel of neus
  1. Erkältung
  2. Schnupfen
verb
  1. 1. iemand met geweld tot seksueel verkeer dwingen
    vergewaltigen
  2. 2. op grove wijze schenden
    verletzen
noun
1. een seksuele daad onder dwang
Vergewaltigung
verb
1. in spiercontractie geraken
verkrampfen
verb
1. in bezit krijgen, verwerven
  1. erhalten
  2. bekommen
  3. erwerben
verb
1. iets gebruiken zonder dat je het goed of volledig benut
  1. vergeuden
  2. verschwenden
pronoun
1.
Verl
/vərˈlaxə(n)/
verb
1. op een lager peil brengen
senken
/vər'lɑmə(n)/
verb
1. van het vermogen zich te bewegen beroven
lähmen
noun
1. toestand waarin men niet is staat is zich te bewegen
Lähmung
noun
1. iets willen hebben
  1. Verlangen
  2. Begehren
  3. Sehnen
verb
1. iets erg graag willen hebben
  1. wünschen
  2. Verlangen haben nach
  3. sich sehnen nach
noun
Wunschzettel
verb
  1. 6. opgeven
    aufgeben
    1. 1. weggaan
    2. 2. in de steek laten
    3. 3. onverzorgd achterlaten
    verlassen
noun
1. de voorafgaande tijd
Vergangenheit
noun
1. het woord dat deel heeft aan het werkwoord en aan het naamwoord en als afgesloten gezien wordt
  1. Partizip II
  2. Partizip Perfekt
  3. Perfektpartizip
noun
Präteritum
verb
1. tot kwaad brengen
  1. verleiten
  2. verlocken
/vər.ˈlɛɪ̯.dɪŋ/, /vər.ˈlɛː.dɪŋ/, /vɛr.ˈlɛɪ̯.dɪŋ/
noun
1. het verleiden van iets of iemand
  1. Verführung
  2. Verlockung
/vərlenə(n)/
verb
1. iemand begunstigen met iets, iemand iets toestaan
  1. erteilen
  2. gewähren
/vərˈlɛŋə(n)/
verb
  1. 1. langer maken
  2. 2. langer laten duren
verlängern
/vər.ˈlɛ.ŋɪŋ/, /vɛr.ˈlɛ.ŋɪŋ/
noun
  1. 3. extra speeltijd
  2. 2. het verlengen
Verlängerung
noun
elektrisch snoer voorzien van stekker en contrastekker
  1. Verlängerungskabel
  2. Verlängerungsschnur
verb
  1. 1. van licht voorzien
    1. beleuchten
    2. bestrahlen
  2. 2. minder zwaar maken
    1. erleichtern
    2. mildern
  3. 3. minder moeilijk maken
    fördern
noun
Beleuchtungsstärke
adjective
verliebt
noun
amoureuze gerichtheid op een bepaalde persoon
Verliebtheit
noun
1. het teloorgaan, kwijtraken
Verlust
verb
1. iets kwijt raken
verlieren
/vərˈludərə(n)/
verb
1. te gronde gaan
verludern
noun
Urlaub
verb
1. tot kwaad brengen
  1. verführen
  2. verlocken
noun
1. betaling van een loon voor geleverde diensten
Entgelt
adjective
  1. 2. in een vervallen toestand verkeren
    1. verkommen
    2. verludert
  2. 1. niet meer geldig of niet meer van toepassing
    verstrichen
verb
  1. 1. zijn geldigheid verliezen
    ablaufen
  2. 2. een neergaande lijn vertonen
    zurückgehen
/vərˈloːrə(n)/
adjective
  1. 1-5.
    verloren
  2. 5.2. (Bijbel) verloren zoon
    verlorener Sohn
  3. 5.3. (Bijbel) verloren schaap (afgedwaald van de kudde)
    verlorenes Schaff
verb
  1. 1. daadwerkelijk of overdrachtelijk van ketenen bevrijden
    1. befreien
    2. erlösen
  2. 2. een vrouw geneeskundig bijstaan bij de bevalling
    entbinden
verb
1. iemand een (informele) belofte om te trouwen geven
verloben
verb
1.aan lichaamsgewicht verliezen
  1. abmagern
  2. abnehmen
verb
  1. 1. iemand prettig en leuk bezighouden
    1. unterhalten
    2. amüsieren
    3. belustigen
  2. 3. iets in een testament toebedelen
    1. vermachen
    2. hinterlassen
    3. vererben
  3. 2. een kledingstuk veranderen
    1. ändern
    2. umarbeiten
verb
1. vervloeken
vermaledeien
noun
1.
  1. Mischung
  2. Vermengung
verb
1. het herhaald optellen van een getal; een rekenkundige bewerking waarvan de uitkomst het product wordt genoemd
  1. multiplizieren
  2. malnehmen
noun
Multiplikator
/vər.ˌme.nəx.ˈvʏɫ.də.ɣɪŋ/, /vər.ˌme.nəχ.ˈvʏɫ.də.χɪŋ/, /vɛr.ˌme.nɪx.ˈvʏl.di.ɣɪŋ(g)/
noun
  1. 2.een voortplanting
    Fortpflanzung
  2. 1 .een vermeerdering tot een veelvoud van het oorspronkelijke aantal
    Multiplikation
noun
1.
Frühlingssuppe
/vərˈmɛi̯də(n)/
verb
1. trachten te ontwijken
  1. vermeiden
  2. meiden
  3. ausweichen
  4. entgehen
  5. umgehen
  6. entweichen
adjective
2. in een tint rood met RAL-nummer 2002
blutorange
noun
  1. 3. tint rood met RAL-nummer 2002
    Blutorange
  2. 1. bepaalde rode kleurstof op basis van kwik(I)sulfide, HgS
    Zinnober
  3. 2. naar oranje zwemende dieprode kleur
    Zinnoberrot
phraseologicalUnit
1. een interval van een octaaf min een halve toon
verminderte Oktave
phraseologicalUnit
1. een interval van een kwart min een halve toon
verminderte Quarte
phraseologicalUnit
1. een interval van een kwint min een halve toon
verminderte Quinte
phraseologicalUnit
1. een prime min een halve toon
verminderte Prime
phraseologicalUnit
1. een kleine seconde min een halve toon
verminderte Sekunde
phraseologicalUnit
1. een kleine secunde min een halve toon
verminderte Sekunde
phraseologicalUnit
1. een kleine secunde min een halve toon
verminderte Sekunde
phraseologicalUnit
1. een kleine septiem min een halve toon
verminderte Septime
phraseologicalUnit
1. een kleine sext min een halve toon
verminderte Sexte
phraseologicalUnit
1. een kleine terts min een halve toon
verminderte Terz
verb
  1. 1. afnemen in aantal, kleiner worden
    abnehmen
  2. 2. doen afnemen in aantal, kleiner maken
    1. verringern
    2. vermindern
noun
1. verkleining
Verminderung
verb
1. iemands lichaam blijvend en misvormend letsel toebrengen
verstümmeln
conjunction
1. omdat of aangezien, geeft onderschikkend een reden aan
weil
adjective
1. naar men denkt, maar niet zeker weet
  1. mutmaßlich
  2. vermütlich
noun
1. een waarschijnlijke waarheid
Vermutung
verb
1. een gedachte koesteren waarvan men niet zeker is maar die een zekere waarschijnlijkheid inhoudt
vermuten
adjective
1. behoefte hebbend om uit te rusten
müde
/vərˈmoχə(n)/
noun
2. de kwaliteiten om iets te kunnen doen
Leistung
noun
1. stelsel van regels voor leden van een samenleving over onderlinge verhoudingen en transacties...
Vermögensrecht
verb
1. zacht worden door een proces van verrotting
vermorschen
verb
  1. 1. zich op onherkenbare wijze uitdossen
  2. 2. iemand op herkenbare wijze uitdossen
  1. verkleiden
  2. vermummen
verb
1. gewelddadig van het leven beroven
  1. ermorden
  2. umbringen
verb
1. in kleine stukken slaan, pletten
zerdeppern
noun
1. versterkte wijn, op smaak gebracht met aromatische planten en kruiden
  1. Wermut
  2. Vermouth
verb
1. een paard voorzien van een hoefijzer middels hoefnagels
beschlagen
verb
1. iemand zo behandelen dat hij zich minderwaardig voelt
  1. demütigen
  2. erniedrigen
verb
1. een einde maken aan, het bestaan uitwissen van, volledig tenietdoen
  1. zerstören
  2. vernichten
noun
1. einde maken aan het bestaan van iets
  1. Vernichtung
  2. Zerstörung
/vərˈniwə(n)/
verb
2. bij de tijd brengen
erneuern
noun
Erneuerung
noun
1. een oplossing van filmvormende stoffen in vluchtige oplosmiddelen...
Firnis
verb
1. iets voorzien van een laag vernis
firnissen
verb
1. een bepaalde aanname maken
annehmen
adjective
gekränkt
/vər.ɔnt.ˈrɛɪ̯.nə.χə(n)/, /vər.ɔnt.ˈrɛː.nə.ɣə(n)/, /vɛr.ɔnt.ˈrɛɪ̯.nɪ.ɣə(n)/
verb
1. ergens schadelijke en stoffen en vuiligheden inbrengen
verunreinigen
noun
  1. Verunreinigung
  2. Verschmutzung
verb
1. ongerust maken, zorgen baren
beunruhigen
noun
Besorgnis
adverb
1. gevoelens koesterend dat men te na gekomen is
  1. empört
  2. entrüstet
verb
1. veroordeeld (bijvoeglijk naamwoord)
verurteilt
verb
  1. 2. zeggen dat je iets verkeerd vindt
    1. missbilligen
    2. rügen
    3. tadeln
    4. verurteilen
  2. 1. in een rechtszaak een oordeel uitspreken
    1. verurteilen
    2. missbilligen
verb
1. zichzelf iets toestaan, gewoonlijk een financiële uitgave
  1. erlauben
  2. leisten
verb
1. de oorzaak zijn van
verursachen
adjective
veraltet
/vərˈʌʊdərə(n)/
verb
  1. 1. ouder worden
    altern
  2. 2. uit de mode raken
    veralten
/vərovərə(n)/
verb
1. een gebied door een militaire operatie in zijn macht nemen
erobern
noun
Eroberung
/vər.ˈpɑχ.tə(n)/
verb
1. huur ontvangen voor het vergeven van het recht om een stuk land te gebruiken dat aan jouzelf toebehoort
verpachten
noun
1. het materiaal waarin iets verpakt is
Verpackung
verb
1. ervoor zorgen dat iets niet leuk meer is
verderben
/vər.ˈplɑn.tə(n)/
verb
1. op een andere plaats zetten
  1. umpflanzen
  2. verpflanzen
noun
  1. 1. iemand die beroepshalve patiënten verpleegt
  2. 2. een deskundige in de verpleegkunde
  1. Krankenpfleger
  2. Krankenschwester
noun
1. vrouw die zorg verleent aan zieken of gewonden
Krankenpflegerin
verb
1. een zieke verzorgen
pflegen
noun
Krankenpfleger
adjective
1. door iets of iemand gedwongen
verpflichtet
verb
1. tot regel maken dat iets moet
verpflichten
/vər.ˈplɪx.tɪŋ/, /vər.ˈplɪχ.tɪŋ/, /vɛr.ˈplɪx.tɪŋ(g)/
noun
1. iets dat moet
  1. Verpflichtung
  2. Pflicht
verb
1. ergens anders poten
  1. umpflanzen
  2. verpflanzen
verb
1. een plant voorzien van een andere, doorgaans grotere, pot
umtopfen
/vəˈraːt/
noun
1. het schenden van trouw
Verrat
verb
2. een geheim prijsgeven
verraten
noun
1. iemand die verraad pleegt
Verräter
verb
  1. 1. iemand onverwachts met iets confronteren
  2. 2. iemand onverwachts verblijden
überraschen
/və.ˈra.sɪŋ/, /və.ˈrɑ.sɪŋ/, /vɛ.ˈrɑ.sɪŋ(g)/
noun
1. een geheel onverwachte gebeurtenis
Überraschung
/ˈvɛrəˌkɛːkər/, /ˈvɛrəˌkɛːɪkər/
noun
1. een optisch instrument om voorwerpen op grote afstand te kunnen waarnemen door het vergrotend effect van het instrument
  1. Fernglas
  2. Fernrohr
adverb
1. met afstand, zonder competitie
weitaus
verb
1. rijker maken
bereichern
noun
1. uit de dood opstaan
Auferstehung
verb
1. in beweging komen
  1. bewegen
  2. rühren
interjection
verfault
/və.rɔ.tə(n)/
verb
1. vergaan als gevolg van het rottingsproces
  1. verfaulen
  2. verrotten
verb
1. in vervoering brengen
entzücken
adjective
  1. 2. niet ingeblikt, niet diepgevroren
    frisch
  2. 1. nieuw, net gemaakt
    neu
noun
  1. 1. gedicht
    Gedicht
  2. 2. dichtregel
    Vers
  3. 3. couplet
    1. Vers
    2. Strophe
/vərˈsaɣə(n)/, /vərˈsaχə(n)/
verb
1. de moed opgeven
verzagen
verb
1. benodigdheden beschikbaar maken
  1. beschaffen
  2. besorgen
  3. verschaffen
noun
2. verstemlozing van obstruenten in eindpositie
Auslautverhärtung
verb
1. aan stukken rijten
  1. zerfetzen
  2. zerreißen
/vər'sxɛɪnə(n)/
verb
1. aan het licht treden, zichtbaar worden
erscheinen
/vɛrsxɛɪnsəɫ/
noun
1. iets dat zich voordoet
Phänomen
noun
1. een aspect dat bij vergelijking anders is
  1. Differenz
  2. Unterschied
noun
Unterschied
verb
2. overbrengen op een andere rekening
umbuchen
adverb
1. zo erg dat men er van schrikt
schrecklich
verb
1. door uitdroging rimpelig en klein worden
schrumpfen
verb
  1. 1. het proces van in contact met de grond zich voortbewegen
  2. 3. naar een andere datum of tijdstip verplaatsen
  3. 2. iets in contact met de grond doen voortbewegen
verschieben
/ˈfɛrsi/
noun
  1. 1. specifieke vorm of variant van een uitgave
  2. 2. bepaalde verklaring of interpretatie van een gebeurtenis
Version
/vɛrˈsi:rə(n)/
verb
3.
anmachen
noun
1. iets aangebracht om het uiterlijk fraaier te maken
Verzierung
adjective
süchtig
noun
1.iemand die verslaafd is aan iets
Süchtige
verb
1. een definitieve overwinning boeken op een tegenstander
  1. besiegen
  2. schlagen
/vərˈslɑx/
noun
1. bericht over een gebeurtenis of toestand
Bericht
noun
  1. Reporter
  2. Berichterstatter
verb
1. te lang blijven slapen met als gevolg dat men een afspraak mist
verschlafen
noun
Verschlechterung
verb
1. coderen
verschlüsseln
verb
1. door veelvuldig gebruik onbruikbaar worden of maken
  1. verschleißen
  2. abtragen
verb
1.
verschlucken
verb
1. grote hoeveelheden geheel verorberen
verschlingen
verb
1. een grotere snelheid (doen) bereiken
beschleunigen
noun
    1. 1. toename van het tempo
    2. 2. tweede tijdsafgeleide van de positie
    Beschleunigung
  1. 3. mechaniek voor overdracht van aandrijving
    1. Gangschaltung
    2. Gang
noun
  1. Schaltknüppel
  2. Schaltknauf
noun
1. apparaat dat versnippert
  1. Aktenvernichter
  2. Reißwolf
verb
1. de toegankelijkheid van een weg ongedaan maken
versperren
verb
1. door nalatigheid verloren laten gaan
  1. vergeuden
  2. verschwenden
/vər.ˈspɪ.lɪŋ/
noun
1. het teloor laten gaan van iets waardevols door nalatigheid
Verschwendung
verb
1. tot splinters maken
zersplittern
verb
  1. 2. zich ~: een proces van uitbreiding ondergaan
    ausbreiten
  2. 1. in omloop brengen, over een groter oppervlak uitbreiden
    1. verstreuen
    2. verteilen
verb
1. een uitspraak doen die men niet zo bedoelde te maken
versprechen
/vər.ˈstaːn/
verb
1. begrijpen van een uiting
verstehen
noun
  1. 1. kennis, weten
    1. Kenntnis
    2. Wissen
  2. 2. denkkracht, denkvermogen (met betrekking tot het brein)
    Verstand
adjective
1. met verstand
  1. klug
  2. verscheit
adjective
versteinert
adjective
1. als je iets vreemd vindt omdat je het niet verwacht had
  1. verblüfft
  2. verdutzt
  3. überrascht
verb
  1. 1. weer in orde brengen, zorgen dat het heel wordt
    1. ausbessern
    2. flicken
    3. in Stand setzen
    4. instandsetzen
    5. reparieren
  2. 2. anders stellen
    verstellen
verb
1.
versteinern
verb
  1. 3. beter bestand maken tegen aanvallen
    1. verstärken
    2. befestigen
  2. 1. sterker maken
    1. verstärken
    2. stärken
  3. 2. het aantal vergroten
    1. verstärken
    2. vergrößern
    3. vermehren
/vər.ˈstɛr.kɪŋ/, /vɛr.ˈstɛr.kɪŋ(g)/
noun
  1. 3. een fortificatie
    1. Befestigung
    2. Befestigungsanlage
  2. 3,4. signaalversterking
    Verstärkung
  3. 1. het versterken
    1. Verstärkung
    2. Stärkung
  4. 2. extra hulp in probleemsituaties
    1. Verstärkung
    2. Zuzug
verb
1. stijf worden
erstarren
verb
1. doen stikken
ersticken
noun
1.
Erstickung
verb
1. plotseling sprakeloos worden
verstummen
/vər'stɔpə(n)/
verb
  1. 1. iets stoppen waar het niet gemakkelijk gevonden zal worden
    verstecken
  2. 2. een nauwe gang of buis blokkeren
    verstopfen
/vərˈstɔ.pər.tjə/
noun
  1. Versteckspiel
  2. hide-and-seek
verb
1. ter beschikking stellen
  1. liefern
  2. geben
  3. verschaffen
noun
Verknüpfung
verb
1. het verlopen van een tijdslimiet
verstreichen
adjective
1. geestelijk afgeleid
zerstreut
verb
  1. 1. spreiden
    1. verstreuen
    2. zerstreuen
  2. 1. vermaken
    zerstreuen
noun
  1. 1. amusement
    Zerstreuung
  2. 2. verspreiding over een groter gebied dan oorspronkelijk het geval was
    1. Zerstreuung
    2. Verteilung
noun
1.
Verstauchung
verb
1. in fijne nevel omzetten
zerstäuben
verb
1. iets aan een verzendbedrijf ter bezorging afgeven
verschicken
verb
1. suf worden
  1. verblöden
  2. verdummen
noun
1. vertaalinstallatie
Dolmetscheranlage
noun
1. plaats waar iets vertakt is
  1. Gabelung
  2. Verzweigung
verb
1. omzetten van geschreven of gesproken informatie naar een andere taal
übersetzen
noun
Übersetzer
/vərˈtalɪŋ/
noun
1. iets dat vertaald is
  1. Übersetzung
  2. Übersetzen
/ˈvɛrtə/
noun
1. het gebied dat nog net binnen zichtsafstand is
Ferne
verb
1. teder stemmen
rühren
verb
1.
vertreten
noun
1. iemand die de plaats van een ander inneemt
Vertreter
verb
1. een al of niet ware gebeurtenis verhalen
  1. erzählen
  2. berichten
noun
1. een persoon die vertelt
Erzähler
noun
1. een verhaal dat bedoeld is om verteld te worden
  1. Erzählung
  2. Geschichte
verb
  1. 1. voedsel afbreken
    verdauen
  2. 2. door vlammen worden vernietigd
    verzehren
adverb
  1. senkrecht
  2. vertikal
  3. lotrecht
/vər'tuvə/
verb
1. zich ophouden, ergens verblijven
aufhalten
verb
1. vertalen, het van de ene taal omzetten in een andere taal
interpretieren
verb
1. laten zien
  1. zeigen
  2. aufweisen
noun
Vorstellung
verb
1. langzamer doen worden
verlangsamen
/vər.ˈtra.ɣɪŋ/, /vər.ˈtra.χɪŋ/, /vɛr.ˈtra.ɣɪŋ(g)/
noun
1. het langzamer gaan
Verlangsamung
noun
2. de actie van het vertrekken of weggaan
Abfahrt
verb
1. weggaan
  1. fortgehen
  2. weggehen
noun
Startpunkt
noun
  1. Abfahrtszeit
  2. Abflugzeit
verb
1.
verhätseln
noun
1. het geloof in betrouwbaarheid van een persoon
Vertrauen
verb
1. geloven in de betrouwbaarheid van een persoon
vertrauen
verb
1. maken, samenstellen
herstellen
noun
3 verschil in waterstand
Gefälle
verb
1. een bedrieglijke kopie maken van een waardevol voorwerp
fälschen
/vər'vɑŋə(n)/
verb
1. het ene de plaats doen innemen van het andere
ersetzen
noun
  1. Ersatz
  2. Vertretung
verb
3. zich ~: niet weten wat te doen
sich langweilen
adjective
  1. 2. onaangenaam/onprettig en tegelijkertijd hinderlijk en lastig
    1. ekelhaft
    2. nervig
  2. 1. niet boeiend
    langweilig
/vər'vɛlə(n)/
verb
1. oude huid afwerpen om daarmee nieuwe onderliggende huid bloot te stellen
sich schälen
verb
1. met verf bestrijken
  1. anmalen
  2. streichen
  3. färben
noun
Maler
adjective
  1. verdammt
  2. verflucht
/vər.ˈvu.ɣɪŋ/, /vər.ˈvu.χɪŋ/, /vɛr.ˈvu.ɣɪŋ(g)/
noun
1. werkwoordsflexie
Konjugation
/vər'vuχɪŋsklɑsə/
noun
1. een verzameling gelijkaardige woorden bij de vervoeging van werkwoorden
Konjugationsklasse
/vərˈvuːr/
noun
  1. 1. overbrenging van zaken van één plaats naar de andere
    Transport
  2. 2. middel waarmee overbrenging van zaken plaatsvindt
    1. Transportmittel
    2. Transportmöglichkeit
noun
1. een plaatsbewijs voor een openbaar vervoermiddel
Fahrausweis
verb
1. personen of objecten naar een andere plek brengen
  1. transportieren
  2. befördern
noun
Verführung
noun
1. voorwerp bestemd om personen of goederen naar een andere plaats te brengen
Verkehrsmittel
/vər'vɔlɣən/
verb
  1. 1. een handeling voortzetten of de draad opnieuw opnemen
    fortfahren
  2. 2. niet rusten voor iemand bestraft of geweld aangedaan is
    verfolgen
verb
1. meer volmaakt maken
vervollkommnen
verb
1. de vorm van iets doen veranderen, meestal ten nadele ervan
  1. umbilden
  2. umformen
  3. verzerren
verb
1. vreemd maken, van eigenaar doen wisselen
entfremden
noun
2. overdracht van het eigendom
Veräußerung
verb
1. vrouwelijk maken
verweiblichen
verb
1. bezoedelen met verontreinigingen
  1. verschmutzen
  2. verunreinigen
/vərˈvœy̯lɪŋ/
noun
Beschmutzung
adjective
1. zich boven anderen verheven voelend
eingebildet
adjective
1. niet de moeite om zich met iets bezig te houden
vernachlässigbar
verb
1. iets niet de benodigde verzorging schenken
  1. vernachlässigen
  2. verwahrlosen
verb
1. ergens van uitgaan
erwarten
/vər.ˈʋɑχ.tɪŋ/, /vər.ˈβ̞ɑx.tɪŋ/, /vɛr.ˈwɑx.tɪŋ(g)/
noun
datgene wat verwacht wordt
Erwartung
adjective
1. geparenteerd, familie zijnd
verwandt
noun
1. familielid
Verwandter
verb
  1. 1. iets warm maken
    1. heizen
    2. erwärmen
    3. wärmen
  2. 2. zich ~ : zich opwarmen
    1. sich erwärmen
    2. sich wärmen
/vər.ˈʋɑr.mɪŋ/, /vər.ˈβ̞ɑr.mɪŋ/, /vɛr.ˈwɑr.mɪŋ(g)/
noun
  1. 2. een installatie die voor het verwarmen zorgt
  2. 1. het proces van verwarmen
Heizung
/vɛrˈʋɑrən/
verb
  1. 2. door elkaar halen
    verwechseln
  2. 1. in de war brengen
    verwirren
/vɛrˈʋɛ.χɪsˌtɑn/, /vɛrˈβ̞ɛ.ɣɪsˌtɑn/
pronoun
1. uithoek, een hypothetisch en oneindig ver land
Buxtehude
/və(r).ˈʋɛ.kə(n)/
verb
doen ontstaan (ook in biologische zin)
  1. erzeugen
  2. zeugen
noun
1.iemand die de biologische vader van iemand is
Erzeuger
noun
Erzeugung
/vər'ʋɛlkomə(n)/
verb
1. iemand begroeten en welkom heten
willkommen heißen
verb
  1. 1. zich verdedigen
    verteidigen
  2. 2. aan erosie blootstaan
    verwittern
/vərˈʋɛrkə(n)/
verb
  1. 1. een grondstof of halffabrikaat gebruiken om een eindproduct te vervaardigen
  2. 2. overdrachtelijk: geestelijk in het reine komen met een moeilijkheid of verandering
verarbeiten
noun
Verarbeitung
verb
1. afwijzen
  1. verwerfen
  2. zurückweisen
  3. ablehnen
verb
1. in bezit zien te krijgen
erwerben
/vərˈwɛɪ̯dərə(n)/, /vərˈʋɛɪ̯dərə(n)/, /vərˈβ̞ɛːdərə(n)/
verb
  1. de ingewanden van een vis of pluimvee verwijderen
    ausnehmen
  2. 1. weghalen
    1. entfernen
    2. verweisen
  3. 2. zich verwijderen
    sich entfernen
noun
1. het verwijderen
  1. Entfernung
  2. Vernichtung
noun
vorwerfen
/vər'ʋɛɪzə(n)/
verb
1. naar iets of iemand anders wijzen of sturen
verweisen
noun
1. een vermelding van een bron waar meer informatie te vinden is
Verweis
verb
1. op een verwarrende, vervelende wijze bij een zaak betrokken zijn
verwickeln
adverb
verwildert
verb
1. twee zaken elkaars plaats in doen nemen
  1. verwechseln
  2. vertauschen
/vər.ˈʋɪ.sə.lɪŋ/, /vər.ˈβ̞ɪ.sə.lɪŋ/, /vɛr.ˈwɪ.sə.lɪŋ(g)/
noun
1. het verwisselen van twee zaken
Verwechslung
verb
1. ~ van iemand ergens van op de hoogte brengen
benachrichtigen
verb
1. totaal vernielen
  1. zerstören
  2. verwüsten
adjective
  1. 1. (onvoltooid deelwoord) vernielend
  2. 2. (bijvoeglijk naamwoord) vernielend
verheerend
/vər'ʋustɪŋ/
noun
1. het aanbrengen van grote schade, tot een woestenij terugbrengen
Verwüstung
verb
1. lichamelijk letsel veroorzaken
  1. verletzen
  2. verwunden
verb
  1. 1. overgankelijk werkwoord
  2. 2. wederkerend werkwoord
verwundern
noun
1. lichamelijk letsel
  1. Verletzung
  2. Verwundung
verb
1. ten kwade veranderen in iets
antarten
verb
1. minder erg maken
mildern
noun
Sättigungspunkt
verb
1. bijeenbrengen
sammeln
/vər.ˈza.mə.lɪŋ/, /vɛr.ˈza.mə.lɪŋ(g)/
noun
  1. 2. wiskundige verzameling
    Menge
  2. 1. meerdere voorwerpen...
    1. Sammlung
    2. Kollektion
noun
Sammelpunkt
noun
Messie-Syndrom
noun
Messie-Syndrom
/vərzekərar/
noun
1. een bedrijf dat tegen betaling van een premie een bepaald risico voor een klant dekt
Versicherer
adjective
  1. 1.
  2. 2. wie een verzekering heeft
versichert
noun
1. iemand wiens belang of lijf is verzekerd
Versicherter
/vər.ˈze.kə.rɪŋ/, /vɛr.ˈze.kə.rɪŋ(g)/
noun
  1. 1. overeenkomst waarmee men zorgt voor vergoeding van schade, diefstal e.d...
  2. 2. de mededeling dat iets ...
Versicherung
noun
1. iemand die een verzekering heeft afgesloten
  1. Versicherter
  2. Versicherungsnehmer
noun
1. iemand die een verzekering heeft afgesloten
  1. Versicherter
  2. Versicherungsnehmer
verb
1. een bericht via post of e-mail overbrengen
  1. verschicken
  2. versenden
noun
1. handelingen gericht tegen de heersende macht of de aanvallende vijand
Widerstand
noun
2. elke vorm van verstrooiing die iemand wat afleiding bezorgt, bijvoorbeeld een avondje uit
Zerstreuung
noun
1. beweging van het verzet, de gezamenlijke mensen die zich verzetten tegen een overheerser
Widerstand (Politik)
noun
Widerstandsgruppe
noun
Widerstandsnest
verb
  1. 4. een zijdelingse beweging maken
    schlingern
  2. 2. van de ene op de andere plaats zetten
    1. umsetzen
    2. verlagern
  3. 1. weerstand bieden aan iets
    widersetzen
verb
  1. 3. iets in een materiaal doen zinken
    versenken
  2. 2. diep in gedachten zijn
    versinken
  3. 4. met een laag zink afdekken
    verzinken
noun
1. vraag om iets te doen of te laten
  1. Bitte
  2. Ersuchen
  3. Gesuch
verb
1. aan iemand vragen iets al dan niet te doen
erbitten
verb
1. vrede laten sluiten
  1. versöhnen
  2. aussöhnen
verb
1.
  1. pflegen
  2. versorgen
adjective
  1. 1. gek, verdwaasd
    1. bekloppt
    2. verrückt
  2. 2. (figuurlijk) gek zijn op
    vernarrt
verb
1. zuur (doen) worden
säuern
/vɛrzʋɑkə(n)/
verb
  1. 1. zwakker worden
    schwach werden
  2. 1. zwakker maken
    schwächen
verb
  1. 1. figuurlijk erger maken
    1. erschweren
    2. verslimmern
  2. 2.opzettelijk beladen met extra gewicht
    schwerer machen
verb
1.
  1. verschwelgen
  2. zerschwelgen
verb
1. een gewricht (meestal de enkel) door een ongeluk te ver buigen zodat het beschadigd raakt
verstauchen
pronoun
1.
Weser
/ˈvɛsəˌmə(n)/
verb
1. (een draad) door het oog van een naald steken.
einfädeln
noun
1. een mouwloos jasje, te dragen onder de jas van het kostuum
  1. Weste
  2. Jacke
adjective
1. met betrekking tot het evenwichtsorgaan
vestibulär
verb
  1. 1. stichten
    1. gründen
    2. errichten
  2. 2. richten
    1. lenken
    2. richten
  3. 3. er gaan wonen
    sich niederlassen
adjective
1. dik, vet inhoudend
  1. dick
  2. fett
noun
  1. 1. gladde, zeer vette vloeistoffen, smeermiddelen
  2. 2. gespecialiseerd dierlijk weefsel
Fett
/vɛtblɑt/
noun
1.1 bepaald soort vleesetende plant, Pinguicula vulgaris
Gemeines fettkraut
noun
Schnürsenkel
noun
  1. 1. een voormalig militair die gevochten heeft, een uitgediend krijgsman
  2. 2. een ervaren en oud persoon in een bepaald onderwerpgebied, zoals een sporter, geleerde, etc.
Veteran
noun
gevaarlijke longontsteking, veroorzaakt door de legionellabacterie
Legionellose
noun
1. een van de gaten waardoor een veter wordt geregen
Öse
noun
1. het tot een stift verharde, afgebonden of van een rijgmalie voorziene eind van een touw, koord of veter
  1. Nadel
  2. Nestelspitze
verb
1. een dier/persoon overvloedig en calorierijk voedsel aanbieden zodat deze in gewicht aankomt
  1. mästen
  2. fett füttern
noun
1. veto
veto
/ˈvetorɛxt/
noun
1. zonder enige steun van de andere deelnemers in een groep een besluit kunnen tegenhouden
Vetorecht
noun
1. een drukpomp om smeervet door smeernippels te persen
  1. Fettpresse
  2. Schmierpresse
noun
Fettgewebe
noun
  1. 1. een zak(je) met vet
    Fettsack
  2. 2.
