/'smɔr.ɣəns/
adverb
1. in de ochtenduren van de dag
por la mañana
/ˌsxraːvə(n)ˈɦaːɣə/, /ˌsχravə(n)ˈɦaχə/
pronoun
1. een stad en gemeente in de Nederlandse provincie [[Zuid-Holland]]
La Haya
/ˌsɛrtoɣə(m)ˈbɔs/, /ˌsɛrtoχə(m)ˈbɔs/
pronoun
1. stad en gemeente in Noord-Brabant
Bolduque
/aka'pɛla/
adverb
1. zonder instrumentale begeleiding
a cappella
adverb
1. des te eerder, des te meer
tanto más
adverb
a priori
/aʔyˈbe/
interjection
por favor
pronoun
1. een stad in Denemarken
Åbenrå
noun
1. streling, liefkozing
caricia
verb
1. zachtjes strelen
acariciar
verb
acariciando
noun
caricia
noun
1. lang vaartuig met een platte bodem en een brede boeg
  1. barcaza
  2. chalana
  3. chata
  4. barcaza renana
noun
    1. 3. paling
    2. 4. kleine en jonge paling
    anguila
  1. 1. mestvocht
    estiércol liquido
noun
1. bepaald soort struik met eetbare rode bessen Ribes rubrum
  1. grosella
  2. grosella roja
noun
1. een struikachtige plant waarvan de aalbes de vrucht is
grosellero
noun
fisga
noun
1. geestelijke voor militairen, gevangenen en leden van jeugdbewegingen
  1. limosnero
  2. cura castrense
noun
  1. pozo ciego
  2. pozo negro
  3. pozo séptico
noun
1.bepaald soort plant, Artemisia absinthium
  1. absintio
  2. ajenjo
noun
1. benaming voor vogels uit het geslacht Phalacrocorax
cormorán
noun
yunque
noun
1. knobbelachtige zwelling van aders in het onderste deel van de endeldarm en in de anus
hemorroides
noun
2. knobbelachtige zwelling van aders in het onderste deel van de endeldarm en in de anus
hemorroides
adjective
1. kortademig
  1. asmático
  2. disneico
adjective
1. (predicatief) actief, in bedrijf
a
verb
1. de grond rondom ophogen
  1. acollar
  2. aporcar
  3. recalzar
  4. soterrar
  5. terraplenar
verb
1. door het bakken aankoeken, vasthechten
pegarse
noun
1. het smeedblok waarop de smid het gloeiend metaal smeedt
yunque
verb
1. ergens terechtkomen
  1. dar en
  2. ir a parar a
  3. llegar en su destino
verb
1. bij iemand (aan de deur) bellen
llamar
verb
  1. contratar
  2. dar a destajo
  3. sacar a concurso
noun
1. een kans om uitgekozen te worden voor een werk of levering
  1. concurso
  2. destajo
  3. subasta
  4. adjudicación por concurso
noun
1. een eerste betaling bij het kopen van iets op afbetaling of in termijnen
  1. arras
  2. entrada
verb
  1. 3. toevertrouwen
    confiar
  2. 1. over iets of iemand bij iemand (positief) vertellen en adviseren om datgene/diegene te gebruiken/in te schakelen
    1. encomendar
    2. recomendar
    3. aconsejar
  3. 2. aanprijzen
    1. recomendar
    2. aconsejar
adjective
  1. aconsejable
  2. recomendable
adjective
1. een aanbeveling verdienend
  1. recomendable
  2. aconsejable
noun
recomendación
noun
1. een brief waarin men iets of iemand aanbeveelt
  1. carta comendatoria
  2. carta de recomendación
adjective
  1. aconsejable
  2. recomendable
adjective
1. waard om aanbeden te worden
adorable
verb
  1. 2. een persoon op hogere waarde inschatten
    adorar
  2. 1. vereren van een god of heilige door daar een gebed aan te richten
    1. adorar
    2. venerar
noun
  1. 2. verliefd persoon, die een ander het hof maakt
    1. admirador
    2. adorador
  2. 1. vereerder van een goddelijk wezen
    1. adorador
    2. admirador
noun
1. een verering, een eerbiedvolle bewondering
  1. adoración
  2. veneración
  3. devoción
noun
  1. 2. een vrouwelijk verliefd persoon, die een ander het hof maakt
    1. admiradora
    2. adoradora
  2. 1. vereerster van een goddelijk wezen
    1. adoradora
    2. admiradora
verb
  1. 2. iets tegen bepaalde voorwaarden of prijs verhandelbaar stellen
    ofertar
  2. 1. aanreiken, bieden, offreren, presenteren
    1. ofrecer
    2. brindar
    3. presentar
noun
1. iemand die beroepshalve een advies, dienst of een product ter beschikking stelt
oferente
noun
1. iets voordelig te koop aanbieden
  1. oferta
  2. presentación
noun
precio de oferta
verb
  1. 2. doen klinken, door er op de juiste manier in te blazen
    aspirar
  2. 1. van een vuur of een oven
    1. avivar
    2. soplar
noun
2. inspiratie
inspiración
verb
  1. 2. blijven branden
    permanecer encendido
  2. 1. in dezelfde functie blijven
    seguir
noun
  1. 2. het zien van iets
    1. aspecto
    2. espectáculo
  2. 1. de blik van iemand
    vista
noun
1. een aanbieding
  1. ofrecimiento
  2. oferta
  3. proposición
/ˈambɔːrə(n)/
verb
1.
alumbrar
noun
  1. anejo
  2. dependencia
/ˈambʌʊə(n)/
verb
1. ergens iets tegenaan bouwen
ampliar
/ˈambʌʊsəɫ/
noun
1. het aangebouwde
anejo
/ˈambradə(n)/
verb
1. even laten braden
dorar
verb
  1. pegarse
  2. quemarse
verb
añadir al tejido
verb
  1. 1. iets voor het eerst openen
    abrir
  2. 2. beginnen van tijd
    1. amanecer
    2. empezar
    3. comenzar
verb
  1. 4. werven
    1. alistar
    2. hacer prosélitos
    3. reclutar
  2. 1. brengen naar
    1. aplicar
    2. aportar
    3. llevar
    4. traer
  3. 3. verklikken
    1. delatar
    2. denunciar
  4. 2. toevoegen, invoegen
    1. disponer
    2. fijar
    3. introducir
    4. traer
noun
1. een beloning voor het aanwerven
alistamiento
noun
1. gerichte belangstelling of interesse
atención
adverb
1. met belangstelling, met aandacht, met interesse
atento
noun
1. een gebied waaraan men bijzonder veel aandacht moet besteden
campo de interés
noun
1. een onderwerp dat bijzondere aandacht verdient of krijgt
punto de interés
noun
1. een streepje als leesteken om een tussenzin af te scheiden
guion
noun
1. stoornis bij kinderen die zich o.m. uit in concentratieproblemen
  1. TDAH
  2. Trastorno por Déficit de Atención con Hiperactividad
noun
1. een streepje als leesteken om een tussenzin af te scheiden
guion
noun
1. een onderwerp waaraan men bijzondere aandacht moet besteden
campo de interés
noun
1. deel van een stad waar veel mensen met sociale, psychische en financiële problemen wonen
barrio desfavorecido
noun
1. waardepapier
  1. acción
  2. participación
noun
título de acción
noun
1. eigenaar van aandelen, actionaris
accionista
noun
1. een houder van één of meer bewijzen van aandeel
accionista
noun
accionista
noun
índice bursátil
noun
capital en acciones
noun
1. waarde van de aandelen bepaald door de vraag en het aanbod van de aandelen op de beurs
cotización de las acciones
noun
1. de handel in aandelen in het algemeen
mercado de acciones
noun
1. het recht op het kopen en verkopen van aandelen tegen vastgestelde prijzen op een afgesproken datum
opción de compra acciones
noun
1. het totaal van aandelen die iemand beheert
  1. bloque de acciones
  2. lote de acciones
  3. paquete de acciones
noun
  1. memoria
  2. recuerdo
verb
anunciar
verb
  1. 3. overdrijven
    1. abultar
    2. exagerar
  2. 2. dikker maken
    engrosar
  3. 1. dikker worden
    hacerse espeso
verb
  1. 3. (iets) aantasten
    afectar
  2. 2. (iemand iets) berokkenen
    1. causar
    2. dar lugar a
    3. inferir
    4. ocasionar
    5. producir
  3. 4. (iemand) ontroeren
    1. conmover
    2. enternecer
  4. 6. aansteken, ontsteken
    encender
  5. 1. (kleren) aantrekken
    1. poner
    2. ponerse
  6. 5. (iemand of iets) bezoeken
    visitar
noun
  1. 2.
    1. afección
    2. emoción
  2. 1. ziekte
    1. enfermedad
    2. achaque
    3. afección
adjective
  1. conmovedor
  2. enternecedor
  3. patético
verb
  1. 1. vaster draaien
    apretar
  2. 2. iets in werking stellen
    encender
verb
1. ergens naartoe dragen
traer
noun
  1. 1. het aandringen
    agolpamiento
  2. 3. met klem, nadruk
    1. ahínco
    2. encarecimiento
  3. 2. aansporing
    1. insistencia
    2. instancia
    3. porfía
    4. presión
noun
  1. impulso
  2. instinto
noun
  1. eje de impulsión
  2. eje de transmisión
  3. eje motor
  4. árbol de transmisión
  5. árbol motor
noun
correa de transmisión
verb
2. doen bewegen
  1. accionar
  2. impeler
  3. impulsar
noun
1.
  1. propulsión
  2. accionamiento
  3. tracción
verb
  1. 2. iets proberen te verkrijgen
    insistir
  2. 1. doorgaan met verzoeken
    1. insistir
    2. instar
    3. ahincar
    4. apretar
    5. urgir
verb
1. vaster drukken
apretar
verb
1. aanwijzen
  1. indicar
  2. señalar
  3. designar
noun
1. aanwijzing
  1. indicación
  2. denotación
  3. indicio
  4. índice
/'ʔan.dɵr.və(n)/
verb
1. Moed hebben
  1. osar
  2. arriesgar
  3. atreverse
verb
  1. 2. verplaatsen door te duwen
    empujar
  2. 1. vaster duwen
    1. presionar
    2. apretar
verb
een beetje dweilen
fregar
adverb
  1. consecutivamente
  2. de seguida
verb
1. verbonden
concadenado
verb
1. aan elkaar vast hechten
aglutinar
/an.ˈen.sxa.kə.lə(n)/, /an.ˈen.sχa.kə.lə(n)/
verb
1. met schakels verbinden
  1. concadenar
  2. concatenar
noun
encadenamiento
noun
1. iets dat belachelijk of schandelijk is
afrenta
verb
1. betreffen
  1. concernir
  2. incumbir
/anˈɣandə/, /ˈanɣandə/
preposition
  1. concerniente a
  2. en esto de
  3. en lo atañedero a
  4. por lo que respecta a
  5. por lo que toca a
  6. por lo tocante a
verb
  1. estar boquiabierto
  2. estar embobado
  3. mirar con la boca abierta
adjective
1. bij de geboorte verkregen eigenschappen
  1. innato
  2. congénito
adjective
quemado
adjective
1. een staat waarin je verkeert als iets je emotioneel geraakt heeft
afectado
adjective
1. aangetrouwd; getrouwd met
emparentado
noun
1. iemand tegen wie een aanklacht is ingediend
acusado
verb
  1. abordado
  2. arribado
  3. recalado
noun
  1. asunto
  2. negocio
  3. cosa
  4. especie
  5. extremo
  6. particular
adjective
1. een positief gevoel oproepend
agradable
adjective
adoptivo
adjective
2. een beetje dronken
achispado
adjective
3. tijdelijk niet in staat om iets te doen vanwege een emotionele of lichamelijke klap
afligido
adjective
1. beschadigd door inwerking van iets
afectado
adjective
matrimonio, por ~
verb
  1. 3. een gezocht persoon bij de autoriteiten melden
    delatar
  2. 1. aanreiken
    entregar
  3. 2. aanduiden
    1. indicar
    2. señalar
    3. denotar
verb
  1. contradicho
  2. discutido
  3. objetado
noun
  1. cara
  2. rostro
  3. faz
  4. fisonomía
  5. semblante
noun
1. hevige pijnen in het aangezicht
neuralgia facial
conjunction
1. geeft onderschikkend een reden aan
  1. ya que
  2. puesto que
  3. dado que
  4. porque
  5. visto que
  6. como
noun
  1. 2. formulier of schriftelijke verklaring waarmee werd aangegeven
    1. declaración aduanera
    2. declaración de aduana
    3. declaración de impuestos
    4. declaración de la renta
    5. denuncia
  2. 1.3. het melden van goederen bij de douane; aangifte doen
    1. declaración aduanera
    2. declaración de aduana
    3. presentar una declaración aduanera
    4. presentar una declaración de aduana
  3. 1.2. het melden van inkomen bij de belastingen; aangifte doen
    1. declaración de impuestos
    2. declaración de ingresos
    3. declarar sus impuestos
    4. declarar sus ingresos
  4. 1.1. het melden van een delict bij de politie; aangifte doen
    1. denuncia
    2. presentar una denuncia
adjective
1. rechtstreeks grenzend aan iets anders
  1. limítrofe
  2. adyacente
  3. contiguo
  4. vecino
  5. colindante
  6. aledaño
verb
1. vals aankijken
mirar amenazadoramente a
verb
conmover
adjective
1. aandoenlijk, ontroerend
  1. conmovedor
  2. enternecedor
/aːnɣrɛipɪŋzpʏnt/
noun
1. een punt waar op een lichaam volgens natuurkundige berekening een kracht werkt
  1. punto de aplicación
  2. punto de contacto
noun
1. toename
  1. aumento
  2. acrecentamiento
  3. crecimiento
  4. incremento
verb
2. toenemen
  1. aumentar
  2. crecer
verb
1. met een haak vastmaken
enganchar
verb
  1. 4. hechter maken
    atraer
  2. 2. eigen of andermans woorden ontlenen
    citar
adjective
1. lief doend, geneigd tot toenadering
mimoso
noun
1. een letterlijke passage die door iemand anders aangehaald wordt uit een bron
  1. citación
  2. cita
noun
1. leesteken om geciteerde woorden van die van de auteur te onderscheiden
comillas
noun
  1. comitiva
  2. cortejo
  3. séquito
noun
  1. 1. iemand die gelooft in een bepaald idee, of die een bepaalde groep of persoon steunt.
    1. adepto
    2. partidario
    3. secuaz
  2. 2. rijdend object dat achter de auto gehangen kan worden voor het vervoeren van goederen.
    remolque
adjective
pendiente
noun
1. toevoegsel
apéndice
noun
  1. remolque
  2. coche remolque
  3. coche de remolque
adjective
afectuoso
noun
1. de mate waarin een mens of dier trouw en toegenegen is
afectuosidad
verb
rastrillar
verb
1. vastmaken
  1. adjuntar
  2. fijar
  3. sujetar
noun
  1. 2.
    1. comienzo
    2. principio
    1. entonamiento
    2. entonación
  2. 3.
    exordio
  3. 4. aanspreking aan het begin van een brief
    saludo
verb
  1. entonar
  2. comenzar
  3. empezar
verb
1.horen naar iemand
escuchar
verb
  1. 6. niet behandelen, uitstellen
    aplazar
  2. 2. arresteren
    1. detener
    2. arrestar
adverb
continuo
noun
  1. arresto
  2. detención
verb
  1. 2.voortjagen
    acelerar
  2. 3.vuur aanjagen
    1. atizar
    2. avivar
  3. 1.angst aanjagen
    infundir
noun
2. een werktuig dat gasmengsel onder druk...
  1. compresor
  2. rotor de turbina
verb
2. tot onderwerp van discussie maken
plantear
verb
mirar
noun
1. bij de rechtbank ingediende beschuldiging of klacht
  1. acusación
  2. cargo
  3. denuncia
verb
1. iemands handelingen bij een hof aanhangig maken met een officiële beschuldiging
  1. acusar
  2. denunciar
  3. inculpar
noun
1. iemand die een proces aanspant
  1. acusador
  2. actor
verb
  1. 1. enteren
    abordar
  2. 2. aanspreken
    1. abordar
    2. dirigir la palabra a
    3. dirigirse a
verb
  1. 1. meubileren, van toebehoor of uitbreiding voorzien
    decorar
  2. 3. zijn kledij aantrekken
    vestir
verb
1. kloppen om binnen te komen
llamar (a la puerta)
verb
  1. anudar
  2. entablar
noun
  1. 1. een punt waaraan...
    enlace
  2. 2. feit of gegeven op basis waarvan wordt voortgebouwd, verder geredeneerd enz.
    1. enlace
    2. punto de contacto
    3. punto de partida
    4. punto de referencia
verb
1. met een koek bedekt worden
pegarse
verb
  1. 4. zwaarder worden
    engordar
  2. 1. een bestemming bereiken
    llegar
  3. 6. aanraken
    tocar
adjective
1. aanstaand
próximo
noun
1. de bestemming bereiken, het aankomen
llegada
verb
1. bekendmaken
anunciar
noun
anuncio
noun
1. datgene wat men aankoopt
  1. adquisición
  2. compra
/ˈankopsɔm/
noun
1. het geldbedrag waarvoor iets is aangekocht
precio de compra
verb
1. door kopen verwerven
  1. comprar
  2. procurarse
  3. adquirir
verb
marcar
verb
1. aan land gaan
  1. abordar
  2. arribar
  3. llegar
  4. recalar
noun
  1. 3. talent
    1. aptitud
    2. capacidad
    3. talento
  2. 1.
    construcción
verb
  1. 4. aan wal gaan liggen
    1. abordar
    2. amarrar
    3. atracar
  2. 3. café
    1. apearse
    2. detenerse
    3. pararse
  3. 2. een wapen
    1. apuntar
    2. encarar
  4. 7. maken
    1. construir
    2. edificar
    3. instalar
noun
  1. desembarcadero
  2. embarcadero
noun
1. datgene wat iets tot gevolg heeft
  1. motivo
  2. ocasión
  3. razón
  4. causa
  5. lugar
verb
  1. desleír
  2. aguar
verb
aprender
verb
1. iemand voorzien met de gevraagde goederen
suplir
adjective
1. verleidelijk ogend
atractivo
noun
  1. atracción
  2. fascinación
verb
1. tot zich lokken, aantrekken, bekoren, op aangename wijze boeien
  1. atraer
  2. cautivar
  3. seducir
noun
    1. 1. het op gang komen
    2. 2. het op toeren komen van een aandrijfmotor, machine etc.
    arranque
  1. 3. een loop of tred voorafgaand aan een sprong, duik, enzovoort
    1. arranque
    2. carrera
  2. 4. een inleiding
    comienzo
  3. 5. bezoek
    visita
noun
puerto de escala
noun
gastos iniciales
noun
fase inicial
noun
transformador de arranque
noun
  1. confección
  2. fabricación
  3. producción
verb
  1. 4. salade aanmaken
    1. aderezar
    2. adobar
    3. aliñar
    4. preparar
  2. 2. een nieuw exemplaar van iets maken, voornamelijk op een computer
    crear
  3. 3. doen branden
    encender
  4. 1. een bepaalde substantie produceren
    1. fabricar
    2. producir
verb
  1. excitar
  2. exhortar
  3. requerir
noun
2. Waarschuwing dat men nog niet betaald heeft
exhortación
adjective
presuntuoso
verb
  1. 1. zich opgeven
    1. apuntarse
    2. inscribirse
  2. 2. zich bekend maken met gebruikersnaam en wachtwoord
    iniciar sesión
noun
1.
  1. inscripción
  2. matriculación
verb
  1. amarrar
  2. atracar
adjective
  1. considerable
  2. notable
noun
reparo
verb
1. moed inspreken
  1. animar
  2. alentar
noun
1. het inspreken van moed
  1. aliento
  2. estímulo
noun
1. prijs ter aanmoediging
  1. bono de incentivo
  2. premio de estímulo
  3. prima de incentivación
verb
  1. alistar
  2. enrolar
  3. enrolarse
verb
1. door naaien vastmaken
coser
noun
suposición
adjective
  1. aceptable
  2. admisible
noun
  1. plausibilidad
  2. verosimilitud
noun
1. de functie die bij een gegeven steekproefuitkomst als functie van een parameter de kansfunctie of kansdichtheid van die uitkomst aangeeft
función de verosimilitud
verb
1. overnemen
adoptar
/ˈaːneːmər/
noun
1. iemand die een (bouw)werk uitvoert tegen een bepaalde prijs
  1. contratista
  2. asentista
  3. destajista
noun
empresa de construcción
noun
    1. admisión
    2. aceptación
    3. confirmación
  1. 2. adoptie
    adopción
noun
1. manier van aanpakken
  1. enfoque
  2. planteamiento
  3. planteo
verb
  1. 1. aanvatten
    1. coger
    2. tomar
    3. asir
  2. 3. een probleem oplossen
    emprender
  3. 2. in rechte vervolgen
    perseguir
adjective
1. in staat om zich aan te passen
adaptable
/ˈaːmpɑsə(n)/
verb
  1. 1. aansluiten, voegen naar, bruikbaar maken
    1. adaptar
    2. acomodar
    3. adecuar
    4. amoldar
    5. apropiar
  2. 2. aantrekken om te passen
    1. probar
    2. ensayar
    3. intentar
noun
2. het zich aanpassen
  1. adaptación
  2. acomodación
  3. adecuación
noun
aanpassingsvermogen
adaptación
noun
1. affiche
  1. anuncio
  2. cartel
noun
plantio
verb
1. door beplanting aanbrengen
  1. cultivar
  2. plantar
verb
trabajar duro
verb
encajar
verb
ensalzar
/ˈanrakˌsxɛrm/, /ˈanrakˌsχɛrm/
noun
1. een beeldscherm dat ook als invoerapparaat voor een computer kan worden gebruikt door het scherm aan te raken.
pantalla táctil
verb
1. raad geven om iets te doen
  1. recomendar
  2. aconsejar
verb
1. fysiek contact maken met iets
  1. tocar
  2. palpar
noun
  1. 2. in aanraking met
    contacto
  2. 1. het aanraken
    1. palpadura
    2. palpamiento
    3. tocamiento
    4. roce
    5. toque
noun
  1. punto de contacto
  2. punto tangencial
verb
  1. 1. fysiek aanvallen
    asaltar
  2. 2. iemand dwingen tot ontuchtige handelingen (zonder penetratie)
    asaltar sexualmente
  3. 3. aantasten
    infringir
noun
  1. 1. aanvaller
  2. 2. een persoon, in de regel van het mannelijke geslacht die iemand anders aanvalt om seksuele redenen
agresor
noun
2. aanval
agresión
noun
1. vaste tafel met kastjes langs keukenwand
encimera
verb
1. iemand iets aangeven
  1. alargar
  2. entregar
verb
  1. 2. de schuld geven van
    1. achacar
    2. echar la culpa
  2. 3. opvatten als
    1. concebir
    2. entender
    3. interpretar
  3. 1. een bepaalde prijs vragen bij een aankoop
    imputar
verb
1. veroorzaken, met name van schade
  1. causar
  2. instigar
  3. ocasionar
  4. producir
verb
2. tegen iets rijden, een botsing veroorzaken
atropellar
noun
1. botsing met een voertuig
choque
verb
1. aan een draad rijgen
  1. enhebrar
  2. ensartar
verb
  1. 1.
  2. 3. een subprogramma uitvoeren
invocar
verb
1. aanraken
  1. mencionar
  2. tocar
noun
adquisición
verb
1. kopen
  1. comprar
  2. adquirir
noun
1. de prijs die een koper daadwerkelijk betaalt bij de aanschaf van een product
  1. precio de adquisición
  2. precio de compra
verb
1. scherper maken
  1. afilar
  2. aguzar
  3. agudizar
adverb
  1. claro
  2. evidente
  3. ilustrativo
  4. manifiesto
verb
  1. contemplar
  2. observar
  3. ver
noun
1. het aandachtig waarnemen van iets
contemplación
verb
1. ambtelijk schrijven naar
notificar
noun
  1. circular
  2. notificación
  3. orden por escrito
verb
  1. 13. wortel schieten
    arraigar
  2. 8. beginnen te lopen
    arrancar
  3. 3. in beslag nemen
    1. embargar
    2. secuestrar
  4. 11. beslagen worden
    empañarse
  5. 4. waarderen
    1. estimar
    2. tasar
    3. valuar
  6. 5. aanplakken
    1. fijar
    2. pegar
  7. 12. belasten, belasting heffen
    1. gravar
    2. imponer
  8. 7. blaffen
    ladrar
  9. 6. ten verkoop bieden
    ofrecer a la venta
  10. 2. op militaire wijze groeten
    saludar
  11. 1. tegen iets slaan
    tocar
noun
4. terroristische aanval
atentado
noun
1. belastingsbrief
papeleta de impuestos
verb
2. lang duren
tardar
verb
  1. 4. bij een groep of organisatie gaan behoren
    1. abanderizarse
    2. adherirse
    3. afiliarse
    4. añadirse
    5. incorporarse
    6. sumarse
  2. 2. een verbinding tot stand brengen
    1. comunicar
    2. conectar
    3. conexionar
  3. 1. op elkaar volgen
    1. corresponder
    2. empalmar
  4. 3. passend maken
    1. juntarse
    2. ligar
    3. unirse
/ˈanslœytɪŋ/
noun
  1. comunicación
  2. conexión
  3. empalme
  4. enlace
  5. reunión
  6. unión
verb
  1. 2. agressief verkopen
    1. embaucar algo a alguien
    2. encajar
  2. 1. besmeren
    untar
verb
  1. 2. ter sprake brengen
    1. abordar
    2. plantear
  2. 1. het eerste stuk er afsnijden
    1. encentar
    2. decentar
    3. empezar
verb
1. vaster snoeren
agarrotar
verb
1. met het water meedrijven en vervolgens aan land komen te liggen
arrojado
verb
1. opwekken
  1. espolear
  2. estimular
  3. acuciar
  4. aguijar
  5. aguijonear
  6. aguzar
noun
1. aanmoediging tot actie
exhortación
noun
  1. 1. het recht om het bezit of genot van iets te vorderen
    reclamación
  2. 3. aanspraak maken
    1. reclamar
    2. reivindicar
adjective
1. verantwoordelijk, om vergoeding of betaling aangesproken kunnen worden
responsable
noun
responsabilidad
noun
1. overeenkomst waarbij je premie betaalt aan een verzekeraar zodat die zal betalen voor schade die je per ongeluk veroorzaakt of waarvoor je verantwoordelijk wordt gehouden
seguro de responsabilidad civil
verb
  1. 2.
    apelar al sentimiento
  2. 4.
    1. citar ante el tribunal
    2. poner a pleito
    3. poner pleito a
    4. proceder judicialmente
    1. dirigir la palabra a
    2. dirigirse a
  3. 5.
    empezar
noun
empresario de pompas fúnebres
verb
1. bevallen
  1. agradar
  2. gustar
adjective
  1. próximo
  2. cercano
  3. entrante
  4. que viene
  5. siguiente
verb
1. iets dicht op elkaar drukken door erop te stampen
apisonar
verb
1. langdurig aankijken
mirar fijamente
adverb
contagioso
verb
  1. 4. besmetten met een begin van rotting
    1. contagiar
    2. acatarrar
    3. inficionar
  2. 1. doen ontbranden
    1. encender
    2. alumbrar
noun
1. apparaatje om vuur te maken
  1. encendedor
  2. mechero
  3. yesquero
verb
1. benoemen
nombrar
noun
1. iemand die zich aanstelt
  1. farsante
  2. presumido
adjective
  1. afectado
  2. histriónico
noun
afectación
noun
1. benoeming in een functie, dienst etc.
nombramiento
verb
1. veroorzaken
  1. instigar
  2. maquinar
noun
instigador
noun
1. iemand die een opschudding of rel veroorzaakt
instigador
adverb
1. binnen zeer korte tijd
  1. ahora mismo
  2. desde luego
  3. en el acto
  4. en seguida
  5. enseguida
  6. inmediatamente
adjective
escandaloso
adverb
escandaloso
noun
  1. 2. klinken
    1. chocar
    2. tintinear
  2. 1. stoten tegen
    chocarse con
verb
frotar
noun
1. een telbare hoeveelheid
número
verb
1. (langzaam) beschadigen, aangrijpen
  1. agredir
  2. atacar
  3. cariar
  4. corroer
  5. repudrir
noun
libro de notas
noun
2. klein formaat bundel onbeschreven papier die men bij zich draagt om opmerkingen in op te schrijven
  1. carné
  2. librito de memoria
verb
1. opschrijven om te onthouden
  1. certificar
  2. anotar
  3. apuntar
noun
  1. nota
  2. anotación
  3. apunte
verb
1. wijzen
probar
noun
1. de werkwoordsmodus die de gewone werkelijkheid aangeeft
modo indicativo
adjective
1. mogelijk om aan te tonen
  1. demostrable
  2. comprobable
verb
  1. 2. aanstampen
    apisonar
  2. 1. met een trapbeweging starten
    arrancar
verb
1. ontmoeten, vinden
encontrar
adjective
1. bekoorlijk
atractivo
verb
  1. 1. dankzij een kracht objecten naar zich toe doen bewegen
  2. 2. aanlokken
atraer
noun
1. het elkaar aantrekken van massa, de kracht die dingen met massa naar elkaar laat bewegen
atracción
noun
  1. 2. het vermogen van een persoon of zaak om iemand tot zich te trekken
    1. atractivo
    2. atracción
  2. 1. natuurkundige aantrekkingskracht
    1. fuerza atractiva
    2. fuerza atractriz
    3. fuerza de atracción
    4. gravitación universal
adjective
  1. aceptado
  2. asumido
adjective
1. te aanvaarden
aceptable
verb
  1. 2. accepteren, in bezit ontvangen
    1. aceptar
    2. adir
  2. 4. op zich nemen
    1. asumir
    2. entregarse
noun
aceptación
noun
1. een poging de tegenpartij geweld aan te doen of van zijn positie te beroven
  1. ataque
  2. acometida
verb
  1. atacar
  2. acometer
  3. agredir
  4. asaltar
noun
  1. 1. iemand die aanvalt
    1. agresor
    2. atacador
  2. 2. een persoon in de voorste linie
    1. delantero
    2. agresor
noun
  1. arma de ataque
  2. arma ofensiva
noun
  1. comienzo
  2. principio
verb
1. beginnen, starten
  1. comenzar
  2. empezar
adverb
1. in het begin
inicialmente
noun
1.
  1. colisión
  2. abordaje
verb
  1. contradecir
  2. discutir
  3. objetar
noun
tentación
verb
1. vegend reinigen
barrer
noun
1. werkwoordswijs van mogelijkheid
  1. subjuntivo
  2. modo subjuntivo
/ˈanvulə(n)/
verb
  1. 1. gevoel hebben voor, bij intuïtie begrijpen
    1. entender
    2. intuir
  2. 3. het genoemde gevoel geven
    1. percibir
    2. sentir
  3. 2. met het gevoel begrijpen
    sentir
noun
  1. 1. het aanbrengen
  2. 2. het aangebrachte
aprovisionamiento
noun
1. een bevelhebber, een leider
  1. líder
  2. capitán
  3. jefe
  4. caudillo
  5. amo
  6. comandante
verb
  1. 2. aanbrengen, naartoe transporteren
    acarrear
  2. 3. bijbrengen als bewijs
    1. aducir
    2. alegar
  3. 1. bevel voeren over
    1. encabezar
    2. acaudillar
    3. capitanear
    4. comandar
    5. mandar
noun
mando
noun
1. verzoek, vaak min of meer officieel
  1. solicitud
  2. petición
  3. demanda
  4. pedido
  5. solicitación
noun
1. een papieren of elektronisch blad waarin men de benodigde informatie dient in te vullen voor het aanvragen ergens van
  1. hoja de solicitud
  2. impreso de solicitud
noun
1. verzoek, vaak min of meer officieel
solicitud
verb
1. verzoeken, min of meer officieel
  1. pedir
  2. rogar
/ˈanvʏlə(n)/
verb
1. het ontbrekende bijvoegen
  1. completar
  2. suplir
adjective
1. die of dat aanvult
  1. adicional
  2. suplementario
  3. supletorio
  4. complementario
noun
cumplimiento
verb
  1. activar
  2. animar
  3. estimular
  4. incitar
  5. inflamar
  6. instigar
verb
  1. 1. aansporen
    1. animar
    2. avivar
    3. azuzar
    4. excitar
    5. incitar
    6. instigar
  2. 2. sterker worden
    1. aumentar
    2. arreciar
    3. atizar
    4. enardecer
verb
1. gebruik maken van
  1. usar
  2. utilizar
  3. aplicar
  4. emplear
  5. hacer uso de
verb
1. zich gewennen
acostumbrarse
verb
  1. contratar
  2. reclutar
  3. alistar
  4. enganchar
  5. enrolar
  6. hacer prosélitos
noun
  1. contratación
  2. reclutamiento
adjective
presente
noun
1. het aanwezig zijn op een bepaald tijdstip en plaats
presencia
verb
1. door wijzen tonen
  1. indicar
  2. apuntar
  3. señalar
  4. denotar
  5. designar
  6. enseñar
noun
  1. 3. exponent
    exponente
  2. 1-2
    1. indicador
    2. indicadora
noun
  1. 1. het aanwijzen
    indicación
  2. 3. inlichting of voorschrift over hoe men moet handelen
    instrucción
  3. 2. vingerwijzing
    pista
noun
1. iets nieuws dat erbij komt
adquisición
verb
1. ten laste leggen
  1. imputar
  2. achacar
verb
denunciar
noun
  1. afilador
  2. chaira
verb
poner
noun
1. hoe men door anderen gezien wordt
  1. consideración
  2. prestigio
verb
  1. 2. beschouwen als
    1. considerar como
    2. tomar por
  2. 1. kijken naar
    1. mirar
    2. poner la vista en
  3. 3. dulden
    tolerar
noun
existencia
/ˈanzuk/
noun
in te delen vertalingen
petición
verb
1. het nog schuldige betalen
  1. ajustar
  2. cubrir
  3. saldar
  4. suplir
verb
relanzar
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de orde der primaten
  1. mono
  2. simio
noun
  1. 1. bloeiwijze van granen
  2. 2. bovenste deel van de halm van gras- of graangewassen
espiga
/aːrt/
noun
1. wezen, natuur, karakter
carácter
noun
1. bepaald soort plant, Lathyrus tuberosus
guija tuberosa
noun
alcalinotérreo
noun
  1. chufa
  2. juncia
noun
1. bepaald soort plant, Solanum tuberosum
  1. patata
  2. papa
/ˈar.dɑ.pɔɫ.ke.vər/, /ˈar.dɑ.pəɫ.ke.vər/, /ˈaːrd.ɑ.pəl.ke.vər/
noun
1. bepaald soort tor, Leptinotarsa decemlineata
escarabajo de la patata
noun
kroket van aardappelpuree
  1. croqueta de papa
  2. croqueta de patata
noun
  1. fécula de la papa
  2. fécula de patata
/ˈardɑpəɫˌmɛʃə/
noun
1. een mesje voor het schillen van aardappelen
pelapatatas
noun
1. een aardappelziekte veroorzaakt door cysteaaltjes
cierta enfermedad de las patatas
noun
  1. prensador de patatas
  2. prensapatatas
/ˈardɑˌpəɫpyˈre/
noun
1. een puree van zeer fijn gemaakte, met melk aangemengde aardappels
puré de patatas
noun
1. een salade die gemaakt wordt uit aardappelen
  1. ensalada de patatas
  2. ensalada de papas
noun
  1. pelador de papas
  2. pelapapa
  3. pelapapas
  4. pelapatatas
noun
cuchillo para pelar patatas
noun
aplastapatatas
noun
eje de la tierra
noun
atmósfera terrestre
noun
1. een baan die de aarde rond de zon volgt
órbita terrestre
/\ˈaːrt.bɛi̯\/
noun
2. eetbare vrucht van planten uit het geslacht Fragaria
  1. fresa
  2. frutilla
noun
1. bepaald soort plant, Arbutus unedo
  1. madroño
  2. albocera
  3. alborocera
  4. merodo
  5. árbol de las fresas
noun
1. bepaald soort plant, Arbutus unedo
  1. albocera
  2. alborocera
  3. madrollo
  4. madroño
  5. merodo
noun
1. ijs met aardbeiensmaak
helado de fresa
noun
1. jam van aardbeien
confitura de fresas
noun
pastel de fresas
noun
1. bepaald soort plant, Trifolium fragiferum
  1. fresa de burro
  2. trébol fresa
  3. trébol fresero
adjective
rojo fresa
noun
1. een schokkende of trillende beweging van een gedeelte van de aardkorst, meestal te wijten aan ...
  1. terremoto
  2. seísmo
noun
1. streek waar veel aardschokken voorkomen
zona del terremoto
noun
onda sísmica
noun
1. smalle zone waar vaak aardschokken voorkomen
cinturón sísmico
noun
1. de plaats van het ontstaan van een aardschok onder de aardkorst
  1. foco sísmico
  2. hipocentro
noun
1. bewoner van de planeet aarde
  1. habitante de la tierra
  2. terrícola
noun
superficie de la tierra
/ʔardbɔl/
noun
  1. globo terrestre
  2. globo terráqueo
/ˈartrat/
noun
1. een draad die een elektrisch apparaat met de aarde verbindt
  1. conductor a tierra
  2. linea de tierra
/ˈardə/
pronoun
Tierra
/ˈardə/
noun
  1. 1. planeet
  2. 2. grond
tierra
adjective
oscuridad absoluta
adjective
1. van aarde gemaakt
de tierra
verb
  1. 1. zich thuis voelen, wennen, gewoon worden
    1. acostumbrarse
    2. echar
  2. 4. met de aarde verbinden
    conectar
  3. 3. wennen
    habituarse
  4. 5. ~ naar
    parecerse
noun
1. zandweg. Weg met onverhard wegdek
  1. camino arenoso
  2. camino de arena
noun
  1. cerámica
  2. loza
/artxɑs/
noun
1. een gas dat uit de aarde komt en dat grotendeels uit methaan bestaat
gas natural
noun
yacimiento de gas natural
noun
1. een distributienet voor aardgas
red de distribución del gas natural
noun
1. het ontginnen van aardgas
extracción de gas natural
noun
gnomo
noun
betún
/ˈart.ɦɔ.mɔɫ/, /ˈart.ɦɔ.məɫ/, /ˈaːrd.hɔ.məl/
noun
1. benaming voor insecten uit vier nauw verwante soorten hommels, Bombus (Bombus), die hun nest onder de grond hebben
abejorro
/ˈar.dəx/, /ˈar.dəχ/, /ˈaːr.dɪx/
adjective
  1. 1. aangenaam in omgang
    1. amable
    2. simpático
    3. bueno
    4. gentil
    5. agradable
    6. benévolo
  2. 2. flink, behoorlijk, vrij groot
    bastante grande
  3. 3. grappig, geestig, genoeglijk
    1. cómico
    2. divertido
    3. entretenido
    4. gracioso
/ˈar.dəx/, /ˈar.dəχ/, /ˈaːr.dɪx/
adverb
  1. 1. aangenaam
    1. bonitamente
    2. con detalle
    3. graciosamente
  2. 2. zeer, veel
    1. mucho
    2. muy
noun
  1. 2. grapje
    1. broma
    2. burla
    3. chanza
  2. 1. het prettige, het bevallige
    1. gentileza
    2. gracia
    3. lindeza
  3. 3. klein geschenk
    pequeño regalo
noun
1. kleine attentie of gift die iemands waardering of genegenheid uitdrukt
broma
noun
  1. toma de tierra
  2. contacto con tierra
noun
1. Bunium bulbocastanum
  1. castaña de tierra
  2. castañuela
noun
  1. núcleo de la tierra
  2. núcleo terrestre
noun
1. klem voor het aanleggen van een aardverbinding
bornes a tierra
noun
1. de aarde, de blauwe planeet
bola del mundo
noun
1. aaneen gekleefd hoopje aarde
  1. gleba
  2. terrón de tierra
/ˈart.kɔrst/
noun
1. het buitenste gedeelte van de planeet Aarde
corteza terrestre
noun
1. de kromming van het aardoppervlak
curvatura de la Tierra
noun
geología
noun
1. een wetenschapper die de aarde, haar geschiedenis en de processen...
geólogo
noun
capa terrestre
noun
  1. cable de tierra
  2. toma de tierra
adjective
geomagnético
noun
1. het magnetische krachtveld van de aarde
magnetismo terrestre
noun
gnomo
noun
1. het gedeelte tussen de aardkorst en de kern van de aarde
manto terrestre
noun
1. massa van de aarde
masa terráquea
/aːrtmetkɵndə/
noun
geodesia
noun
1. elementen die uit bepaalde zeldzame aarden verkregen worden
metales de tierras raras
noun
1. bepaling van de afmetingen van de aardbol
geodesia
noun
1.
  1. cacahuate
  2. maní
noun
  1. crudo
  2. petróleo
/ˈaːrtoliproˌdʏkt/
noun
1. verhandelbaar resultaat van het bewerken van aardolie
  1. derivado del petróleo
  2. producto petrolífero
noun
1. het buitenste gedeelte van de aardkorst
superficie terrestre
/ˈartpɪːr/
noun
bepaald soort zonnebloem, Helianthus tuberosus
  1. castaña de tierra
  2. pataca
  3. aguaturma
  4. marenquera
  5. tupinambo
  6. alcachofa de jerusalén
noun
1. elk van de beide aspunten van de aarde
polo terrestre
noun
  1. 2. het mensdom
    mundo
  2. 1. de aarde met alles wat zij bevat
    tierra
/ˈardrɛiksˌkʏndə/
noun
geografía
noun
libro de geografía
adjective
1. met betrekking tot de aardrijkskunde
geográfico
noun
geógrafo
noun
1. wals om de grond vast te drukken en vlak te maken
rodillo
adjective
1. betrekking hebbende op de aarde, tot de aarde behorend
  1. terrestre
  2. terrenal
noun
1. een plotselinge aardbeving
  1. terremoto
  2. sacudida sísmica
  3. seísmo
  4. sismo
noun
  1. babosa
  2. limaza
noun
  1. 2. elk der stralen uit de aarde die een ongunstige uitwerking op levende organismen zouden hebben
    emanación telúrica
  2. 1. straal, halve diameter van de aarde
    radio terrestre
noun
1.
radiación terrestre
noun
1. zeer zwakke aardbeving
temblor de tierra
/ˈaːrtfɑrkə(n)/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Orycteropus afer
  1. cerdo hormiguero
  2. oricteropo
/ˈaːrtfɑst/
adjective
adherido al suelo de una manera fija
noun
1. bepaald soort altijd groene heester die zich met wortelvezels aan de omringende omgeving vasthecht, Glechoma hederacea
hiedra terrestre
noun
1. het naar beneden schuiven van een grote massa grond
  1. corrimiento de tierra
  2. desprendimiento
  3. desprendimiento de tierra
noun
  1. raís comestible
  2. tubérculo comestible
noun
1.
geotermia
noun
  1. ciencias de la tierra
  2. geociencia
noun
1. Proteles cristatus, een lid van de familie der hyenas
  1. lobo de tierra
  2. proteles
noun
lombriz de tierra
pronoun
1. een Waalse provinciehoofdstad
Arlon
noun
1. en 2. (blaadjes van) de plant Mentha spicata
  1. hierbabuena
  2. menta romana
  3. yerbabuena
  4. menta verde
noun
  1. ano
  2. culo
noun
1&2.1. bepaald soort parasitaire, maar onschadelijke rondworm van ca. 5–10 mm lengte, Enterobius vermicularis
oxiuro
prefix
arz-
/ˈaːrz.bɪz.dɔm/, /ˈaːrʦ.bɪs.dɔm/, /ˈaːrʦ.bɪz.dɔm/
noun
1. het belangrijkste gebied van een kerkprovincie, dat geleid wordt door de aartsbisschop.
  1. arquidiócesis
  2. archidiócesis
  3. arzobispado
/ˈaːrzbɪsxɔp/, /ˈaːrʦbɪsxɔp/, /ˈaːrʦbɪsχɔp/
noun
1. de voornaamste bisschop van een kerkprovincie.
arzobispo
noun
1. rooms-katholieke priester met bijstand van de aartsbisschop als taak
arcediano
/ˈaːrz.di.jo.ˌses/, /ˈaːrʦ.di.ʲo.ˌses/
noun
1. het belangrijkste gebied van een kerkprovincie, dat geleid wordt door de aartsbisschop.
  1. archidiócesis
  2. arquidiócesis
  3. arzobispado
noun
1. een hemelgeest in een rang boven een engel
arcángel
noun
1. een keizerlijke prins in het vroegere Oostenrijk-Hongarije
archiduque
noun
archiducado
noun
1. adellijke titel, vrouw van een aartshertog
archiduquesa
noun
arcipreste
noun
patriarca
adverb
patriarcal
/'artsvɛɪɑnd/
noun
archienemigo
noun
1. bepaald soort vaste waterplant, Myriophyllum spicatum
  1. filigrana mayor
  2. fontanera
/ˈarzələ(n)/
verb
1. onzeker zijn, twijfelen
  1. dudar
  2. vacilar
  3. titubear
noun
1. onzekerheid, twijfel, weifel
  1. vacilación
  2. duda
  3. indecisión
noun
  1. 1. speelkaart
    as
  2. 1. lokmiddel
    1. carnada
    2. cebo
    3. pasto
  3. 2. dood dier
    carroña
noun
  1. carroñero
  2. saprófago
/'as.xir/
noun
  1. 1. bepaald soort roofvogel, Neophron percnopterus
    alimoche
  2. 2. iemand die profijt probeert te halen uit de tegenslag van iemand anders
    buitre
noun
fondo buitre
noun
escarabajo corroñero
noun
Bepaald soort bananenplant, Musa textilis
abacá
/ˈɑbɑkʏs/
noun
  1. 1. raam met staven
  2. 2. dekplaat van een kapiteel
ábaco
/a.bɑ.ˈtwaːr/, /ɑ.bɑ.ˈtβ̞ar/
noun
1. een bedrijf waar dieren geslacht worden
matadero
pronoun
1. West-Kaukasische taal gesproken in Rusland en Turkije
idioma abaza
adjective
1. betrekking hebbend op een abt of een abdij
abacial
noun
1. het inkorten van een woord of een frase
abreviatura
verb
abreviar
noun
1. het alfabet
abecé
noun
1. een ophoping van pus in het lichaam, daarbij een onnatuurlijke holte vormend
absceso
/ɑpˈxazis/
pronoun
1. een taal die in Abchazië gesproken wordt
  1. abjasio
  2. idioma abjasio
noun
abdicación
verb
1. afstand doen van de troon, aftreden als vorst
abdicar
/ɑbˈdɛɪ̯/, /ɑbˈdɛː/
noun
1. klooster met aan de leiding een abt of abdis
  1. abadía
  2. abadiado
  3. abadiato
/ɑbˈdɛɪ.kɛrk/, /ɑbˈdɛː.kɛrk/
noun
1. een kerk die bij een abdij hoort
  1. iglesia abacial
  2. iglesia de abadía
/ɑbˈdɪs/
noun
1. bestuurster van een abdij.
abadesa
noun
abdomen
/ˌɑbdoʊmiˈnaːɫ/
adjective
1. de onderbuik betreffend
abdominal
verb
1. van de middellijn af bewegen
abducir
noun
wegvoering
abducción
noun
1. bepaald soort loofboom, Populus alba
álamo blanco
pronoun
abeliano
noun
aberración
adjective
niet levend
abiótico
adjective
1. volstrekt verachtelijk, zeer verwerpelijk
abyecto
noun
ablación
/ˌɑb.la.ˈtif/, /ˌɑb.la.ˈtiːf/
noun
1. de zesde naamval die onder meer de instantie aangeeft waarvan iets uitgaat of vertrekt
ablativo
/ˈɑb.laut/, /ˈɑp.lɔut/, /ˈɑp.lʌut/
noun
1. regelmatige, grammaticaal bepaalde klinkerwisseling
apofonía
adverb
1. ongewoon
anormal
noun
abolicionismo
noun
abolicionista
/ɑbomɪˈnabəl/
adjective
bijzonder slecht
  1. abominable
  2. horrible
  3. horroroso
noun
abominación
adjective
abundante
noun
abundancia
/ɑbɔ'ne/
noun
1. iemand die op iets geabonneerd is
  1. abonado
  2. suscriptor
  3. suscriptora
  4. abonada
noun
  1. abono
  2. suscripción
  3. subscripción
/ɑbɔ'nerə(n)/
verb
1. een abonnement aangaan
  1. suscribirse
  2. abonarse
noun
1. oorspronkelijke bewoner van Australië
  1. aborigen
  2. aboriginal
verb
1. een foetus weghalen
abortar
adjective
abortivo
/ɑ'bɔrtəs/
noun
aborto
noun
  1. clínica de aborto
  2. abortorio
noun
  1. albaricoque
  2. damasco
  3. chabacano
  4. albaricoquero
noun
1. bepaald soort boom waaraan abrikozen groeien, Prunus armeniaca
albaricoquero
/ɑp'rʏpt/
adverb
1. onverwachts optredend
  1. abrupto
  2. súbito
  3. brusco
noun
1. de afstand tot de opstaande as van een coördinatenstelsel
abscisa
/ɑp'sɛnt/
adjective
ausente
/ɑpsɛnte'ɪsmə/
noun
absentismo
/ɑp'sɛnsi/
noun
  1. ausencia
  2. ausentismo
/ɑp'sɪnt/
noun
1. sterkedrank op basis van anijs
  1. ajenjo
  2. absenta
noun
bepaald soort plant, Artemisia absinthium
  1. ajenjo
  2. absintio
noun
1. grootte van een reëel getal of lengte van een andere grootheid
valor absoluto
/ɑpso'lysi/
noun
1. het vergeven van de zonden
absolución
/ɑpsoly'tɪsmə/
noun
absolutismo
/ɑpso'lyt/
adjective
  1. 1. niet beschouwd in betrekking tot iets soortgelijks
  2. 2. volledig, volkomen
  3. 3. beslist, zeker
  4. 4. geheel onafhankelijk en zonder binding met iets of iemand anders
absoluto
/ɑpsɔl'verə/
verb
absolver
/ɑpsɔr'berə(n)/
verb
absorber
noun
absorción
noun
refrigeración por absorción
noun
espectro de absorción
noun
abstinencia
/ɑp'strɑkt/
adjective
abstracto
/ɑp'strɑksi/
noun
1. een begrip dat los staat van de dagelijkse werkelijkheid
abstracción
verb
1. concretiseren
abstraer
/ɑpsʏrt/
adjective
1. erg onlogisch, belachelijk
absurdo
noun
  1. absurdo
  2. absurdidad
  3. despropósito
/ɑb/, /ɑpt/
noun
1. het hoofd van een abdij
abad
/aˈbœys/
noun
error
adjective
abundante
adjective
abusivo
adjective
abisal
noun
plant uit het geslacht Acacia
acacia
noun
1. een vrouwelijk persoon met een academische opleiding
titulada universitaria
noun
1. een mannelijk persoon met een academische opleiding
titulado universitario
noun
academia
/ɑkɑ'demis/
adjective
académico
noun
  1. acanto
  2. ala de ángel
  3. carnerona
  4. giganta
  5. hierba gigante
  6. oreja gigante
noun
acaricida
noun
tak van de zoölogie die zich bezighoudt met de studie van mijten en teken
acarología
noun
1. toename van de snelheid
aceleración
noun
  1. bomba de aceleración
  2. bomba del acelerador
noun
1. een versneller
acelerador
verb
  1. acelerar
  2. adelantar
  3. apresurar
noun
  1. 1. de manier waarop iemand de klanken uitspreekt
  2. 2. een teken dat op een klinker kan worden geplaatst
acento
noun
acentuación
verb
acentuar
adjective
  1. aceptable
  2. admisible
/ɑk.sep.ˈtaː.tʃi/
noun
1.
  1. aceptación
  2. admisión
/ɑksɛp'terə/
verb
  1. 1. aanvaarden
  2. 2. aannemen, graag ontvangen
aceptar
/ˌɑsəˈswar/
noun
1. een attribuut dat als aanvulling dient
accesorio
/ɑksiˈdɛnt/
noun
1. ongeval, ongeluk
accidente
adjective
accidental
noun
1. belasting die direct geheven wordt bij de aan- en verkoop van verbruiksgoederen
  1. derechos de consumo
  2. impuesto de consumos
noun
1.
aclamación
noun
aclimatación
verb
1. aan een andere omgeving wennen
aclimatar
noun
  1. 2. aanpassing
    acomodación
  2. 1. voorzieningen ten behoeve van ...
    1. acomodación
    2. instalaciones
verb
1. gelegenheid bieden
  1. acomodar
  2. adaptar
verb
1. begeleiden vooral in de muziek
acompañar
noun
acconsonancia
noun
1. een muziekinstrument waarbij door trekken en duwen een toon wordt geproduceerd
acordeón
verb
acordar
noun
1. iemand die zijn beroep maakt van het inrichten en controleren van boekhoudingen en administraties
  1. contable
  2. auditor
  3. censor de cuentas
  4. contador público
  5. licenciado en contabilidad
noun
acreditación
verb
1. een officieel stempel van goedkeuring aan iets of iemand verlenen
  1. acreditar
  2. afirmar
  3. autentificar
noun
1. een toestel om elektriciteit op te slaan
  1. acumulador
  2. batería
noun
taladro inalámbrico
noun
1. ophoping van stoffen
acumulación
noun
1. toestel dat de opeenhoping van elektrische lading mogelijk maakt
acumulador
verb
  1. acumular
  2. acopiar
noun
1. beschuldiging, aanklacht
acusación
/ˌɑkusaˈtif/, /ˌɑkyzaˈtiːf/
noun
1. naamval voor het lijdend voorwerp
acusativo
noun
inhibidor ECA
noun
1. bepaald soort plant, Malpighia emarginata
  1. acerola
  2. cereza de Barbados
  3. acerola americana
  4. cereza colorada
  5. cereza de Jamaica
  6. cereza de las Antillas
noun
acetal
noun
1. een ester of zout afgeleid van azijnzuur
acetato
/ˌɑsəˈtilxoˌlinə/, /ˌɑsəˈtiɫχoˌlinə/, /ˌɑsɛˌtylxoˈlin(ə)/
noun
1. een neurotransmitter die vooral betrokken is bij de impulsoverdracht van de zenuw naar de skeletspiercellen
acetilcolina
/ˌɑ.sə.ti.ˈlen/
noun
1. een verbinding van waterstof en koolstof met de samenstelling H₂C₂, die als gasvormige brandstof voor het vormen van hete vlammen gebruikt wordt
acetileno
noun
1. acetyleenlamp
lámpara de acetileno
/xxxx/
noun
1.
ácido acetilsalicílico
pronoun
1. figuur uit de Griekse mythologie
Aquiles
noun
1. kwetsbare plaats
talón de Aquiles
noun
tendón de Aquiles
noun
1. bepaald soort boom, Bixa orellana
  1. achiote
  2. achioto
  3. achote
  4. anato
  5. annato
  6. annatto
adjective
acromático
cardinalNumeral
1. het getal 8
ocho
adjective
1. zonder de vereiste belangstelling of zorg
descuidado
noun
1. gebrek aan aandacht voor mogelijke problemen
  1. negligencia
  2. descuido
adjective
1. respect verdienend
  1. respetable
  2. honorable
cardinalNumeral
1. het getal 28
veintiocho
preposition
  1. detrás de
  2. detrás
adverb
1. in de laatste of een van de laatste posities in een rangschikking, op een verder weg liggende plaats
  1. detrás
  2. atrás
  3. a la zaga
  4. en pos
noun
  1. propulsión trasera
  2. tracción trasera
noun
1. een afbeelding van iets zoals van achter bekeken
vista trasera
adverb
1. na afloop
después
noun
1. achterste as van een voertuig
eje trasero
/ɑxtər'bɑks/
adjective
1. stiekem, stom
disimulado
noun
1. een van twee of meer banden aan de achterzijde van een voertuig
neumático trasero
noun
1. de bank in het achterste deel van een voertuig
  1. asiento trasero
  2. asiento posterior
verb
1. nog steeds ergens zijn waar anderen of iets anders niet meer aanwezig is
quedarse atrás
verb
rezagado
noun
rezagado
noun
1. een buurt die voornamelijk bewoond wordt door mensen met een laag inkomen
barrio bajo
noun
1. het deel aan het einde
  1. parte posterior
  2. parte trasera
noun
1. deur
puerta trasera
noun
1. twijfel aan de oprechte intentie
recelo
adjective
  1. desconfiado
  2. receloso
  3. suspicaz
adjective
1. op deze wijze na elkaar
consecutivo
adjective
desfavorecido
noun
1. de indirecte oorzaak van actualiteiten
fondo
verb
1. iets weten op te sporen
  1. alcanzar
  2. averiguar
  3. sacar en claro
noun
1. de posities op het speelveld het dichtste bij het eigen doel
retaguardia
noun
1. het achterste deel van het hoofd
occipucio
noun
1. een van de beenderen van de schedel
hueso occipital
noun
reticencia
noun
  1. 2. besloten ruimte op een weinig zichtbaree plaats die zich leent voor geheime bijeenkomsten
    bastidores
  2. 1. kamer gelegen langs de achterzijde van een gebouw
    1. trastienda
    2. cuarto de atrás
    3. cuarto trasero
noun
1. besluitvorming zonder discussie in een volksvertegenwoordiging en met vermijding van openbaarheid
  1. política de trastienda
  2. política entre bastidores
noun
1. besluitvorming zonder discussie in een volksvertegenwoordiging en met vermijding van openbaarheid
  1. política de trastienda
  2. política entre bastidores
/ˈɑxtərkɑnt/
noun
  1. parte trasera
  2. dorso
  3. revés
noun
1. kwaadsprekerij achter iemands rug om
calumnia
/ˈɑxtərklɛɪŋkɪnt/
noun
1. het kind van iemands kleinkind
  1. bisnieto
  2. bisnieta
noun
1. streek die geografisch verder weg ligt, maar economisch verbonden is met een voorliggende streek of stad
  1. hinterland
  2. interior
verb
1. dumpen, weggaan van, verlaten
  1. abandonar
  2. dejar (en pos)
  3. dejarse atrás
noun
1. lamp(en) aan de achterkant van een voertuig
  1. luz trasera
  2. luz posterior
  3. piloto trasero
adjective
1. achterstand vertonend in de ontwikkeling
atrasado
verb
1. een vroegere tijd aangeven dan de juiste
  1. atrasarse
  2. retrasarse
/ɑxtər'na/
adverb
1. iemand of iets volgend
  1. detrás
  2. atrás
  3. tras
noun
1. een naam die van geslacht op geslacht en indien gewenst door het huwelijk overgedragen wordt
apellido
noun
1. de achtergrond van o.a. schilderijen
fondo
noun
1. ruit aan de achterkant van een voertuig die zorgt voor zicht achter op de weg
ventanilla trasera
adjective
1. niet op tijd
atrasado
noun
1. het verschil tussen de huidige en de gewenste stand
  1. atraso
  2. retraso
noun
barrio desfavorecido
adjective
último
noun
trasero
verb
1. iets of iemand te laag waarderen, of in een ongunstige positie plaatsen
  1. desatender
  2. descuidar
  3. desfavorecer
noun
1. de achterzijde van een schip
popa
adverb
1. omgedraaid, met de achterkant waar de voorkant hoort te zijn
al revés
noun
1. een tuin aan de achterzijde van een huis
jardín trasero
adverb
1. in achterwaartse richting
  1. atrás
  2. hacia atrás
  3. marcha atrás
verb
  1. 2. naar achteren gaan, achteruitlopen
    1. acular
    2. cejar
    3. ciar
    4. retrasar
    5. retroceder
  2. 1. slechter worden
    1. declinar
    2. decaer
    3. decrecer
    4. desmejorar
    5. desmerecer
    6. empeorarse
noun
2. verminderde aantrekkelijkheid van de situatie, afname, voortgaande ongunstige verandering
  1. baja
  2. deterioro
  3. retroceso
noun
1. een spiegel aan een auto of motorfiets waarmee men de situatie op de weg achter zich kan zien
  1. retrovisor
  2. espejo retrovisor
noun
  1. faro de marcha atrás
  2. luz de marcha atrás
  3. luz de retroceso
verb
posponer
/'ɑx.tər.vux.səl/
noun
1. een woorddeel dat achter de stam van een woord gevoegd wordt
sufijo
verb
1. iemand inhalen
perseguir
noun
perseguidor
noun
  1. persecución
  2. acoso
  3. seguimiento
noun
paranoia
noun
1. dubbelzijdig uitgevoerde achterwielophanging van een motorfiets
brazo basculante
adjective
retrógrado
noun
1. achterste deel
  1. trasero
  2. culo
  3. nalgas
  4. posaderas
noun
  1. rueda de atrás
  2. rueda trasera
noun
  1. propulsión trasera
  2. tracción trasera
noun
1. een zak aan de achterkant van een kledingstuk
  1. bolsillo trasero
  2. bolsillo de atrás
verb
atrasar
noun
  1. parte trasera
  2. reverso
  3. revés
  4. trasero
/ɑxt'ɦukəx/
adjective
1.
octogonal
suffix
  1. aco
  2. ucho
noun
1. aanzien
estima
noun
nudo en ocho
noun
octavo
cardinalNumeral
1. "18", het getal tussen zeventien en negentien
dieciocho
ordinalAdjective
decimoctavo
/ˌasidiˈtɛɪt/
noun
1. de zuurgraad, geeft aan hoeveel H+ er in een oplossing voorkomt
acidez
noun
acidosis
pronoun
función de Ackermann
noun
acné
noun
  1. 1. in de Rooms-katholieke Kerk een misdienaar die ouder is dan 16 jaar
  2. 2. aanhanger
acólito
noun
1. gymnast
acróbata
noun
acrobacia
noun
acroleína
noun
acrónimo
noun
acróstico
noun
1.
  1. acrílico
  2. acril
noun
1. een ester of zout van acrylzuur
acrilato
noun
acrilamida
noun
acrilonitrilo butadieno estireno
noun
1. een organisch zuur
ácido acrílico
verb
1. een rol vervullen in een toneelspel
actuar
/ɑkˈtør/
noun
1. persoon
  1. actor
  2. representante
noun
acción
adjective
1. met iets bezig zijnde
activo
noun
película de acción
noun
grupo de acción
noun
1. de afstand die iets af kan leggen
radio de acción
noun
1. een turbine waarbij de stoom...
turbina de acción
noun
activista
noun
1. Scheikundig element
actínido
noun
1. Scheikundig element
actinio
noun
1. in geld uitgedrukte waarde van de bezittingen van een onderneming
activo
verb
1. werkzaam maken
activar
noun
agitador
noun
1. iets waarmee men actief is
actividad
noun
1. bedrijvende vorm
voz activa
noun
1. vrouw
  1. actriz
  2. representante
verb
actualizar
noun
actualidad
noun
actuario
/ɑktyˈwel/
adjective
actual
adjective
acultural
noun
1. een Chinese behandelingsmethode waarbij, ter genezing van een kwaal...
acupuntura
/aˈkyt/
adjective
1. plots ontstaan, op korte termijn verlopend
agudo
adjective
intervalo
adjective
  1. agudo
  2. chistoso
  3. ingenioso
  4. ocurrente
pronoun
Adán
/ˈadɑmzɑpəl/
noun
deel van het strottenhoofd bij de man
  1. nuez
  2. nuez de Adán
  3. manzana de Adán
noun
1. aanpassingsvermogen
adaptación
noun
adaptador
verb
  1. adaptar
  2. acomodar
noun
  1. 1. gifslang
  2. 2. persoon
víbora
noun
  1. lengua de serpiente
  2. lengua serpentina
noun
1. benaming voor een bepaald soort overblijvende plant Bistorta officinalis
  1. bistorta
  2. bistorta menor
noun
  1. adición
  2. suma
noun
1. chemisch product
aditivo
noun
reacción de adición
adjective
1. toegevoegd
adicional
noun
1. bevoorrechte groep personen
nobleza
noun
1. benaming voor sommige soorten grote roofvogels
águila
noun
  1. helecho común
  2. helecho arborescente
noun
1. benaming voor een officier in opleiding aan het Nederlandse Koninklijk Instituut voor de Marine (KIM)
guardiamarina
verb
1. in de adelstand verheffen
ennoblecer
/adəm/
noun
aliento
/ˈa.də.mə(n)/
verb
1. de voor het leven nodige lucht inzuigen en weer uitdrijven
respirar
/ˈa.də.ˌma.lə(n)/
verb
1. door levende wezens inblazen en uitblazen van lucht om zuurstof te krijgen
  1. respirar
  2. alentar
noun
1. door levende wezens ingezogen en uitgeblazen lucht
respiración
noun
1. het systeem van luchtopname via de neus of mondholte, door de luchtpijp (trachea) met zijn vertakkingen naar de longen waardoor een organisme van zuurstof wordt voorzien
  1. sistema respiratorio
  2. aparato respiratorio
adjective
1. erg stil of zelfs zonder adem te halen
sin aliento
noun
1. (lymfe)klierontsteking
adenitis
noun
  1. adenosina
  2. adenosín
noun
adenosín difosfato
noun
adenosín trifosfato
/a.de.'kʋat/
adverb
1. correct en passend bij het beoogde doel
  1. adecuado
  2. adecuadamente
noun
  1. 2. langgerekt lichaam erts te midden van het gesteente
    1. filón
    2. veta
  2. 1. bloedvat met zuurstofarm bloed
    vena
verb
  1. jaspear
  2. vetear
/ˈadərlatə(n)/
verb
sangrar
/ɑtˈhezi/
noun
in te delen vertalingen
  1. adherencia
  2. adhesión
adjective
adiabático
noun
  1. adiós
  2. despedida
noun
1. een woordsoort dat wordt gebruikt om een eigenschap of hoedanigheid van een zelfstandig naamwoord te benoemen
adjetivo
noun
1. een woordsoort dat wordt gebruikt om een eigenschap of hoedanigheid van een zelfstandig naamwoord te benoemen
adjetivo
noun
ayudante
noun
adjunto
/ɑtmənɪstra'tør/
noun
  1. 1. iemand die de administratie
    administrador
  2. 2. iemand die namens de eigenaar een onderneming o.i.d. beheert
    gerente
/ˌɑtminɪsˈtrasi/, /ˌɑtminɪsˈtratsi/
noun
  1. 1. de plaats waar gegevens zorgvuldig worden vastgelegd zodat ze later terug te vinden of te controleren zijn
  2. 3. bestuur
administración
adjective
administrativo
noun
  1. administración
  2. gestoría
noun
administrador
noun
administradora
verb
1. zorgvuldig vastleggen van gegevens zodat het later terug te vinden of controleren is
administrar
noun
1. opperbevelhebber van een oorlogsvloot
almirante
noun
almirantazgo
noun
admiración
noun
1. de reciproke complexe impedantie
admitancia
noun
1. jeugdig persoon, puber
adolescente
pronoun
Adolfo
pronoun
Adonis
verb
1. een kind aannemen
  1. adoptar
  2. ahijar
  3. prohijar
noun
adopcionismo
noun
adopción
noun
adoración
verb
1. aanbidden, verafgoden, vereren
adorar
noun
1. een hormoon en een neurotransmitter die wordt geproduceerd in de bijnieren en in sommige zenuwcellen
adrenalina
noun
1. een middel dat adrenaline opheft
adrenolítico
/aˈdrɛs/
noun
1. aanduiding van de plaats waar iemand woont of iets is gevestigd
  1. dirección
  2. señas
noun
1. een boek met alfabetisch en/of systematisch geordende adressen
  1. directorio
  2. libro de direcciones
noun
bus de direcciones
verb
  1. 1. Iets toezenden
  2. 2. adres in een computergeheugen benaderen
dirigir
noun
  1. cambio de dirección
  2. cambio de domicilio
adjective
adriático
noun
1. een fenomeen dat optreedt aan het grensvlak van twee fasen, waarbij moleculen of atomen zich aan dit grensvlak hechten
adsorción
adjective
1. bijtend of samentrekkend
adstringente
adjective
1. bijtend of samentrekkende stof, veelal gebruikt om bloeding of vochtafscheiding...
astringente
verb
  1. demostrar
  2. probar
/a.ˈdu.ki.ˌbon/
noun
1. bepaald soort kleine, rode sojaboon, Phaseolus angularis
  1. judía adzuki
  2. judía azuki
  3. alubia aduki
  4. alubia adzuki
  5. alubia azuki
  6. frijol adzuki
/ɑtˈfɛnt/
noun
1. een periode van vier weken voor Kerstmis    2. de tijd waarin de komst en wederkomst van Jezus Christus worden verwacht
  1. Adviento
  2. adviento
noun
1. de kalender bestaat vaak uit een platte kartonnen doos waarin 24 genummerde vakjes zijn aangebracht
calendario de adviento
noun
anunciante
noun
1. een aankondiging in een krant, reclameblad, tijdschrift ...
anuncio
noun
  1. agencia de anuncios
  2. agencia publicitaria
  3. empresa anunciadora
noun
  1. 2. bericht
    aviso
  2. 1. een gegeven raad
    consejo
noun
  1. asesoría
  2. consultora
/ɑtfiˈzerə(n)/
verb
1. raad geven aan
  1. aconsejar
  2. asesorar
noun
1. raadgever, raadsman
  1. asesor
  2. consejero
noun
1. pleiter, verdediger in rechtszaken
  1. abogado
  2. legalista
noun
  1. bufete de abogados
  2. firma de abogados
  3. oficina de abogados
noun
1. de verzameling van alle advocaten
abogacía
noun
aireación
noun
1. vliegveld
aeródromo
noun
aerodinámica
noun
1. inslikken van lucht
aerofagia
noun
2. ziekelijke angst om te vliegen
  1. aerofobia
  2. miedo a volar
noun
1. een verzamelnaam voor muziekinstrumenten die een toon voortbrengen door een trillende luchtkolom
aerófono
noun
een kleine, op basis van lucht werkende verfspuit
aerógrafo
noun
weerkunde van de hogere luchtlagen
aerología
noun
iemand die zich bezig houdt met weerkunde van de hogere luchtlagen
aerólogo
adjective
1.
  1. aerobio
  2. aeróbico
/ˌæːroˈzol/, /ˌɛːroˈzɔɫ/
noun
  1. in te delen vertalingen
  2. 2. scheikunde
aerosol
adjective
aerostático
pronoun
AEX
adverb
1. op onregelmatige tijden
de vez en cuando
noun
1. het onvermogen te spreken
afasia
verb
retratar
noun
1. een grafisch beeld
imagen
verb
1. een besteld iets afzeggen
  1. anular
  2. cancelar
  3. contramandar
noun
1. het ongedaan maken van een bestelling
contraorden
verb
desconcharse
verb
1. niet aanraken
no tocar
verb
1. een pak of ander kledingstuk van aanklevende haren of stof ontdoen met een borstel
cepillar
/'ɑfbrak/
noun
1. afbreken, slopen
demolición
noun
guion ortográfico
verb
1. met de grond gelijk maken
derribar
verb
  1. desmoronarse
  2. derribarse
  3. derruirse
  4. fragmentarse
verb
1. van richting veranderen
torcer
/ˈɑf.dɑk/, /ˈɑv.dɑk/
noun
1. een schuin van een gebouw uitstekend stuk dak dat beschutting verleent aan de buitenmuur
cobertizo
noun
  1. descenso
  2. bajada
verb
1. wegdoen vanwege gebrek aan nut
  1. desechar
  2. deshacerse de
/ˈɑf.dɛ.kə(n)/, /ˈɑv.dɛ.kə(n)/
verb
1. iets over iets anders heen plaatsen
  1. cubrir
  2. tapar
noun
cobertura
/ˈɑfdelɪŋ/
noun
1. groep van werknemers die aan soortgelijke taken werken
departamento
verb
impermeabilizar
verb
  1. 1. een gerezen vraag of tegenwerping als onbetekenend voorstellen
    1. despachar
    2. zanjar
  2. 2. een sieraad of kledingstuk afleggen
    quitar
  3. 3. ten einde brengen, niet langer werkzaam of geldig zijn
    zanjar
adjective
1. toereikend om het probleem op te lossen
eficaz
verb
  1. 1. door dragen afslijten
    desgastar
  2. 2. overdragen
    1. pagar
    2. entregar
verb
  1. 1. weggedreven worden
    1. derivar del rumbo
    2. ir a la deriva
  2. 2. het doen afscheiden van iets inwendigs
    1. expulsar
    2. purgar
  3. 3. goud of zilver zuiveren
    purificar
/ˈɑfdrœʏpˌrɛk/, /ˈɑfdrœːpˌrɛk/
noun
1. een open raamwerk waarin pasgewassen vaatwerk gezet wordt om het aanhangende vocht af te laten vloeien
escurreplatos
noun
1. resultaat van het afdrukken
impresión
verb
2. (op papier) weergeven d.m.v. een printer of een drukpers
imprimir
verb
1. het juiste pad kwijt raken
digresar
noun
asunto
verb
1. verbranden van overtollig gas via een hoge fakkel
señalar por medio de luces
noun
1. een schijnbare gemoedsgesteldheid die niet met de werkelijkheid overeenstemt
afectación
verb
afectar
noun
  1. 2. aandoening
    afección
  2. 1. genegenheid, liefde
    1. afición
    2. amor
adjective
1. van de gevoelens uitgaand en/of hiermee verbonden
afectivo
noun
1. een vrij fors stuk drukwerk dat op muren of ramen aangebracht kan worden
cartel
/ˌɑfiliˈja(t)si/
noun
2. acceptatie als lid van een vereniging of verbond
afiliación
verb
  1. afiliar
  2. prohijar
verb
1. zuiveren, louteren
  1. acendrar
  2. purificar
/ɑfiniˈtɛit/
noun
  1. 1. een geestelijk verwantschap
    afinidad
  2. 2.
    1. afinidad
    2. afinidad química
noun
afirmación
adjective
afirmativo
verb
afirmar
noun
1. een gebonden morfeem dat aan een ander morfeem wordt toegevoegd om zo een nieuw woord te vormen
afijo
noun
  1. afrenta
  2. injuria
  3. insulto
  4. ofensa
verb
insultar
noun
  1. cureña
  2. afuste
verb
  1. 7. verminderen
    1. aminorar
    2. bajar
    3. decrecer
    4. disminuir
    5. reducir
  2. 1. naar beneden gaan
    1. bajar
    2. descender
  3. 2. afgeschoten worden
    dispararse
  4. 8. stoelgang hebben, ontlasting hebben
    evacuar
  5. 3. een slechte indruk nalaten
    fracasar
  6. 6. van iets vandaan gaan
    1. irse
    2. salir
  7. 5. bezoeken
    visitar
adjective
  1. despachado
  2. zanjado
/'ɑfxəˌlɑstə(n)/
verb
1. de opdracht geven om iets niet door te laten gaan
contramandar
noun
  1. anulación
  2. cancelación
adjective
1. oud en versleten
decrépito
/ɑfxəlegə/
adjective
  1. aislado
  2. apartado
  3. lejano
  4. lejos
  5. separado
noun
  1. derivada
  2. coeficiente diferencial
verb
  1. acabado
  2. completado
  3. finalizado
  4. rematado
  5. terminado
adjective
redondeado
noun
1. iemand die verkozen of aangewezen is een groep of gebied in ...
diputado
/ˈɑfɣevə(n)/
verb
1. achterlaten op de plek van bestemming
entregar
verb
acabado
adjective
1. saai, alledaags, overbekend
  1. manido
  2. sobado
  3. trillado
  4. redicho
noun
1. iemand die als officiële vertegenwoordiger naar een andere partij gestuurd wordt
  1. embajador
  2. enviado
  3. mensajero
preposition
1. buiten beschouwing latend
aparte de
adjective
1. in isolatie gebracht
aislado
/ɑf.ˈxan/, /ɑf.ˈχan/
noun
  1. 1. Afghaanse windhond
    (lebrel) afgano
  2. 2. Afghaans tapijt
    alfombra afgana
/ɑf.ˈxans/, /ɑf.ˈχans/, /ɑv.ˈɣaːns/
adjective
1. gerelateerd aan Afghanistan
afgano
/ɑf.ˈxans/, /ɑf.ˈχans/, /ɑv.ˈɣaːns/
pronoun
1. oneigenlijke naam voor het Pasjtoe
pashto
/ɑf.ˈxan.sə/, /ɑf.ˈχan.sə/
noun
afgana
noun
afgani afgano
/ɑf.ˈɣa.nɪ.ˌstɑn/, /ɑf.ˈχa.nɪ.ˌstɑn/, /ɑv.ˈɣa.nɪ.ˌstɑn/
pronoun
1. een land gelegen in Centraal-Azië.
Afganistán
noun
vaciado
noun
  1. emisión
  2. entrega
/'ɑfxɔt/
noun
ídolo
/ɑfxodə'rɛi/
noun
idolatría
noun
1. een gevoel van ontzetting en afkeer
horror
/ˈɑfxrɔnt/, /ˈɑfχrɔnt/, /ˈɑvɣrɔnd/
noun
1. een grote steile diepte
  1. abismo
  2. precipicio
/ˈɑfxɵnst/, /ˈɑfxʏnst/
noun
1. gevoel
  1. envidia
  2. celos
adjective
1. iemand niet gunnen dat die iets heeft dat men zelf wil hebben
envidioso
noun
1. restaurant waar maaltijden afgehaald kunnen worden
restaurante de comidas para llevar
verb
1. goederen die klaargelegd zijn in bezit komen nemen
recoger
verb
1. regelen zodat het tot een einde komt
  1. despachar
  2. terminar
noun
1. de manier waarop iets wordt geregeld tot het af is
  1. terminación
  2. tramitación
verb
1. ~ van: naargelang iets verandert mee veranderen
depender
adjective
dependiente
noun
trastorno de la personalidad por dependencia
noun
dependencia
noun
1. een sterke behoefte om zich tegen iets te keren
  1. aversión
  2. animadversión
verb
  1. cambiar de dirección
  2. desviar
verb
1. een voorstel verwerpen
  1. rechazar
  2. rebotar
verb
1. niet geschikt verklaren
  1. desaprobar
  2. rechazar
/ˌɑfkørənsˈʋardəx/
adjective
1. afkeuring verdienend
censurable
noun
1. het uitspreken van een negatief oordeel over iets
desaprobación
verb
1. een idee stelen van iemand
copiar
verb
1. soort van ritueel waarbij men door op iets te kloppen, het lot probeert te sturen
tocar madera
verb
1. door kluiven alle vlees van een bot verwijderen
roer
/'ʔɑfkulən/
verb
1. kouder worden
enfriar
noun
1. een proces waarbij de temperatuur geleidelijk lager wordt
enfriamiento
verb
  1. 2. kwijtraken
    1. abandonar
    2. dejar
    3. deshacerse de
    1. acercarse a
    2. acudir a
    3. arrojarse sobre
  2. 5. naar beneden komen
    1. bajar
    2. descender
  3. 3. afstammen
    descender
noun
origen
adjective
1. komende van
  1. natural (de)
  2. originario (de)
  3. oriundo (de)
  4. procedente (de)
  5. proveniente (de)
verb
proclamar
noun
1. officiële bekendgeving, gewoonlijk van het in werking treden van een regeling of wet.
proclamación
noun
rescate
verb
1. kortere versies voor veelgebruikte woorden of woordgroepen bedenken
abreviar
noun
1. het inkorten van een woord of een frase
abreviatura
verb
1. vernietigend beoordelen
criticar duramente
/ˈɑf.krɛɪ̯.ɣə(n)/, /ˈɑf.krɛɪ̯.χə(n)/, /ˈɑf.krɛː.ɣə(n)/
verb
1. erin slagen iets te voltooien
  1. acabar
  2. terminar
/ˈɑflat/
noun
1. een kwijtschelding van tijdelijke straffen die men zou moeten ondergaan na het sterven..
indulgencia
verb
1. vrachtgoed van een dek of van open wagen lossen
descargar
verb
1. ophouden, stoppen, uitscheiden
cesar
noun
aflatoxina
verb
  1. 1. het voorbereiden van de overledene(n) op de begrafenis
    amortajar
  2. 4. van het lichaam doen
    quitarse
  3. 2. afstand overbruggen
    recorrer
verb
1. de aandacht opvragen
distraer
noun
  1. 2. een woord dat middels toevoeging van een voor-, in- of achtervoegsel gevormd wordt uit een ander
    derivado
  2. 1. een gebeurtenis of activiteit die de gedachten op iets anders richt
    distracción
verb
1. leren iets niet langer te doen of een fout in het geleerde te verbeteren
desaprender
verb
1. brengen naar en achterlaten op de plek van bestemming
entregar
noun
1. elk onderdeel van een tv-serie dat op regelmatige tijden wordt uitgebracht of uitgezonden
entrega
/ˈɑflop/, /ˈɑfloːp/
noun
  1. 3. ontknoping
    desenlace
  2. 4. expiratie
    1. expiración
    2. vencimiento
  3. 1. einde
    fin
  4. 2. resultaat, uitkomst
    resultado
/ˈɑflopə(n)/, /ˈɑfloːpə(n)/
verb
  1. 2. hellen
    1. bajar
    2. descender
  2. 1. eindigen
    1. caducar
    2. terminarse
  3. 3. klinken van alarmsignaal
    dispararse
  4. 4. verslijten
    gastar
  5. 5. een ruimte doorlopen
    recorrer
verb
  1. 2. geheel of gedeeltelijk voldoen
    amortizar
  2. 1. de plaats innemen van
    relevar
verb
1. iets tot voltooiing brengen
acabar
verb
  1. agotar
  2. cansar
  3. erschöpfen
  4. fatigar
adjective
1. bijzonder vermoeiend
agotador
noun
1. de ruimte die iets in beslag neemt
  1. dimensión
  2. tamaño
noun
1. het minder worden
disminución
verb
  1. 5. verminderen
    1. amainar
    2. decrecer
    3. disminuir
    4. menguar
    5. remitir
  2. 1. doen verliezen
    1. arrebatar
    2. quitar
  3. 2. kopen
    comprar
  4. 3. verwijderen, afdoen, wegnemen
    1. llevarse
    2. quitar
    3. quitarse
    4. recoger
    5. tomar
noun
1. individueel persoon of rechtspersoon die goederen of diensten opkoopt
  1. cliente
  2. comprador
noun
1. korte spreuk met een kernachtige boodschap
aforismo
verb
1. ontnemen
arrebatar
/'ɑfpɑsə(n)/
verb
1. nauwkeurig afmeten
medir
verb
1. onder dreiging van geweld iemand geld afnemen
  1. extorsionar
  2. hacer exacción
  3. hacer extorsión
/ˈɑf.pɛr.sɪŋ/
noun
1. mensen onder voor de buitenwereld onzichtbare bedreiging zaken tegen hun wil laten doen
extorsión
verb
1.
aplanar
verb
  1. arrancar
  2. coger
  3. cortar
  4. desgranar
  5. pellizcar
  6. pizcar
verb
  1. 1. iets goedkoper maken
    1. abaratar
    2. rematar
  2. 1. goedkoper worden
    abaratarse
verb
desaconsejar
verb
1. iets snel en op een slordige manier afmaken
farfullar
verb
1. een pak slaag geven
  1. zurrar
  2. vapulear
  3. apalear
  4. aporrear
  5. pegar
  6. azotar
noun
  1. enrejado
  2. reja
verb
1. de hersenen ontdoen van woede
  1. desahogar
  2. descargar
verb
1. een aankoop of schuld betalen
pagar
/ˈɑfrekənɪŋ/
noun
2. een moord in het criminele circuit
  1. liquidación
  2. ajuste de cuentas
verb
1. de snelheid van iets doen verminderen
  1. enfrenar
  2. frenar
  3. refrenar
verb
1. door middel van oefening voor iets geschikt maken
  1. adiestrar
  2. amaestrar
pronoun
1. het continent ten zuiden van Europa, tussen de Indische en de Atlantische Oceaan.
África
noun
1. benaming voor planten uit het geslacht Tagetes
  1. clavelón
  2. damasquina
  3. hierba anís
/afriˈkaːns/
pronoun
1. een van het Nederlands afstammende taal die wordt gesproken in Zuid-Afrika en Namibië
  1. afrikaans
  2. afrikáans
noun
1. bepaald soort boom, Adansonia digitata
  1. baobab africano
  2. pan de mono africano
noun
1. een verkeersweg waarlangs men naar beneden van een autoweg of autosnelweg af kan rijden
salida
verb
2. bankbiljetten uit de kassa verwijderen en opbergen (in een kluis)
desnatar
verb
1. het vervangen van een getal met te veel decimalen door het meest dichtbije getal met het gewenste aantal decimalen
redondear
verb
1. een pak ransel geven, afranselen
apalizar
verb
1. tot een einde brengen
  1. abolir
  2. abrogar
  3. derogar
noun
1. het doen ophouden te bestaan
abolición
noun
1. een begroeting bij het elkaar verlaten
  1. despedida
  2. adiós
verb
  1. 2. een stof voortbrengen en afgeven aan de omgeving
    excretar
  2. 1. afzonderen, uit de aanwezigheid van iets verwijderen
    segregar
noun
separador
noun
separación
noun
beso de despedida
verb
decantar
verb
2. met een scheurbeweging losmaken
arrancar
verb
1. in schilfers er vanaf vallen
desconcharse
/af.sχɾɪft/
noun
transcripción
verb
descargar
verb
1. doen weggaan door angst aan te jagen
  1. acobardar
  2. aterrorizar
  3. espantar
verb
1. het schuin afwerken van de rand van een materiaal.
  1. achaflanar
  2. biselar
  3. abiselar
noun
1. hevige afkeer
  1. repugnancia
  2. abominación
  3. aborrecimiento
  4. aversión
  5. horror
/ɑfˈsxyu̯ələk/
adjective
abominable
verb
  1. 2. iets omlaag doen bewegen
    bajar
  2. 6. ophouden te werken
    1. detenerse
    2. parar
  3. 5. zijwaarts gaan
    1. girar
    2. torcer
  4. 1. iets weigeren aan te nemen
    1. rechazar
    2. declinar
    3. rehusar
  5. 3. aanval afslaan
    1. rechazar
    2. repeler
    3. repulsar
  6. 7. prijzen afslaan
    reducir
  7. 4. bij afslag veilen
    subastar
/ˈɑfslɑxtɪŋ/
noun
1. het zinloos vermoorden van mensen op een gruwelijke manier
  1. baño de sangre
  2. masacre
noun
1. een uitrit die van een snelweg afvoert
salida
verb
1. in een proces van slijtage verliezen
desgastarse
/'ɑf.slœy.tə(n)/
verb
  1. 1. zorgen dat iets of iemand niet in, uit of door iets kan gaan, alle openingen dicht doen
    cerrar
  2. 2. zorgen dat iets niet meer werkt, alle verbindingen verbreken
    desconectar
  3. 4. een einde maken aan
    terminar
noun
3. een voorwerp dat ervoor zorgt dat iets afgesloten wordt
  1. barrera
  2. obstrucción
verb
1. afbidden; nederig om iets vragen
suplicar
verb
1. ergens een stuk vanaf halen
  1. cortar
  2. amputar
  3. cercenar
  4. truncar
verb
  1. 4. zich ~: gebeuren
    desarrollarse
  2. 3. iets door veelvuldig bespelen bederven en onbruikbaar maken
    gastar
  3. 1. afdraaien
    poner
  4. 2. tot het einde toe spelen
    tocar
noun
reflexión
noun
1. een overeenkomst
  1. convenio
  2. acuerdo
noun
2. belofte van twee verliefde mensen om elkaar op een bepaalde tijd en plaats te ontmoeten
cita
verb
1. een onderling vergelijk vastleggen
convenir
verb
1. uit handen geven
ceder
noun
descendiente
verb
1. ~ van: een nakomeling zijn van
descender
noun
1. de genetische voorgescheidenis van een individu, volk of soort
descendencia
/ˈɑfstɑnt/
noun
  1. 2. opgeven van een aanspraak
    cesión
  2. 1. de ruimte die zich ergens tussen bevindt
    distancia
noun
een toestel dat vanaf afstand een ander toestel bestuurt
  1. mando a distancia
  2. telemando
noun
telémetro
noun
educación en el hogar
verb
3. uitstappen
  1. apearse
  2. bajar
/'ɑfstɛlə(n)/
verb
1. regelbare parameters zo kiezen dat een toestel voor een bepaald doel gereed is
  1. ahormar
  2. ajustar
  3. regular
noun
  1. reglaje
  2. regulación
/'ɑfstɛmə(n)/
verb
  1. 3. bij stemming verwerpen
    rechazar
  2. 1. op de juiste toonhoogte brengen
    sintonizar
noun
  1. 1. iets zo regelen dat het voor iedereen passend is
    coordinación
  2. 2. op de juiste frequentie (radio)/toonhoogte instellen
    sintonización
/ɑfstɛmox/
noun
1. inrichting aan een radio- of tv-toestel waarop men kan aflezen hoe sterk de ontvangst is van het ontvangen radiosignaal
ojo mágico
verb
1. er een stempel opzetten
sellar
verb
1. ontdoen van stof
  1. quitar el polvo
  2. desempolvar
verb
  1. 1. zijn scherpheid verliezen
    despuntar
  2. 3. iemands tegenwoordigheid van geest nadelig beïnvloeden
    1. embrutecer
    2. abobar
verb
    1. 3. herkennen als niet lichaamseigen en dan met een ontstekingsreactie uit het lichaam verwijderen
    2. 4. niet meer met iemand willen omgaan
    rechazar
    1. repeler
    2. rechazar
adjective
1. van iets dat men het liever op afstand houdt
  1. repelente
  2. repulsivo
noun
1. een kracht die twee voorwerpen zich van elkaar doet verwijderen.
repulsión
verb
1. door wrijven iets glad maken en/of overtollig materiaal verwijderen
rasar
verb
1.
graduarse
/ɑf/, /ɑft/
noun
1. een kleine zweer in de mond ten gevolge van een virus
afta
noun
  1. caja de conexiones
  2. caja de empalme
verb
  1. 3. het door ouderdom of ziekte verliezen van lichaamsfuncties
    decaer
  2. 1. slechter worden
    envejecer
verb
  1. 3. zichtbaar, duidelijk worden
    destacar
  2. 2. met een handtekening verklaren dat een handeling volbracht is
    firmar
  3. 1. een lijn of markering op materiaal tekenen
    trazar
noun
1. het weggaan
retirada
noun
1. de eerste trap vanuit de middencirkel bij het begin van speeltijd van een voetbalwedstrijd
saque inicial
verb
1. een bepaalde positie of een bepaald ambt opgeven
dimitir
noun
te controleren vertalingen
deducción
verb
  1. 2. verwijderen door te trekken
    1. arrancar
    2. quitar
  2. 4. korten
    deducir
  3. 3. afschieten
    descargar
  4. 9. aftreksel maken
    1. hacer una infusión
    2. infundir
    3. infusionar
  5. 8. (een man) seksueel bevredigen, aftrekken
    pajear
  6. 7.
    pajearse
  7. 10. zich verwijderen, weggaan
    retirarse
  8. 1. rekenkundige bewerking waarbij een getal met een getal verminderd wordt
    1. sustraer
    2. substraer
    3. descontar
/ˈɑftrɛkɪŋ/
noun
1. rekenkundige bewerking waarbij een getal van een ander getal afgetrokken wordt
  1. sustracción
  2. substracción
/ˈɑftrɛksəɫ/
noun
1. een vloeistof waarin men de oplosbare delen van iets heeft laten oplossen
extracto
/ˈɑˌfaːrdəɣə(n)/
verb
1. iemand machtigen om iets te vertegenwoordigen, meestal een vereniging of een staat
  1. delegar
  2. comisionar
  3. diputar
noun
delegación
noun
1. wegvaren van de wal van een vaartuig
salida
noun
1. onbruikbare resten die weggegooid worden
  1. basura
  2. desecho
  3. desperdicios
  4. detrito
  5. escombros
noun
1. bak waar het afval in wordt gedeponeerd totdat de vuilnisdienst het ophaalt
cubo de basura
/ ˈɑfɑlə(n) /
verb
1. gewicht verliezen.
adelgazar
adjective
1. niet trouw of loyaal aan
  1. apóstata
  2. renegado
  3. infiel
noun
  1. apóstata
  2. renegado
noun
1. het ontrouw worden aan zijn geloof
apostasía
noun
1. water dat gebruikt is in de industrie of in het huishouden en dat na gebruik geloosd wordt
  1. aguas residuales
  2. agua de deshechos
verb
1. met een doekje of papiertje vuil weghalen
  1. limpiar
  2. secar
  3. enjugar
  4. fregar
noun
  1. desagüe
  2. transporte
  3. trasporte
verb
  1. 1. zich ~: zichzelf een vraag stellen
  2. 2. zich ~: vraagtekens plaatsen bij
preguntarse
/ˈɑfwɑxtə(n)/, /ˈɑfʋɑxtə(n)/, /ˈɑfʋɑχtə(n)/
verb
1. wachten op wat er gaat gebeuren
aguardar
noun
expectación
noun
platos sucios
noun
1. een apparaat om automatisch de afwas te doen
  1. lavavajillas
  2. lavaplatos
  3. friegaplatos
  4. lavadora de vajilla
  5. máquina lavaplatos
noun
1. zeepproduct voor de afwas
detergente lavavajillas
/'ɑfwɑsə(n)/, /'ɑfʋɑsə(n)/, /'ɑfβ̞ɑsə(n)/
verb
[1] het schoonmaken van de vaat, zoals, messen, vorken, lepels, borden
  1. fregar
  2. fregar los platos
  3. lavar
noun
1. een apparaat om automatisch de afwas te doen
  1. lavaplatos
  2. friegaplatos
  3. lavavajillas
  4. lavadora de vajilla
  5. máquina lavaplatos
noun
1. het sop waarin met het eetgerei schoonmaakt of -gemaakt heeft
agua de fregar
verb
1. overtollig water afvoeren
  1. desaguar
  2. drenar
noun
1. de paden waarlangs water uit een stuk land afgevoerd kan worden
  1. desagüe
  2. drenaje
noun
1. het afweren van aanvallen
defensa
/ɑfwergəsxʌt/
noun
1. verzamelterm voor vuurwapens waarmee verdedigers aanvallende vliegtuigen kunnen bestoken
defensa antiaérea
noun
  1. anticuerpo
  2. antídoto
noun
  1. sistema inmune
  2. sistema inmunitario
  3. sistema inmunológico
verb
desacostumbrar
/ɑfˈwerə(n)/
verb
1. een aanval neutraliseren
repeler
verb
1. de laatste en kleine details afmaken
acabar
/ɑfwɛrəkɪŋ/
noun
  1. 2
    1. acabado
    2. acabamiento
  2. 1
    1. compleción
    2. finalización
adjective
1. niet op een bepaald tijdstip en plaats zijn
ausente
noun
1. het afwezig zijn op een bepaald tijdstip en plaats
ausencia
verb
1. niet de gangbare norm volgen
desviarse
adjective
  1. aberrante
  2. diferente
  3. distinto
noun
  1. 2. lichamelijk gebrek of het niet volledig bij het verstand zijn
    1. anomalía
    2. aberración
  2. 1. niet goed afgesteld staan en naar een bepaalde kant neigen
    desviación
verb
1. een negatieve beslissing ergens over nemen
  1. rechazar
  2. rehusar
adjective
  1. contrariado
  2. negativo
/'ɑfʋɛɪzɪŋ/
noun
1. een bericht dat op een voorstel of aanzoek niet ingegaan wordt
desaprobación
verb
    1. desenroscar
    2. desenvolver
  1. 2. een bepaalde zaak geheel afhandelen
    1. liquidar
    2. despachar
noun
2. afhandeling van een bepaald zakelijk of technisch proces
tramitación
/ˈɑfʋɪsələ(n)/
verb
1. om en om plaatsvinden
alternar
adjective
1. elkaar vervangend
alternativamente
/ˈɑfʋɪsəlɪŋ/
noun
1. variatie
  1. variación
  2. alternativa
  3. cambio
  4. diversidad
  5. variedad
verb
1. naar beneden glijden
deslizarse
verb
1. aangeven dat men niet gaat komen
  1. anular
  2. cancelar
noun
1. een termijn mondeling afbestellen
cancelación
verb
1. iets met een bode of koeriersdienst meegeven ten einde het ergens te laten bestellen
enviar
noun
1. iemand die iets naar een adres verzendt
  1. remitente
  2. expedidor
noun
  1. consumo
  2. salida
  3. venta
verb
  1. 1. amputeren
    amputar
  2. 9. tot afstand dwingen
    destituir
  3. 3. bekocht worden
    estafar
noun
1. iemand die door misleiding een buitensporige betaling voor iets weet te verkrijgen
  1. estafador
  2. timador
noun
3.
yacimiento
/ɑf'sɪxtələk/
adjective
horrible
verb
  1. 1. besluiten iets niet te doen
    renunciar
  2. 2. lijden, ongemak doorstaan
    sufrir
adjective
neutral
verb
1. kusjes geven, met kusjes bedekken
  1. besucar
  2. besuquear
/ˈɑfˌsɔnd(ə)rən/
verb
  1. 2. afscheiden
    1. apartar
    2. separar
    3. aislar
    4. dispersar
    5. segregar
  2. 1. uit de groep halen
    apartarse
/ˈɑfsɔndərɪŋ/
noun
1. het afzonderen
  1. segregación
  2. separación
adjective
separado
/ˈɑfzœʏχkɑp/, /ˈɑfzœːxkɑp/
noun
1. een huishoudelijk apparaat in de keuken dat de kookluchtjes moet afvoeren
campana
/ˈɑfzwɪːrə(n)/
verb
  1. abjurar
  2. apostatar
noun
  1. 1. een doorzichtige, maar soms ook opake variëteit van trigonaal kwarts...
  2. 2. een stenen voorwerp bestaande of vervaardigd uit agaat
ágata
adjective
gris ágata
noun
1. een gebrek aan moedermelk
  1. agalactia
  2. agalaxia
noun
  1. E406
  2. agar-agar
noun
  1. 1. gedroogd zeewier
    agar-agar
  2. 2. smaak- en reukloze gelatine
    1. agar-agar
    2. gelatina de algas
    3. gelosa
noun
1. botanische naam voor een familie van eenzaadlobbige planten, Agavaceae
  1. agavaceae
  2. agaváceas
/a.ˈɣɛn.da/, /a.ˈχɛn.da/
noun
  1. 1. een notitieboek waarin afspraken genoteerd worden
    agenda
  2. 2. een lijst van te bespreken punten op een vergadering
    orden del día
verb
1. op de agenda plaatsen
agendar
/'aɣɛns/
noun
1. een werkzame stof
agente
noun
  1. 2. een vertegenwoordiger van een bedrijf
    agente
  2. 1. persoon belast met de handhaving van de openbare orde
    policía
/aɤ'ɛntsxɑp/
noun
1. lokale vertegenwoording van een grotere organisatie
agencia
noun
agencia
verb
1. moeite doen om een meest politiek doel te bereiken
actuar
noun
aglomeración
noun
aglomeración
verb
aglomerar
noun
aglutinación
noun
1. samenklontering
  1. agregación
  2. agregado
noun
1. elk van de toestanden, afhankelijk van druk en temperatuur, waarin een stof kan voorkomen
estado de agregacíon de la materia
noun
agio
verb
especular
noun
1. opwinding
  1. agitación
  2. convulsión
  3. perturbación
  4. revuelo
noun
agitador
verb
  1. agitar
  2. perturbar
noun
agnosticismo
noun
1. iemand die ten aanzien van het bovennatuurlijke stelt dat dit niet te kennen valt
agnóstico
adjective
agnóstico
noun
agonía
noun
agorafobia
noun
1.
agrafia
noun
agranulocito
noun
1. vermindering van het aantal korrelcellen(witte bloedcellen) in het bloed
agranulocitosis
noun
agrario
noun
agresión
adjective
1. aanvallend
  1. agresivo
  2. agresiva
noun
  1. 1. de neiging tot agressie
  2. 2. het agressief zijn
agresividad
noun
agricultura
/aɣriˈmoni/
noun
1. benaming voor overblijvende, kruidachtige planten uit het geslacht Agrimonia
  1. agrimonia
  2. agrimoña
  3. hierba bacera
  4. hierba de san guillermo
  5. hierba del podador
noun
1. de landbouwkunde
agronomía
noun
agrónomo
pronoun
aguacateco
/a.ˈhɔrn/
noun
1. een boom of heester van het geslacht Acer.
arce
noun
jarabe de arce
noun
azúcar de arce
noun
1. een virusziekte waarbij het natuurlijke afweersysteem van het lichaam steeds verder afgebroken wordt
  1. SIDA
  2. sida
noun
aire
noun
aire acondicionado
noun
  1. 1. de regeling van de temperatuur en de vochtigheidsgraad van de lucht in een ruimte
    1. aire acondicionado
    2. climatización
  2. 2. het apparaat
    climatizador
/aʔyˈbe/
interjection
por favor
noun
1. bepaald eetbaar bolgewas, Allium cepa
cebolla
interjection
adiós
noun
1. bepaald soort tot 25 m hoge, groenblijvende boom, Blighia sapida
  1. akea
  2. merey del diablo
  3. seso vegetal
noun
1. benaming voor kruidachtige, winterharde, vaste sierplanten uit het geslacht Aquilegia
  1. aguileña
  2. aquileya
  3. capa de rey
  4. clérigos boca abajo
  5. frailes boca abajo
  6. pajarilla
adjective
  1. lúgubre
  2. horrible
pronoun
1. een stad in de Duitse deelstaat Noord-Rijnland-Westfalen, niet ver van Maastricht
Aquisgrán
/'akər/
noun
2. vrucht van de eik
bellota
noun
1. plant
  1. merey del diablo
  2. seso vegetal
  3. akea
/ˈa.ki.ˌprœʏ̯m/
noun
2. bepaald soort tot 25 m hoge, groenblijvende boom, Blighia sapida
  1. akea
  2. merey del diablo
  3. seso vegetal
noun
1. afgeperkt stuk land dat bestemd is bebouwd te worde met een gewas of graan
campo
noun
1. bepaald soort eenjarige plant, Stachys arvensis
  1. hierba de gato
  2. matapollos
noun
1. bepaald soort eenjarige, kruidachtige plant, Asperula arvensis
  1. agarrones de señorita
  2. amor celoso
/ˈɑ.kər.ˌbo.tər.ˌblum/
noun
1. bepaald soort plant, Ranunculus arvensis
  1. botón de oro
  2. gata rabiosa
  3. hierba del amor
  4. ranúnculo
  5. ranúnculo arvense
  6. ranúnculo de mieses
noun
agricultura
noun
  1. empresa agrícola
  2. empresa agraria
noun
  1. agricultor
  2. campesino
  3. granjero
noun
1. bepaald soort eenjarige plant, Torilis arvensis
bardanilla
noun
1. bepaald soort plant, Calendula arvensis
  1. caléndula silvestre
  2. flamenquilla
  3. flor de muerto
  4. hierba del podador
  5. maravilla de los campos
  6. maravilla silvestre
noun
1. bepaald soort tweejarige- of meerjarige plant, Melilotus officinalis
  1. alfombrilla
  2. almegón
  3. corona de rey
  4. coronilla
  5. coronilla real
  6. meliloto
noun
1. bepaald soort vaste plant, Cerastium arvense
oreja de ratón
noun
1. bepaald soort plant, Rorippa sylvestris
oruga palustre
noun
1. bepaald soort plant, Lapsana communis
  1. astaza
  2. hierba de las mamas
  3. hierba de los pechos
  4. hierba pezonera
  5. lampsana
  6. lapsana
noun
  1. becerrilla
  2. cabeza de muerto
noun
  1. cola de caballo
  2. cien nudillos
  3. cola de caballo del campo
  4. equiseto menor
  5. hierba para el estaño
noun
  1. agaricus arvensis
  2. bola de nieve
noun
1. bepaald soort eenjarige plant, Filago arvensis
padre e hijos
noun
  1. correhuela
  2. batatilla de playa
  3. campanilla
  4. corregüela
  5. correjuela
  6. escamonea
noun
1. bepaald soort eenjarige plant, Ajuga chamaepitys
  1. pinillo
  2. pinillo oloroso
  3. camepiteos
  4. hierba artética
  5. hierba de las junturas
noun
1. overeenkomst
acuerdo
/ˌakusˈtik/
noun
1. de voortplanting van klank in een besloten ruimte en de ervaring die deze voortplanting ...
acústica
adjective
acústico
noun
1. officieel schriftelijk stuk
instrumento
adverb
1. reeds
ya
phraseologicalUnit
la mona aunque se vista de seda, mona se queda
phraseologicalUnit
  1. al que miente, se coge en la acera de enfrente
  2. la mentira presto es vencida
  3. más presto se coge al mentiroso que al cojo
pronoun
1. Braziliaanse deelstaat gelegen in de Regio Noordoost van het land. Hoofdstad is Maceio
Alagoas
noun
alanina
noun
1. benaming voor planten uit het geslacht Inula
  1. helenio
  2. inula
  3. énula
  4. énula campana
/alɑrṃ/
noun
alarma
/ɑlɑr'merən/
verb
1. door alarm oproepen of bijeenroepen
  1. alarmar
  2. alertar
/ɑˈlɑrmsiˌstem/
noun
1.
sistema de alarma
/ɑɫbaˈneːs/
noun
1. (mannelijke) inwoner van Albanië, of iemand afkomstig uit Albanië
albanés
/ɑɫbaˈneːs/
pronoun
1. taal die vooral in Albanië en Kosovo gesproken wordt
albanés
noun
lek albanés
/ɑlˈbaːni.jə/, /ɑɫˈbani.jə/
pronoun
1. een land in het westen van de Balkan, grenzend aan de Adriatische en de Ionische Zee en aan Griekenland, Macedonië, Kosovo en Montenegro
Albania
noun
alabastro
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Diomedeidae
albatros
noun
alba
noun
het ontbreken van pigmentkleurstof in de huid
albinismo
noun
álbum
noun
1. in water oplosbaar eiwit dat veel in bloed voorkomt
albúmina
noun
1. vroegere occulte wetenschap, waarin o.a. werd geprobeerd om goud en edelmetalen uit andere elementen...
alquimia
noun
alquimista
noun
1. elk van de verbindingen uiteen groep koolwaterstoffen die gekenmerkt zijn...
alcohol
noun
bebidas alcohólicas
adjective
1. alcohol bevattend
alcohólico
verb
1. met alcohol vermengen of behandelen
alcoholizar
noun
alcoholismo
noun
alcohólico
noun
alcoholismo
adjective
1. met een verwaarloosbaar alcoholgehalte
sin alcohol
adverb
1. in de eerder genoemde plaats
  1. ahí
  2. allí
noun
aldehído
adverb
1. zo, op deze manier
así
adjective
aleatorio
conjunction
antes de que
pronoun
1. keten van vulkanische eilanden in Alaska ,die zich boogvormig uitstrekt en een scheiding vormt tussen de Grote Oceaan en de Beringzee
islas Aleutianos
/aˈlɛrt/, /əˈlʏːrt/
adjective
1. oplettend
atento
noun
vigilancia
noun
alétheia
noun
  1. alejandrino
  2. verso alejandrino
/ˈɑlfa/
noun
1. een aanduiding of markering van "de eerste" van een reeks
alfa
noun
efecto alfa
noun
de lettertekens van een taal
  1. alfabeto
  2. abecedario
adjective
1. gerangschikt volgens de letters van het alfabet
alfabético
/ɑl.fa.bæː.tɪ.ˈzeː.rə(n)/, /ɑɫ.fa.be.ti.ˈzɪː.rə(n)/
verb
1. lezen en schrijven aanleren
alfabetizar
noun
1. ontkiemde zaden van luzerne
  1. alfalfa
  2. alfalfa chilota
  3. alfalfa silvestre
  4. alfaz
  5. brotes de alfalfa
  6. mielga
noun
1.
radiación alfa
/ˈɑɫɣəbra/
noun
1. deel van de wiskunde dat zich bezighoudt met de betrekkingen van door letters...
álgebra
noun
  1. general
  2. universal
  3. común
  4. público
/ɑl.ɣə.'rɛɪ̯.jə/, /ɑɫ.ɣə.'rɛː.jə/, /ɑɫ.χə.'rɛɪ̯.jə/
pronoun
1. een land in Noord-Afrika, officieel de Democratische Volksrepubliek Algerije
Argelia
adjective
1. Uit/afkomstig van Algerije
argelino
noun
argelina
noun
dinar argelino
/ɑɫˈxiːrs/, /ɑɫˈɣiːrs/
pronoun
1. Hoofdstad van Algerije
Argel
/ɑlˈɣɔŋkijʏm/
noun
Algónquico
noun
algoritmo
noun
1. vizierliniaal
alidada
adverb
1. in deze plaats
  1. aquí
  2. en ésta
conjunction
1. leidt een toegeving in waarvan de hoofdzin de geldigheid wegneemt
aunque
/aliɑs/
adverb
1. anders gezegd, ook wel genaamd
alias
/aliɑs/
noun
1. een bijnaam
alias
/ˈaː.liˌbi/
noun
1. het kunnen aantonen dat men elders was tijdens het zich voltrekken van een misdaad,...
coartada
noun
1. eetbare zeeslak
bígaro
adjective
1. met betrekking tot de voeding
alimentario
noun
  1. pensión alimenticia
  2. asistencias
/aˈlinija/
noun
párrafo
noun
1. vervreemding
alienación
/ɑlk/
noun
1. bepaald soort zeevogel die veel op de zeekoet lijkt, maar een dikkere snavel heeft
  1. alca común
  2. alca
noun
alcano
/ˈɑlkalimeˌtal/
noun
1. de naam voor elk element uit de eerste chemische reeks van het periodiek systeem
alcalino
adjective
met betrekking tot alkali
alcalino
verb
1. een oplossing meer basisch en dus minder zuur maken
  1. alcalinizar
  2. alcalizar
noun
1. zuurverlies
alcalosis
noun
1. een stikstof bevattende plantenbase
alcaloide
noun
alqueno
noun
1. een kleine raamloze zijkamer, vaak gebruikt als slaapkamer
alcoba
adverb
1.
todo incluido
pronoun
1. God in islamistisch of Arabische context
Alá
adverb
  1. hace tiempo
  2. tiempo ha
/ˈɑlə/
indefinitePronoun
1. elke, geen, uitgezonderd
todos
/ɑl.ˈen/
adjective
1. zonder gezelschap
solo
/ɑl.ˈen/
adverb
1. slechts
solamente
noun
1.
  1. autocracia
  2. poder absoluto
noun
1. iemand die met onbeperkte oppermacht regeert
autócrata
noun
1.
distribuidor
noun
alegoría
verb
1. als een allegorie voorstellen
alegorizar
/ɑ.ˈlɛl/, /ɑ.ˈlɛɫ/
noun
1. elk van de alternatieve uitvoeringen van een gen, die allemaal in homologe chromosomen op dezelfde plaats liggen
alelo
noun
  1. frecuencia alélica
  2. frecuencia génica
indefinitePronoun
  1. todo
  2. todos
noun
alemanda
/ˈɑlən/
cardinalNumeral
hoofdtelwoord
todas
/ˈɑlən/
indefinitePronoun
1. alle
todos
adverb
1. geleidelijk over een langere tijd
poco a poco
indefinitePronoun
de todos
adjective
1. heel erg goed, helemaal goed
mejor de todos
noun
1. stof die overgevoeligheid veroorzaakt
alérgeno
/ˌɑlɛrˈɣi/
noun
1. een reactie van het immuunsysteem op lichaamsvreemde stoffen (allergenen), die op zich helemaal niet schadelijk hoeven te zijn
alergia
adjective
1. overgevoelig
alérgico
noun
wetenschap die allergieën bestudeert
alergología
indefinitePronoun
  1. de cada clase
  2. de toda clase
  3. toda clase de
pronoun
1. een rooms-katholieke feestdag op 1 november ter gezamenlijke verering van alle heiligen van de Kerk
Día de Todos Los Santos
adjective
santísimo
indefinitePronoun
  1. de cada clase
  2. de toda clase
  3. toda clase de
/ɑlərˈmɪnst/
adverb
1. in het geheel niet
de ningún modo
/ˌɑlərˈzilə(n)/
pronoun
1. Katholieke feestdag
Todos los Difuntos
indefinitePronoun
1. al het mogelijke, de gehele verzameling of hoeveelheid zonder uitzondering
todo
noun
omnívoro
adverb
  1. bajo todos los aspectos
  2. de todos modos
  3. en todos conceptos
  4. en todos los respectos
noun
aleación
noun
1. een bondgenootschap
alianza
/ɑˈlɪxt/
adverb
  1. 3. vanzelfsprekend
    1. cómodamente
    2. fácilmente
  2. 1. zeer waarschijnlijk
    probablemente
noun
1. een grote krokodilachtige uit het geslacht Alligator
  1. aligátor
  2. aligator
noun
aliteración
noun
asignación
adjective
1. uit een ander land of plaats afkomstig
  1. extranjero
  2. alóctono
noun
1. iemand die van elders afkomstig is
inmigrante
noun
1.
alófono
noun
alopatía
noun
1.een geneesmiddel dat de aanmaak van urinezuur tegengaat
alopurinol
/ˌɑ.lo.tro.ˈpi/
noun
1. scheikundig verschijnsel
alotropía
noun
bicicleta de montaña
verb
  1. aludir
  2. citar
noun
estilo
noun
1. artistieke toespeling of zinspeling
alusión
adjective
aluvial
/ɑˈlʏvijʏm/
noun
1. los materiaal (regoliet) dat als sediment door een rivier is afgezet
Aluvión
/ɑɫmɑxt/
noun
1. absolute macht, macht over alles
omnipotencia
adjective
omnipotente
noun
  1. almanaque
  2. calendario
noun
alnico
adverb
1. overal, onder velen
  1. por todas partes
  2. en todas partes
noun
omnipresencia
noun
1. haaruitval
alopecia
noun
benaming voor bloeiende, succulente planten uit het geslacht Aloe
  1. áloe
  2. sábila
  3. zábila
  4. zábida
  5. závila
noun
1. bepaald soort succulent, Aloe vera
  1. sábila
  2. aloe
  3. zábida
  4. zábila
  5. závila
  6. áloe
adjective
  1. alpaca
  2. metal blanco
noun
  1. 1. bepaald soort zoogdier Vicugna pacos
  2. 2. zilverkleurige metaallegering
alpaca
pronoun
1. een gebergte dat Italië van de rest van Europa scheidt
Alpes
noun
1. bepaald soort overblijvende plant die te vinden is in de meeste Europese gebergtes, Pulsatilla alpina
pulsatilla alpina
noun
pino de los Alpes
noun
1. een van hout vervaardigd blaasinstrument met een lengte tot vier meter
trompa de los Alpes
noun
  1. lagópodo alpino
  2. perdiz nival
noun
1. bepaald soort plant, Myosotis alpestris
  1. miosotis
  2. no me olvides
  3. nomeolvides
adjective
alpino
adjective
alpino
verb
1. sport waarbij men op ski's een heuvel of berg afdaalt.
esquí alpino
noun
  1. alpinismo
  2. montañismo
noun
1. iemand die de bergsport beoefent
  1. alpinista
  2. montañero
noun
boina
adverb
  1. luego
  2. pronto
noun
1. bepaald soort Zuid-Europese verdovende en bedwelmende overblijvende plant
  1. mandrágora
  2. berenjenilla
  3. lechuguilla
  4. mandrágula
  5. manzana de cerdo
  6. mercurio vegetal
/ɑls/, /ɑs/
conjunction
nog na te gaan
cuando
phraseologicalUnit
1. als de kat van huis is, dansen de muizen op tafel
  1. cuando el gato no está, bailan los ratones
  2. cuando el gato no está, los ratones bailan
phraseologicalUnit
  1. 1. als mensen gretig aan het eten zijn, wordt er niet zo veel gepraat
  2. 2. iemand die druk is met winstgevende bezigheden praat daar niet over
oveja que bala, bocado pierde
phraseologicalUnit
1. iemand die te veel heeft gedronken is niet meer in staat goede beslissingen te nemen
do entra beber, sale saber
noun
1. benaming voor planten van het composietengeslacht Artemisia
  1. artemisia
  2. absintio
  3. ajenjo
noun
ambrosia
adverb
1. als beleefde aandrang bij een verzoek of versterking bij een bevel
por favor
conjunction
1. en ook
  1. así como
  2. al igual que
  3. y también
adverb
1. toch nog
  1. aún
  2. todavía
conjunction
1. luidt een vergelijking in
como si
adverb
1. als beleefde aandrang bij een verzoek of versterking bij een bevel
por favor
noun
1. lage vrouwenstem
alto
noun
1. offertafel voor godsdienstige plechtigheden
altar
noun
1. toonverandering
alteración
verb
alterar
/ˌɑl.tɛr.ˈnɑnt/, /ˌɑɫ.tər.ˈnɑnt/
noun
1. determinant samengesteld uit n functies en n punten (niet noodzakelijkerwijze onderscheiden) door het element i,j gelijk te stellen aan de waarde van de functie i in punt j en vice versa
alternante
noun
alternancia
noun
alternancia
/ɑltərnaˈtif/
noun
1. een andere mogelijkheid of methode
alternativa
noun
alternador
verb
1. (elkaar) min of meer regelmatig afwisselen
alternar
conjunction
1. geeft in het tweede gedeelte meer specifiek aan wat er bedoeld wordt
al menos
adverb
  1. 1. op elk moment, blijvend
  2. 2. telkens opnieuw
  3. 3. in elk geval
siempre
noun
altímetro
noun
een vorm van bewolking op middelbare hoogte
  1. altocúmulo
  2. altocumulus
adverb
siempre
noun
altruismo
/ˈɑltfiˌjoːl/
noun
1. een muziekinstrument in de familie van de strijkinstrumenten, verwant aan maar groter en lager klinkend dan de viool
viola
noun
1. KAl(SO₄)₂
alumbre
/alyˈminijʏm/
noun
1. scheikundig element met symbool Al en atoomnummer 13
aluminio
noun
bronce de aluminio
noun
  1. hoja de aluminio
  2. papel de aluminio
adverb
por de pronto
/ˌɑɫveˈol(ə)/
noun
1. wetenschappelijke benaming voor longblaasje
alvéolo pulmonar
noun
1. ontsteking van de longblaasjes
alveolitis
noun
  1. albur
  2. alburno
noun
1. een klier die enzymen afscheidt in de twaalfvingerige darm om de afbraak van zetmeel, vet en eiwitten te bevorderen
páncreas
noun
cáncer de páncreas
conjunction
1. luidt een handeling in die in de tijd voorafgaat aan die van de hoofdzin
antes de que
adverb
de nuevo
noun
omnisciencia
noun
Alzheimer
/amɑl'ɣaːm/
noun
1. kwiklegering
amalgama
noun
  1. 1. kleine bladverliezende loofboom, Amygdalus dulcis
    1. almendro
    2. almendrero
  2. 1. eetbare pit van de amandelvrucht
    1. almendra
    2. almendro
  3. 3. klier in de neus-keelholte
    1. amígdala
    2. tonsila
noun
  1. almendro
  2. almendrero
noun
1. fijn gemalen amandelen, rijk aan vitaminen, mineralen en vitaminen B1, B2, B6 en E
harina de almendra
noun
1. een melkachtige drank die uit fijngemalen amandelen en water bereid kan worden
horchata
noun
  1. aceite de almendra
  2. aceite de almendras
  3. almond oil
noun
  1. amigdalitis
  2. angina
  3. anginas
noun
pasta de almendras
noun
1. een mengsel van amandelen en suiker dat wordt gebruikt in o.a. gevulde speculaas en boterletters
  1. pasta de almendra
  2. mazapán
  3. pasta de almendra molida y azúcar
  4. pasta de almendras
noun
  1. tarta de Santiago
  2. tarta de almendra
  3. tortada de almendras
noun
  1. lechetresna
  2. titimalo
noun
1. of 2. (zaden van) geslacht Amaranthus
  1. bledo
  2. moco de pavo
  3. amaranta
  4. espinaca china
noun
esmeril
noun
1. een persoon die iets als hobby doet
  1. aficionado
  2. diletante
noun
astronomía amateur
noun
amateurismo
pronoun
  1. Río Amazonas
  2. Amazonas
noun
2. een vrouwelijke ruiter
amazona
noun
selva amazónica
noun
  1. 1. een handwerkvak dat vaak aanzienlijke vaardigheden vereist
    oficio
  2. señorío
adjective
1. volgens de methoden van het oude ambacht
  1. artesanal
  2. artesano
noun
artesano
noun
artesanía
noun
  1. juplón
  2. manzana de oro
noun
1. de officiële vertegenwoordiging van de ene regering in de hoofdstad van de andere.
embajada
noun
1. iemand die door de ene staat is aangesteld om deze staat bij een andere staat te vertegenwoordigen
embajador
noun
1. vrouwelijke vorm van ambassadeur
embajadora
noun
  1. 2.
    ámbar amarillo
  2. ámbar gris
noun
1. Liquidambar styraciflua, een loofboom uit de familie Altingiaceae, van oorsprong uit het oosten van Noord-Amerika
  1. estoraque
  2. liquidámbar
  3. árbol del ámbar
adjective
1. vervelend, onprettig
fastidioso
adjective
ambidextro
noun
ambigüedad
/ɑmˈbi(t)si/
noun
ambición
adjective
1. vol van de wens en het vertrouwen om iets te bereiken
ambicioso
adjective
1. op hetzelfde moment twee verschillende, meestal positieve en negatieve, waardes hebbend
ambivalente
noun
1.
  1. ambivalencia
  2. bivalencia
verb
1. naar iets streven
ambicionar
noun
1. lui oog
ambliopía
noun
ambrosía
noun
1. officiële betrekking
oficio
adjective
oficial
noun
1. iemand die aangesteld is in een door de overheid beheerde dienst
funcionario
noun
1. een vrouwelijk persoon die aangesteld is in een door de overheid beheerde dienst
funcionaria
noun
1.
ornamento
/ɑmtsˈketə(n)/
noun
1. een halsketting als symbool van het ambt van een hoge ambtsdrager...
cadena de oficio
noun
1. voertuig om gewonden of zieken van en naar het ziekenhuis te brengen
ambulancia
adjective
1. in staat om te lopen
ambulante
/ɑˈmɛxtəx/
adjective
1. sterk hijgend
jadeante
pronoun
Ameland
noun
ameloblasto
/ˌamɑndəˈmɛnt/
noun
enmienda
noun
1. het uitblijven van de menstruatie
amenorrea
noun
amenorrea
noun
1.een zoete likeur met amandelsmaak uit Italië
amaretto
noun
fútbol americano
noun
americio
/aˈmɪːriˌka/
abbreviation
1 en 2
  1. América
  2. Las Américas
noun
  1. 1. een persoon die in Amerika woont
    americano
  2. 2. een inwoner van de Verenigde Staten van Amerika
    1. estadounidense
    2. norteamericano
    3. americano
adjective
1. betreffende of komende van Amerika
  1. americano
  2. estadounidense
adjective
iberoamericano
pronoun
Samoa americana
noun
  1. habitante de Samoa Americana
  2. samoana
noun
1. vrouwelijke inwoner van Noord- of Zuid-Amerika
  1. americana
  2. estadounidense
  3. angloamericana
  4. norteamericana
abbreviation
dólar estadounidense
noun
1. bepaald soort snelgroeiende boom, Quercus rubra
roble americano
noun
1. bepaald soort eenjarige plant, Lepidium virginicum
  1. mastuerzo
  2. perejil de la tierra
pronoun
islas Vírgenes Estadounidenses
noun
1. bepaald soort plant, Mammea americana
  1. mamey
  2. mamey amarillo
  3. maney de Santo Domingo
  4. zapote mamey
  5. zapote niños
noun
1. bepaald soort struik, Hamamelis virginiana
  1. avellano de bruja
  2. carpe
  3. hamamelis
  4. árbol del sortilegio
noun
1. bepaald soort plant, Prunus serotina
capulín
verb
americanizar
noun
  1. 2.
    americanismo
  2. 1. idiomatische eigenaardigheid
    1. americanismo
    2. angloamericanismo
noun
1. een vaak prachtig violet gekleurde vorm van kristallijn kwarts, die kleine hoeveelheden titaan en ijzer bevat
amatista
noun
  1. lacaria amatista
  2. laccaria amethystina
noun
  1. mueblaje
  2. enseres
  3. mobiliario
  4. moblaje
noun
stimulerend middel, uit de groep van de wekaminen
anfetamina
noun
1. in water en op land levend dier
anfibio
noun
vehículo anfibio
noun
anfíbraco
noun
anfiteatro
noun
1. een door de oude Grieken en Romeinen gebruikte buikige kruik met twee oren
ánfora
noun
1. door de oude Grieken en Romeinen gebruikte buikige kruik met twee oren
ánfora
adjective
1.
  1. anfótero
  2. anfotérico
pronoun
1. een taal die in Ethiopië gesproken wordt
amárico
pronoun
1. een taal die in Ethiopië gesproken wordt
amárico
adjective
  1. amistoso
  2. amigable
  3. amigo
noun
amigo
noun
amida
noun
1. een organische verbinding die kan worden beschouwd afgeleid te zijn van ammoniak...
amina
noun
aminoácido
noun
1. een chemische verbinding van stikstof en waterstof
  1. amoníaco
  2. amoniaco
adjective
amoníaco
noun
amonita
noun
amonio
noun
  1. E503
  2. E503i
  3. carbonato de amonio
noun
1. NH₄NO₃, het ammoniumzout van salpeterzuur
  1. nitrato amónico
  2. nitrato de amonio
  3. amonitrato
noun
munición
noun
1. geheugenverlies
amnesia
noun
1. een verklaring dat afgezien zal worden van strafvervolging voor een bepaalde groep
amnistía
noun
1. lamsvlies, het binnenste der eivliezen van het embryo in het moederlichaam
  1. amnios
  2. bolsa amniótica
  3. saco amniótico
noun
1. eencellige eukaryoot die van vorm kan veranderen door het uitsteken en intrekken van schijnvoetjes
  1. ameba
  2. amiba
noun
  1. 2. aflossing
    amortización
  2. 1. het gerechtelijk afschrijven
    castigo
verb
  1. amortiguar
  2. amortizar
/aˈmɔs/
pronoun
1. en 3. profeet en jongensnaam
Amós
noun
amosita
adjective
amoroso
/ˈɑmpəɫ/
adjective
1. omstandig, meer dan genoeg
amplio
noun
et
noun
1. uitbreiding
amplificación
verb
amplificar
noun
amplitud
noun
  1. amplitud modulada
  2. modulación de amplitud
noun
  1. 1. dichtgesmolten medicijnflesje, waarin steriele injectiestoffen worden afgeleverd
    1. ampolla
    2. bombilla
    3. redoma
  2. 3. buikig kannetje
    redoma
  3. 4. schenkkannetje voor wijn of water, gebruikt bij de mis
    vinajera
noun
amputación
noun
  1. apotemnofilia
  2. desorden de identidad de la integridad corporal
verb
1. een lichaamsdeel chirurgisch verwijderen
amputar
noun
  1. amperio
  2. ampere
noun
1. stroommeter
amperímetro
noun
mostaza india
/ɑmstər'dɑm/
pronoun
1. de hoofdstad van Nederland, gelegen in de provincie Noord-Holland
  1. Amsterdam
  2. Ámsterdam
noun
1. iets waarmee men zich vermaakt
entretenimiento
verb
  1. 1. op aangename wijze een indruk op iemand maken, iemand doen (glim)lachen
    divertir
  2. 2. zich ~ met genoegen scheppen in een activiteit
    divertirse
noun
amilasa
noun
amilopectina
noun
amilosa
adjective
1. met betrekking tot de darmuitgang van de mens
anal
noun
1. opbouw bij de stofwisseling waarbij simpele stoffen omgezet worden tot chemisch ingewikkeldere stoffen
anabolismo
adjective
1. weefselopbouwend
anabólico
noun
  1. anacoreta
  2. ermitaño
noun
anacronismo
/ɑnakroˈnɪstis/
adjective
1. niet passend in de tijdsvolgorde of in de periode waarin het wordt gepresenteerd
anacrónico
/anaˈkɔnda/
noun
1. zeer grote en zware wurgslang uit het geslacht Eunectes
anaconda
adjective
1.
anaerobio
adjective
1. als gevolg van overgevoeligheid (allergie)
anafiláctico
/ˌa.na.fi.lɑkˈsi/
noun
1. een medische term voor een snelle systemische allergische reactie
anafilaxia
noun
1. de concretisering van spirituele fenomen in teksten of toespraken
anagogia
noun
anagrama
noun
analéptico
noun
1. iemand die niet kan lezen of schrijven
analfabeto
noun
1. het voorkomen van mensen die niet kunnen lezen of schrijven
analfabetismo
noun
1. een pijnstiller
analgésico
noun
analista
noun
1. een overeenkomst tussen twee verschillende zaken die bijv. kan dienen als basis voor een bepaalde redenering of vergelijking
analogía
/ˌɑnəˈloːx/
adjective
  1. 2. tegenovergestelde van digitaal (geluidsopname, uurwerk)
    analógico
  2. 1. overeenkomend met
    1. análogo
    2. analógico
noun
conversión analógica-digital
noun
queso artificial
noun
analizador
/ɑnɐ'liːzə/
noun
análisis
verb
1. gedetailleerd en nauwkeurig bekijken
analizar
adjective
analítico
noun
geometría analítica
noun
1. een vraaggesprek naar de ziektegeschiedenis
anamnesis
noun
anamorfosis
noun
1. een vrucht van de ananasplant
  1. piña
  2. ananás
noun
  1. uchuva
  2. alquejenje
  3. alquequenje
  4. tomatillo
  5. uvilla
noun
1. sap afkomstig van de ananas
  1. jugo de piña
  2. zumo de piña
noun
anapesto
noun
anarquía
noun
anarquismo
noun
  1. anarquista
  2. ácrata
noun
1. een vaatverbinding, het aan elkaar verbinden van twee vaten
anastomosis
noun
anatema
noun
anatomía
adjective
1. met betrekking tot de anatomie
anatómico
verb
anatomizar
noun
1. een persoon die kennis draagt van de (menselijke) anatomie
anatomista
adjective
ancestral
noun
1. de periode dat iemand verbonden is aan een bepaalde organisatie
antigüedad
adjective
  1. andalusí
  2. andaluza
adjective
  1. andalusí
  2. andaluza
pronoun
Andalucía
adjective
  1. andalusí
  2. andaluza
adjective
  1. andalusí
  2. andaluza
pronoun
Andalucía
pronoun
  1. islas Andamán
  2. islas de Andamán
adverb
andante
noun
1. diegene die je niet zelf bent
otro
cardinalNumeral
uno y medio
/'ɑndərmɑns/
indefinitePronoun
1. genitief van een andere man, wordt gebruikt in bezittelijke zin
ajeno
adverb
1. op andere wijze
de otra manera
conjunction
1. leidt een zin in die een andere gang van zaken aangeeft
sino
adverb
revés
adverb
de otra manera
pronoun
  1. Cordillera de los Andes
  2. Andes
pronoun
Comunidad Andina
noun
andesita
noun
1. Cichorium endiva, een eetbaar eenjarig gewas dat nauw verwant is aan witlof
  1. endivia
  2. escarola
  3. endibia
noun
  1. ballota fétida
  2. ballota negra
  3. marrubio bastardo
  4. marrubio hediondo
  5. marrubio negro
pronoun
1. een kleine staat in Europa die grenst aan Frankrijk en Spanje
Andorra
adjective
1. van/uit Andorra
andorrano
noun
1. iemand die afkomstig is uit Andorra
andorrano
noun
1. de leer van de andragogie
andragogía
noun
1. kruis van twee even lange, schuingeplaatste balken
cruz de San Andrés
noun
insensibilidad a los andrógenos
noun
androginia
noun
andrología
noun
andrólogo
pronoun
Andrómaca
pronoun
  1. 1. mythologische figuur
  2. 2. sterrenbeeld
  3. 3. melkwegstelsel
Andrómeda
noun
1. een sterrenstelsel met een spiraalvormige structuur in het sterrenbeeld Andromeda
galaxia de Andrómeda
noun
androide
/a.nɛg.ˈdo.tə/
noun
1. een amusant, kort verhaal
anécdota
adjective
anecdótico
noun
1.
anemia
adjective
1. aan bloedarmoede lijdend
anémico
noun
1. zelfregistrerende windsnelheidsmeter
anemógrafo
noun
anemómetro
/ɑnəmon/
noun
1. een plant van het geslacht Anemone
  1. anémona
  2. anemona
noun
anencefalia
noun
1. afwezigheid van reactie
anergia
noun
anestesia
noun
een medisch vakgebied
anestesiología
noun
1. een medisch specialist die zich bezig houdt met het geven van anesthesie aan patiënten die een operatie of een pijnlijk, belastend onderzoek moeten ondergaan
anestesista
noun
1. geneeskundige die is gespecialiseerd in het verdoven van patiënten die een operatie of een pijnlijk, belastend onderzoek moeten ondergaan
anestesista
noun
anestésico
noun
een apolaire aromatische onverzadigde ether
anetol
noun
  1. 1. het orgaan waarmee wespen, bijen en soortgelijke dieren steken
    aguijón
  2. 2. een vishaak
    anzuelo
noun
ángelus
noun
angiitis
noun
  1. amigdalitis
  2. angina
  3. anginas
noun
1. hartkramp, pijn op de borst
angina péctoris
adjective
1. het gevolg zijn van angina pectoris
anginoso
noun
1. zwelling veroorzaakt door (allergische) overgevoeligheid
angioedema
noun
  1. angiocardiografía
  2. cardioangiografía
noun
angiogénesis
noun
1.
angiografía
noun
angiograma
noun
angiología
/ˌɑŋɣionøˈrotikɵm/
noun
angioneurótico
noun
angioplastia
adjective
angiospermo
noun
angiotensina
noun
anglicanismo
noun
1. woord of uitdrukking overgenomen uit het Engels of gevormd naar Engels voorbeeld
anglicismo
/ɑŋ.ˈ(g)ɣo.la/, /ɑŋ.ˈgo.la/
pronoun
1. een land in Zuidwest-Afrika, officieel de Republiek Angola grenzend aan...
Angola
noun
kwanza angoleño
noun
angora
noun
1. het gevoel dat er onheil of gevaar dreigt
  1. miedo
  2. temor
  3. ansiedad
  4. pavor
  5. angustia
  6. ansia
adjective
temeroso
noun
1. een angst veroorzakende droom
  1. incubo
  2. pesadilla
adjective
  1. miedoso
  2. temeroso
  3. angustiado
  4. angustioso
  5. medroso
noun
  1. grito de miedo
  2. grito de terror
noun
trastorno de ansiedad
adjective
  1. escrupuloso
  2. meticuloso
adjective
temeroso
noun
sudor frío
pronoun
Anguila
noun
anguilano
adjective
  1. anguilana
  2. anguilano
noun
anguilana
adjective
angular
noun
anhídrido
noun
1. bepaald soort schermbloemige plant, Pimpinella anisum
  1. anís
  2. matalahúva
noun
bola de nieve
noun
aceite de anís
noun
is een bloemdragende plant die behoort tot de schermbloemenfamilie Umbelliferae of Apiaceae
anís
noun
1. het zaad van de anijsplant
semilla de anís
noun
anilina
noun
animalidad
noun
animador
noun
película de animación
noun
animador
noun
animadora
verb
1. opmonteren, opvrolijken
animar
noun
ánimo
noun
1. vijandigheid
animosidad
noun
anión
/ˌɑniˈonis/
adjective
1. met negatief geladen deeltjes
aniónico
noun
aniridia
noun
anisete
noun
1. ongelijkheid van de pupillen
anisocoria
noun
clavel
noun
clavel
noun
Caryophyllaceae
/ˈɑ.nʲər.re.voˌly.si/, /ˈɑ.ɲər.re.voˌly.tsi/
pronoun
1. geweldloze militaire staatsgreep
Revolución de los Claveles
noun
  1. 1. onderdeel van een vaartuig
  2. 3. onderdeel van een uurwerk
  3. 2. muuranker
  1. ancla
  2. áncora
verb
1. het anker uitgooien met de bedoeling het schip hiermede aan de bodem van het vaarwater vast te leggen, voor anker gaan, voor anker leggen
  1. anclar
  2. fondear
noun
  1. fondeadero
  2. rada
pronoun
  1. 2. spelwoord voor de letter a
    Amalia
  2. 1. meisjesnaam
    Ana
noun
anales
noun
  1. E160b
  2. annatto
  3. bixina
  4. norbixina
/ˌɑnɛkˈsatsi/
noun
1. het verplicht of gedwongen toetreden tot een groep
anexión
/ˌɑnɛkˈsɪːrə(n)/
verb
1. het toeëigenen van een grondgebied
  1. anexar
  2. anexionar
noun
aniquilación
verb
  1. anihilar
  2. aniquilar
noun
2. aankondiging
anuncio
noun
anotación
verb
1. van kanttekeningen voorzien
  1. anotar
  2. apostillar
verb
anualizar
/ɑny'lerə/
verb
1. iets afgelasten
  1. anular
  2. cancelar
  3. contramandar
noun
1. een uit de Bijbel afkomstige aankondiging van een engel aan de maagd Maria dat zij de zoon van God zou baren
anunciación
noun
anualidad
noun
1-2 scheikunde + elektronica
ánodo
verb
1. een oppervlaktebehandeling om metalen te voorzien van een oxidelaag
anodizar
noun
1. afwijking van organen
anomalía
adjective
1. naamloos
anónimo
noun
1. naamloosheid
anonimato
noun
1. magerzucht, eetstoornis
anorexia
adjective
1. niet tot de koolstofverbindingen behorend
inorgánico
noun
anorgasmia
/a.nɔsˈmi/
noun
anosmia
noun
anoxia
noun
  1. anchoa
  2. boquerón
noun
1. zuurbinder
antiácido
noun
antagonismo
noun
1. tegenwerkend middel of orgaan
antagonista
pronoun
1. het continent rond de zuidpool van de aarde
  1. Antártida
  2. Antárctica
adjective
antártico
noun
1. de naam voor het woord waarnaar een ander woord, meestal een betrekkelijk voornaamwoord, verwijst
antecedente
verb
2. een eerdere datum op een document schrijven dan die van de huidige dag
  1. antedatar
  2. antefechar
noun
1. een middel dat braken tegengaat
antiemético
noun
  1. 1. een vrij opgestelde elektrische geleider voor het uitzenden en/of ontvangen van elektromagnetische straling
    antena
  2. 4. scheepsra
    entena
noun
1. een wormdrijvend middel
  1. antihelmíntico
  2. helmintagogo
noun
antocianina
noun
antología
noun
  1. anthologist
  2. antólogo
adverb
1. tegen
anti
noun
1. de tegenstander
anti
adjective
antialemán
noun
1. een middel dat braken tegengaat
antiemético
noun
1. geneesmiddel tegen epilepsie
antiepiléptico
adjective
1. tegen de infectieverwekker gericht
antiinfeccioso
adjective
1. (medisch) wat ontsteking tegengaat
antiinflamatorio
noun
sustancia antiadherente
/ˌɑnti'jasidɵm/
noun
1. (medisch) een middel dat een teveel aan (maag)zuur tegengaat
antiácido
adjective
1. wat overgevoeligheid tegengaat
  1. antialérgico
  2. antihistamínico
noun
1. geneesmiddel dat hartritmestoornis tegengaat
antiarrítmico
noun
antiasmático
adjective
1.
  1. antibacterial
  2. antibacteriano
noun
1. beeld van de gevoeligheid voor bacteriedodende middelen
antibiograma
noun
antibiótico
noun
sistema de frenos antibloqueo
noun
vestíbulo
noun
1. een stof die de werking van een weefselhormoon onderdrukt
anticolinérgico
noun
anticristo
noun
anticipación
verb
  1. anticipar
  2. avanzar
noun
1. een weinig spannende, soms teleurstellende ontknoping van het verhaal
anticlímax
noun
1. een stof die de bloedstolling vertraagt of tegengaat
anticoagulante
noun
anticomunismo
noun
1. technieken voor het voorkomen van zwangerschap na geslachtsgemeenschap
  1. anticoncepción
  2. método anticonceptivo
noun
  1. anticonceptivo
  2. método anticonceptivo
  3. método contraceptivo
noun
1. een methode van anticonceptie in de vorm van een pil, dat je niet zwanger wordt
  1. píldora anticonceptiva
  2. píldora contraceptiva
noun
1. middel tegen stuipen, toevallen (bij epilepsie)
  1. anticonvulsivo
  2. anticonvulsionante
  3. anticonvulsivante
noun
anticiclón
verb
1. voorzien van een te vroege datum
  1. antedatar
  2. antefechar
noun
1. een deeltje waarvan een aantal fysische eigenschappen dezelfde zijn, maar andere eigenschappen (waaronder de lading) precies tegengesteld
antipartícula
/ˌɑntideprɛˈsivʏm/
noun
1. een middel tegen ziekelijke neerslachtigheid
antidepresivo
noun
1. geneesmiddel ter behandeling van suikerziekte
antidiabético
noun
1. een tegengif
antídoto
adjective
1. oud, maar waardevol
antiguo
noun
1. oude kunst-, sier- en gebruiksvoorwerpen, die verzameld en verhandeld worden
  1. antigüedad
  2. antigualla
noun
anticuario
noun
1. een middel tegen oplossing van fibrine bij de bloedstolling
antifibrinolítico
noun
1. een middel dat ontsteking tegengaat
  1. antiflogístico
  2. antiinflamatorio
noun
1. vers dat gezongen wordt als inleiding of afsluiting van een psalm
antífona
noun
antífrasis
noun
1. lichaamsvreemde afweeropwekkende stof
antígeno
/ɑn.ˌti.(g)ɣ<sup>ʊ</sup>a.ɛn.bɑr.ˈbu.da/, /ɑn.ˌti.gwa.ɛn.bɑr.ˈbu.da/
pronoun
1. eilandstaat in het oostelijk deel van de Caribische Zee, op de grens met de Atlantische Oceaan
Antigua y Barbuda
noun
1. een hoofdpersonage in een verhaal met niet de typerende positieve eigenschappen van een held
antihéroe
noun
1. stof die de werking van de weefselstof histamine vermindert
antihistamínico
noun
1. bloeddrukverlagend middel
antihipertensivo
noun
anticlericalismo
adjective
antiliberal
noun
anticuerpo
pronoun
1. eilandengroep in de Caribische Zee
Antillas
noun
  1. florín antillano neerlandés
  2. florín de las Antillas Holandesas
/ɑnti'lopə/
noun
1. een verzamelnaam voor slanke holhoornige hoefdieren die voornamelijk in Afrika leven
antílope
noun
antimilitarismo
noun
1. middel dat de celdeling verhindert of vertraagt
antimitótico
noun
antimonio
noun
  1. antifúngico
  2. antimicótico
noun
antineutrón
noun
antinomia
pronoun
1. een provinciehoofdstad in Turkije
Antioquía
noun
antioxidante
noun
1. stof die reacties tegengaat waarbij elektronen worden uitgewisseld
antioxidante
noun
anticatolicismo
noun
1. iemand die papen haat
antipapista
noun
antipasto
noun
1. negatieve gevoelens die men tegen iemand koestert
antipatía
adjective
antiproliferativo
adjective
1. jeukwerend
antipruriginoso
noun
1. geneesmiddel dat wanen vermindert
antisicótico
noun
1.
antipirético
adjective
antipirético
noun
  1. antipirina
  2. fenazona
noun
anticuario
noun
anticuario
noun
1. winkel of bedrijf dat oude en tweedehands boeken verhandelt en verkoopt
tienda de antigüedades
noun
1. een oud kunst-, sier- of gebruiksvoorwerp, voorwerp uit de oude tijd
antigüedad
noun
iemand met antisemitische denkbeelden
antisemita
adjective
1. anti-Joods, tegen het Joodse volk
antisemita
noun
  1. anti-Semitism
  2. antisemitismo
noun
antisepsia
noun
antiséptico
adjective
antiséptico
noun
1. middel dat krampen van organen tegengaat
antiespasmódico
noun
  1. inmunoglobulina
  2. anticuerpo
noun
1.een middel dat gebruikt worden om de natuurlijke stollingsneiging van het bloed te onderdrukken
anticoagulante
noun
1. het tegenovergestelde
  1. antítesis
  2. contraste
  3. contraposición
noun
antitoxina
noun
1. een stof die veelal aan koelwater wordt toegevoegd om het vriespunt ervan te verlagen om bevriezen ervan te voorkomen
anticongelante
adjective
1. tegengesteld van betekenis
antónimo
noun
1. woord met tegengestelde betekenis
antónimo
noun
antonomasia
/an.tra.ˈsit/, /ɑn.tra.ˈsit/
adjective
antracita
/an.tra.ˈsit/, /ɑn.tra.ˈsit/
noun
1. een vorm aan steenkopl die hoge temperatuur heeft gehad
antracita
adjective
gris antracita
noun
1. een infectieziekte die wordt veroorzaakt door de bacterie Bacillus anthracis
carbunco
noun
1. het eten van mensen
antropofagia
noun
antropología
noun
antropólogo
noun
1. het bepalen van afmetingen van het menselijk lichaam
antropometría
adjective
1.
antropométrico
verb
antropomorfizar
noun
antropomorfismo
noun
1. de studie naar de oorsprong van de voor- en familienamen van mensen.
antroponimia
noun
antroposofía
adjective
antroposófico
/ˈantˌwɛrpə(n)/, /ˈɑntˌʋɛrpə(n)/, /ˈɑntˌβ̞ɛrpə(n)/
pronoun
  1. 1. een provinciehoofdstad in België
  2. 2. een Belgische provincie
Amberes
noun
1. een inwoner van Antwerpen
amberino
/ˈantwɛrps/, /ˈɑntʋɛrps/, /ˈɑntβ̞ɛrps/
adjective
1. van, uit, betreffende of als in Antwerpen.
antuerpiense
/ˈant.wɛrp.sə/, /ˈɑnt.ʋɛrp.sə/, /ˈɑnt.β̞ɛrp.sə/
noun
1. een vrouwelijke inwoner van de stad of provincie Antwerpen
  1. amberina
  2. antuerpiense
/ˈɑnt.ʋɔːrt/
noun
1. de reactie op een vraag, van repliek voorzien
  1. respuesta
  2. contestación
noun
  1. contestador automático
  2. contestadora telefónica
/ˈɑnt.ʋɔːr.də(n)/
verb
1. het geven van een antwoord
  1. responder
  2. contestar
  3. replicar
noun
1. uitblijven van urinevorming
anuria
noun
1. opening aan het eind van de endeldarm en aan het eind van het spijsverteringskanaal
ano
noun
1. angstgevoel
ansiedad
noun
  1. ansiolítico
  2. tranquilizante
/aˈɔrta/
noun
1. de slagader die van het hart naar het lichaam, behalve de longen, loopt
aorta
adjective
  1. 2. bijzonder, opmerkelijk
    1. distinto
    2. original
  2. 1. op zichzelf, afzonderlijk van het andere
    1. separado
    2. aislado
    3. apartado
    4. aparte
    5. por separado
noun
segregación
noun
1. lusteloosheid
  1. apatía
  2. indiferencia
adjective
apático
noun
pan de mono
noun
  1. baobab
  2. pan de mono
  3. árbol del pan
noun
2. zaad van de pindaplant
cacahuete
noun
2. internetsymbool @
arroba
noun
1. een eetlust opwekkende alcoholische drank die voor de maaltijd genuttigd wordt
aperitivo
noun
ápice
adjective
1. de punt, de kop, de kruin betreffende
apical
noun
1. stam van eencelligen, Apicomplexa
apicomplexa
noun
apicultura
noun
vrouwelijke aap
mona
noun
1. onvolledige ontwikkeling van orgaan of lichaamsdeel
aplasia
noun
1. bloedarmoede door tekort aan rode bloedlichaampjes
anemia aplástica
noun
1. ademstilstand
apnea
noun
1. einde van de wereld, zoals beschreven in het Bijbelboek Openbaringen
apocalipsis
adjective
apocalíptico
noun
1. wegval van slotklank
apócope
adjective
1. niet als gezaghebbend erkend
apócrifo
noun
apogeo
noun
1. handschrift dat vanaf het origineel van de eigenlijke auteur door een kopiist of secretaris is overgeschreven naar een voorbeeldtekst
apógrafo
noun
apologeta
adjective
apologético
noun
1. een mondelinge of schriftelijke verdediging van een persoon, zaak of leer tegen onrechtvaardige aanvallen
apología
noun
apoplejía
noun
aporofobia
noun
apóstata
/ɑˈpɔstəl/
noun
  1. 1. leerling van Jezus
  2. 2. verkondiger van een nieuwe leer
apóstol
noun
apostolado
noun
apostilla
verb
apostillar
adjective
apostólico
noun
  1. 2. aanspreking van afwezige personen of zaken
    apóstrofe
  2. 1. afkappings- of weglatingsteken
    1. apóstrofo
    2. apóstrofe
/apo'tek/
noun
1. plaats waar men geneesmiddel en en andere gezondheidsproducten kan kopen.
  1. farmacia
  2. botica
noun
  1. farmacéutico
  2. boticario
noun
farmacéutica
noun
1. een meetkundige term die zowel op een cirkel als een regelmatige veelhoek kan worden toegepast
apotema
noun
apoteosis
pronoun
1. gebergte in het oostelijk deel van Noord-Amerika
montes Apalaches
noun
1. een door mensen gemaakt voorwerp dat is samengesteld uit verschillende onderdelen en een bepaalde functie heeft
  1. aparato
  2. dispositivo
noun
1. het geheel aan toestellen en toebehoor dat men voor een bepaalde taak benodigt
equipo
noun
1. een afzonderlijke woning in een groter gebouw
  1. piso
  2. apartamento
/ɑ.ˈpɛl/, /ɑ.ˈpɛɫ/, /ˈɑ.pəl/, /ˈɑ.pəɫ/, /ˈɑpəɫ/
noun
1. vrucht
  1. manzana
  2. poma
noun
  1. vinagre de sidra de manzana
  2. vinagre de manzana
noun
1. boom waaraan appels groeien
  1. manzano
  2. manzanal
  3. árbol de manzanas
noun
  1. descorazonador
  2. descorazonador de frutas
  3. sacacorazones
  4. vaciador de frutas
  5. vaciador de manzanas
adjective
apelable
noun
apelante
noun
apelación
verb
apelar
noun
1. een moes van gekookte appels
compota de manzana
noun
1. een vruchtensap bereid uit appels
  1. zumo de manzana
  2. jugo de manzana
/ˌɑpəlˈsin/
noun
1. Vrucht van de appelsienboom
naranja
noun
1. een moes van gekookte appels
compota de manzana
noun
1. gebak gevuld met stukjes vruchten van de appelboom
  1. pastel de manzana
  2. tarta de manzana
noun
piñonero
noun
apendicitis
/ɑˈpɛndɪks/
noun
2. wormvormig aanhangsel
apéndice
noun
1. eetlust
apetito
/[ɑpə'tɛitələk]/
adjective
apetitoso
/ɑplɔudi'serə/
verb
1. in de handen klappen om goedkeuring of bewondering te tonen
aplaudir
/ɑ'plɔus/
noun
1. geklap in de handen als teken van goedkeuring of bewondering
aplauso
noun
1. toepassing
aplicación
verb
aplicar
verb
portar
noun
aposición
noun
  1. estima
  2. estimación
verb
apreciar
noun
apresto
verb
  1. aprestar
  2. finalizar
  3. preparar
noun
aprobación
verb
aprovisionar
noun
aproximación
verb
  1. aproximarse
  2. aproximar
noun
apraxia
/ɑˈprɪl/
noun
1. de vierde maand van het jaar
abril
noun
acueducto
adjective
1. een mineraal met een bleekgroene, geelgroene, bleekblauwe of blauwgroene kleur
aguamarina
noun
  1. 2. schildertechniek
  2. 1. waterverf
  3. nog uit te zoeken
acuarela
/ˌa.kʋa.ˈrɪst/
noun
1. iemand die een aquarium beheert en onderhoudt
acuarista
/ɑˈkʋariˌʲʏm/
noun
1. een bak met water waarin onderwaterflora en -fauna gehouden wordt.
acuario
noun
1. een sterkedrank, op basis van karwij, uit Scandinavië
  1. akvavit
  2. aquavit
noun
1. grote bont gekleurde papegaai uit Zuid-Amerika
  1. guacamayo
  2. guacamaya
noun
arabesco
/ˌɑ.ra.ˈbiːr/
noun
1. een persoon met het Arabisch als moedertaal
árabe
/ɑ'rabis/
adjective
1. verwijzend naar de Arabische taal,cultuur,het alfabet of Arabië
  1. árabe
  2. arábigo
/ɑ'rabis/
pronoun
  1. 1. een taal oorspronkelijk van het Arabisch schiereiland en de taal waarin de Koran...
  2. 2. een van het Aramitisch afgeleid alfabet dat gebruikt wordt voor het schrijven van het Arabisch,...
  1. árabe
  2. arábigo
phraseologicalUnit
  1. goma arábiga
  2. goma de acacia
verb
arabizar
noun
1. wetenschapper die de Arabische taal, cultuur en literatuur bestudeert
arabista
pronoun
Arabia
noun
aceite de cacahuete
noun
aracnofobia
noun
tak van de zoölogie die zich bezighoudt met de studie van de spinachtigen
aracnología
noun
aracnólogo
pronoun
Aragón
noun
1. Een inwoner van Aragon
  1. aragonés
  2. aragonesa
pronoun
1. taal gesproken in Aragon
aragonés
noun
  1. alga arame
  2. arame
  3. palmera marina
/araˈmes/
adjective
arameo
/araˈmes/
pronoun
idioma arameo
pronoun
1.
aranés
noun
1. energie die door een krachtbron geleverd wordt bij verplaatsing van een voorwerp
trabajo
verb
1. werk verrichten
trabajar
noun
1. iemand die voor een loon handmatige arbeid levert
  1. trabajador
  2. obrero
  3. operario
noun
movimiento obrero
noun
barrio obrero
noun
casa de obreros
noun
1. het totaal aan beschikbare arbeidskrachten op de arbeidsmarkt
oferta de trabajo
noun
análisis de trabajo
noun
mediación de colocación
noun
oficina de trabajo
noun
conflicto laboral
noun
1. inkomsten die men ontvangt door het uitvoeren van werk
salario
adjective
1.zonder arbeid
desempleado
noun
1. de interactie tussen vraag naar en aanbod van arbeid
mercado de trabajo
noun
1. ongeval dat tijdens het werk (of onderweg van en naar het werk) optreedt, bedrijfsongeval
  1. accidente de trabajo
  2. accidente laboral
noun
trabajo
noun
1. onderdeel van het privaatrecht m.b.t. de normen die het recht op arbeid als sociaal grondrecht tot voorwerp hebben
  1. derecho del trabajo
  2. derecho laboral
noun
obrera
noun
jornada laboral
noun
división del trabajo
noun
permiso de trabajo
adjective
laborioso
noun
  1. arbitrador
  2. árbitro
noun
    1. handelen van een scheidsrechter
    2. resultaat van het handelen van een arbiter
    arbitraje
  1. systeem van gelijktijdige prijsbepaling
    1. arbitraje
    2. especulación en diferencias
adjective
arbitrario
noun
  1. arcada
  2. arco
pronoun
Arcadia
noun
arcocoseno
verb
  1. sombrear
  2. sombrear con rayas
adjective
1. behorend tot of betrekking hebbend op een zeer oud tijdperk
arcaico
noun
arcaísmo
/ˌɑr.xe.ˌjo.lo.ˈɣi/, /ˌɑr.xɛ.jo.lo.ˈɣi/, /ˌɑr.χe.ˌjo.lo.ˈχi/
noun
1. studie van de niet-geschreven overblijfselen van het verleden
arqueología
noun
arqueólogo
noun
arquetipo
noun
archivo
noun
1. bergmeubel voor archiefstukken
archivador
noun
archivística
noun
1. een eilandengroep
archipiélago
noun
1. iemand die gebouwen ontwerpt
arquitecto
noun
1. de bouwstijl van een gebouw
arquitectura
noun
arquitrabe
/ɑrxivaːrɨs/
noun
1. een persoon die een archief beheert
  1. archivero
  2. archivista
verb
1. iets geclassificeerd opslaan om het later gemakkelijk terug te vinden
archivar
noun
arcología
noun
arcoseno
noun
arcotangente
pronoun
1. naam voor het noordpoolgebied
Ártico
adjective
ártico
adjective
1. extreem koud, behorend bij heel lage temperaturen
glacial
noun
1. bepaald soort grote massief zeezoogdier met een kolossale kop, Balaena mysticetus
  1. ballena boreal
  2. ballena de cabeza arqueada
pronoun
1. een rivier in Frankrijk
  1. Ardèche
  2. Ardecha
noun
área
noun
área
noun
1. schouwtoneel ...
arena
noun
1. roofvogel
águila
noun
areómetro
adjective
1. zonder zich van mogelijk gevaar bewust te zijn
  1. cándido
  2. incauto
  3. ingenuo
/ˌɑrɣɛnˈtɛɪ̯n/, /ˌɑrɣɛnˈtɛːn/, /ˌɑrχɛnˈtɛɪ̯n/
noun
1. iemand van Argentijnse komaf
argentino
/ˌɑrɣɛnˈtɛɪ̯ns/, /ˌɑrɣɛnˈtɛːns/, /ˌɑrχɛnˈtɛɪ̯ns/
adjective
1. op Argentinië betrekking hebbend
argentino
noun
argentina
noun
  1. nuevo peso argentino
  2. peso argentino
/ˌɑrɣɛnˈtini.jə/, /ˌɑrχɛnˈtini.jə/
pronoun
1. een Spaanstalig land in het zuiden van Zuid-Amerika tussen het Andesgebergte en de zuidelijke Atlantische Oceaan.
Argentina
noun
arginina
noun
1. het plegen van bedrog of misleiding
astucia
adjective
  1. astuto
  2. taimado
/ˈɑrɣɔn/
noun
1. een scheikundig element en kleurloos edelgas met het symbool Ar en het atoomnummer 18
  1. argón
  2. argon
/ˌɑrɣyˈmɛnt/
noun
  1. 1. een aangevoerd feit in een discussie om een zienswijze te ondersteunen
    argumento
  2. 2. een reden om iets te doen
    razonamiento
noun
argumentación
verb
1. met argumenten tot een conclusie trachten te komen
  1. argumentar
  2. argüir
pronoun
Argos
noun
1. gekoesterd gevoel van verdenking
  1. sospecha
  2. recelo
adjective
  1. con desconfianza
  2. con recelo
  3. con suspicacia
  4. receloso
  5. suspicaz
noun
aria
noun
1. een persoon die lid is van de aristocratie
aristócrata
noun
1. een regeringsvorm waarbij de heerschappij in handen is van een kleine groep, de zogenaamde aristocraten
aristocracia
adjective
1. volgens de principes van een aristocratie
aristocrático
noun
1. het aantal variabelen waarvan een functie afhangt
aridad
noun
1. onregelmatige hartslag
arritmia
noun
ario
noun
arca
/ɑrṃ/
adjective
  1. 1. weinig bezittend
  2. 2. beklagenswaardig
pobre
/ɑrṃ/
noun
1. lichaamsdeel
brazo
/ɑrma'ɡɛdən/
pronoun
Armagedón
noun
1.een Franse brandewijn
armañac
noun
  1. armadura
  2. armazón
noun
1. sieraad of merkteken dat om de pols of arm gedragen wordt
  1. brazalete
  2. pulsera
noun
ejército
/ɑrˈmen/, /ɑrˈmeːn/
noun
1. een inwoner van Armenië, of iemand afkomstig uit Armenië
  1. armena
  2. armeno
/ɑrˈmens/, /ɑrˈmeːns/
adjective
1. betreffende Armenië of het Armeens
  1. armeno
  2. armenio
/ɑrˈmens/, /ɑrˈmeːns/
pronoun
1. een taal die wordt gesproken in Armenië
  1. armenio
  2. armeno
/ɑrˈmensə/, /ɑrˈmeːnsə/
noun
armenia
noun
dram armenio
pronoun
genocidio armenio
adjective
1. op een armoedige bekrompen manier
pobre
/ɑrˈmeni.jə/, /ɑrˈmeːni.jə/
pronoun
1. een GOS-lidstaat in de Kaukasus (Gemenebest van Onafhankelijke Staten). Het is een van de weinige landen die niet aan zee liggen. Het grenst in het oosten aan Azerbeidzjan, in het westen aan Turkije en de Naxçivan-exclave (Azer.), in het noorden aan Georgië en in het zuiden aan Iran
Armenia
noun
  1. brazo
  2. apoyo para el brazo
/ˈɑrəmude/
noun
1. de toestand waarin iemand leeft die zeer weinig middelen voor zijn levensonderhoud heeft.
  1. pobreza
  2. penuria
noun
línea de pobreza
adjective
1. van weinig waarde
miserable
pronoun
Arnhem
noun
1. (aangename) geur van spijzen, dranken, genotmiddelen enz
  1. aroma
  2. fragancia
  3. olor
  4. perfume
noun
aromatizante
adjective
  1. 1. met geurstof
  2. 2. voldoende aan de regel van Hückel
  1. aromático
  2. aromática
verb
1. geur geven aan
aromatizar
/arɔnskɛlək/
noun
1. een plant van het geslacht Arum
aro
noun
arpegio
noun
2. muziekbewerking
orquestación
verb
arreglar
noun
trineo
noun
1. een aanhouding
detención
noun
1. iemand die in hechtenis is genomen door de politie
detenido
noun
1. een aanhouding door de sterke arm der wet
  1. arresto
  2. detención
verb
1. van overheidswege in hechtenis nemen
arrestar
/ɑriveːrən/
verb
1. de bestemming bereiken
llegar (a)
adjective
arrogante
noun
  1. arrogancia
  2. engreimiento
  3. fatuidad
  4. pedantería
  5. presunción
  6. presuntuosidad
noun
1. onderdeel van een bestuurlijk gebied, o.a. in België en Frankrijk
distrito
/ˈɛrɔwru:t/
noun
1. meel van de pijlwortel dat vaak wordt gebruikt als bindmiddel voor voedsel.
  1. arrurruz
  2. amaranta
  3. harina de sulú
  4. maranta
  5. sagú
  6. sulú
noun
arsénico
noun
1. stijlbeweging
art decó
noun
1. kunstvoorwerp of -product
artefacto
noun
arteria
adjective
1. met betrekking tot de arteriën
arterial
noun
  1. arteriografía
  2. arteriograma
noun
arteriosclerosis
adjective
artesiano
adjective
1. met betrekking tot een gewricht
articular
noun
articulación
noun
punto de articulación
verb
1. de uitspraakklanken zorgvuldig vormen
articular
noun
artista
noun
artista
adjective
1. kunstmatig
artificial
phraseologicalUnit
inteligencia artificial
/ɑrˈtiːkəl/
noun
  1. 4. staat voor een zelfstandig naamwoord, geeft de bepaaldheid aan en het woordgeslacht
  2. 1. een voorwerp dat te koop is
artículo
noun
1. het wapen dat vuursteun geeft aan de eigen troepen
artillería
noun
1. een militair die dienst doet bij de artillerie
artillero
noun
1. de vlezige schutbladeren van de gesloten bloemknop worden als groente gegeten
alcachofa
noun
artisticidad
adjective
1. aanleg hebbend voor het maken van kunst
artístico
noun
1. gewrichtspijn
artralgia
noun
1. gewrichtsontsteking
artritis
noun
1. gewrichtsaandoening
artropatía
noun
1. een aandoening van het gewrichtskraakbeen
artrosis
noun
1. geneeskundige die bevoegd is een praktijk uit te oefenen
médico
/a.ˈru.ba/, /a.ˈry.ba/
pronoun
1. een eiland in het zuidelijke gedeelte van de Caraïbische Zee
Aruba
noun
arubeña
noun
florín arubeño
noun
florín arubeño
noun
  1. 1. centrale staaf
    1. eje
    2. árbol de transmisión
  2. 1. verbrandingsrest
    ceniza
/ˈɑzbɑk/
noun
1. opvangbak
cenicero
noun
1. verzamelnaam van een aantal silicaten met een vezelige structuur
  1. asbesto
  2. amianto
noun
1. iemand die zich aan godsdienstige praktijken en boetedoeningen wijdt en zeer sober leeft
asceta
noun
ascendente
noun
  1. ascetismo
  2. ascética
adjective
ascético
noun
  1. ascetismo
  2. ascética
noun
1. buikwaterzucht
ascitis
noun
  1. ácido ascórbico
  2. vitamina C
  3. E300
noun
asexualidad
noun
  1. aliento
  2. respiración
noun
1. zonder bacteriën of ziektekiemen
asepsis
adjective
1. vrij van ziektekiemen, kiemvrij
aséptico
noun
asfalto
verb
1. bedekken met een mengsel van bitumen, steentjes en andere stoffen
asfaltar
noun
asfixia
adjective
1. de grauwe kleur van as hebbend
ceniciento
noun
áshram
noun
asilo
pronoun
1. hoofdstad van Turkmenistan
  1. Asjabad
  2. Asgabad
  3. Asgabat
  4. Ashgabad
  5. Ashgabat
pronoun
1.
Asdod
pronoun
1.
Ascalón
adjective
1. zonder sociaal besef
antisocial
noun
asparagina
noun
ácido aspártico
noun
  1. aspartamo
  2. aspartame
adjective
1. niet-specifiek
no específico
noun
1. een kant of zijde
aspecto
noun
1. Asperagas officinalis, een plant waarvan de jonge scheuten geteeld worden als groente
espárrago
noun
aspidistra
noun
  1. aspirante
  2. candidato
verb
1.-3.
aspirar
noun
1. een middel tegen allerlei kwalen met als werkzame stof acetylsalicylzuur
aspirina
noun
1. toetsing
ensayo
noun
1. houten werpspies bij Afrikaanse volksstammen
azagaya
noun
asamblea
/ˈɑsəˌpustər/
pronoun
1. het meisje dat hoofdpersoon is het het gelijknamige sprookje
Cenicienta
noun
cenicienta
noun
aserción
noun
1. het opkomen voor jezelf zonder agressief over te komen
asertividad
verb
asignar
noun
asimilación
verb
1. doen opgaan van een minderheidsgroep in een gevestigde gemeenschap
asimilar
noun
1. een persoon die ondersteunt
  1. asistente
  2. ayudante
/ɑsɪsˈtɛntə/
noun
1. vrouwelijk persoon die ondersteunt
ayudante
noun
  1. asistencia
  2. ayuda
/ˌɑsɪsˈteːrə(n)/
verb
1. een helpende hand bieden
asistir
noun
asociación
noun
asociado
verb
1. tot compagnon maken of nemen
asociar
noun
asonancia
verb
1. samen een assonatie vormen, rijmen op
  1. asonantar
  2. asonar
/ɑsɔr'terə/
verb
surtir
noun
1. aanbod van producten
surtido
noun
1. een onderneming die verzekeringen afsluit
asegurador
noun
seguro
verb
  1. asegurar
  2. hacer un segura
noun
asiria
pronoun
Assyria
noun
asirio
noun
  1. ástato
  2. astato
noun
1. scheikundig element met symbool At en atoomnummer 85
astato
noun
  1. 2. een bloem van de aster
    aster
  2. 1. Asteraceae, een tuinplantenfamilie met blauwe, witte, paarse of roze bloemen
    áster
/ˈɑs.tə.ˌrɪs(x)/, /ˈɑs.tə.ˌrɪsk/
noun
1. typografisch symbool in de vorm van een sterretje
asterisco
noun
1. een klein vast hemellichaam dat net als een planeet om de zon draait
asteroide
noun
astenia
adjective
1. van een lens dat de kromming niet in alle richtingen gelijk is en dat een scherpe afbeelding dus niet mogelijk is
astigmático
noun
1. een ziekte die, door vernauwing van de luchtwegen, benauwdheid en hoestbuien veroorzaakt
asma
adjective
1. last hebbend van astma
disneico
adjective
astringente
noun
astrocitoma
noun
1
astrofotografía
noun
astrofísica
noun
astrofísico
noun
astrógrafo
noun
astrolabio
noun
astróloga
/ɑstrolo'gi/
noun
1. de leer die gebeurtenissen aan het hemelgewelf in verband brengt met gebeurtenissen op aarde
astrología
noun
1. een beoefenaar van de astrologie
  1. astrólogo
  2. astrologe
noun
astrometría
/ˌɑstroˈnaʊ̯t/, /ˌɑstroˈnɔʊ̯t/, /ˌɑstroˈnʌʊ̯t/
noun
1. een Amerikaanse ruimtevaarder
astronauta
noun
1. de wetenschap die de objecten in de ruimte bestudeert
astronomía
adjective
astronómico
noun
astrónomo
noun
astroide
pronoun
1. een taal die gesproken wordt in Asturië
  1. asturiano
  2. idioma asturiano
noun
asturiana
pronoun
1. een van de 17 autonome regio's van Spanje die in het noordwesten van het land ligt
Asturias
noun
asturiano
noun
1. eerste dag van de vastentijd
miércoles de ceniza
noun
asimetría
adverb
asimétrico
adjective
1. zonder ziekteverschijnselen
asintomático
/a.sɪmp.ˈtot/
noun
1. een lijn die door een kromme of functie willekeurig dicht benaderd wordt, maar deze nooit raakt
asíntota
adjective
  1. asincrónico
  2. asíncrono
pronoun
1. Atair/Altair
Altair
noun
atavismo
/atɑkˈsi/
noun
1. een onzekere gang bij het lopen
ataxia
noun
1. de werkruimte van een kunstenaar
taller
pronoun
de hoofdstad van Griekenland
Atenas
noun
ateroesclerosis
noun
1. onwillekeurige (ongecontroleerde) bewegingen van vingers en tenen
atetosis
/ˌa.te.ˈjɪsmə/, /ˌɑ.te.ˈjɪsmə/
noun
1. overtuiging dat goden niet bestaan
ateísmo
/ˌa.te.ˈjɪst/, /ˌɑ.te.ˈjɪst/
noun
1. een persoon die niet gelooft in het bestaan van goden
ateo
noun
atlante
noun
atlantismo
/ɑtˈlɑntikʏm/
noun
Atlántico
pronoun
1. mythologisch eiland
Atlántida
adjective
atlántico
pronoun
1. de tweede grootste oceaan op aarde, gelegen tussen Europa en Afrika enerzijds en Noord- en Zuid-Amerika anderzijds
  1. Océano Atlántico
  2. océano Atlántico
noun
atlantismo
pronoun
  1. 1. figuur uit de Griekse mythologie
    1. Atlante
    2. Atlas
  2. 2. gebergte in Noord-Afrika
    Atlas
noun
  1. 1. een boek dat geografische kaarten bevat
  2. 3. de bovenste wervel in de hals die het hoofd draagt
  3. 2. een verzameling van prenten, kaarten, afbeeldingen, tekeningen en dergelijke
  4. 1. satijn
atlas
/ɑtlet/
noun
1. iemand die grote prestaties op sportief gebied verricht
atleta
noun
sporttak waarin vooral lopen, springen en werpen aan bod komen
atletismo
adjective
atlético
noun
  1. 1. een gasvormig omhulsel van een planeet of maan.
  2. 2. een stemming.
  3. 2. eenheid.
  1. atmósfera
  2. atmosfera
adjective
atmosférico
noun
atolón
adjective
atómico
verb
atomizar
adjective
atonal
noun
atonalidad
noun
1. spierslapte
atonía
noun
átomo
noun
1. een bom waarvan de vernietigingskracht berust op het vrijkomen van energie door de splitsing van atomen
  1. bomba atómica
  2. bomba nuclear
noun
física atómica
noun
número atómico
noun
núcleo atómico
noun
reloj atómico
noun
1. de massa van een atoom, uitgedrukt in de atomaire massa-eenheid u
masa atómica
noun
1. de kernlading van een atoom
número atómico
noun
atomización
noun
teoría atómica
noun
1.een groep geneesmiddelen die cholesterolsyntheseremmers of statinen worden genoemd
atorvastatina
adjective
1. niet-giftig
atóxico
pronoun
1. een stad in Frans-Vlaanderen
Arras
noun
2. centraal vertrek
atrio
noun
1. verschrompeling van organen
atrofia
noun
atropina
noun
adjunto
noun
agregado diplomático
verb
1.
atacar
adjective
atento
noun
atención
noun
1. schriftelijk bewijs
  1. certificado
  2. certificación
noun
  1. 1. formele getuigenverklaring
    atestación
  2. 2. bewijsplaats voor het bestaan van een woord in het verleden
    documentación
verb
atestar
noun
aticismo
adjective
ático
noun
1. houding
actitud
noun
atracción
adjective
atractivo
verb
atribuir
noun
atribución
/ɑtrɪbʏˈtif/
adjective
1. wanneer het voor een zelfstandig naamwoord geplaatst wordt
atributivo
noun
4. tot het wezen (de entiteit) behorende eigenschap
atributo
adjective
1. afwijkend van het gemiddelde
atípico
/obɛrˈʒinə/
noun
2. purperachtige, vlezige vrucht
berenjena
noun
audio
noun
audiolibro
/ˈɑuˌdi<sup>j</sup>oɣrɑm/
noun
audiograma
noun
señal de audio
noun
1.
amplificador
verb
auditar
noun
1. een examen waarbij iemand zijn muzikale vaardigheden in klank bewijst.
audición
adjective
1. met betrekking tot het gehoor
auditivo
noun
  1. auditorio
  2. sala de audiciones
noun
audiencia
noun
sala de audiencias
noun
  1. gallo silvestre
  2. urogallo
noun
ferrocerio
noun
electrón Auger
pronoun
Augías
noun
aumentación
/ʌuˈɣɵrk/, /ʌˈʝʏrk/
noun
1. kleine, in het zuur ingemaakte komkommer
pepinillo
/aʊ̯.ˈɣʏs.tʏs/, /ɔʊ̯.ˈɣʏs.təs/, /ʌʊ̯.ˈχʏs.təs/
noun
1. de achtste maand van het jaar
agosto
noun
4. een grote zaal voor bijeenkomsten, voorstellingen enz. in een middelbare school, een museum of eenigerlei andere instelling
aula
/ˈʌurɑ/
noun
1. energieveld
aura
noun
1. luisteren naar lichaamsgeruis van bijv. hart of longen
auscultación
verb
1. luister naar de geluiden in het lichaam
auscultar
pronoun
Australasia
/aʊ̯ˈstraːlɪs/, /ɔʊ̯ˈstraːlis/, /ʌʊ̯ˈstralis/
adjective
1. van Australië
australiano
noun
dólar australiano
/aʊ̯ˈstraːli.jə/, /ɔʊ̯ˈstrali.jə/, /ʌʊ̯ˈstrali.jə/
pronoun
1. een soevereine staat gelegen tussen de Indische Oceaan en de Grote Oceaan (officieel het Gemenebest van Australië) met de officiële taal Engels
Australia
/ɑustro'nezis/
adjective
behorend tot groep van talen
austronesio
noun
  1. autarcía
  2. autarquía
noun
autarquía
/oˈtør/
noun
1. persoon die aan de basis staat van een origineel geschreven werk
autor
noun
derecho de autor
noun
1. (telecommunicatie) (informatica) het proces waarbij iemand nagaat of een gebruiker,...
  1. autenticación
  2. autentificación
noun
  1. autenticidad
  2. veracidad
adverb
auténtico
noun
1. het proces waarbij iemand nagaat of een gebruiker, een andere computer...
  1. autenticación
  2. autentificación
verb
  1. autenticar
  2. autentificar
verb
1. echtheid, oorsprong of rechtsgeldigheid vaststellen
autenticar
/ʌuˈtɪsmə/, /ʌˈtɪsmə/
noun
1. ontwikkelingsstoornis
autismo
noun
trastornos del espectro autista
/ʌuˈtɪst/
noun
1. iemand die autisme heeft
autista
/ɑʊ̯to/
noun
1. voertuig met drie of meer wielen, een motor en een carrosserie
  1. automóvil
  2. coche
  3. carro
adjective
1. met betrekking tot afweerstoffen gericht tegen de eigen lichaamsweefsels
autoinmune
noun
1. verkeersongeval waarbij minstens één auto betrokken is
  1. accidente de auto
  2. accidente de coche
noun
autopista
noun
autobiografía
noun
1. een groot voertuig voor het vervoeren van een groot aantal passagiers
autobús
adjective
1. oorspronkelijk in een bepaald gebied thuishorend
autóctono
noun
1. de oorspronkelijke bewoner van een land
autóctono
noun
autoclave
noun
autócrata
noun
autocracia
noun
auto de fe
noun
autofoco
noun
autopolinización
adjective
autógeno
noun
autogiro
noun
autógrafo
noun
autografía
noun
1. handtekening van een beroemd persoon
autógrafo
noun
autocatálisis
noun
autolisis
noun
1. een toestel dat, eenmaal in werking gezet, zonder verdere tussenkomst een aantal handelingen verricht
autómata
adjective
automágico
adjective
  1. 3. gedachteloos
    1. automáticamente
    2. mecánicamente
    1. 1. niet bestuurd door de hand van de mens
    2. 2. vanzelfgaand
    automático
noun
  1. caja de cambios automática
  2. transmisión automática
verb
1. automatisch doen werken
automatizar
noun
automatización
noun
automatismo
noun
1. gemotoriseerd voertuig op vier of meer wielen
automóvil
noun
1. een bestuurder van een auto
automovilista
noun
automoción
noun
1. vakman die beroepshalve reparaties verricht aan en onderhoud doet van auto's
mecánico de automóviles
noun
automorfismo
noun
automutilación
/aʊ̯.to.no.ˈmi/, /ɔʊ̯.to.no.ˈmi/, /ʌʊ̯.to.no.ˈmi/
noun
autonomía
noun
  1. autonomismo
  2. movimiento autónomo
/ˌʌʊtoˈnom/
adjective
1. op zichzelf staand
autónomo
noun
patinete
noun
1. een lijkschouwing
autopsia
/ɑʊ̯torɛi(d)ə(n)/
verb
1. zich voortbewegen door een auto te besturen
conducir un coche
/ˈɑʊ̯.to.ˌrɛɪ.sxol/
noun
autoescuela
noun
autorización
adjective
  1. autoritario
  2. mandón
noun
1. politiek systeem
autoritarismo
noun
1. de overheid
autoridad
noun
autoerotismo
noun
llave de coche
/ ˈɑutospɔrt /
noun
1. verzamelnaam voor wedstrijden die verreden worden met een gemotoriseerd voertuig met vier of meer wielen
automovilismo
noun
autosugestión
noun
autotransformador
noun
1. een weg waarop alleen gemotoriseerd verkeer zoals autos, motorfietsen en vrachtautos wordt toegelaten en waar voor dat verkeer toepasselijke voorzieningen zijn aangebracht
autopista
/ɑu̯ˈtri.sə/
noun
1. persoon die aan de basis staat van een origineel geschreven werk
autora
adjective
auxiliar
noun
auxina
verb
avalar
/ˌavɑŋˈɣɑrdə/
noun
vanguardia
/'avatɑr/
noun
2. (informatica) een kleine afbeelding die een bepaalde gebruiker symboliseert
avatar
noun
ave María
noun
ave María
/ˈavəˌɣar/
noun
1. een boor voor gebruik in een booromslag, het boorsel wordt afgevoerd volgens het principe van de...
barreno
/avə'rɛi/
noun
avería
noun
aversión
noun
escobilla parda
pronoun
1. Avestisch
  1. avéstico
  2. idioma avéstico
noun
aviación
noun
avicultura
pronoun
1. een stad in Frankrijk
Aviñón
noun
aviónica
noun
avitaminosis
/ɑvoˈkado/
noun
1. een tropische vrucht van de avocadoboom
  1. aguacate
  2. palta
  3. cura
noun
aceite de aguacate
/ˌavoˈkadobom/
noun
1. immergroene boom uit Midden-Amerika die de avocadoperen voortbrengt
aguacate
noun
1. de periode van de dag waarin het nacht wordt
  1. tarde
  2. noche
noun
1. een maaltijd die 's avonds genuttigd wordt
cena
noun
  1. traje de noche
  2. vestido de noche
noun
1. verbod om zich op straat te begeven na een zekere tijd
toque de queda
pronoun
Occidente
noun
  1. 1. de maaltijd die men 's avonds nuttigt
    cena
  2. 2. de rituele viering van het laatste avondmaal dat Jesus met zijn leerlingen nuttigde voor zijn terechtstelling aan het kruis
    la Última Cena
noun
  1. esfinge ocelada
  2. semipavón
noun
1. rode kleur van het hemelgewelf
resplandor crepuscular
noun
1. tijd van de dag waarop het donker wordt
atardecer
noun
1. iemand die graag het avontuur opzoekt
aventurero
verb
aventurar
noun
1. een onderneming waarvan de uitkomst niet bij voorbaat vaststaat
aventura
adjective
1. de as betreffend of volgend, behorend tot de as
axial
adjective
axilar
noun
1. een basisbegrip dat zonder bewijs aangenomen moet worden
  1. axioma
  2. postulado
noun
ayahuasca
noun
1. de titel van een hoge sjiitische geestelijke
ayatolá
pronoun
1. een Indiaanse taal die in Zuid-Amerika wordt gesproken
aymara
noun
1. behoort tot de groep geneesmiddelen die ontstekingsremmende pijnstillers worden genoemd
azapropazona
noun
azeótropo
/ˌazərbɛɪ̯ˈdʒansə/, /ˌazərbɛɪ̯ˈdʒaːnsə/, /ˌazərbɛːˈdʒaːnsə/
noun
azerbaiyana
noun
manat azerbaiyano
/ˌazərbɛɪ̯ˈdʒan/, /ˌazərbɛːˈdʒan/
pronoun
1 en 2. Aziatisch land grenzend aan Rusland, Iran, Armenië en Georgië
  1. Azerbaiyán
  2. Azerbaiján
/aˈzeːri/, /aˈzɪːri/
pronoun
1. Turkse taal die door 22 miljoen mensen vooral in Azerbeidzjan, maar ook in Iran, Georgië en Turkije wordt gesproken
azerbaiyano
noun
asiático
adjective
1. afkomstig uit of betreffend Azië
  1. asiático
  2. asiano
noun
asiática
/aˈzɛɪn/, /aˈzɛːn/
noun
1. en 2. verdund azijnzuur verkregen door oxidatie van verdund alcohol om voedsel te bereiden
vinagre
noun
zumaque de Virginia
noun
salsa de vinagre
noun
1. CH₃COOH
ácido acético
noun
anhídrido acético
/azimɵt/
noun
1. horizontale hoek
  1. acimut
  2. azimut
pronoun
1. een continent ten oosten van Europa
Asia
pronoun
Azores
noun
1. toename van het stikstofgehalte van het bloed
azotemia
/aˈzowikʏm/
noun
Azoico
/ˌazowospɛrˈmi/
noun
azoospermia
pronoun
1.
Riviera Francesa
noun
azur
adjective
azul azur
noun
1. een landinwaartse uitstulping van een zee of oceaan
bahía
pronoun
1.
Bahía de Algeciras
noun
baliza
noun
1. een stapel bijeengebonden plantaardig materiaal zoals hooi of tabak
fardo
adjective
1. nieuwe wegen openend, innoverend
  1. pionero
  2. innovador
noun
  1. 1. figuurlijk, iemand die nieuwe wegen...
    1. colonizador
    2. explorador
    3. iniciador
    4. innovador
    5. vanguardista
  2. 3. geniesoldaat
    1. colonizador
    2. gastador
noun
bicicleta de pista
noun
barrendero
noun
área orbital
noun
guardavía
noun
  1. carreras sobre pista
  2. ciclismo en pista
adjective
1. in gereed geld, cash
contante
noun
1. kleine verhoging of onderstel, waarop een doodskist wordt opgebaard of gedragen
camilla
/baːrt/
noun
1. gezichtsbeharing van de man
barba
noun
1. een alleen in India voorkomende zwarte aap met een kwastachtige staart en een opvallende grijze kraag
  1. mono barbudo
  2. mono león
  3. sileno
  4. macaca de cola de león
noun
bigote
adjective
imberbe
noun
  1. rabo de cordero
  2. rabo de zorra
noun
usnea
noun
1. voortplantingsorgaan van vrouwen waarin de vrucht zich ontwikkelt
  1. útero
  2. matriz
noun
1. smal en buisvormig gedeelte van de baarmoeder dat aan een kant in de vagina eindigt ...
  1. cuello uterino
  2. cuello del útero
noun
1. een vorm van kanker die zich in de baarmoederhals ontwikkelt
cáncer cervical
noun
1. stekelvinnige riviervis
  1. perca
  2. lubina
  3. robalo
  4. róbalo
/baːs/
noun
1. overste, leider, chef
  1. jefe
  2. patrón
  3. amo
noun
  1. 2. ontvangen geld
    1. activo
    2. ingreso
  2. 1. iets met een gunstig effect
    provecho
noun
1. onedelmoedige en overdreven zucht tot eigen voordeel
egoísmo
adjective
1. inhalig
  1. egoísta
  2. interesado
verb
1. gezellig praten over zaken van weinig belang
charlar
adjective
  1. charlando
  2. coloquiando
  3. parloteando
  4. picoteando
noun
cotorra
noun
babbitt
noun
1. Chinees gerecht met krokant geroosterd varkensvlees
cerdo frito con salsa
noun
1. een mens in de allereerste fase van zijn/haar leven
  1. bebé
  2. nene
  3. crío
/ˈbebibɑt/
noun
1. kuip bedoeld om heel jonge kinderen in te wassen
bañera para bebé
/ˈbe.bi.buːm/
noun
1. een periode waarin ongewoon veel kinderen geboren worden
  1. explosión de natalidad
  2. explosión demográfica
noun
1. elektronisch afluisterapparaat om geluid uit de kinderkamer elders op te vangen
bebéfono
noun
1 en 2
  1. foto de bébé
  2. fotografía de bébé
adjective
babilónico
noun
1.
canguro
noun
  1. bacará
  2. baccarat
noun
1. benaming voor soorten uit de klasse Bacilli
bacilo
adjective
bacillar
noun
  1. beicon
  2. tocineta
noun
1. een bacteriedodend middel
bactericida
noun
bacteria
noun
plantenziekte veroorzaakt door de bacterie
fuego bacteriano
/bɑkteriɔfaɣ/
noun
1.
bacteriófago
noun
1. een wetenschap die zich bezighoudt met het bestuderen van bacteriën
bacteriología
adjective
bacteriológico
noun
1. een wetenschapper die zich bezighoudt met de bacteriologie
bacteriólogo
noun
1. een stof die de toename van bacteriën belemmert
bacteriostático
adjective
bacteriostático
noun
1. de aanwezigheid van bacteriën in het bloed
  1. bacteriemia
  2. bacteremia
noun
2. een van de drie taxonomische domeinen, Bacteria
bacterias
/bɑt/
noun
1. voorwerp waarin men zich wast met water
bañera
verb
  1. 3. in bad doen
    bañar
  2. 1. een bad nemen
    bañarse
pronoun
1.
Baden-Wurtemberg
noun
bañista
noun
1. openbare inrichting waar men tegen betaling een bad of douche kan nemen
  1. casa de baños
  2. establecimiento de baños
  3. estación balnearia
noun
  1. albornoz
  2. bata de baño
noun
1. een vertrek waar men zich kan wassen en verzorgen
  1. cuarto de baño
  2. baño
noun
1. kledij bedoeld voor het baden en zwemmen
traje de baño
/ˈbɑtˌkœy̆p/
noun
1. een waterreservoir waarin één of enkele personen zich kunnen wassen en baden
  1. bañera
  2. baño
noun
albornoz
noun
  1. bañero
  2. socorrista
noun
1. een sport waarbij een shuttle met behulp van een racket over een net geslagen moet worden
bádminton
noun
1. kledij bedoeld voor het baden en zwemmen
traje de baño
/bɑtplaːts/
noun
1. aan zee gelegen plaats waar mensen vaak gaan zwemmen
  1. estación balnearia
  2. balneario
  3. aguas
noun
1. middel
espuma de baño
/ba.ˈɣaːʃ/, /ba.ˈχa.zʲə/
noun
1. een verzameling van eigendommen
equipaje
noun
1. een kantoor waar bagage afgehaald kan worden
consigna
noun
portaequipajes
noun
1. een net waarmee de lading vastgezet kan worden
rejilla
noun
  1. baca portaequipajes
  2. maletero
  3. portaequipajes
noun
1. een aanhangwagen voor het vervoer van bagage
furgón
noun
1. iets van geringe betekenis of waarde
bagatela
verb
1. het uitdiepen van een vaargeul door het verwijderen van overtollig sediment van de bodem
dragar
noun
1. een werktuig waarmee gebaggerd kan worden
draga
noun
baño
noun
1. stokbrood
baguette
pronoun
Bahama
/ba.ˈha.mas/, /ba.ˈɦa.mas/, /bɑ.ˈɦa.mas/
pronoun
1. een eilandengebied in het Caraïbische gebied
Bahamas
noun
bahameña
noun
dólar bahameño
pronoun
Bahía
/ba.ˈrɛɪ̯n/, /bɑx.ˈrɛːn/, /bɑχ.ˈrɛɪ̯n/
pronoun
1. eilandstaat in de Perzische Golf en de Golf van Bahrein. Het ligt ingeklemd tussen Saoedi-Arabië in het westen en Qatar in het oosten en zuiden
  1. Bahréin
  2. Baréin
noun
bahreiní
noun
  1. dinar bahreiní
  2. dinar de Bahrein
noun
puente Bailey
noun
baja
/ˈbajəs/
noun
1. een gevangenis
  1. chirona
  2. cárcel
  3. prisión
noun
1. een bajo sexto met tien snaren
bajo quinto
noun
1. een Mexicaans instrument met twaalf snaren dat op een gitaar lijkt
bajo sexto
noun
1. een steekwapen bovenop de loop van een geweer
bayoneta
noun
  1. cierre en bayoneta
  2. conexión en bayoneta
  3. montaje en bayoneta
/ˈbɑgbaˌnaːn/
noun
banana de freír
noun
1. een overmatig groot voorwerp
  1. coloso
  2. monstruo
noun
1. metalen plaat waarop het in de oven te bakken materiaal wordt geplaatst
  1. bandeja
  2. charola de hornear
  3. placa
  4. placa de horno
noun
1. de linkerzijde als men vanop een schip naar de boeg kijkt
babor
noun
  1. baquelita
  2. bakelita
noun
1. een markering, meer in het bijzonder gebruikt in de lucht- en scheepvaart...
boya
/bakər/
noun
comadrona
/'bakərə(n)/
verb
1. het strak inwikkelen van een baby in een deken of lappen.
  1. envolver
  2. vendar
noun
cuna
noun
1. een driewielige fiets die voorzien is van een laadbak
  1. tricar
  2. triciclo de reparto
noun
1. deel van het baardhaar dat groeit vanaf de kaaklijnen tot aan de haargrens boven de oren.
patilla
verb
1. voedsel bij hoge temperatuur in een oven of pan verhitten, meestal met wat olie of boter.
  1. hornear
  2. cocer
  3. freír
noun
1. iemand die brood en taarten bakt
panadero
noun
een werkplaats waar men brood, koek, banket en dergelijke, bakt
  1. panadería
  2. tahona
  3. bollería
noun
harina con levadura
pronoun
1. de hoofdstad van Azerbeidzjan
Bakú
noun
  1. horno
  2. horno de cocina
noun
1. speciaal geprepareerd papier dat in de oven gebruikt wordt om te bakken etenswaar niet aan de bakplaat of de bakvorm te laten kleven
  1. papel de horno
  2. papel sulfurizado
noun
bandeja de horno
noun
1. rijsmiddel op basis van natriumbicarbonaat
  1. polvo de hornear
  2. levadura química
noun
1. datgene wat gebakken is of wordt
hornada
noun
espátula
noun
1. uit klei of leem gebakken steen
  1. ladrillo
  2. tabique
noun
  1. molde para hornear
  2. molde para horno
noun
1. een driesnarig Russisch tokkelinstrument
  1. balalaika
  2. balalaica
verb
1. evenwicht behouden om er niet vanaf te vallen
balancear
/balaˈnitɪs/
noun
1. ontsteking van de eikel bij de man.
balanitis
noun
2. een meetapparaat met twee armen (bedoeld om het verschil te kunnen meten)
  1. balanza
  2. báscula
noun
balata
noun
balata
adjective
1. wild, uitgelaten
  1. gamberro
  2. petulante
  3. vandálico
noun
1. stoffen overdekking als ornament, meestal boven een troon, altaar of hemelbed
  1. baldaquín
  2. palio
pronoun
  1. Baleares
  2. islas Baleares
verb
1. gevoelens van groot ongenoegen koesteren
estar harto
noun
fuelle
noun
1. langgerekte bank van waarachter men klanten bedient
mostrador
noun
mirón
noun
1.
baile
/bɑlk/, /bɑɫk/
noun
  1. 2. veelvlak met 6 rechthoekige zijvlakken, 8 hoekpunten en 12 ribben
    1. cuboide
    2. ortoedro
  2. 1. deel van een constructie met een lengte die veel groter is dan de breedte en de hoogte in doorsnede
    viga
pronoun
  1. 1. gebied...
    1. Balcanes
    2. Península Balcánica
    3. península de los Balcanes
  2. 2. gebergte in ...
    1. Balcanes
    2. montes Balcanes
noun
1. wildgroei van cellen die leidt tot een of meer gezwellen in een testikel
cáncer de testículo
pronoun
1. een schiereiland aan het uiterste zuidwesten van Europa
  1. Península Balcánica
  2. península de los Balcanes
noun
  1. panhas
  2. pannas
  3. plato con despojos de carne
noun
1. een bouwkundig onderdeel
balcón
noun
balada
noun
  1. 2. steenslag die men op het spoorbed stort
    1. balasto
    2. balastro
  2. 1. vervanging van de nuttige lading door iets dat voldoende weegt om een schip te stabiliseren
    lastre
/ˈbɑ.lə/
noun
branie, moed
  1. cojones
  2. huevos
noun
1.
recogepelotas
noun
1.
recogepelotas
noun
2. een damesschoen zonder sluiting en zonder hak
ballarina
noun
1. een artistieke dansvorm
ballet
noun
1. een man die ballet danst
  1. bailarín de ballet
  2. balettdansör
noun
bailarina
noun
!. gokspelletje
  1. mosqueta
  2. trile
noun
1. iemand die verbannen is
  1. desterrado
  2. proscrito
noun
1. gedwongen verblijf elders dan waar men thuis is
  1. exilio
  2. destierro
noun
1. leer die de banen van projectielen bestudeert
balística
noun
1. een feestartikel bestaande uit een dun rubberen zakje dat met gas of lucht kan worden gevuld
  1. globo
  2. bomba
/bɑlɔ'taʒə/
noun
balotaje
/bɑlɔ'terə(n)/
verb
1. stemmen over iemands toelating bij een sociëteit of vereniging
balotar
noun
1. een pen die de inkt met een bal of kogel op het papier overbrengt.
bolígrafo
noun
balneólogo
noun
1. een pen die met een bal of kogel de inkt op het papier overbrengt
  1. bolígrafo
  2. esfero
noun
  1. vinagre balsámico
  2. vinagre balsamico
noun
1. een plant uit de familie Balsaminaceae van tweezaadlobbige kruidachtige planten,...
balsamina
noun
bálsamo
verb
1. het prepareren van een stoffelijk overschot om het tegen ontbinding te beschermen
embalsamar
noun
balsamina
noun
  1. hierba de Santa María
  2. balsamita
  3. hierba de San Pedro
noun
  1. juego de pelota
  2. juego de bola
noun
deporte de pelota
adjective
báltico
noun
1. een laag hekwerk dat een min of verheven standplaats omsluit
balaustrada
noun
1.huidplooi waarin de testikels liggen
escroto
noun
1. een reuzengrassoort dat afkomstig is uit Azië
bambú
noun
lémur del bambú
noun
brote de bambú
noun
brote de bambú
noun
  1. fideos cintas
  2. tallarines
noun
  1. 2. uitsluiting uit de kerkgemeenschap
    anatema
  2. 3. rechtsgebied van een stad
    territorio
adjective
1. gewoontjes, saai en voorspelbaar, weinig verheven of de zintuigen prikkelend
  1. banal
  2. trivial
noun
1. een vrucht van de bananenboom
  1. plátano
  2. banana
noun
banalidad
noun
pan de bananas
noun
  1. 1. een van de Midden-Amerikaanse staten zoals Honduras, Nicaragua, El Salvador of Guatemala, eens zo genoemd vanwege de bananenindustrie die daar alles overheerste
  2. 2. een in politiek en economisch opzicht corrupt en instabiel land, dat bovendien vaak rijk is aan grondstoffen
república bananera
adjective
bancario
noun
  1. 3. groep muzikanten die een bepaald muzikaal repertoire ten gehore brengt
    1. banda
    2. grupo
  2. 1. ringvormige omhulling van iets anders, vooral dienend voor de uitwendige bescherming
    1. neumático
    2. llanta
adjective
1. zonder zich bekommeren om enige normen of regels
desenfrenado
noun
banderilla
noun
1. een schurk of misdadiger
  1. bandido
  2. bandolero
noun
1. apparaat waarmee men geluid kan vastleggen op magnetische tape
magnetófono
noun
1. een toestel dat geluid opnam op een band magnetiseerbaar materiaal
magnetófono
verb
1. zich een weg ~: een pad maken waar er geen was, resoluut doordringen in iets
  1. abrirse camino
  2. abrirse paso
adjective
  1. 2. angst opwekkend
    1. angustioso
    2. congojoso
  2. 1. angst hebbend
    1. angustioso
    2. medroso
    3. temeroso
  3. 3. bangelijk
    1. medroso
    2. miedoso
/ˈbɑŋɦɛːt/, /ˈbɑŋɦɛːɪt/
noun
1. toestand van schrik
  1. angustia
  2. miedo
  3. temor
/ˌbɑŋ.(g)ɣə.la.ˈdɛʃ/, /ˌbɑŋ.lɑ.ˈdɛʃ/
pronoun
1. land in het zuiden van Azië dat ligt op het Indische subcontinent en grenst voor het grootste gedeelte aan India en voor een klein stukje aan Myanmar/Birma grenst
Bangladesh
/ˈbɑŋmaːkʏˌrɛi/
noun
intimidación
noun
estandarte
noun
    1. 3. een financiële instelling
    2. 5. gebouw waarin een financiële instelling gevestigd is
    3. 6. een opslagsysteem voor gegevens of voorwerpen b.v. beeldbank, bloedbank, boekenbank, kennisbank, spermabank
    4. 4. een ondiepte in het water
    banco
  1. 1. een meubelstuk met zitplaats voor meer dan één persoon
    1. sofá
    2. banco
noun
1. een betaalmiddel van papier
  1. billete de banco
  2. papel moneda
noun
bancarrota
verb
  1. fuerza en banco
  2. press de banca
/bɑŋ'kɛt/
noun
1. een feestelijke, officiële maaltijd
banquete
noun
1. een bakker die voornamelijk taarten, klein gebak en chocolade maakt
pastelero
noun
1. een bedrijf dat zich toelegt op het vervaardigen van gebak, taart en andere lekkernijen
pastelería
noun
1. een stuk banket dat gemaakt is van bladerdeeg, gevuld is met amandelspijs, de vorm heeft van een letter (vaak de 'S') en vooral populair is rond Sinterklaas
pastel en forma de una letra
noun
garantia bancaria
noun
1. iemand die financiële diensten verleent
banquero
noun
1. een rekening-courant bij een bank
  1. cuenta bancaria
  2. cuenta de banco
noun
1. toestand van iemand die niet in staat is aan zijn financiële verplichtingen te voldoen
  1. bancarrota
  2. quiebra
noun
robo de bancos
noun
1. een handig hulpmiddel om werkstukken in vast te houden
  1. tornillo de banco
  2. tornillo mecánico
  3. torno de banco
noun
tresillo
noun
territorio
/ˈbɑnəlɪŋ/
noun
1. iemand die verbannen is
  1. desterrado
  2. exiliado
verb
extrañar
noun
1. een kerkelijke straf
anatema
noun
benaming voor dikstammige bomen uit droge, warme gebieden uit het geslacht Adansonia
  1. baobab
  2. pan de mono
  3. árbol del pan
noun
1. tijdelijk onderkomen voor een groep soldaten of andere personen
barraca
noun
bárbaro
adjective
1. zonder beperkingen opgelegd door beschaafd gedrag
  1. bárbaro
  2. cruel
  3. fiero
noun
barbadense
noun
dólar de Barbados
/ˈbɑr.ba.ˌdɔs/, /ˈbɑr.be.ˌdɔs/
pronoun
1. een eiland in het Caribisch gebied, dat behoort tot de Bovenwindse Eilanden van de Kleine Antillen
Barbados
/bɑrbɑˈrɪzmə/
noun
1. woord of uitdrukking uit een andere taal
barbarismo
/ˈbɑrbəkju/
noun
1. apparaat
  1. barbacoa
  2. parrillada
noun
1. bepaalde vissoort die voorkomt in de middenlopen van rivieren, Barbus barbus
barbo
noun
1. een herenkapper die ook baarden bijwerkt
barbero
noun
1. Een slaapmiddel in de vorm van een barbituurzuur verbinding
barbitúrico
noun
barcarola
pronoun
Barcelona
noun
1. (informatica) een op artikelen, verpakkingen afgedrukte reeks smalle en brede streepjes waarmee in gecodeerde vorm productinformatie is vastgelegd die met een scanner kan worden gelezen
código de barras
verb
  1. albardar
  2. bardar
  3. barder
verb
1. op de wereld brengen
  1. parir
  2. dar a luz
  3. engendrar
  4. nacer
verb
  1. dando a luz
  2. engendrando
  3. pariendo
noun
mar de Barents
noun
1. plat hoofddeksel zonder klep
boina
noun
germanía
noun
barita
noun
parto
noun
1. een mannenstem tussen bas en tenor
barítono
noun
bario
noun
carbonato de bario
noun
1. bepaald type zeilschip met drie of meer masten
barca
noun
1. iemand die achter de bar staat en drankjes voor de gasten inschenkt
barman
adjective
1. op vergevende wijze begrip tonend voor iemands moeilijkheden
  1. misericordioso
  2. piadoso
noun
de mate van barmhartig zijn
misericordia
noun
  1. ámbar
  2. cárabe
  3. simetita
  4. succino
  5. ámbar amarillo
noun
  1. E363
  2. ácido succínico
noun
1. zelfregistrerende barometer
barógrafo
noun
1. door een barograaf opgetekende registratie van de luchtdruk
barograma
noun
1. een 17e eeuwse kunststroming die er naar streeft grootste, dramatische momenten en beweging uit te drukken
barroco
/ˈbaroˌmetər/
noun
1. een instrument dat de luchtdruk meet
barómetro
adjective
barométrico
noun
1. adellijke titel, in rang tussen jonkheer en burggraaf
barón
noun
1. vrouwelijke baron
baronesa
noun
baronía
noun
baroscopio
noun
lichamelijk letsel door snel veranderende atmosferische druk
barotraumatismo
noun
1. benaming voor baarsachtige zeeroofvissen uit het geslacht Sphyraena
barracuda
noun
  1. barranco
  2. cañón
noun
1. straatversperring die de doorgang door een straat onmogelijk maakt
barricada
noun
1. begrenzing, bescherming
barrera
adjective
1. onverbiddelijk, onvriendelijk
brusco
noun
1. breuklijn in een breekbaar voorwerp
grieta
verb
1. heftig breken of uiteenspatten
  1. reventar
  2. estallar
  3. cuartearse
  4. hender
  5. henderse
  6. resquebrajarse
pronoun
2. apocrief boek uit de Bijbel
Baruc
noun
barión
noun
número bariónico
noun
borzoi
/bɑs/
noun
1. het instrument dat doorgaans de laagste stem speelt
bajo
noun
bajorrelieve
adjective
  1. 2. aan de basis liggend
    1. basal
    2. basilar
  2. 1. fundamenteel
    1. fundamental
    2. básico
    3. esencial
/baˌzalə ˈlamina/, /baˌzaləˈlamina/
noun
1. een extracellulaire matrix waarop een epitheellaag aangehecht is
  1. basilema
  2. membrana basal
noun
1. een mafisch vulkanisch stollingsgesteente dat gevormd wordt door de stolling van lava of magma
basalto
adjective
gris basalto
noun
báscula
noun
  1. 1. stof die een of meer hydroxylgroepen bevat en in een waterige oplossing OH-ionen afsplitst
  2. 2. ion of molecuul dat de neiging heeft een proton op te nemen
base
verb
basar
noun
  1. alcalinidad
  2. basicidad
/baˈsilikəm/
noun
1. een keukenkruid
  1. albahaca
  2. alhábega
noun
basílica
noun
1. fabeldier
basilisco
noun
  1. 1. grondslag
    base
  2. 3. fundament
    fundamento
noun
unidad básica
noun
línea de base
noun
  1. salario base
  2. salario básico
noun
1. scholing voor kinderen van 4 tot 12 jaar
educación primaria
/ˈbazɪsxoɫ/
noun
1. een school voor lager onderwijs
  1. escuela primaria
  2. escuela elemental
pronoun
baskir
noun
vasco
/'bɑskən,lɑnd/
pronoun
  1. 1. geografische regio bij de Spaans-Franse grens
    1. Euskal Herria
    2. País Vasco
  2. 3. Spaanse autonome regio
    País Vasco
noun
boina
noun
1. doel
canasta
noun
  1. 1. sport
    1. baloncesto
    2. básquetbol
    3. básquet
    4. basquetbol
  2. 2. bal
    1. pelota de baloncesto
    2. baloncesto
adjective
  1. 1. met betrekking tot de Basken
  2. 2. met betrekking tot de Baskische taal
  1. vasco
  2. vascongado
pronoun
1. taal die wordt gesproken door de Basken
  1. vasco
  2. euskera
  3. vascuense
  4. vascuence
noun
1. geurige rijstzaden
arroz basmati
noun
1. een lage mannenstem
bajo
noun
1. buitenste laag...
  1. corteza
  2. líber
noun
1. een kind dat niet geboren is uit een wettig huwelijk
bastardo
noun
trébol híbrido
noun
curruca
pronoun
1. een stad in de Belgische provincie Luxemburg
Bastogne
noun
trébol híbrido
noun
1. minder zuivere, niet-gekristalliseerde suiker
  1. azúcar mascabado
  2. azúcar morena
  3. azúcar moreno
  4. azúcar negra
  5. azúcar negro
  6. azúcar parda
noun
bátavo
noun
  1. batata
  2. boniato
  3. camote
  4. chaco
  5. achín
  6. batata dulce
noun
batallón
noun
bátavo
noun
1. het geld dat voor iets ontvangen is of ontvangen moet worden
activos
verb
1. helpen
  1. servir
  2. aprovechar
  3. ser útil
noun
1. een fijn, doorschijnend weefsel dat gemaakt kan zijn van linnen, wol, katoen, zijde of zelfs kunstzijde
batista
verb
2. geslachtsgemeenschap hebben
  1. follar
  2. joder
noun
1. een elektrotechnisch component waarin elektrische energie is opgeslagen
  1. pila
  2. batería
noun
  1. bavarois
  2. bavaroise
noun
1. een aap met een korte staart en een vooruitstekende snuit
babuino
/ˈbɑks.tər/
noun
1. vochttoediening in de bloedvaten
infusión
noun
1. een (vaak overdekte) markt
bazar
noun
  1. albahaca
  2. alhábega
  3. basílico
noun
1. vrouwelijke baas
  1. ama
  2. dueña
  3. patrona
noun
trombón
noun
respiración artificial
noun
resucitador
noun
  1. empleado
  2. funcionario
/'biːmən/, /bə'amən/
verb
1. bevestigen dat men het eens is met iets
  1. confirmar
  2. afirmar
  3. aprobar
adjective
  1. afirmando
  2. aprobando
  3. asintiendo
  4. confirmando
adjective
  1. medroso
  2. miedoso
  3. temeroso
verb
1.
  1. asustar
  2. atemorizar
  3. abatatar
  4. inquietar
/bə.ʔˈɑnt.ʋɔːr.də(n)/
verb
  1. 1. de reactie op een vraag geven
    1. contestar a
    2. responder a
  2. 2. voldoen aan
    estar conforme con
noun
contestador
noun
salsa bearnesa
noun
salsa bearnesa
noun
Generación beat
noun
escala de Beaufort
pronoun
1. deel van de Noordelijke IJszee, ten noordwesten van Canada en ten noorden van Alaska
mar de Beaufort
adjective
1. voorzien van een (lange) baard
  1. barbudo
  2. barbado
verb
1. van bakens voorzien
  1. abalizar
  2. aboyar
  3. balizar
adjective
ensangrentado
verb
1. een boete uitdelen aan een persoon
multar
verb
  1. 1. vullen met gebouwen
    1. cubrir de construcciones
    2. edificar
    3. urbanizar
  2. 2. landbouwgrond bewerken
    1. cultivar
    2. labrar
noun
  1. bechamel
  2. besamel
  3. salsa bechamel
noun
  1. bechamel
  2. besamel
  3. salsa bechamel
verb
  1. 1. uitrekenen
    calcular
    1. 2. door cijfers aanwijzen
    2. 3. (muziek) notaties door cijfers aangeven
    cifrar
verb
1. van commentaar voorzien
comentar
noun
  1. becquerel
  2. becquerelio
/bɛd/, /bɛt/
noun
  1. 2. afgeperkte en/of verhoogde plaats in een tuin, waarop bloemen of gewassen gekweekt worden
    1. bancal
    2. macizo
  2. 1. een meubel gemaakt om in te slapen
    1. cama
    2. lecho
adjective
1. rustig, kalm
sosegado
adjective
1. goed doordacht iets doen
  1. aconsejado
  2. prudente
verb
  1. 1. erkentelijkheid tot uitdrukking brengen
    agradecer
  2. 3. een lidmaatschap of abonnement opzeggen
    cancelar
  3. 2. weigeren aan te nemen
    rechazar
interjection
5. uitspraak om waardering en erkenning te tonen in dagelijks gebruik
gracias
/bə'darə(n)/
verb
  1. 2. kalm maken
    1. apaciguar
    2. aquietar
    3. asosegar
    4. calmar
    5. sedar
    6. sosegar
  2. 1. tot rust komen
    1. calmarse
    2. apaciguarse
    3. aplacarse
    4. aquietarse
    5. asosegarse
    6. sosegarse
noun
sofá cama
noun
ropa de cama
noun
1. een sierkleed voor over een bed
  1. chiva
  2. cubierta de cama
noun
1. de uitholling in het landschap waarin een stroom of beek zich voortbeweegt
  1. cauce
  2. yacimiento
noun
  1. oración
  2. 1. dringend verzoek
    ruego
/ˈbedəˌhœys/
noun
  1. iglesia
  2. templo
verb
1. iets over iets heen plaatsen zodat het niet zichtbaar is
  1. cubrir
  2. tapar
noun
pulsera de dijes
noun
1. een persoon die vraagt om geld zonder daar iets voor te doen
mendigo
noun
mendiga
noun
1. het om een aalmoes vragen
mendicidad
verb
1. om een aalmoes vragen
mendigar
noun
1.
orden mendicante
verb
1. bedekt zijn of worden met een dikke laag aarde of sneeuw
  1. enterrar
  2. sepultar
/bəˈdɛŋkələk/
adjective
1. wat bezorgdheid of afkeuring opwekt
  1. dudoso
  2. arriesgado
  3. crítico
  4. grave
  5. peligroso
verb
  1. 1. gedachten laten gaan over, denken over
    1. considerar
    2. meditar
    3. pensar
  2. 2. door nadenken vinden
    1. discurrir
    2. idear
    3. inventar
    4. fraguar
    5. imaginar
    6. inventarse
  3. 3. iets schenken aan
    legar
  4. 4. zich ~: op een besluit terugkomen, van gedachten veranderen
    pensarselo
noun
objeción
noun
1. een proces van aantasting en verslechtering dat iets onbruikbaar maakt
  1. deterioro
  2. corrupción
  3. deterioración
  4. putrefacción
adjective
1. dat iets kan verrotten of vergaan en daardoor niet meer bruikbaar of eetbaar is
perecedero
verb
  1. 2. verpesten, verknoeien
    aguar
  2. 3. te veel verwennen
    1. consentir
    2. mimar
    3. enviciar
  3. 4. verrotten, oneetbaar worden
    1. echarse a perder
    2. estropearse
    3. corromperse
    4. averiarse
    5. desmejorarse
    6. deteriorarse
  4. 1. iets kapot maken, beschadigen
    1. estropear
    2. corromper
    3. dañar
    4. desmejorar
    5. deteriorar
    6. echar a perder
noun
  1. peregrinación
  2. romería
noun
peregrino
noun
1. iemand die eten en of drinken brengt in een horecagelegenheid
  1. criado
  2. empleado
  3. sirviente
  4. trabajador doméstico
/bəˈdinə(n)/
verb
1. eten en of drinken brengen in een horecagelegenheid
  1. servir
  2. atender
noun
  1. 4. het toedienen van de sacramenten
    Administración del Sacramento
  2. 2. het bedienen van een apparaat
    1. mando
    2. manejo
  3. 1. de groep van personen die eten en of drinken brengen in een horecagelegenheid
    servicio
noun
servicio
noun
  1. panel de control
  2. panel de mandos
verb
  1. criticar
  2. disputar
  3. zaherir
verb
1. door onderhandeling een toezegging verkrijgen
  1. estipular
  2. condicionar
  3. convenir
  4. pactar
/bɛdleɣərəɣ/
adjective
1. niet in staat uit bed te komen
encamado
adjective
1. wat men wilde bereiken of uitdrukken
intencionado
verb
  1. 2. iets met een bepaald oogmerk doen
    pretender
  2. 1. met een woord of toespeling iets of iemand aanduiden of proberen aan te duiden
    querer decir
noun
  1. 1. het doel van een actie, dat wat men wil gaan doen of wil bereiken
    intención
  2. 2. de zin of strekking
    1. sentido
    2. significado
verb
1. iemand bedrieglijk in een waan brengen, gewoonlijk spelenderwijs
  1. engañar
  2. embromar
  3. engañar en broma
noun
  1. cableado
  2. alambrado
noun
  1. suma
  2. importe
verb
  1. ascender a
  2. importar
  3. sumar
adjective
  1. 1. dreigend bejegend
  2. 2. mogelijk op het punt staand van uitsterving
amenazado
verb
1. iemand met een mogelijk gevaar confronteren
  1. amenazar
  2. conminar
noun
1. een mogelijk gevaar
amenaza
adjective
hábil
verb
1. iemand met kwade opzet in de waan brengen
  1. engañar
  2. burlar
  3. defraudar
  4. estafar
  5. tangar
noun
1. iemand die een ander om de tuin leidt voor persoonlijk gewin
  1. charlatán
  2. embustero
  3. impostor
adjective
  1. falaz
  2. engañoso
  3. tramposo
noun
1. vrouw die bedriegt
embustera
/bəˈdrɛɪ̯f/, /bəˈdrɛːf/
noun
  1. 5. deel van een toneelspel
    acto
  2. 1. organisatie, samenspel van mensen en middelen om producten en of diensten te leveren
    empresa
noun
1. een specialist die een bedrijf adviseert in zaken de bedrijfvoering
  1. asesor de empresas
  2. consejero de consultoría
noun
médico de empresa
noun
1. de tak van wetenschap die het samenspel in organisaties en hun relatie met hun omgeving bestudeert
  1. ciencias empresariales
  2. administración de empresas
noun
  1. director de empresa
  2. dirigente
  3. gerente
noun
  1. dirección de la empresa
  2. gerencia
noun
1. politiek binnen/ten aanzien van een bedrijf
  1. política comercial
  2. póliza comercial
noun
comercio
verb
1. aan iets doen
  1. cometer
  2. consumar
  3. ejercer
  4. ejercitar
  5. hacer
  6. perpetrar
noun
activo
/bəˈdrɛɪ̯vəχ/, /bəˈdrɛɪ̯vɪx/, /bəˈdrɛːvəx/
adjective
tot hard werken geneigd
activo
noun
actividad
adjective
1. verdrietige gevoelens koesterend
triste
verb
1. triest stemmen
  1. disgustar
  2. entristecer
  3. acongojar
  4. afligir
  5. angustiar
  6. apasionar
/bə'drɔx/
noun
1. het met kwade opzet misleiden van iemand
  1. embuste
  2. engaño
  3. fullería
verb
  1. 2. zich ~: zich redden, voor zichzelf zorgen
    mantenerse
  2. 1. druppelsgewijs vochtig houden
    rociar
adjective
  1. 2. neerslachtig
    1. abatido
    2. deprimido
    3. desanimado
  2. 1. met tekst of figuren gevuld
    1. estampado
    2. impreso
noun
hora de acostarse
noun
  1. miedo
  2. temor
adjective
  1. confuso
  2. turbado
adjective
1. beetgenomen
  1. embromado
  2. engañado
verb
1. bedriegen
  1. engañar
  2. embromar
  3. engañar en broma
noun
1.1 Cimex lectularius, een parasitair insect
chinche de las camas
verb
1. iemands bewustzijn verminderen of laten verliezen door blootstelling aan een bepaalde stof
  1. aturdir
  2. adormecer
  3. embriagar
  4. narcotizar
verb
  1. 2. in bedwang houden
    1. coercer
    2. contener
  2. 1. onderwerpen of onderdrukken
    reprimir
/bek/
noun
1. stromend watertje
  1. arroyo
  2. riachuelo
noun
1. bepaalde ondersoort van vissen die voorkomt in stromend water, Salmo trutta fario
  1. trucha
  2. trucha común
  3. trucha de río
noun
1. zeldzaam visje dat inheems voorkomt in de Benelux, Lampetra planeri
lamprea de arroyo
noun
1. driedimensionaal kunstwerk
imagen
noun
análisis de imágenes
noun
tubo de imagen
noun
1. afbeelding die op een rondel is geslagen
efigie
noun
1. een georganiseerde beweging die kerkgebouwen ontdoet van alle afbeeldingen, beeldhouwwerken en andere kunstwerken
iconomaquía
noun
1. een deelnemer aan de Beeldenstorm
iconoclasta
verb
1. uit steen een beeld vervaardigen
esculpir
noun
1. een beoefenaar van de beeldhouwkunst
  1. escultor
  2. escultora
noun
1. een kunstvorm die ruimtelijke beelden voortbrengt, bijvoorbeeld door deze uit te houwen in steen
escultura
noun
1. kunstenares die ruimtelijke beelden maakt
escultora
/'beltɦɑʊʋɛrk/
noun
1. een kunstwerk vervaardigd door het houwen van steen
escultura
adjective
1. mooi alsof het een plaatje is
  1. bonito
  2. lindo
adjective
1. met veel uitingen via beelden
florido
noun
  1. pantalla
  2. monitor
  3. monitor de computadora
noun
ideografía
noun
  1. figura del lenguaje
  2. metáfora
noun
  1. escabiosa
  2. knautia
  3. viuda silvestre
noun
cañuela
/beːn/
noun
  1. 3. stof waaruit benen/botten bestaan
    hueso
  2. 1. ledemaat waarop wordt gestaan en waarmee wordt gelopen
    1. pierna
    2. pata
noun
1. een verkoper van vlees
carnicero
noun
1. Het bedrijf van een beenhouwer
carnicería
noun
1. een sponsachtige, rode substantie die zich in het binnenste van beenderen bevindt
  1. médula ósea
  2. tuétano
noun
  1. espacio para las piernas
  2. sitio para las piernas
noun
  1. huesecillo
  2. huesito
noun
  1. periostio
  2. periosteo
/beːr/, /bɪːr/
noun
  1. 1. groot viervoetig zoogdier uit de familie Ursidae
    oso
  2. 1. mannetjesvarken
    cerdo
  3. 1. gier, mensendrek
    1. excremento
    2. heces
noun
1. een put waarin fecaliën verzameld worden
pozo negro
/beːst/
noun
  1. 1. dier
    1. bestia
    2. animal
  2. 2. benaming voor een mens, meestal een man, als men wild en dierlijk gedrag wil aangeven
    bruto
adjective
  1. bestial
  2. bruto
  3. brutal
noun
bicho
/beɪt/, /beːt/
noun
  1. 1. samenklemming tussen de kaken
    mordisco
  2. 3. steek door de monddelen van een kaakloos wezen, zoals een insect
    picadura
/ˈbeːtʃjə/
noun
1. kleine hoeveelheid
poco
verb
  1. atrapar
  2. capturar
verb
2. iemand een loer draaien, het slachtoffer van een streek maken
engañar
verb
1. grijpen en vasthouden
  1. agarrar
  2. asir
  3. coger
adjective
1. op een goede manier bekend staan
famoso
noun
1. bepaald soort lijster, Turdus torquatus
mirlo capiblanco
noun
  1. beg
  2. bey
adjective
1. met veel talent
  1. dotado
  2. talentoso
noun
1. een bijzondere aanleg, een gave
talento
verb
  1. 1. iets doen dat onjuist of verboden is
    1. cometer
    2. perpetrar
  2. 2. een plaats betreden
    1. hollar
    2. pisar
adjective
1. in een toestand die doorgaand verkeer mogelijk maakt
transitable
noun
1. verlangen
deseo
/bə.ɣə.ˈlɛɪ̯.də(n)/, /bə.ɣə.ˈlɛː.də(n)/, /bə.χə.ˈlɛɪ̯.də(n)/
verb
1. vergezellen
  1. acompañar
  2. escoltar
  3. guiar
noun
acompañador
noun
1. personen die iemand vergezellen of bewaken
acompañamiento
verb
1. iemand geen straf geven die het wel zou verdienen
perdonar
verb
1. sterk verlangen om iets te bezitten
  1. desear
  2. codiciar
  3. anhelar
  4. aspirar
adjective
1. vol verlanging iets te verkrijgen waar men vaak geen recht op heeft
ávido
verb
1. ergens een vloeistof over gooien
regar
verb
1. een gift geven
dotar
noun
beguina
noun
1. een hofje waar vrouwen als geestelijke zusters tezamen leefden, zonder een kloostergelofte af te leggen
  1. beguinaje
  2. beaterio
/bəˈχɪn/
noun
1. het eerste deel
  1. comienzo
  2. inicio
  3. principio
  4. origen
noun
1. een beginner, een nieuweling bij iets
principiante
verb
  1. 1. aanvangen
    1. empezar
    2. comenzar
  2. 2. initiëren
    iniciar
noun
  1. debutante
  2. principiante
noun
  1. punto de partida
  2. punto del comienzo
  3. punto inicial
noun
1. regel waar je je in ieder geval aan wilt houden
principio
noun
declaración de principios
noun
1. de snelheid die een voorwerp aanvankelijk bezit
velocidad de arranque
verb
  1. atisbar
  2. avizorar
  3. curiosear
noun
1. (plantk.) Begonia, een geslacht bloeiende planten uit de begoniafamilie
begonia
noun
1. een plaats waar overledenen begraven liggen
  1. cementerio
  2. camposanto
noun
1. een ceremonie waarbij een overledene in een kist aan de aarde wordt toevertrouwd
entierro
/bəˈɣrafənɪsɔndərˌnemər/
noun
1. Een persoon die de begrafenis van overledenen verzorgt
empresario de pompas fúnebres
verb
    1. 1. iets onder de grond stoppen
    2. 3. iets wegstoppen
    enterrar
  1. 2. een overledene begraven
    1. enterrar
    2. sepultar
adjective
  1. limitado
  2. restricto
verb
  1. 2.
    1. delimitar
    2. demarcar
    3. lindar
  2. 1. beperken, limiteren
    1. limitar
    2. restringir
noun
  1. delimitación
  2. demarcación
  3. limitación
adjective
inteligible
/bə.χrɛɪ.pə(n)/
verb
1. met het verstand vatten
  1. entender
  2. comprender
noun
1. het verstaan of begrijpen van iets
comprensión
adjective
cubierto
verb
1. bij de ontmoeting een teken van erkenning en welwillendheid geven aan iemand
saludar
noun
1. het erkennen van elkaars aanwezigheid wanneer men elkaar ontmoet
saludo
verb
  1. apreciar
  2. estimar
  3. evaluar
  4. presuponer
  5. tasar
/bəˈɣrotɪŋ/
noun
1. raming van de te maken uitgaven voor de komende tijd
presupuesto
noun
1. de mate waarin de inkomsten van de staat minder zijn dan de uitgaven
déficit presupuestario
verb
1. iemand al dan niet financieel voordeel schenken
favorecer
noun
  1. favor
  2. protección
/beˈɦaː/
noun
1. een kledingstuk voor vrouwen dat de borsten ondersteunt
  1. sujetador
  2. sostén
  3. ajustador
  4. brasier
  5. corpiño
  6. soutien
adjective
1. aangenaam warm en gezellig
agradable
/bə'haxsik/
adjective
coqueto
adjective
1. bedekt met haren
  1. peludo
  2. velludo
/bə.ˈhaː.ɣə(n)/
noun
1. aan iemand welgevallig zijn
  1. complacer
  2. placer
  3. agradar
  4. gustar
verb
1. een diploma of certificaat verwerven
  1. obtener
  2. alcanzar
  3. conseguir
preposition
1. met uitzondering van
  1. excepto
  2. salvo
verb
  1. 3. medisch verzorgen
    1. medicar
    2. atender
    1. 1. verwerken
    2. 2. bespreken, spreken of schrijven over
    tratar
noun
2. een handeling gericht op herstel
  1. tratamiento
  2. trato
  3. cura
noun
1. ter versiering op de muur aangebrachte papieren bedekking
  1. empapelado
  2. papel de empapelar
verb
  1. 1. het bedekken van wanden met een laag papier
    1. empapelar
    2. entapizar
    3. tapizar
  2. 2.
    1. entapizar
    2. tapizar
noun
1. iemand die beroepsmatig behangsel op de muren aanbrengt
empapelador
noun
1. muurbedekking
  1. empapelado
  2. papel pintado
  3. papel de empapelar
noun
1. een langgerekte, meestal inklapbare tafel waarop behangpapier insmeerd kan worden met plaksel
trabanca
verb
1. zich inzetten voor een bepaalde zaak
  1. atender a
  2. cuidar de
noun
psicología conductista
/bə'her/
noun
1. het beheren van, de zorg en verantwoording voor eigendommen van derden
  1. administración
  2. gestión
noun
1. een persoon om een bepaald geheel te regelen en te onderhouden of dit beroep
  1. administrador
  2. gerente
verb
  1. 1. meester zijn, het gezag uitoefenen
    1. controlar
    2. dominar
  2. 3. verstaan
    dominar
noun
1. iemand die iets beheerst
soberano
noun
dominio
adjective
1. zonder uitspatten
  1. aplomado
  2. dueño de sí
  3. dueño de sí mismo
  4. sereno
verb
hechizar
verb
1. zich ~: een provisorische oplossing bedenken voor een probleem dat men heeft bij gebrek aan middelen
arreglárselas
verb
contener
adjective
2.
  1. diestro
  2. hábil
  3. presto
noun
1. de mate waarin men fysiek zijn lichaam weet te coördineren
agilidad
verb
  1. 1. het beheer hebben over iets
  2. 2. iets leiden, besturen
administrar
adjective
1. op zijn of haar hoede om gevaar te voorkomen
  1. precavido
  2. cauto
  3. cauteloso
  4. circunspecto
  5. prevenido
  6. prudente
/ˈbə'huftə/
noun
1. iets wat benodigd is
necesidad
adjective
necesitado
noun
indigencia
/bəˈhuvə(n)/
verb
  1. 1. moeten
    deber
  2. 2. nodig hebben
    necesitar
adjective
  1. 3. in vrij grote/verregaande mate
    bastante
  2. 1. flink, in hoge mate, aanzienlijk
    1. considerable
    2. importante
  3. 2. net, fatsoenlijk
    1. conveniente
    2. decente
    3. como es debido
adverb
  1. convenientemente
  2. debidamente
verb
2. onderdeel uitmaken van wat gebruikelijk is of tot de fatsoensnormen gerekend wordt
pertenecer
noun
1. het behoeden voor of verhinderen van een teloorgang
  1. preservación
  2. conservación
  3. mantenimiento
  4. salvación
adjective
  1. 1. iets niet verliezen
    1. conservar
    2. guardar
    3. quedarse con
  2. 2. redden
    salvar
adjective
1. vasthoudend aan het oude en vertrouwde
conservador
preposition
salvo
noun
ley de conservación
adjective
  1. servicial
  2. oficioso
noun
bey
noun
1. muziekinstrument met klokken
carillón
noun
carillones
noun
1. iemand die een beiaard of carillon bespeelt
campanólogo
cardinalNumeral
1. alle twee
  1. ambos
  2. ambas
noun
bávaro
pronoun
Baviera
noun
bávara
adjective
  1. beige
  2. beis
adjective
pardo beige
adjective
gris beige
adjective
rojo beige
/bɛɪrut/
pronoun
1. hoofdstad van Libanon
Beirut
noun
1. een scherp stuk gereedschap met een wigvormige snede
  1. cincel
  2. escoplo
  3. formón
verb
1. iets met een beitel (be)werken, met een scherp voorwerp steen bewerken
cincelar
adjective
anciano
noun
1. iemand op hoge leeftijd
anciano
noun
1.
residencia de ancianos
verb
1.
cazar
verb
1. luidkeels iets beklagen
  1. deplorar
  2. lamentar
verb
1. iemand op een bepaalde wijze behandelen
tratar
noun
1. snavel van vogels
pico
adjective
1. er ~ van afkomen een schamele uitkomst van iets krijgen
malparado
verb
1. van kabels voorzien
cablear
noun
1. iemand die zich recentelijk tot een bepaald geloof bekeerd heeft
converso
adjective
1. vertrouwd
conocido
noun
1. een persoon waarvan je weet wie het is
conocido
noun
notoriedad
verb
1. openbaar maken
anunciar
/bəˈkɛntmakɪŋ/
noun
  1. aviso
  2. proclamación
verb
  1. 1. toegeven
    confesar
  2. 3.
    conocer
noun
1. een verklaring waarin men toegeeft een bepaalde daad gepleegd te hebben
confesión
noun
  1. 2. trofee
    copa
  2. 1. een cilindervormig voorwerp waaruit je kunt drinken
    1. cáliz
    2. taza
verb
1. tot een bepaald geloof overhalen
convertir
noun
  1. vaso de precipitación
  2. vaso de laboratorio
noun
1. het (doen) overgaan van iemand tot een bepaald geloof.
conversión
verb
1. het opleggen van een boete voor een wetsovertreding
multar
noun
1. een boete die wordt opgelegd voor het overtreden van een wet
multa
noun
  1. encofrado
  2. recubrimiento
noun
  1. 4. stroomgebied
    cuenca
  2. 3. (muziekinstrument) slaginstrument bestaande uit een metalen schaalvormige voorwerp
    1. címbalos
    2. platillos
  3. 1. vrij ondiepe maar brede schaal
    fuente
  4. 2. gebeente tussen beide heupen
    pelvis
noun
suelo de la pelvis
/bəˈklaxdə/
noun
1. iemand die voor de rechter van iets beschuldigd wordt
acusado
verb
  1. 1. op lelijke wijze iets met verf, modder of graffiti bedekken
    manchar
  2. 2. iemands goede naam schaden
    1. manchar
    2. difamar
noun
queja
verb
  1. 2. iemands leed bejammeren
    compadecer
  2. 1. ontevredenheid uiten, klachten indienen
    quejarse
adjective
1. zielig
  1. deplorable
  2. pobre
  3. digno de lástima
  4. lastimoso
verb
  1. 1. met stof bedekken
    1. camisar
    2. encamisar
    3. enfundar
    4. forrar
    5. revestir
  2. 2. een ambt vervullen
    1. ejercer
    2. desempeñar
/bəˈkledɪŋ/
noun
1. een laag stof ter versiering en berscherming aangebracht op een hard oppervlak of een meubelstuk
forro
adjective
2. beangst
  1. con angustia
  2. con ansia
/bə'klɛmə(n)/
verb
2. een bedrukt gevoel geven
  1. agobiar
  2. angustiar
verb
1. de nadruk leggen op iets
  1. acentuar
  2. enfatizar
  3. destacar
verb
durar
verb
1. naar de top van iets, zoals een berg, klimmen
subir
adjective
1. tot het belangrijkste en noodzakelijkste teruggebracht
conciso
verb
  1. regañar
  2. reprobar
  3. reprochar
  4. censurar
  5. vituperar
verb
1. op listige wijze weten te regelen
  1. maquinar
  2. tramar
  3. enredar
  4. guisar
  5. guisarse
  6. intrigar
verb
  1. 3. in eigendom krijgen
    conseguir
  2. 2. herstellen (van de schrik e.d.)
    reponerse
adjective
1. veel zorgen makend
inquieto
adjective
1. aantrekkelijk, bekoring opwekkend
encantador
/bəˈkopə(n)/
verb
1. iets ~ met een prijs ergens voor betalen
pagar
verb
1. aantrekkingskracht uitoefenen
  1. encantar
  2. hechizar
  3. deleitar
  4. embelesar
  5. extasiarse
noun
1. aangetrokken zijn
encanto
verb
1. de tijdsduur minder lang laten zijn
acortar
verb
1. ervoor zorgen dat de kosten betaald worden
  1. costear
  2. pagar
  3. sufragar
verb
2. kracht van wet geven
  1. confirmar
  2. ratificar
  3. validar
noun
  1. ratificación
  2. confirmación
  3. validación
verb
1. kritiek uiten op iets of iemand
criticar
adjective
  1. 2. krap
    1. angosto
    2. estrecho
  2. 1. te beperkt van opvatting
    mezquino
verb
1. belonen voor uitmuntendheid
  1. coronar
  2. premiar
adjective
  1. capaz
  2. apto
noun
1. competentie
capacidad
verb
capacitar
noun
  1. piano nobile
  2. piso noble
/bəˈlɑɣələk/, /bəˈlɑχələk/
adjective
1. lachwekkend, om uit te lachen
ridículo
verb
1. een lading aanbrengen op een lastdier of een voer- of vaartuig
cargar
verb
1. iemand agressief/intimiderend benaderen
  1. acosar
  2. acechar
  3. asechar
  4. asediar
noun
1. iets wat belangrijk is voor een persoon
  1. importancia
  2. interés
/bəˈlɑŋəlos/
adjective
2. uit liefdadigheid
desinteresado
noun
grupo de interés
noun
conflicto de intereses
/bəlɑŋˈhɛbənt/
adjective
1. er belang bij hebben
interesado
noun
1. iemand die ergens belang bij heeft
interesado
adjective
1. van grote betekenis
importante
adjective
con interés
noun
1. bereidheid en verlangen aandacht aan iets te schenken
interés
adjective
1. belangstelling oproepend
interesante
adjective
encargado
verb
  1. 1. gewichten plaatsen op
    cargar
  2. 5. zich ~ met: de verantwoordelijkheid of uitvoering van iets op zich nemen
    cargarse
verb
1. iemands goede naam geweld aandoen met onware aantijgingen
  1. difamar
  2. calumniar
  3. amancillar
noun
1. de daad van het belasteren.
difamación
noun
  1. 2. de mate waarin een machine belast wordt ofwel het vermogen dat van de machine
    carga
  2. 1. door de wet gedwongen betaling aan de overheid zonder individuele tegenprestatie
    impuesto
noun
asesor de impuestos
noun
1. iemand die belasting betaalt
contribuyente
noun
1. overheidsdienst die de heffing en inning van belasting voor een staat verzorgt
fisco
noun
  1. fraude de impuestos
  2. fraude fiscal
  3. fraude tributario
noun
paraíso fiscal
noun
1. iemand die wettelijk verplicht is om belastingen te betalen
contribuyente
noun
palaa
adverb
bel canto
verb
1. nare opmerkingen maken tegen of over een persoon
  1. insultar
  2. ofender
  3. afrentar
  4. agraviar
noun
1. een krenking van iemands gevoel van eer of eigenwaarde
  1. insulto
  2. ofensa
adjective
1. van goede omgangsvormen getuigend
cortés
noun
1. een sociale vaardigheid, die de omgang in de maatschappij vergemakkelijkt.
cortesía
/bəˈlɛx/
noun
  1. 1. langdurige uitsluiting van de buitenwereld door een vijandige strijdmacht
    1. asedio
    2. sitio
  2. 3. afgewerkte tegenkant van naaiwerk
    ribete
adjective
1. lang of een voldoende tijd gelegen hebbend
  1. añejo
  2. curado
  3. maduro
verb
1. met een leger omsingeld houden
  1. asediar
  2. sitiar
verb
  1. 2. vastsjorren
    amarrar
  2. 4. bijeenroepen
    1. convocar
    2. organizar
    3. reunir
  3. 3. bedekken door er iets op te leggen
    1. cubrir
    2. tapar
  4. 1. geld steken in een naar verwacht winstgevende onderneming
    1. invertir
    2. colocar
    3. imponer
noun
1. geld besteed aan iets waarvan men verwacht dat het later meer waarde zal hebben
  1. colocación
  2. inversión
noun
  1. fondo común de inversión
  2. fondo de inversión
  3. fondo mútuo
noun
1. een plan van aanpak voor het oplossen van problemen in de meest ruime zin
  1. política
  2. tacto
  3. tiento
  4. tino
/bəˈlɛmərə(n)/
verb
1. een factor vormen die een gebeurtenis of handeling (bijna) onmogelijk maakt
  1. impedir
  2. estorbar
  3. molestar
  4. obstruir
  5. embarazar
  6. dificultar
noun
1. wat hinder en oponthoud veroorzaakt
  1. obstáculo
  2. estorbo
  3. impedimento
  4. molestia
adjective
1. (van panden) aangrenzend
contiguo
verb
  1. 1. als onderpand voor een lening gebruiken
    1. empeñar
    2. hipotecar
    3. pignorar
  2. 2. leenstelsel
    enfeudar
noun
1. hinder
impedimento
noun
1. iets wat een bepaalde handeling of gebeurtenis verhindert
impedimento
noun
1. leesteken bestaand uit drie puntjes (…)
puntos suspensivos
verb
1. iets of iemand storen in zijn/haar bezigheden
impedir
verb
1. meemaken
  1. experimentar
  2. vivir
/bəˈlevənɪs/
noun
vivencia
adjective
leído
noun
1. een stedelijke wachttoren met een stormklok
  1. campanario
  2. beffroi
/bɛlx/, /bɛɫx/, /bɛɫχ/
noun
1. een staatsburger van België
belga
noun
2. het streven naar het behoud van België als één land
nacionalismo belga
pronoun
Congo Belga
noun
franco belga
/ˈbɛlɣijə/, /ˈbɛɫɣijə/, /ˈbɛɫχijə/
pronoun
Bélgica
pronoun
1. de hoofdstad van Servië
Belgrado
/bɛlhaməl/
noun
  1. 2. ondeugende jongen
    1. gallito
    2. golfo
  2. 1. een gecastreerd mannelijk schaap dat met een bel om zijn nek vaak de kudde leidt
    1. manso
    2. julo
noun
  1. locutorio
  2. locutorio telefónico
/bə.ˈlɪx.tə(n)/, /bə.ˈlɪχ.tə(n)/
verb
1. licht schijnen op iets
exponer
noun
1. een meetinstrument dat een goede belichtingstijd van foto's kan bepalen
  1. exposímetro
  2. fotómetro
verb
1. een verklaring afleggen een bepaald geloof aan te hangen
profesar
noun
1. het afleggen van een verklaring om een bepaald geloof aan te hangen
  1. confesión
  2. profesión
noun
beliceña
noun
  1. dólar beliceño
  2. dólar de Belice
/be.ˈliː.zə/
pronoun
1. een Midden-Amerikaans land, en grenst aan Mexico in het noordwesten en Guatemala in het zuiden en westen. Aan het oosten grenst het aan de Caribische Zee
  1. Belice
  2. Bélice
noun
belladona
verb
    1. 1. de deurbel over laten gaan
    2. 4. door middel van een bel roepen
    llamar
  1. 3. iemand opbellen, telefoneren naar iemand
    1. telefonear
    2. llamar
  2. 2. door middel van een bel een signaal geven
    tocar el timbre
noun
cámara de burbujas
noun
1. tandwalvis die doorgaans bij volwassenheid melkwit van kleur is, Delphinapterus leucas
  1. beluga
  2. ballena blanca
verb
  1. acechar
  2. espiar
noun
1. een ondelinge of schriftelijke verklaring waarin men iets belooft
promesa
verb
1. een prestatie of goede daad met geld of anderszins erkennen
recompensar
noun
recompensa
verb
2. een geschat bedrag hebben
  1. ascender a
  2. importar
verb
1. toezeggen dat iets gedaan zal worden
prometer
noun
telejuego
noun
crédito de llamadas
noun
  1. tono de llamada
  2. señal de llamada
verb
1. aandachtig naar iets luisteren
escuchar
verb
1. met moeite in handen krijgen
  1. adueñarse de
  2. apoderarse de
  3. enseñorearse de
  4. obtener
noun
1. de personen die het benodigde werk aan boord van een schip of vliegtuig verrichten
  1. tripulación
  2. equipaje
  3. equipo
noun
1. een werknemer aan boord van een vlieg- of vaartuig
tripulante
verb
paliar
noun
1. de personen die het benodigde werk aan boord van een schip of vliegtuig verrichten
  1. tripulación
  2. equipaje
  3. equipo
verb
1. zich ergens bewust van worden
  1. notar
  2. percibir
verb
1. het toevoegen van meststoffen aan de aarde
  1. abonar
  2. fertilizar
  3. estercolar
  4. fecundizar
noun
abono
noun
  1. gestor
  2. intermediario
  3. mediador
verb
1. trachten overeenstemming tussen twee partijen tot stand te brengen
  1. mediar
  2. terciar
  3. abogar
  4. intervenir
noun
1. het tussenbeide komen om tot een overeenkomst te komen
  1. mediación
  2. intermediación
noun
gestoría
/bəˈmɪndə/
noun
  1. novia
  2. novio
  3. querida
  4. querido
adjective
1. (van personen) aardig in de omgang
amable
verb
1. amoureuze gevoelens voor iemand koesteren
  1. amar
  2. querer
verb
1.iemand een positievere kijk op de kansen geven
  1. alentar
  2. animar
  3. confortar
adjective
1. hoopgevend
alentador
noun
ánimo
noun
1. iemand die zich bemoeit met zaken van anderen
  1. entremetido
  2. metiche
verb
  1. 2. zich bekommeren om iemand
    meterse
  2. 1. zich inlaten met zaken waar men niets mee te maken heeft
    meterse en
/bəmujləkə(n)/, /bəmujləkən/
verb
1. moeilijker maken
dificultar
adjective
entremetido
adjective
entremetido
noun
muestreo
noun
teorema de muestreo
noun
teorema de muestreo de Nyquist-Shannon
noun
perjudicado
verb
1. iemand of iets nadeel toebrengen, iemand of iets schade toebrengen
  1. perjudicar
  2. desfavorecer
noun
  1. 2. buitengewoon onevenwicht tussen de contractuele prestaties van de betrokken partijen
    1. lesión enorme
    2. lesión enormísima
  2. 1. het ondervonden verlies of nadeel
    perjuicio
verb
  1. 2. aanpakken
    1. acometer
    2. enfocar
  2. 3. bijna bereiken
    aproximarse
  3. 4. geen exacte berekening maar een bepaling
    1. aproximarse
    2. aproximar
    3. calcular aproximadamente
  4. 1. naartoe gaan en aanspreken
    1. dirigirse
    2. sondear
noun
  1. 1. getalswaarde die voor een bepaald praktisch doel voldoende dicht in de buurt ligt van de exacte waarde van die grootheid.
    1. aproximación
    2. acercamiento
  2. 2. gezichtspunt, de richting van waaruit men naar iets beschouwd .
    1. enfoque
    2. acercamiento
/bəˈnadrʏkə(n)/
verb
  1. recalcar
  2. acentuar
noun
denominación
adjective
1. in het nauw gebracht
apurado
adjective
  1. 2. angstig
    1. angustioso
    2. ansioso
    3. medroso
    4. miedoso
    5. temeroso
  2. 3. beperkt van ruimte
    estrecho
  3. 1. moeilijk ademend
    1. sofocante
    2. oprimido
noun
1. moeite hebben met het ademhalen
  1. ahogo
  2. ansiedad
verb
  1. perturbar
  2. preocupar
adjective
1. angst opwekkend
sofocante
noun
benchmark
/ˈbɛn.də/
noun
1. een informeel georganiseerde groep mensen, meestal met kwade of misdadige motieven
pandilla
preposition
abajo
noun
benedictino
noun
benedictino
verb
bendecir
adjective
beneficiario
noun
beneficio
adjective
2. bekrompen
mezquino
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera tigris tigris
  1. tigre de Bengala
  2. tigre de Bengala real
  3. tigre indio
noun
taka de Bangladesh
noun
  1. badajo
  2. muchacho travieso
pronoun
1. Boliviaans departement gelegen in het noordoosten van het land. Hoofdstad is Trinidad
Beni
/bəˈniu̯t/
adjective
1. reikhalzend uitziend naar iets
curioso
noun
curioso
adjective
  1. huesudo
  2. óseo
adjective
benigno
verb
1. wensen dat men zelf mocht hebben wat een ander heeft
envidiar
adjective
1. dat iets de moeite waard is om benijd te worden
envidiable
/be.ˈnin/, /ˈbe.nɪn/
pronoun
1. een land in Afrika dat in het westen aan Togo grenst, in het noordwesten aan Burkina Faso, in het noordnoordoosten aan Niger in het oosten aan Nigeria. In het zuiden ligt het aan de Golf van Guinee
Benín
noun
beninesa
noun
  1. avíos
  2. enseres
verb
1. nodig hebben
necesitar
verb
  1. nominar
  2. nombrar
/bə.ˈnu.mɪŋ/
noun
1. het toewijzen van een ambt aan iemand
nombramiento
preposition
1. aan de noordelijke zijde van
al norte de
verb
  1. aprovechar
  2. utilizar
noun
  1. aprovechamiento
  2. utilización
noun
benzaldehído
noun
benceno
/bɛn'zinə/
noun
1. een aardolieproduct bestaande uit een mengsel van alifatische koolwaterstoffen...
  1. gasolina
  2. bencina
noun
1.
motor de gasolina
noun
  1. 3. brandstofpomp
    bomba de gasolina
  2. 2. tankstation
    1. estación de servicio
    2. gasolinera
    3. puesto de gasolina
  3. 1. toestel waaruit men een afleesbare hoeveelheid benzine kan tanken
    surtidor de gasolina
noun
1. een installatie voor het tanken van benzine
gasolinera
/bɛnˈzinəˌtɑŋk/, /bɛnˈzinəˌtɛŋk/
noun
  1. depósito de gasolina
  2. tanque de gasolina
noun
benzodiazepina
noun
  1. benceno
  2. benzol
noun
mainá
noun
  1. practicante
  2. práctico
verb
1. bij regelmaat zich in iets bekwamen
  1. cultivar
  2. estudiar
noun
  1. ejercicio
  2. estudio
verb
1. ~ met: ergens een bepaald doel mee in ogen hebben
tener por objeto
verb
1. tot een oordeel komen over iets
  1. juzgar
  2. evaluar
  3. calificar
/bə.ˈʔoːr.de.lɪŋ/, /bə.ˈʔo̝ːr.de.lɪŋ/
noun
valoración
adjective
  1. 2. niet nader aan te duiden
    1. alguno
    2. cierto
  2. 3. stellig
    1. categórico
    2. por cierto
  3. 4. om te verwijzen naar een specifiek geval
    definido
    1. definido
    2. determinado
    3. fijo
adverb
  1. categóricamente
  2. sin duda
  3. terminantemente
noun
1. een lidwoord voorafgaand aan een bepaald zelfstandig naamwoord
  1. artículo definido
  2. artículo determinado
verb
  1. 2. vaststellen, voorschrijven, regelen
    1. determinar
    2. definir
    3. fijar
    4. disponer
    5. estatuir
    6. estipular
  2. 3. beslissend beïnvloeden
    1. determinar
    2. establecer
    3. ocasionar
adjective
  1. cualitativo
  2. determinado
noun
  1. 1. een voorwaarde
    cláusula
  2. 5. woordgroep die een van de delen van een zin nader bepaalt
    locución adverbia
noun
complemento predicativo
verb
1. een verminderde reikwijdte geven
  1. limitar
  2. restringir
  3. coartar
  4. reducir
/bə.ˈpɛr.kɪŋ/
noun
1. iets dat ervoor zorgt dat de mogelijkheden beperkt worden
  1. restricción
  2. limitación
adjective
1. verminderd, met specifieke grenzen
  1. limitado
  2. restricto
verb
revocar
verb
1. argumenten aandragen om een te nemen beslissing in bepaalde zin te beïnvloeden
abogar
adjective
  1. espolvoreado
  2. polvoreado
verb
espolvorear
verb
1. door praten iemand tot een verandering in zijn standpunt overhalen
persuadir
adjective
probado
verb
1. onderzoeken of het de juiste is
  1. probar
  2. ensayar
noun
1. overweging, overleg
  1. deliberación
  2. reflexión
verb
1. overleg plegen over de gezamenlijk te voeren actie
deliberar
noun
1. gedachtewisseling in een vergadering
  1. deliberación
  2. discusión
/bə'ramə(n)/
verb
1. iets bedenken
  1. empollar
  2. preparar
  3. tramar
noun
  1. bereber
  2. beréber
noun
  1. bereber
  2. beréber
/'bɛrbərap/
noun
1. Macaca sylvanus
  1. macaco de Gibraltar
  2. mona de Gibraltar
  3. mono de Berbería
noun
  1. acetín
  2. agracejo
  3. agrazón
  4. alarguez
  5. alguese
  6. ario
verb
juzgar
verb
1. in staat zijn zelfstandig dagelijkse dingen te doen
arreglar
adjective
racional
adjective
1. akkoord gaand, instemmend: bereid tot actie
dispuesto
verb
1. het klaarmaken van bijvoorbeeld een maaltijd
preparar
noun
1. de wil om iets te doen
  1. disposición
  2. voluntad
adjective
1. tot hulp en dienst bereid zijn of daarvan blijk geven
servicial
noun
1. de afstand die afgelegd kan worden
alcance
adjective
alcanzable
/bə'rɛɪkən/
verb
te controleren vertalingen
alcanzar
adjective
1. van een persoon dat deze veel reizen gemaakt heeft
viajado
adjective
viajado
adjective
1. iets dat gemaakt werd na berekeningen
poder
verb
1. door rekenen iets bepalen
calcular
/bə.ˈre.kə.nɪŋ/
noun
1. een numerieke uitwerking ergens van
  1. cálculo
  2. cómputo
  3. calculación
  4. computación
  5. cuenta
noun
  1. aguarilla
  2. aguavilla
  3. boj pequeño
  4. bujarola
  5. gayuba
pronoun
1.
isla del Oso
noun
  1. 3. acanthus
    1. acanto
    2. branca ursina
  2. 2. bepaald soort schermbloemige plant met ruw behaarde bladeren en witte bloemen
    1. branca ursina falsa
    2. espondella
    3. espondilio
    4. hierba de Hércules
    5. lampaza
    6. pie de oso
noun
piel de oso
/bɛrx/
noun
  1. 1. hoge terreinverheffing
    1. montaña
    2. monte
  2. 2. een grote hoeveelheid
    1. montón
    2. montaña
adjective
1. met bergen
montañoso
noun
1. (fruit) een kleine, peervormige en zure citrusvrucht
bergamota
noun
hierba de la perlesía
noun
1. iemand die zich toelegt op het alpinisme
montañero
noun
1. Tadorna tadorna, een forse bijna gansachtige eend
tarro blanco
pronoun
1. stad in Noorwegen
  1. Bergen
  2. Bergeno
noun
1. naamwoord meervoud van berg
  1. montañas
  2. montes
verb
  1. 1. het ergens plaatsen van iets om het te bewaren
    1. almacenar
    2. guardar
  2. 3. in veiligheid brengen
    1. guardar
    2. salvar
    3. salvaguardar
  3. 2. het in de haven brengen van een schip met problemen
    salvar
noun
bicicleta de montaña
noun
zamarrilla de hojas de espliego
noun
1. een soort geit die leeft op rotsachtige ondergrond in de bergen.