    1. Fettsack
    2. Fettwanst
noun
ziekelijke vetafzetting in menselijke weefsels
Fettsucht
/ˈvɛtzyr/
noun
1. een keten van ten minste twee koolstofatomen en een carboxylgroep
Fettsäure
noun
1. jong van bepaalde hoefdieren als het paard, de ezel, de kameel en de zebra
  1. Fohlen
  2. Füllen
  3. Gleiter
noun
1. een vezel is een lang, dun filament waarvan de lengte ten minste drie keer groter is dan de doorsnede
Faser
noun
1. een antenne voor het vhf-gebied
  1. UKW-Antenne
  2. VHF-Antenne
preposition
1. langs
  1. via
  2. über
pronoun
  1. 1. een Luxemburgse stad
  2. 2. een Luxemburgse kanton
  3. 3. een middeleeuws graafschap
Vianden
noun
1. een bespeler van een vibrafoon
  1. Vibrafonist
  2. Vibraphonist
noun
1. marimba met metalen toetsen en vibratosysteem
  1. Vibraphon
  2. Vibrafon
pronoun
2. spelwoord voor de letter V
Viktor
noun
1. een telefoontoestel waarmee geluid en beeld verzonden kunnen worden
Bildtelefon
noun
1. elektronisch spel, met beelden op een monitor of tv
Videospiel
/viːr/
noun
1. het getal tussen de drie en de vijf
  1. vier
  2. Vier
/ˈviːrdə/
ordinalAdjective
2. gedeeld door vier (een kwart)
Viertel
verb
  1. 1. een feest vieren
    1. feiern
    2. zelebrieren
    3. begehen
  2. 2. een touw of kabel vieren
    fieren
cardinalNumeral
1. het getal 34
vierunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 94
vierundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 84
vierundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 24
vierundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 44
vierundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 54
vierundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 64
vierundsechzig
/ˈvirənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 74
vierundsiebzig
noun
1. een geometrische tweedimensionale vorm, bestaande uit vier hoeken en derhalve ook vier zijden
Viereck
/ˈviːrˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 400
vierhundert
cardinalNumeral
1. het getal 408
vierhundertacht
cardinalNumeral
1. het getal 438
vierhundertachtunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 498
vierhundertachtundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 488
vierhundertachtundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 428
vierhundertachtundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 448
vierhundertachtundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 458
vierhundertachtundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 468
vierhundertachtundsechzig
/ˌvirhɔndərtˈɑxtənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 478
vierhundertachtundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 418
vierhundertachtzehn
cardinalNumeral
1. het getal 413
vierhundertdreizehn
cardinalNumeral
1. het getal 430
vierhundertdreißig
cardinalNumeral
1. het getal 403
vierhundertdrei
cardinalNumeral
1. het getal 433
vierhundertdreiunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 493
vierhundertdreiundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 483
vierhundertdreiundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 423
vierhundertdreiundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 443
vierhundertdreiundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 453
vierhundertdreiundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 463
vierhundertdreiundsechzig
/ˌvirhɔndərˈdrijənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 473
vierhundertdreiundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 401
vierhunderteins
cardinalNumeral
1. het getal 431
vierhunderteinunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 491
vierhunderteinundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 481
vierhunderteinundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 421
vierhunderteinundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 441
vierhunderteinundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 451
vierhunderteinundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 461
vierhunderteinundsechzig
/ˌvirhɔndərtˈenənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 471
vierhunderteinundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 411
vierhundertelf
cardinalNumeral
1. het getal 409
vierhundertneun
cardinalNumeral
1. het getal 439
vierhundertneununddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 499
vierhundertneunundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 489
vierhundertneunundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 429
vierhundertneunundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 449
vierhundertneunundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 459
vierhundertneunundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 469
vierhundertneunundsechzig
/ˌvirhɔndərtˈneɣənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 479
vierhundertneunundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 419
vierhundertneunzehn
cardinalNumeral
1. het getal 490
vierhundertneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 480
vierhundertachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 410
vierhundertzehn
cardinalNumeral
1. het getal 412
vierhundertzwölf
cardinalNumeral
1. het getal 402
vierhundertzwei
cardinalNumeral
1. het getal 432
vierhundertzweiunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 492
vierhundertzweiundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 482
vierhundertzweiundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 422
vierhundertzweiundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 442
vierhundertzweiundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 452
vierhundertzweiundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 462
vierhundertzweiundsechzig
/ˌvirhɔndərˈtwejənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 472
vierhundertzweiundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 420
vierhundertzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 414
vierhundertvierzehn
cardinalNumeral
1. het getal 440
vierhundertvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 404
vierhundertvier
cardinalNumeral
1. het getal 434
vierhundertvierunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 494
vierhundertvierundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 484
vierhundertvierundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 424
vierhundertvierundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 444
vierhundertvierundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 454
vierhundertvierundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 464
vierhundertvierundsechzig
/ˌvirhɔndərtˈfirənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 474
vierhundertvierundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 405
vierhundertfünf
cardinalNumeral
1. het getal 435
vierhundertfünfunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 495
vierhundertfünfundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 485
vierhundertfünfundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 425
vierhundertfünfundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 445
vierhundertfünfundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 455
vierhundertfünfundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 465
vierhundertfünfundsechzig
/ˌvirhɔndərtˈfɛifənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 475
vierhundertfünfundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 415
vierhundertfünfzehn
cardinalNumeral
1. het getal 450
vierhundertfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 406
vierhundertsechs
cardinalNumeral
1. het getal 436
vierhundertsechsunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 496
vierhundertsechsundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 486
vierhundertsechsundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 426
vierhundertsechsundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 446
vierhundertsechsundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 456
vierhundertsechsundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 466
vierhundertsechsundsechzig
/ˌvirhɔndərtˈsɛsənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 476
vierhundertsechsundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 416
vierhundertsechzehn
cardinalNumeral
1. het getal 460
vierhundertsechzig
/ˌvirhɔndərtˈsøvən/
cardinalNumeral
1. het getal 407
vierhundertsieben
/ˌvirhɔndərtˈsøvənənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 437
vierhundertsiebenunddreißig
/ˌvirhɔndərtˈsøvənəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 497
vierhundertsiebenundneunzig
/ˌvirhɔndərtˈsøvənənˌtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 487
vierhundertsiebenundachtzig
/ˌvirhɔndərtˈsøvənənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 427
vierhundertsiebenundzwanzig
/ˌvirhɔndərtˈsøvənəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 447
vierhundertsiebenundvierzig
/ˌvirhɔndərtˈsøvənəɱˌvɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 457
vierhundertsiebenundfünfzig
/ˌvirhɔndərtˈsøvənənˌsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 467
vierhundertsiebenundsechzig
/ˌvirhɔndərtˈsøvənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 477
vierhundertsiebenundsiebzig
/ˌvirhɔndərtˈsøvənˌtin/
cardinalNumeral
1. het getal 417
vierhundertsiebzehn
/ˌvirhɔndərtˈsøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 470
vierhundertsiebzig
adjective
1. met de vorm van een vierkant
  1. quadratisch
  2. viereckig
noun
1. geometrische tweedimensionale vorm, bestaande uit 4 gelijke hoeken van 90 graden en 4 zijden met gelijke lengte
Quadrat
noun
1. dat getal dat met zichzelf vermenigvuldigd een gegeven getal oplevert
Quadratwurzel
noun
1. akkoord van vier verschillende tonen
Vierklang
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Hessen
Viernheim
pronoun
Vierwaldstättersee
adjective
1. smerig
  1. schmutzig
  2. verdreckt
pronoun
Vietnam
pronoun
1. de officiële taal van Vietnam
Vietnamesisch
noun
1. 10120
Vigintillion
noun
1. iemand met wie men op voet van oorlog leeft
Feind
adjective
1. van de vijand
feindlich
noun
1. een vijandige daad
  1. Feindseligkeit
  2. Feindlichkeit
adjective
1. zich als een vijand gedragend
feindlich
noun
1. het vijandig zijn
  1. Feindseligkeit
  2. Feindlichkeit
noun
1. een toestand van op voet van oorlog zijn
Feindschaft
/vɛi̯f/
cardinalNumeral
1. het getal 5
fünf
/ˈvɛɪ̯f.də/, /ˈvɛɪ̯v.də/, /ˈvɛːv.də/
ordinalAdjective
1. nummer vijf in een rij
  1. fünfte
  2. fünfter
cardinalNumeral
1. het getal 35
fünfunddreißig
ordinalAdjective
  1. 2. gedeeld door vijfendertig
    Fünfunddreißigstel
  2. 1. nummer vijfendertig in een rij
    fünfunddreißigste
cardinalNumeral
1. het getal 95
fünfundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 85
fünfundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 25
fünfundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 45
fünfundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 55
fünfundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 65
fünfundsechzig
/ˈvɛifənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 75
fünfundsiebzig
noun
1. een geometrische tweedimensionale vorm, bestaande uit vijf hoeken en derhalve ook vijf zijden
  1. Fünfeck
  2. Pentagon
/ˈvɛi̯fˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 500
fünfhundert
cardinalNumeral
1. het getal 508
fünfhundertacht
cardinalNumeral
1. het getal 538
fünfhundertachtunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 598
fünfhundertachtundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 588
fünfhundertachtundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 528
fünfhundertachtundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 548
fünfhundertachtundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 558
fünfhundertachtundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 568
fünfhundertachtundsechzig
/ˌvɛifhɔndərtˈɑxtənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 578
fünfhundertachtundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 518
fünfhundertachtzehn
cardinalNumeral
1. het getal 513
fünfhundertdreizehn
cardinalNumeral
1. het getal 530
fünfhundertdreißig
cardinalNumeral
1. het getal 503
fünfhundertdrei
cardinalNumeral
1. het getal 533
fünfhundertdreiunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 593
fünfhundertdreiundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 583
fünfhundertdreiundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 523
fünfhundertdreiundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 543
fünfhundertdreiundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 553
fünfhundertdreiundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 563
fünfhundertdreiundsechzig
/ˌvɛifhɔndərˈdrijənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 573
fünfhundertdreiundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 501
fünfhunderteins
cardinalNumeral
1. het getal 531
fünfhunderteinunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 591
fünfhunderteinundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 581
fünfhunderteinundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 521
fünfhunderteinundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 541
fünfhunderteinundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 551
fünfhunderteinundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 561
fünfhunderteinundsechzig
/ˌvɛifhɔndərtˈenənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 571
fünfhunderteinundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 511
fünfhundertelf
cardinalNumeral
1. het getal 509
fünfhundertneun
cardinalNumeral
1. het getal 539
fünfhundertneununddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 599
fünfhundertneunundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 589
fünfhundertneunundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 529
fünfhundertneunundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 549
fünfhundertneunundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 559
fünfhundertneunundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 569
fünfhundertneunundsechzig
/ˌvɛifhɔndərtˈneɣənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 579
fünfhundertneunundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 519
fünfhundertneunzehn
cardinalNumeral
1. het getal 590
fünfhundertneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 580
fünfhundertachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 510
fünfhundertzehn
cardinalNumeral
1. het getal 512
fünfhundertzwölf
cardinalNumeral
1. het getal 502
fünfhundertzwei
cardinalNumeral
1. het getal 532
fünfhundertzweiunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 592
fünfhundertzweiundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 582
fünfhundertzweiundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 522
fünfhundertzweiundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 542
fünfhundertzweiundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 552
fünfhundertzweiundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 562
fünfhundertzweiundsechzig
/ˌvɛifhɔndərˈtwejənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 572
fünfhundertzweiundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 520
fünfhundertzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 514
fünfhundertvierzehn
cardinalNumeral
1. het getal 540
fünfhundertvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 504
fünfhundertvier
cardinalNumeral
1. het getal 534
fünfhundertvierunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 594
fünfhundertvierundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 584
fünfhundertvierundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 524
fünfhundertvierundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 544
fünfhundertvierundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 554
fünfhundertvierundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 564
fünfhundertvierundsechzig
/ˌvɛifhɔndərtˈfirənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 574
fünfhundertvierundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 505
fünfhundertfünf
cardinalNumeral
1. het getal 535
fünfhundertfünfunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 595
fünfhundertfünfundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 585
fünfhundertfünfundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 525
fünfhundertfünfundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 545
fünfhundertfünfundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 555
fünfhundertfünfundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 565
fünfhundertfünfundsechzig
/ˌvɛifhɔndərtˈfɛifənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 575
fünfhundertfünfundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 515
fünfhundertfünfzehn
cardinalNumeral
1. het getal 550
fünfhundertfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 506
fünfhundertsechs
cardinalNumeral
1. het getal 536
fünfhundertsechsunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 596
fünfhundertsechsundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 586
fünfhundertsechsundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 526
fünfhundertsechsundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 546
fünfhundertsechsundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 556
fünfhundertsechsundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 566
fünfhundertsechsundsechzig
/ˌvɛifhɔndərtˈsɛsənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 576
fünfhundertsechsundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 516
fünfhundertsechzehn
cardinalNumeral
1. het getal 560
fünfhundertsechzig
/ˌvɛifhɔndərtˈsøvən/
cardinalNumeral
1. het getal 507
fünfhundertsieben
/ˌvɛifhɔndərtˈsøvənənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 537
fünfhundertsiebenunddreißig
/ˌvɛifhɔndərtˈsøvənəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 597
fünfhundertsiebenundneunzig
/ˌvɛifhɔndərtˈsøvənənˌtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 587
fünfhundertsiebenundachtzig
/ˌvɛifhɔndərtˈsøvənənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 527
fünfhundertsiebenundzwanzig
/ˌvɛifhɔndərtˈsøvənəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 547
fünfhundertsiebenundvierzig
/ˌvɛifhɔndərtˈsøvənəɱˌvɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 557
fünfhundertsiebenundfünfzig
/ˌvɛifhɔndərtˈsøvənənˌsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 567
fünfhundertsiebenundsechzig
/ˌvɛifhɔndərtˈsøvənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 577
fünfhundertsiebenundsiebzig
/ˌvɛifhɔndərtˈsøvənˌtin/
cardinalNumeral
1. het getal 517
fünfhundertsiebzehn
/ˌvɛifhɔndərtˈsøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 570
fünfhundertsiebzig
noun
1. atletiekmeerkamp met vijf onderdelen
Fünfkampf
/ˈvɛi ̯ftin/
cardinalNumeral
15
fünfzehn
noun
Fünfzehneck
/ˈfɛi̯ftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 50
  1. fünfzig
  2. fuchzig
noun
1. vrucht van de vijgenboom
Feige
noun
Feigenblatter
noun
1. tropische boom
  1. Feigenbaum
  2. Echte Feige
noun
1. een werktuig met een ruw, gegroefd of gekerfd oppervlak dat het mogelijk maakt dunne lagen van een voorwerp te verwijderen
Feile
noun
1. vijlsel
  1. Feilspan
  2. Feilstaub
noun
1. tamelijk klein door de mens aangelegd water
  1. Teich
  2. Weiher
noun
  1. A 1. een vat waarin met een stamper stoffen fijngestampt kunnen worden
    Mörser
  2. B 2. waterschroef
    1. Schnecke
    2. Wasserschraube
  3. B 1. een dommekracht of krik
    Spindelwinde
noun
Stößel
verb
1. in- of uitdraaien van een schroef
schrauben
/ˈvikɪŋ/
noun
1. Scandinavische krijger, behorend tot de noordelijke tak van de Germanen
Wikinger
noun
1. een groot en vrijstaand huis
Villa
pronoun
1.
Villach
verb
1. van het vel ontdoen
  1. häuten
  2. abhäuten
pronoun
1.
Villingen-Schwenningen
noun
door langdurig bewerken verdichte wol
Filz
/ˈvɪltə(n)/
verb
1. tot vilt maken
filzen
noun
1. hoed
Filzhut
noun
1. een pen met een poreuze kern
Filzstift
/vɪn/
noun
1. uitstekend lichaamsdeel van vissen en andere aquatische dieren
  1. Flosse
  2. Finne
/'vɪndə(n)/
verb
    1. 1. iets aantreffen nadat ernaar gezocht is
    2. 2. iets bedenken
    3. 4. iets ondervinden, iets ten deel krijgen
    4. 3. iets op een bepaalde wijze beschouwen of ervaren
    finden
  1. zijn weg vinden
    zurechtfinden
noun
1. beloning voor de persoon die een verloren voorwerp aan de eigenaar teruggeeft
Finderlohn
adjective
  1. erfinderisch
  2. erfindungsreich
  3. findig
  4. gewitzt
noun
1. extremiteiten van de hand
Finger
/ˈvɪ.ŋər.ˌɑf.drʏk/, /ˈvɪ.ŋər.ˌɑv.drʏk/
noun
1. een afdruk op een oppervlak van een vinger met meestal de unieke, persoonsgebonden figuur...
Fingerabdruck
/ˈvɪ.ŋər.ɑl.faˌbɛt/, /ˈvɪ.ŋər.ɑɫ.faˌbɛt/
noun
1. een verzameling gebaren waarmee alle letters van een alfabet worden uitgebeeld
Fingeralphabet
/'vɪŋərə(n)/
verb
1. met de hand of vinger bevredigen
fingern
/'vɪŋərˌɦut/
noun
1. hard dopje dat het eerste kootje van de vinger beschermt bij het naaien
Fingerhut
noun
topje van een vinger
  1. Fingerspitze
  2. Fingerkuppe
noun
Fingersatz
noun
  1. Buchfink
  2. Fink
noun
Vinylacetat
noun
Vinylchlorid
noun
1. viola d'amore
Viola d'Amore
noun
1. viola da braccio
Viola da Braccio
noun
1. knie- of beenviool
Viola da Gamba
noun
1. (kleur) een kleur tussen blauw en ultraviolet, met een golflengte tussen de 430 en 380 nm
  1. Violett
  2. violett
noun
1. musicus die een viool bespeelt
Violinist
noun
Cellist
noun
1. een viersnarig strijkinstrument dat tijdens het bespelen door de violoncellist of cellist tussen de knieën wordt gehouden
  1. Violoncello
  2. Cello
noun
1. strijkinstrument
  1. Geige
  2. Violine
noun
1. vioolsleutel
Violinschlüssel
noun
1. benaming voor planten uit het geslacht Viola
Veilchen
noun
1. toetsinstrument
Virginal
noun
1. (beroep) deskundige op het gebied van virussen en virusziekten
Virologe
adjective
1.
  1. virtuell
  2. eigentlich
/virəs/
noun
  1. 1.
  2. 2.
Virus
noun
  1. 1. Pisces, gewerveld dier met kieuwen, levend in water
  2. 2. het vlees van een vis
Fisch
noun
1. Pandion haliaetus, een vooral visetende roofvogel die de enige soort uit de familie Pandionidae is
Fischadler
pronoun
1.
Visbek
noun
1. een handelaar die gespecialiseerd is in de verkoop van vis
Fischhändler
noun
Fischburger
noun
1. stroperigheid van een vloeistof of gas
Viskosität
/vi.ˈse.rə(n)/
verb
  1. 2. mikken met een vuurwapen
    anvisieren
  2. 3. beogen
    beabsichtigen
  3. 1. voor gezien tekenen
    1. beglaubigen
    2. bestätigen
noun
1. consumptievis waaruit de graten zijn verwijderd
Fischfilet
noun
1.
Fischfondue
noun
Angelhaken
noun
1. de wijze waarop men zaken beoordeelt of beschouwt
  1. Ansicht
  2. Sicht
/vizi'ɣotis/
adjective
1.
westgotisch
noun
1. een droombeeld
  1. Vision
  2. Erscheinung
noun
Visitenkarte
noun
1.
Fischmesser
noun
1. vlechtwerk van touw om zeedieren te vangen of in water te bewaren
  1. Fischernetz
  2. Fischnetz
noun
Fischgericht
noun
1. een seizoen waarin het toegestaan is om te vissen
Fangzeit
pronoun
2. teken van de dierenriem, traditioneel behorend bij geboortedata van ongeveer 19 februari tot 21 maart
Fische
noun
Fischstäbchen
/vizyʋel/
adjective
1. betreffende het zicht, betreffende het zienbare
visuell
noun
  1. 1. het vangen van vis
    Fischerei
  2. 2. hoeveelheid gevangen vis
    Fischfang
noun
Vitalität
noun
1. een dunne gordijn gewoon van een mooie kleur die de zonnestraling enigszins tempert en inkijk voorkomt
Store
noun
  1. 1. een richttoestel op de loop van een vuurwapen
    Visier
  2. 3. in het
    im Visier haben
  3. 1. minister of hoog staatsdienaar
    Wesir
noun
± vloeibaar dessert van zuivel, eieren en vanille, evt. verdikt met zetmeel
Eiercreme
/vlax/
noun
1. een plotselinge windstoot
Böe
/ˈflaːɪ̯/, /ˈvlaɪ̯/
noun
  1. 1. Limburgse vlaai, plat rond gebak.
    1. Kuchen
    2. Obstkuchen
  2. 2. koeienvlaai
    Kuhfladen
adjective
1. betrekking hebbende op Vlaanderen of de Vlamingen
  1. flämisch
  2. Flämisch
pronoun
1. Nederlands zoals dat in Vlaanderen gesproken wordt
  1. Flämisch
  2. flämisch
noun
1. achtknoop
Achtknoten
noun
1. bepaald soort kraaiachtige vogel, Garrulus glandarius
Eichelhäher
noun
1. achtknoop
  1. Achtknoten
  2. Endacht
adjective
1.
flämischsprachig
pronoun
1. de noordelijke deelstaat van België
Flandern
/vlɑχ/
noun
1. lap stof met een vast patroon van kleuren die gevoerd wordt als symbool van een organisatie, beweging of natie
  1. Flagge
  2. Fahne
  3. Banner
  4. Standarte
noun
1. een slinger van vlaggen
Flaggenleine
noun
Fahnenmast
/ˈvlɑɣəˌsxɪp/
noun
1. schip waarop zich de bevelvoerder over een vloot of eskader bevindt
Flaggschiff
noun
1. bepaald soort vis, Thymallus thymallus
Europäische Äsche
/vlɑk/
adjective
1. zonder bergen of dalen
flach
/vlɑk/
noun
  1. 2. zonder hoogte- en dieptepunten
    Ebene
  2. 1. een verzameling punten die twee dimensies vult
    Fläche
noun
stuk rubber dat door wrijven potloodschrift van papier kan verwijderen
Radiergummi
noun
1. bepaald soort giftige vaste plant die sporen vormt, Diphasiastrum complanatum
gewöhnlicher Flachbärlapp
noun
1. solide vlakke ondergrond voor meetdoeleinden
  1. Meßplatte
  2. Prüfplatte
noun
1. vlaktafel op een onderstel
  1. Meßplatte
  2. Prüfplatte
noun
1. gebied met weinig of geen hoogteverschillen
  1. Ebene
  2. Fläche
noun
1. kleinste vorm van vuur
Flamme
noun
Lichtbogenofen
/'vlamɪŋ/
noun
1. een inwoner van Vlaanderen of iemand afkomstig uit Vlaanderen
  1. Flame
  2. Flamländer
noun
1. een stoomketel waarbij de hete rookgassen, door met water omringde vlampijpen, geleid worden
Flammrohrkessel
noun
Flammpunkt
noun
  1. Flachs
  2. Lein
adjective
1. een lichtgele, lichtblonde kleur zoals die van rijp vlas
flachsig
noun
1. bepaald soort vinkachtige vogel Carduelis cannabina
Hänfling
noun
1. een gebonden pluk haar
Zopf
/ˈvlɛx.tə(n)/, /ˈvlɛχ.tə(n)/
verb
1. in elkaar strengelen
flechten
noun
1. klein vliegend zoogdier
Fledermaus
noun
  1. 1. spierweefsel van bepaalde organen
  2. 2. spierweefsel van dieren dat opgegeten kan worden als onderdeel van de voeding
Fleisch
noun
1. een vleesetend dier
  1. Fleischfresser
  2. Karnivore
adjective
1. de kleur van vlees bezittend
fleischfarbig
noun
Fleischersatz
noun
1. dorswerktuig
Flegel
verb
1. (onoprechte) complimenten geven, meestal om bij iemand in de gunst te komen
  1. schmeicheln
  2. einschmeicheln
noun
1. een vieze plek
Fleck
noun
  1. 1. lichaamsdeel van bepaalde diersoorten
  2. 5. een deel van een leger
  3. 3. muziekinstrument
  4. 2. onderdeel van een vliegtuig
Flügel
noun
Tragflügelschiff
/'vlidə(n)/
verb
  1. 1. formeel: (van tijd) voorbijgaan
    1. entfliehen
    2. verrinnen
  2. 2. formeel: snel weg trachten te komen, vluchten
    1. fliehen
    2. entfliehen
    3. entrinnen
/vlix/, /vliχ/
noun
1. tweevleugelig insect
Fliege
noun
1. een militair vliegveld
Militärflugplatz
noun
1. groot vaartuig dat is ingericht voor het opstijgen, landen, vervoer en onderhoud van meerdere vliegtuigen
Flugzeugträger
/ˈvli.ɣə(n)/, /ˈvli.χə(n)/
verb
1. zich door de lucht voortbewegen
fliegen
noun
1. benaming voor zeevissen uit de familie Exocoetidae
Fliegende Fische
noun
1. een apparaat om een vlieg mee dood te slaan
Fliegenklatsche
noun
1. bepaald soort paddenstoel, Amanita muscaria
Fliegenpilz
noun
  1. 1. een voorwerp dat door de wind aan een draad in de lucht opgelaten kan worden
    Drachen
  2. 2. een vierhoek waarvan twee paar aanliggende zijden en één paar ...
    1. Drachenviereck
    2. Deltoid
    1. 6. iemand die vliegt
    2. 7. een dier m.b.t. zijn vaardigheid in het vliegen
    3. 5. een klein driehoekig scheepszeil, ...
    Flieger
noun
  1. 1. van bijenkorf
  2. 2. van vogelhuisje
  1. Einflugloch
  2. Flugloch
noun
1. demonstratie met (stunt)vliegtuigen, parachutespringen etc.
Flugschau
/ˈvlixtœːx/, /ˈvliχtœʏχ/
noun
1. vervoermiddel dat speciaal ontworpen is voor het reizen door de lucht
  1. Flugzeug
  2. Flieger
/ˈvlixfɛɫt/
noun
1. een terrein waar vliegtuigen kunnen landen en opstijgen
  1. Flugplatz
  2. Flughafen
pronoun
Vlieland
noun
  1. Holunder
  2. Holder
  3. Holler
  4. Flieder
/'vlirbɛs/
noun
1. bessen van de gewone vlier
Holunderbeere
noun
1. bloesem van de (gewone) vlier
Holunderblüte
noun
1. bloesem van de (gewone) vlier
Holunderblütensirup
noun
1. Sambucus nigra tot boom uitgegroeide vlier
  1. Holunderbaum
  2. Holunderbusch
noun
Holunder
noun
1. dunne laag op een oppervlak
Film
/'vlitə(n)/
verb
  1. 2. formeel: als iets vluchtigs voorbijgaan
    1. dahinfliegen
    2. fliehen
  2. 1. formeel: zachtjes vloeien of stromen
    1. fließen
    2. strömen
/ˈvlɛɪ̯msxɛrp/, /ˈvlɛɪ̯msχɛrp/, /ˈvlɛːmsxɛrp/
adjective
1. heel erg scherp
messerscharf
noun
1. benaming voor nectar etende insecten uit de orde Lepidoptera
  1. Schmetterling
  2. Falter
noun
Fliege
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Siphonaptera
Floh
noun
1. verhoging van de waterstand
Flut
adjective
1. in staat te vloeien, gezegd van de aggregatietoestand van stoffen die niet vast en niet gasvormig zijn
flüssig
/ˈvlujə(n)/
verb
1. zacht stromen
fließen
noun
  1. 2.
    1. Löschpapier
    2. Fließpapier
  2. 1. papier om een sigaret van te rollen
    Zigarettenpapier
noun
1. een stof in die aggregatietoestand waarin het geen eigen vorm heeft, maar wel een eigen volume
  1. Flüssigkeit
  2. Fluid
noun
1. bewust uitgesproken wens om iemand kwaad of leed aan te doen
Fluch
verb
1. uitroepen van vloekwoorden, beledigende taal gebruiken
fluchen
/vlur/
noun
  1. Boden
  2. Fußboden
noun
1. een samenhangend hoopje van sneeuw of andere lichte stof
Flocke
noun
  1. Flohmarkt
  2. Trödelmarkt
/vloːt/
noun
1. bij elkaar horende schepen
Flotte
adjective
1. gemakkelijk, eenvoudig, zonder veel problemen
  1. flott
  2. zügig
noun
1. een drijvende constructie
Floß
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Vlotho
noun
1. het zich door luchtruim bewegen
Flug
/vlɵxtə(n)/
verb
1. (onovergankelijk) trachten te ontkomen aan dreigend gevaar
  1. fliehen
  2. flüchten
  3. entfliehen
noun
Flugschreiber
/ˈvlʏxtstrok/
noun
1. een door een doorgetrokken streep gemarkeerd afgescheiden gedeelte van de rijbaan op de autosnelweg of autoweg, bedoeld voor noodsituaties
Seitenstreifen
/vlɵx/
adjective
1. met hoge snelheid
  1. schnell
  2. flink
  3. flott
/vlɵx/
adverb
1. met hoge snelheid, in korte tijd
  1. rasch
  2. flink
  3. flott
pronoun
1. wereldwijde organisatie waarin alle landen kunnen samenwerken
VN
/vɔxt/
noun
1. water dat iets doordrenkt of als damp aanwezig is.
Feuchtigkeit
noun
1. de mate van vocht
Feuchtigkeit
verb
1. van voedsel voorzien
nähren
/vudərə(n)/
verb
1. voedsel verschaffen aan dieren
füttern
/ˈvu.dɪŋ(g)/, /ˈvu.dɪŋ/
noun
1. voedsel
  1. Ernährung
  2. Nahrung
  3. Verpflegung
noun
1. een product, middel dat een organisme kan gebruiken om zich te voeden
Nahrungsmittel
noun
1. voedingsmiddel dat bedoeld is als aanvulling op de normale voeding
Nahrungsergänzungsmittel
noun
1. alles wat een organisme tot zich neemt om het metabolisme in werking te houden
  1. Nahrung
  2. Lebensmittel
  3. Speise
adjective
1.
nahrhaft
verb
3. afwerken van metselwerk
  1. ausfugen
  2. fugen
/ˈvuxʋoːrt/
noun
  1. Konjunktion
  2. Bindewort
verb
1. gewaarworden door aanraking, meestal met betrekking tot temperatuur of druk
  1. anfühlen
  2. empfinden
noun
1. een langgerekt, gewoonlijk geleed, uitwendig orgaan op de kop van een insect dat zintuigen voor de tastzin of soms ook voor gehoor of smaak bevat
Fühler
/vur/
noun
  1. 3. (verouderd) wagenvracht
    Fuhre
  2. 1. voedsel, inzonderlijk voor huisdieren en vee
    Futter
verb
  1. 1. geleiden, ergens heen brengen
    1. führen
    2. geleiten
    3. leiten
    1. 3. dieren te eten geven
    2. 2. kleding aan de binnenkant van een isolerende laag voorzien
    3. 4. een kind eten in de mond stoppen
    füttern
/ˈvuː.rɪŋ(g)/, /ˈvuː.rɪŋ/
noun
1. de binnenbekleding van een voorwerp
Futter
pronoun
sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Fuhrmann
/ˈvuːrtœx/, /ˈvuːrtœyx/
noun
1. vervoermiddel over land
  1. Fahrzeug
  2. Gefährt
noun
  1. 3. oude lengtemaat
    Fuß
  2. 1. voortzetting van het been beneden de enkel
    1. Fuß
    2. Fuss
/ˈvut.bɑɫ/
noun
1. een balsport waarbij twee teams van 11 spelers met hun voeten (of hoofd) een bal in het doel van de tegenstander proberen te krijgen
  1. Fußball
  2. Fussball
verb
1. een spel met een voetbal spelen
Fußball spielen
noun
Fußballplatz
noun
1. een wedstrijd tussen twee voetbalelftallen
Fußballspiel
noun
1. bovenzijde van een voetzool
Fußbett
/vuˈterə(n)/
verb
1. te voet gaan
zu Fuß gehen
noun
1. iemand die zich te voet door het verkeer verplaatst
Fußgänger
/ˈvut.ɣɑ.ŋərs.ɣəˌbit/, /ˈvut.χɑ.ŋərs.χəˌbit/
noun
1. een gebied waarin geen voertuigen zijn toegestaan en waar dus gelopen moet worden
  1. Fußgängerzone
  2. Fußgängerbereich
/'vutpɑt/
noun
1. een pad voor voetgangers
  1. Fußweg
  2. Fußgängerweg
noun
1. een rem die met de voet bediend wordt
Fußbremse
noun
1. een steunpunt voor de voet
  1. Fußraste
  2. Fußstütze
noun
1. de onderzijde van de voet
Fußsohle
/ˈvoːɣəl/, /ˈvoχɔɫ/
noun
1. een gewerveld dier (Aves) met twee vleugels, twee poten, een snavel en veren...
Vogel
noun
1. enige zoogdier met een snavel, Ornithorhynchus anatinus
Schnabeltier
/ˈvo.ɣəl.kɛrs/
noun
1. bepaalde boomsoort die in West-Europa thuishoort, Prunus padus
Traubenkirsche
noun
Gewöhnliche Vogelmiere
noun
1. grote behaarde spin die leeft in de tropische streken
Vogelspinne
noun
1. manshoge pop
Vogelscheuche
/ˈvoːɣəlvlʏxt/
noun
  1. 4. afstand in vogelvlucht
    Luftlinie
  2. 1. perspectief van boven
    Vogelperspektive
adjective
1. buiten de wet gesteld
vogelfrei
pronoun
1. gebergte
Vogesen
pronoun
1.
Vojvodina
/vɔl/, /vɔɫ/
adjective
1. geheel gevuld
voll
pronoun
1. een kunstmatige taal die in 1880 door Johann Martin Schleyer gemaakt werd
Volapük
adjective
Vollblüter
verb
1. een eis vervullen
  1. befriedigen
  2. entsprechen
  3. genügen
adverb
  1. voldoende zijn
    ausreichen
  2. 1. tot bevrediging
    1. genug
    2. ausreichend
    3. genügend
indefinitePronoun
1. toereikend, genoeg
  1. ausreichend
  2. genügend
  3. genug
/'vɔlxə(n)/
verb
1. achterna gaan
folgen
adjective
1. dat later komt
  1. nächst
  2. folgend
preposition
1. geeft een bron aan voor de gegeven redenering
  1. gemäß
  2. laut
  3. zufolge
  4. nach
noun
1. vergoeding aan de kunstenaar bij doorverkoop van zijn kunstwerk
Folgerecht
adjective
1.
folgsam
/vɔlk/
noun
  1. 4. een aantal mensen
    Leute
    1. 1. een groep mensen die een aantal dingen gemeenschappelijk hebben, zoals afstamming, taal, gewoontes of overlevering
    2. 2. de inwoners van een land
    Volk
pronoun
Völkerbund
noun
1. internationaal privaat- en publiekrecht
Vólkerrecht
noun
  1. Genozid
  2. Völkermord
noun
1. brood van meel met zemelen
Vollkornbrot
noun
1. tarwe met zemelen en kiem
Vollkornweizen
noun
1.
Volksetymologie
noun
1. traditioneel feest dat door de gehele gemeenschap wordt gevierd gevierd
Volksfest
noun
1. lied dat dienst doet als symbool voor een volk of een natie
Nationalhymne
noun
Volksrepublik
noun
1. de taal van het gewone volk, vaak informeel van aard en soms als minder beschaafd gezien, in tegenstelling tot de standaardtaal
  1. Volkssprache
  2. Alltagssprache
/ˈvɔlks.tœʏn/
noun
2. moestuin beschikbaar gesteld aan stadsbewoners
  1. Kleingarten
  2. Schrebergarten
  3. Familiengarten
noun
1. een vergadering van de gehele bevolking
Volksversammlung
/ˈvɔlksvərˌhœyzɪŋ/
pronoun
1. het binnentrekken van het Romeinse rijk door stammen die voorheen ten noorden en oosten daarvan woonden
Völkerwanderung
adjective
volksfremd
noun
1. fase of schijngestalte van de maan, waarbij de naar de aarde gekeerde zijde, geheel door de zon wordt verlicht en daardoor zichtbaar is
Vollmond
adverb
1. zonder iets ongedaan te laten
  1. komplett
  2. vollständig
noun
1. de fase of schijngestalte van de maan, waarbij de naar de aarde gekeerde zijde, geheel door de zon wordt verlicht en daardoor zichtbaar is
Vollmond
noun
  1. 1. spel
  2. 2. bal
Volleyball
/vɔlˈmaːkt/
adverb
1. zonder enig gebrek
perfekt
noun
1. de volmaaktheid
Idealität
noun
1. rechtsbevoegdheid om namens een ander te handelen
Vollmacht
verb
1. overvol maken door er nog iets bij te duwen
voll pfropfen
verb
vollstopfen
verb
  1. 1. helemaal vullen
  2. 2. heel veel eten
vollstopfen
noun
  1. Volt
  2. V
noun
1. spanningmeter
  1. Spannungsmesser
  2. Spannungsmessgerät
noun
1. het woord dat deel heeft aan het werkwoord en aan het naamwoord en als afgesloten gezien wordt
  1. Partizip II
  2. Partizip Perfekt
  3. Perfektpartizip
noun
  1. Plusquamperfekt
  2. Vorvergangenheit
  3. Präteritumperfekt
verb
1. ten einde brengen
  1. beenden
  2. vollenden
noun
Volltreffer
noun
1. ruimtelijke capaciteit
Volumen
verb
1.
vollfressen
adjective
1. een leeftijd bereikt hebbend waarop men volgroeid en onafhankelijk kan zijn
erwachsen
noun
1. iemand die volgroeid is
  1. Erwachsener
  2. Erwachsene
noun
  1. Findelkind
  2. Findling
noun
  1. 1. een gloeiend korreltje of brokstukje
    Funke
  2. 3. bijnaam van de radiotelegrafist
    Funker
verb
1. vonken geven
funken
noun
1. bijnaam van de radiotelegrafist
Funker
noun
1. een beslissing van een rechter in dagvaardingsprocedures
Urteil
noun
1. Haïtiaanse religie
Wodu
/voːxt/
noun
1. belangenbehartiger van minderjarige
  1. Vormund
  2. Vormundin
noun
1. Iemand die als vervanger het ouderlijk gezag uitoefent
Vormundin
noun
1. belangenbehartiging van minderjarige
Vormundschaft
/vor/
noun
1. ploegsnede
Furche
/vor/
preposition
  1. 7. ten behoeve van, ten gunste van
    für
  2. 1. dichterbij dan
    vor
  3. 4. eerder in tijd
    1. vor
    2. bevor
adverb
für einen Apfel und ein Ei
conjunction
1. in die mate als
so weit
pronoun
1.
Vorpommern
adverb
vorn
adjective
1. gezaghebbend
  1. prominent
  2. führend
noun
1. afbeelding van iets, zoals van voren gezien
Vorderansicht
/vo:ɾ.ɑl/
adverb
  1. 1. voornamelijk
    1. besonders
    2. vor allem
  2. 2. als het voornaamste of als zeer gewichtig
    1. vor allem
    2. insbesondere
noun
1.
Unterarm
noun
1. begin van de avond
frühe Abend
adjective
voreilig
noun
  1. 2. iets dat bestaat of kan bestaan, als uitleg bij een abstracte uitleg
    Beispiel
  2. 1. iets ter navolging
    1. Vorbild
    2. Beispiel
noun
  1. 1. een voorbereidende behandeling voor de hoofdingreep
  2. 2. een eerste behandeling van een nog verder te bewerken product
Vorbehandlung
verb
1. handelingen verrichten die een latere gebeurtenis mogelijk moeten maken
vorbereiten
/vorˈbɛɪ̯ɣan/, /vorˈbɛːɣan/, /vo̝rˈbɛɪ̯χan/
verb
  1. 1. langs een bepaald punt gaan.
  2. 2. tot verleden gaan behoren
vorbeigehen
verb
1. tot betere prestatie komen dan de opponenten
überholen
/ˈvorbodə/
noun
1. vooruitgestuurde bode (letterlijk)
Vorbote
noun
1. een doorwaadbare plaats in een beek of rivier
Furt
noun
1. doorwaadbare plaats
Furt
noun
  1. 1. profijt
    Nutzen
  2. 3. (tennis)
    Vorteil
/'voːrdøːr/
noun
1. de hoofddeur aan de voorzijde van een woning
  1. Haustür
  2. Vordertür
verb
  1. 2. als kandidaat voorstellen
    1. nominate
    2. nominieren
    3. vorschlagen
  2. 1. een gedicht of tekst ten gehore brengen
    vortragen
/ˈvoːrˌdrɪ.ŋə(n)/
verb
vordrängeln
noun
  1. 2. dienstdoende predikant in een kerkdienst
    Prediger
  2. 1. de persoon die voorafgaand aan een zeker persoon dezelfde positie bekleedde
    Vorgänger
noun
1. eerste, meestal lichte gang van een maaltijd
Vorspeise
noun
Vorgeschichte
noun
1. gevel aan de voorkant
Fassade
adverb
endgültig
noun
Vorschlaghammer
adverb
1. in het verleden
früher
noun
1. het deel van het gezicht tussen de wenkbrauwen, de normale haarlijn en de slapen
  1. Stirn
  2. Stirne
noun
1. een van de beenderen van de schedel
Stirnbein
noun
1. voorhuid van penis
Vorhaut
/vorɪ'nxənomə(n)/
adjective
1.
voreingenommen
noun
  1. Frühjahrsmüdigkeit
  2. Frühlingsmüdigkeit
noun
1. Calocybe gambosa, een wittige eetbare paddenstoel
Mairitterling
noun
1. het opruimen en poetsen van een woning in het voorjaar
Frühjahrsputz
/vorkɑnt/
noun
1. een van de zijden van een voorwerp, namelijk dewelke naar voren gericht is
Vorderseite
noun
Vorwissen
/ˈvoːrkør/
noun
1. de neiging tot kiezen van het één boven het ander
  1. Vorzug
  2. Präferenz
/'vɔːr.ko.mə(n)/, /vɔːr.'ko.mə(n)/
verb
  1. 4. dunken, toeschijnen
    1. dünken
    2. scheinen
  2. 2. voor het gerecht verschijnen
    erscheinen
  3. 3. soms gebeuren
    geschehen
  4. 1. met regelmaat ergens te vinden zijn
    vorkommen
  5. 1. ervoor zorgen dat iets niet gebeurt
    1. vorbeugen
    2. abwenden
    3. vermeiden
verb
1. hardop een tekst lezen ten aanhoren van anderen
vorlesen
verb
2. iemand instructie geven, leren hoe met iets omgegaan moet worden
  1. aufklären
  2. informieren
/vorˈlopəx/, /vorˈlopəç/
adjective
1. tijdelijk in afwachting van iets definitiefs
vorläufig
noun
  1. Vorarbeiter
  2. Anführer
noun
1. naam die bij de geboorte aan een persoon wordt gegeven, en die aan de familienaam voorafgaat.
Vorname
/ˈvɔːr.nam.ˌʋɔːrt/
noun
1. een woord dat verwijst naar iets anders zonder ze te noemen
  1. Pronomen
  2. Fürwort
noun
1. een bijwoord ter vervanging van de combinatie voorzetsel met voornaamwoord,...
Pronominaladverb
adverb
1. in hogere mate
  1. insbesondere
  2. vornehmlich
verb
1. van plan zijn iets te gaan doen
  1. beabsichtigen
  2. vornehmen
adverb
  1. voornemens zijn
    beabsichtigen
  2. 1. de intentie hebbend
    1. beabsichtigend
    2. in der Absicht
adverb
  1. vorn
  2. vorne
/vorˈɔplopə(n)/
verb
  1. 2. op anderen vooruit zijn
    1. führend sein
    2. tonangebend sein
  2. 1. als voorste lopen
    voranlaufen
verb
1. vooropstellen
voraussetzen
noun
1. iemand van wie afgestammen wordt
Vorfahr
noun
  1. Titelblatt
  2. Titelseite
noun
Vorfreude
noun
1. een voorlopige test
  1. Kostprobe
  2. Vorgeschmack
/ˈvɔːrˌraːt/
noun
1. wat voor later gebruik wordt opgeslagen
Vorrat
adjective
vorrätig
noun
  1. Vorrang
  2. Vorfahrt
noun
Vorrecht
noun
1. glazen vlak aan de voorkant van een voertuig dat zorgt voor zicht op de weg en bescherming tegen weer en wind
  1. Windschutzscheibe
  2. Frontscheibe
noun
1. een vervroegde betaling op het loon
Vorschuss
noun
Verordnung
/'vɔːrsxrɛɪvə(n)/
verb
1. een schriftelijke opdracht geven
  1. verschreiben
  2. vorschreiben
verb
vorschlagen
noun
  1. 2. complete of gedeeltelijke uitvoering van een muziekstuk ter beoordeling
    1. Audition
    2. Probespiel
    1. 3. liefdesspel als opmaat voor seks
    2. 1. voorbereidende inleiding
    Vorspiel
verb
1. een uitspraak doen over toekomstige gebeurtenissen
  1. vorhersagen
  2. prophezeien
  3. voraussagen
noun
  1. Prognose
  2. Vorhersage
noun
  1. Wohlstand
  2. Wohl
  3. Wohlergehen
/'vorsprɔŋ/
noun
1. de mate waarin men verder gevorderd is dan anderen
Vorsprung
noun
1. lijn of staalkabel die is gespannen tussen de boeg en de masttop
Vorstag
noun
1. iemand die voor iets is
Befürworter
noun
  1. Befürworterin
  2. Verfechterin
noun
1. hetgeen dat voorgesteld wordt
Vorschlag
verb
1. een plan voorleggen
vorschlagen
adverb
1. van nu af aan, in het vervolg
  1. in Zukunft
  2. künftig
noun
Vorderzahn
noun
  1. 1. signaal dat aan een gebeurtenis voorafgaat
    1. Omen
    2. Vorzeichen
    1. 2. plus- of minteken voor een getal
    2. 3. symbolen aan het begin van een notenbalk
    Vorzeichen
noun
1. symbolen aan het begin van een notenbalk
Vorzeichen
noun
1. een gedeelte van een tent dat voor de rest van de tent staat waarin niet geslapen wordt
Vorzelt
verb
1. in hoog tempo aan iets werken
beeilen
adverb
1. ter aanduiding van wat nog komt na nu, na dat andere, in het vervolg
  1. ferner
  2. fernerhin
verb
1. geleidelijk verder verlopen
fortschreiten
verb
fortsetzen
noun
1. het voortzetten van iets
Fortsetzung
/voːˈrœːdbəˌtaːlə(n)/, /vo̝ːˈrœʏ̯tbəˌtalə(n)/
verb
1. iets van tevoren betalen
voraus zahlen
/voːˈrœːdˌɣaːn/, /voːˈrœːtˌxaːn/, /vo̝ːˈrœʏ̯tˌχan/
verb
  1. 2. vooruitgang boeken
    aufwärtsgehen
  2. 1. naar voren gaan
    vorwärtsgehen
noun
  1. 1. het proces van technologische en economische groei van een samenleving
    Fortschritt
  2. 2. een proces van verbeteringen
    Verbesserung
noun
1.
  1. Ahn
  2. Vorfahr
  3. Urahn
  4. Stammvater
noun
1. event, gebeurtenis, incident
Vorfall
verb
1.
vorfallen
verb
1.
  1. vorheizen
  2. vorwärmen
/ˈvoːrvuxsəɫ/
noun
1. een gebonden morfeem dat voor een ander woord geplaatst wordt om iets aan de betekenis toe te voegen
Vorsilbe
noun
1. omstandigheid die noodzakelijk is of gemaakt wordt wil iets anders plaats of...
  1. Bedingung
  2. Voraussetzung
noun
1. een object, iets dat fysiek bestaat
  1. Gegenstand
  2. Objekt
  3. Körper
noun
1. een soort van aandrijfmechanisme, waarbij de motorkracht op de voorwielen wordt uitgeoefend
Vorderradantrieb
noun
1. een onverbuigbaar woord dat de aard van de relatie tussen verschillende elementen in de zin aangeeft
  1. Präposition
  2. Verhältniswort
/vɔːrˈzɪxtəx/
adverb
1. op een oplettende manier
vorsichtig
/vɔːrˈzɪxtəxˌhɛɪt/
noun
1. het voorzichtig zijn
Vorsicht
noun
1. een van de zijden van een voorwerp, namelijk dewelke naar voren gericht is
Vorderseite
noun
  1. Bildseite
  2. Vorderseite
noun
1. hoofd van een bestuur, leider van een vergadering
  1. Vorsitzende
  2. Vorsitzender
pronoun
1. deelstaat van Oostenrijk
Vorarlberg
adjective
1.
vorarlbergisch
pronoun
1.
  1. Vorarlbergerisch
  2. Vorarlbergisch
/vɔɾ.dǝ.ɾɪŋ/
noun
  1. 2. opeisen
    1. Anspruch
    2. Forderung
  2. 1. vooruitgang, progressie
    1. Fortschritt
    2. Entwicklung
    3. Fortgang
/'vɔː.rə/
noun
1. ploegsnede
Furche
indefiniteOrdinalNumeral
1. degene die of datgene dat eerder een positie innam
  1. vorig
  2. dernier
  3. précédent
noun
  1. 1. aftakking van een boomtak of van een weg
    1. Astgabel
    2. Gabel
  2. 2. voorwerp bestaande uit een greep en (meestal 3 of 4) tanden, waarmee vast voedsel wordt gegeten
    Gabel
  3. 4. fietsonderdeel waarin het wiel wordt bevestigd: telescopische vork, voorvork en achtervork
    1. Gabel
    2. Fahrradgabel
  4. 3. bepaald landbouwwerktuig (vergelijk met hooivork, mestvork)
    1. Gabel
    2. Forke
  5. 5. (schaak) situatie waarbij één eigen stuk tegelijkertijd twee of meer vijandelijke stukken aanvalt
    1. Gabel
    2. Springergabel
verb
  1. 3. maken, veroorzaken
    1. ausmachen
    2. verursachen
  2. 2. deel uitmaken van, fungeren als bouwsteen van
    1. bilden
    2. ausmachen
  3. 1. in de juiste vorm brengen
    1. formen
    2. bilden
noun
1. het proces en het resultaat van ontwerpen van het uiterlijk
Gestaltung
noun
1. een sacrament waardoor een gedoopte de kracht van de Heilige Geest ontvangt om zijn geloof standvastig te kunnen belijden
Firmung
/vɔrst/
noun
2. weersomstandigheden
Frost
noun
1. bepaald zoogdier, Vulpes vulpes
  1. Fuchs
  2. Füchsin
noun
1. bepaald soort plant, Vaccinium vitis-idaea
Preiselbeere
verb
falten
noun
Klapprad
/vra:x/, /vra:χ/
noun
1. een verzoek om inlichting
  1. Frage
  2. Anfrage
/ˈvraxzɪn/, /ˈvraɣzɪn/, /ˈvraχzɪn/
noun
1. een zin in de vorm van een vraag
Fragesatz
/vrɑxt/, /vrɑχt/
noun
1. de lading van een vervoermiddel
Fracht
/ˡvrɑxtɑuto/
noun
1. een auto voor goederenvervoer
  1. Lastkraftwagen
  2. LKW
  3. Lastwagen
  4. Lastzug
noun
1. een boot die gebouwd is om vracht te vervoeren
Frachter
noun
1.
Frachtbrief
noun
1. prijs die men betaalt om een bepaalde hoeveelheid vracht naar een andere locatie te vervoeren
  1. Frachpreis
  2. Frachtrate
noun
1. een schip dat uitsluitend bedoeld is voor het vervoer van goederen
Frachtschiff
noun
1. een wagen voor goederenvervoer
  1. Lastkraftwagen
  2. Lastwagen
  3. LKW
  4. Lastzug
noun
  1. Fernfahrer
  2. LKW-Fahrer
  3. Trucker
/ˈvraɣə(n)/, /ˈvraχə(n)/
verb
  1. 2. mondeling of schriftelijk actie verzoeken
    1. bitten
    2. fragen
  2. 1. mondeling of schriftelijk informatie verzoeken
    fragen
noun
2. iemand die een antwoord op een vraag wil hebben
Frager
noun
1. ontbreken van oorlog
  1. Frieden
  2. Friede
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Vreden
adjective
  1. 1. van buiten, niet van hier
    fremd
  2. 2. gek, onwerkelijk
    seltsam
  3. 3. niet bekend
    unbekannt
/'vremdə/
noun
1. iemand die niet bekend is
Fremde
noun
1. iemand die afkomstig is uit een ander gebied of land dan dat waar hij verblijft
  1. Ausländer
  2. Fremde
noun
1.
  1. Fremdenfeindlichkeit
  2. Fremdenhass
  3. Ausländerfeindlichkeit
noun
  1. Geizkragen
  2. Geizhals
adjective
1. bijzonder erg, schrikwekkend
  1. furchtbar
  2. schrecklich
verb
1. het nuttigen van voedsel op een meestal onbeleefde wijze
fressen
noun
1. een blij gevoel
Freude
/ˈvrøx.də.ˌvyːr/, /ˈvrøɣ.də.ˌvyːr/, /ˈvrøχ.də.ˌvyːr/
noun
1. een groots door mensen opgebouwd en gecontroleerd vuur om iets te vieren
  1. Freudenfeuer
  2. Lagerfeuer
/ˈvrezə(n)/
verb
1. bang zijn, angst hebben
fürchten
noun
  1. 1. een persoon met wie je een speciale persoonlijke band hebt
  2. 2. de mannelijke persoon met wie je verkering hebt
Freund
adjective
1. met het nodige respect
freundlich
noun
  1. 2. de vrouwelijke persoon met wie je verkering hebt
  2. 1. een vrouwelijk persoon met wie je een speciale persoonlijke band hebt
Freundin
noun
1. gelijkwaardige relatie tussen personen die elkaar wederzijds genegen zijn en een vergelijkbare relatie tegelijkertijd ook met anderen kunnen hebben
Freundschaft
noun
1. schade aangebracht aan smaak zowel als structuur van bevroren voedsel
Gefrierbrand
/ˈvrisdroɣə(n)/
verb
1. industriële droogmethode voor onder andere het conserveren van voedingsmiddelen
  1. gefriertrocknen
  2. lyophilisieren
/vrispʌnt/
noun
Gefrierpunkt
noun
1. een toestel bedoeld om voedingsmiddelen in bevroren toestand gebracht, te bewaren
Gefrierschrank
adjective
1. ongebonden, niet in beweging beperkt
frei
noun
  1. 2. iemand die niet vies is van een beetje avontuur, een avonturier
    Abenteurer
  2. 1. een zeerover
    Freibeuter
noun
1. een dag van de week die na donderdag en voor zaterdag komt
Freitag
adverb
freilich
verb
  1. 2. knuffelen
    1. kuscheln
    2. liebkosen
    3. schmusen
  2. 1. liefde bedrijven
    1. miteinander schlafen
    2. sich lieben
noun
  1. Freier
  2. Verehrer
verb
1. zonder voorbehoud beschikbaar stellen, toegankelijk maken
freigeben
adjective
1. een ongehuwde man of vrouw
ledig
noun
1. een ongehuwde man of vrouw
Junggeselle
noun
Freihandel
/ˈvrɛi̯ɦɛi̯t/
noun
1. het vrij zijn
Freiheit
/ˈvrɛɪhɛɪtsbəˌrovɪŋ/, /ˈvrɛːhɛːtsbəˌrovɪŋ/
noun
2. iemand wederrechtelijk in detentie houden
Freiheitsberaubung
verb
1. door betaling iemands vrijheid verkrijgen
freikaufen
verb
1. toestaan om uit gevangenschap weg te gaan
freilassen
verb
  1. 2. aantoonen of betoogen dat iemand aan iets niet schuldig is
    1. bezeugen
    2. darlegen
    3. entlasten
    4. freisprechen
  2. 1. door pleiten vrijspraak verwerven voor iemand, door pleiten de onschuld aantonen van iemand, door pleiten verdedigen
    1. plädieren
    2. verteidigen
  3. 1. aantoonen of betoogen dat men niet aan iets schuldig is
    rechtfertigen
noun
Freispruch
/'vrɛisprekə(n)/
verb
1. onschuldig verklaren
freisprechen
noun
Freistaat
adverb
1. zo goed als, verwaarloosbaar weinig schelend ten opzichte van iets anders
nahezu
adjective
1. niet gedwongen
freiwillig
/ˈvrud.vrɑu/
noun
1. een vrouw die een bevalling begeleidt
Hebamme
adjective
  1. 2. eerder dan verwacht
  2. 1. aan het begin
früh
/ˈvruxlaˌtɛin/
pronoun
1. de voorganger van het klassiek Latijn
Altlatein
/ˈvruxər/, /ˈvruɣər/
adverb
1. (zoals) in het verleden
früher
verb
1. de eerste maaltijd van de dag nuttigen
frühstücken
/ˈvruxlaˌtɛin/
pronoun
1. de voorganger van het klassiek Latijn
Altlatein
verb
1. de eerste maaltijd van de dag nuttigen
frühstücken
verb
1. de eerste maaltijd van de dag nuttigen
frühstücken
verb
1. de eerste maaltijd van de dag nuttigen
frühstücken
verb
1. de eerste maaltijd van de dag nuttigen
frühstücken
noun
1. begin van de morgen
Frühe
noun
1. een aangename stemming waarin men veel lacht, zich goed voelt en het leven optimistisch bekijkt
Fröhlichkeit
noun
  1. 2. de vrouwelijke partner in een huwelijk
    1. Frau
    2. Ehefrau
    3. Gemahlin
    4. Gattin
  2. 1. een volwassen vrouwelijke mens
    1. Frau
    2. Weib
adjective
  1. weiblich
  2. feminin
phraseologicalUnit
1.
Weibliche Nadelarbeit
noun
Gynäkologe
noun
2. grootste in Europa voorkomende orchideeënsoort, Cypripedium calceolus
Gelber Frauenschuh
noun
1. urinoir dat speciaal is ontworpen voor vrouwen
Frauenurinal
noun
1. een man die veel vrouwen verleidt
  1. Frauenheld
  2. Weiberheld
noun
1. volgroeid vruchtbeginsel
Frucht
/'vrɵɣbar/
adjective
1. in staat vrucht af te werpen
  1. fertil
  2. fruchtbar
noun
1. boom die eetbare vruchten voortbrengt
Obstbaum
/ˈvrʏxtə(n)ˌsɑp/, /ˈvrʏχtə(n)ˌsɑp/
noun
1. sap gewonnen uit fruit
  1. Fruchtsaft
  2. Obstsaft
noun
1. wijn van vergist sap van andere vruchten dan druiven
  1. Obstwein
  2. Fruchtwein
noun
Fruchtwasser
/vœy̯l/
adjective
1. niet schoon
  1. schmutzig
  2. dreckig
/vœy̯l/
noun
viezigheid, onreine materie
  1. Schmutz
  2. Dreck
/vœylbɑk/
noun
1. een bak waarin men huisvuil verzamelt
  1. Abfalleimer
  2. Kehrrichteimer
  3. Mülleimer
verb
1. obsceniteiten zeggen
  1. ferkeln
  2. schweinigeln
noun
  1. 3. een vuile, gemene uiting
    1. Sauerei
    2. Schweinerei
    1. 1. dat wat vuil is
    2. 2. poep
    Schmutz
noun
1. materiaal dat weggeworpen wordt
Müll
/'vœylnɪsbɑk/
noun
1. een bak waarin men huisvuil verzamelt
  1. Mülleimer
  2. Mülltonne
  3. Kehrrichteimer
noun
1. een opstapeling van huisvuil
Müllhaufen
/ˈvœʏɫnɪsˌʋaxə(n)/, /ˈvœːɫnɪsˌβaɣə(n)/
noun
1. een auto van de vuilophaaldienst
  1. Müllauto
  2. Müllwagen
noun
  1. 1. gebalde hand
    Faust
  2. 2. zware hamer
    Fäustel
/ˈvœʏ̯sbɛːɫ/, /ˈvœːstbɛːɫ/, /ˈvœːzbɛɪ̯l/
noun
1. een kerngereedschap uit het paleolithicum, het Acheuléen en het Moustérien
Faustkeil
adjective
vulgär
noun
  1. Vulkan
  2. Feuerberg
noun
1. de vaak explosieve activiteit waarmee in een vulkaan opgebouwde spanningen zich ontladen
  1. Vulkanausbruch
  2. vulkanutbrot
  3. vulkanutbrott
noun
1. een kolenkachel die gedurende langere tijd kan branden zonder bij te vullen
  1. Dauerbrandofen
  2. Dauerbrenner
adjective
1. betrekking hebbend op de processen die in een vulkaan plaatsvinden
vulkanisch
noun
1. natuurlijke processen
Vulkanismus
adjective
1.
vulkanologisch
verb
1. vol maken
füllen
noun
het materiaal waarmee iets opgevuld is
Füllung
/ˈvʏl.pɛn/, /ˈvʏɫ.pɛn/
noun
1. een schrijfpen met holle houder waarin zich een inktreservoir bevindt
  1. Füllfederhalter
  2. Füller
noun
1. de schaamspleet, de ingang tot de vagina
Vulva
noun
1. huidplooi bij de opening van de vulva, aan beide zijden van de vagina
Vulvalippe
/vy.rə(n)/
verb
1. schoten lossen
  1. feuern
  2. schießen
/vyːr/
noun
1. lichtverschijnsel bij brand
Feuer
noun
1. het eerste gevecht van een soldaat
Feuertaufe
noun
1.een strijd waarbij partijen elkaar beschieten met vuurwapens
Feuergefecht
pronoun
1. een archipel aan de zuidpunt van Zuid-Amerika
Feuerland
noun
1. soort godsoordeel
Feuerprobe
adjective
  1. Feuerrot
  2. feuerrot
noun
1.
Feuerstein
/ˈvyːrtɛmˌpəɫ/
noun
1. heiligdom waarin een eeuwigbrandend vuur onderhouden wordt.
Feuertempel
noun
1. een hoog lichtbaken aan de kust
Leuchtturm
noun
1. iemand die ter vermaak van een publiek vlammen dooft met zijn mond
Feuerschlucker
noun
1. voorwerpen die gevuld zijn met ontploffende, brandbare en lichtgevende stofmengsels
Feuerwerk
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Vöcklabruck
pronoun
1.
Völklingen
noun
1. benaming voor vogels uit de onderorde Charadrii
Watvogel
noun
1. iemand die veel durft
Draufgänger
noun
1. roekeloosheid
Waghalsigkeit
/'ʋajə(n)/
verb
1. plaatsvinden van een sterke luchtstroming
  1. wehen
  2. blasen
noun
1. scherm in halve schijfvorm
Fächer
/ˈʋakɦɔnt/
noun
1. een hond die het huis of een erf bewaakt
Wachhund
noun
1. een klein vlammetje dat continu brandt in een geiser, gaskachel, gasfornuis of cv-ketel, dat ervoor zorgt dat het gas vrijwel direct ontbrandt wanneer de gaskraan van een brander wordt geopend
Zündflamme
adverb
1. oplettend
wachsam
noun
1. oplettendheid
  1. Wachsamkeit
  2. Aufmerksamkeit
/wal/
noun
(demoniem) 1. bewoner of iemand die afkomstig is uit Wallonië
Wallone
/wal/
pronoun
(eigennaam) 1. brede zijrivier van de Rijn in Nederland
Waal
adjective
1. betrekking hebbend op Wallonië of de Walen
  1. wallonisch
  2. Wallonisch
pronoun
1. een taal die verwant is aan het Frans en die in Wallonië gesproken wordt
  1. Wallonisch
  2. wallonisch
/wan/, /ʋan/, /β̞an/
noun
  1. 1. droomwereld
  2. 2. onjuiste voorstelling van zaken
Wahn
noun
1. het lijden aan een geestesstoornis
  1. Wahnsinn
  2. Tollheit
adjective
wahnsinnig
/ʋar/
adjective
1. correct
wahr
/ʋar/
adverb
1. op welke plaats
wo
/ʋar/
noun
1. koopwaar, te verhandelen goederen
Gut
noun
1. een geldbedrag of iets anders dat tijdelijk gegeven wordt als onderpand voor het geval men een verplichting niet na kan komen
  1. Pfand
  2. Kaution
/ʋaːrt/
noun
A 1. baas van een herberg, taveerne of café
Wirt
noun
Wert
verb
  1. 1. op waarde schatten
  2. 2. op prijs stellen
schätzen
noun
1. het hechten van een waarde aan iets of het tonen daarvan
Achtung
/'ʋardəˌvɔl/
adjective
1. een grote waarde hebbend
wertvoll
/'ʋar.dəx/
adjective
1. op een wijze die in overeenstemming met het eergevoel is
würdevoll
noun
1. dat wat waar is
Wahrheit
verb
1. tot een realiteit maken
  1. wahr machen
  2. wahrmachen
adverbialPronoun
womit
noun
1. een teken aanbrengen dat de echtheid of geldigheid van iets aangeeft
beglaubigen
verb
1. iets via de zintuigen in zich opnemen
  1. wahrnehmen
  2. beobachten
noun
1. iets via de zintuigen registreren
Wahrnehmung
/ʋarˈɔm/
noun
1. door welke oorzaak?
  1. warum
  2. wieso
  3. weshalb
adjective
1. aannemelijk, iets dat vermoedelijk zo is
  1. wahrscheinlich
  2. wohl
/ˈʋaːrsxyu̯ə(n)/
verb
1. iemand verwittigen dat er mogelijke gevaren, problemen of gevolgen zijn
warnen
/'ʋaːr.sχy.ʋɪŋ/
noun
1. een mededeling dat er onaangename gevolgen op til zijn
  1. Warnung
  2. Verwarnung
noun
1. een schot ter waarschuwing
Warnschuss
adverbialPronoun
  1. 1. vragend: uit wat?
  2. 2. betrekkelijk: uit wat
woraus
adverbialPronoun
  1. 1. vragend van wat?, van welk?