  1. gamuza
  2. cabra montés
  3. rebeco
  4. sarrio
noun
guía de montaña
noun
  1. refugio
  2. refugio de montaña
noun
1. een langgerekt gebergte
cordillera
noun
chamburo
noun
1. een lager
  1. puerto
  2. paso
  3. desfiladero
  4. paso de montaña
  5. paso desfiladero
  6. puerto de montaña
/ˈbɛrxpik/, /ˈbɛrχpik/
noun
1. de piek van een berg
  1. cima de montaña
  2. cumbre de la montaña
noun
1. plaats om zaken op te kunnen slaan
  1. almacén
  2. depósito
/ˈbɛrxrʏx/, /ˈbɛrχrʏχ/
noun
1. een langgerekte bergachtige hoogte
cresta
noun
trastero
noun
1. een beek die in de bergen loopt
torrente
/'bɛrxtɔp/, /'bɛrχtɔp/
noun
1. de top van een berg
  1. cima
  2. cumbre
  3. cúspide
  4. pico
noun
1. ziekte veroorzaakt door een tekort aan vitamine B1 (thiamine)
beriberi
noun
1. overgebrachte korte communicatie, meestal over een recente gebeurtenis
  1. mensaje
  2. noticia
  3. aviso
  4. comunicación
  5. información
  6. informe
verb
1. van nieuws voorzien over iets
  1. informar
  2. comunicar
noun
información
/bə'rɛidbar/
adjective
  1. practicable
  2. transitable
verb
1. het voortbewegen op een rijdier, zoals een paard of een voertuig zoals een fiets
  1. montar
  2. cabalgar
noun
berilo
noun
1. vrouwelijk dier van de berenfamilie, Ursidae
osa
pronoun
Bering
pronoun
1. de zeestraat tussen de Grote Oceaan en de Noordelijke IJszee
estrecho de Bering
pronoun
1. is de zee in het noordelijk deel van de Grote Oceaan
mar de Bering
adjective
1. strenge afkeuring verdienend
vituperable
verb
1. streng zeggen dat het gedrag wordt afgekeurd
  1. reconvenir
  2. regañar
  3. reñir
  4. vituperar
  5. reprender
  6. reprobar
/bə.ˈrɪs.pɪŋ/
noun
1. een strenge afkeuring van gedrag
  1. reprimenda
  2. represión
  3. vituperio
/bɛrk/
noun
1. een katjes dragende loofboom met witte bast
abedul
noun
berkelio
noun
boleto del abedul
pronoun
  1. 1. de hoofdstad van Duitsland
  2. 2. een duitse deelstaat
Berlín
noun
1. de onverharde kant van een weg
  1. berma
  2. lisera
noun
2. een van de drie in de Benelux inheemse modderkruipers, Barbatula barbatula
  1. gobio de río
  2. lobo de río
  3. pez lobo
pronoun
1. eilandengroep in de Atlantische Oceaan
Bermudas
adjective
  1. bermudeña
  2. bermudeño
noun
bermudeña
noun
  1. dólar bermudeño
  2. dólar de Bermuda
noun
  1. dólar bermudeño
  2. dólar de Bermuda
pronoun
1. de hoofdstad van Zwitserland
Berna
noun
1. Borago officinalis, een kruid dat zowel in de keuken als in de geneeskunde gebruikt wordt
borraja
pronoun
2. spelwoord voor de letter b
Beatriz
/bə'rumt/
adjective
1. onder velen bekend en bewonderd
  1. famoso
  2. célebre
  3. reputado
noun
2. iemand die bekend is bij een groot publiek
celebridad
/beˈrumə(n)/
verb
1. zich ~ op: krediet opeisen op basis van beweringen van verworvenheden of kunde
  1. ufanarse
  2. vanagloriarse
noun
  1. 2. dringend verzoek om bijstand
    apelación
  2. 1. een bezigheid waarmee men de kost verdient
    1. profesión
    2. oficio
noun
1. de plicht om te zwijgen over feiten en gegevens van derden, die iemand bij het uitoefenen van zijn beroep te weten is gekomen
secreto profesional
noun
grupo ocupacional
noun
  1. ropa de fajina
  2. ropa de trabajo
noun
militar de carrera
noun
1.
deformación profesional
noun
formación profesional
noun
colegio profesional
noun
  1. enfermedad de trabajo
  2. enfermedad profesional
adjective
  1. miserable
  2. mal
  3. malo
verb
  1. tocar
  2. estar en contacto
  3. rozar
/bə.ˈruː.rɪŋ/
noun
1. onrust door iets veroorzaakt
  1. conmoción
  2. perturbación
  3. turbación
noun
1. een acute beschadiging van de hersenen die veroorzaakt wordt door een bloeduitstorting in de hersenen
  1. accidente cerebrovascular
  2. apoplejía
  3. ataque
  4. ataque cerebral
  5. golpe
  6. ictus apoplético
verb
fumigar
verb
1. de oorzaak zijn van
  1. causar
  2. inferir
  3. irrogar
  4. ocasionar
  5. producir
noun
1. het betreuren van een eerdere kwalijke daad
  1. arrepentimiento
  2. contrición
/bəˈrɑuwə(n)/
verb
arrepentirse
adjective
1. met spijt vervuld
  1. arrepentido
  2. contrito
verb
1. iemand met geweld zijn bezit ontnemen
  1. robar
  2. privar
  3. despojar
  4. quitar
  5. asaltar
  6. desnudar
noun
1. het beroofd worden
  1. robo
  2. atraco
  3. asalto
noun
camilla
/'bɛrstə(n)/
verb
1. onder inwendige druk uit elkaar breken
resquebrajarse
/bə'rɵxt/
adjective
1. om slechte redenen bekend staand
mal reputado
/bə.ˈrʏs.tɪŋ/
noun
resignación
/bəˈrilijʏm/
noun
1. een chemisch element en een donkergrijs aardalkalimetaal
berilio
/bɛs/
noun
1. kleine vrucht
baya
adjective
1. net en goed opgevoed
  1. civilizado
  2. bien educado
adverb
1. vol met de neiging zich te verbergen voor anderen
  1. avergonzado
  2. vergonzoso
verb
1. het toebrengen van schade
  1. dañar
  2. averiar
  3. desmejorar
  4. deteriorar
  5. echar a perder
  6. estropear
/bə.ˈsxa.di.ɣɪŋ/, /bə.ˈsxa.də.ɣɪŋ/, /bə.ˈsχa.də.χɪŋ/
noun
  1. 1. aangebrachte schade
    1. avería
    2. daño
    3. deterioro
  2. 2. het beschadigen van iets of iemand bijv. diens reputatie
    perjuicio
verb
1. verlegen maken
avergonzar
adjective
1. waarvoor je jezelf hoort te schamen
vergonzoso
/bəˈsxaːvə(n)/
verb
  1. 1. glad maken (met een schaaf)
    cepillar
  2. 2. civiliseren
    civilizar
/bə.ˈsxa.vɪŋ/, /bə.ˈsχa.vɪŋ/
noun
1. de complexe maatschappij waarin veel van de mensen in steden leven en hun voedsel door middel van landbouw verkrijgen
civilización
/bə'sxɛi(d)ə/
adjective
  1. 1. geen te hoge verwachtingen van zichzelf hebbend
  2. 2. niet de indruk makend te hoge verwachtingen van zichzelf te hebben
  3. 3. niet groots of talrijk
  1. modesto
  2. humilde
noun
modestia
noun
1. iemand die geregeld door iemand anders gesteund of in bescherming genomen wordt
protegido
verb
1. er zo goed mogelijk voor zorgen dat er niets verkeerd gebeurt
  1. proteger
  2. resguardar
  3. guarecer
adjective
protector
verb
  1. abrigando
  2. amparando
  3. cubriendo
  4. preservando
  5. protegiendo
  6. resguardando
noun
protector
noun
  1. mecena
  2. patrocinador
noun
1. een heilige onder wiens bescherming een bepaalde persoon of groep staat
  1. santo patrón
  2. patrono
  3. santo patrono
  4. patrona
  5. santa patrona
/bə.ˈsxɛr.mɪŋ/, /bə.ˈsχɛr.mɪŋ/
noun
1. een beveiliging
  1. protección
  2. abrigo
  3. amparo
verb
  1. 1. met geschut- of geweervuur bestoken
    1. abalear
    2. balear
    3. bombardear
  2. 2. bekleden
    1. artesonar
    2. enmaderar
/bə.ˈsxi.tɪŋ/, /bə.ˈsχi.tɪŋ/
noun
1. het onder zwaar vuur leggen van een vijandelijke positie
bombardeo
verb
1. met lichtstralen raken
alumbrar
/bə'sxɪkbar/
adjective
1. waarover beschikt kan worden
disponible
noun
1.e mogelijkheid om, indien nodig te kunnen beschikken over mensen, diensten of hulpmiddelen
disponibilidad
verb
1. beslissen, regelen
  1. disponer
  2. ordenar
/bə.ˈsxɪ.kɪŋ/, /bə.ˈsχɪ.kɪŋ/
noun
  1. disposición
  2. provisión
adjective
1. onderhevig aan schimmelgroei
  1. mohoso
  2. enmohecido
/bəˈsxɪmələ(n)/
verb
1. aangevreten worden door schimmels
  1. enmohecer
  2. enmohecerse
  3. encanecer
  4. florecerse
verb
1. met scheldwoorden overladen
  1. injuriar
  2. insultar
  3. afrentar
  4. agraviar
  5. denostar
  6. ofender
adjective
1. onder invloed van alcohol
ebrio
noun
1. houten wandbekleding
tabique
adjective
1. meer nadenkend en observerend dan praktisch handelend
contemplativo
verb
2. denken over
contemplar
adjective
  1. contemplandor
  2. contemplantivo
/bə.ˈsxaʊ̯.wɪŋ/, /bə.ˈsxɔʊ̯.β̞ɪŋ/, /bə.ˈsχʌʊ̯.β̞ɪŋ/
noun
1. meer dan oppervlakkige aandacht
contemplación
verb
1. in woorden uitdrukken
describir
/bə.ˈsrɛɪ̯.vɪŋ/, /bə.ˈsxrɛɪ̯.vɪŋ/, /bə.ˈsxrɛː.vɪŋ/
noun
1. een op schrift gestelde kenmerken van iets of iemand
descripción
adjective
tímido
/bə'sxœyt/
noun
1. een licht, tweemaal gebakken baksel van tarwe
bizcocho
noun
1. een persoon die de schuld heeft gekregen van iets
acusado
/bəˈsxʌldəgə/
verb
1. iemand de schuld geven van iets
  1. acusar
  2. acriminar
/bə.ˈsxʏl.di.ɣɪŋ/, /bə.ˈsxʏɫ.də.ɣɪŋ/, /bə.ˈsχʏɫ.də.χɪŋ/
noun
1. het aangeven dat iemand iets moreel of gerechtelijk verkeerds heeft gedaan
  1. acusación
  2. imputación
  3. incriminación
verb
1. beschermen, met name tegen weer en wind
  1. proteger
  2. abrigar
  3. amparar
noun
  1. abrigo
  2. amparo
  3. reparo
noun
1. een reëel bewustzijn
noción
verb
1. het reëel bewust worden van iets
  1. darse cuenta de
  2. comprender
  3. abarcar
  4. aprehender
  5. entender
  6. ser consciente
verb
  1. 3. door condensatie dof of ondoorzichtig worden
    1. empañar
    2. empañarse
  2. 2. een paard van een hoefijzer voorzien
    herrar
  3. 1. een bepaald gebied betreffen
    1. ocupar
    2. ocupar espacio
noun
  1. 2. vloeibaar deeg
    1. amasijo
    2. masa
    3. pasta
  2. 1. confiscatie
    1. embargo
    2. secuestro
  3. 3. kleine metalen elementen
    1. guarnición
    2. herraje
adjective
1. met waterdamp bedekt en niet meer doorzichtig
empañado
verb
1. vaststellen wat er gaat gebeuren
decidir
/bə.ˈslɪ.sɪŋ/
noun
decisión
adjective
1. niet onderhevig aan aarzeling of twijfel
  1. categórico
  2. decidido
  3. determinado
  4. rotundo
adverb
  1. con determinación
  2. fijamente
  3. seguramente
noun
determinación
/bəˈslœɪt/
noun
1. een vastgestelde keuze
resolución
adjective
1. niet in staat een besluit te nemen.
  1. indeciso
  2. irresoluto
  3. remiso
verb
  1. 1. vaststellen hoe het moet
    decidir
  2. 2. afsluiten
    terminar
noun
teoría de la decisión
verb
1. een zachte massa op iets aanbrengen
untar
adjective
1. blootgesteld aan een ziektekiem of radioactief materiaal
  1. contaminado
  2. contagiado
/bə'smɛtələk/
adjective
1. het vermogen hebbend gemakkelijk van persoon op persoon overgedragen te worden
contagioso
verb
1. blootstellen aan een ziektekiem, gif of radioactief materiaal
contagiar
noun
  1. 1. blootstelling aan een ziektekiem
    1. contagio
    2. infección
  2. 2. blootstelling aan een radioactieve isotoop, gewoonlijk door aanraking of inname
    contaminación
verb
1. insmeren met iets om vies te maken
  1. ensuciar
  2. manchar
  3. emporcar
/bəˈsnewt/
adjective
1. bedekt met sneeuw
nevado
verb
1. de voorhuid van de penis wegsnijden
circuncidar
/bəˈsnɛidənɪs/
noun
circuncisión
/bəˈsnujə(n)/
verb
  1. 1. in aantal doen verminderen
    1. cortar
    2. disminuir
    3. reducir
  2. 2. bomen en heggen snoeien
    1. destallar
    2. escamondar
    3. mondar
    4. podar
    5. recortar
verb
uncir
verb
  1. 1. minder van iets gebruiken of verbruiken
  2. 2. minder geld uitgeven, bezuinigen
  1. ahorrar
  2. economizar
/bə.spa.rɪŋ/
noun
1. het voordeel door ergens minder voor uit te geven
ahorro
adjective
salpicado
verb
1.
salpicar
adjective
jugable
verb
1. muziek maken op een muziekinstrument
  1. tocar
  2. tañer
verb
1. met aanzienlijke moeite waarnemen
  1. vislumbrar
  2. divisar
  3. notar
verb
1. iemand onopgemerkt in de gaten houden
  1. espiar
  2. avizorar
  3. acechar
  4. aguaitar
  5. atisbar
  6. belauern
verb
1. heimelijk proberen geheime informatie van iemand of een organisatie te verkrijgen
espiar
adjective
1. uitermate vreemd
ridículo
verb
1. de spot drijven met
  1. ridiculizar
  2. burlarse de
  3. escarnecer
  4. mofarse de
verb
  1. 1. een gesprek over een bepaald onderwerp voeren
    1. discutir
    2. hablar de
    3. debatir
    4. controvertir
    5. disputar
    6. tratar de
  2. 3. vooruit bestellen
    1. reservar
    2. conservar
  3. 2. recenseren
    reseñar
/bə.ˈspre.kɪŋ/
noun
1. een mondeling overleg
discusión
verb
1. druppels van een vloeistof ergens over strooien
  1. asperjar
  2. rociar
  3. gotear
  4. hisopear
  5. regar
  6. salpicar
noun
jalea de grosellas
noun
Samenstelling van bessen en sap
zumo de grosella
noun
pastel de arándanos
adverb
1. als bevestiging dat iets goed is om te doen
  1. mejor
  2. muy bien
verb
1. daadwerkelijk in het universum voorkomen
existir
adjective
posible
adjective
existente
adjective
1. bestand tegen
a prueba de
noun
  1. 1. een verzameling van gegevens die een eenheid vormen
    1. archivo
    2. fichero
  2. 3. een wapenstilstand
    1. tregua
    2. armisticio
noun
1. elk van de componenten waaruit iets is samengesteld, opgebouwd of bereid
  1. componente
  2. elemento
  3. ingrediente
noun
formato de archivo informático
noun
servidor de archivos
noun
formato de archivo
/bəˈstedə(n)/
verb
1. schaarse middelen een bestemming geven
gastar
noun
  1. 1.
    1. cubertería
    2. cubierto
  2. 1. een zeer gedetailleerd omschreven bouwplan
    pliego de condiciones
noun
común
noun
  1. camión de reparto
  2. furgoneta
noun
1. een auto die structureel ingericht is voor het vervoer van goederen
furgoneta
verb
1. iemand iets wederrechtelijk ontnemen
hurtar
verb
  1. 2. bespreken, reserveren
    1. conservar
    2. reservar
    3. retener
  2. 3. aan huis bezorgen
    1. entregar
    2. llevar a domicilio
    3. repartir
  3. 1. afspreken dat goederen of diensten geleverd zullen worden
    1. pedir
    2. encargar
    3. demandar
    4. hacer pedido
/bə.ˈstɛ.lɪŋ/
noun
  1. 2. bestelde goederen die geleverd worden
    1. paquete pedido
    2. reparto
  2. 1. een verzoek of opdracht om diensten of goederen te leveren
    1. pedido
    2. comanda
    3. encargo
    4. demanda
noun
1. auto die structureel ingericht is voor het vervoer van goederen
furgoneta
noun
1. diegene voor wie een brief of pakket bestemd is
  1. consignatario
  2. destinatario
/bə.ˈstɛ.mɪŋ/
noun
1. het eindpunt van een route
destino
adjective
1. (op afzienbare termijn) duurzaam
  1. duradero
  2. permanente
  3. constante
  4. durable
  5. estable
  6. estacionario
noun
estabilidad
adjective
bestial
noun
bestiario
verb
montar
noun
ascensión
verb
2. verbaal lastigvallen
hostilizar
/bəstɔrmə(n)/
verb
1. met een strijdmacht snel te voet een positie van de vijand trachten te overweldigen
asaltar
noun
  1. asalto
  2. ataque
verb
castigar
/bə.ˈstrɑ.fɪŋ/
noun
castigo
verb
1. aan straling blootstellen
irradiar
verb
1. het wegdek verharden met klinkers of andere middelen om er een straat van de maken
  1. pavimentar
  2. adoquinar
  3. empedrar
noun
  1. adoquinado
  2. empedrado
  3. pavimentación
verb
1. de strijd aanbinden met iets of iemand
combatir
verb
1. je er grondig in verdiepen
estudiar
noun
polinización
verb
  1. 1. zorgen dat [een toestel] de gewenste taken uitvoert
  2. 2. het vervullen van regeringstaken over een gebied of organisatie
conducir
/be.ˈstyː.rɪŋ/
noun
  1. 2. het besturen
    1. dirección
    2. gobierno
  2. 1. het mechaniek waarmee een apparaat bestuurd wordt
    1. dirección
    2. mando
noun
1. een geheel van systeemapplicaties dat de uitvoering van andere programma's bestuurt
sistema operativo
noun
1. de leiding van een organisatie, de verzameling managers
  1. administración
  2. gestión
  3. gobierno
  4. jefatura
  5. junta
  6. mando
adjective
1. met een stuur uitgerust dat vanaf afstand te bedienen is
dirigible
/bəˈstyrdər/
noun
  1. 1. een persoon die een voertuig of andere machine bestuurt
    1. conductor
    2. chófer
    3. piloto
    4. automovilista
  2. 2. een persoon die een bedrijf of organisatie leiding geeft
    1. director
    2. gerente
    3. dirigente
adjective
administrativo
noun
  1. aparato administrativo
  2. aparato gubernamental
noun
Administración Pública
noun
dirigente
noun
director ejecutivo
noun
1. geneesmiddel dat beta-dgedeelte van het onwillekeurig zenuwstelsel stimuleert
betamimético
/bə.ˈtaː.lə(n)/
verb
1. geld (of andere zaken) geven aan iemand om de kosten te voldoen
  1. pagar
  2. abonar
noun
1. iemand die betaalt
pagador
/bə.ˈta.lɪŋ/
noun
1. het onderhandigen of overboeken van geld in ruil voor goed of dienst
pago
noun
  1. balanza de pagos
  2. balance de pagos
noun
  1. condiciones de pago
  2. términos de pago
/bə'tamələk/
adjective
  1. conveniente
  2. decente
verb
1.
  1. convenir
  2. ser conforme
  3. ser conveniente
  4. ser decoroso
verb
1. een vloer of wand van tegels voorzien
  1. alicatar
  2. azulejar
verb
1. ergens voor staan
significar
noun
1. wat iets betekent, waar iets voor staat
  1. significado
  2. acepción
  3. sentido
noun
  1. areca
  2. betel
  3. buyo
  4. nuez de areca
  5. nuez de betel
  6. pimienta de betel
/ˈbe.tɔɫ.ˌχø.zə/, /ˈbe.təl.ˌɣø.zə/, /ˈbe.təɫ.ˌɣø.zə/
pronoun
1. de één na helderste ster in het sterrenbeeld Orion, na Rigel
Betelgeuse
noun
1.
  1. areca
  2. betel
/'beːtər/
adverb
  1. mejor
  2. superior
noun
1. herstelde toestand
  1. cura
  2. mejora
verb
1. in bedwang houden, intomen, bedwingen
refrenar
adjective
2. teleurgesteld
  1. perplejo
  2. colgado
  3. confundido
  4. confuso
  5. turbado
pronoun
1. stad in Judea, bekend als de geboorteplaats van Jesus
Belén
verb
1. iemand op valse gronden beschuldigen
  1. achacar
  2. acriminar
  3. acusación
  4. acusar
  5. denuncia
  6. denunciar
verb
1. het aanbrengen van sierhout
enmaderar
verb
1. een serie argumenten als een verhaal presenteren, bijvoorbeeld in een rechtszaak
argumentar
noun
  1. manifestante
  2. demostrador
  3. manifestador
/bə.ˈto.ɣɪŋ/, /bə.ˈto.χɪŋ/
noun
1. een samenkomst van velen, meestal op straat, met als doel een protest te laten horen
  1. manifestación
  2. demostración
noun
bloque de hormigón
adjective
gris hormigón
noun
hormigonera
/bə.ˈto.və.rɪŋ/
noun
1. een op magische wijze opgelegde verandering
  1. embrujo
  2. encantamento
  3. encantamiento
  4. encanto
  5. fascinación
verb
1. getuige worden van het feit dat iemand iets (verbodens) doet
sorprender
verb
1. zich ergens (met de voeten) op begeven
  1. entrar
  2. pisar
verb
1. gaan over, als onderwerp hebben
  1. concernir
  2. atañer
adjective
1. waar het over gaat
  1. concerniente
  2. en cuestión
preposition
1. over
  1. acerca de
  2. con relación a
  3. con respecto a
  4. concerniente a
  5. en relación con
  6. por lo tocante a
noun
1. een voornaamwoord dat een betrekkelijke bijzin inleidt
pronombre relativo
noun
relatividad
verb
  1. 5. bewolkt raken
    1. aborrascarse
    2. cargarse
    3. cerrarse
    4. cubrirse
    5. encapotarse
    6. nublarse
  2. 2. kopen
    1. adquirir
    2. obtener
  3. 4. betrekken bij
    1. envolver
    2. implicar
  4. 6. somber worden
    1. obscurecerse
    2. ofuscarse
  5. 1. een woning betrekken
    ocupar
  6. 3. in verband of relatie brengen (met)
    relacionar
/bə.ˈtrɛ.kɪŋ/
noun
  1. 2. bezigheid waarvoor je een geregeld inkomen krijgt
    1. cargo
    2. empleo
    3. oficio
  2. 1. band of relatie tussen personen of groepen
    relación
  3. 3. samenhang of verband tussen zaken
    respecto
verb
1. leedwezen tonen over iets
  1. lamentar
  2. deplorar
/bətrørən'swardəx/
adjective
1. waard betreurd te worden
  1. lamentable
  2. deplorable
adjective
1. die erbij horen
cubierto
noun
  1. compromiso
  2. participación
adjective
  1. confiable
  2. fiable
  3. de confianza
  4. digno de confianza
  5. fidedigno
  6. seguro
noun
  1. fiabilidad
  2. confiabilidad
/bə.ˈtraʊ̯.bar.hɛɪ̯ds.ˌɪn.tər.ˌvɑl/, /bə.ˈtrɔʊ̯β̞.bar.ɦɛːts.ˌɪn.tər.ˌvɑɫ/, /bə.ˈtrʌʊ̯.bar.ɦɛɪ̯ts.ˌɪn.tər.ˌvɑɫ/
noun
1. een statistische intervalschatting voor een parameter
intervalo de confianza
verb
mojar
/bɛtwetər/
noun
1. iemand die meent alles beter te weten dan anderen
sabelotodo
verb
dudar
adjective
  1. contradicho
  2. cuestionado
  3. discutido
  4. disputado
verb
  1. 2. aanvechten, tegenspreken
    1. contradecir
    2. objetar
  2. 1. iemand iets ~ iemand het recht ergens toe trachten te ontzeggen
    1. impugnar
    2. discutir
    3. cuestionar
    4. disputar
/ˈbøː.ɣəl/
noun
5. stroomafnemer
pantógrafo
noun
  1. 1. boomsoort
    haya
  2. 3. lange smalle centrale hal van een kruiskerk
    nave
verb
1. ergens fors op slaan
  1. aporrear
  2. pegar
  3. zurrar
noun
1. vrucht van de beukenboom
hayuco
noun
2. vrucht van de beuk, Fagus sylvatica
  1. hayuco
  2. haya
noun
shimeji
/bøːl/
noun
  1. 1. uitvoerder van lijfstraffen
    verdugo
  2. 2. wreedaard
    1. verdugo
    2. bruto
    3. monstruo
    4. fiera
noun
embutido
verb
  1. alzar
  2. levantar
adjective
1. overrijp, buikziek
  1. pasado
  2. demasiado maduro
noun
  1. 3. toelage voor iemand die studeren wil
    beca
  2. 1. het beursgebouw waar aandelen gekocht en verkocht worden
    1. bolsa
    2. bolsa de valores
    3. lonja
  3. 2. een houder voor munten en biljetten
    1. bolsa
    2. monedero
    3. portamonedas
  4. 4. bijeenkomst waar producenten van een bepaald vakgebied meest nieuwe producten tentoonspreiden
    feria
noun
1. een makelaar aan de beurs
  1. agente de bolsa
  2. corredor de bolsa
noun
1. bericht over de beurskoersen
boletin de bolsa
noun
oferta pública de venta
noun
  1. crisis bursátil
  2. quiebra financiera
noun
1. een makelaar aan de beurs
corredor de bolsa
noun
het op een beurs genoteerd staan van een bedrijf
cotización en bolsa
noun
  1. becado
  2. becario
/bøːrt/
noun
1. gelegenheid of opdracht die bewust telkens aan een andere persoon uit en groep gegeven wordt
turno
adverb
1. bij beurten
  1. alternativamente
  2. por su turno
  3. por turno
noun
1. eigendoms- en ontvangstbewijs waarin zeevrachtbrief en vervoersovereenkomst worden gecombineerd
conocimiento de embarque
adjective
1. breed, diep en stromingsarm genoeg om bevaren te worden
navegable
noun
navegabilidad
verb
  1. 1. iets als aangenaam ervaren
    1. agradar
    2. gustar
  2. 2. het leven schenken aan een kind
    parir
adjective
1. -gewoonlijk vrouwelijke- schoonheid bezittend die bij anderen -gewoonlijk mannen- in de smaak valt
gracioso
/bə.ˈvɑ.lɪŋ/
noun
1. het baren van een kind
parto
noun
timidez
verb
1. op een bepaald water varen
navegar
verb
  1. 2. begrijpen
    1. comprender
    2. entender
  2. 1. omvatten, in zich sluiten
    1. contener
    2. consistir en
noun
comprensión
noun
  1. comprensión
  2. inteligencia
verb
1. de strijd aanbinden met iets/iemand
combatir
verb
1. er zo goed mogelijk voor zorgen dat er niets verkeerds gebeurt
proteger
/bə.ˈvɛɪ̯.lə.χɪŋ/, /bə.ˈvɛɪ̯.lɪ.ɣɪŋ/, /bə.ˈvɛː.lə.ɣɪŋ/
noun
1. de genomen maatregelen die er zo goed mogelijk voor zorgen dat er niets verkeerds gebeurt
  1. protección
  2. abrigo
  3. amparo
  4. defensa
noun
  1. agencia de seguridad
  2. servicio de seguridad
noun
1. verplicht uit te voeren opdracht zonder enige tegenspraak.
orden
verb
1. een dwingende opdracht geven.
ordenar
noun
1. iemand die het commando heeft over een leger of vloot
comandante
noun
  1. mandato
  2. orden
verb
1. hard en heftig trillen
temblar
noun
1. benaming voor zoogdieren uit het geslacht Castor
castor
noun
castóreo
noun
1. Myocastor coypus, een schadelijk knaagdier, leeft vooral in moerassige omgeving
  1. coipo
  2. coipu
verb
  1. 1. zeggen dat iets is zoals gevraagd is of verondersteld wordt
    1. confirmar
    2. afirmar
    3. corroborar
  2. 2. vastmaken
    1. fijar
    2. atar
    3. afirmar
/bə.ˈvɛs.ti.ɣɪŋ(g)/, /bə.ˈvɛs.tə.ɣɪŋ/, /bə.ˈvɛs.tə.χɪŋ/
noun
  1. 1. het bevestigen, het mededelen aan iemand dat iets is zoals gevraagd is of verondersteld wordt
    confirmación
    1. 2. het bevestigd zijn, het vastzitten aan iets anders
    2. 3. datgene waarmee of waardoor twee of meer dingen aan elkaar vastzitten
    fijación
noun
punto de sujeción
verb
  1. 1. na waarneming tot de slotsom komen
    1. comprobar
    2. constatar
    3. encontrar
    4. hallar
  2. 3. in de genoemde toestand zijn
    1. encontrarse
    2. estar
  3. 2. op een bepaalde plaats zijn
    1. encontrarse
    2. estar
    3. hacerse
    4. hallarse
    5. radicar
    6. ubicar
noun
  1. conclusión
  2. resultado
noun
1. aardbeving
temblor
/bə.ˈvli.ɣɪŋ/, /bə.ˈvli.χɪŋ/
noun
1. een zomaar opkomende lust
  1. arranque
  2. capricho
  3. rapto
verb
  1. abrevar
  2. aguar
  3. regar
verb
1. (iets) een beetje nat maken
  1. humedecer
  2. mojar
adjective
  1. competente
  2. cualificado
/bə'vuxtɛit/
noun
  1. autorización
  2. competencia
verb
poblar
noun
1. alle inwoners van een bepaald land, staat of gebied gerekend
población
noun
1. de toename van de hoeveelheid bevolking
  1. crecimiento demográfico
  2. crecimiento poblacional
noun
1. de toename van de hoeveelheid bevolking
  1. aumento de la población
  2. crecimiento demográfico
  3. crecimiento poblacional
noun
1. een bepaald deel van de bevolking in een samenleving of gebied
grupo de población
noun
pirámide de población
adjective
1. waar volk zich bevindt
  1. poblado
  2. populoso
noun
  1. paternalismo
  2. tutela
verb
1. iemand ~: aan iemand bijzondere gunsten verlenen
  1. favorecer
  2. privilegiar
adjective
1. een vaste mening over iets of iemand koesterend zonder naar de feiten te willen kijken
prejuiciado
verb
1. voorzien van benodigdheden
  1. abastecer
  2. aprovisionar
  3. abastecerse
  4. proveer
/bə.ˈvoː.ra.dɪŋ/, /bə.ˈvo̝ː.ra.dɪŋ/
noun
1. het voorzien van alle benodigdheden van een leger, buitenpost, afgelegen nederzetting of basis
abastecimiento
adjective
1. rechten genietend die vele anderen niet bezitten
privilegiado
verb
1. bijzondere rechten toekennen aan de één boven de ander
privilegiar
verb
  1. 1. een hogere rang verlenen aan iemand
    1. ascender
    2. promocionar
  2. 2. aanmoedigen, promoten
    1. promover
    2. fomentar
    3. activar
    4. estimular
    5. impulsar
/bə.ˈvɔr.də.rɪŋ/
noun
1. een verhoging in rang
promoción
adjective
1. de eigenschap bezittend iets te bevorderen
favorable
verb
1. beantwoorden aan een sterk verlangen
  1. satisfacer
  2. contentar
  3. aplacar
adjective
1. voldoening gevend
satisfactorio
noun
1. de beantwoording aan een sterk verlangen
satisfacción
verb
  1. asombrar
  2. extrañar
/bə.ˈvrem.dɪŋ/
noun
1. het gevoel dat iets vreemd is dat iemand overvalt
sorpresa
adjective
1. bang
miedoso
/bə'vrizə(n)/
verb
1. door afkoeling in vaste toestand komen
helar
/bə.ˈvri.zɪŋ/
noun
1. door blootstelling aan temperaturen beneden het vriespunt aan ijsvorming onderhevig zijn
  1. congelación
  2. congelamiento
verb
1. iemand of een bevolking van gevangenschap of onderdrukking verlossen
liberar
noun
1. persoon die andere bevrijdt
libertador
/bə.ˈvrɛɪ̯.dɪŋ/, /bə.ˈvrɛː.dɪŋ/
noun
1. het vrij maken van mensen die gevangen gehouden of onderdrukt worden
liberación
adjective
1. door afkoeling in vaste toestand gekomen; volledig met ijs bedekt
helado
adjective
  1. fecundado
  2. fertilizado
verb
fecundar
noun
  1. concepción
  2. fecundación
verb
1. vuil maken; verontreinigen
  1. ensuciar
  2. manchar
noun
guarda
noun
2. een persoon die ervoor zorgt dat gevangenen niet kunnen ontsnappen
guardián
noun
1.
  1. ángel custodio
  2. ángel de la guarda
noun
1. persoon die een goed ter bewaring toevertrouwt
depositante
noun
1. handeling waarbij men een goed van een ander ter bewaring aanneemt onder teruggaveverplichting
depósito
noun
1. persoon die een goed voor een ander ter bewaring aanneemt
depositario
/bə'warplats/
noun
1.
  1. almacén
  2. depósito
noun
guarda
verb
1. toezicht houden op de veiligheid van iets of iemand
  1. vigilar
  2. guardar
  3. custodiar
noun
  1. 2. een persoon die ervoor zorgt dat gevangenen niet ontsnappen, cipier, gevangenbewaarder
    1. alcaide
    2. carcelero
  2. 1. een persoon die toezicht houdt op de veiligheid van iets of iemand
    1. guarda
    2. guardián
/bə.ˈwa.kɪŋ/, /bə.ˈʋa.kɪŋ/, /bə.ˈβ̞a.kɪŋ/
noun
vigilancia
/bə.ˈwaː.pə.nə(n)/
verb
  1. 1. iemand van wapens voorzien
    armar
  2. 2. zich bewapenen
    armarse
/bə.ˈwa.pə.nɪŋ/, /bə.ˈʋa.pə.nɪŋ/, /bə.ˈβ̞a.pə.nɪŋ/
noun
armamento
verb
1. ervoor zorgen dat iets niet verloren raakt
  1. conservar
  2. guardar
  3. preservar
noun
  1. 3. behoud, instandhouding
    conservación
  2. 1. tijdelijke opslag
    depósito
  3. 2. opsluiting van verdachten
    recaudo
adjective
1. niet gefixeerd in een bepaalde stand of positie, flexibel
  1. movible
  2. móvil
adjective
1. met gemak bewegend
movedizo
noun
1. de motivatie om in actie te komen
motivo
/bə.ˈweː.ɣə(n)/, /bə.ˈʋe.χə(n)/, /bə.ˈβ̞e.ɣə(n)/
verb
  1. 1. van plaats veranderen
    1. mover
    2. moverse
  2. 3. zich bewegen
    moverse
/bə.ˈwe.ɣɪŋ(g)/, /bə.ˈʋe.χɪŋ/, /bə.ˈβ̞e.ɣɪŋ/
noun
  1. 1. in de staat verkeren waarin de locatie steeds verandert
  2. 2. van plaats/positie veranderen
  3. 3. een organisatie
movimiento
noun
cinemática
noun
campo de acción
noun
1. de toestemming of fysieke mogelijkheid hebben om te gaan en te staan waar je zelf wilt of om te doen wat je zelf wilt
  1. libertad de movimiento
  2. libertad de movimientos
verb
señalizar
noun
señalización
verb
1. iets met stelligheid verklaren waarvan het voor anderen niet duidelijk is of het waar is
  1. afirmar
  2. sostener
  3. aducir
  4. aseverar
  5. sostenerse
/bə.ˈweː.rɪŋ/, /bə.ˈʋɪː.rɪŋ/, /bə.ˈβ̞eː.rɪŋ/
noun
1. een stellige verklaring dat iets zo is, vaak zonder het geven van de redenen waarom
  1. afirmación
  2. aserción
  3. aserto
adjective
laborioso
/bə'wɛrkə(n)/
verb
  1. 2. een bestand of map wijzigen om voor een ander doel geschikt te maken
    editar
  2. 1. veranderen om iets voor een of ander doel geschikt te maken
    elaborar
/bə.ˈwɛr.kɪŋ/, /bə.ˈʋɛr.kɪŋ/, /bə.ˈβ̞ɛr.kɪŋ/
noun
1. een verandering om iets voor een bepaald doel geschikt te maken
  1. adaptación
  2. cultivo
  3. elaboración
  4. operación
  5. procesamiento
verb
realizar
verb
  1. 1. wierookdampen over iets of iemand aanbrengen
  2. 2. iemand lof toezwaaien
incensar
noun
1. datgene wat de juistheid van een bewering onweerlegbaar vast (kan) leggen
prueba
noun
1.
fuerza probatoria
noun
1. een stuk waarin iets als waar wordt gesteld
  1. comprobante
  2. prueba
noun
teoría de la demostración
verb
  1. 2. betuigen; een dienst bewijzen
    prestar un servicio
  2. 1. aantonen; staven
    probar
verb
paliado
noun
1. een groep personen die de macht uitoefent
gobierno
verb
1. met wolken bedekt worden
  1. nublar
  2. anublar
  3. encapotarse
/bə.ˈwɔl.kɪŋ/, /bə.ˈʋɔɫ.kɪŋ/, /bə.ˈβ̞ɔɫ.kɪŋ/
noun
1. het geheel aan wolken dat in de lucht aanwezig is
nubosidad
/bəˈʋɔɫkt/
adjective
1. met wolken bedekt
  1. nublado
  2. anublado
  3. cubierto
  4. cubierto de nubes
  5. encapotado
noun
1. een persoon die iemand bewondert
admirador
verb
1. bekijken met respect
admirar
adjective
1. positief, enthousiast
admirativo
adjective
1. wat het verdient bewonderd te worden
admirable
/bə.ˈwɔn.də.rɪŋ/, /bə.ˈʋɔn.də.rɪŋ/, /bə.ˈβ̞ɔn.də.rɪŋ/
noun
1. het bekijken met enig ontzag
admiración
verb
wonen in, wonen op
  1. habitar
  2. residir
noun
1. iemand die in of op iets woont
habitante
adjective
1. geschikt om te bewonen
habitable
/bə.ˈwoːr.dɪŋ/, /bə.ˈʋo̝ːr.dɪŋ/, /bə.ˈβ̞oːr.dɪŋ/
noun
1. een beschrijving in woorden
término
/[bəˈʋɵst]/
adjective
1. iets waarvan kennis is genomen
  1. consciente
  2. deliberadamente
/bəw'ɤstəlos/
adverb
1. in een toestand waarin men het bewustzijn voor de omgeving is verloren
  1. inconsciente
  2. desmayado
  3. desvanecido
  4. privado de sentido
noun
1. de staat van het bewusteloos zijn
inconsciencia
/bə'wɤ(st)sɛin/
noun
1. een toestand waarin men gewaarwordingen uit zijn omgeving ondergaat
  1. conciencia
  2. conocimiento
  3. consciencia
  4. sentido
adjective
1. bedaard, ingetogen
sosegado
verb
  1. lacrar
  2. sellar
noun
1. voorwerp om stof en vuil bij elkaar te vegen
escoba
noun
  1. brezo blanquillo
  2. brezo de escobas
noun
1. de lange stok waaraan de borstel van een bezem bevestigd is
mango de escoba
verb
1. zich pijn doen
herir
adjective
1. gedomineerd door de aanwezigheid van...
ocupado
adjective
1. onder de invloed van een boze geest zijn
poseso
noun
13. iemand die door de duivel beheerst wordt
endemoniado
verb
1. in gebruik nemen
ocupar
noun
1. iemand die bezet, meer in het bijzonder de bezetter van een overwonnen natie in oorlogstijd
ocupante
/bə.ˈzɛ.tɪŋ/
noun
1. toestand waarbij het grondgebied van een land wordt bestuurd door een ander land
ocupación
noun
1. een strijdmacht die door zijn aanwezigheid op vreemde grond er de macht uitoefent
  1. fuerza de ocupación
  2. guarnición
verb
1. naar een object kijken
  1. visitar
  2. examinar
/bə.ˈzɪx.ti.ɣɪŋ/, /bə.ˈzɪx.tə.ɣɪŋ/, /bə.ˈzɪχ.tə.χɪŋ/
noun
1. het bekijken
  1. inspección
  2. visita
verb
1. inspireren
inspirar
noun
1. het ingeven van een motivering ergens voor aan een ander
inspiración
verb
1. in ogenschouw nemen
considerar
adjective
1. interessant om naar te kijken
  1. digno de verse
  2. notable
  3. ostentoso
noun
1. een plaats die of een voorwerp dat door velen bezocht en bekeken wordt
curiosidad
/bezəx/
adjective
1. aan het werken
ocupado
verb
1. gebruik maken van iets
  1. usar
  2. utilizar
noun
1. iets waarmee men bezig is
  1. actividad
  2. ocupación
/ˈbe.zəx.ɦʌː.də(n)/, /ˈbe.zəχ.ɦʌʊ.də(n)/, /ˈbeː.zɪx.haʊ̯.də(n)/
verb
  1. zich bezighouden met iets
    1. dedicarse
    2. entretenerse
    3. ocuparse
  2. 1. de aandacht afleiden
    1. entretener
    2. ocupar
  3. 2. iets te doen geven
    1. entretenerse
    2. ocuparse
verb
posarse
noun
2. erytrocytbezinkingssnelheid
velocidad de sedimentación globular
noun
1. vast materiaal dat zich geleidelijk onder invloed van de zwaartekracht op de bodem van een vat vloeistof verzamelt
poso
noun
  1. conocimiento
  2. sentido
noun
  1. 2. het houden van een goed voor zichzelf
    posesión
  2. 1. al iemands bezittingen
    1. posesión
    2. propiedad
adjective
posesivo
/bə'zɪtə(n)/
verb
1. iets in eigendom hebben
poseer
noun
1. de persoon die het bezit van iets heeft
  1. poseedor
  2. posesor
verb
  1. 1. te schande maken
    deshonrar
  2. 2. vuil maken
    manchar
noun
  1. 1. het bezoeken
    visita
  2. 2. de personen die op visite zijn of komen
    visitas
/bəˈzukə(n)/
verb
1. bij iemand langsgaan of langskomen
visitar
noun
1. een persoon die iemand of iets bezoekt
  1. visitante
  2. visitador
noun
centro de visitantes
noun
castigo
verb
1. salaris geven aan
  1. asalariar
  2. pagar
  3. remunerar
noun
salario
adjective
1. bijzonder dronken
pedo
adjective
1. met zorgen beladen
  1. inquieto
  2. preocupado
noun
inquietud
verb
  1. 4. verschaffen
    1. agenciar
    2. deparar
    3. facilitar
    4. procurar
    5. proporcionar
  2. 2. bij iemand veroorzaken
    1. causar
    2. ocasionar
    3. producir
  3. 3. goederen op een bepaalde plaats brengen
    1. entregar
    2. llevar a domicilio
    3. repartir
  4. 1. iemand iets ~: bij iemand aan huis afleveren
    1. entregar
    2. procurar
noun
repartidor
/bə'zʌʏniɣə(n)/
verb
1. door zuinig met geld of iets anders om te gaan de uitgaven verminderen
  1. economizar
  2. ahorrar
noun
ahorro
noun
1. moeilijkheid, bedenking
objeción
noun
1. formeel schrijven waarin men zijn onvrede met gemaakte plannen kenbaar maakt
  1. queja
  2. reclamación
verb
1. belasten
hipotecar
adjective
1. met zweet op de huid
sudoroso
verb
  1. desfallecido
  2. sucumbido
verb
2. een dreiging onder controle weten te brengen
conjurar
noun
conjuro
verb
1. zwichten
  1. sucumbir
  2. hundirse
verb
1. het bewustzijn verliezen
desmayarse
adjective
1. heraldisch attribuut
pasmado
noun
1. het flauwvallen
desmayo
verb
  1. conjurado
  2. juramentado
verb
1. iemand installeren in een ambt door de ambtseed af te nemen
juramentar
verb
1. tot een afsluiting brengen
  1. terminar
  2. acabar
noun
  1. fin
  2. conclusión
  3. final
  4. término
pronoun
Belcebú
noun
1. angstaanjagend persoon
belcebú
pronoun
1.
Beerseba
/bəˈɪnvludə(n)/
verb
1. iemand of iets proberen te veranderen, invloed nemen op
  1. influir
  2. afectar
noun
influencia
adjective
butaneso
noun
butanesa
noun
ngultrum de Bután
/bu.ˈtan/, /bu.ˈtɑn/
pronoun
1. een land in Azië dat in de Himalaya ingeklemd ligt tussen China, Tibet en India. Het zuidelijke gedeelte van Bhutan ligt op het Indisch subcontinent
Bután
pronoun
Biafra
noun
1. een skisport waarbij de deelnemers op bepaalde punten in een langlaufcircuit met een geweer...
biatlón
noun
  1. tembleque
  2. tiritón
verb
1. hevig trillen van kou of angst
  1. temblar
  2. tiritar
/ˌbi.bəˈlo/
noun
1. klein decoratief voorwerp
  1. bibelot
  2. chuchería
noun
bibliófilo
noun
iemand die bibliografieën opstelt
bibliógrafo
/ˌbiblijoɣra'fi/
noun
bibliografía
noun
1.
bibliología
/ˌbiblijotekaˈrɛsə/
noun
1. beheerster van een bibliotheek
bibliotecaria
/ˌbiblijote'kaːrɪs/
noun
1. beheerder van een bibliotheek
bibliotecario
/bib(l)ijo'tek/
noun
1. een plaats waar boeken verzameld staan
  1. biblioteca
  2. librería
noun
1.
libro de biblioteca
noun
bicarbonato
noun
  1. 1. tweehoofdige spier
  2. 1.2 spier in de bovenarm
bíceps
verb
  1. 2. dringend iets vragen, smeken
    1. conjurar
    2. rogar
    3. suplicar
  2. 1. in gebed zijn, een godheid iets vragen
    1. rezar
    2. orar
noun
1. soort van aan de muur bevestigde kom of bak voor het met behulp van water reinigen van de geslachtsdelen, billen en anus na gebruik van het toilet, of om de voeten te wassen
  1. bidé
  2. bidet
noun
1. een snoer met kralen als hulpmiddel bij het bidden
rosario
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Mantodea
  1. mantis religiosa
  2. santateresa
/ˈbɪt.stul/, /ˈbɪt.stuɫ/
noun
reclinatorio
noun
1. de erkenning van zonden aan een geestelijke
confesión
verb
1. ten overstaan van een geestelijke bekennen welke religeuze wetten men overtreden heeft
  1. confesar
  2. confesarse
noun
1. een meubelstuk dat bedoeld is voor het aanhoren en afleggen van de biecht
confesionario
noun
1. een priester die biechten afneemt
confesor
noun
1. een periode in de geschiedenis van Noordwest-Europa en met name de Duitse Bond in de periode van het Congres van Wenen van 1815 tot 1848 die onder meer werd gekenmerkt door zelfvoldaanheid en eenvoud en elegantie in de bouwstijl
Bidermajro
noun
1. dunne lap vlees van de bovenbil van een rund
  1. bistec
  2. biftec
  3. solomillo
noun
  1. fistulina hepatica
  2. hígado de buey
  3. lengua de buey
noun
traviesa
noun
1. houten dwarsligger
traviesa
noun
1. alcoholische drank die bereid is uit gefermenteerde mout
  1. cerveza
  2. caña
/birbrɔuər/
noun
cervecero
/birbrɔuə'rɛi/
noun
1. een bedrijf dat zich toelegt op het brouwen van bier
cervecería
noun
1. vette buik
barriga
noun
levadura de cerveza
noun
1. een glas dat speciaal ontworpen is om bier uit te drinken
  1. garza
  2. jarra
/bis/
noun
  1. 1. een smal boordsel op een kledingstuk
    1. galón
    2. pasamano
  2. 2. een dun en hooggroeiend oevergewas
    junco
noun
1. en 2. (groene sprietjes van) looksoort Allium schoenoprasum
  1. cebollino
  2. ceboletta
noun
  1. remolacha
  2. betabel
  3. betarraga
  4. betarrata
  5. beterraga
  6. acelga
noun
  1. E162
  2. extracto de remolacha
noun
sirope dorado
verb
gorronear
noun
pidón
noun
azúcar de remolacha
noun
bifenilo
noun
bifobia
adjective
bifocal
/ˌbi.fʏr.ˈka.si/, /ˌbi.fʏr.ˈka.tsi/
noun
bifurcación
/bɪx/, /bɪχ/
noun
1. een jong van het varken
  1. cochinillo
  2. lechón
pronoun
Gran Hermano
noun
gran hermano
noun
bigamia
noun
  1. achicoria
  2. chocaina
  3. hierba del chancho
  4. hierba del halcón
  5. pasto del chancho
  6. peluda
pronoun
  1. bhojpurí
  2. lenguas bihari
/bɛɪ̯/
noun
1. benaming vliegende insecten uit het geslacht Antophila
abeja
noun
1. een andere heimelijke bedoeling naast die degene die men aangeeft
  1. motivo oculto
  2. segunda intención
noun
1. een exemplaar van de originele Bijbel
  1. biblia
  2. Biblia
verb
seguir
verb
1. een additioneel bedrag betalen
pagar un suplemento
verb
  1. 2. zorgen dat iemand iets leert
    enseñar
  2. 1. weer bij bewustzijn brengen
    reanimar
adverb
1. snel en gevat van reactie
  1. avispado
  2. listo
adjective
moderno
verb
añadir
/ˈbɛːdraʝə/, /ˈbɛːɪdraɣə/
noun
1. iemands aandeel
  1. contribución
  2. aportación
  3. aporte
verb
1. een aandeel leveren
  1. contribuir
  2. aportar
noun
función biyectiva
/bɛi'embrɛŋə(n)/
verb
1. bij elkaar brengen
  1. juntar
  2. recoger
  3. reunir
  4. acabildar
  5. acopiar
  6. allegar
verb
  1. apiñar
  2. apiñarse
verb
1. bij elkaar verzamelen
reunirse
noun
1. het bij elkaar komen van een groep van personen
  1. reunión
  2. encuentro
  3. entrevista
  4. conferencia
  5. mitin
verb
1. aanspreken om zich te groeperen
convocar
noun
1. benaming voor veelkleurige en insectenetende vogels die...
abejaruco
/ˈbɛɪ̯.jə(n).ˌɦaʊ̯.dər/, /ˈbɛɪ̯.jə(n).ˌɦʌʊ̯.dər/, /ˈbɛː.jə(n).ˌɦɔʊ̯.dər/
noun
1. iemand die bijen houdt voor het verkrijgen van honing
  1. apicultor
  2. colmenero
noun
1. moeder van alle bijen in een bijenkorf
abeja reina
noun
1. kunstmatige behuizing waarbinnen een bijenvolk zijn raten kan bouwen, oorspronkelijk in de vorm van een gevlochten korf
colmena
noun
  1. abejera
  2. flor de abeja
/ˈbɛː.jə(n)ˌteɫt/
noun
1. het houden van bijen
  1. apicultura
  2. cultivo de abejas
noun
1. een deel van een bijenvolk dat de korf verlaat om een nieuw volk te vormen
enjambre
adjective
1. in dezelfde verzending opgenomen
anexo
noun
1. een gebouw dat bij een hoofdgebouw hoort
dependencia
/ˈbɛɪ̯.ɣə.ˌlof/, /ˈbɛɪ̯.χə.ˌlof/, /ˈbɛː.ɣə.ˌlof/
noun
1. een geloof in iets extra's en onnatuurlijks
superstición
adjective
1. iemand die gelooft in bijgeloof
supersticioso
noun
klein, licht gerecht dat als begeleiding bij een andere maaltijdgang
  1. guarnición
  2. acompañamiento
verb
1. voltooid deelwoord van bijvoegen
adjunto
/ˌbɛɪχəˈvɔɫχ/, /ˌbɛːɣəˈvɔlx/
adverb
1. daardoor
  1. consecuentemente
  2. consiguientemente
  3. por consecuencia
  4. por consiguiente
/bɛɪˈkɑns/
adverb
casi
noun
1. een filiaal van een hoofdkantoor
sucursal
noun
1. een vertrek aangebouwd aan de eigenlijke keuken dat voor ondersteunende huishoudelijke handelingen gebruikt wordt
antecocina
verb
1. in model brengen door het overtollige af te knippen
igualar
verb
1. het bewustzijn herkrijgen
reponerse
adjective
1. een andere zaak dan de hoofdzaak aanduidend
  1. accesorio
  2. accidental
  3. secundario
adjective
1. een andere zaak dan de hoofdzaak aanduidend
  1. accesorio
  2. secundario
noun
  1. accesorio
  2. apéndice
/bɛɪ̯l/, /bɛːɫ/
noun
1. hakwerktuig met een smalle snee en een lange steel die vooral voor het kappen van bomen gebruikt
hacha
noun
1. geschrift ter aanvulling
anexo
verb
  1. 1. toevoegen
    añadir
  2. 2. meningsverschil of ruzie oplossen.
    conciliar
verb
1. licht laten schijnen op de handen van iemand die ergens mee bezig is
alumbrar
/'bɛɪ.na/
adverb
1. op zo'n manier dat het niet veel scheelt of iets is zo
casi
abbreviation
1.
experiencia cercana a la muerte
noun
1. breed bekende, niet-officiële naam van een persoon, een groep van personen of een zaak
  1. apodo
  2. mote
  3. sobrenombre
  4. chapa
noun
glándula suprarrenal
noun
  1. 2. een sieraad
    1. alhaja
    2. bisutería
    3. joya
  2. 1. een sieradenwinkel
    1. bisutería
    2. joyería
verb
  1. pagar el suplemento
  2. suplir
adjective
1. goed staan bij elkaar
  1. a juego
  2. correspondiente
noun
1. korte geschreven mededeling die de betekenis van een voorwerp of afbeelding verduidelijkt
epígrafe
noun
1. een bijkomend voordeel
suplemento
noun
prospecto
noun
  1. 1. een extra smaak die er eigenlijk niet bij hoort
  2. 2. een minder aangename meewerkende factor
resabio
verb
  1. 1. emotioneel ondersteunen
    1. amparar
    2. apoyar
  2. 2. een helpende hand bieden
    1. asistir
    2. ayudar
    3. auxiliar
    4. secundar
    5. socorrer
    6. sufragar
noun
  1. 2. van staatswege geboden basisuitkering
    asistencia
  2. 1. hulp
    ayuda
verb
1. een naar verhouding kleine verandering aanbrengen in de instelling van iets
ajustar
noun
2. verklarende bijvoeging
aposición
verb
1. een koerscorrectie uitvoeren
corregir
/bɛi̯t/
noun
1. gat dat geslagen werd door een mens in het ijs van een bevroren wateroppervlak
agujero en el hielo
verb
2. in een tekening bijwerken
retocar
/ˈbɛi̯tə(n)/
verb
1. iets afsnijden of afscheuren door tanden tegen elkaar te duwen
morder
adverb
1. ruim binnen de beschikbare tijd
a tiempo
noun
armónico
noun
  1. adhesión
  2. respaldo
noun
aplauso
noun
1. extra verdiensten naast het loon, of naast zijn eigen beroep
obvención
verb
1. als extra ergens aan toevoegen
añadir
noun
1. een werkwoordswijs waarmee men een wens of onzekerheid tot uitdrukking kan brengen.
subjuntivo
/bɛɪ̯ˌvuχlək ˈnamʋo̞rt/, /bɛːˌvuxlək ˈnamβ̞oːrt/, /ˌbɛɪ̯vuɣ(ə)lɪk ˈnaːmwoːrd/
noun
1. een woordsoort die wordt gebruikt om een eigenschap of hoedanigheid van...
adjetivo
noun
1. een extra toevoeging
suplemento
noun
1. Artemisia vulgaris, een plant uit de composietenfamilie Asteraceae
altamisa
abbreviation
1. als voorbeeld, om tot voorbeeld te dienen
  1. por ejemplo
  2. verbigracia
noun
accesorio
/'bɛɪʋɛrkə(n)/
verb
1.
actualizar
/bɛiʋɛrkɪŋ/
noun
efecto secundario
adverb
1. soms, geregeld, van tijd tot tijd
  1. de cuando en cuando
  2. de vez en cuando
  3. ocasionalmente
/ˈbɛɪ̯.wo.nə(n)/, /ˈbɛɪ̯.ʋo.nə(n)/, /ˈbɛː.β̞o.nə(n)/
verb
1. opzettelijk aanwezig zijn bij iets
  1. asistir
  2. presenciar
noun
1. een woord dat een bijvoeglijk naamwoord, een werkwoord, een telwoord of een ander bijwoord nader bepaalt
adverbio
noun
detalle
adjective
1. alleen van dichtbij scherp kunnen zien
  1. miope
  2. corto de vista
noun
1. een afwijking in de brandpuntsafstand van het oog waardoor alles op grotere afstand wazig gezien wordt
  1. miopía
  2. vista corta
/bɛizɪn/
noun
1. een deel van een uiting dat een ondergeschikte rol speelt ten opzichte van de hoofdzin
oración subordinada
noun
1.vrouw met wie een man in ongehuwde staat...
concubina
/biˈzɔndər/, /bɛ<sup>ɪ</sup>ˈzɔndər/
adjective
1. een hoogst eigenaardige kwaliteit of eigenschap hebbend
particular
noun
  1. detalle
  2. particularidad
noun
1. tweedelige zwemkleding voor de vrouw
  1. biquini
  2. bikini
verb
  1. 1. met moeite ervan af schrapen of hakken
    1. escodar
    2. picar
  2. 2. het nuttigen van voedsel
    1. manducar
    2. embuchar
    3. engullir
noun
1. elk van beide lichaamsdelen gevormd door de grote spieren die het bekken ...
nalga
adjective
bilabial
noun
consonante bilabial
adjective
1. aan twee kanten, in twee richtingen (buitenkanten)
bilateral
noun
bilharzia
noun
1. spel
  1. billar
  2. billares
noun
1. gladde, massieve en vrijwel perfect bolvormige bal gebruikt in het biljartspel
bola de billar
verb
1. het spel biljart spelen
jugar al billar
noun
  1. mesa de billar
  2. billar
noun
  1. 1. een stuk van staatswege uitgegeven papier waaraan geldswaarde is toegekend
    billete
  2. boleto
noun
vellón
/ˈbɪləkə(n)/
verb
aprobar
noun
1. redelijkheid
  1. imparcialidad
  2. justicia
noun
bilocación
noun
1. de scheiding of spleet tussen beide billen
pliegue anal
noun
1. bepaald soort inheemse gifplant, Hyoscyamus niger
  1. beleño
  2. hierba loca
noun
  1. aleación bimetálica
  2. bimetal
noun
bimetalismo
adjective
binario
verb
1. vastmaken (evt. figuurlijk)
atar
noun
1. boekbinder
encuadernador
noun
  1. fijación
  2. 2. skibinding
    fijación de esquí
noun
  1. aglutinante
  2. excipiente
noun
1. en 2. (bladeren van) sla met een stevige rechte krop
lechuga romana
noun
  1. cabo delgado
  2. merlín
noun
1. een slijmvlies dat de sclera en de binnenste zijde van de oogleden bedekt
conjuntiva
noun
1.een ontsteking van het bindvlies dat de buitenkant van het oogwit en de binnenkant van de oogleden bekleedt
conjuntivitis
/ˈbɪntˌʋeːf.səl/
noun
1. weefselsoort dat dient ter ondersteuning en verbinding
tejido conjuntivo
noun
mercurial
noun
1. kansspel
bingo
preposition
  1. dentro
  2. adentro
noun
1.binnenantenne
antena interior
/ˈbɪnənˌbɑnt/
noun
1. binnenste band, de band waarin de lucht aanwezig is
  1. cámara de aire
  2. cámara interior
  3. tubo interior
noun
1. binnendraad
  1. rosca hembra
  2. rosca interna
verb
1. ergens in gaan
entrar
adverb
dentro
noun
  1. lado interior
  2. parte interior
verb
1. een ruimte betreden
entrar
adverb
1. binnen afzienbare tijd
dentro de poco
noun
1. een deel van een land dat ver van kust of grens gelegen is
interior
verb
  1. dejar entrar
  2. introducir
noun
binnenoor
oído interno
noun
1. een open ruimte omringd door gebouwen, vaak tussen voor- en achterhuis
patio
verb
entrar
noun
1. (langwerpig) schip dat hoofdzakelijk dient voor goederenvervoer op de binnenwateren.
barcaza
noun
1. binnenschroefdraad
  1. rosca hembra
  2. rosca interna
adverb
entre dientes
noun
  1. espejo retrovisor
  2. retrovisor interior
/ˈbɪnə(n)ˌstɑt/
noun
1. een, meestal oud, stadscentrum
centro de la ciudad
noun
1. inwendige
interior
verb
ingresar
noun
navegación interior
verb
introducir
noun
1. een minder belangrijke en meestal kortere weg
atajo
noun
bolsillo interior
adjective
1. met betrekking tot het binomium (van [[w:Isaac Newton|Newton]])
binomial
noun
energía biótica
noun
1. een wetenschapper die de biochemie beoefent
  1. bioquímico
  2. bioquímica
/'bioˌxemi/
noun
1. de wetenschap die de chemische processen van het leven op moleculair niveau bestudeert
bioquímica
adjective
1. met betrekking tot de chemische omzetting van stoffen in levende wezens
bioquímico
/bio:sidə/
noun
biocida
noun
1. natuurlijke afbreekbaarheid
biodegradación
/ˈbiodivɛrsiˌtɛɪt/
noun
1. soortenrijkdom, het aantal verschillende diersoorten
biodiversidad
noun
1.
Convenio sobre Diversidad Biológica
noun
biofísica
noun
biogeografía
noun
biogeología
noun
1. levensbeschrijver
biógrafo
noun
biografía
adjective
biográfico
/ˌbiʲoloˈɣi/, /ˌbiʲoloˈχi/
noun
1. wetenschap van de levende wezens, levensvormen en levensverschijnselen
biología
noun
libro de biología
/ˌbijo'loːɣis/
adjective
  1. 1. te maken hebbend met de biologie
    1. biológico
    2. biológica
  2. 2. van gelijke afstamming
    1. biológico
    2. consanguíneo
    3. biológica
/ˌbioˈlox/, /ˌbioˈloχ/
noun
1. een wetenschapper die de biologie beoefent
biólogo
noun
bioluminiscencia
noun
biomasa
noun
biomecánica
noun
  1. 1. wiskundige-statistische kant van de biologie
  2. 2. verzameling technieken gericht op het meten en vaststellen van alle meetbare eigenschappen van levende wezens
biometría
adjective
1. met betrekking tot het vaststellen van meetbare eigenschappen van levende wezens
biométrico
noun
biónica
noun
bioma
noun
1. een stukje weefsel uit een orgaan verwijderen voor onderzoek
biopsia
noun
  1. bioremediación
  2. remediación biológica
noun
  1. MORAterapia
  2. biorresonancia
noun
1. gebouw waarin mensen in stoelen naar een film geprojecteerd op een groot scherm kunnen kijken
cine
noun
biosfera
/ˈbiosɪnˌtezə/
noun
1.
biosíntesis
noun
biotecnología
adjective
biotecnológico
noun
1. een gebied met een uniform landschapstype waarin bepaalde organismen kunnen gedijen
biotopo
noun
1. omvorming van stoffen binnen het levende weefsel
biotransformación
noun
transistor de unión bipolar
noun
bipolaridad
adjective
birmano
pronoun
1. een taal die in Myanmar gesproken wordt, een minderheidstaal in Bangladesh, Maleisië en Thailand is...
  1. birmano
  2. idioma birmano
noun
birmana
noun
1. middelgroot waterbewonend zoogdier
rata almizclera
/ˈbɪzdɔm/
noun
1. kerkrechtelijk afgebakend gebied dat onder de bevoegdheid van een bisschop staat
obispado
pronoun
1. streek en provincie van Spanje rond de stad Bilbao
Vizcaya
noun
1. persoon afkomstig uit Biskaje
viscaino
pronoun
Bismarck
interjection
basmala
noun
bismuto
noun
1.een lipofiele selectieve bètablokker
bisoprolol
noun
bisque
/bɪsxɔp/
noun
1. een christelijke geestelijke die aan het hoofd staat van een bisdom
obispo
adjective
1. op het ambt van bisschop betrekking hebbend
  1. episcopal
  2. obispal
noun
bisectriz
noun
  1. bitcoin
  2. bitcóin
adverb
1. een vaak als onaangenaam ervaren smaak, niet behorend tot zout, zuur of zoet
amargo
noun
bíter
noun
albóndiga
noun
1. de mate waarin iets een bittere smaak heeft
amargura
noun
  1. berro
  2. creson
  3. lepidio
  4. lepido
  5. mastuerzo
noun
1. een viskeuze vloeistof die van nature voorkomt als de minst vluchtige fractie van ruwe aardolie
betún
adjective
bituminoso
/ˈbivɑk/
noun
1. kampement voor een leger of expeditie
vivac
/bivɑ'kerən/
verb
in de open lucht een kamp hebben
vivaquear
noun
1. muts die tot onder de kin doorloopt met openingen om door te kijken en te ademen
pasamontañas
adjective
bizarro
noun
1. Noord-Amerikaans zoogdier, Bison bison
bisonte
noun
1. (kunst) evenement dat eens in de twee jaar gehouden wordt
bienal
/ˈblacə/
noun
  1. hojita
  2. laminilla
noun
  1. culpa
  2. mancha
/blaːr/
noun
1. onderhuidse vochtophoping
ampolla
noun
1. hol orgaan dat gevuld is met een hoeveelheid gas en/of vloeistof
vejiga
noun
1. een luchtzak die samengedrukt kan worden om een sterke luchtstroom te veroorzaken
fuelle
noun
1. een muziekinstrument waarvan de klank wordt voortgebracht door een luchtstroom
instrumento de viento
noun
  1. ampolla
  2. burbuja
noun
  1. aducea
  2. alcoletas
  3. cohetes
  4. colellas
  5. colleja
  6. colleja blanca
noun
1. een meetapparaat dat het alcoholpromillage in iemands bloed via de adem bepaalt
alcoholímetro
noun
caja negra
noun
1. plat, groen onderdeel van planten
  1. hoja
  2. folio
noun
soplador de hojas
noun
1. een deegsoort die in rechthoekige plakken wordt gebruikt
hojaldre
verb
hojear
adjective
frondoso
noun
1. een dun folie van goud dat wordt gebruikt voor decoratieve doeleinden
  1. pan de oro
  2. oro batido
  3. oro en hojas
/blɑt'xrun/
noun
clorofila
noun
1. een schadelijk klein insect dat zich voedt met het sap van jonge plantenscheuten...
  1. pulgón
  2. áfido
noun
1. muziek die in notenschrift op papier is gezet
música
noun
1. verdikte, van de steel uitgaande...
  1. nervadura
  2. nervio
  3. vena
noun
soplador de hojas
noun
  1. pecíolo
  2. peciolo
adjective
caducifolio
noun
acícula
noun
1. hulpmiddel om bij te houden waar iemand is tijdens het lezen van een boek
  1. marcapáginas
  2. favorito
/ˈblɑtsɛidɚ/
noun
1. elk van de beide zijden van een blad papier in boek, krant of tijdschrift
página
noun
1. het geluid van een hond
ladrido
verb
1. geluid maken dat kenmerkend is voor een hond
ladrar
noun
  1. palmatoria
  2. candelero
noun
1. een afgang veroorzaakt door eigen falen
  1. deshonra
  2. vergüenza
verb
  1. 1. onteren
    1. comprometer
    2. desacreditar
    3. deshonrar
  2. 2. in kwaden naam brengen
    1. comprometerse
    2. deshonrarse
verb
1. het gedurende zeer korte tijd in kokend water gaar laten worden van voedingsmiddelen, zodat geur, smaak en uiterlijk optimaal behouden blijven
  1. blanquear
  2. escaldar
  3. blanchir
/blɑŋk/
adjective
    1. 1. met lichte huidskleur
    2. 2. onbeschreven
    blanco
  1. 4. overspoeld
    inundado
noun
1. tint grijs met RAL-nummer 9006
aluminio blanco
noun
1. bepaald soort zoetwatervis, Rutilus rutilus
rutilo
verb
1. godslasteringen uiten
blasfemar
noun
1. een uiting die als belastering van de godheid gezien wordt
blasfemia
noun
  1. blastocitoma
  2. blastoma
/ˈblatə(n)/
verb
het geluid van een schaap maken
balar
/blʌʊ/
adjective
1. de kleur blauw hebbend
  1. azul
  2. celeste
/blʌʊ/
noun
1. primaire kleur die zich in het spectrum bevindt tussen cyaan en violet
  1. azul
  2. celeste
noun
queso azul
pronoun
Barba Azul
noun
1. bepaald soort lijsterachtige, Luscinia svecica
pechiazul
/blɑudrʏk/
noun
1. een directe fotografische kopie in witte lijnen op een achtergrond van Pruisisch blauw
cianotipo
noun
1. Vaccinium corymbosum, een plant uit de heifamilie Ericaceae
arándano azul
noun
1. bepaald soort vaste plant, Vaccinium myrtillus
  1. arándano
  2. arándano azul
noun
1. witte kraaiachtige met lavendelblauw verenkleed op de rug en kop Cyanocitta cristata
  1. chara azul
  2. arrendajo azul
noun
1. bepaald soort plant, Aconitum napellus
  1. acónito
  2. amapelo
  3. anapelo
  4. matalobos
  5. vedegambre
  6. vedegambre azul
noun
1. bepaald soort grote vogel, Ardea cinerea
  1. bernat pescaire
  2. garza real
noun
1. bepaald soort vaste plant, Eryngium maritimum
  1. cardo de mar
  2. cardo marino
/ˈblɑuɣrɛis/
adjective
gris azulado
/ˈblɑuɣrun/
adjective
verde azulado
/ˈblʌʊəχ/, /ˈblʌːβ̞əx/
adjective
2. op blauw lijkend
azulado
adjective
lila azulado
noun
1. bevruchte kiemen uit de maanbol van de slaapbol
  1. semilla de adormidera
  2. semilla de amapola
noun
lengua azul
noun
  1. ácido prúsico
  2. cianuro de hidrógeno
/'bla.zə(n)/, /'ble.zə(n)/
verb
1. een luchtstroom veroorzaken
soplar
/bla'zun/
noun
1. een bord waarop een (adellijk) wapen is geschilderd en dat gedecoreerd is met sieraden
blasón
adjective
1. gering van kleur
pálido
noun
1. een grasveld waarop wasgoed in het zonlicht te bleken werd gelegd
lavadero
adjective
pardo pálido
/ˈblekɣrun/
adjective
verde pálido
adjective
rosa
noun
  1. apio
  2. apio blanqueado
  3. apio borde
  4. apio de agua
  5. céleri
noun
lejía
noun
1. ontsteking van een ooglid
blefaritis
verb
1. witter of lichter doen worden
  1. blanquear
  2. blanquecer
noun
lavandero
noun
blenda
noun
  1. licuadora
  2. batidora
noun
1. een verwonding die men door sportbeoefening heeft gekregen
lesión
noun
brema blanca
/blɛi̯/
adjective
  1. alegre
  2. contento
  3. divertido
noun
balista
noun
1. een aangename stemming
alegría
/ˈblɛɪ̯ɦɛɪ̯t/, /ˈblɛːɦɛːt/
noun
1. een positieve stemming
alegría
noun
  1. muestra
  2. signo
verb
resultar
/blɛ.və(n)/
verb
  1. 2. voortduren, doorgaan
    1. continuar siendo
    2. durar
    3. prolongarse
    4. quedar siendo
    5. seguir siendo
    6. subsistir
  2. 1. niet veranderen
    mantenerse
  3. 3. ergens vertoeven
    1. permanecer
    2. quedar
    3. estarse
noun
  1. 1.1 vertind dun plaatstaal
    hojalata
  2. 2.1 cilindervormig luchtdicht afgesloten vaatje van dun metaal
    lata
adjective
de lata
verb
1. in een bepaalde richting kijken
mirar
noun
abrelatas
/blɪksəm/
noun
1. de lichtgevende stralen die uit de hemel barsten bij onweer
  1. relámpago
  2. rayo
noun
1. een metalen stang of constructie die de bliksem aantrekt en naar de grond afvoert.
pararrayos
verb
1.
relampaguear
noun
1. iemand die voorwerpen uit blik vervaardigt
hojalatero
adjective
1. niet in staat te zien
ciego
noun
1. vensterluik
  1. celosía
  2. contraventana
  3. persiana
  4. postigo
noun
1. iemand die niet kan zien
ciego
noun
intestino ciego
noun
apendicitis
adverb
ciegamente
noun
1.
perro guía
/'blɪndɦɛɪt/
noun
1. een toestand waarin men niet in staat is te zien
  1. ceguera
  2. ceguedad
  3. invidencia
noun
1. een klinknagel voor plaatwerk dat slechts eenzijdig bereikbaar is
remache pop
verb
1. in opvallende mate licht weerkaatsen of uitzenden
  1. brillar
  2. lucir
  3. relucir
  4. resplandecer
noun
blíster
noun
1. verpakking van plastic
blíster
noun
guerra relámpago
noun
cellisca
noun
1. rood lichaamsvocht in aderen
sangre
noun
  1. análisis de sangre
  2. prueba de sangre
  3. prueba sanguínea
noun
anemia
/ˈblutbɑt/
noun
1. een gebeurtenis waarbij op grote schaal bloed vergoten wordt
  1. masacre
  2. baño de sangre
noun
banco de sangre
noun
sedimentación sanguínea
noun
  1. célula de la sangre
  2. célula sanguínea
noun
2. afgestaan bloed
donación de sangre
noun
  1. donador de sangre
  2. donante de sangre
noun
sed de sangre
adjective
  1. sangriento
  2. sanguinario
  3. sediento de sangre
noun
  1. presión sanguínea
  2. tensión arterial
noun
  1. esfigmomanómetro
  2. tensiómetro
verb
1. het vloeien van bloed
sangrar
adjective
sangriento
noun
1. een ziekte waarbij het bloed moeilijk stolt
hemofilia
noun
  1. garrachuelo
  2. sangradera ancha
noun
  1. azúcar sanguíneo
  2. glucosa en sangre
noun
glucemia
noun
grupo sanguíneo
adjective
1. bijzonder warm, met name van weersgesteldheid.
ardiente
noun
  1. 2. wreed, bloeddorstig mens
    1. bárbaro
    2. verdugo
  2. 1. Brits hondenras met grote kop, lange hangende oren en een lange staart
    1. perro de San Huberto
    2. perro de presa
    3. perro mastín
noun
hemorragia
noun
  1. análisis de sangre
  2. prueba de sangre
noun
aguilas
noun
  1. plaqueta
  2. trombocito
pronoun
1. bijnaam voor de Raad van Beroerten
Tribunal de los Tumultos
adjective
1. rood als de kleur van bloed
sanguíneo
noun
incesto
noun
suero sanguíneo
noun
naranja sanguina
noun
  1. circulación sanguínea
  2. circulación de la sangre
adjective
hemostático
noun
  1. azúcar sanguíneo
  2. glucosa en sangre
noun
  1. nivel de azúcar en la sangre
  2. glucemia
noun
glucemia
noun
  1. transfusión de sangre
  2. transfusión sanguínea
noun
1. bloeduitstorting in de huid
  1. hematoma
  2. efusión de sangre
  3. hemorragia
noun
1. een bloedader
vaso sanguíneo
noun
1. het vallen van doden en gewonden tijdens een conflict
derramamiento de sangre
noun
vergiftiging door ziekteverwekkende bacteriën in het bloed
  1. envenenamiento de la sangre
  2. envenenamiento sanguíneo
noun
pérdida de sangre
noun
  1. consanguíneo
  2. deudo
  3. familiar
  4. pariente
noun
1. het genetisch aan elkaar verwant zijn
consanguinidad
noun
mancha de sangre
noun
  1. fobia a la sangre
  2. hemafobia
  3. hematofobia
  4. hemofobia
/'blutʋɔrst/
noun
1. vleeswaar vervaardigd van het bloed en het vet van een varken
morcilla
noun
vendetta
noun
1. een worm die bloed zuigt uit mens en dier
sanguijuela
adjective
  1. depurativo
  2. depuratorio
noun
hoja de vinagre
/bluj/, /bluɪ̯/
noun
  1. 1. toestand waarin een plant bloemen draagt
    1. flor
    2. florescencia
  2. 2. toestand waarin iemand of iets op zijn best is
    prosperidad
verb
  1. 2. het bijzonder goed maken
    1. florear
    2. prosperar
  2. 1. het dragen van open, actieve bloeiwijzen
    florecer
noun
  1. 1. een deel van plant met zaden
    flor
  2. 2. fijngemalen poeder, meestal van granen
    harina
noun
  1. arriate
  2. macizo de flores
noun
receptáculo
noun
1. bolvormig stengeldeel van een plant, onder de grond
  1. bulbo
  2. bulbo de flor
  3. cebolla
/bluməkɔrso/
noun
1. optocht van met bloemen versierde voertuigen
  1. desfile de flores
  2. desfile floral
/ˈblumənkwekər/
noun
1. iemand die bloemen kweekt
floricultor
noun
guirnalde de flores
noun
  1. florería
  2. tienda de flores
noun
  1. florería
  2. tienda de flores
noun
  1. 2. bloemenkweker
    floricultor
  2. 1. bloemenverkoper
    florista
noun
floristería
noun
1. een kool met vlezige bleekgele bloemstengels die als groente gegeten wordt
coliflor
noun
hoja de coliflor
noun
corola
noun
antología
noun
1. een begrensd stukje grond dat men bloemen beplant is
arriate
noun
  1. florcita
  2. florecita
noun
1. pot waarin men een plant kweekt
  1. maceta
  2. tiesto
noun
corte de tazón
noun
1. aantal sierlijk geschikte bloemen
diseño floral
noun
  1. azúcar glas
  2. azúcar en polvo
  3. azúcar flor
  4. azúcar glasé
noun
alfombra de flores
noun
1. kledingstuk
blusa
verb
1. bollend overhangen (van kledingstukken)
abolsar
noun
blog
noun
1. een eenvoudig houten blaasinstrument
  1. flauta dulce
  2. flauta de pico
  3. caramillo
  4. flauta de recta
noun
blocao
noun
1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord blok
  1. cubito
  2. cubo
  3. pastilla
noun
bloqueo
/ˈblɔkə(n)/
verb
1. heel hard studeren
empollar
verb
1.de toe- of doorgang versperren
bloquear
noun
1. een werktuig om hout glad, vlak of dunner te maken
  1. cepillo
  2. guillame
/blɔnd/, /blɔnt/
adjective
1.
rubio
/blɔnˈdiːnə/
noun
1. blond meisje, blonde vrouw
rubia
noun
1. cocktail van wodka en tomatensap
bloody Mary
adverb
desnudo
verb
  1. 2. zich blootstellen (aan)
    1. arriesgarse
    2. exponerse
  2. 1.in aanraking doen komen met
    exponer
noun
1. het ongewapend, onbeschermd in contact komen met een gevaar
exposición
adjective
1. met of op blote voeten
descalzo
noun
een rode kleur op de konen
rubor
noun
1. kledingstuk
blusa
verb
rood worden in het gezicht, bijvoorbeeld van verlegenheid of schaamte
  1. sonrojarse
  2. ruborizarse
  3. encenderse
  4. sonrojearse
/blʏf/
noun
1. poging tot intimidatie
  1. bluff
  2. farol
  3. bluf
verb
  1. embaucar
  2. fanfarronear
  3. jactarse
noun
1. een onverwacht domme, vaak erg publieke, daad die meestal iemands geloofwaardigheid aantast
  1. error craso
  2. pifia
noun
1.
barco bomba
verb
1. het doven van een brand
  1. apagar
  2. extinguir
noun
extintor
/blɵt/
adjective
1. geen geld meer hebbend
  1. sin un duro
  2. sin una perra
verb
  1. contundir
  2. contusionar
verb
  1. 2. blaten
    balar
  2. 1. heel hard huilen
    berrear
noun
1. zeer grote wurgslang
boa
noun
tablero
noun
deporte de tabla
noun
  1. borbotón
  2. corcova
  3. giba
noun
  1. bobina de encendido
  2. inductor
noun
  1. bobsled
  2. bobsleigh
verb
1. een sport waarbij een bochtig ijsparcours wordt afgelegd in een bestuurbare slee
bobsleigh
noun
1. een onnatuurlijk vergroeiing van de wervelkolom die tot een vervormde rug leidt
  1. corcova
  2. giba
  3. joroba
noun
  1. 1. gebogen weg of pad
    curva
  2. 2. een brede baai aan de kustlijn
    golfo
pronoun
1.
Bochum
noun
  1. oferta
  2. ofrecimiento
  3. proposición
noun
1. iemand die gezonden wordt om een bericht, dienst, voorwerp enz. af te leveren
  1. mensajero
  2. emisario
noun
diagrama de Bode
noun
  1. 1. een onderkant
    fondo
  2. 2. de grond
    suelo
noun
análisis del suelo
noun
efecto suelo
noun
1. erosie van de bodem
erosión del suelo
/ˈbodəmˌkʏndə/
noun
  1. pedología
  2. edafología
  3. paidología
adjective
sin fondo
noun
1. .
  1. contaminación del suelo
  2. polución del suelo
  3. soil contamination
noun
acidificación del suelo
noun
altura de marcha
interjection
ea
pronoun
1. de hoofdstad van Hongarije
Budapest
pronoun
Buda
noun
budismo
noun
1. volger van de leer van Boeddha
budista
noun
inventario
noun
1. iemand die zich onbehoorlijk of misdadig gedraagt
  1. golfo
  2. granuja
  3. bellaco
  4. bergante
  5. bribón
  6. maleante
noun
1. de voorkant van een schip
proa
noun
1. een beeld dat ter versiering aangebracht werd op de voorsteven van een schip
mascarón de proa
noun
1. uitstekend rondhout aan de voorsteven van een zeilschip
bauprés
noun
  1. 1. een drijvend en verankerd voorwerp om de vaargeul in ondiepe wateren aan te geven
    boya
  2. 2. een kluister voor hand of voet, een werktuig om iemand gevangen te houden
    1. grilletes
    2. manillas
/bujə(n)/
verb
  1. 1. kluisteren
    1. aherrojar
    2. esposar
  2. 2. fascineren
    fascinar
noun
1. een ingebonden bundel bedrukte of beschreven vellen papier
libro
noun
bucanero
pronoun
1. de hoofdstad van Roemenië
Bucarest
noun
encuadernador
verb
  1. estampar
  2. imprimir
noun
impresor
noun
1. de in de 15de eeuw ontwikkelde kunst om teksten door middel van een drukpers te vermenigvuldigen
impresión
/ˈbukən/
verb
1. reserveren van bijvoorbeeld een hotelkamer
reservar
/ˈbu.kə.ˌkɑs/, /ˈbu.kə.ˌkɑst/
noun
1. een kast voor de opslag en het laten zien van boeken
  1. estantería
  2. librería
  3. armario para libros
noun
1. hulpmiddel om bij te houden waar iemand is tijdens het lezen van een boek
marcapáginas
noun
cartera
noun
  1. biblioteca
  2. librería
noun
1. een bos snijbloemen, vaak sierlijk gerangschikt
  1. ramo
  2. bouquet
  3. ramillete
noun
1. boekwinkel
librería
verb
1. het systematisch vastleggen van financiële feiten
  1. llevar los libros
  2. teneduría de libros
noun
1. iemand die de inkomsten en uitgaven van een organisatie bijhoudt
contable
noun
bijhouden van gegevens
contabilidad
noun
1. verkleinwoord enkelvoud van boek
librito
/ˈbu.klɔŋ(g)/, /ˈbu.klɔŋ/
noun
1. een long die gestapeld en gevouwen is in weefsel, zo dat de gevouwen...
  1. filotráqueas
  2. pulmones en libro
  3. pulmones laminares
noun
  1. omaso
  2. libro
noun
quema de libros
noun
1. bepaald soort vogel, Fringilla coelebs
pinzón
noun
1. en 2. (gepelde zaden van) plant Fagopyrum esculentum
  1. alforfón
  2. trigo sarraceno
noun
fijn gemalen zaden van boekweit
  1. harina de alforfon
  2. harina de sarraceno
noun
1. geplette granen van Fagopyrum esculentum
copos de sarraceno
noun
obra
/ˈbuk.wɪŋ.kəl/, /ˈbuk.ʋɪŋ.kɔɫ/, /ˈbuk.β̞ɪŋ.kəɫ/
noun
1. een winkel waar boeken verkocht worden
librería
/bul/
noun
  1. montón
  2. pila
noun
bolina
/bumɑn/
noun
1. een denkbeeldig wezen dat als schrikbeeld dient
  1. Coco
  2. Cuco
noun
  1. calavera
  2. disoluto
  3. libertino
verb
1. zijn tijd doorbrengen met uitgaan
ir de juerga
noun
tren de trocha
noun
1. een gebogen werpstok die de neiging heeft terug te keren naar de werper
  1. bumerán
  2. bumerang
/'bunən/
verb
  1. 2.Inwrijven met was tot het glanst.
    encerar
  2. 1. schrobben tot het glanst
    1. fregar
    2. frotar
    3. estregar
/buːr/
noun
  1. 1. landbouwer
    1. campesino
    2. agricultor
    3. labrador
    4. paisano
    5. agrícola
  2. 4. speelkaart
    sota
noun
  1. 1. een woning met bedrijfsruimte van een boer
  2. 2. een onderneming van een boer
granja
/burə'kol/
noun
1. en 2. (gekrulde bladeren van) bladgewas (kool)
col rizada
noun
  1. peonía
  2. perruna
  3. rosa de monte
  4. saltaojos
/ˈbuː.rə(n).fər.ˌstɑnt/
noun
1. gezond verstand
sentido común
noun
1. bepaald soort samengesteldbloemige plant Tanacetum vulgare
  1. hierba lombriguera
  2. tanaceto
  3. lombriguera
/ˈburə(n)ˈzwalyw/
noun
1. een kleine trek- en zangvogel
  1. golondrina
  2. golondrina común
pronoun
1. een van de 26 regio's van Frankrijk
Borgoña
noun
2. vrouwelijke landbouwer of veeteler
  1. agricultora
  2. agrícola
  3. campesina
  4. labradora
  5. paisana
noun
1. het gehele lichaam, inclusief gezicht en ogen, verhullend gewaad gedragen door (streng) islamitische vrouwen
  1. burka
  2. burqa
noun
burqini
noun
  1. 1. een bedrag dat je moet betalen als je een overtreding hebt begaan
    multa
  2. 2. straf voor (vermeend?) bedreven kwaad
    penitencia
noun
penitencia
noun
penitente
verb
  1. 1. straf ondergaan
    expiar
  2. 2. het repareren van een visnet
    remendar
noun
boutique
noun
1. klei waarmee je een voorbeeld voor een beeldhouwwerk kunt maken, klei die op school gebruikt wordt bij handenarbeid
  1. plastilina
  2. Play-Doh
  3. arcilla de modelar
verb
modelar
noun
banda de ladrones
noun
1.
  1. seno
  2. pecho
verb
fibrilación
noun
  1. alma gemela
  2. compañero del alma
/bɔf/
noun
  1. 1. geluk, mazzel
    1. dicha
    2. felicidad
  2. 2. ziekte
    1. paperas
    2. parotiditis
verb
1. geluk hebben
tener suerte
noun
1. iemand die onwaarschijnlijk veel geluk heeft, een boffer
suertudo
pronoun
1. historische landstreek in de Tsjechische Republiek
Bohemia
noun
1. scheikundig element met symbool Bh en atoomnummer 107
bohrio
noun
boyardo
noun
1. mannelijke geit
cabrón
noun
1. gerookte en gezouten haring
arenque ahumado
noun
  1. barba cabruna
  2. barba de cabra
  3. barba de cabrón
  4. salfisi
  5. salsifí
  6. salsifí blanco
noun
  1. cambrón
  2. goji
noun
1. een tactische vechtsport
  1. boxeo
  2. box
verb
1. vuistvechten als sport
boxear
noun
1. handschoen gedragen tijdens het boksen
guante de boxeo
noun
puño de hierro
noun
straalvinnige vis (Boops boops) uit de familie van zeebrasems
boga
adverb
1. een glooiende uitstulping in een oppervlak vormend
  1. convexo
  2. abombado
noun
  1. 2. min of meer rond voorwerp
    1. bola
    2. globo
  2. 3. zie bloembol
    1. bulbo
    2. cebolla
  3. 1. een driedimensionaal rond lichaam zie sfeer
    1. esfera
    2. globo
noun
1. Agrostemma githago
  1. neguilla
  2. neguillón
noun
1. een vierwielige ongemotoriseerde bak die wordt voortgetrokken aan een hendel vooraan
carreta
noun
boleto
noun
bolero
noun
1. gewas dat overwintert door in een al of niet ondergrondse bol, in feite een bolvormige ophoping van vlezige bladeren, voedsel op te slaan
planta bulbosa
noun
1. hoed
  1. sombrero de hongo
  2. bombín
noun
1. een bolvormige groep sterren zoals die in galactische halo's kunnen worden aangetroffen
cúmulo globular
/boˈlivi.ja/
pronoun
1. een republiek in Zuid-Amerika die grenst aan Peru, Brazilië, Paraguay, Argentinië en Chili
Bolivia
/ˌboliviˈjaːns/
adjective
boliviano
/ˌboliviˈjaːnsə/
noun
boliviana
noun
boliviano
noun
1. benaming voor vissen uit het geslacht Trisopterus
faneca
noun
bolandista
noun
  1. 2. zacht broodje
    1. bocadillo
    2. bollo
    3. panecillo
  2. 1. verkleinwoord bol
    1. bolita
    2. bollito
pronoun
1. een stad in Italië
Bolonia
adjective
boloñesa
noun
  1. bolcheviquismo
  2. bolchevismo
noun
bolchevismo
noun
bolchevique
adjective
bolchevique
noun
cáscara
noun
  1. baluarte
  2. bastión
/bɔm/
noun
1. vernietigingstuig dat gevuld is met explosieven
  1. bomba
  2. explosivo
noun
1. beschieting met bommen, het werpen van bommen
bombardeo
verb
1. bommen of andere projectielen afvuren op iets of iemand
bombardear
adjective
ampuloso
noun
1. een brief die explodeert wanneer men hem opent
carta bomba
noun
1. een mededeling dat er een bom gaat ontploffen
  1. alerta de bomba
  2. allarme antibomba
  3. aviso de bomba
noun
1. een militair vliegtuig dat is ontworpen voor het werpen van bommen op gronddoelen
bombardero
noun
cupón
pronoun
1. eiland in het zuidelijke gedeelte van de Caraïbische Zee
Bonaire
noun
cartilla
noun
1.
bombón
/bɔnt/
noun
  1. federación
  2. lazo
noun
1. een andere macht waarmee een afspraak gemaakt is aan dezelfde zijde te zullen strijden
aliado
noun
alianza
adjective
  1. conciso
  2. sucinto
  3. contundente
noun
república federal
noun
ajedrea
pronoun
Islas Ogasawara
pronoun
Islas Ogasawara
noun
2. een harde klont
  1. pedazo
  2. pieza
  3. trozo
pronoun
1.
Bonn
/bɔnt/
adjective
  1. iemand bont en blauw slaan
    acardenalar
  2. 1. met veel verschillende felle kleuren
    1. multicolor
    2. variopinto
    3. abigarrado
/bɔnt/
noun
piel
noun
1. bepaalde vogelsoort uit de familie van plevieren, Charadrius hiaticula
  1. chorlitejo grande
  2. chorlitejo anillado
noun
abrigo de piel
noun
1. van bont gemaakte jas
abrigo de piel
noun
  1. 2. levensmiddel of andere alledaagse aanschaf
    1. compra
    2. recado
  2. 1. overgebracht bericht
    1. mensaje
    2. recado
noun
(huishouden) lijst waarop staat welke inkopen gedaan moeten worden
lista de compras
/ˈbotsxɑpər/
noun
1. berichtenoverbrenger
mensajero
noun
  1. 3. deel van bouwwerk
    1. arco
    2. arcada
  2. 1. wapen
    1. arco
    2. arco de flechas
  3. 2. cirkelboog
    1. curva
    2. arco
noun
puente en arco
noun
grado sexagesimal
noun
1.
lámpara de arco
noun
minuto de arco
noun
1. een sport waarbij pijlen worden weggeschoten naar een doel met behulp van een boog
tiro con arco
pronoun
2. teken van de dierenriem van 22 november tot 22 december
  1. Sagitario
  2. Sagittarius
noun
1. iemand die schiet met een boog
arquero
noun
segundo sexagesimal
adjective
de Boole
noun
álgebra de Boole
noun
  1. conectivo
  2. operador lógico
  3. operador lógico booleano
noun
1. meerjarige plant met houten stam
árbol
/ˈbom.bɑst/
noun
  1. corteza
  2. corteza del árbol
noun
1. een stuk grond met vruchtbomen
  1. vergel
  2. huerto
/ˈbom.ɣrɛns/, /ˈbom.χrɛns/
noun
1. een grens waarboven geen bomen meer groeien
límite de bosque
noun
  1. brezo blanco
  2. brezo arbóreo
noun
1. Hyla arborea, klein kikkertje dat zich in bomen en heesters kan begeven
  1. rana arbórea
  2. rana de San Antonio
noun
1. bepaald soort vogeltje, Sitta europaea
trepador azul
/ˈbom.krœʏ̯.pər/, /ˈbom.krœː.pər/
noun
1. eepaald soort bruin vogeltje, Certhia brachydactyla
  1. trepador
  2. trepatroncos
/ˈbom.kɵn.də/, /ˈbom.kʏn.də/
noun
dendrología
/ˈbom.mɑr.tər/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Martes martes
marta cibelina
/ˈbom.pi.pər/
noun
1. een vogelsoort die inheems is vrijwel geheel europa
bisbita arbóreo
/ˈbompjə/
noun
arbolito
/ˈbom.sxɔrs/, /ˈbom.sχɔrs/
noun
1. het dode buitenste deel van de bast van een boom
corteza de árbol
noun
1. een rechtop gaande houten schacht van een boom
tronco
noun
1. bepaald soort struik die tot zeven meter hoog kan worden die in subtropische gebieden groeit Solanum betaceum
  1. palo de tomate
  2. tamarillo
  3. tomate de árbol
  4. tomate árbol
noun
1. kleine sierlijke valk, familie van de torenvalk, Falco subbuteo
  1. alcotán
  2. alcotán europeo
noun
1. zaadje uit de peulvrucht van enige vlinderbloemige planten,...
  1. frijol
  2. judía
  3. alubia
  4. haba
  5. habichuela
  6. faba
noun
  1. A. rond zijn as ronddraaiend werktuig om gaten mee te maken
    1. broca
    2. barrena
  2. B. chemisch element en een zwart metalloïde
    boro
noun
trépano
/bɔːrt/
noun
  1. 1. het dek van een schip
    1. borde
    2. bordo
  2. 2. de verbrede bovenrand van een hemd rond de nek
    cuello
  3. 4. rand
    linde
  4. 3. oever
    orilla
noun
ordenador de a bordo
noun
  1. ingeniero de vuelo
  2. mecánico de vuelo
noun
plataforma de perforación
noun
mandril
noun
trépano
/ˈbormɑˌʃinə/
noun
1. machine om te boren
  1. taladro
  2. taladradora
noun
nitruro de boro
noun
taladro de mano
noun
plataforma de perforación
noun
barco perforador
noun
1. hoge boorinstallatie
  1. derrick
  2. torre de perforación
noun
lodo bentonítico
noun
agua boricada
adjective
  1. ácido bórico
  2. E284
/boʊs/, /boːs/
adjective
1. kwaad, woedend
  1. enfadado
  2. colérico
  3. furioso
/bo'zardəx/
adverb
1. met de intentie om kwaad te doen
  1. maligno
  2. malo
  3. malicioso
  4. malvado
  5. malévolo
noun
malicia
noun
1. de hoedanigheid van het boos zijn
enojo
noun
  1. malvado
  2. villano
/boʊt/, /boːt/
noun
1. klein vaartuig
barco
noun
viaje en barco
/ ˈbotsxun /
noun
1. een lichte soort van schoenen van zacht leer, ontwikkeld naar het voorbeeld van Indiaanse mocassins
  1. zapato náutico
  2. náutico
noun
1. een rang gelijk aan sergeant bij de marine en de hoogste onderofficier bij de koopvaardij
contramaestre
noun
1. iemand die in havens schepen laadt en lost
descargador
noun
bebop
noun
  1. borraja
  2. borrajas
  3. borrega
  4. corrago
  5. rabo de alacrán
noun
bórax
/bɔRd/, /bɔrt/
noun
  1. 2. Vlak voorwerp aan een muur
    pizarra
  2. [1] Schijfvormig voorwerp
    plato
/bɔrˈdo/
adjective
burdeos
adjective
burdeos
/bɔrdoˈrot/
adjective
  1. burdeos
  2. granate
  3. guinda
noun
1. een huis waarin tegen betaling seksuele diensten worden aangeboden
  1. burdel
  2. mancebía
  3. prostíbulo
/ˈbɔr.də(n).ˌwɑr.mər/, /ˈbɔr.də(n).ˌβ̞ɑr.mər/, /ˈbɔr.də.ˌʋɑr.mər/
noun
1. een toestel om borden voor het eten te verwarmen
  1. calentador de platos
  2. calientafuentes
  3. calientaplatos
noun
trastorno límite de la personalidad
noun
border terrier
noun
  1. escalinata
  2. gradas
/bɔrdjə/
noun
  1. platillo
  2. platito
noun
cartón
noun
  1. juego de tablero
  2. juego de mesa
verb
1. met naald en draad versieringen aanbrengen op een stuk weefsel
bordar
noun
1. weefselversiering aangebracht met naaldwerk
  1. bordado
  2. bordadura
verb
1. met een werktuig dat om zijn as draait een gat in iets maken
  1. taladrar
  2. agujerear
  3. perforar
  4. agujerar
noun
  1. 1. iemand die garant staat voor een eventueel te betalen bedrag
    fiador
  2. 2. borgsom, borgtocht, waarborgsom, cautie
    fianza
noun
chaveta
noun
arandela de seguridad
/'bɔrxsɔm/
noun
1.
  1. caución
  2. fianza
noun
fiador
noun
  1. 2.
    1. caución
    2. fianza
  2. 1. overeenkomst waarbij een borg zich garant stelt
    fianza
noun
  1. 2. kaliber, met name van een cilinder van een verbrandingsmotor
    calibre
  2. 1. het boren
    perforación
noun
1. een chemisch element en een zwart metalloïde
boro
noun
vidrio borosilicatado
pronoun
  1. Borneo
  2. isla de Borneo
noun
1. drankje
copa
verb
  1. borbotear
  2. rebullir
noun
tapa
noun
2. elk van de twee vooruitstekende klieren bij vrouwen waaruit zich de moedermelk afscheidt
  1. pecho
  2. seno
noun
plat been waaraan de ribben aan de voorzijde vastgehecht zijn
esternón
noun
1. schoonmaakgereedschap met bos haren
  1. cepillo
  2. brocha
  3. cerdas
verb
1. schoonmaken met behulp van een borstel
cepillar
noun
cervuno
adjective
1. ruigharig, ruwharig net zo als een borstel
hirsuto
noun
haar op de borst
  1. vello del pecho
  2. vello pectoral
noun
lichaamsholte, gevormd door de 12 paar ribben, de 12 borstwervels en het borstbeen
cavidad torácica
noun
1. is een vorm van kanker die uitgaat van het melkklierweefsel in de borst, meestal (maar niet altijd) bij vrouwen
cáncer de mama
noun
1. geraamte van de borst
  1. tórax
  2. caja torácica
noun
sacaleches
noun
1. lekkernij
dulce de azúcar
noun
1.
aleta pectoral
noun
pleuritis
noun
  1. lactancia materna
  2. lactancia
noun
  1. 1. een groep bomen
    bosque
  2. 2. een bundel stelen of vezels
    ramo
noun
  1. fresa del bosque
  2. fresa silvestre
  3. fraguera
  4. fresal
  5. madroncillo
  6. mayueta
noun
anémona de los bosques
noun
  1. 1. en 3. plant, en bessen, uit geslacht Vaccinium
    arándano
  2. 2. plant Vaccinium myrtillus
    mirtilo
noun
mercurial perenne
/ˈbɔsbɑuw/
noun
1. het systematisch bosbeheer (teelt en verzorging van bossen) voor de productie van hout
silvicultura
noun
1. brand van of in een bos
  1. incendio forestal
  2. incendio de bosques
noun
  1. agaricus silvaticus
  2. champiñón del bosque
noun
  1. atelo
  2. koatá
  3. maquisapa
  4. marimonda
  5. marimono
  6. mono araña
noun
sátiro
noun
serpiente de cascabel muda
noun
  1. dríada
  2. dríade
/ˈbɔsnis/, /ˈbɔsnɪs/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Bosnië
bosnio
noun
marco convertible de Bosnia-Herzegovina
/ˈbɔsni.jə ɛn ˌhɛrtsəɣoˈviːna/, /ˈbɔsni.jə ɛn ˌɦɛrtsəɣoˈvina/, /ˈbɔsni.jə ɛn ˌɦɛrtsəχo(ʊ̯)ˈvina/
pronoun
1. republiek in het zuidoosten van Europa die ontstaan is bij het uiteenvallen van het voormalige Joegoslavië
  1. Bosnia - Herzegovina
  2. Bosnia y Herzegovina
  3. Bosnia-Herzegovina
noun
1.
bosón
noun
  1. ajan
  2. ansarina
  3. anserina
  4. cabello de ángel
  5. clemátide
  6. hierba de los pordioseros
noun
carricero políglota
adjective
1. gekenmerkt door een verhoudingsgewijs groot aantal bossen; rijk aan bos
selvoso
noun
bossaball
noun
bossa nova
noun
bosquecillo de jardín
noun
tulipán silvestre
noun
1. jonge, onvolgroeide geboste ui met blad
  1. cebolla de primavera
  2. cebolleta tierna
noun
1. bepaald soort vogel, Strix aluco
cárabo
noun
1. een beheerder van een boswachterij
guardabosque
adjective
  1. 2. onbeleefd
    1. grosero
    2. rudo
  2. 1. stomp
    romo
noun
  1. 1. platvis
    1. halibut
    2. hipogloso
  2. 3. onderdeel van het skelet
    hueso
noun
botánico
noun
1. een onderdeel van de biologie dat zich bezighoudt met de studie van planten
botánica
adjective
botánico
/ˈbotər/
noun
1. zuivelproduct
  1. mantequilla
  2. manteca
noun
1. een aantal planten uit het geslacht Ranunculus behorende tot de familie Ranunculaceae
  1. ranúnculo
  2. botón de oro
  3. hierba bélida
noun
1. een snee brood
  1. rebanada
  2. rebanada de pan
noun
een koek, traditioneel bereid met roomboter, die gevuld wordt met amandelspijs
torta de mantequilla
noun
1. een banketletter met roomboter en amandelen
pastel en forma de una letra
noun
cuchillo de untar
noun
  1. ghee
  2. manteca clarificada
  3. mantequilla clarificada
noun
  1. salsa holandesa
  2. salsa mantequilla
noun
1. een bakje om boter in te bewaren
  1. mantequera
  2. mantequillera
noun
1. CH₃(CH₂)₂COOH
ácido butírico
/ˈbɔt.sə(n)/
verb
2. in een conflict of ruzie geraken
chocar
/ˈbɔt.sɪŋ/
noun
  1. 2. een conflict of ruzie
    colisión
  2. 1. het botsen
    1. colisión
    2. choque
    3. impacto
adjective
botsuaneso
noun
botsuanesa
noun
pula de Botswana
/bɔ.ˈts<sup>ʊ</sup>a.na/, /bɔts.ˈʋa.na/, /bɔts.ˈβ̞a.na/
pronoun
1. een land dat geheel door land is omgeven in het zuiden van Afrika met ruim 1,5 miljoen inwoners, grenzend aan Namibië, Zimbabwe en Zuid-Afrika
Botsuana
noun
  1. rosa
  2. rosa vellosa
verb
abotonar
noun
cretino
noun
toxina botulínica
noun
botulismo
adverb
1. onbeleefd, kortaf
  1. francamente
  2. rotundamente
adjective
  1. atrevido
  2. osado
noun
  1. chal
  2. mantón
pronoun
Bougainville
noun
buganvilla
noun
1. het onderdeel van een verbrandingsmotor dat door een vonk het mengsel van brandstofdamp en lucht in de cilinder tot ontploffing brengt
bujía
noun
1. een aftreksel van magere vleesresten, beenderen of vis
  1. caldo
  2. bouillon
  3. consomé
noun
  1. alameda
  2. bulevar
  3. paseo
noun
psychologische toestand waarin een persoon terugkerende eetbuien heeft
bulimia
noun
buqué
noun
bouquet garni
noun
bordón
noun
burgués
noun
burguesía
pronoun
1. een van de 26 regio's van Frankrijk
Borgoña
noun
bourrée
noun
  1. 1. verbindingsmiddel, meest uit metaal vervaardigd en voorzien van een schroefdraad
    1. clavija
    2. tornillo
  2. 2. stuk vlees, meestal een poot
    1. muslo
    2. perno
    3. pierna
  3. 6. een strijkijzer
    plancha
pronoun
  1. Bouvet
  2. isla Bouvet
/bɑu̯/
noun
  1. 1. het doen verrijzen van een gebouw
    construcción
  2. 5. de aanbouw, het telen (van gewassen)
    1. cultivo
    2. cultura
noun
empresa constructora
/ˈbɑu̯ə(n)/
verb
1. een constructie oprichten door het samenvoegen van onderdelen
  1. construir
  2. edificar
noun
1. een persoon die dingen bouwt
  1. constructor
  2. edificador
  3. labrador
noun
1. (wetenschap)
ingeniería de la edificación
noun
arquitectura
noun
  1. tierra de cultivo
  2. tierra labrantía
noun
arquitecto
noun
1. een plaats waar mensen iets bouwen
  1. obra en construcción
  2. sitio de obra
noun
proyecto de construcción
noun
1. steen om mee te bouwen
ladrillo
/ˈbɔʊ̯β̞.tɛ.ˌrɛːn/, /ˈbʌʊ̯.tɛ.ˌrɛɪ̯n/
noun
1. een terrein waarop gebouwd wordt of kan worden
  1. obra en construcción
  2. sitio de obra
noun
  1. obrero de la construcción
  2. trabajador de la construcción
noun
ruina
adjective
  1. caduco
  2. precario
  3. ruinoso
noun
  1. licencia de construcción
  2. permiso de construcción
  3. licencia de obra
  4. licencia urbanística
noun
1. een constructie van enige omvang die verbonden is met de grond en waarin men kan wonen of werken
  1. construcción
  2. edificio
noun
buzuki
/ˈboː.vən/
adverb
1. bovenaan, erboven, niet beneden, niet eronder
arriba
adverb
sobre todo
noun
1. het bovenste gedeelte van de arm tussen de schouder en de elleboog
brazo superior
noun
1.bovenbeen
muslo
/bovənˈdin/
adverb
1. op de koop toe, daarenboven
además
noun
fermentación alta
noun
1. een van de beenderen van de schedel
mandíbula superior
noun
catenaria
noun
  1. busto
  2. torso
noun
labio superior
adjective
  1. demasiado
  2. enorme
  3. extenso
  4. inmenso
  5. prolijo
adjective
1. behorende tot een orde van dingen die buiten het menselijke ligt
sobrenatural
adverb
encima de
noun
1. tonen boven de grondtoon
sobretono
noun
lado superior
adjective
  1. transcendental
  2. trascendental
noun
  1. bejín
  2. cuesco de lobo
noun
  1. bolo americano
  2. bowling
noun
1. sport waarbij een inwendig verzwaarde afgeplatte bal over een baan naar een doelballetje gerold moet worden
  1. bolo césped
  2. bowls
  3. bowls sobre hierba
noun
2. bepaalde hondenras
bóxer
noun
motor bóxer
noun
diagrama de caja
noun
boicot
verb
1. iemand uitsluiten, niet meer willen werken voor, leveren aan of kopen bij
boicotear
noun
1. pan met dikke wand, die geschikt is om er vlees enz. in te braden
  1. asadera
  2. asadora
  3. braseadora
  4. cacerola
  5. cazuela
  6. sartén
noun
parrilla
noun
salchicha
noun
2. werktuig om vlas of hennep te braken of te kneden.
agramadera
noun
egagrópila
noun
  1. angostura falsa
  2. canirán
  3. matacán
  4. mataperros
  5. nuez vómica
  6. vomiquero
noun
ipecacuana
noun
  1. 3. beschadiging op een (metaal)oppervlak
    rebaba
  2. 1. struik & 2. vrucht
    1. zarzamora
    2. mora
noun
1.
zarzamora
noun
zarza
pronoun
Brabanzona
verb
1. slecht en onduidelijk praten met name van baby's
balbucear
adjective
braquicéfalo
verb
1. vlees bereiden door het in vet te verhitten
  1. asar
  2. freír
  3. tostar
noun
1. ongewoon langzame hartslag
bradicardia
noun
brahmán
noun
  1. braille
  2. escritura braille
noun
1. speciaal voor blinden ontwikkeld lees- en schrijfalfabet
escritura braille
adjective
1. met een zoutgehalte dat tussen zout en zoet in ligt
salobre
verb
  1. 2. vlas of hennep breken
    agramar
  2. 1. genuttigd voedselwaar ongewild door de mond naar buiten brengen
    1. vomitar
    2. esputar
    3. expectorar
    4. lanzar
    5. devolver
noun
mastelerillo
noun
camillero
noun
1. bedrijfstak
  1. ramo
  2. rama
  3. departamento
  4. sección
/ˈbrɑnd/, /ˈbrɑnt/
noun
1. verbranding met vuur
incendio
adjective
  1. abrasador
  2. combustible
noun
1. een draagbaar toestel dat dient om een kleine of een beginnende brand te bestrijden
  1. extinguidor
  2. extintor de incendios
  3. extintor portátil
  4. matafuego
noun
1. bom die als doel heeft het getroffen object in brand te steken
bomba incendiaria
noun
puerta cortafuego
verb
  1. 1. verteerd worden door vuur
    1. quemar
    2. arder
  2. 2.
    tostar
pronoun
1. een deelstaat in het oosten van Duitsland
Brandeburgo
adjective
  1. abrasador
  2. cáustico
  3. encendido
  4. urgente
noun
1. een apparaat dat een bepaalde vorm aan een vlam geeft
  1. quemador
  2. boquilla
  3. mechero
  4. soplete
noun
2. distilleerderij
destilería
noun
1. een soort sterke drank
  1. aguardiente
  2. brandy
noun
1. bepaald soort gans, Branta leucopsis
barnacla cariblanca
noun
peligro de incendio
noun
1. hout dat gebruikt wordt om te verbranden
leña
noun
ferrete
noun
  1. caja de seguridad
  2. caja fuerte
/ˈbrɑnt.lɑd.ər/
noun
escalera de incendios
verb
1. (vee) merken door het inbranden van een teken
marcar
noun
2-3. een harige plant die bij aanraking een brandend gevoel en zwelling veroorzaakt
ortiga
noun
sopa de ortigas
noun
foco
noun
distancia focal
noun
manguera de incendios
noun
alcohol de quemar
noun
1. een grote slang met een metalen eindstuk, bedoeld voor het spuiten van bluswater
bomba de incendios
noun
  1. hoguera
  2. pira
noun
1. iemand die expres brand veroorzaakt
incendiario
noun
  1. incendio provocado
  2. delito de incendio
  3. incendio premeditado
noun
1. stof waaruit door middel van verbranding of een ander chemisch proces energie wordt gewonnen
  1. combustible
  2. carburante
  3. comburente
noun
een elektrochemisch toestel
  1. pila de combustible
  2. celda de combustible
  3. célula de combustible
noun
inyección de combustible
noun
  1. 2. apparaat dat wordt gebruikt om brandstof te verkopen
    bomba de combustible
  2. 1. pomp die bij verbrandingsmotoren...
    1. bomba de combustible
    2. bomba de inyección
    3. bomba de inyección diesel
    4. bomba-inyector
noun
  1. tanque de combustible
  2. depósito de combustible
noun
  1. encáustico
  2. esmalte
noun
  1. bomberos
  2. cuerpo de bomberos
noun
  1. coche de bomberos
  2. camión de bomberos
noun
estación de bomberos
noun
1. lid van de brandweer
bombero
noun
coche de bomberos
noun
camiones de bomberos
noun
  1. escaldadura
  2. quemadura
noun
1. een soort sterke drank
brandy
noun
cerato
noun
1. bepaalde karperachtige vissoort Abramis brama
  1. brema
  2. plática
verb
1. schransen
ir de juerga
/braˈʃɛːrə/
noun
1. dameskledingstuk
sujetador
/ˌbraziliˈjaːn/
noun
1. iemand uit Brazilië
brasileño
/ˌbraziliˈjaːns/
adjective
brasileño
/ˌbraziliˈjaːnsə/
noun
brasileña
noun
real brasileño
/braˈzili.jə/
pronoun
1. een soevereine staat in Zuid-Amerika (officieel de Federale Repuliek van Brazilië, 'República Federativa do Brasil'), met als officiële taal het Portugees
Brasil
adjective
  1. amplio
  2. ancho
/ˈbred.bɑnd/, /ˈbred.bɑnt/
noun
1. een internetverbinding met een hoog debiet
banda ancha
noun
pantalla ancha
adjective
1. breed van borst en schouders
  1. ancho de hombros
  2. ancho
adjective
1. breed van borst en schouders, breedgebouwd
  1. ancho de hombros
  2. ancho
noun
1. met een breed werkingsgebied, veel gebruikt voor antibiotica
amplio espectro
noun
1. afmeting loodrecht op de hoogte of de lengte
  1. anchura
  2. ancho
noun
1. een cirkel parallel aan de evenaar
  1. paralelo
  2. paralelo de latitud
noun
1. cirkel van gelijke geografische breedten
latitud
adjective
1. tijd en ruimte nemend om alle kanten uitgebreid te bezien
  1. amplio
  2. largo
adverb
1. op breedvoerige wijze
ampliamente
/ˈbreːɡbaːr/
adjective
frágil
noun
1. stevige metalen stang, meestal voorzien van een gespleten einde, de koevoet, gebruikt om zaken open te breken.
  1. pie de cabra
  2. pata de cabra
  3. alzaprima
noun
punto de rompimiento
verb
1.
  1. calafatear
  2. acollar
  3. atascar
noun
  1. brida
  2. rienda
/ˈbrɛ.jə(n)/
verb
1. een weefsel vervaardigen uit een gesponnen draad met behulp twee of meer pennen
  1. tejer
  2. hacer punto de aguja
noun
máquina de punto
/brɛi̯n/
noun
1. orgaan
  1. cerebro
  2. seso
noun
labor de punto
verb
  1. 4. veranderen van richting van stralen
    refractarse
  2. 5. in stukken uiteen doen vallen
    1. romper
    2. quebrar
    3. quebrantar
    4. cascar
    5. fracturar
  3. 1. in stukken uiteenvallen
    1. romperse
    2. quebrarse
    3. estrellar
    4. estrellarse
noun
1. richtingverandering van stralen
refracción
noun
índice de refracción
noun
1. bepaald soort struikvormige plant met opvallende gele bloesem, Cytisus scoparius
  1. aulaga
  2. erizones
  3. escoba
  4. escobón
  5. retama de escobas
  6. retama negra
pronoun
Bremen
adjective
amarillo retama
noun
tábano
/ˈbrɛŋ.ə(n)/
verb
1. ergens heen gaan om iets of iemand daar af te geven
llevar
pronoun
1. een schiereiland in het noordwesten van Frankrijk
Bretaña
noun
1. broekophouder
  1. tirante
  2. tirantes
noun
bretón
pronoun
1. een Keltische taal die wordt gesproken in Bretagne
bretón
noun
bretona
noun
1. de uitkomst (quotiënt) van een deling van twee of meer gehele getallen
  1. fracción
  2. quebrado
noun
vendaje herniario
noun
  1. herniaria
  2. hierba cólica
  3. hierba de San Lorenzo
  4. hierba de la piedra
  5. hierba turca
  6. hierba urinaria
noun
método de las fracciones parciales
noun
1. diploma waarbij een bevoegdheid tot het uitoefenen van een functie wordt verleend
diploma
noun
breviario
noun
1. een spel gespeeld door vier spelers, verdeeld in twee paren en gespeeld in dertien slagen
bridge
noun
1. verzonden geschreven boodschap
  1. carta
  2. epístola
noun
Carta de Jeremías
noun
  1. secreto postal
  2. secreto de la correspondencia
noun
1. tekst bovenaan een brief met gegevens van de afzender en de geadresseerde en de datum van verzending
membrete
noun
esquela
noun
1. een korte brief in de vorm van een kaart
  1. postal
  2. tarjeta postal
noun
1. een doorgaans sierlijk mesje dat men gebruikt om briefomslagen met te openen
  1. abrecartas
  2. abridor de cartas
noun
  1. papel de cartas
  2. papel de escribir
/bris/
noun
1. zachte frisse wind
brisa
verb
  1. 1. tekeergaan
    1. bufar
    2. berrear
  2. 2. geluid van dieren
    1. mugir
    2. resoplar
    3. rugir
noun
buzón
noun
brigada
noun
general de brigada
noun
1. een rang bij de Nederlandse politie tussen hoofdagent en inspecteur
brigada
noun
bergantín
noun
  1. papilla
  2. puré
noun
1. een optisch instrument dat gebruikt wordt om de scherpte van het zicht te verbeteren
  1. gafas
  2. anteojos
noun
1. Bucephala clangula, een vogel uit de familie Anatidae
porrón osculado
adjective
1. buitengewoon slim
brillante
noun
1. slijpvorm voor onder andere diamant
brillante
noun
azul brillante
adjective
naranja claro brillante
adjective
rojo claro brillante
adjective
naranja brillante
adjective
azul brillante
adjective
amarillo brillante
adjective
verde brillante
adjective
rojo brillante
noun
brillantina
/ˈbrɪlə(n)ˌkokər/
noun
1. een stevige, beschermende huls voor een bril
anteojera
noun
1. reptiel, gevaarlijke gifslang
  1. cobra
  2. naja
  3. serpiente de anteojos
noun
  1. británico
  2. britano
  3. inglés
/brɪts/
adjective
1. gerelateerd aan Groot-Brittannië
británico
noun
1. een provisorisch bed, een houten veldbed
catre
pronoun
Inglés británico
noun
  1. britana
  2. británica
  3. inglesa
pronoun
islas Vírgenes Británicas
pronoun
  1. Britania
  2. Bretaña
/ˈbrɔkɔlɪ/
noun
1. groente
  1. brécol
  2. brócoli
noun
sopa de brécol
noun
  1. folleto
  2. prospecto
/'bru.də(n)/
verb
  1. 2. een plan uitdenken
    1. empollar
    2. preparar
  2. 1. een gelegd ei met lichaamswarmte warm houden
    1. incubar
    2. empollar
/brudər/
noun
  1. 1. een broer
  2. 3. een kloosterling
hermano
adjective
fraternal
noun
1. moord van de ene broer op een andere broer, ook figuurlijk gebruikt
fratricidio
noun
  1. 2. vereniging van beroepsgenoten
    1. cofradía
    2. asociación
    3. gremio
  2. 1. kerkelijk goedgekeurde vereniging
    1. cofradía
    2. congregación religiosa
  3. 1. vriendschappelijke betrekking als tussen broers
    1. hermandad
    2. fraternidad
    3. confraternidad
verb
  1. 1. heet worden door gisting
    fermentar
  2. fomentar
adjective
1. drukkend heet, met onweer dreigend
  1. oprimido
  2. sofocante
noun
1. bouwsel met glazen wanden voor het opkweken van gewassen
  1. invernadero
  2. estufa
  3. invernáculo
noun
efecto invernadero
noun
  1. gas de efecto de invernadero
  2. gas invernadero
noun
fogón
noun
1. kledingstuk dat het onderlichaam en beide benen, elk met een afzonderlijke pijp omhult
  1. pantalón
  2. pantalones
noun
pernera
noun
1. zak in een broek
bolsillo del pantalón
/bruːr/
noun
1. een mannelijk kind van dezelfde ouders
hermano
noun
1. een blok met een grillige vorm, stuk van iets groters
  1. fragmento
  2. parte
  3. pedazo
  4. pieza
  5. retazo
  6. trozo
noun
agente
noun
  1. Bromeliaceae
  2. Bromeliáceas
noun
ciclomotor
noun
bromuro
noun
ciclomotor
noun
1. grote dikke blauwe vlieg die een brommend geluid maakt
moscardón
noun
  1. 2. begin van een waterloop
    1. fuente
    2. manantial
  2. 1. daar waar men informatie vandaan haalt
    1. fuente
    2. origen
adjective
1. met betrekking tot de luchtpijp-takken
bronquial
noun
  1. bronquio
  2. tubo bronquial
noun
bronquiolitis
noun
1. ontsteking van de luchtpijptak
bronquitis
noun
broncoscopio
noun
1. medisch onderzoek van de luchtpijp d.m.v. een bronchoscoop
broncoscopia
noun
1. kramp met vernauwing van de luchtpijptakken
broncoespasmo
noun
1. luchtpijptak
bronquio
noun
1. een meest door inhaleren ingenomen medicament dat vernauwing in de luchtwegen bestrijdt
broncodilatador
noun
código fuente
noun
editor de código fuente
noun
1. bepaalde vissoort, Salvelinus fontinalis
salvelino
noun
bronce
noun
1. prehistorische cultuurperiode
Edad del Bronce
noun
1. prehistorische cultuurperiode
Edad del Bronce
noun
estro
noun
1. water dat uit de grond is gehaald, gebruikt als drinkwater of geneeskrachtig water
agua de manantial
adjective
1.van brons gemaakt
  1. bronce
  2. bronzen
verb
1.
broncear
/broːt/
noun
1. een meelproduct dat gemaakt wordt door meeldeeg te bakken, te koken of te stomen
pan
noun
1. boom Artocarpus altilis
  1. árbol del pan
  2. panapén
noun
2. klein brood, vaak versierd, belegd of in een speciale vorm, voor één persoon
  1. bocadillo
  2. panecillo
  3. bollo
noun
  1. migaja
  2. miga de pan
noun
máquina panificadora
noun
  1. cuchillo de pan
  2. cuchillo de sierra
  3. cuchillo para cortar pan
noun
  1. tostadora
  2. tostador
  3. tostador de pan
noun
mejorador para pan
noun
molde de pan
noun
1. vrucht van de broodboom Artocarpus altilis
  1. fruta del pan
  2. frutipan
noun
1. het werk waar iemand zijn geld (kost) mee verdient
profesión
noun
bromo
adjective
1. niet stevig
  1. frágil
  2. quebradizo
noun
fragilidad
adjective
1.
quebradizo
verb
  1. 3. met een keel-r uitspreken
    arrastrar las erres
  2. 1. (bier) brouwen
    1. fabricar
    2. hacer
noun
1. iemand die bier maakt om te verhandelen
cervecero
noun
movimiento browniano
noun
navegador
/brʏx/, /brʏχ/
noun
kunstmatige weg over een diepte
  1. puente
  2. bóveda
pronoun
1. een Vlaamse provinciehoofdstad
Brujas
pronoun
maitines de Brujas
/brœy̯t/
noun
1. vrouw in tijd van de huwelijksplechtigheden
novia
noun
1. man die in het huwelijk treedt
  1. desposado
  2. futuro
  3. prometido
noun
1. jurk gedragen door een bruid
  1. traje de novia
  2. vestido de novia
noun
1. een gift die een meisje van haar ouders meekrijgt als ze in het huwelijk treedt
dote
adjective
1. nuttig, eenvoudig in het gebruik
  1. útil
  2. aprovechable
  3. servible
noun
utilidad
noun
1. kosteloze lening voor tijdelijk gebruik onder voorwaarde van teruggave
comodato
noun
1. huwelijks-, trouwfeest
boda
noun
epitalamio
noun
boda
adjective
1. een kleur zoals die van walnoten, chocola of koffie hebbend
  1. marrón
  2. castaño
noun
1. kleur zoals die van koffie of chocola
  1. marrón
  2. moreno
adjective
beige pardo
/ˈbrœyŋɣrɛis/
adjective
gris parduzco
adjective
verde parduzco
noun
lignito
adjective
1. brood van tarwemeel dat nog zemelen bevat
rojo pardo
/ˈbrœy̯nvɪs/
noun
1. familie Phocoenidae van kleine rondsnuitige tandwalvissen
  1. marsopa
  2. marsopla
verb
1. het overvloedig vormen van gasbelletjes in een vloeistof
  1. burbujear
  2. espumar
noun
Amerikaanse apen die een brullend lawaai kunnen produceren
mono aullador
noun
rana toro americana
/bry.ˈnɛɪ̯/, /bry.ˈnɛː/
pronoun
2. een land op op het eiland Borneo, in Zuidoost-Azië. Het ligt aan de Zuid-Chinese Zee, en wordt verder geheel omringd door Maleisië
  1. Brunei
  2. Brunéi
noun
habitante de Brunéi
noun
dólar de Brunéi
pronoun
Brunswick
pronoun
1. de hoofdstad van België
Bruselas
adjective
de Bruselas
noun
  1. achicoria
  2. endivia
  3. endivia belga
  4. radichio
adjective
  1. 3. vrijpostig
    1. fresco
    2. intréprido
    3. osado
    4. procaz
  2. 2.
    1. insolente
    2. desvergonzado
    3. grosero
    4. impertinente
verb
1. met grofheid of geweld bejegenen
brutalizar
noun
arquitectura brutalista
noun
impertinencia
/bryto/
adjective
bruto
noun
producto interno bruto
adjective
  1. abrupto
  2. brusco
  3. desabrido
verb
1. nors en ruw bejegenen
desairar
noun
1. de afkorting voor belasting over de toegevoegde waarde
IVA
pronoun
Buchenwald
/ˈbʏdʒɛt/
noun
presupuesto
/'bɵfəl/
noun
1. verzamelnaam voor een aantal zware rundersoorten met vaak forse hoorns
  1. búfalo
  2. búfala
noun
  1. 3. tijdelijk geheugen in rekenmachines...
    1. buffer
    2. búfer
  2. 4. scheikundige buffer
    1. buffer
    2. solución amortiguadora
    3. solución reguladora
    4. tampón químico
  3. 1. locomotief
    1. parachoques
    2. tope
noun
desbordamiento de búfer
noun
desbordamiento de búfer
noun
  1. estado colchón
  2. estado tapón
noun
1. een gebied dat op een of andere manier als buffer dient
  1. zona colchón
  2. zona de amortiguamiento
/ˈbyfɛt/
noun
  1. 1. meubelstuk waarin men tafelgoed en -zilver opbergt
    aparador
  2. 2. toonbank waarop allerlei etenswaar ligt die men kan bekomen of zelf pakken
    1. bufete
    2. bar
    3. buffet
/ˈby.χəɫ/, /ˈbyː.ɣəl/
noun
1. een koperen blaaasinstrument.
fliscorno
/bœʏ/, /bœː/
noun
  1. 1.
    1. aguacero
    2. chubasco
  2. 2. gril
    capricho
noun
2. huidplooi bij buideldieren ...
bolsa marsupial
noun
1. zoogdier dat het jong in een buidel draagt
marsupial
noun
zoogdier uit de orde Didelphimorphia
didélfido
/bœʏ̯χə(n)/, /bœːɣə(n)/
verb
  1. 1. krom maken
    1. curvar
    2. doblar
  2. 3. een buiging maken, zich buigen
    1. doblar
    2. inclinarse
  3. 2. krom worden
    1. doblarse
    2. curvarse
noun
  1. 6. vormverandering van woorden
    1. flexión
    2. böjning
  2. 1. nijging als beleefde groet
    reverencia
noun
1.
punto de inflexión
adjective
flexible
/bœʏ̯k/, /bœːk/
noun
1. het onderste deel van de voorkant van de romp van mens of dier dat van boven door het middenrif en van onderen door de bekkengordel begrenst is
  1. vientre
  2. barriga
  3. panza
  4. abdomen
noun
danza del vientre
noun
gastroenteritis
noun
abdomen
noun
diarrea
/ˈbœʏ̯k.pɛɪ̯n/, /ˈbœːk.pɛɪ̯n/, /ˈbœːk.pɛːn/
noun
1. pijn in de buik
  1. dolor de barriga
  2. dolor abdominal
  3. dolor de vientre
noun
cinturón
noun
1.de kunst van het buikspreken
ventriloquia
noun
ventrílocuo
noun
fiebre tifoidea
noun
1.
peritoneo
noun
3. (medisch) zwelling met het uiterlijk van een bobbel, bult
  1. chichón
  2. tolondro
noun
1. een hol, cilindrisch voorwerp
tubo
noun
  1. cañería
  2. tubería
/bœʏ̯t/, /bœːt/
noun
goederen gewonnen door diefstaf of verovering
botín
/ˈbœʏ̯tə(n)/, /ˈbœːtə(n)/
adverb
fuera
noun
cubierta
/ˈbœʏtə(n)bortmotər/
noun
1. een motor die aan de achterzijde (de spiegel) van een boot bevestigd is die als een roer dient en de boot voortstuwt.
  1. motor fuera borda
  2. motor fuera bordo
  3. motor fuera de borda
  4. motor fuera de bordo
adverb
además
noun
1. buitendraad
  1. rosca externa
  2. rosca macha
noun
educación especial
noun
1. een tweede woning in een landelijke of natuurrijke omgeving
casa de campo
adjective
  1. extravagante
  2. excéntrico
noun
  1. exterior
  2. lado exterior
  3. periferia
noun
1. ieder land buiten het eigene
extranjero
adjective
1. op het buitenland betrekking hebbend
  1. extranjero
  2. forastero
  3. extraño
pronoun
Asuntos Exteriores
noun
1. buitenschroefdraad
  1. rosca externa
  2. rosca macha
verb
  1. excluir
  2. desechar
adverb
fuera de juego
noun
1.
fuera de juego
noun
  1. exceso
  2. extravagancia
  3. lujuria
/ˈbœy̯.tə(n)ˌsta:n.dər/
noun
iemand buiten de groep, van buiten
persona de fuera
noun
1. een tweede woning in een landelijke of natuurrijke omgeving
casa de campo
adjective
extrasensorial
pronoun
Buitenzorg
verb
  1. pillar
  2. robar
noun
1. bepaald soort middelgrote roofvogel, Buteo buteo
  1. ratonero común
  2. busardo ratonero
  3. águila ratonero
/ˈbɵkən/
verb
1. het lichaam geheel vooroverbuigen om bij iets lagers te komen
  1. agacharse
  2. acurrucarse
noun
boj
/bʏl/
noun
  1. 1. mannelijk rund en het mannetje van sommige andere zoogdieren en zeezoogdieren
    toro
  2. 2. pauselijke oorkonde
    bula
  3. 1. oorkonde bij het behalen van een academische graad
    diploma
noun
1. een gestroomlijnde boeg in de vorm van een bulb, om via de daardoor verminderde waterweerstand het brandstofverbruik te laten dalen
bulbo de proa
noun
1. een stevig gebouwde hond met een grote kop en afhangende liphoeken...
  1. buldog
  2. dogo
noun
Búlgaro
/bɵɫˈγ̊aːrs/
adjective
1. met betrekking tot Bulgarije of de Bulgaarse taal
búlgaro
/bɵɫˈγ̊aːrs/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Bulgarije
búlgaro
noun
búlgara
noun
lev búlgaro
pronoun
1. een land in Zuidoost-Europa
Bulgaria
noun
1. gestoomde, daarna gedroogde en vervolgens grof gemalen of gebroken tarwekorrels, meestal durumtarwe
bulgur
noun
1. een schip dat speciaal gebouwd en uitgerust wordt om droge stortgoederen zoals ertsen, kolen, graan, enz, te vervoeren.
  1. buque de carga
  2. buque de carga a granel
  3. buque granelero
noun
1. zware van rupsbanden voorziene machine om terreinen te egaliseren
bulldozer
/bʏ.lə.ˈtɛ̃/
noun
boletín
noun
  1. bulto
  2. giba
  3. joroba
  4. corcova
  5. borbotón
noun
1. iemand met een bochel
  1. corcovado
  2. giboso
  3. jorobado
noun
bull terrier
/ˈbʏltrʏx/
noun
1. benaming voor een van de grotere baardwalvissen met lange borstvinnen
  1. ballena jorobada
  2. rorcual jorobado
noun
1. stootstang
parachoques
noun
1. zijdelings bijeengehouden verzameling langwerpige voorwerpen
fajo
noun
1. woning of vakantiehuis zonder bovenverdieping
bungalow
verb
hacer puenting
verb
hacer puenting
noun
1. zwaar versterkte verdedigingsstelling
búnker
verb
hacer carbón
noun
1. bepaald soort zoogdier, Mustela putorius
turón
noun
1. een krachtige narcotische pijnstiller
buprenorfina
noun
1. kasteel
  1. castillo
  2. burgo
noun
  1. 1. een werkmeubel voor administratief- en studiewerk
    escritorio
  2. 2. een (politie)kantoor
    1. oficina
    2. despacho
noun
burócrata
noun
burocracia
adjective
burocrático
noun
1. overlast uit nabuurschap
  1. disturbio en la vecindad
  2. disturbio vecinal
noun
1. onderdeel van het burgerlijk recht m.b.t. rechten, plichten en hinder uit de nabuurschap
derecho de vecindad
noun
1.
bureta
noun
1. hoofd van het gemeentebestuur
  1. alcalde
  2. alcaldesa
noun
alcaldesa
noun
1. inwoner van een stad of staat die bepaalde wettelijke rechten en plichten heeft
  1. ciudadano
  2. burgués
  3. paisano
/ˈbʏrɣərlək/
adjective
1. tot de burgers behorend, tot de middenstand behorend
  1. burgués
  2. civil
noun
1. een gewapende strijd tussen twee of meer bevolkingsgroepen binnen hetzelfde land, waarbij soms ook het leger betrokken is
guerra civil
noun
1. een recht dat men geniet als staatsburger van een land
derecho civil
noun
1. een recht dat men geniet als staatsburger van een land
derechos civils
noun
ciudadanía
noun
1. edelman
vizconde
noun
vizcondesa
noun
1. beitel met ruitvormige punt
buril
/bur.ˌki.na.ˈfa.so/, /bur.ˌki.na.ˈfɑ.so/
pronoun
1. een republiek in West-Afrika voorheen Opper-Volta genaamd.
Burkina Faso
adjective
burlesco
noun
franco de Burundi
/bu.ˈrun.di/
pronoun
1. een land in Afrika dat grenst aan Democratische Republiek Congo, Rwanda en Tanzania
Burundi
/bɵs/
noun
1. vervoermiddel op de weg voor een aanzienlijk aantal passagiers
  1. autobús
  2. bus
noun
1. iemand die beroepsmatig reizigers vervoert in een bus
  1. autobusero
  2. conductor de autobús
/ˈbʏshɑltə/, /ˈbʏshɑɫtə/
noun
1. een plek waar een bus stopt
parada de autobús
noun
1. een ontplofbaar mengsel van fijngepoederde kool, zwavel en salpeter
pólvora
noun
  1. 2. borstbeeld
    1. bulto
    2. busto
  2. 1. boezem
    1. busto
    2. pecho
    3. seno
noun
1. kledingstuk voor vrouwen.
  1. sujetador
  2. sostén
  3. corpiño
  4. ajustador
  5. brasier
  6. soutien
noun
bustier
noun
1. C₄H10
butano
noun
  1. E363
  2. ácido succínico
noun
  1. buteno
  2. butileno
noun
1. en 2. (vruchtvlees) van plant Cucurbita moschata
calabaza moscada
noun
1. een ester of zout afgeleid van boterzuur
butirato
/byr/
noun
1. een persoon die in andermans omgeving woont
vecino
noun
1. land dat grenst aan een bepaald land
pais vecino
noun
1. een man naast wie men woont
vecino
noun
  1. 1. een (deel van een) wijk
    1. barrio
    2. barriada
  2. 2. de nabijheid
    cercania
noun
1. gebouw waar allerlei activiteiten van en voor de bewoners van een buurt plaatsvinden
centro de vecinos
noun
  1. aldea
  2. pueblecito
noun
1. vrouw woonachtig in het belendende huis
vecina
noun
boj
noun
bizantino
/bizɑnˈtɛinsə/
noun
1. een vrouwelijke inwoner van Byzantium
bizantina
pronoun
Bizancio
noun
beta
noun
1. geneesmiddel bij problemen met de bloeddruk of het hartritme
  1. betabloqueante
  2. betabloqueador
noun
  1. beta bloqueador
  2. beta bloqueante
/ˈbɛːtaˌdeltʲə/
noun
partícula beta
noun
función beta
noun
betatrón
noun
desintegración beta
noun
datación por radiocarbono
/ˌkɑbɑˈrɛ(t)/
noun
1. een kleinkunst, vermaak met toneel, zang, dans, en voordracht
  1. cabaré
  2. cabaret
noun
1. een beoefenaar van de cabaretkunst
  1. humorista
  2. satírico
noun
  1. cabina
  2. camarote
noun
teleférico
/kakaˈoː/, /kaˈkɑu/
noun
1. product verkregen uit de bonen van de cacaoboom dat onder andere wordt gebruikt...
cacao
/kɑˈkʌʊbom/
noun
1. een boom waarvan uit de vruchten de cacao wordt gewonnen
  1. cacaotero
  2. árbol de cacao
noun
1. zaad dat zich in de peulvrucht van de cacaoboom bevindt
semilla de cacao
noun
1.
  1. manteca de cacao
  2. mantequilla de cacao
noun
1. bepaald soort nachtvlinder, Ephestia elutella
polilla de cacao
noun
1. een poederachtige substantie die wordt verkregen door het uitpersen van de cacaomassa van cacaobonen
cacao en polvo
noun
vaina
noun
1. een suikerrietdistillaat afkomstig uit Brazilië
cachaza
noun
caché
noun
1. een vetplant met stekels
  1. cacto
  2. cactus
noun
1. een stekelige vrucht van de Opuntia
  1. higo chumbo
  2. higo de pala
  3. higo de tuna
  4. tuna
  5. chumbera
  6. chumbo
noun
cadencia
noun
caddy
/kaˈdoː/
noun
1. iets dat men aan iemand geeft, meestal ter gelegenheid van een speciale gebeurtenis
regalo
noun
cadencia
noun
cadete
noun
1. scheikundig element met symbool Cd en atoomnummer 48
cadmio
noun
1. een eenvoudige eetgelegenheid, waar men een snelle hap kan nuttigen
cafetería
noun
prensa francesa
noun
1. een alkaloïde met structuurformule C₈H10N₄O₂ die van nature wordt aangetroffen in koffiebonen en theebladeren
cafeína
noun
1. een uitgaansgelegenheid waar men dranken kan nuttigen
café
noun
  1. enfermedad caisson
  2. enfermedad de los buzos
  3. mal de presión
  4. síndrome de descompresión
noun
1. luchtig gebak
  1. bizcocho
  2. cake
  3. tarta
  4. torta
  5. bizcochuelo
/ˈka.la/, /ˈkaː.la/
noun
1. een kleine ronde baai langs een steile kust met een nauwe doorgang naar de open zee
  1. cala
  2. ensenada
noun
calamidad
noun
calcita
noun
1. verkalking
calcificación
noun
calcinación
noun
1. scheikundig element met symbool Ca en atoomnummer 20
calcio
noun
  1. E263
  2. acetato de calcio
noun
1.een geneesmiddel dat de calciumkanaaltjes in het celmembraan van spiercellen blokkeert
antigonista del calcio
noun
1. calciumcarbid
carburo de calcio
noun
carbonato de calcio
noun
  1. E526
  2. hidróxido de calcio
noun
  1. E529
  2. óxido de calcio
noun
1. berekening
  1. cálculo
  2. cuenta
/kɑlkʏˈlatɔr/
noun
  1. 2. persoon
    calculador
  2. 1. machine
    calculadora
verb
1. rekenen
calcular
noun
caldera
pronoun
Caledonia
noun
caleidoscopio
adjective
  1. california
  2. californio
noun
california
noun
1. een scheikundig element en vermoedelijk een grijs of zilverkleurig actinide met het symbool Cf en het atoomnummer 98
californio
noun
californio
noun
centro de llamadas
noun
1. een eenheid van warmte, gelijk aan de warmte benodigd om een gram water een graad C in temperatuur te doen stijgen
caloría
adjective
1. weinig calorieën bevattend, light
bajo en calorias
/ˌkalɔriˈmetər/
noun
1.instrument dat warmte of warmtestromen meet
calorímetro
noun
meting van hoeveelheden vrijgekomen warmte
calorimetría
adjective
  1. calorífico
  2. calórico
noun
2. een woord of woordgroep die is gevormd door middel van een één-op-één vertaling...
calco
noun
papel de calco
verb
1. op doorschijnend papier of linnen overtrekken
calcar
noun
1.een sterke alcoholische drank
calvados
pronoun
Calvario
noun
1. gereformeerde substroming binnen het Christendom waarin o.a. het voorbestemd zijn centraal staat
calvinismo
/kaˈlɪmijʏm/
noun
Calímico
noun
cámbium
/kɑm.ˈbɔ.dja/, /kɑm.ˈbɔ.tʃa/
pronoun
1. een land in Zuidoost-Azië dat in het noorden grenst aan Laos, in het noordwesten en westen aan Thailand en in het oosten en zuidoosten aan Vietnam
  1. Camboya
  2. Reino de Camboya
adjective
camboyano
noun
camboyana
noun
riel camboyano
pronoun
Cambridge
/ˈkɑmbrijʏm/
noun
Cámbrico
noun
camelia
noun
  1. circuito cerrado de televisión
  2. videovigilancia
noun
1.
camarógrafo
noun
  1. circuito cerrado de televisión
  2. videovigilancia
noun
Camorra
noun
camuflaje
/kɑmuflerən/
verb
1. een voorwerp onopvallend maken
  1. camuflar
  2. camuflajear
/kɑmˈpɑɲə/
noun
campaña
/ˈkɑmpɪŋ/, /ˈkɛmpɪŋ/
noun
1. een terrein met voorzieningen om te kamperen
  1. campamento
  2. camping
/ˈka.na.da/, /ˈkɑ.nɑ.da/
pronoun
1. een soevereine staat in de noordelijke helft van Noord-Amerika
Canadá
noun
  1. abeto
  2. abeto balsámico
noun
dólar canadiense
adjective
canario
pronoun
  1. Canarias
  2. islas Canarias
  3. Islas Canarias
pronoun
  1. Canarias
  2. islas Canarias
noun
candela
noun
candida
verb
1. van groeven voorzien
acanalar
noun
1. elk van de (verticale) groeven op zuilen en pilasters
canaladura
/'ka.nɔn/
noun
1. de strengste vorm van een meerstemmige compositie, waarin de stemmen elkaar in de tijd verschoven imiteren
canon
noun
1. de waardigheid en taken van een kanunnik
canonjía
/ˌka.no.ˈnik/
adjective
  1. 1. standaard deel uitmakend van of overeenstemmend met een bepaalde canon.
  2. 2. kerkrechtelijk
  3. 3. standaard voorgeschreven
canónico
verb
1. tot canon maken
canonizar
noun
  1. canope
  2. vaso canopo
pronoun
1. een van de 17 autonome regio’s en provincie in het noorden van Spanje gelegen ten oosten van Asturië en ten westen van Baskenland met de hoofdstad Santander
Cantabria
noun
1. en 2. (vrucht van) plant Cucumis melo var. cantalupensis
melón cantaloupe
noun
cantata
/ˌkɑntaˈrɛɫ/
noun
1. bepaald soort eetbare paddenstoel met een lichte pepersmaak, Cantharellus cibarius
  1. rebozuelo
  2. anacate
  3. cantarela
noun
cantilena
noun
cañamazo
noun
Contrato Colectivo de Trabajo
/kɑˈpabəl/
adjective
1. kundig, bekwaam
capaz
noun
impedantie
capacitancia
noun
  1. 1. mogelijkheid om iets te bevatten
    capacidad
  2. 2. aanwezigheid van persoonlijke eigenschappen die vereist zijn voor bepaalde activiteiten
    1. capacidad
    2. inteligencia
    3. talento
/ˌkapiˈbaːra/
noun
1. Hydrochoerus hydrochaeris, een groot knaagdier...
  1. capibara
  2. carpincho
noun
1. een haarvat, het kleinste vat van de bloedsomloop
capilar
/ˌka.pɪ.la.ri.ˈtɛɪ̯t/
noun
capilaridad
verb
1. meubels of wanden bekleden met een verende laag
  1. acojinar
  2. acolchar
noun
1. internationaalrechtelijke verklaring dat een partij de strijd tijdens een oorlog opgeeft
capitulación
verb
1. het verzet staken, zich overgeven
capitular
noun
  1. capodastro
  2. cejilla
noun
1. kopje koffie dat uit gelijke delen espresso, melk en melkschuim bestaat
capuchino
noun
1. een ester of zout afgeleid van caprinezuur
caprato
pronoun
Isla de Capri
adjective
azul capri
noun
capricho
adjective
capricioso
noun
1. CH₃(CH₂)₆COOH
ácido caprílico
noun
1. CH₃(CH₂)₈COOH
ácido cáprico
noun
1. CH₃(CH₂)₄COOH
ácido caproico
noun
1. een ester of zout afgeleid van caprilinezuur
caprilato
noun
2.een omhulsel, veelal van gelatine met een medicijn erin
cápsula
noun
capitán
verb
1. opvangen van signalen, zenders, stroom enz...
captar
/ˌka.py.ˈʃɔ̃ː/, /ˌkɑ.py.ˈʃɔn/
noun
1. hoofdkap bevestigd aan een kledingstuk
  1. capucha
  2. capuchón
  3. capuz
noun
1. bepaald soort zoogdier, Profelis caracal
caracal
/karákas/
pronoun
1. de hoofdstad van de Zuid-Amerikaanse staat Venezuela
Caracas
noun
caracol
/karɑm'bol/
noun
1. een beoogde botsing van twee biljartballen
  1. carambola
  2. billar francés
noun
1. kampeerwagen, woonwagen, aanhangwagen die kan dienen als woonst
caravana
/karaˈʔibə(n)/
pronoun
Caribe
adjective
caribeño
noun
1.een anti-epilepticum
  1. carbamazepina
  2. carbamacepina
noun
carbeno
noun
1. carbid
carburo de calcio
noun
1. carbide
carburo
noun
1. carbidgas/acetyleen
acetileno
noun
1. carbidlamp
lámpara de acetileno
noun
fenol
noun
carbonato
noun
fibra de carbono
verb
1. omzetten van organische stof in koolstof
carbonizar
noun
  1. papel carbón
  2. papel cebolla
noun
1. een organische verbinding die de functionele groep -COOH bezit
ácido carboxílico
/kɑrˈbon/
noun
Carbonífero
noun
carburador
noun
carburación
noun
1. toestel dat vloeibare brandstof (bv. benzine) in fijn verdeelde toestand vermengt met lucht
carburador
verb
carburar
noun
1. carbuur
carburo de calcio
adjective
1. kankerverwekkend
  1. carcinógeno
  2. cancerígeno
noun
  1. cancerígeno
  2. carcinógeno
noun
1. kankergezwel
carcinoma
noun
cardán
noun
1. aandrijfas die tevens de versnellingsbak van een auto met het differentieel verbindt
  1. eje cardán
  2. árbol cardán
  3. árbol de transmisión
adjective
1. met betrekking tot het hart
  1. cardiaco
  2. cardíaco
noun
cardiógrafo
noun
cardiograma
/kɑrdijolo'xi/
noun
1. een medisch specialisme dat zich bezighoudt met het opsporen, diagnosticeren en behandelen van hartziekten
cardiología
adjective
1. met betrekking tot hartziekten
cardiológico
/kɑrdijo'lox/
noun
cardiólogo
/ˌkɑr­.di­.jo­ˌmi­.jo­.pa­ˈti/
noun
1. hartspierziekte
cardiomiopatía
noun
1. hartziekte
cardiopatía
noun
1.
  1. cargador
  2. corredor marítimo
pronoun
Caribe
adjective
caribeño
pronoun
1. de zee ten westen van de Atlantische Oceaan, begrensd door de Kleine en de Grote Antillen, de noordkust van Zuid-Amerika en de oostkust van Midden-Amerika
mar Caribe
noun
1. muziekinstrument met klokken
carillón
noun
1. iemand die een beiaard of carillon bespeelt
campanólogo
noun
caries
adjective
carnal
noun
1. volksfeest waarbij onder meer grote verkleedpartijen plaatsvinden,...
  1. carnaval
  2. carnestolendas
noun
  1. grupo de carnaval
  2. peña
noun
carneola
/kɑrniˈvor/
noun
1. een vleesetend dier
carnívoro
noun
caroteno
noun
carotenoide
noun
síndrome del túnel carpiano
noun
1. loopbaan, werkgerelateerde maatschappelijke positie
carrera
noun
1. koetswerk van een voertuig
carrocería
noun
  1. carrusel
  2. tiovivo
noun
  1. carré
  2. cuadrado
noun
pena
pronoun
Cartagena
noun
peno
noun
1. carter
cárter
noun
producto cartesiano
pronoun
Cartago
noun
1. iemand die land-, zee- en/of luchtkaarten maakt
cartógrafo
noun
1. de kunst en wetenschap van het vervaardigen van land-, zee- en/of luchtkaarten
cartografía
noun
  1. cas
  2. guayaba de Costa Rica
noun
cascada
noun
caseína
noun
anacardo
noun
1.eetbaar zaadje van de cashew
  1. anacardo
  2. nuez de anacardo
  3. nuez de caoba
  4. nuez de marañón
noun
1. een gelegenheid waar in een luxe omgeving gegokt wordt
casino
noun
pan de molde
noun
casación
noun
1. Manihot esculenta, een eetbare wortelknol
  1. mandioca
  2. yuca
  3. casava
  4. guacamote
  5. tapioca
verb
casar
noun
1. een behuizing voor video- en audiobanden
casete
noun
magnetófono de casete
noun
castañuela
noun
1. handklepper van twee bolvormige stukjes hout met een touwtje aan elkaar verbonden
castañuelas
pronoun
1. Spaans zoals dat officieel in Spanje wordt gesproken
castellano
pronoun
1. landstreek in Spanje
Castilla
pronoun
Castilla y León
pronoun
Castilla-La Mancha
pronoun
  1. 1. mythologische figuur
  2. 2. ster
  3. 3. berg
Cástor
noun
  1. castrado
  2. 2. gecastreerde zanger
    castrato
noun
1. ontmanning, het volledig verwijderen van de teelballen bij de man
  1. castración
  2. emasculación
noun
complejo de castración
verb
1. een sterilisatie uitvoeren van een man of mannelijk dier door verwijdering van de zaadballen
castrar
noun
casualidad
noun
  1. 1. een naamval
    caso
  2. 2. concrete voorbeeld(en) van iets in de praktijk, vooral gebruikt in wetenschappelijke uitleg en cursussen
    ejemplo
noun
1.
casuística
noun
cataclismo
pronoun
1. een Romaanse taal die wordt gesproken in Catalonië, Valencia, Aragón, Balearen, Andorra, Frankrijk en Italië
catalán
noun
catalana
noun
catalepsia
verb
1. in een register onderbrengen
catalogar
pronoun
1. een van de 17 autonome regio’s van Spanje, gelegen in het noordoosten van het Iberisch Schiereiland; de twee officiële talen zijn Catalaans en Spaans
Cataluña
noun
1.
catálogo
noun
1. grijze staar, een troebeling van de ooglens die het zien verstoort
catarata
/ˌkatɑstroˈfal/
adjective
1. rampzalig
catastrófico
noun
1. een algemene ramp
catástrofe
noun
teoría de las catástrofes
noun
1. achtervanger bij o.a. honkbal
  1. receptor
  2. cácher
noun
catequista
verb
catequizar
noun
1. onderdeel van een rangschikking, rang, groep.
categoría
noun
categorización
adverb
1. kategórigamente
categórico
verb
categorizar
adjective
1. met betrekking tot het (staart) uiteinde, ook gebruikt voor het onderste deel van ruggemerg
caudal
noun
caudillo
adjective
1. oorzakelijk
causal
noun
causalidad
noun
1. bijtende chemische stof
cáustico
noun
cauterización
verb
1. uitbranden van wonden
cauterizar
noun
  1. caución
  2. fianza
/ˈkava/
noun
1. Spaanse mousserende wijn
cava
noun
1
cabalgata
noun
1. strijdmacht te paard
caballería
noun
1. benaming voor knaagdieren uit het geslacht Cavia
cobaya
noun
cavitación
noun
1. een gat of ruimte bijv. gaatje door tandbederf
cavidad
pronoun
Cayena
noun
1. en 2. een peper, een scherp specerij
  1. pimienta de Cayena
  2. ají
  3. ají chile
  4. ají de cayena
  5. ají guaguao
  6. ají pajarito
noun
1. compact disc
CD
noun
1. persoon die een vordering overdraagt
cedente
/ˈsedər/
noun
1. benaming voor bomen uit het geslacht Cedrus
cedro
verb
ceder
noun
lista
noun
  1. 1. een kleine ruimte waar iemand voor straf moet zitten (in een gevangenis)
    1. celda
    2. celda de castigo
    3. cubículo
  2. 2. een kleine ruimte (in een klooster)
    1. celda
    2. célula
  3. 4. een zeshoekige opslagplaats in een bijenraat
    1. celda
    2. ergástulo
  4. 3. de kleinste eenheid binnen een levend organisme waarin alle genetische informatie vervat zit
    1. célula
    2. celda
noun
1.de wetenschap van organische cellen.
biología celular
noun
división celular
pronoun
Célebes
verb
1. plechtig herdenken
celebrar
noun
1. slagwerkinstrument met een klavier
celesta
noun
celibato
adjective
célibe
/sɛlkɛrən/
noun
1.
  1. núcleo
  2. núcleo celular
noun
1. musicus die een violoncello of kortweg een cello bespeelt
celista
noun
1. een viersnarig strijkinstrument dat tijdens het bespelen door de cellist tussen de knieën wordt gehouden
violoncelo
/sɛ.ly.ˈlɛːr/
adjective
celular
noun
1. ontsteking van het onderhuidse bindweefsel
celulitis
noun
1.
celuloide
/ˌsɛ.ly.ˈlo.zə/
noun
1. een polysacharide die door nagenoeg alle planten wordt gemaakt en die de plant stevigheid geeft
celulosa
noun
1. een omhulsel van de cel bestaande uit fosfolipiden en eiwitten
membrana celular
noun
detención
/sɛlʋɑnd/
noun
1.
pared celular
noun
1. een bouwmateriaal bestaande uit kalk, zand en grind
cemento
verb
  1. 2. metaal gloeien met kool
    cementar
  2. 1. met cement bestrijken
    1. cementar
    2. encementar
noun
1. een fabriek waar cement geproduceerd wordt
fábrica de cemento
adjective
gris cemento
noun
1. een toestel voor het mengen van de bestanddelen van de mortel of beton
  1. hormigonera
  2. betonera
noun
mortero de cemento
/senoˈzowikʏm/
noun
Cenozoico
verb
1. bewust informatie uit de media weghalen
censurar
/sɛnˈsyr/
noun
1. de controle van de kant van de overheid op alles wat de media uitbrengen
censura
noun
centavo
noun
quintal
noun
centenario
noun
punzón
noun
centigramo
/'sɛntiˌmetər/
noun
1. een lengtemaat die gelijk is aan één honderdste van een meter
centímetro
adjective
  1. 2. vanuit één punt bestuurd
    central
  2. 1. in het midden gelegen
    1. central
    2. céntrico
adjective
centroafricano
noun
centroafricana
/sɛn.ˌtral.a.fri.ˌkan.sə.re.py.ˈblik/, /sɛn.ˌtral.ɑ.fri.ˌkans.re.pʏ.ˈbliːk/, /sɛn.ˌtraɫ.a.fri.ˌkan.sə.re.py.ˈblik/
pronoun
1. een land in Midden-Afrika, officieel de Centraal-Afrikaanse Republiek, dat geheel door land wordt omsloten
República Centroafricana
pronoun
  1. América Central
  2. Centroamérica
pronoun
Asia Central
pronoun
bicolano central
pronoun
Europa Central
pronoun
1. Iraanse taal gesproken door 6 miljoen mensen in Irak en Iran
kurdo
noun
central
noun
1. een verwarmingssysteem, waarbij de warmte centraal wordt opgewekt
calefacción central
verb
1. op één punt samenbrengen
centralizar
noun
centralismo
verb
1. in het middelpunt brengen
centrar
adjective
1.
centrífugo
noun
embrague centrífugo
noun
1. pomp die een vloeistof verpompt door het met een draaiend rad naar buiten te slingeren
bomba centrífuga
noun
1. centrifugaalmachine
  1. centrifugadora
  2. centrífuga
verb
1. met een centrifuge scheiden, zuiveren of drogen
centrifugar
/ˌsɛntriˈol/
noun
1. een eiwitstructuur die het hart vormt van het microtubulenetwerk
  1. centriolo
  2. centríolo
noun
centrómero
noun
centrosoma
noun
1. middelpunt
centro
adjective
centroderecho
pronoun
Ceram
noun
cerámica
adjective
1. met betrekking tot de grote hersenen
cerebral
adjective
1. met betrekking tot de bloedvaten in de hersenen
cerebrovascular
noun
1. een plechtige aangelegenheid
ceremonia
adjective
ceremonial
noun
  1. bastonero
  2. maestro de ceremonias
adjective
cereza
noun
cerio
/ˌsɛrtifiˈkat/
noun
1. een schriftelijk bewijs
certificación
noun
autoridad de certificación
verb
1. het officieel verklaren dat iets geldig is of voldoet aan een norm (zwart op wit geven)
certificar
noun
cervelat
adjective
1. met betrekking tot de hals en de nek
cervical
noun
cesio
verb
cesar
noun
1. overdracht van schuldvordering
cesión
noun
1. persoon die een vordering verkrijgt
cesionario
noun
  1. número de cetano
  2. índice de cetano
pronoun
Ceuta
pronoun
  1. Ceilán
  2. Ceylan
noun
  1. té Ceilán
  2. té de Ceilán
pronoun
Chaco
adjective
1. in slechte stemming, slecht gehumeurd
malhumorado
noun
piel de zapa
pronoun
  1. Calcedonia
  2. Calcedón
noun
calcedón
noun
calcedón
noun
Caldea
noun
1. traditionele houten berghut met schuin dak, van oorsprong uit het alpengebied
chalet
/ʃɑmˈpɑɲə/
noun
1. een schuimwijn uit de champagnestreek in Frankrijk
  1. champaña
  2. champán
noun
  1. champanera
  2. cubitera
noun
1. bepaald soort eetbare en speciaal gekweekte witte paddenstoel, Agaricus bisporus
champiñón
noun
  1. chanson
  2. copla
  3. cuplé
noun
1. mensen onder voor de buitenwereld onzichtbare bedreiging zaken tegen hun wil laten doen
chantaje
verb
1. onder bedreiging een schandaal te veroorzaken iemand geld afhandig maken
  1. chantajear
  2. extorsionar
/ʃɑnˈtør/
noun
1. iemand die chantage pleegt
  1. chantajista
  2. extorsionador
  3. extorsionista
noun
2. vrouw die chantage pleegt
  1. chantajista
  2. extorsionadora
  3. extorsionista
noun
1. grote wanorde
caos
noun
1. deelgebied van de wiskunde en natuurwetenschappen dat zich bezighoudt met het gedrag van dynamische systemen zoals dat sterk door hun begintoestand wordt bepaald.
teoría del caos
adjective
caótico
verb
chaperonear
noun
charada
verb
2. iets overdreven voorstellen om iemand of iets belachelijk te maken
  1. abultar
  2. agravar
  3. exagerar
noun
1. uitstraling
carisma
/ˈʃar.la.tan/
noun
charlatán
adjective
1. aangenaam in omgang
encantador
/sjarme/
noun
1. de eigenschappen van iemand waardoor die persoon aardig, leuk en vriendelijk wordt gevonden
encanto
verb
1. bekoren
  1. encantar
  2. hechizar
  3. agradar
  4. embelesar
  5. extasiarse
noun
1. iemand die vrouwen weet te bekoren
  1. encanto
  2. seductor
noun
dinero en efectivo
noun
  1. 2. handvest, beperkte grondwet
    carta
  2. 4. chartervlucht
    chárter
  3. 3. charterpartij
    contrato de fletamento
noun
viaje chárter
noun
1. vlucht met afgehuurd vliegtuig
  1. chárter
  2. vuelo chárter
noun
  1. 1. raamwerk
    1. armazón
    2. bastidor
    3. chasis
    4. cuadro
  2. 2. onderstel van een...
    1. bastidor
    2. chasis
    3. plataforma
noun
bot conversacional
noun
chateaubriand
pronoun
Chatham
pronoun
Chatham Islands
verb
  1. conducir
  2. dirigir
/ʃaʊ̯.ˈføːr/, /ʃo.ˈføːr/, /ʃo.ˈfʏːr/
noun
1. de bestuurder van een motorvoertuig
  1. chófer
  2. conductor
noun
  1. chovinismo
  2. patriotismo
noun
  1. chovinista
  2. patriotero
adjective
  1. 2. met betrekking tot het chauvinisme
    chauvinista
  2. 1. behept met een overdreven vorm van vaderlandsliefde
    patriotero
/ˈtʃɛkən/
verb
1. controleren, nakijken
  1. verificar
  2. controlar
  3. chequear
  4. examinar
  5. inspeccionar
noun
suma de verificación
noun
hamburguesa con queso
noun
1. Acinonyx jubatus, een zeer snel Afrikaans katachtig roofdier
guepardo
noun
1. de baas, iemand die de leiding heeft
  1. amo
  2. jefe
  3. patrón
noun
  1. terapia de quelación
  2. terapia quelante
noun
producto químico
noun
químico
noun
1. wetenschap die zich bezig houdt met de kennis van de stoffen ...
química
adjective
1. dat wat tot de chemie behoort, volgens de chemie
químico
noun
elemento químico
verb
  1. camisar
  2. encamisar
noun
quimioluminiscencia
noun
1. medicijnen waarmee kanker behandeld wordt
quimioterapia
noun
1. behandeling van kanker met medicijnen
quimioterapia
/ʃɛk/
noun
cheque
noun
  1. 1. tropische plant, Annona cherimola
    cherimoyo
  2. 2. eetbare hartvormige vrucht van Annona cherimola
    1. chirimoya
    2. anona colorada
    3. anona rosada
    4. anón
/tʃɛ.ˈrɔ.ki/, /ˈtʃeː.ro.keː/
pronoun
1. inheemse taal gesproken door enkele duizenden mensen in Noord-Amerika
cheroquí
noun
  1. 2. bepaald model mantel
    abrigo chesterfield
  2. 1. bepaald model armstoel of canapé
    sofá chesterfield
noun
cheviot
noun
1. een rode wijn uit een gelijknamig wijnbouwgebied in Toscane
  1. chianti
  2. quianti
noun
quiasmo
/sʲik/
noun
  1. 1. modieus verfijnd
    1. chic
    2. elegante
    3. refinado
  2. 2. uit de hoge stand
    distinguido
pronoun
Chicago
noun
chicane
noun
chick lit
noun
director ejecutivo
noun
chifón
/xɛil/
noun
1. lymfe met veel vet zoals de darmvlokken die bij de spijsvertering uit de darminhoud opnemen en in de chylusvaten afscheiden
quilo
adjective
chileno
noun
chilena
noun
peso chileno
/ˈʃi.li/
pronoun
1. een land in Zuid-Amerika, grenzend aan Peru, Bolivia en Argentinië en ingeklemd liggend tussen de Stille Zuidzee en het Andesgebergte
Chile
noun
quimera
/ˌʃɪm.pɑn.ˈse/
noun
1. Pan troglodytes, de meest aan de mens verwante mensaap, leeft in Centraal-Afrika
chimpancé
noun
quimera
/ˈʃi.na/
pronoun
1. een land in Oost-Azië, officieel de Volksrepubliek China
China
noun
chinchilla
/ʃi.ˈnes/
adjective
1. betreffende China
  1. chino
  2. china
/ʃi.ˈnes/
pronoun
  1. 1. de voornaamste taal die in China gesproken wordt
    chino
  2. 2. persoon
    1. chino
    2. china
noun
(bladeren van) Brassica rapa subsp. pekinensis
col china
noun
renminbi chino
noun
1. bepaald soort grasachtige plant, Eleocharis dulcis
castaña de agua
noun
yuan renminbi de China
noun
  1. chino
  2. colador chino
noun
2. een klein stukje halfgeleiderkristal waarop geïntegreerde circuits zijn aangebracht
  1. chip
  2. circuito integrado
noun
tarjeta inteligente
noun
1. niet bezegelde, door identieke gedeeltes bevestigde oorkonde
  1. carta partida
  2. quirógrafo
noun
quiromancia
noun
quiropráctica
noun
quiropráctica
/ʃi'rʏr(ə)x/
noun
1. specialist
  1. cirujano
  2. quirurgo
noun
1. de wetenschap van en de vaardigheid in het opereren
cirugía
adjective
1. betrekking hebben op operatief
quirúrgico
noun
cloro
noun
1. een bacteriostatisch antibioticum dat de synthese van eiwitten in bacteriën remt
  1. cloranfenicol
  2. cloramfenicol
noun
  1. E926
  2. dioxyde de chlore
  3. dióxido de cloro
noun
  1. CFC
  2. clorofluorocarbonado
  3. clorofluorocarbono
  4. clorofluorocarburo
noun
1.
cloral
verb
1. chloor toevoegen aan
  1. clorar
  2. clorificar
  3. clorinar
verb
1. chloor toevoegen aan
  1. clorar
  2. clorificar
  3. clorinar
noun
cloruro
noun
clorita
noun
cloroformo
verb
1. gevoelloos maken met chloroform
cloroformizar
noun
clorofila
noun
clorosis
noun
1. taxonomische groep, Choanoflagellata
  1. choanoflagellata
  2. coanoflagelados
/xoˈanoflɑɣɛˌlatə(n)/
noun
1. taxonomische groep, Choanoflagellata
  1. choanoflagellata
  2. coanoflagelados
noun
helado de chocolate
/ˌʃo.ko.ˈla/
noun
1. een lekkernij die gemaakt is van cacao, suiker en cacaoboter
chocolate
/sʲoko'latʲə/
noun
2. stukje chocola
chocolatina
/ˌʃo.ko.ˈla.də/, /ˌʃɔko.ˈla.də/
noun
1. een lekkernij die gemaakt is van cacao, suiker en cacaoboter
chocolate
adjective
chocolate
noun
fondue de chocolate
noun
fuente de chocolate
noun
1. kleine chocoladen korrels
granizo de chocolate
noun
1.
golosina de chocolate con forma de letra mayúscula
noun
1. drank gemaakt van cacao, suiker en melk
  1. leche con chocolate
  2. chocolatada
  3. chocolate
  4. leche chocolatada
noun
1.
pasta de chocolate
noun
  1. pudín de chocolate
  2. pudín sabor chocolate
noun
tableta de chocolate
noun
trufa de chocolate
noun
copos de chocolate
noun
1. chocoladewinkel, chocoladefabriek
  1. chocolatería
  2. bombonería
pronoun
Chocó
noun
  1. estrangulador
  2. cierre del aire
  3. estárter
noun
1. ontsteking van de galblaas
colecistitis
noun
  1. colecistocinina
  2. colecistoquinina
/χoləra/
noun
1. een zeer besmettelijke infectieziekte die de darmen aantast
cólera
noun
1. stof die de galvorming bevordert
colerético
adjective
colérico
noun
1. vet dat in je lichaamscellen zit, zoals galvet, lichaamsvet
colesterol
noun
colina
noun
1. muziekinstrumenten waarbij de toon wordt geproduceerd door een trillende snaar
cordófono
noun
coreógrafo
noun
coreografía
noun
gonadotropina coriónica
noun
  1. crestomatía
  2. antología
  3. florilegio
noun
santos óleos
adjective
1. te maken hebbend met het christendom
cristiano
/ˈkrɪs.tən/
noun
1. een belijder van de christelijke godsdienst
  1. cristiano
  2. cristiana
noun
socialismo cristiano
noun
democracia cristiana
/ˈkrɪ.stən.ˌdɔm/
noun
1. een religie gebaseerd op het evangelie en leven van Jezus zoals beschreven in het Nieuwe Testament
  1. cristianismo
  2. cristiandad
/ˈkrɪs.tə.nə(n)/
noun
cristianos
noun
persecución a los cristianos
noun
fundamentalismo cristiano
noun
socialismo cristiano
noun
persecución de los cristianos
pronoun
  1. Christmas
  2. Kiritimati
  3. isla Christmas
  4. isla de Navidad
noun
habitante de la Isla Christmas
adjective
de la isla Christmas
noun
habitante de la Isla Christmas
noun
cristología
/ˈxrɪstʏs/
pronoun
  1. Cristo
  2. Jesucristo
noun
cromato
noun
cromátida
adjective
1. “kleuring” van standaardtreden van een toonladder door incidentele toonverhogingen of - verlagingen
cromático
noun
escala cromática
noun
cromatóforo
noun
cromatografía
noun
cromo
noun
cromodinámica
adjective
cromóforo
noun
cromoplasto
noun
cromosfera
/ˌɣro.mo.zo.ˈmal/, /ˌɣro.mo.zo.ˈmaɫ/, /ˌχro.mo.zo.ˈmaɫ/
adjective
1. met betrekking tot de chromosomen, de eiwitten die erfelijke informatie bevatten
cromosómico
/ˌχroʊmoʊˈsoʊm/
noun
1. staafachtig lichaampje
cromosoma
noun
1. iemand die kronieken schrijft
cronista
/ˈkronis/
adjective
1. voortdurend, aanhoudend
crónico
phraseologicalUnit
encefalopatía traumática crónica
noun
fotografie van bewegende objecten
cronofotografía
noun
instrument om nauwkeurig het begin en einde van een waarneming te registreren
cronógrafo
/xrono.lo'ɣiː/
noun
1. de wetenschap die zich bezig houdt met het rangschikken in de tijd van historische gebeurtenissen
cronología
noun
cronólogo
noun
1. een uurwerk waarop zeer kleine tijdsdelen kunnen worden afgelezen
cronómetro
noun
cronoterapia
noun
cromo
adjective
verde cromo
pronoun
1. Boliviaans departement gelegen in het zuiden van het land. Hoofdstad is Sucre
Chuquisaca
noun
churros
noun
chutney
/ˌxi.lo.mi.ˈkrɔn/, /ˌχi.lo.mi.ˈkrɔn/
noun
1. een grote door darmwandcellen geproduceerde lipoproteïne, waarin lipiden uit het voedsel van de darmwandcellen naar andere weefsels worden getransporteerd
quilomicrón
/ˈxilʏs/
noun
1. lymfe met veel vet zoals de darmvlokken die bij de spijsvertering uit de darminhoud opnemen en in de chylusvaten afscheiden
quilo
noun
  1. ciborio
  2. copón
noun
1. groot, halfvleugelig insect, leeft in Zuid-Europa en in de tropen (Cicadidae)
  1. cigarra
  2. chicharra
  3. cicada
noun
1. littekenvorming
cicatrización
noun
cícero
adjective
ciceroniano
/ˌsikoˈrɛɪ/
noun
  1. achicoria
  2. achicoria amarga
  3. achicoria de Bruselas
  4. achicoria de café
  5. achicoria de hoja
  6. achicoria de raíz
noun
1. vruchtenwijn uit gegist appelsap of perensap
  1. sidra
  2. sidra de manzana
noun
vinagre de sidra
noun
cigarrillo
noun
1. een enkelvoudig symbool om een telbaar aantal aan te duiden
cifra
verb
calcular
noun
aritmética
noun
tributo
pronoun
Cilicia
noun
cilindro
noun
1. de inhoud van het deel van de cilinder waarlangs de zuiger zich verplaatst, het slagvolume
cilindrada
adjective
1. zoals een cilinder, cilindervormig, buisvormig
cilíndrico
noun
1.
cine
noun
1. voorloper van de filmprojector
cinematógrafo
noun
1.
cine
noun
  1. cineraria
  2. senecio
noun
1. iemand die gevangenen bewaakt en verzorgt
  1. carcelero
  2. alcaide
  3. guardia
  4. guardián de cárcel
noun
1. bepaald soort naaldboom, Cupressus sempervirens
ciprés
abbreviation
  1. a eso de
  2. aproximadamente
  3. cerca de
  4. próximamente
noun
1. omloop voor snelheidswedstrijden
circuito
adjective
circular
noun
circulación
noun
1.
bomba de circulación
noun
1.
bomba de circulación
verb
1. in omloop zijn
circular
noun
circuncisión
adjective
circumpolar
noun
  1. 2. chaotische toestand
    1. aparato
    2. circo
  2. 1. attractie
    circo
/ˈsɪrkəɫ/
noun
círculo
verb
1. in cirkels ronddraaien of rondvliegen
girar
noun
circunferencia
noun
  1. petición de principio
  2. petitio principii
noun
corona circular
noun
sector circular
noun
  1. segmento circular
  2. segmento de un círculo
/ˈsɪrkəlzax/
noun
1. motorzaag met een rond zaagblad
sierra circular
noun
1.
cirrosis
noun
cirrostrato
/'sɪrɵs/
noun
1. een zeer hoog drijvende wolk die eruitziet als katoenvlokken, pluimen of veren, in regelmatige strepen aan de hemel verdeeld
cirro
verb
1. heel fijne reliëfversieringen in metalen voorwerpen maken
  1. repujar
  2. abollonar
  3. cincelar
noun
cisplatino
noun
cisterna
noun
1. aanhaling, ontleende passage
  1. cita
  2. citación
noun
índice de citación
noun
1. een snaarinstrument dat voornamelijk gebruikt wordt in het Duitstalige deel van Europa
cítara
verb
1. eigen of andermans woorden ontlenen
citar
noun
  1. citrino
  2. cuarzo citrino
noun
1. ovale, gele zure vrucht van de citroenboom
  1. limón
  2. citrón
noun
  1. hoja de lima kaffir
  2. limón
  3. limón agria
  4. limón agrio
  5. limón amarillo
  6. limón criollo
noun
1. uit China afkomstige boomsoort waarvan de citroen de vrucht is, Citrus limon
limonero
adjective
amarillo limón
noun
  1. caña Santa
  2. caña de limón
  3. citronella
  4. hierba de limón
  5. hierba limonera
  6. hierba limón
noun
helado de limón
noun
exprimidor de limones
noun
abrótano macho
noun
  1. citrino
  2. cuarzo citrino
noun
1. Melissa officinalis, een vaste plant die naar citroen ruikt; van de bladeren kan thee gezet worden
  1. melisa
  2. toronjil
  3. citronela
  4. hoja de limón
noun
exprimidera
noun
2. raspsel van de schil van een citroen
ralladura de limón
noun
1. en 2. schil van een citroen
  1. corteza de limón
  2. cáscara de limón
noun
tomillo limón
noun
1. dagvlinder van de Pieridaefamilie
  1. limonera
  2. mariposa del limón
noun
ácido cítrico
noun
citrico
noun
  1. algalia
  2. civeta
noun
1. Viverra, een geslacht van kleine slank gebouwde roofdieren dat ---
  1. civeta
  2. algalia
  3. gato de algalia
adjective
civil
noun
derecho civil
noun
ingeniería civil
noun
civilización
verb
1. beschaving bijbrengen
civilizar
noun
  1. 2. recht
    derecho
  2. 1. aanspraak op vergoeding van schade
    reclamación
noun
1. artistieke techniek
claroscuro
noun
clan
noun
clandestinidad
verb
clarificar
noun
clarisa
noun
clarisa
noun
clasicismo
noun
clasificación
noun
sociedad de clasificación
verb
clasificar
noun
1. vaste insluitverbinding van water en een ander molecuul
clatrato
noun
1. pijn en kramp in de benen als gevolg van een slagaderlijke vaatafwijking
claudicación
/klʌstrofoˈbiː/, /klʌustrofoˈbiː/
noun
1. vrees voor afgesloten ruimten
claustrofobia
/klʌʊˈsylə/
noun
1. een extra bepaling in een ambtelijke brief.
cláusula
verb
clausular
noun
1. afsluiting van bepaalde delen van een klooster
separación
noun
ácido clavulánico
adjective
cleistógamo
noun
1. de leiders van een kerkgenootschap
clero
noun
clientela
noun
climaterio
noun
clip art
adjective
1. een onbeklemtoonde vorm aannemend, vaak met reductie van volle klinkers tot een sjwa
clítico
noun
1. gevoelig orgaan bovenaan de schaamspleet van de vrouw dat voor de seksuele opwinding zorgt
clítoris
noun
clienta
noun
  1. clientelismo
  2. clientelismo político
noun
1. een medicijn dat onder andere de bloedvaten verwijdt en de bloeddruk verlaagt
clonidina
/kloːn/, /klʌːun/
noun
  1. 1. komische artiest
    1. payaso
    2. clown
    3. payasa
    4. arlequín
    5. augusto
  2. 2. bespottelijk iemand
    1. payaso
    2. payasa
noun
1. bepaalde soort kleine vis Amphiprion ocellaris
pez payaso común
/klɵp/
noun
  1. 1. besloten gemeenschap
    club
  2. 3. golfstok
    1. club
    2. palo
    3. palo de golf
  3. 2. gemakkelijke stoel
    1. sillón
    2. butaca
noun
club sándwich
noun
bomba de racimo
noun
cefalea en racimos
noun
coenzima
noun
coevolución
noun
intoxicación por monóxido de carbono
noun
coadjutor
noun
1. stolling
coagulación
noun
coalescencia
/kowaˈli(t)si/
noun
1. verbond van twee of meer partijen, mogendheden of staten om een gemeenschappelijk doel te bereiken
coalición
noun
1.
gobierno de coalición
noun
1. een mengsel van stoffen dat, als bescherming, op verschillende producten gestreken kan worden
  1. recubrimiento
  2. baño
adjective
1.
coaxial
noun
cable coaxial
noun
  1. cobalamina
  2. vitamina b12
pronoun
1. hoofdstad van het Boliviaans departement Pando
Cobija
noun
1. gevaarlijke gifslang
cobra
noun
1.
  1. coca
  2. arbusto de coca
  3. coca del Perú
  4. cocáa
  5. igatúa
  6. javo
noun
1. een drug die bereid wordt uit de bladeren van de coca die euforie en ongevoeligheid voor pijn veroorzaakt en leidt tot verslaving
cocaína
noun
coccidiosis
pronoun
Cochabamba
noun
  1. cabina
  2. cabina de vuelo
  3. camarote
  4. carlinga
noun
1. drankje bestaande uit gemixte alcoholische dranken
  1. cóctel
  2. cocktail
  3. coctel
noun
vaso coctelero
noun
palillo de cóctel
noun
  1. coctelera
  2. vaso mezclador
noun
capullo
pronoun
  1. islas Cocos
  2. islas Cocos-Keeling
adjective
de las islas Cocos
/'kodə/
noun
código
noun
nombre de código
verb
1. in een code brengen
  1. codificar
  2. cifrar
  3. encriptar
noun
1. de 3-monomethylether van morfine, een alkaloïde dat gevonden wordt...
codeína
noun
codicilo
noun
codificación
noun
coffee shop
noun
cafeína
/kɔχ'nat/
noun
  1. bloedverwant
  2. woord van zelfde afstamming
cognado
noun
coñac
/kɔxniˈtif/
adjective
1. met betrekking tot het leerproces
  1. cognitivo
  2. cognoscitivo
noun
1. eigendoms- en ontvangstbewijs waarin zeevrachtbrief en vervoersovereenkomst worden gecombineerd
conocimiento de embarque
verb
cohabitar
adjective
coherente
noun
coherencia
noun
2. een onderlinge aantrekking van moleculen van een zelfde stof
cohesión
noun
cohorte
noun
1. ontgaste steenkool
coque
noun
2. koolzuurhoudende frisdrank
cola
noun
chaqueta
noun
colbertismo
noun
2
colaboracionista
verb
1. met de vijand samenwerken
colaborar
noun
collage
/ˌkɔlɑˈɣen/
noun
1.
colágeno
noun
1. flauwvallen
colapso
adjective
colateral
/kɔlɛkt'kɔːl/
noun
llamada a cobro revertido
noun
colecta
noun
  1. alcancía
  2. hucha
verb
coleccionar
noun
colección
adverb
colectivo
noun
1. meerdere groepen die onder één noemer worden aangesproken
colectivo
verb
coleccionar
verb
colectivizar
noun
colectivización
noun
1. stellen van het belang van de gemeenschap boven dat van het individu
colectivismo
/kɔˈleɣa/, /kɔˈleχa/
noun
1. een persoon die voor hetzelfde bedrijf werkt
colega
noun
  1. 1. de tijd waarin een docent een bepaald onderwerp uitlegt aan studenten
    clase
  2. 1. scholengemeenschap
    colegio
noun
1. een ruimte waarin les wordt gegeven aan studenten
aula
noun
1. naam voor Schotse langharige herdershond
collie
noun
1. halsketting, halsband, halssnoer
collar
noun
colimador
noun
colisión
noun
colocación
verb
colocar
noun
  1. coloquio
  2. coloquio público
adjective
coloidal
noun
coloide
noun
1. oogspoeling
colirio
noun
colofonia
/ko.ˈlɔm.bi.ja/
pronoun
1. een land in het noordwesten van Zuid-Amerika
Colombia
noun
1. een inwoner van Colombia of persoon die de Colombiaanse nationaliteit bezit
colombiano
adjective
colombiano
noun
colombiana
noun
peso colombiano
noun
colon
/ko'lɔnə/
noun
  1. 1. rij van militairen of voertuigen in een groot aantal gelederen van kleine frontbreedte
    columna
  2. 2. vijfde colonne: een groep mensen die zich voordoet als loyaal, maar die in dienst staat van de vijand en in het geheim ondermijnende acties uitvoert
    quinta columna
noun
1. een kever die op de aardappelplant leeft van ongeveer 1 cm lang en met een geel...
  1. escarabajo de la patata
  2. escarabajo de Colorado
noun
  1. coloratura
  2. gorgorito
  3. melisma
noun
1. de eerste, gelige moedermelk
calostro
noun
buzoneo
verb
vender como buhonero
noun
colposcopia
noun
1. koker van soepel textiel die men om de hals kan dragen
braga de cuello
noun
  1. coltan
  2. coltán
noun
1. kort stukje proza
columna
/ˈkoːmaː/
noun
1. volkomen bewusteloosheid
coma
adjective
1. in volkomen bewusteloosheid
comatoso
noun
combinación
noun
1. werktuig waarmee je zowel op verschillende manieren kan vastknijpen als afknippen
  1. alicates universales
  2. alicates
adjective
combinacional
verb
  1. combinar
  2. 3. met elkaar in verband brengen
    relacionar
pronoun
  1. CAME
  2. Comecon
  3. Consejo de Ayuda Mutua Económica
/kɔnˈfɔrt/
noun
1. een toestand waarin men zonder onrust, vrees of verlegenheid is
  1. confort
  2. comodidad
adjective
1. gerieflijk
  1. confortable
  2. cómodo
noun
1. een installatie voor de regeling van de temperatuur en de vochtigheidsgraad van de lucht in een ruimte
climatización
noun
tebeo
noun
  1. comisión
  2. comité
noun
1. iemand die het commando heeft over een leger of vloot
comandante
verb
  1. mandar
  2. acaudillar
noun
comendador
adjective
comanditario
noun
sociedad en comandita
/kɔ.ˈmɑn.do/
noun
  1. 2. speciaal getrainde groep militairen voor speciale missies
    comando
  2. 3. opdracht om een bepaald proces uit te voeren
    1. comando
    2. instrucción
    3. mandato
    4. orden
  3. 1. bevel, leiding
    1. mandato
    2. mando
    3. comando
noun
puente de mando
noun
línea de comandos
noun
comedia del arte
noun
comensalismo
/kɔmən'tar/
noun
  1. 2. kritiek
    comentario
  2. 1. toelichting of verklaring
    1. comentario
    2. anotación
verb
1. van commentaar voorzien
comentar
noun
comentarista
verb
comercializar
noun
comercio
/kɔmərˈʃel/, /kɔmɛrˈsjel/
adjective
1. zakelijk
comercial
noun
director comercial
noun
conmiseración
noun
comisaría
noun
2. een hoge rang bij de politie
comisario
noun
  1. 1. een groep personen aan wie een bepaalde opdracht wordt gegeven of die voor een bepaald doel bijeenkomen
    comisión
  2. 2. loon...
    corretaje
noun
1. een kast met veel laatjes op werkhoogte om een baby aan te kleden
cómoda
noun
1. onrust bij een groep mensen
conmoción
adjective
gemeenschappelijk
comunal
noun
comunitarismo
noun
comuna
noun
comulgante
/ˌkɔ.my.nɪ.ˈkaː.si/, /ˌkɔmyniˈkasi/, /ˌkɔmyniˈkaʦi/
noun
1. het uitwisselen van informatie
comunicación
adjective
comunicativo
noun
ciencias de la comunicación
noun
medio de comunicación
noun
satélite de comunicaciones
noun
1.een systeem voor het beheren van communicatieprocessen
sistema de comunicaciones
noun
tecnología de la comunicación
verb
  1. 1. ter communie gaan
    comulgar
  2. 2. met elkaar in contact komen
    comunicar
/kɔ.ˈmy.ni/, /kɔ.ˈmyː.nɪə̯/
noun
1. de gemeenschap met lichaam en bloed van Jezus Christus in de vorm van brood en wijn
comunión
noun
comunicado
/kɔmyˈnɪsmə/
noun
1. ideologie die gericht is op gemeenschappelijk bezit van productiemiddelen en verbruiksgoederen
comunismo
noun
comunista
noun
comunitarismo
noun
conmutación
noun
conmutatividad
noun
conmutador
pronoun
1. Bantoetaal gesproken op de Comoren, Madagaskar, Mayotte en Réunion
comorano
/ko.ˈmoː.rə(n)/, /ko.ˈmo̝ː.rə(n)/
pronoun
2. staat gevestigd op de gelijknamige eilanden
Comoras
noun
franco comorense
adjective
  1. 1. ruimte beperkende uitvoering, gedrongen
    1. compacto
    2. apretado
  2. 2. in bezit van een hoge dichtheid
    denso
verb
1. het volume van iets kleiner maken
compactar
noun
  1. 2. vennootschap
    compañía
  2. 1. onderdeel van een bataljon
    1. compañía
    2. cuadrilla
noun
  1. 2. vennoot
    1. asociado
    2. socio
  2. 1. metgezel
    compañero
noun
1. iemand die voor een notaris verschijnt om een akte op te maken
compareciente
noun
comparador
noun
comparativo
noun
1. verschijning in rechte
comparecencia
/ˌkɔmpɑrtiˈmɛnt/
noun
  1. 2. treincoupé
    1. compartimento
    2. compartimiento
  2. 1. afdeling
    1. compartimento
    2. compartimiento
    3. departamento
adjective
1. op elkaar aansluitend, met elkaar in overeenstemming te brengen
compatible
//
noun
1. verenigbaarbeid van elektronische apparaten, softwareprogramma's, enz
compatibilidad
noun
compendio
noun
1. iets wat minder is uitvallen, weer goed (proberen te) maken (met een extra toegift)
compensación
noun
compensador
verb
1. iets goed (proberen te) maken, terug in balans brengen
compensar
adjective
1. bevoegd; bekwaam
competente
noun
1. een ontwikkelbaar vermogen van mensen waarmee ze in voorkomende situaties adequaat, gemotiveerd, proces- en resultaatgericht kunnen handelen
competencia
verb
1. rechtmatig toekomen
competer
noun
1. wedijver, concurrentie
competición
adjective
1. gewend aan en in staat om strijd te leveren
competitivo
noun
competitividad
noun
compilador
noun
1. (informatica) computerprogramma dat een in een brontaal geschreven programma (broncode) vertaalt in een semantisch equivalent programma in een doeltaal (objectcode) (en meestal tegelijk met andere programma´s 'linkt')
compilador
verb
compilar
adjective
1. volledig, voltallig
  1. completo
  2. completamente
  3. entero
noun
complemento
adjective
1. aanvullend
complementario
noun
complementariedad
noun
sistema del complemento
noun
completas
verb
completar
/kɔmplɛks/
adjective
1. ingewikkeld
  1. complejo
  2. complicado
/kɔmplɛks/
noun
conjunto
noun
1. de mate waarin iets complex is
  1. complejidad
  2. complexidad
noun
1. de studie van de complexiteit en mate van oplosbaarheid van wiskundige vraagstukken binnen het kader van...
complejidad computacional
noun
compliancia
noun
1. bijkomende ziekte (verergering)
complicación
noun
1.
cómplice
verb
1.(nodeloos) ingewikkeld maken
complicar
noun
complicidad
noun
1. een lovende of vleiende opmerking
  1. cumplido
  2. cumplimiento
verb
  1. dar expresiones
  2. dar recuerdos
adjective
con cortesía
noun
1. geheime samenwerking van meerdere personen om een bepaald (verboden of slecht) doel te bereiken
  1. complot
  2. trama
noun
teoría conspirativa
noun
1. een deel van een geheel
componente
verb
componer
noun
1. iemand die muziekstukken schrijft
compositor
noun
  1. 1. samengesteldbloemige
    compuesta
  2. 2. samengesteld materiaal
    material compuesto
noun
  1. asteráceas
  2. compuestas
noun
een samengesteld materiaal dat is opgebouwd uit verschillende componenten
material compuesto
noun
1. een muziekstuk, werkstuk van een componist
composición
noun
1. is het residu dat ontstaat na ontbinding van organisch materiaal (d.w.z. van plantaardige of dierlijke oorsprong)
  1. compost
  2. estiércol
  3. mantillo
noun
baño seco ecológico
noun
1. met suiker gestoofde vruchten
  1. compota
  2. fruta cocida
noun
  1. comprehensión
  2. comprensión
adjective
compresible
noun
compresibilidad
noun
1. samendrukking
compresión
noun
módulo de compresibilidad
noun
  1. carrera de compresión
  2. tiempo de compresión
noun
relación de compresión
noun
compresor
verb
1. samenpersen, compact maken
comprimir
/kɔmproˈmi/
noun
1. overeenkomst waarbij de betrokken partijen concessies doen...
compromiso
verb
  1. comprometer
  2. comprometerse
noun
efecto Compton
/kɔm.ˈpju.tər/, /kɔm.ˈpɪ̯uː.tər/
noun
1. informatieverwerkende machine
  1. ordenador
  2. computadora
  3. computador
noun
  1. arquitectura de computadoras
  2. arquitectura de computadores
noun
seguridad informática
/kɔmˈpjutərə(n)/
verb
1. gebruikmaken van de computer
estar delante del ordenador
noun
memoria de ordenador
noun
  1. computación gráfica
  2. gráficos por computadora
noun
  1. caja
  2. carcasa
  3. chasis
  4. gabinete
  5. torre
noun
cracker
noun
  1. red de computadoras
  2. red de comunicaciones de datos
  3. red de ordenadores
  4. red informática
noun
1. een programma dat geïnstalleerd en gebruikt kan worden op een computer
  1. programa de ordenador
  2. programa de computadora
  3. programa informático
noun
  1. desarrollador de software
  2. programador
noun
ajedrez por computadora
noun
modelado numérico
noun
1. een spel dat via of met de computer gespeeld wordt
juego de ordenador
noun
1. de taal waarin computerprogramma's worden geschreven, de programmeertaal.
  1. lenguaje de ordenador
  2. lenguaje informático
noun
tomografía axial computarizada
noun
traducción automática
noun
1.
virus informático
noun
ciencias de la computación
noun
gusano informático
adjective
1. holrond, met een naar binnen gebogen oppervlak
cóncavo
noun
concentración
noun
1. afgesloten terrein met barakken waar machthebbers bepaalde groepen mensen zonder rechtsgang onder dwang van de samenleving afgezonderd houden
  1. campo de concentración
  2. campo de internamiento
noun
síndrome del superviviente
verb
  1. 1. op één plek samenbrengen
    1. concentrar
    2. concentrarse
  2. 2. zich ~ op één zaak toespitsen
    concentrarse
noun
  1. 2. een idee
    concepto
  2. 1. een ontwerp, een project
    proyecto
noun
1. bevruchting
  1. concepción
  2. fecundación
adjective
conceptivo
adjective
conceptual
noun
consorcio
noun
1. een muziekuitvoering door een orkest etc.
concierto
noun
concertina
noun
1. concertmeester
  1. concertino
  2. primer violón
noun
piano de cola
noun
auditorio
noun
  1. 1. toegeving aan wensen
    1. cesión
    2. concesión
  2. 2-3
    1. concesión
    2. privilegio
noun
concesionario
noun
concesionario
noun
conquiliología
adjective
conciso
adjective
consiliario
noun
conciliarismo
noun
conciliación
noun
concilio
verb
conciliar
/kɔn.si.ˈjɛr.ʒə/, /kɔn.ˈʒɛr.ʒə/
noun
1. een huisbewaarder, een toezichter in een gebouw
  1. portero
  2. conserje
noun
1. een besloten kerkvergadering van kardinalen waarbij een paus gekozen wordt
cónclave
/ˌkɔŋklyˈderən/
verb
2. (overgankelijk) tot een besluit komen
  1. concluir
  2. sacar conclusión
/kɔŋˈklyzi/
noun
conclusión
noun
1. overeenkomst tussen een staat en de paus over de rechten van de rooms-katholieke kerk in een land
concordato
noun
concordancia
verb
concordar
noun
concurso
/kɔnˈkret/
adjective
2. in realiteit bestaand
concreto
verb
1. een gegeven) concreet maken
concretar
noun
concubinato
noun
1.vrouw met wie een man in ongehuwde staat...
concubina
adjective
1. gelijkgerechtigd, noch zekerheid noch voorrang hebbend
quirografario
noun
1. mededinger, wedijveraar
  1. competidor
  2. rival
noun
1.
  1. competición
  2. competencia
/kɔŋkʏˈrerə(n)/
verb
  1. competir
  2. rivalizar
/kɔndɛn'zasi/
noun
condensación
noun
1. elektrische component
  1. condensador
  2. capacitor
noun
capacidad eléctrica
verb
1. overgaan van gasvormige naar vloeibare toestand
condensar
noun
condensador
noun
  1. estela
  2. trazo de avión
noun
condimento
noun
  1. 2. voorwaarde
    condición
  2. 1. gezondheidstoestand
    forma
verb
  1. 1. als voorwaarde stellen, bedingen
  2. 2. in zekere toestand brengen of houden
condicionar
noun
  1. condón
  2. preservativo
noun
1. benaming voor sommige roofvogels uit de Amerikaanse tak (Cathartidae) van de gierenfamilie
cóndor
noun
conductancia eléctrica
noun
1. een medewerker van de spoorwegen die reizigers op vervoersbewijzen controleert en de orde in de trein of tram dient te bewaren
  1. revisor
  2. cobrador de tranvía
noun
1. geleiding
conducción
noun
confabulación
noun
1.
  1. productos secos
  2. confección
noun
industria de la confección
noun
confederación
verb
confederar
noun
conferencia
noun
mesa de conferencias
adjective
confesional
noun
1. felgekleurde papiersnippers
confeti
noun
confidencia
adjective
confidencial
noun
1. samenstel van figuren
configuración
noun
1.
afirmación
adjective
  1. confirmativo
  2. confirmatorio
verb
confirmar
noun
confitero
verb
1. van staatswege in beslag nemen
  1. confiscar
  2. decomisar
noun
  1. confitura
  2. mermelada
noun
1. jam
  1. mermelada
  2. confitura
noun
  1. conflicto
  2. contienda
noun
conformista
noun
conformidad
noun
  1. confrontación
  2. enfrentamiento
verb
1.iemand laten zien wat diegene heeft gedaan
  1. confrontar
  2. carear
noun
confucianismo
noun
verwardheid
confusión
noun
congenialidad
adjective
1. aangeboren
congénito
noun
1. ophoping van vloeistof bijv. bloed
congestión
noun
franco congoleño
noun
  1. cofradía
  2. congregación
noun
congregacionalismo
/kɔŋˈɣrɛs/, /kɔŋˈχrɛs/
noun
1. een grote vergadering van deskundigen op een bepaald vakgebied
congreso
adjective
congruente
noun
congruencia
adjective
1. de vorm hebbend van een (afgeknotte) kegel
cónico
noun
1. binding
conjugación
noun
conjunción
/ˈkɔn.jʏŋk.tif/
noun
1. aanvoegende wijs
  1. subjuntivo
  2. modo subjuntivo
noun
conjuntiva
noun
1. bindvliesontsteking van het oog
conjuntivitis
noun
1. de verandering van het groeipercentage van de economie of de productie op de korte termijn
coyuntura
noun
1.een ontsteking van het bindvlies dat de buitenkant van het oogwit en de binnenkant van de oogleden bekleedt
conjuntivitis
verb
conectar
noun
conexión
noun
conector
noun
conexidad
noun
1. de bijklank of gevoelswaarde van een woord of woordgroep, die tot op zekere hoogte losstaat van de letterlijke betekenis
connotación
noun
conquistador
verb
1. consecratie verrichten
consagrar
noun
consagración
adjective
consecutivo
/kɔnˈsɛnzʏs/
noun
consenso
adjective
1. logisch handelend dat overeenkomt met voorafgaande gedachte, toezegging of handeling
consecuente
noun
1. een noodzakelijk gevolg
consecuencia
noun
conservación
/kɔnsɛrvaˈtif/
adjective
1. vasthoudend aan het oude en vertrouwde
  1. conservador
  2. conservativo
noun
conservadurismo
noun
  1. conservador
  2. curador
noun
1. een school in het hoger onderwijs waar men zich kan laten opleiden tot professioneel musicus, acteur/actrice of danser(es)
conservatorio
noun
conservadora
noun
  1. conservador
  2. conservante
noun
2. ingeblikt voedsel ter bewaring tegen bederf
  1. conserva
  2. conservas
noun
fábrica de conservas
verb
1.
conservar
noun
conservación
noun
conservante
noun
1. het bereid zijn iets mee te nemen in je overweging hoe te handelen
consideración
noun
consignación
noun
instrucción
verb
consignar
noun
  1. 1. vrij zijn van innerlijke tegenspraak
    1. consistencia
    2. consistencia lógica
  2. 2. dichtheid van een stof
    1. consistencia
    2. espesor
noun
  1. consola
  2. ménsula
verb
1. vast en duurzaam maken
consolidar
noun
  1. consomé
  2. caldo
/kɔnso'nɑnt/
noun
consonante
noun
consonancia
noun
consorte
noun
consorcio
noun
conspiración
verb
1. samenzweren
conspirar
adjective
1. Altijd onveranderlijk
constante
noun
constantán
pronoun
número de Avogadro
phraseologicalUnit
constante de Boltzmann
noun
1. constante
constante de Brun
noun
constante de Dirac
noun
1. constante
constante de Euler-Mascheroni
noun
1. constante
constante de Gelfond
noun
1. constante
constante de Kaprekar
noun
1. constante van Mills
constante de Mills
noun
1. constante
constante de Planck
noun
constancia
/kɔnsta'terə(n)/
verb
1. vaststellen
constatar
noun
2,3 sterrenbeeld, configuratie, onderlinge stand van hemellichamen
constelación
noun
1. een situatie waarin men zich geen raad meer weet
consternación
noun
1. verstopping, harde of uitblijvende ontlasting
estreñimiento
noun
constituyente sintáctico
verb
constituir
noun
2. grondwet
constitución
adjective
constitucional
noun
1. een ontwerper van constructies
constructor
/xxxx/
noun
construcción
/ˌkɔnstrʏkˈtif/
adjective
1. opbouwend
constructivo
noun
material de construcción
verb
construir
noun
  1. 1. Romeins overheidspersoon
  2. 1. vertegenwoordiger
cónsul
noun
1.
consulado
adjective
consular
noun
1. een deskundige raadgever
  1. consultor
  2. asesor
noun
1. een deskundige raadgever
  1. asesora
  2. consultora
noun
1. een adviesgesprek met een arts of rechtsgeleerde
consulta
noun
consulta
/kɔnzyˈmɛnt/, /kɔnsyˈmɛnt/
noun
1. algemene term voor personen, huishoudens die goederen en diensten verbruiken ...
consumidor
noun
electrónica de consumo
noun
  1. 1. het nuttigen van voedsel
    1. consumición
    2. ingestión
  2. 2. het verbruiken van goederen
    consumo
noun
helado
noun
artículo de consumo
adjective
consumativo
/kɔn.ˈtɑk/, /kɔn.ˈtɑkt/
noun
  1. 1. een toestand waarbij twee voorwerpen elkaar raken
  2. 2. onderlinge communicatie
  3. 3. een contactpersoon
  4. 4. een verbinding van twee elektrische geleidingen
  5. 5. een elektrische schakelaar
  6. 6. de grens tussen stollings- en nevengesteente
contacto
noun
enchufe
verb
1. contact opnemen met
contactar
noun
1. een zeer kleine glazen of kunststof lens die men direct op de oogbol plaatst ter vervanging van een bril
  1. lente de contacto
  2. lentilla
noun
contacto
noun
3. schakelaar die herhaaldelijk ...
platino
noun
contenedor
noun
  1. carguero portacontenedores
  2. portacontenedores
noun
contención
noun
1. verontreiniging of besmetting met chemische stof of bacterie
contaminación
adjective
1.
contante
adverb
1.
  1. al contado
  2. en efectivo
adjective
contemplativo
verb
contemplar
adjective
1.
contemporáneo
/ˈkɔn.tənt.ˌmɛ.nədʒ.ˌmɛnt.si.ˈstem/
noun
  1. sistema de gestión de contenido
  2. sistema de gestión de contenidos
/ˈkɔntɛkst/
noun
1. verband waarin iets zich voordoet
contexto
noun
contigüidad
noun
1. een werelddeel
continente
adjective
continental
/kɔntɪŋ'gɛnt/
noun
  1. contingente
  2. cuota
  3. cupo
  4. parte proporcional
verb
contingentar
adverb
continuo
/ˌkɔntinyˈweːrə(n)/
verb
1. voortzetten
  1. continuar
  2. seguir
  3. proseguir
noun
continuidad
noun
continuum
noun
mecánica de medios continuos
noun
cuenta
noun
1. een aanval tegen een aanval
contraataque
noun
1. een reden om een behandeling of onderzoek niet uit te voeren
contraindicación
/kɔntrabɑndə/
noun
contrabando
noun
1. het laagstklinkende muziekinstrument van de strijkinstrumenten
contrabajo
noun
1. gebruik van voorbehoedmiddelen
contracepción
/kɔnˈtrɑkt/
noun
1. een schriftelijk vastgelegde overeenkomst
  1. contrato
  2. destajo
verb
1. een contract sluiten
contratar
noun
1. samentrekking van orgaan of spieren
contracción
noun
1. vermogen zich te kunnen samentrekken
contractilidad
noun
1. vrijheid van rechtssubjecten om inhoud, werking en vorm van een overeenkomst te bepalen
libertad de contratación
noun
1. blijvende samentrekking of kramp
contractura
noun
1. vrijheid van rechtssubjecten om inhoud, werking en vorm van een overeenkomst te bepalen
libertad de contratación
noun
1. soort dans
contradanza
noun
1. tegenstrijdigheid
contradicción
noun
1. een tegenstrijdigheid in de woorden, een innerlijke tegenspraak
contradicción in términis
noun
1. een tegenstrijdigheid in de woorden, een innerlijke tegenspraak
contradicción in términis
adjective
contradictorio
adjective
contrario
noun
contratuerca
noun
contraposición
noun
contrapposto
adjective
contraproducente
noun
1. leer der meerstemmigheid
contrapunto
noun
contrarreforma
noun
contraespionaje
noun
  1. 2. verschil tussen maximaal wit en maximaal zwart
    contraste
  2. 1. opvallende tegenstelling
    1. contraste
    2. contraposición
verb
1. een tegenstelling vormen
contrastar
noun
  1. elemento de contraste
  2. medio de contraste
noun
cuota
noun
  1. control
  2. inspección
noun
sala de control
verb
1. inspecteren, toezicht houden, onderzoeken, nazien
  1. controlar
  2. comprobar
  3. verificar
  4. examinar
  5. inspeccionar
  6. revisar
noun
1. iemand die belast is met de controle
  1. inspector
  2. revisor
adjective
1. onderwerp zijnde van een twist
controversial
adjective
1. onderwerp zijnde van een twist
controversial
noun
1. kneuzing
contusión
adjective
convaleciente
noun
1. periode van herstel
convalecencia
noun
convección
adjective
conveniente
noun
conveniencia
noun
asamblea conventual
noun
  1. 2. vergadering
    1. asamblea
    2. convención
  2. 3. partijcongres in de Verenigde Staten
    convención
  3. 4. regel voor maatschappelijke omgang
    1. convención
    2. conveniencia
  4. 1. internationale overeenkomst
    1. convenio internacional
    2. tratado internacional
noun
  1. convencionalidad
  2. convencionalismo
adjective
1. wat door het vaste gebruik bepaald is
convencional
/ˌkɔnvɛrˈɣɛnt/
adjective
1. in één punt samenkomend
convergente
noun
convergencia
verb
convergir
/kɔn.vɛr.ˈsa.tsi/
noun
conversación
verb
1. een gesprek voeren
conversar
noun
1. omzetting
conversión
noun
trastorno de conversión
noun
convertidor
adjective
convertible
noun
convertibilidad
adjective
1. bolrond, met een gebogen oppervlak
convexo
noun
  1. convocatoria
  2. llamada
noun
  1. convocatoria
  2. llamada
verb
convocar
noun
1. stuip, toeval
convulsión
pronoun
islas Cook
noun
habitante de las Islas Cook
adjective
de las islas Cook
noun
test de Cooper
noun
1. scheikundig element met symbool Cn en atoomnummer 112
copernicio
adjective
1. rijkelijk, overvloedig
copioso
adjective
coplanario
noun
1. een gezamenlijke productie
coproducción
noun
verbo copulativo
verb
1. geslachtsgemeenschap hebben
copular
pronoun
1. een rivier op de grens van Guyana en Suriname
río Corentín
pronoun
Córdoba
noun
1. sterke, geribde stof
  1. corderoy
  2. corduroy
  3. pana
noun
efecto Coriolis
noun
1. het hoornvlies van het oog
córnea
pronoun
2. spelwoord voor de letter c
Carmen
noun
  1. copos de maíz
  2. copos de maíz tostados
  3. corn flakes
noun
  1. alpicoz
  2. cohombro
  3. pepinillo
  4. pepino
  5. pepino dulce
  6. pepino ensalada
/ˈkɔrnis/, /ˈkɔrnɪs/
pronoun
1. een Keltische taal die gesproken wordt in Cornwall
córnico
pronoun
1. schiereiland in het zuidwesten van Engeland
Cornualles
pronoun
Coromandel
noun
instrument dat gebruikt wordt voor het waarnemen van verschijnselen in de ijle atmosfeer rond de zon
coronógrafo
adjective
1. met betrekking tot de krans-slagaders van het hart
coronario
noun
corporal
noun
gobierno corporativo
noun
corporación
adjective
corporativo
noun
corporativismo
adjective
1. lichamelijk
corporal
noun
cuerpo
noun
cuerpo diplomático
noun
1. het te dik zijn van een mens of dier
corpulencia
adjective
corpuscular
adjective
1.
correcto
noun
corrección
noun
1. verbetering
corrección
adjective
correctivo
adjective
correccional
noun
1. samenhang
correlación
adjective
correlativo
noun
  1. 1-3
    1. correspondiente
    2. corresponsal
  2. 4. berichtgever aan nieuwsmedia
    1. correspondiente
    2. corresponsal
    3. reportero
noun
  1. correspondencia
  2. carteo
noun
principio de correspondencia
noun
teoría correspondentista de la verdad
verb
corresponderse
/ˌkɔriˈʒeːrə(n)/, /ˌkɔriˈʒɪːrə(n)/
verb
1. iets van fouten ontdoen
corregir
verb
corroer
noun
1. roest, een langzame verbinding met zuurstof
corrosión
adjective
1. met behulp van geschenken, geld e.d. over te halen om zijn plicht, partij, of overtuiging te verzaken
corrompido
noun
1. bedrog vanwege oneerlijkheid
  1. corrupción
  2. cohecho
noun
1. kengetal dat gebaseerd op een enquête aangeeft hoeveel machtsmisbruik voor persoonlijk gewin in een bepaalde samenleving voorkomt
índice de corrupción
noun
1. kengetal dat gebaseerd op een enquête aangeeft hoeveel machtsmisbruik voor persoonlijk gewin in een bepaalde samenleving voorkomt
índice de percepción de corrupción
/'kɔrsɪkɑ/
pronoun
1. Frans eiland
Córcega
pronoun
1. een taal die op Corsica gesproken wordt
corso
/ˈkɔrso/
noun
  1. desfile
  2. gala
noun
1. bijnierschorshormoon
corticosteroide
noun
cortisol
noun
coseno
noun
teorema del coseno
noun
1. schoonheidsmiddel
cosmético
/ˌkɔs.ta.ˈri.ka/
pronoun
1. een staat in Midden-Amerika, tussen Panama en Nicaragua
Costa Rica
adjective
costarricense
noun
colón costarricense
noun
cotangente
noun
1. (eenvoudige) slaapplaats in een trein, die overdag meestal als zitplaats gebruikt kan worden
litera
noun
  1. culombio
  2. coulomb
/kup/
noun
1. staatsgreep
  1. golpe de Estado
  2. putsch
verb
atajar
noun
caparrosa
noun
  1. estrofa
  2. copla
noun
  1. compartimento
  2. compartimiento
  3. cupé
  4. departamento
noun
  1. valor
  2. virtud
adjective
1. wat gebruikelijk is
corriente
noun
1. massamedium
  1. diario
  2. periódico
  3. gaceta
noun
1. Cucurbita pepo, een groente uit de komkommerfamilie
  1. calabacín
  2. calabacita
noun
1. beloning voor de tussenpersoon
corretaje
noun
cortesana
noun
cortesía
noun
  1. cuscús
  2. alcuzcuz
noun
1. modeontwerper,ontwerper en maker van modieuze kledij
modista
noun
1. eetgerei
cubierto
noun
covarianza
noun
matriz de covarianza
noun
covarianza
/ˈkɔvər/
noun
  1. canción versionada
  2. cóver
noun
1. iemand die tijdens de coronapandemie de maatregelen tegen de verspreiding...
  1. covidiota
  2. pandejo
  3. pandeja
noun
1. veedrijver/veehoeder
  1. vaquero
  2. cowboy
noun
1. heuppijn
coxalgia
noun
1. bepaald soort zoogdier, Canis latrans
coyote
noun
1. een constante factor van een onbekende of van een veranderlijke grootheid
coeficiente
noun
coincidencia
noun
1. seks waarbij de man met zijn penis het lichaam van de partner binnengaat
coito
noun
2. op samenwerking gegronde vereniging of bedrijf
cooperativa
adjective
op samenwerking gebaseerd
cooperativo
verb
cooperar
noun
cooptación
noun
coordenada
noun
sistema de coordenadas
noun
1. onderlinge afstemming, het coördineren
coordinación
noun
1. iemand die zorgt dat de dingen in hun samenhang geregeld worden
coordinador
verb
1. zo organiseren dat alles en iedereen goed kan samenwerken
coordinar
noun
1. bepaald soort struik en 2. vrucht daarvan, Vaccinium macrocarpon
  1. arándano rojo
  2. arándano
noun
  1. 1. ernstig verkeersongeluk
    1. accidente
    2. choque
  2. 2. ineenstorting van de aandelenmarkt
    1. colapso financiero
    2. crack
verb
1. zwemmen met de crawlslag
bracear
noun
1. een schepping, iets totaal nieuw
creación
/krejaˈtif/
adjective
1. scheppend vermogen bezittend, met een scheppende geest
creativo
noun
creacionismo
noun
1. gedrevenheid of vaardigheid om iets oorspronkelijks te maken
creatividad
noun
1. schepsel; iets dat gemaakt is
criatura
noun
crédito
noun
tarjeta de crédito
verb
1. als tegoed boeken
  1. abonar
  2. acreditar
noun
1. iemand aan wie iemand iets (meestal geld) verschuldigd is
  1. acreedor
  2. acreedora
noun
tarjeta de crédito
noun
crédito
noun
  1. 1. religie
  2. 2. geloof of overtuiging
  3. 3. motto
credo
noun
1. de lijkverbranding, de verassing
  1. cremación
  2. incineración
noun
1. centrum voor lijkverbranding
crematorio
verb
  1. incinerar
  2. cremar
noun
1. in Latijns-Amerika geboren nazaten van een samensmelting van Afrikaanse slaven...)
criollo
adjective
1.
Criolle
adjective
1. behorend tot, met betrekking tot creolen
criollo
noun
1. een taal die is ontstaan doordat bevolkingsgroepen die twee verschillende talen spraken met elkaar in contact kwamen en een nieuwe taal ontwikkelden
lengua criolla
noun
creosota
verb
creosotar
verb
(dysfemisch) doodgaan, omkomen
perecer
/krɛˈʃɛndo/
noun
crescendo
noun
cresol
noun
cretona
/kreˈjeːrə(n)/
verb
1. iets nieuws maken, iets scheppen
crear
noun
1. een uit Engeland afkomstig slagbalspel in de open lucht
críquet
verb
1. in de criminele sfeer plaatsen
criminalizar
noun
criminalista
noun
1. de misdadigheid, het begaan van misdaden
  1. criminalidad
  2. delincuencia
noun
1. iemand door zich onderhoudt door de wet te breken
criminal
noun
1. sociologie van misdaad en misdadigheid
criminología
noun
1. beoefenaar van de criminologie
criminólogo
noun
  1. crinolina
  2. miriñaque
noun
1. een zware noodsituatie waarbij het functioneren van een stelsel ernstig verstoord raakt
crisis
noun
situación de crisis
/kriˈterijʏm/
noun
1. toets, een doorslag gevende reden
criterio
noun
crítica
noun
1. een omstandigheid waaronder voldoende neutronen voorhanden zijn om een kernreactie te onderhouden
criticidad
noun
crítico
noun
hombre de Cromañón
/ˈkrøzʏs/
noun
creso
noun
enfermedad de Crohn
/krʋɑˈsɑ̃/
noun
1. halvemaanvormig broodje
  1. cruasán
  2. croissant
noun
croquet
noun
entrecruzamiento cromosómico
noun
  1. bicicleta elíptica
  2. entrenador elíptico
noun
crostini
noun
crupier
noun
  1. cuscurro
  2. crostón
adverb
  1. tosco
  2. basto
  3. crudo
adjective
1. beslissend, doorslaggevend
  1. crucial
  2. decisivo
noun
1. vakantie op een varend schip met uitgebreide voorzieningen voor de passagiers
crucero
noun
1. een passagierschip dat gebouwd en uitgerust wordt om er cruises mee te maken.
crucero
noun
crucero
/krio'ɣenijʏm/
noun
Criogénico
noun
criptoanálisis
noun
cripta
noun
criptoanálisis
noun
criptografía
noun
criptograma
noun
criptólogo
noun
criptorquidia
noun
1. een oppascentrum voor kinderen
guardería
noun
  1. crema
  2. nata
  3. natilla
noun
crema catalana
adjective
blanco crema
noun
crêpe Suzette
noun
czarda
/ˈky.ba/
pronoun
eiland en land in het Caribisch gebied
Cuba
/ˌkubaˈlibre/
noun
cubalibre
adjective
cubano
noun
1. een inwoonster van Cuba, of een vrouwlijke persoon afkomstig uit Cuba
cubana
noun
peso cubano
adjective
1. met betrekking tot de kookkunst
culinario
noun
1. film die populair is bij een kleine maar betrokken groep fans
película de culto
/kʏltyˈrel/
adjective
1.met betrekking tot cultuur
cultural
noun
centro cultural
noun
culto
/kɵl'tyːr/
noun
  1. 2. het verbouwen
    cultivo
  2. 1. het patroon van menselijke activiteit en de symbolische structuren,...
    cultura
noun
imperialismo cultural
noun
relativismo cultural
noun
1. een welriekende organische verbinding
cumarina
noun
cumbia
/kymylaˈtif/
adjective
1. opstapelend, gesommeerd over alle bijdragen tot heden
cumulativo
noun
cumulonimbo
noun
1. beker die dient als trofee
  1. copa
  2. cáliz
adjective
curable
noun
curare
noun
  1. curador
  2. síndico
  3. tutor
/ky.ra.ˈsʌʊ̯/, /kyː.ra.ˈzaʊ̯/
pronoun
1. een eiland en 2. een land
  1. Curazao
  2. Curasao
noun
2. gele voedselkleurstof
  1. curcumina
  2. extracto de cúrcuma
verb
curar
noun
1. uitkrabbing
legrado
noun
temperatura de Curie
adjective
curioso
noun
1.iets merkwaardigs
curiosidad
noun
curio
noun
1. een precisiesport die lijkt op bowls, jeu de boules en bocce, die op ijs gespeeld wordt gespeeld met zware stenen in plaats van metalen (of plastic) ballen
curling
noun
cursor
/ˈkʏrsʏs/
noun
curso
noun
curva
noun
1. soort Engelse vla, gebonden door eidooiers of ook door eieren (oeufs au Karamel)...
crema
noun
  1. anona
  2. anona colorada
  3. anona corazón
  4. anona redecilla
  5. corazón de buey
  6. mamón
adjective
1. met betrekking tot de huid
  1. cutáneo
  2. cutánea
noun
  1. 1. een blauwgroene kleur
    cian
  2. 3. cyanogeen
    1. cianógeno
    2. cianhídrico
    3. cianuro
noun
cianuro de potasio
noun
cianuro
noun
cianógeno
noun
ácido cianúrico
noun
ataque cibernético
noun
cibercafé
noun
1. wetenschap van de besturing van systemen
cibernética
noun
ciberespacio
noun
  1. artanita
  2. artánita
  3. ciclamen
  4. ciclamino
  5. pan de puerco
/ˈsiklis/
adjective
1. regelmatig terugkerend
cíclico
noun
1. een kankerremmende stof
ciclofosfamida
noun
een cycloalkaan
ciclohexano
noun
2.
ciclón
noun
cíclope
noun
ciclosporina
noun
ciclotrón
noun
cicloide
noun
1. terugkerende, regelmatige reeks
ciclo
/ˈsinis/
adjective
cínico
noun
  1. cinismo
  2. escuela cínica
/ˈki.prʏs/, /ˈsi.prʏs/
pronoun
land in de Middellandse Zee, tussen Europa en Azië, officieel de Republiek Cyprus, eiland in de Middellandse Zee
Chipre
/sɪˈrɪlɪs/
adjective
1. betrekking hebbend op een alfabet
cirílico
noun
1. een alfabet dat geschreven wordt in het cyrillisch schrift
alfabeto cirílico
/ˈkɪstə/
noun
1. holte gevuld met vocht
quiste
noun
cisteína
noun
cistina
noun
cistoscopio
noun
1. kijkonderzoek van de blaas
cistoscopia
noun
1. giststof die ijzer bevat
citocromo
noun
citomegalovirus
noun
citostático
pronoun
día D
noun
tren corrido
/daːt/
noun
1. bewust gepleegde handeling
  1. acto
  2. acción
  3. hecho
adjective
  1. cotidiano
  2. de todos los días
  3. diario
/daːr/
adverb
1. op die plaats
  1. allá
  2. allí
  3. ahí
/daːr/
conjunction
1. omdat
porque
adverbialPronoun
1. als gevolg van
  1. consecuentemente
  2. consiguientemente
  3. por consecuencia
  4. por consiguiente
  5. por eso
adverb
  1. además
  2. así como
  3. y también
conjunction
  1. en cambio
  2. en contra
adverb
  1. hace un momento
  2. recién
adverbialPronoun
1. met die reden
por lo tanto
noun
tábano
/daˈsit/
noun
1. vulkanisch stollingsgesteente.
dacita
noun
dadaísmo
noun
1. zoete bruine vrucht van de dadelpalm
dátil
adverb
1. spoedig
  1. ahora mismo
  2. en seguida
  3. desde luego
  4. en el acto
  5. inmediatamente
  6. luego
noun
1. iemand die iets (slechts) gedaan heeft
  1. autor
  2. culpable
/dɑx/, /dɑχ/
interjection
  1. 2. afscheidsgroet
    adiós
  2. 1. ontmoetingsgroet
    hola
/dɑx/, /dɑχ/
noun
  1. 1. tijd waarin een hemellichaam volledig om zijn as draait
  2. 2. tijd tussen zonsop- en zonsondergang
día
noun
1. klassiek massamedium, gedrukt op papier en gericht op het verspreiden van nieuws
  1. diario
  2. periódico
noun
diario
noun
1. gedeelte van de dag
día
adjective
  1. cotidiano
  2. diurno
adverb
1. iedere dag
  1. diariamente
  2. a diario
  3. cada día
  4. de todos los días
/ˈdaɣə(n)/, /ˈdaχə(n)/
verb
  1. 1. dag worden
    1. amanecer
    2. alborear
    3. esclarecer
  2. 2. dagvaarden: de opdracht geven op een bepaalde dag voor het hof te verschijnen
    1. citar
    2. emplazar
noun
1. het aanbreken van de nieuwe dag, de tijd net voor zonopkomst
  1. amanecer
  2. alba
  3. madrugada
  4. albor
  5. alborada
  6. amanecida
noun
clínica de día
noun
  1. azucena amarilla
  2. flor de un día
/'dɑxlɪxt/
noun
1. licht van de zon
luz del día
noun
  1. jornalero
  2. mercenario
noun
plato del día
verb
1. voorzien van een datum
fechar
noun
daguerrotipo
noun
daguerrotipia
verb
1. voor een rechtszitting oproepen
  1. citar
  2. emplazar
noun
1. een oproep om voor een rechtbank te verschijnen
citación
noun
hospital de día
noun
1.
dalia
adjective
amarillo dalia
pronoun
Dahomey
noun
  1. daikon
  2. rábano blanco
  3. rábano blanco japonés
noun
hojas de rábano
noun
  1. daikiri
  2. daiquiri
noun
1. deel dat een gebouw aan de bovenkant bedekt en bescherming biedt tegen het weer
  1. techo
  2. tejado
noun
tejado
noun
1. een langgerekte bakvormige of halfronde constructie voor het afvoeren van (regen)water dat van het dak komt
canalón
noun
1. iemand die op de straat leeft, zonder vaste verblijfplaats
  1. persona sin hogar
  2. vagabundo
  3. vago
noun
1. elkaar overlappende stenen of betonnen elementen waarmee een schuin dak lekdicht gedekt wordt
teja
noun
cabrio
/dɑl/
noun
1. een laagte in een heuvel- of bergstreek
valle
verb
1. naar beneden gaan
  1. bajar
  2. descender
noun
1. het dalen, het lager worden
  1. disminución
  2. bajada
  3. descenso
  4. caída
noun
dálmata
pronoun
Dalton
noun
daltonismo
noun
1. (bij het damspel) twee gestapelde schijven
dama
noun
1. een inwoner van Damascus
damasceno
adjective
1. op Damascus betrekking hebbend
damasceno
noun
1. een inwoonster van Damascus
damascena
adjective
1. op Damascus betrekking hebbend
damasceno
noun
1. een inwoner van Damascus
damasceno
/daːmə/
noun
  1. 3. koningin in het schaakspel
    1. reina
    2. dama
  2. 1. beschaafde vrouw
    1. señora
    2. dama
noun
gambito de dama
noun
  1. bolsa para señoras
  2. bolso de mano
noun
  1. servicio de damas
  2. servicio de señoras
noun
1. Dama dama, behoort tot de familie Cervidae, hert met een breed plat gewei...
gamo
noun
  1. 1. een bordspel
    jugar a las damas
    1. obstrucciones
    2. presas
verb
1. het damspel spelen
damas
/dɑmp/
noun
1. de gasvormige toestand van een stof, de toestand die ontstaan is door verdamping
vapor
noun
1. het geleiden van damp of uitwaseming van warme geneesmiddelen naar een ziekelijk deel des lichaams voor inhalatie, huidreiniging
inhalación
noun
presión de vapor
noun
2. huishoudelijk apparaat in de keuken dat de kookluchtjes moet afvoeren
campana
noun
1. een bordspel gespeeld op een bord met honderd vlakken met stenen die alleen diagonaal verzet kunnen worden
juego de damas
adverb
1. toekomstig tijdstip
entonces
noun
  1. dandi
  2. petimetre
/'danəx/
adjective
1. in aanmerkelijke mate
  1. enorme
  2. grande
/'danəx/
adverb
1. in aanzienlijke mate
  1. enormemente
  2. mucho
pronoun
3. jongensnaam
Daniel
noun
1. een goede gezindheid jegens iemand voor bewezen diensten
gracias
interjection
1. uitdrukking van dankbaarheid
gracias
adjective
1. erkentelijk voor ontvangen hulp
  1. agradecido
  2. reconocido
adverb
1. erkentelijk voor ontvangen hulp
  1. con agradecimiento
  2. con gratitud
noun
1. het dankbaar zijn
  1. gratitud
  2. agradecimiento
  3. reconocimiento
verb
  1. agradecer
  2. dar gracias a
preposition
1. door de positieve werking van
gracias a
noun
1. een verzameling sierlijke bewegingen, meestal op basis van een muzikaal ritme
  1. baile
  2. danza
verb
1. ritmisch bewegen
  1. bailar
  2. danzar
noun
1. mannelijk persoon die danst
bailarín
/dɑnsə'rɛs/
noun
1. een vrouwelijk persoon die danst
bailarina
noun
paso de baile
noun
  1. baile de salón de competición
  2. baile deportivo
noun
pista de baile
pronoun
  1. Danzig
  2. Gdansk
/ˈdɑpər/
adjective
geen angst voor gevaar tonend
valiente
noun
1. mannelijke bij
  1. zángano
  2. abejón
noun
cuarto oscuro
/dɑrm/
noun
1. onderdeel van het spijsverteringsstelsel tussen de maag en de anus
intestino
noun
  1. hueso ilion
  2. ilion
noun
1. de micro-organismen in het maag-darmkanaal
flora intestinal
noun
  1. cáncer colorrectal
  2. cáncer de colon
noun
pólipo de colon
noun
  1. darmstadtio
  2. darmstatio
noun
dardos
noun
1. evolutieleer die het ontstaan van de soorten verklaart door natuurlijke selectie uit varianten die bij reproductie optreden
  1. darwinismo
  2. darvinismo
/dɑs/
noun
  1. 1. bepaald soort zoogdier, Meles meles
    tejón
  2. 2. een langwerpige en brede lap stof om de hals
    1. bufanda
    2. chal
  3. 1. lange, smalle reep stof die onder de kraag van het overhemd wordt vastgeknoopt
    corbata
noun
1. paneel met instrumenten waarmee een voertuig of installatie kan worden bestuurd of bediend
tablero de mandos
noun
guantera
noun
  1. perro salchicha
  2. dachshund
  3. teckel
/ˈdɑs.lok/
noun
1. sterk riekende, eetbare plant uit de lookfamilie
ajo de oso
interjection
  1. o sea
  2. a saber
  3. eso es
noun
  1. base de datos
  2. banco de datos
noun
1. een plaats waar informatie over bepaalde onderwerpen in digitale vorm verzameld,...
base de datos
noun
compresión de datos
noun
estructura de datos
noun
tipo de dato
noun
transmisión de datos
noun
visualización de datos
noun
almacén de datos
verb
1. de datum van ontstaan bepalen
  1. fechar
  2. datar
noun
  1. datación
  2. fecha
noun
de derde van de acht naamvallen van de Indo-Europese talen
dativo
noun
1. Russisch buitenverblijf
dacha
noun
1. een tijdsaanduiding die bestaat uit een dag(nummer), een maand en een jaar
  1. fecha
  2. data
noun
delfín
noun
  1. rocío
  2. relente
noun
punto de rocío
pronoun
David
noun
  1. gaviete
  2. pescante
  3. serviola
noun
DDT
article
1. (de) wordt gebruikt voor mannelijke en vrouwelijke zelfstandige naamwoorden in het enkelvoud en altijd voor het meervoud, waarbij het een specifieke persoon of ding aanduidt in plaats van het algemene geval
  1. el
  2. las
  3. la
  4. los
phraseologicalUnit
1. het opgeven
tirar la toalla
/də ˌɦœy̯t ˈnit fɛrˈkoː.pə(n) ˌvoːr də ˈbeːr ɣəˈsxoː.tə(n) ˌɪs/
phraseologicalUnit
no vendas la piel del oso antes de cazarlo.
/dəˌkɑdəˈbɛlamˌbɪndə(n)/
verb
1. als eerste iets moeilijks doen dat nodig is om een resultaat te bereiken
ponerle el cascabel al gato
verb
1. een lastige kwestie voortvarend en vastberaden aanpakken
  1. coger el toro por los cuernos
  2. coger el toro por las astas
  3. tomar el toro por las astas
  4. tomar el toro por los cuernos
phraseologicalUnit
1. mensen zijn de belangrijkste vijanden van mensen
el hombre es un hombre para el hombre
interjection
1. er is een onomkeerbare stap gezet
la suerte está echada
noun
desindustrialización
verb
desinstalar
verb
desactivar
noun
  1. 1. Verkoper
    1. distribuidor
    2. representante
  2. 2. Drugshandelaar
    traficante
/de'bakəl/
noun
  1. debacle
  2. fracaso
verb
desembarcar
noun
debate
noun
debe
/deˈbil/
noun
  1. 1. iemand die min of meer zwakzinnig is
  2. 2. bespottelijk iemand, halve gare, idioot
  1. morón
  2. débil mental
noun
flujo
verb
  1. 1. als vordering boeken
    1. adeudar
    2. debitar
  2. 2. verhalen, vertellen
    1. contar
    2. narrar
noun
deudor
/de.blɔ.ˈkeː.rə(n)/
verb
desbloquear
verb
depuración de programas
noun
depurador
noun
1. een mannelijk persoon die voor de eerste maal in het openbaar optreedt, speelt of publiceert
debutante
noun
1. een vrouwelijk persoon die voor de eerste maal in het openbaar optreedt, speelt of publiceert
debutante
verb
1. voor de eerste keer doen
  1. debutar
  2. estrenarse
noun
  1. 2. hoofd van een faculteit
  2. 1. C10H22
decano
noun
década
adjective
decadente
noun
1. verwildering van zeden
decadencia
noun
decadentismo
noun
decagramo
noun
decantación
verb
1. het afgieten van een vloeistof nadat de vaste stof in de vloeistof bezonken is
decantar
noun
decatlón
noun
1. de twaalfde en tevens laatste maand van het jaar
diciembre
adjective
distribuido
noun
descentralización
verb
descentrar
noun
descentralización
noun
1. dat iets niet aan je verwachtingen voldoet
decepción
noun
sonómetro
verb
decidir
noun
decigramo
noun
decilitro
noun
1. 1063
vigintillón
noun
1. 1060
novendecillón
/desi'mal/
noun
decimal
noun
decimatio
verb
1.sterk in aantal terugbrengen, gewoonlijk door afslachting
diezmar
noun
1. een lengtemaat met een waarde van één tiende meter
decímetro
noun
decisión
verb
1. letterkundige werken mondeling voordragen
declamar
noun
1. iemand die iets declareert
declarante
noun
declaración
verb
declarar
verb
2. overtroeven, vernederen
aventajar
/dekliˈna(t)si/
noun
1, 2
declinación
verb
declinar
verb
1. uit code overbrengen in gewone taal
  1. descifrar
  2. decodificar
noun
decoherencia
noun
1. laag uitgesneden halslijn bij vrouwenkleding
  1. descote
  2. escote
noun
1. verstoring van het evenwicht door een afnemende functie bijv. v.h hart
descompensación
noun
descompresión
noun
  1. 2. faillissement, bankroet
    1. bancarrota
    2. quiebra
  2. 1. mislukking
    fracaso
noun
  1. decoración
  2. decorado
noun
decorador
noun
    1. decoración
    2. alhaja
    3. decorado
    4. orden
  1. 2. onderscheiding
    orden
adjective
decorativo
noun
decoradora
verb
1. methoden en technieken gebruikt om bouwwerken, meubels of andere objecten te verfraaien
  1. decorar
  2. ornamentar
noun
  1. sierra caladora
  2. sierra de vaivén
noun
decreto
verb
1. bij decreet vaststellen
decretar
verb
descifrar
noun
  1. decurio
  2. decurión
verb
deducir
noun
razonamiento deductivo
noun
1. ongebakken kneedbare uitgangsmateriaal voor het bakken van diverse broden en gebak
  1. masa
  2. pasta
noun
1. rol om deeg uit te rollen
  1. rodillo
  2. rodillo de cocina
noun
1. rol om deeg uit te rollen
  1. uslero
  2. rodillo
  3. rodillo de cocina
  4. palo de amasar
noun
  1. cortapasta
  2. cortapastas
  3. cortapastas para galletas
/ˈdeːl/
noun
  1. 1. een afsplitsing van een geheel
  2. 2. één uit een reeks
parte
noun
participante
noun
  1. bisectriz
  2. bisector
verb
1. meedoen, meevoelen
participar
adjective
  1. participante
  2. partícipe
adjective
  1. participante
  2. partícipe
noun
1. iemand die meedoet aan een wedstrijd of ander evenement
participante
adverb
1. voor een bepaald deel
en parte
noun
dividendo
noun
  1. 2. trema
    1. crema
    2. cremilla
    3. diéresis
  2. 1. symbool om deling aan te duiden
    1. dos puntos
    2. lemnisco
    3. signo de división
    4. óbelo
noun
trabajo a tiempo parcial
noun
2. onderdeel van een atoom
  1. partícula
  2. corpúsculo
noun
física de partículas
noun
acelerador de partículas
noun
subconjunto
noun
participio
noun
humildad
adjective
  1. humilde
  2. humildes
noun
2. de tijd van de dag waarop het licht dan wel donker wordt
crepúsculo
/dens/, /deːns/
adjective
1. betreffende Denemarken of het Deens
  1. danés
  2. danesa
/dens/, /deːns/
pronoun
1. een Germaanse taal die wordt gesproken in Denemarken
  1. danés
  2. dinamarqués
/ˈdensə/, /ˈdeːnsə/
noun
  1. danesa
  2. dinamarquesa
noun
1. Duits hondenras dat gefokt werd als waakhond
gran danés
noun
corona danesa
noun
lástima
noun
1. ongeloof in het eigen succes.
derrotismo
noun
1. stoelgang, het produceren van ontlasting
defecación
verb
defecar
adjective
1. kapot, niet werkend
defectuoso
noun
1. storing, beschadiging van een apparaat
defecto
verb
1. uit het raam gooien
defenestrar
noun
1. verdediging, verweer
defensa
noun
industria armamentística
adjective
defensivo
noun
defensa
noun
1. elektrische behandeling van hartritmestoornis
  1. desfibrilación
  2. cardioversión eléctrica
noun
1. een apparaat waarmee met behulp van stroomstoten het normale hartritme hersteld kan worden
desfibrilador
noun
1. gebrek
déficit
adjective
deficitario
noun
deficiencia
noun
1. begripsbepaling
definición
/definitif/
adjective
definitivo
verb
definir
noun
1. het vallen van het prijspeil waardoor het geld in waarde toeneemt
deflación
verb
desflorar
noun
deformación
verb
  1. deformar
  2. desformar
noun
  1. desfragmentación
  2. defragmentación
verb
desfragmentar
adjective
  1. 2. (van personen) eerlijk, oprecht, net in zijn manieren
    respetable
  2. 1. goed tegen een stootje kunnend
    sólido
noun
1. het zwaarste van de steekwapens gebruikt bij het schermen
  1. espada
  2. mandoble
noun
degeneración
adjective
1. afnemen of vermindering van orgaan of functie
degenerativo
verb
degenerar
verb
  1. desglasar
  2. déglacer
noun
  1. 1. afbraak
    degradación
  2. 6. verwijzing naar een lagere speelklasse
    descenso
verb
1. in rang verlagen
degradar
noun
degustar
verb
deshumanizar
noun
1. tekort aan vocht in de weefsels, onttrekking van vocht aan de weefsels
deshidratación
noun
1. een verdieping op een schip
cubierta
noun
1. dikke deken gevuld met isolerend materiaal
edredón
noun
funda nórdica
/dekə(n)/
noun
1. een (vaak dikke) doek, met de functie om iemand te bedekken en daarmee warm te houden (tijdens de slaap)
  1. manta
  2. cobija
noun
  1. semental
  2. caballo semental
verb
  1. 1.
    1. cubrir
    2. tapar
  2. 5. paren
    fecundar
  3. 2. de tafel dekken
    poner
noun
  1. cobertura
  2. recubrimiento
noun
2. een smoesje om iets anders te laten lijken dan het is
  1. pretexto
  2. careta
  3. tapadera
noun
descolonización
verb
1. koloniën vormen
descolonizar
/'dɛk.pɵnt/
noun
1.
punto fijo
noun
1. een voorwerp om een hol open lichaam mee af te dekken
  1. tapa
  2. tapadera
noun
1. ordinaire vrouw
puerca
/ˌdɛɫ.krə.ˈdɪː.rə/
noun
  1. fianza
  2. garantía
noun
  1. 1. afvaardiging
  2. 3. schuldoverneming
delegación
verb
1. taken en verantwoordelijkheden doorgeven
delegar
verb
  1. 1. samen met een ander gebruiken
    compartir
  2. 2. in meer dan één stuk snijden of hakken
    1. dividir
    2. partir
noun
  1. divisor
  2. factor propio
  3. submúltiplo
noun
mineral
pronoun
Delft
noun
cerámica de Delft
verb
saldar una deuda
noun
amortización
noun
deliberación
adjective
1.
delicioso
noun
delito
noun
  1. delirio
  2. delírium
noun
1. een wiskundige bewerking op twee getallen
división
noun
anillo de división
adjective
1.
delincuente
noun
1. waanzinnigheid, acuut psychische stoornis ten gevolge van lichamelijke aandoening, vergiftiging...
delirio
noun
delta
verb
1. gravend iets winnen
  1. cavar
  2. excavar
  3. extraer
verb
het magnetisme opheffen van
  1. desimanar
  2. desimantar
  3. desmagnetizar
noun
demagogia
noun
demagogo
noun
demarcación
noun
1. overeengekomen scheidingslijn tussen twee partijen
  1. demarcación
  2. línea de demarcación
noun
1. een aandoening van de hersenen waardoor de verstandelijke en cognitieve vermogens verminderen
demencia
verb
desmilitarizar
noun
desmineralización
verb
desmineralizar
adjective
dimisionario
noun
het tot vredessterkte terugbrengen van een leger
desmovilización
verb
desmovilizar
noun
demócrata
noun
democracia
adjective
1. in overeenstemming met de principes van een democratie
democrático
verb
democratizar
noun
1.
demógrafo
noun
1. de studie van alles wat de omvang, samenstelling en spreiding van een bepaalde bevolkingsgroep en de veranderingen hierin betreft
demografía
noun
demonio
/ˌde.mo.ˈnim/
noun
1. naamwoord dat betrekking heeft op een bepaald land of volk
gentilicio
/demonɪˈzeːrɪŋ/
noun
1. negatief afbeelden
demonización
noun
demonología
noun
demonólogo
noun
manifestante
noun
demostrador
noun
  1. 1. het tonen en uitleggen van iets
    demostración
  2. 3. een protestmars
    1. manifestación
    2. manifestación pública
adjective
demostrativo
verb
demostrar
adjective
uit elkaar te halen
desmontable
adjective
uit elkaar te halen
desmontable
verb
desmontar
verb
desmoralizar
verb
desmotivar
/dɛmpən/
verb
  1. 1. zwakker maken, de kracht verminderen van
    1. amortecer
    2. amortiguar
    3. apagar
    4. atenuar
  2. 1. dichtgooien met grond of ander vast materiaal
    1. llenar
    2. terraplenar
noun
desmielinización
noun
1. Pinus soort naaldboom
pino
pronoun
1. de hoofdstad van de provincie Zuid-Holland en tevens de stad waar de Nederlandse regering zetelt
La Haya
verb
desnaturalizar
verb
desnaturalizar
noun
desnazificación
noun
dendrímero
noun
dendrocronología
/ˌdɛn.dro.loˈɣi/, /ˌdɛn.dro.loˈχi/
noun
1. de studie van bomen, heesters en andere houtachtige planten
dendrología
/ˈdenəˌmɑrkə(n)/, /ˈdeːnəˌmɑrkə(n)/
pronoun
1. een Scandinavisch land in Noord-Europa
Dinamarca
noun
denario
noun
desnitrificación
verb
desnivelar
adjective
  1. imaginable
  2. pensable
verb
  1. 1. een oplossing zoeken
    pensar
  2. 3. een bepaalde mening toegedaan zijn
    1. pensar
    2. creer
    3. opinar
/ˈdɛŋkənt/
verb
pensador
noun
1. fout in het denkproces, onjuiste gedachtegang of redenering
sesgo cognitivo
noun
entendimiento
noun
  1. manera de pensar
  2. modo de pensar
noun
piña
adjective
verde abeto
noun
  1. licopodio
  2. selago
verb
denominar
verb
denunciar
noun
denotación
noun
densidad
adjective
1. medeklinker
dental
noun
consonante dental
noun
1. het been waaruit tanden bestaan
  1. dentina
  2. marfil
noun
1. tanden krijgen
dentición
/ˈdejo/
noun
1. een middel dat gebruikt wordt om de geur van transpiratie weg te nemen of te voorkomen
desodorante
/ˌdejodɔːˈrɑnt/
noun
1. een middel dat gebruikt wordt om de geur van transpiratie weg te nemen of te voorkomen
desodorante
noun
deontología
noun
  1. 3. bestuurlijk gewest in sommige landen
    departamento
  2. 1. ministerie
    1. departamento
    2. ministerio
  3. 4. afdeling van een vereniging
    sección
verb
despenalizar
adjective
1. afhankelijk
dependiente
noun
dependencia
noun
1. psychische ziekte met wanen en vervreemding van zichzelf
despersonalización
noun
trastorno de despersonalización
noun
1. verdwijning van kleur (pigment)
despigmentación
noun
1. lediging, ontlasten(tekort) van lichaamsvloeistof
depleción
noun
despolarización
verb
  1. depolarize
  2. despolarizar
verb
despolitizar
/ˌdepoˈneːrə(n)/
verb
2. registreren zodat het niet door een ander gebruikt kan worden
  1. dejar en depósito
  2. depositar
  3. poner en depósito
noun
deportación
verb
1. onder dwang wegvoeren uit een gebied
deportar
noun
  1. depósito
  2. depósito a plazo fijo
verb
mojar
noun
depravación
noun
depreciación
noun
  1. 1. ziekelijke neerslachtigheid
  2. 2. gebied met lage luchtdruk
  3. 3. langdurige inzinking in de economische ontwikkeling
depresión
/ˌdeprɛˈsif/
adjective
depresivo
verb
deprimir
/depriˈvaʦi/
noun
privación
verb
desprogramar
verb
diputar
verb
descarrilar
/ˈdɑː(ɹ).bi/
noun
  1. derbi
  2. derby
/ˈdɛrdə/
noun
1. door drie gedeeld iets
  1. tercero
  2. tercio
/ˈdɛrdə/
ordinalAdjective
1. betrekking hebbend op nummer drie in een rij
tercero
noun
dativo
pronoun
Tercera Guerra Mundial
noun
1. overeenkomst ten gunste van een derde die normaal erbuiten blijft
  1. estipulación a favor de terceros
  2. estipulación por otro
noun
desregulación
demonstrativePronoun
  1. igual
  2. tal
noun
1. een afgeleide stof met een overeenkomstige structuur
derivado
noun
derivación
adjective
dermal
adverb
  1. así
  2. de este modo
  3. tan
noun
1. huidontsteking
dermatitis
noun
dermatofito
noun
1. medische tatoeage
dermatografia
noun
1. een specialisme binnen de geneeskunde dat zich bezighoudt met aandoeningen van de huid, de nagels en het haar, samen huidziekten genoemd
dermatología
noun
1. Huidspecialist
dermatólogo
noun
1. schimmelziekte van de huid
dermatomicosis
noun
  1. epiluminescencia
  2. microscopía de luz refleja
noun
1. huidziekte
dermatosis
noun
1. een laag bindweefsel die onder het epitheel van de huid ligt
dermis
noun
1. netelroosschrift, een kras op de huid wordt rood met zwelling en soms jeuk
dermografía
noun
derogación
verb
derogar
cardinalNumeral
1. het getal 13
trece
ordinalAdjective
decimotercero
cardinalNumeral
1. het getal 30
treinta
noun
crisis del cuarto de vida
pronoun
Guerra de los Treinta Años
ordinalAdjective
trigésimo
noun
derviche
verb
desacralizar
verb
1. inactief maken
desactivar
verb
1. eenduidig maken, van zijn dubbelzinnigheid ontdoen
desambiguar
adjective
desastroso
noun
descendente
noun
descripción
noun
descriptor
noun
1. ongevoelig maken voor een antigeen of allergeen
  1. insensibilización
  2. desensibilización
verb
insensibilizar
verb
desertar
noun
1. het permanent verlaten van een krijgsmacht zonder toestemming
deserción
noun
diseño
noun
designación
noun
diseñador
verb
designar
noun
  1. desengaño
  2. desilusión
noun
1. ziektekiemdodend middel
desinfectante
verb
desinfectar
noun
desinfección
noun
desinflación
noun
1. onjuiste of misleidende informatie, die bewust verstrekt wordt met het oogmerk...
desinformación
noun
desintegración
verb
desintegrar
noun
desinterés
noun
autoedición
adjective
1. met kennis van zaken
  1. competente
  2. ducho
  3. experto
  4. perito
noun
1. een specialist
  1. experto
  2. perito
noun
  1. competencia
  2. conocimiento
noun
desorientación
verb
desorientar
noun
  1. Ácido desoxirribonucleico
  2. ácido desoxirribonucleico
adjective
1. de wanhoop nabij, zonder raad
desesperado
noun
desesperación
verb
  1. desalentar
  2. desengañar
  3. desesperanzar
  4. desesperar
  5. desilusionar
  6. desmoralizar
noun
  1. déspota
  2. despot
noun
despotismo
noun
1. vervelling
descamación
noun
postre
noun
cuchara de postre
noun
1. het vast van waarde maken
desestabilización
verb
inestabilizar
noun
desestalinización
noun
alambique
noun
retorta
noun
alambique
noun
destructor
noun
destrucción
adjective
destructivo
verb
destacar
noun
1. onderdeel, kleinigheid
  1. detalle
  2. pormenor
noun
1. de handel die tastbare producten direct aan consumenten verkoopt
comercio al detalle
verb
  1. 2. ergens een signaal van door middel van apparatuur opvangen
  2. 1. iets of iemand zoeken en vinden
detectar
noun
1. opsporing, ontdekking
detección
/detɛkˈtivə/
noun
  1. 2. speurder die tracht misdaden op te lossen of bewijsmateriaal te verzamelen
    detective
  2. 3. boek of programma over mensen die trachten misdaden op te lossen
    novela policíaca
/detɛkˈtivəroˌmɑn/
noun
1. verhaal over een speurder die een misdrijf tracht op te lossen
novela policíaca
noun
1. detector
detector
noun
1. bepalende factor in een ontwikkeling of een toestand
determinante
noun
coeficiente de determinación
noun
determinante
verb
determinar
noun
determinismo
adjective
determinista
verb
1. iemand van staatswege gevangen houden
detener
noun
detonación
noun
detonador
verb
desentonar
noun
1. het verwijderen van een gif, ontgifting
destoxicación
noun
1. iets dat goed is in zedelijk opzicht
virtud
noun
ética de las virtudes
adjective
1. bereid zich te gedragen in overeenstemming met algemeen aanvaarde waarden
virtuoso
noun
1. ondeugend kind
  1. pillo
  2. pícaro
verb
1. een deuk of deuken maken in iets
abollar
noun
1.
  1. tonada
  2. canción
  3. melodía
noun
2. eenvoudig melodietje
  1. cantinela
  2. melodía
/døːr/
noun
1. een afsluiting van een toegang tot een ruimte, gemaakt van hout, metaal of kunststof
puerta
noun
1. een instrument waarmee bezoekers aangeven dat ze aan de deur staan
timbre
noun
1. een instrument waarmee bezoekers aangeven dat ze aan de deur staan
aldaba
noun
1. een handvat waarmee een deur wordt geopend of gesloten
  1. perilla
  2. picaporte
  3. pomo
  4. manija
  5. manilla
  6. tirador
noun
1. handvat dat de grendel van een deur bedient.
  1. manilla
  2. manija
noun
1. een kleine mat, waarop men bij de deur de schoenen kan afvegen
felpudo
noun
  1. 1.
    abrepuertas
  2. 2.
    abrepuertas eléctrico
noun
portero electrónico
/dørwardər/
noun
1. gerechtelijk ambtenaar die exploten en executien doet, dagvaardingen uitbrengt en beslagen legt
agente ejecutivo
/dœyˈterijʏm/
noun
1. een isotoop van waterstof
deuterio
noun
deuterón
/dewteɾoˈnomjum/
pronoun
Deuteronomio
verb
devaluar
noun
desarrollador
/'devəntər/
adjective
1. gemeente en oudste stad in de provincie Overijssel
Deventer
noun
  1. desviación
  2. deviación
noun
1. woord of korte tekst die snel en tegelijkertijd duidelijk een bepaalde boodschap moet overbrengen
lema
/deˈvon/
noun
Devónico
noun
1. een bijzondere verering voor een bepaalde persoon of een heilige
devoción
conjunction
1. geeft onderschikkend een reden aan
porque
noun
  1. dextrina
  2. E1400
noun
dextrosa
demonstrativePronoun
mismo
/deʲɪsmə/
noun
deísmo
noun
dharma
noun
dhimmi
noun
dhow
noun
sr.
noun
éter etílico
noun
1. een fotografische film die een positief beeld geeft dat direct goed zichtbaar geprojecteerd kan worden
diapositiva
noun
1. iemand die diabetes heeft
diabético
noun
1. stofwisselingsziekte waarbij het lichaam geen of te weinig insuline produceert
diabetes
noun
1. iemand die diabetes heeft
diabético
adjective
diabético
adjective
diabólico
verb
demonizar
noun
diábolo
noun
diaconisa
noun
1. band (met edelstenen versierd) voor om het hoofd
diadema
adjective
diáfano
noun
  1. 1. de opening in een lichtdichte laag in of bij een lens om de hoeveelheid door te laten licht te regelen
  2. 2. middenrif
diafragma
noun
1.
  1. bomba de diafragma
  2. bomba de membrana
noun
diáfisis
noun
  1. diagénesis
  2. Diagenese
noun
1. vaststelling van een ziekte
  1. diagnóstico
  2. diagnosis
/'dɪɑɣnɔstɪ'seːrə(n)/
verb
1. aan de hand van verschijnselen de ziekte bepalen
diagnosticar
noun
diagnóstico
adjective
diagnóstico
adjective
diagonal
noun
een rechte lijn die twee niet-opeenvolgende hoekpunten van een veelhoek verbindt.
diagonal
noun
neumático con capas cruzadas
noun
1. een symbolische en grafische voorstelling van een aantal zaken en hun onderling verband
diagrama
noun
diácono
noun
diaclasa
/dijaˈkritis/
adjective
diacrítico
/diaˈlɛkt/
noun
1. een variant van een taal met kenmerkende grammaticale, fonologische en andere kenmerken
dialecto
noun
dialéctica
adjective
dialéctico
/ˌdi.ja.ˌlɛk.to.lo.ˈɣi/, /ˌdi.ja.ˌlɛk.to.lo.ˈχi/
noun
1. de wetenschap die regionale verschillen tussen taalvariëteiten bestudeert
dialectología
/ˌdi.ja.ˌlɛk.to.ˈlox/, /ˌdi.ja.ˌlɛk.to.ˈloχ/
noun
1. iemand die regionale verschillen tussen taalvariëteiten bestudeert
dialectólogo
noun
  1. diálogo
  2. coloquio
noun
1. bloedzuivering met een kunstnier
diálisis
adjective
1. de eigenschap bezittend door een magnetisch veld afgestoten te worden doordat alle inwendige spins gepaard zijn
diamagnético
noun
diamagnetismo
noun
  1. 1. een uiterst hard, doorzichtig mineraal met kubische symmetrie dat uit koolstof bestaat
  2. 2. een edelsteen gesneden uit [1]
diamante
noun
1. iemand die zich toelegt op het bewerken van diamant
abrillantador
noun
1. middellijn
diámetro
noun
diapasón
noun
diapausa
/ˈdijaproˌjɛktɔr/
noun
proyector de diapositivas
noun
diario
/diɑ're/
noun
1. darmstoornis die dunne ontlasting veroorzaakt
diarrea
noun
diásporo
/diˈjaspora/
noun
diáspora
noun
diastereoisómero
noun
diástole
adjective
1. met betrekking tot verslapping van hart en bloedvaten
diastólico
noun
1. vatbaarheid voor een ziekte
diátesis
/ˌdiatoˈmeə(n)/
noun
1. stam van eencellige organismen, Bacillariophyta
diatomeas
noun
  1. celite
  2. diahydro
  3. diatomito
  4. kieselguhr
  5. kieselgur
  6. tierra de infusorios
/ˌdiaˈtomə(n)/
noun
1. stam van eencellige organismen, Bacillariophyta
diatomeas
noun
escala diatónica
adjective
diatonisch
diatónico
noun
dicloro
noun
dicloro difenil tricloroetano
adjective
2. gesloten
cerrado
preposition
1. op een korte afstand van
cerca de
adverb
  1. compacto
  2. denso
adjective
  1. adyacente
  2. contiguo
  3. vecino
verb
1. sluiten van een gat, opening
  1. tapar
  2. obturar
noun
1. iemand die poëtische kunst voortbrengt
poeta
/ˈdixterlɪk/
adjective
poético
noun
1. compactheid
densidad
verb
1. dicht maken door middel van een knoop
  1. abotonar
  2. abrocharse
  3. abrochar
noun
1. in ritme, maat, en klank verwoorden
poesía
noun
verso
verb
1.
  1. cauterizar
  2. sellar
  3. soasar
verb
helarse
noun
dictáfono
noun
1. iemand die als enige de macht in een land in handen heeft
dictador
noun
1. staatsvorm waarbij de macht vrijwel volledig in handen van één of enkele personen ligt
dictadura
/dɪk'te/
noun
1. een tekst die wordt gedicteerd en door andere personen wordt opgeschreven als toets in het correct spellen
dictado
verb
  1. dictar
  2. imponer
/ˈdɪk.tʏm/
noun
1. beschikkend gedeelte van een vonnis of arrest
  1. fallo
  2. parte resolutiva
noun
didáctica
adjective
didáctico
/diˈdimijʏm/
noun
1. scheikundige stof
didimio
/di'jen/
noun
1.
dieno
noun
2. een aanpassing in het eet- en voedingspatroon
  1. dieta
  2. régimen alimenticio
/dif/
noun
1. iem. die steelt
ladrón
noun
1. het zich onrechtmatig toe-eigenen van goederen of andere bezittingen die aan een ander toebehoren
  1. robo
  2. hurto
adverb
en este punto
noun
  1. criado
  2. sirviente
noun
  1. bandeja
  2. azafate
/ˈdinən/
verb
  1. 3. behoren, moeten
    1. deber
    2. tener que
  2. 1. werken voor; in dienst zijn van
    1. servir
    2. prestar servicio
noun
  1. 4. kerkdienst
    culto
  2. 1.
    servicio
noun
sujeción
noun
criada
noun
  1. comunicación
  2. comunicado
  3. documento
  4. escrito
  5. expediente
  6. oficio
noun
sirvienta
noun
secreto oficial
adjective
  1. utilizable
  2. útil
noun
1. een jaar dat men in een functie werkt
año de servicio
noun
criada
/ˈdinst.plɪxt/
noun
1. verplichting om ergens te werken
servicio militar obligatorio
noun
horario
noun
servicio
adjective
1. tot dienst bereid
servicial
conjunction
1. als gevolg van
  1. consecuentemente
  2. consiguientemente
  3. por consecuencia
  4. por consiguiente
adjective
1. waar de bodem ver naar beneden is
  1. hondo
  2. profundo
noun
1.
  1. línea de plomo
  2. línea del plomo
adjective
naranja intenso
/'diptə/
noun
  1. 2. bijzonder laag gelegen plaats
    1. depresión
    2. fondo
  2. 1. de mate waarin iets diep is
    1. hondura
    2. profundidad
noun
  1. 2. echolood
    batímetro
  2. 1. instrument om de diepte onder water te meten
    batómetro
noun
percepción de la profundidad
noun
profundidad de campo
noun
1. een toestel bedoeld om voedingsmiddelen...
congelador
noun
congelador
noun
congelador
noun
muro pantalla
noun
minería en el fondo del mar
adjective
  1. abstruso
  2. profundo
/diːr/
noun
1. met zintuigen uitgerust meercellig organisme dat zijn energie verkrijgt uit andere dierlijke of plantaardige organismen
animal
adjective
1. waaraan men grote waarde hecht
  1. querido
  2. caro
  3. preciado
noun
comunicación animal
noun
activismo de liberación animal
noun
activista de liberación animal
noun
1. arts voor dieren, met name kleine huisdieren
veterinario
noun
día del animal
noun
1. de omgang met een dier die nadelig is voor de fysieke en/of psychische gezondheid ervan
crueldad hacia los animales
noun
activismo de liberación animal
noun
activista de liberación animal
noun
movimientmo de liberación animal
/'dirənrim/
noun
  1. Zodiaco
  2. Zodíaco
noun
tienda de animales
noun
comunicación animal
/ˈdiːrə(n)ˌtœʏ̯n/, /ˈdiːrə(n)ˌtœːn/
noun
1. een verzameling levende, oorspronkelijk wilde dieren.