  2. 2. betrekkelijk van wat, van hetwelk
wovon
noun
1. het voorspellen van de toekomst langs magische weg
Wahrsagen
noun
  1. 2. mat, witachtig laagje op sommige fruitsoorten
    Reifbelag
  2. 1. nevelsluier
    Schleier
/ʋɑxt/
noun
  1. 2. een tijd waarin men de taak heeft iets te bewaken
    Wache
  2. 3. een plaats waar men waakt
    1. Wache
    2. Wachlokal
  3. 4. een groep die tot taak heeft iets te bewaken
    1. Wache
    2. Wachmannschaft
  4. 1. iemand die tot taak heeft iets te bewaken
    1. Wache
    2. Wächter
  5. iets in de wacht slepen
    1. bekommen
    2. ergattern
/ˈʋɑx.tə(n)/, /ˈβɑx.tə(n)/
verb
1. op dezelfde plaats of in dezelfde situatie blijven tot iemand komt of iets gebeurt
warten
noun
1. ruimte of vertrek voor wachtenden, bijvoorbeeld bij een arts of op een station
  1. Wartezimmer
  2. Warteraum
/ˈʋɑxtlɛɪst/
noun
1. een lijst met wachtenden
Warteliste
noun
1. een aantal elementen die in een bepaalde volgorde op een gebeurtenis wachten
Warteschlange
noun
Wartezeit
noun
1. een geheim woord dat men moet produceren om ergens toegelaten te worden
  1. Passwort
  2. Kennwort
noun
1. een bij eb droogvallend buitendijks gebied
Watt
noun
1. een ondiep deel van de Noordzee tussen het vasteland en de reeks eilanden van Texel tot Rømø
Watt
pronoun
1. een binnenzee die aan de ene kant grenst aan de Waddeneilanden en de Noordzee en aan de andere kant begrensd wordt door het vasteland van Nederland, Duitsland en Denemarken
Wattenmeer
verb
1. door ondiep water lopen
waten
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Saarland
Wadern
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Saarland
Wadgassen
verb
1. een tocht te voet maken door gebied dat alleen bij laagwater begaanbaar is
  1. Wattlaufen
  2. Wattwandern
interjection
1. krachtig geluid met korte tussenpozen, zoals een hond dat kan uitstoten
  1. wau
  2. wuff
  3. rawau
noun
1. plat gebak dat vervaardigd wordt in een wafelijzer
Waffel
noun
1. een toestel waarin wafels gebakken worden
Waffeleisen
/ˈʋaːɣə(n)/, /ˈʋaːχə(n)/
noun
2. een auto
  1. Wagen
  2. Auto
/ˈʋaːɣə(n)/, /ˈʋaːχə(n)/
verb
1. een poging ondernemen
wagen
noun
1. reisziekte
Reisekrankheit
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Waghäusel
adjective
1.
wagnerianisch
/ʋa'ɣɔn/
noun
1. een voertuig dat deel uitmaakt van een trein
  1. Waggon
  2. wagon
/waɣɔˈnɛtə/
noun
1. open rijtuig met vier geveerde wielen, waarin de passagiers achter koetsier op twee banken...
  1. Kutschwagen
  2. Wagonette
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Waiblingen
/ˈwa.kə(n)/, /ˈʋa.kə(n)/, /ˈβ̞a.kə(n)/
verb
  1. 2. wakker zijn
    wach sein
    1. 1. opzettelijk wakker zijn
    2. 4. letten op, beschermen
    wachen
adjective
1. niet in slaap
wach
noun
  1. 4. vetophoping onder de onderste oogleden
    Augenring
  2. 2. aarden verhoging als verdediging tegen een overstroming
    1. Damm
    2. Deich
  3. 3. het vaste land in tegenstelling tot het boord van een schip
    Ufer
  4. 1. aarden verhoging als verdediging tegen een vijand
    Wall
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Waldbröl
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Waldenbuch
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Waldkraiburg
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Waldshut-Tiengen
pronoun
1.
Walensee
pronoun
1. een van de delen van het Verenigd Koninkrijk, gelegen op een groot eiland in het noordwesten van Europa.
Wales
noun
1. een sterke weerzin die fysiek gevoeld wordt
  1. Abscheu
  2. Ekel
pronoun
1. Germaanse strijdgodin
Walküre
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Walldürn
/ʋɑˈlonɪə/
pronoun
  1. Wallonien
  2. Wallonie
/wɑlrʌs/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Odobenus rosmarus
Walross
noun
4. dans
Walzer
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de onderorde Cetacea
Wal
pronoun
1. zeehaven in Namibië
  1. Walfischbucht
  2. Walfischbai
  3. Walfischbay
  4. Walvis Bay
noun
1.
Wälfänger
/ʋɑnt/
noun
Wand
noun
1. een misdaad, een slechte of gruwelijke handeling
Untat
noun
1. een van de beenderen van de schedel
Scheitelbein
/ˈʋɑn.dəɫ.ˌbrʏχ/, /ˈβ̞ɑn.dəɫ.ˌbrʏx/
noun
1. een brug waarover men kan lopen, maar die men niet met grotere voertuigen kan oversteken
Fußgängerbrücke
/ˈʋɑn.də.lə(n)/, /ˈβ̞ɑn.də.lə(n)/
verb
1. een wandeling maken
wandern
/ˈwɑndələnt/
adjective
  1. wandelende tak
    1. Gespenstschrecke
    2. Rosa geflügelte Stabschrecke
  2. wandelende takken
    Gespenstschrecken
  3. wandelende nier
    1. Senkniere
    2. Wanderniere
  4. wandelend geraamte
    wandelndes Gerippe
  5. wandelend woord
    wandelndes Lexikon
  6. 1. zich te voet voorbewegend, zich verplaatsend
    wandernd
/ˈʋɑn.də.lɪŋ/
noun
1. het lopend afleggen van een bepaalde afstand
Wanderung
/ˈʋɑn.dəɫ.ˌsχun/, /ˈβ̞ɑn.dəɫ.ˌsxun/
noun
1. een schoeisel dat speciaal geschikt is om grote wandelingen mee te maken
  1. Wanderschuh
  2. Bergschuh
/ˈʋɑn.dəɫ.ˌstɔk/, /ˈβ̞ɑn.dəɫ.ˌstɔk/
noun
1. stok die dient als steun bij het wandelen en beschermt tegen vallen
Spazierstock
/ˈʋɑn.dəɫ.ˌtɔχt/
noun
1. een lange wandeling
Wanderung
/ˈʋɑn.dəɫ.vɐ.ˌkɑn.tsi/
noun
1. een vakantie waarin men voornamelijk wandelt, waarschijnlijk om van de ene overnachtingsplek naar de volgende te komen
Wanderurlaub
verb
1. zich iets inbeelden wat niet waar is
wähnen
noun
1. zijkant van het gezicht onder het oog
  1. Wange
  2. Backe
/'ʋɑn.χə.drɑx/
noun
1. gedrag dat tegen de regels van het fatsoen ingaat
slechte Führung
pronoun
1.
Wangerooge
/ˈʋɑnɦop/
noun
1. een ellendige toestand waarin men geen uitkomst meer ziet
Verzweiflung
/'wɑŋkəl/
adjective
1. wat niet stevig staat
wackelig
verb
1. onvast op de voeten staan, dreigen te vallen
  1. schwanken
  2. torkeln
/ˈʋɑŋkəɫˌmotɔr/
noun
1. een verbrandingsmotor die niet met heen en weer gaande zuigers werkt, maar met een roterende zuiger.
Wankelmotor
noun
Rotationsworfelmaschine
/ʋɑ.ˈneːr/
adverb
1. op welke tijd
  1. wann
  2. wenn
/ʋɑ.ˈneːr/
conjunction
1. op het moment dat
wenn
verb
1. graan zuiveren van kaf door het in de wind op te werpen of te laten vallen
  1. worfeln
  2. windsichten
noun
1. een ongeregelde toestand met gebrek aan orde
Unordnung
noun
1. het niet nakomen van een overeenkomst
  1. Vertragsbruch
  2. Vertragsverletzung
/ʋɑnt/
conjunction
1. geeft nevenschikkend een reden aan
denn
/ʋɑnt/
noun
  1. 1. handschoen
    Fäustling
  2. 2. scheepvaart
    1. Want
    2. Gut
/ˈwɑn.tu.stɑnd/, /ˈʋɑn.tu.stɑnt/, /ˈβ̞ɑn.tu.stɑnt/
noun
1. een onacceptabel slechte situatie
Übelstand
verb
1. niet vertrouwen
misstrauen
/rʌst/
noun
2. bevestigingspunt voor het want
Rüste
noun
Wanzen-Knabenkraut
noun
1. een spanner waarmee een stag van het want op een zeilboot, op de gewenste spanning wordt gebracht
Wantenspanner
/ˈʋaːpən/
noun
  1. 1. een werktuig van geweld
    1. Waffe
    2. Wappen
  2. 2. een wapenschild
    1. Wappen
    2. Waffe
noun
1. een internationale sanctie waarbij een partij geen wapens kan aankopen
Waffenembargo
noun
1. een fabriek of werkplaats waar men wapens maakt
Waffenfabrik
noun
Waffenhandel
noun
Waffenhändler
noun
  1. Wappenschild
  2. Wappen
noun
1. een korte tekst die de bedoeling van iets weergeeft
  1. Motto
  2. Wappenspruch
noun
1. een overeenkomst met de vijand om de vijandelijkheden op te schorten
Waffenstillstand
/ˈwapə(n)ˈvɛrkop/
noun
1. de handel in wapen en toebehoren
Waffenverkauf
noun
Wettrüsten
verb
1. snel heen en weer bewegen
  1. flattern
  2. wehen
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Warburg
verb
1. ronddwalen
umgehen
pronoun
  1. 1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
  2. 2. een district in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Warendorf
noun
1. een antistollingsmiddel
Warfarin
/ʋɑrṃ/
adjective
Na te kijken en uit te splitsen vertalingen
warm
/ʋɑrmˈbludəx/
adjective
  1. 3. temperamentvol
    heißblütig
  2. 1. de eigen lichaamstemperatuur regulerend
    warmblütig
noun
1. bladgewas Beta vulgaris
Mangold
noun
  1. 1. de mate waarin het weer warm is.
  2. 2. de hoeveelheid thermische energie.
  1. Wärme
  2. Hitze
noun
1. een thermische centrale waarbij de restwarmte ook wordt gebruikt.
Heizkraftwerk
noun
1. installatie voor centrale warmtevoorziening
Heizkraftwerk
noun
1. een verwarmingsinstallatie die via mechanische arbeid warmte onttrekt aan een koude omgeving en deze toevoert aan een warmere omgeving
Wärmepumpe
noun
  1. Wärmeübertrager
  2. Wärmetauscher
pronoun
1. hoofdstad van Polen
Warschau
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Warstein
/ʋɑs/
noun
1. weke laagsmeltende en waterafstotende stof
Wachs
/ˈʋɑsbɑk/
noun
1. een bassin waarin gewassen kan worden
Waschbecken
noun
1. klein Noord-Amerikaans zoogdier, Procyon lotor
Waschbär
noun
1. Nyctereutes procyonoides, een zoogdier en roofdier uit de familie Canidae
Marderhund
noun
  1. geribbeld bord waarop men de was kan doen
    Waschbrett
  2. sterk gespierde buik
    Waschbrettbauch
noun
1. een toestel om de kleding die uit de wasmachine komt te drogen
  1. Trockner
  2. Wäschetrockner
verb
1. condenserende stoom of vocht afgeven
dampfen
noun
Dunstabzugshaube
/ˈwɑs.knɛɪ̯.pər/, /ˈʋɑs.knɛɪ̯.pər/, /ˈβ̞ɑs.knɛː.pər/
noun
1. een knijper die gemaakt is van hout of plastic om nat wasgoed aan een waslijn te klemmen
Wäscheklammer
noun
1. een apparaat dat op automatische wijze wasgoed reinigt
Waschmaschine
noun
1. zeep in een vorm om kleding en ander textiel in water te reinigen
Waschmittel
/'ʋɑsə(n)/
verb
  1. 2. zichzelf schoonmaken
    1. sich waschen
    2. spülen
  2. 3. groeien
    wachsen
  3. 1. iets schoonmaken
    1. waschen
    2. spülen
noun
Sandkastenspiel
noun
1.
  1. Mondsichel
  2. zunehmender Mond
pronoun
1. een plaats in Luxemburg
Wasserbillig
noun
1. een plaats waar men kleding en textiel kan (laten) wassen (zonder personeel)
Waschsalon
noun
1. een bak waarin men zich of iets wast
Waschbecken
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Thüringen
Wasungen
/ʋɑt/
interrogativePronoun
vragend voornaamwoord
was
phraseologicalUnit
1.
  1. Wie heißen Sie?
  2. Wie heißt du?
/ˈʋaːtər/
noun
boven water komen
auftauchen
noun
1. beschikbaar komen van water voor bepaalde doelen
Wasserzufuhr
noun
1.
Wasserachterbahn
adjective
1. & 2.
  1. wässerig
  2. wäßrig
noun
1. een ondergrondse waterstroom
Wasserader
adjective
1. geen aantrekkingskracht vertonend ten opzichte van water
  1. wasserabstoßend
  2. wasserabweisend
noun
1. een constructie om water naar een bepaalde plek te geleiden
Wasserabfluss
noun
1. de balans tussen de opname en afgifte van water
Wasserbilanz
noun
1. het in of op het water uitgevoerd ballet
Wasserballet
noun
1. een bed waarvan het matras gevuld is met water
Wasserbett
noun
1. met water gevuld bekken
Wasserbecken
adverb
wasserfest
adjective
  1. Wasserblau
  2. wasserblau
noun
1. ontwerp, bouw en onderhoud van waterstaatkundige bouwwerken
Wasserbau
noun
1. wetenschap die zich richt op ontwerp en beheer van waterbouwkundige werken
Wasserbau
noun
1. Bubalus bubalis, een tot de runderen behorend trekdier...
Wasserbüffel
noun
1. kasteel op een eiland of tussen grachten
Wasserburg
noun
1. een toiletpot met waterspoeling
Toilette
noun
  1. Wasserdampf
  2. Dampf
adjective
1. ondoordringbaar voor water
  1. wasserdicht
  2. wasserfest
noun
Fieberklee
noun
Wasserdruck
/ˈʋatərˌdrʏpəɫ/
noun
1. kleine hoeveelheid water die bolvormig is wanneer hij ergens ligt / vrij valt en die...
Wassertropfen
adverb
wasserfest
/ˈʋaːtərən/
verb
1. urine uitscheiden
  1. harnen
  2. urinieren
noun
1. een vaartuig met een aandrijving zoals op fietsen waarmee men zich over het water kan voortbewegen door middel van het trappen op pedalen
Tretboot
noun
Wasserfilter
/ˈwatərˌɣlɑtɦɛɪ̯t/, /ˈʋatərˌχlɑtɦɛɪ̯t/, /ˈβ̞atərˌɣlɑtɦɛːt/
noun
1. verschijnsel waarbij een dunne waterfilm ontstaat.
  1. Aquaplaning
  2. Wasserglätte
noun
1. een drinkglas voor water
Wasserglas
noun
1.
Wasserrutsche
noun
2. een haargolving die kunstmatig is aangebracht
Wasserwelle
noun
  1. 1. benaming voor watervogels uit het geslacht Gallinula
    Teichhun
  2. 1.1 bepaald soort watervogel, Gallinula chloropus
    1. Teichralle
    2. Teichhuhn
noun
1. ijs gemaakt op basis van water / vruchtensap / stroop
Fruchteis
noun
1. een dier dat behoort tot een van honderden soorten van de Coenagrionidae
  1. Libelle
  2. Wasserjungfer
noun
1. apparaat dat een zeer sterke straal water kan produceren
Wasserwerfer
noun
1. daar waar land ophoudt en een water, zoals beek, rivier, meer of kanaal begint
Ufer
noun
1. benaming voor planten uit het geslacht Rorippa
Brunnenkresse
noun
1. ketel waarin men water kan warmen of koken
Wasserkessel
noun
Wasserkühlung
noun
Wassersäule
noun
Wasserhahn
noun
Wasserkraft
noun
Wasserkreislauf
noun
1. een leidingnetwerk om drinkwater vanuit een waterreservoir naar de verbruiker te vervoeren
Wasserleitung
/ˈwatərˌlɛin/
noun
  1. 2. de grens tussen onderwaterschip en bovenwaterschip
    Wasserlinie
  2. 1. de grens tot waar het water komt
    Wasserzeichen
pronoun
1. gemeente en plaats in Waals-Brabant
Waterloo
noun
1. een - min of meer - lijnvormig watervoerend object met vrij wateroppervlak
Wasserlauf
noun
1. dunne, snelgroeiende loot aan een oude tak of aan de stam van een boom
Wasserreis
pronoun
2. teken van de dierenriem van 20 januari tot 19 februari
Wassermann
/ˈʋaːtərməˌlun/
noun
1. Citrullus vulgaris, een grote vrucht met vochtig en rood vruchtvlees
Wassermelone
noun
Wasserzeichen
noun
  1. Wasserzähler
  2. Wasseruhr
/ˈʋa.tər.ˌmɛɪ̯n/, /ˈβ̞a.tər.ˌmɛːn/
noun
1. zeemijn, drijvende bom die bij contact met een schip ontploft
Seemine
noun
2. een molen die door stromend water aangedreven wordt
Wassermühle
noun
Wasserminze
noun
bepaald soort eenjarige waterplant met eetbare knollen, Trapa natans
Wassernuss
noun
Wasserenthärtung
/ˈʋa.tər.o.ˌpaɫ/, /ˈβ̞a.tər.o.ˌpaɫ/
noun
1. een witte veldspaat, veelal schelpvormig
  1. Adular
  2. Mondstein
noun
Wasseroberfläche
noun
Wasserstand
noun
Wasserpfeffer
noun
1. Elodeo sp.
Wasserpest
noun
  1. Wasserpfeife
  2. Schischa
noun
1. een stoomketel waarbij de hete rookgassen over met water gevulde pijpen geleid worden
Wasserrohrkessel
noun
1. pistool waaruit een straal water kan spuiten
Wasserpistole
noun
Wasserpflanze
noun
1. ondiep, stilstaand waterbekken van geringe omvang
Wassertümpel
noun
2. goedaardige infectieziekte die gepaard gaat met het verschijnen van rode vlekjes op de huid die daarna overgaan in jeukende blaasjes
Windpocken
noun
1. politie die waakt voor de orde en veiligheid te water
Wasserschutzpolizei
noun
1. een balsport waarbij twee ploegen van zeven spelers elkaar in het water bestrijden
Wasserball
noun
1. werktuig om water te verplaatsen
Wasserpumpe
noun
1. platte grijptang met verstelbaar scharnier
Wasserpumpenzange
noun
1. put waaruit men water haalt
Brunnen
noun
1. een schoepenrad dat draait door de stroming van het water
Wasserrad
noun
1. bepaald soort watervogel, Rallus aquaticus
Wasserralle
noun
  1. 1. grote halfaquatische woelmuis
    1. Ostschermaus
    2. große Wühlmaus
  2. 2. iemand die dol is op zwemmen
    Wasserratte
noun
Seggenrohrsänger
noun
1. ski voor het waterskiën
Wasserski
verb
1. zich op waterski's achter een snelle boot laten voorttrekken
Wasserski fahren
noun
  1. 2. dier
    Wasserschlange
  2. 1. sterrenbeeld
    1. Wasserschlange
    2. Hydra
  3. 3.gereedschap
    Wasserschlauch
noun
1. in Nederland en Vlaanderen voorkomende soort waterjuffer, Enallagma cyathigerum
Gemeine Becherjungfer
noun
1. wateroppervlak, bovenste grensvlak van het water
Wasserspiegel
noun
1. Argyroneta aquatica, middelgrote spin die in stilstaande wateren leeft
  1. Wasserspinne
  2. Silberspinne
noun
1. sport die in of op het water uitgeoefend wordt
Wassersport
noun
1. beoefenaar van een watersport
Wassersportler
noun
1. vrouwelijke beoefenaar van een watersport
Wassersportlerin
noun
Wasserspeier
noun
Wasserwirtschaft
noun
1. hoogte van het water in een rivier, zee of ander water
  1. Wasserstand
  2. Pegelstand
/ˈʋatərˌstɔf/
noun
1. een chemisch element en een kleurloos niet-metaal
  1. Wasserstoff
  2. Hydrogen
  3. Hydrogenium
noun
1. een atoom van het chemisch element waterstof.
Wasserstoffatom
noun
Wasserstoffbrückenbindung
noun
1. een molecule met de formule HCN en het giftige gas dat uit deze deeltjes bestaat
  1. Cyanwasserstoff
  2. Cyanwasserstoffsäure
noun
1. scheikundige term voor verbinding van waterstof en fluor (HF)
Fluorwasserstoff
noun
1. middel dat gebruikt kan worden om te bleken, als desinfectiemiddel of als verbrandingshulp (in raketten)
Wasserstoffperoxid
noun
1. verbinding van twee waterstofatomen en één zwavel atoom, de formeel juiste benaming is diwaterstofsulfide
Wasserstoffsulfid
noun
Wasserstrahl
noun
1. een toren die zorgt voor een gelijkmatige waterdruk in het waterleidingnet
Wasserturm
noun
Wasseruhr
noun
1. plaats waar stromend water bij een hoogteverschil zijn weg al vallend voortzet
  1. Wasserfall
  2. Katarakt
adverb
wasserfest
noun
1.
  1. Aquarellfarbe
  2. Wasserfarbe
noun
  1. Gewässerverschmutzung
  2. Gewässerverunreinigung
noun
  1. Gewässerverschmutzung
  2. Gewässerverunreinigung
noun
Wasserfeder
noun
1. wateroppervlak, bovenste grensvlak van het water
Wasserspiegel
noun
1. een vliegtuig dat kan opstijgen en landen op het water
Wasserflugzeug
noun
Wasservogel
noun
Wasserversorgung
noun
Wasserstraße
noun
1. apparaat dat een zeer sterke straal water kan produceren
Wasserwerfer
noun
Wasseraufbereitung
noun
Fluss-ampfer
noun
1. een knaagdier
  1. Capybara
  2. Wasserschwein
noun
1. een stukje ongesponnen katoen of synthetische vervanging daarvan
Wattebausch
noun
1. plukje watten bevestigd op een houten of plastic stokje, gebruikt voor bepaalde medische doeleinden...
Wattestäbchen
verb
1. opvullen met watten
wattieren
noun
1. vermogensmeter
  1. Leistungsmesser
  2. Wattmeter
/ʋese/
noun
1. toilet
Toilette
noun
Toilettenpapier
noun
1. een digitale videocamera die via het internet beelden en geluid verstuurt
Webcam
noun
1.
Webentwicklung
noun
1. iemand die een website ontwerpt en/of beheert
Webmaster
noun
1. computerprogramma
Webserver
noun
1. plaats waar zich informatie bevindt op het internet, aangeduid met een URL
Webseite
verb
1. levensmiddelen conserveren door na kokend te steriliseren luchtdicht af te sluiten
einwecken
noun
1. fles waarin levensmiddelen geweckt en bewaard worden
Weckglas
verb
1. geld wagen op een toekomstige gebeurtenis
wetten
noun
1.
Wiedergeburt
noun
Reflexivpronomen
noun
1. een werkwoord waarbij de handelende persoon tevens het voorwerp van de handeling is
reflexives Verb
noun
1. periode waarin de oorlogsschade door de Tweede Wereldoorlog werd hersteld
Wiederaufbau
/ˈwedərˈvɛrkop/
noun
1. de inkoop van waren in 't groot en de verkoop van deze waren in 't klein
Wiederverkauf
verb
  1. wetteifern
  2. konkurrieren
noun
1. een strijd van twee of meer personen om uit te maken wie op een bepaald gebied de beste is
  1. Wettstreit
  2. Spiel
/ˈʋeːdyʋə/
noun
vrouw
Witwe
/'ʋedyʋnar/
noun
man
Witwer
/ʋeː/
interjection
1. uitroep van groot verdriet
wehe
/ˈʋeːf.xəˌtɑu̯/
noun
1. toestel waarmee garen tot weefsel gevlochten wordt
Webstuhl
noun
1. elk van de horizontaal tussen de wanten van een zeilschip gespannen touwen
Webleine
noun
  1. 2. een groep van gelijkaardige lichaamscellen die dezelfde functie in een levend organisme vervullen
  2. 1. een dunne geweven stof of textiel
Gewebe
noun
Wegerich
pronoun
teken van de dierenriem van 23 september to 23 oktober
Waage
noun
1. een meetinstrument waarmee het gewicht kan worden bepaald
Waage
/wek/, /ʋek/, /β̞ek/
adjective
1. slap
weich
/wek/, /ʋek/, /β̞ek/
noun
1. tijdseenheid van 7 dagen
  1. Woche
  2. Kalenderwoche
noun
Weichtier
noun
1. periode van vrijdagavond tot en met zondagnacht
Wochenende
/ˈʋikɛnt/
noun
1. periode van vrijdagavond tot en met zondagnacht
Wochenende
noun
1. gevoel van treurnis, verdriet, nostalgie
Wehmut
adjective
1. lichtdroevig gestemd
wehmütig
/weːr/, /ʋɪːr/, /β̞eːr/
adverb
1. nog een keer
wieder
/weːr/, /ʋɪːr/, /β̞eːr/
noun
  1. 1. atmosferische gesteldheid
    1. Wetter
    2. Witterung
  2. 1. hamel, gesneden ram
    1. Hammel
    2. Schöps
  3. 2. spocht, vochtstip
    Stockfleck
  4. 1. visweer
    Fischwehr
  5. 1. feodaal recht op de heerschappij over een vastgoed
    Gewere
noun
1. waarschuwing van een meteorologisch instituut bij extreme
Unwetterwarnung
adjective
1.
widerspenstig
noun
1. bericht of mededeling over de toestand van het weer
  1. Wettervorhersage
  2. Wetterbericht
noun
1. het opnieuw afbeelden, weergeven van iets dat eerder is opgenomen
Darstellung
noun
Widerhaken
/'ʋɪːrɦan/
noun
Wetterhahn
verb
1. beletten om iets te doen
zurückhalten
noun
1. kaart van een bepaald gebied waarop de weerssituatie is weergegeven
Wetterkarte
noun
  1. 1. het weerkaatsen
    Reflexion
  2. 2. datgene wat weerkaatst wordt (licht, beeld, warmte of geluid)
    1. Widerschein
    2. Spiegelung
    3. Widerhall
noun
Meteorologie
/ʋerˈkɵndəx/, /ʋerˈkʏndəç/
adjective
1. betrekking hebbend op de weerkunde
meteorologisch
noun
1. iemand die beroepsmatig het weer bestudeert
Meteorologe
verb
1. een eerdere bewering ontkrachten
widerlegen
noun
1. een betoog waarmee men iets weerlegt
Widerlegung
noun
Wehrmacht
noun
1. plicht om in geval van conflicten...
Wehrpflicht
verb
1. stand houden, weerstand bieden aan
widerstehen
noun
  1. 3. een elektronica-onderdeel
  2. 2. de tegenstand die een stroom in een geleider ondervindt
  3. 1. een reactie die poogt een bepaalde actie tegen te werken
Widerstand
noun
Wettervorhersage
noun
Wettervorhersage
noun
. een mythisch wezen dat bij volle maan van mens in wolf verandert
Werwolf
noun
1. sterke afkeer
Widerwille
adjective
1. waar je een weerzin tegen hebt
  1. widerlich
  2. ekelerregend
/ˈʋeshœʏs/
noun
1. een opvanghuis voor wezen
Waisenhaus
/ˈʋesjɔŋə(n)/
noun
1. een jongen van wie beide ouders overleden zijn
Waisenjunge
noun
Waisenkind
/ˈwes.mɛɪ̯.ʃə/, /ˈʋes.mɛɪ̯.ʃə/, /ˈβ̞es.mɛː.ʃə/
noun
1. een meisje van wie beide ouders overleden zijn
Vollwaise
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Weeze
/ʋɛχ/, /β̞ɛx/
noun
  1. 1. smalle strook grond voor het verkeer
    Weg
  2. zijn weg vinden
    zurechtfinden
/'wɛxblɛivə(n)/
verb
1. niet daar zijn waar je verwacht wordt
  1. stay off
  2. wegbleiben
verb
  1. 1. iemand begeleiden bij het gaan van de ene naar de andere plaats
    begleiten
  2. 2. iets brengen naar een andere plaats
    wegbringen
noun
1. bepaald soort loofboom, Rhamnus cathartica
Purgier-Kreuzdorn
/ˈʋeχə(n)/, /β̞eɣə(n)/
verb
  1. 1. het gewicht/de massa bepalen
  2. 2. een bepaald gewicht/massa als eigenschap hebben
  1. wiegen
  2. wägen
noun
Straßenkarte
/ˈʋeːɣəns/, /ˈʋeːχəns/
preposition
1. een reden inleidend
wegen
/ˈwɛ.ɣaːn/, /ˈʋɛ.χan/
verb
1. zich ergens vandaan begeven
  1. weggehen
  2. verlassen
verb
1. afstand nemen van iets door het aan iemand te geven
  1. weggeben
  2. verschenken
  3. hingeben
verb
1. door graven verwijderen
abtragen
verb
1. van zijn plaats halen
wegnehmen
noun
1. de grond vlak naast een weg
Wegrand
verb
1. fysiek in steeds minder goede staat komen te verkeren
  1. verkümmern
  2. verschmachten
verb
1. rukkend wegnemen
  1. wegreißen
  2. wegrücken
verb
1. door geweld van zijn plaats gerukt worden
  1. fortreißen
  2. wegreißen
  3. wegschlagen
verb
  1. een voertuig, e.d. van de openbare weg, vaar- of vluchtroute verwijderen
    abschleppen
  2. door slepen iets of iemand verwijderen
    wegschleppen
verb
  1. 1. iets helemaal uit mond in de slokdarm laten afdalen
  2. 2. (figuurlijk) zich over een negatief gevoel heenzetten
  1. hinunterschlucken
  2. runterschlucken
verb
abschöpfen
verb
1.
wegschneiden
verb
1. iets elimineren door er een streep door te zetten
durchstreichen
/'wɛxstyrə(n)/
verb
1. doen weggaan
  1. fortschicken
  2. wegschicken
/'wɛxtekə(n)/
noun
1. steen of bord langs een weg waarop aangegeven is in welke richting een bepaalde plaats ligt en vaak hoe ver het is
  1. Wegweiser
  2. Wegzeichen
noun
1.
  1. Bimmelbahn
  2. Bummelzug
  3. Minizug
  4. Wegebahn
noun
1.
  1. Straßenbeleuchtung
  2. Wegbeleuchtung
/ˈwɛxvliɣə(n)/, /ˈʋɛχfliχə(n)/, /ˈβ̞ɛxvliɣə(n)/
verb
  1. 2. heel snel en plotseling een plaats verlaten
    davoneilen
  2. 1. vliegend een plaats verlaten
    fortfliegen
  3. 3. een hoge verkoopsnelheid hebben
    reißenden Absatz finden
/ˈwɛxwɛrᵊpˌkaməra/
noun
1. fototoestel voor eenmalig gebruik
  1. Einwegkamera
  2. Wegwerfkamera
/ʋɛɪ/
noun
  1. 2. een vloeistof die ontstaat als restproduct bij het kaasmaken
    Molke
  2. 1. een stuk grasland voor begrazing door vee
    1. Wiese
    2. Weide
pronoun
1. de grootste rivier van Polen
Weichsel
noun
1.
Gebänderte Prachtlibelle
verb
1. vee op een stuk grond laten grazen
  1. grasen
  2. weiden
/'ʋɛɪfələ(n)/
verb
1. in besluiteloosheid niet tot handelen overgaan
  1. schwanken
  2. zögern
verb
1. niet voldoen aan een verzoek of opdracht
weigern
noun
1. het niet voldoen aan een verzoek of opdracht
  1. Ablehnung
  2. Verweigerung
  3. Weigerung
noun
1. zuivelproduct gemaakt uit de eiwitrijke en vetarme vloeistof die bij de bereiding van kaas uit de meer vaste bestanddelen overblijft
Molkenkäse
/'ʋɛɪlɑnt/
noun
1. een stuk grasland in gebruik voor de begrazing door vee
  1. Weide
  2. Wiese
  3. Trift
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Weilerswist
pronoun
1.
Weimar
pronoun
Weimarer Republik
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Weinheim
/ˈwɛɪ̯nɪx/, /ˈʋɛɪ̯nəχ/, /ˈβ̞ɛːnəx/
noun
  1. 1. in een kleine hoeveelheid, niet veel
    wenig
  2. 2. in een klein aantal
    wenige
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Weinsberg
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Weinstadt
/ˈwe.kə.lɪks/, /ˈʋe.kə.ləks/, /ˈβ̞e.kə.ləks/
adverb
1. elke week
wöchentlich
/ˈwe.kə(n)/, /ˈʋe.kə(n)/, /ˈβ̞e.kə(n)/
verb
1. door langdurig in een vloeistof te leggen zacht, plooibaar of beter wasbaar maken
  1. weichen
  2. einweichen
/ˈʋɛkər/
noun
1. een apparaat dat gebruikt wordt om de tijd bij te houden en een functie heeft die veel geluid produceert op een ingestelde tijd
Wecker
noun
1. dringende oproep
Auffordrung
/ʋɛl/
adverb
  1. wel degelijk
    1. durchaus
    2. ganz bestimmt
    3. sehr wohl
  2. 2. een toegeving makend
    1. mag
    2. wohl
  3. 3. een grote hoeveelheid benadrukkend
    nicht weniger als
  4. 1. een ontkenning weerleggend
    1. schon
    2. wohl doch
noun
1. de kunst om iets goed te kunnen verwoorden
  1. Eloquenz
  2. Beredsamkeit
  3. Redegewandtheit
noun
1. een goede daad voor iemand doen
Wohltat
noun
Wohltäter
/ʋɛl'dra/
adverb
1. niet ver in de toekomst, spoedig
bald
adjective
1. financieel goed gesitueerd
wohlhabend
/ˌʋɛləsˈʋar/
adverb
1. geeft een toegeving aan
  1. zwar
  2. allerdings
  3. freilich
/ʋɛlk/
relativePronoun
  1. welcher
  2. welche
/ˈʋɛɫkɔm/
adjective
1. gewenst zijn te blijven
Willkommen
/ˈʋɛɫkɔm/
interjection
1. begroeting
  1. Willkommen
  2. willkommen
noun
Willkommen
/ʋɛˈlɪxt/
adverb
1. mogelijk, misschien
  1. vielleicht
  2. möglicherweise
  3. eventuell
  4. wahrscheinlich
adjective
wohlklingend
noun
1.
Wollust
adjective
  1. wollüstig
  2. lüsternd
noun
1. toestemming
Einverständnis
adjective
1.
wohlerzogen
/wɛlp/
noun
1. jong van hond, wolf, leeuw e.d.
Welpe
pronoun
1. een Keltische taal die wordt gesproken in Wales
Walisisch
noun
1. een vrouwelijke inwoner van Wales
Waliserin
adjective
1.
walisischsprachig
noun
Weltschmerz
/ˈʋɛlvart/
noun
Wohlstand
verb
over ruime financiële middelen beschikkend
wohlhabend
noun
1. het welwillend zijn
Wohlwollen
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Welzheim
/'wɛlzɛin/
noun
1. wanneer een individu of maatschappij zich in een goede toestand bevindt ...
  1. Wohl
  2. Wohlbefinden
  3. Wohlergehen
  4. Wohlfahrt
  5. Wohlsein
/wɛm/
noun
Flunke
noun
Wendung
pronoun
1. de hoofdstad van Oostenrijk
Wien
verb
1. traanvocht uitscheiden door emotie
weinen
noun
1. knokige rand boven het oog, meestal begroeid met haar
Augenbraue
verb
gewöhnen
/ʋεns/
noun
Wunsch
noun
1. een bron die een wens kan vervullen.
Wunschbrunnen
/'ʋɛnsən/
verb
wünschen
/ˈweː.ʁəlt/, /ˈʋɪː.rɔɫt/, /ˈβ̞eː.rəɫt/
noun
1. de aarde
Welt
noun
Weltanschauung
noun
1. en 2. vuur dat de hele aarde vernietigt, algemene verwoesting en strijd, wereldoorlog
Weltenbrand
/ˈweːrəlˌdeːl/, /ˈʋɪːrəɫˌdeːɫ/, /ˈβ̞eːrəlˌdel/
noun
1. een groot boven de zee uitstekend stuk droog land en de omringende eilanden die op hetzelfde continentale plat liggen
Erdteil
noun
1. geheel van activiteiten die de mensheid onderneemt om schaarste op te heffen
Weltwirtschaft
/xxxx/
noun
1. uniek en als collectief bezit beschouwd cultureel of natuurlijk erfgoed
Welterbe
pronoun
Weltgesundheitsorganisation
pronoun
1. intergouvernementele organisatie die toeziet op de naleving van afspraken over de handel tussen landen
Welthandelsorganisation
noun
1. persoon die of team dat tijdens een toernooi of competitie om de wereldtitel in een bepaalde tak van sport winnaar is
Weltmeister
/ˈweː.rəld.ˌkam.pi.ˌjun.sxɑp/, /ˈʋɪː.rəɫt.ˌkɑm.pi.ˌjun.sχɑp/, /ˈβ̞eː.rəlt.ˌkɑm.pi.ˌjun.sxɑp/
noun
1. een kampioenschap waarin de besten van de wereld het tegen elkaar opnemen
  1. WM
  2. Weltmeisterschaft
noun
1. een staat die machtig genoeg is zijn invloed over de hele wereld te doen gelden
Weltmacht
noun
1. een gewapende strijd tussen een zeer groot aantal landen, met name gebruikt voor de Eerste en de Tweede Wereldoorlog.
Weltkrieg
noun
1. een tentoonstelling waaraan landen uit de wereld aan kunnen deelnemen
Weltausstellung
/ˈweːrəlˌtɪtəl/, /ˈʋɪːrɔɫˌtɪtɔɫ/, /ˈβ̞eːrəɫˌtɪtəɫ/
noun
1. het recht zich wereldkampioen te noemen
Welttitel
noun
Weltverbesserer
adjective
1. onbekend buiten de eigen leefruimte
weltfremd
/ˈweː.rəld.ˌzwɛr.vər/, /ˈʋɪː.rɔɫt.ˌzʋɛr.vər/, /ˈβ̞eː.rəɫt.ˌzβ̞ɛr.vər/
noun
1. een veelvoorkomende libel die de langst bekende migratieroute heeft van alle insecten
Wanderlibelle
/wɛr(ə)f/
noun
1. een scheepswerf
Werft
/ʋɛrk/
noun
  1. 1. dat wat gedaan moet worden
    Arbeit
  2. 3. de plek waar men werkt, werkplek
    1. Arbeitsplatz
    2. Arbeit
  3. 2. beroep
    1. Beruf
    2. Arbeit
  4. 4. dat wat gemaakt is, kunstwerk
    Werk
  5. hede, afval van vlas of hennep
    1. Werg
    2. Hede
noun
1. werkbank
Werkbank
noun
Arbeitsbuch
noun
1 een dag waarop gewerkt wordt
  1. Arbeitstag
  2. Werktag
adjective
1. niet verbeeld
wirklich
/'ʋɛrkələkɦɛɪt/
noun
1. de omstandigheden zoals deze daadwerkelijk bestaan
  1. Wirklichkeit
  2. Realität
adjective
1. niets doend, niets verrichtend, niet werkend
untätig
/ˌwɛrkəˈloshɛit/
noun
2. geen baan hebben, betaald werk missen
Arbeitslosigkeit
/ʋɛrkən/
verb
  1. 1. arbeid verrichten, lichte vorm van zwoegen
    arbeiten
  2. 2. functioneren, draaien
    1. funktionieren
    2. gehen
    3. laufen
noun
1. persoon die of bedrijf dat werk verschaft aan anderen
  1. Arbeitgeber
  2. Arbeitgeberin
noun
1. groep mensen die gezamenlijk een bepaald probleem aanpakt
Arbeitsgruppe
noun
1. de manier waarop iets werkt
Wirkung
noun
Arbeitslager
/ˈʋɛrkrɑxt/
noun
  1. 1. een persoon die gewoonlijk tegen betaling werk verricht
    1. Arbeitskraft
    2. Kraft
  2. 2. het vermogen om te werken
    1. Energie
    2. Leistungsfähigkeit
    3. Tatkraft
adjective
arbeitslos
/wɛrkˈloshɛit/
noun
  1. 1. het werkloos zijn
  2. 2. het aandeel van de beroepsbevolking zonder betaalde baan
Arbeitslosigkeit
noun
1. uitkering voor iemand die buiten zijn of haar schuld om werkloos is
Arbeitslosengeld
noun
  1. Arbeitslosenversicherung
  2. Arbeitslosigkeitsversicherung
noun
1.wettelijke regeling met betrekking tot werkloosheid
Arbeitslosengesetz
noun
1. een paard dat gehouden wordt om arbeid te verrichten
Arbeitspferd
noun
1. een stuk gereedschap om een taak eenvoudiger en/of lichter te maken
Werkzeug
noun
1.het ontwerpen, vervaardigen en in bedrijf houden van machines
Maschinenbau
/wɛrəktœyxkʌndə/
noun
1. de leer van werktuigen
Mechanik
noun
1.
Werkzeugmaschine
noun
  1. 1.dagen per week waarop er gewerkt wordt
  2. 2.het totaal aantal arbeidsuren per week
Arbeitswoche
noun
1. woordsoort die in de eerste plaats een handeling of toestand uitdrukt
  1. Verb
  2. Zeitwort
  3. Tätigkeitswort
adjective
1. als werknemer bezig
  1. tätig
  2. beschäftigt
pronoun
1.
Wernigerode
verb
  1. 2. (van zoogdieren) ter wereld brengen, baren
    gebären
  2. 1. met een krachtige zwaai van de arm iets uit de hand naar iets of iemand heen laten gaan
    werfen
noun
1. gewicht aan een touw
Lot
noun
1. bot van de wervelkolom
Wirbel
noun
Wirbelsäule
noun
Wirbelstrom
noun
Wirbelwind
pronoun
1. grensdorp in Duitsland
Weseke
noun
1. een zwart-geel gestreept vliesvleugelig insect
Wespe
noun
1. plotselinge sterke toenamen van het aantal wespen (Vespidae) op een bepaalde plaats
Wespeninvasion
noun
  1. 2. (figuurlijk) netelige situatie, waar men beter niet in verzeild raakt
  2. 1. door wespen gebouwd nest waar zij hun broed verzorgen
Wespennest
noun
Stendelwurzen
noun
1. een prik door een gewone wesp
Wespenstich
noun
1. een zeer smalle taille
Wespentaille
/ʋɛst/
adverb
West
pronoun
Westafrika
pronoun
1.
  1. West-Berlin
  2. Westberlin
pronoun
1. het westelijk deel van Europa
Westeuropa
noun
1. een inwoner van West-Euroa, of iemand afkomstig uit West-Europa
Westeuropäer
adjective
1. op West-Europa betrekking hebbend
westeuropäisch
/wɛst'ɪndis/
adjective
1.
westindisch
pronoun
Westindien
/ˈʋɛst nedərˌfrɑŋkis/
pronoun
1. de westelijke tak van het Nederfrankisch
Westiederfränkisch
pronoun
1. een provincie in Pruisen
Westpreußen
pronoun
1. een verzameling Vlaamse dialecten met typische kenmerken gesproken in West-Vlaanderen en een klein deel van Nederland en Frankrijk
Westflämisch
pronoun
1. Belgische provincie
Westflandern
adjective
westlich
pronoun
Westsahara
/ˈʋɛs.tə(n)/
noun
Westen
/ˈwɛstərlɪŋ/
noun
  1. 1. iemand uit het westen van het land
    Wessie
  2. 2. iemand die in het Westen, de westerse wereld woont of daarvan afkomstig is
    Westler
/ʋɛs.tǝɾs/
adjective
1.
westlich
noun
1.
  1. West-Nil-Fieber
  2. WNF
adverb
Westnordwest
adverb
Westsüdwest
/wɛt/
noun
1. een door de overheid opgestelde regel
Gesetz
phraseologicalUnit
Murphys Gesetz
/ˈʋeː.tə(n)/
verb
1. ergens kennis van hebben
wissen
/'ʋetənsxɑp/
noun
  1. 2. georganiseerde activiteit
  2. 1. het weten van de mens
Wissenschaft
/,ʋetən'sxapələk/
adjective
wissenschaftlich
/ˈʋetəˌsxɑpər/
noun
1. iemand die de wetenschap beoefent
Wissenschaftler
noun
Wissenschaftsphilosophie
noun
1. een specifiek domein binnen de wetenschap
Wissenschaftsgebiet
/'ʋetənsχɑpsχəˈsχidəˌnɪs/, /'β̞etənsxɑpsɣəˈsxidəˌnɪs/
noun
Wissenschaftsgeschichte
noun
1. het geheel aan wetten die in een land gelden
Gesetzgebung
/wɛtɔu(d)ər/
noun
1. een lid van het dagelijkse uitvoerende bestuur van een Nederlandse gemeente
Beigeordnete
noun
1. door de regering uitgaand voorstel tot wet
Gesetzesentwurf
/ˈʋɛts.foːrˌstɛl/
noun
1. door het parlement uitgaand voorstel tot wet
Gesetzesentwurf
/ˈwɛtələk/
adjective
  1. 2. tot de wet behorend
    gesetzlich
  2. 1. in overeenstemming met de wet
    legal
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Hessen
Wetzlar
/ˈweː.və(n)/, /ˈʋe.və(n)/
verb
1. draden e.d. dooreenvlechten
weben
pronoun
1.
Wesel
noun
1. bepaald soort zoogdier, Mustela nivales
  1. Wiesel
  2. Mauswiesel
pronoun
1.
Weser
pronoun
1.
Wesergebirge
noun
1. een sterke drank die uit gerst of uit maïs en rogge gestookt is
Whisky
noun
1. het verkrijgen van informatie door middel van bovennatuurlijke of niet wetenschappelijk aangetoonde middelen
Hellsehen
abbreviation
1. widia
  1. Wolframcarbid
  2. Widia
/wiː/, /ʋiː/, /β̞iː/
relativePronoun
  1. 1. vragend voornaamwoord
  2. 2. betrekkelijk voornaamwoord
wer
interjection
degene die aan het eind het beste uit de strijd komt is de daadwerkelijke winnaar
wer zuletzt lacht, lacht am besten
noun
1. een bedje voor een pasgeboren zuigeling, vaak met een hemel van fijn gaas en soms met de mogelijkheid het kind zachtjes heen en weer te bewegen
Wiege
/ˈwiɣə(n)/
verb
1. zachtjes heen en weer bewegen, gewoonlijk om een zuigeling in slaap te brengen
wiegen
pronoun
1.
Wiehengebirge
pronoun
1.
Wiehl
/ʋik/
noun
  1. 3. kaarsenpit
    Docht
  2. 2. molenwiek
    Flügel
noun
1. ronddraaiende schijf
Rad
noun
1. de afstand tussen de twee middelpunten van de voor- en achteras
Radstand
noun
1. deksel dat de naaf van een wiel afsluit
Radkappe
noun
1. de sport van het wielrennen
Radsport
/'wiː.lə.wal/
noun
1. zwart-gele zangvogel
Pirol
noun
  1. Autokralle
  2. Parkkralle
  3. Radkralle
noun
1.
Radmutter
noun
1. iemand die op hoge snelheid fietst in wedstrijdverband
Radfahrer
pronoun
1. een stad in de Oostenrijkse deelstaat Neder-Oostenrijk
Wiener Neustadt
noun
1. in water voorkomende vaatloze, plantachtige organismen
Alge
/ˈʋiː.roːk/
noun
1. gomhars, gebruikt als reukoffer
Weihrauch
noun
  1. Thurifer
  2. Thuriferar
pronoun
1.
Wierschem
pronoun
1.
Wiesbaden
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Wiesensteig
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Wiesloch
noun
1.
Cannabisbutter
noun
1. een metalen of houten voorwerp in de vorm van een driehoekig blok met een scherpe hoek van 5 to 20 graden
Keil
noun
1. wig
Keil
noun
1. een van de beenderen van de schedel
Keilbein
adjective
1. vorm van een wig hebbend
keilförmig
noun
1. koepelvormig huis gebruikt door de Noord-Amerikaanse indianen
Wigwam
/wɛɪ̯/, /ʋɛɪ̯/, /β̞ɛː/
personalPronoun
1. 1e persoon meervoud nominatief
wir
/ˈʋixə(n)/
pronoun
Wijchen
/wɛɪ̯d/, /ʋɛɪ̯t/, /β̞ɛːt/
adjective
weit
verb
1. geheel voor een bepaald doel bestemmen
  1. widmen
  2. weihen
/ʋɛi̯f/
noun
1. vrouw
Weib
/ʋɛi̯k/
noun
1. een bewoond deel van een stad of een gemeente
  1. Kiez
  2. Stadtteil
  3. Viertel
  4. Ortsteil
  5. Stadtviertel
  6. Bezirk
conjunction
1. geeft onderschikkend een reden aan
weil
pronoun
1.
Wyler
/wɛɪ̯n/, /ʋɛɪ̯n/, /β̞ɛːn/
noun
1. sterke drank van gegiste druiven
Wein
noun
1. azijn uit wijn bereid
Weinessig
noun
1. Japanse wijnbes
  1. japanische Weinbeere
  2. rotborstige Himbeere
noun
het verbouwen van druiven voor de productie van wijn
Weinbau
noun
1. een druif die wordt gebruikt om wijn van te maken
Weintraube
noun
1. een glas dat speciaal ontworpen is om wijn uit te drinken
Weinglas
noun
1. wijnhuis
Weinhaus
noun
1. een lijst waarop men de wijnen die te verkrijgen zijn in een restaurant, wijnhuis, enz... vermeldt in soorten, jaartallen en prijzen
Weinkarte
noun
1.
Weinkeller
noun
1. het inzamelen van de druiven voor het maken van wijn
Weinernte
adjective
  1. Weinrot
  2. weinrot
/ˈʋɛi̯n.stɔk/
noun
1. klimplant waaraan druiven groeien
Weinrebe
noun
1.
  1. Weinbau
  2. Weinanbau
/wɛɪ̯s/, /ʋɛɪ̯s/, /β̞ɛːs/
adjective
1. van groot inzicht getuigend
weise
noun
Weisheit Salomos
noun
1. gerijpt inzicht
Weisheit
/ˈʋɛɪsnøs/, /ˈβ̞ɛːsnøs/
noun
1. iemand die meent alles beter te weten dan anderen
  1. Klugscheißer
  2. Schlaumeier
noun
1. tweede vinger, gelegen tussen de middelvinger en de duim
Zeigefinger
/ˈʋɛi.tɪŋ/
noun
1. bepaald soort straalvinnige vis, Merlangius merlangus
  1. Wittling
  2. Merlan
noun
1. gewijd water
Weihwasser
/ˈʋɛɪʋatərˌvɑt/
noun
1. een meestal aan de muur van een kerk bevestigd vat met water waarmee gelovigen zich besprenkelen
Weihwasserbecken
noun
1. manier
Weise
verb
  1. weisen
  2. zeigen
verb
1. zodanig aan iets werken dat het anders wordt
  1. ändern
  2. verändern
noun
1. verandering in een regel, document, wikipagina enz
Änderung
/ʋɪkifiˈsɪːrə(n)/
verb
1. een tekst aanpassen aan het wikisysteem
wikifizieren
pronoun
1. een door de Wikimedia Foundation gecreëerde rechtenvrije encyclopedie op het internet...
Wikipedia
/ˈwɪkə/
noun
1. (plantkunde) naam voor planten uit het geslacht Vicia
Wicke
/ˈwikʃoˌnɛri/, /ˈʋɪkʃəˌnɛri/
pronoun
1. deelproject van de Wikimedia Foundation met als doel het produceren van een compleet ...
  1. Wikiwörterbuch
  2. Wiktionary
/ʋɪl/
noun
1. de bereidheid of zin om iets te doen
Wille
adjective
3. onbeschaafd, bruusk
wild
noun
  1. 3. vlees van een wild dier
  2. 1. dieren die niet onder menselijke beheersing zijn opgegroeid
Wild
noun
1. bepaald soort zoogdier, Sus scrofa
Wildschwein
pronoun
  1. 1. een stad in de Duitse deelstaat Thüringen
  2. 2. een gemeente in de Duitse deelstaat Mecklenburg-Voor-Pommeren
  3. 3. een gemeente in het Zwitser kanton Zürich
Wildberg
noun
1. iemand zonder beschaving
Wilde
noun
1. (onevenhoevigen) Equus africanus
Wildesel
noun
1. Lycaon pictus, een zoogdier en roofdier uit de orde Carnivora dat veel op een hond lijkt ...
Afrikaner Wildhund
noun
3. graan van Zizania palustris, die worden gegeten als rijst
Wildreis
noun
1. een bosachtig gebied dat weinig door de mens geregeld is
Wildnis
noun
Wildwuchs
verb
1. urineren buiten de deur
wildpinkeln
noun
1. Salix sp.
Weide
pronoun
1.
Wilhelmshaven
/ˈwɪləm/, /ˈʋɪləm/, /ˈβ̞ɪləm/
pronoun
  1. 1. een jongensnaam
  2. 2. spelwoord voor de letter w
Wilhelm
/ˈʋɪ.lən/
verb
1. iets als verlangen of voorkeur hebben
wollen
noun
1. onvermogen om te handelen, ook al weet je wat je moet doen
  1. Willenlosigkeit
  2. Abulia
noun
uiterste wilsbeschikking
letztwillige Verfügung
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Saksen
Wilsdruff
noun
2. discrepantie tussen de reële en de verklaarde wil waardoor het totstandkomen van wilsovereenstemming verhinderd wordt
Willensmangel
noun
1. bewust uitdrukking geven van de eigen wil
Willensäußerung
noun
  1. 2. verklaring waarin iemand aangeeft wat zijn wensen zijn rondom behandeling of levenseinde
    Patientenverfügung
  2. 1. eenzijdige wilsuiting die gericht is op het tot stand brengen van rechtsgevolgen
    Willenserklärung
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Wiltz
noun
  1. Zährte
  2. Rußnase
/ˈʋɪmpəɫ/
noun
Wimpel
noun
Wimper
/xxxx/
noun
1. klein, tangachtig voorwerp om de bovenste wimpers mee om te buigen zodat ze gaan krullen
Wimpernzange
/ʋɪnt/
noun
1. stroming van lucht veroorzaakt door luchtdrukverschillen
Wind
noun
1. windas
Seilwinde
/ˈʋɪndə(n)/
verb
1. een draad of kabel draaiend op een as of klos aanbrengen
  1. wickeln
  2. winden
noun
Windenergie
noun
Wetterhahn
noun
1. molen die door de wind gedreven wordt
Windmühle
noun
1. een gebied waar windenergie gewonnen wordt met behulp van een aantal molens
Windpark
noun
1. een groep bij elkaar geplaatste windturbines
Windpark
noun
Windrose
noun
Windgeschwindigkeit
noun
1. periode met geen of weinig wind
  1. Windstille
  2. Flaute
noun
Bö
noun
1.
  1. Windfahne
  2. Wetterfahne
  3. Windrichtungsgeber
noun
1. ronde open zak, meestal is de zak in het rood en wit, die de richting en de sterkte van de wind aangeeft
Windsack
noun
1. plaats waar koopwaar wordt verkocht
  1. Geschäft
  2. Laden
noun
1. de daad van het stelen van goederen uit een winkel
Ladendiebstahl
noun
1. een overdekte gang met winkels aan alle kanten
  1. Einkaufscenter
  2. Einkaufspassage
  3. Ladenzeile
noun
  1. Ladenbesitzer
  2. Geschäftinhaber
/ˈwɪŋkəl.jʏˈfrɑu/
noun
1. een vrouw die beroepsmatig in een winkel, een supermarkt, een warenhuis of buiten werkt, met name klanten bedient, waren verkoopt of achter de kassa zit
  1. Verkäuferin
  2. Ladenangestellte
noun
1. een mand waarin de klanten van een supermarkt enkele lichte artikelen kunnen dragen
Warenkorb
noun
  1. Einkaufsstraße
  2. Geschäftsstraße
noun
1. een wagentje dat in winkels wordt gebruikt om tijdens het winkelen producten in te verzamelen
Einkaufswagen
noun
1. degene die een strijd of wedstrijd in zijn voordeel beslist
  1. Gewinner
  2. Sieger
noun
1. een vrouwelijk persoon die een (wed)strijd in haar voordeel beslist
  1. Gewinnerin
  2. Siegerin
/ˈwɪnə(n)/, /ˈʋɪnə(n)/, /ˈβ̞ɪnə(n)/
verb
  1. 1. als beste partij uit een wedstrijd komen
  2. 2. iets verkrijgen voor een goede prestatie bij een wedstrijd
  3. 4. iemand bereid vinden zich ergens voor in te zetten
gewinnen
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Winnenden
/ʋɪnst/
noun
1. datgene wat men meer heeft dan voordat men investeerde
Gewinn
adjective
1. als een bezigheid meer opbrengsten oplevert dan kosten
gewinnbringend
/ʋɪntər/
noun
1. seizoen
  1. Winter
  2. Winterzeit
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Winterberg
noun
1. winterdag
Wintertag
noun
Winterdepression
adjective
immergrün
noun
Wintergrün
noun
1. klein gedrongen vogeltje met opgewipt staartje,
Zaunkönig
/ˈwɪntərmant/
noun
1. wintermaand
Wintermonat
noun
1. winternacht
Winternacht
noun
1. zuidelijke keerpunt van de zon
Wintersonnenwende
adjective
1. typerend voor de winter
winterlich
noun
1. een toestand van hypothermie en inactiviteit bij sommige warmbloedige dieren in de winter
Winterschlaf
noun
Wintersport
pronoun
1.
Winterswick
noun
1. de tijd zoals die geldt in de herfst- en wintermaanden, zonder dat de klok een uur vooruit is gezet
  1. Winter
  2. Winterzeit
noun
Winterwetter
noun
1. zuidelijke keerpunt van de zon
Wintersonnenwende
noun
1. zuidelijke keerpunt van de zon
Wintersonnenwende
noun
1. zuidelijke keerpunt van de zon
Wintersonnenwende
/ʋɪp/
noun
1. een speeltuig bestaande uit een balk die in het midden op een verhoogde steun rust
Wippe
/'ʋɪpə(n)/
verb
2. geslachtsgemeenschap hebben, paren
  1. bumsen
  2. treiben
/ˈwɪpstul/
noun
1. zetel waarin je comfortabel voor- en achterover kunt schommelen
Schaukelstuhl
noun
1. bepaald soort zooɡdier, Bison bonasus
Wisent
noun
1. de formele studie van patronen en structuren.
Mathematik
noun
Matematiker
pronoun
1.
Wismar
adjective
  1. launenhaft
  2. flatterhaft
  3. sprunghaft
  4. unbeständig
/ʋɪsəl/
noun
  1. 2. handelspapier voor de overdracht van geld
    Wechsel
  2. 1. speciale constructie in een spoorweg om een voertuig naar een ander spoor te leiden
    Weiche
noun
Wandelröschen
noun
wisselkoers
Wechselkurs
noun
Wechselreiterei
noun
1. een elektrische spanning die afhankelijk van de tijd van teken wisselt
Wechselspannung
noun
1. wisselstroom
Wechselstrom
adjective
1. een andere toon voortbrengend bij in- en uitblazen
wechseltönig
verb
1. het niet meer laten bestaan van
löschen
noun
1. iets van weinig betekenis, kwestie die eenvoudig op te lossen is
  1. Lappalie
  2. Bagatelle
/ʋɪt/
adverb
1. kleur
weiß
/ʋɪt/
noun
1. lichtst mogelijke kleur
  1. weiß
  2. weiss
  3. Weiß
/wɪt.ˈrʏs.lɑnd/, /ʋɪt.ˈrʏs.lɑnt/, /β̞ɪt.ˈrʏs.lɑnt/
pronoun
land in Oost-Europa.
  1. Weißrussland
  2. Belarus
/ˌwɪtˈrʏsɪs/, /ˌʋɪtˈrʏsis/, /ˌβ̞ɪtˈrʏsis/
pronoun
1. een Slavische taal die vooral in Wit-Rusland wordt gesproken
  1. Weißrussisch
  2. belarussisch
adjective
1.
weißrussischsprachig
adjective
weißlich
noun
1.
Weißbier
noun
1. fijn tarwebrood
Weißbrot
noun
1. bepaald soort zeezoogdier, Lagenorhynchus acutus
Weißseitendelfin
adjective
  1. Weißgrün
  2. weißgrün
noun
1. loof van met dat doel in het donker geteelde varianten van cichorei, Cichorium intybus var. foliosum
Chicorée
noun
witte wijnazijn met toegevoegde druivenmost
weißer balsamico Essig
pronoun
1. dag voor Goede Vrijdag
  1. Gründonnerstag
  2. Weißer Donnerstag
noun
1.
Weißer Zwerg
pronoun
1.
Weiße Ernz
noun
1. Carcharodon carcharias, de bekendste en de meest gevreesde haai
Weißen Hai
pronoun
Weißes Haus
noun
1. zangvogel (Motacilla alba)
Bachstelze
noun
1. gepelde en gepolijste rijst
weißer Reis
noun
1. alcoholhoudende drank die verkregen wordt door de gisting van voornamelijk witte druiven
Weißwein
noun
1. en 2. (bladeren van) sluitkoolgewas dat lichtgroen tot wit van kleur is
Weißkohl
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Brandenburg
Wittenberge
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Rijnland-Palts
Wittlich
/we.ˈka/, /ʋe.ˈka/, /β̞e.ˈka/
noun
1. een kampioenschap waarin de besten van de wereld het tegen elkaar opnemen
WM
noun
1. een heldere, kleurloze en nagenoeg geurloze sterkedrank
Wodka
/ˈʋudə/
noun
1. een gevoel van erge kwaadheid
Wut
noun
1.
Wutausbruch
verb
1. met veel geweld gaande zijn van een natuurverschijnsel
wüten
/'ʋudənt/
adjective
1. bijzonder boos
wütend
interjection
1. krachtig geluid met korte tussenpozen, zoals een hond dat kan uitstoten
  1. wau
  2. wuff
  3. rawau
noun
1. iemand die woeker drijft
  1. Wucherer
  2. Kredithai
  3. Halsabschneider
noun
Wucherpreis
noun
1. klein, gravend, muisachtig knaagdier met stompe snuit
Wühlmaus
noun
1. grote halfaquatische woelmuis
  1. Ostschermaus
  2. große Wühlmaus
/ˈʋunzdɑx/
noun
1. een dag van de week die na dinsdag en voor donderdag komt
Mittwoch
noun
1.mannetjeseend
Erpel
noun
1. grote dorre vlakte, met weinig neerslag en weinig vegetatie
Wüste
noun
1.
Wüstenwind
noun
1.
Wüstensonne
noun
1. titel voor bestuurder of legeraanvoerder in Slavische gebieden
Woiwode
/ˈvɔɪ̯vɔtsxɑp/
noun
1. naam voor bepaalde bestuurlijke gebieden in Oost-Europa
Woiwodschaft
/ʋɔl/
noun
1. weefsel van wollen garens
Wolle
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Wolf
/wɔlf/, /ʋɔlf/
noun
1. bepaald zoogdier, Canis lupus
  1. Wolf
  2. Wölfin
noun
1. scheikundig element met symbool W en atoomnummer 74
Wolfram
/ˈwɔlᵊfsbʏrᵊx/
pronoun
1.
Wolfsburg
noun
Schwarze Tollkirsche
noun
1. sporenplant van het geslacht Lycopodium
  1. Bärlappe
  2. Drudenfuß
  3. Schlangenmoos
  4. Wolfsfuß
noun
1. samenhangende verzameling van merendeels zwevende waterdruppeltjes
  1. Wolke
  2. Schleier
/ˈwɔl.kə.ˌlos/, /ˈʋɔɫ.kə.ˌlos/, /ˈβ̞ɔɫ.kə.ˌlos/
adjective
1. zonder wolken
wolkenlos
/ˈwɔlkə(n)ˌkrɑbər/, /ˈʋɔɫkə(ŋ)ˌkrɑbər/, /ˈβ̞ɔɫkə(ŋ)ˌkrɑbər/
noun
1. een zeer hoog gebouw dat met bewolkt weer zichtbaar in de wolken kan steken
  1. Wolkenkratzer
  2. Hochhaus
noun
1. aaneengesloten bewolking over de gehele hemel
  1. Wolkendecke
  2. Wolkenschicht
/wɔlə(n)/
adjective
1. gemaakt van wol
wollen
noun
1. oud Oostenrijks-Hongaars varkensras met in de winter een lang krullend haarkleed
  1. Mangalitza
  2. Schafschwein
  3. Wollschwein
/wɔlˈvɪn/, /ʋɔlˈvɪn/
noun
vrouwelijke wolf
Wölfin
/wɔnd/, /ʋɔnt/, /β̞ɔnt/
noun
1. een beschadiging in of aan het lichaam
Wunde
/ˈwɔn.də/, /ˈʋɔn.də/, /ˈβ̞ɔn.də/
noun
1. een beschadiging in of aan het lichaam
Wunde
noun
1. een gebeurtenis waaraan een bovennatuurlijke oorsprong toegeschreven wordt
  1. Wunder
  2. Mirakel
adjective
wunderbar
noun
1. Ricinus cummunis, een snelgroeiende boom van tropische oorsprong uit de wolfsmelkachtigen
Wunderbaum
noun
Wunderkind
adjective
1. opmerkelijk, ongewoon
  1. wunderlich
  2. wundersam
/ˈwo.nə(n)/, /ˈʋo.nə(n)/, /ˈβ̞o.nə(n)/
verb
1. een permanente behuizing hebben
wohnen
noun
1. een doorgaans afgesloten constructie waarin men kan leven
Wohnung
noun
1. een woning die gebouwd is in het kader van de woningwet
Sozialwohnung
noun
Wohngemeinschaft
noun
1. Een huis, woning of (Vlaams) woonst is een bouwwerk waarin mensen kunnen wonen.
Wohnhaus
noun
1. een kamer ingericht om in te wonen en gasten te ontvangen
Wohnzimmer
noun
1. omgeving waarin men woont
  1. Wohngegend
  2. Wohnlage
  3. Wohnumfeld
noun
Hausboot
noun
1. een deel van een plaats dat voor het overgrote deel uit woonhuizen bestaat
  1. Wohngebiet
  2. Wohngegend
  3. boligområde
/ʋoːrt/, /ˈʋʊːrt/, /ˈβoːrd/, /ˈβoːrt/
noun
  1. 1. mannetjeseend
    Erpel
  2. 2. belofte
    1. Ehrenwort
    2. Wort
    1. 1. spraakklank of betekeniseenheid die bestaat uit minimaal één vrij morfeem en minimaal nul gebonden morfemen
    2. 3. het woord van god of de inhoud van de bijbel
    3. 4. de natuurlijke eenheid van informatie voor een bepaalde computerarchitectuur
    Wort
/ˈwoːrtˌɑvbreːkɪŋ/, /ˈʋo̝ːrtˌɑvbreɪ̯kɪŋ/, /ˈβ̞oːrtˌɑvbreːkɪŋ/
noun
Worttrennung
noun
1. de semantische inhoud van een woord
Wortbedeutung
/ˈʋɔːrdə(n)ˌbuk/
noun
1. een boek waarin de woorden en uitdrukkingen van een taal zijn gerangschikt met hun...