  1. zoo
  2. zoológico
  3. jardín zoo
noun
1. een instelling die zich bezighoudt met het verzorgen en kweken van exotische diersoorten en het tonen ervan aan betalend publiek
  1. jardín zoológico
  2. parque zoológico
  3. zoo
noun
1. wetenschap die zich richt op de aard, de oorzaken en de geneesmiddelen van dierziektes
medicina veterinaria
noun
1. de wetenschap die de dieren bestudeert.
zoología
adjective
  1. animal
  2. bestial
  3. brutal
noun
brutalidad
noun
1. dieselmotor
motor diesel
noun
diésel
noun
motor diésel
noun
  1. diesel
  2. gasoil
  3. gasóleo
noun
  1. bifenilo
  2. E230
  3. difenilo
noun
difamación
verb
difamar
noun
diferencial
noun
beveiliging die afschakelt indien twee stromen niet even groot zijn
interruptor diferencial
noun
geometría diferencial
noun
operador diferencial
noun
cálculo diferencial
noun
vergelijking voor een functie waarin een of meer van de afgeleiden van die functie voorkomen
ecuación diferencial
noun
1. ontwikkeling in een bepaalde richting, het zich ontwikkelen van cellen, weefsels etc. tot...
diferenciación
noun
diferencia
adjective
diferencial
adjective
diferenciable
/dɪfərɛn'(t)ʃerə(n)/
verb
  1. 1. vanuit een homogeen geheel tot verschillende vormen komen
  2. 2. (wiskunde) het berekenen van de lokale stijging in een functie, het bepalen van de afgeleide van een functie
diferenciar
noun
diferenciación
adjective
difícil
noun
difracción
verb
difundir
noun
1. de vermenging van twee ongelijksoortige stoffen
difusión
noun
coeficiente de difusión
adjective
difuso
noun
difosfato
noun
1. infectieziekte
difteria
/ˈdɪftɔŋ/
noun
1. een foneem dat uit twee klinkers bestaat die binnen één lettergreep in elkaar overgaan
diptongo
noun
1. het verschijnsel dat een diftong overgaat in een monoftong
diptongación
verb
digerir
noun
digestión
adjective
1. met betrekking tot de spijsvertering
digestivo
noun
1. middel dat
digestivo
adjective
digital
noun
1. het vastleggen van beelden met behulp van een digitale camera
fotografía digital
noun
digitalización
verb
digitalizar
noun
1. het digitaliseren
digitalización
noun
digoxina
noun
dígrafo
/dɛj/
noun
1. het deel van het menselijk been tussen heup en knie
muslo
noun
fémur
noun
1. een waterkering ter bescherming van het achterliggende land
dique
/dɪk/
adjective
  1. 4. ruim
    ancho
  2. 6. nauw aaneengesloten
    denso
  3. 3. een naar verhouding grote lichaamsomvang hebbend
    gordo
  4. 1. een naar verhouding grote dwarsdoorsnede hebbend
    grueso
noun
1. bepaald soort gors, Oryzoborus crassirostris
semillero picón
adjective
negrita
noun
paquidermo
noun
3. kleine bruine motachtige dagvlindersoorten met een snelle schietvlucht
hespérido
noun
1. bepaalde soort vis, Chelon labrosus
  1. lisa
  2. mújol
  3. pardete
noun
  1. 1. zwaarlijvigheid
    1. cordura
    2. corpulencia
  2. 3. consistentie
    1. espesor
    2. consistencia
    3. densidad
  3. 2. mate waarin iets een grote dwarsdoorsnede
    1. espesor
    2. espesura
    3. grosor
    4. grueso
  4. 4. zwelling
    hinchazón
adverb
  1. a menudo
  2. frecuentemente
  3. con frecuencia
  4. muchas veces
noun
  1. gordinflón
  2. guatón
noun
1. verwijding
dilatación
noun
consoladora
/dɪ'lɛmɑ/
noun
moeilijke keuze
dilema
noun
  1. aficionado
  2. diletante
noun
1. de plant en de bladeren van het kruid
  1. eneldo
  2. aneldo
noun
1. zaden van Anethum graveolens
semillas de eneldo
noun
1. een geneesmiddel dat behoort tot de groep calciumantagonisten
diltiazem
noun
dímero
noun
  1. 1. afmeting in een bepaalde richting
  2. 2. parameter van een wiskundige ruimte
  3. 3. categorie waarin een fysische grootheid valt
dimensión
adjective
adimensional
adjective
dimensional
verb
dimensionar
noun
éter dimetílico
noun
dimetilsulfuro
noun
1.
luz de cruce
/ˈdɪmə(n)/
verb
1, 2. licht temperen
reducir las luces
noun
dimorfismo
noun
dinar
noun
1. warme maaltijd
cena
verb
1. het diner gebruiken
cenar
noun
1. voorwerp
cosa
noun
1. stam van eencelligen met een tweetal zweepstaartjes die in water leven, Dinoflagellata
dinoflagellata
/ˈdinoflɑɣɛˌlatə(n)/
noun
1. stam van eencelligen met een tweetal zweepstaartjes die in water leven, Dinoflagellata
dinoflagellata
/ˌdinoˈsʌʊriər/
noun
1. een lid van een uitgestorven groep van reptielen, waartoe de grootste landdieren behoren die ooit bestaan hebben
dinosaurio
/ˌdinoˈsʌʊrəs/
noun
1. een lid van een uitgestorven groep van reptielen, waartoe de grootste landdieren behoren die ooit bestaan hebben
dinosaurio
noun
1. dag van de week die na maandag en voor woensdag komt
martes
noun
diodo
noun
síndrome de Diógenes
pronoun
Dioniso
pronoun
Dioniso
noun
dioptría
noun
diorama
noun
diorita
noun
dióxido
noun
diplodoco
noun
1. een bewijs van bevoegdheid
  1. diploma
  2. título
  3. graduación
noun
1. iemand die in het buitenland zorgt voor de politieke relaties met zijn eigen land
diplomático
noun
1. de functionarissen die hun staat in een bepaald land vertegenwoordigen
cuerpo diplomático
noun
1. de kunst en de kunde van het voeren van overleg
diplomacia
adjective
1. betrekking hebbende op de diplomatie
diplomático
noun
1. wetenschap die oorkonden typeert en beschrijft naar hun vorm
diplomática
/diploˈit/
adjective
1. met twee exemplaren van ieder chromosoom in de celkern
diploide
noun
dipolo
noun
díptico
adjective
1. zonder te wachten, zonder iets daartussen
directo
noun
1. de hoogste persoon bij een bedrijf
  1. director
  2. gerente
noun
1. de leiding van een bedrijf, de directeur en of de topmanagers
  1. dirección
  2. jefatura
noun
directorio
noun
  1. carpeta
  2. directorio
noun
dírham
noun
1. een leider van een orkest, koor of ander muziekgezelschap
director de orquesta
verb
dirigir
pronoun
2. spelwoord voor de letter d
Domingo
adjective
disciplinario
noun
disciplina
noun
1. discotheek
discoteca
noun
1. beschrijvend overzicht van de elpee's of cd's van een artiest of muziekgroep
discografía
adjective
discontinuo
noun
discontinuidad
adjective
discordante
noun
discordancia
noun
  1. discoteca
  2. disco
noun
1. uiteenzetting van opvattingen
discurso
noun
análisis del discurso
adjective
1. zonder aandacht te trekken, onopvallend
discreto
noun
1. onverwachte onderlinge afwijking
discrepancia
noun
  1. 1. bescheidenheid of kiesheid
  2. 2. geheimhouding
discreción
noun
discriminante
noun
discriminación
verb
1. maken van onderscheid
discriminar
adjective
discursivo
/ˈdɪskʏs/
noun
1. een zware werpschijf die gebruikt wordt bij de atletische sport discuswerpen.
disco
noun
1. een gedachtewisseling waarbij doorgaans verschillende meningen worden uitgewisseld
discusión
verb
discutir
noun
1. een atletiekdiscipline waarbij men een discus zo ver mogelijk probeert te werpen
lanzamiento de disco
adjective
1. vatbaar voor kritiek
discutible
verb
discutir
noun
disyunción
noun
1. Magneetschijf
disquete
noun
descalificación
noun
1. ongewone verplaatsing
dislocación
adjective
dispar
noun
1. ongelijkheid, ongelijkwaardigheid
disparidad
noun
dispensacionalismo
adjective
disperso
noun
  1. 1. verstrooiing
    dispersión
  2. 2. kleurschifting
    1. dispersión
    2. dispersión refractiva
noun
visualizador
verb
  1. disponer
  2. usar
adjective
1. beschikbaar
disponible
noun
1. aanleg, vatbaar zijn voor
disposición
adjective
desproporcionado
adjective
disputable
verb
disputar
noun
disrupción
adjective
disruptivo
/dɪsəl/
noun
3. houtbewerkingsbijl
azuela
noun
  1. disertación
  2. tesis
adjective
disidente
noun
disipación
verb
disipar
noun
1. uiteenval
disociación
verb
disociar
noun
disolución
/dɪso'nant/
noun
disonancia
noun
disonancia
verb
1. afstand nemen
distanciarse
noun
cardo
noun
1. uitrekking
distensión
noun
dístico
verb
1. afzonderen van een gezuiverd product door het verhitten van een mengsel en afkoelen van de dampen
  1. destilar
  2. alambicar
noun
distinción
adjective
distintivo
verb
distinguir
noun
1. verstuiking
distorsión
noun
distracción
/dɪstriby'erə(n)/
verb
  1. distribuir
  2. repartir
noun
distribuidora
noun
1. verdeling, verspreiding
distribución
noun
onderneming die de distributie verzorgt
empresa distribuidora
adjective
distributivo
noun
correa de la distribución
noun
1. het gebied van een lokale overheid
distrito
demonstrativePronoun
  1. este
  2. esta
noun
ditirambo
noun
1. urinedrijvend middel
diurético
adjective
1. uiteenlopend
divergente
noun
divergencia
verb
divergir
adjective
  1. 1. onderling duidelijk verschillend
    1. diverso
    2. diferente
  2. 2. gekenmerkt door de aanwezigheid van mensen met een verschillend achtergrond
    1. diverso
    2. diversa
  3. 3. twee of meer
    1. varias
    2. varios
noun
diversidad
noun
1. ontsteking van de darmuitstulpingen
diverticulitis
noun
1. uitkering van (een deel van de) winst aan de aandeelhouders van een onderneming
dividendo
adjective
divino
noun
1. legereenheid van 15.000 man
división
noun
dihidrógeno
noun
1. (weinig gebruikte) scheikundige term voor water (H2O)
monóxido de dihidrógeno
noun
dioxígeno
noun
1. Een diëlektricum is een materiaal waarvan de polarisatie...
dieléctrico
adjective
dieléctrico
noun
1. specialist op het gebied van voeding en voedingspatronen
dietista
noun
1. een vrouwelijke specialist op het gebied van voeding en voedingspatronen
dietista
/'dʒɛmbe/, /ˈdjɛmbe/
noun
1. soort trommel die oorspronkelijk vooral bespeeld werd in West-Afrika
  1. dyembe
  2. jembe
/(d)ʒi.ˈbu.ti/, /dji.ˈbu.ti/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika 2. de hoofdstad van
Yibuti
/dʒibutiˈans/
adjective
yibutiano
noun
yibutiana
noun
franco yibutiano
noun
genio
noun
1. de afkorting van desoxyribonucleic acid (desoxyribonucleïnezuur)
ADN
noun
1. kubusvormig voorwerp met op elk van de zijden een van de ogenaantallen één tot en met zes
dado
noun
1. hondenras
dóberman
noun
  1. docente
  2. instructor
  3. profesor
noun
docetismo
noun
1. een vrouwelijk kind
hija
noun
docilidad
/ˈdɔktɔr/
abbreviation
1. een academicus die een goedgekeurd proefschrift heeft geschreven
doctor
noun
licenciatura
noun
1.het hoogste diploma dat aan een universiteit behaald kan worden
doctorado
abbreviation
1. heeft doctoraal examen gedaan
  1. bachiller
  2. licenciado
adjective
doctrinal
noun
1. een verzameling leerstellingen of dogmas die niet ter discussie staan
doctrina
noun
1. een verzameling gegevens
documento
adjective
documental
noun
1. een op waarheid beruste film
documental
/dokymɛn'taʦi/
noun
1. geschreven materiaal dat een bepaald onderwerp om- en beschrijft
documentación
verb
1. onderbouwen, staven
documentar
noun
1. bepaald soort watervogel, Tachybaptus ruficollis
zampullín común
noun
1. iemand die dood is, een gestorvene, overledene
muerto
noun
1. dodecafonie
dodecafonismo
noun
1. een regelmatig veelvlak bestaande uit twaalf vijfhoeken
dodecaedro
/'do:dələk/
adjective
1. de dood veroorzakend
  1. mortal
  2. mortífero
/ˈdo.də(n)/
verb
1. iemand van het leven beroven.
matar
noun
libro de los muertos
noun
1. het herdenken van de doden die vielen in de Tweede Wereldoorlog, meestal op 4 mei
conmemoración de los muertos
/ˈdodə(n)ˌmɪs/
noun
1. een mis opgedragen voor een overledene
réquiem
phraseologicalUnit
  1. hazlo tú mismo
  2. hágalo usted mismo
noun
  1. bricolaje
  2. hazlo tú mismo
  3. hágalo usted mismo
verb
1. iets zelf construeren
  1. bricolaje
  2. hacer tú mismo
/ˈdudɔɫˌzɑk/, /ˈdudəlˌzɑk/
noun
1. een rietinstrument waarbij het riet indirect bespeeld wordt via een luchtzak
  1. gaita
  2. gaita gallega
noun
  1. 4. gordijn
    cortina
  2. 3. doek/schilderij
    1. cuadro
    2. lienzo
    3. pintura
  3. 5. projectiescherm
    pantalla
  4. 1. een lap
    1. paño
    2. trapo
  5. 2. weefsel
    1. tejido
    2. tela
noun
1. geld, poen
guita
noun
mercado objetivo
noun
  1. guardameta
  2. portero
  3. arquero
adjective
  1. eficaz
  2. oportuno
noun
  1. eficacia
  2. eficiencia
noun
poste de la portería
noun
gol
noun
1. een gewenste situatie waar naar toe gewerkt wordt
objetivo
noun
eficacia
verb
1. een actie ondernemen
hacer
noun
perro de aguas
noun
  1. difumino
  2. esfumino
verb
  1. 1. een stof door middel van een doezelaar dun uitwrijven
    1. difuminar
    2. esfumar
    3. disfumar
    4. esfuminar
  2. 2. lichtjes slapen
    dormitar
adjective
  1. 1. zonder weerschijn
    1. apagado
    2. deslucido
    3. deslustrado
    4. desvaído
    5. mate
  2. 2. van geluiden
    1. apagado
    2. sordo
  3. 3. lusteloos, futloos
    pesado
/dɔx/
noun
1. grote kortharige hond met brede kop
  1. dogo
  2. alano
noun
dux
noun
duxes
/'dɔɣma/
noun
1. een vastomlijnd geloofsartikel dat aan geen beredenering meer is onderworpen
dogma
adjective
dogmático
noun
dojo
noun
  1. 2. droogzetinrichting voor schepen
    dique
  2. 3 laad- en loshaven
    dársena
noun
  1. médico
  2. doctor
  3. doctora
noun
prescripción
/ˈdɔkˌʋɛr.kər/
noun
1. iemand die in de havens werkt
descargador
/dɔl/
adjective
1. onzinnig
loco
/dɔl/
noun
  1. 1. roeipen
    1. escálamo
    2. tolete
  2. 2. U-vormig steunpunt waarin een roeispaan rust
    horquilla
/dɔlˈfɛɪ̯n/, /dɔlˈfɛːn/, /dɔɫˈfɛɪ̯n/, /ˈdɔlfɛɪ̯n/, /ˈdɔlfɛːn/, /ˈdɔɫfɛɪ̯n/
noun
1. familie Delphinidae van mittelgrote tandwalvissen met vooruitstekende snuit
delfín
adverb
  1. con mucho gusto
  2. con muchísimo gusto
  3. de buena gana
  4. de muy buena gana
adjective
dolicocéfalo
noun
  1. puñal
  2. daga
/ ˈdɔlɑr /
noun
1. munt en munteenheid
dólar
noun
  1. signo de dólar
  2. signo de peso
noun
dolomita
adjective
1. van weinig verstand getuigend
  1. estúpido
  2. tonto
noun
2. bolvormig dak
domo
noun
dominio
noun
ciberokupa
noun
  1. régimen señorial
  2. señorío
noun
1. temming tot huisdier of cultuurgewas
domesticación
verb
1. tot huisdier of cultuurgewas temmen
domesticar
verb
domiciliar
noun
2. vijfde trede van toonladder
dominante
noun
1. overheersing
dominación
noun
1. voorganger van een protestantse eredienst
  1. pastor
  2. pastor protestante
  3. dómine
/domiˈnɪːrə(n)/
verb
1. het meest nadrukkelijk op de voorgrond treden
dominar
noun
1-2. inwoner van ...
  1. dominicano
  2. dominico
  3. habitante de Dominica
noun
1. kloosterling van
  1. dominico
  2. dominicano
adjective
  1. op Dominica betrekking hebbend
    dominicano
  2. op Dominicaanse Republiek betrekking hebbend
    dominikánský
adjective
  1. dominico
  2. dominicano
noun
  1. dominicana
  2. habitante de Dominica
noun
peso dominicano
/ˌdo.mi.ni.ˌkan.sə.re.py.ˈblik/, /ˌdo.mi.ni.ˌkans.re.pʏ.ˈbliːk/
pronoun
1. een land in het Caribisch gebied dat ten westen aan Haïti grenst en daarmee...
República Dominicana
noun
1. een spel met stenen die aan twee zijden voorzien zijn van ogen en die aan elkaar gelegd worden
  1. dominó
  2. dómino
/ˈdɔm.kɔp/
noun
1. iemand die niet erg slim is
bobo
noun
2. werktuig
  1. gato
  2. cric
verb
1. half in slaap zijn
dormitar
/ˈdɔm.or/
noun
(milde benaming) dom persoon
bobo
noun
3. benaming voor watervogels die helemaal onder water duiken
  1. somorgujo
  2. somormujo
verb
bañar
/dɔn/
noun
don
noun
1. iemand die een (financiële) bijdrage levert
donador
noun
1. een schenking
donación
noun
1. een pagina waarop gevraagd wordt om voor een goed doel een financiële bijdrage te leveren
página de recolección de fondos
noun
donatismo
pronoun
1. een rivier in Europa die in het Zwarte Woud in Duitsland ontspringt en naar de Zwarte Zee stroomt.
Danubio
noun
salmón del Danubio
noun
1. een zeer luid geluid bij onweer
trueno
noun
  1. alcachofera de gatos
  2. barba de Júpiter
  3. siempreviva mayor
  4. siempreviva tapizante
noun
1. een dag van de week die na woensdag en voor vrijdag komt
jueves
/ˈdɔndərə(n)/
verb
1. het weerklinken van luid gerommel ten gevolge van bliksemontlading.
  1. tronar
  2. retumbar
noun
  1. coto
  2. pez escorpión
/'dɔndərslɑx/
noun
1. de luide knal die het inslaan van de bliksem veroorzaakt
trueno
verb
1. een gift geven
dotar
adjective
1. zonder licht
oscuro
noun
1. toestand dat er geen licht is
oscuro
noun
1. duister
tinieblas
noun
1. gever, bijv. orgaandonor: degene die zijn orgaan afstaat
donante
noun
1. fijne veren die onder de taaiere buitenveren zitten, vaak gebruikt als vulstof voor kussens, dekbedden en slaapzakken
plumón
noun
  1. dónut
  2. rosquilla
  3. buñuelo
  4. rosquilla americana
/doːt/
adjective
1. niet meer levend
muerto
/doːt/
noun
  1. 1. de toestand na het leven
  2. 2. skeletvormige figuur, vaak met zeis, die bovengenoemde toestand personifieert
muerte
/ˈdotxan/
verb
1. het leven verlaten
  1. morir
  2. finar
adjective
1. bij de geboorte al overleden
mortinato
noun
  1. 2. keversoort
    necróforo
  2. 1. (beroep) persoon
    1. sepulturero
    2. enterrador
noun
1.
ataúd
verb
1. doden
matar
noun
3. hevige vrees
  1. angustia mortal
  2. miedo mortal
  3. temor a la muerte
noun
het bed waarop iemand gestorven is
lecho de muerte
/ˈdoːts.ɛsˌka.dər/
noun
1. bende die gevormd is om een of meerdere personen te doden
escuadrón de la muerte
noun
ataúd
/dotslɑx/
noun
1. het iemand anders opzettelijk, maar zonder voorbedachten rade van het leven beroven
homicidio
noun
1. als straf gedood worden
  1. pena de muerte
  2. pena capital
adjective
2. heel erg ziek
enfermo de gravedad
/doːf/
adjective
1. niet of minder goed tot horen in staat zijn
sordo
noun
  1. sordera
  2. ensordecimiento
noun
1. smelten
deshielo
/'dojə(n)/
verb
1. het stijgen van de buitentemperatuur boven het vriespunt waardoor alle ijs en sneeuw begint te smelten
  1. deshelarse
  2. deshelar
noun
yema
noun
  1. 1. plechtige besprenkeling of onderdompeling waarmee iemand tot een kerk gaat behoren
    1. bautismo
    2. bautizo
  2. 2. eerste keer dat iemand een taak uitvoert of eerste gebruik van een object
    bautizo
noun
1. de doop
bautismo
/ˈdop.vɔnt/
noun
1. een bekken voor de bediening van de doop en het bewaren van het doopwater in een kerkgebouw
  1. pila bautismal
  2. fuente
/ˈdoːr/, /[doːr]/, /[dʊːr]/
preposition
  1. 1. bij lijdende vorm
  2. 2. oorzaak
por
verb
hojear
verb
1. een scherp voorwerp geheel door iets heen steken
  1. horadar
  2. perforar
  3. puncionar
  4. taladrar
noun
  1. 2. een cruciale ontdekking
    innovación
  2. 1. een plek waar een dijk of dam is doorgeslagen
    1. rotura
    2. ruptura
verb
  1. 3. met kracht een doorgang maken, een weg door iets heen forceren
    1. abrirse paso
    2. romper
  2. 1. een einde aan een heersende situatie maken
    cortar por lo sano
verb
1. tot een boog vervormen door een opgelegd gewicht
  1. arquear
  2. doblar
/dorˈdɛŋkə(n)/, /do̝rˈdɛŋkə(n)/, /ˈdordɛŋkə(n)/, /ˈdo̝rdɛŋkə(n)/
verb
1. [doordénken] serieus en goed nadenken over een kwestie
reflexionar profundamente
verb
  1. insistir
  2. ahincar
  3. apretar
  4. instar
  5. urgir
verb
  1. embeber
  2. empapar
adjective
permeable
adjective
penetrante
verb
forzar
/ˈdoːrɣan/, /ˈdɔːrχan/
verb
1. tot het einde meemaken
continuar
/'dɔːrɣans/
adverb
1. in de meeste gevallen, met weinig uitzonderingen
generalmente
noun
  1. pasadizo
  2. paso
noun
perspectiva
/'dorklivə(n)/, /dorˈklivə(n)/
verb
1.
  1. hender
  2. rajar
  3. surcar
verb
1. door een bepaald gebied heenreizen
atravesar
verb
  1. atravesado
  2. cruzado
adjective
permeable
verb
2. in zijn geheel lezen
leer de cabo a rabo
verb
  1. atravesar
  2. experimentar
  3. ir a través de
  4. pasar la experiencia
  5. vivir un hecho
  6. vivir un suceso
noun
1. scherp uitsteeksel aan een plant
espina
noun
1. Datura stramonium, een zeer giftige plant die hallucinogene alkaloïden bevat
  1. estramonio
  2. toloache
verb
globaal bestuderen of bespreken
  1. recorrer
  2. repasar
/ˈdornəkron/
noun
1. van doorntakken gevlochten kroon als symbool van het martelaarschap
corona de espinas
noun
1. bepaalde soort vis, Squalus acanthias
escualo
verb
  1. pinchar
  2. puncionar
adjective
2. doorregen spek: spek met veel laagjes vlees tussen het vet in
  1. entreverado
  2. veteado
verb
recorrer
verb
desviar
adjective
diáfano
adjective
decisivo
verb
desgastarse
verb
  1. aceitar
  2. engrasar
  3. lubrificar
  4. untar
noun
  1. 2. diameter
    diámetro
  2. 5. wiskundige doorsnede
    1. intersección
    2. intersección de conjuntos
  3. 1. doorsnijvlak
    1. perfil
    2. sección
  4. 4. representatieve verzameling
    término medio
/dɔːrˈstan/
verb
  1. 2. overleven
    1. aguantar hasta el fin
    2. sobrevivir
  2. 1. ondanks moeilijkheden er nog goed voorstaan
    resistir
noun
1. het ergens door(heen) kunnen varen
pasaje
verb
vincular
verb
vinculado
/ˈdorvərˌkopə(n)/, /ˈdo̝rvərˌkopə(n)/
verb
1. iets verkopen dat onlangs is gekocht
revender
noun
tránsito
verb
vadeado
verb
empapar
noun
tipo tenaz
/doːrˈzɪxtəx/, /doːrˈzɪxtɪx/, /do̝ːrˈzɪχtəχ/
adjective
[1] waar licht zo ongehinderd door kan treden dat het zicht erdoor niet belemmerd wordt
transparente
/dorˈzin/, /do̝rˈzin/, /ˈdorzin/, /ˈdo̝rzin/
verb
  1. 1. dóórzien, vluchtig iets lezen
    1. hojear
    2. repasar
  2. 1. inzien dat iets een poging tot bedrog is
    1. calar
    2. penetrar
    3. comprender
    4. penetrarse
verb
  1. 1. voortgaan met zoeken
    seguir buscando
  2. 1. grondig onderzoeken of zich iets ergens bevindt
    1. registrar
    2. andar husmeando
    3. escudriñar
    4. indagar
    5. inspeccionar
/doʊs/, /doːs/
noun
1. een veelal kartonnen balkvormig opslagmiddel
caja
noun
cajita
/dɔp/
noun
2. kapje ter afsluiting van iets
  1. tapa
  2. tapón
noun
1. drugs
droga
verb
  1. 3. een naam geven
    1. apellidar
    2. denominar
  2. 4. voor het eerst ondergaan
    bautizar
  3. 2. iemand ritueel met water besprenkelen of erin onderdompelen en zodoende tot een geloof toelaten
    1. bautizar
    2. acristianar
    3. cristianar
  4. 1. iets in een vloeistof steken
    1. empapar
    2. mojar
    3. remojar
noun
1. en 2. (zaden uit / peulen van) het gewas Pisum sativum L. subsp. sativum var. sativum
guisante de jardín
noun
1. een geslacht van planten uit de heidefamilie (Ericaceae)
  1. bermeguela
  2. brezo de bonal
  3. brezo de escobas
  4. brezo de turbera
  5. brezo en cruz
  6. brezo tomillar
noun
1. stimulerende (genees)middelen
  1. dopaje
  2. doping
noun
1. schijnbare frequentieverschuiving als de zender en ontvanger bewegen ten opzichte van elkaar
efecto Doppler
noun
1. dopsleutel
llave tubular
adjective
seco
noun
dorado
adjective
dórico
/dɔrp/
noun
1. kleine, permanente nederzetting
  1. pueblo
  2. aldea
noun
1. inwoner van een kleine plaats op het platteland
aldeano
/ˈdɔrps.kɛrk/
noun
1. een kerkgebouw in een dorp
iglesia del pueblo
noun
cura de pueblo
verb
trillar
noun
sed
noun
mayal
noun
1. vloer waarop gedorst wordt
era
verb
dosificar
noun
1. hoeveelheid van een geneesmiddel die je per keer moet innemen
dosis
/doˈsir/, /dɔˈʃe/, /ˈdɔs·jeː/
noun
1. verzameling documenten en andere vastgelegde informatie,...
  1. expediente
  2. dosier
adjective
dotal
noun
dotación
verb
1.
dotar
noun
1.
  1. calta
  2. calta palustre
  3. caléndula acuática
  4. hierba centella
noun
1. een overheidsdienst die belast is met de controle op het internationaal goederenverkeer
aduana
noun
  1. aduanero
  2. vista
verb
2. verdubbelen
duplicar
adjective
chapado en oro
/duʃ/
noun
1. stortbad
ducha
verb
1. een douche nemen
  1. ducharse
  2. duchar
noun
espuma de baño
/ˈdovə(n)/
verb
1. een vlam uit doen gaan
  1. apagar
  2. extinguir
noun
1. een lipbloemige plant met bladeren die op die van de brandnetel lijken maar die niet branden.
ortiga muerta
verb
1. een bestand van een computer of server op afstand naar een lokale computer of server overbrengen
descargar
noun
1. een set van twaalf
docena
adverb
pronto
/draːt/
noun
  1. 5. de schroefdraad
    1. filete de tornillo
    2. rosca de tornillo
  2. 1. in elkaar gesponnen vezels
    hilo
/drat.los/, /ˈdraːd.loːs/
adjective
1. waarbij geen draden nodig zijn voor de overdracht van een signaal
inalámbrico
noun
clavo
noun
filaria
/ˈdraxbar/, /ˈdraχbar/
adjective
1. te dragen, met de mogelijkheid gedragen te worden
portátil
noun
vigueta
noun
1. ongemoduleerde elektromagnetische radiogolf
onda portadora
noun
1. frequentie van een draaggolf
frecuencia portadora
noun
  1. baldaquín
  2. palio
noun
capacidad de carga
/ˈdraːɣ.mudər/
noun
madre de alquiler
noun
1. de tijd dat een vrouwelijk dier gewoonlijk zwanger is
período de gestación
noun
  1. 2. een vleugel van een vliegtuig
    plano sustentador
  2. 1. een vlak waarop een last gedragen wordt
    superficie de apoyo
/draːi̯/
noun
1. omwenteling
  1. vuelta
  2. giro
  3. rotación
noun
1. een machine die een ingeklemd werkstuk ronddraait zodat dit met beitels en boren kan worden bewerkt
torno
noun
guión
noun
1. constructie van drie of vier deurbladen die rondom een gezamenlijke verticale as kunnen draaien, ter vervanging van een gewone deur m.n. gebruikt in winkels, ziekenhuizen enz.
puerta giratoria
/ˈdraːi̯ən/
verb
1. om een middelpunt bewegen
girar
noun
  1. 2. de tweede wervel
    axis
  2. 1. iemand die met een draaibank werkt
    1. tornero
    2. torneador
noun
torcecuello
noun
  1. rotación
  2. giro
  3. vuelta
noun
1. een slurfvormige draaiing in een watermassa
remolino
noun
  1. carrusel
  2. tiovivo
noun
1. een mechanisch bediend of automatisch spelend orgel, meestal op straat spelend
  1. organillo
  2. organillo de manubrio
noun
  1. centro de rotación
  2. punto de giro
noun
torno
noun
motor trifásico
noun
  1. campo magnético giratorio
  2. campo magnético rotativo
pronoun
sterrenbeeld nabij de noordelijke hemelpool
Draco
/draːk/
noun
1. fabeldier
dragón
noun
1. kleding
traje
/drɑxtəx/
adjective
1. (van dieren) zwanger
preñada
noun
gragea
verb
2. als kledingstuk of sieraad aanhebben
  1. llevar (puesto)
  2. llevar
noun
1. een persoon die (letterlijk) draagt
portador
/ˈdraɣɔn/
noun
2. kruid
  1. estragón
  2. dragoncillo
  3. tarragona
  4. tarragón
noun
  1. arrancones
  2. picadas
noun
1. vochtafvoering
drenaje
verb
1. de afvloei van water bevorderen
drenar
noun
  1. 1. een droevige of aangrijpende gebeurtenis
  2. 2. een bepaald soort film of toneelstuk
drama
adjective
dramático
noun
dramaturgia
noun
1. innerlijke neiging om iets te doen
  1. impulso
  2. instinto
  3. presión
  4. urgencia
/drɑŋk/
noun
  1. 1. alcoholhoudende vloeistof
    1. alcohol
    2. bebida alcohólica
  2. 2. vloeistof om de dorst te lessen
    1. bebida
    2. poción
noun
  1. 2. glaasje drank
    copita
  2. 3. vloeibaar medicament
    1. poción
    2. brebaje
    3. jarabe
verb
empavesar
/ˈdrɑs.tis/, /ˈdrɑs.tɪs/
adjective
1. doelgericht zeer ingrijpend
drástico
verb
1. van paarden
trotar
noun
1. grassoort
bromo
noun
rezón
verb
1. een bestraffende handeling in het vooruitzicht stellen
  1. amenazar
  2. amagar
adjective
  1. amenazador
  2. amenazante
noun
1. een bestraffende handeling die in het vooruitzicht is gesteld
amenaza
/ˈdrɛŋkə(n)/
verb
2. drinken geven aan
  1. abrevar
  2. abrevarse
  3. regar
noun
1. geschikte plek om rijdieren of vee te laten drinken
abrevadero
/ˈdrɛntə/
pronoun
1. provincie in het noorden van Nederland, die door Friesland, Groningen, Overijssel en het Duitse Nedersaksen wordt begrensd
Drente
verb
  1. adiestrar
  2. amaestrar
noun
  1. adiestramiento
  2. doma
noun
punzón
cardinalNumeral
1. telwoord
tres
noun
1. het cijfer 3
  1. número
  2. tres
noun
Trinidad
noun
trinidad
/dri'enəxhɛɪt/
noun
trinidad
noun
de tres en tres
adjective
1. bestaande uit drie atomen
triatómico
adjective
1. met drie afmetingen, hoogte, breedte en diepte
tridimensional
noun
  1. ajonjera
  2. carlina
  3. carlina montés
noun
sistema trifásico
noun
1. tweedimensionale geometrische vorm, bestaande uit 3 hoeken en 3 zijden
triángulo
adjective
triangular
noun
1. kleine tweekleppige zoetwaterschelp, oorspronkelijk uit het bekken van de Kaspische ...
mejillón cebra
noun
tricolor
adjective
tricolor
pronoun
  1. Epifanía
  2. Reyes Magos
  3. día de los Reyes Magos
noun
día de los Reyes Magos
noun
roscón de Reyes
noun
1. plek waar de grenzen van drie landen elkaar treffen
  1. punto trifinio
  2. tripunto
noun
tríptico
adverb
1. in drie gevallen
tres veces
noun
1. politiek leiderschap dat uit drie gelijkwaardige personen bestaat
triunvirato
noun
barco
noun
trípode
noun
tridente
noun
trípode
adjective
triple
noun
triciclo
cardinalNumeral
1. het getal 23
veintitrés
noun
  1. 4. kudde dieren
    1. grupo
    2. rebaño
  2. 1. sterke en plotselinge opwelling van woede
    rabia
adjective
  1. colérico
  2. violento
noun
  1. palier
  2. árbol de transmisión
noun
1. gas dat in spuitbussen gebruikt wordt om de inhoud onder druk te zetten
  1. propulsor
  2. gas propelente
  3. gas propulsor
noun
hielo a la deriva
noun
biela
noun
1. bodem bestaand uit heel kleine korreltjes vergruisd gesteente, verzadigd met zoveel water dat alles wat zwaar is er in wegzakt
arena movediza
verb
  1. o4. metaal drijven
    1. abollonar
    2. cincelar
    3. repujar
  2. o5. aansporen
    1. acuciar
    2. aguijar
    3. aguijonear
    4. aguzar
    5. animar
    6. espolear
  3. o1. iets of iemand voor zich uit doen bewegen
    1. arrear
    2. conducir
    3. guiar
    4. llevar
    5. ojear
  4. o2. een zaak leiden
    1. conducir
    2. dirigir
  5. o3. slaan, (met kracht) inbrengen
    1. conducir
    2. poner
  6. e3. doornat zijn
    estar empapado
  7. e2. in de lucht zweven
    flotar
  8. e1. op het oppervlak van een vloeistof rusten
    1. flotar
    2. sobrenadar
    3. nadar
    4. aboyar
    5. ir a la deriva
noun
  1. arpillera
  2. bocací
  3. dril
noun
  1. berbiquí
  2. martillo mecánico
verb
2.
ejercitar
adjective
urgente
/'drɪŋkə(n)/
noun
  1. beber
  2. tomar
noun
  1. borrachera
  2. orgía
noun
water dat geschikt is om gedronken te worden
  1. agua potable
  2. agua de beber
  3. agua dulce
/druf/
adjective
1.
  1. afligido
  2. triste
noun
1. drab die in wijn achterblijft na de fermentatie
posos
adverb
  1. afligido
  2. triste
noun
ilusión
verb
1. vocht laten of doen verdampen
secar
noun
1. een toestel dat natte voorwerpen, bijvoorbeeld wasgoed droogmaakt
secadora
verb
drogar
noun
winkel van een drogist
droguería
/ˈdrɔx.re.də(n)/, /ˈdrɔχ.re.də(n)/
noun
1. een reden of redenering die niet klopt, maar wel aannemelijk lijkt
sofisma
noun
1. Camelus dromedarius, herkauwer uit Afrika met vetbult op de rug
dromedario
verb
  1. 1. ervaren van een reeks gebeurtenissen of beelden tijdens de slaap
  2. je een voorstelling maken van wat je graag wil
soñar
noun
ensoñador
/drɔŋk/
noun
brindis
/drɔŋkə(n)/
adjective
1. onder invloed van alcohol
borracho
noun
het zwaar onder invloed van alcohol zijn
  1. embriaguez
  2. borrachera
  3. emborrachamiento
/droːx/
adjective
1. geen of zeer weinig vocht bevattend.
seco
noun
2. droogzetinrichting voor schepen
dique seco
noun
secadora de roba
noun
  1. lavado en seco
  2. limpieza en seco
verb
1. van water ontdoen
drenar
verb
1. afdrogen, drogen
secar
/droχmakəˈrɛi/
noun
1. polder ontstaan door het water...
pólder
noun
1.1 constructie met horizontale spijlen, gebruikt om gewassen wasgoed op te hangen zodat het kan drogen
tendedero
noun
1. lange periode zonder of met minder neerslag
sequía
noun
secadora de roba
noun
  1. 1. beelden die men ziet wanneer men slaapt
  2. 2. een gedachte waarvan met graag had gehad dat ze werkelijkheid werd
  1. sueño
  2. ensueño
noun
príncipe azul
noun
zwart gekleurd snoepgoed
regaliz
noun
gota
noun
efecto Droste
noun
  1. droga
  2. narcótico
/drʏxs/
noun
  1. drogas
  2. narcóticos
noun
  1. narcotráfico
  2. tráfico de drogas
noun
narcotraficante
/'drɵksfər'slaːfdə/
noun
1. Verslaafd persoon
  1. toxicómano
  2. drogadicto
noun
2. vrucht van de wijnstok
uva
verb
1. soezen, suffen
echar la siesta
noun
remolón
noun
remolones
verb
chorrear
noun
1. geslachtziekte veroorzaakt door de bacterie Neisseria gonorrhea
gonorrea
noun
  1. pepita de uva
  2. semilla de uva
noun
  1. aceite de pepita de uva
  2. aceite de semilla de uva
noun
1. een vruchtensap bereid uit druiven
  1. jugo de uva
  2. zumo de uva
noun
  1. azúcar de uva
  2. glucosa
noun
1. bundel druiven
racimo
noun
1. pressie, kracht die over een oppervlakte uitgeoefend wordt
presión
noun
gradiente barométrico
noun
fuerza bárica
adjective
1. benauwd
pesado
noun
1. een persoon die afdrukken maakt
impresor
noun
imprenta
noun
1.
centro de carena
noun
1. een proefexemplaar dat nog gecorrigeerd dient te worden door de corrector of de auteur
prueba de imprenta
noun
arandela de empuje
noun
1. een verband dat zorgt voor extra druk op het onderliggend weefsel
  1. vendaje a presión
  2. vendaje compresivo
noun
1. papier gevuld door een printer of een drukpers
impresos
noun
caja de ritmos
noun
1. iemand die (beroepshalve) slagwerk speelt
  1. baterista
  2. batería
noun
batería
noun
muslo de pollo
/drɵ.pəl/
noun
gota
/drʌpələ/
verb
gotear
noun
gotas
noun
druida
noun
1. mythologisch, vrouwelijk wezen dat in een bos of boom leeft
  1. dríade
  2. dríada
adjective
dual
noun
dualismo
noun
  1. condición dual
  2. dualidad
/ˈdʏbəl/
adjective
1. tweemaal voorhanden
doble
adjective
1. zonder medeweten van de zieke en de arts bijv. bij onderzoek nieuw geneesmiddel
doble ciego
noun
birrefringencia
noun
biplano
noun
  1. doble
  2. sosia
noun
  1. doradilla de bosque
  2. lonchite
adjective
  1. 1. met meerdere kanten
    1. ambiguo
    2. de doble sentido
  2. 1. zowel mannelijk als vrouwelijk
    andrógino
/ˈdʏ.bəl.ˌstɛr/, /ˈdʏ.bəɫ.ˌstɛr/
noun
1. twee sterren die om elkaar heen bewegen
estrella binaria
adjective
  1. ambiguo
  2. de doble sentido
  3. equívoco
/dʏbəl'zɪnəxhɛit/
noun
1. iets dat op meerdere manieren te interpreteren is
ambigüedad
noun
doblón
noun
1. een scheikundig element met het symbool Db
dubnio
noun
1. een gevecht tussen twee personen, gewoonlijk onder bepaalde regels
duelo
/dʏf/
adjective
1. saai, doods
aburrido
/ˈdœy̯dələk/
adverb
  1. 2. goed te herkennen
    1. claro
    2. obvio
  2. 1. niet mis te verstaan
    1. evidente
    2. obvio
noun
1. het evident en vanzelfsprekend zijn
  1. lucidez
  2. claridad
  3. evidencia
  4. nitidez
  5. rotundidad
verb
  1. 2. een teken zijn dat iets gaat gebeurden
    1. indicar
    2. señalar
  2. 1. uitleggen, verklaren, begrijpelijk maken
    interpretar
/dœʏ̯f/, /dœːf/
noun
1. vogel die een koerend geluid maakt, uit de familie Columbidae
  1. paloma
  2. pichón
adjective
azul colombino
noun
1. wandplank van een vat
duela
noun
zambullida
noun
submarino
noun
gafas de buceo
verb
voltear
noun
voltereta
/ˈdœy̯kə(n)/
verb
  1. 1. het zich onder water voortbewegen (van bijvoorbeeld duikboten) of zwemmen (van mensen)
    bucear
  2. 2.in het water springen zodat de armen eerst het water in gaan
    1. clavado
    2. zambullirse
noun
1. iemand die voor beroep of plezier zich onder de waterspiegel begeeft
  1. buceador
  2. buzo
noun
  1. campana de buzo
  2. campana de inmersión
noun
1. het pak dat een duiker beschermt tegen koude onder water en dat hem voorziet van ademlucht
escafandra
noun
1.
traje de buceo
noun
trampolín
noun
zambullida
noun
zambullida
/dœy̯m/
noun
  1. 2. lengtemaat
    pulgada
  2. 1. eerste, kortste en dikste vinger
    1. pulgar
    2. dedo gordo
/dœʏ̯n/, /dœːn/
noun
duna
noun
  1. espino amarillo
  2. espino falso
  3. sarga
noun
paisaje de dunas
noun
2. Alopecurus myosuroides
cola de zorro tenue
adjective
1. in weinig of geen licht badend
  1. obscuro
  2. oscuro
noun
  1. obscuridad
  2. oscuridad
  3. tiniebla
noun
1. een toestand van weinig of geen verlichting
oscuridad
/dœʏ̯ts/, /dœːts/
adjective
1. betreffende Duitsland of het Duits
  1. alemán
  2. alemana
/dœʏ̯ts/, /dœːts/
pronoun
1. een taal die gesproken wordt in Duitsland, Oostenrijk, Zwitserland, Italië en België
alemán
pronoun
República Democrática Alemana
noun
1. hond uit een oorspronkelijk in Duitsland gefokt ras
pastor alemán
/ˈdœʏ̯tsər/, /ˈdœːtsər/
noun
1. een inwoner van Duitsland
  1. alemán
  2. alemana
/ˈdœʏ̯tslɑnt/, /ˈdœːtslɑnd/, /ˈdœːtslɑnt/
pronoun
1. een Midden-Europese staat die wordt gevormd door een federatie van 16 deelstaten en die het Duits als officiële taal heeft
Alemania
noun
diablo
adjective
diabólico
noun
1. afgesloten kistje waaruit door een springveer opeens een figuur te voorschijn komt
caja sorpresa
noun
  1. camisitas de Jesús
  2. fumaria
  3. gitanillas
  4. palomilla
  5. sangre de Cristo
  6. zapaticos
noun
1. een duivenhok op een paal of boven een gebouw uitstekend
palomar
noun
principio del palomar
adjective
1. een gevoel waarbij alles lijkt rond te draaien en het gevoel voor evenwicht verstoord is
mareado
noun
1. het gevoel zijn evenwicht te verliezen
mareo
noun
1.aanval van lichte duizeligheid
vértigo
/ˈdœy̆zənt/
noun
1000
mil
noun
  1. milenrama
  2. flor de la pluma
  3. achillea
  4. aquilea
  5. artemisa bastarda
  6. cientoenrama
noun
centaura menor
noun
  1. Poligonáceas
  2. Polygonaceae
noun
1. geleedpotig dier met een groot aantal poten uit de klasse Chilopoda
ciempiés
ordinalAdjective
milésimo
noun
millar
noun
1. oude munt
ducado
noun
1. een in het water geplaatst stelsel van zware palen dat dient om schepen aan vast te leggen of...
  1. duque de Alba
  2. amarradero
verb
1. bereid zijn iets ongestraft te laten
  1. soportar
  2. aguantar
  3. sufrir
  4. tolerar
  5. conllevar
noun
dulse
noun
bala expansiva
verb
  1. 4. een relatie beëindigen, een geliefde afdanken
    1. dejar
    2. plantar
  2. 2. storten, lozen
    descargar
  3. 3. zich ontdoen van (dingen en mensen)
    deshacerse de
  4. 1. produkten onder de gangbare prijs verkopen
    1. dúmping
    2. hacer
    3. inundar
    4. mercado
/dʏn/
adjective
2. van geringe dikte
  1. fino
  2. delgado
noun
  1. 2.
    bandera
  2. 1. dunne stof gebruikt voor vlaggen
    linón
noun
opinión
verb
1. voorkomen
  1. parecer
  2. opinar
noun
1. bepaalde soort vis, Chelon ramada
capiton
noun
1. deel van het spijsverteringskanaal tussen de maag en de dikke darm
intestino delgado
noun
1. gebruiksvoorwerp
pelapatatas
noun
1. tweetal bij elkaar horende personen
  1. par
  2. pareja
noun
1. een identiek tweede exemplaar van iets
duplicado
verb
duplicar
adjective
dural
noun
duraluminio
/'dyːrə(n)/
verb
1. een bepaalde tijd in beslag nemen
durar
adjective
durando
verb
1. het vermogen om moed te tonen
  1. valentía
  2. valor
noun
1. enige tetraploïde tarwesoort die nog veel wordt verbouwd
  1. trigo duro
  2. trigo candeal
verb
1. ~ te de moed hebben om iets gewaagds te doen
  1. atreverse
  2. osar
conjunction
1.om die reden, daarom
  1. pues
  2. así que
adverb
1. in die mate
de tal forma
/dʏt/
noun
  1. siesta
  2. coyotito
  3. siestón
verb
echar la siesta
verb
niet goedkoop
  1. caro
  2. costoso
/ˈdyːr.zam/
adjective
1. lang meegaand
  1. duradero
  2. durable
noun
  1. 1.
    estabilidad
  2. 2.
    sostenibilidad
/dyu̯/
noun
1. een zet, een stoot
empujón
/dy.ʋǝⁿ/
verb
1. door druk uit te oefenen doen voortbewegen
empujar
noun
1. de afkorting voor digital versatile disc,...
DVD
noun
reproductor de DVD
noun
ciencia patológica
adjective
1. onverstandig, gek
  1. estúpido
  2. tonto
  3. necio
noun
1. iemand die onverstandig denkt en/of handelt
  1. bobo
  2. tonto
verb
  1. 1. zonder kennis van waar men is rondbewegen
    1. descarriarse
    2. desviarse
    3. extraviarse
  2. 3. geestelijk zich op een afwijkend pad bevinden, het mis hebben
    errar
  3. 2. zonder kennis van waar men is bewegen
    1. vagabundear
    2. vagar
noun
  1. equivocación
  2. error
  3. yerro
/dʋɑŋ/
noun
  1. fuerza
  2. violencia
noun
1. werk dat onder dwang gedaan moet worden
  1. trabajo forzado
  2. trabajo forzoso
noun
presidiario
noun
1. een kledingstuk dat de drager bewegingsvrijheid van de armen en handen ontneemt
camisa de fuerza
adjective
compulsivo
noun
astreinte
noun
1. psychische stoornis die gekenmerkt wordt door dwanggedachten en dwanghandelingen
trastorno obsesivo-compulsivo
/dʋɑrs/
adjective
  1. transverso
  2. al soslayo
  3. de soslayo
  4. trasversal
/dʋɑrs/
adverb
  1. 1.
    a través
  2. 3. iemand iets dwarszitten
    molestar
  3. 2. dwarsliggen
    se interponer en el camino
noun
través
/ˈdwɑrzbomə(n)/
verb
1. tegenwerken, moeilijkheden geven
  1. contrariar
  2. estorbar
/ˈdʋɑrsflœʏt/
noun
1. een blaasinstrument dat dwars op de lippen geblazen wordt
  1. flauta traversera
  2. flauta travesera
noun
1. iemand die niet bereid is tot medewerking, die zich overal tegen verzet
traviesa
/dʋɛi̯l/
noun
1. een stuk weefsel in natte vorm gebruikt om een gladde vloer te reinigen
fregona
verb
fregar
noun
1. een buitengewoon klein mens
  1. enano
  2. enana
noun
1. bepaald soort vis, Trisopterus minutus
  1. capellán
  2. mollera
noun
1.
planeta enano
noun
1. kleinste soort van de vinvissen, Balaenoptera acutorostrata
rorcual enano
noun
1. iemand die op een hinderlijke manier de baas probeert te spelen
  1. déspota
  2. tirano
verb
1. iemand tegen zijn wil iets opleggen
  1. forzar
  2. obligar
  3. coaccionar
verb
1. door dwang en drang
  1. imperativo
  2. obligatorio
noun
dinámica
noun
dinamismo
noun
springstof waarin nitroglycerine door een poreuze stof wordt vastgehouden
dinamita
adjective
dinámico
noun
dinamismo
noun
dinamo
noun
dinamómetro
noun
dina
noun
dínodo
noun
1. uitspraakgebrek
disartria
noun
discalculia
noun
1. gestoorde gezondheid
discrasia
noun
1. rode loop, bloeddiarree
disentería
noun
1. slikstoornis
disfagia
/ˌdɪsfaˈzi/
noun
1. een ontwikkelingsstoornis bij kinderen
  1. disfasia
  2. disfrasia
noun
1.
disfemismo
noun
1. sombere stemming, somber gevoel
disforia
noun
1. gestoorde werking
disfunción
noun
1. gebrekkige aanleg of ontwikkeling
disgénesis
noun
1. een smaakstoornis
disgeusia
noun
discinesia
/dɪslɛkˈsi/
noun
1. het onvermogen om woorden, waarvan men wel de letters ziet, in hun betekenis te vatten
dislexia
noun
1. pijnlijke maandstonden (menstruatie)
dismenorrea
noun
1. paringspijn, pijn bij het vrijen
dispareunia
noun
1. gestoorde spijsvertering
dispepsia
noun
displasia
noun
1. bemoeilijkte ademhaling
disnea
noun
dispraxia
noun
1. scheikundig element met symbool Dy en atoomnummer 66
disprosio
noun
distimia
noun
1. stoornis in de spierspanning
distonía
noun
  1. distopía
  2. dystopia
noun
1. voedingsstoornis, groeistoornis van organen, degeneratie van organen, cellen, weefsels
distrofia
noun
distrofina
noun
1. pijnlijke urinelozing
disuria
noun
descargo
noun
  1. libro electrónico
  2. libro-e
noun
  1. libro electrónico
  2. libro-e
noun
comercio electrónico
noun
comercio electrónico
noun
e-gobierno
noun
número E
noun
easy-listening
/ˌodəkoˈlɔɲə/
noun
1. keulswater, reukwater
agua de colonia
noun
1. een getijde waarbij het water van de zee zakt, in tegenstelling tot vloed, waarbij het water stijgt
  1. bajamar
  2. reflujo
noun
  1. bajamar
  2. reflujo
noun
1, edele houtsoort
ébano
noun
1. benaming voor het geslacht Ebolavirus
virus Ébola
noun
ebonita
/ɛkxiˈmozə/
noun
equimosis
noun
  1. ecclesia
  2. ekklesía
adjective
1. kerkelijk
eclesiástico
noun
eclesiología
noun
mecanismo de escape
noun
  1. fiasco
  2. chasco
  3. fracaso
/ˈɛ.xo/, /ˈɛ.χo/
noun
1. een hoorbare terugkaatsing van een gemaakt geluid
eco
noun
ecógrafo
noun
1. beeld (of foto) van organen dat gemaakt wordt via geluidsgolven die worden teruggekaatst
ecografía
noun
1. het dwangmatig herhalen van woorden of zinnen, zonder de betekenis ervan daadwerkelijk te doorgronden
ecolalia
noun
  1. ecolocación
  2. ecolocalización
noun
ecoscopio
adjective
2. waarachtig, juist, niet vervalst
  1. verdadero
  2. auténtico
  3. real
noun
1. dunne, oppervlakkige aantasting van planten door schimmels uit de orde Erysiphales
oídio
adjective
conyugal
conjunction
1. een beperkende tegenwerping, introduceert een zin(sdeel) dat het voorgaande zin(sdeel) beperkt
  1. sin embargo
  2. no obstante
/ˈɛxtxəˌnot/
noun
1. een mannelijke huwelijkspartner
  1. esposo
  2. marido
/ˈɛxtxəˌnotə/, /ˈɛχtχəˌnotə/
noun
1. een vrouwelijke huwelijkspartner
esposa
noun
1. twee mensen die met elkaar getrouwd zijn
matrimonio
noun
1. formele verbreking van een huwelijksband
divorcio
noun
  1. 1. een nieuwe filosofische stroming die is gebaseerd op diverse oudere filosofische stromingen
  2. 2. een nieuwe bouwstijl die is gebaseerd op verschillende oudere bouwstijlen
  3. 3. het selecteren van verschillende doctrines, methoden enz...
eclecticismo
adjective
ecléctico
/eˈklɪps/
noun
1. het verschijnsel waarbij een ster en twee of meer andere hemellichamen in één lijn komen te staan, waardoor de schaduw van het ene hemellichaam het andere verduistert
eclipse
noun
eclíptica
noun
égloga
noun
ecocentrismo
/ˌe.ko.lo.ˈɣi/, /ˌe.ko.lo.ˈχi/
noun
1. de tak van wetenschap die het samenspel tussen organismen onderling en hun relatie met hun omgeving bestudeert
ecología
adjective
ecológico
noun
  1. ambientalismo
  2. ecologismo
/ˌe.ko.ˈlox/, /ˌe.ko.ˈloχ/
noun
1. een wetenschapper die het samenspel tussen organismen onderling en hun relatie met hun omgeving bestudeert
  1. ecóloga
  2. ecólogo
noun
econometría
noun
  1. 2. het geheel van productie, handelsverkeer en diensten binnen een bepaalde regio
  2. 1. de leer die zich bezighoudt met de voortbrenging en verdeling van schaarse goederen en diensten
economía
noun
libro de economía
adjective
1. betreffende economie
económico
noun
crecimiento económico
noun
clase turista
noun
síndrome de la clase turista
noun
1. deskundige op het gebied van de economie
  1. ecónomo
  2. economista
noun
1. alle organismen in hun leefomgeving.
ecosistema
noun
turismo ecológico
noun
ecotipo
noun
ecozona
/ɛkˈtasijʏm/
noun
Ectásico
noun
ectoplasma
noun
ecuatoriana
noun
1. oppervlakkige huidaandoening
  1. eccema
  2. eczema
adjective
noble
noun
1. de naam voor elk element uit de achtste chemische reeks van het periodiek systeem
gas noble
noun
1. Cervus elaphus, hertensoort
ciervo rojo
noun
1. iemand die tot de adel behoort
  1. noble
  2. hidalgo
noun
1. een metaal dat niet licht aan corrosie of oxidatie ten prooi valt
metal noble
adjective
magnánimo
noun
1. iemand die edele metalen bewerkt
orfebre
noun
1. een stuk edelgesteente
  1. piedra preciosa
  2. gema
/ˌedijaˈkarijʏm/
noun
Ediacárico
noun
edición
noun
ecdótica
pronoun
2. spelwoord voor de letter e
Enrique
noun
educación
/et/
noun
1. een plechtige verzekering dat men de waarheid spreekt of een belofte zal nakomen
juramento
/ˈekˌhoːrn/
noun
1. benaming voor knaagdieren uit de familie Sciuridae
ardilla
noun
1. verdikking van de huid
callo
adjective
  1. uno
  2. un
phraseologicalUnit
1. iets kopen zonder te weten wat de koopwaar is
  1. comprar con los ojos cerrados
  2. comprar a ciegas
/enˈtwetʲə/
noun
1.
pase corto
adjective
manco
noun
  1. uva de raposa
  2. uva de zorra
  3. hierba de Paris
/eːnt/
noun
1. benaming voor veel watervogels uit de familie Anatidae
  1. pato
  2. ánade
  3. pata
noun
1. insect uit de orde Ephemeroptera
efímera
noun
monoplano
noun
lenteja de agua
noun
hígado de pato
noun
1.
grasa de pato
noun
  1. concordia
  2. armonía
  3. unidad
/enˈdœydəx/
adjective
1. zonder twijfel
unívoco
/ˌe.nən.ˈtʋɪn.təχ/
cardinalNumeral
1. het getal 21
veintiuno
noun
2. maat waarin hoeveelheden worden uitgedrukt
unidad
noun
unicornio
adjective
monoico
adjective
1. één jaar durend
anual
adjective
1.
monosilábico
noun
trabajador autónomo
adjective
1. in het bezit van (slechts) één oog
tuerto
noun
1. een gezin met slechts één ouder
familia monoparental
noun
  1. cazuela
  2. cocido
adjective
unánime
noun
1.
unanimidad
noun
trabajador autónomo
adverb
  1. una vez
  2. en algún tiempo
adjective
1. dezelfde mening hebbend
unánime
noun
unanimidad
adjective
1. een gelijke inhoud hebbend
  1. conforme
  2. idéntico
adjective
2. volledig met een stem sprekend, met instemming van iedereen
unísono
adjective
monolingüe
noun
monomio
/enˈtonəx/
adjective
1. saai doordat het telkens hetzelfde is
monótono
noun
1. afwezigheid van pracht en praal
  1. simplicidad
  2. sencillez
/eːnˈvɑudəx/, /eːnˈvɑudəχ/
adjective
  1. 2. zonder overdaad of vertoon
    modesto
  2. 1. niet ingewikkeld
    sencillo
adverb
simplemente
noun
  1. integración
  2. unión
adjective
1. gebrek aan gezelschap ondervindend
  1. solitario
  2. solo
noun
1. de hoedanigheid van het eenzaam zijn
soledad
noun
2. eenling
solitario
/er/
noun
1. aanzien, roem
honor
noun
respeto
adjective
reverencial
verb
1. respecteren
respetar
adverb
dentro de poco
conjunction
1. geeft een tijdstip aan voor hetwelk iets anders plaatsheeft
antes de que
adjective
  1. anterior
  2. antes
/ˈeːrɣɪstər/, /ˈɪːrχɪstər/
adverb
1. de voorlaatste dag die voltooid is
anteayer
/ˈɪːrɣɪstərə(n)/, /ˈɪːrχɪstərə(n)/
adverb
1. de voorlaatste dag die voltooid is
  1. anteayer
  2. antes de ayer
noun
rehabilitación
adverb
dentro de poco
/ˈeːrlək/
adverb
  1. 2. op een gepaste, eervolle wijze
    justo
  2. 1. vrij van leugen en bedrog
    1. sincero
    2. honrado
noun
1. het vertellen van de waarheid
  1. honestidad
  2. honradez
noun
calumnia
adverb
1.
  1. en primer lugar
  2. primeramente
  3. antes
adverb
dentro de poco
noun
1. nummer één in een volgorde
  1. primero
  2. primer
noun
1. eerste kwartier
  1. cuarto creciente
  2. media luna
noun
caso nominativo
pronoun
1. een militair conflict op wereldschaal, dat van 28 juli 1914 tot 11 november 1918 plaatsvond
Primera Guerra Mundial
noun
primogénito
adverb
  1. antaño
  2. antiguamente
adjective
honroso
noun
excelencia
adjective
reverendo
/ˈer.wrak/
noun
crimen de honor
adjective
  1. acreedor
  2. honrado
noun
1. verlangen naar eer of roem
ambición
/ˈeːitbaːr/, /ˈeːtbaːr/
adjective
1. geschikt om gegeten te worden
comestible
noun
1. een café waar ook maaltijden verkregen kunnen worden
mesón
/ˈetkamər/
noun
1. een kamer waar maaltijden worden genuttigd
comedor
noun
  1. escudilla de hierro
  2. gábata
  3. plato de hierro
/etlepəl/
noun
1.
cuchara
noun
1. de behoefte om voedsel tot zich te nemen.
apetito
noun
palillo
noun
  1. trastorno alimentario
  2. trastorno alimenticio
/eːu̯/
noun
1. een periode van 100 jaar
  1. siglo
  2. centuria
noun
1. een feestelijke herdenking naar aanleiding van het honderdjarig bestaan van iets
centenario
/eːwɪx/, /eːʋəχ/, /eːβ̞əx/
adjective
1. voortdurend, zonder einde
eterno
/eːwɪx/, /eːʋəχ/, /eːβ̞əx/
adverb
1. voortdurend, zonder einde
eternamente
/ɪːβ̞əχɛɪ̯t/
noun
1. alle tijd die nog zal komen
eternidad
noun
4. tabel met de stand van de zon, de maan en de planeten voor elke dag van het jaar
efemérides
/e.ˈfe.zə/
pronoun
1. in de oudheid een grote Ionische haven- en handelsstad
Éfeso
pronoun
1. boek in het Nieuwe Testament
Efesios
noun
  1. 1. uitwerking
    efecto
  2. 2. verhandelbaar waardepapier
    valor mobiliaro
adverb
1. doeltreffend
  1. efectivo
  2. eficaz
noun
1. het effectief zijn
eficacia
adjective
1. glad van oppervlak
  1. fino
  2. igual
  3. liso
  4. llano
  5. plano
verb
1. gelijk of vlak maken
allanar
adjective
1. nuttig effect hebbend
  1. eficiente
  2. eficaz
noun
1. de mate waarin nuttig gebruik gemaakt wordt van het beschikbare bij een bepaald proces
  1. eficiencia
  2. eficacia
/e'gal/
adjective
igual
adjective
igualitario
noun
igualitarismo
/ˈexəl/
noun
1. bepaald soort zoogdier Erinaceus europaeus
erizo
noun
1. wilde roos met gestekelde takken, geurige blaadjes, felroze bloemen en scharlaken bottels
  1. mosqueta
  2. rosa mosqueta
noun
  1. ego
  2. yo
/xxxx/
noun
1. het uitsluitend op eigen belangen en gewin uit zijn
egoísmo
noun
1. een zelfzuchtig persoon
egoísta
/e.ˈɣɪp.tə/, /e.ˈχɪp.tə/
pronoun
1. een Arabisch land op de grens van Afrika en Azië
Egipto
noun
libra egipcia
noun
egiptología
/eɣɪpto'log/
noun
egiptólogo
noun
1. doos met EHBO-benodigdheden
botiquín
noun
botiquín
/ɛɪ/, /ɛɪ̯/, /ɛː/
noun
1. dierlijk voedingsmiddel voor de mens in een schaal
  1. huevo
  2. óvulo
noun
óvulo
noun
1. bepaald soort zeevogel, Somateria mollissima
  1. eider común
  2. pato de flojel
adjective
1. betrekking hebbend op de visuele vermogens
eidético
noun
1. het binnenste, gele deel, van een ei
yema del huevo
noun
  1. 1. eierschaal
    cáscara de huevo
  2. 2. bekertje om gekookte eieren in te plaatsen
    1. huevera
    2. huevero
noun
perforador de huevos
noun
  1. cortador de huevos duros
  2. rebanador de huevo
noun
1. het geslachtsorgaan van de vrouw waarin eicellen gevormd worden
ovario
noun
cáncer de ovario
noun
1. een voedingsmiddel gemaakt uit geklutste eieren
  1. cubrehuevos
  2. tortilla
noun
1. de gele eidooier die in het midden van het ei zit
  1. yema
  2. yema del huevo
/ˈɛi̯ɣə(n)/
adjective
propio
noun
1. iemand die iets in eigendom heeft
  1. propietario
  2. dueño
adjective
1. afwijkend van wat normaal is
peculiar
noun
1. een bijzondere hoedanigheid
  1. particularidad
  2. peculiaridad
noun
propietaria
noun
propietaria
noun
egoísmo
noun
interés propio
/'ʔɛɪɣəndɔm/
noun
  1. 1. eigendomsrecht
    propiedad
  2. 2. zaak die men zijn eigen mag noemen, bezit
    1. propiedad
    2. posesión
    3. pertenencia
noun
1. het meest omvattend zakeljike recht dat een eigenaar op zijn goed kan uitoefenen
derecho de propiedad
adjective
2. echt, waar
verdadero
noun
1. een naam waardoor men een mens, dier of ding zich van andere van dezelfde soort onderscheidt
nombre propio
noun
1. een gegeven karakteristiek die eigen is aan een bepaalde persoon of zaak
  1. cualidad
  2. calidad
  3. atributo
  4. característica
adjective
  1. 2.
    actual
  2. 1.
    contemporáneo
noun
vector propio
/ɛi̯k/, /ɛːk/
noun
1. Quercus, een geslacht van loofbomen
roble
/ˈɛɪkəɫ/
noun
  1. 1. vrucht van de eik
    bellota
  2. 2. top van een penis
    1. glande
    2. bellota
/ˈɛi̯kəˌblɑd/, /ˈɛi̯kəˌblɑt/, /ˈɛːkəˌblɑt/
noun
1. blad van een eikenboom
hoja de roble
/ˈɛɪ̯kəblɑdˌsla/, /ˈɛɪ̯kəblɑtˌsla/, /ˈɛːkəblɑtˌsla/
noun
1. variëteit van sla
lechuga hoja de roble
noun
  1. gallina de los bosques
  2. grifola frondosa
  3. maitake
  4. mushikusa
  5. seta bailadora
/ɛilɑnt/
noun
1. een stuk land dat omringd is door water
  1. isla
  2. ínsula
/ˌɛilɑnt ˈmɛn/
pronoun
isla de Man
noun
archipiélago
noun
1. iemand die op een eiland woont
  1. isleño
  2. isleña
noun
1. soeverein gebied dat geheel door zee wordt omringd
país insular
noun
1. deel van de geslachtsorganen van de vrouw
  1. trompa de Falopio
  2. oviducto
/ɛɪ̯nd/, /ɛɪ̯nt/, /ɛːnt/
noun
  1. fin
  2. final
phraseologicalUnit
1.
  1. a buen fin no hay mal tiempo; a buen fin no hay mal principio
  2. bien está lo que bien acaba
noun
1. de plaats waar men uiteindelijk naar toereist
destino final
/ˈɛɪ̯ndə/, /ˈɛːndə/
noun
1. het punt in ruimte of tijd waar iets ophoudt
  1. fin
  2. final
noun
fin de año
adverb
1. na een (te) lange tijd.
finalmente
adjective
1. een einde hebbende
  1. finito
  2. limitado
  3. restricto
verb
1. iets tot een besluit voeren
  1. acabar
  2. terminar
noun
1. scheikundig element met symbool Es en atoomnummer 99
einstenio
noun
anillo de Einstein
/ɛɪ̯s/
noun
1. een dwingende vraag
exigencia
/ˈɛi̯sə(n)/
verb
1. zeer dringend vragen, vaak met een sanctie op het niet beantwoorden ervan
  1. exigir
  2. demandar
pronoun
1.
Eisenstadt
noun
  1. demandante
  2. demandador
noun
1. het tijdstip dat de eicel door de eierstok wordt afgestoten
  1. ovulación
  2. ovificación
/ɛiwɪt/
noun
  1. 1. het deel van een ei waarin de dooier ligt
    clara de huevo
  2. 2. een tot een klasse van polymere stoffen met een hoog moleculair gewicht...
    1. proteína
    2. albúmina
adjective
albuminoso
noun
  1. biosíntesis proteica
  2. síntesis proteica
noun
eyaculación
verb
sperma uitwerpen
eyacular
verb
  1. eyectar
  2. expulsar
noun
eyección
noun
1. bepaald soort zwartwitte kraaiachtige vogel, Pica pica
  1. urraca
  2. picaza
  3. marica
noun
1. een vaak pijnlijke, naar binnen groeiende eeltplek (verdikking van de huid)
dureza
noun
1. een oude lengtemaat gebaseerd op de lengte van de menselijke ellepijp, gewoonlijk 60 à 70 cm
yarda
/ɛl.ˈsɑl.va.dɔr/, /ɛɫ.ˈsɑɫ.va.dɔr/
pronoun
1. land in Midden-Amerika dat grenst aan Guatemala, Honduras en de Stille Oceaan
El Salvador
noun
1. een groot hert uit de poolstreken met een opvallend groot en breed vertakt gewei
  1. alce
  2. ante
noun
  1. alce de El Cabo
  2. antílope eland común
noun
elasticidad
noun
goma elástica
adjective
1. van elastiek gemaakt
de elástico
adjective
1. rekbaar
elástico
noun
elastómero
adverb
1.
en otra parte
noun
elección
adjective
electivo
adjective
1. betrekking hebbend op verkiezingen
electoral
noun
1.
electorado
noun
elefantiasis
/eləˈɣɑnt/
adverb
1. een prettige uitstraling hebbend door de subtiele afwerking
  1. elegante
  2. chic
noun
elegancia
noun
1. vakman op gebied van elektriciteit
electricista
/eˌlɛktrɪsiˈtɛɪt/
noun
2. de elektrische stroom als energiedrager
electricidad
noun
1. een krachtcentale waar elektriciteit wordt opgewekt
  1. planta eléctrica
  2. central electrica
noun
1.een toestel dat het elektriciteitsverbruik van een huishouden of bedrijf meet
contador eléctrico
noun
1. invoering van een elektriciteitsnet
electrificación
adjective
1. door middel van elektriciteit
eléctrico
noun
  1. alumbrado eléctrico
  2. luz eléctrica
noun
circuito eléctrico
noun
campo eléctrico
noun
1. een voertuig dat wordt aangedreven door een elektromotor
vehículo eléctrico
noun
componente eléctrico
noun
flujo eléctrico
noun
carga eléctrica
noun
  1. tensión
  2. voltaje
noun
1.
máquina electrostática
noun
electroanálisis
noun
cardiógrafo
noun
1. onderzoek van de elektrische activiteit van het hart
electrocardiografía
noun
electrocardiograma
noun
electroquímica
noun
electrocoagulación
verb
1. doden of ter dood brengen door elektrische stroom
electrocutar
noun
  1. electrocución
  2. electrocutamiento
noun
electrodo
noun
electrodiálisis
noun
electrodinámica
noun
1. een verzamelnaam voor muziekinstrumenten die met elektronische middelen toon/geluid voortbrengen
electrófono
noun
electróforo
noun
electrofóresis
adjective
electrocinético
noun
electrólisis
noun
  1. 1. chemische verbinding die in waterige oplossing in ionen wordt gesplitst
  2. 2. een stof of mengsel van stoffen gekenmerkt door het bezit van uitsluitend ionische geleidbaarheid
  1. electrolito
  2. electrólito
adjective
electrolítico
noun
condensador electrolítico
noun
1. een magneet waarvan het veld door een elektrische stroom veroorzaakt wordt
electroimán
adjective
electromagnético
noun
campo electromagnético
noun
compatibilidad electromagnética
noun
radiación electromagnética
noun
electromagnetismo
noun
electromecánica
adjective
electromecánico
noun
electrómetro
noun
electricista
noun
  1. electromotor
  2. motor eléctrico
noun
electromiografía
noun
1. een van de elementaire deeltjes, het lichtste deeltje met een elektrische lading
  1. electrón
  2. negatrón
noun
válvula termoiónica
noun
1. duidt aan hoe de elektronen over de diverse schillen verdeeld zijn
configuración electrónica
noun
difracción de electrones
noun
hueco de electrón
noun
1. groep van elektronen binnen een atoom met eenzelfde energieniveau
capa electrónica
noun
1. de tak van elektrotechniek die zich bezighoudt met het gedrag van elektronen...
electrónica
adjective
electrónico
noun
componente electrónico
noun
resonancia paramagnética electrónica
noun
electronvoltio
noun
  1. electroscope
  2. electroscopio
noun
electrochoque
noun
electrostática
adjective
electrostático
noun
  1. ingeniero electrotécnico
  2. ingeniero electrónico
noun
1. de studie en praktische toepassing van alles wat met elektriciteit en elektromagnetisme te maken heeft
  1. ingeniería eléctrica
  2. ingeniería electrónica
adjective
electrotécnico
noun
electroterapia
noun
electroválvula
noun
1. legering van goud en zilver
electro
noun
elemento
adjective
elemental
noun
partícula elemental
noun
elevación
verb
elevar
cardinalNumeral
1. het getal 11
once
pronoun
1. een regionale Noord-Germaanse taal die gesproken wordt in de Zweedse gemeente Älvdalen
dalecarliano
/ˈɛlf.də/, /ˈɛlv.də/
ordinalAdjective
1. nummer elf in een rij
undécimo
/elimi'nasi/
noun
    1. 1. verwijdering of wegwerking
    2. 2. een moord
    3. 3. het wegwerken van een grootheid die in twee of meer vergelijkingen voorkomt
    eliminación
  1. 4. de afstoting van verstorven delen
    rechazo
verb
2. verwijderen uit de bevolking, doden
eliminar
adjective
elitista
noun
  1. elite
  2. élite
noun
1. Gewricht
codo
noun
1. armoedige, beklagenswaardige omstandigheden
miseria
noun
  1. bellaco
  2. bribón
  3. granuja
  4. miserable
adjective
1. erg onaangenaam
  1. miserable
  2. mísero
  3. angustiado
/ˈɛləpɛɪp/, /ˈɛləpɛːp/
noun
bot in de onderarm
cúbito
noun
  1. 1. twee-dimensionale figuur die wordt gevormd door alle punten waarvoor de som ...
    elipse
  2. 2. een stijlfiguur waarbij een lopende zin wordt afgebroken, die echter door...
    elipsis
noun
elipsoide
noun
fuego de San Telmo
noun
elongación
noun
  1. 1. boomsoort
    aliso
  2. 1. priem
    lezna
/eˈmɑj/
noun
  1. 1. glasachtige deklaag
    1. esmaltado
    2. esmalte
    1. 2. met email bedekt voorwerp
    2. 3. tandglazuur
    esmalte
verb
esmaltar
noun
1. iets dat door een lichaam uitgezonden of uitgewasemd wordt
emanación
verb
emancipar
verb
emanar
verb
  1. empaquetar
  2. embalar
noun
1. concrete figuur voor een abstract begrip
emblema
noun
1. kleine prent met een symbolische afbeelding met een opschrift en een verklarend onderschrift
emblema
noun
  1. embolia
  2. tromboembolismo
  3. émbolo
noun
1. een organisme in het eerste ontwikkelingsstadium na de bevruchting
embrión
noun
embriogénesis
noun
1. de wetenschap die zich met het ongeboren leven bezighoudt
embriología
noun
1. iemand die zich toelegt op de studie van het embryo
embriólogo
verb
enmendar
noun
1. braken
  1. emesis
  2. vómito
noun
1. braakmiddel
  1. emético
  2. vomitivo
noun
1. longaandoening
  1. enfisema
  2. enfermedad del pulmón
noun
emigrante
noun
emigración
/ˌemiˈχrɪːrə(n)/
verb
1. naar het buitenland verhuizen
emigrar
noun
eminencia
/emɪˈraːt/
noun
1. gebied van een emir
emirato
noun
2. uitzending van kleine deeltjes of van licht of andere elektromagnetische straling
emisión
noun
comercio de derechos de emisión
noun
espectro de emisión
verb
  1. emitir
  2. editar
/ˈɛmər/
noun
1. busvormig vat (met hengsel), waarin men vloeistoffen of vaste stoffen kan verplaatsen
  1. cubo
  2. balde
noun
1. bepaalde soort drietenige vogel Dromaius novaehollandiae
emú
noun
1. hevig gevoel, sterke gemoedsbeweging
  1. emoción
  2. afecto
adjective
emotivo
adjective
1. zeer vatbaar voor gevoelens
emocional
verb
emocionar
noun
empatía
noun
estilo imperio
/ˌɛmpiˈri/
noun
empirismo
adjective
1. wat op ervaring of proefneming berust
empírico
noun
empirismo
noun
  1. ocupación
  2. trabajo
noun
empleabilidad
noun
empleado
noun
emulador
verb
emular
noun
stof die helpt bij het mengen van twee stoffen die normaal gesproken niet of moeilijk mengbaar zijn
  1. emulgente
  2. emulsificador
verb
1. een melkachtige oplossing vormen
emulsionar
noun
emulsión
conjunction
  1. y
  2. e
noun
enantema
noun
1. een stereo-isomeer dat het spiegelbeeld is van zijn tegenvoeter
enantiómero
noun
1. hersenontsteking
encefalitis
noun
encefalopatía
noun
enchilada
/ɛn.'kla.və/
noun
1. omsloten gebied
enclave
noun
encratismo
noun
1. een brief van de paus aan alle katholieke gelovigen
encíclica
/ˌɛnsiklopeˈdi/
noun
1. een gestructureerde en geschreven verzameling van menselijke kennis, in boekvorm of digitaal
enciclopedia
noun
medewerker aan een encyclopedie
enciclopedista
noun
1. laatste deel van het spijsverteringskanaal vlak voor de anus
recto
noun
endemia
adjective
1. van nature alleen in een specifiek gebied voorkomend
endémico
noun
1. ontsteking van de hartwand
endocarditis
adjective
1. met inwendige afscheiding in de bloedstroom, hormonaal
endocrino
noun
1. de wetenschap die zich bezighoudt met de afscheidingen van klieren in het lichaam
endocrinología
noun
endocrinólogo
adjective
1. van binnen uit
endógeno
noun
1. baarmoederslijmvlies buiten baarmoeder
endometriosis
noun
etnónimo
adjective
endorreico
noun
endoscopio
noun
1. (kijk)onderzoek van lichaamsholten of inwendige kanalen
endoscopia
noun
endosante
verb
endosar
noun
1. inwendig bekledingsweefsel van bloed- en lymfvaten
endotelio
adjective
1. waarbij warmte opgenomen wordt
endotérmico
noun
1.
energética
adjective
1. met betrekking tot arbeid of energie
energético
/enər'ʒi/, /enɛr'ʒi/
noun
  1. 1. het vermogen iets te doen
    energía
  2. 2.
    ánimo
noun
central eléctrica
noun
bebida energizante
adjective
  1. enérgico
  2. con energía
noun
almacenamiento energético en red
noun
campo de energía
adjective
  1. 1. angst veroorzakend
    espantoso
  2. 2. met weinig tussenruimte
    estrecho
noun
1. hemels wezen
ángel
noun
1. deel van het Verenigd Koninkrijk
Inglaterra
/ˈɛ.ŋ(g)əls/, /ˈɛ.ŋɔɫs/, /ˈɛ.ŋəɫs/
adjective
1. als van, in of betrekking hebbend op Engelsen, Engeland of het Engels
  1. inglés
  2. inglesa
/ˈɛ.ŋ(g)əls/, /ˈɛ.ŋɔɫs/, /ˈɛ.ŋəɫs/
pronoun
1. de taal
inglés
noun
1. een grotere en lagere uitvoering van de hobo
corno inglés
/ɛ.ŋɔɫs.mɑn/, /ɛ.ŋəls.man/, /ɛ.ŋəɫs.mɑn/
noun
1. iemand die in Engeland woont
inglés
noun
máquina
adjective
  1. 1. leuk, aardig, schattig
    guay
  2. 2. uniek
    1. único
    2. singular
indefiniteCardinalNumeral
1. een vrij klein aantal
unos
noun
1. gewricht dat de voet met het been verbindt
tobillo
indefinitePronoun
1. een onbepaald, meestal klein aantal
algunos
noun
individuo
noun
1. een woord dat in die vorm naar één voorwerp of mens verwijst of dat aanduidt dat slechts één persoon de handeling uitvoert
singular
/eˈnɔrm/
adjective
1. buitensporig groot
enorme
noun
  1. enormidad
  2. inmensidad
/ɑŋ.ˈkɛː.tə/, /ɑ̃.ˈkɛt/
noun
1. een vragenlijst die aan meerdere personen wordt voorgelegd
encuesta
verb
encuestar
noun
conjunto
verb
  1. 2.
    injertar
  2. inocular
verb
1. aan boord gaan en overnemenn
  1. abordar
  2. aferrar
noun
1. ontsteking van de ingewanden
enteritis
noun
1. ontsteking van zowel de dikke als de dunne darm
enterocolitis
noun
entalpía
noun
  1. entusiasmo
  2. delirio
verb
entusiasmar
/ɛntuˈʒɑs/, /ˌɑn.ty.ˈʒɑst/
adjective
1. hartstochelijk, met geestdrift
entusiasta
/ɛntuˈʒɑs/, /ˌɑn.ty.ˈʒɑst/
noun
1. iemand die over iets of iemand geestdriftig is (vaak gebruikt als tweede deel van een samengesteld begrip
entusiasta
noun
entimema
noun
función parte entera
noun
  1. entidad
  2. ente
noun
entomóloga
noun
entomología
noun
entomólogo
noun
asa de siembra
noun
1. de muziek die wordt gespeeld tussen twee akten of bedrijven van een theaterstuk, opera, ballet etc
  1. entreacto
  2. sainete
noun
  1. entrecot
  2. entrecot de vaca
  3. entrecôte
noun
1. een getal evenredig met de logaritme van het aantal realiseringmogelijkheden, ook wel gedefinieerd als de reversibele warmte gedeeld door de temperatuur
entropía
noun
enumeración
adjective
enunciativo
noun
1. papieren omslag voor brieven
sobre
noun
envergadura
abbreviation
1. een aanduiding van het feit dat een verdere opsomming overbodig geacht wordt
  1. y eso
  2. y más
  3. y otras
/ɛnˈzim/
noun
1. een organische molecuul dat biologische reacties mogelijk maakt of versnelt zonder daarbij zelf...
enzima
/ˌejoʔɑrˈxaikʏm/
noun
Eoarcaico
noun
Eoceno
adjective
1. door de wind veroorzaakt
eólico
/ejoˈlitikʏm/
noun
Eolítico
noun
1. toename van het aantal eosinofiele (zich kleurend met zure kleurstoffen) cellen in het bloed
eosinofilia
/ˌejoˈzowikʏm/
noun
Eozoico
/ˈepɛnˌtezɪs/
noun
1. invoeging van middenlank
epéntesis
noun
1. het punt op het aardoppervlak loodrecht boven de haard van de aardbeving
epicentro
noun
1. ontsteking van een knobbel aan een gewrichtsuitsteeksel
epicondilitis
adjective
epicúreo
noun
epicureísmo
adjective
epicúreo
/epideˈmi/
noun
1. besmettelijke ziekte die zich snel verspreidt onder een groep van mensen
epidemia
noun
epidemiología
adjective
epidémico
noun
epidermis
/epidyraɫ/
adjective
1. buiten het harde hersenvlies en de ruimte aan de buitenzijde van het harde ruggenmergvlies
epidural
noun
epifenómeno
/ˌepiˈfizə/
noun
  1. 2. het uiteinde van een pijpbeen
    epífisis
  2. 1. een klier die onderdeel is van de epithalamus en melatonine uitscheidt
    1. glándula pineal
    2. epífisis
noun
  1. epifita
  2. epífita
noun
1. pijn in de bovenbuik
epigastralgia
noun
epigastrio
noun
epígono
noun
  1. epígrafe
  2. inscripción
noun
epigrafía
noun
epigrama
noun
1. vallende ziekte, toevallen
epilepsia
adjective
epiléptico
verb
  1. depilar
  2. depilarse
noun
1. een naschrift toegevoegd aan een boek of film
epílogo
/ˈepipalejoˌlitikʏm/
noun
1. periode in de steentijd, waarin de overgang naar landbouw en veeteelt plaatsvindt
Epipaleolítico
adjective
épico
adjective
episcopal
noun
obispado
noun
1. verwijding van de schede-ingang bij de vrouw
episiotomía
noun
episodio
noun
epistasia
noun
1. neusbloeding
epistaxis
noun
  1. 1. brief
    carta
  2. 2. een deel van de mis dat voorafgaat aan het evangelie
    epístola
noun
epistemología
adjective
epistolar
noun
epitafio
noun
1. dekweefsel, bovenste laag van de huid en slijmvliezen
epitelio
noun
1.
epitelioma
/eˈpitetɔn/
noun
epíteto
noun
1. woord dat gevormd is op basis van een eigennaam van een persoon
epónimo
noun
1. een denkbeeldige cirkel die op een hemellichaam het noordelijk van het zuidelijk halfrond scheidt
ecuador
/ˌe.kwa.toː.ri.al.ɣi.ˈne.ja/, /ˌe.kʋa.to̝ː.ri.aɫ.χi.ˈne.ja/, /ˌe.kβ̞a.toː.ri.aɫ.ɣi.ˈne.ja/
pronoun
1. een land in Afrika grenzend aan Gabon en Kameroen
Guinea Ecuatorial
noun
  1. ecuatoguineano
  2. guineano
noun
equilibrio
noun
1. passage van de zon door het vlak van de evenaar
equinoccio
noun
3. rijtuig
  1. berlina
  2. calesa
noun
equipartición
noun
teorema de equipartición
noun
  1. equipo
  2. team
noun
superficie equipotencial
noun
1. iets gelijkwaardigs
equivalente
noun
equivalencia
noun
principio de equivalencia
noun
1. het uitroeien van een infectieziekte; bestrijden van een epidemie
desarraigo
adjective
  1. miserable
  2. digno de lástima
noun
compasión
noun
1. een scheikundig element en zilverwit lanthanide met het symbool Er en het atoomnummer 68
erbio
noun
era
noun
código de honor
noun
1. oprichting van het mannelijk lid
erección
noun
disfunción eréctil
noun
  1. culto
  2. servicio
verb
1. iemands prijzenswaardigheid in het daglicht stellen
honrar
noun
  1. lugar de honor
  2. sitio de honor
noun
palabra de honor
noun
  1. cuestión de honor
  2. pundonor
noun
1. grond behorend bij boerderijhuis
corral
noun
1. stuk van de erfenis zoals dat aan een bepaalde erfgenaam toekomt
porción de la herencia
noun
1. zakelijk recht op andermans onroerend goed
servidumbre
adjective
1. wat op genetische wijze door nazaten verkregen kan worden
hereditario
noun
1. wat door de erflater bij zijn overlijden wordt nagelaten
herencia
noun
1. degene die andermans nalatenschap erft
heredero
noun
herencia
noun
  1. 1. regeling voor de overgang van de nalatenschap
  2. 2. regeling voor troonwisseling
sucesión
noun
1. overerfbare, langdurige of eeuwige pacht
  1. enfiteusis
  2. censo enfitéutico
noun
  1. 1. het samenstel van regels dat de vererving regelt
    derecho de sucesiones
  2. 2. het recht om te erven
    herencia
noun
1. een veelal kostbaar goed van van generatie op generatie door vererving overgegeven wordt
objeto de herencia
noun
1. overgeërfd inheems woord
patrimonialismo
noun
1. schending van Gods regels door de eerste mens Adam als last die op ieder mens rust
pecado original
adverb
en algún lugar
/ˈɛrɣər/
adjective
peor
verb
  1. 2. zich ~ aan gevoelens van onvrede ervaren
    1. abroncarse
    2. enojarse
    3. irritarse
  2. 1. gevoelens van onvrede veroorzaken
    1. irritar
    2. aburrir
    3. agrazar
    4. airar
adverb
1. ergernis wekkend
  1. irritante
  2. escandaloso
  3. fastidioso
  4. molesto
  5. pesado
noun
een zaak die gevoelens van onvrede oproept
  1. irritación
  2. disgusto
  3. fastidio
noun
ergonomía
noun
1.een alkaloïde met een vasoconstrictieve werking
ergotamina
noun
1. kriebelziekte
ergotismo
/ˌeː.ri.ˈtre.ja/, /ˌɪː.ri.ˈtre.ja/
pronoun
1. een Afrikaans land grenzend aan Soedan, Ethiopië, Djibouti en de Rode Zee
Eritrea
noun
nakfa eritreo
noun
eritreo
verb
  1. 1. inzien, toegeven
    reconocer
  2. 2. als wettig, echt, juist aanvaarden
    1. reconocer
    2. convalidar
noun
1. een bevestiging van de juistheid of geldigheid van iets
reconocimiento
/ˌɛrˈkɛn.tə.lək/
adjective
agradecido
pronoun
1. + 2. stad en stadsdistrict
Erlangen
verb
1. door eigen inspanning kunnen beschikken over
conseguir
noun
matraz de Erlenmeyer
noun
1. stemming waarin men de dingen in hun wezenlijke waarde wil zien
  1. seriedad
  2. gravedad
adjective
1. zonder grappen en serieus
  1. serio
  2. grave
  3. formal
verb
erosionar
adjective
1.
  1. erógeno
  2. erotógeno
adverbialPronoun
  1. abajo
  2. debajo
noun
1-2. beschadiging en afslijting
erosión
adjective
erótico
noun
erotomanía
noun
función error
adverb
  1. en cambio
  2. en contra
noun
1. steen
  1. mena
  2. mineral metalífero
noun
1. oprisping
  1. eructación
  2. eructo
adjective
erudito
noun
1. uitgebreide, brede kennis
erudición
noun
  1. 3. plotselinge huiduitslag
    1. dermatitis simple
    2. erupción cutánea
  2. 1. plotselinge, felle uiting
    erupción
  3. 2. het uitstoten van gassen, rook en lava door een vulkaan
    erupción volcánica
adjective
1. bekwaam door ervaring
  1. experimentado
  2. ducho
  3. con experiencia
  4. experto
verb
1. iets beleven
  1. experimentar
  2. pasar la experiencia
noun
1. een vorm van kennis
experiencia
/ˈʔɛr.və(n)/
verb
1. de eigendommen van een overledene, meestal een familielid, rechtens verkrijgen
heredar
noun
1. een bepaalde peulvrucht, een groentesoort
  1. guisante
  2. arveja
noun
1. een groenige, lobbige soep vervaardigd van erwten
sopa de guisantes
noun
erisipela
noun
1. roodheid van de huid
eritema
noun
1. blijvende huidinfectie
eritrasma
noun
eritromicina
noun
1. de vorming van rode bloedlichaampjes
eritropoyesis
/eˌri­tro­po­we­ˈti­nə/
noun
eritropoyetina
pronoun
1. taal vooral in het oosten van Mordovië gesproken wordt
erzya
/\ˈɛs\/
suffix
esa
noun
1. bepaald soort loofboom Fraxinus excelsior
fresno
noun
  1. escalada
  2. escalamiento
verb
1. stapsgewijs toenemen in omvang, intensiteit
escalar
noun
escalope
noun
  1. 1. de neiging om zich aan taken, verantwoordelijkheden en/of verplichtingen te onttrekken
  2. 2.de neiging de alledaagse realiteit te ontvluchten, het verlangen naar ultieme vrijheid
escapismo
adjective
escapista
/ɛsˌxatolo'gi/
noun
escatología
noun
escolta
noun
escolta
noun
escudo
noun
1. staf met een daaromheen kronkelende slang, embleem van de geneeskundigen
esculapio
/ˈɛzdorᵊn/
noun
1. boom of heester uit het geslacht (
  1. arce
  2. moscón
  3. ácere
noun
jarabe de arce
/ɛsˈkadər/
noun
1. een groep oorlogsschepen.
escuadra
noun
esquimal
noun
esoterismo
adjective
esotérico
noun
esoterismo
noun
1. bepaald soort loofboom, Populus tremula
  1. álamo temblón
  2. chopo temblón
pronoun
Española
noun
esperantista
pronoun
1. een internationale kunsttaal die oorspronkelijk ontworpen is door Ludovico Zamenhof
esperanto
noun
1. geconcentreerde koffie
café expreso
noun
cafetera expreso
noun
  1. café espresso
  2. café expreso
  3. café expresso
  4. café exprés
  5. café solo
  6. espresso
noun
cafetera expreso
noun
2
esencia
noun
esencialismo
adjective
1. zeer belangrijk
esencial
noun
estafeta
noun
carrera por relevos
/ɛsˈter/
pronoun
3. meisjesnaam
  1. Ester
  2. Esther
noun
1. een koolstofverbinding met de functionele groep -C(=O)-O-C-
éster
noun
esteticismo
adjective
  1. estético
  2. elegante
/ˈɛstis/, /ˈɛstɪs/
pronoun
1. een taal die vooral wordt gesproken in Estland
estonio
/ˈɛslɑnd/, /ˈɛstlɑnt/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa dat grenst aan Letland en Rusland
Estonia
/ˈɛslɑnds/, /ˈɛstlɑnts/
adjective
estonio
/ˈɛslɑndsə/, /ˈɛstlɑntsə/
noun
estonia
noun
1. een vrouwelijk hormoon
estrógeno
noun
  1. estuario
  2. estero
noun
  1. piso
  2. planta
noun
  1. escaparate
  2. vitrina
noun
maniquí
verb
  1. exhibir
  2. exponer
  3. presentar
noun
1. dat wat iemand tot zich neemt om diens metabolisme in werking te houden
  1. comida
  2. alimento
verb
1. het nuttigen van voedsel
comer
noun
  1. hora de comer
  2. hora de la comida
/ˈe.tənsˌʋar/, /ˈe.tənsˌβ̞ar/
noun
1. voedsel voor mensen
  1. comestible
  2. manjar
  3. plato
noun
1. C₂H₆
etano
/etaˈnɔl/
noun
1. een chemische verbinding met twee koolstofatomen en een alcoholgroep
etanol
noun
  1. etileno
  2. eteno
noun
etilenglicol
noun
óxido de etileno
noun
1. een organische verbinding met de functionele groep R-O-R'
éter
noun
1. een praktische wijsbegeerte die zich bezighoudt met wat goed en kwaad is
ética
noun
birr etíope
/ˌe.ti.ˈjo.pi.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika grenzend aan Eritrea, Djibouti, Somalië, Kenia en Soedan
Etiopía
adjective
ético
noun
etología
noun
koolwaterstofgroep
etilo
noun
alcohol etílico
noun
1. onderdeel van de pathologie dat zich bezighoudt met de oorzaken van ziekten
etiología
noun
etiólogo
/etiˈkɛtə/
noun
etiqueta
noun
1. tijdseenheid bestaande uit 24 uren
  1. 24 horas
  2. día
adjective
étnico
noun
etnocentrismo
noun
etnocidio
noun
etnógrafo
noun
etnografía
/ɛtnoːloːɣi/, /ɛtnoːloːʝi/
noun
etnología
noun
etnólogo
/ɛtər/
noun
1. wittig vocht met witte bloedlichaampjes en bacteriën dat bij een ontsteking afgescheiden wordt
pus
noun
1. zwelling die etter bevat
absceso
verb
1.
supurar
noun
  1. 1. woordherkomst
  2. 2. studie naar oorsprong en verandering van vorm en betekenis van woorden
etimología
noun
etimólogo
noun
1. een rooms-katholiek sacrament dat een voortzetting is van het laatste avondmaal van Christus
eucaristía
adjective
eucarístico
adjective
euclidiano
noun
1-2.
eufemismo
/ˌœyfəˈmɪstis/
adjective
eufemístico
/ˌø.fo̝.ˈri/
noun
1. verhoogd gevoel van welzijn
euforia
adjective
  1. eufórico
  2. con euforio
noun
eugenesia
/œykɑriotən/
noun
2. een van de drie taxonomische domeinen, Eukaryota
eukarya
noun
eunuco
pronoun
1. de naam van de grootste landmassa op aarde die de continenten Europa en Azië omvat
Eurasia
noun
euritmia
/'øː.ro/, /'ɵː.ro/
abbreviation
1. munt en munteenheid
euro
noun
eurocentrismo
/øːˈroːpa/, /ʏːˈropa/
pronoun
1. een continent op het noordelijk halfrond, dat ten noorden van Afrika en ten westen van Azië ligt
Europa
/øːroˈpeːs/, /ʏːroˈpes/
adjective
1. afkomstig van of betreffend het continent Europa
europeo
pronoun
Tribunal Europeo de Derechos Humanos
pronoun
Parlamento Europeo
noun
europea
pronoun
Banco Central Europeo
pronoun
Comisión Europea
pronoun
Tribunal Europeo de Derechos Humanos
pronoun
Banco Europeo de Inversiones
pronoun
Defensor del Pueblo Europeo
pronoun
Consejo Europeo
pronoun
Tribunal de Cuentas de la Unión Europea
noun
crisis de la deuda soberana europea
/ˌøː.ro.ˌpe.sə.ˈy.ni/, /ˌʏː.ro.ˌpe.sə.ˈy.ni/
pronoun
unie van 27 Europese staten
Unión Europea
noun
  1. lubina
  2. róbalo
noun
1. scheikundig element met symbool Eu en atoomnummer 63
europio
pronoun
Eurovisión
noun
eurozona
noun
1. handelingen die iemands leven beëindigen of het sterven bespoedigen, om pijn en lijden te verkorten
eutanasia
noun
eutrofización
/'øː.vəl/
noun
  1. 1. gebrek
    falta
  2. 2. een slechte zaak
    malo
pronoun
1. eerste vrouw door God geschapen
Eva
noun
evacuación
/evɑky'erə(n)/
verb
evacuar
noun
1. bespreking en beoordeling van de gang van zaken
evaluación
noun
evangeliario
noun
evangelio
noun
evangelización
verb
evangelizar
noun
1. volgeling van Jesus die het verhaal van zijn leven en sterven op schrift gesteld heeft
evangelista
noun
evaporación
verb
evaporar
noun
evasión
adjective
1. Deelbaar door twee
par
adverb
  1. de este modo
  2. momentáneamente
  3. un momento
/evəˈnar/, /ˈevənar/
noun
1. denkbeeldige cirkel die op een hemellichaam het noordelijk van het zuidelijk halfrond scheidt
ecuador
noun
1. belangrijke gebeurtenis
  1. evento
  2. acontecimiento
  3. suceso
  4. contingencia
noun
2. dieren met een even aantal tenen met hoeven, orde Artiodactyla
  1. Artiodactyla
  2. artiodáctilos
/ˈevəmɪn/
adverb
1. ook niet
tampoco
noun
ecuador
adjective
1. evenredig
proporcional
noun
  1. concurso completo de equitación
  2. prueba de tres días
adjective
eventual
noun
1.
equilibrio
/ˌevə(n)ˈʋɪxtəx/
adjective
equilibrado
noun
constante de equilibrio
noun
estado de equilibrio
adjective
1. in alle punten even ver in loodrechte zin verwijderd zijnde
paralelo
noun
1. parallelle ligging of verloop
paralelismo
adverb
asimismo
noun
1. in het wild levende voorouder van het varken Sus scrofa
jabalí
noun
1. wild varken
jabalí
noun
  1. claridad
  2. evidencia
noun
evocación
verb
1. aan een proces van geleidelijke veranderingen onderhevig zijn
evolucionar
noun
evoluta
/ˌevoˈlysi/, /ˌevoˈlytsi/
noun
1. ontwikkeling, verandering
evolución
noun
1. de natuurwetenschappelijke verklaring voor de evolutie van het leven en voor de verscheidenheid aan soorten
teoría de la evolución
noun
1. theorie over de stapsgewijze ontwikkeling van het leven
teoría de la evolución
adjective
  1. evolucionista
  2. evolutivo
noun
evolucionista
adverb
ex cathedra
noun
ex-cautivo
adjective
1. zonder benadering, precies vastgesteld
exacto
noun
exaltación
noun
  1. een examen halen
    aprobar un examen
  2. 1. onderzoek naar de kennis of vaardigheden van iemand door middel van ondervraging of opgedragen verrichtingen
    examen
  3. een examen afleggen, ondergaan
    hacer un examen
noun
examinador
noun
1. vrouw die nagaat of iemand vereiste kennis en vaardigheden heeft
examinadora
verb
1.aan een examen onderwerpen
examinar
noun
1. huiduitslag
exantema
noun
excavación
adjective
excelente
noun
1. uitmuntendheid
excelencia
noun
excentricidad
adjective
1. zonderling
excéntrico
noun
1. schijf die...
excéntrico
adjective
excéntrico
noun
excepción
adjective
excepcional
noun
exceso
adjective
excesivo
noun
1. bestanddeel van een geneesmiddel
excipiente
noun
1. opgewondenheid
excitación
verb
excitar
noun
exclamación
adjective
exclamativo
verb
exclamar
noun
exclusión
adjective
1. wat andere mogelijkheden uitsluit
exclusivo
noun
  1. excomunión
  2. anatema
  3. anatematización
verb
excomulgar
noun
1. uitscheiding
excreción
noun
excursión
verb
  1. excusar
  2. disculpar
noun
1. de verontschuldiging
  1. disculpa
  2. excusa
verb
  1. ejecutar
  2. ajusticiar
noun
  1. 2. uitvoerder van een testament
    albacea
  2. 1. uitvoerder van een gerechtelijk vonnis
    ejecutor
noun
  1. 2. uitvoering van een doodvonnis
    ejecución
  2. 1. uitvoering van een vonnis
    ejecución de hipoteca
  3. 3. gerechtelijke verkoop
    1. ejecución
    2. ejecución judicial
adjective
uitvoerend
ejecutivo
noun
1. een peloton dat een executie uitvoert, een vuurpeloton
pelotón de ejecución
noun
  1. exegeta
  2. exégeta
noun
exégesis
adjective
exégeta
noun
1. voorbeeld
ejemplo
/ɛksɛm'plar/
noun
1. een individueel voorbeeld ergens van
ejemplar
verb
1. het oefenen in het uitvoeren...
ejercitar
noun
exhibición
noun
exhibicionismo
noun
exhibicionista
noun
exhortación
verb
exhortar
noun
exilio
adjective
existente
noun
existencialismo
adjective
existencialista
noun
existencia
adjective
existencial
noun
cuantificador existencial
noun
teorema de existencia
verb
existir
prefix
extra-
noun
1. onderzoek naar mogelijk leven buiten de aarde
exobiología
adjective
1. afscheidend door middel van een afvoerbuis
exocrino
pronoun
Éxodo
noun
1. uittocht van een grote groep mensen met als doel niet meer terug te komen
éxodo
noun
exogamia
adjective
1. door oorzaken van buitenaf
exógeno
noun
1. een deel van het pre-mRNA dat de kern verlaat en dus getranscribeerd wordt
exón
noun
exónimo
/ɛ'ksot/
noun
1. een organisme dat zich heeft gevestigd in een land waar het oorspronkelijk niet vandaan komt
especie introducida
noun
  1. exoplaneta
  2. planeta extrasolar
verb
exorcizar
noun
exorcismo
noun
exorcista
noun
exordio
/ˈɛk.so.ˌtɛrm/
adjective
1. waarbij warmte vrijkomt
exotérmico
adjective
1. vanuit verre vreemde landen
exótico
noun
exotismo
verb
1. in volume toenemen
expandir
noun
expansión
adjective
expansivo
noun
válvula de expansión
noun
  1. vaso de expansión
  2. depósito de expansión
adjective
expansionista
noun
expatriado
noun
expedición
adjective
expedicionario
verb
  1. despachar
  2. enviar
  3. expedir
noun
  1. experimento
  2. ensayo
adjective
1.
experimental
verb
1.
experimentar
/ɛkˈspɛːr/
noun
1. iemand die bijzonder goed bekend is met een bepaald onderwerp
  1. experto
  2. perito
  3. especialista
noun
experticia
noun
1. een computersysteem dat specifieke kennis van menselijke experts representeert en gebruikt om een probleem binnen een bepaald gebied op te lossen
sistema experto
noun
1. uitademing
espiración
verb
expirar
adjective
expletivo
noun
  1. aclaración
  2. explicación
verb
explotar
noun
1. het met winst draaiende houden
explotación
verb
1. draaiende houden met winst
explotar
noun
explorador
noun
exploración
adjective
  1. explorador
  2. exploratorio
verb
  1. explorar
  2. examinar
noun
explosión
adjective
1. ontplofbaar
explosivo
noun
1. ontplofbare stof of voorwerp
explosivo
noun
exponente
adjective
exponencial
noun
función exponencial
noun
1. de verkoop van goederen aan het buitenland
exportación
verb
1. goederen aan een afnemer in het buitenland verhandelen
exportar
noun
exportador
/ɛkspo'zerə(n)/
verb
1. iets laten zien aan bezoekers van een expositie
  1. exponer
  2. exhibir
noun
pabellón
adverb
  1. adrede
  2. deliberadamente
  3. adredemente
  4. aposta
  5. a caso hecho
  6. apostadamente
noun
rápido
noun
expresión
adjective
1. veel expressie hebbend
expresivo
noun
expresionismo
noun
expresionista
adjective
expresionista
noun
  1. rápido
  2. tren rápido
adjective
exquisito
/ɛk'stazə/
noun
1. een toestand van buiten zichzelf zijn door verrukking
éxtasis
/ɛkˈstɛnsi/
noun
1. het strekken van ledematen
extensión
adjective
extensivo
/ɛksˈtɛrn/
adjective
1. uitwendig
externo
noun
externalidad
noun
extinción
adjective
extintivo
verb
extirpar
noun
1. ingedikt aftreksel
extracto
noun
1. uittrekking
extracción
verb
  1. extractar
  2. extraer
adjective
extraordinario
noun
extrapolación
verb
extrapolar
noun
extrasístole
adjective
extravagante
noun
extravagancia
noun
extraversión
adjective
extravertido
adjective
1. uiterst, uitzonderlijk
extremo
adverb
extremamente
noun
  1. extrema izquierda
  2. ultraizquierda
noun
  1. extrema derecha
  2. ultraderecha
pronoun
Extremadura
noun
  1. extremismo
  2. radicalismo
noun
1. iemand met radicale, extremistische standpunten, een aanhanger van een ideologie die ver van het politieke of maatschappelijke centrum ligt
  1. estremista
  2. extremista
noun
1. een van de ledematen
extremidad
noun
extremófilo
adjective
1. zeer luid heel blij zijn
exuberante
noun
exuberancia
pronoun
Ezequiel
/ˈezəɫ/
noun
1. bepaald paardachtig zoogdier, Equus asinus
  1. burro
  2. asno
  3. jumento
noun
1. vrouwelijke ezel
  1. burra
  2. asna
noun
1. hulpmiddel om iets te onthouden
nemotecnia
noun
  1. 2. omgevouwen hoek
    doblez
  2. 1. oor van een ezel
    oreja de asno
pronoun
Esdras
/fam/
noun
  1. 1. reputatie
    fama
  2. 2. roem
    1. fama
    2. renombre
noun
1. een der herautstukken; een horizontale band die het middelste derde deel van het veld van het wapen beslaat
faja
/ˈfabəl/
noun
  1. 3. een verhaallijn
    argumento
  2. 1. een kort moraliserend verhaal met dieren of zaken als handelende personen
    1. fábula
    2. apólogo
  3. 2. een verzinsel
    1. fábula
    2. cuento
adjective
  1. 2. buitengewoon geweldig
    1. fabuloso
    2. fantástico
  2. 1. ongeloofwaardig
    1. fabuloso
    2. legendario
noun
  1. fabricación
  2. confección
  3. producción
noun
1. het vervaardigen van producten; aanmaak, vervaardiging, bewerking door een fabriek
  1. confección
  2. fabricación
  3. producción
verb
1. een product door middel van werktuigen bewerken of vervaardigen
  1. fabricar
  2. producir
  3. manufacturar
noun
1. plaats waar op industriële schaal productie bedreven wordt
  1. fábrica
  2. factoría
noun
obrero de fábrica
noun
fabricante
noun
1. cosmetische ingreep van de chirurgie ter verfraaiing van het gezicht
estiramiento facial
noun
1. een voorziening
facilidad
noun
  1. 1. nauwkeurige nabootsing
    facsímile
  2. 1. een apparaat waarmee documenten per telefoon verzonden kunnen worden
    fax
noun
facción
noun
factor
noun
factoría
noun
factoraje
noun
1.het opmaken van een rekening
facturación
noun
1. document met een beschrijving van goederen die een bedrijf (aan een ander bedrijf) geleverd heeft
factura
/fɑkəltɑ'tif/
adjective
1. onverplicht of vrijwillig
facultativo
noun
  1. 3. product van een reeks factoren
    factorial
  2. 1. hoofdafdeling van een universiteit
    1. facultad
    2. facultad universitaria
/ˈfæːrøːə̯r/, /ˈfɛːrʏːr/
pronoun
1. en 2., eilandengroep, land
Islas Feroe
pronoun
1. een Germaanse taal die wordt gesproken op de Faeröer
  1. faroés
  2. feroés
noun
faroesa
noun
fagocito
noun
1. vernietiging door een cel van schadelijke bestanddelen
fagocitosis
noun
1. (muziekinstrument) een houten blaasinstrument met dubbelriet
  1. fagot
  2. bajón
noun
  1. fagotista
  2. fagot
noun
loza
/ˌfajisəˈmɛnt/
noun
1. de toestand van iemand die, blijkens rechterlijk onderzoek, niet in staat is aan zijn financiële verplichtingen te voldoen.
  1. bancarrota
  2. quiebra
noun
1. staaf of stok die aan de bovenkant in een brandbare stof gedrenkt is, brandend zorgt het voor verlichting
  1. antorcha
  2. hacha
  3. tea
/fa'lɑfəl/
noun
falafel
noun
falangista
noun
falange
/ˈfaːlən/
verb
1. niet bereiken van doelen
fallar
pronoun
islas Malvinas
noun
libra malvinense
adjective
1. met betrekking tot het mannelijk lid
fálico
noun
  1. falo
  2. aparato reproductor masculino
  3. pene
noun
falsificación
adjective
1. beroemd
  1. con fama
  2. famoso
adjective
als bijwoord gebruikt
con familiaridad
adjective
familiar
adjective
familiar
noun
familiaridad
/fa.ˈmi.li/, /fa.ˈmiː.lɪ̯ə/
noun
1. (bloed)verwantschap door een gemeenschappelijke oorsprong
familia
noun
  1. empresa familiar
  2. negocio familiar
noun
  1. deudo
  2. familiar
  3. pariente
noun
1. naam die van generatie op generatie en indien gewenst door het huwelijk overgedragen wordt
apellido
noun
1. onderdeel van het burgerlijk recht m.b.t. de familiale verhoudingen tussen personen
derecho de familia
noun
  1. 1. een enthousiaste aanhanger
    forofo
  2. 2. ventilator
    ventilador
adjective
fanático
noun
fanatismo
noun
fandango
/ˌfaneroˈzowikʏm/
noun
Fanerozoico
/foɱ.ˈfaːr/, /fɑn.ˈfa.rə/
noun
  1. charanga
  2. marcha
  3. pasodoble
noun
  1. charanga
  2. marcha
noun
1. vermogen om nieuwe gedachten te kunnen vormen, mogelijk niet altijd op waarheid berust
  1. fantasía
  2. imaginación
noun
fantasmagoría
adjective
fantasmagórico
adjective
  1. fantástico
  2. genial
  3. súper
noun
miembro fantasma
noun
lista faq
noun
faradio
pronoun
constante de Faraday
noun
1.
fariseo
noun
farmacéutico
adjective
1. uit de farmacie, met betrekking tot de productie van geneesmiddelen
farmacéutico
noun
farmacia
noun
farmacocinético
noun
farmacología
adjective
1. leer van de geneesmiddelen en de interactie tussen deze en een levend biologisch systeem betreffende
farmacológico
noun
farmacólogo
noun
1. keelontsteking
faringitis
noun
fascia
noun
1. spiertrillen
fasciculación
noun
fascitis
noun
fascinación
verb
1. iemands aandacht vasthouden
fascinar
/fɑˈsʲɪsmə/
noun
ideologie
fascismo
/fɑ.sʲɪst/
noun
fascista
noun
saludo fascista
adjective
1. van het fascisme
fascista
noun
1. periode als onderdeel van een langere ontwikkeling
fase
noun
modulación de fase
noun
  1. cambio de estado
  2. transición de fase
noun
espacio fásico
noun
fasor
adjective
1. noodlottig
fatal
pronoun
1. militante politieke beweging in Palestina
Fatah
noun
fatalidad
/fɑt'sun/
noun
1. goede manieren
  1. decencia
  2. decoro
  3. buenas costumbres
noun
fetua
noun
fauno
/ˈfʌʊna/, /ˈfʌːna/
noun
1. het geheel aan dieren in een gebied
fauna
/fo.tœj/
noun
1. Soort stoel
  1. butaca
  2. sillón
noun
  1. fauvismo
  2. fovismo
adjective
favorable
adjective
favorito
verb
favorecer
/fɑks/
noun
  1. 1. een apparaat waarmee documenten per telefoon verzonden kunnen worden
  2. 2. een per fax verzonden bericht
fax
noun
1. bepaald soort kleurrijke vogel, Phasianus colchicus
faisán
/fa.ˈsa.də/
noun
1. de zichtbare buitenmuur van een gebouw, specifiek die aan de voorkant
fachada
/febryˈwaːri/
noun
1. de tweede maand van het jaar
febrero
pronoun
  1. 2. Franse revolutie
    Revolución francesa de 1848
  2. 1. Russische revolutie
    revolución de Febrero de 1917
adjective
1. met betrekking tot de ontlasting
fecal
noun
1. ontlasting
  1. defecación
  2. excrementos
noun
fecundación
adjective
  1. federal
  2. federado
noun
federalismo
noun
federalista
adjective
federalista
noun
1. een verbond van samenwerkende staten of lichamen die hun zelfstandigheid behouden
federación
verb
federar
/fe:/
noun
1.
hada
noun
1. terugkoppeling
retroacción
noun
arpía
noun
1. een vermakelijke en vreugdevolle sociale gelegenheid
fiesta
noun
  1. día festivo
  2. día de fiesta
noun
  1. banquete
  2. festín
noun
  1. fiestero
  2. juerguista
verb
1. deelnemen aan een feest en uiting geven aan feestvreugde
  1. festejar
  2. celebrar una fiesta
/ˌfe.jə.ˈrik/
adjective
1. sprookjesachtig mooi
maravilloso
/fɛi̯t/
noun
1. een gebeurtenis of omstandigheid die werkelijk gebeurd is
  1. hecho
  2. suceso
/fɛɪtələk/
adjective
1. daadwerkelijk
real
noun
felicitación
verb
1. iemand geluk toewensen
  1. congratular
  2. felicitar
  3. cumplimentar
adjective
felino
noun
1. een zeilschip
  1. faluca
  2. falúa
/ˈfɛlsis/
adjective
1. rijk aan silica of silicahoudende mineralen
félsico
noun
1. streven naar het opheffen van de achterstelling van vrouwen en vrouwelijke eigenschappen door een gelijkwaardige behandeling van mannen en vrouwen
feminismo
noun
1. vrouw die streeft naar gelijke rechten voor vrouwen
feminista
noun
femtosegundo
noun
fémur
noun
plant en plantdelen van Trigonella foenum-graecum
  1. fenogreco
  2. alholva
noun
blad van de plant Trigonella foenum-graecum
hoja de fenegreco
noun
plant, en zaad van, Trigonella foenum-graecum
  1. semilla de alholva
  2. semilla de fenegreco
noun
1. een antidepressivum
fenelzina
adjective
  1. fenicio
  2. fenicia
pronoun
idioma fenicio
noun
fenicia
pronoun
Fenicia
noun
fenicio
noun
fénix
noun
1. Fennecus zerda, leeft in de woestijn en is de kleinste van alle vossen
fenec
noun
fenol
noun
fenología
noun
fenólogo
/fenoˈmen/
noun
1. een verschijnsel
fenómeno
adjective
fenomenal
noun
fenomenología
noun
1. een basismolecule voor vele derivaten
  1. fenotiazina
  2. dibenzotiazina
/fenilɑlɑninə/
noun
1. aminozuur
fenilalanina
noun
1. een pijnstillend, ontstekingsremmend en koortswerend middel
fenilbutazona
noun
feocromocitoma
noun
feudalismo
noun
  1. feudalismo
  2. feudalidad
pronoun
2. spelwoord voor de letter f
Fransico
noun
calderón
noun
1. gisting
fermentación
verb
1. zuurstofloos (anaeroob) omzetten van biologische materialen door bacteriën, celculturen of schimmels
fermentar
noun
1.
fermión
noun
1. scheikundig element met symbool Fm en atoomnummer 100
fermio
noun
fernico
noun
ferocidad
noun
feromona
noun
ferrita
pronoun
El Hierro
noun
ferromagnetisme
  1. ferromagnetism
  2. ferromagnetismo
noun
1. een schip dat speciaal gebouwd en uitgerust is om in een veerdienst ingelegd te worden.
transbordador
noun
1. een speciaal gebouwd en uitgerust schip om in een veerdienst ingelegd te worden.
transbordador
adjective
1. in staat om vruchtbare nakomelingen te krijgen
fértil
noun
1. vruchtbaarheid
  1. fecundidad
  2. fertilidad
adjective
1. fanatiek, overtuigd
fervoroso
/ˈfɛstiˌvɑɫ/
noun
  1. 2. een groot evenement met zang en dans en muzikale optredens
  2. 1. een reeks optredens
festival
/fɛstievieˈtĕit/
noun
  1. festividad
  2. fiesta
noun
festón
noun
fetiche
noun
fetichismo
/fɛs/
noun
1. bepaald soort hoed van Turkse oorsprong
fez
noun
  1. fiasco
  2. chasco
  3. fracaso
/'fi.jɑt/
noun
  1. asentimiento
  2. conforme
noun
fibra
noun
1. samentrekking van afzonderlijke spiervezels en een vorm van hartritmestoornis
fibrilación
noun
1. eiwit
fibrina
noun
1.
fibrinógeno
noun
fibrinólisis
noun
fibroadenoma
noun
fibroblasto
noun
fibroma
noun
1. woekering van bindweefsel
fibrosis
noun
  1. 1. speld om kleren bij elkaar te houden
  2. 2. kuitbeen
fíbula
noun
ficción
adjective
  1. ficticio
  2. fictivo
adjective
fiel
noun
fidelidad
noun
fideísmo
adjective
fiduciario
noun
fe
/fits/
noun
1. tweewielig vervoermiddel dat door middel van spierkracht middels pedalen wordt voortbewogen
  1. bicicleta
  2. bici
/ˈfits.bɑnt/
noun
1. een binnen- of buitenband voor een fiets
neumático de bicicleta
noun
timbre de la bicicleta
noun
ciclocomputador
verb
1. op een fiets rijden
  1. montar en bicicleta
  2. montar
noun
reparador de bicicletas
/ˈfitsərɛk/
noun
1. rek om fietsen te parkeren
  1. aparcabicicletas
  2. estacionamiento de bicicletas
noun
casco de ciclismo
/ˈfitspɑt/
noun
1. een weggedeelte of vrijliggend pad dat is gereserveerd voor het gebruik door fietsers en snorfietsers.
  1. ciclovía
  2. carril bici
  3. pista de bicicletas
noun
  1. bomba de bicicleta
  2. bomba de aire
noun
ciclismo
noun
2. fietsrek
  1. aparcabicicletas
  2. estacionamiento de bicicletas
noun
bolsa para bicicletas
noun
bicitaxi
noun
1. een tocht gemaakt op de fiets
excursión en bicicleta
noun
cicloturismo
/fitsadəl/, /fitsadəɫ/
noun
sillín
noun
  1. comparsa
  2. figurante
noun
figuración
adjective
figurativo
verb
figurar
/fiˈɣyːrlək/
adjective
figurado
noun
1. een heel fijn zaagje in de vorm van een dun zaagblad dat verticaal wordt gespannen in een lange horizontale beugel
  1. segueta
  2. sierra de marquetería
/ˈfɛifəl/
noun
1. bepaald soort dwarsfluit
pífano
/ˈfɛifər/
noun
1. bepaald soort kleine dwarsfluit
pífano
/ˈfi.(d)ʒi/, /ˈfi.dʒi/
pronoun
1. een land in Oceanië op het zuidelijk halfrond. Het bestaat uit 332 eilanden waarvan ongeveer 110 bewoond zijn
  1. Fiji
  2. Fiyi
noun
dólar fiyiano
adjective
  1. 3. leuk
    1. agradable
    2. bueno
  2. 1. van geringe dikte
    fino
phraseologicalUnit
1. kerstwens
  1. ¡Felices Fiestas!
  2. ¡Feliz Navidad!
pronoun
constante de estructura fina
noun
1. ontsteking aan vinger
panadizo
noun
filatelia
/faɪl/
noun
  1. 1. lange rij met stilstaande of langzaam voortbewegende voertuigen of personen
    1. cola
    2. caravana
  2. 1. bestand op de computer
    1. archivo
    2. fichero
pronoun
3. naam van een boek uit het Nieuwe Testament
Filemón
noun
filete
adjective
1. van een orkest dat er veel verschillende instrumenten in harmonie samenspelen
filarmónico
/filiˈjal/
noun
1. een pand in een reeks van panden
sucursal
noun
  1. 2. langdurige toespraak
    filibusterismo
  2. 1. vrijbuiter
    filibustero
noun
filibusterismo
noun
filigrana
noun
filigrana
/ˌfi.li.ˈpɛɪ̯.nə(n)/, /ˌfi.lɪ.ˈpɛɪ̯.nə(n)/, /ˌfi.lɪ.ˈpɛː.nə(n)/
pronoun
1. republiek in Oost-Azië bestaande uit een archipel van 7107 eilanden
Filipinas
/fili'pɛɪns/
pronoun
1. de officiële taal van de Filipijnen
filipino
noun
filipina
noun
peso filipino
pronoun
Filipenses
noun
filisteo
noun
cámara de cine
verb
1. beelden van iets vastleggen op film
  1. filmar
  2. cinematografiar
/'fɪlmkɵnst/
noun
1. kunstvorm die gebruikt maak van het verfilmen als medium
arte cinematográfico
noun
  1. productor cinematográfico
  2. productor de cine
noun
director de cine
noun
  1. astro de cine
  2. astro del cine
  3. estrella de cine
  4. estrella del cine
noun
filología
/ˌfiloːˈloːɣ/
noun
1. iemand die zich specialiseert in de studie van de taal en de cultuur van een mensengemeenschap
filólogo
noun
problema de los filósofos
/filozoˈfi/
noun
1. de oudste theoretische discipline die het verlangen heeft en streeft naar kennis en wijsheid
filosofía
adjective
1.
filosófico
noun
filósofo
/fɪltər/
noun
1. een voorwerp met kleine gaatjes waar water of gassen doorheen kunnen om gezuiverd te worden
  1. filtro
  2. colador
verb
filtrar
noun
  1. café de filtro
  2. café filtro
noun
1. filtrering
filtración
verb
1. door middel van een filter zuiveren of afscheiden
  1. filtrar
  2. colar
adjective
decisivo
adverb
enteramente
noun
  1. 1. de beslissende wedstrijd in een toernooi tussen de laatste twee deelnemers
  2. 2. het slotstuk van een meerdelig toneel- of muziekstuk
final
noun
finalidad
adjective
1. met betrekking tot geld, geldelijk
  1. financiero
  2. financiera
verb
1. voorzien van de benodigde geldmiddelen
financiar
noun
  1. financiación
  2. financiamiento
noun
1.
finanzas
/fi'ner/
noun
plaqué
verb
chapar
verb
  1. aparentar
  2. fingir
/ˈfinɪʃ/
noun
  1. llegada
  2. meta
/ˈfɪnlɑnd/, /ˈfɪnlɑnt/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa
Finlandia
/fɪns/
adjective
1. betreffende Finland of het Fins
  1. finés
  2. finlandés
  3. finesa
  4. finlandesa
/fɪns/
pronoun
1. een taal die wordt gesproken in Finland
  1. finlandés
  2. finés
/ˈfɪnsə/
noun
  1. finesa
  2. finlandesa
noun
  1. 2. een zaak of bedrijf
    empresa
  2. 1. een handelsvennootschap waarbij de vennoten hoofdelijk voor het geheel aansprakelijk zijn
    1. firma
    2. sociedad colectiva
noun
firmamento
adjective
  1. fiscal
  2. tributario
noun
1. een kanaalvormige zweer
  1. fistula
  2. fístula
/ 'fɪt /
adjective
in goede lichamelijke conditie
sano
noun
mosquitero musical
noun
1. conditie- of krachttraining, meestal in een sportzaal
fitness
verb
instalar
noun
fijación
verb
  1. fijar
  2. virar
/fjɔrd/, /fjɔrt/
noun
1. een bepaald type van inham in een bergachtige kust, gekenmerkt door steile wanden die door gletsjerwerking zijn uitgesleten
  1. fiordo
  2. fiord
verb
revolotear
noun
flagelo
noun
flagelación
verb
flagelar
noun
  1. fluit
    1. caramillo
    2. flauta de pico
    3. flauta de recta
  2. 4. peulvrucht
    frijol flageolet
noun
piedra laja
noun
1. Uitstraling
mundología
noun
flamenco
noun
guitarra de flamenco
noun
1. bepaald soort roze reigerachtige waadvogel met een haakvormige snavel...
flamenco
noun
1. een textielsoort van los gesponnen garen, gewoonlijk van geruwde wollen of katoenen stof, ...
franela
adjective
franela
verb
  1. vagar
  2. barzonear
  3. deambular
  4. ruar
/flɑŋk/
noun
1. zijkant van een samenhangend geheel
flanco
/ˈflɑp.or/
noun
2. iemand met grote oren
  1. chore
  2. orejón
noun
memoria flash
/flɑt/
noun
edificio
adjective
2. in overdrachtelijke zin smakeloos
  1. soso
  2. insípido
noun
tontería
noun
1. aanval van korturende bewusteloosheid
  1. desmayo
  2. síncopa
  3. síncope
verb
1. door hitte of gebrek aan frisse licht het bewustzijn verliezen
desmayarse
noun
flavonoide
noun
  1. flema
  2. parsimonia
  3. sangre fría
verb
1. overdreven lief tegen iemand doen
engatusar
noun
1. een platte, vlakke metalen plaat of ring, bevestigd aan het uiteinde van een buis ...
brida
noun
1. dun soort pannenkoekje dat zowel als hoofdgerecht en als nagerecht gegeten wordt
  1. panqueque
  2. tortita
noun
1. scheikundig element met symbool Fl en atoomnummer 114
flerovio
noun
1. een langgerekt, cilindrisch en meestal van glas vervaardigd vat met een nauwe hals die met een dop of kurk af te sluiten is
  1. botella
  2. frasco
noun
  1. abrebotellas
  2. abridor de tapones
  3. destapador de botellas
adjective
verde botella
noun
estafa
noun
water dat is gebotteld
agua embotellada
/ˈflevoˌlɑnt/, /ˈfleːvoˌlɑnd/, /ˈfleːvoˌlɑnt/
pronoun
1. een provincie in het midden van Nederland, die door het IJsselmeer...
Flevolanda
/flɛkˈsibəl/
adjective
1. het vermogen hebbend gebogen te worden
flexible
verb
flexibilizar
/ˈflɛk.si/
noun
  1. 2. vormverandering van een woord
  2. 1. een buiging, een buigbeweging in een gewricht door de buigspieren
flexión
noun
flexión mecánica
noun
simulador de vuelo
verb
1. kruiperig vleien
  1. lisonjear
  2. acaramelarse
  3. gitanear
verb
remendar
noun
4. (scheldwoord) iemand van het mannelijke geslacht met een seksuele voorkeur voor andere mannen
  1. marica
  2. culero
verb
  1. parpadear
  2. centellear
  3. destellar
  4. chisporrotear
  5. flamear
  6. relampaguear
pronoun
1. een Australisch eiland in de Straat Bass, behorend tot Tasmanië en deel uitmakend van de Furneauxgroep
isla Flinders
adjective
  1. 2. groot van afmeting of hoeveelheid
    considerable
  2. 3. sterk van karakter
    firme
  3. 1. stevig van lichaamsbouw
    robusto
noun
vidrio flint
pronoun
Felipe
noun
1. schakeling die op een signaal reageert door van de ene in de andere stand te springen
biestable
noun
  1. pinball
  2. flippers
verb
  1. coquetear
  2. flirtear
  3. timarse
noun
1.
fogonazo
noun
flash fotográfico
noun
memoria flash
noun
foquito de magnesio
noun
reino floral
verb
  1. florecer
  2. prosperar
pronoun
  1. Flores
  2. isla de Flores
noun
florín
noun
  1. fitogeografía
  2. geobotánica
  3. geografía vegetal
noun
1. een zijden draad waarmee men de ruimte tussen de tanden reinigt
seda dental
noun
flotación
verb
flotar
noun
flotilla
noun
flox
noun
fluctuación
verb
1. onregelmatig variëren (binnen bepaalde grenzen), schommelen
fluctuar
verb
1. spreken met gedempte stem
  1. susurrar
  2. cuchichear
  3. bisbisar
  4. bisbisear
noun
    1. 1. buisvormig blaasinstrument
    2. 3. een scheepstype
    flauta
  1. 4. een slank drinkglas
    1. flauta champanera
    2. flauta
  2. 2. een signaalinstrument
    1. silbato
    2. pito
verb
2. geluid van een fluit voortbrengen
  1. silbar
  2. chiflar
  3. pitar
  4. trinar
noun
1. musicus die een fluit bespeelt
flautista
noun
caldera con silbato
noun
filibote
noun
1. een chemisch element en een geelgroen halogeen
flúor
noun
1. het uitzenden van licht ...
fluorescencia
noun
lámpara fluorescente
noun
microscopio de fluorescencia
adjective
fluorescente
noun
fluoruro
verb
fluorar
noun
fluoroscopia
/ˌfly.wɔk.səˈti.nə/
noun
1. een antidepressivum
fluoxetina
adjective
fluvial
noun
1. een zachte, fijngeweven stof, waarbij rechtopstaande pluizen, de zg. pool van zijde...
terciopelo
noun
colibia de pie aterciopelado
/flʏks/
noun
  1. 2.aantal krachtlijnen dat loodrecht door een oppervlakte-eenheid gaat
  2. 1. stroom
flujo
noun
densidad de flujo
noun
1. een ziekelijke vrees
fobia
/ˈfokʏs/
noun
2. een punt of verzameling van punten waar alle stralengangen samenkomen
foco
noun
  1. estuche
  2. caja
/ˈfu.li/
noun
1. Myristica fragrans
  1. macís
  2. mirística
  3. moscada
  4. nuez moscada
noun
  1. forraje
  2. pasto verde
noun
1. een nog niet voldragen menselijke of dierlijke vrucht
feto
noun
huevos fu yung
noun
  1. A 1. driehoekig zeil bevestigd aan de voorstag
    foque
  2. A 2. onderste razeil aan de fokkemast van vierkantgetuigde schepen
    vela de trinquete
verb
1. dieren houden om ze te laten voortplanten
  1. criar
  2. criarse
  3. procrear
noun
1. voorste mast van een driemastschip
palo trinquete
noun
1. een blad met informatie of reclame
  1. folleto
  2. prospecto
noun
1. alles wat een volk creëert of heeft gecreëerd
  1. folclore
  2. folklore
adjective
1. betreffende de traditionele cultuur in een bepaalde gemeenschap
folclórico
adjective
folicular
noun
1. een ontsteking van de haarzakjes
foliculitis
/ˈfɔltərə(n)/
verb
1. een gevangene onderwerpen aan lichamelijke en/of geestelijke pijniging, voornamelijk teneinde informatie los te krijgen
torturar
/fɔnt/
noun
fondo
noun
fondant
noun
  1. 1. een voor een bepaald doel vastgelegd kapitaal
    fondo
  2. 3. effect (waardepapier)
    fondo común de inversión
noun
fondue
noun
1.
fonema
/ˌfoneˈtik/
noun
1.
fonética
adjective
fonético
verb
chispear
noun
fonógrafo
noun
1. een visuele weergave van klanken
fonograma
/ˌfonoloˈɣi/
noun
1.
fonología
/ˌfonɔˈloɣ/
noun
1. een persoon die fonologie gestudeerd heeft
fonólogo
noun
1. lettertype, karakterset
fuente
noun
1. nog niet verbeende plek in de schedel van een baby
fontanela
/fɔnˈtɛɪn/, /fɔnˈtɛːn/
noun
  1. 1. kunstmatige bron, aangelegd om water omhoog te spuiten
  2. 2. omhoogspuitende waterstraal
fuente
noun
1. een gift in de vorm van geld
propina
noun
1. klanksegment, eenheid van geluid
fono
verb
burlar
noun
  1. chupete
  2. chupón
  3. bobo
  4. chupo
  5. consuelo
  6. chupa
verb
  1. 1. een beslissing afdwingen
    1. forzar
    2. esforzar
  2. 3. teveel van zichzelf vergen
    forzarse
noun
1. benaming voor zalmachtige zoetwatervissen uit de geslachten Salmo, Salvelinus en Oncorhynchus
trucha
noun
tren de cercanías
adjective
1. (juridisch) betrekking hebbend op justitie
forense
noun
1.
forinto
noun
  1. 2. vorm van een bestand
    formato
  2. 1. grootte
    tamaño
noun
formol
verb
1.
formalizar
noun
1. een resonantie (een significante smalle piek) op een bepaalde frequentie
formante
noun
formación
adjective
formativo
verb
2. de harde schijf of een verwisselbare schijf volledig leeghalen
inicializar
/fɔrˈmel/
adjective
1. met inachtneming van strikte omgangsvormen
formal
/fɔrˈmel/
adverb
formalmente
verb
formar
noun
1. een ester of zout afgeleid van mierenzuur
formiato
pronoun
Formosa
adjective
formulario
noun
fórmula
pronoun
1. categorie in de autosport
  1. Fórmula 1
  2. Fórmula Uno
verb
1. in woorden omzetten
  1. formular
  2. expresar
noun
formulación
/fɔrmyˈlir/
noun
1. een stuk papier waarop voorgedrukte vragen kunnen worden beantwoord
  1. formulario
  2. forma
noun
cocina
noun
fortepiano
noun
fortificación
verb
fortificar
noun
1. een zout van een van de vormen van fosforzuur
fosfato
noun
1. met symbool P en atoomnummer 15
fósforo
noun
1.
fosforescencia
verb
1.langdurig licht afgeven na belichting door het bestaan van een langlevende aangeslagen toestand
  1. fosforescer
  2. fosforecer
noun
  1. ácido fosfórico
  2. E338
  3. ácido ortofosfórico
adjective
fósil
noun
1 en 2
  1. foto
  2. fotografía
adjective
fotoeléctrico
noun
álbum de fotos
noun
1. een toestel om mee te fotograferen
  1. cámara de fotos
  2. cámara fotográfica
noun
fotoquímica
noun
fotodiodo
noun
1. lichtschuwheid
fotofobia
adjective
1.op foto's een voordelige indruk makend
fotogénico
noun
1. iemand die fotos maakt
fotógrafo
verb
1. een afbeelding maken door de projectie van beeld op een lichtgevoelige laag
fotografiar
noun
1. de kunst om door chemische inwerking van licht op een gevoelige plaat afbeeldingen te maken
fotografía
noun
fotograma
noun
fotocopiadora
noun
fotolitografía
noun
fotólisis
noun
fotometría
noun
fotomultiplicador
noun
1. een elementair deeltje waaruit elektromagnetische straling is samengesteld
fotón
adjective
fotónico
noun
1.
fotosíntesis
noun
fotosistema
noun
1. een toestel om mee te fotograferen
cámara fotográfica
noun
fototransistor
adjective
fotovoltaico
verb
1. iemand aftasten of er iets op het lijf gedragen wordt
  1. cachear
  2. registrar
noun
análisis armónico
noun
transformada de Fourier
verb
1.
  1. facilitar
  2. proporcionar
noun
  1. indumentaria
  2. mercería
  3. ropaje
  4. vestuario
/fɑut/
adjective
  1. falso
  2. malo
/fɑut/
noun
1. vergissing, onjuistheid
  1. error
  2. falta
  3. equivocación
  4. fallo
pronoun
1. een hoogland in het centraal-westen van Guinee
Futa Ŷallon
adjective
1. van opvallende kwaliteit
  1. bello
  2. hermoso
/ˈfrɑksi/
noun
  1. 1. een klein deel
    1. fracción
    2. número quebrado
  2. 2. gezamenlijke vertegenwoordigers van een politieke partij in een volksvertegenwoordiging
    1. grupo parlamentario
    2. fracción parlamentaria
verb
fraccionar
noun
1. een botbreuk
fractura
noun
síndrome X frágil
noun
  1. fragmento
  2. trecho
adjective
fragmentario
noun
fragmentación
verb
fragmentar
noun
frac
noun
2. vrucht van de frambozenstruik
frambuesa
adjective
rojo frambuesa
noun
1. dragende constructie
  1. armazón
  2. bastidor
  3. chasis
  4. cuadro
/ˈfremɪŋ/
noun
encuadre
noun
franciscano
adjective
franciscano
noun
1. een scheikundig element met symbool Fr en atoomnummer 87
francio
noun
1. reeks afhangende draden die ter versiering aan de rand van een kleed of kledingstuk gehangen worden
  1. fleco
  2. orla
noun
1. benaming voor vogels uit het geslacht Phalaropus
falaropo
pronoun
Fráncfort del Meno
adjective
franco
/ˈfrɑŋkrɛɪ̯k/, /ˈfrɑŋkrɛːk/
pronoun
1. een West-Europees land, grenzend aan België, Luxemburg, Duitsland, Zwitserland, Italië, Monaco, Spanje en Andorra
Francia
/frɑns/
adjective
1. betreffende Frankrijk of het Frans
francés
/frɑns/
pronoun
  1. 1. een Gallo-Romaanse taal die vooral gesproken wordt in Frankrijk, België, Luxemburg...
    francés
  2. 1. een mannelijke voornaam
    Francisco
adjective
  1. guayanesa
  2. guayaneso
noun
guayanesa
pronoun
Guayana francesa
pronoun
  1. Polinesia francesa
  2. Polinesia Francesa
noun
franco francés
noun
Revolución Francesa
adjective
  1. 2. taaluiting in het Frans
    en idioma francés
  2. 1. de Franse taal sprekend
    1. francófono
    2. de habla francesa
noun
1. een aantal woorden die een begrip uitdrukken, vaak een zinsdeel, soms een hele zin
  1. frase
  2. sintagma
noun
fraseología
verb
frasear
noun
  1. confraternidad
  2. fraternidad
  3. hermandad
noun
1. bedrog of gesjoemel door valsheid in geschrifte
  1. fraude
  2. estafa
verb
1. gelden wederrechtelijk ontvreemden
  1. estafar
  2. defraudar
adjective
fraudulento
noun
fresa
noun
fresadora
noun
  1. fresadora
  2. rebajadora
noun
1. mechanisme dat de aandrijfas van een wiel loskoppelt van de aandrijving zodra de aandrijfas sneller draait dan de aandrijving
  1. piñon libre
  2. rueda libre
noun
  1. 1. Oorlogsschip
  2. 2. Driemaster
  1. fregata
  2. fragata
noun
  1. fragata
  2. rabihorcado
noun
frenesí
adjective
frenético
noun
frenología
noun
frenólogo
noun
freón
/freˈkwɛnt/
adjective
1. vaak voorkomend
frecuente
verb
frecuentar
noun
1,2. aantal keren of herhalingen per tijdseenheid
frecuencia
noun
1. frequentiemeter
  1. frecuencímetro
  2. contador de frecuencia
  3. medidor de frecuencia
noun
frecuencia modulada
noun
espectro de frecuencias
noun
espectro ensanchado por salto de frecuencia
noun
fresco
noun
1. bepaald soort klein marterachtig zoogdier, Mustela putorius furo
hurón
noun
barrena de mano
/frɔɪdɪˈaːns/
adjective
1. volgens de leer van Sigmund Freud of zoals men vindt in diens geschriften en leerstellingen
freudiano
verb
1. frezen
fresar
noun
1. gerecht bestaande uit vlees, vis, kip e.d. dat gestoofd is in een saus of ragout
fricasé
pronoun
  1. 1. Westerlauwers Fries
    frisio occidental
  2. 2. benaming voor een Germaanse taal
    1. frisio
    2. frisón
/ˈfrislɑnd/, /ˈfrislɑnt/
pronoun
1. provincie in het nooren van Nederland
Frisia
noun
1. de benaming voor een gerecht van gefrituurde aardappelreepjes ('patat frites')
patatas fritas
noun
friterie
noun
friterie
noun
albóndiga (de carne)
noun
  1. frikandel
  2. salchicha frita
adjective
1. zojuist schoongemaakt, prettig ruikend
fresco
verb
rizar
noun
1. everjong
jabato
noun
1. een huishoudtoestel dat gebruikt wordt om in olie bepaalde gerechten te frituren
freidora
verb
  1. freír
  2. freír en grasa sumergido
noun
freidora
noun
frivolidad
adjective
frívolo
verb
1. van verbazing of afkeuring de wenkbrauwen ophalen
fruncir
noun
  1. 1. voorkant
  2. 2. gevechtslinie
frente
adjective
1. met betrekking tot de voorkant van iets
frontal
noun
  1. 1. decoratie rond de belangrijkste ingang van een gebouw
  2. 2. een grote illustratie op de bladzijde tegenover de titelpagina van een boek
frontispicio
noun
frente
noun
bepaalde suiker die veel in zoete vruchten voorkomt
  1. fructosa
  2. levulosa
  3. azúcar de fruta
/frœʏ̯t/, /frœːt/
noun
1. voedsel dat bestaat uit eetbare vruchten
  1. fruta
  2. fruto
noun
1.
  1. árbol frutal
  2. frutal
/ˈfrœʏtsɑp/, /ˈfrœːtsɑp/
noun
1. sap gewonnen uit fruit
  1. zumo de frutas
  2. jugo de fruta
  3. jugo de frutas
  4. zumo de fruta
noun
frutero
noun
fruticultura
noun
1. Drosophila melanogaster; een tweevleugelig insect uit de orde tweevleugeligen
mosca de la fruta
noun
1. een gevoel van ongenoegen omdat verwachte voortgang uitblijft
frustración
verb
frustrar
noun
ácido ftálico
noun
fuga
/fœyf/
noun
  1. fiesta
  2. guateque
noun
fulminato
verb
fulminar
noun
fumarola
noun
    1. 1. taak
    2. 3. (wiskunde) afhankelijkheid tussen een element en een veranderlijke
    3. 4. (informatica) onderdeel van de broncode van een computerprogramma
    función
  1. 2. positie binnen een bedrijf of organisatie
    1. función
    2. cargo
    3. empleo
    4. oficio
    5. ministerio
noun
función compuesta
noun
análisis complejo
noun
  1. palabra cenemática
  2. palabra gramatical
noun
análisis funcional
noun
1. (hogere) ambtenaar in overheidsdienst
funcionario
adjective
funcional
verb
1. ~ als een bepaalde functie vervullen
  1. funcionar
  2. carburar
noun
funcionamiento
noun
1. een orthodoxe, antiliberale godsdienstige richting
fundamentalismo
adjective
fundamentalista
adjective
1. aan de basis staande
  1. fundamental
  2. esencial
verb
1. een fundering aanbrengen
  1. fundar
  2. cimentar
adjective
funerario
noun
  1. funerario
  2. tanatorio
adjective
  1. funesto
  2. fatal
noun
funicular
adjective
furioso
noun
  1. forúnculo
  2. furúnculo
noun
fusilero
noun
fusión
verb
1. executeren voor een vuurpeloton
fusilar
/fʏt/
noun
1. de benodigde energie en zin ergens voor
energía
noun
  1. bagatela
  2. friolera
  3. futilidad
adjective
pesado
adjective
futurista
noun
futuro
noun
1. bepaald soort watervogel, Podiceps cristatus
  1. zaramagullón
  2. somormujo
adjective
filético
noun
filogenia
/ˈfizika/
noun
1. de wetenschap van de materie en de bestudering van het gedrag en de interactie in ruimte en tijd
física
noun
fisicalismo
noun
físico
noun
fisiología
noun
fisiólogo
noun
fisionomía
noun
fisioterapia
phraseologicalUnit
fisicoquímica
noun
fitoestrógeno
noun
fitopatología
/føn/
noun
1. een toestel dat een warme luchtstroom voortbrengt voor het drogen en opmaken van het kapsel
secador de pelo
noun
punto g
noun
tanga
/ɣaːf/, /χaːf/
adjective
  1. 2. in de populaire smaak vallend
    1. genial
    2. chido
    3. chévere
    4. guay
  2. 1. zonder beschadiging
    intacto
/ɣaːj/
noun
1. middelgrote, gewoonlijk vrij kleurrijke zangvogel met een vrij lange staart, Garrulus glandarius
arrendajo
/ɣaːn/, /χaːn/
verb
1. zich in een bepaalde richting bewegen
  1. ir
  2. andar
verb
  1. andando
  2. andándome
  3. andándonos
  4. andándoos
  5. andándose
  6. andándote
noun
galería
adverb
1. geleidelijk aan, bijna ongemerkt
gradualmente
noun
jardín
noun
1. instelling die gratis voedsel beschikbaar stelt
cocina económica
adjective
gabardina
noun
gabber
/'ɣa.bɔn/, /ɣa.'bɔn/, /χa.'bɔn/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Gabonese Republiek
Gabón
noun
1. echtgenoot, echtgenote
  1. esposo
  2. esposa
  3. cónyuge
/ɣadoˈlinijʏm/
noun
1. een scheikundig element met symbool Gd en atoomnummer 64
gadolinio
/ˈɣɑ.fəl/, /ˈɣɑ.fəɫ/, /ˈχɑ.fəɫ/
noun
1. rondhout
botavara
noun
salario
noun
  1. mirto de Brabante
  2. mirto holandés
noun
[A] 1. uit de lever afkomstig vocht dat een rol speelt in de spijsvertering, met name van vet
bilis
adjective
1.erg vriendelijk en beleefd
galante
noun
1-2
galantería
pronoun
Galápagos
pronoun
islas Galápagos
pronoun
1. boek van het Nieuwe Testament
Gálatas
noun
1. een peervormig hol orgaan dat aan de rechterkant van het lichaam, achter (d.w.z. meer naar binnen) en onder de lever ligt
vesícula biliar
noun
galera
noun
1. een loodsulfide met de chemische formule PbS
galena
noun
  1. galería
  2. galería de arte
noun
  1. galería
  2. 4. de hoogste en goedkoopste plaatsen in de schouwburg
    paraíso
noun
1. de laatste maaltijd die een ter dood veroordeelde mag nuttigen
comida de condenado
adjective
  1. 1. een Spaanse regio in het noordwesten van het Iberisch schiereiland
  2. 2. betreffende het Galicisch
  1. gallego
  2. gallega
pronoun
1. Romaanse taal gesproken in Galicië
gallego
noun
gallega
/ɣɑˈlisɪə/, /ʝɑˈlisɪə/
pronoun
1. Spaanse regio
Galicia
noun
gallego
pronoun
Galilea
noun
1. historisch zeilschip
galeón
noun
galeaza
noun
galicanismo
noun
1. woord of uitdrukking overgenomen uit het Frans of gevormd naar Frans voorbeeld
galicismo
adjective
1. betreffende het oude Gallië dan wel de Gallische taal
galo
pronoun
1. uitgestorven taal
  1. idioma galo
  2. galo
noun
gala
noun
1. een scheikundig element met symbool Ga en atoomnummer 31
galio
pronoun
Galia
noun
galo
noun
1. een langdurige naklank
  1. resonancia
  2. reverberación
noun
calamina
noun
agalla
noun
1. versierde band langs de naad van een uniform
galón
/ˌɣɑɫvaniˈzeːrə(n)/
verb
1. een laag zink opbrengen
galvanizar
noun
galvanómetro
noun
galvanoplastia
noun
cínife
pronoun
Galápagos
noun
gamba
/'ɣɑm.bi.ja/, /'χɑm.bi.ja/
pronoun
1. een land in West-Afrika
Gambia
adjective
  1. gambiano
  2. gambiana
noun
gambiana
noun
dalasi gambiano
noun
1. schaakopening
gambito
noun
gameto
noun
gametofito
noun
adicción a los videojuegos
noun
  1. 3-4
    1. escala
    2. gama
  2. 1-2
    gamma
noun
rayo gamma
/ˈɣɑməl/
adjective
1. niet stevig meer, vervallen
  1. destartalado
  2. desvencijado
  3. ruinoso
noun
ganache
noun
1. mannelijke gans (Anser en Branta)
ganso macho
noun
  1. 1. lange smalle ruimte
    1. corredor
    2. pasillo
  2. 3. onderdeel van een maaltijd
    plato
/'ɣɑŋbar/
adjective
1. wat gebruikelijk is
corriente
noun
gang bang
noun
1. zenuwknoop
ganglio
/ˈɣɑŋ(g).pɑd/, /ˈɣɑŋ.pɑt/, /ˈχɑŋ.pɑt/
noun
1. een pad voor wandelaars, voetpad
  1. pasillo
  2. pasadizo
  3. paso
/gɑŋ'gren/
noun
1. de afsterving en ontbinding van een levend organisme
gangrena
noun
  1. cabrestante
  2. torno
/ ˈgɛŋstər /
noun
1. een lid van een criminele organisatie
gángster
adjective
1. helemaal
  1. entero
  2. todo
  3. íntegro
noun
1. benaming voor vogels uit de geslachten Anser en Branta
  1. ganso
  2. oca
  3. ánsar
adverb
totalmente
noun
  1. crisantemo
  2. margarita silvestre
noun
1. orgaan dat een grote rol speelt in de stofwisseling van een gans (Anser anser), na het slachten vaak gegeten als delicatesse
hígado de ganso
noun
1.
grasa de ganso
noun
B. plant
  1. anserina
  2. argentina
  3. cincoenrama
  4. hierba de los pájaros
/ˈɣa.pə(n)/, /ˈɣaː.pə(n)/, /ˈχa.pə(n)/
verb
1. heel diep inademen met de mond ver open, moeilijk om bewust tegen te gaan
bostezar
/ɣa.ˈra.zʲǝ/
noun
  1. 1. een overdekte autostalling
    garaje
  2. 2. een bedrijf dat reparatieservices aan motorvoertuigen verricht
    1. garaje
    2. taller
/ɣarɑndɪːrə(n)/
verb
1. de uitkomst ergens van verzekeren
  1. garantizar
  2. afianzar
noun
  1. fiador
  2. rehén
/ɣa'rɑn(t)si/, /ɣa'rɑnsi/
noun
1. verklaring waarin men verklaart voor bepaalde gevolgen in te staan
garantía
noun
1. een roe
  1. palmeta
  2. vara
  3. verga
noun
1. een keukengerei bestaande uit een stel gebogen draden waarmee geklopt en geklutst kan worden.
batidor
noun
gardenia
noun
  1. bewaarplaats voor kleren
    1. guardarropa
    2. ropero
    3. ropería
    4. vestuario
  2. 1. voorraad kleren
    1. indumentaria
    2. ropaje
noun
  1. abad
  2. guardián
noun
collera
noun
1. bewegelijke pasvorm waaraan de trekstrengen bevestigd worden om het halsjuk uit te balanceren
  1. balancín
  2. ballestrilla
  3. volea
noun
1. samengebonden bundel halmen
gavilla
noun
  1. camarón
  2. gamba
verb
1. versieren van voeding
guarnecer
pronoun
1.
Garona
adjective
rancio
/ɣɑs/, /χɑs/
noun
1. aggregatietoestand
gas
noun
cromatografía de gases
pronoun
Gascuña
noun
gascón
noun
estufa de gas
noun
1. gaslamp
  1. farol de gas
  2. lámpara de gas
noun
1. een buis waardoor verschillende materialen in gasvorm vervoerd kunnen worden
gasoducto
noun
1.
lámpara de descarga
noun
het rechter pedaal van een auto waarmee de brandstoftoevoer naar de motor geregeld wordt
acelerador
noun
  1. argoma
  2. chacay
  3. espinillo
  4. retamo espinoso
  5. tojo
noun
gases
/ɣɑst/, /χɑst/
noun
1. iemand die als bezoeker ergens wordt ontvangen, verwelkomd of op een bijzondere wijze behandeld
  1. huésped
  2. invitado
noun
1. iemand die tijdeljk naar een ander land komt om daar arbeid te verrichten
trabajador invitado
noun
1. een boek of elektronische versie daarvan waarin bezoekers hun opmerkingen achter kunnen laten
libro de visitas
noun
1. een man
anfitrión
noun
gastrectomía
noun
1. maagwandontsteking
gastritis
noun
gastroenteritis
adjective
1. met betrekking tot maag en darm
gastrointestinal
noun
gastronomía
adjective
1.
gastronómico
noun
gastrónomo
noun
  1. endoscopia gastrointestinal alta
  2. esofagogastroduodenoscopia
  3. gastroscopia
  4. panendoscopia oral
/ɣɑstˈfrɛɪ/, /ʝɑstˈfrɛː/
adjective
1. gul in het onthalen of herbergen van gasten
hospitalario
noun
hospitalidad
noun
anfitriona
/ɣɑt/, /χɑt/
noun
  1. 1. opening
    1. agujero
    2. boquete
  2. 6. achterste
    culo
  3. 2. een tekort of ontbrekend deel
    déficit
verb
  1. embaucar
  2. embelecar
  3. engatusar
noun
1. politieke beweging in Frankrijk ontstaan na de Tweede Wereldoorlog gekenmerkt door een sterke nationale republiek, eenheid en een sterk presidentschap
gaullismo
noun
  1. 2. een geschenk
    regalo
  2. 1. een bijzondere aanleg
    1. talento
    2. dote
noun
gavial
noun
gavota
noun
1. benaming voor slanke hoefdieren
gacela
/ɣə/, /χə/
personalPronoun
1. tweede persoon enkelvoud. In Nederland verouderd, maar in België in dagelijks gebruik.
  1. tú
  2. vos
verb
acariciado
noun
  1. carácter
  2. naturaleza
  3. índole
adjective
1.
accidentado
/ɣə'ʔɑxt/
adjective
  1. 2. waardig
    acreditado
  2. 1. als waardig beschouwd, beleefdheidsvorm in aanhef brief
    1. caro
    2. querido
noun
destinatario
noun
aliado
adjective
animado
/xəˈbar/
noun
  1. 1. een beweging waarmee men iets wil zeggen
    ademán
  2. 2. een handeling waarmee men iets wil uitdrukken
    gesto
noun
1. meestal zoet, gebakken voedsel specifiek gemaakt om van te genieten
  1. pastelería
  2. pasteles
adjective
frito
verb
1. communiceren door het maken van gebaren
  1. gesticular
  2. hacer gestos
noun
mímica
noun
  1. lengua de señas
  2. lengua de signos
/ɣə'bɛt/
noun
1. het bidden
  1. oración
  2. rezo
noun
Oración de Manasés
noun
1. een verzameling van bergen die met elkaar een groter geheel vormen
  1. sierra
  2. cordillera
/ɣə'bɵːrə(n)/
verb
1. plaatshebben, werkelijkheid worden
  1. acontecer
  2. acaecer
  3. pasar
  4. advenir
noun
1. iets dat zich voordoet
  1. acontecimiento
  2. suceso
/ɣəˈbit/, /χəˈbit/
noun
1. een deel van het aardoppervlak
  1. área
  2. región
  3. territorio
  4. zona
noun
1. de vorm waarin een werkwoord gebruikt wordt als iets zeker gedaan moet worden
modo imperativo
noun
1. alle tanden en kiezen van een dier of mens
  1. dentadura
  2. dientes
noun
prótesis dental
/xəˈblat/
noun
1. het blaten van een schaap
  1. balido
  2. balado
/ɣəˈbladərtə/, /χəˈbladərtə/
noun
1. een verzameling van bladeren van één of meer bomen
follaje
adjective
1. met bloemversieringen
floreado
adjective
jorobado
noun
  1. mandamiento
  2. mando
noun
  1. canalla
  2. chusma
  3. mala gente
adjective
3.
  1. denso
  2. espeso
  3. ligada
  4. ligado
  5. trabada
  6. trabado
/ɣəˈboːrtə/, /χəˈbo̝ːrtə/
noun
1. actie waarbij een organisme uit zijn/haar moeder komt en aan zijn zelfstandige leven begint
  1. nacimiento
  2. natividad
noun
1. een getal dat aangeeft hoeveel geboorten er in een gebied in een bepaalde tijd hebben plaatsgevonden
  1. tasa de natalidad
  2. índice de natalidad
  3. tasa de nacimiento
noun
  1. país natal
  2. tierra natal
noun
lugar de nacimiento
noun
derecho de nacimiento
adjective
  1. 1. ter wereld gebracht, gebaard
  2. 2. begonnen, ontstaan
nacido
noun
1. een constructie waarin men kan wonen of werken
  1. edificio
  2. construcción
noun
asado
noun
  1. 2. een defect
    1. defecto
    2. mal
  2. 1. een tekort
    1. falta
    2. insuficiencia
adjective
1. één of meerdere gebreken hebbend
  1. deficiente
  2. defectivo
  3. defectuoso
  4. imperfecto
  5. inválido
noun
enfermedad de deficiencia
/ɣəˈbroːkən/, /χəˈbroːkən/
adjective
  1. roto
  2. entrecortado
noun
  1. 1. een standaard manier van doen
    1. costumbre
    2. hábito
    3. usanza
  2. 2. toepassen van iets
    1. uso
    2. utilización
    3. consumo
adjective
1. naar gewoonte, zoals men regelmatig doet
  1. habitual
  2. usual
  3. acostumbrado
/ɣəˈbrœʏkən/, /χəˈbrœʏkən/
verb
1. zich bedienen van, toepassen
  1. usar
  2. emplear
  3. hacer uso de
/ɣə'brœːkər/, /χə'brœʏkər/
noun
1. iemand die iets gebruikt
usuario
noun
1. handleiding
  1. guía de usuario
  2. manual de usuario
noun
interfaz de usuario
noun
1.
nombre de usuario
noun
1. meestal schriftelijke instructie die bij een product wordt gegeven
modo de empleo
noun
  1. artículo de uso
  2. objeto de uso
noun
  1. bramido
  2. rugido
adjective
civilizado
adjective
1. ingewikkeld
complicado
adjective
condicionado
adjective
corregido
adjective
coordinado
noun
demandado
adjective
hecho
noun
  1. bulto
  2. forma
/ɣə'dɑɣdə/, /ɣəˈdɑxtə/
noun
1. het nadenken, idee
pensamiento
noun
1. minder dan het geheel
  1. parte
  2. porción
/ɣəˈdeltələk/, /ʝəˈdeltələk/
adjective
parcial
verb
  1. acordarse
  2. recordarse
noun
recuerdo
noun
  1. memoria
  2. monumento
noun
diputado
adjective
desinteresado
noun
agua destilada
noun
1. iemand die door de staat van zijn vrijheid beroofd is
  1. prisionera
  2. prisionero
noun
1. een in versmaat of in dichterlijke stijl opgesteld stuk
poema
adjective
diferenciado
/ɣə'dɛɪə(n)/
verb
1. voorspoedig groeien
prosperar
adjective
disciplinado
verb
permitir
noun
1. de manier waarop iemand optreedt of iets ergens op reageert
  1. comportamiento
  2. conducta
verb
1. zich ~: de manieren die iemand meest in de omgang met anderen aan de dag legt
comportarse
noun
terapia de la conducta
noun
gentío
adjective
  1. abatido
  2. desanimado
/ɣədʏɫt/
noun
1. de rust en bereidheid om te wachten
paciencia
/gə'dʌldəx/
adjective
1. bereid te wachten en tegenslagen te verdragen
paciente
adjective
  1. a menudo
  2. continuo
  3. frecuente
  4. perenne
adjective
  1. involuntario
  2. obligatorio
/ɣeːl/, /ɣeːɫ/, /χeɪɫ/
adjective
1. citroen-, goudkleurig
amarillo
/ɣeːl/, /ɣeːɫ/, /χeɪɫ/
noun
1. kleur tussen oranje en groen
amarillo
adjective
1. een kleur hebbend die tussen geel en bruin in ligt
sepia
noun
escribano cerillo
adjective
gris amarillento
adjective
verde amarillento
adjective
amarillo naranja
noun
gagea
noun
1.1 bepaald soort vogel, Serinus serinus
verdecillo
noun
1.
  1. azafrán indio
  2. azafrán árabe
  3. cúrcuma
  4. palillo
  5. turmeric
  6. yuquilla
noun
  1. ictericia
  2. itericia
indefinitePronoun
1. ontkennend onbepaald lidwoord: tegenovergestelde van één, niet een
  1. ninguno
  2. ningún
phraseologicalUnit
1.
de nada
adverb
  1. de ninguna manera
  2. de ningún modo
noun
1. smalle ranke zeevis met afgeplat lichaam en een lange snavelvormige bek, Belone belone
aguja
/ɣeːst/, /χeːst/
noun
  1. 1. dat wat zich afspeelt in iemands gedachten
  2. 2. een onsubstantieel wezen
espíritu
/ɣesdrɪft/
noun
  1. entusiasmo
  2. acaloramiento
  3. inspiración
  4. labia
  5. numen
  6. vena
adjective
1. met betrekking tot de geest
  1. mental
  2. espiritual
adjective
1. met humor, gevat
mordaz
noun
  1. agudeza
  2. chiste
  3. embuchado
  4. morcilla
  5. ocurrencia
noun
éxtasis
/ɣ̟eːβ̞/, /χeːu/
noun
1. het zich uitrekken, meestal met open mond, bij slaperigheid, ontspanning of verveling
bostezo
/ɣɪːwə(n)/
verb
1. gapen
bostezar
noun
susurro
noun
1. het geluid dat geproduceerd wordt doordat lucht langs een opening of holte geblazen wordt
silbido
verb
franqueado
noun
trastorno de ansiedad generalizada
noun
tipo de dato
noun
  1. base de datos
  2. conjunto de datos
adjective
  1. brillado
  2. lucido
  3. lustrado
adjective
  1. acaudalado
  2. acomodado
  3. adinerado
adjective
ondulado
verb
  1. al gratin
  2. al gratén
  3. gratinado
verb
  1. a la parrilla
  2. a la plancha
  3. asado
  4. asado a la parrilla
  5. braseado
  6. en parrilla
noun
1. fijngehakt of gemalen vlees
carne picada
noun
  1. molinillo de carne
  2. máquina de picar carne
  3. picadora de carne
noun
  1. ley
  2. valor
/xəˈɦɛndiˌkɛpt/, /ɣəˈɦɑndiˌkɑpt/
adjective
1. met een lichamelijke afwijking
  1. minusválido
  2. inválido
adverb
  1. entero
  2. total
  3. completo
  4. todo
noun
  1. conjunto
  2. totalidad
noun
1. mensen die helemaal geen alcohol gebruiken
abstemio
adjective
  1. sagrado
  2. santificado
/ɣəɦɛɪm/
adverb
1. opzettelijk verborgen
secreto
/ɣəɦɛɪm/
noun
1. informatie die verborgen wordt en bestemd is om dat te blijven
secreto
noun
  1. cifra
  2. clave
  3. criptografía
noun
paladar
noun
  1. 1. het deel van de hersenen waarin herinneringen worden opgeslagen
  2. 2. snel toegankelijke plaats om data op te slaan
memoria
noun
efecto de memoria
noun
tarjeta de memoria
noun
mnemónica
noun
efecto térmico de memoria (metales)
noun
memoria usb
noun
amnesia
noun
1. het organische systeem om geluiden waar te nemen
  1. oído
  2. audición
noun
  1. audífono
  2. aparato auditivo
noun
1. een holle buis die de oorschelp met het middenoor verbindt
  1. conducto auditivo
  2. canal auditivo
noun
sordera
noun
sala de audiciones
/ɣə'hoːrzam/, /ɣə'ɦoːrzam/, /χə'ɦo̝ːrzam/
adjective
1. bereid gehoor te geven aan regels of bevelen
obediente
verb
1. gevolg geven aan een opdracht of bevel
  1. obedecer
  2. acatar
verb
verplicht zijn
  1. contenido
  2. mantenido
  3. tenido
/ɣəˈhʏxt/
noun
1. een aantal bij elkaar staande huizen op het platteland
aldea
adjective
hipócrita
adjective
casado
verb
  1. cargar
  2. recoger velas
/ɣɛi̯l/, /χɛi̯l/
adjective
lascivo
noun
  1. lujuria
  2. voluptuosidad
/ˈɣɛɪ̯t/, /ˈɣɛːt/, /ˈχɛɪ̯t/
noun
1. bepaald soort zoogdier Capra aegagrus hircus
cabra
noun
queso de cabra
noun
voedzaam vocht dat tepels van een geit afscheiden
leche de cabra
noun
2. bepaald soort vogel, Caprimulgus europaeus
chotacabras
/ɣɛk/, /χɛk/
adjective
  1. loco
  2. alienado
  3. demente
  4. extravagante
  5. extraño
  6. frenético
/ɣəˈkɛr.stənd/, /ɣəˈkɛr.stənt/, /χəˈkɛr.stənt/
verb
cristianizado
noun
1. grappige dwaasheid
tontería
noun
arrullo
/ˈɣɛ.kə(n).hœːs/, /ˈɣɛ.kə.ɦœːs/, /ˈχɛ.kə.ɦœʏ̯s/
noun
manicomio
noun
1. gekko
  1. salamanquesa
  2. perenquén
noun
  1. charla
  2. chisme
adjective
1. van kleuren voorzien
colorado
noun
bricolaje
adjective
insultado
adjective
arrugado
noun
quejido
adjective
coronado
adjective
1. van gerechten
  1. aromatizado
  2. especiado
  3. picante
  4. sazonado
verb
  1. bromear
  2. burlarse
  3. mofarse
/xɛkˈsxerənt/
adjective
1.
  1. bromeando
  2. burlándose
  3. mofándose
adjective
1. op een onnatuurlijke, gedwongen manier gemaakt
artificial
adjective
cultivado
noun
2. een product om haar mee in model te houden
gel
noun
estratificación
noun
  1. cara
  2. rostro
noun
fisionomía
noun
expresión facial
noun
tez
/ɣəˈlɑx/
noun
1. het lachen
risa
noun
  1. banquete
  2. consumición
  3. festín
verb
1.
ordenar
noun
1. geestestoestand waardoor men een onaangename situatie alleen door doffe...
resignación
noun
  1. cola de pescado
  2. cola de pez
  3. gelatina
  4. grenetina
  5. áspic
adjective
gelatinoso
/ˈɣɛlt/, /ˈχɛlt/
noun
1. een ruilmiddel dat gegarandeerd wordt door een land waarmee goederen en diensten kunnen worden gekocht
  1. dinero
  2. plata
noun
cajero automático
noun
multa
/ˈɣɛldərˌlɑnd/, /ˈɣɛɫdərˌlɑnt/, /ˈχɛɫdərˌlɑnt/
pronoun
1. provincie in het oosten van Nederland, die door de Flevoland, Overijssel, Limburg, Noord-Brabant, Zuid-Holland, Utrecht en het Duitse Noord-Rijnland-Westfalen wordt omringd
Güeldres
noun
güeldresa
adjective
1. waarvan de waarde of wettigheid erkend wordt
  1. válido
  2. vigente
  3. admisible
noun
mercado monetario
noun
finanzas
noun
prestador
noun
1. hoeveelheid geld
suma de dinero
noun
1. straf die bestaat uit het betalen van een geldbedrag
multa
noun
moneda
noun
1. bepaalde infectieziekte, veroorzaakt door het gelekoortsvirus
  1. fiebre amarilla
  2. vómito negro
/ɣəˈledə(n)/, /χəˈledə(n)/
adverb
1. een woord om aan te duiden dat iets zich in het verleden af heeft gespeeld
hace
noun
  1. 4. gewricht
    1. articulación
    2. juntura
  2. 3. verbinding tussen twee delen van een voertuig
    1. nudo
    2. juntura
adjective
1.
articulado
/ɣə.let.ˈpo.tə.ɣə/, /ɣə.ˈleːd.ˌpoː.ti.ɣə/, /χə.let.ˈpo.tə.χə/
noun
1. een dier met een uitwendig skelet van chitine
artrópodo
adjective
1. zich veel aan studie gewijd hebbend
  1. docto
  2. erudito
noun
1. iemand die onderricht en bekwaam is in een bepaalde tak van de wetenschap
  1. estudioso
  2. erudito
noun
erudición
/ɣǝ.'le.ɣǝn.ɦɛjt/
noun
1. mogelijkheid tot
  1. ocasión
  2. oportunidad
noun
  1. gel
  2. gelatina
  3. jalea
noun
  1. conductancia
  2. conductancia eléctrica
  3. conductividad
/ɣəˈlɛɪdələk/
adjective
1. in geordende, kalme opeenvolging van het een op het ander overgaand
  1. gradual
  2. paulatino
  3. progresivo
verb
  1. conducir
  2. guiar
  3. orientar
noun
    1. 1. elektrische stroomgeleider
    2. 2. warmtegeleider
    conductor
    1. 3. ...delen van instrumenten...
    2. 4. persoon die wat geleidt
    guía
/ɣə'lɛɪdɪŋ/
noun
1. het verschijnsel waarbij transport van elektrische lading of warmte plaatsvindt in een materiaal
  1. conductibilidad
  2. conductividad
noun
banda de conducción
adjective
ligado
verb
  1. servirse
  2. tener a bien
/ɣə.ˈlɪx/, /ˈɣe.ləx/, /ˈɣe.lɪx/, /ˈχe.ləχ/, /χə.ˈlɪχ/
adjective
2. op geel lijkend
amarillento
/ɣə'lɛɪk/
adjective
1. met elkaar overeenstemmend
  1. igual
  2. idéntico
/ɣəlɛɪgˈbenəx/
adjective
1 & 2.
isósceles
adverb
igualmente
verb
  1. parecerse
  2. semejar
  3. semejarse
adjective
  1. parecido
  2. semejante
noun
  1. 2. een verhaal dat een bepaalde relgieuze les presenteert door het met een bepaalde gebeurtenis te vergelijken
    parábola
  2. 1. de mate waarin iets of iemand aan een ander doet denken
    semejanza
noun
igualdad
adjective
1.
homófono
verb
1. egaliseren, vlak maken
  1. igualar
  2. abalanzar
adjective
igual
adjective
homónimo
verb
rectificar
noun
rectificador
verb
1. zeggen dat iets gelijk is zonder dat het dat ook echt is
equipar
noun
  1. corriente continua
  2. corriente directa
noun
  1. motor de corriente continua
  2. motor eléctrico de corriente continua
noun
signo igual
adjective
  1. simultáneo
  2. al mismo tiempo
adjective
isomorfo
adjective
1. alle zijden gelijk in lengte
equilátero
adjective
lamido
adjective
  1. admisible
  2. creíble
  3. crédulo
  4. plausible
/ɣə'lɔftə/
noun
1. een plechtige verklaring iets voortaan te zullen doen of na te zullen laten
voto
/ɣəˈlof/, /χəˈlof/
noun
  1. 2. de overtuiging dat iets zo is
    1. creencia
    2. fe
  2. 1. godsdienst
    1. religión
    2. fe
adjective
  1. admisible
  2. creíble
  3. crédulo
  4. fidedigno
  5. plausible
noun
1. de mate waarin iets of iemand verdient geloofd te worden
credibilidad
adjective
  1. purificado
  2. refinado
verb
1. overtuigd zijn dat iets waar is
creer
/ɣə.ˈlo.vəx/, /ɣə.ˈloː.vɪx/, /χə.ˈlo.vəχ/
adjective
1. vast en innig gelovend in een god of goden
  1. creyente
  2. religioso
/ɣəˈlœʏt/, /χəˈlœʏt/
noun
1. dat wat hoorbaar is
  1. sonido
  2. son
adjective
1. zodanig geïsoleerd dat geluiden niet binnen kunnen dringen of de ruimte verlaten
insonorizado
noun
1. Geluidsoverlast
molestia por el ruido
noun
  1. amortiguador
  2. silenciador
noun
1. Geluidsoverlast
molestia por el ruido
noun
aislamiento acústico
noun
molestia por el ruido
noun
velocidad del sonido
noun
banda sonara
/ɣəˈlɵk/, /χəˈlɵk/
noun
1. prettige loop van de omstandigheden
  1. suerte
  2. felicidad
adjective
  1. 2. door gunstig toeval, met mazzel
    1. afortunado
    2. fortunado
  2. 1. in een tevredene toestand zijn, zich goed voelen
    1. feliz
    2. afortunado
    3. alegre
    4. contento
phraseologicalUnit
1. een traditionele wens bij een nieuw jaar
Feliz Año Nuevo!
adverb
1. op een gelukkige manier
afortunadamente
noun
día de suerte
noun
número de la suerte
noun
sentimiento de felicidad
/ɣə.ˈlɵks.ˌvoː.ɣəl/, /χə.ˈlɵks.ˌvo(ʊ̯).χɔɫ/
noun
1. iemand die onwaarschijnlijk veel geluk lijkt te hebben
  1. chiripero
  2. suertero
  3. suertudo
noun
felicitación
adjective
  1. afectado
  2. artificial
/ɣə.'mal/
noun
installatie die overtollig water een polder uitmaalt
noria
adjective
veilig en lekker gemakkelijk
cómodo
noun
facilidad
adjective
acomodado
adjective
1. lijkend op marmer
  1. jaspeado
  2. marmolado
  3. veteado
verb
enmascarado
adjective
  1. moderado
  2. templado
  3. comedido
  4. módico
noun
1. Zingiber officinale, een specerij met een scherpe smaak
jengibre
noun
1. fijngemalen gedroogde wortels van Zingiber officinale
gengibre en polvo
noun
  1. jengibre
  2. raíz de jengibre
noun
    1. 1. het met één of meer andere deel hebben aan iets
    2. 3. geheel van personen of zaken die tot elkaar in een bepaald opzicht in een geregelde betrekking staan
    comunidad
  1. 2. samenleving
    sociedad
  2. 4. geslachtsgemeenschap
    trato sexual
/ɣəmenˈsxɑpələk/, /χəmenˈsχɑpələk/
adjective
3. gerelateerd aan meer dan een entiteit
  1. común
  2. colectivo
/ɣəˈmentə/, /ɣəˈmeɪntə/, /ʝəˈmentə/
noun
  1. 2. gezamenlijke gelovigen
    1. cofradía
    2. congregación
  2. 1. bestuurlijke eenheid
    municipio
noun
impuesto municipal
noun
ayuntamiento
adjective
  1. comunal
  2. municipal
noun
  1. ayuntamiento
  2. concejo municipal
/ratslɪt/
noun
1. een lid van een gemeenteraad
concejal
adjective
1.op een voet van gelijkheid, zonder afstand
familiar
adjective
mohíno
verb
margado
/ɣəˈmɪdəld/, /ɣəˈmɪdəlt/, /χəˈmɪdəɫt/
adjective
1. tot de middenmoot behorend
medio
noun
1. de som van een aantal getallen gedeeld door het aantal ervan
  1. promedio
  2. media
noun
geminación
noun
alma
adjective
1. vriendelijk en gezellig
familiar
noun
  1. murmullo
  2. susurro
noun
1. in de Alpen levende soort berggeit
  1. gamuza
  2. rebeco
noun
1. drager van informatie van de erfelijke eigenschappen
  1. gen
  2. gene
noun
expresión génica
/ɣəˈnaːmt/, /χəˈnaːmt/
adjective
llamado
noun
  1. gracia
  2. misericordia
  3. clemencia
noun
  1. cinifolio
  2. escurripa
  3. graciola
  4. hierba de las calenturas
  5. hierba del pobre
adjective
  1. inmisericorde
  2. inclemente
noun
gendarme
/ˈdʒɛndər/
noun
1. sekse
género
noun
1. een discipline van de geschiedkunde die zich bezighoudt met voorouderonderzoek dan wel de afstamming van de familienaam
genealogía
adjective
genealógico
noun
geneálogo
noun
médico
/γ̊əˈneːskʏndə/
noun
1. de wetenschap die zich richt op de aard, de oorzaken en de geneesmiddelen van ziekten
medicina
noun
1. een chemische stof die een bepaalde, gewenste werking op het (dierlijk of menselijk) lichaam uitoefent
fármaco
noun
farmacología
/ɣə'neɣənɦɛɪt/
noun
1. het gesteld zijn op iemand
  1. afecto
  2. cariño
  3. simpatía
noun
ingeniería genética
adjective
general
noun
1. iemand die het bevel heeft over een leger
general
verb
1. over één kam scheren, geen onderscheid maken
generalizar
noun
generalísimo
noun
  1. 2. overheidsorganisatie
    Generalitat
  2. 1. algemeenheid
    generalidad
noun
1. alle personen die min of meer tegelijkertijd geboren zijn
generación
adjective
  1. generativo
  2. sexual
/ˌɣenəˈratɔr/, /ˌχenəˈratɔr/
noun
  1. 1. een apparaat of persoon die iets genereert (doet ontstaan)
    generador
  2. 4. toestel tot het verkrijgen van gas, gasgenerator
    generador de gas
  3. 3. een machine die stroom opwekt
    generador elétrico
verb
1. schaamte voelen
avergonzarse
verb
generar
adjective
generoso
pronoun
Génesis
/ɣəˈnetis/
adjective
1. gerelateerd aan de erfelijkheid
genético
noun
manipulación genética
noun
  1. gineta
  2. jineta
verb
1. ergatief: gezond worden, herstellen van ziekte of verwonding
  1. curar
  2. convalecer
noun
  1. frecuencia alélica
  2. frecuencia génica
adjective
1. briljant, zeer slim, uitmuntend
  1. brillante
  2. genial
noun
genialidad
noun
1. iemand die buitengewoon slim is of die ergens uitzonderlijk goed in is
genio
/ɣəˈnipəx/, /ɣəˈnipɪx/, /χəˈnipəχ/
adjective
1. op een achterbakse manier en gemeen
disimulado
noun
gastador
adjective
1. met betrekking tot de geslachtsorganen
genital
noun
1. naamval als aanduiding van bezit, oorsprong of hoeveelheid
genitivo
noun
genio
noun
1. stelselmatige uitroeiing van een volk
genocidio
noun
Convención para la Prevención y la Sanción del Delito de Genocidio
noun
invitado
indefinitePronoun
  1. bastante
  2. suficientemente
adjective
1. waarbij men plezier beleeft
agradable
adjective
suficiente
noun
genografía
/xəˈnom/
noun
1. een verzameling van alle genen van de chromosomen van een organisme
genoma
noun
  1. academia
  2. asociación
  3. cooperativa
  4. liga
  5. sindicato
  6. sociedad
noun
  1. 1. genoegen, plezier
    1. placer
    2. delicia
  2. 2. gebruik
    uso
noun
  1. estimulante
  2. psicoestimulante
  3. psicotónico
noun
1. het geheel van genetische kenmerken dat een soort onderscheidt
genotipo
adjective
ansioso de placeres
noun
1. categorie in een kunstvorm
género
noun
1. een gloeiend korreltje of brokstukje
chispa
pronoun
1. Vlaamse provinciehoofdstad van Oost-Vlaanderen, België
Gante
noun
ingeniería genética
noun
genciana
adjective
azul genciana
noun
gentilhombre
noun
gentilhombres
pronoun
1. een stad in Noordwest-Italië
Génova
noun
geobotánica
adjective
geocéntrico
noun
teoría geocéntrica
noun
  1. geoquímica
  2. química geológica
verb
inoculado
noun
2. kortste verbinding tussen twee punten op een bol
línea geodésica
noun
geodesia
adjective
geodésico
noun
geófono
noun
geofísica
noun
criptófito
noun
geógrafo
noun
1. aardrijkskunde
geografía
adjective
1. aardrijkskundig, met betrekking tot de aardrijkskunde
geográfico
noun
1. aardkunde
geología
adjective
1. op de geologie betrekking hebbend
geológico
noun
geólogo
noun
1. een tak van de wiskunde die zich bezighoudt met ruimtelijke figuren
geometría
noun
geomorfología
adjective
geopolítico
noun
geopolítica
/ɣeˈjɔrɣis/, /ɣeˈjɔrɣɪs/, /χeˈjɔrχis/
pronoun
1. de taal die in Georgië gesproken wordt
georgiano
noun
lari georgiano
/ɣeˈjɔrɣi.jə/, /χeˈjɔrχi.jə/
pronoun
1. een soevereine staat in West-Azië, gelegen in de Kaukasus. De officiële taal is het Georgisch
Georgia
adjective
geotérmico
/ɣəˈpɑstə/
adjective
  1. conveniente
  2. cómodo
  3. oportuno
verb
pasteurizado
adjective
  1. jubilado
  2. pensionado
noun
jubilado
adjective
permitido
adjective
situado
/ɣəˈplatstə/
noun
situado
noun
1. moeizame, uitputtende bezigheid
  1. afán
  2. diligencias
  3. sudor
adjective
posado
adjective
promovido
noun
  1. esqueleto
  2. osamenta
adjective
  1. refinado
  2. sofisticado
/ˈɣeː.rɑrd/, /ˈɣeː.rɑrt/, /ˈχɪː.rɑrt/
pronoun
2. spelwoord voor de letter g
Guatemala
noun
1. Gerbillinae, een ondersoort van de familie Muridae, die daarnaast ook de muizen,...
jerbo
noun
  1. 2. rechtbank, de rechter
    1. juzgado
    2. tribunal
  2. 1. een bepaald soort voedsel op een bepaalde wijze bereid
    1. plato
    2. guiso
    3. manjar
adjective
hábil
noun
justicia
noun
  1. alguacil
  2. ujier
noun
tribunal
adjective
listo
noun
1. een mechanisch instrument dat gebruikt wordt om werk te kunnen doen
  1. herramientas
  2. utensilios
noun
1. afsluitbare bak waarin gereedschap opgeborgen en bijeengehouden wordt
caja de herramientas
adjective
reglamentado
noun
  1. chismes
  2. herramientas
adjective
1. niet spontaan, terughoudend door verlegenheid
cohibido
adjective
  1. célebre
  2. famoso
verb
reencarnado
noun
1. een medisch specialist die de geriatrie beoefent
geriatra
noun
geriatría
adjective
1. met ribbels
rizado
noun
  1. comodidad
  2. confort
adjective
confortable
adjective
  1. añejado
  2. madurado
/ɣə'rɪŋ/
adjective
1. klein in afmeting of getal
  1. escaso
  2. fútil
  3. poco
noun
germano
noun
1. een scheikundig element met symbool Ge en atoomnummer 32
germanio
noun
gerontocracia
noun
2. en 3. (zaad van de) plant Hordeum vulgare
cebada
/ˈɣɛrstəˌmɪːɫ/
noun
harina de cebada
/ɣə'rɵxt/
noun
  1. 2. een mededeling of nieuwtje dat de ronde doet maar nog niet bevestigd is, zodat je niet zeker bent of het waar is
    1. rumor
    2. habladuría
  2. 1. lawaai; een klein geluid
    1. rumor
    2. ruidito
adjective
  1. apoyado
  2. respaldado
  3. sostenido
adjective
  1. considerable
  2. notable
noun
susurro
adjective
silencioso
noun
1. zelfstandig gebruikte verbogen infinitief
gerundio
adjective
  1. tranquilo
  2. sosegado
verb
1. iemands angst of zorgen ontzenuwen of minder aannemelijk maken
  1. tranquilizar
  2. sosegar
/ɣəˈsxɛŋk/, /ʝəˈsçɛŋk/
noun
1. iets dat men geeft
regalo
/ɣəˈsxidə(n)/, /χəˈsχidə(n)/
verb
1. werkelijkheid worden
  1. acaecer
  2. ocurrir
  3. suceder
  4. acontecer
  5. realizarse
  6. tener lugar
/ɣəˈsxidəˌnɪs/
noun
2. de gebeurtenissen van het verleden
historia
noun
libro de historia
noun
1.
  1. historiador
  2. historiógrafo
noun
historiografía
adjective
1. met de juiste eigenschappen
  1. adecuado
  2. apropiadamente
  3. conveniente
noun
  1. capacidad
  2. utilidad
noun
  1. manzana de la discordia
  2. punto de debate
  3. punto de discusión
noun
  1. clamor
  2. gritería
  3. griterío
noun
  1. documento
  2. escritura
/ɣə'sxɵpt/
adjective
1. bedekt met schubben
escamoso
noun
artillería
/ˈɣeː.zəl/, /ˈχe.səɫ/
noun
1. werktuig van touwen of riempjes met knopen of stukjes metaal, waarmee men ter bestraffing op iemands lichaam slaat
  1. flagelo
  2. azote
/ɣesələ(n)/
verb
1. iemand met een zweep of gesel tuchtigen
  1. azotar
  2. flagelar
noun
estafa
/χəˈslɑχt/
noun
  1. 5. afstammelingen van één persoon
    1. dinastía
    2. estirpe
  2. 3. (biologisch) genus
    especie
  3. 4. grammaticaal geslacht
    1. género (gramatical)
    2. género
  4. 2. geslachtsorganen
    sexo
adjective
sexual
noun
genealogía
noun
cel die deelneemt aan de voortplanting
  1. célula sexual
  2. gameto
noun
  1. corpúsculo de Barr
  2. cromatina sexual
noun
1. seks waarbij de man met zijn penis het lichaam van de partner binnengaat
contacto sexual
noun
disforia de género
noun
carácter sexual
noun
gónada
noun
genealogía
noun
índice de masculinidad
noun
1. een aandoening aan de geslachtsorganen, vaak een seksueel overdraagbare aandoening
enfermedad venérea
noun
astucia
adjective
consumido
adjective
  1. paladeado
  2. saboreado
adjective
socializado
/ɣɛsp/
noun
1. sluitmechanisme aan riemen e.d.
hebilla
adjective
  1. ahorrado
  2. economizado
adjective
3. ongemakkelijk, blijk gevend van stress, het punt van (uit-)barsten naderend
estresado
adjective
1. met sterk ontwikkelde stevige spieren
  1. musculoso
  2. fornido
noun
1. een mondelinge conversatie waarbij informatie uitgewisseld wordt
  1. conversación
  2. charla
  3. plática
noun
1. een persoon die deelneemt aan een gesprek
  1. interlocutor
  2. conversador
noun
1. de vorm van een rechtopstaande mens
  1. estatura
  2. talla
noun
Psicología de la Gestalt
noun
1. zwangerschap
gestación
adjective
  1. acomodado
  2. situado
noun
  1. ademán
  2. gesto
/ɣəˈstentə/
noun
1. het materiaal waaruit de aardkorst bestaat, bestaande uit mineralen
roca
noun
  1. predisposición
  2. disposición
  3. estado
noun
constelación
verb
1. gebaren maken, vooral bij het spreken
  1. gesticular
  2. accionar
noun
1.
muerto
adjective
  1. estriado
  2. rallado
verb
  1. bobinado
  2. enrollado
  3. envuelto
adjective
estructurado
noun
número
noun
número de Avogadro
noun
recta numérica
noun
numerología
noun
teoría de números
noun
1. een elektrische centrale die functioneert op het verschil tussen eb en vloed
centrales maremotrices
noun
1. de periodieke verandering van de waterstand ten gevolge van de stand van de maan
marea
noun
1. (elektrotechniek) (werktuigbouwkunde) elektrische centrale die werkt door middel van getijdenstromen ontstaan door het hoogteverschil tussen eb en vloed
centrales maremotrices
noun
1. een grafische registratie van de waterstand
mareógrama
adjective
  1. getypt
    tecleado
  2. 2.
    tocado
noun
1.
batalla de fuerza
noun
tamborileo
adjective
  1. fiel
  2. leal
adjective
1. voltooid deelwoord van trouwen
casado
noun
gueto
noun
1. iemand die een gebeurtenis heeft meegemaak of op andere wijze, veelal onder ede, een verklaring kan geven ten aanzien van de ware toedracht van een zaak
testigo
verb
1. een veelal beëdigde verklaring afleggen ten aanzien van de ware toedracht van een zaak
  1. testificar
  2. atestiguar
  3. testimoniar
noun
testimonio
noun
  1. certificación
  2. certificado
/ɣøːr/, /χøːr/
noun
1. gewaarwording met de neus van de aanwezigheid van een gasvormige uitwaseming
olor
adjective
  1. aromático
  2. fragante
  3. oloroso
noun
Gueuze
/ɣəˈvar/
noun
1. groot risico
peligro
/ɣəˈvarlək/, /ɣəˈvaːrlɪk/, /χəˈvarlək/
adjective
1. gevaar met zich meebrengend
peligroso
noun
coloso
verb
  1. estado libre
  2. estado vacante
noun
1.
caso
noun
  1. cárcel
  2. prisión
/ɣəˈʋɑŋə(n)/, /χəˈʋɑŋə(n)/
adjective
prisionero
noun
1. iemand die gevangen genomen is
  1. prisionero
  2. preso
  3. cautivo
  4. encarcelado
  5. penado
  6. presidiario
/ɣǝvɑŋǝnis/
noun
1. een gebouw waarin personen gevangen worden gehouden vanwege hun misdaden
  1. prisión
  2. cárcel
noun
1. een veroordeling waarbij iemand een zekere tijd zijn vrijheid verliest
detención
noun
campo de prisioneros
verb
1. iemand van zijn vrijheid beroven en in hechtenis nemen
  1. apresar
  2. hacer prisionero
noun
1. het gevangennemen
  1. arresto
  2. captura
  3. detención
  4. prisión
noun
cautiverio
noun
1een driehoekige rode reflector
triángulo reflectante
/ɣəˈvɛxt/, /χəˈvɛxt/
noun
1. een handgemeen
  1. combate
  2. batalla
noun
1.
helicóptero de combate
noun
avión de combate
/ˈxeː.vəl/, /ˈɣeː.vəl/
noun
1. buitenmuur van een gebouw
fachada
noun
arquitrabe
/ˈɣevə(n)/, /ˈχevə(n)/
verb
1. overdragen van het bezit van iets aan iemand anders
  1. dar
  2. entregar
  3. pasar
adjective
manchado
noun
1. bepaald soort plant, Conium maculatum
  1. cañahueca
  2. ceguda
  3. cicuta
  4. cicuta mayor
adjective
1. met vleugels
  1. alado
  2. alada
noun
  1. 1. gewaarwording
    sensación
  2. 2. emotionele gewaarwording
    sentimiento
noun
sentimiento
verb
sentir
adjective
  1. sensible
  2. susceptible
  3. delicado
  4. exquisito
  5. fino
  6. susceptivo
noun
  1. 1. een aandoenlijkheid
  2. 2. de nauwkeurigheid van instrumenten
  3. 3. de spanning van een film
sensibilidad
adjective
afectivo
noun
1. verschijnsel
  1. temperatura de sensación
  2. temperatura sensorial
noun
1. een verzamelnaam voor vogels die gekweekt worden als voedsel
aves
/ɣəˈvɔlx/, /ɣəˈvɔɫx/, /χəˈvɔɫχ/
noun
  1. 1. iets dat voortkomt uit iets anders
    1. consecuencia
    2. corolario
    3. efecto
    4. resultado
  2. 2. een groep die volgt, die er achteraan of later komt
    1. cortejo
    2. séquito
    3. comitiva
adjective
consecutivo
adjective
  1. arriesgado
  2. atrevido
verb
1. bewust worden van de betekenis van sensorische prikkels of wat lijkt op sensorische prikkels en waarvan je dus denkt dat het waar is, dat het overeenkomt met de werkelijkheid
  1. apercibirse
  2. apercibirse de
  3. sentir
noun
1. dat wat aanwast op het veld, maar nog niet geoogst is.
  1. cultivo
  2. agosto
  3. cosecha
noun
fusil
noun
tiro de fusil
noun
fuego de fusilería
noun
1. een stel uit been bestaande hoorns van herten; al dan niet vertakt
cornamenta
noun
1. elke kracht van meer dan geringe betekenis uitgeoefend op personen, goederen of zaken
violencia
adjective
violento
/ɣə'ʋɛldəx/
adjective
2. bijzonder goed
formidable
noun
violencia
noun
bóveda
adjective
adaptado
verb
  1. habituar
  2. habituarse
noun
1. een proces waarbij een eerder ongewone prikkel steeds meer als normaal ervaren gaat worden
aclimatación
adjective
  1. deseable
  2. deseado
  3. grato
noun
  1. región
  2. comarca
  3. provincia
/ɣəˈʋetə(n)/
noun
1. het deel van iemand waarmee die persoon zijn daden op goed en kwaad beoordeelt
conciencia
adjective
1. vroegere
antiguo
/ɣəˈʋɪxt/, /χəˈʋɪxt/
noun
1. de kracht die dat voorwerp op zijn ondersteuning of ophanging uitoefent
peso
noun
1. een sport waarbij de beoefenaars proberen om zware gewichten op te heffen die aan stalen staven zijn bevestigd
halterofilia
adjective
con aplomo
noun
  1. empaque
  2. presunción
noun
1. het zonder gewicht zijn
ingravidez
adjective
benévolo
adjective
cierto
phraseologicalUnit
media ponderada
noun
1. bepaald soort loofboom, Acer pseudoplatanus
  1. arce blanco
  2. falso plátano
  3. sicómoro
noun
  1. consuelda mayor
  2. sinfito mayor
noun
1. Balaenoptera physalus, een groot zeezoogdier, lang en gestroomlijnd met puntige kop
rorcual común
noun
de vrucht van de gewone walnoten- of okkernotenboom
  1. nuez
  2. nuez de nogal
/ɣəˈwoːn/, /ɣəˈβ̞oːn/, /χəˈʋon/
adjective
  1. habitual
  2. adocenado
  3. corriente
  4. normal
  5. ordinario
  6. simple
noun
1. een samengesteldbloemige veldbloem met zeer fijn ingesneden blad en wit, roze of paars bloemscherm
milenrama
noun
1. Galanthus nivalis, een vroegbloeiend bolgewas met witte bloempjes
  1. campanilla de invierno
  2. galanto
adverb
1. zoals de ervaring leert dat het meestal is
  1. normalmente
  2. comúnmente
/ɣəˈwoːntə/, /ɣəˈβ̞oːntə/, /χəˈʋontə/
noun
1. vaste wijze om dingen te doen
  1. costumbre
  2. hábito
adjective
  1. banal
  2. trivial
adjective
  1. arraigado
  2. radicado
noun
1. verbinding
articulación
noun
cóndilo
noun
producto
noun
1. bevoegdheid om ergens beslissingen over te nemen
  1. autoridad
  2. prestigio
adjective
  1. colectivo
  2. común
  3. unido
noun
1. lied
canción
noun
  1. embajador
  2. emisario
  3. mensajero
noun
gebouw van een legatie
embajada
verb
dicho
noun
  1. 1. een vaste idiomatische verbinding met een figuurlijke betekenis, maar zonder werkwoord
    1. expresión
    2. predicado
    3. término
  2. 2. alle zinsdelen behalve het onderwerp
    predicado
noun
1. makker, reisgenoot
  1. camarada
  2. compañero
/χəˈzɛləx/
adjective
  1. 3. knus
    acogedor
  2. 2. sociaal aangenaam
    1. sociable
    2. íntimo
/ɣə'zɛlsxɑp/
noun
  1. 1. een groep mensen die iets gemeen hebben
    1. compañía
    2. corro
    3. círculo
    4. peña
    5. redondel
    6. sociedad
  2. 3. een vereniging met een bepaald doel
    1. sociedad
    2. compañía
noun
  1. juego de mesa
  2. juego de casa
/ɣəˈzɛt/, /χəˈzɛt/
adjective
  1. grueso
  2. corpulento
noun
  1. joroba
  2. rollo
noun
1. de voorkant van een menselijk hoofd
  1. cara
  2. vista
noun
ilusión óptica
noun
horizonte
noun
  1. punto de vista
  2. aspecto
  3. visión
noun
1. doorzichtige kunststof gezichtsbedekking
careta
noun
  1. campo de visión
  2. campo visual
  3. campo óptico
noun
vista
noun
1. huishouden bestaande uit een of meer ouders en hun kinderen
  1. familia
  2. famille
adjective
  1. propenso
  2. inclinado
noun
reagrupación familiar
noun
  1. vida de familia
  2. vida familiar
/ɣəˈzɔx/, /ɣəˈzɔxt/, /χəˈzɔχt/
adjective
1.
buscado
/xə.ˈzɔnt/, /ɣə.ˈzɔnt/
adjective
  1. 1. vrij van ziektes en zeertes
  2. 2. bevorderlijk voor een goede conditie
  1. sano
  2. saludable
noun
1. welbevinden, in goede staat zijn
  1. salud
  2. sanidad
noun
1. het volledige fysieke, spirituele en sociale welzijn
estado de salud
noun
ciencias de la salud
noun
cura
adjective
  1. rápido
  2. con prisa
  3. con prontitud
noun
  1. prisa
  2. prontitud
adjective
enzarzado
adjective
  1. contenido
  2. envuelto
  3. implicado
phraseologicalUnit
circuito integrado
noun
circuito integrado
verb
  1. interesado
  2. cautivado
noun
interesado
/'ɣa.na/, /'χa.na/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Ghana
Ghana
noun
cedi ghanés
pronoun
Gibraltar
adjective
gibraltareño
noun
  1. libra de Gibraltar
  2. libra gibraltareña
/ɣɪts/, /χɪts/
noun
persoon die een groep begeleid en uitleg geeft
guía
/ɣiːr/, /χiːr/
noun
1. benaming voor grote aasetende roofvogels met een kale kop en machtige vleugels
  1. buitre
  2. gallinazo
adjective
1. geen geld of bezit aan een ander willende geven
  1. tacaño
  2. avaro
  3. avaricioso
noun
avaro
noun
1. de mate waarin men niet bereid is in de buidel te tasten
  1. avaricia
  2. codicia
noun
2. en 3. (zaden van) de graansoort Panicum miliaceum
mijo
/ˈχirstmɛldə/
noun
  1. candonga
  2. canigua
  3. dahua
  4. hupa
  5. licsa
  6. quinoa
/ˈɣirˌzʋalyw/
noun
1. bepaald soort vogel, Apus apus
vencejo común
noun
1. merel
mirlo
verb
1. een vloeistof vallend laten vloeien
verter
noun
1. een soort emmer met sproeibuis om de planten te begieten
regadera
noun
1. een bedrijf dat zich toelegt op het gieten van metalen voorwerpen
fundición
noun
  1. hierro fundido
  2. fundición
  3. hierro colado
/ɣɪf/, /χɪf/
noun
1. substantie die in kleine hoeveelheden schadelijk of dodelijk is
veneno
noun
bien de Giffen
noun
  1. lechuga ponzoñosa
  2. lechuga silvestre
  3. lechuga venenosa
  4. lechuguilla
noun
1. een giftige slang
  1. culebra venenosa
  2. serpiente venenosa
noun
1. geschenk, gave
  1. obsequio
  2. regalo
  3. presente
/ˈɣɪftəx/, /ˈχɪftəx/
adjective
  1. 2. zeer nijdig
    mordaz
  2. 1. gif bevattend
    1. venenoso
    2. ponzoñoso
noun
gigabyte
noun
gigante
adjective
enorme
noun
giga
/ɣɛɪ̯/, /ɣɛː/, /χɛɪ̯/
personalPronoun
  1. tú
  2. usted
  3. vos
  4. ustedes
/ˈɣɛɪ̯zəlaːr/, /ˈɣɛːzəlaːr/, /ˈχɛɪ̯zəlaːr/
noun
1. een veelal onschuldig persoon die tegen de eigen wil door een gijzelnemer gevangen wordt gehouden en die bedreigd wordt met het doel iets van derden gedaan te krijgen
rehén
noun
1. iemand die personen in gijzeling houdt
  1. secuestrador
  2. captor
  3. raptor
noun
1. iemand die personen in gijzeling neemt
  1. secuestrador
  2. captor
  3. raptor
/ɣɪɫ/
noun
1. een harde schelle ongearticuleerde uitroep
grito
/ˈɣɪldə/, /ˈχɪɫdə/
noun
  1. gremio
  2. cofradía
  3. corporación
noun
gremial
noun
casa del gremio
noun
privilegio del gremio
noun
decano del gremio
noun
patrono de un gremio
noun
organización gremial
noun
gremiala
/ˈɣɪlə(n)/, /ˈχɪlə(n)/
verb
1. een harde schelle ongearticuleerde uitroep slaken
  1. aullar
  2. chillar
  3. gritar
noun
ginebra
adverb
  1. allí
  2. ahí
/ɣɪnts/
adverb
1. daar in de verte
  1. ahí
  2. allí
noun
1. tandvleesontsteking
gingivitis
noun
coeficiente de Gini
noun
ginkgo
noun
  1. 2. pleister, gipshoudend kalkmengsel
    escayola
  2. 1. (scheikunde) een uit calciumsulfaat en water uithardende witte vaste stof: CaSO₄·2H₂O
    yeso
noun
cartón yeso
noun
cartón yeso
/ʒi'rɑf/
noun
1. Herkauwend dier
jirafa
noun
1. herkauwend dier dat in Midden-Afrika leeft met een zeer lange hals, Giraffa camelopardalis
jirafa
verb
1. geld overmaken door het uitschrijven van een giro
  1. girar
  2. transferir
verb
1. een vermoeden uitspreken over iets
conjeturar
noun
1. gedachte waarvoor men onvoldoende gegevens heeft om de juistheid of onjuistheid ervan te kunnen vaststellen
acertijo
noun
1. de naam voor een aantal soorten micro-organismen
  1. levadura
  2. fermento
verb
fermentar
/ˈɣɪstər/, /ˈχɪstər/
adverb
1. de laatste dag die voltooid is
ayer
adverb
1. de avond vóór de afgelopen nacht
anoche
/ˈɣɪstərə(n)/, /ˈχɪstərə(n)/
adverb
1. de laatste dag die voltooid is
ayer
adverb
1. de avond vóór de afgelopen nacht
ayer noche
noun
fermentación
/ɣi'tar/
noun
1. een muziekinstrument
  1. guitarra
  2. jarana
noun
1. (muziek) een musicus die een gitaar bespeelt
guitarrista
adjective
negro intenso
pronoun
1. stad in Armenië
Guiumrí
verb
1. met een laag suiker bedekken en dan verhitten zodat de suiker glanzend wordt, kan ook gedaan worden met honing
  1. glasear
  2. alcorzar
adjective
glaciar
noun
glaciología
/ɡlaˈsi/
noun
3. helling aan de buitenkant van een vesting of fort
glacis
noun
4.
  1. glaseado
  2. glaceado
  3. glacé
  4. glasa
adjective
  1. liso
  2. suave
noun
gladiador
noun
  1. estoque
  2. gladiolo
  3. gladíolo
verb
1. door strijken glad of effen maken
  1. alisar
  2. planchar
  3. atusar
noun
1. betoverend uiterlijk, schone schijn
  1. glamour
  2. esplendor
noun
  1. brillo
  2. fulgor
  3. lumbre
  4. resplandor
noun
  1. avena descollada
  2. gramari
  3. maguita
  4. maquilla
  5. mazarilla
  6. mazorra
/ˈɣlɑns.kol/, /ˈɣlɑns.koɫ/, /ˈχlɑns.ko̝ɫ/
noun
1. een vorm van steenkool die sterk verhit is geweest
antracita
noun
lustrado
verb
1. in zekere mate licht weerspiegelen of voortbrengen
  1. brillar
  2. resplandecer
/ɣlɑs/, /χlɑs/
noun
  1. 3. om uit te drinken
    1. vaso
    2. copa
    3. vidrio
  2. 2. op basis van SiO₂
    1. vidrio
    2. cristal
  3. 1. niet-kristallijne vaste stof
    1. vidrio
    2. vaso
noun
angula
noun
humor vítreo
noun
1. een container voor het gescheiden inzamelen van glasafval
  1. contenedor para vidrio
  2. depósito para vidrio
noun
1. iemand die glazen voorwerpen maakt
soplador de vidrio
noun
1.
fibra de vidrio
noun
1. glasharmonica
armónica de cristal
noun
parietaria
noun
glásnost
noun
temperatura de transición vítrea
noun
temperatura de transición vítrea
noun
fibra de vidrio
noun
1.
cristalería
noun
isolatiemateriaal gemaakt van glas
lana de vidrio
noun
1. een aandoening waarbij een verhoging van de druk in de oogbol onbehandeld...
glaucoma
noun
  1. limpiacristales
  2. lavacristales
adjective
1. als glas, op glas lijkend
vidrioso
verb
  1. 2. met een laag glanzende suiker bedekken
    1. glasear
    2. alcorzar
  2. 1. met een laag glazuur bedekken
    1. vidriar
    2. esmaltar
noun
  1. 3. mengsel van poedersuiker...
    1. azúcar glaseada
    2. azúcar glaseado
  2. 1-2
    1. esmalte
    2. barniz vitrificable
    3. glasura
noun
1. een ijsmassa die gevormd wordt op land en dik en groot genoeg is om bergafwaarts te stromen
glaciar
noun
1. een langgerekte opening of inkeping in iets
ranura
adjective
1. glad, moeilijk houvast op te krijgen
  1. resbaladizo
  2. escurridizo
noun
glifo
noun
tobogán
/ˈxlɛɪdə(n)/, /ˈɣlɛːdə(n)/
verb
1. met geringe wrijving gericht voortschuiven
deslizarse
noun
1.een verlager van het bloedglucose
glimepirida
noun
1. een gelaatsuitdrukking die een geluidloze lach verraadt
sonrisa
/'ɣlɪmlɑχən/
verb
1. zacht onhoorbaar lachen
  1. sonreir
  2. sonreír
verb
  1. 3. zichtbaar trots zijn
    brillar
  2. 1. schitteren
    1. brillar
    2. destellar
  3. 2. licht afgeven
    resplandecer
noun
mica
noun
1. een nachtelijk lichtgevend kevertje uit de familie Lampyridae
luciérnaga
/ɣloˈbal/
adjective
  1. 1. ongedetailleerd
    aproximado
  2. 3. wereldwijd
    global
noun
sistema de posicionamiento global
noun
1. een voortgaand proces van wereldwijde economische, culturele en politieke integratie
globalización
/ɣlobaˈlɪsmə/
noun
1. het proces van wereldwijde economische, politieke en culturele integratie
globalización
noun
  1. globo terrestre
  2. globo terráqueo
adjective
globular
noun
filamento
verb
arder
adjective
  1. ardiente
  2. caliente
  3. incandescente
  4. ígneo
/ˈɣluilɑmp/
noun
1. een lamp die licht produceert met een gloeidraadje
  1. bombilla
  2. lámpara incandescente
noun
1. het omhoog of omlaag gaan van de bodem
  1. talud
  2. terraplén
  3. cuesta
  4. declive
noun
1.
  1. gloria
  2. fama
/ɣloːriˈjøːs/
adjective
1. roemrijk
glorioso
noun
glorificación
noun
glosario
noun
glosa
noun
glossofobia
noun
gloxinia
noun
1. druivensuiker
glucosa
/ˈɣlyː.rə(n)/
verb
1. in het geheim aandachtig naar iemand kijken
  1. espiar
  2. acechar
  3. mirar de soslayo
noun
ácido glutámico
/'ɣly.tə(n)/
noun
gluten
noun
glucemia
noun
glicérido
noun
  1. glicerina
  2. glicerol
  3. E422
noun
  1. glicerina
  2. glicerol
  3. E422
/ˌɣlikɔˈɣen/
noun
1. een opvanghuis voor wezen
glucógeno
noun
glicol
noun
glucólisis
noun
glifosato
noun
glucemia
adjective
glucémico
noun
1. een metamorf gesteente met verschillend gekleurde banden of aders
  1. neis
  2. gneis
noun
1. Connochaetes, een dier behorende tot de familie Bovidae...
ñu
noun
1. mythologisch wezen dat lelijk, klein van stuk is en meestal een baard heeft
gnomo
noun
gnosticismo
noun
gnosticismo
noun
gnosticismo
pronoun
1. bovennatuurlijk en volmaakt wezen, dat beschikt over superieure krachten en dat onsterfelijk is
Dios
/ɣɔd/, /ɣɔt/, /χɔt/
noun
1. hypothetisch bovennatuurlijk wezen dat verantwoordelijk wordt geacht...
dios
adjective
divino
noun
teología
noun
1. een hypothetisch bovennatuurlijk wezen dat verantwoordelijk wordt geacht voor (bepaalde aspecten van) de werkelijkheid
  1. deidad
  2. divinidad
pronoun
1. benaming voor het vrouwelijk opperwezen
Diosa
noun
1. een vrouwelijke godheid
diosa
noun
ateísmo
noun
existencia de Dios
noun
1. een geloof en alle daar bij horende rituelen en doctrines
religión
noun
libro de religión
noun
fanatismo religioso
noun
psicología de la religión
noun
ciencia de la religión
noun
  1. iglesia
  2. templo
noun
  1. 1. belediging of bespotting van God/een godheid
  2. 2. een vloek
blasfemia
adjective
1.
  1. devoto
  2. piadoso
adjective
1. kwaliteit bezittend
  1. bueno
  2. buena
adverb
1. op goede wijze
bien
noun
1. iets concreets of abstracts dat men in bezit kan hebben
bien
adjective
1. met goede bedoeling(en) gedaan
bienintencionado
noun
naar (iemands) goeddunken
al criterio
/ˌɣudə.ˈvrɛɪ̯.dɑx/
pronoun
1. de vrijdag voor Pasen
Viernes Santo
pronoun
1. de week vanaf Palmzondag tot Stille Zaterdag
Semana Santa
interjection
buenos días
/ˌɣudəˈmɔrɣə(n)/
interjection
groet
buenos días
interjection
avondwens
buenas noches
interjection
1. een groet die in de avond gebruikt wordt
  1. buenas tardes
  2. buenas noches
noun
1. een lift die eigenlijk alleen geschikt is voor het vervoer van goederen
montacargas
noun
1. trein die uitsluitend is bestemd om goederen te vervoeren
  1. tren de mercancías
  2. tren de carga
adjective
misericordioso
adjective
  1. espléndido
  2. generoso
/ˌxutxəˈlœʏmt/, /ˌɣutxəˈlœʏmt/
adjective
1. in een toestand van vrolijkheid verkerend.
de buen humor
verb
1. toestemming verlenen
aprobar
verb
1. instemming betuigend
aprobando
noun
1. een positieve beoordeling
asentimiento
adjective
1. laag in prijs
  1. barato
  2. económico
adjective
benévolo
noun
gulag
noun
gurú
noun
1. gevoel dat je graag van iets wil gaan genieten
ganas
noun
gofio
/ɣɔk/, /χɔk/
noun
  1. 2. een keuze zonder het juiste antwoord te weten
    aventura
  2. 3. neus
    1. napias
    2. narizota
/ˈɣɔkən/, /ˈχɔkən/
verb
1. iets van waarde, veelal geld, inzetten op de mogelijke uitkomst van iets onzekers
jugar
noun
  1. juego de azar
  2. juego de suerte
noun
gol de oro
phraseologicalUnit
paracaídas dorado
noun
quimera del oro
/gɔlf/, /χɔl(ə)f/
noun
  1. 4. grote baai
    golfo
  2. 1, 2 en 3
    1. onda
    2. ola
  3. 1. balspel waarbij een golfbal met een golfclub in een aantal slagen in de hole moet worden geslagen.
    golf
pronoun
1. streek en provincie van Spanje rond de stad Bilbao
  1. Golfo de Vizcaya
  2. Mar Cantábrico
pronoun
1. zee die begrenst wordt door Mexico, de Verenigde Staten van Amerika en Cuba
golfo de México
noun
  1. campo de golf
  2. cancha de golf
noun
  1. bola de golf
  2. pelota de golf
noun
1. constructie om de kracht van watergolven te weerstaan
  1. rompeolas
  2. escollera
  3. malecón
noun
  1. club de golf
  2. palo de golf
noun
función de onda
noun
número de onda
noun
verpakkingsmateriaal, bestaande uit één of meer lagen dun, gegolfd karton
cartón ondulado
noun
longitud de onda
noun
  1. campo de golf
  2. cancha de golf
noun
  1. Guerra del Golfo
  2. Guerra del Golfo pérsico
noun
guía de onda
noun
oleaje
noun
  1. energía mareomotriz
  2. energía olamotriz
  3. energía undimotriz
noun
golf
noun
corriente del Golfo
noun
  1. síndrome de la Guerra del Golfo
  2. síndrome del Golfo
noun
  1. campo de golf
  2. cancha de golf
noun
1. vergelijking die het verloop van een golf in tijd en ruimte beschrijft
ecuación de onda
noun
1.
aparato de Golgi
/ˈɣɔlvən/, /ˈχɔlvən/
verb
1. een golfvormige beweging maken
ondear
/ɣɔm/
noun
  1. 2. een kleverige vloeistof die wordt gemaakt van het sap van bomen
  2. 1. een gum
goma
noun
  1. gomashio
  2. gomasio
/ˈɣɔma/
noun
2. soort boom (Guarea gomma)
  1. bilibil
  2. gito
  3. requia
noun
grado centesimal
noun
gónada
/ˈɣɔndəl/
noun
1. een pleziervaartuig in Venetië
góndola
noun
barcarola
noun
teleférico
noun
1. een hangend slagwerk
gong
adjective
goniométrico
noun
1. een geslachtziekte die veroorzaakt wordt door de bacterie Neisseria gonorrhea
gonorrea
/ˈgu:gələ(n)/, /ˈɡu.ɡə.lə(n)/, /ˈɣu.ɣə.lə(n)/
verb
1. naar informatie zoeken op het internet, m.n. met Google
  1. googlear
  2. guglear
noun
gúgol
noun
gúgolplex
/ˈɣoːi̯ən/, /ˈχoːi̯ən/
verb
1. het door de lucht verplaatsen van een voorwerp, al dan niet naar een doelwit
  1. tirar
  2. echar
  3. lanzar
  4. abalanzar
  5. abarrajar
  6. achocar
noun
lanzador
/χot/
noun
1. lid van een Oost-Germaans volk
godo
noun
arroyo
/ˈɣotsten/
noun
1. een bak, meestal ingebouwd in een aanrecht, onder een kraan en met een afvoer
fregadero
noun
1. een band die om het middel gedragen wordt
cinturón
noun
1. zoogdier met pantser van beweegbare schubben uit de familie Dasipodidae
  1. armadillo
  2. tato
noun
  1. herpes zóster
  2. zona
  3. zóster
adjective
gordiano
/ɣɔrˈdɛːn/, /χɔrˈdɛɪn/
noun
1. doek ter afdekking
cortina
noun
sortija
noun
1. (bouwkunde) houten dwarsbalk of ligger
  1. larguero
  2. plinto
noun
1. Afrikaanse mensaap uit het geslacht Gorilla
gorila
pronoun
1. Maleis-Polynesische taal die wordt gesproken door een miljoen mensen in de provincie Gorontalo op Sulawesi in Indonesië
gorontalo
/ɣɔrs/, /χɔrs/
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Emberizidae
escribano hortelano
noun
gospel
noun
canción de gospel
noun
góspel
noun
cantante de gospel
noun
1.
gótico
/ˈɣɔtlɑnt/, /ˈʝɔtlɑnt/
pronoun
1. Zweeds eiland
Gotland
noun
aguada
/ɣʌʊt/
noun
1. een edelmetaal met atoomnummer 79 dat wordt aangegeven met het symbool Au, het is een geel metalliek overgangsmetaal
oro
noun
1. Physalis peruviana
  1. uchuva
  2. alquejenje
  3. alquequenje
  4. tomatillo
  5. uvilla
noun
1. bepaald soort vis, Sparus aurata
  1. dorada
  2. pargo dorado
adjective
1. met een kleur die een combinatie is tussen goudkleurig en bruin
castaño
phraseologicalUnit
medalla de oro
noun
paracaídas dorado
adjective
amarillo oro
noun
  1. 2. kevers uit de familie Chrysomelidae met als goud blinkende schilden
    crisomelino
  2. 1. bepaald soort klein vogeltje met een goudkleurig kruintje Regulus regulus
    1. reyezuelo
    2. abadejo chino
noun
fiebre del oro
noun
1. bepaald appelras
  1. manzana reineta
  2. reineta
noun
  1. caléndula
  2. maravilla
  3. flamenquilla
  4. flor de muerto
  5. flor de todos los meses
  6. maravilla caléndula
noun
1. een smid die met goud werkt
orfebre
noun
  1. 2. guldenroede
    1. consuelda sarracénica
    2. lingote de oro
    3. té de Gredos
    4. vara de San José
  2. 1. staaf goud
    lingote de oro
noun
1. bepaald soort vogel, Pyrrhul pyrrhula
  1. camachuelo común
  2. camachuelo
/ˈɣaʊ̯d.vɪs/, /ˈɣɔʊ̯t.fɪs/, /ˈχʌʊ̯t.fɪs/
noun
1. bepaald soort kleine goudkleurige of rode vis die uit China afkomstig is en die door veel mensen thuis gehouden wordt, Carassius auratus auratus
  1. pez de colores
  2. carpa dorada
  3. pez dorado
noun
1. een stoofschotel van o.a. rundvlees, paprika en uien, tevens het nationale gerecht van Hongarije
  1. gulasch
  2. gulash
noun
gourde
noun
1. het hoofd van een regering, van een kolonie, staat of andere subnationale staatseenheid
gobernador
noun
2. district, gewest, provincie
  1. distrito
  2. provincia
noun
sistema de posicionamiento global
noun
  1. 1. eenheid om hoeken te meten
    1. grado sexagesimal
    2. grado
  2. 4. rang
    1. rango
    2. título
noun
  1. 1. geschiedkundige term voor een landsheer, oorspronkelijk belast met de rechtspraak...
    conde
  2. 1. beschrijving van gegevens in de vorm van een verzameling punten,...
    grafo
noun
pala excavadora
noun
condado
/ɣrax/, /χraχ/
adverb
1. met plezier, met graagte; dat doe ik graag
  1. con mucho gusto
  2. de buena gana
interjection
1. beleefd antwoord nadat je bedankt bent
de nada
noun
1.
grial
noun
  1. cereal
  2. grano
noun
  1. espina
  2. espina de pescado
  3. hueso
/ɣrɑɣt/
noun
canal
noun
canales
noun
  1. 1. (wijk van) een reeks grachten rondom het centrum van een stad (bijv. in Amsterdam)
    1. barrio de canales
    2. canales
  2. 2. ± (lid van) een linksgeoriënteerde, stedelijke elite
    izquierda caviar
adjective
  1. grácil
  2. con elegancia
  3. elegante
noun
1. een instrument waarmee een hoek van een gekende grote uitgezet of gemeten kan worden
transportador
verb
graduar
noun
gradiente
noun
gradual
adjective
1. trapsgewijs
gradual
verb
graduar
noun
1. woord of uitdrukking overgenomen uit het Oudgrieks of gevormd naar Oudgrieks voorbeeld
helenismo
/ɣrɑf/, /χrɑf/
noun
  1. 1. ruimte om één of meer lijken in te begraven
  2. 2. plaats waar één of meer lijken begraven liggen
  1. tumba
  2. sepulcro
noun
teoría de grafos
noun
1. een grafische voorstelling van een verzameling gegevens
gráfico
noun
in plaatjes gekristalliseerde koolstof
grafito
adjective
gris grafita
adjective
negro grafito
adjective
gráfico
noun
1.
  1. enterramiento
  2. entierro
noun
grafología
noun
grafólogo
noun
1. op een grafsteen gegraveerde korte tekst, gewijd aan de overledene
epitafio
noun
1. een rechtopstaande gebeeldhouwde steen die de aanwezigheid van een graf markeert
  1. lápida sepulcral
  2. lápida
noun
1. een afgeleide eenheid voor massa in het SI-stelsel (éénduizendste van een kilogram, 0,001 kg)
gramo
noun
graminología
/ˈɣrɑmklørɪŋ/
noun
tinción de Gram
noun
1. een systeem van regels en principes voor het schrijven en spreken van een taal.
gramática
adjective
  1. gramatical
  2. gramático
noun
  1. gramófono
  2. tocadiscos
noun
1. schijf van eboniet, kunsthars, pvc e.d., waarin geluidsinformatie in analoge vorm in een groef is opgenomen in de vorm van kleine horizontale en verticale afwijkingen
  1. disco
  2. disco de vinilo
noun
mola
noun
mola
/ˌɣrɑmneɣaˈtif/
adjective
1. met betrekking tot bacteriën die bij Gram-kleuring rood kleuren
gram negativo
/ˌɣrɑmposiˈtif/
adjective
1. met betrekking tot bacteriën die bij gramkleuring blauwpaars kleuren
gram positivo
noun
  1. cólera
  2. enojo
  3. ira
noun
5. groep kubische mineralen
granate
noun
  1. 2. vrucht
    1. granada
    2. granado
  2. 1. boom
    granado
noun
1. Punica granatum, een tot zes meter hoge struik uit de kattenstaartfamilie (Lythraceae)...
granado
adjective
granate
adjective
grandioso
/ɣɾaˈni:t/
noun
1. stollingsgesteente bestaande uit lichtgekleurde, met het blote oog onderscheidbare mineralen.
granito
adjective
gris granito
adjective
granular
noun
granulación
verb
granular
/ˌɣranyloˈsit/
noun
1.
granulocito
/ɣrɑp/, /χrɑp/
noun
1. verhaal dat of handeling die erop gericht is om de lachlust op te wekken
  1. broma
  2. chiste
noun
1. een gele of rode, enigszins bitter smakende citrusvrucht
  1. pomelo
  2. toronja
noun
1. sap van de vrucht van de boom Citrus paradisi
  1. zumo de pomelo
  2. jugo de toronja
noun
1.een Italiaanse alcoholische drank
grappa
noun
cachondeo
/ˈɣrɑpəχ/
adjective
1. de lust tot (glim-) lachen opwekkend
  1. divertido
  2. cómico
  3. gracioso
noun
  1. 1.1 benaming voor planten uit de familie Poaceae die een oppervlak met sprietvormige groene bladeren begroeien
    1. grama
    2. césped
  2. 1. benaming voor planten uit de familie Poaceae
    1. hierba
    2. grama
adjective
verde hierba
noun
pradera
/ɣrɑsmajər/
noun
cortacésped
noun
1. Sylvia communis, een zangvogel uit de familie zangers Syviidae
curruca zarcera
/ˈɣrɑsvɛlt/, /ˈɣrɑzvɛld/, /ˈχrɑsvɛɫt/
noun
1. een veld dat door met name gras wordt begroeid
  1. césped
  2. pasto
/ˈɣrɑsvlɑktə/, /ˈχrɑsvlɑktə/
noun
1. een groot stuk land dat met gras is begroeid
pradera
noun
1. extraatje bovenop het normale loon
suplemento
verb
gratificar
verb
gratinar
adjective
1. wat zonder betaling verkregen wordt
gratis
adjective
1. donkergrijs, kleurloos
gris
noun
grabador
verb
1. een gat in de grond maken met de handen of met een graafwerktuig
  1. cavar
  2. ahondar
  3. excavar
verb
1. met een scherp gereedschap iets krassen in glas of metaal
grabar
noun
grabador
noun
1. vrouwelijke graaf
condesa
noun
1. de kracht die de wederzijdse aantrekking van massa veroorzaakt
  1. gravitación
  2. gravedad
pronoun
constante de gravitación universal
noun
campo gravitatorio
noun
gravitón
pronoun
1.
Graz
/'χrazə(n)/
verb
1. het eten van gras en andere bodemvegetatie zoals bijvoorbeeld runderen dit doen
  1. pastar
  2. campear
  3. apacentar
adverb
graciosamente
/ɣreːp/, /χreːp/
noun
6. handvat
  1. empuñadura
  2. fuste
  3. mango
adjective
gregoriano
noun
grano
verb
granear
/ɣre.ˈna.da/, /ɣrɛ.ˈna.da/, /χre.ˈna.da/
pronoun
land in het Caribisch gebied
Granada
adjective
op Grenada betrekking hebbend
  1. granadino
  2. granadina
noun
granadina
verb
correr el cerrojo
noun
  1. 2. de raaklijn tussen twee landen
  2. 1. een al dan niet denkbeeldige scheidingslijn
  1. frontera
  2. límite
noun
capa límite
noun
gres
/ɣrik/, /χrik/
noun
1. inwoner van Griekenland
griego
noun
griego
/ˈɣrikə(n)ˌlɑnd/, /ˈɣrikə(n)ˌlɑnt/, /ˈχrikə(n)ˌlɑnt/
pronoun
1. een land in het zuidoosten van Europa
Grecia
/ɣriks/, /χriks/
adjective
  1. griego
  2. griega
/ɣriks/, /χriks/
pronoun
1. een taal die vooral wordt gesproken in Griekenland en op Cyprus
griego
/ˈɣriksə/, /ˈχriksə/
noun
griega
verb
1. grienen
lloriquear
/ɣrip/
noun
1. een vierusziekte die jaarlijks vele mensen ziek maakt en die voor ouderen gevaarlijk kan zijn
  1. gripe
  2. influenza
  3. gripa
noun
1. grof gemalen meel
  1. sémola
  2. harina gruesa
/ɣrit/, /χrit/
noun
  1. B. grutto
    aguja colinegra
  2. A. jonge vrouw, meisje
    1. chica
    2. muchacha
  3. C. vissoort
    1. rombo
    2. remól
verb
  1. 2. pijnigen
    1. acongojar
    2. afligir
    3. entristecer
  2. 1. beledigen
    ofender
verb
1. gevoelens van angst en afkeer ervaren
  1. estremecerse
  2. temblar
adjective
espantoso
noun
  1. cancillería
  2. secretaría
noun
1. iemand die de taak heeft alle communicatie rond een zaak schriftelijk vast te leggen en te ordenen
secretario judicial
verb
1. plotseling iets of iemand beetpakken
  1. asir
  2. coger
  3. agarrar
  4. acapillar
adjective
1. de kleur grijs hebbend
gris
noun
tint grijs met RAL-nummer 9007
aluminio gris
noun
1. oude man
anciano
adjective
beige agrisado
adjective
azul grisáceo
adjective
pardo grisáceo
noun
1. bepaald soort vogel met een grijze kop, Thalassarche chrysostoma
albatros de cabeza gris
noun
1. bepaald soort vogel, Picus canus
pito cano
adjective
blanco grisáceo
noun
onredelijk en willekeurig gedrag
capricho
noun
  1. parrilla
  2. grill
  3. asadora
  4. gratinador
noun
enrejado
verb
asar a la parrilla
verb
asar a la parrilla
adjective
  1. caprichoso
  2. caprichudo
  3. extravagante
verb
maquillar
adjective
  1. duro
  2. rudo
  3. áspero
noun
  1. grava
  2. cascajo
noun
alicate de presión
noun
grisalla
/ˈgrɪzliˌbeːr/, /ˈɣrɪzliˌbeːr/
noun
1. Ursus arctos horribilis, een Amerikaanse ondersoort van de bruine beer.
oso grizzly
/ɣruj/, /χruj/
noun
1. het groter worden
  1. crecimiento
  2. aumento
  3. incremento
/ˈɣrui̯ə(n)/
verb
groter worden
crecer
noun
proceso de crecimiento
adjective
  1. 3. onervaren
    novicio
  2. 1. met de kleur zoals bladeren van planten die meestal hebben
    verde
noun
1. kleur zoals bladeren van planten die meestal hebben, geel met blauw gemengd
verde
/'ɣrun lɑxə(n)/
phraseologicalUnit
1. geforceerd glimlachen
la risa del conejo
adjective
beige verdoso
adjective
azul verdoso
adjective
perennifolio
adjective
pardo verdoso
noun
1. de jonge scheuten van Asparagus officinalis
espárrago verde
verb
1. groen worden
verdecer
adjective
gris verdoso
/ˈɣrun.lɑnd/, /ˈɣrun.lɑnt/, /ˈχrun.lɑnt/
pronoun
1. een groot eiland ten noordoosten van Canada, deel uitmakend van het koninkrijk Denemarken
Groenlandia
adjective
  1. groenlandés
  2. groenlandesa
noun
groenlandesa
noun
1. bepaald soort zeezoogdier, Balaena mysticetus
  1. ballena boreal
  2. ballena de cabeza arqueada
pronoun
1. de zee ten westen van Groenland
mar de Groenlandia
noun
  1. 1. vissenfamilie
    1. lorcha
    2. molva
  2. 2. groene zangvogel
    1. verderón común
    2. verderón europeo
noun
1. eetbare planten of delen daarvan
  1. verdura
  2. legumbre
  3. hortaliza
noun
1. het sap van één of meerdere groenten dat kan gedronken worden
  1. jugo de legumbres
  2. zumo de hortalizas
noun
sopa de verduras
/ɣrup/, /ʝrup/
noun
1. uit meerdere personen of eenheden bestaand geheel
  1. grupo
  2. agrupación
noun
teoría de grupos
verb
1. in groepen stellen
agrupar
noun
  1. inmunidad de grupo
  2. inmunidad colectiva
noun
jerga
/ˈɣrut/, /ˈχrut/
noun
1. een uiting waarbij men elkaars aanwezigheid erkent wanneer men elkaar ontmoet
saludo
/ˈɣrutə(n)/
noun
1. iemand goedendag of gedag zeggen
saludar
verb
rizar
adjective
fornido
/ɣrɔk/, /ɣrɔx/
noun
1. alcoholisch mengsel van rum, suiker en heet water
grog
noun
1. een beginsel dat als regel wordt aangenomen
principio
noun
efecto suelo
noun
1. benaming voor vissen uit de familie Gobiidae
góbido
adjective
1. vrijwel overal aandacht aan schenkend
  1. a fondo
  2. concienzudo
  3. exhaustivo
  4. profundo
  5. radical
noun
fundador
noun
mecánica de suelos
noun
derechos fundamentales
noun
máxima
noun
  1. 1. metselwerk in de grond
    1. base
    2. cimiento
    3. fundamento
  2. 2. datgene waarop een beschouwing...
    1. base
    2. fundamento
noun
sedimento
noun
  1. materia prima
  2. recurso natural
  3. materia bruta
  4. material
  5. material básico
noun
estado fundamental
noun
  1. 1. een zuivere sinustoon
    frecuencia fundamental
  2. 2. de laagste toon van een toonladder
    tónica
noun
base
noun
1. al het water dat zich in de aardbodem bevindt
agua subterránea
noun
1. wet die de principes van een staat definieert
constitución
/ˈɣroːˌnɪŋə(n)/, /ˈχroˌnɪŋə(n)/
pronoun
  1. 1. hoofdstad van de provincie Groningen
  2. 2. gemeente in de provincie Groningen waarin de stad Groningen ligt
  3. 3. provincie in het noorden van Nederland, die door Friesland, Drenthe en het Duitse Oost-Friesland wordt begrensd
Groninga
/ɣroːt/
adjective
    1. 3. machtig, belangrijk
    2. 2. bewonderenswaardig, goed
    3. 4. volwassen
    grande
  1. 1. meer dan normaal in formaat
    1. grande
    2. gran
adjective
1. met een zeer forse penis
bien dotado
/ˌɣroːd brɪˈtɑni.jə/, /ˌχrot brɪˈtɑni.jə/
pronoun
1. benaming voor het '[[Verenigd Koninkrijk|Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland]]', dat officieel met Verenigd Koninkrijk wordt aangeduid.
Gran Bretaña
noun
1. de verzameling van alle grootboekrekeningen met de wijzigingen die zich gedurende een bepaalde periode voordoen
  1. libro maestro
  2. libro mayor
verb
1. het ouderschap over opgroeiende kinderen uitoefenen
  1. criar
  2. educar
noun
1. cirkel op bol met gelijk middelpunt
gran círculo
pronoun
1. stad in Namibië
Grootfontein
noun
1. zaak in zoverre die voor vermeerdering en vermindering vatbaar is, iets meetbaars...
  1. cantidad
  2. magnitud
  3. tamaño
noun
  1. megalomanía
  2. manía de grandeza
noun
1. adellijke titel die hoger is dan die van hertog maar lager dan die van koning
gran duque
noun
1.
gran ducado
noun
objetivo gran angular
noun
1.
  1. inquisidor general
  2. gran inquisidor
noun
  1. 2. opperbestuurder van ... Vrijmetselaren
    gran maestre
  2. 1. schaker of dammer...
    1. gran maestro
    2. gran maestro internacional
  3. 3. een van de grootofficieren of de hoogste vrouwelijke beambte bij het huis van de koningin
    senescal
noun
1. een moeder van een ouder
abuela
noun
  1. otocyon megalotis
  2. zorro orejudo
/ˈɣrotˌʌʊdər/
noun
1. de ouder van een ouder
  1. abuelo
  2. abuela
noun
  1. fanfarronada
  2. jactancia
noun
tamaño
/ˈɣroːtˌfaːdər/
noun
1. de vader van een ouder
abuelo
noun
1. in de klassieke zeilvaart de onderste, grootste zeil aan de grote mast
vela mayor
noun
1. authentieke uitgifte met uitvoerbare titel
primer testimonio
noun
  1. precio al por mayor
  2. precio de mayoreo
/ɣrɔt/
noun
1. een onderaardse holte
  1. cueva
  2. gruta
  3. caverna
noun
1. soort zeevogel van ongeveer 70 centimeter groot, Larus hyperboreus
gavión hiperbóreo
noun
1. de eindhersenen en de tussenhersenen vormen samen de grote hersenen
cerebro
noun
  1. amapola
  2. ababol
  3. adormidera roja
  4. amapola silvestre
  5. papola
noun
alquimila arvense
pronoun
1. de naam voor de 5 grote meren op of nabij de grens tussen de Verenigde Staten en Canada
Grandes Lagos
pronoun
1. de oceaan die ligt tussen Oost-Azië, Noord- en Zuid-Amerika en Australië
océano Pacifico
noun
1. bepaald soort overblijvende plant, Sanguisorba officinalis
  1. pimpinela mayor
  2. sanguisorba
noun
1. Balaena mysticetus, grote massieve walvis met een kolossale kop
  1. ballena boreal
  2. ballena de cabeza arqueada
noun
1. bepaalde soort zeevogel, te herkennen aan zijn zwarte kuif en snavel met een klein geel puntje, Sterna sandvicensis
charrán patinegro
adverb
1. voor het grootste gedeelte
en su mayor parte
adjective
1. op afschrikwekkende wijze buitenissig
grotesco
noun
  1. cascajo
  2. grava
  3. polvo
noun
grunge
noun
  1. sémola
  2. harina gruesa
/ˈxrywəl/
noun
1.
abominación
noun
atrocidad
adjective
1. afschuw opwekkend
  1. espantoso
  2. horripilante
/ɣeʲɛz'ɛm/
noun
Sistema Global para las Comunicaciones Móviles
noun
een dipsaus uit Midden-Amerika
guacamole
pronoun
Guadalcanal
pronoun
Guadalupe
noun
guadalupeño
adjective
  1. guadalupeña
  2. guadalupeño
noun
guadalupeña
pronoun
Guam
adjective
  1. guameña
  2. guameño
noun
1. bepaald soort zoogdier, Lama guanicoe
guanaco
noun
guano
noun
guaraná
/ˌgʋɑ.tə.ˈma.la/, /ˌgβ̞ɑ.tə.ˈma.la/, /ˌɣ<sup>ʊ</sup>a.tə.ˈma.la/
pronoun
land in Midden-Amerika, officieel de Republiek Guatemala
Guatemala
adjective
  1. guatemalteco
  2. guatemalteca
noun
guatemalteca
noun
quetzal guatemalteco
adjective
  1. guatemalteco
  2. guatemalteca
noun
1. en 2. (vrucht van) Psidium guajava
guayaba
pronoun
  1. Guernsey
  2. Guernesey
noun
guerrilla
noun
guillotina
pronoun
Guinea
/ɣi.ˈne/, /χi.ˈne/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Guinee
Guinea
noun
habitante de Guinea-Bissau
noun
franco guineano
noun
picardía
pronoun
1. een taal die oorspronkelijk in Gujerat gesproken wordt. De taal wordt nu ook in Uganda, Tanzania, Kenia en Pakistan gesproken
  1. gujaratí
  2. guyarati
adjective
1. vrijgevig
  1. generoso
  2. abundante
  3. amplio
  4. copioso
noun
  1. bacalao
  2. bacalao (común)
noun
  1. consuelda sarracénica
  2. té de Gredos
  3. vara de San José
  4. vara de oro silvestre
/ɣɵlp/
noun
1. een door een strook stof afgesloten opening aan de voorzijde van een broek van de man,...
bragueta
noun
  1. avidez
  2. gula
noun
1. een object waarmee potlood weer weggehaald kan worden
goma
adjective
  1. caucho
  2. goma
/ɣɵnst/, /χɵnst/
noun
1. het vrijwillig verlenen van een dienst of goed aan iemand om iemand ter wille te zijn
  1. favor
  2. gracia
adjective
favorable
noun
1. een levendbarend tandkarpertje en aquariumvisje uit Zuid-Amerika
guppy
noun
  1. biempensante
  2. buenista
  3. buonista
noun
1. een gootvormige steekbeitel voor houtbewerking
gubia
adjective
gutural
noun
consonante gutural
adjective
  1. guyanés
  2. guyanesa
noun
guyanesa
noun
dólar guyanés
/ɣi.ˈja.na/, /ɣβ̞i.ˈja.na/, /χi.ˈja.na/
pronoun
1. een land in Zuid Amerika, officieel de Coöperatieve Republiek Guyana
Guyana
adjective
  1. guyanés
  2. guyanesa
noun
1.
gimnasta
noun
1. oefeningen voor de gezondheid van een mens
gimnasia
noun
ginecología
adjective
1. met betrekking tot vrouwenziekten
ginecológico
/ɣinəkoˈlox/
noun
ginecólogo
noun
girocompás
/ˌɣiroˈskop/
noun
  1. giroscopio
  2. giróscopo
noun
girotrón
/ˈgœtɪŋən/
pronoun
1. + 2. stad en district
Gotinga
noun
  1. bomba H
  2. bomba de hidrógeno
noun
1. een vakafhankelijke index die het "carrière-effect" van de publicaties van een wetenschappelijk onderzoeker meet
índice h
noun
1. een afscheiding bestaande uit kreupelhout of struikgewas
  1. valla
  2. cercado
  3. seto verde
noun
1. bepaald soort loofboom, Carpinus betulus
  1. carpe
  2. hojaranzo
noun
1. bepaald soort slingerplant met klokvormige bloemen, Calystegia sepium
  1. campanilla blanca
  2. campanilla de los cercados
  3. corregüela mayor
  4. correhuela de cercas
  5. correhuela mayor
  6. hiedra campana
/haːɪ̯/, /ɦaɪ̯/
noun
1. benaming voor roofvissen uit de superorde Selachimorpha
tiburón
noun
  1. arpía
  2. harpía
noun
aleta de tiburón
noun
1.
sopa de aletas de tiburón
/haːk/
noun
  1. gancho
  2. alcayata
  3. escarpia
  4. percha
noun
arcabuz
noun
2. elk van de tekens, rond of met hoeken, gebruikt in paren om woorden of getallen af te zonderen
braqueto
noun
1. een naald die wordt gebruikt bij haakwerk
ganchillo
/ɦan/
noun
  1. 1. mannelijk dier bij de hoenderachtige vogels
    gallo
  2. 2. trekker bij een vuurwapen
    gatillo
noun
2. schelpdier dat wel als voorafje gegeten wordt in mosselrestaurants
gallito
noun
1.1 hoofdhaar, uitgroeisel van de epidermis dat delen van het hoofd bedekt
  1. cabello
  2. pelo
  3. vello
noun
1.
cinta para el pelo
noun
  1. 2. plaats van waaruit zich een ziekte of andere ramp verspreidt
    foco
  2. 1. plaats in de woning bedoeld om er een vuur te branden
    1. hogar
    2. fogón
noun
secador de mano
noun
  1. chicana
  2. tiquismiquis
noun
laca
noun
1. omhulsel van open weefsel om een kapsel in vorm te houden of om te voorkomen dat hoofdhaar iemands werkzaamheden verstoort
redecilla
noun
1. een doorgaans dunne speld waarmee het haar kan worden opgestoken.
horquilla
noun
vaso capilar
personalPronoun
ella misma
noun
1. Lepus eropaeus, een konijnachtig zoogdier met lange achterpoten een gespleten lip en lange oren
liebre
noun
pastel de liebre
/hast/
adverb
1. bijna
casi
/hast/
noun
1. de drang hebben om iets snel te doen
prisa
/'ɦastən/
verb
1. trachten om dat wat men te doen heeft snel af te maken
  1. apresurarse
  2. apurarse
  3. acelerarse
adjective
1. zich niet de tijd nemend
precipitado
/ˈhastəxəˌsput ɪˈzeldə(n)ˌɣut/
interjection
1. iets overhaast doen levert vaak fouten op
  1. a gran prisa, gran vagar
  2. pronto y bien, nunca va juntos
/ɦaːt/
noun
1. sterk gevoel van vijandschap
odio
pronoun
2. boek in de Bijbel
Habacuque
adjective
1. uit gewoonte
habitual
noun
hábito
adjective
1. aanmerkelijk aan gevaar of risico blootstaand
  1. delicado
  2. peligroso
  3. precario
noun
vida
noun
hacienda
verb
1. inbreken in een informatiesysteem
  1. hackear
  2. piratear
noun
1. iemand die zich onbevoegd toegang verschaft tot een computersysteem
hacker
/haˈdejikʏm/
noun
Hádico
noun
hajj
noun
1. scheikundig element met symbool Hf en atoomnummer 72
hafnio
noun
1. langstaartig, geschubd reptiel uit de onderorde Lacertilia
  1. lagarto
  2. lagartija
/haɣəɫ/
noun
1. bolvormig ijs dat als neerslag uit de hemel valt
  1. granizo
  2. pedrisco
noun
1. een bui met hagel
granizada
verb
1. het uit de hemel neerkomen van hagelstenen
granizar
noun
1. een vuurwapen om voornamelijk hagelpatronen mee af te schieten
escopeta
noun
  1. 3. hagelschade
    1. daño causado por el granizo
    2. daño causado por el pedrisco
  2. 1. een soort broodbeleg, bestaande uit strooisel van chocolade of gekleurde suiker
    fideos de chocolate
  3. 2. het met kracht neervallen van de hagel
    1. granizada
    2. pedrisco
/ˈhaɣəlˌsten/
noun
1. een klontje ijs dat als neerslag uit de lucht komt
  1. granizo
  2. pedrisco
pronoun
2. boek in de Bijbel
Ageo
noun
hagiógrafo
noun
hagiografía
noun
  1. 3. werktuig om de grond mee open te hakken
    azada
  2. 1. hiel van de voet
    1. tacón
    2. taco
noun
  1. tajadero
  2. tajo
verb
  1. 3. bevestigen d.m.v. een haak
    1. enganchar
    2. colgar de un gancho
  2. 2. (met een haaknaald) een weefsel maken door het aanbrengen van lussen
    1. hacer a ganchillo
    2. hacer crochet
    3. hacer ganchillo
/ˈhaː.kə(n)ˌkrœys/
noun
cruz gamada
noun
  1. címbalo
  2. tímpano
/ˈɦɑkə(n)/
verb
  1. picar
  2. cortar
noun
1. zeer breed mes
cuchilla
/ɦɑl/
noun
  1. 3. een grote overdekte ruimte gericht op het uitvoeren van activiteiten
    mercado
  2. 2. een entreeruimte in een gebouw of huis, een ontvangstruimte
    sala
  3. 1. ruimte achter de voordeur
    vestíbulo
  4. 1. hardheid van de grond tengevolge van de vorst, plek bevroren grond, hardbevroren aardkorst
    suelo congelado
adjective
halal
/ɦɑlf/
adjective
1. de helft zijnde
medio
noun
medio hermano
noun
1-2
semiconductor
noun
semidiós
adjective
bisemanal
noun
1. een halfgeleider met een negatieve indirecte bandgap
  1. metaloide
  2. semimetal
noun
1. het oppervlak van een halve bol, met name van de aarde
hemisferio
adjective
semigraso
adjective
2. waaruit de helft van de vetten verwijderd is
semidesnatado
noun
1. de tijd waarin een exponentieel vervalled proces tot de helft van zijn oorspronkelijke waarde vermindert
período de semidesintegración
noun
media hermana
noun
efecto Hall
interjection
1. groet
hola
adjective
alucinatorio
noun
alucinación
verb
1. zinsbegoochelingen hebben
alucinar
adjective
alucinógeno
noun
1. gras- of graanstengel
tallo herbáceo
pronoun
Halmahera
noun
efecto halo
adjective
halófilo
noun
halófita
noun
halógeno
noun
lámpara halógena
noun
  1. haluro
  2. haloide
noun
cuello
noun
collar
noun
1. halsketting
collar
adjective
  1. terco
  2. tozudo
  3. acérrimo
noun
cabestro
/ˈhɑɫtə/
noun
  1. 1. een plaats waar gestopt wordt
    parada
  2. 2. een plaats waar een bus stopt
    parada de autobús
noun
haltera
noun
1.schijngestalte van de maan
  1. media luna
  2. cuarto creciente
/ɦɑm/
noun
  1. 1. vlees van de achterkant van een varken
    jamón
  2. 2. dikke dij van een mens
    1. jamón
    2. pernil
noun
Hamburgo
/ˈham.bʏr.ɣər/, /ˈhɑm.bʏr.ɣər/, /ˈhɑm.bʏr.χər/
noun
1. schijf gebraden gehakt
hamburguesa
noun
  1. 1. werktuig dat kan worden gebruikt om te slaan
  2. 2. een van de gehoorsbeentjes in het oor
martillo
noun
afar
noun
1. klein knaagdiertje dat als huisdier gehouden kan worden
hámster
verb
1. een voorraad aanleggen bij voedselschaarste
  1. acaparar
  2. acopiar
noun
pregunta clave
/ɦɑnt/
noun
1. uiterste deel van de arm, voorbij de pols
mano
/ˈɦɑnt.ɑr.bɛɪ̯t/, /ˈɦɑnt.ɑr.bɛːt/
noun
trabajo manual
/ˈɦɑnt.ɑr.bɛɪ̯.dər/, /ˈɦɑnt.ɑr.bɛː.dər/
noun
  1. artesano
  2. trabajador manual
noun
equipaje de mano
noun
balonmano
/ˈɦɑnt.buk/
noun
1. een boek waarin getracht wordt alle informatie nuttig voor een bepaalde bezigheid bijeen te brengen
  1. manual
  2. compendio
/ˈɦɑnt.boːr.maˌʃi.nə/, /ˈɦɑnt.bo̝ːr.maˌʃi.nə/
noun
taladro de mano
noun
1. een doek waarmee men zich afdroogt
toalla
noun
  1. apretón de manos
  2. apretón
  3. apretón de mano
/ˈɦɑndəl/
noun
1. de in- en verkoop van goederen
  1. comercio
  2. gremio
noun
1. iemand die handel drijft
  1. comerciante
  2. mercader
  3. traficante
verb
  1. 1. iets doen, al of niet met de handen, optreden
    1. actuar
    2. obrar
  2. 2. handel drijven
    comerciar
noun
1. datgene dat gedaan is
acto
pronoun
Actos de los Apóstoles
noun
  1. asociación comercial
  2. compañía comercial
noun
1. vaste activapool van een winkel of bedrijf die wordt gebruikt om een zaak te drijven
fondo de comercio
noun
marca registrada
noun
guerra comercial
noun
1. verhandelbaar waardepapier aan toonder of aan order
efecto negociable
noun
2. deel van het privaatrecht m.b.t. handelszaken
derecho mercantil
noun
registro mercantil
noun
  1. mercancía
  2. mercadería
/ˈɦɑn.dən.ɑr.bɛɪ̯t/, /ˈɦɑn.dən.ɑr.bɛːt/
noun
trabajo manual
noun
granada de mano
verb
  1. 1. iets doen voortbestaan, aan iets vasthouden
    1. mantener
    2. atener
  2. 3. zich een positie in een groep verzekeren
    1. mantenerse
    2. abroquelarse
noun
conservación
/ˈɦɑndɪɣ/, /ˈɦɑndɪχ/
adjective
1. goed met de handen om kunnen gaan
  1. diestro
  2. hábil
  3. práctico
noun
  1. acierto
  2. destreza
  3. maña
noun
1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord hand
manojillo
noun
  1. 2. gebruiksaanwijzing
    1. manual
    2. compendio
    3. guía
    4. recolección
  2. 1. leerboek dat tot leidraad...
    1. manual
    2. libro de estudio
    3. libro de texto
verb
quiromancia
noun
batidora manual
noun
1. binnenzijde van de hand
  1. palma
  2. palma de la mano
noun
1. met de hand bediende rem
freno de mano
/hɑnd.sxun/, /ɦɑnt.sxun/, /ɦɑnt.sχun/
noun
1. een handkledingstuk met aparte vingers
guante
noun
  1. 2. een met de hand geschreven boekwerk
    1. autógrafo
    2. manuscrito
  2. 1. de manier waarop iemand met de hand schrijft
    letra
noun
  1. bolsa
  2. bolso
noun
firma
noun
1.
  1. agarradera
  2. agarradero
  3. asa
  4. mango
  5. empuñadura
noun
carta
/hɑnd.wɑrm/, /ɦɑnt.ʋɑrm/, /ɦɑnt.β̞ɑrm/
adjective
templado
noun
artesanía
noun
muñeca
noun
serrucho
noun
1.
cabrio
/ˈhanə(n)kɑm/
noun
  1. 2.
    cresta
  2. 1. Cantharellus cibarius, een eetbare paddenstoel met een lichte pepersmaak
    1. rebozuelo
    2. cantarela
noun
cola de gallo
/ɦɑŋ/
noun
1. de neiging tot iets
  1. inclinación
  2. tendencia
/ˈɦɑŋə(n)/
verb
  1. colgar
  2. pender
/ˈhɑŋənt/
adjective
colgante
noun
  1. 2. hangend sierraad
    pendiente
  2. 1. voorwerp waaraan men iets kan hangen
    percha
noun
1. een lamp die aan het plafond hangt
lámpara colgante de iglesia
/ˈɦɑŋmɑt/
noun
1. een doek dat aan de uiteinden opgehangen wordt en waarin personen kunnen liggen
  1. hamaca
  2. hamaca paraguaya
noun
1. een slot dat aan een beugel hangt
candado
noun
1. toneelfiguur, het meest overeenkomende Harlekijn
Arlequín
noun
hantavirus
pronoun
1. verbond van Noord-Europese handelssteden
  1. Hansa
  2. Liga Hanseática
noun
1. stad die deel uitmaakt van de Hanze
ciudad hanseática
noun
1. voedsel of iets anders dat je door het openen en sluiten van je lippen in je mond krijgt
  1. bocado
  2. mordisco
noun
2. aarzeling
  1. duda
  2. vacilación
noun
2. (voeding) (kookkunst) klein gerechtje
  1. bocadito
  2. montadito
  3. pincho
verb
morder
adjective
  1. codicioso
  2. ávido
noun
hapteno
adjective
1. betrekking hebbend op de tastzin
háptico
noun
haraquiri
/haˈram/
adjective
haram
noun
1. en 2 grof gemalen meel van harde tarwe (Triticum durum)
  1. sémola de trigo candeal
  2. sémola de trigo duro
verb
  1. 5. zichzelf meer weerstand verschaffen
    arcerarse
  2. 2. psychisch tegen moeilijkheden bestand maken
    endurecer
  3. 1. hard maken, met name van staal door verhitten, afschrikken en hameren
    templar
/'ɦɑrdər/
noun
1. Mugil curema, een straalvinnige vissoort
mújol
noun
hard house
noun
1. een vrouwelijke beoefenaar van de hardloopsport
corredora
/'ɦɑrd.lo.pə(n)/
noun
corrimiento
/'ɦɑrd.lo.pə(n)/
verb
correr
noun
1. een mannelijke beoefenaar van de hardloopsport
corredor
adverb
  1. en voz alta
  2. en alta voz
verb
1. met bij temperaturen boven 450°C gesmolten metaal voorwerpen van metalen...
soldador fuerte
noun
1. elektronische en mechanische delen in en om computersystemen
hardware
adjective
  1. peludo
  2. velloso
  3. velludo
/ˈɦarɪŋ/
noun
  1. 1. zoutwatervis
    arenque
  2. 2. tentharing
    puntal
noun
1. bepaalde middelgrote haai en consumptievis, Lamna nasus
  1. marrajo
  2. tiburón cailón
noun
ensalada de arenque
noun
1. tuingereedschap aan lange steel, met een reeks tanden aan de onderzijde
rastrillo
verb
rastrillar
noun
armonía
noun
banda sinfónica
adjective
con armonía
noun
  1. armonización
  2. harmonización
adjective
armónico
verb
1. standaardiseren
armonizar
noun
1. (muziekinstrument) een toetsinstrument dat gerekend wordt tot de aerofonen
armonio
noun
1. een wapenuitrusting gemaakt van metalen platen die het lichaam volledig of grotendeels bedekt
  1. armadura
  2. arnés
noun
1.
  1. arpa
  2. harpa
noun
3. feeks
  1. arpía
  2. harpía
/hɑrˈpun/, /ɦɑrˈpun/
noun
  1. 2. een speer met weerhaken
  2. 1. een grote pijl met weerhaken aan een touw
arpón
verb
1. het vangen van vissen door middel van een harpoen
  1. arponar
  2. arponear
/ɦɑrs/
noun
1. het stroeve en plakkerige product van boomsappen, met name van naaldbomen
resina
/ɦɑrt/
noun
corazón
noun
1. het afsterven van hartspierweefsel door afsluiting van een kransslagader of een tak hiervan
  1. ataque cardiaco
  2. infarto agudo de miocardio
adjective
sabroso
noun
1. verstopping van een kransslagader of een tak hiervan, leidend tot het afsterven van hartspierweefsel
infarto de corazón
noun
palpitación
/ˈɦɑrtkʋaːl/
noun
1. kwaal aan het hart
  1. dolencia cardiaca
  2. enfermedad del corazón
noun
ritmo cardíaco
noun
  1. latido del corazón
  2. latido cardiaco
noun
cardiólogo
noun
pasión
adjective
1. sterke emoties van schok en ontzetting oproepend
desgarrador
noun
1. een taai ondoorzichtig vliesachtig zakje in de thorax, waarin het hart zich bevindt
pericardio
/ˈɦɑrtsiktə/
noun
1. kwaal aan het hart
  1. dolencia cardiaca
  2. enfermedad del corazón
noun
1. softdrug, bereid uit ingedikt sap van gedroogde en fijngestampte vrouwelijke hennepbloemen
hachís
noun
  1. cáñamo
  2. cáñamo indio
  3. hachich
  4. hachís
  5. haschich
  6. marijuana
noun
1. scheikundig element met symbool Hs en atoomnummer 108
  1. hasio
  2. hassio
adjective
1. door onvriendelijke gevoelens gedreven
  1. malévolo
  2. odioso
/'ɦatə(n)/
verb
kwade gevoelens jegens iemand koesteren
  1. odiar
  2. aborrecer
  3. detestar
interjection
achís
noun
1. drie doelpunten in één wedstrijd gemaakt door één speler
tripleta
noun
espacio de Hausdorff
noun
haustorio
/ˌotkuˈtyr/
noun
alta costura
noun
1. een droge doosvrucht, die minstens driemaal zo lang als breed is, zoals bij koolzaad en pinksterbloem.
silicua
noun
loto marino
adjective
harapiento
/ɦavə(n)/
noun
1. natuurlijke of aangelegde aanlegplaats voor schepen.
puerto
/ˈɦaːvən.ˌɑrbɛidər /
noun
1. arbeider die in een haven werkt
descargador
verb
  1. echar a perder
  2. estropear
noun
1. een golfbreker bij een haven
rompeolas
noun
1. havenarbeider, dokwerker, bootwerker
descargador
noun
1. en 2. (zaden van) eenjarig graangewas Avena sativa
avena
/ˈhavərˌmɪːɫ/
noun
zeer fijn gemalen haver
harina de avena
noun
plantaardige melk op basis van hele haverkorrels
bebida de avena
noun
gacha de avena
noun
met de zaadhuiden vergroeide vruchtwanden en kiemen van haverkorrels
fibra de avena
noun
havervlokken
  1. copos de avena
  2. hojuelas de avena
noun
met de zaadhuiden vergroeide vruchtwanden en kiemen van haverkorrels
salvado de avena
/ˈɦavɪk/
noun
  1. 1. Accipiter gentilis, een roofvogel die op kleine zoogdieren en vogels jaagt
    1. azor
    2. gavilán
  2. 2. iemand die graag oorlog wil voeren
    1. halcón
    2. azor
noun
vellosilla
noun
efecto Hawthorne
noun
1. een heester waaraan hazelnoten groeien
  1. avellano
  2. avellanero
noun
grévol
/ˈhazəɫˌnot/
noun
1. een vrucht van de hazelaar
avellana
noun
aceite de avellana
/ˈhaː.zə(n)ˌlɪp/
noun
labio leporino
noun
civet de liebre
noun
pie de liebre
noun
2. plant
  1. cola de liebre
  2. lágrimas de la virgen
noun
1. snelle hond wordt ingezet voor wedrennen of jacht op hazen
  1. galgo
  2. lebrel
/ha.ˈhi.ti/, /ɦa.ˈi.ti/, /ɦɑ.ˈi.ti/
pronoun
1. een land in het Caribisch gebied bezettend de westelijk derde van het eiland Hispaniola
Haití
adjective
  1. haitiano
  2. haitiana
noun
haitiana
noun
gourde haitiano
pronoun
islas Heard y McDonald
noun
1. kenmerkende, vreemde gewoonte
  1. mala costumbre
  2. resabio
/ˈɦɛbə(n)/
verb
1. bezitten
  1. haber
  2. tener
pronoun
1. officiële taal van Israël, de heilige taal van de Joden en de taal van de Tenach
hebreo
pronoun
Hebreos
/heˈbrejər/
noun
hebreo
noun
  1. avaricia
  2. codicia
adjective
1. blijk gevend van hebzucht, hebberig
  1. codicioso
  2. avaricioso
noun
hecatombe
verb
  1. 3. zich hechten aan
    acaserarse
  2. 1. een wond dichtnaaien
    suturar
noun
1. arrest, gevangenschap
  1. custodia
  2. detención
noun
  1. sutura
  2. adherencia
  3. punto quirúrgico
noun
hectógrafo
noun
hectogramo
noun
1. 100 liter
hectolitro
/ˈɦeː.də/
noun
1. werk, afval van vlas of hennep
estopa
adverb
  1. 1. in de tegenwoordige tijd, in deze tijd
    ahora
  2. 2. op deze dag
    hoy
noun
presente
/ˌɦe:dənˈda:xs/
adjective
1. gangbaar in de huidige tijd
contemporáneo
noun
  1. fondo de alto riesgo
  2. fondo de inversión libre
  3. instrumento de inversión alternativa
noun
1. leer dat genot het hoogste goed is
hedonismo
noun
hedonista
noun
  1. merluza
  2. carioca
  3. merluza europea
  4. pescada
  5. pescadilla
/heːl/
adjective
1. niet stuk
  1. entero
  2. completo
  3. intacto
/heːl/
adverb
1. in hoge mate
muy
/he.ˈlal/, /ɦe.ˈlaɫ/
noun
[1] het gehele tijd-ruimtecontinuüm waarin wij bestaan, samen met alle materie en energie
  1. universo
  2. cosmos
noun
1. de tak van de geneeskunde die met operatie probeert te genezen
cirugía
noun
cirujano
/ɦeːn/
adverb
  1. lejos
  2. fuera
noun
muerte
noun
1. de christelijke aanduiding voor God
Señor
/ɦɪːr/
noun
  1. 6. baas
    1. amo
    2. dueño
    3. jefe
    4. patrón
  2. 4. welgemanierd persoon
    1. caballero
    2. gentilhombre
  3. 11. leger
    ejército
  4. 5. heerser
    rey
  5. 1.
    señor
noun
calzada romana
adjective
1.
delicioso
noun
1.
señorío
noun
  1. cola de caballo
  2. candalillo
  3. cien nudillos
  4. cienudillos
  5. cola de caballo del campo
  6. cola de caballo menor
noun
    1. 1. de waardigheid van heer
    2. 2-3
    1. señoría
    2. señorío
  1. 4. (pejoratief) mannelijk persoon
    1. tipo
    2. tío
/hersxɑˈpɛi/
noun
1. geheel der dingen waarover iemands macht zich uitstrekt, waarover hij heerst (bewind uitoefent) en het daarbij horende gezag geniet
  1. mando
  2. gobierno
  3. potencia
  4. señoría
/hersə(n)/
verb
1. de macht uitoefenen
  1. regir
  2. reinar
  3. gobernar
  4. imperar
noun
1. iemand die de macht uitoefent
  1. soberano
  2. gobernante
noun
  1. arbusto
  2. mata
/ɦeːt/
adjective
1.