Wörterbuch
/ˈʋɔːrdə(n)ˌlɛɪst/
noun
1. een lijst bestaande uit woorden
  1. Wörterverzeichnis
  2. Wortliste
noun
Wortschatz
noun
  1. Redeschwall
  2. Wortschwall
noun
1. een stroom woorden
Wörterflut
noun
1. groep woorden die eenzelfde stam hebben
Wortfamilie
noun
1. de oorsprong en ontwikkeling van een woord
Wortherkunft
noun
Wortwahl
noun
1. categorie waarin bepaalde woorden naar gelang het grammaticale gebruik in onderverdeeld worden
Wortart
noun
1. lexicaal veld
  1. Wortfeld
  2. lexikalisches Feld
noun
1. persoon
  1. Wortführer
  2. Sprecher
  3. Pressesprecher
noun
1. een vrouwelijk persoon die namens anderen spreekt
  1. Sprecherin
  2. Pressesprecherin
noun
1. volgorde van woorden in een zin
Wortfolge
noun
Wortbildung
/ˈwɔrdə(n)/, /ˈʋɔrdə(n)/, /ˈβ̞ɔrdə(n)/
verb
  1. 1. vormt de lijdende vorm
    werden
  2. 2. gaan zijn, zich ontwikkelen tot
    1. werden
    2. entstehen
noun
1. geschiedenis van het ontstaan en de groei van iets
Entstehungsgeschichte
/ʋɔrm/
noun
1. een betrekkelijk klein, lang, ongewerveld dier met een zacht lichaam
Wurm
noun
een hypothetische mogelijkheid binnen de ruimte-tijd
Wurmloch
adjective
1. door wormen aangevreten
wurmstichig
/ʋɔrp/
noun
  1. 1. de handeling van het werpen van iets
  2. 2. het aantal jonge dieren dat een moederdier bij één dracht op de wereld zet
Wurf
pronoun
1.
Worringen
noun
1. een toegebonden eind darm of vlies dat gevuld is met vleeswaar
Wurst
/ˈʋɔrtəl/
noun
  1. 1. Groente peen
    1. Karotte
    2. Möhre
    3. Mohrrübe
    4. gelbe Rübe
  2. 3. Getal
    Wurzel
  3. 2. Ondergronds gedeelte van een plant
    1. Wurzel
    2. Wurzeln
noun
  1. Karottensuppe
  2. Mohrrübensuppe
  3. Möhrensuppe
  4. Rüeblisuppe
noun
  1. Karottenkuchen
  2. Karottentorte
  3. Mohrrübenkuchen
  4. Möhrenkuchen
  5. Rüeblitorte
pronoun
1. Finoegrische taal die door de Woten in Ingrië gesproken werd
  1. Wotisch
  2. Votisch
/ʋʌːt/, /ʋʌːut/
noun
1. groot bos
Wald
/ʋʌʊ̯/, /β̞ʌːβ̞/
noun
  1. A 1. benaming voor roofvogels uit het geslacht Milvus
    Milan
  2. B 1. bepaald soort plant, Reseda luteola
    1. Färberwau
    2. Färber-Wau
noun
1. het vergelden van doorgemaakt lijden
Rache
noun
Rächer
noun
  1. Wrack
  2. Schrott
verb
  1. afkeuren, verwerpen
    1. ablehnen
    2. monieren
    3. rügen
  2. juridisch
    für befangen erklären
noun
1. knobbeltje
Warze
adjective
1. heel onvriendelijk
grausam
noun
1. bovenkant van de voet tussen tenen en enkel
  1. Fußrücken
  2. Spann
verb
1.
rächen
noun
Rächer
/ˈvrɛi̯fklɑŋk/
noun
1. een medeklinker die geproduceerd wordt met een gedeeltelijke obstructie ergens in het spraakkanaal
  1. Frikativ
  2. Reibelaut
noun
1. wrijfsteen
Reibstein
verb
1. handeling
reiben
/'ʋrɪŋən/
verb
    1. 1. met een draaiende beweging iets vervormen
    2. 3. in een beperkte ruimte bewegen door te draaien
    1. wringen
    2. zwängen
  1. 2. met uitoefening van enig geweld iets ergens in- of uithalen
    zwängen
noun
1. wringijzer
Windeisen
noun
  1. Groll
  2. Gehässigkeit
noun
1. oorspronkelijk een rol van twee ineengedraaide repen stof, gevuld met haar of wol, aangebracht bovenop de helm om vijandelijke slagen te breken
Wulst
noun
1. een besmettelijk type coronavirus dat een ontsteking van de luchtwegen veroorzaakt, in december 2019 voor het eerst opgedoken in China
  1. COVID-19
  2. Coronavirus
/wœyvə/
verb
  1. 2. heen en weer buigen, zwenken
    wiegen
  2. 1. een groet brengen door met de handen te zwaaien
    winken
noun
1. Numenius arquata, een vogel uit de familie van de snipachtigen (Scolopacidae)
Großer Brachvogel
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Nedersaksen
Wunstorf
verb
1. iets of iemand vermoorden door het dichtknijpen van de keel
  1. erwürgen
  2. würgen
noun
1. een tang waarmee de hulsjes van kabelschoenen aan elektriciteitssnoeren en kabels worden vastgeknepen
Crimpzange
pronoun
1. West-Germaanse taal die in het de Poolse plaats Wilamowice wordt gesproken
Wilmesaurisch
pronoun
1. een stad in de Oostenrijkse deelstaat Tirol
Wörgl
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen
Wülfrath
pronoun
  1. 1.
  2. 2.
Würzburg
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Wüstenrot
noun
1. de vierentwintigste letter van het alfabet
x
/ˈɪksɑs/
noun
1.
x-Achse
noun
2. afwijking van de normale stand van de benen, waarbij de knieën naar binnen gericht zijn.
X-Beine
noun
1.
X-Chromosom
/ˈɪkstralə(n)/
noun
1. röntgenstraling
X-Strahlen
/ksɑnˈtinə/
noun
1. een organische stof die in vlees, urine en andere dierlijke stoffen voorkomt
Xanthin
/ksɑnˈtom/
noun
1.
Xanthom
pronoun
2. spelwoord voor de letter x
Xanthippe
/ksɑnˈtɪpə/
noun
1. een boosaardige en kijfachtige vrouw
Xanthippe
/ˌksenokraˈsi/, /ˌksenokraˈtsi/
noun
1. een heerschappij van vreemdelingen
Xenokratie
/ksenofɪˈli/
noun
1. het welgezind zijn jegens vreemdelingen of buitenlanders
Xenophilie
/ksenofoˈbi/
noun
1. een afkeer van alles wat vreemd of buitenlands is
Xenophobie
noun
1. kruisbestuiving
Xenogamie
/ksenoˈɣraf/, /ksenoˈχraf/
noun
1. een deskundige betreft het schrift van vreemde talen
Xenograph
/ˈksenɔn/
noun
1. een scheikundig element en kleurloos edelgas met het symbool Xe en het atoomnummer 54
Xenon
/ˈksenotrɑnsplɑnˌtatsi/
noun
1. een transplantatie van dierlijke organen bij de mens
Xenotransplantation
/ˈɣɪːrəs/
noun
1. sherry, een witte Spaanse wijn uit Jerez de la Frontera
Jerez
/ˈɣɪːrəsˌʋɛin/
noun
1. sherry, een witte Spaanse wijn uit Jerez de la Frontera
Jerezwein
/ˌksɪːroˈdɛrma/
noun
1.
Xeroderma
noun
Xerophyt
/ˌksɪːroɣraˈfi/
noun
1. een droge, niet-chemische en fotografische methode die gebaseerd is op elektrostatische aantrekkingsverschijnselen
Xerographie
/ˈksɪːrɔks/
noun
1. een fotokopie die gemaakt is door middel van xerografie
Xerokopie
/ˈksɪːrɔksə(n)/
verb
1. kopieën maken volgens het systeem van de xerografie
xerokopieren
/ˈkoːsa/
pronoun
1. een taal die in Zuid-Afrika gesproken wordt
IsiXhosa
/ˈɛkstəsi/
noun
1. de afkorting voor ecstasy, een hallucinerende drug
XTC
/ksiˈlem/
noun
1.
Xylem
/ksiˈlen/
noun
1. een oplosmiddel voor stoffen als lak en rubber
Xylol
/ˌksiliˈtɔl/
noun
1. een zoetstof die bereid is door hydrogenatie van xylose
Xylitol
noun
1.
Xylophage
noun
1. melodisch slaginstrument dat bestaat uit een reeks op toon gestemde hardhouten staafjes waar met kleine hamertjes op geslagen wordt
Xylophon
/ksiloɣraf/
noun
1. een houtsnijder of houtgraveur
Xylograph
/ˌksiloɣraˈfi/
noun
  1. 1. houtsnijkunst
  2. 2. houtsnede of houtgravure
Xylographie
/ˌksiloˈlit/
noun
  1. 1. versteend hout
  2. 2. een uit houtstof vervaardigd soort kunststeen
Xylolith
/iˈɣrɛk/, /ɛɪ̯/, /ɛː/
noun
1. de vijfentwintigste letter van het alfabet
y
noun
1.
y-Achse
noun
1. een van de beide geslachtschromosomen dat in de helft van de zaadcellen voorkomt
Y-Chromosom
noun
1. antenne met dipool, reflector en director(en)
Yagi-Antenne
noun
1. antenne met dipool, reflector en director(en)
Yagi-Uda-Antenne
noun
1. antenne met dipool, reflector en director(en)
Yagi-Antenne
noun
1. spel met vijf dobbelstenen en een kaart met de geëiste worpen
Yahtzee
pronoun
1. de hoofdstad van Ivoorkust
Yamoussoukro
noun
1. een tropisch voedselgewas
Yamswurzel
noun
1. actieve, mannelijke beginsel in de kosmos (volgens de Chinese filosofie), een van beide principes die samen de tao vormen
Yang
noun
1. een Amerikaan uit het noordelijke deel van de Verenigde Staten
Yankee
noun
  1. 1. Amerikaan uit het noordelijke deel van de Verenigde Staten
    Yankee
  2. 2. spelwoord voor de letter y
    Ypsilon
noun
  1. 1. een Angelsaksische lengtemaat (3 voet is 0,9144 m)
  2. 2. een Engelse vlaktemaat (12,14 ha)
Yard
noun
1. een zeiljacht met twee langsgetuigde masten
Yawl
noun
1. een geschreeuwde leuze
Schlachtruf
noun
1. de munteenheid van Japan
Yen
/ˈjeti/
noun
1. een legendarisch monster met de bijnaam 'de verschrikkelijke sneeuwman' die voor zou komen in de Himalaya
  1. Yeti
  2. Schneemensch
noun
1. het passieve vrouwelijke beginsel in de kosmos volgens de Chinese filosofie, een van beide principes die samen de tao vormen
Yin
noun
1.
Yoktometer
/ˈjoxa/
noun
1. het streven om door lichamelijke en geestelijke methoden van concentratie...
Yoga
/ˈjɔxərt/, /ˈjɔχərt/
noun
1. lichtzuur en enigszins lobbig zuivelproduct,...
Joghurt
noun
1. een beoefenaar van de yoga
Yogi
pronoun
1. taal die door de Yoruba in Nigeria, Benin, Togo en Sierra Leone gesproken wordt
Joruba
noun
1.
Yottameter
noun
  1. 1. de letter y
  2. 2. spelwoord voor de letter y
Ypsilon
noun
1. scheikundig element met symbool Yb en atoomnummer 70
Ytterbium
noun
1.
Yttrium
noun
1. lelieachtige sierplant uit Noord-Amerika
Yucca
noun
1. een jong, kindloos persoon die snel carrière gemaakt heeft en een exclusieve, trendgevoelige levensstijl heeft
Yuppie
noun
1. jong, kindloos persoon die snel carrière gemaakt heeft en een exclusieve, trendgevoelige levensstijl heeft
Yuppie
noun
1. een ronde nomadentent
Jurte
/sɛt/, /zɛt/
noun
1. de zesentwintigste letter van het alfabet
z
/ˌzɛtoˈzɛt/
interjection
1. kijk op de achterkant van deze pagina
b. w.
/zaːt/
noun
  1. 1. een bevruchte kiem waaruit een nieuwe plant van dezelfde soort groeit
    Samen
  2. 2. zaadcellen uit de mannelijke geslachtsorganen van een mens of een dier
    1. Samen
    2. Sperma
/zatbɑkʲə/
noun
1. klein bakje dat gevuld met zaad of ander vogelvoer in een vogelkooi gezet wordt
Futternapf
/'zadbɑl/
noun
1. een orgaan waar de spermacellen gevormd worden
Hoden
noun
1. een vorm van kanker die ontstaat in de zaadbal
Hodenkrebs
/ˈzadbɑŋk/
noun
  1. 1. een zandbank met mosselzaad
    Muschelbank
  2. 2. een spermabank
    1. Samenbank
    2. Spermabank
/ˈzatsɛl/
noun
1. de mannelijke geslachtscel
Samenzelle
noun
1. een klein knopje in het vruchtbeginsel waaruit na bevruchting een zaadje groeit
Samenanlage
/'zadlɛɪdər/
noun
Samenleiter
/zax/
noun
1. een stuk gereedschap met een scherp getand metalen blad om voorwerpen in stukken te verdelen
Säge
noun
1. plat stuk metaal met een lange kartelrand om hard materiaal door te snijden
Sägeblatt
noun
1. een uit houtvezels bestaande stof die ontstaat bij het zagen van hout
Sägemehl
/'zaxmolə(n)/
noun
1.een door wind- of waterkracht aangedreven installatie voor het zagen van hout
Sägemühle
/'zaxsəl/
noun
1. een uit houtvezels bestaande stof die ontstaat bij het zagen van hout
Sägemehl
/'zaxtɑnt/
noun
  1. 1. scherpe tandvormige karteling aangebracht op de rand van een zaagblad
    Sägezahn
  2. 2. iets in de vorm van een zaagtand
    Zahnung
noun
1. benaming voor haaiachtige vissen met aan de kop een zaagvormig uitsteeksel uit de familie Pristidae
Sägefisch
verb
1. zaad strooien
säen
noun
1. uit zaad opgekweekte plant, het stadium volgend op de kiemplant
Sämling
noun
1. recht om een goed te volgen in andere handen
Folgerecht
noun
1. room
  1. Rahm
  2. Sahne
pronoun
2. spelwoord voor de letter z
  1. Zacharias
  2. Zeppelin
pronoun
2. boek in de Bijbel
  1. Sacharja
  2. Secharja
  3. Zacharias
pronoun
2. spelwoord voor de letter z
  1. Zacharias
  2. Zeppelin
adverb
  1. 4. aangenaam voor de zinnen
    mild
  2. 1. gemakkelijk samen te drukken en/of te buigen
    weich
phraseologicalUnit
1. een aanpak die te voorzichtig is maakt problemen erger
weichliche Ärzte machen faule Wunden
adjective
1. niet al te ruw, de dingen ontziend
sacht
noun
zitplaats op dier of fiets
Sattel
noun
1. een dak met twee tegen elkaar geplaatste gelijkhellende dakschilden
Satteldach
noun
1. een persoon die zadels maakt
Sattler
noun
1. voor rijden geschikt paard
Reitpferd
noun
1. de pijnlijke gevolgen van het langdurig in het zadel zitten wanneer men daaraan niet gewend is
Sattelschmerzen
/ˈzadənbɑŋk/
noun
1.bewaarplaats voor zaden van veel verschillende planten
Saatgut-Tresor
/ˈza.ɣə(n)/, /ˈza.χə(n)/
verb
1. in stukken delen door middel van een zaag
sägen
noun
  1. Sägerei
  2. Sägewerk
/[ˈzɑː.greb]/
pronoun
1. hoofdstad van Kroatië
  1. Agram
  2. Zagreb
noun
  1. 1. slappe, vormeloze tas
    Sack
  2. 2. een plek in kleding waarin kleine spullen kunnen worden meegedragen
    Tasche
  3. de zak geven (zie ook ontslaan)
    feuern
noun
1. een klein formaat agenda
Taschenkalender
/ˈzɑgduk/
noun
1. een doek om de neus in te snuiten
Taschentuch
/'zakəmɑn/
noun
1. iemand die met zakendoen zijn brood verdient
Geschäftsmann
noun
1. onderdeel van het burgerlijk recht m.b.t. de rechtsverhouding tot een goed
Sachenrecht
noun
Geschäftsreise
noun
Taschengeld
verb
1. naar beneden gaan
  1. sinken
  2. untergehen
  3. versinken
noun
1. iemand die ongemerkt waardevolle zaken steelt
Taschendieb
noun
1. lamp op zakformaat
Taschenlampe
noun
1. een draagbare bron van licht, gewoonlijk van energie voorzien middels batterijen
Taschenlampe
noun
1. een draagbare bron van licht, gewoonlijk van energie voorzien middels batterijen
Taschenlampe
/ˈzɑkmɛs/
noun
1. een klein invouwbaar mes, vaak met extra gereedschappen
  1. Taschenmesser
  2. Klappmesser
noun
1. samengeklitte textielvezeltjes die ontstaan onderin bergplaatsen in kleren
Taschenfussel
/zɑksxakspɛl/
noun
1. een schaakspel in zakformaat waarop men de stukken op het bord kan vastzetten
Taschenschachspiel
noun
1. een woordenboek in klein formaat
Taschenwörterbuch
noun
smeerbare massa om op de huid aan te brengen
Salbe
adjective
  1. 2. bijzonder aangenaam, hemels
    1. herrlich
    2. selig
  2. 1. gerechtvaardigd tegenover God, doordat men van zonde bevrijd is
    selig
phraseologicalUnit
1. een uitdrukking om iemand een gelukkige paasviering te wensen
  1. Frohe Ostern
  2. Fröhliche Ostern
noun
1. dwarshout dat het want spreidt
Saling
/zɑlm/, /zɑɫm/
noun
1. benaming voor een aantal vissoorten uit de familie Salmonidae
  1. Lachs
  2. Salm
noun
1. een stuk zalm dat door zorgvuldig snijden ontdaan is van alle minderwaardige bestanddelen
Lachsfilet
noun
1. consumptievis, meestal regenboogforel (Oncorhynchus mykiss), met zalmkleurig vlees
Lachsforelle
adjective
  1. Lachsorange
  2. lachsorange
adjective
  1. Lachsrot
  2. lachsrot
/zɑlvə(n)/
verb
2. het aanbrengen van een welriekende olie, meestal als inhuldiging in een politieke of religieuze hoedanigheid
salben
/'zɑm.bi.ja/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel de Republiek Zambia, dat geheel door land wordt omsloten
Sambia
/ˈzɑmbo/
noun
1. een persoon van gemengd negroïde en indiaanse afkomst.
Zambo
noun
1. losse massa die bestaat uit miljoenen stukjes steen en schelpen
Sand
noun
1. een bak gevuld met zand om in te spelen
Sandkasten
noun
1. een ophoping van zand op de bodem van een zee of meer
Sandbank
/ˈzɑntbɛt/
noun
1. een laag aangestampt zand die als ondergrond voor iets dient, gewoonlijk een bouwwerk
Sandbett
noun
Sandboden
noun
1. benaming voor de zoetwatervis Sander lucioperca
Zander
adjective
  1. Sandgelb
  2. sandgelb
noun
1. bepaalde vaste plant die van nature in Noord-Europa en aan de West-Europese kusten voorkomt, Leymus arenarius
Strandroggen
noun
1. een van zand gebouwd miniatuurkasteel
Sandburg
noun
1. een korreltje zand
Sandkorn
noun
1. toestel waarmee de tijd wordt gemeten door zand uit het bovenste reservoir via een smalle doorgang naar het onderste reservoir te laten lopen
Sanduhr
noun
Sandmann
noun
1. een wezen dat zand in de ogen van kinderen zou strooien
Sandmännchen
noun
Sandvorspülung
noun
Sandweg
noun
Sandstein
noun
een harde, droge wind die boven een woestijngebied een grote hoeveelheid zand en stof doet opwaaien
Sandsturm
noun
  1. 1. (gereedschap)
  2. 2. (beroep)
Sandstrahler
noun
1. een vlakke kuststrook die vrijwel geheel uit zand bestaat
Sandstrand
noun
1. zandweg. Weg met onverhard wegdek
Sandweg
/ˈzɑŋər/
noun
1. een mannelijk iemand die zingt
Sänger
noun
1. een vrouwelijk iemand die zingt
Sängerin
noun
Gesangstunde
noun
1. Turdus philomelos, een lijstersoort die algemeen is in Nederland en Vlaanderen
Singdrossel
noun
1. een dunvloeibare transparante lak, meest op basis van nitrocellulose, opgelost in een ester of alcohol
Zaponlack
/zɛpən/
verb
zappen
adjective
  1. 1. verzadigd, vol, met name van alcoholische drank
    betrunken
  2. 2. ergens genoeg van hebbend
    gesättigt
noun
1. een dag van de week die na vrijdag en voor zondag komt
  1. Samstag
  2. Sonnabend
  3. Sabbat
/za.ˈiː.rə/
pronoun
Zaire
noun
1. Bos taurus indicus een rund dat in het Indische subcontinent en Afrika wordt...
  1. Buckelrind
  2. Zebu
noun
1. zwart-wit gestreepte paardachtige
Zebra
noun
1. een patroon van witte strepen aangebracht op het wegdek ter aanduiding van een beschermde voetgangersoversteekplaats
Zebrastreifen
noun
  1. Brauch
  2. Sitte
noun
Moral
noun
1. (kunst) toneelstuk waarin heersende zeden uitgebeeld en veelal gehekeld worden
Sittenspiel
/ze/, /zeː/
noun
1. uitgestrektheid zoutwater
  1. Meer
  2. See
noun
1. op de zeebodem levend bolvormig stekelig ongewerveld diertje
Seeigel
noun
1. smalle doorgang tussen twee zeeën
  1. Meerenge
  2. Meerstrasse
noun
1. zeevis (Conger conger)
  1. Seeaal
  2. conger (aal)
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Actiniaria
  1. Seeanemonen
  2. Seeanemone
/ˈzeʲʔɑˌkʋarijəm/
noun
1. zoutwateraquarium voor zeevissen
Salzwasseraquarium
noun
1. bepaald soort roofvogel die in kustgebieden leeft, Haliaeetus albicilla
Seeadler
noun
1. inham van een zee
  1. Bucht
  2. Meerearm
noun
1. blad van de plant Zeeaster
Seestern
noun
1. baarsachtige zeevis, Dicentrarchus labrax
Seebarsch
noun
1. gevarieerde vismaaltijd
  1. Meeresfrüchte
  2. Fischmahlzeit
/ˈzebenə(n)/
noun
1. zeevaste benen hebben
Seefest sein
noun
1. aardbeving waarvan het epicentrum op de bodem van de zee ligt
Seebeben
noun
1. het grondvlak van een zee
  1. Meeresboden
  2. Meeresgrund
/ˈzebɔŋk/
noun
1. ervaren zeeman
Seebär
noun
1. stenen strekdam dienend om de kracht van de golven te breken
Wellenbrecher
pronoun
1. en 2. dorp, deelgemeente en zeehaven
  1. Seebrügge
  2. Zeebrugge
noun
1. een zeeofficier in opleiding bij de marine
Seekadett
noun
1. bepaald soort grote zeevis, Lophius piscatorius
  1. Seeteufel
  2. Anglerfisch
noun
1. werktuig om grovere van fijnere bestanddelen te scheiden
Sieb
noun
1. het dierlijk leven in de zee
Meeresfauna
noun
1. een van de beenderen van de schedel
Siebbein
noun
1. de deining van de zee
Seegang
noun
1. uiteinde van een rivier of zeearm dat toegang biedt tot de open zee
  1. in See stechen
  2. Mündung
noun
1. een zeeslag
Seeschlacht
noun
  1. 1. zicht op de zee
    Meeresblick
  2. 2. schilderij met de zee als onderwerp
    Seestück
/'zeɣodə(n)/, /'zeɣɔt/
noun
Gott des Meeres
noun
1. vrouwelijke godheid die woont en heerst over de zee, ofwel de vrouw van een zeegod
Göttin des Meeres
noun
1. benaming voor planten aangepast aan het leven in zout water uit het geslacht Zostera
Seegras
noun
1. een vorm van grind, veelal van glaciale oorsprong, dat uit zee gebaggerd wordt
Seekies
adjective
1. blauwachtig groen, kleur van de zee
meergrün
noun
1. haven die in verbinding staat met de zee
Seehafen
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de familie Phocidae
Seehund
noun
1. plaats waar huilers, door de moeder verlaten jonge zeehonden, worden opgenomen en zolang worden verzorgd tot ze zelfstandig kunnen leven
Seehundeaufzuchtstation
noun
1. pier of dijk die in zee uitsteekt
Mole
noun
1. klimaat dat veel invloed van een meestal nabijgelegen zee of oceaan ondergaat, onder meer gekenmerkt door koele zomers...
  1. Meeresklima
  2. Seeklima
noun
1. plantenetend zoogdier uit de orde Sirenia
Seekuh
/ˈzekut/
noun
1. zwart-witte zeevogel, Uria aalge
Trottellumme
noun
1. benaming voor op de op komkommers lijkende zeedieren uit de klasse Holothuroidea
  1. Seegurke
  2. Seewalze
noun
1. benaming voor planten uit het geslacht Salicornia
Queller
noun
1. in zee levende kreeft
Hummer
noun
1. de begrenzing van land door de zee
Küste
noun
1. neteldier in de vorm waarin het vrij in het water zwemt
Qualle
/ˈzelɑnt/, /ˈzeːlɑnd/, /ˈzeːlɑnt/
pronoun
1. een provincie in het zuidwesten van Nederland, die aan Noord-Brabant, Zuid-Holland, België en de Noordzee grenst
  1. Zeeland
  2. Seeland
noun
1. iemand die zelen vervaardigt.
Seiler
noun
1. grote oorrob
Seelöwe
/ˈze.le.li/
noun
1. benaming voor de sessiele zeedieren uit de klasse Crinoidea
Seelilie
noun
1. een groep van personen die voor hun beroep de zee bevaren
Seeleute
noun
1. loods die schepen van en naar de open zee loodst
Lotse
noun
1. bepaald soort karperachtiɡe zoetwatervis, Tinca tinca
Schleie
noun
1. lucht aan of op zee
  1. Meeresluft
  2. Seeluft
/ˈzelœʏpart/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Hydrurga leptonyx
Seeleopard
/zem/
noun
  1. 1. een stuk zeemleer waarmee men een glazen ruit droog kan wrijven
    Fensterleder
  2. 2. zeemleer, leer gemaakt van gemzenhuid
    Waschleder
noun
  1. Marine
  2. Kriegsmarine
noun
Seemann
noun
1. vaardigheid in het bedienen, onderhouden en het besturen van een schip
Seemannschaft
noun
1. onthaaltehuis voor zeelieden aan de wal
Seemannheim
noun
1. zeemanslied
  1. Seemannslied
  2. Shanty
noun
1. mythisch zeewezen
  1. Meerjungfrau
  2. Seejungfrau
  3. Seejungfer
noun
1. benaming voor zeevogels uit de familie Laridae
Möwe
noun
1. afstandsmaat, in gebruik op zee, 1852m
Seemeile
noun
Samischleder
noun
1. nudibranch
Nachtkiemer
noun
1. hoogte van de zeespiegel
Meerespiegel
noun
1. rob uit het geslacht Mirounga
See-Elefant
/ˈzeʔɔtər/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Enhydra lutris
Seeotter
noun
1. schuimverwerkend reinigingsmiddel
Seife
/ˈzepaːrtʲə/
noun
2. benaming voor zeevisjes waarvan de kop op een paardenkop lijkt en die rechtopstaand zwemmen, uit het geslacht Hippocampus
Seepferdchen
noun
1. bolvormig vlies van water en zeep dat een hoeveelheid gas (meestal lucht) omringt
Seifenblase
noun
Seifendose
noun
1.
Wattwurm
noun
1. polder die ontstaat langs de kust, door bedijking van kwelders, als deze hoog genoeg zijn aangeslibd
Polder
noun
1. brieven en verzendingen over zee
Postbeförderung auf dem Seeweg
noun
1. het beroep van iemand die uit vet of olie en loog zeep bereidt.
Seifensieder
/zepsidə'rɛɪ/
noun
1. een bedrijf waar uit oliën en loog zeep bereid wordt
Seifenfabrik
adverb
  1. 3. pijn
    Schmerz
  2. 2. pijnlijk
    schmerzhaft
  3. 1. in hoge mate
    sehr
noun
1. zwaar ongeluk op zee, schipbreuk
Schiffbruch
noun
1. wettelijke bepaling met betrekking tot de zeevaart, zeerecht omvat een groot aantal verdragen die in de afgelopen eeuwen tot stand zijn gekomen
Seerecht
noun
1. reis per schip over de zee
Seereise
/ˈzerɔp/
noun
2. benaming voor grote zeezoogdieren uit de familie Phocidae
Robbe
noun
1. iemand die op zee een schip berooft
Seeräuber
noun
1. benaming voor zeedieren uit de familie Cheloniidae
Meeresschildkröte
noun
1. een zeewaardig schip gebouwd om de zee te kunnen trotseren
Hochseeschiff
noun
  1. 1. luchtige massa die bij heftige beweging van golven in zeewater ontstaat
    Gischt
  2. 2. inwendige schelp van een zeekat (een tienarmige inktvis)
    1. Schulp
    2. Phragmokon
noun
1. iemand die de zeeën bevaart om andere schepen te beroven
  1. Pirat
  2. Seeräuber
noun
  1. 2. bordspel
    Schiffe versenken
  2. 1. militair treffen op zee
    Seeschlacht
/ˈzeslɑŋ/
noun
1. giftig reptiel dat leeft in ondiepe zeegebieden en riviermondingen
Seeschlange
noun
1. relatief kleine, maar zeer zeewaardige sterke boot die gebouwd is om schepen in nood te helpen, te bergen, drijvende vrachten over zee te slepen en olieplatforms te bevoorraden
Bergungsschiff
noun
1. benaming voor schijfvormige zeedieren met vijf armen uit de klasse Asteroidea
Seestern
noun
1. stormachtige wind over de zee
Seesturm
noun
1. een smalle doorgang tussen twee zeeën en daarmee tevens de scheiding tussen twee landmassa's
Meerenge
noun
1. een grote constante beweging van het zeewater
Meeresströmung
noun
1. bepaald soort platvis, Solea solea
Seezunge
pronoun
1. een streektaal bestaande uit een verzameling Nederfrankische dialecten ,gesproken in de provincie Zeeland
  1. seeländisch
  2. Seeländisch
noun
1. iemand die voor zijn beroep de zee bevaart
Seefahrer
noun
1. scheepvaart over de zee
Seefahrt
noun
1. school waar de leerlingen een opleiding krijgen voor een beroep op een zeeschip
Seefahrtschule
adjective
1. een varende functie op een zeeschip uitoefenen
Seefahrend
noun
1. vis die in de zee leeft
Seefisch
noun
1. visvangst vanuit de zee, per schip of van het strand
Seefischerei
/ˈzeˌvoχɔɫ/, /ˈzeːˌvoːɣəl/
noun
1. een vogel die vooral in de directe omgeving van de zee leeft
Seevogel
noun
2. allerlei eetbare schaal- en schelpdieren
Meeresfrüchte
adjective
1. geschikt om veilig op zee te varen
seetüchtig
noun
1. de mate waarin een schip of bemanning zeewaardig is
Seetüchtigkeit
adjective
1. naar zee gericht, in de richting van de zee
seewärts
/ˈzeʋatər/
noun
1. water waarin diverse zouten zijn opgelost en waarmee de zeeën gevuld zijn
  1. Meerwasser
  2. Seewasser
noun
1. waterkering tegen de zee
Küstenbefestigung
noun
1. al de maritieme zaken
Seewesen
noun
1. in zee levend wier
  1. Tang
  2. Algen
  3. Seetang
noun
1. wind vanuit de zee, die landinwaarts waait
Seewind
verb
1. zeilen op zee
Hochseesegeln
adjective
seekrank
noun
1. misselijkheid als gevolg van de onregelmatige beweging van een schip
Seekrankheit
noun
Meeressäuger
noun
1. zout, uit zeewater gewonnen
  1. Meersalz
  2. Seesalz
/'zezʋalyw/
noun
1. benaming voor slanke meeuwachtige zeevogels met gevorkte staart uit de familie Sternidae
Seeschwalbe
noun
1.