  1. caliente
  2. caluroso
  3. ardiente
noun
1.
palanca
noun
  1. fondo de alto riesgo
  2. fondo de inversión libre
  3. instrumento de inversión alternativa
verb
  1. levantar
  2. elevar
  3. recaudar
  4. alzar
  5. imponer
noun
1. oplegging van belastingen: tolheffing
  1. arancel
  2. impuesto
noun
1. een luchtvaartuig dat door middel van een hefschroef verticaal kan opstijgen en landen
helicóptero
/ɦɛftəx/
adjective
1. extreem in mate
  1. impetuoso
  2. vehemente
noun
carretilla elevadora
noun
1. een (meestal lijnvormige) aanplanting van struiken en/of bomen die dient om ruimten te scheiden
  1. cercado
  2. seto
noun
hegemonía
noun
  1. polígono del desierto
  2. polígono trepador
noun
1. een zangvogel ter grootte van een huismus met opvallend grijs op de kop
  1. moscareta
  2. papamoscas
noun
  1. nabo del diablo
  2. nueza
noun
1. een stuk tuingereedschap dat gebruikt wordt om heggen te snoeien
  1. cizallas para setos
  2. tijera para setos
noun
brezal
noun
  1. arpía
  2. harpía
/ˈhɛɪ̯də/, /ˈhɛːdə/
noun
  1. 1. een met heidekruid begroeide vlakte
    brezal
  2. 2. onbebouwde grond
    landa
noun
1. mensen die geen jood of christen zijn
pagano
noun
1. een verzamelnaam voor de polytheïstische religies waarmee het zich verspreidende christendom in aanraking kwam
paganismo
adjective
1. van de heidenen
pagano
adjective
violeta érica
noun
brezal
adjective
brumoso
/ɦɛjl/
noun
1. voordeel
salvación
noun
1. bepaald soort grote schol, reus onder de platvissen en consumptievis, Hippoglossus hippoglossus
  1. halibut
  2. fletán
noun
fisioterapia
/ɦɛj.ləɣ/
adjective
1. door wijding aan het goddelijke bijzonder gemaakt
  1. santo
  2. sagrado
  3. sacrosanto
noun
sacro
noun
1. plaats of gebouw gewijd aan een god of godin
santuario
noun
  1. San
  2. Santa
  3. Santo
noun
1.
Espíritu Santo
phraseologicalUnit
santo grial
noun
1. de pauselijke regering
Santa Sede
noun
santidad
noun
vergrijp aan iets heiligs
  1. sacrilegio
  2. profanación
adjective
saludable
/ˈɦɛɪmələk/, /ˈɦɛːmələk/
adjective
1. geheim, opzettelijk verborgen
  1. furtivo
  2. secretamente
noun
  1. barrera
  2. valla
noun
1. funderingspaal die diep de grond in geboord of geslagen wordt om een stevig fundament te zijn ...
pilote
noun
  1. 2. sterke afkeer
    antipatía
  2. 1. werktuig gebruikt bij het verwerken van hennep of vlas
    rastrillo
noun
1. gedicht waarin ondeugden of misstanden aan de kaak worden gesteld
sátira
noun
sátira
/ɦɛks/
noun
1. een over het algemeen vrouwelijk persoon aan wie bovennatuurlijke krachten worden toegeschreven
bruja
verb
  1. embrujar
  2. hechizar
pronoun
Malleus Maleficarum
/ˈhɛksə(n)ˌjɑxt/
noun
1. het jagen op vermeende heksen
  1. caza de brujas
  2. persecución de brujas
noun
1. pandemonium
pandemonio
noun
anillo de hadas
noun
  1. brujo
  2. encantador
noun
aquelarre
noun
brujería
noun
1. het geheel van staven etc. waardoor een hek wordt gevormd, rastering of balustrade
verja
/'ɦɛl/
adjective
  1. claro
  2. luminoso
/'ɦɛl/
noun
1. een plek waar de ziel van daartoe veroordeelde overledenen naar toe gaan
infierno
adverb
1. jammer genoeg, spijtig genoeg
desgraciadamente
/ɦɛlt/
noun
héroe
noun
epopeya
adjective
1. klaar, doorzichtig
claro
/'hɛl·dərˌhɛɪt/
noun
  1. 3. zindelijkheid, schoonheid
    1. aseo
    2. limpieza
    3. pulcritud
  2. 2. de intensiteit van uitgezonden licht
    1. brillantez
    2. lumbre
    3. luminancia
    4. luminosidad
  3. 1. lichtscherpte
    1. claridad
    2. nitidez
  4. 4. van geest
    1. lucidez
    2. serenidad
adjective
clarividente
noun
vidente
noun
clarividencia
/'ɦeləmal/
adverb
1. in z'n geheel
  1. enteramente
  2. completamente
/'ɦelə(n)/
verb
  1. 1. gezond worden
    1. curar
    2. sanar
    3. cicatrizar
  2. 2. gestolen goed in ontvangst nemen
    receptar
/ˈhelər/
noun
1. iemand die bereid is om gestolen goederen op te kopen
perista
/ɦɛlft/
noun
mitad
pronoun
1. mythologische hond
Cancerbero
/ɦelɪˈkɔptər/
abbreviation
1. luchtvaartuig dat d.m.v. een hefschroef verticaal kan opstijgen en landen
  1. helicóptero
  2. autogiro
/ˈhe.lɪŋ/
noun
  1. 1. het gezond worden of maken van iemand
    curación
  2. 2. het verkopen van gestolen goederen zonder dat de verkoper ze zelf gestolen heeft
    receptación
adjective
heliocéntrico
noun
heliógrafo
noun
heliotropo
noun
1. een chemisch element en een inert edelgas
helio
noun
1. lang middeleeuws wapen
alabarda
noun
helenismo
noun
1. een glooiing in het landschap
  1. pendiente
  2. cuesta
  3. declive
/ɦɛlm/
noun
  1. 2. helmgras
    barrón
  2. 1. beschermend hoofddeksel
    1. casco
    2. yelmo
noun
helminto
/ˈɦɛlm.knɔp/
noun
antera
noun
escrofularia
noun
caña del timón
noun
ilota
noun
help desk
/ˈɦɛlpə(n)/
verb
1. iemand bijstaan
  1. ayudar
  2. auxiliar
noun
  1. ayudante
  2. asistente
  3. adjunto
noun
ayudante
adjective
infernal
noun
hemangioma
noun
hematocrito
noun
hemofobia
noun
hematopoyesis
noun
1. kledingstuk voor het bovenlijf
camisa
/ˈɦeːməl/
noun
  1. 1. lucht, onmetelijke ruimte die overal op aarde bovenaan zichtbaar is
    1. cielo
    2. firmamento
  2. 2. het hiernamaals, leven na de dood
    1. cielo
    2. paraíso
noun
cama de columnas
noun
1. lijkbezorging waarbij het lichaam van een dode een plaats boven de grond krijgt waar het door dieren wordt opgegeten
entierro celestial
noun
  1. ailanto
  2. ailantus
  3. falso zumaque
  4. zumaque falso
  5. árbol de cielo
  6. árbol de los dioses
noun
ecuador celeste
noun
ecuador celeste
noun
  1. cuerpo celeste
  2. objeto astronómico
adjective
celestial
adjective
  1. azul celeste
  2. celeste
noun
  1. crásula mayor
  2. hierba callera
  3. hierba de callos
  4. hierba telefio
pronoun
1. de herdenking dat Jezus Christus na zijn verrijzenis opgevaren is naar God Zijn Vader in de hemel
  1. Ascensión
  2. Ascensión de Jesucristo
noun
  1. ascensión
  2. ascensión de Jesucristo
noun
1. christelijke feestdag waarin gevierd wordt dat Jezus na de opstanding naar de Hemel ging
Ascención
noun
rayo
noun
hemeroteca
noun
hemisferio
noun
1. bloederziekte
hemofilia
noun
1. knobbelachtige zwelling van aders in het onderste deel van de endeldarm en in de anus
hemorroides
personalPronoun
él mismo
/ɦɛn/
noun
1. vrouwtje van hoenderachtige vogels
gallina
noun
  1. endíadis
  2. hendíadis
/ˈhɛndrɪk/
pronoun
2. spelwoord voor de letter h
Honduras
noun
1. visserswerktuig
  1. caña
  2. caña de pescar
/ɦɛŋst/
noun
  1. 3. harde klap
    estallido
  2. 1. mannelijk paard
    1. semental
    2. garañón
/ˈɦɛ.nəp/
noun
  1. cáñamo
  2. 2. variëteit indica
    1. cáñamo
    2. cáñamo indio
    3. marijuana
noun
  1. hierba tora
  2. jopo
  3. rabo de lobo
noun
1. henry
henrio
noun
1. C31H64
hentriacontano
personalPronoun
  1. ellas mismas
  2. ellos mismos
adjective
1. met betrekking tot de lever
hepático
noun
1. leverontsteking
hepatitis
noun
1. C₇H16
heptano
/herɑl'dik/
noun
1. de wetenschap die zich bezighoudt met de wapenkunde
heráldica
adjective
heráldico
noun
1. verzameling van, album met gedroogde planten
herbario
verb
repoblado
noun
1. eet- en overnachtingsgelegenheid die kleiner, goedkoper en eenvoudiger is dan een hotel
  1. posada
  2. venta
  3. albergue
verb
  1. 1. huisvesten
    1. albergar
    2. hospedar
    3. alojar
  2. 2. tot verblijf dienen
    alojar
  3. 3. bevatten
    contener
noun
1. dier dat zich met plantaardig voedsel voedt
herbívoro
pronoun
1. Romeinse halfgod
Hércules
noun
escarabajo Hércules
verb
1. plechtig aandacht schenken aan een gebeurtenis uit het verleden
  1. conmemorar
  2. recordar
noun
conmemoración
/hɛrˈdɛŋkɪŋsˌdinst/
noun
1. een (kerk)dienst ter herdenking
ceremonia de conmemoración
/'ɦɛrdər/
noun
1. begeleider en bewaker van een kudde
pastor
noun
1.
pastora
noun
1. hond die een kudde bewaakt
perro pastor
noun
2. benaming voor plantensoorten uit het geslacht Capsella
  1. alforja
  2. bolsa de pastor
  3. bolsa del pastor
  4. calzoncitos
  5. pan y quesillo
  6. paniquesillo
adjective
hereditario
noun
1. een geestelijke die in afzondering leeft
eremita
noun
1. Geronticus eremita
ibis eremita
noun
1. een kreeftachtige (Eupagurus bernhardus) uit de orde van tienpotigen, die in de schelp van een zeeslak woont
cangrejo ermitaño
noun
judía verde
noun
  1. servicio feudal
  2. servidumbre
noun
reunificación
noun
1. een toilet of wc-ruimte voor mannen
  1. baño de señores
  2. servicio de caballeros
noun
herejía
noun
1. derde jaargetijde
otoño
noun
1. herfstdag
día de otoño
noun
1. bepaald soort plant, Colchicum autumnale
  1. cólquico
  2. cólchico
  3. espantapastores
  4. mata perros
  5. narciso de otoño
noun
tiempo de otoño
verb
devolver
noun
reagrupación
adjective
  1. bijwoord: herhaaldelijke keren
    repetidamente
  2. bijvoeglijk naamwoord
    repetido
verb
  1. 1. iets opnieuw doen
    repetir
  2. 1. iets opnieuw zeggen
    1. repetir
    2. redecir
noun
1. het nogmaals plaatsvinden
repetición
noun
1. lastige en hinderlijke veldmosterd die meestal op en rond akkers groeit
mostaza de campo
verb
reentrado
/ɦɛr.'ɪ.nə.rə(n)/
verb
  1. 1. opnieuw in gedachte brengen
    recordar
  2. 2. uit het geheugen opdiepen
    recordarse
noun
  1. recuerdo
  2. memoria
  3. remembranza
noun
  1. memoria
  2. monumento
noun
memoria
verb
reintegrar
noun
reinterpretación
verb
reentrar
noun
reintroducción
verb
recapitalizar
verb
1.
rumiar
noun
1. een herbivoor die zijn voedsel herkauwt
rumiante
adjective
reconocible
verb
1. waarnemen en beseffen wie het is
reconocer
noun
reconocimiento
verb
reelegir
noun
  1. origen
  2. procedencia
  3. descendencia
  4. proveniencia
verb
reducir
/hɛrˈlevə(n)/
verb
1. opnieuw tot leven komen, opnieuw opbloeien
  1. revivir
  2. renacer
  3. reponerse
  4. resurgir
verb
1. opnieuw lezen
releer
noun
hermafrodito
noun
1. bepaald klein wezelachtig zoogdier, Mustela erminea
armiño
adjective
1. luchtdicht
hermético
noun
hermetismo
noun
1. uitstulping van een orgaan of weefsel uit de lichaamsholte waar het normaliter in ligt
hernia
verb
replantear
verb
reabrir
noun
reapertura
verb
reorientar
verb
1. een eerder verloren positie opnieuw veroveren
reconquistar
noun
een verdovend middel
heroína
adjective
1. heldhaftig, dapper
heroico
noun
heroísmo
noun
1. veel en onaangenaam geluid
  1. ruido
  2. alboroto
  3. estruendo
  4. tumulto
verb
1. opnieuw oprijzen, opnieuw gaan leven of functioneren
  1. realzarse
  2. reponerse
  3. resucitar
  4. resurgir
verb
1. zeggen dat iets, dat je eerder gezegd hebt, niet klopt
  1. revocar
  2. anular
  3. contramandar
  4. contraordenar
verb
1. iets volledig nieuws ergens van maken
  1. transformar
  2. transformarse
verb
reescribir
noun
  1. muerte cerebral
  2. muerte encefálica
noun
1. brein
cerebro
noun
quimera
adjective
ilusorio
noun
indoctrinatietechniek
lavado de cerebro
noun
reparación de guerra
verb
  1. 1. terug werkend krijgen, repareren
    reparar
  2. 2. er terug bovenop geraken, weer beter worden
    reponerse
  3. 3. weer invoeren
    restablecer
noun
reparador
noun
1. benaming voor herkauwende zoogdieren uit de familie Cervidae
  1. ciervo
  2. venado
noun
1. een landsheer, oorspronkelijk van een hoger hiërarchisch niveau dan de markies
duque
noun
1. het gebied dat onder leiding staat of stond van een hertog
ducado
verb
1. opnieuw in het huwelijk treden
casarse
noun
  1. estrella de mar
  2. estrellamar
  3. hierba de la estrella
noun
1. de eenheid voor frequentie van trillingen
hercio
verb
reencontrarse
/ɦɛrˈvɔr.mə(n)/
verb
1. iets grondig wijzigen
  1. reformar
  2. remodelar
/ɦɛrˈvɔr.mər/
noun
1. een persoon die hervormingen nastreeft
  1. reformador
  2. reformista
noun
  1. 3. beweging tot herstel der oorspronkelijke zuiverheid in de leer...
    1. Reforma
    2. Reforma protestante
  2. 1. het proces van hervormen
    reforma
verb
  1. recobrar
  2. reencontrar
/hɛr.ˈzin/, /ɦɛr.ˈzin/
verb
1. opnieuw naar iets kijken om veranderingen aan te brengen
  1. revisar
  2. inspeccionar
noun
revisión
/(ɦ)ət/, /hɛt/
article
1. bepaald lidwoord
  1. el
  2. la
  3. lo
/(ɦ)ət/, /hɛt/
personalPronoun
1. 3e persoon enkelvoud onzijdig
  1. lo
  2. ello
  3. le
phraseologicalUnit
1. het kan me niets schelen
  1. me importa un carajo
  2. no me importa
  3. me importa una mierda
/hət ˈre.γənt ˈpɛipə.ˌste.lə(n)/
phraseologicalUnit
Llueve a cántaros.
noun
tocino con manzanas
phraseologicalUnit
turbo
noun
generador aire caliente
noun
horno de convección
/'he.tə(n)/, /'ɦe.tə(n)/
verb
1. de naam dragen
llamarse
noun
heterocromía
adjective
heterocíclico
adjective
heterodoxo
noun
  1. herejía
  2. heterodoxia
noun
heterodino
adjective
heterogéneo
noun
heterogeneidad
adjective
1. aan de zijkant (buitenkant)
heterolateral
/ˈhetroziˌgot/
adjective
1. in het bezit zijnde van twee allelen van een gen bij een (diploïd) organisme
  1. heterocigoto
  2. heterocigótico
  3. heterócigo
pronoun
1. een dode taal die in het huidige Turkije werd gesproken
hitita
relativePronoun
que
demonstrativePronoun
1. de gelijke identiteit bezittend; onzijdig enkelvoud, zowel zelfstandig als bijvoeglijk gebruikt
lo mismo
noun
1. getande platte staaf waarop d.m.v. een tandrad iets verplaatst kan worden
cremallera
noun
recuerdo
noun
deel van beide zijkanten van het menselijk lichaam ter hoogte van het heupgewricht, waar het been met de romp verbonden is
cadera
noun
een kleine platte fles
petaca
/ɦøs/
adjective
1. hoffelijk, beleefd
correcto
/ˈhøvəɫ/
noun
1. verhoging in het landschap die wat lager is dan een berg
  1. colina
  2. cerro
/'ɦøvəlɑxtəx/
adjective
1. met aanzienlijke hellingen en hoogteverschillen
accidentado
/'ɦevəl/
noun
2. een geheel met vloeistof gevulde pijp of slang waarvan het ene einde lager gehouden wordt dan de andere, waardoor vloeistof van de laatste mond naar de eerste stroomt
sifón
noun
1. C₆H14
hexano
adjective
hexadecimal
adjective
1. als hoofdas van de rotatiesymmetrie een zestallige as bezittend
hexagonal
noun
  1. hexámetro
  2. verso hexámetro
pronoun
Hezbolá
noun
hezbolá
noun
1. een enigszins uitstekend deel achteraan de voet
talón
noun
1. iemand die overdreven kruiperig en onderdanig jegens iemand anders is
lamebotas
noun
1.
espolón calcáneo
/ɦiːr/
adverb
1. op deze plaats
  1. aquí
  2. acá
noun
1. leven na de dood
allá
/hɑj/
adjective
1. in een euforische toestand van veranderd bewustzijn verkerend
alucinado
adjective
alta definición
/'hɑjtɛk/
noun
alta tecnología
/hɛɪ̯/, /ɦɛɪ̯/, /ɦɛː/
personalPronoun
1. Nominatief mannelijk derde persoon enkelvoud
él
verb
1. zwaar ademhalen ten gevolge van een lichamelijke inspanning
  1. jadear
  2. acezar
  3. resollar
verb
1. iets met een touw of kabel in opwaartse richting trekken, al dan niet middels een katrol
  1. izar
  2. encaramar
noun
1. een constructie om zware lasten op te tillen
grúa
noun
1. een periodiek optredende, spontane, onwillekeurige samentrekking van het middenrif tijdens inademing...
  1. hipo
  2. singulto
/ˈɦɪkə(n)/
verb
1
hipar
noun
1. vrolijkheid of gelach
hilaridad
noun
espacio de Hilbert
pronoun
1. + 2. stad en district
Hildesheim
pronoun
Hilversum
/ˈhɪndə/
noun
1. een vrouwelijk hert
cierva
noun
  1. molestia
  2. turbación
  3. joroba
/'ɦɪndərə(n)/
verb
  1. estorbar
  2. obstaculizar
  3. entorpecer
noun
  1. emboscada
  2. asechanza
  3. insidia
noun
1. iets of iemand die een belemmering vormt bij het bereiken van een bepaald doel
  1. estorbo
  2. impedimento
pronoun
1 taal die vooral gesproken wordt in de noordelijke staten van India
hindi
noun
1. iemand uit Hindoestan
  1. hindú
  2. indostano
noun
hindú
noun
hinduismo
noun
2. kinderspel, waarbij men zich deels op één been verplaatst
  1. rayuela
  2. bebeleche
verb
1. het geluid van een paard voortbrengen
relinchar
noun
hippie
adjective
1. betrekking hebbend op de paardensport
hípico
adjective
hipocrático
noun
hipopotomonstrosesquipedaliofobia
/hirimotu/
pronoun
1. een van de drie officiële talen van Papoea-Nieuw-Guinea
Hiri Motu
noun
1. overmatige beharing
hirsutismo
pronoun
la Española
noun
1. woord of uitdrukking overgenomen uit het Spaans of gevormd naar Spaans voorbeeld
hispanismo
noun
histamina
noun
histograma
noun
histoplasmosis
noun
historicismo
noun
historicidad
noun
  1. historiador
  2. historiógrafo
noun
2. geschiedenis van een volk, een land enz
historia
adjective
histórico
adjective
histórico-crítico
noun
1. lied dat in korte tijd zeer populair wordt
éxito
noun
  1. saludo hitleriano
  2. saludo nazi
/ˈhɪtə/
noun
  1. calor
  2. ardor
/hɪ.tə.bə.stɛn.dɪx/, /ɦɪ.tə.bə.stɛn.dəx/, /ɦɪ.tə.bə.stɛn.dəχ/
adjective
1. bestand tegen hitte; kan na contact met hitte nog even goed functioneren
refractario
noun
ola de calor
noun
1. menselijk immuundeficiëntievirus
VIH
noun
1. rangorde
jerarquía
adjective
hierático
noun
jeroglífico
adjective
jeroglífico
verb
balancear
/ɦɔbələç/, /ˈɦɔbələx/
adjective
1. met hobbels, oneffen
desigual
noun
caballito de balancín
/hɔbi/
noun
1. een liefhebberij of bezigheid ter ontspanning voor in de vrije tijd
afición
noun
1. orkestinstrument, behoort tot de houtblazers, het wordt met een dubbelriet aangeblazen
oboe
noun
1. iemand die hobo speelt
oboísta
noun
1. balspel waarbij twee elftallen de bal met een hockeystick in elkaars doel proberen te slaan
hockey
noun
palo de hockey
pronoun
1. stad in Israël
Hod HaSharon
/ɦu/
adverb
1. op welke wijze
  1. cómo
  2. como
phraseologicalUnit
¿Cómo se llama usted?
/hud/, /ɦut/
noun
  1. 1. een hoofddeksel
  2. 2. deel van een zwam
sombrero
noun
  1. een functie die men vervult
    calidad
  2. een gesteldheid
    estado
/ˈhudə/
noun
guardia
/ˈhu.də(n)/, /ˈɦu.də(n)/
verb
1. een kudde dieren verzorgen en in de gaten houden
  1. guardar
  2. custodiar
  3. pastorear
noun
  1. guarda
  2. guardián
/ɦuf/
noun
1. hoornachtig omhulsel aan de teentop
  1. pezuña
  2. casco
noun
1. hoefdragend zoogdier
ungulado
noun
  1. herradura
  2. casquillo
noun
1. nagel waarmee de hoefsmid de hoefijzers aan de hoeven vastnagelt
clavo de herrar
noun
herrador
/ɦuk/
noun
1. een punt waar twee benen of halve rechten samenkomen
  1. esquina
  2. ángulo
  3. rincón
noun
1. een huis dat zich op de hoek van de straat bevindt
casa que hace esquina
adjective
  1. angular
  2. anguloso
noun
diagonal
noun
velocidad angular
/ˈhuk.steːn/
noun
  1. 1. een steen die gebruikt wordt om de hoekpunten van bouwwerken te verstevigen
  2. 2.
piedra angular
noun
  1. hula hoop
  2. hula-hula
adverb
  1. cuánto tiempo
  2. cuánto
noun
  1. conejitos
  2. ortiga mansa
noun
4. Onderdeel van een rolstoel
aro de empuje
/ɦur/
noun
1. vrouw die tegen betaling seksuele diensten verricht
  1. puta
  2. ramera
noun
1. ellendeling
hijo de puta
noun
hijo de puta
noun
  1. putero
  2. putañero
noun
hijo de puta
noun
1. reflexmatige explosieve uitademing
tos
noun
toses
verb
1. reflexmatige explosief uitademen bij prikkeling van de luchtwegen
toser
interrogativeCardinalNumeral
1. welk aantal?
  1. cuánto
  2. cuanto
/huˈvɪ:ɫhɛɪt/
noun
1. de kwantiteit waarin iets aanwezig is
  1. cantidad
  2. cuantía
adverb
en qué medida
conjunction
1. drukt een tegenstelling uit
aunque
/ɦɔf/
noun
  1. 1. de uitgebreide huishouding van een vorstelijke, bijvoorbeeld koninklijke familie
    corte
  2. 3. een stuk bebouwd land of tuin
    1. patio
    2. corral
    3. jardín
  3. 2. een instelling waar recht gesproken wordt
    tribunal
pronoun
Tribunal de Justicia de la Unión Europea
noun
cortesía
noun
  1. berro
  2. creson
  3. lepidio
  4. lepido
  5. mastuerzo
noun
senescal
noun
mantequilla maitre d'hotel
noun
1. een gebied waar relatief een hogere druk heerst dan elders, term uit de meteorologie
anticiclón
noun
  1. olla a presión
  2. olla exprés
  3. olla al vapor
  4. olla rápida
noun
  1. hidrolavadora
  2. hidrolimpiadora
  3. hidrolimpiadoras
noun
  1. HPLC
  2. cromatografía líquida de alta eficacia
noun
1. hoge cilindervormige hoed
chistera
noun
  1. arcipreste
  2. pontífice
/ˈɦoːɣər/, /ˈɦoːχər/
adjective
  1. más alto
  2. superior
noun
instelling waar hoger onderwijs wordt gegeven in bepaalde vakken
  1. academia
  2. college
  3. universidad
noun
1. een spoorweg geschikt voor hogesnelheidstreinen met snelheden van meer dan 200 km/h
línea de alta velocidad
abbreviation
1. een trein geschikt voor dienstsnelheden van 200km/h en hoger
tren de alta velocidad
noun
1. bepaald soort vis, Macruronus novaezelandiae
merluza neozelandesa
noun
  1. casilla
  2. recuadro
noun
encasillamiento
noun
1. grot, spelonk
cueva
noun
1. Ursus spelaeus, een grote berensoort, kwam in Europa voor in het Pleistoceen
  1. oso cavernario
  2. oso de las cavernas
noun
1. bepaald soort vogel, Columba oenas
paloma zurita
noun
1. theorie
holismo
/ˈɦɔlɑnt/
pronoun
  1. 1. een gedeelte van het westen van Nederland dat de provincies Noord-
  2. 2. heel Nederland
Holanda
noun
1. met eieren gebonden warme botersaus
salsa holandesa
noun
  1. holandés
  2. neerlandés
/ˈhɔlɑnts/
adjective
  1. holandés
  2. 2. Nederlands
    neerlandés
/ˈhɔlɑnts/
pronoun
neerlandés
noun
  1. holandesa
  2. neerlandesa
verb
correr
noun
1. scheikundig element met symbool Ho en atoomnummer 67
holmio
/ˈholokaust/
pronoun
Holocausto
/ˈholokaust/
noun
1. massale vernietiging van mensen of dieren
holocausto
/ˈholoˌkɔːstɔntˌkɛnɪŋ/
noun
negacionismo del Holocausto
noun
Holoceno
noun
1. een term die het geheel van iets weergeeft, terwijl in werkelijkheid slechts een deel wordt bedoeld
holónimo
/'ɦɔltə/
noun
1. een lege ruimte ingesloten is iets anders
  1. cavidad
  2. caverna
noun
corydalis
noun
computadora doméstica
noun
homeomorfismo
noun
aanhanger of beoefenaar van de homeopathische geneeswijze
homeópata
noun
homeopatía
adjective
1.volgens de homeopathie
homeopático
noun
1. zelfregulering, chemisch en fysiologisch evenwicht
  1. homeostasis
  2. homeostasia
noun
home run
/ˈhɔməɫ/
noun
1. insect uit het geslacht Bombus dat in de taxonomie wordt beschouwd als een grote harige bij
  1. abejorro
  2. abejarrón
  3. abejón
noun
  1. homosexual
  2. maricón
adjective
homosexual
noun
homofobia
noun
1. gelijkklinkend woord
  1. homófono
  2. homófona
adjective
homogéneo
verb
homogenizar
noun
1. op dezelfde manier gespeld woord
homógrafo
noun
1. een huwelijk tussen twee mensen van hetzelfde geslacht
matrimonio igualitario
noun
homomorfismo
noun
1. een woord dat hetzelfde wordt uitgesproken als een ander woord maar in betekenis verschilt
homónimo
noun
homonimia
noun
homosexualidad
adjective
1. betrekking hebbend op de liefde voor geslachtsgenoten
homosexual
noun
1. man met seksuele voorkeur voor mannen of vrouw met seksuele voorkeur voor vrouwen
homosexual
/ˈhomoziˌgot/
adjective
1. in het bezit van slechts één allel van een gen
  1. homocigoto
  2. homozigoto
/ˈhɔnd/, /ˈɦɔnt/
noun
1. Canis lupus familiaris, een zoogdier dat tot huisdier getemd is
  1. perro
  2. can
  3. cachorro
noun
pelea de perros
/ˈhɔn.də.ˌʋer/
noun
tiempo de perros
/ˈɦɔndərt/
cardinalNumeral
1. het getal 100
  1. cien
  2. ciento
adjective
  1. centesimal
  2. centígrado
cardinalNumeral
1. het getal 100.000, een tiende deel van een miljoen
cien mil
ordinalAdjective
cienmilésimo
ordinalAdjective
centésimo
noun
centenar
noun
1.
perrito
noun
  1. rabia
  2. hidrofobia
noun
1. bepaald soort kruipende, geurende plant met paarsblauwe bloemen, Glechoma hederacea
  1. hiedra terrestre
  2. hiedra sueca
noun
escrofularia perruna
noun
  1. apio de perro
  2. cicuta menor
  3. perejil de perro
noun
rosa silvestre
noun
grama canina
/hɔn.ˈdyː.rɑs/, /ɦɔn.ˈduː.rɑs/
pronoun
1. een land in Centraal Amerika, officieel de Republiek Honduras
Honduras
noun
lempira hondureño
verb
1. bespotten
  1. burlarse
  2. mofarse
/hɔŋ(g).ˈɣar/, /ɦɔŋ.ˈɣar/, /ɦɔŋ.ˈχar/
noun
1. iemand afkomstig uit Hongarije
Húngaro
/hɔŋ(g).ˈɣaːrs/, /ɦɔŋ.ˈɣars/, /ɦɔŋ.ˈχars/
adjective
1. betreffende Hongarije of het Hongaars
  1. húngaro
  2. húngara
/hɔŋ(g).ˈɣaːrs/, /ɦɔŋ.ˈɣars/, /ɦɔŋ.ˈχars/
pronoun
1. een Finoegrische taal die voornamelijk wordt gesproken in Hongarije
húngaro
/hɔŋ(g).ˈɣar.sə/, /ɦɔŋ.ˈɣar.sə/, /ɦɔŋ.ˈχar.sə/
noun
húngara
noun
forint húngaro
/ˌhɔŋ(g)ɣaˈrɛɪ̯.jə/, /ˌɦɔŋɣaˈrɛː.jə/, /ˌɦɔɴχaˈrɛɪ̯.jə/
pronoun
1. land in het midden van Europa
Hungría
/ˈɦɔŋər/
noun
1. behoefte aan voedsel
hambre
noun
1. een wijdverspreide honger als gevolg van voedselschaarste
  1. hambre
  2. hambruna
noun
1. het weigeren van voedsel uit protest
huelga de hambre
/hɔŋˈkɔŋ/
pronoun
1. een speciale administratieve regio van de Volksrepubliek China
Hong Kong
noun
hongkonés
adjective
  1. hongkonesa
  2. hongkonés
noun
hongkonesa
noun
1. munteenheid van Hongkong
dólar de Hong Kong
noun
1. een zoete stof die door bijen en enkele andere insecten uit bloemennectar wordt gewonnen
miel
noun
1. een bij van de soort Apis mellifera die honing maakt uit nectar en bloemen bestuift
abeja melífera
noun
rocío de miel
adjective
amarillo miel
noun
  1. coronilla real
  2. trébol real
noun
1. en 2. (vrucht van) plant Cucumis melo var. inodorus
  1. melón blanco
  2. casaba
  3. melón rocío de miel
  4. melón verde
noun
  1. panal
  2. bresca
adjective
    1. 2.
    2. 3.
    empalagoso
  1. 4.
    melifluo
  2. 1. zeer zoet
    meloso
noun
1. balsport waarbij de bal met een knuppel geslagen wordt en de spelers langs een drietal honken trachten rond te lopen tot zij weer de thuisplaat bereiken
béisbol
adjective
honorario
noun
honorarios
verb
  1. pagar
  2. 2. als geldig erkennen
    reconocer
/ɦoːft/
noun
1. een belangrijk lichaamsdeel, helemaal bovenaan het lichaam, waarin zich de hersenen...
cabeza
/'ɦovduk/
noun
1. een vierkante lap stof die vooral door vrouwen driehoekig samengevouwen over het hoofd gedragen wordt
pañuelo de cabeza
noun
1.
  1. plato principal
  2. plato fuerte
  3. plato de fondo
noun
1. een scheikundig element uit de reeks hoofdgroepmetalen van het periodiek systeem
metal del bloque P
noun
queso de cabeza
noun
1.voornaamste kantoor van een instelling
central
noun
almohada
noun
1. een letter die een groter formaat en meestal ook een andere vorm heeft dan een kleine letter
mayúscula
noun
1. klein, vleugelloos en bloedzuigend insect dat parasiterend leeft in het hoofdhaar
piojo
noun
1. Persoon die aan het hoofd van het onderzoek staat
investigador principal
noun
1. de voorste pagina van een website
página principal
noun
protagonista
noun
1. pijn in het hoofd
dolor de cabeza
noun
  1. premio mayor
  2. premio gordo
  3. primer premio
noun
punto cardinal
/'ɦof(t).stɑt/
noun
1. een belangrijke stad waarvandaan het land, de staat, deelstaat of provincie wordt bestuurd
capital
noun
1. het tuig dat een paard om het hoofd gedaan wordt om het dier berijdbaar te maken
brida
noun
1. een telwoord dat een hoeveelheid of aantal aanduidt
número cardinal
noun
trasplante de cabeza
adverb
1. in belangrijke mate, in overwegende mate
  1. esencialmente
  2. especialmente
  3. principalmente
adjective
cortés
/ɦoʊ̯χ/ /'ɦoʊ̯χə/ /ˈɦoʊ̯χst/, /ɦoːx/ /'ɦoːɣə/ /ˈɦoːxst/
adjective
1, 2, 3, 4
alto
verb
1. in hoog aanzien houden
  1. acatar
  2. apreciar
  3. estimar
noun
1.
  1. estima
  2. estimación
adjective
frecuencia alta
adjective
  1. altivo
  2. con altanería
  3. con altivez
noun
Majestad
noun
1. iemand met titel professor die aan een hogeschool of universiteit een leerstoel in een bepaald vak bekleedt en die het onderzoek en onderwijs in dit vak leidt
catedrático
pronoun
1. boek in de Bijbel met liefdespoëzie
  1. Cantar de los Cantares
  2. Cantar de Salomón
noun
1. overschatting van eigen kunnen
soberbia
noun
caldera de condensación
noun
  1. alta tensión
  2. alta tensión eléctrica
noun
red de transporte de energía eléctrica
noun
1. atletiekdiscipline waarbij het de bedoeling is over een tussen twee staanders bevestigde lat of touw te springen
salto de altura
adjective
supremo
adverb
demasiado
noun
2. opvallend goede prestatie
  1. proeza
  2. hazaña
noun
  1. 1. een verheffing van de aardkorst
    altitud
  2. 2. niveau
    1. nivel
    2. altura
noun
  1. 1. bijzonder belangrijk of goed ogenblik
    1. cenit
    2. cima
    3. culminación
    4. punto culminante
  2. 3. orgasme
    orgasmo
  3. 2. snijpunt van de hoogtelijnen van een driehoek
    ortocentro
noun
timón de profundidad
noun
1. de vertikale afstand tussen twee of meer plaatsen
diferencia de altitud
/ˈɦoxtəvres/, /ˈɦoçtəvres/
noun
1. angst voor hoogten
  1. acrofobia
  2. altofobia
noun
lámpara de rayos ultravioleta
noun
  1. marea alta
  2. flujo
noun
  1. altiplano
  2. meseta
noun
2. hoge waterstand in 't algemeen
  1. marea alta
  2. flujo
noun
1. gedroogd gras
heno
/ˈɦojbɛrx/
noun
1. een ter bewaring opgestapelde hoeveelheid gedroogd gras
  1. almiar
  2. pajar
noun
rinitis alérgica
noun
1. vorkvormig landbouwwerktuig waarmee bijvoorbeeld hooi wordt opgestoken
  1. horca
  2. bieldo
noun
  1. 1. voertuig waarop hooi wordt vervoerd
    caro de heno
  2. 2. benaming voor geleedpotigen uit de orde Opiliones
    1. segador
    2. típula
/'ɦuləgən/
noun
hooligan
noun
hooliganismo
/ɦoːp/
noun
  1. 3. verwachting van iets wenselijks
    esperanza
  2. 2. grote hoeveelheid
    montón
  3. 1. stapel
    1. pila
    2. cúmulo
adjective
  1. esperanzador
  2. prometedor
noun
  1. aparato auditivo
  2. audífono
/hoːrnar/, /ho̝ːrnar/
noun
1. Vespa crabro, een soort grote wesp
avispón
noun
córnea
noun
radioteatro
noun
tromba
adjective
1. waaraan hoop op succes ontbreekt
desesperado
/ˈɦoːpə(n)/
verb
1. wensen, graag zien dat er iets wel of niet voorvalt
  1. esperar
  2. tener esperanza
noun
1. loopnummer in de atletiek
carrera de vallas
verb
carreras de vallas
noun
1. de bedrijfstak die alle eet- en drinkgelegenheden en hotels omvat
horeca
/hɔː.rən/
verb
1. waarnemen met het oor zonder er noodzakelijkerwijs aandacht aan te besteden
  1. oír
  2. oir
  3. escuchar
noun
horizonte
noun
horizonte
adjective
1. in de richting die haaks staat op die van de zwaartekracht van de aarde
horizontal
noun
1. een draagbaar voorwerp waarop de tijd kan worden afgelezen
reloj
adjective
1. met betrekking tot hormonen
hormonal
noun
1. een stof die door een endocriene klier wordt afgescheiden ...
hormona
noun
horóscopo
noun
horrores
noun
  1. horror
  2. terror
noun
película de terror
adjective
intermitente
/ˈɦɔrzəɫ/
noun
1. parasitaire vliegsoort
  1. éstrido
  2. estro
pronoun
Oseas
noun
1. ziekenhuis, vooral voor militairen
hospital
noun
1. opneming in een ziekenhuis
hospitalización
verb
hospitalizar
noun
hospicio
noun
azafata
noun
1. het vijandig zijn
  1. hostilidad
  2. animadversión
  3. animosidad
  4. enemistad
noun
perrito caliente
/hoˈtɛl/, /ɦoˈtɛɫ/
noun
1. gebouw waar men tegen betaling kan eten en overnachten,...
  1. hotel
  2. albergue
noun
1. de eigenaar van een hotel
hotelero
noun
1. een kamer die voor gasten per nacht te huur is in een hotel
  1. habitación de hotel
  2. cuarto de hotel
noun
escuela hostelera
noun
pantalón corto
noun
1.de tijd dat producten veilig kunnen gebruikt worden
caducidad
noun
fecha de caducidad
/ˈɦɑʊdənt/
verb
  1. conteniendo
  2. manteniendo
noun
  1. portador
  2. propietario
  3. retén
noun
1. het onder zich hebben van andermans goed
mera tenencia
noun
  1. 2. gedragslijn, opstelling
    1. actitud
    2. ademán
    3. aire
  2. 1. een pose
    1. postura
    2. actitud
    3. porte
noun
inauguración de piso
noun
fiesta de inauguración de piso
/ɦɑʊ̯t/, /[ɦʌ̞̈ʊt]/
noun
1. het materiaal in het binnenste van houtige planten
  1. madera
  2. leña
noun
  1. leño
  2. taco
  3. tarugo
  4. zoquete
noun
construcción de madera
noun
1. bepaalde soort wilde duif, Columba palumbus
  1. paloma torcaz
  2. torcaz
/ˈhɑutə(n)/
adjective
de madera
noun
1. iemand die beroepsmatig houthakt
leñador
noun
1. jas die sluit met staafjes en lussen
trenca
/ˈhɑutkɑxəl/
noun
estufa de leña
noun
viruta
noun
horno de leña
noun
1. een door koken onder druk uit hout verkregen grondstof voor papier
  1. pasta de madera
  2. pulpa de madera
noun
1. verkoold hout
  1. carbón
  2. carbón vegetal
noun
  1. grabado de madera
  2. grabado en madera
  3. xilografía
noun
1. een vogel uit de familie van snipachtigen, Scolopacidae
  1. becada
  2. chocha
  3. sorda
noun
1. benaming voor verschillende in hout levende insectenlarven
carcoma
/ɦʌu/
noun
1. een slag met een scherp voorwerp
  1. tajo
  2. tajadura
noun
soberbia
/hovəlɪŋ/
noun
1. een onderdaan die tot het dagelijkse gezelschap van een vorst behoort
cortesano
noun
jardinero
verb
1. water uit een boot scheppen
  1. achicar
  2. baldear
pronoun
1. bepaalde telescoop die als een kunstmaan rond de aarde draait
telescopio espacial Hubble
pronoun
1. binnenzee in Noordoost-Canada
bahia de Hudson
noun
hipócrita
noun
1. het huichelen
hipocresía
verb
1. veinzen, doen alsof
fingir
pronoun
1. Uto-Azteekse taal gesproken door 30 duizend mensen in de deelstaten Jalisco en Nayarit in Mexico
huichol
/hœːd/, /ɦœʏ̯t/, /ɦœːt/
noun
  1. 1. vel, de buitenste laag weefsel die het lichaam bedekt
    1. piel
    2. cutis
  2. 2. de buitenbekleding van een schip
    tablazón
noun
dermatólogo
adjective
1. bij het heden behorend
  1. actual
  2. contemporáneo
noun
cáncer de piel
noun
1. specialist in de geneeskunde
dermatólogo
/hœytsiktə/
noun
1. aandoening van de huid
  1. enfermedad de la piel
  2. dermatosis
  3. enfermedad cutánea
/hœːx/, /ɦœʏ̯χ/, /ɦœːx/
noun
1. een lapje afhangend weefsel aan het uiteinde van het zachte verhemelte, waarmee onder andere het neuskanaal afgesloten kan worden
  1. úvula
  2. campanilla
noun
1.
niño con crisis de llanto
/ɦœy̯lə(n)/
verb
  1. 1. het geroep van wolven
    aullar
  2. 1. traanvocht uitscheiden door emotie
    llorar
/hœːs/, /ɦœʏ̯s/, /ɦœːs/
noun
1. gebouw bestemd om in te wonen
  1. casa
  2. residencia
noun
1. strafbepaling
  1. arraigo domiciliario
  2. arresto domiciliario
noun
1. een arts die de eerste lijn van opvang vormt voor een aantal vaste patiënten in de buurt
  1. médico de cabecera
  2. médico de familia
noun
1.
timbre
/ˈɦœyzdiːr/
noun
1. een dier dat in het huis of om het huis woont en leeft
  1. animal doméstico
  2. mascota
noun
domesticidad
adjective
ahumado casero
adjective
doméstico
noun
1. een familie die een samenwonende economische eenheid vormt
hogar
noun
1. vrouw die andermans huishouden verzorgt
ama de llaves
noun
caseta
noun
caracol
noun
  1. sala de estar
  2. cuarto de estar
noun
  1. alcachofera de gatos
  2. barba de Júpiter
  3. siempreviva
  4. siempreviva mayor
  5. siempreviva tapizante
noun
1. iets dat men zonder bewijs als geneesmiddel gebruikt
  1. remedio casero
  2. remedio de la abuela
noun
1. bepaald soort knaagdier dat vaak in en rond gebouwen voorkomt, Mus domesticus
  1. ratón casero
  2. ratón común
  3. ratón doméstico
noun
  1. 2. iemand die het liefst thuis blijft
    casero
  2. 1. kleine zangvogel die liefst in de buurt van de mensen leeft
    1. gorríon
    2. gorrión común
noun
número de la casa
noun
ayo
/ˈɦœy̯s.raːt/
noun
1. alle roerende niet eetbare goederen in een huis
  1. mobiliario
  2. ajuar
  3. mueblaje
noun
1. iemand die beroepsmatig schilderwerken aan en in gebouwen uitvoerd
pintor de brocha gorda
noun
1. stof in een woning
polvo de casa
noun
  1. 1. het huisvesten van iemand
    acomodación
  2. 2. het onderkomen dat iemand al of niet vindt
    1. acomodación
    2. instalaciones
noun
1. een vrouw die thuisblijft om het huishouden te doen
ama de casa
noun
1. schoolwerk dat thuis verricht moet worden
deberes
noun
1. Delichon urbica, een zwaluw die zijn nest tegen de huizen aanbouwt
golondrina
noun
1.een rilling als gevolg van afschuw of koude
estremecimiento
adjective
estremecedor
verb
habitar
noun
  1. bloque
  2. manzana
  3. manzana de casas
noun
1. eerbetoon
  1. homenaje
  2. honor
noun
  1. barca
  2. barco
  3. barco sin cubierta
verb
enrollar
/ɦʏlp/
noun
  1. 1. handeling om iemand steun of bijstand te verlenen
    1. ayuda
    2. socorro
    3. auxilio
    4. asistencia
  2. 2. iemand die ondersteuning of bijstand geeft
    1. ayudante
    2. asistente
adjective
desvalido
adjective
1. graag bereid te helpen
  1. oficioso
  2. servicial
noun
1. bereidheid om steun of assistentie te verlenen
buena voluntad
noun
1. iemand die zich toelegt op het verlenen van hulp in algemene zin
  1. asistente social
  2. trabajador social
noun
1. een werkwoord dat samen met een ander werkwoord de tijd of de hoedanigheid van het werkwoord vaststelt
  1. verbo auxiliar
  2. auxiliar
noun
1. bepaald soort groenblijvende boom of heester met stekelige leerachtige bladeren en rode bessen, Ilex aquifolium
acebo
adjective
  1. humano
  2. humanitario
verb
humanizar
noun
humanismo
noun
1.aanhanger van het humanisme
humanista
adjective
humanisto
adjective
humanitario
noun
humanidad
noun
humanoide
pronoun
Humboldt
pronoun
corriente de Humboldt
noun
1. een fluorhoudend magnesium-ijzer-silicaat met de chemische formule (Mg,Fe2+)₇(SiO₄)₃(F,OH)₂ dat behoort tot de nesosilicaten
humita
noun
1. puree van o.m. gekookte kikkererwten
  1. hummus
  2. humus
noun
humor
noun
1.
humorista
/ˈɦynəbɛt/
noun
1. neolithische begraafplaats
dolmen
/ɦyrə(n)/
verb
1. tegen betaling gebruiken
  1. alquilar
  2. arrendar
  3. tomar en alquiler
pronoun
1.
Hurgada
verb
1. op de onderbenen gaan zitten
acuclillarse
/ɦʏt/
noun
  1. 4. scheepshut
    camarote
  2. 1. een primitieve woning
    choza
noun
1. stamppot van aardappelen en wortels (eventueel uien)
  1. hervido de zanahorias, cebolla y patata
  2. puré de patatas con carne, cebollas y zanahorias
  3. puré de patatas con cebollas y zanahorias
noun
  1. camelina
  2. nabo francés
  3. sésamo bastardo
/ɦyr/
noun
1. tijdelijk gebruik van goederen of diensten tegen betaling
alquiler
noun
inquilino
noun
  1. sicario
  2. asesino a sueldo
  3. matón a sueldo
noun
1. onderdeel van het burgerlijk recht m.b.t. de huur en verhuur van woon- en bedrijfsruimte
  1. derecho de locación
  2. derecho de arrendamiento
noun
  1. coche de alquiler
  2. simón
noun
  1. casa de alquiler
  2. piso de alquiler
/ɦiu̯ələk/
noun
1. ambtelijke of kerkelijke verbintenis tussen twee personen
matrimonio
adjective
conyugal
noun
ondertrouw; in ondertrouw gaan, aangifte doen
  1. amonestaciones
  2. publicar sus amonestaciones
noun
1. een voorstel om in het huwelijk te treden
pretensión
noun
1. akte van de burgerlijke stand waarin staat dat twee mensen met elkaar getrouwd zijn
certificado de matrimonio
noun
regalo de bodas
noun
1. notarieel contract waarin de vermogenspositie van beide huwelijkspartners wordt geregeld
capitulaciones matrimoniales
noun
regalo de bodas
/ˈɦiu̯ələksˌrɛɪ̯s/
noun
1. de reis die een pasgetrouwd stel gewoonlijk onmiddellijk na hun trouwen onderneemt
  1. luna de miel
  2. viaje de novios
noun
1. notarieel contract waarin de vermogenspositie van beide huwelijkspartners wordt geregeld
capitulaciones matrimoniales
/hʊ.ˈzaːʁ/
noun
1. een ruiterijsoldaat.
húsar
noun
1.
ensalada rusa
noun
3. bolgewas
jacinto
adjective
  1. híbrido
  2. cruzado
noun
hibris
noun
hidra
/hi'drat/
noun
1.
hidrato
noun
1. een speciale uitgeruste waterkraan geplaatst ten behoeve van de brandweer
boca de riego
noun
hidráulica
adjective
hidráulico
verb
hidratar
adjective
1.
hidroeléctrico
noun
dinámica de fluidos
adjective
1. wateropslorpend
hidrófilo
adjective
waterafstotend
hidrófobo
noun
hidrografía
noun
hidrología
adjective
hidrológico
noun
1. de splitsing van scheikundige verbindingen door opneming van water
hidrólisis
noun
hidrosfera
noun
hidrostática
noun
presión en un fluido
noun
1. vocht in de borstholte
hidrotórax
noun
hidróxido
noun
grupo hidroxilo
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de onderfamilie Hyaeninae
hiena
noun
higiene
noun
1.een instrument om vochtigheid van de lucht te meten
higrómetro
noun
  1. higroscopio
  2. higrómetro
noun
1. een verheven loflied op een bepaald onderwerp (zoals een land, God ...)
himno
noun
subidón
noun
hiperactividad
noun
hiperacusia
adjective
1. onder verhoogde druk
hiperbárico
noun
medicina hiperbárica
noun
hiperboloide
noun
  1. hipérbola
  2. hipérbole
adjective
hipercomplejo
noun
número hipercomplejo
noun
  1. ultracorrección
  2. sobrecorrección
noun
1. bloedaandrang, overmatig bloedgehalte van een orgaan of lichaamsdeel
hiperemia
noun
1. overmatige gevoeligheid
hiperestesia
noun
1. verhoogd suikergehalte in het bloed
hiperglucemia
noun
1. overmatige zweetafscheiding
hiperhidrosis
noun
1. benaming voor torren uit het geslacht Hyperion
hiperión
noun
1. overmatige bewegingsdrang
hipercinesia
noun
1. een gekleurd en/of onderstreept tekstgedeelte dat een onderliggende verwijzing bevat
  1. hiperenlace
  2. hipervínculo
noun
1. verhoogd vetgehalte in het bloed
hiperlipidemia
noun
hipermetropía
noun
1. een woord dat een verzameling van verwante specifiekere woorden samenvoegt, een overkoepelende term
hiperónimo
noun
hipersuperficie
noun
1. bovenmatige vermeerdering van weefsel
hiperplasia
noun
hiperpolarización
noun
1. een verhoogde reactie op prikkels (te hoge reflex)
hiperreflexia
noun
1. verhoogde afscheiding
hipersecreción
noun
hipersexualidad
noun
1. verhoogde gevoeligheid
hipersensibilidad
adjective
hipersónico
noun
1. overmatige prikkeling
estimulación exagerada
noun
1. verhoogde bloeddruk
hipertensión
noun
hipertermia
adjective
hipertónico
noun
1. overmatige haargroei
hipertricosis
noun
1. bovenmatige groei
hipertrofia
adjective
hipertrófico
noun
hiperuricemia
noun
1. het sneller-dan-normaal ademhalen, ofwel oppervlakkig ofwel diep
hiperventilación
noun
1. te groot bloedvolume
hipervolemia
noun
1.
hipnosis
adjective
1. met betrekking tot hypnose (een tijdelijke trance-achtige toestand)
hipnótico
verb
1. het onder hypnose brengen van mensen
hipnotizar
noun
1. onvoldoende urinezuur in het bloed
hipouricemia
adjective
1. onder verhoogde druk
hipobárico
noun
hipocentro
adjective
hipocondríaco
noun
1. overdreven bezorgdheid om de eigen gezondheid
hipocondría
/ɦipoˈkrit/
adjective
1. huichelachtig
hipócrita
/ɦipoˈkrit/
noun
1. iemand die voordoet bepaalde waarden te huldigen, maar zich er zelf niet aan houdt
hipócrita
noun
1. huichelarij
hipocresía
noun
hipocicloide
/ˌhipoˈfizə/
noun
1. een klier aan de onderzijde van de hersenen, die o.a. groeihormoon produceert en de schildklier aanstuurt
hipófisis
noun
1. te laag gehalte aan bloedsuiker
hipoglucemia
noun
palabra de maleta
noun
1. lichte vorm van ziekelijke aandrift (psychische opwindingstoestand)
hipomanía
noun
1. term die een subcategorie van een algemenere klasse aanduidt
hipónimo
noun
1. onvoldoende ontwikkeling
hipoplasia
noun
hipóstasis
noun
1. lage bloeddruk
hipotensión
noun
1. de schuine zijde van een rechthoekige driehoek
hipotenusa
adjective
hipotecario
noun
1. bezitloos bezwaren van een onroerend goed als onderpand
hipoteca
noun
1. onderkoeling
hipotermia
noun
hipótesis
noun
hipotimia
noun
1. verlaagde spierspanning
hipotonía
adjective
hipotónico
adjective
hipotrófico
noun
1. tekortschietende ademhaling
hipoventilación
noun
1. tekort aan vitamine
hipovitaminosis
noun
1. onvoldoende bloedvolume
hipovolemia
noun
hipoxemia
noun
1. Hyssopus officinalis, een gewas met geneeskundige kracht
hisopo
noun
1. verwijdering van de baarmoeder
histerectomía
noun
histéresis
noun
  1. histeria
  2. histerismo
adjective
histérico
/ɦe/
interjection
  1. 1. uitroep om aandacht
    1. eh
    2. oye
  2. 5. informele groet
    hola
noun
bepaalde suiker die veel in zoete vruchten voorkomt
cottage
noun
1. een mineraal met de chemische formule UO₂.5(UO₃) .10(H₂O)
iantinita
adjective
1. door medisch ingrijpen veroorzaakt
iatrógeno
pronoun
1. een Europees schiereiland dat zich ten zuiden van de Pyreneeën bevindt...
  1. Península Ibérica
  2. península ibérica
pronoun
Iberia
noun
  1. ibérico
  2. íbero
noun
1. een vogel met een lange gebogen snavel behorend tot de familie Threskiornithidae
ibis
noun
icono
noun
iconografía
noun
1.
icosaedro
/idiˈjal/
adjective
1. zo gunstig mogelijk
  1. ideal
  2. idóneo
/idiˈjal/
noun
1. iets wat men zich voorstelt als het hoogste en dat men wil verwezenlijken
ideal
verb
1. iets gunstiger of zelfs als ideaal beoordelen
idealizar
/idejaˈlɪsmə/
noun
idealismo
/ideja'lɪst/
noun
  1. 1. iemand die idealen nastreeft
  2. 2. (filosofie) aanhanger van het idealisme
idealista
adjective
idealista
noun
1. de volmaaktheid, de hoedanigheid van ideaal te zijn
idealidad
/iˈde/
noun
1. gedachte, plan
  1. idea
  2. concepto
noun
1. een dwangmatige gedachte
  1. monomanía
  2. idea fija
adjective
1. volledig hetzelfde, van dezelfde oorsprong
idéntico
noun
identificación
verb
identificar
adjective
idéntico
noun
1. geheel van eigenschappen dat je onderscheidt van anderen en bepaalt wie je bent
identidad
/idɛnti'tɛitskart/
noun
1. een identiteitsbewijs dat op een kaart gedrukt is
tarjeta de identidad
noun
  1. fisicalismo de tipo
  2. teoría de identidad de la mente
  3. teoría de la identidad de tipo
  4. teoría de la identidad mente-cerebro
  5. teoría de la identidad mente-cuerpo
/ˌideo'ɣrɑm/
noun
1. een grafisch teken dat een voorwerp symboliseert
ideograma
/ˌideoloˈɣi/
noun
1. het geheel van ideeën dat ten grondslag ligt aan een wijsgerig stelsel, m.b.t. hun maatschappelijke of politieke strekking
ideología
adjective
1. van, betreffend of volgens een ideologie
ideológico
noun
1. iemand die een ideologie opstelt
ideólogo
adjective
ideal
noun
1. een verzamelnaam voor muziekinstrumenten die toon/geluid voortbrengen door trillend materiaal
idiófono
adjective
1. het idioom betreffend
idiomático
adjective
idiomuscular
noun
1. een bijzondere uitdrukking in een bepaalde taal die samengesteld is door eigenaardig taalgebruik
  1. modismo
  2. usos idomáticos
/idi'ot/
adjective
1. zwakzinnig in de hoogste graad
idiota
/idi'ot/
noun
1. iemand die een grote maat van zwakzinnigheid heeft
idiota
adjective
1. van onbekende oorzaak
  1. idiopático
  2. idiopática
noun
2. kenmerkende eigenaardigheid
idiosincrasia
noun
1. komplete waanzin
idiocia
noun
idiotismo
/idoliserə(n)/
verb
1. buitensporig vereren
idolatrar
noun
idolopeya
adjective
1. bekoorlijk door landelijke eenvoud en liefelijkheid
idílico
personalPronoun
1. clitische vorm van de 3e persoon enkelvoud mannelijk nominatief
él
/i.də.ˈreːn/
indefinitePronoun
1. elke persoon
todos
indefinitePronoun
alguien
pronoun
Ypres
/iːr/
noun
1. inwoner van Ierland, of iemand afkomstig uit Ierland
irlandés
/ˈiːrlɑnd/, /ˈiːrlɑnt/
pronoun
1. een groot eiland in Noordwest-Europa
Irlanda
/iːrs/
adjective
  1. irlandesa
  2. irlandés
/iːrs/
pronoun
1. een Keltische taal die wordt gesproken in Ierland
irlandés
pronoun
  1. idioma irlandés
  2. irlandés
/ˈiːrsə/
noun
irlandesa
indefinitePronoun
1. een of ander ding
  1. algo
  2. alguna cosa
adverb
1. in bescheiden mate
algo
adverb
en algún lugar
noun
1.alkylerend oncolyticum
ifosfamida
/ˈiɣlo/
noun
1. sneeuwhut
iglú
adjective
ignorante
adjective
1. vol van zelfbewondering, een te hoge dunk hebbend van het eigen voorkomen en/of de eigen bekwaamheden
  1. vanidoso
  2. vano
noun
1. het zich toeleggen op betekenisloze uiterlijkheden
vanidad
noun
bosón de gauge
/'ɛɪ̯kə(n)/
verb
1. meting op juiste schaal brengen
  1. calibrar
  2. aforar
noun
expreso
verb
1. van koorts wartaal spreken
delirar
/ɛɪ̯s/, /ɛːs/
noun
  1. 2. een lekkernij die in bevroren toestand wordt gegeten
    1. helado
    2. hielo
  2. 1. de vaste vorm van water, bevroren water
    hielo
noun
  1. 2. ijsbaan
    pista de hielo
  2. 3. kunstijsbaan
    pista de hielo artificial
  3. 2. natuurijsbaan
    pista de hielo natural
noun
1. bepaald soort zoogdier, Ursus maritimus
  1. oso polar
  2. oso blanco
noun
1. een zeer groot brok ijs dat in de zee drijft
iceberg
noun
1. en 2 (bladeren van) Lactuca sativa var. capitata
lechuga iceberg
noun
1. een sterk, krachtig schip dat speciaal gebouwd en uitgerust wordt om zich een weg door het ijs te banen en alzo een vaargeul voor andere schepen te openen.
rompehielos
noun
helado
noun
1. bepaald soort vogel Gavia immer
colimbo grande
noun
1. ijssport waarbij twee teams van ieder vijf personen plus goalie met behulp van een stick een schijfje (puck) in het doel van de tegenstander proberen te schieten
hockey sobre hielo
/ˈɛɪʃə/
noun
1. portie van een uit roomijs of waterijs vervaardigde lekkernij
helado
/ˈɛɪ̯slɑnd/, /ˈɛɪ̯slɑnt/, /ˈɛːslɑnt/
pronoun
1.een Europees land, dat omgeven is door de Atlantische Oceaan en tussen Groenland en Europa in ligt. Tot 1944 behoorde IJsland bij Denemarken, maar tegenwoordig is het zelfstandig. De officiële naam is Lýðveldið Ísland.
Islandia
/ˈɛɪ̯slɑnds/, /ˈɛɪ̯slɑnts/, /ˈɛːslɑnts/
pronoun
1. een Germaanse taal die wordt gesproken op IJsland
islandés
noun
corona islandesa
noun
1. ijspriem
picahielo
noun
heladería
noun
2. tang om ijsblokjes op te pakken
tenaza para hielo
noun
1.een theevariant
té helado
/ˈɛɪ̯sfoχɔɫ/, /ˈɛɪ̯zvoːɣəl/, /ˈɛːsfoːɣəl/
noun
1. bepaald soort blauwgroen vogeltje met oranje borst en spitse snavel, Alcedo atthis
  1. martin pescador
  2. martín pescador
noun
1.
formación de hielo
noun
1
agua helada
noun
  1. celo
  2. ardor
  3. fervor
  4. asiduidad
  5. diligencia
pronoun
1.een rivier in West-Vlaanderen (België) en Frans-Vlaanderen (Frankrijk)
Yser
/ˈɛi̯zər/
noun
1. een scheikundig element met het symbool Fe en het atoomnummer 26
  1. hierro
  2. fierro
noun
cloruro de hierro
noun
alambre
noun
mineral de hierro
adjective
gris hierro
noun
  1. curalotodo
  2. hierba de los hechiceros
  3. hierba de los hechizos
  4. hierba sagrada
  5. hierba santa
  6. verbena común
noun
1. een verbinding van ijzer en zuurstof, waarin zuurstof de oxidatietoestand -2 bezit
óxido de hierro
noun
sulfato de hierro
noun
edad de hierro
noun
  1. espadachín
  2. espadón
  3. matón
noun
ferretería
adjective
  1. glacial
  2. helador
noun
  1. yo
  2. ego
personalPronoun
1.
yo
phraseologicalUnit
1. een verklaring van liefde aan iemand
  1. te amo
  2. te quiero
adjective
1. in weerwil van de wet
  1. ilegal
  2. ilícito
noun
1. een buitenlander die zonder werk- en verblijfsvergunning in een land verblijft
  1. ilegal
  2. sin papeles
  3. indocumentado
noun
1. de wereld van diegenen die zich niet storen aan de regels van de heersende macht
clandestinidad
adjective
iliberal
adjective
ilícito
verb
1. verlichten
  1. iluminar
  2. adornar con luces
noun
ilusión
adjective
1. beroemd, zeer bekend van reputatie
  1. conocido
  2. célebre
  3. famoso
noun
Ilustración
adjective
ilustrativo
noun
ilustrador
verb
ilustrar
noun
1. het beeld dat van een persoon of instelling bestaat
imagen
adjective
imaginario
noun
  1. 1. bepaald beeld dat van een persoon of instelling bestaat
    imagen
  2. 2. resultaat van de volledige gedaanteverwisseling bij een insect
    imago
adjective
imbécil
/ˌimiˈtasi/, /ˌimiˈtatsi/
noun
1. nabootsing
imitación
noun
queso artificial
noun
iemand die een ander persoon nadoet
imitador
/ˌimiˈterən/
verb
1. doen wat iemand anders doet
imitar
noun
1. iemand die bijen houdt voor het verkrijgen van honing
apicultor
adjective
inmanente
noun
inmanencia
/ˈɪmatəriˌjel/
adjective
inmaterial
noun
matriculación
noun
inmensidad
adjective
inmensurable
/ˈɪmiɣrɑnt/
noun
inmigrante
noun
1. het zich metterwoon vestigen van vreemdelingen in een land
inmigración
verb
1. een land binnenkomen om zich er te vestigen
inmigrar
noun
inmovilización
/ɪmoˈrel/
adjective
inmoral
noun
1. opwekken van onvatbaarheid
inmunización
noun
1. onvatbaarheid voor een ziekte
inmunidad
noun
1. de leer van het afweersysteem dat verantwoordelijk is voor: afweer tegen besmettelijke ziekten...
inmunología
adjective
1. onvatbaar
inmune
noun
inmunodeficiencia
noun
  1. sistema de inmunidad
  2. sistema inmune
  3. sistema inmunitario
  4. sistema inmunológico
adjective
  1. imperdonable
  2. inexcusable
  3. injustificable
noun
1. de tijdsafhankelijke mate waarin een materiaal het passeren van elektrische lading bemoeilijkt
impedancia
noun
1. de vorm waarin een werkwoord gebruikt wordt als iets zeker gedaan moet worden
imperativo
adjective
imperial
noun
baca portaequipajes
noun
imperialismo
noun
imperialista
/ɪmˈperijʏm/
noun
imperio
noun
1. een stof, voorwerp, toestel etc. dat in een lichaam wordt aangebracht
implante
noun
1. inplanting
implantación
verb
1. het in een lichaam aanbrengen van een stof, voorwerp, toestel etc
implantar
verb
  1. implementar
  2. realizar
noun
  1. implementación
  2. realización
noun
1. verwikkeling
implicación
verb
1.stilzwijgend ten gevolge hebben
  1. implicar
  2. comportar
  3. connotar
noun
1. zeer snel ineenklappen van een holle ruimte
implosión
verb
1. ontzag inboezemen
  1. impresionar
  2. imponer
adjective
impopular
noun
importación
noun
importancia
verb
importar
noun
importador
adjective
impotente
noun
1. onvermogen tot geslachtsgemeenschap
impotencia
verb
impregnar
noun
impresión
verb
impresionar
noun
impresionismo
noun
impresionista
noun
1. ter plekke verbeterde versie van een muziekstuk, voorlezing enz.
improvisación
noun
improvisador
verb
1. iets bedenken zonder vooropgesteld plan
improvisar
/ɪmˈpʏls/
noun
  1. 2. product van massa en snelheid
    1. cantidad de movimiento
    2. impulso
  2. 1. innerlijke drang
    1. impulso
    2. instinto
noun
compra por impulso
/ˌɪmpʏl'sif/
adjective
impulsivo
noun
impulsividad
noun
momento angular
preposition
  1. 1.-12. in (ruimtelijk)
    en
  2. 2. in (tijdelijk)
    1. vào
    2. en
phraseologicalUnit
1.
  1. abandonar
  2. desamparar
adverb
2. op het laatste moment
a última hora
phraseologicalUnit
1. in een omgeving waar weinig gepresteerd wordt...
en el reino de los ciegos, el tuerto es el rey
adverb
1. werkelijk aanwezig, in het echt
en carne y hueso
adjective
perfecto
preposition
1. als vervanger van, als vervanging voor
  1. en vez de
  2. en lugar de
verb
1. een periode van opsluiting beëindigen volgens de daarvoor geldende regels
poner en libertad
noun
fecundación in vitro
adjective
inaceptable
adjective
inaccesible
noun
observación
/ˌɪnɑkˈtif/
adjective
1. onwerkzaam, niks aan het doen
inactivo
verb
1. lucht uit de omgeving opnemen
  1. inhalar
  2. inspirar
  3. aspirar
  4. respirar
adjective
inadecuado
adjective
inapelable
/ˌɪnʌʊɣyˈratsi/
noun
1. de feestelijke of plechtige inwijding in een ambt
  1. inauguración
  2. investidura
adjective
inaugural
verb
1. een zuigeling geheel in windselen inwikkelen
envolver
noun
quimera
adjective
1. erbij horend, erbij geteld
incluso
noun
  1. embargo
  2. secuestro
/ɪmbɪndə/
verb
    1. 1. door stevige omwikkeling bijeenhouden
    2. 2. losse geschriften tot een enkel boekwerk verwerken
    encuadernar
  1. 3. minder heftig tekeergaan
    recoger velas
noun
1. alle roerende niet eetbare goederen in een huis
enseres
verb
  1. empotrar
  2. incorporar
noun
1. het inbreken
  1. robo
  2. allanamiento de morada
noun
3. terugbrengen van een als voorschot op de erfenis geschonken goed dat dient te worden verrekend met het erfdeel
colación de bienes
verb
introducir
noun
1. iets schenden
  1. infracción
  2. violación
noun
llave Allen
noun
inca
noun
encantamiento
noun
1. inklemming
incarceración
noun
imperio inca
noun
encarnación
/ˌɪŋkɑˈseːrə(n)/, /ˌɪŋkɑˈsɪːrə(n)/
verb
  1. 1. (geld) in ontvangst nemen.
    1. cobrar
    2. percibir
  2. 2. te verduren krijgen.
    encajar
noun
1. onderneming die zich bezighoudt met het innen van openstaande vorderingen in opdracht van, hoofdzakelijk, andere ondernemingen
empresa de cobros
noun
incesto
adjective
incestuoso
noun
1. Engelse duim, lengtemaat van 2,54 cm
pulgada
/ˈɪntʃɛˌkə(n)/
verb
1. zich aanmelden aan een balie om een instapkaart te krijgen en eventueel bagage af te geven.
  1. facturar
  2. registrarse
adjective
incoativo
noun
1. een opschudding verwekkend voorval
incidente
/ˌɪnsidɛnˈtɪːɫ/
adjective
1. niet stelselmatig voorkomend
incidental
noun
1. voorkomen per jaar
incidencia
noun
1. insnijding
incisión
adjective
1. snijdend
incisivo
noun
  1. incisivo
  2. diente incisivo
noun
inclinación
noun
inclusión
preposition
1. met inbegrip van
  1. incluido
  2. inclusivo
adjective
incommunicado
adjective
1. onverenigbaar
incompatible
adjective
incompetente
/ˌiŋkɔmpəˈtɛn(t)si/
noun
incompetencia
adjective
incompresible
/ˈɪŋkɔŋɣrywɛnt/
adjective
incongruente
noun
incongruencia
noun
1. het onvermogen om urine of ontlasting op te houden
incontinencia
adjective
inconveniente
/ɪŋkɔˈrɛkt/
adjective
  1. abusivo
  2. desacertado
  3. equivocado
  4. erróneo
  5. falso
  6. impropio
noun
incriminación
verb
incriminar
noun
1. het sluimeren van een ziektekiem
incubación
noun
incubadora
noun
incunable
adjective
incurable
adjective
1. niet volgens de regels van fatsoen
indecente
verb
clasificar
adjective
indelicado
noun
  1. clasificación
  2. categorización
  3. ordenación
noun
indemnidad
verb
2. zich iets ~: begrip kunnen opbrengen voor iets
  1. figurarse
  2. imaginarse
adjective
independiente
/ˌɪndərˈdad/, /ˌɪndərˈdat/
adverb
1. een bevestiging dat iets het geval is
  1. efectivamente
  2. en efecto
  3. de hecho
adverb
anteriormente
noun
    1. 6. indexbestand
    2. 3. toegevoegd cijfer
    3. 4. indicator voor een belangrijke eigenschap
    índice
  1. 5. prijsindex
    índice de precios al consumo
  2. 2. index librorum prohibitorum
    índice expurgatorio
  3. 1. inhoudsopgave
    1. índice
    2. concordancias
pronoun
1. vooraanstaande databank op het web met wetenschappelijke botanische namen van schimmels
index fungorum
verb
indexar
/ˈɪn.di.ja/
pronoun
1. soeverein land in het zuiden van Azië
India
noun
1. inwoner van Amerika voor de komst van de Europeanen
  1. indio
  2. indio americano
adjective
indio
noun
  1. india
  2. india americana
adjective
  1. india
  2. indio
noun
india
noun
rupia india
noun
1. aanwijzing
indicación
adjective
indicativo
noun
1. de vorm van het werkwoord die de werkelijkheid aangeeft
  1. indicativo
  2. modo indicativo
noun
indicador
conjunction
1. onder de voorwaarde dat
si
/ɪn.ˈdi.ɣo/, /ɪn.ˈdi.χo/
noun
1. een kleur die in het het lichtspectrum voorkomt met een golflengte van 440 tot 420 nanometer
  1. añil
  2. índigo
noun
  1. añiles
  2. índigos
adjective
indirecto
phraseologicalUnit
1. zinsdeel dat de actie van een overgankelijk werkwoord niet rechtstreeks ondergaat,...
complemento indirecto
/ˈɪndis/
adjective
  1. 2. op India betrekking hebbend of daarvan afkomstig
    1. hindú
    2. indio
  2. 1. op Nederlands-Indië (nu Indonesië) betrekking hebbend of daarvan afkomstig
    indonesio
pronoun
Insulindia
noun
1. bepaald soort boom of struik met een naar kaas riekende moerbeiachtige vrucht, Morinda citrofolia
  1. noni
  2. nonu
/ˌɪndisəˌosiˈan/, /ˌɪndisˌə̯osejˈaːn/
pronoun
1. de oceaan die tussen Oost-Afrika en Zuid-Azië ligt
océano Índico
/ɪndɪs'kret/
adjective
indiscreto
adjective
indiscutible
adjective
indisponible
noun
1. een scheikundig element en zilvergrijs overgangsmetaal met het symbool In en het atoomnummer 49
indio
noun
individualismo
adjective
individualista
noun
individualidad
noun
psicología individual
adjective
1. afzonderlijk, op zichzelf
individual
pronoun
Indias
noun
indio
noun
  1. adoctrinamiento
  2. indoctrinación
verb
1. dwingen om bepaalde opvattingen te aanvaarden
adoctrinar
verb
  1. injerir
  2. introducir
verb
1. in een lichte slaap vallen
adormecerse
/ɪndo'nezis/
pronoun
1. een taal die voornamelijk in Indonesië gesproken wordt
indonesio
noun
rupia indonesia
/ˌɪn.do.ˈne.zi.jə/
pronoun
1. een land dat bestaat uit een groot eilandengebied tussen Zuidoost-Azië en Australië
Indonesia
noun
  1. 3. bemoeizuchtig persoon
    entremetido
  2. 1-2
    intruso
noun
  1. 3. bemoeizuchtig persoon
    entremetida
  2. intrusa
/ˈɪndrʌk/
verb
impresión
adjective
1. een grote indruk achterlatend
  1. impresionante
  2. imponente
verb
inducir
noun
inductancia
noun
  1. 1. gevolgtrekking
  2. 7. spanningsopwekking in geleider
inducción
adjective
inductivo
/ˈɪndʏfələ(n)/
verb
1. zich warm aankleden
  1. aborujarse
  2. abrigarse
  3. arrebujarse
noun
1. verharding
induración
noun
industrialización
noun
1. Nijverheid
industria
adjective
industrial
adverb
juntamente
verb
comprimir
verb
  1. encogerse
  2. contraerse
adverb
1. snel en onverwachts
de pronto
verb
desmoronarse
verb
  1. construir
  2. componer
  3. juntar
adjective
inflexible
noun
sistema de referencia inercial
noun
1. traagheid
inercia
noun
1.
caso inesivo
noun
infante
noun
infanta
noun
1.
infante
adjective
  1. infantil
  2. pueril
noun
1. verstopping van een ader of slagader, leidend tot de afsterving van weefsel
infarto
adjective
infavorable
adjective
infecto
/ɪnfɛk'terən/
verb
  1. contagiar
  2. infectar
noun
1. een besmetting van lichaamsweefsel met ziekteverwekkers als bacteriën, virussen, schimmels of...
  1. infección
  2. contagio
adjective
1. besmettelijk
infeccioso
noun
enfermedad infecciosa
adjective
1.
infeccioso
noun
inferencia
adjective
  1. 1. minderwaardig
  2. 2. (militair) lager in rang, ondergeschikt
inferior
noun
inferioridad
adjective
infernal
noun
1. hel, oord van helse verschrikkingen
infierno
adjective
1. het zich niet kunnen voortplanten bij dieren en planten
  1. estéril
  2. infértil
noun
1.
infertilidad
adjective
infiel
noun
infiltración
verb
  1. infiltrar
  2. infiltración
adjective
infinitesimal
noun
  1. cálculo de infinitesimales
  2. cálculo infinitesimal
/ɪɱfinitif/
noun
1. het hele werkwoord
infinitivo
noun
1. tussengevoegd morfeem
infijo
noun
1. ontsteking
inflammación
adjective
inflamatorio
noun
1. stijging van het prijspeil waardoor het geld in waarde daalt
inflación
noun
inflexibilidad
noun
2. de eigenschap dat een elektrisch geladen lichaam...
influencia
noun
  1. informador
  2. informante
noun
1. de leer van de mechanische verzameling en verwerking van informatie
informática
noun
1.
libro de informática
noun
1.
información
noun
seguridad de la información
noun
panel
noun
1. aanbieder van inlichtingen of kennis
fuente de información
adjective
informativo
noun
1. samenleving, waarin informatie als de belangrijkste productiefactor gezien wordt.
sociedad de la información
noun
1.
sistema de información
noun
  1. teoría de la información
  2. teoría matemática de la comunicación
  3. teoría matemática de la información
verb
1.
informatizar
/ɪnfɔr'meːl/
adjective
informal
verb
1. inlichten
informar
adjective
infrarrojo
noun
fotografía infrarroja
/ˈɪɱfrastrʏktyr/
noun
1. het totaal van onroerende voorzieningen zoals (spoor)wegen, vliegvelden,...
infraestructura
noun
1. vochttoediening in de bloedvaten
infusión
noun
2. een opening waar iets doorheen kan
entrada
/ˈɪŋɣəbɛt/
adjective
integrado
/ˈɪŋɣəˌbɛdə/
adjective
integrado
/ˌɪŋʒeˈɲør/
noun
1. iemand die is opgeleid in het hoger onderwijs om allerhande technische problemen op te lossen
  1. ingeniero
  2. ingeniera
adjective
ingenioso
noun
ingenuidad
adjective
innato
verb
soplar
preposition
según
adjective
1. niet eenvoudig en zeer samengesteld
  1. complicado
  2. complejo
noun
ingrediente
/ˈɪŋɣrep/
verb
intervención
verb
2. zich beslissend mengen in het verloop van iets
  1. intervenir
  2. mezclarse
adjective
radical
adjective
ingenuo
noun
1. inademing van dampen
inhalación
noun
inhalador
verb
inhalar
/'ɪnɦɑm/
noun
nicho ahuecado por las olas
/ɪnˈhems/
adjective
1. van oorsprong ergens voorkomend
  1. indígena
  2. nativo
adjective
1. onlosmakelijk verbonden
inherente
noun
inherencia
adjective
heterogéneo
/ˈɪnhɑut/
noun
    1. 1. datgene wat bevat is in een ander lichaam
    2. 3. alles wat in een geschrift of ander medium staat
    contenido
  1. 2. ruimtelijke capaciteit
    volumen
noun
1.
retención
noun
1. overzicht van de onderwerpen of hoofdstukken in een boek
  1. índice de materias
  2. tabla de contenidos
noun
1. feestelijke gelegenheid waarbij iemand wordt gehuldigd, zoals een koning/vorst door diens onderdanen, bij aanvaarding van diens ambt
investidura
adjective
1. initieel, aanvankelijk
inicial
noun
1-2 beginletter
inicial
/ini(t)ʃali'zerə(n)/
verb
1.
iniciar
noun
iniciación
/inisjaˈtif/
noun
1. het ter hand nemen van iets nieuws
iniciativa
noun
iniciador
noun
rito de iniciación
adjective
inicial
verb
iniciar
verb
1. het inbrengen van een vloeistof in een gesloten vat of lichaam middels een holle naald
inyectar
noun
inyección
noun
  1. jeringa
  2. inyector
noun
1. een door insnijding ontstane gleuf
entalladura
noun
1. regelmatig verkregen som geld
  1. ingreso
  2. ingresos
verb
entrar
noun
distribución de la renta
noun
1. heffing van de overheid, waarbij inwoners een deel van hun inkomen aan de staat moeten afdragen
impuesto sobre la renta
verb
  1. abreviar
  2. acortar
noun
1. een gekleurde vloeistof waarmee geschreven wordt
tinta
/ˈɪŋtpot/
noun
1. een meestal glazen of plastic vaatje waar inkt in bewaard wordt
tintero
/ˈɪŋktfɪs/
noun
1. een koppotig weekdier met vangarmen dat een inktachtig vocht afscheidt ter verdediging
  1. calamar
  2. jibia
  3. sepia
verb
1.iemand, gewoonlijk een soldaat, een tijdelijk verblijf toewijzen in andermans woning
acuartelar
verb
1. het vatten van edelstenen in edelmetaal
incrustar
verb
  1. 2. begin maken aan een verhaal
    1. encabezar
    2. introducir
  2. 3. invoeren
    introducir
/ˈɪnlɛɪdɪŋ/, /ˈɪnlɛːdɪŋ/
noun
1. een tekst waarmee men een indruk probeert te geven van de inhoud van een langere tekst
introducción
verb
entregar
noun
informe
noun
  1. agencia de inteligencia
  2. servicio de inteligencia
/ˈɪnlɛɪvə(n)/
verb
2. het toe-eigenen van een grondgebied
  1. anexar
  2. anexionar
/ˈɪnlɛɪvɪŋ/
noun
  1. 2. annexatie, een proces van het met geweld grondgebied toe-eigenen
    anexión
  2. 1. het verplicht of gedwongen toetreden tot een groep
    incorporación
verb
  1. escabechar
  2. adobar
  3. confitar
  4. curar con sal
  5. hacer confitura
  6. marinar
/ɪnˈmɪdəls/
adverb
1. in de tussentijd
  1. entretanto
  2. mientras tanto
verb
  1. 4. kleding vernauwen
    1. achicar
    2. acortar
    3. angostar
  2. 1. binnengaan en in bezit nemen
    1. capturar
    2. ocupar
  3. 2. iemand voor zich winnen
    encantar
  4. 3. uit circulatie halen
    retirar
verb
1. verschuldigd geld in ontvangst nemen
  1. cobrar
  2. percibir
noun
  1. colecta
  2. recolección
noun
innovación
adjective
innovador
noun
innovador
verb
1. iets nieuws bedenken of maken
innovar
pronoun
1.
Innsbruck
noun
1. enten
vacunación
adjective
1. niet meer heelkundig te behandelen
inoperable
adjective
inoxidable
/ˈɪmpɑkə(n)/
verb
1. in een verpakking doen
envolver
verb
1. zich iets op min of meer onrechtmatige wijze meester maken van iets
envolver
verb
1. diep in het geheugen vastleggen
  1. imbuir
  2. inculcar
noun
1. functionaris van de kerkelijke rechtbank die ketters moet opsporen en bestraffen
inquisidor
noun
1. een rechtbank van de Rooms-Katholieke Kerk, die was belast met de opsporing, het onderzoek en het opleggen van straffen van ketters
  1. Inquisición
  2. inquisición
adjective
inquisitorio
adjective
inquisitorial
verb
1. een woning ~: een ruimte geschikt maken voor bewoning met vloerbedekking, behang, huisraad, enzovoort
  1. amoblar
  2. amueblar
  3. decorar
noun
1. een weg die van de straat naar een gebouw e.d. voert
entrada
/'ɪnsxepə(n)/
verb
1. aan boord gaan van een schip voor een reis ermee
embarcar
adjective
1. van een persoon dat deze genegen is zich aan te passen aan andere mensen
complaciente
verb
1. een lidmaatschap of deelnemerschap schriftelijk vastleggen
inscribirse
verb
introducir
noun
1. geleedpotige met drie paar poten en geen, één of twee paar vleugels
insecto
adjective
insectívoro
noun
insectívoro
noun
inseminación
adjective
inseparable
adverb
  1. igualmente
  2. ídem
adjective
insignificante
noun
insinuación
verb
insistir
interjection
insha'Allah
noun
  1. 3. het inslaan van iets
    impacto
  2. 1. horizontale draden die tijdens het weven tussen de opgespannen draden van de schering worden ingebracht
    trama
noun
punto de impacto
/ˈɪnslapə(n)/
verb
1. in slapende toestand geraken
  1. dormirse
  2. adormecer
verb
introducirse
/ˈɪn.slœʏ̯.tə(n)/, /ˈɪn.slœː.tə(n)/
verb
  1. 1. opsluiten in iets
    encerrar
  2. 2. iets omgeven
    1. envolver
    2. circundar
  3. 3. iets bijvoegen
    1. incluir
    2. adjuntar
verb
sajar
verb
agarrotar
noun
insolencia
noun
1. het onvermogen om aan financiële verplichtingen te voldoen
insolvencia
noun
1. slapeloosheid
insomnio
noun
1. de fysieke moeite die men voor iets doet
esfuerzo
verb
1. grondig en nauwkeurig bekijken
  1. inspeccionar
  2. revisar
noun
inspector
noun
1. een grondige en nauwkeurige controle
inspección
noun
inspectora
/ɪnspi'rasi/
noun
1. een gevoel over hoe men een klus kan aanpakken
inspiración
noun
inspirador
verb
1. de geest gaande maken
inspirar
/ˈɪnsprak/
noun
voz
noun
1. onbestendigheid
inestabilidad
noun
  1. 1. de actie van het installeren
  2. 8. een kunstvorm
instalación
noun
  1. disyuntor
  2. disyuntor termomagnético
  3. interruptor automático
  4. interruptor magnetotérmico
verb
  1. 2. het invoeren en gebruiksklaar maker van een computerprogramma
  2. 1. de formele aanvang van een officiële functie
instalar
noun
conservación
adjective
instantáneo
noun
  1. café instantáneo
  2. café liofilizado
verb
  1. subir
  2. embarcar
  3. montar
verb
  1. 1. het op juiste wijze afregelen van een toestel
    ajustar
  2. 2. het in het leven roepen van een organisatie
    establecer
noun
2. organisatie, die vaak subsidie van de overheid krijgt en geen geld wil verdienen
  1. institución
  2. entidad
verb
1. het eens zijn
  1. consentir
  2. asentir
  3. aprobar
noun
asentimiento
noun
1. gedrag dat geheel genetisch bepaald is
instinto
adjective
  1. instintivo
  2. instintivamente
noun
institución
adjective
institucional
noun
  1. institución
  2. instituto
verb
1. zwichten voor de zwaartekracht
colapsar
noun
instructor
noun
1. een order, een aanwijzing
instrucción
noun
libro de instrucciones
noun
manual de instrucciones
noun
  1. instructora
  2. maestra
verb
  1. instruir
  2. enseñar
noun
  1. 2. verkort voor muziekinstrument
  2. 1. werktuig
  1. instrumento
  2. herramienta
adjective
instrumental
noun
instrumentalismo
noun
instrumentación
adjective
instrumental
noun
  1. pancarta
  2. panel
noun
insubordinación
adjective
insuficiente
adjective
insular
/ˌɪnzyˈlinə/
noun
1. een hormoon gemaakt in de bètacellen van de pancreas in de zogenaamde eilandjes van Langerhans, dat de lever aanzet bloedglucose op te nemen en op te slaan in de vorm van glycogeen
insulina
noun
insulinoma
noun
1. een epileptische aanval, een toeval
convulsión
adjective
1. in goede staat, onaangetast
  1. intacto
  2. íntegro
/ɪnˈtexə(n)del/
adverb
  1. en cambio
  2. en contra
adjective
íntegro
noun
integral
noun
operador integral
noun
cálculo integral
/ɪntəˈɣra(t)si/
noun
integración
noun
integrador
verb
1. tot een samenhangende groep maken
integrar
adjective
1. gericht op het opnemen in een groter geheel
  1. integrando
  2. integrante
noun
integración
/ɪntəɣriˈtɛit/
noun
1. onschendbaarheid, eerlijkheid, oprechtheid
integridad
noun
intelecto
adjective
intelectual
/ɪntɛli'xɛnt/
adjective
1. met een goed verstand of daarvan blijk gevend
inteligente
noun
een eigenschap van de werking van de hersenen
inteligencia
adjective
inteligible
adjective
1. zeer krachtig, hevig
intenso
adverb
1. in hoge mate
intensamente
adjective
intensivo
noun
1. sterkte
intensidad
verb
intensificar
noun
intención
noun
intencionalidad
noun
1. onderlinge beïnvloeding
interacción
/ɪntərɑk'tif/
adjective
interactivo
adjective
interbancario
noun
período de entreguerras
adjective
intercelular
noun
1.
interceptación
adjective
interdependiente
noun
  1. interdicto
  2. prohibición
adjective
1. wekt interesse
interesante
noun
  1. 1. belang
  2. 2. belangstelling
  3. 3. iets waar belangstelling voor is
interés
verb
  1. 1. nieuwsgierig maken
    interesar
  2. 2. zich ~ voor: belangstelling hebben voor iets
    interesarse
noun
interés
noun
interfaz
noun
interferencia
verb
interferir
noun
interferón
adjective
interglacial
adjective
interino
noun
rango intercuartílico
noun
1. regelafstand
entrelínea
adjective
interlocutorio
adjective
interurbano
adjective
  1. intermediario
  2. mediador
noun
intermedio
adjective
1. inwendig, binnen
interno
noun
  1. instituto
  2. internado
/ɪntərnɑ(t)ʃo'nal/
adjective
1. meer dan één land
internacional
pronoun
Fondo Monetario Internacional
noun
Internacional
pronoun
Oficina Internacional de Pesas y Medidas
noun
internacionalismo
verb
1. een verplichte verblijfplaats aanwijzen
  1. internar
  2. confinar
noun
internamiento
noun
1. een wereldwijd netwerk van computers
internet
noun
1.
cibercafé
noun
dominio de internet
noun
filtro de contenido
noun
1. organisatie of persoon die diensten levert op of via het internet
  1. empresa de alojamiento
  2. proveedor de servicios de Internet
noun
televisión por internet
noun
seguridad en el internet
noun
1. Arts
internista
verb
interpelar
pronoun
Interpol
noun
interpolación
verb
interpolar
adjective
1. voor interpretatie vatbaar
interpretable
noun
1. uitlegging, vertaling
interpretación
noun
interpretador
verb
1. uitleggen of opvatten
interpretar
adjective
interprofesional
/'ɪntɛrpɵŋktsi/
noun
puntuación
noun
interrogación
noun
intersexualidad
adjective
1. tussenliggend
intersticial
adjective
intersubjetivo
noun
intersubjetividad
adjective
intertextual
verb
intervenir
noun
1. ingreep
intervención
noun
1. vraaggesprek met iemand over diens opvattingen en ervaringen
  1. entrevista
  2. interviú
verb
1.een vraaggesprek met iemand houden
entrevistar
adjective
interzonal
adjective
  1. bijvoeglijk gebruikt
    1. de confianza
    2. íntimo
  2. bijwoordelijk gebruikt
    íntimamente
/ɪntimiˈda(t)si/
noun
intimidación
/ɪntimi'dɪːrə(n)/
verb
1. iemands gedrag beïnvloeden door hem angst aan te jagen
  1. intimidar
  2. acoquinar
  3. amilanar
  4. apocar
  5. asustar
  6. atemorizar
noun
intimidad
adjective
intolerable
adjective
intolerante
noun
1. onverdraagzaamheid
intolerancia
noun
  1. entonación
  2. entonamiento
  3. tono
noun
1. vergiftiging
intoxicación
adjective
intrauterino
adjective
intracelular
adjective
intracomunitario
adjective
intracraneal
adjective
intransigente
adjective
1. zonder de mogelijkheid van een lijdend of meewerkend voorwerp
intransitivo
verb
  1. pisar
  2. quebrantar
  3. romper con estrépito
adjective
1. in de ader gelegen of plaatvindend
intravenoso
/'ɪntredə/
noun
  1. acceso
  2. entrada
  3. ingreso
noun
  1. accesos
  2. entradas
  3. ingresos
noun
  1. accesos
  2. entradas
  3. ingresos
verb
  1. 1. interesse wekken, fascineren
    intrigar
  2. 2. met slinkse streken te werk gaan
    1. intrigar
    2. tramar
adjective
  1. intrínseco
  2. intrínsecamente
verb
    1. 1. iets nieuws inbrengen of invoeren
    2. 2. een nieuw persoon toegang verschaffen
    introducir
  1. 3. iemand voor het eerst voorstellen
    presentar
/ɪntroˈdʏksi/
noun
de presentatie van iets nieuws, of de inleiding van een nieuwkomer
introducción
noun
mannelijk persoon die ergens geïntroduceerd (ingeleid) wordt
  1. convidado
  2. introducido
/ˈɪntrɔn/
noun
1. stukje DNA dat zich bevindt in een gen maar dat niet wordt gebruikt om het eiwit te coderen
intrón
noun
introspección
noun
introversión
adjective
introvertido
noun
intrusión
/ɪn'tʌsə/
adverb
1. gedurende de tijd die het genoemde vereist
entretanto
noun
intuición
noun
intuicionismo
noun
esquimal
noun
  1. 1. invasie
    invasión
  2. 2. plotseling opkomende gedachte
    ocurrencia
noun
invalidación
adjective
inválido
noun
1.
invalidad
verb
  1. 1 vallend iets binnengaan
    caerse
  2. 2 iemands plaats tijdelijk innemen
    sustituir
noun
reemplazante
adjective
invariable
/ˌɪɱvariˈjɑnt/
adjective
invariante
noun
invasión
noun
inventario
noun
invención
adjective
inventivo
adjective
inverso
noun
inversión
noun
  1. E1103
  2. inverdeasa
verb
invertir
noun
1. een mengsel van gelijke delen druivensuiker en vruchtensuiker
azúcar invertido
verb
  1. investir
  2. invertir
noun
1. een opoffering in tijd, geld of mankracht ten behoeve van een doel dat pas op lange termijn wordt behaald
  1. inversión
  2. colocación
noun
banca de inversión
noun
investidura
pronoun
Querella de las Investiduras
adjective
invisible
noun
invitación
verb
2. een persoon op een doorgaans vriendelijke en vrijblijvende manier vragen om iets te doen
invitar
/ˈɪnvluːt/
noun
  1. 1. inwerking van een persoon, zaak of omstandigheid op een andere
  2. 2. het vermogen om op anderen in te werken
influencia
adjective
influyente
noun
1. een kring of gebied waarbinnen iemand of een staat invloed heeft
esfera de influencia
noun
inserción
noun
importación
/ˈɪnvurə(n)/
verb
  1. 2. gegevens in een electronisch apparaat stoppen
    1. importar
    2. introducir
  2. 1. iets nieuws introduceren
    1. introducir
    2. instituir
noun
implantación
noun
1. natuurlijke veroudering
involución
verb
hidratar
/ɪɱ.'wɛn.dɪx/, /ɪɱ.'ʋɛn.dəχ/, /ɪɱ.'β̞ɛn.dəx/
adjective
  1. interno
  2. interior
noun
producto escalar
verb
enrollar
/ˈɪɱwɪləɣə(n)/
verb
1. aan een verzoek voldoen
  1. conceder
  2. consentir
  3. acceder
  4. acordar
verb
  1. permutar
  2. trocar
verb
habitar
verb
3-4
derrumbarse
verb
1. bijeenbrengen
  1. recoger
  2. colectar
noun
colecta
verb
enjabonar
noun
apuesta
noun
  1. 1. op het spel zetten
    apostar
  2. 2. beschikbare hulpmiddelen gebruiken
    desplegar
noun
het inzinken
colapso
adverb
  1. particularmente
  2. principalmente
  3. especialmente
  4. sobre todo
/jɔn/
noun
  1. ion
  2. ión
noun
  1. motor iónico
  2. propulsor iónico
noun
1. ontleding in ionen (elektrisch geladen atomen of moleculen)
ionización
adjective
1. wat ionen betreft
iónico
verb
ionizar
pronoun
Jonia
noun
jónico
noun
ionosfera
/i'peʔadrɛs/
noun
1. een combinatie van getallen waarmee een computer in een IP-netwerk kan worden herkend
dirección IP
noun
dinar iraquí
noun
rial iraní
/i.ˈrɑk/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten dat voor een groot deel in en rond het stroomgebied van de rivieren de Eufraat en de Tigris ligt
  1. Irak
  2. Iraq
pronoun
guerra de Iraq
/i.ˈrɑn/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten met als hoofdstad Teheran
Irán
noun
iraní
pronoun
Nueva Guinea Occidental
noun
1. een scheikundig element met symbool Ir
iridio
noun
  1. 1. orgaan in het oog van vele organismen
    iris
  2. 2. benaming voor planten uit het geslacht Iris
    lirio
noun
iridología
verb
1.
irisar
/ɪroˈniː/
noun
1. vorm van spot
ironía
noun
irracionalidad
adjective
irracional
adjective
irregular
adjective
irreparable
/ˌɪ.ri.ˈɣa.si/, /ˌɪ.ri.ˈχa.tsi/
noun
1. het op grote schaal water naar landbouwgrond transporteren om de gewassen mee te bevloeien
  1. irrigación
  2. riego
noun
sistema de irrigación
/ˌɪ.ri.ˈɣeː.rə(n)/, /ˌɪ.ri.ˈχɪː.rə(n)/
verb
1. op grote schaal water naar landbouwgrond transporteren om de gewassen mee te bevloeien
  1. regar
  2. irrigar
adjective
1. in hoge mate vervelend
irritante
/ˌɪriˈtaʦi/
noun
1. uitslag
irritación
verb
1. op onaangename wijze prikkelen
  1. irritar
  2. amohinar
adjective
isquémico
noun
1. een zenuwontsteking bij de heup
ciática
noun
1. godsdienst die na alle profeten uit het jodendom en Christus, Mohammed ...
  1. islam
  2. islamismo
pronoun
Islamabad
verb
islamizar
noun
islamización
noun
1.
islamismo
adjective
  1. islamista
  2. islámico
noun
islamofobia
adjective
isoeléctrico
noun
1. een verzameling punten onder constant houden van de druk gemeten
  1. isobara
  2. isóbara
noun
1. een verzameling punten onder constant houden van volume gemeten
isocora
noun
isocromosoma
noun
isoglosa
noun
isoglucosa
noun
  1. 1. ruimtelijke afzondering
  2. 2. het voorkomen van geleiding van energie of stroom
aislamiento
noun
  1. aislante
  2. aislador
verb
  1. 1. persoonlijk
  2. 2. chemisch
  3. 3. elektrisch
  4. 4. warmte
aislar
noun
aislamiento
adjective
isómero
noun
isomerización
noun
isometría
adjective
isométrico
adjective
isomorfo
noun
isomorfismo
noun
  1. isolínea
  2. curva de nivel
  3. isaritma
  4. isopleta
  5. isógrama
noun
isostasia
noun
1. een verzameling punten constante temperatuur gemeten of waar de temperatuur dezelfde waarde heeft
isoterma
noun
isótopo
adjective
isótropo
/ˈɪs.ra.hɛl/, /ˈɪs.ra.ɛɫ/
pronoun
1. land in het Midden-Oosten, gelegen aan de Middellandse Zee
Israel
noun
séquel israelí
adjective
israelita
noun
israelí
pronoun
1. een provinciehoofdstad in Turkije
Estambul
/italiˈjaːns/
pronoun
1. een Romaanse taal die wordt gesproken in Italië, San Marino, Vaticaanstad, Slovenië en Zwitserland
italiano
/italiˈjaːnsə/
noun
1. vrouwelijke persoon die uit Italië komt
italiana
/iˈtaːli.jə/
pronoun
1. een land
Italia
noun
1. herhaling
iteración
adjective
iterativo
verb
  1. iterar
  2. repetir
noun
itinerario
noun
marfil
adjective
  1. marfil
  2. marfileño
/i.ˈvoːr.kʏs/, /i.ˈvoːr.kʏst/, /i.ˈvo̝ːr.kʏst/
pronoun
een land in West-Afrika, officieel de Republique de Côte d'Ivoir
Costa de Marfil
adjective
  1. marfileña
  2. marfileño
noun
  1. habitante de Costa de Marfil
  2. marfileña
pronoun
. spelwoord voor de letter i
Ida
/jaː/
adverb
1. duidt bevestiging of instemming aan
sí
/'jaxpɑt/
noun
1. een pad langs de kant van een kanaal of vaart waarover eertijds de trekdieren van de trekschuit werden voortgedreven
camino de sirga
/ja:r/
noun
1. de duur van een omloop van de aarde om de zon van circa 365 dagen.
año
noun
1. een tentoonstelling die één of tweemaal per jaar gehouden wordt waarop men nieuwe producten...
  1. feria
  2. feria anual
/ˈjar.ɣə.ˌtɛɪ̯.də/, /ˈjar.ɣə.ˌtɛː.də/, /ˈjar.χə.ˌtɛɪ̯.də/
noun
1. een deel van een jaar met unieke eigenschappen
estación
/ˈjar.ləks/, /ˈjar.lɪks/
adjective
1. eenmaal per jaar
anual
/ˈjar.ləks/, /ˈjar.lɪks/
adverb
anualmente
noun
feria
noun
  1. cuentas anuales
  2. estados contables
  3. estados financieros
  4. informes financieros
noun
  1. chorrera de camisa
  2. guirindola
noun
jacarandá
/jɑxt/
noun
3. een snel vaartuig
yate
noun
1.
  1. coto de caza
  2. cazadero
  3. tierra de caza
noun
escopeta
noun
1.
  1. coto de caza
  2. cazadero
  3. tierra de caza
noun
puerto deportivo
noun
1. hond die speciaal gefokt wordt voor de jacht
  1. perro de caza
  2. sabueso
  3. perro cazador
noun
1. een hoorn als signaalinstrument op de jacht
  1. cuerno de caza
  2. trompa de caza
noun
1. zeer snel, betrekkelijk groot Afrikaans katachtig roofdier, Acinonyx jubatus
guepardo
noun
1. persoon die toeziet op naleving van jachtwet
guarda de caza
noun
pabellón de caza
noun
  1. temporada de caza
  2. época de caza
noun
1. de taal die vaak bij de jacht gebruikt wordt.
lenguaje cinegético
noun
1.
  1. coto de caza
  2. cazadero
  3. tierra de caza
noun
cazadora
noun
  1. hierba de Santiago
  2. sacapeos
  3. senecio jacobeo
  4. zuzón
noun
  1. chaqueta
  2. chaqué
/dʒa'kuzi/
noun
jacuzzi
pronoun
Jaffa
/ˈjaːɣə(n)/
verb
1. bewegende wezens proberen te vangen
cazar
/ˈjaɣənt/
adjective
1. bezig met een achtervolging van een vijand of prooi
  1. cazando
  2. jalando
  3. monteando
noun
  1. 2. jachtvliegtuig
    caza
  2. 1. iemand die op jacht gaat
    cazador
  3. 5. benaming voor roofmeeuwen, behorend tot de familie Stercorariidae
    págalo
noun
cazador-recolector
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera onca
  1. jaguar
  2. tigre
noun
1. bepaald soort zoogdier, Herpailurus yaguaroundi
yaguarundí
/ˈjɑːwe/
pronoun
Yahvé
/ˈjɑːwɛ/
pronoun
Yahvé
noun
  1. yak
  2. yac
noun
1. Canis aureus, hondachtig roofdier
chacal
pronoun
Jacob
noun
  1. hierba de Santiago
  2. sacapeos
  3. senecio jacobeo
  4. zuzón
noun
  1. 2. transportband
    1. cinta transportadora
    2. noria
  2. 1. zeer lange ladder...
    escalera de Jacob
  3. 3. plant
    1. valeriana azul
    2. valeriana griega
    3. polemonio
noun
1. benaming voor bepaald soort mosselachtig schelpdier
  1. vieira
  2. concha de Santiago
/jaˈkobʏs/
pronoun
Santiago
noun
  1. jaca
  2. jalapa
  3. ruibarbo de las Indias
adjective
1. een negatief gevoel veroorzaakt doordat iemand iets heeft of kan krijgen wat je ook wilt hebben of reeds hebt
  1. envidioso
  2. celoso
/jɑˈluːrshɛɪt/, /jɑˈluːrshɛːt/
noun
1. een wrok die iemand koestert omdat men een ander niet gunt wat men zelf begeert
envidia
/jɑluˈziː/
noun
1. gevoel
  1. envidia
  2. celos
/ʃɛm/
noun
1. een gelei van suiker en gekookt fruit, onder andere gebruikt als broodbeleg
mermelada
/(d)ʒa.mɛɪ̯.ka/, /dʒɑ.mɑɪ̯.ka/
pronoun
1. een eiland in de Grote Antillen ten zuiden van Cuba en ten westen van het eiland Hispaniola
Jamaica
/ˌ(d)ʒa.mɛɪ̯.ˈkans/, /ˌdʒɑ.mɑɪ̯.ˈkans/
adjective
  1. jamaicana
  2. jamaicano
  3. jamaiquina
  4. jamaiquino
/ˌ(d)ʒa.mɛɪ̯.ˈkan.sə/, /ˌdʒɑ.mɑɪ̯.ˈkan.sə/
noun
  1. jamaicana
  2. jamaiquina
noun
  1. dólar jamaicano
  2. dólar jamaiquino
noun
yambo
verb
1. klagende, huilende geluiden maken
clamar
/jɑn/
pronoun
. spelwoord voor de letter j
Juan
noun
1. bepaalde zeevogel, Morus bassanus
  1. alcatraz
  2. planga
  3. sula loca
noun
plebe
/ˈjɑŋkə(n)/
verb
aullar
noun
marinero
noun
jansenismo
/jɑnyˈwaːri/
noun
1. de eerste maand van het jaar
enero
pronoun
  1. 2. Romeinse god
  2. 3. maan
Jano
/jaˈpɑn/, /jɑˈpɑn/
pronoun
1. een land in het oosten van Azië
Japón
noun
  1. japonés
  2. japonesa
/jɑ'pɑns/
adjective
1. betreffende Japan of het Japans
  1. japonés
  2. japonesa
/jɑ'pɑns/
pronoun
1. een taal die in Japan gesproken wordt
japonés
noun
japonesa
noun
yen japonés
noun
1. lang kledingstuk voor vrouwen
  1. vestido
  2. ropón
/jɑr.ˈɣɔn/
noun
2. vaktaal, taalgebruik binnen een bepaalde groep, vaak moeilijk te volgen voor een buitenstaander
  1. jerga
  2. argot
/ˈjaːrəx/
adjective
1. iemand is jarig tijdens zijn verjaardag
cumplir añas
noun
  1. jarretera
  2. liga
  3. tirante
noun
portaligas
noun
portaligas
noun
1.
  1. abrigo
  2. chaqueta
noun
kledingstuk dat romp en armen bedekt, van voren met knopen wordt gesloten en over andere kledingstukken wordt gedragen
abrigito
noun
1. benaming voor planten uit het geslacht Jasminum
jazmín
noun
  1. arroz Pandan
  2. arroz jazmín
  3. arroz tailandés
noun
jaspe
verb
3.
  1. descortezar
  2. mondar
  3. pelar
verb
1. iets wegnemen van iemand en het zich wederrechtelijk toe-eigenen
  1. birlar
  2. afanar
  3. mangar
noun
  1. cajuil de Surinam
  2. makopa
  3. manzana de Java
  4. manzana de agua
adjective
  1. javanés
  2. javanesa
noun
javanesa
/jaʋɔːrt/
noun
1. het bevestigende antwoord op een huwelijksaanzoek
sí
noun
jazz
noun
danza jazz
/jeˈhova/
pronoun
Jehová
noun
testigo de Jehová
/ˈjemən/, /ˈjeːmən/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel de Republiek Jemen
Yemen
noun
rial yemení
pronoun
1. en 2.
Jena
/jə'nevər/
noun
1. gedestilleerde alcoholische drank vervaardigd op basis van graan (mout)
ginebra
noun
  1. 2. vrucht
    baya de enebro
  2. 1. Juniperus communis
    enebro
verb
chinchar
pronoun
Jeremías
noun
lamentación
pronoun
Jersey
noun
jersey
pronoun
Isaías
/dʒɛt/
noun
1. een straalvliegtuig
  1. jet
  2. avión a reacción
/ˈjøːxt/
noun
1. het jong zijn
juventud
noun
albergue juvenil
adjective
1. jong, fris, onbevangen
juvenil
noun
literatura infantil
noun
pecado de juventud
noun
1. kriebel
  1. picor
  2. hormigueo
verb
picar
/ˈje.zʏs/
pronoun
1. centrale figuur in het Nieuwe Testament
Jesús
pronoun
1. Jezus van Nazareth
Jesucristo
pronoun
2. apocrief boek uit de Bijbel
Sirácides
/je.zy.ˈit/
noun
1. een lid van de Sociëteit van Jezus
jesuita
noun
1. een pijnlijke ontsteking als gevolg van gekristalliseerd uraat in een gewricht
gota
pronoun
1. Germaanse taal die door de Joden in West-Europa gesproken werd
  1. yídish
  2. yidis
noun
yihad
/jEi/, /jɛɪ̯/, /jɛː/
personalPronoun
1. aangesproken persoon enkelvoud informeel
  1. tú
  2. te
noun
jujutsu
/'jɔb/
pronoun
Job
noun
yoqui
/ˈjodələ(n)/
verb
1. zingen met een snelle wisseling van borst- naar keelstem
cantar como los tiroleses
noun
judaísmo
noun
judaísmo
noun
  1. estrella amarilla
  2. estrella de David
  3. insignia amarilla
noun
1. systematische actie om Joden het leven onmogelijk te maken of om hen te doden
  1. persecución de judíos
  2. pogromo
noun
1. systematische actie om joden tot bekering te dwingen en hen anders het leven onmogelijk te maken of te doden
  1. persecución de judíos
  2. pogromo
noun
judería
/joˈdɪn/
noun
judía
/joˈdin/
noun
1.
  1. judía
  2. hebrea
noun
1. scheikundig element met symbool I en atoomnummer 53
yodo
pronoun
Yugoslavia
noun
  1. jogging
  2. pantalon de chándal
  3. pants
pronoun
  1. 2.1 een van de vier Evangeliën
  2. 4. spelwoord voor de letter j
Juan
noun
  1. algarroba
  2. algarroba mediterránea
  3. garrofa
  4. garrover
  5. pan de San Juan Bautista
noun
algarrobo
noun
  1. goma garrofín
  2. harina de granos de algarrobo
pronoun
Johannesburgo
pronoun
. spelwoord voor de letter j
José
noun
porro
noun
1. speelgoed
  1. yoyó
  2. yo-yo
verb
  1. comodín
  2. joker
noun
yola
/joˈna/
pronoun
Jonás
adjective
1. van geringe leeftijd
joven
/jɔŋəˈɦɪ:r/
noun
1. een jong persoon van het mannelijk geslacht
joven
noun
1. aanspreektitel voor een groep jongeren
  1. gente
  2. jóvenes
noun
1. onvolwassen man
  1. chico
  2. muchacho
  3. niño
noun
1. een persoon van jeugdige leeftijd
  1. jovencito
  2. menor
noun
1. meervoud van het zelfstandig naamwoord jongere
jóvenes
noun
  1. desposada
  2. desposado
  3. novia
  4. novio
/jɔŋˈle.rə(n)/
verb
  1. hacer juegos malabares
  2. hacer malabarismos
/jɔŋˈlør/
noun
3. de artiest die zo veel mogelijk objecten weet op te gooien...
malabarista
noun
1. een jong persoon, jongeman, jongemeid
  1. muchacha
  2. muchacho
noun
1. schip
  1. junco
  2. junco chino
noun
  1. doncel
  2. joven noble
noun
  1. dama
  2. señora
/jot/
noun
  1. judío
  2. judía
noun
  1. 1. aanhanger van het joodse geloof
    1. judío
    2. hebreo
  2. 1. element jodium
    yodo
adjective
1. te maken hebbend met het joodse geloof, het jodendom
judío
noun
dinar jordano
/jɔr.ˈda.ni.jə/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië
Jordania
noun
curva de Jordan
/jɑu̯/
personalPronoun
  1. te
  2. ti
noun
efecto Joule
/ʒurˈnaɫ/
noun
2. een boek waarin dagelijks de gebeurtenissen worden bijgehouden
diario
noun
verslaggever, iemand die nieuwsfeiten publiceert
  1. periodista
  2. reportero
noun
periodista
noun
periodismo
/jɑu̯/
possessivePronoun
1.
  1. tu
  2. tus
adjective
1. opgewekt en tegelijk aardig en vriendschappelijk in de omgang
jovial
noun
  1. manillar
  2. palanca de juego
  3. palanca de mando
/joˈʔel/
pronoun
Joel
noun
1. 21e-eeuws gevechtsvliegtuig dat ook gronddoelen kan aanvallen en nauwelijks zichtbaar is voor vijandelijke radar
JSF
/jybələ/
verb
1. juichen
exultar
adjective
1. bezig met te juichen
exultante
noun
1. feestelijke herdenking van de dag waarop iets gebeurde of begon
jubileo
noun
piel de Rusia
pronoun
2. boek in de Bijbel
Judas
noun
1. kus die Judas aan Jezus gaf
beso de Judas
noun
1. vriendelijk gebaar van een iemand die veinst een vriend te zijn, kort voordat zijn ware bedoelingen duidelijk worden
beso de Judas
noun
1. naam voor planten uit het geslacht Lunaria
  1. hierba de la plata
  2. hierba del nácar
adjective
judicial
noun
  1. juicio
  2. veredicto
pronoun
2. apocrief boek uit de Bijbel
Judit
/'jy.do/
noun
1. een Japanse vechtsport
  1. judo
  2. yudo
/jʏˈfrɑu/
noun
  1. 2. lerares, onderwijzeres
    maestra
    1. señorita
    2. soltera
adjective
1. zoals het moet, waar
  1. correcto
  2. preciso
noun
  1. azufaifa
  2. azufaifo
  3. jujuba
  4. jujube
  5. jujubo
  6. sísifo
noun
1. houten pasvorm die op de schouders gedragen wordt en twee te dragen gewichten verbindt
yugo
noun
1. een van de beenderen van de schedel
  1. pómulo
  2. hueso cigomático
/jyˈlɛi/
noun
1. de zevende maand van het jaar
julio
noun
sopa juliana
pronoun
Revolución de 1830
/ˈjʏli/
personalPronoun
    1. 2.
    2. 3.
    1. vosotras
    2. vosotros
  1. 1.
    1. vosotros
    2. vosotras
/ˈjʏli/
possessivePronoun
1. jullie
  1. vuestro
  2. vuestra
noun
jungla
noun
1. de zesde maand van het jaar
junio
/ˈjypiˌtɛr/
pronoun
Júpiter
noun
júpiter
noun
Jurásico
adjective
1. betrekking hebbend op het recht en de rechtsleer
jurídico
noun
jurisprudencia
noun
1. een deskundige op het gebied van rechtsleer
  1. jurista
  2. letrado
/jʌrək/
noun
1. een kledingstuk voor vrouwen dat van de schouders tot op de benen reikt
vestido
noun
1. een groep mensen die oordeelkundig geacht wordt en gevraagd een oordeel ergens over uit te spreken
jurado
noun
1. saus voor spijzen, bereid uit vleesnat
  1. salsa
  2. jugo
  3. jugo de carne
  4. salsa de carne
/ˌʃydoˈrɑ̃ʃ/
noun
zumo de naranja
noun
1. (huishouden) diepe opscheplepel met gebogen steel
cucharón salsero
noun
1.
justificación
verb
justificar
noun
justicia
adjective
de bastvezels
yute
noun
1. sieraad van grote schoonheid en hoge waarde
joya
noun
1. iemand die juwelen vervaardigt en erin handelt
joyero
verb
1. naast elkaar plaatsen
yuxtaponer
noun
muelle
noun
1. krokodilachtige uit de onderfamilie Caimaninae van de familie alligators
  1. caimán
  2. yacaré
pronoun
islas Caimán
noun
dólar de las Islas Caimán
noun
1. deel van schedel waarin tanden en kiezen zitten
mandíbula
noun
1. een van de beenderen van de schedel
mandíbula
noun
cirugía maxilofacial
noun
1. een mogelijk dodelijke infectieziekte veroorzaakt door Colistridium tetani
tétanos
adjective
1. zonder of met heel weinig hoofdhaar, veren, bladeren, begroeiing, enzovoort
calvo
noun
1. het kaal zijn
calvicie
noun
1. persoon
  1. calva
  2. calvo
  3. pelada
  4. pelado
  5. pelona
  6. pelón
noun
  1. cigüeña de cabeza pelada
  2. cigüeñón
  3. tuyuyú
  4. tántalo americano
noun
2. klein stukje uitgebraden vet, spek of reuzel
chicharrón
noun
1. een in zee vooruitstekende landpunt
cabo
pronoun
1. de naam van de zuidwestelijkste punt van Afrika
cabo Arkona
pronoun
1. de naam van de zuidwestelijkste punt van Afrika
cabo de Buena Esperanza
pronoun
1. een kaap in Zuidwest-Spanje, bekend om de gelijknamige zeeslag die er uitgevochten werd
Cabo Trafalgar
pronoun
1. een van de hoofdsteden van Zuid-Afrika, gelegen bij de Kaap de Goede Hoop
  1. Ciudad del Cabo
  2. El Cabo
/ˈkaːp.stɑn.dər/
noun
1. kaapstander
  1. cabrestante
  2. cabestrante
noun
escudo caboverdiano
/kab.ˈvɛr.di.jə/, /kap.ˈfɛr.di.jə/
pronoun
1. een land in West-Afrika
Cabo Verde
verb
1. het behandelen van ruwe katoen of wol met behulp van een kaard
cardar
/kars/
noun
1. een staaf of klomp van brandbaar materiaal met een lont
  1. vela
  2. candela
  3. cirio
noun
1. het schijnsel van een brandende kaars
luz de vela
noun
  1. cera
  2. grasa
noun
nog in te delen vertalingen
mapa
verb
1. een kaartspel spelen
jugar a las cartas
noun
2. papier(tje) of digitaal document als bewijs dat je ergens recht op hebt, zoals toegang of deelname
  1. billete
  2. boleto
  3. cupón
  4. ficha
  5. tarjeta
/kartspɛl/
noun
  1. 2. een spel kaarten
    baraja
  2. 1. een spel met speelkaarten
    juego de cartas
noun
jugador de cartas
noun
1. voedingsproduct gemaakt van gestremde melk
queso
noun
2.
quesero
/ˈkasfɔndy/
noun
1. een gerecht waarbij etenswaren in een saus van kaas gedompeld worden
  1. fondue
  2. fondue de queso
noun
malva
noun
  1. Malvaceae
  2. Malváceas
noun
croqueta de queso
noun
salsa de queso
/ˈkasxaf/, /ˈkasχaf/
noun
1. een gebruiksvoorwerp waarmee een dun plakje van een stuk kaas kan worden gesneden
  1. rebanador de queso
  2. cortaquesos
  3. cortalonchas de queso
/ˈkasufle/
noun
1. een gefrituurde snack van een stuk kaas met daaromheen bladerdeeg en paneermeel
  1. queso en hojaldre
  2. soufflé de queso
noun
  1. campana para el queso
  2. quesera
/kɑˈbal/
noun
1. zeer luide verstoring van rust en orde
alboroto
/'kɑbələ(n)/
verb
1. zacht stromen en geluid maken
murmurar
noun
1. lijn van 3 tot 6 ineengedraaide touwen van hennep, kunststof, staal of ander materiaal
  1. cable
  2. cabo
noun
teleférico
noun
1. Gadus morhua, middelgrote zoutwatervis
  1. bacalao
  2. abadejo
noun
1. en 2. lever van Gadus morhua voor opslag van bloed, galproductie en stofwisseling
hígado de bacalao
noun
cablemódem
noun
cablegrama
noun
televisión por cable
noun
  1. gabinete
  2. ministerio
/'kabul/
pronoun
1. Afghaanse stad/provincie
Kabul
noun
1. sprookjesfiguur
  1. gnomo
  2. duende
  3. enano
  4. trasgo
noun
síndrome de kabuki
adjective
cabilio
pronoun
  1. cabileño
  2. idioma cabilio
/ˈkɑ.xəl/, /ˈkɑ.xəɫ/, /ˈkɑ.χɔɫ/
noun
1. een apparaat waarin energie wordt omgezet in warmte met de bedoeling een ruimte te verwarmen
estufa
/ˈkɑxtəl/, /ˈkɑxtəɫ/, /ˈkɑχtəɫ/
noun
1. een jong van een paard.
  1. potro
  2. potranco
  3. resbalón
noun
catastro
verb
1. een afbakening maken van de eigendomsrechten van grondbezit en deze in kaart brengen
catastrar
noun
1. dood lichaam van een dier
cadáver
noun
obediencia ciega
noun
1. beschoeide of gemetselde oeverstrook waaraan de schepen kunnen aanleggen
muelle
noun
1. rand die om iets (m.n. een afbeelding of schilderij) heen wordt aangebracht
  1. marco
  2. cuadro
  3. recuadro
noun
cadí
/kɑjnoˈzowikʏm/
noun
Cenozoico
/kɑf/
noun
1. de vliezen rondom de graankorrels
cascabillo
noun
sorgo
noun
  1. ciruela cafra
  2. manzana de rey
noun
sorgo
noun
1. een gesloten kano om in wild water of op zee te varen
  1. kayak
  2. kayac
noun
kayak-polo
noun
  1. mandíbula
  2. quijada
/kaki/
noun
  1. caqui
  2. kaki
  3. palo santo
  4. palosanto
  5. persimo
  6. sapote japonés
adjective
gris caqui
noun
  1. kakistocracia
  2. kakistocracy
verb
  1. cagar
  2. defecar
noun
caganer
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Blattodea
cucaracha
noun
1. rommelig geheel van vele klanken door elkaar
cacofonía
verb
  1. calandrar
  2. satinado
  3. satinar
noun
1. kaalhoofdig iemand
  1. calva
  2. calvo
  3. pelada
  4. pelado
  5. pelona
  6. pelón
verb
calafatear
verb
calafatear
noun
1. tabel die de verdeling van het jaar in dagen, weken of jaren aangeeft, evt. met feestdagen enz.
  1. calendario
  2. almanaque
noun
1. middernacht tot middernacht
día calendario
noun
1. een periode van een jaar, beginnend op 1 januari en eindigend op 31 december
  1. año calendario
  2. año de calendario
noun
1. jong van het rund en sommige andere zoogdieren.
  1. ternero
  2. ternera
  3. becerro
verb
calafatear
noun
bistec de ternera
noun
  1. ternera
  2. carne de ternera
noun
mollejas de ternera
noun
potasa
noun
1. middellijn van de ziel van vuurwapens...
calibre
verb
  1. calibrar
  2. contrastar
noun
  1. califa
  2. jalifa
noun
califato
noun
regaliz
noun
1. scheikundig element met symbool K en atoomnummer 19
potasio
noun
  1. E261
  2. acetato de potasio
noun
  1. E501ii
  2. bicarbonato de potasio
  3. carbonato ácido de potasio
noun
bromuro de potasio
noun
  1. carbonato de potasio
  2. E501
  3. E501i
  4. carbonato potásico
noun
clorato de potasio
noun
  1. cloruro de potasio
  2. E508
noun
cianuro de potasio
noun
dicromato de potasio
noun
  1. E536
  2. ferrocianuro de potasio
  3. hexacianoferrato (II) de potasio trihidratado
noun
hidróxido de potasio
noun
yoduro de potasio
noun
  1. E337
  2. Sal de Seignette
  3. tartrato doble de sodio y potasio
noun
  1. E252
  2. nitrato de potasa
  3. nitrato de potasio
  4. nitrato potásico
  5. potassium nitrate
noun
  1. E249
  2. nitrito de potasio
noun
  1. permanganato de potasio
  2. permanganato potásico
noun
  1. E283
  2. propanoato de potasio
  3. propionato de potasio
noun
  1. E202
  2. sorbato de potasio
noun
  1. E515
  2. sulfato de potasio
noun
  1. E225
  2. disulfito de calcio
  3. metasulfito
  4. pirosulfito de calcio
/ˈkɑl(ə)k/
noun
aanduiding voor een aantal alkalische zouten van calcium
  1. calcio
  2. cal
noun
incrustación
noun
  1. abrepuño
  2. abrojo
  3. calcitrapa
  4. cardo estrellado
  5. cardo garbancero
  6. centaurea
noun
1. bepaald soort gedomesticeerde vogel, Meleagris gallopavo
  1. pavo
  2. guajolote
  3. guanajo
noun
horno de cal
noun
  1. piedra caliza
  2. caliza
/kɑlm/
adjective
1. weinig in beroering, zonder opwinding
  1. calmo
  2. sosegado
  3. tranquilo
  4. sereno
verb
  1. 1. kalm worden
    1. calmar
    2. acallar
    3. aplacar
    4. aquietar
    5. sosegar
  2. 3. zich kalmeren
    1. calmarse
    2. apaciguarse
    3. sosegarse
/ˈkɑlmus/, /ˈkɑɫmus/
noun
cálamo aromático
noun
  1. calma
  2. tranquilidad
  3. serenidad
verb
1. een jong baren bij runderen
parir
/kɑm/
noun
  1. 4. bergkam
    cresta
  2. 1. getand object om haren mee te verzorgen
    peine
/kɑ'mel/
noun
1. bepaald soort hoefdier met twee bulten op de rug, Camelus bactrianus
  1. camello
  2. dromedario
/ka'melejɔn/
noun
  1. 1. tropische hagedis vooral bekend voor zijn snelle kleurveranderingen
  2. 2. veranderlijk persoon
camaleón
noun
camelote
noun
criada
noun
criada
noun
1. deel van een huis
  1. habitación
  2. cuarto
pronoun
Cámara de comercio
noun
  1. compañero
  2. camarada
  3. compañera
noun
1. het kameraad zijn
camaradería
noun
1. een lange huisjas
bata
noun
chambelán
noun
música de cámara
/ˌka.mə.ˈrun/
pronoun
1. een land in Midden-Afrika, officieel de Republiek Kameroen
Camerún
adjective
  1. camerunesa
  2. camerunés
noun
camerunesa
noun
  1. planta de interior
  2. planta de casa
noun
temperatura ambiente
noun
1. kamertoon
  1. diapasón
  2. la 440
noun
alcanfor
noun
1. elk van de planten van het geslacht Matricaria
  1. manzanilla
  2. camomila
noun
1. mannenvest met lange mouwen en diepe zakken
  1. camisola
  2. camiseta
  3. camisón
/kɑmə(n)/
verb
1. met een kam haar in orde brengen
  1. peinar
  2. peinarse
verb
1. een vorm van openluchtrecreatie
  1. acampar
  2. campar
noun
1. geslacht van klimstruiken (Lonicera)
madreselva
noun
  1. agárico
  2. champiñón
/kɑmpiun/
noun
1. de winnaar van een kampioenschap
campeón
noun
1. wedstrijd waar bepaald wordt wie de kampioenstitel mag dragen
campeonato
noun
1. kampeervergunning
tarjeta de camping
noun
1. plaats waar een wedstrijd plaatsvindt
  1. arena
  2. redondel
noun
vuur in een kamp waaromheen mensen zich (ter gezelligheid) verzamelen
  1. fogata
  2. fuego de campamento
noun
1. een winkel op een kamp of een kampeerterrein
tienda de camping
noun
1. khorasantarwe (Triticum turgidum ssp. turanicum)
kamut
pronoun
canal de la Manga
/ka'naːl/
noun
canal
noun
detección y corrección de errores
pronoun
Eurotúnel
verb
1. rechttrekken tot een kanaal
canalizar
noun
1.1 bepaald soort vogel Serinus canarius
canario
adjective
1. een heldergele kleur zoals die van sommige kanaries
amarillo canario
noun
alpiste
noun
alpiste
pronoun
1. een stad gelegen in Zuid-Afghanistan en de hoofdstad van de gelijknamige provincie
Kandahar
noun
  1. candelabro
  2. candelero
noun
araucaria
noun
kandelaar met verscheidene armen
candelabro
/kɑndiˈdat/
noun
  1. 1. iemand die zich verkiesbaar gesteld heeft voor een politiek ambt
  2. 2. iemand die zich beschikbaar gesteld heeft voor een baan of functie
candidato
/kɑn'dɛɪ/
noun
1. gekristalliseerde, meestal bruine suiker
  1. azúcar cande
  2. azúcar candi
  3. candí
noun
  1. azúcar cande
  2. azúcar candi
/kɑˈnel/
noun
1. een specerij van de gedroogde binnenbast van de kaneelboom,...
canela
noun
1. tot poeder vermalen kaneel
canela en polvo
noun
1. benaming voor zoogdieren uit het geslacht Macropus
canguro
noun
1.
kanji
noun
1. een aandoening die gekenmerkt wordt door het ongecontroleerd vermenigvuldigen van cellen
cáncer
noun
oncólogo
adjective
  1. cancerígeno
  2. carcinógeno
noun
  1. 1. mens die of dier dat vlees van zijn eigen soort eet
    caníbal
  2. 2. woesteling
    1. caribe
    2. salvaje
noun
canoa
noun
1. een instrument om explosieve projectielen weg te schieten
cañón
noun
carne de cañón
noun
  1. bala de cañón
  2. bola de cañón
noun
kayak-polo
noun
  1. 1. mogelijkheid dat er iets gaat gebeuren
    1. probabilidad
    2. posibilidad
  2. 2. een mooie gelegenheid
    1. probabilidad
    2. posibilidad
    3. oportunidad
    4. ganga
    5. provecho inesperado
noun
1. een kerkelijk, meestal verhoogd, meubelstuk waarvanaf de voorganger in de dienst zijn preek uitspreekt
  1. púlpito
  2. cátedra
noun
cancillería
noun
  1. 2. hoofd van een kanselarij
    canciller
  2. 1. eerste minister
    1. canciller
    2. chanciller
noun
teoría de la probabilidad
noun
  1. juego de azar
  2. juego de suerte
noun
distribución de probabilidad
/kɑnt/
noun
  1. 1. een vorm van vlechtwerk
    1. encaje
    2. puntilla
  2. 3. zijde
    lado
/kɑnˈtel/
noun
1. elk van de opstaande delen van de getande bovenkant van (oude) verdedigingsmuren
almena
noun
frecuencia de corte
noun
cantón
pronoun
een Chinese taal gesproken door ongeveer 54 miljoen mensen in het zuiden van China en ook buiten het land
chino cantonés
verb
1. troepen legeren in dorpen en steden
acantonar
noun
1. een instelling waar allerlei administratieve handelingen worden uitgevoerd
  1. oficina
  2. despacho
/kɑn'torbədində/
noun
  1. dependiente
  2. empleado
noun
1. een titel die aan bepaalde geestelijken wordt verleend binnen enkele christelijke kerkgemeenschappen.
canónigo
noun
1. de waardigheid en taken van een kanunnik
canonjía
noun
1. de waardigheid en taken van een kanunnik
canonjía
noun
caolín
noun
kaón
/kɑp/
noun
  1. 2. een bedekking van het hoofd
    1. capucha
    2. cofia
    3. capuz
    4. toca
  2. 3. de afdekking van een gebouw
    1. techumbre
    2. tejado
noun
1. klein kerkgebouw
capilla
noun
1. een priester van de katholieke kerk, werkzaam in een parochie
  1. capellán
  2. vicario
noun
maestro de capilla
verb
secuestrar
noun
  1. 1. vroegere zeerover...
    1. bucanero
    2. corsario
    3. filibustero
    4. pirata
  2. 2. terrorist
    terrorista
/ˈka.pər.ˌbrif/
noun
1. een brief door de overheid of koning werd geschreven, waarmee een schip dat die brieven aan boord had het recht werd gegeven om schepen van vijandelijke mogendheden aan te vallen en leeg te roven
patente de corso
noun
corsario
noun
piratería
adjective
  1. 1. van de hoogste rang
    capital
  2. 2. voortreffelijk
    excelente
noun
  1. 1-2
    capital
  2. 3. fonds
    1. fondo
    2. fondos
    3. medios
    1. capital
    2. letra capital
    3. letra mayúscula
    4. mayúscula
noun
1. markt waarop vermogenstitels worden verhandeld met een onbepaalde looptijd, of met looptijden vanaf circa twee jaar
  1. mercado de capitales
  2. mercado de valores
verb
1. kapitaal laten aangroeien
capitalizar
noun
capitalismo
noun
2. aanhanger van het kapitalisme
capitalista
adjective
capitalista
noun
1. (beroep) (scheepvaart) gezagvoerder van een schip [1], bijv. van een koopvaardijschip
capitán
noun
1. bepaald soort zeevogel, Larus ridibundus
gaviotta reidora
/'kɑpmɛs/
noun
1. stevig mes
machete
noun
capón
noun
  1. capoc
  2. ceiba
  3. kapok
  4. miraguano
  5. árbol del algodón
noun
  1. capoc
  2. ceiba
  3. árbol del algodón
adjective
1. gebroken
  1. quebrado
  2. roto
  3. destrozado
verb
  1. estropearse
  2. romperse
noun
1. overjas voor soldaten
capote
/ka'pɔtʲə/
noun
2.
  1. goma
  2. forro
verb
romper
noun
  1. kappa
  2. cappa
noun
  1. peluquero
  2. barbero
noun
  1. alcaparra
  2. alcaparrera
noun
  1. barbería
  2. peluquería
/'kɑ.pər.tʲə/
noun
2. klein groen bloemknopje van de kappertjesplant, Capparis spinosa, dat meestal op zuur bewaard wordt en dat als kruiderij gebruikt wordt
alcaparra
noun
1. gelegenheid waar mensen hun haren laten knippen en hun kapsels laten verzorgen
salón de peluquería
/kɑpsɛɪ̯zə(n)/, /kɑpsɛːzə(n)/
verb
1. ondersteboven komen liggen
  1. zozobrar
  2. volcar
noun
1. de manier waarop het haar geknipt is
  1. peinado
  2. tocado
noun
peluquera
noun
1. een meubelstuk bedoeld om jassen en hoeden aan op te hangen
perchero
noun
1. een tafel met een spiegel erboven en met laatjes voor toiletbenodigdheden
  1. tocador
  2. peinador
noun
sajú
noun
serrucho de costilla
noun
quilate
noun
mosquetón
noun
1. tafelfles met wijde buik en smalle hals
  1. garrafa
  2. decantador
noun
1. aard
  1. carácter
  2. índole
verb
caracterizar
noun
1. gebrande suiker
caramelo
verb
1. door verhitting, suiker omzetten tot karamel
acaramelar
pronoun
1. stad in Namibië
Karasburg
noun
1. japanse gevechtsport
karate
noun
1.
caravana
/kɑrboˈnadə/
noun
1. een stuk vlees van een varken, kalf of lam
chuleta
noun
plant en zaad
cardamomo
adjective
  1. cardenalicio
  2. cardinal
noun
1. hoge geestelijke in de hiërarchie van de Rooms-Katholieke Kerk,...
cardenal
noun
2. heester van de soort Euonymus europaeus
  1. bonete de cura
  2. bonetero
  3. evónimo
noun
  1. bonete de cura
  2. bonetero
  3. evónimo
noun
1. en 2. bladeren van Cynara cardunculus
cardo
noun
  1. 1. patroonhuls
    cartucho
  2. 2. hondenras
    perro de aguas
pronoun
2. spelwoord voor de letter k
kilo
pronoun
1. een aan het Fins verwante taal die wordt gesproken in Karelië, Rusland en Finland
carelio
noun
cariátide
adjective
  1. escueto
  2. frugal
  3. parco
verb
1. een karikatuur maken van
caricaturizar
noun
1. bedelmonnik van de orde onzer lieve-vrouwe van den Berg Karmel
carmelita
adjective
carmelita
noun
carmelita
adjective
  1. rojo carmin
  2. carmín, (color de) ~
noun
carmesí
noun
1. de rode kleur van karmijn
carmesí
noun
1. gefermenteerde melk
  1. suero de manteca
  2. suero de la leche
  3. suero de la mantequilla
  4. suero de leche
verb
1. het langdurig mechanisch bewerken van melk
batir la leche
pronoun
montes Cárpatos
noun
1. bepaald soort grote zoetwatervis met een hoge rug, die van oorsprong uit Azië komt, Cyprinus carpio
carpa
/ˈkɑrəcjə/
noun
1.
carrillo
noun
  1. 1. kerf, keep, inkeping
    1. cartel
    2. entalladura
  2. cártel
noun
colon
/kɑrˈtɔn/
noun
2. verpakking
  1. cartón
  2. pasta de cartón
adjective
  1. cartujo
  2. cartujano
noun
1. kloosterling van de strenge contemplatieve orde van Sint-Bruno van Keulen
  1. cartujo
  2. cartujano
noun
carabela
noun
1. een klus of hoeveelheid werk die gedaan moet worden
  1. faena
  2. tarea
  3. trabajo
noun
plant, zaad en specerij
  1. alcaravea
  2. alcarahueya
  3. carvi
  4. alcarabea
  5. alcaravia
  6. carvia
noun
1. gedroogde (gemalen) aromatische zaad van Carum carvi
semilla de alcaravea
/'kɑs/
noun
  1. 1. de bak die het ontvangen geld bevat
    caja
  2. 3. een doorzichtige -meest glazen- constructie...
    1. invernadero
    2. invernáculo
noun
  1. diaro de caja
  2. libro de caja
  3. registro de caja
pronoun
Cachemira
pronoun
1. een Westslavische taal die gesproken wordt in het oosten van Pommeren
casubio
pronoun
1. een grote door land omsloten zoutwatervlakte op de grens van Europa en Azië
mar Caspio
noun
    1. 1. plaats waar men aankopen betaalt in een winkel
    2. 3. machine om ontvangen geld te registreren en te bewaren
    caja
  1. 2. plaats waar men tickets betaalt of reserveert
    taquilla
noun
1. straatkei gemaakt van natuursteen met de grootte van het hoofd van een kind
adoquín
noun
  1. cacerola
  2. cazuela
noun
1. iemand die het beheer heeft over de kas en de mutaties ervan bijhoudt
cajero
noun
flujo de caja
noun
estado de flujo de efectivo
/kɑs/, /kɑst/
noun
1. een meubel om gebruiksvoorwerpen in op te bergen, meestal voorzien van horizontale schappen
  1. armario
  2. clóset
noun
  1. 1. de vrucht
    1. castaña
    2. castaña marrón
  2. 1. de boom
    castaño
noun
castaño
adjective
castaño
noun
puré de castañas
noun
  1. castañas
  2. castaños
noun
1. streng gescheiden stand binnen de hindoeïstische samenleving
casta
noun
1. een middeleeuwse versterkte woning
castillo
noun
déficit
noun
cacerola
noun
1. bepaald soort zoogdier, Felis sylvestris catus
  1. gato
  2. gata
noun
1. geheel van de afbraakprocessen in een lichaam
catabolismo
adjective
1. aan een kat herinnerend of erop gelijkend.
felino
noun
  1. catafalco
  2. túmulo
noun
catalizador
/kataˈliːzə/
noun
catálisis
verb
1+2. snel voort doen gaan
catalizar
adjective
catalítico
noun
cataplexia
noun
  1. 1. belegeringswapen
    catapulta
  2. 3. lanceerinrichting voor vliegtuigen
    1. catapulta
    2. plataforma de lanzamiento
  3. 2. speeltuig
    1. tirachinas
    2. tirador
    3. tiragomas
noun
  1. 1. mannetje van de kat
    gato
  2. 2. gevolgen van alcoholgebruik
    1. resaca
    2. guayabo
    3. cruda
    4. hachazo
    5. caña
    6. chaqui
    7. chuchaqui
adjective
cátaro
/kɑtədral/
noun
1. een hoofdkerk van een bisdom
catedral
noun
1. buisje dat tijdelijk in een lichaamsholte wordt aangebracht, bijv. om lichaamsvocht op te vangen of een medicijn toe te dienen
catéter
noun
1-2 scheikunde + elektronica
cátodo
adjective
catódico
noun
catolicismo
/ˌka.to.ˈlik/
adjective
  1. 1. overeenkomstig de geloofsleer van de Katholieke Kerk
  2. 2. te maken hebbend met de Katholieke Kerk
católico
/ka.ˈtɛɪf/, /kɑ.ˈtɛːf/
adjective
1. ellendig, ongelukkig
miserable
/ka.ˈtɛɪf/, /kɑ.ˈtɛːf/
noun
  1. 2. feeks, boosaardig vrouwmens
    1. arpía
    2. bruja
    3. fiera
  2. 1. ellendeling, stakker
    miserable
noun
catión
/kɑˈtun/
noun
1. een zachte vezel die uit de opperhuid (epidermis) van de zaden van de katoenplant groeit
algodón
noun
semilla de algodón
noun
aceite de semilla de algodón
noun
1. een werktuig dat het mogelijk maakt een last met een beperkte kracht te verplaatsen
  1. polea
  2. carrillo
noun
  1. albahaca de gatos
  2. hierba gatera
  3. menta de gato
  4. nébeda
  5. almaro
  6. cataria
noun
amaranta
noun
amaranto
adjective
gatuno
pronoun
Kauai
noun
1. Corvus monedula, eem zwarte kraaiachtige zangvogel met een grijze nek
grajilla
verb
  1. masticar
  2. mascar
noun
1. een zacht samenhangend snoepgoed dat niet bedoeld is om in te slikken
  1. chicle
  2. goma de mascar
noun
  1. chicle
  2. goma de mascar
noun
  1. parcela
  2. solar
noun
caviar
adjective
  1. kazaja
  2. kazajo
pronoun
1. een taal die van oorsprong door de Kazachen in Kazachstan gesproken werd
  1. kazako
  2. kazajo
noun
vrouwelijke inwoner van Kazachstan
kazaja
noun
tenge kazajo
noun
1. gebouw waar soldaten gelegerd zijn
cuartel
noun
1. een mouwloos opperkleed dat door een priester gedragen wordt bij het lezen van de mis
casulla
pronoun
1. oudste zoon van Adam en Eva
Caín
/keːl/
noun
  1. 1. voorste, uitwendige gedeelte van de hals
    garganta
  2. heraldiek
    gules
noun
1. dokter die zich gespecialiseerd heeft in ziekten van organen binnen het hoofd die direct contact met de buitenlucht hebben
otorrinolaringólogo
noun
  1. amígdala
  2. tonsila
noun
consonante gutural
noun
  1. cimacio
  2. gola
/kelɔntstekɪŋ/
noun
1. een infectie van de slijmhuid van de keel
inflamación de garganta
noun
1. pijnlijke irritatie van het slijmvlies in de keelholte, meestal door een ontsteking ervan
dolor de garganta
/keːp/
noun
  1. 1. kerf
    entalladura
  2. 2. kleurrijke vinkensoort
    pinzón real
/ˈkipər/
noun
  1. arquero
  2. guardameta
  3. portero
noun
1. telkens terugkerend tijdstip waarop iets gebeurt
vez
noun
trópico
noun
punto de cambio
noun
1. langharige, middelgrote hond met pluimstaart
  1. lulú
  2. lulú de Pomerania
noun
1. gebouwtje voor tijdelijk verblijf
  1. barracón
  2. cabina
  3. casilla
  4. cobertizo
  5. garita
pronoun
1. stad in Namibië
Keetmanshoop
noun
1. geblokte doek die traditioneel voornamelijk door mannen in Arabische landen en landen met een droog klimaat over het hoofd gedragen wordt
kufiyya
noun
kéfir
/ˈke.xəl/
noun
  1. 2. de flesvormige houten stukken van het kegelspel
    bolo
  2. 1. een meetkundig lichaam met een cirkel als grondvlak en uitlopend in een punt
    cono
noun
  1. bolera
  2. cancha de boliche
noun
1. een kromme gevormd door het snijden van een kegel met een plat vlak
  1. cónica
  2. sección cónica
noun
1. een monarch van de allerhoogste rang, oorspronkelijk die van het Romeinse rijk
emperador
noun
1. een vrouwelijke monarch van de allerhoogste rang, oorspronkelijk die van het Romeinse rijk
  1. emperatriz
  2. imperatriz
adjective
imperial
noun
1. een gebied waar een keizer het staatshoofd is
imperio
noun
1. operatieve verlossing
cesárea
noun
1. een ondergrondse bergruimte
sótano
noun
cáliz
noun
velo cubrecáliz
noun
  1. camarero
  2. mesero
/kɛɫt/
noun
1. lid van een Indo-Europees volk waarvan na de Romeinse tijd de meeste leden op de Britse eilanden en in Bretagne leven
celta
/kɛɫtən/
noun
2. Indo-Europees volk waarvan de meeste leden op de Britse eilanden en in Bretagne leven
celtas
/ˈkɛl.tis/, /ˈkɛɫ.tis/
adjective
1. met betrekking tot Kelten
celta
/ˈkɛl.tis/, /ˈkɛɫ.tis/
pronoun
celta
noun
1. bepaald soort vogel, Calidris pugnax
combatiente
noun
kendo
noun
1. een netnummer bij telefonie
  1. código de área
  2. indicativo
  3. indicativo telefónico
  4. prefijo
  5. prefijo telefónico
/ˈke.ni.ja/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika, de Republiek Kenia, grenzend aan Somalië, Ethiopië, Oeganda, Tanzania en de Indische Oceaan
Kenia
adjective
  1. keniana
  2. keniano
  3. keniata
  4. keniato
noun
  1. keniana
  2. keniata
noun
chelín keniano
noun
característica
/'kɛnmɛrkə(n)/
verb
1. een herkenningspunt ergens van zijn
  1. señalar
  2. caracterizar
verb
2. door studie of oefening geleerd hebben
  1. conocer
  2. saber
noun
conocedor
/ˈkɛnɪs/
noun
  1. 1. wat je weet of hebt geleerd
    1. conocimiento
    2. sabiduría
  2. 1. iemand met wie men bekend is
    conocido
noun
base de conocimiento
noun
epistemología
noun
gestión del conocimiento
noun
epistemología
noun
1. een teken waaraan iets of iemand herkenbaar is
distintivo
noun
1. een strook metaal waarop een kentekennummer is vermeld
  1. chapa de número
  2. matrícula del automóvil
  3. placa del coche
noun
  1. cruzado de doble trama
  2. cabrio
/ˈkɛpəl/
noun
1. hoofddeksel in de vorm van een ondiep bolsegment
kipá
noun
cerámica
adjective
2. gemaakt van keramiek
cerámico
noun
queratocono
noun
1. middel dat de hoornlaag van de huid verweekt
queratolítico
/kɛrk/
noun
  1. 1. openbaar gebouw voor religieuze handelingen of samenkomsten
  2. 2. Christelijke organisatie voor beleving van een specifieke christelijke godsdienst
  3. 3. Georganiseerde groep die bepaalde christelijke standpunten aanhangt
iglesia
/ˈkɛrk.bɑn/
noun
1. uitsluiting van de sacramenten of de kerkgemeenschap
  1. excomunión
  2. anatema
/ˈkɛrk.bɑŋk/
noun
1. harde langwerpige constructie waar in een kerkgebouw waarop gelovigen tijdens een dienst kunnen zitten
banco de iglesia
noun
parroquia
noun
1. bijeenkomst van een christelijke gemeente waarin God vereerd wordt
servicio de iglesia
noun
  1. consistorio
  2. presbiterio
/kɛrkər/
noun
1. een ondergrondse ruimte die bestemd is voor het opsluiten van gevangenen
  1. calabozo
  2. mazmorra
/ ˈkɛrkχɑŋər /
noun
1. een gelovige die zich naar de kerk begeeft om de kerkdienst bij te wonen
feligrés
/ ˈkɛrkχɑŋstər /
noun
1. een gelovige vrouw die zich naar de kerk begeeft om de kerkdienst bij te wonen
feligresa
noun
parroquia
noun
1. terrein waar overledenen begraven worden
cementerio
noun
1. eretitel die in de Rooms-Katholieke Kerk wordt toegekend aan schrijvers die uitmunten door hun schrijftalent
  1. doctor
  2. doctor de la iglesia
noun
1. lied bedoeld om tijdens de eredienst of mis te zingen
cántico
pronoun
1. liturgische taal van de Slavische oosters-orthodoxe en oosters-katholieke Kerken
  1. eslavo eclesiástico
  2. eslavón
noun
modo medieval
/ˈkɛrgœːl/, /ˈkɛrkœʏ̯ɫ/, /ˈkɛrkœːl/
noun
1. bepaald soort vogel, Tyto alba
  1. lechuza común
  2. lechuza
noun
1.
padre de la iglesia
noun
1. een feest met attracties
  1. feria
  2. kermés
  3. verbena
/ˈkɛrnandrɛɪvɪŋ/
noun
aangedreven door kernenergie
propulsión nuclear
noun
central nuclear
noun
química nuclear
noun
1. energie geproduceerd door kernfusie of kernsplijting, waarmee in een kerncentrale elektriciteit wordt opgewekt
energía nuclear
noun
1. het proces waarbij twee atoomkernen botsen en één zwaardere kern vormen waarbij energie vrij komt
fusión nuclear
noun
física nuclear
noun
submarino nuclear
noun
1. een experiment met een atoombom
prueba nuclear
noun
  1. accidente nuclar
  2. incidente nuclear
noun
reactor nuclear
noun
1. een rampzalige gebeurtenis waarbij de brandstof van een kernreactor smelt door het wegvallen van de koeling
  1. fusión de núcleo
  2. fusión de reactor
noun
resonancia magnética nuclear
noun
arma nuclear
noun
física nuclear
noun
1. een vrij zware fractie alkanen die met name als vliegtuigbrandstof gebruikt wordt
  1. queroseno
  2. kerosén
noun
specerij
curry
adjective
amarillo curry
noun
  1. 1. steenvrucht van een kersenboom, Prunus subg. Cerasus
    1. cereza
    2. guinda
  2. 1. benaming voor bomen uit het ondergeslacht Prunus subg. Cerasus
    cerezo
/ˈkɛr.sə.ˌlaːr/
noun
1. een boom uit het geslacht Prunus
cerezo
noun
1. benaming voor bomen waaraan kleine ronde vruchten groeien, uit het ondergeslacht Prunus subg. Cerasus
cerezo
adjective
1. zo rood als rijpe kersen
guinda
noun
parroquia
noun
  1. arañón
  2. ciruela chabacana
  3. ciruela del Japón
  4. mirabel
  5. mirobolán
  6. mirobálano
adjective
1. zo rood als rijpe kersen
guinda
/kɛr.ˈsta.vɔnt/, /kɛr.ˈz(d)a.vɔnd/
noun
Nochebuena
/ˈkɛrsd.bɑɫ/, /ˈkɛrz.bɑl/
noun
1. een bal die men als versiering ophangt aan de takken van een kerstboom
bola de Navidad
noun
mensaje de Navidad
/ˈkɛrsd.bom/, /ˈkɛrz.bom/
noun
1. rond Kerstmis opgestelde naaldboom met allerlei versieringen
árbol de Navidad
/ˈkɛrs.dɑx/, /ˈkɛrs.dɑχ/, /ˈkɛrz.dɑx/
noun
día de Navidad
/ˈkɛr.stə.ˌnə(n)/
verb
2. heidense volkeren, al dan niet massaal, tot het christendom bekeren; veelal in historische context
cristianizar
/ˈkɛr.stə.ˌnɪŋ/
noun
1. het proces waarbij heidense volkeren zich, al dan niet massaal, tot het christendom bekeren
cristianización
/ˈkɛrs.fes/, /ˈkɛrst.fest/
noun
  1. Navidad
  2. fiesta de Navidad
/ˈkɛrs.kart/, /ˈkɛrst.kart/
noun
1. een wenskaart die wordt gekenmerkt door een kerstgroet en wensen voor het komende nieuwe jaar
tarjeta navideña
/ˈkɛrs.lid/, /ˈkɛrst.lit/
noun
1. een op Kerstmis betrekking hebbend lied
villancico
noun
mercado navideño
/ˈkɛrs(t)məs/, /ˈkɛrsmɪs/, /ˈkɛrstmɪs/
noun
1. een feest ter herinnering van de geboorte van Jezus met een vieringsdatum die verschilt per christelijke traditie
Navidad
/kɛrst.ˈnɑxt/, /kɛrst.ˈnɑχt/, /ˈkɛrs.nɑx/
noun
1. de nacht van 24 op 25 december
Nochebuena
/ˈkɛr.sto.ˌmat/
noun
1. een trostomaat zo groot als een kers
  1. tomate cereza
  2. tomate cherry
  3. tomate en rama
/ˈkɛr.stɑl/, /ˈkɛr.stɑɫ/
noun
1. een voorstelling van de geboorte van Jezus met figuren van hout of gips, die vooral in katholieke gezinnen rond Kerstmis in huis te vinden is, vaak onder de kerstboom
  1. belén
  2. pesebre
/ˈkɛrstɛr/
noun
  1. flor de Pascua
  2. Noche Buena
  3. Pascua
  4. pascuero
/ˈkɛr.strɔŋk/
noun
1. een gebak in de vorm van een stronk dat met kerst gegeten wordt.
tronco de Navidad
/ˈkɛrst.fa.ˌkɑn.si/, /ˈkɛrst.fa.ˌkɑn.ʦi/, /ˈkɛrz.va.ˌkɑn.si/
noun
1. een schoolvakantie op het einde van het jaar die gewoonlijk twee weken duurt
vacaciones de Navidad
/ˈkɛrst.fər.ˌsiː.rɪŋ/, /ˈkɛrz.vɛr.ˌsiː.rɪŋ/
noun
1. aangekochte of zelfgemaakte voorwerpen die gebruikt worden ter versiering ter gelegenheid van Kerstmis
decoración navideña
noun
  1. 1. plant
    1. cerafolio
    2. perifollo
  2. 2. keukenkruid
    1. perifollo
    2. cerafolio
noun
sopa de perifollo
verb
1. met een scherp voorwerp een insnijding trachten te maken in een hard oppervlak
  1. entallar
  2. grabar
noun
1. een saus op basis van tomaten
  1. ketchup
  2. salsa de tomate
  3. catchup
  4. catsup
  5. salsa tomate
noun
    1. 1. meestal rond metalen vat, vaak geschikt om onder druk gezet te worden
    2. 3. keteldal
    caldera
  1. 2. waterketel
    caldero
/ˈke.təl.dɑl/, /ˈke.təɫ.dɑɫ/, /ˈkeː.təl.dɑl/
noun
1. een half cirkelvormige vallei gevormd door de erosie die een gletsjer veroorzaakt
  1. caldera
  2. circo glaciar
noun
sarro
noun
1. uit losse, vaak metalen, schakels in een enkele rij aaneengeregen voorwerp
cadena
noun
zuurvergiftiging bij suikerziekte
cetoacidosis
noun
1. iemand die vanwege afwijking van de katholieke leer tot misdadiger verklaard was
hereje
/ˌkɛtəˈrɛɪ/
noun
1. het ingaan in woord of gedachte tegen de doctrines van de kerk
herejía
noun
  1. 2. een stevige, maar buigzame verbinding van in elkaar grijpende ringen of achtvormige schakels
    cadena
  2. 4. een snoer bestaande uit een draad die door doorboorde kralen of andere voorwerpen gevoerd is
    collar
noun
1. gebruik van een keten van metalen schakels om beweging tussen tandwielen over te brengen
  1. accionamiento por cadena
  2. transmisión de cadena
noun
1. metalen, linnen of plastic hoes om een fietsketting die ook de tandwielen omvat, bedoeld om de ketting en de kleding van de fietser te beschermen
cubrecadena
noun
papel continuo
noun
reacción en cadena
noun
regla de la cadena
noun
noria
noun
1. motorzaag die een ketting met getande schakels heeft
motosierra
/ˈkøːkə(n)/
noun
  1. 1. een plaats waar gekookt wordt, ruimte waarin mensen hun voedsel bereiden
  2. 2. de wijze waarop in een land of streek gekookt wordt
cocina
noun
  1. procesadora
  2. robot de cocina
noun
1. alle gebruiksvoorwerpen in de keuken
utensilios de cocina
noun
1. iemand die in de keuken meehelpt
  1. ayudante de cocina
  2. pinche de cocina
noun
  1. procesadora
  2. robot de cocina
noun
1. uit natriumchloride bestaand voedingszout
sal de cocina
pronoun
Colonia
noun
2. uitgelezen verscheidenheid
elección
noun
tropas de elite
verb
1.zich een oordeel vormen over de waarde of deugdelijkheid van iets
  1. examinar
  2. probar
  3. aquilatar
  4. catar
adverb
1. erg netjes en beleefd
decente
noun
tropas de elite
noun
1. merkteken als bewijs van keuring
marca de certificación
noun
  1. corpiño
  2. corsé
  3. justillo
noun
1.
tropas de elite
noun
príncipe elector
/'kø:s/
noun
gelegenheid
elección
verb
1. gezellig praten zonder al te veel diepgang
charlar
noun
1. het besluit om uit verschillende mogelijkheden er één te nemen
  1. elección
  2. opción
noun
axioma de elección
/ˈkevər/, /ˈkɛvər/
noun
  1. 1. bepaald insect
  2. 2. bepaald type Volkswagen
escarabajo
/ˈkiːbɔː(r)d/, /ˈkiːbɔː(r)t/
noun
  1. 1. een elektronisch muziekinstrument met een toetsenbord
  2. 2. een apparaat waarmee, door toetsen in te drukken, gegevens in een computer ingevoerd kunnen worden
teclado
pronoun
1. taal die in Cambodja gesproken wordt
khmer
/kɪbələ(n)/
verb
1. woordenstrijd hebben
  1. altercar
  2. disputar
  3. reñir
/ˈkɪbuts/
noun
kibutz
/kɪk/
noun
subidón
noun
kick boxing
verb
1. wederrechtelijk en onder dwang iemand weghalen
  1. secuestrar
  2. raptar
/ˈkɪd.ˌnɑ.pər/, /ˈkɪt.ˌnɑ.pər/, /ˈkɪt.ˌnɛ.pər/
noun
1. iemand die mensen kidnapt of ontvoert
  1. raptor
  2. secuestrador
noun
1.1 benaming voor roofvogels uit het geslacht Circus
aguilucho
noun
  1. 1. verlenging van de onderzijde van een (zeil)schip
    quilla
  2. 1. kledingstuk zonder voorsluiting dat het bovenlichaam bedekt
    blusa
verb
1. zijdelings scheef in het water komen te liggen, al of niet om reparaties uit te voeren
carenar
noun
estabilizador vertical
noun
1. spoor van waterstroom (achter een schip)
estela
noun
germen
noun
célula germinal
/'kim.ʋɔr.təl/
noun
1. eerste worteltje van een zaailing
radícula
noun
  1. grieta
  2. hendedura
  3. hendidura
  4. quebraja
  5. resquicio
adjective
1. een vrij grote tand die achter in de mond staat
muela
adjective
1.
  1. delicado
  2. exquisito
  3. fino
noun
1. pijn in één of meerdere kiezen
  1. dolor de dientes
  2. odontalgia
noun
sufragio
noun
1. de wijze waarop de volksvertegenwoordiging bij verkiezingen wordt gekozen.
sistema de votación
verb
1. het prikkelen van gevoelige stukken huid bij anderen door middel van licht aanraken
  1. cosquillear
  2. hacer cosquillas
noun
1. ademhalingsorgaan van vele in water levende dieren
branquia
pronoun
1. de hoofdstad van Oekraïne
Kiev
noun
avefría europea
noun
  1. 3. silicium (zie silicium)
    silicio
  2. 1-2
    sílex
adjective
gris guijarro
noun
guijarro
/ˈkizəɫˌʋirə(n)/
noun
2. stam van eencellige organismen, Bacillariophyta
diatomeas
verb
1. uit meerdere mogelijkheden één nemen
  1. elegir
  2. escoger
noun
  1. cáñamo
  2. cáñamo indio
  3. marijuana
verb
  1. disputar
  2. reñir
adjective
1. iemand niet gunnen dat die iets heeft dat men zelf wil hebben
envidioso
verb
mirar
noun
1. iemand die kijkt
espectador
verb
1. ruzie maken, een woordenstrijd hebben
  1. barajar
  2. disputar
  3. reñir
noun
1. benaming voor amfibieën uit de orde Anura
rana
noun
1. legsel
freza de rana
noun
1. en 2. (zaden van) de plant Cicer arietinum
garbanzo
noun
1. fijn gemalen kikkererwten
harina de garbanzo
noun
1. kikker- of paddenlarve
renacuajo
noun
matón
noun
  1. 1. informele afkorting van "kilogram" de SI-eenheid van massa (symbool: kg)
  2. 2. informele afkorting van "kilogram" een niet-SI-eenheid van gewicht of kracht
kilo
noun
kilobit
abbreviation
1. kilogram
  1. kilogramo
  2. kilo
noun
1. duizend meter
kilómetro
noun
medidor de consumo eléctrico
noun
kilt
noun
1. het vooruitstekende deel van de onderkaak
  1. mentón
  2. barbilla
  3. barba
noun
  1. azuceno colorado
  2. cascarilla amarga
  3. cinchona
  4. quina
  5. quina roja
  6. quino
noun
  1. 2. persoon voortkomend uit
    1. hijo
    2. hija
  2. 1. mens tussen 0 en 18 jaar
    1. niño
    2. nene
    3. hijo
adjective
1. zich niet als volwassene gedragend alsof men nog een kind is
pueril
noun
1.Het kinderachtig zijn
  1. chiquillada
  2. niñería
noun
  1. explotación infantil
  2. trabajo infantil
noun
1. een arts die gespecialiseerd is in de behandeling van kinderen
pediatra
noun
camita de niño
noun
guardería
noun
libro infantil
noun
cirugía pediátrica
noun
día del niño
noun
guardería
noun
bicicleta para niños
noun
  1. pediatría
  2. medicina infantil
noun
mano infantil
noun
  1. infancia
  2. niñez
noun
1. kindermeisje (in een huishouden)
niñera
pronoun
Cruzada de los Niños
noun
canción infantil
noun
2. jongedame die als taak heeft op de kinderen te passen
niñera
noun
1. de behandeling van een kind met het toebrengen van fysieke of psychische schade als doel
abuso y maltrato infantil
noun
1. het om het leven brengen van een kind
infanticidio
noun
1.
canguro
noun
niñera
noun
  1. parque de juegos
  2. parque infantil
noun
niñez
noun
1. ziekte bij kinderen
enfermedad infantil
adjective
senil
noun
1. kind dat deelneemt aan een gewapend conflict
niño soldado
noun
cinemática
noun
kinesiología
noun
fisioterapia
adjective
1. wat beweging veroorzaakt
cinético
noun
quinina
noun
palurdo
/kɪŋk(h)ust/
noun
1. een bepaalde kinderziekte die veroorzaakt wordt door de bacterie Bordetella pertussis
  1. tos ferina
  2. tosferina
noun
  1. buccino
  2. caracol marino
  3. concha
pronoun
1. officiële taal van Ruanda, behoort tot de Bantoe-talen
kinyarwanda
/kɪp/
noun
  1. 1. Gallus gallus domesticus, gedomesticeerde vogel uit de familie van de hoenderachtigen
    1. gallina
    2. pollo
  2. 4. Laotiaanse kip
    kip lao
  3. 2. kippenvlees
    1. pollo
    2. carne de pollo
noun
el huevo o la gallina
noun
1. stukje wit kippenvlees zonder bot of vel
  1. filete de pollo
  2. pechuga de pollo
noun
hok voor kippen
gallinero
noun
1. orgaan dat een grote rol speelt in de stofwisseling van een hoen, na het slachten vaak gegeten als delicatesse
higado de pollo
noun
  1. muslo de pollo
  2. pata de pollo
noun
gallinero
noun
sopa de pollo
/ˈkɪpəvɛɫ/
noun
1. het verschijnsel waarbij als gevolg van kou de huid gaat kleine bubbeltjes vertoont
  1. piel de gallina
  2. carne de gallina
noun
grasa de pollo
noun
  1. carne de pollo
  2. pollo
noun
arenque ahumado
pronoun
1. de taal die in Kirgizië gesproken wordt
kirguizo
noun
som kirguís
/kɪr.ˈɣi.zi.jə/, /kɪr.ˈχi.zi.jə/
pronoun
1. een land in Centraal Azië, officieel de Kirgizische Republiek, dat geheel door land omsloten is
  1. Kirguistán
  2. Kirguizistán
  3. Kirguizia
/ˌki.ri.ˈbɑs/
pronoun
1. land in Oceanië, officieel de Republiek Kiribati
Kiribati
pronoun
1. taal die door 67 790 mensen in Kiribati, Fiji, Nauru, de Solomoneilanden, Tuvalu en Vanuatu wordt gesproken
  1. gilbertés
  2. idioma gilbertés
noun
1. een alcoholische drank die bereid wordt door gegist kersensap te destilleren
kirsch
/kɪst/
noun
  1. caja
  2. arca
  3. arcón
noun
1. dikvloeibare materialen, gebruikt voor verlijming of afdichting
masilla
noun
kitesurf
noun
1. schijnkunst die niet aanslaat met veel versieringen en/of de verkeerde materialen waarvan de meeste mensen denken dat het wansmaak is
kitsch
verb
titilar
noun
2. vrucht van plantengeslacht Actinidia
kiwi
noun
helado de kiwi
noun
elegía
pronoun
Lamentaciones
noun
elegía
adjective
  1. quejicoso
  2. quejicón
/klaːr/
adjective
  1. 2. helder, duidelijk
    claro
  2. 1. in staat van gereedheid gebracht, gereed
    terminado
adjective
1. kennelijk
evidente
noun
evidencia
verb
preparado
verb
  1. 3. iemand bevredigen en tot een orgasme brengen
    hacer correrse
  2. 2. uit ingrediënten klaarmaken
    1. preparar
    2. aderezar
  3. 1. voorbereiden
    1. preparar
    2. aparejar
    3. acondicionar
    4. aviar
verb
1. iets moeilijks in orde of ten einde brengen
  1. agenciar
  2. conseguir
noun
1. een aanklacht
  1. pleito
  2. querella
  3. reclamación
noun
1. vlek
  1. mancha
  2. mácula
noun
1. een blok met kladpapier
  1. bloc de notas
  2. bloc
  3. borrador
noun
libro borrador
verb
  1. pintarrajar
  2. pintarrajear
verb
1. ongenoegen uiten
  1. quejarse
  2. lamentarse
/ˈklaɣər/
noun
actor
verb
1. een plotseling luid geluid maken door twee zaken tegen elkaar te slaan...
  1. castañetear
  2. chasquear
  3. restallar
noun
1. fijn net waaronder men slaapt om muggen buiten te houden
mosquitera
noun
2. een klem of haak waaraan een touw kan worden bevestigd
  1. grapa
  2. laña
noun
1.
clientela
noun
1. in het algemeen wordt hiermee het totaal aan eigenschappen van een geluid aangeduid
  1. sonido
  2. son
  3. tono
noun
caja de resonancia
noun
caja de resonancia
noun
fonética
/ˈklɑŋknabotsɪŋ/
noun
2. een woord dat is ontstaan uit het proberen een geluid na te doen
onomatopeya
noun
rastro del sonido
/ˈklɑŋk.vər.ˌsχœʏ̯.vɪŋ/
noun
1. het verschijnsel dat een klank in een taal in de loop van de tijd vervangen wordt door een andere klank
cambio fonético
noun
1. afnemer van een product of dienst van een leverancier
cliente
noun
1. een verzameling klantgegevens (persoonlijke gegevens, bankgegevens, bestelgeschiedenis, lopende bestellingen,...
cuenta de cliente
noun
1. maatregelen van een bedrijf om iemand als klant te behouden
retención de clientes
noun
  1. tarjeta de fidelidad
  2. tarjeta de fidelización
noun
  1. 2. bestraffing
    1. bofetón
    2. bofetada
  2. 1. plotselinge, luidruchtige slag
    golpe
noun
1.
  1. neumático pinchado
  2. reventón del neumático
noun
  1. gorrón
  2. parásito
noun
  1. coco
  2. coco de agua
  3. coco fruto
  4. cocotero
  5. copra
  6. nuez de coco
noun
  1. coco
  2. coco de agua
  3. coco fruto
  4. cocotero
noun
leche de coco
noun
1. Papaver rhoeas, een plant met een felrode bloem uit de familie Papaveraceae
  1. amapola
  2. ababa
noun
1. een schaats die bij het langeafstandsschaatsen gebruikt wordt
  1. patín clap
  2. patín de pista larga
noun
  1. 1. ± stuk rundvlees van de borst of klaprib, dat langdurig in een oven gebraden wordt
    falda
  2. 2. hoogtepunt van een uitvoering, concert
    mejor
verb
1. heftig slaan met de vleugels
aletear
verb
1. helder maken
clarificar
noun
1. een houten blaasinstrument waarop de melodie wordt gespeeld in een harmonie
clarinete
noun
1. een soort trompet met een schelle klank
clarín
/klɑs/
noun
  1. 1. een groep leerlingen die een tijdlang gezamenlijk les krijgen
  2. 2. een leerjaar op school
  3. 3. een klaslokaal
clase
noun
1. een medeleerling, iemand die in dezelfde schoolklas zit
compañero de clase
noun
    1. clase
    2. categoría
  1. 3. plantengeslacht
    género
noun
clasificación
noun
lucha de clases
adjective
clásico
noun
mecánica clásica
/ˈklʌʊtərə(n)/
verb
1. klimmen, zich verticaal verplaatsen met behulp van alle vier de ledematen
  1. trepar
  2. encaramarse
/klʌu/
noun
  1. 1. poot van een roofdier
  2. 2. hand
garra
noun
  1. martillo sacaclavos
  2. martillo de orejas
noun
  1. alcaudón
  2. lanío
noun
1. klauwplaat
mandril
noun
1. langwerpig vierkant toetsinstrument dat behoort tot de muzikale familie van de toetsinstrumenten.
clavicordio
noun
1. toetsinstrument
  1. clavecín
  2. clavicémbalo
noun
trébol
noun
1. kaartkleur
trébol
noun
cuatro de tréboles
noun
rabo de lobo
noun
1. Oxalis
acederilla
noun
1. langwerpig vierkant toetsinstrument dat behoort tot de muzikale familie van de toetsinstrumenten.
clavicordio
verb
  1. 1. kleren aandoen
  2. 2. met weefsel bedekken, van kleding voorzien
vestir
noun
indumentaria
noun
1. het textiel voor de bedekking van het lichaam
  1. ropa
  2. vestido
  3. atavío
  4. atuendo
  5. indumentaria
  6. ropaje
noun
1.
  1. prenda
  2. traje
  3. vestir
noun
  1. 1.1 tapijt
    alfombra
  2. 1.2 kleding
    vestido
noun
  1. camerino
  2. vestuario
noun
  1. amor de hortelano
  2. azotalenguas
  3. lapa
  4. amor del hortelano
  5. presera
noun
1. rijstsoort die veel zetmeel bevat
arroz glutinoso
noun
  1. armario
  2. ropero
noun
costurera
noun
1. iemand wiens beroep bestaat uit het maken van kleding.
sastre
noun
1. nachtvlindersoort waarvan de rupsen textiel eten
polilla de la ropa
/klɛɪ̯/, /klɛː/
noun
1. zeer fijne, vochthoudende grondsoort
arcilla
/ˈklɛidœyvəˌsxitə(n)/
verb
tiro skeet
adjective
1. van geringe grootte
  1. pequeño
  2. chico
  3. bajo
  4. menudo
  5. corto
  6. chiquillo
pronoun
Pulgarcito
noun
  1. hierba cana
  2. hierba de las quemaduras
  3. lechocino
  4. lechozino
  5. senecio
  6. toribo
noun
serradela menuda
pronoun
  1. Anatolia
  2. Asia menor
adjective
  1. 2. benepen, bekrompen
    1. cuadriculado
    2. pequeñoburgués
  2. 1. de klasse tussen de gegoede burgerij en de arbeiders
    pequeñoburgués
/ˈklɛɪndɔxtər/
noun
1. een dochter van iemands kind, een vrouwelijk kleinkind
nieta
pronoun
Pulgarcito
noun
pulgarcito
pronoun
1. een hoog aan het noordelijk halfrond duidelijk sterrenbeeld
Osa Menor
pronoun
1. sterrenbeeld zuidelijk van de dierenriem
Canis Minor
noun
botella de Klein
/ˈklɛːnɣɛlt/
noun
1. geld in kleine coupures, vooral in munten
  1. suelto
  2. cambio
  3. menudo
noun
  1. minorista
  2. detallista
  3. tendero
noun
  1. bajeza
  2. pequeñez
/ˈklɛːŋkɪnt/, /ˈklɛːɪŋkɪnt/
noun
1. kind van zoon of dochter
  1. nieto
  2. nieta
adjective
pusilánime
noun
1. klein voorwerp van hoge waarde
joya
adjective
1. bekrompen in uitingen en opvattingen of daarvan getuigend
mezquino
noun
1. een zoon van iemands kind, een mannelijk kleinkind
nieto
noun
tablilla de arcilla
noun
1. een werktuig waarin iets door samendrukken bijeengehouden of vastgezet kan worden
abrazadera
verb
  1. coger con pinzas
  2. pellizcar
  3. pinzar
noun
acento
noun
1. verstelbare afsluiting
  1. batiente
  2. válvula
  3. valva
/ˈklepəl/
noun
peervormige staaf in een klok
badajo
noun
cleptocracia
adjective
1. volgens de principes van een kleptocratie
kleptocrático
noun
1. de onweerstaanbare drang om te stelen
cleptomanía
/ˈkleː.rən/
noun
1. kleding of kledingstukken
  1. ropa
  2. indumentaria
  3. ropaje
  4. vestidos
  5. vestuario
adjective
clerical
verb
2. praten, babbelen
  1. charlar
  2. charlatanear
  3. parlar
  4. comadrear
noun
  1. charladora
  2. cotilla
/kløːr/
noun
1. het onderscheid dat gemaakt wordt op basis van het verschil in golflengte van licht
color
verb
1. van kleur voorzien met potloden, stiften, wasko etc.
  1. colorear
  2. colorar
  3. teñir
noun
cromotipia
noun
1. het maken van foto's waarbij in de afbeelding de kleurindrukken van het origineel benaderd worden
  1. fotografía a color
  2. fotografía en color
  3. fotografía en colores
noun
televisión en color
adjective
ortocromático
adjective
1. een kleur hebbend (gekleurd) of een verscheidenheid aan kleuren vertonend
  1. abigarrado
  2. multicolor
noun
  1. coloración
  2. tinción
adjective
1. zonder kleur
  1. incoloro
  2. descolorido
noun
lápiz de color
adjective
1. vol opvallende kleuren
  1. abigarrado
  2. multicolor
  3. variopinto
noun
dispersión refractiva
noun
1. stof waarmee men iets kleurt
  1. tinte
  2. tintura
  3. colorante
  4. materia colorante
  5. pigmento
noun
temperatura de color
/'kløtərsxol/
noun
1. een school voor de leeftijdsgroep 4-6 jaar
parvulario
verb
pegar
/ˈkleːvərɪx/
adjective
1. vasthechtend bij aanraking
  1. pegajoso
  2. pegadizo
noun
2. orgaan
glándula
/ˈklivə(n)/
verb
1. langs een scherp breukvlak in tweeën hakken
  1. partir
  2. surcar
noun
1. steile hoge rots
acantilado
noun
2. actie op en computerscherm
clic
verb
  1. 1. een klikkend geluid maken
    1. castañetear
    2. chasquear
    3. restallar
  2. 3.
    1. delatar
    2. denunciar
noun
soplón
noun
1. de gemiddelde natuurlijke gesteldheid van de lucht en het weer in een gebied op een planeet
clima
noun
aire acondicionado
noun
escéptico climático
noun
1. de verandering van het klimaat in een bepaald gebied over een bepaalde periode, m.n. de wereldwijde opwarming sinds de 19e eeuw
cambio climático
pronoun
  1. CMNUCC
  2. Convención Marco de las Naciones Unidas sobre el Cambio Climático
noun
zona climática
/klɪmɑtoloˈɣi/
noun
1. leer van de lucht- en weersgesteldheid.
climatología
/klɪmɑtoˈloxɪs/
adjective
1. op het klimaat betrekking hebbend
climatológico
noun
1. beoefenaar van klimatologie, de leer van de lucht- en weersgesteldheid
climatólogo
verb
  1. 2. stijgen, omhooggaan, groeien, hoger worden of komen
    abejucarse
  2. 1. het bewegen in een omhooggaande richting dan wel over obstakels
    1. subir
    2. aumentar
noun
1. iemand die de bergsport beoefend
escalador
/'klɪ.mɔp/
noun
1. Hedera helix, een groenblijvende houtige plant
  1. hiedra
  2. yedra
noun
  1. hierba gallinera
  2. té de Europa
noun
  1. flor de agua
  2. ranúnculo acuático
noun
1.
  1. cuchilla
  2. hoja
pronoun
1. een kunsttaal die uitgevonden is door Marc Okrand voor Star Trek-films
klingon
noun
1. een inrichting waar patiënten worden verpleegd
clínica
adjective
1. direct voor de arts (hulpverlener) zichtbaar
clínico
/klɪŋk/
noun
1. handvat om de deur te openen of te sluiten
  1. picaporte
  2. asa
verb
  1. 2. proosten
    1. chincar
    2. chocar
  2. 4. vastspijkeren
    clavar
  3. 3. vastklinken
    1. remachar
    2. roblar
  4. 1. een bepaalde klank voortbrengen
    sonar
/ˈklɪŋkər/
noun
1. een klank van de menselijke spraak waarbij geen obstructie in de ademstroom aangebracht wordt.
vocal
noun
armonía vocálica
noun
1. een metalen verbinding tussen twee platen bestaande uit twee cilidrische delen die van weerszijden,...
  1. remache
  2. roblón
noun
  1. damán
  2. marmota de abisinia
  3. marmota del cabo
noun
clíper
noun
saltarrocas
noun
bacalao
noun
1. plant met kleverige bloemknoppen
  1. bardana
  2. lampazo
  3. laparasa
  4. yerba de los tiñosos
noun
enema
noun
irrigador
noun
1., 2. plant met kleverige bloemknoppen
  1. bardana
  2. lampazo
  3. laparasa
  4. yerba de los tiñosos
noun
velcro
noun
  1. 2. een belvormige idiofoon, vooral bekend van kerktorens en carillons
    1. campana
    2. campanilla
  2. 1. een instrument dat de tijd bijhoudt
    reloj
/ˈklɔkɦœs/, /ˈklɔkɦœʏs/
noun
1. binnenste van een vrucht
corazón
noun
  1. farolillos
  2. pucheritos
verb
2. een geluid voortbrengen dat als "klok" klinkt
cloquear
noun
1. iemand die een klokkenspel, beiaard of carillon bespeelt
campanólogo
noun
relojero
noun
1. muziekinstrument met klokken
carillón
noun
1. iemand die een beiaard of carillon bespeelt
campanólogo
noun
  1. 1. smal hoog bouwwerk met bovenin een of meer lui- of slagklokken of een carillon
    campanario
  2. 2. smal hoog bouwwerk met bovenin een of meer wijzerplaten van een uurwerk
    torre del reloj
noun
1. klokkenbrons
metal de campana
/klɔmp/
noun
  1. 2. een vrij vormeloze hoeveelheid materiaal
    1. terrón
    2. bola
  2. 1. schoeisel van hout, eventueel in combinatie met leer
    1. zueco
    2. almadreña
verb
1. een identieke kopie van een levend wezen maken
clonar
noun
1. een hoeveelheid verdikt materiaal met een omvang die niet goed te definiëren is.
  1. grumo
  2. terrón
verb
1. klonten vormen
  1. abodocarse
  2. aborujar
  3. aborujarse
  4. aburujar
noun
1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord klont
  1. cubo
  2. terrón
  3. dado
  4. grumo
noun
1. een ten gevolge van erosie, diep uitgesleten rivierdal, met steile wanden
  1. cañón
  2. barranco
  3. cañó
/klon/
noun
1. een levend wezen dat een exacte genetische kopie is van een ander wezen
clon
/klostər/
noun
  1. 1. een gebouw waarin een kloostergemeenschap gevestigd is
  2. 2. een kloostergemeenschap als zodanig
  1. monasterio
  2. convento
noun
voto monástico
/klostərlɪŋ/
noun
1. iemand die gekozen heeft voor het leven in een klooster
  1. fraile
  2. fray
  3. monje
noun
monja
noun
3. informele benaming voor teelbal
cojones
noun
  1. hijo de puta
  2. cabron
noun
taladro percutor
noun
taladro percutor
noun
batida
verb
  1. 5. verslaan
    batir
  2. 3. in overeenstemming zijn
    cuadrar
  3. 2. hoorbaar bewegen
    1. latir
    2. palpitar
  4. 1. tegen iets slaan
    llamar
  5. 4. in toestand brengen
    montar
noun
1. voorwerp om mee te kloppen
  1. batidor
  2. batidor de varilla
  3. mazo
  4. varilla
noun
  1. 2. lachwekkend voorval
    farsa
  2. 1. toneelstuk
    1. farsa
    2. sainete
noun
trinquete
/klœʏs/, /klœːs/
noun
1. een tegen inbraak en brand beveiligde kist of kast
  1. caja fuerte
  2. cámara acorazada
verb
1. een bot in handen houden en er vlees van afhappen
roer
noun
1. driehoekig zeil aan de boegspriet
foque
noun
1. iemand die alleen en in afzondering leeft
  1. ermitaño
  2. anacoreta
noun
1. een onhandig persoon
torpe
verb
hacer bricolaje
/klyt/
noun
1. bepaald soort watervogel, Recurvirostra avosetta
avoceta
noun
1. tot een bol opgewonden draad
ovillo
noun
klistrón
/ˈknaxdiːr/, /ˈknaɣdiːr/
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Rodentia
roedor
noun
1. jongen, jongeman
  1. chico
  2. mozo
  3. muchacho
verb
  1. mordisquear
  2. picotear
verb
1. met de tanden aanvreten
roer
noun
salchicha de Frankfurt
noun
1. een mengsel van zuurstof en waterstof in (ongeveer) de verhouding 1:2
oxihidrógeno
verb
1. een hard geluid of knal geven
estallar
noun
  1. silenciador
  2. amortiguador de ruido
  3. mofle
  4. mufla
adjective
  1. 2. aantrekkelijk
    1. guapo
    2. majo
  2. 1. verstandig
    1. inteligente
    2. listo
    3. hábil
noun
coro de niños
verb
1. hoorbaar zijdelings bezwijken
  1. chasquear
  2. crujir
adjective
  1. crujiente
  2. crujientito
noun
1.
mochila
noun
problema de la mochila
verb
1. geluid voortbrengen door twee hard oneffen voorwerpen met kracht over elkaar heen te bewegen
rechinar
verb
1. de kaken op elkaar geklemd over elkaar bewegen, gewoonlijk uit ergernis of frustratie
apretar
noun
1. iemand die in dienst is van met name een boer
  1. criado
  2. mozo
verb
1. een massa soepel maken door er steeds in te knijpen
  1. amasar
  2. heñir
noun
maleabilidad
verb
1. pijnlijk drukken
apretar
noun
  1. apuro
  2. cuello de botella
  3. embotellamiento
  4. problema
noun
1. bepaald soort vinkachtige, Carduelis cannabina
  1. pardillo
  2. pardillo común
noun
  1. exacción
  2. extorsión
verb
1. binden, boeien
amordazar
noun
1. gewricht in het midden van het been dat het bovenbeen met het onderbeen verbindt
rodilla
noun
  1. 1.1. buiging als eerbetoon
    genuflexión
  2. 1.2. buiging als vorm van sportbeoefening
    sentadilla
verb
1. op de knieën gaan
arrodillarse
noun
1. het schijfvormige bot in de knie
rótula
verb
1. tussen twee punten druk uitoefenen
  1. apretar
  2. pinzar
noun
pinzas
noun
1.
tenazas
/'knɪkə(n)/
verb
1. een verticale beweging met het hoofd maken
cabecear
noun
1. balletje van glas, marmer, steen, hout of klei
  1. canica
  2. bolincha
noun
1. opvouwbaar mes waarbij vaak een veer zorgt voor het uitklappen
  1. cuchillo plegable
  2. navaja
noun
1. teken in de vorm van het kort toeknijpen van een oog om verstandhouding of waardering uit te drukken
guiño
/knɪˈpa/
noun
  1. 2. vrucht van de gelijknamige boom
    1. mamoncillo
    2. quenepa
  2. 1. fruitboom in de Amerikaanse tropen (Melicoccus bijugatus)
    1. mamoncillo
    2. quenepo
verb
  1. 1. met een schaar uitsnijden
  2. 3. (informatica) overnemen van informatie
cortar
noun
recorte
verb
1. een licht knetterend geluid maken
crepitar
noun
  1. tuberosidad
  2. tubérculo
noun
  1. cisne blanco
  2. cisne común
  3. cisne mudo
noun
facóquero común
noun
nocaut
noun
eliminación directa
verb
  1. 2. iets slordig vervaardigen
    1. chafallar
    2. chapucear
    3. estropear
  2. 3. onjuist of onwettig omgaan met gelden...
    1. defraudar
    2. estafar
noun
  1. chafallo
  2. chapuceria
noun
  1. 1. karwats
    knut
  2. 2. bundel ineengedraaid haar
    moño
noun
1. looksoort Allium sativa met samengevouwen bol
  1. ajo
  2. ajo morado
noun
  1. alioli
  2. salsa de ajo
noun
hueso
noun
1. vingergewricht
  1. nudillo
  2. artejo
verb
  1. 2. (figuurlijk) vechten
    luchar
  2. 1. vechten
    1. luchar
    2. pelear
noun
  1. 2. koolraap, een eetbare wortel van een plant uit het geslacht Brassica.
    nabo
  2. 3. aftands werkpaard.
    1. rocín
    2. penco
    3. rocinante
  3. 1. verdikte plantenwortel.
    tubérculo
noun
  1. apagador menor
  2. parasol carne roja
noun
nabo
noun
apio-nabo
noun
  1. 3. aan een jas e.d.
    botón
    1. 1. in een draad
    2. 2. snelheidsmaat
    nudo
noun
1. een platte knoopvormige batterij die meestal in draagbare elektronische apparatuur wordt gebruikt
pila de botón
noun
  1. cártamo silvestre
  2. liebrecilla
noun
1. een kruispunt van twee of meer grote wegen
  1. nodo
  2. nudo
noun
1. spleet die in een stuk stof is gemaakt zodat een ander stuk stof daaraan kan worden vastgemaakt
ojal
verb
1. een vastzittende lus in een koord, draad of touw maken
  1. anudar
  2. atar
/'knɔrə(n)/
verb
  1. 1. een geluid voortbrengen zoals een varken
    gruñir
  2. 3. snurken
    roncar
noun
  1. bastos
  2. clava
  3. porra
noun
clavaria
verb
truncar
noun
  1. 1. omhelzing
    1. abrazo
    2. mimo
    3. caricia
    4. achuchón
  2. 2. speelgoed
    1. muñeco de peluche
    2. animal de peluche
verb
1. omhelzen
abrazar
noun
1. korte dikke stok, bedoeld om lijfstraf mee uit te delen
  1. cachiporra
  2. porra
noun
1.
  1. beatilla
  2. chaquistle
  3. chinche chupadora
noun
aficionado
/knʌtsələ(n)/
verb
1. zelf voorwerpen uit liefhebberij vervaardigen met gebruik van gereedschap als hamer, zaag en schaaf
bricolar
noun
afición
noun
1. een Australisch buideldier
koala
noun
1. scheikundig element met symbool Co en atoomnummer 27
cobalto
adjective
  1. azul cobalto
  2. azul de cobalto
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Araneae
araña
noun
1. vrouwelijk rund
vaca
noun
1. behuizing voor rundvee
vaqueriza
noun
  1. galleta
  2. pastel
  3. bizcocho
noun
1. metalen doos met een deksel of klep bedoeld om koekjes of ontbijtkoek te bewaren
caja para galletas
verb
1.
contemplar
/[ˈkuc̠͡ç̠jø̜]/
noun
2. klein baksel dat meestal bij de koffie of thee genuttigd wordt
galleta
noun
1. bepaald soort vogel, Cuculus canorus
  1. cuco
  2. cuclillo
adjective
1. met een naar verhouding lagere temperatuur dan de warme of hete omgeving
fresco
noun
  1. frigorífico
  2. refrigerador
verb
enfriar
/ˈku:li/
noun
  1. culí
  2. culi
noun
  1. refrigeración
  2. enfriamiento
  3. frigorificación
noun
1. een huishoudelijk apparaat voorzien van een koelinstallatie,...
  1. nevera
  2. frigorífico
noun
barco frigorífico
noun
1. frisheid
fresco
noun
1. koelvloeistof
  1. refrigerante
  2. líquido de refrigeración
noun
kumis
noun
  1. 1. een gewelf in de vorm van een halve bol of een halve ellipsoïde
  2. 2. een ruimtelijke figuur, veelvlak
cúpula
pronoun
1. een taal die door de Koerden gesproken wordt
  1. kurdo
  2. curdo
verb
arrullar
noun
1.
mensajero
noun
1. kleine wijziging van de koers om de gewenste richting te behouden
corrección de rumbo
noun
bicicleta de carreras
noun
1. de uitgezette koers die een vliegtuig / vaartuig zou moeten volgen
  1. ropa
  2. traje
noun
1. overdekte ruimte waarin koeien kunnen verblijven
  1. vaqueriza
  2. vaquería
noun
  1. focha
  2. foja
/ˌku.tər.ˈʋaːls/
noun
1. aanduiding voor een onverstaanbare taal
galimatías
noun
1. vierwielig rijtuig met vering, vaak gesloten, dat getrokken wordt door paarden
  1. coche
  2. calesa
  3. berlina
noun
1. stevige metalen stang voorzien van een gespleten einde, gebruikt om er zaken mee open te breken
  1. pata de cabra
  2. pie de cabra
  3. alzaprima
/ˈkuwɛɪ̯t/, /ˈkuʋɛɪ̯t/, /ˈkuβ̞ɛ:t/
pronoun
1. een kleine olierijke monarchie op het Arabische schiereiland in Azië aan de kust van de Perzische Golf
Kuwait
/ˈkuwɛɪ̯ts/, /ˈkuʋɛɪ̯ts/, /ˈkuβ̞ɛ:ts/
adjective
kuwaití
/ˈkuwɛɪ̯tsə/, /ˈkuʋɛɪ̯tsə/, /ˈkuβ̞ɛ:tsə/
noun
kuwaití
noun
dinar kuwaití
noun
1. draagbare bergruimte van stevig materiaal met een handvat, waarin spullen kunnen worden meegenomen tijdens het reizen
maleta
noun
1. het gedeelte van een auto waar de bagage in geplaatst wordt
  1. baúl
  2. maletero
noun
1. samensmelting van twee of meer bestaande woorden
palabra de maleta
noun
1. drank uit koffiebonen
  1. café
  2. cafeto
noun
café con leche
noun
1. sterk geconcentreerd aftreksel van koffie
extracto de café
noun
grano de café
noun
ensaimada
noun
  1. achicoria
  2. achicoria amarga
  3. achicoria de Bruselas
  4. achicoria de café
  5. achicoria de hoja
  6. achicoria de raíz
noun
1. het donkere bezinksel van gemalen koffiebonen dat overblijft na het zetten van koffie
  1. poso de café
  2. poso del café
noun
  1. filtro de café
  2. filtro para café
noun
aroma a café
noun
1. een uitspanning waar men koffie kan nuttigen
  1. cafetería
  2. café
noun
cafetera
noun
1.
taza de café
noun
  1. cucharada cafetera
  2. cucharita de café
noun
licor de café
noun
cafetera
noun
1. een huishoudelijk apparaat waarin koffiebonen kunnen worden gemalen
  1. molinillo de café
  2. molino de café
noun
cafetera
noun
cafetera
noun
crema para café
noun
cafetero
noun
mancha de café
noun
cafetera
noun
  1. 1-2. munitie
  2. 3. metalen bal gebruikt bij kogelstaten
bala
noun
trayectoria balística
noun
1.
molino de bolas
verb
1.
lanzamiento de martillo
verb
lanzamiento de peso
noun
1. benaming voor zeevissen uit het geslacht Tetraodontidae
pez globo
noun
  1. cocinero
  2. cocinera
noun
  1. cucarda
  2. escarapela
verb
1. vloeistof verwarmen totdat er zich in de hele vloeistof bellen vormen die naar boven stijgen en openspringen
cocer
noun
  1. 1. een smal cilindervormig hol voorwerp
    1. estuche
    2. vaina
  2. 2. een keukenapparaat waarin iets kan gekookt worden
    hervidor
adjective
coqueto
verb
1. behaagziek zijn
coquetear
noun
  1. berberecho
  2. cardias
  3. croque
noun
1. bepaald soort zeevogel met een gekleurde kop en een lachende roep, Chroicocephalus ridibundus
  1. gaviota reídora
  2. gaviota reidora
/ˈko.kɔsˌbom/
noun
1. een palm die tot 30 m hoog kan worden en 4-6 m lange bladeren heeft
cocotero
/'kokɔsnot/
noun
1. holle vrucht van de kokospalm met wit vruchtvlees en een vezelige bast
coco
/ˈko.kɔsˌo.li/
noun
1. een soort olie gewonnen uit kokosnoten
  1. aceite de coco
  2. aceite de copra
/ˈko.kɔsˌpɑlm/, /ˈko.kɔsˌpɑɫm/
noun
1. een palm die tot 30 m hoog kan worden en 4-6 m lange bladeren heeft
cocotero
noun
cuchillo de cocinero
noun
hoge witte muts
gorro de cocinero
noun
1. benaming voor bomen uit het geslacht Cola
  1. cola
  2. kola
noun
  1. kola
  2. nuez de kola
noun
morrión de pelo
noun
  1. granja colectiva
  2. koljós
noun
  1. carbonero
  2. comerciante de carbón
noun
mina de carbón
/ˈkolə(n)ˌsxɔp/, /ˈkolə(n)ˌsχɔp/
noun
1. een schep om kolen mee te scheppen
pala de carbón
noun
4. een bolvormig stuk glaswerk met een afgeplatte bodem en een lange hals
retorta
noun
1. een zeer klein vogeltje met een zeer snelle vleugelslag van de familie Trochilidae uit de orde der grootvleugeligen
  1. colibrí
  2. picaflor
noun
1. een hevige pijn door krampen in een hol orgaan, zoals de darmen
cólico
noun
espacio de Kolmogórov
noun
columna
noun
  1. taladradora
  2. taladro pedestal
noun
vector columna
noun
1. een hoge militaire rang
coronel
adjective
1. betrekking hebbend op koloniën en het hebben van koloniën
colonial
/koˈloni/
noun
1. een vestiging van een deel van een bevolking, buiten het eigenlijke territorium van dat volk
colonia
noun
colonización
noun
colonizador
verb
1. koloniën vormen
colonizar
noun
1. iemand die zich in een kolonie heeft gevestigd
  1. colono
  2. colonizador
adjective
  1. colosal
  2. enorme
  3. extenso
  4. gigantesco
  5. inmenso
pronoun
Colosenses
noun
1. eetgerei zoals een bord, maar dan dieper
cuenco
noun
  1. actor
  2. bufón
  3. histrión
/koˈmedi/
noun
1. een blijspel
comedia
noun
1. een licht hemellichaam van ijs, gas en stof, zich in een baan ver buiten die van de planeten bewegend, dat bij het naderen van de zon een wolk van gas en gruis in de vorm van een staart ontwikkelt
cometa
verb
1. bewegen van verder weg naar dichterbij
  1. venir
  2. llegar
adjective
próximo
verb
viniendo
/kɔm'for/
noun
brasero
pronoun
1. macrotaal die door 220 duizend mensen in Rusland gesproken wordt
Komi
adjective
1. lachlust opwekkend
cómico
noun
1. iemand die een publiek vermaakt door ze aan het lachen te brengen
cómico
noun
plant, zaden en specerij
comino
noun
bepaalde suiker die veel in zoete vruchten voorkomt
  1. grano de comino
  2. semilla de comino
pronoun
Internacional Comunista
adjective
  1. cómico
  2. jocoso
/kɔm.ˈkɔ.mər/
noun
1. Cucumis sativus, een langwerpige vrucht die men vooral rauw als salade eet
pepino
/ˈkɔma/
noun
1. een leesteken dat een pauze aangeeft
coma
noun
1. instrument waarvan de naald het magnetische noorden aanwijst
  1. brújula
  2. compás
noun
bitácora
noun
  1. lechuga borde
  2. lechuga escarola
  3. lechuga romana
  4. lechuga silvestre
  5. lechuguilla
noun
punto cardinal
noun
1. een persoon die werkzaam is in de mijnbouw
minero
noun
  1. apósito
  2. compresa
noun
1. bepaalde straalvinnige vis, Conger conger
congrio
pronoun
Estado Libre del Congo
/kɔˈnɛɪn/, /kɔˈnɛːn/
noun
1. zoogdier dat ook gedomesticeerd kan worden gehouden
  1. conejo
  2. coneja
noun
madriguera
/ˈkonɪŋ/, /ˈkoːnɪŋ/
noun
  1. 1. het mannelijk hoofd van een koninkrijk
  2. 2. speelkaart waarvan de waarde meestal tussen die van de vrouw en de aas ligt
rey
pronoun
Reyes
noun
roscón de Reyes
/konɪˈŋɣɪn/, /konɪˈŋɪn/, /koʊnɪˈŋɪn/
noun
reina
noun
  1. cannabina
  2. eupatorio
  3. eupatorio de los árabes
noun
  1. gordolobo
  2. verbasco
noun
1. een bewuste moord op een koning.
regicidio
/ˈkonɪŋklək/
adjective
1. betrekking hebbend op een koning, koningin, aan of bij hem, haar behorend, van hem, haar uitgaand
  1. real
  2. regio
/ˈkonɪŋkˌrɛɪ̯k/, /ˈkoːnɪŋkˌrɛɪ̯k/, /ˈkoːnɪŋkˌrɛːk/
noun
1. staatsvorm met een koning aan het hoofd
reino
verb
  1. intrigar
  2. tramar
noun
1. de billen, het achterwerk
  1. culo
  2. trasero
noun
1.
convoy
/koːɪ/
noun
  1. 3. stal
    corral
  2. 1. een uit tralies of gaas gemaakt voorwerp dat een ruimte omsluit
    jaula
  3. 4. slaapplaats op een schip
    1. litera
    2. coy
noun
jaulas
noun
boek waaruit men leert koken
  1. libro de cocina
  2. libro de recetas
/ˈkok.ɛɪ̯.lɑnd/, /ˈkok.ɛɪ̯.lɑnt/, /ˈkok.ɛː.lɑnt/
noun
1. een fornuis met toebehoren midden in de keuken
cocina independiente
noun
cocina
noun
1.
arte culinario
noun
  1. olla
  2. cacharro
  3. marmita
noun
  1. punto de ebullición
  2. temperatura de ebullición
noun
aumento ebulloscópico
noun
receta de cocina
noun
fondo de la cocción
/ˈkokʋɛkər/
noun
1. een apparaatje dat in de keuken gebruikt wordt om de tijd te meten
  1. temporizador
  2. minutero
noun
  1. 2. een zwarte brandstof die voornamelijk uit koolstof bestaat
    carbón
  2. 1. een eetbare plant met veel ondersoorten uit de kruisbloemfamilie
    1. col
    2. repollo
    3. berza
noun
escobilla de carbón
noun
1. reukloos gas dat ontstaat bij volledige verbranding van koolstof
  1. anhídrido carbónico
  2. dióxido de carbono
  3. E290
noun
filamento de carbón
noun
1. een bepaald type verbinding van koolstof-, waterstof- en zuurstofatomen
  1. hidrato de carbono
  2. glúcido
  3. carbohidrato
noun
carbonero común
noun
monóxido de carbono
noun
  1. nabo sueco
  2. colinabo
noun
  1. colinabo
  2. colirrábano
noun
ensalada de col
noun
ensalada de col
/ˈkol.stɔf/
noun
2. een chemisch element en een kleurloos niet-metaal
carbono
noun
  1. dióxido de carbono
  2. anhídrido carbónico
  3. gas carbónico
  4. óxido de carbono (iv)
noun
ciclo del carbono
noun
1. verbinding met moleculen van één atoom zuurstof en één atoom koolstof (CO)
monóxido de carbono
noun
fibra de carbono
noun
1. bepaald soort vis met donker gekleurde mondholte en rug die voorkomt in het hoge noorden van de Atlantische Oceaan, Pollachius virens
  1. carbonero
  2. fogonero
/kol'watərstɔf/
noun
1. een verbinding die uit koolstof en waterstof is opgebouwd
hidrocarburo
noun
hidrocarburo
noun
mariposa de la col
adjective
amarillo colza
noun
  1. aceite de canola
  2. aceite de colza
/'kolzyr/
noun
1. H₂CO₃
ácido carbónico
noun
1. een gas, bestaande uit een verbinding van koolstof en zuurstof (CO₂)
dióxido de carbono
noun
mejilla
/kop/
noun
  1. adquisición
  2. compra
noun
1. iets wat men voordelig aanschaft
  1. ganga
  2. provecho inesperado
noun
1. de hoeveelheid goederen of diensten die gekocht kan worden met een bepaald geldbedrag
  1. poder adquisitivo
  2. poder de compra
noun
paridad de poder adquisitivo
noun
  1. comerciante
  2. mercader
noun
marina mercante
noun
1.goederen die een koopman wilt verkopen
mercancía
noun
1. een groep mensen die samen zingen
coro
noun
1. streng van in elkaar gedraaide vezels
  1. cordel
  2. cuerda
noun
funámbulo
noun
1. rechte tussen twee cirkelpunten
cuerda
noun
1. hek dat staat tussen het koor en het schip van een kerk
  1. ambón
  2. coro alto
  3. tribuna
noun
1. (medisch) verhoging van de lichaamstemperatuur
  1. fiebre
  2. calentura
noun
convulsión febril
noun
1. hielbeentje van het paard
cuartilla
noun
1. beentje van vinger of teen
falange
noun
    1. 1. hoofd van een dier
    2. 2. hoofd van een mens
    cabeza
  1. 9. zijde van een geldstuk met een afgebeeld hoofd
    cara
  2. 1. porseleinen recipiënt met oor, om uit te drinken
    taza
noun
1. iemand waarop iedereen zijn ergernis over een misstand afreageert
cabeza de turco
noun
  1. bálsamo de copaiba
  2. copal
noun
  1. copeca
  2. kopek
verb
1. in ruil voor geld iets in bezit krijgen
comprar
noun
  1. 2. scheikundig element met symbool Cu en atoomnummer 29
    cobre
  2. 1. persoon die koopt
    1. comprador
    2. compradora
adjective
pardo cobre
noun
1. het zich onrechtmatig toe-eigenen van koper of andere koperhoudende legeringen zoals brons of messing
robo de cobre
noun
  1. cardenillo
  2. verdete
noun
óxido de cobre
noun
1. een ambachtsman die platen koper of andere zachte metalen bewerkt. Dit bewerken omvat verschillende bewerkingen, zoals knippen, buigen, solderen en felsen
calderero
phraseologicalUnit
kopi luwak
noun
1. een afschrift of andere reproductie van een document of ander voorwerp
copia
noun
  1. copiadora
  2. fotocopiadora
  3. máquina copiadora
  4. máquina fotocopiadora
noun
manuscrito
/kopi<sup>j</sup>'ɪːrə(n)/
verb
  1. 1. een duplicaat maken van
    copiar
  2. 2. imiteren
    imitar
noun
1. kopje
  1. taza
  2. cubilete
  3. tacita
/ˈkɔplɑmp/
noun
1. een witte of gele lamp aan de voorzijde van een voertuig
  1. faro
  2. reflector
abbreviation
1. lijstaanvoerder van een sportcompetitie
  1. líder
  2. primer clasificado
noun
  1. 3. stelsel van twee gelijke en evenwijdige krachten...
    1. par
    2. par de fuerza
    3. par de fuerzas
  2. 1-2
    1. par
    2. pareja
  3. cinturón
noun
  1. 2. iemand die probeert twee mensen met elkaar in contact te brengen (met name voor een niet-huwelijkse relatie)
    1. alcahuete
    2. alcahueta
    3. celestina
  2. 1. iemand die probeert mensen van verschillende groepen met elkaar in contact te brengen (met name voor een huwelijk)
    1. casamentera
    2. casamentero
verb
  1. acoplar
  2. embragar
noun
  1. 5. het koppelen
    acoplamiento
  2. 1. een constructie die in een motor of voertuig mechanische krachten op een te onderbreken wijze overbrengt
    embrague
noun
modelo de negocios de cebo y anzuelo
noun
1. een werkwoord dat een eigenschap koppelt aan het onderwerp
  1. cópula
  2. verbo copulativo
/ˈkɔpəx/, /ˈkɔpəç/
adjective
1. vasthoudend aan eigen wil of inzicht
  1. obstinado
  2. terco
  3. testarudo
  4. tozudo
  5. cabezota
  6. cabezudo
noun
1.
roll
adjective
  1. angustioso
  2. medroso
noun
1. ± combinatie van een glas bier en een glas sterke drank, al dan niet gemengd
submarino
noun
copto
noun
1. stel van twee kleine luidsprekers die men tegen of in de oren plaatst
  1. cascos
  2. auriculares
  3. audifonos
  4. casco auricular
/'kɔptis/
adjective
copto
adjective
1. betrekking hebbend op de kopten (een christelijk Egyptisch volk)
copto
adjective
ortodoxo copto
noun
1. skelet van de koraalpoliep
coral
adjective
rojo coral
pronoun
1. (de tekst van) het heilig boek van de islam
Corán
/ko'ran/
noun
1. exemplaar van de Koran
corán
noun
1. instelling die vooral onderricht geeft in het heilige boek van de moslims
  1. escuela de Corán
  2. madraza
adjective
1. vastbesloten, vastberaden
resuelto
noun
1. afzetting gemaakt van posten of personen om een gebied af te sluiten van de omgeving
cordón
/koˈre.ja/
pronoun
1. een schiereiland in Oost-Azië
Corea
/koreˈjaːns/
adjective
  1. coreana
  2. coreano
/koreˈjaːns/
pronoun
1. taal die in Korea gesproken wordt
coreano
noun
coreana
noun
lechuga de cordero
noun
1. een balsport waarbij een bal door een mand (korf) moet worden gegooid
korfbal
noun
1. en 2. (gedroogde) zaden van Coriandrum sativum
  1. cilantro
  2. culantro
/korijɑndərblɑt/
noun
1. (gedroogd) blad van Coriandrum sativum
foglie di coriandolo
noun
1. gemalen gedroogde zaden van Coriandrum sativum
cilantro en polvo
/korijɑndərzaːt/
noun
1. gedroogde zaden van Coriandrum sativum
semilla de cilantro
pronoun
Corintios
noun
cayuco
noun
cornalina
noun
1. rang van vaandrig bij de cavalerie en de artillerie bij de Koninklijke Landmacht
corneta
noun
  1. cornejo
  2. corno
noun
sonido de Korotkoff
noun
1. geluid dat met een stethoscoop te horen is wanneer de extern aangelegde druk in de manchet van een bloeddrukmeter tussen de systolische en diastolische bloeddruk ligt
sonido de Korotkoff
noun
1. een rang in de hiërarchie net boven die van soldaat
cabo
noun
cuerpo
noun
  1. 1. een enkele zaad van graan
    grano
  2. 2. basisdeeltje waaruit een granulair, korrelig materiaal bestaat
    gránulo
/ˈkɔrəlˌhaɣəl/
noun
  1. granizo menudo
  2. granos de hielo
noun
corsé
/kɔrst/
noun
1. een harde buitenste laag om iets dat verder relatief zacht is
  1. costra
  2. corteza
noun
liquen
adverb
  1. 2. van geringe lengte
  2. 1. van geringe duur
  1. corto
  2. breve
adjective
1. heel snel boos zijn
  1. brusco
  2. desabrido
noun
1. verlaging van een te betalen bedrag
  1. rebaja
  2. descuento
  3. reducción
noun
  1. estenografía
  2. taquigrafía
/ˈkɔrt.slœy.tɪŋ/
noun
1. het plaatsvinden van een gewenste of ongewenste weerstandloze verbinding in een stroomkring
cortocircuito
noun
corindón
noun
cosmografía
noun
cosmología
adjective
cosmológico
noun
cosmonauta
adjective
1.
cosmopolita
noun
1. het gehele tijd-ruimte continuüm waarin wij bestaan, samen met alle materie en energie
cosmos
/ˈkɔsɔˌvo/
pronoun
1. land op het Balkanschiereiland dat volgens Servië een provincie van Servië is, maar dat zichzelf als een onafhankelijke staat beschouwt
Kosovo
noun
2. voedsel, als onderdeel van het dagelijks bestaan
alimento
adjective
  1. valioso
  2. caro
  3. preciso
verb
1. als te betalen prijs hebben
  1. costar
  2. valer
noun
  1. análisis costo-beneficio
  2. análisis de coste-beneficio
/'kɔstənplats/
noun
centro de costos
noun
1. kerkelijke bediende, die met de zorg van het kerkgebouw, en het vlot verloop van de kerkdiensten belast is
sacristán
noun
  1. 2. (uitdrukking) tegen kostprijs
    1. a precio de coste
    2. al precio de coste
  2. 1. totaal van de uitgaven die een producent doet om een product te maken
    1. precio de coste
    2. precio de costo
noun
1. een school waar de leerlingen vijf dagen per week niet alleen les volgen, maar ook maar ook kost en inwoning krijgen
  1. internado
  2. instituto
noun
traje
noun
sostén de la familia
/kotəˈlɛt/
noun
1. een stuk vlees van een varken, kalf of lam
chuleta
verb
1. de maaginhoud via de mond weer naar buiten werken
provocar
noun
cúter
/kɑu̯/
noun
1. lage temperatuur
frío
/kʌʊt/
adverb
1. niet warm, fris, kil, koel
frío
/ˈkɑu̯də/
noun
1. het koud zijn
frío
pronoun
Guerra Fría
adjective
prensado en frío
noun
1. de afsterving en ontbinding van een levend organisme
gangrena
adverb
1. harteloos, zonder warmte
fríamente
/kaʊ̯s/, /kɔʊ̯s/, /kʌʊ̯s/
noun
  1. 2. een hulpmiddel om een brandstof in licht om te zetten, dat deel uitmaakt van een olie- of petroleumlamp
    1. mecha
    2. mechero
  2. 1. een aansluitend, meer of minder elastisch kledingstuk dat de voet en (een deel van) het been bedekt
    1. media
    2. calcetín
noun
  1. 2. extreem lange peulvrucht
    1. caupí
    2. ejote chino largo
    3. frijol de vaca
    4. judia china larga
    5. judía carilla
    6. judía espárrago
  2. 1. elastische band om de kous op te houden
    1. jarretera
    2. liga
adjective
1. van een persoon dat hij het sneller dan de meeste andere mensen koud heeft...
friolero
noun
1. zoon van oom of tante
primo
/krax/
noun
1. een kledingstuk rond de hals
  1. cuello
  2. collar
/kraɪ̯/, /kraːɪ̯/
noun
1.1 bepaald soort zwarte vogel, Corvus corone
  1. corneja
  2. chova
  3. cuervo
noun
  1. 2. uitkijkplaats in de mast van een schip
    gavia
  2. 1. nest van een kraai
    nido de chova
/ˈkrakben/
noun
1. een speciale vorm van bindweefsel met een elastisch karakter als gevolg van eigenschappen van de extracellulaire matrix
  1. cartílago
  2. ternilla
noun
  1. cuenta
  2. abalorio
  3. grano
noun
  1. puesto
  2. barraca
  3. tenderete
noun
clínica de maternidad
noun
loquios
noun
infección puerperal
noun
loquios
noun
4. werktuig om voorwerpen in de hoogte te verplaatsen
grúa
noun
1. bepaald soort grote vogel, Grus grus
grulla
noun
1. kreeftachtige die leeft in de nabijheid van water
cangrejo
noun
  1. 3. vluchtige schets
    1. boceto
    2. croquis
    3. bosquejo
    4. esbozo
  2. 4. ondertekening
    firma
  3. 2. haal met pen of potlood
    garabato
verb
3. zonder veel aandacht schrijven of tekenen
garabatear
verb
1. met de nagels bewerken
  1. rascar
  2. arañar
noun
pita acuática
noun
1. (gereedschap) voorwerp om mee te krabben, onmisbaar voor schilders die oude verflagen willen verwijderen of mensen die jeuk op hun rug hebben.
  1. rascador
  2. raspador
noun
  1. chorlito
  2. cigüeñela cangrejera
noun
ensalada de cangrejo
noun
  1. bancarrota
  2. quiebra
  3. quiebra financiera
noun
  1. 3. werkzaamheid
    1. eficacia
    2. propiedad
  2. 5. werknemer
    1. empleado
    2. persona
  3. 2. levenskracht
    1. energía
    2. fuerza
    3. savia
    4. vigor
  4. 1. vermogen om iets te verrichten
    fuerza
adjective
débil
adjective
1. beschikkend over veel kracht
  1. fuerte
  2. vigoroso
  3. enérgico
  4. potente
noun
momento de fuerza
noun
jayán
noun
prueba de fuerza
noun
  1. palabrota
  2. taco
noun
campo de fuerza
pronoun
1. na Warschau en Łódź de op twee na grootste stad van Polen
Cracovia
verb
  1. disputar
  2. reñir
noun
1. baksel in de vorm van een acht
rosquilla seca
adjective
desvencijado
noun
1. galanterieën
  1. atavíos
  2. galas
noun
1. een toestand van onwillekeurige en aanhoudende samentrekking van een spier
  1. calambre
  2. espasmo
  3. rampa
adjective
espasmódico
adjective
  1. alienado
  2. frenético
  3. loco
noun
locura
noun
corona
noun
2. bijeenkomst van dames die met elkaar de stand van zaken bespreken
  1. rosca
  2. rosco
  3. rosquilla
noun
1. klassiek massamedium, gedrukt op papier en gericht op het verspreiden van nieuws
  1. periódico
  2. diario
/'krɑntəpaˌpir/
noun
1. een soort papier zoals waarop de kranten gedrukt worden
papel de periódico
noun
1. houten of plastic doos met openingen in de zijkanten in een standaardformaat, vaak gebruikt voor opslag en het vervoer van flessen, fruit of andere waren
  1. botellero
  2. caja
noun
cráter
verb
rascar
/kreˈdit/
noun
1. een lening
crédito
noun
acreedor
noun
  1. tarjeta de crédito
  2. carta de crédito
noun
prestatario
adjective
solvente
pronoun
2. teken van de dierenriem van 21 juni tot 23 juli
Cáncer
/kreːft/
noun
1. zeekreeft, hommer
bogavante
noun
1. de hoogste breedtegraad van ca. 23,5 ° noorderbreedte waarboven de zon bij zonnestilstand in het zenit staat
trópico de Cáncer
noun
grito
noun
1. Gryllidae
grillo
noun
1. het – vaak al deels ontbonden – stoffelijk overschot van bepaalde dieren
cadáver
verb
  1. 2. benadelen
    abusar
  2. 1. beledigen
    1. insultar
    2. ofender
noun
  1. 1. druif
    pasa de Corinto
  2. 3. zitvlak
    posaderas
  3. 2. gierigaard
    1. tacaño
    2. tacaña
    3. roñoso
    4. roñosa
noun
impétigo
pronoun
1. bij Griekenland behorend eiland in de Egeïsche Zee
Creta
noun
1.
  1. cretense
  2. crético
adjective
1.
Cretense
verb
1. de vorming van kreukels op een voorheen glad oppervlak
  1. arrugar
  2. estrujar
verb
2. gekreukt raken
arrugar
/krønə(n)/
verb
1. ongearticuleerde geluiden maken, vaak van pijn of ander leed
gemir
adjective
1. dusdanig aan lichamelijk letsel onderhevig dat men zich niet of niet goed kan voortbewegen
cojo
noun
1.laag stuikgewas waarbij de takken van de boompjes door elkaar heen groeien
mata
noun
  1. 2. onrustig, rusteloos gevoel (om te bewegen, reizen, e.d.)
    impulso
  2. 1. ongemak dat jeuk e.d. veroorzaakt
    1. picazón
    2. picor
verb
  1. picar
  2. escocer
noun
  1. cereza agria
  2. cereza amarga
  3. cereza silvestre
  4. guinda
  5. guinda garrafal
verb
  1. hormiguear
  2. pulular
noun
  1. 2. een klein persoon
    enana
  2. 1. een klein soort kip
    gallina pigmea
verb
1. jeuken, kriebelen
  1. escocer
  2. picar
noun
guerra
/ˈkrɛɪ.ɣə(n)/
verb
1. verwerven, ontvangen
  1. recibir
  2. obtener
noun
1. iemand die zich toelegt op het voeren van oorlog, met name tussen stammen
guerrero
adjective
  1. guerrero
  2. marcial
noun
señor de la guerra
noun
fuerzas armadas
noun
1. een olifant die vroeger tijdens op het land uitgevochten oorlogen werd ingezet als strijddier
elefante de guerra
noun
  1. 2. vergadering van officieren
    consejo de guerra
  2. 1. een raad die optreedt als rechtsorgaan in het krijgsrecht
    corte marcial
noun
ciencia militar
verb
1. luidkeels schreeuwend een hoog geluid voortbrengen
  1. chillar
  2. gritar
  3. vocear
noun
  1. 3. een periode die deel uitmaakt van het mesozoïcum
    Cretácico
    1. 2. schrijfmateriaal uit dat materiaal vervaardigd
    2. 1. wit mineraal dat uit calciumcarbonaat bestaat
    1. tiza
    2. creta
/krɛɪtə(n)/
verb
1. huilen
llorar
adjective
desvencijado
noun
  1. Eufausiáceos
  2. Euphausiacea
  3. Krill
/krɪm/
pronoun
een schiereiland aan de noordkust van de Zwarte Zee
Crimea
pronoun
1. een van de Turkse talen, gesproken door ongeveer een half miljoen mensen, oorspronkelijk van de Krim afkomstig, maar door een deportatie in 1944, nu vooral in Oezbekistan en Kirgizië, maar ook in Moldavië, Roemenië en Turkije gesproken
tártaro de Crimea
verb
1. kleiner in omvang worden
  1. achicarse
  2. encoger
noun
  1. 2. een gemeenschap van mensen
    1. corro
    2. peña
    3. sociedad
    4. tertulia
  2. 1. een ronde figuur zoals een cirkel
    1. círculo
    2. redondel
noun
ciclo
noun
ciclo termodinámico
noun
1. een hoeveelheid ordelijk gerangschikte atomen of moleculen in vaste vorm
cristal
noun
detector de bigotes de gato
noun
1. kristalvorming
cristalización
verb
1. ordeningsproces
cristalizar
noun
cristalografía
noun
  1. radio a galena
  2. radio de galena
noun
oscilador de cristal
noun
elk van de hoofdafdelingen waartoe men de grondvormen van de kristallen teruggebracht heeft
sistema cristalino
noun
  1. azúcar granulado
  2. azúcar cristalizado
noun
agua cristalina
adjective
1. op het scherp van de snede, met onzekere uitkomst, zeer ernstig
crítico
adjective
1. ernaar geneigd vraagtekens te plaatsen achter iets
crítico
verb
criticar
/kroˈwatis/, /kroˈwaːtɪs/
adjective
croata
/kroˈwatis/, /kroˈwaːtɪs/
pronoun
1. een taal die vooral in Kroatië gesproken wordt
  1. croata
  2. idioma croata
noun
kuna croata
/kroˈwatsi.jə/, /kroˈwaːsi.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Europa ten zuiden van Hongarije
Croacia
/krux/
noun
1. publieke drinkgelegenheid
  1. bar
  2. taberna
noun
1. iemand die een kroeg bedrijft
tabernero
noun
  1. difteria
  2. garrotillo
noun
  1. keropok
  2. snack de gamba
adjective
1. krullend
  1. crespo
  2. chino
  3. rizado
/ˈkrus.har/
noun
  1. pelo chino
  2. pelo crespo
  3. pelo rizado
noun
1. bepaald soort vis met kort lichaam en hoge rug, Carassius carassius
carpín
verb
1. sterk krullen van haar
rizarse
adjective
crujiente
noun
1. een rol ragout die gepaneerd en gefrituurd wordt
croqueta
/krokoˈdɪl/
noun
1. een groot, in het water levend reptiel dat behoort tot de familie der Crocodylidae
cocodrilo
/kroko'dɪlwɑxtər/
noun
1.
  1. chorlito egipcio
  2. corredor egipcio
  3. pluvial
noun
1. irisachtige lentebloem
croco
adjective
1. niet recht
  1. torcido
  2. corvo
verb
  1. curvar
  2. doblar
adjective
curvilíneo
noun
1. een gebogen lijn
curva
verb
2. bochtig zijn
curvar
noun
  1. doblegamiento
  2. recodo
  3. recoveco
verb
1. vervorming van hout, planken enz. onder invloed van vochtigheid en/of temperatuursveranderingen
  1. abarquillar
  2. abarquillarse
verb
1. iemand tot koning of koningin maken door hem of haar in een ceremonie een kroon op het hoofd te zetten
coronar
noun
crónica
noun
Crónicas
/ˈkronɪŋ/
noun
ceremonie
  1. coronación
  2. consagración real
noun
íleon
/ˈkrɔŋkələ(n)/
verb
1. in veel bochten lopen of bewegen
  1. culebrear
  2. serpentear
noun
1. hoofddeksel dat door een vorst gedragen wordt
corona
noun
1. een metalen dopje voor het afsluiten van flessen
  1. chapa
  2. tapón corona
noun
cornisa
noun
lenteja de agua
noun
1. en 2. (bladeren van) éénjarige plant Cichorium endiva var. latifolia
escarola lisa
noun
1. slaplant waarvan de bladeren een vaste krop vormen
  1. lechuga acogollada
  2. lechuga de cogollo
noun
1. oude, slechte, kapotte armoedige woning
chabola
/krœʏ̯t/, /krœːd/, /krœːt/
noun
hierba
verb
1. specerij bij een gerecht doen
  1. sazonar
  2. condimentar
  3. aliñar
noun
vinagre especiado
noun
  1. 1. winkelier in levensmiddelen
    1. abacero
    2. abacera
    3. tendero
  2. 2. winkel met levensmiddelen
    1. abacería
    2. tienda de comestibles
noun
  1. queso a las finas hierbas
  2. queso con hierbas
noun
maestro de hierbas
noun
  1. condimento
  2. especia
noun
  1. mimosa púdica
  2. mimosa sensitiva
noun
1.
pan de especias
noun
1. specerij van de kruidnagelboom
  1. clavo
  2. clavo de olor
  3. clavo de especia
  4. clavo aromático
  5. clavo de especias
  6. pimienta de olor
noun
aceite de clavo
/krœyjər/
noun
1. iemand die bagage vervoert op o.a. stations en vliegvelden
mozo de equipajes
noun
  1. jarra
  2. cántaro
/ˈkrœy.məl/
noun
  1. miga
  2. migaja
noun
criminal de poca monta
verb
  1. desmigajar
  2. desmigar
adjective
migadito
/'krʌʏ.pə(n)/
verb
  1. arrastrarse
  2. reptar
noun
2. bepaald soort wilde eenjarige of vaste plant, Hordeum murinum
  1. cebadilla ratonera
  2. espiguilla
  3. hierba cebaera
noun
  1. serpol
  2. serpoleto
noun
  1. 1. geometrisch figuur
  2. 4. symbool
cruz
noun
1. overgevoeligheid uitgelokt door een bestaande overgevoeligheid
  1. alergia cruzada
  2. reactividad cruzada
noun
1. een beeld waarop Christus aan het kruis te zien is
crucifijo
noun
1. Ribes uva-crispa
grosella espinosa
noun
  1. Cruzada
  2. hierba de miel
noun
  1. 2. schiettuig
    ballesta
  2. 1. bouwkunde
    ojiva
verb
  1. 4. aan een kruis slaan, kruisigen
    crucificar
  2. 3. zich verplaatsen met gewone snelheid
    cruzar
/ˈkrœʏsər/
noun
  1. 1. een oorlogsschip dat hoge snelheden kan halen
  2. 2. een type jacht
crucero
noun
1. een door een blok hout verschuifbare liniaal, die is voorzien van een ijzeren punt
gramil
verb
1. een vorm van executeren: aan het kruis hangen tot de dood erop volgt
crucificar
noun
Crucifixión
noun
1. besmetting opgelopen binnen het ziekenhuis
infección cruzada
noun
1. een punt
cruce
noun
  1. hierba cana
  2. hierba de las quemaduras
  3. lechocino
  4. lechozino
  5. senecio
  6. toribo
noun
1.
luz de cruce
noun
1. een plaats waar twee of meer wegen elkaar kruisen
  1. cruce
  2. intersección
noun
1. gekruiste weerstand, resistent worden van bacteriestam voor antibioticum, verwant aan antibioticum waarmee bacteriestam wordt behandeld
resistencia cruzada
noun
1. kruissleutel
llave de cruceta
noun
1. een door een metalen blok verschuifbare liniaal, die is voorzien van een ijzeren punt
gramil
noun
  1. 1. ondernemingen van de westerse christenen tussen 1095 en 1271 in Palestina
    1. Cruzada
    2. cruzada
  2. 2. overdreven actie om een bepaald doel te bereiken
    cruzada
noun
1.
cruzado
noun
via crucis
noun
crucigrama
noun
1. kruiswoordpuzzel
  1. crucigrama
  2. palabras cruzadas
noun
1. een ontplofbaar mengsel...
pólvora
noun
1. een eenwielige kar met twee lange handgrepen voor het transport van zware, meestal losse lading
carretilla
noun
  1. hierba buena
  2. menta
  3. menta romana
  4. menta verde
  5. yerbabuena
noun
  1. 2. hulpmiddel bij het lopen
    muleta
  2. 1. simpel zitmeubel zonder leuningen
    1. taburete
    2. banquillo
noun
  1. cigüeñal
  2. eje cigüeñal
noun
1. een element in de vorm van een kruis met zijbalken aan ieder eind
cruz potenzada
noun
2. lok haar die de vorm van [1] aanneemt
bucle
noun
1. en 2. (bladeren van) éénjarige plant Cichorium endiva
escarola rizada
/ˈkrʏɫsla/
noun
1. slaplant met gekrulde bladeren
lechuga rizada
/ˈkrʏl.spɛlt/
noun
1. hulpmiddel waarom je een haarlok kunt wikkelen om krullen te maken in stijlhaar
  1. rulo
  2. rulero
noun
tenacillas de rizar
noun
criolita
noun
1. scheikundig element met symbool Kr en atoomnummer 36
  1. criptón
  2. kriptón
/kup/
noun
1. Zweeds buitenspel
kubb
noun
1. dat getal dat driemaal met zichzelf vermenigvuldigd een bepaald getal oplevert
raíz cúbica
noun
1. 20-eeuwse stroming binnen de beeldende kunst waarin de werkelijkheid op een sterk vereenvoudigde manier wordt weergegeven
cubismo
noun
1. een regelmatig zesvlakkig lichaam, begrensd door zes gelijke vierkanten
  1. cubo
  2. hexaedro
verb
1. kort en zacht hoesten
  1. toser
  2. carraspear
/'kɵdə/
noun
een kudde schapen
rebaño
noun
1. een dier als lid van een kudde
animal gregario
noun
  1. 3. opstaand verenkleed op de kop van een vogel
    1. airón
    2. copete
    3. moño
    4. penacho
  2. 1. opstaande haarlok op het hoofd
    1. copete
    2. moño
noun
1. bepaald soort vrij kleine watervogel, Podiceps auritus
zampullín cuellirrojo
noun
  1. ajipuerco
  2. cebollón
  3. hierba religiosa
  4. jacinto de penacho
  5. jacinto uval
  6. matacandiles
/ˈkœʏ̯kə(n)/, /ˈkœːkə(n)/
noun
donzig jong vogeltje
  1. polluelo
  2. pollo
noun
1. uitholling, holte, diepte
  1. hoyo
  2. hueco
noun
1. wijd, houten, metalen of plastic vat
  1. artesa
  2. caldera
  3. cuba
  4. pila
  5. tina
noun
tonelero
adjective
  1. casto
  2. continente
/ˈkœʏ.sə(n)/
verb
2. verwijderen van aanstootgevend materiaal
expurgar
noun
    1. castidad
    2. integridad
    3. pudor
    4. virtud
  1. 1. helderheid
    limpieza
noun
cinturón de castidad
noun
  1. 2. visseneitjes
    huevas
  2. 1. deel van het been
    pantorrilla
noun
1. het achterste van beide botten in het onderbeen van de mens
  1. fíbula
  2. peroné
/kykələky/
interjection
1. het geluid van een haan
quiquiriquí
noun
  1. alcarabea
  2. alcarahueya
  3. alcaravea
  4. carvi
  5. carvia
  6. comino de prado
noun
1. en 2. (citrusvrucht van) plant Citrus japonica
  1. kumquat
  2. cumquat
/ˈkʏndə/
noun
2. bekwaamheid in een vak, wetenschap of in algemene zin
conocimiento
/'kɵndəx/
adjective
1. in staat vaardigheden toe te passen
  1. capaz
  2. hábil
  3. experto
  4. perito
  5. versado
noun
  1. capacidad
  2. habilidad
/ˈkʏnə/, /ˡkʏnə/
noun
1. geslacht, sekse
sexo
verb
1. in staat zijn om, het vermogen hebben om
  1. poder
  2. saber
noun
1. toepassing van opvallende vaardigheid en verbeelding om iets moois of betekenisvols te scheppen
arte
noun
1. iemand die zijn creatieve talenten gebruikt om kunst te maken
artista
noun
artista
noun
galería de arte
noun
pista de hielo artificial
noun
cabeza artificial
noun
satélite artificial
noun
mercado de arte
adjective
1. door menselijk, moedwillig ingrijpen tot stand gekomen
artificial
noun
1. een combinatie van chemische stoffen die aan de aarde wordt toegevoegd ter bemesting daarvan
abono
noun
1. schaats speciaal gemaakt voor het kunstschaatsen
patin para figuras
noun
1. sport waarbij individuelen, paren en groepen schaatsers rotaties, sprongen en andere bewegingen op het ijs maken, die vaak met muziek wordt uitgevoerd
patinaje artístico sobre hielo
noun
1. een schilderes van kunstwerken
pintora
noun
1. een materiaal dat langs chemische weg vervaardigd is, veelal een polymeer
  1. materia plástica
  2. material sintético
/ˈkʏns.tal/, /ˈkʏns.taɫ/
noun
1. een artificiële of geconstrueerde taal is een taal waarvan de structuur, vocabulair en grammatica speciaal ontworpen is door een individu of een kleine groep, inplaats van op een natuurlijke wijze geëvolueerd in een cultuur
  1. lengua construida
  2. conlang
  3. ideolengua
  4. idioma artificial
  5. lengua planificada
noun
colección de arte
verb
acrobacia aérea
/kʌnstwɛrk/
noun
1. resultaat van een inspanning om iets te maken dat bijzonder mooi of indringend is
obra de arte
/kʏrk/
noun
  1. 1. afdichting voor flessen, gemaakt uit de veerkrachtige schors van een bepaalde boomsoort, Quercus suber
    1. corcho
    2. tapón de corcho
  2. 1. licht, poreus materiaal, afkomstig van de kurkeik
    corcho
/kʏr.kɛi̯k/, /kʏr.kɛːk/, /kʏrk.ʔɛi̯k/
noun
1. Quercus suber; een boom uit de napjesdragersfamilie
alcornoque
noun
1. een werktuig om flessen te ontkurken
  1. sacacorchos
  2. sacatapón
noun
1. kurkentrekkerregel
regla de la mano derecha
noun
plant en specerij
  1. cúrcuma
  2. palillo
  3. yuquilla
  4. azafrán indio
  5. azafrán árabe
  6. turmeric
noun
1. het de lippen ergens tegenaandrukken om affectie uit te drukken
beso
noun
1. een met zacht materiaal gevulde zak, dienende om het (slaap)comfort van de gebruiker te verbeteren
  1. almohada
  2. cojín
verb
1. een kus geven
besar
noun
1.
  1. pelea de almohadones
  2. pelea de cojines
noun
funda de almohada
noun
1. een stoffen omhulsel voor een kussen
funda de almohada
/'kɵst/
noun
1. de waterkant langs de zee
costa
noun
pueblo costero
noun
1. grens tussen land en zee, wijze waarop de kust gevormd is
costa
noun
pueblo costero
noun
1. een vrij klein schip bedoeld voor de zeevaart in de kustwateren
buque de cabotaje
noun
1. kustgebied
litoral
noun
1. een vrij klein handelsschip bedoeld voor de zeevaart in de kustwateren
  1. barco de cabotaje
  2. buque costero
  3. buque de cabotaje
noun
guardacostas
/kɵt/
interjection
pinche
/kɵt/
noun
vrouwelijk schaamdeel
  1. coño
  2. concha
  3. conejo
/ˈkɵtwɛɪf/
noun
1.
hijaputa
noun
  1. 2. vreemd gedrag, bijzondere karaktertrek
    capricho
  2. 1. een behandeling ter genezing van een ziekte of een ongezonde situatie (zoals een verslaving)
    cura
noun
1. een oord met geneeskrachtige baden
balneario
adjective
  1. 1. schade aanrichtend
    1. maligno
    2. dañoso
    3. nocivo
    4. perjudicial
    5. pernicioso
  2. 2. met een slecht karakter
    1. maligno
    2. malicioso
    3. malvado
    4. malévolo
noun
  1. cólera
  2. enojo
  3. ira
noun
  1. enfermedad
  2. mal
/kʋɑp/
noun
2. een gedeelte van lever, longen of hersenen
lóbulo
noun
1. langwerpige, op de bodem levende zoetwatervis, Lota lota
  1. lota
  2. doncella
/kwɑ'drat/
noun
  1. 2. vierkant
    cuadrado
    1. cuadrado
    2. cuadrado algebraico
adjective
cuadrático
noun
cuadratura
noun
1. een jongen die dingen doet die men niet goedkeurt, maar die men toch aardig vindt
  1. galopín
  2. golfo
/kʋɑk/
noun
2. bepaalde reigersoort, Nycticorax nycticorax
  1. garza bruja
  2. gauda
  3. guaco
  4. huairavo
  5. martinete común
verb
1. witter
  1. croar
  2. graznar
  3. parpar
/ˈkʋɑkˌsɑlvər/
noun
1. iemand die bedrieglijk minderwaardige geneeskunde uitoefent
  1. charlatán
  2. medicastro
noun
  1. charlatanismo
  2. curanderismo
/kʋɑl/
noun
1. vrijzwemmend, voornamelijk in zee levend ongewerveld dier met een geleiachtig lichaam in de vorm van een klok of paraplu
  1. medusa
  2. aguamala
  3. aguamar
noun
  1. calificación
  2. cualificación
verb
1. voldoen aan de voorwaarden om ergens aan mee te kunnen doen
  1. calificar
  2. cualificar
noun
  1. 2. eigenschap
    calidad
  2. 1. een peil van uitmuntendheid
    cualidad
noun
  1. cuantificación
  2. cuantización
noun
  1. cantidad
  2. cuantía
noun
cuantificador
noun
1. de kleinste natuurlijke eenheid die in onze kosmos voorkomt
cuanto
noun
química cuántica
noun
  1. cromodinámica cuántica
  2. quantum chromodynamics
noun
computadora cuántica
noun
vorm van onkraakbare beveiliging voor elektronische communicatie
criptografía cuántica
noun
een theorie die een integratie is van de relativistische versie van de Wetten van Maxwell met de theorie van de kwantummechanica
electrodinámica cuántica
noun
física cuántica
noun
getal dat in de kwantummechanica wordt gebruikt voor het beschrijven van de eigenschappen van bepaalde deeltjes
número cuántico
noun
een theorie die kwantummechanica en relativiteitstheorie met elkaar zou moeten verenigen
gravedad cuántica
noun
1. studie en beschrijving van het gedrag van de kleinste deeltjes
mecánica cuántica
noun
misticismo cuántico
noun
een discipline van de natuurkunde die de kwantumeffecten die bij licht optreden bestudeert en gebruikt
óptica cuántica
noun
fysisch potentiaalproces, dat een vlak potentiaalverloop vertoont omringt met heel hoge wanden
pozo cuántico
noun
espuma cuántica
noun
teoría cuántica
noun
estado cuántico
noun
een theoretisch kader voor de constructie van kwantummechanische modellen van veld-achtige systemen of, equivalent, veeldeeltjessystemen
teoría cuántica de campos
noun
entrelazamiento cuántico
/kʋɑrk/
noun
  1. cuajada
  2. cuajo
  3. quark
  4. queso quark
  5. requesón
noun
1. een vierde deel
cuarto
noun
een kwart van een kalenderjaar
trimestre
noun
1. Coturnix coturnix, vederwild en hoendervogel
codorniz
noun
1. een groep van vier muzikanten
cuarteto
noun
  1. 1. kwart uur
    1. cuarto
    2. cuarto de hora
  2. 2. kwartier als maanfase
    1. cuarto
    2. fase
noun
2. militair, één graad hoger dan 1e matroos
cabo
noun
een vorm van siliciumdioxide
cuarzo
adjective
gris cuarzo
noun
reloj de cuarzo
noun
cuarto de tono
noun
escala de cuartos de tono
noun
escala de cuartos de tono
/kʋɑst/
noun
2. Schilderswerktuig
pincel
noun
1. boom...
  1. gamboa
  2. membrillo
noun
1. bepaalde grassoort, Elytrigia repens
  1. grama
  2. grama de las boticas
  3. grama francesa
noun
seminario
/'kʋekə(n)/
verb
1. dieren of planten verzorgen en hun voortplanting mogelijk maken
cultivar
verb
1. pijn of ergernis bezorgen
  1. atormentar
  2. aquejar
  3. atenazar
  4. molestar
noun
1. datgene wat iemand groot ongemak en ellende bezorgt
  1. vejación
  2. tormento
noun
1. zaak, geschil, probleem
  1. cuestión
  2. problema
adjective
1. weinig beschermd tegen beschadiging
vulnerable
noun
vulnerabilidad
verb
  1. 2. beledigen, schofferen
    1. herir
    2. desairar
    3. zaherir
  2. 1. beschadigen, schaden
    1. herir
    2. lesionar
noun
herida
noun
2. overdreven vroom persoon
  1. beatona
  2. beatón
  3. santurrona
  4. santurrón
verb
1. een vloed van speeksel onwillekeurig uit de mond laten lopen
babear
verb
1.
  1. languidecer
  2. marchitarse
  3. mustiarse
/kʋɛɪtə(n)/
verb
1. een belofte inlossen of aan een verplichting voldoen
  1. cumplir
  2. desempeñar
noun
descargo
/ˈkʋɛːtrakə(n)/
verb
2. niet meer weten waar iets is
perder
noun
remisión de deuda
noun
1. een scheikundig element en zilverwit overgangsmetaal met symbool Hg en atoomnummer 80
mercurio
noun
  1. lámpara de mercurio
  2. lámpara de vapor de mercurio
noun
  1. lámpara de mercurio
  2. lámpara de vapor de mercurio
noun
1. benaming voor vogels uit de geslachten Motacilla en Dendronanthus
  1. lavandera
  2. aguzanieves
  3. andaríos
noun
1. een metaal dat vloeibaar is bij kamertemperatuur
  1. mercurio
  2. argento vivo
noun
1.
  1. ocurrencia
  2. agudeza
  3. chiste
noun
quintaesencia
verb
1. druk met de staart zwaaien.
  1. colear
  2. menear
  3. agitar
verb
1. met de staart heen en weer bewegen als teken van vrolijkheid
  1. colear
  2. menear
/ˈkʋɪstəx/, /ˈkβ̞istəç/
adjective
  1. 2. royaal gevend
    1. generoso
    2. pródigo
  2. 1. op lichtzinnige wijze verbruikend
    1. pródigo
    2. fastuoso
noun
  1. recibo
  2. acuse de recibo
  3. talón
pronoun
1. de hoofdstad van Oekraïne
Kiev
noun
1. muzieknoot
la
pronoun
La Mancha
pronoun
  1. 1. hoofdstad van Bolivia
  2. 2. Boliviaans departement gelegen in het westen van het land
La Paz
pronoun
La Rioja
noun
porte
/lax/
adjective
    1. 2. niet vergevorderd zijn in een rangorde of volgorde
    2. 3. geluid met een klein aantal trillingen per tijdseenheid
    3. 4. met een beperkt aanzien
    bajo
  1. 1. niet ver boven iets anders zijn
    1. bajo
    2. baja
  2. 5. gemeen
    1. infame
    2. malo
    3. rastrero
    4. vil
/lax/
noun
1. iets dat zich in twee richtingen uitstrekt maar in de derde een beperkte dikte heeft
  1. capa
  2. tongada
  3. estrato
noun
tierras bajas
noun
  1. baja tensión
  2. baja tensión eléctrica
noun
  1. bajamar
  2. marea baja
  3. reflujo
noun
1. toestand van volkomen eb
marea baja
adjective
  1. censurable
  2. reprobable
  3. vituperable
noun
1. weg die aan beide kanten wordt geflankeerd door bomen
avenida
noun
1. een schoen met een hoge schacht die een deel van het been bedekt
bota
adjective
1. overtreffende trap van laat
  1. último
  2. postrero
adverb
1. onlangs
últimamente
indefiniteOrdinalNumeral
  1. postrero
  2. último
noun
1. laatste kwartier
cuarto menguante
adjective
  1. pasada
  2. pasado
/lɑp/
noun
1. een ruimte ingericht voor het doen van natuurwetenschappelijk onderzoek
laboratorio
noun
etiqueta
adjective
labial
noun
1. met de lippen gevormde medeklinker, lipklank
  1. labial
  2. consonante labial
/lɑ'bil/
adjective
1. onstandvastig, wankelbaar
inestable
adjective
labiodental
noun
1. medeklinker, gevormd met onderlip en boventanden
  1. labiodental
  2. consonante labiodental
noun
1. ruimte voor wetenschappelijk onderzoek
laboratorio
adjective
laborioso
noun
1. een stelsel van paden of dwaalwegen, zodanig aangelegd dat men daarin moeilijk de weg kan vinden
laberinto
adjective
laberíntico
/lɑx/, /lɑχ/
noun
1. een vrolijkheidsuiting door middel van het optrekken van de mondhoeken en vaak...
risa
verb
1. zichtbaar en/of hoorbaar blij zijn met iets of iets grappig vinden
reír
noun
1. vluchtige verbinding, N₂O
  1. gas hilarante
  2. óxido de nitrógeno
noun
lactato
noun
is een suiker die o.a. in melk voorkomt
  1. lactosa
  2. azúcar de leche
noun
het niet kunnen verdragen van melksuiker
intolerancia a la lactosa
adjective
lacunario
noun
1. iets dat ontbreekt
laguna
noun
1. houten of metalen voorwerp met treden om makkelijk op hoger gelegen plaatsen te komen
  1. escalera
  2. escalera de mano
noun
autoescalera
noun
1. uitschuifbare bergplaats
cajón
/ˈlaːdə(n)/
verb
  1. 1. van een lading voorzien
  2. 2. van elektriciteit voorzien
cargar
noun
cargador
noun
  1. 3. opeengehoopte elektriciteit
    carga eléctrica
  2. 1. goederen die vervoerd worden
    1. carga
    2. cargamento
noun
densidad de carga eléctrica
pronoun
1. Romaanse taal gesproken door 35 duizend mensen in Italië en de Verenigde Staten
  1. ladino
  2. idioma ladino
pronoun
1. op het Castiliaans gebaseerde taal van nakomelingen van Sefardische joden
Ladino
noun
1. beschadiging van het weefsel in een organisme
lesión
/lɑf/
adjective
  1. 1. een gebrek aan moed tonend
    1. cobarde
    2. pusilánime
  2. 2. onaangenaam smakeloos
    soso
/ˈlɑfart/
noun
1. iemand die door zijn angst wegvlucht uit gevaarlijke situaties.
cobarde
/ˈlɑfɦɛit/
noun
1. de neiging keuzes te maken die van weinig moed getuigen
cobardía
pronoun
Países Bajos
noun
1. een gebied waar relatief een lagere druk heerst dan elders, term uit de meteorologie
zona de bajas presiones
/ˈlaːɣər/, /ˈlaːχər/
adjective
1. een constructie die er ...
  1. cojinete
  2. rodamiento
noun
cerveza lager
noun
  1. Cámara de los Comunes
  2. Cámara baja
noun
1. ondiep meer
  1. laguna
  2. albufera
  3. lago de atolón
pronoun
1. stad in Pakistan
Lahore
noun
1. stof die een dunne beschermlaag vormt nadat ze opgelost in een vluchtig oplosmiddel...
laca
/ˈlakə(n)/
noun
2. een rechthoekig stuk stof dat ter bedekking dient, m.n. bij het slapen
sábana
/ˈlakə(n)/
verb
1. iemand iets verwijten
  1. censurar
  2. desaprobar
  3. reprender
  4. reprobar
noun
tornasol
/ˈlɑk.mus.ˌpruf/
noun
prueba de tornasol
adjective
1. niet in staat om te bewegen
cojo
noun
1. jong van het schaap
cordero
noun
1. soort Zuid-Amerikaans eeltpotig zoogdier Lama glama
llama
noun
1. in het water levende zoogdieren uit het geslacht Trichechus
  1. manatí
  2. vaca marina
noun
sonda lambda
noun
lamentación
verb
lamentar
adjective
laminar
verb
paralizar
/lɑmp/
noun
1. een voorwerp gemaakt om licht te geven
lámpara
noun
1. kap over een lamp om het licht af te schermen
  1. pantalla de lámpara
  2. pantalla
noun
1. een kan met waswater, vaak samen met een ondiepe teil, de waskom, bedoeld om zich in de morgen...
aguamanil
noun
portalámparas
noun
portalámparas
noun
  1. farolillo
  2. linterna de papel
noun
1. het schijnsel voortgebracht door een lamp
luz de lámpara
noun
1. benaming voor vissen uit de familie Petromyzontidae
lamprea
noun
costilla de cordero
noun
1. plant met paarse bloemen die op de kwelders voorkomt, Limonium vulgare
  1. acelga salada
  2. estrella de arroyos
  3. tripolio
  4. áster
  5. áster marítimo
noun
1. vlees van een lam
  1. carne de cordero
  2. cordero
pronoun
Lanai
verb
lanzar
noun
1. een dubbelsnedig operatiemes
lanceta
noun
  1. 4. niet verstedelijkt gebied
    1. campo
    2. país
  2. 5. het eigen land, het land waar men geboren is
    patria
  3. 3. een geografisch gebied aan één bepaald gezag onderworpen
    1. país
    2. tierra
    1. 1. gedeelte van het aardoppervlak dat boven water uitsteekt
    2. 2. dat deel van de aardbodem dat geschikt is voor bebouwing...
    tierra
/ˈlɑntbɑuw/
noun
1. het cultiveren van land voor de voortbrengst van voedsel en andere nuttige producten
agricultura
/lɑntbɑuwər/
noun
1. iemand die met landbouw of/en veeteelt zijn geld verdient
  1. agricultor
  2. campesino
  3. labrador
noun
agronomía
noun
exhibición agrícola
noun
1. een dier dat op het land leeft
animal terrestre
verb
1. vanuit de zee, de lucht of de ruimte voet op vaste bodem zetten
  1. aterrizar
  2. aterrar
noun
1. iemand uit hetzelfde land
compatriota
noun
1. landhoofd
estribo
noun
  1. 2. vlucht van vliegtuigen...
    1. aterrizaje
    2. toma de tierra
  2. 1. vanaf een schip
    1. desembarco
    2. desembarque
noun
1. vlakke, brede strook land op een vliegveld waarvan vliegtuigen gebruik kunnen maken bij het landen en het opstijgen
  1. pista de aterrizaje
  2. pista de despegue
noun
tren de aterrizaje
noun
campo de aterrizaje
noun
1.klimaat dat niet wordt beïnvloed door een zee of oceaan, onder meer gekenmerkt door grote temperatuurverschillen...
clima continental
noun
  1. vagabundo
  2. vago
noun
Ejército
noun
1. landmeetkunde
agrimensura
noun
agrimensor
noun
paisaje
noun
1. schildpad uit de familie Testudinidae
tortuga de tierra
noun
lengua nacional
noun
  1. región
  2. comarca
noun
1. smalle strook land die zich in zee of meer uitstrekt
  1. cabo
  2. lengua de tierra
adjective
  1. 2. van grote lengte
    1. alto
    2. largo
  2. 1. van grote duur
    largo
adjective
prolijo
adjective
1.een lange tijd durend
  1. prolongado
  2. largo
noun
1. een vrouwelijke atleet die zich specialiseert in het lopen van afstanden boven 1500 meter
corredora de fondo
noun
1. mannelijke atleet die zich specialiseert in het lopen van afstanden boven 1500 meter
corredor de fondo
noun
1. een manier van voortbewegen op latten door de sneeuw
  1. esquí de fondo
  2. esquí nórdico
noun
1.
langosta
noun
1. benaming voor kleine Noorse kreeft
langostino
noun
1. benaming voor muggen met opvallend lange broze poten, die de familie Tipulidae vormen
  1. típula
  2. zancudo
  3. segador
verb
2. voorbijgaan
  1. pasar
  2. pasar de largo
  3. sobrepasar
/lɑŋskomə(n)/
verb
  1. 1. voorbijgaan
    pasar por
  2. 2. langsgaan, op bezoek komen
    1. pasar
    2. pasarse
abbreviation
1. grammofoonplaat met een doorsnede van 30 cm...
  1. disco de larga duración
  2. disco lp
adjective
1. in de lengterichting van het schip
  1. de popa a proa
  2. longitudinal
/lɑŋ.ʋɛr.pəx/
adjective
1. lang en smal van vorm
  1. oblongo
  2. prolongado
/ˈlɑŋzam/
adjective
1. met weinig snelheid
lento
/ˈlɑŋzam/
adverb
  1. despacio
  2. lentamente
  3. con lentitud
adverb
poco a poco
adjective
1. blijk gevend van bereidheid om de voorkeur van anderen te volgen
tolerante
noun
gezuiverd vet van schapenwol
  1. E913
  2. Wollwachs
  3. lanolin
  4. lanolina
noun
1. een lang steekwapen met een metalen punt
lanza
noun
lancero
noun
  1. cuatronarices
  2. jaracacá amarilla
  3. jergón
  4. macagua
  5. mapanare
noun
1. constructie van glas en metaal of hout, zodat wind en regen geen vat op een brandende lichtbron hebben
  1. farol
  2. linterna
/lɑntarn̩pal/
noun
1. een paal met een lichtbron
farola
noun
1. Chemisch element
lantano
noun
lantánido
noun
1. Chemisch element
lantano
/ˈla.ɔs/
pronoun
1. een land in Azië grenzend aan Myanmar, China, Vietnam, Cambodja en Thailand
Laos
adjective
  1. laosiana
  2. laosiano
pronoun
1. een taal die in Laos gesproken wordt
  1. lao
  2. laosiano
noun
laosiana
noun
kip lao
noun
lapón
noun
1. een stuk van iets
  1. trapo
  2. parche
adjective
lapidario
noun
1. kat waarvan de pels oogt als een lappendeken
gato abigarrado
noun
operador laplaciano
pronoun
Laponia
noun
lapón
noun
lapona
noun
muñeca de trapo
noun
1. kleine draagbare computer
  1. ordenador portátil
  2. computadora portátil
verb
  1. lardear
  2. larder
  3. mechar
noun
1. jeugdstadium van de meeste insecten en veel amfibieën
larva
noun
1. metalen instrument met een handvat en spatel om de larynx ...
laringoscopio
noun
1. Bovenste deel van de luchtpijp
laringe
/lɑs/
noun
1. voeg
soldadura
noun
lasaña
noun
soldadora
noun
1. een bril die de ogen bij laswerk tegen ultraviolette straling beschermt
gafas de soldadura
noun
varilla de soldar
noun
1. lichtbron die uiterst intense lichtstraal van één kleur uitzendt
láser
noun
1. een masker dat de ogen bij laswerk tegen ultraviolette straling beschermt
máscara de soldadura
noun
fiebre de Lassa
verb
1. door plaatselijke sterke verhitting van de voeg twee metalen voorwerpen met elkaar verbinden
  1. soldar
  2. sangrar
noun
1. iemand die stukken metaal op een naad door sterke plaatselijke verhitting verbindt
soldador
noun
1. een gedomesticeerd dier dat men gebruikt om vracht te vervoeren
  1. bestia de carga
  2. animal de carga
noun
1. onterechte beweringen die iemand in een kwaad daglicht stellen
  1. calumnia
  2. difamación
  3. maledicencia
noun
2. gever van een lastgeving
mandante
noun
1. opdrachtovereenkomst met verplichting tot handelen in eigen of andermans naam
mandato
adjective
1.
  1. latoso
  2. molesto
/ˈlɑs.təx.fɑ.lə(n)/, /ˈlɑs.təχ.fɑ.lə(n)/, /ˈlɑs.tɪɣ.vɑ.lə(n)/
verb
2. op vervelende wijze iemands aandacht trekken door na te roepen, dreigende of obscene gebaren te maken e.d.
acosar
noun
1. latei
  1. dintel
  2. lintel
verb
  1. 3. niet doen
  2. 4. niets veranderen
  3. 5. vertrekken
  4. 6. aansporing
  5. 1. veroorzaken
dejar
adjective
1. sluimerend
latente
/ˈlaː.tər/
adjective
posterior
/ˈlaː.tər/
adverb
  1. más tarde
  2. posteriormente
adjective
1. aan de zijkant (buitenkant)
lateral
/'la.tɛks/
noun
látex
pronoun
1. taal van de Romeinen in de oudheid, die later in gebruik bleef in religie en wetenschap
latín
adjective
latino
noun
latinidad
noun
láudano
noun
laudes
noun
boom en kruid
laurel
noun
2. (gedroogde) bladeren van Laurus nobilis
  1. hoja de laurel
  2. laurel
noun
1. CH₃(CH₂)10COOH
ácido láurico
/laʊ̯/, /lʌʊ̯/, /lʌː/
adjective
1. een temperatuuraanduiding die tussen warm en koud ligt
tibio
noun
corona de laurel
noun
tibieza
noun
1. meubel of plaats in een gebouw met voorzieningen om zich te wassen
lavabo
noun
1. koepelvormige structuur die ontstaat als lava die rijk is aan silica naar buiten treedt uit de barsten en spleten van een groeiende kussenachtige structuur
domo de lava
noun
1. bepaald kruid, Levisticum officinale, dat zowel in de keuken als in de geneeskunde gebruikt wordt
  1. apio de monte
  2. alheña
  3. ligústico
noun
  1. enema
  2. lavado
  3. lavativa
  4. clisma
noun
1. Lavandula, een struik uit de lipbloemenfamilie Lamiaceae
  1. espliego
  2. lavanda
  3. cantueso
verb
1-2 bij tegenwind zigzagsgewijs opzeilen
  1. bordear
  2. barloventear
  3. navegar de bolina
/la'ʋaj/
noun
1. luid en storend geluid
ruido
/la'ʋinə/
noun
1. een sneeuwverschuiving op een berghelling
  1. alud
  2. avalancha
noun
diodo avalancha
noun
1. Chemisch element
  1. laurencio
  2. lawrencio
/lɑksɑ'tif/
adjective
1. de stoelgang bevorderend
laxativo
noun
1. een stof die de stoelgang bevordert
laxante
noun
purgante
verb
purgar
noun
1. een grote mobiele medische (militaire) installatie die tijdelijk de taken van een ziekenhuis kan overnemen
lazareto
noun
lazurita
adjective
laico
noun
2. enzym uit de lebmaag
cuajo
noun
1. de vierde maag van een herkauwer, zoals een rund
cuajar
noun
1. dialect dat in Lecce wordt gesproken
lecés
noun
leccionario
noun
lector
noun
1.verwijst naar alles wat gelezen kan worden
lectura
/lɛt/
noun
1. elektronische lichtbron in de vorm van een diode die licht uitstraalt
diodo emisor de luz
/ˈledəmat/
noun
1. een aan de romp aanhangend onderdeel van het lichaam dat door spieren bewogen kan worden...
  1. miembro
  2. extremidad
noun
1. lijst van leden, m.n. van een vereniging
lista de socios
noun
maniquí
noun
cuero
noun
1. huidlaag die onmiddellijk onder de opperhuid ligt
dermis
adjective
vacío
verb
1. de inhoud volledig verwijderen
vaciar
/let/
noun
1. verdriet en pijn
sufrimiento
noun
1. het genoegen scheppen in het leed van een ander
  1. regodeo
  2. alegría por el mal ajeno
noun
sentimiento
noun
  1. espacio vital
  2. espacio habitacional
noun
1. de tijd dat iemand leeft of geleefd heeft, het totaal aantal levensjaren
edad
noun
grupo de edad
noun
1. de ongelijkheid van de leeftijd; onderscheid in leeftijd
diferencia de edad
noun
1. middelen tot levensonderhoud, proviand
vitualla
/lex/
adjective
1. zonder inhoud
vacío
verb
1. geleidelijk zijn inhoud verliezen
desinflarse
/lek/
noun
2. iemand die niet tot de geestelijke stand behoort, gewone gelovige
laico
/lem/, /leɪm/
noun
1. kleihoudende grondsoort
suelo franco
adjective
pardo arcilla
/len/
noun
1. leengoed; vastgoed dat door de heer aan zijn vazal ten gebruike werd afgestaan
feudo
noun
1. staatsvorm
feudalismo
/ˈlenvərˌtalɪŋ/
noun
1. woord dat aan een vreemde taal is ontleend in letterlijke vertaling en analoge constructie
calco
/ˈlenʋɔːrt/
noun
1. een woord dat door een taal aan een andere taal ontleend is
  1. préstamo
  2. préstamo lingüístico
noun
  1. 1. stof vervaardigd door het looien van een dierenhuid
    cuero
  2. 2. theorie, doctrine
    doctrina
noun
1. een boek bedoeld om er iets uit te leren
libro de texto
adjective
1.
estudioso
noun
1.
aprendiz
noun
1. iemand die lesgeeft
docente
noun
1. iemand die onderwijs volgt
  1. alumno
  2. pupilo
  3. aprendiz
  4. estudiante
noun
  1. alumna
  2. aprendiza
  3. novicia
noun
escuela
noun
1. de verzameling van alle leermaterialen die een lerende dient te bestuderen
materia de la enseñanza
noun
2. rubberen opzetstuk tussen pijpstukken
junta de estanqueidad
adjective
sabio
adjective
legible
noun
1. een boek met teksten, meestal om kinderen te leren lezen
libro de lectura
noun
1. conventioneel symbool in interpunctie
signo de puntuación
noun
1. een tekst om het lezen te oefenen
  1. lectura
  2. texto
pronoun
2. teken van de dierenriem van 23 juli tot 23 augustus
Leo
noun
1. Panthera leo een groot katachtig roofdier met lange manen
león
noun
  1. parte del león
  2. tajada del león
noun
  1. alondra
  2. calandria
noun
1. vrouwtje van de leeuw
leona
adjective
branie, moed
agallas
adjective
1. wettig, rechtmatig
legal
noun
  1. 1-2. Romeinse officier of pauselijk gezant
    1. legado
    2. legado papal
  2. 1. testamentaire beschikking
    legado
verb
1. de wet zodanig aanpassen dat iets niet langer een vergrijp is
legalizar
noun
legalidad
noun
legación
adverb
legato
/ˈleːɣər/, /ˈleːχər/
noun
  1. 1. een militaire strijdmacht
    ejército
  2. 2. een ondiep kuiltje in het veld
    madriguera
noun
unidad militar
/lə'ɣɪːrən/
verb
1. verschillende metalen tot een verbinding samensmelten
alear
noun
1. Metaalverbinding van twee of meer elementen
  1. aleación
  2. liga
noun
1. tenten en/of gebouwen waarin een leger is ondergebracht
campamento
/ˈlɛɣə(n)/, /ˈlɛχə(n)/
verb
1. doen liggen
  1. poner
  2. colocar
noun
legión
adjective
legislativo
noun
legitimación
verb
legitimar
noun
legitimidad
noun
ponedora
/ˌleɣyˈwan/
noun
1. hagedis
  1. iguana
  2. garrobo
noun
2. schrijflei
pizarrón
noun
2. band waaraan een kind leert lopen
andadores
pronoun
Leiden
verb
  1. 2. iets tot gevolg hebben
    abocar
  2. 1. een leidinggevende functie hebben
    1. llevar
    2. conducir
    3. guiar
/ˈlɛɪ̯dər/, /ˈlɛːdər/
noun
1. iemand die leidt of bestuurt
  1. líder
  2. director
  3. dirigente
  4. jefe
noun
  1. 3. een buis, pijp of slang die een vloeistof...
    1. cañería
    2. tubería
  2. 1. het bepalen wat een groep of organisatie behoort te doen
    1. dirección
    2. gerencia
noun
  1. agua corriente
  2. agua de cañeria
  3. agua de grifo
  4. agua de tubo
noun
leitmotiv
noun
botella de Leyden
noun
3. iemand die je vertelt welke weg je moet gaan
  1. adalid
  2. guía
  3. mentor
noun
  1. directora
  2. dirigente
  3. guía
  4. jefa
noun
  1. sensible
  2. nota sensible
pronoun
1. een rivier
Lys
adjective
gris pizarra
noun
1. blauwgrijs gesteente
pizarra
adjective
1. vloeistof of gas doorlatend
pinchado
noun
1. opening waardoor een vloeistof of een gas in of uit kan
fuga
noun
escurridor
verb
1. vloeistof laten ontsnappen
  1. gotear
  2. salirse
  3. escaparse
  4. hacer agua
adjective
1. aangenaam van smaak
  1. rico
  2. sabroso
  3. rica
/ˌlɛ.kər.ˈnɛi/
noun
golosina
noun
  1. azucena
  2. lis
/le.li.tʲə.vɑn.da.ləⁿ/
noun
1. bepaald soort kleine tot 30 centimeter hoge vaste plant, Convallaria majalis
muguete
/ˈleːlək/
adjective
1. onprettig om naar te kijken, niet mooi
feo
noun
    1. 2. een woordenboekartikel
    2. 1. het eerste woord van een artikel in een woordenboek of encyclopedie
    artículo
  1. 3. een hulpstelling waarvan de juistheid in afwachting van nader bewijs wordt aangenomen
    lema
noun
  1. cuchilla
  2. hoja
noun
  1. lima
  2. lima Tahití
  3. lima agria
  4. lima mexicana
  5. lima persa
  6. limón agrio
noun
1. een knaagdier dat vooral in het hoge noorden op de toendra's voorkomt
léming
noun
1. laagste deel van de rug voor het kruis
  1. lomo
  2. cintura
noun
lomo de vaca
verb
1. iets wat eigendom is van een ander tijdelijk gebruiken, al dan niet in ruil voor een kleine vergoeding
dejar
noun
  1. 2. uitlener, leninggever
    prestador
  2. 1. ontlener, leningnemer
    prestatario
noun
1. kabeljauwachtige zoutwatervis, Molva molva
maruca
/ˈlɛŋktə/
noun
  1. 1. afmeting van een voorwerp
  2. 1. op welke meridiaan een plaats ligt
longitud
noun
longitud
/'le.nɪx/
adjective
1. met soepele ledematen
flexible
pronoun
Lenin
noun
préstamo
pronoun
Leningrado
noun
leninismo
noun
  1. 1. een geslepen stuk transparant materiaal dat lichtstralen breekt
    lente
  2. 3. een zeer kleine glazen of kunststof lens die men direct op de oogbol plaatst ter vervanging van een bril
    lente de contacto
  3. 2. een stelsel van lenzen of lensdelen dat op een camera zit zodat er een scherp beeld op de film of CCD wordt geprojecteerd
    objetivo
noun
1. seizoen
primavera
noun
1. lentedag
día de primavera
noun
tiempo primaveral
adjective
lenticular
verb
1. leegmaken
vaciar
pronoun
. spelwoord voor de letter l
  1. Lima
  2. Llave
noun
1.
leonés
/ˈlepəɫ/
noun
1. een voorwerp bestaande uit een greep en een kom(metje), waarmee vloeibaar voedsel wordt gegeten
cuchara
noun
1. een steltloper ter grootte van een ooievaar met een lepelvormige snavel
espátula
noun
2. benaming voor kruisbloemige planten van het geslacht Cochlearia
  1. coclearia
  2. cuchareta
noun
1. bepaald soort vis met lepelvormig verbrede bek die 2 meter lang kan worden en meer dan 80 kilogram kan wegen, Polyodon spathula
  1. pez espátula
  2. pez espátula del Mississippi
noun
lepra
noun
leproso
noun
leproso
noun
1. inrichting voor mensen die aan lepra lijden
leprosería
adjective
1. met een smal gelaat en een smalle lichaamsbouw
leptosómico
/ˈleːraˑr/
noun
1. iemand die lesgeeft
profesor
noun
  1. maestra
  2. profesora
/ˈleːrə/, /ˈlɪːrə/
verb
1. kennis of vaardigheid verwerven
aprender
noun
aprendizaje
/lɛs/
noun
1. onderricht gedurende een korte tijd
lección
adjective
bollero
noun
libro de texto
noun
1. eld wat je moet betalen voor onderwijs
matrícula
noun
loti lesothense
/le.'sɔ.to/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel het Koninkrijk Lesotho
Lesoto
/ˈlɛsə(n)/
verb
1. met vocht de dorst beëindigen
saciar
noun
1. een standaard om bladmuziek op te plaatsen
pupitre
/le.ˈtal/, /le.ˈtaɫ/
adjective
1. de dood veroorzakend
letal
noun
  1. 1. een toestand van geestelijke ongevoeligheid
    apatía
  2. 2.
    letargo
/ˈlɛtlɑnd/, /ˈlɛtlɑnt/
pronoun
1. een Europees land aan de Oostzee
Letonia
/lɛts/
pronoun
1. de officiële taal van Letland
letón
noun
lat letón
noun
1. lichamelijke schade met name aangericht in een ongeluk of gevecht
  1. lesión
  2. trauma
  3. traumatismo
noun
1. een teken om in geschreven taal een klank van de gesproken taal weer te geven
letra
noun
acróstico
noun
plagio
/ˈlɛtərˌxrep/, /ˈlɛtərˌɣrep/
noun
1. elk van de groepen waarin een woord kan worden verdeeld
sílaba
noun
1. de studie van de literatuur
literatura
noun
literato
noun
1. een stylistisch samenhangende set tekens die meestal letters, cijfers en leestekens uitbeelden
  1. tipo de letra
  2. carácter de imprenta
  3. tipo de imprenta
noun
  1. acrónimo
  2. sigla
/'lɛtərzɛtər/
noun
1. tekstopmaker
cajista
/ˈløːɣən/, /ˈlʏːχən/
noun
1. mededeling die niet waar is, met de bedoeling om anderen te misleiden
  1. mentira
  2. embuste
noun
1. iemand die bewust dingen zegt die niet waar zijn
  1. mentiroso
  2. embustero
noun
paradoja del mentiroso
noun
1. leugendetector
detector de mentiras
noun
fábrica de mentiras
adjective
  1. 2. prettig, aangenaam
    1. amable
    2. lindo
    3. placentero
  2. 1. grappig, schalks, vermakelijk
    divertido
  3. 3. kalm, bedaard
    1. tranquilo
    2. sosegado
noun
1. bloedkanker
leucemia
noun
leucoplasto
verb
1. steunen, het evenwicht bewaren door het eigen gewicht deels door iets anders te laten steunen
  1. apoyarse
  2. arrimar
noun
  1. 1. iets waartegen men aan kan leunen
    1. baranda
    2. barandilla
    3. antepecho
    4. balaustrada
    5. parapeto
    6. respaldo
  2. 2. de achterkant van een stoel
    respaldo
noun
1. een stoel met leuningen om lekker in te zitten
sillón
verb
1. bij de huizen aanbellen om rotzooi te verkopen
vender como buhonero
/ˈløːˌvə(n)/
pronoun
1. de provinciehoofdstad van Vlaams-Brabant in België
Lovaina
/'levən/
noun
  1. 2. de tijdsspanne die men levend doorbrengt
  2. 1. een voortbestaan van organismen, gericht op groei en/of vermenigvuldiging
vida
/'levən/
verb
1. het doormaken van het leven
vivir
adjective
vivo
adjective
vivíparo
adjective
1. vol opgewekte drukte
  1. acalorado
  2. animado
  3. avispado
  4. efervescente
  5. gallardo
  6. turbulento
noun
  1. animación
  2. ardor
  3. vitalidad
  4. vivacidad
noun
biógrafo
noun
fin de la vida
noun
biocenosis
noun
savia
adjective
1. tot de dood durend
vitalicio
noun
goce del vivir
noun
tecnología de los alimentos
noun
condición de vida
noun
nivel de vida
noun
estilo de vida
noun
  1. señal de vida
  2. signo de vida
noun
1. het kunnen gaan leven
viabilidad
noun
1. een bruinkleurig orgaan dat gal produceert
hígado
noun
  1. abastecedor
  2. proveedor
/ˈlevərˌblumpʲə/
noun
1. Hepatica nobilis, een plant uit de ranonkelfamilie
hepática
noun
  1. coscojo del hígado
  2. duela del hígado
/ˈlevərə(n)/
verb
1. voor de aanvoer van iets zorg dragen
  1. suministrar
  2. abastecer
  3. proveer
  4. abastar
  5. entregar
noun
  1. agrimonia
  2. agrimoña
  3. cannabina
  4. eupatorio
  5. eupatorio de los árabes
  6. hierba bacera
noun
  1. aceite de hígado de bacalao
  2. aceite de bacalao
noun
  1. butifarra de hígado
  2. embutido de hígado
  3. salchicha de hígado
/leˈvit/
noun
levita
noun
levitación
pronoun
Levítico
pronoun
Lewis
noun
lewisita
noun
  1. lexicón
  2. léxico
verb
1. zien en interpreteren van geschreven tekst
leer
noun
pupitre
noun
1. iemand die (een bepaald geschrift) leest
lector
noun
conferencia
noun
libra libanesa
/ˈli.ba.nɔn/, /ˈli.bɑ.nɔn/
pronoun
land in het Midden-Oosten, grenzend met Israël en Syrië, officieel de Libanese Republiek
Líbano
/li.ˈbɛl/, /li.ˈbɛɫ/
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Odonata
  1. libélula
  2. alguacil
/libəˈral/
adjective
liberal
noun
liberalización
noun
liberalismo
noun
liberalidad
/li.'beː.ri.ja/, /li.'bɪː.ri.ja/
pronoun
land in West-Afrika, officieel de Republiek Liberia
Liberia
noun
dólar liberiano
noun
líbero
adjective
libertario
noun
  1. liberalismo libertario
  2. libertarismo
noun
  1. libertinismo
  2. nihilismo moral
noun
dinar libio
/ˈli.bi.jə/
pronoun
1. een land in Noord-Afrika, officieel de Staat Libië
Libia
noun
libración
noun
  1. 1. academicus
    1. bachiller
    2. licenciado
  2. 2. graad van licentiaat
    licenciatura
noun
  1. licencia
  2. autorización
noun
    1. 3. een hoeveelheid materie met een bepaalde vorm
    2. 2. een instantie
    cuerpo
  1. 1. een geheel van botten, vlees en organen van een mens of dier
    1. cuerpo
    2. cadáver
/ˈlɪxamsbəˌweɣɪŋ/
noun
1. bezigheden die bijdragen aan de lichamelijke fitheid
ejercicio físico
noun
área de superficie corporal
noun
  1. lenguaje corporal
  2. comportamiento kinésico
adjective
1. met betrekking tot het lichaam
  1. corporal
  2. físico
  3. somático
noun
1. huidverdikking
liquenificación
adjective
  1. 1. helder van kleur
    1. claro
    2. luz
  2. 3. van een gerecht
    ligera
  3. 2. van een gewicht
    1. ligero
    2. leve
  4. Vertalingen: na te kijken en onderverdelen per verklaring
    1. liviano
    2. ligero
noun
  1. 1. Elektromagnetische golven
  2. 2. lichtbron
luz
adjective
marfil claro
adjective
1. een lichte oranje kleur die naar rood zweemt
rojo claro anaranjado
noun
2. aan de voorzijde open bak waarin een licht brandt, waarvan stropers...
faro
adjective
azul luminoso
noun
arco eléctrico
noun
1. refractie
refracción
noun
diodo emisor de luz
adverb
  1. levemente
  2. un poquito
verb
  1. 2. bliksemen
    centellear
  2. 1.
    rielar
  3. 4. lossen
    vaciar
/ˈlɪxtər/
noun
2. vaartuig van geringe diepgang, voor vervoer van lading
gabarra
noun
1. gas dat in een gasfabriek wordt geproduceerd door steenkool te verhitten zonder toetreding van zuurstof
gas de alumbrado
adjective
puntilloso
adjective
gris luminoso
adjective
verde luminoso
noun
2.
recogida
noun
1. de afstand die het licht in één jaar aflegt, ongeveer 9460 miljard kilometer
año luz
noun
lucecita
noun
interruptor de la luz
noun
electricidad doméstica
noun
  1. punto de luz
  2. punto luminoso
adjective
rosa claro
noun
1.
  1. barco faro
  2. buque fanal
  3. buque faro
noun
1. de snelheid waarmee het licht zich voortplant in het luchtledige (ongeveer 299792 km/s)
velocidad de la luz
noun
munición trazadora
/ˈlɪxtstɛrktə/
noun
1. helderheid van een lichtbron
luminancia
noun
rayo de luz
noun
flujo luminoso
noun
contaminación lumínica
adjective
  1. frívolo
  2. ligero
  3. liviano
  4. somero
noun
1. het lichtzinnig zijn
  1. frivolidad
  2. ligereza
  3. liviandad
noun
1. iemand die behoort tot een groep, organisatie of sekte
  1. afiliado
  2. miembro
noun
1. iemand die lid is van een organisatie, voornamelijk een kerk
  1. miembro
  2. partidario
noun
1. een staat die toegetreden is tot een inter- of supranationale organisatie
estado miembro
noun
artículo
/ˈlixtə(n)ˌstɛɪ̯n/, /ˌlixtə(n)ˈstɛːn/, /ˌliχtə(n)ˈstɛɪ̯n/
pronoun
1. een klein land in Europa gelegen tussen Zwitserland en Oostenrijk
Liechtenstein
noun
1. muzikale vorm waarin tekst op muziek wordt verklankt
canción
noun
1. groep mensen
gente
adjective
  1. crapuloso
  2. disoluto
noun
cancioncilla
noun
letra
noun
1.het geven van hulp
caridad
noun
1. uiting of gevoel van grote genegenheid en/of het zich aangetrokken voelen
amor
noun
1. brief waarin men zijn liefde betuigt
  1. carta de amor
  2. carta amorosa
noun
oboe de amor
noun
1. roman met liefdesperikelen als hoofdonderwerp
  1. novela de amor
  2. novela romántica
noun
liefdesrelatie
relación amorosa
adjective
dulce
verb
1. liefde voelen tot iemand of iets
  1. amar
  2. querer
adjective
amoroso
noun
  1. aficionado
  2. diletante
noun
afición
noun
  1. aficionada
  2. diletante
verb
acariciar
noun
1. aai, streling
caricia
noun
mentiroso
verb
1. met opzet feiten vertellen die niet de waarheid zijn maar wel als dusdanig worden gepresenteerd
mentir
/lir/
noun
  1. 2. een werktuig om te hijsen, trekken of slepen
    1. cabestrante
    2. cabrestante
    3. torno
  2. 1. een Grieks snaarinstrument
    lira
noun
1. anatomie
ingle
noun
1.
hernia inguinal
noun
1. benaming voor kevertje van de familie Coccinellidae
  1. mariquita
  2. vaca de San Antón
noun
querido
noun
favorito
noun
1. iemand die vaak iets liefs doet of door iemand lief gevonden wordt
querido
/ˌlivə'vraʊ̯wəˌbɛtstro/, /ˌlivəˌvrɔʊ̯β̞ə'bɛtstro/, /ˌlivəˌvrʌʊ̯β̞ə'bɛtstro/
noun
1.
  1. hepática estrellada
  2. asperilla
noun
  1. 1. een verticaal transportsysteem voor goederen en mensen
    1. ascensor
    2. elevador
  2. 2. de draagkracht van een vliegtuig
    sustentación
noun
ascensorista
noun
1. opwaartse kracht
sustentación
noun
  1. liga
  2. lazo
noun
  1. bicicleta reclinada
  2. bici reclinada
verb
  1. 2. op een bepaalde plaats bevinden
    1. estar
    2. estar situado
    3. estar echado
    4. ubicarse
  2. 1. zich horizontaal in toestand van rust gelegd hebben
    1. yacer
    2. estar
adjective
yaciendo
noun
1. een horizontaal constructie-element
larguero
noun
1. de wijze waarop iets of iemand gelegen is
posición
/'lɪxplats/
noun
1. een plaats waar iemand of iets ligt
yacimiento
noun
1. een stoel waarin men gemakkelijk kan liggen
  1. tumbona
  2. hamaca
noun
1. olijfachtige heester veel gebruikt voor het maken van heggen
  1. aligustre
  2. alheña
/lɛɪdələk/
adjective
1. zonder verzet ongemak verdragend
pasivo
verb
1. smart en ellende ondergaan
  1. sufrir
  2. padecer
  3. adolecer
  4. penar
phraseologicalUnit
1. zinsdeel waarop de actie die wordt uitgedrukt door een overgankelijk werkwoord rechtstreeks van toepassing is
objeto directo
noun
Semana Santa
adverb
  1. pacienzudo
  2. resignado
noun
paciencia
/lɛi̯f/
noun
1. lichaam
cuerpo
noun
  1. servidumbre
  2. servicio feudal
pronoun
Livonia
pronoun
1. een Finoegrische taal die in Estland en Letland gesproken wordt
livonio
noun
1. levenslange rente
renta vitalicia
noun
1. een spreuk waarnaar iemand zijn leven inricht
  1. divisa
  2. lema
noun
1. een straf waarbij iemand lijfelijk pijn gedaan wordt
  1. castigo corporal
  2. castigo físico
/ˈlɛɪfʋɑxt/
noun
in te delen vertalingen
guardaespaldas
noun
1. hybride kruising tussen een mannetjesleeuw en een vrouwtjestijger
ligre
noun
1. dood lichaam
  1. cadáver
  2. cuerpo
/ˈlɛi.kə(n)/
verb
  1. 2. naar aanschijn zijn
  2. 1. uitzien als
parecer
/lɛikə(n)hœys/
noun
1. een plaats waar lijken tijdelijk opgebaard liggen
  1. depósito de cadáveres
  2. tanatorio
/ˈlɛɪkxeˌʋat/
noun
1. de kleding waarin een overledene begraven wordt
  1. mortaja
  2. sudario
/ˈlɛɪ̯.kɪs/, /ˈlɛɪ̯k.kɪst/, /ˈlɛːk.kɪst/
noun
1. de kist waarin een overledene ter aarde besteld wordt
ataúd
noun
1. ± arts die het lichaam van een overledene onderzoekt om de doodsoorzaak vast te stellen
médico forense
noun
  1. autopsia
  2. necropsia
noun
1. textiel waarin een overledene begraven wordt
  1. mortaja
  2. sudario
noun
1. plakmiddel
  1. cola
  2. pegamento
verb
1. twee of meer delen aan elkaar bevestigen met behulp van een kleefstof
  1. pegar
  2. encolar
/lɛi̯n/
noun
  1. 11. een band, riem om een huisdier in te tomen
    correa
  2. 1. een streep
    línea
phraseologicalUnit
línea de Weber
noun
códigos en línea
noun
integral de línea
noun
1. motor waarbij alle cilinders in één lijn staan
motor en línea
noun
  1. aceite de linaza
  2. aceite de lino
noun
segmento
noun
vuelo regular
noun
  1. lienzo
  2. tela
/ˈlɛɪnzat/
noun
1.
linaza
noun
  1. aceite de linaza
  2. aceite de lino
/lɛist/
noun
  1. 1. een opsomming van zaken die onder elkaar staan
    lista
  2. 2. een rand in een speciale vorm om iets in te vatten, zoals een schilderij
    marco
noun
1. benaming voor zangvogels uit de familie Turdidae
  1. tordo
  2. zorzal
noun
1. geslacht van loofbomen, Sorbus
serbal
noun
1. iemand op de eerste plaats staat van de kandidatenlijst van een partij in een verkiezing
cabeza de lista
adjective
  1. abultado
  2. grueso
adjective
  1. decaído
  2. lánguido
  3. mortecino
noun
1. een drank bereid met gestookte alcohol, aangevuld met smaakstoffen en veelal ook suiker
licor
verb
1. met de tong aanraken
  1. lamer
  2. lamber
noun
1. lichte tint van paars
lila
noun
1. en 2. (zaden van) plant Phaseolus lunatus
  1. el frijol ancho
  2. haba lima
  3. judia de lima
adjective
1. met betrekking tot de omranding
límbico
/ˈlɪm.bʏrx/, /ˈlɪm.bʏrχ/
pronoun
  1. 1. provincie in het zuidoosten van Nederland
  2. 2. een provincie in België
Limburgo
noun
limitación
adjective
limitativo
verb
limitar
noun
limnología
noun
1. Een citrusvrucht
  1. lima
  2. limón
noun
  1. abrótano
  2. abrótano macho
  3. hierba lombriguera
  4. toronjil
noun
    1. gaseosa
    2. limonada
  1. 1. een drank die vervaardigd is van citroensap, suiker en water
    limonada
/ˈlɪndə/
noun
loofboom
tilo
noun
  1. tilas
  2. tilos
adjective
1. lijnvormig
lineal
noun
linealidad
noun
línea de danza
noun
  1. lencería
  2. ropa interior
noun
  1. lengua franca
  2. lengua vehicular
noun
1. beoefenaar van de taalkunde
lingüista
noun
1. wetenschap die taal als onderzoeksobject heeft
  1. lingüística
  2. ciencia del lenguaje
adjective
lingüístico
/ˌliniˈ<sup>ʲ</sup>aɫ/
noun
1. een meetinstrument waarmee lengtes kunnen worden opgemeten
regla graduada
noun
  1. línea
  2. 2.
    rama
adjective
1. gevaarlijk
peligroso
noun
  1. 1. een betrekking of relatie
    conexión
  2. 2. een verwijzing
    1. enlace
    2. vínculo
    3. hiperenlace
    4. conexión
adjective
1. aan die zijde van het lichaam waar gewoonlijk het hart zit
  1. izquierdo
  2. siniestro
noun
1. link-editor
enlazador
noun
  1. mano izquierda
  2. mano zurda
noun
1. linkerhandregel
regla de la mano izquierda
adjective
1. tegenovergestelde van rechts
  1. izquierdo
  2. a la izquierda
adjective
1. wanneer men de linkerhand verkiest boven de rechter voor alledaagse handelingen
zurdo
noun
1. product afkomstig uit vlas
  1. lienzo
  2. hilo
noun
lencería
noun
linograbado
noun
linotipia
noun
1. lange, smalle strook stof
  1. cinta
  2. banda
  3. cordón
noun
1. een platte worm die parasiteert in de darm bij mens en dier
  1. tenia
  2. solitaria
noun
  1. sierra de cinta
  2. sierra sin fin
noun
lenteja
noun
  1. faki soupa
  2. sopa de lentejas
noun
1. anatomie
labio
/liˈpidə/
noun
1. vetten en vetachtige stoffen die in de biochemie een belangrijke rol spelen
lípido
adjective
lipófilo
adjective
lipófobo
noun
lipograma
noun
lipolisis
noun
  1. 1. stift met zacht materiaal dat op de lippen opgebracht wordt om de kleur daarvan beter te laten uitkomen
  2. 2. zacht materiaal dat op de lippen opgebracht wordt om de kleur daarvan beter te laten uitkomen
  1. pintalabios
  2. barre de labios
noun
consonante líquida
noun
liquidador
noun
liquidador
verb
liquidar
noun
liquidez
noun
1. Typha
  1. espadaña
  2. totora
/ˈlɪspələ(n)/
verb
cecear
pronoun
1.
Lisboa
adjective
  1. astuto
  2. ladino
adjective
literario
noun
literato
noun
  1. 2. het geheel van als kunstzinnig beschouwde geschreven werken, m.n. proza of poëzie
  2. 3. de verzameling geschreven en na controle door vakgenoten gepubliceerde mededelingen van een vakgebied
literatura
/ˈlitiˌʲʏm/
noun
1. chemisch element en een zilverwit alkalimetaal
litio
noun
batería de ion de litio
noun
litografía
noun
1. de wetenschap van de beschrijving en het ontstaan van sedimentgesteenten (steen- en rotsenkunde)
litología
noun
litosfera
adjective
litigioso
noun
lítote
/liˈtaʊ̯.wə(n)/, /liˈtɑuwə(n)/, /liˈtɔʊ̯.β̞ə(n)/, /ˈliˌtʌʊ̯.β̞ə(n)/
pronoun
1. een Europees land ter hoogte van Wit-Rusland
Lituania
/liˈtaʊ̯s/, /ˈlitɔʊ̯β̞s/, /ˈlitʌʊ̯s/
pronoun
1. een Baltische taal die wordt gesproken in Litouwen
  1. lituano
  2. idioma lituano
noun
litas lituano
noun
1. zichtbaar overblijfsel van een oude verwonding
cicatriz
noun
1. eertijds een dienst ten bate aan de gemeenschap waartoe de rijken verplicht waren...
liturgia
adjective
litúrgico
adjective
directo
noun
1. scheikundig element met symbool Lv en atoomnummer 116
livermorio
noun
librea
noun
1. lichamelijke opvoeding
EF
noun
lóbulo
verb
1. poging de besluitvorming te beïnvloeden
cabildear
noun
lobectomía
noun
geslacht van kruidachtige planten Lobelia
  1. lobelia
  2. matacaballos
  3. tabaco de indios
noun
lobotomía
noun
1. een bepaald punt in de ruimte
  1. lugar
  2. sitio
noun
1.
locomotora
adjective
locomotor
pronoun
2. spelwoord voor de letter l
  1. Lima
  2. Llave
/ˈlu.jə(n)/
verb
1. een langgerekt klagend geluid voortbrengen
  1. mugir
  2. berrear
  3. bramar
noun
1. met vlees en groente gevulde en gefrituurde lap deeg
  1. rollo de primavera
  2. lumpia
verb
1. scheel kijken
  1. bizquear
  2. bizcar
noun
lupa
noun
op de loer liggen
estar al acecho
noun
civeta palmera asiática
noun
  1. 1. prijzen
    elogio
  2. 2. groente
    1. endivia
    2. escarola
noun
ditirambo
verb
1. iemand lof toezwaaien
alabar
noun
doxología
noun
1. versiering aan een gevel
moldura
adjective
1. moeilijk wendbaar door een grote omvang
  1. pesado
  2. torpe
noun
1. de exponent van de macht waartoe een gegeven getal verheven moet worden om een ander getal te krijgen
logaritmo
noun
1. boek met gegevens over de navigatie
cuaderno de bitácora
noun
  1. palco
  2. galería
  3. logia
  4. tribuna
verb
1. in huis openemen, herbergen
  1. alojarse
  2. estar convidado
  3. hospedarse
noun
1. een vissersschip, tegenwoordig met een motor aangedreven, dat vroeger een loggergetuigd zeilschip was
lugre
noun
  1. galería
  2. logia
  3. palco
  4. tribuna
noun
lógica
noun
logicismo
/ˈloɣis/
adjective
  1. 1. natuurlijk, voor de hand liggend
  2. 2. betrekking hebbend op de logica
lógico
noun
consecuencia lógica
noun
puerta lógica
adjective
logística
noun
logopeda
/lɔk/
noun
1. haarlok, pluk haar
  1. bucle
  2. rizo
  3. mechón
/loˈkal/
adjective
1. plaatselijk, van beperkte omvang
local
/loˈkal/
noun
  1. cuarto
  2. cámara
  3. habitación
  4. localidad
  5. sitio
noun
1. stuk vlees of vis bedoeld om een dier mee te kunnen vangen.
  1. cebo
  2. carnada
  3. carnaza
  4. señuelo
noun
1. plaatsbepaling
localización
verb
2. de plaats vaststellen van
localizar
noun
1. een met glaswerk ed. beveiligd doorgeefluik
  1. taquilla
  2. ventanilla
noun
  1. carnada
  2. cebo
noun
adolescente de señuelo
noun
  1. cachondeo
  2. juerga
  3. parranda
noun
1. zeevis, behorende tot de dorsvissen
brosmio
pronoun
Lombardía
noun
lombardo
adjective
lombardo
adjective
lombardo
pronoun
idioma lombardo
adjective
zich op een onwellevende en onbehouwen manier gedragend
  1. grosero
  2. palurdo
noun
lumpenproletariado
noun
1. een onhandig persoon
  1. grosero
  2. mastuerzo
  3. palurdo
noun
  1. palurdo
  2. grosero
  3. mastuerzo
/ˈlɔndən/
pronoun
1 en 2
Londres
noun
1. orgaan waarin gaswisseling plaatsvindt tussen lucht en bloed ten behoeve van het metabolisme.
pulmón
/ˈlɔŋblaʃə/
noun
1. een blaasje in de longen waarin gasuitwisseling plaatsvindt
alvéolo
noun
embolia pulmonar
adjective
longitudinal
noun
cáncer de pulmón
noun
  1. pulmonaria
  2. salsa de Jerusalén
/'lɔŋɔntsteːkɪŋ/
noun
1. een ontsteking in de longen
  1. pulmonía
  2. neumonía
  3. inflamación de los pulmones
  4. pneumonía
noun
1. bloedvat dat vanuit de rechter hartkamer naar de longen gaat
arteria pulmonar
noun
enfermedad pulmonar
/ˌlɔnsdeˈlit/
noun
1. zeer harde vorm van diamant
lonsdaleíta
noun
1. koord voor ontsteking
mecha
/'lo.xənə(n)/
verb
1. iets tot een leugen verklaren
negar
noun
1. een scheikundig element met symbool Pb en atoomnummer 82
plomo
noun
acetato de plomo
noun
1. vakman die zich bezighoudt met de aanleg en het onderhoud van sanitair, verwarmingsinstallaties, waterleidingen en/of riolering
  1. fontanero
  2. plomero
noun
galena
adjective
gris plomizo
/lotlɛin/
noun
1. een lijn die een rechte hoek maakt met de raaklijn van de figuur waarop zij wordt neergelaten
perpendicular
noun
  1. minio
  2. plomo rojo
adjective
  1. 2. in een rechte hoek
    perpendicular
  2. 1. verticaal, in één lijn met het middelpunt van de aarde
    vertical
/loːts/
noun
  1. 1. gebouw voor opslag van goederen
    1. cobertizo
    2. tinglado
  2. 2. iemand die schepen als stuurman begeleidt bij het varen van en naar een haven
    1. práctico
    2. piloto
noun
anglesita
noun
saturnismo
adjective
sin plomo
noun
1. een witte verfstof met bestanddelen van lood
  1. albayalde
  2. cerusa
  3. blanco de plomo
/lo:f/
noun
follaje
noun
  1. 1. gebladerde boom
    planifolio
  2. 2. bladverliezend boom
    árbol caducifolio
adjective
verde hoja
pronoun
  1. Cenopegias
  2. fiesta de las Cabañuelas
  3. fiesta de los Tabernáculos
/loːx/
noun
een alkalische substantie
lejía
noun
álcali
verb
1. het bewerken van een dierenhuid ter vervaardiging van leer
  1. curtir
  2. adobar
noun
1. (beroep) een persoon die van de huid van dieren leer maakt
curtidor
adjective
van groot gewicht
pesado
noun
  1. tanino
  2. E181
  3. ácido tánico
noun
1. benaming voor planten uit het geslacht Allium
alióideas
/loːn/
noun
1. financiële vergoeding voor geleverde arbeid
  1. sueldo
  2. salario
noun
trabajo asalariado
noun
nómina
/loːp/
noun
voorste deel van een wapen
cañón
noun
1. reeks van maatschappelijke posities
carrera
/ˈlopχraf/
noun
1. een uitgegraven geul, diep en breed genoeg dat men er in kan lopen...
  1. trinchera
  2. zanja
noun
fiebre de las trincheras
noun
1.
guerra de trincheras
/ˈlopˌfoχɔɫ/, /ˈloːbˌvoːɣəl/, /ˈloːpˌfoːɣəl/
noun
  1. 2. vogel die niet kan vliegen
    ave corredora
  2. 1. loopvogel als taxonomische benaming
    ratite
/lot/
noun
  1. brote
  2. retoño
verb
  1. 1. stappen, gaan
    1. andar
    2. caminar
  2. 2. rennen
    correr
/ˈlopənt/
adjective
a pie
noun
  1. 4. schaakstuk dat zich slechts diagonaal verplaatsen mag
    1. alfil
    2. arfil
  2. 2. sleutel waarmee een hele serie verschillende sloten geopend kan worden
    1. llave maestra
    2. ganzúa
noun
  1. harapo
  2. trapo
noun
1.Dit geneesmiddel behoort tot de benzodiazepinen
  1. lorazepam
  2. lorazepán
noun
lord
noun
lordosis
noun
fuerza de Lorentz
pronoun
Los Ángeles
adjective
  1. crapuloso
  2. disoluto
  3. suelto
verb
plotseling woeden
desatar
noun
1. een onverantwoordelijk iemand
calavera
verb
soltarse
verb
aflojarse
noun
1. geld betaald voor iemands vrijlating
rescate
verb
2. losknopen van een touw of riem
  1. desabotonar
  2. desabotonarse
  3. desabrochar
  4. desabrocharse
verb
redimir
verb
1. ervoor zorgen dat iets of iemand los wordt
  1. soltar
  2. desabrochar
  3. desatar
  4. desprender
  5. desceñir
  6. deshacer
verb
1. het onbedoeld verbreken van de verbinding die tussen twee zaken of personen aanwezig was
  1. soltarse
  2. zafarse
/ˈlɔs.rʏ.kə(n)/
verb
1. met een ruk losmaken
arrancar
/ˈlɔsə(n)/
verb
3. ontladen, afladen
descargar
verb
saltar
adjective
desvinculado
noun
2. noodlot, wat het toeval iemand toebedenkt
  1. hado
  2. destino
noun
lotería
pronoun
Lorena
noun
destino
adjective
1. onguur, verdacht, met een slechte reputatie
  1. sospechoso
  2. turbio
verb
1. puur, enkel
mero
verb
1. #zuiveren van een stof
  1. acendrar
  2. acrisolar
  3. purificar
noun
purificación
verb
1. blijk geven van bewondering
  1. loar
  2. alabar
  3. elogiar
noun
1. het geheel van bladeren van een of meer bomen
follaje
/loˈjal/
adjective
  1. leal
  2. legal
verb
1.iets uitwerpen, kwijt zien te raken, gewoonlijk een vloeistof
verter
noun
  1. apio de montaña
  2. levístico
  3. ligústico
  4. zazalicpatli
pronoun
1. naam van een van Jezus' discipelen
Lucas
/lʏxt/
noun
  1. 1. mengsel van gassen waaruit de afmosfeer bestaat
    aire
  2. 3. geur
    olor
noun
1. een aanval vanuit de lucht op een grondpositie
asalto aéreo
noun
1.
defensa antiaérea
noun
  1. aeróstato
  2. balón
  3. globo
  4. globo aerostático
noun
hinchable
noun
1. lijkbezorging waarbij het lichaam van een dode een plaats boven de grond krijgt waar het door dieren wordt opgegeten
entierro celestial
noun
  1. burbuja
  2. burbuja de aire
  3. campanilla
  4. glóbulo de aire
adjective
hermético
noun
araña
noun
  1. filtro de aire
  2. elemento de filtro de aire
noun
fotografie vanuit de lucht
  1. fotografía aérea
  2. aerofotografía
adjective
  1. con enfriamiento por aire
  2. con refrigeración por aire
noun
1. een vliegveld voor verkeersvliegtuigen met accommodatie voor ontvangst en vertrek van passagiers
aeropuerto
adjective
  1. 1. met lucht doortrokken
    1. airoso
    2. fresco
  2. 2. zorgeloos
    1. ligero
    2. frívolo
noun
1. muziekinstrumenten die een toon voortbrengen door een trillende luchtkolom
aerófon
noun
  1. enfriamiento por aire
  2. refrigeración por aire
noun
1. een vaartuig dat zowel over water als over land op een luchtkussen voortzweeft.
  1. aerodeslizador
  2. hovercraft
/ˈlʏxmɑxt/, /ˈlʏχmɑχt/
noun
1. een krijgsmacht in de lucht die bestaant uit vliegtuigen, raketten, projectielen en personeel
  1. Aviación
  2. fuerza aérea
noun
guerra aérea
noun
tráquea
noun
bomba de aire
noun
  1. corriente
  2. corriente de aire
  3. soplo de aire
noun
1. verkeer in de lucht
  1. aviación
  2. aeronáutica
noun
1. een bedrijf dat vervoer door de lucht aanbiedt
  1. aerolínea
  2. línea aérea
noun
  1. ingeniería aeroespacial
  2. ingeniería aeronáutica
noun
1.
ambientador
noun
control del tráfico aéreo
noun
ventilación
noun
contaminación del aire
/ˈlʏχt.fres/
noun
aerofobia
noun
resistencia aerodinámica
adjective
mareado en avión
adjective
lúcido
noun
1. een stokje met een zwavelkopje, dienende om vuur te maken
  1. cerilla
  2. fósforo
/lœʏ/, /lœː/
adjective
1. werkschuw, niet houden van inspanning of werk
  1. vago
  2. perezoso
/lœʏ/, /lœː/
noun
1. groep mensen
gente
noun
2. benaming voor zoogdieren uit de onderorde Folivora
  1. perezoso
  2. perico ligero
/ˈlœʏ̯dən/, /ˈlœːdən/
verb
1. doen klinken, gewoonlijk van een bel
  1. sonar
  2. tañer
adjective
ruidoso
noun
  1. altavoz
  2. altoparlante
noun
pañal
/lœʏ̯k/, /lœːk/
pronoun
  1. 1. een provinciehoofdstad in België
  2. 2. een Belgische provincie
Lieja
noun
  1. haragán
  2. vago
pronoun
país de Cucaña
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera pardus
leopardo
/lœʏ̯s/, /lœːs/
noun
1. benaming voor verschillende meestal vleugelloze insecten die parasiteren op dieren en planten
piojo
noun
pompa
noun
1. iemand die luistert
oyente
/'lœstərə(n)/
verb
  1. 1. gericht waarnemen met het oor
    escuchar
  2. 2. een bevel opvolgen
    1. escuchar
    2. obedecer
noun
1. rang in het leger
teniente
noun
1. opperofficier bij de land- en luchtmacht
teniente general
/ˈlykɑs/
pronoun
Lucas
verb
1. tot een succes leiden
salir bien
adjective
luliano
noun
punción lumbar
noun
1. spit, lendenpijn
lumbago
noun
luminancia
noun
1.
luminiscencia
adjective
  1. con claridad
  2. fastuoso
  3. magnífico
adjective
lunar
/lɵnsʲ/
noun
1. een maaltijd rond of iets na het middaguur
  1. almuerzo
  2. lunch
  3. merienda
verb
1. de lunch gebruiken
almorzar
noun
1. en 2. (zaden van) geslacht Lupinus
  1. altramuz
  2. chocho
noun
1. tot meel vermalen zaden van de plant Lupinus
harina de altramuz
noun
1. woord of uitdrukking overgenomen uit het Portugees of gevormd naar Portugees voorbeeld
lusitanismo
/lʏst/
noun
  1. 3. plezier, genot
    1. avaricia
    2. codicia
    3. deseo
    4. gusto
    5. pasión
    6. talante
  2. 2. behoefte of verlangen iets te doen
    1. deseo
    2. gusto
    3. pasión
    4. talante
    5. voluntad
  3. 1. seksueel verlangen
    1. lujuria
    2. deseo
    3. voluptuosidad
adjective
zonder energie, fut om iets te ondernemen
  1. apático
  2. decaído
  3. desganado
  4. lánguido
  5. mortecino
adverb
con desgana
adjective
2. opgewekt
alegre
noun
asesinato sexual
verb
lustrar
noun
1. scheikundig element met symbool Lu en atoomnummer 71
lutecio
adjective
luterano
/ˈlywə(n)/
verb
1. minder hard gaan waaien, minder hevig worden
  1. amainar
  2. calmarse
  3. disminuir
/lyks/
noun
1. niet alledaagse dingen die gebruikt worden voor het persoonlijk genot
lujo
noun
bien suntuario
noun
hotel de lujo
/ˈlyksəmˌbʏrx/, /ˈlyksəmˌbʏrχ/
pronoun
1.-3.
Luxemburgo
/ˈlyksəmˌbʏrɣər/, /ˈlyksəmˌbʏrχər/
noun
1. een inwoner of iemand die afkomstig is van het Groothertogdom Luxemburg
Luxemburgués
/ˈlyksəmˌbʏrxs/, /ˈlyksəmˌbʏrχs/
adjective
1. betreffende Luxemburg of het Luxemburgs
luxemburgués
adjective
  1. lujoso
  2. fastuoso
pronoun
Luzón
pronoun
  1. Leópolis
  2. Lviv
noun
  1. escuela de enseñanza media
  2. liceo
noun
  1. E160d
  2. licopeno
noun
linfangitis
noun
linfa
noun
1. bepaald soort zoogdier, Lynx lynx
lince
noun
  1. lírica
  2. poesía lírica
adjective
lírico
noun
lisis
noun
lisina
noun
lisosoma
/mṇ/
possessivePronoun
1. van de eerste persoon enkelvoud
mi
/maːx/
noun
1. Orgaan
estómago
noun
1. het kanaal
aparato digestivo
noun
licor amargo
pronoun
  1. 3. de moeder van Jesus
    1. Virgen
    2. Madre de Dios
    1. 2. teken van de dierenriem waar de zon in staat van ca. 23 augustus tot ca. 23 september
    2. 1. sterrenbeeld van de dierenriem
    Virgo
/maːxt/, /maːçt/
noun
1. ongerepte jonge vrouw
  1. virgen
  2. doncella
adjective
  1. virgen
  2. virginal
noun
1. eigenschap dat je niet eerder geslachtsverkeer hebt gehad
virginidad
pronoun
Magdeburgo
/ˈmaɣdəˌvlis/, /ˈmaʝdəˌvlis/
noun
vlies
himen
noun
  1. cáncer de estómago
  2. cáncer gástrico
noun
1. een pijnlijk gevoel in de maagstreek
dolor de estómago
/maxsɑp/
noun
1.maagsap
jugo gástrico
noun
ácido gástrico
noun
1. een getrokken machine verder ontwikkeld tot een zelfrijdende landbouwmachine, die gebruikt wordt ...
cosechadora
/ˈmaɪ̯ə(n)/
verb
1. met een werktuig het bovengrondse deel ergens van verwijderen
segar
noun
segador
noun
sembrado
/'majvɛlt/
noun
1. het grondoppervlak, waarvan de hoogte vaak opgegeven wordt ten opzichte van...
  1. nivel del suelo
  2. rasante
/ma:l/
verb
1 1. telkens terugkerend tijdstip waarop iets gebeurt
vez
/ˈmaɫtekə(n)/
noun
1. het symbool × of · of * om een vermenigvuldiging aan te duiden
signo de multiplicación
noun
1. een hoeveelheid toebereid voedsel die voldoende is geruime tijd de lichamelijke behoefte te bevredigen
comida
noun
  1. potaje
  2. potaje de comida
/maːn/
noun
  1. luna
  2. satélite
/maːnt/
noun
1. elk van de twaalf met een eigen naam onderscheiden tijdvakken van 28, 30 of 21 dagen waarin een jaar verdeeld wordt
mes
/ˈmaːndɑx/
noun
1. een dag van de week, de eerste dag na het weekeinde
lunes
/ˈman.də.ləks/, /ˈmaːn.də.lɪks/
adjective
1. iedere maand een keer
mensual
/ˈman.də.ləks/, /ˈmaːn.də.lɪks/
adverb
1. iedere maand een keer
mensualmente
/ˈmaneˌklɪps/
noun
1. het verschijnsel dat de maan in de schaduw van de aarde komt te staan, waardoor deze verduisterd raakt
eclipse lunar
/ˈman.jar/
noun
año lunar
noun
módulo lunar
noun
alunizaje
noun
1. het zonlicht dat van de maan naar de aarde reflecteert
luz lunar
noun
creciente
/ˈmansvərˌdœʏ̯stərɪŋ/, /ˈmansvərˌdœːstərɪŋ/
noun
1. het verschijnsel dat de maan verduisterd raakt doordat ze in de schaduw...
eclipse lunar
noun
semillas de adormidera
adjective
  1. lunático
  2. alunado
/maːr/
conjunction
1. tegenwerping, introduceert een zin(sdeel) dat het voorgaande zin(sdeel) tegenspreekt of er mee contrasteert
  1. pero
  2. mas
noun
mariscal
/maːrt/
noun
1. derde maand van het jaar
marzo
pronoun
Revolución alemana de 1848-1849
/mas/
pronoun
1. een rivier die onspringt in Frankrijk en door België en Nederland stroomt
Mosa
/mas/
noun
1. een van de geknoopte ringen waaruit een net bestaat
  1. malla
  2. nudo corredizo
noun
maasdammer
noun
2.
tracería
/maːt/
noun
  1. 1. makker
    compañero
  2. 6. (muziek) manier om een muziekstuk ritmisch in te delen
    compás
  3. 3. eenheid van lengte enz.
    medida
  4. 5. grootte van kledingstuk/schoen
    talla
noun
1. een glas met maatverdelingen
  1. vaso medidor
  2. jarra medidora
  3. taza de medir
  4. taza para medir
noun
3. inhoudsmaat van 0,1 liter
decilitro
noun
1. een glazen kolf met een geijkte maatstreep voor het nauwkeurig bepalen van een volume vloeistof
matraz aforado
noun
  1. cuchara de medida
  2. cuchara de medir
  3. cuchara medidora
  4. cuchara para medir
noun
1. iets dat wordt beslist om een doel te treffen
medida
/matsxɑpələk/
adjective
1. op de maatschappij betrekking hebbend
social
noun
  1. 1. vereniging tot het drijven van handel
    compañía
  2. 2. de wereld, omgang en verkeer der mensen
    sociedad
noun
eenheid, grootheid, standaardnorm of criterium waaraan iets anders (bijv. een andere grootheid) wordt afgemeten
  1. criterio
  2. estándar
noun
3. dirigeerstok
batuta
adjective
macabro
noun
macadán
noun
2. gerecht op basis van gebogen pijpjes van deeg
  1. macarrones
  2. macarrón
pronoun
1. een stad op een eiland aan de zuidkust van China, ten westen van Hong Kong
  1. Macau
  2. Macao
noun
pataca de Macao
pronoun
1. Slavische taal die vooral wordt gesproken in de Noord-Macedonië
  1. makedonska
  2. macedonio
noun
denar macedonio
/ˌmasəˈdoni.jə/, /ˌmasəˈdoːni.jə/
pronoun
  1. 3. land
  2. 1. historisch Grieks koninkrijk
  3. 2. regio in Griekenland
Macedonia
verb
macerar
noun
número Mach
noun
1. staatsleer waarin het belang van de staat alle middelen, zelfs bedrog of geweld, kan rechtvaardigen
maquiavelismo
noun
maquiavélico
adjective
maquiavélico
noun
1. oneerlijke, geheime manier van handelen
  1. maquinación
  2. maraña
/mɑˈʃinə/
noun
máquina
noun
1. geweer waarmee kort na elkaar meerdere schoten kunnen worden afgevuurd, ...
ametralladora
noun
1. een ruimte voor machines
sala de máquinas
noun
1. licht machinegeweer
  1. metralleta
  2. subfusil
/mɑˈʃinəˈri/
noun
1. geheel van machines
maquinaria
noun
maquinista
adjective
machista
noun
1. het vermogen om elders de eigen wil op te leggen
  1. poder
  2. poderío
  3. potencia
noun
1. een persoon met gezag
gobernante
/ˈmɑxtəx/, /ˈmɑxtɪx/, /ˈmɑχtəχ/
adjective
1. meer invloed hebben dan anderen
  1. poderoso
  2. potente
verb
1. aan iemand anders het recht overdragen in je naam te handelen
  1. autorizar
  2. apoderar
noun
apoderamiento
noun
eje radical
noun
1.het gebruiken van macht voor doeleinden waarvoor het niet bedoeld is
abuso del poder
noun
1. gevecht om de macht
batalla de fuerza
verb
potenciar
noun
macroeconomía
noun
macrófago
noun
het fotograferen van voorwerpen op korte afstand door middel van een macro-objectief
macrofotografía
noun
macromolécula
noun
macromolécula
noun
macrón
noun
maculatura
/ma.da.'ɣɑs.kɑr/, /ˌma.dɑ.'χɑs.kɑr/
pronoun
2. staat op het bovengenoemde eiland, de Republiek Madagaskar
Madagascar
noun
1. Pootloze larve
  1. gusano
  2. larva
noun
1. Bellis perennis
  1. margarita
  2. pascueta
  3. vellorita
noun
1. wijn van het eiland Madeira die door een verhoogd alcoholgehalte en lange rijping bij hoge temperaturen lang houdbaar is
madeira
pronoun
Madrid
noun
madrigal
adjective
madrileño
/mɑf/
adjective
1. vreemd, onverwacht, ongebruikelijk, raar
  1. chiflado
  2. disparatado
noun
1. criminele organisatie, oorspronkelijk van Sicilië
mafia
/ˈmafis/
adjective
1. arm aan silica of silicahoudende mineralen
máfico
noun
  1. 2. winkel met groot assortiment
    almacén
  2. 1. opslagplaats
    depósito
/ˈmɛ.ɡə.zin/
noun
revista
/ˈma.ɣər/, /ˈma.χər/
adjective
1.
  1. flaco
  2. magro
  3. delgado
  4. enjuto
pronoun
1. verpersoonlijking van de dood
Parca
noun
1. magerzucht, eetstoornis
anorexia
noun
magi
noun
  1. apio de montaña
  2. levístico
  3. ligústico
  4. zazalicpatli
noun
  1. apio de montaña
  2. apio de monte
  3. levístico
  4. ligústico
  5. zazalicpatli
noun
1. toverkunst; kracht waar een tovenaar over beschikt om dingen te verwezenlijken die een bovennatuurlijke indruk maken
magia
pronoun
maguindanao
adjective
1.met een bijzondere, bovennatuurlijke betekenis
mágico
adjective
1. van zeer goede kwaliteit
magistral
noun
1. een persoon die rechtspreekt
  1. magistrado
  2. magistrada
noun
mago
noun
1. gemagnetiseerd metaal
  1. imán
  2. magnete
noun
cinta magnética
noun
  1. interruptor de lengüeta
  2. reed switch
noun
  1. banda magnética
  2. cinta magnética
  3. franja magnética
  4. pista magnética
  5. tira magnética
noun
campo magnético
noun
electroválvula
noun
1. Chemisch element
magnesio
noun
  1. E504
  2. E504i
  3. carbonato de magnesio
  4. carbonatos de magnesio
  5. magnesita
noun
1.het magnesiumzout van stearinezuur
estearato de magnesio
adjective
1. verschijnselen vertonend die toegeschreven kunnen worden aan een kringstroom...
magnético
noun
campo magnético
adjective
magnético
noun
flujo magnético
noun
densidad de flujo magnético
noun
inducción magnética
verb
  1. magnetizar
  2. imanar
  3. imantar
noun
magnetismo
adjective
magnetoeléctrico
/ˈmɑɣ.nə.trɔn/, /ˈmɑχ.nə.trɔn/
noun
1. een toestel waarin met zeer korte en gerichte golven voedsel in zeer korte tijd warm kan worden gemaakt
  1. microondas
  2. horno microondas
adjective
  1. bellísimo
  2. fastuoso
  3. magnífico
  4. soberbio
noun
1. boom met tulpachtige bloemen
magnolia
noun
  1. maharaja
  2. maharajah
  3. maharajá
  4. marajá
noun
1. een houtsoort
caoba
adjective
caoba
/mɑjs/
noun
1. een graansoort afkomstig uit Midden-Amerika
maíz
adjective
amarillo maiz
noun
aceite de maíz
noun
1. een etagewoning met eigen toegang waarbij woon- en slaapverdieping boven elkaar liggen
dúplex
noun
1. en 2. verbinding van glucose en koolhydraten of bindmiddel dat uit maiskorrels wordt gewonnen
almidón de maíz
noun
1.
majestad
noun
lesa majestad
noun
mayólica
noun
mayorazgo
noun
1.
mayoridad
adjective
1. gedwee, tam, niet wild
  1. dócil
  2. manso
  3. domesticado
noun
1. schoonheidsproducten
maquillaje
noun
1. de tussenpersoon in de handel
  1. corredor
  2. comisionista
/ˌmakəˈlɛɪ̯/, /ˌmakəˈlɛː/
noun
hechura
/ˈmaːkən/
verb
1. in elkaar zetten
hacer
noun
1. iemand die iets maakt of gemaakt heeft
  1. autor
  2. constructor
  3. creador
pronoun
Makira
adjective
1. niet moeilijk, waar weinig moeite en inspanning voor vereist is
fácil
/mɑkər/
noun
1. iemand aan wie men door persoonlijke voorkeur verbonden is
compañero
noun
1. bepaalde soort zeevis, Scomber scomber
  1. caballa
  2. escombro
/mɑl/
adjective
1. blijk gevend van gebrek aan gezond verstand
  1. necio
  2. tonto
  3. bobo
pronoun
Malabar
noun
1. gebrekkige opname van voedingsstoffen
malabsorción
adjective
verde malaquita
adjective
te kwader trouw
mala fide
noun
málaga
adjective
malgache
noun
ariary malgache
pronoun
Malaita
pronoun
Malaca
noun
malapropismo
noun
1. infectieziekte die veroorzaakt wordt door eencellige parasieten van het geslacht Plasmodium
  1. malaria
  2. paludismo
/ma.'la.wi/, /ma.'la.ʋi/, /ma.'la.β̞i/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel de Republiek Zambia, dat niet aan de zee grenst
  1. Malaui
  2. Malawi
adjective
malawiano
noun
kwacha malawiano
/mɑl.ˈdi.və(n)/, /mɑɫ.ˈdi.və(n)/
pronoun
1. land in de Indische Oceaan
Maldivas
adjective
maldivo
noun
rufiyaa maldiva
pronoun
Malaquías
noun
malayo
/mɑ.ˈlɛɪs/
pronoun
1. een Austronesische taal en de officiële taal van Maleisië, Brunei en Singapore die ook in delen van...
malayo
/maˈlɛ:zis/, /maˈlɛɪ̯zis/, /maˈlɛɪ̯zɪs/
adjective
  1. malasio
  2. malayo
noun
ringgit malayo
/maˈlɛ:zi.jə/, /maˈlɛɪ̯zi.jə/
pronoun
1. een land in het zuidoosten van Azië dat bestaat uit twee afzonderlijke delen die gescheiden worden door de Zuid-Chinese Zee
Malasia
/malə(n)/
verb
1. tussen twee harde voorwerpen fijnwrijven
moler
/'ma.li/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Mali
Malí
adjective
1. met slechte bedoelingen
malicioso
noun
1.
cota de malla
adjective
1. zacht en sappig
  1. tierno
  2. suave
/ˈmɑlta/, /ˈmɑɫta/
pronoun
  1. 1. eiland in de Middellandse Zee
  2. 2. land in de Middellandse Zee
Malta
/mɑlˈteːs/, /mɑɫˈtes/
pronoun
1. Semitische taal die wordt gesproken door 570 duizend mensen op Malta
maltés
noun
maltosa
noun
malva
noun
1. benaming voor planten uit het geslacht Malva
  1. alboeza
  2. malva
/ˌmɑl.vɛr.ˈza.si/, /ˌmɑɫ.vər.ˈza.si/, /ˌmɑɫ.vər.ˈza.tsi/
noun
malversación
noun
malvasía
/mɑm/
pronoun
1. Mayataal die wordt gesproken door 500 duizend mensen in Guatemala
mam
/ˈmɑmaː/
noun
1.
mamá
adjective
mamilar
noun
1. benaming voor zoogdieren uit het geslacht Mammuthus
mamut
noun
1. het afbeelden van de borstklier door middel van röntgenstraling
mamografía
noun
mamografía
noun
  1. 3. een mens
    hombre
  2. 1. persoon van het mannelijk geslacht
    1. hombre
    2. varón
  3. 2. een echtgenoot, een getrouwde man
    marido
noun
  1. 2. de activiteit van het besturen van een organisatie
    administración
  2. 1. de leiding van een organisatie, de verzameling managers
    gestión
noun
1. een adviseur van het management in het bedrijfsleven, bij de overheid en in andere organisaties in zaken beleidsmatige en organisatorische vraagstukken
consejero de consultoría
noun
1. een persoon die de leiding heeft over een afdeling binnen een organisatie
  1. director
  2. gerente
  3. mánager
  4. administrador
  5. directivo
  6. ejecutivo
pronoun
Manaos
adjective
  1. corderoy
  2. corduroy
  3. pana
noun
1. een dubbele of stevige stof aan rond de opening van de mouw of hals
  1. puño
  2. manguito
noun
1. een sierknoop die de manchet aan de mouw van een overhemd sluit
  1. gemelo
  2. mancuerna
noun
1. een bak gemaakt van gevlochten rotan of tenen voorzien van een handvat
  1. cesta
  2. cesto
noun
  1. mandato
  2. autorización
noun
1. Een citrusvrucht
  1. mandarina
  2. tangerina
  3. clementina
noun
1. schil van Citrus reticulata, Citrus reticulata var. 'mandarine' of Citrus × tangerina
piel de mandarina
noun
1. situatie waarbij een onroerend goed bestemd is tot gemeenschappelijk gebruik van aanpalende erven
medianería
adjective
mandibular
noun
1. een klein, luitvormig tokkelinstrument met vier paar snaren waarop met een plectrum getokkeld wordt
mandolina
noun
1. Chrysocyon brachyurus, Zuid-Amerikaanse wilde hondachtige, meer verwant met de vos dan met de wolf
  1. aguará guazú
  2. lobo de crin
  3. aguará
/manəsxɛɪn/
noun
1. Het door de maan weerkaatste licht dat op de aarde schijnt, maanlicht
  1. luz de luna
  2. luz lunar
/ˈmɑŋɣa/
noun
1. Japans stripboek
manga
noun
1. Chemisch element
manganeso
noun
  1. dióxido de manganeso
  2. peróxido de manganeso
/mɑn.ˈχan.pɛr.ɔk.si.ˌda.zə/
noun
1. een enzym dat met behulp van mangaanionen andere stoffen kan oxideren
manganeso peroxidasa
/'mɑnɣɑt/
noun
1.
orificio de acceso
/ˈmɑŋələ(n)/
verb
  1. 3. door de mangel halen, met een mangel glad maken
    calandrar
  2. 1. ontbreken, tekortschieten
    faltar
  3. 2. ruilen, aan ruilhandel doen
    trocar
noun
remolacha
noun
1. soort oranje-groene sappige tropische vrucht
mango
noun
1. onderfamilie van de civetkatten, zeer snelle en behendige roofdiertjes...
mangosta
noun
manglar
noun
obseso
adjective
maniático
/ mɑˈniːr/
noun
  1. manera
  2. modo
noun
manifestante
noun
  1. 1.
    manifestación
  2. 2. openbare gebeurtenis
    1. manifestación
    2. demostración
    3. manifestación pública
verb
  1. algemeen bekend maken, aan iedereen laten blijken
    manifestar
  2. 3. waarneembaar worden
    manifestarse
noun
1. en 2. (wortel van) de plant Manihot esculenta
  1. mandioca
  2. yuca
noun
manipulación
adjective
manipulador
noun
manipulador
verb
manipular
noun
manierismo
noun
defecto
noun
1. hemels voedsel
maná
adjective
    1. 2. behorend tot het mannelijke woordgeslacht
    2. 1. tot geslacht behorend dat voor bevruchting zorgt
    1. masculino
    2. masculina
  1. 3. gedrag
    varonil
noun
  1. hombría
  2. masculinidad
  3. virilidad
noun
1. iemand die nieuwe kledingontwerpen dragend deze aan een publiek vertoont
  1. maniquí
  2. modelo
noun
hombrecillo
noun
  1. salep
  2. satirión manchado
pronoun
1.
Mannheim
noun
maniobra
verb
maniobrar
noun
manómetro
noun
  1. buharda
  2. buhardilla
noun
  1. asarabacara
  2. hierba tabernera
  3. oreja de fraile
  4. oreja de hombre
  5. yerba tabernera
noun
  1. hombre
  2. macho
  3. varón
noun
1. omhullend kledingstuk
  1. manto
  2. capa
  3. abrigo
noun
clavellina prolífera
noun
mantisa
pronoun
Manus
noun
manuscrito
pronoun
1. een Keltische taal die (als tweede taal) wordt gesproken op het eiland Man
manés
noun
1. deze stof blokkeert de werking van monoamino-oxidase
IMAO-remmer
pronoun
1. taal die door de Maori's wordt gesproken
maorí
noun
1. variant van het communisme zoals uitgedragen en toegepast in China gedurende het derde kwart van de 20e eeuw
maoísmo
/mɑp/
noun
  1. 2. een gebundelde verzameling gegevens
    carpeta
  2. 3. deel van het bestandssysteem
    1. carpeta
    2. directorio
noun
marabú
noun
1. een bitterzoete, heldere likeur gemaakt op basis van de marascakers, een variëteit van de zure kers.
marrasquino
noun
  1. licor marrasquino
  2. marrasquino
pronoun
1. taal die met name in Maharashtra, een staat in India gesproken wordt, onder andere in Mumbai (Bombay)
marathi
noun
maratón
noun
marburgo
verb
marchar
noun
radiotelegrafista
pronoun
2. boek in de Bijbel
Marcos
noun
1. grafische registratie van de waterhoogte opgetekend door een maregraaf
mareógrama
noun
1. Viscum album
  1. muérdago
  2. liga
noun
margarina
noun
margarita
noun
1.
margen
/mɑrɣiˈnal/
adjective
1. aan de rand of de rand betreffend
marginal
pronoun
María
noun
1. het hoogfeest ter gedachtenis van de aankondiging (annunciatie) van de geboorte van Jezus aan Maria
Anunciación
noun
Asunción de María
noun
  1. Candelaria
  2. Purificación
noun
  1. Asunción de María
  2. Tránsito de María
pronoun
islas Marianas
pronoun
2. spelwoord voor de letter m
México
adjective
marino
noun
  1. cáñamo
  2. cáñamo indio
  3. marijuana
/mɑˈrɪmba/
noun
1. een zeer grote houten xylofoon uit Guatemala met onder elke toets een resonator van houtsnijwerk
marimba
noun
  1. marinada
  2. adobo
/maːˈrinə/
noun
1. zeemacht
  1. marina
  2. armada
adjective
1. donkerblauw
azul marino
verb
  1. adobar
  2. aliñar
  3. dejar en adobo
  4. enmarinar
  5. escabechar
  6. marinar
adjective
marital
noun
2. kruid
  1. mejorana
  2. almoradux
/mɑr.ˈkeːr.stɪft/
noun
1. een viltstift waarmee met stukken tekst doet opvallen
resaltador
/mɑr.kɪː.rə(n)/
verb
1. het afbakenen van een grens
  1. marcar
  2. acotar
noun
mercadotecnia
noun
mezcla de mercadotecnia
noun
adellijke titel, lager dan een hertog maar hoger dan een graaf
marqués
verb
cadena de Márkov
noun
warenverkoop op pleinen en straten
mercado
noun
  1. adoración del mercado
  2. veneración del mercado
noun
cuota de mercado
/'mɑrk.dɑx/
noun
1. dag waarop markt gehouden wordt
día de mercado
noun
economía de mercado
noun
fallo de mercado
noun
  1. puesto
  2. puesto de mercado
noun
investigación de mercados
noun
  1. bazar
  2. mercado
noun
plaza del mercado
noun
segmento del mercado
noun
socialismo de mercado
pronoun
2. boek in de Bijbel
Marcos
pronoun
Marl
noun
  1. 2. sterk touw
    1. cabo delgado
    2. merlín
  2. 1. een straalvinnige vis
    marlín
noun
1. broodbeleg van fijngekookt fruit
mermelada
/mɑremər/
noun
1. een fijnkorrelige getransformeerde kalksteen dat gepolijst gebruikt wordt in de bouw- en de beeldhouwkunst
mármol
verb
  1. jaspear
  2. marmolar
  3. vetear
noun
1. knaagdier dat vooral in het hooggebergte leeft maar ook veel als huisdier wordt gehouden
marmota
noun
dírham marroquí
/ma.ˈrɔ.ko/
pronoun
1. land in het uiterste noordwesten van Afrika
Marruecos
pronoun
Marte
noun
1. een Italiaanse versterkte wijn die gemaakt wordt in de omgeving van Marsala op het westelijk deel van Sicilië
  1. Marsala
  2. vino de Marsala
noun
1.
mazapán
/mɑr.ʃəl.ɛɪ̯.lɑn.də(n)/, /mɑr.ʃəl.ɛː.lɑn.də(n)/, /mɑr.ʃəɫ.ɛɪ̯.lɑn.də(n)/
pronoun
1. een land in Oceanië
Islas Marshall
noun
1. iemand die voor een zaak lijdt of sterft en daarmee tot symbool wordt gezien van de strijd voor die zaak
mártir
noun
1. het martelaar-zijn
martirio
verb
1. een gevangene onderwerpen aan lichamelijke en/of geestelijke pijniging, voornamelijk teneinde informatie los te krijgen
torturar
noun
1. opzettelijk toegebrachte pijniging van een gevangene
tortura
noun
1. benaming voor zoogdieren uit het geslacht Martes
marta
noun
1. traditioneel en stelselmatig beoefende stijl van vechten
arte marcial
pronoun
Martinica
pronoun
2. spelwoord voor de letter m
México
noun
1. de socialistische ideologie van de volgelingen van Karl Marx
marxismo
noun
1.aanhanger van het marxisme
marxista
noun
1. schoonheidsmiddel
rímel
noun
mascarón
noun
masculino
noun
1.
  1. máscara
  2. careta
verb
  1. encubrir
  2. enmascarar
  3. ocultar
  4. tapar
noun
1.
masoquismo
noun
masoquista
/ˈmɑsaː/
noun
  1. 2. grote hoeveelheid
    1. acervo
    2. cúmulo
    3. montón
    4. pila
  2. 1. totale hoeveelheid materie in een object
    masa
  3. 3. menigte
    multitud
noun
unidad de masa
noun
1. massaal uitsterven van levensvormen
extinción masiva
adjective
1. op grote schaal, in groten getale
masivo
noun
  1. masacre
  2. matanza
  3. baño de sangre
noun
histeria colectiva
noun
1. moord op een groot aantal personen
  1. asesinato masivo
  2. asesinato en masa
  3. masacre
noun
asesino masivo
verb
1. het toepassen van uitwendige druk op de zachte weefsels
masajear
noun
masajista
noun
masajista
verb
masificar
noun
  1. 3. lange paal voor vlaggen
    asta
  2. 1. lange, rechtop staande paal midden op het schip
    1. mástil
    2. palo
    3. árbol
noun
mastectomía
noun
4. stopverf
masilla
noun
  1. almácigo
  2. charneca
  3. lentisco
  4. mata
  5. árbol de la almáciga
noun
1. het stimuleren van de eigen geslachtsdelen
masturbación
verb
masturbar
noun
ballestrinque
noun
  1. partido
  2. competición
  3. concurso
noun
2-3
mate
noun
1. een tastbare stof
material
noun
ciencia de materiales
verb
materializar
noun
materialismo
adjective
materialista
noun
materia
adjective
material
adjective
maternal
noun
maternalismo
noun
maternidad
/maθe'mat/
noun
matemático
noun
matemático
adjective
matemático
adjective
1. in geringere mate dan mogelijk of gewenst
  1. moderado
  2. sobrio
verb
1. minder uitbundig of extreem optreden
  1. moderar
  2. atemperar
  3. atenuar
  4. templar
  5. tranquilizar
noun
matinée
adjective
1. geneigd om vroeg op te staan
madrugador
noun
2. kapsel waarbij de de zijkanten van het haar meestal opgeschoren of kort zijn, maar de achterkant lang
  1. farru
  2. mullet
/mɑtrɑs/
noun
1. lichaamsondersteunend onderdeel van een bed
colchón
noun
matriarcado
noun
1. vorm die dient om meerdere gelijke producten te maken
matriz
adjective
matrilineal
noun
matrioska
noun
1. een zeeman van de laagste rang
marinero
pronoun
Mateo
noun
  1. yerba mate
  2. hierba mate
  3. mate
pronoun
Maui
noun
ouguiya mauritana
/ˌmaʊ̯.ri.ˈta.ni.jə/, /ˌmɔʊ̯.ri.ˈta.ni.jə/, /ˌmʌʊ̯.ri.ˈta.ni.jə/
pronoun
1. een land in Noord-Afrika, officieel de Islamitische Republiek Mauritanië
Mauritania
noun
rupia de Mauricio
/maʊ̯.'ri.si.jəs/, /mɔʊ̯.'ri.si.jəs/, /mʌʊ̯.'ri.tsi.jəs/
pronoun
1. een land in de Indische Oceaan, officieel de Republiek Mauritius
Mauricio
noun
Mauritia flexuosa
moriche
adjective
1. zacht paars
malva
adjective
1. het grootst mogelijk
máximo
adverb
1. ten hoogste
por lo más
verb
maximizar
abbreviation
1. grootst mogelijke hoeveelheid
máximo
noun
1. de hoogst toegestane snelheid voor voertuigen op een openbare weg
velocidad máxima
noun
temperatura máxima
noun
maxwell
noun
Mayangna
/ˌmajoˈnɛːzə/
noun
1. een saus op basis van eieren
mayonesa
pronoun
  1. Mayotte
  2. Mahoré
noun
1. kinderziekte die veroorzaakt wordt door het Morbillivirus en gekenmerkt wordt door rode stipjes op de huid
sarampión
noun
1. een vrouw die een relatie heeft met een getrouwde man
querida
/ˈmaʲɪs/, /ˈmɛɪ̯s/
noun
1. bepaalde graansoort afkomstig uit Midden-Amerika, Zea mays
maíz
/ˈmaʲɪsbrot/
noun
1. van maismeel vervaardigd brood
  1. borona
  2. pan de maíz
/ˈmaʲɪsɣel/
adjective
amarillo maíz
/ˈmaʲɪsˌoli/
noun
aceite de maiz
noun
escuela profesional
noun
mecánico
noun
1. iemand die kunstenaars en wetenschappers financieel ondersteunt
mecenas
noun
mecánica
noun
mecánica
noun
mecanización
adjective
1. met betrekking op de mechanica, machinaal, automatisch zonder na te denken
mecánico
verb
mecanizar
noun
  1. 3. filosofische doctrine
    mecanicismo
  2. 1. machinerie
    1. mecanismo
    2. dispositivo
noun
mecatrónica
noun
1. metalen schijf, in het bijzonder als onderscheidingsteken na bepaalde prestaties
  1. medalla
  2. condecoración
adverb
1. ook
también
noun
  1. 1. licht alcoholische drank vervaardigd van honing
    aguamiel
  2. 2. een plant waarvan de wortel...
    rubia
verb
  1. ir a buscar a
  2. llevar
/medə'delzam/
adjective
1. bereid informatie te delen
comunicativo
/ˈmedəˌdelən/
verb
  1. 2. doen vernemen
    1. comunicar
    2. informar
  2. 1. deelnemen, deel hebben
    participar
noun
1. informatie die bekend wordt gemaakt
comunicación
verb
1. samen met anderen naar iets dingen
  1. competir
  2. concursar
  3. rivalizar
noun
competición
noun
derecho de la competencia
/ˈme.dəˌklɪŋ.kər/
noun
1. een klank waarbij de lucht niet ongehinderd door de mond naar buiten kan
consonante
noun
1. verdriet over het leed van anderen
  1. piedad
  2. compasión
noun
1. behulpzaam persoon bij een misdrijf
cómplice
noun
1. het mede schuld hebben aan een misdrijf
complicidad
noun
1. iemand die met anderen in hetzelfde bedrijf, organisatie of vestiging werkt
colaborador
noun
colaboración
noun
  1. medios
  2. recursos
noun
mediación
noun
1. het voorschrijven van geneesmiddelen
medicación
noun
1. een chemische stof die een bepaalde, gewenste werking op het (dierlijk of menselijk) lichaam uitoefent
  1. medicamento
  2. medicina
  3. fármaco
adjective
1. geneeskrachtig
medicinal
noun
  1. doctor
  2. médico
/mə'dina/, /mədi'na/
noun
1. oudste gedeelte van Noord-Afrikaanse steden
medina
adjective
1. op de geneeskunde betrekking hebbend
médico
noun
1. spirituele bezigheid
meditación
verb
meditar
adjective
mediterráneo
adjective
mediterráneo
/ˈmedijʏm/
adjective
  1. medio
  2. medio hecho
adjective
medular
/meː/
noun
1. licht alcoholische drank vervaardigd van honing
aguamiel
noun
1. puistje
  1. comedón
  2. espinilla
verb
1. iets/iemand ~ iets/iemand met zich mee vervoeren
traer
/ˈmedelə(n)/
verb
1. een feit vertellen
  1. comunicar
  2. notificar
/ˈmedɛŋkə(n)/
verb
1. participeren in een denkproces
pensar
verb
  1. competir
  2. rivalizar
adjective
despiadado
/ˈmeɣəˌrekənt/
adjective
  1. computado
  2. incluido en cuenta
verb
1. anderen helpen iets te doen
  1. coadyuvar
  2. colaborar
noun
1. elektronica
realimentación positiva
noun
1. Rubia tinctorum
rubia roja
/mel/, /meɫ/, /mɪːɫ/
noun
1. gemalen graan
harina
noun
1. dunne, oppervlakkige schimmelaantasting van planten waarbij op diverse plantendelen...
mildiu
noun
estambre
/ˈme.ma.kə(n)/
verb
1. getuige zijn van een gebeurtenis
presenciar
/meːnt/
noun
bien comunal
/meːr/
noun
1. groot water dat helemaal omringd is door land
lago
noun
  1. 1. een groep die binnen een groter geheel in aantal meer dan de helft uitmaakt
    1. mayoría
    2. mayoridad
  2. 2. superioriteit
    superioridad
noun
  1. escrutinio uninominal mayoritario
  2. mayoría relativa
  3. sistema de pluralidad
  4. sufragio directo
adjective
1. de leeftijd bereikt hebbend dat men alle rechten en plichten van een volwassene heeft
  1. mayor de edad
  2. adulto
noun
1. één van een aantal Afrikaanse apensoorten uit de Cercopithecus-familie
cercopiteco
noun
prueba de opción múltiple
noun
pregunta de opción múltiple
noun
1. bepaald soort watervogel, Fulica atra
  1. focha común
  2. focha
noun
  1. gemelo
  2. gemelos
  3. mellizo
noun
1. meerpaal
  1. bolardo
  2. noray
noun
1. een gehydrateerd magnesium-silicaat met de chemische formule Mg₄Si₆O15·6(H₂O), een fylosilicaat dat behoort tot de mica's.
sepiolita
noun
1. de staat van meerdere talen te kunnen spreken
plurilingüismo
noun
1. Woord dat in die vorm aan meerdere voorwerpen, mensen of dieren refereert
plural
adjective
numeroso
adjective
2. het beschikken over meerdere waarden
plurivalente
noun
1. benaming voor kleine weinig schuwe vogels uit de familie Paridae
  1. carbonero
  2. herrerillo
adjective
1. van iets dat het de aandacht trekt; van iets dat men er zich bij betrokken voelt
acarreando
/meːst/
indefiniteCardinalNumeral
2. het meest / meest
más
adverb
1. in het merendeel van de gevallen
casi siempre
indefiniteCardinalNumeral
1. de grootste hoeveelheid, het hoogste aantal
mayoría
indefiniteCardinalNumeral
1. het grootste aantal personen
mayoría
noun
  1. 1. baas, heer, patroon
    1. amo
    2. dueño
    3. patrón
    4. jefe
  2. 4. iemand die het doctoraal examen in de rechtsgeleerdheid heeft afgelegd
    doctor en derecho
    1. 5. iemand die door het maken van een proefstuk...
    2. 7. meerdere in een sadomasochistische relatie
    maestro
  3. 3. schoolmeester
    1. maestro
    2. maestro de escuela
  4. 2. virtuoos
    1. maestro
    2. virtuoso
noun
dueña
noun
maestría
noun
obra maestra
noun
  1. imperatoria
  2. imperatoria romana
  3. pencedano
noun
1. een grensstreep, een eindstreep
  1. línea de llegada
  2. línea final
noun
aparatos de medición
noun
1. eenheid die gebruikt wordt om meetresultaten in uit te drukken
unidad de medida
noun
aparato de medición
/ˈmetɪnstryˌmɛnt/
noun
1. een instrument waarmee grootheden gemeten kunnen worden
instrumento de medición
noun
1. meetklok
  1. comparador de cuadrante
  2. reloj comparador
/'metkɵndə/
noun
1. tak van de wiskunde
geometría
noun
media geométrica
/ˈmetlɑt/
noun
1. een langwerpig voorwerp waarmee maten opgenomen worden
regla
noun
técnica de medición
/meːβ̞/, /mɪːβ̞/
noun
1. benaming voor zeevogels uit de familie Laridae
gaviota
/'mevɑlə(n)/
verb
1.
salir mejor de lo esperado
noun
  1. ganga
  2. provecho inesperado
verb
sympathizar
verb
  1. acarrear
  2. llevarse consigo
verb
1.deelnemen aan een bepaald werk
  1. coadyuvar
  2. colaborar
  3. cooperar
verb
  1. colaborando
  2. cooperando
/ˈmewɛrkəntˌforwɛrᵊp/
phraseologicalUnit
1. zinsdeel dat de actie van een overgankelijk niet rechtstreeks ondergaat,...
complemento indirecto
/'mezɪŋə(n)/
verb
1. gezamenlijk met anderen zingen
cantar a coro
noun
1.een antimalariamiddel
mefloquina
noun
  1. megáfono
  2. portavoz
noun
1. megahertz (1 miljoen Hz)
megahercio
adjective
megalítico
adjective
megalómano
noun
  1. megalomanía
  2. manía de grandeza
noun
1. een miljoen watt
megavatio
noun
1. de vijfde maand van het jaar
mayo
/mɛi̯t/
noun
  1. muchacha
  2. criada
/ˈmɛɪ̯.dorn/
noun
1.
espino
/ˈmɛiər/
noun
intendente
adjective
verde mayo
noun
1. Melolontha melolontha, schildvleugelig insect dat in mei te voorschijn komt
  1. escarabajo sanjuanero
  2. melolonta
  3. escarabajo de San Juan
noun
1. Convallaria majalis
  1. muguete
  2. lirio de los valles
noun
1. de verkondiging van één of meerdere leugens terwijl men heeft gezworen de waarheid te vertellen
perjurio
/mɛɪˈozə/
noun
1.
meiosis
noun
nabo
/ˈmɛɪ̯ʃə/, /ˈmɛːsjə/
noun
1. jonge vrouw
  1. niña
  2. muchacha
  3. chica
noun
ablación de clítoris
noun
1. scheikundig element met symbool Mt en atoomnummer 109
meitnerio
adjective
leproso
noun
leproso
noun
melancolía
adjective
met droevige gedachten aan de dagen van weleer
melancólico
pronoun
Melanesia
noun
melanoma
noun
1. een restproduct bij de suikerproductie
melaza
noun
melatonina
noun
1. Atriplex sp, een geslacht van meer dan tweehonderd soorten plantjes...
  1. armuelle
  2. orzaga
verb
1. iets rapporteren, bekendmaken
  1. notificar
  2. delatar
  3. indicar
verb
  1. avisando
  2. dictaminando
  3. informando
  4. mencionando
  5. refiriendo
noun
advertidor
adjective
2. lusteloos, verveeld
  1. cargante
  2. enojoso
  3. fastidioso
pronoun
Melilla
/mɛlk/
noun
leche
noun
lechero
noun
1. chocolade die bereid is met room of melk
chocolate con leche
noun
  1. cerraja
  2. cardeña
  3. cerrajón
  4. lechecilla
  5. lechecilla cerraja
  6. lechecino
/mɛlkə(n)/
verb
1.
  1. ordeñar
  2. muir
noun
lechería
noun
1. alle tijdelijke tanden en kiezen van een dier of mens, die na verloop van tijd worden vervangen door permanente tanden
  1. dentición decidua
  2. dientes de leche
noun
1.het orgaan dat bij het zoogdier de melk produceert
glándula mamaria
/mɛlkku/
noun
1. een soort koe die gekweekt wordt voor haar melkproductie
vaca lechera
noun
lechero
noun
boquirrubio
noun
een suiker die o.a. in melk voorkomt
  1. lactosa
  2. Laktose
  3. Milchzucker
  4. azúcar de leche
noun
1. zoogdieren die gehouden worden voor de melkproductie
ganado lechero
noun
industria láctea
pronoun
1. het sterrenstelsel waarin wij ons bevinden en dat op donkere nachten als lichtende band aan de hemel te zien is.
vía láctea
noun
1. organisch zuur
  1. ácido láctico
  2. E270
noun
melotrón
noun
1. een opeenvolging van toonhoogtes die een bepaald muzikaal gestalte vormt
  1. melodía
  2. aire
adjective
aangenaam klinkend
  1. melodioso
  2. cantarín
noun
1. een toneelvorm begeleid door muziek, gewoonlijk met een goede afloop
melodrama
noun
melón
adjective
amarillo melón
/mɛm/
noun
teta
noun
pomp waar de pompwerking ontstaat door een membraan te laten trillen
  1. bomba de membrana
  2. bomba de diafragma
/ˈme:mə/
noun
meme
noun
memoria
verb
1. uit het hoofd leren
memorizar
noun
rancho
noun
casa de fieras
/ˌmɛndeˈleviʏm/
noun
mendelevio
noun
mendelismo
/məˈneːr/, /məˈnɪːr/
noun
1. een formele manier om een man aan te spreken
señor
/menə(n)/
verb
  1. 3. denken, een mening toegedaan zijn
    1. creer
    2. pensar
    3. opinar
  2. 2. serieus zijn
    hablar en serio
  3. 1. de bedoeling hebben
    1. querer decir
    2. significar
noun
  1. mezcla
  2. mezcolanza
verb
1. het homogeniseren van twee of meer zaken
mezclar
noun
  1. mixtura
  2. mezcla
noun
minio
noun
1. grote groep mensen dicht op elkaar
  1. multitud
  2. enjambre
adjective
2. veelsoortig
diverso
/ˈmeːnɪŋ/
noun
1. oordeel, opinie
opinión
noun
meningioma
noun
meningitis
noun
meningococo
noun
menisco
adjective
menonita
noun
menonita
noun
1. levensfase waarin vrouwen niet langer menstrueren
menopausia
noun
1. hevige maandstonden, hevige menstruatie
menorragia
noun
1. de Homo sapiens, het zoogdier waar wij toe gerekend worden
  1. hombre
  2. humano
  3. persona
  4. individuo
noun
1. een gemeenschappelijke naam voor dieren uit de orde van de primaten
  1. mono
  2. simio antropomorfo
adjective
  1. 1. zoals de mens
  2. 2. goed voor de medemens
humano
/ˈmɛnsələkɦɛjt/
noun
humanidad
noun
  1. trata de personas
  2. tráfico de personas
noun
misántropo
noun
2. geheel van de fundamentele rechten en vrijheden die ieder mens toekomen
derechos humanos
noun
1. het schenden van mensenrechten
violación de los derechos humanos
noun
1. iemand die zich inzet voor de naleving van de mensenrechten
defensor de derechos humanos
noun
contrabando humano
noun
contrabandista humano
noun
1. een verzamelnaam voor alle mensen ter wereld met al hun onderlinge sociale relaties
humanidad
noun
menchevique
noun
  1. filantropía
  2. humanidad
noun
1. maandelijkse bloeding bij vrouwen en geslachtsrijpe meisjes
menstruación
adjective
menstrual
verb
menstruar
adjective
mensurable
adjective
1. verband houdend met het brein
mental
/ˌmɛn.taː.liˈtɛit/
noun
mentalidad
noun
1. vluchtige olie die een belangrijk bestanddeel is van pepermuntolie,...
mentol
noun
  1. consejero
  2. mentor
noun
tutela
noun
  1. menú
  2. lista
verb
1. hard slaan
abofetear
pronoun
Mercurio
/meːrəl/, /ˈmɪːrəɫ/
noun
1. bepaald soort zwarte vogel met een gele snavel, Turdus merula
mirlo
noun
1. het grootste deel
mayoría
adverb
mayoritariamente
noun
merengue
noun
1. zacht weefsel in de kern van een bot
  1. tuétano
  2. médula
verb
margar
adjective
meridional
noun
meritocracia
noun
  1. 1. een kenteken aangebracht ter identificatie van iets
    marca
  2. 2. een herkenbaar product door een bepaalde producent vervaardigd
    1. marca
    2. marca registrada
verb
  1. 1. iets waarnemen of herkennen
    1. advertir
    2. notar
    3. apercibirse
    4. observar
    5. percatar
    6. percatarse
  2. 2.
    1. hacer un signo
    2. indicar
    3. marcar
noun
  1. marca
  2. seña
  3. signo
adjective
1. vreemd, raar
curioso
noun
1. een term die een deel van iets anders weergeeft
merónimo
noun
1. vrouwelijk paard
yegua
noun
1. snijwerktuig
  1. cuchillo
  2. navaja
noun
  1. mescal
  2. mezcal
/ˈmɛsjə/, /ˈmɛʃjə/
noun
cuchillito
pronoun
Mesoamérica
/ˌmesoʔɑrˈxaikʏm/
noun
Mesoarcaico
/mesoˈlitikʏm/
noun
Mesolítico
noun
1.
mesón
noun
1. historische land tussen de rivieren Eufraat en Tigris, het huidige Irak
Mesopotamia
/ˌmesoˌprotəroˈzowikʏm/
noun
Mesoproterozoico
noun
mesotelioma
/ˌmesoˈzowikʏm/
noun
Mesozoico
noun
2.
  1. pizca
  2. punto
adjective
mesiánico
/mɛˈsijɑs/
pronoun
1. de in de joodse Tenach voorspelde Redder die door God gezonden zal worden en die door de christenen met Jezus gelijkgesteld wordt
Mesías
/mɛˈsijɑs/
noun
mesías
adjective
latón
noun
1. uitwerpselen van sommige dieren waarmee men land vruchtbaar maakt
  1. abono
  2. estiercol
  3. estiércol
verb
abonar
noun
1. een hoop waarop stalmest opgestapeld wordt
  1. estercolero
  2. muladar
/ˈmɛstkevər/
noun
1. een donkergekleurde kever die zich met mest voedt
escarabajo pelotero
noun
estercolero
noun
1. dieren die vetgemest worden om als slachtvee voor voedsel te dienen
ganado de engorde
noun
horca
/mɛd/, /mɛt/
preposition
con
phraseologicalUnit
premeditado
noun
metaanálisis
noun
1. ieder element dat gekenmerkt wordt door glans en het vermogen om warmte en elektriciteit te geleiden
metal
noun
1. machine die een ingeklemd werkstuk van metaal snel ronddraait zodat dit met beitels en boren kan worden bewerkt
torno
noun
sierra para metales
noun
1. stofwisselprodukt
metabolito
noun
1. het geheel van de biochemische processen op celniveau
metabolismo
noun
síndrome metabólico
noun
metadato
/me.ta.ˈfɔːr/, /mæː.ta.ˈfoːr/
noun
1. beeldspraak waarbij men een woord B zegt in plaats van het woord A terwijl er tussen A en B een verband is van gelijkenis
metáfora
noun
1. de wijsgerige leer die niet de werkelijkheid onderzoekt zoals ze ons gegeven wordt uit zintuiglijke ervaring, maar op zoek gaat naar het wezen van die werkelijkheid en wat haar constitueert
metafísica
/ˌmetaˈfizis/
adjective
1. bovennatuurlijk; (nog) niet met de gangbare wetenschap te verklaren
metafisico
noun
  1. metaloide
  2. semimetal
noun
metalurgia
noun
1. vorm van logica die de grondbeginselen van de logica bestudeert
metalógica
adjective
metamórfico
noun
metamorfosis
noun
1. weefselvormverandering
metaplasia
noun
1. wetenschappelijke theorie waarmee een of meerdere andere theorieën beschreven worden
metateoría
noun
metátesis
/mɛ.ˈden/, /mɛ.ˈten/
adverb
  1. 2. tegelijkertijd
    al mismo tiempo
  2. 1. onmiddellijk
    inmediatamente
verb
1. de waarde van een bepaalde grootheid bepalen door deze te vergelijken met een ijkwaarde
  1. medir
  2. tomar la medida
noun
1. een kortstondig lichtspoor aan de hemel door de verbranding van een uit de ruimte vallende meteoriet
  1. meteoro
  2. bólido
noun
  1. aerolito
  2. meteorito
  3. piedra meteórica
noun
  1. aerolito
  2. meteorito
/meteˌjoroloˈɣi/
noun
1. de studie van het weer en het klimaat
meteorología
/meteoroˈloʝɪs/, /meteɔroˈloɣis/
adjective
1. betrekking hebbend op de meteorologie
meteorológico
noun
meteorologista
noun
meteoroide
noun
  1. 4. een doopmoeder
    madrina
  2. 1. de SI-eenheid van lengte
    metro
/metərɔpnemər/
noun
1. iemand die de meterstand komt opnemen
lector de contadores
noun
1. een medicament uit de groep biguaniden dat vooral gebruikt wordt bij de behandeling van suikerziekte
metformina
noun
  1. compañero
  2. acompañador
  3. camarada
noun
1. CH₄
metano
noun
metanfetamina
/meˈtodə/
noun
método
noun
1. Een stroming in het protestantisme
metodismo
/ˌmetoˈdɪst/
noun
1. een lid van de methodistenkerk
metodista
/ˌmetodoloˈɣi/, /ˌmetodoloˈχi/
noun
metodología
noun
metilo
noun
bromuro de metilo
/meˈtilxloˌridə/
noun
clorometano
noun
metileno
noun
1. kleurstof die als indicator van de zuurgraad gebruikt wordt omdat zij bij toevoeging van zuur een gele kleur krijgt
azul de metileno
noun
metilpropano
adjective
meticuloso
noun
medición
/mæː.to.ˈny.mi.ja/
noun
metonimia
/mæː.to.ny.ˈmiː/
noun
metonimia
adjective
métrica
adjective
2. volgens het metrieke stelsel
métrico
noun
1. ondergronds openbaar vervoer
  1. metro
  2. subte
/ˌmetroloˈɣi/
noun
1. de studie van het weer en het klimaat
metrología
noun
metrónomo
noun
metropolita
noun
metrópoli
noun
1. wereldstad
metrópoli
/metrɔraˈɣi/
noun
metrorragia
adjective
metrosexual
noun
  1. compás
  2. metro
noun
1. bouwvakker gespecialiseerd in metselen
albañil
noun
  1. argamasa
  2. mortero
adverb
en efecto
noun
1. stuk huisraad
mueble
noun
1. een vakman die beroepsmatig meubels vervaardigt
  1. ebanista
  2. meublista
noun
  1. mueble
  2. pieza de mobiliario
/ˌmø.bi.ˈlɛːr/, /ˌmøː.by.ˈlæːr/
noun
1. verzameling meubels waarmee een gebouw is gestoffeerd
  1. mobiliario
  2. ajuar
  3. mueblaje
  4. muebles
verb
amueblar
noun
bertorella
noun
  1. 2. (onbeheersbare) groep mensen, menigte
    1. banda
    2. multitud
  2. 1. groep (jacht)honden, e.d.
    1. jauría
    2. manada
noun
1. formele manier om een vrouw aan te spreken
señora
noun
peso mexicano
/ˈmɛg.zi.ˌko/, /ˈmɛk.si.ˌko/
pronoun
1. een land in Amerika, officieel de Verenigde Mexicaanse Staten grenzend aan de Verenigde Staten, Belize en Guatemala, de Grote Oceaan en de Golf van Mexico
  1. México
  2. Méjico
noun
mezanine
noun
mezzosoprano
interjection
1. het geluid van een kat
  1. miau
  2. ñau
verb
1. het geluid maken dat kenmerkend is voor een kat
  1. maullar
  2. hacer miau
noun
micela
/miˈxa/, /ˈmiʃa/
pronoun
Miqueas
noun
1. een antischimmelmiddel
miconazol
noun
microeconomía
noun
microelectrónica
/ˈmiːkroʔɔrɣaːnɪzmə/, /ˈmiːkroʔɔrʝaːnɪzmə/
noun
1. meestal eencellig wezen
microorganismo
noun
1. een levend micro-organisme
microbio
noun
1. de tak van de biologie die zich bezighoudt met micro-organismen en hun effecten op de mens en andere levende organismen
microbiología
noun
microcomputadora
noun
micrófono
noun
1. fotografie m.b.v. een microscoop
microfotografía
/ˌmikroɣraˈfi/
noun
  1. 1. een afbeelding volgens een beeld in een microscoop
  2. 1. een zeer klein handschrift
micrografía
noun
1. miljoenste gram
microgramo
noun
micromecánica
noun
1. een meetinstrument waarmee zeer nauwkeurig dikten, afstanden en diepten kunnen worden gemeten
micrómetro
/ˌmi.kro.ˈne.zi.ja/
pronoun
1. een land in Oceanië, officieel de Federale Staten van Micronesia
Micronesia
noun
micronutriente
noun
geïntegreerde schakeling die de hele CVE van een computer bevat op één enkele chip
microprocesador
noun
microsatélite
/mɪkroˈskoːp/
noun
1. instrument dat het beeld van heel kleine dingen sterk vergroot
microscopio
noun
microscopía
adjective
1. zeer klein, voor het blote oog onzichtbaar
microscópico
noun
microsegundo
noun
  1. horno microondas
  2. microondas
noun
  1. 2. het gedeelte van de dag tussen 12.00 en 18.00 uur
  2. 1. het midden van de dag, 12.00
mediodía
noun
1. een maaltijd die tussen de ochtend en de middag genuttigd wordt
almuerzo
noun
merienda
noun
comidas
adjective
1. tussen de vroegste en de laatste fase in
medio
phraseologicalUnit
  1. bachillerato
  2. escuela secundaria
  3. instituto
/ˈmɪdəɫe:wə(n)/
noun
1. de periode tussen ongeveer 300 n.Chr. tot 1500 n.Chr.
Edad Media
/ˈmɪdəɫɪ:ws/
adjective
1. gerelateerd aan de middeleeuwen
medieval
pronoun
1.
francés medio
pronoun
1. randzee van de Atlantische Oceaan, gelegen tussen Zuid-Europa, Noord-Afrika en West-Azië
  1. mar Mediterráneo
  2. Mediterráneo
noun
1. middellijn
diámetro
noun
1. een lijn die loodrecht op het midden van een lijnstuk staat
mediatriz
/ˈmɪdəlmat/
noun
  1. centro
  2. medio
/ˌmɪdəɫˈmatəx/
adjective
  1. 1. zich rond het gemiddelde bevinden
    mediano
  2. 2. niet in positieve zin opvallen
    mediocre
noun
1. van een cirkel of bol is het punt dat tot alle punten op de omtrek dezelfde afstand heeft
centro
/mɪdəlpɵntflidənt/
adjective
1. neigend van het middelpunt weg te bewegen
centrífugo
adjective
centrípeto
indefiniteOrdinalNumeral
zich in het midden bevindend
central
noun
  1. 1. vinger
    1. dedo de en medio
    2. dedo del corazón
  2. 2. als beledigend gebaar
    higa
preposition
  1. en medio de
  2. a mediados de
pronoun
1. het gebied tussen Noord-Amerika en Zuid-Amerika
América Central
noun
1. regio die bestaat uit Zuidwest-Azië en het noordoosten van Afrika
Oriente Medio
adverb
  1. en medio de
  2. a mediados de
  3. en medio
noun
  1. oído medio
  2. cavidad timpánica
noun
spier- en peesachtig tussenschot tussen borstholte en buikholte
diafragma
noun
  1. 1. weg, pad tussen twee andere wegen
    carretera del medio
  2. 2. (gulden) middenweg, de ideale positie tussen twee uitersten
    1. dorada medianía
    2. justo medio
noun
sol de medianoche
adjective
clase media
noun
minigolf
noun
crisis de la mediana edad
noun
solsticio de verano
noun
festividad de San Juan
verb
1. via de blaas als vloeistof lozen van lichamelijke afvalstoffen
  1. mear
  2. empapar de meado
noun
1. een kruipend, in grote kolonies levend omnivoor insect
hormiga
noun
eleosoma
noun
1. benaming voor tandloze zoogdieren uit de onderorde Vermilingua
oso hormiguero
noun
1. bovengronds deel van een mierennest in de vorm van opgestapelde grond en plantenresten
hormiguero
noun
hormiguero
noun
1. HCOOH
ácido fórmico
noun
2. wortel
  1. rábano picante
  2. rábano rusticano
  3. raíz picante
  4. jaramago
  5. mostaza romana
  6. rúcula
noun
1. slapjanus, kleinzerig persoon
debilucho
noun
1. schele hoofdpijn
  1. migraña
  2. jaqueca
noun
migrante
noun
migración
verb
1. ontwijken, trachten niet in aanraking te komen met iets of iemand
  1. esquivar
  2. rehuir
/mɛi̯l/
abbreviation
milla
noun
1. een paal die op elke mijl staat
  1. hito
  2. piedra miliar
/mɛi̯n/
noun
  1. 3. afslag
    1. almoneda
    2. subasta
  2. 1. onderaardse plaats waar delfstoffen gewonnen worden
    mina
/mɛi̯n/
possessivePronoun
1. van mij
  1. mi
  2. mío
noun
1. het bedrijven van winning van delfstoffen
minería
/ˈmɛinbɑuwˌkʏndə/
noun
ingeniería de minas
adverb
1. van mijn kant
por mi parte
noun
  1. 2. de heer des huizes
    amo
  2. 1. een aanspreektitel voor een man
    señor
noun
1. een persoon die werkzaam is in de mijnbouw
minero
noun
  1. 2. stapel
    pira
  2. 1. benaming voor dieren uit de superorde Acariformes
    ácaro
noun
1. hoofddeksel voor kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders
mitra
noun
  1. blanco
  2. meta
pronoun
1. stad in het noordwesten van Italië
Milán
adjective
miliar
/mi.li.ˈjøː/, /mɪɫˈjø/
noun
  1. 1. de sociale omgeving
    1. entorno
    2. medio
    3. medio ambiente
    4. medio social
  2. 2. de wereldwijde natuurlijke omgeving
    1. medio ambiente
    2. ambiente
    3. entorno
    4. medio
noun
política ambiental
noun
economía ambiental
noun
evaluación de impacto ambiental
/miɫˈjøkʏnˌdə/
noun
ecología
noun
derecho ambiental
/ˌmiliˈtæːr/, /ˌmiliˈtɛːr/
adjective
1. met het leger te maken hebbend
  1. militar
  2. castrense
/ˌmiliˈtæːr/, /ˌmiliˈtɛːr/
noun
1. lid van een leger
militar
verb
militarizar
noun
militarismo
noun
militarista
noun
1. 1.000.000.000 (= 10⁹)
  1. millardo
  2. mil millones
noun
1. 1.000.000
millón
ordinalAdjective
  1. 1. nummer miljoen in een rij
  2. 2. gedeeld door één miljoen
millonésimo
noun
1. dikke koude drank
  1. batido de leche
  2. batido
noun
1. een periode van 1000 jaar
milenio
noun
miligramo
noun
milisegundo
/mɪlt/
noun
1. een klier in de buikholte die een rol speelt bij het zuiveren en de opslag van bloed
bazo
/ˈmɪltfyr/
noun
1. een infectieziekte, die wordt veroorzaakt door de bacterie Bacillus anthracis
carbunco
noun
mimetismo
noun
1. gezichtsuitdrukking
  1. mímica
  2. pantomima
adverb
1. minus, verminderd met (-)
menos
adjective
1. zonder respect
  1. aborreciendo
  2. con desprecio
  3. despectivamente
  4. despreciando
  5. menospreciando
/ˈmɪnɑxtɪŋ/
noun
1. het minderwaardig vinden, het geen gunstige mening hebben over
  1. desprecio
  2. menosprecio
noun
  1. alminar
  2. minarete
pronoun
Mindanao
/ˈmɪndər/
indefiniteCardinalNumeral
1. vergrotende trap onverbogen vorm van weinig
menos
noun
1. een groep die binnen een groter geheel in aantal minder dan de helft uitmaakt
  1. minoría
  2. minoridad
noun
lengua minoritaria
noun
menor de edad
adjective
inferior
noun
inferioridad
noun
complejo de inferioridad
pronoun
Mindoro
/minəˈral/
noun
mineral
noun
1. water dat mineralen bevat die de smaak veranderen of het water een (vermeende) therapeutische waarde geven
  1. agua mineral
  2. agua mineralizada
noun
1. de vorming van mineralen
mineralización
verb
mineralizar
noun
1. groentesoep
minestrone
noun
  1. minestrone
  2. minestrón
noun
miniatura
noun
1. type computer uit de jaren 60 en 70 van de twintigste eeuw
minicomputadora
/ˈminimal/
adverb
1. minstens
a lo menos
abbreviation
1. kleinst mogelijke hoeveelheid
mínimo
noun
temperatura mínima
noun
1.
minifalda
noun
1. een persoon die deelneemt aan de regering van een land
ministro
noun
1. de minister die het kabinet aanvoert
  1. primer ministro
  2. primera ministra
  3. presidente de Gobierno
adjective
ministerial
noun
1. uit ministers bestaand college
Consejo de Ministros
noun
1. bepaald zoogdier, Neovison vison
víson
noun
amante
noun
  1. minoridad
  2. minoría
noun
desventaja
/mɪnst/
indefiniteCardinalNumeral
  1. mínimo
  2. menos
noun
signo menos
adjective
verde menta
adjective
turquesa menta
noun
minúscula
noun
minutero
adjective
  1. con minuciosidad
  2. minucioso
  3. pedante
  4. preciso
noun
  1. 1. tijdeenheid
  2. 2. hoek
minuto
noun
Mioceno
noun
  1. arrayán
  2. mirto
  3. mirto común
  4. mirto griego
  5. murta
  6. murtrera
noun
1. een godsdienstoefening in de katholieke kerk, een eucharistieviering
misa
adjective
2. niet onontbeerlijk, te vervangen
  1. dispensable
  2. prescindible
noun
1. in overmatige mate ergens een probleem van makend
  1. alharaca
  2. aspaviento
/'mɪsbrʌʏk/
noun
abuso
/mɪzˈbrœykən/, /mɪzˈbrœːkən/
verb
op een slechte wijze gebruik maken van iets of iemand
abusar
noun
1. een handeling die een ernstig vergrijp tegen het wetboek van strafrecht is
  1. delito
  2. crimen
noun
película policíaca
noun
  1. novela negra
  2. novela policíaca
/mɪs'dadəx/
adjective
criminal
noun
1. is iemand die de priester helpt tijdens het opdragen van de mis
acólito
noun
1. een misdaad of delict
  1. crimen
  2. delito
/mɪzˈdʒɛndərən/
verb
verwijzen naar een persoon met termen die het verkeerde gender uitdrukken
malgenerizar
verb
1.een mislukte poging doen iets te grijpen
desacertar
verb
1. niet aanstaan, niet behagen
  1. desagradar
  2. desplacer
  3. disgustar
  4. displacer
verb
1. iemand slecht behandelen en pijn doen of verwonden
  1. maltratar
  2. brear
noun
1. het moedwillig toebrengen...
  1. abuso
  2. maltrato
verb
desconocer
noun
desconocimiento
noun
  1. aborto espontáneo
  2. aborto
verb
1. iemand in de waan van iets brengen
  1. engañar
  2. mistificar
adjective
1.
  1. engañoso
  2. despistando
  3. engañando
  4. falaz
noun
  1. embuste
  2. engaño
/mɪsˈlʏkə(n)/
verb
verkeerd aflopen, zonder het gewenste resultaat
fracasar
noun
1. iets dat niet goed is gegaan
  1. fracaso
  2. falla
adjective
deformado
adjective
  1. descontento
  2. insatisfecho
noun
miso
noun
  1. 1. bepaald soort loofboom Mespilus germanica
    níspero
  2. 2. vrucht van de mispelboom
    1. níspola
    2. níspero
/məˈsxin/
adverb
1. duidt aan dat er een bepaalde kans bestaat dat de uitspraak waar is
  1. tal vez
  2. quizás
  3. quizá
  4. acaso
  5. a lo mejor
adjective
  1. 1. tot braken geneigd
    1. mareado
    2. con náuseas
  2. 2. een nare indruk makend, onuitstaanbaar
    nauseabundo
noun
  1. asco
  2. náusea
  3. repugnancia
/ˈmɪsə(n)/
verb
  1. 6. de afwezigheid voelen van
    1. echar de menos
    2. extrañar
  2. 5. ontberen
    faltar
  3. 1. niet raken, niet treffen
    1. perder
    2. errar
noun
1. een doeleind dat verwezenlijkt dient te worden
misión
adjective
misionario
noun
1. laaghangende bewolking die het zicht belemmert
  1. niebla
  2. neblina
noun
banco de niebla
noun
1. bepaald soort groenblijvende plant die als halfparasiet op bomen leeft, Viscum album
muérdago
noun
1. mengsel van niet of maar gedeeltelijk gegist druivensap, alcohol en soms ook suiker
mistela
noun
  1. faro antiniebla
  2. faro para niebla
noun
muérdago
noun
muérdagos
noun
1.
faro antiniebla
adjective
1. depressief stemmend, niet op te vrolijken
  1. abatido
  2. triste
noun
  1. deformación
  2. deformidad
  3. desfiguración
noun
1.wijn die gebruikt wordt in de misdiensten
vino de misa
/ˌmito'xɔndriɵm/
noun
1.
mitocondria
/miˈtozə/
noun
1.
mitosis
verb
1. beschieten met een machinegeweer
ametrallar
conjunction
1. indien, op voorwaarde dat
  1. con tal que
  2. a condición de que
  3. siempre que
conjunction
juntamente con
noun
1. mengsel
  1. mezcla
  2. mixtura
/ˈmɪk.sər/
noun
  1. 2. keukengereedschap
    1. batidora
    2. licuadora
    3. mezclador
    4. trituradora
    1. 1. apparaat om te mengen
    2. 3. apparaat waarmee signalen...
    mezclador
noun
  1. mezcla
  2. mixtura
interjection
1. uitroep van verrukking
  1. ñam
  2. mmm
adjective
1. gemakkelijk verplaatsbaar of bewegend
  1. movible
  2. móvil
/moˈbilcə/
noun
1. draagbare telefoon
  1. teléfono celular
  2. teléfono móvil
  3. móvil
adjective
mobiliario
noun
movilización
verb
  1. 1. optrommelen en inschakelen van helpers, actiebereid maken van geestverwanten
  2. 2. gevechtsklaar maken van legeronderdelen
movilizar
noun
1. beweeglijkheid
movilidad
/'mɔkɑsɛː/, /mokɑ'sæː/
noun
  1. 1. een Noord-Amerikaans indianenschoeisel
    mocasin
  2. 2. een leren lage schoen, zonder veters
    mocasín
noun
1.een reversibele monoamino-oxidaseremmer
moclobemida
adjective
modal
noun
  1. modalidad
  2. modo
  3. modo de ser
noun
1. mengsel van aarde, vuil en water
  1. barro
  2. lodo
  3. fango
verb
  1. chafallar
  2. chapucear
/ˈmodə/
noun
moda
noun
revista de moda
noun
  1. 5. een standaard, toonbeeld of voorbeeld
    estándar
  2. modelo
verb
  1. 1. op schaal navormen
    hacer un modelo
  2. 2. boetseren
    modelar
noun
organismo modelo
noun
teoría de modelos
noun
módem
noun
2. overdreven modieus geklede man of vrouw
  1. dandi
  2. petimetre
noun
moderación
noun
moderador
/moˈdɛrn/
adjective
1. van deze tijd, volgens de laatste mode
moderno
/mo.dɛr.ni.ˈzɪː.rə(n)/, /mo.dɛr.nɪ.ˈzeː.rə(n)/
verb
1. modern maken
modernizar
/modɛrniˈzerɪŋ/
noun
modernización
noun
modernismo
noun
modernidad
adjective
1. volgens de mode
elegante
noun
modificación
verb
modificar
adjective
modular
noun
modulación
noun
1. plaatselijke stop in de weefsels
modulador
noun
módulo
verb
modular
noun
módulo
noun
modo
noun
módulo
/muː/
adjective
1. geneigd tot rusten of slapen
  1. cansado
  2. fatigado
/mud/, /mut/
noun
  1. 1. dapperheid, lef, branie
    1. valor
    2. valentía
    3. coraje
  2. 2. inborst, stemming, gemoed
    ánimo
/ˈmudəlos/
adjective
1. somber doordat men de hoop heeft verloren
  1. desanimado
  2. cabizbajo
noun
1. een vrouwelijke ouder
madre
noun
  1. placa base
  2. placa madre
noun
1. een dag ter ere van de moeders
  1. Día de la Madre
  2. fiesta de la Madre
noun
  1. cornadillo
  2. cornatillo
  3. cornezuelo de centeno
  4. cornezuelo del centeno
  5. cornichos
  6. cornichuelo
noun
  1. altamisa
  2. amagarza
  3. amargaza
  4. botón de plata
  5. camomila de Aragón
  6. erísimo
noun
1. het fungeren als moeder
maternidad
/ˈmu.dərs.kɪnt/
noun
1. onzelfstandig, afhankelijk kind dat (te) erg op de moeder is gericht
  1. hijo de mamá
  2. muchacho de mamá
noun
  1. lengua materna
  2. lengua nativa
/ˈmuːdəx/, /ˈmuːdəç/
adjective
1. geen angst voor gevaar tonend
  1. valiente
  2. bravo
  3. animoso
noun
muyahid
adjective
1. expres, opzettelijk, met boze opzet, weloverwogen
  1. adrede
  2. de propósito
noun
1. de diersoort waartoe het tamme schaap behoort, Ovis gmelini
muflón
noun
muftí
noun
1. toestand waarin je door afmatting behoefte hebt om uit te rusten
  1. cansancio
  2. fatiga
  3. agotamiento
noun
entrometido
/mu<sup>ɪ</sup>lɛ<sup>ɪ</sup>k/
adjective
1. niet gemakkelijk, waar moeite, geduld en inspanning voor vereist is
difícil
noun
1. iets dat moeilijk of lastig is
dificultad
/ˈmuitə/
noun
1. een grote inspanning
  1. esfuerzo
  2. afán
adjective
  1. laborioso
  2. pesado
noun
mulá
noun
  1. [A]
    tuerca
  2. [C] 1. drassig land, vooral gebruikt voor natte veengebieden
    1. marisma
    2. pantano
noun
  1. pantano
  2. marisma
noun
1. bepaald soort kruipende, overblijvende plant, Teucrium scordium
  1. camedrio acuático
  2. escordio
  3. maro
noun
  1. alfalfa chilota
  2. cuernecillo grande
noun
  1. altarreina
  2. filipéndula
  3. reina de los prados
  4. ulmaria
noun
  1. mora
  2. zarzamora
noun
  1. morera
  2. árbol de mora
noun
llave
noun
1. wijfjesvos
  1. vulpeja
  2. zorra
noun
1. fijngehakte of fijngekookte groente of vruchten
  1. compota
  2. papilla
  3. puré
noun
1. de regentijd in tropische gebieden met een droge tijd en een regentijd
monzón
noun
clima monzónico
/ˈmus.tœʏ̯n/, /ˈmus.tœːn/
noun
1. een tuin waarin op kleine schaal verschillende groenten en evt kruiden en/of fruit worden verbouwd
  1. huerta
  2. huerto
verb
1. gedwongen zijn
  1. tener que
  2. deber
pronoun
1. een rivier die ontspringt in de Vogezen en na 544 kilometer bij Koblenz in de Rijn uitmondt
Mosela
noun
1. met bont gevoerde koker om de handen warm te houden
manguito
noun
mufla
adjective
1. een keuze om iets te doen
posible
adverb
1. misschien
  1. posiblemente
  2. quizás
noun
1. iets wat gedaan kan worden of kan gebeuren
posibilidad
noun
gran potencia
noun
  1. mahometano
  2. musulmán
noun
  1. islam
  2. islamismo
noun
1. zware hamer met korte steel
maceta
adjective
  1. café moka
  2. moca
  3. moka
noun
tarta de moka
pronoun
1. een taal die in het zuiden van Mordovië gesproken wordt
  1. moksha
  2. moxel
noun
  1. 1. bepaald soort zoogdier, Talpa europaea
    topo
  2. 3. hoeveelheid van een stof die net zo veel deeltjes bevat als er atomen...
    mol
adjective
molar
noun
leu moldavo
/mɔlˈdaːvi.jə/, /mɔɫˈdavi.jə/
pronoun
1. een land en regio in Zuidoost-Europa grenzend aan Oekraïne en Roemenië
Moldavia
adjective
1. bestaande uit moleculen
molecular
phraseologicalUnit
mecánica molecular
/moləˈkyle/
noun
1. het kleinste deeltje van een stof dat nog alle eigenschappen van die stof bezit
molécula
/moləˈkyɫ/
noun
1. het kleinste deeltje van een stof dat nog alle eigenschappen van die stof bezit
molécula
noun
formulación química
noun
1. installatie die de stroming van lucht of water gebruikt als energiebron
molino
/ˈmolənar/
noun
1. iemand die het werken in een molen als beroep heeft
molinero
noun
1. molenarm
aspa
verb
1. iemand in elkaar slaan
molestar
/ˈmɔɫ.frɑk.si/
noun
fracción molar
adjective
1. een beetje dik, volslank
  1. gordito
  2. mórbido
  3. orondo
  4. rollizo
pronoun
Molokai
noun
1. met brandbare stof gevulde glazen fles die via een lont of lap stof wordt ontstoken
  1. coctel molotov
  2. cóctel molotov
pronoun
Molucas
noun
1. Chemisch element
molibdeno
noun
  1. careta
  2. máscara
noun
1. zeer korte tijd
momento
adverb
1. op dit moment
  1. actualmente
  2. por el momento
verb
1. geluiden maken die moeilijk te verstaan zijn
  1. murmurar
  2. mascullar
  3. musitar
/moˈnako/, /ˈmo.na.ko/
pronoun
  1. 1. een dwergstaatje in Zuid-Europa, officieel het Vorstendom Monaco, dat aan Frankrijk grenst
  2. 2. de hoofdstad van Monaco
Mónaco
noun
monarca
noun
1. is van origine een regeringsvorm waarbij alle macht bij één persoon berust
monarquía
adjective
monárquico
/[mɔnt]/
noun
  1. 1. ingang van het spijsverteringskanaal
    boca
  2. desembocadura
noun
respiración artificial
noun
  1. marketing boca a boca
  2. marketing boca-oreja
adjective
1. via het gesproken woord
oral
noun
1. instrument met doorslaande tongen dat met de mond bespeeld wordt
  1. armónica
  2. órgano de boca
noun
1. het inwendige deel van de mond
cavidad bucal
/ˈmɔndijal/
adjective
1. met betrekking tot of geldend voor de gehele wereld
mundial
/ˈmɔndɪŋ/
noun
1. plaats waar een rivier uitkomt in zee of meer
desembocadura
noun
cáncer de boca
/ˈmɔnt.kɑp/
noun
  1. mascarilla
  2. tapaboca
noun
1. dat deel van een blaasinstrument dat in de mond genomen wordt of aan de lippen gezet
boquilla
/ˈmɔntwatər/
noun
1. vloeistof waarmee de mondholte kan worden gespoeld
  1. enjuague bucal
  2. colutorio
/monəˈɣɑskis/, /monəˈɣɑskɪs/, /monəˈχɑskis/
adjective
monegasco
/monəˈɣɑskis/, /monəˈɣɑskɪs/, /monəˈχɑskis/
pronoun
idioma monegasco
adjective
monetario
noun
escuela monetarista
adjective
monetarista
noun
dinero
noun
melanocitosis dérmica congénita
noun
tughrik mongol
/mɔŋ.ˈ(g)ɣo.li.jə/, /mɔŋ.ˈɣo.li.jə/, /mɔŋ.ˈχo.li.jə/
pronoun
1. een land in Azië en omringd door China in het zuiden en Rusland in het noorden
Mongolia
noun
1. iemand met het syndroom van Down
mongol
adjective
  1. mogol
  2. mongol
pronoun
1. macrotaal die de officiële taal van Mongolië is en die ook in China en Rusland gesproken wordt
  1. mongol
  2. mongólico
noun
monismo
/ˈmoniˌtɔr/
noun
beeldscherm
monitor
noun
1. een man die uit religieuze overwegingen teruggetrokken leeft, voornamelijk in een klooster
monje
noun
  1. 3. plant
    acónito
  2. 1. van een monnikspij
    capucha
noun
1. deze stof blokkeert de werking van monoamino-oxidase
inhibidor de la monoaminooxidasa
adjective
monocromo
/ˈmonokʏɫˌtyːr/
noun
1. landbouw met één gespecialiseerd gewas
monocultivo
noun
1. het samenleven of getrouwd zijn met één persoon
monogamia
noun
1. een wetenschappelijk boek of verhandeling over één onderwerp of een beperkte groep van samenhangende onderwerpen, in het algemeen geschreven door één auteur
monografía
adjective
monográfico
noun
1. figuur met initialen
monograma
/mo.no.'klin/
adjective
1. een symmetrie bezittend die ten hoogste een tweetallige hoofdas of een spiegelvlak bevat
monoclínico
noun
monolito
adjective
monolingüe
/ˌmonoˈlox/
noun
1. een gesprek gevoerd door één persoon, meestal op toneel
  1. monólogo
  2. soliloquio
noun
2. te eenzijdige fixatie op één zaak
monomanía
noun
mononucleosis
noun
1. het geheel beheersen van een markt door een enkele leverancier
monopolio
verb
monopolizar
noun
monopolo
noun
monopsonio
noun
1.
monorraíl
noun
1. een behandeling met één geneesmiddel
monoterapia
noun
monoteísmo
adjective
monótono
noun
monotipo
noun
monóxido
noun
1.
monseñor
noun
  1. 1. schrikwekkend wezen
    monstruo
  2. 2. een willekeurige hoeveelheid ontnomen aan een grotere massa
    muestra
verb
3. grondig onderzoeken
tantear
noun
  1. ola gigante
  2. ola monstruo
noun
custodia
noun
montaje
noun
1. techniek waarbij een complex proces vele malen wordt nagebootst met telkens...
método de Monte Carlo
/ˌmɔntəˈnegro/, /ˌmɔntəˈneːɣro/
pronoun
1. land in Zuidoost-Europa gelegen aan de Adriatische Zee en grenzend aan Kroatië, Bosnië en Herzegovina, Servië en Albanië
Montenegro
adjective
alegre
verb
1. de juiste beelden achter elkaar zetten
montar
noun
mecánico
/mɔnsɛ'rɑ/
pronoun
Montserrat
noun
1. een groot gedenkteken
monumento
adjective
zeer groot en indrukwekkend
monumental
/moːj/
adjective
1. prettig in voorkomen, aangenaam om naar te kijken, schoon
  1. bello
  2. guapo
  3. bonito
  4. hermoso
noun
moro
/ˈmoːrd/, /ˈmoːrt/, /ˈmʊːrt/
noun
1. handeling met het doel en het gevolg dat iemand dood gaat
  1. asesinato
  2. homicidio
verb
1. rondgaan om moorden te plegen
asesinar
/mordənar/
noun
1. iemand die een moord gepleegd heeft
  1. asesino
  2. asesina
noun
  1. masacre
  2. matanza
noun
  1. arma homicida
  2. arma asesina
noun
1. anekdote met een verrassend en komisch slot
chiste
noun
1. rups van een soort nachtpauwoog Gonimbrasia belina
oruga mopane
noun
1. een mannelijk persoon die vaak moppert
gruñón
noun
1. een vrouwelijk persoon die vaak moppert
gruñona
verb
1. onvrede uiten
  1. refunfuñar
  2. rezongar
  3. gruñir
adjective
1. veel mopperend
gruñón
noun
1. hond uit een bepaald ras met een stompe snuit
pug
/moˈral/
noun
  1. moraleja
  2. moral
verb
moralizar
adjective
  1. moralizador
  2. moralizadora
noun
1. leer van de gewoontes en deugden
moralidad
noun
1. een uitstel van betaling
moratoria
pronoun
Moravia
adjective
mordaz
/moˈrel/
adjective
moral
/moˈrel/
noun
  1. estado de ánimo
  2. ethos
noun
1. de kleinst mogelijke morfosyntactische eenheid in een taal
morfema
noun
1.een alkaloïde dat het werkzame bestanddeel van opium is
morfina
noun
1.
morfinomimético
noun
morfismo
/ˌmɔr.fo.lo.ˈɣi/, /ˌmɔr.fo.lo.ˈχi/
noun
1. de wetenschap die het vormgeven van woorden bestudeert
morfología
adjective
morganático
/ˈmɔrxə(n)/, /ˈmɔrɣə(n)/
adverb
1. eerstvolgende dag na vandaag
  1. mañana
  2. cras
/ˈmɔrxə(n)/, /ˈmɔrɣə(n)/
noun
1. eerste deel van de dag
mañana
adverb
  1. mañana por la noche
  2. mañana por la tarde
noun
1. de rode lucht bij zonsopgang
  1. arrebol
  2. crepúsculo matutino
noun
2. Tragopogon, een plantengeslacht uit de composietenfamilie (Compositae oftewel Asteraceae)
  1. barba cabruna
  2. barba de cabra
  3. barba de cabrón
  4. salfisi
noun
morion
noun
anticonceptivo de emergencia
noun
1. seinalfabet
  1. Morse
  2. alfabeto Morse
  3. código Morse
noun
1. weergave van letters, leestekens en cijfers door patronen van korte en lange signalen met tussenpozen
código morse
/'mɔrsə(n)/
verb
1.
derramar
adjective
1. onzindelijk, slonzig
  1. desaliñado
  2. desaseado
noun
1. het sterftecijfer
mortalidad
noun
  1. tasa de mortalidad
  2. índice de mortalidad
noun
1. mengsel waarmee wordt gewerkt...
  1. argamasa
  2. mortero
  3. forja
noun
musgo
noun
1. een scheikundig element met het symbool Mc en het atoomnummer 115
moscovio
adjective
gris musgo
adjective
verde musgo
noun
1. gebedshuis
mezquita
noun
1. een geloofsaanhanger van de islam
  1. musulmán
  2. mahometano
noun
musulmana
noun
hermanos musulmanes
noun
  1. terrorismo islamista
  2. terrorismo islámico
  3. yihadismo
noun
fundamentalismo islámico
noun
1. Mytilus edulis, een eetbaar tweekleppig schelpdier
mejillón
noun
1. een in de keuken gebruikte kruidenpasta
mostaza
noun
iperita
noun
sopa de mostaza
noun
1. een vlinderachtig insect
polilla
noun
resolución
phraseologicalUnit
moción de censura
noun
  1. 2.3.
    motivo
  2. 1. de reden om iets te doen
    1. motivo
    2. móvil
    3. porqué
noun
motivación
noun
motivador
/moːtiˈveːrə(n)/
verb
1. met redenen omkleden
motivar
/'mo.tɔr/
noun
  1. 2. voertuig
    moto
  2. 1. krachtbron
    motor
noun
  1. bloque de cilindro
  2. bloque de cilindros
  3. bloque del motor
noun
1. een klein tot middelgroot bootje dat voortbewogen wordt door middel van een motor
lancha motora
noun
piloto de motociclismo
noun
  1. moto
  2. motocicleta
noun
yate de motor
noun
  1. capota
  2. capó
  3. cofre
noun
  1. par del motor
  2. par motor
noun
  1. aceite de motor
  2. aceite motor
noun
avería
noun
motorista
noun
motorista
noun
wegvoertuig
  1. vehículo a motor
  2. vehículo de motor
noun
  1. vehículo a motor
  2. vehículo de motor
noun
1. door een motor aangedreven kettingzaag
motosierra
noun
1. lichte neerslag in de vorm van heel kleine druppeltjes water
llovizna
verb
1. regenen in zeer fijne druppeltjes
  1. lloviznar
  2. chispear
noun
  1. bola de alcanfor
  2. bola de naftalina
noun
  1. bicicleta de montaña
  2. bici montaña
noun
  1. espuma
  2. mousse
  3. mus
noun
1. de grondstof voor bier, jenever en whisky,...
malta
noun
1. dat deel van een kledingstuk dat de armen omvat
manga
verb
1. aanzetten tot
mover
noun
metical mozambiqueño
/ˌmo.zɑm.ˈbik/, /ˌmo.zɑm.ˈbɪk/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel de republiek Mozambique
Mozambique
noun
  1. mosaico
  2. embutido
noun
  1. SARM
  2. staphylococcus aureus resistente a la meticilina
noun
  1. SARM
  2. staphylococcus aureus resistente a la meticilina
noun
1. slijmvlies
mucosa
adjective
  1. abarrotado
  2. lleno a tope
/ˈmysli/, /ˈmyə̯zli/
noun
1. eten gemaakt van graanvlokken, zuivel, fruit en noten
  1. muesli
  2. granola
/mɵf/
adjective
1. onaangenaam en bedorven ruikend
viciado
noun
1. kleine, vliegende insecten van de onderorde Nematocera
  1. mosquito
  2. nematócero
verb
  1. disputar
  2. criticar
  3. zaherir
noun
  1. 1. bek van een groot dier
    fauces
  2. 3. bepaald soort schoeisel
    babucha
  3. kruising tussen een paard en een ezel
    1. mulo
    2. mula
noun
  1. bozales
  2. mordazas
noun
1. een kruising van een ezelhengst en een paardenmerrie
  1. mulo
  2. mula
noun
1. een kruising van een paardenhengst en een ezelin
  1. burdégano
  2. mulo
  3. mula
noun
1.een leren of metalen korf die voor de bek van een dier gespannen wordt om bijten onmogelijk te maken
  1. bozal
  2. mordaza
verb
2. beletten te spreken
abozalar
/mœʏ̯s/, /mœːs/
noun
  1. 1. klein zoogdier, meestal van het geslacht "Mus"
  2. 3. computermuis
ratón
adjective
gris ratón
verb
1. in opstand komen tegen wettige autoriteit
amotinarse
noun
facción
noun
nido de ratones
noun
1. benaming voor vissen uit geslacht Mullus
  1. salmonete de fango
  2. salmonete de roca
adjective
multiétnico
adjective
multicolor
noun
multiculturalismo
/ˈmʏltidɪsɪpliˌnɛ:r/
adjective
1. betrekking hebbend op meerdere disciplines
multidisciplinario
adjective
multifocal
adjective
multilingüe
noun
multimedia
noun
multímetro
noun
multinacional
noun
mieloma múltiple
noun
esclerosis múltiple
noun
1. composietplaat die bestaat uit meer dan 3 gelijmde laagjes hout
contrachapado
noun
multiplicador
noun
efecto multiplicador
adjective
multipolar
noun
multitarea
adjective
multivariado
noun
multiverso
noun
1. een door balseming en uitdroging geconserveerd lichaam van een dode
momia
noun
1. en 2. (boon van) eenjarige plant Vigna radiata
  1. judías mungo
  2. poroto mung
/mʏˈnitsi/, /mʏˈnisi/
noun
schietbenodigdheden
munición
noun
  1. 5. muntzijde van geldstuk
    cruz
  2. 1. en 2. (blaadjes van) het plantengeslacht Mentha
    1. menta
    2. hierbabuena
//
noun
1.munteenheid
unidad monetaria
noun
numismática
noun
muón
pronoun
Murcia
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Passeridae
gorrión
adjective
1. met betrekking tot de spieren
muscular
noun
1. een gebouw waarin voorwerpen van culturele waarde tentoongesteld worden
museo
noun
1. iemand die muziek maakt en ten gehore brengt
músico
noun
1. en 2. (vruchtvlees) van plant Cucurbita moschata
calabaza moscada
noun
1. en 2. (vruchtvlees) van plant Cucurbita moschata
calabaza moscada
noun
moscatel
noun
mosquito
/'mɵskɵs/
noun
1. de geurstof uitgescheiden door de geurklieren van bepaalde zoogdieren
almizcle
noun
1. hertachtig dier in Centraal-Azië
almizclero
noun
1. en 2. (vruchtvlees) van plant Cucurbita moschata
calabaza moscada
noun
1. Ondatra zibethicus, een soort waterrat
  1. rata almizclera
  2. rata almizclada
noun
1. stof
mutágeno
noun
1. proces waardoor de genetische informatie van een organisme verandert en er een nieuw stabiel organisme ontstaat
mutagénesis
noun
1. een sprongsgewijze verandering
mutación
verb
mutar
/mʏʦ/
noun
1. hoofddeksel van textiel zonder harde rand.
  1. gorro
  2. bonete
noun
mutualidad
adjective
mutual
/myːr/
noun
  1. 1. verticale vlakke constructie van metselwerk
    1. pared
    2. muro
    3. tapia
    4. tabique
  2. 1. kruidachtige plant
    1. capiquí
    2. hierba gallinera
    3. pamplina
noun
tirante
noun
2. Cheiranthus cheiri
  1. alhelí
  2. alhelí amarillo
noun
  1. Picardía
  2. cimbalaria
  3. melena
  4. palomilla de muro
  5. ruinas
noun
mural
noun
lechuguilla de muro
noun
musa
noun
  1. mahometano
  2. musulmán
/my'zik/
noun
1. een akoestisch fenomeen
música
noun
noche de música
noun
libro de música
noun
1.een muziekinstrument
caja de música
noun
1. een groep personen die zich gezamenlijk oefent ...
banda de música
/myˈzikˌɪnstrymɛnt/
noun
1. instrument om muziek mee te spelen
instrumento musical
noun
profesor de música
noun
1. een lerares die les geeft in het schoolvak waarin geleerd wordt over muziek en gespeeld wordt op instrumenten
profesora de música
noun
1.een schoolvak waarin geleerd wordt over muziek
clase de música
noun
1.een teken om de tonen naar hun tijdsvolgorde en tijdsduur te noteren
nota musical
noun
notación musical
noun
educación musical
noun
1.een school waar men muziek leert maken
escuela de música
noun
clave
noun
1.een muzikaal werk
pieza musical
noun
vídeo musical
noun
1.het bestuderen van de muziek in al haar vormen
musicología
adjective
musical
noun
1. iemand die muziek maakt
músico
noun
kyat myanmaro
/ˌmikoloˈɣi/
noun
1. de wetenschap die zich bezig houdt met het bestuderen van schimmels
micología
/miˈkozə/
noun
1. een door een schimmel veroorzaakte ziekte
micosis
noun
1. pupilverwijder
midriático
noun
1. afwijking in de brandpuntsafstand van het oog waardoor alles op grotere afstand wazig gezien wordt
miopía
noun
1. CH₃(CH₂)12COOH
ácido mirístico
noun
mirmecófita
/miˈstɪːri/
noun
misterio
noun
religión mistérica
adjective
misterioso
adjective
místico
/ˈmitə/
noun
mito
adjective
mítico
/mi.tɔ.lɔ.ɣi/
noun
mitología
noun
1.
vino málaga
noun
síndrome de Münchhausen por poder
noun
síndrome de Münchhausen
preposition
  1. 1. in tijd volgend op
    1. después
    2. tras
    3. detrás de
  2. 4. later in volgorde (achter)
    1. detrás de
    2. tras
noun
  1. celos
  2. envidia
adjective
1. iemand niet gunnen dat die iets heeft dat men zelf wil hebben
envidioso
noun
    1. comisura
    2. junta
    3. unión
  1. 1.
    1. costura
    2. sutura
/naf/
noun
1. centrale as of middenstuk van een wiel of rad
  1. buje
  2. cubo
noun
cambios internos
noun
1. een doos waarin naaigerei bewaard wordt
  1. canasta de costura
  2. costurero
/ˈnaːi̯ə(n)/
verb
  1. 1. naaldwerk verrichten
    coser
  2. 3. iemand een veraderlijke streek leveren
    joder
  3. 2. geslachtsgemeenschap hebben
    1. joder
    2. follar
noun
  1. máquina de coser
  2. cosedora
noun
1. een vrouw die naaiwerk verricht
costurera
noun
costura
/naːkt/
adjective
1. zonder beharing of andere fysieke bescherming van de huid, ontkleed
desnudo
noun
1. het naakt zijn
desnudez
noun
  1. babosa
  2. limaza
  3. limaco
/nald/, /naɫt/
noun
1. gereedschap voor naaien
aguja
noun
conífera
noun
junco de espiga
noun
  1. 2. bekendheid, reputatie
    1. fama
    2. reputación
    3. nombre
  2. 1. kort stukje tekst dat een persoon, instelling of object bijna identiek kan benoemen
    1. nombre
    2. denominación
noun
1. een dag waarop een heilige wordt herdacht
  1. santo
  2. onomástica
noun
acróstico
noun
nomenclatura
noun
tarjeta
noun
espacio de nombres
noun
1. elk der buigingsvormen van een naamwoord
caso
/namwort/
noun
1. een woord dat een persoon of zaak noemt, bepaalt of aanduidt
nombre
noun
  1. complemento predicativo
  2. atributo
/naːr/
adjective
1. onaangenaam, niet leuk
desagradable
/naːr/
preposition
1. in de richting van
hacia
conjunction
1. in een mate die gelijk opliep met de genoemde verandering
  1. a medida
  2. a medida que
  3. conforme
  4. conforme a
adjective
1. ijverig en vlug
  1. diligente
  2. solícito
preposition
1. aan de zijkant van
al lado de
noun
  1. prójimo
  2. semejante
noun
1. liefde jegens de medemens
caridad
noun
1. een verdere behandeling na de hoofdingreep
tratamiento suplementario
adjective
1. zich in de onmiddellijke omgeving bevindend
  1. cercano
  2. próximo
noun
  1. cercanía
  2. proximidad
noun
  1. del
  2. nabla
/'na.bo.tsə(n)/
verb
1. nadoen, imiteren
  1. imitar
  2. contrahacer
adjective
1. in de buurt ervan gelegen
  1. vecino
  2. adyacente
  3. cercano
  4. contiguo
noun
1. meest nabije buren
vecino
/nɑx/, /nɑxt/, /nɑχt/
noun
1. de tijd tussen zonsondergang en zonsopkomst
noche
adjective
nocturno
noun
terror nocturno
adjective
azul noche
noun
autobús nocturno
noun
1. een dier dat overdag slaapt en 's nachts actief is
animal nocturno
noun
1. lijsterachtige zangvogel met een rossig bruine staart die heel mooi kan zingen
ruiseñor
adjective
nocturno
noun
1. dag en nacht duren evenlang
equinoccio
noun
camisón
/ˈnɑxtjɑˌpɔn/
noun
1. kledij die vrouwen 's nachts dragen
camisa de dormir
noun
1. lage kast of tafel zonder laden die bij het hoofdeinde van het bed staat
  1. mesa de noche
  2. mesita de luz
  3. mesita de noche
noun
  1. mesita de luz
  2. mesita de noche
noun
  1. 2. een schrikbeeld
    pesadilla
  2. 1. een zeer angstige droom
    1. pesadilla
    2. incubo
noun
pequeño pavón
noun
camisón
noun
orinal
noun
  1. mesa de noche
  2. mesita de luz
  3. mesita de noche
noun
1. een verbinding door middel van een nachttrein
conexión de tren nocturno
noun
1. vlinder die 's nachts actief is
  1. mariposa nocturna
  2. polilla
noun
1. nachtwachter
sereno
noun
  1. visión nocturna
  2. escotopía
noun
chotacabras
/na'dɑt/
conjunction
después que
noun
1. ongunstige eigenschap
desventaja
adjective
1. kwalijk, schadelijk
  1. perjudicial
  2. contrario
  3. nocivo
verb
  1. pensar
  2. reflexionar
adjective
  1. pensativo
  2. meditando
  3. reflexionando
verb
avecinar
verb
1. In aantocht zijn
  1. acercarse
  2. avecinar
adverb
1. in de tijd erna
después
adverb
1. geeft een gevolg in tijd aan: daarna
después
noun
1. denkbeeldig punt aan de sterrenhemel loodrecht onder de waarnemer
nadir
adjective
  1. enfático
  2. significativo
noun
nafta
/ˈnaː.ɣəˌbor.tə/
noun
3. de moederkoek, navelstreng en vliezen die het lichaam van de moeder verlaten nadat de baby is geboren
alumbramiento
noun
memoria
noun
1. hoornplaat op laatste teen- en vingerkootjes
uña
noun
1. een weefsel onder en achter de nagel, waar de nagel uitgroeit
lecho ungular
noun
  1. clavos
  2. uñas
verb
clavetear
noun
1. schoonheidsmiddel
  1. esmalte de uñas
  2. barniz de uñas
  3. esmalte
  4. laca de uñas
noun
1.
pistola de clavos
adverb
1. voor het overgrote deel
casi
noun
postre
noun
descendencia
/ˈna.wɑtl̥̩/, /ˈna.wɑtl̩/
pronoun
1. benaming voor de talen die door de oorspronkelijke bewoners van Mexico gesproken worden
náhuatl
/ˈnahʏm/
pronoun
2. boek in de Bijbel
Naún
noun
1. herfst
otoño
noun
náyade
verb
1. corrigeren van een geschreven tekst of huiswerk
  1. controlar
  2. averiguar
  3. comprobar
  4. examinar
  5. inspeccionar
noun
1. echo
eco
noun
descendiente
verb
2. in een testament toebedelen
legar
noun
1. wat door de erflater bij zijn overlijden overgedragen wordt
herencia
noun
1. een fout doordat er iets nagelaten wordt
negligencia
noun
1. een geneesmiddelengroep van pijnbestrijders
nalbufina
noun
observación
noun
imitación
verb
  1. copiar
  2. imitar
  3. retratar
/ˈnamələk/
abbreviation
  1. a saber
  2. o sea
  3. es decir
  4. nominal
pronoun
1. provincie in het oosten van België
Namur
noun
dólar namibio
/na.'mi.bi.jə/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika
Namibia
noun
1. tijd aan het einde van de middag
tarde
noun
ñandú
noun
1. vrouw die zorgt voor de kinderen van haar opdrachtgevers
niñera
noun
nanotubo
noun
nanogramo
noun
nanosegundo
noun
nanotecnología
adjective
1. van na de oorlog
posguerra
pronoun
1. stad in Italië
Nápoles
verb
escarbar
noun
narciso
adjective
amarillo narciso
noun
narcolepsia
noun
1. een kunstmatige algehele verdoving
  1. narcosis
  2. anestesia
noun
1. een verdovend middel
narcótico
verb
  1. narcotizar
  2. narcotizarse
noun
miseria
pronoun
1. de taal van de Narom
narón
noun
nártex
noun
1. bepaald soort zeezoogdier, Monodon monoceros
narval
/naˈsal/
adjective
1. met betrekking tot de neus
nasal
/naˈsal/
noun
1. een neusklank
  1. consonante nasal
  2. nasal
noun
consonante nasal
noun
  1. posdata
  2. postdata
noun
1. een veranderde smaak van iets dat men al heeft doorgeslikt heeft en in het begin anders smaakte
retrogusto
/ˈnaː.spøː.rə(n)/
verb
1. nauwkeurig onderzoeken
  1. investigar
  2. averiguar
verb
1. een doel trachten te bereiken
perseguir
adjective
1. gedrenkt in een vloeistof, meestal water
  1. mojado
  2. húmedo
verb
1. na het eten aan tafel blijven zitten (om wat te praten en/of nog een hapje en drankje te nuttigen)
quedarse para la sobremesa
noun
natalidad
noun
1. een groep mensen die zich door gemeenschappelijke taal, cultuur of politieke geschiedenis verbonden voelt
nación
adjective
nativo
noun
  1. estado nación
  2. estado-nación
adjective
1. op een volk met een eigen land betrekking hebbend
nacional
noun
nacionalsocialismo
noun
nacionalsocialista
adjective
nacionalsocialista
verb
nationalizar
noun
estatización
noun
1. voorliefde voor het vaderlandse
nacionalismo
noun
nacionalista
adjective
nacionalista
noun
nacionalidad
noun
nativismo
verb
  1. 2. overtrekken
    calcar
  2. 1. onderzoeken of iets werkelijk klopt
    verificar
noun
sodio
noun
  1. E500
  2. E500i
  3. carbonato de sodio
  4. carbonato ácido de sodio
noun
  1. lámpara de sodio
  2. lámpara de vapor de sodio
noun
bicarbonato de sodio
noun
  1. barrilla
  2. natrón
noun
  1. E524
  2. hidróxido de sodio
noun
naturalización
verb
naturalizar
noun
1.2.3. stroming in de literatuur aan het eind van de 19e eeuw, die de mens beschouwt als bepaald door milieu en erfelijkheid en leer die de natuur boven alles stelt
naturalismo
adjective
crudo
noun
  1. naturismo
  2. naturopatía
noun
  1. überhaupt
    naturaleza
  2. De aard van iets of iemand
    índole
noun
fotografie van de natuur
fotografía de naturaleza
noun
medicina natural
/naˈtyrkʏndə/, /naˈtyːrkʏndə/
noun
1. subdiscipline binnen de natuurwetenschap die zich bezighoudt met de bestudering van materie en
física
noun
libro de física
noun
físico
noun
constante física
adjective
1. uit de natuur afkomstig
natural
adverb
1. vanzelfsprekend
naturalmente
noun
número natural
noun
1. mens van vlees en bloed die kan deelnemen aan het rechtsverkeer
persona física
noun
1. een ongelukkige gebeurtenis die door de natuur veroorzaakt wordt
  1. desastre natural
  2. catástrofe natural
noun
2. in de natuurlijke orde van de dingen gefundeerd
  1. derecho natural
  2. ley natural
noun
reserva natural
noun
  1. 2. natuurrecht
    derecho natural
  2. 1.wetmatigheid bij natuurverschijnsel
    ley científica
/na'tyrʋetənsxɑp/, /na'tyrʋetənsçɑp/
noun
ciencia natural
/na.ˈu.ru/, /naˈuru/, /ˈnaʊ̯.ru/
pronoun
1. een land in de Stille Oceaan
Nauru
/nɑuruˈwans/
pronoun
1. taal die door 6 000 mensen wordt gesproken in Nauru
nauruano
noun
1. misselijkheid
náuseas
adjective
1. een geringe breedte hebbend
  1. estrecho
  2. angosto
noun
estrecho
adverb
1. slechts in geringe mate
apenas
adjective
1. met veel aandacht, op details lettend
  1. concienzudo
  2. meticuloso
  3. puntual
adjective
  1. clavado
  2. exacto
  3. formal
  4. puntual
noun
1. de mate waarin men zaken tot in de puntjes behandelt
exactitud
pronoun
Navarra
/'navəl/
noun
ombligo
noun
1. opeenhoping van wollig materiaal in iemands navel
pelusilla del ombligo
/ˈnavəlstrɛŋ/
noun
snoer dat de vrucht aan de moederkoek verbindt
  1. cordón umbilical
  2. cuerda umbilical
noun
1. varkensachtig dier, met een kort gedrongen gestalte en korte kop
  1. báquiro
  2. pecarí
  3. saíno
noun
navegación
noun
sistema de navegación
noun
navegante
verb
navegar
noun
1. iemand met een specifieke voorouder of specifieke voorouders
  1. descendiente
  2. sucesor
adjective
1. van of uit Nazareth
nazareno
/nazaˈrenər/
noun
1.inwoner van Nazareth
nazareno
verb
1. herhalen wat iemand anders al gezegd heeft, bevestigen wat iemand anders al gezegd heeft
  1. repetir
  2. reiterar
  3. réitérer
verb
1. iets aan iemand toesturen
  1. reenviar
  2. remitir
/ˈnatsi/
noun
1. een aanhanger, lid van de Nationalsozialistische Deutsche Arbeiterpartei
  1. nazi
  2. nacional-socialista
  3. nacionalsocialista
pronoun
Alemania nazi
noun
cazador de nazis
verb
1. corrigeren van een geschreven tekst of huiswerk
  1. controlar
  2. averiguar
  3. comprobar
  4. examinar
  5. inspeccionar
noun
nazificación
noun
  1. saludo hitleriano
  2. saludo nazi
noun
propaganda nazi
noun
Alemania nazi
noun
  1. nacionalsocialismo
  2. nazismo
adjective
nazi
adjective
  1. cándido
  2. ingenuo
  3. incauto
  4. franco
  5. natural
noun
ingenuo
noun
ingenuidad
phraseologicalUnit
non bis in idem
/nɛp/
noun
pico
noun
1. interstellaire gas- en stofwolken die worden beschouwd als de geboorteplaats van de sterren
nebulosa
adjective
nebuloso
noun
necrofilia
noun
1. een biografie van een overleden persoon en/of een bespreking van diens werk
necrología
noun
nigromancia
noun
1. de afsterving van weefsel
necrosis
noun
2. een perzikachtige vrucht van boom Prunus persica var. nucipersica
  1. nectarina
  2. melocotonero
  3. pelón
pronoun
1. een in Noord-Duitsland en Nederland gesproken West-Germaanse taal...
bajo alemán
/ˈne.dər.ˌfrɑŋ.kis/
noun
1. de verzamelnaam voor een aantal West-Germaanse talen en taalvariëteiten die van het Oudnederfrankisch afstammen
  1. bajofranconio
  2. bajofráncico
adjective
1. een onderdanige houding aannemend
humilde
noun
1. het aannemen van een houding waarbij geen aanspraak gemaakt wordt op macht of eer
humildad
noun
1. het verlies van een strijd
derrota
/ˈnedərˌlɑnt/, /ˈneːdərˌlɑnd/, /ˈneːdərˌlɑnt/
pronoun
1. land in het westen van Europa, grenzend aan Duitsland en België, belangrijkste deel van het Koninkrijk der Nederlanden
Países Bajos
/ˈne.dər.ˌlɑn.dər/
noun
1. inwoner van Nederland of persoon die de Nederlandse nationaliteit bezit
  1. neerlandés
  2. holandés
/ˈne.dər.ˌlɑnds/, /ˈne.dər.ˌlɑnts/
adjective
1. met betrekking tot Nederland of de Nederlandse taal
  1. holandés
  2. neerlandés
/ˈne.dər.ˌlɑnds/, /ˈne.dər.ˌlɑnts/
pronoun
1. een West-Germaanse taal die als officiële taal gesproken wordt in Nederland, Vlaanderen, Suriname en op de Nederlandse Antillen
  1. holandés
  2. neerlandés
pronoun
Indias Orientales Neerlandesas
/ˌne.dər.lɑnt.sə.ɑn.ˈtɪ.lə(n)/, /ˌneː.dər.lɑnt.sə̯an.ˈtɪ.lə(n)/
pronoun
1. voormalig land binnen het Koninkrijk der Nederlanden
Antillas Neerlandesas
noun
1. gebarentaal gebruikt door de dovengemeenschap van Nederland
lengua de signos neerlandesa
pronoun
Unión de la Lengua Neerlandesa
pronoun
Baja Sajonia
pronoun
1. een in Noord-Duitsland en Nederland gesproken West-Germaanse taal zonder Hoogduitse klankverschuiving
bajo alemán
noun
1. een vestiging, een bewoonde plaats
solución
/neː/
interjection
1. ontkenning
no
noun
  1. 2. kozijn
    primo
  2. 1. mannelijke oomzegger
    sobrino
/nen/
interjection
nee
no
/ner/
adverb
1. in benedenwaartse richting
abajo
noun
1. het iemand schijnbaar beleefd behandelen maar waarbij men toch ook duidelijk laat merken dat...
condescendencia
verb
1.
  1. abatir
  2. agobiar
  3. deprimir
  4. desalentar
noun
2.
  1. bajada
  2. descenso
verb
1. slordig schrijven
  1. garabatear
  2. borrajear
  3. borronear
noun
1. de wetenschap die de Nederlandse taal- en letterkunde bestudeert
filología neerlandesa
verb
1. laten zakken
  1. abajar
  2. bajar
verb
2. met geweld onderdrukken
  1. ahogar
  2. sofocar
noun
  1. 1. hemelwater
    precipitación
  2. 2. bezinksel
    sedimento
/ˈnerslɑχˌmetər/
noun
1. een toestel dat de hoeveelheid gevallen neerslag meet
pluviómetro
verb
1. iets op een lagere plek plaatsen
  1. colocar
  2. asentar
noun
1. nierontsteking
nefritis
noun
nefrología
noun
1.
nefrólogo
adjective
1. met betrekking tot nierziekten
nefrótico
noun
1. het ontkennen
  1. negación
  2. denegación
adjective
1. ontkennend, afwijzend
negativo
noun
negacionismo
adjective
negacionista
/ˈne.ɣə(n)/, /ˈne.χə(n)/
cardinalNumeral
1. het getal 9
nueve
/ˈne.ɣən.də/, /ˈne.χən.də/
ordinalAdjective
1. nummer negen in een rij
  1. noveno
  2. nono
cardinalNumeral
1. het getal 29
veintinueve
/ˈne.ɣə(n).ˌhɔn.dərd/, /ˈne.ɣə(n).ˌɦɔn.dərt/, /ˈne.χə(n).ˌɦɔn.dərt/
cardinalNumeral
1. het getal 900
  1. novecientos
  2. novecientas
noun
2. riviervis
lamprea
cardinalNumeral
1. het getal 19
diecinueve
ordinalAdjective
decimonoveno
/ˈne.ɣə(n).təx/, /ˈne.ɣə(n).tɪx/, /ˈne.χə(n).təχ/
cardinalNumeral
1. het getal 90
noventa
ordinalAdjective
nonagésimo
noun
1. iemand met voorouders uit Afrika bezuiden de Sahara met lichamelijke kenmerken daarvan
negro
verb
1. doen alsof iemand of iets niet bestaat
  1. ignorar
  2. desoír
  3. arrumbar
noun
1. vrouw met een donkere huidskleur en vaak zwart kroeshaar wier voorouders afkomstig zijn uit Afrika bezuiden de Sahara
negra
noun
1. lekkernij, bestaande uit een rond wafeltje, een bolletje schuim (van suiker en ei) en een overkapping van chocolade
beso de moza
noun
negligencia
noun
1. gemakkelijk ochtendgewaad, deftige dameskamerjapon
  1. bata
  2. ropa de casa
noun
1. handelswaar waarmee iemand een kleine handel drijft met name bij venters en marktkooplieden
  1. comercio
  2. negocio
pronoun
Nehemías
/nɛk/
noun
1. achterste gedeelte van de hals
  1. nuca
  2. cogote
verb
1. noodlottig worden; letterlijk: iemand de nek te breken
acogotar
noun
necton
/ˈne.mə(n)/
verb
1. iets vastpakken met de handen
  1. tomar
  2. asir
/ˌnejoʔɑrˈxaikʏm/
noun
Neoarcaico
noun
Neocomiano
/nejoˈkomijʏm/
noun
Neocomiano
adjective
neoconservador
noun
neoconservadurismo
noun
neodimio
/nejoˈɣen/
adjective
neógeno
/nejoˈɣen/
noun
geologisch tijdperk
Neógeno
pronoun
neolatín
noun
neoliberalismo
/nejoˈlitikʏm/
noun
Neolítico
/ˌne.jo.lo.ˈχɪs.mə/, /ˌne.jo.loː.ˈɣɪz.mə/
noun
1. een woord dat nieuw is of nieuw gevormd is
neologismo
noun
neomarxismo
noun
1. een chemisch element en een kleurloos edelgas
neón
noun
neonatología
noun
neonazismo
noun
1. licht afkomstig van een neonlamp
luz de neón
/ˌnejoˌprotəroˈzowikʏm/
noun
Neoproterozoico
adjective
1. onecht, vals
falso
/ˈnepɑɫ/, /ˈneːpɑl/
pronoun
1. een land in Azië, gelegen in de Himalaya tussen India en China (Tibet)
Nepal
noun
  1. rupia nepalesa
  2. rupia nepalí
pronoun
1. een taal die vooral in Nepal gesproken wordt
nepalés
noun
  1. neper
  2. neperio
noun
queso artificial
/nepo'tɨzmə/
noun
1.
nepotismo
noun
1. Chemisch element
neptunio
pronoun
Neptuno
noun
  1. 1. bladnerf
    1. nervadura
    2. nervio
    3. vena
    1. vena
    2. veta
    3. nervadura
    4. nervio
adverb
en ninguna parte
noun
  1. comercio
  2. negocio
noun
1. benaming voor bepaalde pelsdieren uit de familie der marterachtigen
visón
adverb
1. lijdend aan gespannen zenuwen
nervioso
noun
1. zenuwachtigheid
nerviosismo
/nɛst/
noun
1. de verblijfplaats van een dier
nido
/ˈnɛstələ(n)/
verb
1. het bouwen van een nest en het grootbrengen van jongen erin, gewoonlijk van vogels
anidar
noun
néstor
noun
1. een geheel van fijne draden
red
pronoun
1.
Netanya
noun
1. plant
ortiga
noun
cnidoblasto
noun
pólipo
noun
  1. estopilla
  2. muselina
noun
urticaria
/netəlros/
noun
1. een allergische irritatie van de huid
urticaria
noun
  1. decencia
  2. orden
/ˈnɛcəs/
adjective
1. net, schoon
  1. ordenado
  2. arreglado
/ˈnɛcəs/
adverb
1. op een nette manier
  1. ordenado
  2. arreglado
verb
navegar
noun
  1. netiqueta
  2. netiquette
adverb
neto
noun
1. een vlies aan de binnenkant van het oog waarop een beeld wordt gevormd
retina
noun
red
noun
análisis de redes
noun
administrador de red
noun
puente de red
noun
tarjeta de red
noun
capa de red
noun
1. managen van netwerken
network management
noun
1. indeling en koppelingen van computers en andere apparaten binnen een netwerk
topología de red
/ˈnøːk.bar/
adjective
  1. follable
  2. jodible
verb
1. geslachtsgemeenschap hebben met
  1. follar
  2. joder
adjective
1. met betrekking tot de zenuwen
neural
noun
1. zenuwpijn
neuralgia
noun
neurastenia
pronoun
Núremberg
noun
1. zenuwontsteking
neuritis
verb
1. met gesloten mond zingen
canturrear
noun
neuroanatomía
noun
1. de studie van alles wat met de ontwikkeling en werking van het zenuwstelsels te maken heeft.
neurobiología
noun
1. de chemische processen in zenuwstelsels
neuroquímica
noun
neurofisiología
noun
1. het ontstaan van nieuwe zenuwcellen in levende organismen, dat zowel voor als na de geboorte plaatsvindt
neurogénesis
noun
1. middel gebruikt bij geestesziekte
neuroléptico
adjective
neurolingüístico
noun
1. een discipline binnen de biologie en geneeskunde die zich bezighoudt met alles wat aandoeningen van het centrale zenuwstelsel betreft
neurología
noun
neurólogo
noun
een zeer belangrijke cel in het zenuwstelsel
  1. neurona
  2. célula nerviosa
adjective
1. met betrekking tot een zenuwcel
neuronal
noun
1. zenuwziekte
neuropatía
noun
neuropsicología
noun
neurosis
adjective
1. met betrekking tot een ziekelijke houding
neurótico
/ˈnøːrotransˌmɪtər/, /ˈnøːrotrɑnsˌmɪtər/, /ˈnʏːrotrɑnsˌmɪtər/
noun
1. een chemische stof die fungeert als overbrenger van de zenuwprikkel
neurotransmisor
noun
neurociencia
/nøʏs/, /nøːs/
noun
  1. 3. het voorste deel van een voorwerp
    1. cima
    2. extremo
    3. punta
  2. 1. een orgaan dat gebruikt wordt bij de ademhaling en om te ruiken
    1. nariz
    2. napias
noun
1. dokter die zich gespecialiseerd heeft in ziekten van organen binnen het hoofd die direct contact met de buitenlucht hebben
otorrinolaringólogo
noun
  1. adenoide
  2. amígdala faríngea
  3. vegetación adenoidea
noun
1. een van de beenderen van de schedel
hueso nasal
noun
1. bepaald soort zoogdier, Nasua nasua
  1. coatí
  2. cuatí
noun
1. het eerste stuk van het luchtwegstelsel waar de ingeademde lucht doorheen gaat
cavidad nasal
noun
1. een groot en zwaar zoogdier uit de familie van de Rhinocerotidae dat in Afrika en Azië leeft...
rinoceronte
/ˈnøsklɑŋk/
noun
1. een medeklinker die geproduceerd wordt met een gedeeltelijke obstructie ergens in het spraakkanaal
nasal
verb
hurgarse la nariz
noun
neusvleugel
aleta nasal
/nøt/
noun
2. blokje van natuursteen of hout waarop een kozijnstijl rust
modillón
/nøˈtral/
adjective
  1. 1. geen partij kiezend in een conflict
    1. neutral
    2. neutro
    1. 2. natuurkunde: noch een positieve noch een negatieve lading dragend
    2. 4. scheikunde: noch zuur noch alkaline
    neutro
noun
1. opheffing
neutralización
verb
neutralizar
noun
1. een onpartijdige houding aanhouden ten opzichte van twee partijen met een geschil
neutralidad
noun
1. een officiële verklaring van een neutrale houding
declaración de neutralidad
noun
neutrino
adjective
1. kleurbaar met neutrale kleurstoffen
neutrófilo
noun
neutrón
noun
estrella de neutrones
noun
2. wolken in de nabijheid van de grond, ontstaan door plaatselijke oorzaken zoals door afkoeling of door menging van koude met warme vochtige lucht
niebla
noun
cámara de niebla
noun
nebulosa
noun
bosque nuboso
noun
1. bijwerking
efecto secundario
/nuˈjɔːrk/
pronoun
1. deelstaat van de Verenigde Staten
Nueva York
noun
2. taal waarin de betekenis van woorden is aangepast om een bepaald politiek doel te dienen
  1. neolengua
  2. nuevahabla
noun
anillo de Newton
noun
Cantar de los nibelungos
/ˌni.ka.ˈra.gβ̞a/, /ˌni.ka.ˈra.ɣuwa/, /ˌni.kɑ.ˈra.gʋa/
pronoun
1. een staat in Midden-Amerika, tussen Honduras en Costa Rica
Nicaragua
noun
córdoba nicaragüense
noun
batería de níquel cadmio
noun
mercado de nicho
noun
  1. 4. mannelijke homoseksueel
    marica
  2. 3. dochter van iemands oom of tante
    prima
  3. 1. dochter van iemands broer of zus
    sobrina
pronoun
2. spelwoord voor de letter n
Nicaragua
pronoun
islas Nicobar
noun
nicotina
noun
1. een van de voor de mens noodzakelijke vitaminen...
  1. E375
  2. niacina
  3. ácido nicotínico
indefinitePronoun
1. geen enkel persoon
nadie
/nimən'dɑl/
indefinitePronoun
  1. nada
  2. ninguna cosa
noun
1. een van beide organen in de onderrug die het bloed zuiveren van afvalstoffen en deze uitscheiden in de urine.
riñón
noun
1. een samengroeisel in het nierbekken dat meestal uit urinezuur en urinezure zouten bestaat
  1. cálculo renal
  2. cálculo de riñón
  3. piedra renal
noun
1. glibberige stof, gewonnen uit het weefsel rond de beide organen die bij zoogdieren het bloed zuiveren
sebo
verb
1.
estornudar
adverb
1. ontkenning, tegenovergestelde van 'wel'
no
noun
1. klein, vaak beugelvormig, metalen voorwerp met twee spitse uiteinden
grapa
adjective
no euclidiano
noun
no metal
noun
1. een apparaat dat nietjes in een stapeltje papieren kan slaan om deze bij elkaar te houden
grapadora
/nitəx/
adjective
  1. 1. verwaarloosbaar klein
    1. diminuto
    2. fútil
    3. insignificante
  2. 2. ongeldig
    nulo
noun
1. klein, vaak beugelvormig, metalen voorwerp met twee spitse uiteinden
grapa
noun
1. apparaat dat nietjes in een stapeltje papieren kan slaan om deze bij elkaar te houden
grapadora
indefinitePronoun
1. geen enkel ding, geen enkele zaak
nada
noun
1. iemand die voor niets deugt
ablandabrevas
noun
mirones
postposition
sin embargo
adverb
  1. no obstante
  2. sin embargo
  3. aun asi
/ˈnitʋar/
interjection
  1. no
  2. verdad
/niβ̞/, /nyʊ̯/
adjective
  1. 2. recentelijk ontdekt
    nuevo
    1. 1. recentelijk gemaakt
    2. woorden die in een of meer van de bovenstaande categorieën horen, maar waarvan niet bekend is in welke (voel u vrij deze woorden in de juiste categorie in te voegen)
    3. 4. onderscheidt nieuwere namen van oudere
    4. 7. recentelijk aangekomen of opgedoken
    5. 5. in originele staat
    6. 3. huidige
    7. 6. vreemd, onbekend
    1. nuevo
    2. nueva
pronoun
Nueva Amsterdam
pronoun
Nueva Caledonia
/niβ̞.ˈze.lɑnt/, /nyʊ̯.ˈze.lɑnd/
pronoun
1. een land in het zuidwesten van de Grote Oceaan, gelegen naast Australië
  1. Nueva Zelanda
  2. Nueva Zelandia
noun
dólar neozelandés
pronoun
Nuevas Hébridas
noun
1. nieuwe maan
  1. luna nueva
  2. novilunio
pronoun
1. samenstelling van Bijbelboeken
Nuevo Testamento
/ˈniβ̞əˌlɪŋ/, /ˈnywəˌlɪŋ/
noun
1. iemand ergens die nieuw is
  1. novicio
  2. novato
  3. novata
adjective
moderno
noun
1. het feit dat iets nieuw is
novedad
noun
1. iets dat nieuw is
novedad
noun
1. feestdag ter gelegenheid van het begin van een nieuw jaar van de gebruikte kalender
  1. Año Nuevo
  2. año nuevo
/niwˈjarskart/
noun
1. een kaart die verstuurd wordt voor Nieuwjaar met nieuwjaarswensen
tarjeta para felicitar el nuevo año
/niu̯s/
noun
  1. 1. actuele ontwikkelingen
  2. 2. een uitzending in de media waarin berichten over actuele ontwikkelingen worden verspreid aan het publiek
noticias
noun
agencia de noticias
noun
1. mededeling van nieuws, gecommuniceerd via de media
informe
noun
1.een regelmatige publicatie
  1. boletín informativo
  2. carta informativa
  3. hoja informativa
/ˈniu̯sˌɣirəx/
adjective
1. verlangend om iets te weten of waar te nemen
curioso
noun
  1. neolengua
  2. nuevahabla
noun
1. een zeer recent nieuwsbericht
  1. noticia
  2. novedad
  3. nueva
adverb
1. nergens
en ninguna parte
verb
1. plotselinge, krachtige uitademing om de neus te reinigen van prikkelende stoffen
estornudar
/'ni.ɣər/, /'ni.χər/
pronoun
  1. 1. land in West-Afrika
  2. 2. een rivier in West-Afrika
Níger
/ni.'ɣeː.ri.ja/, /ni.'χɪː.ri.ja/
pronoun
1. een land in West-Afrika
Nigeria
noun
naira nigeriana
noun
1. zelfstandig denker die vindt dat voor werkelijke verbetering dingen die nu...
nihilista
noun
1. een scheikundig element met het symbool Nh en het atoomnummer 113
nihonio
/nɛɪt/
noun
1. grondige afkeer
envidia
noun
1. buiging als beleefde groet
reverencia
noun
1. groot en zwaar in Afrika levend zoogdier, Hippopotamus amphibius
hipopótamo
pronoun
Nimega
verb
  1. pellizcar
  2. pinzar
adjective
1. hard werkend
  1. diligente
  2. laborioso
  3. trabajador
noun
industria
noun
nicáb
noun
1. Chemisch element
níquel
noun
batería de níquel cadmio
noun
batería de níquel e hidruro metálico
noun
batería de níquel hidrógeno
noun
  1. 3. wolk
    nimbo
  2. 1. stralenkrans
    1. nimbo
    2. aureola
noun
    1. 1. wezen dat rivieren, bossen enz. bewoont
    2. 2. bekoorlijk meisje
    ninfa
  1. 4. insect in de tweede toestand van gedaanteverwisseling
    1. ninfa
    2. crisálida
adverb
1. op geen enkel moment
nunca
/niˈjobijʏm/
noun
1. Chemisch element
niobio
/nɪs/
noun
1. een inham in een muur
  1. nicho
  2. hornacina
noun
  1. 1. een zout van salpeterzuur dat het ion NO₃− bevat
  2. 2, een ester van salpeterzuur
nitrato
noun
nitración
noun
1. een verbinding van stikstof waarin dit element in de oxidatietoestand -3 optreedt
nitruro
noun
1. een zout dat het ion NO₂− bevat
nitrito
noun
vloeibare springstof
nitroglicerina
pronoun
Niue
noun
1. de rang in een hiërarchie, stadium van ontwikkeling, enzovoort
nivel
noun
conjunto de nivel
verb
1. gelijk maken, op gelijk niveau brengen
nivelar
/ˈnivoˌmetər/
noun
1. een toestel dat de hoeveelheid gevallen sneeuw (d.i. vaste neerslag) meet
nivómetro
pronoun
Noé
noun
1. scheikundig element
nobelio
noun
1. een jaarlijkse geldprijs voor wetenschappers en anderen die een opmerkelijke prestatie hebben geleverd
  1. Premios Nobel
  2. Premio Nobel
conjunction
ni
noun
nocturno
verb
invitar
/'no.dəx/
adjective
1. waar behoefte aan is
necesario
adjective
nodular
verb
1. met een naam aanduiden
  1. apellidar
  2. denominar
noun
1. het getal onder de streep van een breuk
denominador
adverb
todavía
noun
  1. almendrado
  2. nougat
  3. turrón
/'nɔ.ɣɑl/
adverb
1. tamelijk, in aanzienlijke mate
  1. bastante
  2. algo
  3. un poco
adverb
otra vez
noun
3. uitstulpingen aan as
leva
noun
1. as met nokken
árbol de levas
noun
nómada
noun
nomenclatura
adjective
nominal
noun
nominación
noun
1. een eerste van de 8 naamvallen van de Indo-Europese talen
  1. nominativo
  2. caso nominativo
  3. nominal
verb
nominar
/nɔn/
noun
inwoonster van een vrouwenklooster
monja
phraseologicalUnit
non bis in idem
noun
bebidas no alcohólicas
adjective
no binario
noun
1.iemand die zich niet aanpast aan de geldende regels en opinies
inconformista
adjective
inconformista
noun
Tratado de No Proliferación Nuclear
noun
1. C₉H20
nonano
adjective
1. achteloos, onbekommerd
  1. descuidado
  2. negligente
noun
1. nonius
  1. nonio
  2. nonius
/ˈnɔŋkəɫ/
noun
1. broer of zwager van iemands vader of moeder
tio
noun
  1. colegio de monjas
  2. escuela de monjas
noun
2. soort eend, Mergellus albellus
serreta chica
noun
tontería
noun
1.
monja
noun
  1. 1.
    1. emergencia
    2. desastre
    3. miseria
  2. 2.
    necesidad
noun
generador de emergencia
adjective
  1. indigente
  2. menesteroso
  3. necesitado
  4. pobre
noun
  1. caso de emergencia
  2. caso de urgencia
noun
aterrizaje de emergencia
adjective
  1. fatal
  2. siniestro
noun
estado de emergencia
noun
1. een tijdelijk verband gebruikt door de EHBO
venda de emergencia
adjective
1. erg nodig
necesario
noun
obligatoriedad
verb
  1. forzar
  2. obligar
/ˈnoːit/
adverb
1. op geen enkel moment
  1. nunca
  2. jamás
  3. no ... nunca
/nɔːrt ˈafrɪkɑ/, /nɔːrt ˈɑfrɪkɑ/
pronoun
gedeelte van het Afrikaanse continent ten noorden van de Sahara
África del Norte
pronoun
het continent dat ten noorden van [[Zuid-Amerika]] ligt, tussen de Grote, Arctische en de Atlantische Oceaan
  1. América del Norte
  2. Norteamérica
/noːrd.ˈbra.bɑnt/, /no̝ːrd.ˈbra.bɑnt/, /ˌnoːrd.bra.bɑnd/
pronoun
1. een provincie in het zuiden van Nederland, die aan Gelderland, Limburg, Zeeland, Zuid-Holland en België grenst
Brabante Septentrional
/noːrt.ˈɦɔ.lɑnt/, /no̝ːr.ˈtɔ.lɑnt/, /ˈnoːrd.hɔ.lɑnd/
pronoun
1. een provincie in het noordwesten van Nederland, ...
Holanda Septentrional
/ˌnoːrt koˈre.ja/, /ˌno̝ːrt koˈre.ja/
pronoun
1. een land in Oost-Azië, officieel de Democratische Volksrepubliek Korea
Corea del Norte
noun
won norcoreano
pronoun
Renania del Norte-Westfalia
adjective
  1. boreal
  2. hiperbóreo
  3. norteño
  4. nórdico
  5. septentrional
noun
hemisferio boreal
adjective
  1. boreal
  2. hiperbóreo
  3. norteño
  4. nórdico
  5. septentrional
pronoun
islas Marianas del Norte
noun
1. windrichting
norte
pronoun
isla Norte
noun
1.
aurora boreal
pronoun
1. wordt beschouwd als het noordelijkste punt van het Europese vasteland
cabo Norte
/ˈnoːrtkrɔmp/
noun
1. bepaalde soort in zee levend schelpdier, Arctica islandica
almeja de Islandia
noun
  1. nordeste
  2. noreste
pronoun
1. Noordpool
  1. Polo Norte
  2. Polo Boreal
  3. Polo Ártico
noun
1,2,3. noordpool
polo norte
noun
círculo polar ártico
pronoun
1. een vorm van skisport waarbij de twee onderdelen van het Noords skiën, schansspringen en langlaufen, gecombineerd worden
combinada nórdica
noun
1. grote gestroomlijnde vinvis met brede platte U-vormige snuit, Balaenoptera borealis
  1. balena boba
  2. ballena sei
  3. rorcual boreal
  4. rorcual de Rudolphi
  5. rorcual del norte
  6. rorcual norteña
adverb
noroeste
noun
merluza norteamericana
noun
  1. nordoeste
  2. noroeste
/ˈnoːrdzeː/, /ˈnoːrtseː/, /ˈno̝ːrtse/
pronoun
1. zee tussen Groot-Brittannië, Noorwegen, Denemarken, Duitsland, Nederland en België
  1. mar del Norte
  2. Mar del Norte
noun
buey de mar
/noːrs/, /no̝ːrs/
adjective
1. betreffende Noorwegen en/of het Noors
  1. noruego
  2. noruega
/noːrs/, /no̝ːrs/
pronoun
1. de taal die wordt gesproken in Noorwegen
noruego
noun
corona noruega
/ˈnoːrˌweɣə(n)/, /ˈnoːrˌβ̞eɣə(n)/, /ˈno̝ːrˌʋeχə(n)/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa
Noruega
/noːt/
noun
1. (kookkunst) eetbaar, oliehoudend zaad, kern of pit met harde dop
nuez
noun
1. en 2. (gepeld) zaad van de nootmuskaatboom Myristica fragrans
nuez moscada
noun
  1. film alveolar
  2. papel burbuja
  3. plástico de burbujas
noun
1. gevangenis
talego
noun
  1. mostense
  2. premonstratense
noun
1. sport waarbij gelopen wordt met aangepaste skistokken
caminata nórdica
pronoun
  1. 4. taal
    Norfolk
  2. 1. eiland
    1. Norfolk
    2. isla Norfolk
    3. isla de Norfolk
noun
  1. norma
  2. directriz
  3. normativa
/nɔrˈmaɫ/
adjective
  1. 2. als norm dienend
    normal
  2. 1. gangbaar, gewoon
    1. regular
    2. corriente
    3. normal
    4. ordinario
noun
fuerza normal
noun
distribución normal
noun
1. in overeenstemming brengen met een norm
normalización
noun
normalidad
/nɔrˈmɑndɪə/
pronoun
1. streek in het noorden van Frankrijk
Normandía
verb
normar
adjective
1. onvriendelijk en zwijgzaam, kortaf
  1. hosco
  2. brusco
  3. áspero
noun
  1. nostalgia
  2. añoranza
  3. morriña
noun
  1. 2.
    apunte
  2. 1.
    1. nota
    2. factura
adjective
notarial
noun
1. jurist die bevoegd is om authentieke akten op te maken
notario
noun
notación
noun
1. set van vijf lijnen
  1. pentagrama
  2. pentágrama
noun
1. een boomsoort uit het geslacht Juglans
  1. nogal
  2. árbol de nogal
adjective
pardo nuez
noun
cascanueces
noun
1. muzieknotatiesysteem
notación musical
verb
1. aantekeningen maken
  1. anotar
  2. apuntar
  3. notar
noun
cotización
adjective
nocional
noun
  1. nota
  2. acotación
  3. apunte
noun
1. aantekenboekje met afscheurbare blaadjes
  1. bloc de notas
  2. bloc
noun
1. algemene bekendheid
notoriedad
noun
1. een verslag van een bijeenkomst
acta
noun
secretario
adverb
1. op dit moment
ahora
noun
nuevo rico
noun
1. schuldvernieuwing
novación
noun
1. de elfde maand van het jaar
noviembre
pronoun
Revolución de Noviembre
noun
  1. novicio
  2. novato
noun
novedad
adverb
1. op het huidige tijdstip
  1. ahora
  2. ya
adverb
1. op onregelmatige tijden
de vez en cuando
noun
1. een minimaal verschil
matiz
/nɵxtər/
adjective
1. niet onder de invloed van iets bedwelmends, vooral alcohol
sobrio
adjective
nuclear
noun
1. negatief geladen (deel van) molecuul
nucleófilo
noun
nucleótido
/nykleʏs/
noun
1.
núcleo
noun
  1. ácido nucleico
  2. ácido nucleínico
adjective
2. te fijngevoelig
  1. dengoso
  2. gazmoño
  3. melindroso
  4. mojigato
/nɵl/
cardinalNumeral
1. getal
  1. cero
  2. nada
noun
  1. punto cero
  2. zero
noun
energía del punto cero
noun
vector nulo
/ˈnumeɾi/
pronoun
Números
adjective
1.
numérico
adjective
numinoso
noun
1. de munt- en penningkunde
numismática
/ˈnʏmər/
abbreviation
1. een aanduiding met een getal
número
noun
1. een op een voertuig aangebracht teken met een registratienummer
matrícula
verb
numerar
noun
numeración
noun
1. metalen of kunststoffen plaat aangbracht op een voertuig met het kenteken ervan
  1. chapa de número
  2. matrícula del automóvil
  3. placa del coche
noun
1. een geïsoleerde bergtop, -rand of -piek in een gebied met permanente ijsbedekking, die vrij is van sneeuw en ijs.
nunatak
noun
1.
nunciatura
noun
1.
  1. nuncio
  2. nuncio apostólico
  3. nuncio papal
/nʏt/
noun
1. baat, voordeel
  1. utilidad
  2. provecho
  3. ventaja
noun
  1. nutriente
  2. nutrimento
adjective
1. zonder voordeel
inútil
adjective
útil
/'nɵtəɣə(n)/
verb
1. voedsel gebruiken
  1. consumir
  2. ingerir
pronoun
1.
Nuuk
adjective
  1. nailon
  2. nilón
noun
ninfomanía
noun
1. de vijftiende letter van het alfabet
o
noun
2. afwijking van de normale stand van de benen, waarbij de knieën naar buiten staan
piernas arqueadas
noun
  1. O-ring
  2. junta tórica
pronoun
Oahu
/o'azə/
noun
1. plek in een woestijn waar water voorhanden is en vegetatie groeit.
oasis
/oˈbɑtja/
pronoun
2. boek in de Bijbel
Obadías
noun
obediencia
noun
1. een bediende in een restaurant of café
  1. camarero
  2. mesero
noun
1. vetzucht
obesidad
noun
obituario
noun
código objeto
adjective
orientado a objetos
noun
objeción
adjective
2. onpartijdig, volgens de feiten, neutraal
  1. objectivo
  2. objetivo
noun
1. lens
objetivo
noun
objetivismo
noun
objetividad
/ˈo.blɑst/
noun
óblast
noun
barquillo
adjective
oblongo
noun
oblongo
adjective
obsceno
noun
1. een onzedelijke uiting of handeling
obscenidad
noun
  1. obscurantismo
  2. oscurantismo
noun
obscuridad
verb
1. in buitensporige, ziekelijke mate boeien
obsesionar
noun
1. iemand die observeert, een observator, waarnemer
observador
noun
observancia
noun
1. waarneming
observación
noun
puesto de observación
noun
1. (beroep) iemand die observeert (waarnemingen doet)
observador
noun
observatorio
noun
observadora
verb
1.gericht via de zintuigen van iets kennis nemen
  1. observar
  2. atalayar
noun
1. dwangvoorstelling
obsesión
adjective
obsesivo
adjective
obsesivo-compulsivo
noun
trastorno obsesivo-compulsivo de la personalidad
adjective
obsoleto
noun
1.
obstáculo
noun
1. moeilijke stoelgang
estreñimiento
noun
1. verstopping
  1. obstrucción
  2. estreñimiento
adjective
obstructivo
verb
1. een factor vormen die een gebeurtenis of handeling (bijna) onmogelijk maakt
obstruir
noun
1. (muziekinstrument) een fluit die veelal gemaakt wordt van gebakken klei
ocarina
adjective
1. nu en dan voorkomend
ocasional
adjective
occipital
pronoun
1. een taal die in het zuiden van Frankrijk gesproken wordt
  1. occitano
  2. occitana
noun
1. een zeer grote zee tussen verschillende werelddelen
océano
adjective
azul océano
/oseˈjani.jə/, /oseˈjaːni.jə/
pronoun
1. de collectieve naam voor een groot aantal eilanden in de Stille Oceaan...
Oceanía
noun
1. bepaald soort zoogdier, Leopardus pardalis
  1. ocelote
  2. manigordo
  3. cunaguaro
  4. gato onza
  5. tigrecillo
  6. tigrillo
noun
oclocracia
noun
1. eerste deel van de dag, tussen ca. 6.00 en 12.00 uur
  1. mañana
  2. madrugada
  3. AM
/ˈɔxtəntblɑt/
noun
1. een krant die 's morgens vroeg wordt bezorgd
  1. diario matutino
  2. periódico matutino
noun
  1. alba
  2. albor
  3. aurora
noun
  1. bata
  2. ropa de casa
/ˈɔxtəntkrɑnt/
noun
1. een blad dat 's morgens vroeg wordt bezorgd
  1. periódico matutino
  2. diario matutino
verb
1. de eerste maaltijd van de dag nuttigen
desayunar
noun
1,2,3. toontrap, interval en toonhoogtereeks
octava
adjective
octal
noun
1. C₈H18
octano
noun
  1. número de octano
  2. índice de octano
/ɔkta'ʔedər/
noun
1. een regelmatig achtvlak, een ruimtelijke figuur begrensd door acht gelijkzijdige driehoeken
octaedro
adjective
octogonal
noun
1. achtarmige inktvis
  1. pulpo
  2. octópodo
adjective
1. met betrekking tot het oog
ocular
noun
oda
pronoun
  1. Odesa
  2. Odessa
adjective
odioso
noun
odontoblasto
pronoun
Odiseo
noun
1. een beweging
ecumenismo
noun
1. (medisch) waterzucht
  1. edema
  2. hidropesía
verb
1. proberen zonder fouten uit te voeren
  1. practicar
  2. ejercitar
noun
1. test om de kennis te peilen
  1. ejercicio
  2. práctica
noun
muñeco de ejercicios
/u.'ɣɑn.da/, /u.'χɑn.da/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika, officieel de Republiek Oeganda
Uganda
noun
chelín ugandés
pronoun
  1. idioma uigur
  2. uigur
/ukraˈɦins/, /ukraˈʔins/
pronoun
1. een Slavische taal die in Oekraïne gesproken wordt
  1. ucraniano
  2. ucranio
noun
1. munteenheid van Oekraïne
grivna ucraniana
/ukraˈɦinə/, /ukraˈʔinə/
pronoun
1. een land in Oost-Europa met als hoofdstad Kiev
Ucrania
/ˌenoloˈɣi/
noun
1. de wetenschap van de wijnbereiding
enología
pronoun
  1. montes Urales
  2. río Ural
noun
een bos dat van oudsher bestaat
  1. bosque primario
  2. bosque virgen
noun
protozoo
noun
2. protozoa
Protozoos
/ˈuːrknɑl/
noun
1. de volgens de bigbangtheorie enorme explosie waaruit het heelal zo'n 13,7 miljard jaar geleden zou zijn ontstaan
big bang
noun
teoría del Big Bang
noun
  1. mar primordial
  2. océano primordial
/ˈuː.rɔs/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Bos primigenius
uro
noun
caldo primordial
noun
  1. jungla
  2. selva
  3. selva virgen
/uˈsʲɑŋka/
noun
1. muts
  1. ushanka
  2. shapka-ushanka
noun
1. tweekleppig weekdier uit de familie Ostreidae met onregelmatige schelpkleppen
ostra
noun
1. bepaald soort eetbare paddenstoel die meestal groeit op de stam van een loofboom, Pleurotus ostreatus
orellana
noun
1. een vrouwelijk hormoon
estrógeno
noun
1. waterkant
  1. ribera
  2. orilla
noun
1. bepaald soort kleine vogel uit het palearctisch gebied, Actitis hypoleucos
andarríos chico
noun
  1. avión zapador
  2. golondrina zapadora
pronoun
1. een taal die verwant is aan het Turks en die door de Oezbeken gesproken wordt
uzbeco
noun
som uzbeko
/us.ˈbe.kɪ.stɑn/, /uz.ˈbe.kɪ.stɑn/
pronoun
1. een land in centraal Azië, officieel de Republiek Oezbekistan, dat geheel door land wordt omsloten
Uzbekistán
conjunction
  1. 1. keuze
    1. o
    2. u
  2. 2. onzekerheid
    si
adjective
1. aanvallend
ofensivo
noun
1.
ofensiva
noun
1. een gave aan een godheid
  1. sacrificio
  2. libación
verb
  1. 2. doden van een dier
    1. inmolar
    2. sacrificar
  2. 1. wijden aan
    1. sacrificar
    2. ofrendar
pronoun
Eid al Adha
/ɔ'fɛrtə/
noun
1. een aanbieding van goederen of diensten tegen een vaste prijs
oferta
noun
ofertorio
noun
funcionario
adjective
1. erkend door bevoegd gezag
oficial
noun
1. iemand die een rang in het leger bekleedt die hem of haar het bevel over...
oficial
adjective
oficioso
verb
oficiar
verb
1. aanbieden, specifiek het aanbieden van een dienst of product door een bedrijf
ofrecer
conjunction
aunque
/ɔfˈtɑɫmis/
adjective
1. met betrekking tot het oog en/of de ziekten ervan.
oftálmico
noun
1. de tak van de medische wetenschap die zich met het oog en het zicht bezig houdt
oftalmología
noun
oftalmólogo
noun
1. Een bepaald tijdstip
momento
adjective
  1. aparente
  2. aparentemente
noun
ogro
noun
ojiva
noun
1. ohm
ohmio
noun
1. groot zoogdier dat nauw verwant is aan de giraffe
okapi
noun
1. een mineraal dat als gele of oranje kleurstof gebruikt wordt
ocre
adjective
pardo ocre
adjective
amarillo ocre
noun
1. walnoot
nogal común
noun
  1. gombo
  2. quingombó
noun
  1. ambón
  2. coro alto
  3. tribuna
noun
1. holte tussen de arm en de romp
  1. axila
  2. sobaco
noun
1. beharing in de holte tussen de bovenarm en de romp
vello axilar
noun
1. de tiende maand van het jaar
octubre
pronoun
Revolución de Octubre
interjection
1. goed, in orde
  1. vale
  2. de acuerdo
noun
1. bepaalde soort sierplant, Nerium oleander
adelfa
noun
olefin
noun
1. vettige vloeistof
  1. aceite
  2. óleo
noun
crisis del petróleo
noun
filtro de aceite
adjective
oleaginoso
noun
palma de aceite
noun
oleoducto
noun
raffinage van aardolie
refinación del petróleo
noun
1. een sedimentair fijnkorrelig gesteente dat organische en chemische stoffen bevat en waar synthetisch olie en gas uit gewonnen kan worden
  1. esquisto bituminoso
  2. lutita bituminosa
  3. pizarra bituminosa
noun
unción
noun
yacimiento petrolífero
noun
1. het belangrijkste enkelvoudig onverzadigde vetzuur met brutoformule C18H34O₂
ácido oleico
noun
1. groot dikhuidig en veelhoevig zoogdier met een lange slurf
elefante
noun
elefantiasis
noun
oligarca
noun
oligarquía
/ˌoliɣoˈsen/
noun
Oligoceno
noun
1. stof met beperkt aantal gelijke delen
oligómero
noun
oligopolio
/oˈlɛɪf/, /oˈlɛːf/
noun
1. een vrucht van de olijfboom
  1. aceituna
  2. oliva
noun
Monte de los Olivos
noun
1. bepaald soort boom, Olea europaea
  1. olivo
  2. aceituno
adjective
pardo oliva
noun
Oleáceas
adjective
amarillo oliva
adjective
gris oliva
adjective
verde oliva
/oˈlɛɪ̯fkløːrɪx/, /oˈlɛɪ̯fklʏːrəχ/, /oˈlɛːfkløːrəx/
adjective
1. de kleur van olijven hebbend
  1. aceitunado
  2. cetrino
  3. verde oliva
noun
1. fijne spijsolie verkregen door persing uit olijven
aceite de oliva
noun
olivino
verb
1. met olie bewerken
  1. aceitar
  2. engrasar
noun
1. boom uit de iepenfamilie
olmo
adjective
olímpico
adjective
1. verband houdend met de Olympische Spelen
olímpico
/o.ˌlɪm.pi.sə.ˈspe.lə(n)/
pronoun
1. een vierjaarlijks sportevenement dat zijn oorsprong in de stad Olympia in de Griekse landstreek Elis heeft
Juegos Olímpicos
pronoun
1. evenement dat eens in de vier jaar wordt gehouden waarbij allerlei wintersporten competitief beoefend worden
Juegos Olímpicos de Invierno
pronoun
Olimpo
noun
1. moeder van een ouder
abuela
noun
rial omaní
/o.ˈman/, /ˈo.mɑn/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel het Sultanaat Oman
Omán
verb
1. de armen om iemand heen slaan
abrazar
adjective
gris sombra
noun
1. bepaald soort vis Argyrosomus regius
  1. corvina
  2. tímalo
  3. verrugato
verb
1. doden, om het leven brengen
matar
verb
  1. arquear
  2. doblar
  3. doblarse
  4. doblegarse
  5. encorvar
/ɔm.'dɑt/
conjunction
1. geeft onderschikkend een reden aan
  1. porque
  2. ya que
  3. puesto que
/ɔmdrajə(n)/
verb
1. twee zijden van iets van plaats doen verwisselen
  1. volver
  2. retorcer
noun
omega
noun
punto omega
noun
1. een gerecht dat bereid wordt door geklutste eieren te bakken
  1. tortilla
  2. omelette
  3. revuelto
adjective
empañado
verb
  1. rodear
  2. circundar
noun
  1. 2. processie
    procesión
  2. 1. de manier waarop mensen contact met elkaar hebben
    trato
adjective
  1. al revés
  2. inverso
verb
1. zich eromheen bevinden
rodear
verb
1. met een gordel omgeven
ceñir
adverb
1. om, rond, rondom, aan alle kanten, langs alle kanten
alrededor de
verb
1. aan alle kanten omsluiten
cercar
verb
1. de armen om iemand slaan
abrazar
verb
alzar
verb
remontarse
verb
omitir
verb
1. de andere zijde boven- of voorleggen
  1. revolver
  2. volver
verb
1. andere kleren aandoen
cambiar
verb
1. de scherpe punt van iets onschadelijk maken door om te vouwen
rebotar
/ˈɔmkomə(n)/
verb
1. bij een gebeurtenis het leven laten
perecer
/ˈɔmkopə(n)/
verb
1. (iemand ~) met behulp van geschenken, geld e.d. overhalen om van zijn plicht, partij, overtuiging te verzakent
  1. corromper
  2. sobornar
  3. cohechar
  4. untar
noun
soborno
noun
soborno
adverb
1. in neerwaartse richting
abajo
/ɔm'laːxan/
verb
1. naar beneden gaan
bajar
verb
3. een ander verloop geven
  1. conmutar
  2. desviar
verb
1. het uitzetten van een alternatief pad rondom een ontoegankelijk deel van de weg
  1. desviar
  2. derivar
noun
1. een aangegeven andere route
desvio
noun
    1. derredor
    2. giro
    3. rotación
    4. vuelta
  1. 5. wielercriterium
    1. giro
    2. vuelta
  2. 4. nagelriemontsteking, paronychia
    paroniquia
verb
  1. 1. via een omweg lopen
    1. circunvalar
    2. rodear
  2. 2. de hele kring om een middelpunt doorlopen
    orbitar
noun
1. kleine rondwandeling, korte tocht die weer bij het vertrekpunt eindigt
paseo
noun
1. de achterkant van een blad papier
  1. dorso
  2. revés
noun
revés
verb
1. omsluiten met een stenen muur
  1. cercar
  2. amurallar
noun
ómnibus
adjective
omnipresente
noun
1. alleseter, zowel plantaardig als dierlijk voedsel
omnívoro
verb
1. door praten van gevoelens doen veranderen
  1. convencer
  2. gitanear
  3. persuadir
verb
1. aan alle kanten omsluiten
  1. cercar
  2. alambrar
  3. encercar
verb
dar un rodeo
verb
1. aan alle kanten omgeven
  1. rodear
  2. cercar
  3. circundar
verb
  1. conmutar
  2. desviar
verb
1. in enige woorden een definitie ergens van geven
  1. definir
  2. describir
noun
  1. definición
  2. paráfrasis
verb
1. aan alle kanten omsluiten
  1. rodear
  2. cercar
  3. envolver
  4. acordonar
  5. acorralar
  6. encerrar
noun
  1. 2. een doek om een ziek lichaamsdeel
    compresa
  2. 1. het bekleedsel aan de buitenkant van een boek.
    tapa
verb
cavar
noun
mirón
adjective
  1. amplio
  2. largo
noun
coyuntura
noun
hoe de zaken er voorliggen
circunstancia
verb
1. iets met een slag om laten vallen
  1. derribar
  2. volcar
noun
  1. afuera
  2. alrededor
noun
  1. afueras
  2. alrededores
noun
  1. 1. de lengte van een gesloten kromme
    circunferencia
  2. 4. het gebied rondom een bepaalde plaats
    perímetro
preposition
2. aangaande
  1. acerca de
  2. concerniente a
  3. con relación a
  4. con respecto a
  5. en relación con
  6. por lo tocante a
noun
  1. 1. omtrek
    circunferencia
  2. 3. uitgestrektheid
    extensión
  3. 2. grootte
    1. tamaño
    2. magnitud
    3. volumen
/omˈvɑŋrɛik/
adjective
  1. abultado
  2. cuantioso
  3. grueso
verb
1. binnen zich insluiten
  1. incluir
  2. abarcar
verb
2. een einde maken aan een bewind
  1. derrocar
  2. abayuncar
/ˈɔm.vɔl.kɪŋ/
noun
gran reemplazo
noun
1.
convertidor
verb
  1. doblar
  2. plegar
noun
2. wal om een vesting, stad e.d
  1. baluarte
  2. muralla
/ˈɔmʋɛx/
noun
1. de weg die langer is dan de gewone of kortste verbinding tussen twee plaatsen
rodeo
noun
1. politieke revolutie
revolución
verb
trastornar
verb
2. behoedzaam ontwijken
esquivar
noun
movimiento de caja
/ˈɔm.zɛ.tə(n)/
verb
  1. 2. verwisselen met een andere geldwaarde
    1. convertir
    2. cambiar
  2. 3. veranderen
    1. convertir
    2. transformar
noun
  1. conversor
  2. convertidor
/ˈɔmzɛtɪŋ/
noun
  1. conversión
  2. transformación
adjective
  1. cauto
  2. con cautela
  3. con prudencia
noun
  1. prudencia
  2. cautela
  3. circunspección
  4. parsimonia
  5. recato
prefix
1. toegevoegd aan een bijvoeglijk naamwoord drukt dit voorvoegsel het tegendeel uit.
des-
adjective
  1. antipático
  2. bronco
  3. brusco
adjective
descuidado
adverb
ininterrumpido
adjective
  1. inacabado
  2. inconcluso
adjective
1. geen verbinding hebbend met
independiente
noun
  1. autonomía
  2. independencia
noun
guerra de independencia
noun
declaración de independencia
adjective
1. helemaal bij elkaar horend
inseparable
noun
  1. onagro
  2. asno salvaje asiático
  3. hemión
adjective
1. eigen voordeel verwaarlozend ten behoeve van anderen
desinteresado
adjective
  1. con timidez
  2. tímido
adjective
no intencionado
adjective
incapaz
adverb
1. niet of zeer moeilijk te begrijpen, rationeel niet te volgen, onlogisch
incomprensible
noun
incomprensión
adjective
1. niet behorend tot de kennis
  1. ignoto
  2. desconoscido
noun
1.
desconocido
adjective
  1. antipático
  2. desagradable
adjective
  1. incapacitado
  2. incapaz
  3. incompetente
adjective
1. slecht gemanierd
  1. descortés
  2. maleducado
noun
1. onethisch gedrag dat geen rekening houdt met een ander
incorrección
adjective
libre
adjective
3. het is niet duidelijk om wie of wat het gaat
  1. indefinido
  2. indeterminado
noun
  1. artículo indefinido
  2. artículo indeterminado
noun
1. de onverbogen werkwoordsvorm die naar persoon en getal onvervoegd is
infinitivo
adjective
ilimitado
adjective
irracional
adjective
inalcanzable
adjective
intransitable
adjective
intacto
noun
  1. arrogancia
  2. inmodestia
  3. presunción
  4. pretenciosidad
adjective
injugable
adjective
  1. indefinido
  2. vago
adjective
  1. inconstante
  2. movible
adjective
  1. atolondrado
  2. liviano
adjective
indecente
adjective
1. niet te vertrouwen
sospechoso
adjective
1.
innavegable
adjective
1.
despoblado
adjective
  1. infecundado
  2. infertilizado
adjective
inamovible
/'ɔmbə'wexələk/
adjective
  1. 2. niet bewogen kunnen worden
    fijo
  2. 1. zonder enige beweging
    inmóvil
adjective
impasible
adjective
  1. deshabitado
  2. desierto
  3. despoblado
adjective
1. zonder kennis van te nemen
inconsciente
adjective
atolondrado
noun
1. het niet langer gebruiken van iets
desuso
noun
1. een medisch specialist die zich bezighoudt met de gezwelgroei, in het bijzonder met kanker
oncólogo
noun
1. middel dat de groei van gezwellen remt
oncolítico
adjective
incondicional
adjective
1. zonder erkentelijk te zijn voor ontvangen hulp of producten
  1. ingrato
  2. desagradecido
preposition
ondanks dat
  1. a pesar de
  2. pese a
  3. a despecho de
noun
1.een middel tegen misselijkheid en braken door chemotherapie,door bestraling en na operaties
ondansetrón
adjective
antidemocrático
/ˈɔn.dər/
preposition
1. niet gesorteerd
abajo
/ˌɔndərˈɑrṃ/
noun
1. gedeelte van de arm tussen de elleboog en de hand
antebrazo
noun
1. het geheel van processen dat zich in iemands geest afspeelt en waar deze zich niet van bewust is
subconsciencia
verb
1. actie ondernemen om een in gang zijnd proces tot staan te brengen
interrumpir
/ɔn.dər.ˈbre.kɪŋ/, /ɔn.dər.ˈbreː.kɪŋ(g)/
noun
  1. 2. een kort ophouden van bezigheden als pauze
    intermisión
  2. 1. een tijdelijk staken van activiteit door een onverwachte gebeurtenis
    1. pausa
    2. interrupción
noun
1. kledingstuk dat onder de gewone broek wordt gedragen
  1. slip
  2. calzón
noun
1. het gedeelte van de buik dat het dichtste bij de benen is
abdomen
noun
súbdito
noun
1. plaats waar men kan verblijven of schuilen
  1. cobijo
  2. refugio
/ˌɔndərˈdanəx/
adjective
1. gehoorzaam aan een leider
  1. sumiso
  2. dócil
  3. obediente
/ˈɔndərde:l/
noun
1. deel van een groter geheel
componente
verb
2. zwichten
sucumbir
noun
1. onderdominant
subdominante
verb
1. onder een vloeistofoppervlak laten zakken
  1. sumergir
  2. sumir
verb
1. een wens, verlangen, uiting of ontwikkeling eventueel met geweld tegengaan
  1. oprimir
  2. ahogar
  3. reprimir
  4. sofocar
noun
  1. opresor
  2. represor
noun
1. onder water duiken
  1. buceo
  2. inundación
  3. sumersión
verb
  1. 1. onder water gaan
    1. bucear
    2. sumergirse
    3. sumirse
  2. 2. in de illegaliteit treden
    1. esconderse
    2. ocultarse
/ˈɔndərˌdœykər/
noun
1. een persoon die zich schuil houdt
escondido
verb
1. onderhevig gemaakt worden
  1. padecer
  2. sufrir
  3. perecer
  4. vivir un hecho
  5. vivir un suceso
noun
  1. 2-3.
    1. decadencia
    2. baja
  2. 1.
    puesta
adjective
  1. 1. van minder belang
    secundario
  2. 2. aan iemand onderworpen
    1. subalterno
    2. inferior
    3. súbdito
noun
  1. 1. die het bericht ondertekend heeft
    abajofirmante
  2. 2. (schertsend) in verwijzing naar zichzelf
    menda
noun
fermentación baja
/ˈɔn.dər.ˌɣud/, /ˈɔn.dər.ˌɣut/, /ˈɔn.dər.ˌχut/
noun
1. kleding die direct op het lichaam gedragen wordt, doorgaans nog onder andere kleding
ropa interior
verb
de basis waarop iets rust eronder vandaan halen
  1. socavar
  2. minar
noun
1.de grond onder de oppervlaktelaag
subsuelo
adjective
subterráneo
noun
negociador
verb
1. overleggen om tot een afspraak te komen
negociar
/ɔndər'ɦɑndəlɪŋ/
noun
1. een proces van overleg waarbij partijen trachten tot een voor beiden aanvaardbare afspraak te komen
negociación
noun
1. de tafel aan welke men de onderhandelingen voert
mesa de negociaciones
noun
camiseta
noun
  1. 2. een gesprek waarin ...
    entrevista
  2. 1. handelingen verricht om iets in goede staat te houden.
    1. mantenimiento
    2. manutención
verb
1. zorgen dat iets in goede staat blijft
mantener
adjective
1. aangenaam vermaak gevend
divertido
adjective
1. onder de huid gelegen
subdérmico
verb
subarrendar
noun
1. de onderste kaak
  1. mandíbula inferior
  2. mandíbula
noun
lado inferior
/ˈɔndərkledɪŋ/
noun
1. kleding die onder de zichtbare kledingstukken wordt gedragen
ropa interior
noun
hipotermia
noun
hospedaje
noun
1. gouverneur van een land of een provincie die als vervanger van de monarch optreedt
virrey
noun
1. iemand die zich overdreven slaafs opstelt
  1. esquirol
  2. esquirolla
adjective
1. tussen de betrokken partijen
  1. recíproco
  2. mutuo
adverb
1. op onderlinge wijze
  1. entre sí
  2. mutuamente
noun
labio inferior
noun
empresaria
verb
1. een bedrijf of actie in werking stellen
  1. emprender
  2. acometer
noun
1.
empresario
noun
1. een organisatie
  1. empresa
  2. negocio
/ɔn.də.'rɔn.s<sup>j</sup>ə/
noun
  1. conversacion secreta
  2. reunión intima
adjective
1. van landen en gebieden dat er weinig economische en/of culturele activiteit is
subdesarrollado
/ˌɔndərɔntˈʋɪkəltɦɛɪt/
noun
1. een toestand van achterstand in ontwikkeling
subdesarrollo
noun
prenda
noun
1. de voorziening van opleidingen of lessen
enseñanza
verb
1. onderwijzen
  1. culturizar
  2. enseñar
noun
  1. diferencia
  2. distinción
  3. diversidad
verb
  1. 2. iemands bijzonder gedrag erkennen, bijvoorbeeld middels een medaille
    condecorar
  2. 4. zich onderscheiden
    1. diferenciarse
    2. distinguirse
    3. lucirse
    4. portarse
  3. 1. een verschil in aanmerking nemen
    1. distinguir
    2. discernir
noun
  1. 1. handtekening
    firma
  2. 2. tekst onder een afbeelding
    1. leyenda
    2. subtítulo
adverb
1. verticaal omgekeerd
cabeza abajo
noun
  1. chasis
  2. armazón
verb
suponer
noun
hipótesis
verb
1. helpen, bijstaan
sostener
adjective
  1. apoyando
  2. sosteniendo
noun
  1. subvención
  2. sustentación
  3. sustento
verb
  1. firmar
  2. suscribir
noun
firma
/ˌɔndərˈtitələ(n)/
verb
1. ondertiteling aanbrengen
subtitular
noun
1. een geschreven vertaling die bij een film(pje) in beeld wordt gebracht
subtítulo
verb
desposarse
adverb
1. in de tussentijd
  1. mientras tanto
  2. entretanto
  3. entremedias
noun
1. iets geleerd hebben door iets te doen of mee te maken
experiencia
/ɔndərˈvut/
adjective
desnutrido
noun
desnutrición
/ɔndərˈvraxə(n)/
verb
1. iemand aan een intensieve reeks vragen onderwerpen
interrogar
verb
1. te weinig waarderen
subvalorar
/ɔndərˈwatər/, /ˈɔndərwatər/
adverb
subacuático
noun
arqueología subacuática
/ˌɔn.dər.ˈʋa.tər.ˌfo.to.χra.ˌfi/, /ˌɔn.dər.ˈβ̞a.tər.ˌfo.to.ɣra.ˌfi/
noun
1. een vorm van fotografie onder water
fotografía subacuática
/ˌɔndərˈwɛx/, /ˌɔndərˈʋɛχ/, /ˌɔndərˈβ̞ɛx/
adverb
1. bezig zijn zich van plek A naar plek B te verplaatsen
  1. en camino
  2. de camino
noun
  1. 1. de kringen van de criminaliteit
    hampa
  2. 2. het schimmenrijk van de doden
    1. inframundo
    2. infierno
noun
  1. 2. zinsdeel waarnaar de persoonsvorm zich richt en dat bijv. de handelende persoon of zaak beschrijft
    sujeto
  2. 1. waar iets over gaat, een thema
    1. tema
    2. sujeto
verb
1. gezag opleggen
  1. sojuzgar
  2. someter
  3. avasallar
  4. sujetar
adverb
1. in de tussentijd
  1. entretanto
  2. mientras
  3. mientras tanto
noun
1. de voorziening van opleidingen
  1. educación
  2. enseñanza
verb
1. scholing verzorgen voor iemand
  1. enseñar
  2. educar
adjective
1. gericht op het iemand wat aanleren
enseñando
noun
1. iemand die lesgeeft
maestro
noun
1. een oude benaming voor een vrouwelijke leraar op een lagere school of basisschool
maestra
adjective
sumiso
noun
  1. sujeción
  2. sumisión
noun
submarino
noun
1. een vaartuig dat onder het wateroppervlak kan varen
submarino
noun
2. voorwerp dat onder een met vloeistof gevuld glas gezet kan worden
posavasos
/ɔndər'zuːk/
noun
1. het onderzoeken van iets
investigación
verb
  1. investigar
  2. inquirir
  3. inspeccionar
noun
1. iemand die een onderzoek uitvoert
investigador
adjective
  1. 1. stout, ongehoorzaam
  2. 2. grappig en uitdagend
travieso
noun
monstruo
adjective
impermeable
adjective
opaco
adjective
insoportable
adjective
1. niet mis de verstaan, met slechts één betekenis
  1. inequívoco
  2. unívoco
verb
ondular
adjective
falso
adjective
  1. deshonesto
  2. tramposo
/ɔnˈɛiɣə(n)lək/
adjective
1. niet overeenkomend met de oorspronkelijke bedoeling
impropio
adjective
1. zonder einde
infinito
noun
  1. alteración
  2. desacuerdo
adjective
oneroso
adjective
1. ter zake nieuw
inexperto
adjective
1. Niet deelbaar door twee
impar
noun
2. zoogdieren met een oneven aantal tenen met hoeven, orde Perissodactyla
  1. Perissodactyla
  2. perisodáctilos
noun
1. ongewenste dieren, die de mens op een of andere manier last bezorgen
  1. alimañas
  2. bichos
adjective
indisciplinado
adjective
  1. 2. illegaal, zonder geldige verblijfsvergunning
    indocumentado
  2. 1. zonder vastlegging in blijvende vorm, zonder schriftelijk bewijs
    1. indocumentado
    2. no registrado
noun
impaciencia
adjective
  1. con soltura
  2. suelto
adjective
gratuito
adjective
franco
/ɔnɣə'hoːrzam/, /ɔnɣə'ɦoːrzam/, /ɔnχə'ɦo̝ːrzam/
adjective
1. niet bereid gehoor te geven aan gestelde regels
  1. desobediente
  2. indócil
noun
1. het niet opvolgen van opgelegde regels
desobediencia
adjective
1. niet getrouwd
soltero
adjective
inédito
adjective
  1. incoloro
  2. sin color
adjective
  1. 2. niet onderricht in lezen en schrijven
    analfabeto
  2. 1. niet belezen, hebbende een gebrekkige, literaire kennis
    1. inculto
    2. ineducado
/ˌɔnɣəˈlɛi̯k/, /ˌɔnχəˈlɛi̯k/
adjective
  1. 2. oneffen (van een weg)
    desigual
  2. 1. niet met elkaar overeenstemmend
    1. diferente
    2. desigual
    3. distinto
noun
desigualdad
adjective
heterogéneo
adjective
heterogéneo
noun
heterogeneidad
adjective
escaleno
noun
1.het niet geloven
incredulidad
adverb
1. geen geloof verdienend (omdat het onwaarschijnlijk overkomt)
incrédulo
noun
incredulidad
adjective
  1. con incredulidad
  2. descreído
  3. incrédulo
/ˈɔnɣəˌlɵk/, /ˈɔnɣəˌlʏk/
noun
1. een onvoorziene gebeurtenis met negatieve en soms zelfs fatale gevolgen
accidente
adjective
met een gevoel van bedroefde onvrede
  1. infeliz
  2. desafortunado
  3. desgraciado
  4. infortunado
  5. miserable
adverb
  1. desafortunadamente
  2. desgraciadamente
noun
número de mala suerte
noun
  1. 2. kwaal aan het lichaam
    achaque
  2. 1. onaangename verstoring
    1. molestia
    2. incomodidad
adverb
incómodo
noun
enojo
adjective
desparejado
adjective
sin refinar
adjective
sin levadura
adjective
absurdo
adjective
1. bezorgd dat iemand iets zal overkomen
intranquilo
adjective
  1. inadecuado
  2. incapacitado
  3. incapaz
  4. inepto
  5. inútil
adjective
asexual
adjective
2.
indispuesto
adjective
impune
adjective
anónimo
/ɔnɣəvɑl/
noun
1. een ongeluk
accidente
abbreviation
bij benadering
aproximadamente
adjective
1. zonder gevoel bij prikkeling van de zintuigen
  1. duro
  2. impasible
  3. insensible
adjective
  1. indeseable
  2. indeseado
adjective
1. van een persoon (meestal een kind) dat je hem niets kunt zeggen omdat hij toch niet luistert en geboden niet wil opvolgen
desobediente
adjective
  1. malsano
  2. morboso
adjective
  1. desfavorable
  2. adverso
  3. contrario
adjective
1. niet goed met de handen om kunnen gaan
  1. torpe
  2. desmañado
adjective
1. zonder mogelijkheid om ongedaan gemaakt te worden
  1. irrevocable
  2. definitivo
  3. irremediable
  4. rotundo
adverb
irremediablemente
adjective
  1. descortés
  2. grosero
  3. insolente
adjective
1. niet met de oren waarneembaar
inaudible
/ˈɔŋkəɫ/
noun
1. broer of zwager van iemands vader of moeder
tio
adjective
1. niet vatbaar voor omkoping en corruptie
  1. incorruptible
  2. insobornable
noun
1. planten die voorkomen op plekken waar ze niet gewenst zijn
  1. mala hierba
  2. maleza
noun
1. gif of andere methode om planten die op de verkeerde plaats staan uit te roeien
herbicida
adjective
  1. impuro
  2. liviano
  3. lujurioso
  4. obsceno
/ɔŋ.kʏn.dəx/, /ɔŋ.kʏn.dəχ/, /ɔŋ.kʏn.dɪx/
adjective
1. niet kundig, niet over kennis of vaardigheden beschikkend om iets bepaalds te kunnen
ignorante
/ɔnlaŋs/
adverb
1. recentelijk, niet lang geleden
  1. recientemente
  2. últimamente
adjective
ilegible
adjective
1. in verbintenis met het internet
en línea
noun
impotencia
noun
gula
noun
bárbaro
adjective
  1. 2. zonder omwegen
  2. 1. zonder uitstel
inmediato
adjective
  1. esencial
  2. imprescindible
  3. indispensable
adjective
1. waarover geen twijfel kan bestaan
  1. innegable
  2. evidente
  3. inequívoco
adjective
1. niet te verwezenlijken
imposible
adjective
  1. impreciso
  2. impuntual
  3. indefinido
  4. inexacto
  5. vago
adjective
  1. 3. dwaas, naïef
    1. ingenuo
    2. abobado
    3. credulone
    4. crédulo
    5. cándido
    6. incauto
  2. 4. onbeduidend
    insignificante
/ˌonomatoˈpe/
noun
1. door klanknabootsing gevormd woord
onomatopeya
adverb
abierto
adjective
  1. continuo
  2. incesante
adjective
1.
inadvertido
adjective
1.expres je anders voordoen dan je bent
insincero
adjective
involuntario
/ˈɔnovərˌɣɑŋkələk/, /ˌɔnovərˈɣɑŋkələk/
adjective
1. (van een werkwoord) zonder lijdend voorwerp waarop de werking van het werkwoord overgedragen wordt
  1. intransitivo
  2. neutro
noun
1. een werkwoord dat niet vergezeld kan worden door een lijdend voorwerp of een meewerkend voorwerp in een zin
verbo intransitivo
adjective
invencible
noun
neutralidad
noun
  1. alarma
  2. peligro
noun
injusticia
noun
1. schadeverwekkende inbreuk op een zorgvuldigheids- of rechtsnorm waardoor burgerrechtelijke aansprakelijkheid ontstaat
delito civil
adjective
injusto
adjective
injusto
adjective
irregular
noun
  1. anomalía
  2. irregularidad
adjective
  1. onzuiver, onkuis
    1. impuro
    2. inmundo
  2. vuil
    1. impuro
    2. sucio
adjective
1. nog niet volledig rijp
inmaduro
noun
1. niet-verplaatsbare zaak, bijv. grond, delfstoffen, beplantingen en opstallen
biene inmueble
noun
1. het verstoord zijn van de maatschappelijke of sociale orde, rust
  1. agitación
  2. desasosiego
  3. intranquilidad
possessivePronoun
1. van de 1e persoon meervoud
  1. nuestro
  2. nuestra
/ˌɔnsamə(n)ˈhɑŋənd/, /ˌɔnsamə(n)ˈhɑŋənt/
adjective
1. geen samenhangend geheel vormen
  1. incoherente
  2. inconexo
noun
inmunidad
/ɔnˈsxʏɫdəx/
adjective
1. niet schuldig
inocente
adjective
inmortal
noun
insustancialidad
adjective
1. moeilijk in toom te houden
  1. impetuoso
  2. efervescente
  3. violento
verb
1. overgaan in iets verkeerds
  1. degenerar
  2. abastardar
  3. bastardear
adjective
1.
deshuesado
/ɔntˈberə(n)/
verb
1. iets missen waaraan men grote behoefte heeft
carecer
noun
1. eerste maaltijd van de dag
desayuno
noun
desayuno-buffet
verb
1. de eerste maaltijd van de dag nuttigen
desayunar
noun
cereal para el desayuno
noun
pan de especias
verb
  1. 2. het uiteen (laten) vallen van een chemische stof in een aantal andere
    descomponer
  2. 1. een organisatie opheffen
    1. disolver
    2. rescindir
    3. resolver
verb
  1. anulando
  2. contramandando
/ɔndˈbladərə(n)/, /ɔntˈbladərə(n)/
verb
1. (een plant, boom, struik of gewas) van de bladeren ontdoen
defoliar
noun
defoliante
verb
1. een gebied ontdoen van het erop groeiende woud
deforestar
noun
deforestación
noun
ignición
noun
temperatura de inflamación
verb
1. niet aanwezig zijn terwijl dit wel zou moeten of verwacht wordt
faltar
/ɔntˈsɛɪ̯fərə(n)/, /ɔntˈsɛːfərə(n)/
verb
1. qua betekenis duiden
descifrar
/ɔnˈdɛ.kə(n)/
verb
  1. 1. ergens achter komen
    descubrir
  2. 2. een onbekend gebied verkennen en onderzoeken
    explorar
noun
1. het vinden van iets nieuws
descubrimiento
noun
exploración
verb
1. ophouden bevroren te zijn
  1. descongelar
  2. deshelar
/ɔnˈdœykə(n)/
verb
  1. 1. door zich te bukken, aan iets ontkomen
  2. 5. (om een onderwerp) ontsnappen
  3. de belasting ontduiken
  1. evadir
  2. evadirse
noun
  1. expropiación
  2. desposeimiento
adjective
  1. innumerable
  2. incontable
verb
1. van zijn of haar eer beroven
  1. deshonrar
  2. desprestigiar
noun
1.
desheredación
/ɔntəˈvredə(n)/
adjective
1. behoefte voelend om aanmerkingen te maken
  1. descontento
  2. insatisfecho
verb
1. iemand iets afhandig maken
birlar
verb
escapar
verb
  1. desespinar
  2. despinar
  3. espinar
noun
1. rituele toelating tot een studentencorps
novatada
verb
1. iemand gastvrij verwelkomen
  1. acoger
  2. agasajar
  3. recibir
adjective
1.verdreven van huis en haard
descolocado
noun
  1. franquicia
  2. liberación
verb
  1. 2. de gewijde functie van iets verwijderen
    desconsagrar
  2. 1. iets wat gewijd is schenden, onteren
    profanar
noun
1. schending van wat heilig is of heilig gevonden wordt
  1. sacrilegio
  2. violación
adjective
  1. desembarazado
  2. exento
  3. libre
verb
1. iemand doden door het hoofd van de romp te scheiden
  1. decapitar
  2. descabezar
  3. degollar
noun
  1. decapitación
  2. degüello
verb
  1. 2. bewust iets niet doen
    abstenerse
  2. 1. in het geheugen bewaren
    1. recordar
    2. retener
/ɔnt'ɦɑʊdɪŋ/
noun
1. het bewust niet een gewoonte of behoefte volgen
abstinencia
/ɔntˈɦɵlə(n)/, /ɔntˈɦʏlə(n)/
verb
  1. 1. van het hulsel ontdoen
    descubrir
  2. 2. openbaren van onbekende feiten
    1. revelar
    2. descubrir
    3. translucir
verb
revelador
adjective
1. verbijsterd, ontsteld
  1. consternado
  2. desconcertado
/ɔnt.ˈkɑl.kə(n)/, /ɔnt.ˈkɑɫ.kə(n)/
verb
1. kalk van een metalen oppervlak verwijderen
descalcificar
/ɔnt.ˈkɑl.kɪŋ/, /ɔnt.ˈkɑɫ.kɪŋ/
noun
1. het verwijderen van kalk van een metalen oppervlak
descalcificación
verb
1. verklaren dat het gestelde niet waar is
  1. negar
  2. desmentir
noun
1. handeling of uiting waarmee iemand kan laten weten dat iets niet waar is
  1. negación
  2. denegación
verb
desvestirse
verb
1. de kleur doen verdwijnen
decolorar
noun
desenlace
verb
descargar
noun
    1. 1.
    2. 2.
    descarga
  1. 3.
    explosión
verb
  1. 2. van verkeer
    desahogar
  2. 3. poepen
    desembarazar
  3. 1. een last verminderen
    1. eximir
    2. eximirse
verb
1. anatomiseren, analyseren
  1. diseccionar
  2. analizar
  3. anatomizar
  4. descomponer
noun
4.
análisis
noun
anatomía
verb
  1. 2. van elkaar verschillen
    1. diferir
    2. distinguirse
  2. 1. een bepaald lot vermijden
    1. escaparse
    2. evitar
verb
1. van luister of aanzien beroven
  1. amancillar
  2. deslucir
  3. manchar
verb
desflorar
verb
1. een geheel dusdanig in delen uiteennemen dat het niet meer als geheel fuctioneert
desguarnecer
verb
1. de ware aard laten zien van iets of iemand
desenmascarar
verb
1. de moed ontnemen
  1. desanimar
  2. desalentar
  3. abatir
noun
abatimiento
verb
1. met iemand kennismaken en een gesprek voeren
  1. encontrar
  2. hallar
noun
1. het toevallige samenkomen
encuentro
noun
1. plaats waar mensen elkaar kunnen ontmoeten
  1. lugar de encuentro
  2. lugar de reunión
  3. punto de encuentro
verb
1. zorgen dat iemand ergens niet meer over beschikt
quitar
noun
quitagrapas
noun
  1. morfogénesis
  2. ontogenia
  3. ontogénesis
/ɔntolo'gi/
noun
ontología
noun
ontólogo
verb
deshuesar
noun
deshuesador
noun
explosión
verb
  1. desenvolver
  2. desplegar
verb
desaconsejar
verb
1. de regelmaat verstoren
desajustar
verb
frustrar
adjective
1. een staat waarin een persoon verkeert als iets hem of haar emotioneel geraakt heeft
  1. conmovido
  2. emocionado
verb
1. gevoelens van medeleven, vertedering of getroffenheid oproepen
  1. conmover
  2. emocionar
  3. conmocionar
adjective
1. aandoenlijk, aangrijpend
  1. conmovedor
  2. enternecedor
verb
1. verwijderen van room van melk; aflaten van melk
  1. descremar
  2. desnatar
verb
1. een gebouw of gebied voorgoed verlaten en leeg achterlaten
  1. desalojar
  2. desocupar
  3. evacuar
noun
evacuación
verb
  1. descargar
  2. desembarcar
verb
1. van de schoonheid beroven
  1. afear
  2. desgraciar
verb
  1. 1. arbeidsovereenkomst beëindigen
    despedir
  2. 2. iemand ontslaan van een verplichting
    liberar
/ɔnt'slɑx/
noun
1. het verbreken van het dienstverband met een werknemer
  1. despido
  2. despedida
  3. destitución
noun
abdicación
verb
1. kleine organismen zoals bacteriën gericht doden
desinfectar
noun
desinfectante
noun
1. ontkomen aan gevangenschap
  1. escape
  2. evasión
noun
1. een weg of methode waarlangs men kan wegvluchten
ruta de escape
/ɔntˈspɑnə(n)/
adjective
  1. destensar
  2. distender
  3. relajar
verb
1. uit het aangelegde spoor geraken
descarrilar
verb
1.
  1. brotar
  2. entallecer
/ɔnt.ˈstan/
verb
1. de verandering ondergaan van niet bestaan naar wel bestaan
  1. nacer
  2. suscitarse
/ɔnt.'ste.kə(n)/
verb
  1. 1. in vlammen (doen) opgaan
    1. encender
    2. inflamar
  2. 3. geïnfecteerd raken
    1. infectarse
    2. inflammarse
noun
  1. 2. ontbranding
    1. encendido
    2. ignición
  2. 1. (medisch) ontsteking
    inflamación
  3. 3. systeem
    sistema de encendido
noun
  1. antiflogístico
  2. antiinflamatorio
verb
2. van stemming geraken
  1. desafinar
  2. desafinarse
verb
  1. 1. het van een schip verwijderen of verliezen van tuig en uitrusting
    desarmar
  2. 2. het demonteren van een installatie
    desmontar
/ɔn'trɛkɪŋ/
noun
1.
extracción
/ɔn'tronə(n)/
verb
1. iemand van de macht beroven
destronar
/ɔntʌxt/
noun
  1. 1. seks die tegen de heersende moraal ingaat
    1. fornicación
    2. impudicia
    3. libertinaje
  2. ontucht plegen
    fornicar
adjective
  1. impuro
  2. obsceno
/ɔndˈvaŋ(g)ə(n)/, /ɔntfɑŋə(n)/
verb
  1. 1. het verkrijgen van zaken zoals loon en berichten
    1. recibir
    2. aceptar
  2. 2. het op bezoek krijgen van gasten
    1. recibir
    2. acoger
noun
  1. concepción
  2. fecundación
noun
  1. 1. iemand aan wie...
    1. destinatario
    2. receptor
  2. 4. ontvangtoestel
    receptor
adjective
2. aan de voorwaarden voldoend
  1. aceptable
  2. admisible
  3. razonable
noun
receptividad
verb
  1. esconder
  2. ocultar
verb
desgrasar
adjective
inflamable
verb
1. vlam vatten
  1. deflagrar
  2. encenderse
  3. inflamarse
verb
1. door te vluchten aan iets ontkomen
  1. escaparse
  2. huir
noun
  1. raptor
  2. secuestrador
verb
1. wederrechtelijk en onder dwang iemand weghalen
  1. secuestrar
  2. raptar
noun
1. het, tegen iemands zin, wederrechtelijk verplaatsen van een persoon
  1. rapto
  2. secuestro
verb
1. niet meer abonneren
dejar de seguir
verb
despoblar
verb
  1. emancipar
  2. libertar de la tutela
verb
  1. 2. iets los vouwen
    1. desdoblar
    2. desplegar
  2. 1. iets verklaren
    1. exponer
    2. explicar
verb
  1. hurtar
  2. sustraer
verb
desarmar
verb
1. een moeilijk waarneembaar object beginnen waar te nemen
  1. divisar
  2. vislumbrar
  3. avistar
  4. distinguir
verb
  1. desenvolver
  2. desplegar
verb
1. vis, gevogelte of wild van de ingewanden ontdoen
  1. achurar
  2. eviscerar
noun
  1. diseño
  2. plan
  3. proyecto
noun
diseñador
noun
diseñadora
noun
trastorno de la personalidad por evitación
noun
  1. 1. iemand die ontwikkelt
    desarrollador
  2. 2. oplossing waarin belicht fotomateriaal...
    revelador fotográfico
adjective
2.
  1. culto
  2. desarrollado
  3. docto
  4. intelectual
/ɔntʋɪkələ(n)/
verb
    1. 1. iets ~ een aanwezige aanleg tot bloei brengen
    2. 4. ontwerpen en uitvoeren op basis van onderzoek
    1. desarrollar
    2. desarrollarse
  1. 2. zich ~ tot geleidelijk iets worden
    desarrollarse
  2. 3. een film ~ het latente beeld van een belicht fotografisch materiaal chemisch zichtbaar maken
    1. revelar
    2. desarrollar
noun
1. geleidelijke verandering in een zekere richting
desarrollo
noun
  1. morfogénesis
  2. ontogenia
  3. ontogénesis
noun
país en desarrollo
noun
psicología del desarrollo
noun
cooperación al desarrollo
noun
trastorno del desarrollo
verb
  1. desarticular
  2. desquiciar
noun
verwonding door losmaking uit het gewricht
  1. luxación
  2. dislocación
/ɔntˈzɑx/, /ɔntˈzɑχ/
noun
respeto
verb
  1. 2. afzien van het genot of gebruik van iets
    abstenerse
  2. 1. een toelating weigeren of intrekken
    1. negar
    2. rechazar
verb
refutar
verb
  1. 2. hevig doen schrikken
    consternar
  2. 3. de genoemde waardigheid...
    destituir
verb
1. van opgelost zout ontdoen
  1. desalar
  2. desalinizar
verb
1. van opgelost zout ontdoen, ontzilten
  1. desalar
  2. desalinizar
adjective
1. immuun, resistent
  1. a prueba de
  2. inmune
adjective
irresponsable
adjective
1.niet te verdragen
  1. insoportable
  2. inaguantable
adjective
  1. incompatible
  2. irreconciliable
adjective
  1. imperdonable
  2. inexcusable
  3. injustificable
adjective
1. plotseling zonder dat iemand er op voorbereid is
  1. bruscamente
  2. brusco
adjective
  1. indefectible
  2. inevitable
  3. irremediable
  4. irremisible
adjective
intrépido
adjective
1. zijn verstand niet gebruikend en daardoor ook grote risico's lopend
  1. estulto
  2. insensato
  3. necio
  4. sandio
  5. disparatado
  6. temerario
noun
imperturbabilidad
adjective
1. zonder vrees, met veel moed
osado
adjective
1. duidt de onmogelijkheid aan de plaats van iets door iets anders in te laten nemen
  1. insustituible
  2. irreemplazable
  3. insubstiuible
adjective
1. niet van tevoren zien aankomen
  1. inesperado
  2. insospechado
adverb
inesperadamente
adjective
insaturado
adjective
impresentable
/ɔnvɔldundə/
adjective
insuficiente
adjective
incompleto
adjective
vacío
noun
vaciedad
noun
participio presente
noun
presente
noun
  1. pluscuamperfecto
  2. pretérito imperfecto
adjective
niet voorbereid
  1. desapercibido
  2. desprevenido
adjective
1. bij verrassing optredend
repentino
noun
insatisfacción
adjective
involuntario
adjective
estéril
noun
mentira
adjective
1. een geringe kans bezittend om waar te worden of te blijken
improbable
noun
chubasco tormentoso
adjective
  1. irresistible
  2. fascinador
  3. fascinante
adjective
1. zich niet gezond voelend
indispuesto
noun
ignorancia
adjective
recalcitrante
noun
een variëteit van kwarts
ónix
adjective
miserable
adjective
  1. impuro
  2. obsceno
noun
  1. incertidumbre
  2. indeterminación
  3. inseguridad
  4. turbidez
  5. turbiedad
noun
relación de indeterminación
noun
1. benaming voor torren uit de familie Coccinellidae
  1. mariquita
  2. vaca de San Antón
pronoun
1. christelijk gebed
Padre nuestro
adjective
invisible
/ɔn'zɛidəx/
adjective
neutro
noun
  1. sinsentido
  2. majadería
  3. tontería
  4. absurdo
adjective
1.zonder enige betekenis of nut
  1. absurdo
  2. descabellado
  3. dispratado
/ox/, /oːx/, /oχ/
noun
1. gezichtsorgaan voor het waarnemen van lichtprikkels
ojo
noun
2. een oogbol
pupila
noun
oculista
noun
colirio
noun
1. een bril voor één oog
monóculo
noun
oftalmología
/ˈoxjə/
noun
ojito
noun
órbita
/ˈoχ.lɪt/
noun
1. een beschermend vlies van huid dat over de ogen bewogen kan worden
párpado
/ˈoxmεrk/, /ˈoχmεrk/
noun
propósito
verb
1. het van het land halen van het rijpe gewas
  1. cosecha
  2. recolección
  3. siega
verb
  1. 2. als reactie krijgen
    cosechar
  2. 1. het volgroeide gewas van het veld halen
    1. cosechar
    2. recoger
noun
fiesta de la cosecha
noun
  1. 2. een landbouwmachine
    cosechadora
  2. 1. een systeem om informatie te verzamelen
    1. cosechadora
    2. segadora-trilladora mecánica
noun
1. vrouwelijk schaap
  1. oveja
  2. oveja madre
noun
1. bepaald soort grote witte vogel met zwarte vleugelranden en rode poten, Ciconia ciconia
cigüeña
noun
2. een plantengeslacht uit de Ooievaarsbekfamilie
geranio
/oːk/
adverb
1. daarnaast; verder; tevens
  1. también
  2. además
noun
1. broer of zwager van iemands vader of moeder
tío
/oːr/
noun
1. het lichaamsdeel waarmee geluiden kunnen worden gehoord
  1. oreja
  2. oído
noun
1. een ornament dat in of op het oor aangebracht wordt
pendiente
/ort/
noun
1. een bepaalde plaats
  1. lugar
  2. sitio
noun
  1. juicio
  2. 1. een mening, een opinie
    opinión
noun
avaro
noun
1. plug in of schelp om het oor die het gehoor beschermt tegen lawaai
tapón para los oídos
noun
1. wetenschap die oorkonden typeert en beschrijft naar hun vorm
diplomática
noun
1.het onderste deel van de oorschelp bestaande uit vetweefsel
lóbulo
noun
1. een gewapende strijd tussen twee of meer bevolkingsgroepen en/of tussen twee of meer landen
  1. guerra
  2. conflagración
verb
militar
noun
guerras
noun
botín de guerra
noun
  1. cine bélico
  2. película de guerra
noun
belicista
noun
1. een daad in tijd van oorlog die het oorlogsrecht of -gebruik schendt
crimen de guerra
/ 'orlɔxsmɪsdadəxər/
noun
1. iemand die een oorlogsmisdaad pleegt of heeft gepleegd en daarvoor individueel aansprakelijk gesteld...
criminal de guerra
noun
crimen de guerra
noun
buque de guerra
noun
víctima de guerra
/ˈorɔntˌstekɪŋ/
noun
1. een ontsteking van het oor
otitis
/orsxɛlp/, /o̝rsχɛɫp/
noun
1. het uit het hoofd stekende deel van een oor
pabellón auricular
noun
stroperige vloeistof in de gehoorgangen
  1. cerumen
  2. cera
noun
origen
adjective
1. zoals het in begin was
  1. original
  2. inicialmente
  3. originario
  4. primitivo
noun
1.
  1. tinnitus
  2. acúfenos
noun
1.1 gewone oorworm (Forficula auricularia)
tijereta
noun
  1. causa
  2. causante
noun
causalidad
pronoun
Asia Oriental
pronoun
Alemania Oriental
pronoun
Europa Oriental
/os.ˈti.mɔr/
pronoun
1. een land in Zuidoost-Azië, bestaande uit een gedeelte van het eiland Timor en de kleinere eilandjes Atauro en Jaco in het geheel
Timor Oriental
pronoun
Bloque del Este
adjective
oriental
/ˈostə(n)/
noun
1. een van de windstreken, die op landkaarten overeenkomt met de rechterkant
  1. este
  2. oriente
  3. levante
/ˈostə(n)ˌrɛɪ̯k/, /ˈoːstə(n)ˌrɛɪ̯k/, /ˈoːstə(n)ˌrɛːk/
pronoun
1. een republiek in Midden-Europa grenzend aan Zwitserland en Liechtenstein in het westen, aan Duitsland...
Austria
/ˈo.stə.ˌrɛɪ̯.kər/, /ˈo.stə.ˌrɛː.kər/, /ˈos.tə(n).ˌrɛɪ̯.kər/
noun
1. een inwoner van Oostenrijk of persoon die de Oostenrijkse nationaliteit bezit
  1. austriaco
  2. austríaco
adjective
oriental
noun
frente oriental
pronoun
1. zee die tussen Zweden en de Baltische staten ligt
  1. mar Báltico
  2. Báltico
adverb
  1. estesudeste
  2. estesureste
noun
humildad
verb
3. (van een ambassadeur) laten komen om een kritiek op beleid van zijn regering over te brengen
convocar
noun
1. de vader van een ouder
  1. abuelo
  2. abuelito
/o'pal/
noun
1. een halfedelsteen en een amorfe variëteit van kwarts, SiO₂·nH₂O, gehydrateerd siliciumdioxide met een waterpercentage van soms wel 20%
ópalo
adjective
verde ópalo
noun
opacidad
/ˈɔˌbɛlə(n)/
verb
1. iemand telefonisch proberen te bereiken
llamar
verb
1. op een veilige plaats wegdoen
guardar
verb
4. brideren
  1. bridar
  2. embridar
noun
  1. muñeca hinchable
  2. muñeca inflable
/'ɔp.bla.zə(n)/
verb
  1. 3. op overdreven manier beschrijven
    exagerar
  2. 1. doen ontploffen
    1. explotar
    2. estallar
  3. 2. een gas in een uitzetbare ruimte pompen
    inflar
verb
1. bolrond worden
abultarse
verb
1. het naar boven komen van gasbellen door een vloeistof
  1. borbollar
  2. borbotear
  3. bullir
noun
3. constructie
  1. construcción
  2. estructura
/'ɔbrɛŋə(n)/
verb
1. als batig resultaat leveren
  1. rendir
  2. rentar
conjunction
  1. para que
  2. a fin de que
/ˈɔbdinə(n)/
verb
1. eten en drinken op tafel zetten
servir
verb
eliminar
verb
op de huid aanbrengen
ponerse
verb
voor iets moeten opdraaien
  1. apechugar
  2. apencar
noun
1. een te verrichten werk
  1. misión
  2. tarea
  3. faena
/'ɔpdrɛɪvə(n)/
verb
1. iets naar boven toe doen bewegen
aumentar
/ˈɔbdrɪŋə(n)/
verb
  1. constreñir
  2. imponer
  3. obligar
verb
1. weer aan het oppervlak zichtbaar worden na ondergedoken geweest te zijn
emerger
verb
agolparse
verb
  1. acopiar
  2. acumular
  3. reunir
noun
acumulación
adverb
1. snel en onverwachts
  1. de repente
  2. de golpe
  3. repentinamente
adjective
  1. consecutivo
  2. sucesivo
noun
  1. encadenación
  2. encadenamiento
  3. orden
  4. secuencia
/ˈoː.pə(n)/
adverb
1. niet gesloten
abierto
noun
  1. chimenea
  2. fogón
  3. hogar
adjective
1. vrij toegankelijk
público
noun
1. openbaar toegankelijk personenvervoer
transporte público
noun
publicación
verb
1. wat voorheen een geheim was algemeen bekend maken
revelar
noun
1. laatste boek van de Bijbel
  1. Apocalipsis
  2. Revelación
noun
revelación
verb
1. door druk van binnenuit met geweld opengaan
  1. estallar
  2. reventar
verb
  1. estallar
  2. reventar
verb
    1. 2. ontsluiten, openmaken wat afsluit of wat gesloten is
    2. 3. openstellen, toegankelijk maken
    3. 4. (informatica) een bestand inladen
    4. 1. laten beginnen, in bedrijf brengen
    abrir
  1. 5. zich ~
    abrirse
/ˈoː.pə(n).ɣaːn/
verb
1. zich openen
abrirse
adjective
franco
noun
1. een plaats die toegang biedt tot iets dat is afgesloten
apertura
/ˈopə(n)lək/
adjective
1. zonder te verbergen, in het openbaar
  1. al aire libre
  2. descubierto
verb
saltar
verb
desabrochar
noun
1. een in hoofdzaak gezongen en orkestraal begeleid muziekdrama, gewoonlijk van ernstige aard
ópera
adjective
1. van een aandoening (met name een tumor) dat deze met een operatie genezen kan worden
operable
noun
operabilidad
noun
operando
noun
  1. 2. een chirurgische ingreep
  2. 3. een bewerking op een object
operación
adjective
1. ...d.m.v. een operatie
operativo
noun
1. ruimte waar heelkundige bewerkingen uitgevoerd worden
  1. quirófano
  2. sala de operaciones
adjective
operacional
noun
  1. 1.
  2. 2.
operador
verb
  1. 1. aan een chirurgische ingreep onderwerpen
  2. 2. acties uitvoeren, optreden
operar
noun
1. felgele delfstof, zwavelarsenicum (As₂S₃)
oropimente
verb
2. sterker gaan branden
renacer
verb
1. oprijzen, omhooggaan
  1. subir
  2. montar
verb
1. alles gebruiken tot het op is
consumir
verb
  1. acabado
  2. agotado
  3. apurado
  4. consumido
  5. destrozado por el uso
  6. supurado
adjective
  1. emperifollado
  2. endomingado
  3. recargado
adjective
acentuado
adjective
disuelto
adjective
1. verlost van de zorg dat er iets naars gaat gebeuren
aliviado
verb
  1. emperifollado
  2. endomingado
  3. recargado
adverb
1. geïsoleerd van de buitenwereld
  1. emparedado
  2. enjaulado
verb
1. de strijd staken en zich gewonnen geven
cejar
noun
vivacidad
verb
  1. 1. een voorwerp uit de bodem naar boven halen
    1. desenterrar
    2. exhumar
  2. 2. een archeologisch onderzoek houden
    excavar
noun
1.
excavación
verb
1.de tijd tot de volwassenheid doorbrengen
crecer
noun
puente levadizo
verb
1. een voorwerp of persoon bij iets/iemand vandaan halen
recoger
/'ɔpɦɑŋə(n)/
verb
  1. 3. aan de galg opknopen
    1. ahorcar
    2. colgar
  2. 2. een telefoongesprek beëindigen
    colgar
  3. 1. iets in een hangende positie bevestigen
    1. colgar
    2. tender
    3. suspender
noun
  1. ahorcamiento
  2. suspensión
verb
1. op het hoofd dragen
  1. llevar
  2. tener puesto
/'ɔpɦɛfə(n)/
verb
1. iets in opwaartse richting brengen
alzar
noun
  1. 1. het optillen
  2. 2, 3.
levantamiento
verb
1. duidelijkheid scheppen in iets
  1. aclarar
  2. esclarecer
  3. elucidar
  4. explicar
verb
1. kwaad en opgewonden maken
  1. acuciar
  2. agitar
  3. azuzar
  4. embravecer
  5. ensañar
verb
  1. 1. op elkaar stapelen
    1. acumular
    2. amontonar
    3. apilar
    4. aglomerar
    5. amontar
  2. 2. zich ophopen
    acumularse
verb
2. een activiteit beëindigen
cesar
noun
1. opiumbevattend geneesmiddel
opiato
noun
1. een mening of oordeel
opinión
noun
1. onderzoek naar de mening van...
sondeo de opinión
noun
1. een steekproefsgewijs onderzoek naar de mening van de bevolking
sondeo de opinión
noun
1. het ingedroogde melksap van de opiumpapaver of slaapbol (Papaver somniferum), een pijnstillend, verdovend en verslavend middel
opio
verb
  1. acuciar
  2. arrear
  3. impeler
/'ɔpkɛɪkə(n)/, /'ɔpkɛːkə(n)/
verb
2. (~ van) verrast worden
  1. maravillarse
  2. sorprenderse
verb
1. zorgen dat iemands stemming verbeterd
estimular
/'ɔpklarə(n)/
verb
1. het ontstaan van open plekken in wat een gesloten wolkendek was
  1. despejarse
  2. escampar
  3. abonanzar
  4. clarear
  5. serenarse
noun
1. het wegtrekken van de bewolking
  1. claro
  2. escampada
verb
2.verbeteringen aanbrengen
  1. arreglar
  2. apañar
  3. mejorar
verb
colgar
verb
  1. 4. op toneel verschijnen
    aparecer
  2. 1. zichzelf of iemand anders verdedigen
    1. ayudar
    2. defender
  3. 2. omhoogkomen
    levantarse
  4. 3. naar een bijeenkomst gaan
    presentarse
verb
  1. 1. een materiële lading op iets aanbrengen
  2. 2. een elektrische lading op iets aanbrengen
cargar
noun
1. totaal aantal afdrukken van een drukwerk dat in één keer wordt vervaardigd
  1. tirada
  2. tiraje
verb
3. iemand aan een dwangmaatregel onderwerpen
  1. acensar
  2. acensuar
verb
1. kennis en vaardigheid bijbrengen
  1. formar
  2. instruir
noun
  1. formación
  2. educación
verb
1. weer tot bloei komen
  1. revivir
  2. renacer
  3. reverdecer
verb
1. uiteindelijk als resultaat geven
causar
verb
2. met bedrog iemand geld afhandig maken
  1. estafar
  2. sisar
noun
1. bedrog waarbij men iemand geld of goed afhandig weet te maken
estafa
noun
1. bedrog waarbij men iemand geld of goed afhandig weet te maken
estafa
noun
  1. café instantáneo
  2. café liofilizado
verb
  1. 1. een homogeen mengsel gaan vormen
    1. diluirse
    2. disolverse
  2. 2. een homogeen mengsel doen vormen
    disolver
  3. 3. een probleem ophelderen
    1. solucionar
    2. resolver
    3. solventar
noun
  1. 1. een mengsel
    1. disolución
    2. solución
  2. 2. een manier om van een probleem af te komen
    solución
noun
1.het gevoel bevrijd te zijn van iets dat dreigde
  1. alivio
  2. desahogo
adjective
1. bijzonder genoeg om opgemerkt te worden
notable
verb
  1. 2. een waarneming of opinie meedelen aan anderen, met een zekere nadruk
    indicar
  2. 1. bemerken, waarnemen
    1. observar
    2. notar
noun
1. een uiting van een gedachte
  1. advertencia
  2. observación
adjective
1.
atento
verb
1. opvrolijken, animeren
  1. alegrar
  2. animar
/'ɔpnam(ə)/
noun
  1. 2. opname beeld
    1. foto
    2. fotografía
  2. 2. geluid
    grabación
  3. 3-4
    1. incorporación
    2. ingreso
    3. inscripción
verb
  1. 5. beginnen
    1. establecer
    2. iniciar
  2. 7. (beeld, geluid) registreren, vastleggen
    grabar
  3. 1. in handen nemen
    1. recoger
    2. agarrar
  4. 2. het resultaat vaststellen
    tomar
/ˈɔpniu/
adverb
1. nog een keer, een vorige gebeurtenis herhalend
  1. de nuevo
  2. otra vez
verb
  1. 4./5. zich opofferen
    1. abnegarse
    2. inmolarse
    3. sacrificarse
  2. 1./2./3. bij noodzaak moeten gebruiken, laten doden of bewust prijsgeven
    1. sacrificar
    2. inmolar
noun
  1. 1. tijd die men ergens verblijft
    1. estancia
    2. permanencia
  2. 2. onverwachte vertraging in gemaakte plannen
    retraso
noun
zarigüeya
noun
1. kinderoppas
canguro
noun
1. hoop gemaaid en gedroogd gras
almiar
pronoun
Alto Volta
noun
1. bot in de bovenarm
húmero
/'ɔpərbəˌvɛlɦɛbər/
noun
1. de persoon die aan het hoofd staat van het gehele leger
  1. comandante en jefe
  2. generalísimo
verb
1. iets voorstellen
  1. aducir
  2. expresar
  3. proponer
  4. sugerir
noun
soberanía
noun
1. leider van een stam
jefe
noun
  1. soberanía
  2. supremacía
noun
  1. arcipreste
  2. pontífice
pronoun
1. een Westslavische taal die in het gebied Opper-Lausitz in het oosten van Duitsland gesproken wordt
alto sorabo
adjective
supremo
/ˈɔpərvlɑk/
noun
1. vlak dat iets naar boven begrenst
superficie
/ɔpər'vlɑkəx/
adjective
  1. 2. zich aan de oppervlakte bevindend
    1. superficial
    2. somero
  2. 1. niet diepgaand of niet grondig
    1. superficial
    2. somero
    3. intrascendente
noun
superficialidad
noun
  1. 1. vlak dat iets naar boven begrenst
    superficie
  2. 2. uitgebreidheid
    área
noun
  1. agua superficial
  2. agua de la superficie
/ɔpɔrtyˈnɪst/
noun
oportunista
adjective
1. voordeel willen halen uit een bepaalde situatie
oportunista
noun
1. geschiktheid van tijd of gelegenheid
oportunidad
adjective
van pas komend, gelegen
oportuno
/ˌɔpoˈzitsi/
noun
  1. 2. mensen en partijen die niet tot de regeringspartijen horen
  2. 1. tegenstand
oposición
noun
trastorno negativista desafiante
noun
opresión
verb
1. het vuur feller doen branden door erin te poken
atizar
verb
1.
  1. recoger
  2. alzar
adjective
1. de waarheid sprekend
  1. sincero
  2. franco
verb
  1. 2. een instelling in het leven roepen
    1. constituir
    2. erguir
  2. 1. in verticale stand brengen
    1. levantar
    2. alzar
    3. elevar
    4. erigir
noun
1. Het begin van iets
  1. creación
  2. establecimiento
verb
1.
  1. eructar
  2. regoldar
/'ɔprup/
noun
llamamiento
noun
  1. alboroto
  2. sublevación
/ˈɔprɔlə(n)/
verb
  1. 1. zich ~, tot een rol vormen
    1. arrollar
    2. enrollar
  2. 3. een (semi-)georganiseerde groep arresteren
    desarticular
verb
1. kwaad en opgewonden maken
  1. acuciar
  2. agitar
  3. amotinar
  4. azuzar
  5. ensañar
verb
  1. 2. iets uitverkopen
    liquidar
  2. 3. iets in orde brengen, netjes maken
    1. ordenar
    2. adecentar
  3. 1. iets uit de weg ruimen
    recoger
noun
liquidación
noun
1. een lange, grote en diepe lepel
  1. cucharón
  2. cazo
  3. cuchara de servir
verb
2. aangedikte beweringen doen
  1. fanfarronear
  2. jactarse
  3. presumir
  4. blasonar
  5. cacarear
  6. chulear
noun
1. iemand die vaak opschept tot ergernis van anderen
fanfarrón
verb
1. haast maken
apurarse
noun
  1. atavíos
  2. galas
verb
  1. asustar
  2. asustarse
  3. sobresaltar
verb
schuddend ordenen
mullir
/'ɔpsxɵdɪŋ/
noun
1. een reactie van schok, verbazing of afkeer op een daad of gebeurtenis
perturbación
/ˈɔpslan/
verb
5. informatica: vastleggen of bewaren van gegevens
  1. guardar
  2. almacenar
noun
1. berging
  1. almacenamiento
  2. almacén
noun
  1. almacén
  2. depósito
noun
almacén
verb
1. in zich opnemen
absorber
verb
1.