Sieg
/ˈzexəl/
noun
  1. 2. een stukje papier meestal voorzien van een plaklaag dat dient om aan te geven dat betaling heeft plaatsgevonden
    Briefmarke
  2. 1. een middel om een voorwerp zodanig af te sluiten dat er later nagegaan kan worden of het geopend is
    Siegel
noun
1. een mengsel van schellak en terpentine dat gebruikt wordt om er zegels van te maken
Siegellack
/ˈzeɣəɫˌrɪŋ/
noun
1. een ring die aan de rugzijde voorzien is van een gravure, waarmee een zegel kan worden gestempeld
Siegelring
/ˈzexəlˈvɛrkop/
noun
1. het verkopen (voor geld aan een ander geven)
Briefmarkenverkauf
noun
1. een gemakkelijk smeltbaar materiaal gebuikt om er zegelafdrukken mee te maken
  1. Siegellack
  2. Siegelwachs
verb
1. de zegen geven
  1. segnen
  2. benedeien
/'zexəvirə(n)/
verb
1. de overwinning behalen
  1. obsiegen
  2. siegen
  3. triumphieren
noun
1. een geslacht van zowel bladverliezende als groenblijvende kruidachtige planten
Segge
verb
1. mededelen
sagen
/ˈzεɣə(n)ˌsxɑp/, /ˈzεχə(n)ˌsχɑp/
noun
1. het recht om over iets te beslissen
  1. Sagen
  2. Verfügungsgewalt
  3. Verfügungsrecht
  4. Weisungsbefugnis
noun
1. persoon die in naam van een organisatie of een persoon het woord voert
  1. Wortführer
  2. Gewährsmann
noun
  1. 3. vloerbedekking met een onderlaag van weefsel (jute) en een harde kunststof bovenlaag
    Linoleum
  2. 4. doek voor diverse doeleinden
    1. Plane
    2. Segeltuch
  3. 1. doek dat in een mast gehesen is met als doel wind te vangen
    Segel
  4. 5. schip (een vloot van x zeilen)
    1. Segelschiff
    2. Segler
  5. 2. het geheel van alle zeilen van een schip
    Segelwerk
noun
1. een boot waarmee gezeild kan worden
  1. Segelboot
  2. Kutter
noun
1. vereniging van zeilers
Segelklub
noun
1. een grof, stevig weefsel waarvan zeilen gemaakt worden
Segeltuch
adjective
  1. Zeltgrau
  2. zeltgrau
/ˈzɛilɛiɣə(n)ˌsxɑp/
noun
1. hoe een schip reageert op de stand van de tuigage - in het bijzonder de zeilen - en veranderingen in die stand
Segeleigenschaft
/ˈzɛɪlə(n)/
noun
1. wedstrijdsport met zeilvaartuigen
  1. Segeln
  2. Segelregatta
/ˈzɛɪlə(n)/
verb
  1. 1. voortgestuwd worden door de druk van de wind tegen een opgehouden zeil
  2. 2. zich in een zeilboot met behulp van de wind over het water voortbewegen
segeln
noun
  1. 2. een zeilboot
    Segelboot
  2. 1. iemand die het zeilen beoefent
    1. Segler
    2. Segelsportler
noun
1. (scheepvaart) een snelzeilend klein vaartuig.
Segelyacht
/ˈzɛilklar/
adjective
1. gereed om te gaan zeilen
segelklar
noun
1. iemand die zeilen vervaardigt
Segelmacher
noun
1. zeilmakerspriem
Ahle
noun
1. surfplank
Surfbrett
noun
1. zeilpriem
Ahle
noun
1. zwaartpunt van het zeil, aangrijpingspunt voor de windkracht
Segelpunkt
adjective
1. gereed om te gaan zeilen
segelklar
noun
1. een reis per zeilboot
Segelreise
noun
1. een metalen verstevigingsring om gaten waar touw of koord doorheen loopt, tegen slijtage en uitscheuren te beschermen
Ringkausch
noun
1. een schip waarmee gezeild kan worden
Segelschiff
noun
1. de sport van het zeilen
Segelsport
noun
1. vrouwelijke zeiler
Segelsportlerin
/ˈzɛilvardəx/
adjective
1. gereed om te gaan zeilen
segelklar
noun
1. een zeilboot of zeilschip
  1. Segelboot
  2. Segelschiff
noun
1. maaiwerktuig met gebogen snijblad en lange stok
Sense
noun
1. een persoon met een zeis als verpersoonlijking van de dood
  1. Gevatter Tod
  2. Schnitter
  3. Sensenmann
  4. Dood
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Saksen-Anhalt
Zeitz
/ˈze.kər/
adjective
1. waaraan niet getwijfeld hoeft te worden
  1. sicher
  2. gewiss
/ˈze.kə.rə(n)/
verb
1. het touw waarmee iemand klimt op een veilige manier vasthouden
sichern
noun
1. elektronisch element ter voorkoming van een te grote stroom
Sicherung
noun
1. toestelletje dat helpt het touw te remmen bij het zekeren van een klimmer
Sicherungsgerät
adverb
1. bijzonder weinig voorkomend
selten
adjective
1. naar verhouding gering in aantal
  1. selten
  2. rar
/zɛlf/, /zɛɫf/
demonstrativePronoun
  1. 1. in eigen persoon
  2. 2. in tegenstelling met iets anders
selbst
noun
  1. 2. de mogelijkheid voor een volk om te bepalen onder welke soevereiniteit het wil vallen
  2. 1. wilsvrijheid van het individu
Selbstbestimmung
noun
Selbstbestäubung
adjective
  1. 1. aantonend zelfbesef te hebben
    selbstbewusst
  2. 2. zelfverzekerd
    1. selbstbewusst
    2. selbstversichert
demonstrativePronoun
selbe
noun
1. Het zich benemen van het leven
Selbsttötung
noun
Selbstinduktion
noun
1. een verzamelnaam voor muziekinstrumenten die toon/geluid voortbrengen door trillend materiaal
Selbstklinger
noun
1. beoordeling van het zelf, meestal gericht op dat wat verbeterd zou moeten worden
Selbstkritik
/ˈzɛɫfmoːrt/
noun
1. handeling waarbij men een einde maakt aan zijn eigen leven.
  1. Selbstmord
  2. Suizid
  3. Freitod
noun
1. iemand die bereid is terreur te zaaien ook als dat tot de eigen dood leidt
Selbstmordattentäter
/'zɛlfpɔrtrɛt/
noun
1. een kunstwerk gebaseerd op de afbeelding van het eigen gezicht
  1. Selbstporträt
  2. Selbstbildnis
adjective
  1. eigenständig
  2. selbständig
noun
1. het vermogen om het leven in te richten zonder hulp van anderen
  1. Selbständigkeit
  2. Eigenständigkeit
adverb
sogar
adjective
1. op zichzelf staand
selbständig
noun
1. woordsoort die een zekere mate van zelfstandigheid van het genoemde uitdrukt, in veel talen standaard gecombineerd met een lidwoord
  1. Substantiv
  2. Hauptwort
  3. Dingwort
  4. Nomen
  5. Substantivum
  6. Namenwort
noun
Selbststudium
noun
1. verbranding van zichzelf
Selbstverbrennung
noun
1. verdediging van zichzelf
Selbstverteidigung
/ˌzɛlᵊfɛrˈnitəxənt/
adjective
1. zo ontworpen dat er na afloop praktisch niets van overblijft
selbstzerstörerisch
noun
1. geloof in eigen vermogen, kunde of kracht
Selbstvertrauen
adjective
1. vol zelfvertrouwen
selbstsicher
noun
1. de mate waarin iemand zelfverzekerd is
Selbstvertrauen
adjective
  1. selbstgefällig
  2. selbstzufrieden
adjective
1. vol zelfvertrouwen
selbstsicher
noun
B 1. ingrediënt dat bestaat uit met de zaadhuiden vergroeide vruchtwanden en kiemen
Kleie
/ˈzemə(n)/
verb
1. het droogwrijven van een pas gewassen glazen oppervlak met een stuk zeemleer
abledern
noun
1. een vrij opgestelde elektrische geleider
Sendeantenne
/'zɛndəlɪŋ/
noun
1. persoon die uitgezonden wordt om mensen tot het geloof in het protestantse christendom te bekeren
Missionar
verb
1. sturen
  1. schicken
  2. verschicken
  3. senden
noun
1. hoge ondersteuningsconstructie voor zendantennes
Sendemast
/zenɪt/
noun
1. het denkbeeldige punt loodrecht omhoog aan de hemelkoepel
Zenit
noun
Zengarten
noun
1. een onderdeel van het perifeer zenuwstelsel, bestaande uit gebundelde uitlopers van zenuwcellen
Nerv
/ˈzenʏˌʋɑxtəx/
adjective
1. onrustig, bezorgd en gespannen over iets wat gaat gebeuren
nervös
/ˈze.ny.sɛl/, /ˈze.nyʊ̯.sɛɫ/, /ˈzeː.nyʊ̯.sɛl/
noun
een zeer belangrijke cel in het zenuwstelsel
  1. Neuron
  2. Nervenzelle
noun
1. het gehele zenuwsysteem
Nervensystem
adjective
nervenkrank
noun
1. klasse silicaat-mineralen met een kristalstructuur die kanalen en holtes bevat in de grootteorde van nanometers
Zeolith
noun
1. luchtschip in de lucht gehouden door een groot volume waterstof of helium
Zeppelin
noun
1.
Zeptometer
noun
1. het getal 6
sechs
/ˈzɛs.də/, /ˈzɛz.də/
ordinalAdjective
nummer zes in een rij
sechste
cardinalNumeral
1. het getal 36
sechsunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 96
sechsundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 86
sechsundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 26
sechsundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 46
sechsundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 56
sechsundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 66
sechsundsechzig
/ˈzɛsənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 76
sechsundsiebzig
/zɛsɦuk/
noun
1. een geometrische tweedimensionale vorm, bestaande uit zes hoeken en derhalve ook zes zijden
  1. Sechseck
  2. Hexagon
/ˈzɛsˌɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 600
sechshundert
cardinalNumeral
1. het getal 608
sechshundertacht
cardinalNumeral
1. het getal 638
sechshundertachtunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 698
sechshundertachtundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 688
sechshundertachtundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 628
sechshundertachtundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 648
sechshundertachtundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 658
sechshundertachtundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 668
sechshundertachtundsechzig
/ˌzɛshɔndərtˈɑxtənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 678
sechshundertachtundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 618
sechshundertachtzehn
cardinalNumeral
1. het getal 613
sechshundertdreizehn
cardinalNumeral
1. het getal 630
sechshundertdreißig
cardinalNumeral
1. het getal 603
sechshundertdrei
cardinalNumeral
1. het getal 633
sechshundertdreiunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 693
sechshundertdreiundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 683
sechshundertdreiundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 623
sechshundertdreiundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 643
sechshundertdreiundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 653
sechshundertdreiundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 663
sechshundertdreiundsechzig
/ˌzɛshɔndərˈdrijənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 673
sechshundertdreiundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 601
sechshunderteins
cardinalNumeral
1. het getal 631
sechshunderteinunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 691
sechshunderteinundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 681
sechshunderteinundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 621
sechshunderteinundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 641
sechshunderteinundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 651
sechshunderteinundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 661
sechshunderteinundsechzig
/ˌzɛshɔndərtˈenənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 671
sechshunderteinundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 611
sechshundertelf
cardinalNumeral
1. het getal 609
sechshundertneun
cardinalNumeral
1. het getal 639
sechshundertneununddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 699
sechshundertneunundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 689
sechshundertneunundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 629
sechshundertneunundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 649
sechshundertneunundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 659
sechshundertneunundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 669
sechshundertneunundsechzig
/ˌzɛshɔndərtˈneɣənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 679
sechshundertneunundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 619
sechshundertneunzehn
cardinalNumeral
1. het getal 690
sechshundertneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 680
sechshundertachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 610
sechshundertzehn
cardinalNumeral
1. het getal 612
sechshundertzwölf
cardinalNumeral
1. het getal 602
sechshundertzwei
cardinalNumeral
1. het getal 632
sechshundertzweiunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 692
sechshundertzweiundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 682
sechshundertzweiundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 622
sechshundertzweiundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 642
sechshundertzweiundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 652
sechshundertzweiundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 662
sechshundertzweiundsechzig
/ˌzɛshɔndərˈtwejənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 672
sechshundertzweiundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 620
sechshundertzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 614
sechshundertvierzehn
cardinalNumeral
1. het getal 640
sechshundertvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 604
sechshundertvier
cardinalNumeral
1. het getal 634
sechshundertvierunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 694
sechshundertvierundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 684
sechshundertvierundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 624
sechshundertvierundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 644
sechshundertvierundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 654
sechshundertvierundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 664
sechshundertvierundsechzig
/ˌzɛshɔndərtˈfirənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 674
sechshundertvierundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 605
sechshundertfünf
cardinalNumeral
1. het getal 635
sechshundertfünfunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 695
sechshundertfünfundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 685
sechshundertfünfundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 625
sechshundertfünfundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 645
sechshundertfünfundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 655
sechshundertfünfundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 665
sechshundertfünfundsechzig
/ˌzɛshɔndərtˈfɛifənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 675
sechshundertfünfundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 615
sechshundertfünfzehn
cardinalNumeral
1. het getal 650
sechshundertfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 606
sechshundertsechs
cardinalNumeral
1. het getal 636
sechshundertsechsunddreißig
cardinalNumeral
1. het getal 696
sechshundertsechsundneunzig
cardinalNumeral
1. het getal 686
sechshundertsechsundachtzig
cardinalNumeral
1. het getal 626
sechshundertsechsundzwanzig
cardinalNumeral
1. het getal 646
sechshundertsechsundvierzig
cardinalNumeral
1. het getal 656
sechshundertsechsundfünfzig
cardinalNumeral
1. het getal 666
sechshundertsechsundsechzig
/ˌzɛshɔndərtˈsɛsənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 676
sechshundertsechsundsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 616
sechshundertsechzehn
cardinalNumeral
1. het getal 660
sechshundertsechzig
/ˌzɛshɔndərtˈsøvən/
cardinalNumeral
1. het getal 607
sechshundertsieben
/ˌzɛshɔndərtˈsøvənənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 637
sechshundertsiebenunddreißig
/ˌzɛshɔndərtˈsøvənəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 697
sechshundertsiebenundneunzig
/ˌzɛshɔndərtˈsøvənənˌtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 687
sechshundertsiebenundachtzig
/ˌzɛshɔndərtˈsøvənənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 627
sechshundertsiebenundzwanzig
/ˌzɛshɔndərtˈsøvənəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 647
sechshundertsiebenundvierzig
/ˌzɛshɔndərtˈsøvənəɱˌvɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 657
sechshundertsiebenundfünfzig
/ˌzɛshɔndərtˈsøvənənˌsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 667
sechshundertsiebenundsechzig
/ˌzɛshɔndərtˈsøvənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 677
sechshundertsiebenundsiebzig
/ˌzɛshɔndərtˈsøvənˌtin/
cardinalNumeral
1. het getal 617
sechshundertsiebzehn
/ˌzɛshɔndərtˈsøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 670
sechshundertsiebzig
cardinalNumeral
1. het getal 16
sechzehn
noun
1. ruimtelijke figuur met zestien vlakken
Hexadekaeder
cardinalNumeral
1. het getal 60
sechzig
/zɛt/
noun
  1. beweging waarbij iets verplaatst wordt
    Stoß
  2. handeling gedurende een spelbeurt
    Zug
noun
    1. 1. constructie bestemd om prettig op te zitten
    2. 3. plaats waar een organisatie gevestigd is
    Sitz
  1. 2. lidmaatschap van een raad of vergadering met een beperkt aantal leden
    1. Sitz
    2. Mandat
noun
Mandatsverteilung
noun
Stärkemehl
noun
Satz
noun
  1. Satzspiegel
  2. Schriftspiegel
noun
1.
Zettameter
noun
1.
Satz
noun
1. vrouwelijk varken of everzwijn
  1. Sau
  2. Mutterschwein
  3. Bache
  4. Wildsau
verb
2. iets met grote inspanning verplaatsen
schleppen
/ˈsʏː.rə(n)/, /ˈzøː.rə(n)/
verb
1. veelvuldig en langdurig klagen over weinig belangrijke zaken
nörgeln
/zœys/
pronoun
1. Griekse oppergod
Zeus
/ˈzøvən/
cardinalNumeral
1. het getal 7
  1. sieben
  2. Sieben
/ˈzøvən/
verb
1. de grote van de kleine deeltjes scheiden met behulp van een zeef
sieben
noun
1. soort struik, Juniperus sabina
Stinkwacholder
/ˈze.vən.də/
ordinalAdjective
siebte
/ˈzøvənənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 37
siebenunddreißig
/ˈzøvənəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 97
siebenundneunzig
/ˈzøvənənˌtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 87
siebenundachtzig
/ˈzøvənənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 27
siebenundzwanzig
/ˈzøvənəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 47
siebenundvierzig
/ˈzøvənəɱˌvɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 57
siebenundfünfzig
/ˈzøvənənˌsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 67
siebenundsechzig
/ˈzøvənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 77
siebenundsiebzig
noun
plant en kruid
Schabzigerklee
noun
Siebeneck
/ˈzeːvə(n)ˌɦɔndərt/, /ˈzøvənˌhɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 700
siebenhundert
/ˌzøvənˌhɔndərtˈɑxt/
cardinalNumeral
1. het getal 708
siebenhundertacht
/ˌzøvənˌhɔndərtˈɑxtənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 738
siebenhundertachtunddreißig
/ˌzøvənˌhɔndərtˈɑxtəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 798
siebenhundertachtundneunzig
/ˌzøvənˌhɔndərtˈɑxtənˌtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 788
siebenhundertachtundachtzig
/ˌzøvənˌhɔndərtˈɑxtənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 728
siebenhundertachtundzwanzig
/ˌzøvənˌhɔndərtˈɑxtəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 748
siebenhundertachtundvierzig
/ˌzøvənˌhɔndərtˈɑxtəɱˌvɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 758
siebenhundertachtundfünfzig
/ˌzøvənˌhɔndərtˈɑxtənˌsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 768
siebenhundertachtundsechzig
/ˌzøvənˌhɔndərtˈɑxtənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 778
siebenhundertachtundsiebzig
/ˌzøvənˌhɔndərtˈɑxtin/
cardinalNumeral
1. het getal 718
siebenhundertachtzehn
/ˌzøvənˌhɔndərˈdɛrtin/
cardinalNumeral
1. het getal 713
siebenhundertdreizehn
/ˌzøvənˌhɔndərˈdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 730
siebenhundertdreißig
/ˌzøvənˌhɔndərˈdri/
cardinalNumeral
1. het getal 703
siebenhundertdrei
/ˌzøvənˌhɔndərˈdrijənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 733
siebenhundertdreiunddreißig
/ˌzøvənˌhɔndərˈdrijəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 793
siebenhundertdreiundneunzig
/ˌzøvənˌhɔndərˈdrijənˌtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 783
siebenhundertdreiundachtzig
/ˌzøvənˌhɔndərˈdrijənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 723
siebenhundertdreiundzwanzig
/ˌzøvənˌhɔndərˈdrijəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 743
siebenhundertdreiundvierzig
/ˌzøvənˌhɔndərˈdrijəɱˌvɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 753
siebenhundertdreiundfünfzig
/ˌzøvənˌhɔndərˈdrijənˌsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 763
siebenhundertdreiundsechzig
/ˌzøvənˌhɔndərˈdrijənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 773
siebenhundertdreiundsiebzig
/ˌzøvənˌhɔndərtˈen/
cardinalNumeral
1. het getal 701
siebenhunderteins
/ˌzøvənˌhɔndərtˈenənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 731
siebenhunderteinunddreißig
/ˌzøvənˌhɔndərtˈenəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 791
siebenhunderteinundneunzig
/ˌzøvənˌhɔndərtˈenənˌtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 781
siebenhunderteinundachtzig
/ˌzøvənˌhɔndərtˈenənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 721
siebenhunderteinundzwanzig
/ˌzøvənˌhɔndərtˈenəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 741
siebenhunderteinundvierzig
/ˌzøvənˌhɔndərtˈenəɱˌvɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 751
siebenhunderteinundfünfzig
/ˌzøvənˌhɔndərtˈenənˌsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 761
siebenhunderteinundsechzig
/ˌzøvənˌhɔndərtˈenənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 771
siebenhunderteinundsiebzig
/ˌzøvənˌhɔndərtˈɛlᵊf/
cardinalNumeral
1. het getal 711
siebenhundertelf
/ˌzøvənˌhɔndərtˈneɣən/
cardinalNumeral
1. het getal 709
siebenhundertneun
/ˌzøvənˌhɔndərtˈneɣənənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 739
siebenhundertneununddreißig
/ˌzøvənˌhɔndərtˈneɣənəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 799
siebenhundertneunundneunzig
/ˌzøvənˌhɔndərtˈneɣənənˌtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 789
siebenhundertneunundachtzig
/ˌzøvənˌhɔndərtˈneɣənənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 729
siebenhundertneunundzwanzig
/ˌzøvənˌhɔndərtˈneɣənəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 749
siebenhundertneunundvierzig
/ˌzøvənˌhɔndərtˈneɣənəɱˌvɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 759
siebenhundertneunundfünfzig
/ˌzøvənˌhɔndərtˈneɣənənˌsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 769
siebenhundertneunundsechzig
/ˌzøvənˌhɔndərtˈneɣənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 779
siebenhundertneunundsiebzig
/ˌzøvənˌhɔndərtˈneɣənˌtin/
cardinalNumeral
1. het getal 719
siebenhundertneunzehn
/ˌzøvənˌhɔndərtˈneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 790
siebenhundertneunzig
/ˌzøvənˌhɔndərˈtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 780
siebenhundertachtzig
/ˌzøvənˌhɔndərˈtin/
cardinalNumeral
1. het getal 710
siebenhundertzehn
/ˌzøvənˌhɔndərˈtwalᵊf/
cardinalNumeral
1. het getal 712
siebenhundertzwölf
/ˌzøvənˌhɔndərˈtwe/
cardinalNumeral
1. het getal 702
siebenhundertzwei
/ˌzøvənˌhɔndərˈtwejənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 732
siebenhundertzweiunddreißig
/ˌzøvənˌhɔndərˈtwejəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 792
siebenhundertzweiundneunzig
/ˌzøvənˌhɔndərˈtwejənˌtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 782
siebenhundertzweiundachtzig
/ˌzøvənˌhɔndərˈtwejənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 722
siebenhundertzweiundzwanzig
/ˌzøvənˌhɔndərˈtwejəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 742
siebenhundertzweiundvierzig
/ˌzøvənˌhɔndərˈtwejəɱˌvɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 752
siebenhundertzweiundfünfzig
/ˌzøvənˌhɔndərˈtwejənˌsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 762
siebenhundertzweiundsechzig
/ˌzøvənˌhɔndərˈtwejənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 772
siebenhundertzweiundsiebzig
/ˌzøvənˌhɔndərˈtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 720
siebenhundertzwanzig
/ˌzøvənˌhɔndərtˈfertin/
cardinalNumeral
1. het getal 714
siebenhundertvierzehn
/ˌzøvənˌhɔndərtˈfertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 740
siebenhundertvierzig
/ˌzøvənˌhɔndərtˈfir/
cardinalNumeral
1. het getal 704
siebenhundertvier
/ˌzøvənˌhɔndərtˈfirənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 734
siebenhundertvierunddreißig
/ˌzøvənˌhɔndərtˈfirəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 794
siebenhundertvierundneunzig
/ˌzøvənˌhɔndərtˈfirənˌtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 784
siebenhundertvierundachtzig
/ˌzøvənˌhɔndərtˈfirənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 724
siebenhundertvierundzwanzig
/ˌzøvənˌhɔndərtˈfirəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 744
siebenhundertvierundvierzig
/ˌzøvənˌhɔndərtˈfirəɱˌvɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 754
siebenhundertvierundfünfzig
/ˌzøvənˌhɔndərtˈfirənˌsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 764
siebenhundertvierundsechzig
/ˌzøvənˌhɔndərtˈfirənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 774
siebenhundertvierundsiebzig
/ˌzøvənˌhɔndərtˈfɛif/
cardinalNumeral
1. het getal 705
siebenhundertfünf
/ˌzøvənˌhɔndərtˈfɛifənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 735
siebenhundertfünfunddreißig
/ˌzøvənˌhɔndərtˈfɛifəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 795
siebenhundertfünfundneunzig
/ˌzøvənˌhɔndərtˈfɛifənˌtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 785
siebenhundertfünfundachtzig
/ˌzøvənˌhɔndərtˈfɛifənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 725
siebenhundertfünfundzwanzig
/ˌzøvənˌhɔndərtˈfɛifəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 745
siebenhundertfünfundvierzig
/ˌzøvənˌhɔndərtˈfɛifəɱˌvɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 755
siebenhundertfünfundfünfzig
/ˌzøvənˌhɔndərtˈfɛifənˌsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 765
siebenhundertfünfundsechzig
/ˌzøvənˌhɔndərtˈfɛifənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 775
siebenhundertfünfundsiebzig
/ˌzøvənˌhɔndərtˈfɛiftin/
cardinalNumeral
1. het getal 715
siebenhundertfünfzehn
/ˌzøvənˌhɔndərtˈfɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 750
siebenhundertfünfzig
/ˌzøvənˌhɔndərtˈsɛs/
cardinalNumeral
1. het getal 706
siebenhundertsechs
/ˌzøvənˌhɔndərtˈsɛsənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 736
siebenhundertsechsunddreißig
/ˌzøvənˌhɔndərtˈsɛsəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 796
siebenhundertsechsundneunzig
/ˌzøvənˌhɔndərtˈsɛsənˌtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 786
siebenhundertsechsundachtzig
/ˌzøvənˌhɔndərtˈsɛsənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 726
siebenhundertsechsundzwanzig
/ˌzøvənˌhɔndərtˈsɛsəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 746
siebenhundertsechsundvierzig
/ˌzøvənˌhɔndərtˈsɛsəɱˌvɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 756
siebenhundertsechsundfünfzig
/ˌzøvənˌhɔndərtˈsɛsənˌsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 766
siebenhundertsechsundsechzig
/ˌzøvənˌhɔndərtˈsɛsənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 776
siebenhundertsechsundsiebzig
/ˌzøvənˌhɔndərtˈsɛstin/
cardinalNumeral
1. het getal 716
siebenhundertsechzehn
/ˌzøvənˌhɔndərtˈsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 760
siebenhundertsechzig
/ˌzøvənˌhɔndərtˈsøvən/
cardinalNumeral
1. het getal 707
siebenhundertsieben
/ˌzøvənˌhɔndərtˈsøvənənˌdɛrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 737
siebenhundertsiebenunddreißig
/ˌzøvənˌhɔndərtˈsøvənəˌneɣəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 797
siebenhundertsiebenundneunzig
/ˌzøvənˌhɔndərtˈsøvənənˌtɑxtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 787
siebenhundertsiebenundachtzig
/ˌzøvənˌhɔndərtˈsøvənənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 727
siebenhundertsiebenundzwanzig
/ˌzøvənˌhɔndərtˈsøvənəɱˌvertəx/
cardinalNumeral
1. het getal 747
siebenhundertsiebenundvierzig
/ˌzøvənˌhɔndərtˈsøvənəɱˌvɛiftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 757
siebenhundertsiebenundfünfzig
/ˌzøvənˌhɔndərtˈsøvənənˌsɛstəx/
cardinalNumeral
1. het getal 767
siebenhundertsiebenundsechzig
/ˌzøvənˌhɔndərtˈsøvənənˌzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 777
siebenhundertsiebenundsiebzig
/ˌzøvənˌhɔndərtˈsøvənˌtin/
cardinalNumeral
1. het getal 717
siebenhundertsiebzehn
/ˌzøvənˌhɔndərtˈsøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 770
siebenhundertsiebzig
/ˈzøvənˌtin/
cardinalNumeral
1. het getal 17
siebzehn
/ˈzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 70
siebzig
phraseologicalUnit
sich mit Hand und Fuß wehren
noun
1. wat gezien kan worden
Sicht
noun
1. het vanaf een bepaald standpunt langs een lijn geboden vrije uitzicht naar een karakteristiek punt
Sichtachse
adjective
sichtbar
/ˈzɪxtrekəˌnɪŋ/
noun
1. rekening waarop men geld kan plaatsen dat op elk ogenblik beschikbaar is.
Girokonto
reflexivePersonalPronoun
  1. sich
  2. sich selbst
/ˈzidə(n)/
verb
  1. 1. hevig beroerd worden
    kochen
  2. 1. koken
    1. kochen
    2. sieden
noun
1.1 bedrijf dat zeep bereidt door vet met loog te zieden
Seifenfabrik
adjective
1. lichamelijke toestand
krank
adjective
1. geneigd om vaak ziek te zijn
kränkelnd
noun
1. compensatie voor loon gederfd door ziekte
Krankengeld
/ˈzi.kǝn.ˌɦœʏs/
noun
1. instelling voor onderzoek, behandeling en verpleging van zieken
  1. Krankenhaus
  2. Hospital
noun
1. een voertuig ingericht voor het vervoer van patiënten, gewoonlijk naar een ziekenhuis toe
Krankenwagen
noun
1. een van de zeven sacramenten van de Rooms-Katholieke Kerk alsmede van de Orthodoxe Kerk dat door een priester wordt toegediend aan zieken die in doodsgevaar verkeren
Krankensalbung
noun
Krankheit
noun
  1. Morbus Crohn
  2. Crohn-Krankheit
noun
1. ziekte die het centrale zenuwstelsel steeds verder aantast
Parkinson-Krankheit
noun
1. een micro-organisme dat ziekte veroorzaakt
Krankheitskeim
noun
Pathologie
/zil/
noun
1. het veronderstelde wezen van het niet-stoffelijke van de mens
Seele
verb
  1. 1. waarnemen met het oog
    1. sehen
    2. schauen
  2. iets over het hoofd zien
    übersehen
/ˈzɪftə(n)/
verb
1. de grote van de kleine deeltjes scheiden met behulp van een zeef
  1. sieben
  2. seihen
/siˈɣønər/
noun
Zigeuner
/sɛɪ̯/, /zɛɪ̯/, /zɛː/
noun
1. een van beide kanten van een lichaam
Seite
/sɛɪ̯/, /zɛɪ̯/, /zɛː/
personalPronoun
  1. 1. 3e persoon enkelvoud vrouwelijk
  2. 2. 3e persoon meervoud
sie
noun
Seitenschiff
noun
  1. 2. vezel van de cocon van de zijdevlinder
    Seide
  2. 1. kant
    Seite
adjective
  1. Seidengrau
  2. seidengrau
/ˈzɛɪdə(n)/, /ˈzɛːdə(n)/
adjective
  1. 2. op zijde gelijkend
  2. 1. van zijde, van zijdegaren vervaardigd
seiden
noun
1. de larve van de zijdevlinder
Seidenraupe
noun
1. de vlinder die uit de zijderups komt
Seidenspinner
noun
1. rups van de zijdevlinder, Bombyx mori
Seidenspinner
/zɛɪkɑnt/
noun
1. datgene dat de zijde vormt
Seite
noun
Siel
possessivePronoun
1. derde persoon enkelvoud m/o
sein
verb
    1. 5. gelijk zijn aan.
    2. 6. tot de groep behoren van
    3. 3. zich bevinden.
    4. 7. de eigenschap hebben.