  1. encerrar
  2. acerrojar
  3. recluir
noun
enumeración
verb
  1. dividir
  2. partir
verb
1. in de hoogte springen
saltar
verb
  1. 3. (koken) op het vuur staan
    estar en el fuego
    1. 1. gaan staan
    2. 2. het bed verlaten
    levantarse
/ˈɔpstɑnt/
noun
1. een massale, vaak gewelddadige, poging het heersende gezag af te schudden
  1. rebelión
  2. alzamiento
noun
1. iemand die zich gewapenderhand verzet tegen het heersende gezag
  1. rebelde
  2. amotinado
  3. insurrecto
  4. sublevado
adjective
rebelde
noun
1. verrijzenis
resurrección
noun
  1. peldaño
  2. grada
/ˈɔpstɛːɣə(n)/, /ˈɔpstɛːɪχə(n)/
verb
  1. 1. in de lucht stijgen
    1. despegar
    2. decolar
  2. 2. te paard stijgen
    montar
verb
  1. obstruir
  2. congestionar
verb
1. met een strijkijzer in de vereiste toestand brengen
planchar
verb
1. met de post verzenden
  1. enviar
  2. expedir
  3. despachar
adjective
optativo
verb
1. bij elkaar tellen; het samenvoegen van twee of meer termen tot een totaal, de som genoemd
  1. sumar
  2. contar
noun
1. het samenvoegen van een of meer termen tot een totaal, de som
  1. adición
  2. suma
verb
  1. 1. een keuze doen
    optar
  2. 1. verteren, geheel opmaken
    1. acabar
    2. apurar
    3. consumir
noun
óptica
noun
1. iemand die kundig is in de optica
óptico
noun
1. een van de keuzes die gemaakt kan worden
  1. opción
  2. elección
noun
4
  1. óptica
  2. planteamiento
verb
1. met spierkracht iets van de grond opheffen
  1. levantar
  2. alzar
  3. coger
  4. recoger
  5. apalancar
  6. aupar
adjective
1. het best mogelijk
óptimo
noun
optimización
verb
optimizar
noun
optimización
noun
1. de verwachting dat gebeurtenissen gunstig gaan uitvallen
optimismo
noun
1. iemand die alles van de positieve kant beschouwt
optimista
noun
1. een vrouwelijk iemand die alles van de positieve kant beschouwt
optimista
adjective
1. van het positieve uitgaand
optimista
adjective
opcional
adjective
1. met betrekking tot het licht
óptico
noun
desfile
noun
optometría
noun
obra
/'ɔpfɑlə(n)/
verb
1.
llamar la atención
verb
  1. acoger
  2. captar
verb
remontar
noun
  1. concepción
  2. idea
  3. noción
verb
  1. criar
  2. educar
verb
  1. 1. uitvoeren wat een ander aangeraden of bevolen heeft
    1. obedecer
    2. seguir
  2. 2. iemands functie overnemen
    suceder
noun
1. iemand die een ambt bekleedt na iemand anders
sucesor
noun
sucesión
noun
  1. gorrón
  2. parásito
verb
1. opmonteren, animeren
  1. alegrar
  2. animar
verb
  1. acolchar
  2. atiborrar
  3. mechar
  4. rellenar
verb
  1. 1. opmonteren, animeren
    1. alegrar
    2. animar
    3. avivar
  2. 2. doen ontstaan
    1. animar
    2. estimular
noun
3. het zeer lokaal (bij de afnemers zelf) opwekken van elektriciteit en/of warmte die ook aan het net wordt geleverd
generación distribuida
noun
1. innerlijke drang
  1. impulso
  2. instinto
verb
  1. 2. draaiend onder spanning zetten
    devanar
  2. 3. in staat van agitatie brengen
    1. excitar
    2. apasionar
    3. calentar
    4. irritar
verb
1. door wrijven glanzend maken
  1. pulir
  2. abrillantar
verb
  1. enviar
  2. despachar
  3. expedir
noun
  1. 1. de manier waarop aan iets vorm gegeven is
    designio
  2. 2. het onderdeel zijn van een zo gewenst plan
    1. intención
    2. dolo
    3. intencionalidad
adverb
1. bewust op deze manier
  1. intencionadamente
  2. intencionalmente
verb
  1. 1. opzwellen
    hincharse
  2. 5. taxidermie bedrijven
    rellenar
noun
1. iemand die toezicht houdt
supervisor
adjective
1. bedoeld om in het oog te vallen, vaak op banale wijze
vistoso
verb
  1. 1. in hoog aanzien hebben, van hogere status achten
    1. admirar
    2. repetar
  2. 2. iets met angst en vrees bekijken
    temer
/ɔpˈsɛi/
adverb
aparte
verb
chupar
/'ɔpsʋɛlə(n)/
verb
1. in volume toenemen
  1. hincharse
  2. inflarse
  3. abofarse
adjective
1. met betrekking tot de mond
oral
noun
oráculo
noun
oralidad
noun
1. mensaap met lange armen en roodbruinachtig haar
orangután
adjective
1. de kleur oranje hebbend
  1. naranja
  2. anaranjado
pronoun
Estado Libre de Orange
noun
  1. naranja agria
  2. naranja amarga
  3. naranja cajera
  4. naranja de Sevilla
noun
  1. 1. bittere sinaasappel
    1. naranjero agrio
    2. naranjo amargo
  2. 1. gewone sinaasappel
    naranjo
adjective
pardo anaranjado
pronoun
1. en 2.
Oranjemund
noun
1. rede
  1. discurso
  2. oración
/ɔˈratɔr/
noun
1. redenaar
orador
noun
oratorio
adjective
orbicular
adjective
orbital
noun
1. plant van de talrijke orchideeënfamilie, m.n. benaming voor de kleurrijke bloemen
orquídea
noun
compañón de perro
noun
2. aanduiding om de grootte van een getal mee uit te drukken, uitgedrukt als de exponent van de dichtstbijzijnde macht van 10
orden de magnitud
adjective
ordenado
noun
orden
verb
  1. arreglar
  2. organizar
  3. planear
noun
  1. 2. verplicht uit te voeren opdracht zonder enige tegenspraak
    1. orden
    2. mandato
  2. 1. een verzoek om diensten of goederen te leveren
    pedido
adjective
ordinal
noun
ordenada
adjective
  1. ordinario
  2. vulgar
noun
  1. ordinario
  2. 2. de vastliggende delen van een liturgie
    ordinario de la misa
noun
ordinario
/ɔrdoˈvisijʏm/
noun
Ordovícico
noun
  1. 2. keukenkruid
  2. 1. Origanum vulgare
orégano
/oːrən/
noun
orejas
noun
  1. 1. Onderdeel van het organisme
  2. 2. Communicatiemiddel
órgano
noun
sistema orgánico
/ˌɔrɣɑniˈzasi/, /ˌɔrχɑniˈzaʦi/
noun
  1. 3. een groep die een bepaald doel of of bepaalde rol heeft
  2. 1. het organiseren
  3. 2. de manier waarop iets georganiseerd is
organización
pronoun
Organización para la Cooperación y el Desarrollo Económicos
pronoun
Organización para la Seguridad y la Cooperación en Europa
noun
1. een adviseur van het bedrijfsleven, de overheid en andere organisaties in beleidsmatige en organisatorische vraagstukken
consejero de consultoría
noun
1. de tak van wetenschap die het samenspel in organisaties en hun relatie met hun omgeving bestudeert
estudios organizacionales
noun
1. iemand die organiseert of die organisatietalent heeft
organizador
adjective
1.wat de organisatie betreft
organizativo
/ɔr.ˈɣa.nɪs/, /ɔr.ˈχa.nɪs/
adjective
  1. 1. met betrekking tot een orgaan of de organen
  2. 2. koolstof bevattend
orgánico
/ˌɔrɣɑniˈzeːrə(n)/, /ˌɔrχɑniˈzɪːrə(n)/
verb
  1. 1. een bepaalde structuur aanbrengen
  2. 2. iets, vaak een evenement, tot stand brengen
organizar
noun
1. een afzonderlijk en volledig levend wezen dat voor zijn voortbestaan afhankelijk is van zijn eigen metabolisme en bestaat uit verschillende organen
organismo
/ɔr.ˈɣaː.no.ɣe.ˌneːzə/
noun
1. het zich ontwikkelen van organen uit enkele typen weefsel
organogénesis
noun
1. diagram dat laat zien hoe taken en zeggenschap in een bedrijf of ander samenwerkingsverband zijn verdeeld
organigrama
noun
química organometálica
noun
1. lustgevoelens bij seksuele opwinding (klaarkomen)
orgasmo
/ˈɔrɣəɫ/
noun
1. een muziekinstrument dat bestaat uit meerdere losse pijpen waardoor lucht stroomt op een labium en dat ingedeeld wordt bij de aerofonen
órgano
/ˈɔrxi/
noun
orgía
noun
orichalcum
noun
originalidad
adjective
  1. 1. enige of zeer zeldzaam in zijn soort
  2. 2. gemaakt door de eerste en oorspronkelijke maker
original
noun
1.
orientalismo
noun
orientación
noun
deporte de orientación
noun
sentido de la orientación
verb
orientar
adjective
rojo oriente
/ˈɔr.ka/
noun
1. Orcinus orca, een walvissoort die vrij gedrongen van bouw is...
orca
noun
1. een bijzonder hevige storm
  1. huracán
  2. ciclón
/ɔrˈkɛst/
noun
1. een groep musici
orquesta
noun
orquestación
noun
  1. achiote
  2. achioto
  3. achote
  4. anato
  5. annato
  6. annatto
noun
ornamento
adjective
ornamental
noun
ornitología
/oroˈsirijʏm/
noun
Orosírico
noun
1. de tandheelkunde die gericht is op de vorming van een regelmatig gebit
ortodoncia
noun
1. een tandarts-specialist die de vorm, groei en ontwikkeling van het gebit en de kaken bestudeert
ortodoncista
/ɔrtoˈdɔks/
adjective
1. star vasthoudend aan een bepaald geloof
ortodoxo
/ɔrtodɔk'si/
noun
ortodoxia
noun
ácido ortofosfórico
adjective
1. rechthoekig
ortogonal
noun
ortografía
adjective
ortomolecular
adjective
1. genormeerd rechthoekig
ortonormal
noun
ortopantomografía
noun
  1. cirugía ortopédica
  2. ortopedia
adjective
1. met betrekking tot de behandeling van misvormingen van beenderen en gewrichten
ortopédico
noun
ortopedista
noun
ortopedista
pronoun
  1. Orthoptera
  2. Ortópteros
adjective
1. aanwezig op de juiste en/of oorspronkelijke plaats
ortotópico
noun
  1. escribano hortelano
  2. hortelano
pronoun
  1. 1. Boliviaans departement gelegen in het westen van het land
  2. 2. hoofdstad van het Boliviaans departement met de gelijkaardige naam
Oruro
noun
1. gecastreerde stier
buey
noun
1. oscillatie
oscilación
noun
1. oscillator
oscilador
verb
1. oscilleren
oscilar
noun
oscilógrafo
noun
osciloscopio
noun
1. Chemisch element
osmio
noun
ósmosis
noun
  1. filete de buey
  2. solomillo
  3. solomillo de vaca
noun
  1. cola de buey
  2. cola de res
  3. colita de res
  4. rabo de buey
  5. rabo de toro
noun
sopa de rabo de buey
adjective
  1. osetio
  2. osético
pronoun
1. een taal uit de centrale Kaukasus
  1. idioma osetio
  2. oseta
pronoun
Osetia
/ˌɔstejoˈsit/, /ˌɔstejoˈsyt/, /ˌɔsteoˈsit/
noun
1. een cel die bot om zich heeft aangemaakt en daar nu door omgeven wordt
osteocito
noun
osteomielitis
noun
osteopatía
noun
1. botontkalking
osteoporosis
noun
ostracismo
/oˈtitəs/
noun
1.
otitis
noun
1.1 bepaald soort zoogdier Lutra lutra
  1. nutria
  2. ludria
pronoun
2. spelwoord voor de letter o
Olimpo
/aʊ̯d/, /ɔʊ̯t/, /ʌʊ̯t/
adjective
  1. 1. oud mens, dier
    1. anciano
    2. viejo
    3. vieja
    4. anciana
  2. 2. oud ding, concept
    1. antiguo
    2. viejo
    3. vieja
    4. antigua
  3. 3. vorige
    1. viejo
    2. vieja
noun
1. reeks boeken in de christelijke Bijbel die zijn ontleend aan de joodse Tenach
antiguo testamento
noun
  1. vejez
  2. ancianidad
  3. antigüedad
  4. edad
/ˈaʊ̯.də.rə/, /ˈɔʊ̯.də.rə/, /ˈʌʊ̯.də.rə/
noun
mayor
adjective
parental
/ˈaʊ̯.dərs/, /ˈɔʊ̯.dərs/, /ˈʌʊ̯.dərs/
noun
1. meervoud van het zelfstandig naamwoord ouder
padres
adjective
1. niet langer gebruikt of in de mode
  1. anticuado
  2. antiguo
pronoun
1. uitgestorven Westgermaanse taal der Franken uit de 4e tot de 8e eeuw
fráncico
pronoun
1. het Frans zoals dat in het noorden van Frankrijk gesproken werd van de 10e tot de 14e eeuw
  1. francés antiguo
  2. francés medieval
/ɑʊ̭tɦɛɪ̭t/
noun
1. het tijdperk van de geschiedenis vóór de middeleeuwen
  1. Antigüedad
  2. antigüedad
noun
arqueología
noun
arqueólogo
noun
Noche Vieja
pronoun
1. de Slavische taal die rond de negende eeuw rond Thessaloniki gesproken werd
  1. antiguo eslavo eclesiástico
  2. eslavo eclesiástico antiguo
pronoun
1. een taal die de voorganger van de Scandinavische talen was
nórdico antiguo
pronoun
1. een taal die de voorloper van het Noors was
noruego antiguo
/'ʌʊtom/
noun
1.
tío abuelo
adjective
rojo viejo
pronoun
1. taal die vanaf de 10e tot in de 15e eeuw werd gesproken door de bewoners van Castilië
  1. castellano medieval
  2. español medieval
/'ʌʊtɑntə/
noun
1.
tía abuela
noun
herramientas
noun
1. een meestal instrumentaal muziekstuk dat als opening fungeert van een opera of operette
obertura
noun
charladora
noun
1. bekende Griekse alcoholische drank
ouzo
/o'val/
adjective
1. in vorm gelijkend op een ei
  1. oval
  2. ovalado
noun
ovario
noun
ovación
/ovə/
noun
1. besloten ruimte die verhit wordt om er voorwerpen in te smelten, te bakken enz.
horno
noun
bandeja de horno
noun
cazuela
noun
  1. insecto de fuego
  2. termobia de las tahonas
noun
agarrador
adverb
1.
  1. en todas partes
  2. por todas partes
noun
1. werkkleding
  1. mono
  2. overol
noun
  1. mono
  2. overol
noun
1. een zo grote belasting van een persoon, mechanische structuur of elektrisch netwerk dat schade aan de persoon, de structuur of het netwerk kan ontstaan
sobrecarga
noun
1. toestand waarbij een ruimte, gebied of land zo dichtbevolkt is dat het problemen geeft
  1. sobrepoblación
  2. superpoblación
verb
1. overhouden
  1. quedar
  2. sobrar
adjective
superfluo
verb
1. naar een andere rekening overzetten
transferir
noun
transferencia
/ˈovərbrɛŋə(n)/
verb
  1. 2. meedelen, melden
    1. comunicar
    2. informar
    3. transmitir
  2. 3. van de ene persoon of zaak op de andere doen overgaan
    1. transferir
    2. transmitir
  3. 1. van de ene locatie naar de andere brengen
    1. trasladar
    2. transportar
noun
  1. relaciones de cambio
  2. relación de transmisión
verb
ladear
adjective
1. meer dan nodig
  1. excesivo
  2. extremo
/ˌovərˈdɑx/
adverb
1. tijdens de uren van de dag
de día
verb
  1. meditar
  2. reflexionar
verb
1. opnieuw doen
  1. hacer de nuevo
  2. rehacer
verb
1. verbluffen
  1. acojonar
  2. aturullar
  3. desconcertar
noun
sobredosis
noun
1. officieel iets in handen van de andere partij geven
  1. entrega
  2. transmisión
  3. traspasamiento
  4. traspaso
verb
1.
  1. transferir
  2. trasladar
adjective
1. buiten proportie weergegeven
  1. exagerado
  2. excesivo
verb
1. de feiten groter, kleiner, mooier of slechter voorstellen dan ze zijn
  1. exagerar
  2. abultar
noun
1.
exageración
noun
  1. 1. een eigenschap die hetzelfde is
    1. analogía
    2. semejanza
  2. 2. een bindende afspraak waarmee alle partijen instemmen
    contrato
adjective
1. gelijkenis vertonend
  1. análogo
  2. conforme
verb
  1. 2. in overeenstemming brengen
    1. concertar
    2. condecir
    3. conformar
    4. conformarse
    5. congeniar
  2. 1. gelijkenis vertonen
    1. corresponder
    2. coincidir
noun
  1. 3. de plaats waar men iets kan passeren
    1. paso
    2. pasaje
    3. travesía
  2. 2. het van een toestand in een andere geraken
    transición
noun
1. de naam voor elk element uit het D-blok van het periodiek systeem der elementen
metal de transición
noun
punto de transición
noun
intermedio de reacción
noun
1. een werkwoord dat vergezeld wordt door een lijdend voorwerp in een zin, dat gewoonlijk in de lijdende vorm het onderwerp kan worden
verbo transitivo
/'ovərɣavə/
noun
  1. 1. het opgeven van de strijd en zich aan de wijand onderwerpen
    1. capitulación
    2. rendición
  2. 2. een volledige toewijding
    dedicación
verb
trasplantado
verb
  1. 2. capituleren
    rendirse
  2. 1. braken
    1. vomitar
    2. devolver
noun
1.overgevoelige reactie van het afweersysteem
hipersensibilidad
noun
  1. 1. te groot lichaamsgewicht
    1. adiposis
    2. obesidad
    3. sobrepeso
  2. 2. boven bepaald gewicht geleverd
    sobrepeso
verb
1. door te gieten in een ander vat brengen
  1. transvasar
  2. decantar
  3. trasegar
noun
cortina
noun
1. moeder van de grootvader of van de grootmoeder
bisabuela
/ˈovərɣrotˌʌʊdər/
noun
1. een ouder van een grootouder
  1. bisabuela
  2. bisabuelo
/ˈovərɣrotˌvadər/
noun
1. een vader van een grootouder
bisabuelo
noun
1.
atropello
verb
1. iemand zo ver proberen te krijgen ergens in mee te gaan
persuadir
noun
  1. dominante
  2. prevaleciente
verb
1. in de handen van een ander geven
entregar
noun
retroproyector
verb
1. de macht uitoefenen over een ander volk
  1. dominar
  2. prevalecer
/ˈovərɦɛit/
noun
1. het geheel aan gezagvoerende lichamen
  1. gobierno
  2. autoridades
noun
  1. empresa pública
  2. empresa estatal
/ˈovərˌɦɛmt/
noun
  1. camisa
  2. camiseta
noun
1. (te) grote haast
atropello
/ˌovəˈrɛɪ̯sɔɫ/, /ˌovəˈrɛɪ̯səl/, /ˌovəˈrɛːsəɫ/
pronoun
1. provincie in het oosten van Nederland
Overijssel
noun
1. een jas die hoofdzakelijk als bescherming van de kleding eronder wordt gedragen
  1. sobretodo
  2. abrigo
  3. gabán
  4. paletó
noun
1. een dak hebbend maar geen muren, vooral van een station
  1. techumbre
  2. tejado
/ˈo.vər.ˌlɑs/, /ˈo.vər.ˌlɑst/
noun
1. hinder op een onacceptabel niveau
  1. molestia
  2. incomodidad
adjective
1. gestorven, doodgegaan
  1. fallecido
  2. muerto
noun
  1. difunto
  2. muerto
/ovərˈlɛx/
noun
1. beraad, beraadslaging
  1. consideración
  2. reflexión
noun
1. organisatie waarbij verschillende partijen op een regelmatige basis met elkaar overleggen, onderhandelen en informatie uitwisselen
órgano consultivo
/ˌovərˈlevə(n)/
verb
1. in leven blijven ondanks levensbedreigende omstandigheden of gebeurtenissen
sobrevivir
noun
supervivencia
noun
  1. instinto de conservación
  2. instinto de supervivencia
verb
1. nog eens, opnieuw lezen
releer
verb
1. ophouden met leven
  1. morir
  2. fallecer
  3. fenecer
  4. perecer
noun
1. iemand die overloopt (naar de vijand)
  1. pasado
  2. tránsfuga
noun
  1. plétora
  2. sobremedida
verb
  1. 1. opnieuw maken
    rehacer
  2. 2. laten overschrijven
    1. transferir
    2. remitir
adjective
1. buitensporig
  1. excesivo
  2. extremo
conjunction
1. omdat of aangezien, geeft onderschikkend een reden aan
  1. porque
  2. puesto que
  3. visto que
  4. ya que
noun
insolencia
adverb
  1. pasado mañana
  2. mañana pasado
verb
1. ergens de nacht doorbrengen
pernoctar
noun
  1. oferta pública de adquisición
  2. toma de posesión
noun
sobreproducción
verb
1. met de wielen van een voertuig over iets of iemand heen rijden
  1. atropellar
  2. arrollar
verb
2. zaken doen met een andere partij
reconvertir
verb
  1. transvasar
  2. trasegar
noun
  1. chanclo
  2. chanclo de goma
  3. galocha
/ˈo.vər.sxɔt/
noun
1. wat er overblijft, de rest
  1. residuo
  2. resto
  3. saldo
verb
1. de overzijde van een grens betreden
  1. exceder
  2. rebasar
verb
2. geld overmaken
transferir
noun
transferencia
verb
1. een beurt doen missen
saltear
/ˌovərˈspɑnə(n)/
adjective
  1. 2. (handel) overbelast, te actief
    1. exagerado
    2. sobrecargado
  2. 1. ziek door een te zware belasting op geestelijk vlak
    1. exagerado
    2. sobreexcitado
noun
1. seks hebben met een ander dan de echtgenoot of vaste partner
adulterio
noun
2. verandering van vervoermiddel
correspondencia
verb
1. met een ander (openbaar) vervoermiddel de reis vervolgen
transbordar
noun
1. het oversteken van de ene plaats naar de andere
travesía
noun
1. plaats waar anderen dan voetgangers veilig een weg kunnen overgaan
paso
verb
1. doorkruisen om de overzijde te bereiken
  1. cruzar
  2. atravesar
verb
1. overladen met allerlei zaken
  1. abrumar
  2. agobiar
  3. colmar
/ˌovərˈstromɪŋ/
noun
1. het binnenlopen van water in doorgaans droog gebied
inundación
adjective
1. wat in te ruime mate aanwezig is
superfluo
verb
1. bepaalde denkbeeldige of daadwerkelijke lijnen te buiten gaan
  1. violar
  2. contravenir
  3. desobedecer
noun
1. een relatief licht strafbaar feit
infracción
verb
1.een voorheen behaald niveau te boven gaan
  1. exceder
  2. aventajar
  3. superar
  4. sobrepujar
noun
forro
verb
1. een denkbeeld doen aanvaarden
  1. convencer
  2. persuadir
  3. cerciorar
adjective
  1. convincente
  2. persuasivo
  3. convencedor
  4. persuadidor
  5. persuasor
noun
1. sterke mening of geloof
convicción
noun
travesía
noun
1. plotselinge aanval, gewoonlijk van misdadige aard
atraco
verb
  1. 2. bij verrassing een pand aanvallen (om bijv. te beroven
    1. acometer
    2. atracar
    3. robar
  2. 1. bij verrassing iemand belagen of overweldigen
    1. emboscar
    2. acometer
    3. atracar
  3. 3. zodanig verassen en verbazen dat je er niet direct een antwoord op hebt
    tomar por sorpresa
verb
sobrecalentar
noun
sobrecalentamiento
adjective
sobresaturado
noun
  1. abundancia
  2. plétora
/ovərˈvluːdəx/, /ovərˈvluːdəç/
adjective
1. in ruime hoeveelheid aanwezig
abundante
verb
desbordar
verb
sobrealimentar
adjective
1. meer dan vol, te vol
  1. relleno
  2. repleto
/'ovərʋɛx/, /ovər'ʋɛx/
noun
1. een kruising van een weg met een spoorbaan
paso a nivel
/ovər'ʋeɣən/, /ˈovərʋeɣən/
verb
de voor- en nadelen bezien alvorens een beslissing te nemen
  1. considerar
  2. ponderar
  3. reflexionar
noun
1. beoordeling van argumenten
  1. consideración
  2. reflexión
verb
1. een gewelf maken over
abovedar
noun
  1. preponderancia
  2. ascendiente
  3. predominio
  4. superioridad
verb
1. een tegenstander of zwakte onder de knie krijgen
  1. vencer
  2. derrotar
noun
  1. victoria
  2. triunfo
adjective
ultramarino
verb
  1. 3. zie vertalen
    traducir
  2. 2. van het ene systeem naar het andere systeem brengen
    transferir
noun
  1. 2. samenvatting van de inhoud, beschrijving in hoofdlijnen
    resumen
  2. 1. toestand dat je het geheel kunt duidelijk overzien
    1. vista general
    2. panorama
adjective
sinóptico
verb
1. alles tegelijk kunnen zien
escudriñar
noun
1. het gereedkomen van een eicel uit de eierstok.
ovulación
noun
ácido oxálico
pronoun
Oxford
noun
oxidación
noun
oxidante
noun
óxido
adjective
rojo óxido
noun
oxitocina
noun
1. (scheik.) een vorm van zuurstof met drie zuurstofatomen inplaats van twee
ozono
noun
agujero de ozono
/ozɔnlax/
noun
1. laag in de atmosfeer die veel ozon bevat
capa de ozono
/pa:/
noun
1. vader
papá
/pajə(n)/
verb
  1. 2. trachten in het gevlij te komen bij iemand
    complacer
  2. 1. het leggen en bevruchten van eieren door vissen
    desovar
noun
  1. 4. (heraldiek) een loodrechte band midden over een wapenschild
    palo
  2. 2. (informeel) een penis in erectie
    1. palo
    2. porra
  3. 3. een doelpaal
    poste
  4. 1. een langwerpig stuk materiaal dat in de grond staat
    1. poste
    2. palo
noun
1. een dorp dat uit paalwoningen bestaat
  1. aldea lacustre
  2. pueblo lacustre
noun
palafito
noun
1. in zee levend weekdier dat zich in hout boort, Teredo navalis
broma
adjective
papista
/paːr/
indefinitePronoun
1. meerdere, maar niet heel veel
  1. unos
  2. algunos
/paːr/
noun
  1. 1. twee van een soort die bij elkaar horen
    par
  2. 2. twee geliefden die een relatie hebben
    pareja
/paːrt/
noun
  1. 2. turntoestel
    caballete
  2. 3. schaakstuk
    caballo
  3. 1. tam hoefdier met manen
    1. caballo
    2. yegua
noun
1. en 2. (bladeren of bloemen van) plant Taraxacum officinale
  1. diente de león
  2. achicoria amarga
noun
  1. haba
  2. haba caballar
  3. haba común
  4. habichuela ancha
noun
  1. adiestramiento
  2. doma
  3. doma clásica
noun
tábano
noun
  1. 2. vrucht van een loofboom uit het geslacht Aesculus
    castaña
  2. 1. geslacht van bladrijke bomen, Aesculus
    1. castaño
    2. castaño de indias
/'pardə(n)krɑxt/
abbreviation
maat voor arbeidsvermogen
  1. caballo de vapor
  2. caballo de fuerza
noun
1. een zeer zwaar middel
  1. purga de caballo
  2. remedio heroico
/ˈpardəmolə/
noun
1. een ronddraaiende attractie met paarden om op te zitten
  1. caballitos
  2. calesita
  3. carrusel
  4. tiovivo
noun
carrera de caballos
noun
raza de caballo
noun
carrera de caballos
noun
  1. equitación
  2. hípica
noun
    1. 2. haardracht
    2. 3. staart van een paard
    cola de caballo
  1. 1. sporenplant
    1. cola de caballo
    2. equiseto
    3. cien nudillos
    4. equiseto menor
    5. hierba para el estaño
/ˈpardəˌstɑɫ/
noun
1. een stal bedoeld om paarden te huisvesten
  1. cuadra
  2. caballeriza
noun
carne de caballo
noun
1. paardenzuring is een vaste plant die behoort tot de duizendknoopfamilie Polygonaceae
lampazo acuático
noun
caballito
/ˈpaːrt.rɛidə(n)/
noun
  1. zich, zittend op de rug van een paard, verplaatsen
    1. andar a caballo
    2. montar caballo
  2. het rijden op een paard, ter ontspanning of als sportbeoefening
    equitación
adjective
1. met een kleur tussen rood en blauw
  1. morado
  2. violeta
noun
1. diverse kleurschakeringen tussen blauw en rood.
  1. morado
  2. violeta
adjective
azul violeta
adjective
1. bij paren, twee aan twee
  1. emparejado
  2. por parejas
noun
2. ongezuurd brood dat de joden bij het paasfeest eten
pan ácimo
noun
  1. 2. ter gelegenheid van Pasen gekleurd en versierd kippenei
  2. 1. ei van chocolade of suiker dat op of omstreeks Pasen gegeten wordt
huevo de Pascua
pronoun
isla de Pascua
noun
  1. conejo de Pascua
  2. liebre de Pascua
noun
pascual
noun
1. vakantieperiode
vacaciones de Pascua
noun
vigilia pascual
noun
vigilia pascual
noun
1. de dag waarop christenen vieren dat Jezus opgestaan is uit de dood, op de derde dag na zijn kruisiging
Domingo de Pascua
suffix
pata
noun
1. benaming voor zoogdieren uit het geslacht Cuniculus
paca
pronoun
1. gebergte op de grens van de Braziliaanse deelstaat Roraima en Venezuela
Sierra de Pacaraima
noun
marcapasos
noun
arrendamiento
verb
1. tot vrede of tot rust brengen
  1. apaciguar
  2. pacificar
adjective
pacífico
pronoun
1. oceaan die ligt tussen Oost-Azië, Noord- en Zuid-Amerika en Ausralië
océano Pacifico
noun
aanhanger van het pacifisme
pacifista
noun
pacto
/pɛːt/
noun
  1. 1. een kikker met een gedrongen lichaamsbouw en ruwe huid die een orgaan van Bidder bezit
    sapo
  2. 1. een smalle weg of voetweg
    1. sendero
    2. senda
noun
1. vruchtlichaam van een doorgaans onder de grond levende schimmel of zwam
  1. seta
  2. hongo
  3. champiñón
noun
  1. hongo mágico
  2. hongo psilocibio
/paˈeʎa/
noun
1. gerecht
paella
noun
1. persoonlijke dienaar van iemand
paje
noun
página
verb
1. de bladzijden van een drukwerk voorzien van een doorlopende paginanummering
paginar
noun
1. als lastdier gebruikt hoefdier, Equus asinus
burro de carga
noun
  1. almacén
  2. depósito
noun
rupia pakistaní
/ˈpa.kɪ.ˌstɑn/
pronoun
1. een land in het zuiden van Azië grenzend aan India, Afghanistan, Iran en China. De officiële naam is de Islamitische Republiek
  1. Pakistán
  2. Paquistán
/ˈpɑkʲə/
noun
1.
  1. cajetilla
  2. paquete
verb
1. in de handen nemen
  1. coger
  2. tomar
  3. agarrar
/pɑ'kɛt/
noun
paquete
noun
1. Aziatische groene koolsoort met witte stelen Brassica rapa subsp. chinensis
  1. bok choy
  2. pak choi
noun
trinquete
adjective
  1. paladial
  2. palatal
noun
  1. consonante paladial
  2. consonante palatal
pronoun
Palawan
noun
1. een aanzienlijk gebouw dat een openbare functie heeft of een (woon)huis voor een staatshoofd is
palacio
noun
paleoantropología
/ˌpalejoʔɑrˈxaikʏm/
noun
Paleoarcaico
noun
paleobotánica
noun
Paleoceno
/palejoˈɣen/
noun
1.
Paleógeno
noun
paleógrafo
noun
paleografía
/ˈpalejoˌlitikʏm/
noun
1. eerste periode van de steentijd
Paleolítico
adjective
paleolítico
noun
paleomagnetismo
noun
1. aardkunde die gericht is op de bestudering van fossielen
paleontología
noun
1. iemand die fossielen bestudeert
paleontólogo
noun
paleopatología
/ˌpalejoˌprotəroˈzowikʏm/
noun
Paleoproterozoico
/ˌpalejoˈzowikʏm/
noun
  1. Era Paleozoica
  2. Paleozoico
noun
paleozoología
pronoun
Palermo
pronoun
Palestina
noun
palilalia
noun
palimpsesto
noun
1. een symmetrisch woord dat van links naar rechts gelezen hetzelfde is als van rechts naar links gelezen. Voorbeelden: lepel en parterretrap maar ook kok en lol
  1. palíndromo
  2. capicúa
noun
1. bepaald soort langwerpige consumptievis, Anguilla anguilla
anguila
noun
palisandro
noun
1. hansworst
  1. clown
  2. payaso
noun
1. chemisch element
paladio
noun
palé
adjective
1. verzachtend
paliativo
noun
palio
noun
  1. 2. binnenzijde van de hand
    palma de la mano
  2. 1. (sub-)tropisch gewas
    palmera
noun
1. blad van een palmboom
hoja de palmera
noun
  1. palma
  2. palmera
noun
ácido palmítico
noun
aceite de palma
noun
almendra de palma
noun
aceite de almendra de palma
noun
Een sterk geurende suiker die wordt verkregen uit het sap van palmbomen
azúcar de palma
noun
vino de palma
pronoun
Palmira
pronoun
1. de zondag voor Pasen
Domingo de Ramos
verb
palpar
noun
Palatinado
/pɑn/
noun
1. keukengereedschap om in te koken of braden
  1. sartén
  2. olla
  3. cacerola
noun
  1. jipijapa
  2. panamá
pronoun
Canal de Panamá
noun
balboa panameña
pronoun
Panay
/ˌpɑndeˈmi/
noun
1. een epidemie op wereldwijde schaal
pandemia
/pɑnde'monijʏm/
noun
1. een chaotische toestand met een hels lawaai en drukte
pandemonio
/pɑn.deʲ'ɪsmə/
noun
1. een theologische positie
pandeísmo
pronoun
1. Boliviaans departement gelegen in het noorden van het land
Pando
noun
  1. pancarta
  2. panel
noun
1. de theologische positie dat God immanent is in de gehele schepping en dat het universum een deel is van God en dat God de drijvende kracht vormt achter het universum
panenteísmo
noun
1. blaasinstrument dat is samengesteld uit een reeks van eentonige fluiten
zampoña
noun
  1. 1. afkeer van panseksuelen
  2. 1. onredelijke angst voor veel verschillende dingen
homofobia
noun
pangrama
noun
1. het streven naar de vereniging van alle Griekse volkeren
panhelenismo
noun
pánico
noun
trastorno de pánico
noun
avería
noun
1. een platte, ronde koek die in een pan gebakken is
  1. panqueque
  2. tortita
noun
agarrador
noun
panóptico
noun
pantalón
noun
1. benaming voor verschillende grote katachtige roofdieren
pantera
/pɑn.teʲ'ɪsmə/
noun
panteísmo
noun
  1. zapatilla
  2. babucha
  3. chinela
/pɑnˈtɔfəldirtʲə/
noun
1. eencellig diertje
paramecio
noun
calzonazos
noun
pantógrafo
noun
1. toneelspel alleen maar met gebaren en lichaamsuitdrukkingen dus zonder woorden
pantomima
noun
1. een beschermende laag om dieren of voorwerpen
coraza
verb
1. met een pantser bekleden
  1. blindar
  2. acorazar
noun
vehículo blindado de combate
noun
1. een voertuig op wielen dat uitgerust is met een verstevigde buitenzijde om gewelddadige aanvallen te kunnen weerstaan
carro blindado
noun
1. stam van eencelligen met een tweetal zweepstaartjes die in water leven, Dinoflagellata
dinoflagellata
noun
1. gerecht dat meestal bestaat uit melk die is gebonden met een zetmeelproduct zoals meel
  1. papilla
  2. gachas
noun
1.
papable
/paˈpa.ja/
noun
  1. 2. vrucht van Carica papaya
    1. fruta bomba
    2. lechosa
    3. mamao
    4. papaya
    1. 1. meloenboom
    2. 1. en 2. (vrucht van) de boom Carica papaya
    papaya
noun
1. een plantengeslacht waarin ook de opiumpapaver thuis hoort
  1. amapola
  2. ababa
  3. adormidera
noun
  1. hoja de lima kaffir
  2. lima kaffir
  3. limón rugoso
noun
1. benaming voor vogels uit de orde Psittaciformes
  1. loro
  2. papagayo
noun
1.1 bepaald soort opvallende zeevogel die zelfs onder water kan vliegen, Fratercula arctica
frailecillo
noun
  1. clamidiosis
  2. fiebre del loro
  3. ornitosis
  4. psitacosis
noun
pez loro
noun
papeles
noun
clip
pronoun
1. taal die wordt gesproken op een aantal eilanden in het Caribisch gebied, waaronder de Benedenwindse Eilanden Aruba, Bonaire en Curaçao en daar officiële status heeft
papiamento
pronoun
1. een taal die wordt gesproken op een aantal eilanden in het Caribisch gebied, waaronder de Benedenwindse Eilanden Aruba, Bonaire en Curaçao en daar officiële status heeft
papiamento
/pɑ'pir/
noun
  1. 2. document
    documento
  2. 1. een dun vezelachtig beschrijfbaar materiaal
    papel
noun
papila
adjective
papilar
noun
1. aanhanger van de paus, het papisme
papista
noun
2. een Indonesische provincie
Nueva Guinea Occidental
/ˌpa.pu.wa.niβ̞.ɣi.ˈne.ja/, /ˌpa.pu.wa.niβ̞.χi.ˈne.ja/, /ˌpa.pu.wa.nyʊ̯.ɣi.ˈne.ja/
pronoun
land en staat in Oceanië
  1. Papúa-Nueva Guinea
  2. Papúa Nueva Guinea
adjective
  1. papú
  2. papúa
noun
kina de Papúa Nueva Guinea
/ˈpaprika/, /ˈpɑprika/
noun
2. vrucht van een bepaalde gekweekte vorm van een peperplant, Capsicum annuum
  1. pimiento
  2. morrón
  3. pimiento dulce
  4. pimiento morrón
noun
papiro
adjective
blanco papiro
noun
firma abreviada
noun
parábola
adjective
1.
parabólico
noun
paraboloide
/ˌparaˈboɫ/
noun
1. kegelsnede waarbij het snijvlak parallel loopt met een lijn die aan de kegel raakt en tevens het toppunt snijdt.
parábola
abbreviation
1. veelgebruikt medicijn tegen koorts en pijn
paracetamol
noun
paracaídas
noun
1. schouwspel in de vorm van een optocht
  1. desfile
  2. gala
noun
paradigma
noun
paraíso
adjective
1.lijkend op het paradijs dus zeer mooi, heerlijk en fijn
paradisíaco
/ˌpɑrɑˈdɛɪ̯svoɣəl/, /ˌpɑrɑˈdɛɪ̯svoχəɫ/, /ˌpɑrɑˈdɛːsvoɣəl/
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Paradisaeidae
ave del paraíso
noun
ave del paraíso
noun
paradoja
/ˌparadɔkˈsal/
adjective
1. tegenstrijdig lijkend
paradójico
noun
1. bij iemand of iets behorende zaken
parafernalia
noun
parafina
noun
paráfrasis
noun
1. achtervoeging van slotklank
epítesis
noun
2. onderdeel van een hoofdstuk, een artikel, een wet of een officieel stuk
  1. parágrafo
  2. párrafo
/ˈpa.ra.gʋɑɪ̯/, /ˈpa.ra.gβ̞ɑɪ̯/, /ˈpa.ra.ɣ<sup>ʊ</sup>ɛɪ̯/, /ˈparaˌɡwe/
pronoun
Paraguay
noun
guaraní paraguayo
noun
paralipsis
noun
paralipsis
noun
paralaje
adjective
1. evenwijdig
paralelo
noun
puerto paralelo
noun
  1. postulado de las paralelas
  2. quinto postulado de Euclides
noun
paralelepípedo
/paralɛloˈɣrɑm/, /pɑrɑlɛloˈʝrɑm/
noun
1. (wiskunde) een vierhoek waarvan de overstaande zijden evenwijdig zijn
paralelogramo
noun
1. schakeling van elektrische componenten die vertrekken op gezamenlijke geleider en samenkomen op een gezamenlijke geleider
circuito paralelo
adjective
paralímpico
/para'lizə/
noun
1. een toestand waarin men zich niet bewegen kan
parálisis
verb
paralizar
noun
paralítico
adjective
paralítico
noun
paramagnetismo
noun
1. in te stellen grootheid in een model
parámetro
adjective
paramilitar
noun
1. achtervolgingswaanzin
paranoia
noun
  1. nuez Brasil
  2. nuez de Brasil
  3. nuez de Para
  4. nuez del Brasil
adjective
paranormal
adjective
  1. paranoico
  2. paranoide
noun
trastorno paranoide de la personalidad
/ˌpa.ra.ˈply/
noun
1. een scherm waarover een waterdichte stof is gespannen om zich te beschermen tegen de regen
paraguas
noun
parapsicología
noun
  1. 2.
    1. gorrón
    2. parásito
  2. 1. klaploper, iemand die ten koste van een ander leeft, een profiteur
    parásito
adjective
1. door parasieten veroorzaakt
parasitario
verb
parasitar
noun
parasitismo
noun
1. leer en studie van de parasieten en het parasitisme
parasitología
noun
  1. sombrilla
  2. parasol
  3. quitasol
noun
1. bepaald soort naaldboom, Pinus pinea
  1. estróbilo
  2. pino piñonero
noun
geneesmiddel dat de werking van het autonoom zenuwstelsel nabootst
parasimpaticomimético
noun
paratión
noun
1. in het kaf voorgekookte rijst
arroz precocido
noun
pareidolia
noun
  1. 3. bijnaam voor talentvolle speler of prominent bedrijf, gebouw, gebied of land
    joya
  2. 1. een hard, rond voorwerp dat door bepaalde weekdieren wordt gemaakt,...
    perla
noun
2. bepaald soort vogel, Gavia arctica
  1. colimbo ártico
  2. gavia ártica
noun
perlas
noun
mijo perla
noun
1. rond gepolijste gepelde gerst
cebada perlada
noun
1. benaming voor vogels uit het geslacht Numididae
  1. gallina de Guinea
  2. gallina pintada
/parəl'mur/
noun
1. het glanzende mineraal dat de binnenzijde van bepaalde schelpen bedekt
  1. nácar
  2. madreperla
adjective
gencian perlado
adjective
gris oscuro perlado
adjective
verde perlado
adjective
rojo rubí perlado
adjective
violeta perlado
adjective
oro perlado
adjective
beige perlado
noun
cobre perlado
adjective
cobre perlado
adjective
gris claro perlado
adjective
verde ópalo perlado
adjective
rosa perlado
adjective
morado perlado
adjective
gris musgo perlado
adjective
azul noche perlado
adjective
naranja perlado
noun
1. schelpdier dat een oester kan voortbrengen
ostra perlífera
adjective
blanco perla
noun
parénquima
noun
  1. club de alterne
  2. puticlub
adjective
1. betrekking hebbend op een ouder of meerdere ouders
parental
adjective
parental
noun
paréntesis
/pɑ'rerə(n)/
verb
  1. desviar
  2. repulsar
verb
perfumar
noun
1. winkel waar men parfums verkoopt
perfumería
noun
perfumerías
pronoun
1. de hoofdstad van Frankrijk
París
noun
  1. 2. het in paren bijeenbrengen
    apareamiento
  2. 1. geslachtsdaad
    1. apareamiento
    2. copulación
adjective
paritario
noun
  1. igualdad
  2. paridad
noun
bit de paridad
/pɑrᵊk/
noun
1. een groengebied bedoeld voor recreatie of natuurbehoud
parque
noun
1. garage voor het parkeren van motorvoertuigen
aparcamiento
noun
luz de estacionamiento
noun
1. een installatie met klok die na de muntinworp de toegestane parkeertijd aangeeft
parquímetro
noun
1. plek waar auto's of andere voertuigen geparkeerd kunnen worden
  1. aparcamiento
  2. parking
noun
reloj de aparcamiento
noun
aparcamiento
noun
prohibición de aparcar
noun
guarda de aparcamiento
noun
  1. guarda de aparcamiento
  2. guardacoches
noun
zona de aparcamiento
verb
1. (een voertuig) tijdelijk ergens laten staan
  1. estacionar
  2. aparcar
noun
vogel
  1. periquito
  2. perico
noun
1. risicosport waarbij een traject met obstakels zo snel en vloeiend mogelijk moet worden afgelegd
parkour
noun
parlamento
adjective
parlamentario
/pɑrˈmɑntəx/
adjective
1. deftig en trots
garboso
noun
1. gemeenschap van gelovigen in de katholieke kerk die bij één kerkgebouw hoort
parroquia
/pa.ˈrɔ.xiˌkɛrk/, /pa.ˈrɔ.χiˌkɛrk/
noun
1. een lokaal kerkgebouw dat het religieuze centrum van een parochie vormt
  1. iglesia parroquial
  2. igreja paroquial
verb
parodiar
noun
periodoncia
noun
1. woord dat een of meerdere morfemen met een ander woord deelt en daardoor soms met dat andere woord verward kan worden
parónimo
noun
1. ontsteking van het nagelbed
paroniquia
noun
paroxismo
noun
pársec
noun
  1. gajo
  2. parte
  3. porción
noun
1. begane grond
  1. piso bajo
  2. planta baja
noun
participación
/ˌpɑrtisiˈpeːrə(n)/
verb
1. ergens aan deelnemen
participar
/pɑrˈsʲeːl/
adjective
parcial
/pɑrˈsʲeːl/
adverb
parcialmente
noun
  1. 6. feestje, party
    1. celebración
    2. fiesta
  2. 2. vereniging van gelijkgezinden die binnen een bepaald gebied hun politieke doelstellingen...
    1. partido
    2. bando
    3. facción
noun
ejecutiva del partido
noun
partitura
noun
  1. 3. iemand met wie men gehuwd of niet een relatie heeft
  2. 2. deelgenoot in spelen, speelgenoot, mededanser
  1. compañero
  2. camarada
noun
intercambio de pareja
/pɑr.və.'ny/
noun
  1. advenedizo
  2. nuevo rico
adverb
1. even tevoren
  1. recién
  2. hace un momento
  3. sólo
noun
  1. 3. identiteitsbewijs
    pasaporte
  2. 1. het plaatsen van de voet
    paso
  3. 4. doorgang tussen bergtoppen
    1. paso
    2. paso de montaña
noun
1. het belangrijkste feest van het christendom, waarbij de Opstanding van Jesus centraal staat
Pascua
noun
foto de pasaporte
noun
  1. desposada
  2. desposado
  3. novia
  4. novio
noun
pachá
noun
1. een ruimte in een kledingzaak waarin men kleding kan passen
probador
noun
A 1. schotschrift of smaadschrift waarin men iets of iemand belachelijk maakt
  1. libelo
  2. pasquín
noun
pasodoble
noun
pasaporte
adjective
pasable
noun
1. iemand die al of niet tegen betaling meereist met een voer-, vaar- of vliegtuig
  1. pasajera
  2. pasajero
noun
  1. barco de pasajeros
  2. buque de pasaje
noun
avión de pasajeros
noun
  1. galón
  2. trencilla
verb
1. precies de goede maat zijn, erin kunnen
  1. caber
  2. quedar
adjective
  1. oportuno
  2. como es debido
  3. acorde
  4. conforme
  5. conveniente
  6. cómodo
noun
compás
verb
1. voorbijgaan, voorbijsteken, inhalen
  1. pasar
  2. adelantar
noun
1
pasión
noun
  1. pasiflora
  2. pasionaria
adjective
1. niet zelfstandig werkzaam
pasivo
noun
1. (eetbare) vrucht van het plantengeslacht Passiflora
  1. maracuyá
  2. fruta de la pasion
adjective
pasional
noun
1. de benaming voor een aantal Italiaanse deegproducten
pasta
noun
ensalada pasta
noun
  1. pastel
  2. empanada
noun
  1. glasto
  2. hierba pastel
  3. pastel
adjective
azul pastel
adjective
amarillo pastel
adjective
naranja pálido
adjective
turquesa pastel
adjective
violeta pastel
noun
pasteurización
verb
pasteurizar
noun
1. een document of ander kunstwerk zoals een toneel- of muziekstuk dat is gemaakt via nabootsing en/of het combineren van bepaalde kenmerken van een of meerdere originelen
pastiche
noun
1.
  1. pastilla
  2. gragea
noun
1. bepaald circa 20 cm lang knolgewas, Pastinaca sativa
chirivía
noun
  1. cura
  2. párroco
/ˈpɑstɔr/
noun
  1. cura
  2. dómine
  3. pastor
  4. pastor protestante
  5. sacerdote
noun
1. remise doordat een speler geen zet meer kan doen
tablas
adjective
patagónico
pronoun
1. benaming voor het zuidelijke deel van Zuid-Amerika, tussen de Colorado en de Straat van Magellaan
Patagonia
noun
1. gefrituurde aardappelreepjes
patatas fritas
noun
friterie
noun
1. schotel voor de hostie
patena
noun
  1. patente
  2. patente de invención
noun
padre
adjective
1. & 2. vaderlijk
paternal
adjective
patético
adjective
1. de eigenschap bezittend om een ziekte te veroorzaken
patógeno
noun
1. de tak van de geneeskunde die het ontstaan en verloop van ziektes bestudeert
patología
adjective
1. ziekte betreffend
patológico
noun
1. een medisch specialist die de pathologie beoefent
patólogo
noun
patetismo
noun
pátina
adjective
verde patina
noun
1. een al dan niet omheinde binnenplaats bij een huis of ander pand
patio
/pɑˈsʲɛnt/
noun
iemand die medische hulp krijgt
paciente
noun
patriarcado
noun
1. een vogel uit de familie van de fazanten
  1. perdiz
  2. perdiz pardilla
noun
1. klein rond raam in een scheepswand dat waterdicht kan worden afgesloten
ventanilla
noun
  1. 1. goede vaderlander
    patriota
  2. 2. aanhanger van de Patriotten
    1. patriota
    2. repúblico
adjective
patriótico
noun
patrología
noun
1. zowel baas als beschermheer zijn
patronal
noun
patronímico
noun
1. munitie voor een vuurwapen
bala
noun
1. een beschermheilige
patrono
noun
reconocimiento de patrones
noun
patrulla
verb
patrullar
pronoun
1. stad in Thailand
Pattaya
noun
1. stevig, maar smeerbaar mengsel van fijngemalen vlees
paté
noun
1. een grote verstembare keteltrommel zoals gebruikt in een orkest
  1. timbal
  2. témpano
noun
  1. pauperismo
  2. indigencia
/pɑu̯s/
noun
1. hoofd van de katholieke kerk
  1. papa
  2. Papa
noun
1. benaming voor siervogels uit het geslacht Pavo
  1. pavo real
  2. pavo
/ˈpɑʊzə/
noun
1. tijd waarin de hoofdactiviteit wordt onderbroken
pausa
noun
pavana
noun
pabellón
/peˈse/
noun
1. een computer voor persoonlijk gebruik
PC
noun
  1. nuez pecan
  2. pacana
/pɛx/, /pɛχ/
noun
1. de conditie waarin er tegenslag te verwerken is die niet door eigen schuld veroorzaakt is
mala suerte
noun
  1. pectina
  2. E440
  3. E440i
adjective
pectoral
adjective
  1. pecuniario
  2. pecunial
adjective
pecunial
noun
  1. 1. met de voet te bedienen hefboom
  2. 3. met de voet te bedienen hefboom van een muziekinstrument
pedal
noun
pedagogía
noun
pedagogía
noun
1. iemand die op een doordachte manier helpt kinderen op te voeden
pedagogo
adjective
1. iemand die zichzelf beter en wijzer vindt dan andere mensen
pedante
noun
  1. pala
  2. canalete
noun
bedel
noun
pederasta
noun
pediatra
noun
pediatría
adjective
1. behorende tot het verlangen van een volwassene naar seksueel contact met kinderen
  1. pedófilo
  2. paidófilo
noun
1. een volwassene die verlangt naar seksueel contact met kinderen
  1. pedófilo
  2. pederasta
  3. paidófilo
noun
1.
  1. paidofilia
  2. pedofilia
noun
  1. pedómetro
  2. podómetro
noun
  1. 2. gloeilamp
    1. bombilla
    2. ampolla
  2. 1. vrucht
    1. pera
    2. peral
adjective
1. de vorm hebbend van een peer, dus rond met één enkele uitloper
  1. piriforme
  2. de forma de pera
/pes/
noun
1. een uitloper van spierweefsel die de spier aanhecht aan het bot
tendón
noun
1. een aandoening van een pees en de aanhechting ervan aan het bot
tendinitis
noun
padrino
/ˈpetmudər/
noun
1. vrouw die bij de doop wordt aangewezen als tweede moeder, om op het kind te letten in de opvoeding en pleegmoeder te worden mocht dat nodig zijn
madrina
noun
padrino
/pɛːl/, /pɛːɫ/
noun
1. niveau of stand van bijvoorbeeld water
nivel
noun
1. een antenne met voorkeur voor één richting
antena radiogoniométrica
verb
1. de waterdiepte bepalen
aforar
noun
1.
indicador de nivel
noun
1. peiling
sondeo
noun
1. gewicht aan een touw
  1. escandallo
  2. sondaleza
noun
  1. aforo
  2. calibrador
  3. varilla del nivel
/ˈpɛɪ̯nzə(n)/, /ˈpɛːnzə(n)/
verb
1. heel diep nadenken
  1. meditar
  2. cavilar
/'pejorɑ'tif/
adjective
peyorativo
noun
pez
noun
  1. pechblenda
  2. uraninita
noun
  1. adobo
  2. salmuera
verb
1. overgankelijk blootstellen aan een sterke oplossing van zout
  1. salar
  2. curar con sal
  3. poner en adobo
noun
pelerina
/pɛlgrɪm/
noun
peregrino
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Pelecanidae
pelícano
noun
pelagra
adjective
pelicular
/peloˈtɔn/
noun
een groep soldaten
pelotón
noun
1. de dichtbehaarde huid van verschillende dieren
piel
noun
1. zoogdier waarvan de behaarde huid als bont gebruikt wordt
animal de piel
adjective
gris ardilla
noun
abrigo de piel
noun
1. (kleding) een mantel vervaardigd van het bont van pelsdieren
abrigo de piel
noun
1. een patroon van twee afwisselende kleuren dat het schild bedekt
abrigo de pieles
noun
  1. 3. lange, stevige veer van vogels
    pluma
  2. 1. instrument om met inkt te schrijven of te tekenen
    1. pluma
    2. bolígrafo
verb
penalizar
noun
1. een directe vrije trap voor de aanvallende partij na een zware overtreding van de verdedigende partij binnen het strafschopgebied
penalti
noun
  1. entrepaño
  2. entreventana
  3. parteluz
noun
penates
noun
penicilina
noun
1. het mannelijke geslachtsdeel
pene
noun
koteka
adjective
penitenciario
noun
polémica
noun
  1. medalla
  2. moneda
noun
  1. hierba de la moneda
  2. nummularia
noun
  1. cuestor
  2. tesorero
noun
pincel
noun
1. loon uitgesteld tot de tijd dat iemand niet langer actief is op de arbeidsmarkt
  1. pensión
  2. jubilación
  3. pensión de jubilación
noun
  1. fondo de jubilaciones
  2. fondo de jubilación
  3. fondo de pensiones
noun
1. een gelegenheid waar men kan overnachten
  1. pensión
  2. casa de huéspedes
verb
  1. 1. pensioen krijgen
    jubilar
  2. 2. pensioen geven
    pensionar
noun
1. C₅H12
pentano
noun
1. C15H32
pentadecano
adjective
pentagonal
noun
  1. pentagrama
  2. pentáculo
  3. pentágrama
  4. pentalfa
  5. pentángulo
noun
pentámetro
noun
1.behoort tot een groep geneesmiddelen die morfine-achtige pijnstillers of opiaten worden genoemd
pentazocina
noun
pentodo
noun
1. dit geneesmiddel zorgt dat bloedcellen minder makkelijk aan elkaar kleven
pentoxifilina
noun
1. een specerij van gemalen peperkorrels met een scherpe, hete smaak
  1. pimiento
  2. pimienta
noun
1. vaatje met al dan niet gemalen peperkorrels dat op tafel gezet wordt
pimentero
verb
1. met peper bestrooien, kruiden
salpimentar
noun
molinillo de pimienta
noun
1. en 2. (bladeren van) de plant Mentha × piperita
  1. piperita
  2. menta
noun
hoja de menta
noun
licor de menta
noun
  1. infusión de menta
  2. té con menta
  3. té de menta
noun
pimentero
noun
péptido
noun
enlace peptídico
noun
peptona
preposition
    1. 3. over een periode van, over een afstand van.
    2. 5. door, wegens
    por
  1. 1. door middel van
    por medio de
/pɛrsɛnˈtaʒə/
noun
1. een percentsgewijze berekend bedrag of hoeveelheid
porcentaje
noun
percentil
noun
1. gewaarworden door een van de zintuigen
percepción
verb
percolar
noun
tiro de fusil
verb
  1. chocar
  2. percutir
/perə(n)bom/
noun
1. een boom met peren als vrucht
peral
noun
1. compote van peren
compota de peras
noun
1. vruchtensap dat uit peren is bereid
zumo de pera
/pɛrˈfɛkt/
adjective
1. zonder enig gebrek
perfecto
noun
perfección
verb
1. meer perfect of volmaakt maken
perfeccionar
adjective
perfeccionista
/ˌpɛrfoˈratɔr/
noun
1. een apparaat om gaten te maken in papier, karton, kunststof folie of metaalplaat.
  1. perforadora
  2. perforador
verb
1. ergens een gat in maken dat de ene zijde met de andere verbindt
perforar
adjective
peligroso
adjective
1. rond het harde hersenvlies
peridural
adjective
1. aan de buitenzijde
periférico
noun
periferia
noun
perigeo
adjective
periglaciar
noun
perigonio
noun
perihelio
noun
  1. perineo
  2. periné
adjective
1. rondom de ogen, rond de oogbol
periocular
/pɪri'jodɘ/
noun
  1. 5. cyclus
    ciclo
    1. 1. tijdperk
    2. 2. menstruatie
    1. periodo
    2. período
noun
periodicidad
adjective
1. periodisch, regelmatig terugkerend
periódico
noun
1. tijdschrift
  1. periódico
  2. revista
noun
tabla periódica
noun
1.
tabla periódica de los elementos
verb
periodizar
noun
peripecia
noun
períptero
noun
periscopio
adjective
peristáltico
noun
peristilo
noun
1. afgebakend stuk grond
  1. bancal
  2. cuadro
  3. macizo
/pɛrᵊm/
noun
Pérmico
adjective
1. voortdurend
permanente
noun
1. krullen in het haar
permanente
noun
1. doordringbaarheid
permeabilidad
noun
permiso
adjective
permisivo
noun
permitividad
noun
permutación
verb
permutar
adjective
1. gevaarlijk, kwaadaardig
pernicioso
noun
1. populistische en nationalistische politieke stroming in Argentinië
peronismo
noun
perovskita
noun
peroxidasa
noun
peróxido
adjective
perpendicular
adjective
perpetuo
/pɛˈrɔn/
noun
1. een hoge, lange zijstoep of verhoogde vrije stoep aan een station om in en uit te stappen
  1. andén
  2. plataforma
noun
  1. 2. journalistieke media
    prensa
  2. 1. instrument waarmee druk uitgeoefend kan worden
    1. prensa
    2. exprimidor
    3. juguera
    4. tórculo
  3. persa
noun
agencia de noticias
noun
1. schriftelijke verklaring om iets via de media bekend te maken
comunicado de prensa
verb
  1. planchar
  2. apretar
  3. exprimir
  4. presionar
noun
perseveración
pronoun
  1. Perseidas
  2. lágrimas de San Lorenzo
noun
persistencia
noun
personaje
noun
1. apparaat voor individueel gebruik dat met programma's gegevens verwerkt
computadora personal
noun
personalidad
adjective
personal
noun
het onderwijzend personeel
personal
noun
empleado
noun
  1. 1. menselijk individu
  2. 2. grammaticaal begrip
persona
adjective
1. betrekking hebbend of uitgevoerd door de persoon zelf
personal
noun
1. een voornaamwoord dat in de plaats komt van een zelfstandig naamwoord of eigennaam en hiernaar verwijst
pronombre personal
noun
1. het geheel van kenmerken en gedragingen dat iemand uniek maakt
personalidad
noun
trastorno de personalidad
noun
culto a la personalidad
/pɛrˈsoːnsˌfɔrm/
noun
1. finiet werkwoord
forma personal
noun
ajuste forzado
/pɛrspɛkˈtif/
noun
perspectiva
noun
perspectivismo
noun
persuasión
noun
libertad de prensa
noun
perturbación
noun
  1. bálsamo de Tolú
  2. bálsamo del Perú
noun
sol peruviano
noun
trastorno generalizado del desarrollo
adjective
  1. perverso
  2. malvado
  3. pervertido
noun
1. perversiteit, tegennatuurlijkheid, verdorvenheid
perversión
noun
  1. perversidad
  2. perversión
verb
1. iets bederven, slecht maken
  1. pervertir
  2. depravar
noun
1. sappige vrucht van de perzikboom
  1. melocotón
  2. durazno
noun
1. gepureerde vruchten van de perzikenboom
pure de melocotón
noun
1. een vruchtensap die uit perziken bereid is
  1. jugo de melocotón
  2. zumo de melocotón
adjective
  1. persa
  2. pérsico
pronoun
1. een Indo-Iraanse taal die gesproken wordt in Iran, Afghanistan en Tadzjikistan
  1. persa
  2. farsi
pronoun
Peshawar
noun
1. een anticonceptiemiddel waarbij een rubberen kapje in de vagina de baarmoedermond afsluit
  1. pesario
  2. diafragma intrauterino
noun
1. de verwachting dat gebeurtenissen ongunstig gaan uitvallen
pesimismo
noun
pesimista
adjective
pesimista
noun
(medisch) Dodelijke en besmettelijke ziekten veroorzaakt door de bacterie Yersinia pestis
peste
noun
epidemia de peste
noun
  1. pesticida
  2. plaguicida
  3. agroquímico
  4. biocida
noun
pestilencia
noun
1. bepaald soort vogel, Bombycilla garrulus
  1. ampelis europeo
  2. ampelis
noun
1. tamelijk plat hoofddeksel met een klep
  1. gorra
  2. cachucha
/petəkɪnt/
noun
ahijado
noun
padrino
noun
2. kruid
perejil
noun
groente
raices de peregril
adjective
betrekking hebbend op de industrie die aardolie als grondstof verwerkt
  1. petroquímico
  2. petroleoquímico
noun
petróleo
noun
1. gesteentekunde
petrología
pronoun
  1. 3. Peter
    Pedro
  2. 1. discipel van Jezus
    1. Pedro
    2. Cefas
    3. San Pedro
    4. Simón Bariona
    5. Simón Pedro
noun
petunia
noun
  1. 1. overblijfsel van een opgerookte sigaret of sigaar
    colilla
  2. 2. sigaret
    pitillo
noun
  1. legumbre
  2. vaina
noun
2. en 3. (peulen van) Pisum sativum var. saccharatum
  1. guisante mollar
  2. guisante azucarado
noun
legumbre
noun
1. een jong kind in de leeftijd van een tot vier jaar
infante
adjective
  1. minucioso
  2. mínimo
noun
cromosoma Filadelfia
noun
  1. fon
  2. fonio
noun
1.
pi
noun
1. musicus die een piano bespeelt
pianista
noun
1. groot snaarinstrument met klavier (algmeen)
piano
noun
taburete de piano
noun
profesor de piano
noun
afinador de pianos
noun
picador
adjective
1. gerelateerd of afkomstig uit Picardië
picardo
/pɪˈkɑrdɪʲə/
pronoun
regio in Noord-Frankrijk
Picardía
noun
1. piccolofluit
piccolo
noun
  1. 2. een kleine open vrachtauto
    camioneta
  2. 1. een apparaat om grammofoonplaten af te spelen
    1. tocadiscos
    2. gramófono
noun
1. een maaltijd in de vrije natuur
  1. jira
  2. pic-nic
  3. picnic
noun
picosegundo
noun
  1. trinitrofenol
  2. ácido pícrico
noun
pictograma
verb
± langdurig nadenken
ruminar
noun
1. geslachtsdeel van de man, penis gebruikt voor onvolgroeide jongens
  1. pajarito
  2. pito
adjective
1. zeer slim
  1. despabilado
  2. listo
verb
  1. 1.1 het geluid van een muisje
    chillar
  2. 1.4 het fijn schril geluid van een krakende scharnier
    chirriar
  3. 3. stiekem, snel of oppervlakkig naar iets kijken
    1. espiar
    2. husmear
  4. 1.2 het geluid van de vogeltjes
    piar
  5. 1.3 het geluid van een hijgende adem
    resollar
noun
  1. 1. benaming voor vogels uit het geslacht Anthus
    bisbita
  2. 3. aardappel
    papa
adjective
1. bijzonder klein
  1. diminuto
  2. chiquito
noun
1. jong slachtkuiken
polluelo
noun
poliestireno
/piːr/
noun
  1. 1. een regenworm
    lombriz
  2. 2. een in een zee of rivier uitstekende brug, dam of golfbreker
    1. muelle
    2. embarcadero
noun
ringetje, staafje enz.
pirsin
noun
1. ondiep zwembad geschikt voor heel kleine kinderen die nog niet kunnen zwemmen
piscina
pronoun
1. jongensnaam
Pedro
noun
1. benaming voor stekelige zeevissen uit de familie Trachinidae
peje araña
pronoun
1. hoofdstad van KwaZoeloe-Natal
Pietermaritzburgo
noun
1. een organische of minerale stof met een vaste kleur
pigmento
noun
1. verkleuring
pigmentación
noun
1. projectiel
  1. flecha
  2. saeta
noun
1. zuil, pilaar
pilar
noun
1. weekdier met lange tentakels en zuignappen, o.a. van het geslacht Loligo
calamar
noun
sagitaria
noun
  1. capellanes
  2. draba
  3. floretas
  4. mastuerzo bárbaro
  5. mastuerzo oriental
  6. papoles
noun
3. zwemeend
ánade rabudo
noun
ánade rabudo
noun
pastinaca
noun
esfinge
noun
  1. maranta
  2. sagú
  3. arrurruz
  4. amaranta
  5. sulú
/pɛɪ̯n/, /pɛːn/
noun
  1. 1. lichamelijk leed
    dolor
  2. 1. pijnboom, een naaldboom uit het geslacht Pinus
    pino
/ˈpɛɪ̯nɑpəɫˌkliːr/, /ˈpɛːnɑpəlˌkliːr/
noun
1. klier in de hersenen, die melatonine uitscheidt
glándula pineal
noun
  1. ecúleo
  2. potro
  3. potro de tortura
adjective
verde pino
noun
piñón
verb
1. het opzettelijk veroorzaken van pijn bij iemand
  1. atormentar
  2. torturar
adjective
1.wat de pijn doet ophouden
  1. analgésico
  2. calmante
  3. lenitivo
  4. sedativo
/pɛi̯p/
noun
  1. 2. broekspijp
    pernera
  2. 1. buis
    1. tubo
    2. pipa
noun
  1. aristoloquia
  2. aristoloquia clematidea
  3. aristoloquia roja
  4. clematítide
noun
1. samenstel van pijpen om vloeistoffen of gassen door te leiden
  1. cañería
  2. tubería
verb
fumar en pipa
noun
tabaco para pipa
noun
  1. 3. pek
    pez
  2. 2. houweel
    pico
  3. 4. wrok
    pique
  4. 1. penis
    1. polla
    2. pija
verb
4. vlees inrijgen met reepjes spek
  1. bardar
  2. lardear
  3. larder
  4. mechar
noun
  1. 4. kaartspel
    los cientos
    1. 2. troep soldaten of wacht
    2. 3. groep personen die met spandoeken etc. probeert een staking af te dwingen
    piquete
/ˈpɪkhʌʊʋɪ:ɫ/
noun
1. hakwerktuig met steel, voorzien van een punt aan de ene zijde en een beitelachtige voorziening aan de andere zijde
pico
verb
  1. 1. iets wegnemen van iemand en het zich wederrechtelijk toe-eigenen
    birlar
  2. 4. (met de snavel) prikken
    picar
noun
  1. 2
    1. pastilla
    2. píldora
  2. 1
    1. píldora
    2. pastilla
noun
1. een langgerekt verticaal bouwelement, gewoonlijk uit één stuk en met een willekeurig gevormde doorsnede
columna
noun
pilastra
noun
1. een bestuurder van een vliegtuig, luchtschip of race-auto
piloto
noun
  1. pimienta de Jamaica
  2. pimienta gorda
  3. pimienta inglesa
  4. pimienta jamaicana
noun
1. bepaalde mezensoort, Cyanistes caeruleus
  1. alionín
  2. herrerillio común
  3. herrerillo común
noun
1. een dun metalen staafje waarmee iets bevestigd kan worden
clavija
noun
  1. pináculo
  2. remate
noun
1. weefsel van ananasvezels
pinaza
noun
  1. 2. een vrucht van deze plant
    cacahuete
  2. 1. een tot de vlinderbloemenfamilie behorende plant
    maní
adjective
1. een soort broodbeleg dat bestaat uit een pasta van pinda's, slaolie en zout
  1. manteca de cacahuete
  2. crema de cacahuate
noun
sopa de cacahuetes
/ˈpɪŋɡwɪn/
noun
1. benaming voor niet-vliegende zeevogels uit de orde
pingüino
noun
1. de vijfde, kleinste en buitenste vinger
  1. dedo meñique
  2. meñique
noun
pentecostalismo
/'pɪŋkstərblum/
noun
1. een kruisbloemachtige die eind april het hoogtepunt heeft van haar bloei
  1. berro de prado
  2. cardamina
  3. cardamina de prados
  4. mastuerzo de prado
pronoun
1. Christelijk feest
Pentecostés
noun
Pentecostés
adjective
avaro
/ˈpɪmpɑs/
noun
1. betaalkaart waarmee bedragen rechtstreeks worden afgeschreven van de bankrekening van de betaler.
tarjeta de débito
noun
peonía
/piˈɔn/
noun
1. een schaakstuk dat alleen recht vooruit kan lopen en schuin vooruit slaan
peón
noun
  1. explorador
  2. iniciador
  3. innovador
  4. vanguardista
noun
  1. moquillo de las gallinas
  2. pepita
/pi.ˈpɛt/
noun
1. een instrument waarmee heel precieze hoeveelheden vloeistof kunnen worden afgemeten door de vloeistof erin op te zuigen, meestal een in het midden verwijde en spits uitlopende glazen buis
pipeta
adjective
pálido
noun
1.
  1. pirata
  2. bucanero
  3. corsario
  4. filibustero
noun
1.
pirámide
noun
  1. esquema de pirámide
  2. estafa piramidal
noun
  1. ajuga pyramidalis
  2. pinillo
noun
  1. pirueta
  2. voltereta
noun
een NSAID ontstekingsremmer en pijnstiller
piroxicam
noun
1. urine
orina
noun
urinario
noun
1. een lange cilindrische holte die de blaas verbindt met de buitenkant van het lichaam
uretra
noun
orinal
verb
1. plassen
  1. mear
  2. orinar
  3. empapar de meado
noun
pistacho
noun
  1. arena
  2. redondel
noun
  1. pistón
  2. émbolo
noun
1. een semi-automatisch handvuurwapen met een langwerpig magazijn in het handvat
pistola
noun
1. licht machinegeweer
  1. metralleta
  2. subfusil
noun
  1. 1. zaadhoudende kern van verschillende vruchten
    1. cuesco
    2. hueso
    3. grano
    4. pipa
    5. semilla
  2. 2. kaarsen- of lampenpit
    mecha
noun
1. een bulterriër die gekweekt wordt om zijn grote vechtlust
pitbull
pronoun
1. groep van vijf eilanden halverwege Paaseiland en Tahiti
islas Pitcairn
noun
habitante de las Islas Pitcairn
adjective
  1. 1. niet te onderschatten
    1. enérgico
    2. vivo
  2. 2. stevig en scherp van smaak
    1. picante
    2. sabroso
adjective
pintoresco
verb
  1. 1. op een steunpunt in het midden ronddraaien
  2. 2. draaien met één voet aan de grond
pivotar
noun
1. een beeldpunt
pixel
/ˈpidza/, /ˈpitsa/
noun
1. gerecht van een belegde broodbodem
pizza
noun
1. deeg voor de bodem van een pizza
  1. masa de pizza
  2. masa para pizza
noun
horno de pizzas
noun
cortador de pizza
noun
1. restaurant
pizzería
adverb
pizzicato
noun
1.
piedad
noun
pietismo
noun
pietista
noun
piezoelectricidad
noun
wijdverspreid onheil, ongemak
  1. plaga
  2. castigo
noun
  1. 4. zandplaat
    1. banco
    2. banco de arena
  2. 3. grammofoonplaat
    disco
  3. 2. afbeelding
    1. estampa
    2. figura
    3. imagen
  4. 1. vlak, plat en vrij dun stuk materiaal
    1. placa
    2. chapa
    3. plancha
noun
chapa
/plaːts/
noun
  1. 4. een kleine ruimte achter een huis
    1. corral
    2. patio
  2. 3. een dorp of stad (woonplaats)
    1. localidad
    2. población
    3. aldea
    4. pueblo
    5. ciudad
    6. lugar geométrico
  3. 1. een bepaalde ruimte of een bepaald punt in de ruimte
    1. lugar
    2. sitio
    3. localidad
noun
acomodador
noun
localidad
adjective
1. betrekking hebbend op een bepaalde plaats
  1. local
  2. tópico
verb
1. op een bepaalde plaats zetten
  1. poner
  2. colocar
  3. depositar
verb
1. gebeuren, zich afspelen
  1. celebrarse
  2. tener lugar
noun
1. het aantal argumenten van een relatie of functie
aridad
noun
colocación
noun
1. bewijs dat met recht heeft om ergens te zijn en er gebruik van te maken m.n. voor openbaar vervoer ...
  1. billete
  2. boleto
/ˈplatsnemə(n)/
verb
1. gaan zitten op een daartoe bestemde plek
sentarse
noun
vector posición
noun
lugarteniente
/platsˈvɪndə(n)/
verb
1. gebeuren, geschieden, plaatshebben
  1. ocurrir
  2. realizarse
noun
1. geneesmiddel zonder werkzame stof
  1. placebo
  2. sustancia placebo
adjective
placentario
/plɑˈfɔnt/
noun
1. de bovenkant van een ruimte in een gebouw
techo
verb
  1. 1. iemand lastigvallen
    1. afligir
    2. vejar
  2. 1. iemand (goedmoedig) pesten
    1. molestar
    2. fastidiar
noun
plagio
noun
  1. loncha
  2. lonja
  3. rodaja
  4. plancha
  5. placa
  6. tajada
/ˈplɑg.bɑnt/
noun
1. een lintvormige drager die aan één of beide zijden bedekt is met kleefstoffen
cinta adhesiva
noun
  1. 2.
    anuncio
  2. 1.
    1. cartel
    2. letrero
    3. pancarta
    4. rótulo
verb
lijmen , kleven
pegar
verb
1. steenachtige, houten of andere ondergronden met plamuur egaliseren of repareren
emplastecer
noun
1. een voorgenomen handelswijze
plan
noun
unidad de Planck
noun
1. een groot, rond en massief hemellichaam dat zelf geen licht geeft en in een vaste baan rond een ster draait
planeta
adjective
planetario
noun
nebulosa planetaria
noun
1. een toestel om de bewegingen van planeten voor te stellen
planetario
noun
1. stelsel van planeten om de zon of een ster
sistema planetario
noun
1. een brok vaste materie die net als een planeet in een baan rond de zon draait, maar kleiner is dan een planeet
asteroide
noun
planímetro
noun
planimetría
/plɑŋk/
noun
1. een plat en langwerpig stuk hout
  1. tablero
  2. tablón
  3. tabla
  4. plancha
noun
miedo escénico
noun
tablilla
noun
plancton
noun
  1. planeamiento
  2. planificación
noun
  1. 1. organisme dat kooldioxide opneemt en zuurstof afgeeft
  2. 2. van stengel en bladeren voorzien gewas dat zijn voedsel uit de aarde opneemt
planta
/plɑntˈaːr.dəx/
adjective
1. tot de planten behorend, uit planten bestaand of daarvan afkomstig
vegetal
noun
aceite vegetal
noun
1. een uitgestrekt stuk grond waarop ...
plantación
verb
1. (een plant) in de aarde zetten om te laten groeien of bloeien
  1. plantar
  2. sembrar
noun
1. dier dat uitsluitend plantaardig voedsel eet
herbívoro
noun
plantador
noun
1. het onderdeel van de biologie dat zich bezighoudt met de studie van de planten
botánica
adjective
botánico
noun
botánico
noun
1. een lange cilindrische holte die de blaas verbindt met de buitenkant van het lichaam
uretra
noun
1.
plasma
noun
pantalla de plasma
/plɑs.ˈmi.də/
noun
1. een ringvormig DNA-molecuul dat voornamelijk voorkomt voor bij bacteriën
plásmido
noun
plasmólisis
verb
1. via de urinebuis vloeibare lichamelijke afvalstoffen lozen
  1. hacer pis
  2. mear
  3. orinar
noun
(kindertaal, kinderlijk) penis
  1. pilila
  2. pito
  3. pinga
/'plɑstik/, /'plɛstɪk/
noun
plastisch vervormbare polymere kunststof
plástico
noun
plasticidad
noun
plástica
adjective
3. kneedbaar
plástico
noun
1. een chirurgisch specialisme waarin men zich richt op het uit esthetisch en/of functioneel oogpunt aanpassen van het uiterlijk
cirugía plástica
adverb
  1. 2. van weinig culterele diepgang getuigend
    1. patán
    2. banal
    3. trivial
    4. vulgar
  2. 1. vlak van vorm met verwaarloosbare hoogteverschillen
    1. plano
    2. llano
noun
chalana
verb
1. iets met kracht samendrukken
aplastar
noun
loza
noun
1. bepaalde omgeving waarin een computer werkt
plataforma
noun
1. scheikundig element met symbool Pt en atoomnummer 78
platino
adjective
1. een variant van de blonde haarkleur, herinnerend aan de kleur van platina.
rubio platino
adjective
gris platino
/ˌplɑtəˈvɛil/
noun
lima plana
/ˈplɑtvɪs/
noun
1. een orde van vissoorten die op hun zijde op de bodem leven, en geheel plat zijn
pez plano
/plɑt.flurs/
adjective
1. laag bij de grond, onbeschaafd
vulgar
noun
pie plano
noun
pies planos
noun
pavimento
noun
plebiscito
adjective
met ceremonieel
solemne
noun
een sociale gebeurtenis die met ernst en ceremonieel gepaard gaat
  1. ceremonia
  2. solemnidad
  3. acto
adjective
1.
  1. ceremonial
  2. solemne
noun
1. toilet
  1. excusado
  2. retrete
  3. váter
noun
1.
acogimiento familiar
/'pleɣə(n)/
verb
  1. 1. een gewoonlijk verboden handeling uitvoeren
    cometer
  2. ontucht plegen
    fornicar
  3. 2. gewoon zijn, vaak doen
    soler
noun
  1. plaza
  2. espacio libre
/ˈplɛinˌvreːs/
noun
agorafobia
noun
  1. 1. (gipshoudend) kalkmengsel
    1. escayola
    2. estuco
  2. 2. zelfklevend verband
    1. tirita
    2. esparadrapo
verb
2. iets met kalkspecie of gips bestrijken
  1. enyesar
  2. enlucir
  3. estucar
noun
1. rustplaats tijdens een tocht
parada
noun
Pleistoceno
verb
  1. pleitear
  2. abogar
/plɛk/
noun
1. plaats, positie
  1. sitio
  2. paraje
adjective
1. in aanwezigheid van allen
plenario
verb
1. plat maken
  1. achatar
  2. aplanar
noun
1. machine die wegen effent
  1. apisonadora
  2. aplanadora
noun
  1. pleuresía
  2. pleuritis
noun
1. borstvliesontsteking
  1. pleuresía
  2. pleuritis
noun
1.
  1. chorlito
  2. chorlito real
noun
placer
adjective
  1. agradable
  2. placentero
noun
1. pleziervaartuig
yate
noun
  1. viaje de placer
  2. viaje de recreo
noun
1. een taak die men op zich genomen heeft of opgelegd heeft gekregen
  1. deber
  2. obligación
  3. cometido
noun
1. op zeegaande vrachtschepen aangebracht merkteken
  1. disco Plimsoll
  2. marca de Plimsoll
  3. marca de francobordo
noun
1.
zócalo
/ˌplijoˈsen/
noun
Plioceno
verb
1. het aanbrengen van fijne plooien in een gesteven stof
  1. plisar
  2. alechugar
noun
  1. 1. landbouwgereedschap om de grond om te woelen
    arado
  2. 2. groep personen
    1. equipo
    2. cuadrilla
verb
2. land met de ploeg bewerken
  1. arar
  2. labrar
noun
  1. trabajo a turnos
  2. trabajo en turnos
noun
1. snijdend deel van ploeg
reja
noun
  1. bellaco
  2. bribón
  3. canalla
  4. granuja
/ˈplɔfklɑŋk/
noun
1. een medeklinker die geproduceerd wordt met een volledige obstructie ergens in het spraakkanaal
consonante explosiva
noun
ataque a cajeros automáticos
verb
1. een geluid voortbrengen zoals dat van iets dat luidruchtig in een vloeistof ondergedompeld wordt
chapotear
noun
doblez
verb
1. iets in losse vouwen opstapelen
  1. plegar
  2. plisar
/ploˈsif/
noun
1. medeklinker die geproduceerd wordt met een volledige obstructie...
consonante oclusiva
noun
  1. argumento
  2. trama
adjective
1. snel en onverwacht
  1. repentino
  2. súbito
adverb
1. snel en onverwacht
de golpe
noun
  1. taco
  2. clavija
  3. pasador
noun
complemento
noun
  1. pluma
  2. mazorca
  3. panoja
  4. panícula
noun
volante
noun
mijo
noun
adulación
noun
aves de corral
noun
1. vlok droge, lichte stof met een open structuur
  1. copo
  2. pelusilla
/plɵk/
noun
2. het plukken
recolección
/'plɵkə(n)/
verb
  1. 4. (sport) een door de lucht vliegende bal grijpen
    atrapar
    1. 2. ontdoen van de veren
    2. 3. iemand geld afzetten
    desplumar
  2. 1. (bloemen) afbreken of oogsten
    recolectar
noun
hila
noun
lechuga escarola
verb
1. met geweld zich roerende goederen toeëigenen uit de woning van iemand anders
  1. pillar
  2. merodear
  3. robar
noun
  1. indumentaria
  2. ropaje
  3. vestuario
noun
1. stevige cilindervormige, grove zak waarin soldaten, matrozen, vissers e.d. hun bagage meenemen
petate
/plyra'lɪsmə/
noun
pluralismo
noun
  1. mayoría ordinaria
  2. mayoría simple
  3. pluralidad
conjunction
más
noun
tanto a favor
noun
signo más
pronoun
1.
Plutón
noun
plutocracia
noun
1. Chemisch element
plutonio
/ˌplyvioˈɣraf/
noun
1. een toestel dat de hoeveelheid gevallen neerslag meet
pluviógrafo
/ˈplyvioˌmetər/
noun
1. een toestel dat de hoeveelheid gevallen neerslag meet
pluviómetro
noun
neumática
noun
1. longontsteking
  1. neumonía
  2. pulmonía
  3. inflamación de los pulmones
  4. pneumonía
verb
1. zichzelf groots voorstellen
  1. fanfarronear
  2. jactarse
noun
1. een gewoonlijk verhoogde open ruimte waarop iets voor een publiek...
  1. podio
  2. estrado
  3. tarima
noun
polvo
noun
1. platte doos voor cosmetisch poeder
polvera
noun
  1. café instantáneo
  2. café liofilizado
noun
1. zeer fijn gemalen suiker
  1. azúcar glas
  2. azúcar flor
  3. azúcar impalpable
  4. azúcar de lustre
  5. azúcar en polvo
  6. azúcar glaseada
noun
1. een vrij klein stilstaand water
charco
noun
1. schijf met een V-vormige insnijding in de zijkant
  1. carrillo
  2. carrucha
  3. garrucha
  4. polea
  5. trocla
  6. trócola
noun
  1. extractor mecánico
  2. extractor para poleas
noun
1. bepaald soort zoogdier, Felis concolor
puma
noun
1. uitgescheiden vaste afvalstoffen van mens of dier
  1. caca
  2. mierda
  3. defecación
  4. excremento
verb
1. zijn behoefte doen
  1. cagar
  2. defecar
noun
1. een van de oudste huisdieren van de mens
  1. gata
  2. gato
verb
putinizar
noun
1. sociaal-economische en politieke praktijk in Rusland in het begin van de 21 eeuw
putinismo
/ˈputsə(n)/
verb
1. door middel van wrijven zaken schoner maken
  1. acicalar
  2. bruñir
  3. lustrar
noun
encáustico
/ˈpoɣə(n)/, /ˈpoχə(n)/
verb
1. iets met succes trachten te volbrengen, waarvan men niet weet of het gaat lukken
  1. intentar
  2. tratar
  3. ensayar
  4. probar
noun
  1. intento
  2. tentativa
  3. afán
  4. esfuerzo
  5. gestión
noun
  1. 1. razzia tegen joden
    1. matanza de judíos
    2. pogromo
  2. 2. gewelddadige aanvallen...
    pogromo
noun
1. staande jachthond
  1. perro perdiguero
  2. perro rastrero
noun
distribución de Poisson
noun
1.kaartspel
  1. póquer
  2. póker
noun
  1. guayaco
  2. guayacán
  3. guayacán genuino
  4. guayacán negro
  5. palo de hierro
  6. vera
noun
2. epidemische huidziekte
viruela
adjective
polar
/polariˈza(t)si/
noun
polarización
noun
filtro polarizador
noun
microscopio de luz polarizada
verb
polarizar
noun
polaridad
/ˈpɔldəʀ/
noun
1. een bedijkt stuk land waarin de waterstand kunstmatig geregeld wordt
pólder
noun
poleo
/ˈpolə(n)/, /ˈpoːlə(n)/
pronoun
1. een land in het midden van Europa met de officiële naam Republiek Polen (Rzeczpospolita Polska)
Polonia
noun
pólipo
/poˈlɛɪstə(n)/
verb
1. een stenen of glazen oppervlak bijzonder glad slijpen met steeds fijnere slijpmiddelen
  1. bruñir
  2. pulir
noun
  1. dispensario
  2. policlínica
/ˈpo.lɪs/
noun
1. schriftelijke vastlegging van een overeenkomst
póliza
noun
1. een discipline
  1. ciencia política
  2. politología
noun
  1. 2. een politieagent
    1. poli
    2. policía
  2. 1. een overheidsdienst die belast is met de handhaving van de openbare orde...
    policía
noun
1. een persoon die belast is met hulpverlening en met de handhaving van de openbare orde en veiligheid
policía
noun
policía
noun
1. een speciale auto voor politieagenten
coche de policía
noun
  1. comisaría
  2. comisaría de policía
noun
comisario
/poliˈtik/
adjective
1. betreffende de politiek
político
/poliˈtik/
noun
1. datgene dat gerelateerd is aan het besturen van een land
política
noun
1. een spannend verhaal met een beschrijving van het werk van de politie
novela policíaca
noun
1. een speciale auto voor politieagenten
coche de policía
verb
politizar
noun
abadejo
noun
1. stuifmeel
polen
noun
  1. 1.(Nederland) een vrij vlakke, houten of kunststoffen lepel gebruikt voor het roeren van voedsel dat toebereid wordt
    cuchara de palo
  2. 2.(België) een diepe, grote lepel met een lange steel gebruikt voor het opdienen van soepen, sauzen e.d.
    1. cucharón
    2. cazo
    3. cuchara de servir
noun
1. de hak van een schoen
polevi
noun
polo
noun
1. Chemisch element
polonio
noun
anatomie: 1. gewricht
muñeca
noun
1. een uurwerk dat om de pols gedragen wordt
  1. reloj de pulsera
  2. reloj
noun
pulso
noun
pértiga
noun
poliamida
noun
poliamor
noun
poliandria
noun
2. thermoplastisch polymeer
policarbonato
noun
bifenilos policlorados
adjective
policromado
noun
policromía
noun
  1. hiperdactilia
  2. polidactilia
noun
  1. E1200
  2. polidextrosa
noun
1. verhoogd dorstgevoel, veel drinken
polidipsia
noun
poliedro
adjective
poliéster
noun
polietileno
noun
polietileno
noun
polifenol
noun
polifonía
noun
polifosfato
adjective
polifilético
noun
poligamia
noun
poligenismo
noun
políglota
noun
1. een gesloten stelsel lijnsegmenten die samen een plat vlak omsluiten
polígono
noun
1. leugendetector
  1. detector de mentiras
  2. polígrafo
noun
poliginia
noun
1.
polímero
noun
química de los polímeros
noun
poliácido láctico
noun
polimerización
noun
polimetilmetacrilato
noun
polimorfismo
pronoun
1. eilanden in de Grote Oceaan of Stille Oceaan die samen Oceanië vormen
Polinesia
adjective
polinomio
noun
1. een keten van een groot aantal met elkaar verbonden aminozuren
polipéptido
noun
thermoplastische kunststof, bereid door polymerisatie van propeen
polipropileno
noun
polipropileno
noun
polisacárido
noun
1. het kunnen hebben van meerdere (verwante) betekenissen
polisemia
noun
poliestireno
adjective
politécnico
noun
politeno
noun
politonalidad
adjective
1. meerwaardig
polivalente
noun
polivinilo
noun
policloruro de vinilo
noun
  1. 3. de boom Citrus maxima
  2. 4. vrucht van de boom Citrus maxima
pomelo
noun
1.
  1. naranja agria
  2. naranja amarga
  3. naranja cajera
  4. naranja de Sevilla
noun
pomada
noun
pomología
noun
  1. bomba
  2. aguatocha
noun
central hidroeléctrica reversible
/ˈpɔmpəlˌmus/, /ˈpɔmpəɫˌmus/
noun
  1. 1. bepaald soort tot tien meter hoge boom, Citrus maxima
    1. cimboa
    2. pampelmusa
    3. pumelo
  2. 2. een vrucht van deze boom
    1. pomelo
    2. toronja
verb
1. vloeistof of gas met behulp van een pomp verplaatsen
  1. bombear
  2. abombar
adjective
1. overdreven prachtig, gezwollen
pomposo
noun
bombero
noun
1. een zeer oud cultuurgewas uit Midden- en Zuid-Amerika
  1. calabaza
  2. zapallo
noun
gasolinera
noun
poncho
noun
1. naam voor verschillende munteenheden die in het Verenigd Koninkrijk en sommige Engelstalige landen worden gebruikt
libra
noun
libra esterlina
noun
cinta perforada
verb
gaten in iets (vaak papier of metaal) maken door middel van een pons
  1. perforar
  2. agujerear
noun
kaart die tot de jaren 80 werd gebruikt voor het vastleggen van gegevens d.m.v. erin geponste gaatjes
tarjeta perforada
noun
transbordador
/ˈpɔntis/
pronoun
1. een variant van het Grieks die vroeger vooral gesproken werd in de streek Pontus, en momenteel vooral in Griekenland.
póntico
noun
1. paard uit een ras met een schofthoogte tot ongeveer anderhalve meter
  1. poni
  2. jaca
/'poːjər/
noun
1. een man die prostituees tegen betaling beschermt en helpt.
  1. proxeneta
  2. chulo
  3. rufián
/pol/, /poɫ/, /po̝ɫ/
noun
1. een inwoner van Polen, of iemand afkomstig uit Polen
polaco
noun
  1. A 1. uiteinde van een draaiingsas
  2. A 2. een van beide einden van een magneet
  3. A 3. een uitzonderlijk punt waar een functie naar oneindig neigt
polo
noun
coordenadas polares
noun
región polar
noun
1. hond uit een ras dat gefokt is in het Noordpoolgebied
perro esquimal
noun
año polar
noun
clima polar
noun
1.
aurora polar
noun
noche polar
/poɫs/, /poːls/, /po̝ɫs/
adjective
1. gerelateerd aan Polen of het Pools
polonés
/poɫs/, /poːls/, /po̝ɫs/
pronoun
1. een taal die in Polen gesproken wordt
polaco
/pol.sə/, /poɫ.sə/, /po̝ɫ.sə/
noun
1. een vrouw van Poolse komaf
polonesa
noun
zloty polaco
/ˈpɔːɫshoxtə/
noun
1. de hoogte van de hemelpool
latitud
pronoun
1.
estrella polar
noun
estrella polar
noun
1. bepaald soort zoogdier, Alopex lagopus
zorro ártico
noun
1. benaming voor zeevissen uit familie Triglidae
  1. rubio
  2. trilla
  3. arete oscuro
/poːrt/
noun
  1. 1. met deuren afsluitbare doorgang door een muur
    puerta
  2. 2.
    1. puerta
    2. puerta lógica
noun
pata
noun
1. poot·je
patita
noun
  1. 2. verpopte rups
    crisálida
  2. 1. speeltuig
    1. muñeca
    2. muñeco
noun
palomitas
noun
pope
adjective
  1. popelina
  2. popelín
noun
música pop
noun
1. holle nagel waarvan de rand omgebogen wordt door met een speciale tang (de popnageltang) te trekken aan een stift die dan afbreekt
remache pop
noun
1. een in het klein uitgevoerde versie
casa de muñecas
noun
teatro de marionetas
adjective
popular
verb
1. begrijpelijk maken voor het grote publiek
popularizar
noun
1. het populair zijn van iemand of iets
popularidad
noun
1.
población
noun
1.
  1. álamo
  2. chopo
noun
1. politieke stroming die vindt dat een maatschappelijke elite de belangen van het volk verwaarloost...
populismo
adjective
poroso
noun
porosidad
noun
pórfido
noun
  1. porno
  2. pornografía
noun
pornografía
noun
actor pornográfico
noun
porosidad
/pɔrsəlɛːn/, /pɔrsəˈlɛɪn/
noun
  1. 1. fijn, geglazuurd aardewerk
  2. 2. voorwerpen van fijn, geglazuurd aardewerk
porcelana
noun
caolín
noun
polluela pintoja
/pɔrt/
noun
  1. 1.
    franqueo
  2. 2. wijn
    1. vino Oporto
    2. vino de Oporto
noun
1,2 portaal (entree)
  1. portal
  2. zaguán
noun
1. portaalkraan
grúa de pórtico
adjective
portátil
noun
palabra de maleta
noun
platte houder voor geld, kredietkaarten, naamkaartjes en dergelijke
cartera
noun
  1. 1. geldbuidel
    portamonedas
  2. 2. (uitdrukking) pijn in de portemonnee hebben
    tener un cocodrilo en el bolsillo
noun
1. een deel van een voorraad toebedeeld aan een bepaald persoon
  1. porción
  2. ración
noun
  1. 1. woningingang bestaande uit een open portaal binnen de voorgevellijn
    portal
  2. 2. zuilengalerij
    pórtico
noun
1.schilderij, foto of andere artistieke voorstelling van een persoon
retrato
noun
1. fotografie met het menselijk gelaat als onderwerp
fotografía de retrato
/'pɔrtyɣɑl/
pronoun
1. een land in het zuidwesten van Europa, officieel de Portugese Republiek
Portugal
/ˌpɔr.ty.ˈɣes/, /ˌpɔr.ty.ˈχes/
adjective
1. verwijzend naar Portugal of naar de Portugese taal
  1. portugués
  2. portuguesa
/ˌpɔr.ty.ˈɣes/, /ˌpɔr.ty.ˈχes/
noun
1. inwoner van Portugal
  1. portugués
  2. portuguesa
/ˌpɔr.ty.ˈɣes/, /ˌpɔr.ty.ˈχes/
pronoun
2. taal gesproken in Portugal
portugués
/pɔr.ty.ˈɣe.sə/, /ˌpɔr.ty.ˈχe.sə/
noun
1. vrouw
portuguesa
noun
  1. Oporto
  2. vino de Oporto
verb
posar
/po'zisi/
noun
    1. 7. de ligging van de hand
    2. 1. een stand van het lichaam
    3. 2. een innerlijke houding
    4. 3. een plaats van waaruit men iets onderneemt
    5. 4. een toestand waarin iemand zich bevindt
    6. 6. een maatschappelijke stand
    7. 8. een opstelling van troepen en materieel
    posición
  1. 5. een vaste betrekking
    1. puesto
    2. cargo
adjective
positivo
adjective
posicional
noun
posicionamiento
noun
positrón
noun
posesión
adjective
posesivo
noun
dirección postal
noun
cartero
noun
1. postbeambte
cartero
noun
código postal
verb
atrasar
noun
1. een afgerichte duif die berichten kan overbrengen
paloma mensajera
noun
1. bepaalde soort eenjarige groene plant, Portulaca oleracea
verdolaga
noun
2. (aanplak)biljet
  1. afiche
  2. cartel
  3. póster
  4. letrero
  5. pancarta
  6. rótulo
noun
1. het later komen, het tegenovergestelde van prioriteit
posterioridad
noun
1. koerier die de post vervoerde
postillón
noun
1. kantoor dat zich bezighoudt met de bezorging van post en vaak ook andere diensten levert ...
oficina de correos
noun
diligencia
noun
poscolonialismo
adjective
1. na de geboorte
postparto
noun
paquete postal
noun
postestructuralismo
adjective
1. na een letsel
postraumático
noun
trastorno por estrés postraumático
noun
  1. axioma
  2. postulado
noun
1. de vorm van een rechtopstaande mens
postura
noun
giro postal
/ˈpɔ(st)sɑk/
noun
1. zak om poststukken in te verzamelen en te vervoeren
mala
/ˈpɔseɣəl/, /ˈpɔseχəɫ/
noun
1. betalingsmiddel voor het verzenden van post
  1. sello
  2. estampilla
  3. sello postal
noun
  1. tarro
    1. tortillera
    2. bollera
    3. cachapera
/ˈpɔ.dɑs/
noun
potasa
verb
1. ondiep in de aarde stoppen, met name van bollen, wortels, zaden e.d. om deze te laten groeien
plantar
noun
  1. potentado
  2. soberano
noun
potencial
noun
diferencia de potencial
noun
superficie equipotencial
noun
1. vermogen, kracht
potencia
adjective
1. mogelijkheid
potencial
noun
potencial
noun
1. regelbare weerstand
potenciómetro
noun
latín macarrónico
noun
1. schrijfgerei met een zachte stift vervaardigd van klei en grafiet ingebed in een houten huls
lápiz
pronoun
  1. 1. een Boliviaans departement gelegen in het zuidwesten van het land
  2. 2. de hoofdstad van het Boliviaans departement met de gelijkaardige naam
Potosí
noun
1. bepaald soort zeezoogdier, Physeter macrocephalus
cachalote
noun
poutine
adjective
1. teleurstellend klein of gering
pobre
/po.ˈwe.tɪs/, /po.ˈβ̞e.tis/
adjective
1. uit de poëzie, gelijkend op poëzie
poético
noun
1. in ritme, maat en klank verwoorden
poesía
/prax/, /praç/
pronoun
hoofdstad van Tsjechië
Praga
verb
llamar
noun
grupo de debate
/ˈpraːt.jə/
noun
  1. 2. min of meer informele voordracht
  2. 3. gezellige conversatie
charla
/ˈpraːt.jəs.ˌma.kər/
noun
  1. 2. iemand die praat om te imponeren of te misleiden
    fanfarrón
  2. 1. vlotte prater
    hablador
noun
  1. esplendor
  2. lujo
  3. pompa
  4. resplandor
/'prɑxtəx/
adjective
1. bijzonder mooi
  1. guapo
  2. magnifico
adjective
pragmático
noun
1.
pragmatismo
noun
llanura
noun
1. Cynomys, een eekhoornachtig zoogdier uit Noord-Amerika dat een scherp blaffend geluid maakt
perrito de las praderas
/prɑkˈtɛɪ̯k/, /prɑkˈtɛːk/
noun
  1. 1. ruimte waarin een arts zijn beroep uitoefent
    1. consulta
    2. consultorio
    1. 2. hoe dingen werkelijk gaan...
    2. 4. gewoonte(n), manier van doen
    práctica
noun
prácticas
adjective
1. op een manier die ook echt uitgevoerd kan worden
práctico
adverb
prácticamente
/ˌprazejoˈdimijʏm/
noun
1. Chemisch element
praseodimio
/ˈpraː.tə(n)/
verb
1. zich met behulp van de stem uiten
hablar
/prɑu/
noun
1. een soort kano
piragua
noun
preámbulo
noun
  1. beneficio
  2. prebenda
adjective
precario
/preˈkɑmbrijʏm/
noun
Precámbrico
/presəˈdɛnt/
noun
  1. 1. eerder plaatsgevonden hebbend geval
  2. 2. bestaande jurisprudentie die dient ter beslechting van een vergelijkbaar geschil
precedente
noun
  1. antecedencia
  2. precedencia
verb
preceder
noun
precesión
adjective
  1. preciso
  2. exacto
  3. justo
adjective
1. nauwkeurig, verfijnd
precioso
verb
preconizar
/pre'kɵrsɔr/
noun
1. een voorloper
precursor
noun
predador
noun
predestinación
verb
predestinar
noun
3. (grammaticaal) gezegde
predicado
noun
atributo adjetival
noun
atributo nominal
/ˌpredikaˈtif/
adjective
predicativo
verb
1.de leer van een geloof verkondigen
predicar
pronoun
Eclesiastés
verb
predisponer
noun
1. vatbaarheid
predisposición
noun
  1. sermón
  2. prédica
noun
prefabricación
noun
prefacio
noun
2. bureau van een prefect
prefectura
verb
1. de voorkeur geven
  1. preferir
  2. anteponer
  3. preponer
noun
1. een gebonden morfeem dat voor een ander woord geplaatst wordt om iets aan de betekenis toe te voegen
prefijo
noun
prehistoria
noun
1. en 2 (bladeren van) plant Allium porrum
puerro
verb
1. een preek houden
predicar
noun
prelado
adjective
preliminar
noun
1. een muzikale introductie tot een muziekstuk
preludio
verb
preludiar
/prema'tyr/
adjective
prematuro
noun
premeditación
noun
1. de betaling aan een verzekeringsmaatschappij voor een verzekering
cuota
noun
cazarrecompensas
noun
1. de minister die het kabinet aanvoert
primer ministro
noun
premisa
adjective
  1. mostense
  2. premonstratense
adjective
1. betrekking hebbend op de tijd vóór de geboorte
prenatal
/ˈprenejoˌlitikʏm/
noun
Preneolítico
noun
  1. imagen
  2. estampa
  3. figura
noun
libro ilustrado
noun
1. bereiding van chemische stof, geneesmiddel e.d
preparado
noun
1. voorhuid van penis
prepucio
noun
prerrogativa
noun
  1. presbicia
  2. vista cansada
noun
prescripción
adjective
1. aanwezig
presente
/ˌpresɛnˈtatsi/
noun
  1. 3. aanbod
    1. oferta
    2. ofrecimiento
  2. 1. het presenteren van iets
    presentación
noun
  1. capa de presentación
  2. nivel de presentación
noun
presentador
noun
presentadora
verb
1. op een goed voorbereide wijze aanbieden aan anderen
  1. presentar
  2. ofrecer
noun
1. aanwezig zijn van een persoon op een bepaalde plaats
presencia
adjective
1. voorbehoedmiddel
preservativo
noun
1. het staatshoofd van een republiek
presidente
verb
1. het beoefenen van de functie van voorzitter
presidir
noun
presión
noun
  1. logro
  2. acción
  3. acto
  4. hecho
  5. prestación
noun
1.
prestigio
noun
presunción
noun
presuposición
/ˌpresiˈnɑptis/
adjective
1. voor de synaps, d.i. de spleet tussen twee zenuwcellen, liggend
presináptico
noun
placer
noun
2. mogelijke opvolger die (later) een titel of rang overneemt
pretendiente
noun
  1. 1. aanspraak, claim
    derecho
  2. 2. aanmatiging
    pretensión
adjective
1.verwaand, met veel pretenties
pretencioso
noun
pretexto
noun
pretor
/prøts/
adjective
1. zeer ingetogen, overdreven kuis
  1. mojigato
  2. pudoroso
  3. melindroso
  4. remilgado
noun
  1. 2.
  2. 1.
prevalencia
verb
prevalecer
/prəˈvɛn(t)si/
noun
1. voorkoming (van ziekte, brand, etc)
prevención
adjective
preventivo
noun
1. ongezond langdurige erectie van de penis
priapismo
noun
1. priemgetal
número primo
noun
teorema de los números primos
noun
  1. canarios
  2. cañaheja
  3. gallomba
  4. gayomba
  5. ginestera
  6. retama de flor
noun
1. iemand die de religieuze (offer) rituelen verzorgt
  1. sacerdote
  2. cura
noun
1. een vrouw die de taak heeft religieuze rituelen te verzorgen
sacerdotisa
noun
sacerdocio
noun
  1. 1. de gevraagde geldsom bij verkoop
    1. precio
    2. premio
  2. 2. een uitzonderlijke beloning, bijvoorbeeld voor een bepaalde prestatie
    premio
noun
  1. cambio
  2. cotización
  3. curso
verb
1. iemand lof toezwaaien
  1. alabar
  2. loar
  3. elogiar
  4. enaltecer
adjective
apreciable
/prɨk/
noun
  1. 2. injectie
    inyección
  2. 4. lamprei
    lamprea
  3. picadura
noun
  1. impulso
  2. estimulación
  3. incitación
noun
1. materiaal bestaande uit een dubbele, in elkaar gedraaide metalen draad...
  1. alambre de espino
  2. alambre de púas
  3. alambre espinoso
/ˈprɪkələn/
verb
  1. 2. aanzetten, aansporen
    1. acuciar
    2. azuzar
    3. incitar
  2. 5. (seksueel) opwinden
    excitar
  3. 4. (medisch) irriteren
    irritar
  4. 3. ergeren
    1. irritar
    2. aguzar
  5. 1. (herhaaldelijk) prikken
    repicar
verb
1. een prik of steek toedienen, met een dun voorwerp doorboren
  1. pinchar
  2. picar
noun
prima dona
noun
  1. 2. kerkelijke titel
    primado
  2. 1. benaming voor zoogdieren uit de orde Primates
    primate
  3. primado
adjective
primario
/'primyla/
noun
1.
primula
adjective
1. voornaamst
principal
/prɪnˈsipə/
noun
principio
noun
  1. principio de Hamilton
  2. principio de Maupertuis
  3. principio de menor acción
  4. principio de mínima acción
noun
principio de Fermat
noun
  1. principio de Hamilton
  2. principio de Maupertuis
  3. principio de menor acción
  4. principio de mínima acción
noun
cuestión de principios
noun
  1. 1. hoogste adellijke titel van een man of jongen
  2. 2. laagste koninklijke titel van een man of jongen
príncipe
noun
  1. 1. de hoogste adellijke titel van een vrouw of meisje
  2. 2. de laagste koninklijke titel van een vrouw of meisje
princesa
verb
  1. imprimir
  2. estampar
/ˈprɪntər/
noun
1. toestel om gegevens af te drukken onder andere op papier.
impresora
noun
1. (elektrotechniek) plaat waarop elektronische bedrading aanwezig is, aangebracht met frees- of etstechnieken
placa de circuito impreso
noun
prior
adjective
prioritario
noun
prioridad
noun
prisma
noun
  1. excusado
  2. retrete
  3. váter
noun
docente privado
/pri'vatrɛxt/
noun
1. vakgebied van het recht m.b.t. de onderlinge verhoudingen tussen private personen, maar ook hun privébelangen
derecho privado
noun
privacidad
verb
1. omvormen van staatsbedrijven, overheidsdiensten tot particuliere, private bedrijven
privatizar
noun
privatización
verb
1. voorrechten schenken aan iemand
privilegiar
adjective
1. voor persoonlijk gebruik gereserveerd
privado
noun
1. de tijd die besteed wordt aan persoonlijke bezigheden
vida privada
adjective
proalemán
noun
probación
/proˈberə(n)/
verb
  1. 3. iets met succes trachten te beëindigen waarvan men niet weet of het gaat lukken
    1. intentar
    2. probar
    3. tratar
    1. 1. testen
    2. 2. onderzoeken
    1. probar
    2. ensayar
adjective
probiótico
noun
1. iets dat schade teweegbrengt of de voortgang van iets anders in de weg staat
problema
noun
barrio volátil
adjective
1. met problemen behept
  1. problemática
  2. problemático
noun
1. het geheel van problemen en bijzonderheden rond een vraagstuk
problemática
adjective
1. een probleem vormend
  1. problemático
  2. problemática
verb
actuar
/prosəˈdyrə/, /proseˈdyrə/
noun
  1. 3. gerechtelijk ...
    1. enjuiciamiento
    2. procedimiento
    3. trámite
    1. 1.
    2. 4.
    procedimiento
noun
  1. proceder
  2. procedimiento
/pro'sɛnt/
noun
1. een honderdste deel
por ciento
/proˈsɛs/
noun
  1. 1. het voeren van een gerechtszaak
    proceso
  2. 2. opeenvolging van gebeurtenissen, gang van zaken
    1. proceso
    2. desarrollo
abbreviation
  1. 1. de akte waarmee een overheidsambtenaar verslag uitbrengt over wat hij in de uitoefening van zijn functies heeft verricht
    acta
  2. 2. bekeuring
    atestado
noun
  1. derecho procesal
  2. derecho justicial
  3. ley procesal
/proˈsɛˌsi/
noun
procesión
/prosɛsirʏps/
noun
1. larve van een processievlinder, Thaumetopoeinae
oruga procesionaria
noun
procesador
noun
proclamación
verb
1. in het openbaar voorlezen of bekendmaken van een officiële zaak
proclamar
noun
1. wegvallen van een of meer klanken aan het begin van een woord
aféresis
noun
procura
/proky'ra(t)sihɑudər/
noun
1. iemand die mag handelen uit naam van het bedrijf
procurador
noun
procurador romano
noun
procurador
noun
3. hoogste ambtenaar in het Openbaar Ministerie
procurador del estado
noun
productor
verb
1. bij voortduring vervaardigen
  1. producir
  2. elaborar
noun
1. het resultaat van een bewerking
producto
noun
1. voortbrenging
  1. producción
  2. fabricación
adjective
1. vruchten afwerpend
productivo
noun
factores de producción
noun
proceso de producción
noun
productivismo
noun
topología producto
noun
  1. 2. experiment
    1. experimento
    2. ensayo
  2. 4. monster
    1. muestra
    2. espécimen
noun
  1. ensayo
  2. experimento
noun
  1. tesis
  2. tesis doctoral
noun
período de prueba
verb
  1. 2. smaak waarnemen
    degustar
  2. 1. onderzoeken hoe iets smaakt
    1. degustar
    2. probar
noun
degustación
noun
profanación
noun
profase
noun
1. een persoon die boodschappen van een godheid aan de mensen doorgeeft
profeta
noun
1. een persoon, die beroepsmatig werkzaam is
profesional
noun
profesionalidad
adjective
profesional
/proˈfɛsɔr/
noun
1. de aanspreektitel voor een hoogleraar
profesor
adjective
profético
noun
perfil
noun
1. het -met name financiële- voordeel dat men heeft bij een bepaalde zaak
  1. ganancia
  2. provecho
verb
  1. aprovechar
  2. aprovecharse
noun
  1. gorrón
  2. parásito
noun
1. zwangerschapshormoon
progestágeno
noun
pronosticación
verb
prognosticar
noun
  1. 1. een applicatie voor de computer
  2. 5. onderling afgesproken doelstellingen en plannen
programa
adjective
1. volgens een van tevoren gemaakt (politiek) programma
programático
noun
lenguaje de programación
verb
1. het schrijven van computerporgramma
programar
noun
programación
noun
programador
noun
progreso
adjective
  1. 1. vooruitstrevend
    1. progresista
    2. progresivo
  2. 2-3
    progresivo
noun
prohibición
/proˈjɛkt/
noun
1. een zaak die men denkt uit te voeren of te onderzoeken
proyecto
noun
proyección
noun
gestor de proyecto
noun
toestel om een afbeelding op een scherm te projecteren
proyector
noun
proletariado
adjective
proletario
noun
proletario
noun
1. snelle vermenigvuldiging
proliferación
verb
proliferar
noun
prolina
noun
prolongación
verb
prolongar
noun
  1. paseo
  2. avenida
noun
1. verhandelbare schuldbekentenis
pagaré
noun
1. een scheikundig element met het symbool Pm en het atoomnummer 61; een zilverwit à grijs lanthanide
  1. prometio
  2. promecio
adjective
  1. destacado
  2. prominente
noun
  1. factor primario
  2. prominencia
adjective
promiscuo
noun
promiscuidad
/proˈmotə(n)/
verb
te controleren vertalingen
promover
/proˈmotsi/
noun
  1. 2. bevordering naar een hogere speelklasse
    ascenso
  2. 1. een verhoging in rang
    promoción
noun
  1. doctorando
  2. doctoranda
  3. candidata al doctorado
  4. candidato al doctorado
verb
promover
adjective
puntual
noun
1. en 2. (peulvrucht van) Phaseolus coccineus
  1. judía escarlata
  2. ayecote
  3. ayocote
  4. poroto pallar
verb
1. vertoon maken met mooie dingen
  1. ostentar
  2. alardear
  3. lucir
noun
pronombre
/prost/
interjection
1. heildronk
salud
noun
1. C₃H₈
propano
noun
  1. 1. voortplanting of uitbreiding
  2. 2.
propagación
noun
propileno
noun
propilenglicol
noun
hélice
adjective
1. goed schoongemaakt, netjes verzorgd
  1. limpio
  2. pulcro
/propijoˈnat/
noun
1. een ester of zout afgeleid van propionzuur
propionato
noun
1. CH₃CH₂COOH
ácido propílico
noun
proporción
adjective
1. evenredig
proporcional
noun
proposición
noun
propranolol
noun
propiocepción
noun
1. een organische verbinding gekenmerkt door de aanwezigheid van twee hydroxylgroepen
propilenglicol
noun
prorrogación
/prozeˈlit/
noun
prosélito
noun
proselitismo
noun
prosodia
noun
het op grote schaal zoeken naar delfstoffen
prospección
adjective
prospectivo
noun
1.een klier tussen de blaas en de penis van de man
  1. próstata
  2. glándula prostática
noun
cáncer de próstata
noun
prosternación
verb
prosternarse
noun
putero
verb
1. iemand dwingen tot het aanbieden van seksuele diensten
prostituir
noun
1. het tegen betaling ter beschikking stellen van het lichaam voor het seksuele genot van een ander
prostitución
noun
1. scheikundig element met symbool Pa en atoomnummer 91
protactinio
noun
1. het streven naar volmaaktheid
perfeccionismo
noun
protectorado
/ˌprotəroˈzowikʏm/
noun
Proterozoico
noun
1. een uiting van ontevredenheid met het gevolgde beleid
protesta
noun
1. christen die is aangesloten bij het protestantisme, een van de kerkgenootschappen ontstaan door afsplitsing van de Rooms-Katholieke Kerk in de zestiende eeuw
protestante
noun
protestantismo
/ˌpro.tə.ˈstɑnts/
adjective
1. gerelateerd aan het protestantisme
protestante
verb
1. grote bezwaren uiten
protestar
noun
canción protesta
noun
1.
  1. proteína
  2. albúmina
noun
1. een kunstmatig lichaamsdeel
prótesis
noun
1. voorvoeging van beginklank
prótesis
noun
4. geheel van voorschriften en afspraken in de internationale diplomatieke omgang
protocolo
adjective
protocolario
/'protɔn/
noun
protón
noun
1. oorspronkelijk model, eerste model van een product
prototipo
noun
teoría de prototipos
noun
protozoo
noun
provento
adjective
1. met betrekking tot de Provence
provenzal
adjective
providencial
noun
empresa de alojamiento
adjective
provinciano
noun
provincialismo
/pro.ˈvɪn.si/
noun
1. een staatkundig onderdeel van een land
provincia
adjective
1. .
provisional
adjective
1. van iets of iemand dat het voor een kortere periode is maar niet niet goed genoeg is voor altijd
  1. provisional
  2. provisorio
noun
provocación
verb
  1. provocar
  2. desafiar
  3. retar
noun
preboste
noun
proximidad
noun
servidor proxy
noun
prosa
noun
1. een kunstmatig haarstuk waarmee het hoofd bedekt wordt
peluca
noun
2. vrucht van de pruimenboom
ciruela
noun
  1. ciruela pasa
  2. ciruela seca
noun
ciruelo
noun
1. compote van pruimen
ciruelas cocidas
noun
torta de ciruela
pronoun
Prusia
adjective
prusiano
noun
1. een variant van de kleur blauw met een groenachtige ondertoon
azul de Prusia
noun
chisme
noun
baratija
noun
1. een bak waar het afval in wordt gedeponeerd totdat de vuilnisdienst het ophaalt
papelera
noun
  1. caballo de przewalski
  2. caballo salvaje mongol
  3. takhi
pronoun
1. boek in de Bijbel met lofliederen op God
Salmos
noun
  1. 1. oud snaarinstrument
  2. 2. psalmboek
salterio
noun
salterio
noun
laringotraqueobronquitis
/psœydoˈnim/
noun
1. een aangenomen naam waaronder men iets publiceert
  1. seudónimo
  2. pseudónimo
noun
pseudociencia
noun
psilocibina
noun
1. schubziekte met overmatige vette schilfers van de huid
psoriasis
noun
  1. psique
  2. psiquismo
/ˌpsɪxeˈdelɪs/
adjective
1. de werking van het bewustzijn verruimend
  1. psicodélico
  2. sicodélico
noun
  1. psiquiatra
  2. siquiatra
noun
  1. psiquiatría
  2. siquiatría
adjective
1. geestelijk
psíquico
adjective
psicotrópico
noun
1. stroming in de psychologie
  1. psicoanálisis
  2. sicoanálisis
noun
psicofisiología
noun
  1. psicoquinesia
  2. telekinesia
  3. telequinesis
noun
1. geneesmiddel dat bepaalde geestelijke functies onderdrukt
psicoléptico
noun
psicolingüística
/psixoloˈɣi/, /psiχoloˈχi/
noun
1. de wetenschap die zich bezighoudt met het onderzoek naar bewustzijnsverschijnselen
  1. psicología
  2. sicología
adjective
1. met betrekking tot het gevoelsleven.
psicológico
/ˌpsi.χo.ˈloχ/, /ˌpsɪ.xo.ˈlox/
noun
1. een beoefenaar van de psychologie
  1. psicólogo
  2. sicólogo
noun
1. de bewuste, vanuit de hersenen gestuurde beweging
psicomotricidad
noun
psiconauta
noun
1.iemand die lijdt aan een persoonlijkheidsstoornis die antisociaal gedrag veroorzaakt
  1. psicópata
  2. sicópata
noun
psicopatía
noun
psicopatología
/psi'xozə/
noun
1. een geestesziekte waarbij men wanen heeft
  1. psicosis
  2. sicosis
adjective
1. met betrekking tot het verband tussen geest en lichaam
psicosomático
noun
1. stroming in de psychologie
  1. psicoterapia
  2. sicoterapia
adjective
psicótico
noun
psychisch trauma dat wordt opgelopen na het meemaken van een afschuwelijke gebeurtenis
trauma psíquico
noun
pterodáctilo
noun
adolescente
adjective
1. behorende tot, zich voordoend bij pubers
adolescente
noun
1. het proces van seksuele rijping van kind naar volwassene en het gedrag dat daar bij hoort
pubertad
noun
pubertad
noun
publicación
verb
1. bekend maken aan een doorgaans groot publiek via een bepaald medium
  1. publicar
  2. divulgar
adjective
publicitario
noun
publicidad
/pyˈblik/
adjective
2. wat het publiek aangaat
público
/pyˈblik/
noun
1. een groep toeschouwers
  1. audiencia
  2. público
noun
1. harde rubberen schijf gebruikt bij ijshockey
  1. disco
  2. puck
verb
pudelar
noun
1. nagerecht, vaak zoet, koud en op basis van melk
  1. pudín
  2. budín
  3. natillas
  4. pudding
  5. puding
pronoun
1. een met de Verenigde Staten geassocieerde vrijstaat in het oostelijk deel van de Caribische Zee
Puerto Rico
noun
pugilista
noun
  1. pumita
  2. piedra pómez
  3. piedra poma
/pœʏ̯n/, /pœːn/
noun
1. een massa vergruizelde steen
escombros
/pœyn(h)op/
noun
  1. 2. een bende
    1. desastre
    2. desorden
    3. relajo
  2. 1. een hoop puin, meestal door de verwoesting van bouwwerken
    1. escombrera
    2. ruina
/pœʏ̯st/, /pœːst/
noun
1. ontsteking van de huid die tot een bobbeltje leidt
  1. pupa
  2. pústula
adjective
1. met puisten bezet
pustuloso
/pʌlovər/
noun
1. gebreide herentrui met mouwen die over een overhemd gedragen wordt
pull-over
adjective
pulmonar
noun
hipertensión arterial pulmonar
noun
pulpa
noun
púlsar
noun
1. een klopping
pulsación
abbreviation
modulación por impulsos codificados
noun
pulverización
verb
pulverizar
noun
palurdo
noun
1. een damesschoen zonder sluiting en met hoge hak
zapato de salon
noun
1. een prik
punción
noun
1.
puntualidad
noun
1. het plaatsen van leestekens in een tekst
puntuación
adjective
puntual
pronoun
1. taal die in de Punjab, zowel in India als in Pakistan gesproken wordt
punjabí
noun
  1. 1. een spits toelopend uiteinde
  2. 1. een positie in de ruimte
punto
noun
diagrama de dispersión
noun
epigrama
noun
1. taps toelopende houder met een mesje dat bedoeld is voor het aanslijpen van een verse punt aan een potlood
sacapuntas
noun
puntuación
noun
1. grafiek met punten
diagrama de dispersión
adjective
1. spits
puntiagudo
noun
1. verkleinwoord van punt
puntita
noun
1. een leesteken dat twee nauw aan elkaar gerelateerde zinnen tot een geheel verbindt (;)
punto y coma
noun
carga puntual
verb
soldadura por puntos
noun
cucurucho
noun
chino
noun
  1. 2. leerling
    alumno
  2. 1. onder voogdij staand kind
    tutelado
  3. 1. oogappel
    pupila
noun
1. pasgeboren hond, jonge hond
  1. perrito
  2. cachorro
noun
1. chocolade van zuivere cacaopasta plus suiker
  1. chocolate amargo
  2. chocolate fondant
noun
gerecht van fijngestampte of gezeefde aardappelen, tomaten, vruchten, groenten enz
puré
verb
purgar
noun
purina
noun
1. streven naar puurheid
purismo
noun
puritanismo
adjective
púrpura
adjective
  1. purpúreo
  2. púrpura
adjective
rojo púrpura
adjective
violeta púrpura
adjective
1. Met betrekking tot puisten
pustuloso
/pɵt/
noun
1. een pijpvormige uitholling in een oppervlak
pozo
noun
2. distelvink
jilguero
/pyzəl/, /pʏzɔl/
noun
    1. acertijo
    2. enigma
  1. 1. een raadsel of moeilijke opgave die men als tijdverdrijf probeert op te lossen
    puzzle
noun
acroniem van polyvinylchloride
policloruro de vinilo
noun
1. gemakkelijk zittende hemd en broek die 's nachts in bed kunnen worden gedragen
  1. pijama
  2. piyama
noun
1. een oranje verkeerskegel, gebruikt bij wegwerkzaamheden
cono de tráfico
noun
pilono
pronoun
1. een gebergte op de grens van Frankrijk en Spanje
Pirineos
noun
vidrio borosilicatado
noun
1. koorts
  1. fiebre
  2. hipertermia
  3. pirexia
  4. temperatura
noun
2. een vaste stof die het structuurtype heeft waarvan [1] het archetype is
pirita
noun
piroelectricidad
noun
pirofosfato
noun
pirólisis
noun
1. onweerstaanbare drang om brand te stichten
piromanía
/piˈrozɪs/
noun
1. een brandend gevoel ten gevolge van oprisping van maagzuur
pirosis
noun
1. een niet-giftige en grote wurgslang
  1. pitón
  2. serpiente pitón
noun
fiebre Q
/kɑt/
noun
1. blad van een bedektzadige plant Catha edulis
  1. qat
  2. khat
/ka'tar/, /ka'tɑr/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten
  1. Qatar
  2. Catar
noun
rial catarí
/kʋa/
preposition
1. wat betreft
  1. respecto a
  2. acerca
  3. en cuanto a
noun
1. vierkanaals stereofonie
cuadrafonia
noun
1. een met vier paarden bespannen tweewielige wagen van de oude Grieken en Romeinen
cuadriga
noun
  1. 1. een Franse contradans uit de 18e eeuw
    contradanza
  2. 1. een omberspel met vier spelers
    cuatrillo
noun
tetraplejía
adjective
1. viervoudig
cuádruple
verb
1. verviervoudigen
cuadruplicar
noun
1. volgeling van een religieuze beweging gekend onder de naam Genootschap der Vrienden
cuáquero
noun
1. de kleinste natuurlijke eenheid die in onze kosmos voorkomt
cuanto
noun
1. tijdelijke afzondering van personen, dieren of zaken die besmet zouden kunnen zijn met ziektekiemen
cuarentena
/kwɑrk/
noun
quark
/kwɑrˈtɛːr/
adjective
cuaternario
/kwɑrˈtɛːr/
noun
  1. Cuaternario
  2. Neozoico
  3. Período Cuaternario
noun
crisis del cuarto de vida
adverb
1. in schijn
fingido
/kwatəerˈnɛːr/
adjective
cuaternario
noun
cuaternión
noun
1. iemand die voortdurend klaagt over onrecht dat hem zou zijn aangedaan
quejón
noun
lenguaje de consulta
noun
1. lichaamsgewicht in kilogrammen gedeeld door het kwadraat van de lichaamslengte in meters
índice de masa corporal
noun
1.
quiche
/kwiˈnowa/
noun
1. Zuid-Amerikaanse plant (Chenopodium quinoa) en 2. zaden van die plant
  1. quinua
  2. quinoa
pronoun
3. spelwoord voor de letter q
Quito
noun
  1. lulo
  2. naranjilla
  3. naranjilla de montaña
  4. naranjita de Quito
noun
1. spel waarbij de deelnemers vragen moeten proberen te beantwoorden
quiz
noun
quietismo
noun
  1. 2. spelwoord voor de letter q
    Quito
  2. 1. resultaat van de deling van het deeltal door de deler
    cociente
noun
  1. cuota
  2. cupo
  3. derrama
noun
teclado qwerty
interjection
1. horizontaal draaibare boom aan mast
verga
/rat/, /raːd/
noun
  1. 1. aanbeveling hoe om te gaan met een probleem
  2. 2. een orgaan dat bestaat uit leden die raadgevende of beslissende bevoegdheden bezitten
consejo
pronoun
Consejo de la Unión Europea
pronoun
Consejo de Europa
pronoun
Consejo de Estado
noun
consejero
noun
ayuntamiento
verb
1. een bron van informatie of ervaring aanspeken
consultar
noun
1. iets waarnaar men moet raden
  1. acertijo
  2. enigma
  3. misterio
  4. advininanza
/ratsəlɑxtəx/
adjective
1. onbegrijpelijk door dubbelzinnige of verborgen informatie
  1. enigmático
  2. misterioso
noun
1. iemand die advies geeft
consejero
noun
1. een lid van een gemeenteraad
concejal
noun
  1. 1.
    1. abogado
    2. consejero
  2. 2.
    consejero
adjective
  1. aconsejable
  2. recomendable
/raːf/
noun
1. grootste van alle zangvogels, met flinke snavel, Corvus corax
cuervo
/rak/
adverb
1. zijn doel treffend
acertado
noun
  1. 2. lijst, kader
    marco
  2. 1. venster: muuropening om lucht en licht door te laten
    ventana
noun
1. gewas met een groot aantal variëteiten, waarvan keukenraap en meiraap...
  1. nabo
  2. colinabo
  3. naba
noun
  1. aceite de colza
  2. aceite de nabina
noun
nabo silvestre
noun
nabo silvestre
noun
  1. colinabo
  2. colza
  3. naba
  4. nabina
  5. nabo silvestre
noun
  1. aceite de colza
  2. aceite de nabina
adjective
1. afwijkend van gewoonlijk, verbazing opwekkend
  1. extraño
  2. raro
verb
  1. desatinar
  2. desbaratar
noun
1. en 2. (stengels van) plant Rheum rhabarbarum
ruibarbo
/rɑˈbɛin/
noun
  1. rabino
  2. rabí
noun
1. wedstrijd waarbij het erom gaat een bepaald traject of parcours zo snel mogelijk af te leggen
carrera
noun
carro de carreras
noun
1. een baan om snelheidswedstrijden op te houden
pista de carreras
noun
1. racemisch mengsel
mezcla racémica
adjective
1. met gelijke concentraties van beide optische isomeren
racémico
noun
racismo
noun
racista
noun
1. wielvormig voorwerp dat kracht overbrengt binnen een machine of op het water
rueda
noun
1. techniek
radar
verb
ajusticiar en la rueda
noun
desesperación
verb
1. een gissing maken naar iets
  1. adivinar
  2. acertar
noun
comunismo consejista
noun
1.een scheepstype dat wordt voortbewogen door schoepenraderen
vapor de ruedas
noun
1. een scheepstype dat wordt voortbewogen door schoepenraderen
vapor de ruedas
adjective
2. straalsgewijs
radial
noun
1. de SI-eenheid voor een hoek
radián
noun
neumático radial
noun
1.
  1. motor estrella
  2. motor radial
adjective
radial
noun
1. toestel dat het koelwater van een verbrandingsmotor afkoelt
  1. radiador
  2. sistema celular
noun
radiación
noun
1. een toestel dat door straling warmte afgeeft, ofwel ter verwarming van een ruimte, ofwel ter koeling van bijvoorbeeld een motor
radiador
adverb
  1. radical
  2. radicalmente
noun
radicalismo
noun
1. bepaalde soort uit de kruisbloemfamilie, Raphanus sativus
  1. rábano
  2. rabanito
/ˈradijo/
noun
  1. 2. medium
    radio
  2. 1. toestel
    1. radio
    2. aparato de radio
noun
radioisótopo
noun
1. radio-omroep
radiodifusión
noun
  1. radiorreceptor
  2. receptor de radio
adjective
  1. radiactivo
  2. radioactivo
noun
1.
  1. radiactividad
  2. radioactividad
noun
radioastronomía
noun
1. radiozendstation voor de navigatie
radiofaro
noun
radiobiología
noun
  1. bulbo
  2. tubo de vacío
  3. válvula de vacío
  4. válvula electrónica
  5. válvula termoiónica
noun
1. frequentie van radiogolven
radiofrecuencia
noun
1. fotograferen door middel van röntgenstralen
radiografía
/ˌradijoˈɣrɑm/
noun
2. radiotelegram
radiotelegrama
noun
1. het medisch specialisme...
radiología
noun
radiólogo
adjective
radiométrico
noun
datación radiométrica
noun
  1. isótopo radiactivo
  2. radioisótopo
noun
programa de radio
noun
  1. fluoroscopia
  2. radioscopia
  3. roentgenoscopia
noun
radiosonda
noun
  1. estación de radio
  2. estación radiofónica
noun
radiotelegrafía
noun
radiotelegrafista
noun
radiotelescopio
noun
1. bestraling
radioterapia
noun
aparato de radio
noun
  1. emisora de radio
  2. radiotransmisor
noun
1. scheikundig element met symbool Ra en atoomnummer 88
radio
noun
radio
noun
radiestesia
noun
rajá
noun
cicloide
noun
1. met symbool Rn en atoomnummer 86
radón
noun
refección
/'ra.fəl/
noun
1. een losgeraakte draad van een weefsel
  1. hilacha
  2. hilacho
verb
1. vlug spreken
farfullar
noun
rafia
noun
refinería
noun
het raffineren
refinación
verb
refinar
noun
telaraña
noun
manía
noun
  1. guiso
  2. ragú
noun
1. een metalen staaf waar het wiel van een railvoertuig op rijdt
  1. rail
  2. raíl
  3. riel
  4. carril
noun
1. cilindervormig projectiel dat door een naar achteren gerichte ontploffing wordt voortbewogen
  1. cohete
  2. mísil
noun
  1. jaramago
  2. rúcula
  3. oruga
  4. roqueta
  5. ruca
  6. arrúgula
noun
1. tint van een kleur zoals gedefinieerd door een Duitse organisatie voor handelsnormen
RAL color
noun
garcilla cangrejera
pronoun
2. teken van de dierenriem van 21 maart tot 20 april
  1. Aries
  2. aries
noun
1. mannelijk schaap
  1. carnero
  2. morueco
/ˈrɑmadɑn/
noun
ramadán
/ˈramə(n)/
verb
1. inschatten, vaak middels berekening
  1. estimar
  2. calcular
/ˈramɪŋ/
noun
  1. estimación
  2. valuación
noun
  1. alunizaje
  2. vehículo-ariete
noun
1. mannetje van een dier uit de familie der Haasachtigen
  1. conejo macho
  2. liebre macho
noun
1. een grote catastrofale gebeurtenis met ernstige gevolgen
  1. catástrofe
  2. desastre
  3. calamidad
adjective
1. op een ramp uitdraaiend
  1. desastroso
  2. aciago
  3. desgraciado
  4. fatídico
  5. siniestro
noun
rencor
noun
periférico
noun
  1. grado
  2. rango
verb
maniobrar
verb
1. een bepaalde volgorde in iets aanbrengen
  1. clasificar
  2. ordenar
noun
clasificación
noun
1. een telwoord dat een rangorde of volgorde aanduidt
número ordinal
adjective
  1. delgado
  2. esbelto
  3. menudo
noun
ranúnculo
adjective
rancio
adjective
rancio
noun
1.
  1. prisa
  2. prontitud
  3. vivacidad
noun
1. schriftelijk bericht over een gebeurtenis of toestand
informe
verb
1. het uitbrengen van een verslag of rapport
  1. informar
  2. relatar
noun
raza
noun
1. hond die voldoet aan de kenmerken van een bepaald hondenras
perro de raza
noun
1. een grofgetande vijl die wordt gebruikt om rondingen aan hout te maken
  1. rallador
  2. escofina
  3. rallo
noun
raspadura
noun
  1. enrejado
  2. entramado
/ˈrɑstərelɛkˌtronəmikroˌskop/
noun
1. een type elektronenmicroscoop waarmee men direct oppervlaktestructuren goed kan afbeelden.
microscopio electrónico de barrido
noun
  1. enrejado
  2. entramado
/rɑt/
noun
1. een muisachtig knaagdier uit het geslacht Rattus
rata
noun
1. gifslang uit het geslacht Crotalus
  1. serpiente de cascabel
  2. crótalo
noun
ratificación
verb
1. bekrachtigen van een internationaal verdrag door het nationale parlement of regering
ratificar
/ra.si.jo/, /ra.ti.jo/, /ra.tsi.jo/
noun
  1. 1. wiskundige verhouding
    1. proporción
    2. razón aritmética
  2. 3. het vermogen te denken en begrijpen
    razón
adjective
racional
noun
racionalización
noun
racionalismo
noun
racionalista
adjective
racional
adverb
1. ongekookt en vers
crudo
noun
1. schade, verwoesting
ruina
noun
salsa ravigote
noun
1. een diepe, steile insnijding in een terrein
barranco
noun
1. kleine vierkante deegplakjes die gevuld zijn met gehakt, tomaten en kruiden, overgoten met bijpassende saus
raviolis
verb
  1. aprovisionar
  2. avituallar
noun
  1. abastecimiento
  2. avituallamiento
noun
1. een op zijde gelijkende kunstvezel
rayón
noun
  1. frenesí
  2. paroxismo
  3. rabia
noun
real
noun
reactancia
noun
1. een actie die een gevolg is van een stimulus
reacción
noun
mecanismo de reacción
noun
1. een turbine die draait als gevolg van de reactiewerking
turbina de reacción
noun
capacidad de reacción
adjective
reaccionario
noun
1. vermogen om te reageren
reactividad
noun
reactor
noun
tubo de ensayo
/'reʲaɣɛns/
noun
1. een chemische stof die deelneemt aan een reactie
reactivo
verb
1. op een nieuwe situatie actie ondernemen
  1. reaccionar
  2. responder
noun
1. het in de praktijk tot stand brengen van iets
realización
verb
realizar
noun
realización
noun
realismo
adjective
realista
noun
realidad
noun
het reanimeren
reanimación
/reani'merən/
verb
1. het kunstmatig overnemen van de ademhaling en de bloedsomloop, indien er sprake is van een circulatiestilstand
reanimar
/ˈrɛbə/
noun
1.
rebe
verb
  1. rebelarse
  2. rebelar
  3. alzarse
  4. resistirse
  5. sublevarse
noun
rebeldía
noun
1. soort raadsel
jeroglífico
verb
recapitular
verb
1. een beoordelend verslag schrijven, meestal van een culturele gebeurtenis
reseñar
adjective
1. een korte tijd geleden gebeurd of begonnen
reciente
adverb
1. nog niet lang geleden
recientemente
noun
1. voorschrift voor de bereiding van een gerecht
  1. receta
  2. receta de cocina
noun
  1. libro de recetas
  2. recetario
noun
2. een plaats waar iemand binnenkomende gasten of klanten ontvangt
recepción
adjective
receptivo
noun
recepcionista
noun
recepcionista
noun
receptividad
noun
1. bestanddeel dat gevoelig is voor prikkels
  1. receptor
  2. receptor celular
noun
recesión
adjective
recesivo
noun
1. iemand die een politioneel onderzoek uitvoert
detective
adjective
  1. 4. juist
    1. correcto
    2. derecho
    3. estricto
    4. exacto
    5. justo
    1. derecho
    2. recto
noun
1. het geheel van rechtsregels en instituties van het recht
derecho
adverb
1. regelrecht
directamente
noun
1. een instelling waar rechtgesproken wordt
  1. tribunal
  2. juzgado
adverb
1. noch naar rechts noch naar links van richting veranderend
todo recto
noun
1. een rechte lijn
  1. línea recta
  2. recta
noun
1. hoek van 90 graden
ángulo recto
/ˈrɛxtə ˈklɪɯɪŋ/
noun
1. lengtegraad op de hemelbol
ascensión recta
adjective
judicial
noun
2. geheel van de fundamentele rechten en vrijheden die ieder mens toekomen
derechos humanos
noun
1. student in de rechtsgeleerdheid
estudiante de derecho
/ˈrɛxtər/
adjective
1. aan de tegenovergestelde zijde van het lichaam waar gewoonlijk het hart zit
derecho
/ˈrɛxtər/
noun
1. persoon die rechtspreekt, persoon die een oordeel velt
  1. juez
  2. jueza
adjective
judicial
noun
poder judicial
pronoun
Jueces
noun
derechohabiente
/'rɛxtuk/
noun
1. een vierhoek met vier rechte hoeken
rectángulo
adjective
1. het in een rechte hoek staan van lijnen of vlakken
rectangular
adjective
1. volgens het recht, de wet
legítimo
adjective
1. tegenovergestelde van links
  1. derecho
  2. derecha
adverb
1. onder een min of meer rechte hoek naar rechts van richting wijzigen
  1. a la derecha
  2. a mano derecha
noun
1. feit of samenstelling van feiten waaraan het recht rechtsgevolgen verbindt
hecho jurídico
noun
1. het voeren van een gerechtszaak
  1. juicio
  2. proceso
  3. pleito
noun
jurista
noun
1. kennis of studie van recht
jurisprudencia
noun
  1. igualdad ante la ley
  2. igualdad jurídica
noun
1. doelgerichte wilsuiting die rechtsgevolgen heeft
acto jurídico
/ɾɛχts.pɛɾ.soːn/
noun
1. groepering van goederen of natuurlijke personen die kan deelnemen aan het rechtsverkeer
persona moral
noun
1.
jurisprudencia
/ˈrɛɣtspoːˌsitsi/
noun
1. het geheel van iemands rechten en plichten
  1. situación jurídica
  2. situación legal
noun
1. het proces waarin door een rechter een oordeel wordt gevormd over een rechtszaak
jurisdicción
verb
juzgar
noun
punto legal
noun
1. staat waarvan de macht gereguleerd en beperkt wordt door het geldende recht
estado de derecho
noun
1. drager van subjectieve rechten en plichten
sujeto de derecho
/rɛx'streks/
adjective
1. zonder omwegen
  1. directo
  2. inmediato
  3. derecho
/rɛx'streks/
adverb
1. zonder omwegen
  1. directamente
  2. inmediatamente
  3. sin mediación
noun
persecución
noun
jurisprudencia
/rɛx(t)sak/
noun
1. het voeren van een rechtsgeding
  1. pleito
  2. juicio
  3. proceso
noun
1. de ruimte waar een rechtszitting gehouden wordt
  1. sala de justicia
  2. sala de tribunal
noun
proceso judicial
adverb
1. recht naar voren
  1. seguidamente
  2. seguido
adjective
1. in overeenstemming met bepaalde ethische beginselen
  1. justo
  2. equitativo
verb
1. onderbouwen volgens bepaalde ethische beginselen
  1. justificar
  2. cohonestar
  3. inocentar
  4. motivar
  5. santificar
  6. sincerar
noun
1. de overeenstemming met bepaalde ethische beginselen
  1. justicia
  2. equidad
verb
2. corrigeren
  1. rectificar
  2. desagraviar
adjective
ortodoxo
noun
proceso judicial
/resiprosi'tɛit/
noun
reciprocidad
adjective
1. een dimensie bezittend die de omgekeerde is van een andere dimensie
recíproco
adjective
1. een dimensie bezittend die de omgekeerde is van een andere dimensie
recíproco
noun
recirculación
noun
recitativo
verb
  1. declamar
  2. recitar
noun
1,2 informatie over, en aanprijzing van diensten, producten en ideeën
publicidad
verb
1. geld terugvragen
reclamar
noun
reinserción
noun
1. DNA waarin een stukje vreemd DNA is ingelast
recombinante
noun
recombinación
adjective
1. een aanbeveling verdienend
  1. aconsejable
  2. recomendable
noun
recomendación
verb
recomendar
noun
reconciliación
noun
reconstrucción
verb
1. weder opbouwen
  1. reconstruir
  2. reconstituir
/ˌrekɔnvalɛˈsɛntsi/
noun
1. het herstel na een ziekte
convalecencia
/rəˈkɔrt/
noun
  1. 3. bij elkaar behorende gegevens
    récord
  2. 1. beste prestatie
    1. récord
    2. marca
noun
  1. recreación
  2. recreo
adjective
1. met betrekking tot de endeldarm
rectal
verb
rectificar
noun
1. het herstel van krachten
recuperación
noun
recursión
adjective
recursivo
noun
reciclaje
noun
1. iemand die berichten verzamelt en bewerkt voor publicatie
redactor
noun
1. het redigeren, de werkzaamheden voor het opstellen en rangschikken van artikelen
redacción
verb
1. actie ondernemen om iets of iemand uit de moeilijkheden te halen
  1. salvar
  2. rescatar
noun
1. iemand die iemand anders redt
salvador
noun
  1. rescate
  2. salvación
noun
salvavidas
noun
1. een speciaal gebouwde en uitgeruste boot om het schip in geval van nood veilig te kunnen verlaten.
bote salvavidas
noun
socorrista
noun
  1. 2. een formele toespraak
    1. oración
    2. discurso
    3. arenga
  2. 3. een ankerplaats buitengaats
    rada
  3. razón
adjective
1. wat op nuchtere wijze te beredeneren is
  1. razonable
  2. racional
noun
racionalidad
verb
razonar
noun
1. eigenaar van een schip
  1. naviero
  2. armador
noun
compañía naviera
noun
disputa
verb
disputar
noun
  1. discurso
  2. oración
verb
redactar
noun
reducto
noun
reducción-oxidación
verb
2. het verlagen van het oxidatiegetal door het toevoegen van elektronen aan een molecuul of ion
reducir
noun
1. scheikundige herleiding, vermindering
rebaja
noun
  1. agente reductor
  2. reductor
noun
redundancia
/redypliˈkatsi/
noun
1. vorming van een nieuw woorden of zinsneden door geheel of gedeeltelijke herhalen van een deel daarvan
reduplicación
noun
1. sierlijk slank hert, komt bijna in heel Europa voor
corzo
adjective
pardo corzo
adverb
1. al
ya
noun
1. een opeenvolgende rij van gebeurtenissen
serie
noun
1. een glycoproteïne dat vooral een belangrijke rol speelt bij het sturen van de neuronale migratie...
reelina
noun
2. kont, billen
culo
noun
refacción
noun
refectorio
noun
referendario
noun
1. een stemming over een wetsvoorstel, waarbij gestemd wordt door het volk zelf...
referéndum
noun
1. verwijzing
referencia
noun
electrodo de referencia
noun
punto de referencia
verb
1. verwijzen naar
referir
noun
reflación
verb
1. een beeld weerkaatsen
  1. reflejar
  2. reflectar
noun
reflexión
noun
albedo
noun
1. voorwerp bestemd om geluid of elektromagnetische straling zoals licht terug te kaatsen
reflector
noun
1. een onwillekeurige reactie op bepaalde prikkels
reflejo
adjective
reflexivo
noun
reforma
verb
reformar
adjective
refractario
noun
refracción
noun
estribillo
noun
refectorio
noun
  1. refugiada
  2. refugiado
adjective
real
/ˈreɣəɫ/
noun
    1. 1. een zin in een tekst
    2. 2. een vers in een gedicht
    línea
  1. 3. een voorschrift, richtlijn, norm
    1. regla
    2. norma
    3. pauta
noun
regulador
verb
1. zorgen dat het gebeurt
  1. regular
  2. arreglar
  3. concertar
  4. reglamentar
  5. organizar
  6. regularizar
noun
1. een combinatie van afspraken voor een bepaalde groep
  1. acuerdo
  2. arreglo
  3. regulación
  4. construcción
  5. reglaje
noun
2. ordelijke schikking in de ruimte
  1. frecuencia
  2. regularidad
adjective
1. aan een bepaalde regel gehoorzamend
regular
adverb
1. op gezette tijden
regularmente
noun
1.Het volgen van vaste regels
regularidad
noun
1. een apparaat of een verzameling apparatuur om het gedrag van een of ander systeem of proces te regelen
sistema de control
noun
teoría de control
/reχən/
noun
1. neerslag van tot druppels gecondenseerde waterdamp
lluvia
adjective
1. regelmatig regenend of neigend naar regen
lluvioso
/ˈreːχənboːx/
noun
1. een natuurfenomeen dat na regen als een verschijnende veelkleurige boog te zien is
  1. arco iris
  2. arcoíris
noun
1. een trui voor de wereldkampioen wielrennen
camiseta arco iris
noun
1. het gekleurde vlies in het oog waarin de pupil zich bevindt
iris
noun
1. een tijdelijke periode van regen tengevolge van het overtrekken van een wolkenveld
  1. chubasco
  2. chaparrón
/ˈreɣə(n)ˌdrʏpəɫ/
noun
1. een druppel die als regen uit de lucht naar beneden valt
gota de lluvia
/ˈreɣənə(n)/
verb
1. het vallen van neerslag in de vorm van waterdruppels
  1. llover
  2. lluvia
noun
2. herstelgroei
regeneración
adjective
1. terugwinnend, herwinnend
regenerativo
noun
regenerador
noun
1. een waterdichte overjas die geschikt is voor regenachtig weer
  1. impermeable
  2. gabardina
noun
1. toestel dat de hoeveelheid gevallen neerslag in een bepaalde periode op een bepaalde plaats meet
  1. pluviómetro
  2. pluvímetro
noun
1. een paraplu
paraguas
noun
regencia
noun
lluvia
noun
  1. agua de lluvia
  2. agua llovediza
  3. agua lluvia
  4. agua pluvial
/'reɣəʋɔrm/
noun
1. benaming voor dieren uit de familie Lumbricidae
lombriz de tierra
noun
1. een bos in een klimaat met het hele jaar door neerslag
  1. pluviselva
  2. bosque lluvioso
  3. selva lluviosa
noun
zarapito trinador
verb
1. het uitoefenen van de politieke macht...
  1. regir
  2. gobernar
  3. reinar
/re.'ɣeː.rɪŋ(g)/, /rə.'ɣeː.rɪŋ/, /rə.'χɪː.rɪŋ/
noun
1. een groep van personen die een land bestuurt, specifiek het staatshoofd en alle ministers
gobierno
noun
forma de gobierno
noun
1.
reggaeton
/ˌreɣiˈsidə/
noun
1. een bewuste moord op een koning.
regicidio
noun
1. bestuur van een land, vaak onderdrukkend, dwingend, alles omvattend
régimen
noun
regimiento
noun
1. geografisch gebied
región
adjective
1. op de streek betrekking hebbend
regional
noun
  1. 2. (politiek) het streven naar gewestelijke autonomie
    regionalismo
  2. 1. het cultiveren van streektradities
    1. regionalismo
    2. regionalización
noun
  1. realizador
  2. director
  3. director de escena
noun
  1. 2. inhoudsopgave
    1. concordancias
    2. índice
  2. 5. stilistische variatie
    1. extensión
    2. registro
    3. registro lingüístico
    1. 1. lijst met gegevens
    2. 3-4
    3. 6. computerregister
    registro
verb
1. vastleggen in een register
  1. registrar
  2. abanderar
noun
reglamento
adjective
reglamentario
noun
regulador
noun
1. aanpassing aan de normale toestand
regulación
adjective
regulativo
noun
regulador
verb
reglamentar
noun
regularización
adjective
regular
noun
rehabilitación
noun
1. benaming voor ooievaarachtige watervogels uit de familie Ardeidae
garza
verb
1. ~ naar: de armen uitstrekken tot iets
estrechar
adjective
  1. anhelando
  2. añorando
  3. suspirando
noun
  1. alcance
  2. envergadura
adjective
1. zonder vuil
  1. limpio
  2. puro
noun
ciruela claudia
noun
manzana reineta
noun
  1. pureza
  2. decencia
  3. virtud
verb
1. zichtbare en onzichtbare vervuiling van een oppervlak verwijderen
  1. limpiar
  2. asear
/ˈrɛɪnəχɪŋ/, /ˈrɛːnəɣɪŋ/
noun
1. het schoonmaken van iets
purificación
adjective
1. met een zuiver witte kleur
blanco puro
/rɛɪ̯s/
noun
1. grote, lange tocht of trip
viaje
noun
agencia de viajes
noun
guía de viaje
noun
agencia de viajes
noun
gastos de viaje
noun
guía de viaje
noun
  1. itinerario
  2. plan de viaje
noun
tiempo de viaje
noun
seguro de viaje
verb
1. onderweg zijn
viajar
/ˈrɛɪzəɣər/
noun
  1. viajante
  2. 1. persoon op reis
    1. viajero
    2. viajera
noun
viajera
noun
2. raamwerk
estantería
noun
  1. 1. ondeugende jongen
    muchacho travieso
  2. 2. mannetje van de hond, de vos, de wolf en de das
    1. perro macho
    2. zorro
noun
hoja de cálculo
noun
1. een boek waaruit iemand leert rekenen
libro de cálculo
/ˈre.kə.nə(n)/
verb
  1. 2. in rekening brengen
    1. cobrar
    2. pedir
  2. 1. getallen manipuleren
    1. contar
    2. calcular
pronoun
1. orgaan dat toezicht houdt op het financieel beheer van de Belgische overheid op nationaal en provinciaal niveau
Tribunal de Cuentas
noun
  1. 1. de optelsom van te betalen bedragen
  2. 2. mogelijkheid om bij een bank onder een eigen nummer betalingen te doen en te ontvangen en geld te sparen of te lenen
cuenta
noun
de leer van de operaties die op getallen worden uitgevoerd (optellen, aftrekken, vermenigvuldigen, delen, ...)
aritmética
noun
media aritmética
noun
1. apparaat dat rekenkundige berekeningen kan uitvoeren
calculadora
noun
1.
ábaco
noun
  1. aclaración
  2. explicación
noun
1. een verzoekschrift waarmee men zich tot de rechter of een bestuursorgaan kan wenden om een bepaalde voorziening te krijgen
petición
verb
  1. alargar
  2. extender
  3. prolongar
  4. tender
verb
requisar
noun
  1. requisa
  2. requisición
noun
1. een verstoring van de openbare orde door een menigte, meestal gepaard gaand met geweld en politieoptreden
  1. tumulto
  2. disturbio
noun
  1. relevador
  2. relé
noun
  1. 3. iemand waarmee men zakelijke contacten onderhoudt
    conocido
  2. 1. een min of meer vast verband
    1. relación
    2. conexión
/rəlaˈtif/
adverb
1. betrekkelijk
relativo
verb
relativizar
noun
relativismo
noun
relatividad
noun
principio de relatividad
noun
1. een natuurkundige theorie die ervan uitgaat dat de tijd een relatief begrip is
teoría de la relatividad
noun
relevancia
noun
relicto
/rə'liɣi/
noun
1. een godsdienst
religión
/relɪˈɣɪøs/, /relɪˈʝɪøs/
adjective
1. te maken hebbend met godsdienst of geloof
religioso
noun
religiosa
noun
1. een overblijfsel van het lichaam van een heilige of een voorwerp dat...
reliquia
/relɪŋ/
noun
1. een leuning boven de verschansing die een scheepsdek omgeeft
  1. borda
  2. empalletado
noun
  1. relieve
  2. realce
noun
lirón gris
noun
reluctancia
noun
1. een mechanisme dat iets vertraagt of tot stilstand brengt
freno
noun
1. de afstand die een rijdend voertuig nodig heeft om tot stilstand te komen
  1. distancia de frenado
  2. distancia para frenar
/rəˈmedi/, /reˈmedi/
noun
1. een medicijn of een op genezing gerichte behandeling
remedio
noun
1. tijdelijke vermindering of verdwijning van ziekteverschijnselen
remisión
noun
  1. canal de freno
  2. tubería de freno
noun
  1. luz de freno
  2. luz de frenado
noun
interruptor de luces de pare
verb
1. snelheid doen verminderen
frenar
noun
inhibidor
noun
  1. líquido de freno
  2. líquido de frenos
/rəmɔn'strɑnt/
noun
1. een Nederlandse calvinist die in de 17e eeuw volgeling van Arminius was
arminiano
noun
1. een Nederlandse calviniste die in de 17e eeuw volgeling van Arminius was
arminiana
noun
  1. turbonada
  2. turbonadas
/ˈrɛm.spor/
noun
  1. 1. spoor van een rubberband
    1. huella del frenado
    2. marca de derrape
  2. 2.
    1. palomino
    2. raspa
noun
remuneración
noun
  1. líquido de freno
  2. líquido de frenos
noun
1. de afstand die een rijdend voertuig nodig heeft om tot stilstand te komen
  1. distancia de frenado
  2. distancia para frenar
adjective
1. met betrekking tot de nier
renal
noun
  1. 1. een overgangsperiode in de Europese geschiedenis
    Renacimiento
  2. 2. vernieuwing, herleving
    renacimiento
noun
  1. hipódromo
  2. pista de carreras
/rɛndəˈmɛnt/
noun
rendimiento
verb
winst opleveren
beneficiar
verb
beneficiando
noun
cita
noun
1. een hertachtig zoogdier met een breed uitlopend gewei
  1. reno
  2. rangífero
noun
  1. apóstata
  2. renegado
noun
manzana reineta
noun
1. Chemisch element
renio
noun
[A] 1. zeer snel lopen
correr
noun
  1. reforma
  2. renovación
/rənoˈverə(n)/
verb
1. opknappen, repareren, vernieuwen
renovar
noun
1. paard dat gefokt is met het doel om aan paardenrennen deel te nemen
caballo de carreras
noun
  1. 1. op geregelde tijden te betalen geldbedrag voor het vruchtgebruik van een geleende som geld
    interés
  2. 2. periodieke geldelijke opbrengst
    renta
noun
intendente
noun
reología
verb
reorganizar
noun
reparador
noun
reparación
verb
1. iets weer in werkende staat brengen
  1. reparar
  2. arreglar
  3. componer
  4. rehacer
noun
repatriación
noun
repatriación
noun
  1. repertorio
  2. reportorio
noun
repertorio
/re.pe.ˈteː.rə(n)/
verb
  1. 1. een toneel- of muziekstuk bij wijze van proef op- of uitvoeren
    ensayar
  2. 2. herhalen
    repetir
  3. 3. zich ~: een mededeling opnieuw doen
    repetirse
noun
ensayo
noun
1. verdubbeling van DNA tijdens celdeling, herhaling van een experiment
replicación
noun
reportaje
noun
representación
noun
represión
verb
  1. reproducir
  2. devolver
noun
2. kopie (van een kunstwerk)
reproducción
/rɛp'til/
noun
1.
reptil
/repʏˈbliːk/
noun
1. staatsvorm
república
pronoun
Provincias Unidas de los Países Bajos
noun
republicano
adjective
republicano
noun
repulsión
adjective
repulsivo
noun
1. de manier waarop iemand bekend is
reputación
noun
1. mis opgedragen voor een overledene
réquiem
verb
rescontrar
noun
  1. miñoneta
  2. reseda
  3. reseda de olor
adjective
verde reseda
noun
reserva
noun
  1. recato
  2. reserva
verb
1. vrijhouden
reservar
noun
1. iemand die oproepbaar is voor militaire dienst in tijden van oorlog, oorlogsdreiging of andere situaties waarin inzet van het leger nodig is
reservista
/ri'sɛtə(n)/
verb
reinicializar
noun
  1. 1. hof van een staatshoofd
    corte
  2. residencia
noun
residuo
adjective
1. residueel, overblijvend restant
residual
noun
resignación
noun
resistencia eléctrica
adjective
  1. 1. bestand tegen
    a prueba de
  2. 2. immuun
    inmune
noun
resistencia
noun
  1. 2. pixeldichtheid
  2. 1. motie
resolución
noun
resonancia
verb
resonar
/rɛsˈpɛkt/
noun
eerbied uit hoogachting of angst
respeto
adjective
1. eerbiedwaardig
respetable
verb
  1. 1. iemand in aanzien houden
  2. 2. iets naleven
  1. respetar
  2. respectar
adjective
respectivo
adverb
1. in dezelfde volgorde
respectivamente
noun
respiro
noun
respiración
noun
responsorio
/rɛst/
noun
1. wat er overblijft
resto
noun
  1. restaurante
  2. restorán
noun
2. het minitieus herstellen van een voorwerp van kunstzinnig of historisch belang
restauración
verb
restaurar
/rɛstɪːrə(n)/
verb
1. ~ van: ergens van overblijven
  1. permanecer
  2. restar
  3. quedarse
noun
1. een opgelegde beperking
restricción
/rezɵl'tat/
noun
1. een uitkomst
resultado
verb
resultar
noun
1. apensoort waarbij de resusfactor het eerst ontdekt werd
macaco rhesus
noun
retablo
noun
1. ophouding, het vertraagd afgeven of vasthouden van iets
retención
noun
1. netvliesaandoening
retinopatía
verb
retirar
noun
  1. 1-2
    retórico
  2. 3. bombastisch, hol spreker
    vanílocuo
noun
1. een verouderd toestel voor het destilleren bestaande uit een vat met een neergebogen tuit
retorta
/rətu'ʃeːrə(n)/, /rətu'ʃɪːrə(n)/
verb
retocar
/rəturˈnerən/
verb
1. iets of iemand naar het punt van vertrek terugbrengen of terugzenden
devolver
noun
retracción
noun
3. vergoeding aan de grondeigenaar voor opstalrecht
canon
noun
1. jachthond die het geschoten wild apporteert (naar de jager brengt)
perro cobrador
verb
retrogradar
adjective
1. terugkijkend naar het verleden
retrospectivo
noun
1. een mannelijke hond
perro macho
noun
  1. 2. gewaarwording van geur via de neus
    olfato
  2. 1. geur
    olor
noun
1. een vloeistof die bedoeld is om een aangename geur te verspreiden
  1. agua de colonia
  2. perfume
noun
reumatismo
adjective
reumático
adjective
reumatoide
noun
1. een buitengewoon grote man
gigante
adjective
  1. 2. in zeer hoge mate, enorm
    1. enorme
    2. gigantesco
    3. inmenso
  2. 1. zeer groot
    1. gigantesco
    2. colosal
noun
1. verkregen door uitsmelting van varkensvet
manteca de cerdo
noun
1. bepaald soort plant, Impatiens glandulifera
  1. impaciencia
  2. sensible
noun
1. bepaald soort paddenstoel Langermannia gigantea
  1. bejín gigante
  2. langermannia gigantea
noun
1. bepaald soort vaste plant, Equisetum telmateia
equiseto mayor
noun
1. een beer die leeft in de hooggelegen hellingen van berggebieden in centraal China
panda gigante
noun
1. en 2. (vruchtvlees) van plant Cucurbita maxima
calabaza gigante
noun
1. herwaardering
revaluación
noun
revanchismo
/ˈrevə(n)/
verb
1. het effectieve oppervlak verkleinen door samenvouwing of oprolling
arrizar
/rə'vɛr/
noun
solapa
noun
revisión
noun
  1. 4. politieke stroming die herziening van bepaalde verdragen over het afstaan van gebieden wil
    revanchismo
  2. 1-3. streven naar herziening (van het marxisme, de geschiedenis)
    revisionismo
noun
inspector general
noun
1.
revolución
adjective
revolucionario
/revɔlˈveːrə(n)/
verb
om zijn as doen draaien
revolver
noun
2. tijdschrift
revista
adjective
real
noun
reencarnación
noun
  1. 3. het weerzien van voormalige studenten, collega's, enz.
    reencuentro
    1. 1. (verouderd) hereniging
    2. 2. (verouderd) regelmatige bijeenkomst van personen
    reunión
pronoun
Rodesia
/riˈjasiʏm/
noun
Riácico
pronoun
1. een rivier van 812 km lengte die ontspringt in Zwitserland, door Frankrijk naar het zuiden stroomt en uitmondt in de Middellandse Zee
Ródano
noun
  1. rial
  2. riyal
noun
1. elk van de platte, boogvormige beenderen die de borstkas omsluiten
costilla
noun
1. een van de platte, dunne, boogvormige beenderen die de borstkas omsluiten
costilla
noun
1. het geraamte van de borst
caja torácica
noun
Ácido ribonucleico
pronoun
2. spelwoord voor de letter r
Rafael
noun
1. een antenne met voorkeur voor één richting
  1. antena direccional
  2. antena directiva
noun
número guía
/ˈrɪxtɪŋ/, /ˈrɪχtɪŋ/
preposition
1. de kant op van
dirección
noun
1. een systeem om richting aan te geven in een voertuig
intermitente
noun
conmutador de luces
noun
timón de dirección
noun
  1. 1. aanwijzing voor een te volgen gedrag
    1. directriz
    2. norma
    3. directiva
    4. normativa
    5. orientación
  2. 4. (militair) denkbeeldige lijn ...
    orientación
noun
precio de objetivo
noun
2. voorschrift waarnaar men zich richt
  1. directiva
  2. directriz
noun
bepaald soort snelgroeiende tropische boom, Ricinus communis
ricine
noun
aceite de ricino
verb
rebotar
noun
  1. ricota
  2. ricotta
noun
1. oorspronkelijk een bereden en bepantserde ruiter die de ridderslag ontvangen had
  1. caballero
  2. caballera
noun
2. onderscheiding die door de koning wordt gegeven aan mensen die een uitzonderlijke prestatie hebben geleverd
orden
noun
  1. delfinio
  2. espuela de caballero
  3. consuelda real
noun
  1. izcua
  2. lengua de vaca
  3. lenguaperro
noun
1. een handwerktuig voor het verplaatsen van bladeren, gras of gewied materiaal in de vorm van een grote vork met smalle tanden
horca
noun
riel
/rim/
noun
1. een band van leer of een ander materiaal
  1. correa
  2. cinturón
noun
1.
  1. propulsión por correa
  2. transmisión por correa
noun
1. bepaald soort sterrenmuurachtige plant, Corrigiola litoralis
pasacaminos
/rit/
noun
1. plantensoort
  1. caña
  2. carrizo
noun
1. een lid van de gorzenfamilie
escribano palustre
noun
alpiste cinta
adjective
verde caña
noun
2. drinkbuisje
  1. pajita
  2. pajilla
noun
suiker, verkregen uit het sap van suikerriet
azúcar de caña
noun
cañaveral
noun
carricerín común
noun
1. een ondiepte in water, koraalbank, klip
arrecife
noun
1.een antibioticum
rifampicina
noun
1. stijfheid, onbuigzaamheid
  1. rigidez
  2. entumecimiento
/rixoˈrøs/
adjective
1. onverbiddelijk, radicaal
riguroso
noun
  1. 1. weggedeelte bestemd voor voertuigen
    1. calzada
    2. vía
  2. 2. oefenbaan in een manege
    1. picadero
    2. pista
  3. 3. verharde strook van een vliegveld
    pista
/ˈrɛɪ̯bəˌwɛɪ̯s/, /ˈrɛɪ̯bəˌʋɛɪ̯s/, /ˈrɛːbəˌβ̞ɛːs/
noun
1. een officieel document waarmee de bezitter bevoegd is om een motorvoertuig te besturen
  1. permiso de conducir
  2. licencia de conducir
/ˈrɛɪ̯də(n)/, /ˈrɛːdə(n)/
verb
1. zich verplaatsen met behulp van een voertuig
  1. conducir
  2. dirigir
  3. ir en vehículo
/ˈrɛɪɣə(n)/
verb
1. met een naald een draad ergens doorvoeren
hilvanar
/rɛɪ̯k/, /rɛːk/
adjective
1. veel geld en/of eigendommen hebbend
  1. rico
  2. rica
  3. riquísimo
/rɛɪ̯k/, /rɛːk/
noun
1. een staat of natie onder een vorst of heerser
estado
/ˈrɛik.dɔm/
noun
1. het bezitten van veel geld en goud
riqueza
noun
pudiente
adverb
1. overvloedig, niet nauw rekenend
  1. abundante
  2. copioso
  3. generoso
  4. rico
noun
1. fraai uitgevoerde bol met bovenop een kruis die symbolisch de wereld voorstelt
orbe
noun
  1. 1. bevroren dauw
    helada blanca
  2. 1. gelijkheid van klank in een vers
    rima
/rɛɪ̯n/, /rɛːn/
pronoun
1. een van de langste en belangrijkste rivieren van Europa die op de grens ligt tussen Midden- en West-Europa.
  1. Rin
  2. Rhin
pronoun
Renania
noun
1. Duitse wijn uit de Rijnstreek
vino del Rin
adjective
1. geschikt voor de oogst
maduro
noun
1. bevroren dauw
helada blanca
noun
1. voor rijden geschikt paard
caballo de montar
verb
rijp worden
madurar
noun
  1. madurez
  2. sazón
noun
  1. agente levantador
  2. gasificante
  3. impulsor
  4. leudant
  5. levadura
/rɛi̯st/
noun
1. graan van het geslacht Oryza
arroz
noun
vinagre de arroz
noun
1. zoet gerecht van rijst met melk gekookt
arroz con leche
noun
aceite de arroz
noun
carril
noun
tarta de arroz
noun
  1. mesa de arroz
  2. mesa indonesia de arroz
noun
agua de arroz
noun
1. een alcoholische drank met als basis rijst
vino de arroz
noun
1. ingrediënt dat bestaat uit met de zaadhuiden vergroeide vruchtwanden en kiemen
salvado de arroz
verb
1. met een scheurende beweging uit elkaar trekken
  1. desgarrar
  2. rasgar
noun
  1. vector fila
  2. vector renglón
verb
1. bij elkaar halen, opruimen
rastrillar
noun
bicicleta
noun
reparador de bicicletas
verb
  1. 2. uitzetten en luchtig worden
    1. levar
    2. hincharse
    3. montar
  2. 1. opstijgen
    1. subir
    2. ascender
verb
  1. temblar
  2. estremecerse
noun
1. een oppervlakkige vouw of golving, in het bijzonder van de menselijke huid
arruga
/'rɪmpələ(n)/
verb
1. plooien of golven in het oppervlak vormen
ondular
noun
    1. 1. cirkelvormig sieraad voor om de vinger
    2. 5. ringweg
    anillo
  1. 2. cirkelvormig voorwerp
    1. anillo
    2. sortija
    3. anilla
    4. aro
    5. ceño
  2. 3. plaats waar gestreden wordt
    1. ring
    2. palestra
noun
1. Natrix natrix
  1. serpiente de jarretera
  2. culebra de collar
noun
1. vierde vinger gerekend vanaf de duim
  1. anular
  2. dedo anular
noun
  1. 1. gelede worm van de stam Annelida
    anélido
  2. 2. huidziekte door een schimmel veroorzaakt
    tiña
noun
  1. campanilla
  2. timbre
verb
  1. tintinar
  2. tintinear
noun
rinofaringitis
/rijoɡrɑnˈdɛnsər hunsˈrykiʃ/
pronoun
1. vorm van Duits zoals gesproken in het zuiden van Brazilië
hunsriqueano riograndese
noun
1. een vaak ondergronds kanaal voor de afvoer van drek
  1. alcantarilla
  2. cloaca
  3. sumidero
noun
1. bruine rat, rioolrat,
  1. rata de alcantarilla
  2. rata marrón
noun
1. het zuiveren van rioolwater
tratamiento de aguas residuales
noun
1. apparatuur die het mogelijk maakt water uit de riolen weer voor gebruik gereed te maken
estación depuradora de aguas residuales
noun
reps
pronoun
1. een Rijnfrankisch dialect dat behoot tot de Middelduitse dialectgroep
  1. fráncico ripuario
  2. ripuario
noun
1. een mogelijk gevaar voor schade
riesgo
noun
evaluación de riesgo
noun
1. omstandigheid die de kans op ziekte vergroot
factor de riesgo
noun
rito
noun
1. een zich in de tijd herhalend patroon van geluiden
  1. ritmo
  2. cadencia
noun
rítmica
adjective
  1. rítmico
  2. rítmicamente
noun
2. ritssluiting
cremallera
verb
1. een zacht ruisend geluid doen horen
susurrar
noun
ritual
verb
ritualizar
adjective
ritual
noun
rito
verb
  1. competir
  2. rivalizar
/riːˈviːr/
noun
1. een natuurlijke waterstroom
río
noun
lino de zanja
noun
1. bepaald soort slanke eetbare Euraziatisch zoetwatervis, Gobio gobio
gobio
noun
1. een soort kreeft die in riviertjes leeft
cangrejo de río
noun
agua de río
noun
rizoma
noun
1. afkorting van ribo nucleic acid (ribonucleïnezuur), een hoogmoleculaire verbinding...
ARN
/rɔp/
noun
foca
pronoun
Roberto
noun
rubí
adjective
rojo rubí
noun
  1. acacia blanca
  2. acacia de sombra
  3. acacia espinosa
  4. acacia falsa
  5. falsa acacia
  6. robinia
/ˈro.bɔt/
noun
1. machine die beschikt over een stoffelijke vorm en een beslissingsmodel
robot
pronoun
Roberto
/roˈbyst/
adjective
  1. robusto
  2. resistente
pronoun
Rocky Mountains
noun
1. kwaadsprekerij, achterklap
  1. chismorreo
  2. habladurías
verb
1. op een vervelende manier over anderen praten
  1. chismorrear
  2. chismear
  3. cotillear
noun
  1. remolacha
  2. betarraga
noun
1. bepaald soort loofboom Cornus sanguinea
  1. cornejo sanguiñuelo
  2. sanguino
pronoun
Cruz Roja
noun
1. rossig gekleurde zaden (zemel en kern) van aan gewone rijst (Oryza sativa) verwante planten
  1. arroz rojo
  2. arroz colorado
noun
1. een alcoholhoudende drank die verkregen wordt door de gisting van rode druiven
vino tinto
noun
1. Canis rufus, een lid van de Canivora, leefde in het gehele oostelijk deel van de Verenigde Staten...
lobo rojo
pronoun
1. langgerekte binnenzee, gelegen tussen Azië en Afrika
  1. mar Roja
  2. mar Rojo
/ˌro.də.ˈhɔnt/
noun
1. een infectieziekte waarbij het gehele lichaam met rode plekken en bulten bedekt is
rubéola
noun
1. en 2. donkerrood sluitkoolgewas
  1. cacho lombarda
  2. col lombarda
verb
luge
verb
rodar
noun
1. chemisch element met symbool Rh
rodio
noun
rododendro
/ˈrubəl/
noun
rublo
noun
2. staaf
  1. vara
  2. barra
noun
1. een groep
  1. manada
  2. jauría
noun
  1. barco de remo
  2. bote de remos
verb
1.zich met behulp van roeispanen in een boot ergens begeven
  1. remar
  2. bogar
noun
1. iemand die roeit
remero
noun
remo
noun
1. bepaalde soort kraaiachtige vogel, Corvus frugilegus
  1. grajo
  2. graja
adjective
1. zonder zorg over de gevolgen of het gevaar van een handeling
temerario
noun
1. eer en glorie
  1. gloria
  2. fama
/ruˈmens/, /ruˈmeːns/
adjective
1. betreffende Roemenië of het Roemeens
rumano
/ruˈmens/, /ruˈmeːns/
pronoun
1. een Romaanse taal die wordt gesproken in Roemenië
rumano
noun
leu rumano
/ruˈmeni.jə/, /ruˈmeːni.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Europa ten noorden van Bulgarije
  1. Rumania
  2. Rumanía
noun
roentgenio
/rup/
noun
  1. 2. faam, reputatie
    fama
  2. 1. een vrij harde klank geproduceerd met stemgeluid
    grito
/'ru.pə(n)/
verb
1. met verheffing van stem de aandacht van iemand trachten te verkrijgen
  1. llamar
  2. gritar
noun
1.
rupia
/'rupi/
noun
1.
rupia
/'rupɪŋ/
noun
1. een taak waarvoor een persoon zich verplicht voelt, vaak met religieuze invloed
vocación
noun
1. vlak waarmee gestuurd wordt
timón
/ˈrur.bɑ.kə(n)/
verb
1. een kooktechniek voor het bereiden van voedsel in een wok
  1. cocimiento con movimiento
  2. sofreír
noun
1. het beweegbare vlak van een roer waarmee gestuurd wordt
pala de timón
/'rurdɔmp/
noun
1. schuchtere vogel uit de reigerfamilie die een dompend geluid voortbrengt
ave-toro
/rurɛi/
noun
1. een gerecht van gebakken eieren en losgeklopte melk
huevos revueltos
verb
  1. 4. in opstand komen
    alborotarse
  2. 2. een emotie in iemand oproepen
    conmover
  3. 1. een vloeistof met een spaan in ronde beweging brengen
    remover
noun
1. beweegbare, stoffelijke zaak
biene mueble
adjective
1. beweeglijk
movedizo
noun
1. (scheepvaart) het achterste deel van een roer
azafrán
noun
pasador de timón
/'rurlos/
adjective
1. bewegingloos
inmóvil
noun
emoción
noun
espátula
noun
1.
pasapurés
/rus/
noun
  1. borrachera
  2. embriaguez
noun
1. geoxideerd ijzer
  1. herrumbre
  2. moho
  3. óxido
verb
  1. 3. (kippen) op stok zitten
    1. aselarse
    2. posarse
  2. 2. door roest vast gaan zitten
    incrustarse
  3. 1. het langzaam oxideren van ijzerhoudende materialen
    oxidarse
  4. 4. (biologie) het in groepen doorbrengen van de nacht van vliegend wild
    posarse
adjective
herrumbroso
adjective
1. roestbestendig
inoxidable
/rut/
noun
1. koolstofneerslag die ontstaat door onvolledige verbanding van koolstofhoudende stoffen
  1. hollín
  2. tizne
noun
  1. filtro antipartículas
  2. filtro de gases de escape
  3. filtro de hollín
  4. filtro de partículas de hollín
noun
  1. 1. achtbaan
    montaña rusa
  2. 2. glijbaan
    tobogán
noun
1. benaming voor brede, platte vissen met een smalle staart uit de superorde Rajomorphii
raya
noun
1. en 2. (zaden van) plant Secale cereale
centeno
/ˈrɔɣəbrod/
noun
1. een van rogge gebakken brood
pan de centeno
/ˈrɔɣəˌmɪːɫ/
noun
harina de centeno
noun
1. gekiemde en gedroogde granen van rogge
malta de centeno
noun
1. plat gewalste granen van rogge
copos de centeno
noun
  1. 1. buis- of kegelvormig kledingstuk
    1. falda
    2. pollera
  2. 2. rokkostuum
    frac
noun
1. zet in een schaakspel
enroque
/ˈroːkə(n)/
verb
  1. 3. conserveren door langdurige blootstelling aan rook
    1. ahumar
    2. acecinar
  2. 2. nuttigen door het inhaleren van de rook ervan
    1. fumar
    2. humear
  3. 1. rook afgeven
    1. humear
    2. fumar
adjective
  1. humeante
  2. humeantes
noun
fumador
verb
1.1. het doen van een zet waarbij de koning en een toren elkaar passeren
enrocar
noun
2. een rond een spil gewonden lange strook papier of stof
papel
noun
  1. hockey patín
  2. hockey sobre patines
noun
  1. rollo
  2. rulo
noun
1. looprek op wieltjes
andador rollator
verb
1. zich wentelend over een oppervlak bewegen
rodar
noun
rodillo
/rɔlmɔps/
noun
rollmops
noun
alerón
noun
1. vervoermiddel voor mensen die slecht ter been zijn
silla de ruedas
noun
1. trap met bewegende treden
escalera mecánica
noun
1. de verdeling van de rollen in een toneelstuk of in het maatschappelijke leven
reparto
noun
B 1. volk in Europa en Azië dat traditioneel een zwervend bestaan leidt
pueblo gitano
noun
1.
Romaji
noun
1. een lang soort verhaal in boekvorm
novela
noun
1.
romance
/romaˈnɛs/
pronoun
Taal door veel zigeuners gesproken
  1. Romaní
  2. Romanó
noun
1. (kool van) groentesoort Brassica oleracea convar. botrytis var. botrytis
romanescu
/roˈmani/
pronoun
Taal door veel zigeuners gesproken
  1. Romaní
  2. Romanó
noun
1.
romanización
/ˌromaniˈzeːrə(n)/, /ˌromaniˈzɪːrə(n)/
verb
1. Romaanse invloeden ondergaan
romanizar
/roˈmɑns(x)rɛɪvər/
noun
1. een mannelijke persoon die romans schrijft
novelista
adjective
  1. romántico
  2. novelesco
noun
rombo
/ˈro:mə/
pronoun
1. de hoofdstad van Italië
Roma
/roˈmɛɪnsə rɛɪk/
pronoun
1. een historisch rijk dat op zijn hoogtepunt de gehele Middellandse Zeeregio in handen had
  1. Imperio Romano
  2. Imperio romano
noun
  1. basura
  2. desechos
  3. caos
  4. desperdicios
  5. detrito
  6. escombros
noun
  1. mercadillo
  2. rastrillo
/ˈrɔməlpɔt/
noun
zambomba
noun
  1. 2. het gedeelte van een vliegtuig zonder vleugels en stabilo
    fuselaje
  2. 1. het lichaam van een mens of dier zonder ledematen, kop of staart
    1. torso
    2. tronco
adjective
1. cirkelvormig
redondo
/rɔndelə(n)/
verb
1. rondgaande aan ieder een deel geven
distribuir
/rɔntˈdrajə(n)/
verb
1. een cirkelvormige beweging maken
girar
noun
  1. 2. een wedstrijd in de vorm van een rondrit
    1. circuito
    2. vuelta
  2. 3. een rondgang om iets te controleren
    1. patrulla
    2. ronda
verb
  1. circular
  2. rodear
  3. circundar
verb
repartir
noun
arco
noun
  1. rotonda
  2. cruce giratorio
noun
  1. gira
  2. tournée
noun
circular
verb
1. doelloos rondlopen
  1. deambular
  2. vagabundear
verb
  1. caracolear
  2. escarcear
/ˈrɔntwɛx/
noun
1. verharde route die verkeer rond een plaats leidt
circunvalación
/rod/, /rot/
adjective
1. de kleur rood hebbend
  1. rojo
  2. colorado
/rod/, /rot/
noun
1. een primaire kleur zoals die van licht met een golflengte tussen de ca. 620 en 740 nm.
rojo
noun
1. bepaald soort struik, Daphne mezereum
  1. hoja de San Pedro
  2. laureola hembra
  3. leño gentil
  4. matapollo
  5. mecereo
  6. mezereon
noun
festuca roja
adjective
  1. rojizo
  2. rosado
noun
1. bepaald soort vis, Sebastes marinus
gallineta nordica
noun
2. bepaald soort vrij gedrongen vogeltje met opvallende bruinrode keel, Erithacus rubecula
petirrojo
adjective
pardo rojo
adjective
1. met rood gekleurde haren
pelirrojo
pronoun
1. sprookjesfiguur
Caperucita Roja
noun
1. bepaald soort vogel, Gavia stellata
colimbo chico
noun
  1. alcaudón común
  2. alcaudón senador
adjective
rojo lila
noun
1. en 2. (bladeren van) Cichorium intybus var. foliosum
radicchio
noun
camachuelo carminoso
adjective
rojo anaranjado
adjective
rojo violeta
noun
corrimiento al rojo
noun
1. bepaald soort vis die leeft in de Atlantische Oceaan, Lutjanus campechanus
  1. acara aya
  2. pargo
noun
escarlatina
noun
2. de korst van een wond
costra
/ˈrovdir/
noun
1. dier dat zijn prooi bejaagt en doodt
  1. fiera
  2. animal depredador
noun
1. benaming voor gewervelde waterdieren met kieuwen die hun prooi bejagen en doden
pez carnívoro
/ˈroˌfoχɔɫ/, /ˈroːˌfoːɣəl/, /ˈroːˌvoːɣəl/
noun
1. eierleggend dier met veren, twee vleugels, twee klauwen en een snavel dat zijn prooi bejaagt en doodt
  1. ave de presa
  2. ave rapaz
  3. ave de rapiña
/'rojən/
verb
1. het uit de grond halen van een oogst
arrancar
/roːk/
noun
1. damp, zichtbaar gas
humo
noun
detector de humo
noun
cortina de humo
noun
punto de humeo
noun
tabaquismo
noun
1. een wolk van rook
nube de humo
noun
1. gerookte worst
salchicha ahumada
noun
1. de vette delen van melk waarvan boter gemaakt wordt
  1. nata
  2. crema
noun
1. een soort boter dat, in tegenstelling tot margarine, gemaakt wordt van room
mantequilla
adjective
1. paaps
papista
noun
  1. salsa a la crema
  2. salsa crema
  3. salsa de crema
noun
servicio de habitaciones
/roːs/
noun
  1. 2. midden van een schietschijf
    1. blanco
    2. diana
  2. 3. aandoening
    caspa
  3. 1. bloem
    rosa
noun
  1. A1. object bestaande uit een
    1. enrejado
    2. reja
  2. B een schema waarop aangegeven...
    horario
verb
1. in de gloed van een vuur of andere warmtebron gaar laten worden
  1. asar
  2. emparrillar
noun
raíces
noun
test de Rorschach
noun
  1. rosbif
  2. roast beef
  3. roastbeef
verb
1. een paard met borstel en kam reinigen
almohazar
adjective
rood, rossig (van haar)
  1. rojizo
  2. rosado
noun
1. wijn met een lichtrode kleur
  1. rosado
  2. vino rosado
adjective
  1. palma de la India
  2. ratán
  3. rota
noun
  1. rotación
  2. giro
  3. rotacional
  4. rotor
  5. vuelta
noun
motor rotativo
verb
2. draaien om een as
rodar
noun
1. kleine wit-zwarte gans met een ver klinkende rott-rott roep, Branta bernicla
  1. barnacla
  2. ganso negro
noun
1. Surinaams (Hindoestaans) gerecht van ongerezen brood met kousenband, aardappelen, hardgekookte eieren, groenten en vlees en vooral gekruid met o.a. masala
  1. chapatti
  2. roti
noun
2. bepaald soort vuurwerk dat na het aansteken van de lont wordt weggegooid en dan een harde knal geeft
petardo
noun
1.
muchacho travieso
noun
  1. 2. een rond, pleinvormig kruispunt van wegen
    1. glorieta
    2. plaza circular
  2. 1. een rond gebouw
    rotonda
noun
rotor
noun
paleta de rotor
noun
1. een grote ruwe steen
  1. roca
  2. peña
adjective
1.waar veel rotsen zijn
rocoso
noun
roca
noun
1. een eiland dat vooral uit rotsen bestaat
islote
/ˈrɔtstœʏn/, /ˈrɔtstœːn/
noun
1. een tuin met rotspartijen en rotsplanten
jardín de rocas
verb
1. een proces van fermentatie ondergaan
  1. pudrirse
  2. podrir
  3. pudrir
  4. corromperse
noun
A. bacteriële groei
putrefacción
pronoun
Rottumeroog
noun
1. Duits hondenras, stevig gebouwd, kortharig met brede kop, korte snuit en hangoren
Rottweiler
noun
2. iemand die zich eropuit is anderen ergernis te bezorgen
  1. canalla
  2. granuja
noun
2. wanordelijke zaak of toestand
perturbación
verb
  1. circular
  2. turnar
noun
  1. ruta
  2. recorrido
  3. curso
  4. vía
noun
sistema de navegación
noun
rutina
adjective
rutinario
/ra<sup>ʊ</sup>/, /rʌʊβ̞/, /rʌːβ̞/
noun
1. grote smart of droefenis na een verlies
  1. luto
  2. duelo
/rʌʊβ̞ə(n)/, /rʌːβ̞ə(n)/
verb
1. de emotionele nasleep van het overlijden van een geliefd persoon
  1. estar de duelo
  2. guardar luto
noun
1.
  1. capilla ardiente
  2. cámara ardiente
  3. cámara mortuoria
noun
cortejo fúnebre
verb
  1. pillar
  2. robar
noun
1. iemand die door geweldpleging iemand besteelt
  1. ladrón
  2. ladrona
/roˈjal/
adjective
  1. 3. van flinke afmetingen
    1. amplio
    2. espléndido
    3. vasto
  2. 1. vrijgevig en gul
    generoso
noun
1. iemand die een aanhanger is van het koningshuis en de monarchie
realista
/roˈjerə(n)/
verb
destituir
/roːzə/, /rɔːs/, /rɔːzə/
adjective
1. heel bleke of lichte rode kleur, met soms ook blauwe tinten
  1. rosa
  2. rosado
noun
2. keukenkruid
  1. romero
  2. rosmarino
noun
1. schijnvrucht van wilde rozen
  1. escaramujo
  2. tapaculo
noun
1. een gebedssnoer met 165 kralen
rosario
noun
2. bepaald soort vaste plant, Antennaria dioica
  1. antenaria
  2. pie de gato
noun
cifrado francmasón
noun
agua de rosas
adjective
rosado
noun
1. kleine gedroogde vruchtjes van Vitis vinifera
  1. pasa
  2. pasa uva
noun
impétigo
noun
RSI
/ˈrɵ.bər/
noun
  1. goma
  2. hule
  3. caucho
noun
  1. árbol del caucho
  2. cauchera
  3. higuera cauchera
  4. árbol gomero
noun
bota de goma
noun
1. een infectieziekte waarbij het gehele lichaam met rode plekken en bulten bedekt is
rubéola
noun
1. Chemisch element
rubidio
noun
  1. epígrafe
  2. rúbrica
  3. tramo
  4. título
noun
ruche
noun
1. en 2. (bladeren van) eenjarige plant Eruca sativa
  1. rúcula
  2. oruga
  3. jaramago
  4. roqueta
  5. ruca
  6. arrúgula
noun
rudimento
adjective
rudimentario
pronoun
2. spelwoord voor de letter r
Rafael
/rɵx/
noun
  1. 1. zijde van de romp tegenover de buik en borst gelegen
    1. espalda
    2. dorso
  2. 6. hoger liggend, lang gerekte landsvorm
    lomo
noun
rugby
noun
  1. columna vertebral
  2. espina
  3. espinazo
noun
médula espinal
verb
1. ondersteunen, helpen
sostener
noun
lesión en la espalda
noun
respaldo
noun
1. pijn in de rug
  1. dolor de espalda
  2. dorsalgia
noun
1.
estilo espalda
noun
1.
aleta dorsal
noun
mochila
/ˈrʌɣzɛidə/
noun
dorso
adjective
  1. áspero
  2. basto
  3. tosco
/rœʏkə(n)/, /rœːkə(n)/
verb
  1. 1. een geur waarnemen
  2. 2. een geur verspreiden
  1. oler
  2. husmear
noun
1. een boeket
ramo
/rœʏl/, /rœːl/
noun
permuta
verb
1. overeenkomen bezit tegen dat van een ander uit te wisselen
  1. cambiar
  2. canjear
  3. trocar
noun
trueque
/rœy̯m/
adjective
1. van grote omvang of uitgestrektheid
  1. amplio
  2. espacioso
  3. ancho
/rœy̯m/
noun
1. de laadruimte van een schip
bodega
noun
stuk gereedschap waarmee men een boorgat iets ruimer kan maken
escariado
adverb
1.op meer dan voldoende wijze
largamente
noun
    1. 3. heelal
    2. 1. beschikbare uitgestrektheid
    espacio
  1. 2. vertrek, kamer
    1. lugar
    2. local
    3. localidad
    4. sitio
noun
1.
cápsula espacial
noun
laboratorio espacial
noun
  1. exploración del espacio
  2. exploración espacial
noun
traje espacial
noun
1. vaartuig geschikt om zich buiten de aardse atmosfeer te begeven
  1. nave espacial
  2. astronave
noun
1. in een baan om de aarde door de mens achtergelaten voorwerpen
basura espacial
noun
sonda espacial
noun
estación espacial
noun
  1. observatorio espacial
  2. telescopio espacial
noun
1. iemand die zich buiten de dampkring van de aarde begeeft
astronauta
noun
1. het zich in de ruimte buiten de dampkring van de aarde begeven
  1. astronáutica
  2. exploración espacial
noun
ingeniería espacial
noun
transbordador espacial
noun
vuelo espacial
/ˈrœʏ̯m.tə.ˌʋɑn.də.lɪŋ/, /ˈrœːm.tə.ˌβ̞ɑn.də.lɪŋ/
noun
1. het uitvoeren van een activiteit buiten een ruimteschip
paseo espacial
noun
enfermedad espacial
/rœʏn/
noun
1. gecastreerde hengst
  1. caballo castrado
  2. caballo capón
verb
  1. murmurar
  2. runrunear
  3. susurrar
noun
1. bepaald soort zoetwatervis die zich graag tussen het riet ophoudt, Scardinius erythrophtalmus
gobio
noun
  1. 2. een vierhoek waarvan de zijden gelijk in lengte zijn
    1. rombo
    2. losange
  2. 1. een glazen plaat in een venster
    1. vidrio
    2. cristal
noun
1.
  1. rey de diamantes
  2. rey de oros
noun
1. installatie om de ruiten van een auto schoon te sproeien
lavaparabrisas
noun
motor del rociador del parabrisas
noun
1. een apparaatje dat de ruiten van een auto automatisch wist met een bewegende arm met wisserblad
limpiaparabrisas
noun
motor del limpiaparabrisas
noun
interruptor del limpiaparabrisas
noun
  1. 2. uitstekend stukje
    caballete
  2. 1. berijder van een rijdier
    1. jinete
    2. caballero
noun
caballería
noun
tirón
verb
2. masturberen
hacerse la paja
adjective
  1. rugoso
  2. áspero
noun
een sterkedrank die bereid wordt uit het sap van suikerriet
ron
noun
  1. estruendo
  2. ruido
adjective
  1. alborotador
  2. bullanguero
  3. bullicioso
  4. estrepitoso
  5. estruendoso
  6. ruidoso
/rʏnd/, /rʏnt/
noun
  1. 1. holhoornig herkauwend zoogdier
    1. bovino
    2. vacuno
  2. 2. een dom en onhandig iemand
    imbécil
noun
ternera picada
noun
rezno
noun
1. plat stukje vlees van koe of stier
  1. bistec de carne de vaca
  2. bistec de ternera
noun
1. als vee gehouden runderen
  1. ganado
  2. ganado vacuno
  3. vacuno
/ˈrʏntfleːs/
noun
1. het vlees van een volwassen rund
  1. carne de vaca
  2. carne de res
noun
1. vlinderlarve
oruga
noun
1. een inwoner van Rusland
Ruso
/'rʏs/
noun
plant
junco
noun
1. autoritaire nationalistische ideologie in Rusland
ruscismo
pronoun
1. een soevereine staat met het Russisch als officiële taal die zich uitstrekt van het oosten van Europa tot het oosten van Azië
Rusia
noun
rusificación
/ˈrʏsis/
adjective
1. betreffende Rusland of het Russisch
  1. ruso
  2. rusa
/ˈrʏsis/
pronoun
1. een Slavische taal die gesproken wordt in Rusland
ruso
noun
rublo ruso
/rɵst/
noun
1. voortdurende toestand van kalmte
tranquilidad
noun
día de descanso
verb
1. werk of andere activiteit staken om het lichaam in staat te stellen weer op krachten te komen
  1. reposar
  2. descansar
adjective
1. kalm, weinig sensorische prikkels creërend
tranquilo
noun
  1. 1.
    descanso
  2. 2.
    punto de apoyo
noun
1. scheikundig element met symbool Ru en atoomnummer 44
rutenio
noun
1. scheikundig element met symbool Rf en atoomnummer 104
rutherfordio
adjective
  1. 2. grof, onbesuisd
    1. rudo
    2. bruto
    3. grosero
  2. 1. oneffen, niet glad
    1. rugoso
    2. áspero
noun
1. toestand waarin men in ernstig conflict is met anderen
  1. pelea
  2. riña
verb
1.
  1. disputar
  2. reñir
/ryˈinə/
noun
1. een zeer vervallen gebouw
ruina
/ˌryiˈnerə(n)/
verb
  1. 2. iemand financieel te gronde richten
    arruinar
  2. 1. helemaal kapotmaken
    1. destruir
    2. destrozar
adjective
ruinoso
/ru.ˈwɑn.da/, /ru.ˈʋɑn.da/, /ˈrβ̞ɑn.da/
pronoun
1. een land in Oost Afrika, officieel de Rwandese Republiek, dat geheel door land omsloten wordt
Ruanda
noun
franco ruandés
pronoun
Reunión
noun
reunionesa
noun
  1. olla de barro
  2. römertopf
noun
1. scheikundig element met symbool Rg en atoomnummer 111
röntgenio
adjective
despiadado
/saɪ̯/, /saːɪ̯/
adjective
  1. aburrido
  2. soso
pronoun
Saba
/ˈsɑbɑt/
noun
  1. sabbat
  2. sábado
verb
1. likken en zuigen aan iets
chupetear
noun
sable
noun
  1. marta cebellina
  2. marta cibelina
noun
1. een vijandige ingreep op zaken om deze te laten mislukken of te vernielen
sabotaje
verb
sabotear
noun
saboteador
noun
sacárido
noun
1. caloriearme kunstmatige zoetstof die geen directe invloed heeft het bloedsuikergehalte
sacarina
noun
1. een disacharide, bestaande uit een glucose-eenheid en een fructose-eenheid
sacarosa
noun
tarta Sacher
adjective
sacramental
noun
1. een ruimte in een rooms-katholieke kerk, waarin men alles bewaart dat nodig kan zijn om een kerkdienst te houden.
sacristía
noun
sacristán
noun
sadismo
noun
1. iemand die bevrediging zoekt in het pijnigen van een ander
sádico
noun
sadomasoquismo
noun
casa de seguridad
noun
1. een kostbare, transparante blauwe edelsteensoort die een variant is van korund (α-Al₂O₃)
zafiro
adjective
azul zafiro
noun
  1. alazor
  2. azafranillo
  3. azafrán bastardo
  4. cártamo
  5. flores de cártamo
noun
  1. aceite de alazor
  2. aceite de cardo
  3. aceite de cártamo
noun
1. specerij bereid uit de saffraankrokus Crocus sativus
azafrán
adjective
amarillo azafrán
/ˈsaɣə/
noun
saga
/sent.ˌvɪn.sɛnt.ɛn.də.χre.na.ˈdi.nəs/
pronoun
1. land in het Caraïbisch gebied
San Vicente y las Granadinas
pronoun
San Pedro y Miquelón
noun
1. directe eigendomsovergang onder algemene titel op de erfgenamen
saisine hereditaria
noun
Japanse alcoholische drank
sake
noun
1. Falco cherrug
sacre
adjective
sajón
noun
ensalada
noun
1. bepaalde salade van Franse origine
ensalada nizarda
noun
salafismo
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Caudata
salamandra
noun
salangana
noun
1. regelmatige, meestal maandelijkse beloning voor werk verricht in een werkverband
  1. salario
  2. sueldo
noun
  1. aumento de salario
  2. aumento de sueldo
noun
  1. dandi
  2. petimetre
/sali'silzyr/
noun
1. een organisch carbonzuur dat oorspronkelijk gewonnen wordt uit wilgenbast
ácido salicílico
noun
gedroogde stukjes van de echte salie
salvia
/ˌsaliˈvasi/, /ˌsaliˈvaʦi/
noun
1. de productie van speeksel
salivación
noun
salmiakki
noun
dólar de las Islas Salomón
/ˈsa.lo.mɔns.ˌɛɪ̯.lɑn.də(n)/, /ˈsa.lo.mɔns.ˌɛː.lɑn.də(n)/
pronoun
1. land in Melanesië
Islas Salomón
noun
sello de Salomón
noun
  1. sala
  2. salón
noun
1. een sterk zure chemische verbinding met de formule HNO₃ of een waterige oplossing daarvan
ácido nítrico
verb
saludar
pronoun
Samaria
/samariˈtan/
noun
samaritano
adjective
  1. samaritana
  2. samaritano
noun
samaritana
noun
1. scheikundig element met symbool Sm en atoomnummer 62
samario
noun
samba
pronoun
1.een rivier die in Picardië (Frankrijk) ontspringt en via Charleroi naar Namen loopt waar ze na 194 km in de Maas vloeit
Sambre
adverb
  1. juntos
  2. juntas
verb
1. zaken of personen van verschillende plaatsen op één plaats verzamelen
  1. acabildar
  2. congregar
  3. juntar
noun
1. gezin met kinderen van één of beide partners uit een eerdere relatie met een ander
  1. familia ensamblada
  2. familia reconstituida
noun
  1. asteráceas
  2. compuestas
/ˈsamə(n)ɣəˌstɛldə/
adjective
complejo
noun
armonía
verb
comprimir
verb
1. bij elkaar verzamelen
  1. juntarse
  2. confluir
  3. reunir
pronoun
Laponia
noun
1. een bevolking die een sociaal geheel vormt
sociedad
verb
convergir
noun
llamada
noun
1. wijze waarop verschillende personen bij een spel elkaar steunen of een geheel vormen
conjunto
verb
1. meerdere uitgekozen zaken tot een geheel maken
  1. componer
  2. compilar
noun
  1. 1. het samenstellen
    composición
  2. 2. verbinding van twee of meer zelfstandige woorden
    compuesto
verb
1. in elkaar trekken
  1. contraer
  2. astreñir
  3. astringir
  4. astriñir
/ˈsaːməvɑtɪŋ/
noun
1. een beknopte beschrijving van een inhoud
resumen
verb
1. bij elkaar doen
  1. agrupar
  2. conglomerar
verb
1. met een of meer aan hetzelfde werken
  1. colaborar
  2. cooperar
noun
1. het samenwerken van meerdere personen
  1. colaboración
  2. cooperación
verb
1.met elkaar een huis bewonen alsof je getrouwd bent
  1. abarraganarse
  2. convivir
/ˈsamə(n)ˌzʋɪːrə(n)/
verb
1. geheimelijk met anderen samenwerken ten nadele van een derde partij
  1. conspirar
  2. aconchabarse
  3. conchabarse
  4. conjurar
pronoun
1. een verzameling talen die gesproken worden in Noorwegen, Zweden, Finland en Rusland door de Saami
sami
pronoun
1. een verzameling talen die gesproken worden in Noorwegen, Zweden, Finland en Rusland door de Saami
  1. sami
  2. lenguas sami
/sa.ˈmo.wa/
pronoun
1. een land in Oceanië ten noorden van Nieuw-Zeeland en ten oosten van Australië...
Samoa
noun
tala samoana
/ˈsɑmuˌrɑɪ/
noun
1. een lid van de vroegere Japanse krijgsstand
  1. samurái
  2. samurai
noun
sampán
noun
3. in een computer opgeslagen, digitaal opgenomen signaal
muestreo digital
pronoun
Samuel
noun
sanatorio
/'sɑŋksi/
noun
1. strafmaatregel
sanción
/sɑnˈdal/
noun
1. schoeisel
sandalia
noun
1. een bepaald houtsoort (Santalum album of verwante soorten)
sándalo
/ˈsɑntwɪtʃ/
noun
  1. emparedado
  2. sándwich
verb
1. met behulp van ingrijpende maatregelen een einde maken aan een ongezonde financiële toestand
sanear
noun
1. een Spaanse licht-alcoholische drank
sangría
adjective
sanguíneo
adjective
1. met betrekking tot de gezondheid
sanitario
noun
sanitario
noun
sans culottes
pronoun
  1. 1. Boliviaans departement gelegen in het oosten van het land
  2. 2. de hoofdstad van het Boliviaans departement met de gelijkaardige naam
Santa Cruz
noun
agua de coco
noun
dobra de Santo Tomé y Príncipe
pronoun
Santo Tomé
/saʊ̯.to.ˌme.je̞n.prɪn.ˈtsi.pə/, /ˌsa.o.to.me.ʔɛn.ˈprɪn.si.pə/, /ˌsʌu.to.me.ɛn.ˈprɪn.si.pə/
pronoun
1. land en eilandengroep aan de westkust van Afrika in de Golf van Guinee
Santo Tomé y Príncipe
noun
rial saudí
/sa.ˌu.di.ɑ.ˈra.bi.jə/, /zaʊ̯.di.ja.ˈra.bi.jə/
pronoun
1. en 2., land en staat in Azië
  1. Arabia Saudí
  2. Arabia Saudita
noun
1. plantenvocht
  1. zumo
  2. jugo
  3. savia
noun
1. Manilkara zapota
zapote
adjective
1. vol met sap
jugoso
noun
1. plant die van organisch afval leeft
saprofito
noun
zarabanda
noun
1.
sarcasmo
noun
1. een stenen doodskist
sarcófago
noun
sarcoma
noun
1. lage spiermassa en daardoor verminderde spierkracht als gevolg van ouder worden, immobiliteit en leefstijl, dieet of ziekte
sarcopenia
noun
1. klein zilverkleurig haringachtig visje, Sardina pilchardus
sardina
noun
1. straalvinnige visSardina pilchardus, uit de familie van haringen
sardina
noun
1. een Italiaans eiland in de Middellandse Zee
Cerdeña
pronoun
1. Romaanse taal die wordt gesproken door 1,3 miljoen mensen op Sardinië
sardo
/sɑr'donis/
adjective
1. op een bittere manier grijnzen of lachen
sardónico
/'sɑrən/
verb
1. iemand voortdurend lastig vallen
irritar
noun
sasafrás
/sɑsaˈres/
pronoun
1.
sassarés
noun
esclusa
/ˈsatɑn/
pronoun
  1. Satanás
  2. Satán
/saˈtɑn/
noun
  1. satanás
  2. satán
noun
1. aanbidding van Satan
satanismo
noun
1. grauwwitte, licht giftige paddenstoel (Boletus satanas)
boleto de Satanás
/sɑtɛ'lit/
noun
satélite
noun
imagen satelital
noun
sistema de navegación por satélite
noun
estado satélite
noun
ciudad satélite
noun
teléfono satelital
noun
televisión por satélite
noun
virus satélite
noun
sátiro
noun
1. een weefsel vervaardigd met een weeftechniek, waarbij de kruispunten van de ketting-...
satén
noun
sátira
/saˈtiris/
adjective
satírico
noun
sátrapa
noun
saturación
noun
punto de saturación
verb
saturar
pronoun
1.
Saturno
noun
1.
satay
noun
  1. salsa de cacahuetes
  2. salsa satay
/saˌudiaˈrabijə/
pronoun
1. en 2., land en staat in Azië
  1. Arabia Saudí
  2. Arabia Saudita
/saˈul/
pronoun
2. jongensnaam
Saúl
/sɑu̯s/
noun
1. een vloeibare substantie die meestal over een gerecht wordt gedaan voor extra smaak
salsa
noun
1.
salsera
noun
1. (huishouden) lepel waarmee men saus opschept
  1. cucharón salsero
  2. cacillo
  3. cuchara para la salsa
noun
1. een grasland met verspreid voorkomende bomengroei
sabana
noun
sabio
noun
síndrome del sabio
noun
1. en 2. (bladeren van) Brassica oleracea convar. capitata var. sabauda)
  1. col de Milán
  2. col de Saboya
  3. col rizada de otoño
noun
col rizada de otoño
verb
saborear
/sɑkso'fon/
noun
1. een metalen blaasinstrument met een enkel riet
  1. saxofón
  2. saxófono
noun
1. huidinfectie die veroorzaakt wordt door de parasiet Acarus scabiei
sarna
adjective
1.
escabroso
noun
2. een soort duikerspak
  1. escafandra
  2. traje de buceo
adjective
escalar
noun
magnitud escalar
adjective
escandaloso
/skɑn.ˈdeː.rə(n)/, /skɑn.ˈdɪː.rə(n)/
verb
2. ritmisch declameren met één sterke nadruk per versvoet.
escandir
pronoun
1. Denemarken, Noorwegen en Zweden.
Escandinavia
noun
1. scheikundig element met symbool Sc en atoomnummer 21
escandio
noun
escáner
noun
escapulario
/sə.ˈna.ri.jo/
noun
1. een kort uitgewerkt schema voor de handeling van een dramatisch werk
guión
noun
escepticismo
noun
1. sierlijk bewerkte staf, symbool voor het gezag van een regerende vorst
cetro
/ˈskɛptɪs/
adjective
1. geneigd tot twijfel
escéptico
noun
1. een werktuig om hout glad, vlak of dunner te maken
  1. cepillo
  2. guillame
noun
2. machine voor het schaven van hout
  1. cepilladora
  2. cepillo de banco
noun
viruta
noun
excoriación
interjection
jaque
noun
  1. 2. het schaakspel als zodanig
    ajedrez
  2. 1.
    jaque
/ˈsxagbɔrt/, /ˈsχagbɔrt/
noun
1. een vierkant bord met 64 donkere en lichte vakjes waarop schaak gespeeld wordt
tablero de ajedrez
adverb
jaque mate
noun
partida de ajedrez
noun
1. een spel met verschillende stukken op een schaakbord
ajedrez
noun
ajedrez
noun
jugadora de ajedrez
/ˈsxakstʌk/
noun
1. een onderdeel van het schaken dat over het schaakbord bewogen wordt.
pieza de ajedrez
/sxaːldir/
noun
1. een dier met een schaal als uitwendig skelet
  1. crustáceo
  2. marisco
noun
bisque
noun
1. kleine parasieten die voorkomen in het schaamhaar, maar ook op wimpers...
  1. ladilla
  2. piojo del pubis
noun
1.het deel van het menselijk lichaam waar zich de liezen en geslachtsorganen bevinden
pubis
/'sxa:m.tə/
noun
1. eerste betekenisomschrijving
vergüenza
noun
1. Ovis aries, een holhoornige herkauwer waarvan de gedomesticeerde soort wol levert
  1. oveja
  2. carnero
noun
piel de oveja
noun
  1. 3. grijporgaan van sommige schaaldieren en spinachtigen
    1. pinza
    2. tenaza
  2. 1. werktuig om te knippen
    1. tijeras
    2. tijera
adjective
1. weinig in aantal of hoeveelheid
  1. escaso
  2. raro
/'sxarstə/
noun
1. eerste betekenisomschrijving
escasez
noun
1. een ijzer dat onder de schoenen wordt gebonden of aan de schoenen is vastgemaakt, om zich daarmee over het ijs te verplaatsen
patín
noun
patinaje
verb
1. zich voortbewegen op schaatsen
patinar
verb
patinar
/ˈsxɑxt/
noun
1. (holle) buis
caña
noun
1. geheel van beschadigingen
daño
/ˈsxadələk/
adjective
1. schade toebrengend
  1. dañoso
  2. nocivo
  3. perjudicial
  4. pernicioso
  5. contraindicado
noun
1. het genoegen scheppen in het leed van een ander
  1. alegría por el mal ajeno
  2. regodeo
noun
pérdida
noun
indemnización
/ˈsxaː.dyu̯/
noun
1. een slechts door indirect zonlicht beschenen oppervlak
sombra
verb
1. iemand ongemerkt volgen
vigilar de cerca
noun
eslabón
noun
  1. interruptor
  2. conmutador
verb
1. een verbinding tot stand brengen
cambiar
noun
circuito
verb
  1. 1. schaakspel spelen
    jugar al ajedrez
  2. 2. ontvoeren
    raptar
noun
jugador de ajedrez
verb
matizar
/sxa'kerɪŋ/
noun
1. kleurnuance, verschillende tinten van één kleur
matiz
noun
eslabón
verb
1. blaasinstrument met een rechte conische boring en een los dubbel riet dat de toon vormt
  1. chirimía
  2. caramillo
/ˈsxaː.mə(n)/, /ˈsχa.mə(n)/
verb
1. schaamte voelen
  1. avergonzarse
  2. abatatarse
  3. abochornarse
noun
1. een zaak die iemand in opspraak brengt en waarvan mensen schande spreken
escándalo
noun
1. iets wat bij het publiek minachting oproept, iets oneervols
  1. vergüenza
  2. deshonor
noun
1. een paal op een plein, waaraan mensen bij wijze van straf werden vastgemaakt om vernederd...
  1. picota
  2. cepo
noun
1. (militair) in het veld opgeworpen versterkingswerk
reducto
noun
1. korf met aarde of steenvulling
  1. gavión
  2. cestón
noun
1. een wintersport waarbij op skis van een helling (de schans) gesprongen wordt. Het doel daarbij is om zowel zo ver als zo mooi mogelijk te springen
saltos de esquí
noun
1. een plank om iets op te zetten
  1. estante
  2. anaquel
noun
1. verblijf voor schapen die als kleinvee worden gehouden
  1. redil
  2. aprisco
noun
1. het vlees van een schaap
carnero
noun
  1. acedera menor
  2. acederilla
  3. romaza
  4. ruibarbillo
verb
5. Seksuele handeling
tribadismo
noun
afilador
noun
afilador
adjective
escarlata
/sxɑrˈnir/
noun
1. draaiverbinding
  1. bisagra
  2. gozne
verb
  1. 1. losse verkering hebben met
    1. cortejar
    2. flirtear
    3. galantear
  2. 4. in de grond wroeten
    1. rascar
    2. revolotear
noun
  1. 1. een kip die op een zo natuurlijk mogelijke wijze mag leven en vrij bewegen (scharrelen)
    gallina de corral
  2. 2. scharrelkippenvlees
    1. pollo de caserio
    2. pollo de corral
noun
1. verzamelde rijkdom
tesoro
/'sxatərə(n)/
verb
1. luidkeels lachen
carcajear
noun
1.uiting van vreugde
  1. carcajada
  2. risotada
adjective
tributario
/'sxɑtə(n)/, /'sχɑtə(n)/
verb
  1. 1. op prijs stellen
    apreciar
  2. 2. benaderen van een waarde door berekening
    estimar
adjective
1. leuk, aardig, enig
lindo
verb
  1. 1. gladmaken door middel van een schaaf.
    1. cepillar
    2. acepillar
  2. 2. verwonden door wegscheuring van de huid.
    1. desollarse
    2. rozarse
    3. érafler
noun
1. een stellage voorzien van een galg of een valbijl waar veroordeelden terechtgesteld worden
  1. cadalso
  2. patíbulo
noun
1. houder waarin men een zwaard of mes kan steken
vaina
/'sχedəl/
noun
cráneo
noun
trépano
noun
fractura de cráneo
noun
trepanación
/sxeːf/
adjective
1. niet recht, schuin
  1. oblicuo
  2. torcido
  3. de soslayo
  4. inclinado
  5. sesgado
/sxeːf/
noun
1. afvaldeeltje van de houtpijp
  1. agramiza
  2. cañamiza
noun
2. maat voor de graad van asymmetrie van een verdeling
asimetría estadística
/sxeːl/
adjective
1. het gebrek hebbend dat de oogassen niet op eenzelfde punt gericht kunnen worden
  1. bisojo
  2. bizco
noun
1. voorkant van het onderbeen van de mens tussen de knie en de enkel
  1. espinilla
  2. canilla
/ˈsxenben/
noun
  1. tibia
  2. espinilla
noun
1.
médico de a bordo
noun
1. hard en droog baksel, geschikt voor lange (zee)reizen
  1. galleta marinera
  2. galleta del barco
  3. tachuela
noun
construcción naval
noun
1.
médico de a bordo
noun
1. de goederen die in het ruim van een vrachtschip vervoerd worden
  1. carga
  2. cargamento
noun
1. een ruimte voor het opslaan van goederen in een schip
  1. bodega
  2. bodega de barco
noun
1. een scheepsinstrument waarmee de brug aan de machinekamer het toerental en de draairichting van de schroef aanvraagt
telégrafo náutico
noun
1. (scheepvaart) een werkgebied
astillero
noun
1. het verkeer op het water
  1. navegación
  2. transporte marítimo
noun
  1. máquina de afeitar
  2. afeitadora
noun
esquilador
/ˈsxɪːrkʋɑst/
noun
1. een dikke kwast waarmee men scheerzeep aanbrengen
brocha de afeitar
noun
  1. cuerda de tienda
  2. estay
  3. tirante
noun
  1. cicuta acuática
  2. cicuta mayor
/sxeːrmɛs/, /sχɪːrmɛs/
noun
1. een bijzonder scherp mes waarmee men zich kan scheren
  1. navaja de afeitar
  2. navaja de barbero
/ˈsxeːrzep/, /ˈsχɪːrzep/
noun
1. zeep die gebruikt wordt om tijdens het scheren de huid te beschermen
jabón de afeitar
/ˈsxɛi̯də(n)/
verb
1. in afzondering brengen
  1. apartar
  2. separar
noun
separador
noun
  1. 3. het verbreken van een huwelijk
    divorcio
  2. 2. de lijn aan weerszijden waarvan haar naar de ene of de andere kant valt
    raya
  3. 1. het uiteenhalen van iets in zijn onderdelen
    1. separación
    2. segregación
noun
axioma de separación
noun
cuchilla desconectadora
/'sxɛɪtsrɛxtər/
noun
1. iemand die tijdens een spel de spelregels toepast
árbitro
noun
1. wetenschap die zich bezig houdt met de studie van de samenstelling en de bouw van de stoffen
química
noun
libro de química
adjective
1. dat wat tot de scheikunde behoort, volgens de scheikunde
  1. químico
  2. química
noun
químico
noun
1.
  1. ampolla de decantación
  2. embudo de decantación
  3. embudo de separación
adjective
  1. estridente
  2. acerbo
  3. afilado
  4. agudo
noun
  1. campanilla
  2. timbre
/ˈsχɛldə/
pronoun
1.een rivier die ontspringt in de gemeente Gouy in noordelijk Frankrijk
Escalda
/sxɛldə(n)/
verb
1. krenkende of beledigende woorden uitspreken op heftige of ruwe toon
  1. maldecir
  2. blasfemar
/'sxɛltwoːrt/
noun
1. een term die bedoeld is om iets of iemand te beledigen
  1. palabrota
  2. taco
  3. palabro
noun
  1. palabros
  2. palabrotas
  3. tacos
verb
1. een verschil maken
importar
noun
almiar
noun
  1. E904
  2. goma laca
/sxɛlp/
noun
1. een uit kalk gewoonlijk uitwendig skelet, dat door een weekdier wordt aangemaakt
concha
noun
marisco
noun
1. bepaald soort kabeljauwachtige consumptievis, Melanogrammus aeglefinus
  1. eglefino
  2. pescadilla
noun
  1. esquema
  2. cuadro
/ˈsxemər/
noun
1. de periode van verminderend licht tussen dag en nacht
crepúsculo
/ˈsxemərə(n)/
verb
1. donker of licht worden, tussen licht en donker zijn
  1. amanecer
  2. anochecer
  3. atardecer
noun
2. de tijd van de dag waarop het licht dan wel donker wordt
crepúsculo
noun
  1. drôle de guerre
  2. guerra de broma
  3. guerra de mentira
  4. guerra de pega
  5. guerra falsa
/sxɛndə(n)/
verb
1. iets niet in acht nemen
violar
noun
1. het schenden van iets
  1. violación
  2. quebradura
noun
1-2
  1. jarrete
  2. pierna
/'sxɛŋ.kə(n)/
verb
  1. 1. geven
    1. donar
    2. regalar
  2. 2. overgieten
    1. echar
    2. escanciar
    3. verter
noun
  1. obsequio
  2. presente
  3. regalo
noun
quebradura
noun
1. lepelvormig werktuig
pala
noun
fanega
/ˈsxɛpə(n)/
verb
1. doen ontstaan uit niets
  1. crear
  2. lograr
noun
1. iemand die iets maakt
creador
noun
1. iets nieuws dat uit het niets gemaakt is
creación
noun
rueda hidráulica
noun
1. creatuur; iets dat gemaakt is
criatura
/sxeːrə(n)/, /sχɪːrə(n)/
verb
  1. 1. baard afsnijden
    1. afeitar
    2. rasurar
  2. 2. zich de baard kort afsnijden
    1. afeitarse
    2. afeitar
noun
1. verticale draden van het weefgetouw
urdimbre
noun
2.1. een monitor van een technisch toestel
pantalla
noun
  1. protector de pantalla
  2. salvapantallas
noun
apiáceas
/sxɛrmən/
verb
esgrimir
/sxɛr'mɵʦəlɪŋ/
noun
escaramuza
adjective
1. goed snijdend
  1. agudo
  2. afilado
verb
  1. afilar
  2. agudizar
noun
verdugo
noun
  1. tirador apostado
  2. tirador de primera
noun
  1. acrimonia
  2. aspereza
noun
profundidad de campo
adjective
  1. perspicaz
  2. sagaz
  3. ingenioso
  4. listo
noun
  1. broma
  2. burla
  3. chanza
verb
1. als grap opmerken
  1. bromear
  2. bufonear
noun
scherzo
noun
  1. bosquejo
  2. esbozo
  3. boceto
  4. croquis
  5. estudio
verb
  1. 1. met een minimum van pennenstreken een voorlopige en gewoonlijk uitwisbare afbeelding van iets maken
    1. bosquejar
    2. esbozar
    3. abocetar
  2. 2. in overdrachtelijke zin: een korte maar rake beschrijving van iets geven
    esbozar
noun
1. ziekte ten gevolge van ascorbinezuurdeficiëntie
escorbuto
/sxʏːrə(n)/
verb
1. in twee of meer delen trekken
  1. rasgar
  2. romper
noun
  1. 2. een niet al te goed afgemeten hoeveelheid vloeistof...
    chorro
  2. 1.
    1. retoño
    2. brote
adjective
generoso
pronoun
Scheveningen
adjective
  1. pronto
  2. de prisa
  3. desde luego
  4. en el acto
  5. en seguida
  6. inmediato
adverb
casi
noun
1. een landmassa die voor het grootste deel door water omgeven wordt, en slechts op (relatief) smalle verbinding heeft met het vasteland.
península
pronoun
Schiermonnikoog
noun
galería de tiro
/ˈsxi.tə(n)/, /ˈsχi.tə(n)/
verb
1. een projectiel afvuren met een wapen
  1. disparar
  2. tirar
noun
1. een draad met loden balletje om de loodrechte stand van iets te onderzoeken
  1. plomada
  2. cuerda de plomada
noun
1. een confrontatie waarbij partijen elkaar beschieten
tiroteo
noun
1. (industrie) een draaibare klos in een schuitje die bij het weven door het vak van de ...
canilla
noun
tiro deportivo
noun
asiento eyectable
noun
1. bepaald soort loofboom, Salix alba
  1. bardaguera blanca
  2. sauce
  3. sauce blanco
verb
  1. separar
  2. apartar
  3. cortarse
  4. destriar
  5. dispersar
  6. segregar
/sxɛi̯f/
noun
1. plat en rond voorwerp
disco
noun
  1. 3. diskette
    disquito
  2. 2. cognacgrog met een plakje van een citroen
    rodajita
noun
manrganza menor
noun
1. een rem, waarbij op de as van het af te remmen toestel een schijf meedraait, die door middel van remblokken afgeremd kan worden.
freno de disco
/sxɛi̯n/
adverb
  1. 1. bedriegelijk voorkomen
    1. apariencia
    2. aire
  2. 2. zweem
    1. fulgor
    2. sombra
/ˈsxɛːnbar/, /ˈsχɛɪnbar/
adjective
1. naar aanzien
aparente
noun
1. de periodiek wisselende aanblik van de maan (en de planeet Venus) ten gevolge van de veranderende belichting door de zon
fase
/sxɛɪ̯nˈhɛɪ̯lɪx/, /sxɛːnˈhɛːləx/, /sχɛɪ̯nˈhɛɪ̯ləχ/
adjective
1. tegen beter weten in de schijn van goedheid of onschuld ophoudend
  1. hipócrita
  2. mojigato
  3. farsante
/'sxɛi̯n.ɦi.u̯ə.lək/
noun
1. huwelijk voor de schijn
matrimonio de conveniencia
/sxɛɪtə(n)/, /sxɛːtə(n)/, /sχɛɪtə(n)/
verb
1. poepen
cagar
noun
hijo de puta
/sxɪk/
noun
1. pret
  1. diversión
  2. divertimento
verb
1. goed uitkomen
  1. convenir
  2. acomodar
noun
  1. 2. beslechting door partijen van hun rechtsgeschil(len)
    transacción
  2. 1. compromis, overeenkomst waarbij iedereen iets toegeeft
    término medio
noun
1. buitenste bekleding van een vrucht
cáscara
/sxɪlt/
noun
1. (militair) een voorwerp dat als afweer tegen de aanval van de vijand voor zich gehouden wordt
  1. escudo
  2. caparazón
  3. mantelete
  4. pavés
  5. protección
  6. Égida
noun
  1. 1. een kunstenaar die geschilderde afbeeldingen maakt
  2. 2. een handwerksman die huizen schildert
pintor
adjective
pintoresco
verb
  1. 1. een kunstwerk vervaardigen door met verf een beeld op een oppervlak te maken
  2. 2. een bouwwerk of voorwerp van een beschermend laag verf voorzien
pintar
noun
1. een vrouwelijke schilder
pintora
/ˌsxɪldə'rɛː/, /ˌsχɪɫdə'rɛɪ/
noun
1. een met verf op doek of andere achtergrond gemaakte afbeelding
  1. pintura
  2. cuadro
  3. lienzo
noun
  1. cuadro
  2. descripción
  3. pintura
/sxɪldərkʌnst/
noun
1. een beeldende kunst die zich bezighoudt met het met penseel en verf op een plat vlak aanbrengen van lijnen en kleuren
pintura
noun
  1. cuadro
  2. pintura
noun
1. een van beide figuren -menselijk of anderszins- die het wapen flankeren
soporte
/sxɪldkliːr/, /sxɪɫtkliːr/, /sχɪɫtkliːr/
noun
1. klier
  1. tiroides
  2. glándula tiroides
noun
1. kwaadaardige groei in de schildklier
  1. cáncer de tiroides
  2. cáncer tiroideo
noun
escudero
noun
1. orde van reptielen waarvan het voornaamste kenmerk is dat het lichaam omsloten wordt door een verhard rug- en buikschild
  1. tortuga
  2. galápago
noun
sopa de tortuga
noun
1. een vliesdun loskomend stukje materiaal
desconchón
verb
1. de schil van een vrucht verwijderen
  1. pelar
  2. mondar
noun
  1. mondador
  2. pelador
noun
1. heft met een snijblad, geschikt om de schil van een vrucht te verwijderen
cuchillo pequeño para mondar
noun
  1. fantasma
  2. sombra
noun
  1. 1. paardenras met een grotendeels witte vacht met fijne grijze of blauwige tekening
    caballo tordo
  2. 2. zwamsoort of substantie die op dode of levende organismen groeit.
    hongo
verb
enmohecerse
noun
queso azul
noun
2. rijk binnen de eukaryoten, Fungi
hongo
verb
  1. injuriar
  2. insultar
noun
  1. 2. grootste ruimte in de lengterichting van een kruiskerk
    nave
  2. 1. groot zeewaardig vaartuig
    1. nave
    2. navío
    3. barco
/sxɪbrøk/
noun
1. een gebeurtenis waarbij een schip zinkt of op de klippen loopt
  1. naufragio
  2. zozobra
noun
1. het slachtoffer van een schipbreuk
náufrago
noun
1. iemand die de verantwoordelijkheid heeft voor de besturing van een schip
  1. barquero
  2. capitán
noun
1. uit elkaar vallen van een kerkgenootschap in twee delen door sterk verschillende opvattingen
cisma
noun
1. gesteente
esquisto
/'sxɪtərənt/
adjective
2. prachtig, bijzonder mooi
magnífico
noun
  1. centelleo
  2. fulgor
  3. lumbre
  4. resplandor
noun
1. een chronische geestesziekte met perioden van verwardheid en psychose
esquizofrenia
noun
trastorno esquizotípico de la personalidad
adjective
esquizoide
noun
trastorno esquizoide de la personalidad
noun
fotografía Schlieren
verb
maquillar
noun
1. bepaald Duits hondenras
schnauzer
verb
1. van schoeisel voorzien
calzar
noun
1. alles wat men om de voeten heen kan dragen, zoals schoenen en laarzen
calzado
/sxun/
noun
1. voetbekleedsel
  1. zapato
  2. calzado
noun
1. een 18e eeuws langsgetuigd zeilschip met oorspronkelijk 2, maar later ook meer masten
goleta
noun
1. iemand die als vak schoenen repareert
zapatero
noun
calzador
noun
zapatero
noun
1. smeersel om schoenen blinkend te wrijven
  1. betún
  2. betún para calzado
  3. lustre
noun
1. veter om een schoen of laars dicht te rijgen
  1. cordón
  2. cordón del zapato
noun
1. een mineraal met de chemische formule (UO₂)₈O₂(OH)12·12H₂O
schoepita
/ˈsxɔfəl/, /ˈsχɔfəɫ/
noun
1. een horizontaal liggend scherp geslepen mes van staal dat bevestigd is aan een houten steel
  1. escardillo
  2. sacho
noun
  1. 1. schouder van paard of rund
    cruz
  2. 1.
    canalla
noun
  1. 1. een plotsklapse en hevige beweging
    1. choque
    2. impacto
  2. 2. een gebeurtenis die iemand hevig van de wijs brengt
    conmoción
noun
1. mechanisme om schokken te dempen
amortiguador
noun
1. bepaald soort platvis, Pleuronectus platessa
  1. solla
  2. platija
noun
1. zwart-witte waadvogel met luide roep, Haematopus ostralegus
ostrero
verb
1. aan een opleiding onderwerpen
  1. enseñar
  2. formar
  3. instruir
noun
1. een school die verschillende schooltypen omvat
centro de segunda enseñanza
noun
1. iemand die basisonderwijs of voortgezet onderwijs volgt
  1. alumno
  2. discípulo
noun
formación
noun
1. een hangend speeltuig bestaande uit touw en een zitje, vooral gebruikt in kinderspeeltuinen
columpio
verb
1. op een schommel heen en weer bewegen
balancear
/ˈsxɔməlstul/
noun
1. een stoel, gewoonlijk op gebogen staanders, waarop men heen en weer kan schommelen
  1. balancín
  2. mecedora
  3. silla mecedora
noun
hueso
/sxoːl/, /sxoːɫ/, /sχoːɫ/
noun
1. een onderwijsinstelling waar les wordt gegeven aan leerlingen
  1. escuela
  2. colegio
noun
1. een agenda, speciaal voor scholieren
agenda escolar
noun
libro escolar
noun
  1. pizarra
  2. tablero
  3. pizarrón
noun
día de clases
noun
costo de la enseñanza
noun
curso
noun
maestra
noun
escolar
noun
1.
tiza
noun
maestro de escuela
adjective
pedante
noun
colegiala
/sxols/, /sχo̝ɫs/
adjective
1. zoals op school
escolar
/ˈsxoːl.tɑs/
noun
mochila escolar
noun
  1. 1.De levensfase dat men naar school gaat
    días de escuela
  2. 2. De tijden van de dag dat men naar school gaat
    horario escolar
noun
abandono escolar
/sxoːn/
adjective
  1. 1. mooi
    1. bello
    2. hermoso
    3. bonito
  2. 2. proper
    1. limpio
    2. pulcro
noun
cuñado
/ˈsxombruːr/
noun
1. de echtgenoot van iemands broer of zus, of de broer van iemands echtgenoot of echtgenote.
cuñado
noun
1. de vrouw van een zoon of dochter
nuera
/ˈsxoːn·hɛɪt/
noun
1. de hoedanigheid prachtig en aantrekkelijk te zijn
  1. belleza
  2. hermosura
noun
salón de belleza
noun
concurso de belleza
adjective
  1. armonioso
  2. eufónico
  3. sonoro
noun
limpieza
verb
1. reinigen
  1. limpiar
  2. escarbar
  3. purificar
noun
asistenta
/ˈsxonmudər/
noun
1. de moeder van de huwelijkspartner
suegra
noun
suegro
noun
1. de vader van de huwelijkspartner
suegro
noun
1. de man van een dochter of zoon
yerno
/ˈsxonzʉs/
noun
1. de echtgenote van iemands broer of zus, of de zus van iemands echtgenoot of echtgenote.
cuñada
noun
1. de echtgenote van broer of zus, of de zus van de echtgenoot of echtgenote
cuñada
noun
1. rookkanaal boven een stookplaats
chimenea
noun
1. een persoon wiens werk het verwijderen van roet uit schoorstenen is
  1. deshollinador
  2. limpiachimeneas
/sxot/, /sχot/
noun
1. de bovenkant van de dijen van iemand die zit
  1. regazo
  2. seno
/ˈsxotkɔmˌpjutər/
noun
1. een invouwbare, draagbare computer
ordenador portátil
noun
  1. escota
  2. escotín
noun
  1. 1. graafwerktuig
    1. laya
    2. pala
  2. 1. trappende aanraking met de voet
    1. patada
    2. puntapié
/'sxɔ.pə(n)/
noun
1. kaartkleur
  1. pica
  2. picas
/'sxɔ.pə(n)/
verb
1. een trap geven
dar patadas
noun
escoria
verb
sostener
pronoun
2. teken van de dierenriem van 23 oktober tot 22 november
Escorpio
noun
1. spinachtige met scharen en gifstekel
  1. escorpión
  2. alacrán
noun
  1. cabracho
  2. rascacio
/sxɔrs/
noun
1. buitenste laag van (boom)stam
corteza
noun
Miércoles Santo
noun
  1. escorzonera
  2. salsifí
  3. salsifí de España
  4. salsifí negro
noun
1. een lap stof die voorgebonden wordt gewoonlijk rond de middel om de kleding te beschermen ...
delantal
noun
Miércoles Santo
noun
1. een persoon afkomstig uit Schotland
  1. escocés
  2. escocesa
/ˈsxɔtlɑnt/, /ˈsçɔtlɑnt/
pronoun
1. deel van het Verenigd Koninkrijk
Escocia
/ˌsxɔts.ɣa.ˈe.lis/, /ˌsxɔts.ɣa.ˈe.lɪs/, /ˌsχɔts.χa.ˈe.lis/
pronoun
1. Keltische taal die door ongeveer 60.000 personen wordt gesproken op de Schotse eilanden ...
gaélico escocés
noun
  1. libelo
  2. pasquín
noun
1. een wond veroorzaakt door een kogel
balazo
noun
1. deel van romp tussen arm en hals
hombro
noun
1. het vlakke driehoekige bot dat de achterzijde van de schouder vormt
  1. escápula
  2. omóplato
  3. omoplato
noun
velo humeral
noun
1. vlagofficier bij de Koninklijke Marine, de derde in rang na luitenant-admiraal en viceadmiraal
contralmirante
noun
  1. 2-3 schoorsteen
    chimenea
  2. 5. pont
    transbordador
  3. 1. inspectie
    visitación
verb
  1. inspeccionar
  2. mirar
noun
inspección
noun
1. een spel dat een publiek van toeschouwers beoogt te boeien
espectáculo
noun
teoría de haces
noun
  1. mesa de caballete
  2. mesa de caballetes
noun
raspador
verb
  1. apoyar
  2. sostener
verb
  1. raspar
  2. raer
  3. legrar
  4. rascar
noun
  1. 1. gierigaard
    avaro
  2. 2. iets waarmee men kan schrapen
    1. rascador
    2. raspador
/sxreu̯/, /sχrɪːu̯/
noun
1. een luide (uit)roep
  1. grito
  2. alarido
noun
1. bepaald soort roofvogel, Aquila pomarina
águila pomerana
/ˈsxreːʋə(n)/
verb
1. luid en geforceerd gebruiken van het stemgeluid
  1. gritar
  2. vocear
verb
llorar
/srɪft/, /sxrɪf/, /sxrɪft/
noun
  1. 1. een dun boekje met lege bladzijden om in te schrijven
    1. cuaderno
    2. escritura
    1. 3. de letter- en cijfertekens van een taal
    2. 4. de lettersoort gebruikt in boeken, teksten en inscripties
    escritura
adjective
por escrito
noun
1. een mechanisch apparaat, voorzien van druktoetsen waarmee schrifttekens op papier gezet kunnen worden
máquina de escribir
/ˈsrɛɪ̯fstər/, /ˈsxrɛɪ̯fstər/, /ˈsxrɛːfstər/
noun
1. een persoon van het vrouwelijk geslacht die op professionele manier boeken of verhalen schrijft
  1. escritora
  2. autora
noun
estilo
/sxrɛɪ̯ftafəl/, /sxrɛːftafəl/, /ˈsrɛɪ̯ftafəɫ/
noun
1. een meubelstuk ontworpen om aan te schrijven
escritorio
/'srɛɪ̯fʋɛɪ̯zə/, /'sxrɛɪ̯fwɛɪ̯zə/, /'sxrɛːfβ̞ɛːzə/
noun
1. spelling
ortografía
verb
1. branderig aanvoelen
escocer
noun
ebanista
/ˈsxrɛ(i)və(n)/
noun
1. een stuk in tekens vastgelegde tekst
escrito
/ˈsxrɛ(i)və(n)/
verb
1. tekst in tekens vastleggen
escribir
/ˈs(x)rɛɪvər/
noun
2. een persoon die beroepsmatig schrijft
  1. escritor
  2. autor
noun
1. het ervaren van een gevoel van angst, bijvoorbeeld als gevolg van een plotselinge verandering of gevaarlijke situatie
  1. susto
  2. terror
noun
  1. día bisiesto
  2. día intercalar
  3. 29 de febrero
noun
1. een jaar met 366 dagen
  1. año bisiesto
  2. año intercalar
noun
1. een extra seconde die aan de tijdrekening wordt toegevoegd om in rekening te brengen dat de draaiing van de aarde enigszins aan wisselingen onderhevig is
  1. segundo intercalar
  2. segundo adicional
verb
1. een schokkende verrassing ondergaan
asustarse
noun
  1. 2. werktuig met twee of meer gebogen bladen die door draaiing een schip of vliegtuig voortbewegen
    hélice
  2. 1. voorwerp dat wordt gebruikt om andere voorwerpen vast te zetten
    1. tornillo
    2. hélice
noun
taladro atornillador
noun
1. schroefdraad
  1. filete de tornillo
  2. rosca de tornillo
noun
hélice
noun
1. een meetinstrument waarmee zeer nauwkeurig dikten, afstanden en diepten kunnen worden gemeten
micrómetro
verb
1. de oppervlakte een beetje verbranden
chamuscar
noun
1. een werktuig om schroeven vast of los te draaien
  1. destornillador
  2. atornillador
noun
  1. duda
  2. escrúpulo
  3. vacilación
adjective
  1. tímido
  2. con timidez
  3. encogido
noun
1. metaalafval
  1. chatarra
  2. metralla
/sxʏp/
noun
1. een van meerdere overlappende plaatjes van keratine die aan een kant vastzitten...
escama
noun
1. Annona squamosa, een vruchtboom die op de Antillen voorkomt
  1. anona
  2. anón
  3. chirimoyo
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de familie Manidae
pangolín
noun
1. bepaald soort plant, Asplenium ceterach
doradilla
adjective
  1. tímido
  2. tímidamente
noun
timidez
verb
1. snel heen en weer bewegen om iets te mengen
  1. agitar
  2. sacudir
noun
1. manier om een deur te vergrendelen met een plat voorwerp
cerrojo
noun
  1. calibre a vernier
  2. calibre de nonio
verb
1. zich verbergen
guarecerse
noun
  1. abrigo
  2. refugio
  3. escondite
  4. escondrijo
noun
  1. abrigo
  2. escondite
  3. escondrijo
  4. refugio
/sxʌʏm/
noun
  1. 2. van laag allooi
    escoria
  2. 1. iets dat veel luchtbellen bevat
    espuma
verb
espumar
noun
espumadera
noun
espumadera
noun
1. een soort wijn die koolzuurbelletjes bevat
vino espumoso
adjective
1. niet-loodrecht
  1. oblicuo
  2. inclinado
  3. soslayo
noun
barra oblicua
adverb
1. schuins (bijw. gebruik)
  1. al soslayo
  2. de soslayo
/sxœyt/
noun
1. een eenvoudig open vaartuig
  1. bote
  2. barco sin cubierta
verb
1. over de grond verplaatsen
  1. deslizarse
  2. hacer deslizar
noun
  1. 2. een verantwoordelijkheid die iemand wordt toegeschreven voor een laakbare gebeurtenis of toestand
    culpa
  2. 1. een geldbedrag dat ondanks de verplichting daartoe niet betaald wordt
    deuda
noun
1. schriftelijk bewijs van financiële schuld
reconocimiento de deuda
noun
  1. abonaré
  2. pagaré
noun
1. iemand aan wie iemand iets (meestal geld) verschuldigd is
acreedor
noun
1. iemand die iets (meestal geld) aan iemand anders verschuldigd is
deudor
noun
crisis de la deuda soberana
/'sxɵldəx/
adverb
culpable
noun
concoide
/'sxʏ.nəx/
adjective
  1. 3. laag, onfatsoenlijk (van gedrag, handelingen en bewoordingen)
    1. guarro
    2. verde
  2. 1. haveloos, armoedig
    harapiento
  3. 2. laag, onbetamelijk (van karakter)
    1. vil
    2. villano
/sxyrə(n)/
verb
1. een oppervlak glad maken door wrijving met een ruw oppervlak van grotere hardheid
  1. lijar
  2. estregar
  3. acepillar
/sxɵrft/
noun
1. een huidaandoening veroorzaakt door de schurftmijt
sarna
noun
  1. arador de la sarna
  2. sarcopte
noun
1. bepaald soort vis, Arnoglossus laterna
  1. peluda
  2. serrandell
/sxɵrk/
noun
1. persoon die kwaad in de zin heeft en/of bedrijft
  1. canalla
  2. bribón
  3. bellaco
  4. pillo
  5. ruin
/sxɵt/
noun
tabique
noun
1. zone rond een besmettingshaard waar maatregelen worden toegepast om verspreiding van een ziekte te voorkomen
cordón sanitario
noun
esclusa
noun
hoyo de protección
/sxyːr/, /sχyːr/
noun
1. een opslagplaats voor veldvruchten en gereedschappen
  1. granero
  2. hórreo
noun
1. elektrisch gereedschap om mee te schuren
lijadora
noun
ciencia ficción
noun
película de ciencia ficción
noun
escintilador
noun
1. ziekelijke verharding
esclerosis
noun
escúter
verb
marcar
/sku.bi.ˈdu/
noun
scubidú
noun
secretario
noun
1
escriba
noun
guión
/ˈskrɪp.si/
noun
1. een werkstuk over een (literatuur-) onderzoek dat gemaakt wordt om een opleiding te kunnen voltooien
  1. tesis doctoral
  2. ensayo
adjective
1. zorgvuldig, zeer gewetensvol
  1. escrupuloso
  2. meticuloso
noun
Escitas
noun
escena
noun
1. scheikundig element met symbool Sg en atoomnummer 106
seaborgio
noun
secesionismo
noun
padrino de duelo
noun
  1. 1. SI-grondeenheid van tijd
  2. 5. een interval met een toonafstand
segundo
noun
1. zeer sterke lijm die vrijwel onmiddellijk hecht
cianoacrilato
noun
segundero
noun
1. schrijfmeubel met laatjes
  1. secreter
  2. taquilla
/səkrəta'rɛsə/
noun
vrouw
secretaria
/sɪkrətariˈjat/
noun
secretaría
/səkre'tarəs/
noun
1. functie in organisatie
secretario
noun
1. afscheiding
secreción
noun
  1. 2. een onderzoek waarbij een lichaam...
    autopsia
  2. 1. een afgezonderd deel van iets
    sección
/'sɛktɔr/
noun
  1. 1. een deel van een cirkel in de vorm van een taartpunt
  2. 3. de kleinste eenheid van een harddisk die in één bewerking door een lees/schrijfkop kan verwerkt worden
sector
adjective
secular
noun
secularización
verb
secularizar
adjective
1. niet aan de religie gebonden
secular
/səkʏnˈdɛːr/
adjective
secundario
noun
1. type personenauto
  1. berlina
  2. sedán
noun
1. het verlagen van de staat van het bewustzijn van een patiënt met het doel een medische procedure of ingreep aangenamer te maken
sedación
noun
1. kalmerend middel
sedante
adjective
sedentario
noun
séder pascual
noun
1. een laag materiaal dat door bezinking uit een waterige suspensie ontstaan is
sedimento
adjective
sedimentario
verb
sedimentar
noun
anillo elástico
pronoun
Sofonías
/sə'fɑrd/
noun
1. jood uit Portugal, Spanje, Noord-Afrika of het Midden-Oosten
sefardí
/sə'fɑrdə(n)/
noun
1. meervoud van Sefard
  1. sefardíes
  2. sefardís
noun
1. onderdeel
segmento
noun
segmentación
verb
segmentar
noun
segregación
verb
segregar
noun
séder pascual
/sɛɪn/
noun
  1. 1. een betekenisvolle beweging
    señal
  2. 3. een verkeerslicht of verkeersbord voor treinen
    señales de ferrocarril
pronoun
1. een rivier in Frankrijk
Sena
/ˈsɛinpal/
noun
2. sein bij spoorweg
semáforo
noun
1. grafische voorstelling van een door een seismograaf waargenomen aardbeving
sismograma
noun
1. de wetenschap van de aardbevingen
sismología
/sɛɪ̯.ˈzun/, /sɛː.ˈzun/
noun
  1. 1. elk van de vier periodes waarin het jaar verdeeld wordt
    1. estación
    2. estación del año
  2. 2. een jaarlijks terugkerende periode
    temporada
/sɛks/
noun
2. geslachtsgemeenschap
sexo
noun
1. sekse
sexo
noun
sexismo
noun
machista
noun
símbolo sexual
noun
turismo sexual
noun
sexualidad
/sɛksy'el/
adjective
1. op de geslachtsdrift betrekking hebbend
sexual
noun
1.
abuso sexual
noun
1. infectieziekte die vooral wordt overgedragen door seksueel contact
enfermedad de transmisión sexual
noun
1. ziekten die vooral worden overgedragen door seksueel contact.
enfermedades de transmisión sexual
/ˌsɛksʏwolo'ɣi/
noun
sexología
/ˌsɛksʏwo'loɣ/
noun
sexólogo
noun
  1. adicción al sexo
  2. hipersexualidad
/ˈsɛks.wɛr.kər/
noun
  1. trabajador sexual
  2. trabajadora sexual
/ˈsɛktə/
noun
1. religieuze groepering die opziet naar een bepaald mens als leider
secta
noun
secuestración
verb
secuestrar
noun
1. tuinkruid, vergelijkbaar met peterselie, maar dan met een veel sterkere smaak
apio
noun
ensalada de apio
noun
1. bepaald soort plant, Apium graveolens
apio
noun
ensalada de apio
verb
  1. seleccionar
  2. elegir
  3. escoger
noun
selección
adjective
1. uitkiezend
selectivo
noun
  1. casilla de verificación
  2. check box
noun
1. Scheikundig element met symbool Se en atoomnummer 34
selenio
noun
1. een medicijn tegen de ziekte van Parkinson
selegilina
noun
1. een verbinding van seleen waarin dit element de oxidatietoestand -2 bezit
seleniuro
noun
selenio
pronoun
Sellafield
noun
semáforo
noun
1. taalkunde
semántica
/se'mɑntis/
adjective
1. de semantiek betreffend
semántico
noun
  1. espermatograma
  2. espermiograma
  3. espermograma
  4. seminograma
adjective
semestral
noun
semita
noun
  1. seminario
  2. seminario conciliar
noun
  1. semiología
  2. semiótica
noun
número semiprimo
noun
senado
noun
senador
/ˈse.ne.ˌɣɑl/, /ˈse.ne.ˌχɑɫ/
pronoun
1. land in West-Afrika
Senegal
/seˈnil/
adjective
1. aan de ouderdom eigen, door de ouderdom afgetakeld
senil
noun
1. geestelijke en lichamelijke ouderdomsverschijnselen
senilidad
noun
  1. agnación
  2. parentesco agnaticio
noun
ancianidad
noun
1. sterke beroering door een verrassend voorval of bericht
sensación
noun
1.
  1. periodismo del corazón
  2. prensa rosa
  3. revista del corazón
adjective
sensacional
verb
sensibilizar
noun
sensibilidad
/ˈsɛnsɔr/
noun
1.
sensor
adjective
1. sensorisch, gewaarwordend, zintuiglijk
sensorial
adjective
1.
sensorial
noun
sensualidad
adjective
sensual
noun
sentimiento
noun
sentimentalismo
adjective
1.in vaak overdreven mate op gevoelens spelend
sentimental
adjective
separable
noun
trastorno de ansiedad por separación
noun
separatismo
noun
separatista
noun
separador
adjective
sepia
noun
1. een gehydrateerd magnesium-silicaat met de chemische formule Mg₄Si₆O15·6(H₂O), een fylosilicaat dat behoort tot de mica's.
sepiolita
noun
1. negende maand van het jaar
  1. septiembre
  2. setiembre
noun
fosa séptica
noun
1. bloedvergiftiging
septicemia
adjective
1. infectiewekkend, bederfwekkend
séptico
pronoun
Biblia Septuaginta
/ˌse.kwɛn.si.ˈjeːl/
adjective
secuencial
/seˈkoja/, /seˈkɔja/
noun
1.1 benaming voor bomen uit het geslacht Sequoia
sequoia
noun
serrallo
noun
1.
serendipia
noun
1. het helder en kalm zijn
serenidad
noun
1. een rang onder de onderofficieren
sargento
noun
1. een aantal elementen op volgorde
  1. serie
  2. serial
noun
  1. asesinato en serie
  2. asesino múltiple
  3. asesino serial
noun
  1. asesino en serie
  2. asesino serial
  3. asesino múltiple
noun
circuito serie
adverb
1. ernstig
  1. serio
  2. seriamente
  3. formal
noun
serina
/sə.'rɪŋ/
noun
1. boomsoort met welriekende bloesem, meest paars of wit in de vorm van een kaars
lila
noun
puerto serie
adjective
seropositivo
noun
1. een neurotransmitter met een overwegend inhiberende werking
serotonina
noun
1. een vergiftiging met serotonine
síndrome serotoninérgico
noun
1. een slang
  1. serpiente
  2. serpentón
noun
serpentina
noun
jamón serrano
noun
1. de vloeibare stof die overblijft als bloed is gestold
suero
noun
  1. seroterapia
  2. sueroterapia
noun
1. een computer die of computerprogramma dat diensten verleent aan andere programma's
servidor
verb
1. iets op tafel opdienen
servir
/sɛrˈvɛt/
noun
1. een doek die men aan tafel gebruikt om er de mond en vingers mee af te vegen
servilleta
noun
servilletero
/ˈsʏːrvɪs/
noun
1. bediening, diensten ten behoeve van de klanten.
  1. asistencia
  2. servicio
/sɛr'vis/
noun
  1. servicio
  2. servicio de mesa
  3. vajilla
noun
servilismo
/ˈsɛrvis/, /ˈsɛrvɪs/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Servië
  1. servio
  2. serbio
noun
dinar serbio
noun
  1. carga
  2. servidumbre
/sɛrvoːkroːˈaːtis/
pronoun
serbocroata
noun
aceite de sésamo
noun
sesión
noun
nivel de sesión
noun
sestercio
noun
  1. 1. verzameling
    1. conjunto
    2. grupo
  2. 2. ronde
    serie
noun
  1. ambientación
  2. escenario
pronoun
1.de langste Britse rivier
Severn
adjective
sexagesimal
/se.ˈʃɛ.lə(n)/, /sɛɪ̯.ˈʃɛ.lə(n)/
pronoun
1. een land in de Indische Oceaan, officieel de Republiek der Seychellen
Seychelles
noun
rupia seychelense
noun
3. bolvormig vlak rond een centraal punt
  1. esfera
  2. globo
noun
1.
esfinge
noun
picadura
noun
licuado
/ˈʃɑm.po/
noun
1. product, meestal in vloeibare vorm, dat bedoeld is om het haar te wassen.
champú
noun
picoteo
/ʃɑˈria/
noun
1. de islamitische wetgeving
  1. sharia
  2. sharía
noun
sheriff
noun
1. een Spaanse versterkte wijn
jerez
noun
chelín
noun
sintoísmo
noun
1. hemdachtig kledingstuk
  1. camisa
  2. camiseta
/ʃɔk/
noun
1. een toestand die ontstaat door acute te geringe bloedtoevoer naar weefsels door ondervulling van het slagaderlijk systeem
  1. choque
  2. choque circulatorio
noun
estado de shock
noun
1. een schaatsdiscipline waarbij op een baan van 111,12 meter op diverse afstanden geschaatst wordt door meerdere rijders tegelijk
patinaje de velocidad sobre pista corta
/ʃoʊ/
noun
  1. espectáculo
  2. exhibición
/ˈʃo.pro.sɛs/
noun
farsa judicial
noun
1. object bestaande uit een kurk en veren
volante
noun
zevende muzieknoot in de toonladder
si
abbreviation
1. Internationaal Stelsel van Eenheden
Sistema Internacional de Unidades
pronoun
Siam
adjective
siberiano
pronoun
Siberia
pronoun
Sichuan
noun
1. bepaald soort grote, palingachtige vis die zware stroomstoten kan afgeven, Electrophorus electricus
  1. gimnoto
  2. anguila eléctrica
noun
1. naam voor soorten platvis die hun prooi kunnen verdoven met een elektrische stroomstoot
  1. torpedo
  2. tembladera
  3. tremielga
adjective
  1. sideral
  2. sidéreo
/siˈderijʏm/
noun
Sidérico
verb
  1. adornar
  2. engalanar
  3. ornamentar
/'sirlək/
adverb
1. met gratie
  1. gracioso
  2. elegante
noun
coleo
/ˌsʲɛ.rɑ.le.ˈjo.ne/, /ˌʃæː.ra.le.ˈjo.nə/, /ˌʃɛ.ra.le.ˈjo.nə/
pronoun
1. een land in West-Afrika, officieel de Republiek Sierra Leone
Sierra Leona
noun
leone de Sierra Leona
noun
  1. puro
  2. cigarro
/sɪɣɑˈrɛt/, /sɪʝɑˈrɛt/
noun
in papier gerolde tabak
  1. cigarrillo
  2. pitillo
noun
colilla de cigarrillo
/sɪɲˈaːl/
noun
1,2,3,4,5,6. vorm van informatie
señal
adjective
azul señales
adjective
marrón señales
adjective
amarillo señales
adjective
gris señales
adjective
verde señales
adjective
naranja señales
adjective
rojo señales
adjective
violeta señales
adjective
blanco señales
adjective
negro señales
verb
1. constateren en waarschuwen
señalar
noun
signatura
noun
teoría de las signaturas
/sɪχnifiˈkɑnt/
adjective
1. belangrijk
  1. significativo
  2. significante
noun
  1. acepción
  2. sentido
  3. significación
  4. significado
  5. significatividad
noun
verderón
noun
1. benaming voor een hoefdier Cervus nippon
ciervo sica
noun
sijismo
/ˈsɪkəl/
noun
1. maaiwerktuig met halvemaanvormig lemmet
  1. hoz
  2. segadera
noun
1. afbeelding van een ondoorzichtig object dat sterk contrasteert met de achtergrond en zo een duidelijke vorm heeft, maar verder egaal van kleur is
silueta
noun
silicato
noun
1. Scheikundig element met symbool Si en atoomnummer 14
silicio
noun
  1. E551
  2. dióxido de silicio
  3. óxido de silicio
/siˈlyr/
noun
Silúrico
noun
tarjeta sim
pronoun
2. spelwoord voor de letter s
Santiago
/sɪmpəł/
adjective
1. zonder veel complicaties
  1. simple
  2. sencillo
verb
simplificar
noun
simulación
noun
simulador
verb
  1. simular
  2. aparentar
  3. ficción
  4. fingir
  5. simulación
adjective
1. gelijktijdig
simultáneo
noun
1. Vrucht van de sinaasappelboom
naranja
noun
1. jam waarin de schillen van sinaasappel met het vruchtvlees worden meeverwerkt
mermelada de naranja
noun
1. vruchtvlees van een sinaasappel, nadat het sap verwijderd is
pulpa de naranja
noun
1. een vruchtensap die uit sinaasappels bereid is
  1. jugo de naranja
  2. zumo de naranja
pronoun
Sinaí
preposition
1. sedert, vanaf het moment dat
desde
noun
1. makkelijk baantje, taak
sinecura
/sɪŋ.(g)ɣa.poːr/, /sɪŋ.gɑ.poːr/, /sɪŋ.gɑ.po̝ːr/
pronoun
1. een stadstaat in Zuidoost-Azië
Singapur
noun
almendra tropical
noun
dólar de Singapur
noun
1. een van beide vormen van dizuurstof die zich in een aangeslagen toestand met alleen gepaarde elektronen bevindt
  1. oxígeno singlete
  2. oxígeno singulete
adjective
singular
noun
de linguïstieke en culturele assimilatie van termen en concepten naar die van de taal en cultuur van China
  1. sinificación
  2. sinización
/ˈsɪŋk.sə(n)/
noun
1. christelijk feest waarbij herdacht wordt dat de Heilige Geest over de apostelen neergedaald is
Pentecostés
/ˌsɪntøˈsta(t)sijʏs/
pronoun
San Eustaquio
/sɪnt.'maːr.tən/
pronoun
1. eiland in het noordoostelijke gedeelte van de Caraïbische Zee
San Martín
pronoun
San Bernardo
noun
1. bepaald Zwitsers ras van grote dogachtige honden
san bernardo
noun
fuego de San Telmo
noun
libra de Santa Elena
pronoun
Santa Helena
noun
Santiago
noun
1. Pecten jakobeus
venera
noun
  1. corazoncillo
  2. hierba de San Juan
  3. hierba de las heridas
  4. hierba militar
  5. hipericón
  6. hipérico
noun
1. bepaalde soort dagactieve nachtvlinder, Zygaena filipendulae
ziygena de las seis puntos
noun
  1. 2. feestdag
    fiesta de San Martín
  2. 3. Frans
    San Martín francés
  3. 1. Caribisch eiland,
    1. San Martín
    2. isla de San Martín
pronoun
1. een stad in Rusland, het voormalige Leningrad
San Petersburgo
noun
San Pedro
noun
  1. baile de San Vito
  2. corea
  3. mal de San Vito
noun
1. feest
fiesta de San Nicolás
noun
víspera de San Nicolás
noun
feest met cadeaus dat in Nederland, België en andere landen jaarlijks wordt gevierd
fiesta de San Nicolás
noun
een lied dat gezongen wordt voor Sinterklaas tijdens het sinterklaasfeest
  1. sintlid
  2. sintlide
  3. sintlied
noun
seno
noun
1. een ontsteking van een bijholte van de neusholte
sinusitis
noun
  1. nudo sinusal
  2. nódulo sinoatrial
  3. nódulo sinoauricular
noun
teorema del seno
noun
1. een toestel om een akoestisch alarmsignaal weer te geven
sirena
noun
  1. betel
  2. buyo
  3. nuez de areca
noun
siroco
/siro:p/
noun
  1. almíbar
  2. jarabe
  3. sirope
  4. jarabe de azúcar
/ˈsɪsklɑŋk/
noun
1. een medeklinker die geproduceerd wordt met een gedeeltelijke obstructie ergens in het spraakkanaal
sonido silbante
noun
chintz
/sity'waː(t)si/
noun
1. hoe de zaken er voorliggen
situación
verb
  1. acomodar
  2. situar
verb
1. op minder fatsoenlijke manier handel drijven
cambalachear
noun
1. een kleine uiensoort
chalote
pronoun
Shemini Atzeret
noun
chiismo
/ʃul/
noun
sinagoga
/ˈʃu.mə.lə(n)/
verb
  1. engañar
  2. hacer trampa
verb
1. iets met touw stevig vastzetten, zodat deze niet kan overgaan bij transport
  1. abarbetar
  2. trincar
verb
1. lopen met een zware lading
cargar
noun
1. iemand die beroepsmatig zware lasten verplaatst
mozo
noun
  1. monopatin
  2. monopatín
noun
1. samenstel van onderdelen dat het lichaam stevigheid geeft
esqueleto
noun
esquí
noun
pantalon de esquí
noun
instructor de esquí
noun
1. een kabelbaan voor skiërs
telesquí
verb
1. zich over sneeuw voortbewegen op twee aan de voeten bevestigde lange latten
esquiar
/skiər/
noun
1. een mannelijk iemand die aan skiën doet
esquiador
noun
3. bont van bovengenoemd dier
piel de mofeta
noun
  1. 4. salade
    1. ensalada
    2. lechuga
    1. 2 en 3. (bladeren van) Lactuca sativa
    2. 1. plant van de soort Lactuca
    lechuga
/slaːf/
noun
1. een persoon die het bezit is van een ander
esclavo
verb
1. een klap uitdelen; met de arm of een vastgehouden voorwerp een snelle, rakende beweging maken
  1. batir
  2. golpear
  3. pegar
/slap/
noun
  1. 3. zijvlak van het hoofd
    sien
  2. 1. periode van inactiviteit
    sueño
noun
síndrome de apnea-hipopnea durante el sueño
noun
1. een van de beenderen van de schedel
hueso temporal
noun
  1. ababa
  2. adormidera
  3. adormidera soporífera
  4. amapola
  5. amapola real
  6. dormidera
noun
1. een kamer die hoofdzakelijk gebruikt wordt om in te slapen
  1. dormitorio
  2. alcoba
noun
1. melodie met eenvoudige tekst die gezongen wordt om een kind in slaap te krijgen
  1. nana
  2. arrullo
noun
1. een geneesmiddel dat slaap veroorzaakt
  1. somnífero
  2. soporífero
  3. hipnótico
noun
1. meestal in een punt uitlopend hoofdbedekking van textiel, gedragen tijdens de nachtrust
gorro de dormir
noun
cama
noun
coche cama
/ˈslapstornɪs/
noun
  1. desorden del sueño
  2. trastorno del sueño
adjective
somnifero
noun
coche cama
noun
1. iemand die loopt in een toestand van verminderd bewustzijn
  1. sonámbulo
  2. somnámbulo
noun
dormitorio
noun
  1. saco de dormir
  2. bolsa de dormir
noun
enfermedad del sueño
noun
ensaladilla
/slɑp/
noun
1. doekje om op te morsen
babero
noun
escurridora de ensalada
noun
matanza
/slɑxtə(n)/
verb
1. een dier doden voor het vlees of als offer
  1. matar
  2. faenar
noun
carnicero
/ˈslɑx.hœːs/, /ˈslɑxt.ɦœːs/, /ˈslɑχ.tœʏ̯s/
noun
1. een bedrijf waar dieren geslacht worden
matadero
noun
2.
  1. masacre
  2. carnicería
  3. matanza
noun
2. iets of iemand die kwalijke gevolgen ondervindt van een gebeurtenis
víctima
noun
1. een ader die van het hart af stroomt
arteria
/ˈslɑxbom/, /ˈslɑçbom/
noun
balk die dwars over een weg kan worden neergelaten als afsluiting
barrera
noun
taladro percutor
/ˈslaːɣə(n)/, /ˈslaːχə(n)/
verb
1. iets bereiken
conseguir
noun
1. een verkoper van vlees
carnicero
noun
1. bedrijf van een slager
carnicería
noun
  1. fulminante
  2. llave de percusión
  3. pistón
noun
  1. nata montada
  2. nata batida
/ˈslaxfɛlt/
noun
1. een gebied waarop een militair treffen tussen twee legers plaatsvindt of plaatsgevonden heeft
campo de batalla
noun
  1. 1. een buikpotig weekdier (wijngaardslak)
    1. babosa
    2. limaza
  2. 1. een buikpotig weekdier (huisjesslak)
    caracol
  3. 2. een onoplosbaar afvalproduct bij het smelten van metaal
    escoria
verb
exhalar
noun
1. Rostrhamus sociabilis, een roofvogel van de moerassen van de warmere streken van de beide...
caracolero
noun
1. kom waarin sla wordt klaargemaakt en opgediend
ensaladera
noun
  1. 2. een buigzame buis
    1. manguera
    2. manguito
  2. 1. benaming voor geschubde dieren met langgerekt lijf en een vaak glad lichaam zonder ledematen, die de onderorde Serpentes vormen
    1. serpiente
    2. culebra
noun
encantador de serpientes
noun
1. bepaald soort een-, twee- of meerjarige plant, Echium vulgare
  1. Tarragona
  2. estragón
  3. lengua de buey
  4. lengua de vaca
  5. tarragón
  6. viborera
noun
aceite de serpiente
adjective
  1. delgado
  2. esbelto
adjective
  1. achatado
  2. decaído
  3. débil
  4. enclenque
  5. flojo
  6. fláccido
adjective
insomne
noun
  1. insomnio
  2. desvelo
verb
1. in een toestand van lichamelijke rust verkeren
  1. dormir
  2. apolillar
noun
dormilón
/ˈsla.pə.rəx/, /ˈsla.pə.rəχ/, /ˈsla.pə.rɪx/
adjective
1. behoefte tot slaap vertonend
  1. somnoliento
  2. soñoliento
  3. adormilado
noun
salsa para ensaladas
noun
trabajo de esclavos
noun
  1. trata de esclavos
  2. tráfico de esclavos
  3. comercio de esclavos
noun
comerciante de esclavos
noun
mercado de esclavos
/ˈslaː.və(n)ˌsxɪp/
noun
  1. barco negrero
  2. barco de esclavos
noun
1.
esclavitud
noun
esclava
noun
1. rolletje gehakt (gemalen en gekruid) met een lapje spek erom)
  1. paupiette
  2. popieta
adjective
eslavo
/slɛçt/
adjective
1. niet goed
  1. malo
  2. mal
/slɛçt/
adverb
1. niet goed
mal
adjective
peor
noun
1. de hoedanigheid van het slecht zijn
maldad
adverb
1. alleen maar, vervoeging van slecht
solamente
noun
1. Falco peregrinus, een roofvogel en de snelst vliegende vogel ter wereld
halcón peregrino
noun
1. slee
trineo
noun
1. een voertuig dat wordt voortgetrokken en dat voorzien is van twee glijders
trineo
noun
cola
noun
1. een krachtige boot die andere vaartuigen versleept
remolcador
noun
cable de remolque
/ˈsle.prœʏ̯m/, /ˈsle.prœːm/
noun
1. de vrucht van de sleedoorn (Prunus spinosa)
endrina
verb
1. trekkend over de grond of het wateroppervlak verplaatsen
  1. arrastrar
  2. remolcar
  3. atoar
  4. halar
noun
perra
noun
ranura
noun
rutina
/sløːtəl/, /sløːtəɫ/, /ˈslø.tɔɫ/
noun
  1. 2. moer- of Engelse sleutel
    llave fija
    1. 1. werktuig om te (ont)sluiten
    2. 4. een aanwijzing of code waarmee een raadsel kan worden opgelost, een geheim(schrift) ontcijferd, een cijferslot geopend of toegang kan worden verkregen
    1. llave
    2. clave
noun
1. het bot dat het borstbeen met de schouder verbindt
clavícula
/ˈsløtəɫˌbɔs/
noun
1. aantal sleutels dat aan eenzelfde ring of band hangt
manojo de llaves
verb
  1. 1.
  2. 2.
trastear
/ˈsløtəɫχɑt/, /ˈsløːtəlɣɑt/
noun
1. een gat in een slot waardoor een sleutel moet worden gestoken om hem te openen
bocallave
/ˈsløtəɫˌɦɑŋər/
noun
1. ring om sleutels aan te hangen, vaak voorzien van een logo of label.
llavero
noun
llavero
noun
1.
palabra clave
/slɪp/
noun
1.
cieno
/slɛːk/, /slɛːɪk/
noun
1. mengsel van aarde, vuil en water
  1. barro
  2. lodo
  3. fango
  4. limo
  5. cieno
/slɛɪm/
noun
1. kleverige stof die door slijmvliezen uitgescheiden wordt
  1. moco
  2. mucosidad
noun
1. een met vocht gevuld 'kussentje' tussen een pees en de onderliggende botstructuur bij een gewricht, dicht bij de aanhechting van de pees op het bot
bursa
noun
1. slijm afscheidend membraan
  1. mucosa
  2. membrana mucosa
verb
1. door wrijving met een hard fijnverdeeld poeder het oppervlak van een vast voorwerp spiegelglad maken
  1. afilar
  2. abrillantar
noun
afilador
noun
  1. afiladora
  2. amoladora
  3. amoladora de banco
noun
piedra de afilar
verb
desgastarse
verb
1. de slokdarm in
  1. tragar
  2. deglutir
adjective
1. intelligent, snel van begrip
listo
noun
1.
  1. ardid
  2. artimaña
  3. treta
noun
  1. guirnalda
  2. badajo
  3. péndulo
noun
  1. fundíbulo
  2. lanzapiedras
  3. trabuquete
verb
oscilar
noun
reloj de péndulo
/slɪpə(n)/
verb
1. door gladheid over de weg schuiven
  1. derrapar
  2. patinar
noun
1. licht schoeisel zonder of met open hiel
  1. chancleta
  2. chinela
  3. zapatilla
verb
1. foutieve uitspraak van de letter s
cecear
noun
1. een brandewijn gedestilleerd uit gefermenteerde pruimen
  1. slivovice
  2. slivovitz
noun
1. een brandewijn gedestilleerd uit gefermenteerde pruimen
  1. slivovitz
  2. slivovice
noun
polaina
noun
1. iemand die op grove wijze onordelijk is
negligente
noun
1. een klein scheepstype dat op het dek van een groter schip wordt meegevoerd
  1. chalupa
  2. bote
/slɔf/
noun
1n een comfortabel soort schoeisel bedoeld om in huis te gedragen te worden
  1. zapatilla
  2. chancleta
noun
eslogan
noun
esófago
noun
atresia esofágica
noun
cáncer de esófago
noun
almádena
noun
bola de demolición
/sloːt/
noun
1. smal watergang om of tussen weilanden
zanja
verb
1. een structuur ontmantelen, afbreken
  1. demoler
  2. derruir
adjective
1. zonder de nodige zorg uitgevoerd
  1. descuidado
  2. desordenado
  3. negligente
  4. desaliñado
noun
  1. 2. een middeleeuwse versterkte woning
    1. castillo
    2. cerradura
  2. 1. mechanisme waarmee in combinatie met bijvoorbeeld een sleutel een deur of een raam kan worden afgesloten
    1. cerradura
    2. cierre
noun
cerrajero
noun
  1. cambio de cierre
  2. cotización de cierre
/sloˈvens/, /sloˈveːns/, /sloˈweːns/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Slovenië
esloveno
/sloˈveni.jə/, /sloˈveːni.jə/, /sloˈweːni.jə/
pronoun
1. een land in Centraal-Europa
Eslovenia
/slo.ˈwaks/, /slo.ˈʋaks/, /slo.ˈβ̞aks/
pronoun
1. een Slavische taal die wordt gesproken in Slowakije
eslovaco
/ˌslowaˈkɛɪ̯.jə/, /ˌsloʋaˈkɛɪ̯.jə/, /ˌsloβ̞aˈkɛː.jə/
pronoun
1. een land in Midden-Europa; het oostelijke deel van het voormalige Tsjechoslowakije.
Eslovaquia
noun
velo
adjective
  1. fino
  2. liso
noun
contrabando
verb
echar la siesta
/ˈslœʏpə(n)/, /ˈslœːpə(n)/
verb
1. zeer voorzichtig lopen, op zo'n manier dat ontdekking vermeden kan worden
deslizarse
noun
1.
francotirador
noun
esclusa
noun
compuerta
verb
1. toedoen, dichtmaken
cerrar
noun
2. middel om meerdere objecten, losse delen of uiteindes samen te voegen
cierre
noun
1. het tijdstip dat een winkel, horecazaak gaat sluiten
  1. hora de cerrar
  2. hora de cierre
noun
1. een afsluitbare gebogen pin waarmee men twee stukken stof bijeen kan houden, voorzien van een veiligheidskapje dat voorkomt dat men zich eraan bezeren kan
  1. imperdible
  2. alfiler de seguridad
  3. pin de seguridad
noun
1. verlengde snuit
trompa
noun
  1. 1. zoogdier uit de orde Proboscidea
  2. 2. dier met een slurf
proboscidio
noun
  1. afrenta
  2. injuria
  3. ofensa
noun
  1. libelo
  2. pasquín
noun
  1. 3. bepaalde subjectieve voorkeur
    gusto
  2. 2. gewaarwording bij het proeven van eten en drank
    1. sabor
    2. sazón
noun
papila gustativa
noun
potenciador del sabor
verb
1. ~ naar een bijzonder sterk verlangen hebben naar iets dat men ontbeert
suspirar
adjective
1. goed van smaak zijnd of van een goede smaak genietend
  1. rico
  2. sabroso
  3. bueno
  4. suculento
/ˈsmaː.kə.los/
adjective
  1. 1. (van voedsel) geen smaak hebbend
    1. desabrido
    2. insípido
    3. soso
    4. desaborido
    5. insulso
  2. 2. (figuurlijk) geen fatsoen of gevoel voor esthetiek of mode hebbend, vulgair
    1. hortera
    2. naco
    3. de mal gusto
    4. sin gusto
adjective
1. met een geringe breedte
  1. estrecho
  2. angosto
noun
1. het klein zijn; het niet breed zijn
  1. estrechez
  2. angostura
noun
ferrocarril de vía estrecha
noun
esmeralda
adjective
verde esmeralda
/smɑrt/
noun
  1. pena
  2. pesar
  3. dolor
  4. sufrimiento
  5. aflicción
  6. angustia
/ˈsmɑrtə(n)xɛlt/
noun
1. financiele vergoeding voor geleden leed
pretium doloris
verb
1. het bewerken van metalen door deze heet te maken en met een hamer te slaan om het materiaal de gewenste vorm te geven
forjar
noun
1. atelier, werkplaats van een smid, smederij
forja
noun
1. is ijzer dat wordt gemaakt door het te smeden
hierro forjado
noun
  1. grasa
  2. lubrificante
  3. sebo
  4. unto
noun
  1. mordida
  2. soborno
noun
1. een zacht soort kaas dat uitgesmeerd kan worden op bijvoorbeeld brood
  1. queso de untar
  2. queso para untar
  3. queso untable
noun
  1. lubricante
  2. lubrificante
noun
1. een ventiel voor doorsmeervet
  1. engrasador
  2. pezón de engrase
noun
  1. aceite de engrase
  2. aceite lubricante
noun
  1. linimento
  2. lubrificante
noun
  1. consuelda
  2. sinfito
/smekə(n)/
verb
1. nederig om een gunst verzoeken
  1. suplicar
  2. rogar
noun
esmerejón
noun
1. hoeveelheid gesmolten materie
  1. aguacioso
  2. lanzón
verb
1. van vaste in vloeibare vorm overgaan
  1. derretirse
  2. fundir
  3. derretir
  4. deshacer
noun
fusión
/ˈsmɛltkrus/
noun
  1. 1. vuurvaste pot voor het mengen van gesmolten metaal
    crisol
  2. 2.
    1. crisol cultural
    2. crisol de culturas
/smɛltpʌnt/
noun
1. de temperatuur waarbij iets gaat smelten
punto de fusión
noun
1. de hoeveelheid warmte die opgenomen wordt bij het smelten van een kristallijne vaste stof
calor de fusión
noun
1. water dat afkomstig is van gesmolten sneeuw of ijs
agua de deshielo
verb
  1. 3. proberen om te kopen
    aceitar
    1. aceitar
    2. engrasar
    3. lubricar
    4. lubrificar
  2. 1. met een zachte massa bestrijken
    untar
adjective
1. Bijzonder vuil
  1. sucio
  2. mugriento
  3. sórdido
noun
  1. engrasado
  2. lubricación
  3. lubrificación
noun
  1. mancha
  2. mácula
verb
manchar
noun
ziekelijke angst voor verontreiniging
misofobia
noun
1. iemand die gloeiend metaal bewerkt met een hamer op een aambeeld
  1. herrero
  2. forjador
noun
1. werkplaats van een smid
fragua
noun
1. smient
silbón europeo
adjective
flexible
/smɛitə(n)/
verb
1. hard gooien of werpen
  1. arrojar
  2. tirar
  3. abarrar
/smul/
noun
  1. 2. (vulgair of informeel) aangezicht
    1. hocico
    2. jeta
  2. 1. (vulgair of informeel) mond
    1. hocico
    2. jeta
    3. morro
noun
1. praatje, uitvlucht
  1. excusa
  2. pretexto
  3. son
verb
cuchichear
adjective
  1. manido
  2. oprimido
noun
esmoquin
noun
  1. contrabandista
  2. traficante
/ˈsmɔ.kə.lə(n)/
verb
1. wederrechtelijk goederen over een grens brengen om heffingen te ontduiken
  1. contrabandear
  2. matutear
noun
  1. balasto
  2. balastra
  3. balastro
  4. bobina de inducción
  5. bobina de reactancia
  6. reactancia inductiva
/ˈsmʏl.pa:p/
noun
gastrónomo
noun
  1. banquete
  2. festín
noun
  1. 1. strip- en tekenfilmfiguur in de vorm van een soort blauwe kabouter met een wit mutsje
  2. 3. iemand die niet meetelt
pitufo
noun
  1. 2. lang zeer dun rond en flexibel voorwerp
    1. cuerda
    2. cordel
  2. 2. schoondochter
    nuera
noun
1. muziekinstrumenten waarbij de toon wordt geproduceerd door een trillende snaar
cordófon
noun
teoría de cuerdas
/'snɑpə(n)/
verb
1. iets vatten in de zin van begrijpen, doorhebben
tañar
/ˈsnavəɫ/
noun
1. bek van een vogel of schildpad
pico
/ˈsnedə/
noun
  1. cortadura
  2. corte
  3. filo
  4. rebanada
  5. tajada
  6. trozo
/sne/
noun
2. een afgeneden plak, meestal van brood
  1. corte
  2. rebanada
  3. cortadura
  4. tajada
noun
3. dunne afgesneden plak
rebanada
/sneʊ̯/, /sneːβ̞/, /snɪːβ̞/
noun
1. in kristallen bevroren water
nieve
/ˈsneʊ̯bɑl/, /ˈsnɪːwbɑɫ/
noun
  1. 2. kamperfoelieachtige heester
    1. barbadejo
    2. viburno
  2. 1. een tot een bal samengepakte hoeveelheid sneeuw, vaak bedoeld voor een speels sneeuwballengevecht
    bola de nieve
pronoun
Tierra bola de nieve
noun
efecto de bola de nieve
adjective
1. verblind door de hevige schittering van de sneeuw
deslumbrado por la nieve
noun
1. bril ter voorkoming van sneeuwblindheid
gafas para la nieve
noun
1. een bui sneeuw
  1. chubasco de nieve
  2. nevada
verb
1. het vallen van hemelwater onder de vorm van sneeuwvlokken
nevar
noun
ánsar nival
noun
  1. cabra blanca
  2. cabra de las rocasas
noun
1. patrijsachtige vogel uit koude streken, die in de zomer een bruinig...
  1. perdiz nival
  2. lagópodo alpino
  3. perdiz blanca
noun
1. iglo
iglú
noun
  1. cadena antideslizante
  2. cadena para la nieve
noun
capa de nieve
noun
1. een pop die gemaakt is van sneeuw
muñeco de nieve
noun
1. een toestel dat de hoeveelheid gevallen sneeuw (d.i. vaste neerslag) meet
nivómetro
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera uncia
leopardo de las nieves
noun
1. een pop die gemaakt is van sneeuw
  1. muñeco de nieve
  2. mono de nieve
  3. muñeca de nieve
noun
rollo de nieve
noun
raqueta de nieve
noun
  1. moto de nieve
  2. motonieve
/'snew.stɔrm/
noun
  1. tormenta de nieve
  2. nevasca
noun
1. bepaald soort vogel, Bubo scandiacus
  1. búho nival
  2. bubo scandiacus
  3. búho del ártico
  4. gran búho blanco
/'snewvlɔk/
noun
1. een kleine massa aaneengehechte sneeuwkristallen
copo de nieve
/sne'ʋɪt/
adjective
1. zo wit als sneeuw
níveo
pronoun
  1. Blancanieves
  2. Blanca-nieve
/snɛɫ/
adjective
  1. rápido
  2. pronto
noun
1. de verandering in de tijd van de plaats van een voorwerp
  1. velocidad
  2. rapidez
noun
1. meter die de snelheid meet van de lucht (luchtvaart)
  1. anemómetro
  2. indicador de velocidad
verb
correr
noun
ajedrez rápido
noun
  1. estenografía
  2. taquigrafía
noun
rápido
verb
marcha atlética
/'snɛlʋɛx/
noun
1. een grote brede weg speciaal voor motorvoertuigen
autopista
noun
acelga
noun
1. en 2. (peulvrucht van) ras van Phaseolus vulgaris
  1. ferraúra
  2. judia verde plana
/ˈsnɛɪdə(n)/
verb
1. met een scherp voorwerp in stukken delen
cortar
noun
  1. 1. iets dat of iemand die snijdt
    1. cortador
    2. rebanador
  2. 2. kleermaker
    sastre
noun
1. gehard stalen blokje met een van schroefdraad voorzien gat, waarmee men uitwendige schroefdraad kan snijden
  1. terraja
  2. cojinete de roscar
noun
  1. tabla de cortar
  2. tabla para cortar
noun
punto de intersección
noun
apio
noun
  1. hipo
  2. singulto
  3. sollozo
verb
sollozar
noun
1. benaming voor vogels uit de familie Scolopacidae
  1. agachadiza
  2. chocha
  3. becacina
  4. becada
noun
  1. corte
  2. hechura
/ˈsnujə(n)/
verb
1. terugbrengen op gewenste lengte
  1. podar
  2. recortar
/ˈsnujsxar/, /ˈsnujsχar/
noun
1. een stevige, korte schaar voor het snoeien van planten, struiken e.d.
tijeras de podar
noun
1. bepaald soort roofvis die in zoete wateren voorkomt, Esox lucius
lucio
noun
1. bepaald soort zoetwaterroofvis, Sander lucioperca
lucioperca
noun
1. een meestal grotendeels van suiker vervaardigde lekkernij
caramelo
noun
  1. dulce
  2. golosinas
verb
  1. fanfarronear
  2. jactarse
adjective
  1. cautivador
  2. encantador
noun
  1. ramera
  2. puta
noun
1. beharing
  1. bigote
  2. mostacho
noun
1. hard, stijf en dun uitgroeisel van de opperhuid om mee te tasten bij vele zoogdieren in de omgeving van de mond
  1. bigotito
  2. vibrisas
noun
1. een holle gebogen buis van rubber of plastic, met een mondstuk, dat je in staat stelt adem te halen als je aan het wateroppervlak zwemt met je hoofd onder water.
  1. esnórquel
  2. tubo de nadar
  3. tubo de respiración
noun
1. een slijmerige afscheiding uit de neusholte
moco
noun
  1. muchacho travieso
  2. niño travieso
noun
1. soort skiplank
snowboard
verb
  1. 2. nieuwsgierig doorzoeken
    1. curiosear
    2. fisgar
    3. husmear
  2. 1. aandachtig ruiken
    olfatear
noun
1. reukorgaan van dieren
  1. hocico
  2. morro
verb
1. door beurtelings de neus samen te knijpen en door de neus te blazen slijm uit de neusholte verwijderen
sonarse
noun
gorgojo
verb
2.
esnifar
verb
1. ademen met een niet goed geopende luchtpijp, waardoor een rochelend geluid ontstaat
roncar
noun
1. infectieziekte die vooral wordt overgedragen door seksueel contact
  1. ETS
  2. ITS
noun
culebrón
/soʃal/
adjective
  1. 1. betrekking hebbend op de menselijke samenleving
  2. 2. geneigd om in groepen te leven
  3. 3. gevoel hebbend voor de nood van de medeleden van de samenleving
social
noun
anarquismo socialista
noun
sociabilidad
noun
1.
servicio social
noun
fobia social
noun
1. aanzien dat of voorname positie die iemand heeft in een groep of samenleving
estatus social
noun
socialización
noun
socialismo
noun
socialista
adjective
socialista
noun
1. een aanhanger van het socinianisme
sociniano
noun
sociobiología
noun
sociolecto
noun
sociolingüística
noun
1. wetenschap
sociología
noun
sociólogo
/so.si.e.'tɛit/
abbreviation
1. een gezelligheidsvereniging
  1. club
  2. sociedad
pronoun
  1. Socotra
  2. isla de Socotra
noun
  1. E500i
  2. carbonato ácido de sodio
  3. soda
  4. sosa
noun
  1. agua carbonatada
  2. agua gaseosa
/su.ˈdɑn/, /zu.ˈdaːn/
pronoun
1. land in Noordoost Afrika dat voor een groot deel in en rond het stroomgebied van de rivier Nijl ligt, officieel de Republiek Sudan
Sudán
noun
libra sudanesa
noun
sufismo
pronoun
Sumba
pronoun
Sunda
noun
sunismo
noun
1. vloeibaar gerecht
  1. sopa
  2. potaje
noun
1. diep bord
  1. plato hondo
  2. plato sopero
  3. sopera
/'supəł/
adjective
  1. 1. Yodio buigend en zich aanpassend
    flexible
  2. 2. weinig problemen ondervindend
    fácil
noun
  1. marmita
  2. olla
noun
  1. 3. de hoeveelheid die in een soeplepel past
    1. cuchara sopera
    2. cucharada sopera
  2. 2. lepel waarmee soep gegeten wordt
    1. cuchara
    2. cuchara sopera
noun
  1. aruana
  2. cahuama
  3. suruana
  4. tartaruga
  5. tortuga blanca
  6. tortuga verde
noun
1. een geglazuurde schaal om soep of stoofpot uit te serveren
escudilla
noun
sura
adjective
soberano
noun
soberanía
noun
1. een gestoffeerde zitbank met een rugleuning
sofá
noun
  1. Sofía
  2. ajenjo loco
  3. hierba de la sabiduría
noun
sofisma
noun
sofista
noun
  1. softbol
  2. sófbol
  3. sóftbol
noun
1. de verzamelnaam voor besturings- en toepassingsprogramma's,...
  1. programa
  2. software
noun
desarrollador de software
noun
  1. soja
  2. soya
noun
1. eiwitrijke boon van de sojaplant
  1. haba de soja
  2. poroto soya
noun
  1. queso de soja
  2. tofu
noun
leche de soja
noun
aceite de soja
noun
  1. salsa de soja
  2. salsa de soya
noun
  1. 1. kous die tot net boven de enkel komt
    1. calcetín
    2. calceta
  2. 1. sok (verbindingsstuk)
    1. camiseta
    2. manguito
noun
1. een voetstuk, voornamelijk voor beelden
pedestal
noun
3. munteenheid in Peru
sol
noun
1. vergoeding aan de opstalgever voor opstalrecht
canon
/sɔlˈdaːt/
noun
1. krijgsman met de laagste rang binnen een strijdmacht
soldado
noun
1. verkleinvorm van soldaat
  1. Soldatchen
  2. soldadito
noun
1. een stuk gereedschap om mee te solderen
soldador
verb
1. een door verhitting vloeibare tussenstof aanbrengen tussen losse metaaldelen waardoor deze na afkoeling vast verbonden blijven
soldar
noun
  1. sueldo
  2. soldada
adjective
solemne
noun
solenoide
noun
  1. solfeo
  2. solfa
noun
unidad de estado sólido
adjective
solidario
noun
solidaridad
noun
solipsismo
adjective
solitario
noun
  1. candidato
  2. pretendiente
noun
  1. solicitud
  2. solicitación
verb
solicitar
/ˈsolo/
noun
  1. solitario
  2. solo
adjective
solvente
pronoun
1. een taal die vooral wordt gesproken in Somalië
somalí
noun
chelín somalí
/so.'ma.li.jə/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika, officieel de Somalische Republiek
Somalia
noun
trastorno de somatización
adjective
1. met betrekking tot het lichaam
somático
adjective
1. in neergeslagen stemming
  1. sombrío
  2. melancólico
  3. negro
  4. pesimista
noun
  1. 1. aanmaning
    1. mandato
    2. orden
  2. 3. optelling
    sumación
verb
1. met autoriteit een bevel geven
  1. mandar
  2. ordenar
indefinitePronoun
1. een onbepaald, meestal klein aantal
algunos
adjective
suntuoso
adverb
a veces
adverb
a veces
noun
1. instrumentaal muziekstuk
sonata
noun
3. een onbemand ruimtevaartuig
tienta
noun
letra
noun
soneto
noun
sonoluminiscencia
/ˈsɔːrt/
noun
  1. 2. een groep levende wezens die een bepaald aantal kenmerken gemeenschappelijk heeft en...
  2. 1. een groep voorwerpen die een bepaald aantal kenmerken gemeenschappelijk heeft en...
especie
adjective
específico
phraseologicalUnit
1. compactheid
densidad
adjective
1. van dezelfde soort
  1. parecido
  2. semejante
  3. similar
adjective
sofisticado
/ˌsɔporaˈtif/
adjective
soporífero
noun
  1. soprano
  2. tiple
noun
sorbato
noun
  1. E200
  2. ácido sórbico
pronoun
1. een groep Slavische talen die wordt gesproken in het oosten van Saksen en het zuidoosten van Brandenburg
  1. sorabo
  2. sorbiano
noun
  1. sordina
  2. capodastro
  3. cejilla
noun
sorgo
noun
sorgo
interjection
1. een informele verontschuldiging of excuses
perdone
verb
1. orde in een verzameling aanbrengen door soort bij soort te leggen
  1. clasificar
  2. seleccionar
  3. ordenar
noun
talón
noun
  1. soufflé
  2. suflé
noun
sordina
noun
sotana
noun
1. klein voorwerp dat helpt om aan een prettige ervaring met een plaats of persoon terug te denken
  1. souvenir
  2. recuerdo de viaje
noun
sovjós
pronoun
  1. Unión Soviética
  2. Soviet Union
noun
  1. 2. staaf als hefboom
    palanca
  2. 1. een staaf die de naaf en de velg van een wiel verbindt
    1. rayo
    2. radio
/ˈspakbeɪn/
noun
bot in de onderarm
radio
noun
espátula
/spaːns/
adjective
1. met betrekking tot Spanje of het Spaans
  1. español
  2. española
/spaːns/
pronoun
1. een taal die oorspronkelijk werd gesproken in (het centrale deel van) Spanje,...
  1. español
  2. castellano
/ˈspan.sə/
noun
1.
española
noun
guerra civil española
noun
  1. Cayena
  2. Chile
  3. ají
  4. ají Chile
  5. ají de Cayena
  6. ají guaguao
adjective
1.
  1. hispanohablante
  2. hispanoparlante
noun
1.
  1. hispanohablante
  2. hispanoparlante
noun
caja de ahorros
noun
libreta de ahorros
noun
libreta de ahorros
noun
depósito de ahorros
noun
ahorros
/ˈsparlɑmp/
noun
1. een energiezuinige lamp
lámpara compacta fluorescente
noun
1. afgesloten voorwerp waarin contant geld opgespaard wordt
  1. hucha
  2. alcancía
  3. chanchito
/'spar.zam/
adjective
1. zorg dragend niet te verspillen
ahorrador
noun
1. mineraal
espato
noun
1. brede, zware schep, bedoeld voor het spitten van grond
pala
noun
espagueti
noun
spaghetti western
noun
  1. acordonamiento
  2. espaldera
noun
  1. 4. lengtemaat
    palmo
  2. 1. geheel van trekdieren
    1. par
    2. pareja
/ˈspɑ.ɲard/, /ˈspɑɲ.jart/
noun
1. een inwoner van Spanje, of iemand afkomstig uit Spanje
español
/ˈspɑ.ɲə/, /ˈspɑɲ.jə/
pronoun
1. een land in het zuidwesten van Europa op het Iberisch Schiereiland
España
noun
falleba
noun
palmo
verb
1. onder trekkracht brengen
atirantar
noun
1. gereedschap
tensor
noun
  1. 1. mechanische spanning
    tensión
  2. 2. emotionele spanning
    1. tensión
    2. ansiedad
    3. suspense
  3. 3. elektrische spanning
    1. tensión
    2. voltaje
noun
1. schakeling die een elektrische spanning afgeeft waarvan de grootte onafhankelijk is van de belasting
fuente de tensión
noun
2. meetinstrument om een druk te meten
manómetro
noun
cabrio
noun
2. benaming voor een naaldboom uit het geslacht Picea
  1. abeto
  2. pícea
noun
1.
estróbilo
/ˈspa.rə(n)/
verb
  1. 1. geld niet uitgeven
    1. ahorrar
    2. economizar
    3. escatimar
  2. 3. ontzien
    ser indulgente
noun
estróbilo
noun
1. kramp
espasmo
noun
1. krampstillend middel
espasmolítico
noun
1. verhoogde spierspanning, continue kramp
espasticidad
noun
salpicadura
noun
  1. varice
  2. variz
noun
1.
guardabarros
noun
1. spaan, lepel, e.d. met plat, bot uiteinde om mee te smeren
espátula
noun
1. tussenruimte tussen twee woorden
  1. intersticio
  2. espacio
/ˈspɑtə(n)/
verb
salpicar
noun
1. een gedroogd plantendeel, anders dan een groen blad of stengel, dat als geur-, kleur- of smaakstof aan voedsel wordt toegevoegd
  1. especia
  2. condimento
noun
1. benaming voor middelgrote robuuste vogels behorende tot de familie Picidae
  1. pájaro carpintero
  2. pito
/spe.si.ˈjal/, /spe.ˈsjaːl/, /spe.ˈʃaːl/
adjective
1. op een positieve manier anders dan het andere
  1. especial
  2. particular
/ˈspesɪɑlɪst/
noun
  1. 1. persoon die ergens veel verstand van heeft
  2. 2. arts die een bepaald onderdeel van de geneeskunde beoefent
especialista
noun
1. bijzondere kennis of vaardigheid van iemand
especialidad
noun
1. mengsel waarmee wordt gewerkt
  1. argamasa
  2. mortero
noun
1. specificatie
especificación
verb
1. in details beschrijven
  1. especificar
  2. detallar
  3. precisar
noun
especificidad
adjective
1. kenmerkend
específico
adverb
1. in het bijzonder
  1. específicamente
  2. específico
adjective
espectacular
adjective
espectral
noun
análisis de espectro
noun
donkere of juist lichte lijn in het spectrum van licht
línea espectral
noun
espectrograma
noun
espectroscopio
noun
espectroscopia
noun
1. kleurenband
espectro
/ˌspe.ky.ˈlas/
noun
1. een harde, droge kruidkoek, die vooral rond Sinterklaas gegeten wordt, soms gevuld met amandelspijs
  1. galletas de especias
  2. speculaas
  3. spekulatius
noun
especulación
adjective
especulativo
verb
1. inzetten op een bepaalde kans, meestal met hoog risico
especular
noun
  1. discurso
  2. oración
noun
1. vocht dat in de mond vloeit uit de speekselklieren
saliva
noun
1. een klier die speeksel produceert en naar de mondholte afscheidt
glándula salival
noun
  1. 2. weerloos slachtoffer
    1. juguete
    2. pelota
  2. pelota
noun
1.een muziekinstrument
caja de música
/'spelfɪlm/
noun
largometraje
/ˈspelɣud/, /ˈspelɣut/, /ˈspɪːɫχut/
noun
1. één of meer voorwerpen voor kinderen om mee te spelen
  1. juguete
  2. juguetes
noun
  1. carro de juguete
  2. coche de juguete
noun
juguetería
noun
naipe
noun
compañero de juegos
noun
jugadora
noun
1. meubelstuk
mesa de juego
noun
campo deportivo
noun
1. een omheinde plek grond met speelobjecten voor kinderen
parque de juegos
noun
1. een veld waarop een spel wordt gespeeld
campo deportivo
noun
  1. centro de ocio
  2. salón de juego
  3. salón de juegos
  4. salón de maquinitas
  5. salón recreativo
noun
  1. 2. tepel van een zoogdier
    1. pezón
    2. tetilla
  2. 1. rubber of plastic afsluiting op een zuigfles
    tetilla de biberón
noun
1.1 bepaald soort plant met niervormige bladeren, botergele bloemen en wortelknolletjes, Ficaria verna
  1. celidonia menor
  2. centella menor
  3. escrofularia menor
noun
1. een big dat nog gezoogd wordt
  1. lechón
  2. cochinillo
/spɪːr/
noun
1. lange stok met een punt eraan, (werd) gebruikt voor de jacht of oorlogvoering
  1. lanza
  2. jabalina
verb
lanzamiento de jabalina
noun
1. onderhuidse vetlaag bij varkens
  1. tocino
  2. lardo
verb
  1. abastecer
  2. proveer
noun
esteatita
noun
1. opzienbarend schouwspel
espectáculo
noun
1. bezigheid ter ontspanning volgens vaste regels met elementen als competitie, behendigheid, inzicht en kans
juego
noun
alfabeto por palabras
noun
1.
aguafiestas
/'spɛl.kɔm.pju.tər/
noun
1. een computersysteem dat specifiek gemaakt is om spellen op te spelen
videoconsola
noun
alfiler
/ˈspeːlə(n)/
verb
    1. jugar
    2. tocar
  1. 2. muziek maken
    tocar
noun
  1. 3. acteur
    actor
    1. 1. deelnemer aan een spel
    2. 2. een partij
    jugador
noun
  1. espacio
  2. juego
  3. tolerancia
verb
1. letters in de juiste volgorde plaatsen
  1. deletrear
  2. silabear
/ˈspɛlɪŋ/
noun
1. de al dan niet vastgelegde manier waarop de woorden van een taal geschreven worden
ortografía
noun
1. een spleetvormige holte in een berg
  1. antro
  2. cueva
  3. gruta
noun
1. grove tarwesoort
  1. espelta
  2. escaña mayor
noun
1. fijn gemalen zaden van Triticum spelta
  1. harina de espelta
  2. harina de trigo espelta
/spɛltmɪːɫ/
noun
1. fijn gemalen zaden van Triticum spelta
  1. harina de espelta
  2. harina de trigo espelta
noun
esperma
noun
inyección de espermatozoides
noun
banco de semen
noun
espermaceti
noun
espermatóforo
noun
  1. espermatozoide
  2. espermatozoo
noun
1. Accipiter nisus, een kleine snelle roofvogel
gavilán
noun
1. en 2. (peul van) cultivar van Phaseolus vulgaris
judía verde
noun
1. speciaal opgeleide hond voor het zoeken en volgen van reuksporen
sabueso
pronoun
1.
Espira
noun
chavetero
noun
  1. 1. beelden terugkaatsend voorwerp
    espejo
  2. 2. de vlakke achtersteven van een schip
    popa
noun
imagen especular
noun
1. gebakken ei met hele dooier
huevo frito
verb
reflejar
noun
microscopio reflectante
noun
neurona espejo
noun
escritura especular
noun
telescopio reflector
noun
prueba del espejo
noun
chuleta
noun
2. gegevens om stiekem af te kijken
  1. apunte escondido
  2. apunte ilegal
noun
1. een orgaan
músculo
noun
1. bepaald soort klein zilverwit visje, Osmerus eperlanus
eperlano
/ˈspiːrpɛɪ̯n/, /ˈspiːrpɛːn/
noun
1. pijn in een spier
  1. dolor muscular
  2. mialgia
noun
1.een spierkwetsuur waarbij de spiervezels uitgerekt worden
esguince muscular
verb
2. ter dood brengen door doorboring met een spies
atravesar
noun
  1. 1. metalen pin waarmee twee voorwerpen door doorboring vast verbonden kunnen worden
    clavo
  2. 2. (uitdrukking) ± De spijker op de kop slaan.
    1. dar en el clavo.
    2. dar en la diana.
  3. 4. (uitdrukking) ± Spijkers op laag water zoeken.
    hilar fino.
  4. 3. (uitdrukking) ± Spijkers met koppen slaan.
    ir al ajo del asunto.
verb
clavetear
noun
  1. balaustre
  2. barra
  3. vara
noun
1. bereid voedsel
  1. plato
  2. manjar
noun
quimo
noun
aceite comestible
noun
digestión
/spɛi̯t/
noun
remordimiento
/spɛj.tǝ:/
verb
1. berouw veroorzaken
  1. doler
  2. sentirlo
noun
  1. 1. een kaapstaander
    cabrestante
  2. 2. de as waar iets rond draait
    eje
adjective
despilfarrador
noun
1. geleedpotig dier met acht poten
araña
noun
1. bepaald soort snelgroeiende, eenjarige plant, Spinacia oleracea
espinaca
noun
  1. 1. een klos waarop de katoen- of vlasdraad wordt gewonden
    broca
  2. 2.
    eje
noun
espinela
noun
1. toetsinstrument met schuin geplaatste snaren
espineta
verb
  1. 1. een lange draad vervaardigen door enkele vezels in elkaar te vervlechten
    hilar
  2. 2. snorren, een brommend geluid maken
    ronronear
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Araneae
araña
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Araneae
araña
noun
flor de abeja
noun
1. een door een spin gemaakt net om insecten te vangen
telaraña
noun
  1. tela de araña
  2. tela de la araña
  3. telaraña
noun
albura
noun
espía
noun
1. de handeling van het spioneren
espionaje
noun
satélite espía
verb
1. voor concurrentie of vijand geheime informatie trachten te verwerven
  1. espiar
  2. acechar
noun
1. vrouwelijke spion
espía
noun
  1. 5. bepaald voorbehoedmiddel
    dispositivo intrauterino
  2. 1. een kromme lijn
    1. espiral
    2. hélice
noun
hélice
noun
espirea
noun
espiritualismo
noun
espiritualidad
adjective
espiritual
noun
espirómetro
noun
espirometría
noun
  1. 1. draaiende staak waarop men vlees of een geslacht dier spietst en boven of naast een hittebron roostert
    1. asador
    2. espetón
    3. picudo
    4. asador de cocina
  2. 2. hevige lage rugpijn, lendenpijn
    lumbago
adjective
  1. 2. scherpzinnig
    perspicaz
  2. 1. in een punt uitkomend
    puntiagudo
noun
  1. 3. klein vrachtschip, binnenschip (ook wel gebruikt als woonboot)
    barcaza
  2. 2. binnen een ploeg een aanvallende speler die een positie opzoekt waarin hij een doelpunt kan maken
    delantero
  3. 1. grote drukte in het verkeer op terugkerende tijdstippen
    1. hora pico
    2. hora punta
  4. 5. type hond met een spitse snuit
    lulú de Pomerania
  5. 4. scherp, puntig uiteinde
    1. punta
    2. cima
    3. vértice
pronoun
1. een Noorse eilandengroep
Svalbard
pronoun
Svalbard y Jan Mayen
noun
ojiva
noun
1. klein muisachtig diertje met spitse snuit en korte poten, behorend tot de familie Soricidae
musaraña
noun
alta tecnología
verb
cavar
noun
esplín
/splet/
noun
  1. hendedura
  2. hendidura
  3. rendija
  4. grieta
  5. ranura
verb
1. langs een nerf in tweeën breken
  1. dividir
  2. partir
  3. cachar
/'splɪntər/
noun
1. klein puntig scherfje
astilla
adjective
flamante
noun
  1. grieta
  2. hendedura
  3. hendidura
noun
1. halve erwt zonder zaadhuid
  1. guisante partido
  2. guisante seco pelado y partido
noun
pasador de tijeras
verb
1. in twee of meer delen uiteen gaan
bifurcarse
noun
  1. grietas
  2. hendeduras
  3. hendiduras
  4. quebrajas
noun
1.
  1. premura
  2. prisa
  3. prontitud
adverb
1. binnen een kort tijdsbestek
pronto
noun
  1. 1. een cilindrische vorm
    1. bobina
    2. carrete
  2. 2. een element van zelfinductie
    1. bobina
    2. inductor
  3. 3. fotografische
    carrete
  4. 4. schietspoel
    lanzadera
verb
  1. enjuagar
  2. enjuagarse
noun
  1. ascaris
  2. ascáride
  3. lombriz intestinal
verb
expoliar
noun
esponja
noun
  1. patrocinador
  2. fiador
  3. protector
adjective
espontáneo
noun
espontaneidad
noun
1. een geestverschijning die een bepaald gebouw of bepaalde locatie onveilig maakt
fantasma
noun
2. benaming voor zoogdieren uit de familie Tarsiidae
  1. lémur
  2. mono zorro
noun
1. een legendarisch schip dat zonder bemanning eeuwig blijft rondvaren
barco fantasma
noun
  1. 10. doornachtige uitsteeksel aan de poten van mannelijke, hoenderachtige vogels
    espolón
  2. 2. spore
    espora
  3. 9. metalen punt of getand wieltje aan de hiel van de rijlaars
    espuela
  4. 3. afdruk
    1. rastro
    2. huella
    3. pista
  5. 1. twee met elkaar verbonden ijzeren staven waarover een trein rijdt
    1. vía
    2. raíl de ferrocarril
noun
1. overzicht met de dienstregeling van de treinen
guía ferroviaria
noun
  1. ancho de vía
  2. anchura de vía
noun
oligoelemento
noun
  1. carril
  2. rail
  3. raíl
  4. riel
noun
barro de acoplamiento
noun
ferrocarril
noun
vía
noun
1. een gelijkvloerse kruising tussen een verkeersweg en een spoorweg
paso a nivel
noun
estación de ferrocarril
adjective
esporádico
noun
espora
noun
oligoelemento
noun
ascus
noun
1. bepaald soort loofboom, Frangula alnus
  1. arraclán
  2. aliso negro
  3. alno baccífero
  4. chopera
/spɔrt/
noun
  1. 3. stoelspaak
    barrote
  2. 1. lichaamsbeweging
    deporte
  3. 2. trede van een ladder
    1. escalón
    2. peldaño
noun
artículo de deporte
noun
libro de deporte
noun
polideportivo
noun
bebida isotónica
verb
1. aan sport doen
hacer deporte
noun
1. beoefenaar van een sport
deportista
noun
  1. medicina deportiva
  2. medicina del deporte
noun
camisa deportiva
adjective
deportivo
noun
iemand die zich toelegt op het bedrijven van sport
deportista
noun
  1. campo deportivo
  2. estadio
noun
  1. zapatilla de deporte
  2. zapato deportivo
noun
  1. deportista
  2. 1. iemand die door sportprestaties veel aandacht krijgt
    estrella de deporte
noun
1. terrein waar men een sport beoefenen kan
campo deportivo
noun
1. (sport) grasveld met doelpalen, grenslijnen e.d. waarop diverse sporten worden bedreven
campo deportivo
noun
1. een vereniging voor personen die eenzelfde sport beoefenen of die nauw betrokken zijn bij diezelfde sport
club deportivo
noun
reportero de deportes
verb
1. vangen van vis als hobby
pesca deportiva
verb
1. zich met belachelijk makende of oneerbiedige scherts uiten
burlarse
noun
1. een zangvogel die geluiden kan nabootsen
zarcero icterino
noun
1. (bouwkunde) luchtruimte tussen twee muren van een dubbele
  1. grieta
  2. hendedura
  3. hendidura
  4. quebraja
/sprak/
noun
1. het vermogen om te spreken
lenguaje
noun
1. een spreekstoornis
  1. defecto del habla
  2. impedimento del habla
noun
1. een systeem van regels en principes voor het schrijven en spreken van een taal
gramática
noun
gramática
noun
síntesis de habla
adjective
snel geneigd tot spreken
locuaz
noun
1. een voordracht voor een publiek over een bepaald onderwerp
  1. conferencia
  2. charla
/ˈsprekyːr/
noun
1. de tijd waarin een hulpverlener patiënten te woord staat
hora de consulta
noun
  1. proverbio
  2. adagio
noun
1. Sturnus vulgaris, een middelgrote zangvogel
  1. estornino pinto
  2. estornino
/sprɛi/
noun
1. een soms kunstig versierd kleed waarmee een opgemaakt bed afgedekt wordt
colcha
verb
1. wijd uiteendoen
  1. desenvolver
  2. extender
  3. tender
/ˈspreːkə(n)/
verb
1. zich met behulp van de stem uiten
hablar
noun
1. iemand die een toespraak houdt
conversador
noun
1. zegswijze
  1. aforismo
  2. dicho
  3. máxima
/ˈspɾøkə(n)/
noun
Proverbios
noun
brizna
noun
1. Antidorcas marsupialis, een aan de gazelle verwante antilope, leeft in Zuid-Afrika
springbok
verb
1. na zich tegen de zwaartekracht afgezet te hebben een korte vrije val door de lucht maken
  1. saltar
  2. brincar
adjective
1. los van de grond komend door te springen
  1. estallando
  2. reventando
  3. saltando
noun
jerbo
noun
caballo de salto
noun
  1. muelle
  2. resorte
noun
1. een insect van de Orthoptera-orde
  1. saltamontes
  2. langosta
noun
1. bepaald soort vrij kleine vogel met gestreepte bovenzijde en monotone zang, Locustella naevia
buscarla pintoja
/ˈsprɪŋklərɪnstɑla(t)si/
noun
1.automatische blusinrichting
rociador de incendios
/ˈsprɪntə(n)/
verb
  1. correr
  2. embalar
  3. embalarse
noun
  1. boquilla
  2. eyector
  3. manguera
  4. rociador
  5. vaporizador
noun
1. een bruin vlekje op de huid dat veroorzaakt wordt door ultraviolet licht
peca
noun
salto
noun
1. verzonnen vertelling
  1. cuento de hadas
  2. fábula
noun
Sprattus sprattus
espadín
noun
  1. 2. een uitloper van de spruitkool
    col de Bruselas
  2. 1. een uitloper aan een plant
    1. retoño
    2. brote
    3. vástago
noun
1. slijmvliesontsteking in mond of darmen
  1. sapito
  2. algodoncillo
/'spy.ɣə(n)/
verb
1. speeksel uit de mond doen uitschieten
escupir
/spœy̯t/
noun
  1. 3. injectiespuit
    inyector
  2. manga
noun
hormigón proyectado
noun
botella de spray
noun
bombero
noun
manga pastelera
noun
  1. substancia
  2. sustancia
noun
esparcilla gigante
/'spyʋə(n)/
verb
  1. escupir
  2. esputar
  3. expectorar
noun
  1. programa espía
  2. software espía
/sri.ˈlɑŋ.ka/
pronoun
1. een republiek in Azië gelegen op een eiland ten zuiden van India
Sri Lanka
noun
  1. rupia de Sri Lanka
  2. rupia esrilanquesa
/staf/
noun
  1. barrote
  2. lingote
noun
  1. batidora de pie
  2. batidora de inmersión
  3. licuadora de inmersión
adjective
continuo
noun
  1. estaca
  2. pilote
noun
1. overeenkomst voorlopig een einde te maken aan de gevechtshandelingen
alto el fuego
/staːɫ/
noun
  1. 1. een legering van ijzer en koolstof
    acero
  2. 2. een monster van een stof, een kleine hoeveelheid van iets als proef
    1. muestra
    2. espécimen
adjective
azul acero
noun
cepillo de alambre
noun
cable de acero
/stalwɔl/
noun
  1. lana de acero
  2. estropajo de acero
/stant/
adjective
  1. estando de pie
  2. quedando
  3. vistiendo
noun
onda estacionaria
noun
catarata
noun
  1. 2. het achterste stuk van een vliegtuig of een auto
    1. calo
    2. cola
  2. 1. een verlengstuk van de ruggengraat bij sommige dieren
    1. cola
    2. rabo
noun
cóccix
noun
mito
noun
cometa
noun
1.
parte trasero
noun
  1. 1. een land
  2. 1. toestand
estado
noun
1. een discipline
  1. ciencia política
  2. politicología
adjective
1. staats-
estatal
noun
1. officiële publicatie van een staat waarin onder andere nieuwe wetten worden afgekondigd
Boletín Oficial del Estado
noun
1. iemand die burgerrechten in een staat heeft
  1. ciudadano
  2. súbdito
noun
fondo soberano de inversión
noun
  1. confesión del estado
  2. religión de estado
  3. religión estatal
noun
1. iemand die in een staat het hoogste gezag bekleedt of personifieert
jefe de Estado
noun
  1. ideología de estado
  2. ideología del estado
  3. ideología estatal
noun
capitalismo de estado
noun
  1. hombre de estado
  2. hombre político
  3. político
noun
derecho constitucional
noun
deuda pública
noun
terror del estado
noun
terrorismo del estado
noun
  1. forma de gobierno
  2. régimen
adjective
1. standvastig, duurzaam
  1. estable
  2. asentado
  3. firme
noun
1. het vast van waarde maken
estabilización
noun
  1. estabilizador
  2. estabilizante
verb
estabilizar
noun
estabilidad
noun
1. in 1997 door de lidstaten van de Europese Unie gesloten pact
pacto de estabilidad
noun
1. de vleugel op de staart van een vliegtuig
estabilizador horizontal
/stɑd/, /stɑt/
noun
Woonplaats
  1. ciudad
  2. pueblo
/ˈstɑdhœːs/, /ˈstɑthœʏs/, /ˈstɑthœːs/
noun
1. een gebouw waar de stadsdiensten gehuisvest zijn
ayuntamiento
noun
estadio
noun
guerra urbana
noun
1.
puerta de la ciudad
noun
municipio bajo jurisdicción central
noun
1. een vernieuwing van verpauperde stadswijken
renovación urbana
noun
calefacción urbana
noun
  1. barrio
  2. barriada
noun
1. een stok bedoeld voor ondersteuning of onderscheiding van een persoon
báculo
noun
1. een touw of kabel waarmee een mast stabiel wordt gehouden
  1. estay
  2. tirante
verb
1. niet langer voortbewegen of vooruitgaan, tot stilstand komen
  1. estancarse
  2. estancar
  3. atascarse
/'stakɪŋ/
noun
1. het neerleggen van de werkzaamheden, meest uit protest of om verbeteringen af te dwingen
  1. huelga
  2. paro
/stɑl/
noun
1. ruimte bestemd voor de huisvesting van dier(en)
  1. establo
  2. cuadra
verb
  1. endurecer
  2. templar
pronoun
Stalingrado
noun
estalinización
noun
1. variant van het marxisme-leninisme gekenmerkt door een totalitair nationalistisch...
estalinismo
noun
  1. Candelaria
  2. cardo blanco
  3. friegaplatos
  4. hierba del paño
  5. molena
noun
  1. cochera
  2. garaje
noun
caballerizo
noun
  1. 7.
    1. raíz
    2. radical
  2. 4. op verwantschap berustende samenlevingsvorm van meer families in beschavingen met weinig verstedelijking
    tribu
  3. 2. deel van de boom tussen de wortels en de kruin
    tronco
/'stɑmbom/
noun
1-2
  1. pedigrí
  2. árbol genealógico
noun
célula madre
verb
1.
  1. balbucear
  2. tartamudear
noun
habitual
noun
dinastía
verb
  1. 3. van een schip...
    1. arfar
    2. cabecear
  2. 1. met kracht de voet op de grond doen belanden
    1. atabalear
    2. patear
  3. 2. iets fijn maken door er een zwaar voorwerp op te laten belanden
    1. machacar
    2. machucar
    3. triturar
noun
  1. 1. moker
    maza
  2. 2. vijzelstamper
    1. pilón
    2. maja
  3. 3. vrouwelijk orgaan
    pistilo
adjective
1. zo vol dat het lijkt alsof het aangestampt is
abarrotado
noun
  1. A 2. sociale positie in de maatschappij
    1. clase
    2. estamento
    3. estatus
    4. rango
  2. A 1. hoe of waar iets staat
    posición
  3. B. plaats op een tentoonstelling
    puesto
adjective
1. als regel, normaal
estándar
noun
  1. 3. herkeningsvlag, onderscheidingsvlag
    1. bandera
    2. estandarte
    3. oriflama
  2. 1,4,5
    estándar
noun
electrodo estándar de hidrógeno
/ˈstɑn.dard.ˌɑf.wɛɪ̯.kɪŋ/, /ˈstɑn.dart.ˌɑf.ʋɛɪ̯.kɪŋ/, /ˈstɑn.dart.ˌɑf.β̞ɛː.kɪŋ/
noun
1. spreidingsmaat
desviación estándar
verb
1. alles onderwerpen aan een vooraf bepaalde standaard
estandardizar
noun
norma
noun
modelo estándar
noun
1. officieel vastgelegde taalvorm die binnen een bepaald gebied als de voorgeschreven norm geldt.
lengua estándar
noun
1. een kunstzinnige afbeelding vaak van een persoon in drie dimensies, meestal gehouwen in steen of gegoten in metaal
estatua
/stɑmplats/
noun
5. de plaats waar een voertuig of ander verkeersmiddel stilhoudt
parada
/stɑmpʌnt/
noun
1. Houding ten aanzien van een vraagstuk
  1. postura
  2. punto de vista
noun
1. snel uitgevoerde berechtiging (m.n. executies)
procedimiento sumarísimo
/stɑŋ/
noun
1. meestal metalen voorwerp in de vorm van een lange stijve cilinder
  1. barra
  2. vara
noun
1. een sterke, stinkende geur
  1. hedor
  2. fetidez
  3. mal olor
/stɑp/
noun
1. het plaatsen van de ene voet voor de andere bij het gaan
paso
adjective
  1. frenético
  2. loco
noun
  1. 3. een houten stokje ingeklemd tussen het boven- en onderblad van de klankkast van een snaarinstrument
    alma
  2. 1. een gestructureerde hoop spullen
    1. pila
    2. montón
noun
1.Twee bedden op elkaar
litera
verb
mirar fijamente
noun
  1. pista de aterrizaje
  2. pista de despegue
verb
1. iets op gang brengen
arrancar
noun
cable de emergencia
noun
  1. arrancador
  2. motor de arranque
noun
página de inicio
noun
punto de partida
pronoun
isla de los Estados
/staˈterijʏm/
noun
Estatérico
noun
estática
noun
1. reeds betaalde bijdrage die men weer terugkrijgt bij de inlevering van de verpakking (of een gebruiksvoorwerp)
SDDR
noun
botella del depósito
adjective
  1. majestuoso
  2. pomposo
  3. solemne
/sta.ˈsʲɔn/
noun
1. plaats waar voertuigen kunnen stoppen
estación
adjective
  1. 1.
    estacionario
  2. 2. bewegingloos
    1. estacionario
    2. inmóvil
adjective
estático
noun
estadística
adjective
1. cijfermatig berekend
estadístico
noun
het stilstaand gedeelte van een motor of generator
estator
noun
  1. 1. plaats in een vast geheel of een bepaald proces
    estatus
  2. 1.1 aanzien in de maatschappij
    1. grado
    2. rango
adjective
estatutario
noun
  1. estatuto
  2. reglamento
noun
confirmación
noun
estearato
noun
estearina
noun
  1. E570
  2. ácidos grasos
adjective
urbano
noun
munícipe
noun
diseño urbano
adverb
1. voortdurend
  1. siempre
  2. cada vez
noun
1. zeer smal straatje
pasadizo
noun
pasadizo
/steːk/
noun
1. een penetratie met een scherp puntig voorwerp
  1. picadura
  2. punzada
noun
1.
muestra estadística
noun
lechuga escarola
noun
1. een spel waarbij twee ridders elkaar met lansen trachtten uit het zadel te werpen
  1. justa
  2. torneo
noun
1.
  1. diablito
  2. carretilla de carga
  3. carro de carga
noun
cacerola
/sten/, /steːn/
noun
1. een harde stof, vaak op kiezel gebaseerd maar omvattende vele soorten
  1. piedra
  2. cálculo
adjective
  1. pedregoso
  2. pétreo
noun
1. vogel uit de familie der arendachtigen
  1. águila real
  2. águila caudal
pronoun
2. teken van de dierenriem van 22 december tot 20 januari
Capricornio
noun
1.1 bepaald soort zoogdier, Capra ibex
  1. íbice
  2. ibex
noun
1. bepaald soort vis Trisopterus luscus
faneca
noun
broca para piedra
noun
saxífraga
noun
litografías
verb
litografiar
noun
litografía
/ste.nɛi̯k/, /ste.nɛːk/, /sten.ʔɛi̯k/
noun
1. Quercus ilex; een boom uit de napjesdragersfamilie
  1. encina
  2. carrasca
  3. chaparra
  4. chaparro
adjective
gris piedra
noun
1.
cantera
verb
cantería
noun
cantero
noun
inglés chapurreado
noun
1. zwart-bruine stof die ontstaan is door plantenafzettingen en gebruikt wordt als energiebron
  1. hulla
  2. carbón de piedra
  3. carbón
noun
1. een kooi of gaaswerk van roestvrij materiaal, waarin losse brokken stenen bijeen worden gehouden
  1. gavión
  2. cestón
noun
forúnculo
noun
sopa de piedra
/ˈstentɛit/
noun
Edad de Piedra
noun
piedrecilla
/ˈstenœʏ̯ɫ/, /ˈsteːnœːl/
noun
1. bepaald soort vogel, Athene noctua
mochuelo
noun
vlezige vrucht waarvan het binnenste deel steenhard is
drupa
noun
lana de roca
noun
  1. halita
  2. sal de roca
noun
1. de kennis van het op verborgen wijze overbrengen van informatie
esteganografía
noun
2. werkvloerconstructie in de bouw
andamio
/stɛil/, /stɛːl/
adjective
1.
  1. escarpado
  2. empinado
noun
  1. esqueje
  2. estaca
/ˈste.kəl/
noun
1. een langwerpig, scherp stukje van bijvoorbeeld een plant of dier
  1. espina
  2. púa
noun
1. benaming voor kleine vissen met puntige doorns op de rug en de buik uit de familie Gasterosteidae
  1. espinosillo
  2. espinoso
/stekələx/
adjective
1. met stekels bezet
espinoso
noun
2. benaming voor planten uit het geslacht Acaena
acaena
noun
1. een groot knaagdier met stekelige vacht
  1. puercoespín
  2. puerco espín
verb
1. doorboren, prikken
apuñalar
noun
1. stekker
  1. enchufe
  2. clavija
verb
1. iets wegnemen van iemand en het zich wederrechtelijk toe-eigenen
  1. robar
  2. hurtar
  3. agafar
  4. furtar
noun
  1. 3. getimmerte ter ondersteuning
    andamio
  2. -
    1. banco
    2. caballete
adjective
  1. estelar
  2. astral
  3. sideral
noun
  1. reactor estelar
  2. stellarator
/'stɛləx/
adjective
1. met volle overtuiging en geen ruimte voor twijfel latend
  1. categórico
  2. cierto
  3. positivo
  4. seguro
noun
  1. 2. stijger
    andamio
  2. 1. een bewering die men als waarheid aangenomen wil zien worden
    1. tesis
    2. teorema
    3. proposición
noun
máxima
/stɛlsəl/
noun
  1. 1. een geordend geheel, samenstel van delen
  2. 2. een systeem
sistema
/stɛlt/
noun
zanco
noun
2. een waadvogel op lange poten
zancuda
noun
  1. 6. een keuze gemaakt door een stemmer (kiezer) bij een stemming (verkiezing)
    voto
    1. 1. het geluid dat door het trillen van de menslijke stembanden wordt geproduceerd
    2. 2. het geluid dat een mens bij het spreken voortbrengt
    1. voz
    2. voto
noun
1. geluidvoortbrengende plooien in het strottenhoofd
cuerda vocal
noun
1. een bus waarin ingevulde stemformulieren verzameld worden
urna
noun
1. stemhamer
  1. afinador
  2. instrumento afinador
/ˈstɛmɦɔkʲə/
noun
1. schrijfblad omringd door drie wanden waarbinnen een kiezer zich bij een verkiezing afzondert
cabina electoral
noun
1. een draaibare stift met draaiknop van een muziekinstrument
clavija
/stεmə(n)/
verb
  1. 2. een instrument op de juiste toonhoogte brengen
    concertar
  2. 3. iemand een bepaald gevoel geven
    1. inspirar
    2. poner
  3. 1. deelnemen aan een verkiezing
    1. votar
    2. balotar
adjective
  1. formal
  2. serio
  3. sobria
  4. sobrio
noun
  1. 1. een mentale of emotionele toestand
    estado de ánimo
  2. 2. het uitbrengen van de stem, bijvoorbeeld bij verkiezingen
    1. votación
    2. elección
/ˈstɛmpəl/, /ˈstɛmpəɫ/
noun
  1. A2. een afdruk van [1]
  2. A:1. voorwerp met een ingesneden oppervlak waarmee afdrukken gemaakt kunnen worden met inkt of in lak
sello
verb
  1. acuñar
  2. estampar en relieve
  3. sellar
  4. troquelar
noun
sufragio
noun
1. een draaibare stift met draaiknop van een muziekinstrument
clavija
noun
1. stemtoonhoogte
  1. diapasón
  2. la 440
/stɛmvɔrək/
noun
1. stemvork
diapasón
noun
1. langgerekt en stevig orgaan van een vaatplant dat water en voedingstoffen vervoert
  1. tallo
  2. tallo herbáceo
verb
1. met steenworpen doden
  1. lapidar
  2. apedrear
  3. matar a pedradas
noun
lapidación
/ˈstenijʏm/
noun
Esténico
noun
  1. estenografía
  2. taquigrafía
noun
1. iemand die stenografische verslagen maakt
estenógrafo
noun
  1. estenografía
  2. taquigrafía
noun
estenosis
verb
  1. estenografiar
  2. taquigrafiar
noun
  1. dactilógrafo
  2. taquimecanógrafo
noun
  1. dactilógrafa
  2. taquimecanógrafa
noun
1. vervoermiddel op twee wielen, (gedeeltelijk) met de voet aangedreven
patinete
noun
  1. almilla
  2. faja de señora
noun
1. grote boomloze vlakte in de zone van het Middellandse Zeeklimaat
estepa
noun
clima semiárido
noun
  1. 1. een hemellichaam, een gasbol die licht uitzendt door kernfusie
  2. 2. een beroemdheid
  1. estrella
  2. astro
noun
estereorradián
noun
  1. anís estrella
  2. anís estrellado
  3. badiana
  4. badián
noun
1. bepaald soort plant, Chrysophyllum cainito
  1. caimito
  2. cainito
  3. cauje
  4. estrella
  5. sapote caimito
noun
1.
estereoisómero
noun
estereoquímica
noun
fotografía estereoscópica
noun
estereometría
noun
estereoscopio
noun
estereoscopía
adjective
estereoscópico
noun
estereotipo
/ˈstɛrvbɛt/
noun
1. het bed waarop men sterft
lecho de muerte
noun
  1. día de la muerte
  2. fecha de la defunción
adjective
mortal
noun
1. het voorkomen van een gebeurtenis waarbij iemand overlijdt
fallecimiento
noun
casa mortuoria
/'sterftə/
noun
1. het aantal sterfgevallen in een bepaalde tijd of in bepaalde omstandigheden
mortalidad
noun
1. een getal dat aangeeft hoeveel sterfgevallen er in een gebied in een bepaalde tijd hebben plaatsgevonden
  1. tasa de mortalidad
  2. índice de mortalidad
noun
1. benaming voor overblijvende planten uit het geslacht Scilla
  1. cebolla albarrana
  2. escila
adjective
  1. 1. zonder microbiële besmetting, heel schoon
  2. 2. onvruchtbaar
estéril
/ˌsteriliˈzasi/, /ˌsterəliˈzatsi/
noun
1. een handeling waarmee alle ziektekiemen worden gedood
esterilización
verb
  1. 1. iets vrij maken van micro-organismen
  2. 2. onvruchtbaar maken
esterilizar
noun
1. onvruchtbaarheid
sterilidad
/stɛrk/
adverb
1. in sterke mate
  1. mucho
  2. muchísmo
verb
reconfortar
noun
A 1. bepaalde plant, Lepidium sativum
nastuerzo hortense
/'stɛrktə/
noun
  1. 2. grootte
    cantidad
  2. 1. de mate waarin iets sterk is
    1. fuerza
    2. vigor
noun
  1. análisis dafo
  2. análisis foda
noun
1.
  1. motor estrella
  2. motor radial
noun
1. benaming voor slanke meeuwachtige vogels uit de familie Sternidae
  1. golondrina de mar
  2. charrán
noun
red en estrella
noun
esterol
noun
esteroide
noun
constelación
noun
  1. ciello estrellado
  2. cielo nocturno
  3. espacio sideral
  4. firmamento estelífero
noun
  1. berro
  2. creson
  3. lepidio
  4. lepido
  5. mastuerzo
noun
1. kijker voor astronomische waarnemingen
telescopio
noun
1. wetenschap die de objecten in de ruimte bestudeert
astronomía
/stɛrən'kʏndəɣə/
noun
astrónomo
noun
1. een - vooralsnog hypothetisch - ruimtevaartuig in staat tot interstellair reizen
  1. astronave
  2. nave espacial
noun
  1. galaxia
  2. sistema solar
noun
observatorio
noun
astrólogo
noun
astrología
verb
1. overgaan van levende toestand naar dode toestand
  1. morir
  2. fallecer
  3. acabarse
verb
1. stervend
  1. moribundo
  2. muriendo
noun
moribundo
noun
  1. carambola
  2. carambolera
  3. fruta de estrella
  4. fruta estrella
/steto'skop/
noun
1. een medisch instrument waarmee men geluiden in het lichaam kan beluisteren
estetoscopio
/støn/
noun
  1. 2. morele of materiële hulp
    1. apoyo
    2. ayuda
  2. 1. iets om op te steunen
    1. apoyo
    2. respaldo
  3. 3. sociale uitkering
    seguro de desempleo
/'stønə(n)/
verb
  1. 1. een deel van de last op zich nemen, hulp verlenen
    1. apoyar
    2. ayudar
    3. respaldar
    4. auspiciar
  2. 2. ~ op: de last gedeeltelijk op iets leggen
    depender de
  3. 3. van vermoeidheid of pijn een kreunend geluid maken
    gemir
noun
  1. apoyadero
  2. punto de apoyo
noun
1. bepaald soort anadrome vis, Acipenser sturio
esturión
/ˈsteːvə(n)/
noun
roda
adjective
  1. 1. van aanzienlijk sterkte
    1. fuerte
    2. recio
    3. robusto
    4. sólido
    5. firme
    6. consistente
  2. 4. voedzaam (zonder verfijning)
    rustico
noun
camarero
noun
azafata
pronoun
1. derde grootste eiland van Nieuw-Zeeland, gelegen ten zuiden van het Zuidereiland en ervan gescheiden door de Straat van Foveaux
isla Stewart
adjective
edificante
verb
1. de grondslag voor iets leggen, iets instellen
fundar
noun
1. degene die iets grondvest
fundador
noun
2. zelfstandig vermogen met rechtspersoonlijkheid opgericht op de verwezenlijking...
fundación
noun
pegatina
/ˈstifkɪnt/
noun
1. een kind van iemands partner en zijn of haar vroegere partner
  1. hijastra
  2. hijastro
/ˈstif.mu.dər/
noun
1. latere levenspartner van vader dan de eigen moeder
madrastra
noun
1. echtgenoot van iemands moeder, die niet de eigenlijke vader is
padrastro
adjective
furtivo
noun
mosquita muerta
noun
oficio
pronoun
  1. 1. sterrenbeeld van de dierenriem
  2. 2. astrologisch teken
Tauro
/stiːr/
noun
toro
noun
encierro
/ˈstirənvɛxtər/
noun
1. een persoon die in een stierengevecht de stier uitdaagt, bevecht en uiteindelijk doodt
torero
noun
1. pin
  1. clavija
  2. pasador
noun
estigmatización
/stɛif/
adjective
  1. rígido
  2. tieso
  3. con rigor
noun
rigor
noun
almidón
/ˈstɛi̯xˌbøː.ɣəl/
noun
1. voetsteun voor de ruiter
  1. estribo
  2. estafa
/ˈstɛi̯ɣə(n)/
verb
1. naar boven gaan, toenemen
  1. subir
  2. ascender
noun
1. het stijgen, het hoger worden
  1. aumento
  2. subida
/stɛi̯l/
noun
  1. 1. handelswijze
    1. estilo
    2. aire
  2. 2. post
    poste
verb
baile de salón
noun
tropo
noun
1. leer van de uitdrukkingswijze en zijn middelen
estilística
noun
tieso
verb
  1. almidonar
  2. alentar
/ˈstɪkstɔf/
noun
1. een chemisch element en een kleurloos niet-metaal
nitrógeno
noun
dióxido de nitrógeno
noun
ciclo del nitrógeno
noun
narcosis de nitrógeno
verb
1. stileren van tekst
  1. estilizar
  2. redactar
noun
1. mes waarbij het lemmet uit het handvat kan klappen
  1. navaja automática
  2. estilete
noun
estilística
pronoun
1. de oceaan die ligt tussen Oost-Azië, Noord- en Zuid-Amerika en Australië
océano Pacifico
pronoun
1. dag na Goede Vrijdag en voor Pasen
Sábado Santo
verb
  1. estancar
  2. tranquilizar
noun
bodegón
/'stɪl.tə/
noun
silencio
verb
parar
noun
1. krachtige aanzet
estímulo
noun
estimulación
verb
1. maatregelen nemen om iets te bevorderen
  1. estimular
  2. animar
  3. impulsar
noun
1. bepaald soort zoogdier, Mephitis mephitis
mofeta
verb
1. een onaangename geur hebben
  1. heder
  2. apestar
  3. oler
adjective
  1. maloliente
  2. hediondo
noun
ocena
noun
  1. durio
  2. durián
  3. durión
  4. fruta del duriano
noun
punto
adverb
1. met grote precisie
puntual
noun
1. actievoering waarbij voorschriften en regels naar de letter gevolgd worden
huelga de celo
verb
estipular
noun
motor Stirling
noun
1. Kuehneromyces mutabilis
nameko entero
adjective
  1. aleatorio
  2. estocástico
pronoun
1. de hoofdstad van Zweden
Estocolmo
/stul/, /stuɫ/
noun
1. zitmeubel
silla
noun
  1. juego de las sillas
  2. juego de las sillas musicales
/'stulɣɑŋ/
noun
  1. 1.
    1. defecación
    2. deposición
  2. 2.
    1. deposición
    2. heces
/ˈstuɫpot/
noun
1. de poot van een stoel
pata de la silla
noun
1. een kabelbaan waarin je zittend een hoogte overbrugt
telesilla
noun
2. trottoir
acera
adjective
2. indruk maken door sterk te zijn of sterk proberen te zijn
machista
noun
1. een in een lange rij optrekkende groep mensen of dieren
comitiva
noun
  1. 1. materiaal, chemische verbinding
    1. materia
    2. sustancia
  2. 2. weefsel, textiel
    1. tela
    2. tejido
  3. 1. heel kleine deeltjes
    polvo
adjective
1. tot de materie behorend of eruit bestaand, materieel
material
adjective
polvoriento
adjective
gris polvo
noun
cantidad de sustancia
/'stɔfʋɪsəlɪɳ/
noun
1. het geheel van chemische processen dat gepaard gaat met het in leven zijn van een wezen
metabolismo
noun
enfermedad metabólica
noun
1. bepaald soort kruidachtige, vaste plant, Monotropa hypopitys
monótropa
noun
1. een elektrisch toestel dat stof en kleine deeltjes opzuigt
  1. aspiradora
  2. aspirador
noun
estequiometría
/stɔk/
noun
  1. palo
  2. bastón
noun
barra
/ˈstoː.kəˌbrɑnt/
noun
1. iemand die als een vuur de gemoederen of onrust aanwakkert
incendiario
verb
  1. 3. distilleren
    1. alambicar
    2. destilar
  2. calentar
noun
  1. bastoncito
  2. palito
noun
1. bepaald soort tweejarige plant met lange, houtachtige stengel en roosachtige bloemen
  1. malva loca
  2. malva real
  3. real rosa
noun
1. gedroogde kabeljauw of kabeljauwachtige vis, zoals heek, leng, lom, schelvis en koolvis
  1. bacalada
  2. bacalao
  3. bacalao seco
  4. pescadilla
/ˈstɔlə(n)/
verb
1. overgaan van een vloeibare naar een vaste toestand
coagularse
noun
solidificación
/ˈstɔlɪŋsɣəˌstentə/
noun
1. gesteente bestaande uit gestolde lava of gestold magma.
roca ígnea
noun
1. (glazen) klok
campana
adjective
  1. 3. dom
    1. estólido
    2. zote
    1. 1. geluidloos
    2. 2. niet in staat te spreken
    mudo
  2. 3. saai en waardeloos
    1. soso
    2. aburrido
noun
  1. 1. huidmondje, een opening in een blad waar gassen doorheen kunnen
  2. 2. een kunstmatige uitgang in het (menselijk) lichaam
estoma
verb
  1. 3. etenswaar garen door het in hete stoom te hangen
    1. cocer al vapor
    2. cocinar al vapor
  2. 1. iets ter reiniging en desinfectie met stoom bewerken
    lavar en seco
  3. 2. zichtbaar waterdamp afgeven
    vaporizar
noun
  1. limpieza en seco
  2. tintorería
noun
1.
mudo
noun
  1. 1. dom persoon
    1. bobo
    2. tonto
  2. 2. iemand die domme dingen doet
    1. manazas
    2. torpe
noun
1. iemand die ergerlijk stom doet
  1. cretino
  2. imbécil
  3. tonto
noun
een bijzonder onverstandige daad
  1. estupidez
  2. necedad
  3. tontería
adjective
1. een pijnlijke stoot met de gebalde vuist
  1. metido
  2. puñada
  3. puñetazo
noun
  1. muñones
  2. restos
noun
1. stoofschotel, stoofgerecht
  1. estofado
  2. guisado
  3. guiso
noun
1. een brandstof waarmee men verwarmingsketels stookt
gasóleo
noun
1. schouderband van priester
estola
noun
vapor
noun
1. warme ruimte
baño de vapor
noun
1. een schip dat met behulp van stoom wordt voortbewogen
  1. barco de vapor
  2. buque de vapor
noun
caldera de vapor
noun
vaporera
noun
1. een locomotief die wordt aangedreven door een stoommachine
locomotora de vapor
noun
1. een machine die door middel van stoom drijfkracht ontwikkelt
máquina de vapor
noun
  1. horno cocedor a vapor
  2. horno de vapor
noun
1.
bomba de vapor
noun
1. een schip dat voortgedreven wordt middels een stoommachine
barco de vapor
noun
tren de vapor
noun
turbina de vapor
noun
1. door stoom voortbewogen weg wals
apisonadora a vapor
noun
1. afwezigheid of afwijking van een functie die tot de normale menselijke ontwikkeling behoort
  1. disfunción
  2. estorbo
  3. impedimento
noun
trastorno dismórfico corporal
noun
1. grote slagtand
colmillo
noun
  1. 4. besluit om groei of toename te stoppen
    cesación
  2. 1. zekering
    1. fusible
    2. plomo
  3. 2. halte
    parada
  4. 3. voorwerp dat een opening kan afsluiten
    tapón
noun
enchufe
/ˈstɔplɪxt/
noun
1. een installatie die middels gekleurde lichten het verkeer op een kruispunt regelt
  1. semáforo
  2. luz de tráfico
noun
rastrojo
/ˈstɔ.pɔɫ.ˌbart/, /ˈstɔ.pəl.ˌbard/, /ˈstɔ.pəɫ.ˌbart/
noun
1. een baard waarvan de haren slechts enkele millimeters lang zijn, alsof deze pas een à twee dagen oud is
barba de varios días
verb
3. doen halthouden
  1. detener
  2. parar
  3. atajar
  4. meter
/'stɔpər/
noun
1. een voorwerp waarmee iets afgestopt of afgesloten kan worden
tapón
noun
parada
noun
masilla
verb
  1. inmovilizar
  2. parar
noun
1. welriekende harsachtige stof verkregen van de storaxboom
estoraque
noun
estoraque
noun
1. zonnegordijn aan de binnenkant van een venster, rolgordijn
persiana
/ˈstorə(n)/
verb
1.het functioneren nadelig beïnvloeden
  1. estorbar
  2. interferir
noun
1. een hinderlijke onderbreking, een bepaald proces wordt onderbroken of bemoeilijkt
  1. perturbación
  2. interrupción
noun
1. erg harde wind
  1. tempestad
  2. tormenta
  3. borrasca
  4. vendaval
noun
linterna
noun
een toestel, balk, e.d. om een deur, poort te forceren
ariete
noun
tiempo tempestuoso
verb
  1. 2. geld in een rekening inbrengen
    1. depositar
    2. remitir
  2. 1. van enige hoogte ergens in laten vallen
    verter
noun
1. het storten van geld op een bankrekening
depósito
noun
  1. basurero
  2. vertedero
verb
1. met een korte snelle beweging (weg)duwen
empujar
/stɑu̯t/
adjective
  1. 2. zonder angst
    1. atrevido
    2. osado
  2. 4. seksueel prikkelend
    pícaro
  3. 1. in overtreding van een gestelde regel, met onvoldoende respect
    travieso
verb
1. over een vrij laag vuur iets afgesloten in enig vocht gaar laten worden
  1. estofar
  2. brasear
  3. guisar
noun
1. een wijsbegeerte die leert slechts de rede te volgen en de hartstochten uit te bannen
estoicismo
/straɫ/, /ˈstral/
noun
  1. 1. de lijn van middelpunt naar omtrek
    radio
  2. 2. een bundel elektromagnetische straling
    rayo
noun
1.
propulsión a chorro
noun
refracción
noun
tobera
noun
1. jachtvliegtuig met straalmotor
  1. avión a reacción
  2. caza a reacción
  3. reactor militar
noun
  1. motor de reacción
  2. reactor
/strat/
noun
  1. 1. een weg tussen de huizen in een bewoonde plaats
    1. calle
    2. arroyo
  2. 2. een smalle doorgang tussen twee zeeën
    estrecho
pronoun
1.
Estrecho de Gibraltar
noun
esquina
/ˈstracjə/, /ˈstratjə/
noun
1. verkleinwoord van straat
  1. callejón
  2. callejuela
noun
niño de la calle
noun
1. de naam die aan een straat gegeven wordt voor de herkenbaarheid
nombre de la calle
noun
1. informele, soms ruwe taal met veel invloed uit talen van immigranten,...
  1. jerigoncio
  2. jerigonza
  3. jeringozo
noun
1. onprettige maatregel of behandeling ter vergelding van een misdaad of overtreding
  1. castigo
  2. pena
  3. penitencia
noun
banquillo
noun
penal
adjective
impune
/ˈstrɑfə(n)/
verb
1. negatieve consequenties verbinden aan een als verkeerd geziene daad
  1. castigar
  2. penar
noun
  1. cárcel
  2. penal
  3. prisión
noun
colonia penal
noun
sanción
noun
indulgencia
noun
castigo
noun
  1. juicio penal
  2. proceso penal
noun
punto de penalización
/'strɑfrɛxt/
noun
1. het geheel van rechtsregels waarmee bepaalde handelingen strafbaar worden gesteld
derecho penal
adjective
criminal
noun
1. directe vrije trap
penalti
noun
1. gedeelte van het voetbalveld
área de penalti
noun
1. een rechtszaak die door de strafrechter behandeld wordt
causa criminal
adjective
  1. 1. nauwzittend
    1. ajustado
    2. estrecho
  2. 4. zonder franje
    depurado
  3. 3. streng
    estricto
adverb
  1. 3. een korte tijd geleden
    1. ahora mismo
    2. hace un momento
  2. 1. op een later moment
    1. después
    2. luego
/ˈstralə(n)/
verb
  1. 1. straling uitzenden
    1. brillar
    2. radiar
  2. 3. een heel blije uitdrukking op het gezicht hebben
    resplandecer
noun
  1. aureola
  2. nimbo
noun
emisor
noun
radiación
noun
1. Strook land langs de kust
playa
noun
balón de playa
verb
1. aan de grond vastlopen
  1. abarrancar
  2. encallar
noun
1. Mya arenaria
arola
/straˈteɣ/
noun
1. een persoon die strategieën uitwerkt
estratega
noun
1. een plan om iets te bereiken
estrategia
noun
1. racecircuit voor auto's of motorfietsen op de openbare weg
circuito de carreras callejero
noun
1. verdeling in lagen
estratificación
noun
estratopausa
noun
estratosfera
noun
1. een kegelvormige vulkaan met traagvloeibare lava
estratovolcán
noun
estrato
noun
  1. 2. een handige manipulatie
    1. artificio
    2. jugarreta
    3. truco
  2. 1. een gebied met een eigen karakter
    1. región
    2. comarca
    3. zona
noun
  1. 4. koppelteken
    guión
  2. 1. een min of meer rechte getrokken lijn of lijnstuk
    linea
    1. 2. lijnvormig patroon
    2. 3. (figuurlijk) begrenzing die niet overtreden dient te worden, schreef
    raya
noun
  1. 2. typografisch teken "-"
    guion
  2. 1.
    rayita
verb
  1. estirar
  2. extender
  3. tender
noun
2. bedoeling
  1. finalidad
  2. intención
  3. objeto
  4. tendencia
verb
  1. 1. zachtjes met de hand over iets of iemand strijken
    acariciar
  2. 2. zichzelf zachtjes aaien
    acariciarse
noun
1. een uiting van tederheid
caricia
noun
oplossing die spijsverteringsenzymen bevat
cuajo
adverb
1. zonder ruimte voor tegenspraak
  1. adusto
  2. austero
  3. inclemente
  4. severo
noun
4. riem waarmee een trekdier voor een wagen wordt gespannen
tirante
verb
  1. bobinar
  2. enrollar
  3. envolver
noun
estreptomicina
noun
1. spanning, geestelijke druk.
estrés
verb
estresar
noun
trastorno por estrés
noun
het willen bereiken van een doel
  1. afán
  2. aspiración
  3. procura
verb
1. een doel willen bereiken
  1. procurar
  2. afanarse
  3. esforzarse
noun
estenosis
verb
azotar
noun
  1. 2. een militair treffen
    1. combate
    2. acción
    3. batalla
  2. 1. een handgemeen
    lucha
adjective
luchador
noun
  1. hacha de combate
  2. hacha de guerra
  3. tomahawk
verb
1. ondanks weerstand een doel proberen te bereiken
  1. luchar
  2. pelear
  3. batallar
  4. combatir
noun
1. een persoon die strijdt
combatiente
adjective
  1. contradictorio
  2. contrario
noun
1. een slagwapen in de vorm van een metalen staf met een versterkte kop
maza
noun
  1. grito de batalla
  2. grito de guerra
adjective
  1. batallador
  2. combativo
  3. guerrero
noun
1. afgeperkt terrein ...
  1. arena
  2. redondel
noun
luchadora
noun
carro de guerra
verb
  1. 3. iets laten zakken
    arriar
  2. 2. wasgoed desinfecteren en gladmaken met hulp van een heet ijzer, een strijkijzer
    planchar
  3. 1. over een oppervlak laten glijden
    rozar
/ˈstrɛɪ̯.gɛɪ̯zər/, /ˈstrɛɪ̯k.ʔɛɪ̯zər/, /ˈstrɛː.kɛːzər/
noun
1. een huishoudelijk gereedschap dat gebruikt wordt om textiel glad te strijken
plancha
noun
1. een constructie waarmee de snaren van een strijkinstrument in trilling gebracht worden
arco
noun
  1. 2. strook
    1. cinta
    2. cubierta
    3. faja
  2. 1. een boek met een verhaal in beeldvorm
    1. historieta
    2. tebeo
noun
1. een boek met een verhaal in beeldvorm
  1. tebeo
  2. historieta
verb
1. het zich ontdoen van alle kleding of een groot deel van de kleding die het lichaam bedekt, vaak met een erotische bijbedoeling
hacer strip-tease
noun
novela gráfica
noun
1. getekend verhaal met korte teksten
tebeo
/stro/
noun
1. droge bloeistengels van graangewassen
paja
noun
1. kruidachtige overblijvende plant met grijs-groene bladeren aan lange stelen, Helichrysum arenarium
  1. antenaria
  2. meaperros
  3. siempreviva amarilla
  4. siempreviva de los arenales
  5. yesquera
noun
estroboscopio
noun
  1. copla
  2. estrofa
adjective
1. met een gele kleur die lijkt op de kleur van stro
amarillo pajizo
noun
1. hoed
  1. canotier
  2. sombrero de paja
verb
1. in overeenstemming zijn met
concordar
/'stromən/
verb
1. voortbewegen van vloeistoffen
  1. correr
  2. fluir
  3. afluir
/'stromɪŋ/
noun
  1. 1. voortbewegen van een vloeistof
    corriente
  2. 2. bepaalde beweging die zekere denkbeelden gemeen heeft
    tendencia
noun
  1. dinámica de fluidos
  2. mecánica de fluidos
noun
  1. cabo
  2. muñón
  3. resto
noun
  1. mierda
  2. excremento
noun
iemand die domme dingen doet
cabeza de mierda
noun
1. scheikundig element met symbool Sr en atoomnummer 38
estroncio
noun
1. zweertje op het ooglid
orzuelo
verb
  1. desparramar
  2. echar
  3. verter
noun
  1. 2. strook stof of papier
    1. cinta
    2. faja
    3. faralá
    4. tira
    5. volante
  2. 1, strook
    1. cinta
    2. tira
    3. faja
    4. lista
/ˈstroklɑt/
noun
  1. flexicurva
  2. plantilla de Lesbos
  3. regla de Lesbos
/stroːm/
noun
  1. 2. elektriciteit
    corriente
  2. 1. rivier, beek
    río
noun
1. een ideale stroombron levert een stroom waarvan de grootte onafhankelijk is van de belasting
fuente de energía
noun
1.stroomsterkte per eenheid stroomgeleidend oppervlakte
  1. densidad de corriente
  2. intensidad de la corriente
noun
1. elekriciteitsdraad
hilo conductor
noun
cuenca
noun
1. materiaal met een naar verhouding hoog aantal beweeglijke ladingsdragers, waardoor het een elektrische stroom makkelijk doorlaat
conductor
noun
1. een circuit waarin een elektrische stroom rond vloeit
circuito
noun
1. denkbeeldige kromme lijn ...
línea de corriente
verb
1. iets een zodanige vorm geven dat de luchtweerstand beperkt wordt
aerodinamizar
noun
arma de electrochoque
noun
transformador de corriente
noun
apagón eléctrico
noun
  1. distribuidor (de encendido)
  2. rotor
noun
conmutador
noun
1. dikke, viskeuze, geconcentreerde vloeistof waarin een grote hoeveelheid suikers zijn opgelost
almíbar
noun
gofre de caramelo
noun
2. zakelijk avontuur dat tot groot verlies lijdt
  1. chasco
  2. fiasco
  3. fracaso
noun
corbata
noun
  1. fimbria
  2. franja
noun
  1. garganta
  2. laringe
noun
1. een dun, dekselachtig kraakbeenklepje, bedekt met een slijmvlies, dat zich aan de basis van de tong bevindt
epiglotis
noun
laringe
noun
1.
  1. colchón de paja
  2. jergón de paja
noun
estructuralismo
adjective
1. met betrekking tot de opbouw van een geheel
estructural
verb
estructurar
/strʏkˈtyr/
noun
de interne opmaak van een geheel
estructura
noun
tortilla
noun
1. heester
arbusto
verb
1. het evenwicht verliezen doordat men met de voet verstrikt raakt
tropezar
noun
1. begroeiing die bestaat uit bij elkaar staande planten met houtige stengels die zich al direct boven de grond vertakken
  1. matorral
  2. broza
noun
1. bepaald soort in heel Europa voorkomende plant, Calluna vulgaris
  1. brezo
  2. biércol merino
  3. brezo común
  4. bereza
  5. bermeja
  6. biércol
noun
1. iemand die vanuit een hinderlaag reizigers berooft
salteador de caminos
adjective
  1. resistente
  2. robusto
noun
avestruz
/ˈstrœʏ̯sˌfoχɔɫ/, /ˈstrœːsˌfoːɣəl/, /ˈstrœːzˌvoːɣəl/
noun
1. Struthio camelus, grote loopvogel, die niet kan vliegen
avestruz
noun
1. krop
bocio
noun
estruvita
noun
1. zeer vergiftig alkaloïde
estricnina
noun
estuco
noun
1. een ruimte om te studeren
estudio
noun
1. iemand die hoger onderwijs volgt
estudiante
noun
consejo estudiantil
verb
1. het volgen van een opleiding en verwerven van kennis als voornaamste bezigheid
estudiar
noun
1.
estudio
noun
beca
noun
libro de texto
noun
  1. 1. werkplaats van een beeldend kunstenaar
  2. 2. plaats waar geluidsopnamen, films of televisie- of radioprogramma's gemaakt worden
  3. 3. een eenkamerappartement
estudio
noun
goma
noun
1.
polen
noun
1. een abnormale (gesynchroniseerde) ontlading van zenuwcellen (neuronen) in de hersenen
convulsión
/'stœyptrɛkɪŋ/
noun
1. stuipachtige beweging
convulsión
noun
  1. coxis
  2. cóccix
noun
1. onderste deel van de ruggengraat, de laatste vier vergroeide ruggenwervels
cóccix
/ˈstœʏ̯.tə(n)/, /ˈstœː.tə(n)/
verb
1. een beweging tot staan brengen
  1. parar
  2. atajar
verb
rebotar
verb
  1. brotar
  2. hacer polvo
  3. polvorear
  4. surgir
noun
penique
/stɵk/
noun
1. deel
  1. pieza
  2. trozo
  3. pedazo
noun
1. Soort bouwvakker
  1. estucador
  2. estuquista
verb
  1. enlucir
  2. revocar
verb
  1. quebrar
  2. romper
verb
1. ophouden te functioneren al of niet door te breken
  1. estropearse
  2. romperse
noun
1.
  1. parte
  2. pedazo
  3. pieza
  4. trocito
noun
1. eenvoudig woninkje
cabaña
adjective
mísero
noun
  1. artificio
  2. truco
noun
especialista de cine
adjective
1. dom, bot, stompzinnig
stúpido
noun
onverstandigheid, onverstandige/ondoordachte daad
  1. estupidez
  2. necedad
  3. tontería
/'styːrə(n)/
verb
  1. 2. het stuur van een auto bedienen.
    conducir
  2. 6. [een persoon] ergens heen doen gaan
    1. enviar
    2. mandar
  3. 1. de richting bepalen waarin een schip zich voortbeweegt.
    gobernar
  4. 5. zorgen dat [een toestel] de gewenste taken uitvoert.
    manejar
verb
1. iets door het plaatsen van een steun voor omvallen behoeden
  1. sostener
  2. acodalar
  3. acodar
  4. apuntalar
/styːr/
noun
1. een hulpmiddel waarmee een bestuurder richting kan geven aan een voertuig
volante
noun
1. de rechterzijde als men vanop een schip naar de boeg kijkt
estribor
noun
  1. timonera
  2. cámara del timón
noun
1. knuppel of stok waarmee gestuurd kan worden in een vliegtuig
palanca
noun
1. iemand die een vaartuig bestuurt
timonel
noun
1. een stuk software dat een verbinding legt tussen de hardware en het besturingssysteem
controlador de dispositivo
adjective
  1. bronco
  2. brusco
  3. con brusquedad
noun
1. vaste of regelbare waterkering
presa
/stywadɔːr/
noun
1. degene die verantwoordelijk is voor het gebalanceerd laden en lossen van schepen
estibador
noun
1. waterkering voor energiewinning
presa
verb
  1. estibar
  2. interceptar
  3. propulsar
noun
1. kunstmatig meer
  1. embalse
  2. pantano
noun
estireno
adjective
subalterno
adjective
subatómico
noun
partícula subatómica
noun
subcontinente
noun
subcultura
noun
subdominant
subdominante
noun
subducción
adjective
sujeto
adjective
subjetivo
noun
subjetividad
noun
1. een werkwoordswijs waarmee men een wens of onzekerheid tot uitdrukking kan brengen.
subjuntivo
adjective
  1. exquisito
  2. sublime
noun
sublimado
noun
2. het proces waarbij een vaste stof overgaat in zijn dampfase
sublimación
verb
sublimar
noun
sublimación
adjective
subliminal
noun
subordinación
noun
subprime
noun
subrutina
noun
subscripción
/sʌpsidi'ɛr/
adjective
subsidiario
noun
subsidiariedad
noun
principio de subsidiariedad
noun
1. door de overheid beschikbaar gestelde fondsen bedoeld om een prijs te verlagen...
  1. subsidio
  2. subvención
verb
1. van overheidswege financiële hulp voor een bepaalde activiteit, ver- of aankoop verlenen
subvencionar
noun
subsistencia
noun
1. stof (stoffen)
  1. substancia
  2. sustancia
adjective
  1. substancioso
  2. sustanciosa
  3. sustancioso
noun
1. zelfstandig naamwoord
  1. sustantivo
  2. substantivo
verb
  1. substantivar
  2. sustantivar
verb
  1. reemplazar
  2. remplazar
  3. substituir
noun
1. vervanging
sustitución
noun
1. ondergrond
  1. substrato
  2. sustrato
noun
1. taal die in eerste instantie werd gesproken binnen een gemeenschap of gebied waar nu een andere taal de omgangstaal is
  1. substrato lingüístico
  2. sustrato lingüístico
/sʌp'til/
adjective
  1. 1. alleen bij nauwkeurig toezien of voor fijn gevoel waar te nemen of te begrijpen
    sutil
  2. 2. fijn onderscheidend, scherpzinnig
    1. sutil
    2. delicado
    3. refinado
noun
sutileza
adjective
sustractivo
adjective
subtropical
adjective
1. gezagsondermijnend
subversivo
noun
1. gewenste resultaat van een opzet
éxito
noun
sucesión
adjective
  1. sucesivo
  2. consecutivo
noun
  1. impuesto de sucesión
  2. impuesto sobre sucesiones
adjective
1. succes hebbend
  1. afortunado
  2. logrado
  3. coronado de éxito
adjective
suculento
pronoun
1. hoofdstad van het Boliviaans departement Chuquisaca
Sucre
/suˈdɑn/
pronoun
land in Noordoost Afrika, officieel de Republiek Sudan
Sudán
verb
hervir
noun
1.het gemis aan helderheid van geest
aturdimiento
noun
1. een woorddeel dat achter de stam van een woord gevoegd wordt
sufijo
verb
1. een suggestie doen
  1. sugerir
  2. sugestionar
/sʏˈxɛsti/
noun
1. hetgeen dat voorgesteld wordt
  1. sugestión
  2. sugerencia
adjective
sugestivo
noun
1. zoetstof
azúcar
noun
  1. Atis
  2. anona blanca
  3. anona del Perú
  4. anón
  5. chirimoya verrugosa
  6. manzana azucarada
noun
1. bepaalde ondersoort van de biet waaruit bietsuiker gewonnen wordt
remolacha azucarera
noun
  1. 2. snoepje in de vorm van een boon
    almendra garapiñada
  2. 1. sperzieboon
    judía verde
noun
  1. 2. groente
    escarola
  2. 1. uit suiker, kaneel, eieren en bloem samengesteld brood
    pan de azúcar
pronoun
  1. Eid al-Fitr
  2. Eid ul-Fitr
noun
1. blokvormig stukje kristalsuiker
  1. terrón de azúcar
  2. azucarillo
noun
1. een vaatje bedoeld om een voorraadje suiker op tafel te brengen
azucarero
noun
1. een rietsoort die verbouwd wordt vanwege zijn suikergehalte en waaruit rietsuiker gewonnen wordt
  1. caña de azúcar
  2. caña
noun
glucemia
/ˈsœʏkərˌspɪn/, /ˈsœːkərˌspɪn/
noun
1. lekkernij bestaande uit een hoeveelheid gesponnen suiker aan een stokje
algodón de azúcar
noun
metabolismo de carbohidratos
noun
  1. melaza
  2. melaza de azúcar
noun
agua azucarada
noun
1. stofwisselingsziekte waarbij het bloed een te hoog gehalte aan suiker bevat
diabetes
noun
suite
pronoun
  1. Célebes
  2. Sulawesi
noun
sulfato
noun
sulfuro
noun
1. een organische verbinding met een sulfonamide functionele groep
sulfamida
noun
1.een organische verbinding die een sulfonylgroep gekoppeld aan een ureumgroep bevat
sulfonilurea
noun
1., 2. en 3. (gedroogde vrycht van) een variëteit van de druif Vitis vinifera
  1. sultanina
  2. sultana
  3. pasa de Esmirna
noun
pasa sultana
pronoun
Sumatra
adjective
sumario
adjective
sucinto
noun
  1. apogeo
  2. colmo
noun
gasolina súper
/ˈsypərbɛnˌzinə/
noun
gasolina súper
noun
supercomputadora
noun
superfluidez
noun
1. afwezigheid van elektrische weerstand
superconductividad
noun
2. radio-ontvanger
receptor superheterodino
adjective
superior
noun
jefe
noun
superioridad
noun
superlativo
noun
1. een staat die zoveel macht heeft dat ze de wereldpolitiek beslissend kan beïnvloeden
superpotencia
noun
supermercado
noun
het verschijnsel waarbij een ster op spectaculaire wijze explodeert
supernova
noun
superóxido
noun
  1. sobrepelliz
  2. roquete
noun
superposición
noun
principio de superposición
adjective
supersónico
noun
supersimetría
noun
1. toezicht dat tevens het geven van leiding inhoudt
supervisión
noun
1. iets dat als aanvulling toegevoegd wordt
suplemento
adjective
  1. adicional
  2. suplementario
  3. supletorio
adjective
  1. suplementario
  2. supletorio
verb
suplicar
noun
1. iemand die een bepaalde club steunt
  1. fan
  2. hincha
noun
1. zetpil, pil die via de anus wordt ingebracht
supositorio
noun
supresión
noun
1. ettering
supuración
noun
1. samenwerking en besluitvorming tussen verschillende staten
supranacionalidad
noun
supremacía
/ˈsʏrvə(n)/
verb
2. zich op het internet begeven
navegar
noun
surfista
noun
1. een plank waarop men surft
windsurf
noun
surimi
noun
dólar surinamés
/ˌsy.ri.ˈna.mə/
pronoun
1. een land in Zuid-Amerika
Surinam
noun
1. overschot
excedente
/sʏrˈpriːzə/
noun
1. een op een speciale manier ingepakt cadeau
sorpresa
noun
surrealismo
noun
  1. substitutivo
  2. sucedáneo
noun
moratoria
noun
1. iemand die tijdens een examen surveilleert
vigilante
/ˌsʏrvɛ'jerə(n)/
verb
1. toezicht houden
vigilar
adjective
susceptible
noun
susceptibilidad
noun
suspensión
adjective
suspensivo
pronoun
1. een Bantoetaal die veel gesproken wordt in Oost-Afrika
  1. suajili
  2. swahili
pronoun
1. stad in Namibië
Swakopmund
noun
esvástica
/ˈswa.zi.ˌlɑnd/, /ˈsʋa.zi.ˌlɑnt/, /ˈsβ̞a.zi.ˌlɑnt/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel het Koninkrijk Swaziland
  1. Suazilandia
  2. Swazilandia
noun
lilangeni suazi
noun
een sportieve katoenen trui
suéter
verb
  1. blandir
  2. tremolar
noun
sífilis
adjective
silabario
adjective
silabario
noun
1. een logische redenering waaruit een conclusie afgeleid wordt
silogismo
noun
simbiosis
noun
simbolismo
verb
1. een betekenis hebben die verwijst naar
simbolizar
noun
1. Teken
símbolo
noun
sinfonía
noun
simetría
/si'metris/
adjective
1. aan twee zijden, bijvoorbeeld spiegelbeeldig gelijk
simétrico
noun
1. middel met opwekkende werking van het autonoom zenuwstelsel
simpaticomimético
noun
1. een gevoel van toegenegenheid
simpatía
adjective
  1. con simpatía
  2. simpatizante
noun
simpatizante
verb
  1. simpatizar
  2. congeniar
/sɪmˈpoziəm/
noun
1. een wetenschappelijke samenkomst waarop verschillende wetenschappers een lezing houden over een bepaald onderwerp
  1. simposio
  2. coloquio público
adjective
1. met betrekking tot ziekteverschijnselen
sintomático
noun
sintomatología
noun
1. ziekteverschijnsel
síntoma
noun
1. gebedshuis van joden.
sinagoga
noun
sinapsis
noun
sincronización
adjective
sincrónico
adjective
sincrónico
verb
natación sincronizada
noun
  1. sincrociclotrón
  2. sincrotrón
noun
  1. 2. verlegging van de maataccenten
    síncopa
  2. 3. wegval van middenklank
    1. síncopa
    2. síncope
  3. 1. plotseling bewustzijnsverlies
    síncope
noun
sincretismo
noun
sindicato
noun
sindicalismo
verb
sindicar
/sɪnˈdrom/
noun
1. ziektebeeld
síndrome
phraseologicalUnit
síndrome de Asperger
noun
sinécdoque
noun
1. situatie waarbij het samengaan van delen groter is dan de som der delen
sinergia
noun
gas de síntesis
noun
sínodo
noun
1. gelijkbetekenend woord
sinónimo
noun
een beknopte weergave, een overzicht
sinopsis
adjective
sinóptico
noun
sinovia
adjective
sintáctico
/sɪnˈtɑksəs/
noun
  1. 2.
  2. 1.
sintaxis
noun
1. samenstelling
síntesis
noun
gas de síntesis
noun
sintetizador
adjective
1. op kunstmatige manier gefabriceerd
sintético
verb
sintetizar
noun
synth pop
noun
libra siria
noun
  1. alharma
  2. harmala
  3. venera
/ˈsi.ri.jə/, /ˈzi.ri.jə/
pronoun
1. een land in het Midden-Oosten, officieel de Arabische Republiek Syrië
Siria
/siˈstem/
noun
1. een uit meerdere interagerende onderdelen bestaand stelsel...
sistema
noun
analista de sistemas
noun
  1. 1. een interdiscipline tussen informatie en bedrijfskunde, gericht op het analyseren van systemen, voorafgaande aan reorganisatie en of automatisering van bedrijfsprocessen
  2. 2. een werkwijze om verschijnselen te bestuderen voorafgaande aan de ontwikkeling van informatiesystemen
análisis de sistemas
noun
administrador de sistema
noun
  1. biología de sistemas
  2. biología sistémica
noun
pensamiento sistémico
noun
propiedad del sistema
noun
1. de tak van wetenschap die het samenspel in organisaties en hun relatie met hun omgeving bestudeert
ingeniería de sistemas
noun
diseño de sistemas
noun
1. de theorie over de systematische beschouwing van systemen in de natuur, wetenschap en of maatschappij
teoría de sistemas
noun
1.
terapia sistémica
noun
1. de wetenschap en wetenschappen gebaseerd op het systeemdenken.
ciencia de sistemas
noun
1. een aangebrachte ordening
sistemática
verb
1. het stelselmatig ordenen volgens een vooropgezet systeem
sistematizar
noun
1. een aangebrachte ordening
sistematizacíon
adjective
sistémico
noun
1. dun kledingstuk voor het bovenlichaam met korte mouwen en zonder kraag
  1. camiseta
  2. polera
pronoun
1.
Tajo
noun
1. een erfelijke aandoening van de exocriene klieren, gekenmerkt door de afscheiding van taai (visceus) slijm (mucus)
fibrosis quística
/taːk/
noun
1. een te verrichten werk
  1. tarea
  2. faena
/taːl/
noun
1. systeem van spraakklanken door middel waarvan mensen met elkaar communiceren en de schriftelijke...
  1. lengua
  2. idioma
  3. lenguaje
noun
1. een achterstand in de beheersing van de taal
retraso lingüístico
noun
1. een advies rond taalkundige kwesties
consejo lingüístico
adjective
1. een gebrekkige taalbeheersing en woordenschat hebbend
de lenguaje pobre
noun
1. een gebrekkige ontwikkeling van de taalbeheersing en de woordenschat
pobreza lingüística
/talɑtlɑs/
noun
1. een verzameling van taalkaarten of dialectkaarten
atlas lingüístico
noun
1. een belemmering in de communicatie, veroorzaakt door het verschil in taal
barrera lingüística
/ˈtaːlbəˌɦeːrsɪŋ/
noun
1. het vermogen zich te kunnen uitdrukken in een of meer talen
dominio del idioma
noun
libro de lengua
noun
1. een cursus met als doel, het aanleren van een taal
curso de idioma
noun
1. uitdrukkingen en zegswijzen uit een bepaalde taal
  1. modismo
  2. usos idomáticos
noun
1. talengroepen die een zelfde voorgeschiedenis hebben
  1. familia de lenguas
  2. familia lingüístical
noun
filosofía del lenguaje
/talfɔut/
noun
1. een fout tegen de grammatica van een taal
  1. error gramatical
  2. falta gramatical
noun
  1. 2. een geheel van zaken die op taal betrekking hebben
    dominio del idioma
  2. 1. een gebied waar een bepaalde taal gesproken wordt
    región lingüística
noun
1. de manier...
lenguaje
noun
comunidad lingüística
noun
1. de geschiedenis van de talen
historia lingüística
/ˈtalɣəˌvul/, /ˈtaɫχəˌvuɫ/
noun
1. het vermogen om het juiste gebruik van een taal aan te voelen
capacidad lingüística
noun
1. grens van een taalgebied
frontera lingüística
/ˈtaɫɣrup/
noun
2. een groep mensen die dezelfde taal spreken
grupo lingüístico
noun
1. performatief taalgebruik
acto de habla
noun
1. geografische kaart waaop de verschillende talen worden aangeduid
mapa lingüístico
/ˈtalklɑŋk/
noun
1.
fonema
noun
1. wetenschap
lingüística
adjective
1. volgens de regels van de taalkunde
lingüístico
noun
1. een beoefenaar van de taalkunde
lingüista
noun
1. een les met als doel, het aanleren van een taal
curso de idioma
noun
1. het verschaffen van taallessen
enseñanza de la lengua
noun
purismo lingüístico
/ˈtalstrɛːit/, /ˈtalstrɛːt/
noun
1. een strijd om de talen die in een bepaalde situatie gebruikt moeten worden of de wijze waarop de taal gebruikt moet worden
conflicto lingüístico
noun
1.
tipología lingüística
noun
unión de la lengua
noun
1. de vaardigheid van een vlot gebruik van de taal
dominio del idioma
noun
cambio lingüístico
noun
1. achteruitgang van een taal vooral op gebied van woordenschat
empobrecimiento de la lengua
noun
1. de vooruitgang van een taal op gebied van taaleigen woordenschat en uitdrukkingen
enriquecimiento de la lengua
noun
  1. adquisición del lenguaje
  2. adquisición lingüísta
noun
1. de wetenschap die taal als onderzoeksobject heeft
lingüística
noun
1. een beoefenaar van de taalkunde
lingüista
noun
purismo lingüístico
/taːrt/
noun
1. cirkelvormig zoet gebak
tarta
noun
1. grafische weergave vernoemd naar cirkelvormig etenswaar
gráfica de pastel
noun
pala para tarta
noun
1. taats
pivote
noun
1. een genotsmiddel afkomstig van de bladeren van de tabaksplant, wordt gerookt, gekauwd en gesnoven
tabaco
noun
hoja de tabaco
noun
fábrica de tabacos
noun
  1. aroma a tabaco
  2. olor a tabaco
noun
pipa
noun
tabaquera
noun
humo de tabaco
noun
consumo de tabaco
noun
estanco
noun
pestaña
noun
1. een geordende lijst met gegevens
  1. tabla
  2. cuadro
adjective
sinóptico
noun
tabernáculo
noun
  1. 1. pastille
    1. comprimido
    2. pastilla
  2. 2. plak
    tableta
noun
tablet pc
noun
1. een algemeen aanvaard moreel verbod; iets dat onbespreekbaar of ondenkbaar is
tabú
noun
tablatura
noun
tacógrafo
cardinalNumeral
1. het getal 80
ochenta
pronoun
  1. Guerra de Flandes
  2. Guerra de los Ochenta Años
ordinalAdjective
octogésimo
noun
taquicardia
noun
taquión
verb
1. op (on)geoorloofde manier een tegenstander aanvallen
blocar
noun
1. kleine, gevouwen tortilla, gevulde mexicaanse maïspannenkoek
taco
noun
tacto
/tɑkˈtik/
noun
1. een manier om onder gegeven omstandigheden een doel te bereiken
táctica
/ˈtɑkt.fɔɫ/
adjective
  1. delicado
  2. discreto
noun
somoni tayiko
/taˈdʒikɪˌstɑn/
pronoun
1. een land in een land in Centraal-Azië met als hoofdstad Doesjanbe
Tayikistán
/ˈtafəɫ/
noun
  1. 1. een meubelstuk met poten, bedoeld om dingen op te zetten of te leggen
    mesa
  2. 2. tabel
    tabla
/ˈtafəɫˌblɑt/
noun
tablero
noun
taladradora
noun
  1. porrón común
  2. porrón europeo
noun
  1. mesas
  2. tablas
noun
  1. comensal
  2. compañero de mesa
noun
  1. comensal
  2. compañera de mesa
noun
cubierto
/ˈtafəlˌklet/
noun
kleed dat als bescherming of versiering over een tafel ligt
mantel
noun
1.
cuchillo de mesa
/ˈtafəɫˌpot/
noun
1. een verticaal deel van een tafel dat ter ondersteuning dient
pata de mesa
noun
  1. charla de sobremesa
  2. discurso de sobremesa
noun
1. (sport) een spel waarbij twee spelers, ieder met een batje, een pingpongbal op tafel houden
  1. tenis de mesa
  2. ping-pong
/ˈtafəɫcjə/
noun
mesita
noun
1.een meestal goedkope wijn zonder specifieke afkomst, die aangenaam bij een doordeweekse maaltijd wordt gedronken.
  1. vino de mesa
  2. vino de pasto
noun
hule
noun
1. fijn zout
sal de mesa
noun
  1. curtido
  2. encurtido
  3. pickles
pronoun
1. taal die op de Filipijnen gesproken wordt
tagalo
noun
tallarines
noun
1. een soort van pasta, gemaakt van gemalen sesamzaad met toevoeging van o.a. citrussap, knoflook, peterselie...
  1. tahina
  2. tahini
pronoun
Tahití
noun
tai chi chuan
/tɑjˈfuːn/
noun
1. een hevige wervelstorm in de Chinese Zee en de Stille Oceaan die ontstaat uit een tropische depressie.
tifón
noun
ánsar campestre
/tɑjˈkuːn/
noun
1. een rijk persoon die een groot deel van een bepaalde bedrijfstak in handen heeft.
magnate
/ˌtɑjkoˈnaʊ̯t/, /ˌtɑjkoˈnɔʊ̯t/, /ˌtɑjkoˈnʌʊ̯t/
noun
1. een Chinese ruimtevaarder.
taikonauta
noun
1. het middelste deel van het lichaam
  1. cintura
  2. talle
/tɑj'ʋɑn/
pronoun
Taiwán
noun
dólar taiwanés
noun
tayín
/tɑk/
noun
1. een deel van een boom of struik
rama
noun
taka
noun
takahe
noun
sierra de podar
noun
tala
noun
escuela de idiomas
/ˈtaləˌkɛnəs/
noun
1. kennis van verschillende talen
conocimiento lingüístico
noun
1. een speciaal talent voor het aanleren van vreemde talen
don de lenguas
noun
1. bijzondere aanleg
talento
adjective
1. begaafd
  1. talentado
  2. talentoso
/tɑɫx/
noun
1. huidvet, een vetachtige substantie die geproduceerd wordt door talgklieren
sebo
noun
1.een klier om de haarzakjes, die talg afgeeft
glándula sebácea
noun
2. islamitische guerrillabeweging in Afghanistan en het westen van Pakistan
talibán
noun
aparejo
noun
1. benaming voor kleine vogels uit het geslacht Anas of het geslacht Callonetta
cerceta
noun
talismán
/tɑlk/
noun
talco
/'tɑlɪn/
pronoun
1. de hoofdstad van Estland
Tallin
adjective
1. met betrekking tot Talossa of het Talossaans
talosano
pronoun
1. een kunsttaal gemaakt in 1980 door R. Ben Madison voor zijn micronatie Talossa
talosano
adjective
1. groot in aantal
numeroso
noun
sistema de numeración
noun
1. en 2. (vruchten van de) tamarindeboom
tamarindo
noun
1. benaming voor altijd groene bomen en heesters uit het geslacht Tamarix
  1. atarfe
  2. tamarisco
  3. tamariz
  4. taraje
  5. taray
noun
1. trommelslager die de maat aangeeft bij het marcheren van soldaten
tambor
adverb
1. nogal, in relatief grote mate
bastante
pronoun
1. taal die gesproken wordt in India, Sri Lanka, Singapore, en Maleisië
tamil
noun
  1. 1. hard en wittige gecalcificeerde structuur in de mond
  2. 2. scherp uitsteeksel
  1. diente
  2. leva
noun
1. een medisch specialist op het gebied van de tandheelkunde
dentista
noun
1. de helpster van de tandarts
ayudante del dentista
noun
1. aantasting van tandglazuur en het tandbeen door bacteriën
caries
noun
1. het been waaruit tanden voor het grootste deel bestaan
  1. dentina
  2. marfil
noun
1. fiets
tándem
noun
1. borsteltje om de tanden mee te reinigen
  1. cepillo de dientes
  2. escobilla de dientes
verb
1. knarsen met de tanden
crujir los dientes
noun
1. puntig instrumentje om etensresten tussen de tanden te verwijderen
  1. palillo mondadientes
  2. mondadientes
noun
1. het blinkend glazuur op de tandkroon die rond het tandbeen gelegen is
esmalte dental
noun
1. wetenschap voor de verzorging van de tanden
odontología
noun
cremallera
noun
tandoor
/ˈtand.pɑs.taː/, /ˈtɑnt.pɑs.ta/
noun
1. een poetsmiddel voor de tanden
  1. dentífrico
  2. pasta de dientes
  3. crema dental
/tɑntpɛin/
noun
1. pijn in één of meerdere tanden
  1. dolor de dientes
  2. odontalgia
noun
1. tandaanslag
sarro
noun
rueda dentada
noun
ferrocarril de cremallera
noun
1. de afzetting van caliumzouten en verontreinigingen op gebitselementen
  1. sarro
  2. tártaro
noun
1. de maker van kunstgebitten en kunsttanden
mecánico dental
/ˈtɑntfles/
noun
1. deel van het mondslijmvlies waarin de tanden vastzitten
encía
noun
1. een ontsteking van het tandvlees
  1. gingivitis
  2. inflamación de las encías
/'tɑntʋil/
noun
1. een wiel met een gekartelde rand bedoeld om in te grijpen in die van een ander ter overdracht van aandrijfkracht
rueda dentada
noun
bomba de engranajes
noun
caries
noun
1. een zijden draad waarmee men de ruimte tussen de tanden reinigt
  1. hilo dental
  2. seda dental
verb
  1. 1. verzwakken, afnemen, slinken, verflauwen, verminderen, aflopen
    1. amainar
    2. decrecer
    3. disminuir
    4. menguar
    1. 2. looien
    2. 3. vaalgeel/bruin kleuren
    curtir
/tɑŋ/
noun
  1. 2. oude vrouw
    1. arpía
    2. harpía
  2. 1. een uit twee delen opgebouwd gereedschap waarvan de beide delen op één punt aan elkaar vastzitten...
    1. tenaza
    2. pinzas
    3. alicate
noun
tanga
noun
tangente
noun
teorema de la tangente
pronoun
Tánger
noun
  1. mandarina
  2. tangerina
noun
3. spelwoord voor de letter t
Teresa
/tɑŋk/, /tɛŋk/
noun
  1. 2. een oorlogsvoertuig
    1. carro de combate
    2. tanque de combate
  2. 1. een groot vat
    1. tanque
    2. cisterna
    3. depósito
noun
1. schip
  1. barco aljibe
  2. barco cisterna
  3. petrolero
noun
1. aanduiding voor de persoon die de moed had om voor een pantserwagen met kanon te gaan staan als vorm van geweldloos verzet
hombre del tanque
/ˈtɑŋkstaʃɔː/, /ˈtɛŋkstɑʃɔn/
noun
  1. estación de servicio
  2. gasolinera
  3. puesto de gasolina
noun
  1. tanino
  2. E181
  3. ácido tánico
noun
1. scheikundig element met symbool Ta en atoomnummer 73
  1. tantalio
  2. tántalo
noun
1. scheikundig element met symbool Ta en atoomnummer 73
tantalio
noun
1. zus of schoonzus van iemands vader of moeder
tía
/ˌtɑn.za.ˈni.ja/
pronoun
1. een land in Oost-Afrika
Tanzania
noun
chelín tanzano
/ ˈtapa/
noun
1. Spaans borrelhapje
  1. banderilla
  2. pincho
  3. tapa
noun
tapaculo
noun
1. een apparaat voor het opnemen van geluid op een band
magnetófono
noun
  1. alfombra
  2. tapiz
noun
1. zetmeel verkregen uit de wortelknol van Manihot esculenta
  1. tapioca
  2. almidón de mandioca
  3. almidón de tapioca
  4. almidón de yuca
noun
  1. almidón de yuca
  2. casava
  3. cazabe
  4. guacamote
  5. mandioca
  6. tapioca
/ˈtapɪr/
noun
1. hoefdier, zo groot als een ezel en met een kleine beweeglijke slurf
tapir
noun
1.buffet met biertap
  1. bar
  2. bufete
adjective
1. iets dat laat tot uiting komt
tardío
/tɑˈrif/
noun
1. een vastgesteld bedrag per eenheid
  1. tarifa
  2. arancel
pronoun
  1. 1. een Boliviaans departement gelegen in het zuiden van het land
  2. 2. de hoofdstad van het Boliviaans departement met de gelijkaardige naam
Tarija
noun
tara
pronoun
1. taal uit de Turkse talen met ongeveer anderhalf miljoen sprekers die vooral wordt gesproken in Tatarstan, een deelrepubliek van Rusland maar ook in andere delen van de vroegere Sovjet-Unie en daarbuiten
tártaro
noun
tartán
pronoun
1. stad in Estland
Tartu
/ˈtɑrʋə/
noun
  1. 3. zaad van tarwe
  2. 2. meest verbouwde tarwe soort (Triticum aestivum)
trigo
/ˈtɑrʋəˌbrot/, /ˈtɑrβ̞əˌbrot/
noun
1. een brood op basis van tarwemeel
pan de trigo
noun
1. en 2 grof gemalen meel van (gewone) tarwe (Triticum)
  1. sémola de trigo
  2. semolina de trigo
noun
germen de trigo
noun
aceite de germen de trigo
/ˈtɑrʋəˌmɪːɫ/
noun
harina de trigo
noun
1. (voorgekookte) geplette tarwegranen
copos de trigo
noun
zemelen van tarwekorrels
salvado de trigo
noun
1. zak die men meeneemt om er zaken in te bergen die men bij zich wil hebben
  1. bolsa
  2. saco
pronoun
Tasmania
pronoun
1. randzee van de Grote Oceaan, gelegen tussen Australië en Nieuw-Zeeland
mar de Tasmania
adjective
palpable
verb
  1. palpar
  2. tantear
pronoun
1. taal uit de Turkse talen met ongeveer anderhalf miljoen sprekers die vooral wordt gesproken in Tatarstan, een deelrepubliek van Rusland maar ook in andere delen van de vroegere Sovjet-Unie en daarbuiten
tártaro
pronoun
1. de autonome republiek van Rusland met de hoofdstad Kazan
Tataristán
noun
1. een tekening die met naald en inkt blijvend in de huid is aangebracht
tatuaje
/tatuʷ'erə(n)/
verb
1. met een naald en inkt een blijvende tekening in de huid inbrengen
tatuar
/tɑuˈge/
noun
1. uitlopers van mungbonen
brotes de judia mungo
noun
tautología
noun
  1. estimación
  2. evaluación
  3. valoración
  4. valuación
verb
  1. apreciar
  2. estimar
  3. evaluar
  4. tasar
  5. valorar
  6. valuar
/tɑk.si/
noun
1. een voertuig bestemd om tegen betaling klanten van de ene plaats naar de andere te brengen
  1. taxi
  2. libre
noun
  1. calle de rodaje
  2. pista de carreteo
  3. pista de rodaje
  4. pista de taxeo
noun
taxista
noun
taxón
noun
  1. taxonomía
  2. clasificación biológica
/'tɑksʏs/
noun
1. altijd groen blijvende conifeer
tejo
preposition
1. plaats
en
phraseologicalUnit
  1. malicioso
  2. maligno
  3. malévolo
/tiːm/
noun
  1. 1. een ploeg van bij elkaar horende spelers
  2. 2. een groep samenwerkende mensen
equipo
noun
1. scheikundig element met symbool Tc en atoomnummer 43
tecnecio
noun
técnico
noun
1. iemand die techniek toepast
técnico
noun
1. De bewerkingen en verrichtingen die nodig zijn om iets tot stand te brengen
  1. técnica
  2. ingeniería
adjective
1. op techniek betrekking hebbend
técnico
noun
tecnocracia
noun
tecnología
adjective
  1. delicado
  2. exquisito
  3. fino
  4. tierno
noun
1. het teder zijn
ternura
/tef/
noun
1. wijfjeshond
perra
noun
1. achtpotige parasiet uit de orde Ixodida
  1. garrapata
  2. cabarra
noun
  1. cultivo
  2. cultura
noun
  1. 1. vingers van de voet
    1. dedo del pie
    2. ortejo
    3. dedo
  2. 3. twijg
    mimbre
noun
  1. chancla
  2. romana
/ter/
adjective
1. broos, breekbaar
  1. delicado
  2. exquisito
  3. fino
  4. frágil
  5. tenue
/ter/
noun
1. olieachtige vloeistof met een zeer hoge viscositeit
  1. alquitrán
  2. brea
noun
1. asfalt, waarin naast bitumen ook teer als bindmiddel gebruikt is
pisasfalto
noun
1. kubusvormig voorwerp met op elk van de zijden een van de ogenaantallen één tot en met zes
dado
noun
1. hybride kruising tussen een mannetjestijger en een vrouwtjesleeuw
tigón
/ˈteɣəɫ/
noun
1. een rechthoekig stenen voorwerp dat meestal wordt gebruikt voor het bedekken van oppervlakten
  1. baldosa
  2. azulejo
  3. losa
/təɣəˈlɛɪk/
adverb
1. op hetzelfde moment
  1. concomitantemente
  2. juntamente
  3. simultáneamente
noun
1. een bouwvakker die wandtegels zet en vloertegels legt
enlosador
/teːɣən/, /teːχən/
preposition
1. zijdelings aanleunend
  1. contra
  2. en contra de
adverb
  1. quiera o no
  2. quiérase o no
adverb
1. tegen
apoyarse contra
noun
1. een aanval tegen een aanval
contraataque
noun
1. een actie tegen een actie
acción de respuesta
noun
1. contrast
contraste
noun
1. een bericht dat een vorig bericht tegenspreekt
aviso contrario
noun
1. een beweging in tegengestelde zin
movimiento contrario
noun
1. een bezoek ter beantwoording van een ander bezoek
visita de correspondencia
verb
1. zodanig brassen dat de wind van voor in de zeilen valt en het schip geen vaart meer maakt
abroquelar
noun
1. het tegenovergestelde
  1. lo contrario
  2. lo opuesto
/ˌteɣə(n)ˈdrats/
adjective
1. tegen de draad, weerspannig
en contra
noun
1. druk in tegenovergestelde zin
presión contraria
verb
1. proberen iets te stoppen of te verhinderen
contrarrestar
/ˈteɣə(n)ɣəstɛɫt/
adjective
1. de negatieve waarde van iets hebbend
  1. opuesto
  2. contrapuesto
  3. contrario
noun
1. een middel dat de werking van een gif neutraliseert of afzwakt
antídoto
verb
  1. 2. verhinderen
    impedir
  2. 1. iets of iemand stoppen
    1. parar
    2. detener
    3. aguantar
    4. retener
adverb
1. zich tegen iets verzettend
en contra de
noun
1. een andere kandidaat uit een tegenpartij
candidato contrario
/'te.ɣən.ko.mə(n)/
verb
1. bij toeval ontmoeten
encontrar
noun
1. elektronica
realimentación negativa
verb
1. lachend tegemoet zien
sonreír
noun
contraluz
noun
1. tegemoetkomend voertuig
vehículo en dirección contraria
adverb
1. tegen de natuur in
  1. contranatural
  2. antinatural
noun
1. tegenaanval
contraofensiva
adjective
1. precies andersom
  1. adverso
  2. contrario
  3. opuesto
noun
1. hetgeen wat precies voorstelt wat iets helemaal niet is
  1. contrario
  2. opuesto
verb
  1. contraponer
  2. oponer
noun
1. de andere partij
  1. adversario
  2. parte contraria
noun
1. iemand met een tegengesteld karakter
polo opuesto
noun
1. een prestatie als vergoeding
contraprestación
/ˈteɣə(n)ˌslɑx/, /ˈteχə(n)ˌslɑχ/
noun
1. het gebeuren van ongeluk
  1. contratiempo
  2. adversidad
  3. contrariedad
  4. infortunio
  5. mala suerte
  6. revés
verb
1. weerstand bieden door wilde bewegingen te maken
  1. oponerse
  2. respingar
noun
  1. 1. een speler van de tegenpartij
    adversario
  2. 2. iemand die met een ander samenspeelt
    antagonista
noun
1. ernstige pech, toestand met belangrijke tegenslag
  1. desgracia
  2. infortunio
noun
1. tegenspreken, ontkennen
contradicción
verb
1. zich met woorden verzetten
contradecir
verb
1. al mopperend protesteren
  1. rezongar
  2. respingar
verb
  1. asquear
  2. cansar
  3. fastidiar
  4. hartar
  5. repugnar
noun
1. verzet
  1. oposición
  2. resistancia
noun
1. vijand, rivaal
adversario
noun
1. het tegenovergestelde
  1. contraste
  2. contraposición
verb
1. weerstand bieden
  1. cocear
  2. respingar
adjective
1. niet overeenstemmend
contradictorio
noun
1. iets tegenstrijdigs
contradicción
verb
1. minder gunstig verlopen dan verwacht
decepcionar
noun
1. tegenslag
contratiempo
noun
antípoda
noun
1. een voorstel als antwoord op een voorafgaand voorstel
contraproposición
noun
1. de overeenkomstige waarde
contravalor
noun
1. verdediging
resistencia
verb
1. zich tegen iets verzetten
contrariar
noun
1. tegenstand
oposición
verb
objetar
noun
objeción
noun
1. wat iets in evenwicht houdt
contrapeso
noun
1. wind tegen
viento contrario
adjective
  1. 1. huidig
    1. actual
    2. de hoy
  2. 2. aanwezig
    presente
noun
1. vorm die aangeeft dat het huidige moment bedoeld wordt
presente
noun
1. aanwezigheid
presencia
noun
1. het geen zin hebben in iets
  1. desgana
  2. disgusto
noun
  1. crédito
  2. activos
noun
1. vaste verblijfplaats
  1. hogar
  2. residencia
noun
1. ondiepe maar brede waterdichte bak
barreño
noun
1. symbool, signaal, aanduiding
  1. signo
  2. muestra
noun
1. iemand die beroepsmatig tekent
dibujante
noun
  1. bloc de dibujo
  2. libro de dibujo
verb
een tekening maken
  1. dibujar
  2. delinear
/ˈtekə(n)ˌfɪlm/, /ˈtekə(n)ˌfɪɫm/
noun
1. een film waarin een getekende realiteit wordt verbeeld
película de dibujos animados
noun
  1. 5. een beschrijving
    descripción
    1. 1. een door tekenen ontstane afbeelding of voorstelling
    2. 3. een wijze waarop iets van figuren is voorzien of zich in figuren vertoont
    dibujo
  2. 2. een ondertekening
    firma
  3. 4. een bouwkundig ontwerp
    plano
noun
1. een ontbrekende hoeveelheid
  1. déficit
  2. carencia
  3. escasez
  4. falta
noun
falta
noun
  1. 2. de woorden van een compositie voor stemmen
    letra
  2. 1. verzameling letters en/of woorden
    texto
noun
  1. bocadillo de cómic
  2. globo
noun
ecdótica
noun
1. discipline binnen de toegepaste taalkunde
  1. lingüística del texto
  2. lingüística textual
adjective
textual
noun
  1. anotación
  2. exégesis
noun
1. een computerprogramma waarmee teksten kunnen worden geschreven en bewerkt
procesador de textos
noun
1. natuurlijke processen
tectónica
noun
de technologie en haar toepassing die communicatie over grote afstanden mogelijk maakt
telecomunicacíon
noun
  1. 1. toestel waarmee tekeningen...
  2. 2. faxpost
fax
/ˌtelefoˈneːrən/
verb
1. een telefoon gebruiken
  1. telefonear
  2. llamar
  3. llamar por teléfono
noun
telefonía
noun
telefonista
noun
telefonista
/ˌtelə'fon/, /ˌteːlə'foːn/
noun
1. een toestel waarmee men geluid over kan brengen door middel van galvanische stroom
teléfono
noun
1. is een boek met een grote verzameling telefoonnummers gerangschikt op naam en woonplaats
  1. guía de teléfono
  2. guía telefónica
  3. guía de teléfonos
noun
  1. cabina de teléfonos
  2. cabina telefónica
noun
  1. central de teléfonos
  2. central telefónica
noun
llamada telefónica
noun
  1. guía de teléfono
  2. guía de teléfonos
  3. guía teléfonica
noun
1. een uniek nummer toegewezen aan een telefoonaansluiting
número de teléfono
noun
sexo telefónico
noun
2. het afluisteren van telefoongesprekken
escucha telefónica
noun
1. een toestel waarmee men geluid over kan brengen door middel van galvanische stroom
teléfono
noun
telégrafo
verb
1. per telegraaf berichten
  1. telegrafiar
  2. cablegrafiar
noun
berichten overseinen door middel van de telegraaf
telegrafía
noun
telegrafista
noun
  1. telegrama
  2. cable
  3. cablegrama
  4. despacho
  5. parte
adjective
gris tele
noun
1. grijs met RAL-nummer 7045
gris tele 1
noun
1. tint grijs met RAL-nummer 7046
gris tele 2
noun
1. tint grijs met RAL-nummer 7047
gris tele 4
noun
1. het verschijnsel van de beweging of verplaatsing van voorwerpen zonder aanraking door een persoon
  1. psicoquinesia
  2. telekinesia
  3. telequinesia
adjective
magenta tele
noun
telemark
noun
telemetría
verb
1. door nauwgezette verzorging doen groeien
cultivar
noun
telenovela
noun
teleobjetivo
noun
teleología
noun
telepatía
noun
teleportación
noun
1. een optisch instrument, waarmee ver verwijderde objecten bekeken kunnen worden
telescopio
adjective
1. in lengte wijzigbaar
telescópico
adverb
1. een onaangenaam gevoel hebbend omdat een verwachting of hoop niet uitgekomen is
desengañado
verb
1. iemand op onaangename wijze verrassen, vaak door een belofte niet na te komen
  1. decepcionar
  2. desengañar
noun
1. een emotie opgeroepen door het niet uitkomen van een verwachting
  1. desilusión
  2. decepción
  3. desengaño
noun
  1. 2. medium
    1. televisión
    2. televisor
  2. 1. elektrisch apparaat
    1. televisor
    2. aparato de televisión
    3. televisión
noun
antena de televisión
noun
cámara de televisión
noun
programa de televisión
/ˌteləˈviziˌseːri/, /ˌteləˈviziˌsɪːri/
noun
1. een opeenvolging van afleveringen van een programma op de televisie
serie televisiva
noun
discurso televisado
noun
1. een toestel dat een elektrisch of elektromagnetisch signaal omzet in beeld en geluid
televisor
noun
cadena de televisión
verb
teletrabajo
noun
  1. aparato de télex
  2. télex
verb
1. aantal bepalen
  1. contar
  2. computar
/ˈtɛlər/
noun
  1. contador
  2. 1. het getal boven de streep van een breuk
    numerador
noun
1. scheikundig element met symbool Te en atoomnummer 52
telurio
noun
1. scheikundig element met symbool Te en atoomnummer 52
  1. telurio
  2. teluro
noun
telómero
noun
1.
ábaco
pronoun
1. een Dravidische taal met ongeveer 70 miljoen sprekers
telugu
noun
numeral
verb
1. tam maken
  1. domar
  2. amansar
  3. domeñar
  4. domesticar
  5. adiestrar
  6. amaestrar
/ˈtɛm.pəl/, /ˈtɛm.pəɫ/
noun
1. een gebouw voor godsverering
templo
noun
  1. caballero templario
  2. templario
noun
  1. pintura al temple
  2. témpera
noun
temperamento
/ˈtɛmpɛrɑtyːr/
noun
1. grootheid die de warmte weergeeft
temperatura
noun
coeficiente de temperatura
noun
gradiente térmico
noun
gradiente térmico
/'tɛmpo/
noun
  1. tempo
  2. velocidad
adjective
temporal
adjective
temporal
noun
  1. 1. verleiding
    tentación
  2. 2. kwelling, marteling
    1. tormento
    2. tortura
noun
1. beweging in bepaalde richting, neiging
tendencia
noun
tendencia
adjective
1. gekleurd door bijbedoelingen
tendencioso
noun
1. wagen achter een locomotief
tender
noun
1. een peesontsteking
tendinitis
pronoun
1. het grootste eiland van de Canarische Eilanden, een tot Spanje behorende eilandengroep
Tenerife
verb
1. tot niets terugbrengen
anular
noun
1. aanklacht door openbaar aanklager
  1. cargo
  2. acusación
adverb
1. duidt een minimale voorwaarde aan
  1. al menos
  2. por lo menos
noun
1. balsport
tenis
noun
pista de tenis
noun
zapatilla de tennis
noun
tenista
noun
tenor
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de orde Tenrecidae
tenrec
noun
1. verplaatsbare constructie van over stokken of buizen gespannen doek die als (tijdelijk) onderdak dient
  1. tienda campaña
  2. tienda
noun
tentáculo
noun
1. het toetsen van kennis opgedaan bij één vak
examen parcial
adjective
tentativo
/ˈtɛntəˌkɑmp/
noun
1. een kamp met tenten als behuizing
campamento
noun
puntal
/tɛnˈtonstɛlə(n)/
verb
1. voor een publiek toonbaar maken
  1. exhibir
  2. exponer
  3. presentar
/tɛnˈtonstɛlɪŋ/
noun
1. een uitstalling van voorwerpen om door het grote publiek bekeken te worden
  1. exposición
  2. exhibición
/ˈtɛn.zɛɪ/
conjunction
1. behalve wanneer
  1. salvo
  2. a menos que
noun
1. snaarinstrument uit de luitfamilie
tiorba
noun
1. een gepigmenteerd knopvormig uitsteeksel op de borst van de mens
pezón
noun
2. eetbaar schelpdier
lapa
noun
alcoholische drank afkomstig uit Mexico
tequila
adjective
1. wat misvormingen in de ontwikkeling van de baby veroorzaakt
teratogénico
noun
1. een stof die misvormingen bij een baby veroorzaakt
teratogénico
noun
1. scheikundig element met symbool Tb en atoomnummer 65
terbio
verb
arreglar
verb
1. uiteindelijk, vaak per ongeluk, ergens geraken
  1. dar en
  2. ir a parar a
  3. llegar en su destino
verb
1. het beëindigen van een mensenleven op gerechtelijk bevel
  1. ejecutar
  2. ajusticiar
noun
ejecución
verb
1.
  1. reprender
  2. amonestar
verb
1. met teer besmeren
  1. alquitranar
  2. embrear
verb
1. iemands geduld op de proef stellen door hem te irriteren
provocar
noun
  1. 1. uitgaven voor levensonderhoud
    consumación
  2. 2. verzamelnaam voor ziektes waarbij de patiënt wegkwijnt
    tisis
noun
tísico
noun
1. waardeloze rommel
pedazo de mierda
/tɛrəm/
noun
1. een woord of uitdrukking
término
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Isoptera
  1. termita
  2. comején
/tɛrˈmɛin/
noun
1. een vast tijdstip waarop iets gaat gebeuren of iets gebeurd moet zijn
  1. plazo
  2. plazo de tiempo
  3. término
adjective
1. in het eindstadium
terminal
noun
1. licht-donkergrens
terminador
noun
terminología
adjective
ternario
adjective
  1. abatiendo
  2. deprimiendo
  3. desalentando
adjective
1. ontmoedigd, somber vanwege tegenslag
  1. abatido
  2. desalentado
  3. desanimado
noun
loma
noun
terpeno
adjective
marrón tierra
/tɛra'kɔta/
noun
terracota
noun
terrario
noun
een met een horecaterras vergelijkbare plek in een tuin
terraza
/tɛ'rɛin/
noun
1. een stuk grond van enige omvang
  1. terreno
  2. campo
adjective
terrestre
noun
terror
adjective
territorial
noun
1. grondgebied
territorio
/ˈtɛri.ər/
noun
1. hond uit bepaalde rassen, vroeger veel gebruikt voor de jacht
terrier
verb
1. in de greep van angst houden, terreur uitoefenen
aterrorizar
noun
het ontwrichten van een samenleving door terreurdaden tegen burgers, vaak met een politiek of religieus oogmerk
terrorismo
noun
1. iemand die terroristische aanslagen beraamt, pleegt of wil plegen met een godsdienstig of politiek doel
terrorista
pronoun
Terschelling
adverb
  1. 2. zo, aanstonds
    enseguida
  2. 1. onmiddellijk, meteen
    inmediatamente
/tɛrsjɛːr/
adjective
terciario
/tɛrsjɛːr/
noun
Terciario
noun
1.
tercera
/trʏχ/, /təˈrʏx/
adverb
terug van weggeweest
  1. de vuelta
  2. hacia atrás
/trʏχ/, /təˈrʏx/
postposition
atrás
noun
  1. devolución
  2. extorno
/tə'rʌxblɪk/
noun
1. een blik op voorbijgegane zaken
retrospección
adjective
1. terugkijkend naar het verl
retrospectivo
/təˈrʏxbrɛŋə(n)/
verb
  1. 1. naar het punt van vertrek brengen
  2. 2. naar de eigenaar brengen
devolver
verb
2. achteruit draaien
desdar
/t(ə)ˈrʏɣ.drɪŋə(n)/
verb
  1. 2. beperken, zie ook verminderen
    1. acurtar
    2. reducir
  2. 1. dringen naar de oorspronkelijke richting
    1. hacer volver
    2. repulsar
verb
  1. devolver
  2. restituir
verb
1. weer gebruikmaken van iets ouds en vertrouwds
recurrir
adjective
reticente
noun
reticencia
verb
1. een min of meer elastische botsing ondergaan
  1. botar
  2. rebotar
noun
  1. regreso
  2. vuelta
verb
1. gaan naar een plaats waar men eerder vandaan kwam
  1. volver
  2. regresar
/tə'rʌxkomə/
verb
1. opnieuw naar een plaats komen waar men eerder geweest is
  1. regresar
  2. volver
  3. reaparecer
noun
  1. realimentación
  2. retroalimentación
verb
retirarse
verb
1. terug plaatsen
reponer
/tə'rɵxlopən/
verb
  1. 1. verminderen
    1. descender
    2. disminuir
  2. 2. weer naar het beginpunt van een route lopen
    1. regresar
    2. volver
noun
  1. viaje de regreso
  2. viaje de vuelta
verb
  1. rebotar
  2. repulsar
verb
1. iets (of iemand) weer naar de plaats doen vertrekken waar het vandaan kwam
devolver
/təˈrʏxˌtɔxt/
noun
1. de tocht terug naar een eerder beginpunt
vuelta
noun
retirada
verb
  1. devolver
  2. rehusar
verb
  1. retornar
  2. tornar
/tɛr.ˈwɛɪ̯l/, /tɛr.ˈʋɛɫ/
conjunction
  1. 2. hoewel
    1. mientras que
    2. mientras
  2. 1. gedurende de periode dat nog een andere actie aan de gang is
    1. mientras
    2. en tanto que
noun
terceto
pronoun
1. naam van twee boeken uit het Nieuwe Testament
Tesalonicenses
/tɛst/
noun
  1. 1. probeersel
    1. prueba
    2. test
  2. 3. toets
    1. test
    2. examen
noun
1. akte met een wilsbeschikking voor na de dood
testamento
adjective
testamentario
verb
testar
noun
1. teelbal, zaadbal
testículo
noun
1. een kans om iets te toetsen
opción de prueba
noun
testosterona
noun
1. een infectieziekte die door een gifstof leidt tot spierspasmen
  1. tétanos
  2. tétano
noun
1.behoort tot de groep geneesmiddelen die tetracycline-antibiotica worden genoemd
tetraciclina
noun
tetraóxido
noun
tetraplejía
noun
tetraploide
noun
1. een door vier gelijkzijdige driehoeken ingesloten lichaam
tetraedro
noun
tetrodo
/tøx/
noun
1. een grote slok
  1. trago
  2. sorbo
/ˈtøɣəl/, /ˈtøʝəl/
noun
1. stuurriem van rijdier
rienda
pronoun
2. spelwoord voor de letter t
Teresa
noun
1. benaming voor planten uit het geslacht Oenothera
  1. capa de San José
  2. hierba de asno
  3. hierba del asno
  4. hierba del burro
  5. hierba del vino
  6. onagra
noun
1. datgene wat over is boven de gewenste hoeveelheid
exceso
/təvərˈɣefs/
adverb
en vano
adverb
1. in de tijd ervoor
previamente
/təˈvredə(n)/
adjective
1. geen behoefte voelend om aanmerkingen te maken
  1. contento
  2. satisfecho
/təvredənɦɛɪt/
noun
1. het gevoel genoeg te hebben en voldaan te zijn
satisfacción
/tə'vredənˌstɛlə(n)/
verb
1. ervoor zorgen dat iemand tevreden wordt
contentar
pronoun
Texel
noun
  1. textil
  2. tejido
/tɛk'stilɪndʌstri/
noun
de industrie van het maken van stoffen en kleding met textiel
industria textil
noun
1. de manier waarop iets is samengesteld, hoe het materiaal aanvoelt en hoe de structuur eruit ziet
textura
pronoun
1. de officiële taal van Thailand
tailandés
/ˈtɑɪ̯.lɑnt/, /ˈtɛɪ̯.lɑnd/
pronoun
1. een land in Azië dat vroeger Siam heette
Tailandia
noun
baht tailandés
noun
1. scheikundig element met symbool Tl en atoomnummer 81
talio
noun
sulfato de talio
noun
talo
adverb
ahora
noun
1. een uitgaansgelegenheid waar theatervoorstellingen gegeven worden
teatro
noun
productor teatral
noun
obra de teatro
noun
trastorno histriónico de la personalidad
/teː/
noun
  1. té
  2. cha
noun
infusor de té
noun
  1. 2. dienblad
    1. azafate
    2. bandeja
  2. 1. blad van de theestruik
    hoja de té
noun
ceremonia del té
/ˈteduk/
noun
1. katoenen of linnen doek, m.n. gebruikt om serviesgoed, bestek, pannen e.d. mee af te drogen
  1. paño de cocina
  2. repasador
noun
salón de té
suffix
bewaarplaats
teca
noun
1. een kleine lepel om thee mee te roeren
  1. cucharilla de té
  2. cucharadita
pronoun
1.de grootste rivier van Engeland
Támesis
noun
1. een gevoerde kap om de thee warm te houden
cubretetera
noun
1. kan met deksel en schenktuit waarin een warme drank wordt bereid door bladeren in heet water te laten trekken
tetera
noun
bolsita de té
noun
colador de té
/tema/
noun
1. een onderwerp dat behandelt wordt
tema
noun
teobromina
noun
teocentrismo
noun
1. staatsvorm die gebaseerd is op goddelijke
teocracia
noun
teodicea
noun
teodolito
pronoun
2. spelwoord voor de letter t
Teresa
noun
teogonía
noun
1. leer over God, het goddelijke en de godsdienst
teología
adjective
1.
teológico
noun
1. een beoefenaar van de theologie
teólogo
noun
teorema
noun
teorema de Bayes
noun
teorema de Noether
noun
teorema de Norton
/ˌteɔːˈretis/
adjective
1. wat niet perse in de werkelijkheid voorkomt, m.b.t. feiten en wetten berustende ...
teórico
verb
teorizar
noun
1. een wetenschappelijk model of uitspraak over waarnemingen in de empirie
teoría
noun
teosofía
noun
teósofo
noun
iemand die een patiënt behandelt
terapeuta
noun
1. een methode om aan de genezing van zieken te werken
terapia
noun
termas romanas
noun
  1. columna térmica
  2. deriva vertical
  3. térmica
noun
1. een poedermengsel van een onedel metaal, gewoonlijk aluminium, en een oxide van een edeler metaal, vaak ijzer of koper
termita
adjective
1. met betrekking tot warmte
térmico
noun
termistor
noun
termoelectricidad
adjective
termoeléctrico
noun
termoclina
noun
1. de leer van warmte en arbeid
termodinámica
adjective
termodinámico
adjective
termófilo
noun
plástico termoestable
noun
  1. termocupla
  2. termopar
noun
termólisis
adjective
  1. magnetotérmico
  2. termomagnético
/ˈtɛrmoˌmetər/
noun
1. een meetinstrument om temperaturen te meten
termómetro
noun
termoplástico
noun
termoscopio
noun
termosfera
noun
  1. termo
  2. termos
noun
termostato
noun
1. synoniemenwoordenboek
  1. tesauro
  2. diccionario de sinónimos
noun
1.
tesis
noun
tesis
noun
teísmo
adjective
teísta
/ˈtiosɵlˌfat/
noun
1.
tiosulfato
noun
teorema de Thomas
noun
tomismo
/ˈtora/
pronoun
1.-3.
Torá
noun
1. scheikundig element met symbool Th en atoomnummer 90
torio
noun
treonina
noun
1. filmthriller
película de suspense
/tœʏs/, /tœːs/
noun
1. een plek waar iemand woont en zich veilig voelt
  1. hogar
  2. casa
/tœysbəzɔrɣə(n)/
verb
1. afleveren aan huis
  1. entregar a domicilio
  2. llevar a domicilio
  3. repartir a domicilio
noun
1. geheel van organisaties en activiteiten waarmee de burgerbevolking een bijdrage aan de oorlog levert
frente doméstico
noun
  1. 2.plaats waar iemand zich thuis voelt of thuis hoort
    1. hogar
    2. puerto base
  2. 1.haven waar een schip geregistreerd is
    puerto base
noun
educación en el hogar
noun
homeshopping
noun
1. benaming voor groenblijvende boompjes uit het geslacht Thuja
  1. thuja
  2. tuya
  3. árbol de la vida
noun
1. scheikundig element met symbool Tm en atoomnummer 69
tulio
noun
tiratrón
noun
tiristor
noun
tirostático
noun
tiroxina
/ˌtiroˈid/, /ˌtiroˈit/
noun
1.een klier gelegen aan de voorzijde van de hals
glándula tiroides
noun
tiara
pronoun
2. de rivier die stroomt door Rome
Tíber
pronoun
1. een taal die wordt gesproken in Tibet en buiten Tibet door een grote groep vluchtelingen
tibetano
noun
  1. billete
  2. boleto
cardinalNumeral
1. het getal 10
diez
noun
2. kerkbelasting
diezmo
ordinalAdjective
1. nummer tien in een rij
décimo
adjective
2. rekenend met het tientallige stelsel
decimal
noun
diez mil
ordinalAdjective
deizmilésimo
noun
1. jongere tussen 10 en 20 jaar oud
adolescente
noun
decatlón
adjective
decimal
noun
1. vrouwelijke borst
teta
/tɛit/, /tɛɪ̯d/, /tɛːt/
noun
1. onstuitbare gang der dingen van toekomst door het heden naar het verleden
tiempo
noun
linea cronológica
noun
dominio del tiempo
adjective
1. voor een beperkte tijd, niet permanent
  1. temporal
  2. transitorio
noun
zeitgeist
noun
1. iemand die in dezelfde historische periode leefde
contemporáneo
adjective
1. op het juiste moment
a tiempo
noun
  1. aviso
  2. comunicación
  3. noticia
adjective
1.
intemporal
/ˈtɛːtmɑˌʃinə/, /ˈtɛːɪtmɑˌʃinə/
noun
1. machine om mee door de tijd te reizen
máquina del tiempo
noun
época
noun
serie temporal
verb
competición contrarreloj
noun
1. het laten zien hoe laat het is; het laten zien wanneer iets gebeurd is
indicación horaria
noun
1. blad waarvan met vaste tussenpozen afleveringen verschijnen
revista
/tɛɪdsdyr/
noun
1. de tijd dat iets duurt
  1. duración
  2. longitud de tiempo
noun
1. de tijdsperiode tussen twee momenten in de tijd
  1. periodo
  2. período
noun
lógica temporal
noun
1. afsluitmechanisme van een kluis of ruimte waarin een of meer uurwerken zijn verwerkt
cerradura de tiempo
noun
1. een punt in de tijd
momento
noun
1.verschil in tijd van de dag
diferencia de tiempo
noun
pasatiempo
noun
pérdida de tiempo
verb
  1. 2. aan iets beginnen
    arrancar
    1. partir
    2. salir
noun
1. bepaald soort zoogdier, Panthera tigris
tigre
noun
vrouwelijke tijger
tigresa
noun
1. bepaald soort zoogdier, Leopardus tigrinus
tigrillo
noun
1. bepaald soort kleine, van oorsprong Aziatische mug met tijgerstrepen op de romp en de pootjes, Aedes albopictus
mosquito tigre
noun
3. kruid gebruikt in de keuken
tomillo
/ˈtɪkə(n)/
verb
  1. 3. typen
    1. mecanografiar
    2. escribir a máquina
    3. teclear
  2. 1. een of meer keren een niet harde slag of klap geven
    palmear
  3. 2. het regelmatige, korte maar energieke geluid van zo'n slag of klap
    tictac
pronoun
Tilburgo
/tɪlə(n)/
verb
1. van de grond opheffen
levantar
verb
1. houten zaken in elkaar zetten
carpintear
noun
1. iemand die zich beroepsmatig vooral met houtbewerking bezighoudt
  1. carpintero
  2. carpintera
noun
1. een vrouw die zich beroepsmatig vooral met houtbewerking bezighoudt
carpintera
noun
timocracia
pronoun
Timor
pronoun
Timoteo
noun
tímpano
noun
scheikundig element
estaño
noun
  1. tinnitus
  2. acúfenos
noun
matiz
pronoun
2. spelwoord voor de letter t
Teresa
/tɪp/
noun
1. een uiterste punt van iets
  1. cima
  2. extremo
  3. punta
noun
1. een tent tent met een puntdak die o.a. gebruikt wordt door de Noord-Amerikaanse indianen
tipi
/ˈtɪ.pə.lar.stər/
noun
2. prostituée op straat
callejera
noun
tirano
noun
1. onrechtmatige heerschappij, gekenmerkt door willekeur en geweld
tiranía
verb
1. overheersen op een vervelende manier
tiranizar
pronoun
  1. 1. regio
  2. 2. deelstaat van Oostenrijk
Tirol
/ti'tan/
noun
titanio
noun
óxido de titanio
noun
titán
noun
2. een verhaal uit de Griekse mythologie...
titanomaquia
noun
1. scheikundig element met symbool Ti en atoomnummer 22
titanio
noun
  1. 1. opschrift van een document
  2. 2. aanduiding van een persoon
título
noun
  1. titulación
  2. análisis volumétrico
verb
titular
adjective
titular
/ˈtitʏs/
pronoun
Tito
noun
1. een kleine zangvogel uit de Zangers Sylviidae
  1. mosquitero común
  2. mosquitero
noun
1. broodrooster
  1. tostador
  2. tostadora
verb
1. zich ergens zorgen over maken
  1. cavilar
  2. preocuparse
pronoun
2. apocrief boek uit de Bijbel
Tobit
/dɔx/, /tɔx/, /tɔχ/
adverb
no obstante
pronoun
  1. idioma tocario
  2. tocario
noun
  1. 1. bewegende koude lucht binnen een ruimte als gevolg van openingen naar buiten
    aire
  2. 2. activiteit waarbij men naar een of meer bestemmingen gaat
    viaje
noun
1. waardeloze, smerige, oude lap
  1. harapo
  2. trapo
verb
1. het eigendom zijn van
pertenecer
verb
  1. arropar
  2. cubrir
  3. tapar
verb
1.
  1. achacar
  2. atribuir
  3. valorar en
verb
1. het doen opnemen van bijvoorbeeld een medicijn door iemand
  1. administrar
  2. asestar
noun
1. plaats waarlangs men ergens binnen kan gaan
acceso
noun
1. entreebewijs op een stevig stukje papier
billete de entrada
noun
precio de entrada
adjective
1.te bereiken
accesible
/ˈtuɣəˌstanə/
adjective
  1. lícito
  2. permitido
verb
  1. 2. erkennen
    1. admitir
    2. reconocer
  2. 1. toestaan
    1. permitir
    2. ceder
verb
1. luisteren
escuchar
verb
1. met gejuich begroeten
  1. aplaudir
  2. aclamar
  3. ovacionar
  4. vitorear
  5. vivar
noun
1. benaming voor tropische vogels uit de familie Ramphastidae
tucán
verb
señalar
adjective
  1. entrante
  2. predicativo
  3. próximo
noun
1.
futuro
noun
  1. futuro
  2. porvenir
adjective
1. van de tijd die komen gaat
  1. futuro
  2. venidero
noun
  1. infantado
  2. patrimonio
  3. subvención
verb
1. niet onmogelijk maken of verbieden
admitir
noun
intención
/ˈtulɪxˌtɪŋ/
noun
1. nadere tekst om het te verduidelijken
  1. explicación
  2. comentario
  3. aclaración
verb
acudir
/tun/
adverb
2. in een vervlogen tijd
entonces
noun
1. het groter worden in aantal of maat
  1. aumento
  2. elevación
noun
1. grote moerassige en boomloze vlakte in de noordelijke poolstreken
tundra
noun
ánsar de la tundra
verb
1. groter worden in getal of maat
  1. aumentar
  2. crecer
  3. acentuarse
verb
  1. 1. in de praktijk brengen
    1. aplicar
    2. apropiar
  2. 2. gebruiken
    utilizar
noun
1. een manier waarop iets gebruikt wordt
aplicación
verb
  1. 1, aanreiken
    1. alargar
    2. transferir
  2. 2. volstaan
    1. bastar
    2. ser suficiente
verb
wat toereikt
  1. bastante
  2. suficiente
adjective
responsable
verb
  1. achacar
  2. valorar en
noun
1. het reizen voor ontspanning
turismo
noun
1. een mannelijk persoon die voor zijn plezier reist
turista
noun
1. een vrouwelijk persoon die voor haar plezier reist
turista
adjective
1. een plaats die veel toeristen aantrekt
turístico
noun
turmalina
noun
  1. torneo
  2. justa
/tuˈsxitələk/
adjective
1. welwillend
con facilidad
verb
  1. antojarse
  2. parecer
verb
ser espectador
/tusxɔuər/
noun
1. iemand die naar iets kijkt
espectador
verb
1. het auteurschap of de eigenaar van iets associëren met iemand
  1. atribuir
  2. culpar
noun
1. een bonus vanwege een specifieke situatie
suplemento
noun
árido
noun
alusión
/ˈtuspra:k/
noun
1. een voordracht voor een groter publiek
discurso
verb
  1. arengar
  2. dirigir la palabra a
  3. dirigirse a
/'tustɑnt/
noun
  1. geheel van omstandigheden
    1. estado
    2. condición
    3. situación
  2. een ongelukkige situatie
    rollo
noun
1. een werktuig dat uit meer dan één onderdeel bestaat
aparato
verb
  1. consentir
  2. acceder
  3. asentir
  4. acordar
  5. aprobar
  6. confirmar
noun
een toezegging dat iets geoorloofd is
  1. autorización
  2. permiso
verb
1. iemand zo mishandelen dat hij of zij zichtbaar lichamelijk letsel heeft
  1. maltratar
  2. baldar
  3. lisiar
verb
servirse
noun
1. gerecht waarmee een maaltijd kan worden afgesloten
postre
noun
  1. 1. onderdeel van een klavier
  2. 3. een knop op het bedieningspaneel van een schrijfmachine of computer die het mogelijk maakt een symbool in te typen
tecla
verb
  1. probar
  2. ensayar
  3. intentar
/ˈtutsə(m)ˌbɔrt/
noun
1,2 een apparaat waarmee, door toetsen in te drukken, gegevens in een computer e.d. ingevoerd kunnen worden
teclado
noun
1. muziekinstrument met een toetsenbord
teclado
/ˈtuːvɑl/
noun
  1. 2. een aanval van epilepsie
    ataque
  2. 1. een gebeurtenis of omstandigheid die vooraf niet te voorzien of niet te berekenen is geweest
    1. casualidad
    2. coincidencia
    3. azar
adjective
  1. casual
  2. aleatorio
  3. accidental
  4. adventicio
  5. contingente
  6. por incidencia
noun
  1. acaso
  2. azar
  3. casualidad
verb
encomendar
noun
  1. recurso
  2. refugio
verb
1. tot vermeerdering bijvoegen
  1. añadir
  2. agregar
  3. adicionar
  4. incorporar
noun
1. datgene wat met een groter geheel verenigd wordt
  1. adición
  2. añadido
noun
  1. 2. een gebonden morfeem dat aan een ander morfeem wordt toegevoegd om zo een nieuw woord te vormen
    afijo
  2. 1. wat toegevoegd wordt
    1. complemento
    2. epíteto
    3. suplemento
verb
  1. abastecer
  2. proveer
  3. suministrar
/tuʋɛɪ̭zə(n)/
verb
1. goederen of fondsen een bestemming geven
  1. asignar
  2. adjudicar
verb
1. beloven
prometer
noun
promesa
noun
1. het in de gaten houden, het letten op
  1. control
  2. inspección
  3. vigilancia
noun
1. Japans product van gestremde sojamelk gemaakt
  1. queso de soja
  2. tofu
  3. tofú
noun
helado de tofu
noun
  1. toga
  2. bata
  3. ropón
/'to.ɣo/, /ˈto.χo/
pronoun
1. een land in West-Afrika
Togo
/tʋɑ'lɛt/
noun
  1. 3. persoonlijke verzorging
    1. aseo
    2. aseo personal
    3. atavío
    4. atuendo
    5. ropaje
  2. 1. een plaats waar men zich kan ontlasten
    1. inodoro
    2. retrete
    3. lavabo
    4. excusado
    5. servicio
    6. cuarto de baño
noun
tocador
pronoun
Tokelau
pronoun
Islas Tokelau
noun
tokelaués
noun
tokelauesa
/ˈtɔki ˈpoːnaː/
pronoun
1. bepaalde minimalistische kunsttaal
toki pona
verb
2. snaren bespelen
  1. coger
  2. pellizcar
  3. pinzar
  4. pizcar
  5. pulsar
  6. puntear
noun
  1. cholo
  2. paleto
  3. palurdo
/tɔl/
noun
    1. 3. plaats waar men slechts tegen betaling mag passeren
    2. 4. geld dat men bij een tol geheven wordt
    peaje
  1. 2. kinderspeeltuig
    1. peonza
    2. trompo
    3. peón
adjective
1.
tolerable
adjective
1. verdraagzaam
  1. tolerante
  2. comprensivo
noun
1. de bereidheid ander gedrag dan het eigen te dulden
tolerancia
verb
tolerar
noun
1. een persoon die gesproken tekst (meteen) vertaalt naar gesproken tekst in een andere taal
intérprete
/toˈmat/
noun
  1. 1. een eetbare vrucht van de tomatenplant
    1. tomate
    2. jitomate
  2. 2. plant
    tomatera
adjective
rojo tomate
noun
1. strijdbijl van de Noord-Amerikaanse indianen
tomahawk
noun
  1. ketchup
  2. catsup
noun
pulpa de tomates
noun
  1. concentrado de tomate
  2. puré de tomate
noun
1. een vruchtensap dat uit tomaten is bereid
  1. zumo de tomate
  2. jugo de tomate
noun
  1. salsa de jitomate
  2. salsa de tomate
  3. salsa ketchup
  4. salsa tomate
  5. tomate frito
noun
ensalada de tomate(s)
noun
sopa de tomate
noun
marimacho
noun
1. röntgenfoto waarbij slechts één vlak scherp wordt afgebeeld (doorsnede)
  1. tomografía
  2. laminografía
noun
  1. 2. een tonvormige boei
    1. baliza
    2. boya
  2. 1. een vat in de vorm van...
    1. barril
    2. tonel
    3. barrica
  3. 3. een gewichteenheid van 1000 kilogram
    1. tonelada
    2. tonelada métrica
noun
tonalidad
noun
yesca
noun
yesca
noun
yesca
/toˈnel/
noun
  1. escena
  2. escenario
  3. teatro
noun
actriz
noun
actor
/tonə(n)/
verb
2. laten zien
  1. mostrar
  2. enseñar
noun
    1. 1. beweeglijk lichaamsdeel in de mond van mensen en veel dieren
    2. 2. wat gesproken wordt
    lengua
  1. 4. om zijn verfijnde smaak gewilde soort van platvis, Solea solea
    lenguado
pronoun
  1. 1. Tongaans, een Polynesische taal die in Tonga gesproken wordt
    tongano
  2. Tonga
noun
pa'anga tongano
noun
1. een gewelf in de vorm van een halve cilinder
bóveda de cañón
/ˈtɔŋval/
noun
1. het accent waarmee iemand spreekt
  1. acento
  2. dejo
  3. dialecto
noun
  1. escolopendra
  2. lengua cervina
  3. lengua de ciervo
  4. melsera
noun
1. benaming voor snelle oceaanvissen uit het geslacht Thunnus
atún
/'tonijʏm/
noun
Tónico
noun
1. inhoudsmaat voor een schip
tonelaje
/ˈtɔnsɪl/
noun
1. een amandel
amígdala
noun
amigdalectomía
noun
  1. amigdalitis
  2. angina
  3. anginas
noun
  1. 3. dubbele segmentboog
    arco
  2. 1. ambtskleed
    sotana
verb
1. iets versieren
adornar
noun
1. stuurriem van rijdier
rienda
/ton/
noun
een geluid met een bepaalde herkenbare hoogte
tono
noun
1. het klankkarakter van een toonladder
tonalidad
noun
1. een winkeltafel waarop waren worden getoond en afgerekend
mostrador
noun
  1. amortiguador
  2. silenciador
noun
compositor
noun
musola
noun
músico
noun
1. een stijgende of dalende opeenvolging van tonen
  1. gama
  2. escala musical
adjective
  1. inacentuado
  2. átono
noun
1. een volgens bepaalde schema stijgende of dalende opeenvolging van tonen
  1. escala musical
  2. gama
/'tonsort/
noun
1. een stelsel van toonafstanden dat gebruikt wordt in een muziekstuk
tonalidad
noun
  1. antorcha
  2. hacha
  3. tea
/ˈtostə(n)/
verb
1. een heildronk uitbrengen, op iets of iemand drinken
brindar
interjection
vale
noun
1. hoogste punt, (bovenste) uiteinde
cumbre
noun
topacio
adjective
1. de borsten bloot latend
topless
noun
topografía
noun
topología
adjective
topológico
noun
porrón bastardo
noun
  1. 2. fig.
    1. apogeo
    2. colmo
    3. cumplimiento
    4. fastigio
    5. pináculo
    6. ápice
    1. cumbre
    2. cúspide
    3. extremo
    4. fastigio
    5. vértice
noun
escarabajo
/tɔːrə(n)/
noun
  1. 1. een hoog bouwwerk
    torre
  2. 2. een bepaald schaakstuk in de vorm van een toren
    1. torre
    2. roque
noun
1. meest algemene Europese valk die vaak in nestkasten en gebouwen nestelt, Falco tinnunculus
cernícalo
noun
1. een draaiende, trechtervormige uitstulping onder een wolk tijdens een onweersbui
  1. torbellino
  2. tornado
noun
torpedo
noun
torrefacción
noun
1. draaiing
torsión
noun
balanza de torsión
noun
péndulo de torsión
noun
tórtola
noun
1. bepaald soort lichtbeige vogel, Streptopelia turtur
tórtola
noun
toro
adjective
  1. toscana
  2. toscano
noun
toscana
pronoun
Toscana
/tɔt.ˈʋeːr.zins/
interjection
1. een groet waarmee iemand afscheid neemt
  1. hasta la vista
  2. hasta luego
interjection
1. een groet bij het vertrek die de hoop uitspreekt elkaar weer te zien
  1. hasta la vista
  2. hasta luego
noun
1. alle onderdelen tezamen
total
/ˈto.to.ˌlɔs/
noun
van vaartuigen, voertuigen en goederen dat het economisch niet meer verantwoord is...
  1. pérdida total
  2. perdita totale
noun
totalizador
verb
1. getallen, punten bij elkaar optellen
totalizar
adjective
1.
totalitario
noun
totalitarismo
noun
totalidad
conjunction
hasta que
noun
tótem
/ˈtoːtɘmˌpaːl/
noun
1. een houten standbeeld
tótem
adjective
totipotencial
verb
  1. 2. in ontvangst nemen
    1. obtener
    2. recibir
  2. 1. inwendig onderzoeken met de vingers
    tocar
noun
gira
noun
1. een luxe autobus om reizen of uitstappen mee te maken
autocar
noun
operador turístico
/tɑu̯/
noun
1. een middel om zaken bij elkaar te binden
  1. cuerda
  2. cordel
noun
brujerías
verb
  1. hechizar
  2. embrujar
noun
caldero de magia
/ˈtovərkʏnst/
noun
1. mogelijkheid om langs bovennatuurlijke weg resultaten te bereiken
magia
noun
linterna mágica
noun
1. staf om mee te toveren
varita mágica
noun
1. giftigheid
toxicidad
/ˌtɔk.si.ˌko.lo.ˈɣi/, /ˌtɔk.si.ˌko.lo.ˈχi/
noun
1. de wetenschap die de werking van giftige stoffen op biologische systemen bestudeert
toxicología
/ˌtɔk.si.ko.ˈlo.ɣis/, /ˌtɔk.si.ko.ˈlo.ɣɪs/, /ˌtɔk.si.ko.ˈlo.χis/
adjective
1. met betrekking tot gifstoffen
toxicológico
/ˌtɔk.si.ko.ˈlox/, /ˌtɔk.si.ko.ˈloχ/
noun
1. een wetenschapper die de werking van giftige stoffen op biologische systemen bestudeert
  1. toxicóloga
  2. toxicólogo
noun
toxina
adjective
1. giftig
tóxico
noun
1. klierziekte veroorzaakt door het virus toxoplasma
toxoplasmosis
/traːx/
adjective
1. met geringe snelheid
  1. lento
  2. tardo
noun
  1. 2. ook inertie genoemd
    inercia
  2. 1. het langzaam zijn
    lentitud
noun
  1. 2. olie bereid uit het spek van zeezoogdieren als walvissen en robben
    aceite de ballena
  2. 1. vocht dat uit klieren bij de ogen vloeit
    lágrima
noun
1. een van de beederen van de schedel
  1. hueso lacrimal
  2. unguis
noun
conducto lagrimal
noun
1.
  1. gas lacrimógeno
  2. gas lacrimoso
/ˈtraːnɦøvəl/
noun
1. verhevenheid in de ooghoek aan de zijde van de neus
  1. carúncula lacrimal
  2. carúncula lagrimal
noun
conducto lagrimal
noun
1. klier, gelegen boven de oogbollen, die traanvocht produceert
glándula lagrimal
noun
1. ruw, grijs uitvloeiingsgesteente
traquita
noun
1. korrelachtige ontsteking van het oogbindvlies
tracoma
verb
1. een poging in het werk stellen
  1. intentar
  2. tratar de
noun
tracción
/ˈtrɑktɔr/
noun
motorvoertuig
tractor
/tradisʲoˈnel/
adjective
1. zoals de gewoonte dat meebrengt, van oudsher
tradicional
/traˈxedi/
noun
  1. 1. een toneelspel dat handelt over een bedroevende gebeurtenis
  2. 2. gebeurtenis met een droevige of rampzalige afloop
tragedia
adjective
trágico
verb
1. het doen van lichamelijke oefeningen
  1. entrenar
  2. adiestrar
  3. ejercitar
noun
entrenador
noun
1. een oefening
entrenamiento
noun
campo de entrenamiento
noun
1. de af te leggen of afgelegde weg van een voorwerp door de ruimte
trayecto
/trɑk'tat/
noun
  1. 2. verhandeling
    tratado
  2. 1. overeenkomst tussen staten
    tratado internacional
noun
salario
verb
  1. agasajar
  2. obsequiar
  3. tratar bien
/traːli/
noun
2. glazen of metalen plaat
red de difracción
/tram/, /trɑm/, /trɛm/
noun
1. railvoertuig dat meestal in steden voor personenvervoer gebruikt wordt
tranvía
noun
1. een morfine-achtige pijnstiller
tramadol
noun
  1. trampolín
  2. cama elástica
noun
1. een dissociatief verschijnsel waarbij iemand een ander bewustzijnsniveau heeft en waarbij het persoonlijke identiteitsgevoel verminderd kan zijn
trance
noun
tenedor para trinchar
verb
trinchar
/ˈtra.nə(n).ˌdɑl/, /ˈtra.nə(n).ˌdɑɫ/
noun
1. plek van enorm verdriet
valle de lágrimas
adjective
tranquilo
noun
transacción
noun
1. kosten die je moet maken om een bepaalde zakelijke handeling te kunnen verrichten
coste de transacción
noun
1. giststof die een aminogroep van de ene stof op de andere kan overdragen
transaminasa
noun
  1. transcendencia
  2. trascendencia
verb
  1. transcender
  2. trascender
verb
  1. transcribir
  2. trascribir
/trɑnsˈkrɪpsi/
noun
  1. 1. de conversie naar een geschreven tekst van een andere geschreven, getypte of gedrukte tekst.
  2. 3.
transcripción
adjective
1. door de huid
transdérmico
noun
1.
transepto
/trɑnsˈfɛːr/
noun
1. overdracht
traslado
verb
transfigurar
noun
transformación
abbreviation
transformador
verb
transformar
noun
1. het inbrengen van bloed in het bloedvatenstelsel
transfusión
noun
transistor
noun
transistor
noun
1. doorvoer
tránsito
noun
1. structurele overgang of omschakeling
transición
/'trɑnzitif/
adjective
transitivo
noun
comunidad de transición
adjective
1. van voorbijgaande aard
transitorio
noun
  1. traslación
  2. traspasamiento
  3. traspaso
/trɑns.la.ˈtif/
adjective
translativo
noun
1.
transliteración
noun
1. verplaatsing, overplaatsing
traslocación
noun
1. constructie waarmee de beweging van een aandrijvend onderdeel wordt overgebracht naar een aangedreven onderdeel
transmisión
noun
cadena de transmisión
noun
línea de transmisión
noun
transmutación
adjective
1. lichtdoorlatend
transparente
noun
1. doorzichtbaarheid
transparencia
noun
1.
  1. sudor
  2. transpiración
verb
  1. sudar
  2. transpirar
noun
1. het overbrengen van (levend) weefsel naar een andere plaats die zowel in hetzelfde lichaam als in een ander lichaam van een mens, dier of plant kan zijn
  1. trasplantación
  2. trasplante
  3. transplante
noun
transporte
noun
  1. compañía de transporte
  2. empresa de transporte
verb
  1. 2. overdragen
    transferir
  2. 1. personen of objecten naar een andere plek brengen
    transportar
noun
1. vervoerder
transportista
noun
capa transporte
noun
1. overzetting naar andere toonsoort
  1. transposición
  2. trasposición
/trɑnsˈpozɔn/
noun
1.
transposón
noun
  1. transubstanciación
  2. transustanciación
adjective
1. door de urinebuis
transuretral
pronoun
Transvaal
adjective
transversal
noun
ácido graso trans
noun
  1. 1. verbinding tussen twee op verschillende hoogte liggende vloeren of terreinen,...
    escalera
  2. 2. stoot met de voet
    1. patada
    2. puntapié
    3. pisotón
  3. 1. benaming voor vogels uit de familie Otididae
    avutarda
noun
bicicleta acuática
/trɑˈpezə/
noun
  1. 1. een zweefrek voor acrobaten
  2. 2. een hulpmiddel voor het buiten boord hangen om een zeilboot in balans te houden
trapecio
/trɑˈpezɪʏm/
noun
1. een vierhoek waarvan twee zijden evenwijdig lopen
trapecio
noun
otídido
noun
elevador de escaleras
verb
1. met een krachtige beweging van de voet raken of verplaatsen
acocear
noun
1. horzontaal gedeelte tussen twee trapppen
rellano
noun
pasta de camarones
noun
psychische stoornis, ontstaan door een schokkende ervaring
  1. trauma
  2. traumatismo
adjective
1. door een letsel ontstaan
traumático
noun
travertino
noun
  1. 1. handlanger
    compinche
  2. 2. satelliet
    satélite
noun
1. taps toelopende buis, gebruikt voor het vullen van vaten
embudo
noun
  1. escalón
  2. peldaño
verb
  1. caminar
  2. dar pasos
/tre/
noun
1. opstapje dat deel uitmaakt van een trap
escalón
noun
trébede
verb
1. raak schieten
  1. acertar
  2. golpear
noun
2. mikpunt
  1. blanco
  2. meta
adjective
certero
noun
1. een krachtige vissersboot die met een trechtervormig net vist
trainera
noun
1. een rij wagons die door een krachtvoertuig (bijvoorbeeld een locomotief) voortbewogen wordt
tren
noun
1. kaartje dat dient als betalingsbewijs voor een reis per trein
  1. billete de tren
  2. billete del tren
noun
  1. viaje en tren
  2. viaje por ferrocarril
verb
train surfing
/ˈtrɛin.vərˌkeːr/, /ˈtrɛin.vərˌkɪːr/
noun
1. het verkeer per treinen
tráfico de trenes
/ˈtrɛɪtərə(n)/
verb
1. rottigheid uithalen ten nadele van iemand met het doel diegene dwars te zitten
  1. cabrear
  2. chinchar
  3. fastidiar
  4. molestar
noun
  1. 3. verlangen naar eten
    1. apetito
    2. apetencia
  2. 2. migratie
    migración
  3. 1. iets dat iemand karakteriseert
    1. rasgo
    2. rictus
    3. tic
verb
  1. 1. op een voorwerp een kracht uitoefenen in een richting die ervan wegvoert
  2. nog te sorteren
tirar
noun
2. een tractor
tractor
noun
  1. 2. een onwillekeurige spiercontractie
    contracción
  2. 1.
    sorteo
noun
1. paard dat een voertuig trekt
caballo de tiro
noun
1. benaming voor sprinkhanen die normaal gesproken solitair leven,...
langosta
noun
1. een vogel die 's winters een andere verblijfplaats kiest dan in de broedtijd
  1. ave migratoria
  2. ave de paso
noun
1. een pad langs de kant van een kanaal of vaart waarover eertijds de trekdieren van de trekschuit werden voortgedreven
camino de sirga
noun
1. diakritisch teken
  1. diéresis
  2. crema
noun
trémolo
noun
trinchera
noun
  1. nieuwe mode
    1. moda
    2. tendencia
  2. ontwikkeling in een bepaalde richting
    tendencia
noun
elegía
verb
1. verdrietige gevoelens koesteren, vaak na het verlies van iemand of iets
  1. afligirse
  2. estar triste
noun
  1. aflicción
  2. pena
  3. tristeza
noun
1. bepaald soort boom met dunne neerhangende takken, Salix babylonica
  1. sauce llorón
  2. sauce de Babilonia
/'trøzəlar/
noun
1. iemand die niet opschiet en te veel tijd verdoet
  1. gandul
  2. remolón
noun
tríada
noun
triaje
noun
triaca
noun
1. een slaginstrument in de vorm van een vrijhangende metalen driehoek
triángulo
noun
1. meetmethode die gebruikmaakt van het feit dat een driehoek volledig bepaald is als...
triangulación
verb
triangular
/ˈtrijɑs/
noun
Triásico
noun
  1. tribunal
  2. juzgado
noun
1. de plaatsen voor het publiek
tribuna
noun
tríceps
noun
triquinelosis
noun
1. mensenziekte
tricomoniasis
pronoun
1.
Tréveris
adjective
1. somber stemmend
  1. triste
  2. afligido
  3. mohíno
/ˈtrɪf.tɔŋ/
noun
1. een foneem dat uit drie klinkers bestaat die binnen één lettergreep in elkaar overgaan
triptongo
noun
tríglifo
noun
triglicérido
noun
trigonometría
noun
felpa
adjective
1. aan drie kanten, in twee richtingen (buitenkanten)
trilateral
noun
cilio
/ˈtrɪlɦarˌdirtʲə/
noun
1. eencellig organisme
  1. ciliado
  2. cilióforo
cardinalNumeral
trillón
/'trɪlə(n)/
verb
1. snel heen een weer bewegen
  1. vibrar
  2. temblar
  3. rehilar
noun
vibración
noun
1.
trilogía
noun
tremella fuciformis
noun
1. een periode van drie maanden
trimestre
adjective
trimestral
pronoun
  1. 1. het grootste eiland van Trinidad en Tobago
  2. 2. de hoofdstad van het Boliviaans departement Beni
Trinidad
/ˌtrinidɑd ɛn toˈbaːɣo/, /ˌtrinidɑt ɛn toˈbaːɣo/, /ˌtrinidɑt ɛn toˈbaχo/
pronoun
1. een land in het Caribisch gebied bestatend uit twee eilanden, officieel de Republiek Trinidad en Tobago
  1. Trinidad y Tobago
  2. Trinidad y Tabago
noun
dólar de Trinidad y Tobago
noun
trinidad
noun
  1. 3. seksuele activiteit met drie personen
  2. 1. een muziekstuk voor drie spelers
trío
noun
tríodo
noun
tresillo
noun
2. grootse overwinning of prestatie
triunfo
noun
arco de triunfo
noun
grito de triunfo
noun
trióxido
noun
1. korte reis
  1. excursión
  2. viaje
noun
trip hop
noun
1.een kleurloze, sterke likeur
triple seco
noun
1. de meest voorkomende vorm van dizuurstof in de grondtoestand die twee ongepaarde elektronen per molecule bezit
oxígeno triplete
noun
1. compositieplaat betaande uit 3 laagjes gelijmd hout in verschillende vezelrichtingen
contrachapado
noun
tríptico
noun
triticale
noun
tritón
noun
1. politiek leiderschap dat uit drie gelijkwaardige personen bestaat
triunvirato
adjective
trivial
noun
trivialidad
pronoun
Trieste
noun
troqueo
noun
troqueo
noun
  1. grupo
  2. troupe
  3. acervo
  4. compañía
  5. conjunto
  6. cuadrilla
noun
1. troepen
tropas
noun
1. duurzaam voorwerp dat na een overwinning als symbool daarvan aan de winnaar wordt uitgereikt
trofeo
noun
1. een driekantige platte schep met handvat voor het opbrengen van metselspecie
llana
noun
1. een langgerekte voederbak.
comedero
noun
troyano
noun
troyano
noun
  1. caballo de Troya
  2. troyano
pronoun
Troya
noun
duende
verb
duendes
/'trɔ.li.bɵs/
noun
  1. trolebús
  2. trole
/ˌtrɔmboˌsitopeˈni/
noun
1. het symptoom dat men een te laag aantal bloedplaatjes of trombocyten heeft.
trombocitopenia
noun
1. middel dat bloedproppen (stolsels) oplost
trombolítico
noun
1. een koperen blaasinstrument
trombón
noun
1.
trombonista
noun
1. de vorming van een bloedprop in een bloedvat of het hart
  1. trombosis
  2. coágulo
noun
  1. 2. een vaak ronde, afsluitbare, gewoonlijk metalen doos
    1. caja
    2. lata
    3. lata de conservas
  2. 1. een cilindervormig, met een vel bespannen slaginstrument
    tambor
noun
secadora
noun
memoria de tambor
noun
1. onderdeel van een wiel, waarin twee halfcirkelvormige lichamen van binnenuit tegen de wand van een cilinder rond de as worden gedrukt
freno de tambor
noun
tímpano
noun
trampantojo
noun
1. een koperen blaasinstrument met ventielen
trompeta
verb
1. het geluid van een olifant
barritar
noun
1. musicus die een trompet bespeelt
trompetista
noun
1. Psophia crepitans
  1. agamí
  2. aramí
  3. jacamín
  4. tente
  5. trompetero ala gris
/troːn/
noun
1. zetel waar een vorst op zit tijdens formele plechtigheden
trono
noun
  1. baldaquino
  2. baldaquín
  3. palio
noun
1. het aftreden als vorst
abdicación
noun
1. aanvaarding van vorstelijke macht, met de daarbij horende ceremonie
  1. entronización
  2. coronación
noun
tropo
noun
1. steun bij verdriet of pijn
  1. consuelo
  2. consolación
verb
1. als iemand verdriet of pijn heeft deze persoon geestelijke steun geven
consolar
noun
1. streken tussen beide keerkringen
trópico
adjective
tropical
noun
tropismo
noun
  1. 3. een scheepskabel
    1. cable
    2. cabo
    3. amarra
    4. estacha
  2. 1.
    corimbo
  3. 2. de bundel vruchten die uit een dergelijke bloeiwijze voortkomen
    racimo
noun
1. bepaald soort eenjarige plant, Teucrium botrys
  1. germandrina
  2. hierba tercianera
noun
1. bepaalde grassoort, Setaria italica
  1. mijo
  2. mijo menor
  3. panizo común
adjective
  1. 1. erg blij met wat men (bereikt) heeft
    orgulloso
  2. 2. vervuld van grootsheid
    1. orgulloso
    2. soberbio
noun
  1. 2. het gevoel dat men wil pronken met wat men heeft of doet
    orgullo
  2. 1. denken dat men beter is dan anderen
    1. orgullo
    2. soberbia
verb
1. niet laten afschrikken door iemand of iets
  1. afrontar
  2. desafiar
noun
1. stroming binnen het leninisme, die Stalins politiek te weinig marxistisch vindt en een minder autoritaire en meer internationalistische benadering voorstaat
trotskismo
/trɔˈtʋar/
noun
1. een opvanghuis voor wezen
acera
/trʌʊ/
adjective
1. op wie men steeds opnieuw een beroep kan doen
  1. fiel
  2. leal
/trʌʊ/
noun
1. het zich houden aan...
  1. fidelidad
  2. lealtad
noun
día de la boda
verb
1. het aangaan van een officiële verplichting tussen twee personen om voor elkaar te zorgen
  1. casarse
  2. casar
  3. desposar
  4. desposarse
noun
  1. boda
  2. casamiento
noun
  1. alianza
  2. anillo de boda
/tryk/
noun
1. een handeling om op een slimme manier een doel te bereiken
truco
/tryk/
noun
  1. 2. het zelfrijdende deel van een vrachtwagen-opleggercombinatie
    camion à plateforme
  2. 1. vrachtauto waarvan de aanhangwagen op een draaibaar onderstel zit
    camión
noun
trufa
noun
1. een warm kledingstuk voor over het bovenlichaam
  1. jersey
  2. suéter
  3. pull-over
noun
trust
noun
triptófano
/tsaːr/
noun
1. vroegere Russische keizer
zar
/tʃad/, /tʃat/
pronoun
1. een land in Centraal-Afrika, officieel de Republiek Tsjaad
Chad
noun
chadiano
/ˈtʃɛxis/, /ˈtʃɛxɪs/, /ˈtʃɛχis/
pronoun
1. Slavische taal die vooral wordt gesproken in de Tsjechische Republiek
checo
noun
corona checa
pronoun
1. een land in [[Midden-Europa]].
República Checa
/ˈtʃɛxi.jə/, /ˈtʃɛχi.jə/
pronoun
1. een land in Midden-Europa, officieel de Tsjechische Republiek, en is het westelijke deel van het voormalige Tsjecho-Slowakije.
  1. Chequia
  2. República Checa
pronoun
1. een vroegere staat in Europa, ten zuiden van Polen (van 1918 tot 1993)
Checoslovaquia
/tʃɛnobil/
pronoun
Chernóbil
pronoun
1. een taal die in Tsjetsjenië gesproken wordt
checheno
/tsuˈnami/
noun
1. een grote vloedgolf
tsunami
noun
1. een koperen blaasinstrument met lage toon
tuba
/ˌtybɛrky'løs/
adjective
1. met betrekking tot tuberculose
tuberculoso
/ˌtybɛrkyˈlozə/
noun
1. een ziekte veroorzaakt de de tuberculosebacterie Mycobacterium tuberculosis
  1. tuberculosis
  2. tisis
noun
1. middel tegen tuberculose
tuberculostático
noun
tubérculo
noun
disciplina
noun
  1. correccional
  2. reformatorio
noun
derecho disciplinario
noun
1.
  1. toba
  2. tofo
  3. tosca
noun
  1. tirante
  2. estay
/tœy̯x/
noun
5. scheepstoerusting
aparejo
noun
1. het geheel van masten, bomen, zeilen en touwwerk van moderne zeilschepen
aparejo
noun
1. Tursiops truncatus, dolfijnsoort met robuust gestroomlijnd lichaam
  1. delfín mular
  2. pez mular
  3. tursión
/tœy̯n/
noun
1. begrensd stuk grond waarop gewassen worden geplant of verbouwd
jardín
noun
  1. haba
  2. haba común
  3. haba mayor
  4. habichuela
  5. habichuela ancha
noun
1. vorm van gewassenkwekerij die zich specifiek toelegt op het intensief telen van groenten, bloemen, planten, bomen, bollen of zaden
  1. horticultura
  2. cultivo de hortalizas
noun
  1. horticultor
  2. hortelano
  3. horticulturista
noun
jardinero
noun
1. Sylvia borin, een zangvogel ...
curruca mosquitera
noun
  1. caléndula
  2. flamenquilla
  3. flor de muerto
  4. flor de todos los meses
  5. maravilla
  6. mercadela
/ˈtœʏnhœʏs/
noun
1. een gebouwtje in een tuin voor recreatief gebruik
pabellón
noun
jardinero
noun
1. en 2. cultuurplant en eetbaar kruid Lepidum sativum
  1. berro hortelano
  2. berro de jardin
  3. lepido
noun
jardinero
noun
perejil
noun
manguera de jardín
noun
  1. titimalo
  2. tomagallos
  3. tornagallos
verb
schenkpijp aan een kan of ketel
pico
noun
  1. 2. taart in de vorm van een tulband
    1. brioche
    2. rosca
    3. roscón
  2. 1. hoofddeksel
    turbante
noun
tul
noun
1. plant
tulipán
noun
1. een gezwel
tumor
adjective
tumultuoso
noun
túmulo
noun
dinar tunecino
/ty.ˈne.zi.jə/, /tʏ.ˈne.zi.jə/
pronoun
land in Noord-Afrika, officieel de Republiek Tunesië
  1. Túnez
  2. Tunicia
noun
túnica
noun
1. lange bloes of korte jurk vaak gedragen over een lange broek door vrouwen
túnica
noun
1. een kunstmatige ondergrondse doorgang
túnel
noun
diodo túnel
noun
1. een schoepenrad als energieopwekker
turbina
noun
turbo
noun
turbocompresor
noun
turbofán
noun
turbomáquina
noun
turbohélice
verb
1. veen als brandstof
turba
noun
1. het delven en gebruiksklaar maken van turf
extracción de turba
pronoun
1. de hoofdstad van de regio Piëmont en de provincie Turijn
Turín
/tʏrk/
noun
1. Inwoner van Turkije
turco
/tʏrˈkɛɪ̯.jə/, /tʏrˈkɛː.jə/
pronoun
1. land in Europa en Azië
Turquía
noun
  1. manat turcomano
  2. manat turkmeno
pronoun
Turkmenistán
/tʏrˈkojs/, /tʏrˈko̝js/
noun
1. een steen bestaande uit het mineraal turkoois
  1. turquesa
  2. azul turquí
adjective
azul turquesa
adjective
verde turquesa
adjective
1. met de blauwgroene kleur turkoois.
turquesa
/tʏrks/
pronoun
1. een taal die vooral in Turkije gesproken wordt
turco
pronoun
  1. islas Turcas y Caicos
  2. islas Turks y Caicos
noun
1. bepaald soort tuinplant, Lilium martagon
  1. azucena silvestre
  2. lirio atigrado
  3. lirio silvestre
  4. martagón
noun
lira turca
verb
1. een sport beoefenen die bestaat uit een verzameling gymnastische oefeningen op een toestel of de grond
gimnasia
adjective
1. blauwgroene kleur.
turquesa
/ˈtʏ.sən/
preposition
1. met iets aan minimaal twee kanten het kind staat tussen haar ouders
entre
/ˌtʏsənˈdoːrtjə/
noun
1. een versnapering, iets te eten tussen de maaltijden door
  1. piscolabis
  2. refrigerio
  3. tentempié
noun
entremés
noun
  1. intervención
  2. intercesión
  3. intermediación
  4. mediación
noun
  1. gestor
  2. intermediario
  3. mediador
  4. persona intermediaria
noun
arandela
noun
1.
  1. interludio
  2. entreacto
/ˈtʏsə(n).ʋɛrpsəɫ/
noun
1. een uitroep, een woord, een frase of een zin die een expressie van emotie is
interjección
adjective
cursi
noun
tutú
/ˌtu.va.ˈlu/
pronoun
1. een land in Oceanië
Tuvalu
noun
2. een elektrisch apparaat om bewegende beelden en geluid te ontvangen
televisor
noun
telespectador
noun
1. vrouw die gewend is om televisieprogramma's op een beeldscherm te bekijken
telespectadora
/twaːlf/, /tʋaːl(ə)f/
cardinalNumeral
1. het getal 12
doce
ordinalAdjective
1. nummer twaalf in een rij
duodécimo
noun
1. Oryzoborus crassirostris, een kleine vinkensoort uit Midden- en Zuid-Amerika
semillero picón
/tʋeː/
cardinalNumeral
1. het getal 2
dos
/tʋeː/
noun
1. het cijfer twee
dos
phraseologicalUnit
(como) guisantes en una vaina
adjective
1. bestaande uit twee atomen
  1. biatómico
  2. diatómico
/ˈtʋeːdə/
ordinalAdjective
  1. segundo
  2. segunda
noun
1. naamval als aanduiding van bezit, oorsprong of hoeveelheid
genitivo
pronoun
1. het geheel van afzonderlijke militaire conflicten die van 1939 tot 1945...
Segunda Guerra Mundial
/tʋedəˈɦɑn(t)s/, /tʋedəˈɦɑnts/
adjective
1. reeds door iemand bezeten geweest
  1. de segunda mano
  2. usado
noun
  1. ropa de segunda mano
  2. ropa usada
noun
  1. tienda de ropa de segunda mano
  2. tienda de ropa usada
noun
biplano
adjective
dioico
/ˈtʋeklɑŋk/
noun
1. een foneem dat uit twee klinkers bestaat die binnen één lettergreep in elkaar overgaan
diptongo
adjective
bivalvo
noun
1. de tijd van de dag waarop het licht dan wel donker wordt
crepúsculo
/ˈtwelɪŋ/, /ˈtʋelɪŋ/, /ˈtβ̞elɪŋ/
noun
1. twee wezens die met zijn tweeën tegelijk in één buik ontwikkeld zijn
  1. gemelo
  2. mellizo
pronoun
2. teken van de dierenriem, traditioneel behorend bij geboortedata van ongeveer 21 mei tot 21 juni
Géminis
noun
díptico
adjective
1.om de twee maanden
bimestral
noun
motor de dos tiempos
adjective
bilingüe
noun
bilingüismo
adjective
  1. 2. binair
    binario
  2. 1. bivalent
    divalente
noun
bicicleta
adjective
dicotiledóneo
cardinalNumeral
1. het getal 22
veintidós
/ˈtʋɛɪfəɫ/
noun
1. gevoel van onzekerheid ten aanzien van wat men in een gegeven situatie moet doen, geloven e.d.
  1. duda
  2. incertidumbre
adjective
1. met een gevoel van onzekerheid over de morele juistheid
  1. dudoso
  2. sospechoso
verb
na te gaan
dudar
/tʋɛɪ.fəɫ.χə.vɑɫ/, /tβ̞ɛː.fəl.ɣə.vɑl/
noun
1. een situatie of entiteit waarover getwijfeld wordt
caso dudoso
/twɛɪ̯x/, /tʋɛɪ̯χ/, /tβ̞ɛːx/
noun
1. een dun buigzaam takje van een boom of struik
  1. ramita
  2. ramilla
verb
  1. torcer
  2. retorcer
/ˈtʋɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 20
veinte
ordinalAdjective
vigésimo
noun
  1. siglo XX
  2. siglo veinte
noun
1. welgeteld twintig
veintena
noun
icosaedro
noun
1. een langdurig geschil
  1. alteración
  2. cuestión
/ˈtwɪstə(n)/, /ˈtʋɪstə(n)/, /ˈtβ̞ɪstə(n)/
verb
  1. 1. onenigheid hebben
    alegar
  2. 2. een discussie voeren
    1. altercar
    2. bregar
    3. contender
    4. debatir
    5. disputar
noun
causa
/tɑjˈkuːn/
noun
1. een rijk persoon die een groot deel van een bepaalde bedrijfstak in handen heeft.
magnate
/tiˈfon/, /tɑjˈfuːn/
noun
1. een hevige wervelstorm in de Chinese Zee en de Stille Oceaan die ontstaat uit een tropische depressie.
tifón
noun
tifus
noun
1. door bepaalde karakteristieken herkenbare soort
tipo
/ˈtɛɪ̯.pə(n)/
verb
1. gegevens invoeren
  1. mecanografiar
  2. dactilografiar
  3. escribir a máquina
  4. teclear
verb
caracterizar
adjective
2. kenmerkend
  1. típico
  2. característico
  3. típicamente
noun
mecanógrafo
noun
mecanógrafa
noun
1. iemand die zich bezighoudt met het vormgeven, zetten en drukken van teksten
tipógrafo
noun
2. grafische vorm van tekst
tipografía
noun
tipología
noun
tirosina
/yː/
personalPronoun
u (pers.vnw.)
usted
noun
1. bocht van 180°
  1. cambio de sentido
  2. giro en U
/ˈyfo/
noun
1. vliegend voorwerp waarvan de identiteit niet bekend is, meestal in verband met een (vermeende) buitenaardse oorsprong
ovni
/œʏ̯/, /œː/
noun
1. Allium cepa, een eetbaar bolgewas
cebolla
/œyjəsup/
noun
1. een uit uien bereide soep
sopa de cebolla
noun
1. de melkklier van een herkauwer
ubre
/œʏ̯ɫ/, /œːl/
noun
1. benaming voor vogels uit de orde Strigiformes
  1. búho
  2. lechuza
/ˈœytˌadəmən/
verb
  1. espirar
  2. exhalar
noun
1. het uitademen
espiración
verb
1. uitdiepen door middel van baggeren
dragar
verb
1. iets uitdrijven of wegjagen
exorcizar
noun
2. het uitstoten van gassen, rook en lava door een vulkaan
erupción
verb
1. in beeld voorstellen
representar
verb
1. met een beitel uithakken
  1. escoplear
  2. cincelar
/ˈœʏtbenə(n)/, /ˈœːdbeːnə(n)/, /ˈœːtbenə(n)/
verb
1. het been uit (het vlees) halen
  1. deshuesar
  2. desosar
verb
  1. externalizar
  2. subcontratar
noun
2.
subcontratación
verb
1. door een bijtende stof aantasten
corroer
noun
valor atípico
noun
ampliación
noun
ampliación
verb
provocar
verb
2.
  1. cauterizar
  2. foguear
noun
1. hevige berisping
  1. reprensión
  2. reprimenda
  3. admonición
  4. vituperación
  5. vituperio
noun
cauterización
adjective
extensible
verb
1. iets een groter oppervlak laten innemen
  1. ampliar
  2. ensanchar
noun
  1. ampliación
  2. aumento
  3. expansión
  4. extensión
  5. incremento
verb
1. eieren verwarmen totdat deze uitkomen
  1. criar
  2. empollar
verb
  1. aullar
  2. mugir
  3. rugir
/ˈœʏtbœʏtiŋ/
noun
1. het gebruik van iemand maken zonder daar naar waarde voor te belonen
explotación
adjective
  1. 1. het gewone of de maat overschrijdend
    abundante
  2. 2. enthousiast
    acalorado
verb
1. iemand met woord of daad tot actie prikkelen
desafiar
adjective
  1. desafiante
  2. retador
/ˈœʏdaχɪŋ/, /ˈœːdaɣɪŋ/
noun
1. taak die moeilijk te verwezenlijken valt
desafío
verb
  1. een (flinke) klap uitdelen
    abarajar
  2. 1. meerdere personen ergens op trakteren
    repartir
noun
repartidor
verb
  1. inventar
  2. discurrir
verb
profundizar
verb
1. iemand op opvallende wijze kleden
  1. adornar
  2. ataviar
  3. atildar
verb
secar
verb
escurrir
adjective
  1. explícito
  2. expreso
verb
1. een gevoel of gedachte in taal verwoorden
  1. expresarse
  2. expresar
/ˈœytrʏkɪŋ/, /ˈœːdrʏkɪŋ(g)/, /ˈœːtrʏkɪŋ/
noun
  1. 2. verbinding van woorden
  2. 3. geheel van sprekende gelaatstrekken
  3. 4. het uitdrukken, uiting
expresión
verb
1. een enkele kudde of menigte in meerdere delen opdelen door een drijvende beweging te maken
dispersar
/œʏ̯tˈen.χan/, /œːtˈen.ɣan/
verb
separarse
verb
1. een verklarende uitleg van iets geven
  1. desenvolver
  2. explicar
  3. exponer
/ˈœʏ.tεɪn.ˌdә/, /ˈœː.tεːn.ˌdə/
noun
  1. extremo
  2. expiración
  3. vencimiento
/ˈœʏ̯tə(n)/, /ˈœːtə(n)/
verb
2. zeggen
  1. boquear
  2. proferir
adverb
  1. naturalmente
  2. por supuesto
noun
  1. aspecto
  2. apariencia
adjective
  1. extremo
  2. supremo
adverb
  1. extremamente
  2. sumamente
verb
  1. 1. ophouden met branden
    apagarse
    1. 3. naar de bar, disco of restaurant gaan
    2. 4. naar buiten gaan
    salir
/'œʏtχɑŋ/, /'œːtɣaŋ/
noun
salida
noun
1. de aannames en veronderstellingen waar men van uitgaat
punto de partida
/ˈœʏtχavə/, /ˈœːdɣavə/, /ˈœːtxavə/
noun
    1. 4. uitgegeven werk
    2. 2. reeks van uitgeven literaire werken
    edición
  1. 1. bedrag dat men uitgeeft
    gasto
  2. 3. het uitgeven van een werk
    publicación
noun
gastos
noun
  1. extensión
  2. tamaño
adjective
provocado
adverb
1. dodelijk vermoeid
  1. agotado
  2. consumido
  3. rendido
adjective
relajado
adjective
relajado
adjective
  1. amplio
  2. vasto
  3. profundo
noun
extensión
verb
  1. 1. financiële middelen aanspreken
    gastar
  2. 2. een geschrift in drukvorm verspreiden
    publicar
noun
1. een persoon die of bedrijf dat boeken of andere publicaties in omloop brengt
editor
verb
verter
verb
1. door glijden ten val komen
resbalar
verb
1.het door en door gloeien van materialen om fysische eigenschappen te wijzigen
recocer
verb
1. iets door graven uit de grond halen
desenterrar
/œʏtˈhems/
adjective
1. van oorsprong ergens niet voorkomend
exótico
verb
  1. abombar
  2. socavar
  3. vaciar
verb
interrogar
verb
1. langdurig moeilijkheden verdragen of belasting dragen
  1. aguantar
  2. aguantar hasta el fin
noun
het vermogen van iemand om zich voor een lange tijd in te spannen of pijn te verdragen
  1. aguante
  2. resistencia
/ˈœʏ̯tɪŋ/, /ˈœːtɪŋ/
noun
expresión
verb
1. honend toeroepen
abuchear
verb
  1. peinar
  2. rastrillar
noun
1. betaling van geld op basis van sociale wetgeving
prestación
verb
  1. discurrir
  2. inventar
verb
1. uit een aantal mogelijkheden één of meer selecteren
  1. elegir
  2. seleccionar
noun
observatorio
verb
  1. 2. met verlangen op iets wachten
    esperar
  2. 1. voorzichtig zijn
    tener cuidado
verb
cortar al ras
verb
3. tevoorschijn komen
brotar
/'œʏ̯tkɔmst/, /'œːtkɔms/, /'œːtkɔmst/
noun
  1. 3. resultaat van een bewerking
    1. cociente
    2. producto
    3. resolución
    4. resto
    5. resultado
    6. suma
  2. 1. de afloop van een bepaald proces
    1. consecuencia
    2. efecto
    3. fin
    4. resultado
    5. término
  3. 2. middel
    1. recurso
    2. remedio
verb
  1. exponer
  2. pregonar
verb
2. uittrekken
  1. quitar
  2. sacar
/ˈœʏ̯tlat/, /ˈœːtlaːt/
noun
1. een opening waardoor iets als afvalproducten naar buiten kan treden
escape
noun
silenciador de escape
verb
1. vrachtgoed uit een scheepsruim of uit overdekte wagen lossen
  1. descargar
  2. desembarcar
noun
1. een verhaal bedoeld om iets begrijpelijk te maken
  1. explicación
  2. aclaración
verb
  1. 2. iets groter, langer of ruimer maken
    1. alargar
    2. ensanchar
  2. 3. iets leggend uitspreiden
    1. desplegar
    2. desdoblar
  3. 1. iets doen begrijpen
    explicar
noun
  1. aclaración
  2. explicación
  3. exégesis
verb
1. iets voor tijdelijk gebruik aan een ander afstaan
prestar
verb
1. een verlangen tot verzadiging kunnen botvieren
desmadrarse
verb
1. een gevangene in handen van een andere autoriteit overdragen
entregar
verb
alinear
noun
  1. alineación
  2. alineamiento
verb
2. nieuwe takjes en blaadjes krijgen
  1. abrotoñar
  2. acogollar
  3. brotar
  4. retoñar
verb
  1. 1. beëindigen
    1. acabar
    2. concluir
    3. terminar
  2. 2. doven
    1. ahogar
    2. apagar
    3. extinguir
  3. 3. beslissen
    decidir
verb
explotar
verb
  1. medir
  2. tomar la medida
verb
desembocar
adjective
1. voortreffelijk
excelente
/'ʌʏt.no.də.ɣə(n)/
verb
1. iemand verzoeken iets bij te wonen
  1. convidar
  2. invitar
noun
1. een verzoek om iets bij te wonen
invitación
verb
1. in praktijk brengen
ejercer
noun
ejercicio
/ˈœʏtpɑkə(n)/, /ˈœːtpɑkə(n)/
verb
  1. 1. uit een verpakking halen
  2. 2. uit een omhulsel halen
desenvolver
verb
1. van tevoren proberen of het bevalt
probar
noun
  1. producto cruz
  2. producto externo
  3. producto vectorial
noun
1. de toestand waarin iets of iemand aan het eind van zijn of haar krachten is
agotamiento
noun
1. uitputtende oorlog, oorlogsvoering
guerra de desgaste
verb
hacer
/ˈœʏ̯trɛɪ̯də(n)/, /ˈœːtrɛɪ̯də(n)/, /ˈœːtrɛːdə(n)/
verb
1. rijdend weggaan
salir
noun
1. een plaats of opening waardoor of waarlangs men kan of moet uitrijden
salida
noun
  1. erradicación
  2. exterminio
  3. extinción
/ˈœtruːp/, /ˈœytruːp/
noun
1. wat men uitroept, luid geuite woorden of klanken
exclamación
noun
1. !, een leesteken dat uitdrukt dat de zin een uitroep, bevel of uitdrukking van verbazing is
signo de admiración
noun
1. benodigdheden voor een taak
equipo
verb
2.door andere schakeling deactiveren
  1. desconectar
  2. desacoplar
  3. desenchufar
verb
  1. 1. stoppen
    cesar
  2. 2. voortbrengen
    excretar
noun
excreción
/'œytsxɛldə(n)/, /ˈœtsxɛldə(n)/
verb
1. iemand met scheldwoorden bewerken
insultar
verb
verter
verb
4. uitlopen, uitspruiten
  1. abotonar
  2. saltar
noun
valor atípico
verb
1. zijn best doen, mogelijk overdreven
prodigarse
verb
1. niet langer tot de mogelijkheden rekenen
  1. excluir
  2. descartar
/œʏtˈslœʏtənt/
adjective
1. geen ruimte voor andere mogelijkheden latend
exclusivo
noun
exclusión
noun
principio de exclusión
noun
principio de exclusión de Pauli
verb
extender
verb
  1. arrojar
  2. eyacular
  3. tirar
verb
tallar
noun
taberna
noun
1. firmament, de hemel
firmamento
verb
1. besparen
  1. economizar
  2. ahorrar
verb
  1. desbordarse
  2. ir de juerga
noun
  1. desorden
  2. exceso
/œytspra:k/
noun
  1. 1. manier waarop iets ten gehore gebracht wordt
    pronunciación
  2. 3. veroordeling
    1. sentencia
    2. condena
/ˈœʏ̯tˌsprɪŋə(n)/, /ˈœːtˌsprɪŋə(n)/
verb
sobresalir
noun
cornisa
verb
abotonar
noun
2. kort plezierreisje
excursión
/'œytsteksəl/
noun
1.
protuberancia
verb
2. de ogen met een scherp voorwerp stekend verwijderen
arrancar
/'ʌʏt.ste.kənt/, /ʌʏt.'ste.kənt/
adjective
2. uitmuntend
excelente
noun
  1. demora
  2. detención
  3. dilación
  4. retraso
  5. tardanza
verb
1. naar een later tijdstip verschuiven
  1. aplazar
  2. demorar
  3. retardar
  4. diferir
verb
1.
  1. extinguirse
  2. desaparecer
verb
salir
verb
lanzar
verb
  1. irradiar
  2. emanar
noun
  1. efluvio
  2. emanación
  3. irradiación
  4. radiación
verb
  1. extender
  2. tender
verb
frotis
noun
2. biologisch materiaal van de baarmoedermond dat op een objectglaasje wordt uitgesmeerd
  1. citología
  2. prueba
verb
  1. promulgar
  2. denunciar
  3. proclamar
noun
rebaja
adjective
1.
  1. elegido
  2. favorito
  3. predilecto
verb
inventar
noun
1. persoon die uitvindingen doet
  1. inventor
  2. inventora
noun
1. de daad van het uitvinden, het ontdekken van een nieuwe methode of een nieuw toestel
  1. invento
  2. invención
/ˈœytflujsəl/
noun
1.
  1. consecuencia
  2. efecto
  3. resultado
noun
  1. subterfugio
  2. pretexto
  3. son
adjective
1. mogelijk om uitgevoerd te worden
  1. factible
  2. realizable
  3. viable
verb
  1. 3. software runnen
    ejecutar
  2. 1. exporteren
    exportar
  3. 2. afhandelen, voltrekken, ten uitvoer brengen
    1. realizar
    2. ejecutar
    3. cumplir
    4. efectuar
adjective
  1. ejecutivo
  2. ejecutor
noun
poder ejecutivo
adverb
largo
noun
  1. 1. het in de praktijk brengen van iets
    1. consumación
    2. ejecución
    3. realización
  2. 2. het ten gehore brengen van een bepaald werk
    1. presentación
    2. representación
  3. 3. wijze van bewerking
    versión
verb
3. uitbijten, corroderen
corroer
noun
  1. gorrón
  2. parásito
noun
  1. 2. ongewenste of ziekelijke doorontwikkeling
    exceso
  2. 1. uitgroeisel
    excrecencia
verb
lavar
adjective
1. zich aan de buitenkant bevindend
  1. externo
  2. exterior
noun
  1. producto cruz
  2. producto externo
  3. producto vectorial
verb
1. nauwkeuriger maken van wat al in grote lijnen is bepaald
  1. detallar
  2. elaborar
verb
  1. 1. naar buiten werpen
    arrojar
  2. 3. buiten het veld gooien
    1. arrojar
    2. lanzar
verb
  1. 2. de waarheid aan het licht brengen
    demostrar
  2. 1. na een juridisch proces naar een ander land sturen
    expulsar
noun
ahorro
verb
  1. intercambiar
  2. permutar
  3. trocar
noun
intercambio
verb
borrar
verb
frotar
noun
metástasis
verb
1. door het zakken uit de gewone stand of vorm komen
abolsarse
verb
2. een programma uitzenden
transmitir
noun
  1. emisión
  2. transmisión
noun
1. complete uitrusting van kleren, linnengoed, borden, etc. van een bruid of bruidspaar
ajuar
noun
  1. 2. verwachting, iets waar men naar kan uitzien
    perspectiva
  2. 1. wat men van de omgeving vanaf een bepaalde plek kan zien
    1. vista
    2. panorama
noun
  1. mirador
  2. punto de vista
/'œy̆t.sin/
verb
  1. 2. naar een verlangen koesteren
    anhelar
  2. 1. een zekere aanblik hebben
    aparecer
verb
1. een selectie maken uit een grotere verzameling
escoger
verb
1. buiten een bepaalde regel plaatsen
exceptuar
/œytsɔndərɪŋ/
noun
1. een geval waarbij men iets niet onder een regel laat vallen
excepción
/œʏtˈzɔndərlək/
adjective
1. niet alledaags, niet gewoon
excepcional
noun
1. een lichtbewapende bereden soldaat in enkele Europese legers
ulano
noun
1. maagzweer
  1. úlcera estomacal
  2. úlcera péptica
/ʏltɪˈmatʏm/
noun
1. laatste eis
ultimátum
adjective
. in een diepe tint blauw met RAL-nummer 5002
azul ultramar
noun
  1. 1. blauwe verfstof, blauw pigment dat van nature wordt aangetroffen in het mineraal lazuriet
    1. azul de ultramar
    2. azul ultramarino
  2. 2. tint blauw met RAL-nummer 5002
    azul ultramar
adjective
azul ultramar
noun
protector solar
/ˈumlʌʊt/
noun
  1. 1. trema dat een vocaalwijziging aangeeft
    diéresis
  2. 2. vocaalwijziging o.i.v. een klinker in de volgende lettergreep
    metafonía
/ʏnɑˈnim/
adjective
1. met eenheid van stemmen
unánime
noun
unanimidad
adjective
1. in de vorm van klassieke hoofdletters, maar daarvan onderscheiden door een afgeronde omtrek
uncial
noun
  1. 1. een verzorgd majuskelschrift met een afgeronde omtrek
  2. 1. een letter uit het unciaalschrift
uncial
pronoun
Fondo de Naciones Unidas para la Infancia
noun
unicidad
noun
unión
/y.ˈnik/
adjective
1. enige in zijn soort
único
noun
teoría del campo unificado
adjective
1. éénvormig, gelijkvormig
uniforme
noun
uniforme
noun
uniformidad
adjective
1. éénzijdig
unilateral
adverb
al unísono
noun
unidad
adjective
unitario
noun
unitarismo
noun
unitario
noun
unidad
noun
universalidad
adjective
1. alom bekend, vertegenwoordigd of erkend
universal
adjective
universitario
/ynivɛrzitɛɪt/
noun
1. een instelling voor hoger onderwijs, wetenschappelijk onderzoek en dienstverlening
universidad
noun
1. het gehele tijd-ruimtecontinuüm waarin wij bestaan, samen met alle materie en energie
  1. universo
  2. cosmos
noun
univocidad
/ʌnstər/
noun
  1. 2. een eenvoudig weegtoestel gebaseerd op de rek van een veer
    balanza de muelle
  2. 1. een eenvoudig weegtoestel gebaseerd op een balans met ongelijke armen
    romana
noun
1. scheikundig element met symbool Uub en atoomnummer 112
ununbio
noun
1. een scheikundig element met het symbool Uuh en het atoomnummer 116
ununhexio
noun
1. een scheikundig element met het symbool Uuo en het atoomnummer 118
ununoctio
noun
1. een scheikundig element met het symbool Uup en het atoomnummer 115
ununpentio
noun
1. een scheikundig element met het symbool Uuq en het atoomnummer 114
ununquadio
noun
1. een scheikundig element met het symbool Uus en het atoomnummer 117
ununseptio
noun
1. een scheikundig element met het symbool Uut en het atoomnummer 113
ununtrio
noun
1. een gemoderniseerde versie van een computerprogramma
actualización
verb
1.
  1. actualizar
  2. poner al día
verb
1. een bestand van een lokale computer of server naar een computer of server op afstand overbrengen
  1. subir
  2. cargar
noun
1. scheikundig element met symbool U en atoomnummer 92
uranio
noun
1. scheikundig element met symbool U en atoomnummer 92
uranio
pronoun
Urano
noun
1. een trek van de landelijke gebieden naar de stad
urbanización
noun
urbanismo
noun
urbanidad
pronoun
1. de officiële taal van Pakistan en een van de officiële talen van India
urdu
noun
1. bloedvergiftiging door onvoldoende werking van de nieren
uremia
noun
uréter
noun
1. een lange cilindrische holte die de blaas verbindt met de buitenkant van het lichaam
uretra
noun
  1. urea
  2. E927b
  3. carbamida
noun
1. de mate waarin iets dringend gewenst of nodig is
urgencia
noun
1. middel dat de urinezuuruitscheiding bevordert
uricosúrico
noun
1. een vloeistof die bij dieren door de nieren wordt geproduceerd en periodiek wordt geloosd
orina
noun
1.bij zoogdieren een orgaan dat de urine uit de nieren verzamelt en deze opslaat tot het moment van urineren
vejiga urinaria
noun
1. een lange cilindrische holte die de blaas verbindt met de buitenkant van het lichaam
uretra
noun
1. de buis die loopt tussen het nierbekken en de blaas
  1. uréter
  2. uretra
/ˌyriˈnɪːrə(n)/
verb
1. het via de blaas lozen van lichamelijke afvalstoffen in de vorm van vloeistof
  1. orinar
  2. mear
noun
urinario
noun
localizador uniforme de recursos
noun
1. eerste betekenisomschrijving
urna
noun
cultura de los campos de urnas
noun
1. röntgenfoto van de urinewegen
urografía
noun
uróloga
noun
urología
noun
urólogo
noun
1. allergische irritatie van de huid
urticaria
/ˈu.ru.ˌgʋɑɪ̯/, /ˈu.ru.ˌgβ̞ɑɪ̯/, /ˈuruˌɡwe/, /ˌu.ru.ˈɣ<sup>ʊ</sup>ɛɪ̯/
pronoun
  1. 1. en 2. land en staat in Zuid-Amerika
    Uruguay
  2. 1. rivier in Zuid-Amerika
    Río Uruguay
noun
peso uruguayo
noun
  1. costumbre
  2. hábito
/ˌyʔɛsˈbeːˈmɛmoriˌstɪk/
noun
memoria usb
/yʔɛsˈbeʔport/
noun
1. aansluitmogelijkheid waardoor apparaten gegevens uit kunnen wisselen volgens de USB-standaard
puerto USB
/yʔɛsˈbeʔstafjə/
noun
memoria usb
/yʔɛsˈbeʔstɪk/
noun
memoria usb
noun
usurpador
verb
1. toe-eigenen, onrechtmatig in bezit nemen, zich aanmatigen
usurpar
noun
1. de baarmoeder
  1. útero
  2. matriz
adjective
utilitario
noun
utilidad
/ˌytoˈpi/
noun
1. een volmaakte toestand die niet te bereiken is
utopía
adjective
utópico
/ˈytrɛx/, /ˈytrɛxt/, /ˈytrɛχt/
pronoun
  1. 4. spelwoord voor de letter u
    Uruguay
  2. 2. de hoofdstad van de provincie Utrecht
    1. Utrecht
    2. Utrech
/yːr/
noun
1. een eenheid van tijd die bestaat uit 60 minuten
hora
noun
1. een mechaniek dat de tijd bijhoudt of aangeeft
reloj
noun
relojero
noun
horario
noun
índice UV
noun
uveítis
adjective
uvular
/yu̯/
possessivePronoun
bezittelijk voornaamwoord uw
  1. su
  2. sus
noun
1. drijfriem met V-vormige doorsnee
correa en v
noun
1. voltooid verleden toekomende tijd
condicional anterior
adjective
  1. vago
  2. confuso
  3. borroso
/vaːk/
adverb
1. vele malen
  1. frecuentemente
  2. a menudo
  3. muchas veces
/val/, /vaɫ/
adjective
1. tot bijna kleurloos verbleekt
  1. pálido
  2. descolorido
noun
braza
noun
1. vlag
  1. bandera
  2. estandarte
noun
± onderscheidende vlag van een schip en/of militaire eenheid
  1. pabellón
  2. enseña
  3. bandera
  4. estandarte
noun
1. desertie
deserción
adjective
  1. hábil
  2. diestro
  3. suelto
/ˈvaːrdəxɦɛːt/, /ˈvaːrdəxɦɛːɪt/
noun
1. het vermogen om een handeling bekwaam uit te voeren of een probleem juist op te lossen
  1. habilidad
  2. destreza
  3. soltura
/ˈvarɣøːl/, /ˈvarχʏːɫ/
noun
2. een strook bevaarbaar water tussen twee zandbanken
espacio o camino abierto
noun
  1. novilla
  2. vaquilla
noun
  1. 2. kanaal, bevaarbaar gemaakte watergang
    canal
  2. 3. het varen, het bedrijven van scheepvaart als beroep
    navegación
  3. 1. opgebouwde snelheid
    velocidad
/ˈvaːrtœx/, /ˈvaːrtœyx/
noun
1. vervoermiddel op water
embarcación
noun
  1. vía fluvial
  2. vía navegable
interjection
een groet bij een (meestal definitief) afscheid
adiós
noun
1. een aardewerken of glazen kruik, vooral bedoeld voor het in het water zetten van bloemen
  1. jarrón
  2. florero
noun
1. een apparaat om automatisch de afwas te doen
  1. lavaplatos
  2. lavavajillas
  3. friegaplatos
  4. lavadora de vajilla
  5. máquina lavaplatos
noun
1. een apparaat om automatisch de afwas te doen
  1. lavavajillas
  2. lavaplatos
  3. friegaplatos
  4. lavadora de vajilla
  5. máquina lavaplatos
adjective
  1. vacante
  2. libre
noun
puesto vacante
/vakˈsæː/, /vɑkˈsɛː/
noun
1. uit verzwakte ziekteverwekkers bestaande entstof om afweer op te bouwen
vacuna
noun
1. een inenting
vacunación
verb
1. een injectie met een vaccin geven
vacunar
noun
1. behaarde huid van een dier, vel van woldragende dieren, met de wol erop
  1. piel
  2. pellejo
  3. vellón
noun
vacuola
noun
1. materievrije ruimte
  1. vacío
  2. vacuo
noun
bomba de vacío
noun
1.
braza
verb
  1. sondar
  2. sondear
noun
1. een mannelijke ouder
padre
noun
1. een dag waarop vaders extra verwend worden
Día del Padre
noun
1. een land of staat waar iemand geboren en opgegroeid is
patria
adjective
paternal
noun
paternidad
/ˈvadsəχ/
adjective
1. loom, lui, slaperig, traag
  1. decaído
  2. lánguido
  3. mortecino
noun
dírham de los Emiratos Árabes Unidos
noun
  1. vagabundo
  2. vago
/ˈva.ɣə.ˌvyːr/, /ˈva.χə.ˌvyːr/
noun
1. een toestand waar de zielen van gestorven personen gereinigd worden.
purgatorio
noun
1. het vrouwelijke geslachtsorgaan
  1. vagina
  2. coño
adjective
vaginal
noun
  1. 3. schoolvak
    asignatura
  2. 1. beroep
    oficio
/vɑˈkɑn(t)si/
noun
  1. 1. jaarlijks terugkerende periode waarin leerlingen en personen vrijaf hebben
  2. 2. reis in een jaarlijks terugkerende periode waarin je vrijaf hebt
vacaciones
noun
día libre
noun
1. vakvereniging van arbeiders ter verdediging van hun belangen
sindicato
adjective
competente
noun
1. een man die zijn vak of professie verstaat
  1. especialista
  2. experto
  3. profesional
noun
sindicato
noun
sindicato
noun
2., 3.
armadura
noun
disciplina científica
noun
1. het begin van de avond, gekenmerkt door schemer
tarde
noun
guillotina
pronoun
Valencia
pronoun
1. Catalaans zoals dat gesproken wordt in Valencia en omgeving
valenciano
noun
valencia
noun
electrón de valencia
noun
1. 14 februari, de dag van de verliefden
Día de San Valentín
noun
1. CH₃(CH₂)₃COOH
ácido valérico
adjective
1. in staat tot werken en normaal functioneren
sano
noun
validez
noun
valina
/vɑlk/
noun
1. roofvogel
halcón
noun
1. bedrijver van valkerij
  1. halconero
  2. cetrero
/vɑlkə'rɛɪ/
noun
1. africhten van roofvogels
cetrería
noun
árnica
noun
1. een laagte tussen bergen
valle
verb
1. vrijelijk onder invloed van de zwaartekracht naar de aarde bewegen
caer
noun
1. scharnierend vloerschot
  1. escotillón
  2. trampa
  3. trampilla
noun
  1. evaluación
  2. valorización
verb
  1. valorizar
  2. valorar
adjective
  1. 1. niet echt
    falso
  2. 3. kwaadaardig
    1. malicioso
    2. maligno
    3. malévolo
noun
1. bepaald soort vrij algemeen voorkomende plant, Anthemis arvensis
  1. amagarza
  2. amargarza
  3. manzanilla bastarda
  4. manzanilla de los campos
noun
  1. falsedad
  2. malicia
  3. malignidad
phraseologicalUnit
falsedad en documento público
/ˈvɑlstrɪk/
noun
1. een contraptie of manipulatie bedoeld mens of dier te vangen
  1. asechanza
  2. insidia
noun
signo monetario
noun
1. mythologisch ondood wezen
vampiro
noun
1. scheikundig element met symbool V en atoomnummer 23
vanadio
adverb
1.duidt een tijdstip aan waarna (en waarop) iets geldt
desde
adverb
  1. esta noche
  2. esta tarde
adverb
1. op deze dag
  1. hoy
  2. hoy día
noun
1. moedwillige en nodeloze beschadiging of vernietiging van andermans of openbaar eigendom
vandalismo
adverb
por separado
noun
tentáculo
verb
  1. 2. onderscheppen
    atrapar
  2. 1. te pakken krijgen
    1. capturar
    2. atrapar
    3. cautivar
  3. 3. verdienen
    ganar
noun
red de seguridad
/ˈvɑŋ.re(i)l/
noun
1. metalen stroken langs autowegen, die dient om te voorkomen dat auto's van de rijbaan raken
  1. barrera de seguridad
  2. valla protectora
/vɑŋs/, /vɑŋst/
noun
  1. botín
  2. presa
/vɑ'nijə/
noun
een smaak- en geurstof geëxtraheerd van de vanilleplant
vainilla
noun
1. vloeistof onttrokken aan vanillestokjes in een ethanol oplossing
  1. extracto de vainilla
  2. esencia de vainilla
noun
salsa de vainilla
noun
tallo de vainilla
noun
  1. azúcar avainillada
  2. azúcar avainillado
  3. azúcar de vainilla
  4. azúcar vainillada
  5. azúcar vainillado
noun
vainillina
adverb
1. tijdens de middag van de lopende dag
esta tarde
adverb
1. de afgelopen ochtend
esta mañana
adverb
1. de komende nacht
esta noche
adverb
1. de afgelopen ochtend
esta mañana
/va.nu.ˈwa.tu/
pronoun
1. een land in Oceanië, officieel de Republiek Vanuatu
Vanuatu
noun
vatu vanuatense
adverb
1. iets dat geen verdere uitleg nodig heeft
  1. evidente
  2. obvio
noun
1. iets dat zo logisch te verwachten is dat men het niet expliciet hoeft te vertellen of te bewijzen
naturalidad
noun
vaporizador
verb
vaporizar
noun
1. Varanidae, de grootste levende hagedis
varano
noun
1. een sporenplant
helecho
adjective
verde helecho
noun
helechos
adjective
variable
noun
1. veranderlijkheid
variabilidad
noun
variante
/ˌva.ri.ˈjɑn.si/, /ˌva.ri.ˈjɑn.tsi/
noun
1. een maat voor de spreiding van een variabele of van een verdeling gedefinieerd als de wortel uit de variantie
varianza
noun
análisis de la varianza
noun
variación
noun
coeficiente de variación
noun
variz
noun
  1. music hall
  2. teatro de varietés
verb
  1. variar
  2. cambiar
noun
  1. variedad
  2. variante
noun
  1. 1. een tam zwijn, gehouden voor zijn vet en vlees
  2. 2.
  1. cerdo
  2. puerco
  3. cochino
pronoun
1. baai op de Cubaanse kust
  1. bahía de Cochinos
  2. playa Girón
noun
onder-/zijkant van de buik van een varken
panza de cerdo
noun
1. geslacht van kruidachtige planten, Polygonum
  1. palero
  2. hierba de Santa Maria
  3. hierba pejiguera
  4. polígona
/'vɑr.kəns.ɦas/
noun
1. haas van een varken
solomillo de cerdo
noun
lombriz solitaria
noun
  1. pata de cerdo
  2. pierna de cerdo
  3. pierna de puerco
noun
2. lever van een varken
lengua de cerdo
noun
  1. grasa de cerdo
  2. unto de puerco
noun
  1. carne de cerdo
  2. carne de puerco
noun
carrillo de cerdo
adjective
1. met betrekking tot de bloedvaten
vascular
noun
vaselina
adverb
  1. 1. niet los, stevig bevestigd
    fijamente
  2. 2. niet los te krijgen, muurvast
    fijo
  3. 3. hoogstwaarschijnlijk
    probable
verb
atar
/vɑstə'lɑnt/
noun
1. land in verbinding met continentale landmassa
continente
noun
ayuno
verb
1. zich onthouden van voedsel
ayunar
pronoun
  1. Martes de Carnaval
  2. Martes de Carnestolendas
noun
Cuaresma
noun
física del estado sólido
noun
inmueble
verb
1. iets of iemand grijpen en vasthouden
  1. agarrafar
  2. agazapar
  3. coger
noun
1. het blijven doorgaan met het werken naar een bepaald doel en niet opgeven
  1. perseverancia
  2. tenacidad
verb
2. zich met inspanning ergens aan vasthouden
  1. aferrarse
  2. abrazarse
  3. agarrarse
verb
atenazar
verb
1. bewaren van gegevens
registrar
/ˈvɑstˌmakə(n)/
verb
1. ervoor zorgen dat iets vastzit aan iets anders
  1. asegurar
  2. atar
  3. fijar
  4. sujetar
verb
1. iets of iemand grijpen en vasthouden
  1. coger
  2. agazapar
verb
1. met een of meer spelden vastmaken
alfilerar
verb
1. met spijkers bevestigen
clavar
verb
1. zeker zijn
constar
adjective
cierto
verb
  1. 1. bevestigen dat iets zo is.
    1. determinar
    2. confirmar
  2. 2. opleggen.
    imponer
noun
  1. determinación
  2. establecimiento
  3. fijación
noun
1. contractuele formalisering van een bereikte schikking
contrato de transacción
verb
  1. 1. iets zodanig zetten...
    1. apear
    2. asegurar
    3. bloquear
    4. encerrar
    5. sujetar
  2. 3. iemand opsluiten
    encerrar
noun
1. ronde ton waar allerhande vloeistoffen in opgeslagen worden
barril
noun
barrena de tonelero
/vatiˈkaːns/
adjective
Vaticano
/vatiˈkanstɑt/, /vatiˈkaːnstɑd/, /vatiˈkaːnstɑt/
pronoun
1. land in Europa, het kleinste onafhankelijke land ter wereld, het territorium van de Heilige Stoel.
  1. Ciudad del Vaticano
  2. Vaticano
verb
  1. 1. vastgrijpen
    1. agarrar
    2. coger
  2. 2. begrijpen
    1. comprender
    2. entender
noun
vasallo
noun
  1. ajinomoto
  2. glutamato monosódico
verb
1. strijd leveren
  1. luchar
  2. pelear
/ˈvɛxtər/
noun
1. iemand die een gevecht niet uit de weg gaat
  1. guerrero
  2. luchador
noun
1.
arte marcial
noun
combatividad
adjective
1.
  1. batallador
  2. combativo
noun
  1. pelea
  2. combate
  3. lucha
noun
vector
noun
cálculo vectorial
noun
bosón vectorial
noun
fibrado vectorial
noun
  1. producto cruz
  2. producto externo
  3. producto vectorial
noun
espacio vectorial
/ˈveda/
pronoun
1. elk van de vier voornaamste heilige hindoegeschriften
Veda
noun
1. middeleeuws, meestal vijfsnarig strijkinstrument
viola de arco
noun
pluma
/veː/
noun
1. door de mens om economische redenen gehouden dieren
ganado
noun
1. iemand die zich specialiseert in de geneeskunst van dieren
veterinario
noun
comercio de ganado
noun
ganadero
/feɪɫ/, /veːl/
indefiniteCardinalNumeral
1. groot in hoeveelheid
  1. mucho
  2. mucha
adverb
1. in de meeste gevallen, vaak
  1. a menudo
  2. con frecuencia
  3. principalmente
adjective
prometedor
adverb
  1. antes
  2. más bien
noun
1. een gesloten stelsel lijnsegmenten die samen een plat vlak omsluiten
polígono
noun
poliandria
noun
polinomio
noun
anillo de polinomios
adjective
multiforme
noun
múltiplo
adjective
múltiple
noun
1. bepaald soort zoogdier, Gulo gulo
glotón
noun
poligamia
noun
1.
  1. histosol
  2. turbera
/veːr/, /vɪːr/
noun
  1. 2. mechanische tong of spiraal waarop door buiging spanning gezet kan worden
    1. muelle
    2. resorte
  2. 1. lichaamsbedekking van een vogel
    pluma
noun
transbordador
noun
  1. 1. elasticiteit
    elasticidad
  2. 2. herstellingsvermogen van iemands gestel of gemoed
    1. energía
    2. tono
    3. vigor
noun
1. een persoon die een veer bedient
barquero
noun
1. een overzetvaartuig
pontón
noun
arandela de seguridad
/ˈvɪːrtin/
cardinalNumeral
1. het getal 14
catorce
ordinalAdjective
decimocuarto
/ˈfɪːrtəx/
cardinalNumeral
1. het getal 40
cuarenta
ordinalAdjective
cuadragésimo
noun
rebaño
noun
1. het onderhouden en fokken van vee.
  1. ganadería
  2. crianza de ganado
noun
veganismo
noun
1. om mee te vegen
escoba
adjective
1. als of voor vegetariërs
vegetariano
noun
vegetarianismo
noun
vegetariano
noun
vegetación
adjective
1. buiten het bewustzijn om
vegetativo
adjective
1. niet aan gevaar blootstaand
seguro
noun
1. een situatie waarin een bepaald gevaar niets kan aanrichten
seguridad
noun
1. een bril die de ogen beschermt
gafas protectoras
noun
jefe de seguridad
noun
  1. agencia de seguridad
  2. servicio de seguridad
noun
cristal de seguridad
noun
1. een stevige band die iemand in een voer- of vliegtuig vasthoudt in zijn zetel ter bescherming tegen onverhoedse bewegingen
cinturón de seguridad
noun
ficha de datos de seguridad
noun
1. een klep die een opening in een reservoir of een leiding afsluit en die geopend wordt als de inwendige spanning te hoog wordt
válvula de seguridad
noun
jaula de seguridad
noun
  1. medida de protección
  2. medida de seguridad
pronoun
1. orgaan van de Verenigde Naties met als primaire verantwoordelijkheid ...
Consejo de Seguridad de las Naciones Unidas
noun
bota de seguridad
noun
1. een afsluitbare gebogen pin waarmee men twee stukken stof bijeen kan houden, voorzien van een veiligheidskapje dat voorkomt dat men zich eraan bezeren kan
  1. imperdible
  2. alfiler de seguridad
  3. pin de seguridad
/ˈvɛɪ̯.lɪŋ/, /ˈvɛː.lɪŋ/
noun
1. een plaats waar goederen bij opbod of afslag verkocht worden
  1. subasta
  2. almoneda
verb
1. zich onecht voordoen
  1. fingir
  2. aparentar
  3. disimular
noun
  1. disimulación
  2. disimulo
noun
  1. 1. dunne laag
    hoja
  2. 2. afgestroopte huid
    1. piel
    2. pellejo
adjective
velar
noun
consonante velar
/vɛlt/
noun
nog na te kijken
  1. campo
  2. campaña
noun
1. een simpel bed op pootjes dat snel geplaatst kan worden
  1. cama de campaña
  2. catre
noun
  1. grama de los prados
  2. grama de prado
  3. hierba ratonera
noun
transistor de efecto campo
noun
verónica arvense
noun
1. bepaald soort loofboom, Acer campestre
  1. arce común
  2. arce menor
/ ˈvɛltflɛs /
noun
1. een afsluitbare en draagbare fles, meestal uit metaal of plastic vervaardigd, die gebruikt wordt om de drager buitenshuis van vocht te voorzien
cantimplora
noun
  1. cebada de campo
  2. cebadilla de campo
  3. centenillo
noun
  1. bizniega
  2. cinoglosa
  3. lengua de perro
noun
hospital de campaña
noun
mastuerzo de prado
noun
alondra común
noun
línea de campo
noun
1. Microtus arvalis, familie van de woelmuis
  1. ratón campesino
  2. ratón de campo
verb
  1. ciclo-cross
  2. ciclocross
noun
1. en 2. (bladeren van) kruidachtige plant Valerianella locusta
  1. canónigo
  2. dulceta
  3. hierba de canónigo
  4. hierba de canónigos
  5. hierba de los canónigos
  6. lechuga de campo
noun
1. een treffen tussen twee of meer legers
batalla
noun
feldespato
noun
feldespatoide
noun
teléfono de campaña
noun
teoría del campo
/vɛltɔxt/
noun
1. een trektocht van een leger met het doel de vijand te verslaan
campaña
noun
gendarme
noun
arrollado inductor
/ˈvɛld.zyː.rɪŋ/, /ˈvɛɫ.tsyː.rɪŋ/
noun
  1. 1. bepaald soort overblijvende plant, Rumex acetosa
    acedera común
  2. 1. en 2. (bladeren van) de plant Rumex acetosa
    1. vinagrera
    2. acedera
/ˈveːlən/
verb
  1. padecer
  2. sufrir
  3. tolerar
/vɛlx/, /vɛlχ/
noun
1. de buitenrand van een wiel waar de band omheen zit
llanta
noun
  1. papel vitela
  2. vitela
pronoun
Vella Lavella
verb
1. neer doen komen, doen vallen
talar
noun
velódromo
noun
velouté
noun
venopunción
noun
  1. bandera
  2. compañía
  3. cuadrilla
  4. estandarte
/vɛndiˈjan/
noun
Vendiano
noun
  1. almoneda
  2. subasta
noun
venopunción
adjective
1. met betrekking tot de geslachtsziekten
venéreo
//
pronoun
1. provincie in Italië
Venecia
/və'nøs/
adjective
1. met betrekking tot de aders
venoso
/ˌvenəzoˈlan/, /ˌvenəzoˈlaːn/
noun
1. een inwoner van Venezuela
venezolano
noun
bolívar venezolano
/ˌvenəzyˈweːla/, /ˌvenəzyˈβ̞ela/, /ˌvenəzyˈβ̞eːla/
pronoun
1. een land in het noorden van Zuid-Amerika
Venezuela
noun
1. soort naaldboom (Taxus baccata)
tejo
noun
  1. 2. plant Foeniculum vulgare
    foeniculum vulgare
  2. 1., 2., 3. of 3. (zaad, bladeren of knol van) plant Foeniculum vulgare
    hinojo
noun
1. gedroogde zaden van Foeniculum vulgare
semilla de hinojo
noun
  1. asociado
  2. socio
noun
1. onderneming of bedrijf met meerdere aandeelhouders
sociedad
noun
1. muuropening om lucht en licht door te laten
ventana
noun
  1. alféizar
  2. repisa de la ventana
adjective
gris ventana
noun
1. kerel, man
  1. tío
  2. tipo
  3. gaché
  4. gachó
/ˈvɛntə(n)/
verb
vender como buhonero
noun
  1. 2. inrichting in sommige muziekinstrumenten
    pistón
  2. válvula
noun
  1. ventilador
  2. aventador
  3. soplador
verb
1. verse lucht in een ruimte brengen
  1. airear
  2. ventilar
adjective
1. met betrekking tot de orgaanholte
ventricular
/vɛn.ˈtri.kɔɫ/, /vɛn.ˈtri.kəl/, /vɛn.ˈtri.kəɫ/
noun
1. elk van twee kamers van het hart
ventrículo
verb
fibrilación ventricular
pronoun
1. planeet
Venus
noun
espejo de Venus
noun
dionea atrapamoscas
adverb
1. op grote afstand
lejano
verb
1.
amenizar
adjective
  1. desdeñado
  2. despreciado
adjective
1. waarvoor men geen enkel respect kan opbrengen
despreciable
/vərˈɑxtə(n)/, /vərˈɑçtə(n)/
verb
  1. 2. trotseren
    desdeñar
  2. 1. in hoge mate minachten
    1. despreciar
    2. menospreciar
    3. aborrecer
noun
desprecio
/vɛ.ˈrɑf.sxy.wə(n)/
verb
1. afschuw hebben voor
  1. detestar
  2. aborrecer
verb
generalizar
verb
1. Amerikaans maken
americanizar
verb
  1. 2. zodanig aan zichzelf werken of zichzelf behandelen dat men anders wordt
    1. cambiar
    2. alterar
    3. modificar
  2. 1. zodanig aan iets werken of iets behandelen dat het anders wordt
    1. cambiar
    2. modificar
    3. inmutar
    4. remodelar
noun
1. iets dat anders is geworden
cambio
noun
1. het (snel) kunnen veranderen
variabilidad
adjective
1. iets met extra verplichtingen of moeilijkheden om het goed te laten lopen
responsable
noun
responsable
noun
1. de verplichting om ervoor te zorgen dat iets goed verloopt
responsabilidad
verb
  1. 1. rechtvaardigen
    justificar
  2. 2. zich rechtvaardigen
    justificarse
noun
1. de verplichting om ervoor te zorgen dat iets goed verloopt
  1. justificación
  2. responsabilidad
noun
1. een geneesmiddel behorende tot de groep van calciumblokkers
verapamilo
verb
1. armer worden
empobrecer
adjective
1. met woorden
verbal
adverb
    1. asombrado
    2. atónito
    3. extrañado
    4. maravillado
    5. pasmado
    6. sorprendido
  1. 1. als je iets vreemd vindt omdat je het niet verwacht had
    con sorpresa
verb
1. een proces-verbaal opmaken
multar
noun
1. een stuk stof om een wond e.d. mee af te dekken
  1. venda
  2. vendaje
noun
1. doos met EHBO-benodigdheden
botiquín
noun
1. Een verbandgaas dient ter bedekking van een wond
  1. gasa esterilizada
  2. gasa hidrófila
noun
1. doos met EHBO-benodigdheden
botiquín
verb
1. iemand van regeringswege dwingen een bepaald gebied te verlaten
  1. exiliar
  2. desterrar
  3. expulsar
  4. extrañar
/vər.ˈbɑ.nɪŋ/
noun
1. het verbod opgelegd krijgen naar een bepaalde plaats terug te keren
  1. exilio
  2. destierro
verb
degenerar
verb
  1. 1. door iets onverwachts gevoelsmatig treffen
    1. asombrar
    2. sorprender
    3. atolondrar
  2. 2. door iets onverwachts gevoelsmatig getroffen worden
    1. asombrarse
    2. atolondrarse
    3. sorprenderse
noun
1. grote verwondering
  1. sorpresa
  2. asombro
/vərˌbazɪŋˈʋɛkənt/
adjective
1. wat verbazing opwekt, wat buitengewoon is
asombroso
verb
  1. 1. kunstzinnig weergeven
  2. 2. een weergave zijn van
  1. reproducir
  2. retratar
/vər.ˈbeːɫ.dɪŋ/, /vər.ˈbɪːɫ.dɪŋ/, /vɛr.ˈbeːl.dɪŋ(g)/
noun
  1. 2. iets visualiseren, ergens een beeld bij maken
    imaginación
  2. 1. zich iets visueel voorstellen, ergens in het hoofd een beeld van maken
    presunción
noun
  1. fantasía
  2. imaginación
verb
1. iets ergens plaatsen waar het niet gemakkelijk door anderen gevonden wordt
  1. esconder
  2. ocultar
noun
mejorador
/vərˈbetərə/
verb
  1. 2. van fouten ontdoen
    corregir
  2. 1. (iets) beter maken, de kwaliteit verhogen
    mejorar
/vər.ˈbe.tə,rɪŋ/
noun
1. een verandering ten goede
  1. mejora
  2. mejoramiento
verb
1. van staatswege in beslag nemen
  1. confiscar
  2. decomisar
adjective
verboso
verb
1. aan onbeduidende zaken verspillen
desaprovechar
/vɛɾ.'bi:.dǝ(n)/
verb
1. een bepaalde handeling strafbaar stellen
  1. prohibir
  2. interdecir
  3. proscribir
verb
1.in verwarring of extreme verbazing brengen
  1. desconcertar
  2. consternar
verb
1. zijn gevoelens van ergernis of pijn onder controle houden
contener
verb
  1. 1. twee of meer onderdelen aan elkaar vastmaken
    1. conectar
    2. acoplar
    3. enganchar
  2. 3. behandelen door het aanbrengen van verband
    vendar
/vər.ˈbɪn.dɪŋ/, /vɛr.ˈbɪn.dɪŋ(g)/
noun
  1. 2. scheikunde
    1. compuesto
    2. combinación
  2. 3. communicatie
    comunicación
  3. 1. verbinden of samenvoegen
    conexión
noun
punto de conexión
noun
2. twee-personen-verhouding waarbij de ene tot een prestatie gerechtigd, de andere tot dezelfde verplicht is
obligación
adjective
con amargura
verb
1. bitter maken
  1. amargar
  2. acibarar
/vər'bɪtərɪŋ/
noun
1.
amargura
adjective
azul lejanía
verb
1. alle kleur verliezen
  1. palidecer
  2. empalidecer
  3. desteñirse
adjective
alegre
noun
  1. estadía
  2. estancia
  3. mansión
  4. permanencia
noun
1. een plaats waar men, al dan niet noodgedwongen, verblijft
  1. paradero
  2. residencia
verb
1. tijdelijk wonen, ergens tijd doorbrengen
permanecer
adjective
ciego
verb
    1. deslumbrar
    2. cegar
    3. fulminar
    4. ofuscar
  1. 2. een illusie geven aan
    ilusionar
adjective
perplejo
/vərˈbɔt/
noun
1. strafmaatregel
prohibición
noun
  1. pacto
  2. alianza
  3. coalición
adjective
1.onzichtbaar gemaakt
escondido
noun
  1. entresijo
  2. recóndito
verb
  1. 2.planten telen
    cultivar
  2. 1.anders bouwen
    reformar
adjective
  1. confuso
  2. turbado
verb
1. verteerd worden door vuur of hitte
  1. quemar
  2. abrasar
  3. abrasarse
noun
    1. combustión
    2. quema
    3. quemadura
  1. 5. crematie
    1. cremación
    2. incineración
noun
1. motor waarbij de kracht wordt opgewekt door verbranding van een brandstof
motor de combustión
verb
despilfarrar
adjective
  1. extendid0
  2. propagado
noun
fraternidad
noun
2. de totale verbruikte hoeveelheid
consumo
verb
  1. acabar
  2. apurar
  3. consumir
  4. supurar
noun
consumidor
/vər.ˈbœʏ̯.χɪŋ/, /vər.ˈbœː.ɣɪŋ/
noun
1. naamwoordsflexie
declinación
verb
1. afvlakken tot burgerlijkheid
aburguesar
verb
1. met een laagje chroom bedekken
cromar
adverb
sospechoso
noun
1. iemand die verdacht wordt
sospechoso
verb
1. een zitting opschorten tot een nadere datum
aplazar
verb
1. beschermen tegen een aanval
  1. defender
  2. proteger
noun
  1. defensa
  2. defensiva
noun
línea de defensa
noun
  1. 2. bedekking van iets
    cubierta
  2. 1. dek van een schip
    1. cubierta
    2. puente
verb
1. in kleinere stukken uiteendoen
  1. dividir
  2. partir
  3. abanderizar
noun
distribuidor
/vərˈdɛlxə(n)/
verb
1.
exterminar
noun
estrago
noun
pesticida
noun
distribución
noun
función de distribución
verb
1. het vermoeden hebben van iets slechts
sospechar
/vər.ˈdɛŋ.kɪŋ/
noun
1. het vermoeden van het uitvoeren van een (strafbaar) feit
sospecha
adverb
  1. restante
  2. además
  3. demás
  4. por lo demás
  5. por otra parte
adverb
op een zekere afstand van de genoemde plaats
  1. mas adelante
  2. mas allá
/ˈvɛrdərˈzɛtə(n)/
verb
1. voortzetten, doorgaan met
  1. continuar
  2. proseguir
  3. seguir
verb
concentrar
/vərˈdɪxtsəl/
noun
1. iets dat niet bestaat
invención
verb
  1. 2. geld verkrijgen door arbeid of een andere prestatie
    ganar
  2. 1. het recht op een beloning of bestraffing verwerven
    merecer
noun
  1. 2. goede, opbouwende daad
    1. mérito
    2. provecho
  2. 1. het geld dat een arbeider krijgt voor het uitvoeren van werk
    salario
/vɛr.ˈdi.pə(n)/
verb
  1. 2. ernstig nadenken over
    absorberse
  2. 1. dieper maken
    1. ahondar
    2. profundizar
/vər.ˈdi.pɪŋ/
noun
  1. 1. het dieper maken
    1. ahondamiento
    2. profundización
  2. 3. alle ruimten op één hoogte in een gebouw
    1. piso
    2. planta
verb
  1. 1. dikker worden
  2. 2. dikker doen worden
espesar
noun
espesante
interjection
hostia
verb
1. de pijnprikkel onderdrukken, bijvoorbeeld door het toedienen van een medicijn
  1. anestesiar
  2. atarantar
  3. aturdir
noun
1. bereidheid om te aanvaarden dat anderen zich gedragen op een manier die je niet goed vindt
tolerancia
verb
  1. torcer
  2. corromper
  3. deformar
  4. retorcer
noun
distorsión
/vərˈdrɑx/
noun
1. een wettelijk wederzijds bindende overeenkomst tussen twee of meer staten
tratado
pronoun
Tratado de Londres
pronoun
tratado de la Unión Europea
pronoun
acuerdo de Schengen
verb
1. bestand zijn tegen
aguantar
noun
1. een gevoel van droefheid
  1. tristeza
  2. pena
adjective
1. in sombere stemming
  1. triste
  2. afligido
verb
1.uit het land verjagen
  1. expulsar
  2. ahuyentar
  3. echar
noun
represión
verb
    1. 2. in het water doen omkomen
    2. 3. door drinken van alcohol doen verdwijnen
    ahogar
  1. 1. in het water omkomen
    ahogarse
noun
  1. ahogamiento
  2. ahogo
verb
1. onderdrukken
  1. oprimir
  2. reprimir
verb
duplicar
/vər.ˈdœʏ̯.də.lə.kɪŋ/, /vər.ˈdœː.də.lə.kɪŋ/, /vɛr.ˈdœː.də.li.kɪŋ(g)/
noun
1. iets wat ter verduidelijking dient
  1. aclaración
  2. explicación
verb
  1. 2. iets (m.n. geld) ontvreemden/stelen
    malversar
  2. 1. donkerder maken
    1. oscurecer
    2. obscurecer
    3. ensombrecer
/vər.ˈdœʏ̯.stə.rɪŋ/, /vər.ˈdœː.stə.rɪŋ/, /vɛr.ˈdœːs.tə.rɪŋ(g)/
noun
  1. eclipse
  2. oscurecimiento
pronoun
Verdún
verb
2. door toevoeging van oplosmiddel de concentratie verlagen
diluir
verb
1. ongemak of lijden verdragen
  1. endurar
  2. sufrir
  3. tolerar
verb
1. dwaas maken/dwaas worden
entontecer
/vərˈdʋɛɪnə(n)/
verb
  1. 1. wegraken
  2. 2. afnemen
  1. desaparecer
  2. disipar
noun
1. het verdwijnen
desaparición
verb
  1. 1. in de adelstand verheffen
    ennoblecer
  2. 2. edeler maken, verfijnen
    1. refinar
    2. acendrar
    3. ennoblecer
    4. purificar
noun
mejora
verb
1. met eelt bedekt worden
encallecer
verb
simplificar
/vəren'zɛlvəxə(n)/
verb
1.
identificar
verb
inmortalizar
verb
  1. reglamentar
  2. saldar
/vɛrɛɪsə(n)/
verb
1. nodig hebben
  1. requerir
  2. necesitar
noun
  1. requisito
  2. condición
/vər'enə(n)/
verb
1.
unificar
adjective
compatible
/vəˈrenəχt ˈkonɪŋkˌrɛɪ̯k/, /vəˈreːnəxt ˈkoːnɪŋkˌrɛːk/, /vəˈreːnɪx ˈkoːnɪŋkˌrɛɪ̯k/
pronoun
Reino Unido
/vɛrenəɣdə arabisə emiratən/
pronoun
land in het Midden-Oosten, officieel de Verenigde Arabische Emiraten, vaak afgekord tot V.A.E.
Emiratos Árabes Unidos
noun
  1. Organización de las Naciones Unidas
  2. Naciones Unidas
pronoun
1. een land dat een groot deel van het Noord-Amerikaanse continent beslaat en opgedeeld is in vijftig staten
Estados Unidos
/və.ˌre.nəx.də.ˈsta.tə(n).vɑn.ɑ.ˈmeː.ri.ka/, /və.ˌreɪ̯.nəχ.də.ˌsta.tə(n).vɑn.ɑ.ˈmɪː.ri.ka/, /vɛ.ˌʁe.nɪx.də.ˈsta.tə(n).va.na.ˈmeː.ʁi.ka/
pronoun
1. een land dat een groot deel van het Noord-Amerikaanse continent beslaat en opgedeeld is in vijftig staten
  1. Estados Unidos
  2. Estados Unidos de América
verb
1. afzonderlijke delen tot één geheel maken
  1. juntar
  2. unir
  3. aliar
/və.ˈre.nə.ɣɪŋ/, /və.ˈre.nə.χɪŋ/, /vər.ˈe.ni.ɣɪŋ(g)/
noun
  1. 1. groepering van mensen die op een bepaald doel gericht is
    asociación
  2. 3. een operatie die twee of meer verzamelingen samenvoegt
    unión
noun
plumaje
verb
1. tot onderwerp van aanbidding hebben, eer bewijzen
  1. acatar
  2. adorar
  3. honrar
verb
1. erger worden of maken
  1. agravar
  2. empeorar
  3. agudizar
noun
  1. adoración
  2. culto
  3. veneración
/vɛrf/
noun
1. de algemene benaming voor een product dat bedoeld is om voorwerpen te beschermen...
  1. pintura
  2. tintura
  3. tinte
noun
  1. hiniesta
  2. hiniesta de tintes
  3. jinesta de tintes
  4. retama de los tintoreros
  5. retama de montes
  6. retama de tinte
adjective
  1. delicado
  2. elegante
  3. sofisticado
verb
1. fijner of gevoeliger maken
  1. afinar
  2. refinar
verb
filmar
/vɛrflax/
noun
1. een laag verhard, vaak met pigment gekleurd materiaal ooit aangebracht in vloeibare vorm
capa de pintura
verb
  1. marchitarse
  2. mustiarse
noun
1. metalen voorwerp met handvat waarmee men verf op een schilderij kan aanbrengen
espátula
/vɛr.ˈfu.jə(n)/
verb
1. afschuw hebben van
  1. abominar
  2. aborrecer
  3. detestar
verb
  1. ajar
  2. arrugar
  3. estrujar
verb
1. mooier maken
  1. embellecer
  2. adornar
  3. agraciar
verb
1. Franstalig maken/worden
afrancesar
verb
refrescar
noun
rodillo de pintura
verb
  1. arrugar
  2. estrujar
  3. apretujar
noun
  1. decapador por aire caliente
  2. pistola de calor
verb
  1. perecer
  2. hundirse
/vərˈɣadəˌrɪŋ/, /vərˈχadəˌrɪŋ/
noun
1. een georganiseerde bijeenkomst voor bespreking en overleg
  1. reunión
  2. asamblea
  3. junta
/vərˈɣɑŋkələk/
adjective
  1. fugaz
  2. huidizo
  3. temporal
noun
  1. fugacidad
  2. temporalidad
verb
1. bijeenbrengen
  1. amontonar
  2. acaudalar
  3. atesorar
  4. recoger
verb
gasear
verb
  1. agasajar
  2. obsequiar
  3. tratar bien
adjective
  1. ilusorio
  2. ineficaz
  3. inútil
  4. vano
adjective
1. niet goed kunnen onthouden
olvidadizo
verb
2.