    5. 10. zijn + voltooid deelwoord: hulpwerkwoord van de voltooide tijd van ergatieven
    sein
  1. 1. bestaan
    1. sein
    2. bestehen
    3. geben
  2. 11. zijn + voltooid deelwoord: hulpwerkwoord van de voltooide tijd van de lijdende vorm
    1. sein
    2. worden
/ˈzɛinərˌzɛits/
adverb
1. van zijn kant
seinerseits
verb
1. een proces waarbij een vloeistof zich door de kieren en poriën van een vaste massa heen begeeft
sickern
noun
1. een rivier die niet in zee maar in een andere rivier uitmondt
  1. Nebenfluss
  2. Zufluss
/'zɛɪspɑn/
noun
1. karretje dat naast een motorfiets bevestigd is voor het vervoer van een passagier
  1. Beiwagen
  2. Seitenwagen
noun
1. een wind die haaks staat op de rij- of vaarrichting
Seitenwind
/zɪlt/
adjective
1. met een relatief hoog zoutpercentage
salzig
noun
Silber
noun
Silberbromid
phraseologicalUnit
  1. Silberenmedaille
  2. Silbermedaille
adjective
  1. Silbergrau
  2. silbergrau
noun
1. grote meeuwensoort
Silbermöwe
noun
1. AgNO₃
Silbernitrat
noun
1. benaming voor naaldbomen uit het geslacht Abies
Tanne
noun
1.1 bepaald soort insect Lepisma saccharina
Silberfischchen
/'zɪlvərvlisrɛist/
noun
rijst waarvan de zemelen en de kiem niet verwijderd zijn
  1. Vollkornreis
  2. brauner Vollkornreis
adjective
1. lichtgrijs met een metaalglans
silberweiß
noun
1. een fijne witte zandsoort met een laag ijzergehalte die vrijwel geheel uit kwarts bestaat
Quarzsand
/zɪm.ˈbɑ.b<sup>ʊ</sup>ə/, /zɪm.ˈbɑp.wə/
pronoun
land in zuidelijk Afrika, officieel de Republiek Zimbabwe
Simbabwe
noun
1. een serie woorden die gezamenlijk in syntactisch verband een afgerond geheel vormen
Satz
adjective
  1. 1.1 van kinderen: poepend en plassend op een toiletpot
    1. sauber werdend
    2. trocken werdend
  2. 2. schoon, rein
    1. sauber
    2. rein
  3. 1.2 van huisdieren: alleen buitenshuis of binnenshuis op een daarvoor bestemde plaats poepend en plassend
    stubenrein
noun
1. een jong kind leren om de natuurlijke behoeften te beheersen en alleen uit te oefenen op een aangewezen plek
Sauberkeitserziehung
verb
1. het musiceren met de menselijke stem
singen
noun
1. (muziekinstrument) een zaag die gebruikt wordt als muziekinstrument
  1. singende Säge
  2. Spielsäge
noun
  1. 1. , een scheikundig element met symbool Zn en atoomnummer 30. Het is een blauw/wit overgangsmetaal
  2. 1. zink (muziekinstrument)
Zink
verb
1. in een vloeistof, meestal water, traag naar beneden zakken
  1. sinken
  2. untergehen
adjective
  1. Zinkgelb
  2. zinkgelb
noun
1. ZnO
Zinkoxid
adjective
1. iets dat geen zin (nut) heeft
sinnlos
noun
1. concrete figuur voor een abstract begrip
Symbol
adjective
1. dat wat zin heeft, een toekomstig nut dient
sinnvoll
noun
1.syntactische eenheid binnen een zin
Satzteil
noun
1. volgorde van zinsdelen in een zin
  1. Konstituentenfolge
  2. Satzgliedfolge
  3. Satzteilfolge
verb
1. op minder duidelijke wijze naar iets refereren
anspielen
/ˈzɪntœx/, /ˈzɪntœyx/
noun
1. orgaan
  1. Sinnesorgan
  2. Sinn
/zijoˈnɪsmə/
noun
Zionismus
noun
1. scheikundig element met symbool Zr en atoomnummer 40
  1. Zirkonium
  2. Zirconium
/zɪr'koːn/
noun
1. een mineraal
Zirkon
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Beieren
Zirndorf
noun
Sitzbad
noun
Wohnzimmer
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Saksen
Zittau
/ˈzɪ.tə(n)/
verb
1. op het zitvlak rusten
sitzen
noun
1. achterste, achterwerk
Gesäß
noun
1. zitmeubel
Sitzsack
adverb
1. net, even tevoren
  1. eben
  2. gerade
  3. soeben
conjunction
  1. 2. bijvoorbeeld
  2. 1. in die mate als
wie
adverb
1. in die mate
  1. dermaßen
  2. derart
conjunction
en daardoor
damit
noun
1. landbouwmachine die graszoden snijdt
Rasensodenschneider
adverb
1. op die wijze
  1. somit
  2. folglich
conjunction
1. geeft aan welke gebeurtenis eerst moe(s)t plaatsvinden
sobald
noun
Zuave
adjective
1. niet terug te vinden
  1. abgängig
  2. fehlend
  3. futsch
  4. gefragt
  5. gesucht
verb
1. proberen te vinden
suchen
noun
Suchscheinwerfer
noun
1. een instrument waarmee men informatie kan zoeken in een bepaalde collectie...
Suchmaschine
verb
1. zo behandelen dat iets niet meer terug te vinden is
  1. verlegen
  2. verkramen
/'zukraːkən/
verb
1. in een toestand geraken dat iets niet langer terug te vinden is
verloren gehen
noun
Suchbegriff
pronoun
1. Bantoetaal die door 12 miljoen mensen in Zuid-Afrika wordt gesproken
Zulu
adjective
1.
zulusprachig
verb
1. een vrij zacht continu geluid voortbrengen dat op de z-klank lijkt
summen
verb
1. met de mond liefkozen
küssen
/ˈzut/
adjective
  1. 5. gehoorzaam, braaf
    brav
  2. 1. ter omschrijving van een vaak als aangename ervaren smaak zoals die van suiker
    süß
noun
1.
Süßwasser
noun
1. een zetmeel houdende knol behorend tot dezelfde orde van planten als de aardappel
  1. Sußkartoffel
  2. Süßkartoffel
/ˈzu.tə(n)/
verb
1. zoet maken
zuckern
noun
  1. Süßigkeit
  2. Süße
/ˈzuthʌʊt/
noun
  1. 2. gedroogde wortelstok van de gelijknamige plant
    Süßholz
  2. 1. Glycyrrhiza glabra, een plant die tot de vlinderbloemigen behoort
    1. Süßholzstrauch
    2. Lakritze
    3. Süßholz
/ˈzutəxhɛit/
noun
1. etenswaar met een zoete smaak
Süßigkeit
noun
zoetwater
Süßwasser
/ˈzoːɣ.ə(n)/
verb
1. moedermelk geven
  1. stillen
  2. nähren
/zo.ɣə.'namt/
adjective
1. door anderen zo genoemd (waarmee de gebruiker afstand nemend van de naam of het begrip zelf), niet echt
so genannt
/zo.ɣə.'namt/
adverb
1. naar (betwijfelde) bewering
  1. so genannt
  2. angeblich
adverb
korte tijd geleden
  1. eben
  2. gerade
  3. soeben
/ˈzɔldər/
noun
3. ruimte onder een (schuin) dak
  1. Dachboden
  2. Dachgeschoss
/zolə(n)/
verb
1.
besohlen
adverb
1. op willekeurige wijze, zonder nadenken of voorbereiden
  1. einfach so
  2. ohne weiteres
noun
1. door magie uit de dood teruggebracht persoon
Zombie
verb
1. van zomen voorzien
säumen
noun
  1. Sommer
  2. Sommerzeit
/ˈzomərblum/
noun
1. kleurrijke en geurige bloeiwijze van een plant die typisch in het warmste deel van het jaar bloeit
Sommerblume
noun
1. zomerdag
Sommertag
noun
1. bepaald soort loofboom, Quercus robur
Stieleiche
noun
Sommerlager
noun
1. zomermaand
Sommermonat
noun
1. modieuze kleding voor een bepaalde zomer
Sommermode
noun
1. zomernacht
Sommernacht
noun
1. noorderlijk keerpunt van de zon
Sommersonnewende
adjective
1. typerend voor de zomer
sommerlich
noun
1. regeling waarbij de klok gedurende de lente- en zomermaanden een uur vooruit wordt gezet
Sommerzeit
/ˈzo.mər.va.ˌkɑn.si/, /ˈzo.mər.va.ˌkɑn.tsi/
noun
1. een lange vakantie in de zomer
Sommerferien
noun
Sommerwetter
noun
1. noorderlijk keerpunt van de zon
Sommersonnewende
noun
1. noorderlijk keerpunt van de zon
Sommersonnewende
noun
1. noorderlijk keerpunt van de zon
Sommersonnewende
noun
1. de ster waar de planeet aarde omheen draait, hemellichaam dat de aarde overdag verlicht
  1. Sonne
  2. Sonnenschein
noun
1.
Sünder
noun
1. een dag van de week die na zaterdag en voor maandag komt
Sonntag
noun
1. een krant die op zondag verschijnt
Sonntagszeitung
adverb
sonntäglich
noun
1. krant die op zondag verschijnt
Sonntagszeitung
noun
1. een krant die op zondag verschijnt
Sonntagszeitung
noun
1. overtreding van een goddelijke wet of regel
Sünde
noun
  1. 1.
  2. 2.
Sündenbock
preposition
1. In afwezigheid van
ohne
/zɔndəɣə(n)/
verb
1. het overtreden van een religieuze wet
sündigen
noun
1. een catostrofale Bijbelse vloed
Sintflut
/ˈzoːnə/
noun
1. bepaald gebied dat is afgebakend van aangrenzend gebied
Zone
/ˈzɔneˌklɪps/
noun
1. het verschijnsel dat de maan voor de zon langstrekt, waardoor het zonlicht geblokkeerd wordt
Sonnenfinsternis
adverb
1. als dit niet het geval zou zijn
sonst
noun
1. de zichtbare elektromagnetische straling van de ster waarrond onze aarde draait
Sonnenlicht
/'zɔnəʔenɛr'ɣi/
noun
1. energie die gewonnen wordt uit de straling van de zon
  1. Sonnenenergie
  2. Solarenergie
/ˈzɔnəban/
noun
1. de cirkel aan de hemel die de zon in één jaar schijnt te doorlopen, in werkelijkheid dus de aardbaan
Eklíptik
/zɔnəbɑt/
noun
het doelbewust de huid aan de stralen van de zon blootstellen om bruin te worden
Sonnenbad
verb
1. een of meerdere zonnebaden nemen
sonnenbaden
noun
1. iemand die in het zonlicht plaatsneemt om daarvan te genieten en meestal ook om een bruine huid te krijgen
Sonnenanbeter
noun
1. ligbank met lampen die ultraviolette stralen uitzenden waardoor de huid bruin wordt
Sonnenbank
noun
1. vensterluik met horizontale latjes, om de zonnestralen buiten te houden
Jalousie
/ˈzɔnəˌblum/
noun
1. bepaald soort tot 3 meter hoge plant met een grote gele bloem, Helianthus annuus
Sonnenblume
noun
1.
Sonnenblumenöl
noun
1. de vaak pijnlijke gevolgen van een blootstelling van de huid aan een te grote dosis ultraviolet licht
Sonnenbrand
noun
1. substantie tegen verbranding van de huid
Sonnenblocker
noun
1. een bril met speciale glazen (dikwijls polaroid) om de ogen tegen het zonlicht te beschermen
Sonnenbrille
noun
Solarzelle
noun
Sonnenkollektor
noun
Solarkonstante
adjective
  1. Sonnengelb
  2. sonnengelb
/ˈzɔ.nə.ˌjar/
noun
1. de tijd die het de aarde kost één keer rond de zon te draaien
  1. Solarjahr
  2. Sonnenjahr
noun
Sonnengesang
/ˈzɔnəpɑˌnel/, /ˈzɔnəpɑˌnɪːɫ/
noun
1. een paneel dat stralingsenergie van de zon omzet in elektriciteit
  1. Solarmodul
  2. Sonnenkollektor
noun
1. regen terwijl gelijktijdig de zon schijnt
Sonnenregen
noun
1. het licht dat van de zon afkomstig is
Sonnenschein
noun
1. plotselinge aandoening van de hersenen ten gevolge van te felle zonneschijn of te grote hitte
Sonnenstich
noun
1.
Sonnensystem
noun
1. keerpunt van de zon
Sonnewende
noun
Sonnenstrahl
noun
Aufwindkraftwerk
noun
1. magnetische onregelmatigheid aan de oppervlakte van de zon die vanaf de aarde te zien is als een wat donkere vlek
Sonnenfleck
/ˈzɔnəˌwɛndə/, /ˈzɔnəˌʋɛndə/, /ˈzɔnəˌβ̞ɛndə/
noun
1. de gebeurtenis waarbij de zon, vanuit de aarde gezien, de meest noordelijke of zuidelijke positie (de keerkringen) bereikt
Sonnenwende
noun
Sonnenuhr
noun
1. de stroom deeltjes die de zon uitstraalt
Sonnenwind
adjective
1. zonovergoten, met zonneschijn
sonnig
noun
1. de hoogte van de zon boven de horizon
Sonnenhöhen
/zɔn'zɔndərχɑŋ/
noun
1. het ondergaan van de zon
Sonnenuntergang
noun
1. het opkomen van de zon
Sonnenaufgang
/zɔnˈsɔpkɔmst/
noun
1. het 's morgens boven de horizon uitkomen van de zon
Sonnenaufgang
/ˈzɔnsvərˌdœʏ̯stərɪŋ/, /ˈzɔnsvərˌdœːstərɪŋ/
noun
1. het verschijnsel dat de maan voor de zon langstrekt, waardoor het zonlicht geblokkeerd wordt
Sonnenfinsternis
/zuː/
noun
1. verzameling levende, oorspronkelijk wilde dieren.
  1. Zoo
  2. Tiergarten
  3. Tierpark
/ˈzox.diːr/, /ˈzoːɣ.diːr/, /ˈzoχ.diːr/
noun
1. werveldier dat zijn jongen zoogt
Säugetier
noun
  1. 1. onderkant van de voet
  2. 3. onderkant van een schaaf
Sohle
/zoːn/
noun
1. een mannelijk kind
Sohn
noun
  1. 2. verpleging, voorzien in een behoefte
    Pflege
  2. 1. behoedzame overweging
    Sorge
verb
1. zorg dragen
sorgen
noun
1. (economie) een stelsel en systematiek voor de regulering van de zorgvoorziening
Gesundheitssystem
noun
1.
  1. Betreuer
  2. Bezugsperson
noun
1. een bedrijf dat tegen betaling van een premie een bepaald risico in ziektezaken voor een klant dekt
  1. Krankenkasse
  2. Krankenversicherer
noun
1. het aandacht besteden aan alle mogelijke details
  1. Sorgfalt
  2. Genauigkeit
adjective
1. met de nodige zorg
sorgsam
noun
1. hoofddeksel van een nar
  1. Narrenkappe
  2. Schellenkappe
/zɑu̯t/
adjective
1. zout bevattend of zout smakend
  1. salzig
  2. salzartig
/zɑu̯t/
noun
1. alledaagse naam voor keukenzout
  1. Salz
  2. Kochsalz
adjective
1. overdrachtelijk: waar alle belangwekkendheid aan ontbreekt
  1. fade
  2. abgeschmackt
verb
1. met zout conserveren
salzen
/ˈzɑutˌvacə/
noun
2. tafelgereedschap dat het zout bevat en strooit
  1. Salzstreuer
  2. Salzfässchen
noun
1. decoratieve pot die het zout bevat
Salzfass
noun
Salzwasser
noun
1. een oplossing
Salzsäure
indefiniteCardinalNumeral
  1. 1. een bepaalde hoeveelheid
  2. 2. een onbepaald, bekend of bekend geacht aantal
so viel
adverb
1. tot het genoemde of bedoelde punt
so weit
adverb
1. evenzeer
sowohl
/ˈzo.zo/
adjective
  1. so lala
  2. solala
noun
Geozoologie
noun
1. de wetenschap die de dieren bestudeert.
  1. Zoologie
  2. Tierkunde
/zoʔo'lox/
noun
1. een wetenschapper die zich bezig houdt met de studie van dieren.
  1. Zoologe
  2. Zoologin
noun
1. plantaardig plankton
Zooplankton
noun
  1. 1. onbedwingbare drang, verslaving
    1. Begierde
    2. Sucht
  2. 1. hoorbare uitademing
    Seufzer
pronoun
1. de hoogste berg van Duitsland
Zugspitze
/zœʏ̯t/, /zœːd/, /zœːt/
adverb
Süd
/zœʏ̯t.'a.fri.ka/, /zœː'.dɑ.fri.ka/, /zœːt.'a.fri.ka/
pronoun
land in het zuiden van Afrika
Südafrika
noun
Merluccius capensis
Kap-Seehecht
/ˌzœʏ̯t aˈmɪːrika/, /ˌzœːd aˈmeːrika/
pronoun
een continent dat ten zuiden van Noord-Amerika ligt, tussen de Grote en de Atlantische Oceaan
Südamerika
pronoun
1. regio van Tsjechië
Südböhmische Region
pronoun
1. is een randzee van de Grote Oceaan en ligt ten zuiden van China
Südchinesisches Meer
pronoun
het zuidelijk deel van Europa
Südeuropa
/zœʏ̯.ˈtɔ.lɑnt/, /zœːt.ˈɦɔ.lɑnt/, /ˈzœːd.hɔ.lɑnd/
pronoun
1. een provincie in het zuidwesten van Nederland, die aan Noord-Holland, Utrecht, Gelderland, Noord-Brabant, Zeeland en de Noordzee grenst
Südholland
/ˌzœʏ̯t koˈre.ja/, /ˌzœːt koˈre.ja/
pronoun
1. en 2., land en republiek in Azië
  1. Republik Korea
  2. Südkorea
pronoun
1. regio van Tsjechië
Südmährische Region
pronoun
Südtirol
adjective
1.
südlich
/ˈzœy̯.də(n)/
noun
Süden
noun
1. denkbeeldige cirkel op 23,439 graden zuiderbreedte
südlicher Wendekreis
noun
Südlicht
pronoun
1.
Suderwick
adverb
Südost
pronoun
1. Noordpool
Südpol
noun
1.
Südlicht
adverb
Südwest
noun
1. hoofddeksel
Südwester
adverb
Südsüdost
adverb
Südsüdwest
/ˈzœy̯.ɣə(n)/
verb
  1. 1. (met de mond) naar zich toe trekken
    saugen
  2. 2. de moedermelk in zich opnemen
    säugen
noun
Kolben
noun
  1. Kolbenbolze
  2. Kolbenzapfe
noun
1.
Hubkolbenpumpe
noun
Kolbenring
noun
  1. Pleuel
  2. Pleuelstange
  3. Treibstange
noun
Kolbenring
noun
Dunstabzugshaube
noun
1.
Saugmund
noun
  1. Säule
  2. Pfeiler
noun
1. iemand die bij wijze van terugtrekking uit de wereld boven op een zuil woont
Säulenheilige
/ˈzœʏ̯.nəχ.ˌɦɛɪ̯t/, /ˈzœː.nəx.ˌɦɛːt/, /ˈzœː.nɪx.ˌhɛɪ̯d/
noun
1. het zuinig zijn
Sparsamkeit
verb
1. zwaar of gulzig drinken
saufen
noun
1. verzamelnaam voor melkproducten
Milchprodukte
noun
1. voedingsmiddel op basis van melk
Milchprodukt
adjective
1. onbezoedeld, zonder verontreiniging
  1. sauber
  2. rein
adjective
  1. Reingrün
  2. reingrün
adjective
  1. Reinorange
  2. reinorange
adjective
  1. Reinrot
  2. reinrot
adjective
  1. Reinweiß
  2. reinweiß
verb
1. van verontreinigingen ontdoen
säubern
/zɵlk/
exclamativePronoun
solch
/ˈzʏ.lə(n)/
verb
werden
pronoun
1.
Zülpich
noun
1. en 2. een geslacht van meest overblijvende, kruidachtige planten uit de duizendknoopfamilie...
  1. Ampfer
  2. Sauerampfer
noun
1. een ander kind van dezelfde ouders van het vrouwelijk geslacht
Schwester
noun
1. vrouwelijk kind van dezelfde ouders
Schwester
/zyːr/
adjective
1. een smaak hebbend zoals van citroensap of azijn
sauer
/zyːr/
noun
  1. 5. pyrosis
    Sodbrennen
  2. 1. zure vloeistof
    1. Säure
    2. sauer
/ˈzyrɣrat/
noun
1. de mate waarin iets zuur is, gewoonlijk gemeten als de negatieve logaritme (-log) van de concentratie waterstofionen
Säuregrad
noun
1. fijngesneden en licht gezouten kool die enige tijd gefermenteerd is
  1. Sauerkraut
  2. Sauerkohl
/ˈzyːrstɔf/
noun
1. een scheikundig element en een bij kamertemperatuur kleurloos twee-atomig gas O₂
  1. Sauerstoff
  2. Oxygen
  3. Oxygenium
adjective
1. een laag gehalte aan zuurstof bevattend
sauerstoffarm
noun
Sauerstofftank
noun
1. snoep in de vorm van een gekleurde staaf met een zoetzure smaak
Zuckerstange
noun
1. plant
  1. Guanabana
  2. Guanábana
  3. Sauersack
  4. Stachelannone
verb
  1. 2. aandacht vragen door met de armen heen en weer te bewegen
    fuchteln
  2. 1. begroeten door met de hand heen en weer te bewegen
    schwingen
noun
1.
Schmiege
noun
Blaulicht
/zʋan/
noun
1. benaming voor watervogels met lange sierlijke hals uit het geslacht Cygnus
Schwan
adjective
van groot gewicht
schwer
noun
1. water waarin de waterstofatomen vervangen zijn door de waterstofisotoop deuterium
Schweres Wasser
noun
1. een lang, scherp wapen
Schwert
noun
1.1 bepaald soort zeevis, Xiphias gladius
Schwertfisch
noun
1. Orcinus orca, een soort van walvis, vrij gedrongen van bouw en een opvallende rugvin
Schwertwal
adjective
1. van groot lichaamsgewicht
  1. beleibt
  2. korpulent
adjective
schwermütig
noun
1. de kracht die de wederzijdse aantrekking van massa veroorzaakt
  1. Gravitation
  2. Schwerkraft
noun
  1. Seitenhalbierende
  2. Median
  3. Schwerlinie
noun
Schwerpunkt
adverb
  1. bedeutsam
  2. gewichtig
  3. schwerwiegend
/ˈzwɑbər/
noun
  1. Wischmopp
  2. Mopp
  3. Schwabber
/ˈzwɑbərə(n)/
verb
1. het reinigen met een zwabber
moppen
pronoun
Schwaben
pronoun
1. bepaalde Opperduitse streektaal
Schwäbisch
/ˈzʋa.ɣər/
noun
  1. Schwager
  2. Schwiegerbruder
/zwaɣəˈrɛs/
noun
1. de echtgenote van iemands broer of zus, of de zus van iemands echtgenoot of echtgenote.
Schwägerin
/zwaɣəˈrɨn/
noun
1. de echtgenote van iemands broer of zus, of de zus van iemands echtgenoot of echtgenote.
Schwägerin
/zʋɑk/
adjective
schwach
noun
1. overslaande golf, golvende hoeveelheid water.
Schwall
verb
1.
wogen
noun
1. benaming voor trekvogels uit de familie Hirundinidae
Schwalbe
/ˈzʋɑmə(n)/
verb
1. doelloos en onzinnig praten
schwätzen
adjective
1. de toestand waarin een vrouw verkeert wanneer er in de baarmoeder een bevruchting heeft plaatsgevonden
schwanger
noun
1. de tijd dat een vrouw een ongeboren kind met zich draagt
Schwangerschaft
noun
1. een voortijdige en kunstmatige beëindiging van een zwangerschap
Schwangerschaftsabbruch
noun
Schwangerschaftsübelkeit
noun
1. een voortijdige en kunstmatige beëindiging van een zwangerschap
Schwangerschaftsunterbrechung
noun
2. produkt dat via de urine tekenen van een zwangerschap onthult
Schwangerschaftstest
adjective
1. kleur die wordt waargenomen als iets helemaal geen licht weerkaatst of uitstraalt
  1. schwarz
  2. Schwarz
noun
1. gebied van de ruimte-tijd waaruit niets, zelfs geen licht kan ontsnappen omdat de zwaartekracht te sterk is
  1. schwarzes Loch
  2. Schwarzes Loch
noun
1. betaalmiddelen die afkomstig zijn uit belastingontduiking of onwettige handel
Schwarzgeld
noun
1. een fotoafdruk in zwart-wit
Schwarz-Weiß-Foto
adjective
  1. Schwarzblau
  2. schwarzblau
noun
1. een publicatie van gegevens over een misstand
Schwarzbuch
adjective
  1. Schwarzbraun
  2. schwarzbraun
noun
1. vruchtje van Ribes nigrum
  1. schwarze Johannisbeere
  2. Aalbeere
pronoun
1.
Schwarze Ernz
noun
1./2. plant, zaden en zaaddoos Amomum subulatum
Schwarzer Kardamom
phraseologicalUnit
Schwartzmarkt
phraseologicalUnit
1. begeleider van Sint Nikolaas
  1. (Knecht) Ruprecht
  2. Hans Muff
  3. Krampus
noun
1. gepelde, ongepolijste zaden van specifieke rijstsoorten (Oryza sativa), met een heel donkere kleur
roter Reis
pronoun
1. gebergte in het zuidwesten van Duitsland
Schwarzwald
pronoun
1. de zee die ligt ingeklemd tussen Europa en Klein-Azië
Schwarzes Meer
noun
1. bepaald soort zee-eend, Melanitta nigra
Trauerente
adjective
  1. Schwarzgrau
  2. schwarzgrau
adjective
  1. Schwarzgrün
  2. schwarzgrün
noun
1. bepaald soort vogel, Sylvia atricapilla
Mönchsgrasmücke
/ˈzwɑrt.rɛɪ̯.də(n)/, /ˈzʋɑrt.rɛɪ̯.də(n)/, /ˈzβ̞ɑrt.rɛː.də(n)/
verb
1. van het openbaar vervoer gebruik maken zonder te betalen
schwarzfahren
noun
1. iemand die van het openbaar vervoer gebruikmaakt zonder te betalen
Schwarzfahrer
adjective
  1. Schwarzrot
  2. schwarzrot
noun
1. iemand die zwartwerkt
Schwarzarbeiter
/zʋavəl/
noun
1. scheikundig element met symbool S en atoomnummer 16
  1. Schwefel
  2. Sulfur
noun
Schwefeldioxid
verb
1. met zwaveldamp desinfecteren
schwefeln
adjective
  1. Schwefelgelb
  2. schwefelgelb
noun
Schweflige Säure
noun
1. een verbinding van waterstof en zwavel met de formule H₂S
Schwefelwasserstoff
noun
1. een sterk zuur bestaande uit zwavel, waterstof en zuurstof met een wateronttrekende en bijtende werking
Schwefelsäure
/ˈzweːdə(n)/, /ˈzʋedə(n)/, /ˈzβ̞eːdə(n)/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa, grenzend aan Noorwegen en Finland. De officiële naam is het Koninkrijk Zweden (Konungariket Sverige)
Schweden
/zweds/, /zʋets/, /zβ̞ets/
adjective
1. betreffende Zweden of het Zweeds
  1. schwedisch
  2. Schwedisch
/zweds/, /zʋets/, /zβ̞ets/
pronoun
1. een Germaanse taal die wordt gesproken in Zweden en Finland
  1. Schwedisch
  2. schwedisch
noun
  1. Kettenkarussell
  2. swing carousel
verb
Segelfliegen
noun
1. een piloot die een zweefvliegtuig bestuurt en/of die de sport zweefvliegen beoefent
Segelflieger
noun
1. toestel met vleugels dat zich ongemotoriseerd door de lucht verplaatst door gebruik te maken van opstijgende luchtstromingen
  1. Segelflugzeug
  2. Segler
noun
1. vliegveld waar men zweefvliegen beoefend
Segelflugplatz
noun
  1. Beigeschmack
  2. Hauch
  3. Schimmer
  4. Spur
noun
1.
  1. Ulcus
  2. Ulkus
noun
1. vocht dat door de huid wordt uitgescheiden als koeling en middel om sommige afvalstoffen kwijt te raken
Schweiß
noun
1. de geur van zweet
Schweißgeruch
noun
1.een klier in het lichaam dat zweet produceert
Schweißdrüse
noun
1. de geur van zweet
Schweißgeruch
noun
1. verkleurde of natte plek door zweten
Schweißfleck
noun
  1. 1. oud model fluit
  2. 2. eenhandsfluit
  3. 3. oud orgelregister
Schwegel
/zʋɛlɣə(n)/
verb
  1. 1. gulzig opeten of -drinken
    1. prassen
    2. schlemmen
  2. 2. zich onmatig verlustigen in, te buiten gaan aan
    1. schwelgen
    2. suhlen
verb
1. in volume toenemen
  1. anschwellen
  2. schwellen
/ˈzwɛmbɑd/, /ˈzʋɛmbɑt/, /ˈzβ̞ɛmbɑt/
noun
1. een bassin om in te zwemmen
  1. Schwimmbad
  2. Schwimmbecken
noun
  1. Schwimmbrille
  2. Schwedenbrille
noun
1. kledingstuk voor mannen dat gebruikt wordt om in te zwemmen
Badehose
noun
1. de carrière van een zwemmer of zwemster
Schwimmkarriere
noun
1. kledij bedoeld voor het baden en zwemmen
Badebekleidung
verb
1. zich gecoördineerd door het water voortbewegen
  1. schwimmen
  2. Schwimmen
noun
  1. Fußpilz
  2. Epidermophytie
noun
Schwimmsport
/'zʋɛmvlis/
noun
  1. 2. schoeisel
    1. Schwimmflosse
    2. Flosse
  2. 1. huidplooi
    Schwimmhaut
/'zʋɪːrə(n)/
verb
  1. 2. etteren
    eitern
  2. 1. met een eed bekrachtigen
    schwören
noun
Straßenhund
noun
1. een tocht zonder een vastgesteld reisplan
Streifzug
noun
Wanderwort
/'zʋɛrvə(n)/
verb
1. doelloos of nomadisch heen en weer reizen
  1. umherstreifen
  2. durchstreifen
verb
  1. schweben
  2. segeln
/'zʋevɪŋ/
noun
1. een geluidsverschijnsel dat veroorzaakt wordt door de interferentie van twee tonen met een gering verschil in toonhoogte
Schwebung
noun
1. klierachtig, hormoonvormend orgaan
  1. Thymus
  2. Bries
  3. Thymusdrüse
pronoun
1. en 2.
Zwickau
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Zwiefalten
noun
  1. 2. gratie, elegantie
    Eleganz
  2. 1. draai, zwaai
    Schwung
verb
1. ervan afzien te spreken
schweigen
/'zʋɛɪxɛlt/
noun
Schweigegeld
adjective
1. weinig sprekend
schweigsam
noun
1. een varken
Schwein
noun
1. een bende, een vuile troep
Schweinerei
noun
1. iemand die een kudde zwijnen hoedt
Schweinehirt
/ˈzʋɛinəstɑl/
noun
1. ruimte bestemd voor de huisvesting van varkens; 2. (figuurlijk) vuile boel
Schweinestall
noun
  1. 2. een heraldische figuur in de vorm van de kop van een zwijn
    Schweinekopf
  2. 1. een oud gerecht vervaardigd van de kop van een varken of wild zwijn
    Schweinskopf
/zʋɪk/
noun
  1. 4. het zwikken, verstuiking
    1. Distorsion
    2. Verstauchung
  2. 2. hoekstuk tussen een cirkel en de rechthoekige omlijsting hiervan
    1. Spandrille
    2. Zwickel
  3. 1. een houten pin, wig
    1. Zapfhahn
    2. Zwickel
verb
2. een verdraaiing of verstuiking verkrijgen
verstauchen
/'zʋɪŋəl/
noun
1. houten werktuig om vlas- en hennepvezels van de scheven te bevrijden
  1. Flachsschwinge
  2. Hanfschwinge
/zʋɪŋələ(n)/
verb
1. van vlas- of hennepvezels de aanhangende houtdeeltjes met een zwingel verwijderen
schwingen
/'zʋɪŋəlmolən/
noun
1.
  1. Flachsschwingerin
  2. Bokemühle
pronoun
  1. 1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
  2. 2. een stad in de Duitse deelstaat Hessen
Zwingenberg
/ˈzwɪtsər/, /ˈzʋɪtsər/, /ˈzβ̞ɪtsər/
noun
1. een inwoner van Zwitserland, of iemand afkomstig uit Zwitserland
Schweizer
pronoun
1. verzamelnaam voor een groep Duitse dialecten die gesproken worden door ongeveer zes miljoen mensen in Zuid-Duitsland, Zwitserland, Oostenrijk, Liechtenstein en Oost-Frankrijk
Schweizerdeutsch
/ˈzwɪtsərˌlɑnd/, /ˈzʋɪtsərˌlɑnt/, /ˈzβ̞ɪtsərˌlɑnt/
pronoun
1. een soeverein land in het zuiden van Centraal-Europa met als hoofdstad Bern en als officiële talen het Duits, het Frans, het Italiaans en het Reto-Romaans
Schweiz
noun
1. Duits zoals dat in een Zwitserland wordt gesproken
Schweizerdeutsch
adjective
1. vochtig warm, drukkend, benauwd
schwül
pronoun
Zwolle
/zi'mozə/
noun
1. de fermentatie van suikers door gist
Fermentation
pronoun
Zürich
noun
Åländer
adjective
åländisch
noun
Åländerin
pronoun
1. een groep eilanden in de Oostzee die tot Finland behoren, maar geheel Zweedstalig zijn
Ålandinseln
pronoun
1.
Öhringen
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Ötisheim
pronoun
1. een gemeente in de Duitse deelstaat Saarland
Überherrn
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg
Überlingen
interjection
1. inleiding op een opmerking die met het voorgaande verbonden is
apropos
/ˈɔŋstrøm/
noun
1. lengtemaat met een waarde van 10-10 m
Ångström
/eːn/
cardinalNumeral
1. de inhoud van de kleinste niet-lege verzameling
  1. eins
  2. ein
adverb
ongeacht de omstandigheden
überhaupt