  1. devolver
  2. recompensar
noun
represalia
verb
1. geel worden door veroudering of invloed van de omgeving
  1. amarillear
  2. amarillecer
adjective
1. goed te vergelijken
comparable
verb
1. de overeenkomsten en verschillen van twee zaken in beschouwing nemen
  1. comparar
  2. cotejar
  3. asemejar
  4. asimilar
/vɛrɣə'lɛɪkɪŋ/
abbreviation
  1. 1. relatie tussen twee zaken
    comparación
  2. 2. wiskundige uitdrukking
    ecuación
verb
1. iets eenvoudiger of makkelijker maken
  1. facilitar
  2. agilitar
/'vɛrɣə(n)/
verb
1. als noodzakelijke voorwaarde hebben
  1. exigir
  2. pedir
  3. requerir
adjective
contento
noun
  1. obscuridad
  2. olvido
  3. oscuridad
verb
1. uit het geheugen verloren gaan
olvidar
verb
  1. 2. vergiftigen
    1. envenenar
    2. emponzoñar
  2. 1. vergiffenis schenken
    1. perdonar
    2. disculpar
/vərˈxevənsxəzɪnt/
adjective
1. klaar om anderen te vergeven
  1. clemente
  2. indulgente
noun
1. het iemand niet kwalijk nemen van iets; het kwijtschelden van een schuld
perdón
/'vɛrxəvɔrdərt/
adjective
1.
  1. tardo
  2. tardío
verb
1. met iemand meegaan
acompañar
/vərˈxit/
noun
1. teiltje met gaten
  1. colador
  2. escurridor
verb
  1. verter
  2. derramar
/vərˈɣɪf/
noun
1. iets dat levende wezens schaadt
  1. veneno
  2. tósigo
  3. tóxico
noun
1. het iemand niet kwalijk nemen van iets; het kwijtschelden van een schuld
perdón
noun
1. een stof die in kleine hoeveelheden toegediend een zeer schadelijke of zelfs dodelijke werking heeft
veneno
adjective
tóxico
verb
1. blootstellen aan een voor het lichaam schadelijke vreemde stof
  1. envenenar
  2. emponzoñar
noun
de toestand van vergiftigd worden
  1. envenenamiento
  2. intoxicación
verb
1. eerste betekenisomschrijving
aberrar
/vər.ˈɣɪ.sɪŋ/, /vər.ˈχɪ.sɪŋ/, /vɛr.ˈɣɪ.sɪŋ(g)/
noun
1. iets doen dat niet juist is, of een verkeerde conclusie trekken
error
verb
1. aan iemand compensatie verlenen voor gemaakte kosten of geleden schade
  1. compensar
  2. indemnizar
/vərˈxudɪŋ/
noun
1. compensatie voor gemaakte kosten of geleden schade
honorarios
noun
delito
verb
1.iemands iets onoorbaars of onzedigs aandoen
atentar
verb
  1. 1., 2. grijs worden, grijze haren krijgen
    encanecer
  2. 3. ouder worden
    envejecer
noun
envejecimiento demográfico
noun
1. bolle lens waardoor de voorwerpen die men bekijkt groter lijken
  1. lupa
  2. lente de aumento
verb
1. groter doen worden
  1. agrandar
  2. engrandecer
/vərˈɣrotəndə trɑp/
noun
1. de vorm die het bijvoeglijk naamwoord aanneemt in vergelijkingen
grado comparativo
noun
1. een toename in grootte
aumentación
adjective
dorado
verb
1. een voorwerp bedekken met een dun laagje goud
dorar
verb
permitir
noun
1. een officiële (noodzakelijke) toestemming om een bepaalde activiteit uit te voeren
  1. licencia
  2. permiso
  3. autorización
/vər'ɦal/
noun
1. verslag (mondeling of schriftelijk) van een waargebeurde of verzonnen gebeurtenis
  1. historia
  2. relato
  3. narración
verb
  1. acelerar
  2. activar
  3. adelantar
  4. apresurar
verb
  1. 1. een verhaal vertellen
    1. contar
    2. narrar
  2. 2. schadevergoeding eisen, kosten laten betalen
    recuperar
noun
  1. tratado
  2. disertación
  3. ensayo
  4. memoria
verb
  1. chafallar
  2. chapucear
verb
  1. encumbrar
  2. exaltar
noun
culto
verb
naar fysiek of geestelijk niveau brengen
  1. elevar
  2. alzar
  3. encaramar
  4. encumbrar
  5. levantar
  6. realzar
noun
levitatie
levitación
verb
  1. aclarar
  2. explicar
verb
  1. esconder
  2. ocultar
noun
1.
paladar
adjective
  1. contento
  2. contenta
verb
  1. 3. iemand ~ vreugde bereiden
    1. alegrar
    2. ilusionarse
  2. 1. zich ~: blijdschap ervaren
    alegrarse
  3. 2. zich ~ op: reikhalzend uitzien naar iets
    ilusionarse
noun
alegría
noun
  1. altura
  2. cerro
  3. grandiosidad
  4. magnitud
verb
1. heviger worden
  1. intensificar
  2. recrudecer
verb
1. voorkomen, ervoor zorgen dat iets niet gebeurt
  1. impedir
  2. atascar
adjective
acalorado
verb
  1. 1. verwarmen
    calentar
  2. 2. aanwakkeren
    excitar
verb
  1. estorbar
  2. impedir
verb
1. hoger doen worden
  1. aumentar
  2. elevar
  3. realzar
/vər.ˈɦo.ɣɪŋ/, /vər.ˈɦo.χɪŋ/, /vɛr.ˈho.ɣɪŋ/
noun
  1. 2. het hoger maken van een prijs, premie e.d.
    aumento
  2. 1. een plaats die hoger aangelegd is dan zijn omgeving
    elevación
noun
1. een indringende ondervraging van een gevangene of verdachte
interrogatorio
/vərˈɦɔʊ̯.dɪŋ/, /vərˈɦʌʊ̯.dɪŋ/, /vɛrˈhaʊ̯.dɪŋ/
noun
  1. 1.
    proporción
    1. 2. de betrekking van personen onderling
    2. 3. een intieme, duurzame relatie tussen twee personen
    relación
verb
  1. 1. van woonplaats veranderen
    1. mudarse
    2. mudar
  2. 2. de inboedel van een ander overbrengen
    1. trasladar
    2. mudar
/vərˈhœʏzɪŋ/, /vərˈhœːzɪŋ/
noun
1. de verwisseling van één (semi-) permanente woonplaats voor een andere
mudanza
verb
1. iets niet openlijk zeggen of tonen
  1. celar
  2. ocultar
noun
  1. inspector
  2. revisor
noun
verificación
verb
1. nagaan, controleren
verificar
verb
  1. desbaratar
  2. frustrar
  3. malograr
/ˈveː.rɪŋ/, /ˈvɪː.rɪŋ/
noun
1. mechanisme dat dient om schokken op te vangen
suspensión
noun
verismo
noun
1. de dag waarop iemand viert dat hij of zij geboren werd
  1. cumpleaños
  2. aniversario
verb
1. dwingen om weg te gaan
  1. ahuyentar
  2. asustar
verb
  1. 3. de dag van de geboorte opnieuw bereiken
    celebrar su cumpleaños
  2. 1. het tijdstip van een bepaalde geldigheidsduur overschrijden
    expirar
noun
1. het niet meer afdwingbaar zijn van een vordering door het verloop van de tijd
prescripción
verb
1. jonger maken
rejuvenecer
verb
1. kalkachtig worden
  1. calcificar
  2. calcificarse
  3. calcinar
  4. calcinarse
adjective
1. niet openlijk, ondergronds
  1. oculto
  2. secreto
noun
1. het geheel van verplaatsingen waarbij goederen of personen vervoerd worden
  1. tráfico
  2. circulación
adjective
1.
  1. equivocado
  2. erróneo
/vər'kersaxɛnt/
noun
1.
policía de tráfico
adjective
azul tráfico
adjective
amarillo tráfico
adjective
gris tráfico
noun
gris tráfico A
noun
gris tráfico B
adjective
verde tráfico
noun
control del tráfico
noun
1. een installatie die middels gekleurde lichten het verkeer op een kruispunt regelt
  1. semáforo
  2. luz de tráfico
noun
aglomeración
adjective
naranja tráfico
adjective
púrpurá tráfico
adjective
rojo tráfico
noun
seguridad vial
adjective
blanco tráfico
adjective
negro tráfico
verb
  1. 1.
    explorar
  2. 2. waarnemingen in een vijandelijk of onbekend gebied uitvoeren om strategische informatie in te winnen
    reconocer
noun
  1. exploración
  2. 2. militaire verkenning
    reconocimiento
verb
  1. 3. veranderen
    cambiar
  2. 2. omgang en/of een amoureuze band hebben
    1. relacionarse
    2. tener relación
verb
1. iemand door een stemming een ambt doen toekomen
  1. elegir
  2. preferir
/vər.ˈki.zɪŋ/, /vɛr.ˈki.zɪŋ(g)/
noun
1. het kiezen door middel van stemming
  1. elección
  2. comicios
noun
fraude electoral
adjective
1. (spreektaal) verliefd zijn op
encalabrinado
/vɛrˈklarə(n)/
verb
  1. 2. een officieel standpunt uitspreken
    declarar
  2. 1. duidelijk maken
    1. explicar
    2. aclarar
    3. declarar
    4. desarrollar
    5. desenvolver
/vər.ˈkla.rɪŋ/, /vɛr.ˈkla.rɪŋ(g)/
noun
  1. 3. opheldering
    aclaración
  2. 4. schriftelijk stuk
    certificación
  3. 2. plechtige bekendmaking
    declaración
  4. 1 het verklaren
    1. explicación
    2. explanación
verb
  1. 1. andere kleren aandoen
    cambiarse de ropa
  2. 2. zich vermommen door andere kleren aan te trekken
    enmascarar
verb
1. tot minder grote proporties terugbrengen
  1. empequeñecer
  2. reducir
/vərˈklɛɪ̯nʋɔːrt/
noun
1. woord waardoor iets als klein of weinig wordt voorgesteld
diminutivo
verb
desteñirse
noun
  1. soplón
  2. chivato
verb
  1. cagarla
  2. chingar
adjective
afecto
verb
  1. averiar
  2. chafallar
  3. chapucear
  4. corromper
  5. deteriorar
  6. echar a perder
verb
resfriar
verb
recuperar
verb
carbonizar
noun
1. het verkopen (voor geld aan een ander geven)
venta
noun
punto de venta
noun
  1. vendedora
  2. dependienta
/vərˈkopə(n)/
verb
1. goederen tegen betaling aan een nieuwe eigenaar geven
vender
noun
1. iemand die goederen of diensten verkoopt
vendedor
verb
acortar
/vər.ˈkɔr.tɪŋ/, /vɛr.ˈkɔr.tɪŋ/
noun
abreviación
adjective
resfriado
noun
1. een virusinfectie aan keel of neus
  1. resfriado
  2. catarro
  3. constipado
verb
  1. 2. op grove wijze schenden
    1. forzar
    2. violentar
  2. 1. iemand met geweld tot seksueel verkeer dwingen
    violar
noun
1. een seksuele daad onder dwang
violación
verb
1. in spiercontractie geraken
crispar
verb
  1. ajar
  2. arrugar
  3. estrujar
verb
1. in bezit krijgen, verwerven
  1. obtener
  2. adquirir
noun
  1. adquisición
  2. consecución
  3. ganancia
verb
1. iets gebruiken zonder dat je het goed of volledig benut
  1. despilfarrar
  2. malgastar
  3. derrochar
  4. prodigar
noun
desperdicio
verb
  1. transbordar
  2. transbordado
/vərˈlaxə(n)/
verb
1. op een lager peil brengen
rebajar
noun
1. een vermindering in hoogte of aantal
  1. disminución
  2. rebaja
verb
engañar
noun
engaño
noun
paralítico
/vər'lɑmə(n)/
verb
1. van het vermogen zich te bewegen beroven
  1. paralizar
  2. anquilosar
noun
1. toestand waarin men niet is staat is zich te bewegen
parálisis
noun
1. iets willen hebben
deseo
verb
1. iets erg graag willen hebben
  1. desear
  2. apetecer
noun
desiderata
verb
  1. 2. in de steek laten
    abandonar
  2. 1. weggaan
    1. abandonar
    2. salir
    3. irse
noun
1. een toestand van door allen verlaten zijn
  1. abandono
  2. soledad
noun
  1. abandonamiento
  2. 2. het later worden
    retraso
adjective
1. voorbij
  1. pasado
  2. anterior
noun
1. de voorafgaande tijd
  1. pasado
  2. pretérito
noun
1. het woord dat deel heeft aan het werkwoord en aan het naamwoord en als afgesloten gezien wordt
  1. participio pasado
  2. participio pasivo
adjective
  1. cohibido
  2. con timidez
  3. corto
  4. tímido
verb
trasladar
verb
1. tot kwaad brengen
  1. tentar
  2. seducir
  3. inducir
/vər.ˈlɛɪ̯.dɪŋ/, /vər.ˈlɛː.dɪŋ/, /vɛr.ˈlɛɪ̯.dɪŋ/
noun
1. het verleiden van iets of iemand
  1. seducción
  2. tentación
adjective
  1. codicioso
  2. ávido
/vərlenə(n)/
verb
1. iemand begunstigen met iets, iemand iets toestaan
  1. otorgar
  2. conferir
  3. dar
  4. conceder
/vərˈlɛŋə(n)/
verb
  1. 1. langer maken
    alargar
  2. 2. langer laten duren
    prolongar
noun
elektrisch snoer voorzien van stekker en contrastekker
  1. cable alargador
  2. alargador
verb
  1. marchitarse
  2. mustiarse
verb
  1. activar
  2. alegrar
  3. amenizar
  4. animar
  5. incitar
adjective
lúcido
verb
  1. 2. minder zwaar maken
    aliviar
  2. 1. van licht voorzien
    1. alumbrar
    2. iluminar
    3. clarificar
  3. 3. minder moeilijk maken
    facilitar
pronoun
Ilustración
noun
  1. 5. periode van het rationalisme...
    Ilustración
  2. iluminación
noun
iluminancia
noun
técnica de la iluminación
adjective
enamorado
noun
amoureuze gerichtheid op een bepaalde persoon
enamoramiento
noun
1. het teloorgaan, kwijtraken
pérdida
verb
  1. 1. iets kwijt raken
  2. 2. niet winnen
perder
noun
1. iemand die in een spel, wedstrijd, onderhandeling of oorlog verliest
  1. vencido
  2. perdedor
/vərˈludərə(n)/
verb
1. te gronde gaan
decaer
noun
permiso
verb
1. tot kwaad brengen
  1. tentar
  2. seducir
verb
  1. renegar
  2. abnegar
noun
abnegación
noun
1. iemand die toegezegd heeft met een partner in het huwelijk te willen treden
  1. prometido
  2. prometida
  3. novia
  4. novio
verb
1. zijn geldigheid verliezen
expirar
/vərˈloːrə(n)/
adjective
  1. 5.2. (Bijbel) verloren zoon
    hijo prodigo
  2. 5.3. (Bijbel) verloren schaap (afgedwaald van de kudde)
    1. oveja descarriada
    2. oveja extraviada
    3. oveja perdida
  3. 1-5.
    perdido
verb
  1. 2. een vrouw geneeskundig bijstaan bij de bevalling
    1. asistir en el parto
    2. ayudar a dar a luz
  2. 1. daadwerkelijk of overdrachtelijk van ketenen bevrijden
    1. liberar
    2. librar
pronoun
  1. Redentor
  2. Salvador
/vər.ˈlɔ.sɪŋ/, /vɛr.ˈlɔ.sɪŋ/
noun
1. de bevrijding van de gevolgen van de zonden van de mens door het geloof in Jesus
salvación
verb
ilustrar
verb
  1. 1. het luiden van klokken
    repicar
  2. 5. zoals vernomen is
    supuestamente
noun
  1. divertimento
  2. diversión
  3. pasatiempo
  4. placer
verb
1.aan lichaamsgewicht verliezen
  1. enflaquecer
  2. adelgazar
noun
adelgazamiento
verb
1. iemand prettig en leuk bezighouden
  1. divertir
  2. entretener
verb
amacharse
verb
1. in getal doen toenemen of laten toenemen
  1. acrecentar
  2. acrecer
  3. ampliar
  4. aumentar
  5. incrementar
noun
  1. aumento
  2. acrecentamiento
verb
1. een feit noemen in een verhaal of tekst
  1. mencionar
  2. mentar
verb
  1. 2. verwarren
    confundir
    1. entremezclar
    2. mezclar
    3. amalgamar
verb
1. het herhaald optellen van een getal; een rekenkundige bewerking waarvan de uitkomst het product wordt genoemd
multiplicar
noun
multiplicador
/vər.ˌme.nəx.ˈvʏɫ.də.ɣɪŋ/, /vər.ˌme.nəχ.ˈvʏɫ.də.χɪŋ/, /vɛr.ˌme.nɪx.ˈvʏl.di.ɣɪŋ(g)/
noun
  1. 1 .een vermeerdering tot een veelvoud van het oorspronkelijke aantal
    multiplicación
  2. 2.een voortplanting
    1. procreación
    2. reproducción
verb
1.
humanizar
/vərˈmetəl/
adjective
1.
osado
/vərˈmɛi̯də(n)/
verb
1. trachten te ontwijken
  1. evitar
  2. rehuir
adjective
2. in een tint rood met RAL-nummer 2002
naranja sanguineo
noun
    1. 2. naar oranje zwemende dieprode kleur
    2. 1. bepaalde rode kleurstof op basis van kwik(I)sulfide, HgS
    bermellón
  1. 3. tint rood met RAL-nummer 2002
    naranja sanguíneo
verb
  1. 2. doen afnemen in aantal, kleiner maken
    1. disminuir
    2. bajar
    3. reducir
    4. decrecer
    5. aminorar
  2. 1. afnemen in aantal, kleiner worden
    1. disminuir
    2. menguar
    3. amenguar
    4. reducirse
noun
1. verkleining
disminución
adjective
  1. lisiado
  2. mutilado
noun
1.
pérdida
conjunction
1. omdat of aangezien, geeft onderschikkend een reden aan
  1. porque
  2. puesto que
  3. visto que
  4. ya que
adjective
1. naar men denkt, maar niet zeker weet
  1. presunto
  2. probable
adverb
1. naar men denkt, maar niet zeker weet
  1. presumiblemente
  2. presuntamente
noun
1. een waarschijnlijke waarheid
  1. suposición
  2. presunción
verb
1. een gedachte koesteren waarvan men niet zeker is maar die een zekere waarschijnlijkheid inhoudt
  1. suponer
  2. presentir
adjective
1. behoefte hebbend om uit te rusten
cansado
noun
  1. cansancio
  2. fatiga
verb
  1. cansar
  2. cargar
  3. fastidiar
  4. hartar
/vərˈmoχə(n)/
noun
  1. 1. een hoeveelheid kapitaal
    1. capital
    2. patrimonio
    3. posesión
  2. 2. de kwaliteiten om iets te kunnen doen
    potencia
adjective
  1. acaudalado
  2. acomodado
  3. adinerado
  4. rico
noun
electrónica de potencia
noun
mercado financiero
verb
1. gewelddadig van het leven beroven
  1. asesinar
  2. matar
verb
1. door morsen verloren laten gaan
acabar
verb
1. in kleine stukken slaan, pletten
  1. destrozar
  2. quebrantar
noun
1. versterkte wijn, op smaak gebracht met aromatische planten en kruiden
  1. vermú
  2. vermut
verb
1. iemand zo behandelen dat hij zich minderwaardig voelt
  1. humillar
  2. rebajar
  3. abismar
verb
  1. destrozar
  2. destruir
  3. derrotar
verb
1. een einde maken aan, het bestaan uitwissen van, volledig tenietdoen
  1. destruir
  2. destrozar
  3. anonadar
  4. arrasar
noun
1. einde maken aan het bestaan van iets
  1. destrucción
  2. exterminio
noun
  1. campo de exterminio
  2. campo de la muerte
  3. fábrica de la muerte
noun
  1. renovación
  2. innovación
verb
1.een voorwerp bedekken met een dun laagje nikkel
niquelar
noun
1. een oplossing van filmvormende stoffen in vluchtige oplosmiddelen...
barniz
verb
1. iets voorzien van een laag vernis
  1. barnizar
  2. acharolar
  3. charolar
verb
1. een bepaalde aanname maken
  1. suponer
  2. presumir
  3. presuponer
noun
  1. suposición
  2. hipótesis
verb
1.
ofender
adjective
ofendido
verb
1. bij een ongeluk om het leven komen
  1. accidentarse
  2. perecer
/vər.ɔnt.ˈrɛɪ̯.nə.χə(n)/, /vər.ɔnt.ˈrɛː.nə.ɣə(n)/, /vɛr.ɔnt.ˈrɛɪ̯.nɪ.ɣə(n)/
verb
1. ergens schadelijke en stoffen en vuiligheden inbrengen
contaminar
noun
contaminación
verb
1. ongerust maken, zorgen baren
  1. inquietar
  2. preocupar
  3. asustar
adjective
1. onrust veroorzakend
inquietante
noun
  1. cuidado
  2. inquietud
adverb
1. gevoelens koesterend dat men te na gekomen is
indignado
verb
1. boos maken; woedend maken; sterk afkeuren
indignar
/və.rɔn.ˈtʋar.də.χɪŋ/, /və.rɔn.ˈtβ̞ar.də.ɣɪŋ/, /vɛr.ɔnt.ˈwar.di.ɣɪŋ(g)/
noun
1. boosheid
indignación
verb
1. in een rechtszaak een oordeel uitspreken
  1. condenar
  2. desaprobar
  3. rechazar
verb
1. zichzelf iets toestaan, gewoonlijk een financiële uitgave
permitir
verb
1. de oorzaak zijn van
  1. causar
  2. ocasionar
  3. provocar
  4. producir
verb
  1. anonadar
  2. humillar
verb
consumir
verb
  1. mandar
  2. ordenar
adjective
desusado
/vərˈʌʊdərə(n)/
verb
  1. 2. uit de mode raken
    anticuar
  2. 1. ouder worden
    1. envejecer
    2. anticuar
/vərovərə(n)/
verb
1. een gebied door een militaire operatie in zijn macht nemen
conquistar
noun
conquista
verb
  1. envolver
  2. empacar
  3. envasar
noun
1. het materiaal waarin iets verpakt is
  1. embalaje
  2. envase
  3. envoltorio
/vər'pɑndə(n)/
verb
  1. empeñar
  2. pignorar
verb
1. ervoor zorgen dat iets niet leuk meer is
  1. emponzoñar
  2. estropear
  3. follar
noun
enfermería
noun
  1. 1. iemand die beroepshalve patiënten verpleegt
  2. 2. een deskundige in de verpleegkunde
  1. enfermero
  2. enfermera
noun
1. vrouw die zorg verleent aan zieken of gewonden
enfermera
verb
1. een zieke verzorgen
  1. cuidar
  2. asistir
noun
enfermero
verb
  1. abrumar
  2. quebrantar
  3. romper con estrépito
adjective
1. door iets of iemand gedwongen
  1. obligatorio
  2. obligado
verb
1. tot regel maken dat iets moet
obligar
/vər.ˈplɪx.tɪŋ/, /vər.ˈplɪχ.tɪŋ/, /vɛr.ˈplɪx.tɪŋ(g)/
noun
1. iets dat moet
  1. obligación
  2. deber
  3. imposición
verb
pulverizar
/vəˈraːt/
noun
1. het schenden van trouw
  1. traición
  2. deslealtad
verb
2. een geheim prijsgeven
  1. traicionar
  2. revelar
noun
1. iemand die verraad pleegt
traidor
adjective
  1. pérfido
  2. traidor
verb
  1. 2. iemand onverwachts verblijden
    dar una sorpresa
  2. 1. iemand onverwachts met iets confronteren
    sorprender
/və.ˈra.sɪŋ/, /və.ˈrɑ.sɪŋ/, /vɛ.ˈrɑ.sɪŋ(g)/
noun
1. een geheel onverwachte gebeurtenis
sorpresa
noun
ataque por sorpresa
adjective
excesivo
/ˈvɛrəˌkɛːkər/, /ˈvɛrəˌkɛːɪkər/
noun
1. een optisch instrument om voorwerpen op grote afstand te kunnen waarnemen door het vergrotend effect van het instrument
  1. prismáticos
  2. catalejo
noun
  1. hecho
  2. acción
  3. acto
verb
1. rijker maken
enriquecer
noun
enriquecimiento
/və'rɛizə(n)/
verb
1.
  1. levantarse
  2. surgir
noun
1. uit de dood opstaan
resurrección
verb
1. in beweging komen
mover
interjection
podrido
/və.rɔ.tə(n)/
verb
1. vergaan als gevolg van het rottingsproces
pudrirse
verb
ampliar
verb
1. in vervoering brengen
  1. embelesar
  2. arrobar
  3. embebecer
  4. extasiar
adjective
  1. 2. niet ingeblikt, niet diepgevroren
    fresco
  2. 1. nieuw, net gemaakt
    recién hecho
noun
1. gedicht
  1. verso
  2. versículo
  3. poema
/vərˈsaɣə(n)/, /vərˈsaχə(n)/
verb
1. de moed opgeven
  1. abatirse
  2. desalentarse
  3. desanimarse
  4. desfallecer
adjective
versátil
verb
1. benodigdheden beschikbaar maken
  1. deparar
  2. facilitar
  3. procurar
  4. proporcionar
/vər'sxɑlkə(n)/
verb
1.
burlar
verb
burlado
verb
1.
fortificar
adjective
  1. diverso
  2. vario
indefinitePronoun
varios
/vər'sxɛidənɛit/
noun
  1. diversidad
  2. variedad
verb
1. aan stukken rijten
  1. despedazar
  2. romper
  3. rasgar
  4. despezar
noun
lejanía
/vər'sxɛɪnə(n)/
verb
  1. 1. aan het licht treden, zichtbaar worden
    1. aparecer
    2. presentarse
  2. 3. voor het gerecht verschijnen
    comparecer
  3. 2. in druk of in andere vorm voor het eerst aangeboden worden
    1. publicarse
    2. salir
noun
    1. aparición
    2. apariencia
    3. aspecto
  1. 3. bovennatuurlijk verschijnsel
    1. fantasma
    2. visión
/vɛrsxɛɪnsəɫ/
noun
1. iets dat zich voordoet
fenómeno
noun
1. een aspect dat bij vergelijking anders is
diferencia
adjective
1. niet op elkaar lijkend
  1. diferente
  2. distinto
indefiniteCardinalNumeral
1. meerdere en telkens andere
diverso
noun
punto de diferencia
verb
enmohecerse
noun
2. verontschuldiging
disculpa
/vər'sxɔpəlɪŋ/
noun
1.
paria
adverb
1. zo erg dat men er van schrikt
  1. terrible
  2. horrible
  3. espantoso
verb
  1. alarmar
  2. asustar
  3. aterrorizar
  4. espantar
  5. inquietar
  6. sobresaltar
verb
1. het verbranden van materiaal zonder aanwezigheid van vuur
  1. agostar
  2. chamuscar
  3. abrasar
verb
1. door uitdroging rimpelig en klein worden
acartonarse
verb
  1. esconder
  2. ocultar
verb
2. iets in contact met de grond doen voortbewegen
deslizar
noun
  1. corrimiento
  2. desprendimiento
/ˈfɛrsi/
noun
  1. 1. specifieke vorm of variant van een uitgave
  2. 2. bepaalde verklaring of interpretatie van een gebeurtenis
versión
/vɛrˈsi:rə(n)/
verb
  1. 1. iets meer aantrekkelijk of mooier maken
    1. adornar
    2. acicalar
  2. 3.
    1. camelar
    2. ligar
noun
1. iets aangebracht om het uiterlijk fraaier te maken
  1. ornamentación
  2. adorno
noun
  1. 1.iets wat is aangebracht ter verfraaiing, maar verder geen nuttig doel heeft
    1. adorno
    2. alhaja
  2. 2. een uiterlijk teken horend bij een (koninklijke) onderscheiding
    condecoración
adjective
adicto
noun
1.iemand die verslaafd is aan iets
  1. adicto
  2. adicta
verb
1. een definitieve overwinning boeken op een tegenstander
  1. batir
  2. vencer
  3. derrotar
/vərˈslɑx/
noun
1. bericht over een gebeurtenis of toestand
informe
noun
  1. reportero
  2. correspondiente
  3. corresponsal
verb
1. minder gespannen worden, slap worden
  1. aflojar
  2. aflojarse
  3. ciar
  4. flaquear
/vər.ˈsla.vɪŋ/, /vɛr.ˈsla.vɪŋ(g)/
noun
1. een toestand waarin een persoon fysiek en/of mentaal van een gewoonte of stof afhankelijk is
adicción
noun
  1. empeoramiento
  2. deterioro
verb
1. coderen
encriptar
verb
1. door veelvuldig gebruik onbruikbaar worden of maken
  1. desgastarse
  2. gastarse
verb
  1. derretir
  2. derretirse
  3. fundir
verb
1. een grotere snelheid (doen) bereiken
  1. acelerar
  2. apresurar
  3. adelantar
  4. aligerar
noun
  1. 1. toename van het tempo
    aceleración
  2. 3. mechaniek voor overdracht van aandrijving
    marcha
noun
1. een schakelinrichting aan een motorvoertuig om van de ene naar de andere versnelling te gaan
  1. caja de cambios
  2. caja de velocidades
  3. caja de cambio
noun
pomo del cambio
verb
  1. adulterar
  2. diluir
verb
  1. arriesgar
  2. aventurar
  3. jugarse
verb
trasplantar
verb
  1. acechar
  2. espiar
verb
1. door nalatigheid verloren laten gaan
  1. desperdiciar
  2. despilfarrar
  3. derrochar
/vər.ˈspɪ.lɪŋ/
noun
1. het teloor laten gaan van iets waardevols door nalatigheid
  1. derroche
  2. desperdicio
  3. despilfarro
verb
1. tot splinters maken
  1. astillar
  2. fragmentar
adjective
esparcido
verb
  1. 2. zich ~: een proces van uitbreiding ondergaan
    dispersarse
  2. 1. in omloop brengen, over een groter oppervlak uitbreiden
    1. esparcir
    2. diseminar
    3. dispersar
    4. desparramar
noun
  1. cobertura
  2. área
verb
1. een uitspraak doen die men niet zo bedoelde te maken
trabucarse
noun
cesura
/vər.ˈstaːn/
verb
1. begrijpen van een uiting
entender
adjective
inteligible
noun
te controlerende vertalingen
  1. cordura
  2. juicio
  3. mente
  4. conocimiento
  5. entendimiento
  6. intelecto
adjective
1. met verstand
  1. sensato
  2. inteligente
  3. cuerdo
  4. prudente
  5. sabio
noun
  1. caja de ingletes
  2. ingletadora
adjective
1. als je iets vreemd vindt omdat je het niet verwacht had
  1. alucinado
  2. helado
  3. sorprendido
verb
  1. 2. anders stellen
    ajustar
  2. 1. weer in orde brengen, zorgen dat het heel wordt
    1. zurcir
    2. remendar
verb
1.
  1. petrificarse
  2. petrificar
verb
  1. 3. beter bestand maken tegen aanvallen
    fortalecer
  2. 1. sterker maken
    1. fortalecer
    2. amplificar
    3. robustecer
  3. 2. het aantal vergroten
    reforzar
noun
  1. 1. signaalversterker
  2. 1. versterker
amplificador
/vər.ˈstɛr.kɪŋ/, /vɛr.ˈstɛr.kɪŋ(g)/
noun
  1. 3,4. signaalversterking
    amplificación
  2. 3. een fortificatie
    fortificación
    1. 2. extra hulp in probleemsituaties
    2. 1. het versterken
    refuerzo
verb
1. stijf worden
entumecer
verb
1. doen stikken
  1. sofocar
  2. asfixiar
  3. ahogar
  4. abochornar
  5. atufar
noun
1.
asfixia
verb
materializar
adjective
1.
  1. acérrimo
  2. empedernido
  3. terco
  4. tozudo
verb
1. plotseling sprakeloos worden
  1. enmudecer
  2. callarse
/vər'stɔpə(n)/
verb
1. iets stoppen waar het niet gemakkelijk gevonden zal worden
  1. esconder
  2. ocultar
/vərˈstɔ.pər.tjə/
noun
  1. escondite
  2. escondidas
noun
  1. 2.
    1. atasco
    2. obstrucción
  2. 1. geen ontlasting kunnen krijgen
    estreñimiento
/vərˈstorə(n)/
verb
1. uit de concentratie brengen, onderbreken wat men aan het doen is
  1. interrumpir
  2. perturbar
verb
1. niet langer in de omgeving dulden
  1. repudiar
  2. negar
verb
1. ter beschikking stellen
  1. proveer
  2. proporcionar
verb
entrelazar
noun
entrelazamiento
verb
1. het verlopen van een tijdslimiet
  1. vencer
  2. expirar
  3. pasar
verb
  1. embrollar
  2. enredar
adjective
1. geestelijk afgeleid
  1. distraído
  2. abstraído
noun
1.
despiste
verb
  1. 1. vermaken
    1. distraer
    2. regalar
  2. 1. spreiden
    esparcir
verb
1. in fijne nevel omzetten
  1. vaporizar
  2. atomizar
  3. pulverizar
verb
1. iets aan een verzendbedrijf ter bezorging afgeven
  1. enviar
  2. cursar
verb
1. suf worden
atontar
verb
1. omzetten van geschreven of gesproken informatie naar een andere taal
traducir
noun
  1. traductor
  2. traductora
/vərˈtalɪŋ/
noun
1. iets dat vertaald is
traducción
/ˈvɛrtə/
noun
1. het gebied dat nog net binnen zichtsafstand is
lejanía
noun
1. gewerveld dier
vertebrado
verb
1. teder stemmen
  1. enternecer
  2. conmover
verb
1.
representar
noun
1. iemand die de plaats van een ander inneemt
representante
verb
1. een al of niet ware gebeurtenis verhalen
  1. contar
  2. relatar
  3. narrar
  4. decir
noun
1. een persoon die vertelt
narrador
noun
1. een verhaal dat bedoeld is om verteld te worden
  1. narración
  2. cuento
verb
1. voedsel afbreken
digerir
noun
vértice
adverb
vertical
noun
1. draaiduizeligheid
vértigo
verb
1. een voorwerp bedekken met een dun laagje tin
estañar
/vər'tuvə/
verb
1. zich ophouden, ergens verblijven
permanecer
verb
1. vertalen, het van de ene taal omzetten in een andere taal
interpretar
verb
1. laten zien
  1. mostrar
  2. exponer
  3. asomar
  4. presentar
noun
espectáculo
noun
discurso
adjective
1.
  1. enfadado
  2. enojado
  3. irritado
adjective
rezagado
verb
1. langzamer doen worden
  1. enlentecer
  2. lentificar
  3. ralentizar
  4. retrasar
/vər.ˈtra.ɣɪŋ/, /vər.ˈtra.χɪŋ/, /vɛr.ˈtra.ɣɪŋ(g)/
noun
1. het langzamer gaan
  1. retraso
  2. retención
noun
  1. 1.
    1. cuarto
    2. habitación
    3. cámara
  2. 2. de actie van het vertrekken of weggaan
    1. partida
    2. salida
verb
1. weggaan
  1. irse
  2. salir
  3. zarpar
  4. marcharse
noun
punto de partida
noun
hora de salida
verb
1.
  1. mimar
  2. achichiguar
noun
consolación
adverb
  1. digno de confianza
  2. familiar
  3. fidedigno
  4. notorio
  5. sabido
noun
familiar
noun
  1. confidente
  2. hombre de confianza
noun
1. het geloof in betrouwbaarheid van een persoon
  1. confianza
  2. confidencia
verb
1. geloven in de betrouwbaarheid van een persoon
confiar
noun
  1. hombre de confianza
  2. persona de confianza
noun
  1. congoja
  2. desesperación
adjective
  1. angustioso
  2. medroso
verb
1. maken, samenstellen
  1. fabricar
  2. confeccionar
  3. hacer
verb
  1. esfumarse
  2. borrarse
  3. desdibujarse
  4. desvanecer
noun
1 verslechteren
  1. decadencia
  2. adversidad
  3. baja
verb
1. een bedrieglijke kopie maken van een waardevol voorwerp
adulterar
/vər.ˈvɑɫ.sɪŋ/, /vɛr.ˈvɑl.sɪŋ(g)/
noun
1. een artefact opzettelijk nagemaakt om mensen in de waan te brengen dat het echt is
falsificación
/vər'vɑŋə(n)/
verb
1. het ene de plaats doen innemen van het andere
  1. reemplazar
  2. sustituir
  3. substituir
noun
  1. sustitución
  2. substitución
verb
contener
verb
3. zich ~: niet weten wat te doen
  1. aburrirse
  2. fastidiarse
adjective
  1. 1. niet boeiend
    aburrido
  2. 2. onaangenaam/onprettig en tegelijkertijd hinderlijk en lastig
    1. fastidioso
    2. molesto
noun
  1. aburrimiento
  2. hastío
/vər'vɛlə(n)/
verb
1. oude huid afwerpen om daarmee nieuwe onderliggende huid bloot te stellen
despellejarse
verb
1. met verf bestrijken
pintar
noun
pintor
noun
maldición
adjective
maldito
interjection
  1. diablos
  2. maldición
verb
A.1 omvormen van een werkwoord om wijze, tijd en persoon uit te drukken
conjugar
/vər.ˈvu.ɣɪŋ/, /vər.ˈvu.χɪŋ/, /vɛr.ˈvu.ɣɪŋ(g)/
noun
1. werkwoordsflexie
conjugación
/vərˈvuːr/
noun
1. overbrenging van zaken van één plaats naar de andere
  1. transporte
  2. trasporte
verb
1. personen of objecten naar een andere plek brengen
  1. transportar
  2. carretear
noun
éxtasis
noun
1. voorwerp bestemd om personen of goederen naar een andere plaats te brengen
medio de transporte
noun
secuela
/vər'vɔlɣən/
verb
  1. 1. een handeling voortzetten of de draad opnieuw opnemen
    1. continuar
    2. proseguir
  2. 2. niet rusten voor iemand bestraft of geweld aangedaan is
    perseguir
noun
2. het vervolgen of vervolgd worden
  1. persecución
  2. acoso
verb
1. meer volmaakt maken
perfeccionar
verb
1. de vorm van iets doen veranderen, meestal ten nadele ervan
deformar
adjective
alienado
verb
1. vreemd maken, van eigenaar doen wisselen
  1. alienar
  2. enajenar
noun
2. overdracht van het eigendom
  1. enajenación
  2. alienación
verb
1. vrouwelijk maken
afeminar
verb
1. bezoedelen met verontreinigingen
contaminar
/vərˈvœy̯lɪŋ/
noun
  1. contaminación
  2. polución
verb
1. het (doen) uitkomen van een voorspelling of belofte
cumplir
noun
cumplimiento
adjective
1. zich boven anderen verheven voelend
  1. presuntuoso
  2. arrogante
  3. fatuo
  4. hueco
  5. ufano
  6. vanidoso
noun
1. het hebben van een hinderlijk hoge dunk van zichzelf
  1. arrogancia
  2. presunción
  3. pretenciosidad
adjective
1. niet de moeite om zich met iets bezig te houden
insignificante
verb
  1. 1. zich niet verzorgen
    abandonarse
  2. 1. iets niet de benodigde verzorging schenken
    1. descuidar
    2. abandonar
adjective
esperado
/vər.ˈʋɑχ.tɪŋ/, /vər.ˈβ̞ɑx.tɪŋ/, /vɛr.ˈwɑx.tɪŋ(g)/
noun
datgene wat verwacht wordt
  1. expectativa
  2. expectación
  3. previsión
  4. pronóstico
adjective
  1. 1. geparenteerd, familie zijnd
    1. emparentado
    2. deudo
    3. pariente
  2. 2. op een of andere wijze gerelateerd
    1. relacionado
    2. semejante
noun
1. familielid
pariente
noun
  1. 2. overeenkomst, affiniteit
    1. afinidad
    2. afinidad química
    1. afinidad
    2. filiación
    3. parentesco
noun
sistema terminológico de parentesco
adverb
turbio
verb
  1. 2. zich ~ : zich opwarmen
    1. acalorarse
    2. calentarse
  2. 1. iets warm maken
    1. calentar
    2. caldear
    3. acalorar
/vər.ˈʋɑr.mɪŋ/, /vər.ˈβ̞ɑr.mɪŋ/, /vɛr.ˈwɑr.mɪŋ(g)/
noun
1. het proces van verwarmen
  1. calefacción
  2. calentamiento
/vɛrˈʋɑrən/
verb
1. in de war brengen
  1. azorar
  2. turbar
/vər.ˈʋɑ.rɪŋ/, /vər.ˈβ̞ɑ.rɪŋ/, /vɛr.ˈwɑ.rɪŋ(g)/
noun
1. een verwarde toestand
confusión
noun
defensa
/vɛrˈʋɛ.χɪsˌtɑn/, /vɛrˈβ̞ɛ.ɣɪsˌtɑn/
pronoun
1. uithoek, een hypothetisch en oneindig ver land
culo del mundo
/və(r).ˈʋɛ.kə(n)/
verb
doen ontstaan (ook in biologische zin)
engendrar
verb
  1. engendrando
  2. suscitando
noun
1.iemand die de biologische vader van iemand is
genitor
noun
concepción
/vər'ʋɛlkomə(n)/
verb
1. iemand begroeten en welkom heten
agasajar
adjective
mimoso
verb
1. iemand een te goede behandeling geven
  1. consentir
  2. malcriar
  3. mimar
noun
1. vloek of belediging
maldición
verb
1. zich verdedigen
defenderse
verb
1.
realizar
/vərˈʋɛrkə(n)/
verb
  1. 2. overdrachtelijk: geestelijk in het reine komen met een moeilijkheid of verandering
    ocuparse de
  2. 1. een grondstof of halffabrikaat gebruiken om een eindproduct te vervaardigen
    1. procesar
    2. tratar
noun
elaboración
adjective
  1. censurable
  2. desechable
  3. reprobable
verb
  1. 2. wraken
    desaprobar
  2. 1. afwijzen
    1. rechazar
    2. descartar
verb
occidentalizar
noun
realización
adjective
  1. extremo
  2. fuera
  3. lejano
  4. lejos
/vərˈwɛɪ̯dərə(n)/, /vərˈʋɛɪ̯dərə(n)/, /vərˈβ̞ɛːdərə(n)/
verb
  1. 2. zich verwijderen
    alejarse
  2. 1. weghalen
    1. quitar
    2. remover
    3. alejar
noun
1. het verwijderen
eliminación
noun
ensanchamiento
noun
reprochar
adjective
reprobatorio
/vər'ʋɛɪzə(n)/
verb
1. naar iets of iemand anders wijzen of sturen
  1. remitir
  2. referir
  3. enviar
noun
1. een vermelding van een bron waar meer informatie te vinden is
referencia
noun
complicación
adverb
cimarrón
verb
1. twee zaken elkaars plaats in doen nemen
confundir
verb
1. ~ van iemand ergens van op de hoogte brengen
  1. informar
  2. avisar
noun
pasión
verb
1. totaal vernielen
  1. asolar
  2. destruir
  3. aniquilar
  4. arruinar
  5. desolar
verb
1. lichamelijk letsel veroorzaken
  1. herir
  2. lesionar
adjective
    1. asombrado
    2. atónito
    3. extrañado
    4. maravillado
    5. pasmado
    6. sorprendido
  1. 1. bijwoordelijk gebruikt
    1. con admiración
    2. con sorpresa
verb
  1. 1. overgankelijk werkwoord
    asombrar
  2. 2. wederkerend werkwoord
    asombrarse
verb
1. ten kwade veranderen in iets
  1. abastardar
  2. bastardear
  3. degenerar
noun
desterrado
verb
1. vermengen en verdunnen door samen in een vijzel te poederen
  1. pulverizar
  2. triturar
verb
1. minder erg maken
  1. ablandar
  2. reblandecer
  3. suavizar
  4. ablandarse
  5. atenuar
noun
suavizador
/vərzadɪxt/
adjective
  1. 1. verzadigd van eten
    saciado
  2. 5. van kleuren
    saturado
verb
1.
ahitar
noun
saturación
noun
punto de saturación
verb
  1. descuidar
  2. desaprovechar
  3. desatender
noun
coleccionista
verb
  1. 2. een verzameling hebben of aanleggen
    coleccionar
  2. 1. bijeenbrengen
    reunir
  3. 3. bijeenkomen
    reunirse
/vər.ˈza.mə.lɪŋ/, /vɛr.ˈza.mə.lɪŋ(g)/
noun
  1. 1. meerdere voorwerpen...
    colección
  2. 2. wiskundige verzameling
    conjunto
noun
  1. teoría de conjuntos
  2. álgebra de conjuntos
noun
punto de reunión
noun
  1. acaparador compulsivo
  2. acumulación compulsiva
noun
  1. acaparador compulsivo
  2. acumulación compulsiva
/vərzekərar/
noun
1. een bedrijf dat tegen betaling van een premie een bepaald risico voor een klant dekt
asegurador
adjective
  1. 2. wie een verzekering heeft
    asegurado
  2. 1.
    1. asegurado
    2. cierto
verb
  1. 1. verklaren dat iets ...
    1. afirmar
    2. aducir
    3. aseverar
  2. 2. tegen betaling van een premie ...
    1. asegurar
    2. afianzar
    3. hacer un segura
/vər.ˈze.kə.rɪŋ/, /vɛr.ˈze.kə.rɪŋ(g)/
noun
  1. 2. de mededeling dat iets ...
    1. afirmación
    2. aserción
    3. aserto
    4. seguridad
  2. 1. overeenkomst waarmee men zorgt voor vergoeding van schade, diefstal e.d...
    seguro
verb
1. een bericht via post of e-mail overbrengen
enviar
noun
saponificación
noun
número de saponificación
noun
1. handelingen gericht tegen de heersende macht of de aanvallende vijand
resistencia
noun
1. beweging van het verzet, de gezamenlijke mensen die zich verzetten tegen een overheerser
movimiento de resistencia
noun
grupo de resistencia
noun
foco de resistencia
adjective
hipermétrope
verb
1.een voorwerp bedekken met een dun laagje zilver
  1. argentar
  2. platear
verb
  1. 4. met een laag zink afdekken
    galvanizar
  2. 3. iets in een materiaal doen zinken
    hundir
  3. 2. diep in gedachten zijn
    1. sumergirse
    2. abismarse
    3. ensimismarse
    4. sumirse
verb
reproducir
verb
  1. fraguar
  2. idear
  3. inventar
  4. inventarse
noun
paparrucha
noun
1. vraag om iets te doen of te laten
demanda
verb
1. aan iemand vragen iets al dan niet te doen
  1. pedir
  2. rogar
  3. suplicar
noun
  1. petición
  2. solicitud
verb
1. vrede laten sluiten
  1. reconciliar
  2. conciliar
  3. avenir
noun
  1. conciliación
  2. reconciliación
verb
endulzado
adjective
cuidado
verb
1.
  1. cuidar
  2. atender
noun
estado de bienestar
adjective
  1. 2. (figuurlijk) gek zijn op
    chalado
  2. 1. gek, verdwaasd
    1. chalado
    2. chiflado
    3. loco
noun
suspiro
noun
ausencia
verb
1. zuur (doen) worden
  1. acidificar
  2. acedar
  3. agriar
/vɛrzʋɑkə(n)/
verb
  1. 1. zwakker maken
    1. debilitar
    2. aflojar
  2. 1. zwakker worden
    debilitarse
verb
  1. 1. figuurlijk erger maken
    agravar
  2. 2.opzettelijk beladen met extra gewicht
    cargar
verb
1.
inglutir
noun
reticencia
noun
distorsión
verb
desaparecer
/ˈvɛsəˌmə(n)/
verb
1. (een draad) door het oog van een naald steken.
ensartar
noun
1. een mouwloos jasje, te dragen onder de jas van het kostuum
chaleco
adjective
vestal
noun
  1. portal
  2. vestíbulo
  3. zaguán
verb
  1. 1. stichten
    1. establecer
    2. fundar
  2. 2. richten
    fijar
  3. 3. er gaan wonen
    instalarse
noun
  1. establecimiento
  2. instalación
noun
fortaleza
adjective
  1. 6. lijkend op iets vets
    1. aceitoso
    2. gordo
    3. graso
    4. mantecoso
  2. 5. door veel inkt, verf...
    negrita
  3. 1. dik, vet inhoudend
    1. pingüe
    2. gordo
    3. grueso
noun
  1. 2. gespecialiseerd dierlijk weefsel
    grasa
  2. 1. gladde, zeer vette vloeistoffen, smeermiddelen
    1. grasa
    2. sebo
/vɛtblɑt/
noun
1.1 bepaald soort vleesetende plant, Pinguicula vulgaris
  1. grasilla
  2. tiraña
noun
cordón
noun
  1. 1. een voormalig militair die gevochten heeft, een uitgediend krijgsman
  2. 2. een ervaren en oud persoon in een bepaald onderwerpgebied, zoals een sporter, geleerde, etc.
veterano
noun
gevaarlijke longontsteking, veroorzaakt door de legionellabacterie
  1. enfermedad del legionario
  2. legionelosis
adjective
veterinario
noun
  1. grasilla
  2. siempreviva menor
  3. uva de gato
noun
pompadour
verb
1. een dier/persoon overvloedig en calorierijk voedsel aanbieden zodat deze in gewicht aankomt
  1. cebar
  2. engordar
noun
1. veto
  1. veto
  2. veda
adjective
  1. adiposo
  2. grasiento
noun
  1. tejido adiposo
  2. tejido graso
noun
2.
gordinflón
noun
ziekelijke vetafzetting in menselijke weefsels
  1. adiposis
  2. obesidad
/ˈvɛtzyr/
noun
1. een keten van ten minste twee koolstofatomen en een carboxylgroep
ácido graso
noun
1. jong van bepaalde hoefdieren als het paard, de ezel, de kameel en de zebra
  1. potro
  2. potranco
  3. resbalón
noun
vejación
noun
1. een vezel is een lang, dun filament waarvan de lengte ten minste drie keer groter is dan de doorsnede
  1. fibra
  2. hebra
preposition
1. langs
  1. a lo largo de
  2. a través de
  3. por
  4. través de
noun
viaducto
noun
vibración
adverb
vibrato
verb
vibrar
noun
vicepresidente
adjective
vicioso
noun
  1. círculo vicioso
  2. dialelo
pronoun
2. spelwoord voor de letter V
Venezuela
noun
victoria
adjective
victorioso
noun
1. bepaald soort zoogdier, Vicugna vicugna
vicuña
noun
  1. 3. apparaat
    1. aparato de vídeo
    2. videograbadora
    3. vídeo
  2. 1.2
    vídeo
noun
vídeo cd
noun
1. magnetische beeld- en geluidsband voor een videorecorder
cinta de vídeo
noun
archivo de vídeo
noun
cámara de vídeo
noun
vídeo musical
noun
1. een telefoontoestel waarmee geluid en beeld verzonden kunnen worden
videófono
noun
tarjeta gráfica
noun
videoarte
noun
proyector de vídeo
noun
  1. vcr
  2. videocasetera
  3. videograbadora
  4. vídeo
noun
1. elektronisch spel, met beelden op een monitor of tv
videojuego
/viːr/
noun
1. het getal tussen de drie en de vijf
cuatro
/ˈviːrdə/
ordinalAdjective
  1. 1. nummer vier in een rij
  2. 2. gedeeld door vier (een kwart)
cuarto
verb
  1. 2. een touw of kabel vieren
    aflojar
  2. 1. een feest vieren
    celebrar
noun
cuarto
verb
  1. cortar en cuartos
  2. cuartear
  3. descuartizar
cardinalNumeral
1. het getal 24
veinticuatro
noun
1. een geometrische tweedimensionale vorm, bestaande uit vier hoeken en derhalve ook vier zijden
cuadrilátero
/ˈviː.rɪŋ(g)/, /ˈviː.rɪŋ/
noun
1. het vieren
  1. celebración
  2. festejo
adjective
1. met de vorm van een vierkant
cuadrado
noun
1. geometrische tweedimensionale vorm, bestaande uit 4 gelijke hoeken van 90 graden en 4 zijden met gelijke lengte
  1. cuadrado
  2. cuadro
noun
1. dat getal dat met zichzelf vermenigvuldigd een gegeven getal oplevert
raíz cuadrada
noun
juzgado
noun
cuadriga
noun
cruce
noun
motor de cuatro tiempos
noun
  1. tracción a las cuatro ruedas
  2. tracción total
pronoun
lago de los Cuatro Cantones
adjective
1. smerig
sucio
pronoun
Vietnam
pronoun
1. de officiële taal van Vietnam
vietnamita
noun
dong vietnamita
noun
suciedad
noun
1. nachtwake
vigilia
noun
1. waakzaamheid
vigilancia
noun
viñeta
adjective
vigoroso
noun
1. iemand met wie men op voet van oorlog leeft
enemigo
adjective
1. van de vijand
  1. enemigo
  2. hostil
noun
1. een vijandige daad
hostilidad
adjective
1. zich als een vijand gedragend
  1. hostil
  2. enemigo
noun
1. het vijandig zijn
  1. hostilidad
  2. animadversión
  3. animosidad
  4. enemistad
noun
1. een toestand van op voet van oorlog zijn
  1. enemistad
  2. hostilidad
  3. animadversión
/vɛi̯f/
cardinalNumeral
1. het getal 5
cinco
/ˈvɛɪ̯f.də/, /ˈvɛɪ̯v.də/, /ˈvɛːv.də/
ordinalAdjective
1. nummer vijf in een rij
quinto
cardinalNumeral
1. het getal 25
veinticinco
noun
1. een geometrische tweedimensionale vorm, bestaande uit vijf hoeken en derhalve ook vijf zijden
pentágono
ordinalAdjective
quingentésimo
noun
1.
plan quinquenal
noun
1. atletiekmeerkamp met vijf onderdelen
pentatlón
/ˈvɛi ̯ftin/
cardinalNumeral
15
quince
ordinalAdjective
decimoquinto
/ˈfɛi̯ftəx/
cardinalNumeral
1. het getal 50
cincuenta
ordinalAdjective
quincuagésimo
noun
1. vrucht van de vijgenboom
  1. higo
  2. brevo
noun
hoja de higuera
noun
1. tropische boom
  1. higuera
  2. higuera breval
noun
1. een werktuig met een ruw, gegroefd of gekerfd oppervlak dat het mogelijk maakt dunne lagen van een voorwerp te verwijderen
lima
noun
1. tamelijk klein door de mens aangelegd water
estanque
noun
  1. A 1. een vat waarin met een stamper stoffen fijngestampt kunnen worden
    1. mortero
    2. almirez
  2. B 1. een dommekracht of krik
    1. gato
    2. cric
noun
pilón
verb
1. in- of uitdraaien van een schroef
atornillar
/ˈvikɪŋ/
noun
1. Scandinavische krijger, behorend tot de noordelijke tak van de Germanen
vikingo
verb
1. van het vel ontdoen
  1. despellejar
  2. desollar
noun
door langdurig bewerken verdichte wol
fieltro
/ˈvɪltə(n)/
adjective
1. van vilt gemaakt
de fieltro
noun
1. hoed
sombrero de fieltro
noun
1. een pen met een poreuze kern
  1. rotulador
  2. marcador
  3. plumón
/vɪn/
noun
1. uitstekend lichaamsdeel van vissen en andere aquatische dieren
  1. aleta
  2. aleta natatoria
/'vɪndə(n)/
verb
    1. 2. iets bedenken
    2. 4. iets ondervinden, iets ten deel krijgen
    encontrar
  1. 1. iets aantreffen nadat ernaar gezocht is
    1. encontrar
    2. hallar
  2. 3. iets op een bepaalde wijze beschouwen of ervaren
    1. encontrar
    2. opinar
verb
vindicar
noun
2. ontdekking, uitvinding
  1. invención
  2. invento
adjective
  1. conceptuoso
  2. imaginativo
  3. ingenioso
  4. inventivo
noun
1. extremiteiten van de hand
dedo
/ˈvɪ.ŋər.ˌɑf.drʏk/, /ˈvɪ.ŋər.ˌɑv.drʏk/
noun
1. een afdruk op een oppervlak van een vinger met meestal de unieke, persoonsgebonden figuur...
  1. huella digital
  2. huella dactilar
/'vɪŋərə(n)/
verb
1. met de hand of vinger bevredigen
dedear
/'vɪŋərˌɦut/
noun
1. hard dopje dat het eerste kootje van de vinger beschermt bij het naaien
dedal
noun
  1. digital
  2. calzones de zorra
  3. chupamieles
  4. dedalera
  5. digital lanuda
  6. digitalis
noun
topje van een vinger
  1. yema del dedo
  2. punta del dedo
noun
digitación
noun
vinificación
noun
pinzón
adjective
brusco
noun
vinilo
noun
acetato de vinilo
noun
cloruro de vinilo
noun
violencia
noun
1. (kleur) een kleur tussen blauw en ultraviolet, met een golflengte tussen de 430 en 380 nm
violeta
noun
alhelí
noun
1. musicus die een viool bespeelt
violinista
noun
1. een viersnarig strijkinstrument dat tijdens het bespelen door de violoncellist of cellist tussen de knieën wordt gehouden
violoncelo
noun
  1. 1. strijkinstrument
    violín
  2. 1. benaming voor uit het geslacht Viola
    violeta
noun
1. benaming voor planten uit het geslacht Viola
violeta
noun
virginidad
/ˈvʏːrcuwəlriˌjɛləti/
noun
realidad virtual
noun
virtualidad
adjective
1.
virtual
adjective
virtuoso
noun
  1. virtuosidad
  2. virtuosismo
adjective
virulento
/virəs/
noun
  1. 1.
  2. 2.
virus
noun
  1. 2. het vlees van een vis
    1. pescado
    2. pez
  2. 1. Pisces, gewerveld dier met kieuwen, levend in water
    1. pez
    2. pescado
noun
1. Pandion haliaetus, een vooral visetende roofvogel die de enige soort uit de familie Pandionidae is
águila pescadora
pronoun
Bisayas
noun
1. een handelaar die gespecialiseerd is in de verkoop van vis
pescadero
noun
pescado empanado
adjective
1. met betrekking tot de ingewanden
visceral
noun
1. stroperigheid van een vloeistof of gas
viscosidad
/vi.ˈse.rə(n)/
verb
1. voor gezien tekenen
visar
noun
anzuelo
adjective
visible
noun
1. de wijze waarop men zaken beoordeelt of beschouwt
  1. opinión
  2. visión
noun
1. een droombeeld
visión
adjective
visionario
noun
  1. 3. bezoek van Maria bij Elizabeth
    Visitación
  2. 1. onderzoek van vervoermiddelen en van vervoerde goederen
    visitación
noun
visita
noun
tarjeta de visita
noun
1. naamkaartje
  1. tarjeta
  2. tarjeta de visita
verb
inspeccionar
noun
1. verkleinwoord van vis
pescadito
adjective
1. stroperig ten gevolge van inwendige wrijving
viscoso
noun
1. een stof verkregen uit de gedroogde zwemblazen van vissen
  1. cola de pescado
  2. colapez
  3. ictiocola
noun
1.
cuchillo de pescado
noun
1. vlechtwerk van touw om zeedieren te vangen of in water te bewaren
  1. red de pesca
  2. atarraya
  3. chinchorro
noun
1. geraffineerde olie afkomstig uit vissen
aceite de pescado
noun
plato de pescado
noun
1. een seizoen waarin het toegestaan is om te vissen
temporada de pesca
pronoun
2. teken van de dierenriem, traditioneel behorend bij geboortedata van ongeveer 19 februari tot 21 maart
  1. Pisces
  2. Piscis
verb
1. proberen te vangen
pescar
noun
pecera
noun
1. iemand die beroepsmatig vist
pescador
noun
1. het vangen van vis, al of niet als broodwinning
  1. explotación pesquera
  2. pesca
noun
  1. barco pesquero
  2. barco de pesca
noun
  1. Pescatorio
  2. anillo del Pescador
noun
sopa de pescado
noun
palito de pescado
noun
visualización
verb
1. iets beeldend voorstellen (mentaal)
visualizar
noun
visualidad
/vizyʋel/
adjective
1. betreffende het zicht, betreffende het zienbare
visual
noun
visado
noun
  1. 2. hoeveelheid gevangen vis
    pesca
  2. 1. het vangen van vis
    1. pesca
    2. explotación pesquera
noun
vitalismo
noun
vitalidad
noun
1. een stof die het lichaam in kleine hoeveelheden nodig heeft, maar niet of bijna niet door het lichaam zelf aangemaakt kan worden en derhalve in voldoende mate via voedsel of supplement ingenomen moet worden
vitamina
noun
vitamina A
noun
  1. cobalamina
  2. vitamina B12
noun
vitamina k
verb
  1. criticar
  2. disputar
  3. zaherir
noun
  1. 1. een richttoestel op de loop van een vuurwapen
    1. alza
    2. mira
  2. 3. in het
    tener en el punto de mira
  3. 2. klep aan een hoofddeksel
    visera
  4. 1. minister of hoog staatsdienaar
    visir
noun
± vloeibaar dessert van zuivel, eieren en vanille, evt. verdikt met zetmeel
  1. natillas
  2. natilla
/vlax/
noun
1. een plotselinge windstoot
  1. racha
  2. ráfaga
/ˈflaːɪ̯/, /ˈvlaɪ̯/
noun
1. Limburgse vlaai, plat rond gebak.
flan
pronoun
1. Nederlands zoals dat in Vlaanderen gesproken wordt
  1. flamenco
  2. idioma flamenco
noun
1. bepaald soort kraaiachtige vogel, Garrulus glandarius
  1. arrendajo
  2. gayo
pronoun
1. de noordelijke deelstaat van België
Flandes
/vlɑχ/
noun
1. lap stof met een vast patroon van kleuren die gevoerd wordt als symbool van een organisatie, beweging of natie
  1. bandera
  2. estandarte
noun
  1. asta de bandera
  2. asta de pabellón
/ˈvlɑɣəˌsxɪp/
noun
1. schip waarop zich de bevelvoerder over een vloot of eskader bevindt
buque insignia
noun
1. bepaald soort vis, Thymallus thymallus
  1. tímalo
  2. salvelino
/vlɑk/
adjective
1. zonder bergen of dalen
  1. plano
  2. llano
  3. liso
  4. raso
/vlɑk/
noun
1. een verzameling punten die twee dimensies vult
  1. llanura
  2. plano
noun
2. machine voor het schaven van hout
  1. cepilladora
  2. cepillo de banco
adverb
junto a
noun
stuk rubber dat door wrijven potloodschrift van papier kan verwijderen
goma
noun
1. gebied met weinig of geen hoogteverschillen
  1. llanura
  2. llano
noun
1. kleinste vorm van vuur
llama
noun
arco eléctrico
noun
horno de arco eléctrico
/'vlamɪŋ/
noun
1. een inwoner van Vlaanderen of iemand afkomstig uit Vlaanderen
flamenco
noun
1. een stoomketel waarbij de hete rookgassen, door met water omringde vlampijpen, geleid worden
caldera pirotubular
noun
  1. punto de encendido
  2. punto de inflamabilidad
noun
lino
adjective
1. een lichtgele, lichtblonde kleur zoals die van rijp vlas
color de lino
noun
1. bepaald soort vinkachtige vogel Carduelis cannabina
pardillo
noun
1. een gebonden pluk haar
trenza
/ˈvlɛx.tə(n)/, /ˈvlɛχ.tə(n)/
verb
1. in elkaar strengelen
  1. trenzar
  2. entrelazar
  3. entrecruzar
  4. tejer
noun
1. klein vliegend zoogdier
murciélago
noun
  1. 1. spierweefsel van bepaalde organen
  2. 2. spierweefsel van dieren dat opgegeten kan worden als onderdeel van de voeding
carne
noun
1. een vleesetend dier
carnívoro
noun
fondue de carne
adjective
1. de kleur van vlees bezittend
encarnado
noun
pularda
noun
  1. sucedáneo de carne
  2. análogo de carne
noun
1. verzamelnaam voor producten uit bewerkt vlees, zoals worst of boterhambeleg
charcutería
verb
1. (onoprechte) complimenten geven, meestal om bij iemand in de gunst te komen
  1. adular
  2. lisonjear
noun
adulador
noun
  1. 2. gehucht
    1. aldea
    2. pueblecito
  2. 1. een vieze plek
    1. mancha
    2. mácula
verb
manchar
adjective
1. lichamelijk, en dan nog vooral seksueel
carnal
noun
    1. 1. lichaamsdeel van bepaalde diersoorten
    2. 2. onderdeel van een vliegtuig
    3. 5. een deel van een leger
    ala
  1. 3. muziekinstrument
    piano de cola
noun
hidróptero
noun
1.
tuerca de aletas
/'vlidə(n)/
verb
  1. 2. formeel: snel weg trachten te komen, vluchten
  2. 1. formeel: (van tijd) voorbijgaan
huir
/vlix/, /vliχ/
noun
1. tweevleugelig insect
mosca
noun
  1. aerofobia
  2. miedo a volar
noun
cenizas volantes
noun
1. een militair vliegveld
base aérea
noun
1. groot vaartuig dat is ingericht voor het opstijgen, landen, vervoer en onderhoud van meerdere vliegtuigen
  1. portaaviones
  2. portaviones
/ˈvli.ɣə(n)/, /ˈvli.χə(n)/
verb
1. zich door de lucht voortbewegen
volar
/ˈvli.ɣənd/, /ˈvli.ɣənt/, /ˈvli.χənt/
adjective
volador
noun
1. benaming voor zeevissen uit de familie Exocoetidae
pez volador
noun
  1. moscareta
  2. papamoscas
noun
1. bepaald soort paddenstoel, Amanita muscaria
  1. matamoscas
  2. falsa oronja
noun
  1. 6. iemand die vliegt
    1. aviador
    2. piloto
    3. aviadora
  2. 1. een voorwerp dat door de wind aan een draad in de lucht opgelaten kan worden
    cometa
  3. 2. een vierhoek waarvan twee paar aanliggende zijden en één paar ...
    deltoide
noun
1. demonstratie met (stunt)vliegtuigen, parachutespringen etc.
exhibición de vuelo
noun
simulador de vuelo
noun
billete de avión
/ˈvlixtœːx/, /ˈvliχtœʏχ/
noun
1. vervoermiddel dat speciaal ontworpen is voor het reizen door de lucht
  1. avión
  2. aeroplano
noun
  1. motor aeronáutico
  2. motor de aeronave
  3. motor de aviación
/ˈvlixfɛɫt/
noun
1. een terrein waar vliegtuigen kunnen landen en opstijgen
  1. aeródromo
  2. aeropuerto
pronoun
Vlieland
noun
saúco
noun
  1. buharda
  2. buhardilla
  3. desván
noun
  1. sabuco
  2. sabugo
noun
  1. 2. dun flexibel scheidingsvlak
    membrana
  2. 1. dunne laag op een oppervlak
    1. película
    2. vellón
noun
arroyo
/'vlitə(n)/
verb
  1. 1. formeel: zachtjes vloeien of stromen
    1. correr
    2. fluir
  2. 2. formeel: als iets vluchtigs voorbijgaan
    fluir
noun
1. benaming voor nectar etende insecten uit de orde Lepidoptera
mariposa
noun
pajarita
noun
1. benaming voor insecten uit de orde Siphonaptera
pulga
noun
1. verhoging van de waterstand
  1. pleamar
  2. marea
adjective
1. in staat te vloeien, gezegd van de aggregatietoestand van stoffen die niet vast en niet gasvormig zijn
líquido
/ˈvlujə(n)/
verb
1. zacht stromen
  1. fluir
  2. manar
noun
  1. 1. papier om een sigaret van te rollen
    papel de fumar
  2. 2.
    papel secante
noun
fluorita
noun
1. een stof in die aggregatietoestand waarin het geen eigen vorm heeft, maar wel een eigen volume
  1. líquido
  2. fluido
noun
dinámica de fluidos
noun
refrigeración líquida
noun
mecánica de fluidos
noun
1. bewust uitgesproken wens om iemand kwaad of leed aan te doen
  1. juramento
  2. taco
verb
1. uitroepen van vloekwoorden, beledigende taal gebruiken
  1. maldecir
  2. jurar
  3. renegar
  4. blasfemar
/vlur/
noun
  1. suelo
  2. piso
noun
videoblog
noun
1. een samenhangend hoopje van sneeuw of andere lichte stof
copo
noun
  1. mercadillo
  2. rastrillo
/vloːt/
noun
1. bij elkaar horende schepen
flota
adjective
1. gemakkelijk, eenvoudig, zonder veel problemen
  1. fluido
  2. fácil
noun
1. een drijvende constructie
  1. balsa
  2. armadía
noun
  1. detector de nivel de líquido
  2. flotador
  3. nadador
noun
  1. 4. spanwijdte
    envergadura
  2. 3. het ontvluchten van bijvoorbeeld gevaar of straf
    1. fuga
    2. huida
  3. 2. een groep vliegende vogels
    tropel
  4. 1. het zich door luchtruim bewegen
    vuelo
/'vlɵxtəlɪŋ/
noun
1.
  1. refugiado
  2. fugitivo
noun
  1. campamento de refugiados
  2. campo de refugiados
/vlɵxtə(n)/
verb
1. (onovergankelijk) trachten te ontkomen aan dreigend gevaar
  1. huir
  2. fugarse
  3. afufar
adjective
  1. 2. zonder al te veel aandacht voor alle details
    1. de soslayo
    2. superficial
  2. 1. gemakkelijk in damp overgaand
    1. volátil
    2. fugaz
noun
caja negra
/ˈvlʏxtstrok/
noun
1. een door een doorgetrokken streep gemarkeerd afgescheiden gedeelte van de rijbaan op de autosnelweg of autoweg, bedoeld voor noodsituaties
arcén
noun
1.
vía de escape
/vlɵx/
adjective
1. met hoge snelheid
  1. ágil
  2. rápido
  3. presto
  4. pronto
/vlɵx/
adverb
1. met hoge snelheid, in korte tijd
  1. con prontitud
  2. con agilidad
  3. con destreza
  4. con prisa
  5. de prisa
pronoun
1. wereldwijde organisatie waarin alle landen kunnen samenwerken
ONU
adjective
vocal
noun
vocabulario
noun
vocación
noun
1. de vijfde naamval waarin een naamwoord staat dat aanduidt tot wie het woord wordt gericht
vocativo
adjective
húmedo
noun
1. de mate van vocht
humedad
noun
  1. harapo
  2. trapo
verb
1. van voedsel voorzien
  1. alimentar
  2. nutrir
noun
  1. alimento
  2. forraje
  3. pasto
noun
comedero
/vudərə(n)/
verb
1. voedsel verschaffen aan dieren
alimentar
/ˈvu.dɪŋ(g)/, /ˈvu.dɪŋ/
noun
1. voedsel
  1. alimentación
  2. nutrición
noun
1. toevoeging aan voeding
aditivo alimentario
noun
medio de cultivo
noun
1. voedingsmiddel dat bedoeld is als aanvulling op de normale voeding
suplemento dietético
noun
1. alles wat een organisme tot zich neemt om het metabolisme in werking te houden
  1. alimento
  2. alimentación
noun
banco de alimentos
adjective
1.
nutritivo
noun
  1. sutura
  2. junta
  3. unión
verb
3. afwerken van metselwerk
  1. emporar
  2. mampostear
/ˈvuxʋoːrt/
noun
conjunción
verb
1. gewaarworden door aanraking, meestal met betrekking tot temperatuur of druk
  1. sentir
  2. percibir
noun
2. voelmaat
  1. calibre de espesores
  2. galga
noun
  1. calibre de espesores
  2. galga
noun
1. een langgerekt, gewoonlijk geleed, uitwendig orgaan op de kop van een insect dat zintuigen voor de tastzin of soms ook voor gehoor of smaak bevat
antena
/vur/
noun
1. voedsel, inzonderlijk voor huisdieren en vee
  1. forraje
  2. pienso
verb
  1. 2. kleding aan de binnenkant van een isolerende laag voorzien
    aforrar
  2. 3. dieren te eten geven
    1. alimentar
    2. forrar
  3. 4. een kind eten in de mond stoppen
    1. alimentar
    2. nutrir
/ˈvuː.rɪŋ(g)/, /ˈvuː.rɪŋ/
noun
1. de binnenbekleding van een voorwerp
forro
pronoun
sterrenbeeld noordelijk van de dierenriem
Auriga
noun
1. taal die bij het onderwijs en in officieel verkeer gebruikt wordt
  1. idioma oficial
  2. lengua oficial
/ˈvuːrtœx/, /ˈvuːrtœyx/
noun
1. vervoermiddel over land
  1. vehículo
  2. coche
noun
1. voortzetting van het been beneden de enkel
  1. pie
  2. pata
/ˈvut.bɑɫ/
noun
1. een balsport waarbij twee teams van 11 spelers met hun voeten (of hoofd) een bal in het doel van de tegenstander proberen te krijgen
  1. fútbol
  2. balompié
  3. futbol
verb
1. een spel met een voetbal spelen
jugar fútbol
noun
1. een persoon die de sport voetbal beoefent
futbolista
noun
campo de fútbol
/vuˈterə(n)/
verb
1. te voet gaan
  1. ir a gamba
  2. ir a pie
noun
1. iemand die zich te voet door het verkeer verplaatst
peatón
/'vutpɑt/
noun
1. een pad voor voetgangers
  1. via peatonal
  2. senda
noun
1.
  1. bomba a pedal
  2. bomba de pie
noun
nadir
noun
1. een rem die met de voet bediend wordt
freno de pie
noun
  1. huella
  2. traza
  3. vestigio
noun
paso
noun
1. de onderzijde van de voet
planta del pie
/ˈvoːɣəl/, /ˈvoχɔɫ/
noun
1. een gewerveld dier (Aves) met twee vleugels, twee poten, een snavel en veren...
  1. ave
  2. pájaro
noun
pico
noun
1. enige zoogdier met een snavel, Ornithorhynchus anatinus
ornitorrinco
noun
  1. mijo
  2. mijo menor
  3. panizo común
pronoun
  1. península Cabeza de Pájaro
  2. península de Doberai
noun
  1. capiquí
  2. pamplina
  3. hierba de los canarios
  4. hierba del pollo
  5. hierba pajarera
  6. hierba roquera
noun
  1. 4. snack
    huevo a la escocesa
  2. 1. nestje van een vogel
    1. nido de ave
    2. nido de pájaro
  3. 2. vogelnestorchis
    nido de pájaro
  4. 5. het van speeksel gebouwde...
    1. nido de pájaro
    2. nido de salanganas
noun
nido de pájaro
noun
gripe aviaria
noun
1. grote behaarde spin die leeft in de tropische streken
  1. tarántula
  2. araña jarera
  3. migala
noun
1. manshoge pop
espantapájaros
adjective
1. buiten de wet gesteld
fuera de la ley
noun
voz en off
noun
velo
/vɔl/, /vɔɫ/
adjective
1. geheel gevuld
  1. lleno
  2. pleno
noun
  1. 2. strook op een japon
    faralá
  2. 1. pluimbal
    volante
pronoun
1. een kunstmatige taal die in 1880 door Johann Martin Schleyer gemaakt werd
  1. volapük
  2. volapuk
adjective
purasangre
verb
cumplido
verb
1. geheel uitvoeren
cumplir
verb
1. een eis vervullen
  1. satisfacer
  2. cumplir
adverb
1. tot bevrediging
suficientemente
indefinitePronoun
1. toereikend, genoeg
  1. suficiente
  2. bastante
/vɔl.ˈdu.nɪŋ(g)/, /vɔɫ.ˈdu.nɪŋ/
noun
1. tevredenheid
satisfacción
verb
  1. completar
  2. llenar
/'vɔlɣəlɪŋ/
noun
1. iemand die een -vaak godsdienstig- leider volgt
  1. seguidor
  2. discípulo
/'vɔlxə(n)/
verb
1. achterna gaan
seguir
adjective
1. dat later komt
  1. siguiente
  2. próximo
preposition
1. geeft een bron aan voor de gegeven redenering
  1. según
  2. de acuerdo con
noun
sistema secuencial
noun
1. vergoeding aan de kunstenaar bij doorverkoop van zijn kunstwerk
droit de suite
adjective
adulto
adjective
1.
dócil
adjective
1. moeilijkheden taai trotserend
  1. perseverante
  2. tenaz
/vɔl.ˈhɑr.dɪŋ(g)/, /vɔɫ.ˈɦɑr.dɪŋ/
noun
persistencia
verb
persistir
/vɔlk/
noun
  1. 5. een groep insecten die in hetzelfde nest wonen
    enjambre
  2. 4. een aantal mensen
    gente
    1. 1. een groep mensen die een aantal dingen gemeenschappelijk hebben, zoals afstamming, taal, gewoontes of overlevering
    2. 2. de inwoners van een land
    pueblo
pronoun
  1. Sociedad de las Naciones
  2. Sociedad de Naciones
noun
1. internationaal privaat- en publiekrecht
derecho internacional
noun
genocidio
adjective
integral
noun
1. brood van meel met zemelen
pan integral
noun
1. tarwe met zemelen en kiem
trigo integral
noun
1. traditioneel feest dat door de gehele gemeenschap wordt gevierd gevierd
fiesta popular
noun
1. samenwerkingsverband van (linkse) politieke partijen en organisaties
frente popular
noun
universidad popular
noun
1. lied dat dienst doet als symbool voor een volk of een natie
  1. himno nacional
  2. himno
noun
1. traditioneel gezongen tekst
cancíon tradicional
noun
demagogo
noun
leyenda
noun
partido popular
noun
república popular
/ˈvɔlksvərˌhœyzɪŋ/
pronoun
1. het binnentrekken van het Romeinse rijk door stammen die voorheen ten noorden en oosten daarvan woonden
  1. grandes invasiones
  2. invasiones bárbaras
noun
1. fase of schijngestalte van de maan, waarbij de naar de aarde gekeerde zijde, geheel door de zon wordt verlicht en daardoor zichtbaar is
luna llena
adverb
1. zonder iets ongedaan te laten
  1. completo
  2. entero
  3. íntegro
noun
inducción matemática
noun
  1. completación
  2. integridad
verb
1. het maken van vilt door langdurig de wol te slaan
abatanar
noun
1. spel
  1. voleibol
  2. vóleibol
  3. balonvolea
/vɔlˈmaːkt/
adverb
1. zonder enig gebrek
  1. perfecto
  2. perfectamente
noun
1. de volmaaktheid
  1. complemento
  2. cumplimiento
  3. idealidad
noun
1. rechtsbevoegdheid om namens een ander te handelen
poder
verb
  1. 1. vullen
    llenar
  2. 1. perfectioneren (eigenlijk vervolmaken)
    perfeccionar
noun
voluntario
verb
1. overvol maken door er nog iets bij te duwen
  1. atiborrar
  2. abarrotar
  3. amazacotar
  4. empapuzar
verb
llenar
adjective
1. compleet, volledig
  1. completo
  2. entero
  3. todo
  4. total
/vɔl.ˈstan/
verb
  1. bastar
  2. ser suficiente
verb
  1. atestar
  2. obturar
  3. tapar
noun
  1. voltio
  2. volt
pronoun
  1. Volta
  2. río Volta
/vɔl'taʒə/
noun
1. de elektrische spanning
voltaje
noun
voltiamperio
noun
1. zwenking
compás
noun
volteo
verb
voltear
noun
1. spanningmeter
voltímetro
adjective
2. perfect
perfecto
noun
1. het woord dat deel heeft aan het werkwoord en aan het naamwoord en als afgesloten gezien wordt
  1. participio pasado
  2. participio pasivo
noun
presente perfecto
noun
pretérito pluscuamperfecto
verb
1. ten einde brengen
  1. completar
  2. terminar
  3. acabar
  4. finalizar
noun
  1. impacto directo
  2. tiro exacto
/vɔl'trɛkə(n)/
verb
  1. 1. ten uitvoer brengen
    1. cumplir
    2. ejecutar
    3. consumar
  2. 2. gebeuren
    1. ocurrir
    2. tener lugar
noun
cumplimiento
adverb
completamente
noun
  1. 1. ruimtelijke capaciteit
    volumen
  2. 3. fysieke informatiedrager
    1. volumen
    2. tomo
/volymi'nøs/
adjective
1.
voluminoso
adjective
voluntario
adjective
1. mollig en voorzien van rondingen
voluptuoso
noun
voluta
verb
1. tot een succesvol einde brengen
  1. ejecutar
  2. perpetrar
noun
  1. ejecución
  2. perpetración
adjective
1. een leeftijd bereikt hebbend waarop men volgroeid en onafhankelijk kan zijn
adulto
noun
1. iemand die volgroeid is
adulto
noun
1. een tot een volledige zin geordende taaluiting van redelijk grote omvang
oración
noun
1. braaksel
vómito
noun
expósito
noun
1. een gloeiend korreltje of brokstukje
chispa
verb
1. vonken geven
chispear
noun
1. een beslissing van een rechter in dagvaardingsprocedures
  1. sentencia
  2. veredicto
noun
1. Haïtiaanse religie
vudú
/voːxt/
noun
1. belangenbehartiger van minderjarige
  1. tutor
  2. tutora
noun
1. Iemand die als vervanger het ouderlijk gezag uitoefent
tutora
noun
1. belangenbehartiging van minderjarige
tutela
/vor/
noun
1. ploegsnede
surco
/vor/
preposition
  1. 4. eerder in tijd
    1. antes
    2. antes de
  2. 1. dichterbij dan
    1. delante de
    2. en frente de
adverb
delante
adjective
1. gezaghebbend
  1. prominente
  2. eminente
  3. destacado
noun
1. afbeelding van iets, zoals van voren gezien
vista frontal
adverb
  1. a priori
  2. antes
  3. de antemano
  4. previamente
verb
  1. preceder
  2. adelantarse
  3. ir delante
/vo:ɾ.ɑl/
adverb
  1. 1. voornamelijk
  2. 2. als het voornaamste of als zeer gewichtig
sobre todo
conjunction
antes de que
adverb
por el momento
noun
1.
antebrazo
noun
  1. 1. begin van de avond
    tarde
  2. 2. periode voorafgaand aan een bepaalde gebeurtenis of datum
    víspera
noun
1.
neumático delantero
adjective
prematuro
noun
1. iets ter navolging
ejemplo
noun
  1. anticonceptivo
  2. método contraceptivo
adjective
preparado
verb
1. handelingen verrichten die een latere gebeurtenis mogelijk moeten maken
  1. preparar
  2. aprestar
  3. predisponer
/ˈvor.bə.rɛɪ̯.dɪŋ(g)/, /ˈvor.bə.rɛː.dɪŋ/, /ˈvo̝r.bə.rɛɪ̯.dɪŋ/
noun
1. het voorbereiden
preparación
noun
prólogo
adjective
1. wat al in het verleden ligt
pasado
adjective
1. slechts tijdelijk van aard
  1. pasajero
  2. transitorio
verb
  1. pasar de largo
  2. sobrepasar
verb
  1. adelantar
  2. pasar
verb
adelantar
/ˈvorbodə/
noun
  1. 2. iets dat het naderen van een feit in de toekomst bekend maakt (figuurlijk)
    1. agüero
    2. augurio
  2. 1. vooruitgestuurde bode (letterlijk)
    heraldo
noun
  1. 2. aangename eigenschap
    baza
    1. 1. profijt
    2. 3. (tennis)
    1. provecho
    2. ventaja
adjective
1. een voordeel gevend, met name geldelijk
  1. ventajoso
  2. económico
/'voːrdøːr/
noun
1. de hoofddeur aan de voorzijde van een woning
  1. portón principal
  2. puerta de la calle
  3. puerta principal
/ˈvoːrˌdrɪ.ŋə(n)/
verb
colarse
verb
adelantar
adjective
  1. anterior
  2. pasado
noun
  1. 2. dienstdoende predikant in een kerkdienst
    oficiante
  2. 1. de persoon die voorafgaand aan een zeker persoon dezelfde positie bekleedde
    1. predecesor
    2. antecesor
noun
1. een gebergte, dat voor de kust uitsteekt
promontorio
noun
limbo
verb
  1. intentado
  2. llevado
  3. tenido puesto
adjective
1.
precocido
noun
1. eerste, meestal lichte gang van een maaltijd
entrada
noun
historial
noun
  1. 2.
    antepasados
  2. 1.
    ascendiente
noun
1. gevel aan de voorkant
fachada
verb
1. voorwenden
  1. aparentar
  2. figurar
  3. fingir
  4. simular
noun
  1. premonición
  2. presentimiento
  3. corazonada
noun
almádena
/vɔːr.'ɦɑn.də(n)/
adjective
1. beschikbaar, voorradig
disponible
verb
1. van plan zijn
  1. intentar
  2. proponerse
noun
1. het deel van het gezicht tussen de wenkbrauwen, de normale haarlijn en de slapen
frente
noun
1. een van de beenderen van de schedel
hueso frontal
noun
1. voorhuid van penis
prepucio
noun
  1. aprehensión
  2. aprensión
  3. prejuicio
  4. preocupación
  5. prevención
noun
1. de lente
primavera
noun
conocimiento previo
/ˈvoːrkør/
noun
1. de neiging tot kiezen van het één boven het ander
preferencia
noun
preferencia
verb
precocer
/ˈvorlixt/
noun
faro delantero
/vorlopən/
verb
adelantar
noun
2. een type schaaf die gebruikt wordt voor houtbewerking
garlopa
/vorˈlopəx/, /vorˈlopəç/
adjective
1. tijdelijk in afwachting van iets definitiefs
provisional
noun
  1. capataz
  2. líder
noun
  1. ido
  2. idus
adjective
1. van hoog aanzien in een gemeenschap
ilustre
noun
1. naam die bij de geboorte aan een persoon wordt gegeven, en die aan de familienaam voorafgaat.
  1. nombre de pila
  2. nombre propio
/ˈvɔːr.nam.ˌʋɔːrt/
noun
1. een woord dat verwijst naar iets anders zonder ze te noemen
pronombre
verb
1. van plan zijn iets te gaan doen
proponerse
noun
presuposición
noun
prejuicio
verb
preceder
noun
1. iemand van wie afgestammen wordt
antepasado
noun
portada
noun
alegría anticipada
noun
1. een voorlopige test
prueba
/ˈvɔːrˌraːt/
noun
1. wat voor later gebruik wordt opgeslagen
  1. existencias
  2. stock
  3. provisión
  4. expediente
noun
  1. prioridad
  2. precedencia
  3. antecedencia
noun
  1. privilegio
  2. prerrogativa
noun
1. glazen vlak aan de voorkant van een voertuig dat zorgt voor zicht op de weg en bescherming tegen weer en wind
  1. parabrisas
  2. guardabrisa
noun
1. een vervroegde betaling op het loon
  1. adelanto
  2. anticipo
noun
prescripción
/'vɔːrsxrɛɪvə(n)/
verb
1. een schriftelijke opdracht geven
  1. prescribir
  2. ordenar
verb
  1. ofrecer
  2. proponer
verb
1. voor een rijtuig of kar spannen
uncir
noun
1. voorbereidende inleiding
preludio
verb
1. een uitspraak doen over toekomstige gebeurtenissen
  1. predecir
  2. augurar
  3. adivinar
  4. agorar
  5. antedecir
noun
pronosticación
noun
prosperidad
adjective
próspero
verb
interceder
/'vorsprɔŋ/
noun
1. de mate waarin men verder gevorderd is dan anderen
delantera
noun
1. lijn of staalkabel die is gespannen tussen de boeg en de masttop
puntal de proa
noun
1. iemand die voor iets is
partidario
noun
partidaria
noun
1. hetgeen dat voorgesteld wordt
  1. propuesta
  2. proposición
verb
  1. 2. een beeld geven
    presentar
  2. 1. een plan voorleggen
    proponer
/voːrt/
adverb
  1. lejos
  2. adelante
  3. fuera
noun
diente incisivo
verb
avanzado
/'vortbrɛŋsəl/
noun
1.
producto
noun
1. signaal dat aan een gebeurtenis voorafgaat
presagio
noun
1. symbolen aan het begin van een notenbalk
  1. armadura de clave
  2. armadura de tonalidad
verb
1. in hoog tempo aan iets werken
  1. apresurarse
  2. abreviar
verb
  1. 2. voortbewegen van
    propagar
  2. 1. een nieuwe generatie voorbrengen
    1. reproducir
    2. proliferar
verb
  1. propagando
  2. reprocuciendo
noun
reproducción
noun
  1. aparato genital
  2. aparato reproductivo
  3. aparato reproductor
  4. sistema genital
  5. sistema reproductor
adjective
  1. excelente
  2. exquisito
noun
  1. colonizador
  2. gastador
  3. vanguardista
verb
1. geleidelijk verder verlopen
avanzar
verb
  1. resultar
  2. seguirse
verb
1.
  1. remolcar
  2. arrastrar
  3. atoar
  4. jalar
verb
  1. resultar
  2. seguir
  3. seguirse
noun
1.
  1. consecuencia
  2. efecto
  3. resultado
verb
  1. continuar
  2. seguir
/voːˈrœːt/, /vo̝ːˈrœʏ̯t/
interjection
1. in voorwaartse richting
adelante
/voːˈrœːdbəˌtaːlə(n)/, /vo̝ːˈrœʏ̯tbəˌtalə(n)/
verb
1. iets van tevoren betalen
  1. adelantar
  2. antepagar
/voːˈrœːdˌɣaːn/, /voːˈrœːtˌxaːn/, /vo̝ːˈrœʏ̯tˌχan/
verb
  1. 2. vooruitgang boeken
    1. acrecentar
    2. avanzar
    3. progresar
  2. 1. naar voren gaan
    avanzar
noun
  1. 2. een proces van verbeteringen
    mejora
  2. 1. het proces van technologische en economische groei van een samenleving
    1. progreso
    2. avance
    3. adelanto
/voːˈrœːtˌkoːmə(n)/, /vo̝ːˈrœʏ̯tˌkomə(n)/
verb
  1. 1. vorderingen maken op weg naar iets
    avanzar
  2. 2. een betere positie krijgen
    prosperar
/voːˈrœːtˌloːpə(n)/, /vo̝ːˈrœʏ̯tˌlopə(n)/
noun
anticipación
/voːˈrœːtˌloːpə(n)/, /vo̝ːˈrœʏ̯tˌlopə(n)/
verb
anticipar
verb
sobresalir
adjective
progresista
verb
adelantar
noun
1. voorúítzicht
  1. expectación
  2. expectativa
  3. perspectiva
  4. previsión
  5. pronóstico
/voːˈrœːdˌzin/, /voːˈrœːtˌsin/, /vo̝ːˈrœʏ̯tˌsin/
noun
previsión
/voːˈrœːdˌzin/, /voːˈrœːtˌsin/, /vo̝ːˈrœʏ̯tˌsin/
verb
  1. presagiar
  2. prever
noun
1.
antepasado
adjective
1.zoals bij de voorvaderen
ancestral
noun
1. event, gebeurtenis, incident
  1. acaecimiento
  2. evento
  3. incidencia
verb
1.
  1. acaecer
  2. occur
  3. ocurrir
  4. pasar
  5. suceder
noun
preamplificador
verb
1.
precalentar
/ˈvoːrvuxsəɫ/
noun
1. een gebonden morfeem dat voor een ander woord geplaatst wordt om iets aan de betekenis toe te voegen
prefijo
noun
1. omstandigheid die noodzakelijk is of gemaakt wordt wil iets anders plaats of...
condición
/vorˈʋardələkə ˌʋɛːs/, /vorˈʋardələkə ˌʋɛːɪs/
noun
1. de modus waarin een werkwoord gebruikt wordt als gedaan zou worden
condicional
verb
prelavar
verb
  1. aparentar
  2. figurar
  3. fingir
  4. impostar
noun
  1. pretexto
  2. son
noun
1. een object, iets dat fysiek bestaat
objeto
noun
  1. rueda delantera
  2. rueda directriz
noun
1. een soort van aandrijfmechanisme, waarbij de motorkracht op de voorwielen wordt uitgeoefend
  1. propulsión delantera
  2. tracción delantera
noun
suspensión delantera
noun
prefacio
noun
antepasado
noun
1. een onverbuigbaar woord dat de aard van de relatie tussen verschillende elementen in de zin aangeeft
preposición
/vɔːrˈzɪxtəx/
adverb
1. op een oplettende manier
  1. prudente
  2. cuidadoso
  3. cauteloso
  4. precavido
  5. prevenido
/vɔːrˈzɪxtəxˌhɛɪt/
noun
1. het voorzichtig zijn
cuidado
/vɔːr.'zin/
verb
  1. 1. herkennen als toekomstige ontwikkeling
    presagiar
  2. 2. beschikbaar maken, voorzorgen treffen voor
    1. proveer
    2. proporcionar
/vorzinɪŋ/
noun
  1. facilidad
  2. provisión
noun
parte delantera
noun
1. hoofd van een bestuur, leider van een vergadering
presidente
noun
  1. precaución
  2. previsión
  3. provisión
noun
principio de precaución
noun
principio de precaución
noun
voracidad
verb
  1. 1. vooruitgang boeken
    avanzar
  2. 2. dwingend iets opeisen
    requisar
/vɔɾ.dǝ.ɾɪŋ/
noun
  1. 2. opeisen
    1. demanda
    2. requisa
    3. requisición
  2. 1. vooruitgang, progressie
    progreso
/'vɔː.rə/
noun
1. ploegsnede
surco
indefiniteOrdinalNumeral
1. degene die of datgene dat eerder een positie innam
  1. anterior
  2. pasado
noun
  1. 3. bepaald landbouwwerktuig (vergelijk met hooivork, mestvork)
    1. horca
    2. tenedor
  2. 4. fietsonderdeel waarin het wiel wordt bevestigd: telescopische vork, voorvork en achtervork
    1. horquilla
    2. tenedor
    1. 2. voorwerp bestaande uit een greep en (meestal 3 of 4) tanden, waarmee vast voedsel wordt gegeten
    2. 1. aftakking van een boomtak of van een weg
    1. tenedor
    2. trinche
noun
carretilla elevadora
noun
    1. 1. ruimtelijke begrenzing van een voorwerp
    2. 4. lichamelijke conditie
    forma
  1. 2. sjabloon of bak waarin iets gegoten...
    molde
/'vɔrmələk/
adjective
1. heel erg stijf en formeel zich houden aan de regels van de etiquette
formal
verb
1. in de juiste vorm brengen
  1. formar
  2. configurar
  3. conformar
/ˈvɔrᵊmɣevə(n)/
verb
moldear
noun
  1. 1. het ontstaan...
    1. configuración
    2. formación
  2. 2. het onderwijs
    educación
/vɔrst/
noun
  1. 3. nok
    caballete
  2. 2. weersomstandigheden
    1. escarcha
    2. helada
  3. 1. heerser
    1. monarca
    2. príncipe
    3. rey
noun
reina
noun
1. bepaald zoogdier, Vulpes vulpes
  1. zorro
  2. zorra
noun
1. bepaald soort plant, Vaccinium vitis-idaea
arándano rojo
noun
  1. carricera
  2. cola de zorra
  3. cola de zorro
verb
votar
noun
doblez
verb
  1. doblar
  2. plegar
noun
bicicleta plegable
noun
voyeurismo
/vra:x/, /vra:χ/
noun
1. een verzoek om inlichting
  1. pregunta
  2. cuestión
  3. consulta
  4. solicitud
  5. petición
  6. solicitación
noun
1. een gesprek waarin iemand een aantal vragen beantwoordt
entrevista
noun
problema
noun
problema
noun
1. een leesteken (?) dat men aan het eind van een zin plaatst om deze vragend te maken
signo de interrogación
noun
  1. gula
  2. voracidad
adjective
glotón
noun
glotonería
/vrɑxt/, /vrɑχt/
noun
1. de lading van een vervoermiddel
  1. cargamento
  2. carga
/ˡvrɑxtɑuto/
noun
1. een auto voor goederenvervoer
camión
noun
1. een boot die gebouwd is om vracht te vervoeren
  1. buque
  2. carguero
noun
1.
carta de porte
noun
1. prijs die men betaalt om een bepaalde hoeveelheid vracht naar een andere locatie te vervoeren
tarifa de flete
noun
1. een schip dat uitsluitend bedoeld is voor het vervoer van goederen
  1. carguero
  2. buque de carga
noun
1. een wagen voor goederenvervoer
camión
noun
  1. camionero
  2. camionera
/ˈvraɣə(n)/, /ˈvraχə(n)/
verb
  1. 2. mondeling of schriftelijk actie verzoeken
    1. pedir
    2. preguntar
  2. 1. mondeling of schriftelijk informatie verzoeken
    1. preguntar
    2. interrogar
noun
lista de preguntas
noun
1. ontbreken van oorlog
paz
/ˈvre.dəx/, /ˈvre.dəχ/
adjective
1. onverstoord door geschil of onrust
  1. apacible
  2. pacífico
adjective
1. van buiten, niet van hier
  1. extranjero
  2. extraño
  3. forastero
/'vremdə/
noun
1. iemand die niet bekend is
extraño
noun
1. iemand die afkomstig is uit een ander gebied of land dan dat waar hij verblijft
  1. extranjero
  2. forastero
noun
1. het gevoel dat iets gevaarlijk is of kan zijn
  1. miedo
  2. temor
adjective
tímido
noun
avaro
adjective
1. bijzonder erg, schrikwekkend
terrible
adverb
  1. enormemente
  2. extensamente
  3. inmensamente
  4. prolijamente
verb
1. het nuttigen van voedsel op een meestal onbeleefde wijze
atracarse
noun
1. een blij gevoel
  1. alegría
  2. gozo
noun
  1. grito de alegría
  2. grito de júbilo
/ˈvrøx.də.ˌvyːr/, /ˈvrøɣ.də.ˌvyːr/, /ˈvrøχ.də.ˌvyːr/
noun
1. een groots door mensen opgebouwd en gecontroleerd vuur om iets te vieren
fogata
/ˈvrezə(n)/
verb
1. bang zijn, angst hebben
temer
noun
  1. 1. een persoon met wie je een speciale persoonlijke band hebt
    amigo
  2. 2. de mannelijke persoon met wie je verkering hebt
    novio
adjective
1. met het nodige respect
  1. amistoso
  2. simpático
  3. amable
noun
  1. 1. een vrouwelijk persoon met wie je een speciale persoonlijke band hebt
    amiga
  2. 2. de vrouwelijke persoon met wie je verkering hebt
    1. amiga
    2. novia
    3. compañera
noun
1. gelijkwaardige relatie tussen personen die elkaar wederzijds genegen zijn en een vergelijkbare relatie tegelijkertijd ook met anderen kunnen hebben
amistad
adjective
1. in het kader van de vriendschap, niet competitief
amistoso
noun
1. schade aangebracht aan smaak zowel als structuur van bevroren voedsel
quemadura de congelación
/vrispʌnt/
noun
  1. punto de congelación
  2. punto de congelamiento
noun
descenso crioscópico
verb
helar
noun
1. een toestel bedoeld om voedingsmiddelen in bevroren toestand gebracht, te bewaren
congelador
adjective
1. ongebonden, niet in beweging beperkt
libre
adverb
bastante
noun
  1. patente
  2. patente de corso
  3. salvoconducto
noun
1. een zeerover
  1. filibustero
  2. corsario
noun
1. een dag van de week die na donderdag en voor zaterdag komt
viernes
noun
  1. azalá del viernes
  2. yumu'ah
noun
1.
librepensador
noun
indiferencia religiosa
noun
  1. apnea
  2. buceo libre
noun
mercado libre
phraseologicalUnit
  1. ocio
  2. tiempo libre
adverb
libremente
verb
  1. 2. knuffelen
    1. acariciarse
    2. achucharse
  2. 1. liefde bedrijven
    acostarse
noun
  1. amante
  2. pretendiente
noun
  1. educación Waldorf
  2. pedagogía Waldorf
/vrɛɪˈɣevəx/
adjective
1. gul
  1. generoso
  2. liberal
adjective
1. een ongehuwde man of vrouw
soltero
noun
1. een ongehuwde man of vrouw
soltera
noun
1. avond voor iemands huwelijk
  1. despedida de soltera
  2. despedida de soltero
noun
1. avond voor iemands huwelijk
  1. despedida de soltera
  2. despedida de soltero
noun
  1. comercio libre
  2. librecambismo
noun
asociación de libre comercio
noun
área de libre comercio
noun
1. een haven met bijzondere vrijstellingen, bijvoorbeeld de vrijstelling van betaling van belasting
puerto franco
/ˈvrɛi̯ɦɛi̯t/
noun
1. het vrij zijn
libertad
noun
libertad de expresión
/ˈvrɛɪhɛɪtsbəˌrovɪŋ/, /ˈvrɛːhɛːtsbəˌrovɪŋ/
noun
2. iemand wederrechtelijk in detentie houden
privación de libertad
noun
grado de libertad
verb
librarse
verb
1. toestaan om uit gevangenschap weg te gaan
manumitir
noun
piñon libre
verb
librarse
verb
  1. desembarazar
  2. desobstruir
  3. desocupar
  4. libertar
  5. poner en libertad
noun
  1. francmasón
  2. masón
  3. masónico
noun
grado masónico
noun
  1. francmasonería
  2. masonería
/vrɛi'mudəx/
adjective
franco
noun
2. vluchthaven
  1. asilo
  2. refugio
verb
  1. 1. door pleiten vrijspraak verwerven voor iemand, door pleiten de onschuld aantonen van iemand, door pleiten verdedigen
    1. exculpar
    2. exonerar
  2. 1. aantoonen of betoogen dat men niet aan iets schuldig is
    1. defenderse
    2. justificarse
adjective
insolente
noun
absolución
/'vrɛisprekə(n)/
verb
1. onschuldig verklaren
absolver
noun
república
/ˈvrɛistɛlɪŋ/
noun
franquicia
verb
resguardar
adjective
1. niet gedwongen
voluntario
noun
voluntariedad
noun
In een vrille geraken
entrar en barrena
adjective
  1. cuerdo
  2. juicioso
  3. sensato
/ˈvrud.vrɑu/
noun
1. een vrouw die een bevalling begeleidt
  1. partera
  2. comadrona
  3. matrona
adjective
2. eerder dan verwacht
temprano
/ˈvruxər/, /ˈvruɣər/
adjective
  1. anterior
  2. pasado
  3. previo
/ˈvruxər/, /ˈvruɣər/
adverb
1. (zoals) in het verleden
  1. antaño
  2. antes
  3. anteriormente
verb
1. de eerste maaltijd van de dag nuttigen
desayunar
verb
1. de eerste maaltijd van de dag nuttigen
desayunar
verb
1. de eerste maaltijd van de dag nuttigen
desayunar
verb
1. de eerste maaltijd van de dag nuttigen
desayunar
verb
1. de eerste maaltijd van de dag nuttigen
desayunar
noun
1. begin van de morgen
madrugada
adverb
  1. tempranero
  2. temprano
adjective
1. in goede stemming
  1. alegre
  2. risueño
noun
  1. 2. de vrouwelijke partner in een huwelijk
    1. mujer
    2. esposa
  2. 1. een volwassen vrouwelijke mens
    1. mujer
    2. hembra
adjective
femenino
noun
ginecólogo
noun
ablación de clítoris
noun
preservativo femenino
noun
misógino
noun
2. grootste in Europa voorkomende orchideeënsoort, Cypripedium calceolus
zueco de dama
noun
voz de mujer
noun
1. een man die veel vrouwen verleidt
mujeriego
noun
mujer
noun
1. volgroeid vruchtbeginsel
  1. fruto
  2. fruta
/'vrɵɣbar/
adjective
  1. 1. in staat vrucht af te werpen
  2. 2. tot resultaat leidend
  1. fecundo
  2. fértil
/'vrʏxt.bar.ɦɛɪ̯t/, /'vrʏxt.bar.ɦɛːt/, /'vrʏɣ.ba.rɛɪ̯d/
noun
1. het vermogen vrucht te dragen
  1. fertilidad
  2. fecundidad
noun
ovario
noun
1. boom die eetbare vruchten voortbrengt
  1. frutal
  2. árbol frutal
noun
puré de frutas
noun
  1. ensalada de fruta
  2. macedonia de frutas
/ˈvrʏxtə(n)ˌsɑp/, /ˈvrʏχtə(n)ˌsɑp/
noun
1. sap gewonnen uit fruit
  1. jugo de fruta
  2. zumo de fruta
  3. zumo de frutas
  4. jugo de frutas
noun
1. wijn van vergist sap van andere vruchten dan druiven
vino de fruta
noun
yogur de frutas
noun
  1. líquido amniótico
  2. fluido amniótico
noun
amniocentesis
adjective
  1. infame
  2. vil
/vœy̯l/
adjective
1. niet schoon
sucio
/vœy̯l/
noun
viezigheid, onreine materie
suciedad
/vœylbɑk/
noun
1. een bak waarin men huisvuil verzamelt
cubo de basura
verb
1. obsceniteiten zeggen
  1. decir groserías
  2. decir obscenidades
noun
  1. 3. een vuile, gemene uiting
    obscenidad
    1. 1. dat wat vuil is
    2. 2. poep
    suciedad
noun
1. materiaal dat weggeworpen wordt
  1. basura
  2. desechos
  3. desperdicios
  4. detrito
/'vœylnɪsbɑk/
noun
1. een bak waarin men huisvuil verzamelt
cubo de basura
noun
1.
cubo de basura
noun
1. een opstapeling van huisvuil
  1. basurero
  2. vertedero de basura
noun
1. iemand die voor de afvoer van afval zorgt
basurero
/ˈvœʏɫnɪsˌʋaxə(n)/, /ˈvœːɫnɪsˌβaɣə(n)/
noun
1. een auto van de vuilophaaldienst
camión de la basura
noun
1. grote plastic zak voor huisvuil
bolsa de basura
noun
  1. 2. zware hamer
    maceta
  2. 1. gebalde hand
    puño
/ˈvœʏ̯sbɛːɫ/, /ˈvœːstbɛːɫ/, /ˈvœːzbɛɪ̯l/
noun
1. een kerngereedschap uit het paleolithicum, het Acheuléen en het Moustérien
bifaz
noun
pugilato
pronoun
Vulgata
adjective
vulgar
verb
1. vulgair maken, platvloers maken, onder het volk brengen
vulgarizar
noun
volcán
noun
  1. teporingo
  2. zacatuche
noun
vulcanización
verb
vulcanizar
noun
1. natuurlijke processen
vulcanismo
verb
1. vol maken
  1. llenar
  2. atestar
noun
het materiaal waarmee iets opgevuld is
  1. relleno
  2. farsa
/ˈvʏl.pɛn/, /ˈvʏɫ.pɛn/
noun
1. een schrijfpen met holle houder waarin zich een inktreservoir bevindt
  1. pluma estilográfica
  2. estilógrafo
noun
1. de schaamspleet, de ingang tot de vagina
vulva
/vy.rə(n)/
verb
1. schoten lossen
  1. disparar
  2. tirar
adjective
  1. ardiente
  2. ferviente
  3. fervoroso
  4. impetuoso
  5. ígneo
/vyːr/
noun
1. lichtverschijnsel bij brand
  1. fuego
  2. incendio
noun
bola de fuego
noun
1. het eerste gevecht van een soldaat
bautismo de fuego
noun
1.een strijd waarbij partijen elkaar beschieten met vuurwapens
tiroteo
pronoun
1. een archipel aan de zuidpunt van Zuid-Amerika
Tierra del Fuego
noun
1. soort godsoordeel
prueba de fuego
adjective
rojo vivo
verb
tragafuegos
noun
1.
  1. sílex
  2. pedernal
noun
tormenta de fuego
noun
1. een hoog lichtbaken aan de kust
faro
noun
1. iemand die ter vermaak van een publiek vlammen dooft met zijn mond
tragafuegos
noun
1. een wapen dat een kogel schiet met behulp van een chemische ontploffing
arma de fuego
noun
1. voorwerpen die gevuld zijn met ontploffende, brandbare en lichtgevende stofmengsels
  1. fuegos artificiales
  2. fuego artificial
noun
1. benaming voor vogels uit de onderorde Charadrii
ave zancuda
/ʋaːx/
noun
balanza
noun
1. iemand die veel durft
  1. temerario
  2. atrevido
noun
1. roekeloosheid
temeridad
/'ʋajə(n)/
verb
1. plaatsvinden van een sterke luchtstroming
soplar
noun
1. scherm in halve schijfvorm
  1. abanico
  2. abano
verb
  1. 1. een waaier gebruiken
    1. abanar
    2. abanicar
    3. abaniquear
  2. 2. zich koelte toewuiven
    abanicarse
/ˈʋakɦɔnt/
noun
1. een hond die het huis of een erf bewaakt
perro guardián
noun
1. een klein vlammetje dat continu brandt in een geiser, gaskachel, gasfornuis of cv-ketel, dat ervoor zorgt dat het gas vrijwel direct ontbrandt wanneer de gaskraan van een brander wordt geopend
llama piloto
adverb
1. oplettend
alerta
noun
1. oplettendheid
vigilancia
/wal/
noun
(demoniem) 1. bewoner of iemand die afkomstig is uit Wallonië
Valón
/wal/
pronoun
(eigennaam) 1. brede zijrivier van de Rijn in Nederland
Waal
pronoun
1. een taal die verwant is aan het Frans en die in Wallonië gesproken wordt
valón
noun
trastorno delirante
noun
1. het lijden aan een geestesstoornis
  1. locura
  2. enajenación
  3. frenesí
adjective
  1. loco
  2. alienado
  3. frenético
adjective
  1. alienada
  2. alienadas
  3. alienado
  4. alienados
  5. frenética
  6. frenéticas
/ʋar/
adjective
1. correct
  1. verdadero
  2. cierto
/ʋar/
adverb
1. op welke plaats
dónde
/ʋar/
noun
1. koopwaar, te verhandelen goederen
  1. mercancía
  2. mercadería
adjective
verdadero
adverb
  1. de veras
  2. en efecto
  3. verdaderamente
noun
1. een geldbedrag of iets anders dat tijdelijk gegeven wordt als onderpand voor het geval men een verplichting niet na kan komen
  1. garantía
  2. aval
  3. fianza
  4. prenda
verb
  1. garantizar
  2. afianzar
/ʋaːrt/
adjective
3. geacht, beste
  1. caro
  2. querido
/ʋaːrt/
noun
A 1. baas van een herberg, taveerne of café
mesonero
noun
  1. valor
  2. valía
/ˈʋardəˌlos/
adjective
2. bijzonder slecht
malísimo
noun
1. document met geldswaarde
título valor
verb
  1. 2. op prijs stellen
    1. apreciar
    2. valuar
  2. 1. op waarde schatten
    1. estimar
    2. valorar
    3. evaluar
    4. tasar
    5. valuar
noun
1. het hechten van een waarde aan iets of het tonen daarvan
  1. estimación
  2. aprecio
  3. estima
/'ʋardəˌvɔl/
adjective
1. een grote waarde hebbend
valioso
/'ʋar.dəx/
adjective
1. op een wijze die in overeenstemming met het eergevoel is
digno
noun
  1. dignidad
  2. 3. valentie
    valencia
adverbialPronoun
adonde
noun
1. dat wat waar is
verdad
noun
tabla de valores de verdad
noun
valor de verdad
adverb
1. echt, volgens de waarheid
  1. verdaderamente
  2. de veras
  3. en efecto
  4. en verdad
  5. realmente
adjective
  1. discernible
  2. observable
  3. patente
  4. perceptible
noun
perceptibilidad
verb
1. iets via de zintuigen in zich opnemen
  1. percibir
  2. advertir
noun
  1. 1. iemand die iets waarneemt
  2. 3. een persoon die aanwezig is bij een gebeurtenis om de gang van zake in de gaten te houden
observador
noun
1. iets via de zintuigen registreren
  1. observación
  2. percepción
/ʋarˈɔm/
noun
1. door welke oorzaak?
por qué
adjective
1. aannemelijk, iets dat vermoedelijk zo is
probable
adverb
1. aannemelijk, iets dat vermoedelijk zo is
probablemente
noun
  1. probabilidad
  2. verosimilitud
/ˈʋaːrsxyu̯ə(n)/
verb
1. iemand verwittigen dat er mogelijke gevaren, problemen of gevolgen zijn
  1. advertir
  2. avisar
  3. amonestar
  4. prevenir
/'ʋaːr.sχy.ʋɪŋ/
noun
1. een mededeling dat er onaangename gevolgen op til zijn
  1. advertencia
  2. aviso
verb
  1. adivinar
  2. predecir
  3. profetizar
noun
1. het voorspellen van de toekomst langs magische weg
  1. adivinación
  2. videncia
noun
2. mat, witachtig laagje op sommige fruitsoorten
pruina
/ˈʋɑx.tə(n)/, /ˈβɑx.tə(n)/
verb
1. op dezelfde plaats of in dezelfde situatie blijven tot iemand komt of iets gebeurt
  1. esperar
  2. aguardar
noun
  1. guarda
  2. guardián
noun
1. ruimte of vertrek voor wachtenden, bijvoorbeeld bij een arts of op een station
sala de espera
/ˈʋɑxtlɛɪst/
noun
1. een lijst met wachtenden
lista de espera
noun
1. een aantal elementen die in een bepaalde volgorde op een gebeurtenis wachten
cola
noun
tiempo de espera
noun
1. een geheim woord dat men moet produceren om ergens toegelaten te worden
  1. contraseña
  2. clave
noun
1. een bij eb droogvallend buitendijks gebied
llanura de marea
pronoun
1. een binnenzee die aan de ene kant grenst aan de Waddeneilanden en de Noordzee en aan de andere kant begrensd wordt door het vasteland van Nederland, Duitsland en Denemarken
Mar de Frisia
verb
1. door ondiep water lopen
vadear
interjection
1. krachtig geluid met korte tussenpozen, zoals een hond dat kan uitstoten
guau
noun
1. plat gebak dat vervaardigd wordt in een wafelijzer
  1. gofre
  2. barquillo
noun
1. een toestel waarin wafels gebakken worden
  1. gofrera
  2. waflera
/ˈʋaːɣə(n)/, /ˈʋaːχə(n)/
noun
2. een auto
  1. coche
  2. carro
/ˈʋaːɣə(n)/, /ˈʋaːχə(n)/
verb
1. een poging ondernemen
  1. atreverse
  2. arriesgar
  3. arriscar
  4. aventurar
noun
1. reisziekte
cinetosis
/ʋa'ɣɔn/
noun
1. een voertuig dat deel uitmaakt van een trein
vagón
noun
wagyu
noun
wahhabismo
/ˈwa.kə/, /ˈʋa.kə/, /ˈβ̞a.kə/
noun
vigilia
verb
tablaestela
/ˈwa.kə(n)/, /ˈʋa.kə(n)/, /ˈβ̞a.kə(n)/
verb
velar
noun
vigilante
adjective
1. niet in slaap
despierto
noun
movimiento valdense
noun
ensalada Waldorf
pronoun
1. een van de delen van het Verenigd Koninkrijk, gelegen op een groot eiland in het noordwesten van Europa.
  1. Gales
  2. País de Gales
verb
1. hevige afkeer voelen voor iets
asquear
noun
1. een sterke weerzin die fysiek gevoeld wordt
náuseas
pronoun
1. Germaanse strijdgodin
Valquiria
noun
ualabi
noun
línea de Wallace
pronoun
  1. Wallis y Futuna
  2. islas Wallis y Futuna
/ʋɑˈlonɪə/
pronoun
Valonia
noun
aceite de nuez
/wɑlrʌs/
noun
1. bepaald soort zoogdier, Odobenus rosmarus
morsa
noun
4. dans
vals
noun
1. benaming voor eenjarige of overblijvende kruidachtige planten uit het geslacht Galium
  1. agana
  2. cuajaleche
  3. galio
  4. hierba sanjuanera
  5. sanhuanera
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de onderorde Cetacea
ballena
noun
2. infraorde van grote, in het water levende zoogdieren, Cetacea
cetáceos
pronoun
1. zeehaven in Namibië
Walvis Bay
noun
1.
  1. ballenero
  2. barco ballenero
noun
  1. camiseta
  2. camisón
  3. gambesón
noun
mala suerte
/ʋɑnt/
noun
  1. pared
  2. tabique
noun
1. een misdaad, een slechte of gruwelijke handeling
  1. atrocidad
  2. fechoría
  3. barbaridad
  4. exceso
noun
1. een van de beenderen van de schedel
  1. hueso parietal
  2. hjässben
noun
enchufe
noun
  1. conducta
  2. comportamiento
/ˈʋɑn.də.lə(n)/, /ˈβ̞ɑn.də.lə(n)/
verb
1. een wandeling maken
  1. pasear
  2. caminar
noun
deambulatorio
/ˈʋɑn.də.lɪŋ/
noun
1. het lopend afleggen van een bepaalde afstand
paseo
noun
  1. avenida
  2. paseo
/ˈʋɑn.dəɫ.ˌsχun/, /ˈβ̞ɑn.dəɫ.ˌsxun/
noun
1. een schoeisel dat speciaal geschikt is om grote wandelingen mee te maken
bota de montaña
/ˈʋɑn.dəɫ.ˌspɔrt/, /ˈβ̞ɑn.dəɫ.ˌspɔrt/
noun
1. het wandelen als sport
senderismo
/ˈʋɑn.dəɫ.ˌstɔk/, /ˈβ̞ɑn.dəɫ.ˌstɔk/
noun
1. stok die dient als steun bij het wandelen en beschermt tegen vallen
bastón para caminar
/ˈʋɑn.dəɫ.ˌʋa.χə(n)/, /ˈβ̞ɑn.dəɫ.β̞a.ɣə(n)/
noun
1. een wagen waarin jonge kinderen rondgereden kunnen worden
  1. carriola
  2. cochecito
noun
  1. avenida
  2. paseo
noun
1. zijkant van het gezicht onder het oog
  1. mejilla
  2. carrillo
/'ʋɑn.χə.drɑx/
noun
1. gedrag dat tegen de regels van het fatsoen ingaat
mala conducta
adjective
1. iemand niet gunnen dat die iets heeft dat men zelf wil hebben
envidioso
/ˈʋɑnɦop/
noun
1. een ellendige toestand waarin men geen uitkomst meer ziet
desesperación
verb
  1. desesperanzarse
  2. desesperar
/ˈʋɑŋkəɫˌmotɔr/
noun
1. een verbrandingsmotor die niet met heen en weer gaande zuigers werkt, maar met een roterende zuiger.
motor Wankel
/ʋɑnklɑŋk/
noun
tono disonante
/ʋɑ.ˈneːr/
adverb
1. op welke tijd
  1. cuándo
  2. cuando
/ʋɑ.ˈneːr/
conjunction
1. op het moment dat
cuando
verb
1. graan zuiveren van kaf door het in de wind op te werpen of te laten vallen
  1. aventar
  2. apalear
noun
1. een ongeregelde toestand met gebrek aan orde
  1. desorden
  2. relajo
noun
1. het niet nakomen van een overeenkomst
incumplimiento de contrato
/ʋɑnt/
conjunction
1. geeft nevenschikkend een reden aan
  1. porque
  2. pues
/ʋɑnt/
noun
  1. 1. handschoen
    manopla
  2. 2. scheepvaart
    1. obenque
    2. jarcia
/ˈwɑn.tu.stɑnd/, /ˈʋɑn.tu.stɑnt/, /ˈβ̞ɑn.tu.stɑnt/
noun
1. een onacceptabel slechte situatie
  1. abuso
  2. exceso
noun
  1. desconfianza
  2. escama
  3. recelo
  4. sospecha
  5. suspicacia
verb
1. niet vertrouwen
  1. desconfiar
  2. recelar
  3. sospechar
adjective
  1. receloso
  2. suspicaz
noun
chinche
noun
olor de chinches
/ˈʋaːpən/
noun
  1. 1. een werktuig van geweld
    1. arma
    2. escudo
  2. 2. een wapenschild
    1. escudo
    2. blasón
noun
1. een internationale sanctie waarbij een partij geen wapens kan aankopen
embargo de armas
verb
1. voor de strijd uitrusten
  1. armar
  2. armarse
noun
exportador de armas
noun
comercio de armas
noun
traficante de armas
noun
maestro de armas
noun
  1. blasón
  2. escudo
noun
1. een korte tekst die de bedoeling van iets weergeeft
  1. divisa
  2. lema
noun
1. een overeenkomst met de vijand om de vijandelijkheden op te schorten
  1. tregua
  2. armisticio
noun
  1. carrera armamentista
  2. carrera de armamentos
noun
uapití
noun
1. een grote winkel die een uitgebreid assortiment aan goederen verkoopt
almacén
noun
1. een antistollingsmiddel
warfarina
/ʋɑrṃ/
adjective
Na te kijken en uit te splitsen vertalingen
  1. caliente
  2. cálido
  3. caluroso
/ʋɑrmˈbludəx/
adjective
3. temperamentvol
apasionado
verb
calentar
noun
calentador
noun
1. bladgewas Beta vulgaris
acelga
noun
  1. 1. de mate waarin het weer warm is.
  2. 2. de hoeveelheid thermische energie.
calor
adjective
aislante
noun
1. een thermische centrale waarbij de restwarmte ook wordt gebruikt.
central de cogeneración
noun
calefacción urbana
noun
  1. conducción de calor
  2. conductividad térmica
noun
transmisión de calor
noun
1. een verwarmingsinstallatie die via mechanische arbeid warmte onttrekt aan een koude omgeving en deze toevoert aan een warmere omgeving
bomba de calor
noun
intercambiador de calor
pronoun
1. hoofdstad van Polen
Varsovia
pronoun
Pacto de Varsovia
/ʋɑs/
noun
1. weke laagsmeltende en waterafstotende stof
cera
/ˈʋɑsbɑk/
noun
1. een bassin waarin gewassen kan worden
lavabo
noun
1. klein Noord-Amerikaans zoogdier, Procyon lotor
  1. mapache
  2. oso lavador
noun
1. Nyctereutes procyonoides, een zoogdier en roofdier uit de familie Canidae
tanuki
noun
geribbeld bord waarop men de was kan doen
tabla de lavar
noun
1. een toestel om de kleding die uit de wasmachine komt te drogen
  1. secadora
  2. secarropas
noun
  1. vaho
  2. vapor
noun
campana
/ˈwɑs.knɛɪ̯.pər/, /ˈʋɑs.knɛɪ̯.pər/, /ˈβ̞ɑs.knɛː.pər/
noun
1. een knijper die gemaakt is van hout of plastic om nat wasgoed aan een waslijn te klemmen
pinza
noun
1. een apparaat dat op automatische wijze wasgoed reinigt
  1. lavadora
  2. lavarropa
noun
1. zeep in een vorm om kleding en ander textiel in water te reinigen
detergente
noun
2. locatie waar kleding en ander textiel met water wordt gereinigd
  1. lavadero
  2. lavandería
/'ʋɑsə(n)/
verb
  1. 3. groeien
    crescer
    1. 1. iets schoonmaken
    2. 2. zichzelf schoonmaken
    lavar
noun
museo de cera
noun
1.
luna creciente
noun
lavandero
noun
1. een plaats waar men kleding en textiel kan (laten) wassen (zonder personeel)
lavandería
noun
ablución
noun
1. een bak waarin men zich of iets wast
  1. lavabo
  2. lavamanos
  3. lavatorio
phraseologicalUnit
1.
  1. ¿Como te llamas?
  2. ¿Cómo se llama Usted?
noun
1. een constructie om water naar een bepaalde plek te geleiden
desagüe
noun
  1. pomarrosa
  2. jambo amarillo
  3. manzana de rosa
  4. manzana rosa
  5. pomarosa
noun
1. de balans tussen de opname en afgifte van water
equilibrio hídrico
noun
1. het in of op het water uitgevoerd ballet
ballet acuático
noun
1. een bed waarvan het matras gevuld is met water
cama de agua
noun
1. met water gevuld bekken
  1. estanque
  2. depósito de agua
adjective
azul agua
noun
1. ontwerp, bouw en onderhoud van waterstaatkundige bouwwerken
ingeniería hidráulica
noun
1. wetenschap die zich richt op ontwerp en beheer van waterbouwkundige werken
  1. ingeniería hidráulica
  2. hidráulica
noun
1. Bubalus bubalis, een tot de runderen behorend trekdier...
  1. búfalo de agua
  2. búfalo asiático
noun
1. kasteel op een eiland of tussen grachten
castillo de foso
noun
1. een toiletpot met waterspoeling
  1. baño
  2. lavabo
  3. servicio
noun
  1. vapor de agua
  2. vapor acuoso
adjective
1. ondoordringbaar voor water
  1. estanco
  2. impermeable
noun
  1. estanquidad
  2. impermeabilidad
noun
  1. presión de agua
  2. presión del agua
noun
1. druppel water, een kleine hoeveelheid water die bolvormig is wanneer hij ergens ligt / vrij valt en die bolvormig met een staart is (druppelvormig) op het moment van loslaten
gota de agua
/ˈʋatərˌdrʏpəɫ/
noun
1. kleine hoeveelheid water die bolvormig is wanneer hij ergens ligt / vrij valt en die...
gota de agua
adverb
resistente al agua
/ˈʋaːtərən/
verb
1. urine uitscheiden
orinar
noun
1. een vaartuig met een aandrijving zoals op fietsen waarmee men zich over het water kan voortbewegen door middel van het trappen op pedalen
  1. bicicleta acuática
  2. pédalo
noun
filtro de agua
noun
gas de agua
/ˈwatərˌɣlɑtɦɛɪ̯t/, /ˈʋatərˌχlɑtɦɛɪ̯t/, /ˈβ̞atərˌɣlɑtɦɛːt/
noun
1. verschijnsel waarbij een dunne waterfilm ontstaat.
  1. acuaplaneo
  2. aquaplaning
noun
1. een drinkglas voor water
vaso de agua
noun
2. een haargolving die kunstmatig is aangebracht
marcado
noun
eupatoria
noun
  1. 1.1 bepaald soort watervogel, Gallinula chloropus
    gallina de agua
  2. 1. benaming voor watervogels uit het geslacht Gallinula
    polla de agua
noun
1. ijs gemaakt op basis van water / vruchtensap / stroop
sorbete
noun
1. een dier dat behoort tot een van honderden soorten van de Coenagrionidae
  1. libélula
  2. caballito del diablo
noun
1. apparaat dat een zeer sterke straal water kan produceren
  1. cañón de agua
  2. carro lanza agua
noun
1. daar waar land ophoudt en een water, zoals beek, rivier, meer of kanaal begint
  1. orilla
  2. ribera
noun
1. benaming voor planten uit het geslacht Rorippa
berro
noun
  1. enfriamiento por agua
  2. refrigeración por agua
noun
columna de agua
noun
grifo
noun
  1. energía hidráulica
  2. energía hídrica
noun
central hidroeléctrica
noun
  1. ciclo hidrológico
  2. ciclo de agua
noun
1. een kruik om water in te bewaren
cántaro
noun
senecio acuático
noun
1. een leidingnetwerk om drinkwater vanuit een waterreservoir naar de verbruiker te vervoeren
conducto de agua
/ˈwatərˌlɛin/
noun
  1. 1. de grens tot waar het water komt
    línea de agua
  2. 2. de grens tussen onderwaterschip en bovenwaterschip
    línea de flotación
noun
matacaballos de agua
noun
1. dunne, snelgroeiende loot aan een oude tak of aan de stam van een boom
chupón
pronoun
2. teken van de dierenriem van 20 januari tot 19 februari
Acuario
/ˈʋaːtərməˌlun/
noun
1. Citrullus vulgaris, een grote vrucht met vochtig en rood vruchtvlees
  1. sandía
  2. patilla
  3. melón de agua
noun
  1. filigrana
  2. marca de agua
noun
  1. medidor de agua
  2. contador de agua
noun
2. een molen die door stromend water aangedreven wordt
  1. aceña
  2. molino de agua
noun
bepaald soort eenjarige waterplant met eetbare knollen, Trapa natans
  1. castaña de agua
  2. abrojo acuático
  3. abrojo de agua
noun
  1. ablandador de agua
  2. suavizador de agua
  3. suavizante de agua
noun
superficie del agua
noun
1. een werktuig dat gebruikt wordt om zeker te stellen dat iets loodrecht op de richting van de zwaartekracht komt te staan
nivel
noun
  1. equialtímetro
  2. nivel topográfico
  3. nivel óptico
noun
nivel del agua
noun
  1. chilillo
  2. persicaria picante
  3. pimienta acuática
  4. pimienta de agua
noun
  1. narguile
  2. pipa de agua
noun
1. een stoomketel waarbij de hete rookgassen over met water gevulde pijpen geleid worden
caldera acuotubular
noun
1. pistool waaruit een straal water kan spuiten
pistola de agua
noun
1. plaats waar men kan urineren
urinario
noun
planta acuática
noun
2. goedaardige infectieziekte die gepaard gaat met het verschijnen van rode vlekjes op de huid die daarna overgaan in jeukende blaasjes
varicela
noun
1. een balsport waarbij twee ploegen van zeven spelers elkaar in het water bestrijden
  1. waterpolo
  2. polo acuático
noun
1. werktuig om water te verplaatsen
bomba de agua
noun
1. platte grijptang met verstelbaar scharnier
  1. pico de loro
  2. picoloro
noun
1. put waaruit men water haalt
pozo de agua
noun
1. een schoepenrad dat draait door de stroming van het water
rueda hidráulica
noun
1. bepaald soort watervogel, Rallus aquaticus
rascón europeo
noun
ranúnculo acuático
noun
1. grote halfaquatische woelmuis
  1. rata de agua
  2. rata topera
noun
carricerín cejudo
noun
  1. cicuta acuática
  2. cicuta de agua
  3. cicuta menor
  4. cowbane
noun
1. grenslijn tussen twee stroomgebieden
  1. divisoria
  2. divisoria de drenaje
  3. línea divisoria de las aguas
noun
1. ski voor het waterskiën
  1. esquí acuático
  2. esquí náutico
verb
1. zich op waterski's achter een snelle boot laten voorttrekken
practicar el esqui acuátion
noun
  1. 1. sterrenbeeld
    Hidra
  2. 2. dier
    1. culebra de agua
    2. serpiente de agua
  3. 3.gereedschap
    1. manga
    2. manguera
noun
  1. agachadiza
  2. becacina
noun
1. wateroppervlak, bovenste grensvlak van het water
superficie del agua
noun
1. Argyroneta aquatica, middelgrote spin die in stilstaande wateren leeft
  1. araña de agua
  2. alguacil de moscas
  3. araña acuática
  4. argironeta
noun
1. sport die in of op het water uitgeoefend wordt
deporte náutico
noun
1. bepaald soort bruine, bolle vogel met witte borst, Cinclus cinclus
mirlo de agua
noun
gárgola
noun
1. hoogte van het water in een rivier, zee of ander water
nivel del agua
/ˈʋatərˌstɔf/
noun
1. een chemisch element en een kleurloos niet-metaal
hidrógeno
noun
ácido azothídrico
noun
  1. enlace de hidrógeno
  2. enlace por puente de hidrógeno
  3. puente de hidrógeno
noun
1. een molecule met de formule HCN en het giftige gas dat uit deze deeltjes bestaat
  1. cianuro de hidrógeno
  2. ácido cianhídrico
noun
economía de hidrógeno
noun
1. scheikundige term voor verbinding van waterstof en fluor (HF)
ácido fluorhídrico
noun
dihidrógeno
noun
ácido nitroso
noun
almacenamiento de hidrógeno
noun
1. middel dat gebruikt kan worden om te bleken, als desinfectiemiddel of als verbrandingshulp (in raketten)
peróxido de hidrógeno
noun
producción de hidrógeno
noun
1. verbinding van twee waterstofatomen en één zwavel atoom, de formeel juiste benaming is diwaterstofsulfide
sulfuro de hidrógeno
noun
tecnología del hidrógeno
noun
chorro de agua
noun
1. een toren die zorgt voor een gelijkmatige waterdruk in het waterleidingnet
  1. torre de agua
  2. alcubilla
  3. arca de agua
noun
  1. felandrio acuático
  2. hinojo de agua
noun
  1. clepsidra
  2. reloj de agua
noun
1. plaats waar stromend water bij een hoogteverschil zijn weg al vallend voortzet
  1. cascada
  2. catarata
  3. caída de agua
  4. salto de agua
noun
  1. consumo de agua
  2. uso de agua
noun
1.
  1. acuarela
  2. aguada
noun
acuarela
noun
  1. contaminación de aguas
  2. contaminación del agua
  3. contaminación hídrica
  4. polución del agua
noun
  1. contaminación del agua
  2. contaminación hídrica
  3. contaminación de aguas
  4. polución del agua
noun
violeta de agua
noun
1. wateroppervlak, bovenste grensvlak van het water
superficie del agua
noun
1. een vliegtuig dat kan opstijgen en landen op het water
  1. hidroavión
  2. hidroplano
noun
  1. pulga de agua
  2. pulga acuática
noun
ave acuática
noun
  1. provisión de agua
  2. suministro de agua
noun
  1. hidrofobia
  2. acuafobia
adjective
anhidro
noun
  1. alisma
  2. llantén de agua
noun
  1. vía fluvial
  2. vía navegable
noun
1. apparaat dat een zeer sterke straal water kan produceren
  1. cañón de agua
  2. carro lanza agua
noun
caza acuática
noun
molusco contagioso
noun
1. (medisch) waterzucht
  1. edema
  2. hidropesía
noun
purificación del agua
noun
  1. lampazo acuático
  2. paniega
noun
1. een knaagdier
  1. capibara
  2. carpincho
  3. chigüire
  4. chigüiro
  5. ronsoco
  6. chiguiro
noun
1. ongesponnen katoen of een synthetische vervanging daarvan bedoeld voor het aanbrengen op wonden
algodón
noun
1. plukje watten bevestigd op een houten of plastic stokje, gebruikt voor bepaalde medische doeleinden...
  1. bastoncillo
  2. cotonete
  3. hisopo
verb
1. opvullen met watten
acolchar
adjective
borroso
/ʋese/
noun
1. toilet
  1. inodoro
  2. váter
noun
papel higiénico
noun
1. spinnenweb
telaraña
noun
1. een digitale videocamera die via het internet beelden en geluid verstuurt
cámara web
noun
directorio web
noun
blog
noun
1. iemand die een website ontwerpt en/of beheert
webmaster
noun
radio por Internet
noun
1. plaats waar zich informatie bevindt op het internet, aangeduid met een URL
sitio web
noun
tienda en línea
/ʋɛt/
noun
vado
/ˈʋɛdə/
noun
salario
verb
1. geld wagen op een toekomstige gebeurtenis
apostar
noun
1. bepaald soort kruisbloemige plant met langwerpige bladeren en kleine gele trosbloemen, Isatis tinctoria
  1. glasto
  2. hierba de San Felipe
  3. hierba pastel
noun
1.
renacimiento
noun
1.1 bepaald soort sleutelbloemige plant met ovale bladen met zwarte punten en gele,...
  1. lisimachia
  2. lisimaquia
  3. lisimaquia amarilla
  4. lisimaquia vulgar
noun
pronombre reflexivo
noun
1. een werkwoord waarbij de handelende persoon tevens het voorwerp van de handeling is
  1. verbo reflexivo
  2. verbo pronominal
adjective
  1. recíproco
  2. mutuo
verb
  1. regresar
  2. volver
/ˈwedərˈvɛrkop/
noun
1. de inkoop van waren in 't groot en de verkoop van deze waren in 't klein
reventa
noun
  1. contestación
  2. respuesta
/wedərˈzɛits/
adjective
  1. mutuo
  2. recíproco
verb
  1. competir
  2. rivalizar
  3. contender
  4. echar
  5. echarse
noun
1. wedstrijd waarbij het erom gaat een bepaald traject of parcours zo snel mogelijk af te leggen
carrera
noun
1. een strijd van twee of meer personen om uit te maken wie op een bepaald gebied de beste is
  1. competición
  2. concurso
  3. carrera
  4. partido
/ˈʋeːdyʋə/
noun
vrouw
viuda
noun
sati
/'ʋedyʋnar/
noun
man
viudo
noun
viudez
/ʋeː/
noun
1. pijnlijke samentrekking die het barensproces inleidt
  1. dolores
  2. dolores de parto
/ˈʋeːf.xəˌtɑu̯/
noun
1. toestel waarmee garen tot weefsel gevlochten wordt
telar
noun
  1. 2. een groep van gelijkaardige lichaamscellen die dezelfde functie in een levend organisme vervullen
  2. 1. een dunne geweven stof of textiel
tejido
noun
llantén
noun
raíz de bicho
pronoun
teken van de dierenriem van 23 september to 23 oktober
Libra
noun
1. een meetinstrument waarmee het gewicht kan worden bepaald
  1. balanza
  2. báscula
/wek/, /ʋek/, /β̞ek/
adjective
1. slap
  1. blando
  2. flojo
  3. tierno
  4. débil
/wek/, /ʋek/, /β̞ek/
noun
1. tijdseenheid van 7 dagen
semana
/'ʋekblɑt/
noun
1. een publicatie die wekelijks verschijnt
  1. semanario
  2. hebdomadario
noun
molusco
noun
Moluscos
noun
1. periode van vrijdagavond tot en met zondagnacht
fin de semana
/ˈʋikɛnt/
noun
1. periode van vrijdagavond tot en met zondagnacht
fin de semana
noun
  1. ternura
  2. blandura
noun
  1. plastificador
  2. plastificante
/'ʋeldə/
noun
1. omstandigheden van overvloed waar men in leeft
  1. riqueza
  2. abundancia
  3. opulencia
adjective
  1. abundante
  2. exuberante
  3. opulento
  4. suntuoso
noun
1. gevoel van treurnis, verdriet, nostalgie
melancolía
adjective
1. lichtdroevig gestemd
melancólico
/weːr/, /ʋɪːr/, /β̞eːr/
adverb
1. nog een keer
  1. de nuevo
  2. nuevamente
/weːr/, /ʋɪːr/, /β̞eːr/
noun
  1. 1. atmosferische gesteldheid
    1. tiempo
    2. clima
  2. 2. gecastreerde bok
    castrón
  3. 1. visweer
    corral de pesca
noun
1. bericht of mededeling over de toestand van het weer
  1. previsión del tiempo
  2. pronóstico del tiempo
  3. boletín meteorológico
  4. predicción del tiempo
  5. predicción meteorológica
  6. previsión meteorológica
noun
manipulación del clima
verb
  1. resonar
  2. retumbar
noun
wergeld
noun
reflejo
noun
lengüeta
/'ʋɪːrɦan/
noun
veleta
verb
1. beletten om iets te doen
  1. impedir
  2. abstener
noun
abrigo meteorológico
noun
1. kaart van een bepaald gebied waarop de weerssituatie is weergegeven
  1. mapa meteorológico
  2. carta del tiempo
  3. carta meteorológica
  4. mapa del tiempo
noun
  1. 2. datgene wat weerkaatst wordt (licht, beeld, warmte of geluid)
    1. reflejo
    2. resonancia
  2. 1. het weerkaatsen
    reverberación
verb
reflejado
noun
  1. 1. weerkaatst geluid
    1. eco
    2. resonancia
  2. 2. instemmende reactie
    resonancia
verb
  1. resonar
  2. retumbar
noun
meteorología
/ʋerˈkɵndəx/, /ʋerˈkʏndəç/
adjective
1. betrekking hebbend op de weerkunde
meteorológico
noun
1. iemand die beroepsmatig het weer bestudeert
meteorologista
verb
1. een eerdere bewering ontkrachten
  1. refutar
  2. rebatir
noun
1. een betoog waarmee men iets weerlegt
refutación
noun
relámpago
verb
relampaguear
adjective
indefenso
verb
  1. regresar
  2. volver
noun
1. kunstmaan die gelanceerd wordt om meteorologische gegevens te verkrijgen
satélite meteorológico
noun
tiempo
adjective
1. onwillig, recalcitrant, zich verzettend
recalcitrante
verb
1. stand houden, weerstand bieden aan
  1. resistir
  2. aguantar
noun
    1. 2. de tegenstand die een stroom in een geleider ondervindt
    2. 1. een reactie die poogt een bepaalde actie tegen te werken
    1. resistencia
    2. resistor
  1. 3. een elektronica-onderdeel
    1. resistor
    2. resistencia
noun
previsión del tiempo
noun
previsión del tiempo
noun
. een mythisch wezen dat bij volle maan van mens in wolf verandert
  1. hombre lobo
  2. licántropo
noun
  1. contestación
  2. respuesta
noun
1. sterke afkeer
  1. asco
  2. repugnancia
  3. repulsión
adjective
1. waar je een weerzin tegen hebt
repugnante
/ʋes/
noun
huérfano
noun
medicamento huérfano
/ˈʋeshœʏs/
noun
1. een opvanghuis voor wezen
  1. asilo de huérfanos
  2. orfanato
/ˈʋesjɔŋə(n)/
noun
1. een jongen van wie beide ouders overleden zijn
huérfano
/ˈwes.mɛɪ̯.ʃə/, /ˈʋes.mɛɪ̯.ʃə/, /ˈβ̞es.mɛː.ʃə/
noun
1. een meisje van wie beide ouders overleden zijn
huérfana
/ʋɛχ/, /β̞ɛx/
noun
1. smalle strook grond voor het verkeer
  1. carretera
  2. ruta
  3. camino
noun
  1. pavimento
  2. calzada
verb
  1. rechazar
  2. repeler
noun
1. bepaald soort loofboom, Rhamnus cathartica
  1. aladierna
  2. alaterna
  3. cambrón
  4. cervispina
  5. espina cervina
  6. espino cerval
/ˈʋeχə(n)/, /β̞eɣə(n)/
verb
  1. 1. het gewicht/de massa bepalen
  2. 2. een bepaald gewicht/massa als eigenschap hebben
pesar
noun
  1. mapa de carreteras
  2. mapa de rutas
/ˈwɛ.ɣaːn/, /ˈʋɛ.χan/
verb
  1. 3. uit een relatie stappen
    1. abandonar
    2. dejar
  2. 1. zich ergens vandaan begeven
    1. irse
    2. ausentarse
    3. abarse
    4. marcharse
verb
1. afstand nemen van iets door het aan iemand te geven
  1. regalar
  2. dar
verb
1. van zijn plaats halen
  1. quitar
  2. sacar
verb
  1. apartar
  2. contener
  3. detener
verb
  1. echar
  2. espantar
  3. remontar
verb
1. fysiek in steeds minder goede staat komen te verkeren
  1. atrofiar
  2. consumirse
  3. languidecer
verb
zampar
verb
  1. door slepen iets of iemand verwijderen
    arrastrar
  2. een voertuig, e.d. van de openbare weg, vaar- of vluchtroute verwijderen
    remolcar
verb
1.
tronchar
verb
2. door steken verwijderen
tallar
verb
  1. rechazar
  2. repeler
/'wɛxstyrə(n)/
verb
1. doen weggaan
despedir
verb
zarpar
verb
corroer
verb
lanzar
verb
terug van weggeweest
aligerarse
verb
bajar
verb
  1. despachar
  2. despedir
  3. echar
  4. enviar
  5. expedir
/ˈʋɛx.zɛ.tə(n)/
verb
  1. 1. ter zijde zetten
    apartar
  2. 2. bewaren
    reservar
/ʋɛɪ/
noun
  1. 1. een stuk grasland voor begrazing door vee
    1. prado
    2. pradera
    3. pasto
    4. dehesa
    5. pastizal
  2. 3. bloedplasma
    suero
  3. 2. een vloeistof die ontstaat als restproduct bij het kaasmaken
    1. suero
    2. suero lácteo
pronoun
1. de grootste rivier van Polen
Río Vístula
noun
  1. 2. bepaald soort kersenboom, Prunus mahaleb
    1. cerecino
    2. cerezo de Mahoma
    3. cerezo de Santa Lucía
    4. mahaleb
    5. árbol de Santa Lucía
  2. 1. smakelijke zure kers waarvan men jam maakt, vrucht van Prunus mahaleb
    1. cereza de Mahoma
    2. cereza de Santa Lucía
    3. mahaleb
noun
  1. prado
  2. pastizal
  3. pradera
  4. dehesa
  5. pasto
verb
1. vee op een stuk grond laten grazen
  1. apacentar
  2. pastar
  3. pastorear
  4. pacer
/'ʋɛɪfələ(n)/
verb
1. in besluiteloosheid niet tot handelen overgaan
vacilar
verb
1. niet voldoen aan een verzoek of opdracht
  1. rehusar
  2. denegar
  3. negar
  4. negarse
noun
1. het niet voldoen aan een verzoek of opdracht
  1. rechazo
  2. negación
/'ʋɛɪlɑnt/
noun
1. een stuk grasland in gebruik voor de begrazing door vee
  1. prado
  2. pastizal
  3. dehesa
  4. pradera
pronoun
República de Weimar
/ˈwɛɪ̯nɪx/, /ˈʋɛɪ̯nəχ/, /ˈβ̞ɛːnəx/
noun
  1. 1. in een kleine hoeveelheid, niet veel
  2. 2. in een klein aantal
  1. poco
  2. escaso
  3. limitado
/ˈwe.kə.lɪks/, /ˈʋe.kə.ləks/, /ˈβ̞e.kə.ləks/
adverb
  1. 1. elke week
    semanal
  2. semanalmente
/ˈwe.kə(n)/, /ˈʋe.kə(n)/, /ˈβ̞e.kə(n)/
verb
1. door langdurig in een vloeistof te leggen zacht, plooibaar of beter wasbaar maken
  1. remojar
  2. ablandar
verb
1. wakker maken
despertar
/ˈʋɛkər/
noun
1. een apparaat dat gebruikt wordt om de tijd bij te houden en een functie heeft die veel geluid produceert op een ingestelde tijd
  1. despertador
  2. reloj despertador
interjection
  1. bueno
  2. pues bien
noun
1. de kunst om iets goed te kunnen verwoorden
elocuencia
noun
1. een goede daad voor iemand doen
beneficio
noun
1. een daad die iemand iets goeds doet
beneficencia
verb
beneficiar
noun
  1. bienhechor
  2. benefactor
/ʋɛl'dra/
adverb
1. niet ver in de toekomst, spoedig
  1. en breve
  2. enseguida
adjective
1. financieel goed gesitueerd
acomodado
noun
1.
  1. agrado
  2. placer
/ʋɛlk/
relativePronoun
cuál
/ˈʋɛɫkɔm/
adjective
1. gewenst zijn te blijven
bienvenida
/ˈʋɛɫkɔm/
interjection
1. begroeting
  1. bienvenido
  2. bienvenida
noun
  1. bienvenida
  2. bienvenido
noun
1.
cortesía
/ʋɛˈlɪxt/
adverb
1. mogelijk, misschien
  1. quizá
  2. tal vez
adjective
  1. eufónico
  2. armonioso
  3. rotundo
  4. sonoro
noun
1.
  1. lujuria
  2. voluptuosidad
adjective
  1. lascivo
  2. lujurioso
  3. libidinoso
  4. sensual
  5. voluptuoso
noun
  1. concupiscencia
  2. sensualidad
/wɛlp/
noun
1. jong van hond, wolf, leeuw e.d.
cachorro
noun
  1. fuente
  2. manantial
pronoun
1. een Keltische taal die wordt gesproken in Wales
galés
noun
  1. elocuencia
  2. oratoria
noun
peso wélter
/ˈʋɛlvart/
noun
  1. prosperidad
  2. bienestar
verb
prosperar
verb
over ruime financiële middelen beschikkend
próspero
verb
3. zich welven
abombarse
noun
1. het welwillend zijn
benevolencia
/'wɛlzɛin/
noun
1. wanneer een individu of maatschappij zich in een goede toestand bevindt ...
bienestar
/ʋɛndɘ(n)/
verb
  1. 3. zich tot een instantie wenden
    1. acercarse
    2. dirigirse
  2. 2. andere koers gaan varen
    1. girar
    2. hacer girar
    3. virar
    4. voltear
noun
  1. giro
  2. rotación
  3. vuelta
verb
1. traanvocht uitscheiden door emotie
llorar
noun
  1. seña
  2. signo
noun
1. knokige rand boven het oog, meestal begroeid met haar
ceja
verb
  1. acostumbrarse
  2. acostumbrar
  3. habituar
  4. habituarse
/ʋεns/
noun
deseo
noun
1. een bron die een wens kan vervullen.
pozo de los deseos
/'ʋɛnsən/
verb
desear
/ˈwɛntələ(n)/
verb
  1. hacer dar vueltas
  2. hacer girar
  3. hacer rodar
  4. rular
  5. voltear
noun
escalera de caracol
/ˈweː.ʁəlt/, /ˈʋɪː.rɔɫt/, /ˈβ̞eː.rəɫt/
noun
1. de aarde
  1. mundo
  2. planeta
pronoun
Banco Mundial
noun
cosmovisión
noun
visión del mundo
noun
1. een kaart van het oppervlak van de aarde in de vorm van een bol
  1. globo
  2. globo terráqueo
/ˈweːrəlˌdeːl/, /ˈʋɪːrəɫˌdeːɫ/, /ˈβ̞eːrəlˌdel/
noun
1. een groot boven de zee uitstekend stuk droog land en de omringende eilanden die op hetzelfde continentale plat liggen
continente
noun
1. geheel van activiteiten die de mensheid onderneemt om schaarste op te heffen
economía mundial
/xxxx/
noun
1. uniek en als collectief bezit beschouwd cultureel of natuurlijk erfgoed
  1. patrimonio de la humanidad
  2. patrimonio mundial
pronoun
Organización Mundial de la Salud
pronoun
1. intergouvernementele organisatie die toeziet op de naleving van afspraken over de handel tussen landen
Organización Mundial del Comercio
noun
1. persoon die of team dat tijdens een toernooi of competitie om de wereldtitel in een bepaalde tak van sport winnaar is
campeón mundial
/ˈweː.rəld.ˌkam.pi.ˌjun.sxɑp/, /ˈʋɪː.rəɫt.ˌkɑm.pi.ˌjun.sχɑp/, /ˈβ̞eː.rəlt.ˌkɑm.pi.ˌjun.sxɑp/
noun
1. een kampioenschap waarin de besten van de wereld het tegen elkaar opnemen
campeonato mundial
adjective
1. betrekking hebbend op deze wereld, in tegenstelling tot met name het hiernamaals of de kerk
  1. secular
  2. profano
noun
  1. música global
  2. música universal
  3. músicas del mundo
pronoun
Fondo Mundial para la Naturaleza
noun
1. een gewapende strijd tussen een zeer groot aantal landen, met name gebruikt voor de Eerste en de Tweede Wereldoorlog.
guerra mundial
adjective
1. niet op het geestelijke, maar op de wereld gericht
mundanal
pronoun
1. vierjaarlijks internationaal sportevenement voor sporten en sportonderdelen die niet binnen de Olympische Spelen vallen
  1. Juegos Mundiales
  2. World Games
noun
1. groot evenement met sporttoernooien voor deelnemers uit meerdere continenten die hun land vertegenwoordigen
juegos mundiales
noun
1. een tentoonstelling waaraan landen uit de wereld aan kunnen deelnemen
exposición universal
adjective
global
/wɛr(ə)f/
noun
1. een scheepswerf
astillero
noun
exclusión
/ʋɛrk/
noun
  1. 4. dat wat gemaakt is, kunstwerk
    obra
    1. 1. dat wat gedaan moet worden
    2. 2. beroep
    3. 3. de plek waar men werkt, werkplek
    trabajo
  2. hede, afval van vlas of hennep
    estopa
noun
1. werkbank
  1. banco de taller
  2. banco de trabajo
noun
libro de trabajo
noun
1 een dag waarop gewerkt wordt
  1. día laboral
  2. día de trabajo
/'ʋɛrkələkɦɛɪt/
noun
1. de omstandigheden zoals deze daadwerkelijk bestaan
realidad
/ʋɛrkən/
verb
  1. 2. functioneren, draaien
    1. funcionar
    2. actuar
  2. 1. arbeid verrichten, lichte vorm van zwoegen
    1. trabajar
    2. obrar
/ʋɛrkənt/
verb
trabajando
/ʋɛrkɘr/
noun
  1. obrero
  2. trabajador
noun
1. persoon die of bedrijf dat werk verschaft aan anderen
  1. empleador
  2. patrono
noun
patronal
noun
1. groep mensen die gezamenlijk een bepaald probleem aanpakt
grupo de trabajo
noun
1. de manier waarop iets werkt
funcionamiento
noun
campo de trabajo
/ˈʋɛrkrɑxt/
noun
  1. 2. het vermogen om te werken
    capacidad de trabajo
  2. 1. een persoon die gewoonlijk tegen betaling werk verricht
    1. mano de obra
    2. obrera
    3. obrero
    4. trabajador
    5. trabajadora
adjective
  1. desempleado
  2. desocupado
/wɛrkˈloshɛit/
noun
  1. 1. het werkloos zijn
  2. 2. het aandeel van de beroepsbevolking zonder betaalde baan
  1. desempleo
  2. paro
noun
1. uitkering voor iemand die buiten zijn of haar schuld om werkloos is
asignación por desempleo
noun
  1. obrero
  2. trabajador
/ʋɛrkˈnemǝr/
noun
1. iemand die voor een ander werkt en daarvoor betaald wordt
  1. empleado
  2. obrero
noun
sindicato
noun
  1. taller
  2. obrador
noun
mesa de trabajo
noun
1. een stuk gereedschap om een taak eenvoudiger en/of lichter te maken
  1. herramienta
  2. utensilio
  3. instrumento
noun
1.het ontwerpen, vervaardigen en in bedrijf houden van machines
ingeniería mecánica
noun
ingeniería mecánica
/wɛrəktœyxkʌndə/
noun
1. de leer van werktuigen
mecánica
noun
mecánico
noun
1.
máquina herramienta
noun
workahólico
noun
1.dagen per week waarop er gewerkt wordt
  1. semana de trabajo
  2. semana laboral
  3. semana laborable
/ʋɛrkʋɛɩ̭zə/
noun
1. de manier waarop men te werk gaat
método
noun
1. woordsoort die in de eerste plaats een handeling of toestand uitdrukt
verbo
adjective
1. als werknemer bezig
activo
noun
1. vlijt, ijver
actividad
verb
  1. 1. met een krachtige zwaai van de arm iets uit de hand naar iets of iemand heen laten gaan
    lanzar
  2. 2. (van zoogdieren) ter wereld brengen, baren
    parir
noun
3. bij honkbal
lanzador
noun
versta
noun
1. bot van de wervelkolom
vértebra
noun
  1. espina
  2. columna vertebral
noun
corriente de Foucault
noun
torbellino
noun
1. een zwart-geel gestreept vliesvleugelig insect
avispa
noun
  1. 1. door wespen gebouwd nest waar zij hun broed verzorgen
  2. 2. (figuurlijk) netelige situatie, waar men beter niet in verzeild raakt
avispero
noun
  1. orquídea heleborina
  2. reina de las nieves
noun
1. een prik door een gewone wesp
picadura de avispa
noun
1. een zeer smalle taille
  1. cintura de avispa
  2. talle de avispa
pronoun
  1. África Occidental
  2. África del Oeste
pronoun
1. grootste van de Australische deelstaten, gelegen in het westen van het land
Australia occidental
pronoun
Alemania Occidental
pronoun
Indias Occidentales
pronoun
1. een verzameling Vlaamse dialecten met typische kenmerken gesproken in West-Vlaanderen en een klein deel van Nederland en Frankrijk
flamenco occidental
adjective
  1. occidental
  2. del oeste
pronoun
  1. Sáhara Occidental
  2. Sahara occidental
/ˈʋɛs.tə(n)/
noun
  1. oeste
  2. poniente
noun
corriente circumpolar antártica
/ˈwɛstərlɪŋ/
noun
2. iemand die in het Westen, de westerse wereld woont of daarvan afkomstig is
occidental
/ʋɛs.tǝɾs/
adjective
1.
occidental
pronoun
Westfalia
adverb
oestenoroeste
/wɛt/
noun
1. een door de overheid opgestelde regel
ley
noun
ley de Ampère
phraseologicalUnit
  1. ley de Faraday
  2. ley de inducción electromagnética de Faraday
phraseologicalUnit
ley de Murphy
/ˈʋeː.tə(n)/
verb
1. ergens kennis van hebben
saber
/'ʋetənsxɑp/
noun
  1. 2. georganiseerde activiteit
    ciencia
  2. 1. het weten van de mens
    1. conocimiento
    2. ciencia
/,ʋetən'sxapələk/
adjective
científico
/ˈʋetəˌsxɑpər/
noun
1. iemand die de wetenschap beoefent
científico
noun
filosofía de la ciencia
/'ʋetənsχɑpsχəˈsχidəˌnɪs/, /'β̞etənsxɑpsɣəˈsxidəˌnɪs/
noun
historia de la ciencia
adjective
legislativo
noun
poder legislativo
noun
1. het geheel aan wetten die in een land gelden
legislación
/wɛtɔu(d)ər/
noun
1. een lid van het dagelijkse uitvoerende bestuur van een Nederlandse gemeente
concejal
noun
1. door de regering uitgaand voorstel tot wet
proyecto de ley
/ˈʋɛts.foːrˌstɛl/
noun
1. door het parlement uitgaand voorstel tot wet
proposición de ley
/ˈwɛtələk/
adjective
  1. 2. tot de wet behorend
    legal
  2. 1. in overeenstemming met de wet
    legítimo
/'ʋɛtən/
verb
1. het aanscherpen van een mes op een wetsteen
  1. afilar
  2. amolar
/ˈweː.və(n)/, /ˈʋe.və(n)/
verb
1. draden e.d. dooreenvlechten
tejer
noun
1. iemand die voor zijn beroep stoffen weeft
tejedor
noun
lanzadera
noun
1. bepaald soort zoogdier, Mustela nivales
  1. comadreja
  2. mostela
/ˈʋeː.zə(n)/
noun
  1. 2. aard
    1. esencia
    2. naturaleza
  2. 1. individu
    ser
noun
2. iets dat bestaat
entidad
/wezə(n)lək/
adjective
  1. esencial
  2. real
noun
esencia
noun
1. een sterke drank die uit gerst of uit maïs en rogge gestookt is
whisky
noun
1. het verkrijgen van informatie door middel van bovennatuurlijke of niet wetenschappelijk aangetoonde middelen
adivinación
noun
  1. muchacha
  2. niña
/wiː/, /ʋiː/, /β̞iː/
relativePronoun
1. vragend voornaamwoord
  1. quién
  2. quien
noun
1. een bedje voor een pasgeboren zuigeling, vaak met een hemel van fijn gaas en soms met de mogelijkheid het kind zachtjes heen en weer te bewegen
cuna
noun
arrullo
noun
tajadera
/ˈwiɣə(n)/
verb
1. zachtjes heen en weer bewegen, gewoonlijk om een zuigeling in slaap te brengen
  1. acunar
  2. mecer
  3. remecer
noun
1. het plotseling zonder duidelijke oorzaak overlijden van een zuigeling
muerte de cuna
noun
incunable
/ʋik/
noun
  1. 2. molenwiek
    aspa
  2. 3. kaarsenpit
    mecha
noun
1. ronddraaiende schijf
rueda
noun
1. de afstand tussen de twee middelpunten van de voor- en achteras
batalla
noun
1. deksel dat de naaf van een wiel afsluit
tapón
noun
1. de sport van het wielrennen
ciclismo
noun
cepo
verb
ciclismo de competición
noun
1. iemand die op hoge snelheid fietst in wedstrijdverband
ciclista
noun
1. in water voorkomende vaatloze, plantachtige organismen
alga
/ˈʋiː.roːk/
noun
1. gomhars, gebruikt als reukoffer
incienso
noun
turiferario
pronoun
1.
Wiesbaden
/ʋit/
noun
1. een softdrug die bestaat uit gedroogde hennep
  1. cáñamo
  2. cáñamo indio
  3. marijuana
  4. yerba
noun
1. een metalen of houten voorwerp in de vorm van een driehoekig blok met een scherpe hoek van 5 to 20 graden
cuña
noun
1. een van de beenderen van de schedel
hueso esfenoides
noun
1. koepelvormig huis gebruikt door de Noord-Amerikaanse indianen
wigwam
/wɛɪ̯/, /ʋɛɪ̯/, /β̞ɛː/
personalPronoun
1. 1e persoon meervoud nominatief
  1. nosotros
  2. nosotras
/ˈʋixə(n)/
pronoun
Wijchen
/wɛɪ̯d/, /ʋɛɪ̯t/, /β̞ɛːt/
adjective
ancho
verb
1. geheel voor een bepaald doel bestemmen
dedicar
/ʋɛi̯f/
noun
1. vrouw
  1. guaricha
  2. tía
/ʋɛi̯k/
noun
1. een bewoond deel van een stad of een gemeente
barrio
verb
  1. cesar
  2. ciar
  3. ceder
  4. sucumbir
conjunction
1. geeft onderschikkend een reden aan
porque
/wɛɪ̯n/, /ʋɛɪ̯n/, /β̞ɛːn/
noun
1. sterke drank van gegiste druiven
vino
noun
1. azijn uit wijn bereid
vinagre de vino
noun
1. Japanse wijnbes
uva del Japón
noun
het verbouwen van druiven voor de productie van wijn
  1. viticultura
  2. vitivinicultura
noun
botella para vino
noun
caracol
noun
1. een glas dat speciaal ontworpen is om wijn uit te drinken
copa
noun
1. een lijst waarop men de wijnen die te verkrijgen zijn in een restaurant, wijnhuis, enz... vermeldt in soorten, jaartallen en prijzen
carta de vinos
adjective
rojo vino
noun
  1. ruda
  2. arruda
noun
  1. bitartrato de potasio
  2. cremor tártaro
noun
  1. E334
  2. cremor tártaro
  3. ácido tartárico
/ˈʋɛi̯n.stɔk/
noun
1. klimplant waaraan druiven groeien
vid
noun
1.
  1. viticultura
  2. vitivinicultura
/wɛɪ̯s/, /ʋɛɪ̯s/, /β̞ɛːs/
adjective
1. van groot inzicht getuigend
  1. sabio
  2. sensato
  3. razonable
/wɛɪ̯s/, /ʋɛɪ̯s/, /β̞ɛːs/
noun
1. een melodie
melodía
noun
filósofo
noun
Sabiduría
noun
1. gerijpt inzicht
sabiduría
/ˈʋɛɪsnøs/, /ˈβ̞ɛːsnøs/
noun
1. iemand die meent alles beter te weten dan anderen
listillo
adjective
pedante
noun
1. tweede vinger, gelegen tussen de middelvinger en de duim
  1. dedo índice
  2. índice
/ˈʋɛi.tɪŋ/
noun
1. bepaald soort straalvinnige vis, Merlangius merlangus
  1. merlán
  2. plegonero
noun
1. gewijd water
agua bendita
noun
1. steel met slappe borstel waarmee in de liturgie van de Rooms-Katholieke Kerk de priester wijwater over de gelovigen heen sprenkelt
hisopo
/ˈʋɛɪʋatərˌvɑt/
noun
1. een meestal aan de muur van een kerk bevestigd vat met water waarmee gelovigen zich besprenkelen
acetre
noun
1. manier
  1. modo
  2. forma
  3. manera
  4. son
verb
  1. indicar
  2. mostrar
  3. enseñar
noun
manecilla
verb
1. zodanig aan iets werken dat het anders wordt
  1. modificar
  2. cambiar
noun
1. verandering in een regel, document, wikipagina enz
  1. alteración
  2. modificación
noun
  1. resolución
  2. decisión
/ʋɪkifiˈsɪːrə(n)/
verb
1. een tekst aanpassen aan het wikisysteem
wikificar
pronoun
1. een door de Wikimedia Foundation gecreëerde rechtenvrije encyclopedie op het internet...
Wikipedia
verb
1. draaiend iets buigzaams rond een voorwerp aanbrengen
  1. bobinar
  2. enrollar
  3. envolver
/ˈwikʃoˌnɛri/, /ˈʋɪkʃəˌnɛri/
pronoun
1. deelproject van de Wikimedia Foundation met als doel het produceren van een compleet ...
Wikcionario
/ʋɪl/
noun
1. de bereidheid of zin om iets te doen
voluntad
adjective
3. onbeschaafd, bruusk
salvaje
noun
1. bepaald soort zoogdier, Sus scrofa
jabalí
noun
1. iemand zonder beschaving
salvaje
noun
3. graan van Zizania palustris, die worden gegeten als rijst
arroz salvaje
noun
proliferación
noun
montaña rusa de agua
noun
1. Salix sp.
sauce
noun
  1. adelfilla
  2. adelfilla de hoja estrecha
  3. epilobio
  4. rosadelfilla
noun
arbitrariedad
adjective
  1. arbitrario
  2. gratuito
/ˈwɪləm/, /ˈʋɪləm/, /ˈβ̞ɪləm/
pronoun
2. spelwoord voor de letter w
Washington
/ˈʋɪ.lən/
verb
1. iets als verlangen of voorkeur hebben
  1. querer
  2. desear
  3. tener ganas
adverb
1. met opzet
  1. adredemente
  2. de propósito
noun
1. onvermogen om te handelen, ook al weet je wat je moet doen
abulia
noun
uiterste wilsbeschikking
  1. disposición
  2. testamento
noun
2. discrepantie tussen de reële en de verklaarde wil waardoor het totstandkomen van wilsovereenstemming verhinderd wordt
vicio del consentimiento
noun
1. bewust uitdrukking geven van de eigen wil
manifestación de voluntad
noun
  1. 1. eenzijdige wilsuiting die gericht is op het tot stand brengen van rechtsgevolgen
    declaración de voluntad
  2. 2. verklaring waarin iemand aangeeft wat zijn wensen zijn rondom behandeling of levenseinde
    voluntades anticipadas
noun
  1. hastial
  2. piñón
/ˈʋɪmpəɫ/
noun
banderín
noun
  1. pestaña
  2. cilio
/ʋɪnt/
noun
  1. 2. gasvormige ontlasting uit de darmen
    ventosidad
  2. 1. stroming van lucht veroorzaakt door luchtdrukverschillen
    1. viento
    2. aire
noun
2. benaming voor slingerende planten met kegelvormige bloemen uit het geslacht Convolvus
  1. cacho
  2. cachuelo
  3. campanillas
  4. corregüela menor
  5. enredadera
  6. enredadera de campanilla
/ˈʋɪndə(n)/
verb
1. een draad of kabel draaiend op een as of klos aanbrengen
  1. enrollar
  2. bobinar
  3. envolver
noun
  1. energía eólica
  2. energía del viento
adjective
1. weerstoestand waarbij er veel wind aanwezig is
ventoso
noun
veleta
noun
1. wedstrijd waarbij honden een kunsthaas moeten achtervolgen op een baan
carrera de galgos
noun
anemómetro
noun
anemómetro
noun
  1. 2. windturbine
    aerogenerador
  2. 1. molen die door de wind gedreven wordt
    molino de viento
noun
1. een gebied waar windenergie gewonnen wordt met behulp van een aantal molens
parque eólico
noun
rosa de los vientos
noun
velocidad del viento
noun
torno
noun
  1. ráfaga
  2. ventarrón
noun
1. toestel waarmee energie wordt opgewekt
aerogenerador
noun
1. ronde open zak, meestal is de zak in het rood en wit, die de richting en de sterkte van de wind aangeeft
manga
noun
1. plaats waar koopwaar wordt verkocht
  1. tienda
  2. comercio
noun
  1. dependiente
  2. empleado
noun
1. gebied of overdekte galerij waar meerdere winkels en horecazaken zijn gevestigd
centro comercial
noun
1. een werktuig bedoeld om rechte hoeken mee uit te zetten
escuadra
noun
tendero
/ˈwɪŋkəl.jʏˈfrɑu/
noun
1. een vrouw die beroepsmatig in een winkel, een supermarkt, een warenhuis of buiten werkt, met name klanten bedient, waren verkoopt of achter de kassa zit
  1. vendedora
  2. dependienta
  3. soltera
noun
calle comercial
noun
1.
carrillo
noun
1. degene die een strijd of wedstrijd in zijn voordeel beslist
ganador
noun
1. een vrouwelijk persoon die een (wed)strijd in haar voordeel beslist
  1. ganadora
  2. vencedora
/ˈwɪnə(n)/, /ˈʋɪnə(n)/, /ˈβ̞ɪnə(n)/
verb
    1. 1. als beste partij uit een wedstrijd komen
    2. 2. iets verkrijgen voor een goede prestatie bij een wedstrijd
    3. 4. iemand bereid vinden zich ergens voor in te zetten
    ganar
  1. 3. een grondstof uit de natuur halen
    producir
noun
extracción
/ʋɪnst/
noun
1. datgene wat men meer heeft dan voordat men investeerde
  1. beneficio
  2. ganancia
  3. provecho
/ʋɪntər/
noun
1. seizoen
invierno
noun
depresión invernal
adjective
perennifolio
noun
abrigo de invierno
noun
1. klein gedrongen vogeltje met opgewipt staartje,
  1. chochín
  2. troglodito
adjective
1. typerend voor de winter
invernal
noun
1. een toestand van hypothermie en inactiviteit bij sommige warmbloedige dieren in de winter
hibernación
noun
deporte de invierno
noun
estación de esquí
noun
cerceta
noun
tiempo de invierno
noun
1. zuidelijke keerpunt van de zon
solsticio de invierno
/ʋɪp/
noun
1. een speeltuig bestaande uit een balk die in het midden op een verhoogde steun rust
  1. balancín
  2. subibaja
/'ʋɪpə(n)/
verb
  1. 1. op en neer bewegen
    balancear
  2. 2. geslachtsgemeenschap hebben, paren
    coger
/ˈwɪpstul/
noun
1. zetel waarin je comfortabel voor- en achterover kunt schommelen
  1. balancín
  2. mecedora
  3. silla mecedora
adjective
cierto
noun
  1. fajo
  2. manojo
noun
1. de formele studie van patronen en structuren.
  1. matemáticas
  2. matemática
noun
libro de matemáticas
/ʋɪsˈkʏndəx/
adjective
1. op wiskunde betrekking hebbend of er gebruik van makend
matemático
noun
matemático
adjective
  1. caprichoso
  2. inconstante
/ʋɪsəl/
noun
  1. 1. speciale constructie in een spoorweg om een voertuig naar een ander spoor te leiden
    desvío
  2. 2. handelspapier voor de overdracht van geld
    letra de cambio
noun
intercambiador
noun
  1. bandera española
  2. banderita española
  3. cinco negritos
  4. lantana
  5. lantana cuasquito
  6. maestrante del Brasil
/wɪsələ(n)/
verb
  1. permutar
  2. cambiar
  3. mudar
  4. trocar
noun
  1. cambio
  2. suelto
noun
  1. cambio
  2. conversión
  3. transformación
noun
wisselkoers
  1. tipo de cambio
  2. tasa de cambio
noun
libranza de letras de colusión
noun
1. een elektrische spanning die afhankelijk van de tijd van teken wisselt
tensión alterna
noun
1. wisselstroom
corriente alterna
noun
alternador
noun
motor eléctrico de corriente alterna
adjective
  1. accidentado
  2. aleatorio
  3. inconstante
  4. variable
noun
  1. variabilidad
  2. vicisitud
noun
interacción
verb
1. het niet meer laten bestaan van
borrar
noun
1. iets van weinig betekenis, kwestie die eenvoudig op te lossen is
bagatela
/ʋɪt/
noun
1. lichtst mogelijke kleur
  1. blanco
  2. albar
/wɪt.ˈrʏs.lɑnd/, /ʋɪt.ˈrʏs.lɑnt/, /β̞ɪt.ˈrʏs.lɑnt/
pronoun
land in Oost-Europa.
Bielorrusia
/ˌwɪtˈrʏsɪs/, /ˌʋɪtˈrʏsis/, /ˌβ̞ɪtˈrʏsis/
pronoun
1. een Slavische taal die vooral in Wit-Rusland wordt gesproken
bielorruso
noun
rublo bielorruso
adjective
blancuzco
noun
1. fijn tarwebrood
pan blanco
adjective
verde blanquecino
noun
1. loof van met dat doel in het donker geteelde varianten van cichorei, Cichorium intybus var. foliosum
  1. endivia
  2. escarola
noun
grosella blanca
pronoun
1. dag voor Goede Vrijdag
Jueves Santo
pronoun
Casa Blanca
noun
corno siberiano
noun
1. gepelde en gepolijste rijst
arroz blanco
noun
1. alcoholhoudende drank die verkregen wordt door de gisting van voornamelijk witte druiven
vino blanco
noun
  1. delito de guante blanco
  2. criminalidad de cuello blanco
noun
1. (een) fijn tarwebrood
pan blanco
noun
1. en 2. (bladeren van) sluitkoolgewas dat lichtgroen tot wit van kleur is
col repollo
noun
salsa de vino blanco
noun
1. een heldere, kleurloze en nagenoeg geurloze sterkedrank
vodka
/ˈʋudə/
noun
1. een gevoel van erge kwaadheid
  1. cólera
  2. ira
  3. rabia
  4. furia
noun
1.
  1. berrinche
  2. pataleta
/'ʋudənt/
adjective
1. bijzonder boos
  1. furioso
  2. colérico
  3. enfadado
interjection
1. krachtig geluid met korte tussenpozen, zoals een hond dat kan uitstoten
guau
noun
1. iemand die woeker drijft
usurero
adjective
usurario
verb
  1. proliferar
  2. usurar
noun
precio abusivo
noun
ganancia usuraria
verb
cavar
/ˈʋu.ləx/
adjective
turbulento
noun
1. klein, gravend, muisachtig knaagdier met stompe snuit
  1. topillo
  2. campañol
noun
1. grote halfaquatische woelmuis
  1. rata de agua
  2. rata topera
/ˈʋunzdɑx/
noun
1. een dag van de week die na dinsdag en voor donderdag komt
miércoles
adjective
  1. 1. onbebouwd, braakliggend
    1. baldío
    2. salvaje
  2. 4. heel boos, razend
    1. furibundo
    2. furioso
noun
1. grote dorre vlakte, met weinig neerslag en weinig vegetatie
desierto
noun
1. titel voor bestuurder of legeraanvoerder in Slavische gebieden
  1. vaivoda
  2. voevoda
  3. voivoda
/ˈvɔɪ̯vɔtsxɑp/
noun
1. naam voor bepaalde bestuurlijke gebieden in Oost-Europa
  1. voivodato
  2. voivodia
noun
1. ronde pan die wordt gebruikt in de oosterse keuken, vooral om te roerbakken
  1. wok
  2. paila
  3. sartén china
/ʋɔl/
noun
1. weefsel van wollen garens
lana
/wɔlf/, /ʋɔlf/
noun
1. bepaald zoogdier, Canis lupus
  1. lobo
  2. loba
noun
1. scheikundig element met symbool W en atoomnummer 74
  1. wolframio
  2. tungsteno
noun
wolframita
/ˈwɔlᵊfsbʏrᵊx/
pronoun
1.
Wolfsburgo
noun
belladona
noun
1. sporenplant van het geslacht Lycopodium
licopodio
noun
  1. lechetrezna
  2. euforbia
  3. lecheruela
  4. titímalo
pronoun
Volgogrado
noun
1. samenhangende verzameling van merendeels zwevende waterdruppeltjes
nube
/ˈwɔl.kə.ˌlos/, /ˈʋɔɫ.kə.ˌlos/, /ˈβ̞ɔɫ.kə.ˌlos/
adjective
1. zonder wolken
  1. descubierto
  2. despejado
/ˈwɔlkə(n)ˌkrɑbər/, /ˈʋɔɫkə(ŋ)ˌkrɑbər/, /ˈβ̞ɔɫkə(ŋ)ˌkrɑbər/
noun
1. een zeer hoog gebouw dat met bewolkt weer zichtbaar in de wolken kan steken
  1. rascacielos
  2. rascacielo
noun
1. aaneengesloten bewolking over de gehele hemel
capa de nubes
/wɔlˈvɪn/, /ʋɔlˈvɪn/
noun
vrouwelijke wolf
loba
/wɔnd/, /ʋɔnt/, /β̞ɔnt/
noun
1. een beschadiging in of aan het lichaam
herida
noun
1. een gebeurtenis waaraan een bovennatuurlijke oorsprong toegeschreven wordt
milagro
adjective
milagroso
noun
prodigiosidad
noun
1. Ricinus cummunis, een snelgroeiende boom van tropische oorsprong uit de wolfsmelkachtigen
ricino
noun
niño prodigio
adjective
1. opmerkelijk, ongewoon
milagroso
noun
  1. E1503
  2. aceite de palma-christi
  3. aceite de ricino
noun
  1. guisante silvestre
  2. trébol de las arenas
  3. vulneraria
/ˈwo.nə(n)/, /ˈʋo.nə(n)/, /ˈβ̞o.nə(n)/
verb
1. een permanente behuizing hebben
  1. vivir
  2. habitar
  3. residir
noun
1. een doorgaans afgesloten constructie waarin men kan leven
vivienda
noun
metal de Wood
noun
casa flotante
noun
1. een kamer ingericht om in te wonen en gasten te ontvangen
sala de estar
noun
domicilio
noun
casa flotante
/ʋoːrt/, /ˈʋʊːrt/, /ˈβoːrd/, /ˈβoːrt/
noun
  1. 1. spraakklank of betekeniseenheid die bestaat uit minimaal één vrij morfeem en minimaal nul gebonden morfemen
  2. 2. belofte
  3. 3. het woord van god of de inhoud van de bijbel
  1. palabra
  2. vocablo
noun
1. de semantische inhoud van een woord
  1. acepción
  2. significado
/ˈʋɔːrdə(n)ˌbuk/
noun
1. een boek waarin de woorden en uitdrukkingen van een taal zijn gerangschikt met hun...
  1. diccionario
  2. vocabulario
  3. léxico
/ˈʋɔːrdə(n)ˌlɛɪst/
noun
1. een lijst bestaande uit woorden
vocabulario
noun
ataque de diccionario
noun
  1. vocabulario
  2. léxico
noun
  1. caudal de palabras
  2. torrente de palabras
  3. verborragia
noun
  1. altercado
  2. discusión
  3. disputa
  4. intercambio de palabras
noun
constituyente sintáctico
noun
elección de palabras
noun
dicción
noun
  1. charada
  2. logogrifo
noun
juego de palabras
noun
1. lexicaal veld
campo léxico
noun
1. persoon
portavoz
noun
1. volgorde van woorden in een zin
  1. orden de las palabras
  2. orden de palabras
noun
formación de palabras
/ˈwɔrdə(n)/, /ˈʋɔrdə(n)/, /ˈβ̞ɔrdə(n)/
verb
  1. volverse
  2. ser
  3. convenir
  4. convertirse
  5. devenir
noun
1. geschiedenis van het ontstaan en de groei van iets
génesis
noun
1.
  1. trabajólico
  2. workahólico
noun
taller
/ʋɔrm/
noun
  1. 1. een betrekkelijk klein, lang, ongewerveld dier met een zacht lichaam
    1. gusano
    2. lombriz
    3. entozoario
  2. 4.
    tornillo sin fin
noun
een hypothetische mogelijkheid binnen de ruimte-tijd
agujero de gusano
noun
rueda dentada
/ʋɔrp/
noun
  1. 2. het aantal jonge dieren dat een moederdier bij één dracht op de wereld zet
    camada
  2. 1. de handeling van het werpen van iets
    lanzamiento
noun
1. een toegebonden eind darm of vlies dat gevuld is met vleeswaar
  1. salchicha
  2. embutido
  3. longaniza
verb
  1. luchar
  2. bregar
  3. forcejear
/ˈʋɔrtəl/
noun
    1. 2. Ondergronds gedeelte van een plant
    2. 3. Getal
    3. 4. Woord
    raíz
  1. 1. Groente peen
    zanahoria
verb
1.wortel schieten
  1. arraigar
  2. enraizar
noun
media generalizada
noun
perejil nabo-arraigado
noun
1. het sap van wortelen dat gedronken kan worden
  1. jugo de zanahoria
  2. zumo de zanahoria
noun
  1. tarta de zanahoria
  2. torta de zanahoria
pronoun
1. Finoegrische taal die door de Woten in Ingrië gesproken werd
voto
/ʋʌːt/, /ʋʌːut/
noun
1. groot bos
bosque
/ʋʌʊ̯/, /β̞ʌːβ̞/
noun
  1. A 1. benaming voor roofvogels uit het geslacht Milvus
    1. milano
    2. aguililla
  2. B 1. bepaald soort plant, Reseda luteola
    gualda
noun
1. het vergelden van doorgemaakt lijden
venganza
noun
  1. deseo de venganza
  2. sed de venganza
noun
vengador
adjective
  1. caduco
  2. precario
noun
  1. restos
  2. ruina
verb
  1. afkeuren, verwerpen
    desaprobar
  2. juridisch
    recusar
/ʋrɑŋ/
adjective
amargo
noun
1. knobbeltje
verruga
adjective
1. heel onvriendelijk
  1. cruel
  2. despiadado
  3. feroz
noun
1. bovenkant van de voet tussen tenen en enkel
empeine
verb
1.
  1. vengar
  2. desforzar
noun
vengador
/ˈvrɛi̯fklɑŋk/
noun
1. een medeklinker die geproduceerd wordt met een gedeeltelijke obstructie ergens in het spraakkanaal
  1. fricativa
  2. consonante fricativa
verb
1. handeling
  1. frotar
  2. restregar
  3. friccionar
  4. refregar
noun
  1. fricción
  2. rozamiento
/'ʋrɪŋən/
verb
1. met een draaiende beweging iets vervormen
  1. torcer
  2. retorcer
/'wruɣɪŋ/
noun
  1. arrepentimiento
  2. remordimiento
noun
rencor
noun
1. oorspronkelijk een rol van twee ineengedraaide repen stof, gevuld met haar of wol, aangebracht bovenop de helm om vijandelijke slagen te breken
burelete
/wœyvə/
verb
  1. 2. heen en weer buigen, zwenken
    agitarse
  2. 1. een groet brengen door met de handen te zwaaien
    saludar con la mano
noun
1. Numenius arquata, een vogel uit de familie van de snipachtigen (Scolopacidae)
zarapito real
adjective
2. verlangend naar genot
  1. lascivo
  2. libidinoso
  3. lujurioso
  4. sensual
  5. voluptuoso
noun
  1. concupiscencia
  2. sensualidad
verb
1. iets of iemand vermoorden door het dichtknijpen van de keel
estrangular
noun
gusano
pronoun
1. West-Germaanse taal die in het de Poolse plaats Wilamowice wordt gesproken
vilamoviciano
noun
1. de vierentwintigste letter van het alfabet
x
/ˈɪksɑs/
noun
1.
eje de las equis
noun
2. afwijking van de normale stand van de benen, waarbij de knieën naar binnen gericht zijn.
piernas torcidas
noun
1.
cromosoma X
/ˈɪkstralə(n)/
noun
1. röntgenstraling
rayos X
/ksɑnˈtom/
noun
1.
xantoma
pronoun
2. spelwoord voor de letter x
xilófono
/ksɑnˈtɪpə/
noun
1. een boosaardige en kijfachtige vrouw
arpía
adjective
1. welgezind jegens vreemdelingen en/of buitenlanders
xenófilo
/ksenofɪˈli/
noun
1. het welgezind zijn jegens vreemdelingen of buitenlanders
  1. xenofilia
  2. malinchismo
/ksenofoˈbi/
noun
1. een afkeer van alles wat vreemd of buitenlands is
xenofobia
noun
1. iemand die een sterke afkeer van vreemdelingen heeft
xenófobo
noun
1.
xenohormona
/ˈksenɔn/
noun
1. een scheikundig element en kleurloos edelgas met het symbool Xe en het atoomnummer 54
xenón
noun
  1. faro xenón
  2. luz xenón
/ˈksenotrɑnsplɑnˌtatsi/
noun
1. een transplantatie van dierlijke organen bij de mens
xenotrasplante
adjective
xerófilo
noun
xerófito
/ˌksɪːroɣraˈfi/
noun
1. een droge, niet-chemische en fotografische methode die gebaseerd is op elektrostatische aantrekkingsverschijnselen
xerografía
/ˈksɪːrɔks/
noun
1. een fotokopie die gemaakt is door middel van xerografie
xerografía
/ˈksɪːrɔksɑpaˈrat/
noun
1. een fotokopieerapparaat om xeroxen te maken
fotocopiadora xerox
/ˈksɪːrɔksə(n)/
verb
1. kopieën maken volgens het systeem van de xerografie
sacar xerografías de
/ˈɛkstəsi/
noun
1. de afkorting voor ecstasy, een hallucinerende drug
XTC
/ˈɛkstəsilɑboraˌtɔːriəm/
noun
1. een laboratorium waar xtc gemaakt wordt
laboratorio de XTC
/ksiˈlen/
noun
1. een oplosmiddel voor stoffen als lak en rubber
xileno
/ˌksiliˈtɔl/
noun
1. een zoetstof die bereid is door hydrogenatie van xylose
xilitol
noun
1. melodisch slaginstrument dat bestaat uit een reeks op toon gestemde hardhouten staafjes waar met kleine hamertjes op geslagen wordt
  1. xilofón
  2. xilófono
/ksiloɣraf/
noun
1. een houtsnijder of houtgraveur
xilógrafo
/ˌksiloɣraˈfi/
noun
  1. 1. houtsnijkunst
  2. 2. houtsnede of houtgravure
xilografía
/iˈɣrɛk/, /ɛɪ̯/, /ɛː/
noun
1. de vijfentwintigste letter van het alfabet
y
noun
1.
eje de las y
noun
1. een van de beide geslachtschromosomen dat in de helft van de zaadcellen voorkomt
cromosoma Y
noun
1. antenne met dipool, reflector en director(en)
antena yagi
noun
1. antenne met dipool, reflector en director(en)
antena yagi
noun
1. spel met vijf dobbelstenen en een kaart met de geëiste worpen
yahtzee
noun
1. cilinderslot met een platte sleutel
cerradura Yale
noun
1. een tropisch voedselgewas
batata
noun
1. actieve, mannelijke beginsel in de kosmos (volgens de Chinese filosofie), een van beide principes die samen de tao vormen
yang
noun
1. een Amerikaan uit het noordelijke deel van de Verenigde Staten
yanqui
noun
  1. 2. spelwoord voor de letter y
    Yucatàn
  2. 1. Amerikaan uit het noordelijke deel van de Verenigde Staten
    yanqui
noun
1. een geschreeuwde leuze
grito de ánimo
noun
1. de munteenheid van Japan
yen
/ˈjeti/
noun
1. een legendarisch monster met de bijnaam 'de verschrikkelijke sneeuwman' die voor zou komen in de Himalaya
yeti
noun
1. het passieve vrouwelijke beginsel in de kosmos volgens de Chinese filosofie, een van beide principes die samen de tao vormen
yin
/ˈjoxa/
noun
1. het streven om door lichamelijke en geestelijke methoden van concentratie...
yoga
/ˈjɔxərt/, /ˈjɔχərt/
noun
1. lichtzuur en enigszins lobbig zuivelproduct,...
yogur
/'jɔxɵrtɛɪs/
noun
  1. 2. roomijs met yoghurtsmaak
    helado de yogur
  2. 1. consumptie-ijs op basis van yoghurt
    yogur helado
noun
salsa de yogur
noun
1. een beoefenaar van de yoga
yogui
noun
  1. 2. spelwoord voor de letter y
    Yucatàn
  2. 1. de letter y
    i griega
noun
1. scheikundig element met symbool Yb en atoomnummer 70
iterbio
noun
1.
itrio
noun
YBCO
noun
1. lelieachtige sierplant uit Noord-Amerika
yuca
noun
1. een jong, kindloos persoon die snel carrière gemaakt heeft en een exclusieve, trendgevoelige levensstijl heeft
yuppie
noun
1. jong, kindloos persoon die snel carrière gemaakt heeft en een exclusieve, trendgevoelige levensstijl heeft
yuppie
noun
1. een ronde nomadentent
yurta
/sɛt/, /zɛt/
noun
1. de zesentwintigste letter van het alfabet
z
/ˌzɛtoˈzɛt/
interjection
1. kijk op de achterkant van deze pagina
v.a.d.
/zaːt/
noun
  1. 2. zaadcellen uit de mannelijke geslachtsorganen van een mens of een dier
    1. semen
    2. esperma
  2. 1. een bevruchte kiem waaruit een nieuwe plant van dezelfde soort groeit
    1. simiente
    2. semilla
/'zadbɑl/
noun
1. een orgaan waar de spermacellen gevormd worden
testículo
noun
1. een vorm van kanker die ontstaat in de zaadbal
cáncer de testículo
/ˈzadbɑŋk/
noun
  1. 2. een spermabank
    1. banco de esperma
    2. banco de semen
  2. 1. een zandbank met mosselzaad
    criadero de mejillones
/ˈzatsɛl/
noun
1. de mannelijke geslachtscel
espermatozoide
/'zadlɛɪdər/
noun
  1. conducto deferente
  2. ducto deferente
/zax/
noun
1. een stuk gereedschap met een scherp getand metalen blad om voorwerpen in stukken te verdelen
sierra
noun
meros
noun
arco de sierra
noun
1. plat stuk metaal met een lange kartelrand om hard materiaal door te snijden
hoja de sierra
noun
1. een uit houtvezels bestaande stof die ontstaat bij het zagen van hout
  1. serrín
  2. aserrín
  3. serraduras
/'zaxsəl/
noun
1. een uit houtvezels bestaande stof die ontstaat bij het zagen van hout
  1. serrín
  2. aserrín
  3. serraduras
/'zaxtɑnt/
noun
  1. 1. scherpe tandvormige karteling aangebracht op de rand van een zaagblad
    diente de sierra
  2. 2. iets in de vorm van een zaagtand
    1. muesca
    2. mella
noun
1. benaming voor haaiachtige vissen met aan de kop een zaagvormig uitsteeksel uit de familie Pristidae
  1. pez sierra
  2. priste
verb
1. zaad strooien
sembrar
noun
1. persoon die het land inzaait
sembrador
adjective
  1. competente
  2. ducho
  3. experto
noun
1. recht om een goed te volgen in andere handen
  1. derecho de persecución
  2. reipersecutoriedad
noun
encargada
noun
encargado
/zal/
noun
  1. sala
  2. salón
  3. gran sala
  4. local
noun
1. room
  1. crema
  2. nata
pronoun
2. spelwoord voor de letter z
Zorro
pronoun
Nahuatltaal die in 1983 gesproken werd door 125 duizend mensen, vooral in het bergachtige gebied rond Zacapoaxtla
náhuatl de la sierra noreste de Puebla
pronoun
2. boek in de Bijbel
Zacarías
pronoun
2. spelwoord voor de letter z
Zorro
adverb
4. aangenaam voor de zinnen
  1. suave
  2. ligero
adjective
  1. apacible
  2. bondadoso
  3. manso
  4. suave
/zɑxt'mudəx/
adjective
  1. apacible
  2. suave
adjective
1. niet al te ruw, de dingen ontziend
  1. apacible
  2. bondadoso
  3. dulce
  4. manso
  5. tierno
adjective
dulce-acídulo
noun
zitplaats op dier of fiets
  1. silla
  2. silla de montar
noun
fuste
noun
1.
gualdrapa
verb
1. een zadel plaatsen op
ensillar
noun
1. voor rijden geschikt paard
caballo de montar
/'zadəlpɵnt/
noun
1. een punt op een gekromd vlak dat in de ene richting een maximum en in de andere een minimum is
punto de silla
/ˈza.ɣə(n)/, /ˈza.χə(n)/
verb
1. in stukken delen door middel van een zaag
  1. serrar
  2. aserrar
noun
  1. aserradero
  2. aserrio
  3. serrería
noun
  1. 2. een plek in kleding waarin kleine spullen kunnen worden meegedragen
    1. bolsillo
    2. bolsa
  2. 1. slappe, vormeloze tas
    1. saco
    2. bolsa
    3. bolso
  3. de zak geven (zie ook ontslaan)
    saquar
noun
  1. carné
  2. librito de memoria
/ˈzɑgduk/
noun
1. een doek om de neus in te snuiten
pañuelo
/zaːkən/
noun
2. commerciële activiteiten
negocios
/'zakəmɑn/
noun
1. iemand die met zakendoen zijn brood verdient
  1. hombre de negocios
  2. empresario
noun
socio
noun
1. onderdeel van het burgerlijk recht m.b.t. de rechtsverhouding tot een goed
derecho de bienes
noun
viaje de negocios
noun
dinero de bolsillo
/ˈzɑkjʏ/
noun
bolsita
verb
2. niet slagen voor een examen
  1. suspender
  2. bajar
noun
1. iemand die ongemerkt waardevolle zaken steelt
ratero
noun
1. lamp op zakformaat
  1. linterna de bolsillo
  2. linterna
noun
1. een draagbare bron van licht, gewoonlijk van energie voorzien middels batterijen
linterna de bolsillo
noun
1. een draagbare bron van licht, gewoonlijk van energie voorzien middels batterijen
linterna de bolsillo
/ˈzɑkmɛs/
noun
1. een klein invouwbaar mes, vaak met extra gereedschappen
navaja
noun
1. een woordenboek in klein formaat
diccionario de bolsillo
noun
smeerbare massa om op de huid aan te brengen
  1. ungüento
  2. pomada
adjective
2. bijzonder aangenaam, hemels
  1. beato
  2. bienaventurado
phraseologicalUnit
1. een uitdrukking om iemand een gelukkige paasviering te wensen
  1. Felices Pascuas
  2. Feliz Pascua
verb
1.
beatificar
noun
  1. 2.
    gloria
  2. 1.
    1. gloria
    2. salud eterna
    3. salvación
/zɑlm/, /zɑɫm/
noun
1. benaming voor een aantal vissoorten uit de familie Salmonidae
  1. salmón
  2. lõhe
noun
1. een stuk zalm dat door zorgvuldig snijden ontdaan is van alle minderwaardige bestanddelen
filete de salmón
noun
1. consumptievis, meestal regenboogforel (Oncorhynchus mykiss), met zalmkleurig vlees
trucha asalmonada
adjective
1. een lichtroze kleur zoals die van zalm
  1. asalmonado
  2. salmonado
adjective
naranja salmón
adjective
rojo salmón
noun
  1. ensalada de salmón
  2. ensalada salmón
/zɑlvə(n)/
verb
2. het aanbrengen van een welriekende olie, meestal als inhuldiging in een politieke of religieuze hoedanigheid
ungir
/'zɑm.bi.ja/
pronoun
1. een land in zuidelijk Afrika, officieel de Republiek Zambia, dat geheel door land wordt omsloten
Zambia
noun
kwacha zambiano
/ˈzɑmbo/
noun
1. een persoon van gemengd negroïde en indiaanse afkomst.
  1. garífuna
  2. lobo
  3. zambo
noun
1. losse massa die bestaat uit miljoenen stukjes steen en schelpen
arena
noun
1. een bak gevuld met zand om in te spelen
  1. arenero
  2. cajón de arena
noun
1. een ophoping van zand op de bodem van een zee of meer
alfaque
noun
suelo arenoso
adjective
amarillo arena
noun
1. een van zand gebouwd miniatuurkasteel
castillo de arena
noun
1. een korreltje zand
grano de arena
noun
1. toestel waarmee de tijd wordt gemeten door zand uit het bovenste reservoir via een smalle doorgang naar het onderste reservoir te laten lopen
reloj de arena
noun
1. een wezen dat zand in de ogen van kinderen zou strooien
hombre de arena
noun
  1. arenisca
  2. gres
noun
een harde, droge wind die boven een woestijngebied een grote hoeveelheid zand en stof doet opwaaien
  1. tormenta de arena
  2. tormenta de polvo
noun
nigua
noun
1. zandweg. Weg met onverhard wegdek
  1. camino arenoso
  2. camino de arena
noun
cante
noun
1. een balk in de lengterichting bevestigd onder het bovenblad van de klankkast van een snaarinstrument
barra armónica
/ˈzɑŋər/
noun
1. een mannelijk iemand die zingt
cantante
noun
1. een vrouwelijk iemand die zingt
  1. cantante
  2. cantora
noun
  1. maestro de cantos
  2. profesor de canto
noun
clase de canto
noun
1. Turdus philomelos, een lijstersoort die algemeen is in Nederland en Vlaanderen
zorzal común
/zanəkə(n)/
verb
1. hinderlijk ergens over blijven klagen
  1. chinchar
  2. importunar
  3. machacar
pronoun
1.
Zaragoza
noun
1. een dag van de week die na vrijdag en voor zondag komt
sábado
noun
1. algehele dronkenschap
embriaguez
/za.ˈiː.rə/
pronoun
Zaire
noun
1. zwart-wit gestreepte paardachtige
cebra
noun
1. een patroon van witte strepen aangebracht op het wegdek ter aanduiding van een beschermde voetgangersoversteekplaats
paso de cebra
noun
diamante mandarín
noun
  1. costumbre
  2. uso
adjective
1. zoals het volgens normen en waarden behoort
moral
noun
moral
noun
corrupción
noun
  1. ética
  2. moral
noun
1. de leer van de gezamenlijke plichten der zedelijke wezens
  1. moral
  2. ética
noun
máxima
adjective
  1. casto
  2. dengoso
  3. gazmoño
  4. melindroso
  5. mojigato
/ze/, /zeː/
noun
1. uitgestrektheid zoutwater
mar
noun
1. grote zwarte zwemvogel, onderfamilie van de eend, gans, zwaan, die leeft aan de kusten en op zee
negreta
noun
1. op de zeebodem levend bolvormig stekelig ongewerveld diertje
erizo de mar
noun
1. smalle doorgang tussen twee zeeën
  1. estrecho
  2. estrecho de mar
noun
1. zeevis (Conger conger)
congrio
noun
1. bepaald soort tropische boom, Terminalia catappa
almendra tropical
noun
1. benaming voor dieren uit de orde Actiniaria
  1. anémona de mar
  2. actina
  3. anemone de mar
/ˈzeʲʔɑˌkʋarijəm/
noun
1. zoutwateraquarium voor zeevissen
sal marina acuario
noun
1. bepaald soort roofvogel die in kustgebieden leeft, Haliaeetus albicilla
  1. águila marina
  2. pigargo europeo
noun
1. inham van een zee
brazo de mar
noun
1. blad van de plant Zeeaster
  1. estrella de arroyos
  2. tripolio
  3. áster
  4. áster marítimo
noun
1. een atlas met zeekaarten
  1. atlas marítimo
  2. atlas náutico
noun
1. baarsachtige zeevis, Dicentrarchus labrax
róbalo
noun
1. gevarieerde vismaaltijd
  1. maricos
  2. pescados
/ˈzebenə(n)/
noun
1. zeevaste benen hebben
no marearse
adjective
1. bestand tegen het zeewater
resistente al agua del mar
noun
1. aardbeving waarvan het epicentrum op de bodem van de zee ligt
maremoto
noun
1. iemand die zich toelegt op de studie van het leven in zee.
biólogo marino
noun
1. het grondvlak van een zee
  1. fondo del mar
  2. lecho marino
/ˈzebɔŋk/
noun
1. ervaren zeeman
lobo de mar
noun
1. stenen strekdam dienend om de kracht van de golven te breken
  1. escollera
  2. malecón
  3. rompeolas
pronoun
1. en 2. dorp, deelgemeente en zeehaven
Zeebrugge
noun
1. een zeeofficier in opleiding bij de marine
  1. alférez de fregata
  2. guardiamarina
noun
  1. pino de las Landas
  2. pino marítimo
  3. pino negral
  4. pino resinero
  5. pino rodeno
  6. rondeño
noun
1. opgeworpen bescherming tegen de zee, langs de kust of langs de monding van een rivier
dique de mar
noun
1. bepaald soort grote zeevis, Lophius piscatorius
rape
noun
1. werktuig om grovere van fijnere bestanddelen te scheiden
  1. cedazo
  2. colador
noun
1. het dierlijk leven in de zee
fauna de mar
noun
1. een van de beenderen van de schedel
hueso etmoides
noun
linón
/'zevdrɵk/
noun
serigrafía
adjective
1. zich in volle zee begeven
para servicio de mar
noun
1. de deining van de zee
oleaje
noun
1. uiteinde van een rivier of zeearm dat toegang biedt tot de open zee
estuario
noun
1. een zeeslag
  1. batalla naval
  2. combate naval
noun
  1. 2. schilderij met de zee als onderwerp
    marina
  2. 1. zicht op de zee
    vista al mar
/'zeɣodə(n)/, /'zeɣɔt/
noun
dios del mar
noun
1. vrouwelijke godheid die woont en heerst over de zee, ofwel de vrouw van een zeegod
diosa del mar
noun
1. benaming voor planten aangepast aan het leven in zout water uit het geslacht Zostera
  1. hierba de mar
  2. pelota marina
  3. sebas de mar
adjective
1. blauwachtig groen, kleur van de zee
verde mar
noun
1. haven die in verbinding staat met de zee
  1. puerto de mar
  2. puerto marítimo
noun
1. benaming voor zoogdieren uit de familie Phocidae
foca
noun
1. de pels van de zeehond
piel de foca
noun
cazador de focas
noun
1. pier of dijk die in zee uitsteekt
  1. muelle
  2. embarcadero
noun
1. een geografische kaart waarmee men zijn positie op zee kan bepalen
  1. carta de marear
  2. carta de navegación
  3. carta marina
  4. carta marítima
  5. carta náutica
noun
1. klimaat dat veel invloed van een meestal nabijgelegen zee of oceaan ondergaat, onder meer gekenmerkt door koele zomers...
  1. clima marítimo
  2. clima oceánico
noun
1. plantenetend zoogdier uit de orde Sirenia
  1. manatí
  2. vaca marina
/ˈzekut/
noun
1. zwart-witte zeevogel, Uria aalge
arao común
noun
1. benaming voor op de op komkommers lijkende zeedieren uit de klasse Holothuroidea
pepino de mar
noun
1. bepaald soort op de kusten van centraal Europa voorkomende plant, Crambe maritima
  1. berza marina
  2. col marina
noun
1. kreeftachtige, leeft in zee en kustgebieden
masera
noun
1. in zee levende kreeft
bogavante
noun
1. de begrenzing van land door de zee
costa
noun
1. neteldier in de vorm waarin het vrij in het water zwemt
  1. medusa
  2. aguamala
/ˈzelɑnt/, /ˈzeːlɑnd/, /ˈzeːlɑnt/
pronoun
1. een provincie in het zuidwesten van Nederland, die aan Noord-Brabant, Zuid-Holland, België en de Noordzee grenst
Zelanda
noun
1. iemand die zelen vervaardigt.
cordelero
noun
1. grote oorrob
  1. león marino
  2. otaria
noun
1. een groep van personen die voor hun beroep de zee bevaren
  1. marineros
  2. marinos
noun
1. bepaald soort karperachtiɡe zoetwatervis, Tinca tinca
tenca
noun
1. lucht aan of op zee
aire de mar
/zem/
noun
  1. 1. een stuk zeemleer waarmee men een glazen ruit droog kan wrijven
    gamuza
  2. 2. zeemleer, leer gemaakt van gemzenhuid
    piel de gamuza
noun
  1. Marina
  2. fuerzas navales
noun
  1. marinero
  2. marino
noun
1. vaardigheid in het bedienen, onderhouden en het besturen van een schip
arte de navegar
noun
1. begrafenis waarbij het lichaam van de overledene aan de zee wordt toevertrouwd, graf in de golven
tumba en el mar
noun
1. onthaaltehuis voor zeelieden aan de wal
residencia para marineros
noun
1. een door zeelieden gebruikte knoop om een touw vast te maken
nudo marinero
noun
1. mythisch zeewezen
sirena
noun
1. benaming voor zeevogels uit de familie Laridae
gaviota
noun
1. afstandsmaat, in gebruik op zee, 1852m
  1. milla náutica
  2. milla marina
  3. milla marítima
noun
1. in zee geplaatste onder water drijvende bom, bedoeld om vijandelijke vaartuigen te vernietigen
mina submarina
noun
piel de gamuza
noun
1. een mogendheid met een oorlogsvloot, zeemacht
potencia marítima
noun
1. gedrocht dat in de zee zou leven
monstruo marino
noun
1. een natie met een zeevloot
pueblo de marinos
noun
1. een waternimf die in zee woont
  1. nereida
  2. oceánidas
noun
1. hoogte van de zeespiegel
nivel del mar
noun
1. officier bij de zeevaardij
oficial de marina
noun
1. rob uit het geslacht Mirounga
elefante marino
noun
1. een oorlog die wordt uitgevochten op zee
guerra naval
noun
1. schuimverwerkend reinigingsmiddel
jabón
noun
  1. 2. het paard van Neptunus
    caballo de Neptuno
  2. 1. walrus
    morsa
/ˈzepaːrtʲə/
noun
2. benaming voor zeevisjes waarvan de kop op een paardenkop lijkt en die rechtopstaand zwemmen, uit het geslacht Hippocampus
  1. caballito de mar
  2. caballito marino
  3. hipocampo
noun
1. in zee levende kongeraal, Conger conger
congrio
noun
1. bolvormig vlies van water en zeep dat een hoeveelheid gas (meestal lucht) omringt
pompa de jabón
noun
jaboncillo
noun
jabonera
noun
1. polder die ontstaat langs de kust, door bedijking van kwelders, als deze hoog genoeg zijn aangeslibd
pólder
noun
1. brieven en verzendingen over zee
correo maritímo
adverb
3. pijn
dolor
noun
1. zwaar ongeluk op zee, schipbreuk
desastre marítimo
noun
1. wettelijke bepaling met betrekking tot de zeevaart, zeerecht omvat een groot aantal verdragen die in de afgelopen eeuwen tot stand zijn gekomen
derecho marítimo
noun
1. reis per schip over de zee
travesía
/ˈzerɔp/
noun
2. benaming voor grote zeezoogdieren uit de familie Phocidae
foca
noun
1. geweldpleging gevolgd door roof tegen een schip op volle zee, dit zonder machtiging van een oorlogvoerende natie
piratería
noun
1. te volgen weg over zee onder de meest gunstige omstandigheden
via marítima
noun
1. iemand die op zee een schip berooft
  1. pirata
  2. bucanero
  3. corsario
noun
1. het uitvoeren van een zeeroof
  1. corso
  2. piratería
noun
1. een verzamelplaats van zeerovers
nido de piratas
noun
1. het uitwendig skelet van zeeweekdieren
concha marina
noun
1. benaming voor zeedieren uit de familie Cheloniidae
  1. tortuga marina
  2. galápago
noun
1. een zeewaardig schip gebouwd om de zee te kunnen trotseren
  1. barco de altura
  2. nave de altura
noun
1. luchtige massa die bij heftige beweging van golven in zeewater ontstaat
espuma de mar
verb
1. de bezigheid van een zeeschuimer
practicar la pirateria
noun
lechuga de mar
noun
1. militair treffen op zee
  1. batalla naval
  2. combate naval
/ˈzeslɑk/
noun
1. in zee levende slak
caracol marino
/ˈzeslɑŋ/
noun
1. giftig reptiel dat leeft in ondiepe zeegebieden en riviermondingen
  1. serpiente marina
  2. serpiente de mar
noun
1. relatief kleine, maar zeer zeewaardige sterke boot die gebouwd is om schepen in nood te helpen, te bergen, drijvende vrachten over zee te slepen en olieplatforms te bevoorraden
remolcador de altura
noun
esclusa de mar
noun
1. benaming voor schijfvormige zeedieren met vijf armen uit de klasse Asteroidea
  1. estrella de mar
  2. estrellamar
noun
1. stormachtige wind over de zee
temporal
noun
1. een smalle doorgang tussen twee zeeën en daarmee tevens de scheiding tussen twee landmassa's
estrecho
noun
playa de mar
noun
1. een grote constante beweging van het zeewater
corriente marina
noun
1. bepaald soort platvis, Solea solea
lenguado
noun
1. iemand die voor zijn beroep de zee bevaart
navegante
noun
1. scheepvaart over de zee
navegación
noun
1. stuurmanskunst, de kennis om een schip over zee te brengen
náutica
adjective
1. betreffende de zeevaartkunde
náutico
noun
1. school waar de leerlingen een opleiding krijgen voor een beroep op een zeeschip
  1. academia naval
  2. escuala de náutica
  3. escuala naval
  4. escuela de marina
adjective
1. een varende functie op een zeeschip uitoefenen
navegante
noun
1. vaste zeeroute tussen twee of meer plaatsen
comunicación marítima
noun
1. zeescout
scout de mar
adjective
1. vers product recht uit de zee
fresco
noun
1. vis die in de zee leeft
pez de mar
noun
1. visvangst vanuit de zee, per schip of van het strand
pesca marítima
/ˈzeˌvoχɔɫ/, /ˈzeːˌvoːɣəl/
noun
1. een vogel die vooral in de directe omgeving van de zee leeft
ave marina
noun
2. allerlei eetbare schaal- en schelpdieren
marisco
adjective
1. geschikt om veilig op zee te varen
navegable
noun
1. de mate waarin een schip of bemanning zeewaardig is
navegabilidad
adjective
1. naar zee gericht, in de richting van de zee
hacia el mar
/ˈzeʋatər/
noun
1. water waarin diverse zouten zijn opgelost en waarmee de zeeën gevuld zijn
agua de mar
noun
1. waterkering tegen de zee
fortificación marítima
noun
1. al de maritieme zaken
  1. asuntos marítimos
  2. marina
noun
1. in zee levend wier
alga marina
noun
1. wind vanuit de zee, die landinwaarts waait
  1. brisa marina
  2. viento del mar
  3. viento marero
/ˈzeʋɔɫf/
noun
1. bepaald soort roofvis, Anarhichas lupus
lobo marino
verb
1. zeilen op zee
practicar la vela en el mar
adjective
mareado
noun
1. misselijkheid als gevolg van de onregelmatige beweging van een schip
mareo
noun
  1. mamífero marino
  2. mamífero del mar
noun
1. zout, uit zeewater gewonnen
sal marina
/'zezʋalyw/
noun
1. benaming voor slanke meeuwachtige zeevogels met gevorkte staart uit de familie Sternidae
golondrina de mar
noun
1.
  1. victoria
  2. triunfo
noun
manzana de Perú
/ˈzexəl/
noun
  1. 1. een middel om een voorwerp zodanig af te sluiten dat er later nagegaan kan worden of het geopend is
  2. 2. een stukje papier meestal voorzien van een plaklaag dat dient om aan te geven dat betaling heeft plaatsgevonden
sello
/ˈzeːɣə(n)/, /ˈzeːχə(n)/
noun
  1. 1. verlening van goddelijke of bovennatuurlijke bijstand
    bendición
  2. 4. breed en naar verhouding niet erg hoog sleepnet
    traína
verb
1. de zegen geven
  1. bendecir
  2. santiguar
adjective
  1. afortunado
  2. feliz
  3. próspero
noun
  1. 3. bepaald soort palm uit het zuidoosten van de Verenigde Staten, Serenoa repens
    1. sabal
    2. serenoa
  2. 1-2. ereteken voor een geboekte overwinning
    trofeo
noun
triunfo
noun
trofeo
/'zexəvirə(n)/
verb
1. de overwinning behalen
  1. vencer
  2. triunfar
noun
1. een geslacht van zowel bladverliezende als groenblijvende kruidachtige planten
  1. carrizo
  2. jisca
verb
1. mededelen
decir
/ˈzεɣə(n)ˌsxɑp/, /ˈzεχə(n)ˌsχɑp/
noun
1. het recht om over iets te beslissen
poder de decisión
noun
1. persoon die in naam van een organisatie of een persoon het woord voert
portavoz
noun
1. doek dat in een mast gehesen is met als doel wind te vangen
vela
noun
1. een boot waarmee gezeild kan worden
  1. velero
  2. embarcación a vela
adjective
gris lona
/ˈzɛɪlə(n)/
verb
  1. 2. zich in een zeilboot met behulp van de wind over het water voortbewegen
  2. 1. voortgestuwd worden door de druk van de wind tegen een opgehouden zeil
navegar a vela
noun
2. een zeilboot
velero
noun
1. surfplank
windsurf
noun
1. een schip waarmee gezeild kan worden
  1. velero
  2. barco de vela
noun
1. de sport van het zeilen
vela
noun
piedra imán
noun
1. maaiwerktuig met gebogen snijblad en lange stok
guadaña
noun
1. een persoon met een zeis als verpersoonlijking van de dood
Parca
/ˈze.kər/
adjective
1. waaraan niet getwijfeld hoeft te worden
  1. seguro
  2. cierto
/ˈze.kə.rə(n)/
verb
1. het touw waarmee iemand klimt op een veilige manier vasthouden
  1. asegurar
  2. amarrar
/'zekərɦɛɪt/
noun
  1. certeza
  2. certidumbre
  3. seguridad
noun
1. elektronisch element ter voorkoming van een te grote stroom
fusible
noun
  1. disyuntor termomagnético
  2. interruptor magnetotérmico
adverb
1. bijzonder weinig voorkomend
raramente
adjective
1. naar verhouding gering in aantal
raro
/zɛlf/, /zɛɫf/
demonstrativePronoun
  1. 1. in eigen persoon
    1. mismo
    2. misma
  2. 2. in tegenstelling met iets anders
    1. propio
    2. mismo
noun
autoservicio
noun
  1. 2. de mogelijkheid voor een volk om te bepalen onder welke soevereiniteit het wil vallen
    autodeterminación
  2. 1. wilsvrijheid van het individu
    1. autodeterminación
    2. autonomía
    3. libre elección
noun
2. internationaal bepaald begrip dat volkeren van de hele wereld...
  1. derecho de autodeterminación
  2. derecho de libre determinación de los pueblos
noun
autopolinización
noun
autonomía
noun
1. seks waarbij iemand zichzelf een orgasme bezorgt
onanismo
adjective
  1. 2. zelfverzekerd
    1. con aplomo
    2. con seguridad
  2. 1. aantonend zelfbesef te hebben
    consciente de sí mismo
noun
  1. aplomo
  2. seguridad
demonstrativePronoun
mismo
noun
1. Het zich benemen van het leven
suicidio
adjective
presumido
noun
autoinducción
/ˈzɛɫfmoːrt/
noun
1. handeling waarbij men een einde maakt aan zijn eigen leven.
suicidio
noun
  1. ataque suicida
  2. atentado suicida
noun
intento de suicidio
noun
autoorganización
/'zɛlfpɔrtrɛt/
noun
1. een kunstwerk gebaseerd op de afbeelding van het eigen gezicht
autorretrato
adverb
  1. incluso
  2. hasta
adjective
1. op zichzelf staand
independiente
noun
1. woordsoort die een zekere mate van zelfstandigheid van het genoemde uitdrukt, in veel talen standaard gecombineerd met een lidwoord
  1. sustantivo
  2. substantivo
  3. nombre
noun
  1. independencia
  2. autonomía
noun
autodidáctica
noun
1. verdediging van zichzelf
  1. autodefensa
  2. defensa personal
noun
vanidad
noun
  1. medicamento de venta directa
  2. medicamento de venta libre
  3. medicamento de venta sin receta
noun
egoísmo
noun
  1. fanático
  2. zelote
noun
B 1. ingrediënt dat bestaat uit met de zaadhuiden vergroeide vruchtwanden en kiemen
  1. acemite
  2. salvado
/'zɛndəlɪŋ/
noun
1. persoon die uitgezonden wordt om mensen tot het geloof in het protestantse christendom te bekeren
misionero protestante
verb
1. sturen
  1. enviar
  2. mandar
  3. remitir
noun
  1. 2.
    1. emisor
    2. emisora
    3. estación radiofónica
    4. transmisor
  2. 1.
    remitente
noun
  1. misión
  2. envío
noun
  1. ajuga
  2. búgula
  3. consuelda media
  4. hierba del carpintero
  5. pinillo
/zenɪt/
noun
1. het denkbeeldige punt loodrecht omhoog aan de hemelkoepel
cenit
noun
1. een onderdeel van het perifeer zenuwstelsel, bestaande uit gebundelde uitlopers van zenuwcellen
nervio
/ˈzenʏˌʋɑxtəx/
adjective
1. onrustig, bezorgd en gespannen over iets wat gaat gebeuren
nervioso
/ˈze.ny.sɛl/, /ˈze.nyʊ̯.sɛɫ/, /ˈzeː.nyʊ̯.sɛl/
noun
een zeer belangrijke cel in het zenuwstelsel
  1. neurona
  2. célula nerviosa
noun
1.een geneesmiddel met een kalmerend effect
tranquilizante
noun
1. het gehele zenuwsysteem
sistema nervioso
adjective
neurótico
noun
1. klasse silicaat-mineralen met een kristalstructuur die kanalen en holtes bevat in de grootteorde van nanometers
  1. zeolita
  2. ceolita
verb
enjabonar
noun
1. het getal 6
seis
/ˈzɛs.də/, /ˈzɛz.də/
ordinalAdjective
nummer zes in een rij
sexto
cardinalNumeral
1. het getal 26
veintiséis
/zɛsɦuk/
noun
1. een geometrische tweedimensionale vorm, bestaande uit zes hoeken en derhalve ook zes zijden
  1. hexagone
  2. hexágono
noun
acanalador de fruta
cardinalNumeral
1. het getal 16
dieciséis
ordinalAdjective
decimosexto
cardinalNumeral
1. het getal 60
sesenta
ordinalAdjective
sexagésimo
noun
exaedro
/zɛt/
noun
  1. beweging waarbij iets verplaatst wordt
    empujón
  2. handeling gedurende een spelbeurt
    movimiento
noun
administrador
noun
  1. 1. constructie bestemd om prettig op te zitten
    1. asiento
    2. sede
  2. 2. lidmaatschap van een raad of vergadering met een beperkt aantal leden
    1. cargo
    2. sede
  3. 3. plaats waar een organisatie gevestigd is
    sede
noun
distribución de escaños
noun
  1. almidón
  2. fécula
noun
1. een medicament in de vorm van een pil die via de anus toegediend wordt
supositorio
noun
2. extract
extracto
verb
1. iets schikken
poner
noun
cajista
noun
  1. 3. het vaststellen van een bedrag, een prijs
    1. acuerdo
    2. arreglo
  2. 4. inklinken
    1. consolidación
    2. rebaja
noun
1.
composición tipográfica
noun
1. vrouwelijk varken of everzwijn
  1. cerda
  2. puerca
  3. marrana
  4. cochina
verb
2. iets met grote inspanning verplaatsen
arrastrar
/zœys/
pronoun
1. Griekse oppergod
Zeus
/ˈzøvən/
cardinalNumeral
1. het getal 7
siete
/ˈzøvən/
verb
1. de grote van de kleine deeltjes scheiden met behulp van een zeef
tamizar
noun
1. soort struik, Juniperus sabina
enebro corveño
/ˈze.vən.də/
ordinalAdjective
  1. séptimo
  2. sétimo
/ˈzøvənənˌtwɪntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 27
veintisiete
noun
plant en kruid
meliloto azul
noun
lirón gris
/ˈzøvənˌtin/
cardinalNumeral
1. het getal 17
diecisiete
ordinalAdjective
decimoséptimo
/ˈzøvəntəx/
cardinalNumeral
1. het getal 70
setenta
ordinalAdjective
septuagésimo
noun
  1. 2. speeksel
    saliva
  2. 3. kletspraat
    tontería
phraseologicalUnit
1.
acarrearse
phraseologicalUnit
1.met veel energie zich met iets gaan bezighouden
abalanzarse
noun
  1. 1. wat gezien kan worden
    visibilidad
  2. 2. gezichtsvermogen
    vista
  3. 1. kleine zeis
    1. hocete
    2. hocino
adjective
visible
verb
segar
reflexivePersonalPronoun
se
adjective
1. lichamelijke toestand
  1. enfermo
  2. morboso
noun
enfermo
adjective
1. geneigd om vaak ziek te zijn
enclenque
noun
  1. caja de enfermedad
  2. seguridad social
noun
1. compensatie voor loon gederfd door ziekte
subsidio de enfermedad
/ˈzi.kǝn.ˌɦœʏs/
noun
1. instelling voor onderzoek, behandeling en verpleging van zieken
hospital
noun
director de hospital
noun
1. een voertuig ingericht voor het vervoer van patiënten, gewoonlijk naar een ziekenhuis toe
ambulancia
noun
1. een van de zeven sacramenten van de Rooms-Katholieke Kerk alsmede van de Orthodoxe Kerk dat door een priester wordt toegediend aan zieken die in doodsgevaar verkeren
unción de los enfermos
noun
enfermedad
noun
1. dodelijke prionziekte waarbij de hersenen worden aangetast
enfermedad de Creutzfeldt-Jakob
noun
enfermedad de Crohn
noun
1. ziekte die het centrale zenuwstelsel steeds verder aantast
enfermedad de Parkinson
noun
patología
/zil/
noun
1. het veronderstelde wezen van het niet-stoffelijke van de mens
alma
adjective
digno de lástima
noun
psiquiatra
noun
psicología
adjective
psicológico
noun
  1. angustia
  2. ansia
  3. horror
adverb
  1. con mucho gusto
  2. con muchísimo gusto
  3. de buena gana
  4. de muy buena gana
verb
1. op sterven liggen
  1. agonizar
  2. boquear
verb
1. waarnemen met het oog
ver
/ˈzɪftə(n)/
verb
1. de grote van de kleine deeltjes scheiden met behulp van een zeef
  1. cribar
  2. zarandar
  3. zarandear
/siˈɣønər/
noun
  1. gitano
  2. bohemio
noun
porraimos
noun
zigurat
/sɛɪ̯/, /zɛɪ̯/, /zɛː/
noun
  1. 1. een van beide kanten van een lichaam
    1. costado
    2. lado
  2. 2. stof
    seda
/sɛɪ̯/, /zɛɪ̯/, /zɛː/
personalPronoun
  1. 1. 3e persoon enkelvoud vrouwelijk
    ella
  2. 2. 3e persoon meervoud
    1. ellos
    2. ellas
noun
nave lateral
noun
  1. 1. kant
    lado
  2. 2. vezel van de cocon van de zijdevlinder
    seda
noun
2. benaming voor klein Zuid-Amerikaanse aapjes uit het geslacht Mico
tití
adjective
gris seda
adjective
lateral
noun
1. de larve van de zijdevlinder
gusano de seda
noun
1. een orgaan op de zijde van een groot aantal vissen dat verandering in waterdruk waarneemt
línea lateral
noun
1. de vlinder die uit de zijderups komt
mariposa del gusano de seda
noun
1. rups van de zijdevlinder, Bombyx mori
gusano de seda
/zɛɪkɑnt/
noun
1. datgene dat de zijde vormt
lado
noun
1. een orgaan op de zijde van een groot aantal vissen dat verandering in waterdruk waarneemt
línea lateral
noun
ser
possessivePronoun
1. derde persoon enkelvoud m/o
  1. su
  2. sus
verb
  1. 3. zich bevinden.
    1. estar
    2. ser
    1. 5. gelijk zijn aan.
    2. 1. bestaan
    3. 6. tot de groep behoren van
    4. 11. zijn + voltooid deelwoord: hulpwerkwoord van de voltooide tijd van de lijdende vorm
    5. 7. de eigenschap hebben.
    6. 10. zijn + voltooid deelwoord: hulpwerkwoord van de voltooide tijd van ergatieven
    1. ser
    2. estar
noun
1. een rivier die niet in zee maar in een andere rivier uitmondt
afluente
noun
  1. carretera secundaria
  2. travesía
/zɪlt/
adjective
1. met een relatief hoog zoutpercentage
  1. salino
  2. salobre
noun
  1. plata
  2. argento
noun
bromuro de plata
phraseologicalUnit
medalla de plata
adjective
gris plata
noun
1. grote meeuwensoort
gaviota argéntea
noun
1. AgNO₃
nitrato de plata
noun
1. een plant uit de rozenfamilie (Rosaceae), de naam van deze plant komt door het zilverig uiterlijk ...
anserina
noun
1. kleine in zuur ingelegde bol van Allium cepa
cebolleta
noun
1.1 bepaald soort insect Lepisma saccharina
  1. pececillo de plata
  2. lepisma de la harina
  3. lepisma del azúcar
/'zɪlvərvlisrɛist/
noun
rijst waarvan de zemelen en de kiem niet verwijderd zijn
arroz integral
adjective
1. lichtgrijs met een metaalglans
blanco plateado
noun
dólar zimbabuense
/zɪm.ˈbɑ.b<sup>ʊ</sup>ə/, /zɪm.ˈbɑp.wə/
pronoun
land in zuidelijk Afrika, officieel de Republiek Zimbabwe
Zimbabue
noun
telegrama Zimmermann
noun
  1. 2. een verlangen om iets te doen
    1. deseo
    2. placer
  2. 1. een serie woorden die gezamenlijk in syntactisch verband een afgerond geheel vormen
    1. frase
    2. oración
  3. 5. mogelijkheid om waar te nemen
    1. sentido
    2. sentido corporal
  4. 4. een bestaansreden
    1. significación
    2. significado
adjective
  1. 1.1 van kinderen: poepend en plassend op een toiletpot
    1. aseado
    2. entrenado
    3. limpio
  2. 1.2 van huisdieren: alleen buitenshuis of binnenshuis op een daarvoor bestemde plaats poepend en plassend
    1. entrenado
    2. limpio
  3. 2. schoon, rein
    1. limpio
    2. puro
noun
1. een jong kind leren om de natuurlijke behoeften te beheersen en alleen uit te oefenen op een aangewezen plek
entrenamiento para ir al baño
verb
1. het musiceren met de menselijke stem
cantar
noun
1. , een scheikundig element met symbool Zn en atoomnummer 30. Het is een blauw/wit overgangsmetaal
  1. zinc
  2. cinc
verb
1. in een vloeistof, meestal water, traag naar beneden zakken
hundir
adjective
amarillo de zinc
noun
1. ZnO
  1. óxido de cinc
  2. óxido de zinc
noun
calamina
adjective
1. iets dat geen zin (nut) heeft
  1. inútil
  2. vano
adjective
  1. 1. van de zintuigen
    1. físico
    2. sensible
    3. sensorio
  2. 2.-3.
    1. libidinoso
    2. lujurioso
    3. sensual
    4. voluptuoso
noun
sensualidad
adjective
  1. 2. waar een logisch verband in te ontdekken is
  2. 1. dat wat zin heeft, een toekomstig nut dient
sensato
noun
sintaxis
noun
1.syntactische eenheid binnen een zin
elemento oracional
noun
1. samenhangend deel van een betoog, tekst of zin
  1. Phrase
  2. frase
verb
1. op minder duidelijke wijze naar iets refereren
aludir
noun
contexto
/ˈzɪntœx/, /ˈzɪntœyx/
noun
1. orgaan
sentido
pronoun
Sion
/zijoˈnɪsmə/
noun
sionismo
/zijoˈnɪst/
noun
sionista
noun
1. scheikundig element met symbool Zr en atoomnummer 40
  1. circonio
  2. zirconio
/zɪr'koːn/
noun
1. een mineraal
  1. circón
  2. zircón
noun
baño de asiento
noun
  1. sala de estar
  2. salón
  3. cuarto de estar
noun
1. een plaats waar men kan zitten
asiento
/ˈzɪ.tə(n)/
verb
1. op het zitvlak rusten
  1. estar sentado
  2. estar
  3. sentarse
/zɪtɪŋ/
noun
  1. 1. het gevoerde deel van een stoel waarop men zit
    asiento
  2. 2. de tijd dat een raad of ander lichaam werkzaam bijeen is
    1. sesión
    2. junta
noun
1. achterste, achterwerk
  1. culo
  2. nalgas
  3. posaderas
  4. trasero
interjection
1. op die manier
  1. así
  2. tan
adverb
1. net, even tevoren
hace un momento
conjunction
  1. 1. in die mate als
  2. 2. bijvoorbeeld
como
adverb
1. in die mate
de tal forma
conjunction
en daardoor
manera, de ~ que, de modo que
adjective
zodiacal
adverb
1. op die wijze
por eso
verb
1. proberen te vinden
buscar
noun
  1. 2. een richtmiddel op een camera of vuurwapen
    1. alza
    2. buscador
  2. 4.
    buscador
noun
foco
noun
1. een instrument waarmee men informatie kan zoeken in een bepaalde collectie...
motor de búsqueda
verb
1. zo behandelen dat iets niet meer terug te vinden is
perder
noun
término de búsqueda
noun
1. een reis die men onderneemt op zoek naar iets
búsqueda
pronoun
1. Bantoetaal die door 12 miljoen mensen in Zuid-Afrika wordt gesproken
zulú
verb
1. een vrij zacht continu geluid voortbrengen dat op de z-klank lijkt
zumbar
noun
1. het met de lippen aanraken van een persoon of een voorwerp
beso
verb
1. met de mond liefkozen
besar
/ˈzut/
adjective
  1. 5. gehoorzaam, braaf
    bueno
  2. 1. ter omschrijving van een vaak als aangename ervaren smaak zoals die van suiker
    dulce
noun
1.
agua dulce
noun
1. een zetmeel houdende knol behorend tot dezelfde orde van planten als de aardappel
batata
noun
querida
/ˈzu.tə(n)/
verb
1. zoet maken
azucarar
noun
  1. dulzor
  2. dulzura
/ˈzuthʌʊt/
noun
1. Glycyrrhiza glabra, een plant die tot de vlinderbloemigen behoort
  1. regaliz
  2. alcazuz
  3. orozuz
  4. palo dulce
noun
2. zoetstof zonder suiker
  1. edulcorante
  2. edulcorante artificial
  3. endulzante
  4. sustituto del azúcar
noun
zoetwater
agua dulce
adjective
agridulce
noun
1.
agridulce
/ˈzoːɣ.ə(n)/
verb
1. moedermelk geven
  1. amamantar
  2. dar el pecho
/zo.ɣə.'namt/
adjective
1. door anderen zo genoemd (waarmee de gebruiker afstand nemend van de naam of het begrip zelf), niet echt
llamado
/zo.ɣə.'namt/
adverb
1. naar (betwijfelde) bewering
  1. presunto
  2. seudo
adjective
por decirlo así
conjunction
  1. en tanto
  2. hasta que
  3. mientras
  4. tanto como
/ˈzɔldər/
noun
3. ruimte onder een (schuin) dak
  1. desván
  2. ático
  3. buhardilla
  4. altillo
noun
1. een luik dat toegang biedt naar een zolder
trampilla del desván
adverb
1. op willekeurige wijze, zonder nadenken of voorbereiden
sencillamente
noun
1. door magie uit de dood teruggebracht persoon
  1. zombi
  2. zombie
verb
1. van zomen voorzien
dobladillar
noun
  1. verano
  2. estío
noun
1. bepaald soort loofboom, Quercus robur
  1. roble común
  2. carballo
  3. roble
/ˈzo.mər.ˌhœʏ̯s/, /ˈzo.mər.ˌhœːs/
noun
1. huis om de zomer en de vakanties door te brengen
casa de veraneo
noun
  1. campamento de verano
  2. campo de verano
adjective
1. typerend voor de zomer
veraniego
noun
satirión de tres testículos
noun
1. regeling waarbij de klok gedurende de lente- en zomermaanden een uur vooruit wordt gezet
horario de verano
noun
1. bepaald soort lichtbeige vogel, Streptopelia turtur
tórtola europea
noun
tiempo de verano
noun
1. de ster waar de planeet aarde omheen draait, hemellichaam dat de aarde overdag verlicht
sol
noun
1.
pecador
noun
1. een dag van de week die na zaterdag en voor maandag komt
domingo
noun
escuela dominical
noun
1. overtreding van een goddelijke wet of regel
pecado
preposition
1. In afwezigheid van
sin
adjective
1. bij alle anderen bevreemding opwekkend
raro
adjective
pecaminoso
/zɔndəɣə(n)/
verb
1. het overtreden van een religieuze wet
pecar
noun
1. een catostrofale Bijbelse vloed
diluvio
/ˈzoːnə/
noun
1. bepaald gebied dat is afgebakend van aangrenzend gebied
zona
/ˈzɔneˌklɪps/
noun
1. het verschijnsel dat de maan voor de zon langstrekt, waardoor het zonlicht geblokkeerd wordt
  1. eclipse solar
  2. eclipse de Sol
adverb
1. als dit niet het geval zou zijn
sino
noun
índice UV
noun
1. de zichtbare elektromagnetische straling van de ster waarrond onze aarde draait
luz solar
/'zɔnəʔenɛr'ɣi/
noun
1. energie die gewonnen wordt uit de straling van de zon
energía solar
/ˈzɔnəban/
noun
1. de cirkel aan de hemel die de zon in één jaar schijnt te doorlopen, in werkelijkheid dus de aardbaan
eclíptica
/zɔnəbɑt/
noun
het doelbewust de huid aan de stralen van de zon blootstellen om bruin te worden
baño de sol
noun
1. ligbank met lampen die ultraviolette stralen uitzenden waardoor de huid bruin wordt
  1. solario
  2. solárium
noun
1. vensterluik met horizontale latjes, om de zonnestralen buiten te houden
  1. celosía
  2. persiana
/ˈzɔnəˌblum/
noun
1. bepaald soort tot 3 meter hoge plant met een grote gele bloem, Helianthus annuus
  1. girasol
  2. mirasol
noun
1.
aceite de girasol
noun
1. de vaak pijnlijke gevolgen van een blootstelling van de huid aan een te grote dosis ultraviolet licht
  1. quemadura de sol
  2. quemadura solar
noun
1. substantie tegen verbranding van de huid
protector solar
noun
1. een bril met speciale glazen (dikwijls polaroid) om de ogen tegen het zonlicht te beschermen
  1. gafas de sol
  2. gafas oscuras
noun
célula fotoeléctrica
noun
colector solar
noun
  1. constante solar
  2. constante solaire
noun
  1. atrapamoscas
  2. cola de raposo
  3. drosera
  4. hierba del rocío
  5. rabo de ratón
  6. rocío del sol
adjective
amarillo sol
noun
dios solar
noun
saludo al sol
noun
  1. 1. plant
    equinácea
  2. 2. hoed voor op het strand
    sombrero de playa
/ˈzɔ.nə.ˌjar/
noun
1. de tijd die het de aarde kost één keer rond de zon te draaien
año solar
noun
Cántico de las criaturas
/ˈzɔnəpɑˌnel/, /ˈzɔnəpɑˌnɪːɫ/
noun
1. een paneel dat stralingsenergie van de zon omzet in elektriciteit
  1. panel solar
  2. panel fotovoltaico
noun
1. een scherm voor een venster om de zon buiten te sluiten
  1. colgadizo
  2. marquesina
  3. parasol
  4. quitasol
  5. sombrilla
noun
1. het licht dat van de zon afkomstig is
  1. sol
  2. luz del sol
noun
1. plotselinge aandoening van de hersenen ten gevolge van te felle zonneschijn of te grote hitte
  1. insolación
  2. golpe de calor
  3. golpe de sol
  4. hipertermia
noun
1.
sistema solar
noun
1. keerpunt van de zon
solsticio
noun
  1. rayo de sol
  2. rayo solar
noun
radiación solar
noun
energía solar fotovoltaica
noun
torre solar
noun
erupción solar
noun
1. magnetische onregelmatigheid aan de oppervlakte van de zon die vanaf de aarde te zien is als een wat donkere vlek
mancha solar
noun
2. auto
automóvil solar
noun
eclíptica
/ˈzɔnəˌwɛndə/, /ˈzɔnəˌʋɛndə/, /ˈzɔnəˌβ̞ɛndə/
noun
1. de gebeurtenis waarbij de zon, vanuit de aarde gezien, de meest noordelijke of zuidelijke positie (de keerkringen) bereikt
solsticio
noun
  1. reloj de sol
  2. reloj solar
noun
1. de stroom deeltjes die de zon uitstraalt
viento solar
adjective
1. zonovergoten, met zonneschijn
  1. soleado
  2. asoleado
/zɔn'zɔndərχɑŋ/
noun
1. het ondergaan van de zon
  1. puesta del sol
  2. ocaso
noun
1. het opkomen van de zon
salida del sol
/zɔnˈsɔpkɔmst/
noun
1. het 's morgens boven de horizon uitkomen van de zon
  1. salida del sol
  2. amanecer
  3. alborada
  4. aurora
/ˈzɔnsvərˌdœʏ̯stərɪŋ/, /ˈzɔnsvərˌdœːstərɪŋ/
noun
1. het verschijnsel dat de maan voor de zon langstrekt, waardoor het zonlicht geblokkeerd wordt
eclipse solar
noun
lado del sol
/zuː/
noun
1. verzameling levende, oorspronkelijk wilde dieren.
  1. zoológico
  2. zoo
  3. jardín zoo
/ˈzox.diːr/, /ˈzoːɣ.diːr/, /ˈzoχ.diːr/
noun
1. werveldier dat zijn jongen zoogt
mamífero
/ˈzox.diː.rə(n)/, /ˈzoχ.diː.rə(n)/
noun
mamíferos
noun
1. onderkant van de voet
  1. suela
  2. planta
noun
  1. 1. rand aan de buitenkant
    1. borde
    2. linde
    3. orilla
    4. vera
  2. 2. tegen uitrafeling beschermende omslag van het uiteinde van een kledingstuk
    dobladillo
noun
  1. objetivo zoom
  2. zum
/zoːn/
noun
1. een mannelijk kind
hijo
noun
  1. 2. verpleging, voorzien in een behoefte
    cuidado
  2. 1. behoedzame overweging
    1. preocupación
    2. inquietud
adjective
1. onbekommerd, zonder zorgen
descuidado
verb
1. zorg dragen
  1. cuidar
  2. procurar
noun
1.
  1. conserje
  2. cuidador
adverb
1. met zorg voor alle details
  1. cuidadoso
  2. detenidamente
adjective
  1. grave
  2. crítico
adjective
1. met de nodige zorg
  1. cuidadoso
  2. solícito
noun
zoroastrismo
adjective
1. dwaas, gek
  1. bobo
  2. estulto
  3. extravagante
  4. necio
  5. ridículo
  6. sandio
noun
1. iemand die zich dwaas gedraagt
  1. bobo
  2. necio
  3. tonto
/zɑu̯t/
adjective
1. zout bevattend of zout smakend
  1. salado
  2. salino
/zɑu̯t/
noun
1. alledaagse naam voor keukenzout
sal
adjective
1. op zout gelijkend
salado
adjective
1. overdrachtelijk: waar alle belangwekkendheid aan ontbreekt
  1. insípido
  2. soso
verb
1. met zout conserveren
salar
/ˈzɑutˌvacə/
noun
2. tafelgereedschap dat het zout bevat en strooit
salero
noun
1. decoratieve pot die het zout bevat
salero
noun
agua salada
noun
1. een oplossing
  1. ácido clorhídrico
  2. ácido de sal
indefiniteCardinalNumeral
  1. 1. een bepaalde hoeveelheid
  2. 2. een onbepaald, bekend of bekend geacht aantal
tanto
/ˈzo.zo/
adjective
mas o menos
noun
zoogeografía
/zoʔo'lox/
noun
1. een wetenschapper die zich bezig houdt met de studie van dieren.
  1. zoóloga
  2. zoólogo
noun
zoonosis
/ˌzowospɛrˈmi/
noun
zoospermia
noun
zootomía
noun
  1. 1. onbedwingbare drang, verslaving
    manía
  2. 1. hoorbare uitademing
    suspiro
verb
1. hoorbaar diep uitademen, meestal als uiting van frustratie
suspirar
/zœʏ̯t/, /zœːd/, /zœːt/
adverb
sur
/zœʏ̯t.'a.fri.ka/, /zœː'.dɑ.fri.ka/, /zœːt.'a.fri.ka/
pronoun
land in het zuiden van Afrika
  1. Sudáfrica
  2. África del Sur
noun
Merluccius capensis
merluza del Cabo
noun
rand sudafricano
/ˌzœʏ̯t aˈmɪːrika/, /ˌzœːd aˈmeːrika/
pronoun
een continent dat ten zuiden van Noord-Amerika ligt, tussen de Grote en de Atlantische Oceaan
  1. América del Sur
  2. Suramérica
  3. Sudamérica
adjective
sudamericano
pronoun
1. Australische deelstaat in het zuiden
Australia meridional
pronoun
1. is een randzee van de Grote Oceaan en ligt ten zuiden van China
mar de la China Meridional
pronoun
  1. Territorio británico de ultramar de las islas Georgias y Sándwich del Sur
  2. islas Georgias del Sur y Sándwich del Sur
/zœʏ̯.ˈtɔ.lɑnt/, /zœːt.ˈɦɔ.lɑnt/, /ˈzœːd.hɔ.lɑnd/
pronoun
1. een provincie in het zuidwesten van Nederland, die aan Noord-Holland, Utrecht, Gelderland, Noord-Brabant, Zeeland en de Noordzee grenst
Holanda Meridional
/ˌzœʏ̯t koˈre.ja/, /ˌzœːt koˈre.ja/
pronoun
1. en 2., land en republiek in Azië
Corea del Sur
noun
won surcoreano
noun
libra sursudanesa
adjective
1.
  1. austral
  2. del sur
  3. meridional
noun
  1. hemisferio austral
  2. hemisferio meridional
adjective
  1. austral
  2. meridional
/ˈzœy̯.də(n)/
noun
sur
pronoun
1. grootste eiland van Nieuw-Zeeland
isla Sur
noun
aurora austral
adverb
  1. sudeste
  2. sureste
noun
  1. sudeste
  2. sureste
pronoun
1. Noordpool
  1. Polo Antártico
  2. Polo Austral
  3. Polo Sur
noun
1.
aurora austral
adverb
  1. sudoeste
  2. suroeste
noun
  1. sudoeste
  2. suroeste
noun
1. hoofddeksel
sueste
noun
  1. bebé
  2. crío
  3. lactante
  4. niño de pecho
/ˈzœy̯.ɣə(n)/
verb
  1. 1. (met de mond) naar zich toe trekken
    1. chupar
    2. sorber
  2. 2. de moedermelk in zich opnemen
    mamar
noun
  1. pistón
  2. émbolo
noun
bulón
noun
1.
  1. bomba de pistón
  2. bomba de émbolo
noun
  1. anillo de pistón
  2. segmento
  3. segmento de pistón
noun
velocidad del pistón
noun
biela
noun
  1. segmento
  2. segmento de pistón
noun
campana
noun
columna
noun
  1. peristilo
  2. portal
noun
  1. caña de fusil
  2. fuste
adjective
1. voorzichtig met het uitgeven van geld of andere kostbare zaken
  1. ahorrador
  2. económico
/ˈzœʏ̯.nəχ.ˌɦɛɪ̯t/, /ˈzœː.nəx.ˌɦɛːt/, /ˈzœː.nɪx.ˌhɛɪ̯d/
noun
1. het zuinig zijn
economía
verb
1. zwaar of gulzig drinken
  1. chingar
  2. empinar
noun
  1. botellón
  2. bacanal
noun
1. verzamelnaam voor melkproducten
productos lácteos
noun
1. voedingsmiddel op basis van melk
producto lácteo
adjective
1. onbezoedeld, zonder verontreiniging
  1. inmaculado
  2. limpio
  3. puro
adjective
verde puro
adjective
naranja puro
adjective
rojo puro
adjective
blanco puro
verb
1. van verontreinigingen ontdoen
  1. purificar
  2. depurar
  3. limpiar
  4. acendrar
  5. apurar
noun
  1. depuración
  2. purificación
noun
bicarbonato
noun
  1. estrella de arroyos
  2. tripolio
  3. áster marítimo
noun
1. en 2. een geslacht van meest overblijvende, kruidachtige planten uit de duizendknoopfamilie...
acedera
noun
1. een ander kind van dezelfde ouders van het vrouwelijk geslacht
hermana
noun
  1. 2.
    enfermera
  2. 1. vrouwelijk kind van dezelfde ouders
    hermana
/zyːr/
noun
1. zure vloeistof
  1. ácido
  2. agrio
noun
  1. constante de acidez
  2. constante de disociación ácida
  3. constante de ionización ácida
/ˈzyrɣrat/
noun
1. de mate waarin iets zuur is, gewoonlijk gemeten als de negatieve logaritme (-log) van de concentratie waterstofionen
  1. acidez
  2. grado de acidez
noun
1. fijngesneden en licht gezouten kool die enige tijd gefermenteerd is
chucrut
noun
plato de chucrut
/ˈzyːrstɔf/
noun
1. een scheikundig element en een bij kamertemperatuur kleurloos twee-atomig gas O₂
oxígeno
noun
tanque de oxígeno
noun
  1. 2. vrucht
    guanábana
  2. 1. plant
    1. guanábano
    2. yaca
verb
1. begroeten door met de hand heen en weer te bewegen
saludar
noun
1.
escuadra corrediza
noun
  1. faro de destello
  2. luz giratoria
/zʋan/
noun
1. benaming voor watervogels met lange sierlijke hals uit het geslacht Cygnus
cisne
adjective
van groot gewicht
pesado
noun
1. water waarin de waterstofatomen vervangen zijn door de waterstofisotoop deuterium
agua pesada
noun
1. een lang, scherp wapen
espada
noun
golpe de espada
noun
gladiador
noun
1.1 bepaald soort zeevis, Xiphias gladius
  1. pez espada
  2. emperador
  3. espada
noun
1. Orcinus orca, een soort van walvis, vrij gedrongen van bouw en een opvallende rugvin
orca
adjective
1. van groot lichaamsgewicht
  1. corpulento
  2. obeso
adjective
  1. adusto
  2. melancólico
  3. sombrío
noun
1. de kracht die de wederzijdse aantrekking van massa veroorzaakt
  1. gravitación
  2. gravedad
noun
  1. lente gravitacional
  2. lente gravitatoria
noun
campo gravitatorio
noun
mediana
noun
  1. baricentro
  2. centroide
adjective
2. zeer belangrijk
  1. grave
  2. importante
/ˈzwɑbər/
noun
fregona
/ˈzwɑbərə(n)/
verb
1. het reinigen met een zwabber
barrer con una mopa
/ˈzwɑxtəl/
noun
vendaje
/ˈzʋa.ɣər/
noun
cuñado
/zwaɣəˈrɛs/
noun
1. de echtgenote van iemands broer of zus, of de zus van iemands echtgenoot of echtgenote.
cuñada
/zwaɣəˈrɨn/
noun
1. de echtgenote van iemands broer of zus, of de zus van iemands echtgenoot of echtgenote.
cuñada
/zʋɑk/
adjective
  1. débil
  2. endeble
noun
  1. debilidad
  2. facilidad
  3. flaqueza
  4. flojedad
  5. fragilidad
/zwɑktə/
noun
  1. adinamia
  2. debilidad
noun
  1. idiota
  2. imbécil
noun
1. benaming voor trekvogels uit de familie Hirundinidae
golondrina
noun
1. bepaald soort moerasplant met roze bloemen, Butomus umbellatus
junco florido
noun
canto de cisne
adjective
1. de toestand waarin een vrouw verkeert wanneer er in de baarmoeder een bevruchting heeft plaatsgevonden
  1. embarazada
  2. encinta
  3. preñada
  4. en estado
noun
1. de tijd dat een vrouw een ongeboren kind met zich draagt
  1. embarazo
  2. gravidez
noun
1. een voortijdige en kunstmatige beëindiging van een zwangerschap
  1. aborto
  2. interrupción del embarazo
noun
diabetes mellitus gestacional
noun
1. een voortijdige en kunstmatige beëindiging van een zwangerschap
  1. aborto
  2. interrupción del embarazo
noun
2. produkt dat via de urine tekenen van een zwangerschap onthult
prueba de embarazo
adjective
1. kleur die wordt waargenomen als iets helemaal geen licht weerkaatst of uitstraalt
negro
noun
1. gebied van de ruimte-tijd waaruit niets, zelfs geen licht kan ontsnappen omdat de zwaartekracht te sterk is
  1. agujero negro
  2. hoyo negro
noun
1. betaalmiddelen die afkomstig zijn uit belastingontduiking of onwettige handel
dinero negro
adjective
azul negruzco
noun
1. een publicatie van gegevens over een misstand
libro negro
adjective
pardo negruzco
noun
1. vruchtje van Ribes nigrum
  1. grosella negra
  2. casis
  3. cassis
phraseologicalUnit
mercado negro
noun
1. gepelde, ongepolijste zaden van specifieke rijstsoorten (Oryza sativa), met een heel donkere kleur
arroz negro
pronoun
1. de zee die ligt ingeklemd tussen Europa en Klein-Azië
  1. mar Negro
  2. Mar Negro
/zʋɑrt'xɑləx/
adjective
1. melancholisch, somber
  1. melancólico
  2. sombrío
noun
1. het somber en cynisch zijn als stemming of persoonlijkheidskenmerk
  1. hipocondría
  2. pesimismo
adjective
gris negruzco
adjective
verde negruzco
noun
1. pessimist
pesimista
noun
1. bepaald soort vogel, Sylvia atricapilla
curruca capirotada
noun
  1. apio caballar
  2. apio caballuno
adjective
rojo negruzco
/zʋavəl/
noun
1. scheikundig element met symbool S en atoomnummer 16
azufre
adjective
1. een laag gehalte aan zwavel bevattend
con bajo nivel de azufre
noun
  1. dióxido de azufre
  2. E220
  3. anhídrido sulfuroso
verb
1. met zwaveldamp desinfecteren
  1. azufrar
  2. sulfurar
  3. sulfatar
adjective
amarillo azufre
adjective
  1. sulfúreo
  2. sulfúrico
noun
ácido sulfuroso
noun
1. een verbinding van waterstof en zwavel met de formule H₂S
sulfuro de hidrógeno
noun
1. een sterk zuur bestaande uit zwavel, waterstof en zuurstof met een wateronttrekende en bijtende werking
ácido sulfúrico
/ˈzweːdə(n)/, /ˈzʋedə(n)/, /ˈzβ̞eːdə(n)/
pronoun
1. een land in het noorden van Europa, grenzend aan Noorwegen en Finland. De officiële naam is het Koninkrijk Zweden (Konungariket Sverige)
Suecia
/zwed/, /zʋet/, /zβ̞et/
noun
1. een inwoner van Zweden, of iemand afkomstig uit Zweden
sueco
/zweds/, /zʋets/, /zβ̞ets/
adjective
1. betreffende Zweden of het Zweeds
  1. sueco
  2. sueca
/zweds/, /zʋets/, /zβ̞ets/
pronoun
1. een Germaanse taal die wordt gesproken in Zweden en Finland
sueco
noun
corona sueca
noun
1. kabelbaan
teleférico
noun
tiovivo
noun
trapecio
verb
  1. volar a vela
  2. volar sin moto
  3. vuelo a vela
noun
1. een piloot die een zweefvliegtuig bestuurt en/of die de sport zweefvliegen beoefent
piloto de planeador
noun
1. toestel met vleugels dat zich ongemotoriseerd door de lucht verplaatst door gebruik te maken van opstijgende luchtstromingen
planeador
noun
1. vliegveld waar men zweefvliegen beoefend
campo de vuelo sin motor
noun
1.
vuelo sin motor
noun
1. een handwapen in de vorm van een lang ineengedraaid stuk leer dat met een zwiepende beweging pijnlijke slagen uit kan delen
látigo
noun
1.
  1. úlcera
  2. llaga
noun
1. vocht dat door de huid wordt uitgescheiden als koeling en middel om sommige afvalstoffen kwijt te raken
sudor
noun
1.een klier in het lichaam dat zweet produceert
glándula sudorípara
noun
2. eenhandsfluit
  1. flauta de tres agujeros
  2. txistu
/zʋɛlɣə(n)/
verb
  1. 2. zich onmatig verlustigen in, te buiten gaan aan
    1. deleitar
    2. revolcar
  2. 1. gulzig opeten of -drinken
    1. engullir
    2. tragar
noun
  1. borrachera
  2. orgía
verb
1. in volume toenemen
hincharse
noun
hinchazón
/ˈzwɛmbɑd/, /ˈzʋɛmbɑt/, /ˈzβ̞ɛmbɑt/
noun
1. een bassin om in te zwemmen
  1. piscina
  2. alberca
noun
1. kledingstuk voor mannen dat gebruikt wordt om in te zwemmen
bañador
noun
piscina
noun
1. kledij bedoeld voor het baden en zwemmen
traje de baño
verb
1. zich gecoördineerd door het water voortbewegen
  1. nadar
  2. natación
noun
nadador
noun
pie de atleta
noun
natación
/ˈzʋɛmvɛst/
noun
1. een in het water om het lijf gedragen vest met hoog drijfvermogen om verdrinken te voorkomen
chaleco inflable
/'zʋɛmvlis/
noun
  1. 2. schoeisel
    aleta
  2. 1. huidplooi
    membrana interdigital
/'zʋɛndəl/
noun
estafa
verb
  1. defraudar
  2. estafar
noun
  1. giro
  2. rotación
  3. vuelta
verb
  1. hacer dar vueltas
  2. hacer girar
  3. voltear
  4. volver
noun
  1. cañuela gigante
  2. festuca
verb
instigar
/'zʋɪːrə(n)/
verb
  1. 1. met een eed bekrachtigen
    jurar
  2. 2. etteren
    1. supurar
    2. ulcerarse
noun
perro callejero
/zʋɛrm/
noun
1. een grote groep gezamenlijk op- en rondtrekkende personen, dieren of zaken, gewoonlijk vogels of insecten
enjambre
/'zʋɛrvə(n)/
verb
1. doelloos of nomadisch heen en weer reizen
  1. errar
  2. vagar
  3. vagabundear
noun
  1. vagabundo
  2. vago
/'zʋetə(n)/
verb
1. transpireren
  1. sudar
  2. transpirar
verb
  1. planear
  2. cernerse
/'zʋevɪŋ/
noun
1. een geluidsverschijnsel dat veroorzaakt wordt door de interferentie van twee tonen met een gering verschil in toonhoogte
batimiento
noun
1. klierachtig, hormoonvormend orgaan
timo
noun
1. toegeven, wijken
  1. ceder
  2. rendirse
noun
  1. 2. gratie, elegantie
    1. aire
    2. gracia
  2. 1. draai, zwaai
    giro
adverb
  1. agraciado
  2. elegante
  3. gallardo
  4. gentil
verb
1. ervan afzien te spreken
  1. callar
  2. callarse
/'zʋɛɪxɛlt/
noun
dinero por callar
adjective
1. weinig sprekend
callado
noun
taciturnidad
noun
1. een varken
  1. cerdo
  2. puerco
/ˈzʋɛinəstɑl/
noun
1. ruimte bestemd voor de huisvesting van varkens; 2. (figuurlijk) vuile boel
pocilga
/zʋɪk/
noun
  1. 2. hoekstuk tussen een cirkel en de rechthoekige omlijsting hiervan
    enjuta
  2. 4. het zwikken, verstuiking
    1. torcedura
    2. distorsión
    3. esquince
verb
desaparecer
/'zʋɪŋəl/
noun
1. houten werktuig om vlas- en hennepvezels van de scheven te bevrijden
espadilla
/ˈzwɪtsər/, /ˈzʋɪtsər/, /ˈzβ̞ɪtsər/
noun
1. een inwoner van Zwitserland, of iemand afkomstig uit Zwitserland
suizo
/ˈzwɪtsərˌlɑnd/, /ˈzʋɪtsərˌlɑnt/, /ˈzβ̞ɪtsərˌlɑnt/
pronoun
1. een soeverein land in het zuiden van Centraal-Europa met als hoofdstad Bern en als officiële talen het Duits, het Frans, het Italiaans en het Reto-Romaans
Suiza
noun
franco suizo
verb
  1. afanarse
  2. bregar
adjective
  1. 1. vochtig warm, drukkend, benauwd
    1. bochornoso
    2. sofocante
  2. 2. zinnelijk, erotisch sensueel
    sensual
noun
cigoto
/zi'mozə/
noun
1. de fermentatie van suikers door gist
fermentación
pronoun
Zúrich
pronoun
Åland
adverb
en su punto
interjection
1. inleiding op een opmerking die met het voorgaande verbonden is
a propósito
/ˈɔŋstrøm/
noun
1. lengtemaat met een waarde van 10-10 m
ángstrom
/eːn/
cardinalNumeral
1. de inhoud van de kleinste niet-lege verzameling
  1. uno
  2. un
  3. una
noun
superhombre